Nederl.
duod.
284
ANNA ROOZE
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
0328 4787
1
b /u-i. oLoW-,
ANNA ROOZE
DOOR
LEIDEN. â A. W. SIJTHOFF.
J. J. CREMER.
Zesde druk.
i
ANNA HOOZE.
EERSTE HOOFDSTUK.
En buiten op het portaal daar beweegt zich in de richting dei-torenkamer eene vreemde figuur.
De persoon in dat vreeselijke sluike nachtgewaad, de vrouw met het paarse jak en den zeer korten . zwarten rok om de leden, de grijswollen kousen aan de magere\' beéoeïi,; en de muts zonder strook op de grijze slecht weggestreken Iraren^ is geen onbekende.
Dat kostuum, gevoegd bij ieder ander gelaat, zou â zelfs in ernstige oogenblikken â misschien den lachlust hebben opgewekt; doch hier, voor de zachtheid der gelaatstrekken wijkt de spotlust terug.
\'t Kan waar zijn dat die oogen fonkelen van een ziekelijk vuur, \'t kan waar zijn dat die fiere uitdrukking slechts een zeer voorbijgaande is, doch zeker is het, dat in die oogen en in al de trekken dier vrouw, niet slechts de adel van geboorte maar \'t allermeest de adel van een liefdevol gemoed te lezen staat.
En terwijl er iets fonkelt in dat oog \'t welk schijnt te vragen: Ben ik dan niet de dochter van jonkheer Edzard Sitze Moreel? blinkt er mee iets dat zegt: En ben ik niet vrij om te doen wat ik wil, niet vrij met mijn schat?
Arme vrouw! Nu trekt ze zich den haastig omgeslagen witten halsdoek vaster om den hals, en â ziet ze schuchter om.
Doch met haar lichtje in de hand, en de andere hand â waarin ze mede iets draagt â onder den doek verborgen, gaat ze weer voort, en nogmaals fonkelt haar oog, en lispt ze, ofschoon onhoorbaar:
âHij zal het niet hebben! Liever wierp ik het Petrus of Abraham in den schoot. Hij zal het niet krijgen. Neen!quot;
Nu staat ze voor Anna\'s kamerdeur. Zij vindt die gegrendeld. Zachtkens trekt zij den grendel terug. De deur klemt omlaag en knarst terwijl zij naar opendrukt. Binnentredende raakt haar voet
VI. i
ANNA ROOZE.
een ijzeren slaafje â het staafje van den krulstok â dat rammelend rolt naar een hoek.
Anna, die juist weer was ingedommeld, opent vluchtig de oogen, en van haar lippen glijdt een zacht geluid dat iets van geeuwen en zuchten had.
Een oogenblik later slaat tante Co-Mie de bedgordijn ter zij.
â Daar ligt Anna gekleed.
âAnna! Lieve kind!quot;
Anna met de oogen gesloten, zegt op dien snel in den droom overluid sprekenden toon: âJa ja, lieve moesje.... ja ja ja! Komme tante, lieve lieve lieve lieve. ...quot;
âZij slaapt! Zou ik haar wakker maken? Ben ik dan egoist.... altijd ...quot;?quot; zucht de tante half overluid: âNeen ik zal haar niet wakker maken. Neen, ze slaapt zoo kalm. Wat is ze schoon! Zóó was ik nooit. Maar jong ben ik toch geweest, lang geleden; jong met een ronden hals, en frissche wangen, en een vroolijk hart, totdat.... Stil. .. ik ben ijdel, dat mag zij niet weten. Straks zei ze droomend: Tante. ... lieve. â O als ik wist dat het geen heiligschennis was, dan zou ik haar daar op het voorhoofd zoenen.... daar.... Maar dat is maagdenroof. .. ik ben.... O Jehova!quot;
Allerlei vreemde denkbeelden dwalen de arme tante nu weder door het kranke hoofd, maar eindelijk herinnert zij zich alles:
â Dezen avond, toen ze over het portaal ging, heeft ze juist in Lijnings kamer zoo luid hooren spreken.
Ja zij was nieuwsgierig, maar die luide stem was ook de stem uit haar jeugd, de stem van dat engelachtige lieve kind; en dat kind moest op reis voor een arme zieke; en hij wilde haar geen geld geven. Ja, nu weet zij weer alles: En toen is zij heengevloden omdat zij beangst voor haar eigen nieuwsgierigheid is geworden; eu den ganschen avond is zij angstig geweest, vooral toen zij uit dat verborgen zijlaadje van haar oude schrijf-cassette het beugelknipje had genomen, en haastig naar haar stoel vluchtte omdat zij meende dat hij binnenkwam, hij, de Alwijze, de Rechte, Jehova! â Maar hij is heengegaan. Waarheen daar vraagt zij niet naar; dat is nieuwsgierigheid, dat is zonde. Somtijds werkt hij lang, heel lang in zijn kamer. Trien is bij haar gebleven; maar zelfs voor haar heeft zij het beugelknipje verborgen gehouden. In stilte heeft zij er dikwijls met de hand naar gevoeld.
â \'t Was eertijds het knipje van een kloeke schoone vrouw. Men noemde haar de Hoogwelgeboren Vrouwe Moreel, geboren freule Van Rijn en Monde, en het was haar eigen moeder, dat wist zij zeer góed. â En zij wist ook dat dit beursje met die mooie geldstukken er in, haar toebehoorde, geheel alleen, en â dat Anna, â die engel, op reis moest.
Trien is bij haar gekomen en zou haar gezelschap houden totdat hij kwam. Maar het werd laat; hoe langer hoe later; en hij kwam niet. De oogen der oude Trien zijn dichtgevallen; zij heeft geknikkebold; met den geopenden mond heeft zij gesnorkt, en toen. ja, nu weet zij alles, toen is zij zachtjes opgestaan om aan dit lieve
2
ANNA ROOZE. 3
kind te brengen wat ze scheen noodig te hebben, en wat haar eerlijk toekomt, ja, wat haar eigendom is.
ââ Haar eigendom, zeker! Want dat kind... dat is zij immers zelve, toen zij jong was; dat kind is haar jeugd, dat is Co-Mie uit den ouden tijd toen ze nog een hart had en begrip van goed en van kwaad - .
â⢠Zij zelve....!?
â Neen! Ik ben verward, denkt de arme voort, en eensklaps vertoont er zich op haar vervallen maar eertijds schoon gelaat dezelfde trek van fierheid die er ook straks op bespeurd is. â Dat is Anna die daar slaapt; en hij, hij doodt haar, evenals mij. Zij moet van hier. â Arm kind! Tante zal haar reisgeld geven. âZóó! Daar ligt het. â Hier naast haar horloge. Wacht, die zakdoek er over. Ja, zoo is het goed! Slaap nu rustig, slaap zacht Anna. Tante zal.... Eensklaps blijft de ongelukkige vrouw weer strak voor zich uit zien en angstig zucht ze bij zich zelve: Maar als hij eens hier kwam, hier, en hij vond het! hij!
Doch wat vreest ze. Lijning zal niet in deze kamer komen; dat denkbeeld kan zelfs niet oprijzen in het âbrein van zijn heiligen geest.quot;
â Zulk een achterdocht kon slechts ontkiemen in haar schuldig hoofd. O zij voelt het wel dat zij alleen ellendig is, en dat zij moet wegkwijnen; maar dat kind moet leven! Dat is een engel, dat is de zuster van den engel Gabriël; en samen â weer fonkelen haar oogen â ja samen zullen wij hem verslaan, den duivel! Samen.... En luide: âSlaap gerust Anna Maria Magdalena. Slaap zacht lieve kind, en goede reis! goede reis....!quot;
â Goede reis....? Is daar iemand geweest, die Anna een goede reis heeft toegewenscht? Was daar licht, O ja nu weet zij het wel, \'t was een korte maar liefelijke droom; iets van engelen.
Bij het schijnsel van een lucifer die Anna ontvlammen deed, ziet ze dat het nog pas tien minuten voor halftwaalf is.â O dat is heerlijk, vooral dewijl ze zich nu zooveel kalmer dan straks na dien droom gevoelt, ofschoon ze nog erg vermoeid is, en een looden druk haar de oogleden bezwaart. Ja, \'t is heerlijk dat ze nog slapen kon.
\'t Is mi halfzeven in den morgen.
Neen, zegt de duisternis: halfzeven in den nacht.
De hanen kraaien wel in de verte, maar toch er moet nog een geruime tijd verloopen eer zelfs de eerste worsteling tusschen licht en donker zal aanvangen.
En als die worsteling begint, dan staat Anna tot vertrekken gereed.
Toen de torenklok zes had geslagen, was zij reeds wakker geworden.
Alles wat zij bij het te bed gaan besloot, is haar bij \'t ontwaken eensklaps met volle klaarheid voor den geest gekomen; doch tevens heeft zij schier aanstonds beseft, dat ze gisteravond in een op-
4 ANNA ROOZE.
gewonden toestand heeft verkeerd, en een ontvluchten, op de wijze als ze het zich heeft voorgesteld, zoo al uitvoerbaar, toch inderdaad onnoodig en dwaas zou zijn. Anna gelooft zeker dat zij eau weinig koorts heeft gehad. â Nü ziet zij de zaken anders en beter in. De naderende dag bracht een klaardere beschouwing. Oom Lijning raag wezen wie hij wil, hij kan en zal haar toch niet in deze kamer opgesloten houden; en, is die deur maar eens geopend, dan zal zij weten te vertrekken, moet het zijn ook zonder zijne goedkeuring.
Terwijl de vreeselijke droom, dien ze in den voornacht had, haar nog een oogenblik heeft vervuld, kwam het denkbeeld vluchtig bij haar op, of ook die gansche voorstelling der gesloten deuren en het gereedmaken van dat touw, een schakel van die akelige droom-keten kan geweest zijn.
Ze wist wel beter maar nochtans om zich te overtuigen is zij van haar leger gesprongen.
Met een mengeling van schrik en verrassing heeft ze echter aanstonds bespeurd dat de deur zonder eenigen weerstand was te openen, ofschoon de loszittende kruk haar bewees dat zij daartoe den vori-gen avond wel degelijk vergeefsche pogingen heeft in het werk gesteld. â Het bewustzijn harer herkregen vrijheid heeft Anna eensklaps met een onuitsprekelijke blijdschap vervuld; maar ternauwernood kon ze eenige oogenblikken later naar oogen vertrouwen, toen zij bij het licht van net restende eindje kaars, onder den zakdoek op het nachttafeltje de beurs vond, die de goede tante er heeft neergelegd. Aan een wonderwerk geloofde Anna niet. Onmiddellijk kwam haar de waarheid voor den geest. Dit moet het spaarbeursje zijn waarvan de arme tante haar gesproken heeft. â Vier gouden tientjes één Zeeuwsche rijksdaalder, twee drieguldenstukken, benevens vijf enkele guldens met het borstbeeld van Willem I, bevinden zich in dat beugeltaschje, waarop aan de eene zijde Souvenir, en aan de andere zijde Que Dieu te guide in kralenschrift te lezen staat.
Om geld voor de reize heeft Anna niet gebeden; maar met dien schat, dien grooten schat in handen, is zij neergevallen op de knieën, en terwijl de tranen haar vloeiden langs de wangen, heeft zij bijna luide gezegd: âDank, dank o Vader! Uwe liefde zal mij leiden. Dank. Amen! Dank!quot;
Zij is gereed. Met de wollen sjaal over den arm, den reiszak en de parapluie in de linkerhand, slaat Anna, alvorens dit vertrek te verlaten, nog een blik in \'t ronde. Een blik van weemoed is het niet. Neen, al hecht zich het hart aan de stomme getuigen van ons leed â mi gejaagd door een altijd tot spoed vermanende stem van binnen, op het punt een verblijf te verlaten, waarin men haar heeft willen gevangen houden, nu is het meer een vluchtige blik in \'t ronde om te zien of zij ook iets heeft vergeten, dan een afscheid vermengd met smart.
Ze huivert; ze zag het touw met de knoopen, dat ze in een hoek wierp. Ze ziet het venster met.. ⢠⢠dien man, die de hand naar hare lokken uitstrekt. â Die man! Voort Anna. Spoed! Zie, de eerste schemering breekt al aan. Voort! â En het laatst wat in die kamer
ANNA ROOZE.
haar oog treft, het is de morgenglimp van \'t oosten, die weerspiegelt in het glas der kleine schilderij, voorstellende Jezus met de doornenkroon, de kleine schilderij waarlangs, op dien eersten avond de schaduw van haar wijsvinger gleed, toen ze het kleine mugje voor smart bewaren wou.
Anna\'s voetstap is onhoorbaar. Zij dankt dit aan haar lichten tred en het niet-kraken van haar laarsjes. â Hoe het haar te stade komt! Zij heeft nog een stoute daad te volvoeren; eene waaraan ze eerst later met schrik heeft gedacht. â De vondst echter die zij deed, dat ontvangen geld in den slaap, het heeft haar met een alles trotseerenden moed vervuld. Zij moet den sleutel der voordeur hebben, en zooals tante haar zeide, is oom Lijning gewoon dien des nachts aan het voeteneind van zijn bed aan een spijker te hangen.
â Moed Anna! â Maar zal de deur van oom en tantes slaapkamer niet van binnen gesloten zijn? â Wat dan! wat dan! â Dan zal zij toch ontkomen, \'t zij door een benedenvenster of door een andere opening die ze zeker vinden zal. â Nu moet ze voort.
â Hoe....! In stee van gesloten te zijn staat de deur dier slaapkamer op een kier. Ze wil binnentreden, doch zie, nu aarzelt ze.
â Zal zij heimeliik in die kamer gaan om er een sleutel te rooven? Zal ze wegsluipen alsof ze een schuldige ware?
â Ha, de morgen geeft frisscher denkbeelden dan de avond. Sterk met de gedachte: hier te blijven is onmogelijk; steunende op het geld, dat haar voor die reis als in den slaap werd gezonden, en rekenende misschien op haar vlugheid, waardoor ze, zoo noodig, nog gemakkelijk aan mogelijk geweld zal weten te ontkomen, denkt ze, terwijl ze de bruine lokken met dien gewonen hoofdzwenk naar achter werpt:
â Neen! zóó niet! Ik zal hem den sleutel vragen en hem goeden dag zeggen meteen. Hoe, zou ik zonder afscheidskus de lieve tante kunnen verlaten!
Zij klopt aan de deur ofschoon die openstaat, \'t Is niet voorzichtig Anna! Indien hij wil dat ge blijft dan zult ge niet vertrekken. Zij klopt sterker.
Geen antwoord. â Nu treedt ze de kamer in.
Het nachtpitje dat ginder brandt, geeft nauwelijks licht genoeg om de voorwerpen in die kamer te onderscheiden.
Anna hoort een geregeld ademhalen.
Men slaapt.
âOom! â Oom Lijnitig!quot;
Nog blijft het stil.
Men beweegt zich in het ledikant, maar, ook nü komt er geen antwoord.
â Vergist zij zich niet? Is oom Lijning al opgestaan? â Anna schrikt onwillekeurig; dan moet hij reeds gekleed en in zijn kamer wezen.
â Welnu, op den drempel zal ze hem vaarwel zeggen, maar niet er over.
5
A.NNA ROOZE.
â Zoodra oom is opgestaan opent hij in den regel de voordeur voor Joost. Anna zal dus in alle geval die deur ongesloten en on-gegrendeld vinden; dat wint ze er bij.
âTante, beste tante!quot; roept Anna nu zachter.
âWie is er.... Wie?quot; zegt de slapende half ontwakende: âIs daar
Jehova?---- Ja zeker, beter worden, allemaal beter! Laat ze gaan.
Ja susst, Israëls Heer, susst!quot;
âGoede lieve tante, tot weerzien. Vaarwel!quot; lispt Anna, nadat ze de arme zuster harer moeder een zoen op de wang heeft gedrukt: âDank voor uw weldaad. God zal het u vergelden!quot;
Nu snelt ze heen; maar â nog eens keert Anna op haar schreden terug. Voor \'t laatst glijdt er een zoen langs de bleeke maar in \'t donker verscholen wang der slapende kranke, en â Anna heeft de kamer verlaten.
Nu bonst haar hart: ze staat voor de deur van Lijnings kamer; ze heeft er aangeklopt en â zal hem onder de oogen zien, in die oogen als het noodig is.
Maar ach, zal niet haar kracht te kort schieten door het bonzen van dat hart? Ga dan Anna. \'t Is nu genoeg. Uw kloekheid zou schier overmoed worden. Als gij niet blijven kunt, ga dan. Gij hebt uw goeden wil getoond, want zelfs op uw tweede geklop â â dat echter zachter dan het eerste was â hebt ge geen antwoord bekomen.
Stap dan vrij naar beneden; de tijd dwingt tot spoed.
En zie, uw heengaan wordt u door niemand belemmerd; geen schepsel zal u op de trap of in het breede voorhuis weerhouden; nachtslot, boom noch grendel beletten u die zware voordeur te openen. Zie, de grauwe morgen licht u reeds tegen; de kille Decemberwind verfrischt reeds uw gloeiende wang. Uw vrees is onnoodig geweest; uw oom en voogd...- hij sliep.... in ziin lijkenhok. Ja daar lag hij, en niemand heeft dat geweten in het holle kasteel.
Nauwelijks tien minuten vóórdat Anna de slaapkamer van oom en tante Lijning is binnengegaan, had de oude Trien die kamer verlaten.
In een armstoel nabij het ledikant van mijnheer en mevrouw gezeten, is de oude ontwaakt. Ze heeft zich met de dorre vingers de holle oogkassen gewreven, en in den aanvang niet begrepen waar ze zich bevond. Ze was zoo stijf en koud geworden dat ze zich schier niet verroeren kon.
â Had ze dan hier geslapen â den ganschen nacht!?
Zoo snel het haar mogelijk was, heeft ze voor een oogecblik een der blinden geopend, en bij de schemering duidelijker gezien dat de stoel, waarop das nachts Lijnings kleeren hangen, ledig was, en evenzoo zijn plaats in het bedaagde ledikant.
Een vreeselijke angst heeft zich van de oude meester gemaakt.
â Waar was hij, haar heer, haar lieve zoogkind, haar Jan? Wat mocht hem overkomen zijn? Wie heeft hem bestolen? wie hem
6
ANNA ROOZE.
leed gedaan? wie o God, hem vermoord misschien? Die vreemde wellicht; die akelige man van den vorigen avond? â Waar zal ze zoeken? Hoe zal ze hem vinden?
Bevend en strompelend, doch zachtjes, om de rust dier arme vrouw niet te storen, heeft ze het slaapvertrek verlaten. De deur der studeerkamer was gesloten, zooals gewoonlijk wanneer Lijning er zich niet bevond.
â In de sacristie, ja, in de sacristie! is nu haar eerste gedachte.
Met pijnlijk stramme beenen â door de vreemde nachtrust in
dien stoel veroorzaakt â strompelt ze naar beneden.
â Reeds vroeg in den avond moet hem iets overkomen zijn, want zie, de voordeur bleef ongegrendeld en ongesloten. Ja, in dat kleine kamertje achter de kapel zal hij wezen, want hij is er heengegaan toen hij haar den vorigen avond naar boven zond, om er bij Co-Mie te blijven totdat hij terugkwam. Maar lang, zeer lang heeft ze moeten wachten, en toen schijnt ze te zijn ingeslapen.
i Nu is de magere oude de verwulfde kromme zijgang en het
kerkje doorgegaan, en bonst zij op de deur der sacristie:
âIs u hier? Zeg is u hier?quot;
Geen antwoord. Zij klopt harder:
âMijnheer! mijnheer Lijning! â Jan! ben je hier?quot; Zij luistert scherp, zoo scherp ze kan; doch niets, niets verneemt ze.
â Ja, zij weet dat hij er is; anders ware de deur der kapel niet open geweest. Maar dat zij geen antwoord bekomt!
Arme oude ziel, zijt ge daarover zoo bekommerd? Is hij u zóó lief, die man met zijn gouddorst en listen? Hoor, luider roept ze, zeer luide:
âLijning! â M\'n kind! Jan! Jan!! geef dan antwoord; bén je daar niet?quot;
Dat roepen heeft ze alweder met dreunende slagen op de deur doen vergezeld gaan.
Nog verneemt ze geen antwoord.
En toch, het werd gegeven:
âJa! â Wie is er?quot; dommelt de man daarbinnen, terwijl hij ijskoud en rillend uit den slaap ontwaakt.
1 En weer dreunen de slagen, en roept de welluidende, welbekende
stem:
âJan! Jan! m\'n lieve kind! Zeg ben je er niet! O Heer is ie dood?quot;
â Neen, Goddank, dood is hij niet. Maar toch hij is zoo koud, zoo stram. Nu weet hij weer waar hij is.
â Dat was een schrikkelijke nacht!
â \'t Was donker, vreeselijk donker toen hij ontwaakte uit een verdooving, zooals hij die nooit te voren gehad heeft. Toen hij was neergezegen, moet hij het lampje hebben omgestooten dat althans is gevallen en uitgegaan.
\'t Was pikdonker toen hij het eerst ontwaakte.
7
â In scherven en olie heeft hij getast. Hij weet niet meer hoe en waar hij gescharreld heeft. Maar de verkleurde letters van het
)
8 ANNA ROOZE.
strookje perkament, dat ginds op den vloer ligt, hij zag ze, nü en straks en zonder ophouden, en vooral dat woord:
Cadaverii.
Lijning heeft niet begrepen dat de sleutel, dien hij vond, een lang vergeten sleutel was van een hok, dat vroeger een zoogenaamd lijkenhuisje zal geweest zijn, maar, sinds onheuglijke jaren reeds, tot berging van steenkolen en andere brandstoffen gebruikt werd en zich aan de achterzij van het groote binnenplein bevindt. Neen, het denkbeeld stond bij hem vast, dat ditzelfde kleine vertrek, waarin hij zijn genoeglijkste uren doorbracht, en waarin hij zich nu met zijn schatten alleen bevond: het oude lijkenhuis van het kasteel D e Runt is. En, tastende in het duister heeft hij nog het muurkastje weten te sluiten, doch scharrelende, om de deur te bereiken is hij over een groot stuk lood gestruikeld, en moet de sleutel der sacristiedeur hem uit den zak zijn gegleden.
En â er is geen middel geweest om buiten dat lijkenhok te
komen. Geen middel! Al heeft hij ook honderd----tweehonderd,
ja duizend gulden aan God voor de armen geboden. Afgetobd en met een pijnlijke kneuzing aan hot been; rillende van koude en vrees; moe geschreeuwd om hulp, is hij in \'t einde neergegleden op den grond, en heeft de slaap hem overweldigd terwijl zijn hoofd er rustte â tegen den mand met ijzer.
Ja, \'twas een schrikkelijke nacht. Maar nu, hij leeft.... zie, daar vlak bij zijn voet ligt de sleutel, waarnaar hij in \'t duister als wanhopend heeft gezocht.
âHemelsche gerechtigheid!quot; roept de oude vrouw, nu die grijze anders zoo fonkelende oogen haar dof en als verwezen aanstaren: âMijn kind, wat is er gebeurd? Wie heeft je leed gedaan? Jan.... arme beste Jan!quot;
âHet lijkenhok! O God!\'quot; siddert Lijning.
âArm kind! arm kind! heb ik het niet gezegd. Waarom je ook in zoo\'n oude brak te gaan nestelen! Waarom naar zoo\'n achterhoek van de wereld verhuisd! Altijd werken. Altijd meer, altijd hoogerop! Jan, lieve Jan, ril en beef zoo niet. Trien is toch bij je, goede Jan!quot;
Schrompele oude vrouw! Zie, de tranen biggelen haar over de wangen. Zij weet niet wat hem deert, maar ze beseft dat haar âeenigequot; haar âgoede jongenquot; ziek is. â Haar âgoede jongenquot;. Ja! Met haar eigen borst heeft zij hem gezoogd; en hij â nooit heeft hij haar leed gedaan; neen, zelfs niet toen haar oude brave man, die hem veertig gulden schuldig was, gestorven is. Ach toen heeft hij met dat âbeste hartquot; haar die veertig gulden kwijtgescholden, en hij heeft haar in huis genomen, en nooit, nooit heeft hij haar een voet dwarsgezet; eens zelfs gezegd dat zij voor zichzelve schier al te zuinig en al te matig werd. Dikwijls heeft hij wel eens naar een wenk van haar geluisterd, als zij meende dat een wenk niet onnoodig was. Och die beste arme heer, die goede Jan!
En, of hij het gevoelt of niet, maar ze kan zich niet weerhouden om den geliefden zoogbroeder van het eenige kind dat ze bezat, nu
ANNA KOOZE.
terwijl ze hem zoo vasthoudt, een zoen op het ijskoude voorhoofd te drukken. Zie hoe ze hem ondersteunt nu ze samen zoo langzaam door de verwulfde kapelgang naar het voorhuis gaan.
,0 God, hij moet niet ziek worden!\'\' zucht ze weder: .Joost zal den dokter halen, ja aanstonds halen als hij terug is.quot;\'
Maar hij:
âNeen, neen, \'t wordt al beter. Niet doen Trien. Geen dokters, neen!quot;
Nu Anna met snellen tred de larikslaan is ten einde geloopen, en op den hoek van het Runtsche kerkpad ter linkerzij, nog een blik werpt op het groote huis, waar ze zooveel droevige dagen sleet, nu ziet ze door de takken heen iemand haastig de poort uitkomen. Dat ia Joost; ze heeft hem aanstonds herkend. Hij kan haar niet gezien hebben, want juist bij het naar buiten treden, zag hij links naar de ramen van Lijnings kamer op, en â nu is Anna geheel achter den laatsten boomstam verdwenen. Indien Anna geweten had dat Otto Van Wall zijn adres voor haar, aan Joost gaf, â welk adres haar door de omstandigheden niet geworden is â ze zou misschien vermoed hebben dat Joost haar naliep om het haar nu nog te geven.
Nu is haar eerste gedachte of hij haar misschien werd nagezonden, met den last om haar naar het kasteel terug te brengen.
Anna aarzelt wat ze doen zal.
â Ginds, achter het witte onbewoonde boschwachtershuisje kan zij zich verschuilen, \'tls verstandig misschien.
â De vrees voor zijn meester zou mogelijk bij Joost boven haar smeeken gaan. Maar ook, ofschoon Anna den eenvoudigen boerenknaap wel genegen was, ja zelfs dikwijls gedacht heeft dat zijn ver-bliif op De Runt het vreemde ledig er eenigermate aanvulde; ofschoon ze niet zelden een praatje met hem had gehouden â zoo het niet over Hanneke was, over weer en wind, over het planten van andijvie of het zaaien van knollen, â nu, na dat woord der vreeselijke vrouw Knibbelaar, is bet alsof er een weerzin tegen den eenvoudigen Joost bij haar is opgewekt; iets, dat zij walging zou willen noemen, indien ze een oogenblik zijn goedhartigen aard en zijn teedere liefde voor Hanneke vergeten kon. Zijn liefde voor Hanneke! Anna vermoedt niet dat het juist die liefde is, waardoor de goede Joost reeds zoo vroeg naar De Luchte werd gedreven. Den ganschen nacht heeft hij van Hanneke gedroomd. Nu eens dat zij de pokken had, dan weer dat ze dood was, en het laatst dat de heele Luchte in brand stond. Ja, moeder had eens van brand gedroomd en, drie dagen er na was de bliksem in den Mulderspeetschen toren geslagen, en, stierf zijn vader zes dagen later. Joost heeft rust noch duur gehad. Hij is niets bijgeloovig, âheksen en spoeken loat ze moar kommenquot;, maar nu: iets kwaads moest er zeker wezen, en, sneller stapte hij voort.
Aan de achterzij van het witte huisje heeft Anna zich verscholen. Indien Joost het Runtsche kerkpad kiest, dan zal zij door de beu-
9
ANNA KOOZB.
ken- en eikenlanen haar pad naar den Mulderspeetschen straatweg nemen, waar ze in alle geval de diligence kan inwachten of te ge-moet gaan; en, kieat hij laatstgenoemden kant, dan kan ze zooals haar plan was het kerkpad loopen, zoo snel mogelijk om den verloren tijd weer in te halen. Aan die achterzij van het huisje â- in den rug door het akkermaalshout met zijn bruine blaren gedekt â wacht Anna deu jongen af. â Zie, het kerkpad neemt hij niet. Hij gaat de voorzij van het huisje langs en, loopt zoo haastig hij kan het brugje over, en de laan in, die naar den straatweg in de richting van De Luchte voert. â Door de takken heeft Anna hem kunnen zien.
Een klein kwartier later treedt Anna de Mulderspeetsche kerk en straks ook de pastorie voorbij. De luiken der laatste zijn nog gesloten. Neen dat eene, dat zijvenster niet. Anna gaat twee schreden terug. Dat is het venster van mijnheer Redly\'s kamer. Hoe gaarne zou ze hem vaarwel zeggen, en tevens er nog eens op een verklaring aandringen, waarom hij niet slechts zulk een innig medelijden, maar ook een zoo buitengewonen angst voor Hannekes inhechtenisneming heeft aan den dag gelegd, en angst meteen om in hare zaak getuigenis af te leggen.
âNeen, neen!quot; heeft hij gezegd: ,haar vóórspreken kan ik niet. Ik weet niets; niets dan dat ze mij goed bedient. â Hoe zou ik kunnen getuigen in zulk een zaak. Noem mijn naam niet. Maar u juffrouw Rooze,quot; zoo heeft hij verder gesproken: âred u haar wanneer u getuigen moet. Zeg dan, dat mogelijk een misverstand, een samenloop van omstandigheden haar met den schijn belaadt. Spoor tot voorzichtigheid aan, in den naam van onzen Zaligmaker. Ik smeek Let u!quot;
Op dit oogenblik komen die woorden Anna weer levendig voor â den geest.
â Ja, zijn goeden raad heeft ze immers opgevolgd, en ofschoon helaas met een andere overtuiging â maar zeker met het diepste medelijden vervuld â heeft ze bij dat voorloopig onderzoek, nevens de waarheid, al het mogelijke gezegd om de schuld der arme in «en twijfelachtig licht te plaatsen.
â Maar, zoo denkt ze nu, en de onderstelling moge dwaas wezen, toch kwam ze bij haar op: âMaar, zou er tusschen dien man en lt;)at boerenkind ook een betrekking kunnen bestaan....? Een band waardoor haar mogelijke schuld hem te meer beangst? Een band tusschen haar en hem! Bijna op denzelfden dag kwamen ze in de pastorie. Hij als inwoner, zij tot zijne hulp....? Zijn lijden, zijn menschenvrees....?
Doch, al wat er in een enkele seconde haar meer door de gedachten vliegt, zij verwerpt het terzelfder stond. â Is er dan iets vreemds in, dat de menschenschuwe man er tegen opziet om in \'t openbaar als getuige te verschijnen, terwij] hij toch medelijden met een meisje heeft dat hem bedient. En ook: is het niet zeer natuurlijk dat juffrouw Haverkist een âvolslagenquot; dienstbode heeft genomen op denzelfden dag dat er een commensaal kwam?
10
ANNA KOOZE.
Aanstonds is de zaak in hare oogen tot de natuurlijke verhouding teruggebracht. Maar, Redly\'s raad zal ze onthouden en zoo noodig steeds in toepassing brengen. Hem zelf hoopt ze later weer te zien, en, haar stille groet aan de dorpspastorie met hare bewoners geldt â behalve Hanneke, voor wie ze hulp gaat zoeken en die ze er nog binnen waant âniet het minst den man, wiens zielelijden haar heett getroffen, en voor wien ze steeds een zoo levendige belangstelling gevoelt.
Alvorens De Vergulde Ploeg binnen te gaan, werpt Anna den brief aan den baron Geereke, die haar beleefde weigering bevat, in de bus nabij het schoolhuis.
\'t Is al kwartier voor achten, en toch kwam Anna niet te laat.
De nachtdiligence â⢠meer eigenlijk de snorwagen van Zwolle op Arnhem â was juist aangekomen, en terwijl een viertal passagiers is uitgestapt, om zich even binnen de gelagkamer van de Vergulde Ploeg te warmen of te verkwikken, houdt Jaap de arbeider het bonkerige tweetal bruinen beurtelings den eramer voor, dien hij met den onderrand op het bovenbeen doet rusten.
\'t Is aan dat snelle op- en neergaan der neusgaten, die telkens den warmen adem als rookzuilen in de koude morgenlucht stooten, en niet minder aan den damp, die hun bruine lichamen omgeeft, duidelijk te zien dat de arme dieren een zware vracht hadden.
Binnen de gelagkamer zit een heer met blonde knevels in een pelsjas, en houdt de voeten tegen de groote kolomkachel die, volgens zijn beweren âzoo koud als zijn overgrootvaderquot; is.
De heer weet prompt wat hier een kom koffie kost, want hij werpt zonder vragen een dubbeltje op het blaadje dat Tronk hem voorhield, en, blazende, in het bruine vocht, geeft hij den kastelein den raad om een beetje van zijn kofflehette in de kachel te doen:
âZeg oude, wie is die lieve meid, hé?quot;
âEen juffer van de Runt mijnheer Blaak. Goede zaken gedaan mijnheer Blaak?quot;
âAls ik zulk larievocht voor een dubbeltje per kop verkocht, dan zou ik ja kunnen zeggen, â Is dat van adel, zeg?quot;
âWat zal ik je daarop antwoorden mijnheer Blaak!quot; fluistert Tronk: âJa en n e e n is een lange strijd, placht m\'n vader te zeggen. Den een zeit de freule, en den ander de juffer of juffrouw, begrijp je ? Ik ken ze heel goed, daarvan niet, maar een mensch is zoo niet of hij moet z\'n eigen astrantigheid toch weten te bedwingen. Ik heb haar niks nimmendal gevraagd, maar wat ik weet, dat weet ik zeker: \'t is een nichtje van den tegenwoordigen bewoner; krek geen grootheid, maar toch â uwe is reiziger van Strens nietwaar?quot;
âNou, wat zou dat?quot; zegt de commis-voyageur.
âDan zal u in Groningen altemet beter bekend wezen dan ikke....quot;
âIs ze van Groningen?quot;
âDat is te zeggen haar oom, mijnheer Lijning..-.quot;
âTwee tass koffie kastelein!quot; roept een man, die door hard op den vloer te stampen zijn voeten tracht te verwarmen. â Tronk gaat naar de koffietafel. In \'t voorbijgaan zegt hij tot Anna Rooze:
11
12 ANNA BOOZE.
âMorgen juffrouw! Het doet me plezier dat je nog van pas komt, en er zal nog wel een plaatsje open wezen ook; niet waar Sanders? De juffrouw was laatst bang dat zij te laat zou komen, maar een mensch is zoo niet of voor geld en goede woorden zou ie iemand nog wel naar de Aaremsche spoor brengen, zei ik.quot;
âBen jij de conducteur?quot; zegt Anna tot den persoon, die juist was binnengekomen en door den kastelein Sanders is genoemd.
âOm je te dienen, dame.quot;
âKan ik plaats krijgen?quot;
âAs je blief dame. â Tronk, \'en mondjevol.... voor de kou.quot;
âHoeveel is de plaats, conducteur?quot;
De conducteur slaat zich met kracht de koude handen tegen het lijf:
âNaar Aarnem? \'t Station dame? Zestien stuivers.quot;
Anna haalt haar portemonnaie te voorschijn en van het geld dat ze uit tantes beursje er in deed, geeft ze den conducteur een gulden
âDa\'s fonkelnieuw,quot; zegt de conducteur en wendt en keert den blanken gulden in zijn grove hand; beziet hem daarna dicht bij het raam â \'t is nog maar zoo grauwig dag in do gelagkamer, en dan tot Tronk terwijl hij hem het geldstuk toont:
âIs dat een Mofsche, of. ...?quot;
âDeze.... deze gulden Sanders? â Nou, \'en effektieve Hollandsche, hoor je.quot;
âWaarhaftieg!quot; zegt de man, die straks twee tass koffie besteld heeft, en nu op het geldstuk in Sanders hand ziet: âMunt van het koniegrijk der Nederlanden. Zie je dat niet: â En aan dies zij: Willem koning der Ned. â G. H. V. L. â Das mag beduiten: Gott helfe volk en land, of....quot;
âNou daar heb je den Mof eiges!quot; lacht de tamelijk dikke juffrouw die een der beide âtassenquot; gebruikt. âGroot-Hertog van Luxemburg, m\'n goeje Heinrich!quot;
âDas kan men doch lezen gelijk men wil,quot; zegt Heinrich: âmaar iek zeg, dat \'et van den conducteur niet kloeg is z\'n eigen muntspecies niet te verstaan. lek zei dadelik dat ie Hollands was. Dat kun je aan den kop wel zien. \'t Was waarhaftieg te wenschen dat \'et in Pruisen zukke kopfen gaf.quot;
âNou! suiker in de koffie!quot; lacht de dame.
âlek zal niet anders spreken als gemeind is, allerdings niet in
fezelschap Anntje! Maar iek fraag, geeft het in Pruisen zukkeezelschap Anntje! Maar iek fraag, geeft het in Pruisen zukke
opfen als Holland gehad heeft! Ziedaar, iek ben d\'r stolz op dat ik een genatoeralisierder Hollander ben: God! was ist Pruisen!quot;
âZie je, zoo mag ik \'et mijnheer!quot; zegt een bescheiden burgerman in een duffelsche jas, terwijl hij een paar grijze wanten aantrekt: âMijnheer staat op een neutriaal standpunt. As wellu minsen Oranje boven zeggen, da\'s natuurlijk umdat \'et met den paplepel ingezogen, en d\'r van jongs aan ingepoot is; maar van een bovenlander zooals mijnheer zien spraak aanduidt dat ie geboortig is, zeg ik dat \'et meer vat houdt. Ik \'loof dan ook dat de Pruisen geen zuinig beetje opzien tegen \'t vette Holland hebben. ..?quot;
De man met de wanten, die gesproken heeft, en nu in zijn gevoel
ANNA BOOZE.
als Hollander tegenover den âmijnheerquot; staat als de man van geboorte tegenover den armen daglooner, hij is verplicht het belangrijk politisch gesprek te laten glippen aangezien de conducteur, zich in de handen wrijvende, heeft gezegd:
âHeeren en dames! instappen als je blieft.quot;
Sanders was op het punt van den vreemden gulden gerustgesteld. Met veel omhaal van woorden heeft Tronk gezegd, wel te willen dat hij er de zakken vol van had; \'t moest er een van Willem den Eerste zijn, en ofschoon niet meer âkoelantquot;, hij wilde hem wel gaarne overnemen; ten eerste, orndat ie, hoewel wat dunner, toch ook weer breejer van .aanwezenquot; was; ten tweede omdat ie het ortret van Koning Willem wel voor de rariteit wou bewaren; ten erde omdat ie dan Sanders plezier dee, en ten vierde omdat ie de freule, of juffer d\'r ook mee plezierde; want zie â⢠en dit laatste kwam er, hoe langdradig, toch hartelijk uit: omdat ie respect voor de juffer had. Dat moest ie zeggen, al stond ze d\'r zeivers bij.
Voor de beide dubbeltjes, die Tronk haar âuit naam van den conducteurquot; heeft teruggegeven, had Anna een kop koffie met een broodje besteld. De warme drank is haar een ware verkwikking geweest. Tronk had er een lepeltje suiker meer in gedaan, en ofschoon Anna â misschien was het vreemd â geen honger had, ze heeft het broodje toch genuttigd, want, stemde ze Tronk toe: In de haast had ze niet ontbeten.
âGeen bagage, nietwaar dame?quot;
âDezen reiszak, anders niets conducteur.quot;
âZal u zeker bij je houen. â Kom heeren, as je blieft!quot;
Een paar minuten later sloeg de conducteur met de woorden: âVooruit Gerrit!quot; het portier der diligence dicht, maar -â liet er aanstonds een: âStop dikke!quot; op volgen, want zoo haastig als Hein Tronk maar kon, kwam hij met een: âHo! ho!quot; de deur uit.
âEventjes openmaken!quot; zegt de kastelein.
âHa, juffer, zit je daar.. .. Goed zoo! \'En mensch is zóó niet of hij kan op de lange baan wel koude voeten krijgen. Hier heb je een kruikje met heet water. â Wat blief? Neen niks geen dankjes, daar benne wij bij ons niet van thuis, \'en mensch moet z\'n eigen....quot;
âKom Hein, zanik niet langer. Vooruit Gerrit!quot;
Met een fikschen slag gaat opnieuw het portier dicht, en terwijl de bruinen de voorpooten scherp zetten, en Anna een: âDankje vriendelijk!quot; roept, bijt Sanders den kastelein de woorden: âJou ouwe snoeper!quot; in \'t oor; maakt links een knipoogje tegen den arbeider Jaap, die naast den emmer tegen den muur staat; springt op de tree van den reeds rollenden wagen; wipt met zijn dikgezoolde laarzen op den bok; trekt het lederen dekkleed der bagage naar voren; snoert de riempjes vast, en dan, zich hullende in de wijde manteljas, zet hij zich naast den voerman, en roept met zijn: âSchep vreugde in \'t levenquot; op een ouden cornet-a-piston, alles wat te Mulderspeet wakker is naar de glazen, â om is te kieken of Sanders veul volk in de dillezjans het.
Op de middelste bank had Anna, volgens aanwijzing van den con-
13
ANNA KOOZE.
ducteur, plaats genomen, naast een Roomsch geestelijke, die Anna\'s snellen groet met een vriendelijk âGoeden morgen!quot; beantwoordde, en het kleine getijboek waarin liij gelezen had, te gelijk in den binnenzak van zijn zeer lange overjas borg.
Aan Anna\'s rechterzij, had de heer Blaak met de groote ronde knevels, haar voorbij stappende, plaats genomen.
Op de achterste bank zit het drietal, dat reeds het gesprek, \'twelk in de wachtkamer werd afgebroken, heeft hervat. De man met de wanten zit juist achter den geestelijke, doch kan maar weinig van hem zien dewijl een lederen rugstuk van boven tot beneden aan de zijplaatsen der middelbank is aangebracht. De achteruitrijdende plaatsen zijn ingenomen door een burgerheer en juffrouw, die een slapend meisje van circa drie jaren tusschen zich in hebben. Wanneer hun oogen niet gesloten zijn, dan worden ze op hun meisje gericht, dat haast zoo rood van gezichtje is als de wollen kousen aan de enorm dikke beentjes, of de moffen aan de knuistjes, de knuistjes die, zelfs als \'t kind slaapt, niet onder den mantel verkiezen te blijven, waarmee nu eens de vader en dan weer de moeder ze warmer zoekt toe te stoppen.
â\'t Is frisch van morgen juffrouw,quot; zegt de heer Blaak, terwijl hij onbespied van ter zijde de schoone reisgenoote met een zeer bijzonderen blik beschouwt; âWilt u ook mee van deze plaid gediend? \'t Is warm over de beenen.quot;
âDank u mijnheer, ik heb mijn sjaal.quot;
âMen moet het zich \'s winters anders maar zoo lekker mogelijk maken, \'t Is lamzalig reizen met die bolderwagens als men, zooals ik, aan de eerste Masses op de spoorwegen gewoon is.quot;
Anna antwoordde niet, maar schoof een weinig rechts, want het been in de pelsjas hinderde haar.
Heel zacht herneemt hij:
âGewoonlijk beroerd gezelschap. Om geen fatsoenlijk woord mee te praten. â Gaat u verder dan tot Arnhem als ik vragen mag?quot;
âJa mijnheer.quot;
âZeker naar Amsterdam?quot;
âNeen.quot;
âWat dat aankaat, lek zeg, sterk mogen de Pruisen wezen, zoo kloeg als de Hollander zijn ze niet.quot;
âNeen, daar kon mijnheer wel gelijk in hebben,quot; klinkt het antwoord van den man die achter den geestelijke zit.
âEn dan, iek zeg, de Hollanders hebben de duiten d\'r bij; kein mensch, die in Pruisen een cent verdienen kan.quot;
âNeen daar kon uwe wel gelijk in hebben; ten minste as ie zooals ik bij den rijkdom dient, dan zeg je dat er hier van z\'n leven al \'en mizerabele slomp geld mot verdiend zijn. Meer as meer!quot;
âAch Gott! as Pruisen de helft van zulk een rijkdom had! â Kaar kein kolonies!quot;
âOch kom, hebbe jelui zooveul as geen kolonies?quot;
âKaar, kaar nieks. En Holland? In Oost en West, overal!quot;
âJa dat zal waar wezen mijnheer, dan benne wijlui je de baas hoor.quot;
14
ANNA HOOZE.
âDe baas! Gott bewahre, in alles de baas! Wat rooken de Pruisen voor tabak bij foorbeeld. lek weet niet of uwes liefhebber is?quot;
âNou dat zou ik je verzoeken mijnheer.quot;
,\'t Is alles bocht wat je ien Pruisen rookt, bocht! lek heb er \'en bietje bekentschaft van.quot;
âOch kom.quot;
âJa, maar dat heb iek hier in Holland gekregen. Ieder Hollander is een fijne proever zeg iek: Hier.... wacht. .. wacht, as u een liefhebber isquot; â hij haalt een grooten tamelijk versleten sigarenkoker uit â âdan moet u dat.... hier; neen wacht, iek zal u déze proeven laten, déze... quot;
âAls ik mijnheer niet ontrief.quot;
âBewahre! Iek handel d\'r zelf in. Iek heb ze miet duizenden en honderdduizenden. Maar nou moet u dies eens proeven. Ien Köln zijn mij vijftig thalers gebooien; dat is voor één zóó\'n segaar ander-halb gross of negen centen.quot;
âWel allemachtig,quot; zegt de man en beschouwt de sigaar en belekt haar in \'t ronde.
âJa, en nou mot u die is rooken, en dan geef iek je te raaien waarvoor iek die zelfs in \'t klein debitier.quot;
Een Hollandsche vinger die het bewijs levert dat hij niet zelden met bak- en tuinaarde in aanraking komt, tikt op Anna\'s schouder, en de man aan wien die vinger behoort, vraagt, terwijl hij Anna de sigaar toont:
âZal \'t ook sjeneeren juffrouw?quot;
âWis en drie!quot; zeg de oommis-voyageur aan Anna\'s zijde; âDenk je dat dames den damp van jou stinkstokken kunnen verdragen!quot;
,Stienkstokken! â lek durf vragen of u d\'r betere bij je hebt! Als u een kenner is mag iek dan \'t plezier.... Zie, deze ...quot; en de groote oude koker wordt langs Anna\'s linkerschouder den heer Blaak toegestoken.
De heer in den {jels trekt de knevels naar boven, en terwijl hij zegt voor de distinctie te bedanken, bij welke geestigheid hij Anna een knipoogje zoekt te geven â neemt hij uit zijn eigen koker een sigaar in manilla-vorm, en drijft al spoedig den damp langs de lokken zijner schoone reisgenoote.
Vóórdat de man met de wanten echter opsteken wil, tikt zijn straks genoemde vinger nogmaals op den schouder der jonge dame, en wordt de vraag van zoo even herhaald: of het de juffrouw ook hinderen zal?
âIk geloof het niet,quot; zegt Anna. even omziende, en meent nu dat het gelaat van dien beleefden boer-achtigen burgerman haar niet geheel onbekend is.
De genatoeraliseerde Hollander, die een nijdigen blik op den pelsman had geworpen, geeft zijn buurman den raad om de sigaar niet al te nat te maken, want â dat ie ganz niet lek is; en terwijl
s meedampt, wuift hij den rook
15
16 ANNA ROOZE.
Mijnheer Blaak berekent dat hij een fameuzen indruk moet maken met den geur van zijn manilla, en fluistert Anna zacht in \'t oor:
âIk zeg altijd, d\'r moesten twee klasses aan die wagens zijn. Je hebt hier niet eens een cabriolet. â Kan ik het plezier hebben gehad u in Groningen te ontmoeten?quot;
âDaar ben ik nooit geweest mijnheer.quot;
âToch een juffrouw Lijning nietwaar?quot;
âNeen mijnheer!quot;
âMaar immers familie?quot;
âJa.quot;
âO, met uw familie ben ik zeer bevriend geweest, en weet toch zeker u eens gezien te hebben. Zoo\'n gezichtje vergeet men niet licht. â Gaat u met den trein van halfeen naar Holland?quot;
âIk weet niet precies.quot;
âJa wel om halfeen; dus hebt u ruim twee uren in Arnhem. Komt u daar iemand afhalen, als het niet indiscreet is te vragen?quot;
âNeen!quot;
âZou ik dan de eer mogen hebben u zoolang ten mijnent bij mijn familie te introduceeren ? U kunt daar op uw gemak koffie drinken. Mijn familie zal verrukt zijn uw kennis te maken.quot;
âIk dank u.quot;
Anna schuift nog iets meer naar de zij van den geestelijke, want het lichaam in de pelsjas hindert haar opnieuw. Of de ander het niet bemerkt? Althans zachter herneemt hij, terwijl hij weer aansluit:
âKan ik u niet op den Nieuwendijk te Amsterdam bij Sinkel hebben ontmoet----?quot; Heel zachtjes: âLieverd!quot;
âJonge dame, verkiest u ook hier aan het raampje te zitten ?\'\' viaagt eensklaps de jonge geestelijke: âIk zal gaarne met u omruilen.quot;
Anna, die vuurrood was geworden, zegt met eenige verwarring: âO gaarne!quot; en terwijl de geestelijke opstaat en haar laat doorschuiven, grijpen de achteruitrijdende ouders â instinctmatig wakker geworden â te gelijk naar de roodwollen beentjes van hun lieveling, want âde jas van dien pastoorquot; slierde er juist langsheen.
âZou ik mogen weten mijnheer waarom u de juffrouw uw.... warme plaats geeft mijnheer.... waarom?quot; zegt Blaak.
âOmdat ik haar tot mijn spijt geen andere kan aanbieden.quot;
âWeet jij wel mijnheer, dat dat een bl... sche personaliteit is.... op deze manier.quot;
âDat spijt me mijnheer?quot;
âJij mot voor den weerlicht niet denken omdat je zoo\'n kuitendekker draagt, dat je me zoo maar beleedigen kunt. Jou heele santenkraam is me geen cent waard.quot;
âMen heeft menschen voor wie niets heilig is, mijnheer.quot;
âPaap!quot; bromt de man met de pelsjas, tusschen de tanden; werpt het portierglas neer, en, vuurrood geworden, blaast hij groote grauwe -wolken pseudo-manilla-damp in de fijne morgenlucht.
\'t Is gelukkig, maar ook niet te verwonderen, dat Anna de belee-digende woorden van den commis-voyageur, die meer gebromd dan gesproken waren, niet heeft verstaan, niet te verwonderen vooral door
ANNA EOOZB.
de omstandigheid dat de conducteur reeds een paar malen zeer krachtig op zijn eornet-a-piston heeft geblazen.
Voor de diligence uit reed een vrachtwagen, waarvan de voerman vermoedelijk sliep en zonder wijken midden op den weg bleef.
Nogmaals en scheller gaf de conducteur het sein om uit te halen.
Maar het baatte niet.
âSnor d\'r maar langs, Gerrit!quot; zegt Sanders de conducteur: /en beetje over den berm dat boldert wel.quot;
âAs ik anders wacht tot gunds bie den oprit van De Runt Sanders?quot;
âNeen, vort er mee!quot;
âHurt dan!quot; roept Gerrit. en rukt aan den rechtertoom, en legt duchtig de zweep over de straks galoppeerende bruinen. De wagen krijgt aldra twee sterke schokken, van den berm of graskant. â De achteruitrijdende echtelieden, ontsteld door dat snelle en scheeve rijden, grijpen naar hun kleinood; de overige passagiers balanceeren hunne lichamen rechts naar de hooge zijde, âom den wagen in evenwicht te houden.quot; Slechts Anna. niet bevreesd in \'t rijden, ligt aan de linkerzij van den wagen, ten halve met haar hoofd buiten het inderhaast geopende portierraam. Weinige oogenblikken geleden heeft ze het glas laten zakken, omdat ze eensklaps zoo vreemd en duizelig was geworden. Nu wordt het beter, veel beter, want de koude morgenlucht doet haar goed. Ja die snelle tocht verfrischt haar geheel.
Daar snort zij de linnen huif van de vrachtwagen voorbij. Dieper haalt zij adem! â Hé, die snelle tocht was heerlijk.
\'t Was goed dat Anna zich verfrischt gevoelde.
Terzelfder tijd dat de voerman zijn paarden links ment, om van den grasrand met een kleinen bocht weer geheel op den straatweg te komen, ziet Anna, bijna recht voor zich, in den hollen zijweg, die opgaat naar de herberg De Luchte, en treft haar een onverwacht tooneel:
âGott bewahre, was ist das?quot; roept Heinrich.
Ook de bestuurders der diligence schijnen nieuwsgierig om te weten wat daar voorvalt, althans het is merkbaar dat de paarden worden ingehouden. Maar lang duurt het oponthoud niet.
Goddank, \'t was ook een hartverscheurend tafereel, dat die holle weg op dien helderen wintermorgen te aanschouwen gaf.
Daar komt een kleine huifkar langzaam naar beneden. De voerman in blauwlinnen kiel houdt het paard bij den kop. Binnen die kar zit een jong en schoon boerenmeisje naast een dienaar van \'t gerecht. Ter zij van de kar gaat een rijksveldwachter, en weert een jonkman af die jammert en smeekt : dat ze hem zullen vatten, boeien, hem! en haar.... haar loslaten, haar!
En, handenwringende en weenende met akeligen klank, staat een man van vijftig jaren iets verder, en eensklaps snelt hij de kar weer na, om nog eens naar binnen te zien, en . ... sterker nog dan te voren uit te barsten in geween, zonder een woord te kunnen spreken.
VI. 2
17
ANNA KOOZE.
Een oudere vrouw....? Neen, zij is er niet. Ze ligt bewusteloos binnen de woning op dien heuvel, waar ze o groote God, een kind het leven schonk om het te zien opgroeien voor het schavot!
\'t Waren slechts luttele oogenblikken dat de linkerzij der diligence het uitzicht op dien hollen weg gaf. Maar, voor Anna waren ze een folterend uur. Ze heeft Hanneke herkend â Hanneke! â Bedroog zij zich niet.... neen, ook Hanneke heeft haar bemerkt en herkend, en dreigend heeft die arme de vuist naar haar uitgestoken.
En zie, de dorre struiken langs den weg. en de naakte boomen die Anna nu voorbijglijden, ze steken altemaal dreigende armen en vuisten naar haar uit. En haar duizelend hoofdje bonst tegen den rand van het portier... en, ze wist niet meer dat ze in den rinkelenden reiswagen zat. Gelukkig duurde dat slechts weinige seconden. Anna ziet weer boomen en struiken, een laag rasterwerk en een kleine woning met een put; een deerne met rooden halsdoek die omziet; en een pijnbosch, en vlak van nabij, een boer te paard wiens kiel erg bloest en wiens paard op zij dringt nu de wagen hem voorbijrijdt. En ze ziet een vierkanten hoop gele straatwegklinkers, die vooral aan de schaduwzijde wit zijn van de nachtvorst; en een breed een eindeloos breed heideveld ziet ze; en de blauwe lucht.... en.... Ze voelt dat ze erg koud wordt. Nu trekt ze het hoofd naar binnen en haalt het portierglas naar boven. Ze is moe, doodmoe. Ze drukt het hoofd tegen het binnen-zijbekleedsel van den wagen, en sluit de oogen om te beproeven of ze wat slapen kan!
Maar neen, dat zal niet gaan; het drietal op de achterste bank voert een luid en zeer levendig gesprek. De vrouw, die in de gelagkamer reeds Antje werd genoemd, en zich straks niet in het siga-rengesprek wilde mengen, heeft op dit oogenblik het hoogste woord en beweert dat âze nooit geen gezond oogenblik meer hebben mag, als ze daar in die kar geen twee vrouwspersonen heeft zien zitten, één links, met zwart loshangend haar.quot;
âGott Anntje, versta doch reden! lek en mijnheer, wir allebei hebben eene einzige frau gezien. Der ander war de rijksfeldwachter, mit den groszen snoerenbaard!quot;
âJa juffrouw, daar het mijnheer je man gelijk in,quot; zegt de wanten-heer bescheiden, en maakt een geste met den aard-vinger; âmaar.. ..quot;
âM\'n man! Goede hemel, hij m\'n man! Zoo\'n Duitsche Mof?quot;
âKoed Anntje, \'en Duitsche Mof! koed! we sijn doch familie niet waar? Maar al zie iek niet sjarp, iek weis doch wat ik kezien heb. \'t les \'en fiks slag van volk die rijksfeldwacht ien Holland, en ne schone montoer!quot;
âNet \'en gezicht as \'en montoer,quot; lacht de dame: âMaar met al je wijsheid weet je evenmin als ik of \'en ander, wat en wie dat \'et waren.quot;
De wanten-heer, die al een paar maal getracht heeft aan \'t woord te komen ten einde omtrent de hoofdzaak eenige inlichting te geven, zegt nu, wel te gelooven dat ie mijnheer en de juffrouw daarmee dienen kan; en nadat de heer Heinrich heeft geroepen:
Itt
ANNA ROOZB.
âZwijg doch Anntje, mijnheer hat de geschieoht!quot; luistert niet slechts het tweetal op dezelfde bank, maar spitsen al de medereizigers de ooren â het ouderpaar en de geestelijke niet uitgezonderd, allen, behalve het kleine meisje met de roodwollen kousjes, en Anna misschien.
De laatste althans blijft in dezelfde leunende houding met de oogen gesloten.
Nu heeft men de ijselijke geschiedenis vernomen.
âJa zoo kaat quot;et ien de welt!quot; zucht Heinrich en wuift nog eens den damp van des vertellers sigaar naar zich toe...: âGott zoo fijn!quot;
âFijn! \'t Is een ijselijkheid m\'n lieve mensch!quot; zegt de vrouw bewogen: âZ\'n eigen vergeten is menschelijk, maar z\'n eigen bloed vergieten dat is ijselijk, ijselijk!quot;
âWas \'tniet \'en Roomsche meid â he?quot; zegt de heer in depels-
i\'as even omziende, terwijl hij te gelijk een leelijken blik langs het ;alme gladde gelaat van den geestelijke werpt.\'as even omziende, terwijl hij te gelijk een leelijken blik langs het ;alme gladde gelaat van den geestelijke werpt.
â\'En Roomsche....? Dat zou ik mijnheer voor de vaste waarheid niet durven verzekeren.... of.... of neen, wel neen ... hoe kan ik zoo mispoten. Ze diende nog wel bij den dominee, en heel dukkels heb ik ze in de kerk zien zitten net zoo goed als ik uwe daar zie. Maar ik zeg â of uwe dat met me akkoord is â de duivel vraagt niet naar iemands relizie. \'tls er net een âmet eerbied gezeid â as de dood, die vraagt d\'r ook niet naar wie dat ie bij de kneukels krijgt. Vandaag, zal ik ereis veronderstellen, zeit ie tegen mijnheer: a voes, en morgen tegen mijn: Baas, nou ist om jou te doen.quot;
De heer in de pelsjas, die bij het: a vous een aardvinger â die iets van een krabber had â op zich gericht zag, heeft een paar woorden tusschen de knevels gebromd, en kijkt nu naar buiten.
âIk zeg maar,quot; vervolgt de man, die eens aan \'t woord zijnde gaarne volhoudt: âIk zeg maar, van een libberaal standpunt gezien: als de Heer iemand loslaat dan is de duivel \'em te leep af. Dat zei ik ook gisteren nog tegen mijnheer den baron: Ja baas, daar kan ik je geen ongelijk in geven, zeidie, maar men moet z\'n zelven zeidie, ook niet loslaten. â Neen mijnheer, zei ik, maar d\'r is grootheid en armoei in de wereld: Een keizer en koning, zal ik eens zeggen, zijn als de zon en de maan aan den hemel; maar dan heb je ook het uitspansel en de sterren.... nietwaar....!quot;
âKewies!quot;
De man is even de kluts kwijt omdat hij op dat âkewiesquot; niet heeft gerekend, maar hervat toch spoedig:
âIk zei dan, je hebt ook sterren mijnheer de baron; die zijn klein en gering, maar die zie je dan ook eerder verschieten en vallen zeg ik; dat mot je maar kunnen waarnemen zooals wij \'s avonds in de \'ranjerie!quot;
âJquot;, kewies. â Woon u bij een kniidiger herr baron?quot;
âJa.jel, om u te dienen. Ik ben zooveel as tuinbaas bij den baron Geereke Van Uland, of uwe met \'em bekend is?quot;
19
20 ANNA ROOZE.
Anna slaat vluchtig de lange wimpers op.
âVon Gerieke.... Von üland; nein ken\'m nicht.quot;
âJa wel, Geereke Van Uland; een groot half uur boven Mulderspeet, op De Renghorst, weet u, daar ik op den wagen ben gekomen.quot;
,Ah! ist das De Renghoerst. Gott wat hübsch gebouw; zoo giebt er nergens kein.quot;
âNou, dat durf ik miinheer te verzekeren. Alleen zijn er over de honderd ramenquot; â de baas bedoelde natuurlijk de broeiramen â âen die gaan allemaal door mijn handen. Dan heb ik \'en heele bunder voor moestuin. Maar tot in \'t laatst van October heb ik ook jonge doppers â altijd in \'t soort blijven, dat is de zaak. En fijne vruchtboomen van belang! Als uwe dien kant is uitkomt dan hou ik me gerikkemendeerd. \'t Is van den echten rijkdom, dat zal waar wezen.quot;
âJa Gott! dat kon je wel zien. Alles rijk! rijk Oost-Inje--
Fijne lucht die segaar.quot;
âEn evel zeg ik dat \'en mensch z\'n geluk niet in de ramen zit, want daar hebt u mijnheer den baron en de mevrouw; goed zijn ze, overgoed; maar d\'r zoon! â Ja, nog gisteren zei ik tegen m\'n vrouw: die eigenste mooie jonker zal z\'n moeder â of z\'n mama weet u â nog den dood aandoen.quot;
Anna zit nu overeind, en zelfs eenigszins overhellend naar \'t midden.
âKemein suzjet....?quot;
âNeen daar niet van, maar de kamenier heit ons verteld dat er vanwegens de amoureusigheid altijd hooge woorden vallen. De Jonker, ziet u, is raalmoers-kindje, maar op het punt van de sjenieïgheid. zal ik maar zeggen, is ze van begrip dat de jonker geen portuur voor \'n mindermans kind is; en daar kan ik mevrouw geen ongelijk in geven. De kamenier zei dat mevrouw nog gisteren den heelen voormiddag zat te schreien en dat ze hoorde hoe mevrouw op de studeerkamer gezegd had: Ga jij je gang! Zet jij dat vadale huwe-lijk maar door, je zult dan te gelijk met de trouwkoets \'en lijkwagen kunnen bestellen.quot;
âDat zou sjade zijn; bewahre!quot;
âNet schade! Mietje de kamenier wist er nog meer van, maar ik zei: Mietje, we moeten de lui de lui laten, en die dingen niet aan de groote klok hangen! Zie, ik vertel dit uwe as vrind, onder de roos.quot;
âWel ja, bekrepen! â U hebt dat koed gedressierd. Enne.... wat iek zeggen wou.... noe keef ik u te raaien wat die segaar u kosten zal! U rekent: vijftig thaler dat is negentig gulden. Neen! Twaalf gulden de duizend! lek heb ze bij een toeval en wil d\'r afwezen.quot;
âNou dan zal uwe d\'r wel afkomen ook, de groote lui rooken tegenswoordg allemaal segaartjes. Ik en mijns gelijken we rooken baai, ziet u, maar in zoo\'n dilleszans ist \'en aardigheid.quot;
Anna Rooze, weer met het hoofd in den hoek gedoken en met het gezicht van haar medereizigers afgewend, laat aan de tranen
ANNA BOOZE. 21
die haar in de oogen drongen, hun vrijen loop. Vraag haar niet wat ze gevoelt, wat ze denkt, wat ze wenscht in deze oogenblikken. Ze weet het niet. Ze zou althans niet durven zeggen wat ze wenscht, want ze weet toch wel dat ze moet dragen wat haar te dragen wordt opgelegd.
Of Anna\'s vreemde houding de opmerkzaamheid van den geestelijke heeft opgewekt, althans weinige oogenblikken later klinkt het zacht van ter zij:
âIk geloof dat het droevige tooneel en de opheldering, die ons er van gegeven werd, u zeer hebben aangedaan juffrouw. Misschien hebt u een zenuwachtig gestel, en zoudt u baat kunnen vinden bij het middel, dat ik altijd voor zware zenuwhoofdpijn bij mij heb. Zou ik u hiermede ook van dienst kunnen zijn?quot;
Bij de laatste woorden bood de geestelijke Anna een flacon van zeer dik glas aan, waarin zich een fijn sponsje bevond, \'t welk geheel met den sterk riekenden geest van sal-ammoniak was doortrokken.
Anna wist wel dat het haar weinig zou helpen, en de lucht van den sal-ammoniak vond ze bovendien onaangenaam, maar de deel-neining, die ze ondervond en die zoo duidelijk op dat goedaardig gelaat stond geteekend, trof haar in deze oogenblikken zoo weldadig, dat zij met een innig dankbaar knikje den flacon aanvatte en den sterken geest een paar malen opsnoof.
Het had haar toch waarlijk goedgedaan.
âWil de juffrouw ook soms hier zitten?quot; zegt de pelsjas terwijl hij zich voorover buigt, en voegt er bij: âMijnheer schijnt anders nóg al geestig te zijn, als hij zelfs geest in zijn zak draagt. Heeft hij misschien ook den Heiligen Geest in dat fleschje?quot;\'
âIn dat geval zou ik niet verzuimd hebben ü het eerst den flacon te presenteeren, mijnheer.quot;
âMooi gezeid, waarachtig! Ben je altijd zoo aardig? Wel man â dan zal zelfs Onze Lieve Heer schik in je hebben. Kom, bid op den koop toe een Voader-onske â of \'en Wees-gegroetje, wie weet of de juffrouw nog niet meedoet.quot;
Evenals den vorigen keer had Blaak ook nu zijn laaghartigste woorden slechts verstaanbaar gebromd voor hem dien ze golden.
Op het zachtmoedig gelaat van den geestelijke had zich straks, zoowel op het breede voorhoofd als om den fijn besneden mond, een trek van verontwaardiging geplooid; doch nu, nu zien zijn groote blauwe oogen den medereiziger met de liefderijkste welwillendheid aan en zegt hij zacht:
âIk wil niet gelooven dat het uw doel was mij te krenken. Indien ik het u deed, vergeef het mij mijnheer. Maar ziet u, als men zooals ik twee dagen na elkaar aan net sterfbed van een geliefden vader en een dierbare éénige zuster heeft gestaan, dan....quot; even houdt hij stil; een paar groote tranen wellen op in zijn oogen.... âdan begrijpt u dat het hart wel voor indrukken van smart en lijden is geopend, enquot; â zachter â âik meende de sporen er van al aanstonds op dat schoone gelaat te bemerken. â Hebt u een zuster, mijnheer?quot;
22 ANNA BOOZE.
âNeen mijnheer, die is---- maar dat gaat....quot;
âHet gaat mij niet aan; u hebt gelijk. â Vergun mij toch ééne vraag....quot;
âWou je me in de biecht nemen?quot;
âNeem het niet zóó mijnheer.quot; Zeer zacht: âAls dat schoone meisje uw zuster geweest ware, en u hadt mij op uwe plaats gezien, wat zoudt u gedaan hebben?quot;
âAls! Als!! je zanikt mijnheer, zegt de pelsjas met gefronste wenkbrauwen, en draait den geestelijke zijn breeden rug toe, en trommelt vrij luid met de vingers op het portierglas.
Nochtans hij trommelt niet lang, en gedurende het volgende deel der reis, sprak hij niet meer, en rookte hij ook niet meer.
Nabij Arnhem maakt de zoogenaamde Apeldoornsche straatweg een heerlijke golving door de Sonsbeeksche vallei.
Over de breede beek, â wier helder nat ginds op het schoone, ja zelfs in den winter zoo prachtige landgoed, in fontein en waterval vroolijk klatert, en zwanen wiegt binnen breede vijverboorden; over de beek, die afdaalt naar Gelderlands grijze hoofdstad, om â meestal verscholen â zijn naam er te geven aan een straat, waarin zich een groot en somber gebouw verheft: over die beek met zijn bleekerijen er nevens, voert de weg naar den pas voltooiden spoorweg-tunnel; en, onder hem door, weder rechts, met een steilen oprit naar het witte stationsgebouw, waar de vurige stoomrossen, dampend en snuivend gereedstaan om al wat ros heet te beschamen.
Maar de beide rossinanten voor den Zwolschen nachtwagen, alsof ze de minachting gevoelden, waarmee die ijzeren renners van verre op hen neerzagen, spanden nogmaals al hun krachten in, en, â de zweep van Gerrit mocht de voldoening smaken dat ze in \'t gezicht der stad met â\'en straffen gangquot; de Sonsbeeksche vallei in den tunnel doorjasten, om eerst bij Sanders\' lustig: âWilhelmus van Nassauen,quot; op den steilen stationsweg over te gaan in een amechtigen stap.
Nog vóórdat de wagen, boven op het stationsterrein gekomen, stilhoudt, is Sanders reeds van den bok gesprongen en, met de hand aan de tree een eindweegs er naast loopende, ziet hij op zijn zilveren horloge; roept den conducteur van âde Nimwêgsche wagenquot; toe, dat \'et net tien uren is, en smakt dan â al loopende â de tree neer, om zoodra de paarden stilstaan het portier te openen en aan te kondigen: âVoor den Rijnspoorweg uitstappen heeren en dames, als ik je verzoeken mag!quot;
En de menschen, die een paar uren in zulk een klein bestek waren vereenigd geweest, en naar \'t uiterlijk aanzien althans, zoo eendrachtig hadden geschommeld, stapten af, om elkaar voor een groot deel nimmer weer te ontmoeten.
âKan ik u misschien in iets behulpzaam wezen, juffrouw?quot; vraagt de jonge geestelijke, nadat hij een gulronden collega, die hem begroette, de hand had toegereikt.
âO ik dank u duizendmaal, mijnheer. Ik zal uw liefde niet vergeten. Goede reis!quot;
âGoede reis!quot;
ANNA BOOZE.
âWas dat van oewen familie of quot;en kennis, Barends?quot; vraigt de geestelijke, die den collega begroet had, terwijl hij een lichten straks gerezen blos van diens schuldeloos gelaat zag verdwijnen.
âNeen, zij is mij onbekend, geheel onbekend, broeder Van der Laet.quot;
âZoo, dan hedde ge zeker gebeejen: Leid ons niet in de bekoring. Dat is \'en schoon slag van dame zulle. Die met zulk ennen bruid seffens voor \'t altaar van de Lieve Vrouw komt, mag van geluk spreken. Zay is skoon zulle,quot; en hij ziet nog eens om: âPas moar op broederke Barends!quot;
âDe Heilige Kerk is mijne lieve bruid, broeder Van der Laet. Door haar zal de ziel tot God komen, en aan het hart der Heilige Moeder Gods een eeuwige rust vinden; Nemo ante mortem beatus.quot;
âIk zeg dadde gelijk hebt. Ikkik voor mij zelf sta ook constant genoeg zulle, en laat de temtasie gennen vat op me krijgen; maar d\'r zijn d\'r \'en quantiteit â vooral bij ons zulle, die, enfin, ikkik zeg as ge \'t van den anderen kant aanschouwt: Spiritus quidem promptus est, caro autem infirma.quot;
âMaar de priester moet alreeds van een hoogere natuur zijn; een natuur waarvan de geest over het lichaam heerscht, een heilige natuur broeder Van der Laet. De priester moet een deel zijn van het corpus sanctum, waarvan Jezus Christus de Alfa en Omega is.quot;
âDas juust, moar ge wittet: eer den ouwe natuur dood is, is ie voak revolutionnair zulle. Ik heb d\'r compassie mee, en assik den broeder zie vallen, dan zeit de compassie: âQui se existimat stare, videat ne cadatquot; ennik vat geenen steen zulle, wadde gay!\'? Beter steenen aanbrengen voor de nieuwe kerk newoar? Ge Komt ook voor de conferentie newoar? We zullen bij den Eerwoarden deken dineeren newoar?quot;
Barends heeft in \'t afdalen naar de stad gelegenheid om â zooveel hij er toe in staat is â de vragen van den broeder uit het zuiden te beantwoorden. Op de laatste vraag moet hij hem echter het antwoord schuldig blijven; maar de collega, wiens uiterlijk wel aantoont dat hem een goede tafel geenszins onverschillig zal zijn, troost zich alras met de vroeger opgedane wetenschap: dat het logement van Den Doctor in de Weverstraat \'en fameus hotel en de tabled höte partikleer recommandoabel is.
Weinige minuten later treden de beide geestelijken het genoemde logement in en worden er met een beleefdheid ontvangen, die vooral den jongste zeer onaangenaam treft. â Ongeveer een groot uur daarna verlaten zij â een weinig van de reize verfrischt â hun hotel, terwijl Van der Laet zacht tot Barends zegt â met het oog op den steeds buigenden garlt;;on:
âWat den dieje aan ons doet dat heddie schuld oan de Lieve Vrouw; vaddegewel?quot;
Langzaam voortgaande begeven zich de beide mannen naar het St.-Walburgsplein, dat reeds op eenigen afstand gezien wordt.
Er is een geringe oploop van volk in de reeds genoemde Beekstraat.
23
ANNA BOOZE.
Voor het groote sombere gebouw, dat de geestelijken juist voorbijgaan, heeft een kleine huifkar stilgehouden.
Dat gebouw met ijzeren staven voor de vensters, hoe zouden ze vragen wat het is. De herinnering aan een droevig tafereel in den morgen wordt bij den jongsten der beide geestelijke broeders opgewekt.
De kar een eindweegs voorbijgetreden, staan de mannen even stil en zien om.
De groote deur is geopend. De cipier staat op den dorpel.
Vlug springt een jonge vrouw van de kartreden op de blauw-steenen stoep.
Zij is ongeboeid.
Twee politiebeambten zijn haar op zij.
Ben boerenknaap die, hen vooruit, ter deure wil insnellen, wordt met een vasten greep gevat en teruggeschoven. De jonge vrouw ziet naar hem om; maakt een kleine beweging naar dien kant, maar zachtkens wordt ze voortgestuwd door een der gerechtsdienaars. Nog een oogenblik en ze overschrijdt dien dorpel, gevolgd door haar bewakers, maar ook gevolgd door den boerenknaap, die door den cipier in de gang wordt geduld â doch slechts tot aan het hooge afsluitingshek.
âWat mag dat wezen?quot; zegt de oudste broeder, zichtbaar bewogen en bleek geworden.
âZij is beschuldigd van kindermoord, die arme!quot; zucht Barends zacht.
âHeilige Moeder Gods!quot; stemt Van der Laet: âen voor den ontuchtige, die haar zóó liet geworden, stond het heilig sacrament van \'t huwelijk\' open. . En de priester....!quot;
âDe priester deed zijn gelofte, broeder Van der Laet.quot;
Beiden zwijgen en gaan verder.
24
Het volk, dat naar deze zijde uiteenging, mompelde in stilte. â Sommigen, de geestelijken ziende, nemen devoot hun hoofddeksel af, maar â zij verdienden een groet van allen die beide mannen. Hun geloof zij een ander; hun gelofte een betreurenswaardige band in veler oog; hun trouw â hier de vrucht van een zelfverloochenend gemoed, ginds van een dagelijkschen strijd misschien, zij dwingt tot eerbied en bewonderende liefde.
TWEEDE HOOFDSTUK.
De trein naar Holland, waarop de wagen van Zwolle correspondeerde, vertrok om kwart over tienen, en \'t was dus volstrekt niet
ANNA KOOZE.
noodig dat Anna twee uren in Arnhem bleef zooals de comrais-, voyageur haar gezegd had. Aan het plaatsbureel nam zij, op aanwijzing van een beambte, een kaartje voor de tweede klasse naai Utrecht, en ofschoon ze aarzelde één van haar tienguldenstukken in betaling te geven, zij ondervond tot haar blijdschap geen de minste zwarigheid, en bekwam behalve het geld, dat ze moest terugontvangen, nog de verklaring van den heer achter het schuifraampje: âTientjes, dame, volgens den koers, genoteerd a fü.ëb, zooals u op het biljet ter zij van het raampje zien kunt.quot; \')
Dewijl Anna een mogelijke afwijzing had gevreesd, was die koers en ook het geringe verlies haar geheel onverschillig.
Nu treedt ze door eenige menschengroepen heen op de wachtkamer toe, doch, alvorens die binnen te gaan. hoort ze van ter zij eer» ruwen uitval, die blijde verrassing moet te kennen geven, eindigende met de woorden:
âWel Broekje, waar kom jij vandaan, en waar rol je naar toe? Of blijf je in Arnhem?quot;
Anna ziet vluchtig om, en terwijl ze den breeden rug van den commis-voyageur ontwaart, hoort ze den ander een ontkennend antwoord geven, waarop Blaak weer uitvalt:
âKom, blijf hier kerel. Sinds m\'n ouwe dood is, kun j\'et goed bij me hebben; ik woon op een fideele kamer in de Broerestraat.quot;
â En, als nu iemand zoo\'n man vertrouwd had! denkt Anna terwijl ze haastig de wachtkamer binnentreedt.
quot;Dank zij de loffelijke vergunning der Rijnspoorweg-directie, dat men reizigers in de wachtkamers vergezellen mag, is het ook hier bijzonder vol. Nochtans, de omstandigheid dat het voorname gedeelte van een gezelschap reizende tooneelspelers er zich mede bevindt, verklaart nog beter de bijzondere volte en drukte. Weinige minuten later is echter de groote wachtkamer zoogoed als leeggestroomd.
âMiss, moet u niet mee? Khm! Miss!quot; roept metEngelsch accent, iemand op den drempel der glazendeur, terwijl hij omziet naar binnen.
Anna, die straks op een nog onbezetten stoel was neergegleden en de oogen voor de vreeselijke drukte had gesloten, zag verschrikt op; rees ijlings overeind, en den heer die reeds buiten was, volgende, wordt zij weldra door een conducteur in een coupé der tweede klasse geholpen, waarin zij als tiende persoon, dank zij de aansluitingszucht van net gezelschap, nog een plaats naast het portier bekomt.
25
âAl vroeg op reis geweest dame?quot; klinkt het haar aanstonds in den wagen toe, en Anna ziet den persoon met zijn sprekende gelaatstrekken en vervaarlijke boorden voor zich, den man die haar uit hare soezerij â zooals zij het zelve noemde â had opgewekt, en zonder wiens waarschuwing zij waarschijnlijk een droeve teleurstelling zou hebben ondervonden.
1) Eerst In het jaar 1875 werd de gouden Standaard In Nederland hersteld, en kwam het goudgeld weer in omloop.
llil .
26 ANNA KOOZE.
âJa, al vroeg mijnheer. Ik dank u vriendelijk!quot; zegt Anna met een vluchtig blosje.
âIk dacht wel aan uw bagage te zien dat u mee moest. â Tot Rotterdam?quot;
/lot Utrecht mijnheer!quot;
âUtrecht! I don\'t----Ik ben.....quot; zich bedenkende: âNo, no, ik
ben daar maar ééns geweest. Daar woonde all lang een old-old-tante wier universal erfgenaam mijn brave mama was; maar zij heeft geen penny achtergelaten.quot; Luide lachende: âDe old goed woman! Kan ik u daar niet gezien hebben? in \'t jaar 44?quot; Weder lachende; âHola! vijftien jaar geleden!quot; â Tot een der medereizigers: âZie je well Jan, dat ik \'en gek ben gebleven; ik wil die miss voor vijftien jaar all zoo in Utrecht hebben gezien, hahahahaha!quot; En met verheffing lacht hij nog voort: âhahahahaha!quot;
De aangesprokene Jan, een net gekleed eenigszins confuusachtig heer met roode haren, weet niet beter te doen dan mee te lachen, en straks, als in \'t geheim, een emeritus predikant van een der Nederlandsche gemeenten Onder \'t Kruis toe te fluisteren:
âAltijd en eeuwig komiek. Om te gillen.quot;
Met bevende onderlip en daardoor bijna onhoorbaar zegt de aangesprokene :
âZalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden, spreekt de Heere Heer!quot;
Mijnheer Jan ziet nu eerst den naast hem zittenden reisgenoot van ter zijde aan, en geeft nog confuser een knipoogje aan zijn vriend, die het echter niet bemerkt. Lustig lacht deze voort, en herneemt, terwijl zijn gelaat altijd het levende afdruksel zijner woorden vertoont:
âZoo is de mensch: Vijftien jaar ouder te worden dat telt hij weinig. Toen moet u, miss, een klein kindje geweest zijn. Maar gekend of gezien heb ik u toen niet, want, excuse dames, naar dat kleine puppetshow zag of zie ik nooit: ik wacht altijd totdat ze de tanden en kiezen voor vast hebben, ofschoon je dan ook aan \'t gezicht genoeg hebt. Hahahahaha!quot; Er kwam bijna geen eind aan dat lachen.
Een dikke papa met dito dochter; een dame die in Menschen-haat en Berouw zit te lezen, maar blijkbaar dezelfde bladzy tot drie- en viermalen toe; een heer in een grijskleurige loshangende overjas met een kolossalen caillou du Rhin bij wijze van diamanten doekspeld op een roode das met witte stipjes; een aspirant-surnumerair bij de belastingen tusschen twee muurstijve en dolkspitse boordjes geklemd en op reis, uit een bijna onbekend dorp in Drente naar de âoomesquot; in Den Haag, benevens een juffrouw met zwarte doch blinkende oogen, gekleed in een rooden bournous â deze dame waarschijnlijk de mistrouwde van Menschenhaat en Berouw, en de vertrouwde van den caillou du Rhin â dit zestal heeft mede den invloed van het onweerstaanbaar gelach ondervonden, en in deze spoorcoupé is er niet één mond die niet, als de zijne, tot een gullen of stillen lach is geplooid.
nquot; iiiiViin\'i
ANNA KOOZE.
Ja toch.... de emeritus predikant ziet ernstig voor zich; zijn onderlip beeft sterker; hij bevindt zich âals Gideon in der Midia-nieten hand! Hoe zal hij het Baals altaar afbreken en het bosch afhouwen dat daarbij is. O kinderen van het Oosten, kinderen der lichtzinnigheid! gelegerd in het dal van Jizraël. O Heere God, hoe zal hij hen verslaan.quot;
\'t Was verstandig van den vromen verstoorde dat hij zich in zijn hoekje tot slapen neigde; misschien zal hij in zijn droomen het antwoord op zijn vragen vernemen, want hij meent, en ter goeder-trouw, dat hij zich nu bevindt te midden dier wereld die af hoereert van zijn Heere God.
Het uitbundig gelach van den man, dat nu echter vermindert maar nog gedurig zal herhaald worden, mag nochtans zijn goede zijde hebben. Misschien had het voor Anna iets van den vliegop, waarmee de geestelijke haar in de diligence een verfrissching bezorgde. Indien zij zélve inderdaad had moeten lachen, wellicht zou zulks op haar overspannen geest een nadeeligen invloed hebben uitgeoefend, doch de opgewektheid van dien man, welke haar somwijlen een zweem van glimlach om de lippen tooverde, zij trok haar gedurig van de sombere denkbeelden af, die haar telkens in allerlei vormen voor den geest stonden.
Ofschoon hij nu, zichtbaar aangemoedigd, het woord tot al zijn reisgenooten richt, meent Anna toch dat hij zijn gul vroolijk oog het meest op haar laat vallen, en telkens alsof er in te lezen is: Ik ken je wel maar thuisbrengen kan ik je niet.
âJa dames, als je zoo\'n kleine twaalf jaar in dat thing bent geweest dat Columbus heeft uitgevonden, en dan in je lieve vaderland terugkeert, dan sta je net te kijken als de leeuw van Bengalen in den Amsterdamschen apentuin. Ha! \'t is dan alles zoo klein alsof je de goede stad Hamburg uit een Neurenburger speelgoeddoos ziet komen, en zoo compres dat je niet weet waar je je beenen zult steken.quot;
De caillou du Rhin, die tegenover hem zat, meende dat het laatste een kleine wenk was, en wierp het linkerbeen over het rechter, waardoor meteen een glimmend laarsje te zien kwam.
âJa dames, zelfs mijn goed old mamaatje om wie ik principally naar \'t Kikkerland ben overgekomen, was een half hoofd kleiner dan toen ik haar als zestiger voor \'t laatst in \'t lokaal de Zes Kronen te Rotterdam den doodsnik zag geven, met den uitroep: Wraak, wraak over Kdgard la Gondolfière! Hahahahaha! Weetje wel Jan....? Hahahahaha! Ik zeg ze was een half hoofd kleiner, want de ziel strompelt nu met dikke beenen op een krukje. Ha! wat ze blij was toen ze me weerzag! Daar zou je een blijspel van kunnen schrijven, als je maar pen en papier hadt.quot;
De dame met de Menschenhaat en Berouw; de heer met den caillou du Rhin in de roode das, en de zwartoogige dame met den bournous, hebben bij de laatste mededeelingen een bijzondere belangstelling aan den dag gelegd. De dikke papa en de dikke dochter aten een broodje met gehakt uit een papier.
27
ANNA BOOZE.
,1s u, als ik vragen mag, artiste----?quot; zegt de caillou met een
uitlokkende geste.
âDat is te zeggen, tot voor circa drie maanden: actor on the great George theatre of Washington.quot;
âOch kom, te Washington in Engeland mijnheer?quot; vraagt de zwartoog met den rooden bournous met een bijzondere vrijmoedigheid, en den klemtoon op: Was, Engel en mijn.
âZoo\'n klein beetje schuins d\'r achter, over de zee, miss! â hahahahaha!
De miss is met haar verbeelding in de Zuiderzee, daar je van den Muiderberg zoo\'n mooi gezicht op hebt: maar ze zegt toch haastig, terwijl ze haar bournous vaster om de welgevormde leden trekt:
âJuist mijnheer; ik weet wel; dat spreekt. En was u daar aan het Sjors theater?quot;
âDaar had ik de eer gedurende circa zeven jaar Jang de Yankees bij den neus te nemen miss. AH avonden stond ik bij \'t voetlicht te liegen â in \'t laatst at four thousand dollars a year â te liegen, nu eens dat ik een millionair en dan weer dat ik smoorlijk verliefd was op the liederlijkst suget van \'t gezelschap; te liegen dat ik ten laatste zoo zwart als een neger werd, last not least in Othello The Moor of Venice, hahahahaha!quot;
âVoor duizend dollars....?.... hoeveel. ...?voor duizend?quot; vraagt de zwartoog.
âDat is een magnifique appointement mijnheer;quot; zegt de caillou met een milde geste terwijl hij te gelijk der vertrouwde een druk met den elleboog geeft.
Telkens wanneer de roode bournous had gesproken, heeft de dame van Menschenhaat en Berouw met een scherpen blik langs haar heen gezien.
âVier duizend dollars; dat is tien duizend gulden in het jaar!quot; zegt ze op eenigszins scherpen en beslisten toon: âDaar moet men in Holland om komen i Hier is \'t al mooi, als men, voor éénderde van die som, met een van je eerste theaters, \'s zomers de kermissen en \'s winters de provinciesteden moogt rondreizen.quot;
âEen artist in Holland sterft van den honger, dat is niets zeldzaams, inderdaad!quot; zegt de heer met de roode das, en werpt een blik langs den rooden bournous op de punt van zijn verlaktleeren laarsje.
âOf je sterft van den dorst; daar heb ik zoo\'n last van,quot; lacht de vertrouwde: vooral als er \'s avonds geen grog is.quot;
Er lag een uitdrukking van diepe verachting in den blik, die de oudste actrice op de jongere wierp, en, voor hen, die straks bij het instappen der coupé getuigen waren van den onwil der oudere om die jongere te volgen, voor hen was het nu althans een uitgemaakte zaak, waaruit die onwil was voortgesproten, en tevens: dat de vaak besproken tooneelwereld â helaas nog veelal een wereld op zich zelve â toch niets anders is dan een wereld in \'t klein, een wereld met zijn goed en zijn kwaad.
De caillou du Rhin drukt nogmaals zijn elleboog tegen den arm
28
ANNA BOOZE. \' 29
van dat ,malle vrije dierquot;, maar richt te gelijk tot den vreemde, altijd met strak gelaat, doch met een zeer uitnoodigende geste, de woorden:
âMij dunkt uw naam kan mij niet vreemd wezen, mijnheer. Ik heb een vriend, en uit diens mond heb ik wel eens den naam vernomen van een jongmensch, wien het geluk was ten deel gevallen, carrière aan het tooneel in Amerika te maken. Mag ik vragen of ik de eer geniet met mijnheer Jordaan in gezelschap te wezen? Ofschoon ik nimmer het genoegen smaakte u te zien zoo zoude het mij desalniettemin ten zeerste verwonderen mijnheer, indien ik mij in dezen bedroog.quot;
\'âNo, no sir! Ik dankje zeer. Den grooten Jordaan heb ik wel hooren noemen .. hahahahaha . ⢠- maar die is eindelijk, zeker bij abuis, of bij gebrek aan tooneeldolk of tooneelvergift precies gestorven als een gewoon mensch. Die was wel veertig jaar ouder dan ik, en was aan het groote theater te New-York. â Dat beteekent wat meer! â Wat mij betreft ik ben kort-af Kater. â Stamboeken dames, heb ik er nooit op nagezien, maar ik geloof dat die naam meer bepaald van mama\'s kant afkomstig was; althans, in de wandeling vooral heet de goede vrouw shortly Ka, en, zoolang ik het tooneel van de Zes Kronen moest aanvegen, de vetkaarsen snuiten, en groote en kleine rollen mee vervullen, noemden zij mij met een vermannelijking van ter; KA ter .. hahahahaha! â Dit gaf aanleiding tot kleine onaangenaamheden, die mijn lieve mama zich zoodanig aantrok dat ze, â twee dagen na haar dood bij die wraak over de Gondolfière, â toen ze in de Aballino zou souffleeren â want mama was altijd van alle marten thuis â dat ze het toen vertrapte om Jaap onzen directeur vooruit te helpen. Nietwaar Jan?quot;
Jan grinnikte: âJa!quot;
âNadat Jaap een vervaard spektakel had gemaakt,quot; vervolgt Kater: âen mama het nog altijd vertrapte, en in d\'r hok zat te lachen, werd hij eindelijk zóó razend dat hij in \'t karakter van Flodoardo allerschrikkelijkst begon te vloeken â \'tgeen volstrekt niet te pas kwam, nothing like it! absolutely nothing! Zóó erg dat de schapen-bak â dat was de fourth rang dames-...quot;
âNeen, niet de voorste,quot; valt de bournous in: âde schapenbak is achteraan.... maar een plezier dat je daar hebben kan!quot;
De vertrouwde was lastig; weer heeft een elleboog haar in de zij gedrukt.
âJuist, \'t was in \'t lokaal de Zes Kronen de vierde rang miss! Bah! wat vloekte Flodoardo, en wat schreeuwde de schapenbak! Maar de goede mama zat te lachen dat ze schudde, hahahahahaha. â Geef me je claus \') riep Jaap tot den Doge van Venetië omdat mama niet helpen wilde. Maar de Doge was ook de kluts kwijt. â Souffleur! schreeuwde Jaap â net alsof mama een man was â als je
\') In tooneel-terminologle het laatste gedeelte van den volzin, waarop een ander moet invallen. Waarschynlijk van clausule.
30 ANNA KOOZE.
niet souffleert dan trap ik je met je heele kast naar beneden. Maar mama â tamelijk gezet voor een zestiger â zat te schudden onder haar koepeldak alsof ze aan het dansen was, en de tranen liepen haar over de wangen, hahahahahaha! â Dat alles zag ik achter de side-scene dames, en in mijn leven heb ik niet zoo gelachen, hahahahahaha. Maar ik dacht toch: Kater pas op! als dat sinjeur nog erger op z\'n Aballino\'s begint, dat jij dan je nagels toont. â Juist dames, stond het linkeroog van mijn vroolijke mama op de nomination om met de punt van Aballino-Plodoardo\'s laars in contact te komen, toen ik dat Venetiaansch gedrocht van achter in z\'n nek pakte, zóó, dat \'em â met permission dames â de oogen een duim naar voren schoten, en hij van overgevoeligheid Moord! ging roepen. Nietwaar Jan? â Om kort te gaan dames, dat gaf me daar een soort van boxing â zooals we dat bij ons te lande noemen, en of ik bij vergissing m\'n mes daarbij in de hand had dat wist ik toen niet, maar zeker is het dat hij ineens van z\'n zeiven viel, en nog eens moord schreeuwde en dat de doge van Venetië \'em ondersteunde en dat de souffieursbak voorover op het tooneel kwam duikelen, en m\'n goede mama, zich op de beide nand-palmen verheffende, naar boven sprong. â \'En mooie sprong dames, voor iemand van zestig jaar die slap van \'et lachen was.quot;
De roode bournous sloeg de handen saam, en wierp ze, met een tintelenden blik, tamelijk theatraal, in de richting van het bolronde lichtglas der coupé-zoldering, terwijl haar uitval, die met de namen âJezus Maria!quot; begon, een pijnlijken indruk maakte.
De emeritus kreunt met gesloten oogen.
Anna die, hoe vreemd ze zich ook in haar hoofd gevoelt, toch het verhaal van den Hollander-Amerikaan heeft gevolgd, maar nu niet recht wist of ze een uitval hierin de coupé, of buiten de locomotieffluit gehoord heeft, Anna nu opziende, ontmoet toevallig den blik der oudste actrice, en leest er de vragen in, die mede door dat onrustig zich heen en weer wenden op het duidelijkst worden uitgedrukt: Moet dat schepsel mij zoo compromitteeren! Kan ik den wagen niet uit! Moest zij dan, althans in gezelschap, niet toonen dat ook een artiste gevoelt wat een vrouw past of niet!
Zonder merkbare pauze, waarin de aspirant-surnumerair langs zijn spitse boordjes een: Lieve deugd! heeft gesuisd, terwijl zijn gelaat nog zeer lang in een griensachtig lachenden trek, als \'t ware verschooning blijft vragen voor zijn vrijpostig advies â vervolgt de woordenrijke vreemde met een onweerstaanbaar boeiende plasticiteit:
âWat er verder in de zaal van den doge van Venetië tusschen mama en Aballino, en alles wat er op afkwam, is voorgevallen, dat kan ik de dames niet vertellen, want, toen ik de punt van een Rotterdamschen diendersstok op den background in !t oog kreeg, toen was ik om den hoek van een side-scene verdwenen. â Gelachen! Nooit zoo gelachen dames....quot;
âAh zoo mijnheer, waart u de persoon, die destijds aan dien zoo-genaamden directeur Kummel uit de Zes Kronen een steek in zijn schouder hebt toegebracht?quot;
ANNA ROOZE. 31
âStop sir, sst! daar heeft mij nooit iemand iets met zekerheid van weten te zeggen, maar Jaap Kummel schijnt er weinig last van te hebben gehad, want, nadat hij eerst mijn brave mama aan den dijk zette, om haar later, bij gebrek aan een Fruitvrouw in het Verkeerd Adres weer aan te lokken, heeft hij toch nog drie jaren dapper gegalmd, totdat hij eindelijk met z\'n laatsten adem al de zes kronen te gelijk moet hebben uitgeblazen, hahahahahaha....! Dat heeft de old mama mij verteld. â Nu zul je vragen dames,quot; vervolgde de man, nadat hij nog eens hartelijk had gelachen, en hij Anna, zooals zij bespeurde, nog meer dan vroeger gedurig aanzag: âNu zul je vragen waarom ik zoo snel achter de side-scene verdween, terwijl de Rotterdamsche bemoeial langs den background opkwam. Ja, ik had een groote roode vlak gezien dames, en die kleur, daar had ik m\'n papa â zooals mama zei â aan verloren bij Hasselt of Leuven. Geen wonder dat ik er bang voor was. â Hoe ik buiten de tent in eens tusschen een drietal lachende heeren verzeild raakte, dat weet ik niet; maar \'t was voor de tweedemaal in m\'n leven dat ik geen trek had om mee te lachen. Die zelfde vroolijke heeren had ik straks binnen de Kronen gezien. Ze ware» zoo lustig dat niemand kon denken dat Kater zich in hun midden bevond, Kater, naar wien de politie zoovele dagen vergeefs alle nasporingen in \'t werk zou stellen. Hoe \'t zij, nog dien zelfden avond zat ik in de maag van den Batavier, die den volgenden morgen ging stampen en rommelen en gymnastiseeren dat ik zoo onpasselijk werd als nooit een mijner zusters op vier pooten het kan geweest zijn.
âToen ik voor \'teerst weer lucht en licht zag, was daar een van de lustige heeren die mij, half in \'t Engelsch en half in \'t Hollandsch, raad en troost gaf. Ik had zoo natuurlijk geacteerd zei hij, dat ik in de United States zeker furore zou maken als ik mij maar ferm op the English language wilde toeleggen. We zouden samen de rei» van Londen naar New-York maken, en hij stond voor mijn overtocht in.
âIk hoefde niet bevreesd te zijn, want in de groote Republiek kwam a quick man altijd vooruit; en, dames, dat was de cracker of the fire-work: hij gaf mij een kleine portefeuille, en âtoen kon ik weer lachen! Yes, zelfs lachen terwijl ik aan de goede verlaten mama dacht, want in de portefeuille, die een der vroolijke heeren voor mij had meegegeven, vond ik driehonderd gulden aan vloeipapier. Mooi soort papier dames, hahahahaha!quot;
Ue man lachte weer zoo smakelijk luid en rond, dat zelfs de emeritus â steeds met gesloten oogen â een gezicht trok alsof men hem met een veertje onder den neus streek.
De dame met den rooden bournous, die met de beenen over elkaar, den elleboog op de knie en het hoofd in de hand zat geleund, deed weer een uitval, die nu geheel onvermeld zal blijven.
De heer met den caillou du Rhin lachte deftig â vooral tevreden omdat de oudere actrice haar aandacht uitsluitend aan den verhaler scheen te wijden.
Jan, de oud bekende van den verhaler uit den tijd der Zes Kronen,
32 ANNA ROOZB.
knikte onophoudelijk alsof de gansohe zaak met hem zelf had plaats gehad; en de aspirant-surnumerair, wiens rechterboord door de natuurlijke warmte des eigenaars was flauw gevallen, zei: âNu dat was een mooie!quot; en zat daarna nog wel tien minuten met een triumfante griensachtige verbazing over de juistheid van zijn tus-schenwerpsel.
âEn dames,quot; vervolgde de man: âwat ik nooit gedroomd had dat ia er Goddank, toch van Tom Cat geworden. â Rijk worden....? hahaha! d\'r waren daar blauw- en bruinoogige vrouwelijke yankees genoeg, die het een malligheid vonden. Maar Tom heett die kleine
bloedzuigers van z\'n lijf gehouden, hahahaha----Never mind my
little dears; never mind!quot;
Het gelaat der jongste actrice weerkaatste voor een oogenblik sterk de kleur van haar bournous.
De caillou du Rhin speelde met zijn zwaar vergulden horloge-ketting, en zag voor zich neer.
De oudste actrice daarentegen hield den blik strak op die neergeslagen oogen gevestigd. â Mij zou haar aanzien! Dat wilde ze!
âAugust hoe laat heb jij \'et?quot;
âHoe laat____? Wij zullen zien! Kwart over elven.quot;
âZoo, dus gaat jou horloge nog! â Maar niet goed hé?quot;
âWel zeker kind.quot;
De bournous kijkt nu ook naar het horloge, maar de eigenaar van het uurwerk ziet noch haar noch de vraagster aan.
âHet mijne staat stil; al lang!quot; herneemt de oudste actrice.
âZóó.... Den sleutel weer verloren....?quot;
âIk den mijne, hopeloos! Jij hebt een passe-partout nietwaar?quot;
Hij zag haar aan----
De laatste woordenwisseling, die bij wijze van intermezzo zeer snel en zacht had plaats gehad â terwijl een spoorbeambte even voor Utrecht de kaartjes opeischte â kon door niemand anders dan door de bournous en den emeritus-predikant zijn verstaan, althans Anna, die inmiddels haar kaartje te voorschijn haalde, had er geen woord van gehoord; maar, toen ze de lange wimpers weer opsloeg en haar oog op het gelaat der oudere actrice viel, toen zag zij daarop een uitdrukking waaraan zij geen naam wist te geven. Ze meende een traan te zien blinken in die oogen. Ach! hoe kon iemand ook gissen wat die oudere leed. Zij, zij wist het alleen! Maar â hij had haar nu aangezien en misschien misschien gevoelde hij nu ook iets. Ach dat wil ze, dat maar alleen.
âJa dames,quot; herneemt de Hollander-Amerikaan; â\'t is always and every where the old old story, maar Tom Cat bieef midden onder de muisjes, zoo koest als een oude kater op de stoof van een hofjes-juffrouw, en, al mocht hij soms den baard eens lekken, hij bleef rustig loeren op de groote rot die hij, met kracht en een
beetje geluk, al spoedig onder de klauwen kreeg. Hahahaliaha----!
Maar ik wist ook dat de old goed mama na den dood van Jaap Kuramel, zelfs bij de Vier Kronen geen emplooi had kunnen krijgen, en, door een leelijken val, waardoor ze bijna het lachen
ANNA BOOZK.
verleerde, langs de deuren van Rotterdam een âgezicht als een aalmoesquot; moest gaan trekken.
âDat had ze mij geschreven. Hola, schreef ik weerom: kom jij over, brave mama. â Maar de ziel had daar geen trek in, en, zoo moest ik toch voor mijn oudje in Holland zorgen. Nu, ze schreef al gedurig â eigenlijk liet ze het schrijven â¢â of we elkaar dan nooit weerom zouden zien in de wereld? Ze was al twee en zeventig jaar! Voorwaarts marsch Tom Cat, nu wordt het tijd, zei ik; en Kummel is vergeten, en de diender is zeker dood! Nog tweemaal the Moor of Venice, en dan naar de brave old mama!quot;
âEn mocht u haar welvarend terugvinden?quot; vraagt de aspirantsurnumerair, den triumfanten blik van den woordenrijken man weerkaatsende.
âAchter de kerk te Nimwegen, haar vaderstad, comfortable! very comfortable, in een paar net gemeubileerde kamers, met Snoek en Wattier aan den muur, en den ouden Kater in den Hamlet, very fine photograph in \'t midden. Yes yes! ze lachte, en we lachten all bei dat de tranen ons over de wangen liepen. Ik heb haar op de old old rimpels gezoend dat we snikten van pleasure, en, toen ze Goddank zei, toen was \'t zoo mooi dat the great master Edwin Forrest, first actor in the United States die four hundred dollars op een avond ontvangt, en zijn magnificent villa aan de Hudson bij New-York of West point heeft, het nooit mooier doen kon.quot;
âOch kom, \'n heele satisfactie,quot; zegt de aspirant-surnumerair die inderdaad âbegeisterdquot; is, en zet te gelijk zijn boord weer op.
âYes, indeed! â A quick man komt in de United States wel vooruit, had de weldoener gezegd die Kater in Tom Cat verdoopte; die, hahaha, niet geloofde dat een Hollandsch lid der Zes Kronen in Amerika fortuin kon maken, en meende, toen hij gul en nobel die driehonderd poppen gaf, dat hij zijn §eld even zeker kwijt was alsof hij het in zee had gesmeten. Ha! die vroolijke goedhart met z\'n vriendelijk lightful oog stond mij all the time voor den jjeest. Ik zou het renteloos voorschot restitueeren zoodra ik mij in de Nieuwe Wereld had rijk geacteerd, dat schreef hij er bij. Eijk! Ha! als je een old mama te Nimwegen comfortable in twee kamers kunt zetten met een life-rent van two hundred dollars a year; als je binnen een jaar of wat rekent op eigen kosten een very fine and bright theatre te kunnen bouwen, en nu naar \'t Kikkerland komt om de old mama eens weer te zien en den fair man zijn generous voorschot met interest op interest te restitueeren, what shall I tel! you, dhat ik niet rijk ben. God be praised! rich! very rich!\'quot;
Tom Cat die meestal en misschien wel wat al te veel lachte, had de laatste woorden op zulk een gevoelvollen en innig dankbaren toon geuit, dat niet slechts de caillou en de bournous voor zich zeiven de opmerking maakten, dat die acteur uit Washington inderdaad wel haren voor het tragische had, maar dat er onder zijn reisgenooten zich nog anderen bevonden, die hem een welwil-lenden blik niet konden onthouden, overtuigd dat die lachende Tom Cat â met zijn old mama achter de kerk te Nijmegen â aan iiet
vi. s
33
34 AKKA KOOZE.
verre strand en in zijn vaak troebele omgeving, een hart had bewaard vol liefde en trouw.
âIk kan u toch niet in Amerika.... te Washington, of New-York, of, te Philadelphia ontmoet hebben, beautiful miss ...?quot;
De bournous ziet op, in de meening dat de vreemde tot haar die vraag had gericht, \'t Was mis. Tom Cat hield het oog op do jonge dame gevestigd wier uitnemende schoonheid, bij een eenigs-zins lijdend maar tevens zoo nobel voorkomen, hem al aanstonds had geboeid, en wier blik hij niet kon ontmoeten zonder zich zeiven te vragen: Te drommel waar heb ik haar meer gezien ?
âPardon mijnheer, over zee ben ik nooit geweest.quot;
âSingular!quot; mompelt Tom bij zich zeiven, en luid herneemt hij:
âMaar u hadt misschien een zuster die... quot;
âIk was het eenige kind van mijn vroeg gestorven ouders, mijnheer!quot;
âGestorven? Uw moeder ook! Oh poor child!quot;
Dat laatste: Och arm kind! drong Anna door merg en been. Was dat diezelfde lacher van straks!
\'t Was goed dat de trein juist voor het Utrechtsche station stilhield. Hier moest zij uitstappen, en hij hielp haar.
âIk dank u mijnheer!quot;
âFarewell, farewell miss! Good bye!quot; roept Tom, en, ⢠Anna nawijzende, die spoedig bij den uitgang is verdwenen, zegt hij tot zijn ouden vriend Jan â die op Toms kosten zijn reisgezel is;
âIn zes weken mag er geen lach op mijn kaak komen als ik dat, dat niet ergens gezien heb . -. of something else wat er wonderful op leek.quot;
Ofschoon Jan er natuurlijk niets van kan weten, stemt hij volkomen toe dat dit wel zeker het geval moet zijn.
DERDE HOOFDSTUK.
\'t Was een sterke overgang zoo uit die warme coupé in de koude buitenlucht. Voor Anna moest het een gewenschte overgang zijn. Had het levendig gepraat van den Washingtonschen tooneelspeler â-wiens woorden echter met hetgeen zij uitlokten slechts ten deele zijn weergegeven â had zijn levendig onderhoud Anna niet als met geweld van de denkbeelden losgescheurd, die haar geheel en al vervulden, \'t zou de vraag zijn geweest of zij de reis in de tamelijk benauwde spoorwegcoupé zou hebben goed gemaakt. Inderdaad, die man heeft haar geest gedurig verfrischt. Zijn overgroote plastische en mimische gaven, gevoegd bij een welluidende rondheid en buigzaamheid van stem, ze hebben het vermogen gehad om haar overspannen geest in het door ontbering verzwakte lichaam.
ANNA ROOZE. 35
te beheerschen en als \'t ware te biologeeren. Maar in \'t laatst. â .. in \'t laatst was het haar geworden alsof een donkere nacht zich over haar uitspreidde. Toen hij die woorden: Och arm kind! heeft gesproken, toen vreesde zij dat de nare duizeling, die ze in de diligence reeds heeft gehad, zich erger zou herhalen; doch, gelukkig, de trein heeft toen stilgehouden. Zij kon uitstappen; de koude lucht, die fiksche tocht tusschen de beide deuren van den stationsuitgang, ze deden haar goed, en. .. vluchtig zag ze den grijzen Domtoren, vroolijk beschenen door de heldere Ãeceniberzon.
Het was alsof het weerzien van dien ouden toren, haar met volle klaarheid aan de taak herinnerde, die zij hier het eerst te volvoeren had. Niet verre toch van hier woont de hooggeleerde menschenvriend, wiens hulp zij onverwijld voor de arme tante had in te roepen. Nochtans, ofschoon het wandelen in den laatsten tijd haar grootste en schier haar eenig genoegen had uitgemaakt, zij gevoelde nu zulk een loom- en moeheid in al haar leden, dat ze aanstonds het denkbeeld eener wandeling verwierp en naar een vigilante .omzag. Er waren gedienstige geesten gsnoeg, die dadelijk bereid waren om er een van de ginds gereedstaande naar voren te wenken; en weldra zat zij dan ook in een goede vigilante met het bevel aan den voerman om haar te rijden naar de woning van professor Schroeder Van der Kolk.
,Prefester. ...? Prefester Schroeder van der Kolk. .. Ja ... d\'r zijn d\'r hier zooveul van dat slag. Waar mot dat wezen, juffrouw?quot;
âIk geloof niet ver van den Dom.quot;
âZóó. ... \'t Is zeker waar ze laast nog se\'naat hebben gebrocht. Ja, bij den Dom daar heb je d\'r wonen!quot; En, met een: âJa wél, prefester Van der Kolkquot; besteeg hij zijn zetel. Al spoedig ratelde de vigilante over het hard bevroren stationsplein, en straks den hoek van het koffiehuis om, waar men vluchtig aan de neven wordt herinnerd, die er, omtrent twee maanden geleden, een gesprek voerden dat den ongelukkigen kramer Otto Van Wall tot zulk een heerlijke ontdekking heeft geleid. Weldra over de Kathrijne-brug de grijze bisschopsstad ingereden, hield het rijtuig eindelijk niet ver van den ouden Domtoren stil. De koetsier sprak met een voorbijganger; reed op diens aanwijzing nog eenige huizen voorbij, en nadat hij weer had stilgehouden, trok hij alras aan de schel van een deftig woonhuis, en trapte ter verwarming van zijne voeten â of misschien om het medelijden eener jongejuffrouw met een armen verkleumden koetsier op te wekken â stevig met de dikgezoolde vetleeren schoenen op de gskoude stoep.
âIs de prefester thuis, vrijster?quot;
,Ja wel.quot;
\'t Portier ging open.
âAs je blief juffrouw; koud weertje juffrouw. â Wachten nietwaar?quot;
Anna wilde uitstappen, maar las terzelfder tijd op den deurpost den naam: Van Rees.
âIk ben hier verkeerd koetsier.quot;
âVrawel-ekskuus juffrouw. Prefester Van Rees.quot;
ANNA BOOZE.
De dienstmeid was op Anna\'s verzoek aanstonds bereid om den koetsier de noodige inlichting te geven. Zij wist heel goed waar de collega woonde. En â toen de voerman weer op den bok zat en de zweep over den zwarte legde, toen mompelde hij:
âDe prefester van \'t oude dolhuis, had ze dat maar eerder ge-zeid!quot;
Na een rit die Anna tamelijk lang viel, vooral dewijl een, reeds in den trein gevoelde hoofdpijn er niet door verbeterde, stond het rijtuig weer stil.
â Ja hier woonde de beroemde man, dien ze spreken moest en dien zij ten slotte misschien ook voor haar zelve iets ter opwekking zou kunnen vragen, want somwijlen was het haar toch zóó vreemd, dat ze de oogen met geweld moest sluiten.
De professor was niet in de stad.
â Niet in de stad! Ook dat nog. Die mogelijkheid heeft ze niet voorzien:
âEn wanneer komt professor terug en zal hij te spreken zijn?quot;
âVan avond wordt prefesser met den trein van zevenen verwacht, en ik denk wel dat prefesser dan zal thuisblijven mevrouw. Wie mag ik zeggen dat er geweest is?quot;
Anna brengt de hand aan het sterker bonzende hoofd.
âWil je professor dan vragen of ik hem om acht uur of kwart over achten even kan spreken; hij heeft dan zeker gedaan met eten ?quot;
âO zeker mevrouw. â En kan ik dan zeggen wie er geweest is?quot;
âMijn naam zal professor onbekend zijn. Zeg maar een vriendin van juffrouw Marnix uit Akkersveen.quot;
âMarnix te Akkersveen! \'k Zal het dadelijk opschrijven mevrouw. Om kwart over achten nietwaar?quot;
Anna knikt toestemmend. Maar nu â⢠wat heeft ze te antwoorden op die natuurlijke vraag van den koetsier:
âWaarheen?quot;
â Waarheen? Ze weet het niet. â Ze heeft er zoo vast op gerekend den professor omstreeks twaalf uren thuis te vinden, of althans hem spoedig te zullen ontmoeten. Hij zou zich harer dan mogelijk nog wel herinneren, en ten slotte haar gaarne inlichting geven omtrent de woonplaats van mijnheer den advocaat Van Breeland, die niet lang geleden het studentencorps verlaten had.
Misschien, zoo heeft Anna gehoopt, misschien zou de waardige man, wanneer hij tijd had om een oogenblik naar haar te luisteren, haar wel raad willen geven bovendien, en ja, ofschoon het vermetel was, zij heeft het genoopt, misschien zou hij zich zelfs met de bezorging van haar brief willen belasten en haar verzoek ondersteunen door zijn invloedrijk woord! Dit alles natuurlijk ter wille der goede zaak en zijn vriendschap voor de lieve Marnix. Met een namiddagtrein heeft ze verder gerekend naar Gouda te kunnen vertrekken, om van daar een rijtuig naar Akkersveen te nemen, en tegen den avond op dien onvergetelijken Riethof te zijn. â Maar nu, waarheen?
36
ANNA KOOZE.
âWeet je ook een jonkheer Van Breeland te wonen?quot;
De koetsier ziet diepzinnig naar de straatsteenen:
âDe jongeneer Van Breeland! De jongeneer Van Breeveld! Dat zou ik voor de vaste waarheid.... Vrijster, zeg, weet jij een jongeneer Van Breeland hier in Utrecht te wonen?quot;
âKan mevrouw misschien bedoelen den zoon van de besteedster Van Vreeland op \'t Witte Singel, die zooveel als bij de Munt is geplaatst?quot;
âMijnheer Van Breeland, Advocaat!quot;
âAdvecaat----! Advecaat!....! Neen, dat zou ik voor de vaste
waarheid niet durven zeggen.quot;
Anna verzoekt nu dat de voerman haar naar een goed logement zal rijden.
Nu aan den man in de vetleeren schoenen een oordeel over de Utrethtsche logementen is toevertrouwd, nn slaat hij weer een zeer gewichtigen blik naar beneden op de harde keien, en dan naar boven in de richting van den juist opgeheven staart van zijn zwarte.. .. en zegt, met een merkwaardige op- en neerhaal van het eerste woordje:
âJa.... als je daarin vervalt juffrouw, dan zijn d\'r een heele zooi, van Lijs in De Vliegende Bot tot aan De Peye-baa toe. Wat zeg jij vrijster, de een kiest de moeder en de ander de dochter.quot;
De vrijster ziet hem aan alsof ze wil zeggen: De dochter zou jou bedanken! en ze zegt:
âWel zeker, je moet mevrouw naar De Peye-baa brengen. Op \'t St.-Jans-kerkhof, je weet wel.quot;
âNou, hoor, als ik hier De Peye-baa nog niet wist! Om zoo te zeggen groot mee geworden. â Atjuus!quot;
Eenige minuten later hield de vigilante voor het bedoelde hotel stil.
Indien Anna\'s voorkomen, bij haar uitnemende schoonheid niet tevens hoogstfatsoenlijk â noem het aristocratisch â geweest ware; wanneer haar rouwkleeding niet bovendien een meestal welwillend of medelijdend stemmenden indruk had teweeggebracht, het zou tot de mogelijkheden hebben behoord, dat de âoberkellnerquot; door wien zij ontvangen werd, onder een of ander voorwendsel haar naar elders had verwezen. Ja, want onder de studenten had je van die oolijke klantjes die.... Enfin, waarschijnlijk zou hij het dametje niet voor vol hebben aangezien. En bovendien, die juffrouw was erg in de war, niet rechtstreeks confuus, maar toch zoo vreemd. â Ze verzocht een kamer âom denkelijk te blijven logeerenquot;, en ze had geen bagage bij zich; niets dan een reiszak. En, ze moest âeen heer spreken van avond!quot;
Men dient toch voorzichtig met de waarheid te zijn. Althans in weerwil van haar uiterlijk had âdie heerquot; het nog bijna bedorven.
Het is alsof Anna instinctmatig zoo iets gevoeld heeft. Nu men haar, met den reiszak vooruitgaande, achter in de eetzaal heeft gebracht, en verzoekt hier even te willen wachten totdat men vuur op haar kamer zal hebben gemaakt, voelt Anna zich gedrongen om eenvoudig voor de gansche waarheid uit te komen, en zegt ze aan
37
ANNA BOOZE.
den âoberkellner,quot; die een stoel bij de groote kachel voor haar heeft neergezet en nu met geweld aan het stoken en poken gaat, dat zij eigenlijk professor Sonroeder Van der Kolk moest spreken, die uit de stad was, en eerst dezen avond in Utrecht terugkwam.
âAh! A... - h... . zoo-...? zoo----? O!quot; zegt de âJanquot; haar met
eenigszins schichtigen blik geheel van ter zijde opnemende.
â Nu meent hij van die vreemdigheid zoo iets te begrijpen.
âKomt u hier ver vandaan, juffrouw?quot;
âVan Akkersveen.... van Mulderspeet wil ik zeggen.quot;
âZoo!quot; â Zij is dan danig in de war, denkt de Jan, en wat ziet zij er akelig uit. â Wat trekt ze met die oogen; zoo glazig, zoo onbestemd; precies alsof.... Ja ja!
âEn is u maar zoo alleen komen reizen juffrouw? Hadden papa of mama geen gelegenheid met u mee te komen?quot;
Het was een vreeselijk droeve blik, dien Anna op den vrager wierp. Nu had zij geen lust een antwoord te geven. Zij sloeg de beide handen voor het gelaat, en toen zij ze eenige oogenblikken later weer terugtrok en naar de kachel zag, toen was de vrager verdwenen.
â \'t Was een gek geval, en zoo zeker als tweemaal twee vier, dat het met âdat dametje daarbinnen in de groote zaal mis wasquot;. Jammer van zoo\'n meid! Maar men diende wat voorzichtig te zijn en haar vooral maar rustig op haar kamer te houden, totdat men om den professor gezonden en zijn oordeel vernomen had. Ja wel, je zag het dikwijls dat zulke ongelukkige menschen, vooral als ze reeds onder behandeling geweest waren, uit d\'r zelve den professor opzochten: ânet als per maniére de dire,quot; zei de Jan, âeen hond z\'n eigen medicijn.quot;
Al spoedig werd nu de Jan door een goedaardige dikke juffrouw en een jongere juffrouw en een man met een sloofje voor, naar de zaal gevolgd, waar Anna was achtergebleven.
De dikke juffrouw naderde Anna met een vriendelijken §roet, en een gelaat, waarop duidelijk te lezen stond, dat, waar de liefde gebood te handelen men niet vreesachtig behoefde te zijn.
De Jan ging weer in de kachel poken, maar de kolenvlam weerspiegelde in het wit zijner oogen, want de zwarte kijkmachines stonden geheel in den hoek links, en bleven op die schoone âmaanziekequot; gericht.
De jongejuffrouw uit het hotel, die anders nooit of althans uiterst zeldzaam in de zaal kwam, had een kleur als vuur, en was op eeni-gen afstand aan het einde der lange eettafel blijven staan. Haar blauwe kijkers hield ze met een uitdrukking van angstig medelijden onbeweeglijk op die vreemde dame gevestigd, en ofschoon zij met liefde een ongelukkige zou helpen, voor geen geld van de wereld ging ze nu, â zooals de dikke juffrouw deed, zoo maar, zonder iets, en alleen, op die arme toe... . Neen, ze vond het verschrikkelijk, en ze bleef hier aan \'t eind van de tafel.
Nol, de man met het sloofje, die straks, toen Prederik met die boodschap achter kwam, nog een tiental messen te slijpen had. Nol
38
ANNA KOOZE.
heeft ,den rommel maar bij mekaar gegooid, den deuze en den die\'quot;, want hij moest er ook het zijne van hebben. Nu in de zaal gekomen, alvorens de messen heel voorzichtig in de buffet-kast te bergen, veegt hij ze nog eens na met een doek â \'t geen anders wel eens vergeten wordt â maar brengt gedurig het scherp der messen in plaats van hun ruggen met den doek in aanraking want zijn handen werken links en zijn oogen zien rechts.
âIs u al vroeg van huis gegaan dame? Ik hoor dat u een ver-geefsche reis hebt gemaakt : ofj dat u ten minste professor Van der Kolk niet thuis hebt getroffen, ü moest dien spreken nietwaar?quot;
âJa mevrouw,quot; zegt Anna, ter halverwegen opstaande: âMaar van avond komt hij terug. Ik zou gaarne vooraf wat rusten, want ik ben zeer vermoeid. Zal de kamer spoedig in orde zijn?quot;
Dat mevrouw kon niet nalaten een gunstigen indruk te maken en zoo mogelijk het medelijden nog dieper te vestigen.
âHeel spoedig, lieve dame. Dus wenscht u wat te rusten? Dat is kostelijk. Opperbest! Ik kan ook wel aan u zien dat je vermoeid bent. tl komt al ver nietwaar ...? Kom je niet ... hé?quot;
âVan Mulderspeet mevrouw.quot;
âEi zoo, van Mulderspeet!quot; â De dikke dame kende het niet al viel ze d\'r over. â âZoo! ja dan kan ik het best begrijpen. En moet u, als ik vragen mag, van avond dan weer naar Mulderspeet terug?quot;
Anna ziet angstig op; en meer tot zich zelve dan tot de vraagster zegt ze:
âDaarheen.... neen, neen dat niet!quot;
â Och het arme schaap! denkt de dame.
De jongejuffrouw achter de tafel, die meende dat Anna haar aanzag, ziet snel vóór zich, en gaat zelfs een schrede terug. Frederik tuurt nieuwsgierig langs de omgeslagen punt eener Haarlemsche Courant, waarachter hij â althans voor het oog der dikke dame â geheel verborgen is, en begrijpt dat het al een âhéél geavanceerde situatie moet zijn, omdat ze zoo tégen d\'r geboorteplaats isquot;.
Nol tuurt met geopenden mond, en houdt het blank van een mes tusschen duim en vinger, omdat de poetsdoek zonder dat hij het bemerkte, op den grond is gevallen.
âEn als ik vragen mag, was er niemand, die u kon vergezellen lieve dame? \'tls voor iemand van uw leeftijd niet aangenaam zoo alleen.quot;
Anna met den elleboog op de tafel en het hoofd in de hand, heeft een ontkennende beweging gemaakt. Och ze gevoelde zich zoo wonderlijk, dat het spreken haar schier te veel was. De voorkomende vriendelijkheid dier dame deed haar weldadig aan, en toch verveelde zij haar. Den geheelen tijd zag zij figuren voor zich, als spinnewebben, die in elkaar kringelden en dan weer los werden; grijpende haneklauwen â zulke als waarmee in vroeger tijd een oude kindermeid haar wel eens had banggemaakt, door aan de afgesneden pezen te trekken; de groote kolomkachel zag zij zwellen, zwellen, hoe langer hoe dikker en hooger worden, en, dan was het haar telkens alsof zij die vreeselijke kolom moest inslikken.
39
ANNA ROOZE.
Maar toch, ze wist wel waar ze was, en dat daar nog andere menschen van verre stonden, die haar aanstaarden en zeker iets vreemds aan haar bespeurden. Neen â oom Lijning was daar niet; dat is verbeelding. Zij is in het hotel des Pays-Bas te Utrecht; en hij is op De Runt. â Maar, heelt hij haar niet kunnen nareizen, en....? Neen! denkt Anna voort, mijn hoofdpijn maakt mij zoo gejaagd en zoo vreemd. Ik moet mij daartegen verzetten. Als ik maar wat geslapen heb dan zal het beter zijn. 0, dat ik nu aan mijzelve moet denken, terwijl. .. Eensklaps ziet zij de dame zoo flink mogelijk aan en zegt;
âHebt u een adresboek, mevrouw?quot;\'
âEen adresboek? Wel zeker! Frederik, waar is het adresboek?quot;
âAs je blief juffrouw! Het adresboek!quot;
Anna slaat de bladen op. â A-... B.... Ja dit is B. Maar de regels maken slangen en cirkels.
âMoet u op de B wezen, juffrouw? Misschien ken ik wel....quot;
âJa, ik zoek een jonkheer Van.... Maar misschien woont hij hier niet.quot;
Frederik geeft zijdelings een knipoog aan Nol. Compris! l\'amour ! â Nol laat een mes vallen omdat ie zich snee. .. De jongejuffrouw met de kleur, schrikt er geweldig van, want haar hartje bonsde al van akeligheid. â Een jonkheer! och en die arme dame was toch zoo mooi en zoo jong!
âGa eens zien, Frederik, of Teun op N0. 6 al klaar is!quot;
âAs je blieft juffrouw.quot;
âKan ik u niet helpen met dien naam te zoeken?quot; herneemt de dame.
âJa.... of neen.... neen dank u. Professor Van der Kolk zal mij wel terechtbrengen.quot; â Anna begreep toch dat het beter was, hier â voor die vreemden â Oscars naam niet te noemen.
âZeker! Zeker lieve juffrouw! Professor zal alles wel terecht brengen. Zeker! we zullen maar zien dat we professor hier krijgen, niet waar? dan kun je rustig wat uitslapen van al de vermoeienis, niet waar?quot;
â Och goede hemel! denkt de dame, er is geen twijfel aan: die verwarring van een jonker en den professor. â Luide, nadat Frederik met een toestemmend antwoord van N0. 6 is teruggekeerd:
âKomaan, dan moesten we nu de kamer maar eens opzoeken.quot;
De jongejuffrouw met de blauwe oogen en de roode kleur, maakt ijlings rechtsomkeer en verdwijnt in de gang.
Nol heeft het mes opgeraapt en gaat wat achteruit.
âZiezoo, kom jij maar mee lieve kind,quot; vervolgt de bewogen vrouw hoe langer hoe gemeenzamer: âNeen Frederik, ik zal zelve dien reiszak wel dragen. Maak jij maar gauw een kop bouillon klaar en breng dien dan boven. Ziezoo lieve engel, leg jij den arm maar in den mijnen, dan zullen we de kamer samen wel vinden niet waar? en wees maar gerust hoor, dan zal professor wel komen, en de jonker ook wel; tob daar maar niemendal over.quot;
40
Anna, die zich niet zonder moeite had opgericht, wordt eensklaps
â SSSSSSSSS
ANNA KOOZE. 41
door een onbeschrijfelijk gevoel overmeesterd en een sterke blos stijgt haar naar \'t hoofd. Met dien gewonen zwenk werpt ze haar heerlijke lokken naar achter, en de dame van ter zijde aanziende, zegt ze met trillend geluid, doch tamelijk flink:
âMevrouw, u ziet dat ik niet heel wel ben; maar.... U denkt toch niet dat....quot;
De dame ontstelde nu ook een weinig:
âDenken? Och, wij denken niets mijn lieve juffrouw, en we willen ook niets denken, aan niemendal, niet waar? Als we maar een» goed geslapen hebben. Kom!quot;
Hoe ze er gekomen was wist Anna schier zelve niet. Als werktuiglijk heeft zij aan den arm der medelijdende dame de trap beklommen, en is zij de kamer, die men voor haar bestemd had, binnengegaan.
\'t Was een helder en tamelijk ruim vertrek. Ofschoon Anna van al het goedaardig gekeuvel der dame weinig of niets begreep of verstond, en het haar althans onmogelijk was er iets op te antwoorden, zoo kon ze toch een blijk van goedkeuring geven toen de dikke dame, in \'t ronde wijzende, vervolgde;
âZiezoo, is dat nu niet alles wat je verlangen kunt, lieve juffrouw? De mooiste kleine kamer â ofschoon ze toch ruim is â van het heele hotel. Een Smyrna\'sch tapijt, zie je wel, ofschoon het nu juist niet fonkelnieuw raag heeten; en mooie overgordijnen, en dat causeusetje, dat ziet er goed uit. nietwaar? En een mooie wascb-tafel, en dan dat flinke ruime bed, zie je wel, met een donzen dek-bedje. Mij dunkt, daar moesten we nu maar eens gebruik van maken. Ik kan aan je beven wel voelen dat je een beetje heel moe bent.quot; Tot een dienstmaagd, die frisch water op de waschtafel brengt: âPoel, je hebt weer zonder den vuurdrager met een rookende kool geloopen; laat de deur wat open.quot;
â\'tls de kachel die stinkt, juffrouw, ze brandt voor het eerst.quot;
âGeen tegenspraak Teuntje. Ik ruik het, en als ik iets ruik dan is het zoo. We vergissen ons niet, daarvoor hebben we wat meer ondervonden in de wereld. Dat is de lucht van een rookenden turf.quot;
âEn hier is de vuurdrager, juffrouw!quot;
âAlsof je hem niet open kondt gehad hebben.....quot; Tot Anna:
âDat heeft altijd wat tegen te praten. Niet dat die damp mij zoo hindert, maar het spijt me voor u.quot;
âNou dat hiet waarachtig hoe langer hoe gekker!quot; pruttelt de meid in \'t heengaan.
âDie met pik omgaat, je weet wel!quot; repliceert Prederik zachtjes, terwijl hij Teuntje op den overloop met een kop bouillon voorbijgaat.
âHa! daar hebben we Prederik al. Komaan, ga hier nu maar eens zitten, en dan moet dat eens warmpjes gebruikt worden. Dat zal verkwikken. â Nu, wat zeg je er van?quot;
Anna drinkt inderdaad met kleine teugen den goeden bouillon. Ze had er geen trek in, maar ze greep het eerste middel het beste aan om zich zoo mogelijk te versterken en bevrijd te worden van
ANNA KOOZB.
dien zonderlingen toestand, die haar telkens met een flauwte of ontzinking van alle krachten bedreigde.
â Ja toch, de hartige warme drank deed haar voor een oogen-blik goed.
Frederik, die alvorens binnen te komen, om den hoek der deur iets tegen den deurpost op het portaal had nedergezet, meent dat het oogenblik nog al gunstig is. Men wilde er beneden meer van weten, en âde oudequot; kon ie eventjes van boord sturen. Zachtjes zegt hij aan \'toor der dame:
âNol moet uit, zal hij niet meteen bij professor aangaan? Als u \'em zelf de boodschap dee: \'tis zoo\'n dwarse.quot;
De dame begrijpt dat dit zaak is, en zegt tot Anna:
âEventjes lieve, ik ben er dadelijk weer.quot;
Terwijl de dame zoo snel mogelijk naar beneden gaat, treedt Frederik met een groot opengeslagen boek op Anna toe; legt het voor haar neer, en haar een pen aanbiedende, die hij in een op de tafel staanden inktkoker heeft gedoopt, zegt hij zeer vriendelijk:
âWil de juffrouw zoogoed zijn even haar naam te teekenen; «ventjes maar ... Hier.. . hier ziet u.... Naam âberoep â woonplaats â bestemming.quot;
Anna herinnert zich dat papa, toen ze met hem te \'s-Gravenhage in \'t H5tel de l\'Europe gelogeerd heeft, \'s avonds ook zijn naam moest teekenen. Het kost haar groote inspanning, maar toch ze schrijft vrij duidelijk: A. Rooze, en dan.... ze weet niet wat, want het hoofd bonst sterker, en het boek dringt naar boven tegen de stalen pen in . . En, er volgt in de beroepskolom iets van ,Mul-dersp....quot; en dan verder: âAkkersv. ...quot; en dan â dan laat ze de pen glippen, zoodat die rollende naar \'t midden een spoor van inkt â op het nog onbeschreven papier achterlaat.
,0 dat is niets, volstrekt niets juffrouw. Dank u wel,quot; zegt Frederik, die schuins achter Anna, met het gezicht rechtuit naar\'t raam, maar met de kijkmachines spitslinks naar beneden, in \'t boek heeft gegluurd.
âHebt u niets meer voor \'t oogenblik juffrouw?quot; vervolgt hij buiten de kamer tot de eenigszins hijgend terugkeerende dame, terwijl lij het vreemdelingenboek aan de buitenzij tegen het been houdt.
âAls professor komt, hem boven brengen, Frederik.quot;
De dame hechtte niet aan Anna\'s verklaring dat hij eerst tegen den avond in de stad kwam.
âBest!quot; zegt Frederik en gaat naar beneden.
Met een inderdaad moederlijke bezorgdheid en een dienende hulpvaardigheid, maar tevens steeds op een toon voortkeuvelende, die Anna vluchtig aan de kinderkamer herinnert en ook gedurig pijnlijk aandoet, ia nu de dame ijverig in de weer om haar in het ont-kleeden behulpzaam te zijn, en smaakt zij eindelijk de voldoening het âarme ongelukkige schepselquot; dat rilt van de kou, warmpjes onder de dekens te hebben bezorgd en toegestopt.
Anna heeft niets gesproken, letterlijk niets; het was haar alsof zij het spraakvermogen verloren had. Zich onmachtig gevoelende
42
ANNA KOOZE.
om die goede vrouw, een vermoedelijk bij haar gerezen en telkens sterker uitkomende meening aangaande naar toestand te benemen, heeft zij zich slechts vermand om mee te werken, ten einde zoo spoedig mogelijk rust te vinden en van dat goedaardig maar folterend gekeuvel verlost te worden.
âZiezoo mijn kind,quot; zegt de dame ten laatste en streelt met haar mollige hand Anna\'s bleek gezichtje: âdaar lig je nu als een prinses, en nu zal alles wel gauw te recht komen, en professor wel aanstonds hier zijn, en de jongeheer misschien ook. Nu moet je die oogen maar stilletjes zóó dichthouden. Mevrouw zal gedurig eens komen kijken hoor je, maar vooral niet opstaan lieve engel. Ziezoo!quot; En â terwijl ze nu de ledikantgordijn zorgvuldig sluit, en voorzichtigheidshalve het nachttafeltje er stijf tegen aan zet, geeft ze zich zelve een goedkeurend knipoogje in den spiegel. Met zachtheid kon je van die stakkers alles gedaan krijgen ; daarin en daarin alleen bestond de groote kracht van den menschlievenden professor. Zeker zou hij straks over haar tevreden zijn.
Juffrouw Beele â zoo heette de dame â had, terwijl de hotelhouder en zijn echtgenoote voor een paar dagen naar Amsterdam waren, het hoofdbestier der zaak in handen, \'t geen, vooral in dezen slappen tijd, opperbest aan haar was toevertrouwd. Juffrouw Beele begreep dat haar tegenwoordigheid nu weder beneden vereischt werd, en, nog eens naar het ledikant ziende, besluit zij dan ook dat nu maar stilletjes zoo te laten. Doch, terwijl zij mede nog een blik op de causeuse werpt, waarop de kleeren van Anna zijn neergelegd, ontwaart ze een voorwerp, dat er naast op den grond ligt.
\'t Is een kleine portefeuille. Haastig er op toegetreden raapt ze haar op.
â \'t Zou onbescheiden zijn indien ... Neen, zij wil, zij zal het niet wezen. Volstrekt niet.
â Geheimen van anderen waren haar altijd heilig; en hoeveel te meer zijn ze het nu, terwijl zij zich tijdelijk aan het hoofd eener zaak bevindt, wier borgen steeds goede trouw en degelijkheid zijn
feweest, en vooral terwijl dat arme mooie kind zich zoo geheel aan are zorg heeft toevertrouwd.eweest, en vooral terwijl dat arme mooie kind zich zoo geheel aan are zorg heeft toevertrouwd.
Zij legt de portefeuille op de tafel, en....
Juffrouw Beele ziet naar het ledikant. Zij luistert. â Slaapt het arme schepseltje al? â Haar gekussende wijsvinger opent behoedzaam de ledikantgordijn.
Door een looverkier ziet ze naar binnen. Ja Goddank, zij slaapt; althans ja wel, zij slaapt.
â \'t Zou hier een gansch ander geval wezen, bespiegelt juffrouw Beele, indien zij even de vrijheid nam in die portefeuille te zien. Nietwaar: Een ongelukkig krankzinnig meisje neemt men uit mensch-lievendheid in het hotel....! of ten minste: bespeurende dat zij zoo ongelukkig is, behoudt men haar uit menschlievendheid, en doet wat men kan. Ja wel, dat moet recommandeeren, maar \'t is toch ook naar Gods gebod, en goed, en den Heer welgevallig. â En â nu weet men van dat arme schepseltje niets niemendal! Van Akker-
43
ANNA KOOZB.
speet en Mulderveen, of hoe die plaatsen heeten, heeft zij nooit gehoord. Dat mogen wel dorpen of steden zijn, die alleen in het kranke brein dier arme bestaan! Men weet niets van haar, en men is zelfs te zeer met medelijden vervuld geweest om er aan te denken haar naam te vragen. Dat was eigenlijk dom. N u slaapt ze. â Zou het inderdaad geen plicht zijn om eens in de portefeuille te zien, en zoodoende, \'t zij door een visitekaartje of door een brief, den naam, en.... ja, iets naders van haar te weten te komen ?
Juffrouw Beele begrijpt â als ze het goed beschouwt â dat het zoo waarlijk plicht is. Bovendien dat die portefeuille daar juist op den grond liggen en haar oog er op vallen moest, \'t was een zichtbare bestiering en de kennelijke vinger Gods.
-â Geen haar valt er van ons hoofd zonder den wil des Allerhoog-sten, zegt ze bijna hoorbaar, en alzoo zal er ook geen portefeuille uit een zak vallen zonder \'s Heeren alwijze bestiering! Kan dat voorwerp met \'s Heeren heiligen wil slechts gevallen zijn om alleen opgeraapt en op de tafel gelegd te worden? Neen, dan zou de bestiering Gods om die portefeuille te laten vallen al een zeer onbeduidende en nuttelooze, ja, den Heer een onwaardige zijn geweest. â Juffrouw Beele weet zeker dat haar lieve dominee Beets dat volkomen zal moeten toestemmen; ofschoon zij toch eerlijk genoeg blijft om zich zelve te bekennen dat dominee het niet altijd met haar eens is. â Maar dit, dit is natuurlijk!
Hoe \'t zij, een inzage in die kleine portefeuille is hier goed en plichtmatig! â Juffrouw Beele ziet nog eens naar Anna\'s leger; keert dan de portefeuille een paar malen om in haar hand; zoekt haar bril; zet dien op; trekt de lederen tong der portefeuille behoedzaam uit de lus, en, net boekje openende, neemt zij met de meeste bescheidenheid een kijkje in de beide taschjes.
.Wel God van goedheid, kent ze die?quot; prevelt juffrouw Beele, nadat ze een dichtgelakten brief uit het taschje genomen en op de buitenzij gelezen heeft;
Den H.WelGeboren W.Edelgestrengen Heer Jhr. Mr. O. Van Breeland Advocaat te
De plaats was niet vermeld.
â â Maar wat deed dat er toe. Er was maar één, één enkele jonker Oscar Van Breeland in de wereld; dezelfde, dien zij voor ruim twintig jaren: met deze eigen handen gebakerd en gewasschen heeft.... Och, die zoo tegen de koude spons was, en een moedervlekje aan het linkerkuitje had, â och die edele!
â Ja, na den dood van haar eersten man te \'s-Gravenhage, heeft zij al vroeg als jonge weduw haar bestaan met bakeren gezocht, doch later is zij met mijnheer Beele, een oud-zeekapitein â door Gods goedheid â hertrouwd, zonder dat zij meer te bakeren kreeg. â Maar, ofschoon naar Utrecht verhuisd en in een grooten doen en een voorname familie gekomen, heeft zij dien lieven jonker, haar
44
ANNA KOOZE. 45
allereerste bakerkind, zoomin kunnen vergeten als de jonker haar. Niet omdat de jonker zich de koude spons herinnerde of een onhandig speldeprikje misschien, maar, omdat zij later, â wanneer papa en mama Van Breeland op diner of souper moesten, en zij maar eventjes tijd had â bij haar lieve kind is gekomen en hem vertelseltjes heeft gedaan, waarbij hij haar dan zoo ingespannen en engelachtig kon aanzien. Zie, en daarom is de jonker dan ook, toen hij te Utrecht op studie kwam, zeker het allereerst bij haar een bezoek komen brengen, en wel in de hoop dat hij in hare woning kamers â al was het er één â zou kunnen in huur krijgen. Zijn tante Van Kiddervoorst, die in de Maliebaan woonde, had hem wel graag in huis genomen, maar toch beter gevonden dat hij op eigen wieken ging drijven. â Nu, mijnheer Beele had er niets op tegen gehad, en zóó was die lieve schoone jonker op haar mooie bovenkamers gekomen, en had zijn academische loopbaan als het ware geheel onder hare zorg, en met glans ten einde gebracht.
Als verwezen staart de dikke dame nog eenige oogenblikken op dat verrassend adres. Maar wie was z ij, die hem dien brief had geschreven; die hem hier zoeken kwam, en daarom zeker op de B in het adresboek had gezocht? Hoe kwam zij â- die daar achter die gordijnen ligt â hoe kwam dat ongelukkige schepseltje aan hém!? â Verkeerde dingen is juffrouw Beele van haar âlieven mijnheer Oscarquot; niet gewoon. Zou hij dit meisje door zijn edel voorkomen het hoofdje op hol hebben gebracht....?
In de portefeuille bevindt zich niets meer wat haar eenige inlichting geven kan. â De brief is .. . gelakt.... Ja, maar â het geldt hier het welzijn van haar geliefd eerste bakerkind! Ja!
Juffrouw Beele weet zich wel is waar niet aanstonds rekenschap te geven, waarom het welzijn van Jonker Oscar bedreigd wordt indien zij dien brief ongeopend en ongelezen laat, maar het is haar aanstonds zóó voor den geest gekomen. Immers dit was een zoo kennelijke bestiering des Heeren. Het is alsof Hij â met eerbied gezegd â- tot haar sprak: Ontzegel en lees, want â en dit was de woordelijke slotconclusie der goede dame, die nu zeker niet aan haar geliefden dominee denkt â want zoo iets kassuweel toevalligs had je nog nooit gezien!
âIs daar nog iemand?quot; klinkt het na een langen zucht van achter die gordijnen.
Juffrouw Beele ontstelt, doch antwoordt haastig:
âJa wel lieve engel, zeker. Wou je wat kind?quot;
âZoo\'n dorst....!quot;
De goedhartige vrouw die aanstonds, met een hoogroode kleur den brief, waarmee ze zoo spoedig geen raad wist, in haar wijden zak heeft geborgen â de goedhartige dame, nu mede getroffen door den toon, waarop Anna die laatste woorden sprak, zint aanstonds op een drank, die âhet arme schaap verkwikken en tevens kan goeddoenquot;.
Eenige oogenblikken later heeft Frederik een fleschje oranjebloesemwater bovengebracht. Dit voor de zenuwen zoo uitmuntende middel zal.
ANNA BOOZE.
met water vermengd, haar zeker spoedig tot kalmte brengen en misschien den slaap doen vatten.
Anna dankt haar met een engelachtig lachje.
â Neen, neen! dien brief mag ik niet lezen, denkt juffrouw Beele weer, terwijl zij het meisje, dat straks zoo bibberde maar nu goed warm ofschoon toch zonder koorts is, opnieuw zorgvuldig toestopt: â Neen, dat voegt mij niet. Een verzegelden brief aan mijn lieven jonker moet mij heilig zijn! Het was satan die mij in de gedaante van een engel des lichts verlokte. Ach, \'smenschen hart is onbekwaam tot eenig goed!
Anna\'s laatste blik heeft nog een andere uitwerking op de gedienstige oude juffrouw gehad: â Zou het mogelijk kunnen zijn dat die schoone engel, niet was waarvoor Frederik en ook zij zelve haar hebben gehouden? denkt ze nu. Zij moet toch eens even de
Eroef nemen of het werkelijk wartaal is die zij spreekt, of, dat een uitengewone afmatting â veroorzaakt door omstandigheden, die men niet gissen kan â haar zoo vreemdsoortig en verward heeft doen schijnen.roef nemen of het werkelijk wartaal is die zij spreekt, of, dat een uitengewone afmatting â veroorzaakt door omstandigheden, die men niet gissen kan â haar zoo vreemdsoortig en verward heeft doen schijnen.
Juffrouw Beele wil bovendien goedmaken wat ze misdeed:
âIk meen lieve juffrouw, dat ik den naam heb gevonden, dien u in het adresboek zocht!quot; fluistert ze dicht aan Anna\'s oor;,Zou het ook jonkheer Oscar Van Breeland kunnen zijn?quot;
\'t Is overbodig te vermelden hoezeer die gansch onverwachte vraag Anna Rooze doet ontroeren.
Straks heeft zij al haar geestkracht moeten aanwenden om niet te bezwijmen, alvorens zij zich met behulp dier goede dame op het vreemde leger had neergelegd. Juffrouw Beele had later niet bemerkt dat zij zooveel in- en overspanning met een flauwte heeft geboet, want, met het hoofdje naar de binnenzij gekeerd, lag ze immers zoo stil. Maar nu, nu ziet de goedhartige juffrouw wél, hoe een gloeiend rood eensklaps dat schoons gelaat overtrekt, om aanstonds echter plaats te maken voor een doodelijke bleekheid.
Eenigszins aarzelend herneemt de dame snel:
âIk heb uw portefeuille eerlijk op den grond gevonden, en.... en toen ... op het adres, weet u, van dien brief zijn naam gelezen, en... . Moet die brief bezorgd worden aan mijn lieven jonker, dien schoonsten onder de mannen. Kent u hem? Of.... of is het een brief, dien u voor een ander te bezorgen hebt?quot;
âBezorgen! â ja!quot; Die woorden kon Anna nog ternauwernood hoorbaar uitbrengen. Juffrouw Beele zag een oogenblik slechts het wit van haar oogen.
â Arra kind in den rouw, wie ben je toch! zoo vraagt en praat ze bij zich zelve, terwijl ze Anna\'s slapen met water en eau de cologne wascht, en alles aanwendt om die verdooving te doen ophouden.
â Arm schepsel, zou het wél of niet richtig bij je gesteld zijn? In alle geval, je ziet er eigenlijk meer innig zwak dan verwezen uit. Wie weet wat al geheimen, familiegeheimen, daarachter zitten.
46
AKNA ROOZE.
â In ieder geval is die brief een sleutel; en die brief is aan het adrea van mijn jonker; en aan mij is hij ter bezorging toevertrouwd, ik moet vernemen wat dat â en zij drukte den doek met eau de cologne vaster onder Anna\'s kleinen neus â wat dat met mijn Oscar heeft uit te staan. Is dit alles best en in orde! goed! dau kan ie op me rekenen, maar, is d i t mis âjuffrouw Beele trok den mond in plooien â dan zal zij den Heere God niet ongestraft hebben verzocht, of â en zij drukte den doek weer op Anna\'s voorhoofd â of scheelt het \'em daar, dan zal ik ze beklagen het arme lieve schepsel, zooals ik het nü doe. In ieder geval ik zal weten wat er van aan is, ik zal alles vernemen en erkennen in dezen de wonderbare leidingen Gods.
In den avond van denzelfden dag stond Frederik op de bovengang toevallig voor N0. 6, en drukte even toevallig net oor zeer sterk tegen het sleutelgat, \'t welk echter naar zijne meening de reputatie geenszins verdiende, die het in de wandeling genoot. Hij hoorde weinig of eigenlijk niets van hetgeen er in die kamer gesproken werd. Professor Van der Kolk was er met juffrouw Beele binnengegaan. De fungeerende hotelhoudster, die bij het dienstboden-personeel â ofschoon het ongaarne orders van vreemden afwacht, nog al gezien was, en, omdat ze zeer toegevend van aard is: de zoete podding wordt genoemd, juffrouw Beele is nu echter bij Frederik in ongenade gevallen, aangezien zij Frederik, die in N°. 6 het een en ander wilde in orde brengen en wegnemen en verver-schen, geboden had: aanstonds te vertrekken en niet terug te komen voordat men hem schelde.
Frederik verstond niets niemendal. Hierdoor nog meer ontstemd, wortelde het denkbeeld steeds dieper, om van die zoete podding, die taaie soepe-kip geen complimenten of dril-oorderijen meer af te wachten, \'t Zou wat moois worden als ze iedereen bóven je konden zetten; heden bij voorbeeld Nol den huisknecht, en morgen zoo\'n oude baker, die door een zeebaai was ingeslokt, maar welk zeemonster er nu waarschijnlijk al danig mee in z\'n maag zat.
Terwijl Frederik naar beneden gaande, zóó prevelend zijn gemoed zoekt te koelen, komt hij tevens tot de vaste overtuiging dat juffrouw al wij ze âdaar heeft ze ook altijd den mond zoo vol van â dat juffrouw fijne beschuit nu mooi in de benauwdheid zit, omdat ze dat koopje heeft ingenomen. Ja wel, zij was in alle geval de chef of cheffin van het hotel, en had dus behooren te zorgen dat zulk een .kolderend persoonquot; naar een ander hotel was verhuisd. Nu zat ze in de rats, want als mijnheer en mevrouw weer thuis kwamen, dan zou er misschien het noodige over voorvallen.
â Straks was zij er zelve nog haastig op uit geweest; had in dien tusschentijd N0. 6 gesloten, en later gezegd dat zij eigenlijk volstrekt niet geloofde dat die jonge dame krankzinnig was, maar dat haar op reis iets moest overkomen zgn, waardoor ze werk heeft gehad zich goed te houden.
â Begrepen! Juffrouw alwijze! applaudiaeert Frederik zich zeiven met een knipoog: begrepen! en daarom mag Frederik niet hooren
47
ANNA ROOZE.
wat de professor zegt; en strakjes zal er verteld worden dat die juffrouw koorts heeft, koorts ja wel; dat ze ijlt misschien. Precies! rrofessor zal er wel een mouw aan passen, en morgen of misschien al van avond dan zie je de juffrouw wegrijden. Och lieve Heer! als ze meenen dat Frederik kindsch of gek is, dan zijn ze heelemaal van de wijs. Maar wat ik weet dat weet ik, en ik zeg, dat ze met baar zoete poddingsgezicht een gek, een stapelgek meisje in huis heeft genomen, een dame nota bene zonder koffer of hoedendoos, zonder.... En Frederik vergat dat hij haar zelf heeft ontvangen.
In de gang gekomen hoort Frederik voetstappen bij de voordeur, en ziet, bij net licht der gaslantaarn, twee heeren naar binnen komen. Een van hen geeft den armen drommel, die een valies en een reistasch gedragen heeft, zeker geen karige belooning, want de stakker glimlacht tevreden en zegt:
âDank je wel mijnheer, dank je wel heeren! Gezondheid heeren! Als de heeren soms den Dom willen zien â morgen.... of....quot;
Op een wenk van Frederik, die inmiddels de bagage al ter hand genomen en de heeren met een kleine buiging heeft ontvangen, verdwijnt de rijke arme drommel buiten de voordeur met een ze-g en wen sch op de lippen. Dat gebeurt zoo dikwijls niet.
,Hotel des Pays-Bas â nietwaar?quot;
, Als je blieft mijnheeren! Mooi weer van avond. Wilt u maar volgen als je blieft?quot;
âIs \'t hier vol, waiter?quot;
, Vra j\'excuus; niet bijzonder.quot;
âToch menschen?quot;
âAltijd menschen mijnheer.quot;
âVandaag gekomen?quot;
âVandaag....? Vandaag mijnheer? eigenlijk neen.... \'tis in den slappen tijd weet u. â Zullen de heeren nog dineeren als ik vragen mag?quot;
âWat dunkt je Jan?quot;
âIk zou maar wat nemen mijnheer?quot; zegt Frederik.
âStop waiter, ik vraag jou niet. Hahaha!quot; Tot den reisgenoot: â\'t Is erg genoeg Jan, dat ze in mijn mooie rijke moedertaal voor dat Jannen-baantje nog geen eigen woord hebben; dat ze bij de buren moeten leenen of jou er altijd met de haren bijsleepen. Wacht, ik zal den waiter eens doopen.quot; Tot Frederik: âSchenlcer, schenk jij eens twee glaasjes oud Hollandsche bitter. Nietwaar Master Jan; en dan very good roastbeefs or beefsteaks, dat zal er op smaken.quot;
Jan is op een stoel neergevallen, en zegt, dat hij dood-op van het loopen is, en dat het allemachtig jammer is ook niet naar Amsterdam te zijn doorgestoomd; de vrienden zullen schrikkelijk gefopt wezen.
â\'t Was een dwaze inval. Yes!quot; herneemt de eerste: âen \'t spijt me haast dat we aan dat tusschen-station rechtsomkeer hebben gemaakt. Ja \'t was een blind zoeken Jan.quot;
âDat zei ik wel Tom; en Judels zou er express de Schoolmeester voor geven; \'t is jammer, verduiveld!quot;
48
ANNA BOOZE.
âNu ja, dat is niet anders! Ik had zoo\'n presentiment hier te zullen slagen. Ha, dat ik niet eerder in den trein op dien inval kwam! â Look, bitter,quot; vervolgt hij, terwijl zijn beweeglijk gelaat, dat teleurstelling uitdrukte, nu weer in een afkeurende plooi komt: âWhisky is een slechte drank, maar bitter is niet beter! Ik wil ze ook maar even proeven als een oud bekende. Bah! Ik geloof dat de Hollanders zich \'t leven er veel mee verbitteren Jan.quot;
âGoed voor de kou Tom!\'quot;
âPorter is wel zoo goed. Schuif me dat thing eens toe.quot;
âDat boek?quot;
âYes!quot;
De reisgenoot schuift het gevraagde tot voor den vriend. Deze slaat het open en ziet dat het in stee van een journal, zooals hij meende, een vreemdelingenboek is.
â Wat gaan hem die namen van \'t jaar 50 â 53 â 55 aan? Toch bladert hij voort. Dit is het laatste blad: December 1859, het roode vloeipapier kleeft nog op den laatstgeschreven naam.
âHa! my God! John! Look, look!quot; roept Tom, terwijl zijn oogen, die in het boek blijven staren, tintelen alsof ze een schat hebben ontdekt, en zijn gansohe gelaat onwillekeurig een der schoonste herkenningstooneelen speelt, die hij ooit op het Washingtonsche great George Theatre gecreëerd heeft.
âWat is er?quot; zegt Jan.
âWhat!? Look at this, look!quot; en hij wijst met den vinger op den laatstgeschreven naam.
Jan komt naderbij en leest overluid:
âA. Kooze... Muldersp.... Akkersv. â Zou dat misschien de persoon wezen die.... ?quot;
Tom Cat is niet in staat dat âHollandsche flegmaquot; te laten uitspreken. Twee. drie, vier krachtige slagen op de tafel doen de bitterglaasjes dansen en bet boek opspringen.
âWaiter!quot; roept hij: âHola waiter! â Where did she go to?quot;
Frederik komt haastig naar binnen:
âIf you please sir?quot;
Tom is opgestaan en zegt met den vinger op den straks gelezen naam:
âWhere is dat ... Dat. Ik meen is die hier gelogeerd? Is dat een miss Rooze? Is she here? Is....?quot;
âYes sir. If you please.quot;
âSpreek Hollandsch! Denk je dat ik \'t verleerd ben! Ik vraag of die.... die dame hier is afgestapt ?quot;
âJa mijnheer.quot;
âEn waar is ze, zeg? Is ze uit....? of?quot;
Frederik heeft geen tijd om zijn boosheid over âden toon van dat heerquot; te luchten, want âdat heerquot; is bijzonder levendig en haastig. Maar bovendien, hij zelf is bijzonder begeerig om er meer van te weten. Hij antwoordt:
âOf ze thuis is? Dat geloof ik niet, ten minste . . Kent u ze bijgeval, mijnheer?quot;
VI, 4
49
ANNA KOOZE.
âNiet thuis! Where is she then? Where? Maar zij logeert toch hier! Damn John, what a discovery!quot;
Jan vond het altijd lastig wanneer zijn oude vriend in opgewonden oogenblikken â ofschoon Tom het Hollandsch nog opperbest spreken kon â tot zijn Hottentotsch vervalt, waar geen schepsel, denkt Jan, een woord van begrijpt. Ook nu deed Jan wat hij in die gevallen gewoon was te doen, en lachte, en zette een gezicht alsof hij wilde zeggen: Zoo\'n geest daar kan zich niemand een begrip van vormen, en, da\'s m ij n vriend : ik ben de vriend van een groot, van eon heel beroemd man â Jan zelf had vroeger in de Zes Kronen brieven binnengebracht en voor notaris in \'t zwart en voor gerechtsdienaar gefungeerd, eens zelfs voor den hoofdpersoon â maar hij moet het eerlijk bekennen, dit laatste als doublure â en dikwijls voor beul. â Nu is hij tweede fagot in âde Duitsche,quot; maar ofschoon de orkestmeester hem een standje heeft geschopt, nam hij toch zijn vacantie. In één woord. Jan lachte. Want al verstond hij Tom niet, Tom was een beroemd man, en \'t is zijn vriend en â hij reist op zijn kosten. Maar, Jan lacht nü vooral dewijl hij door Toms ontdekking een eind aan de zaak ziet. Hier blijven is verschrikkelijk: Wat had je in Utrecht! En ze wachten in Amsterdam.
Wat Frederik betreft, hij geloof vast â dat heel Meerenberg op reis naar Utrecht is en in de Pays-Bas zijn intrek komt nemen. Die vreemde snorrebaard schermt met zijn oogen en handen om er bang van te worden, en hoor, eensklaps barst hij in een vreeselijk lachen uit, en roept:
âHa John! zeg nu dat de old Kater geen goeien neus heeft, als je durft. Hahahaha.. . hahahaha! Hola schenker, zeg dan toch, is die miss uitgegaan? Waarheen? Waar kan I find her?quot;
âJa, ziet u, dan zou ik nog wel eens kunnen hooren en de huishoudster vragen. Als ik zoo vrij mag wezen mijnheers naam te weten, en waar mijnheer vandaan komt?quot;
âMijn naam, hahahaha, mijn naam is Kater. Tegenwoordig Tom Cat, maar dat doet nothing, nothing! She kent me niet. From Nijmegen, no, from Rotterdam; no no no, from Washington.quot;
â De hemel beware! denkt Frederik, dat koldert nog anders dan die juffrouw. Zou er in Nimwegen óók zoo\'n etablissement zijn? Die andere is zeker een stille! En Frederik valt in:
âJa wel precies; dat komt er ook minder op aan. Ik zal wel eens hooren.quot;
Hoe begeerig ook om iets meer te vernemen, Frederik gevoelde zich met dien wildeman â die een heele simfonie met z\'n âbakkesquot; speelde â zoo weinig op zijn gemak dat hij besloot provisioneel ruimbaan te maken. Zoodra het eten zou zijn afgeloopen, moest dat tweetal maar naar de komedie verhuizen, en in dien tusschentijd kon men raad schaffen hóe te handelen als ze weerom kwamen. Misschien als hij ze heelemaal expedieerde, dat hij dan bij de thuiskomst van mijnheer en mevrouw wel een bijzondere goedkeuring zou krijgen, en de alwijze met haar zoet gesammel een langen neus. De geschiedenis liet zich toch wel raden:
â Het konden niet anders dan gekken zijn, die gek op mekaar
50
ANNA ROOZE.
waren â \'t is de uitdrukking van Frederik â en losgebroken, mekaar nareisden. â Merci!
Eenige oogenblikken later komt de schenker weer in de zaal en zegt te gelooven dat de jonge dame inderdaad reeds vertrokken is, en zeker niet zal terugkomen, want dat ze plan had -â indien hij zich niet bedriegt â om met den trein van kwart over negenen naar Holland te âverreizenquot;.
âWhat! What! verreizen? Negen uren? Damn; damn! â A cab! a cab! my kingdom for a cab!quot;
â Wel allemachtig! wat rollen die oogen! Net een vader- of kindermoorder, denkt Frederik; en als ik niet zag dat ie zoo\'n forsche kerel was, dan zou ik zeggen dat ie een bult had.
âEen rijtuig waiter!quot; roept Tom nog eens.
Maar, dat ging niet; de biefstuk siste al met de aardappels in de pan, en Nol kwam reeds binnen met het tafelgoed voor twee couverts, en â Frederik zegt dat de dame zeker nog eerst commissies rijdt, want nu was het pas acht uren en mijnheer heeft nog tijd genoeg.
In de breede gang ontvangt juffrouw Beele op dat oogenblik de herhaling van professors verzekering: dat er, voor zooveel hij kan oordeelen, geen de minste verschijnselen van krankzinnigheid of monomanie bij dat meisje te bespeuren zijn. Haar zenuwgestel alleen is zeer zeer geschokt, en haar gestel dat veel schijnt geleden te hebben, behoeft vooral versterkend voedsel. De droppels, die hij voorschreef, moet ze trouw innemen, en juffrouw Beele zal wel zoo goed zijn te zorgen voor het eten, \'twelk juffrouw Rooze, zooals bepraat is, een uurtje vóór het slapen-gaan met een paar glazen goeden wijn moet gebruiken:
â O wel zeker! Er zal voor alles gezorgd worden.
Och! juffrouw Beele is zoo dankbaar en blij. Zij had zoo met die arme jonge dame te doen; en, dat professor haar kent; dat hij aan die scnooldarae te Akkersveen schrijven zal; dat er, wat het finan-cieele betreft ook geen bezwaar is; dat zij zelve de liefde Gods niet heeft uitgesloten, en, dat alles zoo goed zal afloopen, professor moet het nóg eens hooren: Zij kan er God niet genoeg voor danken.
Maar, hoe dankbaar juffrouw Beele ook gestemd is, het doet haar toch leed, ja het grieft haar zelfs, dat die juffrouw een poosje zóó zacht met professor heeft gepraat dat zij er geen woord van verstaan kon. â Och ja, ze deed zoo gaarne alles, alles en met liefde, maar dan zag ze ook gaarne vertrouwen. Immers vertrouwen is âde kurk op den kandeelketelquot;!
âHet schijnt dat die jonge dame, hm! een slechte behandeling, hm! heeft ondervonden, hm! ten minste....quot; vischt juffrouw Beele.
âBij moeder Beele is men van het tegendeel zeker. Morgen vroeg kom ik nog eens kijken. Goeden avond.quot;
Op den ronden toon en met het accent, dat zijn Friesche afkomst verraadt, maar bovenal met den onvergetelijk karakteiistiekon blik, een weinig trekkende met het eene oog â haar even aanziende,
51
ANNA ROOZE.
heeft de waardige geleerde die woorden gezegd, en voegt er nog heengaande bij:
âAls zij soms praten wil, herinner haar vooral dat ze liever rusten moet. Goeden avond!\'\'
âGoeden avond professor. Best, opperbest!quot; zegt de dame. En bij zich zelve; â \'t Is een dóór en dóór knap en zielkundig man, maar als hij denkt dat zij praatachtig is dan heeft hij het toch abuis. Ik zou eer zeggen een gesloten en heel karakter.
Op het tamelijk donkere St.-Jans-kerkhof ontmoet de professor een jonkman, die hem op de beleefdste wijze groet en vraagt of het hem vergund is professor even gaandeweg te spreken; hij is recht gelukkig hem te ontmoeten.
De heeren verdwijnen om een duisteren hoek der Janskerk.
Alvorens naar de keuken te gaan ten einde voor Anna\'s avondmaal de noodige bevelen te geven, treedt juffrouw Beele even de zaal in, en groet er â niet zonder eenige verrassing â de beide heeren. die er hun laat diner gebruiken, want van âdie heele heerenquot; had Prederik haar niets gezegd.
Frederik met een servet onder den arm, en een schotel met biefstuk, aan Tom Cats linkerzij, ziet zoowel een goede portie vleesch van den schotel verdwijnen, als de verwondering, die zich teekent op de tronie der al wij ze, en zoekt met zijn gelaat de bestraffing uit te drukken:
â Ja, als jij je boven opsluit, en nog op den koop toe de deur uitloopt, dan zal de oberkellner zoo vrij zijn, ook zonder jou voorkennis gasten te âserveerenquot;.
âPrisch weertje heeren! De heeren komen zeker al van ver? Weinig seizoen om te reizen. â Prederik, mijnheer vraagt de mosterd!quot;
âMijnheer heeft ze al, juffrouw.quot;
âMistress, is die klok gelijk, precies gelijk?quot;
âOm u te dienen, mijnheer.quot;
âZorg dan if you please dat over tien minuten, a cab â een vigilante hier is. Wij moeten volstrekt die jonge dame ontmoeten. Waiter, bread?quot;
âO zoo, och kom! een jonge dame ontmoeten....?quot;
Frederik geeft het brood maar krijgt het benauwd. Als die wildeman te weten komt dat hij hem zoo\'n beetje misleidde, dan.. . Hij draaft met den schotel alsof hij haastig iets halen moet naar de deur, en roept:
âOch juffrouw, als je blief! eventjes....? Ze moeten u achter hebben ...quot;
De dikke dame volgt Frederik, maar zegt toch tot den heer, dat ze voor de vigilante zal zorgdragen.
Eenige oogenblikken later stapt een jonkman de zaal in, die het etende tweetal vluchtig groet; rondziet, en dan aan de schel trekt.
Hij heeft een allergunstigst voorkomen. Op een stoel bij de kachel
52
ANNA ROOZE. 53
zet hij zich neer; drukt de net gechausseerde voeten tegen den blanken benedenrand der groote kachel, en warmt de handen, die in keurig paars glacé steken, bij de breedo kolom.
Frederik komt terug. De jonkman gaat hem te gemoet.
,Frits, is juffrouw Beele in \'t hotel?quot;
âOm je te dienen mijnheer!quot;
âVraag of ze even wil hier komen.quot;
âWaiter, komt er geen sla en omelet? Wij hebben haaat!quot;
Frederik knikt links en rechts: âYes! As je blief!quot; en verdwijnt.
Na eenige oogenblikken komt de dikke dame de zaaldeur weer in, gevolgd door salade en omelet, gedragen door den schenker.
De jonkman, die aan het eind der zaal eenige malen op en neer heeft geloopen, terwijl hij van tijd tot tijd een blik op het dineerende paar wierp, treedt nu haastig op de dame toe:
âAh juffrouw Beele, ik ben blij u te vinden. Toen ik thuis kwam vond ik den brief, dien u de goedheid hadt er zelve te brengen, maar mijn hospita, niet zoo attent als indertijd moeder Aagje in het onthouden van boodschappen, was de helft van hetgeen u haar gezegd hadt vergeten. Toch had zij recht dat u hier waart. Is mijnheer Beele welvarend?quot;
âO dank u mijnheer de jonker, mijnheer de advocaat wil ik zeggen. Alles best! alleen erg rheumatiek weet u, en dan korzelig omdat ik een paar dagen van huis ben: maar je doet al wat voor je familie nietwaar? Er is een boel aan zoo\'n logement vast; nou dat beloof ik je!quot;
âIk dacht aan een misverstand toen ik hoorde dat de schrijfster van den brief hier in \'t logement gelogeerd was, maar, zoo even sprak ik professor, en die.. ..quot;
âO, bent u professor tegengekomen! Och dan zal u van alles en op het best zijn ingelicht. Toen ik u den brief bracht, toen was ik nog zoo in het onzekere; maar door professor ben ik op allerlei manieren over die zaak in de ruimte gekomen.quot;
âIs het waar dat juffrouw Rooze naar mij gevraagd, en verzocht heeft mij te spreken?quot;
âOmelet, mijnheer!quot; roept Frederik zeer luid.
âSust boy!quot; zeg de acteur, en weert den schotel af.
âJa ziet u mijnheer de advocaat, j a, in zooverre, u ... leugens gun ik geen plaats, dat weet u. Maar het was meer een denkbeeld van mij dan wel dat zij zelve er om verzocht had. Ik dacht. ...quot;
Juffrouw Beele bemerkte eensklaps dat een der beide vreemdelingen haar van ter zijde met een blik beschouwt, die haar vreesachtig maakt, en, terwijl de jonker dit terzelfder tijd bespeurt, en â hij weet niet waarom â vluchtig aan Ira Aldridge in Shakespeares Othello denkt, zegt juffrouw Beele snel en zachtjes:
âWij kunnen beter in de huiskamer praten. Die menschen daar gluren ons de woorden uit den mond.quot; Heel zachtjes: âDat is het lastige van een hotel dat je bijna nergens vrij kunt spreken. Frederik zei dat die eene man niet recht bij \'t hoofd is, maar ofschoon ik het niet geloofde, omdat Frederik vandaag zelf in de war schijnt,
ANNA ROOZE.
zoo moet ik bekennen dat die man ons toch zeer onnatuurlijk aanziet. Vindt u niet? Kom!quot;
âHola, stop! Miss! If you please!quot;
Tom Cat is haastig opgestaan, en treedt met snelle schreden op de dame en den jonkman toe, die reeds den drempel der zaal zijn genaderd. Tom Cat heeft werk met zgn Hollandsch; ,1 beg you to excuse. Neem niet kwalijk. Ik stel the utmost interest i n the young lady die u noemde. Is here een miss Rooze? She is hier geweest, dat weet ik. Maar de waiter zeide dat ze vertrokken is. Ik hoor nu dat mijnheerquot; â hij wijst op den jonker â âis gekomen om haar te spreken. What is the truth? Is she here? Yes or no?quot;
Frederik glijdt achter Tom Cats rug de zaal uit.
Juffrouw Beele verstond dien poespas maar half, en is dankbaar dat haar advocaat het woord neemt:
âJa wel, die dame is in het hotel!quot;
âHa!quot; Tom Cats oogen blinken vroolijk, maar terzelfder tijd schier bliksemend door de zaal: âDamn you waiter!quot; De schenker echter is er niet meer. Tom zegt dat hij die jonge dame volstrekt moet spreken; volstrekt! al is \'t maar een oogenblik; hij heeft haar iets te vragen, iets dat ten zeerste haar belangstelling verdient.
âDat kan onmogelijk mijnheer,quot; betuigt juffrouw Beele: âzij is ongesteld, en de professor heeft gezegd dat zij rust behoeft. Haar zenuwgestel was zeer geschokt, zei professor. â Als u soms \'t een
of ander hadt.... dat----? Ten minste als het niet te aandoenlijk
is.... of....? Dan zou ik.... Als u \'t mij kondt zeggen....?quot;
âZiek! O poor child!quot; â Zich even bedenkende en dan met een koninklijke buiging tot Van Breeland:
âIk heb de eer een lawyer te zien? Ha! dat kon niet beter! Mistress zal excuse. â Als ü de goedheid hebben woudt sir mij even te woord te staan. Ik stel de zaak tot later in uwe handen. Achter in de zaal kan ik u spreken. ...? Of neen, mistress heeft zeker a parlour.quot;
âWat blief....?quot;
âEen spreekkamer. Yes-Yes. Hahahaha hahahaha! â Jan met your permission!quot;
âMijn naam is Van Breeland mijnheer,quot; zegt de jonkman: âadvocaat bij het Provinciaal Gerechtshof van Utrecht.quot;
Een oogenblik later treden de beide heeren in een kleine kamer, en ontvangt juffrouw Beele van âhaar geliefd eerste bakerkindquot; een vriendelijken wenk die te kennen geeft:
â Wilt u zoogoed zijn ons nü alleen te laten?
Frederik ziet het van verre en grienst van plezier.
54
ANNA ROOZÃ.
VIERDE HOOFDSTUK.
Den volgenden morgen â \'t was Zondag â toen de Domtoren-klok negen slagen deed hooien, scheen de zon helder en was het prachtig vriezend weer.
In een net gemeubileerd vertrek naast de kamer, waar Anna Rooze den nacht heeft doorgebracht, speelt het zonnetje recht vroolijk op een welvoorziene ontbijtdisch.
In die wit porseleinen kip liggen een paar versche eitjes die heel zacht zijn gekookt. De koude patrijs ziet er kostelijk uit; het rook-vleesch van een overheerlijk ,muisjequot; is fijn gesnipperd, broodjes en beschuit zijn van de beste soort; de boter, tot kraaltjes gespaand, zou gerust tegen versche Meiboter kunnen geproefd worden. De roomkan is ten boorde toe gevuld, en het fiksche vuur onder de witsteenen koffiekan heeft haar pittigen inhoud aan het pruttelen gebracht, zoodat de mokka-geur zich zachtkens door de kamer verspreidt.
Reeds vroeg in den morgen was Anna uit een weldadigen slaap ontwaakt. Het is haar onmogelijk geweest om volgens professors raad het bed te houden. Toen juffrouw Beele met moederlijke bezorgdheid kwam zien hoe de logé, die haar waarlijk een groote belangstelling had ingeboezemd, den nacht heeft doorgebracht, vond zij haar tot haar groote verbazing reeds bijna gekleed.
Een klein kwartier later was alles in de aangrenzende kamer in orde, en hoopte juffrouw Beele dat de juffrouw nu eens smakelijk ontbijten mocht, en professor, als hij kwam, niet knorren zou.
Zoo even heeft de goede dame haar schoone logé met dien wensch verlaten.
Anna zit voor het schenkblad en voor het overvloedig ontbijt. Hoe heel anders gevoelt zij zich dezen morgen dan gisteren. Wat was ze toen vermoeid en schrikkelijk afgemat. Bijna weet ze niet meer wat er met haar is voorgevallen. Maar nu, wat hebben rust en slaap en verkwikkende middelen haar verfrischt en goedgedaan. \'t Is Anna alsof zij na een zware ziekte haar krachten voelt terug-keeren, terwijl de toekomst haar vriendelijk en bemoedigend tegenlacht.
En alles werkt mede om dat laatste gevoel bij haar levendig te houden.
Zie maar, de December-morgenzon, wat speelt ze vroolijk in de gezellige kamer; hoe ruim is het uitzicht over het wijde St.-Jans-kerkhof; hoe ongewoon aardig is het voor haar die menschen van nabij en van verre te zien loopen, haastig en bedaard, déze naar dien, gene naar een anderen kant â zoo gaat het, maar zelden twee den zelfden weg. Wat geeft dat groenwinkeltje daar ginder een frisschen aanblik. De zon heeft wel gelijk om op die ruiten het
55
ANNA BOOZE.
dartelat te spelen. Immers de kleine mandjes met piepjonge veldsla, kropdunsel en latuw er achter, ze zijn een zonneschijntje waard, en vertellen al iets van \'t voorjaar, dat in \'t eind toch komen en een langen winter vervangen zal.
Maar ook het wachtende ontbijt, dat voor Anna ongekend overvloedig is, moet haar, terwijl ze inderdaad nog steeds behoefte aan versterking gevoelt, wel aangenaam stemmen en met dankbaarheid vervnllen.
â Met dankbaarheid! Ja voorzeker!
Juffrouw Beele had, aleer ze heenging, een warm eitje in het dopje bij Anna neergezet; het patrijsje gesneden en een kop koffie ingeschonken. Toen wilde ze niet langer blijven, want, in gezelschap geneeren zich de meeste menschen om te bidden, en vooral in een logement. Ja ze moest haar de gelegenheid tot bidden geven, want ter kerk te gaan, \'t was haar nog niet geraden.
Anna ziet nog eens vluchtig naar buiten: trekt zich eenigszins in den stoel terug; werpt een blik op de gesloten deur; en dan, dan drukt ze de beide blanke, nu wel wat magere handjes tegen haar lief gelaat, en denkt:
â Als ik ziek geworden was, Oneindige Schepper, dan zou ik misschien geklaagd hebben ofschoon het toch Uw wil was geweest. Immers alles geschiedt naar Uw wil: ook wat wij kwaad noemen; ook, dat mijn oom.... Stil....! Ik spreek tot den Almachtige, die alleen rechtvaardig oordeelt; tot Hem die een arme kindermoordenares misschien hooger stelt dan de zachtaardige zwakke moeder, waar de eerste heeft geworsteld en gestreden, en de tweede zonder strijd in het leven haar kind vertroetelt. Bén is er die rechtvaardig oordeelt. Dat is een goede troost! En, één is er ook, die weet wat ons het beste is. Hemelsche gedachte! En ik... . mocht ik niet verkwikt en versterkt ontwaken, terwijl ik had kunnen neerliggen op het ziek- op het doodsbed misschien! â Zij neemt de handen weg en ziet rond: â⢠En, daar zit ik nu; terwijl de zon lacht, terwijl een overvloed mij omringt! O, eeuwig onbegrijpelijk Wezen, ik begrijp U niet, maar ik dank U! Ik dank U mijn Vader!
Juffrouw Beele zou dit zeker een zeer ongepast gebed voor het ontbijt hebben genoemd; zoo verward, zoo zonder stichting. Maar, \'t was ook niet noodig dat juffrouw Beele er door gesticht werd. Volstrekt niet.
Het ontbijt smaakt Anna overheerlijk. En, terwijl zij zoo zit en geniet, komt haar nogmaals de vraag voor den geest, of zij waarlijk goed heeft gehandeld met De Runt en haar voogd te ontvluchten. En haar antwoord is kalm en kort;
â Door zoo velerlei gedreven en beangst, was het blijven m ij onmogelijk.
â En, nu wil zij daarover ook niet langer tobben.
Terwijl deze laatste gedachte Anna het patrijsje nog lekkerder smaken doet, komt het gesprek met professor Van der Kolk den vorigen avond haar klaar voor den geest.
â Arme tante! denkt ze; al had ik niets anders kunnen doen dan
56
ANNA ROOZE. 57
den beroemden man in uw belang tot een tocht naar De R u n t te bewegen, dan reeds moest ik tevreden zijn. â Indien ik hem van daar had moeten schrijven, hij zou zich terstond tot oom Lijning om nadere inlichting hebben gewend, en van zijn reis ware niets gekomen. Maar, nu zal hij gaan.
Anna heeft gezegd dat zij het betalen zal â van tantes eigen mild geschonken spaarpenningen â maar daarop heett professor niets geantwoord.
â En dan, arme Hanneke! peinst Anna in haar blijdere stemming voort: het is mij nu alsof je niet meer zoo ongelukkig bent als toen ik je gisteren zag. Hier is het briefje, dat mij om jou met zooveel moed en zulk een zonderling vertrouwen vervult.
â Zie maar. En Anna leest nóg eens het briefje, dat juffrouw Beele haar straks zonder schroom heeft gebracht, omdat het van haar geliefden bakerzoon den edelen jonker kwam!
Het briefje in antwoord op Anna\'s schrijven aan Van Breeland, door juffrouw Beele bezorgd, luidde:
âZeer Geachte Mejuffrouw!
âUw geëerde opdracht aanvaard ik met de meeste ingenomenheid. Ik wensch niets vuriger dan in eene zaak als die van Hanneke Schoffels mijn eerste pleidooi te voeren.
âAl weet ik dat ervaring en veler uitnemende rechtskennis mij ontbreken, toch voel ik mij sterk, omdat het lot der ongelukkige â \'t zij ze schuldig is of niet â de meeste deernis verdient, en niet minder omdat het Anna Rooze is, die mij tot de verdediging der arme roept.
âReeds heden maak ik er werk van dat het mij vergund worde in Hannekes zaak voor het Hof van Gelderland als verdediger op te treden. Zoo iets wordt niet geweigerd. Tot mijn bijzonder leedwezen vernam ik dat een lichte ongesteldheid oorzaak was van Uw oponthoud in deze stad. Mocht U spoedig geheel hersteld zijn, en het mij vergund worden vóór Uwe afreis, een onderhoud met U te hebben, over een zaak in Uw eigen belang.
âMet de aangenaamste herinneringen aan den 23sten November 11. teeken ik mij met belangstellende hoogachting:
âZeer Geachte Mejuffrouw!
Uw Zeer Dw. Dr.
O. VAN BKEELAN1).
Ad vocaat.quot;
Toen Anna straks voor de eerste maal haastig den brief had gelezen, toen heeft zij gemeend dat Van Breeland met âdie zaak in haar eigen belangquot; inderdaad niets anders dan haar belang in Hannekes zaak heeft bedoeld: Hoe zich bij voorbeeld te houden indien ze mede voor den rechter als getuige mocht worden geroepen; iets waar ze vreeselijk tegen opziet.
ANNA KOOZE.
Maar nu heeft een blos haar wangen gekleurd.
Zij schenkt bij vergisssing tweemaal room in de koffie en zegt bijna «verluid;
â Neen, ik wil hem niet zien! wij kunnen de zaken evengoed schriftelijk behandelen. Ware ik gisteren niet zoo geheel van streek geraakt, ik zou nu reeds te Akkersveen geweest zijn. Neen, hem hier te ontvangen dat kan en dat mag ik niet.
Terwijl Anna de tweemaal geroomde koffie drinkt, en nog met de laatste gedachten is vervuld, ziet ze naar buiten.
De menschen, die over het breede plein gaan, wekken natuurlijk haar belangstelling niet. Ze zijn â hoe belangrijk ze ook voor hun kring of de maatschappij worden gerekend, hoe gewichtig het doel van hun gang ook wezen mag â en âwaarvan zoo\'n juffertje dat daarboven voor een der ramen van de Pays-Bas op haar doode gemak een kopje koffie zit te drinken geen begrip neeftquot; â ze zijn in weerwil van al hun belangrijkheid, toch voor dat juffertje niets anders dan de poppetjes eener tooverlantaarn, in één woord voorbijgangers en niemendal meer.
Doch eensklaps treedt een dier poppetjes voor het oog der turende «n peinzende Anna in een gansch ander licht.
â Zij kent hem! â Ja, dat moet hij wezen.
Van de overzijde stapt hij met haastigen tred het plein over en op het logement toe.
â Ja zeker, hij is het!
Ook nu trekt Anna haar hoofdje eenigszins terug.
Hij zag naar boven.
â Zij weet niet of hij haar bemerkt heeft, doch ze gevoelt dat alweder een blos haar wangen kleurt.
â Dat is laf! schrikkelijk laf! Het moet zeker een gevolg van lichamelijke zwakte zijn, of op rekening van haar geschokte zenuwen gesteld worden. Professor had daarvan gesproken. Ja zij begrijpt nu zelve wel, dat kalmte en rust haar noodig zijn; nu heeft ze weer eensklaps zoo iets lichts in het hoofd en van die pluisjes voor defoogen.
â Misschien, denkt Anna, komt de jonker zelf het antwoord op zijn brief halen.
Een paar minuten later wordt er geklopt.
âBinnen!quot;\' roept Anna na een korte aarzeling, want ze beseft al spoedig dat hij toch niet onaangediend naar boven zou gaan.
\'t Is juffrouw Beele wie het trappenklimmen niet te zwaar valt nu zij haar âedelen bakerzoonquot; en ook die âherstellende lieve damequot; kan van dienst zijn.
â.... Maar hij zou u toch zoo gaarne eens even spreken, lieve juffrouw. Waarlijk, hij is zoo best en edelaardig en bovenmatig knap. Hij had mij verzocht hem van morgen aanstonds te doen weten hoe het met uw gezondheid was, en, omdat ik: Goddank beter, liet zeggen, is hij dadelijk hier gekomen. Zie, hij wou u toch heel graag eens spreken! Ongepast is het niet.... en althans zou het dat nooit kunnen zijn indien ik---- Niet dat ik mij zou willen indringen,
58
ANNA BOOZE. 59
daarvoor kent mijnheer Van Breeland mij te goed, maar vanwege de gepastheid ziet u; de wereld is boos niet waar?quot;
,U zult mij plezier doen lieve mevrouw, met mijnheer Van Breeland te zeggen dat ik hem nü waarlijk niet spreken kan, maar dat ik hem vóór mijn vertrek hoop te schrijven om hem te melden waar hij mij later zal kunnen ontmoeten.quot;
âGuns, dat zal hem spijten. Maar als hi] dan eens na kerktijd----quot;
.Professor heeft mij immers rust en kalmte aanbevolen, mevrouw? Ik wensch mij aan zijn voorschrift te houden.quot;
Juffrouw Beele gaat zwijgend heen. Zij kan dit laatste niet tegenspreken, maar het kwam haar voor dat er wel wat preutschheid onder loopt, en vluchtig komt de gedachte bij haar op: of zij zooveel liefde en zorg ook mogelijk aan een neuswijs kung nufje verspild heeft.
Het smartte Oscar Van Breeland om allerlei redenen, méér dan hij juffrouw Beele zeggen kan, dat hij, na het vernemen van Anna\'s beterschap, en nu zijn schrijven van gisteravond daardoor al vroegtijdig haar is kunnen ter hand gesteld worden â dat hij nü een weigering bekomt om hem te ontvangen.
Een der redenen die de dame vernemen mag is deze, dat hij met den middagtrein voor zaken naar Gelderland wilde vertrekken, en hij juffrouw Rooze iets zeer belangrijks heeft mee te deelen.
â Waarlijk iets zeer belangrijks? Ja, dan kan men mijnheer Van Breeland, den jonker, den advocaat, toch ook maar zóó niet afschepen. Dan moest men bedenken wie hij was, en ten minste niet eerst âaanleggenquot; zooals dat dametje in alle geval gedaan had:
âJa \'t verwondert me ook danig, mijnheer de advocaat, dat de juffrouw mij met zulk een boodschap aan u naar beneden zendt. Mij dunkt dat ik zoo iets niet aan haar verdiend heb. Als het iemand anders was, maar nu, en daar zij u nog wel zelve den bal heeft toegekaatst.quot;
âZij schijnt zich nog zwak te gevoelen!quot; aarzelt Van Breeland.
âNu ja, wat dat betreft, mijnheer de jonker, zwak en zwak is twee. Ze zit paraat voor het koffieblad, en toen ik daareven zoo en passant een oogje over de tafel liet gaan, toen zag ik dat ze behoorlijk aan \'t schransen is geweest. Niet, dat me dat geen plezier doet! Onze Lieve Heer weet het beter; maar mij dunkt als iemand zooals u, en van adel.... ja ja, ik zeg maar: de eene stand gaat boven den anderen ; ik zeg dat iemand zooals u - ⢠.
âHoor eens, mijn goede juffrouw Beele, doe mij \'t genoegen en ga ... of neen laat Frederik nog eens.... Wacht!quot; â Hij heeft een portefeuille uit den zak gehaald en schrijft met het gouden potlood op een der bladen:
âSlechts een oogenb. Door een bijz. omstan. werd mij een last opgedr. waarv. ik mij persoonl. te kwijten heb. Bedrieg ik mij niet dan geldt de zaak een liefdewerk van wijl. uw vader. â Ik wensch reeds heden midd. naar Gelderl. te vertr.inHannekesbelang.
ANNA ROOZE.
âWacht, ziezoo juffrouw Beele, \'tis wel wat happerig uitgescheurd, maar dat zal zij niet kwalijknemen.quot;
âNeen neen, hoe zou ze dat kunnen!quot;
âAls Frederik dit nu eens even... quot;
âVolstrekt, volstrektelijk niet, mijnheer de jonker: ik zal dat zelve wel brengen. Daar heeft niemand mee noodig, en wat men in handen heeft, dat heeft men in handen. Niemand kan instaan als voor zich zelve.quot;
Toen juffrouw Beele boven op het portaal even adem schepte, en daarbij zachtjes mompelde: âGa achter mij Satanas!quot; toen bedacht ze zich meteen dat ze toch ook gelukkig geen bril bij zich had.
De goede dame had echter geen bril noodig om op het gelaat van haar logé, toen ze dat blaadje gelezen had, een sterke ontroering waar te nemen.
â Och \'t is den âamoer!quot; geen quaestie van, denkt juffrouw Beele, en uit een diep verscholen hoekje van haar hart klinkt er mede een stem die zachtjes fluistert: Van die twee er nog eens eentje te bakeren! hechie! â Maar, zoolang als Beele leefde, zou dat toch moeielijk gaan. En, als zij in dien tusschentijd zelve maar niet te oud werd! Natuurlijk zou ze het voor liefhebberij doen, voor niemendal, voor de eer, dat sprak van zelf! Och, als de Heer dat nog eens geven mocht!
Anna\'s ontroering en de stem, die er in juffrouw Beeles boezem sprak, hebben haar de tranen naar de oogen geperst. Zij weet echter wat voegt, en zal zich met niets inlaten â althans:
âDus mag ik zeggen dat u ZijnEdele ontvangen wilt?quot; vraagt ze iets later, en terwijl Anna nóg eens toestemmend knikt, komt juffrouw Beele aan de zij van haar logé, en zegt op den gemeen-zamen toon, die haar vooral eigen is wanneer zij tot lijdenden, bedroefden of zwakken spreekt: âKom wees maar welgemoed als een kind! Ik ken hem van zijn wieg af aan; al kwam er een engel in eigen persoon, ik zou dien niet geruster bij je boven laten als ik het mijn braven jonker Oscar doe. De Heer hoort het mij zeggen!quot; En juffrouw Beele drukt even haar mollige hand zachtkens op Anna\'s schouder, en denkt, terwijl ze nu heengaat: Toen mijnheer Beele â om van Willem mijn overleden man niet te spreken â voor het eerst een mondgesprek met mij verlangde, toen aarzelde ik zelf geen oogenblik, en, alles is door Gods goedheid in eer en deugd in der minne geschikt, ofschoon hij toch uit zee kwam!
Anna trilt inwendig nu zij weder op de deur hoort kloppen en âBinnen!quot; roept.
âJuffrouw Rooze!-\'
âMijnheer Van Breeland!quot;
âNicht Anna....? als het zoo wezen mag?quot;
âMijnheer.... Oscar!quot;
âAlthans het zou mij innig leed doen wanneer we onze familiebetrekking slechts voor een enkelen schoonen feestdag hadden aangeknoopt.quot;
60
ANNA ROOZE. 61
âMijn brief heeft u bewezen dat ik uw vriendschap op prijs stel, jfj zelfs dat ik op haar rekende, maar....quot;
âMaar â â juffrouw Rooze wil misschien zeggen dat een koude winterdag binnen de muren der grijze bisschopsstad niet zoo mild kan stemmen als een heerlijke herfstdag op net land. â Doch ik mag u volstrekt niet vermoeien. Juffrouw Beele heeft mij gezegd dat u, op reis naar Akkersveen, door een lichte ongesteldheid overvallen, genoodzaakt werd hier te overnachten. Nu gaat het beter nietwaar?quot;
âIk dank u, veel beter.quot;
â Toch ziet zij er lijdend uit en is zeer bleek geworden, denkt Oscar. Maar die bleekheid â omkranst door de donkere lokken â al verhoogt ze niet rechtstreeks haar schoon, zij doet de uitdrukking van haar donkere kijkers met die lange zwarte wimpers des te treffender uitkomen, en maakt dat slanke bekoorlijke meisje in haar stemmig rouwkleedje, nog belangwekkender in zijn oogen.
Oscar Van Breeland herinnert zich eensklaps wat hij zich vast heeft voorgenomen. â Zijn verstand moet zijn hart beheerschen. Hij mag vooralsnog geen schrede verder gaan. In tegenspraak met hetgeen Alexander Van Wall hem op den feestavond van Anna\'s fortuin heeft gezegd, moest hij kort na zijn terugkomst in Utrecht uit een schrijven van zijn moeder aan tante Van Riddervoorst â de geliefde tante bij wie hij dagelijks aan huis komt â vernemen, dat Ernst Geereke de dwaasheid in \'t hoofd had gekregen om op een doodarm burgermeisje te verlieven, een zekere juffrouw Rooze, die â zoo schreef mama â Oscar zich zeker wel herinneren zou; doch tegen welke onzinnigheid, mama hare schoonzuster â tante Geereke â had aangeraden zich met alle kracht te verzetten.
â Een doodarm burgermeisje! â En was Oscar, indien dit waar is, dan niet verplicht tegen zijn vurigsten wensch te strijden, tot dat hij de goede tante Van Riddervoorst op een schoone vrucht van zijn studie zal kunnen wijzen, en zij hem misschien zal schenken, \'t geen hij behoeft om bet geluk dier innig geliefde niet slechts te verzekeren als zijn beminde vrouw, maar ook als een barones Van Breeland in den kring der zijnen! â Hoe het zij. Oscar gevoelt zich verplicht te handelen zooals hij zich voornam, en â âwat men waarachtig zijn plicht gevoelt, dat is plicht, al ware die plicht in het oog der wijsheid zelfs een dwaasheid misschien.quot; Dit laatste was een woord van tante Van Riddervoorst.
Met bliksemsnelheid zijn deze gedachten den jongen advocaat door het hoofd gegaan, maar tevens is een vluchtig wederzien van dat schrandere kopje reeds voldoende geweest, om hem geheel en al in de overtuiging te versterken, dat hij voor een medeminnaar als mooi neefje Ernst in \'t minst niet te vreezen heeft, terwijl haar schrijven over het ongelukkige meisje van Mulderspeet, hem aanstonds den uitroep had ontlokt: Goddank, ik heb een goeden indruk bij haar achtergelaten, en, zij vergat mij niet!
Maar nu, terwijl omstandigheden, die hij niet heeft gezocht, hem in deze oogenblikken tot haar voerden; nu hij voor zaken hier is
62 anna rooze.
en zij ongetwijfeld verlangt naar de opheldering van zijn raadselachtig briefje, nu moet hij zich krachtig herinneren bovendien, dat hij slechts werd toegelaten omdat hij haar een zaak in haar eigen belang heeft mee te deelen, en dat het een schandelijk misbruik van vertrouwen zou zijn, indien hij door een onbedachtzaam woord haar in verlegenheid zou brengen en berouw doen gevoelen dat zij hem ontvangen had. Nu moeten het zaken zijn; zaken en anders niet.
Met de meeste aandacht en een klimmende belangstelling luistert Anna naar Oscars verhaal.
De vreemde Amerikaansche tooneelspeler, die zich Tom Gat noemde, had hem in laat gegeven, te onderzoeken of de juffrouw Rooze, die hier moest gelogeerd zijn, eene dochter van den zee-officier Rooze was, van wien hij bijna twaalf jaar geleden, een som van driehonderd gulden ter leen ontving.
.Mijnheer Tom Gat,quot; vervolgde Van Breeland: âzou u wel het liefst in persoon hebben gesproken, doch, dewijl hij u om uwe ongesteldheid niet zien kon, en in Amsterdam werd verwacht, gaf hij voorloopig zijn zaak in mijne handen. Tevergeefs deed hij, zooals te begrijpen is, onderzoek naar den vroolijken menschenvriend â dit waren zijn eigen woorden â die hem redde in den nood. Het stond schier bij hem vast dat u de dochter van dien weldoener moest zijn. üw gelijkenis met hem was hem eerst duidelijk geworden, nadat u even den spoorwagen verlaten hadt, terwijl het vinden van uw naam in het vreemdelingenboek zijn vermoeden tot zekerheid had gebracht. En, besloot de acteur, wanneer de juffrouw dit schrift voor dat van haar vader herkentquot; â Oscar haalt een zeer geel geworden couvert te voorschijn en neemt er een dito papier uit \'t welk hij Anna overhandigt â âdan hoop ik dat zij aanstonds de oude schuld in ontvangst zal willen nemen met de interesten, die er op verschenen zijn. â Daartoe juffrouw Anna, riep hij mijne tusschenkomst in, terwijl hij u mede als een blijk van innige erkentelijkheid nog een klein souvenir doet aanbieden: \'t zijquot; Oscar glimlacht vluchtig â âeen vrije reis heen en terug, onder zijn geleide naar Washington; of een Erard, of eenig sieraad van waarde, \'t was hem het zelfde.quot;
En Anna leest terwijl het papier trilt in hare hand:
âHiernevens aan den heer Kater â door mij gedoopt Tom Gat â den moedigen overwinnaar van Aballino, een renteloos voorschot van driehonderd gulden, door hem of zijne erven te restitueeren zoodra hij zich in de Nieuwe Wereld zal hebben rijk geacteerd.
Zegge: f 300,00.
âRott. 5 Januari 48. Jan Rooze.quot;
âJa, ja! dat is het schrift van mijn besten vader â van mijn Engel, ja!quot; zegt Anna luide terwijl ze met een blik vol weemoed op het blad blijft staren. En zachter:
ANNA ROOZE. 6Si
,Goedaardige vroolijke man! zoo zie ik je toch van tijd tot tijd nog eens weerom.quot; â Luider:
âOch mijnheer Oscar, ik geloof niet dat hij ooit iets anders dan goed heeft gedaan. O, als u hem gekend hadt! â Vader!quot; â zij drukt een zoen op het papier: âMijn Engel!quot;
Ofschoon Oscar een diepgevoelig hart bezit, «eek van aard is hij niet. Nu echter voelt hij iets trillen in de b rst, doch hij be-heerscht zich:
âIk kon mij voorstellen juffrouw Rooze, dat dez; zaak u treffen, maar toch weldadig treffen zou. Mijnheer uw vader heeft bovendien getoond een menschenkenner te zijn, want in het open ooff van onzen Amerikaan â die u in den spoorwagen immers ook eenige belangstelling inboezemde â heeft hij zich niet bedrogen.quot;
âNoem mijn beste papa zoogoed en beter als iemand ter wereld, ja, maar beschuldig hem niet dat hij een menschenkenner was,quot; zegt Anna snel, en vluchtig speelt haar een weemoedig glimlachje om den mond: âIk geloof niet dat hij ooit van iemand kwaad heeft gedacht; iedereen was goed, zei hij eens, want anders had je geen beter in de wereld. Hij vertrouwde iedereen, ja iedereen!quot;
Toen Anna dit laatste woord gezegd had, dacht zij aan een benauwden droom, en aan een man, die baars vaders volle vertrouwen had bezeten.
Oscar zag wel dat er iets pijnlijks omging in dat prachtige kopje.
âDe som die de heer Tom Cat mij tegen quitantie gaf en die ik aan u zou overhandigen, bedraagt zeshonderd gulden. Interest op interest gerekend, zooals hij zeide.quot;
âAan mij, maar ik ben....quot;
âDe acteur wilde volstrekt dat de dochter van zijn vroolijken weldoener het geld in persoon zou ontvangen; zij kon er dan naar goedvinden mee handelen; slechts één beding heeft hij gemaakt, namelijk: dat het hem vergund zou zijn u, aleer hij naar Amerika terugkeerde, te mogen bezoeken, en met een dankbaren handdruk te vragen welk der cadeau\'s hij de eer mocht hebben u aan te bieden.quot;
âMaar zooveel geld!quot; zegt Anna, nu zij Van Breeland het bankpapier op de tafel ziet neerleggen.
âDe vreemde vreesde niet dat hij er u mede beleedigen zou,quot; zegt Oscar: âHij stelde op den voorgrond dat het een schuld van eer was, die moest afgedaan worden, ofschoon de edelmoedige man, die hem de driehonderd gulden leende, niet heeft vermoed dat het er ooit toe komen zou. Tom Gat besloot met de woorden: Het geld behoort haar, en immers zij kan het aan een arme geven als zij zóó rijk is dat ze om dit sommetje lachen moet.quot;
Oscar had slechts de woorden van Tom Cat herhaald, en toch, hij vreesde... . Maar God wist het: daarom, neen daarom heeft hij het niet gezegd.
âRijk! ik rijk? dat is mij anders gebleken Jonker Oscar. Maar ja, ik ben rijk, want ik geloof dat rijkdom tevredenheid is.quot;
Het is een eerlijk: Goddank! dat Oscar met moeite weerhoudt â
64 ANNA BOOZE.
Goddank! Neen hij gelooft niet dat hij haar met zooveel liefde zou hebben beschouwd, wanneer ze hem had gezegd een aanzienlijk fortuin te bezitten.
Anna ziet voor zich neer. Oscar herneemt:
,Misschien kan dat sommetje dan juist strekken om die tevredene stemming nog wat te verhoogen Anna!quot;
Toch weder Anna!
Er volgt een oogenblik, waarin Anna\'s rond en waarheidlievend gemoed zich gedrongen voelt om voor dien jonkman, met zijn edel gelaat en helder mannelijk oog, haar gansche ziel te ontlasten.
Dat laatste: Anna! heeft ook zoo wondervol melodisch geklonken. Zoo uitlokkende tot het onbepaaldst vertrouwen. Het heeft haar eensklaps aan dat eerste ontmoeten, aan die heerlijke wandeling op De Renghorst,«n aan de woorden van Schillers lied herinnerd:
âLiebe macht......
..........Die Erde
Zu dem Himmelreich!quot;
Maar ook in dat zelfde oogenblik reeds gevoelt ze dat haar waarheidsliefde zelfzucht zou zijn. Zal zij de aanklaagster worden van den man, die het vertrouwen van haar vader bezat? Zal zij Emma, haar eenige Emma vergeten en dien jonker een dieperen blik doen slaan in haar eigen hartquot;? Neen, neen! Het was daareven een zwak, een zeer zwak oogenblik! Nu is het voorbij....
Zij zwijgt en ziet naar buiten. â Wie zal de pijnlijke stilte verbreken \'?
âJuffrouw Rooze, herinnert u je iets van die schuld? â Waarschijnlijk niet; \'t is al zoolang geleden,quot; zegt Van Breeland.
Anna kijkt haastig op. Eensklaps herinnert zij zich een bladzij uit het kasboek van haar oom, en, terwijl ze de lokken weer met dien eigenaardigen zwenk over den schouder naar achter werpt, ziet ze den jonkman met haar schoone oogen ferm en toch zichtbaar in gedachten aan, en zegt snel:
âZijn Hollandsche naam is Kater zegt u? Ja, ja! nu herinner ik mij. De naam kwam mij aanstonds zoo bekend voor. Maar . . quot;voegt Anna er zacht als tot zich zelve bij: âIn ooms boek stond: dertig duizend gulden. Dertig duizend!quot;
Haastig neemt zij het geel geworden papier; werpt er een blik in, en zegt weder:
âHet was in 1848, in Januari. â Ja dat kwam overeen met den datum van pa\'s brief, waarin hij oom verzocht niet te vergeten de dertig duizend op zijn debet te schrijven.quot;
De jonge advocaat heeft de wenkbrauwen gefronst. Aan Anna\'s zij gekomen, rust zijn oog op het cijfer in den brief, die Kater omtrent twaalf jaren lang een heilige schuldbrief was.
âUw oom is een vermogend man, nietwaar?quot; vraagt Van Breeland na eenig zwijgen.
Anna schrikt:
ANNA EOOZE.
âNeen.... ja.... ik weet het niet.quot;
âHij kan zich misschien toen hij u zijn boek, of dien brief van uw vader toonde, met het cijfer vergist hebben....?quot;
âNeen, ik zelf heb het gezien, maar...
, Uw oom geniet toch uw volle vertrouwen, zooals hij dat van uw braven vader bezat?quot;
Anna beefde, \'t Ware verstandiger geweest dat zij dien vrager niet had ontvangen. Ze gevoelde zich wel beter dezen morgen, maar ze moet toch nog zwak zijn. Ze strijkt met de hand langs het voorhoofd.
Van Breelands gissen wordt zekerheid. Neen, het plotseling gerezen vermoeden steunt niet op te lossen grond: Anna schenkt den oom haar vertrouwen niet! â Met zijn helderen geest had hij reeds het verschil der straks genoemde cijfers beschouwd, en zijn vermoeden met een ingewonnen bericht omtrent een zekeren heer Lijning uit Groningen in verband gebracht:
âVerschoon mij,quot; herneemt hij na een oogenblik stilte: ,ik weet het, er zijn vragen, die men niet aanstonds beantwoorden kan. Maar zóóveel is zeker: aan mij hebt gij uw vertrouwen geschonken! â Anna, het lot van een ongelukkige hebt ge in mijne handen gesteld. Haar zaak was van stonde aan de mijne, haar recht is mijn recht geworden, en.... het uwe dan?quot;
Van Breeland gevoelt eensklaps dat de toon van zijn stem heeft verraden \'t geen hij vooraf besloot te zullen verbergen. Hij vreest zelfs, reeds een paar malen voor een oogenblik te hebben vergeten, wat hij zijn plicht achtte tegenover het bekoorlijke meisje, \'t welk hij, alleen, op deze kamer zou terugzien; haar, de eenige, die ooit een diepen indruk op zijn hart heeft gemaakt.
Maar nu, wat pijnlijker gedachte overvalt hem schier in hetzelfde oogenblik. â Hebben zijn laatste woorden niet evenzeer den schijn alsof hij haar recht begeert te onderzoeken, in de hoop dat zij werd misleid en inderdaad vermogen bezit? Dat denkbeeld is onverdraaglijk. Indien zij zoo iets gelooven kon, hoe diep verachtelijk moest hij dan zijn in haar oog!
Men gaat wel eens te ver wanneer men de smet eener valsche verdenking zoekt uit te wisschen.
Oscar zou zeker te ver gaan. Immers hier was geen smet geworpen. Zijn eigen overlegging; de overtuiging der waarheid dat geld een vereischte was om zich een levensgezellin te kunnen kiezen, had hem dien trek gespeeld.
Snel wendt hij zich van Anna af en herneemt:
âUw recht, ja! het recht; alle recht in de wereld moet in mij zijn verdediger vinden! Onverschillig waar, indien ik het onrecht er tegenover zie.quot;
âMaar wie zegt u mijnheer Van Breeland dat iemand mij onrecht heeft aangedaan?quot;
Oscar staat aan de overzij der tafel en ontmoet haar blik.
â Neen, nu ziet hij \'t wel dat zij hem niet verdenkt van iets wat laag en hem onwaardig is; en sterker dan te voren gevoelt hij
VI. 5
65
ANNA KOOZE.
dat â zoo \'t hém gold alleen, hij zelfs in den nederigsten staat met haar gelukkig zou zijn; haar liefde was hem genoeg; O engelachtig kind!
â Doch, nog eens Oscar, hier moeten het zaken zijn; nu zaken en anders niet!
âJuffrouw Rooze,quot; herneemt hij zacht en met zelfbeheersching: .misschien heeft de ondervinding ook ü geleerd dat men soms zwijgen moet terwijl men zou willen spreken.quot; â Anna wendde het hoofd af en zag naar den grond. â ,U waart zoo goed mij hier te ontvangen omdat ik u iets belangrijks had mee te deelen. Dat heb ik gedaan, en de zaak zou vereffend zijn, dewijl u in dat schrift de hand van uw geliefden vader hebt herkend en ik mij van den mij opgedragen last heb gekweten. Doch nu, al moet ik u op uw vraag het antwoord schuldig blijven.... u zult mij toestemmen dat het evenzeer plicht is zijn eigen recht als het recht van anderen te handhaven, wanneer men het kan.quot;
Het waren voor Anna geen raadsels waarin hij sprak.
,Ja anderen tegen \'t onrecht te beschermen is zeker plicht, maar, onrecht te lijden kan plicht worden ook,quot; zegt Anna zacht, en eensklaps beseffende dat haar woorden, ondanks haar bedoeling, toch een beschuldiging inhouden, slaat ze misnoegd over zich zelve de oogen neer.
âJuffrouw Rooze, op dien schoonen herfstdag hebben wij van een liefderijke bestiering gesproken. Wij wisten dat vraagstuk niet te verklaren, doch met het oog daarop zou ik u nu kunnen vragen: of het niet mijn dure plicht wordt ü te beschermen, zoo ik de mogelijkheid vermoed dat u onrecht geschiedt.quot;
âJonker Oscar! wat wilt u beginnen?quot;\'
âNiets, waar Anna Rooze mij om misprijzen zou. Zal ik ooit kunnen vergeten dat zij mij in de teedere zaak van haar lieve vriendin â mijn kleine blonde Emma â reeds bij de eerste wederontmoeting na een slechts vluchtige kennismaking, haar vertrouwen schonk? Ontving ik niet gisteren haar brief, waaruit zoo duidelijk blijkt dat zij mij in een andere zaak dat vertrouwen nóg waardig keurt?quot;
Anna blijft voor zich heen staren. â Die brief! O Emma! Zij had hem niet moeten schrijven.
âEn daarom vrees niet mij ook nü te vertrouwen,quot; gaat Oscar voort: âSpoedig ziet u mij weer. Ja, zeer binnen kort â Anna!quot; â Is hij dan zoo zwak dat tij zich niet beheerschen kan? ââSpoedig juffrouw Rooze! Maar zie, tot zóólang neem ik terug wat ik u te overhandigen had. Mijn vreemde lastgever zal er mij voor danken.quot;\' En terwijl de advocaat de banknoten met den ouden brief van Jan Rooze weer haastig in zijn portefeuille bergt, zegt hij flink:
âTot weerzien. Vaarwel! Een vriend mag u de hand geven, nietwaar? Tot weerzien juffrouw Rooze.quot;
âNeen blijf! Ga zoo niet heen. Hij is mijn oom. En mijn arme tante dan? Later, later!quot; â Haastig staat zij op, vat zijne hand en zegt:
66
ANNA BOOZE. 67
âBeloof mij dat u het niet doen zult! niet, niets. Ik bid, ik smeek het u?quot;
Daar wordt de deur geopend.
âGaat maar binnen dames! Voor ü zal er geen belet zijn!quot; zegt Frederik op het portaal, en terwijl hij links twee spitse oogen naar binnen werpt, ziet hij dat de logé, die niet te gek is om heeren te ontvangenquot;, ijlings van den advocaat, âdie haar heel lief bij \'t handje hadquot;, naar haar zitplaats terugwijkt, en de âgoocheme jonkerquot; ook een paar passen achteruitgaat met een gezicht alsof hij zeggen wil: Dak op \'t huis, da\'s lastig!
âTwee dames om u te spreken, juffrouw!quot;
Anna ziet naar de deur.
Daar vliegt als een hinde zoo snel een blondgelokte zeventienjarige schoone de kamer in en op Anna toe.
Nu ligt ze aan de borst der geliefde vriendin.
âAnna! Anna! liefste Anna!quot;
âWel Anna, mijn lieve kind!quot; zegt een oudere dame, die het meisje snel op den voet volgt; doch, plotseling den jonkman bemerkende, haar schreden inhoudt, en zijn beleefden groet met een vluchtige nijging beantwoordt, terwijl er bevreemding op haar goedaardig gelaat is te lezen.
De onverwachte komst van juffrouw Marnix en Emma Van Wall hebben Anna zoo hevig doen ontstellen, dat het haar de grootste moeite kost onder Emma\'s omhelzing staande te blijven. Een doo-delijk wit heeft haar gelaat bedekt:
âHoe kon ik denken.... Liefste Emma!.... Beste moeder!quot; zegt ze met bevend geluid.
â O. dat men haar zoo moest vinden! Met hem! Had ze dan niet zijn hand gevat toen die deur zoo onverhoeds werd geopend. Zal Emma, zal Marnix niet denken. . . .-? Wat? Heeft ze dan kwaad gedaan dat ze zoo beeft en trilt! Vroeger zou haar iets dergelijks niet verontrust hebben. Maar o, in korten tijd heeft ze zooveel moeten leeren. Immers ze had ook kennis gemaakt met een vrouw Knibbelaar. Toch zullen zij haar vertrouwen. Ja zeker! â Heeft zij een bekende niet de hand ten afscheid mogen geven!
Deze overweging doet Anna snel het hoofd beuren en zeggen, terwijl ze vluchtig haar hand naar de zij van haar bezoeker wendt:
âMijnheer Van Breeland! Hij heeft de goedheid gehad mij te komen spreken over zaken ...quot;
Er was toch iets zeer verlegens iu den toon waarop Anna sprak.
En ja, ondanks alle overlegging, verneemt zij in het bonzen van haar hart toch de stem der waarheid: Gij bemint hem Anna, en veinst voor uwe liefsten dat hij u onverschillig is! â Maar, goede God! was het dan óók geen liefde dat ze het veinzen wou!?
Emma heeft bij Anna\'s woorden snel naar de aangeduide plaats gezien. Een purperrood verft haar donzig rooskleurig gelaat tot achter in den blanken poezelen hals. Zij had hem herkend al zag ze hem in zoovele jaren niet weder. Daar staat hij, en \'t is neef Oscar wel. â Ja, de vroolijke speelnoot der kinderjaren is man ge-
ANNA ROOZE.
worden, maar hij is het toch, hij: op wiens rug ze paardje reed, die haar den drijftol leerde opzetten, wiens mooien zwarten krulle-hol ze best in de war durfde halen. Hij is het,
âHa! Oscar, neef Oscar! Mijnheer Van Breeland!quot; zegt ze, en staart, door de tranen die het weerzien der beste vriendin haar reeds in de oogen persten, den jonker aan.
Oscar had Emma Van Wall niet aanstonds herkend. Was die bekoorlijke volwassen dame zijn kleine blondje! Maar, nu twijfelt hij niet meer:
âHé, wel Emma ben jij het! Wat ben je groot geworden. Wel hoe gaat het?quot;
Emma weet zelve niet hoe het haar gaat in deze oogenblikken.
Gisteravond, reeds laat, heeft juffrouw Marnix het volgende telegram ontvangen:
âJuffrouw Marnix.
Akkersveen. Gouda.
Juffrouw Rooze ongesteld, zeer licht. Pays-Bas Utrecht. Kom zoo mogelijk spoedig.
SCHEOEDER V. D. KOLK.quot;
Emma, die juist bij haar in het woonvertrek had gezeten, heeft bij het vernemen van dat bericht geweend als een kind, en Marnix gesmeekt dat ze haar meenemen zou. Anna lag zeker gevaarlijk ziek. Ze zou het besterven als Marnix haar niet meenam.
Ook de moederlijke vriendin, die ondanks het âzeer lichtquot; in onrust was over de vreemde tijding, haar door een zoo geëerde en vertrouwde hand gezonden; die zich vruchteloos zocht te verklaren hoe haar lieve Anna, zonder dat ze in de laatste dagen iets van haar gehoord had, ongesteld in het hotel des Pays-Bas was gekomen en er zich waarschijnlijk onder behandeling van haar geëerden vriend bevond, juffrouw Marnix had aanstond besloten morgen â ondanks den Zondag â zeer vroegtijdig naar Gouda te rijden, ten einde reeds met den eersten trein in Utrecht te zijn. In \'t einde had zij toegestemd dat Emma zou meegaan, dewijl het hartstochtelijke kind voortdurend klaagde, dat Anna ongetwijfeld ernstig ziek zou wezen, \'t geen die professor zeker maar verzwegen had. âO,quot; had ze geschreid: âmisschien had er een spoorweg-ongeluk plaats gehad, en is Anna, wie weet in welk een vreeselijken toestand in dat logement, en wil ze mij zien voordat ze sterven gaat.quot;
Maar ofschoon Marnix haar eindelijk wat kalmer had gestemd, de uitkomst heeft Emma nu eerst bewezen, dat ze zich al te angstig heeft gemaakt. De dierbare, die ze reeds halfdood waande, heeft ze in den besten welstand in de armen gedrukt, want, Anna gekleed te vinden, dat was voor \'t oogenblik in Emma\'s oog de beste welstand, in tegenstelling der sombere voorstellingen die zij zich gemaakt had.
Juffrouw Marnix zoende Anna recht hartelijk, maar, de trouwe rechtschapene vrouw kon het niet verbergen dat de blijdschap van \'t weerzien sterk wordt getemperd door de omstandigheden, waarin
68
ANNA ROOZB. 69
zij haar Anna hier vindt. Zij zelve heeft gevreesd dat Anna â hoe en waardoor dan ook te Utrecht gekomen â er ernstiger ziek lag dan de professor had durven melden. Zij dacht haar geliefde pleegdochter, evenals Emma meende, voor \'t minst op het ziekbed te zullen vinden, hulp en troost behoevende. En, nu vond ze haar, ja, wél wat bleek maar toch ook bij de overblijfsels van een goed ontbijt, en, in een tête-a-téte met den jonkman, dien Anna op den morgen van haar vertrek in het station te Gouda een fat heeft genoemd, doch waarmee â zooals mijnheer Romslikker aan den burgemeester van Akkersveen had geschreven â ze zich toch recht druk en levendig onderhouden had. De goede juffrouw Marnix, die wel altijd ferm en fiks tegenover haar âmesdemoisellesquot; staat, gevoelt zich minder op haar gemak met de mannelijke jeugd, vooral wanneer die tot den leeftijd van knevels of bakkebaarden gekomen is. Vond juffrouw Marnix op De Riethof een der meisjes in een vertrek, waar zij meende dat zij niet behoorde te zijn, dan is haar vraag gereed: Mademoiselle. ... que veut-elle ici? en alle opheldering of réplique wordt dan zelfs onmogelijk gemaakt door een gebiedenden wenk, terwijl de opgetrokken bovenlip het blanke gebit wat sterker doet uitkomen.
Nu zegt juffrouw Marnix zacht, nadat ze vluchtig een paar woorden heeft gesproken, die toch het bewijs gaven dat zij blij is Anna zoo wél te vinden:
âWie is dat Anna?quot;
âIk heb u jonker Oscar Van Breeland toch voorgesteld lieve,quot; is Anna\'s aarzelend antwoord.
Ja, nu herinnert zich de institutrice dat haar zoo even â ze weet niet meer hoe â de voormalige woning van mevrouw Van Riddervoorst in den Haag eensklaps zeer levendig maar vluchtig voor den geest is gekomen; het huis der vrouw, wier eenige lieveling eens aan hare zorg was toevertrouwd. Dikwijls denkt juffrouw Marnix aan de beide jaren toen ze Kuno\'s gouvernante was, want al had zij de edele douairière kunnen vergeten, of ook het lieve schepseltje, dat zoo vroeg reeds door den dood aan de dikwijls zwaar beproefde moeder was ontrukt, Emma â Kuno\'s speelnootje uit die dagen â sprak haar immers, en zelfs zwijgend, dagelijks van dien tijd, en van de vrouw, waaraan juffrouw Marnix zoo groote verplichting heeft. â Maar al was het dus niets bijzonders dat Marnix aan het huis op den Vijverberg heeft gedacht, het oogenblik dat haar straks in de herinnering was gekomen, heeft iets eigenaardigs gehad: Zij heeft spelende kinderen gezien, \'t Was Kerstmis; buiten erg mistig, maar binnen in de kinderkamer, met het hekje om den haard, heel vroolijk. Daar was een jongentje â hij was toen zeven jaar â een hachje, maar een aardig schrander ventje. Oscar Van Breeland.
Ja, nu heeft Marnix voor \'t eerst den naam verstaan, die toch reeds genoemd was. Dat is de geliefde neef van haar edele vriendin mevrouw Van Riddervoorst. Dat was het neefje van Kuno, het kameraadje van Emma, Kuno\'s vriendinnetje. Heeft Anna zulk een
70 ANNA ROOZE.
indruk op hem gemaakt dat hij haar â ja, wie wijst haar den weg in dit doolhof â dat hij haar aan haar voogd heeft ontvoerd, met hare toestemming misschien? â Is professor Van der Kolk door eenige omstandigheid van hun verblijf in Utrecht onderricht geworden, en zond hij haar daarom een telegram? Maar als er zóó iets geweest was, zou die menschkundige vriend dan niet gezorgd hebben dat zij â eene vrouw â beter ware ingelicht aleer die arme verdoolde te gaan vinden? Zou hij haar niet opgewacht of iemand van zijnentwege aan den trein hebben gezonden! Marnix is het eerst naar zijn woning gereden, doch ontving de boodschap dat professor uit was, maar gezegd had te elf uren in de Pays-Bas te zullen zgn.
De waardige man had den vorigen avond wel aan juffrouw Beele verzocht om, zoo er morgen een dame voor juffrouw Rooze â waarschijnlijk met den eersten trein â mocht komen, haar te verzoeken tot zijn komst te willen wachten alvorens bij haar te gaan, doch Frederik, die de dames ontving, had wel in last gekregen om de zoete te waarschuwen als er ééne dame kwam, maar van twee had ze niet gesproken!
Gedachten vliegen snel door het hoofd. Er is dan ook schier geen tijdruimte tusschen Anna\'s laatste woord, waarbij ze den naam van haar bezoeker herhaalt, en Marnix\' besluit om allereerst te willen vernemen hoe die verhouding is, en hoe ze hier staat. De gedachte aan een zonde zoo ontzettend groot als waarvan zij haar Anna â doch slechts één enkele seconde durfde verdenken, wierp ze reeds verre weg; maar Anna\'s karakter in aanmerking nemende, haar vrijheidszucht, haar warsheid van dwang, doet haar luide en ernstig vragen:
âHoe kwam je hier Anna? Gaf oom je verlof om op reis te gaan ?quot; En dan: âMijnheer Van Breeland, ik had gedacht juffrouw Rooze alleen te zullen vinden!quot;
\'t Was een buitengewoon moeielijk oogenblik voor de goede Marnix. Ze kon zelfs niet één der drijfveeren vermoeden, die Anna deden besluiten om De Runt te verlaten. Ze wist niet wat er in Anna\'s eerlijk hart moest omgaan, nu zij haar trouwste vriendin zag binnenkomen, terwijl de held van Emma\'s blonde jeugd, zich met haar alleen in die kamer bevond. â Wat moest die trillende verlegenheid, wat die bleekheid dan beteekenen zoo er niets, niets geen schuld was! Al zou het slechts weerspannigheid zijn tegen het gezag van een, misschien hardvochtigen voogd, dan nog heeft Anna verkeerd gehandeld. Schuld moest er zijn! En zij, als oudere vrouw tegenover die jongelieden, was het niet haar plicht te toonen dat zij niet zwak is?
Daarom, maar daarom niet alleen heeft La Marnix haar woorden op dien bijzonder strengen toon gesproken, en een wat al te rechterlijken blik, eerst op Anna, en daarna op den jonker gevestigd:
Vergeef het der goede vrouw: zij was nog niet van haar verrassing bekomen, en nu, zij was verlegen er bij.
De menschen verkeeren gewoonlijk in een eerste phase van krank-
ANNA ROOZE. 71
zinnigheid of althans in een zeer abnormalen toestand, wanneer ze in toorn of verlegen zijn, en spreken en handelen geheel anders dan ze het bij een kalmere gemoedsstemming zouden gedaan hebben.
Juffrouw Marnix zal spoedig zelve gevoelen dat zij zeer ongelukkig in de keus harer woorden is geweest, en dat zij, om haar verlegenheid te verbergen, op een toon heeft gesproken, die voor de beide jongelieden â maar inzonderheid voor de reine Anna â meer dan kwetsend geklonken had.
Maar God wist het. zij die Anna âzoo waarlijkquot; een moederlijke liefde toedroeg: aan de mogelijkheid van een onschuldig avontuur heeft ze geloofd, maar zeker aan iets ergers niet. Doch zie, de uitwerking dier laatste woorden: Mijnheer Van Breeland, ik had gedacht juffrouw Rooze hier alleen te zullen vinden, vertoonde zich snel.
Een vreeselijke gedachte joeg eensklaps door Emma\'s hoofd. Zulk een denkbeeld was er in naar jong en schuldeloos hart nog niet gerezen. Zij heeft haar dierbare Anna aan het hart gedrukt; zij heeft een luider gebons in haar binnenste vernomen, toen zij daar eensklaps het knaapje, dat beeld barer liefste droomen, terugzag als door een tooverslag tot een schoonen jonkman gevormd. Blijdschap, maar straks ook een schuwe angstige blijdschap heeft haar vervuld. Doch nu, nu teekent zich een vreeselijke gedachte op haar donzig schoon gelaat. Haar blos sterft weg; de ronde blonde wenkbrauwen fronst ze saam; de blauwe oogen, die hemeltjes van klaarheid, ofschoon wel dikwijls betrokken door wolken van een al te groote
gevoeligheid en verdonkerd door tranenstroomen zonder tal, nu is et, terwijl ze een snellen blik op Anna werpen, alsof de bliksem er in licht. Ja, en dat is een vernietigende bliksemstraal voor de arme Anna.evoeligheid en verdonkerd door tranenstroomen zonder tal, nu is et, terwijl ze een snellen blik op Anna werpen, alsof de bliksem er in licht. Ja, en dat is een vernietigende bliksemstraal voor de arme Anna.
Roerloos stond zij daar, met de hand krampachtig aan de tafel geklemd. â Dat woord van haar Marnix! Die blik van haar Emma! Het was te veel! Zij, die waarheid wil en reinheid van hart, staat ze hier dan, zelfs in de oogen dier meestbeminden, als een toonbeeld van leugen en schaamteloosheid! Vernederd werd ze, schrikkelijk vernederd voor het oog van dien zelfden jonker, wiens fijne kiesch-heid zich geen oogenblik verloochend had. De trouwe opvoedster, die haar kende van der jeugd af aan â of moest kennen althans â zij heeft op bestraffenden toon een woord van wantrouwen in zijn tegenwoordigheid kunnen spreken! Zij heeft wat Anna straks verklaarde, in den wind geslagen, namelijk dat hij haar is komen spreken over zaken. Zij heeft, in Anna\'s nadeel, aan iets anders gedacht! En ook. met dien vreeselijken blik heeft Emma â haar liefste Emma â dat oordeel onderschreven, en daarom tevens gezegd: Hoe! heb je \'t vergeten dat hij het is, dat ik hem liefheb?
â Alsof Anna het vergeten had!
â Alsof Anna ooit haar eigen geluk zou bedoelen ten koste van dat harer naasten, ten koste harer geliefden vooral! Is zij dan niet gekomen om wijsheid te zoeken bij meer bejaarden en ervarenen, tot anderer welzijn of anderer recht?
ANNA KOOZE.
Dewijl Anna sedert het binnenkomen van Marnix en Emma met den rug naar het venster en den zonnigen dag heeft gestaan, zoo hebben de beide bezoeksters, ofschoon ze wel bespeurden dat ze er wat bleeker dan vroeger uitzag, haar toch niet goed en vooral niet rustig kunnen opnemen. Maar bovendien, \'t was beiden onbekend wat de arme nieuwelinge in de wereld al heeft te lijden gehad; hoe ze den voorlaatsten nacht en hoe ze gisteren den dag heeft doorleefd. Ze wisten het niet. En nu, ze weten nog niet wat er al had saamgewerkt om die altijd liksche en krachtige natuur zoo week te maken; maar zéker is het dat zij Anna nü goed en zeer goed kunnen beschouwen, want zie, met de doodskleur op het vermagerde gezichtje, ligt ze nu achterover in den leunstoel, waar ze straks zoo dankbaar heeft gezeten, en â een zonnestraal blinkt juist op haar edel en schuldeloos voorhoofd.
Twee vrouwen slaken een kreet van ontroering.
Oscar Van Breeland staat een oogenblik besluiteloos, maar snelt dan ter deure uit om juffrouw Beeles hulp te gaan inroepen.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Op denzelfden voormiddag, ongeveer een half uur na aankomst van den eersten trein uit Gelderland, was er te Utrecht in een der stilste straten, die op de Neude uitkwamen, een meer dan gewone drukte.
Een klein kwartier geleden is een man met een niet zeer gunstig voorkomen en in tamelijk versleten plunje, de glazendeur van een woning binnengestapt, waarboven in sierlijke gulden letters op het glas stond te lezen: Gedistilleerd in \'t groot en klein en daaronder H. van Leeuw Hzn.
Het voorhuis, waarin de schel der nu weder dichtvallende deur weerklonk, mocht den man wel een aangenamen indruk geven, want, â het rook er, o zoo frisch, zoo bemoedigend, zoo zalig. Och barmhartige hemel! als men die zeer, zeer groote helder gepolitoerde vaten met die blankgeschuurde koperen hoepels er om, daar zoo fiks en zoo rustig naast elkaar zag liggen, vermoedelijk allen ten boorde toe gevuld met het heldere vocht, dat sterker is dan de sterkste menschelijke geest, dan moest een mensch â die zoo vaak werd geslingerd op de zee van \'t leven â toch wel aanstonds vervuld worden met een andere overtuiging dan de overtuiging eener dweepzieke wereld, die waande en te verkondigen zocht, dat de geestrijkste drank bij uitnemendheid, een heillooze drank zoude zijn. Die vaten, die prachtige vaten, ja zij getuigen het weer
72
ANNA ROOZE. 7S
dat er menschen én menschen worden gevonden, partijen, ijveraars vóór en ijveraars tegen.
â Zou een almachtige Schepper zulk een geestrijke kracht, zulk een wonder in het graan hebben verborgen, zonder dat het Zijn wil was den mensch een weldaad te schenken, een zorgen en angsten verdrijvenden drank ?
Een dergelijke overpeinzing vervult den man, terwijl hij daar waeht en staart op een der blankgepoetste kranen, of ook op het kleine mahoniehouten tobbetje er onder, waarom mede een helgeschuurd hoepeltje glimt.
â Ja, ik ben het niet alleen! Goddank! prevelt de wachtende binnensmonds. Zoo\'n aanblik kan iemand met zich zelf verzoenen. Zie, proper! blank! grootsch! â Daar hangt een droppel aan die kraan. Men komt â maar, haastig vangt nog zijn vinger dien droppel op, en de mond smakt:
,\'t Is dubbel gebeide!quot;
Een jong en forsch gebouwd man met een sterk gebogen neus en zwaren knevel komt uit de gang in het voorhuis:
âWie ben je? Wat mot je?quot;
âIk ben een fatsoenlijk man, mijnheer Van Leeuw, al ben ik arm en ongelukkig,quot; zegt de bezoeker met heesche stem: âIk ben ...quot;
âJa ik ken je wel, grauwe karonje, dat hoef je me niet te zeggen. Ik vroeg je niet wie je bent, maar wat je zoo brutaal maakt om met je verloopen beenen, en op Zondag morgen, in m\'n huis te komen?quot;
.Omdat ik arm en ellendig ben, mijnbeer Van Leeuw, daarom hebt u het recht mij te trappen en te vernederen, maar denk nu eens voor een oogenblik dat de verachte Miel een vader had, die doctor in de letteren en conrector te Breda was, en dat hij zelf....quot;
âMaar wat d.....t me dat?quot;
âNeen, het interesseert u zeker weinig, mijnheer Van Leeuw; doch ik wilde u toonen dat ik dankbaar ben voor een goedheid, die u mij malgré vous hebt bewezen. Ik ben een rijk, een zeer rijk en gelukkig mensch geworden mijnheer, en... quot;
âBen je gek kerel of boven je bier? Door mij?quot;
âJa mijnheer Van Leeuw, ja door u. \'t Was op dien middag, â als u je dat rappelleert, bij het stations-koffiehuis, toen u met een eenigszins corpulenten heer dien u, indien ik mij niet bedrieg, Slikkie noemdet, nog de goedheid hadt iets van mijn\'schamele koopwaar te nemen.quot;
âSla me dood als ik er iets van begrijp!quot;
âJa ik houd u misschien te lang van uw bezigheden af, mijnheer Van Leeuw. Ik ben dikwijls te lang. niet zakelijk genoeg met mijn woorden; maar \'t geen ik zeg is altijd waarheid. Naast God dank ik u en dien vreemden heer dat ik in \'t eind van een ellendig en rampzalig man, weer mensch zal worden en gelukkig in de wereld.quot;
âIk dacht dat je van plan waart je te verdrinken, gekke kerel! Welken dienst heb ik je bewezen?quot;
âJa, mijnheer Van Leeuw, ik zou u meer moeten zeggen dan een
ANNA ROOZE.
gevoel van délicatesse veroorlooft, indien ik u alles wilde mee-deelen; maar zeker is het dat ik, arm ellendig man, die eigenlijk niet waardig ben hier voor u te staan, door een enkel woord, dat ik van uw gesprek met dien vreemden heer mocht opvangen, op het spoor kwam van een geluk â ja van een geluk....quot;
âJe tong slaat dubbel vent!quot;
âDat is van aandoening, de lieve God hoort het me zeggen mijnheer Van Leeuw; ik ben zoo week als een kind van blijdschap, want den heelen morgen â en ik kom al met den trein van Arnhem â heb ik nog niets over \'t hart gehad, ja uitgezonderd een enkelen droppel.quot;
âNou, dat zal een droppel van stavast zijn geweest. En wat wou je dan nog meer als me bedanken voor je geluk? Nog zoon droppel misschien ?quot;
âIk zal niet zeggen dat ik vrij van dorst ben, mijnheer Van Leeuw.quot;
âNeen dronkaard, dat begreep ik dadelijk wel.quot;
âMijnheer heeft helaas het recht mij dien naam te geven; maar dat iemand Gods goede gaven niet veracht, dat kan mijnheer Van Leeuw hem toch in zeker opzicht niet ten kwade duiden.quot;
Bij de laatste zeer heesch gesproken woorden zag Miel met betraande oogen naar de groote, zoo rustig daar liggende vaten.
âPloert! weet je nou wat ik denk?quot; zegt de slijter en strijkt âzeer studentikoosquot; den forschen knevel op, en zet den voet, die in een vuurroode pantoffel steekt, met een gevoel van eigenwaarde vooruit.
âWat u denkt mijnheer Van Leeuw? Davus sum, non (Edipus.quot;
âHé â David en Eudipus? denk je dat ik die kerels niet ken? Maar wat ze dachten daar breek ik mijn hoofd niet meer mee.quot;
âIk wilde maar zeggen dat ik geen meester in het raden ben, mijnheer.quot;
âJa dat dank je de d..... Nou ik dacht dat je schorre keel
wel een borrel zou lusten. Of Eudipus er van hieuw dat weet ik niet, maar toen ie van de reis bij zijn Penelopje terug kwam, toen zal ie \'em ook wel eens gepakt hebben, hé?quot;
Heintje Van Leeuw was tevreden over zich zelf, want hij heeft zich gelukkig nog intijds herinnerd dat âdie Eudipus een Penelope tot vrouw had, en, lang van haar gescheiden, op reis was geweest.quot;
Heintje de havik â zooals hij eens door Emma Van Wall in de kostschoolbank van de Akkersveensche kerk is gedoopt â wendt zich nu triumfantelijk om; vult aan gene zij van het voorhuis een glas met zijn slechtste jenever, en zet het op de toonbank neer.
âNou Eudipus, slik jij dat maar binnen, op de gezondheid van je Penelop lop Lap!quot; Heintje proestte het uit van lachen over âde
feestigheidquot; die hij daar gedebiteerd had. Miel heeft het volgeschon-en glas geen seconde in dien gezegenden toestand gelaten. Een zucht van voldoening ontglipt er aan zijn hijgende borst en met oogen, die tintelen van innige verrukking en dankbaarheid, zegt hij:eestigheidquot; die hij daar gedebiteerd had. Miel heeft het volgeschon-en glas geen seconde in dien gezegenden toestand gelaten. Een zucht van voldoening ontglipt er aan zijn hijgende borst en met oogen, die tintelen van innige verrukking en dankbaarheid, zegt hij:
âDank u mijnheer Van Leeuw. Neen ik geloof waarlijk ook niet dat Penelope haar Ulysses op zoo iets geestrijks en verkwikkends
74
ANNA BOOZE. 75
kan onthaald hebben, zelfs niet al ware zij in de twintig jaren van zijn afwezigheid op niets anders bedacht geweest.quot;
âJa, die Ulysses heeft me op school wat verveeld,quot; gromt Van Leeuw: âten minste. .. Enfin, dat raakt me ook niemendal. Ik begrijp niet waarom ik zoo gek ben jou een borrel te schenken, en je niet liever m\'n deur uitsmijt!quot;
,Omdat u een goed hart hebt, mijnheer Van Leeuw, zoowel als ik.quot;
âDat lieg je kerel.quot;
âEn omdat u tevreden bent dat ik door ü mijn geluk heb hervonden. Ja, en God geve dat u de vrucht zult smaken van het oogenblik, dat mij op den weg mijner zaligheid bracht.quot;
âAls je me nou niet weergaasch gauw zegt wat je mij voor vruchtennat aan \'t tappen bent, dan ga je waarachtig met een fortuintje de deur uit.quot;
En op zijn gewone manier voldoet Miel â de ongelukkige Otto Van Wall â aan de vermaning van den jongen slijter en aan de overvloeiende behoefte van zijn eigen hart.
En ja, Van Leeuw heeft zich eindelijk zeer goed herinnerd dat neef Romslikker op dien middag, van dat kostschoolblondje heeft verteld, van dat liefje, waar Van Leeuw een paar maal tegenover in de Akkersveensche kerk heeft gezeten toen hij bij neef den burgervader logeerde. Hij zal dat blanke mollige popje niet licht vergeten; en, wat neef Slik van haar gezanikt heeft, dat ze van een verdachte afkomst zou zijn, ja, dat herinnert hij zich ook wel, maar het heeft hem allemachtig weinig kunnen schelen. Al spoedig daarna had hij bij neef Straal tegen Kerstmis â die nu over veertien dagen invalt â belet gevraagd; dan waren er twee Zondagen achter elkaar ; mooi voor \'t âpwijn de vuquot; in de kerk! \'t Zou hem waarachtig verwonderen als hij niet bovendien te gelijk eens een studentengrap op dien Riethof ging uithalen: zich voordoen als familie, een af halerijtje of iets van dien aard, waar dat lieve ding zeker wel plezier in zou hebben.
Van Leeuw schonk Miel een tweeden borrel toen deze aarzelend en met vreeselijk heesch geluid, van zijn levendige hoop sprak dat hij dat zelfde meisje zijn eigen dochter kon noemen.
Bewijzen?â O, bewijzen had hij in menigte. De oude portefeuille is wel voorzien met papieren. Ook Anna Roozes biljet, in die gang door hem ontvangen â \'t welk zij inderhaast op de keerzij van Le Villages aanbeveling had geschreven, zoodat Miel twee documenten voor één had â ook dat biljet bevond zich er bij. Maar, het grootste bewijs is zeker het bloed dat spreekt; en dan: de herinnering aan een brief, dien Koenradientje uit de Corbeau te Groningen hem indertijd, juist omtrent zeventien a achttien jaar geleden, heeft toegezonden; den brief, waarin ze hem dreigde: als hij âniet over de brug kwamquot; het kind aan zijn voorname familie in Rotterdam te presenteeren.
En, hij was niet over de brug gekomen. Koenradientje heeft toen zeker haar bedreiging ten uitvoer gebracht. De rijke familie moest
ANNA KOOZE.
zich in \'t eind wel over het arme kind ontfermen, en â zonder den âlichtzinnigen vader-\' er iets van te zeggen, heeft ze zijn kind opgevoed in eere en deugd.
Hein Van Leeuw begon ernstiger te worden:
r Als je me geen leugens vertelt dan zou het spreekwoord bij jou uitkomen; De gekken krijgen de kaart en de lappen de taart! â En is zij het aangenomen kind van haar familie te Rotterdam; van dien rijken koopman?quot;
âMijn neef Willem Van Wall heeft haar geadopteerd mijnheer Van Leeuw, om u te dienen, en na zijn dood is neef Alexander, zijn jongere broeder, haar voogd geworden. â Dank u. ... ik heb al twee glaasjes.... Nu, één dropje dan nog.quot;
Terwijl Van Leeuw numero drie inschonk, had hij een , gloeiend mooien invalquot;. Dat die âsmerige ventquot; de vader van dat heerlijke kostschoolpoppetje zou zijn, daar geloofde hij eigenlijk niemendal van; maar, voor zoo\'n aardigheidje, een schakerijtje, een verduiveld plezierig avondje, daarvoor was de geschiedenis van dat heer een excellente! Dat hij een kind van dien ârijken boelquot; te Rotterdam als vrouw in zijn slijterij zou kunnen krijgen, daar heeft Heintje Van Leeuw, met al zijn gevoel van eigenwaarde, en zelfs met zijn âgunstig studentikoos voorkomenquot;, toch een zwaar hoofd in. Wat de slijterij betrof, die zou hij er dadelijk aan geven kunnen, daarvan niet, en, echt of onecht, daar maalde hij allemachtig weinig om, terwijl zijn naam: Van Leeuw, al zacht zoo aristocratisch klonk als; Van Wall. â Maar, Heintje kent âde kale bluf\' van die lui met âgesloten huizenquot; al te goed. Ze meenen een beroerte op d\'r lijf te krijgen als ze met een man â zelfs van middelen zoo als hij â in aanraking komen, wanneer die man van z\'n leven achter een toonbank heeft gestaan. â En wat is zoo\'n kale snuiter eigenlijk? zoo redeneerde Van Leeuw wel eens: zoo\'n kale snniter met zijn gesloten huis! Sommigen loopen de huizen rond, â net als mijn knecht om de flesschen te brengen of te halen, â en bekijken beslagen tongen tegen drie kwartjes het stuk; of, ze loopen als schooljongens â klok van tienen â met een boterham in den zak, naar ministerie, bureau of kantoor! En de voornaamsten, die zoogenaamde hooggeleerde lui? kwajongens drillen, dat doen ze en anders niet, want eigenlijk zijn de studenten beroerde kwajongens. Men bedenke dat Heintje zoo sprak, wanneer hij zich een oogen-blik bijzonder goed herinnerde inderdaad geen student te zijn, noch ooit tot het studentencorps te hebben behoord. â En de vergulde bedelaars....! Wat henker, zooals ik. onderofficier bij de schutterij, dan heb je nog wat over voor je land. Maar voor den broode! Neen zelfs dat groote koopvolk te Amsterdam en Rotterdam: poerim hebben die lui op d\'r lijf en anders niet: wind verkoopen ze â fut, en anders geen zier! Ik zeg: ik heb een toonbank; die wat van me hebben wil moet maar hier komen. Een ander achterna loopen daar geef ik de maan van. Verdraai i k het achter m\'n toonbank te staan, dan zeg ik: Jan, alla, ga jij naar voren: en als ik pierewaaien wil, buiten de stad, \'s morgens, \'s avonds, net wanneer ik
76
ANNA ROOZE.
verkies, dan heb ik geen menach te vragen en geen voddigen minister of generaal of\' directeur of controleur naar de oogen te zien. Als ik lust heb dan sta ik achter m\'n toonbank en dan ben ik m\'n eigen baas, en dan schop ik m\'n dokter de deur uit als ie me niet beter maakt, en dan klaag ik den postdirecteur aan als ie me een brief te laat bezorgtâ alsof die ook niet achter een toonbank stond; en dan fluit ik \'s avonds, als het me in de hersens komt, dien mooien zanger â waar ze allemaal zoo mee wegloopen, rondeman uit. En die broodschrijvers, met al d\'r zedenlessen, en verhalen en romans dat aangekleede leugens zijn, ze hebben te veel om te sterven, en te weinig om \'s winters de kneukels te warmen, waar ze d\'r pen in houen; zoo\'n zoodje! Ik sta, als ik wil achter m\'n toonbank, en als ik niet wil, dan sta ik ergens anders, en ik tart er een, voor den weerlicht, die meer is dan ik!
Zoo redeneerde Van Leeuw wel eens als hij in vuur kwam, en zich door \'t een of ander beleedigd gevoelde. Maar op dit oogen-blik beseft hij toch weer â en met weinig genoegen â dat die zelfde toonbank, waarachter hij zoo vrij is als een visch in het water, hem toch in den weg staat, en in den weg zal blijven staan als hij over iets meer dan een vluchtig avontuurtje met dat donzige duifje zou durven te denken.
âZeg eens Miel, als jij waarachtig de vader van dat juffertje bent, dan zul je haar wel eens spreken, niet waar?quot;
âSpreken, ik?quot; zegt Miel, en zet voor de derde maal een leeggedronken glas op de steenen toonbank; ,Neen mijnheer Van Leeuw; er zijn nog familiezaken, ziet u; ik moet omzichtig te werk gaan, en mij sterken met een teug uit de Mimersbron aleer....quot;
âHa! met je teugen! Wou je d\'r nog een hebben, hé?quot; Terwijl bij hem weder inschenkt: â\'t Is vertrapt als je een droppel meer krijgt.quot;
âMaar dat was de bedoeling ook niet, mijnheer Van L. . . eeuw; ik ben een fatsoenlijk man, en ik dacht niet aan j....enever. Maar in de Walhalla daar heb je volgens de Noordsche M... .ythologie. zooals u weet, mijnheer Van Leeuw, de bron waar Mimer, de God dei w... w. .. wijsheid, de....quot;
âHoud je gezicht met je Mimer kerel! Ik wou weten en wil weten, of jij niet op de een of andere manier kunt maken dat ik dat lieve kind eens wat meer van nabij te zien krijg? Met je vertelseltje van je vaderschap misschien? Kun jij me bij voorbeeld niet op een papier schrijven dat je d\'r vader bent, en dat je ziek ligt, of dronken â da\'s \'t zelfde â en dat je haar voor je dood....quot;
âStil! stil! ga niet verder m.. . .ijnheer Van Leeuw, u bedoelt uw g... .el.. .uk, maar op een verkeerde manier. U bent een fatsoenlijk man evenzeer als ik een fatsoenlijk man ben, maar u zult be... .begrijpen dat de waarheid, die ik u meedeelde, voor mij met een resuscitatie g... .elijk staat, en dat ik dus als een door en d... oor fatsoenlijk man tegenover mijn eigen dochter.... ja mijn eigen d . .ochter moet ageeren. En d... .aarom, niet meer; neen ten minste niet meer dan dat eene enkele glaasje, want de Heer weet liet, ik wil fatsoenlijk man blijvenquot; â- hij drinkt het glas uit â ânet
77
ANNA ROOZK.
als mijn heele familie, die mij trapte en schopte, f----atsoeulijk
man is.quot;
âNeen, maar zeg Miel, kom kerel, als jij dat nou eens opknapte hé? Je schrijft een goede hand zooals ik straks in dien papierrommel van je gezien heb. Zoo\'n briefje hé: ik kan je wel dicteeren, en dan, wat dunkt je.... nog één slokje dubbel gebeide? en een blanken gulden op den koop toe, wat blief?quot;
âDub. â¢. .bele bl----anke gebeide! â Guldens heb ik! Nou!quot; Hij
klopt op zijn zak: âNou, ik heb r ⢠⢠.r----rijksdaalders in een
pap... .piertje van mijnheer Le Village ge.... kregen; fatsoenlijk man! van pa ... patricische familie, precies als de mijne. Maar dat is allemaal niets. Later.... als... .quot;
âAllo, kom jij maar mee!quot; valt Van Leeuw in, terwijl hij Miel bij een arm vat en hem zoo ongemerkt naar zijn kantoor achter het voorhuis brengt: âWaarachtig je bent een lap. Wel zeker! wees daar maar gerust op. Kom schrijf me nou hier eens gauw zoo\'n mooiig-heidje hoor.quot;
âMijnheer Van Leeuw, wa....wat?quot;
âWat? Nou zit dan kerel!quot; en hij duwt hem op een stoel: âHier heb je een blad papier; hier heb je een pen. Allo! Schrijven dat kun je nog wel.quot;
âSchrijven. Aan w... -ie? â Wallie....?quot;
âToe schrijf dan, gauw: Dierbare dochter!quot;
Otto Van Wall staart met een lodderigen blik in een schuine richting naar ... niets; de tranen komen hem in de oogen:
âDierbare d.. .ochter? Lieve God! Ja! d.. .ierb.. .are dochter! Maar een br.. .ief schrijven! â Wallie?quot; Miel is vreeselijk bewogen. Heintje Van Leeuw dringt en vloekt en dreigt; biedt geld en zelfs drie flesschen jenever, wanneer Miel zoo\'n âgemoedelijk stukjequot; schrijven wil, dat hij dan wel dicteeren zal. Kwaad was er immers niet bij. Een aardigheidje! En, als Miel haar nog niet heeft gesproken, dan zou dit immers een mooie manier zijn om haar te ontmoeten en alles te overleggen; dan had men immers de heele omslachtige tusschenkomst van die burgemeesters en vriendinnen niet noodig. Komaan! Miel moest maar schrijven, dan zou Heintje haar wel met de makkelijkste coupé van Meijer en een paar ferme bruintjes er voor, van die school halen. En, nietwaar, achter in het salon daar zouden ze dan met hun drieën een soupeetje hebben, zoo fijn als er ooit een door Klokke geleverd werd.
Het sprak van zelf dat Heintje, zoo hem werkelijk het fijne soupeetje ernst was, toch geen haar op zijn hoofd had, dat aan een derde couvert voor Miel dacht. Eigenlijk was hij vies van den vent. Maar Miel was hoe langer hoe dieper getroffen. Op den leeftijd van mijnheer Van Leeuw zou hij zeker insgelijks op zulk een wijze gehandeld hebben, zoo dacht hij; maar, met zijn eigen kind, het meisje, dat hem weer in eer en aanzien moet brengen, dat hem tot een braaf en waarachtig fatsoenlijk man zal maken, daarmee kan en mag zóó iets niet gebeuren. Hij zelf is met de meeste délicatesse te werk gegaan.
78
ANNA ROOZE. 7!gt;
Ofschoon hij op dit oogenblik âerg zenuwachtigquot; is, ook van blijdschap en van de vermoeienis der reis, hij herinnert zich alles-toch heel best â in een soort van vurige lichtwolk, donker aaa den binnenkant â maar hij weet en ziet toch alles heel goed. â Ja wel. dat is mijnheer Van Leeuw de slijter, en dit ben ik.
De herinnering dat Van Leeuw de slijter is, brengt hem plotseling de hoofdreden in de gedachte, waarom hij de slijterij, zoo dadelijk van de reis komende, is binnengestapt. Nog in den spoorwagen heeft hij de mogelijkheid bepeinsd en voorzien, dat zijn familie, die niet» van hem weten wil, hem met al zijn rechten op dat engelachtige kind â het kind van hem en Koenradientje uit de Corbeau â zooalamp; tot heden, ook verder vertrappen en vernederen zal. De mogelijkheid! want eenmaal bij die opgeblazen familie in contemtie geraakt, zou zij aristocratisch consequent in hare désappreciatie zijn. Nog den laatsten keer heeft neef Alexander te Rotterdam gezegd, dat hij iemand, die met een zeep- en lucifersnegotie op waggelende beenen het land rondreisde, wél een daalder geven maar geen neef wou noemen. Neen neen, dat was recht! dat kon ook niet. Maar een lichtstraal is opgegaan voor zijn zondig oog: Als hij eens kon aan-toonen dat hij een heel ander man was; een welgesteld man, ofschoon dan niet van den hoogsten rang, dan zouden ze hem toch wel rehabiliteeren, dan zouden ze wel door alles, wat toch voorbij was, de pen willen halen, en hem â bedenkende dat hij fatsoenlijk man bleef â zijn dierbaarste recht niet onthouden: het recht op zijn lieve eenige dochter, het kind van Koenradientje en hem! O, welk een goede gedachte is âden onwaardige door God geschonken om zijn desastreus en deplorabel leven nog in vreugde en zonneschijn te doen verkeeren. Heeft niet die jonge slijter â door wiens middellijk toedoen hij op den weg van zijn geluk kwam â heeft hij niet aan dien dikken heer bij dat koffiehuis gezegd, dat hij Emma Van Wall zoo mooi en zoo lief vond; dat hij, alleen om slechts een paar uren tegenover haar in de kerk te kunnen zitten, spoedig opnieuw bij zijn familie te Akkersveen ging logeeren! â O, en de gedachte was waarlijk verheffend: Die heer Van Leeuw haar echtgenoot! en hij, de bekeerde gelukkige vader, hij. Otto Van Wall: compagnon in de gerenommeerde zaak van zijn schoonzoon, den heer H. v. Leeuw Hzn.! Hij, bij zijn geliefde kinderen thuis; werkzaam met lust in een vak, dat, ofschoon wel iets beneden zijn stand, toch fatsoenlijk mocht heeten; een vak, waarin hij altijd een zekere fraicheur heeft gevonden en waarbij hij zich te eerder voor de uitspatting der ebriositeit zal kunnen in acht nemen, dewijl de mensch meestal afkeerig wordt van datgene wat hij overvloedig genieten kan! â Nooit was zulk een voortreffelijk denkbeeld binnen de enge ruimte van een spoorwagen in iemands hersens ontstaan! â En, alles, wat hij in dien spoorwagen gedacht heeft, dat staat hem ook nu â in die vurige lichtwolk, donKer aan den binnenkant met een rooden straal tot op de pantoffels van den slijter â helder, of althana dubbel voor den geest. Maar evenzeer spreekt zijn vaderlijk gevoel, en bovendien zijn eerbied voor het bekoorlijke meisje, dat hij nog
80 ANNA ROOZB.
slechts van verre, maar zoo heerlijk schoon had gezien. Hij heeft een onbestemd besef dat het plan van den heer Van Leeuw beneden de waardigheid van de engel staat, die zijne dochter is. Dien weg mag en kan het niet op. Neen, hij kon nog zoo eenigszins nagaan dat men beter deed voorzichtig met zulke heertjes te zijn. Als mijnheer Van Leeuw hem eerst als compagnon â â ziedaar, al was het in naam â en daarbij in alle geval voor altijd als vaste commensaal wou aannemen; wanneer hij hem daarvan zwart op wit wilde geven, en de arme Miel dan, met dat zwart op wit, de familie zou overtuigd hebben dat hij fatsoenlijk man was, ha! dan kon hij Emma afhalen, zooveel hij wilde, ja met zijn volle permissie, en voorzeker met die van de heele familie.
Heintje Van Leeuw, die zelfs met een vijfde glas klare niet heeft kunnen bewerken dat die âkerelquot; schreef wat hij hem wilde dictee-ren, is woedend geworden over zijn ,langdradig gezeur.quot;
Was die schobberd gek of in delirium? Nü wordt het den slijter wat al te benauwd. Miel is opgestaan en met een paar waggelende schreden naar hem toegekomen. De tranen glimmen hem in de matte oogen; zijn klamme handen hebben Heintjes hand gegrepen.
,Handen thuis!quot; roept Van Leeuw. Maar zoo gemakkelijk kan bij niet loskomen; die handen kleven te vast. Met akelig heesche en somwijlen sterk hijgende stem, bidt de ongelukkige man, in altijd kiesche doch somwijlen schier onverstaanbare en onsamenhangende woorden, dat Van Leeuw de redder zal zijn van zijn kind en van hem zelf: dat hij een verklaring zal schrijven, waaruit de compagnieschap blijken zal, \'t zij hij zijn woord wil gestand doen of niet. De laagste en ruwsle scheldwoorden van den jongen slijter zijn zoo min in staat om Miel in toorn te brengen als om hem tot loslaten te bewegen. Terwijl de tranen hem langs de wangen biggelen, en hij de handen, die Heintje ten laatste heeft afgeschud, opnieuw om diens arm slaat, bidt hij alvoort om de compagnieschap, die hem gelukkig zal maken, en die mijnheer Van Leeuw gelukkig zal maken, zoowel als zijn engel van een dochter; waarbij hij in de weemoedigste stemming toegeeft, dat hij een schurk en een dief en een ellendige dronkaard is, maar ook vertrapt en verschopt en verleid in de wereld, en ,p....arole d\'hon... .neur: een fe. . . .soen.... oen... .lijk man!quot;
Aan alle geduld komt een einde. Van Leeuw heeft Miel tot in het voorhuis bij de door hem geopende winkeldeur .gewerktquot;.
âAls je niet goedschiks gaat en je klavieren binnen boord haalt, dan smijt ik je de straat op.quot;
Miel kan niet gelooven dat een fatsoenlijk man ...
Nou, dan zou Van Leeuw hem dat eens anders vertellen!
Met een vreeselijk ruwen vloek slingert de slijter zijn bezoeker zoo krachtig van zich af en naar buiten, dat de arme ontzenuwde man naar \'t midden der straat wankelt en, zijn evenwicht verliezende, op de keien neersmakt.
\'t Baart nu zeker volstrekt geen verwondering dat er in de stille straat, die op de Neude uitloopt, zulk een buitengewone drukte
ANNA ROOZE.
heerscht. In een oogenblik zijn er vijf â tien â vijftien en meer personen bijeen. Wie er wezen moest ontbreekt er: een agent van politie. De man staat drie of vier straten verder, en houdt â half achter een uitstek verscholen, het oog op zekeren hoek der kerk, om te zien âof daar met den Zondag ook overtreding zal plaats grijpen.quot;
â Denk je mijnheer, dat een agent van politie zes lichamen en misschien oogen overal heeft? Men kan te veel van iemand eischen mijnheer, en als men zijn blik op gindschen hoek houdt gevestigd, dan kan men ze niet naar een andere plaats richten meteen.
Men moet den man volkomen gelijk geven.
Een straatjongen met een vreeselijken wipneus schopt even met zijn nieuwen klomp tegen den neerliggenden Miel, en zegt:
âHij is vet, hoor!quot;
âNou! mot jij \'en mensch als \'en beist behandelen, zeg!]\'roept een stevig vrouwspersoon, en dreigt den jongen met haar spitsen neus te doorboren.
âAlsof \'t geen varken is!quot; grijnst de wipneus.
âJij eiges bent er een, of \'en big ten minste. Ik zeg die dronken is, is onmundig en in Gos-hand.quot;
âIn de duivelsklauw ja! In Sodom ja!quot; roept een mannetje met schel geluid: ,\'t Is Gode een gruwel!quot;
âNeen, \'t is Miel de kramer!quot; lacht een dikke meid.
rMaar eeuwig eeuwig verdoemd!quot; beslist het mannetje: âO eeuwig! O lichtzinnig geslacht!quot; en hoofdschuddende gaat hij naar het Godshuis waar hij moet voorzingen.
,\'t Is een beschonken man, jonge dochter! â Slijter Van Leeuw heeft hem de deur gewezen, en toen is hij hier neergevallen,quot; klinkt de inlichting van een heer met een roskleurigen zwarten hoed en een pantalon, die, vooral tot aan de knieën, glimt als een spiegel.
âBah! hoe akelig!quot; zegt de jonge dochter.
âJa, daar heeft u wel gelijk in jonge dochter! Een mensch ziet zijn eigen â of ik wil zeggen zijn eigen naaste, niet gaarne in zulk een staat. Het is een betreurenswaardig oogenblik in iemands leven.quot;
âIk lust den heelen dag geen vleesch! â Kom Piet, kom.quot;
âKijk, kijk, nou wil ie opstaan,quot; zegt Piet de vrijer.
âDenk je dat ik daar nog langer naar kijken wil? \'t Hart draait me om in me lijf; kom deuzen kant op! \'k Wou da\'k peperement had.quot;
âPeperement?quot; zegt Piet die meegaat: âWeet je wat: laneme dan liever een dropje annijs nemen guns in de tapperij.quot;
âJasses ja!quot;
Nabij den ongelukkigen Miel ging een luide lachkreet op. Er waren er die zich vermaakten met de âzottequot; pogingen, die hij in\'t werk stelde om op de been te komen.
De eenige, die hem te hulp kwam, was de vrouw met den spitsen ueus.
vi. b
81
AN\'NA BOOZE.
\'t Was een stroom van woorden, waarmee ze de omstanders overgoot, en, ware die stroom niet zoo troebel geweest, misschien dat haar nog wel iemand zou hebben bijgestaan om den ongelukkigen man voor verder gevaar te behoeden. Doch haar negatieve respectsbetuigingen voor de hulpvaardigheid en menschlievendheid dier omstanders waren al te kernachtig om sympathie te kunnen verwekken. Men werd wrevelig op het âwijf1\' dat zoo\'n hoog woord had, en liet haar razen en betobben.
âPas op, nou gaat ze met \'em kermis houen!quot; grijnst de kleine wipneus en trekt zich terug.
De vrouw, die den wipneus ziet wegduiken, is in een furie veranderd. âWat! dit-en-datsche rekel!quot; barst ze los: âkermis houen! ik zal je kermis houen!quot; en â met een woordenkeus die zelfs den voortvluchtigen ârekelquot; de haren doet te berge rijzen, vliegt ze hem achterna, terwijl ze, om zich zelve recht te verschaffen, haar beschermeling in den steek laat.
Miel, intusschen op de been gekomen, verzekert met half gesloten oogen en bijna onverstaanbaar, aan de omstanders dat hij een fatsoenlijk man is.
Er gaat een hoera op: âMiel is een fatsoenlijk man!quot;
De grutter, die zeer in de buurt van âDe Vliegende Botquot; woont, waar Lijs tapt en logies geeft en commensalen houdt, de grutter zegt dat die fatsoenlijke man een âverloopen gesjeesde student is.quot;
âHa, een gesjeesde student. Hoera!quot;
Miel waggelt vooruit en maakt een beweging alsof hij den hoed wil afnemen.
âDat komt er van!quot; roept een nachtwacht-bij-dag, en voegt er met een ruwe verwensching bij: âZoo zie je ze aan d\'r end kommen!quot;
âStudent hou je roer recht!quot; kriischt de dikke meid.
âStudent, in de jenever! Hoera!quot; roept een ander.
Dat duurde lang genoeg. Hadden die knapen \'t maar eerder gezien.
âZou ik me daarvoor geneeren. Neen, dan zal een student eens toonen dat ie zoo\'n armen drommel nog helpen wil!quot; roept Willem Haverkist, terwijl hij de dikke meid voorbij stuift en zóó van nabij, dat hij met een knoop van zijn jas in een scheur van haar grauw paars jak blijft haken en een flard er mee aftrekt.
âLomperd!quot; roept de dikke meid met een dreigenden blik.
âWaar mot je naar toe?quot; zegt de theologant tot den beschonkene, en dan: âAlla Bolet, pak jij \'em bij zijn linkervlerk.quot;
Miel wil een diepe buiging maken maar kan niet antwoorden. âLijsquot;, âBotquot; en âfatsoenlijkquot; zijn de eenige klanken, die te onderscheiden zijn.
De dikke meid vliegt vooruit en bijt den student in het oor, dat hij haar een ânieuw jak zal weergeven of dat z\'em anders bij de peliesje verklagen zal; aan zijn kale gezicht daar heeft ze niemendal aan.quot;
âZwijg!quot; roept Willem. â Maar Bolet tast snel in den zak en werpt der dikke een gulden toe.
82
ANNA KOOZE.
De dikke ziet den gulden op straat vallen, en terwijl ze zich bukt en haar hand er naar uitstrekt, beukt ze schier terzelfder tijd met de vuist tegen een heen, waarvan de voet zich al aanstonds op het geldstuk heeft neergezet.
Voor al de personen, die daar toeschouwers waren, heeft het gulden-kluchtspel dat iiü gespeeld wordt, een nog grootere aantrekkelijkheid dan het verdwijnende drama in de gedaante van een dronken man in \'t midden van twee studenten. â Of het ernst of gekheid is, de dikke meid zal al haar krachten moeten inspannen en al haar ruwheid aanwenden, om den onverwachten buit te vermeesteren. Men lacht, en goechelt, en schopt, en verschopt den gulden, en eerst als een schoorsteenveger, in half Zondagsgewaad, hem triumfantelijk omhoog houdt, is de zaak voor de dikke gewonnen, want â Gaspari is haar vriend, en durft gerust zijn neus verwedden dat hij haar eer zijn vrouw zal noemen dan dat hij het land zijner vaderen met eigen oogen aanschouwen zal.
Willem Haverkist âmaalt er niets om dat sommige ploerten blijven staan en hem nakijken.-\' Hij zegt tot Bolet, dat ie een fideele kerel is omdat ie \'em niet in den steek Het.
Toen Willem dien armen drommel daar zoo te midden van \'t grauw had gezien, en de laatste woorden, die er gesproken werden, vernomen heeft, toen was zijn besluit genomen. â âKletsen over humaniteit,quot; zooals op \'t dispuutcollege, dat was mooi, maar beduidde niemendal als je het ding niet in practijk bracht.
Willem heeft geen oogenblik overwogen â zooals de meer beschaafde Bolet â of het ook soms een gek figuur zou maken, wanneer hij dat dronken perceel naar z\'n huis ging brengen, en evenmin heeft hij voor een standje met het plebs gevreesd. Hij zag â en hakte den knoop door: Dien armen duivel moest hij helpen!
83
âNou ja jongen, we weten wel dat je een fatsoenlijke kerel bent. Neen man; een dief of een moordenaar dat geloof ik niet. Ei! getrapt? ja wel verschopt, juist! En zeker een borreltje te veel gedronken tot besluit hé? Dat laatste is het ergste. Maar hou je roer nou maar recht. Kom, stevig een beetje. Pas op â daar ginder in de verte komt een agent aan. Nog twee passen dan hen je in de Vliegende Bot. Dat is je logies hé? â Perm Bolet! Je moet \'em aan den elleboog wat opbeuren. â- Mooi zoo; het stoepje op. â Bestig! Schuin â dwars de deur in! C\'est 9a!quot;
ZESDE HOOFDSTUK.
\'t Is een smaakvol en deftig, maar eenigszins ouderwetsch gemeubileerd vertrek, waarin Anna Rooze zich aan den avond van
84 ANNA KOOZll.
dien zelfden dag bevindt. De zware bruin damasten overgordijnen, die in breede plooien neerhangende de vensters bedekken, keeren â zoo de dubbele ramen en blinden niet reeds voldoende waren â volkomen den nijdigen Noordoostenwind, die door de Maliebaan iert, terwijl de zeer breede haard, waarin een prachtig turf- en olenvuur brandt, een aangename warmte door de kamer verspreidt. Ofschoon het huis, \'t welk mevrouw de douairière Van Riddervoorst bewoont, een zeer modern gebouw is, toch heeft deze haar geliefde huiskamer, door den ouderdom der overigens fraaie en goed onderhouden meubels, inderdaad een eenigszins antiek voorkomen. Op den breeden schoorsteenmantel staat een koperen pendule onder een vierkante stolp; de groep boven het uurwerk vertoont drie engeltjes die elkander omarmen: ze stellen Geloof, Hoop en Liefde voor; de Liefde houdt de teugels waarmee zij de twee dolfijnen ment, die haar met haar gezellén in een schelpvormig vaartuig over de levenszee voeren.
Mevrouw Van Riddervoorst heeft bijzonder veel zwak voor die endule, en ofschoon zij ook zwak heeft voor de oude stoelen met ooge ronde ruggen, bekleed met dat onverslijtelijke en onverkleur-bare groene trijp van vroeger dagen; ofschoon ze zwak heeft voor alles wat zij hier â uitgenomen eenige noodwendigheden van den huidigen dag â om zich henen ziet, voor die pendule heeft zij toch een bijzonder zwak, en sedert den dood van haar lieven vader â nu vijt en dertig jaar geleden â- moge een horlogemaker alle andere uurwerken in hare woning des Zaterdags geregeld hebben opgewonden, mevrouw Van Riddervoorst heeft deze van dat oogenblik af aan voor hare rekening genomen, en zal ze blijven opwinden âtotdat zij in het geloof en de hope op Gods liefde, deze aarde met wat haar behoort verlaten zal.quot; Ja, hier in dit woonvertrek leeft ze als \'t ware nog met allen die haar liefhadden, maar âdie God in Zijn ondoorgrondelijke wijsheid opriep tot een hoogeren werkkring.quot;
Mevrouw Van Riddervoorst zit in haar breeden leunstoel voor haar daagsch zilveren theeserviesje, met het âknolletje van een trekpotquot; en de porseleinen kopjes van verschillende grootte en waarde, waarop ze altemaal zwak en betrekking heeft. â Zij is een schoone, men kan wel zeggen een vorstelijke vrouw, van omstreeks zestig jaren. Haar open gelaat boezemt aanstonds vertrouwen in, terwijl de beide grijze loshangende krullen aan weerskanten van het hoofd, vertellen dat zij zich voordoet zooals zij is, en dat zij.... Maar hoor, ze spreekt:
âDenk daar volstrekt niet over, lieve juffrouw Rooze; ik heb immers plaats voor mijn drie logés, en waarlijk ik had het niet gevraagd wanneer het mij zelve geen aangename rustige gedachte was, u samen hier te hebben, ü ziet het, men blijft egoiste ook met de beste bedoelingen. â Gebruikt u suiker en melk juffrouw Rooze
Op een rustbank, waarvan twee ovalen in den rug met het zelfde trijp als dat der zware stoelen zijn bekleed, terwijl een kleiner midden-ovaal het wapen der Van Riddervoorsten keurig in hout gesneden vertoont, zitten Anna en haar lieve Emma hand in hand.
ANNA KOOZB.
Ze bevinden zich met mevrouw Van Riddervoorst alleen, want juffrouw Marnix is voor een half uur uitgereden om een paar avondvisites, ook bij professor te doen. â Anna antwoordt:
âIk dank u vriendelijk voor thee. Professor heeft ze mij ontraden. Maar lieve mevrouw, wees u toch zoogoed mij Anna te noemen.quot;
,Welnu dan Anna, zeg mij eens of je suiker en melk in de koffie gebruikt? Ik had al gedacht dat thee je minder gediend zou wezen, en daarom heb ik een kopje koffie voor je gekookt. Ja, koken is wel wat antiek niet waarV Maar zie, hier heb ik zoo\'n aardig kannetje van oud Delftsch aardewerk. Een lieve oud-tante van rae placht daar om theetijd altijd zoo zelve haar koffie in te maken; de booien konden het haar niet naar den zin doen. â Och, zij staat mij nog zoo levendig voor den geest de goede vrouw met haar gebloemde keurslijf. â Zie, er gaan juist twee kopjes in.quot;
âMaar mevrouw! Doet u dat voor mij ? En zelve! \'t Is waarlijk....quot;
âDaar moet nu op volgen; al te vriendelijk, is het zoo niet? Maar vergis ik mij wanneer ik zeg dat jij lieve Anna, even graag een kop koffie voor mij zoudt zetten als ik het nu voor u doe, en â mogen we dan wel te hoog opvijzelen, wat we zelf niet laten zouden?quot;
Een glimlach plooit Anna\'s mond. â Zij zal gaarne wat suiker en melk in de koffie gebruiken, maar ze moet het toch nog eens herhalen, dat de goedheid van mevrouw Van Riddervoorst haar waarlijk gevoelig maakt. Zij was haar zoo geheel en al onbekend, en ofschoon dan niet ziek. ⢠- â
âNeen ziek ben je in \'t geheel niet meer!quot; roept Emma, en drukt Anna de handen: âNeen, nadat we samen hebben geschreid en je alles verteld en uitgelegd hebt; en professor je zelfs met ons door de kou heeft laten wandelen, ben je heelemaal beter. Vindt u ook niet dat Anna er weer goed uitziet, mevrouw?quot;
âMij dunkt nog een beetje moe. Een goede nachtrust aan de zij van haar liefste vriendin zal haar zeker heelemaal opknappen. Zeg eens blond schaapje â zoo noemde ik haar vroeger, juffrouw Rooze, omdat ze toen zoo\'n donzig kroeskopje had, precies alsof het schapenwol was â zeg eens lieve, hoelang is het toch geleden dat je niet bij me waart?quot;
â\'tls wel elf jaar geleden, mevrouw.quot;
âJa, dat is elf jaar geleden! \'tWas in 48. â Ja! â En hadt je nooit eens behoefte mij te komen bezoeken lieve, na den dood....quot; Mevrouw wendde zich ter zij en zag naar het theewater: âna den dood van mijn liefje, mijn Knuo?quot;
âOch mevrouw!quot; zucht Emma en krijgt een hoogroode kleur.
,\'t Is geen bestraffing goed kind. .Ie was jong, en nu je wat ouder bent, nu weet je zelve hoe kindoren zijn: men vergeet dan zoo licht -...quot;
^Vergeten!?quot;
Daar lag Emma zacht schreiend op Anna\'s schouder.
âNeen, neen!quot; hokt ze, alleen voor Anna verstaanbaar.
Mevrouw Van Riddervoorst, opgestaan en Emma genaderd, ver-
85
ANNA BOOZE.
zekert het overgevoelige meisje, dat zij haar waarlijk van geen onhartelijkheid heeft willen betichten. Zij weet immers wel dat Emma recht veel van haar kleine Kuno heeft gehouden. Immers nog altijd bewaart zij het eenvoudige lieve briefje, dat de bijna zevenjarige Emma schreef om haar droefheid over den vroegen dood van haar lief vriendinnetje te betuigen. Waarlijk, mevrouw heeft het zoo onnatuurlijk niet gevonden:
\'t Was alleen de vraag lieve Emma, of je mijn engeltje niet vergeten hebt. En neen, dat heb je zeker niet, neen!quot;
Emma schreit nog.
,0, geloof mij mevrouw,quot; zegt Anna snel: âer ging bijna geen dag om waarop zij niet van uw lieve vroeg gestorven dochtertje sprak, en van ...quot;
Een schier pijnlijke handdruk moest Anna dwingen niet verder te gaan, en ofschoon Anna slechts had willen zeggen hoe Emma even dikwijls van de hartelijke vrouw had verhaald, wier goedheid en gastvrijheid ook Anna heden ondervinden mocht â plotseling zwijgt ze stil, en begrijpt de ware reden waarom het overgevoelige blondje nooit tot de woning van de waardige moeder harer lieve Kuno is teruggekeerd. En wat Anna vermoedt dat is waarheid: Heeft de blonde in den beginne een zekere vrees gehad, om terug te keeren naar de woning, waarbinnen de dood haar vroolijk kornuitje had weggenomen, later had al meer en meer het denkbeeld haar weerhouden, dat men het haar zou aanzien en verwijten, hoe ze niet slechts kwam om de bedroefde moeder van haar lieve speelnootje te bezoeken, maar vooral in de hoop er den aardigen speelmakker, den vroolijken âneef Oscarquot; nog eens weer te vinden.
Emma schreide voort. Zij was niet zoo spoedig tot bedaren te brengen, wanneer de stroom eens aan \'t vlieten was. â Maar, vreemd is het niet dat haar week gemoed â op dezen dag door zoovele indrukken geperst â zich nog eens lucht geeft na een woord zooals mevrouw Van Riddervoorst daareven tot haar gesproken heeft.
Ach, zij had wel willen uitroepen: Neen mevrouw, uw huis, uw Kuno heb ik geen oogenblik kunnen vergeten, geen oogenblik, zoo min om uwent- en harentwil, als om onzen vroolijken speelmakker, dien ik heden na een zoo lange scheiding voor \'t eerst mocht wederzien. Maar zóó te spreken dat heeft ze niet kunnen, niet mogen doen.
En terwijl ze daar schreit aan Anna\'s boezem, pijnt het haar mede opnieuw, dat zij dezen morgen haar dierbare Anna een oogenblik heeft kunnen bedroeven en verdenken. Verdenken, omdat zij haar met Oscar Van Breeland samen vond. Immers om zaken met haar te bespreken was hij daar geweest, en gewis heeft zij die ééne zaak inzonderheid met hem behandeld, de vreeselijke zaak, die haar zoo bitter ongelukkig heeft gemaakt en haar telkens in een hevige spanning doet verkeeren.
Ja. in een der laatste brieven heeft Anna haar wel bepaald en overtuigend gemeld, dat zij, ofschoon geen eigen kind van haar geliefde eerste pleegouders, âtoch wel echt een Van Walletje wasquot;.
86
ANNA ROOZE.
maar, al mocht de pijnlijke angel daardoor zijn verdwenen, de bittere droefheid over de werkelijkheid was er niet door weggenomen.
En Anna had haar in den middag, op haar zacht en aanhoudend vragen, een wonderlijk woord in \'t oor gefluisterd. Zij heeft gezegd: niet zoo heel zeker te weten of Emma\'s eigen ouders wel werkelijk overleden waren, doch, Emma moest kalm zijn en niet meer vragen. Immers haar vriendin is teruggekomen om te spreken met hen die Emma liefhebben, en, zooals ze vurig wensoht, om haar gelukkig te maken.
Ja, Emma weet het: alle mensohen zijn lief en goed voor haar, en zij, zij vergeet wel niemand, maar ze denkt toch het meest aan zich zelve. â Doch \'t komt omdat zij ongelukkig is. Ongelukkig! O! alsof er niet reden genoeg was, heeft zij heden nog bovendien den vriend der kinderjaren teruggezien, maar ach, zoo geheel anders dan zij zich zulks in haar liefelijkste droomen dikwijls heeft voorgesteld. Wel zeker, hij heeft heel lief en vriendelijk met haar gepraat over den vroegeren tijd, en waarschijnlijk heeft hij die hartelijke uitnoodiging van zijn tante bewerkt, maar, hij zelf is reeds te twee uren uit Utrecht naar Gelderland vertrokken; voor een rechtzaak zooals hij zeide. Voor een rechtzaak! Vertrokken, bijna op hetzelfde oogenblik dat hij haar wederzag na zoovele jaren. O! nu zij eens aan \'t schreien is, nu is er meer clan reden genoeg, \'t Is waarlijk al veel dat zij zich aan tafel, en tot nu toe zoo goed heeft gehouden:
âAch Anna, liefste Anna!quot;
Mevrouw Van Riddervoorst is er eindelijk in geslaagd het schreiende meisje wat kalmer te stemmen; en, om haar van de vriendin te scheiden die, volgens professors raad, vooral kalmte behoeft, heeft zij Emma in een aangrenzend kamertje gebracht. Hier is het koel; hier moet ze zich nu door een koudwater-handbad eens heele-maal verfrisschen. â Julie de kamenier zal haar wel helpen, en als ze dan weer heel kalm is â want immers voor Anna zal ze zich gaarne wat flink houden â dan moet ze maar met een opgeruimd gezichtje weer binnenkomen.
Na Emma op lieven toon deze vermaning te hebben gegeven, waarbij ze haar hartelijk de kleine poezele hand heeft gedrukt, keert mevrouw Van Riddervoorst in haar woonvertrek terug, en zegt, nadat zij de deur achter zich heeft dichtgedaan:
âJa, \'t zal nu zoo ik hoop wel spoedig bedaren. Aardig! dat lieve kind is nog volmaakt dezelfde als toen zij zoo\'n klein heuveltje was. Al te gevoelig! Het appeltje valt niet ver van den stam.quot;
â Den stam?
Sedert Anna\'s komst in de woning van mevrouw Van Riddervoorst heeft juist de gedachte aan dien stam haar gedurig beziggehouden. Oscar Van Breeland had haar immers reeds vroeger gezegd, dat Emma\'s ware afkomst, wanneer hij zich niet bedroog, voor zijn familie en inzonderheid voor zijn tante Van Riddervoorst volstrekt geen geheim was. Hadden velerlei verklaarbare redenen Anna niet weerhouden, ze zou reeds van De Runt in Emma\'s belang, aan Oscars tante hebben geschreven, en, liever dan aan den heer
87
ANNA ROOZE.
Alexander Van Wall, die toch inderdaad wat zonderling met zijn gevoelige pupil had omgesprongen. Maar Anna heeft wijselijk besloten die teedere zaak eerst mondeling met haar Marnix of met den ouden dominee Zegenmond te bepraten, en zulks vooral, nadat zij den man ontmoette, den ongelukkige, die zich als Emma\'s vader aan haar had bekend gemaakt. â \'t Is niet te verwonderen dat Anna, sinds het oogenblik dat ze zich in het gezelschap van mevrouw Van Riddervoorst bevond, in \'t gezelschap van haar, die de verborgenheid terstond aan \'t licht kon brengen, schier onophoudelijk de vraag in het hart voelde kloppen, of mevrouw Van Riddervoorst haar iets van Emma\'s ouders zou willen mededeelen.
Maar Emma is steeds aan haar zijde geweest, en heeft haar de gelegenheid tot zulk een onderhoud benomen.
Doch nu, â het eerste oogenblik dat Anna zich met haar waardige gastvrouw alleen bevindt, nu spreekt zij zelve van den stam waarvan het appeltje niet ver gevallen is.
Haastig opgestaan, nadert Anna de dame, die weer plaats heeft genomen, en, vluchtig naar de deur ziende zegt zij zacht:
,Mevrouw, hebt u â vergeef mij als ik onbescheiden ben â maar, hebt u Emma\'s ouders gekend?quot;
âIk? Och ja juffrouw Anna, \'t is een schepseltje, dat men wei diep beklagen mag.quot;
âDat geloof ik ook mevrouw. Ten minste wat u daar zegt, bevestigt mijn vermoeden.quot;
Met weinige woorden, telkens omziende naar de deur, waardoor Emma terugkeeren moet, deelt Anna aan haar g;astvrouw mede hetgeen haar omtrent Emma\'s geboorte, voornamelijk door den jongen mijnheer Van Breeland, zoowel in den spoorwagen als op De Reng-horst is bekend geworden. Van de ontmoeting met den ongelukki-gen Otto Van Wall spreekt ze niet. Niet slechts aarzelt zij een vermoeden te uiten, waarvan de zekerheid haar, om Emma\'s wil, pijnlijk zal treffen, maar ook zij acht zich verplicht het vertrouwen, dat die arme verdoolde in haar gesteld heeft, niet te beschamen. Ja, mocht hij werkelijk Emma\'s vader, maar ook ten gevolge van zijn gedrag een verschoppeling der familie wezen dan moest zij met voorzichtigheid de baan voor hem effenen. Immers, zal de teedere Emma een vader hervinden, dan moet het zijn in een omgeving die haar lief is en waarin zij tehuis behoort, en bovendien in een staat, die haar week gevoelig hart geen weerzin zal kunnen inboezemen. Anna herinnert zich den man zooals hij zich op dat Runtsche kerk-pad aan haar vertoonde, en acht het zeer waarschijnlijk dat Emma, ondanks de nauwste betrekking, zou zijn teruggestooten door zijn ellendigen staat.
âMijn neef heeft mij al vroeger eens gezegd, van u te hebben vernomen dat Emma tot nog toe onbekend bleef met hetgeen ik meende, dat zij reeds zeer lang wist;quot; zegt mevrouw Van Riddervoorst: â\'t Zal door hare voogden met de beste bedoeling zijn geschied ; maar wat mij betreft, ik zou meenen dat zoo iets eens moet uitkomen, en dan. ...quot;
88
ANNA KOOZE.
âDan moet dc uitkomst te pijnlijker worden mevrouw. Tenminste. ..
âNatuurlijk! Waarom zal men voor een kind den oudernaam verzwijgen, indien er op dien naam geen smet kleeft; doch wanneer dit werkelijk zoo is, dan waro het toch beter, dat kind van jongs ai aan die smet door het glas der vergevende liefde te doen zien.quot;
âHaar arme vader zou wat loszinnig geleefd hebben, nietwaar?quot;
âZeg dat niet juffrouw Anna. Loszinnig is het juiste woord niet. Hij was een zwak, een zeer zwak jonkman; niet bestand tegen den drang der wereld Hij bezat den voortreffelijksten aanleg; maar helaas! die kostelijke gaven waren â als men \'t zoo noemen mag, niet aan hem besteed. Ja, de familie Van Wall heeft zeer, zeer veel verdriet van hem gehad. En Emma\'s arme verlatene moeder heb ik innig beklaagd.quot;
âLeeft die moeder nog mevrouw?quot;
âNeen! O neen! Toen de familie zich over haar en haar lief kindje had ontfermd, toen mocht zij de oogen sluiten voor haar bitter bedrogen levensgeluk.quot;
âMaar haar vader leeft nog, nietwaar?quot;
âIk geloof met reden te kunnen zeggen dat hij dood is; de arme jongen!quot;
Mevrouw Van Riddervoorst heeft dat woordje dood met een bijzonderen nadruk uitgesproken. Zij gelooft reden te hebben om te zeggen dat hij dood is. â Anna verstaat haar. Ja er is reden!: Zeer veel reden.
âMaar mevrouw, indien hij terugkeerde. Wanneer de man, die uit zwakheid viel, terugkwam en de smet zocht uit te wisschen die. â â â quot;
âOch lieve juffrouw Anna, voor hem is dat onmogelijk De kracht zou hem ontbreken, en ook. ...quot;
Daar werd het gesprek der beide dames gestoord door de komst van den huisknecht, die mevrouw een brief overhandigde.
Mevrouw vreest niet dat haar logé het zal ten kwade duiden dat zij even den brief inziet?
â Met een zeer ouderwetsch schaartje uit een lederen scheetje â afkomstig van de oud-tante met het gebloemde keurslijf, die het schaartje tot haar negentigste jaar in den zak droeg â knipt mevrouw het couvert los terwijl zij het postmerk Mulderspeet leest.
Mevrouw Van Riddervoorst denkt er geen oogenblik aan dat de groote schildpadden bril, op haar schoon en nog weinig gerimpeld gelaat, een zonderlinge vertooning maakt. Van vriendinnen kreeg ze tot heden reeds vier keurig fijne lorgnetten en zelfs een paar gouden brillen ten geschenke, doch, alsof ze niet bestonden, komt altijd, wanneer zij \'s avonds iets lezen moet, de groote schildpadden bril te voorschijn, want zie, het is de bril, die haar eigen moeder nog twee dagen voor haar dood heeft gedragen.
Eu zij leest:
âHooggeachte Vriendin!
âTer wille van onzen Ernst, die door bijzondere omstandigheden langer op De Renghorst is gebleven dan aanvankelijk zijn voor-
89
90 ANNA KOOZK.
nemen was, besloten wij sedert gisteren, hem naar Utrecht te vergezellen en er met hem een paar maanden te vertoeven.
âVoor (J, die sedert zijn komst aan de academie, hem steeds zoo gastvrij en vriendelijk ontvangen hebt, voor U mag ik het niet verbergen, dat een bemoeielijkte en nu teleurgestelde liefde, waaronder hij meer gebukt gaat dan men van Ernst zou verwacht hebben, de oorzaak is onzer klimmende zorg voor zijne gezondheid. Mijn goede Kunira was in den aanvang zeer tegen de keus van onzen jongen gestemd, en voornamelijk omdat het meisje â eene juffrouw Rooze â ofschoon in mijn oog een parel uit duizenden â van burger-nfkomst, en zeer nauw verwant is met personen, die mijne vrouw een levendigen afkeer inboezemen. Sedert Kunira echter met my inzag dat de goede Ernst dagelijks bleeker en somberder werd, verheugde ik mij te bemerken dat hare tegenkanting allengs verminderde, en, reeds meende ik Ernst binnenkort weer fnsch als te voren en gelukkig te zullen zien aan de zij van een meisje, dat naar mijn innige overtuiging een schier volmaakte vrouw voor hem worden moest, toen mijn verwachting eensklaps door een finale afwijzing van hare zijde, den bodem werd ingeslagen.
âÃ, die mijne Kunira kent, zult beseffen hoe zij te moede is. Zoozeer als zij zich in den aanvang tegen den wensch van onzen Ernst verzette, zoo geheel onontbeerlijk schijnt haar, na die weigering, juffrouw Roozes bezit voor het welzijn van ons kind. Maar in weerwil hiervan, is Kunira ten zeerste vertoornd op het meisje, dat een ander boven onzen jongen verkiest, want uit het korte briefje \'twelk ik gistermorgen van haar ontving, konden wij opmaken dat zij Ernst weigerde omdat haar hart niet meer vrij was.
âIk heb innig medelijden met mijn goede vrouwtje en met mijn armen Ernst, terwijl ik zelf bitter ben teleurgesteld.quot;
Mevrouw ziet even onder hare groote ronde brilleglazen door tot Anna op, en zegt:
âDe brief is lang juffrouw Rooze. â U neemt niet kwalijk?quot;
,0 mevrouw, volstrekt niet. Ik blader hier wat in The Old Old Story.quot;
âHum!quot; komt mevrouw en leest verder:
âNu er echter aan deze zaak niets te veranderen viel, wilde Kunira aanstonds naar Parijs vertrekken, opdat Ernst er zich spoedig zou troosten over het gemis eener onwaardige â- zooals mijn vrouwtje zich nu wel wat hevig uitdrukt. Doch, nadat ik haar had herinnerd, hoe zij zelve nog kort geleden tegen Parijs gestemd was, en haar deed inzien dat zulk een afleiding zeker niet de rechte zou zijn om ons kind met zijn lot te verzoenen en hem weer frisch te doen worden, nu heb ik haar aangeboden te zamen een paar maanden naar Utrecht te gaan. De kring zijner medestudenten; gepaste afleiding, en meer geregelde werkzaamheid, dit alles zal Ernst zoo wij vertrouwen goeddoen. Zonder ons, zonder Kunira vooral, zou hij niet naar de academie terugkeeren, en daarom zullen we mét hem gaan.
ANNA KOOZE.
Zeer geachte Vriendin, ik heb U dit alles breedvoeriger geschreven dan ik zulks in den aanvang bedoelde, doch ik voorkwam daardoor een mondelinge verklaring, die ik U in tegenwoordigheid van Kuuira en Ernst toch moeielijk zou kunnen geven.
âAangezien Kunira wel gaarne reeds morgen wilde vertrekken, zoo zult U mij ten zeerste verplichten onzen hulpvaardigen neef Oscar te verzoeken, voor mij in het hotel des Pays-Bas vier of vijf goede kamers te gaan bestellen. Juffrouw Molenwiek blijft voorloopig op De Renghorst, voornamelijk dewijl ik ter regeling van velerlei zaken er gedurig zal moeten zijn.
,\'t Is U misschien bekend dat ik De Eunt heb gekocht. Daarover en over alles mondeling nader. Vertrouwende dat Oscar aanstonds aan mijn verzoek zal willen voldoen, en in de hoop U in den besten welstand te zullen vinden, noem ik mij na vele groeten van Kunira en Ernst,
Hooggeachte Vriendin!
Uw zeer gehoorzame Dienaar en Vriend,
W. GEBREKE VAN ULAND.
âDe Renghorst, 11 Dec. 1859, \'s morgens 7 uur.quot;
\'t Is niet te verwonderen dat mevrouw Van Riddervoorst nog eenige oogenblikken in gedachten verzonken op den brief van Wouter Geereke blijft staren. Haar helder hoofd, waarin heden reeds zooveel is omgegaan, doorzag den ganschen samenhang.
Dezen morgen heeft Oscar haar vroeger dan anders bezocht, en gezegd dat hij voor een belangrijke rechtzaak tegen den middag naar Arnhem moest, en tevens dat hij door bijzondere omstandigheden drie oude kennissen in de Pays-Bas had ontmoet. Twee er van waren ook oude kennissen van tante, die zij zeker zeer gaarne ten harent ontvangen zou; namelijk: de oude gouvernante der lieve Kuno, La Marnix, en Kuno\'s speelkameraadje, Emma Van Wall.
Op een eenigszins gekunsteld onverschilligen toon, heeft Oscar daarna van zijn derde oude kennis gesproken, \'t Was de jonge dame die hij, zooals tante wel wist, op reis had ontmoet en die hij kort daarna bij oom Geereke weder zag. \'t Was een élève van La Marnix, en Emma\'s beste vriendin. Mevrouw Van Riddervoorst heeft toen gedacht: Ik bedrieg mij niet. Oscar gevoelt meer voor haar dan hij zeggen wil. Zij had zich toen het schrijven van haar zuster Van Breeland uit Den Haag herinnerd, en hem gevraagd: of dat niet die pretendente van Ernst Geereke was? âOscar heeft zich ter zij gewend, en terwijl hij den haard ging oppoken geantwoord: âVolgens het schriiven van mama schijnt het waar te zijn dat neefje wat voor juffrouw Rooze gevoelt, maar onmogelijk is het dat zij hem kan liefhebben, ten minste.... En bovendien, tante Kunira zal immers die inclinatie niet dulden!quot;
Dat heeft Oscar gezegd.
91
ANNA BOOZE.
â En nü die brief!
Mevrouw Van Riddervoorst werpt van ter zij een blik op het bekoorlijke meisje dat nog voortbladert in The Old Old Story. De waardige dame heeft \'s morgens toegestemd dat zij behalve haar goede protege La Marnix, en Emma Van Wall, die zij sinds Kuno\'s dood niet terugzag, ook gaarne de jonge dame zou ontvangen, waarvan zij door Oscar reeds zooveel gehoord had, en die het hooghartige en zwakke mevrouwtje Geereke zulk een onrust berokkende.
Nu een eerste kennismaking met dat meisje reeds den gunstigsten indruk op de degelijk ontwikkelde vrouw heeft gemaakt, en allea wat La Marnix haar van âhaar dierbaarste élèvequot; meedeelde dien goeden dunk kwam bevestigen; nu Anna haar met zulk een liefde van de arme tante Lijning heeft verhaald, voor wie ze professor Van der Kolk is komen opzoeken; nu zij met zooveel deelneming van Hanneke heeft gesproken, wier zaak ze zoo gaarne aan de zorg van den âkundigen mijnheer Oscar Van Breelandquot; zag opgedragen, nu moest mevrouw â omdat zij niet alles vernam, niets van dien voogd, niets van de ontmoeting met dien Otto Van Wall, niets van het vreeselijke gesprek met dat mensch uit de Allemansgading â nu moest zij, ja, hel reisje wel wat romanesk noemen, en heeft ze zelfs een oogenblik gemeend of het toch niet wat zonderling was-dat Oscars tante een vreemde jonge dame, die zulk een hoogen dunk van mijnheer Van Breelands rechtskennis had opgevat, maar aanstonds mee ten harent heeft gevraagd, doch is zij toch ook, en schier in \'t zelfde oogenblik, tot het besluit gekomen: Dat meisje is niet slechts schoon en beminnelijk, maar heeft â en mede volgens La Marnix getuigenis â een lief en edel karakter, zij is nu hier, en, het zal zeker goed zijn!
En zelfs, toen Anna Rooze over dien kundigen mijnheer Oscar Van Breeland heeft gesproken, en onwillekeurig der scherpziende dame een dieperen blik in haar hart heeft vergund, toen heeft mevrouw Van Riddervoorst in \'t eind nog bovendien het oog ten Hoogen gericht, en in navolging van die lieve oud-tante vastgehouden aan dat goede woord: De huwelijken zijn in den hemel besloten.
Maar nu, wie had zulk een brief van den edelen vriend kunnen verwachten! En die zelfde Anna Rooze, die den jongen Geereke haar hand heeft geweigerd, is in hare woning; en dat meisje moet ontzien worden; en morgen zullen de Geerekes misschien reeds met den sneltrein in de stad komen om de oude vriendin zeker al spoedig te bezoeken. Wat moet zij doen? â La Marnix is uit: morgen zal zij met den eersten trein vertrekken, maar heeft toegestemd dat de beide vriendinnen nog één of twee dagen zullen blijven. Professor had gezegd dat hij juffrouw Rooze nog graag eens spreken wilde â waarschijnlijk over de zieke mevrouw Lijning â maar liever morgen. omdat zij dan zeker weer kant en klaar zal zijn. â Wat zal zij doen? Mag zij dat lieve meisje, mag zij de vrienden van De Renghorst aan een ontmoeting wagen, die allen niet anders dan onaangenaam wezen kan?
Mevrouw Van Riddervoorst gelooft dat Anna sterk genoeg is om
92
ANNA KOOZB. 93
haar den hoofdinhoud van Geerekes schrijven mee te deelen, want inderdaad, het feit dat de familie van De Renghorst in de stad komt kan haar toch weinig schokken;
â\'tls een brief van mijn vriend Geereke Van Uland juffrouw Rooze. ü kent de familie; ik weet het. U hebt er mijn neef ontmoet.quot;
âZoo! Och kom mevrouw. â Ja juist. Ik ben.... Ik dacht. .. Zou Emma nog niet beter zijn? â Vindt u \'t goed dat ik nu maar eens even ga zien?quot;
âIk heb er niets tegen,\'quot; zegt mevrouw, Anna\'s verlegenheid bemerkende: âMaar zie, daar is zij al. â Och lieve Emma, wil je eens even aan de schel trekken; vooral aan het koord, dat achter den schelleband hangt, want den band zelf ontzie ik zooveel ik kan, omdat het nog een handwerk van mijn geliefde moeder is.quot;
\'t Was goed gezien dat mevrouw door dit verzoek het binnenkomen voor Emma, met haar nog beschreide oogen, wat gemakkelijk maakte.
âDank je beste kind. Ik zeg daar juist aan juffrouw Anna, dat ik een brief van een oud vriend heb ontvangen, een mijnheer Geereke, die nog aan je tante Van Wall geparenteerd is Emma, en waarmee juffrouw Anna te Mulderspeet ook kennis heeft gemaakt. Die brief brengt me in een kleine moeielijkheid, omdat mijn neef niet hier is, en de brief reeds vroeg van Mulderspeet verzonden, mij, zeker met den Zondag, pas zoo even bezorgd werd.quot;
âEen moeielijkheid mevrouw?quot; zegt Emma en strijkt met haar donzig handje over Anna\'s glanzig haar.
âJa! mijnheer Geereke denkt morgen met zijn vrouw en zoon voor eenige weken in Utrecht te komen, en had gehoopt dat Oscar kamers in het hotel des Pays-Bas voor hem bespreken zou. Ik geloof wel niet dat het er vol zal wezen, maar het is toch zaak, zooals mijn lieve oudtante placht te zeggen, den schoen met het oog te meten aleer men den voet er aan waagt. â Er zijn goede kamers nietwaar juffrouw Anna?quot;
âZeer goede, mevrouw. Ja! â Maar als het niet onbescheiden is, mag ik dan vragen of uwe familie er ook aan dacht bij ü haar intrek te nemen en dat ons, ik bedoel mijn hierzijn nu een beletsel is, waardoor ...quot;
âTweemaal mis lieve Anna. De vrienden Geereke zijn wel familie van mijn neef, maar niet van mij; en bovendien er is geen quaestie dat de Geerekes bij mij zouden komen logeeren. Ik geloof wel dat zii weer de beleefdheid zullen hebben aanstonds de oude vrouw te bezoeken, en dat wij elkander dikwijls zullen zien, maar van logeeren is er in \'t geheel geen spraak.quot;
âAnders.... ik dacht tóch of het niet beter zou zijn morgen.. . . met juffrouw Marnix naar Akkersveen te vertrekken.... ik....quot;
De huisknecht treedt binnen.
âMevrouw heeft gescheld?quot;
,Jakob, wat doet het buiten?quot;
âVriezen mevrouw.quot;
-Geen erge wind?quot;
ANXA ROOZE.
âZoo tamelijk mevrouw.quot;\'
âHoe is het met de verkoudheid?quot;
,0, Goddank beter, mevrouw.quot;
âOch Jakob, dan moest jij eens je warme overjas aantrekken en mdoen en dadelijk voor me naar \'t logement des
âriesi mevrouw.
Nadat mevrouw Van Riddervoorst aan den naderbij gekomen huisknecht haar commissie duidelijk heeft opgedragen, terwijl Emma, weer naast Anna op de rustbank gezeten, aan haar liefste vriendin van de goede Evangeline verhaalt, van la pauvre Suissesse, die ook zoo gelukkig zal wezen, wanneer zij Anna terug ziet, hoort men de schel der huisdeur klinken en zegt mevrouw:
âWil je gauw opendoen Jakob! Ik houd er niet van op stoepen te staan wachten, vooral niet bij koud weer zooals nu.quot; â En dan, als de huisknecht snel is vertrokken, voegt zij er tot de meisjes bij: âMijn lieve moeder placht te zeggen: die open doen zijn binnen, maar die aanschellen staan buiten. â Wanneer La Marnix daar al terug is, dan zullen wij ons aller belang eens nader kunnen bepraten lieve juffrouw Anna, en, mocht er reden zijn waarom u liever reeds morgen vertrekken wilt, ofschoon ik u zeer zéér gaarne zie blijven, ik zeg het mijn braven vader na: De gastvrijheid mag niet vergeten dat zij de vrijheid aan den gast verzekert.quot;
âEr is een jongeheer die mevrouw even wenscht te spreken,quot; zegt Jakob, terwijl hij in de huiskamer terugkomt?
âHeb je mijnheer zijn naam niet gevraagd?quot;
âNeen mevrouw, dat was niet noodig; ik ken mijnheer best en mevrouw kent hem ook wel.quot;
âMaar dan hadt je hem moeten binnenlaten. Je weet dat immers
Jakob!quot;
âZeker mevrouw, maar hij wou niet; en ik mocht ook zijn naam niet zeggen.quot;
âHé, iemand van mijn kennis? Dat is vreemd.quot;
âVerekskuzeer mevrouw, hij wou u alleen spreken, en.;.quot; de man ziet naar de meisjes: âEr was dak op \'t huis.quot;
âJakob, dat zegt men zoo niet.quot;
âZullen wij even hiernaast in de kamer gaan, mevrouw?quot; vraagt Anna snel.
Mevrouw geeft een teeken, waarmee ze uitdrukt dat zij het aanbod recht lief vindt, doch dat zij het niet wil aannemen.
âJakob, heb je gezegd wie hier binnen zijn?quot;
âJa, dat is te zeggen: hij vroeg wie, en toen zei ik: Een juffrouw of mevrouw Manus, en een van Van der Wall, en toen zeidie: roep jij mevrouw maar liever eens buiten.quot;
â Die jongeheer schijnt nog bijzonder jong te zijn, denkt mevrouw, of niet veel fijner geëduqueerd dan de goede Jakob, die pas een halfjaar âin de grootheid was.quot;
âGa Jakob, en verzoek mijnheer binnen te komen. Wanneer ik hem ontvangen heb zal ik hem daarna alleen kunnen spreken. â
94
ANNA KOOZB. 95
Wel foei,quot; vervolgt mevrouw, nu de huisknecht met die boodschap verdwijnt: âis die jonge bezoeker waarlijk een bekende en een vriend van neef Van Breeland misschien, dan zou hij \'t me nooit vergeven wanneer ik hem mijn beide lieve logeetjes niet gepresenteerd had.quot;
âOch, hadt u hem maar weg laten blijven, mevrouw,quot; zegt de blonde Emma en wendt haar hoofdje van de deurzijde af, naar welken kant â ofschoon afgesloten door een drieblads goudleeren kamerschut â Anna met den rug gekeerd zit.
âU zoudt maar gerust binnenkomen mijnheer. De dames zouden u niet hinderen,quot; zegt Jakob tot den jonkman, die in het breede niet wit marmer bevloerde voorhuis, onder de ouderwetsche nu flink verlichte kloklantaarn staat te wachten.
âMaar ik heb gezeid dat ik mevrouw alleen wou spreken. Niet in gezelschap. Had je me dan niet begrepen?quot;
âNou da\'s \'n mooie! Net of daar zooveel extra\'s aan te begrijpen was.quot;
âJe bent een eend! Je hadt....quot;
âHoor eens mijnheer, astrantigheid of complimenten heb ik van uwes niet af te wachten. Ik ben doodgoed voor iedereen en de heele wereld, maar als mevrouw de duverjeere Van Riddervoorst \'en mensch behandelt als d\'r naaste, dan hebt uwes me geen eend te noemen; daar kan ik niet teugen, daar heb ik geen koerrakter na, zie je.quot;
âKom Jakob, je zanikt. Je hadt moeten zeggen dat ik mevrouw dadelijk en heel alleen moest spreken, en....quot;
âMaar Christene-zielen, dat heb ik gedaan jongeheer. Hoe ken je nouw zoo teugen me uitvaren! Ik zeg nog teugen d\'r â teuge mevrouw wel te weten â ik zeg nog dat er dak op \'t huis was en keek toen naar die dames. Ja! En één van die juifrouwen, de magerste, vroeg toen of ze ruimen zouden. Ik geloof dat mevrouw van ja knikte, en je moet dus niet onredelijk zijn jongeheer!quot;
âWat drommel, had dat dan eerder gezegd!quot;
âJe kunt toch geen twee dingen te gelijk zeggen,quot; pruttelt Jakob en ziet den jonkman na, die hem nu is voorbijgeloopen en, na een vluchtig tikje op de deur, de welbekende huiskamer haastig binnengaat.
âHé Haverkist! ben jij het! Guns jongen, waarom kwam je niet dadelijk binnen? Mag ik je eens aan....quot;
Willem Haverkist is na een snel: âGoeden avond mevrouw!quot; regelrecht en zonder rond te zien, op mevrouw Van Ridder voorst toegetreden: heeft haar met bijzondere vrijmoedigheid de hand gereikt, en valt nu in:
âU begrijpt wel dat het iets belangrijks is en dat het haast heeft, anders....quot;
âM\'n vriend Willem Haverkist heeft altijd iets belangrijks, maar ook altijd haast!quot; antwoordt mevrouw: âMaar, hoeveel belangrijks, hij ook heeft, het zal toch niet zóóveel haast hebben dat ik hem
96 ANNA ROOZE.
niet eerst behoorlijk aan mijn logeetjes zou kunnen voorstellen.quot; En met een kleine geste naar de zij der rustbank: âMijnheer Haverkist. â Juffrouw Anna Rooze en juffrouw Emma Van Wall. â Waarschijnlijk onbekend, of u moest ..
Willem Haverkist hoorde niet meer wat mevrouw zeide. Latei-heeft hij verklaard dat het hem op dat oogenblik was âalsof hij door den grond zonkquot; â ofschoon hij dadelijk over die banale uitdrukking het land heeft gekregen, omdat niemand wist welk gevoel dat door den grond zinken was, âzulke autoriteitsuien!quot; â Maar zóóveel is zeker, hij was allerberoerdst geworden toen hij dat: âAnna Roozequot; heeft gehoord, en haar even had zien opstaan maar ook aanstonds weer plaats nemen. â Die andere naam had hem âgeen lor kunnen schelen.quot; Al waren er nog tien zulke âdonzen pluimpjesquot; in de kamer geweest, hij zou er geen hand voor verdraaid hebben en geen droppel bloéd zou daardoor van zijn plaats zijn geraakt, dat wist hij zeker. Bang is hij voor niemand, en voor dat zwakke goedje het allerminst; maar die, die ééne, aan haar heeft hij een herinnering, een zoo allerheerlijkste, een zoo allerber....
Zie, Willem Haverkist schaamt zich maar over één, één enkelen dag in zijn leven. â Niet dat hij zoo\'n heilig boontje is; neen er zijn dagen genoeg, die hij zou willen uitschrappen, of althans uren of oogenblikken er van. Menigeen heeft hij bij voorbeeld onverdiend âover den neus gehaktquot; en â maar enfin, dien éénen avond daar schaamt hij zich over zooals hij het zich over niets anders doet, en hij zal er zich over blijven schamen, totdat â totdat er geen sparre-boomen meer in de wereld zijn, die hem verwijten kunnen: âJe bent gek geweest Willem, en lam bovendien! Je hebt je heel mal en kinderachtig aangesteld. Laffe kerel!quot; â En, daar zit ze. â Maar ze heeft op dien avond, zijn flauwiteit niet gezien. â Neen, zeker niet! Ze was \'em gepoetst. â Maar, zijn lammiteit, zijn onbesuisdheid, zijn beroerde dolligheid aangehoord, dat heeft ze toch wel. Alsof zoo\'n nobiliteit, zoo iets a la reine, zoo iets sakkerloots, alsof dat maar zóó Willempje Haverkist zou pakken, en j a zou gezegd hebben toen hij met zijn arme candidaat-in-de-theologie\'s-gezicht van ikke en-jij en botje-bij botje sprak. â Had hij toen niet moeten begrijpen dat ze, in één woord veel te â Borlet sprak altijd van puis sant, als er fuum bij zat â enfin, dat ze veel te humsch en te staatsch en te weiverduiveld voor den zoon van een ploer-tigen dorpsdominee was. En, zij heeft het gehoord; en zij weet alles, alles, behalve van die dolheid en razernij in het sparrenbosch. -â Ja, en daar zit ze; en ze is nog duizendmaal mooier en fuumscher dan hij \'t zich herinnerde.
âIk wist niet dat ü hier waart,quot; zegt hij wat minder rad dan gewoonlijk.
âKen je elkaar?quot; vraagt mevrouw: âKom dat is aardig.quot;
Anna gevoelt iets van \'tgeen er in Willems borst moet omgaan.
âIk had het genoegen mijnheer Haverkist den drie en twintigsten November op De Renghorst te ontmoeten. Het verrast mij waarlijk a \'lier te zien, mijnheer.quot;
A.NNA BOOZE.
,En mij ook.... verschrikkelijk!quot; zegt Willem.
âGa zitten m\'n vrind?quot; noodigt de oude dame.
âDank u mevrouw. â Is Oscar hier niet? â Uit de stad? Ei! Zoo subiet! â Wat ik zeggen wil, ik moet u spreken; er is waarlijk haast bij. Vindt u \'t goed in de kamer hiernaast?quot;
âKom Willem, zit nu even rustig. Papa placht te zeggen: Als er geen brand is, of als er geen stervende naar me wacht, dan heb ik nog altijd den tijd om m\'n glas uit te drinken. â Wil je een kop thee Willem? Je ziet zoo koud jongen.quot;
âAls ü nog thee wilt drinken, mevrouw, dat is iets anders, maar ik dank u wel, want op m\'n woord van eer er is haast bij. U zegt dat zoo lachend van op sterven, maar ja, daar is meer van aan dan u denkt.quot;
âWat zeg je Willem?quot; schrikt mevrouw Van Riddervoorst en zet bevend den trekpot weer neer, waaruit ze hem juist een verwarmend kopje wilde inschenken; âIs er iemand iets overkomen ? iemand van mijn kennissen? Goede hemel, er is toch niets.... niets met Oscar gebeurd? Op sterven zegje.... Willem?quot;
Het bewustzijn dat hij de boodschapper van iets zeer belangrijks is, schenkt aan Willem Haverkist terug wat hij maar zelden verloor, nameliik dat wat zijn kameraden â voor \'t meerendeel democraten â zijn kloekheid en vastberadenheid, en zijn antagonisten â meest aristocraten â ploertige brutaliteit noemden.
Hij gevoelt dat hij zoo even voor die jonge dames â voor die eene vooral â een âmal figuur heeft geslagenquot;, en inzonderheid na zoo\'n onvergetelijk beroerden avond. Nu zal hij iets anders in haar oogen zijn, want als je een scène hebt bijgewoond zooals hij, nog geen half uur geleden, dan ben je ook eigenlijk je zelf niet meer, en kan je de rest zoo heel veel niet schelen.
âNeen mevrouw, ik wist immers niet eens dat Oscar uit de stad is. Neen, van uw familie is niemand wat overkomen, maar daarom kan het toch vreeselijk genoeg zijn. ..quot; en, terwijl Anna haastig een glas water heeft ingeschonken, en haar gastvrouw, die waarlijk nog beeft, een teugje laat drinken, vervolgt Willem: â\'t Is warempel niet alles als je een vreemden dronkaard, in delirium tremens gedurig den naam van een van je eersten uit de stad hoort noemen, en dat ie haar zien en spreken wil, en dat het dan uw naam is mevrouw. Ja, die kerel ligt in De Vliegende Bot, en noemt zich Van Wall, en hij zegt dat hij een kind heeft dat de familie hem ontsteelt â en ik weet niet wat meer. Ja \'t is akelig dames, maar \'t is mijn schuld niet, ik heb mevrouw gevraagd alleen te spreken. â Enfin, maar of je de dingen al onder stoelen en banken stopt, daarom zijn ze nog de wereld niet uit.quot;
âEen Van Wall?quot; klinkt het zacht van de zij der rustbank.
âJa wel juffrouw. U heet toevallig Van der Wall niet waar ? â Hoor je van pokken, je ziet pokken!quot;
Dit laatste was weer erg Willem Haverkistig â zooals mevrouw Van Riddervoorst dat noemde. Doch Willem verkeert in een soortgelijk geval als waarin de goede Marnix zich dezen morgen binnen
VI 7
97
98 ANNA BOOZE.
de Pays-Bas bevond. Hij zegt meer dan hij zou gezegd hebben wanneer hij niet â ofschoon hij het zelf niet denkt â door \'t een en ander wat erg van zijn stuk was geweest.
â Wel verdekseld, \'t is toch een allemachtig mooi blank zwaantje, denkt hij terwijl hij Emma nog aanziet.
\'t Was een goed beeld dat Willem zoo toevallig gekozen had. Emma\'s kleur althans was haast zoo wit als zwanendons.
Anna Rooze stort water uit het glas, \'twelk ze haast bezijden de tatel zet, maar dan â dan werpt ze haar lokken over den schouder en zegt kalm maar snel:
âKr zijn haast zooveel Van Walls als Mulders en Smitten in het land. Ik ken wel vijf Roozes, die volstrekt geen familie van me zijn. Ik vind er niets toevalligs in Emma. Kom, wij waren onbescheiden dat we bleven terwijl mevrouw.... Kom, ga je mee? Als er wat akeligs verteld wordt dan ben je altijd zoo gauw vanstreek; kom!quot;
,Blijft liever hier meisjes,quot; zegt nu de oude dame, die ternauwernood van den schrik is bekomen: âMijn jonge vriend heeft niet op zwakke zenuwen gerekend; maar hoe droevig zijn verhaal ook wezen mag, lieve Emma, juffrouw Anna heeft gelijk; dat die arme man Van Wall heet, dat behoeft je volstrekt niet te verontrusten. Zeker is het de ongelukkige tobber, dien ik zoo nu en dan wat heb toegestopt, een man uit den laagsten stand. Kom Willem, als je me nog iets te zeggen hebt, ga dan mee als je blief.quot;
âJa maar mevrouw, uit den laagsten stand? Neem me niet kwalijk, hij beweert, ofschoon hij maar een arme kramer is, dat rijke kooplui te Rotterdam tot zijne familie behooren. Dezelfde mijnheer Van Wall die...quot;
âDat kan niet waar zijn! Als hij dat zegt dan ia hij een leugenaar!quot; roept Anna snel, terwijl zij een angstigen blik op Emma werpt, die nog altijd met de doodelijkste bleekheid, strak voor zich uit ziet.
En â zóó sprak Anna onwaarheid voor de eerste maal.
Mevrouw Van Riddervoorst, die de deur der zijkamer heeft geopend en Willem Haverkist â den onbesuisde â met een eenigszins gebiedenden wenk doet voorgaan, begrijpt den ganschensamenhang; wendt zich snel tot Anna, en fluistert voor haar alleen verstaanbaar:
âHij weet van niets. Daarom zegt ü haar dat zij geen oogenblik behoeft te denken dat de man, waarvan hier sprake is, haar vader zou zijn.quot;
âNiet!?quot; zegt Anna: âNiet!?quot; en tranen, tranen van blijdschap springen haar in de oogen.
anna booze.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Geen half uur later was mevrouw Van Riddervoorst met Willem Haverkist per huurvigilante uitgereden. Ofschoon mevrouw rijtuig hield, zeker zou zij â evenals haar goede ouders in vroeger da^enâ liever geloopen hebben, dan haar paarden bij winterdag-avond in het tuig te doen zetten. Heerenpaarden waren zoomin als heerenknechts aan dat somtijds uren wachten in kou en ongemak gewoon. Aan den armen huurkoetsier gaf men graag een fooitje extra, in de hoop dat zijn arm paard er mee wat aan hebben zou â?
Mevrouw Van Riddervoorst heeft niet gewild dat Jakob, of Dirk de koetsier zou meegaan. â Eerst moest de voerman naar \'t Zand rijden, en later naar het hotel des Pays-Bas; want zelve zal zij nu de kamers voor vriend Geereke bestellen.
De beide vriendinnen zijn door haar gastvrouw in de huiskamer achtergelaten, en bij haar vertrek heeft de oude dame slechts aarzelend toegestemd, dat Anna haar theeservies zou omwasschen.
Met dit laatste is Anna bezig.
Emma slaat haar gade.
Beiden zwijgen. De oudste vriendin gelooft dat zij het goede blondje nu geheel en al heeft gerustgesteld. Doch zie, daar staat Emma van haar zitplaats op, en nadert de vriendin, die ze zoo liefheeft :
âAnna hoor eens: al neem ik nu alles aan wat je mij gezegd hebt, geloof jij dan toch dat het onmogelijk is, heelemaal onmogelijk....? Zie maar, ik ben waarlijk bedaard, lieve Anna. Ik bedoel, of jij denkt dat het volstrekt onmogelijk zou zijn dat die man. ..?quot;
De goede Anna verdient waarlijk medelijden. Neen, in weerwil van mevrouws verzekering â die ze al spoedig voor een âonwaarheid uit liefdequot; heeft gehouden â acht zij het gansch niet onmogelijk, ja is zij voor zich zelve nu bijna overtuigd, dat Emma werkelijk de dochter is van den ongelukkige, die ginds ligt te kampen met een vreeselijken dood, en misschien als laatste genade van God vraagt dat hij zijn kind vóór het scheiden den vadernaam en het woord âvergiffenisquot; zal hooren uitspreken. O, het moet Anna wel een vreeselijken strijd kosten dit te gelooven en dan â met het oog op haar overgevoelige vriendin, en gedachtig aan hetgeen de oude dame haar gezegd heeft â een antwoord te plooien:
âOnmogelijk Emma? Onmogelijk moet het je voorkomen dat mevrouw Van Riddervoorst mij die stellige verzekering zou hebben toegefluisterd, wanneer zij werkelijk dacht of wist....quot;
âAnna, dat is mij ontwijken!quot; valt Emma in: âIs het dan zoo zeker dat mevrouw het rechte er van weet? Hoe meer ik er over
99
100 AUNA ROOZE.
nadenk, hoe waarschijnlijker het mij voorkomt dat.... ja, ja! Anna als het eens waar was! O God, als, als het eens waar was! Anna ie antwoordt niet. Anna, Annie-lief, zeg, antwoord me dan, zeg. ...?quot; En terwijl een onbeschrijfelijk gevoel zich van de arme blonde meester maakt, slaat ze de kleine hand op Anna\'s arm en herhaalt ze, terwijl haar boezem jaagt en haar zachtblauwe oogen tintelen: âZeg Annie, zeg!quot;
Door den onverwachten schok aan haar arm, is het kopje, dat Anna juist in het water wilde doopen, haar uit de hand en in stukken op den vloer gevallen, \'t Was het favoriet kopje van mevrouw Van liiddervoorst, het onschatbare kopje, waaruit haar lieve moeder gedurende de beide laatste levensjaren tot den einde toe gedronken had.
Emma heeft geen oogen voor dat âkleine ongevalquot;. Anna zou er in kalmer gemoedstoestand ook meer door onthutst zijn geweest. Terwijl ze de scherven opraapt zegt ze nu zacht:
âZie, \'t is niet goed lieve, zoo hartstochtelijk te zijn; nu is er zulk een mooi kopje van onze goede gastvrouw gebroken.quot;
âAch Anna, alsof het niet veel meer beteekent dat mijn heele levensgeluk gebroken en vernietigd is. Voel je dan niet mijn trouwste, â wat ik te lijden heb?quot;
âOf ik het gevoel, Emma? O zeker, wanneer ik mij ten minste voorstel wat je vreest. Maar als mijn lief blondje haar onrust nu beheerschen kon totdat onze waardige gastvrouw zal zijn teruggekeerd, om dan uit haar eigen mond te vernemen wat zij mij straks heeft toegefluisterd, zou dat niet goed en verstandig zijn, en mij bovendien niet het bewijs geven dat je mij lief hebt Emma, en graag genoegen doet?quot;
En Emma zwijgt en ziet voor zich neer. Zij heeft een vreese-lijken strijd te strijden. Wachten zal ze. Maar het is een zekerheid voor haar dat ze in \'t einde zal vernemen wat ze voor waarheid houdt.
En dan, wat moet, wat zal ze dan beginnen! Als daar zulk een ongelukkige ligt te sterven die haar vader is, dan moet ze daar toch bij hem zijn; ia, dan heeft hij recht op haar; dan mag zij hem niet verachten, al heeft hij haar van zich afgestooten en zich zeiven ellendig gemaakt. Maar, zulk een man daar te zien; zulk een, hu! â stervende in een kroeg; en hem in dien armoedigen dierlijken staat de hand te moeten reiken; hem vader te moeten noemen. O God, het is afschuwelijk!
Met de beide handen bedekt ze het aangezicht, en lispelt:
,0, ware ik niet geboren! Ware ik vroeg gestorven! Het is afschuwelijk!quot;
,Beste Emma,quot; zegt Anna en omarmt haar teeder: âkom, zet je
fedachten nu op wat anders. Je vrees is gelijk aan vrees voor speen ; je huivert voor een droombeeld.quot;edachten nu op wat anders. Je vrees is gelijk aan vrees voor speen ; je huivert voor een droombeeld.quot;
âEn dat droombeeld blijkt waarheid te zijn! Ach, mocht ik maar sterven!quot;
âEr is ^een waarheid zoo verschrikkelijk, die ons mag doen op-
ANNA ROOZE, 101
staan tegen God. De orde der dingen ia Zijn wil. En gesteld dan eens dat je vermoeden waarheid moest zijn, zou je dan daardoor inderdaad iets ontnomen worden, mijn lieve Emma? Neen, niets anders dan wat mijn eerste schiijvenje reeds ontnam: de gedachte namelijk dat mijnheer en mevrouw quot;Willem Van Wall werkelijk je ouders waren. Ãn, is je liefde voor die dierbare afgestorvenen daardoor verminderd, Emma?quot;
Emma schudt het blonde hoofdje.
âEn gesteld eens â zie, ik geef nu voor een oogenblik geheel aan de droombeelden toe, die je doen huiveren â gesteld eens dat je werkelijk een vader, in welken toestand dan ook, de hand kondt drukken vóórdat hij dit leven verliet; dat je hem in zijn laatste oogenblikken een woord van liefde en troost kondt toespreken, zou het dan geen goedheid van God wezen dat je zulk een oogenblik heieven mocht?quot;
âJa.... misschien....quot;\' zegt Emma, en dan: âZou hij mij liefhebben Anna? Niemand heeft mij lief. Ik heb het altijd gezegd. Ach, zelfs mijn ouders hebben mij verstooten.quot;
âNu gaan we weer wat te ver. Ik sprak van een mogelijkheid. Je weet wat ik gezegd heb. Maar ja, Emma,quot; en Anna denkt aan de woorden van den man op het Runtsche kerkpad: âzelfs ouders, die hun kinderen verstooten, behouden de liefde in hun borst, en snakken misschien het vurigst naar een wederzien.quot;
En Anna Rooze kon zoo spreken, want immers die ongelukkige man had mede duidelijk gezegd: âIs zij een engel â o, dan vrees ik zeker niet dat zij een ongelukkigen vader verstooten zal, ofschoon hij het haar gedaan heeft.quot;
âAnna, Annie ...quot; fluistert Emma gejaagd en schier vreesachtig: ,Annie, zeg, wil je met me gaan? Zeg Anna, eer het te laat is?quot;
âMet je gaan? Waarheen? Naar de....?quot;
âNaar mijn stervenden vader, Anna. Ja! O goede God!quot;
âHeb ik dan zoo duister gesproken Emma, dat je mij zoo iets kunt vragen?quot;
âNeen duidelijk, heel duidelijk! Je hebt me alles gezegd wat ik weten moest, en gesterkt bovendien. Ik zal moed hebben om... Kom dan Anna. â Zie, ik ben nu kalm, zie, doodkalm en bedaard, niet waar ? We zullen een vigilante bestellen, en dan ... â Terwijl ze spreekt gaat ze naar de schel, maar, Anna weerhoudt haar. â Heeft Emma dan niet verstaan dat haar vriendin slechts een mogelijkheid, die Emma zoo âafschuwelijkquot; genoemd had, als een âgezegendequot; heeft willen in \'t licht stellen, zonder echter die mogelijkheid zelfs als waarschijnlijk te beschouwen ? Neen, dat had Emma niet begrepen, en geen wonder, want Anna verstond het veinzen zoo slecht.
âMaar als ik dan nu wel degelijk voor mij zelve van de waarheid overtuigd ben?quot; spreekt Emma. en ziet met haar hemelsblauwe oogen de vriendin zoo smeekend aan: âAls ik nu kracht van God heb gevraagd om een duren plicht te vervullen? Niet waar Anna,
102 anna rooze.
dan zul jij dat zeker goedkeuren. Je zegt immers dat ik God zou moeten danken als ik zulk een oogenblik beleven mocht.quot;
,Emma, wij moeten elkander verstaan. Ik herhaal het: de waarheid waarvan je overtuigd bent, is een onwaarheid op het gezag eener respectabele bejaarde dame die. ..quot;
âDie ons beiden uit goedheid misleidt,quot; valt Emma in, en dan: .Anna heb iii mij waarlijk lief?quot;
âKind! blondje!quot;
âGa dan mee! Aanstonds! Jakob moet een vigilante bestellen. En j ij, ja jij zult daar bij me blijven aan dat sterfbed.quot; Zij slaat de hand aan het schelkoord. Anna weerhoudt haar:
âEn als je mij lief hebt Emma, dan zul je wachten totdat mevrouw terugkomt, en eerst van haar zelve hooren..
âDat hij gestorven is niet waar! Laat mij los Anna, laat mij los! Als niemand mij meer liefheeft, dan heb ik ginds nog een... . armen vader. â Laat me los!quot;
âBeste kind, ik bid je, voorkom onnoodige opspraak! Emma, hoe ben je zoo hard tegen mij....? Zeg, kunnen wij dan geen kwartier, geen half uur geduld hebben? Liefste, je hebt zoo dikwijls naar Anna\'s raad geluisterd. Bedaar nu Emma!quot;
Het was voorbij! Den traan in Anna\'s oog kon de blonde niet verdragen. Ze schreit en snikt aan den boezem der eenige vriendin. Ze zal wachten, ze zal nu werkelijk kalm zijn en vertrouwen dat Anna\'s raad de beste is. O, want als Anna haar niet meer liefheeft, dat zou nog erger wezen dan schande of dood!
Eenige oogenblikken later zitten de vriendinnen bij den breeden haard; en, ofschoon de oudste er in geslaagd is de gedachten der jongste wat af te leiden, weldra zal er een andere strijd beginnen, een heviger, een veel heviger strijd; doch â ware er een vreemde in die kamer geweest, hij zou er niets van bespeurd hebben.
âEn toch, ik kan je niet zeggen beste Annie, hoe het mij voortdurend smart dat ik jou, de eenige van wier liefde ik zoo vast overtuigd was, dezen morgen bij dat blijde weerzien een oogenblik kon verdenken. Ach, maar toen Marnix die achterdochtige woorden sprak, toen kwam ook het nare gevoel zoo sterk bij mij op, dat je mij als jaloerschheid hebt leeren kennen. Weet je wat ik dacht ...? Neen Anna, ik dacht het niet, maar er was iets in me alsof het zei: Anna heeft hem lief en.... dat was slecht. â Al was het dan ook duizendmaal een dwaasheid van mij aan neef Oscar, den jonker, te blijven denken, terwijl ik die woorden uitje eersten brief: het over den adellijken slagboom tillen van b naar a, niet vergeten heb; al was het een dwaasheid, toch kon ik hem niet vergeten. Jij weet het Anna; omdat hij mij als kind zijn blondje noemde: omdat hij mij toen waarlijk liefhad. En terwijl jij dat wist, zoogoed als ik zelve, hoe zou jij dan....? Neen Anna-lief, geef mij nóg eens een zoen ten bewijze dat je alles vergeten en vergeven hebt.quot;
âHet bewijs was anders onnoodig, lieve.quot;
ANNA ROOZE. 103
âMaar Anna, toen je hem zaagt, kon je toen niet begrijpen dat ik wel yeel aan hem gedacht moest hebben?quot;
.Zeker!quot;
âHij is natuurlijk veel veranderd, en er is iets in zijn voorkomen dat mij â wel niet bang voor hem maakt, maar toch eenigszins tegen hem doet opzien. Zeg, beste Anna, weet je wat mij, bij al het andere sedert dezen morgen, gedurig als een angel in de borst steekt?quot;
âNeen Emma?quot;
âHet denkbeeld dat ik hem geheel onverschillig ben geworden. Ja. â Begrijp jij niet hoe zulk een gedachte mij folteren moet? Altijd had ik mij zoo kinderlijk voorgesteld dat we elkander bij een wederontmoeten als Emma en Oscarneef in de armen zouden vliegen. â Dat was dom! Op onzen leeftijd gaat dat niet. Maar zóó! â Ach, jij voelt wel hoe zijn alledaagschheid mij treffen moest. â Anna, zeg, zou jij denken.... geloof jij. -. dat hij mij nog een weinig liefheeft?quot;
âLiefheeft....! Hoe weet.... hoe kan ik.... Maar hij heeft je immers nog dezen morgen zijn blondje genoemd?quot;
âAch ja. O lieve God, één zoo\'n woord is waarlijk een verkwikking! En van morgen zei hij ook nog: wat ben je groot geworden; dat was toch ook iets vertrouwelijks. Zeg Annie, kun je niet begrijpen dat ik zulk een jongen vreeselijk liefhad? â Al moest het als een geheim met ons begraven worden, al moeten we samen, zooals we dikwijls spraken, als oude vrijsters op een hofje sterven, ik zou nóg dankbaar aan God zijn dat Ãscar mij eens, als kind, zijn liefste had genoemd. â Anna, zeg, vindt je het toch geen heerlijk edel gezicht?quot;
âJa wel lieve, ja!quot;
âZeg beste, jij.... jij hebt toch nooit, als je zoo met hem spraakt, kunnen bespeuren dat....quot;
âWat Emma?quot;
Emma ziet angstig rond en zegt zeer zacht:
âDat er een andere was, waaraan hij .... op wie hij. . .
âHoe zoo Emma?quot;
âHoe zoo? Waarom zeg je: hoe zoo?quot;
âIk, omdat. ...quot;
âOmdat.... Hoe krijg je zoo\'n kleur Anna? â Ja wel, je krijgt een geweldige kleur. Bedrieg me niet. O God, bemint hij een andere? Anna.... O pijnig me niet, lieve Annie ?quot;
âEmma, zoo waarlijk ik weet er niets van!quot;
âMaar je vermoedt het!quot;
âNeen Emma, ik kan niets vermoeden; ik ken hem immers zoo weinig. Slechts driemaal heb ik hem ontmoet, en... quot;
Emma schijnt ras een besluit te nemen. Aan de vreeselijke marteling, die ze opnieuw te verduren heeft, moet een eind komen. Er was heden foltering genoeg. Daar mag geen zweem van den angel meer achterblijven.
âAnna, zeg,quot; zul je \'t mij aanstonds vergeven dat ik je een vraag
104 ANNA KOOZE.
doe, waarop ik wel zelve kan antwoorden, doch welk antwoord uit den mond van mijn beste Annie mij meer zal waard zijn dan de kostbaarste schat?quot;
j,Vraag maar gerust Emma!quot; zegt de oudste en ziet de donzige vriendin flink in de blauwe oogen.
âNeen ik durf niet.... om....quot;
âEn waarom niet?quot;
âIk meen dan Anna, of iij....quot;
âWelnu?quot;
âJij. .. jij voelt niets voor Oscar Van Breeland, nier waar?quot;
Anna wordt doodsbleek. Zij werpt haar weelderige lokken over den schouder, en zegt, terwijl ze Emma onbeweeglijk blijft aanzien:
âIk? Wel neen Emma. Maar die vraag.
Emma zwijgt eenige oogenblikken. Anna\'s doodelijke bleekheid is haar niet ontgaan. Nu grijpt zs haar hand.
âNiet Anna? Niet? Onwaarheid sprak je nooit, en toch.... Zeg nóg eens neen....quot;
âWas mijn woord niet genoeg? Nu, nóg eens neen Emma, n een!quot;
De deur ging open.
\'t Was juffrouw Marnix die binnentrad.
Een blik op de vriendinnen, overtuigd haar dat zij in een buitengewone spanning verkeeren.
âLieve kinderen....!?quot; zegt ze op half groetenden half vragenden toon, terwijl ze de kamer rondziet.
Jakob, die Juffrouw Marnix heeft binnengelaten, en even een blokje op den haard wil doen, maakt een antwoord der meisjes overbodig:
âHeerejee! een kopje van \'t servies gebroken!quot; roept hij luid: âGosjemijne! die dat gedaan heeft die zal d\'r teugen loopen. Ik wasch m\'n handen in onschuldigheid dames! Maar dit weet ik wel, dat ik liever de heele Maliebaan in brand zag staan dan een van die dingen te breken. â De pendule... . ? Neen! Nou \'t is goed dat die ten minste heel bleef.quot;
In \'t heengaan pruttelt Jakob nog iets van âkinderen en alleen laten, en, nog wel volwassen dames!quot; Als Lien âde keuken-mogolquot; hem nu weer durft zeggen dat zijn handen nog naar den varkenstrog staan, dan zal hij haar vragen of zij eens eventjes op fijne dameshandjes wil letten, die letterlijk geen ding kunnen aanraken zonder het te breken. â Nou, als mevrouw thuiskomt dan zal \'t er rooken, daar kun je op aan!
Jakob hoorde een rijtuig. Er werd gescheld. Daar was ze!
Nu staat hij bij \'t portier.
âVoorzichtig mevrouw, hier is de tree. Een ongeluk zit in een klein hoekje. Voorzichtig!quot;\'
âNiemand geweest Jakob?quot;
âDe dame Manus net thuisgekomen; anders niets mevrouw.quot;
âEi Haverkist, kom nog even mee binnen.quot;
âNeen, dank u mevrouw. Nog wat te werken. Goeden nacht mevrouw.quot;
ANNA ROOZE. 105
,Slaap wel Haverkist. Nogmaals dank voor je trouw geleide.quot; Zachter: âDenk aan onze afspraak. Ik reken op bedachtzaamheid.quot; Luid:
,Jakob, hier is het fooitje voor den koetsier. Zeg hem dat hij mijnheer Haverkist thuisbrengt, bij Janssen, Voorstraat, nietwaarVquot;
âDaar loopt ie al heen mevrouw!quot; zegt de huisknecht, en wijst den student na, die tegen den nijdigen wind in, reeds op een kip-pendrafje zijn weg naar de stad heeft gekozen.
Toen mevrouw Van Riddervoorst weinige oogenblikken later de huiskamer is binnengetreden, kwam de goede juffrouw Marnix haar al spoedig met een vergoelijkend woord te gemoet, want de beide vriendinnen hebben juffrouw Marnix niet zoo spoedig kunnen of willen inlichten dat een andere reden dan die van het gebroken kopje haar zoo bewogen had.
En de onderlip der goede oude dame heeft erg getrild, toen zij de scherven van haar lievelings kopje in de hand nam en aaneen-paste. Maar, ofschoon mede zeer bleek geworden, heeft ze gezegd, nadat ze van haar gebroken porselein snel een blik op de pendule geworpen had:
âWees niet bang, lieve kinderen, dat de oude vrouw knorren zal. \'t Was misschien nuttig voor haar dat zij dezen avond uitging om te leeren wat minder gevoelig te worden bij het vinden van een gebroken stuk porselein, waarop zij zwak had. â Neen, spreek er niet over. Mocht God ze vergeven, die een zwakke ziel verderven en een leven breken voor deze wereld.quot;
Mevrouw Van Riddervoorst was zeer moe en vond het beter in aller belang vroegtijdig naar bed te gaan. Zij wilde liefst niet spreken van hetgeen ze gezien had; het heeft haar zeer geschokt.
Maar die vraag....? Ja voorzeker, zij heeft die gaarne en met blijdschap beantwoord. Wat zij aan Anna gezegd had â zachtjes, dewijl Willem Haverkist er bij was â dat is volkomen waar geweest. Er was geen denken aan dat de ongelukkige man, bij wien zij geweest is, Emma\'s vader zou zijn, en haar laatste woorden waren:
âGoed kind, je zult toch niet gelooven dat de oude vrouw je hierin misleiden zal?quot;
âNeen! neen! O groote God, zekerlijk neen!quot; En Emma is de grijze dame om den hals gevallen, en heeft haar gezoend, en Anna heeft ze gezoend. O, twee molensteenen zijn haar van \'t hart gewenteld: straks een door haar Anna, en nu een door die oude vriendin!
ACHTSTE HOOFDSTUK.
âDe kamers zijn voortreffelijk Willem. We hadden geen beter» kunnen verlangen. Ik hoop mevrouw Van Riddervoorst aanstonds te gaan opzoeken. Maliebaan N0. 14 nietwaar?quot;
106 anna rooze.
âJuist! Gaat u rijden, mijnheer Geereke?quot;
âNeen Willem, \'t zal mij goeddoen eens te loopen. Om kwart voor negenen reden we van De Renghorst weg. \'t Is een heele zit, eerst tot Arnhem en dan met den spoorwagen, vooral voor Ernst met zijn hoofdpijn.quot;
âVan belang, en ook voor u die n zoo gaarne beweegt. Mag ik u brengen?quot;
âHeel gaarne m\'n vrind. â Zeg eens Willem, we zijn nu alleen, vertel me eens eerlijk, hoe vindt je dat mijn beste Ernst er uitziet?quot;\'
âIk____? Als u \'t mij eerlijk vraagt: slecht mijnheer. Ik zei \'em
ook dadelijk dat ik best kon zien dat ie zich lam voelde.quot;
Mijnheer Geereke, die voor het raam van een boven-salon in het hotel des Pays-Bas stond, wendde zich eenigszins van Haverkist af en zegt:
âZoo! vind je dal werkelijk! \'t Was niet goed Willem, dat je het hem zoo ronduit hebt gezegd. Ernst maakt zich zelf ongerust. De reis had hem ook vermoeid. Straks zal hij er beter uitzien.quot;
âWat scheelt hem eigenlijk mijnheer?quot;
âJa Willem, \'t is een zeer ongelukkige kwaal; ik geloof dat er maar één geneesmiddel is....quot;
âSakkerloot, mijnheer Geereke, als er een middel is dan moet hij \'t gebruiken!quot;
âHet geneesmiddel is niet te krijgen, Willem.quot;
âNiet te krijgen, \'t Zal toch ergens zijn. Al zat het aan \'t uiterste hoekje van de Noordkaap, ik zou het er vandaan halen als \'t voor uw zoon was. Maar wat scheelt hem dan toch?quot;
âTrouwe driftige Willem! â Heeft niemand je iets gezegd?quot;
âNeen niemand.quot;
Eenige oogenblikken later weet Willem alles.
In \'t eerst heeft hij geen woorden. Dezen morgen had hij op \'t college van Opzoomer de verklaring hooren geven, waarin volgens den geleerden Schwarz, Lessings onbegrensde âgeestdrift voor de waarheidquot; bestond.
â Geestdrift voor de waarheid!
Als met geweld is de student toen tot den avond teruggevoerd, waarin hij met Anna Rooze dat eenige onvergetelijke en vreeselijke onderhoud heeft gehad. Op \'t college hebben Lessing en Schwarz en de âanti-Goetzenquot; en Nathan dor Weise en Opzoomer zelf, hem â zeer tegen zijn gewoonte â maar weinig geboeid, want, sedert gisteravond was het hoofd hem zoo vol; en nu, na die âgeestdrift voor de waarheidquot; waren de beide meisjes hem niet uit het hoofd te krijgen. â De beide meisjes? Ach ja, aan de bruine van toen, kon hij toch niet denken of de blonde van gisteravond stond er voor of achter. â Je hadt een lied van schoon Elsje, en daar kwam van âpoezel en malschquot; in, maar dit! hé! â Hij zou vier maal vier en twintig uren achter mekaar \'t vervelende college van prof. *** willen bijwonen, als hij maar eens eventjes over dat poezele wangetje tot aan het kraagje mocht strijken. Zoo iets liefs en donzigs had hij nooit gezien!
ANNA KOOZE. 107
âIs Ernst verliefd op juffrouw Rooze?quot; barst hij eindelijk los: âEn heeft ze hem bedankt? Goede hemel! maar.... dan begrijp ik het al. â \'t Is zonde! heeft ze Ernst bedankt....!?quot;
âStil! hij ligt hiernaast. Kom, we zullen gaan.quot;
De beide heeren verlaten het salon; doch, ternauwernood op de gang gekomen, roept er een zachte vrouwenstem:
âGeereke! Kom nog eens hier?quot;
âWat is er KuniraVquot;
âOch Wouter, hij krijgt weer koorts. O die reis! Nu zal het nog erger zijn. Straks zuchtte hij dat hij nu nog verder van dat schepsel verwijderd is. Och dat denkbeeld zal hem hier doodmaken. Waren wij maar op De Renghorst gebleven!quot;
Geereke is verstandig genoeg om niet te antwoorden.
Hij volgt zijn vrouw in de kamer naast het salon, en Willem volgt de ouders.
âKoorts â hum! een klein beetje,quot; zegt de baron nadat hij Ernst, die op de canapé ligt, den pols heeft gevoeld: âJa, dat komt nu zeker van de reis.quot;
âHeb je dorst, beste kind ?quot; vraagt de moeder op engelachtigen toon.
âJa, ergen dorst, ma!quot;
âNou Es, dat treft goed hoor,quot; zegt Willem: âals je dorst hebt dan mot j\'em maar tot overmorgen bewaren, dan hebben we een gloeiend feest bij ...quot;
Maar eensklaps zwijgt hij stil, en begrijpt niet hoe het mogelijk was, dat hij â terwijl de gisteren bijgewoonde tooneelen hem opnieuw den diepsten afkeer voor alle onmatigheid hebben ingeboezemd â dat hij nu op dien luchtigen toon van een feest kon spreken, waar zeker een aantal flesschen zullen worden âlijk geslagenquot; en misschien nog wel andere âlijkenquot; zullen vallen ook.
âNeen Ernst, dat was maar gekheid!quot; valt hij zich zeiven aanstonds in de rede: âJe weet ook wel wat vader Demosthenes van den altijd dorstigen Philippus zei? Niet? Dat ie die eigenschap heel prijselijk in een spons vond. Bah! ik heb gisteravond een kerel in delirium tremens gezien, maar de hemel bewaar me voor zoo\'n akeligheid.quot;
âFoei Willem, je moet Ernst zulke horreurs niet vertellen,quot; zegt mevrouw Geereke snel: âWouter, als je uitgaat loop dan zelf nog eens even bij Loncq aan: hij woont in den Trans. Die hooggeleerde heeren hebben een enorme pretentie met je te laten wachten. Och de lieve heeft erg de koorts.quot;
âWat was dat voor een man in delirium tremens.... wat?quot; zegt Ernst, en slaat de fletse oogen even tot Willem op.
âJa, maar je ma heeft nu liever dat ik niet vertel Es, en om je de waarheid te zeggen dat was mijn plan ook niet. Ik verbeeld mij nu maar een discipel van Pythagoras te zijn met vijf jaren permissie om m\'n mond te houden.quot; â Zachter tot den baron: âDit mag ik echter wel zeggen dat ik het meer dan verschrikkelijk vind dat die zelfde prachtige juffrouw Rooze, die ik gisteren bij mevrouw Van Riddervoorst weerzag â al heeft ze Ernst en mij dan ook
ANNA ROOZE.
honderdmaal den bons gegeveu â dat ze onder de voogdij staat van den grootsten ellendeling, die er loopt, en die een ongelukkigen drommel van een student letterlijk vermoord heeft.quot;
Willem Haverkist heeft dit alles er zoo in één stuk uitgesmeten, dat de baron hem onmogelijk in de rede kon vallen. Met het oog op Ernst en Kunira, zegt hij nu:
âWe zullen onderweg praten, kom! Tot straks Ernst!quot;
Maar Ernst heeft zich een weinig opgericht, en terwijl zijn bleekheid nu door een snel voorbijgaanden blos te sterker uitkomt, zegt hij:
âWat!? Anna Rooze, watV Is die hier? hier hier in Utrecht?quot;
âOf ze hier in de stad is? Zeker! Wist je dat niet? Zooals ik zeg: gelogeerd bij mevrouw Van Riddervoorst, \'t Was me ook niet frisch toen ik haar gisteravond in eens voor m\'n neus had. Kom Ernst, houd je goed. Ik heb al lang begrepen dat niet alles meeloopt in de wereld.quot;
De woorden van Willem Haverkist â zoowel die van straks als nu â hebben niet slechts Ernst Geereke maar ook zijn ouders en vooral mevrouw Kunira, zonderling getroffen en in een vreemde spanning gebracht.
De baron geeft zijn jongen vriend een beteekenisvollen wenk, waarop deze met een handgroet aan Ernst en een snelle buiging voor mevrouw, de kamer verlaat, terwijl Geereke hem nog zachtjes verzoekt, maar even hiernaast op hem te willen wachten.
Willem wacht in het salon vrij lang. Hij heeft den tijd om over alles na te denken. Of hij weer iets gezegd heeft, dat hij had moeten verzwijgen, hij weet het niet. In zeker opzicht moet hij God danken dat die prachtige juffrouw Rooze hém een blauwtje liet loopen. Lieve hemel, wat zou het geweest zijn als hij â Willem Haverkist â de bevoorrechte medeminnaar van Ernst, den zoon van zijn edelen weldoener, geweest was. Hij, die alles: zijn studie, zijn toekomst aan de edelmoedige vriendschap van den baron Geereke is verplicht; die zich voor den baron en de zijnen driemaal dood zou loopen als het noodig was, wat zou het geweest zijn als hij, de âkale dominee\'s jongenquot;, den jonkheer Geereke Van Uland â al was hij ook nog zoo flauw â het liefje voor den neus had weggekaapt! âGoddank, daar heb je nu een mooie oplossing van Eet wereldbestuur, of liever causaal verband.quot;
â Maar.... maar, het lieve donsje met d\'r blonde krullen, ja, die is er toch nog. O, als hij die.. . - in het goddelijk verband aller dingen---- ten minste als ze niet te.... te voornaam -... te....
De jonge Haverkist wordt in zijn overdenkingen gestoord door een vrij luid geroep in de aangrenzende kamer. Hij meent Ernst te hooren en later zeer duidelijk de woorden : âIk wil het haar vragen! Ik wil er heen!quot; Een schreien de barones, ver
neemt hij mede. â Nu hoort
den overloop. â Hij ziet door het venster naar omlaag.
Het koetsje van professor Loncq staat beneden voor de deur. Zóó was het. En de hoogleeraar van wien de medische faculteit getuigt, dat hij de redder zal wezen, indien menschenhulp voor het
108
ANSA ROOZE.
veege lijf nog iets vermag, hij heeft reeds door zijn tegenwoordigheid de kalmte ââ althans voor \'t uiterlijke â in de ziekenkamer hersteld, en verneemt, terwijl hij Ernst nauwkeurig beschouwt, eenige inlichtingen uit Geerekes mond.
\'t Zou verstandig zijn indien de jonker onmiddellijk naar bed ging, heeft professor Loncq gezegd, en uit het weinige dat hij er bijvoegde, zoowel als uit zijn erstigen blik, hebben de ouders mee-nen op te maken dat het erger was dan men gevreesd heeft.
Straks met Geereke in het salon getreden, zegt de professor â terwijl Willem Haverkist nog ginder bij een der vensters staat â dat de toestand van den jonker inderdaad van een anderen aard is dan de ouders en de dorpsmedicus zich hebben voorgesteld, \'t Was zeer wel mogelijk dat de omstandigheid, die de baron hem heeft meegedeeld, eenigen invloed op het physiek van den jonker heeft gehad, doch, dat zij de ziekte deed ontstaan, hij meent het te moeten betwijfelen; \'t komt hem vrij zeker voor dat het zenuw-zinkingkoorts zal worden; men moet hem vooral kalm houden en rust doen nemen.
âIs er geen gevaar bij, mijnheer Loncq?quot; vraagt Geereke schijnbaar kalm.
âVoor \'t oogenblik niet, mijnheer. Trouw doen innemen en kalm houden; zeer kalm.quot;
Omstreeks dien zelfden tijd stond Oscar Van Breeland in het salon zijner tante Van Riddervoorst te wachten.
Met den eersten trein uit Arnhem teruggekomen, denkt hij met den volgenden â en nu waarschijnlijk voor eenige dagen â opnieuw naar Gelderland te vertrekken. Op zijn eigen kamers heeft hij eerst een geruimen tijd gewerkt, en daarna eenige boeken en kleeren in een valies gepakt. Later heeft hij zich met een vigilante naar de Maliebaan doen brengen om er zijn dierbare tante te spreken, en haar goedendag te zeggen aleer hij vertrekken ging. Nadat hij de voordeur is binnengegaan, heeft Jakob de huisknecht hem zijn vragen beantwoord, namelijk dat hij van morgen al vroeg is mee geweest om de oude gouvernante Marnix met de coupé naar het station te brengen, maar dat die twee jongejuffrouwen er nog waren, omdat de eene niet heel fiksch was geworden, of ten minste slecht geslapen had.
, Welke ?
âAls ik me niet vergis de blonde van aangezicht, mijnheer; ten minste de andere is al gedurig bij mevrouw beneden geweest.quot;
âZoo! â is die juffrouw nu ook beneden?quot;
âNeen! boven, mijnheer!\'quot;
âZeg toch aan mevrouw of zij zoo goed zou willen zijn even hier bij mij te komen. â Vriendelijk vragen, Jakob.quot;
âJa wel, maar hier in \'t salon mijnheer! d\'r is nog geen vuur aan.
Waarom gaat uwe niet liever binnen? â Niet? Nou best!quot; âEn heengaande heeft Jakob er bij gedacht: \'tIs vreemd dat die jonge-heeren allemaal zoo bang voor dat mooie goedje zijn. Die bruine
109
110 ANNA BOOZE.
viel me van morgen nog mee ook: net zoo\'n gravin, en uitgeslapen hoor, dat kun je d\'r wel aanzien.quot;
Al spoedig had de oude dame Oscars nieuws vernomen, en heeft hij haar nader gezegd, dat hij opnieuw voor de zaak in quaestie, en nu voor eenige dagen, uit de stad moet.
âJuffrouw Rooze,quot; vervolgt Van Breeland: âdie bijzonder veel belang in de ongelukkige dienstbode van dominee Haverkist stelt, had mij, zooals u weet, schriftelijk aangespoord om de verdediging der zaak op mij te nemen. \'t Was koorn op mijn molen, èe toestemming om haar te verdedigen heb ik reeds ontvangen. Maar nu tante, deze brief? Mijn goede juffrouw Beele weet er van, en aangezien het niet heel zeker is, of niet nog anderen zullen vernemen dat âdie juffrouwquot; aan mij heeft geschreven, zoo kom ik hem u ter lezing en in bewaring brengen, \'t Is uw eigen woord: Men kan met den goeden naam van een jong meisje niet te voorzichtig zijn.quot;
Och, dat vertrouwen doet mevrouw Van Riddervoorst zoo innig goed. â Is het niet alsof hij haar eigen zoon is, die lieve neef!
â\'t Was anders niet noodig Oscar, met den inhoud ben ik bekend.quot;
âU? Hoe hebt u den brief kunnen lezenquot;?quot;
âNiet gelezen, maar wat er in staat dat vernam ik uit den mond der schrijfster zelve. Zij is oprecht.quot;
âZij â ja tante.quot;
âDaarmee bedoel ik geenszins dat Oscar niet oprecht is. Zie me eens aan neef; kom zie me eens aan met die open oogen?quot;
â¢âBeste tante. Hebt u begrepen....quot;
âDaar was geen bijzonder doorzicht voor noodig. Maar zij is niet van adel Oscar. Ik vrees dat papa en mama ...quot;
âTante! ik moet u dringend verzoeken hierover vooreerst niet verder te spreken. Op dit oogenblik mag mij maar ééne zaak bezig houden, en het is die, welke zij mij ter verdediging opdroeg, ü zult mijn geheim bewaren, daar ben ik zeker van. â Voordat ik heen ga, moet ik u nog verzoeken om dit papier eens aan juffrouw Rooze te doen zien; er staan betreffende die zaak een paar vragen in, die ik gaarne eenvoudig met ja of neen beantwoord zag. Voor \'t geval dat zij uw gastvrij huis al quot;verlaten had, deed ik er een couvert om aan La Marnix\' adres. â Dat kan er nu af. Zend mij dat papier, als \'t u belieft, morgen in De Zon te Arnhem â of neen, zend het maar aanstonds naar De Renghorst, ik zal er zeker morgenavond nog wezen. Aan oom heb ik al geschreven dat ik voor zaken overkom. Wie had gedacht dat mijn eerste pleidooi een zoo gewenscht, en bovendien voor een arme Mulderspeetsche zou zijn!quot;
Mevrouw Van Riddervoorst aarzelt:
âOscar, op De Renghorst kun je niet logeeren. Ten minste oom en tante zijn er niet.quot;
âNiet? Waar zijn ze dan?quot;
âHier! Althans zij zouden met den sneltrein in de stad komen, om er eenige weken met Ernst te blijven.quot;
,\'t Is vreemd dat ik er niets van gehoord heb.quot;
ANNA KOOZE
âHet besluit schijnt eergisteren pas genomen te zijn. Gisteravond kreeg ik een brief van oom Geereke. Ernst is ongesteld.quot;
âWat scheelt hem, tante?quot;
De oude dame geeft een eenigazins ontwijkend antwoord. Van Breeland heeft het doorzicht zijner tante:
âTobt hij over juffrouw Rooze? De arme jongen! Heeft zij hem afgewezen misschien?quot;
âJa.quot;
âOch de stakker! â Maar wat dunkt u, zou Ernst na het eerste dames-concert van Mutua Fides niet weer heelemaal beter zijn?quot;
âIk hoop het Oscar. -â Mijnheer Geereke is anders wel te beklagen met zijn goeden vertroetelden jongen. Om zijn vrouw te sparen moest hij al zeer veel toegeven. ISfu weer die reis naar Utrecht, \'t Zal hem een groote opoffering wezen.quot;
âDen tijd, dien ik beschikbaar heb, zoodra ik in Utrecht terugkom, zal ik aan oom wijden. Ik ben oneindig veel aan hem verplicht. Oom is de man geweest, die mij gezegd heeft: wil je als baron Van Breeland wat beteekenen in de wereld, zorg dan dat je wat uitvoert, waar de wereld iets aan heeft. Dat vergat ik nooit.quot;
âIk acht hem hoog. Oscar.quot;
âEn hij zelf doet veel tante, al beklaagt hij zich wel eens dat hij, naar zijn zeggen âonwetend grootgebrachtquot;, zoo weinig kan uitrichten, \'t Is ongelooflijk wat hij daar op die dorre hei met de bruikbare resultaten der wetenschap tot stand brengt. Wel honderd huisgezinnen heeft hij in zijn omgeving van niets tot iets â sommigen zelfs tot welvaart gebracht. En all es bestiert hij in persoon. O, de Hauwheid, de domheid van Ernst moet vreeselijk voor hem zijn. â Maar, het wordt tijd dat ik ga. Ik rijd nog even bij de familie aan.quot; Zachter: âTante, we willen vooreerst niet meer over het gevoel spreken, dat u bij mij onderstelt. U zult dat zeker toestemmen, en nu te meer daar mijn arme Esje eerst van zijn kwaal dient genezen te zijn. â U zegt wel eens: Die gelooven haasten niet, en uw woorden omtrent haar, bewezen mij dat u . . O, ik dank er « voor. Maar genoeg, ik moet voort. Vaarwel!quot; â Hij geeft haar een harte! ijken zoen.
âAls het mogelijk is Oscar, dan deedt je me groot plezier met een lateren trein te vertrekken.quot;
âTante?quot;
âIk moet je raad hebben, neef.quot;
âMijn raad? U?quot;
âSedert men mijnheer Van Breelands rechtskennis zoo hoog gaat schatten, kan ik niet beter doen dan aan hem een consult te vragen. \'t Behoeft niet prodeo te zijn. Ik heb er eerlijk de zes schellingen voor over.quot;
âTante, ik hoor u zoo graag een aardigheid zeggen,quot; antwoordt Van Breeland, en werpt te gelijk een blik vol liefde op de waardige vrouw, die hem van der jeugd af aan zooveel bewijzen van liefde heeft geschonken. En mevrouw Van Breeland waardeert dien blik. Nog nooit is een woord dat naar vleierij zweemde dien fermen jon-
111
112 ANKA ROOZE.
gen over de lippen gekomen. Ofschoon hij onverklaarbaar veel van zijn tante hield, het verwijt van sommigen zijner broers en zusters, ja zelfs van Mama Van Breeland, dat Osoartje â volgens de uitdrukking van een der zusjes â soms allerliefst wist te âsiruppo-teerenquot; was zeker het minst verdiende, dat hem ooit had getroffen. Maar ofschoon er in de residentie bij den staatsraad Van Breeland «en groote vrees bestond, dat zuster Van Ridder voorst met die , dolle zwakkenquot; haar geheele fortuin aan Oscar vermaken zou, âomdat zij een zwak voor hem hadquot;, ofschoon papa Van Breeland daarom in den laatsten tijd â zonder natuurlijk op iets te doelen â allerlei attenties aan zuster heeft bewezen, en de meisjes, mede door handwerken of lieve brieven, nu eens in \'t Engelsoh en dan weer in \'t Duitsch of Fransch, zoo ook door hartelijke visites, het hare hebben gedaan om het fameuze fortuin van tante zoo al niet geheel, dan toch voor het grootste deel te redden, ofschoon men Oscar vriendelijk bleef bejegenen maar in stilte heeft benijd en verdacht, daar staat hij nu â zoo rein als een diamant voor het aangezicht dier edele tante, zijn weldoenster.
Ja, in een zwak oogenblik heeft zij er eens aan gedacht den meest-geliefden neef, waarop ze zulk een betrekking heeft, tot haar univer-seelen erfgenaam te maken, doch, aan de fiksche denkbeelden van recht en wet en billijkheid, die de jonge rechtsgeleerde zoo dikwijls onverholen in haar bijzijn ontwikkelde, heeft broeder Dirk het te danken dat het testament van zuster Van Riddervoorst onveranderd is gebleven â Onveranderd? Ja onveranderd, maar ... Stil! Oscar behoeft niet te weten dat hem aan \'t hoofd der groote en kleine legaten, een kapitaal van honderd duizend gulden benevens de woning in de Maliebaan verzekerd is.
,Het was mijn plan niet een aardigheid te zeggen, neef, ik wou je waarlijk consulteeren. Ga je mee naar de huiskamer; de dames zijn boven.quot;
Oscar ziet op zijn horloge.
,Heeft het zoo\'n haast tante?quot;
,De reis naar Arnhem zal dunkt mij toch minstens twee uren kunnen uitgesteld worden?quot;
âZeker tante, vergeef mij! ik zal met een lateren trein vertrekken, en kan dan toch van avond nog te Mulderspeet zijn. Neem mij niet kwalijk, de zaak van Hanneke Schoffels vervult me zoozeer, en bovendien, ik nam mij voor, juffrouw Rooze niet meer te ontmoeten.quot;
âDan zullen vtf voor alle zekerheid hier blijven. Zal ik eerst vuur doen aanleggen?quot;
âVoor ü, tante?quot;
âNeen, wat mij betreft, de koele atmosfeer doet mij goed, maar ik zal toch de deur toedoen----quot;
Oscar voorkomt haar.
Mevrouw Van Riddervoorst zet zich in een voltaire. Oscar blijft achter een stoel met de hand aan de leuning tegenover haar staan.
âHeb een oogenblik geduld, beste neef, ik moet je een treurig
ANNA KOOZE.
verhaal doen; maar ik twijfel niet of je zult aandachtig willen luisteren, vooral wanneer ik je zeg dat dit verhaal de zaak moet toelichten waarover ik je raad wil inwinnen, het consult namelijk â dat mede in \'t belang van juffrouw Rooze zal zijn.quot;
/y
NEGENDE HOOFDSTUK.
âJe weet Oscar,quot; zoo vangt mevrouw Van Riddervoorst aan, terwijl haar neef haar met de meeste belangstelling beschouwt: âje weet dat de ongelukkige Otto Van Wall zich in den laatsten tijd te Utrecht heeft opgehouden en met kramerijen in den omtrek liep. De belichten die ik nog onlangs omtrent hem inwon, waren: dat hij bijna alles wat hij ontving en \'t geen hem nog door ons werd toegevoegd, \'t zij met een dronkemans-goedhartigheid weg gaf, of aan den heilloozen drank verkwistte. Ofschoon ik niet van voornemen was om mijn hand geheel van hem af te trekken, en ik zelfs een paar malen in \'t geheim zijn schulden in zijn kosthuis betalen deed, zoo had ik toch â reeds jaren lang â de stelligste orders gegeven om hem niet meer over den drempel te laten. â Hij was een onverbeterlijke dronkaard. â Gisteravond nu, komt Willem Haverkist mij op \'t onverwachtst verzoeken om bij den ongelukkige te willen komen. De goedhartige jongen had hem op straat gevonden en naar zijn kosthuis gebracht. En, daar moest ik dan den zoon van mijn vroeg ontslapen vriendin Geertruide Boogerstraatten, den zoon van den doctor in de letteren Udo Van Wall in den dierlijksten toestand op zijn ellendig leger vinden!quot;
âHeeft Willem u daar durven roepen en brengen tante?quot;
,\'t Was goed van hem; de man gevoelde dat hij sterven zou, en had letterlijk gejammerd dat ik komen moest. Ja, de herinnering aan dat tooneel heeft mij bijna den heelen nacht den slaap uit de oogen gehouden, maar ik dank de Voorzienigheid dat ik er geweest ben. Tusschen twee schrikkelijke aanvallen in, had hij zeer lucide oogenblikken Oscar, en ...quot;
âTante, wilt u een glas water?quot;
âDank je, ik voel mij wel. â Hij greep mijn hand en gaf te kennen dat hij met mij alleen wilde zijn. Aanstonds verzocht ik de waardin en nog een paar menschen die zich in het dof en dompig kamertje bevonden, ons te verlaten. Willem mocht blijven; en ofschoon ik niet bevreesd was, zoo schonk zijn tegenwoordigheid mij toch een merkbaren steun. Tante wordt oud Oscar. â Willem is een hartelijke jongen.quot;
âEn....?quot;
âOfschoon de stem van den ongelukkige zóó vreeselijk heesch
VI. 8
113
114 ANNA EOOZE.
was, dat de woorden er somtijds geheel onverstaanbaar door werden, en ik hem zelfs gedurig raoost te hulp komen waar het vervolg, naar \'t mij toescheen, wel te raden was; ofschoon ik een paar malen al mijn krachten moest inspannen om daar in dat akelige vertrek, bij het zien van dien ellendigen maar eertijds zoo veelbe-lovenden Otto, de noodige kalmte te bewaren, zoo mag ik nu God prijzen dat ik ten einde toe een verhaal kon aanhooren en dikwijls uitlokken, dat een sombere verborgenheid aan \'t licht heeft gebracht.quot;
Oscar zeide niets; hij liet de oude dame even den tijd om zich van een merkbare ontroering te herstellen. Nu herneemt zij:
âJij Oscar, herinnert je immers de geschiedenis van dien Otto?quot;
âIk meen ja, tante: na den dood van zijn ouders liet zijn familie hem te Groningen studeeren. Als ik wel heb studeerde hij slecht; maakte schulden....quot;
âNeen, in den beginne heeft hij wel gewerkt; althans zijn propae-deutisch examen moet hij zelfs met den meesten lof gedaan hebben, maar schulden heeft hij gemaakt, dat is zeker. De familie had al spoedig veel verdriet van hem. Geheel en al gedemoraliseerd, heeft men hem eerst, in de hoop dat hij zich beteren zou, bij een boer besteed.quot;
âDat weet ik tante, toen hebt u hem later aan papa gerecommandeerd en is hij een blauwen Maandag bij Financiën geweest. Om luiheid en allerlei andere redenen weggejaagd, nam hij dienst als koloniaal; moet te Harderwijk gevochten hebben; is daarna lang ziek geweest en werd toen naar de Ommerschans geëxpedieerd.quot;
âJuist; en nadat hij ontslagen werd, en ook mijnheer Alexander Van Wall zoowel als mijnheer Burkselhuis in den Haag, nog al het mogelijke gedaan hadden om hem op een beter pad te brengen, zoo is hij, onmachtig om aan zijn verderfelijken hartstocht het hoofd te bieden, hoe langer hoe ellendiger geworden....quot;
âIk weet het. â Is hij doodVquot;
âVan morgen kreeg ik een klein briefje van Haverkist, waarin hij mij meldt, dat de ongelukkige dezen nacht te vijf uren bezweken is. De goede Willem voegt er bij dat zijn laatste verstaanbare woord, een zegenwensch was over allen, die het goed met hem gemeend hadden, en ook over hen die zijn ongeluk bewerkten. Vindt je tante langdradig Oscar, omdat je alweer op je horloge ziet?quot;
âBeste tante, ik doe het in gedachten. Maar \'t is waar, ik ben zeer verlangend te hooren wat er is dat juffrouw Rooze betreft.quot;
âNog een oogenblik beste neef. Het mag onverstandig zijn geweest, maar toen ik den ganschen nacht wakker lag met het too-neel van gisteravond voor oogen, toen overviel mij de gedachte aan de mogelijkheid dat ik, evenals mijn beste papa, eensklaps in een attaque zou kunnen blijven. Misschien hierdoor, maar zeker mede door het denkbeeld gedreven dat het in geen geval kwaad zou zijn indien ik kort maar geregeld opschreef wat Otto mij openbaarde, â dewijl mijns inziens zijn verklaring in rechtsbanden behoort te wezen â zoo was ik al vroeg in de kleeren, en schreef de zaken
ANNA ROOZE. 115
op, die mij nu nog versch in het geheugen liggen, en die de oude vrouw misschien al spoedig minder helder voor den geest konden staan.quot;
Oscar Van Breeland ziet zijn tante eerst een papier en daarna haar schildpadden bril met de groote ronde glazen te voorschijn halen. Nadat zij den bril heeft opgezet, zegt zij:
âLuister dan neef; op het papier moest ik zakelijk zijn.quot;
Alsof zij niet goed zien kan, maar inderdaad om een opkomende aandoening te onderdrukken, houdt de oude dame het papier eerst op tamelijken afstand, en dan weer wat dichter bij. Na een diepe ademhaling vangt nu mevrouw Van Riddervoorst â die van \'t jaar 99 is â de lezing aan van haar met vaste hand en fraaie letter geschreven Memorie:
âOtto Van Wall, de zoon van Dr. Udo Van Wall en Geertruida Boogerstraatten, liet my den li111quot; December 1859 des avonds ten Negen Uure roepen. Ik vond hem in een betreurenswaardigen staat. Het deed my seer aan....quot;
âMag ik net lezen tante? Het kost u moeite.quot;
âOch, mijn goede moeder was ook zoo als zij iets voor moest lezen dat- .. \'t Is zoo\'n beving van de lippen. Ja, als jij het doen wilt, ziedaar.. .
Terwijl tante door de groote brilleglazen nu eens naar het plafond en dan weer naar den neef ziet, vervolgt Oscar snel en dikwijls binnensmonds als voor zich zei ven:
âIn een herbergje genaamd: De Vliegende Bot, lag hy, en sprak woorden zonder zamenhang; deselve waren in delirium tremens uitgebragt. Allengskens kende hy my en heeft my onsamenhangend de naavolgende verklaaringe gedaan: In den jaare 1842 was hy by extra verteeringe aan de Academie door eenen man, die wel eens zaaken voor de Studenten deed, en die (herinnere ik my wel) Geert Hol- of Halmena was geheeten, op de Gedachte gebragt by eenen Geldschieter Gelden te leenen op Intereste. Deeze man heeft hem steeds meerdere Gelden geleend totdat hy eyndelyk in een diepen Schuld was geraakt. De man wiens naam Geert Hol- of Halmena was, raadde hem aan de Verschuldigde Gelden terug te geeven, suilende anders de heer Lyning. ..Van Breeland houdt eensklaps stil.
âLees nu verder Oscar: Zullende anders de heer Lijning....quot;
âIs dat de oom van ...quot;
âWij begrijpen het beiden: Lees nu!quot; En Oscar hervat:
âSullende anders de heer Lyning hem zekerlyk door den Geregte doen vervolgen of doen arresteeren.quot; â âMaar tante, dat kan toch de oom van...quot;
âLees nu ten einde Oscar. Dit is de zaak; straks zullen we spreken.quot;
De advocaat vermant zich en leest:
âTot den uyterste gedreven, heeft toen Otto Van Wall aan zynen neef Marter, die te Mieriksma naby Groningen Ontvanger der belastingen was, eene Somme Gelds ter leen gevraagd, ten eynde den Geldschieter te kunnen voldoen. Marter had hem deselve echter
116 anna eooze.
geweygerd aangezien zyne middelen zulks niet verooreloofden. Genoemde Geert heeft â gewisselyk op last van den Geldschieter, ofschoon hy zeyde zonder desselfs medeweten â hem den voorslag gedaan: de Landsgelden uyt de Kasse van den Ontvanger Marter te Mieriksma te nemen, opdat de heer Lyning voldaan en Van Wall buyten de gyzeling zoude blyven. Op sekeren nacht toen Van Wall by zynen neef Marter in een benedenkamertje logeerde, heeft hy, terwyl men sliep, zacht op zyn vengster hooren kloppen en wist wat het beteekenen moest. Opgestaan, heeft hy zich in stilte naar de voordeur begeven, deselve opengemaakt en den genoemden Geert Hol- of Halmena binnengelaten. Tesamen naar het comptoir gegaan, heeft de vreemde de Secretaire, waarin de Landsgelden zich bevonden, met eenen valschen Sleutel geopend, en eene waarde aan Banknooten en Geld daaruyt genomen, die Van Wall niet iuste te bepalen wist, maar indien ik my niet bedriege, op Drie duyzend Gulden schatte.quot;
,Tante! die naam Marter?quot; valt Oscar uit, alsof hem eensklaps iets van lang vervlogen tijd werd herinnerd.
âWil eerst ten einde lezen,quot; antwoordt de dame; âmisschien zal het mij opheldering besparen.quot;
Oscar vervolgt:
âNaar de onderrigtinge van Geert Hol- of Halmena, heeft Van Wall een paar kleine Banknooten in de lade van een comptoir-kastje, onder eenige papieren van den Ontvanger Marter, verborgen;-vervolgens den vreemde weer ter deure uytgelaten, en nadat deselve met de Gelden vertrokken was, zich in alle stilte te bedde begeven. Slechts de Vreeze van gegyzeld te zullen worden, had den jeugdigen student tot deze daad aangespoord, wyl zyne familie hem Gelden voor zyne dépenses weygerde, en hy de belofte van genoemden Geert ontvangen had Twee honderd Guldens te zullen bekomen. Het was maar Landsgeld had men gezegd, en als hy later ryk werd misschien, zoude hy het aan de Staatskasse kunnen terugzenden, zooals meermalen geschiedde.
âDeze is de verklaaringe van Otto Van Wall geweest, (mede aangehoord door den Heere Willem Haverkist, student alhier) met de bede om ontferminge aan hen, die hy ongelukkig maakte.
âDoor my geschreven den 12lcn December 1859 te Utrecht.
âDouairière O. G. Van Riddervoorst,
âgeb. Van Breeland.quot;
Het was natuurlijk dat Oscar, na de laatste regelen van tantes geschrift te hebben gelezen, snel uitkwam met de woorden:
âTante, heeft hij niets meer van dien Lijning gezegd?quot;
âJa toch Oscar, terwijl hij een paar malen zoo wonderlijk sprak van een kind dat hij zocht, en dat hem zijn geluk zou hergeven, riep hij ten laatste met een stem, die mij waarlijk nog huiveren
anna booze. 117
doet; Ik heb liem weergezien, die me ellendig maakte, te Mulderspeet, op De Runt.quot;
,0p D e Runt!quot;
âJa Oscar, en hij sidderde bij die woorden. Haverkist moest toep, op zijn verzoek, uit een vuile portefeuille een briefje te voorschijn halen. Dat briefje, in verband met hetgeen ik reeds met juffrouw Rooze sprak, alsook met Otto\'s herhaalde verzuchting om zijn kind, gaf mij de zekerheid dat de arme man in een zonderlinge dwaling verkeerde, en meende dat onze kleine Emma het kind zou wezen eener schuldige liefde uit zijn studententijd.
âZie Oscar, dit geschrift wordt, dunkt mij, ter bevestiging zijner woorden, een niet onbelangrijk documeut, want, zoowel het schrijven van juffrouw Rooze aan de eene zij, als de aanbeveling van den Mulderspeetschen burgemeester Le Village aan de andere zij van het papier, bewijzen dat de ongelukkige Otto werkelijk nog zeer onlangs â zie, 8 December 1859 â op De Runt is geweest, en dat die zelfde mijnheer Lijning, juffrouw Roozes voogd, de woekeraar is, die hem in vroeger jaren door geld-leenen ten val bracht.quot;
Van Breeland tuurt nu eens op Anna\'s inderhaast met potlood geschreven briefje, waarin hij aanstonds haar hand heeft herkend, en dan weder op Le Villages aanbeveling aan de andere zij van het papier; en, een reeks van gedachten vliegt hem door \'t brein.
âTante, heeft Willem in die portefeuille ook iets gezien dat naar een quitantie geleek? â Eenig schrift van dien Lijning, of van Geert Hol- of Halmena waarvan u sprak?quot;
âDat weet ik niet Oscar.... Of ... ja, \'t zou moeten zijn een papiertje, dat ik toevallig zag, toen Willem naar dit schrift van juffrouw Rooze zocht. Daarop stond alleen:
âDen Heer o. van wall.
Op Dato met ÃEd. afgerekend tot slot van rekening:
UEd. Dw. Dr.quot;
terwijl de handteekening, uit een tien- of twaalftal aaneengesloten schuinsstaande streepjes bestaande, niet te lezen was.quot;
âEn die datum?quot;
âIk zag er geen. \'t Was een vreeselijk gesleten papier.quot;
âTante, vergeef mij dat ik in strijd met mijn eerste voornemen, juffrouw Rooze weusch te spreken aleer ik naar Gelderland ga. U zult dit toestemmen zoo ik hoop; ik moet haar beschermen tegen dien ellendigen voogd.quot;
âIk heb er niets tegen. Mijn beste altijd bezadigde neef zal verstandig handelen, daar ben ik zeker van. Het was immers mede in juffrouw Roozes belang dat ik je zelve deze mededeelingen wenschte te doen m\'n vrind, en hoewel ik begrijp dat je gansche ziel aanstonds moest vervuld zijn met de wees, wier toekomst door een slechten bloedverwant....quot;
âGeen bloedverwant tante. Haar moeder was een freule Moreel; de vrouw van dien schurk bestaat haar slechts in den bloede.Neem mij niet kwalijk tante, dat ik u in de rede viel.quot;
118 ANKA ROOZB.
, Ik wilde eigenlijk zeggen Oscar, dat er door hetgeen ik je meedeelde, nóg een zaak aan \'t licht kwam, die zeker in geen mindere mate onze belangstelling verdient. Hoe weinig dacht ik beste neef, wanneer ik je in den laatsten tijd over het onrecht hoorde spreken, dat er met de wet in handen zoo dikwijls gepleegd wordt, hoe weinig dacht ik toen dat ik aan het sterfbed van een ongelukkige zou staan om er de vreeselijke bevestiging dier waarheid te vernemen.quot;
De zon, die juist doorbrak, teekende zeer heldere glanzen op de brilleglazen der oude dame.
âTante u bedoelt? Zou het mogelijk zijn?quot;
âDe geschiedenis van Marter, van den ontvanger die, zooals je hoorde, door Otto zelf met behulp van dien Geert werd bestolen; die treurige geschiedenis, waarover altijd een sluier heeft gelegen, en, na zoovele jaren, evenals de zwakke Marter zelf in het vergeetboek was geraakt, die geschiedenis is nu eensklaps tot volle klaarheid gekomen. Duidelijk is het tiu gebleken: dat Marter werkelijk onschuldig was, en dat hij aizoo vele vreeselijke maanden onschuldig in een gevangenis heeft doorgebracht.quot;
Een glans van verheven triumf, vermengd met de uitdrukking van afgrijzen was er op Van Breelands gelaat te lezen:
âVele maanden onschuldig tante! Ha! Ik bid u, verhaal er mij meer van.quot;
De deur werd behoedzaam geopend:
âO, is u nog hier mevrouw?quot; zegt Jakob: âDaar is mijnheer Geereke Van Uland mevrouw. Omdat ik niet zeker wist of u nog hier waart, heb ik mijnheer maar in de spreekkamer gelaten.quot;
âZijn de dames in de achterkamer Jakob?quot;
âVraag wel ekskuus mevrouw.quot;
âBoven?quot;
âOm u te dienen.quot;
âVerzoek mijnheer Geereke dan aanstonds in de huiskamer te gaan, en zeg boven aan juffrouw Rooze, of zij zoo goed wil wezen even hier te komen, omdat er iemand is die haar spreken moet. â Nietwaar neef?quot;
âJuist tante!quot; â Oscar staat in gedachten verzonken.
âMeent mevrouw de mooie dame met de bruine haren, of de
blonde die----quot; t . i n k -
âJe zegt maar eenvoudig juffrouw Rooze, Jakob. Ãn begrijp mij wel, wanneer je mijnheer Geereke in de huiskamer hebt gelaten, dan vraag je juifrouw Rooze hier te willen komen, omdat er iemand is die haar spreken moet.quot;
âJa wel, heel bestig mevrouw. â Zeggen wie d\'r is?quot;
Oscar wisselt een snellen blik met zijn tante, en mevrouw zegt:
âNeen Jakob, niet noodig.quot;
Terwijl mevrouw Van Riddervoorst op Oscars vragen nog snel eenige nadere inlichtingen omtrent de treurige zaak en het lot van den Mierikmaschen ontvanger geeft, laat Jakob den baron Geereke in de huiskamer; gaat dan naar boven, en, na een tikken op de deur der logeerkamer, vraagt hij, of juffrouw Rooze als je blief eens
ANNA ROOZE.
in de huiskamer zou willen komen, want dat er een heer was om haar te spreken.
Toen Jakob mijnheer Geereke in de huiskamer liet, toen heeft hij het al heel dom van zichzelf gevonden, dat hij eerst meende dat mevrouw met hier; \'t salon zou bedoeld hebben. Mevrouw heeft â volgens Jakob â natuurlijk gedacht: als Jakob mijnheer Geereke in de huiskamer heelt gelaten, dan zal hij zeggen waar de bezoeker is daar is hier, en zie, dus moet hij ook natuurlijk aan de juffrouw vragen om in de huiskamer te komen. Mevrouw zelve had immers in \'t salon een onderhoud met den jonker, en, Jakob heeft, al klimmende, een paar malen met zelfvoldoening aan zijn rechterbakkebaard geplozen â die precies zoo mager als de linker en pas een halfjaar oud was.
Mevrouw Van Riddervoorst kon niet vermoeden dat haar huisknecht â ofschoon ze wel weet dat hij wat eigenwijs is â tot zulk een conclusie komen en daardoor haar logé aan een ontmoeting zou blootstellen, waarvoor ze haar zoo gaarne heeft willen behoeden.
Belangstelling in het schoone meisje, dat haar zelve met weinige woorden haar verhouding tot de familie Geereke had meegedeeld; de zucht misschien om haar, die op den geliefden neef zulk een indruk heeft gemaakt, nog méér van nabij te leeren kennen; de wensch van professor Van der Kolk dat zij haar verblijf in Utrecht een paar dagen verlengen zou, dit alles heeft de gastvrije vrouw, in overleg met juffrouw Marnix, doen besluiten om, met terzijdestelling van het gerezen bezwaar waartegen men waken kon, de beide vriendinnen nog een drie vier dagen bij zich te houden, terwijl La Marnix intusschen op De Riethof teruggekeerd, nadere plannen kon beramen in \'t belang van haar geliefde pupil.
Neen, mevrouw Van Riddervoorst die Anna eerst in \'t salon wilde afwachten, om haar te waarschuwen dat Geereke zich in de huiskamer bevindt, de goede dame kan niet vermoeden dat haar boodschap zoo geheel verkeerd wordt overgebracht.
âGoed, ik zal komen,quot; antwoordt Anna op het verzoek van den huisknecht. En dan tot Emma: ,\'t Zal professor Van der Kolk zijn. Tot straks! We zullen het kort maken, hoor!quot;
Toen Anna eenige oogenblikken later om het kamerschut heen, in de huiskamer trad, bleef zij eensklaps als roerloos staan, want het was haar alsof een ijzeren vuist haar tegen de borst stiet.
Daar stond hij, de man wiens achting en vriendschap zij op zulk een hoogen prijs stelt, doch dien ze nu aanstaart alsof hij haar vijand is.
Ofschoon in den aanvang hevig ontsteld, begrijpt zij echter terstond dat een misverstand haar met den baron te zamen bracht, want, het is niet mogelijk dat een man als mijnheer Geereke haar zou te spreken vragen, zonder zich althans bij haar te laten aandienen. â Tevens beseffende dat het kinderachtig en onbeleefd zou wezen, wanneer zij zich zonder een enkel woord te spreken verwijderde, vermant ze zich en zegt:
âHet zal mevrouw Van Riddervoorst zeker veel genoegen doen
119
120 ANNA BOOZE.
u te zien, mijnheer Geereke. Gisteravond vernam ik van mevrouw dat u in de stad werdt verwacht.quot;
Toen Geereke zich straks deed aandienen, in stee van aanstonds naar binnen te gaan zooals hij gewoon was, had hij juifrouw Rooze daardoor de gelegenheid willen geven om zich voor zijn komst te verwijderen, indien ze zich in \'t gezelschap van haar gastvrouw bevinden mocht.
In de huiskamer gelaten en er niemand vindende, heeft hij het allerminst verwacht haar het eerst te zullen zien binnentreden. De indruk van Anna\'s onverwachte komst staat mede een oogenblik op Geerekes gelaat te lezen:
â\'t Is zeker een merkwaardige samenloop van omstandigheden, juffrouw Rooze, die ons in de huiskamer van mijn brave oude vriendin te zamen brengt.quot; zegt hij zich herstellende: âIk dacht dezen morgen nog in \'t voorbijrijden van De Runt, dat u daar waart, en het allerminst dat u de logee van mevrouw Van Ridder-voorst zoudt zijn. Men zeide mij dat uw gezondheid.... Is u beter als ik vragen mag?quot;\'
De baron had dus reeds van haar gehoord. Vermoedelijk in het hotel.
âJa, ik ben beter mijnheer Geereke. Is uw familie.... is mevrouw. ...quot;
Anna gaat niet voort. Ware de overste Bel present geweest, hij zou gezegd hebben: dat heb je van die banaliteiten.
âNeen juffrouw Rooze, bij ons is niet alles ...quot;
De baron die, met de tafel tusschen beiden, nog tegenover het schoone meisje staat, en haar niet tot plaatsnemen heeft uitgenoo-iligd, omdat hij te recht begrijpt dat zij zich zonder het te willen in zijn gezelschap bevindt, de baron eindigt den volzin niet; wendt den blik naar buiten, en zijn kiesch gevoel strijdt geweldig met zijn innige liefde voor den eenigen zoon. â Immers, kalm houden, heeft professor Loncq gezegd; en, toen de koorts zich verhief, toen had Ernst als waanzinnig geroepen: âWanneer zij niet hier komt, dan wil ik er heen.quot; Later uitbarstende in schreien heeft hij alweder geijld, dat hij anders sterven moest, omdat mama hem met een spijker op het hoofd tikte, en altijd al harder en harder.
In dien toestand heeft de baron zijn jongen verlaten, verlaten met de bede der vreeselijk angstige moeder, dat hij juffrouw Rooze om Godswil bewegen zou mede te komen, al was net dat zij zich slechts even aan den armen zieke vertoonde.
En met het besluit om de oude helderdenkende vriendin eerst te raadplegen, hopende dat zij in \'t eind op de haar eigene kiesche wijze aan juffrouw Rooze een voorstel zou willen doen, is de baron in allerijl naar de Maliebaan gereden.
In tweestrijd met zich zeiven, blijft Geereke nu nog een oogenblik naar buiten staren, en dringt met geweld een traan weg, dia hem opwelde in het mannelijk oog.
âIs mevrouw Geereke zoo ernstig ongesteld mijnheer?quot; vraagt Anna zacht.
ANNA KOOZE. 121
Nu ziet hij haar aan; en in haar schoone oogen leest hij een ongeveinsde belangstelling:
âZij niet, juffrouw Rooze. Mijn zoon is ziek. â Wij vreezen ernstig ziek.quot;
â Ernstig ziek! Anna verbleekt, en denkt: Dus heeft oom Lijning waarheid gesproken.
,Tot eergisteren maakten wij ons niet bezorgd, ofschoon hij niet vroolijk was; maar de reis schijnt hem nadeelig te zijn geweest.quot;
â Tot voor eergisteren heeft de familie zich niet bezorgd gemaakt, dus: oom Lijning heeft toch onwaarheid gesproken.
,Het doet mij zeer leed te hooren dat de jonker ziek is mijnheer. Gelukkig dat u hier zulke knappe mannen kunt spreken.quot;
âZeker, juffrouw Rooze!quot;
De laatste woorden hebben Anna inwendig doen beven. Niets bijzonders heeft hij gezegd, maar \'twas haar toch alsof zij het verwijt hoorde: Zeker, anderen zullen hem herstellen, maar gij, gij zijt oorzaak dat hij ziek werd.
Anna hoorde dit verwijt, en het was de weerklank van anderer oordeel in haar borst. Maar, de baron heeft het niet bedoeld. Hij was immers verstandiger dan zijn Kunira; hij heeft Anna voor zijn jongen tot vrouw begeerd met waarachtige vaderliefde, maar, dat zij zijn kind niet begeerde, hoe kon het haar ten verwijt zijn!
âJuffrouw Rooze,quot; herneemt de baron nu hij Anna bewogen den blik ziet neerslaan: âtoen ik dezen morgen met mijn familie in Utrecht kwam, toen wist ik niet dat u in de stad waart; ik heb het u reeds gezegd. U hier eensklaps voor mij te zien, het trof mij zeer, maar â ik dank er God voor.quot;
âMijnheer Geereke....quot;
âVergeef mij indien uw verplichtend blijven en de hernieuwing van een vroeger ontvangen indruk, mij stouter maken dan ik gedacht had te zullen zijn. Neen, vrees toch niet dat ik uw gevoel zal kwetsen. Ik eerbiedig uw besluit, al zeg ik u dat het mij zeer, zeer smartelijk heeft getroffen. â Het mocht niet zoo wezen. Uw hart behoort misschien een ander, en....quot;
âIk bid u, mijnheer... quot;
âJuffrouw Rooze, zoo ik woorden spreek, die u niet van mij ver wacht, en snaren aanroer die u pijnlijk treffen, bedenk dan dat ik door een mededeeling betreffende den toestand van mijn kind diep werd verslagen.quot;
Weer ziet de baron naar buiten. â O God, het geldt zijn eenigen jongen!
âU waart zoo vriendelijk voor mij, mijnheer Geereke, en ik moest wel ongevoelig zijn als ik niet deelde in uwe smart. Maar is de toestand van den jonker dan zoo ernstig? Gevaarlijk tooi; niet?quot;
Slechts weinige oogenblikken later weet Anna alles. Baar open oog, haar gansche persoon hebben den baron tot spreken gedrongen.
âJuffrouw Rooze, als mijn kind nu rust en kalmte behoeit,quot; besluit Geereke: âen een onstuimig verlangen om u slechts even te zien, hem met een onrust vervult, die misschien zijn leven in gevaar
ANNA KOOZE.
brengt, zou de bede van een angstige moeder dan geen weerklank bij u vinden als zij u vraagt: och kom hem een enkelen keer bezoeken, als een zuster van barmhartigheid.quot;
Eenige oogenblikken blijft het stil:
âMaar... . zou. ... mevrouw Geereke ...quot; zegt Anna ten laatste aarzelend â want de woorden van den praatzieken tuinman in de diligence vergeet zij niet: âzal waarlijk mevrouw Geereke niet bevreesd zijn dat ...quot;
,[k zou mij zeer bedriegen, juffrouw Rooze, zoo de moeder u niet desnoods op hare knieën de bede kwam herhalen, wanneer ik met een weigering tot haar moest terugkeeren.quot;
âMaar. zal mijn komst uw zoon niet misleiden, mijnheer Geereke, wanneer later ...quot;
âIk versta u, maar als zijn vader u zulk een liefdedienst komt vragen, vertrouw dan ook dat hij zal waken voor de vrijheid van cw hart. God weet het hoe ik u zou hebben liefgehad als de leidsvrouw voor mijn goeden jongen; maar nu â als hij u maar ééns heeft gezien, dat zal hem rust geven. Wanneer bij hersteld zal zijn, dan zullen wij hem zoeken te troosten, en hij zal uw besluit leeren eerbiedigen, om later, zoo wij hopen, een meisje te vinden, dat hem uw gemis. ..quot; De baron wendde zich weer af; hij, de flinke man had het bitter te kwaad; en, op een zachten maar toch eenigszins ontstemden toon voegt hij er bij:
âOns kind heeft zijn gebreken, hij is niet wat zijn vader zoo vurig had gewenscht, maar juffrouw Rooze, als hem iets tot eer kon verstrekken, dan is het zeker de liefde, die hij voor u had opgevat.quot;
Mevrouw Van Riddervoorst kwam haastig binnen.
Zij vindt haar vermoeden bevestigd.
Na den baron te hebben verwelkomd, zegt zij tot Anna:
âEr heeft een vergissing plaats gehad. Wij wachtten u in \'t salon. Er is iemand die u wenscht te spreken.quot; En zachter: âdezelfde die op uw verzoek de verdediging van het beschuldigde meisje op zich zal nemen.quot;
Onbekend met het gesprek, dat er reeds tusschen den baron en haar schoone logé heeft plaats gehad; in de hoop zelfs dat Anna pas even vóór haar in de kamer is geweest, geeft mevrouw Van Riddervoorst haar bij de laatste woorden een wenk, die door het meisje wordt verstaan en waarvan ze gretig zal gebruik maken:
âMijnheer Geereke,quot; zegt ze snel: âwat mij door u gevraagd werd weiger ik niet; zoo noodig reken op mij.quot; En, met een lichte nijging verlaat zij haastig de kamer.
In de breede marmeren gang gekomen, drukt Anna zich de beide handen voor de oogen:
â Vrijheid! vrijheid voor haar hart? â Die brave edelman zal er voor waken! O! â En Emma heeft nog dezen morgen over âhaar Oscarquot; gedweept, en bedriegt Anna zich niet, dan is het Oscar die haar ginder wacht. O die vrijheid van het hart! Terug! â Zij mag, zij wil hem niet meer ontmoeten; de kracht kon te kort schieten.
122
ANNA KOOZE.
Immers, zij heeft dien jonker lief, liever dan zich zelve. â Hoe! hem beminnen? Neen zij bemint hem niet. Neen! Welnu, waarom zou ze hem dan niet te woord staan! Ginder wacht hij, en hij moet haar sproken â over de zaak der arme Hanneke. Voorwaarts! Goddank, nu is zij weer sterk. Voorwaarts!
TIENDE HOOFDSTUK.
âEn in weerwil van dit alles, mijnheer Van Breeland, verzoek ik u nogmaals dringend mijn arme tante te sparen, en af te zien van stappen tegen oom Lijning in mijn belang; stappen, die voor tante misschien de noodlottigste gevolgen konden hebben.quot;
,Juffrouw Anna, dus vertrouwt u mij niet. â O vergeef me, maar terwijl ik u zeide dat ik den naam van dien man alleen reeds daarom zou sparen omdat hij uw oom is; dat ik niet dan in overleg met professor Van der Kolk in \'t belang van uw tante dacht te handelen; wanneer ik er nog bijvoeg, stellig te gelooven dat de invloed van dien man uw tante in zulk een droevigen toestand bracht; indien ik u plechtig verzeker dat de zaak, die ik u met goedvinden van mijn tante Van Riddervoorst mededeelde, niet meer vervolgbaar is, daar zij reeds verjaarde volgens de wet; en eindelijk dat uw oom Lijning toch nimmer om deze zaak, al ware zij niet verjaard, zou kunnen vervolgd worden; wanneer ik u dit alles als waarheid....\'\' ,0, ga zoo niet voort, mijnheer Van Breeland; immers zeer zeker vertrouw ik u, maar....quot;\'
,\'t Was slechts bezorgdheid voor de uwen die u zoo spreken deed, is het niet? â En ook een verzet tegen de waarheid en het recht â nichtje Anna, maar uit liefde, ik weet het.quot;
,Spaar mij jonker, mijn hoofd is nog zwak. Doe wat de goede God u zal ingeven, maar bedenk dat de oneer mijner familie de mijne wordt, en dat ik u niets anders heb gevraagd dan dè beschermer van de ongelukkige Hanneke te zijn.quot;
â Hemel wat is zij schoon! Wat tintelen die oogen van een edelaardig vuur!
Oscar ziet haar aan. Er ligt verrukking in zijn blik.
Anna slaat de oogen neer. â Dat was dezelfde uitdrukking van dat mannelijk schoon gelaat als op dien morgen toen zij hem in den spoorwagen voor het eerst heeft ontmoet, en zij ook de oogen voor hem had neergeslagen.
En dit oogenblik is den jongen Van Breeland te machtig. Hij had haar niet weder moeten zien, indien hij getrouw aan zijn besluit had willen blijven. De redeneering zal schipbreuk lijden op die granietklip der reinste liefde. Onwetend heeft Anna door haar terug-
123
124 ANNA ROOZE.
houdendheid, zoo gisteren als heden, zijn hartstocht te sterker geprikkeld.
Zij hier, in \'t salon van zijne tante; in de woning van haar uit wier mond hij zoo onverwachts den lof van dat beminde wezen heeft vernomen; in de woning van haar, die reeds stilzwijgend heeft gezegd dat zijn keuze een goede was; die op geen anderen hinderpaal heeft gedoeld dan op de tegenkanting zijner ouders... Maar, als tante vóór hem is, wie zal dan tegen hem zijn! Dat meisje bemint hem; ja hij leest het in haar ontwijkenden blik; hij weet, hij gevoelt het, en....
âAnna, dierbare Anna,quot;\' valt hij uit terwijl hij haar ijlings nadert en met beide handen haar ijskoud handje vat: âwaarom langer onwaarheid gehuicheld? Engelachtig meisje, weet en gevoel je dan niet dat ik je liever heb dan mijn leven, dat ik ie beschermer, levenslang je vriend en beschermer wil zijn? Anna, dierbare Anna, zeg, heb ik mij bedrogen... Anna ...?quot;
Een zachte gil treft eensklaps het oor der gelieven.
Men had het niet bemerkt dat een blond gelokt hoofdje, om den hoek der kamerdeur even naar binnen had gezien. Anna had wel aan Emma gedacht toen zij in die laatste oogenblikken reeds haar hand terugtrok uit de handen van den beminden vriend, maar, vermoed heeft ze niet dat zij zóó nabij was.
â Waar blijft Anna? heeft de blonde gedacht toen er nauwelijks tien minuten sedert Anna\'s vertrek waren voorbijgegaan: â Zou professor haar zóó lang aan den praat houden?
, Julie, is de professor er nog?quot; heeft zij aan de kamenier gevraagd die juist de toilet-flacon vulde.
âIk geloof niet dat er een professor is freule,quot; heeft Julie gezegd.â Julie was zoo gewoon aan dat freule door de dames Van Breeland, die af en toe bij mevrouw logeerden.
âWie is er dan om juffrouw Rooze te spreken?quot;
âDat zou ik u niet durven zeggen. Ik meen wel te weten dat mijnheer de advocaat, de jonker er is; maar spreken daar heb ik niets van gehoord.quot;
âMijnheer Van ... Breeland?quot;
âJa wel freule; de neef van mevrouw.quot;
âKwam die om juffrouw ... Eooze te spreken....? Dat geloof ik niet Julie. Mijnheer Van Breeland is uit de stad.quot;
âIk herhaal u freule, dat ik er niets zekers van weet. â Hebt u hoofdpijn freule?quot;
âWaarom....?quot;
âMij dunkt dat u wat bleek ziet. Wilt u de eau de Cologne freule?quot;
âNeen, ik ben wél. â Heel wél.... Maar ...quot;
âZoekt u iets?quot;
âJa.. . . mijn zakdoek. Ik weet niet.... waar? O ja, beneden.. -.quot;
âZal ik even. .. freule?quot;
âNeen, ik weet precies waar ie ligt....quot; En, zoo was Emma in een oogwenk de deur uit, en al spoedig beneden in het marmeren voorhuis.
ANNA BOOZE.
Een valiesje, dat aan den voet van den parapluie-standaard. juist naast de deur van het salon lag, heeft aanstonds Emma\'s opmerkzaamheid tot zich getrokken. Dat moet van hem wezen. â Ja zie, op dat koperen plaatje daar staan zijn initialen: O. v. B. â Hij is dus werkelijk hier. ââ Waarschijnlijk in de huiskamer.
â Neen, hoor, daar klinken stemmen binnen het vertrek waarvoor ze een oogenhlik toefde. Maar ze herkent ze niet. Nochtans eer ze het zelve wist was de zaaldeur door haar geopend. â Ze heeft er niet aan gedacht dat ze onbescheiden was. â Een onverklaarbaar angstig gevoel deed haar handelen. Vroeger heeft ze bij zich zelve gezegd: Als Anna en Oscar te zamen zijn, dan spreken ze over die rechtzaak, dat is zeker. Maar, zij zou dan toch even, heel vluchtig kunnen binnengaan om naar den zakdoek te zien â die er echter niet wezen kan. Nü evenwel handelt ze zonder aan een voorwendsel te denken, slechts gedreven door dat wonderbaar gevoel, \'twelk haar zoo telkens in de borst steekt.
Een zachte kreet is er vernomen.
Gelijk aan het blanke marmer staat Emma daar in het voorhuis. De woorden âAnna, dierbare Anna,quot; hebben haar in \'t oor geklonken en het hart doorboord. O groote God, alles, alles is leugen, leugen, bedrog en huichelarij in de wereld! â Dit is de tweede maal dat zij die beiden verrast; nü met de handen in één. âUitte spreken is het niet wat haar in een enkele seconde door het geschokte brein gaat.
â Hij bemint haar niet. â Anna is een huichelaarster! â Niemand, niemand op de wereld is er. die haar waarachtig liefheeft.â Neer te smakken op het koude marmer, dat zou ze willen. O was die ellendige, die arme man slechts haar vader geweest, dan had zij althans een enkele maal een blik van onverdachte liefde kunnen opvangen!
,Freule, freule, wat is er? Wat deert u?quot; vraagt Julie die, een oogenblik na Emma beneden gekomen, aanstonds aan haar zijde is, terwijl de hevig geschokte tegen het marmer leunt.
,Niets, niets. Gestooten. quot;t is niets.quot;
âMaar u beeft zoo. Kom freule, leun maar op mijn arm dan zal ik u in de mangelkamer brengen. De pijn zou u flauw doen worden, kom maar freule, kom!quot;\'
,Emma, beste Emma, wat is er?quot; fluistert eensklaps van ter zij een stem, die Emma immer zoo welluidend in de ooren klonk, doch die haar thans met een onuitsprekelijken weerzin vervult.
Daar staat Anna aan haar zij! En die andere.... hij staat daarginds op den dorpel der zaal ... als in een nevel.
Toen de goede Marnix gistermorgen, ondanks zich zelve, een vreeselijken argwaan bij haar heeft opgewekt, toen hebben Emma\'s blauwe oogen dien argwaan weerkaatst, en was haar blik voor de trouwe nog zwakke vriendin als een bliksemstraal geweest, die haar voor een wijle het zelfbewustzijn deed verliezen. Doch in tranen was die vuurgloed gebluscht, zonder der vriendschap een haar te zengen.
125
ANNA KOOZE.
Nu siddert Anna. â Emma\'s oogen zien haar aan alsof ze van steen, alsof ze van ijs waren. Die blik werpt een muur van marmer tusschen haar beiden. â Raak mij niet aan! Ik veracht je, huichelares die met eeden der vriendschap speelt! â Dat alles moet die blik aan de âtrouweloozequot; doen verstaan. En geloof niet dat die ijskoude blik nu nog het gevolg is alleen van dat eensklaps voor goed ontwaken uit de zalige droomen van haar altijd zoo anstig naar liefde dorstend hart. De begoocheling was immers reeds voorbij toen zij uit den mond van dien jongeling â daarginder in den nevel â den jongeling, die toch het vroolijke knaapje der kinderjaren niet meer was, dat toch zoo wreede âdierbare Annaquot; heeft vernomen. Neen, van dat oogenblik af aan heeft zij slechts volkomen beseft dat haar liefde voor hém in waarheid een dwaze droom moest heeten, maar tevens, dat haar liefde voor die vriendin een werkelijkheid is geweest. Van Anna\'s liefde heeft zij de zekerheid gehad, en daarom haat ze haar nu.
â Ach, wat deert het Emma in dit vreeselijke oogenblik dat hij een andere bemint; had ze niet haar Anna, haar e enige verloren!
â O die getrouwe!---- Gisteren, heden nog heeft ze gehuicheld
en gezegd: Als God het wil dan zult ge samen gelukkig worden; en, in hetzelfde oogenblik snelt ze reeds heen om haar hand te leggen in de zijne, en te luisteren naar de âvleitaal van zijn ontrouw hart.quot;
Emma\'s blik was snel geworpen. Maar nu, ginds staat hij, en \'t is alsof hij nader wil komen. â Zal hij bemerken wat Emma lijdt\'? â De aangeboren kieschheid van het jonkvrouwelijk gemoed zegt neen!
âVoorzichtig. Ik heb mij bezeerd. Raak mijn hand niet aan!quot; klinkt Emma\'s antwoord op de pas gedane vraag der vriendin. En terwijl ze zich ijlings omwendt, fluistert ze snel, slechts voor Anna verstaanbaar:
âNu is \'tgenoeg. Ik veracht en ik haat je!quot;
Wel schemert het Anna, en krijgt ze weer van die donkere vlokjes voor de oogen, maar Goddank, zij is sterker dan den vori-gen dag. Zij beseft dat het boven alles haar plicht is om nu te zwijgen, en door kalmte den indruk te verzwakken, die het onverwachte voorval â in verband met het gebeurde in het hotel â op den jongen Van Breeland kan gemaakt hebben.
Anna werpt haar lokken ter zij.
Ginds in \'t salon zal zij nog een oogenblik met den jonker toeven.
Daar zal ze hem zeggen dat zij zijn liefde niet beantwoorden kan.
En â daar zal zij hem misschien van verre, zeer van verre, meteen een blik doen slaan in Emma\'s hart: in het hart der verloren vriendin, die Anna haat, die Anna veracht!
Nog dien zelfden namiddag bevindt Anna Rooze zich in de ziekenkamer van Ernst Geereke Van Uland. \'t Is al schemerdonker. Misschien heeft dat halve licht de beangste moeder den moed gegeven om de veelbesprokene Anna die, zoo als zij gelooft, nu de redster
126
ANNA ROOZE. 127
van haar kind zal worden, met zulk een warmte welkom te heeten.
Ernst ligt te bed. Sinds Geerekes bezoek bij mevrouw Van Riddervoorst, is de koorts veel heviger geworden. De arme moeder heeft, op het doorgaans heftig en vragend ijlen van haar aangebeden kind, hem gedurig tot kalmte vermaand en haar wedervraag herhaald: of Ernst zijn lieve mama dan niet bij zich had; om echter gedurig ook schier fluisterend er bij te voegen:
âNeen Ernst, neen engel, zij is er niet, maar zij zal wel komen. Wees toch kalm mijn jongen. Ja zij zal hier komen, zeker!quot;
En nu, zij was er, de zuster van barmhartigheid.
Met van koortsgloed glanzende oogen heeft Ernst haar aangezien, en â of het een wonder of een natuurlijk gevolg van bevredigd verlangen was â toen, toen is hij eensklaps heel rustig en kalm geworden.
âGoed.... goed ...!quot; heeft hij zacht, half ijlende gefluisterd: âDe japon zat aan den wortel in de larikslaan vast, maar ik kon ze wel loskrijgen. â Om u te dienen, zóó, nu ia het goed. Merci.quot; â En de oogleden zijn dichtgevallen, en gedurig heeft hij dat laatste woord herhaald. En â Anna voelde zich de hand vatten â \'twas een stil schreiende moeder, die ze teederlijk drukte.
Neen, men wil nog geen licht in de ziekenkamer, want nu slaapt hij. Ja. hoor, de ademhaling is vrij geregeld. De koorts is geheel of bijna geweken.
Geereke zit voor het raam en staart in de grauwe avondlucht.
Kunira zit voor het ledikant waarin haar kleinood ligt; en, starende naar de onbestemde donkere plek, die zijn schoon gelaat met de zwarte krulharen op het kussen teekent, dringt ze de vraag die telkens bij haar opkomt met afgrijzen weg, want.... Neen, neen! dit ziekbed kan geen sterfbed worden: Immers daar ginder zit zij, de reddende engel. Ja. haar jongen zal herstellen â spoedig, heel spoedig herstellen, en gelukkig worden er bij!
En Anna zit in een lage voltaire met het rijk gelokte hoofd voorover, en haar handen heeft ze gevouwen.
\'t Is stil, doodstil in de kamer; slechts de torenklokken breken van tijd tot tijd de stilte af.
Niemand ziet het dat de tranen Anna over de wangen rollen:
In den middag is Oscar, nadat hij door haar werd afgewezen, zwijgend vertrokken. Hij zou voor Hanneke zijn best doen, en ook voor juffrouw Rooze \'t geen hij zich had voorgenomen.
Emma is âmet zware hoofdpijnquot; naar bed gegaan. Op Anna\'s vragen heeft zij niet of ternauwernood geantwoord. Slechts toen de trouwe vriendin haar ernstig smeekte: âEmma, veroordeel mij niet!quot; toen heeft zij gezegd: âDat is niet noodig, jij zult het je zelve doen.quot; Daarna is het arme kind in een voor haar zoo weldadig schreien losgebarsten; maar, ofschoon die tranen lucht gaven aan de toege-schroefde borst, de vaste overtuiging was haar niet te ontnemen, dat niemand, niemand haar meer liefhad op de wereld. â Ja, nu eerst meent zij die trouw der vriendin te kennen: Uit de zalige herinnering aan een dierbaar ouderpaar, heeft ze haar gevoelloos in
128 ANNA ROOZE.
de kilste werkelijkheid kunnen storten; de liefde van dien knaap had ze haar ontrukt; en vriendschap kon ze veinzen in hetzelfde uur, dat ze haar schaamteloos bedroog. Zou er nog twijfel bestaan\'?
â Heeft zij niet zelve dien jonker gehoord, en Anna\'s hand zien rusten in de zijne? âNeen Anna, neen, dat is geen misverstand, dat is geen schijn die bedroog, dat is waarheid! bittere waarheid!quot;
En vóór dat Anna naar den zieke reed heeft ze nog gefluisterd:
rAls mijn woord geen vertrouwen meer wekt, dan Emma, mag de tijd spreken, en leeren wie ik heb liefgehad.quot;
\'t is nu stil, zeer stil in de ziekenkamer.
Slechts het theewater, dat van de kook raakt, zingt van tijd tot tijd recht klagend het klokgetjingel na.
Niemand ziet de tranen, die Anna over de wangen rollen.
Geen sterfelijk wezen hoort de beden der moeder.
En Geereke blijft staren in de lucht die al donkerder wordt.
â Mijn offer, wat zal het baten! peinst Anna: Oscar heeft Emma niet lief. â Maar later? Als hij haar nader kennen leert.... en â als ik dezen mijn hand had geschonken, dan....?
â Ja, mijn Ernst, mijn lieve kind zal spoedig, heel spoedig beter zijn! denkt de moeder, starende naar de donkere plek op het kussen: Misschien was de hevige koorts de crisis der ongesteldheid, die het gevolg was van zijn liefde voor dat meisje. â En nü is zij hier! â O hemelsche Vader, ik dank ü! Hebt Gij mij willen leeren dat ik nederig moet zijn van harte? O Yader ik dank U! â Hij zal gelukkig worden. Uw wil is wijsheid. Amen!
â En als dat pand ons eens van \'t hart werd geëischt ...? peinst de baron en staart nog altijd in de donkere lucht: Wanneer dat leven eens werd afgesneden . .? Dood is dood! zeggen sommige wijzen met verpletterende overtuiging. Maar neen! Als daar een kind ziek ligt en het vaderhart bonst, dan zegt zelfs de denker: Groote God, wij staan voor het raadsel: Of er licht of duisternis zal wezen aan gene zij van het graf? En als er geen zekerheid, geen bewijs voor de duisternis is, o God, dan hecht de mensch zich vast aan wat sterkte en moed geeft en troost in het leven, en zegt: daar zal licht zijn aan gene zij; een wereld, een voortgaan, een volmaking!
â Zie, ginder in het grauwe zwerk daar glinstert een heldere ster. Het is de avondster.
â \'t Is ook de morgenster! zucht de vader in stilte: één der vele woningen misschien, waarvan die groote geloofsheld sprak. -â Maar oneindige Schepper, mijn kind heb ik zoo lief. O mocht het hier nog leven....! doch, üw wil geschiede!
En de domklok riep dat de korte dag ten einde spoedde.
En binnen de kamer zong het theewater zijn laatsteu melancholi-schen zang.
AN^A BOOZE.
ELFDE HOOFDSTUK.
De tijd, tot hiertoe genoegzaam op den voet gevolgd, is bijna elf weken vooruitgesneld.
Gelijk het laatst van November soms nog van verre een hand reikt aan een vervlogen zomer, zoo legt een zachte dag van den vroegen Maart wel eens de vingertoppen op den schouder der schuchter naderende Lentemaand. Gisteren en van nacht heeft het geregend. Het Arnhemsche marktplein toont nog de plassen hielen ginder, maar de zon maakt er mooie glanzende spiegeltjes van, en â de buitenlui zijn niet bang voor een klein beetje nat aan de voeten.
\'t Is Vrijdag.
De zesde dag der week wordt er markt, groote markt in do hoofdstad van Gelderland gehouden.
Arnhem is het Arnhem van vroeger niet meer.
âNeen, \'t lijkt er niet naar,quot; zegt een gezeten burger van vijftig jaar, tot een zeer dik heertje waarmee hij door het drukke marktgewoel drentelt: âneen, toen ik jong was bij voorbeeld, toen hadt je hier op de markt een ouderwetsch stadhuis met zoo\'n uitstek er aan, zeer interessant! Maar tegenwoordig wordt al wat antiek is maar afgebroken. Ik zeg ze moesten de dingen bij het oude laten. Ik verzeker je dat onze voorvaders niet gek waren. Wat was alles hecht en solide.quot;
âJa fameus,quot; antwoordt het dikke heertje.
âTegenwoordig zijn het kaartenhuisjes die ze bouwen! Onze kleinkinderen zullen onder het puin begraven worden.quot;
âDat zou niet plezierig zijn.quot;
âNeen, dat zal wel waar wezen; maar \'t loopt er op uit. quot;Weet
i\'e wat ik zeg mijnheer; al die nieuwe fratsen en tegennatuurlijk-leden dat is de ondergang van je land. Weet je wat tegenwoordig de leus is? Niet? â Licht en dicht.quot;\'e wat ik zeg mijnheer; al die nieuwe fratsen en tegennatuurlijk-leden dat is de ondergang van je land. Weet je wat tegenwoordig de leus is? Niet? â Licht en dicht.quot;
âJa dat is wel waar; licht en dicht.quot;
âEn weet je waar alles uit voortspruit, mijnheer?quot;
âJa, uitte....quot;
âUit de verkrachting van Gods woord, mijnheer.quot;
âOch kom... . zou u meenen....?quot;
âAls daar staat; Gij zult den Heere uwen God niet verzoeken, dan gaat het menschdom assurantie-maatschappijen en levensverzekeringen oprichten; dan gaat het gezag zijne palen te buiten, en dwingt het schepsel op te staan tegen üod, en zich bij voorbeeld te laten inenten, ü schijnt Gode ook meer te hebben gehoorzaamd dan de menschen.quot;
âDat is te zeggen,quot; antwoordt mijnheer Romslikker; âik heb drie witte vlakjes op mijn linker bovenarm, maar in weerwil daarvan kreeg
VI. 9
129
130 ANNA ROOZE.
ik, toen ik in November bij tante Dorsten kwam logeeren, den dag na mijn aankomst, een kwaadaardige kinderziekte, zoodat ik weinig profiteeren kon, en de menschen mij nu haast niet herkennen.quot;
âMaar de Heer die je bezocht, kende je toch wel mijnheer, al dat je je als kind de pest in je bloed hadt laten doen. Neen mijnheer, spreek van geluk: God heeft zich aan je geopenbaard; maar beklaag ze, de duizenden die blijven rondloopen met dat gift in het bloed en waarvan geschreven staat: Ik zal de zonden der vaderen bezoeken aan de kinderen tot in het derde en vierde geslacht. Tering hier, tering daar, mijnheer Romslikker. Cholera, ziekelijk mensch-dom! â Wat doet de boter moeder?quot;
,Vieftien stuuvers.quot;
âDat was in vroeger jaren \'en kwartje; hoogstens \'en schelling! Daar heeft die afschuwelijke tabak de schuld van mijnheer.quot;
âOch kom.quot;
âJa mijnheer! Daar aan gene zij van de rivier,quot; en de burger wees in de richting der nog gespaarde oude Sabelsche poort: -Daar, in het land Gosen, wat denk je dat ze daar verbouwen? Koorn denk je, of anders voedsel voor het vee\'? Neen mijnheer; tabak! nicotine! Het schreit ten hemel! Maar die nicotine zal het vaderland ten gronde richten; de edelste sappen worden verpest en de zedeloosheid zet zich op den troon,quot;
âEi zoo, ia het daar, het land Gosen? Ei, ik dacht dat aan de overzij van den Rjjn de Betuwe lag. Gosen is zeker een onderdeel. - een ...quot;
De burger trok den mond tot een medelijdenden glimlach:
âZedeloosheid! Ja!quot; herneemt hij, maar dan, dan wordt hij zoodanig door een groote mand met pardijs-appels uit de zedelooze Betuw aangetrokken, dat hij een ander betoog gaat leveren, en aan het âmoedertjequot; verzekert ilat haar pardijs-appels niet de helft zoo groot zijn als in vroegere jaren, en de slechtste van de heele markt; om te besluiten met de bewering, dat hij geen derde geeft van \'tgeen het moedertje er voor vraagt, ofschoon in \'t eind de volle eisch â min een kwartje â door hem betaald wordt.
Intusschen genoot mijnheer Romslikker, die inderdaad vreeselijk van de pokken geteisterd was, met volle teugen de aangename indrukken van de âgroote Arnhemsche marktquot;, \'tls de eerste markt, die hij sedert zijn herstelling eens bezoeken kan, want, toen hij geheel beter was en weer mocht uitgaan, toen had neef Carel Dorsten de pokken gekregen, en heeft Eomslikker bereidwillig de rol van zieke voor die van ziekenoppasser verwisseld.
Tantes buurman, de kruidenier Zoutebroek â een âhupsch mensch van een strenge richtingquot; had zich nu gaarne belast om den neef, die voor zijn plezier was komen logeeren, eindelijk eens de stad te laten zien, en Romslikker vindt het hier inderdaad een aardige drukte. Op zoo\'n markt zag je van alles, ja van alles.
Aan de zij van het âgouverneurshuisquot;, met den rug naar de vel© herbergen en kleine logementen, staan in een lange rij naast elkaar, de menigte ontspannen karren met haar witte huiven, en tusschen
ANNA ROOZB.
of op de karboomen zitten de Veluwsche of Betuwsohe boeren en boerinnen met de waren, die ze ter markt brachten. Overal staan kraampjes, overal zijn er uitstallingen. Groenten, appels,aardappelen, sitsen, Neurenberger waren, eieren, boter, kippen, duiven, kaas, potten, pannen, bloemen, ijzerwaren, alles vindt er zijn vaste plaats, en vormt een zoo vroolijk en bont geheel, dat zelfs de zon er plezier in heeft en een hoogere tint er aan schenkt.
âWat ruurt Joostje z\'n snavel weer!\'\' zegt een knappe dienstmeid met een groote klepmand aan den arm.
âLoa\'s neuren!quot; zegt de kameraad die mede voor haar mevrouw komt ,martenquot;. â En te midden van een steeds aanwassend groepje, luisteren de dienstmeisjes naar \'tgeen klein Joostje vertelt, het oude kleine Joostje, die voor een tafeltje staat waarop, behalve eenige scheermessen, een bak is te zien, waarin zich een vreemd soort van kleine noten bevindt.
â...... De echte veritabele pisang- of mannetjes-neut, burgers
en buitenlui! Dezelve zal je niet alleen komen te genezen van de pijnen en ziektens, die je alreeds in je lichaam hebt, maar de pisang-of mannetjes-neut zal je ook bewaren voor de ziektens, die je nog zult staan te krijgen.
âDe pisang- of mannetjes-neut, burgers en buitenlui, is geen verdichtsel, maar je ziet \'em voor je eigen oogen. Als ik je alleen maar zei, er is een pisang- of mannetjes-neut die je genezen zal, en ik n toonde \'em niet, dan zou je zeggen: Joostje spreekt van Parijs en hêt den prins niet gezien. Maar hier is ie! Tusschen twee vingers kun j\'em houen, en wat geneest ie ...? De pisang- of mannetjesneut, burgers en buitenlui, geneest doofheid, hartwater, zuur in de maag, kramp, stotteren, tering of tisie en honderde voorwerpen van ziekten meer, die een mensch het leven doen verafschuwen. â En, als je hem slikken moest, zooals bittere dranken met volle flesschen! Maar neen burgers en buitenlui, de pisang- of mannetjesneut je draagt \'em in een zakje op het kuiltje van je maag, of tegen je hart, of waar het je zitten mag, en. ...!quot;
âZoo lieverd, mot er ook niet zoo\'n mannetjes-neut op jou hartje, zeg?quot; fluistert het eensklaps aan het oor van de knapste der beide dienstmeisjes.
In den aanvang een weinig ontsteld, ziet ze om, en zegt:
âGe doet me schrikken mijnheer Blaak. Neen koop gij moar eiges zoo\'n mennekes-neut, da\'s goed veur den oavendlocht.quot;
Mijnheer Romslikker, die dicht bij het mooie dienstmeisje stond, â werd zoo rood als een gekookte kreeft. Hij had zoo iets.... verstaan; en instinctmatig bescheiden ging hij voor den heer Blaak, dien men gemakkelijk aan zijn groote blonde knevels herkent, uit den weg, en plaatste zich aan de andere zij van de groep, niet vermoedende dat de rand van zijn hoed tot aschbakje voor de sigaar van den heer Blaak had gediend.
Terwijl mijnheer Romslikker gedurig maar tevergeefs rondtuurt om den buurman van tante Dorsten, dien hij in de drukte is kwijtgeraakt, weer te vinden, ziet hij ginder al spoedig het mooie dienst-
131
132 ANNA BOOZE.
meisje langs do groenten op het marktplein dwalen, en den heer Blaak nu eeilt;s naast en dan weer vóór of achter haar â net als een mug om het licht.
Romslikker gevoelt iets alsof hij dat meisje wel zou willen waarschuwen, maar het zou onbescheiden zijn; wie heeft zich met een andermans zaken te bemoeien, en vooral met zaken van zoo teederen aard.
,Kn de pisang- of mannetjes-neut kost niemendal, burgers en buitenlui, want wat zijn drie centen voor menschen met geld op zak! Drie centen de mannetjes-neut! As je blief juffrouw. â Dank je.â Daar, \'t zijn de laatste! â Drie stuks mijnheer, as je blief, da\'s negen centen. â Een dubbeltje! Da\'s een cent weerom.
«Och, die kun je wel houen,quot; fluistert Romslikker; en zachter: âOok eetbaar....?quot;
Joostje heeft het laatste niet verstaan. Een koksmaatje wel:
âNou, óf ze! met truffels en gelardeerd; of ook met\'en rumsaus!quot; lacht de bengel.
Romslikker ziet verbluft over zooveel driestheid naar den jongen om; maar deze is met het oog op den stok van het heertje, al een
foed eind van hem verwijderd, en lacht, en grijnst en bootst een ikbuikje na, en klopt er met de beide handen op, en steekt de tong uit, om daarna zoo hard als hij loopen kan het hazenpad te kiezen.oed eind van hem verwijderd, en lacht, en grijnst en bootst een ikbuikje na, en klopt er met de beide handen op, en steekt de tong uit, om daarna zoo hard als hij loopen kan het hazenpad te kiezen.
Romslikker heeft zich naar een andere zij van de markt begeven. De Arnhemsche straatjongens vindt hij âniet fatsoenlijk en zeer onwellevendquot;.
Nog altijd in het onzekere waar mijnheer Zoutebroek bleef, loopt hij nu alleen het marktplein langs.
In de punt van zijn zakdoek zitten twee neuten geknoopt: één voor tante Dorsten en een voor neef Carel â \'t is een aardigheid â en in zijn linker-vestzakje stak hij de derde neut, omdat hij aan dien kant dikwijls met schele hoofdpijn geplaagd is.
Niet ver van het gouvernementsgebouw, naar den kant der reeds genoemde Sabelsche poort, staat een oud verveloos rijtuig met een neergelaten zeer beschimmelde lederen kap, waarvan een der ijzeren beugels is gebroken. Op het voorstuk er van, bevindt zich de beroemde tandheeler en kiezendokter die, zooals hij zelf zegt: door het geheele land bekend en ook in het buitenland gerenommeerd is. Op een gespleten trompet blaast hij dapper in \'t rond.
âHier mijnheeren en dames!quot; zoo roept de geleerde kunstenaar een oogenblik later, terwijl hij een soort van collier in de hoogte houdt en met beide handen doet ronddraaien: âHier aan dit snoer zit het lijden van grooten en armen: Prinsen-kiezen, jonkvrouwen-kiezen, magistraats-kiezen, burgers- huismoeders- boeren- en dienstmeisjes-tanden en kiezen; deze alle en nog meer bevinden zich aan dit snoer, en alle dezelve werden door mij verlost. Als je zegt mijnheeren en dames, dat er geen duivel is, en je hebt kiespijn, dan zeg ik: kom hier en ik zal je hem laten zien in eigen persoon. â Of het pijn doet.....? Neen jongejuffrouw, dat is de kunst van mijn
ANNA BOOZE. 133
handigheid, die me beroemd maakte. Wees dankbaar dat de vermaarde en alombekende dokter hier is, en dat je niet in nabootsers-en kwakzalvershanden gevallen bent. Zoo â \'t hoofd een beetje achterover! â zóó â deze? Wacht kind!quot; â
âAi!quot; â âNiets te beteekenen. Zie mijnheeren en dames, hier heb ik \'em al. Zie, dat is de duivel: wit van buiten en zwart van binnen.quot;
Terwijl de kiezentrekker zijn rede tot de jongejuffrouw en het steeds grooter wordend auditorium vervolgt, om al spoedig de uit-miintendste elixirs voor de ingekankerdste kies- of mondpijnen er bij aan te bieden, welke middelen grif van de hand gaan; terwijl koop en verkoop hier en overal in vollen gang zijn, heeft Romslikker â die nooit kiespijn had â instinctmatig naar een nabijstaand koek-tafeltje gekeken. Hij zou wel lust hebben om....
Arnhemsche jongens en meisjes staat er op een groen geverfde vierkante trommel.
âHé, verkoopt u die hier?quot; zegt Romslikker tot den bleeken bakker.
Om u te dienen. Blieft u gediend? Heel lekker. Lucht en bros.quot;
Romslikker die zoo vrij is van de beide soorten er een paar te proeven, bespiegelt in stilte dat dit zeker geen compliment aan de Arnhemsche jongens en meisjes gemaakt is. Als die luchte soeze krakelingen nu zoute bolletjes of althans zoute krakelingen, en de meisjes ook een beetje frisscher en minder zoet en wat vaster waren, dat zou, dunkt hem, eigenaardiger geweest zijn. Maar enfin, de bakker zou van iedere soort de bestelde quantiteit bij Mevrouw Dorsten laten bezorgen. As je blief. â Precies \'en gulden. â Accoord.quot;
Op een afstand hoort nu Romslikker nogmaals den professor, die een boeren-kies triumfantelijk in de hoogte houdt en met verheffing uitroept:
âZie dames en heeren, daar heb je al weer den duivel; wit van buiten en zwart van binnen!quot; Maar ook terzelfder tijd hoort Romslikker achter het koekkraampje, dat hij juist ter zij wil voorbijgaan, een zacht gefluister, waarvan hij een paar woorden opvangt, maar â woorden die zóó erg, zoo vreeselijk zedeloos zijn, dat de goede man zijn ooren niet gelooven kan. \'t Was genoeg dat Romslikker vluchtig de punt van een groote blonde snor en het blozend kopje van een mooi dienstmeisje zag, om nogmaals purperrood geworden, een oogen-blik te aarzelen, maar dan ook bescheiden rechtsomkeer te maken, en een anderen koers te nemen.
â Ja, de duivel is blank van buiten maar zwart van binnen. Foei foei, wat een taal! Ik had dat meisje moeten waarschuwen; ik had-.-, maar... \'t zou indiscreet.... \'tzou. .. Enfin â Arnhemsche jongens en meisjes!
Neen mijnheer Romslikker, de heer Blaak met de blonde knevelsâ een oude kennis van anderen uit zekeren nachtwagen van Zwolle op Arnhem â- is geen Arnhemsche jongen, ofschoon hij toevallig in Arnhem woont en er zelfs geboren werd. Hij is een wereldburger, en reist voor Strens in manufacturen. Zijn blanke fijne linnens kan
ANNA ROOZE.
hij roemen, maar met blanke zielen leeft hij als met zijn
eigen boordjes.
En dat meisje? â \'tls een mooi meisje â met een goed vertrouwen! Haar vader en moeder hebben haar geraden een armen maar anders onbesproken timmermansknecht te laten loopen, \'t geen ze gedaan heeft. Of zij een Arnhemsche is? Waarschijnlijk wel, maarâ⢠even goed zou ze uit iedere andere plaats van \'t land kunnen zijn.
Romslikker, die weder langs boerenkoolen en preien en kazen naar den man zoekt dien hij kwijtraakte, ziet eensklaps een rijzig lieer, met een eenigszins zonderling voorkomen voor zich en verneemt zijn vraag:
â\'t Paleis van Justitie mijnheer: dit? of dat ginds?quot;
âWat blieft u mijnheer.- \'t Paleis van. ...? Ik.. .
âJe weet \'et niet mijnheer? Ha! ginds blinkt de zon op vergulde letters: Justitiae Sacrum. Nu weten we \'t allebei.quot;
De vreemde sinjeur, wiens haren en forsche knevels spierwit waren, terwijl zijn kleine blauwe oogen door zware ravenzwarte wenkbrauwen werden overschaduwd, de overste Jasper Bel verdwijnt even haastig in de richting van het aangeduide paleis, als Romslikker hem van de zij der groote of voormalige St.-Eusebius-kerk had zien naderen.
â Wat was daar te doen?
Nabij dat gebouw met de zware steenen zuilen is een kleine oploop van volk.
âHa vrind, je waart me ontschoten,quot; zegt de kruidenier Zoute-broek, terwijl nij Romslikker op den schouder slaat.
âAh mijnheer Zoutebroek! ha!quot;
âIs er wat aan de hand Willems ?quot; vraagt Zoutebroek aan iemand, die met potten en pannen is uitgestald.
âZitting van \'t Hof mijnheer!quot;
âKhindermoord!quot; zegt een Joodje met tondeldoozen en lucifers, en noodigt de heeren tot koopen uit.
Bij vergissing geeft Romslikker voor een doosje lucifers een kwartje in plaats van een cent.
â Nha, dat fette heertje kon \'t wel missen, denkt Isaac: Buurvrouw Rachel met de khoors, zal d\'r twintig sjenten van mhee hebben, en â voor de vhijf dank ik Gods barmhartigheid.
âKindermoord!quot; herhaalt de kruidenier: âWeet jij van \'t geval Van Delden?quot;
âNeen, niks van geheurd,quot; antwoordt de aangesprokene.
n\'t Is uut Mulderspeet, heeren,quot; zegt Trap de poelier, die mede met het aanwassende groepje naar de zij van het Paleis van Justitie voortgaat: âGisteren kreeg ik nog een mooie ree van dien kant; en heurde toen dat die meid vandaag zou te recht stoan. \'tMot \'en kat wêzen.quot;
âJa dat zal vanzelf 1 meent Zoutebroek: âZoo\'n uit
vaagsel die haar eigen
vermoorden! Maar weet je wel
waar die uitvaagsels worden gebrouwen? Niet--Déar, daar in
dat eigenste huis met z\'n vergulden naam.quot;
134
ANNA ROOZE. 135
âOch kotn....?quot;\' zegt Romslikker, die onwillekeurig en meer natuurlijk aan groote blonde knevels had gedacht.
âGods woord wordt er vertrapt en verkracht door het satanshoek, dat ze wet noemen. Ik ken de wet des Heeren! In Exodus één en twintig, vers veertien daar staat het geschreven: Indien iemand tegen zijn naasten moedwilliglik gehandeld heeft, ora hem met list te dooden, zoo zult gij denzelven van voor mijnen altaar nemen, dat hij sterve!quot;
âDie bloed vergiet, diens bloed zal vergoten worden!quot; stemt de poelier.
âEn dat maakt wetten vol zedeloosheid en verderf, vol doodsbeenderen en ongerechtigheid!quot; herneemt de man van de strenge richting: âNeen, zeggen die heeren van het verdraaid geslacht: een moeder die haar kind vermoord moeten we zacht behandelen. Is er grooter gruwel dan dat afschaffen van de doodstraf; en daar wil het heelemaal heen tegenwoordig!quot;
âMaar quot;t is toch akelig iemand ter dood te brengen, mijnheer Zoutebroek!quot; zucht Romslikker.
âAlsof de zonde vrij spel te laten en den duivel te zien lachen, niet heel wat akeliger was, mijn beste mijnheer! Kan er nog twijfel bestaan als de Heer zoo duidelijk zegt: Ziele voor ziele; ooge voor ooge; tand voor tand; hand voor hand; voet voor voet; brand voor brand; wonde voor wonde; buile voor buile. â Doe jij daar wat af als je durft.quot;
âJa maar.... maar....quot; zegt Romslikker. Doch, anderen hebben het woord en hij zwijgt bescheiden.
âZie, d\'r is ook vrouwvolk in de presidentskamer!quot; roept een verver, die dikwijls in het gebouw heeft gewerkt, terwijl hij op de hoekkamer aan de binnenzij van den vooruitspringenden rechtervleugel wijst.
Mijnheer Romslikker, die door zijn geleider van de strenge richting, in een gezelschap is geraakt, dat hij juist niet tot zijn tafelgezelschap zou wenschen, wendt mede den blik naar de aangeduide plaats, en blijft ondanks zich zelf een oogenblik onbescheiden naar binnen zien.
â Die dame, die jonge dame, was dat niet....? Och, haar naam zou hij honderdmaal noemen. Die donkere krullen! â Zie, daar verwijdert zij zich van het raam. Geen twijfel bestaat er echter meer, dat is die jonge dame van de kostschool: Juffrouw Looze of Kooze; dezelfde waar hij mee gereisd heeft toen hij, nu al bijna vier maanden geleden, voor plezier naar tante Dorsten ging. â Lieve hemel, hoe kwam zij daar in diepresidentskamer!\'tIs immers niet mogelijk dat zij iets misdreef. ...?
Romslikker staart met een halfgeopenden mond naar binnen. Met permissie, het klamme zweet is er hem van uitgebroken.
,Ja Anna, die heer kijkt zeker al heel wonderlijk naar binnen.
\'t Was zeer beleefd ons deze kamer te geven, maar ze is niet heel vry, zoo aan den marktkant.quot;
,\'t Was me alsof ik dien persoon meer zag, mijnheer Geereke.quot; .
136 ANNA ROOZE.
âMen meent dikwijls menschen te kennen, die men vluchtig op reis zag. Hij is vreeselijk van de pokken geschonden de arme man.
Op reis... � Maar indien Anna zich wel herinnert dan was die goede mijnheer Romslikker niet van de pokken geschonden. En toch, zij gelooft waarlijk dat hij het is.
âKen je hem Anna? Wil je hem spreken?quot;
âNeen, dank u mijnheer, ik ken hem niet veel.quot; Zacht: âIk heb zoo met den armen heer Redly te doen. Hij is erg zenuwachtig. Hij ziet zoo tegen dat verhoor op. Och spreek ü hem nog eens moed in.quot;
âHij mocht in kalmte wel een lesje aan Anna nemen. Zie jij er niet meer tegen op, lieve?quot;
âO vreeselijk! Als ik een stap hoor naderen dan bonst me het hart; maar de hoop dat de arme Hanneke nog vrij zal komen doet me redeneeren.quot;
â\'t Is hier een mooi uitzicht mijnheer Redly,quot; zegt nu de baron tot Redly, die met den hoed tusschen de knieën op een stoel tegen het grauwe behangsel zit.
Met een ontzettend angstig gelaat ziet Redlj\'op. Duizend gedachten joegen hem door \'t hoofd. Maar bovendien, zoo even hoorde hij een naam noemen, die hem herinnerde aan de dagen eener zorgelooze jeugd, en.... terzelfder tijd heeft hij daar buiten een rood pokdalig heertje in het zonlicht zien staan. Was dat het goedaardig rond knikkertje, Careltje Romslikker? Careltje met zijn roede bolle wangen, die niemand een speldeknop in den weg zou hebben gelegd en toch altijd het kind van de rekening was? â Ja hij was het! â Redly heeft hem door het horretje heen kunnen zien, en ondanks alle verandering berkend; maar het turende dikke heertje met den half ge-openden mond, heeft Redly niet kunnen bemerken. Redly zat lager dan de rand van het horretje was, waar Anna en de baron, die niet gezeten waren, boven uitkwamen.
â O goede God, als men mij herkent, zucht Redly in stilte, en dan luide tot den baron zegt hij in verwarring: âDank u, neen, ik zal waarlijk niets gebruiken. Ik... quot;
âKom mijnheer Redly,quot; spreekt Anna terwijl ze haar hand opzijn schouder legt, en zonder er aan te denken nu inderdaad de liefderijke beschermster is: âWij moeten ons maar wat kalm zien te houden. Onze advocaat heeft toch alle hoop niet opgegeven. â Nietwaar mijnheer Geereke, dat verhoor zal zoolang niet duren? Goede mijnheer Redly, wat u te zeggen hebt is immers slechts de herhaling van \'t geen u al vroeger zeide, en moet eer voor haar onschuld pleiten dan dat het haar schuld bewijzen zal. Hier, drink nog eens een glas water, het zal u goed doen.quot;
Vluchtig slaat de tengere man den blik naar Anna op:
âEngel!quot; fluistert hij, en dan met een vreeselijk angstigen blik, nog zachter: âMen zal mij nu kennen en....quot;
Daar wordt aan de deur geklopt. Men verzoekt de getuigen zoo goed te willen zijn om ter zitting te verschijnen.
Redly wankelt nu hij opstaat.
ANNA BOOZE.
Anna is bleek geworden.
â Zij zal Hanneke zien!
âWij moeten maar flink zijn, mijnbeer Reclly!quot; herhaalt zij nog eens, en legt haar arm in dien van het magere zwakke mannetje, dat, kleiner dan Anna, met bevende knieën liaar geleiden zal.
De baron zal Anna die voorkeur, aan den armen Kedly geschonken, niet euvel duiden. Neen, hij kent haar, de edele liefhebbende ziel; hij kent haar volkomen.
Geereke neemt zijn hoed van een stoel, en, terwijl hij een stofje wegstrijkt van het rouwfloers, dat dien hoed tot aan den bovenrand bedekt, drukt hij de lippen opeen, en dringt met kracht een opwellenden traan terug. â Groote God, wat zou zijn jongen met zulk een vrouw nog geworden zijn! Maar, Ernst is dood! â Dood! O dat woord grijnst toch overal! Ach, niemand, niemand weet wat. een vader of moeder lijdt, die zich een eenig kind ziet gescheurd van het hart.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
\'t Was een deftige, ja indrukwekkende zaal. waar het Gerechtshof van Gelderland zijn openbare zittingen houdt en meermalen over leven of dood te beslissen had.
Een overgroote menigte vult het benedeneind der zaal tot bij de balustrade, die haar van de getuigenbanken scheidt. Spanning, ja, hartstocht is op der meesten aangezicht te lezen. De laatstge-komenen dringen zich nog zooveel zij kunnen zachtjes naar voren; de kleinsten verheffen zich op de toonen. Een elleboogstomp hier, een trap op de voeten daar; doch, meest aller oogen zijn naar het hooger einde der hofzaal gericht waar de immer zoo belangwekkende handeling plaats heeft.
Ginds, achter de lange met groen bekleede tafel, zitten de edel-grootachtbare mannen in hun zwarten tabbaard, de geplooide baret voor \'t meerendeel op reeds grijze haren en de witte bef voor zich: \'t symbool wellicht van het woord dat zij spreken of de stem, die zij als raadsheer zullen uitbrengen.
Ernstig zwijgende zitten ze daar op hun verheven zetels, voor \'t meerendeel geleund in de ruggen hunner deftige fauteuils, de mannen die ook heden met de weegschaal van \'t recht in handen, nauwlettend turen op den altijd -wankelenden evenaar.
âZie,quot; fluistert er een in het ruim; âdie nou binnenkomt da\'s de juffer uut de grootheid.quot;
âEn \'en knappe ook!quot; stemt het weerom.
In een kleine afgesloten bank naast een rijksveldwachter in groot
137
138 ANKA ROOZE.
kostuum, zit een schoon en rijzig boerenkind, \'t Is Hanneke Schoffels. Nu acht weken geleden was ze nog zoo frisch en zoo fleurig. Arme Hanneke! Wat ziet ze nu bleek en mager. Nochtans, ze zou helder voor den dag komen. En ja, als altijd is ze proper. Een rozekleurig jak omsluit haar welgevormde bovenleden. De snelle golfjes van naar gitzwarte haren glanzen op het blinkende voorhoofd. Maar, \'t zijn ook die zwarte haren die, met de donkere wenkbrauwen en de donkere wimpers van het nu meestal neergeslagen oog, haar bleekheid nog sterker doen uitkomen.
âEen interessant gezichtje en charmant mooie haren!quot; heeft een kapper gefluisterd.
âBrutale oogen, als de beul!quot; heeft Zoutebroek gemompeld.
â Ja, zie maar: Brutale oogen, vreeselijk!
Zelfs Anna Rooze huivert terwijl ze â en gedurende deze zitting reeds voor de tweede maal â de bank voorbijgaat, waarin de beschuldigde hare plaats heeft.
Met eenigszins bevende knieën beklimt Anna de breede trappen, die met een grijs tapijt zijn bedekt, en nadert de groene tafel, waarachter in \'t midden de eerwaardige president van den Hove van Gelderland gezeten is.
Een diepe stilte heerscht er in de zaal.
Met vastheid heeft Anna de eerste vragen van den president beantwoord.
âEn u houdt dus staande dat u de beschuldigde tweemaal in den tuin van dominee Haverkist hebt ontmoet; voor het e erst nadat een hevige woordenwisseling met dien man in het turfschuurtje uw aandacht had getrokken, en de tweede maal op dien kermisavond kort na het gebeurde voor de herberg De Vergulde Ploeg?quot;
,Ja mijnheer de president.quot;
âEn dat het u toen uit haar woorden is voorgekomen dat een «chuldbesef haar drukte?quot;
âJa mijnheer.quot;
âHerinnert u je ook wat zij u van haar schuld heeft gezegd? Haar eigene woorden?quot;
âNeen, niet juist mijnheer; zij waren zeer verward.quot;
âMaar zij zeide u toch: te vreezen dat haar schuld uitkomen en dat zij dan ongelukkig zou worden?quot;
\'t Blijft een oogenblik stil. Maar dan, dan klinkt het zacht:
âJa mijnheer de president, dat heeft ze gezegd.quot;
Hoor! een akelige kreet snijdt er door de zaal:
âGelogen! \'elogen!quot; heeft het uit den mond der ongelukkige geklonken, die zich ten halve van haar zitplaats had opgericht, en zulk een blik vol vertwijfeling op de bescnuldigster wierp, dat de arme Anna er onwillekeurig een schrede van ter zij trad.
Een levendig gegons, dat onmiddellijk in luide, ofschoon gesmoorde bewijzen van goed- en afkeuring overgaat, verheft zich in het ruim, en vervult de zaal.
De waardige leider der vergadering gebiedt met nadruk stilte, dewijl hij anders het publiek de zaal zal doen ontruimen. Daarna
anna rooze. 139
zich tot Hanneke wendende, vermaant hij haar kort maar ernstig, om niet weder ongevraagd te spreken. Die onbetamelijke heftigheid kan in geen geval haar toestand verlichten.
De gerechtsdienaar aan Hannekes zijde heeft haar zacht tot weder plaatsnemen genoodzaakt.
Ofschoon de stilte in het ruim volkomen is hersteld, zoo werd de spanning intusschen nog grooter; in stede toch van de oogen neer te slaan, bleef de beschuldigde met een blik naar die juffer staren, waarin sommigen de vertwijfeling der onschuld, anderen de wraakzucht van een schuldig hart en nog anderen een smeekbee om stilzwijgendheid meenden te lezen.
âHerkent u dit briefje, als door u geschreven, juffrouw Rooze? \'t Is het briefje in Hannekes latafel gevonden, bij welk schrijven u haar aanraadt alles aan Joost Burik te zeggen.quot;
âJa, ik heb het geschreven, mijnheer.quot;
âHebt u ook een brief van Hanneke terug ontvangen?quot;
âNeen mijnheer de president.quot;
âHerinner u eens goed juffrouw Rooze. In Hannekes latafel werd mede een opstel met potloodschrift gevonden, dat vermoedelijk het klad is geweest van een brief, dien zij u gezonden heeft. Ziehier het bedoelde brouillon.quot;
Anna Rooze ziet het briefje in, en leest aandachtig ofschoon de letters haar als tegen het gelaat springen:
âJufVrouw Rooze!
âIkke Heef een vreesselijke Angs dat Uwe Het zegge zol. Ikke Bid Den Heerre JeZus dattie Mijn Genaadig Zij en Niks laat Uut-kommen. Och God zegder Niks van, dan zol Ikke U zeegeNen.
hannEke schopFels.quot;
Het innigste medelijden doortintelt Anna\'s borst.
â Dat is een vreeselijk bewijs.
â Goddank, toch kan ze zeggen.
âZulk een schrijven heb ik nooit ontvangen, mijnheer.quot;
Weinige minuten later treedt de laatste getuige, die in deze treurige zaak zal gehoord worden, tot voor den presidentszetel.
\'t Is een klein mager manneke.
Ofschoon het niet bijzonder warm in de zaal is, zoo ziet men hem met een grooten roodbonten zakdoek zich de zweetdroppels van het aangezicht wisschen.
De advocaat der beschuldigde, die in de lange toga voor zijn lessenaar nabij de bank zijner cliënte staat, en met levendige belangstelling de vorige getuige heeft aangehoord en gadegeslagen, â ja zelfs totdat zij zich op den aangewezen stoel, vóór de getuigenbanken, had neergezet, â hij volgt nu evenzeer met vorschenden blik den man, die daar bevend als een popelblad de vraag van den voorzitter verneemt:
140 ANNA ROOZE.
âHoe is uw naam?quot;
De zwakke antwoordt niet. â De vraag wordt herhaald; doch, weer blijft het stil.
Een deurwaarder brengt den bevenden getuige een glas water. Maar de hand van Redly mist de kracht om het glas aan de lippen te brengen; het water stort over den rand, en hij is genoodzaakt het voor zich neer te zetten.
âDe vraag is eenvoudig mijnheer. TJw naam-...? Thomas Redly nietwaar?quot; __ , ,
â Ja, de vraag was eenvoudig. O God! En, bijna onhoorbaar klinkt het nu bevend:
âMijn naam is Marter. Herman Carel Marter.quot;
De advocaat in zijn toga â Oscar Van Breeland â verneemt in de eerste seconden niet wat er meer wordt gesproken. Dat antwoord ging hem door merg en been.
â Zoo is zijn vermoeden dan eensklaps zekerheid geworden.
â Hij is het, hij! Herman Carel Marter! Ha! in weerwil van dat lang gekoesterd vermoeden, is die zekerheid toch zóó verrassend dat zij hem als \'t ware verplet.
Met den elleboog op zijn lessenaar en het hoofd in de hand geleund, staart hij voor zich neer. Al spoedig echter ziet men hem haastig zijn papieren doorloopen, om daarna met een gouden potlood snel eemge aanteekeningen te maken.
Van Breeland bespeurt ternauwernood dat de zwakke man op den arm van een deurwaarder geleund half in bezwijming de zaal verlaat.
En â \'t is nu de arme beklaagde die het verhoor ondergaat.
âGelogen mijnheer, alles \'elogen!quot; herhaalt de beschuldigde reeds voor de derde maal.
âDat moet wel een verbond met den duivel zijn!quot; bromt Zoute-broek in \'t ruim: âhoor dat schaamteloos wezen!quot;
âMaar als zij toch waarlijk onschuldig was!quot; fluistertRomslikker, die hoe langer hoe rooder is geworden, en vooral op het oogenblik toen het magere heertje heeft gezegd dat hij Herman Carel Marter-heette. Ja toen heeft Romslikker het erg warm gekregen. In vroegere jaren had hij immers iemand van dien naam gekend, iemand waar hij mee school ging, en die later voor dominee studeerde, maar uit vrees voor den preekstoel ontvanger is geworden, en in die betrekking ... â O foei! \'t was vreeselijk! Romslikker dacht dat die huichelaar al jaren lang dood was. â O foei! Maar, of dat mannetje dan die zelfde Marter is of niet, hij heeft zoo aanstonds in *t belang van dat arme boerenkind gesproken. Bijna onverstaanbaar had hij verklaard; drie dagen vóór haar gevangenneming, terwijl hij wakker te bed lag, haar stem in de aangrenzende keuken te hebben gehoord, en ongeveer deze woorden op overtuigenden toon; dat God haar eeuwig mocht straffen indien de verdenking waar was. Die verklaring, hoe onbeduidend ook, heeft Romslikker goed gedaan. â Och, als zij toch waarlijk onschuldig mocht wezen! Och
IKNA BOOZE.
dat mooie boerenmeisje! En zachtjes voegt hij er nu tot den kruidenier Zoutebroek bij:
âJammer dat die laatste getuige zoo zenuwachtig werd, en niet zeggen kon wat hij in het teruggaan nog meedeelen wilde. Misschien zou dat de heele onschuld bewezen hebben.quot;
,En ik zeg dat ze schuldig is, ge kunt \'t aan d\'r oogen zien,quot; zegt de poelier.
âIk kan \'t aan d\'r heele figuur zien,quot; fluistert een baker op non-activiteit.
En, nóg eens klonk akelig en luider door de zaal:
âNeen, alles \'elogen menheer de presedent, zoo wear as God ien den hemel is!quot;
\'t Was genoeg. Het baatte niet of de menschkundige voorzitter, nu eens met bemoedigende zachtheid, dan weder met indrukwek-kenden ernst haar tot een geregeld beantwoorden zijner vragen zocht te bewegen: Alles was gelogen â alles! Iets anders zei Hanneke niet.
En Hanneke keert naar de bank terug, waarop reeds vóór haar zoo menige ongelukkige heeft gezeten, wiens laatste tocht de tocht was naar een immer gesloten kerker, of ook naar een vreeselijk tooneel waarop hij de ijzingwekkende hoofdrol vervullen zou.
\'t Is alles gelogen! zegt ook haar blik nu zij met het gelaat naar de getuigen en de opeengedrongen menigte gekeerd, zoo velen die haar bekend zijn voor oogen heeft.
â Ginds in dien hoek daar staat bij, met neerhangend hoofd, de goede Joost. En gansch ineengedoken, de oogen star voor zich uit, zit daar naast haar lisve moeder, ook de arme vader, wiens donkere haren in weinige weken grauw zijn geworden. En daar zit ze dat monster, vrouw Knibbelaar uit de Allemansgading. En ook daar zit ze, de grootheid van \'t dorp, de baron van De Renghorst; de hooge van \'t volk met die witte haren en zwarte wenkbrauwen; dominee Haverkist; burgemeester; dokter Bron, en zij. .. zij vooral die de eerste aanleiding is geweest âja, Hanneke gelooft dat zeker, om haar te brengen op de vreeselijke bank waar ze nu naast een veldwachter zitten moet.
â O! o die schande! Zie dan menschen, haar opgeheven hoofd, haar fleren blik! Men heeft haar valsch beticht. Het is gelogen! Die ijselijke vrouw Knibbelaar, de valsche getuige, en die juffer â ze liegen!
Nu verheft zich een andere stem. \'t Is niet de voorzitter die spreekt, al klinkt dat geluid op denzelfden toon. De menigte bespeurt niet dat het de procureur-generaal is die nu het woord voert.
âWie is \'t van die zwarten?quot; vraagt er een in het ruim.
âDie links, op den hoek,quot; zegt een ander.
âDa\'s de bullebak die alles vergroot,quot; fluistert een derde.
Weinige minuten later vermaant de president weder tot stilte, quot;want nadat de procureur-generaal heeft aangetoond dat er werkelijk kindermoord is gepleegd, aangezien men nabij Mulderspeet een
141
142 ANNA ROOZE.
vreeaelijk verminkt lijkje had gevonden, nu heerschte er zulk een gegons in de zaal, dat de vermaning noodzakelijk werd.
l)e procureur-generaal vervolgt zijn rede.
Hij heeft uit het visum repertum der beide doctoren, mede de zekerheid geput dat het kind moet geleefd hebben, aangezien er anders geen zoo gruwelijke verminking zou hebben plaats gehad.
\'t Wordt nu de vraag of de beschuldigde Hanneke Schoffels, de daderes is.
De procureur-generaal moet een bevestigend antwoord geven. Dat zij het is, het blijkt ten duidelijkste uit het getuigenverhoor, waaruit verschillende vermoedens ten haren nadeele resulteeren. Hij wijst op de beide ontmoetingen met de getuige juffrouw Rooze; op het briefje waarbij die getuige Hanneke vermaant de gansche waarheid te zeggen; en vooral op het gevonden briefje van de beschuldigde zelve. Hij spreekt van het Openbaar Gerucht dat Hanneke vroeger heeft verdacht, met een Amersfoortschen schapenkooper in ongeoorloofde betrekking te hebben gestaan. Hij wijst op de verklaring der getuige vrouw Knibbelaar, die gezegd heeft dat Hanneke Schoffels haar tot de vertrouwde van haar misdaad had gemaakt, hebbende zij door angst gedreven haar kind van het leven beroofd.
Bij deze woorden vlammen Hannekes oogen nogmaals naar de zij der getuigen, en mompelt ze hoorbaar: âDat is gelogen!quot;
Ook Anna Rooze werpt zichtbaar ontsteld, een blik over de balustrade naar achter waar die vreeselijke vrouw uit de Allemansgading gezeten is.
â Helaas! zij wist niet dat ook zulk een verklaring was afgelegd.
En de procureur-generaal vervolgt, en wijst op het mes, dat met verre van de plaats waar het lijkje begraven werd, was gevonden; het mes dat gebleken is een broodmes uit de woning van Hannekes ouders te zijn. Hij wijst op de ontroering der beklaagde toen zij onder den aangeduiden boom was gebracht; terwijl hij eindigt met het nemen van zijn requisitoir: dat het namelijk den Hove mocht behagen, Hanneke Schoffels schuldig te verklaren aan kindermoord, voor de eerste maal door de ongehuwde moeder gepleegd; en op grond van de artikelen 295, 296 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, benevens artikel 13 alinea 4 der wet van 29 Juni 1854, haar te veroordeelen tot een tuchthuisstraf van vijf jaren, met verdere veroordeeling in de kosten, en met last dat het arrest van den Hove worde gedrukt en aangeplakt in de gemeenten Arnhem en Mulderspeet.
Weer verheft zich het gemompel in de zaal.
âAnna wees kalm, \'t is nog niet geheel verloren,quot; fluistert de baron Geereke, die zich mede binnen de balustrade bevindt en aan haar zij staat.
En Anna, al wischt ze ook snel een paar tranen af, die haar met geweld in de oogen zijn gesprongen, ze blijft kalm. â Oscar Van Breeland heeft haar aangezien. Ja, haar hoop is op hem gevestigd; naast God op hem! â Hij mag haar zwakheid niet bemerken, neen! Immers hij moet nu spreken, en ofschoon haar oog nog vochtig is,
ANNA ROOZE. 143
haar blik moet hem zeggen: Het lot dier arme is in u w hand. Ik heb het u toevertrouwd. Red haar, schuldig of niet. De wet zij uw wajien! â Oscar Van Breeland, mijn oog is op u.
lin de beschuldigde. .? Toen de schrikkelijke eisch werd uitgebracht door dien âofficieelen natuurlijken vijandquot; in zijn zwarten tabbaard, toen heeft haar hart gebonsd als een moker op het aanbeeld ; maar zij heeft de oogen niet neergeslagen, neen! onschuldig zal ze blijven voor het oog der wereld: voor dien vergrijsden vader, voor Joost, voor moeder. Slechts tweemaal, in een oogenblik van verwarring en overspanning, heeft ze aan die mooie doch voor haar zoo rampzalige julfer een blik vergund in haar verleden, in het verleden toen ze een kind was maar niet zondig. En de juffer die haar tot hier ââ ja tot hier op deze bank heeft gebracht, die juffer mag dan denken dat ze slecht is en schuldig, ze mag dan juichen dat een arm boerenkind .
â Maar hoe, wischt die juffer zich een traan uit het oog? Ha! van spijt misschien dat er geen twintig jaar was geeischt. â Is het niet genoeg onschuldig vijfjaren!?
â Leugen, leugen! leugen.\'! zou ze wel schreeuwen willen. Valsche rechters! Beulen! Valsche beulen! O God, vijf jaren in de gevangenis! Vijfmaal driehonderd vijf en zestig dagen en nachten; dagen en nachten zooals ze er reeds drie en tachtig doorbracht. O groote God! is er dan niemand die daar ginder die beulen in \'t zwart in \'t aangezicht slaat! Is er niemand die den voet zet tusschen de zware kerkerdeur, aleer zij opnieuw en voor zoolang achter haar gesloten wordt....?
â Hoor, daar klinkt een welluidende stem. En die stem, o lieve Jezus! wat grijpt zij diep en weldadig in de borst. Hij spreekt, haar raadsman, haar verdediger. Lieve Jezus, lieve God! En de fierheid verdwijnt van dat bleeke aangezicht, en de plooien die haat uitdrukken, haat en miskenning, ze vervloeien tot de lijnen van verteedering en weemoed, en zie, zie â de arme beschuldigde, ze werpt het schoone hoofd voorover in de beide handen, en, schreiende lispt ze: ,0 lieve Jezus, o lieve God!quot;
En het woord van den verdediger klonk helder en welluidend:
âEdelgrootachtbare Heeren! President en Raden in dit Hof!
, Als verdediger der beschuldigde Hanneke Schoffels opgetreden, heb ik mij tegenover u niet te verontschuldigen, noch over mijne jonkheid, noch over mijne vrijmoedigheid.
âIk achtte mij geroepen tot deze taak; gij hebt ze mij vergund, en nu Mijne Heeren, dank ik God dat ik jong en vrijmoedig ben.
âMocht echter het woord, dat ik spreken ga, mij met den schijn beladen als of ik mijn kennis en ervaring, of ook de juistheid van mijn blik verheven waande boven die van mannen voor een deel reeds grijs geworden in den dienst van het heilig Recht, ik waag het aanstonds u terug te wijzen naar de dagen uwer jeugd, â \'t zij ze reeds verre of nog nabij liggen, toen uw hart soms bonsde van vrees, terwijl uw hand toch zoo sterk was, en uw moed werd bewonderd.
144 ANNA ROOZE.
âEen eerst pleidooi is als een eerste liefde: Wanneer het hart vol is dan stort men het uit.quot;
De advocaat zwijgt een oogenblik, ziet vlug een papier in, en vervolgt:
âHet Openbaar Ministerie bij monde van den procureur-generaal, heeft het schuldig doen hooren. Ook het eerste woord van den verdediger, Mijne Heeren, is schuldig!
âBij u noch mij bestaat er twijfel. Schuldbesef deed mijn cliënte tot de getuige Anna Rooze spreken zooals deze naar waarheid verklaarde. Schuldbesef deed haar een briefje aan genoemde getuige schrijven, welk briefje door onbekende omstandigheden niet tot zijn bestemming kwam en in haar latafel gevonden werd. Schuldbesef deed haar ontroeren onder den eik op de heide. Schuldbesef alleen kan een houding rechtvaardigen zooals door Hanneke Schoffels werd aangenomen van haar eerste verhoor te Muldei speet af aan tot op dezen oogenblik. â Mijne Heeren. ik acht de beklaagde schul d i g voor de rechtbank harer eer, voor de rechtbank der zedelijkheid.
âMaar Edelgrootachtbare Heeren, met te meer vrijmoedigheid, doet de verdediger nu ook zijn tweede woord onschuldig hooren. Met waarachtige overtuiging spreek ik het uit: Hanneke Schoffels is onschuldig aan kindermoord. Ik zeg onschuldig, althans onschuldig voor de wet die haar oordeelen moet.quot;
Een zucht van verruiming beefde er hier en gonsde er ginds door de zaal.
Van Breeland herneemt:
âHoort mijne verdediging.
âHet visum repertum der geneeskundigen verklaart, dat het kind waarvan het lijkje op de hei werd gevonden, heelt geleefd. Ofschoon zulks door den staat, waarin dat lijkje reeds bij de ontdekking op den drie en twintigsten November verkeerde, bezwaarlijk, ja onmogelijk te constateeren is, terwijl de gewelddadige verminking van het hoofdje zeer wel kan hebben plaats gehad om een vergelijk met gelaatsvorm bij spoedige ontdekking te voorkomen; aangenomen â¢echter dat het kindje hebbe geleefd en om het leven werd gebracht, wat bewijst ons nog dat het corpus delicti het kind der beschuldigde â wat bewijst ons vooral dat zij de daderes van den moord is geweest?
âIn weerwil der loffelijke verklaring, die de getuige dominee Haverkist van zich zeiven heeft afgelegd: als ten allen tijde te hebben gewaakt voor f\'e godsdienstige en zedelijke ontwikkeling zijner kudde, en voor die der beschuldigde in het bijzonder, zoo acht ik de zedelijkheid dier kudde geenszins verheven boven die van andere mij bekende gemeenten op de Veluwe.
âMijne Heeren, in het belang mijner cliënte heb ik al aanstonds op het Openbaar Gerucht te wijzen, dat, na het vinden van «en corpus delicti, terstond een menigte personen wist te noemen waarop het vermoeden rustte â let wel een menigte â en zelfs éóne inzonderheid, die men in de gemeente van den getuige dominee Haverkist, voor de daderes hield.
ANgt;quot;A ROOZE.
,Het Openbaar Gerucht heeft â ik herhaal het â een menigte namen genoemd, en één vooral die niet de naam der beschuldigde was. Ik vraag u; waarop bouwt men dan de schuld mijner cliënte?
âZal het wezen op de ongeteekende beschuldiging aan het adres der Justitie? In stede dat zij iets zou bewijzen, komt zij mi) voor een schaamtelooze wraakoefening te zijn van Hannekes verleider, die haar in November 11. â twee jaren na de eerste ontmoeting â doof vond voor zijn aanzoeken en toen opgewassen tegen zijne lagen.
âDoch ik weet het: ook het Openbaar Ministerie zou niet gehecht hebben aan dat ellendig geschrijf, indien zij het niet in verband had gebracht met het lijkje, dat reeds vroeger, den drie en twintigsten November, op de hei gevonden werd.quot;
Van Breeland ziet weer zijn papier in. â Hij vervolgt:
âOf ook, moet men haar schuld bouwen op het Voorloopig Onderzoek.
âMet nadruk Mijne Heeren, waarschuw ik tegen de clairvoyance van burgemeesters-hulpofficieren, die reeds met juisten blik zaken doorzien, nog vóórdat zij ze goed onderzocht hebben. Een vaste overtuiging in luttele seconden en zonder nadenken of ernstig onderzoek verkregen, men zal er zich niet door laten misleiden.
âVooral in dat verbleeken onder den hollen eik heeft de hulpofficier-burgemeester van Mulderspeet een groot, een zeer groot bewijs van schuld gevonden.
âIk acht dat oordeel holler dan den eik zeiven. Duizend tegen één dat die zelfde hulpofficier verbleeken zal of blozen, wanneer ik hem hier in uw aller tegenwoordigheid zeer ernstig vraag:
âZijt gij mijnheer, zijt gij onschuldig aan den gepleeg-den m oord?quot;
En de hulpofficier-burgemeester Le Village verbleekte niet, maar bloosde.
âStel u gerust, de vraag is al te ongerijmd. Maar nóg ongerijmder is het, in zulk verbleeken het bewijs van schuld te willen zien. Kan er dan geen andere reden zijn waarom de ellendige naaralooze aanklager dien hollen eik heeft aangewezen als de plaats waar de ongelukkige â die immers twee jaar geleden nog een kind was â zou verbleeken? Heeft ze er misschien gestaan voor de rechtbank van haar eer?
âEn verder dat Voorloopig Onderzoek!
âUit nauwkeurige informaties is mij gebleken: dat er den achtsten December 11. des middags te halteen, een rijtuig te Mulderspeet is aangekomen, waarin zich de rdrie heeren van het gerechtquot; bevonden, en dat de heeren circa kwart over tweeën naar Arnhem zijn teruggekeerd: âvreezende een hunner reeds te laat voor een diner te zullen aankomen.quot;
âNu ga ik verder:
âDat Voorloopig Onderzoek heeft bovendien plaats op een zeer kouden onaangenamen dag. De wind huilt over de hei en in den hollen eik.
âEn, de heeren weten immers reeds genoeg; Het corpus delicti
145
146 a.nka eooze.
bevindt zich op het raadhuis. De âschuldigequot; verbleekte! Het mea uit haar ouders woning is hier gevonden! Wat wil men meer?
Bovendien, de burgemeester schijnt even zeker van de zaak als____
zijn veldwachter.
âWanneer het zich anders heeft toegedragen dan is het er toch niet beter om geweest, Mijne Heeren, want hier zit een onschuldige, een onschuldige voor de wet.quot;
Weder ziet de advocaat vluchtig zijn papier in en herneemt met klem:
âOf moet men haar schuld bouwen op de verklaring der getuige Anna Rooze, en op de verklaring der vrouw, wier naam ik niet te gelijk met dien der eerste wil uitspreken. Ik vraag het u: Is er iets gezegd of geschreven, waar uit blijkt dat de beschuldigde werkelijk schuldig is aan de misdaad, waarvan ze beticht wordt\'?
âUit haar woorden, uit haar briefje is angst gebleken, angst dat haar vader, angst dat Joost het vernemen zal. Maar wat, wat zouden zij vernemen, wat moest geheim blijven? Neen, niet de moord aan een kind gepleegd, maar wel haar val toen zij een kind was.
âEn dan Mijne Heeren, zoudt gij hechten aan het woord van die getuige vrouw Knibbelaar? Haar eed verzekert u dat zij waarheid sprak! Maar zij heeft een bijnaam in het dorp harer inwoning. Er is een Zwijn der Ardennen geweest ;haar noemt men het Varken van Mulderspeet. Toen dat mensch getuigenis der waarheid aflegde en verklaarde dat Hanneke haar in vertrouwen haar misdaad had meegedeeld, toen hebt gij den uitroep der beklaagde gehoord: Dat is gelogen.
âHet mag aan uwe aandacht niet zijn ontgaan Mijne Heeren, op welk een toon het woordje dat werd uitgesproken. In haar gedurig: zij liegt, of gelogen was angst, in haar dat is gelogen lag zekerheid.
âMijne Heeren, ik herhaal het als mijn innige overtuiging, dat de schaamtelooze â die de onschuld van een kind kon rooven â uit wraak over haar later standvastig weerstreven, een valsche beschuldiging tegen haar heeft ingebracht terwijl hij poogde een glimp van waarheid er aan te verbinden.
âHet mes, zoo schreef hij, zou bij den hollen eik gevonden worden! Uit het eenvoudig verhaal van den getuige Joost Burik bleek ons, dat hem â op den laatsten kermismiddag toen hij zijn beminde in de herberg De Luchte wachtte, door Hannekes moeder nog een boterham werd gemaakt, \'t geen echter lang had opgehouden omdat zij het mes niet zoo spoedig vinden kon, terwijl zij gezegd had te vreezen het mogelijk met de aardappelschillen op de vaalt te hebben gegooid. Aan dat mes â een der vijf die zij sedert jaren in huis had â is, zonderling genoeg, niet \'weder gedacht. Maar Mijne Heeren, hoe komt het dat de moeder der beschuldigde eerst in November 1859 een mes heeft gemist, \'t welk omstreeks een groot
i\'aar te voren tot den moord gebezigd en in de nabijheid van den tollen eik zou begraven zijn?\'aar te voren tot den moord gebezigd en in de nabijheid van den tollen eik zou begraven zijn?
âMijne heeren! bewijs van schuld aan den moord hebt gij nergens
ANNA ROOZE. 147
gevonden. En waarop bouwt dan het Openbaar Ministerie zijn eisch?
,Op den samenloop der feiten?
âDat is onmogelijk.
âHet Openbaar Ministerie grondt zijn eisch op de logen die verblindt.
âEr is schuld gebleken. De omstandigheden wijzen op een misdaad. En, bij die halsstarrige ontkenning der beklaagde van een overtuigend gebleken schuld, ia het vertrouwen geschonden, en ziet men ook waarheid voor logen, en schijn voor misdaad aan.
âEn, zal nu de arme gevangen worden in den strik, dien zij voor een groot deel zich zelve spande?
âNeen! hier is het niet de verharding der boosheid, hier is de logen geen zwijnen-uitwerpsel.quot; â Een blik in de richting van vrouw Knibbelaar geworpen, lichtte die laatste woorden toe; âHier is het de edelste aandoening van het reine vrouwenhart die de logen het aanzijn gaf.
âWij laken, maar veroordeelen niet.
âZiet, er is een kind van zestien jaren, dartel maar schuldeloos.
âEensklaps ontwaakt zij uit een vreeselijken dommel. Men had haar bedwelmd, men heeft haar haar eer ontroofd.
âGod weet het. God! Doch niemand anders.
âToch ziet ze angstig rond; maar, immers niemand weet het, niemand! â Zou men vermoeden? Neen. â Wel wordt er van verre gemompeld, doch de arme verneemt het niet. â Neen, vader en moeder zullen niets merken. â Hoe het komen mag dat zebleeker
en stiller wordt----? Och, dat hebben meisjes op die jaren wel
meer. Ze moet maar goed eten, goed drinken!
âHa! Ze merken niets. Goddank, want als ze het merken ...!
âEn, maanden verloopen.âDe eerste verwachtingen der jonge aanstaande moeder zijn zoo zalig naar men zegt. Vraagt aan de arme beklaagde wat de maanden haar geweest zijn, toen de moordenaar van haar vroolijke jeugd haar tot veinzen, tot huichelen dwong, en de angst al grooter en grooter werd, terwijl het daar gedurig klopte onder \'t bevende hart: Pas op, pas op, de ure komt, net oogenblik nadert!
âEn vrij en ongedeerd met opgeheven hoofd, treedt hij langs wegen en straten, de ellendeling, dien geen wet kan treffen.
âDe ongelukkige vrouw, zij liegt, zij pleegt een moord misschien, uit angst, uit vreeselijken angst voor de wereld die haar zal verstoeten.
âMaar hij, de verachtelijke schender, hij liegt den ganschen dag; zijn geheele bestaan is logen geworden, en de reine maagd die hem straks zal huwen misschien, zij heeft tot echtgenoot een dubbelen moordenaar!
âZiet, als de boom door den stormwind geveld, het hutje, waarover hij zijn lommer wierp, in zijn val heeft verbrijzeld, dan houwt en hakt men dien boom en verbrandt hem; doch de stormwind buldert voort en wringt nieuwe boomen in \'t slijk.
ANNA ROOZB
Mijne Heuren! het was een dwaze droom der jeugd, dat ik eeu jonge moeder, die haar kind het leven benam en wier schuld was bewezen, zou vrijpleiten op grond dat er één schuldiger was dan zij, op grond dat een stormwind den boom had neergeveld.
âDe jonkman is wijzer geworden. De wet eischt der schuldigen straf. Maar ook slechts straf, wanneer de schuld bewezen, wanneer het recht der wet gebleken is.
âEn met overtuiging spreek ik het uit: dat recht Mijne Heeren, is niet gebleken!quot;
Na deze woorden werpt Van Breeland een snellen blik naar den stoel, waarop de getuige Redly-Marter straks heeft gezeten, en vergewist zich dat die plaats niet weder door hem werd ingenomen.
Heeft Oscar Van Breeland nog iets gezien, iets dat hem plotseling als een zon scheen in \'t hart?
Ja, Anna Roozes oogen, waarin hij straks heeft gelezen: Red haar, de arme! nu heeft hij ze zien tintelen vol hoop, vol.... hij weet er den naam niet aan te geven, maar zeker, \'t was een warme zonnestraal, dien hij in dat ondeelbaar oogenblik had opgevangen.
Nauwelijks heeft de advocaat het laatst vernomen woord van zijn pleidooi gesproken, of hij hervat:
âEdelgrootachtbare Heeren! vergunt mij ten slotte nog een gewichtige opmerking die, ofschoon niet tot mijn pleidooi behoorende, wel degelijk het recht mijner cliënte bedoelt.
âMijne Heeren! Twee uitspraken van dit Hof in de zaak van Hanneke Schoffels zijn mogelijk! Eéne is slechts waarschijnlijk!
â Waarschijnlijk â neen, voor mij schier zeker is de uitspraak v r ij!
âEn als gij vrij zegt Mijne Heeren, dan beteekent dit: Wij leden van dit Hof vinden als rechters geen schuld in haar. Of anders: Niemand heeft recht haar te veroordeelen, want haar schuld is niet bewezen.
âEn die uitspraak zal plaats hebben, als naar gewoonte, heden over acht â wanneer omstandigheden het veroorloven of er toe dwingen, heden over drie dagen misschien. Maar, als gij dan nu reeds gevoelt Mijne Heeren, dat de wet haar niet treffen kan, met wat recht zal deze jonge vrouw dan nogmaals acht, of zij het drie dagen, tot een verachtelijke kerkerstraf worden veroordeeld, de arme die reeds bijna vier en tachtig dagen onschuldig â ik herhaal het met klem, dan volgens uw eigen uitspraak: onschuldig in een kerkerhok heeft doorgebracht!?
âIk dank God dat een samenloop van feiten den jeugdige het recht geeft om te spreken als een meerdere van jaren, het recht om reeds heden een bladzij te schrijven van het boek dat hij schrijven zal en getiteld zal wezen:
âDe Voorloopige Inhechtenisstelling of Praeventieve G evangenis.
âZiet gij dien stoel daar ledig Mijne Heeren! Daar heeft een man gezeten, die een hevigen strijd had te strijden. Eerst sedert weinige maanden bevindt hij zich in Nederland. Liefde tot de waarheid deed hem hier zichzelf overwinnen, en, in stee van den aangenomen
148
ANXA ROOZB.
naam, noemde hij u in \'t einde zijn waren naam: Herman Carel Marter.
,Misschien Mijne Heeren, herinnert zich een enkele uwer dien voor omstreeks negentien jaren geschandvlekten naam....?quot;
Terwijl Van Breeland even zwijgt ziet men gespannen aandacht op het gelaat der leden van het Hof, en wisselen eenigen hunner teekenen van verstandhouding.
âHerman Carel Marters zaak werd gecasseerd en van het eene Hof naar het andere verwezen,quot; herneemt Van Breeland; âen, na zeven maanden en zestien dagen praeventieve gevangenschap, werd de man, die van het verduisteren eener Rijkskas boven de drie duizend franken, als ontvanger gepleegd, was beschuldigd, vrijgesproken bij gebrek aan wettig bewijs, en zijn onmiddellijke invrijheidstelling bevolen.
âDwingen ze geen vreeselijken lach af Mijne Heeren, die woorden: onmiddellijke invrijheidstelling!
.Dezelfde man, die daar straks bevend en trillend voor u stond, hii werd na tweehonderd en dertig dagen en nachten in kerkerhokken te hebben doorgebracht onmiddellijk in vrijheid gesteld. Maar zijn aanzijn is verwoest. De dood is hem verkieslijk boven een leven waar voortaan geen bloem in zijn nabijheid meer kan bloeien. Immers aller oogen zijn met achterdocht op hem gevestigd. â Hij is onschuldig, nu ja, bij gebrek aan bewijs!
âEn, Mijne Heeren, dat de wanden dezer zaal het in duizend en tienduizend echo\'s doen weerklinken: die man is inderdaad onschuldig! â Onschuldig! Maar hij was méér. Hij was een voorzichtig rechter. Ja, want liever droeg hij zelf den vree-selijksten smaad, dan een verdenking op den schuldige te werpen, dewijl diens schuld, hem geen volkomen zekerheid was.
âDie tweehonderd en dertig dagen en nachten in de kerkers van Nederland doorgebracht, ze schreien ten hemel Mijne Heeren, want, slechts weinige weken geleden heeft een sl ach toiler van zwakheid en verleiding, stervende verklaard: dat hij in overleg met zijn hoezen geest en helper, den diefstal te Mieriksma bij den ontvanger Marter heeft gepleegd.
âMijne Heeren! aan den Hove van Gelderland is het voorrecht te beurt gevallen, dat het dien armen, zedelijk vermoorden mensch mocht zien van aangezicht tot aangezicht. De zwakke heeft bijna geen woorden gehad; de stem begaf hem in \'t einde geheel, maar, welsprekender dan eenig woord is het feit voor welks waarheid ik u borg sta, het vreeselijke feit, \'twelk mij recht geeft u toe te roepen:
âMaakt het kort wanneer gij nu reeds oordeelt dat de schuld mijner cliënte niet is bewezen, en zij alzoo onschuldig vier- of wilt ge drie en tachtig dagen in de gevangenis heeft doorgebracht.
âHet âIliacos intra muros peccatur et extraquot; blijft nog altijd waar; feilen is menschelijk, en ook de nauwgezetste rechter kan dwalen in zijn oordeel. Maar de eisch der omzichtigheid zal dan ook wel nergens van ernstiger beteekenis zijn dan daar, waar aan men-
149
150 ANNA BOOZE.
schen, aan natuurgenooten de macht is verleeud om te beschikken over dat, wat den mensch zoo onuitsprekelijk dierbaar is: zijn goeden naam en zijn vrijheid!
âEn â nu stol ik, doch niet zonder schroom, de vragen:
âZijn het wel altijd de schranderste mannen der Justitie die â niet dan na rijp beraad en ernstig onderzoek â het bevel tot gevangenhouding uitlokken of verleenen?
âWordt de loop eener zaak niet veelal onnoodig vertraagd? En ook: Zou het niet beter zijn dat tien boeven ontvluchtten en togen naar een verre kust, dan dat er één onschuldig kwam te zitten op gindsche bank der schande? Immers die vlucht â een vrijwillige verbanning, is reeds zijn straf, en, in de Nieuwe Wereld welwillend ontvangen en door nood en voorbeeld tot werkzaamheid geprikkeld, staat de zondaar eerder weder op, terwijl de maatschappij, wier rechten hij schond, door zijn vlucht gewroken, van hem is verlost. Maar de onschuldig gekerkerde, hij richt zich niet weder op. Zijn kracht is verlamd, want de wereld blijft fluisteren in \'t rond: Hij zat in de gevangenis!
âOnschuldig voorloopig in hechtenis gesteld, â het is verschrikkelijk!
âOnschuldig praeventief ten cellui airen kerker verwezen,â het is tirannie, onwettige tirannie, want de wet stelt dien laatsten kerker ten dubbelen straf!
âDoch, denkt men daar buiten misschien, als de onschuldig gevangene dan is vrij verklaard, dan wordt de arme niet slechts schadeloos gesteld voor alles, wat hij met een bloedend hurt moest lijden, voor alles wat hij schade leed, ook met de zijnen, neen, schitterend wordt hij zelfs in eer en ambten hersteld, schitterend. ..
âHelaas! niets, niets van dat alles! Vertrapt om nog verder vertrapt te worden, dat is zijn toekomst. Nog eens: de onschuldig gehoonde staat niet weder op, of het moest zijn om den lichtvaar-digen rechter met dreigenden vinger te vervolgen tot aan zijnjong-sten snik.
âGenoeg Mijne Heeren. Misschien hebt gij over dit alles reeds gezucht nog voordat ik geboren was. Gij stemt het toe, daar moet een tijd komen dat geen onschuldige meer zal kunnen boeten voor der schuldigen euveldaad. Wie het kan hij helpe, opdat die toekomst niet verre meer zij!
âEn nu, Edelgrootachtbare_ Heeren, President en Baden van dit Hof, op grond dat het wettig bewijs van schuld aan kindermoord niet is geleverd, concludeer ik ten slotte tot de vrijspraak der beklaagde Hanneke Schoffels, terwijl ik, wijzende op dien ledigen stoel van den getuige Herman Carel Marter, verzoek dat het den Hove behagen moge nog heden te gelasten: dat de onschuldig gesmade worde â in vrijheid gesteld.
âIk heb gezegd.quot;
Naar mate de stilte, die er in de zaal had geheerscht, dieper was, â wordt het gegons en gepraat nu ook luider. Oscar Van Breeland strijkt zich vluchtig met den hagelwitten zakdoek langs het gelaat.
ANNA BOOZE. 151
Zijn eerste pleidooi heeft hem sterk aangegrepen. Gedurende het spreken, had hij zich kalm gevoeld en geheel zich zeiven. Bovendien heeft hij gesproken met de onwankelbare overtuiging, dat hij goed en met bezieling sprak, en dat de onmiddellijke invrijheidstelling van Hanneke Schoffels zonder eenigen twijfel het gevolg van zijn warme woorden zou zijn.
Ha! Reeds zoovele dagen had hij gedroomd van den schoonen stond, waarin hij zijn eerste pleidooi zou voeren, en hoe hij een gansche schare van tegenstanders â zoo zij er wezen mocht â zou overtuigen door waarheid en kracht van taal.
Maar zie, nu hij gesproken heeft, nu overvalt hem eensklaps een andere, een ijskoude gedachte. â Hij heeft zich in zijn illusies bedrogen: Zijn eerste pleidooi heeft al de gebreken van een maidenspeech gehad. Somwijlen is hij te zwak, somtijds â met het oog op dien achtbaren Kaad â is hij veel te stout geweest. Toen hij de punten zijner verdediging vaststelde, toen schenen ze hem toe zoovele dolken te zijn, die den valschen aanklager zouden treffen in \'t hart. Maar nu, hoe zwak, hoe nietig komen ze hem eensklaps voor. Is er werkelijk door hem aangetoond dat het bewijs van schuld niet is geleverd ? Heeft hij inderdaad een licht ontstoken voor dien Raad, voor die, als rechtsgeleerden te recht zoo hoog gestelde mannen\'?
Een allerdroevigst gevoel overmeestert den jongen advocaat.
â Zijn jonkheid heeft hem op een bekende, klip doen stranden.
â Hij is te vurig geweest, hij steunde te veel op zijn eigen overtuiging en op de oratorische gave, die men hem zoo dikwijls in kleineren kring had toegekend. Aan vergrijsden in het recht heeft hij vermaningen gegeven.
â Met het oog op die vreeselijke gebeurtenis te Mieriksma, met het oog op een schrikkelijk langdurig en onschuldig verblijf in een kerker, heeft hij aangemaand tot spoed, tot grooten spoed, terwijl overijling toch ook hier niet geëischt, en rijp beraad wel altijd zal noodig zijn.
Ach! nu het woord is gesproken, nu staat Van Breeland daar, evenals de kunstenaar voor zijn pas voltooide schilderij. Wanneer het blank paneel hem nog tegenblinkt, dan aanschouwt hij met het oog der verbeelding een schoon, een onovertroffen kunstgewrocht. Ja, de zon ziet hij reeds schitteren in zijn verven, en de natuur zelve verwijt hem een diefstal. Maar het voltooide doek roept hem toe: Dwaas! â Meer niet, maar \'tis genoeg; Dwaas!
â Dwaas, meent gij door uw zwakke woorden die wijze mannen tot andere gedachten te hebben gebracht? Meent gij dien procureur-generaal te hebben overtuigd dat hij op lossen grond zijn requisitoir nam! Denkt gij dat uw verhaal â al mocht men het voor waarheid houden â dat uw wijzen op den ongelukkigen Marter het Hof van Gelderland zal bewegen van den meest gebruikelijken regel af te wijken, en dat het, omdat gij het eischt, nog heden zijn uitspraak zal doen hooren?
Al die vragen bestormen den jeugdigen advocaat in hetzelfde
152 ANNA ROOZE.
oogenblik, in het oogenblik nu hij zijn laatste woord heeft gesproken en zich verwijt dat het verre beneden zijn ideaal gebleven is.
En in het luider gemompel daar ginder in het ruim, meent hij de stem te vernemen: \'t Zal wat baten dat die jongen zich uitsloofde!
En Anna\'s oogen, die straks hebben geschitterd, ze staren nu voor zich neer.
En, noch op het gelaat van den procureur-generaal, noch op dat van den president of een der raadsleden is een enkele trek te bespeuren, die het vermoeden zou wettigen dat het gesprokene hen getroffen heeft. Een snelle gestrenge blik van den eerste slaat hem nogmaals met ijskou om \'t hart.
Aan de groene tafel flikkert een paar malen een folioblad papier. Straks hier, nu ginder.
Hoor, nu is het de stem van den voorzitter die zich luide verheft, en de laatste woorden, haastig en als met weerzin gesproken, ze luiden: dat het Hof beraadslagen en nog heden te vier uren zal uitspraak doen.
â Heden! zucht Oscar onhoorbaar terwijl een blos zijn wangen kleurt: Men zal dan den volke nog heden verkondigen, dat een procureur-generaal niet dan na rijp beraad zijn requisitoiren neemt.
Het carillon van den verminkten toren der Arnhemsche groote kerk heeft met onharmonisch geluid het: âWir winden dir den Jungfren Krantzquot; geklingeld, en de laatste slag van vieren heeft den Krantz gesloten.
Een ademlooze stilte heerscht er in de deftige zaal, die men straks heeft verlaten, en waarvan nu het ruim zoo mogelijk een nog groo-tere menschenmassa bevat dan een paar uren geleden.
Ook nu weder is het de eerwaardige president die het woord voert.
De beklaagde zit met neergeslagen blik. Immers die advocaat heeft zelf gezegd dat zij schuldig is. En vader. .. en moeder.... en Joost.... â O wat bonst haar het hart!
Twee harten kloppen mede met angstig geweld.
De baron Geereke Van Uland zou ze schier hooren kunnen. Aan zijn linkerhand staat de jonge advocaat, zooveel mogelijk onzichtbaar voor het publiek, op den rand der balustrade geleund, en aan Geerekes rechterzij zit Anna Rooze, die gemeend heeft sterk genoeg te zijn om de uitspraak van het Hof te vernemen, wat het ook wezen mocht.
En de president spreekt ernstig â somber meent Oscar:
âHet Provinciaal Gerechtshof van Gelderland heeft in naam des Konings gewezen het navolgende arrest in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen Johanna Schoftels, oud negentien jaren; van beroep dienstbode; woonachtig te Mulderspeet; gedetineerd in het huis van verzekering te Arnhem.
âGezien het arrest van terechtstelling,
âGehoord de akte van beschuldiging,
âOverwegende dat uit de afgeloopen debatten is gebleken . . . .
ANNA KOOZE. 153
âOverwegende dat door de beschuldigde wordt opgegeven ....
âOverwegende dat het Hof.......................
âOverwegende eindelijk dat de schuld van voornoemde Johanna
Schoffels....................................
âGezien artikel 210 van het Wetboek van Strafvordering: âSpreekt de beschuldigde vrij, de kosten te dragen door den Staat, en gelast dat zij dadelijk zal worden in vrijheid gesteld.quot;
âVrij! Vrij!!quot; gonst en bonst en golft het in de zaal.
En hij â de man met zijn ernstig gelaat, de crimineele ex officio, het is alsof een glimlach op zijn lippen speelt, nu hij, op een tot hezn gerichte vraag van den voorzitter heeft geantwoord:
âHet Openbaar Ministerie ziet af van verdere vervolging, en geeft zijn consent tot onmiddellijke invrijheidstelling van Johanna Schoffels.quot;
En Hanneke was vrij. O goede God, werkelijk vrij!
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Nadat de belangrijke zitting van het Hof is opgeheven, stroomt de menigte door de wijd geopende zaaldeur naar Duiten.
Behalve de degelijke kruidenier Zoutebroek met zijn vaste principes, zijn er maar weinigen, die niet inwendig juichen of ook openlijk verkondigen, dat ze er schik in hebben, zoo knap als die jonge advocaat de oomes de les gelezen, en de arme deerne uit de gevangenis heeft vrij gepraat.
En die jonge advocaat?
Aan den avond van denzelfden dag zit hij te Utrecht in de huiskamer zijner tante Van Riddervoorst bij den hreeden haard â waarboven op den schoorsteen de bekende pendule rustig tikt.
De goede oude dame heeft haar geliefden neef met een hartelijkheid ontvangen en omhelsd, alsof hij haar eigen kind was. Een telegram van haar vriend Geereke had haar reeds vooruit den goeden afloop gemeld.
Met oogen stralende van edele verrukking, had zij haar favorietneef met de behaalde zege gelukgewenscht, en \'t was haar nu niet genoeg te vernemen wat en hoe hij ongeveer heeft gesproken, zii moet ook weten wat er verder na den afloop der zitting gebeurd en gezegd is.
âMaar Oscar, de procureur-generaal zal er toch iets bijgevoegd hebben toen hij je feliciteerde?quot;
âNeen tante.quot;
âHé, dat is koel. Maar de president?quot;
âDie heeft me de hand gegeven tante, maar niets gezegd.quot;
ANSA ROOZE.
âNiets, volstrekt niets?quot;
,\'t Was voldoende. â Aan oom moet hij nog al \'t een en ander moois hebben verteld.quot;
âBij voorbeeld?quot;
âJa bij voorbeeld, dat het argument van dat mes aan Hannekes zaak veel goed had gedaan. â Enfin!quot;
âWat moet dat enfin beteekenen, lieve?quot;
âNiemendal, beste tante.quot;
âJe bent niet opgewekt, niet vroolijk Oscar. Ik had gedacht dat ie na zulk een dag, over en over gelukkig zoudt zijn. Maar mijn oeste neef vertelt alles zoo kortaf, zoo koel, zoo
âOch dat verbeeldt u je tante. Ik ben erg moe.quot;
âJa dat is geen wonder. Was oom Geereke niet erg in de wolken ?quot;
âZeker, oom was heel tevreden.quot;
âEn juffrouw Rooze?quot;
âWat blieft u?quot;
âIs het aanroeren van die snaar je niet aangenaam Oscar? Ik dacht ....quot;
âOch neen tante. â Wel zeker, wel zeker! Juffrouw Rooze scheen zeer te vreden ....quot;
âScheen â zeer tevreden; en ----?quot;
âNeen tante, zeker, zij was zeer .... zeere .... Zij heeft mij bedankt, wel zeker. Maar u begrijpt ....quot;
âIk begrijp neef----quot;
Oscar ziet eensklaps van het vuur waarin hij gestaard heeft tot de oude dame op:
âU begrijpt? Wat begrijpt u, tante?quot;
âIk begrijp dat mijn beste neef niet alleen de invrijheidstelling van zijn cliënte, maar nog iets anders van zijn pleidooi had verwacht.quot;
âHet komt mij voor tante, dat juffrouw Rooze zeer bedroefd is over den dood van Ernst. Zij hangt oom Geereke aan alsof ...quot;
âOom heeft veel verplichting aan haar; hij zal nu al het mogelijke doen om haar te vergelden, wat zij nog voor den armen Ernst aan zijn ziek- en sterfbed heeft willen zijn.quot;
âEr is geen man op de wereld, tante, voor wien ik meer achting heb dan voor oom Geereke, dat weet u, maar men kan te ver gaan. Sedert den dood van Ernst heeft oom iets weeks, iets . . enfin, brisons! Een jong meisje, hoe flink ook van karakter, is tegen mannelijke weekheid niet bestand, \'t Zou mij niets verwonderen â¢wanneer zij zich reeds inbeeldde den armen Ernst â dien zij nu altijd door oom en tante hoort vergoden â werkelijk te hebben liefgehad. Maar nog eens, brisons!quot;
Toch zag tante wel dat Oscar er niet over zwijgen zou. Het hart was te vol.
Nadat de neef is opgestaan en vluchtig aan den muur een oud familieportret heeft beschouwd â maar zonder het te zien â vat hij een stoel; komt vlak bij tante zitten; neemt doelloos een zwaar zilveren theelepeltje van net blad. en, eenigazins voorovergebogen
154
ANNA BOOZE.
herneemt hij, terwijl hij somwijlen als ter bevestiging zijner woorden met het lepeltje op het blad of\' op den tafelrand tikt:
âIk dacht met dat het mogelijk was mij in dat meisje te bedriegen tante. Zij hield van mij, zoowel als ik van haar. U zelve hebt het bemerkt, en ik â ik heb het gevoeld reeds van het eerste uur onzer kennismaking af aan. â U kent de redenen tante, die mij in \'t eerst weerhielden om haar openlijk mijn liefde te verklaren, maar op dien morgen, toen het hart zoo luide klopte dat de mond wel spreken moest; toen ik haar blos had gezien, en ik reeds zeker van haar jawoord meende te zijn, toen â toen moest ik vernemen dat zij de mijne niet worden kon. \'t Was zeker wel wat meisjesachtig van haar om mij bijna in hetzelfde oogenblik op het blondje, mijn oud speelkameraadje te wijzen, alsof een andere maar eensklaps de wond zou kunnen heelen. Aan het willen dier andere dacht ik natuurlijk niet eens. ofschoon Emma\'s toon nog dienquot; zelfden avond alles behalve het gevoel verried dat de oudere vriendin bij haar verondersteld scheen te hebben.quot;
Mevrouw Van Riddervoorst maakt bij zich zelve de opmerking dat een helderziend advocaat nog niet altijd den heldersten blik in een vrouwenhart heeft, en luide maar terloops verzoekt ze Oscar vriendelijk, niet meer met het lepeltje op dat kopje te tikken, \'t Zilver kan er tegen, maar \'t porselein is broos.
Van Breeland, die niet wist dat hij een lepeltje in de hand had, legt het ter zij, en zich nog meer vooroverbuigende herneemt hij:
âU weet tante, hoe Anna verder in de familie van oom Geereke is ondergegaan . ..quot;
âHoe meen je dat neef?quot;
âMisschien is de uitdrukking niet mooi. â Ik meen tante, dat men al spoedig van een engagement met Ernst heeft gesproken, waarschijnlijk omdat juffrouw Kooze in weerwil van convenances, waar tante Geereke anders nog al jmee dweept, steeds aan zijn ziekbed is geweest. Maar ook na zijn dood is zij in hun kring gebleven, ja zelfs u weet het dat zij de condelantie-visites mee ontvangen heeft.quot;
âZij wilde oom en tante in hun diepen rouw niet verlaten Oscar: \'t Was liefde.quot;
Juist sloeg de pendule met haar helderen slag.
âIk zeg er niets tegen tante. Hoe diep ook geschokt, heb ik zelf juffrouw Rooze bewonderd, ofschoon ik het woord overdreven niet wegcijferen kon. Al spoedig toch zag ik de gansche zaak heel duidelijk in, en had de overtuiging dat Anna, gehoorgevende aan dringende aanzoeken van oom en tante â aanzoeken die door den toestand van Ernst misschien eenigszins gewettigd waren â uit medelijden haar hand aan Ernst geschonken, maar tevens geweld aan haar hart had gepleegd.quot;
âOscar, ik heb je flink karakter in die dagen eerst goed leeren kennen en je te liever gekregen.quot;
âIk had veel werk tante; er waren zaken die aaa mijn geest de noodige afleiding gaven. Ofschoon uit mijn scboonsten droom
155
ANNA KOOZB.
zoo wreedaardig gewekt, begreep ik toch dat het een eerste levensplicht is, om het hoofd niet te laten hangen waar het lat ons tegenstaat, en..
âWaar God ons een anderen weg wijst dan die wij ons kozen!quot; zegt mevrouw Van Riddervoorst zacht.
âWij bedoelen hetzelfde tante. Hoe \'t zij, ik deed wat ik kon om de herinnering aan dat engelachtige meisje uit mijn geheugen te bannen. Ik hoopte voor oom en tante Geereke zelfs â en met de hand op het hart â dat zij Ernst zouden behouden. â Ernst stierf. Anna werd vrij. En nu, terwijl ik bijna uitsluitend in haar belang.... Maar daarvan wil ik niet spreken, neen, terwijl ik de invrijheidstelling van het meisje bewerkte, in wier zaak zjj meer belang scheen te stellen dan in haar eigen geluk; nadat een enkele blik, dien ik in de pleitzaal van haar mocht opvangen, mij opnieuw het hart in gloed had gezet, en ik later tegenover haar stond.. .
toen----quot; Oscar wendde het gelaat haastig ter zij. Wat drommel t
moest zwakheid hem de baas worden! Dat gebeurde hem nooit. Met verheffing van stem vervolgt hij; âtoen dacht ik tante....quot;\'
Van Breeland staat haastig op. \'t Was beroerd, \'t was kinderachtig; âToen dacht ik----quot;
âJa beste jongen, ik begrijp dat wel.quot;
âPardon, dat kunt u niet begrijpen tante. Zie, Anna staat onder een geheimen invloed, die haar met geweld van mij afrukt. Toen ik op dien voormiddag hier in uw huis in haar heerlijke oogen zoo duidelijk las dat zij mij liefhad, toen wees zij mij af, omdat.... zij oom Geereke een oogenblik te voren had gesproken. Maar nü, wie is het dan nü die haar nog eens van mij verwijdert! Zie tante, oom Geereke, die onze verhouding moet kennen; die immers weet dat Anna zich opofferde toen zij den bijna stervenden Ernst haar hand beloofde â ja wel tante, oom heeft dat geweten en ook zeker onze verhouding begrepen â ik vraag u, wat zou u in ooms plaats gedaan hebben, als u mij daar tegenover het ideaal van mijn wenschen hadt gezien, terwijl ik mijn lauwer â hoe onvolmaakt dan ook bevochten â als aan haar voeten kwam neerleggen?quot;
âIk lieve, ik zou .. quot;
âU zoudt gezegd hebben; kom Anna, geef Van Breeland nu het antwoord dat je hem voor ruim acht weken niet kondt geven. U zoudt....quot;
âNeen mijn beste neef, al ware het dat oom .
âJa wel tante; ten minste u zoudt niet juist in zulk een oogenblik van Ernst hebben gesproken. Oom zei; O, als ik zoo iets van Ernst had mogen beleven ...! Neen, u zoudt u niet met die woorden en een paar flauwe tranen hebben afgewend. Neen tante \'t was daar, na zulk een uitspraak en in die presidentskamer, het oogenblik niet om Ernst op te halen, \'t Was niet flink, niet a la Geereke, niet fair!quot;
âWeet jij wat het zegt een kind te verliezen, beste Oscar?quot;
âNeen tante, maar een meisje te verliezen dat men meer liefheeft dan het leven.... O, wees niet boos beste trouwe tante, er is nie-
156
ANNA BOOZE.
mand op de wereld tot wie ik zoo wij zou willen en kunnen spreken als tot u. En zie, als ik mijn hart maar eens heb luchtgegeven, dan zal het morgen ook wel beter zijn. Ik heb een somberen namiddag doorleefd tante, \'t Was me nacht gedurende de reis van Arnhem naar hier. Voor \'t eerst Anna weder te zien, met de vrijspraak voor haar beschermeling als \'t ware in de hand; vervuld met de levendige hoop dat zij met één enkel woord, of ten minste met een enkelen blik zal zeggen: Oscar, nu die arme Ernst niet meer leeft en ik vrij ben, nu.. .. Maar niet. niets! niets! Koelheid, kilheid heb ik gezien, een ijskoude hand heb ik gedrukt. Ziedaar, dat was ons wederontmoeten!\'
,Maar Oscar, gesteld dat zij werkelijk geen ander liefheeft, kon ze dan nu reeds....quot;
âNeem mij niet kwalijk tante, maar \'t is al wat lang geleden dat u voor \'t eerst hebt bemind----quot;
Men ziet het: Oscar is niet gewoon met zoete woordjes te vleien, en \'t is juist daarom, dat hij tantes lieveling werd.
âToch zult u je wel herinneren tante,quot; vervolgt hij: âdat er voor minnenden een ongeschreven en ongesproken taal is, die zij slechts verstaan. Neen nog eens, ofschoon ik gevoel dat zij mij heeft liefgehad, haar houding dez-en middag na afloop der zitting heeft mij gezegd: Laat je hoop varen Oscar, er is een klove die ons blijft scheiden. En.... en....quot;
Oscar loopt onrustig heen en weer.
âWees kalm mijn jongen!quot;
âIk ben kalm, tante. Maar bij mijn smart kwelt mij nog de overtuiging, dat die kloof door oom Geereke gegraven werd. Van die zijde komt de pressie. Ja, hoe en waarom, dat mag de goede God weten! maar zeker is het dat Anna\'s gekunstelde houding, die langzamerhand natuurlijk zal worden, dateert van den tijd dat oom Geereke haar als \'t ware gevangen hield.quot;
âOscar, blijf wat je vroeger altijd geweest hent; wees ook nu niet voorbarig in je oordeel. Je doet oom Geereke onrecht, daar ben ik zeker van.quot;
â\'t Zou me spijten tante. De zaak wordt er echter voor mij niet beter om. \'t Is hard, heel heel hard, terwijl ik zeker dacht.... Maar genoeg, genoeg!quot; â Hij staart in het vuur.
âOscar, mijn vader placht te zeggen: De beste doctoren raadplegen een ander wanneer ze zelf ziek zijn. Mijn vader was een door en door verstandig man. Misschien zou hij nu tot mijn besten neef gezegd hebben: Je bent partij, en je oordeel is daarom niet zoo nelder als in de zaak van je arme cliënte.quot;
âIk spreek het niet tegen tante.quot;
âMijn opinie zou wezen dat de houding van juffrouw Rooze niets, volstrekt niets bewijst. Naar \'t mij voorkomt was het zelfs van haar kieschheid niet te verwachten dat zij â wanneer zij je waarlijk liefheeft â nu reeds door woord of blik iets meer dan haar dank zou hebben te kennen gegeven, en vooral niet in de tegenwoordigheid van je diepbedroefden oom.quot;
157
158 AXUA ROOZE.
â\'t Kan zijn. Ieder heeft zijn zienswijze. Ik geloof aan een pressie die mij het liefste ten tweeden male ontrukt. â Denk echter niet beste tante, dat ik zal toegeven aan een laakbaren wrok; dat ik onbillijk zal worden, en niet in menschen, die ik altijd hoogachtte, het goede zal blijven erkennen; ik wil ook nu trachten het hoofd te beuren, en â zij het dan met een flauwe, een bijna onmerkbare hoop â den weg volgen die zeker goed voor mij wezen zal. Als ik geslapen heb zal het beter zijn. Maar nu â kom tante, geef u mij maar eens een hand. Och, ik heb er van avond behoefte aan.quot;
En toen de oude tante de haar toegereikte hand zoo teederlijk drukte, toen was het haar niet recht pluis in de vriendelijke oogen.
Gelukkig, de neef zag, het niet. Week zijn daar hield hij niet van.
âGoed zoo m\'n jongen, wees flink en verstandig. Later zal het blijken wie van beiden recht sprak, de helderziende advocaat of de oude vrouw. Voor het oogenbhk zon ik je haast beknorren willen. Is er dan van daag geen reden ook, geen groote reden zelfs om een dankbaren toon aan te slaan; evenals het zonnetje zich wel eens laat zien op een buiigen najaarsdag?quot;
âHet beeld gaat mank tante.quot;
âEi zoo, ik zei het ook niet om een mooi beeld te geven. Ik bedoelde eenvoudig dat je toch ook wel reden hebt om eens vroolijk te kijken, \'t Was toch niet alleen ter wille van Anna Rooze dat je je zooveel moeite gaaft om de invrijheidstelling dier ongelukkige Mulderspeetsche te bewerken. Heb je dan niet een weldadig en dankbaar gevoel, dat je als \'t ware aan die arme beklaagde de vrijheid hergeven mocht?quot;
âSnoek de organist zegt altijd: als artist en als mensch. Ik zeg ja, als artist; als mensch kan bij mij de zon gerust achter de wolken blijven.quot;
âHoe meen je neef?quot;
âAls er geen grootere teleurstelling gevolgd was, dan zou de eerste voldoende zijn geweest om een droevige stemming te rechtvaardigen. U denkt dat mijn cliënte bewogen en vol dankbaarheid is heengegaan?quot;
âIk zou meenen ...quot;
âJa ik meende ook dat het zoo zijn zou. Weet u wat zemijzeide toen ze vrij was, en ik haar in tegenwoordigheid van haar grijzen vader en haar minnaar gelukwenschte?quot;
Mevrouw Van Riddervoorst sloot met de hand het licht af om Oscar beter te zien.
âToen sprak ze op hoogen toon: Ik zeg nog eens dat het alles gelogen is.\'
âEn was dat haar laatste woord?quot;
âDat was het eenige tante. Misschien verklaarbaar maar pijnlijk, zeer!quot;
âWas dat â was dat haar dank! Goede jongen!quot;
âU zult mij nu toestemmen dat de zon achter de wolken kan blijven tante.quot; â Eenige oogenblikken later:
âIs er geen telegram voor mij gekomen?quot;
ANNA KOOZE. 159
«Neen, dat zal misschien aan je kamers bezorgd zijn.quot;
âIk had opgegeven; adres Mevrouw Van Riddervoorst, \'t Is vreemd.quot;
âWas er.... iets-...?quot; vorscht de oude dame, minder uit nieuwsgierigheid dan om het gesprek op iets anders te brengen.
âJa tante. Heb ik u niet gezegd dat mijn vermoeden betreffende dien mijnheer Redly â den commensaal van domiiee Haverkist â zich heeft bevestigd?quot;
De grootste verrassing staat er op het edel gelaat der bejaarde vrouw te lezen, en terwijl Oscar het gebeurde in de hofzaal verhaalt, heeft mevrouw Van Riddervoorat schier werktuiglijk haar bril met ronde glazen opgezet, want ze moet Oscars woorden niet slechts hoeren, ze moet ze ook zien.
âKind, kind! wie had dat kunnen denken!quot;
De deur wordt geopend, en Jacob de blonde huisknecht kondigt aan:
âMijnheer Van Haverkist.quot;
âJij met je Van,quot; zegt Willem in \'t voorbijgaan, en daarop, met zijn gewonen haastigen tred naar binnen komende, herneemt hij:
âN\'avend mevrouw! Hoe vaart u! â Wel Van Breeland, jij al hier! Te deksel, dat had ik niet gedroomd. â Kerel hoe is \'t gegaan? \'k Ben even langs je kwartier geloopen. \'k Dacht je kunt nooit weten; maar in alle geval begreep ik dat mevrouw je tante wel een telegram zou hebben, enfin, dat ik hier den afloop zou kunnen hooren ... _Hoe is \'t Van Breeland, je kijkt zoo ernstig. Toch goed? Toch niet ... mis? Is de arme mooi-Hanneke uit De Luchte niet. -..!quot;
âJa wel Willem, vrij! Heel gelukkig. Ga zitten.quot; zegt mevrouw.
âKom aan! Sakkerloot dat doet me plezier; dat doet me nou razend veel plezier. Ik kan je zeggen dat ik er van middag letterlijk niet door eten kon. We hadden nog wel philosoof, maar \'t was me onmogelijk. Vrij! Wel beste Van Bree, hartelijk geluk hoor!quot; Hij schudt hem bewogen de hand: âVerduiveld kerel âpardon mevrouw. â Jongens dat doet me goed. Sakkerloot wat doet me dat een plezier. â Mevrouw m\'n complement hoor!quot; Hij staat vluchtig op: âEen eerst belangrijk pleidooi te winnen, \'tis niet gering. En de zaak scheen kritiek genoeg: ten minste vader schreef me voor drie dagen, dat ik âer hem bij onthouden moest, maar dat Hanneke niet vrij zou komen.quot; Ik wou je dat niet zeggen. Maar vrij! Och kom! En ben je niet razend in je schik?quot;
âZeker. Ja wel.quot;
âMaar je bent moe hé? â Te begrijpen. Zeker een drommelscho sjouw! En dan dadelijk weer naar Utrecht! Was \'t mooie schepsel niet dol van blijdschap? Me dunkt ze zal je om den hals zijn gevlogen. En je hebt vader natuurlijk gezien. En mijnheer Geereke, enquot;\' â Willem bloosde vluchtig â¢â âheeft juffrouw Rooze je niet een lauwerkrans op de slapen gedrukt? A propos, was het kleine commensaaltje er ook? Zeker wel. â Sloeg de arme stakker geen mal figuur.... Ze hadden hem thuis moeten laten.quot;
100 AKNA KOOZE.
\'t Was den goeden doorhakkengen Willem te vergeven dat hy zooveel vragen en antwoorden op elkander stapelde. Den geheele dag was hij met zijn gedachten - behalve nog ergens anders - te Mulderspeet of te Arnhem öf somwijlen ook op De RenSll0rst \'s avonds na een vuurwerk â geweest. Het allermeest te Ainliem, in het gebouw Justitiae Sacrum, waarvan de groote zaal er echtei voor hem, zonder reden, onverbiddelijk als de Utrechtsche komedie had uitgezien, behalve \'t orkest en de harde banken v,aD die in \'t Justitiae Sacrum zijner verbeelding allemaal fauteuils-waien.
Toen Willem in zijn laatsten brief aan den baron Geereke onder andere geschreven had. zoo gaarne \'t pleidooi te willen bijwonen ten minste als hij zeker was dat de vrgspraak volgen toen had hij op dit punt geen antwoord gekregen. De baron moest er zijn redenen voor gehad hebben, en, Willem was m pijn en banden te
UJlemelfwat ben ik blij!quot; roept hij nog eens: want weet u mevrouw, ik heb met Hanneke honderdmaal geravot en gespeeld toen we nóg samen op de dorpsschool gingen, en \'t was de vroohjke oprechtheid zelve die aardige bruinoog. Jongens, Breed, als je met zoo moe was dan moest je nou naar je ouwe soos; d r zou een verduiveld â pardon mevrouw â enfin^ oen mooi hoeratje opgaan,
je er nu nog eens komen woud\'----quot; ⢠t n jââuf
âJe bent een goede kerel Willem, maar dat kan met. Ik dacht dat je óók naar Arnhem zoudt gaan. Eergisteren ben ik nog even bil ie aangeloopen om \'t je te vragen, maar je waart niet thuis.
Willem wordt zoo rood als een gekookte kreeft, en gaat zijn neus
weet je. - Jui.ll - E.rgi.l.,... Ik 1..... -
enfin â Je later wel eens zeggen. â Waren vader en moeder wel i1
En \'t commensaaltje, en----?quot; __p-ij...
Toen je binnenkwaamt Haverkist,quot; zegt mevrouw Van Riddei-voorst: âtoen deed neef Oscar mij juist een ^allerbelangrijkste mee-deeling. Eén die je ook^ bijzonder zal treffen.
âOch kom mevrouw!quot; . . , â
Jk weet niet Willem, of mijn neef vooralsnog geheimhoiiding
Volstrekt niet tante, de meeste openbaarheid hoop ik er aan te
SeVWat mij betreft Breed, je weet wel dat ik zwijgen kan als het wa\'t beteekent; maar met die: wat-betaal-jij-voor-de-boter-geheimen, daar breek ik m\'n hoofd niet mee.\' . â .
De zaak is alleraandoenlijkst,quot; herneemt mevrouw: en juist voor ons beiden buitengewoon belangrijk, \'t Is een vervolg Willem, op de ontzettende verklaring, die wij op dien avond te zamen âehoord
^J/Wat, wat zegt u mevrouw! Is de medeplichtige van dien dronken Miel gevangen? Is----?quot;
-Luister Willem, neef zal t je zeggen. j i u i.
Bn Willem Haverkist luisterde, en terwgl de oude dame het ver-
ANNA BOOZE.
haal van Oscar, die zoo moe is, gedurig aanvult, verneemt hij dat niemand anders dan de zwakke commensaal van vader Haverkist, de ongelukkige Marter was, die zóó schrikkelijk voor de wandaad \'had geboet, welke zijn neef Otto Van Wall met Geert Holmena in Februari van het jaar 1841 had gepleegd â terwijl dat jaartal door den schuldige gedurig onjuist werd opgegeven dewijl hij, ofschoon zijn geheugen tot den einde toe merkwaardig goed bleef, met jaartallen en cijfers doorgaans in de war was. â Haverkist vernam verder, hoe de ongelukkige Marter, dien men sedert vele jaren dood waande, maar in Australië zijn droevig leven had gerekt, en eindelijk door \'t heimwee naar zijn vaderland gedreven en onder een aangenomen naam in afzondering van de wereld zijn laatste dagen had denken te slijten, hoe hij heden was bekend geworden, omdat hij voor de balie in \'t eind zijn waren naam niet had durven verzwijgen.
Dit alles vernam Willem, en hii vernam nog meer, en â moge het niet vreemd zijn dat Oscar Van Breeland, toen hij zich dien avond ter rust had begeven, \'t zij door zijn krachtige zelfbeheer-sching, \'t zij door overgroote afmatting, bijna onmiddellijk in een diepen slaap viel, \'tis ook niet vreemd dat Willem Haverkist dien nacht geen oog kon dichtdoen.
Minstens tienmaal in \'t kwartier smeet hij zich om oj) zijn leger, en, vóór dat de klok drie had geslagen was hij al viermaal ten bedde uit geweest, om eens naar buiten te zien of er geen eind aan dien nacht kwam. immers hij dacht aan dien schrikkelijken avond toen Otto Van Wall . . V
â Neen, neen, daaraan dacht hij niet. \'tls Willem niet kwalijk te nemen dat hij aan heel wat anders denkt en â eindelijk de lamp opsteekt:
Eergisteren heeft hij een snoepreisje gemaakt, en gisteren had hij zelfs een college van Opzoomer verzuimd, want â hij was met een vers bezig; en zestien coupletten waren er al klaar, en het opschrift luidde:
âAan Emma! Emma mijn!quot;
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
\'t Is een Maartsche lentedag. Op het binnenplein van het kasteel De Runt, beschut voor den scherpen voorjaarsadem. is het aan de !zonzijde zelfs warm; men zou haast zeggen onnatuurlijk warm.
Reeds gedurende een groot kwartier hebben daar twee personen zeer langzaam op- en neergewaudeld. VI. li
161
ANNA ROOZB.
De een is een bijzonder mager man met een stok in de rechterhand, terwijl de andere persoon, die hem aan de linkerzijde ondersteunt, een skelet-achtige, erg voorovergaande oude vrouw is.
âEn ik geloof toch dat we beter doen naar binnen te gaan mijnheer. Zoo\'n been moet rust hebben.quot;
, Allemaal gekheid Trien. Dat wou die dokter me wijsmaken om me aan den praat te houden; maar dank je vriendelijk. Niet heele-raaal gek; al ben ik sinds dat ongeval de oude Lijning niet meer.quot;
âIk heb toch vroeger ook wel gehoord dat een open been vooral rust moest hebben.quot;
âDe natuur zegt je dat het niet waar is Trien. Rust is bederf. Een stilstaand water wordt een stinkpoel.quot;
â.Ia dat is waar.quot;
.Beweging, werkzaamheid, daar heb ik me altijd goed bij bevonden. â Ai! â Zie, als ik te veel op het been vertrouw dan is d© pijn dadelijk weer erger.quot;
âWe moesten toch naar binnen gaan, mijnheer.quot;
âNeen, binnen zit die bleeke. Kom, nog driemaal op en neer! Maar, nou liever aan de overzij in de schaduw. Ik geloof dat dia warme steenen slecht voor het leer zijn. Ik zag van morgen dat de zool van mijn linkerschoen toch al bijna heelemaal is doorgeloopen. Wat nemen ze in dit apenland voor halvezolen en achterlappen ?quot;
.Dat zou ik je niet kunnen zeegen mijnheer; mijn eigen zolen heb ik laatst geblikt.quot;
âWaf?quot;
âJa, \'twas me te graveelig om ze naar \'tdorp te sturen, en toett heb ik twee stukjes blik genomen.quot;
âVan mijn blikquot;? Van de blakertjes uit de....quot;
âJan, dat gaat weer wat ver. â Nu ja, uit de kapel, maar dat ding was toch heelemaal kapot en verbogen. Stukjes als een vinger; en die heb ik plat geklopt en tusschen het zoolleer gedaan, en dat zit nu als een muur.quot;
âDan moet je de mijne ook eens blikken Trien. Zul je? Denk niet; dat ik jou zoo\'n onnoozel stuk blik zou misgunnen; maar zeg, ben jij nog eens in de kapel geweest? Toch niet achter in de.... de-...?quot;
âJa wel, wel zeker.quot;
âAi! â Zoo. En was er alles nog? Zeg, was die bleeke er niet?quot;
âKom Jan, weg met die malle gedachte. \'tLag en stond er alles, nog precies als op dien morgen toen ik je hielp om \'t geld uit dat gat in den koffer te bergen.quot;
âStil! Sst.! Weet je wat ik wou? Ik wou dat die verkooping van meubilair al was afgeloopen; en toch, ik moet er bij zijn. Als je \'t overlaat dan bestelen ze je voor drie vierde.quot;
âJa dat zal wel waar wezen. En dat moet toch vóór den 12del1 gebeurd zijn nietwaar?quot;
âTen minste den 12Jen wil die banjerd van De Renghorst dat ik vertrekken zal. Vroeger heette het dat we zoolang als we wilden blijven konden; maar sedert dien ellendigen avond, of liever sedert ik van mijn regel afweek en vreemde oogen aan m\'n tafel zette
â 162
ANNA KOOZE. 163
âJa mijnheer, dat mooie juffertje is van veel de onschuldige oorzaak.quot;
âOnschuldig! Waarom onschuldig?quot;
âLaten we daar niet van spreken Jan. Schuld en onschuld is een lange strijd. Ik zeg, je hadt niet naar dit oude nest moeten komen. quot;tWas geen speculatie. Als slooper laat ik het gelden, maar als bewoner! Neen, neen, \'twas niet verstandig.quot;
âOmdat je er geen verstand van hebt Trien. Wist ik dan niet zeker dat de baron Geereke het hebben moest? En had ik niet goed gezien, al is de winst ook zoo groot niet als ik verwachten kon?quot;
âJa, je oogen zien scherp genoeg Jan.quot;
âEn toch, ze hebben d\'r kracht niet meer. Ik ben nooit stadskind geweest Trien ; en nou ben ik het, nou.quot;
âKom, allemaal gekheid mijnheer.quot;
âSedert ik dat kind in huis nam is me letterlijk de kroon van \'t hoofd gevallen, \'t Is alsof de heele wereld tegen me samenspant. â Daar loopt ie achter me, zie...
âKom mijnheer, er is niemand. Ik wou dat u die zoo helder je verstand hebt, dat je toch die akelige gedachte verzetten kondt. â Wacht â sta eens even stil. Zie nu om. Is daar nu iemand te ontdekken?quot;
âNeen, nu is er niemand. Geloof jij aan geesten Trien? Ik heb er altijd om gelachen.quot;
âDat is te zeggen, ik geloof er niet aan, maar, dat ik er om zou durven lachen.. . neen Jan, neen!quot;
âJa wel, ik lach er nóg om. â Ai! â-Ik geloof nog in \'t geheel niet aan al die sprookjes. Den heelen nacht wil ik zonder licht door \'t kasteel rondloopen, van de zolders naar de kelders, waar je wilt, mits dat die eene kerel er eerst uittrekt. Weetje wie het is Trien?quot;
âOch, beste Jan, laten we van wat anders spreken. Die kerel zit in ie verbeelding.quot;
âJa, dat denk ik ook. Maar kijk, zie nu, daar â daar gaat ie van \'t koetshuis naar de poort. Zie j\'em nou, en herken j\'em nou niet?quot;
âJan, Jan, je maakt me bedroefd.quot;
â\'t Is die bleeke dominee. Die jongen met z\'n witte bef.quot;
âOch mijnheer, hoe kom je er aan?quot;
âWel, hij lijkt precies op het portret dat we laatst, toen ik nog eens met je naar boven ben gestrompeld, in die verborgen kastla op de slaapkamer van den ouden baron hebben gevonden. Je weet wel.quot;
Trien weet het zeer goed, en aan de achterzij van dat portret was een papier geplakt waarop geschreven stond:
âJohannes Marie Van Koevertol; myn geliefde kleinzoon, geboren den ],tin Mey 1829, overleden op De Runt den 31quot;quot; Mey 1853. Zynde in de kapel gedoopt den 20\'ten Juny 1829, en hebbende aldaar als proponent zyn eerste en laatste preek gehouden, den lsten
ANNA ROOZB.
Mey 1853, tot text voerende: ,De dagen des menschen zyn als liet gras, gelyck een bloem des velds alzoo bloeyt bij. Als de wind daarover gegaan is, zoo is zy niet meer en hare plaatse kent men niet meer.quot; En â dat was onderteekend:
LUDOLF BABON VAN KOEVKKTOL. 1853.
âHoor eens mijnheer, zoodra je dat portret met dat heele relaas er achter, nu weer in de gedachten komt, dan hoop ik dat je eens denken zult aan \'t geen ik je zeggen zal: \'t Is een oogziekte die je hebt. Ja een oogziekte. Daar had m\'n vader een voorbeeld van
fekend. Hoe het op z\'n, Fransch heette dat weet ik niet meer, maarekend. Hoe het op z\'n, Fransch heette dat weet ik niet meer, maar
et was een dubbelziendheid. Een neef in de familie â ik geloof dat hij vroeger burgemeester in Gelderland was â zag altijd tweemaal dezelfde personen, en ook soms voorwerpen, die er in \'t geheel niet waren, b. v. spinnekoppen en kikvorschen. Zie je mijnheer, dat is hetzelfde.quot;
âJa ja Trien, dat is hetzelfde, ten minste bijna hetzelfde.quot;
âIk heb je altijd wel gezegd Jan, dat het dragen van dien bril niet goed was. Sterke gezonde oogen moeten niet achter glazen verwend worden.quot;
âIk zag mij zelf liever met den bril.quot;
âVoel je van tijd tot tijd geen steking in je oogen, mijnheer?quot;
âNeen. Of ja, ja toch. Nou je er van spreekt, nou dunkt me.... ja zelfs op dit oogenblik, ja wel!quot;\'
âDan zul je ook begrijpen Jan, dat die verbeelding een oogziekte is, en dat je er liever den dokter over spreken moest.quot;
âJij altijd met je dokters!quot;
âOch Jan, \'t is immers voor jou. Als je eens blind wier lieve Jan
âLoop! Blind! Dokters zijn knoeiers. Wat weet zoo\'n Mulder-speetsche van oogen, en vooral van zulke oogen als i k heb. Straks zei je zelf dat ik zoo scherp zie. â Kijk â kijk â daar gaat ie weer vlak langs ons heen.quot;
âWie?quot;
âWel de bleeke.quot;
Trien schudt het hoofd.
âJan, het mag kosten wat het wil, ik zal naar Utrecht schrijven; daar heb je de groote Donders. Ze zeggen dat die de oogen uit het hoofd neemt, soms van binnen en van buiten besmeert, en ze er dan, zelfs op een afstand, weer ingooit. Daar mag nu van waar zijn wat wil, maar dat ie knap is....quot;
âEn ik zeg je â dat je me met dien Donders van \'t lijf blijft. Denk je dat ik de heele Utrechtsche faculteit op De Runt wil halen? Jou schuld is het dat er al één hier geweest is, en dat ie Co-Mie . Ai! ai! Zeker jou schuld. â En waarom heb je dat brutale advocaten-gezicht ook voor m\'n bed laten komen?quot;
âMaar mijnheer, hij dreigde. En dan de baron en de anderen.quot;
âWat dreigen! Wat baron! tk laat me niet dreigen, door geen advocaat, door niemand. Valschheid in geschrifte, wat wat! Omdat er
164
ANNA KOOZE.
in dat briefje van Smit een ö.\' teeken in plaats van een -f\' stond. Om dat een Kater, een Kater.... Maar stil! Daar weet jij niet van.Ha, was ik niet ziek geweest....!! Ai! ai! O die pijn!quot;
âKom Jan, beate Jan, laten we nou naar binnen gaan. Wacht, je moet maar alleen met het rechterbeen de trappen ophinken en hee lemaal op mijn arm leunen. Zie zóó, béstig. â Komaan! Dat gaat goed. En, deed geen zeer, hé?quot;
Een paar minuten later als Lijning in de holle onderkeuken aan den breeden haard bij een plaggenvuur zit, dan zegt de magere vrouw misschien voor den tienden keer: Ziezoo en bestig! En hij:
âIn jou oogen is alles bestig! Maar ze willen me arm maken. Ja, al zeggen ze dat ik niets voor mevrouw hoef te betalen, \'t zal nog de vraag zijn of het eind niet den last zal dragen. Dat advocaten-bakkes vertrouw ik niet. Maar dat zijn mijn zaken.quot;
âIk heb er ook niets mee noodig. â Wilt u een kommetje koffie mijnheer?quot;
âLiever een glas water. â Zeg Trien, \'tis wel waar dat het alleen mijn zaken zijn, maar voor jou ... Weet je wat me hindert?quot;
âDat je niet loopen kunt Jan.quot;
âNeen dat meende ik niet. â Wat me hindert... ? Trien, ik heb jou te kort gedaan. Ja, jou; en jij bent de eenige die . . Stil, zie, daar heb je hem weer; daar daar, ja wel in dien hoek; hij ziel zoo wit als een geest. Zie maar, Ssst! Zeg hem dat ie weggaat, \'t Is Johannes. Ssst! met een aureole, zie je wel. â Sssst!quot;
De oude dienstbode zwenkt met haar magere hand langs Lijnings oogen:
âNu is hij al weg?quot;
âJa, nu is hij weg. â Trien, zul je \'t me vergeven dat ik jou te kort heb gedaan? Maar de advocaat met zijn oude briefjes en dreigementen, die was het, die....! Trien, hoor eens.\'quot;
De oude komt naderbij.
âIk heb een testament gemaakt. â Ja!quot;
âMaar Jan, je wilt toch niet ster. .
âNeen stil. Ssst! neen. een mensch kan heel oud worden, dat weten we wel. Soms honderd jaar, en ik ben nog niet eens op de helft. Neen, die advocaat met zijn brutalen toon en zijn oude briefjes, hij wilde dat ik het doen zou. Hij heeft in mijn papieren gesnuffeld. Ha! als mijn been toen niet zoo erg en ik niet zoo duizelig was geworden dan.... Je weet wel, toen is de baron er geweest, en later heeft hij den notaris meegebracht en anderen, en twee lompe boeren er bij.quot;
âOm de verkooping te regelen.quot;
âNeen, neen! Stil! dat wasquot; â hij ziet rond â âdat was om het testament. Jij weet hoeveel er in den koffer is Trien?quot;
De oude ziet onrustig naar een lage bergplaats voor turf en hout onder een keuken-aanrecht, en vragende, terwijl ze wijst, zegt ze:
âIn hem?quot;
âNooit wijzen! Pas op! Zeg, weet je \'t wel?quot;
âNeen.quot;\'
185
166 ANNA KOOZE.
.Stil. Jij moet het weten: Eén ton en nog vijfhonderd gulden aan goud.quot;
âEi, nóg meer dan een ton! Geen wonder dat er haast geen beuren aan dien koffer was. Zoo met die rollen kwam ie tot hier, maar je been heeft er erg door geleden.quot;
âIk had de helft voor Co-Mie en de andere helft voor jou en m\'n nichtje bestemd; maar \'t was niet zeker, en niet waarschijnlijk zelfs dat ik eerder dan jelui----en zie, daarom....quot;
âOch lieve Jan, spreek daar niet over.quot;
âEigenlijk Trien, deed de gedachte me zeer dat het prachtige geheel eens zou kunnen verminkt, verbroken en verbrokkeld worden. Van de vijfhonderd spreek ik niet; maar die ton aan goud, aan goudgeld alleen! Daar heb ik aan gewerkt, langer dan ooit eenig kunstenaar aan zijn kunstwerk. Weet je wat ik noopte? Aan jou wil ik het zeggen: Ik hoopte dat we allemaal heel lang zouden leven, maar ik nog het langst van allen, want dan bleef alles bijeen. En zie je, dan had ik die ton goudgeld aan een museum willen vermaken, mits conditie dat zij in haar geheel moest bewaard blijven, en altijd voor iedereen zou te zien zijn, bij voorbeeld onder een glas. â Maar nu Trien, nu heb ik, geloof ik, een testament gemaakt, omdat ik zwak en ziek was. en alles wat mij van den baron Geereke voor De Runt te goed komt, daar heb ik afstand van moeten doen omdat. .. of â onder curateele of.... Wat zei ik daar? Wat? Was het geen testament....? Wat curateele.. .. wat. ..?quot;
âIk weet het niet Jan. Ik dacht aan dat museum. Dat zou toch dwaas zijn dunkt me. Als je het geld vermaakt hadt om er een liefdadig gesticht van te bouwen, mij dunkt dat zou meteen bij Onzen Lieven Heer.. ⢠Jan! lieve Jan! Wat scheelt er aan? Kijk niet zoo akelig. Jan, er is niemand! Neen, zekerlijk niemand!quot;
âJa wel, ja wel! Kom hier! Hou me vast. Hij doet den mond open. Zie maar ... Hij wijst naar onder en boven. Hoor, hoor! Gelijk het gras! â Trien, neem de tang. Trien, toe! â Ha! Goddank, nu is hij voort! Goddank! Goddank!quot;
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
âWat mij bezwaart lieve Anna, het is de gedachte dat ik hier van mijnheer en mevrouw Geerekes groote goedheid misbruik maak. \'t Ia op den duur een heele onkosten voor die beste menschen. We zijn toch al ruim tien weken hier met z\'n beiden, en altijd alles overvloedig. Men doet het natuurlijk om jou, lieve kind, maar anders, zooveel weldaden heb ik aan niemand verdiend.quot;
âTante, ik geloof dat het nog zaliger is weldaden of vriendschap te bewijzen dan te ontvangen.quot;
ANNA KOOZE. 167
âJa, dat geloof ik ook Anna, ten minste ...quot;
âTen minste toen u mij in den slaap dat reisgeld bracht, toen hadt u zeker een gelukkig oogenblik tante.quot;
âNeen lieve, neen, spreek daar niet van. In die dagen was ik ziek. â¢Al wou ik het eerst niet gelooven, die goedhartige professor had toch gelijk; ik was toen waarlijk ziek. En op dien avond, neen, toen voelde ik mij niets gelukkig. Ik was bang, heel angstig. Ik had al dikwijls gedacht of ik niet krankzinnig zou kunnen worden, en op dien avond was ik het zeker.quot;
âWanneer we kalm gestemd zijn tante, dan geloof ik dat we zelden zullen zeggen in bewogen oogenblikkeu heelemaal verstandig te hebben gehandeld. Maar de omstandigheden hebben er ons toe gedrongen. Mijn lieve Marnix zei: Doe wat ge doen wilt, als God geen neen in uw hart spreekt; \'t geweten heeft dan den besten borg voor de uitkomst!quot;
âJa Anna, ik geloof wel dat alles ook hier ten goede geleid is, maar toch, weet je wat mij somwijlen drukt? Zie, als ik het hier zoo overvloedig heb, en vrees dat ik mij eigenlijk aan de overdaad verslaaf....quot;
âOch lieve tante....quot;
âNeen \'t is waar, ik moet daar niet over tobben; maar toch, als ik dan aan.... hem denk, en dat hij nu alleen is met Trien in dat akelige, sombere huis, en dat hij zoo weinig.... je weet wel, zoo weinig gebruikt, terwijl ik hier.... nietwaar, meestal twee vleezen en gebak en wijn en nog zooveel meer heb...quot;
âMaar tante, oom kan dit alles immers ook krijgen als hij het hebben wil; heeft de notaris dat niet duidelijk gezegd\'.-quot;
âJa wel, dat is waar; ja wel, oom moet ook nog een beurs apart hebben. Die heeren schijnen dat alles te hebben bemerkt, en dat hij dus niet zoo arm is als hij zelf wel meende. Ik hoop nu maar dat hij wat meer zal gebruiken, ofschoon alle overdaad ... Maar \'t is waar Anna, ik voel zelve dat al het lekkere eten en drinken mij goed doet. Vroeger had ik wel eens een gevoel alsof ik hol was, precies een koker. Dat heb jij nooit gehad, is \'t wel Anna?quot;
âNeen, ja. ... zoo iets tante.quot;
âZoo.... jij....?quot; Tante zag naar buiten en veegde snel een traan weg.
Er wordt op de deur getikt.
âBinnen!quot; roept Anna.
Met een grooten tuinhoed op de koffiekleurige haren en een roodzwart geruiten wollen doek, afhangende over de schouders, komt juffrouw Molenwiek, de huishoudster van De Renghorst, het vertrek binnen, waarin mevrouw Lijning met haar nichtje gezeten is.
âGoede morgen dames. Dag mevrouwlief! Hoe gaat net! Komaan, u ziet er overheerlijk uit. Ik kan u niet aanzien of ik verbaas me er over zooals u bijkomt. Veel, veel gevulder.quot;
âJa, tante voelt zich sterker juffrouw,quot; zegt Anna haastig. â Die Molenwiek kon soms zoo raar door de lucht slaan.
âGeen wonder Anna, een kalm goed leventje kwikt een mensch
168 ANNA KOOZE.
altijd op. Iemand zooals ik bij voorbeeld, die de â wederwaardigheden van \'t leven meer dan iemand anders onder de oogen heb gezien, die. ...quot; en juffrouw Molenwiek vervolgde haar verhaal dat mevrouw Lijning nu zeker voor de zesde maal genoot en besloten werd met de woorden: âGedéfortuneerd! Driemaal in conditie! ja m\'n lieve mevrouw, dan leer je de wereld kennen, dat beloof ik je! Hoe vondt u gisteren de ris-de-fleurs?quot;
âÃ. heet dat ris-de-fleurs? Heerlijk!quot; zegt mevrouw Lijning.
.Nietwaar? En dat is eigen inventie, m\'n beste mevrouw.quot;
âWat zegt u! Eigen inventie? \'t Was overheerlijk!quot;
,Ziet u, dat is nu aangenaam! Ik doe alles in de huishouding wat ik kan, en mevrouw Geereke is alleringenomendst met mijn bestier. Zeer! want vooral tegenwoordig drukt alles alles op mij. Maar, terwijl ik mij de meeste moeite geef om dan het een en dan het ander te bedenken â â zoo had ik bij voorbeeld ook gisteren die ragout aux olives.quot;
âJa, dat was heel lekker. â- U hadt er ons niet van moeten geven.quot;
âM\'n beste mevrouw Lijning, dat is het eenige wat ik er van heb. U weet het te apprecieeren. Denkt u dat mevrouw of zelfs mijnheer er een enkel woord van zeggen? Ik ben moreel overtuigd dat zij niemand zouden vinden, die zoo geheel en al au fait van de zaken is als ik, want ohé! bij papa en mama, ohé! Maar lieve mevrouw, ik hoor er geen woord van tegenwoordig. Houdt u van olijven ?quot;
âIk vond ze heel lekker.quot;
âquot;t Was ook een inventie. Ik doe ze zoo koud met de jus bij de ragout en dan op een zacht vuur even meestoven. Houdt u van kerrysoep?quot;
âOch, lieve juffrouw Molenwiek, het is al te vriendelijk. Ik ben zoo weinig gewoon, en. . . .quot;
âJa, dat weet ik wel, maar houdt u er van? U denkt nu misschien; wat heeft juffrouw Molenwiek een drukte van eenvoudige kerrysoep. Maar beste mevrouw, u voelt ook wel dat er kerrysoep en kerrysoep te maken is. Mijn recept is over- overheerlijk! Ã houdt er immers van?quot;
âJa, ik geloof het ten minste wel. Ze is nog al sterk nietwaar?quot;
âO fameus!quot;
âZiet u, dan durf ik er niet best van gebruiken, want ik heb wel eens maagpijn, en....quot;
âJa, maar zóó sterk is ze niet; en wat maagpijn betreft daar ben ik een âmartelaarsterquot; van. Alle dagen! -â Maar van kerrysoep? ohé! Ik doe er morilles en soja en madera in, keurig!quot;
Anna lette niet op het gesprek der beide dames. Maar toch het was haar aangenaam. Immers hoe onbeduidend het gepraat van juffrouw Molenwiek in den regel ook mocht wezen, \'t was een afleiding voor de goede tante, en de welwillende hartelijkheid der juffrouw-huishoudster, door tantes gestadige waardeering gewekt, werkte mede weldadig op het gestel der goede, in den aanvang ;zeer menschenschuwc? vrouw.
ANNA ROOZE.
Anna had weinig van de ragout aux olives en niets van de kerry-soep gehoord. Toen tante, nog voor de komst van iuffrouw Molenwiek, het gesprek met haar begonnen was, had zij haar Tauohnitz-Editie ter zij gelegd en den rok voor tantes nieuwe japon van donkergroen Gros de Naples ter hand genomen, omdat het stuk nu toch spoedig klaar moest zijn. Maar zoomin als Anna eeheel bij haar boek is geweest, zoomin wil het met de naald vooruit.
Zij tuurt naar buiten, \'t Is al drie dagen geleden sedert zij die vreeselijk angstige uren in de justitiezaal te Arnhem heeft doorgebracht, die zonderling bewogen uren, waarin Oscars bezielde taal en welluidende stem haar hart zoo onstuimig deden kloppen; toen ze hem niet heeft durven aanzien terwijl hij zoo roerend voor recht en waarheid sprak; toen zij zich met geweld heeft moeten beheerschen om kalm te schijnen en zich niet zwak te toonen, nadat hij Hanneke Schoffels had vrijgepleit en zij hem haar dank heeft betuigd. Nog maar drie dagen is het geleden, en ze schijnen haar haast zoo vele weken te zijn.
\'t Is haar alsof ze aan \'t eind van een verhaal is gekomen, dat haar levendige en veelzijdige belangstelling had opgewekt, terwijl ze nu, met een onbevredigenden afloop, het boek moet sluiten.
Anna\'s hart heeft iets van het jaargetij.
Door de lentemaand gaat een koude adem.
Maar is haar dan alles tegengeloopen sedert zij De Runt verliet en goede dingen tot stand hoopte te brengen?
Neen, Maart had zijn lentedagen. En Anna heeft reden, veel reden haar God te danken.
â Is de zichtbare herstelling der dierbare tante dan niet de zoele vrucht van \'t geen ze deed? Werd niet sedert dien tijd tantes recht, en ook haar recht beschermd tegenover den man, die nooit waardig is geweest zijn naam met dien der Moreels te verbinden; die, niet te treffen voor de vierschaar der wet, nu evenwel naar men zegt, telkens met angstig beven staat voor den rechter in eigen hart.
â Jfin dan, ofschoon zij tot een duren prijs werd gekocht, bezit Anna niet de liefde, de teedere liefde der familie Geereke? De baron is voor haar bezorgd als een vader, en immers de zwakke, nu lijdende mevrouw Kunira, ziet haar altijd aan als of zij zeggen wil: Anna, jij bent mijn troost omdat mijn Ernst, mijn kind je heeft liefgehad.
â En bovendien, is Hanneke Schoffels niet vrij! En was het Anna dan niet, die Van Breelands verdediging heeft uitgelokt, terwijl hij door zijne bekendheid met een droeve familie-geschiedenis, op het vernemen van een lang vergeten naam, den armen Redly ten aan-hoore van Rechters en Volk den onbevlekten naam van Marter hergeven kon!
Ja voorzeker, Anna heeft veel reden tot dankbaarheid. En nochtans zij gevoelt zich eenzaam en verlaten.
Maar er was reden ook:
â Hanneke Schoffels is vrij, doch de wereld blijft mompelen dat
169
ANNA ROOZE.
zij een schuldige moeder is. En nog altijd zegt Hanneke, op steeds schrilleren toon, dat men liegt! â En gisteren toen zij haar toevallig tegenkwam en op eenigen afstand voorbijging, toen zag de vrijgesprokene haar aan met een blik, die Anna de tranen in de oogen perste en het bloed naar de wangen joeg.
â En de zwakke Marter? Ach! in stee van gelukkig te zijn, ligt hij sedert den dag zijner rechtvaardiging, sedert het uur der openbaarwording van zijn onschuld, op het ziekbed neder. Binnenkoort-sen, zegt de dokter, zullen wel spoedig zijn lichaam sloopen. Liefst ziet hij niemand, maar kleine Miesje Haverkist mag bij hem wezen zooveel ze wil.
\'t Is droevig gesteld met den zwaar beproefden man. Anna heeft wel is waar het rechte van zijne geschiedenis niet vernomen â want Oeereke, nader ingelicht, heeft den naam van Lijning in Marters zaak voor haar verzwegen â maar zij weet genoeg, en immers de arme Marter weet het mede dat zij de middellijke oorzaak zijner rechtvaardiging geweest is. En ook haar wil hij daarom wel gaarne aan zijn leger zien, al spreekt hij slechts weinig.
Gister heeft Anna hem reeds bezocht, en zijn handdruk en blik hebben haar duidelijk gezegd â méér dan zijn woorden het vermochten â hoe lief hij haar heeft; hoe haar bijzijn hem verkwikte, en hoe dankbaar hij haar was. Maar, zij gevoelt het mede, ofschoon zij waarlijk eenigermate een schakel in de keten zijner rechtvaardiging mocht wezen, ofschoon zij hem gaarne opbeurt en nog een vriendelijk en bemoedigend woordje toespreekt, neen, wat ze in haar eerste vuur gemeend heeft voor hem te kunnen worden: zijn vertrouwde en daardoor zijn beschermster misschien, het is de overmoed van een welwillend kinderhart geweest en anders niet. â Zie maar, nu de arme Marter dan zelfs gerechtvaardigd is voor de wereld â en wie heeft kunnen vermoeden dat zoo iets niet slechts noodig zou wezen, maar dan nog werkelijk gebeuren zou â nu hij dan inderdaad zijn vrede moest hebben hervonden, nu ligt de arme strijder daar op het krankbed neer, evenals een krijgsman, die in den zwaren kamp wel overwinnaar is gebleven maar, moe gestreden, toch vallen zal door afmatting en bloedverlies.
Zeker er was reden dat Anna\'s blik bij het naar buiten staren al droever en droever werd.
Sedert haar verblijf in Utrecht heeft zij wel is waar de hartelijkste brieven van Marnix en Evangeline ontvangen, maar nog geen letter van de vriendin, die ze zoo innig lief had, en wier onrechtvaardige verdenking haar nog dagelijks met de bitterste droefheid vervult.
Evangeline â de secondante-Suisse op De Riethof â is inden laatsten tijd meer of minder Emma\'s vertrouwde geworden, want immers zonder een zusterziel kon Emma niet leven. Door Evangeline weet Anna nu, dat alle redeneering in Anna\'s voordeel bij Emma heeft schipbreuk geleden, op hetgeen zij zeide zelve te hebben gezien; Anna, luisterende naar Oscars liefdesverklaring, vertrouwelijk met haar hand in de zijne, ofschoon zij nog den vorigen avond plechtig ontkend had hem te beminnen, en haar voor weinige oogen-
170
ANNA ROOZE.
blikken met de verzekering had verlaten dat zij den professor ging spreken.
Zie, van dien stond af aan heeft Emma het beeld van den vriend harer jeugd, het ideaal harer ,dwaze meisjesdroomenquot; met een bloedend harte verre van zich geworpen, en Anna, â neen haar haten kon ze wel niet, maar liefhebben, dat was haar voortaan evenzeer onmogelijk!
Dit laatste had de goede Evangeline niet geschreven, maar Anna heeft het tnsschen de regels van haar brief gelezen, en, zij had het al vroeger begrepen ook. Neen, het feit dat Anna haar hand aan den bijna stervenden Ernst Geereke had toegezegd, diep bewogen met de angstig vreezende ouders, die misschien het behoud van hun kind van haar jawoord verwachtten, neen, ook dat bekend geworden feit heeft Emma, eens op het hellend vlak van den argwaan gekomen, in het nadeel verklaard der oude vriendin. Het denkbeeld dat Anna eerst de coquette heeft gespeeld, en later, om zich te recht-vaardigen, haar hand aan den kranken jonker heeft geschonken, in de hoop misschien, om weldra weder vrij, de aangenomen dochter der rijke familie Geereke te worden, dat wreede denkbeeld heeft Emma wel gedurig van zich afgestooten, doch niet geheel uit haar geest kunnen verbannen.
O Emma, Emma! Als Anna niet wist en diep gevoelde wat teleurgestelde liefde, wat bedrogen vriendschap voor u moet beteekenen, voor li, die op één enkele liefde, op één eenige vriendschap uw leven, uw geluk bouwt, dan voorzeker zou zij niet zoo telkens de stille bee herhalen: Mócht zij gelukkig wezen, dat arme ras bewogen kind, en later nog eens â \' \' et uit de verte â weer een hand
reiken aan haar trouwste
Ach, wat heeft die âtrouwquot; Anna toch weinig gebaat en veel gekost!
Neen, Emma weet het niet hoe haar smeekend oog, der oudere vriendin steeds voor den geest stond, wanneer zij zich zelve zoo dikwijls beheerschte. en hem niet vergunde te lezen in haar minnend hart. Haar woedenden blik heeft ze zich herinnerd, en toen, toen heeft Anna aan dien jonker gezegd dat ze zijn liefde niet beantwoorden kon. Heeft zelfs Erama\'s achterdocht haar niet mede voor oogen gestaan, toen zij dien, altijd om hare liefde smeekenden Ernst haar hand heeft geschonken, ofschoon ze hem nimmer kon liefhebben, en zijn herstelling toch mogelijk was!? â Ach, die trouw heeft Anna dan weinig gebaat! â Eergisteren zag ze Oscar weder, en, wat ze heeft genoten, dat had ze nog meer geleden, want zijn koele houding heeft haar de volle overtuiging gegeven, dat na al het gebeurde zijn hart haar nimmer zou toebehooren, ofschoon zij hem niet vergeten zou haar leven lang.
Terwijl Anna, zonder het gesprek der dames te volgen, zoo peinzend naar buiten tuurde, is juffrouw Molenwiek tot haar favoriet chapitre gekomen, en nu geheel in vuur geraakt. Mevrouw Lijning heeft haar bewondering te kennen gegeven dat de talentvolle huishoudster drie en twintig verschillende poddingsoorten âuit haar hoofdquot; kan beslaan; en juffrouw Molenwiek vervolgt:
171
172 ANNA ROOZB.
âEr is geen enkel recept dat ik niet ken. Houdt u van de En-gelsche- of van de kwakerspodding? En dan de zwampodding! Wilt u wel gelooven m\'n lieve mevrouw, dat er onder mijn beheer nooit een neergeslagen podding is binnengebracht\'? U weet het, met de zwampoddingen is dat vooral een enormiteit. Papa zou nooit van een neergeslagen podding hebben gegeten. U hebt van maagpijn gesproken. Weet u wat daar overheerlijk voor is? Niet? â Een oranjetaart. Keurig! \'t Recept is: Neem SJ\'/j ons gedroogde aan stukjes gesneden oranjeschillen, en kook ze terdege totdat ze âvermurwdquot; zijn. Kook vervolgens 2lli ons reine krenten in een halve flesch rijnwijn; doe er oranjeschillen, een ons broodsuiker, fijne kaneel, ö gestooten beschuiten, wat vanille en een ons goed gesmolten boter bij, meng dit alles âwel beschouwdquot; tezamen dooreen, doe het in de korst, en laat het op een goed onderhouden vuur gaar-bakken.quot;
âOch kom!quot; zegt mevrouw Lijning: âMaar zoudt u denken dat een taart. ⢠.. voor maagpijn....?quot;
âO! de doorslaandste bewijzen m\'n lieve mevrouw. Daar hadt je verleden zomer, toen mevrouw Ducouvée de Sauterne met haar dochter Henriëtte bij ons logeerde . . och ja, de lieve jonker Ernst was nog half en half épris van dat mooie freuletje,quot; â Anna zag op â âtoen had de barones ook eens tamelijk erge maagpijn. Toevallig hadden we den middag van haar vertrek oranje-taart, of niet toevallig, want niet waar, wat is er toevalligs! Enfin, zij eet er van, recht smakelijk; en, twee dagen daarna krijg ik uit den Haag van mevrouw Ducouvée de Sauterne een allervleiendst schrijven, waarbij zij mij verzoekt het recept van mijn oranje-taart te willen overzenden, want van de geheele maagpijn had ze niet meer gevoeld. â ü begrijpt m\'n lieve mevrouw, dat was een enorme satisfactie, en de brief.... als u hem zien wilt ... ik heb....quot;
Juffrouw Molenwiek tast in den zak, en terwijl zij een foedraaltje van zwartglimmend wasdoek te voorschijn haalt, welk foedraaltje van de menigte papieren die het bevat â meest recepten en adressen â letterlijk bol staat, valt zij zich zelve met een verlegen gezicht in de rede: âWel lieve hemel, mijn goede Anna, neem me niet kwalijk! Hoe kon ik zoo dom, zoo vergeetachtig wezen! Kijk kijk, daar zou ik nu haast dien brief voor je vergeten. Zie je, en een dikke ook, en met twee franco âpostwisseltjesquot; er op. Mijn lieve Anna, neem het toch niet kwalijk. Ziedaar. Toen ik straks in \'t bosch aan de overzij van den straatweg even champignons had gezocht â ik vond er delicieuze, mevrouw â toen kwam Jan-brief de besteller me juist voorbij, en nam ik den dikkerd maar voor jamp; aan. Je neemt me toch niet kwalijk lieve?quot;
Anna zegt haastig:
âVolstrekt niet juffrouw!quot;
Ze kan haar oogen niet gelooven. De dikke brief trilt in hare vingers terwijl ze nogmaals de hand van het adres beschouwt. Dat is het schrift van Emma. â Die brief komt van Emma! Anna voelt dat ze geschrikt is. Ze heeft zich met het aangezicht naar
ANNA BOOZE.
het raam gekeerd. Maar nu, na een kleine verontschuldiging verlaat ze snel de kamer.
In de vensterbank der slaapkamer gezeten, leest Anna nadat ze haastig een glas water heeft gedronken, Emma\'s brief, waarvan de hartstochtelijke aanhef luidde:
âBen ik nog waardig dat Anna een brief van mij leest! Maar ach! zij weet niet wat ik nu lijd; niet om hem, noch om mi) zelve, maar om haar die ik gesmaad, en gehoond, in stilte belasterd heb, dagen, weken lang, en die steeds is gebleven wat zij altijd was: een reine zich zelve opofferende engel!\'\'
\'t Was niet vreemd dat er tranen blonken in Anna\'s prachtige donkere oogen. O welk een heerlijke zonnestraal lichtte er nu eensklaps op haar pad. De lentewarmte deed zich gevoelen, \'t Was als of er een nieuw leven beginnen zou.
Emma\'s brief was zeer lang. In den aanvang werden al de slingeringen opgesomd, waaraan zij sinds Anna\'s eersten brief, gedagteekend âDe Runt, 1 Nov. 1859,quot; is ten prooie geweest. Al verder werden Emma\'s geheime wenschen en de schokken, die haar hart te Utrecht hadden getroffen, in herinnering gebracht, opdat ze tot verontschuldiging zouden strekken voor het grievende onrecht dat zij haar Anna had aangedaan. â Volkomen eerlijk was de belijdenis van schuld.
Anna had juist gezien: de blonde vriendin was tot de ergste beschuldiging vervallen. Doch hoor, Emma schreef verder:
âMaar nu, lieve eenige Annie, nu de blinddoek is weggenomen van mijn ]oogen, en ik als uit een duisteren ijskillen nacht ben gekomen tot licht en warmte, o als ik nu vleugels had en tot je kon vliegen, ik zou neervallen aan je voeten en ze zoenen, en niet opstaan vóór dat ik je lieve stem had vernomen met het woord; Sta op, je schuld is vergeven!
âMaar ik hoor de vermaning: Heeft nu de eene overdrijving weer plaats gemaakt voor de andere; komt er nooit eens kalmte in dat week gemoed? â Marnix en de goede Evangeline herhalen schier dagelijks de les: Wees kalm! â Ik moet kalm zijn; ja dat weet ik wel, en vooral nu, want ik heb je nog veel te schrijven Annie, doch ik moet het doen in een stemming van een overgroote zaligheid aan de eene, en van leed van bitter leed aan de andere zijde, terwijl ik nog telkens vrees of er in Anna\'s degelijk hart wel plaats kan wezen voor eene, die haar zoo grof beleedigen kon, voor eene.. â . Maar ach! dezen regel moest ik doorhalen; \'tis opnieuw een miskenning. Mag ik dan twijfelen aan mijn Annie\'s altijd vergevende liefde! O nu wordt het mij eensklaps zoo onuitsprekelijk goed in het hart. Nu. .. Maar luister lieve, ik zal je kalm vertellen, eerst van mijn lijden, en dan van hem door wien mij de oogen zijn geopend; die mij een geluk toont van verre, zooals het mij in de zoetste droomen nog nooit voor den geest stond, en welk geluk ik zal kunnen smaken wanneer er althans in Anna\'s hart nog altijd een plaats voor mij open is.
âNa mijn terugkomst op De Riethof bracht ik eenige weken in
173
ANNA BOOZE.
een soort van doffe wezenloosheid door; en Annie, hoezeer ik je haatte â o vergeef mij ter wille van de waarheid dit woord âtoch stond je mij telkens als het beeld der Liefde voor den geest, en werdt je inderdaad tot tweemalen toe mijn reddende engel. Eens Annie, toen we met de kostschool wandelden en ik aan Marnix\' zijde zwijgend langs den breeden Vliet nabij het tolhuis voortging, toen bekroop mij gedurig een schier onwederstaanbare neiging om met een snellen sprong het vaarwel aan die droeve aarde toe te roepen, want immers de hemel scheen zoo heerlijk blauw en zoo eindeloos diep in het heldere elfen water, en de zon glansde er zoo blij overheen. Maar, terwijl ik dan den grasrand vluchtig mat met de oogen, en schier terzelfder tijd â doch in een grauwen nevel â die vrolijke meisjes twee aan twee voor mij zag uitgaan, en juffrouw Marnix naast mij zoo ernstig deftig; terwijl ik mij zelve dan gedurig tegenhield gelijk een luchtballon die stijgen zal indien men hem loslaat; terwijl ik mij dan tegenhield om nog eenmaal Evangelines zachten blik op te vangen, of Nelly met haar zwarte kijkers het hoofdje te zien omwenden en Marnix vragend te hooren toeroepen: Mademoiselle pas encore au logis! ? Encore promener nous, n\'est-ce pas....\'? of ook om de kleine Julie haastig een sneeuwklokje â eene der blanke boodschapsters van de naderende lente â te zien afplukken; terwijl ik mij dan zoo gedurig, nu om \'t een en dan om \'t ander en telkens voor \'t allerlaatst nog tegenhield, maar eindelijk geheel als in een nevel gehuld een zacht vaarwel sprak, toen zag ik daar eensklaps een donker ernstig oog op mij gericht, en, dat was het oog van Anna, â⢠van Anna die mij bedroog. Maar toch, den moed tot dien sprong had ze mij benomen, en â een half uur later liep ik nog aan Marnix\' zijde, en ging met allen het hek van De Riethof weer binnen.
âWeer verliepen er vele dagen, \'t Was op een Maandag avond juist vijf weken na dien vreesehjken morgen bij mevrouw Van Riddervoorst. Mijn hoofd was zoo moe. Mijn oogen deden zeer van \'t schreien. Toen het donker was sloop ik in stilte de achterdeur uit. Ik wist niet dat ik zonder hoed of doek buiten in den nieuwen aanleg liep, maar voelde toch dat het koud was. â Niemand zou mij nu weerhouden! Langer te leven was mij onverdragelijk, want er was immers geen schepsel op de wereld die mij liefhad Zelfs Evangeline had mij in een vertrouwelijk gesprek gezegd, dat zij mij niet liefhebben kon indien ik â gesteld zelfs dat alles waar was â Anna niet vergeven wilde. â Ik stond op het bergje bij de diepe goudvischkom. \'t Was alles donker om mij heen. Ik dacht aan het \'smorgens gelezen psalmwoord: âGod weet wat van zijn maaksel zij te wachten.quot; Hij zou mij niet schuldig rekenen omdat de verlaten wees liever bij Hem in Zijn hemel wilde zijn dan op de liefde-looze wereld, en.... Ik zie angstig op, want een donker oog zag mij aan, en er klonk een stem uit den hoogen â¢
Sur terre comme dans vos cieux.
Soit faite, o Dieu puissant, ta sainte volonté.quot;
174
ANNA BOOZE. 175
,En â weer boorde mij een ernstig donker oog tot diep in damp; ziel. \'t Was het oog der verloren vriendin.
,0 mijn dierbare Annie!
âLater begreep ik wel dat Evangeline op haar kamer, terwijl het venster nog open stond, het lied had gezongen dat wij op dien laatsten morgen, den dag van je treurig heengaan, bedroefd maar vertrouwend hadden meegestemd.
âEn \'s nachts toen ik niet slapen kon, toen dankte ik God wel, en ook de goede Evangeline, omdat ik weder bewaard werd voor \'t geen zonde was; doch Anna, wier oog mij \'t eerst had doen terugbeven, haar beschuldigde ik nog te meer: immers zij wilde dat ik zou leven en lijden! Maar dat oog bleef mij aanstaren tot dat ik zeer angstig werd, en bitter ging schreien, en toen ben ik ingeslapen.
âO Annie, Annie! dat ik je zoo verguizen, zoo smaden, zoo vreeselijk beschuldigen kon. Maar ook geloof mij. ofschoon ik dikwijls insluimerde met een bitter gevoel tegen Anna in \'t hart, altijd altijd wanneer ik haar zag in mijn droom en dan was het mijn Annie van weleer; dan streelde ik hare donkerbruine lokken, of sloeg mijn arm om haar hals, of zaten wij naast elkaar op de zodenbank, en spraken over liefhebben en een rechtvaardig oordeel, \'sMorgens bij \'t ontwaken schreide ik dan, en beklaagde mij zelve dat het een droom was geweest, en voelde straks sterker den weerzin herleven in mijne borst. Maar, de droomen kwamen terug Anna, voel je, die droomen ze kwamen toch telkens terug.
âMaar genoeg, het blad is volgeschreven, ik moet eindigen met mijn droeve belijdenissen. Het vreeselijke deel van den brief is voltooid. O, als ik nu voort ga op een schoon blad papier, dan schrijf ik verder in de zalige hoop dat Anna\'s hart weer kloppen zal voor haar Emma.
âHet zal je nog onbekend zijn Anna, dat oom en tante Van Wall, op mijn verzoek besloten hebben mij met de Paaschvacantie van school te nemen. Zij begrijpen zelf dat ik moeielijk langer hier blijven kan. Ik ben in korten tijd helaas, de kinderschoenen te veel ontwassen, en in de laatste weken gevoelde ik mij in deze drukke omgeving zeer misplaatst. Mijn kleine vroolijke tante schijnt bovendien naar gezelschap te verlangen â al is het dan maar Emma\'s gezelschap â omdat zij, zeer ongelukkig, eenige weken geleden weder van een levenloos kindje bevallen is. Oom vindt het mede goed voor tante dat ik komen zal, maar wilde toch om juffrouw Marnix dat het niet vóór de kleine Paaschvacantie zou zijn.
âReeds sedert geruimen tijd was het mij vergund mijne kamer te houden indien ik dat verkoos, en \'t is te begrijpen dat ik niet veel meer dan hoognoodig in \'t gezelschap der meisjes kwam.
âEergistermorgen toen ik bezig was met oude brieven te herlezen, en ook den bewusten brief van 1 November, die mij telkens weer geheel anders aandoet, en dien ik maar niet verscheuren kon ofschoon
176 ANNA SOOZE.
ik hem reeds zoovele malen met dat doel in handen nam: toen ik dan juist dien brief weer herlas, kwam Jans boven en zei dat Adam er was om mij even te spreken.
âIk begreep niet wat de oude tuinbaas mij te zeggen kon hebben, maar spoedig was ik bij hem, en hij wenkte mij naar den kant van de perziken-schutting.
âAdam begon â dat hij zeer goed wist hoe wij allemaal zondaars waren, van nature ongeneigd tot eenig goed, net zoomin, zei Adam, als een doperwtje van zich zelf geneigd was tot een peulstruik op te groeien. Maar, evenals de aardkracht en de zonnewarmte en de regen het doppertje ten leven wekten, zoo wekte ook de Genade en Liefde Gods den mensch ten leven.
âOp gevaar af âlangdradigquot; te worden lieve Annie, vertel ik je dit alles zoo woordelijk, omdat. â maar je zult het straks wel merken, en bovendien de uren, die ik nu schrijvende aan je doorbreng, ze zijn mij van de zoetste, die ik sinds lange mocht beleven.
âAdams inleiding moest mij zeker te kennen geven, dat hij half en half bevreesd was iets te doen wat niet heelemaal goed was; ten minste hij liet er dadelijk op volgen: Maar de Genade bestuurt toch eigenlijk alles juffrouw, en een mensch die dan handelt naar dat bestuur â⢠als ten minste zijn binnenste meneur\') er niet tegen opkomt â die kan toch zeker niet van de Genade vervallen.
âEn bovendien, zei Adam. ik denk maar juffrouw, als ik soms door het vele prakkizeeren de kluts zou kunnen kwijt raken, aan het woord van uwe vriendin, de edelaardige jufi\'rouw Kooze, die op den laatsten morgen zoo tegen me zei â hier nam hij even de pet van de grijze haren: âmoed houden Adam, daarboven is nog al ruimte, versta je.quot; Ja juffrouw, dat was bemoedigend. O dat lieve schepsel! Zie, toen ze zoo dikwijls waakte aan m\'n bed, toen heb ik menigmaal gebeden, dat God mij de zonde vergeven mocht omdat ik haar wel eens aanzag alsof ze een engel uit den hemel was: Net een kamelia met den reuk van een granium.
âAnnie, begrijp je nu waarom ik zoo letterlijk Adams woorden teruggeef? Ach, ik werd innig bewogen toen die oude trouwe man zoo sprak, en â voor het eerst na zoovele dagen, stond het beeld mijner verloren vriendin mij weer voor de wakende oogen, zooals ik het slechts in mijn droomen had gezien.
âIk vroeg aan Adam of hij een brief of eenig bericht van juffrouw Rooze ontving, en of hij mij iets van haar had mede te deelen.
âAdam antwoordde ontkennend, maar kwam schoorvoetend tot de geheimzinnige verklaring, dat er een heer bij hem in het tuinmanshuis zat, die mij dadelijk spreken moest. â Natuurlijk vroeg ik wie hij was. Maar Adam kon dat niet zeggen, \'t Sprak van zelt dat ik weigerde mee te gaan. Adam zei toen dat hij tusschen zuring en spinazie stond. Hij wist wel dat mevrouw Marnix van geen katte-staarten in den tuin hield, omdat dat goed zoo wild was, en dat
1) Misschien van Minos, Rechter der schimmen in het doodenryk.
ANNA ROOZE.
hij, zoo oud als hij was, ook nooit het onkruid geplant, maar het wel, zooveel hij kon, had zoeken uit te roeien, doch, dat hij nu met de hand op het hart moest zeggen dat het alles Bestuur was, en met den Heer. â Zie je juffrouw, vervolgde Adam, de vreemde die je spreken moet, is een kennis van dominee Zegenmond â en dat wist ik, want toen ik om tien uur de bakkropjes bij dominee present bracht, toen zag ik dien zelfden heer bij dominee in de achterkamer zitten. Nou zei die heer dat hij u noodzakelijk in \'t geheim moest spreken. Maar in \'t geheim dat stuitte me juffrouw, ging Adam voort; want geheim is een wilde rank aan den wingerd; alevel, toen ik gezegd had, dat mij altijd geleerd was om overal openlijk voor uit te komen, en dat ik dus mevrouw er in kennen moest, toen zei hij dat er soms redenen konden bestaan om te zwijgen, en herinnerde mij aan Marcus VIII vers 30. Daar was ik gesnapt juffrouw, en nóg meer toen het bleek dat die heer zooveel als candidaat tot den Heiligen Dienst was â Adam lichtte weer de pet van \'t hoofd.
âOm kort te gaan Annie â want ik voel mij niet in staat om nu verder alles zoo precies en woordelijk weer te geven â eindelijk dan, of neen, al heel spoedig was ik alleen met den bedoelden persoon in den nieuwen aanleg tusschen de altijd groene hulsten en ceders, je weet wel. En toen Anna â hoe zal ik zeggen, toen
freep hij, eer dat ik het verhinderen kon, mijn hand, en zei: Dat ij God dagelijks op zijn knieën dankte voor den zaligen stond, waarin hij mij het eerst mocht ontmoeten; dat ik het eenige wezen op de wereld was, waarvoor hij een liefde gevoelde, die zelfs niet door den dood zou kunnen verbroken worden; dat de wereld hem, mét mij een hemel, en zonder mij een graf scheen te zijn. En o, ik was geheel en al versuft. Bevend en verlegen stond ik daar. Ik zeide, geloof ik, dat het niet goed van hem was, en, dat hij moest begrijpen.... ik weet niet wat â en dat hij mij verlegen maakte, en zulke dingen meer. Maar hij sprak toen zoo hartelijk en roerend. O Annie, als je het gehoord hadt! Hij zeide wel te weten dat hij misschien weer al te vermetel was geweest. Hij had mij eerst willen schrijven. Toen had hij gemeend mevrouw Van Riddervoorst, waar hij mij ontmoette, te gaan spreken. Later was het hem beter voorgekomen dominee Zegenmond â een oude kennis van zijn vader â te raadplegen, zijnde deze met mij en juffrouw Marnix bekend. Maar bij dominee Zegenmond gekomen, had hij van nietsreep hij, eer dat ik het verhinderen kon, mijn hand, en zei: Dat ij God dagelijks op zijn knieën dankte voor den zaligen stond, waarin hij mij het eerst mocht ontmoeten; dat ik het eenige wezen op de wereld was, waarvoor hij een liefde gevoelde, die zelfs niet door den dood zou kunnen verbroken worden; dat de wereld hem, mét mij een hemel, en zonder mij een graf scheen te zijn. En o, ik was geheel en al versuft. Bevend en verlegen stond ik daar. Ik zeide, geloof ik, dat het niet goed van hem was, en, dat hij moest begrijpen.... ik weet niet wat â en dat hij mij verlegen maakte, en zulke dingen meer. Maar hij sprak toen zoo hartelijk en roerend. O Annie, als je het gehoord hadt! Hij zeide wel te weten dat hij misschien weer al te vermetel was geweest. Hij had mij eerst willen schrijven. Toen had hij gemeend mevrouw Van Riddervoorst, waar hij mij ontmoette, te gaan spreken. Later was het hem beter voorgekomen dominee Zegenmond â een oude kennis van zijn vader â te raadplegen, zijnde deze met mij en juffrouw Marnix bekend. Maar bij dominee Zegenmond gekomen, had hij van niets
f esproken, bevreesd geworden dat deze hem een raad zou geven, ien hij gevoelde niet te kunnen volgen. Neen. zoo nabij de plek waar ik âademdequot;, sprak hij, was het hem onmogelijk geweest weer te vertrekken zonder mij te zien, en, al was het slechts âeen enkelen blik van mij op te vangenquot;. O Anna, en uit zijn woordenvloed, die zoo rein klonk als het gemurmel eener beek, mocht ik opmaken dat hij wist wat ik ben: een arme verlaten wees op de wereld. Dat er nog een rijke oom van mij te Rotterdam woonde, scheen hem geheel onbekend te zijn. Indien ik niets â niets ter wereld bezat, zoo sprak hij vol vuur, dan zeker zou hij zich het esproken, bevreesd geworden dat deze hem een raad zou geven, ien hij gevoelde niet te kunnen volgen. Neen. zoo nabij de plek waar ik âademdequot;, sprak hij, was het hem onmogelijk geweest weer te vertrekken zonder mij te zien, en, al was het slechts âeen enkelen blik van mij op te vangenquot;. O Anna, en uit zijn woordenvloed, die zoo rein klonk als het gemurmel eener beek, mocht ik opmaken dat hij wist wat ik ben: een arme verlaten wees op de wereld. Dat er nog een rijke oom van mij te Rotterdam woonde, scheen hem geheel onbekend te zijn. Indien ik niets â niets ter wereld bezat, zoo sprak hij vol vuur, dan zeker zou hij zich het VI. 12
177
17» ANNA KOOZE.
gelukkigst achten, want âverwarmd te worden door de zon mijner wederliefdequot; dat was het eenige waar hij op hoopte. In een nederi-gen werkkring maar ijverig in het goede, zou een kleine woning â zelfs zonder een ,morgen grondsquot; â voor hem genoeg zijn, indien hij er naast mij den Almachtige voor het bescheiden deel kon danken. Annie, o Annie! het is niet mogelijk dat jij zelfs begrijpt wat er omging in mijne borst. Iemand te zien, die je zoo lief heeft, zóó vreeselijk lief; die de wereld een graf zou achten zonder ons bezit; wiens eenig geluk, wiens eenige hoop het is door onze liefde verwarmd te worden! O. dat moet men zoo gehoord hebben om het te gevoelen. Het was mij alsof ik een wereld vol bloeiende lachende rozen zag. Er was een zaligheid in mijne borst, die ik niet kan beschrijven, en nochtans Anna, het vreemde van mijn toestand, de mogelijkheid dat men mij daar zou ontdekken aan de zij van een.... man, dat alles deed mij vreesachtig rond zien, en snel de hand terugtrekken die, ondanks mij zelve, in de zijne was blijven rusten. Ik moet hem toen bevend iets gezegd hebben dat hem niet bevredigde. Hoe mocht ik ook anders! Het zou niet kiesch, niet goed zijn geweest hem al aanstonds in mijn hart te doen lezen. Hoch daarop sprak hij, ofschoon kalmer, nogmaals zoo edel vrijmoedig, zoo vroom en toch anders als dominee of Marnix â van de goedheid Gods, wiens volmaakste creatie zeker de reine liefde in \'s men-schen borst was; van de liefde die den jonkman voor struikelen behoedde, en het meisje kalmte gaf in \'t hart. â O, en dit laatste was zoo waar; ik gevoelde het, zoo treffend waar. Ja, kalmte moest het wel geven, te weten dat men waarachtig bemind wordt: onverdeeld, zonder dwang. O, nietwaar, te weten uit duizenden de ver-korene te zijn, en dat alleen om ons zelve! â Wat ik toen gezegd heb, ik kan het niet met juistheid herhalen; toch was ik nog altijd getroffen en verlegen om hem bepaald te antwoorden. Ik zou mij bedenken; een goede vriendin raadplegen; en Annie, terwijl ik dit zeide dacht ik aan Evangeline. Maar toen â beste Anna! foen viel hij mij in de rede. Hij wist wel wie die liefste vriendin van mij was. Het was een engelachtig meisje, en haar naam was Anna Rooze. â Ik ken haar, riep hij, en ik zag dat hij bleek werd. Ik ken haar! en daarop volgde een bekentenis, die mij wel vluchtig schokte, maar tevens zoo diep van zijn engelachtige oprechtheid en grenzenlooze liefde overtuigde, dat ik mij geweld moest doen om niet luide te zeggen wat er bonsde in mijn hart. Maar Anna, heb ik je wel eens den naam genoemd van dien schoonen lieven jongen, wiens open schrander oog mij telkens voor den geest staat. Zijn naam is Willem Haverkist. En, nu weet je alles. Na een feest op de Renghorst âin eenigszins opgewonden stemming, betooverd door ie schoonheid en geest,\'quot; zooals hij zeide, heeft hij de onbezonnen-neid gehad je van liefde te spreken. Je hadt hem afgewezen met een kort maar beslissend woord Anna, wat zijn liefde voor je betrof, â reeds een paar dagen later had hij beseft dat het een voorbijgaande liefde geweest was. Anna Rooze, zoo sprak hij â en het kwetste mij niet â Anna -was de onbereikbare voor hem geweest.
anna roozb.
en haar antwoord had hem getroffen doch niet geknakt. Maar sedert hij mij gezien had, nu reeds acht weken geleden, wist hij eerst wat een blijvende, een nimmer te dooden liefde beteekende. Mijn blauwe oogen waren de schoonste vergeet mij-nietjes; mijn blonde lokken.... doch het is dwaas, erg dwaas misschien dat ik dit alles zoo schrijf, maar het staat op quot;t papier eer ik het zelve weet. En dan Anna, dit alles is de lange inleiding tot het korte verhaal van mijn bekeering, met de bede om vergiffenis, zonder welke de hemel, die mij toelacht in \'t verschiet, toch altijd met een donkere wolk zou bedekt zijn.
âWij stonden op het bergje bij de goudvischkom. Ik vroeg zachtjes zonder hem aan te zien, of Anna hem had afgewezen omdat zij een ander liefhad. En zoo was het geweest; maar, ontkennend had zij geantwoord op de vraag, of er een ander was die haar beminde.
,0 Annie, wat, hij toen verhaalde, dat joeg mij het schaaratevuur naar de wangen. Had ik dan niet pas ondervonden hoe soms de hand, ondanks ons zelve, kan rusten in de hand van hem, die ons zijn liefde verklaart? O, nu weet ik alles. â Oscar Van Breeland heb je lief gehad, maar je hebt hem gezegd dat je zijn liefde niet beantwoorden kondt. En toen, toen heb je hem van verre, zeer van verre gewezen op een blonde dwaze vriendin. O Goddank, datje ook niet volmaakt bent mijn Anna. Waarom sprak je onwaarheid tegen mij, tegen hem! Waarom was Anna zoo dwaas om een man, die haar zijn liefde verklaarde, te wijzen op een onnoozel kind, \'t welk nu eerst gevoelt dat het een zeepbel was die ze najoeg. Ja Goddank dat Annie ook niet volmaakt is, al was haar liegen hemelsch, al was haar dwaasheid liefde. Maar Gode zij dank bovenal, dat Oscar Van Breeland aan mijn Willem in vertrouwen die âdwaasheidquot; heeft ontdekt, want, nu ben je mij als weergegeven door hem die eeuwig mijn liefde heeft; nu, nietwaar, nu zul je na de lezing van dezen brief de schuldige oprichten, en weer dulden dat zij zich noemt je onuitsprekelijk liefhebbende:
âDe Riethof, Maart 1860. emma.
,P. S. Over Willem en alles nader. Hoewel deze bijna 12 blaadjes vult, zoo was ik nog niet aan \'t eind, maar moest ik schielijk afbreken, omdat de bode op de brieven wacht.
âIk zie uit een haastig opengebroken schrijven van oom Van Wall, dat je beschermelinge, Hanneke Schoffels, is vrijgepleit. Hartelijk geluk! Oom komt morgen hier, en ik moet mij klaar houden om met hem te gaan. Waarheen begrijp ik niet. Vaarwel dierbare eenige Annie! Vaarwel!quot;
179
ANNA BOOZE.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Geen half uur later stond Anna iu het boudoir van mevrouw Gee-reke die er op een chaise-longue neerlag.
De arme treurende moeder ziet er schrikkelijk lijdende uit.
Alle sporen van eene in de laatste jaren herkregen gezondheid zijn geheel en al verdwenen, en een beschouwing van de veertigjarige vrouw, wier teedere schoonheid als meisje, zooveel bewonderaars en aanbidders telde, wekt nu geen andere gedachte dan eene aan dood en graf.
De kamenier zegt dikwijls in de keuken, dat het akelig is om mevrouw tegenwoordig te helpen: ,\'t Vel over de botjes.quot; Bijna dagelijks moet zij de kleeren innemen. Net een geraamte!
Ook nu, terwifl Anna met innig medelijden die broodmagere blanke vingers drukt, nu treft haar opnieuw de vreeselijk lijdende blik dier arme dikwijls troostelooze moeder.
âJa Anna, ik herinner mij wel. je hadt kleine onaangenaamheden met dat vriendinnetje gehad, en is het nu weer bijgelegd ? Och, als dat je blij maakt dan wensch ik je van harte geluk. Wie was het ook weerïquot;
âEmma Van Wall mevrouw.quot;
âEmma Van Wall? Is dat niet de pupil of nicht van neef Alexander in Rotterdam? Nicht Louise, zijn vrouwtje, heeft mij zelden over je vriendin geschreven. Een lief stil meisje niet waar? Toen je die onaangenaamheden hadt Anna, toen was het geloof ik juist in de dagen dat.. . mijn arme jongen....quot;
âJa mevrouw. Ik heb het u nü maar verteld, omdat ik er zoo gelukkig door ben, en ik weet dat u er in deelen zult, evenals mijnheer.quot;
âO zeker Anna. Geereke zal het ook genoegen doen. Ach, als mijn eenige leefde, en hij het wist dat je een geluk was te beurt gevallen, wat zou er op zijn lief en edel gelaat een blijde glans zijn geweest.quot;\'
âU spreekt te lang, beste mevrouw; het vermoeit u.quot;
âNeen, het vermoeit mij nooit over dat kind te spreken; het lieve kind, dat mij ontscheurd is; van mij afgereten! Anna, nu jij een oogenblik gelukkig bent â zeg eens. nu dank je God zeker in stilte niet waar?quot;
âJa mevrouw, misschien niet genoeg.quot;
âO gelukkige tijd! â Anna, vroeger heb ik ook gedankt toen Ernst mijn vreugd en mijn troost was. Wat moet ik nü doen?quot;
âKalm zijn mevrouw en....quot;
âKalm ja, maar laat men je eens dwingen de hand in het vuur te houden, uren, dagen achtereen, hoe zal je dan de raad in de ooren klinken; om kalm te zijn....? â Anna, als er waarlijk een
180
ANNA EOOZE. 181
liefderijk God is, dan zeg ik er bij: er is een noodlot, of, zooala anderen gelooven: een duivel. â Ja, ik ben het met neef Jasper eens; hij sprak er ook van. Och, zou een liefderijk God mij mijn schat, mijn eenig kind hebben ontnomen!quot;
âLieve mevrouw, u weet dat ik innig met uw droefheid bewogen ben, maar ik zou u toch zoo gaarne zien berusten, en vertrouwen dat alles wat op aarde gebeurt, zooals ook mijnheer Geereke dikwijls zegt; in de keten der dingen noodwendig goed moet wezen, dewijl die keten in de hand van den Almachtige is.quot;
âSedert Ernst mij van \'t hart werd gescheurd Anna, kan ik met dat geloof, God niet meer liefhebben. Jasper sprak ook dikwijls van den duivel, en hij geloofde er aan.quot;
âDe denkbeelden van mijnheer Bel ken ik te weinig lieve mevrouw, om u te durven tegenspreken; maar toen ik hem eens bij dominee hoorde, begreep ik dat men zijn woorden vooral niet letterlijk moet opnemen, ü hebt vroeger zelve gezegd dat men door zijn woorden moest heenzien; en bovendien, ik geloof niei dat u de denkbeelden van den overste als onfeilbaar waar zult beschouwen.quot;
âAch wat, wat is waarheid?quot; zucht de arme moeder met zwakke stem en pijnlijk kuchen. Anna herinnert zich den avond toen het hier feest was op De Renghorst, en toen een onbesuisde maar oprechte brave jongen haar het antwoord gaf op die zelfde vraag.
âWaarheid in godsdienstigen zin is liefhebben mevrouw. Liefhebben alle, alle menschen, maar bovenal den Schepper en Onderhouder van hemel en aarde; den Oneindige, die Bronwel der volmaakte Liefde.quot;
âMaar Ernst is gestorven Anna. Ik wil het immers ook God niet wijten, maar mijn engel is gestorven. Dat was het noodlot, een demon.... Stil lieve, ik vind bij die gedachte nog de meeste kalmte.quot;
âEn toch wilde ik zoo graag dat u geheel kalm en berustend kondt worden, goede mevrouw. â Zie, wanneer het een boo ze geest is, die ons de geliefden van het hart scheurt, dan volgt dunkt mij daaruit, dat dje demon \'smenschen levensduur bepaalt, en dewijl wij allen, allen moeten sterven, zoo zou hij macht hebben over allen, en machtiger zijn dan de Almachtige zelf!quot;\'
Mevrouw Kunira kuchte weder; richtte zich een weinig op, en zag Anna strak naar de oogen:
âAnna â lieve â als je zoo spreekt dan denk ik.... als jij met hem.... dan zou hij ... Maar ik ben moe. lief kind. Ga nu heen. â Neen, hoor nog eens: Ik kreeg daar een goede gedachte; Ja zeker, alle menschen moeten sterven, alle menschen; dus moet God wél.... ja, ja! â Nietwaar, als ik eens voor hem gestorven was, dan had h ij misschien nog lang geleefd, nog lang na mij, en ik zou hem toch daar weer gemist hebben. Maar nu, de lieve God zal mij zwakke vrouw.... wel spoedig met hem hereenen ... Lief, lief meisje! Zoo, ja, schud dat kussen maar wat terdeeg. Ik ben nu moe. De goede God laat ons allen sterven, en dan.... Die de dorre bladeren doet vallen toovert ook het groen der lente.
182 ANNA BOOZE.
\'nietwaar? â Anna geef mij nog een hand. Zoo. Ga nu. Ik zal wel slapen ... wel spoedig inslapen.quot;
Zij ging liggen; kuchte weder eenige malen; streek met de hand langs het voorhoofd; en Anna. aleer zij zachtjes de kamer verliet, drukte op het zwakke hoofd der verlaten moeder nog een teederen zoen.
Zulke gesprekken waren niet zeldzaam. De kwijnende moeder had gestadig behoefte aan de meest eenvoudige geloofsversterking. Meestal slaagden Anna en Geereke er wel in om haar eenige kalmte te geven, doch het was steeds van korten duur. Het vreeselijkste, wat ooit op aarde geschiedde en in het moederoog een tirannie mocht heeten, het was de vroege dood van Kunira\'s eenigen zoon. Zij kwam gedurig in opstand tegen God, en â zij durfde Hem toch geen geweldenaar noemen.
Geereke heeft vroeger wel eens gevreesd dat het gezelschap van neef Jasper voor Kunira niet bijzonder geschikt was. Jaspers meestal vreemd geformuleerde, dikwijls zeer radicale, ofschoon in den grond diep godvruchtige stellingen, hadden haar in de war gebracht. Bovendien, \'t was alles geen helder en zuiver water uit een wetenschappelijke bron geweest, \'t geen Jasper â zooals hij het noemde âuit een narrenkap of politiemutsquot; had te drinken gegeven. \'tWas er verre vandaan.
En, nu nog meer dan vroeger besefte Geereke, wanneer hij de arme Kunira zoo lijden en strijden zag, dat nog niet alle praters profeten, en nog niet alle meeningen pasklaar voor alle reeds lang gevormde hoofden zijn.
Anna die bij haar geluk, mede tevreden was dat zij mevrouw Kunira wat kalmer had mogen stemmen, spoedde zich nu naar Geerekes kamer, om hem mede deelgenoot van haar blijdschap te maken.
âOch, ziet u mijnheer Geereke, het was een misverstand, een verkeerde opvatting. Maar omdat ik van Emma hield als van een zuster â indien het niet te dwaas klinkt zou ik zeggen als van een kind â daarom moest dat misverstand mij op den duur wel smartelijk wezen. Maar nu, o ik kan u niet zeggen hoe dankbaar ik ben, en niet het minst omdat het lieve blondje nu ook zoo blij en gelukkig is.quot;
Geereke ziet Anna eenige oogenblikken stilzwijgend aan. Een misverstand! â Gisteren heeft hij van den altijd haastigen theologant een brief gehad. \'tWas een curieuze brief. Willem had er zelf onder gezet: \'t Lijkt wel bruispoeder. Maar uit den brief â¢â die âdiep diep geheimquot; was â had Geereke niets slechts de hartsgeheimen van zijn beschermeling vernomen, maar ook de zekerheid geput van \'tgeen hij ten opzichte der lieve Anna reeds sedert lang, doch onbestemd, als waarheid heeft vermoed.
âEen misverstand Anna!-\' zegt Geereke langzaam en ernstig, terwijl hij haar nog altijd met een vaderlijke teederheid in de schoone oogen ziét: âMisschien heeft het verstand wel mis gehad, maar zeker de reinste liefde bij Anna niet.quot;
âMijnheer Geereke!quot;
ANNA ROOZE. 183
Anna staat met haar brief bij een der vensters. Geereke komt een schrede nader.
âWanneer we op rijper leeftijd de handelingen onzer jeugd be-oordeelen, dan zal het verstand den afgelegden weg zeker niet altijd den besten noemen. Maar God lof, wanneer men zijn weg mocht bewandelen zooals onze Anna het deed. Ja, ik weet alles: Willem heeft mij geschreven. In een vertrouwelijk oogenblik toen mijn ern-stigen neef Oscar het hart te vol werd, toen heeft hij het voor inijn vurigen Willem uitgestort. Het sprak vanzelf dat ik in het diepste geheim nu Willems vertrouwde werd. Maar Anna, had ik eerder begrepen dat het Van Breeland was die. .. Neen, sla de oogen niet neer. â Toen je op dien somberen avond zoo geheel uit eigen beweging aan onzen goeden Ernst je hand had toegezegd, toen dachten wij dat je eerste afwijzing van ons aanzoek, het gevolg eener slechts vluchtige en niet beantwoorde inclinatie was, en hoewel wij er a 11 ij d een offer in zagen, nu weet ik Anna, dat het eerste zoogenaamde misverstand â de opoffering voor een geliefde vriendin â een tweede opoffering mogelijk maakte, en die laatste om onzen armen jongen een rustig sterfuur, en zijn ouders kalmte in droeve dagen te doen vinden. . Anna, edel kind, laat mij de hand nog eens drukken, die zich over ons ontfermde. Ik weet watje zeggen wilt. Het is ook geen dank, dien ik mijn dochter breng, maar, nu ik mij met eenige zekerheid den weg tot je wezenlijk geluk zie aangewezen, nu, geloof mij Anna, nu zal de vader van den armen Ernst ook geheel en al de vader van zijn Anna zijn.quot;
En het was Anna inderdaad alsof ze haar eigen vader hoorde spreken. â Bruintje, ik kom nog eens bij je, had hij immers gezegd. En nu, nü was het alsof hij haar met zijn arm omvatte, en ofschoon ze bij zich zelve zuchtte: Oscars liefde was de prijs voor \'t geen ik deed, zij was gelukkig in dezen stond, want haar Emma zou het wezen, en zij â ja, een vader, een tweede vader drukte haar immers aan zijn hart, en zoende haar op het voorhoofd, en noemde haar: zijn lieve dochter! en sprak nog met bewogen stem:
âJa, â Oscar zal de man zijn, die je gelukkig kan maken. God geve het!quot;
Van Geerekes kamer heeft men over een tamelijk breed gazon het uitzicht op den straatweg, die ter dezer hoogte het landgoed in tweeën snijdt.
Aan gene zij van den weg ligt het uitgestrekte Renghorster-bosch, â waarin Geereke wel op een smal gedeelte een âcoupurequot; deed maken â zoodat men zeer van verre het torentje van De Runt kan bemerken â doch dat anders het landhuis beschut tegen den echt Nederlandschen Westenwind.
In dat bosch, waardoor breede wegen en smallere paadjes loopen, heeft juffrouw Molenwiek, zooals bekend is, voor een paar uren aan de straatwegzijde champignons gezocht, âprecieuze!quot; Maar nu, nu zijn er anderen, die er nog wat precieuzers hebben gezocht, en.. . gevonden kan het moeielijk genoemd worden.
1S4 ANNA KOOZE.
Ten halve achter de bottende struiken en heesters verscholen, zitten \'Alewien Hebbes en Giesbert, haar zeventienjarige kleinzoon. Beiden hebben ze een grooten, een zeer grooten takkenbos op den rug, en rusten nu even op den mosrand van een grebbe, want het was \'en heele sjouw zoo\'n takkenbos!
âNeen Giet, as je \'en dubbeltje van me kriege dan is \'t heel wel.quot;
âNou! doar ku\'j duuvel op zeggen! De helfte van quot;t geen vrouw Knibbelaar betoalt is veur mien.quot;
âNeen Giet! neen kwoa\'j bengel: ie heb \'ezoagd, maar ik\'ewoagd.quot;
De woordenstrijd tussohen Alewien Hobbes, de grijze stammoeder van een zeer talrijk over Mulderspeet verspreid geslacht, en haar kleinzoon Giesbert, duurde nog een geruimen tijd voort. Alewien beweerde dat zij de zaak niet slechts mee uitgevoerd, maar vooral had op touw gezet. Zij had de handzaag en de bijl onder de rokken meegenomen; al het sprokhout verzameld, en niet alleen de zaag-boompjes aangewezen, maar ook âden neus in de lucht gehouden.quot;
Giet daarentegen verklaarde dat hij nog liever al het hout met de handzaag en bijl er bij, zóó naar den tuinbaas van De Reng-horst bracht, met de verklaring dat zijn grootje \'t alles gestolen had: dan één cent minder aan te nemen dan de helft van \'t geen vrouw Knibbelaar geven zou. Ja, greut had hem wel de beukenboompjes gewezen, maar, h ij had ze alle vier geklouwd en aan stukken gezaagd, zóó, dat hij er ânóg van zweette.quot; \'t Was ook wat schoons geweest, meende Giet, om het beetje hout te sprokkelen zooals greut gedaan had, en de mooie verceelhoutjes er in te bergen. Had hij niet zelf nog meegeholpen dat het van buiten ânet leek of \'t niks as vodsig sprokhout was.quot; Ja, had h ij zelfs, de zaag en de bijl niet mee in \'t sprokhout op den rug!
De strijd is tamelijk heftig geworden, maar in \'t eind begint Giesbert te dreigen, ernstig te dreigen, en de grootmoeder stemt haar toon wat lager, \'t Was zoo kwaad niet gemeend. Giet had zijn best gedaan, dat was zeker, en, ze moesten nu samen maar plezier hebben dat ze âden üland hier in z\'n eigen sm.. .1 kosten uutlachen.quot;
Giesbert, tevreden gesteld, heeft plezier in de aardigheid der grootmoeder. Ja hij had er schik in, zoo als greut den rijken âbramquot; over den hekel haalde. Maar grootmoeder had er reden toe. Mijnheer van De Renghorst was \'en schroale! â Joa, 1 oaten werken dat dee ie wel, moar geven....? Neen!quot; â Men moest al heel erg van den tand zijn as ie âde dubbeltjes ging omkeerenquot;; maar Alewien, ofschoon ze al vier en zestig jaar is, en zich al dikwijls âblind, of krom van de rimmetiek, of op stervenquot; heeft laten melden, Alewien heeft nooit â\'en rooje cent van \'em gezien.quot;
Grootmoeder Hobbes had echter nog andere grieven: Eens heeft Hendrik van den baron de boodschap weerom gegeven, dat mijnheer niemendal aan de Hebbessen deed, tenzij ze werken wilden. Er was altijd te zagen in \'t bosch.
Giesbert moet bijna stikken van \'t lachen nu hij greut, die met haar geelvuile beenige vingers uit de groote, ronde doos een dikke prop snuif neemt en die langs haar neusgaten zweept, nu hij haar
ANNA BOOZE. 185
hoort beweren dat deze takkenbossen de sprekende bewijzen van de werkzaamheid der Hebbessen zijn; mits de Hobbessen het â âGod bétert,quot; zei de oude: âkrek als die rieke banierdquot; voor eigen rekening konden doen. â De kleinzoon meende dat hij nog zelfs wat meer als zoo\'n âspanjoolquot; dee. Zou zoo\'n âbramquot; boomen van een arm dikte zagen? Neen, in de handjes wrijven en comman-deeren dat kon ie, maar anders niks. \'t Was aardig van grootje geprakkezeerd om âkrek in \'t foacie van zijn huus, met den oap te goan zitten.quot;
Alewien had nu plezier in Giet. Immers zij heeft nóg een grief: Grietje Hobbes is haar mooiste en liefste kleinkind. In het najaar toen dat kinderlijkje op de hei was gevonden, toen is er heel wat gepraat over Grietje geweest. Men had gezegd dat Roel Raps, die met Grietjes oudere zuster getrouwd was, zijn jonge schoonzuster wel eens te vriendelijk had aangekeken, en dat dat kind.... Hoe \'t zij â ofschoon grootmoeder daarom haar lieve Griet geen baar minder zou tellen â⢠want âtoen zij jon^ was toen was ze ook van geen zemelen geweest, ââ \'t gerecht uit Oarem had in alle geval geen spier te rikklemeeren gehad, en Griet was vrij gebleven. â Moar nou, \'t was om uut \'t vel te springen dat die heele riekdom, de baron en dat advekoaten-gedrocht, en al dat witte wievengoed, de schuld van Hanneke uut Be Luchte as ze \'t moar gedurfd en gekund hadden-, zeker weer op Grietje hadden geschoven, en nog altied van Grietje smuuspelden, joa, dat moakte heur kitteloorig in d\'r ziel!quot;
Vrouw Knibbelaar kon wel gelijk hebben, meende Alewien, dat in \'t bijzonder die âkrullemie van De Ru n t. die nou met hoar gekke moei op De Renghorst in kamei-s zat, dat die met d\'r schijnheilig gezicht de grootheid en \'t gerecht had opgestookt um Hanneke le loaten loopen, en doarom weer van Grietje aan \'t toeteren ging.quot; Ja, wie zou t anders doen! Schoffels zaagde meest in \'t bosch van den baron, en, om \'en plasdankje bij den baron te verdienen had zeker dat âbruine schoap met \'t gerecht gekonkeldquot;.
âGroot! Greut! zie is! â kiek!quot;
âWatte?quot; _
âGunds. Kiek! Doar stoan ze.quot;
âWatte dan? Wie? â Woar?quot;
Giet wees in de richting van het landhuis. Alewien hield de hand boven de oogen, maar zij zag niemendal.
Giesbert beweerde dat men \'t nooit mooier treffen kon. Hij geloofde niet dat grootmoeder en hij, als ze zich zóó achter de struiken terugtrokken, zouden gezien worden; maar, door de takken heen had hij juist een oog op \'t huis, en â wat hij zag dat wou hij voor geen borrel klare niet gezien hebben. Alewien verwenscht den jongen omdat hij niet zegt wat er dan was. Hij moest begriipen dat de oogen van grootje vijftig jaar ouder dan de zijne waren.
âKiek, kiek!quot; roept Giesbert, ofschoon zacht, terwijl hij nog meer achter de struiken terugduikt: âtwee borrels is \'t weerd: de krullemie en de b\'ron ze staon te vrijen veur \'t raom!quot;
186 ANNA BOOZK.
,Watte! hê!?quot; zegt de grootmoeder, en spitst de oude oogen, maar kan niets bespeuren.
En Giesbert heeft in zijn beele leven âzoo\'n mooie kemeelie niet vertoond gezien: dat vree er op los asof \'t kermis was.quot;
âNou kust ie ze, jjreut! En kiek kiek! nou velt ze hum um den ials, harrejennig, \'t is liefhebberij!quot;\'
âZoo\'n beest! zoo\'n verreke!quot; zegt de grootmoeder, die nog altijd vruohtelooze pogingen doet om het schandaal met eigen oogen te .genieten: âHeb ik \'t niet \'ezeid; z\'n zoetelief hettie in huus\'enomen umdat z\'n eigen vrouw veur Dolf den Doodgroaver is.quot;
Een groot kwartier later, treden Geereke en Anna het hek van De Renghorst uit. Ze zullen samen naar het dorp wandelen. Anna heeft beloofd nog eens bij den armen Marter te zullen komen, «n Geereke zal haar vergezellen omdat het zulk heerlijk weer is, â¢en hij den notaris spieken moet.
Twee personen met zware takkenbossen op den rug komen het bosch uit.
âDag soam menheer de b\'ron en freule. Mooi weertje menheer â¢de b\'ron en freule.quot;
âAh zoo vrouw Hobbes! Je hebt goede zaken gedaan dunkt me.quot;
âJoa Goddank menheer de b\'ron. Ik zeg \'en minse die de muuite van \'t wark wil doen, zal God wel verzurgen, zeg ik. Deur Gods goedheid is er nog al sturm \'ewêst in den letsten tied. Sprokhout genoeg! As \'en mins moar warken wil zeg ik tegen Giesbert, m\'u kleinkiend, menheer de b\'ron ...quot;
,\'t Doet me plezier dat je er zoo over denkt vrouw Hobbes. Goede morgen.quot; Zacht tot Anna: âNeen lieve, niets geven, \'t Is niet goed.quot;
âOch, één dubbeltje,quot; zegt Anna: ,\'t Is zoo\'n ouwe ziel, en ze heeft zulk een vracht.quot;
Het dubbeltje was al in Alewiens hand.
âDank oe freule! God zal \'t oe loonen,quot; zucht vrouw Hobbes, â en â als de baron en Anna, de grootmoeder met haar kleinzoon, â¢een,goed eind vooruit zijn, dan zegt de oude:
âEen vodsig dubbeltje! As ze begreep dat we \'t gezien hebben, â¢dan had ze wel anders in den buul \'etast.quot;
Toen Anna de kamer van Marter binnen kwam, stond dominee Haverkist bij de bedstede, waarin de zieke lag, en zag er uit alsof tij zich een weinig boos had gemaakt.
Terwijl dominee de jonge juffrouw Rooze maar zeer vluchtig groet, vervolgt hij zijn afgebroken rede, waarschijnlijk ter harer inlichting.
âMiesje is een stout kind! een kind dat haar vader niet gehoorzaam is. Wil je nu goedschiks heengaan?quot;
âNeen, ik wil hier bij den zoeten mijnheer Redly blijven; ik wil niet weggaan.quot;
âWillen, willen! alweer willen! Wil vader je eens voor de broek komen, stout ding?quot;
ANNA ROOZE. 187
âOch dominee, als ze stil is, zou ze dan niet mogen blijven en daar aan het voeteneind zitten?quot;
âNeen jongejuffrouw, neen! Neem mij niet kwalijk, maar uw zucht om u met alles te bemoeien, neem mij niet kwalijk, maar .... ik heb meer kinderen grootgebracht. â Miesje, de deur uit!quot;
Marter sloeg gedurig de oogleden op:
âLiefje gaan! Gaan als vader het wil, zegt hij zacht.
Zonder een enkel woord meer te spreken, doch telkens naar den geliefden man omziende, gaat het kind half schreiend naar de deur. en fluistert bijna onhoorbaar tot Anna, die haar de deur opent en prijst dat ze nu heel zoet en gehoorzaam is:
âMaar ik paste op dat hij niet dood ging, want dan komt hij nooit weerom, en dan zou ik altijd moeten huilen. Wilt ü nu oppassen dat hij wakker blijft, of ten minste niet dood gaat, juffrouw?quot;
âWees maar gerust lieve kind, je zult straks wel mogen terugkomen. Ga nu maar eens naar buiten, en pluk er wat van die mooie sneeuwklokjes; ik zag er een heele boel op het grasveld bezijden de kerk staan; dat zal den lieven zieken mijnheer heel veel plezier doen.quot;
âJa, ja!quot; roept het kind, en in een oogwenk is zij verdwenen.
âHoe gaat het mijnheer Redly?quot; zegt Anna, die nu voor de bedstede staat.
âGoed, heel goed!quot; is het antwoord, en de stille glimlach van den lijder bevestigt zijn gezegde, want immers het was hem zoo goed dat lieve meisje te zien, zijn: Gabriëlle!
Dominee Haverkist drukt even zijn hand op Anna\'s arm, en zegt halfluide:
â\'t Zal hier afloopen. Ik zei het dadelijk van morgen, en dokter was het volkomen met mij eens.quot;
Anna ontstelde zichtbaar, en bevreesd dat de zieke het gehoord had â want zooals bekend is, heeft dominee\'s stem nog al omvang â geeft ze dominee een wenk, waarmee ze hem verzoekt den lijder te sparen.
âNeen, neen, mijn goede jongejuffrouw,quot; herneemt dominee luider: âwij hebben onzen vriend in net minste niet te ontzien. Hij is zich zijn toestand volkomen bewust; ik heb hem denzelven kenbaar gemaakt, gevoelende dat het mijn dure plicht is. Niet waar mijn waarde vriend; sedert ik je Gods raadsbesluit â ondoorgrondelijk wijs en goed â als dienaar van onzen Heer Jezus Christus heb aangekondigd, is de rust volkomen geworden in uwe ziel, wetende dat het geloof in dien Eenigen Middelaar Gods en der menschen, u het leven in de zalige eeuwigheid verschaft en de poorte opent eens eeuwigen geluks!quot;
Terwijl hij den blik op Anna vestigt, zegt de zieke met zwakke stem en dikwijls afgebroken woorden:
âSterven zal mijn gewin zijn. Ja, ik heb al jaren lang gebeden of de barmhartige God mij niet verlossen wilde uit deze banden.... maar ....quot;
âDat was niet goed, niet braaf, niet behoorlijk mijn vriend. Wij
188 ANNA ROOZK.
zullen onzen Heere God niet verzoeken. In al mijne wederwaardigheden heb ik Jezus, mijn Goddelijken Heiland voor oogen gehouden, die bad: Heere indien het mogelijk, is laat dezen drinkbeker van mij voorbijgaan, maar niet mijn wil maar üw wil geschiede.\'\'
âHet onstuimig verlangen naar ontbinding heb ik met Gods hulp leeren beteugelen. Jezus heeft mij, zwakke, gesterkt dominee. Hij was mijn steun en staf\'. Nu ga ik dankbaar en met blijdschap heen, in goede hope. â Wat God deed was welgedaan!quot;
âJa zeker is het welgedaan wat de Heer der Heirscbaren doet. Ik kan het niet te dikwijls verkondigen: Liefde is Zijn doen. Uw wederwaardigheden mijn vriend, ze kwamen u toe door quot;s Heeren onuitsprekelijk lankmoédige ontfermende liefde, ter loutering en behoudenis. Elk sterveling ontvangt beproeving en rouwe naar de mate zijner behoefte. Die daar krimpt van smart zijn leven lang, wees er van verzekerd dat het de artsenij voor zijn kranke ziele moest wezen.quot;
Anna staarde op iets dat ze niet zag.
Een paar uren geleden heeft zij zelve tot mevrouw Geereke gezegd, dat het zoo goed was te gelooven, dat alles wat ons op aarde weervaart, in de keten der dingen, voorzeker onder Gods liefderijk opperbestuur geschiedt. Dat gaf troost en kalme berusting. Maar vreemd, nu dominee Haverkist zóó tegen den vreeselijk geteisterden man spreekt, den man die zijn geheele leven met een zwak lichaam en een buitengewone schroomvalligheid heeft te kampen gehad, maar die tevens zóóveel sterkte van geest bezat dat hij vrijwillig zijn gansche levensgeluk opofferde, alleen om den neef te sparen, dien hij op goede gronden van het gepleegde misdrijf verdacht, doch â ook alleen maar verdacht; zie, als men nu tegen zulk een mensch zulk een preek hoort houden, dan zou men in minder droeve oogen-blikken zoo\'n dominee willen vragen: Man, begrijp jij de dingen die je zegt? begrijp jij die Liefde Gods zoo klaar? Ben jij bij voorbeeld zooveel voortreffelijker dan die arme zwakke, zwaar beproefde lijder? Heeft vrouw Knibbelaar uit de Allemansgading â¢â die op dit oogenblik gestolen goed koopt, en een glaasje anijs drinkt â heeft die minder ziele-artsenij noodig dan deze?
â Ei zoo, is deze misschien, óm dat martelaarschappen uitverkorene die, ziende op den Oversten Leidsman, zal leven in de eeuwige heerlijkheid, terwijl andereu zullen verloren gaan! â Zóó, en begrijp je dat van de liefde Gods? Die anderen eeuwig eeuwig verloren? Och kom! God, de Schepper, de Bestuurder, de Onderhouder van alles niet waar? God â nog eens â de grondlegger, de auteur van alles â en dan het grootste deel Zijner men-schenkinderen, natuurlijk tegen Zijn wil, â natuurlijk tegen den wil van dien God der liefde â verloren, voor eeuwig verloren! Alzoo is er een macht in het heelal, een Booze, die meer macht heeft dan de Oorsprong van alle leven en alle macht!
â Ei, begrijp â begrijp je dat zoo goed?
â Maar \'t is waar dominee, onwillekeurig hadt ge uw nieuwer stand-
ANNA HOOZE.
punt vergeten. â Ja, er staat ook geschreven, zegt ge: dat Hij eenmaal âalles in allenquot; zal zijn.
â Juist, en dat is een gelukkige uitkomst voor je natuurlijk goed hart dominee. Maar begrijp je dat dan nu beter? Eenmaal â naar uwe opvatting â zullen dus alle menschen tot God teruggebracht en zalig wezen in Zijn hemelsch rijk.
â Eenmaal! En toch -â voor een gansch tegenwoordig leven is daar niet zelden geluk en eere en genot voor den onrechtvaardige, terwijl er slechts kommer en druk is voor den reine van hart! â Toegegeven dominee, beproeving en strijd voeren te eerder tot volmaking. Maar waarom heeft God dan weder dien laatste zoo lief dat Hij hem hier reeds door beproeving zichtbaar voortleidt aan Zijne hand, terwijl Hij dien eerste laat wentelen in het slijk?
â Wij dwalen rond in een cirkel dominee. Er valt veel te vragen, maar weinig te begrijpen. Zooveel is zeker: \'t Zal verstandig zijn niet veel te spreken aan een ziek- of sterfbed, en vooral niet van noodige artsenij voor de kranke ziel, wanneer de ziel heeft getoond reeds zooveel gezonder en reiner te zijn dan de onze. De artsenij moet dan immers voor ons en voor u nog worden toebereid, dominee?
Doch neen, al mag Anna zoo denken, zóó zal ze niet spreken, dat is de toon der nederige liefde niet. Anna zegt:
âIk geloof dat mijnheer Redly zeer zwak en vermoeid is. Dunkt u niet dominee, dat een weinig rust nu beter zou zijn? Ik heb mijn breiwerk meegebracht en zal graag een paar uurtjes hier blijven als ik mag.quot;
Over Marters gelaat toog weer een glimlach heen.
âMaar ik zou meenen jongejuffrouw, dat mijn spreken, wel verre van onzen vriend te vermoeien, hem de kracht zal verleenen die hij behoeft tegen de groote reize, welke hij weldra aanvaarden zal.
â Mag ik u bescheidenlijk aanmerken, dat ik hier voor het oog van een heilig God, een stervende troost en kalmte zoek te schenken, maar hem tevens op dien Eenige wijs, door Wien wij leven zullen in eeuwigheid. En, waar ik in die heilige bediening werkzaam ben mijn goede jongejuffrouw, daar wensch ik liefst van ontijdige raadgevingen verschoond te blijven. U kwaamt hier uit u zelve binnen; vergeef mij, maar als ik kinderen wegzend dan zou ik jonge dames met haar breiwerken vriendelijk willen verzoeken. . . naar de meisjes te gaan, totdat....quot;
âDominee, k\'hm â dominee,quot; zegt de zieke: âik wil zoo gaarne in vrede sterven. Laat die lieve juffrouw Rooze hier blijven; het doet mij zoo goed haar te zien, mijn lieve.... Ga... .bri.... elle----!quot; \'
Anna lag op de knieën bij het hoofdeinde der bedstede.
âLieve mijnheer Marter, ik had u nog zoo graag weer sterk en gelukkig zien worden.quot;\'
Marter wees naar boven:
Noem mij Redly,quot; zuchtte hij bijna onhoorbaar.
Anna kon zich niet goedhouden; de tranen sprongen haar in de
189
190 ANNA BOOZE.
oogen. Ze lei haar hand op zijn voorhoofd: Die arme arme tobber in de wereld!
Dominee was tot zich zeiven gekomen, zoowel door Marters woorden als door de kalmte, die Anna had bewaard, en haar stilzwijgen dewijl hij toch, na die krachtige terechtwijzing, ten minste een bits woord had verwacht. Nu, Anna\'s houding ziende, en de tranen die zij zocht te verbergen, sprak zijn beter ik:
âJa vrede, vrede op aarde gelijk in de hemelen, zong een enge-lenheir. Lieve vriend, terwijl de vrouwe reeds geknield ligt, laat ons samen bidden tot den God, ook des doods: â Heere! Vader vol barmhartigheid en genade; die troont in Uwe hemelen en die de aarde hebt gemaakt tot een voetbank Uwer voeten, die de eeuwige zijt en de ondoorgrondelijke; die regent over boozen en goeden; die....quot; â Haverkist bad zoo voort, hij zeide niets nieuws en niets moois, maar de bede dat deze zondaar âdie door Jezus bloed werd verlost\'\', in den hemel gelukkiger mocht zijn dan hij op aarde geweest was, en er âzijne geliefden in den schoot des Barmhartigen mocht wedervindenquot;, die bede was innig goed gemeend, en roerde den bijna stervende zeer.
Een enkele blik op den lijder geworpen heeft dominee van die ontroering de zekerheid gegeven, en â dat was jammer; het deed zijn arm hart weer afdwalen: hij dacht aan de âgave die in hem wasquot;, en, terwijl hij vervolgde en de saamgevouwen handen statig op en neer bewoog, dankte de âherder van Jesus kudde, voor de kracht des woords hem verleend, de kracht waardoor hij zondaren wekte tot bekeering; gebroken zielen tot overgave aan God, en waardoor er velen mochten toegebracht worden tot het rijk des lichts, der liefde en der waarheid.quot;
Voor den kranke zijn de laatste volzinnen van dominees gebed verloren gegaan. Hij dacht aan herleven en wederzien. O herleven en wederzien! Morgen, heden nog, straks reeds misschien.
Nu opent hij de oogen en zegt langzaam:
âIk dank u dominee. God zegene verder uw werk.quot;
âGeen dank mijn waarde. Geen dank! â Is er soms nog iets dat uw gemoed bezwaart? Ik doe u deze vraag in tegenwoordigheid der jongejuffrouw, opdat zij zich met bescheidenheid, zoo noodig, kunne verwijderen. Spreek vrij!quot;
âNeen, ik heb niets dominee. Ik dank u voor uwe liefde en voor de liefde uwer goede vrouw en kinderen; maar-...quot;
âMaar.... mijn vriend?quot;
âIk ben moe; ik zou nu gaarne een oogenblik rusten. Kom nog eens terug beste dominee, over een uurtje, als het niet.... eerder wezen moet.quot;
Ofschoon het verzoek om heen te gaan hem niet aangenaam treft, zoo zegt Haverkist toch â en met een welgemeend vriendelijk hoofdknikken â dat die vermoeidheid zeer wel te begrijpen is, want, het een en ander kan niet nalaten indruk te maken. Hij zelf is altijd geschokt bij de gedachte: âdaar ontvlucht straks eens men-schen ziel om voor den troon des Alwetenden te verschijnen.quot; â
ANNA BOOZE. 191
Dominee zal nu heengaan, maar vast terugkomen zoo spoedig ziin vriend dat verlangen mocht. En, na de bedsteegordijn een weinig te hebben dichtgeschoven, ziet hij Anna aan, en zegt dat hij er volstrekt niet tegen heett, wanneer zij een oogenblik bij mijnheer Redly blijft. Noodzakelijk was het echter niet, want Jans en Fie en Ka deden het met alle liefde. â Anna had echter de meisjes even vóór haar komst in de ziekenkamer gesproken, en wist dat net juist zeer gelegen kwam dat zij een paar uurtjes, zooals Jans zei, bi) âden stakker ging\'\'. Moeder Haverkist was aan de schoonmaak. Wat er ook wezen mocht, kraam of ziekte; in \'t begin van Maart begon ze, of liet ze beginnen, want â vroege of late Paasch, dan moest ze âschoon wezenquot;.
Dominee heeft het nooit zoo bijzonder op die jongejuffrouw Rooze-gehad. Ze kon je met die donkere oogen zoo aanzien, zoo-... alsof er geen verschil was. En dan al het voorgevallene: dat op den voorgrond treden bij Hannekes zaak, en nog wel zulk een jong meisje! En dan, dat inpakken van den eenvoudigen Ernst; zeker ook met die oogen! Enfin, er was te veel om te noemen; die krankzinnige tante, en die oom, die een doortrapte fielt moest zijn; neen, dominee duldt haar omdat zij een jongejuffrouw is, en, omdat zij geprotegeerd wordt door mijnheer Geereke, die voor Willem te Utrecht heelemaal zorgt, en dien men â ook nu weer met dien dollen streek van den student â te vriend moet houden, ofschoon hij wel zeker, om zich zeiven alle achting verdient. En, enfin â dominee ging heen, en misschien zal het hem later weer leed doen, maar hij verlaat den man ,met wien het zou afloopenquot; met een gansch andere gedachte dan men zou vermoeden. Dat meisje heeft zich bij de Geerekes weten te nestelen, en de plaats weten in te nemen, waar eigenlijk een van zijne dochters tot gezelschap en troost behoorde te wezen. Zou ze ook hier, iets méér bedoelen dan een uurtje te breien? Wie weet, wie weet! Mijnheer Redly had wel beschikking gemaakt, maar indien hij.... met de levende hand....!
Benjamine, met neus en voorhoofd tegen het glas gedrukt, kijkt naar binnen en roept:
âBinnenkomen? Toe maar! toe!quot;
Dominee die juist de deur wil uitgaan, ziet om, en wenkt Miesje om â in vredesnaam dan maar in de kamer terug te komen.
Ofschoon hij nu juist geen achterdocht voedde, het kind er bij â dat kon toch geen kwaad.
Eenige oogenblikken later ligt er een vervaarlijke bos sneeuwklokjes op het dekkleed voor den lijder, en streelt een zeer kleine hand Redlys matte voorhoofd. De zwakke man trachtte den bos te omvatten, en terwijl het hem met Anna\'s hulp gelukt, en hij de bloempjes beziet, fluistert hij:
âMooi, mooi, lief kindje! Dank Miesje wel.. .En later: âJa,dat is de lente! de lente!quot;
âNu zou ik waarlijk wat gaan rusten mijnheer Redly,quot; zegt Anna, nadat zij hem volgens zijn wensch een paar bloempjes in de hand
192 ANNA EOOZE.
heeft doen behouden, terwijl zij de overige op het beddetafeltje in een glas water heeft gezet.
Maar neen, hij wil zich wat oprichten. Zóó, die hulp is hem weldadig; hij kan liggende zoo moeielijk spreken, en hij heeft iets te vragen, iets te zeggen, want: âde ure is nabij, de lente komt!quot;\'
,Eu als het maar lente is, eu u weer wandelen kunt, dan zult u niet meer doodgaan, is het wel zoete lieve mijnheertje?quot;
âNeen liefje, als.... ik weer wandelen kan, neen.\'\' Hij vatte met de beide handen haar hoofdje en zoende het kind op de ronde wang.
Zijn blik ten Hoogen was een gebed.
âGa nu kraaltjes rijgen lieve; daar op de stoof, dan kan ik je zien.quot;
âEen sterretje of-een kruisje, zoete mijnheertje?quot;
âNu maar een sterretje Miesje, een ster... .re....quot;
Neen, het was slechts een kleine bezwijming geweest.
Een half uur later toen Anna en Benjamine weer alleen met hem waren, zei dominee zelfs in de huiskamer â eenigszins in strijd met zijn vroeger beweren â dat men hém er bij onthouden moest, maar dat die man nog best één of twee dagen, ja zelfs wel langer kon leven: van die zwakke maar taaie gestellen!
âAnna! juffrouw Anna!quot; klonk het zacht.
â Ha, dat was Redlys stem; zijn hand stak buiten de bedstee en hield de gordijn ter zijde. Weer zat hij overeind; hij voelde zich waarlijk beter, maar neen, te lang spreken en zich vermoeien dat zou hij niet:
âEens heb ik u een naam hooren noemen juffrouw Anna. Den eersten dag. ... u weet wel, die spreuk.... Van wie....?quot;
âDer dwazen blos is toorn of dronkenschap, doch den nederige
is des hemels morgenrood----?quot; zegt Anna: âDat was een spreuk
van mijn lieve pleegmoeder Marnix.quot;
âMarnix? Zóó Marnix? Maar enkel Marnix?quot;
âMaria Marnix.quot;
âMaria. Ja ja! Maar enkel Marnix?quot;
âNeen mijnheer, moeder heeft nóg een naam, maar dien schrijft zij niet. Haar eigenlijke naam is: Marnix Van Hogenzathe. Had ik kunnen denken dat u haar gekend hadt of belang in haar steldet, hoe gaarne zou ik u al vroeger van haar gesproken hebben.quot;
Marter had de oogen gesloten en zijn handen rustten saamge-vouwen op het dek.
En terwijl hij zoo zat, ging nogmaals een deel van dat droef verleden zijn geest voorbij.
Te Wolvega in Groningen waar zijn vader dokter was, lag, achter de linden verscholen, het. adellijk doch zeer eenvoudig ouder-wetsche landhuis: Hogenzathe.
Er waren tien kinderen op het âkasteelquot;. De mooiste der meisjes heette Jacoba, maar de kloekste was Marie. Wanneer kleine Herman van dokter Marter er spelen kwam, dan lieten de jonkers hem loopen, maar dan speelde hij met Jacoba en Marie: touwtje springen
ANNA KOOZE.
of raketten, of slofje onder, of wat ze maar wilden. Op den mooisten dag, dien hij zich uit die dagen herinnert, zochten ze sneeuwklokjes en meizoentjes en boterbloempjes te zamen. \'t Was in de lente.
Later toen hij zoo erg bloode werd, toen durfde hij niet meer naar de familie op Hogenzathe gaan, ten eerste omdat de freules zoo groot werden en hij toch moeielijk meer krijgertje niet haar kon spelen, en ook omdat de jonkers altijd den neus voor hem optrokken, en lachten als hij een kleur kreeg. Dat duurde wel drie, vier jaren.
Toen hij er voor \'t eerst, op vaders uitdrukkelijk bevel, weer heen ging, toen was het om afscheid te nemen alvorons hij naar de academie zou vertrekken. Na dat bezoek weer thuisgekomen trilde hij van overspanning. Hij had zich goedgehouden, maar, alles door een nevel gezien. Mijnheer en mevrouw, de jonkers met hun boersche gezichten, de kleine meisjes, do mooie freule Jacoba, en de minder mooie maar kloeke en verstandige freule Marie. En voor die allen had hij gebogen. En de baron had hem een liksche jongen genoemd omdat hij nu zich zelf had overwonnen, en had hem een recommandatie aan een professor van zijn kennis gegeven, en ten slotte de vermaning: om nu in Leiden maar niet te veel naar de mooie juffertjes te zien.
Herman Carel heeft toen een gevoel gehad alsof hij door een floers van vuur en bloed zag. Ja, en bij zijn tehuiskomst beefde en trilde hij. en was hem dat bezoek als een droom, maar â den handdruk van de kloeke freule Marie, dien voelde hij nog, ja! dien voelde hij nog lang, nog zeer zeer lang daarna.
âJuffrouw Anna,quot; zegt Marter zacht, terwijl hij het oog op de sneeuwklokjes houdt gevestigd, die in het glas pi-ijken:,de sombere dag gaat voorbij, maar de wegen Gods glanzen nog in een vriendelijk avondrood. Och, kom wat nader, er is niemand anders wie ik het zeggen kan. U noemt haar moeder; moeder niet waar?quot;
âJa, zoo noemde ik haar dikwijls.quot;
Marter fluistert:
,\'t Was zomer, zomer toen ik daar stond, geroepen om voor het eerst het woord des levens te verkondigen; zomer, toen die kansel mij zoo verheven en toch een geopend graf scheen te zijn, een martelstoel der felste pijnen. En de woorden zijn mij verstokt in de keel; en men heeft gelachen; en men heeft de schouders opgehaald over dien stumper, dien blooden hals; toen was het zomer in \'t jaar 33. â En op ons dorp woonde zij. Zij was een freule. Zij had medelijden met den armen jongen, dat begreep ik wel, maar ik waagde het niet alles te begrijpen, want de baron Marnix van Hogenzathe sprak dikwijls over zijn edele voorvaders, en.... Maar genoeg, ik kon immers niet aan de mogelijkheid denken dat zij....quot;
âDrink eens, goede mijnheer Redly.quot;
âOch noem mij niet goed, lieve juffrouw. Onze Heer zeide zelfs: Wat noemt gij Mij goed! En ik....! Och, het is uw vriendelijkheid, uw neerbuigende liefde, maar....quot;
âGenoeg, genoeg! vermoei u niet te veel.quot;
VI. 13
193
194 anna booze.
âJa, de dag is kort. Luister dan: Ik leende haar boeken. Eens bracht zij ze zelve terug â dat was op een herfstdag. Wij spraken over velerlei. Ik zeide onder andere, niet te gelooven dat ik door God werd bemind, want dat Hij mij niet steunde in het heilige werk, waarvoor men mij bestemd had; mijne blooheid, mijn gevoel van eigen geringachting moest een reden hebben in het oog van God, want eens had ik gelezen: de blos der wangen is de aanklager der ziel.quot; â Na een oogenblik stilte, wijzende met den vinger, herneemt hij: âZiet u dat kastje daar, Gabri.... juffrouw Anna? â Juist; die bovenste lade. Daar â ziet u daar niet een roode portefeuille liggen\'? â Zoo, juist, dat is ze. Kom nu hier, hier dicht bij mij. â In het linkertaschje.... Ja juist.quot;
Zijn oogen vielen weer toe. Het spreken kostte hem zooveel moeite. Doch het was niet noodig dat hij sprak.
Anna heeft, op zijn straks gegeven wenk, een ouden brief gelezen, en, nóg staart zij op dat schrift:
âVriend Herman!
âVergun der oude speelnoote dat zij u van een sombere dwaling tracht te bevrijden. God heeft u lief, al mist gij de kracht om de dienaar van Jezus\' heilige kerk op aarde te zijn. Uw blooheid zetelt niet in een schuldig hart, maar in zijn ras bewogen bloed, of in een teeder zenuwweefsel. Laat de sombere spreuk dan varen die u \'t leven vergalt. Herman, heden, nadat ik bittere tranen had geschreid, schreef ik in mijn dagboek deze woorden: Der dwazen blos is toorn of dronkenschap, maar die der nederigen is des hemels morgenrood. Dit is een spreuk, geënt op het woord van onzen Zaligmaker: God wederstaat den hoovaardige, maar den nederige schenkt Hij genade. Herman, steun op dien Verlosser en Heer; en geloof mij Uw vriendin
Hogenzathe, mama marnix van h.quot;
20 October 1835.
Alsof de zwakke het gevoelde dat Anna den brief had ten einde gelezen, sloeg hij de oogleden weer op, zag haar een wijle droevig aan en fluisterde toen:
âIk had haar lief, en zij had mij lief, maar dit laatste durfde ik niet begrijpen.quot;
Na een groote pauze, waarin Benjamine hem haar sterretje heeft voorgehouden, en hij zijn doorschijnende hand op haar kastanjebruine haren deed rusten, terwijl haar hoofdje over den bedsteerand gebogen lag; na die groote pauze, waarin Marter mede nog duidelijker dan in slapelooze nacnten de torenklok en al de uurwerken der pastorie na elkander heeft gehoord, hernam hij zeer zacht:
âLater, veel later heb ik een lief achttienjarig kind de blauwe oogen voor mij zien nederslaan, een blonde onschuld! â En, na een laatsten heerlijken zomerdag in dien herfst, toen kwam de winter, de dorre winter! â Anna, de blauwe zachte oogen van mijnschul-
ANNA BOOZE.
deloos vrouwtje zijn sedert lang, zeer lang ge... .sloten; maar nu, bij het ondergaan der zon, nu ik haar straks zal.. -. weerzien, nu, aan den rand van \'t graf.... waagde ik het toch den.... naam te noemen van.... Marie.... en te vra... gen....quot;
âU moogt niet zoo raar, zoo akelig met de oogen doen, lieve beste zoete mijnheertje. Neen, dan word ik bang â zoo bang dat.. .quot;
âStil vrouwtje. Stil lieve. Houd dezen doek met eau de Cologne maar wat hier. Zie, dat doet mijnheer Redly al goed.quot;
âIk zal haar van u groeten,quot; zegt Anna zacht: âOf als u haar nog eens terug wildet zien, wie weet....quot;
âNeen, neen! Gabri.... Anna... - Neen! Ik zal.... daarboven alles zien.... waarmee God mij genadig hereenen wil. Maar.... Anna, hoor.... dat ik niet de hand aan mij zeiven.... O. ... wat het gekost heeft....quot;
âJa zeker, ja, het zou te verklaren zijn geweest, zwaar beproefde mijnheer.quot;
âNoem mij vriend, vriend.quot;
âJa ja lieve vriend!quot;
âHet zou te verklaren zijn geweest,quot; zucht de zieke: âmaar ook opstand tegen.... God. â Hoor! Geef haar die roode portefeuille,
en zeg haar.... dat haar woord.....den zwakken Herman heeft
staande.... gehouden. â Ja, Jezus is zijn steun geweest en zijn kracht. De overwinnaar van Golgotha heeft hem telkens opgericht als hij dreigde te bezwijken. O zeg het haar. ... Anna. De arme Marie! zij leed verdrukking om mijnent.... wil.... Ach, wat heb ik goeds gedaan op de wereld! Waartoe leefde ik... . zoo lang!quot;
âOm het beeld van uw meester te zijn; de zelfopofferende liefde!quot; zegt Anna vertroostend.
âZoovelen heb ik toch smart veroorzaakt,quot; fluistert Marter: âOch, of ze mij vergeven wilden zooals ik aan allen, die mij in\'t leed brachten.... van ganscher harte vergiffenis schenk. â God zal zich over mij.... zwakke.... ontfer... .men. Het dierbare Lam roept mij toe: Hier is verlossing! Ja, Zijn bloed zal mij vrij maken in Eeuwigheid!quot;
Anna is diep bewogen. Hoe zou ze hier haar meening uitspreken over geloofsbegrippen â die talloos als de golven van den Oceaan, te zamen de levenszee vormen. Deze gevoelige ziel, die zooveel te lijden en toch zóó heeft liefgehad, hem had de moed ontbroken om op de Liefde des Oneindigen, den Formeerder van alle levens, de Bronwel der liefde â zelf te. vertrouwen.
Hij heeft een Middelaar gevonden in den sterken geloofsheld van Nazareth, en die Middelaar heeft hem gesteund op zijn duisteren weg. â Immers, het zal slechts de vraag wezen hoe de mensch zijn weg heeft bewandeld, hoe het schepsel het eenig gebod der liefde heeft betracht. En deze â Neen, wie zou meer vragen!
Zie, wat ligt hij nu stil en kalm. Ja zeer stil en kalm. Anna schrikt; zij luistert naar zijn adem.
âLiefje,quot; fluistert ze snel: âga, roep vader eens hier; gauw Miesje.... ga!quot;
195
ANNA ROOZE.
Maar neen, het uurwerk is nog niet afgeloopen. Zijn lippen bewegen zich weer. Hij wendt het hoofd geheel naar deze zijde; geeft een teeken dat het kind niet gaan moet, en, luider dan te voren, zegt hij:
âGabriëlle!quot;
Anna, ternauwernood van haar ontsteltenis bekomen, vat zijne hand, en buigt zich tot hem voorover.
âGahriël of Gabriëlle dat was de naam die. .. het kindje.... moest dragen dat ik.... nooit zou zien op de wereld, en.... waar... . van.. . de... . moe.... der.... O!quot;
âArme vader!quot; zegt Anna diep bewogen.
En hij, met krachtiger stem dan te voren:
âVader! Ha! â Hoe zoet! Kom nu Heere Jezus, kom!.... O die naam: Vader! Va....d... .er!quot;
Dat ging door merg en been. Wijd geopend staarden die holle oogen naar boven.
Anna vloog ter deure uit. De kleine Benjamine riep angstig:
âOch lieve zoete mijnheertje! Zie de bloempjes nog eens, en het sterretje, en uw Miesje. Ik zal altijd gehoorzaam wezen, maar zie mij dan aan, mijn lieve mijnheertje!quot;
Een half uur later was de dokter mede in het vertrek. Er viel niet aan te twijfelen, \'t moest spoedig afloopen. De pols had bijna opgehouden te kloppen, maar â \'t kon nog avond, nog wel nacht worden, \'t Was niet te bepalen.
â Ach, die arme vader!
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
Alexander Van Wall, de vroolijke Rotterdamsche koopman, is in den morgen van dien zelfden dag per vigilante uit De Boompjes naar \'t station van den Rijnspoorweg gereden.
Toep. hij zijn goed-zwartje â zoo noemde hij immers doorgaans zijn aardig vrouwtje, die een geboren freule Zwartse de Goeije en de germain nicht van mevrouw Geereke was â toen hij haar eenige keeren vaarwel gezoend, en zij geknord had, dat hij precies een gezicht zette als een pas getrouwd koopvaardij-kapitein met zijn lading naar Japan aan boord; toen heeft Alexander gezegd: dat kiespijn, aangezichtspijn, oorpijn, kramp, pootje en de heele rommel pijnen bij elkaar, nog niet te vergelijken was bij de pijn, die hij aan die vermaledijde reis naar Akkersveen en Mulderspeet had. Hij kende genoeg gemoedelijke zielzweverige water-en-melk-menschen, die met heel veel stichting gewonde harten afwaschten en zalfden â altijd met een gezicht alsof ze oesters slurpten maar daar was hij, San-
196
ANNA KOOZE.
der Van Wall, niet voor in de wieg gelegd. Neen, beroerder legaat had broer Willem hem nooit kunnen maken dan zoo\'n mooi nichtje met gevoelige sentimenten, annex een geheim, of eigenlijk met iets wat je niet ronduit zeggen kunt, en \'t allerminst aan zoo\'n verduiveld lief snaakje zelve.
Louise Van Wall heeft haar Alexander moed ingesproken, immers het ergste is nu geleden; den zuren appel heeft hij maar door te bijten, en dan. dan was alles in orde, en de onrust uit de wereld. Eigenlijk was de zaak nu al gezond.
â Ja wel, goeie morgen, gezond! pruttelde Alexander in de vigilante, en in de wachtkamer, en in het grijze laken van den spoorwagen. Mooie geschiedenis! De zaak gezond! \'t Is tegenwoordig maar de leus: klaarheid, klaarheid! Lieve hemel, de koffie komt nooit tot klaarheid net zoomin als de meeste andere beurszaken. â Ja \'twas zeker een onverwacht geluk dat Oscar Van Breeland den armen doodgewaanden Marter ontdekken, en door de bekentenissen van dien verloopen Otto, in zijn eer herstellen en een zware verdenking van hem wegnemen mocht, terwijl â enzoovoort, enzoovoort. Ja wel, maar dat hij, Alexander, ten gevolge dier geschiedenis, nu al bijna aan het station Kapelle en nog maar een kleine 23 minuten van Gouda is verwijderd, en dat hij dan eerst te Akkersveen die commissie moet waarnemen, om later te Mulderspeet......
Alexander wil er liever niet meer aan denken. Een heer, die met hem reist, ziet hem met bevreemding aan, want Van Wall fluit hardop: Guerre aux tyrans! â Dat doet men zoo niet in een spoorwagen, en vooral niet in een compartiment van de eerste klasse.
â Jamais, jamais en France! fluit Van Wall met verheffing: Jamais l\'Anglais ne ... - â \'t Zou toch afgestommeld mal wezen als hij daar voor die mamsel Marnix, met haar deftige tronie â altijd mamsellig â en tegenover zijn pupil âo lieve hemel, pupil,\'t kon z\'n vrouw wel wezen â enfin, als hij daar een mal figuur sloeg, \'t Zou goed zijn zich een beetje te prepareeren.. - - Jamais l\'Anglais ne régnera; jamais.... bij voorbeeld als hij eens zeide: Emma, je ziet me hier onverwacht â of eigenlijk verwacht, want ik schreef je gisteren â maar toch nietwaar, eenigszins onverwacht voor je staan, en ik gevoel dat ... ne régnera! jamais l\'Anglais ne régnera! Non! non non jamais en France....
,Mijnheer mag ik u verzoeken niet te fluiten?quot;
âWel zeker mijnheer, -«-olkomen permissie; ieder zijn vrijheid.quot; Jamais l\'Anglais, ne régaera! jamais l\'Anglais! ne régnera!
âZeg eens conducteur, waarom stoom je zoo woedend vandaag?quot; vraagt Alexander, terwijl hij te Moordrecht aan den conducteur een fijne sigaar geeft: -Je moest liever een beetje rondtoeren, want ik heb geen haast.quot;
De conducteur van den spoortrein sloeg aan en glimlachte.
Eindelijk te Gouda uit den trein gestapt, had Alexander al spoedig een vigilante naar Akkersveen genomen.
Tot groote verbazing van den voerman heeft de heer echter ver-
197
ANNA ROOZE.
kozen naast hem op den bok te zitten. De voerman meende dat het bespottelijk was de vigilante heelemaal leeg te laten. Die heer had veel voordeeliger kunnen loopen.
De frissche lucht deed Alexander goed. Hij had nu zijn aanspraak klaar, heelemaal. \'t Zij dat hi} alleen met haar zou wezen, \'t zij de mamsel er bij zou zijn, hij wilde het deftig doen, voogd-achtig, dat was toch gepaster.
â Bovendien zooals Oscar had geschreven, \'t was een ernstige, een hoogsternstige zaak. Alzoo: Lieve Emma, als je voogd kom ik tot je, met een affaire, die je zeer zal interesseeren en ter harte gaan. Je weet dat ie, in den jare 1842 geboren, reeds.... ja wel in die manier, met den knop van zijn stok onder de kin; somtijds gefronste wenkbrauwen. Ja wel.
.Hoelang heb ik tijd op De Riethof, als ik weer vóór halfeen aan \'t station te Gouda wil zijn?quot;
«Dat zou ik mijnheer voor de vaste waarheid niet durven verzekeren.quot;
âHeel voorzichtig van je. Hoe lang rij je er over?quot;
,Da\'s na venant mijnheer!quot;
âIk meen gemiddeld?quot;
âTot halfweg meent uwes?quot;
âNeen, ik ineen of jij geen middel weet om van een heel een half uur te maken?quot;
âIkke mijnheer!quot;
.Ja jij-quot;
âNeen, bij me weten niet mijnheer: een uur is wel de halfscheid langer als een halfuur mijnheer.quot;
âAls je niet zoo melkt met dien toom. en de zweep er eens overlegt. dan maak je van een heel een half uur!quot;
âMelken? ikke mijnheer!?quot;
âLoop naar de maan! Rij maar wat op!quot;
Nu Alexander klaar was met zijn aanspraak, nu had hij waarlijk haast. Hoe eerder daar, hoe eerder klaar. Een zekere zenuwachtige gejaagdheid heeft hem tegen dien snaak wat hard doen uitvallen, maar \'t schijnt dien stoffel al evenveel geraakt te hebben als zijn zweepslag het paard. Bruin blijft onverstoord in zijn sukkeldraf.
Mijnheer Van Wall is aangediend.
In het salon waar, op den marmeren schoorsteenmantel, een
Ãrachtige pendule met coupes prijkt â iets waaraan Alexander zichrachtige pendule met coupes prijkt â iets waaraan Alexander zich
erinnert nog al breed te hebben gecontribueerd â in dat salon loopt Van Wall nu onrustig op en neer. Hij ziet lanjjs de pendule in den helderen spiegel, en vindt dat hij er verwaaid uitziet. Hij geeft een snellen draai aan zijn haren, trekt even een onderkin, en rimpelt het voorhoofd.
â Hum, khum! ekumm! Hij is verkouden ook, ja waarlijk verkouden. â In die.. sen.. Hei.. ei.. ligen. .. Hola! \'t zou bespottelijk zijn als ze \'t hoorden. Maar hij is allerberoerdst verkouden. Vroeg opgestaan. Weinig ontbeten. Open raampje. Voorop naast
198
ANNA BOOZE.
dien lammeling gezeten! â Zoo\'n kerel moesten ze professor in de metaphysica maken.
Hij hoort een voetstap in de gang.
Alexander vloekt nooit â bijna nooit â maar nu, \'t viel hem letterlijk uit den mond.
âVerd... daar komt ze!quot;
De deur ging open: â De mamsel! â Voorwaarts: Boekenstijl!
âPleizier u zoo wél te zien mevrouw.quot;
Juffrouw Marnix groet deftig beleefd den oom en voogd van haar lieve élève, en verzoekt hem plaats te nemen.
Van Wall zit op een geborduurden leuningstoel.
âU zult waarschijnlijk van mijn nicht hebben vernomen dat-... enfin. Het spreekt vanzelf.quot; â Wel verduiveld, wat zien die peper-mosterd-en-zout-oogen je pittig aan. De mamsel schijnt maar te wachten totdat hij zijn aanspraak uit heeft. A la bonne heure, basta, laat zij beginnen. Misschien zijn de fondsen bij de kleine leelijke deftigheid een beetje gedaald, omdat Emma haar school zal verlaten. De oogen voor haar neerslaan? Dat niet precies, oude serieuze. __
âDe reden van uw komst is mij bekend, mijnheer Van Wall. Niet alleen had uw lieve nichtje mij meegedeeld dat u vandaag zoudt komen, en dat u haar dan wenschtet mee te nemen. . .
Alexander dacht dat het een pikante saus was. Hij had geschreven dat hij haar zou meenemen; van wenschen heeft hij geen woord gerept. Enfin:
âJa wel mevrouw, ik wensch dat, ten minste als de regels van de volière....quot;
â O lieve hemel! daar had je de gevolgen van die malle uien----
Ten minste, u begrijpt mevrouw, indien zulks met de regels van.â van uw instituuute....quot;
âHet zal mij bijzonder leed doen de lieve Emma te moeten missen, mijnheer Van Wall, want altijd heb ik zielsveel van haar gehouden. Maar, vraagt u mij of ik uw besluit om haar van school te nemen goedkeur, dan moet ik volmondig antwoorden dat ik het zeer verstandig acht dat Emma....quot; . ⢠r.
âNietwaar! nietwaar!? Ja \'t werd tijd mevrouw.^ De zinnetjes beginnen op zoo\'n leeftijd een beetje te krullen, nietwaar? Men wil op die jaren wel eens een concert of een opera bijwonen. Volmaakt met u eens!quot;
âDe opera\'s en concerten zijn naar mijn oordeel minder geschikt om jeugdige harten te sterken tot den strijd van het leven.quot;
âNeen neen, akkoord! Daar hebt u gelijk in. Ofschoon de Fidé-lio.... en....quot;
âVerschoon mij, mijnheer Van Wall, de tijd gebiedt om deze wending van ons gesprek niet te vervolgen. Ik zeide u dat uw komst op heden, en uw wensch om Emma nu reeds mee te nemen, mij in de eerste plaats door haar zelve zijn meegedeeld.quot;
âJa wel, \'t was ook mijn idee dat ze u daarmee bekend zou maken en uw toestemming verzoeken. Natuurlijk, natuurlijk! zeker zou ik
199
ANNA ROOZE.
aan u zelve geschreven hebben, maar \'t kwam zoo subiet omdat bijzondere redenen.... Mocht u het echter beter vinden, dan zou Emma mijnentwege hier over eenige dagen wel kunnen terugkomen, en verder geheel tot de Paaschvacantie blijven. Ziet u, \'t is een zaak die ...quot;
âIk geloof er mee bekend te zijn, mijnheer Van Wall. De neef van de oude mevrouw Van Riddervoorst, bij wier dochtertje ik vroeger gouvernante was----quot;
âEi, ei, heeft Oscar u gezegd....? Ei! Dus is u al op de hoogte. Verduiveld dat doet me plezier.quot;
âMijnheer Van Breeland heeft mij zeer omstandig geschreven.quot;
âEn als ik vragen mag mevrouw, hebt u aan Emma al iets....? zoo\'n balletje van opgegooid? \'t Is nog al teer porselein, waar ik mee aan de beurs kom/\'
âDezen morgen mijnheer heb ik bijna drie uren met Emma afzonderlijk doorgebracht. Ik oordeelde het noodig dat zij, vóór uwe komst, het doel der reis zou kennen, vreezende dat zij haar anders niet goed maken en het doel niet bereikt zou worden.quot;
âDus zij weet....?quot;
âZij weet alles, mijnheer Van Wall.quot;
âGoddank!quot; valt Alexander uit: âGoddank! Wil je wel gelooven mijn goede mevrouw, dat ik liever een vriend die wrak staat drie oude Russen leen, met de zekerheid dat ik er geen kwart percent van weerom zie, dan zoo\'n commissie over te brengen?\'quot;
âIk geloof inderdaad, mijnheer Van Wall, dat er reden is om het Opperwezen te danken voor Zijne liefderijke leiding, en....quot;
â O jee, denkt Alexander: \'t Is ook waar, ze zijn hier zoo\'n beetje aan den fijnen kant. Ja, met al die anen en isten kan Van Wall zich anders niet ophouden. Leven en laten leven: arme drommels voorthelpen, en je bij je eigen vrouw houden, dat is zijn geloof. Maar wel zeker, als hij Zondags eens een enkelen keer naar Oosterzee of Pierson, of hoe die lui meer heeten, gaat luisteren, dan moet hij niet alleen zeggen dat het een duivelsche toer is om zoo\'n preek bij mekaar te krijgen â nog heel wat anders dan een toost op rijm â maar dat je dan waarachtig nog eens voelt dat Onze Lieve Heer de wereld niet uit is, en niet minder, dat ze aan de gereformeerde kerk toch nog maar altijd een punt kunnen zuigen.
âZeker mevrouw, \'t is wel te zien; een liefderijke leiding; fameus toevallig niet waar? En is de blonde pinkoog nog al koest, nog al.. ..? \'t Is me waarachtig een pak van het hart, mijn beste mevrouw.quot; â En in zijn verruimde stemming steekt Alexander der deftige Marnix zijn hand toe: âIk dank je; waarachtig ik dank je hartelijk!quot;
De dame aarzelt, maar is wel genoodzaakt zich even de kleine blanke hand te laten drukken. Nu herneemt ze:
âMijnheer Van Breeland schijnt zich te Utrecht bij u te zullen voegen.quot;
âJuist mevrouw. Om je de waarheid te zeggen, heb ik hem getelegrafeerd dat ik, alleen op die voorwaarde zou meegaan en de père noble spelen. Maar, zoudt u denken dat nichtje blauwoog geen....
200
ANNA BOOZE.
vapeurtjes....? Ik ben met die dingen niet bijzonder op mijn gemak, en meen dat de kleine daar nog al in handelt.quot;
Juffrouw Marnix glimlacht vluchtig.
âHet was mijn plan u voor te stellen mijnheer, mijn lieve élève op deze voor haar zoo hoogstgewichtige reis te vergezellen, niet zoozeer omdat ik vrees dat haar onderweg iets zal overkomen, dan wel.... omdat ik.... zelve....quot;
âMaar dat is voortreffelijk! Mijn lieve mevrouw, u voorkomt compleet mijn wenschen. Ik vind het allercordiaalst! Wij zijn u waarlijk wel zeer verplicht voor al de liefde, die u aan onze pupil betoont. Het zal haar nog veel kosten de voliè. -.. uw instituut te verlaten; maar wat de afrekening betreft, wij betalen tot de zomervacantie, dat spreekt vanzelf â ja wel, ja wel, dat is natuurlijk.quot;
âWij zullen dat later wel vinden, mijnheer. Emma zal nu verlangen u te zien. Mag ik u verzoeken mij naar de huiskamer te volgen. U zult daar zoo ik hoop een kop koffie gebruiken.quot;
âWel beleefd mevrouw, zeer beleefd!quot;
Alexander Van Wall volgde de dame. \'t Was toch een kranig ding, die tante Marnix, zoo klein en leelijk als ze wezen mocht. Liever stond hij een uur tegenover den heelen effectenhoek dan vijf minuten tegenover die abdis. Ja, als heer alleen in zoo\'n japon-nenwinkel, dan was het je net precies als in een lioomsch nonnenklooster. Je geniet er, en eerbiedigt, maar dankt den hemel als je er weer uit bent.
â Voorwaarts naar de koffiekamer!
Van Wall was recht in zijn nopjes toen hij een half uur later weer naast den lammeling öp den bok zat. â- Voor \'t genot om met de beide dames binnenin te zitten had hij bedankt. In de koffiekamer van de menagerie, had hij het warm genoeg gekregen, \'t Was er, met al die leermamsellen precies het gezelschap van Wohlslager geweest, van alle natiën een exemplaar. Maar bovendien, Emma is hem zoo enorm lief en gemoedelijk om den hals gevallen, dat hij in stilte alle kracht van redeneering heeft moeten aanwenden om zich te herinneren dat hij al zes jaar getrouwd, en de voogd van dat âhem omhelzende douceurtjequot; was. Later heeft hij zich die verteedering voor den voogd van vier en dertig jaren eenigszins beter kunnen begrijpen. Niet slechts de reden, waarom die voogd haar kwam halen, maar nog een andere even belangrijke zaak heeft haar zoo offensief doen te werk gaan. Niet voor niet had Marnix drie uren afzonderlijk met haar doorgebracht. Er was nóg iets geweest, iets geheel anders, iets, dat in Marnix\' oogen de strengste afkeuring verdiende. â De institutrice had zich voorgenomen er niet meer van te spreken; ten eerste dewijl gansch andere gedachten Emma op haar reis behoorden te vervullen en gewis ook zouden vervullen; en ten andere dewijl zij Emma reeds vergiffenis had geschonken voor een daad, waartegen haar eigen klesch gevoel had moeten opkomen, en die zoo lichtelijk een blaam had kunnen werpen op een instituut, dat mede bekend stond als de
201
202 ANNA KOOZE.
kweekschool van waaraolitigen godsdienstzin en reinheid van hart.
Maar of het blondje gemeend heeft dat oom aan haar fijn wit neusje toch zien zou wat er was voorgevallen; of, dat zij begreep bij oom een steun te zullen vinden tegenover de ultra-zich-zelve verloochenende begrippen van juffrouw Marnix â die waarschijnlijk nooit bemind had, en op wie zeker nooit iemand verliefd was geweest â hoe \'t zij, Alexander heeft het warm gekregen, want, toen Emma â in weerwil van Marnix\' vermaning, dat ook Emma er niet van spreken zou â al spoedig uitbarstende in tranen, van haar ander- haar tweede geluk heeft gesnikt, met de vragen in \'t eind: of oom Alexander haar gedrag óók zoo slecht of laakbaar vond als juffrouw Marnix? toen, toen heeft de oom verduiveld medelijden met dat snoepje gekrégen, en, er mocht dan van komen wat wilde, die abdis g»en gelijk kunnen geven:
âNeen, om je de waarheid te zeggen, mevrouw,quot; heeft hij geantwoord: .als ik in Emma\'s plaats was geweest, ik geloof waarachtig dat ik dien student een rijtoertje zou hebben voorgeslagen. Natuurlijk in alle eer en deugd. Natuurlijk!quot;
De dame had toen een kleur en danig het land gekregen, maar uiterst kalm en heel bedaard had ze gezegd, dat men naar hare meening, zelfs den schijn des kwaads moest vermijden, en dat een meisje diep doordrongen behoorde te zijn van deze waarheid: dat een goede onbesproken naam het kostbaarste kleinood der vrouw is.
Enfin, Alexander is blij geweest toen hij de ernstige tante Marnix met zijn verliefd pupilletje in de vigilante had gewerkt, en hij, na heel veel beleefde vragen: of namelijk de mantel van mevrouw ook in de klem kon komen, en of ze de raampjes zus of zoo wou hebben, het kastje had dichtgemaakt, en eindelijk met den neus in den wind weer naast dien soes op den bok had gezeten.
Per slot van rekening moet Alexander toch om dat wijvengoedje lachen. Eerst was tante abdis gekwetste majesteit, want een jonge juffrouw mocht op een kostschool niet zoo onkiesch wezen van verliefd te worden; en veel minder nog bij een goudvischkom aanhoo-ren dat een student, zonder haar bezit, zou sterven van akeligheid. Natuurlijk was de jonge juffrouw toen ook gekwetste majesteit geworden, om de eenvoudige reden dat ze er niets berispelijks inzag dat men elkander op een bergje in dit tranendal lief vond, al droeg de een dan zelfs een jas en de ander een jupe odinot.
Diep gekrenkt en verslagen heeft de jonge juffrouw naar recht gezocht, maar, toen ze het gekregen had, toen â toen wou ze het niet hebben, en, steeds in een zeer offensieve stemming, is ze de oude abdis om den hals gevallen, en heeft ze voor de variatie gesnikt dat ze bij die goudvischkom toch verkeerd had gedaan, terwijl Alexander zelfs meent de belofte te hebben gehoord, dat nichtje het nooit zou weerdoen.
Toen die allerliefste bekentenis was afgelegd, werd gekwetste majesteit No. I op hare beurt gemoedelijk, en vond nu zelfs de zaak in dit persoontje te verschoonen, maar zeker hoopte ze toch in stilte dat de goudvisschen er van zwijgen zouden.
anna rooze.
â Alles wel beschouwd, denkt Van Wall: dan moet een sultan met zoo\'n massa vrouwen aan z\'n been, toch altijd in een afgesuk-keld geherrie zitten, \'t Is volkje daar je nooit op aan kunt, zóó staan ze pari, zóó onder nul!
In den namiddag stapten twee heeren en twee dames uit een compartiment van de eerste klasse aan het station te Arnhem af.
âIs u mijnheer Van Breeland?quot; vraagt een welvarend persoon met een boersohen hoed in de hand.
âNeen man. Hier cousin, die snaak moet jou hebben.quot;
âAh, ben jij niet de kastelein uit De Vergulde Ploeg?\'quot; zegt Van Breeland.
âOm je te dienon mijnheer. Ik ben volgens mijnheer z\'n schrijven aan den dokter, maar zeivers met de berresjet gekomen, want wat je zeivers doet is maar het eerste en het gauwste gedaan, zeg ik, of mijnheer me begrijpt?quot;
âZeker Tronk. Maar je bent toch niet uitgespannen?quot;
âDat is te zeggen, ik zou hebben uitgespannen, en zonder man-keere, maar, een mensch die met oordeel werkt, gaat met z\'n eigen te rade; ik heb de berresjet hier achter het station staan met een knecht er bij.quot; Tronk zet een zeer diepzinnig gezicht, en herneemt zachter: âIk zou het uwe alleen zeggen; een boodschap van dokter Bron.quot;
âEn....?quot;
âAls dat we wat voort zouwe maken mijnheer, want dat het af-loopen ging.quot;
âMan, wat zeg je! Stil, geen woord meer! â Mijnheer Alexander, wilt u vast met de dames vooruitgaan ? Ja wel, die deur, juist! Het rijtuig staat er.quot;
Van Wall had er ârenoncequot; aan om al die mutsemanden en para-pluiezakken te dragen. Nu, er waren ook gedienstige nommers genoeg. Maar, de abdis door een nommer den arm te laten presenteeren, dat ging niet:
âMag ik het plezier hebben, mevrouw?quot;
âDank u vriendelijk, mijnheer Van Wall.quot;
â Wel verduiveld, ik dacht dat ze graag eens een bluf met me zou slaan, denkt Alexander: \'t is toch niets meer dan een simpele en nog al niet mooie schooljuffrouw, maar \'en pittig ding!
âHeeft de dokter je dat laten weten. Tronk?quot;
âNeen, mijnheer Van Breeland, vraje wel ekskuus, neen, dan zou ik zoo\'n jacht niet gemaakt hebben en....quot;
âWe kunnen in het rijtuig praten. Tronk. Vooruit! Hoe eer we dan vertrekken hoe beter. ICóm, waar staat je wagen?quot;
âDe berresjet? Achter mijnheer.quot;
Nu de dames hebben plaats genomen en Van Wall heeft gezegd dat die hoededoos binnen op de bank moet staan, want dat het een beetje regent en ze voorin heelemaal nat zou worden â waarmee iutfrouw Marnix waarlijk verlegen wordt, dewijl dan een der heeren
203
204 ANNA KOOZE.
in den regen moet zitten â nu dat alles eindelijk is afgehandeld zegt Van Wall tot Oscar:
âNeen kerel, waarachtig niet; ik kan er veel beter tegen dan jij-Kijk eens, \'k heb een dikke jas. Neen, jij er in. Neen waarachtig, ik doe het niet.quot;
âMijnheer Alexander, u doet er mij bepaald een dienst mee.quot;
âJa dat kan ik begrijpen mijnheer Van Breeland. Natuurlijk ik doe je een dienst als ik je in den regen laat zitten met zoo\'n dun overjasje aan â compliment! Jij moet op je stem passen, maar ik, ik kan er tegen.quot;
Van Wall stond al met den voet op de voortree der barouchette. Van Breeland wil hem tegenhouden. Alexander zegt zacht:
âKom leuter niet langer, ik geef er de maan van.quot;
âAls je mij er bepaald een dienst mee doet?quot; fluistert Oscar.
âBen je gekl je kunt over geleerdheid en al dat gehottentot praten, maar ik, ik heb er genoeg van; ik snak naar \'en sigaar.quot;
âOom, oom! Och, komt u hier?quot; roept Emma met het hoofdje even buiten het rijtuig.
âEr is slechte tijding,quot; fluistert Van Breeland snel tot Alexander: âTronk moet het me nader zeggen. Straks kunt u voorin zitten, of.... ten minste....quot;
âOom, mijnheer heeft gelijk: u is de oudste! komt u er maar in.quot;
âDe oudste! Slechte tijding!quot; mompelt Van Wall. Als iemand aan De Boompjes nou maar begrijpt dat iemand voor z\'n plezier op reis is:
âJa wel blondje! Je zult zegen en voorspoed hebben omdat je den ouderdom zoo eert. A la bonne heure.... daar gaat ie! één, twee, drie. â Neen, pardon mevrouw, laat die doos maar staan. Een beetje wagenrecht. Ziezoo, \'t Is om \'t gezelschap weet u, maar anders, ik ben voor de luchtigheid.quot;
Emma\'s hart klopte ruimer. Het denkbeeld een paar uren vis-a-vis Oscar Van Breeland, alleen met juffrouw Marnix, en zonder oom, die nog eens afleiding gaf, te moeten rijden, \'t had haar waarlijk angstig gemaakt.
â Hoe was het mogelijk dat zulk een geheel ander gevoel voor dien jonker haar bezielde dan nog maar weinige weken geleden, en vooral sedert den morgen toen die innig lieve Willem haar gezegd heeft dat zijn geluk in dit leven van hare wederliefde afhing, \'t Is haar schier onverklaarbaar dat hetzelfde oog, \'t welk haar als kind zoo guitig kon aanzien, en waarvan ze den indruk zoovele jaren diep in haar hart heeft bewaard, dat het haar nu bevreesd maakt, en zij zelfs wenschen zou dien jonker nimmer weer te ontmoeten.
â Was het inderdaad zoo onverklaarbaar? Neen, denkt Emma weder: liefde is sympathie der zielen. Oscar bemint mij niet, en, voor mij heeft zijn oog den glans verloren.
âJa zeker oom, mijnheer Van Breeland is een edel mensch. Ik ben hem den grootsten dank schuldig. Verleden Vrijdag kreeg hij pas zekerheid nietwaar, en vandaag zal ik den armen vader.... al zien....quot;
ANNA ROOZE. 205
âHoor eens pikkie, als je nu met die waterlanders begint, dan steek ik er den brand in, en \'t is me altijd geleerd dat rook in een rijtuig met dames contrabande is.quot;
,Het zal ons niet hinderen, mijnheer Van Wall, als u rooken wilt,quot; zegt Marnix.
Terwijl Van Wall antwoordt dat zijn vrouwtje \'t hem nooit zou vergeven, als hij zóó zijn wereld vergat, en ter afleiding van Java en Malang-Java en Cuba en Maryland en allerlei andere tabakssoorten begint te spreken, en hoe hij eens door een verduivelde rul in de manilla-tabak een halve ton heeft verdiend, is Marnix schijnbaar zijn aandachtige toehoorderes, maar ziet de blonde Emma steeds strakker voor zich neer. Zij verwijt zich zelve in stilte dat het eenige doel dezer reis haar, ja, wel zeer ter harte gaat. maar toch niet het allermeeste vervult.
Nadat zij in het najaar vernemen moest dat niet de geliefde opvoeders harer jeugd haar ouders zijn geweest, heeft het voorgevallene te Utrecht en de onderstelling der mogelijkheid dat een diep gezonkene als die Otto haar vader had kunnen zijn, haar zulk een schok gegeven dat zij God wel moest danken toen ze op een schrijven aan oom Alexander het volgende antwoord ontvangen had:
âLieve Lelie der Dalen!
âGereedstaande om naar de beurs peper te gaan verkoopen, schrijf ik twee letters in antwoord. Als je meerderjarig wordt dan moet ik, volgens broer Willems beschikking, heel deftig een comparitie met je hebben, waarvoor wij de groote zaal met gala-gaslicht zullen nemen. Tot zoolang refereer ik me aan vroegere missives, maar kan je gerust verzekeren dat die Miel net zoomin jou piepa als de mijne is geweest; en dat je brave ouders allebei zalig bij Onzen Lieven Heer zijn.
Ik moet nog een sigaar aansteken, dus vale met groete van \'t Goeije Zwartje,
je onderdanige oom: A. v. W.quot;
Zoo had de luchthart geschreven, maar Emma heeft toch rust gevonden iu het los daarheen geworpen woord, want immers een mogelijkheid als die, welke zij voor oogen heeft gehad, moest haar wel vrede doen krijgen met het herleven van dat smartelijk zoete denkbeeld: mijn lieve ouders zijn niet meer, maar gelukkig bij God.
En thans â nogmaals is er een ongelukkige, en die ongelukkige zal nu waarlijk haar vader zijn! En hij is arm en zwak; en ofschoon dan onschuldig, vele maanden toch heeft hij in de gevangenis doorgebracht. O, dat is akelig! Men heeft toch algemeen gezegd dat hij het gedaan had. Die arme man, die arme ... vader! Maar, \'t is toch heel, heel akelig, ja verschrikkelijk: iemand uit een geva ngenis!
Sterker nog dan te voren verwijt de blonde zich weer haar on-
206 AXNA KOOZE.
dankbaarheid tegen den goeden God, die haar met den man wil hereenen aan vvien zij het leven verschuldigd is. Maar ach! hoe kan zij nü daarover zoo bijzonder verheugd, hoe kan zij juist mi daarvoor zoo innig dankbaar zijn! Nog maar weinige dagen geleden zou misschien het hervinden van dien ongelukkigen, ziekelijken vader haar een wellust zijn geweest. Ja toen, toen had ze niemand op de wereld, die haar waarachtig liefhad, maar nn; Die eenige Willem! En dan haar weergevonden Anna!
â O! en de woning waarheen zij zich nu begeeft en waarin zij dien armen vader zal vinden, is het niet de lieve â zeker landelijk lieve pastorie van Willems vader! Zijn waardige brave ouders zal ze er ontmoeten en, zijn lieve zusjes! Zal ze er niet in aller trekken zijn edel, goed gelaat herkennen? Ach ja, het is haar toch immers niet zoo kwalijk te nemen dat het beeld van den geliefden vriend sterker leeft in hare borst, dan dat van een armen zieken vader, dien ze nooit heeft gezien, en die zich toch in waarheid al bitter weinig om zijn eenig kind heeft bekommerd. Is het zelfs welbeschouwd niet hoogstnatuurlijk dat zij meer denkt aan het terugzien van haar Anna, aan wie ze nog gisteren schreef, zonder te vermoeden dat ze haar reeds zoo spoedig ontmoeten zou; dat zij meer denkt aan al die naaste bloedverwanten van haar eenige in de wereld, die haar van hem zullen spreken, en haar beschouwen als kind, als zuster, als de uitverkorene van hem â dan aan een ontmoeten met den man, die in een gevangenis.... ach neen, als zij het terdege bedenkt, o, dan is het niet veel beter dan dat het die Otto Van Wall, die Miel geweest ware.
Zoo peinsde Emma. Lief blond egoïstje! Dat woord egoïstje is reeds eerder gehoord. Toch blinke het zachter: lief egoïstje!
Emma\'s blik was vroeger wel verruimd door den omgang met haar geliefde vriendin, doch â wanneer Anna volgens den zonderlingen overste: de zilver-forel der groote bergstroomen, of de zwaluw die over landen en zeeën zijn vlucht neemt moet geweest zijn, dan zwom Emma voorzeker in vroegere perioden als goudvischje in een vijvertje rond, en zat ze als kolibrietje in een mooie volière. Immers zij beweegt zich nog meestal in een beperkte ruimte, en moet dus wel veel naar haar eigen beeld in \'t water zien, of pikken in haar donzen veertjes. â Een man uit de gevangenis haar vader! Dat denkbeeld kan ze niet van zich verjagen.
Marnix was haar niet hard gevallen toen zij in den aanvang heeft gezegd, aan zulk een man nimmer dien teederen naam te kunnen geven. Maar nu; zij weet immers niet hoe hij daar ligt, die goede vader; hoe hij snakt naar zijn Gabriëlle, het kind dat hij nooit zag op aarde, maar dat hij straks, straks bij zijn Heer in den hemel te vinden hoopt.
Neen, dat weet ze niet; en ze weet evenmin dat de oogenblikken geteld zijn; dat de tijd spoedt; dat er haast is, groote haast; neen, anders zou ze met de gedachte aan dat ontmoeten, niet zelts de oogenblikken als winst hebben gerekend, die er moeten verloopen alvorens de eerste tol die men bereikte geopend wordt.
ANNA ROOZE.
Juffrouw Marnix doet intusschen haar best om het gesprek met Emma\'s voogd zooveel mogelijk in den passenden toon te houden, \'t geen haar wel eens moeite kost, omdat Alexander de ernstige zaak maar liefst zoolang mogelijk onder een luchtig kleedje verstoppen wil, terwijl hij inderdaad een vreeselijk opzien tegen de âaanstaande representatie heeft, waarbij hij nolens volens de eerste rol moet vervullenquot;.
â En die mamsel is zwaar op de hand, denkt Van Wall; en die mooie Oscar heeft zich met een fijne advocatenstreek maar netjes op de voorbank gewerkt. Alexander wou dat hij óók buiten, al was \'t in de kattenbak, zat.
Tronk die, met ronden rug, naast Van Breeland zijn tweespan ment, heeft den advocaat de juiste toedracht der zaken meegedeeld: Gistermiddag, klokke halftwaalf, had hij de boodschap van dokter Bron gekregen om vandaag, klokke vijf, met de berresjet aan \'t staaisjon te Aarem te zijn. Best! En hij was er geweest. Maar dat er nu spoed moest gemaakt worden, dat kwam niet omdat ie weer een boodschap van dokter Bron had ontvangen om spoed te maken, maar omdat dokter Bron tegen halfelf zeivers bij hem is aangestapt, en zonder te willen opsteken of \'t een of ander gebruiken, gezegd heeft, dat Tronk hem plezier zou doen wat vroeger te vertrekken, omaat ie dan op de terugreis wat harder zou kunnen aanrijden.
âEn de reden Tronk?quot; vraagt Van Breeland.
âJa, dat was een geheim en geen geheim. Ik moest het u zachtjes zeggen, zachtjes omdat de dames zoo schrikachtig waren zei de dokter. Maar de dokter was erg bang dat die commensaal van dominee den nacht niet meer halen zou. Is die oude juffrouw in den wagen zooveel als z\'n vrouw, mijnheer?quot;
âNeen. Maar rij dan wat harder. We zullen toch niet voorschemer-donker aankomen.quot;
âDat zal d\'r om houen mijnheer. Bels kleppert een beetje.quot;
âWat blief?quot;
âBels kleppert een beetje zeg ik.quot;
âMeen je je paard?quot;
âJa wel, de bijderhandsche mijnheer, die kleppert een beetje.quot;
âZit hem een ijzer los?quot;
,Om u te dienen, mijnheer!quot;
âAls je hem vooraf hadt laten beslaan dan zou je ons beter gediend hebben.quot;
âD\'r was zoo\'n haast, zei de dokter, mijnheer. Maar uwe hebt gelijk, want van achteren gezien had ik in Aarem wel tijd gehad, en moeten we \'t nou bezuren, maar ziet u, \'t was om de haast.quot;
Van Breeland begreep dat het volstrekt niets hielp of hij den kastelein-stalhouder diens onnoozelheid verweet. â \'t Zou zeker heel anders zijn gegaan, denkt Oscar, indien ik oom Geereke in plaats van dokter Bron in den arm had genomen. Oom Geereke zou waarschijnlijk gisteren uit Arnhem getelegrafeerd hebben, en hadden we â indien het met Marter zoo erg was â ten minste met een vroegeren
207
ANNA BOOZE.
trein kunnen aankomen. Zeer zeker zou oom zijn eigen rijtuig hebben gezonden en had men met Blanchard en Moustache den rit in vijf kwartier gemaakt. Maar neen, al komt men dan wat laat, te laat zal het toch niet wezen. Oom Geerekes hulp in te roepen, alvorens men elkander laatstleden Vrijdag te Arnhem verliet, dat is Oscar moreel onmogelijk geweest. Tusschen oom en hem was er een slagboom gevallen. Hoe voortreffelijk mijnheer Van Uland ook wezen mag, voor den neef heeft hij zijn tooverglans verloren.
â Kwalijk nemen kon oom het in geen geval. De zaak van den ongelukkigen Marter is geheel buiten hem, en de omstandigheid dat juffrouw Rooze â zijn huisgenoote â met Emma gebrouilleerd is, moest voor oom ook allen schijn wegnemen alsof hij in dezen gepasseerd werd.
Zoo peinzende, en vreezende dat men, met het slecht beslagen paard, eer een half uur langer dan korter onderweg zal wezen, vraagt Oscar:
âKun je \'t zelf niet vastmaken. Tronk?quot;
âDat ijzer mijnheer? Wel neen ik. Als ik de matrejalen had dan wil ik veronderstellen van ja; ten minste als ik de bekwaamheid óók machtig was.quot;
âMaar heeft dokter Bron je gezegd dat het zeker zou afloopen, zeker? Was er geen mogelijkheid dat de zieke â- zoo niet beter worden, dan toch het leven nog wat rekken zou?quot;
âBij Onzen Heer zijn alle dingen mogelijk mijnheer, dat is mijn geloof; maar wat den zieke betreft, dan zou ik veronderstellen â vort Bels! â dat de dokter d\'r al heel weinig moed op heeft; want hij zei zoo in vertrouwen â in \'t vertrouwen zie je, omdat we sinds jaren vrinden zijn, want ik heb hem van kinds af aan bij z\'n vader in den Gaper te Botterdam gekend, en toen is ie scheepsdokter en later buitendokter geworden; maar wat ik zeggen wou, o ja, toen zei ie dan zoo in vertrouwen; Ik wou dat ze d\'r al waren Tronk, zei ie, want â en toen had ie zoo\'n fransig woord â de parementasie of parlementeeren â afijn, zei ie, aan dat Fransche ding daar had ie \'en zuster aan dood.quot;
Van Breeland antwoordde niet. Dokter Bron was plattelandsheelmeester, en ofschoon inderdaad meestal zeer gelukkig in zijn bóeren-praktijk, zóó zelfs dat mijnheer Geereke bij voorkomende gelegenheden hem altijd raadpleegde, alvorens een dokter uit Arnhem in consult te ontbieden. Bron was toch in \'t bijzonder voor de boeren-praktijk geschikt, en had verder met den Rotterdamschen koopman Van Wall, dezen trek gemeen: dat hij liever in zijn vak voor het heetste vuur stond dan.... uiterst voorzichtig zulk een ziekte te prep.ireeren op het weerzien van familie, en dergelijke commissies.
Nadat het getuigenverhoor voorleden Vrijdag te Arnhem was afgeloopen, is Bron aanstonds met zijn karretje naar âde praktijkquot; teruggekeerd. Nog denzelfden avond werd hij bij dien mijnheer Marter in de pastorie geroepen. Zondagmorgen heeft hij Van Bree-lands brief ontvangen. Wat hij doen kon heeft hij gedaan. Ten eerste
208
ANNA ROOZB.
had hij aan Tronk voor Maandag een rijtuig besteld. Ten tweede, den zieke voorgeschreven wat hij als het beste bedenken kon om hem zoolang mogelijk âin \'t leven te houen,quot; en ten derde is hij nog dezen morgen, omdat het alles behalve goed met den zieke stond, in persoon naar Tronk gegaan, en heeft hem gezegd dat hij van Arnhem naar Mulderspeet hard moest rijden, en in vertrouwen aan dien mijnheer Van Breeland zeggen, dat er van dat prepareeren weinig had kunnen inkomen, omdat.... enfin, omdat die zieke er slecht aan toe was.
Wel neen, heeft Bron geredeneerd, als dominee â zooals die advocaat schrijft â er de man niet naar is om zulke prepaiatieven met genoeg omzichtigheid te maken, dan ben ik er waarachtig ook niet voor in do wieg gelegd; en â heeft hij zich verder getroost â mocht het afloopen vóórdat ze komen, dan heeft de stakker er bovendien geen last en geen weet van gehad.
De woorden van Tronk hebben Oscar genoeg doen verstaan: Bron heeft een rijtuig gezonden, maar, méér deed hij niet. Marter is zijn einde nabij, en, wanneer men niet te laat komt, dan zal men hem vinden zonder dat hij op de komst van zijn kind in \'t minste is voorbereid.
En het rijtuig sukkelt langzaam voort, en het losse hoefijzer kleppert sterker.
âKun je dat ijzer d\'r niet aftrekken Tronk?quot;
âVan Bels z\'n poot mijnheer? Dat zou \'en mooie wezen! Neen mijnheer, as ik \'em kreupel wou hebben dan allebeneur, maar nou, mersie zeit de Franschman. Daar hadt je verleden najaar â of eigenlijk we schreven nog Augustus â afijn, toen had mijnheer Geereke, weet u, de baron bij ons van De Renghorst â ik meen dat ik er uwes wel eens gezien heb...quot;
âJa wel, ja wel! Je kunt toch wel een beetje harder rijden. Tronk.quot;
âMet verdrag mijnheer! â Vort Bels! vort mennek es! \'t (raat op m\'n woord van waarheid nog hard genoeg. Afijn, toen had de baron een jongen ruin, die op een goeien dag, toen de jonker hem voor de fajeton reed, z\'n ijzer verloor en....quot;
âWeet jij ook Tronk of de baron met de ziekte van mijnheer Redly bekend is?quot;
â\'k Zou wel veronderstellen van ja mijnheer. Maar wat ik zeggen wou van den ruin: Zonder er op te letten, reed de jonker met \'em door....quot;
âWaarom veronderstel je dat mijnheer Geereke weet dat hij ziek is?quot;
âIkke mijnheer? Wel omdat de juffrouw, die d\'r in den kost is, al een paar dagen, en ook van middag vóórdat ik uitreed, in dominees pastorie is gegaan; en dus zou ik veronderstellen dat de baron er wel mee bekend moet wezen. Maar wat den ruin betreft, van meet af aan is ie kreupel gaan loopen, en ofschoou Rutjes uit Aarem....quot;
âJa, die geschiedenis ken ik. â Weet jij zeker dat die juffrouw ook bij mijnheer Redly komt?quot;
,Neen ik, mijnheer! Maar dat de baron van de ziekte afweet, dat
VI. 14
209
210 ANNA ROOZE.
weet ik zoogoed als zeker, want, als een mensch zijn verstand laat redeneeren, dan begrijpt hij dat, als de juffrouw in de pastorie komt, ze wel zal hooren dat hij ziek is, en, als zij dat weet dan zal ze den baron, â waar ze om zoo te zeggen mee op en neer gaat, toch wel vanzelf d\'r over gesproken hebben. â Maar weet uwe dan ook dat ze den ruin....?quot;
âJa wel dat weet ik. Maar....quot;
âVoor \'en appel en \'en ei is ie verkocht mijnheer: Kleine oorzaken groote gevolgen zeg ik----â Vort Bles!quot;
âWat meen je met: op en neer gaat?quot;
âBedoelt u van de juffer met den baron? Wat ik daarmee meen? Ikke? Niemendal mijnheer. Neen, sedert dat ik die juffrouw Rooze eens nog mooier heb hooren spreken dan den besten dominee, toen ze tegen allerlei praatjes en kwaadsprekerij lostrok en niet zuinig; afijn, toen ze de partij nam voor dien heer van De Runt, en ook al voor Hanneke Schoffels, waar mijnheer â als ik zoo vrijpostig mag wezen â ook nog voor ge.... ge.... aan de rechtbank zal ik maar zeggen â afijn â en....quot;
âJe zegt dat de baron en die juffrouw Rooze . . veel.....
samen....?quot;
âJa zie je mijnheer, daar zit \'etn de sjoos, zeit de Franschman.â Tju Bels. Vort! â Dat is nou krek de affeerie: As je die juffer naar d\'r eigen postuur en woorden zoudt beoordeelen, dan moeteen mensch in de rechtveerdigheid zeggen: Praatjes zijn praatjes, en oordeel niet. Maar....quot;
âRij op, kerel!quot;
âKerel! Neem me niet kwalijk mijnheer: Rijen wil ik en stilstaan wil ik ook. maar gekerel daar hou ik me niet mee op, of uwe mijn slacht!quot;
âNeem me niet kwalijk Tronk, we hebben zoo\'n haast. Maar die praatjes....?quot;
âZoo, als het uit haast kwam dan is \'t wat anders. Iedereen weet dat Tronk een kalf van goedheid is, maar als ie giftig wordt, dan.... afijn. Zie je, ik ben een beetje haastig gebakerd en van een giftige natuur. Wat die praatjes aanbelangt â Vort mennekes! â ja! wat zal ik u daarvan zeggen. In \'t dorp wordt van alles gesmuuspeld, maar ik zeg, de tong is een tweesnijdend zweerd zeg ik.quot;
Oscar bijt zich op de lippen.
âMaar wat zeggen ze dan Tronk?quot;
âOch, gepraat en gehaspel van allerlei mijnheer. Dat het erg groot tusschen den baron en die juffrouw Rooze is, dat kan \'en kind wel zien. Tegenwoordig, nou de arme mevrouw zoo sukkelt en niet meer mee in de kerk komt, nou zit juffrouw Rooze op de barones d\'r plaats in de bank, en de baron in de heerenbank d\'r achter â zoowat in de schuinte â en dan kun je zoo zien dat ze mekaar lijkenen. Ze kan â bij okkazie van spreken â haar zakdoek niet om-\' draaien of hij kijkt naar d\'r. Nou, wat zeg jij mijnheer, daar steekt geen kwaad in. \'t Is een bijzonder knap slag van een vrouwspersoon, en de baron is ook nog een mensch in de kracht van z\'n leven, of
ANNA BOOZE.
ie mijn slacht. En wie zou er niet naar \'en mooi parrekietie mogen zien! Maar, die en deze en hij en haar die meenden al lang â Vort Bles! Tju mennekes! â al lang dat \'et spul niet al te jichtig was.quot;
«Ei!\'
âIk wil de zegsman niet wezen mijnheer, maar nietwaar, als iedereen zoo spreekt dan staat één alleen in de wereld; en daar vin-je ook geen baat bij. â Neen wat zeit uwes als je van iedereen leven moet?quot;
âEn wat zeggen ze dan?quot;
âJa, sauspraatjes mijnheer! Wat wil je! Zoolang als de mevrouw leeft zul je d\'r \'t rechte niet van hooren, maar zooveel is zeker, dat mijnheer de baron, juffrouw Rooze met d\'r tante â die zoo\'n beetje gek moet wezen â gekamerd heeft op De Renghorst.quot;
Tronk wist niet dat er iemand naast hem zat, die gevoelde hoe de beste mensch van de wereld, in bijzondere oogenblikken zich zelf zou kunnen vergeten en een moord doen. Als Tronk zoo iets vermoed had, dan zou hij niet zoo doodbedaard vervolgd hebben:
âIk en \'en ander we zullen zeggen dat is rojaal van den baron, want sedert dat de baron De Runt kocht en verbouwen wil,moesten de dames d\'r uit: en waar zouen ze blijven! In een gekkenhuis â¢dat hoefde niet, en die ouwe Lijning van de Runt â daar ik \'t niet groot op gelaajen heb â die kan niet voort, omdat ie z\'n eigen den poot.... den voet hêt verzwikt. Dus zou ik zeggen \'t Is rojaal van den baron. Maar je weet mijnheer, wat Bart van Raai zeit....? Dat die tante gek is omdat hij gek naar de nicht is.quot;
âZoo, â Bart Van Raai!quot;
âJa, dat is \'en klant en \'en vrind van me, mijnheer; en Bart schijnt er meer van te weten, want die heeft conversaasje met de kamenier van de barones; en de kamenier mot gezeid hebben, dat de barones van sjegrijn zoo mager als \'en pijpesteel wordt. En geen wonder zei Bart. â Wat blief mijnheer?quot;
âNiks!quot;
âJa, de kamenier weet zeker dat mevrouw de tering heeft, en de kamenier had al dikwijls een balletje van Parijs opgegooid, omdat iedereen die de tering had naar Frankrijk ging, en omdat de kamenier voor twee jaar d\'r ook zoo\'n schik had gehad. Maar de baron schijnt der niks van te willen weten: komprie, zeit de Kranschman.quot;
Van Breeland heeft werkelijk een oogenblik, waarin het denkbeeld hem niet ongerijmd schijnt om dien ellendigen wauwelaar vierkant uit het rijtuig te smijten, de zweep over de paarden te leggen en ze desnoods dood te jagen.
âZoo is er dan alle dagen gepraat waar \'en mensch z\'n eigen verstand bij inachtneemt mijnheer. Maar, dat ze silvoeplee-kompliman-meseu spelen, dat ziet iedereen in de kerk, en dat ze samen wandelen daar zal geen ziel z\'n zaligheid tegenover zetten....quot;
âHouje mond!quot;
.Wat blief mijnheer----hé----?quot;
211
212 ANNA KOOZE.
âJe leugens vervelen me! Rij op!quot;
â Te Donderdag! denkt Tronk, ik geloof bij m\'n ziel dat ik me leelijk in de vingers heb gesneejen, en dat die mijnheer Van Bree-land van de femielje is. Ja, vroeger heb ik \'em wel op de Reng-horst gezien. Ik meen van \'t najaar nog, maar den laatsten keer toen hij een paar malen voor zaken in \'t dorp ia geweest, toen heeft hij naar de heele Renghorst niet getaald. Zie, dat heeft me inde war gebracht. Te Donderdag: van de famielje! Da\'s gek genoeg. Maar â maar â met z\'n mond houen â en leugens:
âHoor eens mijnheer, als ik uwes beleedigd heb dan doei ik in nederigheid de deur toe. â Maar leugens! neen mijnheer. Wat juffrouw Rooze me eens gezeid heeft, dat zit me te diep in de maag dan dat ik m\'n evennaaste ooit met leugens zou willen belasteren. Neen, nou ik A heb gezeid nou zal ik B zeggen ook, en C en D en tot de Zedde toe. Niemand mijnheer zal zeggen dat Tronk uit D e Vergulde Ploeg lastert, want daar heeft een mensch z\'n belijdenis bij de grifformeerde kerk niet voor gedaan, begrijp je?quot;
Oscar begreep dat het goed was, dat heeren niet evenals boeren een broodmes op zak dragen.
âEn daarom mijnheer, om je te doen weten dat Tronk niet gewoon is zich met praatjes en leugens op te houen, zal ik je zeggen wat dan voor vaste waarheid bekend is.quot;
âEn----?quot;
âJa en, en? â Vort poppetjes; hört Bels! â Niet dat ik den baron en juffrouw Rooze daarum te minder zal achten; neen biim\'n ziel niet, want ik zeg: \'en mensch hêt z\'n eige niet gemaakt, en is ook van geen koekendeeg, maar als je dan nog geen vier uren geleden van twee ooggetuigen hebt gehoord, dat ze nog van morden voor de ramen van De Renghorst een deuntje hebben zitten te vrijen, en dat juffrouw Rooze den baron eens ferm--., niet uit slechtigheid of kwaadheid ... daarvan niet.... maar....quot;
Tronk schrikte geweldig en hield de paarden in. \'t Was hem net alsof mijnheer de advocaat vierkant uit de berrechet was gevallen. Maar neen, hij wankelde wel, en struikelde wel haast over den bermrand, maar toch â hij bleef vierkant op de beenen.
âWat duivel kerel, wat doe je?quot; roept Van Wall met het hoofd buiten het portier.
âIk werd onwel van \'t rijden en ga loopen,quot; antwoordt Oscar met de hand aan \'t hoofd, want hij duizelt van den inderdaad te roeke-loozen sprong.
âMaar dan loop ik met je mee.quot;
âNeen,quot;\' wenkt Van Breeland: âü moet bij de dames blijven.quot;
Van Wall gaf er de maan van. \'t Portier valt al open, en â zonder de tree neer te slaan, wipt hij den bak uit.
âZie zoo broekkie, dan houd ik jou gezelschap. Rij jij maar op, koetsier. Bonjour dames, we vinden je straks in het hotel Tronk om dan verder samen. ...quot;
âNeen, mijnheer Van Wall, u moet volstrekt mee rijden, \'t is nog
ANNA KOOZE. 213
een uur loopen. U dient aanstonds naar de pastorie te gaan.quot; Zachter: âEr is geen oogenblik voor Emma te verliezen.quot;
âJa maar alleen die commissie waar te nemen! Ik bedankje. Kom, kruip jij er dan maar binnen in. \'t Zal in \'t gezelschap der crinolines wel beter worden.quot;
âNeen, ik moet loopen. \'t Is me onmogelijk! Ik ben niet wel; maar ü als voogd! \'tls uw plicht, mijnheer Alexander.quot;
âNou, je wordt deftig, zoo wagenziek als je bent. Kom kerel, rij mee?quot;
âIk kan niet.quot;
âWilt u eau de Cologne, mijnheer Van Breeland?quot; vraagt Marnix tn houdt een flacon buiten het rijtuig.
âO, ik heb ook...klinkt het aan Marnix\' zijde.
Oscar bedankt, maar terwijl Van Wall inmiddels van de beleefdheid gebruik maakt, pruttelt hij, alleen voor Oscar verstaanbaar:
âZeg, als jij die geschiedenis wilt rooien, dan geef ik van den zomer een fijn diner aan \'t groote Badhuis te Scheveningen of bij Maywald te Cleef. Hier heb je m\'n heele papierwinkel. Kom kerel,
?ak aan! Waarom niet, als advocaat. Wat duivel waarom niet? e hadt me beloofd!quot;ak aan! Waarom niet, als advocaat. Wat duivel waarom niet? e hadt me beloofd!quot;
Ofschoon de portefeuille al half uit den jaszak te voorschijn kwam, hij zou er toch inblijven. Die âduivelsche adellijke advocaatquot; was te trotsch of te wagenziek om de commissie waar te nemen. In \'s hemelsnaam! als het dan niet anders wezen kon, dan zou Van Wall eens toonen dat ie â âals \'t gewed was toch ook wel dominee of aanspreker kon wordenquot;. Van morgen en den heelen dag heeft hij er zich met die boeken mamsel toch nog al netjes doorheen geslagen, ft Was meer het tegenopzien, en om het eerste woord te vinden. Zie, wanneer iemand nu ordinair tegen zoo\'n Marter beginnen kon en bij voorbeeld zeggen: Wel oude jongen: we zijn nog familie hé â of zoo iets, maar boekenstijl, beffenstijl, gelamenteer! Enfin, één ding is winst: als hij dan moet, dan kan hij nu ten minste vóór in \'t rijtuig zitten. â Tot Van Breeland:
âKom stap nog maar in. \'tls fideeler als we bij mekaar blijven!
â Niet? A la bonne heure! â Dames! we verspelen een heer, maar we winnen ruimte. Je zult den hemel danken dat je me kwijt bent.
â Salut man, plezierige wandeling! â Zie zoo vader van der toom, je hebt lang naar me gesnakt hé. Ja wel, laat je mennekes maar schieten. Neen die mijnheer rijdt liever op z\'n eigen beenen. Jongens niet al te wild hoor je. Je kunt met hollen maar eens den hals breken. .. Och kom, vind je me een vroolijken snaak : wel dat komt omdat jij d\'r zoo plezierig uitziet. â Zoo, zijn er meer die dat vinden? Neen, dat vat ik best, die andere mijnheer die leek je niet, maar die was wagenziek. Ja krek, mins, krek, daar is ie zoo bot van geweest.quot;
Terwijl Van Wall, zoo pratende, zijn zinnen met Tronk, en een fijne rincurrel verzet, en den kastelein mede een sigaar geeft â die echter in de tabaksdoos verdwijnt omdat Tronk nog juist met een versch klontje bezig is â terwijl de vierkante barouchette op haar
214 ANNA BOOZE.
hooge wielen langzaam voortrolt en van lieverlede in Van Breelands oogen al kleiner en kleiner wordt, verneemt de wandelaar te midden van het afnemend wagengerammel toch nog altijd het eentonig geklipklep, veroorzaakt door het losse ijzer van Bels.
Of dat geklipklep Van Breeland voortdurend aan een ellendige wauweltong herinnert, althans nu het rijtuig ten laatste achter dat dennenboscn is verdwenen, nu staat hij stil, en ofschoon de storm, die hem als \'t ware uit het rijtuig wierp, een weinig is bedaard, zoo plooit toch een schampere lach vluchtig zijn edel gelaat, en zegt hij bijna hoorbaar; Geloof dan aan menschenwaarde, aan zielenadel en trouw. Ha! Liebe macht die Erde zu dem Himmelreich? Wel zeker. Zinnelijke liefde met den schijn van zielenharmonie, zij zet de harten in gloed, zij doet dichten en.-., huichelen; zij vervoert een edelman tot het schenden van zijn huwelijkseed, en verleidt een pronkstuk der schepping, een rein... . Halt!
Ja halt, Van Breeland, \'t is verstandig dat ge den hoed wat in de hand neemt en den wind wat door de zwarte krulharen laat spelen. Uw hoofd gloeit. Zoudt gij nu in staat zijn een pleidooi te voeren zooals ge het verleden Vrijdag gedaan hebt? Toen kondt ge zoo roerend spreken ten gunste van eene om wier slapen gij toch den krans van maagdenpalm niet leggen mocht; toen hebt ge zoo diep gevoeld hoe er ontelbare kronkelpaden zijn, die gemakkelijk van het spoor der waarheid afleiden; toen hebt ge een Hanneke Schoffels, na ernstig onderzoek, verdedigd voor de rechtbank der wet, en nu â nu gaat ge Anna Rooze veroordeelen voor de rechtbank van haar rein zedelijk gevoel, en â op welken grond!
â Néén. Dat is gelogen! Hij veroordeelt haar niet. Zij is rein! onschuldig en rein, dat weet, dat gevoelt hij. Zij heeft zich aan den man gehecht, die door zijn edel voorkomen, zijn altijd waardigen toon, zijn goeden smaak, zijn kunstliefde, zijn kennis en minzaamheid, haar vertrouwen, haar bewondering en achting heeft verworven; zij heeft zich vast aan den man gehecht die, getroffen door een vreeselijken slag â het verlies van zijn eenigen zoon â haar innigst medelijden had opgewekt; die, bij het langzaam wegkwijnen eener echtgenoot, wier bekrompener geest nooit volmaakt met den zijnen overeenstemmen kon, een kinderlijke deelneming van haar verwachten mocht. Maar hij? Van lieverlede is die waardige edelman, die rechtschapen oom, gevallen van het verheven voetstuk \'t welk hij met recht tot heden had ingenomen; hij is bezweken, en strekt onder het mom van een liefdevollen vader, de schendige armen naar haar uit. Ja, ddt dat is dan de pressie, peinst Oscar voort: dat is de macht die haar, misschien ondanks haar zelve, betoovert en ontscheurde aan een hart, dat nooit voor een ander heeft geklopt, en zonder haar, ja, misschien weer vreugde en vriendschap zal kennen, maar liefde nimmer. Ha! ik heb iets gevoeld van verre, maar begrepen heb ik dit niet. En wie, wie geeft dien oom, dien gevallen edelman, het recht om zoo te spelen met de genegenheid van een onergdenkend kind? Wat geeft hem den overmoed om haar
AJNNA KOOZE. 215
lente te kluisteren aan zijn naderenden herfst; om haar jeugd te doen verwelken in zijn schaduw, en de teedere plant te rukken uit de aarde, waarin zij welig tieren kon? O, als hij hier stond die «edele oomquot; â zoo bruist het al verder in dat gloeiende hoofd â ik zou hem vragen: zijt gij, zijt gij een derzulken, waarvan ik sprak, toen ik een arm gevallen boerenkind onschuldig noemde, in tegenstelling van den ellendige, die haar jeugd in den zwijmelroes zijner zinnelijkheid vernielde? Zijt gij beter dan hij â gij, die mijn Anna liefkoost als een vader, en haar beweegt zich als âde lieve dochterquot; in uw armen te werpen, terwijl gij hunkerend uitziet naar den tragen dood of hij haastig komt om u vrij te maken van knellende banden? Ha! Stond hij hier, ik zou hem zeggen ....
Oscar, die in de laatste oogenblikken sneller is voortgegaan, houdt een weinig zijn schreden in, en ziet vluchtig ter zij .... Hij heeft de ouderwetsche pendule in de -woonkamer van tante Van Riddervoorst hooren slaan.
âN\'oavend heerschap. Rêgenachtig weertje heerschap,quot; zegt een oud moedertje in de deur van een klein boerenhuis.
.Goeden avond.quot;
Van Breeland weet nu wel dat het een klokje in die kleine boerenwoning is geweest \'t welk hij gehoord heeft. Hij had bij \'t naderen noch hoeve, noch vrouw bespeurd, en terwijl hij voorbijgaat hoort hij weer de stem der oude:
âMoar ik zeg moar altied heerschap; régen en zon \'t kumt alles van Boven!quot;
Oscar zag nog even groetend om, maar antwoordde niet.
â Tante Van Riddervoorst op de hei!
Is het een glimlach, die vluchtig zijn lippen plooit? Zoo ja, dan mag het een doorbrekend zonlicht, de voorbode eener terugkeerende zielsrust wezen. Ja, Goddank! de storm heeft uitgewoed. Zulk een vreeselijk uur had hij nog nooit doorleefd. Is het mogelijk dat hij zóó heeft kunnen afdwalen; dat hij zóó wreed, zoo liefdeloos, zoo zelfzuchtig, en â zonder bewijzen â zoo hard in zijn oordeel heeft kunnen zijn! â Had zulk een denkbeeld, zulk een grove beschuldiging tegen oom Geereke mogen oprijzen in mijne ziel? verwijt hij zich zeiven. Maar neen, dat denkbeeld is niet vanzelf in zijne borst ontkiemd. Neen, die wauwel, die spons heeft hem gezegd, ïioe ooggetuigen nog dezen morgen verzekerden... . dat Anna Rooze... . en de baron Geereke van Uland ....
â \'t Is nu genoeg. De storm heeft uitgewoed. Maar toch, Gode zij dank, dat hij woedde. Heeft Van Breeland niet gisteren en heden nog gevreesd of ook de kalmte, waartoe hij door redeneering geraakte, een verraad aan zijn hart, een gevolg van verbeten wrok of van te weinig waarachtige liefde geweest is? Heeft hij zich niet nog dezen morgen, nog straks in den spoorwagen afgevraagd, of ook flauwheid en onverschilligheid hem zoo berekenend deden handelen, ten einde een wederzien met dien oom en met haar te vermijden.
â Maar neen! nu eerst mocht hij gevoelen hoe lief hij die eenige heeft, hoe onuitsprekelijk lief. Ha! het bevreemdt hem nog dat hij
AÃÃNA KOOZE.
dat losse hoefijzer niet uit den wagen gesmeten, en zijn geklipklep voor altijd belet heeft.
\'t Zou zeker dwaas zijn geweest, maar nogmaals: Goddank dat hij zulke warme oogenblikken met zelf beheersching doorleefde; nu heeft hij weer eerbied voor zijn vroege, e kalmte en schijnbare onverschilligheid. Met onbevangen blik zal hij voortgaan en zien â hoe zwaar die verdenking ook wezen mag â of werkelijk alle hoop voor de toekomst verloren is.
Slechts langzaam vervolgt Oscar zijn weg. De losse regenbuien deren hem niet. â Al meer en meer nadert hij de plaats waar hij, reeds vele weken geleden, gewapend met de verklaring van Miel door tante Van Riddervoorst geschreven, en ook met den brief, dien Anna\'s vader met een renteloos voorschot van f 300,00 aan Kater deed toekomen, den verachtelijken zaakwaarnemer Lijning â hem wijzende op zijn vervalscht cijfer Æ 30,000 â tot een vrijwillige onder-curateele-stelling heeft genoodzaakt.
Ja, nu hij reeds van verre het torentje van de oude Runt boven het nog bladerlooze hout kan ontdekken, nu herinnert hij zich met een dankbaar gevoel, hoe hij met vermijding van onnoodige openbaarmaking in het dorp, een nietswaardige mocht kluisteren aan een vaste keten, en twee weerlooze vrouwen heeft gered nit zijn listige handen. Nog verneemt hij het streelend getuigenis van den opgeroepen, en zijn verplichting schier vergeten toezienden voogd, den zeer burgerlijken maar goedaardig schranderen scheepsbeschuitbakker uit Hellevoetsluis: dat men âzonder \'t skoon beleid en den \'elderen blik van meneer advocaat, den voogd nooit of nimmer onder voogdij \'kregen \'ad.quot;
Neen voorzeker, het heeft den jeugdigen advocaat noch aan scherpzinnigheid, noch aan overleg moeten ontbreken om bij het behandelen der curateele, geen aanklager tegen Lijning te worden, want niet alles, wat men hem ten laste kon leggen, was volgens de wet verjaard; maar ook heeft hij met overleg moeten handelen, om niet slechts Lijnings zwakke lijdende vrouw, maar tevens het schoone meisje te sparen, welks vader zeker geen grooter bewijs van zijn onergdenkend hart heeft kunnen geven, dan aan zulk een zwager zijn teergeliefd kind toe te vertrouwen. De scheepsbeschuit-bakker, toeziende voogd, noemde het: mijnheer Roozes krootluchtigheid.
Zonder de goede hulp van oom Geereke, en vooral ook zonder de stellige verklaring van professor Van der Kolk: dat zoowel Lijning als zijn vrouw lijdende waren aan monomanie, terwijl Lijning bovendien na Anna\'s vertrek ziek en bedlegerig was geworden, zou Van Breeland zeker niet aanstonds in alle opzichten zoo gelukkig geslaagd zijn; maar toch, hij mag den lof wel aannemen, dat hij met een moeielijk en kiesch en zeldzaam civiel geval, uitmuntend gedebuteerd heeft.
En nu, terwijl hij in den vochtigen dampkring reeds den frisschen dennenaalden-geur van een der eerste Runtsche boschgroepen geniet, en verder achter gindschen heuvel ter rechterzij, den zwarten rook
216
ANNA ROOZE.
uit een boerenschouw naar boven ziet dwarrelen, of neerslaan voor den wind, nu verheldert zijn mannelijk oog nog meer.
â Dat moet, aan het boveneinde van den hollen zandweg, de schouw der herberg De Luchte wezen. En, is het dan zonder nadenken, zonder onderzoek hier, en aanwijzing ginder geweest, dat hij met zooveel zekerheid Hannekes recht heeft kunnen verdedigen?
â Ach zie, de zilveren regendroppels, ze werden tot slijk op den steenen weg. â¢â En toch, moed gevat Oscar! Tracht nu ook\'t allereerst een goed advocaat in eigen zaak te wezen. Sedert Vrijdagavond heb je de raadgevingen der oude tante voorbiigezien; maar straks, toen je Goddank nog warm waart, en toch zoo dwaas deedt, toen heb je de oude lieve vrouw ontmoet â zeker vermomd in een boerinnenpak â en je hebt de 1 \' hooren slaan, en het woord
rechtvaardig oordeel mijn
der tante vernomen: rBoven
jongen, een oordeel in liefde!quot;
En nu, in deze oogenblikken van teruggekeerde kalmte, nu grieft het Oscar wel het eerst en het meest, dat hij het hoofddoel zijner reis zoo geheel uit het oog heeft kunnen verliezen.
Is het reeds waar dat hij niet met zijn gewone voorzorg heeft gehandeld, nu, terwijl hij wist dat er geen oogenblik mocht verloren gaan; terwijl tante Van Riddervoorst hem een brief voor dien armen Marter heeft toevertrouwd; nu zijn tegenwoordigheid aan diens sterfbed misschien in \'t belang van vader of dochter kan noodig wezen, nu althans had hij behooren te strijden tegen dien wreeden kwelgeest, den duivel der jaloezie, die hem zoo fel heeft besprongen.
Voorwaarts Van Breeland!
De snelwiegende takken der bottende struiken ze roepen: er is haast!
De lichtbruine varen langs de berm-greppel, ze wuiven naar Mulderspeet heen en fluisteren: Spoed u!
De wolken jagen aan het zwerk naar het noorden voort.
Zie, ook de lange vogelen V V\'s, de terugkeerende zwaluwen uit het Zuiden, ze scheren golvend door het ruim, en, nu ze al kleiner en kleiner, als stippen wegsmelten in de grauwe vochtige lucht, nu roepen ze nog: Vlieg, als wij of â de zwakke zal ü ontvluchten, en zelfs ons reeds voorbij zijn gesneld, als hij zich rept naar hoo-ger kringen.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
\'t Was al schemerdonker toen Van Breeland met haastigen tred de dorpsstraat binnenstapte.
Met het besluit om zich terstond naar de pastorie te begeven, ging hij het lage kerkhof-muurtje langs, en trad op bet hek toe van dominees voortuin.
217
218 ANNA ROOZE.
Daar, op den hoek van \'t smalle paadje, \'t welk voor een deel tussohen de heggen en langs de pastorie loopt, staat een jonge vrouw tegen de achterzij van dominees mospnëel geleund. Nu ze iemand naderen ziet, wil ze zich snel verwijderen. Ofschoon Van Breeland in \'t schemerdonker haar gelaatstrekken niet onderscheiden kan, toch kwam die figuur hem bekend voor. â Zijn vlug begrip zegt hem dat haar toeven in de nabijheid der pastorie, in verband moet staan met den zieke dien hij er vinden.... of niet meer vinden zal. Die vrouw, dat meisje, zal een vriendin, een be-weldadigde van den ongelukkige zijn, en voorzeker moet het zeer droevig met hem gesteld wezen want, ze stond met den boezelaar voor de oogen. Ze heeft hem bezocht of willen zien, maar met een droeve tijding keert ze naar huis terug.
Zóó moet het wezen.
âZeg eens vrouwtje! Hei.... !quot;
Ze staat stil. De stem was haar bekend. Ze ziet om. Maar, ijlings schiet ze voort. â Toch kan hij haar snel inhalen en vragen:
âIk wilde maar even van u weten hoe het in de pastorie gesteld is!quot;
Geen antwoord. Ze drukt den arm voor het gelaat.
âIs alle hoop op behoud verloren?quot;
âIk weet \'et niet.quot;
Die stem treft hem zonderling; zij is hem eveneens bekend. â Kon hij haar slechts in de oogen zien....
âUw droefheid deed me onderstellen dat u er geweest waart.quot;
âNeen!quot;
âWeet u dan niets?quot;
âNeen!quot;
âOf hij nog leeft?quot;
âNeen, \'k weet niks!quot;
âHanneke.... ben jij \'et?quot;
Ijlings snelt ze heen. Ja ja, ze was het. O goede God, ze was het! En die man, die heer, het is de advocaat, die gezegd heeft dat ze loog: die zegt dat ze nóg liegt. Maar ach, hij heeft gelijk. En allen, die het zeggen, hebben gelijk. En niemand gelooft meer dat ze rein is, ofschoon ze onschuldig voor den rechter stond. Slechts een, één enkele is er die haar gelooft; slechts één. En ter wille van hem, dien eenige, liegt ze, en blijft ze liegen. Want: o God! ze was toch \'en kiende van zestien joar en voader had heur zoo lief, en ie zolle heur doodsloan as ie wist dat \'et woar was.
Misschien, misschien ook zijn er twee die haar gelooven.
Sedert December woont Joost niet meer op De Runt, maar met vader zaagt hij in het bosch. Joost kwam gisteren nog in De Luchte, en sprak als van ouds, alsof er niemendal gebeurd was, alsof hij de heele wereld zijn gespierde vuisten zou toonen wanneer ze het waagde iets kwaads van Hanneke te zeggen. Maar toch, Joost was zoo mager geworden; zijn oogen stonden zoo strak, bijna altijd naar beneden gericht, en, als hij haar had aangezien, dan heeft hij terstond weer in \'t vuur gekeken. Ach, Hanneke weet \'t wel:
ANNA ROOZB. 219
Joost wil niet gelooven wat iedereen zegt, maar hij gelooft er toch aan. Maar zij, zij zal \'t hem niet zeggen â in d\'r eeuwigheid niet!
Ja, \'t was Hanneke, die daar ijlings heenvlood. Haar oogen zijn roodgesohreid. Immers ze had zich naar de pastorie gespoed om dien goeden heer Redly nog even te zien, en, als het wezen mocht nog eens te spreken ook. Ze zou hem zoo gaarne alles, alles gezeid hebben aleer hij naar den lieven Heer ging; alles! opdat ie den lieven Heer Jezus zou bidden haar genadig te zijn, en vader tot vergeving te neigen. Och God! als ze daar maar zekerheid van had, dan zou ze vader wel te voet vallen, evenals de verloren zoon deed, en zeggen, alles âkrek wat er in den biebel stond dat ie gezeid hadquot;.
En dominee Haverkist is bij haar in de gang gekomen. Hij heeft haar gezegd, zich te verheugen dat het oordeel des wereldlijken rechters een genadig oordeel heeft kunnen zijn. Vooral heeft hem dat verheugd om Hannekes arme verslagens ouders. Maar Hanneke zou toch ook beseffen dat haar laatste voetstap in de pastorie daar op dien blauwen steen stond.
Dominee had verder gezegd, dat hij met een stervende in zijne woning, niet gestemd was om over alles uit te weiden, maar te verwachten, zoo er althans in Hannekes borst nog eenig rein zedelijk en godsdienstig gevoel was overgebleven, dat zij beseffen zou hoe het onbestaanbaar met de waardigheid van den herder en leeraar was, om de deur der pastorie open te zetten voor eene afgedwaalde als zij. Hanneke, zeide hij, was vrijgesproken, ja, maar zij moest nog schaamteloozer wezen dan zij zich betoond had, wanneer zij er over denken kon dat dominee of âmevrouwquot; Haverkist, haar weer in dienst zouden nemen.
Reeds als vader gevoelde dominee zich verplicht Hanneke niet meer over den drempel te laten komen. â Heeft hij geen kinderen, geen meisjes? En zouden zij de redenen moeten hooren der âVreemde Vrouw! en zich keeren misschien naar die redenen, en dwalen op hare paden?quot; Neen, en daarom moest dominee haar ernstig aanzeggen, voortaan niet meer hier te komen; zij was immers bij hare ouders onder dak.
En wat haar verzoek betrof om mijnheer Redly te spreken? â Dat was onmogelijk! De arme man, die een Jozef te rein was, zou den schok niet verdragen; haar te zien zou hem den dood doen, en bovendien hij lag op zijn uiterste.
Hannekes schreien heeft niet gebaat:
âGa heen, verneder je eerst voor God en de menschen Hanneke,quot; heeft dominee ten laatste gezegd: âen als je dan boetvaardig bij voorbeeld na een Zondagmiddag-predikatie â tot dominee in de consistoriekamer wilt komen, dan zullen we eens zien of we niet een aparte catechisatie voor je kunnen beginnen met nog een paar anderen er bij!.... We zullen zien! Ga Hanneke, en verneder je voor God, en keer dan tot je leeraar terug, wiens lessen der liefde je droevig in \'t stof hebt getreden. â Neen, ga nu, ga! Dominee
220 ANNA KOOZE.
heeft geen tijd. Als het pas geeft zal ik den stervende voor je groeten, maar.. . Ga nu, en lieg en zondig niet meer!quot;
Dominee Haverkist was tevreden over zich zeiven, zooals hij Hanneke âmet geheele terzijdestelling van zijn persoon, en bedaard, ja in de liefdequot; heeft heengezonden. Somwijlen kan hij zich wel eens driftig maken; maar nu, znn waardigheid heeft haar moeten treffen, en, Haverkist dankt God, ja eerlijk, dat hij het verheven voorschrift zijner Groninger vrienden niet uit het oog heeft verloren: Waarheid in Liefde!....?
Maar Hanneke heeft bitter geschreid. Reeds gedurende een uur dwaalde ze nu rondom de pastorie. Soms glurende naar het raam van Redly\'s kamer aan de zij van het smalle wegje; dan toevende aan het achterhekje bij het schuurtje, of langs den voortuin der woning, steeds hopende een der juffrouwen te zullen zien, om door haar of door een toeval, ze weet niet wat, nóg bij den zachtaardi-gen goeden man te worden toegelaten, die haar bede wel brengen zou tot voor Jezusquot; troon.
Geen half uur geleden heeft Hanneke, toevende op het wegje, Tronk met de barouchette van den Arnhemschen kant zien afkomen. Er was volk in den wagen geweest, en nauwelijks tien minuten later is een dame, van de herbergzijde, de pastorie genaderd, en heeft gescheld, en is daarop naar binnengegaan.
En die dame had naar aangezien alsof ze haar reeds voor dezen zag: maar Hanneke kende haar niet, en Hanneke heeft zich schielijk afgewend, want immers haar oogen waren eoo rood en tegenwoordig zag iedereen haar zoo wonderlijk aan. â Hanneke wist niet dat juffrouw Marnix, haar ziende, vluchtig aan een vroegere dienstbode heeft gedacht, die Rose Lène heette, maar veel ouder dan dit meisje is.
Weer klinkt, ofschoon zachtjes, de schel der pastorie.
Juffrouw Kaatje met een hoogroode kleur, laat mijnheer Van Breeland in de voorkamer, en hoort niet wat hij vraagt, maar vliegt naar boven. Ja, ze zal vader roepen.
Vader en moeder waren op hun slaapkamer.
Juffrouw Haverkist pruttelt geweldig. Ze begrijpt ter wereld niet waarvoor het noodig is dat ze in deze oogenblikken een schoone das moet geven, terwijl een tobber, een arme ziel beneden te sterven ligt.
Dominee antwoordt, dat het God alleen bekend is of de gevoel-looze toestand, waarin Marter sinds den namiddag verkeert, sterven dan wel een crisis ten goede mag zijn. Het eerste stelt hij als niet onmogelijk, gansch niet; maar indien het tweede waarheid mocht wezen, dan moest men hem gedenken, want, wie anders dan dominee heeft dokter Bron het eerst op de mogelijkheid aandachtig gemaakt. En dan, juffrouw Haverkist mocht nu over dat aandoen van een schoone das, en het aantrekken van laarzen en een voegzamer jas vallen, maar met die aangekomen familie in De Ploeg, en de dame, die al bij den zieke was, moest dominee als hoofd des
ANNA BOOZE. 221
gezins toch een weinig stand-pliohtig voor den dag komen, want hij gaf ongaarne aanstoot. En dan â nü al weder dien nieuwen bezoeker!
âGoed Kaatje, goed poes. Ik zal komen, \'t Is immers de advocaat, de neef van mijnheer üeereke?quot;
âJa vader.quot;
âHoe is het in de ziekenkamer, schat? Nog geen verandering?quot;
âNeen va, letterlijk hetzelfde. De arme man ligt er nog altijd alsof hi] al dood was.quot;
,\'k Heb \'et voorzien. Zeg jij maar aan mijnheer Van Breeland hoor, dat ik dadelijk kom.quot;
â Neen, daar had Kaatje geen trek in. Fie mocht het gaan zeggen, maar zij, die er straks met opendoen al zoo ongelukkig was inge-loopen, zij kan die boodschap niet overbrengen. Met dien jonker alleen, ze zou het besterven!
\'t Was ook niet noodig dat Kaatje ging. Moeder Haverkist, die na het sluiten van de linnenkast snel naar beneden is gegaan, heeft den neef van mijnheer Geereke al opgezocht, en brengt hem met een buitengewone gejaagdheid op de hoogte:
âOch, ik heb er zoo mee te doen, mijnheer de jonker. Sedert twee uur is hem letterlijk geen asem of spraak over het hart gekomen. Dokter Bron zeit dat ie misschien van alles weet heeft; maar, dan is het nog akeliger. We benne d\'r allemaal kapot van mijnheer, en tegen vrouw Zuchtels de schoonmaakster heb ik gezeid, dat ze voor vandaag maar moest heengaan, want dat de consternatie nou al te akelig was en mijn hoofd er van draaide. Ja, zie je mijnheer, al het voorgevallene zou iemand, die overigens zijn post heeft in de wereld, wel van streek maken, en dan, de omstandigheid dat je niet weet of die arme man je hoort of niet, en dat die juffrouw precies denzelfden naam heeft als het meisje, waar onze Willem z\'n eigen mee verengageerde; mij dunkt....quot;
âZijn die vreemden al bij den zieke, mevrouw?quot;
âDat is te zeggen, neen mijnheer de baron. Een dame is vooruit gekomen om informaties te nemen. Dat is de schooldame van Akkersveen, waar het dochtertje school leit. Ze heeft even met dominee gepraat, en, als ik wel quot;heb, dan is zij hier gebleven. Maar mijnheer uw oom van De Renghorst, die juist binnen was om iuffrouw Rooze te halen, â u zult je dat meisje van de partij op De Renghorst herinneren â de baron is toen met dat dametje naar De Vergulde Ploeg gegaan, om, zooals dominee zeit, de familie in te lichten en hier te halen, \'t Is een toestand! Een mensch zou er heel door van streek raken!quot;
âEi, was oom Geereke hier. .. en die----juffrouw ook?quot;
âJa, zie mijnheer de jonker, dat de baron hier komt dat neem ik in dank aan. En, niet dat ik tegen die dame heb. maar, wat die eigenlijk bijna den geheelen dag hier doet, verklaar ik niet te begrijpen. Zie mijnheer, nou uwe hier is, nou doet \'et me goed, m\'n nart maar dadelijk eens op te luchten, want ik zeg gedurig tegen Haverkist: als ik \'et smoor dan smoor ik zelf. Driemaal heb ik
ANNA KOOZE.
tegenover den baron met dezelfde vraag op de tanden gestaan, maar al dat ik niet vreesachtig van karakter ben, ik slikte haar telkens weer in. Wat, vraag ik, wat beweegt onzen edelen baron, uw oom, om dat vreemde meisje van die vreemile familie boven ons te trekken? Vroeger, nog van \'t najaar, wu.-i alles koek en ei. Vroeger, als Jans of een van de anderen wel eens een weekie met schoon-of inmaak of toilet ging helpen, dan was het: de meisjes van dominee voor en na! En nou, d\'r wordt niet naar getaald, niet zóóveel mijnheer. Zie, aan ü als den neef kan ik me eens vrijuit verklaren; maar naar dominees en ook naar mijn overtuiging, hoort het dametje, hoe goed en best ze anders mag wezen, niet op De lieng-horst. â Dominee zeit â en daar heeft de man gelijk aan â dat het zelfs christelijk is den schijn des kwaads te vermijden. Niet â de Heere God bewaar me â niet dat ik in \'t minste, of dat we zelfs in \'t geringste... neen mijnheer Van Breeland, maar als men alles zoo nagaat: van Ernst af, tot nu toe, neen, zie. dan loopt een hart wel eens over, en dan vraagt men wel eens of het geen overdreven liefde tot je naaste is om zulk een mooie â ja mooi dat is ze; Haverkist strijdt neen, maar ik zeg ja wel â om zoo\'n dametje nog vrij in je huis, ja hier in je pastorie te ontvangen.quot;
,Zoodra ik oom Geereke spreek zal ik hem aan de belangen van uw dochters herinneren, mevrouw, ten minste voor \'t geval dat juffrouw Molenwiek mocht vertrekken.
Met een vervaarlijk gesmak werkt de goede juffrouw zich nu vaster in \'t net, dat dominee gebreid heeft. Ze kon toch niet zeggen, hoe dominee zich stellig overtuigd hield, dat het juffertje eerst Ernst had ingepakt, en nu, in afwachting van mama Geerekes afreizen, papa het oude hoofd op hol bracht. Ze kon toch niet ronduit verklaren dat, zoo men al geen hoop voor een der meisjes op Ernst heeft gehad, men dan toch na zijn dood en bij de ziekte van mevrouw, op een nadere aansluiting heeft gerekend. Ze kon toch niet zeggen dat een huwelijk van mijnheer Geereke met die juffrouw, in dominees oog, zoogoed als een schrappen van de familie Haverkist zou wezen, en â zoo Willems toekomst al verzekerd was, het uitzicht op mogelijke huwelijksuitzetten der meisjes, of bijzondere testamentaire beschikkingen, daardoor wel zoogoed als verduisterd zou zijn. Neen, dit alles kon ze niet ruiterlijk zeggen, maar juist daarom zei juffrouw Haverkist véél meer dan ze zeggen moest of zelfs zeggen wilde, en verstond Van Breeland maar al te duidelijk, dat Anna Rooze niet slechts door het Mulderspeetsche plebs, maar zelfs in de pastorie voor niet veel meer werd gehouden dan eene . .
âGenoeg mevrouw! Wilt u zoo goed zijn mij in de ziekenkamer te brengen? \'t Is de reden van mijn komst.\'quot;
âHa m\'n vrind, ben je daar!quot; zegt dominee en steekt Van Breeland in de gang de hand toe: âIk had niet gedacht dat we elkaar, na je Arnhemsche pleidooi, waar je letterlijk mijn heele overtuiging in woorden brachtquot; â dominee had den steek niet gevoeld of niet willen voelen â âdat we je zoo spoedig zouden weerzien. Of eigen-
222
ANNA ROOZB. 223
lijk wél, want ik begreep dat je Marter niet zoudt vergeten, en bij eventueele opsporing van familie, mijn raad zoudt inroepen, \'t Is al spoedig hard achteruit gegaan, \'k Heb den heelen loop voorzien mijn beste heer! â Wacht even; khum!____quot;
âWat blief dominee?quot;
âWeet u ook of de jonge juffrouw die straks zal komen â \'k bedoel die dochter van dien armen patiënt â met onzen Willem kan bekend zijn\'? Uit haar naam zouden we \'t opmaken, maar de dolle iongen schrijft geen woord van haar betrekkingen. De meisjes hebben al eens gevischt, maar die ongelukkige juffrouw Rooze was zoo in de war, toen ze die oude dame ontmoette, dat ze voor niemendal ooren had, en al heel spoedig met mijnheer je oom is opgestapt.quot;
âEi! â Ja wel dominee, wat Willem betreft, die zag juffrouw Van Wall bij een tante van me te Utrecht.quot;
âOch kom, een tante van ü! Ga binnen. Ik volg je spoedig. Piene moet eerst hooren dat ik mij niet bedroog. Och kom, bij uw tante! Dat is een schoone tijding, een ware vreugde voor mijn huis!quot;
En in de kleine zijkamer van het huis, lag Herman Carel Marter als een doode neer. Zijne handen rustten saamgevouwen op het dek. De mond was halfgeopend, doch de oogen waren gesloten.
Alsof hij rustig sliep, zoo kalm lag hij daar. Maar dokter Bron â al wil hij \'t niet zeggen â hij gelooft niet dat de slaap zulk een rustige is. Eens heeft hij het bijgewoond dat alle middelen ter opwekking, evenals nu, vruchteloos waren, en dat de lijder zich zijn toestand toch bewust en een hoorende getuige was van \'t geen er rondom hem voorviel. â- Bron is vertrokken. Hij zou zoo spoedig mogelijk nog een ander middel prepareeren. Stilte heeft hij aanbevolen, en voortgaan met de uitwendige middelen, die hij voorschreef.
Een kleine lamp met groene kap, die voor de bedstee op het nachttafeltje staat, werpt een flauw schijnsel door de sterker dalende schemering.
Er bevonden zich geen andere personen in de ziekenkamer dan juffrouw Marnix, Jans Haverkist en kleine Benjamine.
De laatste is van \'t schreien in slaap gevallen. Op een stoof gezeten rust ze, met haar kopje in de beide armen, voorover op een stoel.
De kloeke Jans heeft naar dokters voorschrift gehandeld, en, fluistert nu met een zucht:
âIk zeg dat de arme stakker dood is. Dat de tobber wat langer warmer blijft dan gewoonlijk, \'t kan best een natuurlijke oorzaak hebben, al vat Bron het niet. Ik wou dat het arme meisje met dien oom maar kwam. Hij ligt er nü alsof hij slaapt, en wanneer ik gelijk heb en de stumper reeds een lijk is, dan zal de indruk voor dat goede schepsel er van oogenblik tot oogenblik niet beter op worden, \'t Is wat te zeggen mevrouw, zóó voor het eerst je vader te vinden! Och, je hebt al wat tobbers in de wereld! â Neemt u
224 ANNA ROOZE.
niet kwalijk dat ik eveii heenga, want er moet volstrekt een boodschap naar De Ploeg. Ik mag wel zeggen uit uw naam nietwaar..... mevrouw Marnix? Mij dunkt ze konden al hier zijn.quot;
Jans is verdwenen.
Juffrouw Marnix ziet naar de deur, en dan naar het kind, en dan.... O almachtige God, dan heft ze de handen saamgevouwen omhoog. â Daar ligt hij, de eenig geliefde, die niet heeft durven begrijpen dat Marie Marnix Van Hogenzathe hem liever had dan zich zelve. Daar ligt hij, die eertijds schuchter het oog voor haar neersloeg omdat zij een freule, ofschoon slechts een arme freule was. Daar ligt hij, en hij weet niet hoe zij heeft geleden om zijnentwil; welk een strijd haar jonkvrouwelijk gemoed heeft te strijden gehad om niet dat woord uit te spreken: Herman ik heb je lief! Hij weet niet welke folteiingen haar hebben gemarteld, nadat zij met kinderlijk vertrouwen haar hartsgeheim aan haar vader heeft geopenbaard, en van hem, ofschoon met vriendelijke redenen, den dolksteek moest ontvangen: dat de mesalliance eener Marnix Van Hogenzathe, hem dieper smarten en grieven zou, dan het sterven van een kind, of het verlies van zijn pover fortuin. â Neen, hij weet niet wat zij van een vijftal broers heeft moeten lijden, ter wille van eene liefde, die door haar zelve verraden, en haar toch zoo heilig was; hoe ze in \'t eind den vader, haar broers en zelfs haar goede zuster is ontvlucht, omdat ze geen âfreulequot; meer wilde zijn, wanneer die titel haar het aardsch geluk ontroofde. â Arme arme Herman! je waart zwakker dan ik, zucht Marnix bij zich zelve, en houdt het oog strak op den man gevestigd, wiens gelaat, nü door geen bedeesde plooi beheerscht, slechts adeldom van ziel teekent en vrede in God. â Zwakke Herman, ia! want aan een andere heb je je hand en hart geschonken; een andere heb je trouw beloofd â maar een trouw die je niet houden kondt. Dat was het oordeel Gods. Want je wist het wel hoe Marie Van Hogenzathe je liefhad. â Ja, dat was het oordeel Gods. Zij, de zachte Louise Van Wall was onschuldig, het goede teedere kind! Maar Gods vinger wees het uit, dat Herman zich niet aan een naam had mogen verbinden, waarvan de letters niet het eerst en het diepst in zijn hart waren gegrift. Herman, Herman! die naam, die ongelukkige verbintenis heeft de schande, de oneer over je hoofd gebracht. Ja dat was volgens de eeuwige voorbeschikking Gods: de bezoldiging der zonde, der zonde van ontrouw te hebben gepleegd aan uw eigen hart. â Maar, heilige Hemelheer, Uw kind heeft genade gevonden in Uwe oogen, en o wat heeft hij zwaar geboet! Wat heeft hij moeten lijden en strijden die arme Herman, en wat is hij sterk geweest, sterk in de liefde van onzen Heiland, die bad voor zijn moordenaren. Dat was de vrucht van zijn onverderfelijk geloof.... O Barmhartige, en dat ik hem nog eenmaal mag wederzien al zij het in zulk een toestand! O Vader vol genade in Christus, als die oogen gesloten zullen blijven voor altijd, ja, dan zal de vrouw zijner eerste liefde, dnn zal Marie Van Hogenzathe ...
Marnix bad niet meer. Zoo even heeft ze de huisschel gehoord.
ANNA BOOZE.
en verneemt nu voetstappen in de gang. Ijlings werpt ze nogmaals een blik naar de deur, en een blik op het slapende kind, en â met haar beide handen omvat ze eensklaps dat teergeliefde nooit vergeten hoofd; een tranenstroom ontspringt er aan haar oogen; een zoen.... Neen! barmhartige God, wat â wat is dat! Heeft de druk harer handen die oogleden doen bewegen? Is hij niet dood, niet gestorven, zooals ze vast geloofde? Is het een zucht die den half geopenden mond ontsnapt? Bewegen zich die handen? Ziet hij haar aan! Neen, dat was begoocheling. Zie maar, hij ligt daar nog even stil en kalm. â Marnix beeft. Geen wonder. Gisteren eerst vernam ze, uit Oscars brief, dat Emma\'s vader, van wien men in bijna achttien jaren niets gehoord had, nog leefde, en dat men dewijl hij ernstig ongesteld was, reeds morgen met Emma naar Mulderspeet reizen zou. Diep geroerd heeft Marnix haar God toen gedankt, want Zijn liefderijke bestiering vergunde haar nu, als Emma\'s verzorgster, dien zwakken maar nooit vergeten vriend nog eens te gaan wederzien. Ja, nog eenmaal zou ze hem de hand drukken; niet zooals ze het eens op Hogenzathe heeft gedaan, toen zijn schroom haar een oogenblik zich zelve deed vergeten, maar nu als een oude vriendin, die hem zijn kind aan \'t hart komt leggen, de dochter van Louise Van Wall, het meisje waaraan Marie Van Hogenzathe een vijftal jaren met waarachtige liefde haar zorgen heeft gewijd.
Straks te Mulderspeet aangekomen, en beseffende dat het goed zou wezen eerst te onderzoeken of Marter inderdaad op Emma\'s komst was voorbereid, heeft Marnix zich aanstonds naar de pastorie gespoed, \'t geen â en natuurlijk â de algeheele goedkeuring van Van Wall heeft weggedragen.
Slechts Anna, aan wie Marter, met een wissen dood voor oogen, zijn vertrouwen heeft kunnen en willen schenken, slechts zij kon begrijpen, wat er in den boezem dier edele maar gestrenge vrouw moest omgaan, toen zij den man daar, als een doode, ja misschien reeds gestorven, en na zooveel lijden terugvond. Krachtig heeft Marnix haar sterke ontroering beheerscht toen zij door Anna, door haar dierbaar pleegkind, de kleine roode portefeuille terug ontving, die zij in haar prille jeugd, op een jaardag aan Herman had ge-
teven, en waarin zij â behalve haar eigen schrijven van \'t jaar 5 â het volgend stuk heeft gevonden, \'t welk Marter nog in den avond na zijn terugkomst uit Arnhem geschreven had:even, en waarin zij â behalve haar eigen schrijven van \'t jaar 5 â het volgend stuk heeft gevonden, \'t welk Marter nog in den avond na zijn terugkomst uit Arnhem geschreven had:
âWanneer jonkvrouwe Maria Marnix Van Hogenzathe nog leeft, â en dit napier haar in handen komt, dan ontvangt zij daarmede van een ouden speelmakker zijn laatst vaarwel.
âHij mag net haar zenden omdat God nog in \'t einde het teeken der schande van zijn voorhoofd heeft gewischt.
âEn dat laatst vaarwel komt uit een hart vol heilbeden en dank.
âJa, haar woord gaf den zwakke kracht, waar hij zoo dikwijls machteloos dreigde neer te zinken: âHerman, steun op den Zaligmaker, uw Verlosser en Heer. Door den mond van Zijn heiligen Apostel Petrus, heeft Hij gezegd; God wederstaat de hoovaardigen, VI. 15
225
ANNA BOOZE.
maar den nederigen geeft Hij genade.quot; â Dat woord, dat levende -woord heeft hem gesterkt terwijl hij alleen stond te midden eener wereld, waarin voor hem, naar Gods ondoorgrondelijken wil, slechts in de lente een enkele bloem mocht bloeien.
âHij heeft gestreden om niet hoovaardig het hoofd tegen des Eeuwigen wijsheid verheffen, maar stil te zijn naar Zijn goddelijk welbehagen.
âEn als de innige dank van Herman Marter, der onvergetelijke speelnoote zijner jeugd geworden mag, dan zal het zijn door de liefde eener jonge vriendin, wier eerste ontmoeten hem die lente met de sterkste kleuren voor den geest tooverde, wier eerste woord schier de spreuk was, waardoor hij vrede mocht krijgen met zijn scherpsten doorn in \'t vleesch: zijn niet te verwinnen schroomvalligheid.
,Heden werd Herman Marter gezuiverd van een vreeselijke blaam. Maar hij gevoelt dat de ure eener schoonere verlossing weldra zal komen. Nog weet hij niet of de trouwe pleegmoeder zijner jonge vriendin â of Marnix van Akkersveen inderdaad dezelfde Maria Marnix Van Hogenzathe is. Nu eerst zal hij den moed hebben om het haar te vragen aan wier zorg en liefde hij dit schrift zal toevertrouwen. En als het zoo wezen mag, dan wijdt misschien de oude speelnoote nog wel een traan van deernis aan den zwakken man, die haar niet durfde begrijpen, maar dien zij steunde door haar krachtvol woord; doch ook â hij vertrouwt het vast â met blijdschap staart zij dan den verloste na, als hij door Gods ontfermende liefde in Jezus, zal zijn opgenomen in een der vele woningen van het Vaderhuis. En daar, daar zal hij dan met een heilige hemelsche liefde zijn Marie verbeiden. Daar, hereend met de zachte vrouw, door hem verlaten â misschien lafhartig verlaten, ach! omdat hij niet bestand was tegen den blik vol argwaan eener wereld, die hem vrijsprak uit gebrek aan bewijs. Daar, waar hij als engel het kind hoopt te vinden dat zijn Louise onder het gebroken harte droeg, het kindje dat hem vader had moeten noemen, en, naar een onvergetelijke moeder den naam van Gabriël of Gabriëlle ontvangen zou.
âWanneer het oog dit schier onleesbaar schrift ontcijferen kan, dan nochtans zal het hart van Maria Van Hogenzathe het verstaan. Haar zielevriend bleef immer:
HERMAN CAREL MARTER.
âVaarwel! Tot wederzien! God is Liefde!
âGeschreven in den nacht van zijn rechtvaardiging voor de wereld. 2â3 Maart 1860 quot;
Het was geen wonder dat Marnix beefde. De overspanning, waarin zij gedurende de reis heeft verkeerd; het weerzien van dien eenige, waarbij niemand mocht bemerken wat er omging in hare borst; net plotseling ervaren dat de lieve Anna â ofschoon ter elfder ure â de vertrouwde van dien armen vriend, en met zijn geheim bekend is geworden; het onbespied en haastig lezen van dat treffende schrift.
226
ANNA ROOZE.
uit de welbekende roode portefeuille; doch inzonderheid die laatste oogenblikken, toen zij den eersten â den eenigen vredekus op het zielloos maar nog zoo edel onschuldig gelaat van den zwaar-beproefden vriend heeft willen drukken, dit laatste, neen dit alles te zamen verklaart den zachten kreet, die aan haar mond ontsnapt, nu Oscar Van Breeland de deur heeft geopend en zachtjes binnentreedt.
âMijn komst deed u ontstellen, juffrouw Marnix,quot; fluistert hij: â\'t is geen wonder dat de zenuwen wat in de war raken. U deelt mijn vrees dat we te laat zijn gekomen. Hadden wij zoo iets kunnen voorzien dan waren we zeker al gisteren vertrokken; maar vandaag â al waren we met een vroegeren trein in Arnhem geweest, we zouden den armen man toch niet bij kennis hebben gevonden. Zoo even hoorde ik van dominee\'s oudste dochter, dat hij al te twee uren zijn bewustzijn heeft verloren, \'t Is hard voor zijn arme kind, want, al mag er nog een levensvonkje smeulen, \'t is te zien dat het spoedig zal zijn uitgedoofd.quot;
âHet zou.. .. toch mogelijk kunnen wezen. ...quot;
âIk geloof mevrouw, dat het staren op dat gelaat, in zulk een onzekerheid, uw zenuwgestel veel heeft geschokt. Drink eens. Zoo, dat zal u zeker goed doen. â Werkelijk, u bent meer ontsteld dan u gelooft. Ik raad u even in de gang of liever nog in de frissche buitenlucht te gaan. Misschien was het voor Emma ook beter indien u samen kwaamt. Jans Haverkist ging zelve naar\'t logement, ü zult haar tegenkomen. â Waarlijk ga! Als Emma haar vader zóó moet vinden, dan zal zij vooral een moederlijken steun behoeven. \'t Is dus noodig goede juffrouw Marnix; noodig voor haar en voor u.quot;
Maar in dat zelfde oogenblik staat ook de jonge Van Breeland als genageld aan den grond. Een zucht is er aan Marters bleeke lippen ontvloden, en in dien dooden-zucht klonk het: âBlijf!quot; onnoembaar zacht, als een bee vol teederheid.
âSpoed! spoed! laat Emma komen!quot; trilt Marnix, en in hetzelfde oogenblik kent Oscar zijn plicht en snelt ter deure uit.
Marnix duizelt. âBlijf!quot; heeft hij gezucht. â O groote barmhartige God! Haar hand rust op de zijne: Slechts één, één enkele seconde zal ze met hem alleen zijn, alleen!
âHerman! Herman!quot; klinkt het bevend al nader en nader aan zijn oor....
Benjamine uit haar sluimering ontwaakt, en aanstonds tot bewustzijn gekomen, ziet daar een vreemde vrouw over haar goeden vriend gebogen en slaakt een angstigen kreet.
Marnix, hevig ontsteld, richt zich op, en moet zich vastklemmen aan den bedsteerand om staande te blijven.
âGa weg ... ga weg! Niemand mag hem kwaad doen!quot; roept het kind op angstigen toon: âIk wist wel dat een leelijk mensch zou komen om hem weg te nemen. Help, help! ze nemen hem weg, mijn zoete lieve mijnheertje!quot; En, in haar angst, onwetend wat ze doet, neemt ze een fleschje van de tafel, en werpt het in de rich-
227
228 ANNA BOOZE.
ting der vreemde vrouw, tegen wier overmacht ze den geliefde beschermen wil.
Een sterke lucht van sal-ammoniak verspreidt zich door de kamer. Tegen de zoldering der bedstee is het fleschje aan stuk gesprongen. Het vocht ligt voor het grootste deel op het bovendek uitgestort.
Schier terzelfder tijd werpt het kind zich angstig bij de bedstee op haar knieën neer:
âNooit, nooit zal ik het weer doen!quot; snikt ze luid: âNooit! lieve zoete beste mijnheertje, nooit! als u maar niet dood gaat.... als.... als----quot;
De krachtige uitwerking van het vocht belet de kleine verder te spreken. De overprikkeling heeft haar bedwelmd. Benjamine schudt met het hoofd. Marnix, tot zich zelve gekomen, ondersteunt haar, en beurt haar op, maar houdt toch terzelfder tijd een oog op
dien schijnbaar doode gevestigd. Ze zal---- Doch neen, van die
plaats zich verwijderen dat kan ze niet. Maar â \'t was ook niet noodig.
Verscheidene menschen vertoonen zich bij de deur en komen naar binnen.
Eet kind wordt haar uit den arm genomen.
Een raam hoort ze openschuiven; een deur toeslaan.
Zwaar klokgebrom dreunt haar in \'t oor. Duizenden naalden
prikkelen haar in \'t hoofd----Ziet ze goed? Is dat geen bedrog?
Zijn die oogen inderdaad geopend, strekt de doode werkelijk zijn handen uit?
Ja, zie maar, zie! Hij wil oprijzen, zie. Men komt hem ondersteunen. Zijn die zuchten dan woorden? Hoor.... hoor:
,Ma....ria, â Ga . .bri----ëlle----mijn kind!quot; En luider: ,Ik
kom Heere Jezus, ik kom!quot;
O Barmhartige! daar valt het hoofd machteloos ter zijde. Daar zinkt de borst, die zich voor een laatsten ademtocht verhief, verlamd weer neer, en de brekende oogen staren wijd geopend voor zich uit als vragen ze nog: Waar is Maria? Waar is Gabriëlle, mijn kind?
âO vader, mijn eigen lieve arme vader!quot; krijt op \'t hevigst geschokt die eenige dochter: âVader! hier is uw Emma! â Vader! Vader!quot;
Maar of haar handen zijn hand ook drukken, en of haar blonde lokken zijn wangen ook streelen, de verloste ziet zijn kind niet meer; de vadernaam, die zoetwelluidende toon â klonk hem nooit in de ooren.
En, nóg eens sloegen al de huisuurwerken de torenklok na, maar, ze hinderden Marter niet meer. Ze zeiden dat hij omstreeks negen uren gestorven was. Het klokje op dominee\'s studeerkamer sloeg het vreeselijk schel.
Klokjes blijven maar slaan of er iemand dood is of niet.
ANNA ROOZE.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
Een paar uren later draafden Blanchard en Moustache voor het
groote rijtuig van den baron Geereke, van de pastorie naar De ,enghorst terug.roote rijtuig van den baron Geereke, van de pastorie naar De ,enghorst terug.
Juffrouw Marnix en Emma, die niet voegzaam in de pastorie konden logeeren, en nog minder in De Ploeg, ze rijden mee naar het gastvrije huis.
Van Breeland heeft zijn oom voor de uitnoodiging bedankt. Hij begreep â met tantes toestand en twee onverwachte logés, dat hij geen misbruik mocht maken van de âbeleefdheidquot;.
Oom heeft in \'t geheel niet geanimeerd, ofschoon tante zich met niets behoefde te vermoeien, en er toch vijf goede logeerkamers zijn â behalve nog de kleine kruidenkamer, die men altijd gebruikte wanneer er veel logés waren. â Enfin, \'t was een bagatel, maar oom heeft niets geanimeerd.
\'t Komt Oscar voor, dat hij zich echter â ook na die diepschok-kende scène in de pastorie â ten opzichte van oom Geereke, volgens zijn goeden engel op den weg, verstandig en plichtmatig heeft gedragen, al heeft het nem, na de gesprekken met juffrouw Haverkist en dominee, meer moeite gekost dan hij vermoed had. Slechts vluchtig heeft hij Anna Rooze in dat roerende oogenblik aan het sterfbed gezien. Toen scheen ze een engel te zijn. Ach, één enkel woord zou hem in die schokkende oogenblikken geheel verteederd en overtuigd hebben, dat de schijn had bedrogen en het gemompel logen was. Maar neen, zelfs geen blik heeft zij hem toegeworpen. Zij heeft geschreid met Emma, met Marnix, met allen mee, en Geereke heeft zij de hand toegestoken. Enfin, dat kon in zulke momenten gebeuren, enfin! \'t Zei niemendal; maar â voor Oscar geen enkelen blik! â Bijna onmiddellijk na Marters overlijden zijn de vrouwen te zamen naar een achtervertrek gegaan, want het arme blondje heeft het vreeselijk op de zenuwen gehad.
Nog wel een half uur is Oscar met de heeren in de pastorie gebleven. Ze hebben er over den afgestorvene, en zijn droevig lot, en zijn edel karakter gesproken. Geereke heeft hem het slachtoffer van vooroordeel of vóór-oordeel genoemd. Dominee â die geen anderen afloop had verwacht â heeft gaarne bekend dat dit sterfbed hem opnieuw de volle zekerheid mocht schenken, dat het steryen van den Christen gewin is, en acht zich gelukkig den âlieven eenvoudigen manquot; nog dezen morgen op den eenigen troost en de eenige hope des Christens te hebben gewezen.
Dokter Bron heeft zich verdiept in beschouwingen omtrent den aard der apoplexie, die den patiënt gedurende zeven volle uren in dien toestand had doen verkeeren, en voorts in gissingen of zijne middelen â met zijn laatste middel kwam hij tot zijn leedwezen
229
ANNA BOOZE.
een weinig te laat â of wel de sterke ontwikkeling van den vlug-
feest die laatste levensvonk zoo krachtig heeft aangevuurd â waaroor echter het proces moest verhaast zijn.eest die laatste levensvonk zoo krachtig heeft aangevuurd â waaroor echter het proces moest verhaast zijn.
Driemalen heeft Alexander Van Wall zachtjes aan Van Breeland gevraagd, of hij meeging, hij begon zoo raar in z\'n maag te worden, en â omdat ze samen in De Ploeg zouden logeeren, kon hij niet goedschiks alleen gaan.
Geereke had al vroeger gezegd, dat hij de heeren geheel vrijliet, indien ze liever in De Ploeg logeerden en er hun logies besteld hadden, maar ook, dat men voor juffrouw Marter geen zorg moest hebben, want juffrouw Mamix was immers bij haar, en zijn lieve Anna die, hoe diep ook bewogen toch zoo verrukt was geweest haar weer te zien, was een engel, en zou zeker mee als een moeder voor haar zorgen.
Na een kort afscheid zijn Van Wall en Oscar vertrokken, en Oscar heeft âde engelquot; slechts vluchtig gegroet.
quot; TTT 1 1 diner of souper, dat deheeren
opgedischt. Een ronde schotel
met snijboonen en witte boonen â zeer smedig dooreengekookt, doch waarschijnlijk voor deze gelegenheid opgewarmd â was in \'t midden der langwerpige tafel geplaatst. Aan weerszijden er van stonden eenige kleinere, schotels van zeer verschillende grootte en vorm. Een gekramde sla-bak droeg een rookworst, die in de pan scheen gebakken. Op een diep bord met een zeer blauwen rand, glom uitgebraden spek. In een ronde schaal met uitgeschulpten rand bevond zich een goede hoeveelheid rijst in melk gekookt, besloten door een stevig deksel van bruine suiker en kaneel. Rechts lagen op een plat bord vijf sneden grove stoete, en links op een dito verhief zich een gansche stapel zeer lange en breede sneden zuur roggebrood.
âNou!quot; zegt Van Wall: âD\'r is nog al climax in mijn Mulder-speetsche diners! Zouden dit bijgeval de ortolans van den drie en twintigsten November zijn, gedeguiseerd in reepjes gebraden spek! Het glimt er genoeg voor. â Hola!quot;
âWat blieft mijnheer?quot;
âZeg eens vrijster, hou jullie d\'r ook wijn op na?quot;
â Wien! â Za\'k is vroagen menheer.quot;
âKom Van Breeland, waarachtig je moet wat eten. Ik begrijp wel dat je beroerd bent. Zie kerel, al hou ik me goed, en al wü ik het een en ander gebruiken omdat het met m\'n principes overeenkomt, je moet maar vrij gelooven dat ik in m\'n ziel zoo kapot ben geweest als een klein kind. Ik dank God dat de stakker, als ie dan toch sterven moest, er geen gras over liet groeien; maar, op
m\'n woord van eer, toen mijn blonde blauwoog daar, zoo----vader,
vader ... riep, zie \'t gaat me nog door de ziel, toen... toen dacht ik: Van Wall, je bent een beroerdeling! Wat drommel, dacht ik, waarom heb jij voor die arme meid niet alles gedaan om d\'er piepa eerder bij z\'n kleed te krijgen? \'t Was toch niet zeker dat
230
ANNA BOOZE.
ie schuld had en niet zeker dat ie dood was, de arme drommel! Na Marters plotseling verdwijnen en de spoedig daarop gevolgde bevalling van zusie Louise â waar ze weinig plezier van had â heeft broer Willem dadelijk de trom uit het orkest gesmeten. Hij meende dat het weervinden of terugkomen van dien vader nooit tot het geluk van de blonde kon zijn. De naam Gabriël of Gabriëlle, die in hun tekstboekje stond, heeft Willem maar in Emma â naar ik weet niet wie â veranderd, en, ondertusschen zat die stakker, d\'r eigen vader! onschuldig te mopperen op een kantoor in Melbourne â in Melbourne, waar ik nota bene met twee huizen zaken doe! â En ondertusschen at ik m\'n lekkere hapjes aan De Boompjes: en dronk m\'n zuiveren Bordeaux, en kuste m\'n wijf, en meende dat ik een goede vent was omdat ik niemand wat in den weg leg. Verdord kerel, ik heb daar \'n oogenblik gloeiend het land aan broer Willem en aan me zelf gekregen; en â ik heb \'t nog, want zie, we hebben niet gedaan wat we moesten en konden doen, en da\'s een beroerd gevoel, heel beroerd! â Kom Breed, neem maar wat boonen!quot;
âHier is de wien menheer. Ie wete toch wel dat ze vier en twintig stuuvers kost. \'t Is dóarum niet moar ik zeg quot;et oe moar. Kruuke bier kost \'en dubbeltje! quot;k Zeg \'t oe moar.quot;
,\'t Is heel vriendelijk van je. Dan zullen we morgen je bier eens proeven, zet nu maar neer kind.quot;\' De deerne vertrekt.
âJe ziet Van Wall, dat de conscientie ook wel eens in de war kan wezen. Dat boeren-perceel acht zich verplicht den gast te waarschuwen voor den â in haar oog zoo duren wijn van haar meester! Hoe kon jij vermoeden beste vrind, dat je zwager Marter te Melbourne zou wezen? Bij den groeten schijn, die tegen hem was â en waardoor hij bijna twaalf maanden zoo jammerlijk preventief heeft gezeten â maar vooral ook door de waarschijnlijkheid dat hij zich zeiven had te kort gedaan, is het dempen der treurige zaak door mijnheer je broer â vooral na die verdwijning, en den dood van Marters vrouw, ulieder zuster â niet zoo onvoorwaardelijk af te keuren. In \'t belang van mijn nerveus speelkameraadje was het misschien zelfs zeer verstandig dat ze wat geïsoleerd werd opgebracht en Van Wall werd genoemd, want, je weet hoe het gaat in de wereld.quot;
,A-propos van opgetrokken neuzen nietwaar? Ja juist, die beroerde neuzen hadden Willem indertijd zóó drommels gehinderd dat ie alle voorzorgen nam om Emma te vrijwaren, \'t Was ook een verrukkelijke tijd toen onze eigen zwager in de prison zat. Je slikt wat, in zulke dagen! Ik was toen plus minus zeventien jaar, maar ik herinner me zoogoed als den dag van vandaag, dat vriendschap al allemachtig flauw aan de beurs genoteerd stond. Wil je roggebrood?quot;
âDank je.quot;
âMaar toch Van Breeland, zoo waar als ik deze worst aan stukken snijd, zoo waarachtig voel ik toch dat we ten opzichte van dien onschuldigen hals niet beter dan de rest, ja misschien nog erger zijn geweest. Toen ze hem vrij hadden gelaten, toen hebben we
231
232 ANNA ROOZE.
hem op onze beurt zoo\'n beetje in de doos gestopt. God bewaar me kerel, als ik z\'n uitgeteerde tronie voor m\'n oogen krijg, dan heb ik \'t land als \'en stier. Ziedaar â \'t eten verveelt me!quot;
âDan zou ik een glas wijn drinken, zoo zuur als ie is.quot;
â\'k Heb niet beter verdiend. Wil je wel gelooven dat ik \'en halve ton schuldig wou zijn, en nog vijf dagen vasten er bij, als ik dat bleeke goedaardige stuk zwager, nu nog eens in glorie kon zetten â natuurlijk zonder gemoedelijke commissies! â Maar \'t is te laat! â Verduiveld zure wijn hoor!quot;
âJe bent Emma\'s oom en voogd, Van Wall! Marter heeft je zijn kind nagelaten.quot;
âJa bij m\'n ziel, daar hoef j ij geen advocaat voor te wezen, beste jongen, da\'s m\'n grootste troost. Weet je dat ze verliefd is? Ja wel. Goddank, op een armen drommel, den zoon van dat pedant stuk dominee hier. Je kent hem: Willem Haverkist.quot;
âIk heb het vermoed. Nog kort geleden sprak Willem zoo verrukt over m\'n blondje. Ik heb een oogenblik gedacht dat hij....quot;
âNiets, hij vond vroeger juffrouw Rooze nog al aardig.quot;
âHoe is \'t met je, hé?quot;
âJe meent?quot;
âKom wat leuter je nou? Denk je dat ik een garnalen-memorie heb. Ben je bekoeld? Was het een vuurwerk dien avond? Ik dacht dat het op den besten voet met jelui stond. Was het dan niet
uit een soort van delicatesse dat je hier logies hadt besteld----
omdat zij daar.... Neen nou begrijp ik jou strakke tronie in \'t geheel niet.quot;
âHeb je dan niet gehoord dat zij Ernst Geereke, nog kort voor zijn dood haar hand heeft beloofd.quot;
âNeen!quot;
âKom!quot;
âHeeft het dan in de Oude of Nieuwe Rotterdammer gestaan?quot;
âIk dacht dat dit vrij algemeen bekend was. Enfin, zoo is het.quot;
âEn wist ze dat jij....? En had ze voor jou al eens de oogen, zóó, neergeslagen?quot;
âJa ... neen... Eigenlijk ja... .quot;
âDan valt ze me tegen---- Da\'s afgerommeld gemeen.quot;
âMijnheer Van Wall, op die manier spreken we niet over juffrouw Rooze. Van gemeen is hier in de verste verte geen spraak.quot;
âJe moet me niet op een woord vangen, mijnheer de advocaat.quot;
âNeen, ik weet het. \'t Was zoo niet bedoeld. Maar ik durf met zekerheid zeggen dat haar daad onuitsprekelijk edel was. Oom Geereke moet haar gezegd hebben, dat een weigering Ernst den dood zou doen. Ze heeft zich opgeofferd.quot;
âAh zoo, dat maakt een onderscheid! Maar \'twas minder plezierig voor jou, hé?quot;
âMinder plezierig!?quot;
âNou ja, ik meen afgesukkeld beroerd! â Maar na zijn abdicatie ben je toen niet met den gezwinden pas . - quot;
ANNA KOOZE. 23Ã
âOch Van Wall, ik weet eigenlijk niet hoe of we op dit ehapitre zijn gekomen. We moesten er maar liever van zwijgen.quot;
âOok goed! Maar \'t spijt me dat het zoo is. Je zoudt te zamen voor den preekstoel flink geparadeerd hebben, \'t Is een eeuwige mooie meid. Zelfs van avond met \'er rood geschreide oogen; ik dacht: mensch, als ik in Geerekes plaats was dan.... Maar neen, m\'n Goeje Zwartje zou niet bang behoeven te zijn. \'t Is zoo\'n best vroolijk wijfje. â Wat doe je, Breed?quot;
âNiks â ik kijk eens naar buiten; \'t is een donkere lucht.quot;
âWe konden wel inrukken, dunk je ook niet?quot; Luider: âIk zeg, we moesten maar naar kooi gaan.quot;
âO ja, ja wel. Maar ik loop nog eens even het dorp in.quot;
âGoed, dan loop ik mee en steek een sigaar op.quot;
Doch, \'t regende buiten en ze liepen niet, maar gingen naar bed.
Toen Van Wall de bedstee zag waar hij in slapen zou, toen kreeg hij een sterk heimwee naar bet fiksche lit-d\'ange-jumeaux, \'t welk hij aan De Boompjes met zijn Goeje Zwartje deelde, want hij heeft zoo\'n alleronplezierigste herinnering aan een bedstee van avond. Hij zal zeker geen oog kunnen dichtdoen.
Binnen de twee uren sliep Van Wall als een roos.
\'sAnderen daags meende Van Breeland bij \'t ontwaken inderdaad van zich zelven dat hij geen oog had toegedaan. Maar toch, van het vreeselijk weer met stormwind, donder en hagelslag, had hij niets gehoord. Zoo gaat het meer. In \'t eind begreep hij dan ook dat hij wel degelijk een groot gedeelte van den nacht had geslapen, maar, terwijl hij zich zeer duidelijk herinnert, zoolang hij werkelijk heeft wakker gelegen, slechts aan Anna te hebben gedacht, aan Anna en oom bij wien ze gastvrijheid geniet; ja, terwijl hem, bi) zijn vroeg ontwaken, Anna\'s bekoorlijk wezen weer aanstonds voor den vermoeiden geest heeft gestaan, zoo weet hij nu ook dat ganscb andere beelden en tooneelen hem zonderling verward in den slaap hebben beziggehouden en verontrust.
Aan het eind van een zeer donkere, angstig eenzame straat, die door hooge blinde muren was ingesloten, heeft hij een groot en akelig donker gebouw gezien.
Met gloeiend roode letters stond boven den ingang te lezen: Preventieve Gevangenis. Een zware deur is achter hem dichtgeslagen, en een nachtelijk donkere gang is hij ingetreden. Ondanks die zwarte duisternis bespeurde hij toch dat die gang eindeloos lang was, en dat er telkens zijgangen waren, even eindeloos lang, waarin zich immer weder zijgangen bevonden. Op de hoeken dier gangen zag men â met dezelfde gloeiend roode letters als boven de voordeur â de namen der gangen aangeduid. De eerste die Oscar insloeg heette; Praejuditie. Al spoedig moest hij linksom en las: Pontius. Weder rechts: Pilatus.
Daarna Laodicea. Vervolgens Pontius II, Pilatus III, en zoo voort: Pontius VI, Pilatus VII. â Tusschenbeide zijn hem geesten als dwaallichten voorbij gevlogen, en ze hebben hem akelig toegeglimd in die duisternis, en ze hadden een bloedig brandmerk
234 ANNA BOOZB.
â¢op het voorhoofd met de letters: P. G. â Protestantsohe Godsdienst....? Een schaterlach heeft den droomer doen beven, en \'t heeft gekletterd en gerateld:
Preventieve Gevangenis!
Vreeselijk is daarop het huilen en gieren der geesten geweest. Schrikkelijke jammerklachten hieven ze aan. Maar, onderkennen kon hij die schimmen niet, want de duisternis was zoo zwaar en velen hunner hadden een blindkap over het hoofd. Op die kappen stonden de letters:
P. 0, gedrukt. â Predik Christus---- Prae Cautie ... Pro Ci-
vitate \')----?
Een oorverdoovend jammergelach, alsof een steenregen neersloeg op metaal, heeft geantwoord:
Preventief Cellulair!
En hij heeft al verder gedoold in die eindelooze gangen, en een glanzige schim is hem voorbijgedwaald, en hij heeft in haar de trekken der arme Hanneke herkend. En er vielen bloedige tranen uit haar oogen, en haar tanden klapperden opeen alsof er kiezel-steenen op gras vielen, en in een zijgang is ze gevlucht.
En een hevig loeiende wind heeft hem voortgezweept, al verder «n verder, langs vochtige salpeterwanden. Enger en enger werd telkens die gang als een trechter. Eensklaps splitste zij zich in tweeën. Ter linkerzijde was het een eindeloos donker; ter rechter zag hij een stipje blauwachtig licht, heel heel van verre. Op dat licht toegesneld, heeft hem hoe meer hij het naderde te sterker een donderend satergelach, met slechts kleine tusschenpoozen, in de ooren gedreund. Eindelijk toen hij den uitgang had bereikt, sloeg «en ijskou hem om de borst, \'t was een kerkhof. Een blauwachtig maanlicht glom op de sneeuw, die de graven dekte. Ijskegels hingen in plaats van bloemenkransen aan de dolken, die als kruisen in die sneeuwheuvels staken. Een soort van ijskelder binnengetreden, heeft hij een zwarte doodkist gezien. Met vreeselijk kloppend hart zag hij het deksel opengaan, en.... daar had hij gelegen, de bleeke Marter met een verwelkt sneeuwklokje in de dorre hand. Met een ratelenden slag is het deksel weer dient gevallen: en het donderend
felach heeft zich herhaald; en angstig dien kelder ontvlucht, heeft ij buiten in het blauwe licht op een zwarten muur met witte letters gelezen: Opinio Publica. En het donderend gelach heeft nog sterker geklonken. Het kwam van boven. En groote vleermuizen heeft hij gezien met saterkoppen, en uilen met slangentongen, «n hij heeft er herkend: vrouw Knibbelaar, en ... maar er waren «r zoo velen, kleinen en groeten, doch de grootste, die, met zijn grauwe vooruitstekende oogen. het was de oom en voogd van.... Anna!elach heeft zich herhaald; en angstig dien kelder ontvlucht, heeft ij buiten in het blauwe licht op een zwarten muur met witte letters gelezen: Opinio Publica. En het donderend gelach heeft nog sterker geklonken. Het kwam van boven. En groote vleermuizen heeft hij gezien met saterkoppen, en uilen met slangentongen, «n hij heeft er herkend: vrouw Knibbelaar, en ... maar er waren «r zoo velen, kleinen en groeten, doch de grootste, die, met zijn grauwe vooruitstekende oogen. het was de oom en voogd van.... Anna!
Toen is Oscar â en immer met het beeld der geliefde â ontwaakt. Werkelijk heeft hij daarna niet meer geslapen, en quot;t kan zeer wel wezen dat zich juist terwijl hij sliep, zoo\'n vreeselijk onweer boven het dorp heeft ontlast, want, nog klettert de regen en rommelt de donder.
l) Tot nut der burgery.
ANNA ROOZE. 235
âEen ongezellige droom, Breed. Als je dat in een boek schreef, en de heeren van je vak het lazen, dan zouden ze zeker zeggen dat je hoogstwaarschijnlijk \'s avonds in een boerenherberg te veel snijboo-nen met worst en roggebrood hadt gegeten. Dioomen is Goddank nonsens en bedrog.quot;
âHoor je die klok, Van Wall?quot;
âJa wel, dat zal negen uur zijn, want mijn knol loopt tien minuten voor.quot;
âZe overluien Emma\'s vader .......!quot;
âDa\'s een somber geluid. Heel somber, Breed............Heila,
wie is daar?quot;
Op zijn eigenaardige manier wenscht Tronk den heeren een goeden morgen, en terwijl hij Van Breeland een brief overhandigt, vertelt hij aan Van Wall dat hij nooit van z\'n leven in \'t begin van de maand Maart zulk een allerverschrikkelijkst onweertje heeft gehoord.
âWil mijnheer wel gelooven dat Nel, de meid, achter bij de vaalt op de hoogte van den bongerd â za\'k maar zeggen â nog een stuk ijs heeft gevonden als een ster, allemaal met punten; zoo groot.... zoo groot.... ja, wat zal ik veronderstellen, zoo groot als....quot;
âAls een kinderhoofdje?quot; vraagt Van Wall deftig.
âGossiemijne, wel neen ik mijnheer, maar toch omtrent zoo groot als m\'n horlozie; ja bijkans, de kast d\'r af, de kast d\'r om; peu-pree zeit de Franschman.quot;
âEen hagelsteen?quot;
âJa wel, om u te dienen mijnheer.quot;
âDat stuk mot je bewaren Tronk; heel interessant!quot;
âBewaren? Nou, als je Tronk mot hebben, dan mot je vroeger opstaan, mijnheer.quot;
âWat drommel, weet jij niet, dat je hagel buiten de ijskelders bewaren kunt? Nieuwe uitvinding man, door een Chinees.quot;
âOch kom mijnheer!quot;
âZeker! Doodeenvoudig: zoowel in je hand als in een kruithoorn.quot;
âNou ja, da\'s een mooie!quot; lacht Tronk, âals je me zóó pieren wilt, dat is tot je dienst, mijnheer; maar ik hou ie aan ijshagel en niet aan schiethagel.quot;
Van Breeland, die den brief heeft ingezien en wien het gebabbel verveelt, valt in:
âZoo\'n stuk ijshagel leg je op je tong Tronk. Wil je maar aan den brief brenger zeggen dat het goed is.quot;
âAs je blief mijnheer!quot; zegt de kastelein. â In \'t heengaan: âNou da\'s nog mooier: ijs op je tong!quot;
âIs er slecht nieuws, Breedje?quot; vraagt Van Wall.
âLees maar zelf.quot;
Van Wall leest:
âWaarde Neef!
âZoo even ontving ik bericht van De Runt dat er een ernstig ongeval heeft plaats gehad. In \'t belang onzer zaak verheugt het mij
ANNA ROOZE.
dat Gij juist hier zijt. Ik rijd om halftien langs De Ploeg. In alle geval hoop ik ü op De Runt te zullen zien.
Uw Dw. en liefh. Oom W. G. v. U.
Sedert De Runt in eigendom aan den baron Geereke overging, is er al gedurig werkvolk geweest, \'t zij om opmetingen te doen, \'t zij, zooals in de laatste dagen, om steigers langs den grachtkant te plaatsen, of ook om reeds op sommige punten het breekijzer tusschen de oude voegen te zetten.
\'t Was een zeer verstandige en tevens bijzonder humane beschikking van Geereke, dat Wieland en Bus, een paar stevige vrijgezellen in dienst van den dorpsmetselaar, op De Runt nachtverblijf hielden. Sedert Joost Burik Lijnings dienst nad verlaten, en Lijnings vrouw met Anna op De Renghorst was, zou de ânu zoo hulpbehoevende Groningsche zaakwaarnemer-remplacjantenbezorger-koopman-slooper s. s. t. t., zich anders des nachts geheel alleen met de oude dienstbode in het groote gebouw hebben bevonden. Den 12den Maart wachtte men professor Van der Kolk, die dan zou beslissen wat hij in \'t belang van den man wenschelijk vond: óf zijn plaatsing in een burgerhuisgezin onder degelijke hoede, óf in een gesticht; het laatste, indien het blijken zou dat er in zijn toestand van monomanie geen verandering ten goede gekomen was.
Sedert Lijning met Trien in het benedenhuis verblijf hield, sliep hii naast de keuken in een klein vertrek, dat voorheen een dienstbodenkamer moet geweest zijn. Trien had het zeer bedaagde ledikant van mijnheer en mevrouw er in overgebracht, want met zijn pijnlijk been kon Jan onmogelijk de hooge bedstee beklimmen. In die bedstee slaapt Trien. In een aangrenzend kamertje â van ouds de appelkamer genoemd, omdat er de fijne tafelappels werden bewaardâ-daar sliepen nu, op goede kermisbedden, Wieland en Bus; en \'s morgens en \'s avonds moet Trien de koffie voor hen koken, maar de koffie was voor eigen rekening, â daar had Lijning voor gezorgd â en Trien zorgde nog bovendien dat Jan er het eerste kopje van kreeg.
\'t Was heel donker in \'t vertrek waar Lijning sliep, want licht te branden, dat deed hij niet meer. Sedert Co-Mie is verdwenen, moest dat ophouden: 2 centen per nacht dat maken 732 centen in \'t jaar; dit te zamen in tachtig jaren â een nienschenleven â geeft een som van f 585,60; en berekent men de dagelijksche centen interest op interest, dan zal bij de uitkomst het zelfverwijt wel moeten kwellen, dat men zulk een schat nutteloos besteed en roekeloos aan de duisternis heeft verspild. Zoo redeneerde Lijning. En
dan, dat had hij ter liefde van Co-Mie gedaan----! Co-Mie, \'t zou
hem vrij wat voordeeliger zijn geweest indien ze eerder.... Hoe \'t zij, hij heeft veel met haar overbracht; ze was een goede maar ijselijk zwakke halzige vrouw. Haar vermogentje....? Nu ja; maar overal elders had ze kostgeld moeten betalen, en wie ter wereld
236
De R. 6 Maart 60.
ANNA ROOZE. 237
zou het zóó geadministreerd hebben als hij! Een ander had het er doorgelapt in drie jaren tijds. Waar Co-Mie nü is, dat weet Lijning niet recht. Ze moet ergens onder doktershanden wezen; voor andermans rekening, natuurlijk!
Sinds dien nacht in de consistoriekamer der kapel, en ook sinds die donkere dagen vóór en na Kerstmis, toen hij soms zoo duizelig is geweest, en dat advocaten-gezicht hem gedurig heeft gehinderd, en die baron, en die andere kerels hem ook zoo vreemd hebben aangezien, sedert dien tijd is er veel met hem veranderd, dat weet hij wel. maar â het juiste begrip van zijn toestand heeft Lijning met; zoomin met betrekking tot zijn physiek en moreel, als ten opzichte van zijn burgerrechten. Hij heeft het niet begrepen dat men hem onder curateele had gesteld, ofschoon hij somwijlen in opgewonden oogenblikken de mogelijkheid vermoedde; hij weet niet dat al zijn boeken en papieren zich onder \'t beheer van den baron Gee-reke â zijn curator â bevinden, en dat zelfs zijn schat, dien hij na den bewusten Decembernacht met Trien in een zwaren koffer naar de keuken sleepte â dat de honderdduizend en vijfhonderd gulden aan goudgeld, door Geereke in \'t belang der Lijnings en van Anna, op de beste wijze zijn belegd. â Maar Trien weet het. Althans zij weet wat men haar armen Jan heeft aangedaan, misschien niet zonder recht. Zij weet dat de zware koffer, die nog altijd in de turfkist onder het aanrecht verborgen staat, reeds sedert vele weken leeg is, heelemaal leeg. De oude weet het, maar zij, die haar leven voor hem veil heeft, zij kan veinzen ook als ze haar zoogkind daardoor zal kunnen sparen en rust geven. Trien heeft wat moeten tobben om hem altijd kalm te houden, en â ofschoon misschien niet verstandig â den waren stand van zaken voor hem te verbergen. O als hij alles begreep, hij zou het besterven, het arme kind! Nog ééne zaak weet Trien, en sedert den dag dat ze het zijdelings vernam, dankt ze er God voor, eiken dag, ieder uur. Aan Anna Rooze â Lijnings mooie nichtje â is zij het verschuldigd, dat haar Jan niet als een misdadiger is weggevoerd, want, op een kouden Januaridag heeft die advocaat zachtjes tot een langen heer gezegd: âWanneer juffrouw Rooze niet zoo dringend om geheimhouding had verzocht, dan moest het een geheel anderen weg met hem uit; de bewijzen van valschheid in geschriften zijn er in menigte.quot;
-- Och ja, de oude Trien heeft wel eens gevreesd dat het een verkeerden weg zou loopen! Maar Goddank, Goddank dat die engel hem voorsprak, want ach, al mocht hij wel graag eens een kleinigheid winst zien, slecht was haar Jan niet, neen dat was hij toch waarlijk niet!
En in den nacht nadat Herman Carel Marter â de voormalige â ontvanger van Mieriksma â gestorven was, sliep Lijning gerust. â Hij sliep gerust. Zware spijzen deden hem nooit onrustig droomen.
Tegen vier uren in den morgen is hij echter door een geweldig rumoer ontwaakt, \'t Was nog donker in de kamer, maar toen hij â even het hoofd buiten de ledikantgordijnen stak, toen.... toen heeft
ANNA BOOZE.
hem een witte helsche geest een slag in het aangezicht gegeven, en â met een kreet van ontzetting in \'t bed teruggevallen, heeft hij het hoofd onder de dekens verborgen. In den vreeselijksten angst, klappertandende onder het laken, hoorde hij verder een woest getier op den zolder, alsof een monsterwagen er overheen joeg.
Nu staat er een magere oude vrouw voor het ledikant.
âWat scheelt er aan. Jan?quot;
âTrien, Trien! ben jij \'t?quot;
âJa. Was je van \'t weer geschrokken?quot;
âVan \'t weer! Welk weer?quot;
^Zwaar weer, onweer Jan. \'t Is vreemd voor dezen tijd van \'t jaar, maar de vorige dagen waren onnatuurlijk warm. â\'t Sie.... wat een licht! \'t Komt door de reten der luiken alsof \'t dag was.quot;
âZoo! is \'t onweer? Zoo!quot;
,\'k Zal het lampje maar aansteken, mijnheer.quot;
âNeen, dat hoeft niet. â Hoor, hoor! \'t Is alsof de toren naar beneden valt. Wat dreunt die donder. â Trien, je bent daar nog, hé! Steek het lampje maar aan.... Trien! 2eg, ben je d\'r niet?quot;
âJa wel mijnheer, ik ga de werklui roepen.quot;
âGoed, maar steek dan toch eerst het lampje aan; niet omdat ik bang ben; ik ben voor niemand bang. Als ik maar goed loopen kon, dan ging ik naar het weer kijken; maar jij, jij hebt liever licht, dat weet ik.quot;
De oude komt terug om eerst het lampje aan te steken. Nu gaat ze om de opperlui te wekken; maar, de âjongensquot; zijn al indeklee-ren. Ze staan voor het venster, doch zien niemendal, tenzij de bliksem voor een oogenblik de kasteelpoort teekent en alles in glans zet.
â\'En wiend van sinjeur den duuvel. \'t Is sturm!quot; zegt Wieland.
âNou!quot; stemt Bus.
,\'k Wolle wel weten of de stieger \'t houen zol.quot;
âBest!quot;
âDat z\'ak niet zeggen.quot;
âBest!quot;
âWi\'k m\'n kop niet onder verzien.quot;
âIkke drie keer!quot;
â\'k Wil d\'r alêvel \'t miene van hebben.quot;
âDan goai \'k mee.quot;
En Wieland zegt luider aan de deur van Lijnings kamer;
âTrien, gêf me den sleutel van de veurdeur is êfkes. We goan buuten noar \'t weer en \'t gestieger zien.quot;
â Goed, maar ze moesten gauw weer binnenkomen, \'t Was gevaarlijk buiten.
Een kwartier later is Lijning mede opgestaan en zit in de groote keuken bij het vuur.... want, de jongens hebben gezegd dat Trien koffie moest zetten; de baron was er goed voor.
De rosse vuurgloed, die op Lijnings kaken speelt, wordt een wijle verduisterd door het witte licht, dat door de reten der luiken boort, \'t Geweld van donder en hagel is vreeselijk, \'t Is alsof alles kraakt ;
238
ANNA ROOZE. 23!gt;
het rikkelt en rakkelt in den hoogen wijden schoorsteen, er vallen een paar hagelkorrels in \'t vuur en sissen en verdampen.
âTrien, we zijn maar huisbewaarders niet waar?quot;
âPrecies mijnheer, huisbewaarders. Gelukkig dat het kasteel niet meer je eigendom is. De zorg voor inslaan zou dan grooter zijn.quot;
âDat wil ik niet ontkennen. â Trien, zeg, blaas eens. Hoor: En als de wind daarover is gegaan dan kent men.... Kijk, kijk daar komt ie weer aan.quot;
âWaar Jan?quot;
âDaar, daar! de bleeke; daar!quot;
âPffft. .. .fffff\'t....quot; blaast de oude naar dien kant: âZiezoo. â Nou is ie weg.quot;
âJa, nou is ie weg.quot;
âMaar dat je toch werkelijk eens aan die oogziekte gelooven woudt goeie Jan! Vertrouw je Trien dan niet meer?quot;
âJa wel, nou zie ik \'t ook, nou is ie weg. Ja, jou geloof ik.quot;
Trien haalt de schouders op.
âAls \'t kasteel bij voorbeeld verbrandde, dat zou een vreeselijke-schade zijn.quot; zegt Lijning weer.
âGelukkig niet voor u mijnheer, maar voor den baron.quot;
âDat zou ik, in plaats van gelukkig, heel ongelukkig voor den baron noemen Trien. Maar ik weet wel: Je meënt het goed ouwe!quot;
Eensklaps, bij een sterken donderslag, vestigt Lijning den blik op de turf kist onder het aanrecht. Heeft hij daaraan dan niet gedacht: Die koffer! Als er brand kwam! Dat geld in dien koffer!....
âMaar er zal geen brand komen,quot; zegt de oude.
âDat zou toch mogelijk zijn.quot;
âNeen, bijna niet. Het weer bedaart al.quot;
âBedaren! Ben je gek Trien?quot;
â Neen, gek was zij niet. Wat wilde mijnheer dan doen? Ze konden immers met hun beiden dien zwaren koffer niet uit de turf-kist beuren, en, al was hij er uit, waar zou mijnheer dan nog met die vracht naar toe?
â Naar toe? Dat weet hij niet: maar als het er in blijft en er brand komt, dan.... De zweetdroppels parelen hem op het voorhoofd :
âTrien, ik weet het,quot; zegt Lnning zachtjes: âwe zullen de zakken met geld in het kistje van de koetskar brengen, en dan----
âJan je hebt weer koorts, \'t Was eigenlijk beter dat je nog wat naar bed gingt.quot;
âNeen, ik ben zoo wél als jij, maar ik wil mijn eigendom bergen.quot;
Opgestaan, loopt Lijning terwijl hij zich aan stoel of tafel en straks aan het aanrecht vastklemt, naar de turf kist.
âJan! in Godsnaam bezeer je niet. Ga zitten Jan, voorzichtig!quot;
âWat gaat me dat been aan!quot;
Den wervel der turf kist draait hij los; opent het deurtje en ziet den koffer:
âHa, hier stondt je bewaard, hier zou je niemand zoeken.quot;
240 ANNA ROOZB.
âJan, in Godsnaam, vermoei je niet. Je hebt me zoo vast beloofd â dat geld daar rustig te laten. Mijn beste mijnheer; laat dat luik toch dicht. Waartoe het open te maken! Waartoe!? Er zal geen brand komen. Jan. â Hier is een stoel. Kom leun maar op me. Kom!quot;
âGeen brand? Zou ik niet weten wanneer er brand komt. â Ha! Als ik vroeger niet zeker had geweten dat er brand zou komen, â¢dan had ik m\'n huisjes in de Musschengang te Groningen niet zoo hoog laten assureeren. Wat zeg ik daar Trien? â Of zeg jij \'t? Als jij \'t zegt dan lieg je. â Maar nu, ja wel, er zal brand komen. Zie maar; daar schiet de bliksem weer door de reten.quot;
Terwijl Lijning met de linkerhand op het aanrecht leunt, tast hij met de rechter in den kleinen binnenzak van zijn jas. Hier heeft hij den koffer-sleutel.
De oude siddert. â O, als hij dien koffer ledig vindt!
âMaar goede Jan, lieve mynheer! weet je dan niet dat je mij beloofd hebt dat stil te laten, \'t Is hier goed geborgen, beter dan in het kistje van een koetskar.quot;
âEr zal brand komen Trien, brand! zooals in de Musschengang.quot;
âNeen, dat geloof ik niet Jan. Maar wacht, geef m ij ten minste â den sleutel. Zoo diep te bukken dat zou je kwaad doen. Als het
dan moet, volstrekt----Hoe is \'t? mag ik den sleutel niet
hebben?quot;
âJa wel! Ja, maar ...quot;
âNou geef \'em dan hier.quot;
âMaar, kun jij de zakken dan één voor één in de kar brengen?quot;
âLaat \'t maar aan ouwe Trien over, m\'n lieve kind!quot;\'
âÃén dient er toch hier te blijven. ...quot;
âZeker. Zal ik den sleutel dan hebben, zeg?quot;
Lijning ziet haar eenige oogenblikken met zijn grijze ongemaskerde oogen doordringend aan.
âTrien, maar jij.. . jij zult toch niet....! Trien!?quot;
âJan! Jan!! Wat denk je?quot;
âNeen! Hier is ie! Sluit jij \'em dan maar open. Waar ga je naar toe, zeg, waar....?quot;
âNaar \'t raam. Ik moet eens zien of de jongens ook op \'t binnenplein staan. Als ze \'t zagen!quot;
âLaat het luik dicht! Dicht! zeg ik je. Of \'t weer slaat naar binnen.quot;
âDe jongens loopen op \'t binnenplein Jan. Maak de turfkist weer toe: gauw!quot;
âMaar de brand! de brand! Kom hier met den sleutel.quot;
De oude is ten einde raad, en schudt met het hoofd.
âNiet!quot; roept Lijning, en, door zijn angst gesterkt, treedt hij, zonder zich aan eenig meubel vast te houden, ofschoon hinkende, op de oude zoogmoeder toe, en grijpt de hand, waarin hij meent dat zij den sleutel heeft.
Doch hij bedriegt zich. Met de dorre vingers der andere hand, die zij nu zoover mogelijk omhoog houdt, omklemt de oude den
ANNA ROOZE. 241
sleutel, dien Lijning eerst na zijn ziekte had gemist, maar ook aanstonds terugguëischt, den sleutel, die haar sedert dien stond gedurig voor mogelijke oogenblikken als deze deed huiveren. Gelukkig heeft ze Lijning tot heden door den toestand van zijn been, en met het aanjagen van de vrees dat men hem verrassen zou, iu rust gehouden. terwijl de hoop haar heeft gesterkt dat professor, als hij den 12de,i kwam, ook daar wel raad op zou schaffen. Voor haar, oude ziel, was \'et zóó niet langer te doen.
,1k zeg je Trien, geef me den sleutel weer!quot;
âWaarvoor zou dat dienen, lieve Jan\'?quot;
âDienen! dienen! Geef \'em hier! Waarom hou j\'em zoo raar in de hoogte? Ben jij Trien niet? Zeg? Hier met den sleutel!quot;
De zwakke vrouw is tegen dien half waanzinnigen man niet bestand; hij heeft haar bij don opgeheven arm gevat en trekt dien met kracht naar beneden.
â O God, en als hij hem krijgt, en als hij dien koffer dan ledig vindt ...
âNeen Jan, je krijgt \'era niet, neen!quot;
âWat, wat! Niet krijgen! Wat! Wou je me bestelen.... jij....? Hier! hier! zeg ik je! Heb ik je daarom altijd vertrouwd! Hier, met den sleutel! Brand! brand!!quot;
Haar kracht schiet te kort. â En toch. Goddank, ze zal hem de baas zijn:
âJan! laat los: Zie, daar staat ie.... zie j\'em niet....? Daar, hij dreigt met den vinger....quot;
âGod! Trien, zie jij \'em nu ook!?quot;
âZeker, daar, de bleeke dominee. Hij staat bij de kist en wijst dat je er niet aan raken moogt.quot;
âJa ja! -â Dus zijn m\'n oogen toch goed. O God, ja, daar komt ie aan! Hij slaat met den bliksem! Hoor: Gelijk het gras... Hoor, die stem dat is een ratelslag.... dat is ingeslagen! Brand! brand!!! Jaag weg ... weg.... weg!! Daar komt ie... O God!....quot;
Bij de laatste woorden is Lijning, achteruitwijkende, naar de deur gevlucht. â De oude dienstbode, bevende van overspanning, heelt zich, zonder dat Lijning het bemerken mocht, naar het vuur gekeerd, en den sleutel die haar zooveel angst bezorgde er ingeworpen.
Nu ziet ze naar de deur. â Waar is Lijning gebleven. Zij roept en ijlt hem na, zoo snel als haar stramme leden het gedooge». In het breede voorhuis is hij niet meer. Een sterke wind blaast door de openstaande voordeur en jaagt den kletterenden regeu naar binnen.
âJan! Jan!! Mijn arme kind!quot; gilt de oude.
â O genadige God, hij heeft haar geloofd; een denkbeeldige schim heeft hem verjaagd. Zij had hem bedrogen, misleid! De magere handen strekt ze naar de duisternis uit. Een zachte bliksemschicht toont haar dat er zich niemand op dat binnenplein beweegt, Nogmaals roept ze hem met de teerste namen. â O God. ze had hem bedrogen, bedrogen! En, een rukwind werpt de zware deur toe,
VI. , 16
ANXA ROOZE.
en â \'t is alsof het haar dreunt in de ooren: âJa, arme vrouw. Helaas! bedrogen van de wieg tot het graf!quot;
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Neen, mevrpuw Lijning mocht het lijk niet gaan zien. \'t Zag er, volgens Bron, al te akelig uit. De ongelukkige moet in zijn angst, door het tuinpoortje zijn ontvlucht, en, op de kleine ophaalbrug gekomen, door vreeselijk vergane planken heen, met het achterhoofd op een post zijn gestort, zoodat....
Maar genoeg! Bron vond het niet raadzaam dat men mevrouw er aan waagde. Ze was nu juist aan de beterhand, en met die slappe thee-zenuwen van de tegenwoordige dames, moest hij eerlijk bekennen dat het gezicht van het lijk niet âopmonterendquot; was.
Anna had verzocht te mogen meerijden. Geereke heeft het haar wel ontraden, doch Anna\'s antwoord is geweest, dat ze voor een akeligen indruk niet vreesde, en behoefte gevoelde om het stoffelijk overschot van den oom nog eens te zien.
Een groot kwartier vóórdat Geereke met zijn rijtuig aan De Ploeg kwam, waren Van Wall en Oscar reeds op weg naar De Runt.
,\'t Lijkt een aardig oud ding!quot; heeft Van Wall gezegd toen ze op het Runtsche kerkpad het gebouw in \'t oog kregen: â\'t Was toch een drommelsche rare en gewaagde speculatie van dien kerel om zoo\'n kasteel te koopen.quot;
âZoo raar niet voor een sloopers-geldschieter, en gewaagd niet in \'t minste,quot; antwoordt Van Breeland: âToen hij te Groningen zoo wat in de klem raakte, werd juist De Runt verkocht, en hij viel er op neer als een raaf op zijn prooi. Door allerlei kunstgrepen kocht hij het even boven slooperswaarde, wel wetende dat oom Geereke er zin in had.quot;
,\'t Is \'en schoelje geweest nietwaar?quot; zegt Van Wall: âVolgens neef Dudolf in Groningen bij wien we vroeger informeerden, was \'et ten minste bar-commun.quot;
âOch, wat zal ik je zeggen: een verkeerd begrip van geldswaarde of van \'t mijn en dijn.quot;
âMet dat al moet hij een mooien duit nalaten. Jij die de zaken in \'t reine bracht, zult er het rechte van weten. Da\'s mettertijd alles voor de mooie zuster Anna. Ik denk dat je niet lang zult hooren roepen: Zie je nog niets komen? En dan: haar eigen duiten er bij! Jongens Breed, je doet een stommen streek als je je vandaag niet deel ar....quot;
242
ANNA BOOZE.
âVan Wall, je zult me waarlijk genoegen doen met die snaarniet meer aan te roeren.\'\'
âPermitteer me nog eventjes: Op \'t jaarfeest van Geereke heb jij me gevraagd of.... de snaar â met je permissie â zoo\'n beetje bij kas was.quot;
âDat heb ik niet, of.. ..quot;
âStil, stil, nou doe je precies als de schooljongens; die zeggen ook doodeenvoudig dat lieg je en....quot;
âPardon, ik bedoel....quot;
âHoor eens, je bent een goede verstandige en oprechte jongen....quot;
âNu ja, ik heb het toen gevraagd omdat ...quot;
âOp de vorige beurs al afgehandeld! Precies; omdat je van den wind niet leven kunt, en je niet op tante Van Riddervoorst specu-leeren wilt. Best! Maar zie, nu doe ik jou dezelfde vraag. Ten eerste, omdat jij precies kunt weten of de snaar een goeden metaalklank heeft, en ten tweede, omdat ik een afgesukkelde besten vent ken, die een mooie lieve brave vrouw met veel geld zoekt.quot;
âVan Wall, je bent ouder dan ik, maar ik moet je zeggen dat iemand, die altijd aardig wil zijn, wel eens verdoemelijk laf kan worden.quot;
âZonder het woord verdoemelijk mijnheer Van Breeland, is dat precies een spreuk voor een Mozaïek of zoo\'n ding in een almanak.quot;
Oscar staat stil, vat de hand van Van Wall, en zegt:
âVergeef me, \'t was zóó niet gemeend. Het lafste van alles is zeker om boos te worden op iemand, die ons een goed hart toedraagt. Vergeef me Van Wall. maar ik ben niet fiksch. Na al het gebeurde: Verleden Vrijdag dat pleidooi. Al die bemoeiingen. Gisteren die reis en dat droevig sterfbed. Van nacht die droom, en nu het gebeurde daar.... Ik voel me alsof ik ziek zal worden.quot;
M\'n goede jongen, je bent het al, waarachtig! Toen ik van dien besten vent sprak, die een mooie brave vrouw met veel geld zoekt, toen werdt je onrustig, en dat was me bewijs genoeg. Ik wou je zoo\'n beetje boos maken Breed, want jij wilt de snaar op je viool hebben, maar bent bang dat de klank in den Haag niet bevallen zal. Suust! een burgerman zooals ik, zou over een heel regiment zakwaarnemers en zielversloopers heen springen, met of zonder polsstok, maar de Lijnings-geschiedenis zit je dwars door je adellijke ribben. De relaties van een aanstaande mevrouw Van Breeland moeten....quot;
âVan Wall, je zet me het mes op de keel. Waarachtig, dat is het niet. Al zou ik ook wenschen, inzonderheid voor juffrouw Booze zelve, dat er zich nooit zulk een misgeboorte in haar familie genesteld had, de dochter van een braaf zeeofficier en een freule Moreel, zou men in onze kringen zeker met liefde ontvangen.... Doch waartoe dit alles! Je wilt dat ik openhartig zal zijn. Zie Van Wall, men kan liefhebben, onuitsprekelijk; liefhebben zonder dat de ander____ enfin, je begrijpt me.quot;
243
ANNA ROOZE.
âTe drommel, da\'s gekker!quot;
De heeren liepen eenige oogenblikken zwijgend naast elkaar. Bij het witte huisje gekomen, sloegen ze rechts de larikalaan in.
âEn wie is de liefhebber die. ... ?quot; vorscht Van Wall een oogen-blik later: âIs \'t een student? Een jong gepromoveerde.... V Ja beste jongen, dan is \'t waarachtig een hopeloos geval en zou ik de mooie oogen maar zien te vergeten.quot;
âVan Wall, ik heb behoefte om mijn hart te luchten, want gedurig is mij de borst als toegeknepen. Geef me de hand er op dat je de zaak als heilig zult beschouwen. â- Zóó. â Ik voelde dat ze mij weerkeerig lief had. In een oogenblik van onuitsprekelijke verrukking heb ik mij verklaard, \'t Was in December aan huis bij tante te Utrecht, hn toen heeft ze mij afgewezen, en gezegd mijn liefde niet te kunnen beantwoorden. Ik begreep spoedig dat een, misschien wat al te ver gedreven liefde voor een vriendin â de naam doet niets ter zake â haar tot die weigering had gebracht, \'t Was nobel, maar bitter pijnlijk voor mij. Ik hoopte dat de tijd wel spoedig verandering zou brengen. En hij deed het, maar wreedaardig. Ofschoon Anna Rooze vroeger de hand van Ernst Geereke had afgewezen, vernam ik weinige dagen later dat ze met hem
geëngageerd was. Ze had zich opgeofferd omdat----quot;
âJa ja, en de scène is afgeloopen met den dood van Ernst, dat heb je me gisteravond al verteld, maar daarom wilde ik juist van je weten wie ie dan nu weer in de wielen rijdt; want poppetje Emma â we zullen den naam die niets ter zake doet nu maar noemen â heelt toch finaal van je afgezien. Ja man, ik ben op de hoogte, zooals een oom en voogd behoort te wezen. Toen Marnix
fisteravond na onze aankomst, vooruit naar de pastorie was, toen reeg ik zulk een gemoedelijke uitbarsting van het blondje â en op dien dag voor de tweedemaal ââ dat ik er half verlegen mee werd. Het terugzien van juffrouw Rooze en nog andere zaken vervulden haar letterlijk meer dan het vinden van een onbekenden stervenden vader, \'t Was misschien niet precies onnatuurlijk; hoe \'t zij, ik kreeg een zee van confidenties, en kan je dan ook plechtig verzekeren dat die oude vlam voor neef Oscar totaal door een jongen Haverkist gesmoord is.quot;isteravond na onze aankomst, vooruit naar de pastorie was, toen reeg ik zulk een gemoedelijke uitbarsting van het blondje â en op dien dag voor de tweedemaal ââ dat ik er half verlegen mee werd. Het terugzien van juffrouw Rooze en nog andere zaken vervulden haar letterlijk meer dan het vinden van een onbekenden stervenden vader, \'t Was misschien niet precies onnatuurlijk; hoe \'t zij, ik kreeg een zee van confidenties, en kan je dan ook plechtig verzekeren dat die oude vlam voor neef Oscar totaal door een jongen Haverkist gesmoord is.quot;
âHet doet me waarlijk goed dit te hooren. Ik merkte voor eenige dagen wel aan m\'n vriend Willem, dat hij doodelijk van haar was,
maar van hare zijde dacht ik -... niet dat zij zoo geheel----quot;
âNeen, stel je gerust amice! dat ding is in orde. Maar kom, eerlijk opgebiecht: wie rijdt je dan nou in de wielen. Breed?quot;
Het nachtelijk zwarte gebouw met de roode vurige letters uit den droom, staat Oscar weer eensklaps voor den geest. Op den hoek van een eindeloos lange gang las hij opnieuw Praejuditie. â Halt dan. Van Breeland. Niet verder! Voelt ge het nu? Er is ook een voorloopige gevangenis zonder ijzeren tralies. En â zijn edele natuur heeft nogmaals overwonnen.
Van Wall kreeg geen antwoord.
En, Van Wall mocht een luchthart wezen, maar onbescheiden
244
ANNA KOOZE. 245
was hij niet. Hij stak een nieuwe sigaar op, keek naar den blauwen rook, en zag eens om.
Achter hen kwam in gestrekten draf het rijtuig van De Reng-horst aanrijden.
Toen dokter Bron en Burgemeester Le Village, in den vroegen morgen door een der metselaarsknechts op De Runt waien geroepen, vonden ze Lijn in ps oude dienstbode als wezenloos in het kleine tuinpoortje op de koude steenen gehurkt. Geen wonder dat de oude zoo zat! De jongens, die Lijning bij \'t aanbreken van den dag in den vreeselijksten toestand onder het brugje hadden ontdekt, waren verstijfd van schrik, en niet te bewegen geweest een hand naar hem uit te steken, aleer burgemeester of ten minste een der veldwachters er bij zou zijn. De oude sloof heeft toen met een ontzettende inspanning van krachten gepoogd het lijk van haar arm zoogkind uit het water te trekken, doch haar angstig pogen is vrachteloos gebleven.
Van \'tgeen Bron in de eerste oogenblikken voor de oude vrouw behoefde, was er niets in de keuken van De Runt te vinden geweest. De herberg De Luchte was het meest nabijgelegen bewoonde huis, en terwijl hij Wieland met een recept naar zijn woning zond, moest Bus zoo spoedig zijn beenen het geleerd hadden, naar De Luchte gaan, om mosterd of grof zout en brandewijn te halen, en tevens vrouw Schoffels te vragen of ze als je blief dadelijk wou mee komen, dewijl vrouwelijke hulp hier noodig was.
Moeder Schoffels heeft zich niet laten wachten, en tegen Hanneke gezegd: dat ze de deur maar moest toetrekken en den sleutel meenemen als ze tegen halftien met de koffie voor vader naar \'t sterre-bosch ging.
Op \'t binnenplein van De Runt liepen ,na aankomst der groote luiquot; al spoedig een menigte nieuwsgierige dorpelingen af en aan, zonder echter iets meer te vernemen dan â dat ie daar was door-gevallen, en dat ie dood was; en, zonder iets belangrijkers te zien dan de plek op het brugje waar het gebeurd was. of ook het rijtuig van mijnheer van De Renghorst, dat gedeeltelijk met de achterwielen buiten de koetshuisdeur op het binnenplein stond.
Mossel de veldwachter, met den elleboog op een der wapenleeuwen van de steenen trap geleund, gaf gedurig de inlichting;
âJa wel, z\'n eigenzeives bij baleur verdaan. Ja wel, dood; stik!quot;
\'t Was een verward gewauwel op dat binnenplein: over \'t geval, en over dien vreemden bewoner van zoo\'n grootelui\'s kasteel, en alles wat er van hem en de zijnen verteld werd; een verward gewauwel bovendien over zooveel wat men in den laatsten tijd zag gebeuren in \'t dorp, en wat men verder zou zien gebeuren er bij.
De omstandigheid dat een nicht van dien Lijning â \'en echte heer was die Lijning nooit geweest â dat die nicht met den baron was komen meerijden, gaf ook al aanleiding tot allerlei .geklawetterquot;, zoodat Van Wall â die het binnen niet opwekkelijk vond, en de steenen trap af naar buiten kwam, bij het vernemen van dat be-
ANNA ROOZE.
langstellend gewauwel, de vraag tot Mossel richtte: Of er geen lange pijpen waren besteld, en er geen koffie gepresenteerd werd? Maar de kerel was te dom; hij sloeg aan, en zei:
âNiks van gehoord baron! \'k Zou eerder denken dat dat per okkazie met de begrafenis zal wezen.quot;
âEen helder idee van je!\'\' zegt Van Wall, en, verder gaande, zoekt hij Van Breeland, dien hij in het kasteel was kwijtgeraakt.
Binnen het kamertje naast de groote keuken lag het stoffelijk overschot van Lijning in het oude ledikant. Over het hoofd dat er vreeselijk uitzag, had Bron een doek gelegd. â âWanneer juffrouw Rooze er dan volstrekt wil bijgaan,quot; heeft Bron zeer meegaande geredeneerd: âdan staat het aan haar beleefdheid of ze den doek er af wil nemen of niet. Ik deed nu ten minste voor die lauw-water-zenuwen van de fijne lui, wat in mijn vermogen was.quot;
Slechts Lijnings handen, die op het dek lagen, waren te zien, maar, \'t was een droevig gezicht. Zie, die handen waarvan de lange dunne vingers krom naar binnen zijn getrokken, als getuigen ze van een heviger doodstrijd, zijn klaarblijkelijk met moeite op haar kanten gezet, om den schijn te geven alsof ze het oude bijbeltje vasthouden dat er tusschenin ligt.
Trien, de oude sloof, die al sedert een paar uren â nu eens starende op het lijk van haar arme kind, en dan weer half dommelend voor het ledikant zit, zij had dat bijbeltje daar zóó gelegd. â Och, de goede God zou hem wel genadig zijn, want, heeft hij dan niet getoond dat hij goed was? Heeft hij haar, de arme weduwe, niet de veertig gulden kwijtgescholden, waarvoor haar overleden man nog bij hem in \'t boek stond? Heeft hij haar ooit, ooit in de wereld leed gedaan? Kon hij niet alles van haar verdragen? O gerechte God â zoo bidt ze gedurig â en dat ik, die hem zoo lief had, nog schuld moet hebben aan zijn akeligen dood. Ach God, het was toch uit bestwil dat ik hem vrees aanjoeg. Arme Jan! Arme Jan!! Maar misschien is het beter zoo, want hier hadt je toch geen geluk, en Trien zal gauw bij je wezen. Ach goede God, maak het kort met de oude, de uren, die ik langer leven moet, leef ik te lang.
Een groote roode kater is de oude op den schoot gesprongen en heeft zijn rug tegen haar gevouwen handen gekromd, doch, met een zachten druk heeft ze het dier verdreven. Haar Jan, haar alles was dood!
Uit de groote keuken trad een vrouw op de oude toe en zei:
âKom mins, ie moste nou meegoan. Inne keuken heb ik koffie kloar.quot;
âIk blijf hier totdat ze hem wegdragen: \'t Was mijn eigen zoog-kind vrouw Schoffels. Och de stakker!quot;
âEigen zoogkiend! Joa mins, wa\'j \'ezoogd hêt dat hei\'j lief, al kwiem de heele wereld en sprak d\'r kwoad van,quot; zegt Hannekes moeder.
De fletse diepliggende oogen der oude zagen de spreekster vluchtig maar dankbaar aan.
246
ANNA EOOZE.
Er klonken voetstappen in de keuken.
De oude hoorde het niet. Vrouw Schoffels zag om. Daar stond grootelui\'a-volk, maar wie er waren, ze kon het niet zien omdat de keukenluiken bijna geheel zijn gesloten.
âNeen lieve kind, ik ga eerst eens vooruit om mij te overtuigen of hetgeen Bron deed, waarlijk voldoende is.quot;
Geereke trad uit de keuken in het kamertje, waar Trien bij het stoffelijk overschot van Lijning zat.
âOom is toch zeer zeer bezorgd juffrouw Rooze,quot; zegt Van Breeland zacht:
,0 voor zijn bewijzen van liefde en altijd voorkomende zorgen, heb ik geen woorden,quot; zegt Anna snel en uit de volheid van haar hart: âOch, of ik ze ooit kon vergelden!quot;
Van Breeland zweeg. Hij zag Geereke terugkomen. En â Anna volgde den man, wiens liefde, waarvoor ze geen woorden had, zij zoo graag zou vergelden!quot;
Oscar is in de donkere keuken gebleven. Ginder in het kamertje staat Anna bij het ledikant.
Een zonneglimp, invallende door den kier waarop het vensterluik geopend was, zoomde haar schoone gestalte van de slapen tot op het midden. Zie, zij houdt de oogen strak op den doode onder dat laken gevestigd. Eensklaps, alsof ze zich zelve verwint, drukt ze haar hand op die van den afgestorvene.
âGod zal u vergeven arme man: want zelfs de menschen hebben het u gedaan!quot; fluistert Anna voorovergebogen.
Van Breeland kon van verre niet hooren wat ze zeide, maar zien kon hij wel dat oom Geereke, die achter haar stond, zijn hand op haar gevulden schouder drukte, en, zien kon hij óók, dat Anna zich een oogenblik later omwendde, en den oom in de armen viel----de armen, die hij haar aanstonds heeft toegestoken...........................................................
Oscar bleef waar hij was, al ging hij ook een schrede terug, en al wendde hij ook den blik naar een anderen kant.
â Neen, dat alles bewijst niets, althans tegen haar! Immers zij moest dien besten man zijn liefde vergelden! En, als hij haar zijn armen toesteekt .... niet waar .... ?
â Maar die man, die edelman van zooveel beschaving en fijnen tact, als zijn oog dan werkelijk rein is, gevoelt hij dan niet dat hij door zulke bewijzen van weeke liefde, een gevoelig hart als met ijzeren ketens aan zich verbindt, dat hij de vrijheid rooft van dat argeloos gemoed, of althans de rust er van in bitter gevaar brengt ? Neen, die man moet wel weten, moet wel gevoelen wat hij bewerkt. Die wijze oom is geen kind. De hartstocht doet hem dat meisje volgen als haar schim, en, waar het maar eenigszins kan. daar heeft hij â en zelfs in anderer tegenwoordigheid, die altijd liefdevolle armen geopend!
Wat roert daar aan Oscars zijde?
âJoa menheer; \'t is mooi um te zien hoe zoo\'n mins met onzen baron de h... speult. God weet van wie \'et kiend was woar \'t
247
248 ANNA ROOZE.
onneuzele Hanneke van verdacht wier. As menheer d\'avekoat doar \'t begriep van \'ehad had toen ie te Oarem veur \'t gerecht sting, dan .... joa dan ....!quot;
â Wie was die vrouw? Van Breeland herkende haar niet.
Reeds heeft ze de keuken verlaten.
â Wie het was die haar scherpe pijlen op een onschuldige richtte ?
\'t Was een moeder, wier docnter ook nü nog wordt nagewezen
als kindermoordenares, ofschoon de rechter haar heeft vrijgesproken.
De schemering in die keuken met de gesloten luiken, wordt voor Oscar een volslagen duisternis. â \'t Was gelukkig voor hem dat hij oom Geereke niet meer behoefde te spreken. Het weinige dat er te regelen viel, hebben zij terstond bij hun aankomst afgehandeld. Oscar heeft nog slechts den notaris eenige mededeelingen te doen, terwijl oom voor het overige zou zorg dragen.
Terwijl Van Breeland snel het kasteel verlaat, zegt Geereke tot Anna, die zich zooveel mogelijk tracht te herstellen;
â\'t Was ook niet goed lieve, dien doek van het hoofd te nemen, je wist immers dat zelfs Bron het noodig had gekeurd hem er over te leggen.quot;
âIk dacht niet dat het zoo erg zou wezen,quot; zegt Anna zacht; âZijn dood moet verschrikkelijk zijn geweest.quot;
âMen hoort soms van herstelden, die een vreeselijk lijden hadden, dat ze zich hun toestand volstrekt niet bewust zijn geweest, en zich van die uren of oogenblikken niets herinneren konden.quot;
,Goddank!quot; zegt Anna; en eenige oogenblikken later, terwijl ze nog eens naar het ledikant ziet: âZijn leven moet al smartelijk genoeg zijn geweest. Wat beminde hij en â wie had hem lief!quot;
Anna voelde een koude magere hand de hare vatten.
âIk! Ik heb hem liefgehad: lief als mijn eigen kind,quot; bibbert de oude: âen ik heb hem bewaakt als mijn oogappel, en hij had Trien lief, ja dat had hij. Maar toen ik hem ontrouw werd en hem bang maakte, toen heeft de Heer hem verwonnen. En toch. God zal hem genadig zijn. Ja, want zie maar, hij houdt het woord Gods in handen : en in denzelfden psalm waarmee de boetprediker hem zoo dikwijls beangstte, daar staat ook, ja daar staat . . ..quot;
De magere oude hief nu alsof ze profeteerde, haar verdorde vingers omhoog, en vervolgde op een toon, die een geloof, maar toch een geloof met vreeze en beven verried:
âJa, daar staat geschreven:
âLoof den Heere, die al uw ongerechtigheid vergeeft. Die al uw krankheden geneest. Die uw leven verlost van het verderf. Die barmhartig is en genadig; lankmoedig en groot van goedertierendheid. Die niet altoos zal twisten, noch eeuwiglijk den toorn behouden. Die zich ontfermt als een Vader en weet van wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn.
âLoof den Heer mijne ziel. Amen!quot;
Het duurde lang eer men de oude vrouw, die met een droeven kreet bij de lijksponde was neergevallen, bewegen kon om haar zit-
ANNA KOOZE. 249
plaats bij het ledikant te hernemen, want de kamer verlaten dat, neen, dat wilde ze niet.
Het raadselachtige, \'t welk er, zoowel in de woorden der oude, als in Lijnings angst voor een boetprediker, die hem ten doode toe zou vervolgd hebben, voor Geereke gelegen was, werd voldoende verklaard, toen de oude hem op zijn nader vragen het kleine portret toonde, waarin Geereke aanstonds de trekken van den laatsten telg uit het edel geslacht der Van Koevertols herkende.
Ja, dat was het welgelijkend afbeeldsel van den reinen, den echt godvruchtigen Johan Marie. â Misschien en vermoedelijk heeft de oude baron kort voor zijn dood het portret op zulk een verborgen plek gelegd, met de gedachte dat op deze wijze het beeld van een Van Koevertol â de laatste spruit uit zijn geslacht â ofschoon ongezien, toch op De Runt moest bewaard blijven.
Op een Lijning met zijn lynx-oogen heeft de grijsaard vast niet gerekend.
Nog een geruimen tijd bezag Geereke het portret van dien bleeken jonkman met de zielvolle oogen en den ernstig geplooiden mond. En, het was hem als doorleefde hij nogmaals dien onvergetelijken plechtigen Meiraorgen, den Zondagmorgen toen Johan â schier met de doodskleur op de kaken â uit de deur der sacristie de kleine kapel was binnengetreden en den preekstoel beklommen had. Toen hij met een beminnelijke vrijmoedigheid, opgewekt misschien door de gedachte aan eigen nabij-zijnd sterven, zoo verheffend indrukwekkend heeft gepreekt â voor het eerst en het laatst â en tot tekst had die psalmwoorden vol waarheids-poëzie:
âDe dagen des menschen zijn als het gras, gelijk eene bloem des velds alzoo bloeit hij. Als de wind daar over gegaan is, zoo is zij niet meer, en hare plaatse kent men niet meer.quot;
â Neen, in die morgenure is er niemand binnen de kapel geweest, die niet een traan heeft weggewischt of met geweld onderdrukt. Maar ook, niemand was er zeker, die niet gevoelde wat grooter mysterie het leven zou wezen dan het reeds nu is, wanneer daar aan gene zij van het graf geen licht was. geen voortgaan en geen volmaking.
En â Geereke Van Uland, de vader die zijn eenigen zoon moest verliezen, hij zegent nog in stilte dien Zondagmorgen in de Mei, en het woord van dien jeugdigen prediker.
Nog een wijle blijft Geereke op het kleine portret van den jongeling staren, en hervindt er al spoedig de trekken in van een stervenden grijsaard, van zijn ouden vriend Ludolf Van Koevertol.
Grijze laatste van uw geslacht! Edel waart gij, godvruchtig, menschlievend en nederig. Maar toch, hadt gij vermoed dat uw erven uw heerlijkheid, uw geliefd kasteel zóó zouden prijsgeven, uw uiterste wil zou ongetwijfeld in een anderen vorm zijn geweest. Hadt gij kunnen vermoeden dat een man van het laagste bedrijf, door list uw geliefde woning zou veroveren, ten koste van uw jongen vriend Geereke; hadt gij kunnen voorzien dat hij de heilige plek dier woning zou maken tot het brandpunt zijner ongerechtigheid, gij zoudt uw hoofd niet zoo kalm ter ruste hebben neergelegd-
250 ANNA ROOZE.
Maar nu ook. nu zijt gij gewroken, oude man, want de laatste telg uit uw edel geslacht heeft nog na zijn versoheiden den onreinen geest verdreven van uw dierbaar erf; die eenige preek van uw laatsten en zoo geliefden kleinzoon, heeft nog vrucht gedragen en een geweten wakker geschud uit zijn diepen slaap!
\'t Gaf Anna een zoeten troost dat de oude Trien haar een hartelijk woord ten afscheid gaf. God zou haar zegenen voor \'tgeen ze gedaan had, heeft ze gezegd. Trien had niets meer noodig, niets, niets meer. â Als hij begraven was dan ging ze dicht bij het kerkhof wonen. Ze kon dat van haar eigen spaargelden doen, want voor zich zelve heeft ze bijna niets noodig gehad, en \'tgeen ze er van gebruikte dat is steeds ten behoeve van haar besten Jan geweest.
\'t Was goed dat Anna â vast besloten om die oude een beteren levensavond te bezorgen â nog een hartelijk woord van haar mocht medenemen, want, toen Geereke het rijtuig naar buiten deed komen, en hij aan Van Wall vroeg waar Oscar was, toen hoorde Anna: dat Van Breeland hem heeft verzocht de groeten aan oom en zijn logees te willen overbrengen, dewijl hij nog vóór den avond in Utrecht moest zijn en geen tijd te verliezen had.
Juist op het oogenblik dat Geerekes rijtuig de Runtpoort uit- en de larikslaan inreed, stond een dik heertje met een vreeselijk roode kleur, aan \'t einde dier laan in de nabijheid van het witte voormalige boschwachtershuisje. Terwijl hij zich de zweetdroppels van het aangezicht wischte, vroeg hij aan een boerenmeisje, die met een koffieketeltje in de hand uit het bosch kwam en hem voorbijging, of daar in dat groote kasteel niet een zekere mijnheer Martel woonde. Het meisje moest weten â zoo onderrichtte iet heertje â dat die mijnheer Martel een oud schoolvriend van hem was dien hij kwam opzoeken. Te Arnhem had hij een sjees genomen, maar ginder â en het heertje wees in de richting van den straatweg â ginder tegenover een hollen weg, met een soort van herberg in de hoogte, daar bad de voerman gezegd dat hij maar uitstappen en door die lanen naar het huis moest loopen, omdat, zooals de voerman geloofde, die weg niet kon bereden worden. Het meisje zou hem zeer veel genoegen doen, indien zij hem wist in te lichten of die mijnheer Martel daar werkelijk thuis was.
Het boerenmeisje heeft den armen man schier doen verstijven van schrik, toen zij hem met tranen in de oogen heeft gezegd, dat mijnheer Redly of Marter, zooals hij dan eigenlijk heeten moest, reeds gisteren was gestorven, doch niet hier op i)e Runt, maar, zooals zij er bijvoegde: in het huis van den dominee te Mulderspeet, een man die de liefde preekte met de hel in het hart.
Tot zesmalen toe heeft het heertje herhaald, dat het verschrikkelijk was, weet u, verschrikkelijk, omdat hij expres van Arnhem is gekomen, uit een oude betrekking op dien vriend zijner jeugd, en omdat het nu alles zoo tegenloopt, en hij wel een uur heeft ge-
ATTNA KOOZE.
dwaald in die lanen en in dat bosch, en omdat hij nu geen weg weet en de sjees is teruggekeerd.
Toen Geerekes rijtuig de beide personen tot op een twintig schreden afstand was genaderd, toen heeft het heertje opnieuw gevraagd, of hier dan niet ergens een juffrouw Looze woonde bij een zekeren baron Leereke Van Guland. Die juffrouw was ook een goede vriendin, of een goede kennis, die hij kon opzoeken. Hij had haar verleden Vrijdag met den baron te Arnhem gezien, toen ze getuigen moesten in de zaak van een kindermoordenares uit deze kwartieren, die er gelukkig goed was afgekomen. Het meisje â zoo meende het heertje â zou het wel weten en ze wel kennen ook.
â O God: een kindermoordenares!
Ja zeker, Hanneke Schoffels weet best wie het heerschap bedoelt, en als Mi méér wil weten.... Zie zie.... Daar rijden ze juist voorbij. Zie! hij zelf kan hun vragen.
En terwijl dat rijtuig voorbijreed, vlamden de oogen van het boerenmeisje naar binnen, en plooide een vreeselijke lach haar mond, en zei ze nog, wijzende op eene schoone dame, die juist naar buiten zag:
âEn misschien weten zij \'t ook wel wie voader en moeder van \'t kiend zijn dat vermoord wier en woar \'en ander veur boeten most!quot;
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Vrouw Natuur, die men straks, ter nauwernood ontwaakt, schuchter zag nader treden, ze heeft zich nu reeds getooid met haar bekoorlijkst morgengewaad.
\'t Is buiten zoo heerlijk in de Mei! zingen de nachtegalen in \'t lommerrijke bosch.
En op de hei roept het krekeltje in \'t groen langs de klare beek: Hiep hiep, \'t is Mei! en schiet weer verder in \'t mos.
En in de boomgaarden ioonen de malsche bloesems heur volle sprei, en lachen: Of ie gul is de Mei!
En daar snort en suist een bij: \'tls een zoete Mei!
En de frischgroene blaren ritselen: \'t Is vroolijk!
En teedre korenaren ze wuiven: \'t Is groeizaam!
En de klaproos in \'t zonnetje fonkelt; \'t Is warm!
En de lammeren, met hun dolzinnige sprongen, ze bietteren:
Met moeder uiers er bij, in de wei, is ie dol plezierig die Mei!
Ja \'t is overal vroolijkheid en leven. En overal is \'t mooi.
251
ANNA KOOZE.
,Zeker, overal ia \'t mooi om dezen tijd van \'t jaar: in Gelderland, in Noord-Brabant, in Friesland, in Groningen, in Drente, in den Achterhoek, aan Zee, in Zwitserland, enfin overal, maar â smijt me zoo\'n Maasstuk niet weg. Hoe vaar je?quot;
Alexander Van Wall, die op de boven-voorkaraer ,in De Boompjesquot; met z\'n mooi vroolijk Zwartje zat te ontbijten, stak, bij de laatste woorden, de hand beschermend door het geopende venster naar het Maasstuk uit, en vernam toen van Louise, in antwoord op zijn laatste vraag: dat ze vrij wel was, terwijl ze hem voor het overige geruststelde, het stuk volstrekt niet te zullen wegsmijten.
,Dominee Haverkist vond het plaatsje bij dat raam ook recht naar zijn zin Lex. Wat zat hij daar gebombeerd in jou stoel; z\'n witte das blinkt me nog in de oogen.quot;
âMij dunkt hij had het hier vrij wel nog een veertien dagen uitgehouden; hij kreeg al zoo iets alsof Rotterdam met de Maas er bij, hem in eigendom toebehoorde.quot;
,Ja alsot het ter zijner eere zoo druk was in De Boompjes. Gistermorgen wees ie me hoe ver je hier de Maas kondt zien. Hij moest me daar volstrekt eens attent op maken.quot;
âNatuurlijk hadt je dat vroeger nooit opgemerkt.quot;\'
âNeen dat kun je denken. We zijn ook pas zes jaar getrouwd.quot;
âDie drukke Willem met z\'n verheerlijkte en verliefde tronie zou me toch wat beter bevallen: met dien kerel kun je praten.quot;
âJa wel, ten minste als Emma er niet bij is. Vind je niet dat ze wat heel druk vrijen, lieve lobbes?quot;
âOnuitstaanbaar! Op onzen leeftijd hinderlijk! Om van te.... je weet wel. In één woord dégoutant! In onzen tijd presenteerden we mekaar een zoen op een blaadje.quot;
âOch, je bent zoo\'n laffe lieverd,quot; zegt Louise terwijl ze opstaat en haar Alexander een zoen geeft.
âStil, nou krijgen we \'t Goede Zwartje in een aandoenlijke scène.quot; Declameerend: âO liefste lieve lieverd. O lieve lieverd mijn! Zeg eens malle Lou, hoe kom je zoo aandoenlijk van morgen?quot;
âLex, ik heb zoo\'n pret dat we weer eens heel alleen met mekaar ontbijten.quot; Zij zet zich op den zijkant van zijn voltaire en slaat haar arm om zijn hals: âDie Mulderspeetsche preekstoel-mijnheer met de kleine echtgenoot in \'t zwart zij en op Bossche schoenen, ze drukten me zoo.quot;
âWaar?quot;
âOch loop! je weet wel wat ik zeggen wil. Ik moest zoo extra deftig en mevrouwig zijn. En dan die eindelooze commissies van de zenuwachtige mama Haverkist, en al dat raad vragen, a-propos van winkels; en die verhalen van haar dorp tot de chronique scanda-leuse toe. Neen brammetje, ik kan je zeggen dat ik zoo met jou alleen, weer heel wat ruimer adem haal.quot;
âLaat me \'t eens zien.quot;
âWat?quot;
âHoe je dat doet!quot;
âDat doe ik zóó, blonde flauwerd, zóó!quot;
252
JvrJVA t.OOZE.
,Lou! t,en je gek! Je zult me waarachtig laten stikken. Pas op! daar komt Emma aan.quot;\'
De echtgenooten stuiven uiteen. Louise zit in een oogenblik weer deftig voor het ontbijtblad. Alexander heeft de Nieuwe Rotterdammer ter hand genomen en tuurt diepzinnig op een advertentie ter aanbeveling van patent-sehoensmeer.
,Mevrouw daar is de slager,quot; zegt Mietje de huismeid.
âVleesch genoeg voor vandaag Mietje.\'\'
âDe Haverkisten zijn nog niet leeg,quot; prevelt Van Wall.
âMaar ja, \'t is waar,quot; herneemt Louise: âvoor morgen met de nieuwe logé moet je vijf ons gehakt voor balletjes en een mooie kalfs-fricandeau opschrijven.quot;
âBest mevrouw. Niets anders?quot;
âEn \'en podding met \'en rumsaus,quot; zegt Van Wall.
âGossie mijnheer, voor den slager!quot; zegt Mietje in \'t heengaan.
âWel klein ondeugend ding, hoe kijk je na dat vleeschintermezzo ineens zoo tragedie-achtig. Scheelt er wat aan?quot;
âOch die logé!quot;
âWel pop, begint de oude geschiedenis weer! We hebben immers afgesproken dat ze alleen zal eten, alleen zal zitten, alleen zal uitgaan, alleen zal slapen, enfin, sans géne â liberty all!quot;
âZonder gekheid Lex, ik kan er zoo tegen opzien. Ze moet zoo knap, zoo verstandig, zoo â enfin zoo heel anders wezen dan ik. En we hebben nu Emma ook al in huis. \'t Is tegenwoordig zoo heelemaal anders.quot;
âNiemendal aan te doen blond Zwartje. De kinderschoenen beginnen ons wat klein te worden. Nu we ongemerkt tot de jaren van onderscheid kwamen, en we oom en tante van een geëngageerde nicht met derzelver aankleve zijn, nu dienen we ons maar in postuur te zetten, en de verdere slagen van \'t lot met gelaten blijdschap te dragen. Eerst hadden we den galant, toen de aanstaande schoonouders; en nu, in afwachting van de vier zusjes en de drie broertjes â die uit den ellenwinkel te Kampen meegerekend....quot;
âLex niet zoo langdradig!quot;
âIk herzeg â volgens dominee Haverkist â in afwachting van al die lieve familie, en al de vogels uit de volière, krijgen we nu \'t eerst vriendin N0. één. â Neen, maar op m\'n woord Goeje Zwartje, \'t is een lieve aardige meid.quot;
âAardig dat geloof ik niet. Is ze vroolijk? Neen baasje, jou aardig beteekent mooi. Op dien dag toen ze hier met haar papa heeft gegeten, toen was ze nog al prettig, als ik me wel herinner; maar sinds al die geschiedenissen, daar je me nooit het rechte van vertelt, moet ze zoo Emma-achtig zijn geworden, zoo verheven....quot;
âPop, als je jaloersch wordt dan ga ik waarachtig een bril dragen.quot;
âKom malle vent, met je dreigementen. Ik ben net zooveel jaloersch als jij, maar zoo\'n deftige, wijze logé aan den praat te moeten houden, dat zou me op den duur ziek maken.quot;
Van Wall deed weer zijn best om het lieve wijfje dat opzien tegen de knappe verstandige logé uit het hoofd te praten. Waarlijk,
253
254 ANNA KOOZE.
Emma had er veel meer drukte van gemaakt dan het werkelijk was. Willem Haverkist heeft zelf gezegd dat Emma een beetje overdreef; hij herinnerde zich immers toevallig een gesprek, waarin ze zelfs getoond had niet zoo bijzonder veel te hebben gelezen. Van Wall geloofde dat het iets was geweest van een Fransch ingenieur uit de zeventiende eeuw. Verstandig, nu ja; maar was er ter wereld iets verstandiger dan vroolijk en altijd tevreden te zijn zooals zijn lieve Lou? â En mooi! wie ter wereld durfde tegenspreken dat er maar een, één enkel exemplaar zooals het Goeje Zwartje in \'theele land was!
Alexander zat nu op een knie gehurkt bij Louises stoel, en schoof den thee-emmer â die zoo stoomde â een beetje op zij, en kuste de kleine mol op haar snoeperige handjes.
Louise lachte: \'t Was ook eigenlijk mal er tegen op te zien. Dwaze jaloersche buitjes mocht ze niet meer hebben. Was het niet om vijftigmaal rond te walsen van plezier, dat men in \'t zevende huwelnksjaar nog zoo smakelijk kon vrijen en kinderachtig zijn. Och, die dwaze Lex was zoo\'n eerlijke malle beste vent. Hij heeft graag gewild dat die vriendin zou komen, omdat â ja omdat Emma het gaarne wilde, en neef Geereke heeft geschreven dat het voor juffrouw Rooze zoo hoogstweldadig zon wezen.
âWaarom toch zoo weldadig Lex? In ernst! Nü niet met een aardigheid van afmaken.quot;
âBlond Zwartje, zul je haar dan heel lief vinden en haar stellig opmonteren?quot;
âWel zeker! laat hooren?quot;
âOmdat. ... Neen ik zeg \'t je niet.quot;
âDa\'s laf!quot;
âOmdat----Z\' is in de vermepping, Lou!quot;
âWaardoor?quot;\'
âOch praatjes. â Enfin, ze heeft het land.quot;
,Da\'s geen reden. Een hopelooze liefde misschien?quot;
âJij denkt altijd aan verliefdheid, klein ding. â Och ik kan \'t je niet zeggen. Praatjes.quot;
âToe lieveling, zeg \'t me maar?quot;
,\'t Zou je een verkeerden indruk geven. â Neen, ik doe \'t niet, neen! â Sapperloot \'t is bij tienen! Ik moet naar \'t kantoor.quot;
âBen je mal, \'t is nog geen negen. â Lex, met zulke uitdrukkingen van verkeerden indruk geven, en door die achterhoudendheid geef je me juist een heel verkeerden indruk. Zeg, is er iets dat----?quot;
âZul je net doen Lou, alsof je d\'r niets van weet?quot;
âOp m\'n woord van eer!quot;
âEr tegen niemand iets van zeggen?quot;
âGud, dat spreekt.quot;
âEen hand.... ?quot;
âDaar een zoen. Welke praatjes dan Lex?quot;
âOch kind â geherrie.quot;
âGeherrie?quot;
ANNA BOOZE. 255
âJa, allerlei.quot;
âMaar zeg dan wat!quot;
âOch, de kool is de sop niet waard.quot;
âLieve beste blauwe hemel! als ik nu niet toon dat ik een Jobsgeduld heb....quot;
âDat dacht ik precies al! \'t Is \'en mooie oefening; dat motje nog wat zien vol te houen. Je weet hoe Job door z\'n fermiteit later in royalen doen kwam.quot;
.Spotten vind ik niet aardig. En, nü eens in heuschen ernst Lex, ik wou dolgraag dat ie me zei wat er van de logé wordt gepraat, die ik onder m\'n dak zal hebben, en die misschien twee drie weken mijn vis-a-vis zal wezen.quot;
âOók in ernst, ernstig Zwartje: het strijdt me om \'tje te zeggen.quot;
,A la bonne heure. je begrijpt lieve vrind, dat ik met in de wieg ben gelegd om doodbedaard een week of wat tegenover een geheim te zitten. Je kent me dan ook genoeg, dat ik zoo vrij zal wezen om van de eerste gelegenheid de beste gebruik te maken, en eens ronduit poolshoogte zal nemen.quot;
âDat zul je wel laten, kleine bromtol!quot;
âNeen zeker niet. Haverkisten met witte dassen kan ik desnoods verdragen, maar mysteries met mooie gezichtjes niet meer, mannetje. Ik heb aan broer Willems mysterie genoeg gehad.quot;
âZwartje, ik heb je nog nooit zoo ... zoo ... enfin zóó gezien. Beloof je me, als eerlijk lief trouw wijfje, dat je in allen geval heel aardig tegen haar zult wezen â dat wil zeggen heel ordinair, en dat je er nooit van zult spreken ?quot;
âHeusch lieveling, zeg \'t gerust.quot;
âNooit één woord?quot;
âNou wordt je langdradigheid onuitstaanbaar.quot;
âBoe boe boe! â- Hoor, als ik nou werkelijk langdradig of beter langtongig word, dan is het jou schuld. Zie Lou, ze leuteren in dat wauwelige Mulderspeet, dat Geereke wel wat heel beleefd voor
i\'uffrouw Rooze is geweest; dat moet hun allebei ter oore zijn ge-:omen, en â Basta! Nu geen woord er meer over. Je hebt me het mes op de keel gezet. Ik zou waarachtig haast kwaad op me zelf en kwaad op jou kunnen worden.quot;\'uffrouw Rooze is geweest; dat moet hun allebei ter oore zijn ge-:omen, en â Basta! Nu geen woord er meer over. Je hebt me het mes op de keel gezet. Ik zou waarachtig haast kwaad op me zelf en kwaad op jou kunnen worden.quot;
âHebben ze dat gepraat, dat van neef en van Emma\'s vriendin? Da\'s gemeen!quot;
âFlink zoo; gemeen hé?quot;
âZoo iets â als ik je goed begrijp â is indigne!quot;
âJa wel, je begrijpt me precies. Ik vind het driemaal indigne! En ze moet er bepaald onder gebukt gaan. Haar logeeren in \'t cirque Marnix schijnt haar wel een beetje te hebben opgefleurd, maar Geereke schrijft toch dat een opgewekte omgeving haar veel goed zal doen.quot;
âDat bekladden van mooie meisjes Lex, \'t is om dol te worden! Altijd heb ik de lieve vroolijke Jeanne voor me, die met Worms, ie weet wel, den naam kreeg, en binnen \'t jaar aan de tering wegkwijnde, ofschoon ze altijd de reine onschuld gebleven was. Ja die
\'256 ANNA BOOZE.
Verheull met z\'r. prenten heeft het goed geschetst! Ik kan je zeggen dat ik er heelemaal van gloei! â We moeten \'t haar heel plezierig maken: Woensdag naar den Haag; naar \'t Bosch!quot;
.Nog niets te doen kind.quot;
,Dan naar Scheveningen.quot;
.Zee-representaties zonder accompagnement Bortgortschek!quot;
,Da\'s \'t zelfde. We zullen rijtoertjes met haar maken; een leven van vroolijke Fransje beginnen. Van Wall en compagnie moet in compagnie voor de zaak spannen, en zelf met de dames rossen. Bij voorbeeld, naar den Leidschendam, of â hoe heet \'t â naar de Geesbrug. \'t Is gauw Haagsche kermis, \'t Paardenspel, ja \'t paardenspel! Lex, we moeten overal met haar naar toe.quot;
âMet de vieren of zessen?quot;
,Hoe meen je!quot;
,Of je met vier- of zesspan verkiest te rijen?quot;
.Doodeenvoudig met twee: maar een beetje uitgeslapen paarden, en \'t mooiste rijtuig, dat bij Houtman te krijgen is.quot;
,Dus ⢠⢠⢠dusse ... we zijn in geen ... hum hum.... dat het rijden misschien voor mevrouw.... hum hum....?quot;
Over Louises lief en opgewekt gezichtje verspreidt zich eensklaps een droeve tint. Ze ziet Alexander met haar vriendelijke oogen aan alsof ze zeggen wil: Daarmede te spotten dat doen we toch niet! En ze voegt er bij:
âOch; ik had er nu juist den heelen morgen niet aan gedacht. Je moet daar nooit meer gekscherend over praten, Lex!quot;
âZwartje, gekscheren? \'t Is zoomin bij me opgekomen als een onweer.quot; â Hij streelt haar de wang, en zegt zacht: âWat we wenschten dat wenschten we samen hé, en wat we missen moesten dat missen we ook weer samen nietwaar, da\'s de compagnieschap!quot;
âLieve man, weet je \'t wel: ons laatste engeltje zou gisteren al acht weken oud zijn geweest.quot;
âEn onze eerste jongen al voor een paar maanden vijf jaar, goed schepsel! Maar, marsch met dat traantje! Een, twee, drie! \'t Zal zoo wel goed wezen. Misschien zijn we nog te kinderachtig om zelf al kinderen te beheeren. Neen neen, ingerukt met dat zilte nat! Verduiveld, als Emma kwam dan zou ze denken dat we ruzie hadden, of nog bedrukt over \'t vertrek van de aanstaande familie waren. Kom, kijk weer vroolijk, best Zwartje. â Jammer hé dat Haverkist geen beurt van Oosterzee heeft kunnen krijgen. Driemaal heeft ie hem niet thuis getroffen, \'t Was nog een academievriend, zeidie. Zie zoo, lach maar weer eens. â IJselijk jammer, vind je niet? Kom meidlief, geef me nog eens een zoen, en dan maar weer hopen. Zoo als \'t gaat zoo zal \'t wel goed wezen hé?quot;
âAls ik dat niet geloofde lieverd, dan zou ik geen vroolijk uur meer op de wereld hebben. Maar och, ik had er zoo graag een behouden ; ja, al was \'t er maar één geweest. Gisteren droomde ik nog dat ik in \'t park wandelde, de baker naast me, met kleine Manetje in de mooiste lange kleeren op den arm; en toen kwamen va Mina Roels en Wilbert en de Vaste en bijna al de kennissen
ANNA ROOZE.
tegen, en ze zeiden allemaal in \'t voorbijgaan: \'en beeldig kindje, Louise! O Lex, en toen ik daarop wakker werd
âToen kon je thee voor dominee Haverkist gaan zetten.quot;
âJij hebt altijd dwaasheid.quot;
âIk? -â Wies, weet je wat ik droomde dien zelfden nacht,of een anderen nacht dat doet er niet toe?quot;
âGeen malligheid!quot;
âOp m\'n woord niet. \'t Is alsof ik \'t nog zie. Hier bij voorbeeld zat ik op \'t kantoor voor m\'n lessenaar. Brons viel achterover van z\'n stoel, morsdood. Ik riep â en ik hoor \'t nog: Daar leit m\'n kompaan! Waar ie bleef dat weet ik niet, maar zijn kantoorstoel die leeg stond, begon op eens naar boven te draaien, al hooger en hooger. Aan de schroef kwam geen eind. De stoel raakte den zolder; \'t ging er door heen, maar een oogenblik later draaide ie weer naar beneden, en toen... toen.... Och, \'t is afgesukkeld kinderachtig, \'t is ... Wat zijn we laf met onze droomen hé? Droomen is bedrog . quot;
âEn toen die stoel weer naar beneden kwam. Lex?quot;
âWat blief? â Toen ie naar beneden kwam? Ja verduiveld, \'t was toch een aardig gezicht; toen. .. . toen zat er een jongetje op. \'t Was een nieuwe compagnon; en hij draaide zich om en zei: Goeje morgen papa. â Lief dier! Zie. \'t ging me dwars door de ziel dat goeje morgen papa! â Zeg Loutje, wil je nu die tranen wel eens sapperloots gauw in je zak steken. Denk je dat ik je daarom m\'n leugens vertel.quot;
Louise schreide. â Op zulk een bewogen toon spreekt Alexander letterlijk nooit. Ach, droomen is bedrog. Men moet het immers andersom uitlegggen! Viermalen reeds werd de hoop zoo bitter teleurgesteld, en, wie weet of dat geluk haar wel ooit zal beschoren zijn!
Van Wall, die nog op een knie gebogen bij Louises stoel zit, legt zijn hoofd in haar schoot, en \'t vrouwtje terwijl ze naar buiten staart, rolt met haar klein handje in gedachten mannetjes oor op, maar â \'t springt telkens weer los.
Zoo worden ze door Emma verrast. â Emma is bij het zien van dit huiselijk tafereel blijven staan, en zegt verlegen:
âMorgen oom, morgen tante. Goed geslapen?\'-
De tante heeft een zeer rood kleurtje nu ze Emma wederkeerig goeden morgen wenscht. Alexander, ofschoon inwendig een beetje in de war, blijft echter in dezelfde houding liggen en fluistert:
,Goeje morgen! Susst! Oor-magnetisme! susst!quot;
âStoor ik u misschien tante.... oom?quot;
âJa om je de waarheid te zeggen,quot; antwoordt Van Wall terwijl h5. overeind komt en opstaat: âje hebt den galvanischen stroom wel zoo\'n klein beetje verbroken, maar \'t is niemendal, \'tis al beter, dank je.quot;
âHadt u oorpijn oom?quot;
âDa\'s te zeggen links, ja wel, maar een beetje lager. Tante maakt zich al te gauw ongerust, zooals je aan d\'r oogen zien kunt. Ik zeg VI. 17
257
ANNA BOOZE.
maar, geen moed verliezen; wat zeg jij blond ultra-orthodox verliefd lang slaapstertje?quot;
Emma met een blos:
âJa tante, daar heeft oom gelijk in, altijd maar moed houden.\'-
âHoor je wel kind! en \'t is je eigen ultra-orthodox verliefde nicht die het zegt. â Niet van \'em gedroomd blondje?quot;
âVan wien ... oom?quot;
, Bad-hotel N0. 12.quot;
âVan Willem? Och oom! â Hebt ü al ontbeten? Mag ik dan zoo vrij zijn....?quot;
âHoe is \'t, bidt jij niet meer blondje? Wel afgemopperd, pas zoo kort uit het klooster!quot;
âOch oom, Willem zegt dat het eigenlijk dwaasheid is, en hij heeft heusch gelijk, het eten staat er immers. Ik heb er zoo geen verstand van, maar, Willem zegt ook dat Onze Lieve Heer al dat dom gebedel wel mooi vervelend moet vinden. Het eenige zegt Willem wat een mensch te vragen heeft is: eenswillendheid met God! En zooals Wim het uitlegt â ik kan \'t niet helpen â ben ik het heelemaal met hem eens.quot;
âOch kom, dat zal ie apprecieeren, \'t is een heele steun en tiiumf voor \'em.quot;
âEmma-lief, je moest Willems denkbeelden toch niet al te onvoorwaardelijk overnemen,quot; zegt Louise zacht: âje weet dat ik geen kwezel ben, maar heusch, \'t is soms erg verfrisschend bij Onzen Lieven Hear, zoo in stilte eens te kunnen bedelen en zachtjes te malen â och, al weet je haast zeker dat het niet helpen zal.quot;
âJa beste tante, maar Wim zegt dat het niet verstandig is, en....quot;
âMij dunkt blondje,quot; herneemt Van Wall: âwe moesten dat punt door de heeren van de Synode in den Haag maar laten uitmaken, die worden er voor gedefroyeerd. Jij bent zooals ik zie van het echt ouderwetsche Nederlandsch-Orthodox- Roomsch- Joodsch- Luthersch geloof: Ieder houdt \'t met zijn eigen vrijer! Ik zeg maar kind, \'t is goed als ze zich er altijd bij houden; :t speldengeld wordt later zoo dikwijls aan haken en oogen besteed. â Kijk kijk, dat kind op die kof! Kijk Lou, da\'s aardig? Wel verdekseld da\'s aardig!quot;
De beide dames keken naar buiten.
Op het dek der kof bij den bezaansmast en ter zij van de hut, zat een vrouw aardappels te jassen. Telkens als zij er een geschild had, gaf ze den aardappel aan een klein kind, dat hem, met moeite omvattende, en telkens kraaiende van plezier, in den emmer liet vallen, en dan de waterspatjes van \'t neusje wegwreef.
\'t Was niet vreemd dat Louise en Alexander er langer naar keken dan hun mooi blond nichtje. Neen, Emma zag niet meer naar het kind op het kleine schip, dat naast een groot campagne-fregat, tegenover het huis, in de Maas lag, maar keek al spoedig langs de huizen door het gewoel van wagens en karren De Boompjes in. â Hij kwam niet voor elven, maar je kondt niet weten. Zoo\'n lieveling!
âSedert eergisteren dat die kof daar ligt, heb ik er gedurig mijn pret in Lex, zoo aardig als die moeder met dat kind is.quot;
258
ANNA EOOZE.
âNiet onnatuurlijk!quot;
âNeen, \'t is zoo\'n dot van \'en kind. Kijk nu dat lieve ronde bak-kesje! O jé daar doet het zich \'t handje op den emmer zeer. Och dat bedroefde gezichtje! Kijk daar komt de bruine Oostzeevaarder de hut uit. Zie, die zoent het weer af. Och! je kunt door al dat wagengerij heen toch het vroolijke kraaien weer hooren. \'t Leed is vergeten.quot;
,Da\'s \'t ware Lou! Heel aardig nietwaar?quot;
âOch ja Lex, wel aardig, heel aardig!quot;
TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Louise Van Wall is er over uit, zoo lief en verstandig en voor komend als haar nieuwe logé is. Vroolijk â neen, dat is ze niet. Maar ze lacht toch dikwijls om Lex â die altijd nog maller is wanneer er vreemden zijn. Ãn, mooi is ze ook! â Ja, mooi! â Louise moet het eerlijk bekennen. Al was Alexander gisteravond bij\'t naar bed gaan ook laf genoeg om den heelen tijd te zeggen, dat zij â Louise â oneindig en onuitsprekelijk veel schooner en slanker en, enfin al die dwaasheden meer was, Louise ziet drommels goed dat het er geen handbreed naar lijkt. Zelfs Emma wordt, bij Anna gezien. niet veel meer dan een mooi wassenpoppetje, en, wat zou dan een vrouw met campagnejaren!
Louise is waarlijk een beetje trotsch op haar prachtige logé. Ze zal fureur maken!
â Lex denkt wel eens dat ze jaloersch is, maar als ze dat waarlijk was, dan zou ze immers nu niet zoo ingenomen met dat logétje wezen. Neen! nietwaar? En voor Lex, dien trouwerd! is ze net zoo min bang als voor zich zelve. Een man mag toch wel mooi vinden wat mooi is! En eerlijk gezegd, opgevijzeld heeft hij juffrouw Rooze in \'t geheel niet. â Wat is die Anna, sedert ze hier vroeger met haar vader was, nog fameus veranderd. Toen had ze nog zoo iets meisjesachtigs, maar nu â Louise moet den heelen tijd naar haar kijken â zoo iets om \'t oog niet van af te hebben. Alleen die lijdende trek als ze zoo stil zit te kijken, doet kwaad. Dat is het litteeken van den slangenbeet. Ha! Louise weet wel raad om hem weg te krijgen. Opvroolijken! En dan, ze had al een drietal geformeerd: De Vaste, Melchior en De Boord! Een van die drie moet zorgen dat er spoedig een ander, en een waar praatje in de wereld komt. Ja, da\'s een uitmuntend middel!
âNeen, veel menschen zien we niet Anna. maar toch eenigen, meest familiaar. Onder anderen zul je zeker een mijnheer en mevrouwtje Ziechel-Pruit bij ons ontmoeten; mijnheers jongste broer
259
ANNA ROOZE.
is een allerdegelijkst jong mensch; pas compagnon in een fameus mooie zaak geworden; woont met twee ongetrouwde zusjes, en heeft heel lieve, zeer vaste principes. Dan hebben we de Van Oilhansjes, dolvroolijke menschen; de Wilberts, wel een beetje hautain voor Rotterdammers, maar razend geestig. Verder mijnheer Löwendal, jong associé van Berens en Zoon, heel knap, en gefortuneerd, en vreeselijk voor de verlichting. Ja wel, ook voor de beschaving, maar eigenlijk bedoel ik gasverlichting. Hij telt nooit kwartieren in de wapens, zooals Van Wall zegt. maar altijd de gaspitten op diners of soirees. Daarom heeft Van Wall hem Melchior genoemd. Waarom precies dat weet ik niet.quot;
âMisschien,quot; zegt Anna, âomdat Melchior lichtkoning beteekent; toevallig heb ik dat laatst eens gelezen.quot;
âJuist juist! Lichtkoning. Gud ja, da\'s dol! â Nou lieve kind, je zult \'em zeker zien; \'t is anders een allerfatsoenlijkste knappe jongen; respectabele familie! En dan de Boord.... Och guns, ik meen. ... Ja, zie je, dat viel me zoo uit den mond. Ik bedoel een neef van Alexanders compagnon, den cargadoor Brons, iemand met buitengewoon nobele principes; zeer letterkundig, zelfs in de Hol-landsche Maatschappij van \'t bestuur, en iets van \'t nieuwe leesmuseum. Omdat ie altijd zulke vreeselijke Engelsche boorden draagt, zegt Alex wel eens en badinage: de Boord, maar anders: chic! Mij dunkt hij zal erg in je geest vallen; ook diaken bij de Franschen of Remonstranten, in allen geval een prettige degelijke jongen, en ze zeggen: bij al \'t geen ie heeft, nog drie ton te wachten, en.. ..quot;
Louise bloosde vluchtig. Ze gevoelde eensklaps dat ze in haar ijver om dat prachtige meisje dien lijdenden trek van \'t gelaat te verdrijven, al wat ver was gegaan. Zich onmiddellijk herstellende, vervolgt ze op natuurlijk luchtigen toon: âEn dan hebben we de Rosiers, de Brummelstorfjes, de dames Diephuyzen, en de Roels, allemaal volkje van onzen leeftijd, dat wil zeggen zooals Lex en ik: in, of op reis naar de dertig! Ja heusch, ik ben al zes en twintig m\'n lieve kind. Jij achttien, nietwaar?quot;
.Juist de vorige week negentien geworden, mevr... Louise. Ik vond het zoo heerlijk, dien dag op de Riethof te kunnen zijn. Maar toch, er was zooveel droevigs! Een lieven ouden tuinman zag ik dien dag voor het laatst. Al mocht ik hem nog troosten en, met het oog op een beter leven, nog moed inspreken, het eeuwig verloren beangstte hem zoo vreeselijk â doch, tot mijn blijdschap, ten laatste niet meer. \'s Anderendaags is de goede Adam kalm gestorven. En dan op dien dag zonder mijn lieve Emma te zijn, dat gaf me ook een leegte die....quot;
âDie hier eigenlijk zal voortduren Anna, tot dat de heer theologant Rotterdam zal hebben verlaten. Ze schijnen het uitzicht in de binnenkamer bijzonder mooi te vinden. Emma is telkens en extase over de gelijkenis van onze portretten die er hangen, en over het makkelijke van \'t canapétje; ze kan van \'t een en ander niet scheiden â hum, als Willem er mee van geniet.quot;
,\'t Was waarlijk een zegen dat ze bij die droeve gebeurtenissen
260
ANNA KOOZE.
haar Willem had,quot; zegt Anna: âHet gevoel, zoo innig bemind te worden, heeft haar de smart gemakkelijker doen dragen. Zij is gelukkig, en dat verheugt me meer dan ik u zeggen kan.quot; â¢
Anna zag naar buiten, \'t Was een vroolijk gezicht: dat blinkende water met al zijn groote en kleine schepen; die beweging op en voor het kolossale campagne-fregat waaruit de lading gelost werd; die blanke zeilen ginds, en die stoombooten van nabij en verre, met haar groen en wit, met haar wapperende vlaggen en wimpels, meestal rood tegen den blauwen hemel, met het schuim onder de raderkassen en de lange zwarte rookpluimen, langzaam wegsmeltende in de lucht, \'t Was een vrooliik gezicht, altijd levendig, zoowel op het water als aan den wal, maar, â Louise meende wel duidelijk te zien dat die vroolijkheid volstrekt geen vroolijkheid wekte, want, terwijl Anna zoo naar buiten zag, was de lijdende trek nog sterker op haar beeldig gezichtje te zien.
â Het lieve kind gaat onder de lasterlijke praatjes diep gebukt, dat is zeker! denkt Louise: En bovendien, eerst door zoo\'n voogd bestolen te worden; toen al die scènes, waar ik \'t fijne niet eens van weten wil; daarna de dood van haar beminde â ofschoon ik me niet begrijpen kan hoe ze zoo doodelijk van Ernst heeft kunnen zijn. Later een krankzinnige tante; toen weer die geschiedenis voor de rechtbank over die Mulderspeetsche â alles behalve voor een jong meisje! â eindelijk zulk laag gebabbel! En dan, geen ouders, geen broers of zusters te hebben in de wereld! Je eenige vriendin â allerliefst-lief, maar per slot van rekening het zoete schootpoesje van een bijzonder verliefden student â ontzettend verzot op portretten in achterkamers, en de mooie natuur, bij voorbeeld in de Plantage! Neen, â Louise moet eerlijk zeggen dat ze in Anna\'s plaats nog veel minder zou lachen. â Geïsoleerd te staan in de wereld, dat is het vreeselijkste wat je hebben kunt. Louise zelve heeft bij eigen leed, toch altijd een steun aan haar dwazen maar zoo dierbaren Alexander gehad.
â Enfin, ik zal haar de hand boven \'t hoofd houden, zegt ze nog eens bij zich zelve; mijn vertrouwde, mijn vriendin zal ze wezen. En dan, ja, een vrijer moet ze hebben! â Morgenavond menschen! en, de eerst geinviteerden zullen wezen: De Vaste, Melchior en De Boord!
Die goede Louise! Ze is waarlijk geen koppelaarster, neen, ze vindt het in den regel âopgewipt vervelend als ze oude vrijsters met het bindgaren bezig zietquot;, maai- nu, ze denkt er niet aan dat hier van iets dergelijks kan sprake zijn. De lieve bedrijvige opgeruimde ziel wil Anna weer vroolijk maken; ze wil haar een steun geven, welnu: De Vaste, Melchior, of De Boord!
Maar het aardige vrouwtje weet zoomin als iemand ter wereld, wat die schoone bloem het meest heeft geknakt, en wat haar den ganschen dag met geweld deed strijden om het hoofd te beuren en sterk te blijven met de gedachte: Wat in de wereld geschiedt moet in het verband veler dingen goed zijn en de wil van God.
Aan niemand, zelfs niet aan haar moederlijke vriendin, heeft Anna
261
262 ANNA ROOZE.
haar leed kuunen klagen. Wel had zij gedacht dat ze er toe komen zou, maar de diep melancholische stemming, waarin zij Marnix, na het gebeurde te Mulderspeet, op De Riethof had aangetroffen, deed haar van besluit veranderen, en heeft haar tot troosteres gemaakt, terwijl ze zelve zulk een behoefte aan troost had.
Maar \'t was ook beter dat niemand, niemand ter wereld wist wat last ze torschen moest. Donkere dagen heeft ze sinds den laatsten herfst doorleefd. Maar, als een stikduistere nacht komt haar de morgen na oom Lijnings sterfdag voor den geest, de vree-selijke morgen toen zij met een blos van verrukking den brief heeft geopend, waarvan ze de hand op het adres had herkend, doch waarvan de inhoud haar met gloeiende dolken in het hart heeft gewond. \'t Was een brief van Oscar Van Breeland, en hij heeft geschreven:
âZeer geachte Mejuffrouw!
âDe bewijzen van vertrouwen mij vroeger door u geschonken en steeds zoo hoog door mij gewaardeerd; de betrekking, waarin ik tot u, als uw zaakgelastigde uit eigen keuze, mocht staan, en bovenal de achting, die ik voor uw persoon en karakter blijf gevoelen, ze geven mij vrijheid, ja, ze leggen mij de dure verplichting op, om u, alvorens voor langen tijd naar het zuiden te vertrekken, met mijn afscheidsgroet een vriendschappelijk maar tevens een ernstig woord ter waarschuwing toe te zenden. Ja, ik gevoel dat het mijn dure plicht is, om Anna Rooze te waarschuwen voor de mogelijkheid dat men schaamteloos haar reinen naam zal kunnen bekladden. Haar verblijf op De Renghorst en haar onschuldig vertrouwelijke omgang met een vaderlijken gastheer â wiens vrouw niet herstellen zal â geven der kwade wereld sclierpe en zeer venijnige wapenen in handen. Ik gloei van verontwaardiging bij het bedenken dat een reine naam door onreine lippen kan worden belasterd. Maar ook, met verslagenheid sta ik voor het raadsel: hoe zulk een vaderlijke gastheer weldaden kan bewijzen, in de hoop dat men hem zoo duur zal betalen.
âIk weet het: Uw geestkracht zal zich aanstonds verheffen boven de smart, die dit woord u veroorzaakt, en u reeds in hetzelfde oogen-blik naar het middel doen grijpen om alle logen en laster te voorkomen of te bestrijden.
,Vroeger, juffrouw Rooze, mocht ik uw vertrouwde, uw raadgever zijn. Luister dan nog eens naar mijn woord: Verlaat De Renghorst, en â moet het wezen â keer er eerst later, veel later terug om den vaderlijken vriend uw dankoffer te brengen.
âAan u en niet aan den baron Geereke, mijn oom, heb ik geschreven, omdat ik weet dat gij kloek zijt van geest, en ik bovendien zeker wilde zijn dat mijn waarschuwend woord u geworden zou.
âWaarachtige belangstelling moet door Anna Rooze worden ver-
anna roozb.
staan, en â zij het denkbeeldig â ongetwijfeld zal zij een groet willen nazenden aan
Hotel de Zon, Arnhem, oscak van bbeeland.quot;
6 Maart 1860.
â Ach! hij beminde haar niet meer. Deze brief gaf haar dan zekerheid; dat is de eerste indruk geweest. Hij beminde haar niet meer, ofschoon hij haar nog achtte en belang in haar stelde. Zij heeft zich dan niet bedrogen dat zijn koele houding te Arnhem haar dit reeds zeggen moest; dat zijn schier lompe bejegening bij Marters sterfbed en na oom Lijnings dood, alle denkbeelden aan vroegere genegenheid bij haar heeft moeten uitwisschen. â Nu heeft ze dan zekerheid, en ofschoon ze haar treft tot diep in de ziel, zoo is die zekerheid schier te verkiezen boven de gestadige slingering, waaraan haar arm hart â dat slechts ééns beminnen kan â nog gedurig ten prooi is. â Was het dan ook niet al te dwaas geweest, om nog aan Oscar te denken, nadat ze hem afgewezen en haar hand aan Ernst Geereke geschonken had. Ha! Nu had ze zekerheid!
Maar, slechts een oogenblik heeft die gedachte haar met bitteren weemoed vervuld. Een ander, een nog pijnlijker gevoel heeft haar eensklaps overweldigd.
Ook zij, zij gloeide nu van verontwaardiging.
Oscar Van Breeland â in haar oogen schier het ideaal van mannelijke volkomenheid; de helderziende advocaat die gezegd heeft; dat\'een oordeel slechts mag steunen op grondige kennis na degelijk onderzoek, hij ontzag zich niet om haar op deze schrikkelijke wijze te waarschuwen en raad te geven. â Was het geen vreeselijke smet, dien hij met bedekte woorden op den edelsten der menschen wierp! Waarvan verstoutte hij zich dien reinen, dien onuitsprekelijk goedaardigen man te betichten! Ja, Anna heeft ook âvan verontwaardiging gegloeidquot;, niet slechts dewijl Oscar Van Breeland haar een oordeel deed kennen waaraan ze nimmer zou hebben gedacht, maar bovenal dewijl hij haar vrijsprak ten koste van een man als die edele vriend!
â De bedroefde vader, de trouwe echtgenoot, deed hij dan niet alles wat hij vermocht om het herstel van zijn Kunira te bevorderen? Waren het niet zijn eigen woorden; dat het hem wezen zou alsof zijn Ernst hem ten tweeden male ontnomen werd, wanneer hij zijn lieve vrouw moest verliezen? Drong hij er niet telkens bij zijn Kunira op aan om den zomer met hem te Soden, en den winter in \'t Zuiden van Frankrijk te gaan doorbrengen, er bijvoegende dat D e Renghorst nu immers toch zulke ,goede bewoonstersquot; had?
â Was er ooit in woord of blik zelfs de geringste schijn geweest, die een vermoeden als dat van Oscar zou kunnen rechtvaardigen? Heeft de man, die ter liefde van zijn Ernst zich zooveel opofferingen getroostte â de voornaamste misschien door zich voor het oog der geheele wereld, d-e nabestaanden en de zaken van een Lijning
263
AUNA ROOZE.
aan te trekken â heelt hij ooit.... Maar genoeg, Breelands woorden hebben Anna met een namelooze droefheid vervuld; en, al het geledene wordt door de smart overtroffen, die haar nu in het harte nijpt.
Oscar Van Breeland is voor haar verloren: hij zal haar een vreemde zijn: want terwijl een onbeschaafde wereld misschien nog van verre mompelt en lastert â Anna kende immers die wereld reeds â daar ontziet zich de man met zijn schoone beginselen niet, om op valschen, gansch valschen grond, een schotschrift te richten tot haar, en laaghartig het vonnis te vellen over den oom, die haar zelfs nog kort geleden als zijn dochter aan het hart drukte en zeide: âJa, Oscar Van Breeland zal de man zijn die je gelukkig kan maken. God geve het!quot;
En Anna heeft teruggeschreven:
âHoogwelgeboren Heer!
, Wij weten dat het oordeel der wereld vaak liefdeloos en onrechtvaardig is. Vroeger heb ik van u geleerd: in het oordeel-vellen voorzichtig, zeer voorzichtig te zijn. Gij zijt op verregaande wijze ontrouw aan uw eigen stelling geworden: Veroordeel niet tenzij het bewijs van schuld werd geleverd.
Ken reis naar \'t Noorden zou misschien weldadiger voor u wezen â of neen, beter ware gewis een snelle tocht naar De Eenghorst. om u te verootmoedigen voor den oom, wiens grootmoedig hart zelfs de grofste beleediging zal kunnen vergeven.
Den dank, dien ik u verschuldigd ben, vergeet ik niet; doch, wie den man durft hoonen, die niet alleen gezegd heeft, dat hij mijn tweede vader is, maar die het ook toont, die stelt zich tusschen het ouder- en kinderhart, en verdient achting noch groete.
ANNA BOOZE.quot;
Doch dien brief, in de eerste opwelling van haar liefdevol hart geschreven, ze heeft hem nagelezen en verscheurd.
â Wanneer ze zóó schreef, zou het dan niet den schijn hebben alsof ze den geliefde een uitnoodiging zond om naar De Reng-horst te komen. O die wantrouwende wereld! â Wanneer ze zóó schreef, zou ze dan Geereke niet met het schrijven van Oscar bekend moeten maken, en, zal ze dat mogen, zal ze dat kunnen doen\'? â Onmogelijk! Hem opbeuren, hem troosten en bemoedigen, dat wil ze. Hem één oogenblik leed veroorzaken â nimmer!
De brief is verscheurd. â Anna zal zwijgen! Onwaardig schrift beantwoordt men niet. Die jonkman met zijn heldere begrippen van recht, moet uit zich zeiven terugkomen van zijn dwaalpad. of anders zal de tijd rechter worden.
Ja. sedert die beide sombere dagen, toen Emma\'s vader en oom Lijning zijn gestorven, sedert die dagen heeft Anna, hoeveel strijd het haar Kostte, zich reeds aan het denkbeeld met onderwerping zoeken te gewennen, dat Oscar voor haar verloren was.
264
ANNA BOOZE.
Immers bij zijn laatst verblijf te Mulderspeet heeft Oscars koelheid zelfs den baron getroffen, en dezen doen veronderstellen dat Oscar, wiens genegenheid voor Anna hij niet betwijfelde â de treurige omstandigheden in aanmerking nemende â zich te veel heeft willen beheerschen en daardoor onnatuurlijk is geworden.
Dat hij in De Ploeg verkoos te logeeren, meende Geereke â-het pleitte voor zijn kiesch gevoel. Maar, dat overhaast vertrek naar Utrecht, zonder zelfs afscheid te nemen....? \'t Was zachtst genomen een beetje onbegrijpelijk geweest, tenzij hij â vast besloten om zich bij al die naarheid te beheerschen â bevreesd voor eigen geestkracht geworden is.
Wat er mocht gebeurd zijn wist Anna niet, maar in weerwil dat zij heeft gezwegen, is haar beminde tweede vader â zij meent van den dag af dat zij Oscars brief ontvingâ-zeer stil en afgetrokken geworden.
Ja, toen hij haar al spoedig daarna met zekeren schroom heeft gezegd, dat zij nu waarlijk aan Marnix\' uitnoodiging om eèns naar Akkersveen te komen, moest voldoen, aangezien tante Lijning zoo bijzonder wel, en zijn Kunira nu nog al redelijk was, toen heeft Anna alles begrepen: De lastertong had ondanks Anna\'s zwijgen toch reeds het oor van dien vaderlijken vriend bereikt, en, begrepen heeft ze toen óók, dat het nu inderdaad verstandiger zou zijn om elders haar zielerouw te gaan dragen.
Alvorens te scheiden, heeft de baron met Anna te Arnhem een deftig en vroolijk kwartier tegen Augustus gehuurd, op naam van mevrouw de weduwe Lijning-Moreel.
En nu is het Mei. En Geereke is met zijn zwakke echtgenoote, die zich echter in den laatsten tijd wat sterker gevoelde, naar Soden vertrokken. En tante Lijning geniet op De Renghorst, aan juffrouw Molenwieks zijde, met dankbaarheid, den overvloed van jonge bak-groenten en andere kostelijkheden.
En Anna, wat haar zelve betreft, zij versmaadt de vriendschap niet, die haar het leven van den schoonen kant wil doen zien; ja zelfs, zij gevoelt dat het goed en verstandig is om dankbaar het oog er op te vestigen; maar helaas! de keerzij der schoone levensmedaille werd haar te sterk in de borst gedrukt. Daar staan ze: die teekenen van gouddorst, van logen, van vooroordeel, van laster: Lijning! Hanneke Schoffels! Vrouw Knibbelaar! Oscar Van Bree-land! â O \'t is afschuwelijk, om te vertwijfelen schier, dat zij dien laatsten naam moet noemen, te gelijk met dien eersten! En toch, het is niet anders, ook hij staat in die zwarte rij, en, fel is de pijn, wanneer ze het dwaze hart dan telkens weer kloppen voelt, en de stem hoort rnischen: Ik heb hem lief! en â Liebe macht die Erde zu dem Himmelreich!
\'t Was dus niet vreemd dat Anna, toen ze uit de volheid van \'t hart haar blijdschap over \'t geluk van haar Emma betuigde, en daarna het oog naar het woelig en helder Maas-tafereel heeft gewend, dat ze toen dien sterkeren trek van zieleleed op haar schoon
felaat bekwam, dat droeve afbeeldsel van \'t geen ae gevoelde in et altijd nog minnende hart.elaat bekwam, dat droeve afbeeldsel van \'t geen ae gevoelde in et altijd nog minnende hart.
265
ANNA BOOZE.
Willem Haverkist was enorm verliefd, en ofschoon hij, na zijn dwaasheid op De Renghorst, gemeend heeft te zullen âdoor den grond zinkenquot; wanneer hij die prachtige Annaâvoor wie hij zoo\'n mal figuur heeft geslagen â zou wederzien, sinds een ongezochte omstandigheid hem. ten huize van mevrouw Van Riddervoorst, met haar te zamen bracht, en haar intiemste vriendin z ij n intiemste vriendin is geworden, sinds dien tijd heeft hij zich maar âover de beroerdigheid heen gezet,quot; en bracht haar komst bij de Van Walls zelfs geen verandering in zijn plan, om nog een dag of wat bij zijn zwaantje te blijven.
Van \'s morgens zessen tot halfelf studeert hij in het Bad-Hotel heel plezierig met het uitzicht op de Maas. Van halfelf tot elven maakt hij een beetje toilet en dan, dan gaat het er op los!
Zoodra hij bij Van Wall heeft aangescheld, veegt hij zich vluchtig en onwillekeurig, ofschoon volstrekt onnoodig, den mond af; en, â ontdekt hij, opziende, blond-lokken-gewiegel voor een der bovenramen, dan maakt het zwart glacé, dat steeds een nummer te groot is, onwillekeurig nog eens dezelfde beweging.
Terwijl de gastvrouw en Anna nu op de boven-voorkamer zitten, bevinden Willem en Emma zich in de tamelijk donkere binnenkamer, waarschijnlijk om nogmaals de portretten van oom en tante Van Wall te bewonderen.
Maar neen, men zou het niet vermoed hebben: Ofschoon naast elkaar hand in hand op het makkelijke canapétje gezeten, leest Willem met vuur hardop uit een boek, dat hij in de vrije hand houdt, \'t Is het laatste deeltje van Busken Huets; Brieven over den Bijbel.
âEm! hoe keur je \'et? D\'r is een heele boel tegen te zeggen, maar grondig niets! niemendal! Lieverd, je weet niet hoe gloeiend veel plezier \'t me doet dat die kerel dat boek heeft geschreven. Dat zal de lamme ouwe boel eens ongenadig wakker maken. Nieuws vertelt ie volstrekt niet, 7iiaar wat de kerel zeit, staat er zoo pittig, zoo drommels overtuigend, en â in \'t Nederlandsch! â Strausz wordt door niemand gelezen. Wie, vraag ik je, heeft Strausz ooit grondig weerlegd, al mag hij dan ook wat al te sceptisch zijn? Is Lessing niet heelemaal onbekend, en is er â buiten de geleerde wereld â iemand in \'t land die van Schleiermacher heeft gehoord ? Lang, Baur â ik bid je wie leest ze?quot;
âIk weet het niet, lieve mannetje!quot; zegt Emma met een onweerstaanbaar blosje. â Men bewondert even de portretten. Willem vervolgt:
âNeen, zie je, en daarom doen me die brieven zoo\'n razend plezier. Die niet blind zijn moesten dit lezen, of ze wilden of niet, en zoo kwamen we al langzamerhand tot wat helderheid. Wacht maar, later zal hij nog wel wat andeis opdisschen. Voor \'t oogen-blik: wondergeloof al afgeschaft! Christus- en menschenvergoding afgeschaft! kerkkwakzalverij aan den kapstok. ..quot;
âVind je niet lieve Wim, dat het hier wel wat warm is?quot;
âWarm? te warm, neen! Maar verveel ik m\'n beste donsje misschien? Ben je \'t niet met me eens? â Zeg?quot;
266
ANNA KOOZ2.
âWel zeker lieveling, heelemaal! Je hoofd-idee is toch altijd: Onze Lieve Heer, nietwaar? En braaf zijn; en den Heere Jezus navolgen; en den bijbel eerbiedigen als het woord van God?quot;
â Och lieve hemel! met Reinouts eersten brief zou Willem weer moeten beginnen! Maar, wat deed het er toe! hij had dit zwaantje niet lief omdat ze zoo theologisch is, maar omdat haar blauwe oogen hem hebben gezegd: Ik wil zoo gaarne goed zijn en liefhebben; en, â omdat zij zijn donzig poezeltje blijft.
Emma zegt dat âhet mannetje straks bij de koffie nog een beetje met Anna mag theologiseeren. Zij zelve zou nu eindelijk van al die Lessings en Schleiermachers en Huets hoofdpijn krijgen; de hoofdzaak bleef toch altijd nietwaar, dat men goed en braaf moest wezen?quot;
Anna Rooze is straks aan de koffietafel spraakzamer dan zij tot nog toe geweest is. Al heeft haar lieve Marnix de âketterijen van Huetquot; met de meeste verontwaardiging ter zij gelegd, Anna had in Reinouts beschouwingen voor zich zelve evenmin iets kwetsends gevonden, als er voor haar, in ieders oprecht godsdienstige meening â waar ze streeft naar waarachtige menschenliefde en veredeling der menschelijke natuur â iets kwetsends te vinden is. Met den baron, haar goeden tweeden vader, was zij het volkomen eens: dat de vormen, waarin het religieus gevoel zich uit â ofschoon ze hooger of lager staan â niet tot het wezen van den godsdienst behooren. De Maria-leer is den Roomschen even heilig, als den geloovigen Jood de Mozaïsche wet. De Islamieten zweren bij den Grooten Profeet en steunen even vast op zijn woord in den Koran, als Protestanten op âGods woord in de Schriftquot; of op den âZoendood van Gods eigen zoon voor hun verloren zaligheidquot;. Wie waagt het de godsdienstige meeningen der wereld â even talrijk als de sterren aan den hemel â te veroordeelen, waar ze alle zoeken en streven naar God? Zijn ze wellicht niet even noodwendig als de tallooze vormen van dier en bloem en plant; zijn ze misschien niet juist te z ara en het plechtig akkoord ter eere van den âGeken-den God en Vaderquot;, of van het âOnbegrepen Wie en Watquot;?
Wie durft ze veroordeelen, de schepselen van denzelfden oorsprong, omdat ze anders meenen of gelooven dan het menschenkind dat zich ik noemt; het stofje, dat zeker anders zou meenen wanneer hij elders geboren ware; het stofje, dat met een onzichtbaren vingerdruk ter aarde ligt â dood â en dat toch zoolang hij ademt, weder zoo groot kan zijn door zijn geest en nageslachten tot heil?
Jood en Roomsche, Brahmaan en Protestant, Islamiet en Buddhist, laat ze gelooven en meenen, \'t zij in de rust eener kalme overtuiging, \'t zij zelfs ontworstelend aan de banden die hen knellen, en strevende naar een ruimer kleed om de ware gestalte des te zuiverder te bewaren. Laat ze lezen in de Mischnah; knielen voor de lieve Moedermaagd; zich buigen voor den Bevolker der wereld met zyn vier aangezichten; steunen op de liefde Gods in Christus; zweren bij den Grooten Profeet, of zich in het stof werpen voor (,\'akya-Mouni of Buddha â de Wijze â maar, als ze dat gedaan hebben, en dan heengaan en den evenmensch weldoen, en den schuldenaar
267
ANNA ROOZE.
vergeven, en verafschuwen wat onrein en zonde is naar hunne wet of overtuiging, dan â dan staan die allen bovenaan op den trap der menschheid â altijd verschillend van grootte, maar toch allen bovenaan, en zegt dan: daar was geloof, daar was godsdienst, daar was het meest getrouwe, het liefste kind van God!
Met zulke denkbeelden â waarvan de kiem, bij Anna aanwezig, vooral in den laatsten tijd door ernstige gesprekken met den baron Geereke, tot vollen wasdom is gekomen â met zulke denkbeelden kon Anna nu volkomen kalm naar den eerlijken Willem Haverkist luisteren, ofschoon de wijze waarop hij over Jezus sprak haar wel eenigszins zou gehinderd nebben, indien ze zich Willems standpunt niet gedurig had te binnen gebracht. â Immers, in Jezus zag hij âden edelen reinen mensch, den martelaar voor zijn zuiverder godsbegrip, den niet geëvenaarden moralist van voor achttien eeuwen; den jeugdigen wijze, wellicht met een bijzondere magnetische kracht bedeeld, den man, wiens heerlijk levensbeeld met een zoo droevig opgesmukt kleed van fabelen en legenden was omhangenquot;. Maar tevens, hij gloeide van verontwaardiging wanneer hij er aan dacht dat Gods schepsel zich had verstout om een menschenkind te noemen in éénen adem met den grooten, den eeuwig â eeuwig â eenigen God. â Buig het hoofd, ik heb voor den Oneindigen Formeerder geen naam, zei Willem. En voorzeker, wanneer de edele Jezus nog leefde â zoo meende hij â de groote geloofsheld zou der afgodische schare toeroepen: âGaat heen en bekeert u, want gij verheft het zwakke schepsel tot den troon van den Schepper der myriaden werelden. Bekeert u, gij afgedwaalden, die het heidendom zijt nagevolgd, en uw God â wiens aangezicht gij nog niet verdragen kunt â in het kleed van een menschenzoon hebt willen aanschouwen. Gaat heen en verootmoedigt u voor den Heer van alle leven, voor Onzen Vader, want het is waarlijk mijn woord dat u bewaard werd:
âWat noemt Ge mij goed, niemand is goed dan Een, namelijk Go dlquot;
De eerlijke meening van den goeden voortvarenden Willem moest Anna niet slechts eerbiedigen, maar ze kon zelfs niet anders dan den oprechten jongen hoogachten om de warmte, waarmee hij streed voor de eer van zijn eenigen God, wiens grootheid hij gruwelijk zag aangetast door het vereeren van één of meer Zijner schepselen zooals, â gelijk hij zeide, de Christenkerk het sinds vele eeuwen gedaan had.
Maar in weerwil van Anna\'s ingenomenheid met de nieuwere denkbeelden op religieus gebied, waarin zij zoovele vragen van haar naar waarheid dorstend hart bevredigend beantwoord vond, in weerwil van haar waarachtig vrijzinnig standpunt, heeft haar opvoeding onder Marnix\' hoede naar toch een zoo bijzonder gevoel voor dien Jezus der kinderjaren, voor den verheven menschenzoon doen behouden, dat zij hem altijd ziet alsof hij toch van een eenigszins andere natuur was â toch heilig.... ja! bijwijlen als met de voeten rustende op een wolk. Zijn heerlijke verschijning heeft ze altijd lief
268
ANNA ROOZE. 269
gehad. Hij was haar immer het beeld van den volmaakten mensch. net schitterend voorbeeld van wijsheid en zelfopoffering, van treffende grootheid bij miskenning en lijden.
Neen, men moest toch niet van hem spreken alsof het een gewoon sterveling is geweest; immers hij was een kind van God zooals er nooit een op aarde leefde en er nooit meer een komen zal â¢. . -
âDat is juist de vraag,\'\' hakt Willem er weer op in: âals u aanneemt dat er vooruitgang is in de wereld, dan moet u ook gelooven dat de heerlijke denkbeelden van Socrates en Plato, van Mozes en Salomo, en van Jezus vooral, als zaadkorrels gestrooid, nu hoornen zijn geworden; en, niet waar, aan de boomen heb je toch meer dan aan zaadkorrels!quot;
,Hoor eens, groote profeet van Mulderspeet,quot; zegt Van Wall terwijl hij een ei met het lepeltje butst: âje maakt me draaierig met al je geleerdheid. Weet je wat ik geloof als ik aan tafel zit?quot;
âJa wel dat je eten moet, mijnheer.quot;
âNeen mijnheer: dat ik weer zal opstaan, en dat houdt me vroolijk.quot;
âJe kunt er nooit op aan of die malle man gekheid of ernst heeft,quot; zegt het kleine vrouwtje: âmaar zooveel is zeker Willem, dat je praten niet verstandig is. Ik hoop bij voorbeeld dat ik na dit leven nog eens in den hemel, of waar dan ook, zal voortleven. Daar weet jij met zekerheid niets van te zeggen, niet waar?quot;
âNeen mevrouw, met zekerheid niets!quot;
âEn ik wel vriendje, met mijn geloof. Jezus heeft gezegd: Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn. â Laatst nog een mooie preek vanne. .. dinges over gehoord. Nu ik zeker weet of geloof dat Jezus uit den hemel kwam, nu weet ik even zeker dat Hij het wist, en dat er dus werkelijk een paradijs bestaat. En zie je, daar dank ik God voor!quot;
âVast geredeneerd m\'n beste jongen!quot; zegt Van Wall: âJa wel, totaal!quot;
Willem zweeg, want zijn lieve Embje, die tante bij zich zelve een beetje bits vond, had hem een radijsje in den mond gestopt. Hij glimlachte vluchtig, maar begreep ook dat het plicht werd om nu te zwijgen, \'t Was een aangeleerde stelregel der laatste dagen: ik ga over den vonder zonder leuning; maar, wie zeker valt wanneer hij de leuning loslaat die houde zich vast ofschoon de leuning vermolmd is.
Anna dacht aan Geerekes woord: dat niet alle nieuwe meeningen pasklaar voor alle reeds lang gevormde hoofden zijn.
âMaar mijnheer Haverkist,quot; zegt Anna, en zij breekt een pijnlijke stilte af: âhoe is het mogelijk dat u, die nog zooveel verder dan Huet in zijn brieven gaat, dat u dominee bij een Hervormde gemeente kunt worden?quot;
âBehoeft het volk dan geen onderricht, juffrouw Rooze? Is het niet noodzakelijk dat er leeraars in de zooveel honderd en duizend gemeenten zijn,quot; die groote en kleine kinderen vermanen en opwekken tot het goede; die ze bij d\'r nek pakken â met permissie â en zeggen: Ziet eens mannen, hoe Galfleï â Copernikus\' volgeling â
ANNA ROOZE.
de waarheid liefhad toen het volksbegrip de resultaten der wetenschap als godslastering uitkreet, en hij met den dood voor oogen uitriep: Toch staat de aarde niet stil maar draait ze! â Ziet eens broeders, daar heb je Columbus, die wist net zooveel van Amerika als jelui van de eeuwigheid, maar hij geloofde er aan omdat hij voelde dat het er wezen moest. Kn ginder, medeschepsels, daar staat Jezus, de prachtige figuur, die zich liever aan het verachte kruishout liet slaan dan den geesel neer te leggen, waarmee hij het adderge-broedsel van huichelaren en schijnvromen tuchtigde, daar staat hij de edelman, die een godsdienst wilde stichten zonder bepaalde vormen, of met deze alles afdoende wet: den Vader liefhebben diep in het hart, en den naaste als zich zeiven. â Waarom kan ik geen dominee worden als ik weet dat ik met de innigste overtuiging mijn medemensch zal kunnen troosten en bemoedigen in leven en sterven met de zekerheid: Alles wat geschiedt komt van God, wat we goed noemen zoowel als kwaad; en met de waarachtige overtuiging: dat er een voortbestaan moet zijn voor den zoekenden geest, dewijl anders het heden een donker vraagteeken wezen zou?quot;
Emma drukte Willem onder tafel de hand.
âIk geloof niet dat het u aan hoorders ontbreken zou,quot; zegt Anna: âmaar als u de wonderen van Jezus en vooral de opstanding voor legende en fabel verklaart, dan geloof ik toch dat u als \'t ware het fondament aan \'t Christendom ontneemt en althans bezwaarlijk dominee bij de Hervormde Kerk kunt zijn.quot;
âMaar de Hervormde Kerk en het heele Christendom ze moeten opnieuw hervormd worden, \'t Is een bitter verbasterd Christendom tegenwoordig. Wij zien helaas nog altijd dien leelijken heidenschen mantel om de schoone Jezusgestalte. â De predikers moeten tot God terug, en tot Hem alleen! Zij mogen den mensch niet langer met God verwarren. Ze moeten spreken naar Jezus voorbeeld. Heden nam hij de leliën des velds, morgen den liederlijken zoon; nu eens een rentmeester, dan een geldstuk, altijd gevarieerd. Zóó moet het zijn. Vandaag Garibaldi of een ander nobel gemoed met zijn gebreken, morgen een droevig sterfgeval waarvan men spreekt; nu eens een edele daad, die belangstelling heeft verwekt, dan een schuldeloos slachtoffer van bedrog, liefdeloosheid en laster; dikwijls, zeer dikwijls â voor de domste dominee\'s misschien altijd â een der parelen van kernspreuken of novellen aan Jezus mond ontrold, en ééns een enkele maal dien Jezus zelf, als een lichtpunt der mensch-heid, en altijd ter verheerlijking van den eenig eenigen God!quot;
Anna dacht er niet meer aan of Willem Haverkist vrijheid zou hebben om met zijn begrippen predikant te worden. De tijd moest het leeren. De les: Spreek naar behoeften! zou misschien van toepassing kunnen zijn, en, als Hervormde leeken naar zulke woorden willen luisteren, dan mag wellicht een prediker zóó hervormd zijn. Maar, nu dacht ze er niet meer aan wat Willems plicht zou wezen. Onwillens heeft hij haar doen verbleeken. \'t Is haar geweest alsof hij haar aanwees met den vinger, toen hij van een slachtoffer van bedrog, liefdeloosheid en laster sprak.
270
ANNA EOOZE. 271
Gode zij dank, Anna weet het niet dat men reeds in het Veluw-sche dorp, lichtzinnig of boosaardig, de gruwelijke kindermoord â en ofschoon geheel onmogelijk â op hare rekening heeft gesteld. Maar, ze weet toch genoeg, en zie, zoo ging het voortdurend: wanneer voor een oogenblik die looden druk was weggenomen, dan viel hij eensklaps zelfs te midden van een belangrijk gesprek met verpletterende zwaarte terug op de borst, die telkens zoo snakte naar frisscher lucht.
Ach! nu hoort ze het zoet gefluister van Emma tot haar âlieven Willem.quot; Nu ziet ze dien jongen zonder bedrog zijn liefje den arm om het poezele halsje slaan, en verneemt ze zijn woord:
âJa zwaantje, liever tn\'n schoonste ideaal om het volk tot God te brengen en nut te stichten, in den hoek gesmeten, en met deze handen voor jou m\'n brood verdiend, dan sakkerloot één woord te spreken, dat me niet uit het hart komt.quot;
Dat hoort Anna. Daar is gloed, daar is oprechte liefde in de borst van dien jongen. . ..
En Oscar! .. .
\'t Werd haar zoo vreemd, zoo koud voor het open raam.
DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Een goed uur later, toen Emma en Willem de schoone natuur in de Plantage en een eindwecgs op den Kralingschen dijk bewonderden, was ook Louise Van Wall met haar logé op het pad.
Ja wel, Louise wist heel best een bakker Helderwegen te wonen, heel best; daar hadden ze zelfs het tarwebrood en de beschuit van, omdat die bakker met een Mulderspeetsche was getrouwd, en neef Geereke dat meelkleurig heer gerecommandeerd had.
âEen mooi vrouwtje nietwaar?quot; vraagt Anna.
âOm je de waarheid te zeggen lieve ziel, dat weet ik niet. Ik heb haar nooit ontmoet.quot;
âJa, \'t is een Mulderspeetsche!quot; herneemt Anna: âDe vrouw van dien bakker diende vroeger bij juffrouw Marnix. We noemden haar Rose Lène, omdat ze er zoo lief en fleurig uitzag. Ik zou haar zoo graag eens weerzien.quot;
Het deed Louise genoegen dat ze haar logé ergens plezier mee kon doen.
Weldra trad men den winkel van Helderwegen binnen.
Och lieve heechie! Juffrouw Helderwegen was er van ontdaan dat ze juffrouw Eooze hier weer zag, en dat ze niet mevrouw Van Wall uit De Boompjes, zoo zonder grootschheid hier bij haar in de winkelkamer zat. De dames moesten toch niet rondzien, want ze ⢠was
272 ANNA BOOZE.
eigenliik zoo\'n beetje aan de schoonmaak, en Helderwegen was ijselijk druk, want hij had acht tullebanden besteld van \'t gesticht, en, ze had sukade moeten snijden en krenten wasschen; maar het deed haar ijselijk veel plezier, en of de juffrouw nog altijd wel was geweest? Ze moest eerlijk zeggen dat de juffrouw wel ouder was geworden â meer mans â maar dat ze er anders niet voordeeliger en wat betrokken uitzag, ja een mensch werd van dag tot dag ouder; dat ging er net mee â zooals Helderwegen zei â als met lt;3e spikkelaas in de trommel ;
âEi ei, en leeft juffrouw Marnix nog?quot; besluit de bakkersvrouw: âen zijn Mie en Antje al getrouwd? Nu benne er zeker andere boojen nietwaar? En leeft oude Adam nog? Ja ja, \'t heugt me als de dag van gisteren dat ik de juffrouwen wel eens een peer of appel in de hand stopte, en ze mochten me allemaal goed lijen, al zeg ik het zelf, en â waar kan ik de dames mee gerieven: e\'n borreltje anijs met \'en vorsche krakeling? Ja wel, ja wel! dat zal me plezier doen.quot; Roepende in de gang: âHelderweeegén! Helderweeeg^n! de plaat met vorsche zoute! reik eneis an! â Perdon dames, daar gaat de winkeldeur.quot;
Anna heeft weinig van het gesprokene gehoord. Haar verlangen om Leentje Ebber te zien, is sterker geworden naarmate zij zich meer in ïiare nabijheid bevond. En nu, \'t is niet mogelijk dat ze zich bedriegt: die vrouw Helderwegen moet een halve zuster van Hanneke Schoffels zijn, want de gelijkenis met haar en met Han-nekes moeder is zóó sterk, dat men zeggen zou â het verschil in leeftijd er af gerekend â ze zijn elkaar uit het gelaat gesneaen.
En wel zeker het was zoo: âWel zeker!quot; zei juffrouw Helderwegen, terwijl ze anijs schonk en krakelingen opdrong: âJawel, wel zeker heel naaje femilie! Zuster van Hanneke ? Neen ! heechie neen, ze differeerden meer dan twintig jaren. Ze wist wel dat ze er niet ongeurig uitzag, al zei ze het zelf, maar zuster, en gelijk â¢op, dat was toch te kwistig. Zie, ze was zooveel als een tante van Hanneke, en de eigen jongste zuster van Hannekes moeder. â Ei zoo, kende de juffrouw haar femilie? Och kom? Arme maar beste menschen! Och kom! Ze heeft in jaren niemendal van d\'r lui gehoord. Zoo gaat het nietwaar, als quot;je gezeten burger en getrouwd bent; dat zouden de dames ook wel weten: âEn zijn ze nog zooveel als gezond juffrouw â of uwes het weet? en m\'n nichtje nog vroolijk? Ik wacht al gedurig een brief dat ze ook aan den trouw gaat, maar och! boerenmenschen â wat zeggen de dames â die schrijven zoo niet; en reizen daar hebben ze geen weet van. Kom, spreek ze nog maar reis an mevrouw en juffrouw. Ze zijn zoo bros als ze vorsch zijn, _ sjeneer je niet, en als mevrouw d\'r eens van noode heeft, altijd dispeniebel!quot;
Vrouw Helderwegen is Anna zeer tegengevallen, \'t Was Leentje Ebber, de slanke meid van de kostschool met meer. Ze is een tamelijk gezette praatgrage winkelvrouw geworden, die geen kinderen en goede dagen heeft.
Van haar Mulderspeetsche familie scheen ze w einig of niets te
ANNA ROOZE.
â weten, en zelfs geheel onkundig te zijn van \'t geen er sedert December met Hanueke gebeurd was. Te begrijpen is het wel; maar. het plan dat Anna â ofschoon vluchtig â op een mogelijke familiebetrekking tusschen Leentje en Hanneke had gebouwd, zou nu bezwaarlijk zijn uit te voeren. Anna heeft gehoopt dat juffrouw Hel-derwegen, de oude lieve Leentje Ebber, indien zij werkelijk familie van de Schoffelsen was, het middel zou willen zijn om een droevig misverstand, een pijnigend vooroordeel uit den weg te ruimen; zij heeft gehoopt dat een eigen zuster â \'t was nu een tante â Hanneke zou weten te beduiden: dat zij waarlijk verkeerd deed om het leed, dat haar weervaren was, voor een groot deel aan de getuigenis te wijten, die Anna als waarheid had moeten afleggen, maar dat alleen het anonieme schrift door de Justitie ontvangen, tot de nasporingen heeft geleid, die Hanneke zooveel droeve uren berokkenden.
Maar nu, die vrouw was Leentje Ebber niet meer. Zij wist van hare familie niet eens of ze nog leefde. Haar het gebeurde mee te deelen, neen dat kon en wilde Anna niet, en â alzoo heeft zij de oude dienstmeid dan nog eens opgezocht, en weet nu alweer dat negen jaren, en een bakker, en een winkel, iemand zeer veranderen kunnen. Heusch, ze bedankt voor anijs, maar, omdat Leentje ,andera zal denken dat de dames de geringheid versmadenquot;, neemt ze nog een krakeling, die zoo bros is dat ie bij het opnemen al breekt.
Toen de dames vertrokken, met dankzegging voor de gulle ontvangst. en Louise er de bestelling aan toevoegde om morgen voor tien stuivers krakelingen â bij de beschuit te doen, waarmee de bakkersvrouw zeer ingefiomen scheen, zei de laatste nog: âEn vooral de complimenten aan m\'n femilie, als de juffrouw zoo vrin-delik wil wezen en weer in Mulderspeet komt.quot;
Anna gaf hierop eenigszins ontwijkend het vragend antwoord:
rIn hoeveel tijd niet gezien?quot;
âIn hoeveel tijd.... ikke ...? Da\'s drie. .. neen da\'s vijf, ja waarachtig as God, wel vijf jaar geleden, op m\'n woord van waarachtig! Perdon dames. Perdon, de deur klemt een beetje, perdon!quot; â Roepende naar achter: âJa wel Helderwegen, ik kom! â Plezierige wandeling dames! Mooi weertje; een beetje veel wind â Mevrouw Van Wall! Juffrouw! Atjuus!quot;
Er was een beetje veel wind. In de Hoogstraat tusschen de winkels heeft men er echter weinig last van. Louise begrijpt dat het «en aardige afleiding voor haar logé is om de mooie uitstallingen achter de winkelruiten zoo eens op te nemen. Onwillekeurg toeft Louise echter het langst voor de winkels van borduur- en soortgelijke werken, waar van die snoeperig kleine kinderjurkjes en kapertjes, en heel kleine schoentjes in allerlei kleuren ook met dons er omheen, zijn uitgestald.
Een klein eindje verder, tegenover het hotel St.-Lucas, ziet Louise, onder meer ander speelgoed, een wit leeren hanssop achter het winkelglas hangen. Zij denkt aan het aardige lachebekje op de kof, «n â Anna heeft er niet tegen â de dames stappen den winkel in.
VI. 18
273
ANSA BOOZE.
Terwijl Louise van den eenvoudigen hanssop, op een âheel rijke met inwendig geluidquot;, en van dezen weder, zooals de winkeljutfrouw zegt, op ânog ies rijkers met meekeniekquot; valt, staat Anna â nog denkende aan de haar gansch en al vreemd geworden Leentje Ebber â bij de opene winkeldeur, en ziet stelwagens en rijtuigen van allerlei soort, en paardenpooten met kolossale hoefijzers, en menschen voorbijvliegende naar rechts en links, en hoort: gerommel en gedreun en geschreeuw en getoeter.... Getoeter? Hoor, dat is toch iets bijzonders. Een orgel kan het niet zijn. \'t Is alsof er op twee cornets a piston een duo wordt geblazen. Hoor: Wenn die Schwalben heiraat\' ziehn, und die Rosen nicht meer blühn! â O dat is schoon te midden van zooveel geraas en verwarring. Het komt al nader en nader. Ja die melodie klinkt wel liefelijk, maar ach, de waarheid is bitter:
âDe dagen van geluk zijn gevloden, en de Roozen ze bloeien niet meer!quot;
âAnna, vind j\'m niet prachtig? Kijk, als je aan dit ringetje trekt dan bewegen zich al zijn leden, zie maar, zelfs zijn oogen draaien, \'t Is dol, vind je niet?quot;
Anna vindt den hansworst waarlijk heel mooi. Louise bemerkt echter wel dat hij haar niet bijzonder interesseert, maar meent ook tot haar genoegen te bespeuren, dat zij er plezier in heeft, om voor die winkeldeur naar de drukke passage te zien. Nu, Louise kan nog wel \'t een en ander koopen: wat Eau de Cologne en een rafraichisseur. \'t Laatste is iets nieuws, en aardig voor Anna.
Eu Anna ziet weer naar buiten; zij moest immers weten wie de melodie van dat droevig stemmende lied, te midden van al dat. gedraaf en gewoel, zoo schoon gespeeld hebben.
Een groote omnibus van Kooimans heeft voor het hotel St.-Lucas stilgehouden; de beide conducteurs die, toevallig te zamen zijnde, hun favoriet-duo hebben geblazen â niet slechts uit liefde voor hun instrument, maar ook ter verteedering van mooie dienstmeisjes, zoowel als van passagiersvingers, tastende in portemonnaies â de conducteurs hebben de âSchwalbenquot; alweer vergeten, en beijveren zich om een tamelijk forsch heer met groote Engelsche boorden uit den wagen te helpen, gevolgd door een slanke beeldachtige dame, die echter bijna struikelt over een loshangende veter van haar patent-springboot.
De forsche heer betaalt den conducteur. Een hotel-knecht heeft de kleine bagage der reizigers aangenomen. De omnibus rolt weer voort. En, terwijl nu weder een cornet a piston-duo door de Hoogstraat klinkt â waarvan het air uit de nieuwste opera Le trouvère: O ma patrie! 6 chère Espagne! \') later tamelijk vrij met een: Zij is van \'s-Ledderum zal worden vertolkt â nu ziet Anna den forschen heer en de slanke dame de gang intreden, terwijl de tamelijk
i) O ma patrie I ó chère Espagne 1 Mon fils m\'emmène a ma montagne.
Et, sur sa lyre, il s\'accompagne, Chantant le solr, le jour, ün chant d\'amour..
274
ANNA KOOZE.
sluike japon der laatste, ter rechterzij door een onvoorziene omstandigheid in de hoogte gewipt, de aanschouwing vergunt van een fijn gelaarsd voetje naast dien telkens uitflappenden veter.
â Heeft Anna zich niet bedrogen\'? Hebben haar oogen goed gezien? Was die forsche heer wel degelijk de vroolijke tooneelspeler uit Washington met zijn trouw en eerlijk Hollandsch hartquot;? Was die dame....? Zie â daar vliegt een terugkeerende conducteur de gang van St.-Lucas in. Die dame had zeker m den omnibus dat kleine Engelsch-leeren taschje laten liggen. De heer met de boorden lacht, en geeft den ademlooze een fooi. De ademlooze lacht ook, en rent weer de straat op. En, in de verte robbelde straks de omnibus weer: maar, het duo: Zij is van \'s-Ledderum, \'t was nu een solo geworden.
â Neen Anna had zich niet bedrogen; nu heeft ze zekerheid: dat was master Tom Cat of Kater, met miss Sally Lewes! Maar, hoe kwamen die beiden te zamen, en in dit logement!?
Toen Anna eergisteren van De Riethof vertrok, toen heeft juffrouw Marnix aan miss Lewes nog zelfs een bewijs van vertrouwen willen geven, door de meisjes bijna geheel alleen onder hare hoede te laten, aangezien eene der secondantes van huis en een andere ongesteld was, terwijl Evangeline â de Suissesse â Anna zoo gaarne tot Gouda mee uitgeleide wilde doen.
Na het voorgevallene in het laatst van Februari, waarvan gelukkig niets is uitgelekt, had Marnix uit deernis met den verlaten toestand der wees uit Londen â zooals Lewes zich altijd genoemd heeft â besloten haar nog tot de vacantie in betrekking te houden; zij zou dan wel elders te recht kunnen komen, terwijl zij bad datdegenade Gods die zwakke voorts sterken mocht. Maar ook, sedert dien tijd had Marnix, juffrouw Lewes niet meer met de meisjes alleen laten wandelen, noch haar alleen commissies in Gouda laten doen. Anna heeft haar verhaal van het gebeurde op de kostschool bij madame Kromvliet te Wolterbeek â waarvan Jans Haverkist vroeger verhaalde â kunnen terughouden; de ervaring door de goede Marnix zelve opgedaan was immers voldoende.
De Februari-geschiedenis was deze:
Sally Lewes had zeer dikwijls commissies naar stad, en ging dan gewoonlijk koffie drinken bij een zekere familie Hunting, die jaren lang in Philadelphia gewoond had. Op dien Februari-middag werd miss Lewes tevergeefs op De Riethof teruggewacht, en had Marnix nog \'s avonds te negen uren een rijtuig naar Gouda gezonden om onderzoek te doen wat er met miss Lewes mocht gebeurd zijn. De heer Hunting was â zooals de meid zeide â met de Engelsche miss, te twee uren naar den snelwagen gegaan, die voorbij D e Riethof en door Akkersveen reed, en waarmee hij zelf tot Schoonhoven reizen zou.
Eerst den volgenden dag te tien uren omtrent, was miss Lewes tamelijk verwaaid met een vigilante op De Riethof komen aanrijden. Volgens haar verklaring had mevrouw Hunting haar gisteren vóór de afreize, op een glaasje echte whisky getrakteerd, en waren
275
276 ANNA ROOZE.
mijnheer Hunting en zij onder \'t rijden ingeslapen, en ze Ifs zoo vast, dat ze zonder het te bemerken Haastrecht, De Riethof en Akkersveen waren voorbijgereden, om eerst te Schoonhoven wakker te worden. Van Schoonhoven was er dien dag geen diligence-gelegen-heid terug geweest, en de heer Hunting die âeen Amerikaanschen vriend te Schoonhoven hadquot;, zou miss Sally hebben overgehaald om van de gelegenheid te profiteeren en diens kennis te maken. Zoo was zij voor den drang der omstandigheden bezweken. Zij had er een recht genoeglijken avond doorgebracht, een avond alsof ze zich weder in haar land bevond. Den heer Hunting was zij ten hoogste verplicht, vooral omdat hij haar den volgenden morgen reeds zoo vroeg per equipage had laten terugbrengen, dewijl de diligence eerst te één uur reed, en hij zelf nog een paar dagen in Schoonhoven blijven moest.
Tot Marnix onuitsprekelijke droefheid had een zeer in \'t geheim ingesteld onderzoek te Schoonhoven, haar echter doen weten: dat een âEngelsch heer en dame, die met den snelwagen waren aangekomen, eerst van daar een rit per vigilante naar Ammerstol hadden gemaakt; te acht uren in het logement te Schoonhoven waren teruggekeerd, en, ofschoon ze twee afzonderlijke kamers hadden besteld, recht vertrouwelijk tot bijna halfeen te zamen hadden gezeten, een geruimen tijd met gesloten deurquot;.
Sally Lewes, ernstig maar in stilte door Marnix over de zaak onderhouden, heeft het lasterlijke der geruchten op Gods dierbaar woord â haar pocket-bible â bezworen; en Marnix is door Lewes onverstoorbaar kalmen blik tot het vroeger gemelde besluit gekomen, om haar tot de vacantie te laten blijven, terwijl zij zelfs op den dag van Anna\'s laatste vertrek, zooals bekend is, miss Lewes met een hartelijk woord de goede zorg over de meisjes voor dien morgen heeft opgedragen. Marnix moest toch eerlijk bekennen dat het ingewonnen bericht haar langzamerhand steeds twijfelachtiger is geworden, want, Lewes mocht slordig en soms wat vreemd zijn, zoo dikwijls ze haar, \'t zij met of zonder opzet heeft verrast, vond ze haar lezende in het âheilige Woord van God.quot; Wat haar capaciteiten betrof, ze was uitmuntend voor het Engelsch.
Dit alles heeft Anna van Marnix vernomen, en ook, dat Marnix nog moeite deed om Lewes op een dames-dagschool in Zwolle geplaatst te krijgen, \'t geen ze hoopte dal gelukken zou.
â¢â Maar, noe komt ze dan nu reeds hier te Rotterdam en onder geleide van master Tom Cat?
Toen Marnix en la Suissesse Anna naar Gouda brachten, toen is haar te halfweg een karikel voorbij gereden.
Tom Cat was zeer goed ingelicht. De dochter van zijn weldoener moest te Akkersveen op een dames-instituut gelogeerd zijn. Vóór dat hij het Kikkerland, en nu mét old mama verliet, wilde hij de beauty of Holland nog eens zien, om meteen bij het afscheid aan zijn belofte te voldoen, en haar het cadeau aan te bieden dat ze verkiezen zou.
Een groot uur na Marnix vertrek heeft miss Lewes het opzicht
ANNA ROOZE.
in de schoolkamer aan de jongste secondante en een dei- oudste élèves overgelaten, want, er was een heer per rijtuig gekomen, die naar miss Rooze gevraagd had, en volstrekt iemand spreken moest.
Toen Tom Cat vernomen had dat de bedoelde miss Rooze, juist voor een goed uur vertrokken was, heeft hij aanstonds den aftocht willen blazen. Echter, hij moest de vriendelijke miss Lewes toestemmen, dat het verstandiger zou wezen om de terugkomst der institu-trice af te wachten, aangezien Lewes volstrekt met wist bij wie of waar juffrouw Rooze ging logeeren, en juffrouw Marnix toch zeker binnen een uurtje zou terug zijn.
\'t Was elf uren. Marnix werd eerst tegen etenstijd tehuis verwacht. Tweemaal is miss Lewes met een buitengewoon kleurtje op haar blank gelaat, eerst in de school- en later in de gymnastiek-kamer gekomen om eenige bevelen te geven, en meteen haar zakdoek en pocket-bible te halen.
Maar in Marnix salon... O wat was ze gelukkig er iemand uit haar âdear countryquot; te zien; ,0 my beautiful native country! my love! my all!quot;
Ja, zooals ze nu verklaart is ze van Washington, ofschoon ze â toegevende aan een dwaas vooroordeel â in Holland opgeeft een Engelsche te zijn. Juist achttien jaar geleden, op zevenjarigen leeftijd had zij Washington als arme wees verlaten, en kan ze zich maar zeer flauw die lieve stad herinneren, \'t Geen ze zich echter herinnert, blijkt sedert haar vertrek zeer, zeer veranderd te zijn, ten minste Tom Cat heeft het zóó nooit gekend; maar hij was er ook pas twaalf jaren, en de miss was een kind toen ze Washington verliet....
En ofschoon het uurtje wachten tamelijk lang duurde, de Ameri-kaansche tooneelspeler heeft zich niet verveeld. Die miss scheen te dwepen met alles wat het tooneel betrof. Al de tooneelwerken van Engelschen en Amerikaanschen bodem kende ze op een prik â ofschoon tooneelstukken op De Riethof volstrekt niet inheemsch waren. â Met Shakespeare dweepte zij, en kende heele scènes uit zijne werken van buiten. Er is een oogenblik geweest â twee meisjes verhalen het â dat Romeo en Julia binnen Marnix salon, om zoo te zeggen arm in arm lagen, waarop een donderend gelach van dien vreemden heer is gevolgd, waardoor de meisjes verschrikt van de deur zijn weggestoven.
Met een bijzonder roode kleur is Lewes tegen koffietijd in de keuken gekomen, en heeft er een luncheon besteld ... âEe butter-brood-sjies-koffle. Ja wel,quot; zei Kee: âwatte kunsten!quot;
De jongste secondante had een oogenblik later van Lewes vernomen, dat de heer, die om Anna Rooze op De Riethof kwam, heel toevallig een oud vriend van haar uit Engeland was, en nu in Amerika woonde, en zeer veel van reciteeren hield. De jongste secondante moest nu maar eens alleen met de meisjes gaan wandelen, het was haar volkomen toevertrouwd.
Tom Cat heeft geluncht, en gedurig op zijn groot repetitiehorloge gekeken â want de mooie pendule ging achter. Die miss Marnix
277
ANNA BOOZE.
bleef toch veel langer uit dan hij gedacht, of liever dan deze miss gezegd heeft. Lewes âkon zich haar lang uitblijven niet ver klarenquot;, maar, toen de meisjes met de jongste secondante, twee aan twee, soms omziende, goed en wel het hek uit waren, toen heeft Kater zich eensklaps de groote hand zien vatten en voelen drukken.
â Och! die blanke slanke had the home-sickness, het heimwee naar haar dierbaar Amerika! â⢠Ei! daar kon Tom Gat niet om lachen. Toen hij naar de Kikkerij en de old mama begon te verlangen, toen had hij ook geen plezier, en nu. ... zoo\'n orphan!
â Damn, heeft hij gedacht, nu de old mama met mij meegaat, nu was het geld waard indien zij een goede vrouwelijke zorg bij zich had; eerst aan boord en later in WaTnutstreet.
â Hola! indien hij weigerde te doen wat dat mooie blanke ding hem zoo smeekend te verstaan gaf, en zij het spleen kreeg, dan zou het zijn schuld wezen.
â Haar meenemen mét en voor de old mama? Welk een inval! Hij overlegt in stilte, en krabt zich in gedachte het achterhoofd. â Miss llooze zal toch zeker niet meegaan. Ho! die advocaat zou hem den hals breken als zoo iets gebeurde. Maar dit â ja dit, only for the old mama; voor gezelschap! Yes! Uit medelijden! yes yes!
Sally Lewes heeft den edelen man de tamelijk ruige hand gezoend; hij was haar deliverer, haar Boaz, indeed! Dit laatste â waarbij Kater onwillekeurig aan een Amsterdamsch tooneelgezelschap heeft gedacht zonder de vergelijking juist te vinden â- trof hem minder dan de teedere kinderlijke vertrouwelijkheid van zulk een geleerde jonge fatsoenlijke dame. Van de tooneeldames zou je zoo iets verwachten kunnen, maar hier op zoo\'n stil dorpje in Nederland; in een zeer deftig en vroom instituut, dat deed een andere snaar trillen.
â No, no! only for the old mama.
Maar later, later heeft hij één oog dicht geknepen: Yes â gen-teel, serious, honest, learned, beautiful, taste, taste! â Nevermind! No no! â En toch ... yes, very fine! indeed!
Toen Tom Cat, zonder er bij te denken, eenige minuten later nogmaals op zijn horloge had gezien, toen heeft miss Lewes vreese-lijk haar excusen gemaakt dat zij master Tom Cat nog vergat te zeggen, \'t geen een der andere dames haar zoo even heeft medegedeeld, namelijk: dat juffrouw Marnix eerst tegen vier uren zou thuiskomen, en dat miss Rooze te Rotterdam was gaan logeeren bij een zekeren heer A. Van Wall in de âBompyesquot;.
Maar Kater heeft nu zoo\'n haast niet gehad. De Washingtonsche miss was toch verduiveld slank, en â No no, only for the old mama! Zij zou haar een zeer distinguished gezelschap zijn. Een Engelsche gouvernante for the old mama! hahabahahaha!
En denzelfden middag â geen kwartier na juffrouw Marnix tehuiskomst, was alles beslist. Juffrouw Marnix moest miss Lewes inderdaad gelukwenschen met de goede conditie, die haar zoo onver-
278
ANNA KOOZE.
wacht was aangeboden. Ja, indien het noodzakelijk was, dan kon miss Lewes reeds morgen, ja wel, zeer goed, te één uur vertrekken. Men zou haar gaarne met pakken enz. behulpzaam zijn.
En het was noodzakelijk, zeker. Straks ging master Tom Cat naar Utrecht, om er van iemand, die zaken voor hem deed, afscheid te nemen. Morgen wilde hij naar Rotterdam, waar hij de dochter van zijn weldoener moest vaarwel zeggen. Den volgenden dag was het zijn voornemen met de boot naar Nijmegen te vertrekken, van waar men twee dagen later over Cleve, Keulen, Aken, Brussel â zoo\'n klein pleziertoertje â naar Havre zou reizen om er zich in te schepen voor Philadelphia, \'t Was dus volstrekt noodzakelijk dat miss Sally Lewes morgen te één uur gereed was om \'t allereerst met hem naar Rotterdam te gaan.
En â zoo is het geschied, en juffrouw Marnix heeft in stilte God gedankt voor de genade, zichtbaar in Zijne bestiering, want zij geloofde vast dat Hij die beiden tot eikaars behoudenis had bijeen gebracht. Of de trouwe Kater later het dankgebed der goede Marnix zal kunnen beamen, is niet heel zeker. Maar zeker is het dat hij er nooit aan zou gedacht hebben om miss Lewes tot de gezelschapsdame van de old mama te kiezen, en nog minder om â¢er misschien haar schoondochter van te maken, wanneer hij had kennis gedragen van Lewes wandelingen met den vlasbaard-ondermeester te quot;Wolterbeek, of ook van de vele bezonken aan den Gou-daschen heer Hunting, en haar uitstapje met dezen naar Schoonhoven en Ammerstol, maar â inzonderheid wanneer hij geweten had: Ten eerste :
Dat zekere schoolmeestersdochter van Colchester, Nelly Saul, wegens een gedrag, dat zeer in strijd was met haar serieuze principes, door haar vader op een kostschool te Harwich was gedaan om er in het onderwijs behulpzaam te zijn; van welke kostschool zij echter ruim zes weken later spoorloos verdwenen was.
Ten tweede: dat zekere Sally Lewes van Londen â beter gezegd: Nelly Saul van Colchester â oud zeventien jaren, met een zeker Londensch heer Impress, naar Zwitserland is gereisd, als dame van gezelschap.
Ten derde: dat eenige maanden na dat vertrek â terwijl Sir Impress voor zaken naar Milaan was, van waar hij echter nimmer dacht terug te keeren â miss Nelly Saul, aan een jeugdigen Impress te Lucern het leven schonk, die echter al spoedig aan zijn moeder de vrijheid zou hergeven, misschien omdat hij zich schaamde voor vader en moeder.
Ten vierde... Maar genoeg. Indien de vroolijke trouwe Kater dit alles had geweten, dan zou hij zeker voor de eer hebben bedankt. Maar even zeker, hij zou geen steen hebben opgenomen om er dat slanke schepsel mee te vervolgen, quot;t Was toch een vreemd verschijnsel dat die zelfde Nelly Saul, n;l dat verblijf in Zwitserland, en bijna geheel van middelen ontbloot, niet tot het laagste peil was gedaald; dat ze uit eigen beweging, zelfs bij haar sloften en slordi gen aard en, zij het ook dikwijls door den nood gedrongen, langs
279
280 ANNA E002E.
paden van bedrog, nog telkens is teruggekeerd tot den stand waartoe ze behoorde, en tot een leven van nutte bezigheid.
Er zijn abnormaliteiten; er zijn vrouwen zoowel als mannen die - .. Doch weder genoeg. Een menschenoordeel moet zeker een kluchtig ding zijn naast een oordeel Gods! â Echter zoolang er een men-schenwereld zal wezen, zoolang zal er ook een oordeel moeten zijn naar \'s menschen begrippen over goed en kwaad. Dat oordeel moet wijzer en liefderijker worden, naarmate het menschdom vooruitkomt op de baan der volmaking. Maar â altijd zal er een Hooger Raad blijven, een Hoogste, een Allerhoogste Raad. En die Raad telt maar één Rechter, en diens lichaam is het heelal, en diens geest is de Liefde waar het schepsel naar streeft en jaagt, niet zelden om worstelt. Die Rechter is onze God, is onze Vader, Hij is de Almachtige Schepper, de Schepper van het volmaakt heelal; de Schepper ook.... van de abnormaliteiten, de Schepper ook der.... zonde....? Stil, stil, stil! Als de mieren niets van den mensch begrijpen, wat, in \'s hemelsnaam, wat begrijpen dan de menschmieren van den Schepper van mier en mensch!
Een van den jongen tijd begrijpt er iets van. Maar, \'tleekedichtje was nog niet gedacht waarin hij â Peinzensmoede van de raadselen zou spreken, waarin de mensch op aarde wandelt, en uitroepen:
âDaar is geen priester Die Hem verklaart.
Maar Hem zoekt niemand Vergeefs op aard!quot;
Wat kan de Génestets prachtgedicht â dat heerlijke gebed der negentiende eeuw â met Nelly Saul te maken hebben. Niet veel. Maar misschien heeft Nelly Saul bij een zoeken in lage sferen â nog wel een klein beetje gezocht naar Hem, dien niemand vergeefs zoekt op aard; naar Hem, die alleen den ganschen samenhang der dingen doorziet, en Wiens oordeel alzoo het eenig eenig volmaakte kan zijn. \'t Is voor Nelly Saul te hopen dat ze het gedaan heeft. â Zeer zeker heeft zij het gedaan! Helaas, niet altijd op de rechte plaats. Althans haar pocket-bibles vallen meestal open en zijn zichtbaar het meest gelezen, op die bladzijden, welke Marnix doorgaans overslaat. Aan de mindere frischheid der blaren is het te zien dat Salomo\'s Hooglied haar lievelingsgedicht, Ruths lossing door Boaz haar een bron van troost, en het Oude Testament inzonderheid de schat van haar hart moest wezen.
Farewell miss Nelly Saul, farewell miss Sally Lewes! Mocht ge in de Nieuwe Wereld inderdaad uw genezing en uw vrede vinden. Aan deze zij van den Oceaan wordt gij niet geoordeeld. Farewell! farewell miss Nelly Saul!
Sedert Anna de beide reizigers herkende, stond ze een oogenblik besluiteloos. Ze wist niet dat Tom Gat alleen in de stad kwam om haar te bezoeken, en vreesde alzoo dat zij hem niet zou terugzien, wanneer ze heenging zonder zich bij hem aan te melden.
ANNA ROOZE.
Louise, zeer ingenomen met haar emplettes, die âzonder man-keere binnen drie verrel-uurs aan mevrouws huis zullen bezorgd zijnquot;, Louise zegt, dat ze er niets geks in vindt om even in \'t St.-Lucas naar dien heer te vragen. Neen, al was hij honderdmaal acteur, dat deed er niet toe; daar hadt je bij voorbeeld Albregt, onze eerste komiek hier in stad, een door en door fatsoenlijk mensch, daar zou ze als \'t zoo uitkwam precies zoo graag mee over straat gaan als, om iemand te noemen, met Tiele, haar favoriet-dominee: âCoeur d\'or van een man!quot;
Weinige minuten later klonk er een daverend gelach binnen de lange eetzaal van \'t St.-Lucas, waarin zich geen andere gasten bevonden. Tom Cat was geheel in verrukking over zijn geluk, en vooral omdat die engelachtige miss Rooze uit eigen beweging â hém, den ouden Zeskronen-Kater, aan boord was gekomen, terwijl nog bovendien die andere mooie miss hem de groote eer en \'t geluk aandeed om hem mee te bezoeken.
Louise, âmissquot;, was dadelijk met dien vreemde ingenomen, \'t Waren zeer vriendelijke woorden, die er werden gewisseld. Tom Cat zou nooit de schoone miss Rooze vergeten, het sprekend evenbeeld â in \'t mooie â van zijn vroolijken weldoener, nu al twaalt jaar geleden.
Anna van hare zijde zou altijd de aangenaamste herinnering behouden aan de vriendelijke kennismaking met hem en aan de edele nauwgezetheid waarmee hi|....
Ho, ho, stop! Daar mocht geen spraak van wezen. Goddank, het grootste deel der menschen zou zoo gedaan hebben, en gelukkig waren er niet veel zooals zijn oude Zeskronen-vriend, de roode Jan, die hem schandelijk had beet genomen, nadat hij bijna vijfmaanden op zijn kosten âhet vroolijkequot; genoten had.
Maar basta! zie, deze fraaie portefeuille met het prachtige handwerk en dat vereerend schrijven van miss Rooze er in, \'t was hem meer waard dan driemaal het bagatel, dat hij plichtmatig teruggaf.
Toen hij dat pakje bij de old mama heeft ontvangen, en the blue forget-me-not op het handwerk zag, toen heeft hij zoo vreeselijk moeten lachen, ja, zoolang en zoo vreemd, dat hem de tranen over de wangen hebben geloopen, en de old mama gemeend heeft dat hij gek werd, en is beginnen te schreien. Die portefeuille zal hem dierbaar zijn en het daarin geschreven woord: âDie trouw is, dien zat God trouwe houden in eeuwigheid!quot; dat woord zal hem op den goeden weg doen blijven, en hem soms eens aan den Eeuwige doen vragen: of de rekening nog goed staat tusschen Hem en Kater.
âNo, no, hij zou er tegen hebben dat je meegingt nietwaar?quot; lacht Kater een oogenblik daarna.
âHij? â Wie?quot;
Master Tom Gat meende op de hoogte te zijn. Dat was grappig! Wie!!? â De other â miss Louise â zou ook wel weten wie? Kom kom! \'t Is geen schande: Een very honest and practical man. Gisteren heeft hij nog afscheid van hem genomen:
âAls je dan in \'t Kikkerland wilt blijven my dear miss Rooze,quot;
281
282 ANNA KOOZE.
roept Kater, haast wat luid voor de plaats waar ze zich bevinden, «n met een schenker op den achtergrond â âdan wil ik hopen dat lt;ie nohle advocate die onze partijen bijeen bracht, dat lieve mondje â the pure rose of spring â gauw kussen zal als van zijn Hel lovely wife!quot;
Tom Cat lachte weer vreeselijk hard en lang. \'t Was iets vreemds van dien man dat lachen; plezier had hij toch niet op dat oogenblik. Louise meende zelfs dat dit lachen een nuance van huilen was. Zoo hadt je in de stramien nuances door \'t grijze van wit naar zwart.â Anna ziet in verwarring voor zich neer. Ãensklaps voelt ze zich de hand vatten. Tom Cat is weer geheel de oude. Nu is de tijd gekomen. Terwijl de gezelschapsmiss zijner old mama naar de United States, zich een weinig verfrischt en uitrust, kan hij aan zijn verlangen en plicht voldoen. Straks is hij een prachtvol meubelmaga-zijn voorbij gereden; daar moeten de dames met hem naar toe, als ze niet te âvoornaam zijn om met den ouden Kater door Rotterdam te loopenquot;?
Te voornaam, neen! Maar, naar het meubelmagazijn â in geen geval.
âYes! aye! To be sure!quot; â Tom Cat moet zich kwijten van een oude schuld. Voor den advocate Van Breeland moet hij een very fine stuk uit dankbaarheid koopen, en de lieve dames zullen hem helpen; hij heeft geen verstand van die dingen. Yes, yes, de dames gaan mee! Ze zullen Tom Cat wel raden!
Louise vond het een ijselijk aardig avontuur. Als het niet te laat werd met eten! Neen \'t kon wel, \'t is pas halfvier. Die afleiding is heel goed voor Anna! â En dan, dat sterke blosje telkens als hij van Oscar Van Breeland sprak. Heeft Alexander niet gezegd dat «r vroeger tusschen die twee zoo iets borrelde?.... \'t Scheen dat die vreemde snaak met zijn hooge boorden er meer van wist, want, hoe zou hij anders zoo bepaald van âlovely wifequot; en al die aardigheden meer hebben gesproken. Ongetwijfeld heeft Oscar zich over â¢dat mooie Anna\'tje tegen hem uitgelaten! Kijk, guns! daar presenteert hij Anna den arm. O, da\'s dol! en Anna vindt het zeker bespottelijk.... allerbespottelijkst, maar zie, ze durft niet weigeren. Of dat Amerikaansche mode is? Pas op, zoo aanstonds krijgt zij zelve ook een beurt! Dat zou een lief olie- en azijnstelletje wezen. Ze zou zich ziek lachen als ze dan Alex eens tegenkwam. Tien tegen één dat Lex een beroerte van \'t lachen kreeg als hij zijn vrouw en logé bras-dessus-bras-dessous met zoo\'n totaal onbekenden piepa in de Hoogstraat zag flaneeren. Tiens, Tiens! daar komt âde Vastequot; aan.
âBonjour Louise!quot; zegt âde Vastequot;. â Zeer zacht: âHm, is dat de logé waar je me zoo benieuwd naar maakte? Prachtig! â Aan den arm van d\'r papa?quot;
Louise even zacht: âNeen mannetje,\'t is mis.... verkeken. Salut!quot;
âHoe meen je?quot;
âJawel verkeken,quot; â Luid: âBonjour. Groeten aan de zusjes. Veel wind vandaag. Au revoir!quot;
Mijnheer Ziechel Fruit blijft de dames met dat vreemde heer nog
ANNA BOOZE.
een oogenblik nakijken. Was die f\'orsche knevelsinjeur de pretendent van die heerlijke verschijning? Het strijdt met zijn principes om dames na te loopen. Maar nu, nu zal hij toch even terug gaan, tot voorbij het meubelmagazijn waar Louise Van Wall met dat contraire paar is binnengestapt.
â Neen, hij zal het niet doen, want Louise Van Wall----
â Ja wel toch even.... want dat gezichtje....
â Neen toch niet. Want mis en verkeken heeft ze gezegd, en bovendien: dames naloopen het strijdt met zijn vaste principes.
Binnen het meubelmagazijn heeft Tom Cat naar de prachtigste fauteuils gevraagd die de meubelmaker vertoonen kon.
âVoor heeren of dames?quot;
Voor heeren, ja wel. maar de man moest maar alles laten zien wat hij had.
En, daar waren Voltaires, Comfortables, Pompadours, Easy-chairs, Condoles, Crapaudjes, wat men verkoos, van twintig, dertig, zestig, tot honderd gulden toe.
Of er geen fijnere waren?
Tjaaa ⢠.. jaaawel. Als dat de bedoeling was! Boven in \'t magazijn stonden nog de zoogenaamde Victoria en Albert voltaires, die op de groote tentoonstelling waren geweest. Tjaaa ... als mijnheer en de dames die eens zien wilden? Al driemaal heeft de eigenaar ze onder den prijs kunnen verkoopen, maar â merci; beneden de tweehonderd vijftig gulden het stuk gingen ze niet de deur uit.â Wat er beneden bleef dat kon hij â de maker â er zelf aan verkijken, want het waren ârijkgebeeldhouwde stoelen, zoo rijk als Horrix in den Haag ze ooit gemaakt hadquot;, en prachtig bekleed met blauwzijden damast!
Kater vond die stoelen indeed very fine. Louise vond ze om te stelen, en Anna te mooi om te gebruiken. Misschien had de laatste er toe kunnen komen, om er iets aan af te keuren, indien Kater van iets anders dan een heer en stoel had gesproken.
âDus goedgekeurd?quot; zegt Tom Cat: âDat doet me plezier. Ik dank de dames voor haar vriendelijke hulp. Wij Yankees weten niet meer wat goed\' smaak is in Holland â hahahaha. Als de brave advocate niet te vreden is dan hebben de dames de schuld.quot; Tot den meubelfabrikant zegt hij, zoo aanstonds te zullen terugkomen om de rekening le vereffenen, en hem dan meteen het adres te geven, waaraan de stoel moet bezorgd worden. En, nu is hij gereed.
Het bevreemdde Anna wel eenigszins dat Tom Cat, zelfs niet in de verte, over het cadeau heeft gesproken \'t welk hij vroeger aan Van Breeland gezegd had haar te willen aanbieden aleer hij naar Amerika vertrok; maar, nu zi) het magazijn verlaat, nu gevoelt ze zich juist daardoor verlicht. Wat behoefde de goede man, die de ouda schuld zoo meer dan royaal had afgedaan, haar nog een geschenk te geven bovendien? Juist om zoo iets te voorkomen heeft ze straks gedurig bezwaar gemaakt om mee in dat magazijn te gaan. \'t Is nu naar wensch afgeloopen. \'t Was een prachtig cadeau aan Van Breeland!
2S3
anna rooze.
â Waarvoor? vraagt Anna zich af.
Eensklaps voelt ze iets pijnlijks in de borst. â Was het een geschenk alleen omdat Van Breeland in Katers naam die schuld met haar heeft vereffend; daarvoor alleen ...? En zij, wat deed zij om haar dank te toonen voor zijn heerlijk pleidooi, voor zijn bemoeiingen in haar en tante Lijnings belang? Wat heeft zij gedaan?
Nu doet ze de kleine voile voor het gezicht, misschien omdat de wind zulke vreeselijke stofwolken opjoeg en het haar daardoor moeie-lijk viel om het antwoord te geven op Katers vraag; Of zij niet vond dat die fair lawyer een stoel waardig was, nog driemaal mooier dan die, welken zij zoo even voor hem had uitgezocht?
Om schemeravond van denzelfden dag, terwijl Anna weer voor het bovenraam in De Boompjes zat, zag ze iemand een pet naloopen die hem was afgewaaid. Toen de man met het herkregen hoofddeksel regelrecht op de woning van Van Wall toestapte en er aanschelde, keek Anna onwillekeurig naar beneden, en zag een berrie voor de deur staan, \'t Scheen wel alsof er twee voltaires op stonden.
Weinige oogenblikken later kwam Louise de kamer binnenstuiven; stak Anna een brief toe, en riep opgetogen:
âKoninklijk logies voor je, kind: Victoria en Albert!quot;
Anna begreep er niets â maar toch iets van.
De brief was kort, en \'t was nog licht genoeg om te lezen:
âSgoone Miss!
Myn weldoener fond yk not in leve, maar syn eevenbeeld zag yk well; and-like zy is, zie yk not any weer. Yk voorgeet haar niet, nooit, for life! However, \'t moet the advocate Van Breeland syn! Yes! Yes!! and very good! â The old mistress Beele in the Pays-Bas at Utrecht, weet de story particular exact. The advocate wilde yesterday the felicitation not accepteer. Yet, at last he zei: God gaf dhat \'t waar, en zy de m\'yne was.
quot;STi heb thus Victoria and Albert on the address of miss Rooze besteld. A littleâ little souvenir for twee! Yk voorgeet You nooit. Be happy together. I parted from here already forthwith to Nymegen, per railroad. â Farewel, beautiful flower!
Your poor tom cat.quot;
St.-Lucas, May 1860.
De letters dansten Anna voor de oogen. \'t Was wel te zien dat die man niet gewoon was Nederlandsoh te schrijven, zoo hij het al vroeger, als de arme Zes Kronen Kater gekend heeft. Maar de inhoud van dat schrijven is Anna duidelijk genoeg. Zij weet niet wat ze zeggen, wat ze doen moet. De quitantie van den meubelmaker â zonder invulling der som â lag in den brief; Kater was reeds vertrokken; de prachtige voltaires stonden in het voorhuis;
284
ANNA ROOZB.
de berrie-lieden zijn al met een fooitje door Louise geëxpedieerd, en â Anna staat als versufd.
Emma Van Wall, die, in het voorhuis gekomen, de stoelen ziet, krijgt een kleur, en zegt dat ze er heusch niets van begrijpt. Willem Haverkist hakt den knoop door, en beweert dat het een misverstand moet wezen; niemand zou het in z\'n hersens krijgen om een aanstaande dominee\'svrouw zulke vorstelijke dingen te sturen. Zeker verkeerd bezorgd!
Alexander, die met twee woorden door zijn Louise op de hoogte is gebracht, verklaart stellig te gelooven dat het een kleine attentie van Willem voor zijn aanstaanden oom en tante is. Foei! hij had het niet moeten doen; \'t was altee. Hij moest in ieder geval een beetje van het lofwerk weerom sturen, dat was nog een uithaler voor handdoekrekjes of stooven of iets van dien aard in \'t huishouden.
Willem Haverkist lacht mee â maar denkt toch: Ja, een bagatel mocht ik wel doen. \'t Is misschien een kleine pipue sous 1\'eau. Een sigarenkoker voor hem, en een portemonnaie voor mevrouw..-enfin!.... maar de beurs! Enfin, d\'r zijn er wel in de goedkoope soorten die nog al vertoonen. En luide:
âJa juist! ik wist niet wat ik beters voor u bedenken zou! Probeer ze maar eens â ze zijn bijna zoo zacht en gevuld als mijn donsje, mijn zwaantje, mijn mol.\'quot;
En \'t zwaantje, een weinig verlegen, weert hem af en zegt: âEom Wim, niet zoo laf in presentie!quot;
VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
\'t Is één uur na middernacht.
In het Over-Maassche daar had hij zich gelegerd, de storm.
Daar stonden populieren en esschen en wilgen in gestadigen ootmoed voor hem te buigen.
Doch, zich verheffende, uit zijn rust, huilende als een verscheurend gedierte, vloog hij overeind.
Den slanken esch greep hij bij den voet en rukte hem neder.
En de andere stammen bogen dieper, doch sidderden inwendig bij het voelen van de ijzeren vuist die hen kraken deed.
En wat hem stoorde in zijn woeste vaart â dat slingerde hij met kracht ter aarde.
Voort! hij moest zich baden in den breeden vloed.
Voort! dien knootwilg gesmakt in de klei.
Dat lies en riet gezweept in het drassig oeversop.
Voort! zich zelf gestort in den stroom.
285
286 ANNA ROOZE.
En het klotst en bruist en schuimt waai hij de waatren beukt. â Voort! naar gene zijde.
Het fiere fregat in \'t midden der rivier op stroom voor anker, voelt te loefwaart een ijzeren stoot, en hoort den ankerketting knarsen, en ziet znn vrijen wimpel in den besaanstop gegrepen, en weggeslingerd in het donkere nat.
Voort moet hij, voort! Naar die bodems in dommel aan gindsohen wal; naar die huizen waar binnen de lauwe rust hem walgt. Ha! hij zal ze luide wakker gillen uit den zoeten slaap. Hoor maar hoe hij in het want dier schepen gilt. Hoor maar hoe hij de glazen dier gaslantaarn al rinkelend aan stukken beukt; hoor maar hoe hij bonst op die vensters.
Zie! Dien schoorsteen zal hij doen neerdonderen op de pannen van uw dak. Waak op! Waak op Rotterdam! \'t Is de reus uit het Over-Maassche. Zie toe. \'t is een booze geest!
Maar â als de vlijmende Noorderstorm van die stadzijde woedt, of hij geen boozer geest zou wezen----?
Hoe \'t zij, de kleine kof, die tegenover het huis van Alexander Van Wall lag, heeft het nu zwaar te verantwoorden.
Naast een groot campagne fregat gelegen, reed het fregat, door de sterke deining van het water, gedurig tegen haar aan, en, dewijl men de wrijfhouten of de kurken vendels niet had uitgehangen, kreeg de kof gedurig een zoo sterken âlik op \'er kaak, of trapten de rusten van het fregat haar zoo geweldig, dat ze dquot;r lam in de lenden van werd.quot;
\'t Is zeer donker. De meest nabijstaande gaslantaarn op den wal is uitgewaaid, en de kleine hemellichten zitten achter een donkeren sluier.
De schipper der kof verkeert in groote onrust. Hij is alleen met vrouw en kind aan boord, en het lek in het vooronder is van dien aard dat pompen bijna niets baten kan. Waar het lek zich precies bevindt dat weet hij niet, en hoe het ontstaan is, dat kan hem niet lang bezighouden, \'t Zou wel omtrent bij den boeg zijn en het âlogge bakbeest van \'en fregat met z\'n satansch gezoen, mocht wel de schuld hebben â als er geen oud zeer van de reis zat.quot;
ââ Maar wat doet \'t er toe! Alles drijft in \'t ruim, en \'t water wast binnen boord, twee duim in de minuut. Toch pompen; ja, pompen zooveel hij kan! Maar zie, het doodshoofd â de groote boegkluiver â grijnst hem aan.
â Vrouw en kind! Ja ja, ze moeten van boord. Je weet niet wat er kan gebeuren. Dat zou hier een schipbreuk kunnen worden, verdompeld, aim vasten wal! \'t Is wonder dat men op het fregat zijn schreeuwen niet verneemt, en dat de lamme nachtwacht zijn geroep, zeker voor \'t gemak, maar op rekening van een krassend vensterluik stelt.
â Wel zeker, een vensterluik aan den kant der rivier!
â- Pompen! pompen!! â \'t Is goed, maar Ottelijn en Janneman moeten toch van boord af. Zulk vrouwvolk weet van slapen als z\'em eens gepakt hebben! Ze zouden de heele wereld laten vergaan en \'sanderen daags vragen hoe \'t gebeurd was!
ANNA ROOZE. 287
âHei! Ottelayn! Zeg! wor rays wakker. Zeg, of mot ik ie eerst weer \'t hoornbeest langs den neus haele. Kom Ott! \'t is nou geen gekskere mayd! Over een uur was ik al aan \'t pompe. Kom d\'r uyt as \'en meeuw. â Jae! lek! en verdompeldjies erg! Gauw d\'r u^yt! ik zal Janneman wel vost \'en wollen bokse aen \'t baefcje doen! Nou die kaykt ook as \'en zeekat in \'en tobbe. Lust leever Rotter-damsehe peperkoek nietwaer klayn skellevisohbaesje. â Jae jae Ottelayn, je mot d\'r seldrementig gauw of. \'t Is zoo verdompeldjies donker, en met den storm â ik heb er gien peail op.quot;
Een paar minuten later stond de vrouw op het dek met den rug-naar den wind. De onderrok spande haar om de beenen, en de bovenrok had ze over \'t hoofd, want Janneman zat op haar arm en sliep gerust met het kopje op haar schouder.
Op den wal stond. . . een groote roode ster; nu eens op manshoogte boven den grond, dan voor eeu oogenblik â verschietende naar beneden â tot halfmanshoogte.
Alexander Van Wall genoot zijn rencurrel maar ten deele. Zenuwachtig is hij volstrekt niet, maar dat nachtelijk avontuur is toch pittiger dan zijn sigaar.
Nu is de ster den oever en de kof zeer nabij gekomen.
âPas maar op kaptein! Voorzichtig!quot;
âGien nood meneer; \'t is maer dat ze \'t klayn op\' er schoer hêt, en Janneman slaept, weet je. Dat verdoinpelde lek!quot;
âWacht juffrouw kapteinse, geef jij me maar \'en hand. Voorzichtig! Te droes, j.e kunt met dien wind de oogen niet open houden. Kom nou maar mee als je durft. Bij ons ben je dubbel aan wal hoor. M\'n vrouw wacht je met \'en bordje schildpaddensoep, of met wat anders. Ik heb haar met m\'n sigaar getelegrafeerd datzelogé\'s krijgt. Ziezoo, maak jij nou maar dat je aan de pomp komt kaptein. Als je vrouw met Janne- of Pieterman binnen is, dan zorg ik dat er volk voor je aanrukt. De nacht kleurt alles donker, \'t Zal zoo\'n vaart niet loopen. Morgen geef je een bal aan boord. Slaap wel. Pomp plezierig! â Wat blief?.... Kan je niet meer verstaan. Deze stoep juffrouw. Wacht, ik zal wel voorgaan. Doe jij nu dien rok maar naar beneden, anders zal Pieterman stikken en m\'n vrouw denken dat je een nonneke bent.... Niet dat een nonneke.... Neen volstrekt niet! â Roomsch misschien.-..?quot;
âJa wel Roomsch, om uwe te dienen meneer! Uwe zeker ook, want moeder Maria haeit uwe uyt liefde naer ons toe sonde.quot;
âPrecies! De boodschap net voor \'n half uur gekregen. â Komaan, daar heb je m\'n vrouw. â Louise, tot straks. Ik moet voor \'en pomp-equipage op de kof zorgen. In tien minuten weerom! â Wat een lekkere jongen nietwaar? Een Noord-Hollander van geboorte. â Dames! Salut! a tantót!quot;
Een groot half uur daai-na zat de vrouw van den kofschipper in de nette keuken der Van Walls heel gerust een kop koffie te drinken, want zooals Van Wall goed had geraden, de nacht en de onrust hadden het lek in des schippers verbeelding wat grooter, en den waterwas wat sterker gemaakt dan ze werkelijk waren.
288 ANNA KOOZB.
Janneman is rondom wakker en kraait van plezier. Geen wonder: Zoodra hij bij het heldere gaslicht in de keuken de oogjes goed kon open houden, heeft hij begrepen dat het over dag was, en moet het hem geweest zijn alsof hij in Luilekkerland was aangekomen.
In de eerste confusie, had Louise het lieve molletje een krentenbroodje in het kleine handje gegeven, en ofschoon Janneman zich dapper heeft geweerd, toen hij een stuk koek er bij kreeg, toen lag het restant brood al spoedig op den grond; en â toen Louise gelukkig in het trommeltje nog een paar vanille-biscuitjes gevonden en ze het lieverdje gegeven had, toen volgde al spoedig het overblijfsel koek het behapte krentenbroodje.
De kapiteinsvrouw is recht dankbaar, maar vindt het toch al te vrindelijk dat mevrouw zoo\'n omstande met haar heeft, en zoo midden in den nacht! Mevrouw had waarlijk geen bed moeten laten opmaken; ze kon hier best in den stoel slapen, en Janneman op haar schoot, \'t Was al te erg! En Janneman was weer zoo âkraaysquot; en \'t zou geen wonder wezen als ie den heel en nacht woelwater bleef, want âgossiemayne, zóó as meneer óllan met \'em raeilde en zaeilde dat was meer as liefhebberay.quot;
âJoep joep, hopsasa! joep joep, faldera; falderal-deriedera, falde-ralde-rom!quot; riep Van Wall, terwijl hij op het keuken-aanrecht gezeten, het frissche jongske op zijn rechterbeen een tour per spoor naar een badplaats liet maken, en iedere rom voor een station hield, waar hij gelegenheid had om zijn lippen eens op die mollige wangetjes te drukken. De stations bevielen Janneman het minst; en telkens zat hij te dansen en trok al aan de stationsschei â Alexanders das â omdat men geen tijd te verliezen had, en, voort ging het dan weer: âJoep joep, hopsasa! joep joep, faldera; kleine Jan, kleuterman, falderalde-rom!quot;
Op hetzelfde oogenblik dat Louise met haar \'s morgens gekochten hansworst in de keuken terugkomt, voelt Van Wall dat het bijzonder warm op zijn been wordt, en, in de vaste overtuiging dat de badplaats nu bereikt is, heft hij het snaakje in de hoogte; springt van het aanrecht op den vloer; geeft het kind nog een zoen, maar dan ook aan de moeder terug met de woorden :
,\'k Zal buiten eens eventjes naar den watersnood gaan kijken.quot;
âOch, meneer is ol te vrundelijk. As meneer maar gien kou vat.quot;
Van Wall is daar niet bang voor, want, om nóg eens naar de kof te gaan zien, waar hulp genoeg was, daaraan heeft hij niet gedacht.
âWel goede morgen juffrouw Anna, ook al zoo vroeg op de been!quot; zegt hij in de gang tot zijn logé, die hem vragend aanziet, omdat ze zeer verlangt te hooren wat er voorviel, en hoopt vooral dat er niemand in huis eenig onheil is overkomen.
âOverstroomd! Anders niets. Geen gevaar bij!quot; zegt Van Wall bijna plechtig, terwijl hij het pand van zijn jas wat meer naar voren over het rechterbeen trekt. En dan terwijl hij verder gaat, voegt hij er zeer zonderling somber bij:
âPlaats der handeling: een keuken uit de negentiende eeuw. De hoofdpersoon: Water-god Janneman van de kof. Tot straks.quot;
anna kooze. 289
Van Wall wipt de trap op naar zün kamer. Anna ziet den gastheer na. Ze weet niet wat ze er van denken moet, en treedt de keuken in.
Dat was een verrassend tafreel. Een burgervrouw die, met een oude Schotsche sjaal van Louise om, er niet onooglijk uitzag, had een alleraardigst mooi kind van ruim anderhalf jaar op don schoot. Met beide handjes â gillende van pret â greep het kind naar den prachtigen hansworst, dieu Louise Van Wal] hem voorhield, en wiens ledematen zich alle op \'t snelst bewogen; wiens oogen draaiden dat men meest alleen hel wit er van zag, en wiens lijf moe-doe zei, alsof hij bij een buikspreker in de leer was geweest.
Toen Anna zich omstreeks een uur geleden te bod heeft begeven, maar niet slapen kon omdat allerlei gedachten haar \'t hoofd vervulden en \'t hart deden kloppen, toen heeft ze een paar malen, kort na elkander, gemeend de voordeur te hoeren dichtslaan. Dewijl de logeerkamer zich, even als Kiiiiua\'s kamer, aan de achterzij van het huis bevond, zoo heeft Anna maar weinig van den storm en in \'t geheel niets van dat schippersgeioep vernomen. Doch, steeds scherper luisterende, begreep ze al spoedig dat er iets buitengewoons moest plaats hebben, want, op den overloop had ze Louise, ofschoon onverstaanbaar, toch duidelijk en druk met Mietje hooien praten, â en daarna telkens geloop en gedraaf op de trap vernomen, zoodat ze geen rust heeft gehad, maar weten moest wat er was, en of ze â¢ook hulp kon aanbrengen. Maar nu, in plaats van iets droevigs te hooren, ziet ze daar dat prettig tafreel.
Louise die lustig aan het ringetje van den hansworst trekt â zonder evenwel naar zijne bewegingen te zien, maar des te meer naar dat âsnoeperig ronde bakkesjequot;, zij hoort niet dat de keukenklok twee slaat, en toont zich niet verwonderd dat Anna binnenkomt.
In weinige oogenblikken heeft de laatste het gebeurde vernomen, en wordt gesommeerd om maar eens eerlijk op te biechten of ze dat jongske niet een engel vindt. Louise zelve moet bekennen â al zit de moeder er bij -â dat ze nooit zoo iets dodderigs en liefs heeft gezien.
Anna stemt het van ganscher harte toe, en zou het vroolijke wicht zoo graag eens op den arm hebben.
âDat zou ik uwe niet raeie dame, want Janneman .... hihihi .... Zeker \'t ongewone.quot;
Louise roept, dat die âlekkere mol om te stelen is.quot; De schip-
Ãiersvrouw meent wel te merken dat mevrouw veel van kinders loudt, en er zeker geen heeft.iersvrouw meent wel te merken dat mevrouw veel van kinders loudt, en er zeker geen heeft.
Louise springen de tranen in de oogen. Neen, zij heeft er geen, maar, als zij er zóó een had, dan â ja, dan zou ze de wereld te rijk zijn. En terwijl Louise dat zegt, neemt ze Janneman, met geringschatting van zekere waarschuwing op den arm en danst er mee de keuken rond. En â de kleine heeft evenveel pret als straks op de knie van Lex. Hoor maar, hij kraait zelfs; ghu ghu, en ook: moe-doe, moe-doe, misschien in navolging van den hansworst, wiens VI. 19
ANNA ROOZE.
mechaniek inmiddels door de vrouw met bewondering beproefd wordt.
Een groot uur later was alles rustig in huis. Intusschen, de eenigen die sliepen waren Emma en Janneman. Voor Emma zou de gansche nacht een heel klein stukje niets zijn: en voor Janneman een dit» dito met iets geel-blinkends-rood-wits er tusschen in.
Voor het overige lag alles wakker te bed.
Mietje de werkmeid zei geeuwend tot Jane de keukenprinses, dat voor haar part die nachtspektakels wel uit de deur konden blijven: als \'en mensch z\'n eigen overdag aftobde, dan kwam \'t \'en mensch van rechtswege toe dat ie \'s nachts z\'n rust had.
âNou!quot; geeuwde de ander. En dan: âD\'r was \'en kind bij, hé?quot;
âJa, voor zulk slag van scheepsvolk \'en aardig kind; maar, zooals Lex en Loutje d\'r mee waren, dat was narigheid. Net kinderen! Wil je wel \'looven dat ze gek genoeg zouen zijn om zoo\'n kind bij zich te houen, als die koflui d\'r niet tegen waren?quot;\'
âZu\'k vlooien-goed!quot;
âNeen smerig dat za\'k niet zeggen, maar \'en teerstank, \'en teerstank! Neen, ik zeg, as ze zoo ies in de hersens krijgen dan verkas ik hoorrie. Ik dankte God al toen \'t in Maart weer misliep. Met zu\'k kindergoed over den vloer hêt \'en mens vóór noch achter gedaan, mersie hoor!quot;
âMer .... s ... ie----e;quot; dommelt de ander.
Het gesprek der echtgenooten Van Wall, binnen \'t groote lit-d\'ange, was van zeer intiemen en zeer ernstigen aard. Alexander zei.... dat niemand met echtelijke slaapkamer-geheimen iets te maken had, en kroop met den mond onder de dekens.
Anna zal niet veel slapen in dien korten nacht. Er is zooveel dat haar de oogen telkens weer openhoudt. Ontelbare malen heeft ze Tom Cats brief herlezen, en vooral de woorden door Oscar gesproken toen hij een felicitatie weigeren moest.
En zij die geloofde dat ze hem na al het gebeurde onverschillig is geworden; dat er een klove tusschen hen bestaat â nu heeft ze dat woord, dat dierbare woord gelezen: âGod gaf dat ze de mijne was!quot; â Ach, wat kon hem dan terughouden? Weet hij dan niet dat ze zich heeft opgeofferd ter wille van Emma en den armen Ernst? â En Ernst was gestorven, en Emma is gelukkig. Als hij haar werkelijk nog liefheeft, wat weerhoudt hem dan nu? Wit heeft hem dan zoo koel gemaakt?.... Wat ..? Maar, eensklaps stond die vreeselijke, die lasterlijke brief haar weer voor den geest. â Hoe! heeft ze dien een oogenblik kunnen vergeten.... de wreede beschuldiging, dien hoon, den edelsten der menschen aangedaan? â En ja, zij kan hem weder vergeten dien brief. Telkens meer en meer. smelt de herinnering aan dat geschrift als in nevelen weg, en wordt Oscar Van Breeland gerechtvaardigd in haar oog, terwijl zij zich zelve met de gansche schuld belaadt. Immers, niets, niets heeft ze gedaan om den geliefden tweeden vader voor een wreeden schi]n te vrijwaren. Ja, met argelooze onschuld heeft zij
290
ANNA ROOZE.
hem aangehangen en tot zich getrokken; doch, de wereld had ze immers reeds leeren kennen, en den schijn heeft ze niet vermeden, ofschoon ze het had moeten doen. â Maar bovendien, wat is er door haar gedaan om den edelen jonkman, die met zooveel ijver door zijn heerlijk talent de ongelukkige Hanneke voor een onteerende straf wist te behoeden, die uit vrije beweging, geheel belangeloos, zich zooveel moeite voor haar eigene belangen gaf, wat heeft zij gedaan om hem haar bewondering, haar dank, haar hooge sympathie te betoonen? Niets, niets! â Toen hij die zege had bevochten, toen heeft zij hem een hand gegeven, een hand â die nochtans al weder het geheim van haar hart niet verraden mocht. En later: geen brief van dankbetoon, geen geschenk, zelfs geen woord aan hém. Niets, volstrekt niets, â Het was schier onverklaarbaar. â En zulks alleen uit dat gevoel van kieschheid, \'twelk op de kostschool vooral het jonge meisje als eerste deugd wordt aanbevolen, als heiligst wapen in den vaak zoo moeielijken levensstrijd.
â Een heerlijk wapen! Ja. Maar helaas! dat wapen, zeer dikwijls te fijn geslepen, te scherp gepunt, het wordt in onbedreven handen allicht gevaarlijk voor wie het hanteert. Helaas! de geringste weerstand doet niet zelden te ras die fijne spits er van breken, en het wapen, verstompt en aan de hand ontglipt, daar neerliggen ter ... bespotting.
â En de kieschheid heeft haar weerhouden. En niets, niets ter wereld heeft ze aan Oscar Van Breeland gedaan. Niets aan hem, den jongeling- .. terwijl zij den vaderlijken vriend, die, ofschoon veel ouder, nog in de volle kracht van \'t leven is, heeft aangehangen als een dochter, zonder er ooit aan te denken, dat zelfs de morgen- en avondzoen, dien edele gegeven, tegen haar getuigen kon. Ja, zonder aarzelen schonk zij den gehuwde haar reine maar volle kinderliefde, en â den minnenden jongeling koelheid en anders niets!
â Maar luister dan ook, beschuldigende stem:
â Eens had die jonkman haar gezegd: Anna, ik heb je lief meer dan iemand ter wereld; je vriend en je beschermer wil ik zijn mijn leven lang. En toen, toen heeft ze aan Emma gedacht; toen heeft ze hem gezegd dat ze zijn liefde niet beantwoorden kon, en schonk ze schier terzelfder tijd haar hand aan een ander. â Zóó was \'t geschied.
â En wie, wie zal het wraken dat ze later een strenge wacht heeft geplaatst voor oogen en voor mond, opdat het hem met wezen mocht alsof ze hem zeide: De tijden zijn veranderd mijn vriend, kom nu terug; zij, wier vriendschap ik hooger stelde dan uw bezit, zij eischt dit niet meer; hij, voor wien ik uw liefde versmaden kon, hij is gestorven. Kom nu mijn dierbre, dit hart is weer vrij.... â Alsof die geliefde haar dan geen woord had kunnen toevoegen, \'twelk haar voor immer den blos der schaamte op de wangen had gedrukt!
â Ja, beschuldigend hart, daar is verschooning, zeker!
Maar toch, Anna gevoelt het nu: te ver gedreven kieschheid is
291
292 ANNA ROOZE.
geen waarheid maar veinzerij. Zij beseft het: Onwaar en onnatuurlijk is zij te Arnhem geweest; haar schijnbare koelheid en ondankbaarheid hebben den jonkman, die haar nog liefhad, van zich afgestooten. Haar boudingj haar verblijf op De Renghorst, haar vertrouwelijke omgang met den baron hebben zijn achterdocht, zijn jaloezie geprikkeld, want â hij beminde haar immers nog.
â O, en dan is dat schrijven verschoonbaar! Hij heeft geoordeeld naar \'tgeen hij zag, en terwijl hij het meisje spaarde, werd hij onrechtvaardig in zijn oordeel tegenover den edelsten der menschen.
Ja, Anna gevoelt zich schuldig â ofschoon zij een schuldige is ondanks zich zelve.
Is daar overdrijving in Anna\'s beschouwing?
\'t Ware niet kwaad dat er meer zóó overdreven werd.
Meestal is de rechter van binnen al zeer genadig.
Maar nu, Anna verkeert bovendien in een gansch bijzondere stemming. Heeft ze dan geen zekerheid, geen volle zekerheid dat hij haar nog bemint? Heeft ze niet gelezen die heerlijke woorden: âGod gaf dat ze de mijne was?quot; En dan â ja, indien ze zich niet zoo zonderling bewogen gevoelde, dan zou ze haast moeten lachen; Daar staan ze, die beide vorstelijke fauteuils, met hun prachtig snijwerk, en blauw damast. De grootste voor.... hem, de kleinste voor haar. â \'t Is bespottelijk! Waarlijk, Anna zou biina kunnen lachen; lachen, nu ze opgestaan bij \'t eerste uchtendkrieken, en al spoedig geheel gekleed, in de armen van die Prins Albert is neergegleden.
â Een huwelijksgeschenk voor Oscar Van Breeland en vóórhaar! Een huwelijkscadeau terwijl.... Ha! zulk een denkbeeld kon slechts opkomen in het brein van een kunstenaar, wiens talent hem eenig fortuin bezorgde; een zoon der kunst, die uit het grootsche land kwam, waar men over kleinigheden heenstapt; die uit liefde voor een oude moeder over de breede zee kwam, en telkens weder moest toonen dat hij een nobel hart omdroeg in de trouwe borst.
_â En die stoelen ze zijn dan voor Oscar en voor haar! Zullen die fauteuils, zoo gemakkelijk als prachtig, bijeen blijven!? Zullen zij werkelijk staan in een net salon tegenover of bij elkaar, op een fraai Deventer tapijt, en de andere meubels â ofschoon n iet zoo rijk â een weinig in denzelfden stijl? En dan: hij daar; en zij.. .. Neen wacht, dan moet Anna zelve in de Victoria zitten. Zóó.... en dan hij daar, daar, met dat fiere hoofd een weinig achterover eleund, haar aanziende met die donkerblauwe oogen, zoo vorstelijk er.... Is het een verwijtende blik....? Neen, als men elkander liefheeft dan verwijt men niet, dan is alle leed, alle droefheid vergeten; dan ... O! als de lieve Hemelvader toch zulk een zaligheid voor haar bestemd had op deze droeve en toch zoo schoone wereld -...
â Maar die brief, al weder die brief! â Stil, is het dan niet Anna\'s schuld dat hjj geschreven werd, en, mocht Van Breeland toch eenige schuld hebben, dan zullen zij zich te zamen aan de voeten werpen van den edelen vriend die gezegd heeft: Anna, mocht Oscar je gelukkig maken! God geve het!
ANNA EOOZE.
â O, welk een heerlijke morgen! De Wijnhaven, waarop Anna\'s kamer het uitzicht heeft, de Wijnhaven met haar vaartuigen en ijpeboomen in den uchtenddommel, moet een Zwitsersch landschap beschamen. De blanke lucht, waartegen al die daken en schoorsteenen en masten zoo krachtig uitkomen, kon niet blijder glanzen wanneer hij zelfs Italië\'s hemel ware. Zóó althans schijnt het Anna toe. Ja, want nu eerst is het waarlijk lente geworden in hare ziel. Met die laatste stormvlaag in den nanacht, is ook de kille adem, die haar den boezem verkoelde, ontvlucht: Victoria en Prins Albert! Het is om te lachen en te schreien allebei. â En Anna bidt:
âMijn lieve Hemelvader, Gij zijt het die de stroomen Uwer liefde weer helder doet vloeien langs het pad van uw kind: Hij die mij eens beminde, hij bemint mij nog. Hij bleef hier en trok naar het Zuiden heen. En dan, groot en liefderijk Opperwezen, heeft niet Uw laatste storm een zwarten nevel als weggevaagd voor mijn oogen, en de bron doen zwellen waaruit ik klaarheid putten mag?
âIndien ik mij slechts over Oscars liefde alleen verheugde,maar neen. Vader! er is zooveel mi
licüt voor mn ooeeeaan. u mocnt ik
moet. Daar is nog een ander
mij niet bedriegen: Hanneke!
ben en niet meer haten. Als gij kwade geruchten hebt verspreid, dan zullen ze nu verstommen. O goede God, het licht, dat Gij mij schenkt, is schier te verblindend op eens. Er is iets in mij alsof ik de heele stad met bloemen zou willen versieren en aan iedereen een aalmoes geven, aan iedereen die het maar noodig had. God, groote God! mijn hart bonst van blijdschap en dank; voor mij zelve en voor haar, voor haar, die arme! Vader, beschaam mij niet, laat die heldere lucht niet meer beneveld worden. Zie mijn lachen zooals Gij mijn schreien in stilte hebt gezien. Ha Victoria en Albert! Ha mijn mollig kinderkopje, lachende voor den kleinen hansworst en kraaiende van pret!
âO God, Gij zijt goed! Vergeef het mij als ik schier dronken ben van vreugd; maar \'t is een zuivere vreugd, en Gij hebt ze mij geschonken. Ja mijn hart vloeit over van dank. Waar dien dank dan geplaatst als Gij niet hoort, als Gij niet ziet, als Gij niet bestaat!
âAmen Vader, Amen! Nu is het lente en zaligheid in mijne borst. Amen!quot;
Geen half uur later had Anna reeds een onderhoud met de vrouw van den kofschipper â met de vrouw, die zich \'s nachts een paar zonderlinge, alleen door Anna opgemerkte woorden had laten ontvallen.
En aan den avond van dien zelfden dag zat juffrouw Helderwegen geboren Ebber, in de achterkamer der Van Walls tegenover dat echtpaar. â Anna heeft gemeend dit onderhoud niet te moeten bijwonen. â En juffrouw Helderwegen verwenschte in \'t eerst zich zelve âindien ze er iets van wist,quot; en bleef wat later met neergeslagen oogen voor zich henen zien, tot dat ze eindelijk uitbarstende in een hevig en langdurig snikken, heeft gezucht, dat de goede God haar genadig mocht zijn!
293
ANNA ROOZE.
VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Juffrouw Molenwiek, die onder de colonnade op de stoep van het landhuis De Renghorst, met haar vriendin Lijning âheel gezel-lechies en knus\'\' koffie zat te drinken, heeft weinige minuten geleden van Jan den besteller twee franco-brieven aangenomen; een van mijnheer uit Soden, en een van een onbekende hand. Juffrouw Molenwiek neemt het, lorgnet van haar tamelijk vleezigen gevel en zegt;
âBelangrijk nieuws! Wie had dat kunnen denken! Mevrouw Geereke is oneindig veel beter. Mijnheer schrijft dat zij van dag tot dag zichtbaar aansterkt, zelfs tamelijk groote wandelingen doet, en veel meer smaak in \'t eten krijgt.quot;
âOch kom, dat is gelukkig! dat doet me innig veel genoegen!quot; zegt mevrouw Lijning.
âJa, ik kan je zeggen Co-Mie, dat het mij ook wezenlijk plezier doet, want in waarheid, mevrouw mag wat erg sikkepetittig wezen, en vooral zooals ze hier in \'t laatst was, meer geest dan vleesch zijn, ze weet wat iemand toekomt, en wat ik in \'t huishouden doe, dat is haar altijd opperbest.quot;
âAls men de zaken ook zoo behartigt als ü, juffrouw Saartje. en alles zoo kent, dan wil ik het wel gelooven.quot;
âWat dat betreft Co-Mie, daar heb ik, zonder mij zelve te flattee-ren, de volle overtuiging van. \'t Zou er mooi gaan uitzien als er geen juffrouw Molenwiek meer op De Renghorst was. Maar wat ik zeggen wou, de baron schrijft er bij, dat men het plan heeft om al spoedig terug te komen. Mevrouw kreeg een sterk verlangen naar huis. De dokter heeft gezegd dat men daaraan gehoor moest geven, en liever over een paar maanden, indien het noodig mocht zyn, nog eens terugkomen. Onderaan schrijft de baron; u zult wel aanstonds maatregelen willen nemen; wij komen onverwacht; wil ook de groene en roode kamers in gereedheid doen brengen, want waarschijnlijk krijgen wij al spoedig logeergasten.quot;
âWel wel, dat zal u plezier doen,quot; zegt mevrouw Lijning, die zelve echter door dat laatste bericht een weinig gedrukt werd.
â Alleen met juffrouw Saartje, zie, dat was zoo iets kalms en rustigs. Als de familie terug zou zijn, en er logé\'s waren bovendien, dan werd het geheel anders; vooral als mevrouw niet meer ziek was, en Anna uit iogeeren bleef.
âJa Go-Mie, \'t is plezierig voor me en niet plezierig,quot; zegt juffrouw Molenwiek; âPlezierig als men lustig en graag is, maar anders is het verdriet.quot;
âAch ja, als men zoo gul is als u, Saartje, en alles zoo overheerlijk kan klaarmaken, dan moet het anders niet!»a.neenaamzijn,ofschoon men heusch wel eens te veel krijgt, heusch.
294
ANNA KOOZE.
âNu ben ik toch nieuwsgierig te weten van wie die tweede brief is,quot; herneemt juffrouw Molenwiek terwijl ze het lorgnet weer voor lt;Je oogen brengt; âIk hou er zoo van mijn geduld op de proef te stellen, weet je. \'t Lest best, en nietwaar, brieven van familie of vrinden gaan toch boven, hoe goed of de lui ook zijn.quot;
,Daar hebt u wel gelijk aan juffrouw Saartje, hoewel de familie Oeereke anders toch al heel lief en vriendelijk is.quot;
Juffrouw Molenwiek heeft dit laatste niet meer gehoord: ze was te zeer verdiept in de lectuur van haar brief. En nu â ze is er ,ontdaan en heelemaal perplekstquot; van.
Zooals men zich herinnert, heelt de heer Romslikker juist den dag na het overlijden van zijn voormaligen speelmakker Herman Carel Marter, dien vriend te Mulderspeet een bezoek willen brengen. In dit voornemen teleurgesteld, heeft hij toch aan het tweede doel van zijn uitstapje gevolg gegeven, en op De Renghorst aan de lieve juffrouw Rooze een bezoek gebracht.
Over de allerhartelijkste ontvangst op dat âadellijke landgoedquot; is mijnheer Romslikker verrukt geweest, en het keurlijke diner, waaraan hij â alsof er geen onderscheid was â had mogen deelnemen, heeft zulk een indruk op hem gemaakt, dat hij sedert dien dag gedurig in mijmeringen was verzonken, en, wakend en droomend, steeds de welgevormde bereidster van zooveel kostelijke schotels in de gedaante van juffrouw âSaartje Molenwiekquot; voor den geest heeft gehad.
En nu, juffrouw Molenwiek wordt beurtelings bleek en rood, want die brief was van den heer Romslikker, en in de treffendste bewoordingen roemt hij haar keurige gaven en.... bekoorlijkheden, en meldt haar dat hij zich Dinsdag e. k. nogmaals van haren welstand en gezindhedens hoopt te komen overtuigen, wetende dat hij nü minder geneeren zal, dewijl hij vernemen mocht dat de geëerde familie absent is.
Mevrouw Lijning begrijpt in den aanvang niet wat Saartje zoo in de war brengt.
âDie brief komt drie dagen te laat!quot; roept ze: âHij komt vandaag. Ja wel! Het adres was verkeerd. Te Mulderbeek in Limburg is hij afgeschreven, en toen eerst naar Mulderspeet gezonden. â Goede hemel, dus al spoedig zal hij hier zijn. En ik ben nog ongekleed. En ik heb letterlijk niets van middag. Goede hemel, ik moet nog een kalfsborst.... een taart....quot;
En zonder dat mevrouw Lijning iets meer te weten kwam, was juffrouw Molenwiek verdwenen.
Intusschen nadert mijnheer Romslikker in een sjees uit Arnhem, al meer en meer het prachtige landgoed, dat vroolijk blinkt in zijn prachtigen Meidos. Hij is zenuwachtig, zeer; en gedurig vergewist hij zich, of de groote pijpenmand met nat gras er op, niet onder het leeren beenkleed kan wegglijden. Hij moest toch iets meebrengen, nietwaar, dat geeft een goeden indruk, en, \'t zijn baarsen als zalmen heeft de vischvrouw gezegd. Jammer is \'t toch, in zeker opzicht, dat de baron met familie er nu niet mee van genieten kan. Erkentelijker mensch dan mijnheer Van Guland was er zeker ner-
295
296 ANNA ROOZE.
gens. Mijnheer Romslikker herinnert het zich met een waar genoegen. \'t Was op een kleine wandeling in \'t park. Heel fideel had hij toen maar eens gevraagd, of het waar was \'t geen hij dezen morgen vernam, namelijk dat mijnheer de baron en juffrouw Rooze wel \'t best zouden weten wie de schuldige of schuldigen aan den gepleeg-den kindermoord waren. Zie, hij had het gehoord van een boerenmeisje, dat hij wel ergens gezien had, maar niet thuisbrengen kon.
En mijnheer Van Guland had het ontkend; maar hem tevens weinige oogenblikken later op zeer ernstigen toon bedankt, en weer later, strak voor zich heenziende, had hij het nogmaals gedaan met deze woorden: âWaarlijk ik ben je zeer erkentelijk mijnheer.\'1
Waarschijnlijk dat die vraag hem op een inval had gebracht op iets belangrijks. In één woord, hij had er bijzonder zijn hof mee gemaakt, en men kon uit dit staaltje gemakkelijk opmaken hoe dankbaar de baron voor zoo\'n zoodje waterbaars zou geweest zijn. Nu, men kan er op terugkomen, nietwaar?
Weinige minuten later bevindt het dikke heertje zich met zijn wichtige pijpenmand tegenover de talentvolle en---- heimelijke geliefde van zijn hart.
Men kan het juffrouw Molenwiek aanzien, dat zij zich ontzettend heeft gehaast, \'t Diner moest toch a la Renghorst zijn, want mijnheer Geereke heeft immers hare gasten altijd als zijne gasten beschouwd. Maar dat haasten! En dan, er stonden woorden in dien brief, die wel geschikt waren om iemand in de war te brengen. In één wooid, juffrouw Molenwiek heeft het vreeselijk warm; en dan
â nu nog die baars er bij! â \'t Was hartelijk; gul! Maar lieve hemel, nu zal ze in haar zijden japon nog baars moeten koken, want Leida mag goed wezen, maar van visch zouten, heeft ze geen flauw begrip!
\'t Verblijf op De Renghorst zal voor mijnheer Romslikker in den beginne althans niet zoo aangenaam worden als hij \'t zich had voorgesteld: Misschien ter oorzake van die baars, is juffrouw Saartje, al spoedig na zijn komst, weer verdwenen; en terwijl hij juist de grootste moeite deed om die mevrouw Lijde â een stil mager mensch
â een weinig op te monteren, moest hij tot zijn ontsteltenis en bittere teleurstelling, een onverwachten gast het hek van D e Renghorst, te paard, zien binnenrijden. De nieuw gekomene was de overste Jasper Bel.
Jasper Bel had haast gehad, groote haast. Hij kwam om mevrouw Lijning te spreken, maar zal liever eerst meedineeren, als juffrouw Molenwiek dan maar de goedheid wil hebben te zorgen dat alles binnen een half uur gereed is.
Juffrouw Saartje meende van agitatie een beroerte te zullen krijgen. â O, dat die nare sinjeur haar nu het zoet van den dag zoo geheel vergallen kwam! â Aan tafel was hij tegen haar geëerden gast letterlijk lomp geweest, en van de baars had hij geschrokt zonder zelfs van hare inlichting nota te nemen, dat mijnheer Romslikker de âedele zenderquot; was.
\' â En dan die scène! Groote hemel!
ANNA ROOZE.
Waarschijnlijk ten gevolge van dal gulzige eten, was de overste eensklaps met een vervaarlijk gekaak overeind gesprongen, en is het niemand duister gebleven wat er gebeurd was.
De grootste onrust had er op De Renghorst geheerscht. De overste met een graat in de keel, was doodsbenauwd, en verkeerde letterlijk in levensgevaar. Hendrik is reeds te paard naar \'t dorp om dokter Bron te halen. Romslikker loopt buiten als wanhopend rond; zonder hoed, en bij abuis met het servet als zakdoek, jammerende dat hij de schuldige is, want wanneer hij die baars met had meegebracht dan zou er immers niets gebeurd zijn! En terwijl mijnheer Romslikker op een pas geverfde tuinbank neerviel en eerst bij \'t opstaan de fatale aantrekkingskracht van taaie verf op nieuw laken zal bemerken, zucht hij: âAch, als men dan de menschen plezier doet, en zelfs geen dank er voor heeft, ach.... dan zit er een graat in, en dan stikt ie er aan!quot;
\'t Is niet zeker dat het dikke heertje in zijn vreeselijken angst â ja bijna wanhopig, en zelfs niet in staat om zijn slachtoffer bij te staan â op dat oogenblik den diepen zin van zijn laatste verzuchting heeft gepeild....
Dat er namelijk zelfs in present-baars, graat zit?----
Ja juist, en zoo voorts.
Wat juffrouw Molenwiek betrof, zij was niet gevlucht zooals haar gast, maar wist bij die doodsbenauwdheden toch geen anderen raad te geven, dan eens een slokje te drinken of iets te eten, bij voorbeeld een droge beschuit. Maar, toch aanstonds begrijpende dat ze dien bont en blauw zienden man, evengoed kon aanraden om de heele Renghorst in te slikken, vloog ze naar haar kamer, en zocht in de Schatkamer voor alle Standen, en straks ook in \'t receptenboek op: graat en keel en stikken, maar helaas! ze vond niemendal. Ja toch, voor iets dergelijks, zie: Neem granaatappelbloesem en gedroogde roode rozen, van elk 2 drachmen. Granaatappelschillen Vj once. Water zooveel genoeg is. Verkook deze ingrediënten tot op een halve kan, giet ze door een zeef, voeg er bij: brandewijn, siroop van roode rozen, van elk eene once.
Ammoniak-zout, 2 drachmen!----
â Maar hoor, hoor! Leida de keukenmeid schreeuwt dat ie Goddank d\'r uit is! De graat natuurlijk! Goddank!
\'t Is aan mevrouw Lijning dat Jasper Bel zijn oprechtsten dank betuigt, zij was het, die hem redde.
Niet zoodra had zij Hendrik zien uitrijden, en mijnheer Romslikker met het servet de plaats zien ingaan, terwijl de tuinbaas, binnengekomen, aan den lijder verzekerde dat het âdoodsbenauwdquot; was en dat er vroeger ook eens een kind was gestikt, door een stuk spekzwoerd, hetgeen door Leida, die mede was aangesneld, werd ontkend, maar door den baas werd volgehouden, als zijnde gebeurd, toen Leida uit \'t dorp was; \'t geen Leida weer tegensprak, omdat ze juist wél in het dorp is geweest, en ze de moeder van het kind zelve gesproken heeft, en dat het een ,konijnen-butjequot; maar geen zwoerd was geweest â dit alles ter verlichting van
297
298 ANNA ROOZB.
den vreeselijk benauwden maar kordaten Bel â terwijl men zoo twistte en niets of dwaze onmogelijke dingen deed, heeft mevrouw Lijning in alleriil een citroen, die op het buffet lag, doorgesneden, in een wijnroemer uitgedrukt, en het nat den kolonel te drinken gegeven; dat zou hem zeker helpen! En, Jasper heeft het gedronken, en na weinige minuten was de keelholte zoodanig geslonken, dat de graat voor anker weg, en gelukkig in de wijde wereld terug is gekomen.
Dokter Bron kwam met zijn baleintje te laat, en het zien toebereiden van Molenwieks granaatappel- en rozenrecept behoefde geen stikkend mensch den doodsstrijd te verzwaren.
Jasper Bel, van den schrik bekomen, drinkt een paar glazen wijn, en als Romslikker, met de hand boven de oogen, van buiten naar binnen ziet, dan ontwaart hij den overste aan tafel gezeten, want â Bel had juist zijn vierde baarsje onder handen genomen; van \'t andere zou hij niet eten!
â Lieve Heer! denkt Romslikker, wat een moed! En de groote zakdoek was aan zijn handen ontglipt. â Nochtans dit intermezzo, waarbij Jasper juttrouw Molenwiek, met haar recept-praeparaat, heimelijk bij de Nederlandsche Jurisprudentie heeft vergeleken, die zoekt en brutselt en den armen beschuldigde intusschen laat zitten met de graat in zijn keel, â dit intermezzo heeft voor juffrouw Saartje en haar vriend het diner geheel en al bedorven. Het haasten van dien overste was bovendien onverdraaglijk.
Maar ach, wanneer die overste eens had kunnen gevoelen welk een ongekende zaligheid dat zelfde intermezzo, der altijd in eigen oogen zoo niets beduidende en gansch onnutte weduwe heeft geschonken !
O Anna\'s goede tante wist letterlijk niet in welk een zaligen hemel zij zich bevond, toen die vreemde man haar zijn redster heeft genoemd, een voorbeeld van praktisch handelend optreden, en, haar krachtig de hand drukkende, heeft gezegd, dat hij altijd haar naam zou noemen waar hij den sleur en Jansaliegeest aan de kaak stellen zal.
â Goede lieve God, heeft de weduw in stilte verzucht: zoo was ik dan toch tot iets nut op de wereld!
En ja, zij was het, en zou er al weer het bewijs van geven.
Straks met den overste alleen, zegt hij dat zijn komst op De Kenghorst geen ander doel had dan om haar te spreken.
Mevrouw Lijning verzoekt den overste plaats te willen nemen.
De overste zal echter geen plaats nemen, want âhij staat gereed om te vertrekken.quot;
Dat klinkt vreemd uit den mond van iemand, die een onderhoud verlangt.
âKent u dezen persoon, mevrouw?quot;
Mevrouw zag niemand. .. Maar zie, hij toont haar een daguer-rotyp-portretje.
,U bedoelt wien dat voorstellen moet....?quot;
Bel knikt. Mevrouw Lijning wendt en keert het glaasje bij\'t venster
ANNA ROOZE.
naar \'t licht, en ziet den overste met merkbare ontroering aan:
âZijn naam, mijnheer....? Als ik mij niet bedrieg____ \'t Is al zoo
lan§ geleden---- Maar als ik wél heb, dan is hij in vroeger tijd
bediende bij mijn armen Lijning geweest; op \'tkantoor weet u;maar Lijning heeft, geloof ik, niet altijd plezier van hem gehad.quot;
âEn zijn naam, mevrouw?quot;
âZijn naam was Holmena, Geert Holmena. Maar waarlijk ik weet niets meer van hem...quot;
âMeer vraag ik niet,quot; zegt Bel, wiens witte knevels schijner; te lachen. â Nadat hij het portret weer bij zich heeft gestoken, vat hij mevrouw Lijnings hand en drukt die zóó, dat het haar bijna zeer doet: âIk blijf uw schuldenaar,quot; zegt hij, en met een buiging verlaat de vreemde overste haastig het vertrek.
Vijf minuten later zagen jufl\'rouw Molenwiek en mijnheer Rom-slikker, niet zonder verruiming, den man met de zwarte wenkbrauwen de plaats afrijden, en het ging âer van door,quot; want â in een oogenblik kon men zelfs den hoefslag van zijn paard op den straatweg niet meer hooren.
In het dorp hield de overste even bij De Vergulde Ploeg stil.
âEen glas nier kastelein; maar gezwind.quot;
âMooi weertje mijnheer,quot; zegt Tronk, nu hij al spoedig met het gevraagde op een blaadje naar buiten komt: âGisteren wel gezeid. Ik zei zoo tegen m\'n eigen, als de wind nou in \'t Oosten mag blijven en de koekoek niet roept
âJe hebt je bestemming gemist kastelein, je hadt weerglas moeten worden.quot; Tronk lacht. â De overste betaalt, en dan zegt hij: âKun jij ook zien wat dat verbeelden moet?quot;
Tronk tuurt op het daguerrotyp-portret, dat Bel hem voorhoudt.
âMoet ikke dat wezen mijnheer? Nou da\'s en mooie! geen eens m\'n pet op!quot;
âWie dat beteikenen mot?quot; zegt de meid, die met een emmer water voor \'tpaard naar buiten is gekomen, maar het bevel: âGeen water!quot; van den ruiter ontving: âWel da\'s de schoapenkooper uut Oamersfoort, Jan Piek, ku\'j dat niet. zien boas!quot;
Jasper Bel wierp der deerne een kwartje toe; maakte een beweging met de karwats ten bewijze dat hij vertrekken ging, en reed in gestrekten draf het dorp door en den breeden weg op.
Een groot kwartier buiten het dorp, nog even vóór de Runtsche laan, ziet de overste van verre twee vrouwen. Hij weet niet of ze komen of gaan.
Ze komen.
âNou goai ik weerumme juffer Jans. As voader lang zonder mien is, dan wordt ie ongedurig.quot;\'
,\'tls anders goed voor je Hanneke. dat je eens even buiten loopt, je bent een heelen boel bleeker dan vroeger. Zul je nou van dat vleesch wat meeëten?quot;
âNeen juffer, neen; wat kan \'tmien schelen of ik wit zie of rood. Ik wou da\'k zoo wit as \'en lieke zag. â Nou goai ik weerumme, doar kumt iemend te peerde oau. As ze dommenies-juffer, met
299
ANNA ROOZE.
Hanneke Schoffels zaggen, dan kosten ze wel wiezen; pas op. die hét inne gevangenis \'zeuten. Ik goai weerumme juffer.quot;
âMaar dat is gekheid Hanneke, daarom hoef je niet te gaan. Je waart immers onschuldig!quot;
âJoa dat zeien ze, joa! Moar Toon Roes zei giester tegen voader, dat gevangenis-zitten zoogoed as \'en brandmarke veur \'t heele léven was. O God! en voader kan me soms zoo oanzien; en juffer, juffer! giester nam Giel Hohbes, toen \'k bie den bakker kwiem, \'en mes van de teunbanke weg en zei: Messen zin gevoarlik, niet-woar Hanneke?quot;
âMaar Hanneke, wat behoef je naar \'t gepraat van zoo\'n kwajongen te luisteren, en waarom zou je je dat aantrekken?quot;
âOch juffer Jans, ie bint goed, goed as de beste, en oe moeder en zusters ook, moar as dommenie eiges mien uutstoot; en juffer.... O God, as ik alles zeggen kos! â Nou goai ik weerumme.quot;
De ruiter was de beide vrouwen genaderd. Hij hield zijn paard in.
âWel overste, bent ü het!quot; roept Jans: âEi zoo, bot gevangen op De Eenghorst!?quot;
âNeen baars! â Zoo\'n kleurtje staat je uitmuntend juffrouw Haverkist. â Is dat niet onze patiënt uit Arnhem?quot; vraagt hij zacht op Hanneke wijzende, die zich snel verwijdert.
âHanneke Schoffels. Juist!quot;
Zonder verder op Jans te letten geeft Jasper zijn paard de sporen, en heeft Hanneke aanstonds ingehaald.
âHalt!quot; roept hij een weinig kras. En Hanneke:
âNou! wat wil ie!?quot;
âIk zoek kennissen van een kennis. Wees maar niet bang voor m\'n paard. Zeg, kijk eens kind: Heb je dien meer gezien? en hoe was z\'n naam?quot;
âO Heere Jezus, dat is ie!quot; roept Hanneke, en, alsof een bliksemslag haar heeft getroffen, slaat ze de hand voor de oogen en ontvlucht zoo snel ze kan het â âvremde manspoek te peerde, dat de duuvel eiges mot zin, umdat ie den Piek achter \'en spiegel inne zak droagt.quot;
Jans Haverkist was juist bij de plek gekomen, waar het paard van den overste eenige kabriolen maakt. Zij wil vragen.... Maar de overste wendt zich vluchtig in den zadel om, en roept:
âZe zal er meer van hooren; de duivel komt aan een ketting!quot;
Nu groetende met de rijzweep geeft hij de sporen aan den bruine, die met een fikschen sprong en de voorpooten tamelijk hoog boven den grond vooruitschiet, en alweer binnen weinige seconden met zijn berijder uit het oog is verdwenen.
Op den steen beneden aan den hollen weg, opgaande naar De Luchte, zat Hanneke en weende bitter. Jans Haverkist, de trouwe ronde Jans, troostte haar met woorden zooals ze haar uit het hart kwamen:
â Ja zeker, dat Hanneke in het portretspiegeltje dien man herkende, dat was de stem van God geweest. Ja wel, en dat. ze getroffen door die stem, nu eensklaps aan Jans de waarheid, de volle
300
ANNA BOOZE.
waarheid heeft beleden, dat is God zeker welgevallig, want, âhaar halsstarrig liegen dat zal Hem zeker in \'t geheel niet bevallen hebbenquot;. Ja \'t is beter openlijk schuld te belijden dan steeds schuldiger te worden in \'t oog van God. Zeker! Jans begrijpt er alles van. â Ach ja, een kind van zestien jaren, en dan dronken gemaakt! Zij heeft er bitter mee te doen; maar âwie kon zoo iets niet gebeurd zijnquot;? Ja ze begrijpt wel dat Hanneke met eenig recht heeft gevreesd dat, als ze het eerste had bekend, men dan het tweede vreeselijke feit te eerder voor waar zou hebben gehouden. Jans gevoelt wel, dat ze uit vrees en liefde voor vader altijd zoo vol heeft gehouden van niets, niets te weten; en stemt haar toe: dat ze nu liever alles moet zeggen dan te volharden bij haar kwaad.
âJoa, joa dat zal ik!quot; snikt Hanneke: âGod het mien op den weg met \'t licht \'esloagen. Joa, béter zeggen dat ik \'en kiend kreeg, as eeuwig verdoemd zin! Joa, en dan zal Jezus kommen en ge-tuugen van wie dat dooje wurm op de hei was, en hoe dat mes inne grond kwiem. Joa, en of die juffer met d\'r mooie gezicht, niet eiges dee woar ze mien van oanteien wou. O, as die er niet \'ewêst was, achter in oewen hof, bij \'t turf hok, dan had ze niet knnnen kwoadsprêken, dan had ze niet....quot;
Nu was het genoeg. Jans beefde inwendig. En â de struiken, ja de boomen schenen eerbiedig te buigen voor Jans, toen ze een slingerpad met Hanneke inliep. In plaats van haar vader, had Jans dominee van Mulderspeet moeten zijn, want Jans sprak vol liefde, maar sloeg toch spijkers met koppen, \'t Was afgesproken en vast beloofd: eerst zal Jans meegaan naar Hannekes vader en moeder, en dan, nog dezen avond zal ze schrijven aan tante Hel-derwegen te Rotterdam.
ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
De overste Jasper Bel heeft wel expedities meegemaakt, die niet met zulk een gewenschten uitslag werden bekroond als deze naar De Renghorst, voor eigen rekening en onder eigen commando ondernomen.
Sedert Bel in \'t vorij \' op den kermisavond te Mulderspeet,
onder de oogen zag, heeft dat ge-
zicht hem zonderling dikwijls voor den geest gestaan.
De ellendige, die zich niet had ontzien om het meisje, dat hij met zijn âliefdequot; vervolgde, een oogenblik later de schandelijkste namen te geven, uit wraak dat ze zijn ongeoorloofde wenschen weerstond: die schaamtelooze heeft Jasper Bel zulk een levendigen
301
ANNA ROOZE.
afkeer ingeboezemd, dat hij zich aanstonds had voorgenomen om den âschoeljequot; nog eens pittiger onder de oogen te zien.
Maar er was nóg een reden waarom Jasper meende dat hij dien snaak eens in den kijker moest hebben.
De overste, die als knaap veel in Groningen gelogeerd had, heeft op dien kermisavond voor de deur dier herberg bij zich zeiven de opmerking kunnen maken, dat Jan Piek, die in den beginne gewoon Hollandsch sprak, bij zijn heviger smaadredenen in het Gro-ningsch dialect is vervallen, en inzonderheid een woord heeft gebruikt dat niet slechts zijn Groninger afkomst bewees, maar tevens dat hij het schandelijke opzet koesterde om een huwelijk tnsschen Hanneke en haar minnaar te voorkomen.
Weinigen der aanwezigen â die het dialect van Piek waarschijnlijk voor Stichtsch hielden â zullen het woord bespieren hebben opgemerkt, en niemand zal het hebben verstaan, dewijl zelfs het oude speiren voor beletten â misschien ook van Friesche afkomst â aan slechts weinig Groningers bekend is. Maar Jasper wist wat het beteekenen moest, en heeft het in zijn oor geknoopt. Hij zou hem vinden! Met den somwijlen wat vreemden geest van onderzoek den overste eigen, heeft hij, zonder iemand er van te spreken, getracht den schoelje op \'t spoor te komen. Hij zou hem dan zeggen kort en goed: Als jij, gemeene schavuit, het ooit in je hart krijgt om weer een vinger naar dat boerenkind uit te steken, of het in je hersens neemt om door laster of leugens een huwelijk tusschen dat meisje en haar fermen voorvechter te bemoeielijken, dan zul je weten, dat de overste Bel een compagnon van Onzen Lieven Heer is.
In één woord, Jasper zou hem zoo âonder de pomp houdenquot; dat hem de lust van \'t bespieren wel moest vergaan, en men in Mulderspeet niet meer van hem hooren zou.
Doch, al zijn nasporingen hebben den overste niet op\'t spoor van den schoelje gebracht, en alleen is hij voor zich zeiven tot de zekerheid gekomen, dat Jan Piek, in een der vóór-perioden van zijn ontwikkelingsproces, een gemeen soort van kameleon moet geweest zijn.
De stelling van den overste een oogenblik aannemende, zal men toestemmen dat hij goed heeft gezien, want, onder vier verschillende namen is de landlooper in onderscheidene gewesten bekend, en is het alzoo geen wonder dat een particulier hem niet zoo spoedig op het spoor komt.
Jasper, die het voornemen had een paar wintermaanden bij een vriend in Petersburg te gaan doorbrengen, heeft zijn vergeefsche nasporingen gestaakt. In \'t laatst van Februari teruggekomen, begaf hij zich al spoedig naar Arnhem met het voornemen om zijn vrienden op De Renghorst te bezoeken, want met de meeste deelneming had hij het verlies vernomen dat Geereke en Kunira gedurende zijne afwezigheid heeft getroffen. Aan Geerekes bestelhuis te Arnhem, vernam hij dat de baron in stad was, dewijl de zaak eener Mulderspeetsche kindermoordenares heden voor \'t Hof zou worden behandeld. Jasper Bel, geheel onkundig van alles wat er voorviel.
302
ANNA ROOZE.
en zelfs niet vermoedende dat die beschuldigde hetzelfde meisje was, waarover Jan Piek zich op dien avoud zoo boosaardig heeft uitgelaten, Jasper ontmoette zijn vriend Geereke voor \'t eerst, bij het binnentreden van de Hofzaal â zeker een weinig geschikte plaats voor mededeelingen van bijzonderen aard. Gedurende de zitting en vooral door Oscars pleidooi, is hem echter alles duidelijk geworden, en kreeg hij voor zich zei ven de zekerheid, dat Oscar juist heeft geoordeeld toen hij zeide: dat de ongeteekende beschuldiging tegen Hanneke Schoffels, bij de Justitie ingekomen, eer schaamtelooze wraakoefening moest zijn. Ja, want immers die schoelje had met zijn bespieren bedoeld: te zullen zorg dragen dat de huwelijksgeboden intijds werden gestuit. Ware Jasper in \'t land geweest, en had hij Oscar vooraf kunnen spreken, hij zou hem zeker hebben meegedeeld hetgeen hij op dien avond vernomen, doch voor zich zeiven gehouden had.
Bij een latere ontmoeting te Utrecht â na Hannekes vrijspraak, deed Van Breeland den overste inzien, dat er geen termen waren om tegen Hannekes vermoedelijken verleider en valschen aanklager in rechten te ageeren; doch de mededeeling dat Jan Piek op dien avond, bij zijn heftiger uitvallen het Groningsch dialect had gesproken, heeft Ãscar eensklaps op een vermoeden gebracht.
Ofschoon Anna vroeger in een vertrouwelijke mededeeling aan Van Breeland verklaarde: dat zij vrij zeker meende Hannekes vervolger eens in \'t gezelschap van oom Lijning te hebben gezien â en nóg eens zijn stem binnen ooms studeerkamer te hebben vernomen, zoo heeft Oscar aan deze bijzonderheid weinig waarde gehecht. Of Jan Piek met Lijning bekend was of niet, wat kon het ter verontschuldiging van Hanneke bijdragen? Bovendien, Lijning heeft daarover â door Oscar ondervraagd, aanstonds gezegd: dat hij werkelijk een man bij zich had gehad, die zich Jan Piek noemde, en die volstrekt schapen had willen koopen in weerwil dat Lijuing gezegd heeft geen vee te bezitten.
Doch â nu Jan Piek geen Amersfoortsche maar een Groninger van geboorte was, nu is er voor Oscar een licht opgegaan. Ja indien het mogelijk ware dat Hannekes vervolger de vroegere bediende van Lijning is geweest, de bediende van wien hij onder Lijninga papieren een paar zeer welsprekende bewijzen van schuld in Mar- \' ters zaak heeft gevonden, dan moest die man Geert Holmena heeten, en âde grootste sch rk zijn dien de aarde sedert Judas gedragen hadquot;.
Nochtans, wat er van wezen mocht, een vervolging tegen hem ter oorzake van den diefstal te Mieriksma, was niet meer mogelijk, want ofschoon zijn schuld â mede door Otto Van Walls verklaring meer dan bewezen was, zoo waren er omstreeks negentien jaren na die gebeurtenis verloopen, en is de zaak in rechten verjaard.
Niets, neen niets was er tegen den schurk te beginnen. De overste heeft het moeten toestemmen, maar bij zich zeiven had hij een eed gezworen, dat het monster een paar heel ongezellige oogen-blikken zou doorbrengen, wanneer hij \'t plezier zou hebben eens oader met Jasper Bel in kennis te komen.
anna booze.
Gisteren heeft Van Breeland een brief ontvangen waarvan het adres luidde:
âUtrecht Den Heer Mr. o. van breeland Advocaat-Baron.quot;
En de advocaat-baron heeft gelezen:
âVriend!
âSedert een paar dagen is de Haagsche kermis uitgebroken.
âIk logeer in \'t Keizershof en heb dus het volle gezicht op de vuiligheid. De Halsteeg is een trechter van ongerechtigheden. Jean Paul zegt: de kerktoren is een vinger Gods die ten hemel wijst. In het bovenste lid van den Haagschen vinger zit bij deze gelegenheid voor de verandering, het: Le vin, le jeu, les belles, of iets van dien aard. Ze moesten den toren nu maar ten onderstboven zetten. Toen ik gistermorgen aan het tellen was hoeveel leegloopers er vóór tienen, al dronken zijn â je weet ik ben met een boek bezig, getiteld: Leve de kermis! â toen zag ik twee dames met palmdoeken, aan den arm van twee heeren, welke dames deze heeren met geweld in een tentje trokken waar slechte daguerrotypen worden gemaakt. Drie kwartier lang oefende ik mijn oogen door te staren op den ingang dier teut. Eindelijk kwam een der palmdoeken te voorschijn. Een der kerels, â een bleeke roodkop â trad met haar naar buiten, waarna ze hem om \'t lijf pakte en op de maat van het getoeter-Blanus, tot walsen op straat dwong. De tweede palmdoek kwam later met een forschen kerel het hok uit. Hoe me de vingers jeukten toen ik zag dat ik me niet vergiste! Aanstonds had ik het monster herkend. Ze zakten af. Vijf minuten later was ik in de kleine bakkes-fabriek. Op vertoon van een gulden was men zeer bereid te zeggen dat de portretten voor âde heeren en dames van daarevenquot; uiterlijk binnen drie dagen moesten bezorgd worden in \'t hotel De Zeven Kerken, voor \'t nommer 8. Reeds den volgenden morgen vroeg zou men mij gaarne âvan dien diksten heer een afdruk geven. Zijn naam was J. Van Schoonhovenquot;.
âMet J. v. Schoonhoven in den zak, verlaat ik straks per trein van 9 uur Den Haag. Ik wil zekerheid hebben, want men moet met zoo\'n heer wat vast in den zadel zitten. Na al wat wij te zamen spraken begrijp ik, dat alleen die weduwe Lijning op De Reng-horst mij zekerheid geven kan. Gaat alles naar wensch dan ben ik morgen tegen den middag in de geuren van oliekoeken en wafelmeiden terug. Mijnheer Van Schoonhoven blijft zeker drie dagen ingepalmd. Morgen achtermiddag hoop ik een bijzondere mis in De Zeven Kerken te gaan lezen. Den uitslag nader.
Den Haag, Je Vriend:
14 Mei I860. bel .quot;
304
ANNA KOOZE.
En Jasper Bel had zekerheid. Er bestaat geen twijfel meer; de schurk, dien hij aanstonds voor den belager van Hanneke Schoffels heeft gehouden, en wiens zeer gelijkend portret door onderscheidene personen te Mulderspeet, ja zelfs door zijn slachtoffer als dat van Jan Piek is herkend, hi] is ook de handlanger en bediende van den Groningschen zaakwaarnemer-woekeraar geweest, want, aanstonds immers heeft die arme weduwe bij het aanschouwen van dat portret, den naam genoemd van den dief te Mieriksma: Geert Holmena.
Op den dag na Bels bezoek aan mevrouw Lijning te Mulderspeet, loopt de table d\'hóte in De Zeven Kerken, als naar gewoonte omstreeks halfzes af.
Een bleek heer met vuurrood haar en een verlegen trek op \'t gelaat, bedankt zijn vriend voor meer wijn. Hij doet dat met een krassen vloek, die echter verraadt dat het vloeken bij hem geen
fewoonte is, en met de verzekering dat hij van morgen in \'t Zuid-[ollandsche koffiehuis te veel heeft gebitterd.ewoonte is, en met de verzekering dat hij van morgen in \'t Zuid-[ollandsche koffiehuis te veel heeft gebitterd.
Mijnheer Van Schoonhoven bestelt echter ânog zoo\'n rooje met «en bef!quot; en ziet met genoegen dat zijn vriend, die hem in weerwil van zijn vroegere weigering dapper blijft helpen, hoe langer hoe bleeker en hoe langer hoe bedeesder van uiterlijk wordt, terwijl de ruwheid zijner woorden schijnt te klimmen naarmate de grijnsachtig bedeesde trek zich sterker teekent. Het gesprek loopt over een paar jonge dames, die palmdoeken dragen, en die zorgen zullen te halfzeven op de hoogte van de komedie te zijn.
De bleeke heer beweert lachend, dat Mietje uit den galanteriewinkel d\'r vader en moeder wijsmaakt dat ze bij oom Theunes in de Schoolstraat naar de herrie gaat kijken, en dat ze gisteren gezegd heeft dat ze nooit zoo\'n plezier in d\'r leven heeft gehad: âNou dat beloof ik je,quot; besluit de bleeke, na een zeer verwarde en on-kiesche bespiegeling over trouwe liefde gedurende de kermis, en een vuistslag op de tafel: âNou van Theunes hoor! Oom Theunes en Mietje dat beloof ik je. Neen, ik zou Mietje van oom T T Theunes â Oom Theunes.... wat bliefje? niet van oom T Theunes....?\'\'
Het bedeesde gelaat zag zoo bleek als een lijk; en het suizelde voorover en achterover, en weer voorover -â en met een pof lag het in de roode chinaasappelschillen te midden van asch en van wijn op het bord.
,\'t Was het beste dat men dien heer maar naar bed bracht. Hij schijnt een beetje zwaar in \'t hoofd!quot; zeimijnheer Van Schoonhoven.
Mijnheer Van Schoonhoven, met zijn vriend op diens kamer N0. 7 alleen gelaten, was nu waar hij wezen wilde. Al vijf dagen heeft hij zijn best gedaan om dien âroojen schelvisch boven z\'n bier en van den vloer te krijgen.quot; Die rooje was erg achterdochtig, en in
5laats van een kamer met hem te willen deelen, sloot hij zelfs ter-ege zijn deur. Nu zal mijnheer Van Schoonhoven dan eens zoo vrij zijn om dien kleinen koffer te openen. Den sleutel draagt âhet iijkquot; aan een zwart koordje om den hals.laats van een kamer met hem te willen deelen, sloot hij zelfs ter-ege zijn deur. Nu zal mijnheer Van Schoonhoven dan eens zoo vrij zijn om dien kleinen koffer te openen. Den sleutel draagt âhet iijkquot; aan een zwart koordje om den hals.
â Zie zoo. De kistenmaker kon gerust de maat nemen, zoo kalm VI. 20
305
306 ANNA BOOZE.
ligt ie daar in zijn ânest met dien zedigen trek op zijn bakkes.quot;
â D\'r zat wel wat goeds in dien vent, zoo redeneert mijnheer Van Schoonhoven bij zich zeiven voort, terwijl hij den sleutel van het bandje trekt, en aanstonds den kotter gaat openen â maar hij is ilauw, flauw zonder drank in z\'n lijf. Als ik hem niet op \'t mooie, idee had gebracht, dan zou die gekke Engelsche Kat of\' Kater niet eens mijn Haagsche kermis betaald hebben. â \'t Was jammer dat die flauwerd zoo onhandig te werk ging. Vijf banknoten van honderd gulden! \'t Was de moeite niet waard. De rooje had immers zelf gezien dat ie \'s morgens twee duizend gulden voor zijn wissel ontving; en dan niet te zoeken tot dat je den heelen boel bij elkaar hebt! â Maar \'t is in ieder geval beter wat dan niets, en het werd tijd ook, want morgen zou het op een scheiden gaan, en ware dia Kater den danr. ontsprongen. â Wat een vuile rommel in dien koffer! â Ha, daar is z\'n portefeuille. â Jongens, lijk, \'t was een zuiver idee van me, hé? â en nou geen ingeving van den ouden patroon. â \'t Spijt me voor je dat je d\'r met langer plezier van
zult hebben. â Hoe, niemendal in die portefeuille V Hier____daar
niets! â Rakker! Waar heb je ze, hé?
Haastig opgestaan, loopt hij op den bedeesde toe, en â Maar neen, hoe heeft hij zoo dom kunnen zijn: de kamerdeur bleef ongesloten! â Zoo, nu is de sleutel omgedraaid.
âHa, brave pierewaaier,quot; mompelt de vriend met den rossen baard: âouwe-zes-kronen-trompetter, verloopen tooneel-uitdrager! Wacht! je moet een beetje op zij liggen; zóó, die batsche doekspeld heb je alvast niet noodig. â Weg met die hand! â Stil! stil! heb jij die briefjes op je vrome hart zitten? Zeg, wit verheerd bakkes!quot;
Tastende in den binnen-jaszak van den man â die den royalen vriend Kater, na zooveel bewijzen van goedheid, nog op den laat-sten dag van hun samenzijn kon bestelen â stoot de forsche eensklaps een hoorbare verwensching uit, want, wat hij in dien zak denKt te vinden dat is er niet.
â Maar hij zal het hebben! Ja hij moet het hebben, zeker! In de broekzakken? â Niets! â In de vestzakken? â Niets -. .niets dan een horloge. Ziezoo, toch ook vast geborgen. â Het vest wordt losgeknoopt. Doch, alweder vindt hij niet wat hij hebben moet.
âStil, stil lijk!quot; zegt de forsche halfluid, terwijl de bleeke man zich even beweegt. â De zoekende gloeit van spanning. â Zal hij vinden wat hij zoekt? â Wanneer de bleeke die banknoten eens aan een ander in bewaring had gegeven! Aan die meid!?
Maar zie, die gele borstrok vertoont een aantal rafels en een zonderling stiksel aan den zoom. â âWacht, bedeesde vrome fagot, ben jij aan \'t wollennaaien geweest!quot; prevelt de zoekende weer: âIs die zoom jou buil, zeg? Wel vertroost me, zoo\'n sekure!.... Wacht, brave achterbaksche!quot;
\'t Wordt den man echter moeielijk om zijn doel te bereiken. Het zeer onhandig maar vreeselijk vast genaaide belegstuk der knoopsgaten, waartusschen â zooals duidelijk te voelen is â van knoopsgat tot knoopsgat een dun gevouwen papier zit verscholen, is on-
ANNA ROOZE.
mogelijk zonder behulp van schaar of mes los te krijgen, tenzij men riskeeren wil het verborgen papier te scheuren of te beschadigen. Bovendien, de witte schijnt net benauwd te hebben, althans hij maakt soms rare geluiden, en slaat telkens met de handen doelloos rechts en links, en smijt zich zelfs nu met een naar geluid op de andere zij.
Een verwensching, met bevel: dat het lijk zich stil zal houden, klinkt tameljik luid, doch zonder dat de man, tot wien het gericht is, er iets van begrijpt.
De forsche weet echter wat hij te doen heeft: Nadat hij zijn mes uit den zak heeft genomen, trekt hij den beschonkene weer met het gelaat naar de buitenzij van het ledikant. Den arm van den bleeke, die zoo dikwijls heen en weer zwenkt, duwt hij naar beneden, en drukt er de knie op. â Wat doet die flauwe raar met de oogen! â âHoud maar goeden moed mannetje, een geldlating doet geen zeer, als ie je maar stilhoudt ten minste. â-Wat steunt ie, hé! Stil maar. Je meid van Theunes zal het tornsel wel weer vastnaaien; ze wacht al bij de komedie, ha ha! â Ziezoo, da\'s er één, man. â Wat! wou je met die hand er uit? â Stil rakker! Stil!quot;
Een vreeselijke vloek rolt den forsche van de breede lippen. Dat lijk heeft het erg benauwd gekregen.
Met een naar geluid had het zich omgewend en sloeg met de vrije hand den belager in het haar. â Alsof hij droomde dat hij verdronk, en zich aan een boomwortel vastklampte â zoo ijzervast houden die witte vingers de donkere kroezige haren van den forsche omklemd. â Deze, zoo onverhoeds in zijn werk belemmerd, slaat met de vuist op dien arm. Doch, of de doodsstrijd eensklaps heviger werd, daar zwenkt ook de andere hand, aan des belagers knie ontkomen, naar boven, en klemt zich aan haar âstroohalm of boomwortelquot; vast.
âLoat los! loat los! wacht!quot; bromt de belager. In allerijl neemt hij het mes met den rug in den mond; zet de beide kolossaal breede duimen op de borst van zijn slachtoffer, en drukt hard. . .
en harder---- Doch de doodsangst van dien bleeke schijnt nog te
klimmen; de handen in de kroesharen klemmen en trekken het hoofd naar omlaag. Een aaneenschakeling van verwenschingen en vloeken klinkt steeds luider door de kamer.
Ha, als het zoo niet wil, dan heeft de forsche het mes nog.
âStoeren d.....of je gril ziet of neit, \'k zal je wel smui moaken!
As ik heilig worü....quot;
Doch het was nu genoeg. Op hetzelfde oogenblik dat een natuurlijk verschijnsel des bleeken doodsstrijd doet eindigen, en de ander, wiens hoofd nu weer vrij was, zich een weinig afwendt en overeind komt, krimpt hij tevens â hoe forsch hij mag wezen â letterlijk van schrik ineen, want, het leelijkste helschte gezicht, dat hij ooit heeft gezien en sedert Muld erspeetsche kermis gedurig voor oogen had, dat âleelijke bakkesquot; het staat daar â daar! en het ziet hem van onder een paar wenkbrauwen aan, zoo zwart als de duivel in eigen persoon.
307
308 ANNA KOOZE.
âJe hebt het druk, mijnheer Van Schoonhoven,quot; zegt de overste Bol, terwijl hij den man strak in de oogen blijft zien.
De ander heeft zich spoedig hersteld en, geheel overeind gekomen, ziet hij den vreemde over den schouder aan en zegt:
âAls ik iemand help, die boven z\'n bier is, dat raakt geen ander. Wie ben je? â Hoe kom je hier, zeg? De deur was gesloten.quot;
âJe vergat dat er twee deuren aan de kamer zijn. Zwijg! â Ik was hier langer dan je lief kan wezen. Ga daar zitten, daar bii die taf®1.quot;
âWat heb jij hier te commandeeren, zeg?quot;
âJan Piek, ga zitten!quot;
De forsche meent zijn toestand maar al te wel te begrijpen, en ziet zijn vrijheid ernstig bedreigd. Voorzeker is de witkop met zijn zwarte wenkbrauwen een geheime politie-agent. Sedert Mulderspeet-sche kermis, en misschien al langer, heeft nij op hem geloerd. Voor een paar dagen zag hij hem ergens voor een raam zitten. Waarschijnlijk weet Waldeck, de commissaris van politie, van vroegere kleinigheden, en hebben de palmdoeken \'t een of ander van rooien Jan begrepen, en dat verklapt, \'t Kan wezen dat zelfs de logementhouder in \'t komplot is. Misschien heeft hij geloerd, en Waldeck laten waarschuwen; en, als ze hem met dit en met andere oude kleinigheden aan boord komen, dan kon het wel op Leeuwarden uitdraaien. Bij ongeluk heeft hij zoo even den bedeesde met het mes
in \'t bakkes geraakt; en dan de losgetornde borstrok, en----Neen,
er is geen tijd te verliezen; dat vreemde perceel moet hij voor een half uur den mond snoeren: Om zeven uren vertrekt de trein naar Rotterdam. â Honderd gulden heeft hij op zak. â Gauw naar Wambersie en Crooswijck, en dan met De vrouw Elizabeth naar New-York....
Ternauwernood had de overste zijn laatste bevel doen hooren, of dit alles is, den schurk reeds door \'t hoofd gegaan. Zijn besluit was genomen. Eén blik links, één blik rechts, en, met een wissen greep vat hij den overste eensklaps zoo krachtig in de hooge stropdas en wringt die zoo geweldig, dat het den overste werd alsof hem de strot was dichtgeklemd.
Jan Piek heeft zijn rooden zakdoek reeds in de andere hand tot een bal gekneed, waarschijnlijk met het doel om den geheimen olitie-agent tot nader order net schreeuwen te beletten, doch op etzelfde oogenblik wankelt hij achterover. Ondanks den benauwden toestand, waarin de overste verkeerde, had hij zijn tegenwoordigheid van geest niet verloren. Met een snelle beweging der hand aan het achterhoofd, heeft hij de gesp der cravate losgemaakt, en â stond de bespringer daar nu met die losse stropdas in ijzeren vuist.
Jan Piek zal zich echter niet lang verbazen of veel tijd behoeven om een zekerder aanval te wagen. Hij ziet dien bloot en hals en....
âHalf, Geert Holmena! roept de overste, terwijl hij nu, op een aanval voorbereid, den Groninger doet gevoelen dat een heeren-arm ook met ijzer kan gespierd zijn, en bovendien dat hij iets meer van het boksen verstaat dan een domme landlooper.
ANNA ROOZE. 309
âGa daar zitten, Geert Holmena!quot; beveelt hij nogmaals, nu zeer bedaard.
De krachtige wijze, waarop âde geheime politie-agentquot; zijn aanval heeft afgeweerd, maar vooral de toon, waarop hij een naam heeft uitgesproken, waarvan de eigenaar meende dat hij buiten Groningerland niet bekend was, ze hebben hem een oogenblik doen duizelen en verstommen.âMaar \'tgeldt hier vrijheid of gevangenis, Leeuwarden of de Nieuwe Wereld! En nogmaals werpt hij een blik op dien ont-blooten hals, en.... Maar neen. Op zijne beurt heeft Jasper Bel den forsche nu als een weerlooze bij den kraag van zijn jas, en dwingt hem neer te zitten bij die tafel.\' \'t Was echter niet alleen zijn vuist die het deed, het waren wel \'t allermeest zijn woorden, die den schurk op dat oogenblik temden. In éénen adem heeft Jasper de volgende eenigszins zonderlinge toespraak gehouden;
âDe zaakwaarnemer Lijning, te Groningen. Later gestikt op De Runt. Een koude Februari-nacht 1841. â De ontvanger Marter te Mierikama. Drie duizend gulden gestolen in compagnie Otto Van Wall. Gestikt in jenever! â Een kind dronken gemaakt, verleid; beticht en belasterd voor \'t Hof van Gelderland. â Bespieren! â Maak dat je voortkomt, schurk, of, eer de duivel Onzen Lieven Heer van avond bedankt voor \'t plezier met permissie van burgemeester en wethouders, zit jij in \'t hotel op de Prinsengracht, en zul je stikken in een strop zonder gesp.quot;
Geert Holmena was als verplet. Dat was te veel in vijf seconden.â Al die namen! Die beide geschiedenissen! Lijning dood! gestikt! Otto Van Wall! gestikt!---- Alles bekend bij \'t gerecht! â Prinsengracht! Strop zonder gesp! â En \'t gerecht zei: Maak dat je voortkomt, schurk!----
Geert Holmena wist niet waar hij zich bevond. â Daar ginds lag een bedeesde met bloed op de wang te ronken. En er was een nare lucht op die kamer, en die kamer ze draaide! Heeft hij zelf te veel gedronken? Wié was het vreemde wezen met dat witte haar en die zwarte wenkbrauwen boven de fonkelend blauwe oogen? Was hij zelf de duivel waarvan hij gesproken heeft? Wat raasde hij van Onzen Lieven Heer! van burgemeester en wethouders....?
â Wat, wat moet hij schrijven? Wat, voor den w.......?
En de forsche heeft neergezeten op dien stoel, en geschreven met bevende hand.
En voor \'t geen hij daar schreef, ontvangt hij nu tot quitantie een document uit nagelaten papieren van den heer J. J. Lijning. En die quitantie luidt:
âMaak mij niet ongelukkig. Zeg aan niemand wat ik bij Marter dee.
GEEKT HOLMENA.quot;
Ofschoon dit briefje, in vroeger tijd door Lijning geschreven, en door Van Breeland aan den overste afgestaan â valsch is, zoo werd Holmena\'s hand echter zoo meesterlijk door Lijning nagebootst, dat Geerts oogen glinsterden, nu hij het vernietigen kon.
31U ANNA KOOZE.
En het schijnt hem toe dat die geheime politie-agent toch geen politie-agent moet wezen, want hij gelast hem: het mensch op dat bed verder met rust te laten; te zorgen nog dezen avond uit de residentie te verdwijnen, en binnen vier en twintig uren zich in een vooronder naar Amerika te bevinden.
Indien de overste gemeend heeft dat Geert Holmena de Nieuwe Wereld zal zien, dan heeft hij in den letterlijken zin buiten âden waardquot; â en ook buiten de Haagsche politie gerekend. Reeds sedert een paar dagen had de laatste wel degelijk het oog op twee vreemde kermishouders. De waard uit De Zeven Kerken, die al aanstonds âniet veel zinquot; in de beide gasten heeft gehad, en inzonderheid dezen middag iets zeer vreemds in de handelingen van den zich noemenden Van Schoonhoven heeft opgemerkt, de kastelein moest al spoedig aan de buitenzij van Nquot;. 7 â de kamer van Katers ouden vriend â meer gehoord of gezien hebben dan Geert vermoeden kon.
Toen de overste zich aangemeld, en naar mijnheer Van Schoonhoven heeft gevraagd, toen meende de hotelhouder dat de vreemde heer, met zijn zonderling militair voorkomen, een hulp-commissaris met de kermisdrukte was, en dat hij reeds, ingevolge zijn haastig aan mijnheer Waldeck geschreven briefje, is aangekomen. Op de helft der trap staande, heeft hij den overste in stilte gewenkt naar boven te komen, en liet hem aanstonds bij: mijnheer Van Schoonhoven.
Ja wel, de logementhouder zou mijnheer alleen, en zijn gang laten gaan.
Op het oogenblik echter dat Geert Holmena den overste bijna worgde, en den rooden doek tot een bal wrong, stond de wakkere Haagsche politie-commissaris reeds achter de deur, die op een kier was gebleven, en gereed om den schurk te doen vatten.
Toen hij echter schier terzelfder tijd den overste â mede bij hem bekend â weer vrij en kloek tegenover den andere zag staan, en bovendien vreemde dingen hoorde openbaren, toen bleef hij nog liever een oogenblik de stille getuige van \'t geen daar voorviel, om zoodra \'t noodig zou zijn, te ageeren en zijn agenten bevelen te geven. Aan getuigen zou het niet ontbreken. Immers een der logementsbedienden heeft in de bovengang op een stoel voor N0. 7 gestaan, en door \'t glas boven de deur alles gezien, terwijl een dienstmeid â die met haar schaar \'t behangsel van 6 op 7 had doorgeprikt en toen met pink en duim een grootere opening heeft geboord â van alles ooggetuige is geweest, ofschoon ze tweemaal met een kleinen gil van \'t behangsel weggevlogen maar ook telkens is teruggekeerd.
En â \'t was niet twijfelachtig hoe Geert Holmena verder Haagsche kermis zou houden, terwijl het mede geen bevreemding zal wekken dat een paar palmdoeken, ter hoogte van de komedie, een half uur vruchteloos âop haar kaveljeesquot; wachtten om samen naar Wohlschlager te gaan, niet vermoedende dat mijnheer Van Schoonhoven al spoedig op de Prinsengracht â âen Carréquot; zat.
ANNA BOOZE. 311
Gelijktijdig met den brief van den overste Bel, had Oscar Van Breeland het volgende schrijven van Van Wall uit Rotterdam ontvangen :
, Amicissime!
,Sedert ons samenzijn â Maart 11. hotel Tronk te Mulderspeet â heb ik niets meer van je vernomen. Belangrijke redenen dwingen mij te schrijven. Ten eerste: Door een bijzondere omstandigheid met zekeren heer Kater in kennis gekomen, bevindt zich ten onzent van ZE. voor UE. een voltaire genaamd Prins Albert, met verzoek ÃE. dezelve te doen geworden, verzoekende UEs. geëerde order te mogen ontvangen met welke gelegenheid UE. dezelve te doen toekomen.
âDe voltaire, amicissime, is vorstelijk. Juffrouw Rooze, die bij ons logeert, heeft een dito gekregen maar van een eenigszins ander formaat, Victoria genaamd. Ze staan prachtig bij elkaar, en ofschoon ze natuurlijk niet bijeen zullen blijven â \'t geen Mr. Kater waarschijnlijk niet vermoed heeft â zoo moet ik bekennen dat het jammer is â¢â ik meen voor de voltaires! â Wil je d\'r bij ons komen zien, vóór ze te ontvangen â de voltaire natuurlijk â je zult van harte welkom zijn; maar, wacht dan tot ze weg is â ik bedoel nu juffrouw Rooze. Zij blijft nog een kleine zes weken. Mijn Goeje Zwartje dweept met haar, en hoopt haar wel spoedig weer vrolijk te krijgen; o. a. heeft zij een drietal van klinktum voor haar geformeerd, jongens van Jan de Witt! â Dat zal je plezier doen, te meer als je soms weten mocht hoe het prachtig schepsel, kort na den dood van haar oom Lijning, in een bespottelijke opspraak is geweest; Goddank alleen onder het Mulderspeetsche plebs, zooals Geereke mij voor zijn vertrek naar Soden heeft gezegd. Een zekere mijnheer Rom-slikker moet hem tamelijk onhandig op het denkbeeld hebben gebracht dat er zeer nijdige praatjes, door juffrouw Roozes verblijf onder zijn gastvrij dak, waren op de been gekomen.
âWaarom âde snaar weer aangeroerd,quot; hoor ik je zeggen. Pardon amicissime, dat heeft zijn natuurlijke reden, en zoodoende kan er «en gewenscht koopmansverband in mijn brief komen: Neme hierbij de vrijheid UE. kennis te geven, dat binnenkort te Mulderspeet in Gelderland, niet verre van het kasteel De Runt, het slot zal geleverd worden van UEs. pleidooi in de zaak van Hanneke Schoffels, en wel door mejuffrouw Anna Rooze.
âNadere informatiën te bekomen ten kantore van A. Van Wall amp; O., Wijnstraat, of aan deszelfs woning in De Boompjes.
âVerblijve met de meeste achting enz. enz.
Bonjour! ALEXANDER.
âRotterdam, 14 Mei 60.
âPS. Zoo even kreeg ik uit Brussel een telegram van Geereke, dat ik hier afschrijf:
ANNA KOOZE.
âKunira Goddank veel beter. Pak van het hart! Komen over Rotterdam, morgen. Overmorgen naar Mulderspeet. Groeten.
GEEREKE.quot;
De beide brieven, zoowel die van den overste als van Alexander Van Wall, hebben Oscar doen duizelen.
Schier in denzelfden stond is hij naar zijn geliefde tante Van Riddervoorst gesneld, om nu eindelijk bij haar consult te nemen in zijne zaak.
En, reeds den volgenden morgen bevond Oscar zich in de Wijnstraat vis-a-vis zijn vroolijken vriend. En, aan dien avond van dien dag reed hij in een spoorvigilante langs een oorverdoovend kermis-gejoel door het vorstelijk quot;s-Gravenhage naar den Vijverberg, waar papa en mama Van Breeland woonden.
De familie was niet thuis. Mijnheer is zooals gewoonlijk naar de Club, en mevrouw met de oudste freule Adèle op een soiree bij mevrouw Hoedt Van Holtenaarte.â-Willem de huisknecht geloofde: bidstond tegen de kermis. De jonkers zijn al vroeg uitgegaan, en van de andere dames is freule Justine met de familie Ducouvée-de Sauterne naar Wohlschlager, en freule Nancy met de familie Van Gherte naar Judels, terwijl de jongste freule Coba naar haar Dorcas-kransje was. Willem heeft de freule er zelf naar toe gebracht.
In het achtersalon of de huiskamer, waar spoedig het gas werd ontstoken, bemerkte Oscar aan een paar laarsjes onder de sofa, aao den stand der stoelen, aan een traktaatje op den grond en een vergeten flacon met geborduurd zakdoekje op de tafel, dat hier alles nog bij het oude is.
De tehuiskomst is hem schrikkelijk tegengevallen. Onderweg heeft hij zich een hartelijke wederontmoeting in de ouderlijke woning voorgesteld. Sedert een groot half jaar is hij er niet geweest. Zijn moeder had hij reeds in gedachten een fermen zoen gegeven; den vader met warmte de hand gedrukt, en op aller aangezicht een meerder® of mindere blijdschap gelezen, met de vragen: Hé, waar kom jij vandaan? Hoe kom je zoo op eens uit de lucht vallen? Dan â dan immers had hij al spoedig van wal kunnen steken, en zijn hart en wenschen voor zijne ouders kunnen uitstorten.
Maar, niets van dat alles. â Ze zijn allemaal kermis gaan houden; ieder op zijn manier. Nu ja, papa is in de Club, en de zachte stille Coba op haar Dorcas-kransje, dat maakt misschien een onderscheid. Doch, in alle geval: er is niemand thuis, en hier in de huiskamer is het schrikkelijk ongezellig. Na zich even een weinig te hebben verfrischt, stapt hij den Vijverberg op, en aarzelt dan tus-schen rechts of links, want links voert zijn weg naar de Club, en rechts langs het kermisgewoel naar het logement op het Buitenhof, waar Jasper Bel gelogeerd is.
Oscar koos links. Het Tournooiveld overgegaan, stapt hij op den hoek der Boutstraat de eerste sociëteit van quot;s-Gravenhage binnen.
312
ANNA ROOZE.
Mr. Dirk Van Breeland leest er de Indépendance, en opziende zegt hij:
,Tiens! Oscar.... comment! Wel jongen, je doet me schrikken!quot;
Dat behoefde echter niet; er bestond geen reden. Intusschen, papa was toch bepaald blij hem te zien en heel hartelijk. Ofschoon Oscar hem uitnoodigde om de Club te verlaten, dewijl hij hem over iets belangrijks moest spreken, zoo was Mr. Dirk wel genegen om aan den wensch van zijn zoon te voldoen, maar toch â en passant moest Oscar nog even aan den Pranschen minister en aan don Die, en graaf Deze worden voorgesteld. En, allen verwonderden zich min of meer dat monsieur Van Breelande â⢠met wien het hun een âévénement was kennis te makenquot; â niet tot de diplomatie behoorde, en merkten verder aan, dat Den Haag charmant enzoovoort was, om eindelijk gaarne een groote mate van bewondering uit te drukken â zoowel met de jukbeenen als met de oogen â toen monsieur le Conseiller d\'état hun meedeelde: dat zijn zoon een paar maanden geleden reeds met een schitterend succes een pleitrede voor \'t Hof van Gelderland heeft gehouden; â don Die wist op z\'n best waar Gelderland lag, meende Oscar, â waar hij een jeune condamnée a mort, â papa chargeert denkt de zoon ââ niet alleen geheel en al heeft vrijgepleit, maar zelfs door kracht van taal haar onmiddellijke invrijheidstelling heeft doen bevelen.
\' Terwijl de heeren don Die, en graaf Deze, le jeune mo-ssieur Van Breelande nogmaals, en vérité hun compliment maakten, denkt hij er aan, hoe papa, op zekeren feestdag, om de bourgeoisie van zekere dominees-juffer heeft gelachen, dewijl ze maar hebben wou dat haar zoon âz\'n proppreduitisch diploma aan de oomes en tantes zou laten zien.quot;
Of don Die en graaf Deze, op hun beurt hebben gelachen weet Osoar niet, maar een mensch blijft mensch â ook in de Club. En, misschien hebben de lachers toch ongelijk.
Intusschen, papa\'s blijkbare ingenomenheid met den zoon is dezen recht aangenaam, immers hij komt hem een gewichtig verzoek doen.
Een goed half uur later bevinden Mr. Dirk Van Breeland en Oscar zich op de kamer van den eerste.
Van Breeland, de oude, onderhield een geregelden vice versa dienst tusschen de groote mahoniehouten cylinder- schrijftafel en de groene gordijnen van de boekenkast.
Papa Van Breeland zal Oscar niet dwingen; hij weet te goed dat de invloed van menschen als Geereke en zuster Van Riddervoorst afdoende is. Soit! Men wil orden en wetten ten onderstboven kee-ren. Nóg eens, zijn stelregel is: er zijn rangen en standen in de maatschappij. Nergens heeft hij geluk gezien bij huwelijken âbuiten geboortequot;; men komt in vreemde coterieën, in valsche verhoudingen, in â om kort te gaan, men verlaat en verlaagt en verbastert zijn geslacht, en offert aan een oogenblikkelijke passie de rust en vrede van zijn gansche leven, ja dikwijls die eener geheele familie.
Oscar valt zijn vader niet in de rede.
Kalmer, even stilstaande, vervolgt dan ook de laatste:
313
314 ANNA KOOZE.
âGeloof niet jongenlief, dat ik den mensoh als raensch onvoorwaardelijk hooger stel omdat hij van een hoogere geboorte is;\'t zou zelfs zeer dwaas zijn niet gaarne te erkennen, dat je in onzen stand individuen hebt, die vrij wat lager op de trap der menschheid staan dan velen, die van geringe afkomst zijn; maar, dat zijn excepties, dat zijn abnormaliteiten; immers een enkele blik op de dierenwereld leert al duidelijk, dat men de edeler soorten van een zelfde ras niet dan ten nadeele van die soort, met een mindere soort kan verbinden? Wat je daar ook tegen inbrengt, ik zie er de wijsheid Gods in, die leert: streef naar het meer volmaakte en daal niet af! De adel is de eerste maatschappelijke stand, en hij moet zich als zoodanig handhaven en voorwaarts streven. In de edelste soort der menschen ligt ontegenzeglijk, en naar des Scheppers wil, de kiem der herstelling van den mensen als het wezen naar Zijn beeld geschapen.quot;
Oscar meende dat papa een weinig begon te \'verkindschen, maaibij zweeg, want. Oscar is de oude verstandige neef van mevrouw Van Riddervoorst weer. Hij zwijgt, ofschoon hij honderd tegen-argumenten heeft, en het hem bijna onverklaarbaar voortkomt dat iemand met een helder hoofd zooals papa, over de kleinigheid heenstapt; dat adel en geen adel, een scheiding is: door menschen gemaakt. Neen, Oscars hoofd staat er nu niet naar, om op te sporen hoeveel aandeel mama\'s godsdienstige principes, zoo langzamerhand op papa\'s inzichten bij het klimmen der jaren, verkregen hebben. Vroeger had de oude heer Van Breeland, zooals hij wel eens gezegd heeft: genoeg met Kichteren en Ruth te doen gehad, om zich heel veel met godsdienstige zaken te bemoeien; maar nu, enfin, men werd ouder, en het denkbeeld was inderdaad verzoenend: dat de eerste mensch er aristocratisch heeft uitgezien. En Mr. Dirk Van Breeland «n mevrouw zijn echtgenoote, waren inderdaad, de typen van dien stand der maatschappij, welke reeds sedert vele geslachten, vrij van de invloeden van handenarbeid, â bij een goed ja overvloedig leven, zich omringen mochten met hetgeen hun nuttig en aangenaam was of zich vrijwaren konden voor hetgeen hun schadelijk kan zijn. Een wederlegging van papa\'s woorden of nieeningen ware de grootste dwaasheid. Oscar weet dit, en zegt zeer bedaard, dat het hem genoegen doet van papa te hooren dat hij, ofschoon weinig met zijn keuze ingenomen, met van plan is hem te dwingen â zedelijk te dwingen natuurlijk â van zijn voornemen af te zien. Als meerderjarige is hij wel vrij naar goedvinden te handelen, doch als kind zou het hem â ook om het meisje dat hij liefheeft â grieven indien zijn ouders hunne toestemming tot dat huwelijk weigerden, en papa niet de goedheid had om acces voor hem aan oom Geereke te â vragen, die, zooals papa misschien zou weten, de opvolger is van haar vroegeren voogd, den overleden heer Lijning.
Ja, dat wist papa. Maar juist daar zit \'em een groote grief.
De staatsraad Van Breeland schaamt zich over den zwager-democraat, die zulk een post heeft willen op zich nemen. Als Mr. Dirk Van Breeland aan al die geschiedenissen denkt, en hoe Kunira Geereke zich vroeger »ver dien Lijning, en over een huwelijk tus-
ANNA BOOZE.
schen haar Ernst en die mooie juffer Rooze heeft uitgelaten; als hij bedenkt hoe zijn vrouw er nu tegen zal zijn, en vooral indien het waar is \'tgeen men zegt: dat zwager en Kunira die zelfde Anna Rooze als eigen kind hebben aangenomen â terwijl men na den dood van Ernst, gemeend heeft. .. enfin:
âDat gaat niet Oscar! neen m\'n vrind; acces vragen, dat dat.... dat zou strijden met m\'n principes. Doe tegen mijn zin wat je denkt te mogen doen; trouw beneden onzen stand, maar, verg je ouden vader niet dat hij daarvoor tot stappen overga, die hem in eigen oog zouden vernederen. â Zie, daar is mama met Adèle.quot;
De moeder omhelsde haar zoon inderdaad met warmte, en Oscar was waarlijk verheugd zijne moeder en oudste zuster weer te zien, de eerste ofschoon âlijdende, zeerquot;, nu met een blos op het gelaat â waarschijnlijk van de anti-kermis-soirée. Doch, de warmte zou alras verkoelen, en â reeds binnen weinige minuten zal de stemming in de woning van den staatsraad beneden het vriespunt zijn gedaald.
Maar mama Van Breeland had ook een vasteren grond om tegen zulk een mesalliance te protesteeren, dan haar schoonzuster Geereke heeft gehad, toen dat zelfde meisje het hoofd van den armen Ernst aan \'t malen bracht. God heeft Kunira en Geereke wel streng gestraft voor hunne zwakheid. Immers, le Seigneur a dit par la boucbe de Saint-Paul: âQue chacun demeure dans la vocation dans laquelle il a été appelè.quot; Voor mama was vocation: de stand waarin men geroepen of geboren werd. âEt puis: Enfants obéissez a vos pères et a vos mères en toutes choses, car cela est agréable au Seigneur.quot;
\'t Was Oscar onmogelijk om na den ondervonden tegenstand, dien nacht onder het ouderlijke dak te blijven. Toen zijne zusters thuis waren, moest hij, â ofschoon Coba, die van haar kransje kwam, heel lief was, en Justine ook niets hatelijks had, ja Nancy zelfs bijzonder prettig door Judels scheen gestemd te zijn, â van Adèle toch de geestigheid slikken: of de baron Oscar Van Breeland-Van Rid-dervoorst-Van Geereke-Van Uland, niet te zeer millionair was om een eenvoudig boterhammetje mee te eten?quot;
Oscar zou echter niets eten. Hij had maar even op de tehuiskomst der zusters gewacht, om dan, zooals hij reeds aan papa en mama heeft gezegd, naar het Keizershof te gaan, dewijl er zich een vriend van hem bevond met wien hij confereeren moest.
Na een afscheid, dat minder koel was dan men zou vermoed hebben, begaf Oscar zich door het afnemend kermisgewoel naar zijn logement, \'t Heeft hem een ontzettende inspanning gekost om zich zoo kalm te houden en den eerbied aan zijne ouders verschuldigd niet uit het oog te verliezen. Men heeft hem de verlangde toestemming bepaald geweigerd, ofschoon hij na de eerste weigering nogmaals op zijn verzoek is teruggekomen. De laatste woorden dei-moeder zijn in het vloeiendst Fransch ter wereld geweest: âWij willen niets anders dan het blijvend geluk van ons kind; en bij nader inzien zullen Oscar en tante Van Riddervoorst ons toestem-
315
ANNA ROOZE.
men dat wij handelen naar Gods raad, als wij je ernstig vragen: Is er geene vrouw voor u te nemen onder de dochteren uwer broeders ?quot;
Oscar gevoelt zich na de ouderlijke afwijzing, als iemand die een smartelijk verlies leed, \'t welk hij heeft kunnen voorzien, terwijl hij zich met een zoete hoop had gevleid. Meer dan ooit heeft hij Anna Rooze lief. En zij, ja, ook zij bemint hem. Hij weet het; want de goedaardige vroolijke Van Wall heeft dezen morgen op \'t kantoor in de Wijnstraat de .snaar weer aangeroerd,quot; en die snaar, o, ze had hem nu zoo heerlijk in de ooren getrild. â Maar ach, zou hij alles kunnen goedmaken wat hij misdeed? Zal zij hem ooit geheel kunnen vergeven dat hij â niet haar â maar den edelen qom heeft verdacht, dien man,, die God nu zoo innig dankbaar was voor de aanvankelijke herstelling zijner dierbare Kunira?
Doch al ware ze de vergevende liefde zelve, hij kon haar niet nogmaals vragen, zonder verzekerd te wezen dat de zijnen haar met de meeste liefde zullen ontvangen. Nu vooral zal hij haar moeten toonen, dat de familie, wier naam hij haar wil aanbieden, haar liefheeft en eert zooals zij verdient. Nu immers zal hij haar, als genade, om haar edel hart moeten smeeken, want ofschoon ze hem nog liefheeft, die verwenschte brief moet hem wel diep hebben verlaagd in haar reine oogen. Vreeselijk moet de man in Anna\'s schatting zijn gedaald, die aan zijn waardig woord: Oordeel niet dan na rijp en ernstig onderzoek, zelf zoo droevig snel metterdaad is ontrouw geworden.
De weigering der ouders heeft Oscar te smartelijker getroffen, dewijl de goede tante Van Riddervoorst hem, bij haar advies, zeer heeft bemoedigd, en gezegd: dat zijn ouders, zooals ze vast vertrouwde, hunne toestemming niet zouden weigeren. â Tante zag altijd zoo juist. Maar nu, nü heeft ze misgezien.
Alvorens zijn vriend den overste Bel in het logement te ontmoeten, â waar hij onder het genot van een glas wijn, door diens belangrijke mededeelingen omtrent Geert Holmena, een oogenblik zijn leed zal vergeten â alvorens het logement te betreden, heeft Oscar vast besloten den moed niet te verliezen. Allereerst zal hij al zijn krachten nu eens wijden aan de verovering van het ouderhart, en het winnen van een pleidooi, dat beslissen moet over het geluk van zijn leven. â Morgen zal hij beginnen; kalm, zeer kalm: maar de overwinning zal tijd en geduld kosten, want de principes in de ouderlijke woning, zijn bijna zoo gecompliceerd als een recept van juffrouw Molenwiek, waardoor de smaak van het geheel wel eens benadeeld wordt.
_ Men is van hooge geboorte en leeft zooveel mogelijk op den voet, die in de hofstad van haar geëischt wordt, ofschoon het vermogen van den baron in de laatste jaren zeer is versmolten, en hij van jaar tot jaar met meerder zorg zijne begrooting opmaakt.
Uit deze laatste omstandigheid laten zich bidstond, Wohlschlager en Judels eenigszins verklaren. Mevrouw Van Breeland behoort inderdaad par principe tot de rechtzinnige coterie â de bijna uitsluitend gedistingueerde in de residentie, â en de baron heeft altijd
316
ANNA KOOZB.
toegestemd, dat, â indien men daaraan deed, â â die richting; voor een conservatief in de politiek zeer zeker de eenig consequente was.
Nochtans, het artikel âfortuinquot; voert tot inconsequenties, want, terwijl mevrouw om overwegende redenen des winters met hare dochters de hofbals bezoekt, zoo sluit Mr. Dirk zijn woning geenszins voor niet-adellijke ofschoon natuurlijk âzeer patricischequot; families â onverschillig tot welke politieke of godsdienstige richting ze behooren, wanneer hij slechts weet dat de jongelui â enfin, in den smaak zijner jonge dames vallen, en dat er fortuin is â enfin, want met meisjes behoeft men minder sévère te wezen.
â Maar met een zoon, een oudsten zoon! Ja, dat maakt een hemelsbreed onderscheid. Dat is .
Bij een zeer kalme beschouwing houdt die oudste zoon zich echter verzekerd, dat ook nu het artikel fortuin, ofschoon op een andere wijze, eenigen invloed op de consequentie der ouders heeft uitgeoefend.
Men heeft Oscar lief. doch vreest â zoo als reeds gebleken is, dat de lieveling der zeer vermogende zuster Van Ridder voorst haar gansche fortuin zal erven of althans het grootste deel er van. En, terwijl de staatsraad te veel eergevoel bezit om rechtstreeks zijne zuster daarover aan te spreken, en zich tot eenige oplettendheid blijft bepalen, zoo moet deze weigering haar nu doen zien, dat broeder Dirk nog eenige rechten heeft behouden op zijn kind, en haar toonen dat men zwakheden heeft zoowel als zij, het allermeest op het bewaren van een ongeschonden stamboom.
\'t Was wel een bewijs van de sympathie der ouders op dit punt, dat zij beiden hoopten of verrooedden â zonder het elkander, ia zonder het misschien zich zelf te bekennen â dat men door de afwijzing van Oscars verzoek, te eerder tot een explicatie met zuster Van Riddervoorst zou komen, waarvan dan allicht een financieele verklaring het gevolg kon worden.
Toen Oscar bij \'t naar bed gaan, zijn plan voor den volgenden morgen vaststelde, en voornemens was om allereerst met een paar woorden aan tante Van Riddervoorst bericht van zijn mislukte reis naar Den Haag te zenden, om daarna eens zeer ampel en openhartig met zijn vader te gaan spreken; terwijl hij eindelijk insluimerde met de overtuiging dat vrouw Fortuna de nu gesloten deur wel even zou openen om er een kleine inconsequentie door binnen te laten, toen vermoedde hij niet dat men hem zou vóórwezen, en dat er reeds den volgenden morgen twee brieven in zijn belang aan de ouderlijke woning aan het adres van den Hoogwelgeboren Heer Mr. D. Baron Van Breeland zullen bezorgd zijn.
De eene brief was van mevrouw Van Riddervoorst.
Gelijktijdig met Oscars vertrek, te Utrecht op de post bezorgd, heeft mevrouw vermoed dat â met al dien stoom en haast tegenwoordig, en ook dewijl haar neef zich nog bij Van Wall te Rotterdam moest ophouden, de brief, zoo niet eerder, dan toch zeker gelijk met Oscar in Den Haag zou zijn.
Waaraan de schuld lag dat de brief, die te twee uren in Utrecht
317
318 ANNA KOOZE.
was bezorgd, eerst den volgenden morgen in Den Haag werd besteld, is moeielijk te bepalen. âAls een brief wat lang onderweg ia,quot; zegt de brievenbesteller: âdan ligt het aan den afzender, want aan mijn leit \'t niet. Ze schuiven \'t altijd op de adminnestraasje.quot;
Enfin, Mr. Dirk zal \'t onderzoeken, maar â hij vergat het, want hij heeft gelezen:
âLieve Broeder en Zuster!
âAlsoo vast vertrouwend dat jufvrouw Rooze uwen Zoon eene waardige huisvrouw zal zyn, twyfele ik geenzins of gy zult, lieve Broeder en Zuster, gereedelyk uw consent willen geven en Anna in liefde als uw kind aannemen. Financiële bezwaren gelove ik niet dat bestaan.
âTerwyl myn eenige Broeder of zyne kinderen â gelyk van zeiven spreekt â de goederen die God my schonk zullen erven, en dit mede volgens den Wil van myn vroeg ontslapenen dierbaren Echtgenoot, zoo geboden Liefde en Geloof my eenige en byzondere beschikkingen te treffen voor vrienden en armen. Aan myn beminden Neef Oscar, uwen oudsten Zoon, verzekerde ik onder anderen een extra legaat van Honderd mille, benevens de woning actuel-lement door my bewoond. Mogt ik zjn huwelyk beleven, zoo stelde ik my voor, hem deze Somme met te legateren doch met de levende hand te schenken. Het meisje zyner keuze heeft mede een weinig vermogen. Bedriege ik my niet dan heeft zy een kapitaal van Veertig mille van hare ouders geërfd, terwyl het talent aan Oscar verleend, hem bovendien eene goede bron van Intereste worden kan. Ik voor my rekene geenzins.....................quot;
Het vervolg van zusters rekening vond de oude heer Van Breeland minder belangrijk. En â de staatsraad Dirk bleef uiterlijk kalm zijn ontbijt nuttigen; schoof zijn echtgenoote zusters brief toe; nam een hompje kaas, zei tot de oudste dochter: âAdèle-lieve, schenk nog eens inbrak zeer bedaard den tweeden brief open, en las:
âWaarde Zwager!
»⢠............................Recht
gelukkig bij Van Wall te Rotterdam aangekomen, verneem ik van hem, dat mijn beste neef Oscar eerst weinige minuten geleden van hier naar Den Haag is vertrokken, om uwe toestemming tot zijn huwelijk te vragen. Ik behoef u niet te zeggen dat zijn voornemen ons met weemoedige blijdschap vervult. Zijne keuze acht ik de beste, die hij kon doen, want Anna Rooze is een voortreffelijk meisje, en vereenigt in zich al de eigenschappen, die den adel van geest en van hart kenmerken. Ik schrijf u deze aanstonds uit Rotterdam, omdat er mogelijk van uwe en van zuster Hermines zijde, tegen hare niet adellijke geboorte bezwaar kon wezen, en het ons zeer smarten zou indien dat bezwaar de wenschen van uw oudste
anna kooze.
een oogenblik in den weg stond. Kan het iets tot uw gunstig besluit toebrengen, zoo meld ik u, mede uit Kunira\'s naam, dat wij zoolang wij leven het meisje, waarover ik voogd ben, als eene dochter â ja bijna als de weduwe van onzen lieven Ernst zullen beschouwen, en dat zij volgens onze laatste beschikkingen voor een achtste deel onze nalatenschap zal erven, \'t geen uwe zeven kindereu, zoo wij vertrouwen, niet te veel benadeelen zal. Wil mede niet vergeten waarde zwager, dat juffrouw Roozes moeder, evenals hare nog in leven zijnde tante, een freule Moreel van geboorte was, geparenteerd aan de Hoornaars van Kamerik, en dat haar vader â een braaf zeeofficier â een bijzondere protégé van uw ouden vriend den schout-bij-nacht baron Van Kevelaere geweest is.
âIk behoef u niet te herhalen dat het Kunira, evenals mij, bijzonder verheugen zou, indien Oscar aanstonds met uw fiat werd verblijd, en Anna Rooze door u allen met die liefde in uwen kring werd ontvangen, welke zij zoo ruimschoots verdient.
âIn de hoop dat deze u geworden zal nog vóórdat Gij aan Oscar uw antwoord hebt gegeven, meld ik u dat wij u morgen voormiddag hopen te bezoeken. Ik wenschte u dan tevens nader te spreken over een familieplan dat ons zeer toelacht, \'t Geldt het bewonen van De Runt Wij hebben er om velerlei redenen van afgezien en denken op De Renghorst te blijven.
âTerwijl wij nu besloten hebben De Renghorst aan onze geliefde pupil te legateeren, zou het ons bijzonder verheugen indien Gij en Hermine reeds nu De Runt in eigendom accepteerdet, d. i. het kasteel met de tuinen zooals het bij den publieken verkoop als eerste perceel werd beschreven, doch, gelijk van zelf spreekt, eerst door ons geheel in behoorlijken staat ter bewoning gebracht. Wij worden van jaar tot jaar ouder, en zien elkaar te weinig. Over alles mondeling nader.
âGroet Hermine en Uwe kinderen.
Uw:
âBotterdam, qbekeke van dlanb.quot;
16 Mei, namiddag, 1860.
Een klein half uur na het lezen van deze brieven, schreef Mr. Dirk Van Breeland een briefje aan Oscar, dat onmiddellijk naar het Keizershof moest gebracht worden.
En Oscar Van Breeland las:
âWaarde Zoon!
âWij hebben geslapen. â Kom, alvorens te vertrekken, nog eens ten onzent. Na kerktijd zijn we thuis. Ouders kunnen slechts gelukkig zijn door het geluk hunner kinderen.
âV.h. Uw liefhebbende Vader:
âHemelvaartsdag. âMr. n. baron v. breeland.quot;
31»
ANNA BOOZE.
ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
\'t Was een prachtige avond.
In de bossclien van De Runt bewoog zich geen blaadje, tenzij het zich nederig buigen moest voor den zachten adem der nachtegalen, als ze hun zilveren slag deden klinken.
Wanneer de vriendelijke woudzanger zweeg, dan was het stil, doodstil onder het groene dak. Ginds mocht een krekeltje nog zijn gekriek doen hooren, of iets verder een dood takje, afgeknakt door de aanraking van een huiswaarts springend eekhoorntje, zacht ritselend door de blaren naar omlaag vallen; die kleine woudgeluiden ze fluisteren slechts: hoor hoe stil het is wanneer de nachtegaal zwijgt.
\'t Was stil en prachtig in \'t bosch.
De zon, die juist onderging, schoot gouden vonken en glanzen langs de stammen ten westen, en deed nun bruine mossen gloeien, en herschiep hier en ginder een teeder blaadje van braamstruik en akkermaalshout, in purperen bloesem.
Op een smal, meestal begroeid boschpaadje, \'t welk naar een der lanen van De Runt voert, werd mede een hagelwit mutsje van tijd tot tijd door een der gloeiende zonneschichten geboord, terwijl het struikgewas er gedurig ritselt door de aanraking van een ten deele opgeslagen bovenrok. â De jonge vrouw, die daar vóórgaat, met een kleinen zak over den schouder, wordt door een man gevolgd, die het hoofd voorover houdt, en in gedachten schijnt verzonken.
â Ja, â hij weet nu alles: \'t kind heeft hem om den hals gelegen, alsof ze bang was dat zij hem voor den laatsten keer aan \'t hart drukte; alsof ze meende dat hij haar verstoeten en wegjagen zou, nu zij hem de vreeselijke waarheid met snikken en beven heeft meegedeeld. â Onnoozel kind! verdoolde Hanneke! alsof vader Schoffels niet al maanden, ja bijna twee jaren lang, begrepen.... ach, zoogoed als geweten heeft wat er was â maar het toch niet gelooven kon, omdat hij het niet gelooven wilde.
â Arm kind! Vroeger zou vader gedacht hebben dat hij bij zulk een volle waarachtige zekerheid, haar verwenschen en vervloeken zou; dat hij haar uit zijn huis zou verjagen of zich zelf verhangen aan een boom in \'t Runtsche bosch; maar nu....
â Zij heeft hem haar schuld beleden, en hij is er niet van ontsteld, want immers â hij wist het al.
â En zij heeft hem toegefluisterd, dat zij een kind van zestien jaar was toen die ellendige....
â En hij heeft haar geantwoord: zeker, dat een kind een kind is; en de drank uit den duivel; en dat hij liever zich zeiven levend liet verbranden, dan ooit weer een droppel te tappen, laat staan
320
ANNA ROOZK.
\'em te proeven. â Ja ja, zij was toen een kind, een onnoozel kind: TStille raoar, stil, hie hêt\'et alles begrepen!quot;
En Hanneke heeft den vader niet losgelaten, maar zijn gebruinde â wang met kussen overdekt, en hem gesmeekt dat hij haar niet slaan, niet verschoppen, niet vervloeken zou, en ook niet omdat ze loog, loog van den beginne af aan. Zie. ze heeft onwaarheid gesproken, ze heeft de leugen volgehouden omdat.. ..
â Ja, dat wist vader Schoftels ook wel. Dat had hij al lang begrepen. Die advocaat had het , veur de heeren te Oaremquot; naar \'t recht gesproken: schuldig en onschuldig! Maar. om den schijn van de grootere schuld te weren, heeft Hanneke ook de kleinere ontkend. Ja wel, vader had het heel goed begrepen; en, al was hij wel twintig jaar ouder in zijn gevoel geworden, omdat âde fleur van Hanneke af was,quot; haar slaan of leed doen dat zou hij niet; dat kon hij niet, want hij begrijpt het alles; hij heelt het al heel lang begrepen. En \'t liegen was niet goed geweest, neen, maar omdat Hanneke nooit loog, zie, âhad \'et hem zoo\'n bietje op de been gehouden. En och! nou dat grootste niet woar was, nou was dat liegen toch ook zoo vreeselijk arg niet. Stille moar kiend; voader hêt\'et alles begrepen; joa de fleur is d\'r af, moar ie was \'en kiend Hanneke. Hie is er schuld oan; hie den rakker! As ik hum kriegen kos, ik kwakte hum dood tegen den muur van De Luchte of tegen den diksten boom. Stille moar kiend, wês moar stille.quot;
Terwijl de vader zich het gebeurde en de verootmoediging zijner dochter herinnert, en tevens al het gesprokene, ook met de goede dominee\'s-dochter, die Hanneke tot bekennen had aangespoord; terwijl hij daar peinzende voortgaat en zijn Hanneke op dat dichtbegroeide boschpaadje volgt, komt hem eensklaps opnieuw het denkbeeld verontrusten, dat hij â kort na \'t vertreK der dominee\'s-dochter â het verbond met moeder en Hanneke heeft gesloten, â om met Hanneke te blijven âliegen,quot; want ja â toen meende hij dat Hanneke gelijk had: wanneer de menschen hoorden dat het eerste nu zeker waar was, dan zou \'t gepraat over \'t tweede weer opvlammen. â Niewoar, Hanneke had vier en tachtig doagen in \'t gevangenhuus \'ezeuten, beschuldigd dat ze beur eigen kienje Termoordde. O God! en de smet bleef en zou blieven! Alles most \'elogen zin, alles, joa, dat was béter! â Maar hoor, nu Toept hij:
âHahneke!quot;
âRoep ie voader? Watte?quot;
Hanneke ziet om, en Schoffels blijft staan.
Schoffels moet nóg eens voor den tienden keer herhalen: dat Hannekes verootmoediging voor vader en moeder goed is geweest, heel goed, maar, zich verootmoedigen voor God, dat kon geen volhouden van de leugen zijn. Dominee\'s oudste had het zoo mooi gezegd: God wil waarheid;
âZie Hanneke, nou liegen voader en moeder met oe mee.... Ie hebbe mien beproat.... Mond houen is goed, moar liegen, altied liegen!quot;
VI 21
321
322 anna rooze.
âEn as Griet Hobbes mien te schande moakt voader, en ze dan tuuten goan: nou ze \'t eiges van \'t één zeit, nou zal \'t ander wel woar wêzen ook!quot;
âGe bint toch vrij \'esproken Hanneke; \'t klonk boven alles uut: Vrij!quot;
âEn nog starker kiekt \'t heele darp mien oan; en nog harder wiest \'t mien noa. En zeit dommenie niet eiges tegen mien, da\'k de binnenkoameren des doods bin. O God, hie zeit \'et noa dat vrijspreken! Neen voader, beste goeje voader, neen!quot;
âMoar Hanneke zeg. .. erat hei\'j \'ezeid, dat \'t .... kienje lêfde.... en toen ...quot;
âLêfde! wat weet\'ik \'et! Moar op den eigen stond was \'t dood. Tante Leene zou \'t begroaven. â Stil! niemeer proaten d\'r over. As iemes \'et heurde! Goddank, Joost gleuft \'et niet. Och voader, mettertied zal \'t uutbloejen, en zuwwe weer vree hebben voader, deur vuile bidden en in den biebel lézen; kom, loawwe moar hopen en loopen. Heur de nachtegoal is sloan. Mooi voader, hê?quot;
âIk kan d\'r niks moois oan heuren kiend. Kom, \'t wordt oavend!quot;\'
Beneden aan den hollen weg zat Joost tegen de glooiing. Joost rookte z\'n âstumpkequot; en keek naar den rook.
Moeder Schoffels had gezegd, dat Hanneke met vader Berend het bosch was ingegaan, om mos voor de zomerhuisjes te halen; en Joost is toen den hollen weg maar afgeloopen en beneden op de glooiing gaan zitten.
\'t Liep naar den zomer, en de oude Dorus, die de vrachtkar op Arnhem reed, wou de nering met kar en paard wel overdoen. Met houtzagen en somtijds vrachten voor ouden Dorus te rijden, heeft Joost nu omtrent zóóveel bijeen, dat hij alles kan overnemen. Wat nog tekort kwam, zou Dorus wel te goed houden; en moeder Burik heeft gezegd, dat ze Hanneke met liefde zou aannemen, want wat Joost liefhad dat had zij óók lief.
Maar Joost, hij dampt en kijkt naar den rook.
â Hanneke ze§t dat ze onschuldig, heelemaal onschuldig en dat alles gelogen is, alles!
Maar Joost weet en begrijpt al zoolang dat het eerste niet gelogen is. â Als ze hem waarlijk liefheeft, waarom dan niet eerlijk alles gezegd? Waarom dan altijd nog volgehouden met een strak gezicht? \'t Was toch niet uit slechtheid gebeurd. Hanneke was toen ,\'en onneuzel schoap, en woarumme dan te liegen ? Neen, neen, zóó kon \'t niet. Neen! tussohen man en vrouw mot alles rechtuut wêzen; as er onwoarheid tussohen vrouw en man is, dan sleet de duuvel met de beddeplank. Zie, as ze nou kwiem en zee: Joost! heur is, \'t was zoo, dan zou ie heur de hand op den mond drukken, en zeggen: \'t Is genogt â schei moar uut lieve dierke, ik wiest \'et al lang. Schei moar uut. Duar zie \'k niet op. \'t Is geschied, en wat geschied is dat hêdde wel duuzend keer geboet. Nou kan \'k oe weer met kloar oogen oanzien. Moar met leugens, altied leugens! â Neen, as z\'n eigen Hanneke loog; dan kon Joost \'en ander die lastert geen leugenoar nuumen. Neen, neeuV\'
ANNA KOOZE.
Joost kijkt nog altijd naar den blauwen tabaksdamp, die soms ros ziet van de zon.
En \'t besluit is genomen. Nog dezen avond zal hij haar zeggen: Hanneke, luuster is êfkes: Hanneke ik wol ... ik heb... -
Joost schrikt, en kijkt niet meer naar den damp.
Daar komen ze de Runtsche laan uit; Berend Schoffels en Hanneke â Berend met het hoofd naar omlaag, en Hanneke met een zak over den schouder.
â Wat was ze mooi in zoo\'n stroal van de zon. Net zoo frisch as zes moand gelêjen.
âGr\'en oavend soam!quot;
âG\'en oavend!quot;
Joost liep mee, maar trok Hanneke aan den rok, toen ze achter haar vader de deur van De Luchte wilde binnengaan.
âWat is er Joost?quot;
Joost gaf een teeken dat ze maar stil moest zijn en even met hem meekomen.
Straks staan ze in hetzelfde mossenhuisie waar Hanneke op dien vreeselijken avond, toen vader de luiken sloot en zij achterom naar binnen liep, een oogenblik toefde. De zak met mos ligt aan hun voet, want het huisje moet er mee hersteld worden.
En een ongekende angst sloeg Hanneke om \'t hart. Tot heden heeft ze niet gevreesd dat Joost haar zou aanspreken zooals hij nü doet.
â Joost zou haar verstoeten als hij \'t wist, heeft zij honderden malen, \'t meest bij zich zelve gezegd, doch, ernstig geloofd had ze \'t nooit. En nu, nu heeft hij haar aangesproken; en een vreese-lijke angst doet haar slechts half verstaan wat hij haar vraagt. Ze moet hem flink in de oogen zien, ja, want als ze \'t goed begrijpt dan wil hij nu zeker van haar weten of \'t eerste waar is^fniet; en als \'t waar is, dan zal alles tusschen hen gedaan zijn, want â as alles niet rechtuut is tusschen man en vrouw, dan sleet de duuvel met....
âWat proat ie toch Joost? Wat!? â Dat mankeert er moar oan dat ie de advekoate-leugens ook \'eleuft. Ge most mien moar loaten loopen Joost, \'t Was béter, femes die in \'t gevangenhuus is \'ewêst niewoar?quot;
âHanneke, stille dan, ik heb oe zoo lief. Stil Hanneke, \'t kan mien\'niet schêlen woar ie quot;ewêst bint; allinnig wol ik da\'k zeker wiest da\'j woarheid sprak, en da\'j d\'r veur uutkommen wolle.... dat.. .quot;
Ofschoon Hanneke uiterlijk kalm scheen zoo beefde ze inwendig als een popelblad; \'t was haar alsof het mossenhuisje met haar ronddraaide. Ach, ze wil nu, ze zal. â¢â¢â ja, ze zal hem nu, even als ze \'t haar vader deed, om den hals vallen, en zeggen.. ⢠â¢
â Hoe! dat ze onteerd werd? dat inderdaad haar fleur is vergaan? dat het liefke van Joost werkelijk al twee jaar geleden moeder is geworden, zij, de blom uit De Luchte? Nee, nee! de oogen zou ze niet meer durven opslaan; \'t geringste verschil zou er niet kun-
323
ANNA HOOZE.
nen wezen, of hij zal het recht hebben haar een naam te geven die.... Nee! ofschoon ze een kind was; nee, Joost mag het niet weten; hij \'t allerminst:
,Wat denk ie wel Joost â hê!? Is \'t nog niet voldoende____\'?
Bij God innen Hemel, ik zeg oe dat \'t woar is.quot;
âWoar? wat woar?quot; â Joost begreep niet van schuld of van onschuld. ..quot;
Maar Hanneke luistert niet meer. Ze is bang geworden dat ze zou neervallen, zoo suizelde haar alles. Snel heeft ze zich omgewend en in haar angst gezegd, dat alles maar tusschen hen gedaan moest wezen, want: zonder mansvertrouwen was vrouws-lêven last.\'
âHanneke!quot; roept Joost: âHanneke, heur is!quot;
âNee! nee! \'t is uut tusschen ons,quot; zegt Hanneke, en snelt dan heen.
Op het oogenblik dat zij achter het snijboonen-rijshout bij het kleine perk met goudsbloemen en violieren te voorschijn komt, ontroert ze hevig, want een welbekende trad haar van den kant der woning te gemoet, en snijdt haar ongemerkt den pas af.
â A\'j van den duuvel sprêkt, denkt Hanneke, want, nog geen minuut geleden, heeft ze van hem gesproken of om hem gedacht.
âWat mo\'j van mien?quot; zegt ze, terwijl ze de donkere oogen even snel van hem afwendt als ze hem vluchtig heeft aangezien.
\'t Was geen wonder dat Hanneke, na dat gesprek met den jongen, dien ze âzoo woarlijk liefhadquot;, hevig ontstelde, toen ze den man daar zag die, voor \'t heele Geldersche Hof en \'t heele volk had getuigd: dat ze schuldig was aan \'t eerste, en dat haar ontkennen dus liegen is.
â Wat hij van haar hebben moet. -.? Hij wil, dat ze hém, die haar vrijspraak bewerkte, niet zoo stroef en zoo schuw zal aanzien; maar bovendien, dat Hanneke zal meekomen in vaders huis, want, daar binnen wacht er eene wier liefde en medelijden zij sedert maanden met ondank heeft beloond; daar toeft Hannekes beschermster, die als een beschuldigster door haar werd behandeld; daar is juffrouw Rooze die, hoe ook gesmaad, niet ophoudt haar lief te hebben, en haar nu nogmaals zelve wil spreken en haar zal toonen dat ze het waarachtig goed met haar meent.
Maar Hanneke wil niet meegaan. Neen, die juffer wil ze niet zien. Neen, \'t kon alles wel woar wêzen, moar ze had \'en hêkel oan die juffer. Den advekoat wist \'et wel: Die juffer had hoar mee in schand \'ebrocht, dat weet ze zeker, en, God weet wat ze méér dee!
Oscar Van Breeland heeft een papier te voorschijn gehaald en houdt het haar voor:
âJe kunt lezen Hanneke. Zie dit briefje eens in.quot;
âWil je me weer fleuren met briefkes!? Loop! loat mien met vree. Is \'t nog niet genoeg twoalf weken onschuldig ien \'t hok!quot;
âHanneke wees verstandig; lees dit briefje.quot;
âLoop! \'t is oavond, vuile te dimster.quot;
-Zoo duister niet of je kunt het wel lezen... . quot;t Is een verklaring van zekeren Jan Piek, Hanneke.quot;
324
ANNA ROOZE. 325
,0 Jezus! zwieg stille! â Wat zol dat briefke? Zwieg stille!quot;
Hanneke kan of wil niet lezen. Ze houdt den boezelaar voor de oogen gedrukt. Maar in weerwil er van, nu weet ze toch wat Jan Piek heeft geschreven. â Of de advocaat het haar zachtjes heeft voorgelezen misschien? Althans ze weet nu zeker dat de forsche man, niet alleen haar aanklager bij de Justitie is geweest, maar zelfs dat hij op dien laatsten kermisavond in \'t dorp, een mes uit haar ouders woning heeft weggenomen, met voornemen om het bij den hollen eik in \'t zand te delven indien ze hem weerstond, welk
Ãlan hij op den morgen van zijn vertrek volvoerde. Ja, ofschoon [anneke nog den boezelaar voor de oogen houdt, ze weet nu toch dat de advocaat daar een geschrift heeft, van dezelfde hand als de valsche aanklacht bij de Justitie, een geschrift waarvan de inhoud die wreede beschuldiging geheel herroept. Maar ook in dien zelfden vrijbrief, door Geert Holmena â Jan Piek â op \'t commando van den dapperen overste Bel geschreven, daar staat nog een andere vrijspraak, maar een vrijspraak die toch de waarheid van dat eerste bevestigt.lan hij op den morgen van zijn vertrek volvoerde. Ja, ofschoon [anneke nog den boezelaar voor de oogen houdt, ze weet nu toch dat de advocaat daar een geschrift heeft, van dezelfde hand als de valsche aanklacht bij de Justitie, een geschrift waarvan de inhoud die wreede beschuldiging geheel herroept. Maar ook in dien zelfden vrijbrief, door Geert Holmena â Jan Piek â op \'t commando van den dapperen overste Bel geschreven, daar staat nog een andere vrijspraak, maar een vrijspraak die toch de waarheid van dat eerste bevestigt.
âStil stille! Loat Joost niet heuren! Urn Gods wille stille!quot; roept Hanneke eensklaps, en laat het voorschoot glippen, en vat den lezer met geweld bij den arm.
Maar immers al zoolang heeft Joost het geweten; en nu â nu was hij niet verre geweest. Zachtkens is hij haar nabij gekomen. Hij heeft het mede gehoord wat de advocaat daar las. Zonder dat ze hem nog ziet, houdt hij haar reeds met zijn arm omvat, en drukt haar aan de trouwe borst, en â onder den zwaren beuk kust hij haar op de wang waarlangs de tranen vloeien, terwijl hij fluistert:
âStille moar Hanneke. Joost wist \'et al lange. Moar as Hanneke joa zeit en dat \'t zóó is, dan is Joost niet kwoad; dan is alles goed, dat weet menheer de avekoat ook wel. Stille moar Hanneke â ie was \'en kiende, en hie miek oe van streek met den drank.quot; â Maar:
âNeen, o God, neen!----neen....!quot; schreit Hanneke zacht. â
â Allêvel, ze trekt beur heufd niet weerumme, en ze nokt zoo zuutjes, en ze vluukt niet meer... â¢
â Ach! Hanneke weet eigenlijk niet wat ze zegt.\'t Was haar alsof ze blind was, alsof de beenen haar verlamd waren; maar ze liep toch, dat voelde ze wel, en zag ze óók. Maar wat â wat ziet ze!? Is het de rug der bruine hand, die haar kin heeft omvat en haar dwingt de oogen naar Joost te keeren? Zijn het de goudsbloemen daar beneden? Is het de zandweg. ..?
â Ja, het zand ziet ze . . het zand waarin die ellendige het mes verborg, het zand, waarin dat lijkje in de nabijheid van den eik werd gevonden, en â ze gelooft niet dat het schrift van dien Piek den laster zal keeren; en, juist in deze oogenblikken, nu Joost haar zegt dat hij Hanneke toch altijd heeft liefgehad en zal liefhebben, valt haar weer eensklaps de overtuiging als met looden druk op de borst: dat niets haar rechtvaardigen kan in het oog der wereld, want, tante Leene âzou hoar akelik kleine jungske, as ie dood was, in \'t bosch achter De Runt begroavenquot;; en ze weet niet waar;
326 ANNA ROOZE.
en â bij den hollen eik is een Igkje gevonden, dat door een ontaarde moeder ...
âNeen Joost, neen! â Al was \'t zoo, dan tóch, laat mien met vrêje. Neen, ik weet niet wat woar is. \'t Is alles \'elogen!quot;\'
En Hanneke, nu geheel tot zich zelve gekomen, wil de ouderlijke woning niet binnengaan. Ze wil de hei op; het boschje in.... voort!
Het is onverstandig misschien dat Van Breeland het altijd weerspannige boerenkind zoekt over te halen om mee te gaan en juffrouw Kooze een hand te geven.
â Waartoe Anna gewaagd aan een tooneel, dat gansoh anders zal wezen dan men het zich waarschijnlijk heeft voorgesteld.
âToe liefke, doe moar wat menheer d\' avekoat oe vraagt. Ie bint noe bleu en triest umdat \'t oavend is; moar mergen as de zon schient dan zu\'j um proatjes lachen as ie Joost oan \'en erm hét, en de brief oe rechtveerdigt. Toe liefke. mooi zwartje, kom moar. Die juffer hêt niks \'edoan; dat heb ie \'eheurd; geef beur \'en hand. Toe poelleke, kom!quot;
Hanneke heeft nu den drempel overschreden, en ze staat in de kamer, die geen gelagkamer meer heeten zal; en ze weet niet wat het is, maar â een nog sterkere en tot heden ongekende angst slaat haar plotseling om \'t hart.
Anna Rooze is haar genaderd. Daar staat de juffer, de mooie juffer, die zij in bange oogenblikken heeft ontmoet, voor \'t eerst in deze zelfde kamer, en tweemaal in dominee\'s tuin; de juffer die â zij weet zelve niet meer hoe en waardoor, \'t zij dat Hanneke zich versprak \'t zij dat die juffer het heeft geraden, â de deelgenoot van haar droevig geheim is geworden. Daar staat ze die haar gezegd heeft: Waarheid, als \'t om de waarheid te doen is; en die haar schreef om eerlijk alles aan Joost te zeggen, en dat hij haar steun en haar troost zou zijn. Daar staat ze, en Hanneke is nu wel overtuigd dat die fiere dame baar geen kwaad heeft willen doen, en geen kwaad heeft gedaan. Maar, wat wil ze dan nu? Komt ze nu hier om de voldoening te smaken, een ongelukkige de oogen voor haar reinen blik te zien nederslaan?
De donkere kijkers van het bedrogen boerenkind vlammen eensklaps op; en met trillende stem roept ze uit terwijl het zweet op haar voorhoofd parelt:
âIk hebbe oe nooit niks \'ezeid! Nooit! Neen! went as \'twoar was dan zol Joost... - neen! Ie hebbe geen schuld, moar ik durf oeinne oogen zien.... best! joa, zie of ik durve!quot;
Anna treedt niet terug voor dien blik. Neen, ze gaat slechts een weinig ter zij en wijst in de richting van het raam. Schuin achter Hanneke stond moeder Schoffels, die een aardig jongske op den arm heeft, en wier oogen zwemmen in tranen, \'t Is al schemerdonker, maar het ronde blozende bakkesje van het knaapje is nog goed te onderscheiden.
âZie Hanneke,quot; zegt Anna kalm: âwe hebben een lief jongske gevonden, dat zooveel op je lijkt. Zie eens, een aardig ventje nietwaar
ANNA BOOZE. 327
Het schoone boerenkind staat als versteend. Haar oogen staren strak op het haar aangewezen iongske. Maar ze verroert zich niet. Eensklaps, alsof een duizeling naar overvalt, brengt ze de hand aan het voorhoofd, en dwalen haar oogen onbestemd, zoodat voor een oogenblik alleen het wit er van te zien is.
Hoor, hoor! daar kraait Janneraan; hoor, hij kraait als werd hij ongeduldig. Geen wonder, de vreemde vrouw, die hem op den arm had, droogde zich met den boezelaar de tranen af, en heeft het niet bemerkt dat den kleine een mooie pop uit de handjes is gegleden. - ⢠-
âMoe-doe, moe-doe!quot; roept hij kraaiend, terwijl hij het bovenlijfje onrustig voorover naar de gevallen pop beweegt, en nog eens met luider kreten roept hij: ,Moe-doe, moe-doe!quot;
,0 lieve Jezus! O God! mien kienje, mien jungske!quot; klinkt het eensklaps met nokkend geluid van Hannekes lippen. â Een zoet stemmetje had het: Moe-der gestameld. En hoor, men heeft gezegd dat dat haar kindje is. En de stem van het bloed heeft mede
gesproken. En beur boezem jaagt snel, want----âJoa joa, dat is
ie! dat mot ie wêzen, heur eigen kienje!quot;
Voor twijfel is er bij Hanneke geen plaats. Of het een wonder van den Heere Jezus, of dat het zeer natuurlijk is, zij weet het niet; maar het kindje, waarvan ze honderden malen heeft gedroomd, en \'t meest in dien kerker, het kleine âhet akelik kleine lieve jungskequot;\' dat ze maar ééns heeft gezien, waarnaar ze nooit heeft durven onderzoek doen; het kindje dat ze voor \'t naaste en \'t liefste dood waande, begraven in \'t bosch misschien, zie, het zit daar frisch en gezond op den arm der schreiende oude vrouw. En Hanneke meent weer dat het iongske haar bij den moedernaam roept, en, met onstuimig geweld vliegt ze op taar kindje toe, vat het in de armen, drukt het aan den boezem en barst dan in een schaterlach uit, die akelig mocht heeten, wanneer daarin niet bovenuit had geklonken : zie maar dat ik niet slecht was; zie! ik heb mijn jongske, ik heb mijn kindje wel lief!
\'Maar ach, dat kleintje begrijpt die liefde niet, en trekt zich angstig terug, terwijl er vrees op zijn gezichtje staat te lezen.
âAnn-na â Ann-na!quot; krijt het alsof de omhelzing hem benauwde, en de vreemde lach hem deed ontstellen.
âHanneke. wés noe bedoard; heur ie wel dat de bloed noar de juffer roept,quot; fluistert Joost, terwijl hij met de vijf uitgespreide bruine vingers trararietjes voor het kind maakt en het jongske naar zich toe lokt. En \'t jongske strekt de armpjes naar den goeden Joost Burik uit, en Joost, half lachend, half van streek, zegt zachtjes:
âOch harrejennig! hie wil bie mien wêzen! Och harrejennig!quot;
En \'t was goed dat Joost hem nam, want Hannekes kracht schoot te kort.
âJuffer! Joost! .... Voader! Och voader! voa----der----!quot;roept
ze, en â moeder Schoffels ontstelde, want ze zag Hanneke neervallen zóó as ze heur op dien winteroavend nóg ens gezien had.
Berend Schoffels is verstandig geweest. Nog vóórdat Hanneke in
ANNA KOOZE.
de kamer zou komen, is hij straks naar buiten gegaan, de achterdeur uit, want, zulke dingen daar kon hij niet tegen.
â De baron was vriendelijk, ja \'twas heel vriendelijk om een arm boerenmensoh zoo troostvol toe te spreken, \'t Is zeker: hij moest er God voor danken dat de laster nu zwijgen zal. \'t Is waar: als alles zich zóó heeft toegedragen dan is Hanneke zoogoed als heelemaal onschuldig. Maar zie . ., dan is hij . . . ja, dan is hij zelf ook de groote oorzaak van al het leed. Zoo goed als hij daarginder op den berg â ofschoon het al zachtjes aan donker wordt â den, mandewagen met de schimmels van den baron ziet staan, zóó goed heeft hij ook vroeger gezien dat die vreemde kerel meer as rechtuut naar Hanneke keek. Maar, hij betaalde z\'n borreltjes, en op Hanneke kon vader aan, als op zich zeiven! â O, wat heeft hij zich bedrogen! Welk een schande moet hij dragen, omdat hij meer oog voor de nering dan voor zijn eenig kind heeft gehad. Hij, ja hij zelf is de oorzaak van al die smart. Maar toch, dat een onecht wurm in zijn huis en Hannekes kind is. Een onecht wurm ...!
â Ja, de baron heeft weer gelijk: als Schotfelszijn Hanneke niet schuldig houdt, dan is dat wurm het toch zeker nog minder; en de troost van mijnheer den baron is zoet: dat een vader, die te veel op zijn kind vertrouwt nog niet slecht kan heeten, al bewees de uitkomst dat hij scherper had kunnen toezien.
Zoo sprekende staat Schoffels aan de achterzij van het huisje, op den putrand geleund, tegenover den baron van De Renghorst. En hoezeer hij ook werd bemoedigd, en hoezeer hij overtuigd wordt dat de bewijzen van Hannekes onschuld hem gelukkig moeten stemmen, want immers nu bijna drie jaar geleden, toen was ze misschien wat dartel maar toch een rein en onergdenkend kind, ach, in weerwil van dit alles staart hij nog altijd somber voor zich, en zelfs terwijl hij toestemt: recht dankbaar aan God te zijn, wordt dat voorhoofd nog sterker gerimpeld, want âjoa, dat wurm .... dat onechte wurm \'t was toch altied en smet op z\'n kiend; en \'t wurm te zien, neen, neen, dat kon ie niemeer!quot;
Een smet op zijn kind! Zeker, dat was niet anders; arme vader!
Maar hoor ... . is het Hanneke die hem roept? â Joa Joa â luuster: nóg ens met akeligen klank: âVoader! voader!quot;
Dat weerstaat hij niet. Met eenigszins wankelen tred, maar toch zoo ras hij kan, gaat Schoffels de achterdeur binnen; de zeer kleine deel over, en dan de hoofdkamer van het huis in.
â Wat ziet hij daar . ...?
â O groote God! Wat wat doen ze met Hanneke ginds?
Hanneke, eerst op den grond gevallen, is nu door Joost en moeder Schoffels in de bedstee getild.
Daar ligt ze, en bij den vollen schijn der wassende maan ziet vader haar nu zoo wit, zoo wit als op den avond toen hij meende dat ze dood .... â- Neen, dood was ze toen niet.... Maar nu? Wat zal dat nü moeten ziju!?
â Zie, die Juffer kiekt beduusd, meent Schoffels; ze wascht heur
328
ANHA BOOZE,
met odekelonje. Joa dat zou ze niet doen as ze niet gleufde dat \'et heel arg was....
âHanneke .... Hanneke! Hier ben ik! O God, wat ziede wit Hanneke!?quot;
âStil Berend, stil,quot; zegt vrouw Schoffels: ,\'t kind is d\'r kapot van.quot;
âKapot? wat kapot? Mein ie dood! Dood!?... En zonder het geruststellend woord te vernemen dat de moeder spreekt, noch ook de bemoediging van Anna, dat het straks beter zal gaan, roept de vader nogmaals zijn kind bij de liefste namen; streelt haar over de koude wang; en jammert: dat hij al tien keer um Hanneke is vermoord, moar dood, dood! dat zou de genoadeslag wêzen....
Daar glijdt haar een zucht van de lippen.
âHoor je wel Schoffels,quot; zegt Anna: âHanneke zal nu wel gauw bijkomen. Arm overspannen kind!quot;
âJuffer! Engel!quot; steunt de bezwijmde; en dan âLiefhebben! woarheid! O voader, voader, mien kienje, mien jungske!quot;
Dat geet hum diep deur de ziel!
âLieve God, ze kumt weer bij!quot; roept de oude man, en vat de hand van zijn kind; en dan: âHeur ie \'t niet, ze roept ura beur jungske . .. Wear, woar is ie? Heur ie dan niet, ze vroagtura heur kienje!quot;
En een oogenblik later heeft de oude Schoffels zijn kleinkind op den arm; en Hanneke komt overeind, en strijkt zich langs het voorhoofd. Ziet ze goed? Is dat vader zelf, die haar jongske op den arm heeft? â Ja, ze bedroog zich niet. En haar gemoed schiet vol, want heur eigen vader heeft haar den mond van het jongske op de wang gedrukt. En het ventje lacht; en weer overeind gekomen roept het: da-da, en grijpt naar de mooie glanzige maan, die zoo helder door de ruiten naar binnen blinkt. En Anna ontneemt den grijze het jongske, want zijn handen beven, en Joost Burik komt hem ter zij, en vat hem onder den arm en fluistert:
âVoader! dat jungske hiet Janneman Burik. Zóó zal \'t wêzen, niewoar?quot;
En de oude man:
âOch goeje God, d\'r is nog zégen in \'t eind!quot; En, geknield bij Hannekes leger, neemt hij de pet van het hoofd, en, als de maan de vroeg vergrijsde haren doet blinken, dan borst de vader in een pijnlijk snikken los. Hij had zich goedgehouden, al die maanden, al die jaren lang, maar \'t hart moet nu lucht hebben, en zie, hij schreit als een kind, en â zie ook: een oude vrouw, ze drukt haar \' nna\'s saamgevouwen handen, en spreekt dan met nok-
329
âOch juffer, ik heb oe miskend, moar ie â ie hebbe ons lief gehad.quot;
ANNA BOOZE.
ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Wie gewoon was dominee Haverkist te hooren preeken, moet zeker getuigen dat hij zich zeiven op den eersten Zondag van Oogstmaand verre overtreft.
Ja, \'t was dominee Haverkist wel, en aan zijn stem en aan enkele formulen is hij zeer goed te herkennen, maar het woord dat hij spreekt heeft een andere kracht dan gewoonlijk; niet de kracht der stem, maar een kracht die tot luisteren dwingt en gaat tot in het hart.
âOordeelt niet opdat gij niet geoordeeld wordtquot;, heeft hij tot tekst gekozen. En \'t is goed, \'t is vaak treffend wat hij zegt.
Zijn hart noopt hem te spreken van de dingen, die geschied zijn in deze gemeente. Een onrechtvaardig oordeel heeft veler gemoed vervuld. âDaar was sprake in ons middenquot;, vervolgt Haverkist met eenigszins uitvoeriger woorden: âsprake van een ontaarde moeder. Men zag haar aangewezen en voor den rechter gebracht. Zij werd vrijgesproken. En toch meenden velen onzer dat zij de schuldige moest zijn. Men wees haar na met den vinger, men schuwde en verstootte haar.quot; De buitengewoon zachte toon, waarop Haverkist voortgaat, getuigt van zijn innige ontroering en wekt zulk een aandacht, dat men in de tamelijk groote kerk het suizen van een mugje kon hooren: âAan den avond van den jongsten Vrijdag mijne broeders en zusters, werd ik bij eene kranke geroepen, die nu reeds gestorven en wier naam op uwe lippen is ...quot;
âGrietien Hobbes,quot; fluistert het hier en ginder zeer zacht.
âSidderende om voor den Rechterstoel des Allerhoogsten te verschijnen, heeft zij verklaard met behulp en op aanraden eener vrouw â wier naam u mede bekend is en met rechtmatigen afkeer vervult â de daad te hebben volvoerd, waarvoor men nu reeds vele maanden eene andere, en nóg ondanks haar vrijspraak, heeft schuldig gehouden. Mijne geliefden, oordeelen wij de schuldige niet, maar wij, die schuldig zijn aan een onrechtvaardig oordeel, zwijgen wij Gode, en verootmoedigen wij ons voor God en de menschen !\'quot;
Burgemeester Le Village wischte zich met den zakdoek het gelaat af. \'t Was erg warm in de kerk. \'t Speet hem eigenlijk dat hij er heen is gegaan. Zoolang die jonge Van Breeland in \'t dorp blijft, doet hij \'t niet meer; de bank van burgemeester en wethouders is precies tegenover de bank van De Renghorst, en je kijkt elkaar onwillekeurig den heelen tijd aan.
âMaar ook mijne broeders en zustersquot;, vervolgt Haverkist met zonderlinge trilling in de omvangrijke stem: âbuigen wij ons voor den Oneindige, die alles weet en ziet, en alles doorgrondt; voor Hem, Wiens verborgenheden. Wiens raadselen wij eerst zullen verstaan aan gene zijde der graven; buigen wij ons thans met dank
330
ANNA BOOZE.
voor den Almachtige, die de waarheid in onze gemeente deed zegevieren; die den laster deed verstommen, en ons allen opnieuw heeft geleerd: dat wij, wijzen en onwijzen, de liefde hebben te stellen vóór het oordeel. Amen.quot;
Oscar V an Breeland bukte zich om een zakdoek op te rapen, dien hij juist liet vallen. Oom Geereke, die in de heerenbank van De Renghorst â achter de dames â naast hem zit, had hem met een blik van tevredenheid over de rede van Haverkist, even van ter zijde aangezien. Geereke sprak nooit een woord in de kerk. Toen Oscar weer opdook was hij ânatuurlijkquot; een weinig rood. Maar Goddank, oom Geereke weet niet en zal ook nimmer vernemen, dat zelfs zijn neef Oscar Van Breeland, de edele helderziende Oscar, ondanks zich zei ven, voor een wijle tot het Mulderspeetsche plebs heeft kunnen behooren.
Dominee Haverkist herneemt:
âMijne rede was de inleiding tot de plechtigheid waartoe wij thans zijn geroepen:
âGij jonggehuwden, die de kerkelijke inzegening op het heilig verbond door u gesloten, van ons verwacht! verheft u van uwe zitplaatsen. ...quot;
En daar stonden ze, die jonggehuwden.
\'t Was alsof er een electrieke schok door de gemeente voer. Aller oogen waren naar het meestersbankje bij den preekstoel gericht, want daar stonden ze. Daar stonden ze dan nu: Hanneke en Joost, Joost en Hanneke.
Aan Joost is weinig te zien; hij steekt netjes in \'t laken, en de beide lokken ter weerzij van de bruine slapen, zitten als een tuit, maar voor \'t overige is hij heel ordinair; hij staart op een zerk â waaronder iemand ligt, die óók hier stond toen hij trouwde.
Aan Hanneke is meer te zien. Een heele geschiedenis: Jan Piek. .. \'t gevangenhuis.... Neen, er is er misschien geen enkele, die haar beschouwt met het oog op wat voorbijging, tenzij het mocht wezen met een traan van medelijden, en met de gedachte: Waren wij, die niet vielen, onschuldiger dan zij ...!?
En Hanneke ziet er uit.... ja, als een kloeke frissche bruid, wat zal men er anders van zeggen! Het lichtgroene stoifen kleed doet haar welgevormde gestalte goed uitkomen, en â Maar neen, \'t is niet de kleeding. noch zelfs Hannekes vrouwelijk schoon, die den blik met welgevallen op haar rusten doet. Wie haar van ter zij in \'t gelaat kon zien, of meer van voren, zooals uit de Runtsche en Renghorster banken links van den preekstoel, of ook uit de banken van plaats- en kerkbesturen ter rechterzij â zij bespeuren op haar frisch en fier gelaat een trek van deemoed, die aan haar fleurig schoon een edeler uitdrukking geeft. Bijwijlen blinkt er een traan in haar oog. en, dan gaat het kerkboek, waarop de gevouwen zakdoek ligt, even met de beide handen naar boven, maar Hanneke is sterk, haar tranen zal men niet zien! â Nu! zulke parels mochten haar anders wel sieren op dezen dag en bij deze plechtigheid!
In de ouderlingenbank â waar, bij een huwelijksinzegening aan
331
332 ANNA ROOZE.
de naaste familie der jonggehuwden eene plaats wordt gegeven â in die bank zit een man met grijze haren, en naast hem een vrouw, die de minste beweging van haar kind schijnt te volgen, terwijl de vader gedurende de gansche plechtigheid de oogen gesloten en de handen gevouwen heeft. Aan de andere zij van dien vader, zit de moeder van Joost, de goede vrouw Burik die Hanneke liefheeft.
Wat dominee Haverkist verder sprak, blijft onvermeld, \'t Was een eenvoudige toespraak met zeer weinig bombast en niets bijzonders.
In de achting van velen is hij daardoor zeer gerezen. Dominee Haverkist heeft bij deze plechtigheid van het verledene gezwegen, ja op niets meer gedoeld, en zijn laatste woorden waren:
âHebt elkander hartelijk lief, uw gansche leven, en de God der Liefde zal met u zijn. Amen.quot;
En staande zong de gemeente:
âWaar liefde woont gebiedt de Heer den zegen.
Daar woont Hij zelf. daar wordt Zijn heil verkregen, En \'t leven tot in eeuwigheid!quot;
Maar de jonge vrouw heeft den laatsten regel niet kunnen meezingen. \'t Gemoed was haar eensklaps te vol geschoten. Onwillekeurig had zij, vluchtig opziende, den blik dier trouwe, dier liefdevolle juffer ontmoet.
Eens, in die rechtzaal, heeft Hanneke zelfs de tranen miskend, die om harentwil in Anna\'s oogen zijn gedrongen; maar nu, nu zij opnieuw die tranen ziet blinken in de schoone en reine oogen, nu is zij zich zelve geen meester meer, en, nauwelijks heeft Haverkist het laatste woord zijner zegenbede uitgesproken, of Hanneke Burik â terwijl ze Joost en vader en moeder voor een oogenblik vergeet â doet eensklaps een schrede ter zij. tot voor de bank waar Anna nog op hare plaats staat, en drukt haar de handen, en snikt nu van \'t schreien, maar, â spreken dat kan ze niet.
\'t Volk is niet zoo spoedig buiten de kerk als gewoonlijk. Er was veel grootheid vandaag; en zie, \'t was ook een mooi gezicht: Voor \'t oog van de heele wereld gaf die juffer Rooze aan de jonge vrouw een zoen; en de baron en de heele grootheid, ze gaven aan het jonge paar, en ook aan den ouden Schoffels en aan vrouw Burik de hand, zie alsof er geen onderscheid was.
Maar buiten de kerk was er toch ook iets bijzonders. Het eenige rijtuig, dat \'s Zondags voor de dorpskerk op het uitgaan wacht, is, â sedert den dood van den baron van De Runt, â de mande-wagen of een ander rijtuig van den baron Geereke. Wanneer het rijtuig onder kerktijd komt om de familie te halen, en het knarpen der wielen in \'t zand binnen het kerkje te hooren is, dan weten de boeren dat het met de preek op een eind loopt. â Nu hebben ze, een groot kwartier geleden, tweemaal in \'t zand hooren knarpen.
Ja, \'t was aardigheid, er stonden nu twee rijtuigen. Maar het eerste, dat nu juist voor de kerkdeur rijdt, \'t is er een op twee wielen, en met twee stoelen er op.
ANNA ROOZE 333
De kar van âouwen Dorus den vrachtrijer-\' die netjes werd opgeknapt ziet. er uit als een bloementuin, en het flinke merriepaard er voor, heeft mede een bloenientooi aan hoofdstel, haam en staart, dat het een lust is om te zien. Dat kloeke bruine paard is een huwelijksgeschenk van den baron Geereke aan de beschermelingen van zijn Anna, want de knol van ouden Dorus was geen drie gulden waard. Maar, dat die kar, zoo prachtig opgetuigd hier voor de kerkdeur reed dat was een aardigheid, waarvan het denkbeeld dooi Anna geopperd, onder het hoofdbestuur van Alexander Van Wall reeds den vorigen avond, voor zoover mogelijk, werd ten uitvoer gebracht.
âJa wel vrinden, om jelui te dienen, dat is voor de jonggehuwden die zooveul als getrouwd benne,quot; zegt Tronk: âMijnheer Van Wall â zoo\'n snaaksche â die wou en zou dat ik de kar zou rijen, en witte handschoenen zou aandoen. â Ikke met witte handschoenen! zei ik, maar dat hielp niet, en met \'en bos lelies van dalen op d» borst! Maar ik zeg: \'n mensch is zóó niet.... of â¢
Doch op \'t geen Tronk verder redeneert wordt weinig acht ge geven. De boeren en boerinnen, die al meer en meer naar buiten komen, verdringen elkander om de mooie kar te bekijken, die wel een bed van bloemen gelijkt.
En straks, straks verdringen zij elkander weer, om Hanneke en Joost meer van nabij en aarzelend op de kar te zien stappen, \'t Is aardig zooals schier allen er nu op gesteld zijn om een groet van \'t jonge echtpaar te ontvangen. Ja, â maar alles was nu ook opgeklaard ; en veel gepraat is laster geweest. Bovendien, dominee heeft het duchtig gezegd, en â ,\'en mins is zóó niet of hij vereert \'en mins, die in de blommen en in de eere zit.quot;
âToch geen ijzer los?quot; zegt Van Wall bij \'t buiten komen tot Tronk, en wijst naar de pooten der merrie.
âVan hum? van den deze mijnheer----? Neen, daar zou \'k op
gepast hebben mijnheer; \'t is altijd geen armoe. Neen, vierkant op 3e ijzers, vierkant, dat verekskuzeer ik je.quot;
En buiten het kerkhofhek gekomen neft Van Wall een vroolijk hoezee aan, \'t welk dominee\'s juffrouw â na de kerk â wel ongepast vindt, maar dat door de boeren van Mulderspeet nochtans met een luid gejubel wordt beantwoord.
En \'s avonds zal er aan het voormalige boschwachtershuisje van De Runt, ter eere van de jonggehuwden, een kleine feestviering zijn. Zonder dit zou Alexander misschien niet met zijn Zwartje zijn overgekomen. Ook Jasper Bel heeft dit laatste ten prikkel gestrekt, want met zijn denkbeelden van kermishervorming mocht hij geen gelegenheid laten voorbijgaan om het volk, vooral ten plattenlande, wat nader te leeren kennen.
Op De Renghorst een feest te vieren â hoe gering en van welken aard ook â dat zou een wreede wanklank voor de Geerekes
feweest zijn; maar dat men van De Renghorst wat proviand naareweest zijn; maar dat men van De Renghorst wat proviand naar
et genoemde huisje bij De Runt zond, opdat de vrienden van Hanneke en Joost er zich met hen mochten verheugen, en alle
334 ANSA BOOZE.
koelheid te gemakkelijker zou verdwijnen; dat er wat algemeene vroolijkheid zou wezen op den trouwdag van het paar, dat zooveel droeve dagen doorleefde, ja, dat wenschte niet slechts de baron van De Renghorst, maar zelfs zijn Kunira die, zichtbaar aangesterkt, en kalmer bij eigen leed, het oog niet wil sluiten voor anderer vreugd.
âTot van avond!quot; is de afscheidsgroet van velen bij het uitgaan der kerk geweest, en al spoedig zag men niemand meer binnen het lage muurtje van het kerkhof onder de linden.
Toch waren er nog twee personen. Ze stonden aan de aohterzij der kerk bij een zeer nederig maar smaakvol monument.
\'t Is een kleine naald. Aan de voorzijde leest men in het zinnebeeld der eeuwigheid:
Aan Herman Carel Marter.
Zijne Geliefden. 1860.
En aan de achterzijde:
Mattheus V vers 8.
M. M. v. H.
Ja, \'t is een eenvoudige herinnering aan den man, die zich liever een leven van smart en lijden getroostte, dan ter eigen rechtvaardiging de verdenking op een jonkman te werpen van wiens schuld hij niet de volle overtuiging had. En dit nederig monument is hem door de vrouw gesticht, die den blooden maar edelen dokterszoon nooit heeft vergeten, en âeenmaal met hem en de zijnen hoopt samen te wonen in den kring der gezaligden tot in eeuwigheid.quot;
\'t Was geen wonder dat Marnix â die wist wiens dochter zij in Emma Van Wall op school had â haar steeds met een bijzondere zorg en liefde heeft omringd, doch tevens met droefheid had bemerkt dat Emma die liefde nooit ten volle beantwoorden kon.
Maar nu, ja nu heeft Emma juffrouw Marnix wel hartelijk lief. Door Anna kent ze thans haar geschiedenis. Zal men zeggen dat het alles wijsheid bij de verstandige kloeke Maria Marnix Van Hogenzathe is geweest? Een harer spreuken was deze: âDe altijd wijze bestaat slechts voor den wijze in eigen oog.\'\' Neen, Marnix weet wel dat zij in vroegere jaren met het verlaten van haars vaders erf, althans de kinderlijke onderdanigheid uit het oog heeft verloren; maar toch, zij dankt God dat ze zich door haar ijver in staat zag gesteld, om na den dood van een vader, die zijn kinderen slechts een naam had nagelaten, de toekomst van drie harer jongere broeders te helpen verzekeren; toch is zij dankbaar dat zij Marters kind heeft mogen opvoeden en onderwijzen; dat zij zelve den armen Herman de oogen mocht toedrukken en hem dit eenvoudig gedenkteeken oprichten. Marnix voelt zich gelukkig in de aanhankelijkheid der kleine Benjamine, die zij aanstonds, met toestemming van dominee en zijne vrouw, mede naar De Riethof heeft genomen om er het kind te vormen âvoor dit leven en voo
ANNA ROOZB.
een onvergankelijk leven aan gene zij van het grafquot;. Emma Van Wall heeft Marnix nu wel innig lief. Ja, want al is zij het in het godsdienstige alles volkomen met haar Willem eens, en moet zij zelfs evenals hij om haar aanstaanden schoonvader glimlachen, dewijl hij in weerwil van zijn aanwassenden weerzin tegen de orthodoxie, zijn jongste kind met volle vrijmoedigheid aan de âverplichtende kostelooze leiding der geëerde institutricequot; heeft toevertrouwd, zij is het nu immers ook met haar Willem eens, dat het geloof een meer of minder mooi kleed is, waarin goed of kwaad woont, en â dat haar Marnix een hart heeft van goud. Maar bovendien, zij ziet in juffrouw Marnix de vriendin der jeugd van haar armen vader; zij waardeert in haar den fijnen trek; dat zij hem dit gedenkâeeken stichtte van de schoolgelden, die men voor zijn kind had betaald, maar die ze trouw had belegd ora, zoo het noodig mocht zijn, Marters dochter er mee te kunnen steunen op haar levenspad.
De pleegdochter der Van Walls zou die hulp niet behoeven, en â het monument is verrezen.
âKom Emma, kom!quot; zegt Willem Haverkist, en neemt zijn geliefde onder den arm: ,\'t Wordt me hier te eng. Vader heeft me voor :t eerst van mijn leven geroerd met een preek. Wat een heerlijke roeping toch de roeping van volksleeraar! Kom Emma, ik moet vader de hand drukken. Als die het gehoord hadquot; â en hij wijst op Marters naam: âdan was ie weggesmolten. Arm slachtoffer van menschelijke kortzichtigheid! Kom Emma, kom!quot;
Emma wischte zich een traan af; zag nog eens om â maar, ging toen ook mee met haar lieven Willem.
Aan den avond van dien zelfden dag woonde Geereke met ziju gasten, gedurende eenigen tijd de landelijke feestviering bij, die men den jonggehuwden had bereid.
Men wilde nogmaals aan de dorpelingen het voorbeeld geven dat men het verledene geheel behoorde te vergeten.
Een onschuldig gehoonde moet openlijk en veelvuldig in eere worden hersteld.
âJa,quot; zegt de overste Bel, terwijl hij een papier aan Van Wall toont: âdit zul je morgen in de voornaamste couranten lezen, \'t Ia een idee van den ouden bromtol.quot; En Alexander leest:
âHeden treden in den echt: een boerenzoon van Mulderspeet en Johanna Schoffels. De laatste vroeger valschelijk beticht van kindermoord. Voor \'t Hof van Gelderland na twaalf weken praeven-tieve gevangenis-straf vrijgesproken, als zijnde haar
schuld niet bewezen. Nu de werkelijk schuldige moeder zich als de daderes in haar jongste ure heeft bekend gemaakt, nu diene deze ter algeheele rechtvaardiging van Johanna Burik, geboren Schoffels.quot;
Bij het huiswaartskeeren wandelden Anna Rooze en Oscar Van Breeland bij voorkeur tut aan het dorp.
En \'t was geen wonder dat ze een wijle sprakeloos voortgingen aan elkanders zij, terwijl de bijna volle maan het Runtsche kerk-pad, en aan weerszijden het rijpe koorn zoo vriendelijk bescheen.
335
ANNA ROOZE.
In gansch andere oogenblikken, in een gansch andere gemoedsstemming heeft Anna vroeger dit pad betreden.
Eensklaps drukt Oscar d«n arm nog vaster die in den zijnen rust. O, bij moet baar nog eens herhalen: dat haar heerlijk beeld hem voor den geest stond, van het oogenblik af aan dat hij haar voor \'t eerst op zijn weg mocht ontmoeten; dat hij haar misschien het meest beminde, toen hij zoo koel scheen en zij zoo diep door hem â¢werd gegriefd; ja, nóg eens moet hij haar zeggen, en zijn mannenwoord blijft haar borg voor de waarheid, dat sedert die eerste ontmoeting, geen wezenlijk geluk voor hem is denkbaar geweest zonder het bezit van haar, met wier liefde hij nu een hemel op aarde vindt.
âEn mijn Anna..;.?quot; fluistert Oscar als hij haar vastsluit aan \'t hart.
Maar Anna heeft geen eerewoord te verpanden zoo als hij; zi] heeft zelfs geen woorden in dezen stillen avond om hem te zeggen, dat ook zij het beeld van den dierbare, van dat eerste oogenblik af aan, ofschoon dikwijls met zelfverwijt, in haar borst heeft gedragen. Maar, als de maan daar blinkt in de dauwparels die aan de rijpe aren hangen, dan blinkt haar glans mede in een zeer klein voorwerp, dat Anna in haar vingeren houdt. :t Was kinderachtig misschien, zeer kinderachtig: maar immers dit blanke handschoen-knoepje heeft ze altijd, altijd bij zich gedragen. Zie, toen hij haar verliet voor de eerste maal, toen lag het bij haar voet in den spoorwagen. En, zij heeft het opgeraapt omdat het van zijn hand was gegleden, en ze heeft het bewaard, omdat ze â wat ook haar plicht mocht wezen â dit kleine stukje metaal als herinnering aan een onvergetelijk uur, toch wel bewaren mocht.
En opnieuw was het stil, want ze spraken niet; maar teedere kussen zeiden zooveel te meer; en de maan lachte vriendelijk aan den wolkenloozen hemel, en wiegde haar glans in de bruine en zwarte lokken van een edel en gelukkig paar.
Toen Alexander Van Wall en zijn Louise per coupé van De Renghorst naar Arnhem vertrokken, om van daar naar Rotterdam terug te keeren, lieten ze Emma gaarne nog eenigen tijd bij de Geerekes achter. Van Wall begreep wel â ja zeer goed, dat het blondje nog graag wat bij haar lieve vriendin bleef; en zeker, het zon ook doodjammer voor Haverkist II wezen, als hij dan alleen zijn wandelingen in De Renghorster en Runtsche bosschen moest doen, verstoken van het genot om het zwaantje tegen aanrandingen of aanvallen van slangen â die er heusch waren â of andere wilde dieren te beschermen.
âNeen, als het blondje van de vrije natuur wil genieten,quot; zegt Alexander: âen de natuur er niets tegen heeft, a la bonne heure, ik zal haar in niets contrarieeren, ja zelfs \'t blondje mijn laatsten cent niet weigeren als ik er haar mee plezieren kan.quot;
Toen de Rotterdamsche echtelieden, in \'t begin van \'t dorp een kleine woning voorbijreden, waar sedert een paar dagen de nieuwe
336
ANNA BOOZE.
vrachtrijder Burik woont, toen bogen ze beiden hun hoofd naar die zij, en wuifden met zakdoek en handen, want, voor de deur stond een knappe jonge vrouw, en ze hield een jongske van omstreeks twee jaren in de hoogte, en het kind maakte kushandjes en kraaide van pret.
âEven ophouden Lex! even maar!quot; riep Louise en tikte tegen de voorruit der coupé. Maar Hendrik hoorde het tikken niet, want in het dorp waren de straatsteenen wagenmoorders, en hij reed door.
,\'t Is ook beter mijn Goeje Zwartje,quot; zegt Van Wall: ,\'t had maar weer tranen gekost. Geereke en Van Breeland hebben groot gelijk dat zoo\'n jongske niet bij ons thuis behoort. Valsche posities kind. Valsche posities!quot;
âOch, maar zag je dan niet dat ie met me mee wou? Hij kraaide en stak zijn armpjes uit.... die lieve Janneman!quot;
âHij zag het paard voor de coupé, m\'u beste kind! â De schrandere combinaties van onze lieve Anna, en de sprekende gelijkenis van Janneman met Hanneke vooral, hebben het kind aan z\'n eigen moeder en z\'n waar adres terugbezorgd. Ik verzeker je Lou, dat bet zóó beter voor hém en voor ons zal wezen.... Zie zie, daar staat mama Le Village voor \'t raam, heelemaal in \'t souple-wit, met haar Nn. één op den arm. Doorlooper.de expositie! Ik hoorde van Jans Haverkist dat ze nergens meer komt, ja zelfs niet in de kerk, om de opvoeding van haar dochter geen oogenblik uit het oog te verliezen.quot;
âNu \'t is beter Lex, dat ze haar post wat te zwaar dan te licht acht. Mijnheer de echtgenoot nam immers den zijnen wat licht; en ...quot;
,\'t Verstand komt niet voor de jaren Zwartje. Op onzen lieven leeftijd handelt men in alles met wijsheid en verstand, nooit lichtvaardig en nooit met overdreven zorg....quot;
âZooveel is zeker Lex, dat, als de goede God onzen wensch nog eens verhoorde, ik dan evenmin mijn dierbaar schepseltje vertroetelen zou als het lichtvaardig...quot;
âAan de straatsteenen te vertrouwen....quot; valt Alexander in:,Ik kan me begrijpen hoe je krakelingen- of beschuit-juffrouw in de klem heeft gezeten.quot;
Louise begreep hem niet terstond. Van Wal zegt dat hij doelt op het vinden van Janneman. â Louise is er. â Ja, ook zij heeft zich later den angst van juffrouw Helderwegen kunnen verklaren, toen Anna haar op dien morgen zoo bepaald, ofschoon zonder voordacht had gevraagd: in hoeveel tijd zij haar Mulderspeetsche familie niet had bezocht, en in zichtbare verwarring met onnoodige aanroeping van God had verzekerd, dat het op haar woord van waarachtig drie â neen vijfjaar geleden was.
Immers, op dien dag na den storm heeft men alles vernomen. Nn juist twee jaar geleden is Leentje Helderwegen â de jongere zuster van vrouw Schoffels â in het dorp geweest om haar familie te bezoeken. Hanneke, die in vreeselijke angsten haar moeder-wording voelde naderen, heeft, ten einde raad, de tante deelgenoote gemaakt van haar droevig geheim. Tante Leene, mede vreezende VI. 2a
337
338 ANNA BOOZE.
dat Uannekes schande zwager Schoffels tot een misgrijp zou voeren, en evenzeer beducht dat haar zuster zich niet goed zou houden indien men haar met den toestand van haar kind bekend maakte, heeft Hanneke, en inderdaad met de beste bedoeling, vermaand o m zich onbekommerd te toonen: tante Leene zou haar verblijf zien te rekken; zij zou Hanneke bijstaan in den nood en, âmet Gods hulp zou er geen haan naar kraaien.quot;
En zoo is het geschied; en toen Hanneke bleek en ziek en ontdaan op zekeren middag is thuisgekomen, en naar bed moest omdat, zooals zuster Leene zei, \'t kind van den overmatigen groei de koorts had, waarvoor de tante uit Rotterdam Holloway-pillen zou zenden, toen is juffrouw Helderwegen nog dien zelfden namiddag, en âbij verkiezing te voetquot; naar Arnhem gegaan, om van daar per trein naar Rotterdam te vertrekken.
De groote haast van zuster Helderwegen heeft Schoffels noch zijne vrouw verwonderd, want Leene had hun een brief van haar man getoond, waarin hij haar dringend verzocht om spoedig terug te komen; een brief, dien zij echter reeds een paar dagen vroeger, toevallig van De Luchte naar het dorp gaande, en alzoo onderweg, van den besteller heeft ontvangen; door welke laatste omstandigheid zij dien brief juist heeft kunnen terughouden totdat âhet geval er toe leggen zou.quot;
Voor \'t uitgeleide heeft Leene bedankt: âwant ze wist wel dat Schoffels slecht van \'t werk kon, en zuster Schoffels moest bij Hanneke blijven. Ja zeker, volstrekt.quot;
Even voor haar heengaan, toen ze een oogenblik alleen met haar ongelukkige nicht in de kamer was, heeft de tante haar nog moed ingesproken: Hanneke moest zich maar over niets bekommeren; tante zou \'t jongske wel verzorgen, en â als hij \'tsoms niet mocht kroppen: dan zou ze wel maken dat hij in \'t bosch of ergens anders rustig onder de aarde kwam. Hanneke moet er maar nooit over spreken en nooit over denken. Zie, God moest ze danken dat alles zoo goed afgeloopen en zoo klaar was geredderd!
En, met de beste voornemens en bedoelingen is juffrouw Helderwegen haar tocht begonnen. Hannekes kindje heeft ze rustig op de plek in \'t bosch teruggevonden waar men het welbezorgd had achtergelaten.
\'t Was een heerlijke zomermiddag. Het knaapje had niets te lijden. Met een weinig koemelk gelaafd, heeft het heerlijk geslapen in de groote karbies, die de vrouw steeds zachtjes schommelend hield, en wier primitieve inhoud op een andere wijze door haar geborgen werd.
Och, juffrouw Helderwegen was zoodanig met de arme Hanneke en haar onnoozele jongske begaan! â Zie, als men in den trein er naar vroeg, dan zou ze zeggen: dat ze het wurm van een arme zuster had meegenomen, die te Zutfen in de kraam was gestorven; â Wel ja waarom niet, een leugentje om bestwil!
Wat Helderwegen betrof, altijd had hij hartzeer dat ze geen kin-ders kregen. Ja zeker, als ze hem maar aan z\'n goej e oor pakte â en vooral na zoo\'n achtdaagsche scheiding â dan zou hij \'t zich
ANNA BOOZE.
wel laten aanleunen, en wel aardigheid in \'t kleine wurmpje hebben ook, te meer: omdat je nou al kondt zien dat het als twee krakelingen op Hanneke leek, terwijl nooit een nicht zoo onmanierlijk veel op haar eigen moei heeft geleken als Hanneke op tante Heider-wegen â die vroeger op de school van juffrouw Marnix zelfs Rosa Lene genoemd werd, omdat ze, zonder zich eiges te flatteeren, zoo mooi als een roos was. Ja Helder wegen zou het wel goedvinden â ach ja. â¢. ten minste.. ..
Zoo lang het helder dag was, bleef ook alles voor juffrouw Hel-derwegens geest in een helder licht; doch, hoe meer de avond viel en zij met den spoorwagen haar woonplaats naderde, hoe meer ook vriend Helderwegen in zijn grijze kleeren, haar met een alles behalve vriendelijk gezicht voor den geest is getreden. Wie wist of Helderwegen â want luidruchtig was ie, en soms wat bar â wie wist of hij er geen burengerucht van zou maken! Wie wist of hij de groote âtrommelquot; niet zou slaan, en dan... . ach arme! och lieve heechie, wat zou er dan van Hanneke worden!
\'t Is niet zeker of juffrouw Helderwegen, bij het al donker en donkerder worden in den spoorwagen, nog om andere redenen berouw van haar daad heeft gekregen; maar zeker was het dat zij bij het naderen van de stad barer inwoning, en het oogenblik van terugkomst bij haar heer âgemaalquot; onder den sterken invloed eener reactie verkeerde, en zij â nu de zorg en angst voor Hanneke voorbij is â⢠beducht voor zich zelve is geworden, en voor de gevolgen van haar hulp en daad. Juffrouw Helderwegen begreep zoo langzamerhand: dat zij er eigenlijk al heel ongelukkig met dat bezoek aan de Mul-derspeetsche familie is ingeloopen! Zij is de arme Hanneke van dienst geweest; heeft haar voor vaders woede gevrijwaard; ja â maar als Helderwegen nu niet eens te spreken en uit zijn humeur was, ook omdat zij twee dagen later thuis kwam. Als zij eens â ze heeft dat nog nooit zoo bedacht â dingen heeft bestaan die tegen \'t recht en \'t gerecht waren. ..!
De bakkersvrouw is hoe langer hoe meer beangst geworden. Toen ze de roode lantaarnlichten zag, die men somwijlen voorbij vloog, heeft ze akelige denkbeelden gekregen.
Nadat men het laatste station voorbij was, en een paar kreetjes van dat wurm haar opnieuw tot de leugen der gestorven zuster verplichtte, aangezien een juffrouw, waarmee ze de tweede klassecoupé deelde, zeer belangstellend was, toen heeft dat wurm haar met een benauwdheid vervuld zooals ze die nooit te voren gekend had. Die vele lichtjes van verre en nabij op de breede Maas, ze zeiden haar dat het oogenblik naderde, waarin ze hare dwaze onvoorzichtigheid met schande zou boeten. Was dat wurm eigenlijk geen.... Ja, \'t was oneer en schande waar ze haar goeden man mee thuis zou komen. Schande van haar eigen familie. Neen, zij is werkelijk zwak en krankzinnig geweest. Als men zelve dan altijd eerbaar en kuisch is gebleven, waarom dan de handen in andermans
oneer te steken! Neen, neen! dat kind mee in huis brengen.......
o God, het kon en het mocht niet!
339
340 ANNA ROOZE.
En het âangstig geraasquot; der groote Maasstad heeft het snel gerezen voornemen der bakkersvrouw tot rijpheid gebracht. Na aankomst van den trein heeft ze zich in de richting van haar woning, met een kleinen omweg, naar de rijkelui\'s-buurt, de breedeBoomp-j e s gespoed. Op den hoek van het Doodestraatje gekomen â be-
Ãunstigd door de duisternis, die er ondanks het gaslicht heerschte â eeft ze het jongske zachtjes maar mot spoed op de stoep der hoekwoning neergelegd, terwijl ze zelve ijlings in het donkere en altijd stille pakhuizen-straatje is verdwenen. Toch heeft Rose Lène het wicht, dat ze eerst naar bescherming had toegedacht, niet wreedaardig overgelaten aan zijn hulpeloos lot. Neen, in de donkere straat, verborgen voor den blik van allen, die in De Boompjes de straat en tevens het kind zouden voorbij gaan, heeft ze gewacht en getuurd, â gewacht en getuurd totdat ze een zeeman de plek zag naderen waar ze Hannekes zoontje had neergelegd. Met scnier ingehouden adem heeft ze zich toen nog verder in het straatje teruggetrokken, maar toch gezien dat de man, na zich een oogenblik te hebben bedacht, al ras het pakje heeft opgenomen en er mee voort is gegaan, om eindelijk â Lene was hem omzichtig en zeer van verre gevolgd â een kof te beklimmen, waarbinnen hij met het kind natuurlijk uit haar oog is verdwenen.unstigd door de duisternis, die er ondanks het gaslicht heerschte â eeft ze het jongske zachtjes maar mot spoed op de stoep der hoekwoning neergelegd, terwijl ze zelve ijlings in het donkere en altijd stille pakhuizen-straatje is verdwenen. Toch heeft Rose Lène het wicht, dat ze eerst naar bescherming had toegedacht, niet wreedaardig overgelaten aan zijn hulpeloos lot. Neen, in de donkere straat, verborgen voor den blik van allen, die in De Boompjes de straat en tevens het kind zouden voorbij gaan, heeft ze gewacht en getuurd, â gewacht en getuurd totdat ze een zeeman de plek zag naderen waar ze Hannekes zoontje had neergelegd. Met scnier ingehouden adem heeft ze zich toen nog verder in het straatje teruggetrokken, maar toch gezien dat de man, na zich een oogenblik te hebben bedacht, al ras het pakje heeft opgenomen en er mee voort is gegaan, om eindelijk â Lene was hem omzichtig en zeer van verre gevolgd â een kof te beklimmen, waarbinnen hij met het kind natuurlijk uit haar oog is verdwenen.
âJa,quot; herneemt Van Wall, terwijl het lichte rijtuig de laatste huizen van het dorp voorbijsnelt, en hij zich gemakkelijk in den hoek van nicht Geerekes coupétje vleit: âJa Wies, jou krakelingen-juffrouw mag van geluk spreken dat er aan die zaak zoo\'n beetje een mouw is gepast, want anders had ze nog wel een harde beschuit kunnen knappen. Gelukkig dat onze trouwe barmhartige kofkapitein de beste maatregelen had genomen, eer hij Janneman meenam op reis âtot gezelschap aan boord voor moeder de vrouwquot;.
âDat gemeene mensch uit de Allemansgading zal er minder genadig afkomen Lex.quot;
âDaar heeft Oscar voor gezorgd, en \'t is een weldaad voor het dorp. Ze zal terecht staan als valsche getuige, en Breed zegt: dat de uitspraak zeker niet op een Vrijdag zal zijn.quot;
Twee jaren na het huwelijk van Hanneke Schoffels met Joost Burik had de woning van mevrouw de douairière Van Riddervoorst in de Maliebaan te Utrecht, nieuwe bewoners.
De waardige vrouw is in den vorigen herfst aan hare geliefden ontvallen.
Oscar schreide niet licht, maar hij heeft tranen gestort toen hg daar stond bij het lijk der beminde tante, die hem méér dan een moeder was geweest. Slechts ziin dierbare Anna, zijn onuitsprekelijk beminde vrouw, vermocht hem te troosten bij de droeve gedachte aan het smartelijk gemis.
ANNA ROOZE.
De woning heeft nieuwe bewoners, en \'t is gemakkelijk te raden wie het zijn. Slechts een enkele blik in de groote deftig en smaakvol gemeubileerde voorzaal geworden, geeft voldoende zekerheid.
Daar staan ze, de beide prachtige voltaires; daar staan ze ongescheiden bijeen: Victoria en Albert â Albert en Victoria, en ofschoon ze nog zoo frisch zijn als toen ze uit het magazijn kwamen, \'t is toch niet te verwonderen dat ze al meer dan eens een echtpaar hebben gedragen, even nauw, zoo niet nauwer aan elkaar verbonden, als de vorstelijke echtelieden, wier namen ze kregen, in liefde zijn verbonden geweest.
Maar in die stoelen zitten Anna en Oscar niet.
Ofschoon het geheele huis, alvorens het door de echtgenooten werd betrokken, opnieuw is behangen, geverfd en gemeubileerd, de huiskamer der oude dame is onveranderd gelaten.
En t is de lievelingskamer van de jonge mevrouw VanBreeland.
O, die naam is haar al zeer gewoon.
Zie daar zit ze; op de plaats waar de edele tante vroeger te zitten placht.
Is Anna in die twee jaren ouder geworden? Ja â neen.... Iets voller, iets kloeker misschien, maar----
âWel zeker, je bent veel mooier dan vroeger mijn Anna,quot; verzekert de echtgenoot: âmaar ook een heeleboel slechter. Moet je dan de raadgevingen van wijze menschen zoo in den wind slaan. Juffrouw Beele had je immers gezegd, onzen kleinen Ernst eerst een wollen doek over quot;t gezichtje en dan de sprei er overheen te doen, en â nu laat je hem met zijn bloote bakkesje in den tuin ronddragen. Foei kindlief, daar komt niets van terecht ...quot;
Anna glimlachte. Haar Oscar is het immers zeer met haar eens op de punten van recht en vrijheid, zelfs voor den jongen wereldburger, en op het stuk van voorloopige vertroeteling er bij.
âDe raadgevingen van juffrouw Beele knoop ik altemaal in mijn oor Oscar,quot; zegt Anna terwijl haar witte tanden zich even vertoo-nen: âmaar ik ben zoo vri) den knoop weer los te maken zoodra de goede ziel vertrokken is. Ik weet waarlijk niet wat ik had moeten beginnen als mijnheer Beele eens permissie had gegeven, en zij haar oude bakerliefhebberij ter eere van het: engeltje van haar lieve eerste bakerkind weer had opgevat.quot;
âHola! Zóóver zou het met zijn gekomen,quot; zegt Van Breeland, en streelt haar de wang.
Toen Anna van âin het oor knoopenquot; sprak, mag het duidelijk zijn geworden waarom zij vooral eenigszins veranderd scnijnt. Mevrouw Van Breeland heeft de haren niet meer a l\'enfant, maar volgens den smaak a la d\'Olby gekapt. Er mag iets kinderlijks, iets âniet te noemenquot; door die verandering zijn verdwenen, \'t is alsof de blankheid en de adeldom der trekken er nog meer door aan \'t licht zijn gekomen. Bovendien, liever en kleiner oortjes dan die, waar juffrouw Beeles raadgevingen werden in- maar ook weer losgeknoopt, zag Oscar nooit.
Jakob, de vroegere huisknecht van mevrouw Van Riddervoorst,
341
ANNA KOOZE.
komt binnen en overhandigt zijn heer een pas bezorgden brief.
âVan De Renghorst!quot; zegt Oscar terwijl hij het adres beziet, en breekt den brief open, en leest hardop;
âLieve Oscar en Anna!
,Tante ie zoo bijzonder wel dat zij nog besloten heeft Zaterdag met mij mee te gaan, ten einde Zondag de doopplechtigheid bij te wonen. Ik had niet gedacht dat mijn lieve vrouw op haar besluit zou zijn teruggekomen, want gij begrijpt dat de doop van uw zoontje, droevige herinneringen bij haar moet opwekken. Doch, de fijnge-voelde attentie om uw kind den naam van onzen geliefden Ernst te geven, heeft haar zoo getroffen, dat zij aan den drang van haar hart geen weerstand kan bieden, en zelfs bovenmate gelukkig zou zijn indien zij den lieven kleinen Ernst ten doop houden mocht.quot;
âAls de goede tante het maar niet te lang doet, dat ze hem in dien tijd al verwent!quot; zegt Van Breeland, en leest dan verder:
âWij hopen te komen Zaterdag met den middagtrein. Nieuws is hier niet veel. De familie op De Runt is er zeer tevreden. Toch vrees ik dat de meisjes tegen den winter, evenals \'t vorige jaar, wel weer naar Den Haag zullen verlangen, en â \'t is niet geheel onnatuurlijk. -â Uwe mama heeft eindelijk Hanneke Burik geb. Schoffels eens opgezocht. Ik geloof dat dit het gevolg was van een godsdienstige soiree die zij verleden voorjaar in Den Haag bijwoonde, en waar onze philanthroop Heldering de dames zeer juist aan het verstand had gebracht: dat het een vreemde verhouding geeft te dwepen met een Magdalena uit de Schrift, ja zelfs haar beeltenis op te hangen in salon of boudoir, om terzelfder tijd een Magdalena van den huidigen dag. den rug toe te draaien. Hoe \'t zij, mama is er geweest. Hanneke en Joost en de kinderen zijn heel welvarend.
âOnze Willem schikt zich naar omstandigheden. Hij is er meer overheen dat hij in dezen tijd met zijn denkbeelden geen beroep kon krijgen. Hij zegt te hopen op de kracht der waarheid, en op den tact der moderne predikanten. Intusschen kan hij er nu mefc onze ontginningen naar hartelust op inhakken, \'t Is een beste en knappe vent; ik heb ontzettend veel aan hem. Voor zijn zwaantje is hij als een lam; en wat zij voor hém is, hij heeft geen woorden, genoeg om het te roemen.
âSedert onze goede Molenwiek ons ontviel â waarover, naar ik, vernam, mijnheer Romslikker een paar dagen zeer treurig is geweest â hebben wij aan Jans Haverkist een méér dan waardige plaatsvervangster; minder in \'t belang van de keuken dan in dat van \'t gezelschap.
Met genoegen hebben wij vernomen dat Sophie Haverkist bij de Van Walls, die zoo over en over gelukkig met hun jongske zijn, zeer op haar dreef komt. Kaatje Haverkist, die al zesmaal âhet najaar niet dacht te halenquot;, moet gisteren door den secretaris Muller ten huwelijk zijn gevraagd; hij heeft een sigarenzaak er bij begonnen, waar onze tuinman hem een goed kanaal voor bezorgd
342
ANNA ROOZE. 343
had. â Neef Jasper ziut op een model van kermis-medailles. Hij zegt dat er hier in \'t najaar bepaald een teutoonatelling zal zijn. â Een brief van oom als van een oude baker zult ge zeggen. Maar, buiten heeft men weinig belangrijks, en ofschoon wij elkander spoedig hopen te zien, ik weet dat mijn lieve kind in alles belang stelt wat Mulderspeet en haar vrienden betreft.
Groet uw tante Lijning vriendelijk van ons. Zoent mijn dierbaar kleinkind voorloopig op zijn lief gezichtje, en gelooft mij als altijd
Uw ü hartelijk liefhebbende oom:
W. GEEKEKE V. TJLAND.quot;
âDe Renghorst 19 Juni 1862.quot;
,Goede berichten allemaal!quot; besluit Oscar.
En tantes oude pendule slaat drie. En Anna zoent haar teerbeminden vriend met innige liefde. Ze wil hem nu niet langer van zijn bezigheden terughouden, want hij heeft nog een rustig uur, en, juist is hij met zijn werk over de Praeventieve Gevangenis gekomen tot de vierde beschouwing, waarvan het opschrift luidt:
âEen voorzichtig oordeel.quot;
.
â â â \' â â â
..
â
\'
. .
â
-
.
... . I
quot; \' . \'j : â¢; â
-----------------