-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

DE BEELDSTORMERS VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

i 1.\'

-ocr page 4-

De gezamenlijke Novellen en Vertellingen van H. A. Banning verschijnen in drie seriën van vijf of zes deelen.

DE TWEEDE SERIE ZAL BEVATTEN :

1. CÉCILE. Eeuige bladzijden uit het boek der revolutie.

2 en 3. MIE EEUWEN GELEDEN. Passiebloemen in Kennemerland geplukt. 2 deelen.

4. DE BEELDSTORMER EN ZIJNE DOCHTER.

5. DE BEELDSTORMERS VAN \'s-HERTOGENBOSCH.

-ocr page 5-

yJHt- m. m - èi

DE BEELDSTORMERS

VAX

\'S-HERTOGENBOSCH,

Geschiedkniulige novelle uit het jaar 0. H. 1566.

\'00R

NIN G.

u T R c C ^ •: , i

CöUL.

\'s-HERTOGENBOSCH, Maatschappij de Katholieke Illustratie. 1S86.

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

2188 1598

-ocr page 6-
-ocr page 7-

I.

Requiem ceternam dort a ei, Dominë; et lux perpetuu luceaf ei.

Requiesccd in pace.

Amen.

Nadat de priester aan het slot van zijn gebed deze woorden gesproken had, doopte hij een palmtak in gewijd water, en besproeide daarmede het lijk eener vrouw, dat in de doodkist lag, die op hooge schragen midden in het vertrek stond.

De overledene moest tot een aanzienlijke familie be-hooren, dat kon men duidelijk zien aan haar deftig

-ocr page 8-

DE BEELDSTORMERS

doodsgewaad en aan de kostbare kist, haar laatste verblijfplaats.

Aan het boveneinde der kist lag een meisje van nauwelijks twintig jaren op den grond geknield, het hoofd voorovergebogen, kennelijk in een diep gebed verzonken. Hare eerbiedige houding was zeer in strijd met het voorkomen van den man van middelbaren leeftijd, die gedurende het gebed onverschillig op eenigen afstand gestaan had en wiens mond zich tot een val-schen glimlach plooide, toen de priester het gewijde water sprenkelde met het teeken des kruises. Aan laatstgenoemde, een hoog bejaarde grijsaard, moet dat niet ontgaan zijn, want men kon op zijn voorhoofd en in zijne oogen verontwaardiging lezen, die ook uit zijne stem sprak , toen hij zeide:

»Alvorens van hier te gaan, heer advocaat, heb ik een plicht te vervullen, welke als zielzorger der overledene op mij rust. Uwe vrouw heeft mij in haar laatste uur verzocht met u , voordat haar stoffelijk overschot dit huis zou verlaten, te spreken over eene aangelegenheid van zeer ernstigen aard , die ....quot;

«Het komt mij voor, heer pastoor,quot; viel de advocaat vrij haastig in, »dat door dergelijk gesprek in het bijzijn mijner nicht de bescheidenheid uit het oog verloren wordt.»

»Ik begrijp u,quot; hernam de prister, »en zou u voorzeker geen gelegenheid voor soortgelijke opmer-

6

i

-ocr page 9-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

king gegeven hebben, indien niet juist de tegenwoordigheid van Agnes daarbij werd vereischt.quot;

«En is u ook voorgeschreven, dat het bedoelde onderhoud in deze kamer moest plaats hebben ?quot; vroeg de man, terwijl hij de vingers van zijn rechterhand door zijn spitsen kinbaard liet spelen.

«Zooals gij zegt,\'\' klonk het antwoord. «Ik moet u evenwel de opmerking maken, dat hier geen spraak is van eenig voorschrift; de brave overledene heeft slechts zoodanigen wensch uitgedrukt, doch ik twijfel geenszins, of haar verlangen zal door haar echtgenoot niet minder geëerbiedigd worden, dan door haar biechtvader.quot;

De advocaat beet zich op de lippen.

»Ik ben tot uw dienst, heer pastoor,quot; sprak hij, «doch moet u verzoeken zoo kort mogelijk te zijn, want mijn tijd is kostbaar.quot;

«Elk uur van \'s menschen leven is een schat, hem door God geschonken, waarmede hij kan woekeren voor het heil zijner ziel,quot; hernam de priester, «doch het uur des doods is wel het kostbaarste, dewijl alsdan de rekening met het tijdelijke moet worden afgesloten en wij rekenschap moeten geven van ons rentmeesterschap. Het was in dit gewichtig uur, dat uwe vrouw zich meer dan ooit bekommerd gevoelde over de toekomst van uw beider nicht, die hier haar intrek heeft genomen sinds zij ouderloos werd.quot;

7

-ocr page 10-

DE BEELDSTORMERS

»Die zorg was overdreven,quot; sprak de advocaat hooghartig; »ik heb als voogd altijd de belangen van Agnes met nauwgezetheid behartigd en zal dat blijven doen, zooals een man van eer betaamt.quot;

»Er is een grootere schat dan geld en goed, heer licentiaat,quot; vervolgde de priester; »dat heeft de waardige overledene zeer goed begrepen, toen zij Agnes van kindsbeen af de deugden leerde beoefenen, die haar aangenaam konden maken in de oogen van God, toen zij door woord en voorbeeld aantoonde, dat de hoogste plicht van den Christen hierin bestaat: de geboden Gods te onderhouden en zijn leven te schikken naar de leer van Christus. Het mag u niet verwonderen, dat zij zich bezorgd gevoelde voor den kostbaren schat des geloofs, nu zij hem niet langer kon bewaken. Daarom heeft zij mij verzocht, u bij haar lijk dézen brief te overhandigen, door haar in het begin harer laatste ziekte geschreven.quot;

De priester haalde een gesloten brief te voorschijn. De advocaat brak hem open en ging wat dichter bij het venster staan, als kon hij daar beter zien, doch veeleer om een afleiding aan zijne gemoedsbeweging te geven. Zijn gelaat was strak en somber, nu en dan scheen \'t dat het geschokt werd , en eens zelfs verschoot zijn kleur merkbaar; doch toen de lezing geëindigd was, stak hij den brief in zijn zak en zeide met veel zelfbeheersching :

8

-ocr page 11-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

»De inhoud is u waarschijnlijk bekend , heer pastoor.quot;

»De inhoud niet, maar wel de beweegreden, die de overledene tot het schrijven genoopt heeftantwoordde de geestelijke. «De vrouw, die gedurende haar leven zooveel liefde en geloof bezat, die van zoovele zelfverloochening blijk gaf, heeft vóór haar vertrek van hier nog eens willen spreken tot hem, met wien zij in dit leven verbonden is geweest. Die brief is haar laatste beroep op hare rechten als de voedstermoeder van haar nicht. Aan het sterfbed harer zuster heeft zij beloofd te zullen waken, dat Agnes in de vreeze des Heeren werd opgevoed en...

»Welnu,quot; zoo viel de advocaat den priester in de rede, »zij heeft gewaakt tot aan haar einde toe en kon dus gerust sterven, dewijl zij zich in dit opzicht niets te verwijten had.quot;

»Om gerust te kunnen sterven behoeft men, naast de hoop op Gods barmhartigheid, nog iets anders dan het besef van naar vermogen zijn plicht betracht te hebben,quot; hernam de pastoor. «Geen rechtgeaarde moeder zal uit dit leven scheiden zonder bezorgdheid over het lot harer kinderen, die door haar dood den steun gaan missen, welke zij zoo zeer behoeven. En ik moet u onbewimpeld zeggen, heer Agylaeus, dat de waardige overledene maar al te veel reden had, om bezorgd te zijn voor de toekomst van haar pleegkind. Zij kende, helaas, uwe afdwalingen en uwe

9

-ocr page 12-

DE BEELDSTORMERS

pogingen, om Agnes onverschilligheid voor den godsdienst in te boezemen; zij kende uw voornemen om haar uit te huwelijken aan iemand, dien zij veracht, omdat hij van het pad der deugd afgeweken is en samenspant met de goddeloozen, die Gods geboden en het gezag der Kerk met voeten treden.quot;

«Weet gij wel, heer pastoor,quot; sprak de advocaat, terwijl toorn zijn gelaat kleurde, »dat het niet welvoeglijk is, in mijn huis, in het bijzijn van mijn pupil, met zooveel minachting over mijne vrienden te spreken?quot;

«Het zou zondige zwakheid, geen welvoeglijkheid zijn, wanneer ik als priester mijn stem niet vermef tegen de aanslagen van hen, die vijanden van onzen godsdienst en, helaas, uwe vrienden zijn,quot; hernam de pastoor. »Ik heb in dit huis nog plichten te vervullen, mij door God en den laatsten wil der overledene opgelegd, en ik zal niet vertrekken alvorens mij daarvan te hebben gekweten. Wat uwe vrouw in den brief heeft geschreven is mij onbekend , doch zij maakte zich .in haar laatste uur zeer ongerust omtrent uwe plannen voor de toekomst van Agnes. Zij deelde mij mede, dat gij en uwe vrienden pogingen in het werk stelden, om haar geloof aan het wankelen te brengen , en dat gij uwe toestemming weigerdet tot een huwelijk tusschen haar en den hopman De Gruyter, een jonkman van onbevlekte zeden en in stand met u

10

-ocr page 13-

VAN \'s-HERTOGENBOSCH.

gelijk. Het was haar verlangen, dat ik u hierover in het bijzijn van haar lijk zou onderhouden.quot;\'

»Ik geef niemand het recht zich tusschen mij en mijn pupil te plaatsensprak de advocaat driftig.

Op dat oogenblik wierp de zon haar laatste stralen door het boogvenster, dat met gekleurde glasruiten prijkte; die stralen vielen ook in de doodkist en het bleeke gelaat van het lijk werd met een buitengewonen gloed overtogen.

De priester wees met den vinger naar het lijk en zeide met verheffing van stem: »Is het niet of de vrouw, die daar ligt, verontwaardigd is over uwe woorden, over het verbreken van een plechtig afgelegde belofte?quot;

Men kon duidelijk zien dat Agylaeus huiverde, toen zijn oog op het lijk viel.

«Het is mij bekend,quot; zoo vervolgde de priester, »dat gij de overledene op haar ziekbed beloofd hebt, Agnes na haar dood ongemoeid te laten in hare godsdienstige overtuiging, in de uitoefening harer godsdienstplichten , en het is ten gevolge van haar verlangen, dat ik u verzoek die belofte hier in het bijzijn van hare pleegdochter te herhalen.quot;

Agylaeus trachtte zijn wrevel onder een gedwongen glimlach te verbergen. »Als een voogd het recht betwist wordt om over zijne pupil te waken, hoe kan dan een priester zich bevoegd achten tusschen haar

II

-ocr page 14-

1)E BEELUSTORMliRS

en haar geweten te treden?quot; sprak hij. »Over mijne weigering tot een echtverbintenis van Agnes met den hopman De Gruyter heb ik, als oom en voogd, niemand rekenschap te geven; doch zij wordt niet bemoeielijkt in hare godsdienstige overtuiging, zij is in dat opzicht geheel vrij, want ik haat allen gewetensdwang, ik strijd voor de vrijheid van geweten, voor de emancipatie van den menschelijken geest op kerkelijk gebied. Stond Agnes onder de hoede van een priester, dan zou er zeker gevaar zijn voor dwang; bij iemand als ik, die voor vrijheid van geweten ijvert, kan daarvan echter geen spraak zijn.quot;

Reeds bij de eerste woorden, die Agylaeus sprak, was Agnes opgestaan; haar gelaat was bleek, maar hare oogen fonkelden van verontwaardiging.

»Oom misleidt u, zooals hij mijn brave pleegmoeder misleid heeft,quot; sprak zij tot den priester, nog alvorens deze eenig antwoord kon geven op de ongepaste woorden van den advocaat.

»Hoe ! gij durft u verstouten zulke taal tegen mij te voeren?quot; riep de advocaat, terwijl hij van woede met zijn voet op den grond stampte.

«Ik ben u altijd gehoorzaam en onderdanig geweest,quot; hernam het meisje , »maar men heeft mij geleerd, dat ik God meer moet gehoorzamen dan de menschen, en nu mijne brave pleegmoeder mij niet meer in bescherming kan nemen, zie ik mij wel genoodzaakt mijn

12

-ocr page 15-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

zielzorger te zeggen, dat mij hier geweld wordt aangedaan.quot;\'

«Verlaat onmiddellijk dit vertrek riep Agylaeus buiten zich zeiven, »of ik zal u toonen op welke wijze ik mijne rechten als voogd kan doen gelden, ook zonder geweld te bezigen.quot;

«Niet voordat de pastoor alles weet,quot; antwoordde het meisje, dat blijkbaar in zeer opgewonden toestand verkeerde, «Gij hebt het aanzoek van den hopman De Gruyter, dat door mijne moei ondersteund werd, afgeslagen , oom , om uwe plannen te kunnen doorzetten met een jonkman, dien ik evenzeer veracht om zijne lichtzinnige manieren, als om zijn afkeer van alles wat godsdienst heet; gij hebt mij in den laasten tijd gedwongen naar de goddelooze taal te luisteren van een predikant der nieuwgezinden . die met de mysteriën van onzen godsdienst en met Gods lieve heiligen den spot drijft, en die hier samenkomsten houdt met allerlei slag van lieden, wier woorden en handelingen mij afschuw inboezemen en wier bijzijn ik toch moet gedoogen.quot;

«En gij durft u nog beroepen op uwe plichtvervulling als voogd, op de vrijheid die uwe nicht hier geniet!quot; sprak de priester tot den advocaat.

«Niemand zal mij beletten mijne vrienden in mijn eigen huis te ontvangen en met hen te spreken over gemeenschappelijke belangen,quot; antwoordde Agylaeus.

«Helaas, ja,quot; hernam de pastoor, »de vijanden van

13

-ocr page 16-

u

Christus en Zijne bruid, de heilige Kerk, zijn uwe vrienden, ik wist dit reeds lang; daarom heb ik mij ook weinig goeds voorspeld van dit onderhoud en zal genoodzaakt zijn maatregelen te nemen in het belang uwer pupil, in geval gij nog langer haar geweten geweld aandoet.quot;

»Maatregelen?quot; riep Agylaeus driest. «Gij schijnt weinig kennis van onze wetten te bezitten, heer pastoor, daar gij nog niet eens weet hoe onbeperkt de rechten van een voogd zijn.\'

Zonder eenig antwoord te geven , wendde de priester zich tot Agnes en zeide:

»Verwijder u thans, mijn kind, ik moet met uw oom en voogd over aangelegenheden spreken, waarbij hij waarschijnlijk liever geen getuigen zal zien.\'

Het meisje knielde voor den priester neder en ver-verzocht om zijn zegen. Toen hij aan haar verzoek voldaan had , sprak hij:

»Schep moed , mijn dochter , ik voorzie dat u zware beproevingen te beurt zullen vallen, doch vergeet nimmer, dat God de beschermer der weezen is en dat zij, wier stoffelijk overschot morgen ter aarde za\', worden besteld, thans in den hemel voor u bidt, zooals zij gedurende haar leven gedaan heeft.

Het meisje had de kamer verlaten en Agylaeus stond in een uitdagende houding, met de armen over-elkander geslagen, voor den priester.

-ocr page 17-

VAIN \'S-HERTOGENBOSCH.

«Gij hebt mij zoo even willen herinneren aan onze wetten en de rechten , welke een voogd bezit, heer advocaat,quot; sprak laatstgenoemde, »mag ik u thans ook eens herinneren aan een wet, krachtens welke het burgerrecht en ook de voogdijschap ontnomen kan worden aan hen . die bannelingen en samenzweerders in hun huis opnemen?quot;

»Gij vergist u, heer pastoor, wanneer gij meent mij schrik te kunnen aanjagen met de dwaasheden, welke Agnes zoo even heeft uitgekraamd antwoordde Agylaeus.

»Het was om u te waarschuwen, niet om u schrik aan te jagen , dat ik aan zekere wet herinnerde ,quot; sprak de priester; »het waren geen dwaasheden, maar betreurenswaardige feilen die Agnes mededeelde, en daar het blijkt, dat gij geen waarde meer hecht aan plechtig afgelegde beloften , kom ik u thans het voorstel doen , Agnes vrijwillig aan mijne zorgen toe te vertrouwen.quot;

«Nooit!quot; riep Agylaeus. » Gij brengt beschuldigingen tegen mij uit, welnu, ik wacht u voor de rechtbank ; men kan mij niets ten laste leggen.quot;

«Ook niet, wanneer duidelijk te bewijzen is, dat gij in verstandhouding zijt met\'de vijanden van den Staat?quot; vroeg de priester.

» Wat bedoelt ge , heer pastoor?quot; vroeg de advocaat, eenigszins onthutst.

»Ik heb het oog op samenkomsten met rustverstoor-

-ocr page 18-

DE BEELDSTORM ERS

ders en op zekere geheime briefwisseling, waaruit kan worden bewezen, dat de advocaat Agyleus niet vreemd is aan een samenzwering , die zelfs vertakkingen in het buitenland heeft,quot; sprak de pastoor langzaam en met nadruk.

Agylaeus werd bleek als een lijk en was zoo ontsteld , dat hij de hand aan de doodkist sloeg om zich staande te houden.

»Niet ik , maar uw eigen geweten jaagt u schrik aan, heer advocaat,quot; vervolgde de priester. »Gij klemt u vast aan het lijk uwer vrouw; haddet gij vroeger steun gezocht in hare beginselen, in haar voorbeeld, ge zoudt nu niet zoo diep ongelukkig zijn.quot;

Agylaeus stelde alles in het werk om zich te beheer-schen, doch scheen nog geen antwoord te kunnen vinden.

«Gij ziet dat mij bijzonderheden bekend zijn, die elk oogenblik uwe vrijheid in gevaar kunnen brengen, heer advocaat,quot; vervolgde de priester. »Ontkennen zou u niet baten, en zoo gij bewijzen verlangt, wil ik die overleggen, doch alleen in handen van de bevoegde overheid.quot;

Agylaeus knarste van woede op de tanden. »Zlj heeft mij verraden 1quot; riep hij, een blik op het lijk werpende, dat nog slechts flauw verlicht werd door het bleeke schijnsel der lange kaarsen, die rondom, de kist op hooge kandelaren stonden , want de avond begon reeds te vallen.

16

-ocr page 19-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

»Zij u verraden, zij, die met een bede voor uw zieleheil op de lippen de eeuwigheid inging !quot; sprak de priester met waardigheid. «Besmet de nagedachtenis niet van de brave vrouw, die haar leven voor u zou hebben gegeven en die bezweken is onder het leed, dat gij haar hebt aangedaan, \'t Is ter wille van haar en om aan haar vurig verlangen te voldoen, dat ik gezwegen heb, doch slechts onder ééne voorwaarde.quot;

»En welke is die voorwaarde?quot; vroeg Agylaeus haastig.

«Gij kent die reeds,quot; antwoordde de pastoor, «uw pupil moet dit huis verlaten en ik ontvang van u een schriftelijk bewijs, dat gij daarin vrijwillig hebt toegestemd.quot;

«En wat waarborgt mij, dat gij uw woord zult houden?quot;

«Een priester breekt nooit zijn woord,quot; antwoordde de pastoor fier.

«Welnu,quot; hernam Agylaeus na eenige aarzeling, »Agnes zal morgen dit huis verlaten, en ik zal u het verlangde bewijs ter hand stellen.quot;

«Dan zou ik mijn taak als afgeloopen kunnen beschouwen,quot; hernam de pastoor, «wanneer niet als priester de verplichting op mij rustte, u nogmaals voor oogen te houden, hoe ver gij van den waren weg zijt afgedwaald door het verkeer met menschen, wier hoogmoed en verdorvenheid des harten in opstand

II 5 %

17

-ocr page 20-

DE BEELDSTORMERS

zijn tegen Christus en Zijne leer. Ik heb u gekend, Agylaeus. als een onschuldig jongeling, als een trouw zoon van onze Moeder de heilige Kerk, als een onberispelijk echtgenoot, en thans?\'

»Ik ben een man geworden, ik heb de dwaasheden , die gij kinderlijk geloof noemt, aan het gezond verstand getoetst, ik ben door het vrije onderzoek tot de kennis van het ware evangelie gekomen, dat door het bijgeloof der laatste eeuwen verloren is gegaan,quot; antwoordde Agylaeus verwaand.

» De vreeze Gods is meer dan alle kennis en mensche-lijke wijsheid,quot; hernam depriester. »De wetenschappen, zegt de H. Schrift, zijn ijdel en nutteloos voor den mensch, wanneer hij zich niet beijvert God te kennen en te beminnen, en hoever is uw hart niel van God geweken door het navolgen van menschelijke begrippen? In het laatste oordeel zal ons niet gevraagd worden, wat wij gelezen, maar wat wij gedaan hebben. Christus is de waarheid, van Hem gaat alle waarheid uit, en gij hebt gehoor gegeven aan de inblazingen van menschen, die Christus verloochenen en hunne eigen begrippen stellen in de plaats van de onfeilbare leer der Kerk.quot;

.» De nieuwgezinden verloochenen Christus niet, maar trachten Zijne leer te herstellen in haar oorspronkelijken eenvoud, die verloren is gegaan sinds de Pausen leerstellingen hebben ingevoerd , in strijd met de Schriftuur.

18

-ocr page 21-

VAN S-HERTOGENBOSCH.

Gij schijnt omtrent de leer der nieuwgezinden niet goed ingelicht te zijn. heer pastoor.quot;

«Arme dwaas, die in de woelingen uwer hartstochten en de afdwalingen uwer rede steun zoekt bij valsche leeraars, zooals de Kerk ze in alle eeuwen gekend heeft en die allen met elkander in tegenspraak zijn!quot; sprak de priester. »Gij zegt, dat zij Christus niet verloochenen , en is het nu niet reeds vele jaren geleden, dat de nieuwgezinden hier op het kerkhof het beeld van Christus de armen afgehouwen en schandelijk verminkt hebben? Welke verontschuldigingen zoudt gij als advocaat inbrengen tegen een onverlaat, die het beeld des konings moedwillig geschonden had ? en wat is een koning in vergelijking van den Koning der koningen, onzen Heer en Heiland?quot;

»Er staat toch geschreven: gij zult geen gesneden beelden maken, noch die aanbidden, heer pastoor,quot; sprak Agylaeus, blijkbaar fier op zijne kennis; »men heeft die daad gepleegd om de afgoderij te bestraffen.quot;

»Men bedrijft afgoderij, door een schepsel de eer te geven, die aan God toekomt,quot; hernam de priester, »en zooals gij weet, heeft de Kerk uitdrukkelijk verboden te gelooven, dat er in de beelden iets goddelijks of eenige kracht is. Zij, die beweren dat wij de beelden aanbidden, misleiden het volk, om hunne goddelooze oogmerken te bereiken. Juliaan de afvallige wist dit reeds, toen hij de geschilderde beelden der Apostelen

19

-ocr page 22-

DE BEELDSTORMERS

Petrus en Paulus liet wegruimen en zijn eigen beeld daarvoor in de plaats stelde. Zoo handelen ook in onzen tijd zij, die Christus verloochenen: zij vertrappen het kruis, omdat zij de wellusten, hun hoogmoed en eigenwaan meer beminnen en daar hun God van maken.quot;

De advocaat scheen nog tegenwerpingen te willen maken, toen aan de deur geklopt werd. Er kwam een man binnen, die hem eenige woorden in het oor fluisterde, welke een aangenamen indruk op hem schenen te maken, want zijn mond plooide zich tot een glimlach.

»Ik ben slechts een leek, heer pastoor,quot; sprak hij, zich opnieuw tot den pastoor wendende, »en kan met u moeilijk over dergelijke vraagstukken disputeeren, welke overigens reeds door mijne overtuiging opgelost zijn, maar zoo even is iemand hier gekomen , die zich beter met u kan meten en daarvan ook zeker niet afkeerig zal zijn.\'

» Wie is hij ?quot;

«Voor het oogenblik wenscht hij onbekend te blijven,quot; klonk het antwoord.

«En ik wensch verschoond te blijven van een onderhoud, dat, zooals de ondervinding mij heeft geleerd, onvruchtbaar wordt gemaakt door spitsvondigheid en kwade trouw,\'\' zeide de priester , terwijl hij zijn hoed opnam om te vertrekken.

«Als het zoo gemakkelijk is de waarheid te leeren kennen,quot; sprak de advocaat op bijtenden toon, «waarom

20

-ocr page 23-

VAN \'S-HËRTOGENBOSCH.

onttrekt gij u dan aan een gesprek, dat haar aan het licht kan brengen?quot;\'

wüa waarheid is integendeel zeer moeielijk te vinden, heer advocaat,quot; antwoordde de priester, «wanneer men niet met zelfverloochening aanvangt, maar in zijn hoogmoed waant de wijshjlid uit. zich zeiven te bezitten. Men moet eerst God zoeken, want zonder Hem kan niemand iets wèl verstaan , en God deelt zich ook niet mede aan trotsche en laatdunkende gemoederen. Ik deins echter niet voor een gesprek over de eeuwige waarheden terug, zooals gij schijnt te meenen,-heer advocaat, en stel mij, om valsche gevolgtrekkigen te voorkomen, tot uwe beschikking.quot;

Agylaeus geleidde nu den pastoor naar eene kamer , waarin reeds licht ontstoken was. Zij vonden daar een klein , onaanzienlijk man , met gladgeschoren en verflenst gelaat en in reisgewaad gekleed.

«Een mijner vrienden uit Antwerpen!quot; Met die woorden werd hij aan den pastoor voorgespeld, die hem eerst goed in de oogen zag en toen verbaasd een schrede terug deed.

«Herman de Struicker.... ongelukkige, gij hier?quot; riep hij.

«Gij vergist u,quot; sprak de advocaat, doch ziende, dat de vreemdeling de vingers op den mond legde, liet hij het daarbij.

«Ik vergis mij niet, beer Agylaeus,quot; hernam de

21

-ocr page 24-

DE BEELDSTORMERS

priester, »ik ken dien afvallige maar al te goed; hij is zijn klooster ontloopen en heeft zijn priesterlijk kleed door allerlei ongebondenheden bezoedeld. Ik zou meenen mij te onteeren, wanneer ik met hem een dispuut aanging.quot;

De vreemdeling was aanvankelijk eenigszins onthutst, doch hij wist zich spoedig te beheerschen.

«Die den geest niet bezit, verkeert in dwaling en blijft ronddolen,quot; sprak hij op femelenden toon,»daarom is het zeer natuurlijk, dat gij meer waarde hecht aan de bijgeloovigheden van het pausdom, dan aan de zuivere leer van het evangelie.quot;

»Gij noemt dien man een uwer vrienden, heer advocaat,quot; hernam de priester, zonder naar het scheen, acht te geven op de woorden van den vreemdeling; «weet gij echter wel, dat hij wegens schelmerij en oproerigheid uit verschillende landen en steden gebannen is?quot;

«Dat lot deelen allen met mij, die hunne stemmen verheffen tegen de afgoderij van Rome en de superstitiën van het pausdom,quot; sprak de vreemdeling. «Werden ook de eerste geloofsverkondigers niet verbannen en vervolgd, omdat zij den afgodendienst bestreden?quot;

De priester stond nog altijd met den rug naar den vreemdeling gekeerd.

«Ik zou wel eenig antwoord van u willen vernemen , heer pastoor,quot; zeide Agylaeus.

22

-ocr page 25-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

»Ik zal dien man niet antwoorden, maar hem in uw bijzijn slechts een paar vragen doensprak de priester.

En zich omkeerende, vervolgde hij: »Is het niet waar, dat gij uw priesterlijken eed geschonden hebt en nu met eene vrouw samenwoont?quot;

«Het huwelijk is niet in strijd met de verordeningen Gods, want Hij heeft gezegd: het is niet goed dat de mensch alleen zij; het gedwongen celibaat is een verkrachting vanquot; de heiligheid van het huwelijk, een van de verfoeilijke instellingen, door Rome uitgevonden.quot;

»En durft gij dan, afgezien van uw meineed, het samenwonen met meer dan ééne vrouw ook een Christelijk huwelijk noemen?quot; vroeg de pastoor.

De vreemdeling scheen op deze vraag niet voorbereid te zijn.

»In zulk een zondige gemeenschap heeft de man geleefd, die hier voor u staat, heer advocaat,quot; vervolgde de pastoor.

Er vertoonde zich een schijnheilige trek om den mond van den vreemdeling, toen hij zeide:

»De geest blaast waar hij wil, al kunnen de kinderen der duisternis dit niet bevroeden. Het evangelie heeft noch herroepen, noch ,verboden wat bij de wet van Mozes in betrekking tot het huwelijk was toegelaten. Zoo verklaren^Luther en Melanchton in hunne dispensatie, waarbij den landgraaf van Hessen werd

23

-ocr page 26-

DE BEELDSTORMERS

toegestaan meer dan ééne wettige vrouw te bezitten.quot;

»\'tls genoeg,quot; sprak de priester, zich met walging van den apostaat afwendende. «Gij ziet, heer advocaat, waarheen de emancipatie van den menschelijken geest voert en wie zij zijn, die gij uwe vrienden en bond-genooten noemt. Moge het u tot nadenken brengen, wanneer ik er nog bijvoeg , dat zij, met wie deze man zich heeft verbonden, de wettige vrouw is van iemand , die nog leeft en in Italië woont.quot;

Zonder verder een woord te spreken, verliet hij de kamer en het huis.

«De pastoor schijnt u te kennen,quot; zeide Agylaeus, na eenige oogenblikken, met een spotlach om den mond ; »hij noemde u echter Herman de Struicker, wat moet ik daarvan denken?quot;

De vreemdeling legde de armen kruisgewijze over de borst, sloeg de oogen ten hemel en sprak:

«De mond van den goddelooze is vol boosheid en zijn tong vol bedrieglijkheid; der wijzen woorden worden gehoord in stilte, meer dan het geroep van een prins der zotten. Ik zou hem met den profeet Isaïas kunnen vragen: Wat doet gij hier of wie zijt gij ? Wie hebt gij beschimpt, wie hebt gij geblasphemeerd en tot wie hebt gij uwe stem verheven ? Tot de heiligen van Israël. Wij, dienaren des Woords, hebben stéenen gedragen tegen Babyion en zijne afgodendienaars, toen de geest des Heeren over ons gekomen was, en wie

u

-ocr page 27-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

steenen draagt, zegt de H. Schriftuur , die zal daarmede moeite hebben, en wie hout klooft, zal daaraf gekwetst worden. In de verdrukking zal echter het zaad opschieten. Glorificeeren wij daarom den Heer door de leeringen, in de eilanden der zee , den naam des Heeren , des Gods van Israël, die gezegd heeft: Zalig zijt gij, die daar zaait op alle wateren.quot;

De advocaat had deze woorden met eene mengeling van bevreemding en minachting aangehoord.

«Laat ons den tijd niet met nuttelooze zaken verkwisten,quot; sprak hij. »Hoe het ook zij, wij moeten op onze hoede zijn tegen dien priester, want hij heeft invloed en is zeer doortastend. Nog dezen avond zal ik mijne maatregelen nemen , doch het wordt tijd , dat wij de vergadering van het consistorie gaan bijwonen, ten huize van mijn collega Everzwijn. Ik moet u daarom verzoeken mij thans te verlaten , want wij mogen niet te zamen op de straat gezien worden.

Deze tooneelen hadden plaats op den \\ Seu Juni \\ 366 in het huis van den advocaat Agylaeus , bij de Tolbrug te \'s-Hertogenbosch, daar de «Hoornquot; uitstak.

Alvorens het sterfhuis te verlaten, liet de advocaat den oud-zanger der Illustre kapel, Jan Bentijn, en zekeren Willem Michelsz. bij zich ontbieden, met wie hij een kort onderhoud had.

23

-ocr page 28-

II.

De dag, waarop ons verhaal een aanvang neemt, mag in de geschiedenis van \'s-Hertogenbosch wel als zeer noodlottig aangeteekend staan, dewijl nog laat in den avond aldaar de eerste vergadering plaats had van het consistorie, bijgenaamd »de boom in hetbosch,quot; dat zooveel heeft bijgedragen tot de rampzalige gebeurtenissen , welke wij willen beschrijven.

Die vergadering werd gehouden ten huize van Mr. Reinier Everzwijn, oud-advocaat van den raad van Brabant. Wij willen haar bijwonen en daar kennis maken met eenige historische personen, die in het tijdvak der Nederlandsche beroerten in \'t algemeen, en in de geschiedenis van \'s-Hertogenbosch in \'t bijzonder, een

-ocr page 29-

DE BEELDSTORMERS VAN \'S-HERTOGENBOSCH. 2i7

droevige vermaardheid verkregen hebben, doch meenen bevorens onzen lezers eenige inlichtingen verschuldigd te zijn betreffende den aard der consistoriën en de voornaamste oorzaken, die den stoot hebben gegeven aan de gewelddadigheden , welke dat jaar en ook later te betreuren zijn geweest.

Fet consistorie was een kerkelijke instelling der Calvinisten of zoogenaamde nieuwgezinden. Iedere gemeente werd door zoodanig lichaam bestuurd, dat bestond uit predikanten, diakenen en ouderlingen; al deze consistoriën gehoorzaamden aan eene synode, die bijna den ganschen zomer van het jaar 1566 onafgebroken vergaderde. Onder het voorwendsel van zich slechts met tucht en andere kerkelijke aangelegenheden bezig te houden, werden die vergaderingen tot broeinesten gemaakt der politieke beweging, welke reeds groote afmetingen kreeg. De nieuwgezinden traden zoo stoutmoedig op en deden zulke hooge eischen , dat zelfs Willem de Zwijger er zich over verontrustte en , in een brief aan Lodewijk van Nassau, de Calvinisten lieden noemde, »die, zoodra men hun een goed gelaat toont, terstond een vasten voet nemen en groote stoutheid aan den dag leggen.quot; Lodewijk van zijn kant schreef aan zijn broeder Jan van Nassau: «Zal men de Calvinisten laten begaan, dan zullen zij niet alleen hunne religie, maar ook eene groote ongehoorzaamheid onder den gemeenen man invoeren, gelijk men dagelijks aan hen bespeurt.quot;

-ocr page 30-

DE BEELDSTORMERS

De vrees voor teugelloosheid kwam bij de hoofden der revolutionnaire beweging alleen hieruit voort, dat zij hunne plannen daardoor bemoeilijkt zagen. Het moest den schijn hebben, alsof de godsdienst geheel buiten spel was en men slechts voor oude rechten en privilegiën streed, die door het stelsel van centralisatie geschokt werden. De nationale afkeer tegen de Spanjaarden moest algemeen gaande gehouden en aangewakkerd worden , en daarvoor had men evenzeer de medewerking der katholieken als der nieuwgezinden noodig. De edelen, die meerendeels diep in schulden staken en tot een laag peil van zedelijkheid gedaald waren, hadden zich in hun strijd tegen het koninklijk gezag nauw aaneengesloten , doch Willem de Zwijger bleef geheel achter de schermen en duchtte niets minder dan een uitbarsting van de begeerlijkheid der nieuwgezinden, die de oogen uitsloegen naar de rijke abdijen en andere kerkelijke goederen, want daardoor zouden alle plannen in duigen kunnen vallen. Het verbond der edelen was van jonge dagteekening, er moest nog veel voorbereid worden en eerst op een geschikt oogenblik zou men tot de openlijke samenwerking met de consistories komen , die nu nog slechts in het geheim bestonden.

Ziehier hoe dit verbond der edelen tot stand kwam. In den zomer van het jaar 1563 kwamen drie jeugdige heethoofden te Spa bijeen. Zij waren: Jan van Marnix,

28

-ocr page 31-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

29

heer van Toulouse, broeder van den beruchten Filips van Marnix, heer van St. Aldegonde, Nicolaas Hamis, die verplicht was zijne afkomst te verbergen, daar hij de zoon van een diep bedorven Fransch priester was, die in haat tegen de priesters zijns gelijke niet kende, en eindelijk Lodewijk van Nassau, broeder van den Zwijger. Zij waren allen ongeveer dertig jaren oud. Hun doel en streven was een compromis der edelen tot stand te brengen. Het zou niet passen de later gepleegde gruweldaden op hunne rekening te stellen, al hebben zij er ook aanleiding toe gegeven, doch in alle omwentelingen openbaart zich het verschijnsel, dat zij, die er den grondslag voor leggen , alras overvleugeld worden door anderen, die verder willen gaan en wier teugelloosheid, eens opgewekt en geprikkeld, niet meer bedwongen kan worden. Die jongelingen brachten het vuur aan , dat den burgeroorlog zou doen ontbranden. Het verbond kwam tot stand en van welken aard het was, kan men hieruit afleiden, dat de ontwerpers voorstelden zich meester te maken van Antwerpen en eigenmachtig de Staten-Generaal bijeen te roepen, met andere woorden, den burgeroorlog op touw te zetten. Het manifest, dat de edelen onderteekenden, huichelde wel onderdanigheid aan het wettig gezag, doch de onderteekenaars verbonden zich onderling bij elke vervolging , onder welk voorwendsel, onder welken titel ook, elkander in alles met lijf en goed bij te staan.

-ocr page 32-

DE BEELDSTORMERS

Zij verbonden zich ook tot handhaving van het katholiek geloof en het koninklijk gezag, doch hoe groot de huichelarij der onderteekenaars was, bleek hieruit, dat zij steun zochten bij protestantsche vorsten in het buitenland, dat zij met de hoofden der Fransche Hugenoten in onderhandeling traden, en zich in verbinding stelden met de calvinistische consistoriën.

Wij willen, na deze korte uitweiding, den draad van ons verhaal weder opvatten.

Het consistorie van \'s-Hertogenbosch, door de eed-genooten in hunne geheime briefwisseling »de boom in het boschquot; genoemd, zou voor het eerst eene vergadering houden, om de plannen, die reeds voorbereid waren, tot verdere ontwikkeling te brengen. Uit de briefwisseling met de verschillende hoofden en aanvoerders wist men, dat weldra de gewenschte uitbarsting moest plaats grijpen en men ging nu, in overleg met het hoofdbestuur te Antwerpen, middelen beramen, om van den onvermijdelijken opstand zooveel mogelijk partij te trekken.

Toen Agylaeus ten huize van zijn collega Mr. Reinier Everzwijn verscheen, vond hij daar, behalve dezen, reeds onderscheidene eedgenooten; Jacob de Witte en Matthijs Keijen, beiden procureurs der stad, Herman de Ruyter en Gerard van Diepenbroek, laatstgenoemde als gedelegeerde van het consistorie te Antwerpen, Claes de Leeuw, »die de pen voerde,quot; en dus als secretaris

30

-ocr page 33-

TAN \'S-HERTOGENBOSCH.

fungeerde, en den predikant Modet 1), dien wij reeds onder den naam van De Struicker hebben leeren kennen in het huis, daar de «Hoornquot; uitstak. Later verschenen nog: Gi;les Leclerc, een rechtsgeleerde uit Doornik, die al de draden der revolutionnaire kuiperijen van die dagen in handen had, doch zich achter de schermen hield, twee der voornaamste burgers van Utrecht: Jonker Jan Renesse en Steven van Zuylen van Nyevelt, en eindelijk graaf Willem van den Berg, heer van Hedel.

Gilles Leclerc bekleedde het voorzitterschap en verzocht , na de opening van de vergadering, aan Gerard van Diepenbroek, zich van zijne lastgeving te kwijten en verslag te doen van plannen van het consistorie te Antwerpen. Uit de mededeelingen van laatstgenoemde bleek, dat men aldaar op alles voorbereid was om de kerken te bestormen en de oproervaan op te steken; men moest daar echter de zekerheid hebben, dat dit zooveel mogelijk gelijktijdig in de voornaamste steden van Brabant én Holland kon plaats hebben , om de Regeering voor een fait accompli te stellen. Men was op aandringen van Filips van Marnix, heer van St. Aldegonde,

31

1

De predikant Modet was te Zwolle geboren en heette eigenlijk Herman de Struicker. Hij werd monnik, ontliep zijn klooster en staat in het Verslag van \'t Magistraat van Gent aangeteekend als cbefaemt van schelmeryealsmede ))dat hy drye zo meer huysvrouwen alle ghetrauwet hadde.quot;

-ocr page 34-

DE BEELDSTORMERS

die tweemaal de vergadering van het consistorie te Antwerpen had bijgewoond, begonnen met zoogenaamde graspreeken te houden. Die bijeenkomsten in het open veld moesten steeds veelvuldig er worden en men zou wel zorgen, dat de indrukwekkende menigte voortdurend aangroeide en eindelijk het leger vormde, waarop men zijne hoop voor het welslagen van den aanval bouwde. Daarom was ook aan de verschillende consistories het verzoek gericht, de graspreeken zooveel mogelijk te bevorderen en ze allengs meer in de onmiddellijke nabijheid der groote steden te doen houden.

Graaf Willem van den Berg verkreeg het woord en gaf als zijne meening te kennen, dat men in een alge-meenen opstand niet zou slagen, zoolang men de meerderheid der burgerij tegen zich had. »A1 doen wij ook allerwegen gelooven,quot; sprak hij, «dat het getal der nieuwgezinden met den dag aangroeit, wij mogen ons hier niet ontveinzen, dat wij nog geen tiende gedeelte der bevolking uitmaken en in sommige voorname steden bijna geheel niet vertegenwoordigd zijn. Hoe zal het dus mogelijk zijn, dat wij bij zulk eene verhouding eenige kans van slagen hebben, daar de papisten zeer aan hunne kerken gehecht zijn? Het komt mij voor, dat de duizenden, die zich nu bij ons aansluiten uit haat tegen de Spaansche dwingelandij, de wapenen tegen ons zullen keeren, zoodra het blijk^ welk doel wij hebben. Ik stel lot voorbeeld deze stad

32

-ocr page 35-

VAN S-HERTOGENBOSCH.

35

niet voor opstand terug; hij heeft daar zelfs reeds toe aangespoord tijdens de bijeenkomst der edelen in de maand Maart, welke ook werd bijgewoond door twee Duitsche krijgsoversten, die zich bereid verklaarden een leger op de been te brengen. Oranje kon zijn doel niet bereiken, omdat Egmond en meer edelen niets van een opstand wilden weten, maar daarom is onze verstandhouding met het buitenland niet minder goed. Alles is reeds voorbereid. Hendrik van Brederode is de man, die den stier bij de hoornen wil vatten, de hertog van Kleef is in het eedgenootschap opgenomen , Coligny kent onze plannen en wat de Fransche Hugenoten vermogen is in den loop van dit jaar duidelijk gebleken, toen Doornik, Yperen en nog twee andere plaatsen in Vlaanderen voor hen beefden. Wij hebben een machtig bondgenootschap in Frankrijk, Duitschland en Engeland , die ons krachtig willen steunen , en voor het welslagen van den gemeenschappelijken aanval op de kerken kan ik insgelijks goede waarborgen geven. In de meeste steden is de overheid op onze hand; zij zal wel zorgen, dat geen gewapende macht tegen ons oprukt, en wij kunnen over duizenden en duizenden beschikken, die bereid zijn, op hoop van buit, het werk te doen onder aanvoering van hen, die daarvoor reeds lang door ons gehuurd en betaald werden. Tien zulke aanvoerders in elke stad zijn voldoende, want wij kunnen duizenden en duizenden op de

-ocr page 36-

DE BEELDSTORUERS

been brengen, dewijl de arbeid in Vlaanderen geheel kwijnt en de Franschen bij honderden over de grenzen trekken; doch juist daarom is het noodzakelijk, dat de graspreeken toenemen en zooveel mogelijk in de nabijheid der steden gehouden worden, ten einde daarin een voorwendsel te vinden, om op gegeven punten eene groote volksmenigte bijeen te brengen. Bij Doornik bedroeg het getal eens acht duizend en Antwerpen mocht er reeds zestien duizend zien. De graspreek is dus een uitstekend middel, dewijl de predikanten niet verzuimen het volk zoowel tegen Spanje als tegen Rome op te winden; wij moeten echter met beleid te werk gaan en ons geheel onder de leiding stellen van het consistorie »de Wijngaardquot; te Antwerpen, dat mij, als tusschenpersoon bij de edelen en de consistoriën, heeft belast met het overbrengen van een brief.quot;

De voorzitter nam een mesje, tornde de binnenzijde van zijn wambuis los en bracht een brief van grooten omvang te voorschijn. Hij droeg geen adres maar alleen het opschrift »De boom in het bosch,quot; en was verzegeld met een figuur, die een wijnrank moest voorstellen. Leclerc overhandigde hem aan Mr. Everzwijn, den president van het consistorie te \'s-Hertogenbosch, die hem opende.

Het opschrift luidde: «De Wijngaard aan den voorzitter van den Boom in het bosch.quot; Al het overige was

36

-ocr page 37-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

voor een oningewijde onleesbaar, dewijl het uit een geheim schrift bestond, waarvan men den sleutel moest bezitten. Slechts de voornaamste leden der consistoriën en de hoofden van het eedgenootschap waren in het geheim betrokken, dewijl daardoor het leven van velen op het spel werd gezet.

Nadat Everzwijn den brief ontraadseld had, richtte hij zich tot de vergadering :

»De zaken staan uitmuntend,quot; sprak hij, «doch «de Wijngaardquot; spoort ons aan tot geduld en vooral tot voorzichtigheid en onbeperkt vertrouwen in Marten Willemsz. 1), die nog wel niet openlijk kan optreden, maar daarom niet minder ijverig werkt voor het welslagen van de plannen der eedgenooten.quot;

»En wie geeft ons waarborgen, dat dit vertrouwen niet misplaatst zal zijn?\'\' vroeg Jan van Renesse.

»Hoe, gij durft den man mistrouwen, op wien geheel het land het oog gevestigd heeft, heer Jan?quot; vroeg Everzwijn.

37

»Ik mistrouw hem niet,quot; antwoordde Renesse, » maar meen te mogen wijzen op zijn weifelende houding, op zijn raadselachtig gedrag tegenover de bewegingen en

1

Door dezen naam werd onder de eedgenooten Willem de Zwijger aangeduid. Zij waren zoo bezorgd voor de geheimhouding, dat zij zelfs in hunne vergaderingen soms van dezen pseudoniem gebruik maakten.

-ocr page 38-

de beeldstormers

zou kunnen bewijzen, dat hij heimelijk te Brussel de nieuwgezinden tegenwerkt.quot;

«Zoodanige opmerking is door »de AVijngaardquot; voorzien,quot; hernam Everzwijn. «Daarom zegt ook het centraal bestuur in dit schrijven, dat men geen waarde moet hechten aan den uiterlijken schijn, zelfs wanneer Marten Willemsz. openlijk als vervolger optrad.quot;

«Men eischt zeer veelantwoordde Jan van Renesse. «Weet «de Wijngaardquot; wel dat wij, door de beweging openlijk te blijven ondersteunen, ons leven en onze bezittingen in gevaar brengen?quot;

«Zoo is het,quot; sprak graaf Van den Berg. «Ik stel veel vertrouwen in de wijsheid en het beleid van mijn zwager Oranje , maar \'t is toch niet te ontkennen, dat hij de Calvinisten vijandig is en straks heb ik u reeds gezegd, dat ik een waarschuwing van hem heb ontvangen om mij niet met de beweging in te laten. Het komt mij voor, dat wij waarborgen moeten hebben alvorens een stap verder te doen en de graspreeken en andere bijeenkomsten van dien aard te bevorderen.

«Die waarborgen zullen u gegeven worden, heer graaf,quot; hernam Everzwijn. «Ziehier een schrijven van den Raad van Brabant, heden door den schout onzer stad ontvangen en een waarschuwing bevattende tegen de predikanten, die zich te Hedel ophouden,quot;

«En noemt gij dit een geruststelling, een waarborg\'? vroeg graaf V an den Berg, zichtbaar ontsteld.

38

-ocr page 39-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

»De schout zou mij dat stuk niet ter hand stellen, voor \'t geval hij vijandelijk tegenover ons stondantwoordde Everzwijn, »doch hij heeft mij daarenboven verzekerd, dat hij ons niet zal tegenwerken en alles oogluikend toelaten. Breng hem morgen een bezoek en gij zult u van zijne gezindheid kunnen overtuigen. Dit moge tot uwe persoonlijke geruststelling dienen. Wat nu het streven van Marten Willemsz. betreft, hierover moest onder ons geen twijfel kunnen bestaan. Wij weten toch allen, dat hij reeds in de maand Maart, in een bijeenkomst van edelen te Breda , tot opstand heeft aangespoord en zijn plan slechts is afgestuit op den onwil van de graven Egmond en Van Meghen. Hij is echter te veel staatsman om niet te weten, dat men niet met het hoofd door een muur kan loopen. Hij verzet de bakens naarmate het getij verloopt, hij onthoudt zich van alle deelneming om zijne positie niet in gevaar te brengen en voor een bestrijder der beweging door te gaan. Ik zal u echter bewijzen, dat hij zich tot den strijd toerust en reeds de noodige maatregelen heeft genomen, om in het bezit te geraken van twee voorname middelen: geld en manschappen.\'\'

Hij nam weder het geheim schrijven van »de Wijngaardquot; ter hand en vervolgde toen:

«In dit officieele stuk wordt de verzekering gegeven , dat Marten Willemsz. aan de evangelische rijksvorsten

39

-ocr page 40-

DE BEELDSTORMERS

in Duitschland verslag heeft doen geven van den toestand hier te lande, met verzoek om ondersteuning door geld en soldaten

«Naar het eerste zal hij waarschijnlijk lang kunnen wachten,quot; sprak graaf Van den Berg , «want in Duitschland weet men zeer goed, dat zijne goederen reeds verpand zijn, en wat zou het baten, wanneer men hem ook al eenige vendels ter beschikking wilde stellen, daar hij ze niet kan betalen?

«Dit geschrift,quot; sprak Everzwijn, zijn rechterhand op den brief van het consistorie te Antwerpen leggende , »geeft mij het recht te verklaren, dat Marten Willernz. aan zijn zaakgelastigde volmacht heeft gegeven , om den bruidsschat zijner vrouw tot onderpand en waarborg te doen strekken.quot;

Deze woorden maakten een diepen indruk op de aanwezigen.

»Er wordt nog meer gezegd,quot; hernam Everzwijn. «De onderhandelingen met Schwartzenberg en Hol, de twee Duitsche krijgsoversten, blijven voortbestaan; zij zullen met hunne benden aanrukken zoodra het teeken gegeven is, en Marten Willemsz. is bovendien willens een leening met de rijke kooplieden te slui-en: die alle kans heeft van te zullen slagen. Dit alles wordt in dit stuk verzekerd en het komt mij dus voor, dat niemand recht heeft zijn vertrouwen aan Marten Willemsz. te ontnemen. Voor het overige staat hij

40

-ocr page 41-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

buiten de consistoriën; hij zou zeker niet alles goedkeuren wat wij voornemens zijn te doen, doch voor ons moet het genoeg zijn te weten, waarheen Marten Willemsz. wil; wij kunnen elkander in de hand werken.quot;

«Die verzekeringen van «de Wijngaardquot; zijn ongetwijfeld van groot gewicht,quot; sprak jonker Jan van Reuesse, «doch wie waarborgt ons dat het .consistorie goed ingelicht is? dat niet alles op geruchten en veronderstellingen berust? Marten Willemsz. is een gesloten boek, waarin niemand kan lezen; nog eens, wie waarborgt de waarheid dier verzekeringen ?quot;

»Ik,quot; zeide Gilles Leclerc. «Laat het u genoeg zijn te zeggen, dat hij, die met de onderhandelingen namens Marten Willemsz. belast is, mij alles heeft medegedeeld, opdat de consistoriën er hun voordeel mede zouden kunnen doen; mijn eerewoord geef ik daarvoor tot onderpand.quot;

De aanwezigen waren blijkbaar bevredigd door deze verklaring.

«Hooren wij nu verder hoe de inlichtingen en in-structiën van het centraal-consistorie luiden vervolgde de voorzitter, «want het wordt reeds laat. Antwerpen is het middelpunt der beweging, de brandstoffen liggen gereed, doch men mag niet te vroeg de vlam doen uitbersten. Hendrik van Brederode zou er niet tegen opzien, met den kreet: leven de geuzen! het spel

41

-ocr page 42-

DE BEELDSTORMERS

42

te beginnen, doch onze Zwijger meent daarin groot gevaar te zien. Hij tracht daarom door tusschenkomst der edelen een machtiging van de landvoogdes te krijgen, om naar de Scheldestad te gaan. Erlangt hij die, dan verschijnt hij daar als erfelijk burggraaf en kan, in schijn van de orde te handhaven, de beweging ondershands ondersteunen. Hij wil den opstand langs een bedekten weg en zal daarin slagen, doch dan moet men ook een onbeperkt vertrouwen in hem stellen en zich niet laten verblinden door den schijn. »De Wijngaardquot; was voornamens reeds vroeger het sein te geven tot den algemeenen aanval op de kerken, doch wil nu de gebeurtenissen afwachten, tenzij de opgewondenheid niet meer te bedwingen mocht zijn. Gaat alles naar wensch, dan zal op den 18en Augustus, tijdens den grooten omgang te Antwerpen , gelegenheid gegeven worden tot wanordelijkheden, die het plan in de hand kunnen werken, doch dan moet ook onmiddellijk te \'s-Hertogenbosch, Utrecht, Den Haag, Amsterdam , Middelburg en meer andere voorname plaatsen begonnen worden; het centraal-consistorie zal onmiddellijk boden zenden. Slaat men eenparig de handen aan het werk, dan zal de indruk geweldig zijn en de Spanjaard met ons.moeten onderhandelen, want wij kunnen tegen dien tijd over een aanzienlijke legermacht beschikken , zoo niet, dan zijn wij verloren; alles hangt dus van de samenwerking af. \'

-ocr page 43-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

»Kan men op den burgemeester van Antwerpen rekenen?quot; vroeg Willem van den Berg.

«Van Stralen is een der onzenantwoordde Gerard van Diepenbroek, »en bewijst ons, terwijl hij voor het oog de Regeering steunt en dus niet onder verdenking staat, belangrijke diensten.quot;

«De Wijngaardquot; heeft een gelijkluidend schrijven gericht aan de Palm 1), het Zwaard 21), Apollo 3) en Jupiter 4), doch nu vraagt het consistorie ons, of wij hier ter stede goed georganiseerd zijn en voldoende geldelijke middelen bezitten om hen, die het volk moeten opruien en de handen aan het werk willen slaan, van nu af aan ons te verbinden; het wil daarvan onderricht worden door zijn gedelegeerde, hier tegenwoordig, en verlangt ook te weten hoe de stemming is in het Sticht en over welke middelen men daar te beschikken heeft. Op het eerste kan ik antwoorden , dat onze rollen reeds verdeeld zijn en wij slechts op het sein tot den aanval wachten. Mijn ambtgenoot Agylaeus betaalt sinds eenigen tijd de mannen, die in onzen dienst staan en waarop wij kunnen rekenen, en wij zullen niet nalaten de gemoederen meer en meer in beroering te brengen. Wat

)) Doornik,

2) Gent.

3) Delft.

4) Den Haag.

43

-ocr page 44-

DE BEELDSTORMERS

Utrecht betreft, daarover zal jonker Van Zuylen het best inlichtingen kunnen geven.quot;

«Jan van Renesse, mijn broeder Willem van Zuylen van Nyevelt en ik staan in het Sticht aan het hoofd van het eedgenootschap, dat krachtige vertakkingen heeft,quot; klonk het antwoord. «Op de stedelijke regeering kunnen wij niet onvoorwaardelijk rekenen, doch zij bestaat uit zwakhoofden en er zijn gegronde redenen om te vermoeden, dat de bevelhebber van het kasteel Vreeburg ons niet te veel zal bemoeilijken. Grooten steun hebben wij aan den invloed van Willem Bloys van Treslong, aan de Boetselaars, de Batenburgen en vooral aan graaf Floris van Pallandt, doch wij moeten onze voornaamste kracht zoeken in het aanwerven door betaling en in het opruien van t gemeen 1). Dat vereischt aanzienlijke uitgaven, maar wij deinzen daarvoor niet terug. Zeg aan hen, die u gezonden hebben,quot; zoo eindigde hij, zich tot den gedelegeerde wendende, »dat wij bereid zijn de bevelen van het centraal-consistorie op te volgen en desnoods zelf de handen aan het werk zullen slaan,quot;

Na deze wederzijdsche verklaringen en inlichtingen

44

1

Volgens eene verklaring, later door Jan van Renesse voor de rechtbank afgelegd, zou vooral Willem van Nyevelt zich belast hebben met het omkoopen der beeldstormers, zooals ook bewezen kan worden, dat Agylaeus dit te\'s-Hertogenbosch heeft gedaan.

-ocr page 45-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

besloot het consistorie, een schrijven tot het centraal bestuur te richten, en hiermede eindigde de vergadering.

Middelerwijl de aanwezigen, om geen opzien te baren , een voor een de woning van Mr. Everzwijn verlieten, nam Agylaeus den secretaris Claes de Leeuw ter zijde en fluisterde dien eenige woorden in het oor.

De schrijver zette groote oogen op en vroeg:

«Moet dat dezen nacht nog gebeuren?quot;

De advocaat legde den vinger op den mond, knikte met het hoofd en verwijderde zich.

De toren van St. Jan had reeds lang het uur van middernacht aangekondigd. Na den zoelen zomeravond hadden zich laat in den avond zware wolken aan het uitspansel samengepakt; zij ontlastten zich nu in ratelende dunderslagen, terwijl de regen bij stroomen neerviel.

Het was en bleef een stikdonkere nacht, die nu en dan slechts verlicht werd, wanneer een felle bliksemstraal het luchtruim kliefde.

Was die geweldige donderbui een voorteeken van een ander onweder, dat de oude hertogstad en de beroemde kathedraal bedreigde?

De bewoners in de nabijheid van de Tolbrug, die zich uithoofde van het onweder niet ter rust begeven hadden, hoorden eensklaps, laat in den nacht, een rauwen gil, daarna het getrappel van paarden, die zich snel verwijderden, en toen werd alles weder stil. Slechts de donder liet zich in de verte nog hooren.

45

-ocr page 46-

III.

Schuins tegenover bet huis, daar de » Hoornquot; uitstak, stond een kleine woning van slechts één verdieping; zij werd bewoond door Jan Bentijn, oud-zanger der kapel van de Illustre Lieve-Vrouwe-broederschap.

Wij vinden op den avond dat onze geschiedenis een aanvang neemt, in het woonvertrek van bedoeld huisje, de vrouw van Bentijn en hare dochter, de eenige spruit uit een ongelukkigen echt. De moeder, die ijverig bezig is met het zoomen van nieuw lijnwaad, is mager, haar gelaat draagt sporen van langdurig hartzeer, en de grijze haren, die uit haar kap te voorschijn komen, zijn in tegenspraak met haar leeftijd. De dochter zit bij het kleine venster aan een spinnewiel; zij zal onge-

-ocr page 47-

DE BEELDSTORMERS VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

veer twintig jaren oud zijn, doch, ofschoon ook hare wangen het kenmerk van jeugd en gezondheid dragen , kan men in hare oogen en ook in de trekken van haar gelaat een vastberadenheid lezen, welke niet in overeenstemming is met haar leeftijd.

Het spinnewiel, door den kleinen voet in beweging gebracht, snort onophoudelijk, zoodat men nauwelijks de zware zuchten kan hooren, die der moeder nu en dan, waarschijnlijk onbewust, ontsnappen, wanneer zij gestadig den langen draad ophaalt en de oogen op het lijnwaad gevestigd houdt, ofschoon hare gedachten blijkbaar verdwaald waren.

»De pastoor blijft lang,quot; sprak het meisje, »\'t zal nu wel haast een uur geleden zijn dat ik hem binnen zag gaan.quot;

«Hij zal bij het lijk bidden, Clara,quot; antwoordde de moeder.

» Ongetwijfeldhernam het meisje,» maar het lezen van Be profundis duurt toch gemeenlijk niet zoo lang;

wie weet wat daarbinnen voorvalt____Zie eens. daar

klopt iemand aan de deur,quot; liet zij er haastig op volgen , terwijl het wiel eensklaps zijne beweging staakte;»wie mag dat zijn?quot;

»Het bespieden der buren is een kwade gewoonte, kind,quot; sprak de moeder bestraffend;»het is onbescheiden en voert tot lichtzinnige gevolgtrekkingen, waaruit maar al te dikwijls praatjes voortkomen, die kant noch

47

-ocr page 48-

DE BEELDSTORMEBS

wal raken. Wat zou men wel niet van ons zeggen, als er altijd oogen op dit huis gevestigd waren?quot;

» Och! gij weet toch wel, dat ik het niet uit nieuwsgierigheid doehernam het meisje. «Kan ik het helpen, dat mijne gedachten zich onophoudelijk bezig houden met het lijk der brave vrouw en met de ongelukkige Agnes ?.... Maar zie toch eens, moeder, hoe die man

loert, hij kijkt nu juist hierheen---- foei, wat heeft

hij afschuwelijke oogen!quot;

De moeder legde het lijnwaad op de tafel en ging naar het venster, doch juist op hetzelfde oogenblik verdween de man in het huis met den «Hoorn. \'

«Gij moet mij niet meer van mijn werk afhouden sprak zij eenigszins gemelijk, «want er is haast bij; gisteren had ik het reeds aan den hopman moeten afleveren.quot;

Het wiel snorde nu weder lustig voort, doch ofschoon de vingers van het jonge meisje zich ook vlijtig bewogen , hare oogen bleven meestal op de overzij gericht. De berisping der moeder scheen weinig gebaat te hebben; wij willen haar daarom echter niet veroordeelen, want indien het niet moeielijk ware de oogen in bedwang te houden, zou Salomon er niet reeds herhaaldelijk op gewezen hebben.

«Daar is de pastoor!quot; roept zij nu weder, en het wiel staat andermaal stil; bet meisje ziet zeer goed, dat de priester in een buitengewone gemoedsstemming

48

-ocr page 49-

-^■^r

~

49

VAN S-HERTOGENBOSCH.

verkeert en dit wekt belangstelling en bezorgdheid bij haar op.

»Er moet iets buitengewoons voorgevallen zijn zegt zij, »want ik heb den pastoor nog nooit zóó gezien; hij schijnt geheel ontdaan te zijn en er geen erg in te hebben . dat Lena , de oude meid . hem wat zeggen wil. Zie maar, zij doet nog een poging en schudt het hoofd nu de pastoor haastig vertrekt. Wat zou zij hem toch te vertellen hebben?quot;

«Kind, kind, wat zijt gij tocffxerg^nieuwsgierig zoo berispte de moeder. »Waarom ^öuc|en \\vij ^dc^ge-heimen van anderen willen doorgronden^^daar de onze nauwelijks te dragen zijn? Ik kan mij, zeer goed*! V*-voorstellen, dat in het huis met den «Hoornquot; hooge woorden zijn voorgevallen, want quot;Agylaeus is zoo diep gezonken, dat hij zelfs bij het lijk zijner vrouw zijn tong niet zal kunnen bedwingen. Brave vrouw, gij zijt mij zoo dikwijls komen troosten, omdat hetzelfde leed aan ons beider hart knaagde. Thans hebt gij volstreden en ik .. ..»

Er vielen tranen op het lijnwaad en de naald bleef\' eenige oogenblikken in de hand rusten, wat zelden gebeurde tusschen den vroegen morgen en den laten avond.

Het jonge meisje verliet haar spinnewiel, sloeg de armen om den hals der moeder en drukte een kus op haar voorhoofd.

4

II 5

/

-ocr page 50-

DE BEELDSTORMERS

«Gij moet niet boos op mij worden, omdat mijne gedachten den ganschen dag aan den overkant zijn,quot; sprak zij. » Wij verliezen zooveel aan vrouwe Agylaeus , en de radeloosheid van Agnes maakt mij bezorgd. De brave vrouw was echter nog veel ongelukkiger dan gij, moedertje, want gij hebt een dochter, die al het leed met u wil dragen, niet waar?quot;

»Ja, gij zijt een goed kind, Clara,quot; sprak de vrouw , en door de tranen heen glinsterden hare oogen van moedervreugde; »gi] zijt mijn eemge troost, maar daarom kan het hart toch wel eens overloopen. Ik ben zoowel als gij beducht voor het lot van juiTer Agnes, doch wij kunnen er niets aan doen en moeten alles aan den heven God overlaten. Zet nu het spinnewiel hier bij de tafel neer en steek de lamp op. want het wordt avond en ik zou graag met dit werk gereed zijn alvorens wij gaan slapen.quot;

Clara voldeed aan het verlangen en sloot ook buiten het kleine luik voor het venster.

»Er schijnt een onweder op te zetten, de lucht is in het zuidwesten zoo zwart als roet,\' sprak zij binnenkomende. «Zou vader ver uit de buurt zijn?quot;

»Ik weet het niet,quot; klonk het antwoord, en dat antwoord ging vergezeld van een zwaren zucht , »hij is in het huis met den »Hoornquot; geroepen en dat voorspelt nooit veel goeds.\'

Er volgde nogmaals een zucht en het scheen Clara

30

-ocr page 51-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

leed te doen, dat zij dit onderwerp had aangeroerd, want zij zette het gesprek niet voort.

Vrouw Bentijn vervolgde bij het zwakke schijnsel der lamp haar werk en het spinnewiel snorde thans onafgebroken. De spinster kon nu niet meer naar buiten zien, haar oogen werden dus minder afgeleid; of echter ook de gedachten daarom minder snel in haar hoofd rondwentelden, durven wij niet verzekeren.

Het was stil in het kleine vertrek en ook buiten; zoo stil als het zijn kan , wanneer een onweder log en zwaar m de lucht hangt en zich als het ware voorbereidt om den aanval te beginnen.

Op eens hoorde men op de straat een zwaren tred ; moedei en dochter staakten te gelijk den arbeid. »Zou uw vader daar zijn?quot; vroeg eerstgenoemde. Clara schudde het hoofd, terwijl zij bleef luisteren.

»Vader stapt niet zoo zwaar en zoo gelijkmatig en____

Neen, \'t is vader niet,quot; sprak zij, toen de ijzeren klopper op de deur viel. »\\ader is gewoon aan het venster te tikken.quot;

»Ga dan eens zien wie het is,quot; sprak de vrouw, en er volgde weder een zware zucht. Zij was reeds zoo vaak door buitengewone tooneelen geschokt, dat de geringste stoornis in het dagelijksche leven haar den angst om het hart joeg, evenals een vogeltje, dat bij het minste geritsel schuchter heen en weer ziet. Het was de hopman De Gruyter, die het vertrek

51

-ocr page 52-

DE BEELDSTORMERS

binnentrad, nadat Clara de deur geopend had. Hij had den mannelijken leeftijd reeds lang bereikt en onderscheidde zich door een kloeke gestalte en een regelmatig gelaat, dat van evenveel rechtschapenheid als vastberadenheid getuigde. Men kan wel niet op het gelaat lezen wat in het hart omgaat, doch als deze jonkman een slecht karakter, een boos gemoed bezat. was zijn gansche voorkomen een groote leugen.

»De hopman komt zeker knorren, omdat het werk nog niet afgeleverd is,quot; zei de vrouw, nadat Clara hem een stoel had aangeboden.

Het jonge meisje glimlachte schalks, zij wist wel beter.

» Wij hebben rouwwerk gehad uit het huis met den »Hoorn,quot; hopman, en dat kon niet wachten, doch ik kom nog vóór den nacht gereed en zal morgen vroeg alle§ thuis bezorgenvervolgde de vrouw.

«Rouwwerk gaat vóór alles , de dooden kunnen niet wachten, al hebben zij ook veel meer geduld dan de levenden,quot; zei De Gruyter glimlachend, terwijl hij plaats nam en zijn hoed aan den knop van den stoel hing. «Ik dacht we! dat dit de oorzaak der vertraging was, want gij hebt altijd voor het huis met den » Hoorn gewerkt, niet waar ?quot;

»Altijd sinds ik de naald moest opnemen om voor ons onderhoud te zorgen,quot; antwoordde de moeder, en er volgde weder een zucht, «Zij heeft veel voor

oz

-ocr page 53-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

ons gedaan , die brave vrouw en daarom ook gezorgd , dat wij haar doodskleed zouden maken met alles wat er bij behoort.

«Zoo! heeft de overledene dit besteld?quot; vroeg de hopman, die er belang in scheen te stellen, dat het gesprek dezelfde richting bleef behouden.

»Zij heeft alles bij uitersten wil beschreven; ik wist dit reeds vooraf, want zij heeft mij in haar ziekte veel, heel veel verteld: een zwarte kist met een wit kruis op het deksel, rondom die kist moesten nacht en dag twaalf waskaarsen branden en de pastoor moest altijd toegang tot haar lijk hebben. De arme vrouw wist zeer goed dat van dit alles niets komen zou, wanneer zij het aan den advocaat overliet, evenmin als van de zielmissen. Wat zal er een omkeering in het huis den »Hoornquot; plaats hebben, als zij er morgen voorgoed uit is.\'

«Zeg dat niet, moeder,quot; sprak Clara, die gretig de gelegenheid waarnam om het gesprek wat belangrijker voor den hopman te maken, daar zij zeer goed begreep, dat hij niet om het lijnwaad gekomen was, »Agnes blijft in huis en zij bezit evenveel, zoo niet meer geestkracht dan haar moei.quot;

«Hoe maakt het juffer Agnes onder deze omstandigheden?quot; vroeg De Gruyter met meer bedeesdheid, dan men van iemand met zulk een voorkomen zou hebben verwacht.

53

-ocr page 54-

DE BEELDSTOHMERS

»Zij is natuurlijk diep bedroefd, zooals gij wel kunt denken, hopman,quot; antwoordde Clara, «doch ik ken haar goed, want wij hebben van kindsbeen af veel omgang met elkander gehad; ik heb zeer goed gezien , dat\' zij buitengewoon opgewonden is en ik meen ook de oorzaak te kennen.quot;

De hopman schoof onrustig op zijn stoel heen en weer.

«Agnes heeft mij veel verteld en ook over u gesproken ,quot; vervolgde zij.

«Over mij!quot; riep De Gruyter haastig.

34

»Ik zal u alles meedeelen wat ik weet,quot; hernam Clara. »De overledene heeft verlangd, dat wij eiken dag bij haar lijk zouden komen bidden. Toen ik van morgen voor het laatst nog een oogenblik op dat goede gelaat zag, stond Agnes naast mij, zonder dat ik haar had hooren komen. Zij drukte een kus op de koude handen. «Gij zijt gelukkig dat gij nog een moeder hebt, Clara,quot; sprak zij, «ik ben nu verlaten, geheel verlaten!\' Ik troostte haar zooveel ik kon, maar zij schudde het hoofd. «Gij weet niet wat mij boven het hoofd hangt,quot; hernam Agnes. «Ik heb, zonder dat men het wist, gesprekken afgeluisterd, die mij deden sidderen. Mijn geweten wordt geweld aangedaan en men wil mij uithuwelijken aan iemand, dien ik moet verachten. Oom uit het gasthuis 1) is

1

Daniel van Vlierden, bestuurder van liet gasthuis te

-ocr page 55-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

ook al niet te vertrouwen en ik word door spionnen omringd.quot; Toen fluisterde zij mij in het oor: »De pastoor weet al,\'es en ik heb hem ook een brief ge-géven , die toevallig in mijne handen gekomen is. Als gij den hopman De Gruyter spreekt, zeg dan dat ik op hem reken. Ik doe dit in overleg met den pastoor ; als het noodig mocht zijn, zal ik u door de oude Lena, die ik nog vertrouwen kan, een briefje voor den hopman zenden.quot;

«Wat zou de advocaat in zijn schild voeren?quot; vroeg De Gruyter, die gedurende deze mededeeling hoe langer hoe onrustiger geworden was.

»lk weet het niet,quot; antwoordde Clara ,» maar ik ben blij dat gij gekomen zijt, hopman, want ik maak mij ongerust en heb aanhoudend naar het huis met den »Hoornquot; zitten kijken, zoolang tot het donker werd.quot;

»En hebt gij iets ongewoons bespeurd?\'\' vroeg De Gruyter.

55

»\'t Is morgen begrafenis en men loopt er af en aan , zooals gij wel kunt denken, maar tegen het vallen van den avond is een vreemdeling binnengegaan met een zeer ongunstig voorkomen; hij zag gluiperig naar alle kanten rond en was daar nog, toen ik het huis sloot. De pastoor is er ook zeer lang geweest, veel

Vllertogenbosch, was een zwager van Agyiaeus; hij wordt sterk verdacht van medeplichtigheid aan de samenspanning.

-ocr page 56-

DE BEELDSTORMERS

langer dan de vorige dagen en bij zijn vertrek was hij erg ontroerd en verontwaardigd , dat zag ik zeer goed.quot;

«Van het eerste hebt ge mij niets gezegd,quot; sprak vrouw Bentijn.

«Waaromzou ik uverontrusten, moeder?quot;antwoordde het meisje, »gij hebt toch reeds zorgen genoeg.quot;

«Dan moet ik er ook nog iets bijvoegen,quot; hernam de vrouw; «Agylaeus heeft, een uur geleden, mijn man laten roepen en kort daarna zag ik Jan op een drafje den weg naar de markt inslaan.quot;

»Er zijn wellicht nog eenige beschikkingen voorde begrafenis te maken,quot; zei de hopman; »er steekt toch niets buitengewoons in, dat uw man het een of ander voor den advocaat doet.quot;

«Helaas , neen !quot; sprak vrouw Bentijn ; «Jan is sedert eenige weken ruim van geld voorzien en daarom bijna eiken dag beschonken ; wanneer alles in den haak was , zou men hem zoo ruim niet betalen, of liever geheel niet gebruiken. Ik vrees dat er weer iets achter schuilt, Jan zou anders reeds lang terug zijn , want van morgen was al zijn geld op en hij staat overal te diep in het krijt, om nog wat op den kerfstok te kunnen krijgen.quot;

En nu begon de vrouw te klagen over de slechte menschen, over den slechten tijd en haar ongelukkig lot. Vroeger was dat anders. Toen was haar man vlijtig en huiselijk, hij had een goed inkomen als zanger aan de kapel, maar slechte kameraden hadden zijn hoofd

S6

-ocr page 57-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

op hol gemaakt en hem aan den drank gebracht, en zoo was hij al dieper en dieper gevallen. Hij gaf niets meer om God of Zijn gebod en natuurlijk ook niet meer om vrouw en kind; hij had omgang met allerlei slag van lieden, die in een kwaden reuk stonden, en liet zich betalen om het volk in de herbergen tegen de priesters en de kloosterlingen op te ruien.

Gedurende dit relaas kon men aan den hopman zeer % goed zien , dat hij zich slechts uit welvoeglijkheid onthield van vragen, die hem als op de lippen brandden. Clara ontging dit niet en zij liet het wiel dapper snorren om eenige afleiding te geven. De vrouw zou waarschijnlijk haar jeremiade nog niet geëindigd hebben, wanneer zich niet een zacht getik aan de deur had doen hooren. Zij zweeg een oogenblik en ook het spinnewiel staakte zijn gesnor, en toen hoorden alle drie weer duidelijk kloppen. Clara verliet haar stoel met een haast, die deed vermoeden dat zij eenig onheil vreesde, en opende de deur. Het was zeer donker buiten, men kon dus niet onderscheiden wie de vrouw was , die slechts even het hoofd binnen de deur stak en toen snel weer verdween, na Clara eenige woorden te hebben toegefluisterd. Het meisje wierp haastig de deur dicht en sprak blijkbaar ontroerd :

«Goddank, dat gij hier zijt, hopman, er is een boodschap voor u.quot;

»Uit het huis met den « Hoorn ?quot; vroeg De Gruyter,

m

-ocr page 58-

DE BEELDSTORMERS

terwijl hij met gejaagdheid van zijn stoel oprees.

Clara knikte met het hoofd. »De oude Lena was daar,quot; sprak zij, »en die heeft mij dit briefje overhandigd, met verzoek het u onmiddellijk te bezorgen. Zij had zulk een haast, dat ik haar niet eens kon zeggen dat gij hier waart.quot;

«Een briefje van Agnes!quot; riep de hopman , de hand uitstekende.

Het was slechts een klein stukje papier, waarop blijkbaar in groote haast het volgende geschreven was :

»Een voorgevoel zegt mij dat mijne vrijheid bedreigd wordt. Ik heb met den pastoor afgesproken, dat ik mij in dergelijk geval tot u zou wenden en verzoek u morgen, gedurende en na de begrafenis mijner lieve moei, een wakend oog op dit huis te doen houdsn. Mogen God en onze Zoete Lieve Vrouw mij beschermen.quot;

»Zou die schurk van een advocaat het wagen ....!quot; riep de hopman.

«ij kon van verontwaardiging geen woord meer uitbrengen, en \'t was of zijn rechterhand de plaats zocht, waar gemeenlijk zijn degenknop te vinden was.

«Lena sprak haastig eenige woorden , die ik niet kon verstaan, maar ik hoorde haar toch duidelijk Claes de Leeuw en Willem Michielsz. noemen ,quot; hernam Clara. »Zij schijnt een gesprek afgeluisterd te hebben; die

58

-ocr page 59-

VAN S-HERTOGENBOSCH.

goede Lena heeft Agnes altijd zoo liefgehad, zij zou voor haar door het vuur loopen.quot;

«Waar Willem Michielsz. in het spel is, kan zeker niet veel goeds verwacht wordensprak de hopman , terwijl hij het briefje met buitengewone zorg bij zich stak; »die ellendeling is in staat voor geld zijn ziel te verkoopen en ik weet, dat hij een betaalde handlanger is van den advocaat. Ik ga morgen vroeg terstond maatregelen nemen.quot;

«Zou het niet raadzaam zijn de overheid op de hoogte te brengen?quot; vroeg vrouw Bentijn.

De Gruyter glimlachte pijnlijk. »Als de overheid haar plicht deed.quot; zeide hij, «zouden wij zooveel schandalen niet rondom ons zien plaats grijpen.quot;

Hij had den hoed reeds in de hand om het huisje te verlaten, toen men in de verte hoorde zingen.

«Dat is Jan,quot; sprak vrouw Bentijn met een zucht, »hij moet geld ontvangen en gedronken hebben, want als hij nuchter is, maakt hij geen burengerucht.quot;

»Dan zal ik maar terstond gaan, het is beter dat hij mij hier niet ziet,quot; zei De. Gruyter.

«Neen, neen, blijf, hopman,quot; hernam de vrouw. »Zooals ge weet, werd Jan in den vooravond ook bij den advocaat ontboden; wie weet of wij niet \'t een of ander uit hem kunnen krijgen, want als hij wat op heeft, is zijn tong gemeenlijk los.quot;

De stem kwam al nader en nader en eindelijk hoorde

39

-ocr page 60-

DE BEELDSTORMEKS

men duidelijk het lied van den beruchten predikant Marot zingen:

»Ghy suit u gheen ghesneden beelden,

Gheen maecxels maken, wes \'t oock sy;

Wat hou en trouw ghy daer bedeelden — ~U\\v Godt benijdet! Geloovet vry!quot;

«Dat lied wordt bij de graspreeken gezongen, om het volk tot beeldstormerij aan te hitsen.\' sprak De Gruyter, terwijl een gloed van verontwaardiging zijn gelaat kleurde.

Clara was opgestaan en had de deur geopend. Een oogenblik later trad Jan Bentijn waggelend binnen. Hij droeg in de rechterhand een bruine kan met een tinnen klep, zijn gelaat was vaalbleek en zijne oogen waren dof en waterig. Hij wilde opnieuw zijn lied aanheffen, doch zweeg toen hij zag, dat zijne huisge-nooten niet alleen waren. Hij naderde achterdochtig, staarde De Gruyter een oogenblik vlak in het gelaat en zeide toen grinnekend:

»Gij hier, hopman , dat is goed; het zal Clara wal opvroolijken , want zij hoort liever een jongen vogel fluiten dan een oud-zanger zingen, ha! ha 1quot;

«Foei, vader!quot; riep het meisje.

«Waarom foei?quot; hernam Jan; «ik heb in mijn jongen tijd Grieksch en Latijn geleerd, ik weet heel goed,

60

-ocr page 61-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

dat dappere krijgslieden gaarne bij het spinrokken zitten, als een knappe deern het wiel in beweging brengt, ha! ha!quot;

»Vader!quot; riep Clara andermaal, en het bloed steeg naar haar wangen.

»De hopman kwam vernemen naar het lijnwaad, dat ik van hem onder handen heb,quot; zeide vrouw Ben-tijn, om hare verlegenheid te verbergen.

»Ik mag den hopman wel lijden, al heeft hij mij ook uit de kapel gejaagd,quot; zei Jan, »en ik weet ook wel waarom hij hier komt, ha ! ha! Met juffer Agnes is het uit, glad uit, die kans is verkeken en wordt

met de doodkist het huis uitgedragen---- Krijg nu

maar geen kleur, Claar, want daar steekt geen kwaad in .... Met Wouter Harmsen wilt gij niets meer te doen hebben en wij zijn voor den drommel ook van goede afkomst. Ik heb Latijn geleerden Griekschook, maar ik had geen lust om mijn jonge leven in perkamenten te versuffen, ha! ha!quot;

\' A

Clara had de handen voor de oogen geslagen , zij weende, de moeder kreeg berouw dat zij den jonkman opgehouden had , en gebood den dronkaard ernstig dat hij zwijgen zou.

«Laat hem maar praten, moeder Bentijn,quot; sprak De Gruyter, «wij weten hoe het met hem gesteldis.quot;

«Zoo mag ik het hooren !quot; riep Jan, de kruik met een harden stoot op de lafel zettende. «Leve de

-ocr page 62-

DE BEELDSTORMERS

vrijheid, weg met de Spanjolen ! Geef eens bekers , vrouw, groote bekers ik heb met den hopman nog wat af te drinken, dat weet hij wel, want het is zijn schuld dat ik mijn ontslag gekregen heb; maar ik dien nu een andere broederschap, ik zing andere liedjes en word daar dubbel voor betaald. Kom, bekers, vrouw!quot;

Bentijn greep naar een stoel, bracht hem strompelend bij de tafel en ging naast De Gruyter zitten.

«Gij krijgt geen droppel meer, Jan,quot; sprak de vrouw, »het is schandelijk en zondig om zich zoo te bedrinken.quot;

«Gij zijt een beste vrouw,quot; sprak Bentijn, «maar daar hebt gij geen verstand van, hoor, geen lood verstand.quot;

Hij bracht de kruik voor den mond. «Leven de Geuzen!quot; riep hij en slurpte met groote teugen een groote hoeveelheid brandewijn in.

De hopman had moeite om zich te bedwingen. «Weet ge wel. Jan,quot; zeide hij, «dat gij den naasten weg naar de gevangenis zoekt? Zulke oproerige kreten laat men hier in de stad nog niet ongestraft toe.quot;

«Niet,quot; zei Bentijn, met de armen zwaaiende,«nu, dan zal ik u nog wel iets anders laten hooren.quot;

Hij veegde met den rug van zijn rechterhand den mond af en zong;

62

-ocr page 63-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

Hebdy niet ter Missen gheweest

In der Papen kercke?

\'t Guychelspel dat men daer leest,

Gaet het wel te wercke;

Oremus craeyen , Cruycen saeyen,

Nyghen, draeyen, soo ick \'t wel aenmercke.quot;

De Gruyter was van zijn stoel opgestaan. «Dat gaat te ver,quot; riep hij verontwaardigd uit, »ik kan niet gedoogen, dat in Den Bosch ongestraft zulke schandelijke liederen gezongen worden, die men in Antwerpen, dat broeinest van goddeloosheid, maakt en verspreidt om het land in oproer te brengen. Vrouw Bentijn , gij moet er op rekenen, dat uw man achter slot komt; ik wil den godsdienst en de priesters niet hooren bespotten en heb als hopman nog invloed genoeg, om daar een einde aan te maken.quot;

•Clara vloog bij die woorden ontsteld van haar stoel op en greep beide handen van den hopman.

»Ach, mijn arme vader____ ik bid u, maak hem

nog niet ongelukkiger!quot; riep zij uit.

»Maar hij zal u beiden met zulke hemeltergende woorden en liedjes hoe langer hoe dieper in het verderf storten, Clara,quot; hernam De Gruyter, terwijl zijn oog vol innig medelijden op het meisje bleef rusten.

»Ik weet het wel, ik weet het wel,quot; riep zij, »maar het is mijn vader; laat hem niet gevangen-

63

-ocr page 64-

DE BEELDSTORMERS

nemen, beschuldig hem niet, ik smeek het uquot;

»Wat zegt de hopman?quot; vroeg de dronkaard, die wel zag dat er iets ongewoons gaande was, doch meer en meer zijn bewustzijn verloor.

«Gij zult het niet doen, dat weet ik wel,quot; vervolgde Clara dringend, »en het zou ook niet goed zijn, want gij vergeet, dat wij wellicht nog iets van hem kunnen hooren over \'t geen Agnes bedreigt.quot;

»Wat zegt de hopman toch?quot; vroeg de dronkaard andermaal, terwijl hij naar de kruik greep en nog een teug nam.

»Hij zegt, dat gij u om den tuin laat leiden ,quot; sprak zij gevat, »dat gij voor een bagatel voor groote heeren de kastanjes uit het vuur haalt, zonder te weten wat zij eigenlijk in hun schild voeren.quot;

«Kastanjes uit het vuur halen?.... hoe zoo ?quot; vroeg Bentijn, die zich slechts met moeite op zijn stoel n evenwicht kon houden.

«Wel, gij hebt nu weer een boodschap voor den advocaat moeten doen, en ik weet beter waarvoor dan gij.quot;

»Zoo, zoo, ha! ha!quot; Dat was alles wat de dronkaard zeide.

«Zeker, hij gebruikt u als een hond om het wild op te jagen, gij laat u misleiden,quot; vervolgde Clara.

«Misleiden, ha! ha!quot; sprak Bentijn met dubbele tong. « Misleiden.... ik moest niet beter weten....

64

-ocr page 65-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

Jan is zoo onnoozel niet als zij wel denken____ Ik

weet heel goed wat Willem Michielsz. te doen heeft, al zeggen zij mij niets... Mij misleiden... ha! ha! dat zou ik wel eens willen zien.. . Een verlof briefje van den schout om de Vuchterpoort te openen, en een paard om Agnes...quot;

» Wat moet dat beteekenen ?quot; riep de hopman ontsteld.

Bentijn had andermaal de kruik voor den mond gebracht , alvorens zijne vrouw of dochter zulks konden beletten. Hij nam nog een teug, doch toen ontglipte de kruik aan zijne handen, zijn hoofd zwol op, zijne oogen werden vuurrood en hij viel voorover op de tafel neder.

Een groote gemoedsbeweging had zich van den hopman meester gemaakt; hij vermoedde, dat het geheim van Bentijn in verband stond met het briefje van Agnes.

»Jan!quot; riep hij, den dronkaard heen en weer schud-dende, »luister eens: gij kunt veel geld verdienen, zooveel ge maar wilt zelfs, als gij mij zegt, wat me^ dat paard moet gebeuren.quot;

»Ja, ja, een paard,quot; stotterde Bentijn half verstaanbaar.» Ik weet wel wat ik zeg, ik ben niet dronken ... laat mij liggen ... ik wil slapen... doe de gordijnen dicht.quot;

De Gruyter verkeerde in groote opgewondenheid, hij wilde den dronkaard bij den kraag vatten en het geheim als het ware uit hem schudden.

II 5 5

65

-ocr page 66-

DE BEELDSTORMERS

«Laat Jan een poosje stil liggen,quot; sprak vrouw Bentijn , den hopman tegenhoudende, »\'tgebeurt wel meer, dat hij in zulk een roes luide spreekt.quot;

»Maar als het dan eens te laat mocht zijn,quot; bemerkte De Gruyter ongeduldig.

»In \'s hemels naam , gebruik geen geweld, want dan zult gij toch niets uit hem krijgen.quot;

Alle drie hadden zij de o ogen onafgebroken op den dronkaard gevestigd, die nu en dan binnensmonds prevelde. Het waren eerst onverstaanbare klanken, doch allengs kon men enkele woorden opvangen, ofschoon zonder samenhang. Eindelijk werd hunne aandacht meer en meer gespannen, want Jan begon wat duidelijker te spreken.

«Misleiden!...\'\' herhaalde hij eenige malen, «ik weet wat ik weet... Agnes moet weg .. , van nacht

_ 5 3

nog.. .

De Gruyter kon zich niet meer bedwingen; er ontsnapte een kreet aan zijne lippen, doch Clara legde de hand op den mond en bedwong hem.

«Van nacht nog,quot; herhaalde Bentijn , «... ik begrijp alles... want het paard moet om één uur klaar staan.quot;

«Groote God, welk een schelmstuk wil men uitvoeren !quot; riep de hopman.

Hij nam haastig zijn hoed. «Hoe laat is het? \'vroeg hij, en in zijne oogen fonkelde een vuur, dat Clara deed sidderen.

66

-ocr page 67-

VAN \'s-HERTOGENBOSCH.

»\'t Is zoo even elf uur geslagen op den St. Jan antwoordde zij. En toen naar De Gruyter gaande, vervolgde zij: «Neem u in acht, hopman, gij zijt erg opgewonden.quot;

«Wie zou bedaard kunnen blijven tegenover zulke ellendelingen!quot; riep hij.

«En toch zult gij meer door bedaardheid en list dan met geweld tegen hen vermogen,quot; hernam het meisje en men zag tranen over hare wangen rollen. «Mijn vader is ook schuldig, hopman, dat weet ik wel, maar stort hem toch niet in \'t verderf.quot;

»Ja, hij is uw vader, Clara,quot; hernam De Gruyter » ... anders ... nu, goeden nacht!quot;

Hij verliet ijlings het huis.

Toen Clara hem volgde om de deur te sluiten , doorkliefde een bliksemstraal de lucht en kort daarop volgde een geweldige donderslag, die rommelend in de verte wegstierf.

«Het gaat noodweer worden, moeder,quot; sprak zij, na een kruis te hebben gemaakt, «\'t is of de zwarte lucht boven op de huizen hangt. Ik vrees dat wij een ake-ligen nacht te gemoet gaan; laat ons daarom vader naar bed brengen en dan wat gaan bidden.quot;

67

-ocr page 68-

IV.

Wanneer Jan Bentijn in zijne dronkenschap waarheid had gesproken, bleven den hopman nog twee uren over, alvorens het beraamde schelmstuk tot uitvoering zou komen. Vond hij in de genegenheid voor Agnes reeds een spoorslag om voor hare belangen te waken, nu hare pleegmoeder overleden was, had zij hem, blijkens het gezonden briefje tot haar beschermer gekozen en hij wilde zich die onderscheiding waardig maken, al moest daarvoor ook zijn leven op het spel gezet worden.

Als men in aanmerking neemt onder welke omstandigheden en hoe plotseling de hopman de tijding ontving van den geheimzinnigen aanslag, is niets natuur-

-ocr page 69-

DE BEELDSTORMERS VAN \'S-HERTOGENBOSCH. 69

iijker, dan dat hij onbesuisd, zonder beraad op de vesting losging. Wij hooren dan ook , weinige seconden nadat hij de woning van den ex-zanger verlaten heeft, den ijzeren klopper op de deur van het huis met den «Hoornquot; vallen.

Moest die stap echter niet zeer onberaden genoemd worden ? Agnes werd streng bewaakt, en wanneer zij daarom zoo geheimzinnig te werk ging, zou hij geen toegang tot haar kunnen krijgen, ook al had hij een meer geschikt uur gekozen. Dat Agylaeus afwezig was, wist de hopman niet, doch in het omgekeerde geval zou al \'t geen hij voor Agnes wilde doen niet weinig hebben bijgedragen , om het gevaar nog te vergrooten.

Bij de gemoedsstemming, waarin De Gruyter verkeerde , dacht hij echter aan dat alles niet, en toen hij een paar minuten ongeduldig had gewacht, viel de klopper nog eens op de deur, ditmaal veel harder. Hij was niet de man van kronkelpaden en sluipwegen en \'t moet in zeker opzicht kordaat van hem genoemd worden, dat hij zich onverwijld tusschen den eervergeten voogd en diens pupil wilde werpen; onder andere omstandigheden zou hij echter ongetwijfeld een meer veiligen weg hebben ingeslagen, \'t Is een oude waarheid, die altijd nieuw blijft, dat de mensch zich zeiven niet weet te beheerschen, wanneer het hart den boventoon voert. Hieraan is het dan ook toe te schrijven , dat de twee uren, die den hopman \'nog over-

-ocr page 70-

DE BEELUSTORMËRS

bleven, slechts oogenblikken schenen, terwijl de seconden, die hij in onzekerheid moest doorbrengen, hem eindeloos voorkwamen.

Nogmaals viel de klopper en kort daarop meende De Gruyter binnenshuis eenig gerucht te hooren. Men vond in dien tijd en nog lang daarna aan voorname huizen naast de deur kleine tralie venstertjes, die van binnen met een luikje gesloten werden. Zij dienden om in gemeenschap te kunnen zijn met hen die buiten stonden, zonder dat de deur geopend behoefde te worden. Zulk een luikje scheen ook nu geopend te zijn, doch ofschoon daarvan uithoofde der duisternis niets zichtbaar was, riep De Gruyter aanstonds, zonder de gewone vraag af te wachten :

»Ik moet terstond heer Agylaeus over een zeer gewichtige zaak spreken.quot;

Hij kreeg geen antwoord en zag niemand, ook niet toen hij zijn vraag herhaald had, doch eensklaps schoot een felle bliksemstraal door de lucht, en nu ontwaarde hij voor het tralievenster het boevengezicht van Willem Michelsz. Laatstgenoemde had nu echter ook gezien, wie het was, die op zulk een onstuimige wijze toegang vroeg en wierp haastig het luikje weder dicht.

Een zware donderslag, die onmiddellijk volgde, was oorzaak dat men daar in de buurt niet kon hooren hoe geweldig de hopman op de deur bonsde. Hij was

70

-ocr page 71-

VAN *5-HERTOGENBOSCH.

schier buiten zich zeiven van woede, want volgens de zonderlinge woorden van Jan Bentijn was Willem Michelsz. de persoon, aan wien men de uitvoering van het schelmstuk toevertrouwd had. Eensklaps scheen hij zich echter te bezinnen; het gezond verstand kwam tot zijne rechten en men hoorde hem zeggen:

»Ik ben een dwaas! Clara had gelijk: geweld vermag hier niets, en wie weet of ik door mijne onstuimigheid niet reeds veel bedorven heb. Ik ga de hulp der overheid inroepen tegen Agylaeus en zijne huurlingen ; zoover zal het in onze stad nog wel niet gekomen zijn, dat dergelijke schandelijkheden door de vingers gezien worden.quot;

Hij verwijderde zich haastig en liep in allerijl de Groote Markt over naar de Kerkstraat, waar de schout woonde. Hier kreeg hij spoediger gehoor dan in het huis met den «Hoorn,quot; want de bewoners hadden zich, uithoofde van het onweder, nog niet ter rust begeven. De schout was verbaasd over zijne komst op zulk een ontijdig uur en vroeg naar de oorzaak daarvan. De Gruyter deelde kort en bondig mede, dat de advocaat Agylaeus voornemens scheen te zijn, nog denzelfden nacht zijne nicht en pupil in \'t geheim te doen ontvoeren. De schout zette groote oogen op en verlangde te weten, hoe de hopman kennis kon dragen van zoodanig plan, wanneer het geheim gehouden moest worden.

71

-ocr page 72-

DE BEELDSTORMERS

Hier geraakte De Gruyter in eene moeielijke positie. Hij stelde weinig vertrouwen in den schout, die niet krachtdadig genoeg tegen de ontevredenen optrad, om vrij te blijven van de verdenking, dat hij in \'t geheim met de nieuwgezinden heulde, en mocht daarenboven noch Lena, noch het huisgezin van den oud-zanger in gevaar brengen.

»Ik kan mij daarover niet uitlaten, heer schout,quot; sprak hij, »maar wees verzekerd dat ik goed ingelicht ben; \'t is mij zelfs bekend, dat de schandelijke aanslag op de vrijheid van het jonge meisje dezen nacht om een uur moet plaats hebben.quot;

De schout glimlachte. ))Gij zijt opgewonden, hopman zeide hij, »en verlangt iets van mij , dat u bij bedaard nadenken ongerijmd moet toeschijnen.quot;

» Ongerijmd, schout ?quot;

»Zeker. Gij wilt dat ik van mijn gezag gebruik zal maken tegen een der eerbiedwaardigste burgers dezer stad, en wel alleen omdat deze, volgens uwe meening , iets schijnt te willen doen, wat niet met uwe persoonlijke belangen strookt.quot;

De laatste woorden werden zeer langzaam uitgesproken.

»Ik ben niet hier gekomen voor persoonlijke belangen , maar om een misdrijf te verhoeden, dat onder uwe oogen gaat plaats grijpen,quot; sprak De Gruyter. »Wanneer gij mij volmacht en de noodige ondersteuning wilt geven, zal ik u voor het aanbreken van

72

-ocr page 73-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

den dag bewijzen, dat die eerbiedwaardige burger een schurk is.quot;

»Dat zijn gevaarlijke woorden, hopman,quot; hernam de schout, die, althans uiterlijk, zeer bedaard bleef; wals ik u een goeden raad mag geven, kom dan morgen met mij spreken, gij zult na den nacht waarschijnlijk kalmer zijn.quot;

» En ik heb u immers reeds gezegd, dat het schelmstuk nog dezen nacht gepleegd zal worden !quot; riep De Gruyter.

De schout schudde het hoofd.

«Zoolang mij geen voldoende bewijzen gegeven worden,quot; sprak hij, »kan ik geen maatregelen nemen als gij verlangt, daar zij natuurlijk groot opzien zouden baren.quot;

»Welnu dan,quot; sprak De Gruyter,» de nichten pupil van den advocaat heeft mij schriftelijk kennis gegev en van het gevaar, waarin zij verkeert, en ik weet dat hij, die haar zal ontvoeren , zich op dit oogenblik reeds in h et huis met den «Hoornquot; bevindt.quot;

De schout glimlachte andermaal. »Ik dacht \'t wel, dat uw gemoed door een teedere snaar in beroering gebracht was, hopman,quot; zeide hij. «Mag ik dat briefje eens zien ?quot;

»Ik ben daartoe niet gerechtigd, maar wil gaarne mijn eerewoord voor de waarheid verpanden,quot; antwoordde De Gruyter.

De schout schudde weder het hoofd, doch gaf geen antwoord.

73

-ocr page 74-

DE BEELDSTORMERS

Te midden der geweldige donderslagen, die elkander onafgebroken opvolgden, kon men den toren van * St. Jan halftwaalf hooren slaan. De hopman zat als op heete kolen, hij kon zijn ongeduld niet langer bedwingen en voegde den schout woorden toe, die hem reeds lang op de lippen gebrand hadden.

» Wanneer mijn eerewoord voor u geen waarde heeft, heer schout,quot; sprak hij, »dan moet het u toch dezen avond reeds gebleken zijn, dat de advocaat Agylaeus iets buitengewoons in zijn schild voert.quot;

«Gij wilt mij, naar \'t schijnt, raadsels opgeven,quot; zeide de schout, terwijl zijn gelaat merkbaar betrok.

»Is het dan niet waar, dat door u aan hem een verlof briefje voor het openen der Vuchterpoort is afgegeven?quot; vroeg de hopman.

De schout beet zich op de lippen. »Ik ben niet gewoon ondervraagd te worden, jonkman,quot; sprak hij spijtig. «Het komt mij voor, dat een hopman te veel besef van dienstzaken moet hebben, om zulke ongerijmde vragen te doen,quot;

«Gij weigert dus gehoor te geven aan mijne waarschuwing?quot; vroeg De Gruyter terwijl hij opstond.

«Ik weiger elke onbescheiden vraag te beantwoorden,quot; zei de schout. «Volg mijn raad en ga naar huis; morgen zult gij met mij inzien, dat ik de stad niet in rep en roer mag brengen ter wille van iemand, die te opgewonden is om bedaard te kunnen denken

74

-ocr page 75-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

en wiens hoofd waarschijnlijk op hol is gebracht door de verliefde grillen van een jong meisje.quot;

De hopman gloeide van verontwaardiging. Hij vroeg nog slechts of de schout hem dan ook een verlofbriefje wilde geven om de Vuchterpoort te doen openen, doch kreeg een kort maar weigerend antwoord.

Nu sprak hij geen woord meer, maar wierp een blik vol verachting op den schout en verliet haastig het huis.

Reeds was een half uur voorbij gegaan en nog had hij niets kunnen doen om het schandelijke plan van den advocaat te verijdelen. Hij snelde verschillende straten door, ging even naar zijne woning, gespte daar zijn rapier om de lenden en stormde toen weder voort.

Waarheen? Loodzwaar hingen de zwarte wolken boven de stad; verschillende buien waren met elkander in botsing geraakt, als volksstroomen bij een oproerige beweging, die elkander den doortocht betwisten ; uit die opeengehoopte stoffen schoten onophoudelijk bleeke vuurstralen en dan volgden slagen, die de gebouwen op hunne grondvesten deden trillen. Eensklaps werd De Gruyter in zijn vaart gestuit. Een angstkreet ontsnapte aan zijn mond en hij maakte het teeken des kruises. Een felle bliksemstraal had zich snel als de gedachte boven de beroemde kathedraal van St. Jan bewogen en scheen den prachtigen houten toren

75

-ocr page 76-

DE BEELDSTOBMERS

op het kruis, nog eerst weinige jaren voltooid, te treffen, want de gouden haan schitterde als bij volle daglicht. Hij beefde voor den heerlijken tempel, de trots der Bosschenaars, het pronkjuweel der middel-eeuwsche architectuur en er steeg een zucht van verlichting en verademing uit zijne borst op, toen hij zag dat het gevaar geweken was.

Had de kloeke hopman, het waardige lid der Illustre Broederschap , kunnen vermoeden dat een ander vuur, door de hel aangeblazen, slechts korten tijd daarna dat heerlijke Godshuis, die beminde woonstede der Zoete Lieve Vrouw zou onteeren en van zijne sieraden berooven, dat menschen, die zich Christenen noemden, in den zwijmelroes van hun fanatisme in dat heiligdom den sabbat der revolutie zouden vieren, hij zou waarschijnlijk gewenscht hebben, dat de bliksem het eerwaardige gebouw tot den grond verwoest had. Thans ging hij met een eenigszins verlicht gemoed verder.

Waarheen? Het zou ongerijmd geweest zijn te verwachten, dat de wacht aan de Vuchterpoort hem bijstand of zelfs een doortocht wilde verleenen; welk gezag of welken invloed hij als hopman ook mocht bezitten, daar viel niet aan te denken. Slechts één uitzicht bleef hem over. Op de hoogte van den Grooten Hekel lag in de vestinggracht een schuitje, dat hem toebehoorde en waarmede hij nu en dan op

76

-ocr page 77-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

de rivier ging visschen. Ten einde dat vaartuigje tegen ontvreemding te beveiligen, had hij vergunning verzocht en verkregen, om het aan den vestingmuur vast te leggen. Wilde hij gaan visschen, dan werd hem van de nabijgelegen wachtpost een ladder verstrekt, waarmede hij van de vesting afdaalde en ook weder in de stad terugkeerde. Met dit schuitje wilde hij thans trachten buiten de vesting te komen en op den grooten weg naar Vucht den ontvoerder van Agnes afwachten. Dit was zeker een wanhopige poging , doch er bleef hem niets anders over en hij stelde veel vertrouwen in de rechtvaardigheid zijner zaak.

Hoe echter het bedoelde schuitje te bereiken? De wacht zou hem in dat ongelegen uur natuurlijk niet ten dienste staan, en de wallen werden gedurende den nacht streng bewaakt; hij moest dus een list verzinnen en nog vele bezwaren het hoofd bieden. Aan den Grooten Hekel woonde zekere Wouter Harm-sen , een touwslager, die kort te voren van de overheid vergunning had verkregen, om in de nabijheid van den wal eene lijnbaan aan te leggen. Wouter Harmsen was een jonkman van ruim vijf en twintig jaren, wiens ouders overleden waren en die zich door zijn vlijt een weg had weten te banen. Nog slechts weinige jaren geleden zou de hopman zeker op zijn bijstand hebben kunnen rekenen, want de

77

-ocr page 78-

DE BEELDSTORMERS

ouders van Wouter, die vroeger onder Vucht woonden, hadden groote verplichting aan den vader van den hopman De Gruyter, een verplichting, die dag-teekende van den tijd, toen Maarten Van Rossem met zijn woeste bende een gedeelte van Vucht in de asch legde. Sedert twee jaren hadden echter omstandigheden, die met de woelingen van dien tijd in verband stonden, verkoeling tusschen beide jongelingen teweeggebracht, welke meermalen aanleiding had gegeven tot hevige woordenwisseling. De jonge touwslager had namelijk zijn geloof verzaakt en nam, onder begunstiging van Everzwijn en Agylaeus, ijverig deel aan de woelingen van dien tijd.

Het was dus wel een zwak anker, waarop de hopman zijne hoop bouwde, toen hij besloot de hulp van Harmsen in te roepen, doch er bleef hem geen andere weg meer over.

Zooals men weet, ligt de Groote Hekel niet ver van de St.-Janskerk en wij hooren dan ook De Gruyter bij Harmsen aankloppen, kort nadat hij de kerk door den feilen bliksemstraal bedreigd meende te zien. De touwslager was niet weinig verbaasd, toen hij midden in den nacht en bij zulk een weder den hopman voor zich zag.

«Laat mij een oogenblik bij u binnen,quot; sprak De Gruyter gejaagd, »ik wensch u te spreken , Wouter.quot;

Harmsen voldeed aan het verzoek en bood hem

78

-ocr page 79-

VAN \'s-HERTOGENBOSCH.

een stoel aan zonder eenig antwoord te geven.

«Wilt gij mij een dienst bewijzen, Wouter?quot; vroeg de hopman hijgend, want hij was schier geheel buiten adem.

«Als gij niets vergt dat met mijn plicht of mijne overtuiging in strijd is, ben ik bereid,quot; antwoordde de touwslager. «Gij komt waarschijnlijk hier een schuilplaats zoeken,quot; vervolgde hij, verwonderd over den ongewonen toestand, waarin De Gruyter verkeerde.

De hopman schudde het hoofd.

«Wanneer ik in het water tegen den dood worstelde, zoudt gij een poging doen om mij te redden ?quot; vroeg hij.

«Met gevaar van mijn leven!quot; klonk het antwoord.

«Luister dan. Wouter,quot; hernam De Gruyter. «Ik acht mijn leven niets bij \'t geen op dit oogenblik op het spel staat. Mijne veiligheid wordt niet bedreigd, maar ik moet binnen een uur ongemerkt buiten de vesting op den weg naar Vucht zijn, en gij weet, dat de poort niet zonder buitengewone vergunning geopend wordt.quot;

De touwslager knikte toestemmend.

«Het is u ook bekend, dat mijn schuitje niet ver van hier tegen de veste ligt. Langs den gewonen weg kan ik het nu niet bereiken, maar als gij mij wildet bijstaan, zou ik er met behulp van een flink touw in afdalen en zoo mijn doel bereiken kunnen.quot;

79

-ocr page 80-

DE BEELDSTORM ERS

Het gelaat van Harmsen betrok merkbaar. »\'t Doet mij leed, hopman , dat ik u niet van dienst kan zijn sprak hij ontroerd.

«Gij deinst dus voor het gevaar terug!quot;

»Ik heb gezegd, dat ik mijn leven voor u zou willen wagen als het noodig mocht zijn, want ik weet wat ik aan uw naam verschuldigd ben, maar ik ken nog eene hooger verplichting dan die de dankbaarheid eischt. Wij zijn tegenstanders, hopman, zoowel in godsdienstige als staatkundige overtuiging. Gij dient eene partij , die mij en mijne geestverwanten onderdrukt ; gij ijvert voor den Spanjaard , die ons uitzuigt, gij wilt de vrijheid van geweten in bloed gesmoord zien en ik kan, zonder mijne overtuiging geweld aan te doen, niet medewerken om de belangen uwer partij te bevorderen.\'\'

«Gij bedriegt u, Wouter,quot; hernam de Gruyter.

«Laat mij uitspreken, hopman,quot; vervolgde de jongeling, «want ik wil niet, dat gij mij verkeerd zult verstaan. Toen Maarten van Rossem Vucht deed afbranden, zouden mijne ouders, zonder de tusschen-komst van uw vader alles, wellicht ook het leven verloren hebben. Dat zal ik nimmer vergeten en kan ik onmogelijk naar waarde vergelden. Vraag van mij wat gij wilt, geld en goed, maar verlang niet, dat ik tegen mijne overtuiging en mijn geweten zal handelen.quot;

«Ik zeg immers dat gij u vergist. Wouter,quot; her-

80

-ocr page 81-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

nam De Gruyter getroffen; »\'t is een persoonlijke dienst, dien gij mij bewijst; dat gij u aan gevaar blootstelt mag ik niet ontkennen, doch ik verzeker u, dat noch uw geweten, noch uwe overtuiging daarmede iets te maken hebben.quot;

De jongeling geraakte in tweestrijd, \'t Was hem bekend, dat dien avond het eerste consistorie was gehouden, hij wist dat dien nacht zich vreemdelingen in de stad ophielden, die door de regeering gesignaleerd waren als oproermakers en rustverstoorders; wat was dus natuurlijker dan dat hij in den hopman een spion meende te zien, die ijlings de stad wilde verlaten , om hen te verraden en over te leveren.

«Welnu,quot; sprak hij na «eenige oogenblikken, »als gij mij uw geheim wilt toevertrouwen, beloof ik u bij te staan, voor zoover ik vermag; uw geheim zal ik als eerlijk man weten te bewaren.quot;

«Luister dan, Wouter,quot; zei De Gruyter. «Gij kent de nicht van den advocaat Agylaeus.quot;

De jongeling knikte veelbeteekenend.

»Welnu, dat jonge meisje wordt dezen nacht ontvoerd door een der betaalde handlangers van den advocaat. Ik ben zoo even bij den schout geweest om dien aanslag te verijdelen, doch werd afgewezen, en nu blijft mij niets over dan op den weg naar Vucht de ontvoering met geweld te verhinderen.quot;

De touwslager fronste de wenkbrauwen. «Ik II 5 6

81

-ocr page 82-

DE BEELDSTORMERS

wil openhartig zijn, De Gruyter , sprak hij. »De opgewondenheid, waarin gij verkeert, schijnt u te doen vergeten, dat hier nog andere belangen dan persoonlijke in het spel zijn. Ik kan niet be-oordeelen waarom Agylaeus zijne nicht in den nacht uit de stad wil brengen, doch als hij haar wil onttrekken aan een invloed, die tegen zijne overtuiging strijdt en wellicht aan een macht, waartegen hij met opgewassen is, dan kan men hem daarom in onzen tijd nog niet verongelijken. Gij weet dat de spanning tegenwoordig groot is. De overleden vrouw van den advocaat was een dweepster; wie weet welke maatregelen zij heeft genomen om de nicht aan haar rechtmatigen voogd te onttrekken, en ik kan en mag daarin niet meewerken.quot;

»Hoe,quot; sprak de hopman verontwaardigd, »gij durft het schelmstuk van den eerloozenadvocaat verdedigen?quot;

«Als Agylaeus een eerlooze moet heeten, omdat hij niet ter Mis gaat,quot; hernam Harmsen vrij driftig, »dan zult gij mij ook met dien naam kunnen bestempelen.\'

De Gruyter stond op; hij begreep dat het gesprek een wending had genomen, waaruit niets dan verbittering kon voortspruiten. Hij wilde vertrekken, want een beroep op de rechtschapenheid van Wouter zou niets baten, doch daar vloog hem plotseling eene gedachte in, zooals de mensch wel eens meer gegeven

82

-ocr page 83-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

wordt, wanneer het gevaar ten top gestegen is: een reddingsplank in den uitersten nood.

»Wanneer Clara Bentijn verneemt dat gij geweigerd hebt mij dezen dienst te bewijzen, zal zij u niet meer beklagen, maar verachten,quot; sprak hij met nadruk.

»Clara Bentijn! \' riep de touwslager, terwijl hij insgelijks opstond____» Wat heeft Clara met dit alles te maken?quot;

»\'t Is door haar, dat het schelmstuk bekend is geworden,quot; hernam De Gruyter.

»Gij spreekt herhaaldelijk van een schelmstuk, hopman,quot; zeide Harmsen; »ik meen echter uit zeer goede bron te weten, dat Agnes de leer der nieuwgezinden toegedaan is en slechts den dood harer moei heeft willen afwachten, om daarvoor openlijk uit te komen. Wat is nu natuurlijker, dan dat zij zich onverwacht verwijdert om de strikken te ontkomen van hen, die haar geweten geweld willen aandoen ?quot;

»Men heeft u misleid, Wouter,quot; sprak De Gruyter, verbaasd over zulk een verregaande valschheid. «Gij zijt in handen van eerloozen gevallen, arme vriend, die u in een net van bedriegerijen wikkelen, omdat uw eerlijk gemoed anders in opstand zou komen tegen hunne snoode plannen. Gelooft gij Clara Bentijn?quot;

«Onvoorwaardelijk!quot; klonk het gulle antwoord. »Clara Bentijn is de oprechtheid zelve, nooit heb ik eene onwaarheid uit haar mond gehoord; zij is een engel, zij....quot;

83

-ocr page 84-

de beeldstormers

«Genoeg, Wouter, genoeg! Hoor dan mijn laatste woord, er blijft mij geen oogenblik meer over, want zoo gij mijn verzoek van de hand wijst, ga ik alleen bij het huis met den »Hoornquot; post vatten, al zou ook de gansche stad in rep en roer komen. Agnes heeft gisteren aan Clara Bentijn, bij het lijk harer moei, verzekerd, dat haar geweten geweld wordt aangedaan , dat men haar wil uithuwelijken aan iemand, dien zij veracht, en haar dezen avond in \'t geheim laten weten, dat hare vrijheid bedreigd wordt. Door Clara weet ik ook, dat Agnes dezen nacht ten een uur met geweld ontvoerd zal worden, en ik kan er nog bijvoegen, dat Willem Michelsz. met de uitvoering belast is.

De touwslager stond een oogenblik in beraad.

«Welnu,\'\' zeide hij toen haastig, »Clara zal ondervinden, dat ik geen verachting verdien, al is ook een scheidsmuur tusschen ons opgetrokken. Ik ben bereid u bij te staan, zeg mij eerst welk plan gij hebt.quot;

»Er blijft mij nu slechts over den ontvoerder op den weg naar Vucht van zijne prooi te berooven.

«Een groot waagstuk, dat wel eens in uw nadeel kon uitvallen,quot; hernam de touwslager.

«In \'shemels naam,\'\' sprak De Gruyter, «doch wij mogen geen tijd meer verliezen. Hebt gij een geschikte lijn bij de hand?quot;

«In een oogenblik,quot; antwoordde Wouter, en hij verdween uit het vertrek.

84

-ocr page 85-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

Het sloeg twaaf uur op den toren van St.-Jan. 1t Was of de hopman met eiken slag een pijnlijken schok gevoelde. Reeds was een uur voorbijgegaan, sinds hij de woning van Jan Bentijn verliet; de helft van den tijd was verstreken en hij had nog niets kunnen doen om den aanslag te verijdelen. De tegenkanting, de teleurstelling, die hij moest ondervinden , mocht zeer groot heeten, doch wie weet hoe noodlottig de afloop voor hem zou zijn geweest, wanneer die tegenkantingen niet bestaan hadden. Daar woelde in den beginne iets in hem, waarvoor hij later huiverde; het was eigenlijk geen verontwaardiging over den snooden aanslag , dien men op Agnes wilde plegen, maar veeleer een wilde gemoedsbeweging, die om wraak riep, die naar bloed vroeg. Dat was nu voorbij, en al bleef hij ook bij zijn besluit, om zijn leven voor Agnes te wagen en alle gevaar te trotseeren, er waren daarbij geen roerselen aanwezig, waarvoor zijn nauwgezet geweten zich behoefde te schamen.

Harmsen kwam spoedig met een lijn terug en beide jongelingen verlieten haastig , maar zoo stil mogelijk de touwslagerij. De donderbuien hingen nog altijd boven de stad, zij braakten onophoudelijk vurige pijlen, die aan de lucht, welke zij met onberekenbare snelheid doorkliefden, jammerkreten afpersten, welke de oude veste op hare grondslagen deden sid-

83

-ocr page 86-

DE BEELDSTORMERS

deren. Nu waren er sedert eenige oogenblikken zware regendroppelen gevallen, eerst traag en loom, als hadden zij zich slechts met moeite van de zwarte massa kunnen losmaken, daarna met meerdere snelheid en toenemende hoeveelheid, en toen de beide jongelingen zich buiten begaven, viel het water als bij stroomen van den hemel neder.

Er heerschte een tastbare duisternis, men kon geen schrede voor zich uitzien, doch Harmsen zou daar den weg hebben kunnen vinden, al had men hem een doek voor de oogen gebonden, en. zoo kwam het dat zij, ofschoon ook druipnat, toch ongemoeid den wal bereikten.

«Waar ligt de schuit?quot; vroeg de touwslager

nauwelijks hoorbaar.

«Dicht bij het wachthuis.quot;

«Maar daar kunt gij onmogelijk afdalen zondereenig

gerucht te veroorzaken.quot;

«Daarom wil ik het hier wagen en dan desnoods

de schuit zwemmende zoeken.\'

Het was niet te zien, dat Harmsen het hoofd schudde. »Gij zoekt den dood, De Gruyter! sprak hij

zacht en zijne stem beefde.

De hopman drukte hem de hand. «Wees gerust, fluisterde hij, «ik ben een geoefend zwemmer, doch vlei mij, dat ik de gracht wel zal kunnen bereiken, zonder mijne krachten te beproeven. Laat ons nu met

86

-ocr page 87-

VAN \'S-HERTOGEN BOSCH.

langer talmen, want mijn tijd is kostbaar. Ik weet dat in dezen muur zware ijzeren ringen zijn, waaraan de stukken geschut bevestigd worden, doe het eene eind der lijn door zulk een ring, om een tegenwicht te krijgen bij het afdalen, ik zal aan het andere einde een strop maken.quot;

Wouter vond na eenige oogenblikken zulk een ring; De Gruyter maakte een groote lis in de lijn en sloeg die zoodanig over het lijf, dat de knoop op zijn rug zat en de armen vrij bleven.

«Hoe ook de uitslag moge zijn, Wouter,quot; zeide hij, »ik zal nimmer den dienst vergeten, dien gij mij thans bewijst.quot;

))En hoe zal ik te weten komen of gij de schuit bereikt hebt?quot;

»Ik kan u geen teeken geven zonder mij in gevaar , te brengen. Mocht mij een ongeluk overkomen, geef dan dezen rozenkrans aan Clara Bentijn en verzoek haar voor mijne zielerust te bidden en — gij moet niet kwaad worden — ook voor uwe bekeering, mijn vriend.quot;

Hij gaf nogmaals Wouter, die getroffen scheen te zijn, de hand , klom op den muur en begon zijn gevaarlijken tocht.

Wouter liet het touw langzaam vieren tot de spanning ophield; toen wachtte hij een oogenblik en trok daarna de lijn zonder eenigen tegenstand op. Hij spitste

87

-ocr page 88-

DE BEELDSTORMERS

de ooren, om, zooveel de opvolgende donderslagen dat gedoogden, te luisteren, doch hoorde niets. Daar was iets in zijn rechtschapen gemoed, dat in opstand kwam tegen de werkeloosheid, waartoe hij gedoemd was. »Als ik in het water met den dood worstelde, zoudt gij mij te hulp komen?quot; klonk het in zijn binnenste, en wellicht stak de hopman op dat oogenblik de handen uit om redding te zoeken. In weerwil van den plasregen stond hij daar nog, toen het op den toren van St Jan halfeen sloeg, doch hij vernam zelfs het minste gerucht niet en keerde toen met een bedrukt gemoed naar zijne woning terug.

De Gruyter had zich niet vergist, het water stond laag in de gracht, er was een kleine zoom gronds langs den vestingmuur, wel niet zóó dat men droogvoets kon gaan, maar voldoende om zich een weg te banen, die daar natuurlijk als vanzelve afgebakend was. Hij ging met de noodige voorzichtigheid vooruit, in de richting waar,zijn schuit lag; somwijlen zakte hij wel tot aan de knieën in den modder, doch zulk een tegenstand wist hij te overwinnen en het mocht hem eindelijk gelukken zijn vaartuig te bereiken. Kort daarna hoorde men riemslagen, die zeker voor de wacht niet onopgemerkt zouden zijn gebleven, indien het waagstuk in een gewonen zomernacht uitgevoerd was , doch de donder ratelde en rommelde nog altijd onafgebroken. Onze hopman bezat veel meer zelfbeheersching

88

-ocr page 89-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

dan een uur geleden, hij roeide met zooveel gematigdheid voort als de behoedzaamheid eischte, ofschoon hij door ongeduld verteerd werd. Hoe lang scheen het niet geleden, dat zijn gemoed diep geschokt werd door de onsamenhangende woorden van den dronken oud-zanger. Nog geen twee uren ? onmogelijk! Hij had zich waarschijnlijk vergist, toen hij in de woning van Harmsen meende dat het twaalf uur sloeg; het moest toen reeds later geweest zijn, hij had wellicht de donderslagen geteld.

Als zulke gedachten door het hoofd vliegen, is het moeilijk zich zeiven te beheerschen.

De hopman luisterde. Sloeg daar niet weder de klok? Eenmaal slechts.

Het kon halftwee, het kon ook één uur zijn. En dan was het te laat.... Zijne gespierde handen omklemden vaster de riemen, die nu met meer onstuimigheid in het water sloegen.

De hopman was nu niet ver meer van de rivier, waarin zich de gracht uitstort, hij roeide met verdubbelde kracht naar den oever en had dien bijna bereikt, toen zich op den wal bij de Vuchterpoort gerucht deed hooren. Hij kon niets zien, maar meende dat alarm gemaakt werd; een oogenblik later vertoonde zich een lantaarn op de borstwering en eindelijk hoorde hij de trompet blazen.

Er viel niet meer aan te twijfelen: men had de

89

-ocr page 90-

DE BEELDSTORMERS

riemslagen in het water vernomen. De hopman sprong ijlings uit de boot. Eerst was hij voornemens zich in het nabijgelegen struikgewas te verschuilen, doch bij nadenken kwam hem dit ondoelmatig voor. Op den wal dacht men aan onraad en wanneer er in de nabijheid der poort eene schermutseling moest plaats hebben, zou hij altijd het onderspit delven. Hij ging dus den weg naar Vucht op. te midden van een aanhoudenden plasregen. Nu en dan schoot een felle bliksemstraal door het luchtruim, welks licht hem den schier ocbegaanbaren weg afteekende en dan zag hij hier en daar ook nog de overblijfselen der rampzalige verwoesting, door Maarten van Rossem in \'t jaar -1543 veroorzaakt, welke voor het dorp Vucht zoo noodlottig was en waaraan Tilburg grootendeels den grondslag van zijn fabriekswezen te danken heeft, dewijl verschillende fabrikanten, die zich niet meer veilig achtten in de nabijheid der beroemde sterkte, zich daar gingen vestigen.

Zoo bereikte de hopman het dorp, toen eensklaps eenig geluid zijne aandacht trok. Hij meende het getrappel van een paard te hooren, doch dat geluid verdween weer even spoedig. Zou hij zich vergist hebben ? Een oogenblik later vernam hij het andermaal, nu veel duidelijker en het kwam al nader en nader. Het was tevergeefs, dat hij de hand boven de oogen hield, de dikke regengordijn vermocht hij niet te door-

90

-ocr page 91-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

boren. Eensklaps was het of een schim uit de diepte voor hem oprees.

»Sta!quot; riep hij, »zoo gij uw leven liefhebt.quot;

Hij had reeds met de linkerhand de teugels van een paard gegrepen en zou ongetwijfeld meegesleept zijn, hadde hij niet over buitengewone krachten kunnen beschikken.

Een vloek was het antwoord.

«Ik ken u, Willem Michielsz.,quot; hernam de hopman, »en bij den hemel, gij zijt een man des doods, zoo gij niet terstond afstijgt.quot;

De Gruyter had zijn zijdgeweer getrokken en stond in dreigende houding, ofschoon bijna onzichtbaar, voor zijn vijand.

«Wat wilt gij van mij?quot; vroeg de ruiter blijkbaar ontsteld.

»Ik wil, dat gij afstand zult doen van uw buit, eerlooze!quot; riep de hopman.

Hij kreeg geen antwoord, maar de ruiter scheen zijn paard de sporen te geven, want het begon geweldig te steigeren, en toen De Gruyter nogmaals tevergeefs zijne bedreiging herhaald had, stak hij het dier zijn rapier diep in de borst, zoodat het onmiddellijk dood neerviel. Op hetzelfde oogenblik echter, dat hij zich op den ruiter wilde werpen, werd hem zulk een geweldige slag op het hoofd toegebracht, dat hij ineenzonk zonder een enkelen kreet te doen hooren.

91

-ocr page 92-

DE BEELDSTORMERS

Dat alles was het werk van een oogenblik geweest. Zij, die in de nabijheid woonden en door het on-weder uit den slaap gehouden waren, hadden in de verte de ruwe woordenwisseling gehoord, die echter spoedig eindigde. De stilte, welke daarop volgde , werd na eenige minuten weder afgebroken door het getrappel van een paard, dat snel door het dorp reed en den weg naar Tilburg insloeg.

De worsteling had plaats gegrepen in de nabijheid van de pastorie der parochie van den H. Lam-bertus 1). De pastoor, die zich ook nog niet ter rust begeven, maar sinds meer dan een uur onophoudelijk gebeden had, opdat God hem en zijne parochianen voor het vuur des hemels mocht sparen, verliet zijn slaapkamer, om te vernemen of ook eenig ongeluk oorzaak kon zijn van het buitengewone gerucht, zoo laat in den nacht en bij zulk een noodweer.

«Wat zou er buiten gaande geweest zijn, Mieke?\'\' vroeg hij aan zijn oude dienstmeid, die bij een lampje zat en haar rozenkrans bad.

))Het waren waarschijnlijk zatlappen 2), die door het onweder overvallen zijn en wat laat gepooid

1) In het jaar 1829 is de parochie van St. Lambertus opgeheven en werd de pastoreele woning verkocht. Thans ziet men op die plaats een heerenhuis met kolommen.

2) Drinkebroers.

92

-ocr page 93-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

hebben in den «Verloren Zoon,quot; antwoordde zij, »\'t is nu weer stil.quot;

De pastoor schudde het hoofd. »Dat geloof ik niet,quot; hernam hij, »het scheen er woest toe te gaan en ik heb een zwaren, doffen slag gehoord; er kan wel een misdaad gepleegd zijn; steek daarom de lantaarn aan, ik wil eens gaan zien.quot;

Mieke schudde nu ook het hoofd. Zij gaf te kennen, dat ieder bij zulk een noodweer te veel met zijn eigen ziel te doen had, om aan een misdaad te denken, doch ging desniettemin het gevraagde licht halen. Middelerwijl zij daarmede bezig was, hoorde men andermaal gerucht in de nabijheid, en toen de pastoor, vergezeld van zijne oude dienstbode, buiten kwam, vernamen zij ook het paardengetrappel, waarvan wij gesproken hebben.

De pastoor, die de lantaarn droeg, zocht in de nabijheid der pastorie overal rond; door het kleine licht en den zwaren regen kon hij echter slechts een paar voetstappen van zich afzien, en hij zou waarschijnlijk teruggekeerd zijn, zoo een bliksemstraal hem niet te hulp ware gekomen.

«Daar schijnt iets te liggen,quot; sprak hij, en stapte door de groote plassen naar het aangeduide voorwerp. Het was het paard, door den hopman gedood; zijn bloed had zich reeds in een wijden omtrek met het water gemengd. Toen de pastoor, tot nader onder-

93

-ocr page 94-

DE BEELDSTORMERS

zoek, het licht van de lantaarn op den bloedigen romp liet vallen, gaf de meid eensklaps een gil.

» Jesus, Maria!quot; riep zij,» hier is een moord gepleegd.

De priester bestrafte haar voor die luidruchtigheid en maakte de opmerking, dat er slechts spraak was van een paard.

«Maar zie dan eens hier, pastoor____hier!quot; hernam zij, over al hare leden bevende.

Zij wees op De Gruyter, die achter het paard lag, midden in een plas bloedig water.

«Groote God! hier is werkelijk een moord gepleegd,quot; riep de priester ontroerd uit.

Hij gaf de lantaarn aan Mieke en bukte zich om een onderzoek in te stellen. De ongelukkige lag roerloos , zijn gelaat was geheel met bloed bemorst, doch ofschoon zich ook geen enkel teeken van ademhaling vertoonde , schenen de levensgeesten nog niet geheel uitgebluscht te zijn.

»Och arme, zoo\'n jonge borst!quot; riep Mieke weeklagend uit, terwijl tranen over hare wangen rolden.

»Er moet raad geschaft worden,quot; sprak de pastoor, »wij kunnen dien ongelukkige hier niet laten.quot;

»Zal ik een van de buren opkloppen ?quot; vroeg Mieke.

«Neen, neen,quot; riep de pastoor haastig; »\'t is een ongelukkige tijd, en men weet niet in welke moeielijkheden men de menschen kan brengen. Als het zoo donker niet was, zouden we hem wel naar huis dragen, maar....quot;

94

-ocr page 95-

VAN \'S-HERTOGENBÜSCH.

■» Wat is hier te doen ?quot; hoorde men plotseling vragen.

Het was de chirurgijn van Vucht, die vlak bij de pastorie woonde, en door het onverwachte gerucht in den nacht uit zijn huis gelokt was.

«God heeft u gezonden, meester,quot; sprak de pastoor. ... «Zie eens !quot;

Hij wees op het bloedige lichaam. De geneeskundige stelde nu ook een onderzoek in.

»Er is nog levenzeide hij na eenige oogenblikken, »en ik kan ook geen wond vinden; het bloed schijnt van het paard te zijn, dat gedood is. Waar blijven wij echter met dien ongelukkige?quot;

»Als gij mij helpen wilt, zullen wij hem naar de pastorie brengen.quot;

De chirurgijn knikte toestemmend en nu namen beiden het lichaam op, Mieke ging met de lantaarn vooruit.

Toen de chirurgijn in de pastorie het gelaat van den hopman reinigde, werd het bleek als van een doode. De pastoor stond met gevouwen handen en bad, Mieke jammerde over het ongelukkige lot van zulk een schoonen jonkman.

Nergens was een wond te vinden, ook niet toen men de kleeren van het slachtoffer had losgemaakt; hij bleef echter bewusteloos en zijne ademhaling was nauwelijks te bespeuren.

De chirurgijn haalde de schouders op.

95

-ocr page 96-

96 DE BEELDSTORMERS VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

«Ik acht het noodig, dat hem terstond het H. Olieset worde toegediend,quot; zeide hij.

»Wie verzekert ons, dat de ongelukkige een kind der Kerk, een Christen is?quot; vroeg de priester.

»En zie dan eens hier!quot; hernam de chirurgijn. Hij wees op een zilveren kruisje, dat aan een lint op de borst van De Gruyter hing.

Des morgens werd vóór de H. Mis een bijzonder gebed verzocht voor een onbekende, die de berechting der stervenden had ontvangen.

-ocr page 97-

\'t Is twee dagen geleden dat de bliksems uit de opgeperste wolken met dood en verderf dreigden en alom angst en schrik verspreidden. Thans biedt de natuur een geheel ander schouwspel aan. De opgaande zon, die velden en bosschen met een gouden gloed tint, begint haren loop voor dien dag aan een wol-kenloozen hemel, een effen pad, dat geen spoor meer aanbiedt van de onmeetbare waterbergen, die zoo kort geleden loodzwaar boven de stad hingen.

Wij zijn nog in de lente. Naarmate de dauw zich oplost, treden uitgestrekte velden met jeugdig, mollig gras te voorschijn ; de wilde kastanje laat zijn panache in de zonnestralen schitteren en aan den eik en den II 5 7

-ocr page 98-

DE BEELDSTORMERS

beuk ontplooien zich de fluweelen blaadjes bij duizendtallen. \'t Is of de natuur een overwinningsfeest viert na den strijd der elementen, zoo juicht alles wat leven ontvangen heeft. De bloemen beuren lachend het hoofd weer op, in het zwaar geteisterde kreupelhout tjilpen de vogels op hunne beschadigde nesten. de bontgekleurde meerkol huppelt met zijne onafscheidbare gezellin in het malscbe groen en de nachtegaal doet zijn zwanenzang hoeren; zijn stem is wel niet meer zoo krachtig als toen hij kwam om zijno woning op te bouwen, maar toch even diep en wonderbaar.

De opgang der zon wordt ook begroet door een aantal menschen, die zich tusschen \'s-Hertogenbosch en Hedel bewegen; zij schijnen echter niet in zulk een opgewekte stemming te zijn als alles, wat in de natuur ademt, want zij trekken zwijgend en met stroef gelaat daarheen. Het zijn meerendeels marskramers en werklieden, althans naar het uiterlijke te oordeelen, doch het werkpak van sommigen is zeer in tegenspraak met hunne handen, die wel nooit een beitel of truweel aangeraakt hebben. Men ziet ook schuiten op de rivier, die door flinke riemslagen voortgestuwd worden, en wagens op den weg met witte huiven, waaronder lieden verborgen zijn, die don koelen luchtstroom niet kunnen verdragen of niet gezien willen worden. Heerscht in de vogelen-

98

-ocr page 99-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

wereld buitengewone luidruchtigheid, die menschen zijn stil en afgetrokken; slechts hier en daar gaan er twee naast elkander, doch zij zien schuw rond alvorens een fluisterend gesprek aan te vangen. Naarmate de zon meer stijgt, neemt de beweging op den weg en op de rivier toe, en alles gaat door Orthen om zich naar Hedel te begeven.

Wij verzoeken den lezer ons te volgen naar een open plek in de nabijheid van laatstgenoemd dorp.

Het uitgestrekte terrein is omgeven door een muur van wagens, en aan de uitgangen staan schildwachten , met zinkroeren gewapend. In het midden hebben marskramers hunne waren uitgestald, die bestaan uil bijbelvertalingen, schimpschriften tegen den Paus. de priesters en de kloosters en vertaalde gezangen en liedjes van den Franschen predikant Marot, \'t Is een zonderlinge markt. Uit de gesprekken, die gevoerd worden , kan men duidelijk hooren , dat er vele vreemdelingen zijn, die slechts met moeite verstaan worden.

Vooral is dit het geval met vier personen , die met in \'t oog loopende onderscheiding bejegend worden en door gewapende mannen omringd zijn. Met elk oogenblik komen nog menschen uit de nabuurschap toestroomen; enkelen zijn blijkbaar edelen, dat kan men aan hunne houding en manieren zeer goed zien, doch zij dragen grijze kleederen als bedelmonniken; op hunne hoeden ziet men, in plaats van

99

-ocr page 100-

DE BEELDSTOpiERS

gouden ringen, houten napjes en op de borst bengelt aan een lint een tinnen medaille met het devies: «Getrouw aan den koning tot aan den bedelzak.quot; Men vindt onder de aanwezigen ook vele vrouwen en kinderen. Het geheel heeft wel iets van een jaarmarkt, doch het gaat er niet zoo luidruchtig toe; de verkoopers van bijbelvertalingen en schotschriften slaan nu en dan zelfs een zalvenden toon aan. De meesten dezer lieden gaan langzaam heen en weer, sommigen echter hebben zich, in eene afwachtende houding , in de nabijheid van een groot vat op den grond neergezet.

Er zal een graspreek gehouden worden op het, grondgebied van graaf Willem van den Berg, den zwager van Oranje.

Uit een der laatste wagens ziet men Reinier Everzwijn en Agylaeus stappen; beide rechtsgeleerden worden kennelijk met onderscheiding ontvangen ; men gaat voor hen uit den weg en Agylaeus stapt regelrecht door naar de vier mannen, die door gewapenden omringd worden. Hij spreekt hen in de Fransche taal toe en drukt een hunner vertrouwelijk de hand : \'t is iemand, met wien hij gestudeerd heeft aan de universiteit te Parijs 1). Aan den predikant Modet, een der vier, geeft hij een papier, waarop de verkorte inhoud van do

1) Agylaeus was aan de universiteit te Parijs tot licentiaat in de rechten bevorderd.

100

-ocr page 101-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

predikatie te lezen staat, die door hem gehouden moet ■worden. De advocaat voegt er nog mondeling bij, dat de predikant zich geheel aan dat voorschrift moet houden en hij in zijne nabijheid zal blijven, om hem bij elke afwijking een teeken te kunnen geven 1).

Agylaeus schijnt een man van groot gewicht te zijn , want de edellieden in grove pij — smalle jonkers werden zij destijds spottend genoemd — spraken zoo vertrouwelijk met hem alsof hij tot de ridderschap behoorde, en men verdrong zich om hem als verleende hij audiëntie. Mandenmakers, blauwververs, leerlooiers en andere ambachtslieden vragen hem de vergunning om het woord te mogen voeren ; een hunner , een mandenmaker, blijft met nadruk daarop aandringen , zeggende dat hij zich door den geest gedreven gevoelt en men het licht niet onder de koornmaat mag stellen. Die lieden zijn zeer lastig, daar zij met bijbelteksten bewijzen, dat de geest, die uit hen spreekt, niet belemmerd mag worden; de advocaat weet hen echter te bevredigen door er op te wijzen, dat dien dag een man Gods onder hen zou opstaan om het woord te verkondigen.

Middelerwijl deze toebereidselen tot de graspreek

1) Ten einde te zorgen dat de predikanten bij deze bijeenkomsten in hunne verbittering niet verder zouden gaan dan men voor de tijdsomstandigheden noodzakelijk achtte, werd hun door het consistorie een voorschrift gegeven, waaraan zij zich stipt moesten houden..

101

-ocr page 102-

DE BRELDSTORMERS

gemaakt werden , verliet een man van middelbaren leeftijd in stilte de pastorie van Hedel. De pastoor gaf hem bij zijn vertrek de hand , maar liet zich niet buiten zien, en op korten afstand waren eenige gewapende mannen geposteerd, die den vreemdeling naar het vreemdsoortige kamp geleidden. Nadat hij zich eenige oogen-blikken met Agylaeus onderhouden had, nam hij plaats op het groote vat, dat in het midden der schare geplaatst was, en liet zijn oog over de menigte waren als^een veldheer , die de sterkte van zijn leger opneemt.

Het was de geduchte predikant Cornelis van Diest, die zulk een afschuwelijke rol heeft gespeeld tijdens de beeldstormerij te \'s-Hertogenbosch. Geen wonder * waarlijk, dat die man door de consistoriën als een geschikt werktuig werd beschouwd, want hij moest in den volsten zin des woords een volksmenner genoemd worden 5 hij wist, wanneer het noodig was , het fanatisme tot een helle vlam te doen opschieten, zoodat rondom hem zich kreten deden hooren, die van bloeddorst getuigden , en dan weder tot kalmte en voorzichtigheid aan te sporen, tot de ure zou zijn gekomen.

Van Diest sprak over de vervolging , welke dc kudde des Heeren te verduren had. Vluchtende \'voor dc roofgierige wolven moesten de uitverkorenen, gel jk de eerste Christenen, in de woestijn bijeen vergaderen , en hij, de verkondiger des woords, vond geen plaats om zijn hoofd veilig neer te leggen. Hij werd opgejaagd

102

-ocr page 103-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

103

als een ree in het bosch, wanneer hij het brood wilde breken voor de kinderen der genade, die de ware leer van den Gekruiste belijden, omdat zij gelooven aan de rechtvaardigmaking door het geloof alleen en geen hout en steen aanbidden als de kinderen Belials, die neder-knielen voor de beelden van Santen en Santinnen. De buitensporigheden van het Pausdom hadden een zondvloed van goddeloosheid over de wereld uitgestort; het menschdom lag in een poel van bijgeloof en zedeloosheid verzonken, het wierp Christus, den eeni-gen Middelaar, uit en hing den antichrist van Rome aan, die zich liet aanbidden. Men had sinds eeuwen het woord vervalscht en menschelijke begrippen daarvoor in de plaats gesteld; de duizenden trawanten van den antichrist vervloekten en vervolgden ieder, die geen deel nam aan de goddelooze afdwalingen der zuivere leer; de kloosters waren opgevuld met luie en zedelooze monniken, die het vette der aarde genoten, die zich in wellust baadden ten koste van het zweet en bloed der dienstbaren. En zij, die geen deel namen aan de paapsche mis, die vervloekte afgoderij , werden vervolgd en opgejaagd als wilde dieren; men wierp hen op de brandstapels, men beroofde hen van hunne goederen, ten voordeele van rijke abdijen. Er stond een groote vervolging voor de deur, want het was hem bekend, dat de nieuwe bisschop van \'s-Hertogenbosch, Sonnius, de trawant

-ocr page 104-

DE BEELDSTORMERS

van den antichrist, de spion van Spanje, de inquisitie in het land wilde invoeren.

Van Diest wist zeer goed dat hij onwaarheid sprak, doch men had genoemden bisschop gehaat weten te maken, en die haat moest meer en meer aangewakkerd worden. Hij schetste Sonnius als een dwingeland, een handlanger van den antichrist, een beulsknecht van Spanje , die de uitverkorenen te vuur en te zwaard zou vervolgen; hij voorspelde, dat het volk door nieuwe belastingen zou worden uitgezogen, om de hofhouding der nieuwe bisdommen te bekostigen en een ganschen zwerm dienaren van Rome te onderhouden 1). Na op die wijze de gemoederen te hebben opgewonden, riep hij uit: »De storm nadert, de Philistijnen zijn in aantocht om de kinderen Israels te vernietigen. Zullen wij ons als schapen naar de slachtbank laten voeren ? Zullen wij het gedoogen. dat foltertuigen uit Spanje komen, om ons en onze broeders te pijnigen ? Zullen wij het aanzien, dat de moeders aan hare zuigelingen worden ontrukt, om onder beulshanden te sterven?quot;

Er voer bij die woorden een rilling door de vergadering; men hoorde wraakkreten opstijgen en Agy-laeus wilde den predikant een teeken geven, doch

1) In het jaar 1559 waren in de toenmalige Nederlanden achttien bisdommen opgericht, onder welke drie zetels door aartsbisschoppen zouden worden bekleed.

104

-ocr page 105-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

Van Diest wist wat hij deed, hij glimlachte en ving toen weer opnieuw aan;

»Gij, kleingeloovigen, weet gij niet, dat er geschreven staat: Wee den herderen, die de kudde mijner weide vernielen en verscheuren! Dit zegt de Heer: Wordt vergaderd en komt te zamen, die behouden zijt uit de heidenen. Verkondigt en komt en houdt raad te zamen. Ik zal voor u gaan , en ik zal de glorieuzen der aarde vernederen; de metalen poorten zal ik in stukken breken en de ijzeren grendelen zal ik breken. En ik zal u de verborgen schatten geven, en de verborgene dingen der verholenheden. — Welnu, de dagen der goddeloozen zijn geteld, de beelden der Santen en Santinnen wankelen reeds en gij zult ze zien vallen voor uwe voeten, en de ketenen der slavernij zullen verbroken worden. Nog roepen wij: Wachter, wat is er van den nacht? maar spoedig zal de ure aanbreken, waarin wij de blijde tijding hooren; De nacht is voorbij, de dag is aangebroken !quot;

Toen deze predikatie geëindigd was, verzocht Van Diest de vergadering het lied van Clement Marot op de Tien Geboden te zingen , waarvan het eerste couplet vertaald aldus luidde:

»Doet open uw herte, doet open uw ooren,

Catyvighe volcken, ay hoort also wel!

105

-ocr page 106-

DE BEELDSTORMERS

De roepstemme Godes ga niet verloren!

Aanhoort vry en smaeckt uwes Heeren bevel!quot;

Men kon Jan Bentijn boven allen uit hooren; zijn flinke tenor-stem was nog in volle kracht. De ongelukkige, die zoo vaak in de beroemde kapel der Illustre Broederschap den lof van het H. Sacrament had bezongen , gaf nu den toon aan voor een afschuwelijk lied , dat tot beeldstormerij aanspoorde en als de Marseillaise van dien tijd moet worden beschouwd.

Na eene kleine tusschenpoozing, waarmede de marskramers woekerden door aanprijzing hunner opruiende geschriften, beklom de beruchte predikant Modet het zonderlinge spreekgestoelte. Hij was niet zoo welsprekend als Van Diest, hij wist zich niet zoo goed te beheerschen, maar trad veel stouter op, en, daar hij gewoon was te spreken in \'t geen men tegenwoordig nog de tale Kanaans noemt, wist hij de ijverige bijbellezers van dien tijd te boeien en in opgewondenheid te brengen. De driften, die in dat bedorven gemoed woonden, verborg hij zorgvuldig onder een schijnheilig gelaat, zoodat men hem beschouwde als een man Gods, als een profeet, die het paapsche Sodoma had verlaten, om het woord des Heeren te verkondigen.

Lang bleef hij met de oogen naar den hemel gericht staan, als moest de geest nog komen, die uit

106

-ocr page 107-

VAN S-HERTOGENBOSCH.

hem zou gaan spreken. Toen schenen zijne oogen vochtig te worden, en hij verhaalde van de duisternis , die zijne ziel had omgeven, toen hij nog woonde onder de afgodendienaars, de kinderen Belials, en van zijne twijfebngen en zijn onrust. Daarop verhief hij zijne stem en sprak: »En ik heb gezegd: Wee mij, dat ik gezwegen heb, want ik ben een bedrukt man van lippen , en ik woon in het midden des volks, dat besmette lippen heeft, en den Koning, den Heer der heerscharen, heb ik gezien met mijne oogen. En tot mij is gevlogen een van de serafijnen, en in zijne hand was een gloeiende kool, die hij met een tange heeft aangenomen van het altaar. En hij heeft mijnen mond geraakt, en gezegd ; Ziet, ik heb hiermede uwe lippen geraakt, en uwe ongerechtigheid zal u afgenomen worden, en uwe zonde zal gezuiverd worden. En ik heb gehoord de stemme des Heeren , zeggende; Wie zal ik zenden ? En wie zal voor ons gaan ? En ik heb gezegd: Ziet, hier ben ik, zend mij.quot;

Na die woorden langzaam gesproken te hebben, sloeg hij nogmaals de oogen ten hemel en herhaalde toen met galmende stem: «Hier ben ik!quot;

En nu schetste hij , op de wijze als men in die dagen gewoon was, de ontaarding der Kerk door het Pausdom. Hij noemde den Paus den antichrist, den hoogepriester der afgodendienaren, die men verplicht was te verafschuwen, te haten en te vervolgen door

\'107

-ocr page 108-

DE BEELDSTORMERS

108

woord en door daad. »Ik wenschte welzeide hij o. a. »dat ik tegen het Pausdom kon spreken met donderslagen en dat elk mijner woorden een bliksemschicht ^ ware, want de Paus wil ons dwingen dat wij God verloochenen en steenen beelden aanbidden, dat wij hem de eer bewijzen, die alleen aan God toekomt, dat wij Christus verloochenen en den bijbel tot een leugenboek maken. Waren de Israëlieten afgedwaald, toen zij het gouden kalf aanbaden, hoeveel grooter is sinds vele eeuwen de verdorvenheid, door het Pausdom voortgebracht, dat zelf het gouden kalf is. Het Pausdom is altijd door de grootste boeven bestierd ; want zooals de schepper is, zijn ook de crea-, turen, en de Paus is gelijk aan den duivel, die het Pausdom heeft gesticht. Tenzij de Paus zijn driedubbele kroon mocht wegwerpen, den stoel van Rome verlaten, zijne opperheerschappij vaarwel zeggen, bekennen dat hij gedwaald, de Kerk verwoest en ononschuldig bloed vergoten heeft, kunnen wij hem niet als een lidmaat der Kerk beschouwen, maar moeten wij in hem den antichrist zien. Daarom zij des Pausen name gevloekt, zijn rijk worde omgekeerd en vallequot; 1).

Na op die wijze gedurende eemgen tijd de gemoederen tegen den Paus verbitterd te hebben, riep hij

1) Luther. Tafelgesprekken.

-ocr page 109-

VAN S-HERTOGENBOSCH.

uit; »En wie zijn de werktuigen, waarvan de Paus zich bedient om ons, die geen afgoderij willen plegen , te vervolgen? Het zijn zijne beulsknechten, de vorsten, die ons martelen, die ons de ingewanden uit het lijf halen, die ons het bloed uitzuigen. Het is de Paus , die den Spanjaard inblaast, dat hij onze rechten met voeten moet treden, dat hij ons moet uitmergelen door belastingen, opdat wij machteloos zullen zijn. Ook den Spanjaard roep ik toe: Vervloekt zij uw naam, uw rijk worde omgekeerd en valle!quot;

Hier stak Agylaeus de hand op om den predikant tot gematigdheid te stemmen, doch Modet stoorde zich niet daaraan en vervolgde:

»De Heer heeft gezegd: »Zij zullen allen vallen , die beelden aanbidden. Wee. die tot het hout zegt: ontspringt! tot den zwijgenden steen: staat op! Ziet. deze is overdekt met goud en zilver, daar is geen geest in zijn binnenste. Maar ik zal vuur zenden in Theman en het zal verslinden de huizen van Bosnu Want gij hebt mijn zilver en goud genomen en mijne begeerlijke en allerschoonste dingen hebt gij gedragen in uwe tempelen der afgoden. Maar zie , de dag zat komen, ontstoken als een fornuis , en al de hoovaar-digen en allen , die ongoddelijkheid doen , zullen wezen als stroo. En u, die mijn naam vreest, zal opgaan de zonne der rechtvaardigheid, en gezondheid in zijne vederen, en gij zult uitgaan en springen als kalveren

109

-ocr page 110-

DE BEELDSTORMEUS

van de runderen. En gij zult de ongoddelijken vertreden en zij zullen wezen assche onder de plante uwer voeten, in den dag dat ik het doe, zegt de Heer der heerscharen. Daarom omgordt uwe lendenen met het zwaard, opdat gij gereed moget staan als de dag aanbreekt; verbreekt de ketenen uwer slavernij, werpt de altaren en beelden der afgodendienaars omver en zuivert de tempels van de besmetting der papisterij.quot;

Agylaeus gaf nogmaals een teeken, doch zonder eenig gevolg.

»Vraagt niet met Gideon,quot; zoo vervolgde Modet, »waarmede zal ik Israël verlossen, want de Heer heeft gezegd: Ik zal met u wezen en gij zult de vijanden verslaan gelijk één man. De zoon van Joas had slechts tien zijner knechten bij zich , toen hij het bosch der afgodendienaars nederwierp en het beeld van Baal van het altaar rukte, ofschoon de vijanden van Israël talrijk waren als de sprinkhanen en het al bedekten, en zoudt gij door vreeze bevangen worden in den strijd voor den Heer der heerscharen? Wij zijn te lang verstrooid geweest op de bergen, in de spelonken en holen, wij moeten de wapenen aangorden , opdat de toorn van Jehova zich met ook tol ons keere, als eertijds tegen het uitverkoren volk. Geen tien krijgsknechten des Heeren, maar tienduizendtallen staan gereed om de beelden der afgoden te vernietigen, de kerken van de papistische besmet-

110

-ocr page 111-

VAN \'S-HERTOGHNBOSCH.

ting te zuiveren en de ketenen te verbreken, door de beulsknechten van Rome gesmeed \' 1).

Modet ging nog langen tijd zoo voort. in weerwil dat Agylaeus herhaaldelijk een teeken gaf. Het volk hing als het ware aan de lippen van den predikant; het zwelgde zijne oproerige taal met gretige teugen in. Sommigen waren zoo opgewonden, dat zij de vuisten b;ilden en de nagels in de palmen hunner handen drongen. De steilste bijbelmannen scheurden hunne kleederen , de vrouwen weenden en jammerden en Modet. die van deze gemoedsaandoeningen partij wilde trekken . stelde aan het einde zijner predikatie voor, het meest beruchte lied van dien tijd te zingen.

Het was tevergeefs dat Agylaeus trachtte dit te voorkomen, tevergeefs dat hij Modet bij den arm nam en dwong het geïmproviseerde spreekgestoelte te verlaten. — Jan Bentijn had het lied reeds aangeheven en het galmde weldra uit honderden kelen over de vlakte.

Het had lot onderwerp : » De val van het hoovaardige Babyion,quot; naar aanleiding van Openb. 17: 19: 2.; het slot luidde als volgt:

»Roe5,t uyt Babel, die zaeyer en die inacyer claer.

Dat elck van \'tsweert der tijrannen tot syne volclie iieere,

Trekt opwaert teghen \'t lant, dat alle dingen verbittert, maer

Opent liaer Coornluiysen en werpt se ter neere;

Ill

Geluckich is hy, die haer kinderen teere

1) Vergelijk Prescott. Geschiedenis van Filips 11.

-ocr page 112-

DE BEELDSTORMERS

Verworcht, ende morselt se aen den steen;

Doot haer nacomelingben, dat er niemand blijft meers; Plondert haer jirweelen, nu sy heeft hnlpe gheen;

Want men roept in \'tNoorden, oock in Livonia:

Cecidit, cecidit, Civitas magna Babyloniaquot; quot;1).

De laatste woorden hadden het fanatisme tot een helle vlam aangeblazen, de oogen van sommigen waren met bloed beloopen. Twee blauwververs traden naar voren; zij zeiden , dat de geest in hen getuigde, zij wilden spreken, de opgewondenheid was algemeen en Agylaeus achtte het raadzaam nogmaals Van Diest te doen optreden, ten einde wat kalmte in de gemoederen te doen brengen.

De man, die kort daarna door zijne opruiende taal. en afschuwelijke lasteringen de verwoesting van kerken en kloosters te \'s-Hertogenbosch hielp voltooien, prees eerst het volk om \'t geen hij een heilige geestdrift noemde , doch spoorde daarna aan tot gematigdheid en geduld. Hij toonde aan, dat men roekeloos zou handelen met de wapenen op te vatten, omdat het uur der wraak nog niet gekomen was. Nog moest men steelsgewijze, evenals een troep bannelingen met de touwen om den hals, bijeenkomen, men moest alles vermijden wat aanleiding kon geven tot meer verdrukking. Weldra zou men echter de koorden der slavernij verbreken, gelijk Samson eens deed,

1) Zij is gevallen, zij is gevallen, de groote stad Babel.

112

-ocr page 113-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

en dan zou Babel vallen met zijn afgodsbeelden. »Ik roep u met Josuë toe,quot; zoo eindigde hij: «legt lagen achter de stad, en vertrekt niet verder vandaar, en gij zult allen bereid zijn. Het schild, dat opgeheven wordt, zal u tot een teeken zijn; tot zoolang moet gij het zwaard laten rusten.quot;

De zoogenaamde godsdienstoefening was geëindigd, de menigte ging langzamerhand uiteen, de wagens werden opgeruimd en de marskramers pakten hunne zaken bijeen. Agylaeus had een kort onderhoud met den predikant Modet, dien hij miskenning der voorschriften verweet; hij bedreigde hem zelfs met een aanklacht bij het consistorie en onthouding van bezoldiging. Modet trachtte zich te verontschuldigen door te doen uitkomen, dat hij den geest, die in hem sprak, niet mocht weerstreven, doch toen vertoonden zich op het gelaat van den advocaat weder trekken van afkeer en walging , zooals eenige dagen vroeger in het huis met den »Hoorn.quot; Hij wist wel beter, hij kende Modet en bediende zich slechts van hem als een werktuig.

Toen Agylaeus zich wilde verwijderen, werd hij omringd door een aantal mannen, o. a. door den smid Cock Meusel, den kleermaker Gerard Graenhoze, Hans den barbier, Dirk van Gent, den smid Ruyvogel, Jan Bentijn en meer anderen, allen Bosschenaren. Cock

II 5 8

113

-ocr page 114-

\'I \'I 4 DE BEELDSTORMERS VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

Meusel voerde het woord. Hij drong vrij ruw aan op meer geldelijke ondersteuning, zeggende, dat zij allen hun werk moesten verzuimen, om in de herbergen de ontevredenheid voedsel te geven en flinke jongens aan te werven. Hij en al de anderen wilden gaarne een offer brengen, doch men diende te begrijpen, dat zij ook leven moesten. De advocaat mompelde iets van hooge eischen, veinsde dat hij alles persoonlijk moest bekostigen, bedreigde allen, die zich nog eens bij hem aan huis durfden aanmelden, met zijne ongenade en deelde daarop eenig geld uit.

De menigte verwijderde zich langs verschillende kanten. In de stad had men zeer goed kunnen weten, dat in de nabijheid van Hedel een bijeenkomst werd gehouden, die streng verboden was, doch zij die verplicht waren de oproerlingen te vervolgen, sloten de oogen en verdedigden zich later met een beroep op de onschendbare rechten van den heer van Hedel.

-ocr page 115-

VI.

Na het eindigen der graspreek bleef Van Diest nog eenige oogenblikken met de vreemde predikanten in gesprek en sloeg toen alleen den weg in naar de pastorie. De edelen begaven zich naar het slot van den graaf Van den Berg , vergezeld van Everzwijn en Gilles Leclerc, den zaakgelastigde der consistoriën. Agylaeus volgde hen niet; hij zonderde zich af met Claes de Leeuw, den secretaris van het consistorie «De boom in het boschquot; en beide mannen bleven langen tijd in de nabijheid der rivier op en neer wandelen.

«Zijn er nog geen berichten over Agnes ontvangen?quot; Met deze vraag begon De Leeuw het gesprek.

)gt;Zij is in eene veilige haven,quot; antwoordde de ad-

-ocr page 116-

116 DE BEELDSTORMERS

vocaat. »Ik zal u daarover meer bijzonderheden mee-deelen; vertel mij echter eerst uitvoeriger hoe alles zich te Vucht heeft toegedragen, want ik kon dezer dagen slechts een kort onderhoud met u hebben , dewijl alles vermeden moet worden wat aanleiding kan geven tot het vermoeden, dat gij in die zaak betrokken zijt ^•«en wij met elkander in verstandhouding staan, \'t Is mij nog altijd een raadsel hoe het mogelijk kon zijn, dat gij niet beter op uw hoede waart, dewijl De Gruy-ter zich door zijn onstuimig gedrag bij mij aan huis verraden had. Die hopman heeft een fijnen neus, hij moet iets van het plan geweten hebben en men mocht verwachten, dat hij pogingen zou aanwenden orn het te verijdelen, \'t Was daarom dan ook, dat ik bij mijne terugkomst van het consistorie een tweede paard liet komen.quot;

»Een voorzorg, die mij het leven had kunnen kosten zei De Leeuw op tamelijk gevoeligen toon. » t Valt gemakkelijker retrospectieve beschouwingen over eene gebeurtenis te houden, dan handelend op te treden. Wij waren natuurlijk in de stad op onze hoede en hadden alle voorzorgen genomen; toen wij echter de Vuchterpoort achter den rug hadden, moesten zij — althans tegenover De Gruyter — onnoodig geacht worden, want hoe hij in den nacht buiten de vesting gekomen is, moge de duivel weten, tenzij men hem een verlofbriefje mocht hebben gegeven.quot;

»Dat is hem geweigerd,quot; hernam de advocaat; «men

-ocr page 117-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

heeft zijn vischschuit aan den wal buiten de poort gevonden; ik geloof, dat de wacht aldaar hem behulpzaam is geweest, doch er kan geen scherp onderzoek naar gedaan worden, dewijl het vooralsnog den schijn moet hebben, dat de hopman spoorloos verdwenen is. Ga verder.quot;

»Ik moet u nog zeggen, dat wij op het oogenblik van ons vertrek plotseling werden verhinderd door iets, wat ernstige gevolgen had kunnen hebben. De doek, waarmede Agnes de mond gesloten was, scheen niet vast genoeg aangetrokken te zijn, want zij gaf een gil, dien men maar al te ver gehoord zou hebben, indien de donder hem niet gesmoord had. Willem Michielsz. is zeker een handige vent; hij had in een oogwenk in het gebrek voorzien en wij kwamen zonder hindernis buiten de poort. Ik geloof dat Agnes in zwijm gevallen was, want zij verroerde zich niet meer. Het ging mij aan het hart, doch ik moest voor het oogenblik alle gewaarwordingen onderdrukken.quot; , wik kan u verzekeren, dat Agnes thans wel te pas is,quot; sprak de advocaat; »laat ons echter den tijd niet verbeuzelen, men wacht mij op het slot.quot;

»Het was buiten zoo donker, dat men geen handbreed van zich af kon zien,quot; zoo vervolgde De Leeuw. »Slechts dan, wanneer een bliksemstraal door de lucht schoot, konden wij ons vergewissen van den weg, en het had veel moeite onze schichtige paar-

117

-ocr page 118-

DE BEELDSTORMERS

den in toom te houden. Wij bereikten echter zonder hindernis Vucht, toen vlak achter de kerk eensklaps halt! geroepen werd. Ik kon niet zien wie ons in den weg trad, doch op hetzelfde oogenblik werd mijn paard bij den teugel gegrepen, en toen ik mij verzetten wilde, stortte het dier doodelijk gewond neder. Nog nauwelijks had ik tijd om tot bezinning te komen en voor Agnes zorg te dragen, toen Willem onzen aanvaller met een enkelen slag neervelde. Hij sprong van zijn paard , hielp m ij op de been, boog zich voorover om naar den verslagene te zien en zeide: «Bij mijne ziel, het is De Gruyter! Hij heeft zijn bekomst en zal ons nu niet meer dwars-boomen. Maar er is geen tijd te verliezen; iaat de zaak verder aan mij over en verberg u hier gedurende den nacht, want men mag geen spoor van ons ontdekken.quot; Wij tilden nu Agnes, niet zonder veel inspanning, op zijn paard en hij maakte zich ijlings uit de voeten. Het was meer dan tijd, want ik had in verschillende huizen licht gezien en op het oogenblik dat Willem vertrok, ging de deur der pastorie open. Ik verwijderde mij onmiddellijk en bracht den ganschen nacht onder den blooten hemel door, uit vrees van gezien te worden en in ongelegenheid te geraken. Ziedaar alles wat onze ongewenschte ontmoeting te Vucht aangaat; nu zou ik gaarne van u vernemen, hoe de zaak verder afgeloopen is.quot;

-ocr page 119-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

))Geheel naar wenschsprak de advocaat. «Willem Michielsz. is een slimme vos en daarbij zeer doortastend. Daar hij in betrekking staat tot het consistorie te Antwerpen en veel op het pad is, heeft hij in verschillende plaatsen kennis gemaakt met geestverwanten, op wie men kan vertrouwen. Daardoor is het hem mogelijk geworden de reis naar Antwerpen zonder stoornis af te leggen en Agnes onder de hoede te stellen van mijne vrienden aldaar. Ik moet u ook nog zeggen, dat een toevallige omstandigheid heeft meegewerkt om ons plan te doen gelukken, zonder dat iemand er kennis van heeft gedragen. Willem Michielsz., die door mij tegen middernacht besteld was, zwierf uit voorzorg reeds veel vroeger in de nabijheid mijner woning rond en zag, dat onze oude Lena het huis verliet zonder de deur te sluiten. Van die gelegenheid maakte hij gebruik om binnen te komen zonder gezien te worden. Hij hield zich ongeveer een uur verborgen en toen, ziende dat de meid zich naar de kamer mijner vrouw begeven had, sloot hij haar op, om van een lastige getuige verlost te zijn. Lena verkeert dus geheel in onzekerheid omtrent de wijze, waarop Agnes verdwenen is. Ik heb haar een half uur na uw vertrek verlost, voorwendende dat ik toen eerst te huis gekomen was.quot;

»En heeft Willem den ganschen weg met Agnes te paard afgelegd ?quot;

«Hoe kunt gij daaraan denken. Hij heeft bij den

119

-ocr page 120-

DE BEELDSTORMERS

eersten den beste, waar hij een onderkomen kreeg, verteld, dat de jonge dame, die hem vergezelde, krankzinnig geworden was, dewijl bisschop Sonnius haar wilde dwingen den sluier aan te nemen, ten einde daardoor in het bezit van haar vermogen te geraken. Hij moest haar naar Antwerpen brengen, waar zij veilig zou zijn. Met behulp van die kleine list en een goed gevulde beurs is het hem gelukt overal medewerking te verkrijgen. Men zorgde voor een wagen en geleide en hij reisde meestal des nachts; voor het overige schijnt zijne sluwheid hem goede diensten te hebben bewezen. Gisterenavond liet hij mij zijne goede overkomst berichten door een bode, die brieven voor het consistorie overbracht,\'\' zoo eindigde de advocaat, en hij voegde er glimlachend bij: »het spijt mij, dat oók niet een groet voor u van Agnes uit Antwerpen gekomen is.quot;

De Leeuw scheen allesbehalve ingenomen met die scherts. »Het laatste geval zal waarlijk niet bijdragen, om mij de genegenheid van Agnes te doen winnen, \' sprak hij. «Zij weet gelukkig niet, dat ik deel gehad heb aan de ontvoering; want ik heb niets gezien van alles, wat in uw huis voorgevallen is en mag ook niet on» veinzen, dat ik dergelijk geweld niet zou hebben gedoogd, mdien het niet door de noodzakelijkheid voorgeschreven was. Desniettemin zal Agnes in mij waarschijnlijk een medeplichtige zien, en hoe kan ik dan hopen. . . .quot;

m

-ocr page 121-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

«Voor het oogenblik moeten wij niet aan hopen, maar aan handelen denken, mijn jonge vriend viel hem de advocaat in de rede. «Laat ik u zeggen, dat er voor u ernstig gevaar bestond, om Agnes voor altijd te verliezen; dat gevaar heb ik afgeweerd, en tijd gewonnen is veel gewonnen. Agnes staat nu onder een invloed, die gunstig op haar kan werken en wij mogen van geluk spreken dat De Gruyter onschadelijk gemaakt is, want dat hij voor geene moeielijk-heden terugdeinst, hebt gij reeds ondervonden. Hoe hij kennis heeft gekregen van ons plan is mij nog altijd een raadsel. Wel is een briefje van Agnes bij hem gevonden, dat zij hem waarschijnlijk uit het venster heeft toegeworpen, want liefde zoekt list; doch daarin wordt slechts in \'t algemeen van gevaar gesproken; zij kende trouwens mijn plan niet. Er moet dus hier of daar verraad schuilen, want De Gruyter heeft den schout ongeveer een uur voor de ontvoering daarvan kennis gegeven; en wel met aanduiding van het juiste oogenblik. Die voortvarendheid heeft hem echter voorgoed in de fuik doen loopen, dewijl de schout hem nu niet kan loslaten, zonder gevaar van zich te compromitteeren.quot;

))Hoe zijt gij zoo vroegtijdig tot de kennis gekomen van \'t geen ons wedervaren is?quot;

«Zeer toevallig. Een boer uit Vucht, die vroeg in den morgen achterstallige pacht kwam betalen, ver-

121

-ocr page 122-

DE BEELDSTORMERS

telde mij, dat daar des nachts een paard dood op den weg gevonden was; hij had ook iets hooren zeggen van een gevecht, doch kon daaromtrent geen bijzonderheden mededeelen. Ik vermoedde terstond, dat een en ander met uwe reis in verband stond en was voornemens persoonlijk tn loco inlichtingen te gaan vragen, toen juist Hans de barbier binnentrad, om mij den baard af te nemen. Gij weet dat hij een vertrouwd man is. Ik zond hem daarom naar Vucht, en een paar uren later wist ik reeds genoeg om mijne maatregelen te kunnen nemen. Hans had zijn toevlucht genomen tot den herbergier uit «De verloren Zoon,quot; een handigen vent, die een fijnen neus heeft. Deze wist hem spoedig te vertellen, dat de meid uit de pastorie zich tegen den koster uitgelaten had over een jonkman, die voor dood in huis gedragen was en nog altijd buiten kennis lag. De ongelukkige was waarschijnlijk, gedurende het zware on-weder, door roovers overvallen ; zijne zwarte , krullende haren zaten vol geronnen bloed en men had onder zijne kleeren een zilveren kruisje gevonden. De koster had in \'t geheim een en ander aan de vrouw van den bakker verteld, die er, op hare beurt, in vertrouwen, met een paar buurvrouwen over sprak, en zóó was een en ander ter oore van den herbergier gekomen.

»De toespeling op het krullend, zwart haar en het

122

-ocr page 123-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

zilveren kruis deed mij aanstonds aan De Gruyter denken, want ofschoon het mij een raadsel was hoe hij de vesting had kunnen verlaten, moest ik uit zijne opgewondenheid des avonds laat en zijne pogingen bij de overheid besluiten, dat hij geen middel onbeproefd had gelaten, om ons plan in duigen te werpen. Mijn eerste werk was zijdelings aan zijne woning te doen informeeren, waar gezegd werd, dat de hopman omstreeks elf uren des avonds zich slechts even vertoond en haastig zijn rapier aangegespt had, in weerwil van het slechte weder onmiddellijk weer vertrokken en sinds dien tijd niet meer gezien was. Zijne huisgenooten hadden een oogenblik vroeger het bericht ontvangen , dat zijn vischschuit buiten de Vuch-terpoort gezien was en verkeerden in den grootsten angst. Nu was ik zeker van mijne zaak en begaf mij terstond naar den schout, die van schrik als aan den grond genageld stond, toen ik hem zeide wat er gaande was.quot;

»De stumperd heeft geen lood courage in \'t lijf,quot; zei De Leeuw verachtelijk.

«Laat dat zijn. De Leeuwantwoordde Agylaeus, »wij moeten niet vergeten, dat juist zulke karakterlooze lieden ons doel in de hand werken; zij vermijden in het openbaar alles wat hen bij de hooge regeering kan compromitteeren en zijn in \'t geheim te ver met ons gegaan, om zonder gevaar aan terugkeeren te kunnen

123

-ocr page 124-

DE BEELDSTORMERS

denken. De schout stortte zijn gemoed uit in een klacht over zijne netelige positie. Hij had reeds een waarschuwing van den Raad van Brabant ontvangen over de predikanten, die zich te Hedel vertoonden, en wist ook dat hij in een slechten reuk stond bij de landvoogdes. Wanneer nu het geval met de Gruyter ruchtbaar werd — en dit kon niet vermeden worden — zou men gevolgtrekkingen kunnen maken en wellicht tot maatregelen overgaan , die zijne eer en zijne vrijheid bedreigden.

«Maar het komt mij voor ,quot; zeide ik,»dat er termen bestaan, om De Gruyter in hechtenis te doen nemen wegens schennis der krijgswet.quot;

«Goed, goed,quot; antwoordde hij gejaagd ,»maar dan ■ komt de zaak in handen der militaire overheid, en elke*openbaarheid moet schadelijk voor mij zijn. Wanneer De Gruyter ook schuldig bevonden wordt, zal eene verklaring van hem grooter gevolgen voor ons beiden hebben, dan op dit oogenblik te voorzien is.

«Daarom moeten wij ons haasten, om elke verklaring van dien aard te voorkomen,quot; hernam ik. «Een uur geleden lag De Gruyter nog geheel bewusteloos; wordt hij ingepakt alvorens te kunnen spreken, dan is alle gevaar bezworen, want hij. is niet herkend. Is hij eenmaal in uwe macht, dan zult gij wel eene gelegenheid vinden om hem onzichtbaar en schadeloos te maken.quot;

«Dit scheen den schout moed in te boezemen. Hij liet oogenblikkelijk een wagen inspannen. nam een

m

-ocr page 125-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

paar vertrouwde lieden mede en onze De Gruyter bevond zich nog voor den middag achter de tralies.\'\' »En ging dit alles maar zonder eenige formaliteiten?quot; vroeg De Leeuw.

Agylaeus haalde de schouders op. »De pastoor moet eenige bedenkingen gemaakt hebben , quot; antwoordde hij, »in betrekking tot den toestand van den onbekende; hij wilde, dat eerst een geneeskundige zou worden geraadpleegd , doch ge begrijpt, dat de schout zich daardoor niet uit het veld liet slaan en zelfs geen beroep op zijn gezag behoefde te doen.quot;

»En heeft niemand De Gruyter herkend?\'\' »Niemand; men verdiept zich nog altijd in allerlei gissingen omtrent zijn verdwijnen. Het was ook niet noodig dat geneeskundige hulp werd ingeroepen, want na den middag kreeg De Gruyter langzamerhand zijn bewustzijn terug en bleek het ook, dat hij geen enkele wond had. Zijn levensgeesten zijn waarschijnlijk verdoofd geweest door den slag, dien Willem Michielsz. hem met zijn rapier op het hoofd heeft toegebracht. \' »En bestaat er nu uitzicht, dat zijne kerkering geheim kan worden gehouden?quot; vroeg Claes de Leeuw.

«Laat de schout daar maar voor zorgen,quot; antwoordde Agylaeus glimlachend ; »hij heeft er evenveel, zoo niet meer belang bij dan wij. Te eeniger tijd moet eene uitbarsting plaats hebben en in zulk een maalstroom gaan persoonlijke belangen als die van De Gruyter

m

-ocr page 126-

DE BEELDSTORMERS

geheel verloren; zijn wij voor zoolang van hem ontslagen , dan bestaat voor ons geen gevaar.quot;

Dit was hoofdzakelijk het gesprek, door twee der hoofdpersonen van het consistorie «De boom in het boschquot; na afloop der graspreek te Hedel gehouden. De Leeuw keerde toen naar de stad terug en Agylasus begaf zich naar het kasteel van graaf Van den Berg. Wij zullen hem daarheen volgen, doch achten ons verplicht eerst nog eenige bijzonderheden mede te deelen, die de advocaat voor zijn vertrouweling verzwegen had.

Daags na de ontvoering van Agnes, toen de begrafenis reeds lang afgeloopen was, zag Clara Bentijn tot hare verwondering den bejaarden priester, dien wij reeds eenmaal in het sterfhuis hebben aangetroffen, het huis met den »Hoornquot; binnengaan. Zij meende te moeten gelooven dat hij Agnes ging troosten, althans wanneer hem toegang werd verleend, waaraan zij voor dat oogenblik twijfelde. Lena, de oude meid, die de deur opende, ontstelde zichtbaar en scheen iets te willen zeggen, doch zij werd daarin verhinderd door den advocaat, die haar op den voet gevolgd was en den priester in de spreekkamer bracht.

»Ik ben gekomen,quot; zoo begon de pastoor, »om, volgens afspraak, het schriftelijk bewijs van u te ontvangen , dat uwe nicht en pupil met uwe toestemming dit huis verlaat en gij geen recht hebt haar terug te

m

-ocr page 127-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

vorderen. Daar zoodanige bepaling eenigszins de rechten van het voogdijschap raakt, wil ik gaarne die aangelegenheid in der minne met u regelen , heer advocaat, ten einde gij de overtuiging zult hebben , dat ik daarbij door geen andere beweegredenen werd gedreven, dan die u reeds bekend zijn.quot;

Agylaeus deed alsof hij zeer verbaasd was, zag den priester een oogenblik scherp aan en zeide toen:

»Ik heb te vee! ondervinding opgedaan, heer pastoor , om mij door vleiende woorden in slaap te laten sussen, en moet zeggen, dat ik zulk een optreden van u niet verwacht had.quot;

«Gij trekt dus terug, gij breekt uw woord?quot; vroeg de priester.

»Ik ben gewoon mijn woord te houden en had zulks ook van u verwacht,quot; hernam de advocaat met verheffing van stem ; » wanneer sinds gisteren het laatste overblijfsel van achting voor priesters bij mij verloren is gegaan, moet dit niet aan mij geweten worden.quot;

»Gij spreekt in raadsels, heer advocaat,\'\'zeide de pastoor, even verbaasd als verontwaardigd.

«Het baat u niet onwetendheid voor te wenden,quot; zoo beet de advocaat hem toe, »want ik heb de bewijzen in handen, dat gij aan de ontvluchting hebt medegewerkt.quot;

»Aan de ontvluchting.... is Agnes ontvlucht ?quot; vroeg de priester ontsteld.

127

-ocr page 128-

DE BEELDSTORMERS

«Vraag toch niet naar den bekenden weg,quot; sprak Agylaeus, die hoe langer zoo meer een hoogen toon aansloeg, «want al is de intrige ook gelukt, ik heb het bewijs in handen, dat gij er een hoofdrol in gespeeld hebt en zal daarvan gebruik weten te maken.quot;

Alvorens de pastoor nog een enkel woord kon zeggen, haalde de advocaat het bekende briefje van Agnes te voorschijn, dat men De Gruyter tijdens zijn bewusteloosheid ontnomen had. Hij sloeg er herhaalde malen met de rechterhand op, om des te beter zijne verontwaardiging uit te drukken.

«Daar staat het,quot; zeide hij, «zwart op wit, dat gi] Agnes hebt aangeraden heimelijk met den hopman De Gruyter te ontvluchten. Men geloofde niet aai mijn gegeven woord, want zooals de waard is, vertrouw! hij zijne gasten.quot;

«Heer advocaat,quot; sprak de priester het hoofd opheffende, «als gij meent u door beleedigingen van mij af te kunnen maken, moet ik u zeggen dat dit niet zal gelukken. Boven dergelijke taal acht ik mij ver verheven. Spreek duidelijker en voegzamer en ik zal u antwoorden, zoo niet, herinner u mijne woorden van gisteren. Van welk briefje spreekt gij?quot;

«Van het briefje, dat ik hier in mijne handen heb,quot; hernam de advocaat. ))Het werd gisterenavond door Agnes geschreven én — hoe is mij onbekend — De Gruyter in handen gespeeld; het is een aansporing om te ont-

128

-ocr page 129-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

vluchten.,.. daar, lees zelf, de hand van Agnes kan u niet onbekend zijn.quot;

De pastoor las en herlas het briefje ; hij herkende werkelijk de hand van Agnes en toch vertrouwde hij zijne oogen niet.

«Gij zult waarschijnlijk ontkennen, dat Agnes waarheid heeft gesprokenzeide Agylaeus.

«Dergelijke beleedigingen betamen u na ons onderhoud van gisterenavond wel het allerminst, heer advocaat,quot; sprak de priester. »Ik zal ze niet beantwoorden, maar alleen zeggen, dat ik den inhoud van het briefje niet begrijp, tenzij uwe nicht kennis mocht hebben gedragen van nieuwe aanslagen , die in strijd waren met uw gegeven woord.quot;

«En in zoodanig geval?quot; vroeg Agylaeus.

«In zoodanig geval heeft uwe nicht den raad opgevolgd, dien ik gemeend heb haar te moeten geven.quot;

»Gij bekent dus dat gij haar hebt aangespoord, om met een jonkman op den loop te gaan, om zich voor altijd te onteeren ... . quot;

Agylaeus sprak met veel vertoon van verontwaardiging, de priester liet hem echter niet uitspreken.

»Spaar uwe woorden tot gij mij gehoord hebt, heer advocaat,quot; zeide hij. «Wanneer gij u in herinnering wilt brengen wat gisteren door Agnes in uwe tegenwoordigheid gezegd werd, zal het wel niet noodig zijn te wijzen op het schandelijk misbruik, dat gij hebt gemaakt

II 5 9

129

-ocr page 130-

DE BEELDSTORMERS

van uwe rechten als voogd op een minderjarig meisje. Ik wist reeds lang dat het geweten van Agnes geweld werd aangedaan; ik wist dat zij gedwongen werd, naar de inblazingen te luisteren van een verachtelijk wezen , als ik gisteren hier heb ontmoet; ik wist dat gij u schriftelijk verbonden hadt om Agnes tot prijs en belooning te doen dienen voor de slaafsche volgzaamheid van een uwer eedgenooten, ik achtte u tot alles in staat....quot;

«Geen beleedigingen.... bewijzen!.. .. bewijzen!quot; riep Agylaeus woedend.

«Wanneer ik de bewijzen, die in mijne handen zijn , had willen overleggen, zou de advocaat Agylaeus reeds, lang wegens hoogverraad aangeklaagd zijn,quot; hernam de priester bedaard. «Gisteren is u daarvan reeds een blijk gegeven, doch ik heb nog andere brieven in mijn bezit, en al bestaan zij meerendeels ook uit geheime teekenen, ik bezit er den sleutel van en het zou mij weinig moeite kosten u in staat van beschuldiging te stellen.quot;

De ernst en waardigheid, waarmede deze woorden gesproken werden, deden Agylaeus hevig ontstellen.

«Dan moet een verrader____quot;

Die woorden ontvielen Agylaeus in zijne overijling; hij ging niet verder en beet zich op de lippen.

«Gij bezigt een verkeerde uitdrukking, heer advocaat,quot; hernam de priester. » Niet allen volharden in de boosheid,

130

-ocr page 131-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

niet allen blijven zich wentelen in de zonden tegen den Heiligen Geest. Daar zijn er, die nog in tijds den afgrond zien, waarin men hen wil storten, wier geweten wakker is geschud en die zich losmaken van de strikken der verleiding.quot;

»Ik begrijp het,quot; riep Agylaeus, die bleek was en beefde, »een lafhartige heeft in de biecht....quot;

»Het geheim der biecht is nooit geschonden, heer advocaat,quot; hernam de pastoor; «menig priester heeft dat geheim met zijn bloed bezegeld, doch gij schijnt er niet aan te denken dat iemand, die zich in samenzweringen tegen Kerk en Staat heeft gewikkeld, in het aangezicht des doods behoefte kan gevoelen om, ook buiten de biecht, zijn gemoed uit te storten en , door het ontsluieren van geheimen, zooveel mogelijk de gevolgen van het misdrijf, waarin hij betrokken was, te verijdelen. Laat het u genoeg zijn te weten, dat ik in het bezit ben van geschriften , die u in \'t verderf kunnen storten. Kon ik het kwaad in al zijn omvang stuiten, ik zou voorzeker geen oogenblik aarzelen het geheim te ontsluieren, doch het betreft u alleen. Aan uwe brave vrouw, wier lijk heden uit dit huis gedragen is, heb ik onder ééne voorwaarde beloofd u te zullen sparen: gij kent die voorwaarde, en ik verwacht nu van u geen beleedigingen of bedreigingen meer. Toen uwe vrouw het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld, heb ik uwe nicht aangeraden zich in geval van nood

131

-ocr page 132-

DE BEELDSTORMERS

tot den hopman De Gruyter te wenden, niet om met hem uw huis te ontvluchten , maar opdat die jonkman een oog in het zeil zou kunnen houden en mij waarschuwen. Na het onderhoud, dat wij gisterenavond hadden, heb ik Agnes echter niet meer gezien; dat briefje moet dus betrekking hebben op plannen of aanslagen , in strijd met uw gegeven woord, en ik verwacht van u ophelderingen daaromtrent.quot;

De sluwe advocaat begreep zeer goed, dat bedreigingen nu niet meer zouden baten en de voorzichtigheid hem noodzaakte een anderen toon aan te slaan.

»Gij verdenkt mij van iets, waaraan ik geen schuld kan hebben,quot; sprak hij. »Ik heb gisterenavond, kort na uw vertrek , mijne woning verlaten, om een bezoek bij een mijner vrienden af te leggen. Het onweder overviel mij, en toen ik lang na middernacht terugkeerde, was Agnes verdwenen. Ik moest gelooven dat zij met uw medeweten ontvlucht was, toen ik dit brieve bij de voordeur vond, en uit meer andere bijzonderheden bleek, dat De Gruyter haar daarin behulpzaam was geweest.quot;

«Onmogelijk!quot; riep de priester.

»Schort uw oordeel op tot ik u nadere inlichtingen zal hebben gegeven , heer pastoorhernam de advocaat. »Wij gevoelen ons beiden evenzeer teleurgesteld en ik vraag u thans verschooning voor de beleedigende woorden , ofschoon het ontwijfelbaar is, dat uwe ongegronde

132

-ocr page 133-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

vrees voor de vrijheid van Agnes als de naaste oorzaak moet worden beschouwd van het feit, dat wij beiden thans betreuren. Bij mijne thuiskomst vond ik de oude Lena in de kamer mijner vrouw opgesloten ; zij was daar gaan bidden tijdens het onweder, doch kon er later niet meer uit. Wij zochten tevergeefs naar Agnes en ik verdiepte mij in allerlei gissingen over haar plotseling verdwijnen , tot dit briefje gt; dat waarschijnlijk door De Gruyter verloren is, mij uit den droom hielp.quot;

De grijze priester zag den advocaat scherp in het gelaat en schudde toen het hoofd,

»Gij gelooft mij niet,quot; hernam Agylaeus, «welnu, ondervraag Lena, zij zal toch ongetwijfeld uw vertrouwen wel bezitten.quot;

De oude meid kwam binnen en bevestigde de woorden van den advocaat; zij jammerde en weeklaagde over Agnes en wist alleen te vertellen , dat zij eenig gestommel in huis en ook een gil gehoord had. Al hare pogingen om de deur te openen waren vruchteloos geweest, en hoe vreeselijk de gedachte ook was, moest zij toch gelooven, dat Agnes haar opgesloten had, dewijl zij den ganschen avond alleen thuis waren geweest.

»Wanneer ik dat briefje niet gevonden had, zou alles voor mij een raadsel zijn,quot; zeide de advocaat, nadat de meid weder vertrokken was.

«Gij hecht al te groote waarde aan het briefje,quot; sprak de pastoor. «Wie zegt u, dat De Gruyter het

133

-ocr page 134-

DE BEELDSTORMERS

verloren heeft ? Is het niet evenzeer mogelijk dat Agnes , geen kans ziende om haar schrijven aan De Gruyter te doen bezorgen, het verloren heeft toen zij dit huis ontvluchtte?quot;

De advocaat schudde het hoofd en glimlachte even; men kon zien dat hij zich meer op zijn gemak gevoelde, toen het bleek dat de pastoor geloof begon te hechten aan zijne woorden. «De bewijzen van De Gruyter\'s medeplichtigheid zijn ontwijfelbaarsprak hij. «Hedenmorgen, nog vóór de begrafenis mijner vrouw, heb ik een onderzoek doen instellen, waaruit gebleken is, dat De Gruyter gisteravond omstreeks elf uren zijne woning verlaten heeft en niet teruggekeerd is, en ongeveer een uur geleden werd mij meegedeeld, dat men aan zijn huis in groote ongerustheid over hem verkeert. Wanneer wij al deze bijzonderheden samenvatten , is het ontwijfelbaar, dat hij Agnes ontvoerd en mij blootgesteld heeft aan ongegronde beschuldigingen tegen u, waarvoor ik thans verschooning verzoek.quot;

De pastoor kon zijne ooren nauwelijks gelooven, zijn gelaat betrok en hij slaakte een diepen zucht.

«Alles is mij nog even raadselachtig,quot; sprak hij, «want ofschoon ik moet bekennen dat de bewijzen tegen hen getuigen, mag ik niet gelooven dat De Gruyter en Agnes zich zullen schuldig maken aan eene daad, waarover zij zich moeten schamen,quot;

«Zij weten dat ik mijne toestemming tot een huwe-

134

-ocr page 135-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

lijk geweigerd heb en het jeugdige bloed is onstuimig,quot; bemerkte de advocaat.

De pastoor schudde het hoofd. »De aanleiding tot den afkeurenswaardigen stap moet alleen gezocht worden in het besef, dat uwe nicht zich hier in huis niet meer veilig mocht achten,quot; sprak hij, «en ik heb de overtuiging, dat Agnes, die zich waarschijnlijk in de stad schuil houdt, mij zoodra mogelijk zal laten weten waar zij zich bevindt.quot;

»Ik hoop dat uwe overtuiging bewaarheid zal worden,quot; hernam Agylaeus. «Ofschoon ik in mijn volle recht zou zijn, wil ik Agnes niet bemoeilijken, dewijl ik haar reeds aan u had afgestaan, doch De Gruyter zal zijn welverdiende straf niet ontgaan; morgen wil ik een aanklacht tegen hem indienen, opdat de overheid de handen op hem kan leggen, zoodra hij zich in de stad mocht vertoonen. Voor het overige zal ik u bewijzen, dat ik van goeden wil ben, heer pastoor. Daar Agnes mijn huis ontvlucht is, mag ik mij ontslagen achten van mijn gegeven woord; ik ben echter bereid u de gevraagde schriftelijke verklaring te geven, in den ruimsten zin zelfs, doch meen op mijne beurt, daaraan nu een voorwaarde te mogen verbinden.quot;

«En welke is deze?quot; vroeg de priester.

«Het zal wel niet noodig zijn te zeggen, dat de brieven, die zich in uwe handen bevinden, van groot

135

-ocr page 136-

DE BEELDSTORMERS

gewicht voor mij zijn,quot; vervolgde Agylaeus; »ik ken uwe rechtschapenheid en uw gegeven woord is mij een voldoende borgstelling , doch wij zijn allen sterfelijk en zoolang die brieven niet vernietigd of onder mijne berusting zijn, blijft het zwaard van Damocles mij altijd boven het hoofd zweven. Wanneer ik afstand doe van eenige rechten mijner voogdijschap, is het niet meer dan billijk, dat mij ook eenige welwillendheid van uwen kant te beurt valt, want de eene dienst is den anderen waard.quot;

«Weet gij wel, heer advocaat, dat ik de brieven slechts behoef te vertoonen, om u onschadelijk te maken voor Agnes?quot; vroeg de priester.

«Dat is nog altijd zeer twijfelachtig, heer pastoor antwoordde Agylaeus. «Vooreerst kunnen zij door u hooger geschat worden dan zij waard zijn ; daarenboven heb ik invloedrijke vrienden en het zal u ook wel bekend zijn, dat men in den laatsten tijd niet zeer streng te werk gaat tegenover personen, die in nauwe betrekking staan met den hoogsten adel des lands.quot;

«Helaas, dat is waar,quot; sprak de priester, »men geeft gehoor aan raadslieden, die met den mond trouw zweren aan de Regeering en in het hart booze plannen smeden tegen Kerk en Staat; men meent door toegevendheid de uitbarsting te zullen voorkomen, die onvermijdelijk is.quot;

«In elk geval,quot; hernam de advocaat,» meen ik door

136

-ocr page 137-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

mijne bereidwilligheid aanspraak te hebben op eenige concessie van uwen kant, en ik moet u dan ook met ronde woorden zeggen, dat ik onder de tegenwoordige omstandigheden niet willens ben u het verlangde bewijs anders dan tegen de gestelde voorwaarde ter hand te stellen.quot;

De pastoor dacht eenige oogenblikken na en zeide toen:

»Wanneer gij den hopman ongemoeid laat en vrijwillig afstand wilt doen van uwe voogdijschap, zoodat iemand naar mijne keuze in uwe plaats als voogd kan worden benoemd, wil ik de bewuste brieven in uwe tegenwoordigheid verbranden.quot;

De advocaat nam zonder aarzelen dit voorstel aan, onder verbintenis, dat binnen weinige dagen aan het verlangen van den pastoor gevolg zou worden gegeven. Hij hield zijn woord, en de grijze priester, die er op rekende dat Agnes hem zoo spoedig mogelijk haar verblijfplaats zou bekend maken, achtte zich gelukkig, dat hij haar had kunnen onttrekken aan de voogdijschap van zulk een gevaarlijk man.

Agylaeus had hoog spel gespeeld, doch den inzet gewonnen. Wanneer de pastoor in de eerste dagen — hoe, of op welke wijze dan ook — kennis had kunnen krijgen van de ware toedracht der zaak, Agylaeus zou een verloren man zijn geweest; dat wist laatstgenoemde zeer goed, want zijn vertrouwen op invloed-

137

-ocr page 138-

138 DE BEELDSTORMERS VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

rijke vrienden was slechts gehuicheld. De advocaat waagde dus veel, doch daar stond tegenover, dat hij bij het welslagen van zijn sluw aangelegd plan in het bezit zou kunnen komen van de compromitteerende brieven. Hij moest daaraan ook wel ten slotte zijn voogdijschap ten offer brengen, doch hij rekende op Willem Michielsz. en wist, dat Agnes goed bewaard was en ten minste gedurende de eerste maanden aan den invloed van den pastoor onttrokken zou zijn. Het ging Agylaeus als den jood, die een loterijbriefje verkocht , dat reeds uitgeloot was. Van de zijde des hopmans meende hij ook weinig te vreezen te hebben: de schout zou wel zorgen dat hij vooreerst het daglicht niet zag; dit eischten zijne persoonlijke belangen. En wat nu de toekomst betrof, zoo besefte hij wel dat de \'waarheid niet altijd verborgen kon blijven, doch hij wist ook, dat eerlang over het gansche land een opstand zou uitbarsten en hoopte alsdan in troebel water te kunnen visschen.

-ocr page 139-

VII.

Het slot te Hedel, waarheen wij ons thans met den advocaat Agylaeus begeven, was eens een der voornaamste kasteden; het prijkte met sterke torens en muren en was door breede grachten omgeven 1). In de onmiddellijke nabijheid van dit slot stond een klein bomvrij gebouw, de Munt genaamd; daar werden gouden en zilveren munten geslagen. Van welk allooi de staatkundige munt was , welke men in den tijd van ons verhaal — niet in het bomvrije gebouw, maar op het kasteel —

I) Van dit kasteel is niets meer te vinden. In 1802 werden de gebouwen met de gronden ingericht tot een katholieke schuurkerk, pastorie en bouwmanswoningen met tuinen; men wijst nog de sporen der diepe grachten aan.

-ocr page 140-

DE BEELDSTORMERS

vervaardigde, zullen wij aanstonds zien. Bij de aankomst van Agylaeus vinden wij daar, behalv^ graaf Van den Berg en de reeds genoemde personen, o. a. ook jonker Jan van Renesse en Willem van Zuylen, Floris van Pallandt, graaf van Kuilenburg, baron Van Boetselaar, heer van Asperen, en eenige jongere zonen van adellijke familiën, die door Hendrik van Brederode en andere eedgenooten uit den hoogsten adel waren aangeworven en — zooals reeds is opgemerkt — in dien tijd, uithoofde van den berooiden stand hunner financiën, «smalle jonkersquot; werden genoemd.

Toen de advocaat zich liet aandienen, waren genoemde heeren reeds lang in een ernstig gesprek gewikkeld over de zoogenaamde moderatie of matiging der plakkaten. De landvoogdes Margareta had namelijk, naar aanleiding van het beruchte verzoekschrift der edelen, bevel gegeven, dat de geheime raad een ontwerp van dien aard in gereedheid zou brengen, en later besloten, dat die ontworpen moderatie door tus-schenkomst der stadhouders ter kennis van de Staten der provinciën moest worden gebracht, om daarop hunne bedenkingen te kunnen maken. Door die moderatie zouden de plakkaten zeer veel van hunne streng • heid verliezen; zij bleven alleen in al hun kracht van toepassing op de predikanten, de verstoorders der openbare rust en de wederdoopers, die wegens hunne gruwelijke buitensporigheden alom berucht waren. Aan

140

-ocr page 141-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

allen, die zich hadden laten medesleepen, zou genade verleend en de halsstarrigen zouden gebannen worden. Toen hu een aantal gewestelijke staten, ook die van Vlaanderen, en de meeste edelen verklaarden, dat zij de moderatie aannamen, vreesden de hoofden der beweging , die geheel iets anders dan bevrediging beoogden, dat de bestaande gisting zou bedaren en men, in plaats van gemor, weldra vreugdekreten zou hooren. Om dit te voorkomen, wilde men de bevolking in den waan brengen, dat Spanje arglistig de kracht der zoogenaamde lijdelijke oppositie trachtte te verlammen, om vooreerst de gemoederen tot bedaren te brengen en dan later met nog grooter gestrengheid op te treden.

Het was voornamelijk hiervoor, dat de bijeenkomst op\' bet slot te Hedel, gelijk op meer andere plaatsen, werd gehouden. Men had reeds verschillende plannen aangegeven om het beoogde doel te bereiken, doch zij vonden weinig steun. De onstuimige Hendrik van Brederode was geneigd onmiddellijk het zwaard te trekken, doch zijn voorstel vond vooral tegenstand bij graaf Van den Berg, die betoogde, dat zulk een stap onberaden moest worden genoemd, ook met het oog op de houding van Oranje, die de handen nog niet vrij had. Hendrik van Brederode fronste bij die opmerkingen de wenkbrauwen en had woorden op de lippen, die lang niet malsch voor Willem den Zwijger en den heer van Hedel zouden hebben geklonken,

141

-ocr page 142-

DE BEELDSTORMERS

toen Gilles Leclerc, de ijverige gezant der consisto-rien, dat onweder afweerde, door het woord te verzoeken.

»Het zij mij vergund,quot; zoo begon hij, »een gevoelen mede te deelen, dat gegrond is op de ondervinding , in mijn veelzijdigen werkkring opgedaan. Ik betuig evenzeer mijn eerbied voor de stoutmoedigheid van den graaf Van Brederode als voor de voorzichtigheid van den graaf Van den Berg, maar meen, onder verbetering, dat slechts één weg tot ons doel voert, \'t Is te betwijfelen, of wij op dit oogenblik voldoenden steun zullen vinden voor een gewapenden opstand, want de consistoriën meenen op goede gronden , dat de tijd daartoe nog niet gekomen is, en wie zich zonder die krachtige corporatiën waagt, is een verloren man. Daar staat echter tegenover, dat de moderatie, zoodra zij algemeen bekend is geworden, een verslapping van de geestdrift, met andere woorden, een bevrediging onder het volk teweeg zal brengen, en wij moeten niet vergeten, edele heeren, dat onze geloofsgenooten , voor wie de moderatie niet voldoende is, betrekkelijk zeer klein in getal zijn en op den bijstand van buiten vooralsnog niet genoeg gerekend kan worden. Daarom acht ik onze zaak zoo goed als verloren, wanneer wij den indruk, dien de moderatie onvermijdelijk teweeg moet brengen, wortel laten schieten, en is het mijne meening, dat wij haar

142

-ocr page 143-

VAN S-HERTOGENBOSCH.

onschadelijk moeten maken, alvorens zij nog algemeen bekend is geworden.quot;

«Maar door welke middelen?quot; vroeg Brederode vrij driftig.

»Door een wapen, dat veel verder reikt en ook veel scherper snijdt dan het zwaard, heer graaf,quot; sprak Leclerc, »door verdachtmaking. Het is mijn volle overtuiging, dat noch de edelen, noch de con-sistoriën, noch de gilden zonder een vrij algemeene medewerking van het volk iets vermogen; het volk moet dus gekneed worden als het deeg in een bakkerstrog ; de opinie moet den vorm aannemen, die haar door het eedgenootschap gegeven wordt.quot;

«Van dergelijke keuken-politiek heb ik geen verstand,quot; zei Brederode, de schouders ophalend.

»De fiere adelaar heeft geen oog voor het gewriemel der mieren, die nochtans een bedrijvig volkje uitmaken sprak Leclerc glimlachend en met een eerbiedige buiging, daar hij voor alles den onstuimigen Brederode wilde bevredigen. » Het zwaard zal ook eenmaal in dezen strijd moeten beslissen, maar de opinie van het volk is de geduchte borstwering, waarachter wij ons moeten verschansen, en die borstwering behoort versterkt te worden. Eerst de pen en dan het zwaard. Het moet schotschriften van allerlei aard regenen, wij moeten de moderatie verdacht maken onder den naam van moor der acy; de kracht van zulk een woord doet won-

143

-ocr page 144-

144 DE BEELDSTORMERS

deren, wij zullen het wetsontwerp gehaat maken door te zeggen, dat de zoogenaamde matiging der plakkaten leugen en bedrog is en slechts dient, om ons gebonden in handen van de geweldenaars over te leveren; wij willen er op wijzen , dat men den strop en het zwaard voor het vuur in de plaats stelt en de inquisiteurs door bloeddorstige bisschoppen en rechters vervangen worden. Men vindt er onder de predikanten, die zeer bekwaam zijn in het opstellen van dergelijke geschriften, en de verspreiding kan aan de consistoriën overgelaten worden. Boven alles moet echter in die geschriften gezorgd worden voor het verhaal van martelingen, die sommige slachtoffers der inquisitie ondergaan hebben. Zoo zou men de terechtstelling van Jan Tuskaens te Oudenaarde , die tot den brandstapel veroordeeld werd, omdat hij een priester de hostie uit de hand gerukt en onder de voeten vertrapt had, kunnen aanvoeren als een bewijs, dat de plakkaten nog even wreed gehandhaafd worden.quot;

»Dat gaat niet,quot; sprak Agylaeus, «want de veroordeeling van Jan Tuskaens viel onder de termen eener strafvordering, veel ouder nog dan de plakkaten van, keizer Karei en die trouwens algemeen is.quot;

«Dat kan geen bezwaar vinden,quot; hernam Leclerc; »het publiek aast op gemoedsaandoeningen en die moeten opgezweept en geprikkeld worden, want waar het fanatisme den boventoon voort, kan het gezond verstand niet aan het woord komen.quot;

-ocr page 145-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

«Dat kan geen bezwaar vinden,quot; hernam Leclerc; »het publiek aast op gemoedsaandoeningen en die moeten opgezweept en geprikkeld worden, want waar het fanatisme den boventoon voert, kan het gezond verstand niet aan het woord komen.quot;

»Ik begin te gelooven, dat Leclerc gelijk heeft\' sprak Brederode; » als wij het zoo ver kunnen brengen, dat het volk argwaan tegen de moderatie gaat koesteren , zou die voorgestelde wijziging en verzachting der plakkaten ons ten slotte meer voordeel dan nadeel bezorgen.quot;

»Het feit, door Jan Tuskaens gepleegd, zal echter alleen gunstig kunnen werken op hen, die de Roomsche Kerk verlaten hebben; ikquot;acht het intusschen geenszins geschikt, om onder de oogen te worden gebracht van de paapschgezinden, die in de politiek onze zijde kiezen, al ben ik ook voornemens te gelegener tijd zijn dood te wrekenquot; 1).

»Ik weet het zeer goed, dat men met lijsterbessen geen vinken vangtantwoordde Leclerc glimlachend; »de vlugschriften, waarin dergeijke zielroerende feiten staan , moeten dan ook in den bekenden stijl omschreven worden, die de predikanten verraadt, waarvan de paapschgezinden een afkeer hebben en die zij daarom niet lezen. Er moet in die geschriften ook gezegd

1) Floris van Pallandt, graaf van Kuilenburg, ging zich tijdens de beeldstormerij zoodanig te buiten, dat hij de HH. Hostiën aan zijn papegaai gaf.

II 5 10

145

-ocr page 146-

DE beeldstormers

wordea, dat tusschen de jaren \'50 en \'S5 niet minder dan 100.000 slachtoffers der inquisitie om des geloofswille ter dood gebracht zijn.quot;

«Wie zal zoo iets gelooven?quot; vroeg graaf Van den Berg.

»Dat gelooft iedereen, wanneer het maar stoutweg beweerd wordt,quot; antwoordde Leclerc; «het publiek bezit geen oordeel, het is geheel afhankelijk van de indrukken , die het ontvangt, het praat als een papegaai de woorden na, die men het onophoudelijk voorspreekt 1). Voor de ontevredenen onder de paapschgezinden be-hooren echter andere\' argumenten gebezigd te worden. Men moet hen naijverig maken op hunne rechten en privilegiën, die geschonden zijn, dewijl de Staten-Generaal over dat ontwerp geraadpleegd hadden moeten worden. Het zal niet moeielijk zijn er op te wijzen, dat dit een nieuwe verkrachting onzer oude rechten en privilegiën is, een nieuw middel om de gevloekte centralisatie te voltooien, die de Neder-landsche gewesten eerlang in een volslagen staat van slavernij zal dompelen.quot;

1) Nog in onzen tijd wordt dit cijfer soms door partijdige schrijvers geleverd. Brand, de geschiedschrijver derj reformatie, bewijst intusschen, dat het getal dergelijke martelaren niet meer dan 64 heeft bedragen, en men behoort hierbij nog wel in aanmerking te nemen, dat daaronder lieden gerekend moeten worden, die aan samenzweringen tegen den Staat deelnamen.

146

-ocr page 147-

VAN \'S-HEBTOGENBOSCH.

«Zeer goed, zeer goed!quot; sprak Brederode, die zich de handen wreef

»Toch vrees ik, dat wij, althans hier in Brabant, dat doel niet zullen bereikengaf Everzwijn te kennen. «\'tis maar al te waar, dat een groot deel der burgemeesters en andere overheidspersonen met de moderatie ingenomen zijn; die mannen bezitten veel invloed en de burgerij is uit beginsel te afkeerig van opstand, om nog langer naar onze inblazingen te luisteren, wanneer zij feitelijk bewezen ziet, dat Spanje den weg der inschikkelijkheid inslaat.quot;

»Dat is zeer juist aangemerkt,quot; hernam Leclerc, »en daarom moet ook de overheid bewerkt worden. Heeft men mij goed ingelicht, dan kan men van sommige burgemeesters en schepenen, die ons bondgenootschap reeds menigen goeden dienst bewezen hebben, verwachten, dat zij niet langer het verzet zullen steunen. Die lafaards moeten, mijns inziens, door een anonie-men brief bedreigd worden met openbaarmaking van hun politiek verleden en een gelijke aanklacht bij de hooge regeering, voor \'t geval zij de moderatie steunen.quot;

»De ondervinding heeft mij reeds geleerd, dat dergelijk middel zeer gunstig werkt,quot; zei Agylaeus, «doch het kan tegenover de groote meerderheid der overheidspersonen niet gebezigd worden.quot;

«Daarom stel ik voor een strooibrielje te versprei-

-147

-ocr page 148-

DE BEELDSTORMERS

den, dat die mannen wel tot nadenken zal brengen, alvorens zij als ijveraars voor de moderatie optreden hernam Leclerc. »Zie hier een schema, dat ik aan uw oordeel onderwerp; het draagt reeds de goedkeuring van het centraal-consistorie.quot;

Hij las toen het volgende voor :

»Gij oversten, gij burgemeesters , gij schepenen , gij bevelhebbers der hoofdsteden van Brabant, gij zult in stukken gehouwen worden, zoo gijlieden toestemt, dat de moderatie der plakkaten op den godsdienst, zonder mededeeling aan den raad en toestemming der edelen, die het verzoekschrift geteekend hebben, en van de gemeenten, tegen hare oude rechten en privilegiën doorga 1).quot;

Brederode betuigde zijne ingenomenheid met dit strooibriefje en al de overigen verklaarden, dat zij zich daarmede konden vereenigen.

»Dan heb ik gisteren ook nog geheime instructiën van het centraal-consistorie ontvangen, waarvan ik u mededeeling wil doen,quot; zeide Leclerc. »Op de eerste plaats kan ik u bekend maken, dat een compronm der kooplieden tot stand is gekomen.quot;

Men kon aan al de aanwezigen zien, dat deze tijding als van het hoogste gewicht moest worden beschouwd.

1) Zulk een strooibriefje is werkelijk in het laatst dor maand Juni 1566 door een der Spaansche edelen aan den koning opgezonden. Zie Corr. de Phil. II.

148

-ocr page 149-

VAN S-HERTOGENBOSCH.

«De voornaamste kooplieden te Antwerpen en Amsterdam, die de reformatie zijn toegedaan,quot; zoover-volgde Leclerc, »waren sinds eenigen tijd leden der consistoriën; thans hebben zij eene overeenkomst gesloten en een plechtigen en onschendbaren eed afgelegd , dat zij elkander met lijf en goed zullen ondersteunen, de uitvoering der plakkaten en ook de moderatie naar vermogen beletten en eindelijk hunne rijkdommen ter beschikking stellen , om de geschonden rechten en privilegiën te heroveren.quot;

»Dat zet de kroon op het werk,quot; zei Everzwijn opgetogen. «Eensgezindheid en geestdrift vermogen veel; door verdachtmaking kan men de hartstochten opwekken, doch goud is de grootste hefboom, de dommekracht, waartegen niets bestand is. In Vlaanderen zijn duizenden werklieden broodeloos , in Duitsch-land hunkeren duizenden soldaten naar buit, het goud maakt hen allen tot onze bondgenooten , of liever onze creaturen.quot;

«Het consistorie heeft dan ook reeds maatregelen genomen,quot; hernam Leclerc. «Men is in onderhandeling getreden, om in Duitschland 4000 ruiters en veertig vendels voetvolk op wachtgeld te nemen , onder aanvoering van George van Holl en Wilmer van Munch-hausen. Ook heeft het centraal-consistorie zaakgelastigden naar Frankrijk en Genève gezonden. Zij hebben een onderhoud gehad met de hoofden der Hugenoten,

149

-ocr page 150-

DE BEELDSTORMERS

die hun aanbevelingsbrieven gaven voor Beza 1) te Genève. Ten gevolge daarvan zijn een groot getal Duitsche en Fransche predikanten aangeworven onder de volgende voorwaarden: 1°. dat men hunne reiskosten van Genève naar de Nederlanden zal betalen; 2°. dat zij eene wacht voor hunne veiligheid zullen hebben; 3°. dat men hun, wanneer zij den geest des volks voldoende bewerkt hebben, een voortdurend inkomen tot hun onderhoud zal geven. Zijn die predikanten eenmaal hier, dan volgen weldra honderden ballingen, die om staatkundige en andere feiten het land hebben moeten verlaten. Tot zoolang maant echter het centraal-consistorie tot gematigdheid en voorzichtigheid aan, doch is het eenmaal zoover gekomen , dan mag niet langer geweifeld worden. De aanval op de kerken moet zoo algemeen mogelijk zijn, opdat alles als in één slag zal geschieden. De verschillende consistoriën zullen nog nadere instructiën ontvangen betreffende het sparen van preekstoelen en orgels, opdat de voornaamsten dier gebouwen onmiddellijk voor den dienst van het » zuivere evangeliequot; in gebruik genomen kunnen worden.quot;

»En draagt Oranje van dat alles kennis?quot; vroeg Brederode.

150

«Ongetwijfeld, en wel door zijn broederLodewijk,quot;

i) De opvolger van Calvijn.

-ocr page 151-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

antwoordde graaf Van den Berg, «doch hij laat er zich niet over uit.quot;

Leclerc glimlachte. »Oranje weet dat spreken zilver en zwijgen goud is; laat hem zijn eigen weg gaan, wij zullen hem eenmaal ontmoetenzeide hij.

«Hebt gij nog andere mededeelingen van het cen-traal-consistorie te doen?quot; vroeg de heer van Hedel.

«Mijne instructiën zijn afgeloopen,quot; sprak Leclerc.

«Dan willen wij aan tafel gaan,quot; zei graaf Van den Berg.

Wij vinden eenige oogenblikken later de edelen en hunne bondgenooten in de eetzaal van het Hedelsche slot vereenigd. In dat vertrek hadden vroeger hertogen van Brabant aan den disch gezeten, die met Godfried van Bouillon naar het Heilige Land getogen waren, en men vond er aan de wanden nog verschillende portretten van leenheeren uit den Gelderschen adel, die vrij barsch op hunne nakomelingen neerzagen. Otto, heer van Hedel, die met de erfdochter van Frederik, heer van den Berg en van Bijland gehuwd was, had met zijne gemalin de eereplaats verkregen, waarschijnlijk omdat haar zoon den naam en het wapen van het geslacht had aangenomen, dat nu nog voortleefde.

De genoodigden deden de goed voorziene tafel alle eer aan, de beker ging lustig rond en het bleek dat Gilles Leclerc, ofschoon slechts advocaat, gewoon was met edelen om te gaan, want hij gevoelde zich

\'!S1

-ocr page 152-

DE BEELDSTORMERS

geheel thuis. Graaf Van den Berg, die als een vreesachtig en karakterloos man te boek stond, had dan ook niet weinig van zijn aangeboren spotlust te verduren , welken hij echter meesterlijk onder allerlei vleierijen wist te verbergen. Nadat men geducht de spijzen had aangesproken en de wijn de hoofden in opgewondenheid begon te brengen, verzocht Leclerc aan de edelen vergunning om, als zaakgelastigde der consistoriën, namens het centraal-consistorie een dronk te wijden aan den gastheer, aan den edelen graaf Van den Berg , wiens belangloosheid en onverschrokkenheid door het consistorie zoo hoog gewaardeerd werden. Hij wees er op hoe op \'s graven bezittingen een pastoor gehandhaafd werd, die de eedgenooten in de hand werkte en zich zelfs verstoutte een predikant onder zijn dak te huisvesten; hij deed uitkomen , dat ook de bedreigingen van de landvoogdes uit Brussel hem geen vrees aanjoegen, ofschoon hij zijne bezittingen, zijne vrijheid en misschien zijn leven op het spel zette, en eindigde met te zeggen , dat Antwerpen het oog op hem, als op een bolwerk, gevestigd hield en hem beschouwde als een der voornaamste vrijheidshelden des lands.

Brederode had den spreker met een veelbeteekenenden glimlach aangezien; toen de bekers geledigd waren, zeide hij:

)) Belangloosheid schijnt een aangeboren eigenschap van het doorluchtige geslacht van Heel 1) te zijn, 1) Reeds in de XVIe eeuw schreef men b\'.j verkorting H e e 1.

152

-ocr page 153-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH. \'! 63

dat is in \\ 480 gebleken, toen graaf Ludolf aanbood dit slot en het dorp tegen de Gelderschen te bezetten.quot;

«Dat aanbod getuigde ongetwijfeld van moedhernam Leclerc, »maar kan toch niet vergeleken worden met \'t geen de tegenwoordige heer graaf voor de vrijheid des lands waagt aan lijf en goed.quot;

»Met uw welnemen moet ik hier de opmerking maken,quot; bemerkte graaf Willem, na een paar malen gehoest te hebben, »dat het gemakkelijker is over belangloosheid te spreken dan werkelijk belangloos te zijn. Ik heb mij bij het verbond aangesloten, doch al wil ik ook mijn deel hebben aan de gevaren, daarom ben ik nog niet gezind, voor anderen de kastanjes uit het vuur te halen.quot;

»Gij zoudt toch niet aarzelen u ten offer te brengen, wanneer wij daardoor uit de klauwen der Spanjolen verlost konden worden?quot; vroeg Leclerc.

»Dat is te zeggen.... ik weet niet waarom ik juist het offerdier zou moeten zijn,quot; hernam Van den Berg. «Wij strijden gezamenlijk voor dezelfde zaak, wij behoorden daarom ook dezelfde gevaren te dealen en hebben recht op dezelfde bescherming en belooning.quot;

»Uwe zelfverloochening is groot, heer graaf,quot; sprak Leclerc , «want ik ben overtuigd, dat gij uwe belooning alleen zoekt in het bewustzijn van nog meer dan anderen uw plicht te hebben gedaan quot;

Graaf Van den Berg werd wrevelig, vooral toen hij

-ocr page 154-

DE BEELDSTORMERS

zag, dat Brederode een glimlach niet kon bedwingen. »Mijne goederen zijn zeker onbezwaard en ik heb geen schuldenquot; 1), zeide hij eenigszins scherp, «doch daarom waag ik juist meer dan vele anderen, \'t Is mogelijk dat wij in den strijd het onderspit delven, in dat geval zal ik grooter slachtoffer zijn dan zij, die niets te verliezen hebben; slagen wij echter, dan meen ik éven-veel , zoo niet meer recht te hebben op belooning en buit dan eenig ander. Ik zeg dit om niet het slachtoffer te worden van \'t geen men mijne groote belangloosheid noemt..quot;

«Denkt gij te gaan plunderen?quot; vroeg Brederode, wien de schoen scheen te passen , welke hem was aangeboden.

«Plunderen ?quot; sprak Van den Berg.... «wie spreekt van plunderen? Wij gaan met de wapenen in de hand een vijand bestrijden-, overwinnen wij, dan zullen wij het oorlogsrecht, het recht op buit evenzeer op priesters en monniken mogen toepassen als op ridders. Hoorne ontving indertijd 80.000 kronen als losprijs van den hertog van Longueville, en Egmond nog veel meer; ik zou niet weten waarom ik leven en bezittingen moet wagen zonder kans op oorlogsbuitquot; 2).

1) Brederode stak, ten gevolge zijner weelderige levenswijze en zijner brasserijen, tot over de ooren in de schulden en zijne goederen waren grootendeels verpand.

2) Het is bekend, dat graafWillem van den Berg, na de beeldstormerij, voor zijn aandeel een ton met kelken, monstransen en ander zilverwerk machtig wist te worden. Toen hem later het quot;vuur te dicht bij de kleeren kwam, verzoende hij zich weder met Spanje.

154

-ocr page 155-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

«Niemand zal u dat recht betwisten,quot; zei Leclerc. ))Wij voeren, met gevaar voor vrijheid en leven, strijd tegen heerschzuchtige priesters en monniken, tegen bijgeloof en afgoderij, en wanneer wij de weelderige kerken en rijke abdijen daarvan zuiveren, is het niet meer dan natuurlijk dat wij het gouden kalf slachten en verdeelen. Doch gij verkleint desniettemin uwe verdiensten, heer graaf, want dat gij het gevaar trotseert, bewijst het handhaven van een pastoor, die sinds lang te Brussel met een zwarte kool aangeschreven staat. Men heeft mij zelfs gezegd, dat gij reeds meer dan eens bevel van de landvoogdes hebt ontvangen, om hem van uwe bezittingen te verwijderen; is dat waar?quot;

Van den Berg knikte met het hoofd.

»En gij hebt waarschijnlijk even fier als altijd geantwoord , dat mevrouw de hertogin liever haar eigen tuin moest wieden dan zich met zaken bemoeien, die haar niet aangaanhernam Leclerc, terwijl hij glimlachend een teug uit zijn beker nam.

«Wat raaskalt gij toch,quot; sprak de graaf, die inderdaad boos werd. »Heeft nog een der vliesridders den moed gehad, om met open vizier voor de landvoogdes op te treden ? Huichelen wij niet allen eerbied voor de wetten des lands? Het devies der geuzenorde luidt: getrouw aan den koning tot aan den bedelzak, en wij weten toch zeer goed dat, met uitzondering van Egmond

155

-ocr page 156-

DE BEELDSTORMERS

en nog enkelen, allen, die met dat devies pronken, tegen Spanje samenspannen. Noch Oranje, noch Filips van Marnix wagen het, anders dan met den eed van trouw op de lippen voor de landvoogdes te verschijnen , en ofschoon de graaf Van Brederode eens den moed had, het voorstel tot een gewapenden opstand te doen, geloof ik toch niet, dat hij het zou wagen de wetten des lands openlijk met voeten te treden, of de bevelen uit Brussel in het aangezicht der landvoogdes te werpen.quot;

«Geheel natuurlijk, want ik zou evengoed mijn hoofd op het blok kunnen leggen,quot; zei Brederode.

»Welnu,quot; hernam de graaf Van den Berg, «in dit geval is het eene dwaasheid te onderstellen, dat ik de landvoogdes het hoofd zou hebben geboden.quot;

«Maar hoe is het dan mogelijk, dat gij zoodanigen pastoor weet te handhaven, daar hij, als ik mij niet bedrieg, reeds meer dan een jaar geleden als een stokebrand te Brussel is aangeklaagd?quot;

«Door de zaak op de lange baan te schuiven, zooals wij trouwens in alles doen,quot; antwoordde Van den Berg. «Het was mij in het vorige jaar zeer goed bekend, dat de pastoor 1) den predikant Van Diest in zijne woning verborgen hield en zoowel in gedrag als in leer veel aanstoot gaf, zoodat vele inwoners het

1) De naam van den afvalligen priester, die als pastoor van • Hedel zulk een schandelijke rol heeft gespeeld, is nergens te vinden.

156

-ocr page 157-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

dorp verlieten, doch ik deed alsof ik daarvan niets wist. Hij was bij de Regeering aangeklaagd van zedeloosheid en ketterij en men verlangde zijne verwijdering , doch het hof van Gelderland gaf te kennen, dat de ambtman daartoe niet bevoegd was, aangezien hij mijne heerlijke rechten niet mocht schenden. Nu ontving ik echter dezer dagen namens de landvoogdes het bevel, om die verwijdering te bekrachtigen.quot;

»En hoe zult gij u uit die ongelegenheid redden?quot; vroeg Brederode.

Graaf Van den Berg haalde de schouders op. »Daar ben ik nog over in tweestrijdantwoordde hij. »Blijf ik den pastoor handhaven, dan loop ik gevaar van te worden aangeklaagd wegens verzet; in het tegenovergestelde geval haal ik mij de ontevredenheid onzer eedgenooten op den hals en loop gevaar van hier een papist te krijgen, die mij in de kaart ziet. \'t Is een moeilijk geval voor mij en een nieuw bewijs, dat ik meer te wagen heb dan mij lief is.quot;

»Mag ik u eens een goeden raad geven, heer graaf?quot; vroeg Leclerc.

))Zeer gaarne,quot; antwoordde de lafhartige veinzaard.

«Betuig aan mevrouw de hertogin uwe onwrikbare gehechtheid aan den godsdienst van den Staat en uwe ergernis over de kettersche beginselen en het zede-looze gedrag van den pastoor. Laat echter daarbij uitkomen, dat het zeer moeielijk is, hem oogenblik-

157

-ocr page 158-

DE BEELDSTORMERS

kelijk door een waardigen herder te vervangen, en gij hem daarom voorloopig in bediening wilt laten onder vermaning, dat hij zich in leer en levenswijze moet gedragen, zooals een goede pastoor of Christen betaamt 1).quot;

Graaf Van den Berg glimlachte; hij scheen een anker te hebben gevonden, waaraan zijne dubbelhartigheid zich kon vastklemmen.

»In trouwe, ik geloof dat ik op dezen weg mij het best uit die ongelegenheid zal kunnen redden,quot; sprak hij.

«Wanneer uwe bedenkingen te Brussel geen gehoor mochten vinden, dan zal het noodig zijn, dat wij naar een ander middel omzien, ten einde de zaak op de lange baan te schuiven,quot; hernam Leclerc; «want het centraal-consistorie stelt er veel prijs op, dat de predikant Van Diest in deze streken blijft, ten einde te eeniger tijd Den Bosch te kunnen binnendringen, en waar kan hij een betere schuilplaats vinden dan bij een pastoor?quot;

158

»\'t Is de vos in het kippenhok,quot; zei Brederode, die lachend achterover in zijn stoel viel; hij had reeds

1) Graaf Van den Berg heeft werkelijk een advies van dien aard aan de landvoogdes opgezonden. In zijn schrijven luiden de gecursiveerde woorden: »dass er sich met lehr und leben nit anders sol halten, dann vvess einnen guiden pastor oder Christen zu thun woel zustunde.quot;

-ocr page 159-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

geducht den beker aangesproken. «Ik begrijp echter niet, waarde graaf, wat ik van een pastoor moet denken, die op een goeden voet staat met mannen als Van Diest en Modet en toch zijne bediening blijft waarnemen.quot;

«Och, hij gaat aan hetzelfde euvel mank,quot; sprak Agylaeus, de schouders ophalende.

«Wijntje en Trijntje, meent gij,quot; riep Brederode schaterend uit, en het gansche gezelschap deelde in zijne luidruchtigheid.

»Dit neemt niet weg, dat hij onze plannen zeer in de hand werkt,quot; zei graaf Van den Berg, »want ik weet dat hij \'t er op toelegt, zijne on,1 ^rhoorigen langzamerhand geheel van Rome te vervreemden en tot den afval voor te bereiden; dat zou een predikant onmogelijk zoo goed kunnen doen 1).quot;

»Ik drink het welzijn van den pastoor,quot; sprak Brederode, «moge hij vele navolgers vinden!quot;

De aanwezigen deden hem met onstuimigheid bescheid. En nu begonnen allen luidkeels een der schimpliederen op den Paus te zingen, die toen zoo

\\ 59

1

De afvallige pastoor is daar maar al te wel in geslaagd; wanneer men er degenen, die hun geboortegrond verlaten hebben, van uitzondert, heeft hij bijna zijne gansche gemeente in den afval medegesleept. De toestand der katholieken te Hedel was nog lang daarna allertreurigst; zij waren genoodzaakt over de Maas te gaan om in \'t geheim hunne godsdienstplichten te vervullen.

-ocr page 160-

DE BEELDSTORMERS

algemeen verspreid werden, om de gemoederen in beroering te brengen.

«Antichrist is gheboren

Dat rycke Gods wil hy verstoren

En maken onvreé!

Uiten duyvel is hy gheboren.quot;

Dan volgden een paar afzichtelijke coupletten. die wij hier niet mogen afschrijven, over het celibaat en de aflaten, terwijl het lied eindigde als volgt:

))Hv wil voor ons den hemel sluyten;

oelve moet hy der blyven buyten Met al syn gecapte guyten,

Syn oordeel is ree 1);

Uiten duyvel is hy gheboren Syn dienaers mee.quot;

160

Het moet gezegd worden, dat Leclerc bij al die luidruchtigheid zijne kalmte wist te bewaren en slechts matig den beker aansprak. De man, die zooveel heeft bijgedragen, om de onzalige beeldstormerij voor te bereiden, die evenzeer de hebzucht der berooide edelen prikkelde als het fanatisme der sombere Calvinisten opzweepte , bleef zich altijd beheerschen.

1) Ligt gereed.

-ocr page 161-

VAN S-BERTOGENBOSCH.

wLaat ons zorgen, edele heerenzeide hij, toen het lied geëindigd was, »dat dergelijke uitgelatenheid ons niet te zeer in het bloed kruipt, dat wij onze tongen weten te beheerschen, want een enkel ontijdig, onberaden woord zou ons kunnen verraden. Wij weten wat wij willen: opstand tegen Spanje en uitroeiing van den paapschen eeredienst, maar de voorzichtigheid eischt, dat ons openbaar gedrag steeds blijken geeft van getrouwheid aan den koning en eerbied voor den godsdienst van den Staat. Wij moeten ons wel wachten de achterdocht der hooge Regeering en vooral die van het volk gaande te maken. Want al is ook de ontevredenheid groot en naar wensch opgewekt, toch zouden die zelfde ontevredenen zich tegen elke beweging verzetten, wanneer zij wisten wat wij eigenlijk in ons schild voeren. Wij zien thans reeds hoe nadeelig de moderatie werkt; wordt in godsdienstig opzicht de argwaan levendig, dan is het spel verloren. Ik geloof daarom, dat wij ons dergelijke liederen niet te zeer eigen moeten maken,quot; »Wij hebben waarlijk maar al te dikwijls reeds het bewijs geleverd, dat wij met den mond woorden kunnen spreken, die we in \'t hart verafschuwen, niet waar, Brederode?\' zei Van Pallandt, een slinkschen glimlach tot den heer van Vianen richtende. «Wat meent gij?quot; vroeg Brederode.

«Wel, ik herinner mij nog duidelijk,quot; hernam Van II 5 11

161

-ocr page 162-

DE BEELDSTORMEUS

Pallandt, «hoe gij op den 5 April aan het hof te Brussel de knie boogt voor mevrouw de hertogin, en voor God verklaarde, dat de geruchten , alsof de verbonden edelen den ouden godsdienst niet eerbiedigden en met vreemde vorsten en krijgsoversten in samenzwering en muiterij waren tegen hun wettigen vorst, louter verzinselen waren van lasteraars, die voorbeeldig gestraft moesten worden.quot;

»En waarom moet dit hier in herinnering worden gebracht?quot; vroeg Brederode, die bloedrood werd.

»Alleen om te bewijzen, dat wij geen vermaningen noodig hebbenvervolgde Van Pallandt, die wel zag dal zijn vriend als op heete kolen zat. »Wij buigen nog altijd de knie voor mevrouw de hertogin, wij voeren openlijk het devies; getrouw aan den koning, en velen onzer dragen zelfs, waar \'t te pas komt, gewijde kaarsen in de processiën ; maar men mag toch , voor den drommel, binnen de muren het hart wel eens lucht geven.quot;

«Gij hebt gelijk,quot; sprak Brederode onstuimig,»wij moeten tot stikkens toe getrouwheid en eerbied veinzen, men verge dus niet, dat wij ook onder vrienden en bij den beker met dat mom zitten. Leve de vreugde\'. Leve de vrijheid! weg met Spanje ! de dood aan de papen! Laten de consistoriën maar voortwerken en de advocaten hunne strikken spannen, wij zullen naar de wapenen grijpen als het tijd geworden is, maar wij

162

-ocr page 163-

VAN S-HERTOGENBOSCH.

willen niet, dat aan den gezelligen disch onze wijn door zedepreeken vergald wordt. Wie het wel met mij meent, drinke op het welzijn der geuzen.quot;

Deze uitnoodiging werd met een uitbundig gejuich beantwoord, Leclerc schudde het hoofd, doch begreep, dat nu elke verdere aansporing tot gematigdheid vruchteloos zou zijn. ^

«Barlaymont heeft ons schooiers genoemd 1),quot; hernam Brederode, die meer en meer opgewonden werd ; » welnu, daar wij dan toch schooiers en bedelaars zijn, is het niet meer dan recht, dat wij den bedelzak dragen en uit een houten nap drinken.quot;

Hij fluisterde nu den gastheer, die naast hem gezeten was, een paar woorden in het oor en kort daarop verscheen een page met een houten drinknap en een soort van bedelzak.

163

Brederode deed den zak om bij wijze van monniksschapulier , liet den houten nap door zijn page vullen, strooide wat zout in den wijn en riep:

1) Toen de verbonden edelen op den 6 April, na de aanbieding van het bekende verzoekschrift, het paleis der landvoogdes verlieten, zeide de heer van Barlaymont, die met den graaf van Arensberg aan het venster zag: «Ziedaar onze fraaie schooiers [gueux], zie eens met welk eene verwaandheid zij ons voorbijgaan.quot; Barlaymont zinspeelde waarschijnlijk op den berooiden toestand, waarin de meeste edelen, ten gevolge hunner uitspattingen , verkeerden.

-ocr page 164-

DE BEELDSTORMERS

»Par le sel, par le pain, par la besache

Les gueux ne changeront quoy qu\'on fasse 1).quot;

Daarna stond hij op, sprak met forsche stem: «Leven de geuzen!quot; en ledigde den nap.

Het gansche gezelschap dronk insgelijks een beker en riep luidkeels: «Leven de geuzen!quot;

Toen hing Brederode graaf Van den Berg den bedelzak om en reikte hem den gevulden houten nap toe. De heer van Hedel scheen niet veel lust tot deze ceremonie te gevoelen, doch kon er zich niet aan onttrekken. Andermaal hoorde men den wapenkreet herhalen. Zo» ging het de tafel rond, van den eenen gast op den anderen. De onstuimigheid werd al grooter en grooter , en hadden de pages het druk met het vullen der bekers, hunne meesters waren nog vlijtiger in het ledigen.

Jonker Jan van Renesse hief nu opnieuw een lied aan, dat getuigde van haat tegen Rome en de priesters en waarin gezinspeeld werd op den rijkdom der kloosters.

«Ik zie u nog eens abt van St. Laurens 21), jonker Jan,quot;\' sprak Van Pallandt; » uw gezondheid , mijnheer de abt.-\'

»Wederkeerig de uwe, mijnheer de prior van St. Agatha,quot; riep jonker Jan.

1) Bij zout, bij brood, bij bedeltasch, De geuzentroep blijft wat hij was.

2) Eene zinspeling op de abdij van dien naam op Oostbroek, bij Utrecht,

164

-ocr page 165-

VAK \'S-HERTOGENBOSCH.

Deze ^«.^-geestigheid vond algemeenen bijval, de edelen noemden elkander nu mijnheer de proost, mijnheer de abt en mijnheer de prior van bekende kerkelijke goederen. Men behoefde niet meer te vragen wat zij in hun schild voerden. De luidruchtigheid , die tot laat in den avond duurde, ging in stuitende dronkenschap over; de omgevallen bekers en de groote wijnvlakken op het tafelkleed getuigden van de ongebondenheid die daar heerschte , en Gilles Leclerc mocht waarschijnlijk de eenige genoemd worden, die nog bezinning genoeg had om zich staande te houden 1).

1) Wij hebben ons hier aan een anachronisme schuldig gemaakt. Een dergelijk tooneel heeft werkelijk plaats gehad, doch reeds in de maand April en wel in het huis van den graaf van Kuilenburg te Brussel, nadat Brederode de woorden van Bar-laymont had opgevangen. Men misduide ons die verplaatsing niet.

Pontus Payen, van het devies der edelen sprekende, die met den naam van geus pronkten, zegt: »Een devies, dat inderdaad zeer goed paste voor de meesten onder hen, die lichtzinnig hun goed verteerd hadden en zich in zoodanigen toestand bevonden, dat zij een van beiden moesten doen ; of het goed van anderen rooven, of hun brood van huis tot huis met den bedelzak bedelen.quot; — En Bilderdijk veroorlooft zich het volgende scherpe gezegde omtrent de geuzen : »dat, wanneer zij geene waarlijke schooiers [gueux] waren, zij zich toch als dusdanig gedroegen.quot;

Dit tot toelichting voor hen, die zouden kunnen meenen, dat wij ons aan overdrijving of onverdraagzaamheid schuldig maken.

165

-ocr page 166-

VIII.

Twee maanden zijn voorbijgegaan sinds den nood-lottigen avond, toen het consistorie «de boom in het boschquot; voor de eerste maal in de oude hertogsstad vergaderde en daar de plannen van het centraal-con-sistorie te Antwerpen werden voorgelegd en besproken. De driestheid der samenzweerders en ontevredenen was algemeen toegenomen , ofschoon elke botsing nog vermeden werd. De consistoriën hadden het sein tot de geweldenarijen nog niet gegeven, doch men stond met de lont aan het kruit; er was slechts een enkel teeken noodig, om de uitbarsting te doen

plaats grijpen.

In West-Vlaanderen was intusschen reeds heilig-

-ocr page 167-

DE BEELDSTOKMERS VAN S-HERTOGENBOSCH. 1 67

schennis en geweld gepleegd. Te Steenvoorde predikte op den \'10 Augustus zekere Sebastiaan Matte, een hoedenmaker uit Yperen. Het volk. door zijne woorden in opgewondenheid gebracht, vernielde na die predikatie de altaren en beelden eener kapel. Denzelfden dag hield zekere Juliaan te Richebourg een toespraak voor 300 welgewapende Calvinisten op het kerkhof, terzelfder tijd dat in de kerk een plechtige H. Mis werd opgedragen. Door Juliaan aangevoerd, stormde de woeste bende de kerk binnen, sleurde bij de consecratie den priester van het altaar en vernielde en verminkte de beelden. Van daar sloeg de geweldenarij over naar het platteland. Benden van drie- en vierhonderd man liepen van dorp tot dorp; zij bestónden grootendeels uit boeven en lichtekooien, zooals gewoonlijk bij dergelijke oproerige bewegingen. Niets was dien onverlaten te heilig. Rijke bibliotheken en onwaardeerbare kunstschatten werden vernield of aan de vlammen prijsgegeven; men joeg de nonnen uit hare kloosters, men mishandelde de priesters, men pleegde de afgrijselijkste heiligschennis.

Dat was het voorspel van het vreeselijke drama. Binnen vier dagen was in de omstreken van Kortrijk en Yperen alles vernield, wat de katholiek heilig en dierbaar mocht noemen. Als op een gegeven teeken kwamen en verdwenen de razende dwepers, wier hartstochten men in beroering had weten te brengen.

-ocr page 168-

DE BEELDSTORMERS

Te Antwerpen was het nog niet tot een botsing gekomen, doch die stad geleek op een vulkaan; men kon elk oogenblik een uitbarsting verwachten. Willem van Oranje bevond zich daar sinds den 13™ Juli. Dien dag was hij met alle praal en pracht de stad binnengetrokken om . zooals hij in het bijzijn van den Stadsraad had beloofd, de onlusten te stillen , den handel te doen herleven en naar zijn vermogen paal en perk te stellen aan de gevreesde predikatiën. Brederode trok hem aan het hoofd van een aantal edelen te ge-moet . onder het afschieten hunner pistolen. Er was een groote menigte op de been , men juichte en jubelde. De eedgenooten, die op hem konden rekenen, wisten wel wat dit te beteekenen had, en vele lichtgeloovige katholieken, die zich door zijne houding hadden laten verblinden, meenden hoop te mogen voeden op een betere toekomst, dewijl Oranje in \'t openbaar de woelingen der Calvinisten bestreed. Toen nu gedurende genoemden intocht herhaaldelijk ; Leven de Geuzen! werd geroepen en het duidelijk in het oog viel, dat Oranje daarover misnoegdheid aan den dag legde, werden zij nog meer in die meening gesterkt, en zoo kwam het dan ook dat de geestdrift vrij algemeen was.

Oranje beteugelde inderdaad aanvankelijk de oproerige predikatiën; hij hield dagelijks bijeenkomsten en vergaderingen met allen, die tot de regeering behoorden en invloed bezaten; met de verschillende cor-

168

-ocr page 169-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

poratiën, de gilden, de rederijkers, de wijkmeesters en de kooplieden. Het was geenszins zijn doel tot een algemeene bevrediging mede te werken, maar veeleer om als middelaar tusschen de regeering en de bewegingspartij de macht geheel in handen te krijgen. Hij vreesde dat de woeste Calvinisten de zaak zouden bederven door een ontijdig optreden, zeer goed wetende dat, ingeval hij zich bij hen aansloot, zijne bondgenooten van hem afkeerig zouden worden. Hij wilde daarom de calvinistische beweging zelf leiden en trad in overleg met de hoofden der partij, wien hij de schoonste uitzichten voorspiegelde. Het gevolg hiervan was, dat een aantal vreemde kooplieden, die de stad hadden willen verlaten, van dit voornemen afzagen en weder handel begonnen te drijven. De bezadigdsten onder de protestanten bewilligden er ook in, dat de predikatiën althans niet meer gewapenderhand zouden worden gehouden en men geen oproerigheden meer zou gedoogen.

Men had echter buiten de geheime macht gerekend, die alles had voorbereid, die niets meer vreesde dan bevrediging. Eensklaps ontvingen de wijkmeesters gelijktijdig een waarschuwing, waarin gezegd werd, dat er verraad gepleegd en het volk van Antwerpen vermoord zou worden. Manschappen en wapenen waren gereed om de belijders der nieuwe leer te vermoorden.

Deze valsche tijding ging van mond tot mond; de

\\ 69

-ocr page 170-

DE BEELDSTORMERS

leiders der beweging achtten zich ontslagen van hun woord, zij rekenden zich niet meer veilig en kondigden aan, dat, te beginnen met den 13 Augustus, de predikatiën binnen de stad zouden worden gehouden. De mijn, reeds zoolang aangelegd, zou springen; men wist wel waarom men Oranje niet behoefde te vreezen, al was hij thans ook tot stedehouder van de eerste stad des rijks benoemd en als zoodanig met groote macht bekleed.

Keeren wij thans naar \'s-Hertogenbosch terug.

Daar wordt het feest van Onzer Lieve Vrouw Hemf;l-vaart gevierd. Het is nog vroeg in den middag, want de klokken der kathedraal luiden voor het plechtige lof, dat te drie uren zal beginnen. Men ziet van alle kanten menschen toestroomen, en in de kapel der Zoete Lieve Vrouw knielen reeds een aantal geloovi-gen rondom het feestelijk versierde beeld. Men heeft in die bange tijden meer dan ooit behoefte om de bescherming in te roepen van haar, die de Troosteres der bedrukten wordt genoemd. Machtig en bezielend klinken de diepe tonen van de reusachtige klok, Salvator geheeten, vijf jaren geleden door meester Jan afgeloverd; ze beheerschen de gansche stad en worden op den adem van den wind tot ver buiten de veste gedragen.

Op Wouter Harmsen, den touwslager aan den Hekel, schenen die tonen echter een geheel anderen

170

-ocr page 171-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

indruk te maken. Wouter stond op zijn stoep, toen de Salvator in beweging werd gebracht; \'t was of een koortsachtige rilling door zijne leden gleed, toen de roepstem des hemels zich van den hoogen kapeltoren liet hooren; hij ging haastig zijn woning binnen, schoot een overkleed aan en verliet de stad, den weg naar Vucht inslaande. De jonge touwslager was reeds eenige weken stil en afgetrokken, hij vertoonde zich in \'t openbaar niet meer dan noodig was, en de lust tot arbeid, die voorheen bij hem zoo buitengewoon groot was, scheen dagelijks meer af te nemen. Dien dag was hij uiterst somber. Dacht hij wellicht met weemoed aan een gelukkig verleden, toen hij mee opging naar den tempel, om God te loven en te danken in de verheerlijking der gezegende Moeder-maagd ? Het was leeg in zijn gemoed als in zijn werkplaats; hij gevoelde zich verlaten, want de koude adem des ongeloofs had de bloesems doen verstijven, waaruit de zielevrede en de blijdschap der kinderen Gods voortspruit. Hij had gehoor gegeven aan de inblazingen van dwaalleeraars; zij hadden hem alles ontnomen, en niets gegeven, dat hem kon bevredigen, en al betreurde hij ook den verloren schat niet, dewijl het licht des geloofs niet door den nevel kon dringen, welke zijne ziel omgaf, toch gevoelde hij dat dit verlies hem van zijn levensgeluk had beroofd.

Zoo kwam het dan ook, dat de tonen van de St.-Salvator-klok hem de stad uitdreven.

I7i

-ocr page 172-

DE BEELDSTORMERS

Het was een heerlijke zomerdag met een effen blauwen hemel, als ware hij voor het feest getooid. De zon schoot gloeiende stralen op den zandigen weg, er waren dus geen wandelaars te zien, en Harmsen was blijde dat hij de herberg »De verloren Zoonquot; bereikt had, om wat te kunnen uitrusten. Deze herberg, die wij reeds meermalen genoemd hebben, droeg tot uithangbord een tafereel uit het leven van den roekeloozen jongeling , die zich aan het vaderlijk gezag onttrok en de gevaren der wereld trotseerde. In den tijd, waarvan wij spreken, was die herberg zeer berucht ; het waren werkelijk verloren zonen , die daar bijeen kwamen, om het geld, dat zij van de hoofden der beweging ontvingen, in ongebondenheid te verkwisten; zij was de vergaderplaats geworden van de betaalde handlangers der consistoriën.

» Zoo, meester Harmsen , mag men u nog eens zien ?quot; sprak de kastelein, die voor zijne deur stond. »\'t Is u zeker bij al dat gebengel in de stad te benauwd geworden. Gij hebt groot gelijk, man , want hier is het vrij wat beter, al zuchten wij ook nog onder den priesterlijken knoet.quot;

Harmsen gaf geen antwoord, maar trad de herberg binnen.

»Gij vindt slechts leege banken hernam de spraakzame kastelein, die hem volgde, »doch als de zon nog wat gedaald is, zal er wel meer leven inkomen. Een kan bier, niet waar?\'\'

-ocr page 173-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

Harmsen knikte met het hoofd.

«Gisterenavond is het hier warm toegegaan,quot; zoo begon de kastelein weder, toen hij de bierkan gebracht had, «en als ik mij niet bedrieg, broeit er iets, waarvan wij spoedig zullen hooren.quot;

Harmsen gaf geen antwoord.

»Nu, gij zijt even goed, zoo niet beter op de hoogte dan ik, maar gij slacht de kalkoenen, die ook meer denken dan zij zeggen.quot;

«Waarom is het hier warm toegegaan?quot; vroeg Wouter, die nauwelijks acht had gegeven op de woorden van den kastelein.

«Wel, in de eerste plaats dewijl de beurzen ruim gevuld waren, en ten andere, omdat Willem Michielsz. en Jan Bentijn.... nu, gij moogt dat wel weten. .. wat te veel gedronken hadden en ten slotte met elkander handgemeen werden.quot;

Harmsen haalde minachtend de schouders op. »\'t Zijn beiden onverbeterlijke dronkaards,quot; zeide hij, het zweet van zijn voorhoofd wisschende. «Waarom hebt gij geen bank meer buiten staan, Koenraad?quot; liet hij er op volgen, «\'tls hier niet om uit te houden.quot;

«Buiten nog minder, meester Harmsen,quot; antwoordde de kastelein, «daar zou men in de barre zon zitten.quot;

«En vroeger dan?quot;

» O, vroeger, toen stond de oude lindeboom er nog, die in den nacht van den 13en Juni door den bliksem

173

-ocr page 174-

DE BEELDSTORMERS

getroffen is. Nu zie ik wel, dat gij in langen tijd niet hier zijt geweest.quot;

\'t Scheen Wouter niet aangenaam te zijn, dat die nacht in zijn geheugen teruggeroepen werd.

»Hebt gij ooit zulk een zwaar en langdurig on-weder bijgewoond?quot; vroeg de kastelein.

Harmsen schudde ontkennend het hoofd.

»Wij vreesden hier dat de wereld verging, en mijn vrouw geloofde dat de hel losgebroken was, hernam Koenraad , » want de grond daverde onophoudelijk en \'t was of het vuur regende. Dat de duivel zijn staart geroerd heeft, hebben wij dan ook des morgens ondervonden, toen het doode paard gevonden werd.

»Is hier toen een dood paard gevonden?quot; vroeg Harmsen, ofschoon onnadenkend.

»Weet gij daar niets van? Er moet een moordaanslag gepleegd zijn, dat is duidelijk gebleken, ofschoon men de zaak verborgen heeft gehouden.quot;

»Een moordaanslag in den nacht van den 15ei1 Juni?quot; vroeg Wouter nu met blijkbare belangstelling. «Hoe laat?quot;

«Omstreeks één uur, want een aantal menschen herinnerden zich den volgenden dag, dat zij om dien tijd een buitengewoon gerucht op de straat vernomen hadden.\'

»En is er niets van uitgelekt?quot;

»Ik zeg u immers, dat men die zaak in den doof-

174

-ocr page 175-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

pot heeft willen stoppen; maar gij begrijpt wel, dat ik er het mijne van denk.quot;

Harmsen kon slechts met moeite zijne ontroering verbergen. Hij dacht aan De Gruyter, die sinds dien nacht verdwenen was. Hij wist, dat Willem Michielsz. toen de nicht van den advocaat Agylaeus moest ontvoeren en De Gruyter hem dat wilde beletten. Die moordaanslag moest dus betrekking hebben op genoemde personen, en daar Willem Michielsz. ongedeerd teruggekeerd was en de hopman niet...

Hij brak den loop zijner gedachten af en vroeg;

«Wat is dan wel uw gevoelen omtrent die duistere zaak ?\'\'

»Dat er politiek in het spel is en men iemand heeft vermoffeld, die in \'t bezit was van \'t een of andere geheim antwoordde de kastelein. »\'s Morgens , nadat hier een dood paard gevonden was, hoorde ik al spoedig, dat des nachts een zwaar gewond persoon in de pastorie was opgenomen, en \'t is zeker, dat in de kerk een gebed voor een stervende verzocht is, ofschoon niemand onder kerkelijke berechting lag. \'t Moet een jonkman met zwart, krullend haar zijn geweest, dat had de meid van den pastoor aan de vrouw van den bakker verteld. Nog vóór den middag kwam de schout uit Den Bosch met een wagen, waarin de stervende vervoerd werd, en men heeft na dien tijd niets meer van hem gehoord.quot;

175

-ocr page 176-

DE BEELDSTORMERS

»Hoe zag hij er uit?quot; vroeg Harmsen haastig.

De kastelein haalde de schouders op. »Dat heb ik aan vijftig en meer menschen gevraagdantwoordde hij, «doch de schout had wel gezorgd dat niemand hem te zien kon krijgen , want hij was geheel in dekens gewikkeld.quot;

«En heeft Willem Michielsz ....?quot; sprak Harmsen, doch hij voleindigde zijne vraag niet en beet zich op de lippen.

«Willem Michielsz.?quot; vroeg de kastelein op zijne beurt en spitste de ooren ; «hoe denkt gij bij dit geval zoo eensklaps aan Willem?quot;

«Och, omdat hij gewoonlijk overal bij is en van alles weet,quot; antwoordde Wouter op schijnbaar onverschilligen toon.

«Dat is toch zeer toevallig,quot; hernam de kastelein; «gisteren verweet Jan Bentijn hem ook iets, dat \'t daglicht niet goed kon verdragen; inderdaad, het is toevallig.quot;

«Is het daarom gisteravond hier warm toegegaan ?\'\' vroeg Wouter, die nu begreep, dat hij het nieuws slechts langzaam en voorzichtig uit den kastelein moest tappen.

«Ook al, ook al, meester Harmsen,quot; antwoordde Koenraad, «maar er was buitendien heel wat aan de hand. Zooals gij weet, zal het er eerstdaags op los gaan.quot;

176

-ocr page 177-

VAN \'S-HERTOGËNBOSCH.

Harmsen knikte met het hoofd.

«Gisteren was hier bijeenkomst j Willem Michielsz. had de beurs, hij deed uitbetaling voor den advocaat uit \'t huis met den «Hoornquot; en gaf te verstaan, dat men zich binnen acht dagen gereed moest houden.quot; «Waarvoor?quot; vroeg Wouter.

«Och kom, een goed verstaander heeft maar een half woord noodig antwoordde Koenraad glimlachend. »Gij zijt ook al zoo dicht als een pot, meester Harmsen , dat zie ik wel, gij hebt gelijk, man, want men kan tegenwoordig niet te voorzichtig zijn. Nu kunt gij wel begrijpen, dat er luchtig gedronken werd. De smid Cock Muesel, die een echte dolkop is, zwoer dat hij zich niet langer met fraaie beloften liet paaien en de meesten vielen hem bij. Jan Bentijn, die altijd erg lastig is, wanneer hij wat te veel op heeft, sarde onophoudelijk Willem Michielsz., die eindelijk kwaad werd en den oud-voorzanger verweet, dat hij zijne vrouw en dochter honger liet lijden en zijn geld in de kroegen ging verkwisten. Toen riep Jan Bentijn, dat hij zulke verwijtingen niet wilde hooren van iemand , die zich liet betalen om jonge meisjes ongelukkig te maken en op den openbaren weg menschen aan te randen. Daar had men nu de poppen aan \'t dansen. Willem wierp Jan Bentijn de bierkruik naar het hoofd , doch miste gelukkig zijn doel, en toen laatstgenoemde nog zeide, dat hij wist waar zeker jong meisje heen-II 5 12

-ocr page 178-

DE BEELDSTORMERS

gevoerd was, werd -oode Willem zoo woedend, dat wij hem nauwelijks in toom konden houden en Jan zich uit de voeten moest maken.quot;

»En heb ik u straks niet hooren zeggen, dat Jan Bentijn ook op den moordaanslag gezinspeeld heeft?quot; vroeg Harmsen, wien men niet kon aanzien, dat hij aan deze inlichtingen groot gewicht hechtte.

«Met een enkel woord. Hij zeide dat hij Willem aan de galg kon brengen, dat hij een struikroover was en zoo al meer, doch gij begrijpt, dat die woorden in het rumoer verloren gingen.quot;

«Als ik u een goeden raad mag geven , Koenraacl hernam Wouter, «spreek dan met niemand over die zaak, want gij zoudt allicht in moeielijkheden kunnen komen.quot;

»Gij hebt gelijk, meester Harmsenantwoordde de kastelein, »men kan tegenwoordig niet te voorzichtig zijn.quot;

Onze touwslager zeide nu, dat hij nog een kleine wandeling wilde doen en later terug zou komen. Hij ging nadenkend verder het dorp in en bracht een half uur in het lommerrijke bosch van het kasteel Mauwerik door. Uit \'t geen hij vernomen had, bleek duidelijk. dat Willem Michielsz. werkelijk Agnes ontvoerd had en de verslagen man niemand anders kon zijn dan De Gruyter. Waar was men echter met den hopman gebleven\'? Die vraag woog zwaar op zijn ge-

178

-ocr page 179-

VAN \'S-HEBTOGENBOSCH.

moed, want hij had hoogachting voor den naam van De Gruyter, en nog zwaarder woog de gedachte, dat hij zich den bondgenoot moest noemen van menschen als Agylaeus, die zich aan zulke schandelijke misdrijven schuldig maakten. Duidelijker dan ooit herinnerde hij zich nu, wat de hopman in dien noodlottigen nacht gezegd had , en er was iets in hem, dat in opstand kwam tegen elk deelgenootschap van dien aard.

Toen hij in » De verloren Zoonquot; terugkwam, vond hij daar Mr. Lodewijk den schilder, den kleermaker Gerard Groenhoze, de beide smeden Cock Muesel en Ruygvogel, Hans den barbier, Gielis Henrixsone en ■ meer andere huurlingen van het consistorie. Harmsen zou zich onmiddellijk weder verwijderd hebben , indien hij niet gehoopt had nog iets naders omtrent de woordenwisseling van den vorigen avond te vernemen. Cock Muesel klopte hem gemeenzaam op den schouder, noemde hem den kluizenaar van den Hekel en stond er op een kan bier met hem op het welzijn der geuzen te drinken. Harmsen liet zich dit welgevallen en trachtte het gesprek eene wending te geven, die het naaste tot zijn doel voerde, doch vond zich teleurgesteld, want hij stond nu niet tegenover beschonken lieden en Cock Muesel wist zeer goed hoever hij gaan moest. Eensklaps hoorde men buiten het getrappel van een paard.

))Diiar is Willem Michielsz!quot; riep Hans de barbier

179

-ocr page 180-

DE BEELDSTORMERS

»Roode Willem te paard?quot; zei Cock Muesel, terwijl hij, door Gielis en nog een paar anderen gevolgd, naar buiten ging.

Het was inderdaad Willem Michielsz.

«Waar moet dat heen?quot; vroeg de smid, die wel zag, dat Willem een valies achter zich op het paard had.

«Naar Antwerpen,quot; klonk het antwoord.

«Geen gekheid, Willem, want wij laten ons niet langer paaien,quot; sprak de smid barsch, en men zag hem de wenkbrauwen fronsen. «Gij hebt gisterenavond verzekerd, dat wij binnen acht dagen aan het werk zouden gaan.quot;

«Wat ik gezegd heb , blijf ik volhouden ,quot; antwoordde Willem.

«En gij gaat naar Antwerpen!quot; zei Gielis Henrixsone wantrouwend.

«Als ik terugkom , zal het gebeuren 1) ,quot; riep Willem. Hij gaf daarop zijn paard de sporen en was in een oogenblik uit het gezicht verdwenen.

Harmsen, die deze woordenwisseling gehoord had, zette zijn hoed op en begaf zich ijlings naar de stad.

«Het was reeds tamelijk laat in den avond, toen Clara Bentijn bij den grijzen priester, dien wij in het huis met den «Hoornquot; hebben leeren kennen, werd

1) In de getuigenis, later door Gielis Henrixsone afgelegd , staat dit woordelijk te lezen.

180

-ocr page 181-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

aangediend en eenige oogenblikken daarna zijn studeervertrek binnentrad. Zij zag er onthutst uit en had blijkbaar hard geloopen.

«Wat is er van uw verlangen?quot; vroeg de pastoor, nadat hij haar een stoel had aangeboden.

«Neem mij niet kwalijk, eerwaarde, dat ik zoo laat kom,quot; antwoordde Clara met korte tusschenpoozingen, «maar ik heb u een gewichtig geheim mede te deelen.\'\'

«Een geheim?quot;

«Ja, eerwaarde, een belangrijke tijding .... De hopman De Gruyter en juffer Agnes....quot;

«Hebt gij iets van hen gehoord.... weet gij waar zij zijn?quot; vroeg de priester haastig, terwijl hij van ontroering in zijn stoel oprees.

«Ik geloof het wel, h eer pastoor; ik weet ten minste zeker dat zij niet ontvlucht, maar de slachtoffers van list en verraad geworden zijn.quot;

De priester vouwde de handen, sloeg de oogen ten hemel en sprak met een stem, die van diepe ontroering getuigde:

«Ik dank U, o God! Twee maanden lang heb ik moeten vreezen dat ik mij bedrogen had, thans is mijn gebed verhoord. Ik dank U, o mijn God! Maar ga verder, Clara, gij hebt mij nieuwsgierig gemaakt.quot;

«Ik was vanmiddag na het lof nog wat bij het beeld der Zoete Lieve Vrouw gaan bidden voor mijn armen vader en nog iemand, die ook ver afgedwaald is....quot;

181

-ocr page 182-

DE BEELDSTORM ER S

Zij zweeg een oogenblik en kreeg een kleur. De pastoor scheen haar te begrijpen en knikte met het hoofd.

»Toen ik naar huis wilde gaan,quot; vervolgde zij, »ontmoette ik Wouter Harmsen, die mij aansprak en een onderhoud met mij verlangde.quot;

«Gij hebt hem dit toch geweigerd, niet waar?quot;

«Neen, eerwaarde!quot;

«Dat is zeer lichtzinnig, zoo niet roekeloos,quot; sprak de pastoor bestraffend. »Gij weet, mijn kind, dat zij, die het gevaar beminnen, er in zullen omkomen. De duivel is listig, hij weet hoe vatbaar het jeugdig gemoed is voor verleiding. Gij moogt geen omgang meer hebben met dien jongeling, die van God afgeweken is, die zijn geloof verzaakt heeft.quot;

«Dit heb ik hem ook gezegd, eerwaarde,quot; antwoordde Clara , de oogen neerslaande, « maar hij blesf aanhouden en zeide, dat hij mij iets aangaande De Gruyter en Agnes wilde mededeelen.quot;

«Zoo, zoo.... en verder?quot;

«Eenige weken geleden werd mij een rozenkrans bezorgd. Ik wist niet van wie, maar nu weet ik het, eerwaarde,quot; hernam Clara, die geheel niet op haar gemak scheen, «hij kwam van Wouter...

«Een rozenkrans van een afvallige !quot; sprak de pastoor verbaasd.

«De hopman had hem aan Wouter ter hand ge-

182

-ocr page 183-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

steld, toen hij zijn leven voor Agnes ging wagen.quot;

«Ik begrijp er niets van,quot; sprak de priester, die het meisje vol verbazing aanzag. » Gij beeft, mijn kind , er moet nog iets anders zijn, dat u kwelt of verontrust.quot;

»Dat is ook zoo, eerwaarde,quot; hernam zij, en er sprongen groote tranen uit hare oogen; «neem mij daarom niet kwalijk, dat ik zoo van mijn streek ben, want ik heb in den laatsten tijd veel geleden.quot;

Zij wischte hare oogen af en zeide toen:

»Ik wist \'t wel, dat juffer Agnes door Willem Michielsz. ontvoerd zou worden en De Gruyter zijn leven wilde wagen om het te beletten.quot;

«Sinds wanneer?quot;

«Van den beginne af.quot;

«En gij hebt dat voor mij verborgen gehouden! \' riep de priester even verbaasd als verontwaardigd uit.

«Veroordeel mij niet, voordat ik u alles verteld heb, eerwaarde,quot; sprak Clara, en zij deelde nu den pastoor mede wat in den avond van den 15en Juni was voorgevallen.

«Alzoo is de advocaat Agylaeus toch schuldig aan dat schandelijk feit,quot; sprak de priester, toen het meisje hem alles gezegd had, en zijn gelaat gloeide van recht-matigen toorn. «Ik dacht niet, dat hij zulk een doortrapte huichelaar, dat zijn hart zoo diep bedorven was. Maar waarom mij niet aanstonds alles meegedeeld,

183

-ocr page 184-

DE BEELDSTORMERS

mijn kind, wij hadden den booswicht kunnen ontmaskeren.quot;

«En mijn vader dan, mijn arme vader, dien ik zoo liefheb, al is hij van God afgeweken!quot; riep Clara, terwijl opnieuw een stroom van tranen langs hare wagen gleed. »lk zou hem in het verderf gestort hebben, ik vreesde dat men hem zou vermoorden, wanneer het bleek dat hij het geheim verraden had. O, ik heb zoo lang en zoo vurig gebeden om uitkomst en verlichting, ik heb zooveel geleden!quot;

Zij snikte en bedekte met beiden handen het gelaat.

»Gij zijt een braaf kind ,quot; sprak de pastoor getroffen, »doch ik geloof, dat gij in dit geval meer uw gevoel dan uw verstand geraadpleegd hebt. Wij hadden Agylaeus wellicht voor langen lijd onschadelijk kunnen maken en veel kwaad voorkomen.quot;

«Maar mijn vader wist alles slechts ten halve quot; hernam Clara na eenige oogenblikken, «niet genoeg om de schuld van den advocaat te bewijzen , die hem op zijne beurt niet gespaard zou hebben.quot;

»\'t Is waar, men heeft van gewetenlooze menschen alles te vreezen,quot; zei de pastoor; «doch vertel mij nu eens wat gij van De Gruyter en Agnes weet.

Toen Clara haar gemoed van dien zwaren last ontdaan had, kreeg zij hare geestkracht terug.

«Wouter Harmsen ging met mij naar huis,\' zoo begon zij nu op een geheel anderen toon, «en daar

184

-ocr page 185-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

vertelde hij ons, dat De Gruyter in den nacht, toen er zulk een vreeselijk onweder woedde, radeloos bij hem was gekomen om hulp. De hopman had alles in het werk gesteld om de ontvoering van Agnes te verhinderen, hij was ook bij den schout geweest, doch die had hem afgewezen.quot;

»En wist de schout wat er gebeuren zou?quot;

»Zeker, daar zal ik u eerwaarde later nog wel meer van vertellen. De Gruyter wilde over den wal klimmen om zoo buiten de stad te komen; daar had hij een lang touw voor noodig, en Harmsen heeft hem tot het laatste oogenblik bijgestaan , maar dat mag niemand weten. Ach, hij is toch altijd zoo goed en zoo braaf geweest!quot;

«Wees voorzichtig met dergelijke gewaarwordingen , mijn kind,quot; berispte de priester.

«Toen de hopman gereed stond om over den muur te klimmenvervolgde Clara, terwijl zij even de oogen neersloeg, »gaf hij Wouter zijn rozenkrans, met verzoek dien aan mij ter hand te stellen, opdat ik voor hem zou bidden, indien hem een ongeluk mocht overkomen. Wouter heeft dat niet durven doen, doch ...

«Goed, goed , mijn kind sprak de priester eenigszins ongeduldig « maar wat weet gij nu eigenlijk van Agnes ?quot;

))Dat zal ik u zeggen, eerwaarde. Harmsen wandelde dezen middag naar Vucht en daar vernam hij in de herberg «De verloren Zoonquot;..,quot;

185

-ocr page 186-

DE BEELDSTORMERS

«Dat huis staat in een zeer slechten reuk,quot; viel haar de pastoor in de rede; »als die jonge touwslager werkelijk zoo braaf en goed was, zou hij daar niet komen.quot;

«Hij had er sinds twee maanden ook geen voet gezet, eerwaarde !quot;

«Een jonkman van onbesproken zeden begeeft zich nooit moedwillig in\' slecht gezelschap. Maar gij komt niet tot de eigenlijke zaak, mijn kind!quot;

«Dan zal ik maar met een paar woorden zeggen wat er eigenlijk gaande is, eerwaarde,quot; hernam Clara een weinig verdrietig. «Wouter vernam daar, dat in den nacht, toen juffer Agnes ontvoerd werd , te Vucht een paard gedood en een moordaanslag gepleegd is. Een jonkman met zwart krullend haar is in de pastorie van St.-Lambertus opgenomen, doch den volgenden morgen door den schout gehaald; hij was bewusteloos en men zorgde wel, dat niemand hem kon zien.quot;

«Dan zou de pastoor van Vucht misschien inlichtingen kunnen geven,quot; zei de priester.

«Dat behoeft niet, heer pastoor,quot; vervolgde het meisje, «want wij zijn er nu geheel achter. Vader heeft gisterenavond in «De verloren Zoonquot; ruzie gehad met Willem Michielsz., waaruit bleek, dat hij alles wist. Toen hij een paar uren geleden thuis kwam, heeft Wouter hem gedwongen alles te bekennen. Eerst wilde hij van niets weten, doch Wouter dreigde, dat

186

-ocr page 187-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

hij hem terstond zou aanklagen als medeplichtig aan den moordaanslag te Vucht gepleegd. Dat hielp, en mijn vader vertelde toen het volgende, onder voorwaarde dat men hem geheel ongemoeid zou laten. Vader is zeer nieuwsgierig, eerwaarde, en tracht ook altijd achter geheimen te komen, om er den een of anderen tijd partij van te trekken. Sprekende van \'t geen te Vucht voorgevallen was en dat De Gruyter vermist werd, heeft hij door drank aan een van de dienaars der politie, die den schout bijgestaan hebben, het geheim weten te ontlokken. De hopman is onmiddellijk naar de gevangenis gebracht en daar zal hij zich waarschijnlijk nog bevinden.quot;

«Maar het is niet denkbaar, dat de schout zich aan zulk een wederrechtelijkheid zou schuldig maken riep de priester.

«\'t Moet toch wel zoo zijn, eerwaarde,quot; hernam Clara, «want vader was zeker van zijne zaak.quot;

«En weet uw vader ook waar men Agnes heengevoerd heeft?quot;

«Zij is te Antwerpen , bij vrienden van den advocaat. Mijn vader, die eiken morgen aan het huis met den «Hoornquot; moet komen omboodschappen te doen, is achter dat geheim gekomen; hij wil niet zeggen op welke wijze, doch ik denk, dat hij een brief opengebroken of onderschept heeft. Hier is het adres , eerwaarde.quot;

187

-ocr page 188-

DE BEELDSTORMERS

»Gij hebt mij inderdaad belangrijke geheimen medegedeeld, Clara,quot; sprak de priester. «Morgen ga ik aanstonds den advocaat ontmaskeren; nu zal ik hem niet langer meer sparen.quot;

»Harmsen is van gevoelen, dat dit gewaagd zou zijn, eerwaarde,quot; hernam het meisje, »daar Agylaeus zeer slim en tot alles in staat is. Volgens zijn meening moet eerst de schout gedwongen worden den hopman in vrijheid te stellen. Daarna zou onmiddellijk iemand met een volmacht naar Antwerpen moeten gaan om juffer Agnes op te eischen, doch zonder dat de advocaat daarvan kennis draagt. Hij zei ook nog, dat niet geaarzeld moest worden, dewijl het zoo goed als zeker was, dat te Antwerpen een opstand te verwachten is, in welk geval het moeielijk zou zijn het doel te bereiken.quot;

» Wij zijn dien jonkman veel dank verschuldigd voor zijne bemoeiing en rondborstigheid, sprak de pastoor, »doch ik geloof, dat gij daarom des te voorzichtiger moet zijn, mijn kind, want men kan niet weten wat de eigenlijke drijfveer zijner handelwijze is.\'

»De Hemel beware mij voor een zondige genegenheid, eérwaardesprak het meisje. «Ik zal voor hem bidden, vurig bidden.quot;

»Doe dat, mijn kind,quot; zei de pastoor opstaande, »en ga nu naar huis, want het is reeds laat.quot;

188

-ocr page 189-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

De pastoor begaf zich den volgenden morgen reeds zeer vroegtijdig naar den schout, wiens geweten niet weinig verontrust werd door dat ontijdig bezoek en het strenge gelaat van den grijzen priester. Hij trachtte zijne onrust onder een gemaakten glimlach te verbergen en vroeg den pastoor met veel vertoon van eerbied, waaraan hij de eer van zijne komst in dat vroege uur mocht toeschrijven.

«Wanneer de nacht daartoe niet geheel ongeschikt warezeide deze, »zou ik zelfs dit oogenblik niet afgewacht hebben, want \'t is meer dan tijd, dat ik u rekenschap kom vragen voor \'t geen door u tekort wordt gedaan aan plicht en recht.quot;

Al verwachtte de schout ook niet veel goeds van het bezoek, zulk een aanval had hij zeker niet voorzien. Hij zocht naar een antwoord en wilde om opheldering vragen, doch de pastoor liet hem daartoe geen tijd.

»Alsof het niet reeds bedroevend genoeg ware, dat de vijanden van Christus en Zijne Kerk stout het hoofd opzetten tegen de goddelijke en menschelijke wetten en met opstand dreigen,quot; vervolgde de priester , »moeten wij ook nog zien, dat sommige overheidspersonen niet slechts een schuldige zwakheid aan den dag leggen, maar dien goddeloozen zelfs de hand bieden in hunne snoode aanslagen.quot;

»Ik weet niet hoe zulk een verwijt op mij kan worden toegepast, heer pastoor,quot; antwoordde de schout

189

-ocr page 190-

DE BEELDSTORMKRS

eindelijk; »doch men moet niet uit het oog verliezen dat het, in onrustige tijden als wij thans beleven, hoogst moeielijk is een burgerlijk ambt te bekleeden, zonder door te groote gestrengheid of te veel toegevendheid dezen of genen aanstoot te geven. Bij een effen zee valt het varen gemakkelijk, want men kan koers zetten waarheen men wil, doch in een storm kan de beste stuurman soms zijn schip op een klip doen loopen.quot;

»Zoudt gij een scheepskapitein, die met zeeroovers in verstandhouding leeft en zijne bemanning aan handen en voeten gebonden aan den vijand overlevert, een eerlijk man durven noemen, heer schout?quot; vroeg de priester.

«Zeker niet, eerwaarde,quot; antwoordde de schom driftig, dewijl hij zich gekrenkt gevoelde, »doch als die vraag op mij moet worden toegepast, mag ik we! zeggen dat zij niet bescheiden kan heeten. \'t Is niet moeilijk de handelingen van overheidspersonen te gispen , als men geheel buiten hun werkkring staat en noch hunne instructiën kent, noch hunne bedoelingen weet te waardeeren. Wanneer het zoo gemakkelijk ware de wetten toe te passen, zouden geen advocaten voor de balie worden toegelaten en kon men een kind in mijne plaats stellen. De voorzichtigheid eischt vaak , dat de overheid niet al te gestreng zij, ten einde grooter onheilen te voorkomen; als zoodanig handelt

190

-ocr page 191-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

zij in het algemeen belang en verdient dus waarlijk niet van plichtverzuim beschuldigd te worden, \'t Zijn waarschijnlijk de laatste graspreeken, té Engelen en te Deuteren gehouden, die uwe verontwaardiging gaande gemaakt hebben, heer pastoor, doch gij schijnt te vergeten, dat de predikanten zich reeds lang binnen de stad zouden bevinden, wanneer ik mij niet krachtdadig daartegen had verzet. Wat vermag ik echter zonder de gilden , die zelfs geweigerd hebben, goed te keuren. dat een boete van zes gulden op het aanhooren der predikatiën zou worden gesteld? Daarenboven is mij van hooger hand gematigdheid voorgeschreven, en al ben ik ook overigens niemand verantwoording voor mijne daden schuldig, zoo wil ik u toch wel zeggen, dat de beroering het kookpunt bereikt heeft en eene strenge toepassing der wetten op dit oogenblik niets anders zou zijn dan olie in het vuur werpen.quot;

De pastoor zag den schout een oogenblik zeer ernstig aan. »Op dit oogenblik,quot; herhaalde hij langzaam , »doch er zijn oogenblikken geweest, waarin door krachtdadig optreden volgens eed, plicht en geweten, het onkruid, dat nu welig opgeschoten is, zou zijn verstikt, indien gij mannelijk en vastberaden van uw gezag gebruik hadt gemaakt. Ik weet wel, dat gij alleen den storm niet kunt bezweren, die ons arm vaderland boven het hoofd hangt, doch in onze goede stad zou het kwaad niet zoo diep wortel

191

-ocr page 192-

1 92 DE BEELDSTORMERS

hebben geschoten , wanneer gij de hoofden der onzalige beweging niet ontzien, niet in de hand gewerkt hadt. Gij beklaagt u over de gilden en gij leeft in de beste verstandhouding , in medeplichtigheid, mag ik zeggen, met hen, die de gilden hebben omgekocht door geld en beloften; gij zegt, dat de beroering het kookpunt heeft bereikt, en gij hebt zelf vroeger de handen geleend om brandstoffen daartoe aan te dragen.quot;

De schout werd rood van toorn. «Heer pastoor,quot; zeide hij, »ik geef niemand het recht, zich in de aangelegenheden van mijn burgerlijk ambt te mengen en ik acht niemand, wie dan ook, bevoegd, mij plichten voor te schrijven, waarvan ik alleen rekenschap en verantwoording verschuldigd ben aan de hooge regeering.quot;

»En wat zoudt gij antwoorden, heer schout, wanneer de landvoogdes u rekenschap vroeg van \'t geen in den nacht van den 15 Juni, door uwe medehulp, binnen deze stad heeft plaats gehad?quot; vroeg de pastoor.

De schout zag den priester verwonderd aan en vroeg toen om ophelderingen.

»In dien nacht hebt gij niet slechts de oogen gesloten voor een bijeenkomst van samenzweerders tegen Kerk en Staat, en de aanwezigheid in de stad van lieden, die door de regeering wegens misdrijven gesignaleerd zijn, maar zelfs de hand geleend aan de wederrechte-

-ocr page 193-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

lijke ontvoering van een jong meisje, in het belang van een der bedoelde samenzweerders.quot;

»Gij oordeelt zonder kennis van zaken , heer pastoor,quot; sprak de schout, die zich intusschen niet meer op zijn gemak gevoelde. »Niemand kan weten welke geheime instructiën ik van de hooge regeering ontvang , en wat met laatstgenoemd feit wordt bedoeld, is voor mij een raadsel.quot;

»Gij hebt den advocaat Agylaeus gelegenheid gegeven , zijne nicht in \'t holle van den nacht met geweld te doen ontvoerenzei de pastoor.

De schout begreep, dat de pastoor te goed ingelicht was, om aan een geheele ontkenning te denken; hij waagde het dus alleen te zeggen:

»Ik heb den advocaat slechts eene vergunning verleend, die ik geen enkel gezeten burger zou weigeren; wat hij beoogde was mij geheel onbekend, en gij zult mii niet verantwoordelijk willen stellen voor zijne daden?quot;

«Indien gij de verantwoordelijkheid daarvan niet gevoeld en de gevolgen gevreesd hadt, hoe komt het dan, heer schout, dat gij met zooveel geheimzinnigheid het slachtoffer, den gekwetsten hopman De Gruyter, uit Vucht vervoerd en zonder vorm van proces in de gevangenis geworpen hebt?quot;

De schout verbleekte bij die woorden en trachtte zich tevergeefs te beheerschen.

II 5 13

193

-ocr page 194-

DE BEELDSTORMERS

«Zoek niet naar nieuwe uitvluchten,quot; hernam de pastoor gestreng. «Gij hebt den hopman nu reeds twee maanden lang wederrechtelijk in hechtenis gehouden , uit vrees dat uwe medeplichtigheid met de samenzweerders tegen Kerk en Staat aan het licht zou komen, wanneer hij tegen u als getuige optrad.quot;

«Niet daarom, maar dewijl hij een aanslag op den openbaren weg onder zeer bezwarende omstandigheden gepleegd heeftzeide de schout.

«Gij moest u schamen voor zulke verontschuldigingen, schout,quot; hernam de pastoor met diepe verontwaardiging, «want indien dit waar was, zoudt gij hem aan de justitie hebben overgeleverd. Ik weet alles en kan bewijzen overleggen, die het feit, waaraan gij u hebt schuldig gemaakt, duidelijk aan het licht brengen. Zoo gij dus niet onmiddellijk den hopman in vrijheid stelt, zal ik nog heden een aanklacht tegen u indienen bij de landvoogdes en dan willen we zien of gij u weet te rechtvaardigen.quot;

Ofschoon de schout nog altijd trachtte zich te verontschuldigen door te wijzen op de moeielijkheden aan zijn ambt verbonden, zag hij zich genoodzaakt toe te geven, ten einde het gevaar van een aanklacht en de gevolgen daarvan te voorkomen.

Een uur later bevond de hopman zich ten huize van den grijzen priester. In de eerste opwelling zijner verontwaardiging , wilde hij onmiddellijk een vervolging

194

-ocr page 195-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

instellen tegen den schout en den advocaat, doch de pastoor bracht hem onder het oog, dat de veiligheid van Agnes opnieuw gevaar zou loopen, wanneer Agy-laeus in kennis werd gesteld van het gebeurde. Wilde men dit gevaar voorkomen, dan was het noodzakelijk, dat de pastoor zich onmiddellijk naar Antwerpen begaf, voorzien van een bevelschrift van den schout tot uitlevering van Agnes , dat reeds in zijn bezit was , en daar de grijze priester voor zijn persoon bezwaar zag tegen zulk een reis , verzocht hij De Gruyter hem te vergezellen. Deze bewilligde aanstonds, en zij vertrokken nog in den loop van denzelfden morgen.

Wij zullen hen naar Antwerpen volgen.

195

-ocr page 196-

IX.

Het was feest in de beroemde scheldestad, toen onze reizigers daar aankwamen. Den IS611 Augustus begon de kermis. Zij werd geopend of voorafgegaan door een plechtige processie met het beeld van Onze Lieve Vrouw langs de straten, waaraan de geestelijkheid der stad en de gilden en corporatiën deelnamen. Die plechtigheid had sinds onheugelijke jaren plaats gehad en men zou ook nu van dat gebruik niet afwijken , in weerwil van de buitengewone gisting, die er heerschte. Waarvoor behoefde de bevolking bevreesd te zijn ? Zij kende wel den haat der Calvinisten, doch hun getal was te ] gering; zij wist wel dat zich een aantal vagebonden in de stad bevonden, die door de

-ocr page 197-

DE BEELDSTORMERS VAN \'S-HERTOGENBOSCH. 1 97

hooge Regeering gesignaleerd en opgeëischt, maar door de trouwlooze overheid niet uitgeleverd waren, doch deze zouden het niet wagen een openbare godsdienstoefening te storen, en de prins van Oranje was immers gekomen om de orde te handhaven; hij had dit bezworen en \'t was bekend, dat de calvinistische woelgeesten in hem een hevigen bestrijder vonden. Waarom zou men zich dus vreesachtig aanstellen en een plechtigheid achterlaten, die zoo nauw in verband stond met de geschiedenis der stad en hare traditiën?

Zoo had dan nu ook weder de jaarlijksche groote processie plaats. De geestelijkheid der verschillende parochiën en de kloosterlingen in het habijt hunner orde vergezelden het beeld van Onze Lieve Vrouw, de banieren der gilden en broederschappen wapperden hoog in de lucht en duizenden sloten zich al biddende bij den stoet aan. De pastoor en de hopman De Gruy-ter hadden zich bij hunne aankomst gehaast, zoo spoedig mogelijk het middelpunt der stad te bereiken, ten einde getuigen te zijn van de ongewone plechtigheid. Nauwelijks had zich echter de stoet door een paar straten bewogen, of er hadden wanordelijkheden plaats door het opdringen van kwaadwilligen, \'t Was kennelijk , dat men naar een beraamd plan te werk ging , want de processie werd aan den hoek eener straat met gemor en gesis ontvangen, dat weldra tot schelden en tieren oversloeg, en men zag hier en daar goed-

-ocr page 198-

DE BEELDSTORMERS

gekleede personen, die het volk ophitsten en tot baldadigheden aanspoorden.

»Weg met de paperij!quot; hoorde men eensklaps roepen, en die kreet werd herhaald en weergalmde van mond tot mond door de lucht. De rustverstoorders staken dreigend de vuisten uit tegen de priesters, het gedrang werd al grooter en grooter, men zag tevergeefs uit naar hen, die de orde hadden moeten handhaven. Hoe kon men ook weten, dat het consistorie zeker was van zijne zaak en dien aanslag reeds lang te voren beraamd had?

«Daar is de rampzalige Herman De Struycker ook,quot; sprak de pastoor, die bleek was van ergernis.

«Wie?quot; vroeg de hopman.

»Een afvallige priester, die zich thans Modet noemt en als predikant optreedt; hij schijnt het gemeen op te ruien.... Zie, hij is nu in gesprek met een vischvrouw, die een mand aan den arm draagt.quot;

Nogmaals hoorde men den kreet: «weg met de paperij!quot; en het gedrang werd steeds grooter, zoodat de processie zich slechts met moeite kon bewegen.

Toen drong genoemde vischvrouw door de menigte en riep:

»Marycken de vuytdrachster, dit is uw leeste feest-dach, want men zal u corts met mosselen zien.quot;

En de daad bij het woord voegende, nam zij een hand vol mosselen uit haar mand en smeet die naar het beeld.

198

-ocr page 199-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

Deze heldendaad werd met uitbundige kreten begroet en men zag in een oogenblik van alle kanten met mosselen werpen. Voor het gemeen te Antwerpen was dit eene gewone lief hebberij, zooals elders het werpen met rotte appelen; dat wapen der onruststokers was dus reeds te voren in gereedheid gebracht.

De wanordelijkheden kregen meer en meer een dreigend aanzien, doch toen de rustverstoorders het waagden de handen naar het beeld en de banieren uit te steken, was het geduld der katholieken geëindigd. Eeinige kloeke mannen traden als beschermers der processie op en de lafhartige spotters deinsden voor hunne vastberaden houding en dreigende gebaren terug, zoodat de processie haar weg kon vervolgen, ofschoon overal door scheldwoorden en oproerkreten begroet. De overheid was echter zoo bevreesd voor verdere ongeregeldheden, dat zij besloot het beeld niet ten toon te stellen, zooals men gewoon was, tiaar het te doen brengen naar de plaats, waar het gewoonlijk bewaard werd. Het voorval had intusschen grooter be-teekenis dan op het oogenblik werd vermoed. Het was slechts een voorspel; het consistorie «De Wijngaardquot; had het sein tot den op stand gegeven, de hoofden der beweging kenden het wachtwoord, de furën waren losgelaten, de sabbat der revolutie was aangebroken.

Middelerwijl de processie ten einde liep en de woeste kreten der rustverstoorders allengs in de stad weg-

199

-ocr page 200-

DE BEELDSTORMERS

stierven, was de pastoor niet zonder groote bezorg-heid over het welslagen van de taak, die hij op zich had genomen. Zou het, bij de verwarring en de onrust , welke in de stad heerschten, mogelijk zijn eenig gehoor te krijgen bij de overheid, die thans de handen reeds zoo vol had? En indien dit ook mocht gelukken, zou de burgemeester, die minstens als een dubbelzinnig man bekend was, op dat oogenblik zijne hulp wel willen of durven leenen aan de bevrijding van Agnes? Een toeval kwam echter zijne wenschen tegemoet. Juist toen hij met De Gruyter over die aangelegenheid in beraadslaging was en zijn voornemen te kennen had gegeven om den pastoor der parochie van Onze Lieve Vrouw, die in de nabijheid woonde, te gaan raadplegen alvorens een stap verder te doen, hoorde beiden in hunne nabijheid een luiden gil en te gelijk hunne namen uitroepen. Omziende zagen zij met evenveel vreugde als verbazing Agnes, even verwilderd in hare gelaatstrekken als in hare kleeding.

»Redt mij, redt mij!quot; riep zij, en stak blijkbaar radeloos beide handen uit.

De priester ontstelde over haar voorkomen.

«Gij hier, mijn kind.... en in zulk een toestand!quot; stotterde hij.

»Vraag mij niets, niets, maar verberg mij..., ik ben ontvlucht.... men zal mij zoeken en vinden ... redt mij, om Gods wil!quot;

200

-ocr page 201-

VAN \'S-HERTOGENBÜSCH.

Als uit instinct wendde zij zich nu tot den hopman, den krachtig gespierden jongeling.

«Wees gerust, wij zijn gekomen om u te redden,quot; sprak hij.

«Maar gij weet niet----quot; begon Agnes weder met

groote gejaagdheid, doch De Gruyter liet haar niet uitspreken.

«Waar woont de pastoor van Onze LieveVrouw?quot; vroeg hij den priester.

«Daar, daar!quot; klonk het antwoord, en de priester wees op een huis in de nabijheid.

Het was hoog tijd, want het gelaat van Agnes was wit geworden als sneeuw, hare oogen sloten zich en zij zakte bewusteloos ineen. Zonder zich een oogenblik te bedenken, nam de hopman haar in zijn gespierde armen op en droeg haar ijlings naar de aangeduide woning, waar zij spoedig binnengelaten werden.

Zulk een tooneel kon niet plaats hebben zonder opzien te baren; in een oogwenk verzamelden zich dan ook een aantal menschen voor de pastorie en men was daar een oogenblik ernstig beducht voor de gevolgen. Het scheen echter dat men sl echts met nieuwsgierigen te doen had, die waarschijnlijk in de meening verkeerden, dat het jonge meisje een toeval had gekregen ter oor-zake van de gepleegde geweldenarijen en heiligschennis , want de menigte ging langzamerhand uiteen.

-ocr page 202-

DE BEELDSTORMERS

202

Het duurde lang alvorens Agnes haar bewustzijn terugkreeg, en toen zij eindelijk de oogen opende en allengs tot de overtuiging kwam, dat zij aan hare bewakers ontkomen was, gaf zij eerst haar gemoed in een stroom van tranen lucht en deelde toen haar wedervaren mede. Zij huiverde nog altijd bij de gedachte aan \'t geen zij had onderstaan gedurende de ontvoering naar Antwerpen. Bij de geringste poging om hulp in te roepen had Willem Michielsz. haar met den dood bedreigd. Zijne ruwheid boezemde haar den grootsten afschuw in, en bij de menschen, waar hij haar bracht om zijn paard rust te geven of zich te verbergen, moest zij de schandelijkste taal aanhooren over den Paus en de heiligste geheimen van den godsdienst. Door de vrienden van Agylaeus was zij niet kwaad bejegend, doch zij had al dien tijd hare kerkelijke plichten niet kunnen vervullen. Op de vastendagen wilde men haar dwingen verboden spijzen te eten, en wat haar het meest gekweld had was de onophoudelijke tegenwoordigheid van Modet of een ander predikant, die allerlei listen en lagen bezigden, om het geloof in haar te verzwakken. Zij had meermalen pogingen aangewend om te ontvluchten, doch tevergeefs; zij werd te streng bewaakt om daarin te kunnen slagen. Op dien dag had men haar opgesloten, dewijl allen de processie wilden bijwonen, waarop zij reeds zoo menige hatelijke zinspeling had moeten hooren. Het

-ocr page 203-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

was haar intusschen gelukt het slot te verbreken, door een venster te klimmen en zoo aan hare gevangenis te ontkomen. Zou zij nu voor goed in veiligheid zijn ?

Met deze vraag eindigde Agnes het relaas van haar wedervaren. De pastoor stelde haar gerust en gaf de verzekering, dat hij, des noods, zelfs de hulp der overheid kon inroepen. Daar Agnes reeds aan de handen van Agylaeus en zijne handlangers ontkomen was en het nog altijd te bezien stond, of men onder de bestaande omstandigheden op den burgemeester van Antwerpen kon rekenen, besloot men haar in stilte naar \'s-Hertogenbosch terug te brengen, alwaar zij, dank zij de maatregelen door den priester genomen, tegen elke vervolging beveiligd zou zijn.

De Gruyter wilde dat voornemen terstond ten uitvoer brengen; hij brandde van verlangen, om met den schout af te rekenen en Agylaeus den handschoen in het gelaat te werpen, doch men bracht hem onder het oog, dat daaraan gevaar verbonden was, dewijl op dat oogenblik alle pogingen in het werk gesteld zouden worden, om Agnes op te sporen en zij zelve rust behoefde.

Er werd dus besloten, dat men eerst den volgenden dag zou vertrekken , en de pastoor der Lieve Vrouwe-kerk bood zijne tusschenkomst aan, om Agnes voor dien nacht huisvesting te verleenen bij eene geachte familie, waar zij zekerder zou zijn dan in de pastorie,

203

-ocr page 204-

DE BEELDSTORMERS

vermits de mogelijkheid bestond, dat het tooneel op de straat ter oore kwam van hen, die voor de veiligheid van Agnes te vreezen waren. Het meisje verliet dan ook een uur later, diep gehuld in mantel en kap, onder geleide van twee vertrouwde personen, de pastorie en bevond zich weldra buiten gevaar. Zij gevoelde zich, na zoo vele weken van angst en onrust , nu weder gelukkig te midden van een gezin, dat in de vreeze des Heeren leefde. Hoe weinig_ kon zij vermoeden welk een vreeselijke ramp de beroemde Schelde-stad boven het hoofd hing!

Gedurende den avond heerschte er in de stad een angstige spanning; de ontevredenen staken driest het hoofd op, de predikant Modet hield een toespraak, die moordkreten uit de opgeruide gemoederen perste, en er hadden hier en daar samenscholingen plaats, doch de nacht ging rustig voorbij.

Den volgenden morgen begaf de prins van Oranje zich vroegtijdig naar Brussel. Was hij onbewust van \'t geen voor de deur stond? \'tls mogelijk, ofschoon hij altijd bewezen heeft, dat men hem niet gemakkelijk kon verschalken. Afgezien van \'t geen den vorigen dag bij de processie had plaats gegrepen, wist hij zeer goed, dat de burgemeester Van Stralen, zijn vertrouweling, lid was van »De Wijngaardquot; en dit consistorie zich niet meer aan het gezag stoorde. Hoe kwam het dan dat hij bevelen achterliet, die den opstand in de hand

204

-ocr page 205-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

werkten en elke poging om de geweldenarijen tegen te gaan verijdelden ? \'t Gaat met den besten wil niet den Zwijger van medeplichtigheid aan de gepleegde gruwelen vrij te spreken.

\'t Vertrek van Willem van Oranje gaf dan ook onmiddellijk aanleiding tot nieuwe rustverstoring. Het gemeen zwierf rondom de kerken, naar buit belust, het lied van Clement Marot zingende. Sommigen gingen met dreigende gebaren binnen tot groote ontsteltenis der geloovigen. Een der onverlaten, een knaap van slechts zeventien jaren, klom op den preekstoel; hij braakte allerlei smaadredenen tegen de priesters uit, zeide dat de Heilige Geest in hem woonde en vroeg «waar de papen en rabauwenquot; waren; zij moesten maar komen. Er steeg een kreet van verontwaardiging in het gewijde gebouw op, doch toen een schipper den jeugdigen deugniet van den kansel wierp, bleek het, dat men hem slechts gebezigd had om de kastanjes uit het vuur te halen, want er ontstond in de kerk een groot rumoer, dat niet dan met moeite bedwongen werd. Toen stormde de menigte naar buiten, het gerucht van \'t gebeurde werd overgeplant en niet weinig vergroot; men strooide uit, dat de Calvinisten aangevallen waren, dat een jongeling tot bloedens toe geslagen en gemarteld was, dewijl hij geen kruis had willen maken. Van alle kanten stroomde het volk bijeen en het zou van bedreigingen tot daden zijn gekomen,

203

-ocr page 206-

DE BEELDSTORMERS

wanneer niet enkele hoofden der beweging zich onder de menigte hadden begeven, om tot gematigdheid aan te manen. Onder hen zag men ook Gilles Leclerc, die buitengewoon veel invoed scheen te bezitten. »Morgen, morgen!quot; fluisterde hij, en dat woord ging van mond tot mond en scheen voldoende te zijn om den opkomenden storm tot bedaren te brengen. De stad bleef echter den ganschen dag in rep en roer, men zag overal verspieders rondgaan, en in de herbergen ging het vrij rumoerig toe.

Deze ongeregeldheden waren oorzaak, dat de pastoor het niet raadzaam oordeelde, met Agnes de reis naar \'s-Hertogenbosch te aanvaarden; zij werd andermaal tot den volgenden dag uitgesteld. Toen was dat echter geheel onmogelijk geworden. Reeds vroeg in den morgen hadden samenscholingen plaats, overal zwierven benden, gewapend met bijlen en stokken, rond; \'t waren meestal Walen en teruggekeerde bannelingen. Zij bewogen zich vooral in de nabijheid der kathedraal van Onze Lieve Vrouw, waar andermaal tooneelen als van den vorigen dag plaats grepen.

Dat duurde zoo voort tot na den middag, toen eensklaps een woeste kreet uit de menigte opging. Herman Modet trad aan het hoofd van een gewapende bende de kerk binnen , begaf zich rechtstreeks naar den preekstoel en zweepte in een korte toespraak het fanatisme op tegen \'t geen hij de paapsche afgoderij

206

-ocr page 207-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

noemde. «Leven de Geuzen!quot; klonk het door de ruime gewelven van den eeuwenouden tempel. Sommigen hieven psalmen aan, anderen begonnen reeds de handen aan de beelden te slaan, toen zich eindelijk de politie vertoonde. De schout Jan van Immerzeel, die wel inzag dat zijne macht tekort schoot, deed zijn best de gemoederen tot bedaren te brengen. wat hem dan ook gelukte, want het volk ruimde langzaam de kerk. Het moet echter aan een onverklaarbare nalatigheid , of aan een vooraf bepaald plan, aan medeplichtigheid worden toegeschreven, dat bij het sluiten der kerk een deur ongesloten bleef. De schout had zich althans nauwelijks verwijderd, of het gepeupel stormde door deze deur de kerk weder binnen en gaf zich onmiddellijk aan de grootste losbandigheid over.

De beeldstormerij had een aanvang genomen; het was gedaan met den heerlijken tempel, in dien tijd na de St. Pieter te Rome wellicht de rijkste kerk der gansche Christenheid, de trots der Antwerpenaars, de schatkamer van kunstwerken, gedurende zoo vele eeuwen door godsdienstijver bijeengebracht.

Er voer een smartkreet over geheel de scheldestad, toen men de mokerslagen op de altaren en beelden hoorde beuken en het godslasterend geschreeuw langs de gewelven wee rgalmen. De burgers en de ambachten grepen naar de wapens en trokken in dichte gelederen op naar het brandpunt der beweging. Zij wil-

307

-ocr page 208-

DE BEELDSTORMERS

den de overheid hulp verleenen in het dempen van den opstand, in het beteugelen der geweldenarij en de belhamels aan het gerecht overleveren. In dien edelen ijver werden zij echter belemmerd door den schout Van Immerzeel, die zich aan het hoofd eener kleine macht bevond en hen verbood een stap verder te gaan.

Met evenveel verwondering als verontwaardiging hoorden de burgers dat bevel. Een hunner trad vooruit en zeide:

»Wij willlen u bijstaan, heer schout, wij willen medewerken om de rust te herstellen en aan de god-delooze kerkschennis een einde te maken.quot;

«Ik kan zulks niet toestaan, tenzij de prins daartoe vergunning heeft gegeven,quot; antwoordde de schout.

Er deed zich een luid gemor hooren.

»De overheid heult met de deugnieten!quot; hoorde men roepen.

»Wie zegt dat daar ?quot; vroeg de schout, vooruittredende.

»Dat zegt de verontwaardiging, die zulk een heiligschennis en rustverstoring niet langer wil gedoogen , heer schout,quot; sprak de burger, die het woord had gevoerd. «Wij willen niet, dat vreemde schavuitenen opgeruide Calvinisten onze kerken vernielen en oproer in onze stad stichten; neem onze hulp aan en wij zullen spoedig met hen afgerekend hebben.quot;

208

-ocr page 209-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

»Ik bezit daartoe geen volmachthernam de schout. «Gaat uiteen en laat de zaak aan ons over.quot;

«Wij zullen het u laten aanzien, schout,quot; klonk het antwoord. «Wanneer de overheid haar plicht niet doet, is de burgerij wel genoodzaakt zelve op te treden tot bescherming van haardsteden en altaren.quot;

«In naam des prinsen van Oranje gebied ik u uiteen te gaanriep de schout. Hij haalde nu een perkament te voorschijn, en las eene «ordonnancyquot; van Willem den Zwijger voor, waarin o. a. gezegd werd, «dat gheen borgers hun moeien en souden, op verbeurte hunner poorterye i), wat rumoer sy souden hooren, sonder consent van den Prince van Orangiën.quot;

De burgers stonden versteld.

«Gij weet toch zeer goed, dat de prins van Oranje afwezig en geen consent te krijgen issprak de woordvoerder.

De schout haalde de schouders op. »Ik ben slechts de uitvoerder zijner bevelen en ieder, die zich daartegen verzet, zal streng gestraft worden,quot; zeide hij.

De burger zag hem met een verachtenden blik aan. «Het zou beter zijn, dat ge uw gezag deedt gelden tegenover hen, die geen poorterye te verliezen hebben ,quot; sprak hij, «doch het schijnt wel, dat de overheid hunne geweldenarijen wil begunstigen.quot;

1) Burgerlijke rechten.

H 5 li

209

-ocr page 210-

DE BEELDSTORMERS

»In naam des prinsen van Oranje!quot; riep de schout nogmaals, de hand aan den burger slaande.

»Doe met mij wat gij niet kunt laten,quot; zei deze, »doch luister eerst naar \'t geen ik u te zeggen heb.quot;

En zich nu tot zijne medeburgers wendende, sprak hij:

»Mannen, wij kunnen vooreerst niet verder gaan , zonder ons en onze gezinnen in het verderf te storten. Het blijkt, dat er verraad jegens de stad gepleegd wordt; men is in staat ons van opstand te beschuldigen, en er zouden niet voor de schurken, die onze kerken vernielen, maar voor ons galgen opgericht worden. Keert naar uwe woning terug, gij zult daar wellicht nog genoeg te beschermen hebben.quot;

En zich nu tot den schout wendende, zeide hij; wik ben gereed.quot;

De schout scheen echter bevredigd, toen hij zag, dat de burgers zich terugtrokken; hij bleef nog eenige oogenblikken en verwijderde zich toen ook.

Middelerwijl dit alles voorviel, bevond onze oude pastoor zich ten huize der deftige matrone, waar Agnes een onderkomen had gevonden. De Gruyter had den ganschen morgen in hun gezelschap doorgebrajcbt, dewijl zij zich gereed hielden om te vertrekken. Zij zagen zich hierin echter belemmerd door de toenemende onrust, die op de straat heerschte en met elk oogenblik meer en meer toenam. Een joelende menigte bewoog zich voortdurend langs die woning en het duurde niet

210

-ocr page 211-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

lang meer, of men hoorde de schandelijke liederen van Marot luide zingen , afgewisseld door vloeken en godslasteringen. Toen eindelijk ook daar de tijding aankwam. dat de kathedraal van Onze Lieve Vrouw door het gespuis bestormd werd, verliet De Gruyter de woning, om zich met eigen oogen te overtuigen van \'t geen zijne ooren nauwelijks konden gelooven.

Het eene uur ging na het andere voorbij en hij kwam niet terug. Op de straat werd het steeds onrustiger. Nu eens zag men vrouwen weeklagende, met de armen naar den hemel uitgestrekt, voorbijgaan, dan weder eene tierende menigte, die onophoudelijk den kreet: «Leven de geuzen!\' deed hooren. Hoe later het werd, des te meer traden de afgrijselijkheden van den opstand op den voorgrond. Men zag kloosterlingen, met touwen aan elkander gebonden, als slachtvee voortdrijven , en deugnieten, in beschonken toestand, met misgewaad omhangen langs de straten loopen. Het gelaat van den ouden priester was met een gloed van heiligen toorn overtogen. «Ziedaar nu de noodlottige gevolgen van de verregaande toegevendheid der regeering,quot; riep hij uit. «Had men het kwaad in zijne geboorte gestuit, het zou zoo ver niet gekomen zijn, doch men heeft te veel vertrouwen in de inblazingen van valsche raadgevers , die trouw huichelden en met de vijanden van Christus en Zijne Kerk samenspanden. Waar is nu Willem van Oranje, die beloofd heeft de

211

-ocr page 212-

DE BEELDSTORMERS

ongeregeldheden te onderdrukken? God doet Zijne straffende hand op ons arm vaderland nederdalen, omdat men heeft geslapen, toen de vijand kwam en het onkruid des ongeloofs zaaide.quot;

Agnes staarde met strakke oogen op de straat; haar schuldelooze ziel trilde van weemoed bij zooveel heiligschennis en zij dacht met angst aan De Gruyter, die nog altijd afwezig was. Eindelijk trad de hopman de kamer binnen. Hij zag er somber en toornig uit.

»Wie nu nog langer aan menschelijke gerechtigheid gelooft, is rijp voor Reinier van Arckel 1), heer pastoor,quot; sprak hij, een lichte buiging voor de bejaarde dame makende.

»De hartstochten zijn ontketend, het fanatisme is tot uitbarsting gekomenzei de priester.

«Zeg liever dat de hel losgebroken is,quot; hernam de hopman, »want het zijn geen menschen meer, die daar woeden, het zijn duivels, bare duivels. O, dat men dit alles moet aanzien, zonder die eerloozen te kunnen vermorzelen; had ik honderd koppen tot mijne beschikking, de schavuiten zouden vandaag nog kennis maken met den aartsschelm, wiens werk zij verrichten.quot;

«Wees bedaard, hopman,quot; berispte de priester, terwijl Agnes een stoel gereed zette, «een Christen mag zich niet door zijn toorn laten overmeesteren.

•1) Eene inrichting voor krankzinnigen in Den Bosch, reeds in 1442 gesticht.

212

-ocr page 213-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

Christus wil niet den dood eens zondaars , maar dat hij zich bekeere en leve; wij moeten Hem daarin navolgen.quot;

«Maar is het dan niet afschuwelijk, is het geen eervergeten schurkerij, dat de overheid een honderdtal boeven ongestoord al wat ons heilig en eerbiedwaardig is laat vernielen, eerwaarde heer?quot; vroeg hij.

«Zeker, mijn zoon, en God moge haar genadig zijn, wanneer zij daarvoor eenmaal verantwoording moet afleggen; doch laat ons zorgen dat wij ons niet bezondigen aan wenschen , die men zelfs tegenover zijne bitterste vijanden niet mag koesteren.quot;

«Ik ben blij dat gij hier zijt. De Gruyter, want gij zijt in staat u aan de grootste gevaren bloot te stellen,quot; sprak Agnes.

«Ik heb mij ongetwijfeld geweld moeten aandoen, juffer Agnes,quot; antwoordde hij, «maar ik dacht aan u en aan \'t geen ons in Den Bosch nog te wachten staat. In een der aanvoerders heb ik een handlanger van uw oom den advocaat herkend; wel een bewijs dat de geweldenarijen het gevolg zijn van een uitgebreid komplot.quot;

«Heeft men in de kerk veel vernield?quot; vroeg de oude dame.

«Veel!quot; herhaalde De Gruyter, en dat woord steeg als een smartkreet uit zijne borst, «zij hebben niets gespaard, zij hebben alles vernield en verwoest quot; «Mijn God!quot; zuchtte de matrone, hare handen vou-

213

-ocr page 214-

DE BEELDSTORMERS

wende, »die heerlijke kerk met hare altaren en beelden , met hare tallooze kunstschatten.quot;

»Alles, alles is vernield en verminkt, de beeld-stormers hebben niets gespaard. Met touwen werden de beelden van hunne voetstukken gerukt, met bijlen de altaren verwoest; de kannibalen scheurden met de tanden de misgewaden aan flarden, dat het bloed hen langs de kaken vloeide. Onder de vreeseiijkste godslasteringen haalden zij de beelden omver; vrouwen, aan hyena\'s gelijk, spuwden er op en sleurden ze onder een afgrijselijk getier naar buiten. Zelfs de dooden zijn niet gespaard. Men heeft het graf van een achtenswaardig burger, die dezer dagen overleden is, geopend, en ik heb met eigen oogen gezien. hoe een der onverlaten een arm van het lijk afkapte, die als een zegeteeken door afschuwelijke vrouwen werd rondgedragen.quot;

De aanwezigen luisterden in stomme verbazing naar de vermelding van deze afgrijselijke bijzonderheden.

»En had men gezorgd, dat het Allerheiligste in veiligheid was?quot; vroeg de pastoor, in angstige verwachting op het antwoord.

«Helaas, neen, daar was geen tijd voor,quot; sprak De Gruyter. »De duivels in menschelijke gedaante schenen daarvan bewust, want toen de eerste aanval op de beelden en de kleine altaren voorbij was, stormden zij onder het aanheffen van een der fanatieke

214

-ocr page 215-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH. 215

liederen van Marot naar het heiligdom. De godslamp werd met een enkelen slag neergeworpen, zoodat de olie langs alle kanten spatte, en toen begon men met bijlen op het tabernakel te beuken. Ik zag dit alles van verre. Slechts enkelen namen aan dat helsche werk deel, de anderen bleven op een afstand; zij schenen door angst en vrees verlamd, hunne gelaatstrekken waren verwrongen en ik hoorde zelfs een paar kreten van afgrijzen. Het lied was verstomd, men vernam nog slechts de bijlslagen, die op het tabernakel beukten.quot;

«En?quot; vroeg de pastoor angstig, met ingehouden adem.

»\'t Was de Bosschenaar Willem Michielsz., die den genadeslag toebracht,quot; vervolgde de hopman. «Dat monster stak de hand uit naar de heilige vaten en wierp de heilige Hostiën over den grond.quot;

«Mijn God, mijn God!quot; zuchtte de pastoor, het bleeke gelaat met de handen bedekkende.

»Ik zal de afschuwelijke taal, die hij uitbraakte, niet herhalen,quot; hernam De Gruyter, «maar alleen zeggen, dat zijn voorbeeld aanstekend was en de heilige Hostiën met voeten werden getreden; ik moest zien, dat de ellendelingen zich aan de grootste heiligschennis schuldig maakten, dat zij op het lichaam des Heeren trapten en hunne schoenen smeerden met de H. Olie. Het werd duister voor mijne oogen en \'t was mij,

-ocr page 216-

DE BEELDSTORMERS

of het gewelf der kerk op ons zou neerstorten.quot;

» Spaar mij, o spaar mij!quot; kermde de oude dame. »Ik heb mijn echtgenoot en vier mijner kinderen naar het graf zien dragen, ik heb mijn deel gehad aan het aardsche leed , maar nooit werd mijn hart zoo gefolterd als bij de gedachte aan de vreeselijke heiligschennis, die thans gepleegd wordt. Waarom mocht ik mijn hoofd niet voor altijd neerleggen, alvorens zulke goddeloosheden plaats grepen!quot;

»De straffende hand Gods is over ons gekomen,quot; sprak de priester, » omdat men Zijne geboden veracht, omdat men geheuld heeft met hen, die van den waren weg zijn afgeweken en van wie men met den profeet kan zeggen: »Hunne handen zijn besmet met bloed en hunne vingers met ongerechtigheid: hunne lippen hebben logentaal verkondigd en hun tong spreekt ongerechtigheid.quot; Van de menschen schijnen wij op dit oogenblik geen hulp te kunnen verwachten, laat ons daarom voor God neerknielen en Hem smeeken, dat Hij ons in Zijne barmhartigheid genadig moge zijn.quot;

Allen knielden neder en middelerwijl buiten het grauw de schandelijke liederen van Marot uitbulderde, steeg de verzuchting dier vrome zielen als eene eereboete voor de heiligschennis ten hemel.

Hoe meer de avond daalde, des te luidruchtiger werd het in de straten. Velen, die zich tot dusverre verborgen hadden gehouden, omdat het banvonnis op

216

-ocr page 217-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

hen drukte en zij vreesden met de politie in aanraking te komen, traden nu driest te voorschijn. Het scheen ook, dat het consistorie dien morgen boden naar de naburige gemeenten had gezonden, om hen, die daar het sein afwachtten, te doen weten, dat het uur gekomen was, dewijl tegen den avond talrijke scharen de stad binnenkwamen. Ook bleek het, dat de aanvoerders drank ter beschikking gesteld hadden, want de opgewondenheid was algemeen; velen verkeerden in beschonken toestand en men vond zelfs beeldstormers met de gestolen kerkgewaden bewusteloos op den grond liggen.

Toen het donker geworden was, zag men de ver-woesters met brandende fakkels langs de straten zwieren; zij geleken booze geesten, uit de hel opgedoemd, om de heiligdommen te vernielen, waar Christus troonde. De katholieke bevolking scheen geheel verlamd van schrik en ontsteltenis, zij hield zich in de woningen verborgen, overtuigd dat de overheid grootendeels medeplichtig was, en de weinigen, die hunne verontwaardiging niet konden bedwingen en tegen de woest-aards in verzet kwamen, moesten al spoedig het onderspit delven.

Hoe meer de nacht naderde , des te hopeloozer werd de toestand , des te akeliger en afzichtelijker het tooneel der verwoesting. Afschuwelijke vrouwen, half door den drank bedwelmd, zwierven met hangende haren langs

217

-ocr page 218-

DE BEELDSTORMERS

de straten; zij geleken furiën, die de razernij voedsel gaven, en kon men ook slechts nu en dan een blik werpen op zoodanige groepen, wanneer zij, door den rooden gloed der fakkels beschenen werden, de mokerslagen , die men uit de verte hoorde en het getier dat allerwegen opging, bewezen maar al te duidelijk , dat hel werk der verwoesting overal werd voortgezet.

Eensklaps zagen onze vrienden in de verte den hemel verlicht. Dat kon niet van de fakkels voortkomen. er was dus ongetwijfeld brand gesticht. Het licht werd al sterker en breidde zich meer en meer uit, terwijl men nu ook kon zien, dat elders eveneens zwarte rookwolken opstegen.

«Mijn God, ik geloof, dat de goddeloozen de stad in brand gaan steken!quot; riep de oude dame ontsteld.

«Ik wil eens gaan zien wat er gaande is,quot; sprak De Gruyter opstaande.

«Begeef u toch niet moedwillig in \'t gevaar,quot; xei Agnes, die blijkbaar angstig werd.

«Stel u gerust, julfer Agnes,quot; hernam de hopman, «ik zal mij in acht nemen. Mocht ik aan mijn gevoel toegeven, ik verzeker u, dat gij mij hier niet zoo werkeloos zoudt zien, doch ik heb nog andere plichten te vervullen, en zal dit niet uit het oog verliezen.quot;

De p\'astoor had ook nog eenige bedenkingen, doch De Gruyter deed uitkomen, dat \'t noodig was eenige Inlichtingen in te winnen, ten einde op de hoogte te

218

-ocr page 219-

VAN \'S-HERT0G£NB0SCH.

blijven van \'t geen in de stad voorviel en verliet het huis.

Andermaal moest het drietal geruimen tijd in ongerustheid verkeeren, want er gingen twee volle uren voorbij alvorens de hopman terugkeerde, en het getier op de straat bleef onafgebroken aanhouden. De dag begon reeds te gloren, toen De Gruyter weder binnentrad. Hij zag er bleek uit en men kon zeer goed aan hem zien, dat zijn gemoed van verontwaardiging gloeide.

«Het is gedaan met de stad,quot; sprak hij, en zijn stem trilde.

«Moeten wij een prooi der vlammen worden?quot; vroeg de oude dame angstig.

«Wees daaromtrent gerust,quot; antwoordde hij, «de brand, door een hoop dier schelmen gesticht, was spoedig gebluscht, maar men kan zich geen denkbeeld maken van de verwoesting, die in dezen noodlottigen nacht is aangericht. Nadat men in de kathedraal alles vernield had , zijn ook al de andere kerken opengebroken , en men heeft noch altaar noch beeld gespaard.quot;

«Maar wat willen die menschen dan toch?quot; vroeg de pastoor.

«De stad wemelt van vagebondenantwoordde de hopman, «veelal Walen en ook Franschen; quot;iij zijn gekomen om te plunderen en te stelen. De overheid heult blijkbaar met het consistorie, dat hen geroepen

219

-ocr page 220-

DE BEELDSTORMERS

heeft om de kerken , zooals zij het noemen, te zuiveren van het papisme en er dan bezit van te nemen.quot;

«Maar zoover kan het toch niet komen,quot; sprak de pastoor, »want de Regeering zal de voornaamste stad der Nederlanden niet ongestraft door een oproerige bende laten verwoesten.quot;

De hopman haalde de schouders op.

»Ik weet niet wat er gaande is,quot; zeide hij, «maar zooveel is mij ten minste gebleken, dat hier geen spraak kan zijn van een onverwacht tumult. Alles schijnt volgens een vooraf beraamd plan te geschieden , en ik kan ook niet gelooven, dat de afwezigheid van den prins van Oranje toevallig is , daar ik onder de aanvoerders der beeldstormers mannen heb herkend, die als zijne vertrouwelingen bekend staan, \'t Is eveneens zeker, dat door de hoofden van het komplot bevel gegeven is, niet slechts om de kerken, maar ook de kloosters te verwoesten.quot;

«En is men daar nu ook mee begonnen?quot; vroeg de priester.

«Begonnen?quot; herhaalde De Gruyter. «In geheel Antwerpen is op dit oogenblik geen kerk, geen klooster, geen kapel, geen gasthuis, geen enkel godsdienstig gesticht meer te vinden, dat niet door de ellendelingen ontheiligd en verwoest werd. Men heeft de monniken met stokslagen uit hunne kloosters verdreven, men heeft de godgewijde maagden onder de schandelijkste

m

-ocr page 221-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

uitdrukkingen op de straat gejaagd, ik heb moeten zien, hoe gemeene en halfbeschonken vrouwen om haar heen dansten onder het zingen van zedelooze liederen.quot;

»En waar zijn zij gebleven?quot; vroeg Agnes.

«Dat is God bekend,quot; antwoordde De Gruyter; «zij namen zoo spoedig mogelijk langs alle kanten de vlucht; wellicht zijn sommigen door burgers opgenomen, of hebben zij gedurende de duisternis een schuilplaats kunnen vinden, doch de meesten zullen wel geheel onbekend zijn in de stad, en wat moet van\' haar worden, wanneer de dag aangebroken is!quot;

Die noodlottige tijdingen maakten een diepen indruk op de aanwezigen; men kon Agnes luid hoeren snikken, doch niemand sprak een woord meer. Het scheen den ouden priester moeite te kosten zijne gemoedsbeweging te verbergen; hij liep eenige malen heen en weer en verliet eindelijk het vertrek.

Zoodra de deur achter hem dicht gevallen was, stond De Gruyter, die zich al dien tijd onrustig op zijn stoel heen en weer bewogen had, op en zeide gejaagd , ofschoon slechts hafluid :

«Agnes, ik moet u een geheim meedeelen.quot;

«Hemel, gij doet mij ontstellen.quot; riep het meisje.

De hopman legde den vinger op den mond.

«Sst! de pastoor mag er niets van weten hernam hij, «maar ik zie mij genoodzaakt, onmiddellijk naar huis terug te keeren.quot;

221

-ocr page 222-

DE BEELDSTORMEBS

»En ik?quot; vroeg het meisje.

«Kan de juffer hier nog eenige dagen blijven?quot; vroeg hij aan de oude dame.

«Zoolang zij verkiest,quot; klonk het antwoord.

«Welnu dan, luister, want de pastoor kan elk oogenblik terugkeeren ,quot; vervolgde hij, zich weder tot Agnes wendende. «Een uur geleden hield ik mij eenige oogenblikken achter een vernield altaar verborgen, om niet door Willem Michielsz., die daar met nog eenige van die bandieten uit miskelken wijn slurpte, gezien te worden, en toen was ik getuige van een gesprek, waaruit bleek, dat men ook een aanslag op Den Bosch in \'t oog heeft.quot;

«Mijn God, hoe kunt Gij dit alles gedoogen!quot; riep het meisje.

«Luister,quot; hernam de hopman, steeds sneller sprekende. «Men maakte de afspraak, om den volgenden dag op le omliggende dorpen dezelfde verwoesting aan te richten, doch Willem Michielsz. zeide, dat hij daar geen deel aan kon nemen, vermits het consistorie hem belast had met een boodschap aan de advocaten Everzwijn en Agylaeus, die slechts op de tijding wachtten van \'t geen te Antwerpen gedaan was, om ock daar hetzelfde werk te kunnen beginnen.quot;

Agnes hief van verbazing de handen ten hemel.

«Oom , oom, wat zijt gij diep gezonken!quot; kermde zij.

«Uw oom is een groote schurk, dat wist ik reeds

222

-ocr page 223-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

lang,quot; hernam de hopman, en \'t was toen of zijne oogen vonken schoten; »doch laat ons geen tijd verliezen. Als de pastoor terugkomt, zal ik hem zeggen, dat wij vooralsnog niet aan vertrekken kunnen denken. Gij kent hem en weet, dat hij voor niets terugdeinst, en daar uw oom en ook de schout op hem verbitterd zijn, bestaat er dubbel gevaar, waaraan ik hem niet mag en niet wil blootstellen. Ik heb reeds een paard besteld en vertrek naar huis, zoodra de dag geheel aangebroken is, want wie weet welke vreeselijke too-neelen daar voorbereid worden.quot;

«Maar bestaat voor u niet evenveel gevaar? Hebt gij niet veel meer van oom en den schout te vreezen dan de pastoor ?quot; vroeg Agnes met deelneming, en er blonken tranen in hare oogen.

»Ik dank u voor die vraag ,quot; antwoordde de hopman met warmte, terwijl hij haar de hand drukte, »zij is voor mij een bewijs van belangstelling. die ik hoog waardeer. God alleen weet wat ons te wachten staat; ik zal mijn plicht doen, doch niet vergeten, dat mijn leven niet alleen voor mij waarde heeft.\'\'

Het meisje sloeg even de oogen neder en vroeg toen welke reden de hopman voor zijn onverwacht vertrek bij den pastoor zou aanvoeren; hij kon daarop echter geen antwoo rd geven, dewijl de priester weder binnentrad.

»Ik vertel daar juist,quot; sprak hij, zich tot den pastoor

m

-ocr page 224-

DE BEELDSTORMERS

wendende, »dat in de herberg, waar ik een verblijf heb gevonden, een brief is aangekomen, waaruit blijkt dat ik, wegens dringende zaken , oogenblikkelijk te huis word verwacht.quot;

De pastoor dacht er gelukkig niet aan, dat men in Den Bosch onmogelijk kon weten waar de hopman zich ophield, doch hij vroeg of het niet beter zou zijn, dat zij nu gezamenlijk vertrokken.

«Onmogelijk!quot; antwoordde De Gruyter, «want het gespuis trekt bij gansche scharen naar buiten, de weg is niet veilig meer, althans niet voor een wagen. Ik heb daarom dan ook maar besloten terstond te paard te vertrekken, dewijl ik later ook daarin wellicht zou worden verhinderd. Over een paar dagen zal ik u door een vertrouwd persoon tijding zenden, tenzij ik persoonlijk mocht kunnen komen.quot;

De pastoor maakte nog eenige bedenkingen, vooral ten opzichte van de voorzichtigheid, die De Gruyter tegenover Agylaeus en den schout in acht moest nemen. De hopman stelde hem gerust, wisselde in stilte nog eenige woorden met Agnes en verliet toen het huis.

Sedert onze vrienden \'s-Hertogenbosch verlaten hadden , waren ook daar tooneelen voorgevallen, die bewezen dat de toestand steeds hachelijker werd. De graspreeken waren in den laatsten tijd tot schier onder

m

-ocr page 225-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

de muren der stad gehouden en het consistorie werd met eiken dag stouter, vooral door het bewustzijn, dat het steun vond brj de meerderheid der schutterijen. Toen nu een weigerend antwoord werd gegeven op het verzoek, om ongehinderd binnen de stad te mogen preeken, voerde men, met verkrachting van alle gezag , den predikant Van Diest met veel praalvertoon door de straten. Hij trok met een geleide van meer dan vijftig personen, gewapend met stokken, lange vuurroeren en pistolen, de St.-Janspoort binnen, en werd dwars door de stad heen geleid tot aan de Vuchter-poort, waar zijne lijfwacht hare roeren en pistolen in de lucht afschoot. De goedgezinden waren diep verontwaardigd over deze openlijke bedreiging , waartegen de overheid zich lijdelijk gedroeg. Door den schout was wel het openbaar prediken belet, doch had hij overigens ook nog gezag willen uitoefenen, het zou te laat geweest zijn. Zijne dubbelzinnige houding en toegevendheid hadden hem tot een werktuig der samenzweerders gemaakt: hij moest nu, zijns ondanks, medewerken tot verderf der stad. Den SI611 Augustus bevonden zich reeds vier predikanten binnen de veste, en de leden van het consistorie zeiden ongestraft, dat zij zich de kerken, die men hun weigerde, wel zouden weten te verschaffen. Den volgenden dag zou het afschuwelijke drama een aanvang nemen.

n 5

223

-ocr page 226-

In den morgen van den 22en Augustus ontving de schout van \'s-Hertogenbosch een ongeteekend schrijven , waarin hem bericht werd, dat te Antwerpen alle kerken en kloosters door de beeldstormers verwoest waren en men elk oogenblik kon verwachten, dat ook daar een aanslag van dien aard zou plaats hebben. Hij werd daarom dringend verzocht onverwijld de noodige maatregelen tot bescherming der heiligdommen te nemen en de hoofden der beweging, waarvan er eenigen genoemd werden, geen oogenblik uit het oog te verliezen.

De schout las met verwondering het briefje , keerde het meermalen om, ten einde naar een herkennings-

-ocr page 227-

DE BEELDSTORMEaS VAN S-HERTOGENBOSCH. 2217

teeken te zoeken en haalde toen de schouders op. Hij wist wel, dat de gisting eiken dag meer en meer toegenomen was, doch kon niet gelooven dat zij zulke groote afmetingen zou gaan aannemen. Hij had reeds meermalen een naamlooze waarschuwing ontvangen en beschouwde zich als het slachtoffer eener mystificatie. Indien te Antwerpen zulk eene verwoesting had plaats gegrepen, kon hij daarvan niet onkundig zijn. Men was ontevreden over hem, dat wist hij, en nu geloofde hij. dat zijne vijanden hem in ongelegenheid wilden brengen door het nemen van maatregelen, die de opschudding slechts konden vergrooten.

Een half uur later verscheen Jan van Lijbergen, een der fabriekmeesters van de kathedraal, bij hem. Deze was ook gewaarschuwd en daarbij verzocht, de hoofden der gilden zonder verwijl van het gevaar in te lichten, ten einde zij intijds de kostbaarheden uit de St. Janskerk zouden kunnen bergen 1), daar het te Antwerpen gebleken was, dat men zich het eerst van die voorwerpen meester maakte.

»En hebt gij aan dat verzoek gevolg gegeven?quot; vroeg de schout.

»Nog niet, heer schout,quot; antwoordde Van Lijbergen, »ik wilde eerst uw gevoelen daaromtrent hooren.quot;

1) Van de drie en vijftig altaren, welke zich in de kathedraal bevonden, waren niet minder dan vijf en twintig door de gilden gesticht.

-ocr page 228-

DE BEELDSTORMERS

»Zeer goed,quot; hernam de schout, «want zoodanige voorbarigheid zou zeer nadeelige gevolgen kunnen hebben.quot;\'

»En wat zijt gij voornemens te doen , heer schout?quot; vroeg Jan van Lijbergen, die er zeer bezorgd uitzag.

»Niets,quot; klonk het antwoord.

))Niets?quot; herhaalde de fabriekmeester, «Maar als de waarschuwing dan eens gegrond was en het gevaar voor de deur stond?quot;

«Wees toch verstandig, meester,quot; sprak de schout met een soort van minachting. «Begrijpt gij dan niet, dat de naamlooze briefschrijver juist door zijne overdrijving zich in de kaart laat zien? Hoe zou iemand hier ter stede bijzonderheden over eene beeldstormerij te Antwerpen kunnen mededeelen, daar zelfs nog geen gerucht van zoodanig feit tot ons doorgedrongen is? Men heeft een sensatie-bericht verzonnen om opschudding in de stad te veroorzaken, en gij hebt daarom zeer verstandig gehandeld door mij te raadplegen, alvorens het verder te verspreiden.quot;

«Maar het zou toch zeker niet kwaad zijn, dat de schutterijen onder de wapens geroepen werden,\' bemerkte Lijbergen, die zich over de zorgeloosheid van den schout ergerde. «Het gerucht liep dezen morgen , dat zich, in weerwil van het streng verbod, reeds vier predikanten hier ophouden, en...quot;

«Als dat gerucht ook al waarheid spreekt, meent

m

-ocr page 229-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

gij dan dat het lot der vesting van vier menschen afhangt?quot; hernam de schout. «Begrijp toch, meester, dat juist het oproepen der schutterijen en andere maatregelen van dien aard aanleiding zouden kunnen geven tot wanordelijkheden. Bij volksbewegingen kan men nooit met te veel voorzichtigheid te werk gaan, want een enkele vonk, ontijdig geworpen, kan de vlam in de brandstoffen doen slaan. Stel u gerust en weerspreek het dwaze gerucht, indien het hier of daar reeds verspreid mocht zijn.quot;

Met deze woorden kreeg Van Lijbergen zijn afscheid.

Op denzelfden tijd waren eenigen der voornaamste leden van het consistorie ))De boom in het boschquot; bij den advocaat Everzwijn bijeen. Men vond er Agylaeus, de beide procureurs Matthys Keyen en Jacob de Witte, den lakenwever Claes de Leeuw, Van Diest en nog een predikant, alsmede een paar voorname leden van het gewandsnijdersgilde. Op het gelaat der meesten was groote bezorgdheid te lezen. Uit de geheime briefwisseling met het centraal-consistorie wisten zij, dat den IS611., bij gelegenheid der groote processie te Antwerpen, de bom zou losbarsten, en men had tot op dat oogenblik het bericht nog niet ontvangen, dat tot sein moest dienen voor ■ de beeldstormerij in Den Bosch.\' Was de aanslag mislukt, dan kon men het ergste vreezen, dewijl de Schelde-stad als het middelpunt der beweging moest

-ocr page 230-

230

worden beschouwd. Daarbij kwam nog , dat de mijn gereed was en men zich niet terug kon trekken zonder groot gevaar te loopen. In een andere kamer bevonden zich de beide smeden Cock Muesel en Ruyg-vogel, Hans de barbier, de koster der St. Barbara-kapel in de Beursenstraat, Hendrik de schoolmeester en nog een paar betaalde handlangers, die men reeds sinds lang niet slechts tegen zes stuivers daags 1) gehuurd had om het gemeen op te winden en bij de befaamde beeldstormerij aan te voeren, maar ook gepaaid met het uitzicht op roof. Moest men hen ook nu weder met beloften afschepen, dan was het te voorzien , dat zij tot buitensporigheden zouden overslaan , waarvan men het ergste moest vreezen.

Dergelijke verontrustende gedachten bestormden de samenzweerders, die niet wisten hoe zich uit die netelige omstandigheden te redden, toen Willem Michielsz. aangediend werd. \'t Was of allen door een electrieken schok getroffen werden.

»Wat brengt gij voor tijding?quot; klonk het uit meer dan een mond, toen hij de kamer binnentrad.

Om Willem\'s lippen vertoonde zich een gemeene lach; hij bezat het bewustzijn, dat hij een groote rol speelde en vroeg op gemeenzamen toon:

1) Zes stuivers was in dien tijd lang geen onaanzienlijk dagloon, daar de bouwmeester der kathedraal in het begin der XVIde eeuw slechts drie stuivers daags genoot.

-ocr page 231-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

«Weet hier nog niemand, dat wij te Antwerpen het varken gewasschen hebben?quot;

»Is de aanslag gelukt?quot; vroeg nu Everzwijn.

«Gelukt?quot; herhaalde Willem... «De gansche San-tekraam is opgeruimd; in geheel Antwerpen is niets meer van de paperij te vinden; alle altaren zijn vernield, alle beelden omvergehaald en de monniken en nonnen hebben een goed heenkomen moeten zoeken.quot;

Al de aanwezigen gaven blijken van verbazing en in het eerste oogenblik scheen het meer ontsteltenis dan vreugde te zijn, die zich op hun gelaatstrekken afteekende.

«Verhaal ons eens uitvoerig hoe alles zich heeft toegedragen,quot; sprak eindelijk Everzwijn, Willem een stoel aanbiedende.

«Daar is geen tijd voor.quot; antwoordde Willem. «Gij ziet hoe bestoven ik ben. Ik kom regelrecht van Antwerpen met nog een paar brave jongens, die de tijding naar Utrecht, Amsterdam en andere plaatsen moeten overbrengen. Het centraal-consistorie wil, dat onmiddellijk de handen aan het werk geslagen zullen worden, want men moet het ijzer smeden als het heet is. Er was geen tijd om een brief te schrijven, maar het consistorie heeft mij gelast te zeggen, dat hier vandaag nog begonnen moet worden.quot;

Meer dan een der aanwezigen verbleekte bij die woorden. Al had men ook sinds lang naar die tijding

231

-ocr page 232-

DE BEELDSTORMERS

verlangd, toch bracht zij een grooten schok teweeg. Het schuldbesef brandde op hun geweten; zij duizelden, als moordenaars, die het doodend staal ophefFen, nu zij de heiligschennende handen naar de heiligdommen moesten uitsteken.

»Ik had verwacht, dat men hier van pleizier wel een voet hoog zou opspringen,quot; hernam Willem minachtend ; »als er soms zijn, die rouwkoop hebben , dan wil ik alles wel alleen voor mijne rekening nemen.quot;

»\'t Is goed, \'t is goed!quot; zei Agylaeus eenigszins verlegen. »Hebt gij nog andere bijzonderheden mede te deelen?quot;

«Nog een paar,quot; antwoordde Willem, die blijkbaar de flesch goed had aangesproken. »In de eerste plaats heeft het consistorie bevolen, dat de orgels gespaard moeten worden, alsook de preekstoelen, ten dienste der bedienaren van het gezuiverde evangelie,quot; dit zeggende, boog hij spottend voor de predikanten; «en ten tweede moet ik u zeggen, dat ik naar wat eten verlang, want mijn maag is even leeg en onttakeld als de Lieve-Vrouwe-kerk van Antwerpen.quot;

Nadat Willem de kamer had verlaten om in de keuken eenig voedsel te nemen, begonnen de samenzweerders te beraadslagen over \'t geen hun te doen stond. Men kwam overeen, dat de tijding van de beeldstormerij te Antwerpen als een paniek door de stad zou verspreid worden door de gehuurde hand-

232

-ocr page 233-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

langers, die tevens het volk moesten opruien en in beweging stellen. De gevolgen daarvan zouden tot leidraad dienen voor den aanval op de kathedraal van St.-Jan, die het eerst aan de beurt lag. De procureur Keyen nam op zich het sein tot de beeldstormerij te geven , waarvan het beleid werd toevertrouwd aan Claes de Leeuw en zekeren Pieter Leenaerts, terwijl Job van Achelen de beelden zou aanwijzen , welke het eerst omgeworpen moesten worden. Nadat van deze bepalingen kennis was gegeven aan Willem Michielsz., den smid Cock Muesel en de overige betaalde handlangers , verlieten de quot;samenzweerders de woning van den procureur.

Het was intusschen reeds middag geworden, en ofschoon de handlangers van het consistorie nog geen uitvoering aan de bevelen hadden kunnen geven, greep . er toch reeds iets buitengewoons in en om de kathedraal plaats, dat velen, die zich daarheen begaven, den angst op het gelaat joeg. Men zag kanunniken, priesters en benificianten naar de kathedraal snellen; zij hadden insgelijks eene waarschuwing ontvangen en gingen redden wat hun eigendom en vervoerbaar was. In een oogwenk was als een loopend vuur het gerucht door de stad verspreid, dat een groote bende beeldstormers in aantocht was, welk gerucht eenige oogenblikken later door de handlangers werd bevestigd, met bijvoeging, dat men te Antwer-

233

-ocr page 234-

DE BEELDSTORMERS

pen al de kerken en kloosters verwoest en de monniken en nonnen om het leven gebracht had.

Jan van Lijbergen, die zich al dien tijd vol onrust in de nabijheid der kathedraal bewogen had, zag in deze noodlottige tijding de bevestiging der waarschuwing en spoedde zich in allerijl naar het stadhuis, om den schout te spreken.

»Hé, meester Lijbergen, waar gaat gij heen?quot; riep de hopman De Gruyter hem op de markt toe.

»Naar den schout!quot; klonk het antwoord, en de fabriekmeester wilde zijn weg vervolgen.

«Luister eens, meester,\'\' hernam De Gruyter, «hebt gij gevolg gegeven aan de waarschuwing, die gij een paar uur geleden ontvingt?quot;

Van Lijbergen zette groote oogen op.

«Was dat briefje van u?quot; vroeg hij.

»Ja,quot; sprak De Gruyter... »Hebt gij de dekens der gilden gewaarschuwd?quot;

»Neen, ik meende eerst den schout te moeten raadplegen.quot;

»En?quot; vroeg De Gruyter gejaagd.

»Hij geloofde, dat het bericht slechts verzonnen was, om sensatie te verwekken, en achtte het de moeite niet waard er eenig gewicht aan te hechten.quot;

»De schout is een slaapmuts, of een ellendeling !quot; sprak de hopman verontwaardigd. »Hij was de eers\':e, die een waarschuwing van mij ontving en had ten minste op zijn hoede moeten zijn. \'

234

-ocr page 235-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

«Maar is het dan waar, dat Antwerpen....quot;

»Helaas, ja!quot; hernam De Gruyter, den fabriekmeester in de rede vallende. »Kotn, ik ga met u naar het stadhuis en dan zullen wij eens zien of de schout nog zal twijfelen.quot;

Zij snelden nu te zamen naar het raadhuis.

«Wat is er van uw verlangen?\'\' vroeg de schout, toen beide jonge mannen bij hem toegelaten waren.

»Ik kom u in mijne hoedanigheid van hopman der schutters vragen, of het niet meer dan noodig is, dat onze manschappen onder de wapens worden geroepen?quot;

De .schout gevoelde zich niet op zijn gemak tegenover De Gruyter, doch trachtte zijne verlegenheid achter zeker vertoon van gezag te verbergen.

»In uwe hoedanigheid van hopman zult gij mijne bevelen moeten afwachten, De Gruyter,quot; sprak hij; »ik verwacht van niemand aanmerkingen, waar het de uitoefening van mijn ambt geldt.quot;

«Gelooft gij dan nog niet, dat de kerken groot gevaar loopen, heer schout?quot; vroeg de hopman, die moeite moest doen om zich te bedwingen.

»En gelooft gij ook al aan het gerucht, sinds een paar minuten verspreid, dat een bende beeldstormers tegen onze stad in aantocht zou zijn?quot; was de wedervraag van den schout.

«Daar weet ik niets van,quot; hernam De Gruyter, »maar ik weet des te beter, dat te Antwerpen de

233

-ocr page 236-

DE BEELDSTORMERS

gruwelijkste heiligschennis gepleegd is, dat daar alle kerken en kloosters verwoest zijn en heb u dezen morgen in tijds kennis gegeven van \'t geen ons nu hier te wachten staat.quot;

»Hoe, gij ? • • • En gij durft u nog beroepen op een voorbarigheid, die thans de gansche stad in opschudding brengt. Gij hebt mij door uwe onstuimigheid reeds meermalen in moeilijkheden gewikkeld, ik zal maatregelen tegen u moeten nemen, hopman,quot; riep de schout, die naar een middel zocht, om De Gruy-ler opnieuw onschadelijk voor hem te maken.

De Gruyter werd bleek van toorn, doch wist zich nog te beheerschen.

»Ik had niet verwacht, heer schout, dat de belangen der stad bij u zouden moeten wijken voor een persoonlijke veete,quot; sprak hij met waardigheid, o Ik ben hier niet gekomen om bevelen te geven, maar om als hopman der schutterij en als rechtschapen burger mijne diensten aan te bieden ter beteugeling der oproerigheden, waarmede de stad bedreigd wordt. Het zou beter geweest zijn gehoor te geven aan mijne schriftelijke waarschuwing, dan mij van voorbarigheid te beschuldigen.quot;

«Maar hoe kunt gij weten wat nog ieder en zelfs mij onbekend is?quot; vroeg de schout.

«Omdat ik met mijne eigen oogen de schandelijke verwoesting gezien en met mijn eigen ooren de afspraak

236

-ocr page 237-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

der ellendelingen gehoord heb,quot; antwoordde De Gruyter. » Daarenboven moet ik u zeggen, dat Willem Michielsz., die hier het sein tot den aanval op de kerken geven moet, zoo even aangekomen is en zich op dit oogen-blik nog bij den procureur Everzwijn bevindt. Vergeet toch niet, heer schout, dat alles op het spel staat, en laat onmiddellijk de samenzweerders, wier namen ik u heb opgegeven, in hechtenis nemen, dan zal de kracht van het komplot gebroken zijn.quot;

Het scheen den schout onaangenaam te stemmen, dat de fabriekmeester getuige was van een onderhoud, waarbij hij een ondergeschikte rol vervulde.

«Gij spreekt boud, hopman,quot; zeide hij; «doorzoo-danigen maatregel zouden allicht gebeurtenissen in het leven geroepen worden, die gij schijnt te vreezen. Welke waarborgen kunt gij daarenboven geven voor uwe bewering?quot;

Dat was te veel.

«Welke waarborgen?quot; hernam De Gruyter. «Beo ik een vreemdeling of een landlooper? Voor een onbesproken poorter moeten geen andere waarborgen noodig zijn dan zijn woord , en mijn naam en mijn verleden geven u het recht niet, mij te verdenken van leugentaal of misleiding, \'t Zou beter geweest zijn, dat de stedelijke overheid wat minder gehoor had gegeven aan de misleiding en de leugentaal van gewetenlooze lieden, die vrij spel hebben, omdat zij ontzien worden.

m

-ocr page 238-

DE BEELDSTORMERS

Ik bespeur wel, heer schout, dat de stad van u niets te hopen heeft, maar ik geef u de verzekering, dat er nog genoeg burgers met mij gevonden worden , die niet zullen gedoogen , dat hier tooneelen plaats grijpen als in Antwerpen, al blijft de overheid ook met de handen in den schoot zitten.quot;

»Geen woord meer, hopman, of ik laat u wegens insubordinatie in hechtenis nemen,quot; riep de schout woedend, en zijne hand greep reeds naar het schelkoord , om zijne bedreiging ten uitvoer te brengen. «Gij staat als hopman der schutterij onder mijne bevelen en wees verzekerd, dat ik u en ieder, die uw voorbeeld wil volgen, zal weten te vinden.quot;

De Gruyter begreep dat zijne vrijheid opnieuw bedreigd werd. Daarom vermande hij zich en zeide:

«Het zij zoo, ik zal gehoorzamen, maar weet wel, heer schout, dat gij tijdig gewaarschuwd zijt en de volle verantwoordelijkheid te dragen hebt van \'t geen ons te wachten staat. Kom, meester Lij bergenvervolgde hij zonder zelfs den schout te groeten, «laat ons gaan, hier is toch niets meer te hopen of te verwachten.quot;

Middelerwijl was het rumoer in de straten allengs toegenomen. Men zag reeds predikanten der nieuwge-zinden, omstuwd door verdachte lieden, zich in \'t openbaar vertoonen; in sommige herbergen hoorde men de liedjes van Marot zingen en de priesters, die de heilige

238

-ocr page 239-

VAN S-HERTOGENBOSCH.

vaten en andere kostbaarheden in veiligheid brachten, moesten allerlei schimpscheuten en bedreigingen hooren. Het gerucht der beeldstormerij te Antwerpen, nog vergroot door \'t geer. in omloop was gebracht omtrent het aanrukken van eene bende beeldstormers, had door de gansche stad heen een ware paniek veroorzaakt. Angst en verontwaardiging teekenden zich op het gelaat der burgers, de regeering alleen scheen geen geloof te hechten aan de geruchten en bleef verzuimen maatregelen van voorzorg te nemen.

Het consistorie had zijne bende intusschen reeds op de been gebracht, men zag een aantal lieden, die sinds lang in een slechten reuk stonden, met de prie-sters-beneficianten en gildebroeders de kerk binnengaan en er werden door eenige opgehitste straatjongens baldadigheden gepleegd. Toen echter de koster de kaarsen voor het Lof wilde ontsteken, vond hij tot zijn schrik een aantal a mbachtslieden, meestal smeden, in het koor zitten; zij bladerden in de antiphonariën der kapittelheeren en riepen hem toe, dat hij die moeite moest sparen, indien hij niet wilde dat men hem met de kaarsen om de ooren sloeg. De koster behield echter zijne tegenwoordigheid van geest; hij kende de meesten , sprak hen op gemeenzamen toon aan en wist hen met goede woorden het koor te doen verlaten, dat hij nu onmiddellijk sloot.

De onbeschaamde en dreigende houding dezer kleine

239

-ocr page 240-

DE BEELDSTORMERS

bende moet intusschen wel in verband gestaan hebben met de verordeningen en plannen van het consistorie, want terwijl dit in het koor voorviel, drong een groote menigte de St. Jan binnen. De fabriekmeester Van Lijbergen, die dit zag, wilde de deur sluiten, doch hij werd overvallen en kon zich nog nauwelijks uit den stroom redden. Ijlings begaf hij zich naar het stadhuis, en toen nu de regeering zag, dat de zaken werkelijk een ernstig aanzien begonnen te krijgen, liet zij eindelijk de schutterijen onder de wapens roepen. De schout scheen in het denkbeeld te verkeeren, dat hij zich slechts behoefde te vertoonen , om aan de ongeregeldheden een einde te maken. Hij begaf zich met eenige schepenen naar de kerk om zijn gezag te doen gelden, doch het gepeupel had hem nauwelijks ontwaard, of er ontstond een groote oploop. «Weg van hier, bloedzuiger!quot; riep men hem dreigend toe , en dezelfde man, die zoo lichtzinnig de waarschuwingen in den wind had geslagen , moest toen reeds de vlucht nemen , wilde hij zich niet aan gevaar blootstellen.

In dat gewichtig oogenblik traden de hoofden van het consistorie te voorschijn. De advocaten Agylaeus en Everzwijn, de procureurs Matthys Keyen en Jacob de Witte, de secretaris Claes de Leeuw en de penningmeester Pieter Leenaerts, twee dekenen der gewandsnij-ders en meer andere leden van het consistorie, vergezeld van Cornells van Diest en nog drie andere predikanten ,

240

-ocr page 241-

VAN \'s-HERTOGENBOSCH.

sloten zich bij het gepeupel aan. Zij drongen door tot het oksaal, dat nu gesloten was, en hieven het lied

van Marot aan.

De Marseillaise der beeldstormers weerklonk in de gewelven der beroemde kathedraal.

Het lied was nog niet geëindigd, toen de procureur Keyen zich naar het noorderportaal, de zoogenaamde trouwdeur begaf. Daar hing een groot kruis, het aflaatkruis genaamd. Hij lichtte het onder medehulp van den graankooper Jan van Zonsbeeke uit de haken en wierp het op den vloer. Die slag weerklonk door het gansche gebouw, want het kruis was hol en de spaanders vlogen wijd en zijd.

«Mannen,quot; riep Keyen, »zoo moet het met al de beelden gaan; volgt mijn voorbeeld!quot;

Het sein ter verwoesting was gegeven.

Een helsche schreeuw voer door de ruime gewelven toen Keyen den wapenkreet had doen hooren.

»Hier heen, mannen!quot; riep Job van Achelen, en hij wees met de hand naar het altaar der metselaarsgilde. Als een bende roodhuiden, belust op scalpeeren, vielen de beeldstormers op het altaar. In een oogwenk was het beeld van den H. Bernardus voor den grond geworpen , en het gansche altaar tot spaanders gekloofd.

» Uyt groote nood,

Slaet papen en monniken dood!quot; II 6 i6

24\'!

-ocr page 242-

DE BEELDSTORMERS

Zoo klonk het bij den predikstoel, en in de nabijheid van de hooge kapel hoorde men het moord-ademend lied zingen, dat eindigde met de woorden:

»Plondert haer juweelen, nu sy heeft hulpe gheen;

Want men roept in \'t Noorden , oock in Livonia:

Cecidit, cecidit, Civitas magna Babylonia.quot;

De kathedraal scheen in een moordhol herschapen en in plaats van de gezangen en gebeden, die daar sinds zoovele eeuwen opstegen, hoorde men de vree-selijkste godslasteringen uitbraken door afschuwelijke wezens. wier oogen met bloed beloopen waren van den dorst naar vernieling en naar buit.

ïe midden van dat helsche rumoer hoorde men kreten van angst en afschuw, want er waren vele nieuwsgierigen met de handlangers van het consistorie de kerk binnengedrongen, die als verplet waren door \'t geen zij moesten aanschouwen en tevergeefs een der uitgangen trachtten te bereiken. Jan van Lijber-gen bevond zich ook in de kerk; hij had zich met opgeheven armen voor het altaar van den H. Bernar-dus geplaatst, toen de aanval begon, doch was door de woestaards weggeslingerd. Hij liep met de wanhoop op \'t gelaat heen en weer, want hij had de kerk, dat meesterstuk van architectuur, haast zoo lief

242

-ocr page 243-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH,

als zijn leven. »Is er dan niemand om het heiligdom te beschermen!quot; klaagde hij en er sprongen tranen uit zijne oogen; maar men dreef den spot met zijn angst, en toen hij eenige jongens, die bezig waren met het altaar van St.-Lucas te vernielen, met geweld wilde verdrijven, sprong eensklaps een onbekende, in een mantel gehuld, te voorschijn en zette hem een pistool op de borst uitroepende: «Laat de jongens begaan, zoo gij uw leven hefhebt! Nu geen kans meer ziende om de verwoesting te verhinderen, baande hij zich een doortocht en verdween.

Op aanwijzing van Job van Achelen werd het werk der vernieling voortgezet. Het eene altaar verdween na het andere, men wierp lange touwen om de beelden , die de kolommen tooiden en rukte ze naar beneden , men haalde de gewijde steenen uit de altaren en vertrapte de relieken onder de voeten. Hans, de barbier, verbrijzelde de offerblokken, en als de giften der geloovigen over den grond rolden, werden de plunderaars handgemeen en betwistten elkander met vuistslagen den buit.

Willem Michielsz. was overal vooraan. Zijn ver-nielingszucht scheen niet verzadigd te kunnen worden, want zijn byl was niet slechts in alle altaren gedrongen , die reeds verwoest waren, maar het verminken der omgehaalde beelden scheen hem een wellust te zijn.

»Waar is Jan Bentijn?quot; vroeg hij eensklaps. «De

243

-ocr page 244-

DE BEELDSTORMERS

oud-voorzanger heeft gezegd, dat de orgels voor zijne rekening moeten blijven.\'\'

Claes de Leeuw , aan wien het beleid over de beeldstormerij was opgedragen, hoorde deze woorden en fluisterde hem in het oor:

»Gij weet toch wel, dat de orgels gespaard moeten worden, Willem?quot;

«\'t Is waar.... ik dacht er niet meer aan,quot; antwoordde de woestaard. «Dan maar naar het oksaal, daar zal heel wat te doen vallen!quot; riep hij.

Met zijn bijl in de vuist baande hij zich een weg door de tierende en razende menigte; een twintigtal zijner rotgezellen volgden hem naar de afsluiting van het koor en in één oogenblik was het kruis, dat er op prijkte, geveld.

En te midden van die heiligschennende en kanni-baalsche tooneelen stonden de mannen van het consistorie, met de armen over elkander geslagen, bedaard het werk te aanschouwen , dat zij voorbereid hadden.

Jan van Lijbergen vond wel groote verslagenheid, maar geen hulp onder de burgers, die buiten stonden. Zij hoorden met verbazing en schrik, hoe daar binnen de bijlen beukten en de beelden vielen, doch de storm , die eensklaps was komen opsteken, scheen hen te verlammen. De schutters stonden reeds geruimen tijd op de markt onder de wapens, doch de regeering

244

-ocr page 245-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

scheen het hoofd verloren te hebben, want zij kwamen niet opdagen tot ontzet van het heiligdom; er was niemand die daartoe bevel gaf. Onze fabriekmeester , die rusteloos in de weer was, doorliep handenwringend hunne gelederen.

«Is er dan niemand, die de kerk en de stads-pn-vilegiën wil verdedigen ? dat moet God geklaagd zijn !

riep hij uit. ^

»Dat is het ook: meester Lijbergen, sprak de

hopman De Gruyter, «doch gij hebt op het stadhuis vernomen wat iedereen te wachten staat, die de handen durft uitsteken, zonder dat hij daartoe bevel heeft

ontvangen.quot;

«Maar is het dan geen schande voor onze stad, dat een troep schavuiten en straatjongens ongestoord ons pronkjuweel kunnen verwoesten?quot; vroeg de fabriekmeester,

«Gij hebt gelijk, meester,quot; hernam De Gruyter, «en ik wil niet langer een deel van die schande op mijn hoofd geladen zien. Als de overheid haar plicht verzuimt, moet zij dat zelve verantwoorden, maar ik wil hier niet langer werkeloos staan, er moge van

komen wat wil.quot;

Bij die woorden verliet hij de gelederen, en zich

tot zijne manschappen keerende , riep hij. .. .. f «Mannen, ik wil uw aanvoerder zijn, die mij het-

heeft, volge mij!quot;

245

-ocr page 246-

DE BEELDSTORMERS

Die kloeke houding vond bijval, want onmiddellijk verlieten eenige schutters de gelederen. Zij waren slechts negen in getal, doch men vindt hunne namen opge-teekend in de geschiedboeken der stad, want zij zijn het geweest, die den storm, althans voor dat oogen-blik , bezworen hebben ; had de trouwelooze regeering al de schutters doen aanrukken, de beeldstormers zouden spoedig het onderspit gedolven hebben.

De Gruyter en de zijnen stormden nu met de hellebaarden in de hand de kerk binnen. Een hoonend geschreeuw ging in de St.-Jan op, toen men het kleine getal verdedigers zag opdagen.

»Gaat maar weer naar huis; \'tis voorgoed uit met de paperij!quot; riep een der beeldstormers sarrend.

»Dat zult gij voor de tweede maal niet meer zeggen, ellendeling,quot; sprak de hopman, en zijn strijdbijl wierp den vermetele kermend op den grond.

Opnieuw ging een woest geschreeuw uit de bende op.

«Slaat den paap dood!... hangt hem op!quot; klonk het, en men stormde in woeste vaart op de schutters los.

De Gruyter had echter dien aanval niet meer afgewacht. Zijn geducht wapen zwaaiende , trad hij moedig vooruit en bracht slag op slag toe. Zoo dicht waren de beeldstormers om hem en de zijnen gedrongen, dat zij zich nauwelijks konden bewegen , doch De Gruyter wist zich een weg te banen over degenen, die hij geveld had;

246

-ocr page 247-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

het hoongelach had plaats gemaakt voor kreten van woede en smart, want hij maaide alles voor zich weg en zijne verbittering was zoo groot, dat zijn strijdbijl tegen een der kolommen verbrijzelde 1).

Hij was toen zijne manschappen ver vooruit en zag in zijne nabijheid Willem Michielsz., met een spotlach

op het gelaat.

«Dat grapje zal je duur te staan komen, hopman, riep roode Willem vooruitdringende.

De Gruyter gevoelde zeer goed, dat hij zich in een hachelijke positie bevond en hij klemde het overblijfsel van zijn hellebaard krampachtig in de gespierde vuist.

»Ik heb nog een oude rekening met je te vereffenen, straatrooverhernam Willem , en hij hief zijn bijl op, doch toen hij den slag wilde toebrengen, werd

zijn arm vastgehouden.

»Wilt gij een moord begaan, Willem ? vroeg de man , die hem in zijn boos opzet verhinderde.

U1

Het was Wouter Harmsen; hij had zich van den beginne af in de kerk bevonden en met afgrijzen het schouwspel gadegeslagen, dat hem tegen de borst stuitte, al was hij ook van den waren weg afgeweken.

■1) Uit een later afgelegde verklaring blijkt, dat de hopman De Gruyter een aantal beeldstormers zoo zwaar gewond had, dat zij gedurende vele weken in levensgevaar verkeerden.

-ocr page 248-

DE BEELDSTORMERS

«Niemand heeft zich met mijne zaken te bemoeien,quot; riep Willem, tevergeefs trachtend zich los te wringen.

»Een eerlijk man strijdt met gelijke wapenen,quot; hernam Wouter, en in een oogwenk had hij Willem de bijl ontrukt en slingerde het wapen over de hoofden der menigte door het ruim der kerk.

Willem knarste van woede op de tanden.

«Verrader!quot; bulderde hij.

» Hij heult met de papisten, weg met den verrader !quot; klonk het. De woestelingen wilden een aanval doen; Wouter Harmsen posteerde zich naast De Gruyter en scheen voornemens, zijn leven en dat van den hopman zoo duur mogelijk te verkoopen; doch ook de schutters waren nu verder doorgedrongen en beide jongelingen waren ieder in een oogwenk met een hellebaard gewapend. Toen roode Willem zag, dat De Gruyter zijn strijdbijl reeds opgeheven had, om den eerste, die hem durfde naderen, neer te vellen, scheen zijn moed lang zoo groot niet meer te zijn.

«Wat staan wij hier onzen tijd te verbeuzelen,quot; riep hij zijnen makkers toe; »die papisten zullen later hun bekomst wel krijgen; wij hebben thans wel wat anders te doen .... Naar de hooge kapel!quot;

En nu snelde hij aan het hoofd der zijnen naar het pronkjuweel der St. Jan, naar de beroemde kapel der Illustre Lieve-Vrouwe-broederschap, naar het prach-

248

-ocr page 249-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

tige heiligdom, dat in de kerk schitterde als een robijn aan een koningskroon.

Willem Michielsz. wist, dat daar vinnig gestreden werd; hij begreep dat De Gruyter, die lid van de Illustre broederschap was, niet achterwege zou blijven en berekende al vast, dat hij hem daar gemakkelijk door overmacht zou kunnen verpletteren.

Rondom het koperen hekwerk raasden en tierden de handlangers van het consistorie. Zekere Dominicus Beijens, ook een lid der broederschap, had zich daar echter verschanst en verdedigde de kapel met den degen in de vuist. De beeldstormers waren woedend over dien tegenstand; zij liepen vloekend rond en geleken hongerige wolven, die een schaapsstal bestormden. De smid Cock Muesel had reeds tevergeefs verschillende breekijzers beproefd, anderen wierpen armen, beenen en hoofden van verminkte heiligenbeelden over het hekwerk , om er Beijens mede te treffen.

Toen de bende van Willem Michielsz. opdaagde, werd de aanval met nieuwe verbittering herhaald, men had sterke touwen om de koperen pijlers geslagen, ten einde het hek om te trekken of te vernielen en zich zoo een doortocht te banen, doch de hopman De Gruyter verscheen ook spoedig met zijne schutters in het strijdperk en de gespierde en moedige jongeling beukte andermaal met zijn hellebaard links en rechts. Elke slag bracht een bloedende wond voort en bij

249

-ocr page 250-

DE BEELDSTORMERS

eiken stap dien hij deed, hoorde men een smartkreet. want zijn wapen was geen oogenblik in rust. Het zou echter te bezien zijn geweest, of hij zich daar wel staande had kunnen houden, want de overmacht was groot, doch er kwam eensklaps hulp opdagen. Het voorbeeld, door den hopman De Gruyter gegeven, had gunstig op de schutters gewerkt, die zich schaamden over de werkeloosheid, waartoe zij gedoemd waren. Al de schutterijen rukten naar de St. Jan; eenigen posteerden zich buiten de kerk, anderen trokken met vliegende vaandels en geladen roeren naar binnen. Het bleek nu duidelijk, dat het gemakkelijk zou zijn geweest de verwoesting en heiligschennis te voorkomen , indien de overheid haar plicht had gedaan, want het meerendeel der beeldstormers maakte zich ijlings uit de voeten. Zij, die het nog waagden het wan-dalenwerk voort te zetten, werden op de punt der hellebaarden en pieken van de altaren verdreven. en de kerk was in een oogwenk schoongeveegd.

Willem Michielsz., die wel brutaal en sluw, maar niet moedig was, behoorde tot de eersten, die langs het noorderportaal de kerk verlieten. Daar verzamelde hij weder een bende om zich heen.

«Komt maar mee, jongens!quot; riep hij, toen hij zag hoe talrijk zij waren, »ik zal u nog werk genoeg verschaffen.quot;

En nu stormden de onverlaten naar het tegenover

250

-ocr page 251-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

de kerk gelegen klooster der Predikheeren, waar de tooneelen der St.-Jan vernieuwd werden en den gan-schen nacht voortduurden , zonder dat de overheid een enkele poging deed om dit te beletten.

Daar stond nu de beroemde kathedraal geschonden, onteerd! Hoevele eeuwen waren niet voorbijgegaan, sinds de grondslag van dit pronkjuweel der architectuur werd gelegd, hoevele geslachten hadden niet bijgedragen aan haren bouw en versiering, hoevele duizenden en duizenden waren er niet van heinde en ver heen gestroomd , om aan hare schoonheid het hart te verkwikken en de genaden en gunsten des Hemels af te smeeken, door de voorspraak der Zoete Lieve Vrouwe ! Toen Surius, die de prachtigste kerken van Europa kende , eens onder haren honderd en vijftig voet hoogen koepel stond, moest hij onder den indruk van hare ontzagwekkende vormen uitroepen , dat aan haren luister en ongeloofelijke schoonheid niets ontbrak. En inderdaad, hoe indrukwekkend de kathedraal van St.-Jan ook thans nog moge zijn, men kan zich nauwelijks een denkbeeld maken van \'t geen zij was, vóórdat de kannibalen der XVIe eeuw daar hun sabbat vierden. De gewelven en kolommen schitterden van kleurenpracht , op de wanden en in de gebrande glazen waren de verhevenste mysteriën des geloofs vertegenwoordigd, de kolommen prijkten met beelden van heiligen en de kerk telde meer dan vijftig altaren, waarvan som-

-ocr page 252-

DE BEELDSTORMERS

migen meesterstukken genoemd moesten worden.

Zoo was het hoogaltaar (een zoogenaamd vleugelaltaar) rijk met snijwerk bezet en van binnen en buiten beschilderd en verguld door den beroemden Bosschenaar Hieronymus van Aken , den Dante der schilderkunst 1). Het toenmalige oksaal was insgelijks met beelden en schilderwerk getooid. Het droeg een altaar, aan den H. Petrus toegewijd en waarop een groot kruis stond; aan elk der kolommen van het schip stond een altaar, versierd met beelden en schilderijen en blinkende van koper- en zilverwerk. Boven alles schitterde echter de hooge kapel. Daar waren schatten aan besteed. De koperen afsluiting kwam eerst in het begin der XVIe eeuw gereed, en het altaar van die kapel, het schoonste der geheele kerk, was insgelijks door Van Aken beschilderd.

Hoe trotsch was de stad \'s Hertogenbosch en geheel het land op de kathedraal, toen daar in 1481 door Maximiliaan , Boomsch koning, het kapittel der orde van het Gulden Vlies werd gehouden. De souverein trok op den 25™ Mei met zijne ridders en de officiers der orde naar de St.-Jan. Zij verschenen, gekleed in lange mantels van karmozijn satijn, in het koor, dat met de kostbaarste tapijten behangen en luisterrijk

1) De\'musea van Weenen, Munchen en Berlijn prijken nog altijd met voortbrengselen van dien beroemden meester; in zijne geboorteplaats vindt men echter niets meer van hem.

252

-ocr page 253-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

versierd was. Ook Maria van Bourgondië verscheen daar met hare edelvrouwen, en na de H. Mis werd voor het hoogaltaar den ridderslag gegeven aan den jongen graaf van Charlois. De grijze Lannoy hing den vorstelijken telg den keten om, en zijn gouverneur, Montigny, zwoer ten aanhoore der talrijke edelen en burgers, dat hij den jeugdigen vorst tot deugd en goede zeden zou opleiden.

Was het niet de kathedraal van St.-Jan, waarheen men van heinde en ver ter bedevaart toog ? Zelfs graaf Arnoud van Gelre, een lid der Lieve-Vrouwe-broe-derschap, had zich gehaast, om voor het miraculeuze beeld neder te knielen, zoodra hij uit zijn kerker te Buren verlost was, en duizenden en duizenden kwamen daar als hij, om dank te brengen voor genoten gunsten , om kracht te zoeken voor den grooten strijd des levens.

Zoo stond daar nog kort te voren die beroemde kathedraal, in glans en luister, in volle majesteit, als een pronkjuweel der bouwkunde, als een heiligdom , waarvan de voorliefde vele eeuwen lang van geslacht tot geslacht was overgegaan.

En thans?

Nog altijd verhief de reusachtige toren op het kruis, »seer constelick ende cierlyck gemaecktquot;, fier zijn kruin in het luchtruim, maar hij prijkte sinds den vorigen dag op een onteerd en verwoest heiligdom,

253

-ocr page 254-

DE BEELDSTORMERS

dat herschapen was in een legerkamp van vijanden, die elkander met gelijke bitterheid bestreden. Het had niet mogen baten, dat de hopman De Gruyter en meer anderen hun leven waagden en de schutterijen de kerk schoonveegden, de geestkracht, door de verontwaardigde schutters aan den dag gelegd, was slechts van korten duur geweest.

Zoodra namelijk de morgen aangebroken was, liet de overheid het zilveren beeld van St.-Jan, het miraculeuze beeld, kelken , monstranzen , kappen, de juwee-len en andere kostbaarheden der kerk, naar het stadhuis vervoeren. De schutters bewaarden de orde en de dekens der gilden stonden met hunne ambachten voor de kapel, om genoemde voorwerpen, die daar bewaard werden, te bewaken. De mannen van het consistorie lieten zich echter niet zoo spoedig uit het veld slaan, dewijl zij wisten, dat de overheid geen geestkracht bezat en onder de schutters velen hunner aanhangers gevonden werden. De zon stond dan ook nauwelijks aan den hemel, toen de samenrotting in de nabijheid der kathedraal opnieuw begon. Willem Michielsz. deelde geld uit, Claes de Leeuw gaf aan den smid, Cock Muesel, en andere huurlingen nieuwe instructiën, en Agylaeus en Everzwijn mengden zich onder de schutters, die buiten stonden, en fluisterden dezen en genen e^nige woorden in het oor.

Jhr. Willem Borchgrave en de kerkmeester Jan van

-ocr page 255-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

der Steghen, die door de regeering met het overbrengen der kostbaarheden belast waren, kweten zich nauwgezet van hunne taak , doch zij moesten midden in hunne bedrijvigheid woorden en toespelingen hooren , die maar al te zeer bewezen , dat veel kwaadwilligheid onder de schutters heerschte.

«Gij moet u wat haasten,\'\' riep de een, «want langer dan tot twaalf uur willen wij niet hier blijven.quot;

«\'t Is schande, dat men ons hier den ganschen nacht zonder eten of drinken laat staan,quot; snauwde een ander.

«Als gij ons niet aflost, gaan wij heen , want de kerk is toch niet langer te behouden,quot; riep een derde.

Die woorden werkten zeer nadeelig op de afgematte en uitgehongerde schutters; de regeering bleef zich schuilhouden op het stadhuis , er was niemand, die hun moed insprak of het beleid der zaak op zich nam , en zoo kwam het, dat de schutters werkelijk naar huis gingen, toen zij de kostbaarheden der kerk in veiligheid zagen.

Onmiddellijk stormden nu de opstandelingen de kerk weder binnen, om het afschuwelijke werk van den vorigen dag voort te zetten.

Waar was de hopman De Gruyter?

Toen des nachts de beeldstormers uit de St.-Jan verdreven waren en het heiligdora aan de schutters en gilden was toevertrouwd, meende hij, dat men

255

-ocr page 256-

DE BEELDSTORM ERS

voor het oogenblik niets meer te vreezen had. Hij verliet onmiddellijk te paard de stad en snelde eerst naar Antwerpen , om den pastoor en Agnes van het gebeurde kennis te geven, en daarna aan het hof te Brussel bijstand te verzoeken, niet slechts tegen de opstandelingen, maar ook tegen de regeering, die haren plicht verzuimde en de stad ter prooi liet aan een paar honderd vagebonden.

Hy moest, helaas, bij zijne terugkomst zien, dat het werk der vernieling voltooid was. De woestelingen, die voor de tweede maal de St.-Jan binnendrongen, hadden ladders uit de St.-Jacobs-kerk geroofd. Met behulp daarvan wierpen zij nu al de beelden neder;-geen enkel altaar werd gespaard, men verbrijzelde ai het koperwerk en roofde naar hartelust, middelerwijl de schutters en gildebroeders te huis aan den maaltijd zaten. In dezen treurigen toestand besloten de fabriekmeesters op eigen gezag personen aan te werven, die de beeldstormers zouden bestrijden, doch daar hunne macht ontoereikend bleef, om de gansche kerk te verdedigen , bepaalden zij zich tot het verdedigen en bewaken der kostbaarste voorwerpen. Zij verdeelden hunne gewapende manschappen rondom het sanctuarium, het orgel, de doopvont, den predikstoel en het beroemde spel des oordeels; zij verwijderden den steen uit het hoogaltaar en lieten op het kerkhof het metalen Christusbeeld van het kruis nemen. Zoo was dan

256

-ocr page 257-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

de kerk in twee kampen verdeeld, terwijl Dominicus Beijens met den koster en zes gewapende knechten de kapel der Illustre broederschap, waarin zij zich hadden opgesloten, bleef verdedigen.

De kerkmeesters zaten intusschen niet stil; zij vroegen en kregen van de regeering verlof, om in naam der stad zooveel gewapende mannen aan te werven, als zij noodig zouden achten, doch juist toen zij daarvan gebruik wilden maken en zich naar de bouwloods begaven, was het consistorie op het kerkhof vergaderd. Er ontstond een groot rumoer, het gemeen drong onder allerlei dreigende kreten op de kerkmeesters aan en het gelukte hun nauwelijks aan de handen der woestelingen te ontkomen.

Het consistorie had zijn doel bereikt. Op hetzelfde oogenblik — het was den 24ei1 Augustus — werd de predikant VanDiest tusschen gewapende manschappen de kerk binnengevoerd. Hij besteeg den kansel en zekere Joost van Zoemeren, die met een vuurroer gewapend was, sprak tot hem in naam van het consistorie : »Ik geve u hier de kerk met de dekenij!\'\'

257

17

-ocr page 258-

XI.

f

Het is geenszins ons plan geweest een volledige beschrijving van de beeldstormerij te \'s-Hertogenbosch te leveren. Wij hebben slechts in het licht willen stellen wie de eigenlijke beeldstormers daar, zooals overal elders, waren, en welke middelen zij gebezigd hebben, om hun doel te bereiken, dewijl men nog altijd wil doen gelooven, dat het laagste gepeupel zich uit eigen aandrift aan het wandalisme had schuldig gemaakt i).

1) Men tracht hetzelfde te doen ten opzichte van de gruwelen der Parijsche Commune. Het zal intusschen niet moeielijk vallen een parallel te trekken tusschen de hoofden der revo-lutionnaire beweging in onzen tijd en hen, die wij hebben leeren kennen als de ontwerpers en aanvoerders der beeldstormerij.

-ocr page 259-

DE BEELDSTORMERS VAN \'S-HERTOGENBOSCH. 259

Wij hebben nu gezien, hoe door de samenwerking van meineedige edelen en de fanatieke leiders der consistoriën, de beeldstormerij te \'s-Hertogenbosch op touw gezet en begonnen is, en zullen in \'t kort de bijzonderheden, die het slot van dit afschuwelijke drama vooraf gingen, opsommen, om dan tot eenige personen van ons verhaal terug te keeren, die wij in het gewoel der gebeurtenissen maar al te lang uit het oog verloren hebben.

Toen het consistorie de kathedraal in bezit nam, was daar nog veel ongeschonden gebleven, wat niet aan de vernielingszucht der beeldstormers zou zijn ontkomen, indien Dominicus Beijens en de zijnen zich geen twee dagen lang in de hooge kapel staande hadden gehouden en de regeering eindelijk niet tot het nemen van strenge maatregelen overgegaan was. Zij liet namelijk onmiddellijk op de markt een galg oprichten en een publicatie aanslaan, waarbij allen, die zich aan het plunderen van kerken, kloosters of woningen schuldig maakten, zonder vorm van proces met den dood bedreigd werden. Daarenboven werd aan ieder verboden wapens te dragen, terwijl de schutterijen bevel ontvingen, om op het eerste woord in \'t harnas op de markt te staan.

Hierdoor werd wel aan de saturnaliën in de verschillende kerken en kloosters een einde gemaakt, doch het consistorie liet zich daarom nog niet uit het veld

-ocr page 260-

DE BEELDSTORMERS

slaan. Het beriep zich op het fait accompli, zooals men ook in onze dagen ziet gebeuren, en dreef de onbeschaamdheid zoover van een verzoekschrift tot de regeering te richten, waarin o. a. gezegd werd, dat de verwoesting , volgens het woord Gods, volledig moest zijn , en zij, supplianten — om oproer te voorkomen — de beelden zelf uit de kathedraal zouden wegnemen, indien zij daarin niet door de bewakers. door het kerkbestuur aangesteld, werden belet. Aan dat verzoek werd natuurlijk geen gevolg gegeven. en toen nu de regeering aan de predikanten liet vragen wie hen gezonden had en op welk gezag zij zich verstoutten in de stad te prediken, ontving zij ten antwoord : » Dat zij hunne zending hadden van den Koning der koningen,\'\' en wat de beeldstormerij aanging, «dat dezelve waere geschiet bij ingheven van onzen Heere Jesum Christum.quot;

Zoo driest trad toen het consistorie, dat zicli tot dusverre schuil had gehouden, terstond na de beeldstormerij op. Agylaeus, Everzwijn , de procureurs Keyen en De Witte, Claes de Leeuw, Gilles Leclerc, die uit Antwerpen overgekomen was, en nog andere hoofden der beweging stelden nu meer dan ooit alle middelen in het werk, om, onder het aanbieden van schoone vooruitzichten, hun aanhang bij de schutterijen en de gilden te vergrooten, ten einde den tegenstand te verzwakken, de regeering te ondermijnen en allengs

260

-ocr page 261-

VAN \'S-HERTOGBNBOSCH.

261

het gezag in handen te krijgen. Men moet gelooven, dat zij uit de omgeving van het Hof te Brussel ingelicht waren omtrent de maatregelen, die men daar ter beteugeling van den opstand dacht te nemen, anders wordt hunne houding onverklaarbaar. De hoofdschout, Jacob van Brecht, stelde wel alles in het werk om het gezag te handhaven, doch toen hij de gilden verzocht , om ten laste der kerkfondsen een honderdtal knechten te mogen lichten, werd hem dit door de gilden geweigerd en men dwong hem zelfs de beeld-stormers, die op heeter daad betrapt en in de gevangenis geworpen waren, op vrije voeten te stellen. Wanneer wij hier nu nog bijvoegen, dat de predikant Van Diest onophoudelijk het gemeen opnieuw tot verwoesting der heiligdommen aanzette, wordt het meer en meer begrijpelijk hoe het mogelijk was, dat het consistorie langzamerhand deed wat het wilde. De beeldstormerij werd wel niet meer openlijk bedreven, maar duurde toch twee maanden lang onafgebroken voort. Zoo groot was de schrik en ontsteltenis in de stad, dat sinds de opstand tegen het gezag een aanvang had genomen, geen enkele dag de H. Mis was opgedragen. De kerken en kloosters waren verwoest en ontheiligd en men durfde zich in particuliere woningen daaraan niet wagen, uit vrees van door de oproerlingen , die er het oog op hielden, overvallen te worden. In de gansche kathedraal was slechts de hooge

-ocr page 262-

DE BEELDSTORMERS

kapel en bijgevolg ook het altaar, door het kloeke gedrag van Beijens gespaard gebleven.

In dien benarden toestand, zoo geheel door eigen schuld ontstaan, had de regeering bij de landvoogdes om bijstand aangevraagd. Het zou zeker niet moeielijk zijn geweest, door het nemen van strenge maatregelen aan de buitensporigheden der geweldenaars een einde te maken en hen te straffen; de graaf van Megen had zelfs aangeboden, de stad met eigene strijdkrachten bij verrassing te bemachtigen; doch Philips II had geboden niet met geweld, maar slechts met zachtheid en middelen van overreding te werk te gaan, zooals uit zijn brief blijkt. Daarom verbood Margaretha elke onderneming tegen de stad, uit vrees dat daarbij menschenbloed zou worden vergoten en zond, in plaats van een leger, twee raadsheeren uit den Raad van Brabant, om het gezag te \'s-Hertogen-bosch te herstellen.

De komst van deze twee koninklijke commissarissen had onmiddellijk een grooten invloed, want de regeering vond zich daardoor gerugsteund en liet op doodstraf het belemmeren der godsdienstoefeningen verbieden. Zoo kwam het dan ook, dat op den 8 September in de kapel der Illustre broederschap een plechtige gezongen dienst plaats had en in het schip eene predikatie werd gehouden; de overige kerken en kapellen bleven nochtans in \'t bezit van het consistorie.

262

-ocr page 263-

VAN S-HERTOGENBOSCH.

De commissarissen waren gekomen om vrede te stichten. zij bezigden daartoe de grootste lijdzaamheid en het scheen aanvankelijk, dat zij hun doel zouden bereiken , doch nu besloot het consistorie tot een uiterste poging over te gaan en alles op één worp te zetten.

De stad was vol leegloopers. Sedert den eersten dag der beeldstormerij had schier alle arbeid overal stil gestaan. De gegoede burgers lieten de werkzaamheden staken, de handel kwijnde, het plunderen was een handwerk geworden en het groot getal leegloopers teerde meerendeels op de kelders der kloosters en de penningen der gemeente. De brasserijen hadden intusschen veel verzwolgen, zoodat het consistorie door geldelijken steun en de vooruitzichten op nieuwen buit maar al te veel gehoor vond bij de kwaadwilligen, die zich gemakkelijk lieten verleiden tot een nieuw oproer, dat het eerste geheel in de schaduw stelde.

In den namiddag van den 9en October vinden wij De Gruyter ten huize van Jan Bentijn. De oud-voorzanger was afwezig en moeder en dochter voerden een gesprek met den hopman , middelerwijl zij ijverig werkten aan den uitzet van Agnes, die met De Gruyter in het huwelijk zou treden, zoodra de tijdsomstandigheden zulks gedoogden.

»\'t Is wel een droevige tijd om aan trouwen te denken, hopman I\'\' sprak de moeder, als gewoonlijk met een zucht.

263

-ocr page 264-

DE BEELDSTORMERS

Clara zag den hopman even glimlachend aan en zeide toen;

»Ik heb altijd gehoord, dat het beter is in magere dan in vette jaren te trouwen, moeder, opdat men niet al te weelderig zal worden en intijds leert zorgen.quot;

»Kind, kind, hoe kunt gij toch zoo lichtzinnig babbelen,quot; sprak de moeder, en er kwam alweer een zucht. »Ik spreek niet van magere of vette jaren, want de hopman behoeft daar geen zorg voor te hebben, maar van den ongelukkigen tijd, dien wij beleven.quot;

»Gij hebt gelijk, vrouw Bentijn,quot; zei DeGruyter; »\'t is mogelijk geen tijd om aan trouwen te denken, want niemand weet wat hem boven het hoofd hangt, maar wij verkeeren in een buitengewonen toestand; de advocaat stelt alles in het werk om de verblijfplaats van Agnes te ontdekken, en ik ben er zeker van dat hij een nieuw schelmstuk zou plegen, wanneer hij wist waar zij zich bevindt.quot;

» Maar ik meen van den pastoor vernomen te hebben, dat hij afstand heeft gedaan van zijne rechten als voogd,quot; sprak Clara.

«Dat is ook zoo,quot; antwoordde de hopman; »wij moeten echter niet vergeten, dat op dit oogenblik geweld meer geldt dan recht en het goed visschen is in troebel water. Men schijnt te Brussel geen doortastende maatregelen te willen nemen en meer aan

264

-ocr page 265-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

bevredigen dan aan bestraffen te denken. Ik heb daar een aanklacht ingediend tegen den schout wegens zijne lafhartigheid vóór en tijdens de oproerigheden in Augustus en \'t geweld, dat hij tegen mij heeft gepleegd, doch zonder eenig gevolg. Agylaeus is woedend dat zijn prooi hem ontsnapt is en stelt alles in het werk, om Agnes weder in zijne macht te krijgen. Ik weet dat hij mijne gangen laat bespieden. Daarom ga ik altijd langs omwegen naar Antwerpen en bezoek ik alleen des avonds het huis, waar Agnes zich bevindt. Daar een huwelijk alle pogingen van den advocaat verijdelt, hebben wij besloten dit niet langer uit te stellen, en de pastoor dringt er ook sterk op aan.quot;

«En wanneer denkt gij te gaan trouwen, hopman?\'\' vroeg Clara, op wier gelaat zich bezorgdheid teekende.

«Zoodra de koninklijke commissarissen de zaken geregeld hebben en de rust voorgoed in de stad zal zijn teruggekeerd,quot; antwoordde hij.

»Gelooft gij dan werkelijk, dat wij rustige dagen te gemoet gaan?quot; vroeg Clara.

»Gij vraagt dit op een toon, alsof gij van het tegendeel verzekert waart,quot; sprak De Gruyter.

Het meisje zweeg en sloeg de oogen neer, maar men kon zeer goed zien, dat haar hand beefde, toen zij de naald in het lijnwaad wilde steken.

»Er zullen altijd woelgeesten blijven, maar \'tis bekend, dat tusschen de partijen een overeenkomst

265

-ocr page 266-

DE BEELDSTORMERS

tot stand is gebracht, bij welke zij beloofd hebben met elkander in vrede te leven,\'\' hernam De Gruyter. »De Calvinisten mogen overigens wel tevreden zijn over de verkregen vrijheden en zullen die zeker niet door nieuwe losbandigheden in gevaar brengen.quot;

Het meisje bleef nog altijd voor zich zien en sprak geen woord.

«Meent gij reden te hebben om daaraan te twijfelen?quot; vroeg de hopman, die wel zag, dat zij zich niet op haar gemak gevoelde.

»Ja!quot; antwoordde Clara snel, terwijl zij het hoofd ophief; »ik twijfel niet alleen met grond, maar meen zeker te weten, dat de beeldstormers slechts naar een gunstige gelegenheid uitzien, om de koninklijke commissarissen te verschalken en opnieuw oproer te stichten.quot;

Die woorden werden met zulk een overtuiging uitgesproken, dat de hopman er over verbaasd was en de moeder onthutst haar werk liet vallen.

«Heeft uw vader zich weder onvoorzichtig uitgelaten?quot; vroeg de hopman.

«Vader zal zich daarvoor wel wachten sinds hij weet wat op dien bewusten avond is voorgevallen, maar ik heb dezen morgen Wouter Harmsen gesproken.quot;

«Wouter Harmsen!quot; herhaalde de oude vrouw verwonderd .... «Dat is onbetamelijk, Clara, want gij

266

-ocr page 267-

TAN \'S-HERTOGENBOSCH.

weet toch wel, dat gij geen omgang met dien jonkman moogt hebben.quot;

»Ik heb geen omgang met hem, moederhernam Clara, terwijl hare wangen zich kleurden , » maar

«Hij is een afvallige, een vijand van onze heilige religie,quot; viel vrouw Bentijn haar in de rede.

»Ik weet dat wel, moeder,quot; hernam Clara een weinig geërgerd, »en ik denk nog alleen in het gebed aan hem, want ik zie zeer goed in , dat God ons niet voor elkander bestemd heeft, maar als Wouter mij aanspreekt, als hij mij iets meedeelt, dat in ons belang is, kan ik hem toch den rug niet toekeeren! Wouter heeft, dunkt mij, buitendien wel eenige erkentelijkheid verdiend voor zijn moedig gedrag in de St.-Jan.quot;

«Zeker, zeker,quot; sprak De Gruyter uit volle borst, » zonder zijne tusschenkomst zou ik er slecht afgekomen zijn; ik zal hem daarvoor altijd dankbaar wezen. Maar wat heeft Harmsen u dan meegedeeld?quot;

«Dat zal ik u zeggen, hopman ,quot; hernam het meisje. «Zooals gij weet, heeft vader kort voor de beeldstormerij in «den Verloren Zoonquot; te Vucht twist gehad met Willem Michielsz. Willem, die nog te meer een wrok op vader heeft, sinds het hem ter oore gekomen is, dat wij het geheim der ontvoering van Agnes aan hem ontlokt hebben, ziet naar een middel uit om zich te wreken. Zooals gij verder weet, lag vader ziek, toen de kathedraal geplunderd werd. Willem, die dat

267

-ocr page 268-

DE BEELDSTORMERS

niet wist, had toen gaarne gezien, dat vader de orgels vernielde, ofschoon dit uitdrukkelijk door het consistorie verboden was, ten einde hem in ongenade te brengen bij Agylaeus en Everzwijn. Nu heeft hij gezworen, dat hij met vader bij de eerste opschudding, die plaats heeft, eens geducht zal afrekenen.quot;

«En daar hebt gij mij niets van gezegd!quot; sprak vrouw Bentijn ontsteld.

»Ik heb u niet willen verontrusten, lieve moeder,quot; hernam Clara, «doch zou u wel intijds gewaarschuwd hebben.quot;

«Maar ik zie niet in, dat de grootspraak van dien rooden schavuit eenig gevaar aanduidt voor de rust van de stad,quot; zei De Gruyter.

«Ik zal u alles zeggen wat ik weet, hopman,quot; hernam Clara. «Wouter zeide mij, dat hij die bijzonderheden van den waard uit »den Verloren Zoonquot; had vernomen en vroeg mij, of het niet mogelijk was , dat wij vader thuis hielden, wanneer er weder een oploop kwam. Toen ik hem nu op mijne beurt vroeg , of hij geloofde dat wij nog zoo iets zouden moeten beleven, zag hij mij eerst lang aan en zeide daarna: «Gij weet niet wat er omgaat, Clara, maar geloof de menschen niet, die u zeggen dat alles voorbij is; ik weet het beter; geloof nog minder dat ik eenig dsel heb aan die schandelijkheden, welke ik niet kan beletten. Gij kunt er echter zeker van zijn . dat men

268

-ocr page 269-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

voorwendsels zoekt voor een nieuw oproer. Spreekt er met niemand over, zoo gij mij niet in gevaar wilt brengen, maar waarschuw uw moeder intijds en ook den hopman De Gruyter, want \'tis mij bekend, dat men het oog op hem houdt.\'\' Ik weet niet, of ik het vertrouwen van Wouter miskend heb, door u nu reeds te waarschuwen, hopman, maar ik heb niet altijd gelegenheid u te spreken, en als ik Wouter goed verstaan heb, moeten wij elk oogenblik op een nieuw oproer voorbereid zijn.quot;

»Dat zijn gewichtige mededeelingen, Clara,quot; sprak De Gruyter. Hij zweeg eenige oogenblikken en vervolgde toen: »Dan zouden de geruchten, die dezen middag in omloop waren, wel eens bewaarheid kunnen worden.quot;

«Welke geruchten?quot; vroegen de moeder en Clara te gelijk.

»In een paar beruchte herbergen heeft men uitgestrooid , dat de koninklijke commissarissen slechts voor de leus vredelievende voorstellen deden en in last hadden een geheime inquisitie in te voeren. Toen ik hierheen ging, vernam ik, dat in de Hinthamerstraat een oploop had plaats gehad, waarbij men »weg met de inquisiteurs!quot; riep. Daar dit dronkemansrumoer echter zonder gevolgen afliep, heb ik er geen waarde aan gehecht.quot;

»\'t Kan ook wel zijn, dat dit niets te maken heeft met \'t geen Wouter mij vertelde,quot; sprak Clara.

269

-ocr page 270-

DE BEELDSTORMERS

De Gruyter haalde de schouders op en rees overeind.

))\'t Is mogelijk,quot; zeide hij, »maar ik wil er mij toch van vergewissen en zal u een boodschap zenden, wanneer het noodig mocht zijn.quot;

Juist toen De Gruyter wilde vertrekken, hoorde men de klink der deur opheffen en een oogenblik later trad Wouter Harmsen binnen.

De touwslager groette beide vrouwen en zeide toen, zich tot De Gruyter richtende:

»Ik ben aan uw huis geweest om u te spreken, hopman, maar vernam dat gij hier waart.quot;

«Ik wilde juist vertrekken naar aanleiding van \'t geen Clara mij in uw naam heeft meegedeeld,quot; sprak De Gruyter.

«Heb ik te vroeg gesproken. Wout?quot; vroeg het meisje.

De touwslager schudde ernstig het hoofd.

«Het was hoog tijd,quot; antwoordde hij, «en daarom kom ik hier. Waar is uw vader?quot;

«Jan is den ganschen dag niet thuis geweest,quot; sprak de vrouw met een diepen zucht.

«Zie dan dat gij hem hier houdt, wanneer hij voor den nacht terug mocht keeren,quot; hernam Wouter,

«Wat is er toch gaande, Harmsen?quot; vroeg De Gruyter, die den touwslager een stoel aanbood en ook weder plaats nam.

«Dat zal ik u zeggen, dewijl ik weet, dat men u

270

-ocr page 271-

VAN \'s-HERTOGENBOSCH.

vreest en uw leven gevaar loopt. Ik zou mij zeer moeten bedriegen, wanneer de stad morgen weder niet in volslagen oproer verkeerde, want het sein is reeds gegeven.quot;

«Maar wat wil dat goddeloos geboefte dan toch?\'\' hernam De Gruyter. »Is het nog niet genoeg, dat de kerken en kloosters geschonden en beroofd zijn?quot;

«Luister,quot; sprak Harmsen, die zich bij die woorden onrustig op zijn stoel bewoog. «Van middag hebben de commissarissen de vier stadsprocureurs bij zich ontboden, en hun verzocht al den invloed, dien zij op de bevolking bezaten, aan te wenden tot algemeen herstel van den ouden godsdienst. Zij verlangden dit vooral van Keyen, die als een man des volks bekend staat, doch hij wees hun verzoek met barschheid van de hand en zeide ten slotte, dat het hem toescheen alsof de commissarissen een geheime inquisitie kwamen invoeren.quot;

»Keyen is een der voornaamste oproermakers; de deugniet heeft het eerst het beeld van den goddelijken Verlosser van het kruis geworpen en daarmede het sein tot de schandelijke beeldstormerij gegeven. Men moest zulk een woelgeest voorgoed onschadelijk maken, in plaats van hem te raadplegen,quot; sprak De Gruyter met nadruk.

»Laat mij toch uitspreken, hopman,quot; hernam Harmsen , » want ik ben niet hier gekomen om te redetwisten ,

271

-ocr page 272-

DE BEELDSTORMERS

maar dewijl ik belang in u stel. Kort nadat Keyen de commissarissen verlaten had, verspreidde zich het gerucht door de stad, dat men de inquisitie wil invoeren en allen, die deel aan de verwoesting der kerken gehad hebben, opgehangen zullen worden.quot;

«Goddank, dat vader niet meegedaan heeft,quot; riep Clara uit.

«Maar begrijpt gij dan niet, Clara,quot; sprak De Gruyter, «dat men die leugenachtige tijding slechts verspreidt, om een voorwendsel te hebben tot nieuwe oproerigheden en heiligschennissen ? Harmsen zal moeten erkennen, dat hij er geen geloof aan hecht.quot;

De touwslager gaf geen rechtstreeksch antwoord, doch deed uitkomen, dat de naam van inquisitie voldoende was om beroering teweeg te brengen. «Op dit oogenblik,quot; zoo vervolgde hij, «heerscht reeds hier en daar groote gisting. Men heeft briefjes onder de deuren gestoken, waarin bekend gemaakt wordt, dat Noppenus en Van der Steghen gekomen zijn, om een geheime inquisitie in te voeren en in de Hinthamerstraat hebben reeds samenscholingen plaats, die een dreigend aanzien krijgen.quot;

«En zal de regeering ook nu nog geen krachtige maatregelen nemen ?quot; vroeg de hopman.

Harmsen haalde de schouders op. »Om u de waarheid te zeggen,quot; antwoordde hij, «geloof ik niet, dat maatregelen zouden baten, want \'t is zeer twijfel-

272

-ocr page 273-

VAN S-HERTOGENBOSCH.

achtig of de regeering nog op de gilden kan rekenen. Ik heb u slechts willen waarschuwen , De Gruyter, uit achting voor uw naam en persoon, en ik meen te mogen voorspellen, dat wij andermaal groote ongeregeldheden te wachten hebben. Wees daarom verstandig en houd u buiten het gedrang, want gij zoudt er voor de tweede maal wellicht niet zoo goed afkomen.\'\'

)gt;En meent gij dan, Harmsen, dat ik mij in mijn huis zal opsluiten, terwijl een goddelooze bende onze altaren omver werpt en de vreeselijkste heiligschennis pleegt? Zoudt gij het bedaard hebben kunnen aanzien. dat men uwe moeder in het gelaat sloeg?quot; vroeg de hopman.

«Zeker niet,quot; antwoordde de touwslager, »maar,. ..quot;

»Ik begrijp niet, Harmsen,quot; vervolgde De Gruyter driftig, ygt; hoe gij, die als een rechtschapen jonkman bekend staat, gemeenschap kunt hebben met lieden . die goddelijke en menschelijke wetten met voeten treden, met ellendige beeldenbrekers en kerkroovers. , »Ik heb geen gemeenschap met hen antwoordde Wouter geraakt, «maar begrijp dan toch, hopman, dat ik hen evenmin kan bestrijden als tegenhouden. Ik heb mij vroeger bij de mannen van het consistorie aangesloten, om mede te werken tot het verkrijgen van vrijheid van godsdienst, want ik ken niemand het recht toe om mijn geweten aan banden te leggen.

II 5 18

273

-ocr page 274-

DE BEELDSTORMERS

\'t Is mogelijk dat ik dwaal, hopman, maar wees verzekerd , dat ik naar mijne overtuiging handel en daarvoor alles ten offer zou willen brengen. Ik verfoei de geweldenarijen en zou het voldoende geacht hebben, wanneer de regeering een kerk of gebouw had afgestaan , waarin wij God op onze wijze konden dienen; gij kunt mij dus niet aansprakelijk stellen voor de -gruwelen, die hier gepleegd zijn en nog gepleegd zullen worden.quot;

De Gruyter zag den touwslager strak aan.

«Men heeft u misleid, Harmsen,quot; sprak hij,»want die geweldenarijen en gruwelen zijn sinds lang voorbereid door lieden, die waarlijk zoo nauwgezet niet zijn van geweten. God geve, dat gij nog eens aan de vruchten den boom zult leeren kennen.quot;

De Gruyter drukte den jonkman hartelijk de hand, groette vrouw Bentijn en haar dochter en verliet het huis. De touwslager volgde hem weinige oogenblikken later.

Er was toen reeds veel volk op de been.

Het was inmiddels donker geworden, doch in de woning van Jan Bentijn dacht men er niet aan het licht te ontsteken, hoe daar ook anders met den tijd gewoekerd werd. De moeder had de handen in den schoot liggen; zij staarde strak voor zich heen en scheen als versuft. Clara zat met de ellebogen op de

274

-ocr page 275-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

tafel en het hoofd in de handen; zij dacht er niet aan, zij gevoelde het zelfs niet, dat de tranen langs hare vingers dropen. Kommer en smart verteerden haar. Als ware het nog niet genoeg dat haar kinderlijk gemoed sinds maanden verscheurd werd door de gedachte, dat haar vader zijne ziel zoo roekeloos op het spel zette en zijn eeuwig verderf te gemoet ging, moest zij nu nog vernemen, dat zijn leven gevaar liep. Elk oogenblik overviel haar een huivering, want zij meende reeds te zien hoe Willem Michielsz hem neervelde.

En van den vader dwaalde haar geest onwillekeurig naar Wouter Harmsen. Er was een tijd geweest, waarin schier al hare gedachten, al hare wenschen zich op hem vereenigden, waarin haar jeugdig gemoed van een schoone toekomst droomde. Thans mocht zij zelfs niet meer aan hem denken, want er was een afgrond tusschen hen ontstaan, die niet te dempen viel; hij was van God afgeweken, en al nam hij ook geen deel aan de geweldenarijen, toch had hij medegewerkt om de heiligschennis te bevorderen. Wouter was mede-gesleept, verleid door de drogredenen der nieuwge-zinden en door zijn afkeer tegen Spanje, dat wist zij. want hoe kon dat anders mogelijk zijn bij een jongeling , die zoo rechtschapen was, die zoo ingetogen leefde en voor wien iedereen achting had. Zij mocht, zij wilde niet meer aan hem denken, maar wie kan zijne

275

-ocr page 276-

DE BEELDSTORMERS

gedachten geheel aan banden leggen en hoe zou het ook mogelijk zijn, dat haar geest zich niet een oogen-blik met een gelukkig verleden bezig hield, nu zij zich zoo diep ongelukkig gevoelde.

Moeder en dochter hadden daar langen tijd zoo gezeten zonder een woord te wisselen, toen zich in de buurt een luidruchtig gezang liet hooren , gemengd met kreten, die aan de noodlottige dagen van Augustus herinnerden.

De moeder scheen eensklaps uit hare verdooving te ontwaken.

))Groote God, wat zal ons overkomen!quot; riep zij. «Ik-moet uw vader opzoeken, ik wil weten waar hij is.quot;

Zij beefde aan al hare leden en scheen slechts met moeite te kunnen staan.

«Moeder, blijf toch bedaard,quot; riep Clara, die ook ijlings opgesprongen was en ontroerde, toen zij het bleeke gelaat der oude vrouw zag; «vader kan elk oogenblik terugkeeren, hij komt nooit vroeger thuis, niet waar?quot;

»Maar hoort ge dan niet hoe ze buiten razen ? . . .. Neen, ik wil uw vader opzoeken en hem hier brengen , ik wil... .quot;

Zij zonk weder in haar stoel en schudde het hoofd.

«Ik kan niet,quot; vervolgde zij, de handen vouwende, «de schrik is in. mijne beenen geslagen; ik kan niet, Klaartje, ik kan niet!\'\'

276

-ocr page 277-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

Zij zag er bleek en ontsteld uit.

Het meisje haalde schielijk wat water en liet de oude vrouw eenige teugen drinken.

»Wi! ik den meester 1) roepen, moeder?quot; vroeg zij, den arm om haar hals slaande.

Vrouw Bentijn schudde andermaal het hoofd; zij sloot de oogen en vlijde zich tegen Clara aan.

«Wat zijn wij toch ongelukkig, mijn kind!quot; sprak zij na eenige oogenblikken.

»0 ja, moeder, diep ongelukkig,quot; antwoordde Clara, en zij dacht; ik ben ongelukkiger dan gij wel kunt beseffen.

»lk weet niet waaraan wij dat alles verdiend hebben ,quot; hernam de oude vrouw.

«Zoo moogt gij niet spreken, moeder,\'\' riep Clara, »want v/ij zouden daardoor God vertoornen, en hoe kunnen wij dan hopen. dat Hij onze gebeden zal verhoeren !\'\'

277

»\'t Is waar, \'t is waar, God alleen kan uitkomst geven, kind , want ik weet geen raad meer en de menschen kunnen mij niet helpen. Doch is het te verwonderen, dat ik radeloos ben bij de gedachte, dat uw vader zich niet slechts zoo zwaar bezondigt, maar nu ook nog in gevaar verkeert? Was ik nog maar in staat hem te waarschuwen, hij zou wellicht naar

\'1) Chirurgijn.

-ocr page 278-

DE BKELDSÏOHMERS

mij luisteren, doch ik voel het al te goed, dat mijne beenen mij niet kunnen dragen. Jan, Jan,quot; kermde zij, «wie had ooit kunnen denken, dat gij u zeiven en ons zoo ongelukkig zoudt maken!quot;

Zij hief de handen gevouwen ten hemel op en barstte in een luid geween los.

«Wees niet zoo bedroefd, lieve moeder,quot; sprak Clara troostend; «God zal ons niet verlaten, Hij laat het water niet tot over de lippen komen, niet waar ? Als gij het goedvindt, ga ik vader opzoeken, en dan hoop ik wel een middel te vinden om hem thuis te krijgen.quot;

))Gij!quot; sprak de oude vrouw verwonderd.... «en hoort gij dan het rumoer op de straat niet?quot;

»Ik ben de dochter van Jan Bentijn, moeder, de deugnieten zullen mij geen kwaad doen.quot;

«Helaas, dat gij u op uws vaders naam moet beroepen, om bij deugnieten verschooning te vinden!quot; zei de moeder.

«Maar ik wil eerst een buurvrouw verzoeken u gezelschap te houden hernam het meisje, «want gij zijt niet wel en kunt hier niet alleen blijven.\'

«Neen,quot; sprak de moeder, «geen vreemde men-schen in huis. Men kan in deze rampzalige tijden niemand vertrouwen, en ik wil ook niet dat iemand getuige zij van ons verdriet. Ik zal wat gaan bidden , want gij hebt gelijk, de lieve God zal ons niet

278

-ocr page 279-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

verlaten, wanneer wij op Hem ons vertrouwen stellen. Ga, mijn kind, en moge God u beschermen!quot;

Toen Clara er zich van vergewist had, dat hare moeder allengs wat kalmer geworden was, deed zij een overkleed aan en verliet het huis.

Zij huiverde, niet omdat het buiten donker en guur was, maar dewijl de oproerige geest, die in de stad heerschte, zich als het ware in de lucht oploste, en zij, in weerwil van het gebezigde voorwendsel, om haar moeder gerust te stellen, vreesde in aanraking te komen met de woeste benden, waarbij zij haar vader moest zoeken. Op de markt stonden een aantal lieden uit de laagste volksklasse in afzonderlijke groepen. Sommigen zongen een der Souter-Liedekens van Jonkhr. Willem van Zuylen van Nyevelt 1), daarin voorgegaan door een der predikanten; anderen staken vloekend de vuisten uit naar het stadhuis, waar men licht zag branden , maar geen beweging bespeurde; nog anderen tierden en raasden tegen de inquisitie, tegen den Paus en de »paapsche afgoderij.quot; Uit de straten, die op de markt uitmondden , kwamen troepen halfbeschonken personen, onder het aanheffen van de liedjes der beeldstormers; zij voegden zich bij de overigen of gingen verder; het waren de voorboden van het naderende onweder. In de nabijheid der hui-

I) Reeds in 1549 verscheen eene psalmberijming van dezen geuzen-adelman.

279

-ocr page 280-

DE BEELDSTORMERS

zen zag men hier en daar enkele burgers, die zich uit nieuwsgierigheid of belangstelling buiten gewaagd hadden; van handhavers der orde was intusschen geen spoor te vinden.

Clara ging in de duisternis vreesachtig rond. Nu eens zocht zij haar vader bij de zingende groepen, dan weder bij de luidruchtige dronkaards. Haar hart klopte hoorbaar, wanneer zij als een schim langs die groepen ging, biddende dat God haar mocht helpen — biddende te midden eener menigte, die God lasterde. Al hare pogingen waren echter tevergeefsch, zij ontdekte geen spoor van haar vader en durfde het niet wagen iemand aan te spreken.

280

Van den kant der Hinthamerpoort kwam het grootste rumoer, dat kon men duidelijk hooren, in weerwil van het gezang en de oproerkreten. Daar was dan ook het brandpunt van den opstand. In de St.-Jacobs-kerk \'1) was de hoofdzetel van den nieuwen godsdienst gevestigd; daar werd het hevigst tegen Rome uitgevaren en in die buurt vond men ook de meeste herbergen, waarin de handlangers van het consistorie bijeenkwamen om afspraken te maken en hun Judasloon in ongebondenheid te verteren. De luidruchtigheid, die in de Hintlianierstraat heerschte, schrikte Clara wel af, maar het was juist op zulke plaatsen, dat zij haar

1) De ou()e St.-Jacobs-kerk, het tegenwoordige arsenaal.

-ocr page 281-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

vader moest zoeken. Zij aarzelde dus niet die straat in te slaan, doch was nauwelijks eenige schreden ver gegaan, toen zij een aantal gewapende schutters tegen kwam. De Gruyter ging aan het hoofd, dat kon zij in de duisternis zeer goed zien. Zij sprak hem dan ook zonder aarzelen aan.

»Gij hier, Clara?quot; vroeg De Gruyter verwonderd.

»Ik zoek mijn vader, hopman,quot; antwoordde zij., »en wilde u slechts vragen, of gij ook weet waar hij is.quot;

De hopman schudde ontkennend het hoofd. «Maar hoe durft gij u in zulk een rumoer op de straat wagen ?quot; vroeg hij.

»Moeder is radeloosantwoordde Clara. »en ik ben ook zoo bang, dat vader een ongeluk zal overkomen.quot;

» Arm meisje, gij waagt veel,quot; sprak hij deelnemend. »Ik kan op dit oogenblik niets voor u doen, maar als gij hulp noodig mocht hebben, kunt gij mij bij de trouwpoort van St.-Jan vinden. Wij weten niet wat de booswichten in hun schild voeren, maar willen ten minste doen wat in ons vermogen is, om de kathedraal te beschermen. Ga met God!quot;

Hoe verder Ciara in de Hinthamerstraat kwam, des te rumoeriger werd het om haar heen; de winkels en andere woningen waren wel gesloten, maar er trokken gansche scharen naar de markt en in de herbergen ging het zeer onstuimig toe. Reeds drie-

281

-ocr page 282-

DE BEELDSTORMERS

maal was zij willens geweest een der huizen binnen te gaan, doch zij was telkens schuchter terug getreden bij de gedachte, dat zij daar wellicht tevergeefs ha^f vader zou zoeken en wat haar daar kon wedervaren. Eindelijk hoorde zij een welbekende stem een lied aanheffen. Ja — dat kon niemand anders zijn dan haar vader. Zij trad haastig naar de deur, doch bleef eenklaps weder staan en bracht de hand aan het hart, als om het kloppen te bedwingen. Er kwamen drie, vier, eindelijk vijf personen het huis uit. Zij herkende onmiddellijk den smid Cock Muesel, die bleef wachten tot de overigen hem zouden volgen. Hunne oogen waren zeker nog niet gewoon aan de duisternis , die buiten heerschte, want zij zagen het meisje niet, dat vlak bij hen tegen het huis stond.

«Gij hebt dus gehoord, dat er van nacht niets van • komt,quot; sprak de smid. »Wat wij van avond gedaan hebben , moest alleen dienen, om de regeering tot een of andere onvoorzichtigheid uit te lokken. Morgenochtend beginnen wij opnieuw en zullen dan verdere bevelen afwachten. Brederode heeft een wapenknecht gezonden, die heel wat mans is en ons geducht kan bijstaan, maar het consistorie moet nog van hem vernemen welke maatregelen zijn heer, in overleg met het centraal-consistorie, genomen heeft. Twee van u moeten dus onze broeders in de andere herbergen gaan waarschuwen; de twee anderen zullen mij naar de groote

282

-ocr page 283-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

markt vergezellen om de orders over te brengen, dewijl men daar wel eens te ver zou kunnen gaan. Zorgt nu, dat van avond niet veel meer gedronken wordt, want dat zou alles kunnen bederven.quot;

De mannen gingen uiteen, doch hadden zich nauwelijks van de stoep der herberg verwijderd, toen Clara den smid aansprak.

»Weet gij ook of mijn vader daar binnen is?quot; vroeg zij met bevende stem en op de herberg wijzende.

«Uw vader ?____Wie zijt gij ?quot; klonk de wedervraag.

«Ik ben de dochter van Jan Bentijn. \'

«Van Jan Bentijn?quot; herhaalde de smid.... »Ja, die is altijd te vinden , waar het kraantje loopt; moet gij hem spreken?quot;

»Ik zou graag zien, dat vader thuis kwam, want moeder is ziek geworden,quot; antwoordde Clara. »Zoudt gij hem niet eens willen roepen?quot;

«Dat zou weinig baten,quot; hernam de smid, «want als hij voor anker ligt, is er weinig met hem te beginnen, en ik geloof, dat hij reeds mooi de hoogte heeft. Maar, kom mee, ik zal je binnen brengen; geef mij maar een hand, want het is hier erg donker.quot;

Het meisje huiverde bij die aanraking.

»Gij beeft.... zijt gij bang?quot; vroeg Cock Muesel met een soort van glimlach.

»Ik heb het koud,quot; sprak Clara hem volgende.

Het gezang hield op, zoodra de smid binnentrad,

283

-ocr page 284-

DE BEELDSTORMERS

en ieder richtte vragend de oogen op het meisje.

«Hier is je dochter, Bentijn, zij moet je spreken,quot; zeide hij, en verwijderde zich aanstonds weder.

Clara stond nu te midden van een aantal lieden, die bijna allen in half beschonken toestand verkeerden

»Jij hier, Klaar, wat moet dat beteekenen?quot; vroeg Bentijn, die, verwonderd over dat ongewone verschijnsel, opgestaan was en haar waggelend te ge-moet kwam.

»Moeder is ongesteld geworden, vader,quot; sprak Clara onthutst, omdat al de aanwezigen haar aanstaarden.

«Zoo, zoo! .. En wat scheelt er aan?quot; vroeg Jan , die, te oordeelen naar de wijze, waarop hij die woorden uitsprak, niet lang meer bij de flesch behoefde te zitten om volslagen dronken te zijn.

»Ik weet het niet,quot; antwoordde Clara,»maar moeder verlangt naar u en het ■ is reeds zoo laat.

»Ja, ja, ik kom heel gauw, ga maar vast vooruit sprak Bentijn.

»Ach, vader, gij moest met mij meegaan, ik ben bang op straat, want het is zoo donker en zoo woelig,quot; hernam Clara, en zij zag hem smeekend aan.

«Hij moet den rozenkrans gaan bidden!quot; riep een der drinkebroers.

Een algemeen gelach bewees, dat die woorden grooten bijval vonden.

284

-ocr page 285-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

w\'t Is een aardig popje, dat meisje van Jan,quot; riep een ander, »\'t lijkt wel een Lieve Vrouwke.quot;

«Wij hebben al menige heilige stuk geslagen, die er lang zoo goed niet uitzag,quot; sprak een tweede.

«Zij zal hem nog leeren biechten, daar kunt gij op rekenen,quot; riep een derde.

•«Zeg liever, dat zij haar vader en ons allen aan de galg zou brengen, als zij er maar kans toe zag,quot; klonk het nu met een ruwe stem.

«Wie zegt dat daar?quot; vroeg Jan, die in opgewondenheid geraakte door al dat sarren.

«Ik!quot; riep Willem Michielsz., die ook aanwezig was.

»Gij!quot; sprak Bentijn met zooveel verachting, als hij op dat oogenblik slechts kon uitdrukken, «ik zou mij schamen om met zulk een schelm aan dezelfde galg te hangen; de raven zouden je vleesch niet eens lusten.quot;

Die woorden waren nauwelijks gesproken, toen een bierkan rakelings langs het hoofd van Jan Bentijn vloog.

«Vader, vader, laat ons gaan!quot; kermde Clara. Zij nam Bentijn bij de hand en trachtte hem het huis uit te voeren.

Willem Michielsz. was opgestaan en wilde Jan Bentijn te lijf, doch een der aanwezigen, die medelijden met het jonge meisje had en wel zag dat de twist te hoog zou loopen, hield hem tegen.

»Wees toch verstandig, Willem,quot; sprak hij, »een

285

-ocr page 286-

DE BEELDSTORMERS

vent, die vrouw en kinderen laat verhongeren, is geen schot kruit waard. Daarenboven kan hij evenmin tegen u vechten als gij tegen hem zingen.quot;

«Gij hebt gelijk,quot; zeide Willem, »en ik wil ook liever van avond niet met hem afrekenen, want het zou te veel opschudding geven; morgen zal er gelegenheid genoeg voor zijn.quot;

«Wat zegt dat galgenaas?quot; riep Jan Bentijn, die meer en meer in opgewondenheid geraakte, zooals men dat gemeenlijk ziet bij menschen, die door den drank verhit zijn. ))Als ik wil, kan ik hem op het rad brengen, die deugniet, die...quot;

Willem Michielsz. stoof andermaal op en moest door meer personen bedwongen worden; anderen begunstigden intusschen de pogingen van Clara en drongen Bentijn de deur uit. Het meisje kon zich nauwelijks op de been houden van ontsteltenis en aandoening, en al de inspanning, om haar vader naar huis te krijgen , zou weinig gebaat hebben, want Jan was niet slechts onwillig, maar ook nauwelijks in staat zich staande te houden.

» Ach, wat moet ik beginnen!quot; riep zij, de handen wringende.

286

»\'t Loopt nooit goed af, dochter Bentijn l),quot; zei

1) Nog in het begin dezer eeuw was men gewoon meisjes uit den burgerstand aldus aan te spreken.

-ocr page 287-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

een dergenen, die den oud-voorzanger naar buiten gebracht hadden, »wil ik met u meegaan ?quot;

»0. om de liefde van God en de H. Maagd,quot; smeekte Clara.

»Hm, hm!quot; bromde de beeldstormer, »dat laatste kon er wel afblijven, het past niet in den mond van Jan Eentijn\'s dochter, maar ik wil u toch niet in den steek laten.quot;

Hij nam Bentijn onder den arm en men begaf zich op weg.

Het was nog altijd woelig op de straat. Nu en dan, wanneer een lied werd aangeheven, of uit een herberg zich de luidruchtigheid der drinkebroers deed hooren, wilde Bentijn zich van zijn geleider losmaken, doch het gelukte dezen hem daarvan terug te houden en zoo kwamen zij, hortend en stootend, vooruit. Op de markt had men \'t bevel van het consistorie reeds ontvangen , de groepen gingen uiteen en verspreidden zich langs verschillende kanten.

Clara gevoelde zich zeer verlicht, toen zij hare woning bereikt hadden en drukte den geleider de hand, die oogenblikkelijk terugkeerde, in weerwil dat Bentijn lang bleef aandringen, om bij hem in huis de flesch nog eens goed aan te spreken. Bentijn zette een zonderling gezicht, toen zijne vrouw in hare vreugde , dat zij haar man en dochter ongedeerd terugzag, hem weenend om den hals viel, doch het bleek dat hij

287

-ocr page 288-

28 8 DE BEELDSTORMERS

zijn bewustzijn grootendeels verloren had; hij scheen zich niet meer te herinneren, dat Clara over eene ongesteldheid harer moeder gesproken had en begaf zich kort na zijn thuiskomst naar bed.

De nacht ging rustig voorbij, en toen Bentijn eindelijk zijn roes uitgeslapen had, was het bijna middag geworden. Moeder en dochter ontstelden, toen zij hem hoorden, want sinds een paar uren gingen weder allerlei onheilspellende geruchten van mond tot mond en de buren waren reeds komen vertellen, dat het volk voor de St.-Jacobskerk te hoop liep. Clara had de afspraak der beeldstormers gehoord; moest zij niet vreezen voor een herhaling der tooneelen van den vorigen avond?

Bentijn zag er wrevelig uit, toen hij eindelijk te voorschijn kwam; hij wreef zich de oogen, die dof en waterig in zijn hoofd stonden; hij spitste de ooren, toen hij welbekende klanken van buiten vernam.

«Waarom hebt gij mij zoo lang laten slapen ?quot; vroeg hij norsch.

»\'t Is nog niet laat, Janantwoordde de vrouw, zonder van haar werk op te zien.

«Niet laat?quot; hernam Bentijn. «En de zon schijnt toch nooit voor elf uur in ons venster!quot;

«Gij sliept zoo gerust,quot; zei de vrouw, «ik heb u niet willen wekken, want gij hebt waarschijnlijk niets te verzuimen.quot;

-ocr page 289-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

»Meent gij dan dat ik met slapen mijn geld kan verdienen?quot; vroeg Bentijn.

»Gij behoeft geen geld te verdienen, Jansprak de vrouw op zachtzinnigen toon; » wij zullen wel voor u werken, wij zullen nacht en dag werken, Jan, als gij maar thuis wilt blijven en ons niet zoo angstig maakt als gisterenavond.quot;

«Gisterenavond?quot; herhaalde Bentijn vragend. Hij streek met de hand over het voorhoofd, doch er schenen geen herinneringen te willen opduiken.

«Ik meende het te besterven van schrik, Janvervolgde de vrouw, »toen ik hoorde wat er gaande was.\'\' «Wat praat gij toch voor gekheid! Wat zou er gaande geweest zijn?quot; vroeg Bentijn.

» Men zeide mij, dat Willem Michielsz. naar je leven staat, Jan,quot; sprak de moeder, »en gij weet toch ook wel, dat hij tot alles in staat is.quot;

»Roode Willem!quot; riep Bentijn, terwijl zijn bolle wangen door toorn gekleurd werden. «Ik ben niet bang voor dien galeiboef, voor dien....\'\'

»Jan, Jan ! om Godswil, wees voorzichtig, want gij loopt uw verderf te gemoet,\'\' riep de vrouw, terwijl zij werktuiglijk de gevouwen handen naar hem uitstak en hare oogen vol tranen schoten. «Ik weet dat gij door een groot gevaar bedreigd wordt, ik weet dat vandaag de kerken andermaal geplunderd zullen

worden en Willem Michielsz.....quot;

II 5 19

289

-ocr page 290-

DE \'BEELDSTORMERS

«Wie heeft u dat gezegd?quot; vroeg Bentijn, die van zijn stoel oprees-

»Iemand, die belang in ons stelt, die uw leven wil redden. Ach, om de barmhartigheid Gods, blijf vandaag thuis, Jan, begeef je niet roekeloos in gevaar, laat ons niet ter prooi aan zooveel angsten en kwellingen!quot; smeekte de vrouw.

Bentijn zag haar met groote oogen aan, doch sprak geen woord.

»Herinner u eens. Jan,quot; vervolgde zij, »hoe gelukkig wij vroeger waren en hoe diep rampzalig gij ons allen gemaakt hebt. Gij zult toch wel gevoelen, dat het leven, wat gij sinds een paar jaren voert, u geen vreugde aanbrengt, niet waar ? En ik ?.... Ach, Jan, toen ik gisterenavond hoorde welk gevaar u bedreigde, zijn mijne beenen door den schrik verlamd, ik zal ze mogelijk nimmer meer kunnen gebruiken . doch dat is alles nog niets, vergeleken bij den angst, dien ik voor u moet uitstaan.quot;

Zij kon niet verder spreken, want de aandoening overmeesterde haar en zij liet snikkend het hoofd op de borst zinken.

Bentijn stond een oogenblik als wezenloos. Toen stapte hij eenige malen in het vertrek op en neer. Clara sloeg hem angstig gade, hare lippen bewogen zich slechts even, terwijl zij een schietgebed tot God opzond.

290

-ocr page 291-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

Op dat oogenblik hoorde men van den kant der Groote Markt een verward rumoer, gemengd met kreten, die, naar het scheen, uit honderden monden te gelijk opgingen. Bentijn bleef staan, luisterde, en zeide toen :

»Die vrouwen zouden iemand het hoofd op hol brengen.... Ik kan niet thuis blijven, ik moet mij wreken op de ellendelingen, die mij het brood uit den mond gestooten hebben.quot;

Hij scheen te willen vertrekken, doch eensklaps stond Clara voor hem. Haar gelaat was bleek als van een lijk, hare lippen waren blauw.

«Heb ik u ooit eenig leed aangedaan , vader?\'\' vroeg zij, en hare stem trilde.

«Waarom vraagt gij dat? \' vroeg Bentijn eenigszins onthutst.

«Heb ik u verdriet veroorzaakt, ben ik ooit ongehoorzaam geweest?quot; hernam het meisje, zijne hand grijpende.

«Een kind moet gehoorzaam zijn aan zijne ouders, dat is niets meer dan een staaltje van zijn plicht,quot; antwoordde Jan met gekunstelde onverschilligheid, want hij was genoodzaakt de oogen voor zijne dochter neer te slaan.

«Dat is waar,quot; sprak Clara weder, «maar ik wil meer doen dan mijn plicht, ik wil u uit kinderlijke liefde een onbezorgd bestaan verschaffen, ik wil al-

291

-ocr page 292-

DE BEELDSTORMERS

léén voor ons, onderhoud zorgen, nu moeder afgetobt is door angst en door arbeid; ik wil alles voor u ten offer brengen en tot aan uw dood voor u blijven werken , wanneer gij niet meer met die slechte makkers omgaat; ik heb dat God beloofd, vader!\'\'

Bentijn geraakte een oogenblik in verwarring bij die smeekingen zijner dochter, want zij had nu ook den arm om zijn hals geslagen.

«Maar wat wilt gij dan?quot; vroeg hij.

» Dat gij bij ons blijft, vader , vandaag , morgen.... tot alles afgeloopen zal zijn ten minste,quot; sprak zij

«Ik kan niet , ik . ... ik mag nietstotterde Bentijn.

«Om Christus\' wil, blijf bij ons, vader,quot; zoo begon Clara opnieuw, en haar gelaat scheen nog bleeker te wórden. »Ik heb een voorgevoel, dat gij uw ongeluk te gemoet zult gaan .... ik heb van nacht zulk een

akeligen droom gehad____ik.... ik zou krankzinnig

worden.quot;

Bentijn sprak geen woord en deed ook geen poging om zich van de omhelzingen zijner dochter los te maken.

»Ik droomde, dat wij nog in onze gelukkige dagen waren,quot; hernam Clara. »Ik hoorde u zingen in de Hooge kapel. O, hoe heerlijk klonk het Salve Reginn, Mater misericordiae. Ik was opgetogen van vreugde, en ook mijne ziel juichte : Wees gegroet, Koningin, Moeder van barmhartigheid, onze hoop en troost in leven en sterven. De kapel straalde van licht en mijn hart

292

-ocr page 293-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH,

smaakte een ongekende zaligheid, toen gij uwe stem al hooger en hooger verhieft en zoo verrukkend schoon het o Clemens, o Pia, o Bulcis Virgo Maria deedt hooren. O. waarom moest het zalige gevoel, dat mijn borst doorstroomde, zoo spoedig verdwijnen en plaats maken voor diepe smart I Eensklaps verdoofden de lichten. en ik zag allerlei monsters rondom de kapel zweven; zij wilden binnengaan, maar konden niet, dewijl de ingang door een Engel met een vlammend zwaard werd bewaakt; zij wenkten u, en gij verliet de Hooge kapel en volgdet hen. Ik heb mij voor u op de knieën geworpen. maar het baatte niets. Gij volgdet de monsters tot onder den koepel. Daar boden zij u geld aan, wanneer gij de Hooge kapel in brand wildet steken. Ik dacht aan de dertig zilverlingen, • waarvoor Judas den Heer heeft verraden. Ik gaf een gil, toen ik u de hand naar de beurs zag uitsteken, doch op hetzelfde oogenblik viel het beeld van den patroon uit den toren l) en verpletterde u. Toen schemerde alles voor mijne oogen en ik zonk bewusteloos neder.quot;

Clara scheen nog altijd onder den indruk van den droom te zijn, want zij huiverde, toen zij de laatste woorden sprak, die blijkbaar eenigen indruk op haar vader maakten; doch nadat zij er andermaal op aangedrongen had, dat hij thuis zou blijven, schudde hij

1) In den toren op liet kruis der kathedraal bevond zich een koperen beeld van St.-Jan, dat 1400 pond woog.

293

-ocr page 294-

DE BEELDSTORMERS

eenigszins ongeduldig het hoofd, en nu zonk het meisje werkelijk voor hem op de knieën en kuste zijn hand.

»Om de liefde van Jesus en Zijne heilige Moeder, verlaat ons niet,quot; kreet zij. «Ik heb een voorgevoel, dat u een ongeluk zal overkomen. Hebt gij dan geen medelijden met mij, met uw eenig kind, dat u zoo liefheeft, dat haar leven zou willen geven om u gelukkig te zien, om uwe ziel te redden ?quot;

Bentijn ontroerde, dat kon men duidelijk aan hem zien, hij weifelde. Was het de stem van Gods genade , die door den mond van zijn kind sprak, om hem nog op den rand van den afgrond tot bezinning, tot bekeering te brengen ? Clara\'s hoofd rustte op zijn hand , zij snikte, haar gemoed was te vol om nog een woord te kunnen uitbrengen.

Daar hoorde men andermaal buiten woeste kreten, doch nu veel luider en onstuimiger. Bentijn scheen eensklaps tot bezinning te komen. Hij huiverde, maar maakte zich van zijne dochter los.

»Ik kan niet blijven... ik moet weg!quot; riep hij, en stapte ijlings een aangrenzend kamenje binnen, waar zijn hoed lag.

Clara gaf een gil, zij begreep dat nu alle verdere pogingen vruchteloos zouden zijn, Eenklaps stond zij op, wierp de deur van het kamertje dicht en schoof er den zwaren grendel voor.

294

-ocr page 295-

van Vhertogenbosch.

«Wat doet gij daar?quot; vroeg de moeder ontsteld. «Ik heb vader opgesloten,quot; sprak zij, en uit haar stem bleek, dat zij zeer opgewonden was.

Toen viel zij op een stoel neder, haar hoofd zonk op de tafel en zij barstte in een luid geween los.

295

-ocr page 296-

XII.

Middelerwijl wij ons in het huis van Jan Bentijn ophielden, hadden in de stad tooneelen plaatsgegrepen , die meer en meer een schrikverwekkend aanzien kregen. Door het consistorie was gezorgd, dat de kwaadwilligen in den loop van den morgen bijeengeroepen waren in de St.-Jacobs-kerk. Met elk oogenblik groeide de menigte zoodanig aan, dat men daar in de buurt de woningen al vast ging sluiten, uit vrees voor gewelddadigheden. De leugenachtige tijding, dat de koninklijke commissarissen de inquisitie kwamen invoeren , werd opnieuw gebezigd, om de menigte in verbittering te brengen. De predikant Van Diest was daarvoor de rechte man. Hij nam al zijne welspre-

-ocr page 297-

DE BEELDSTORMERS VAN VHERTOGENBOSCH. 297

kendheid te baat om de gemoederen op te hitsen en te doen gelooven, dat allen , die zich door woord of daad tegen Spanje of Rome vergrepen hadden, onverbiddelijk tot de galg zouden worden verwezen, en toen hij eindelijk uitriep, dat de ure gekomen was, waarop de Heer zich door Zijne dienaren zou wreken, ging een woeste kreet op, die tot buiten de muren doordrong en door de opeengepakte menigte op de straat herhaald werd.

De regeering begon nu in te zien, dat zij met lijdzaamheid het gevaar niet langer kon bezweren. Zij liet van het stadhuis het bestaande plakkaat afkondigen, waarbij allen, die zich aan het plunderen van kerken schuldig maakten, met de galg bedreigd werden. Er werd tevens bijgevoegd, dat de schutterijen zich met de regeering hadden verbonden om het gezag der overheid te ondersteunen en alle ongeregeldheden te onderdrukken. Het consistorie scheen dit verwacht te hebben, want een aantal harer aanhangers en huurlingen stonden op de Groote Markt toen die afkondiging plaats greep. Eerst hoorde men slechts gefluit en gesis, doch zoodra het laatste woord gesproken was, ging uit den hoop een uitdagende kreet op, die over de gansche stad weerklonk, en het volk stroomde thans, als bij afspraak, naar het St.-Jacobskerkhof, waar reeds volslagen oproer heerschte. De overheid vaardigde nu twee dekenen der gilden af, die als zoodanig leden der regeering, doch tevens leden van

-ocr page 298-

DE BEELDSTORMERS

het consistorie waren, om de oproerlingen te bewegen dat zij uiteen zouden gaan; doch Everzwijn gaf hun kort en bondig te kennen, dat het volk niet meer te bedwingen was, en met die boodschap keerden zij naar het stadhuis terug.

Door het consistorie was besloten, dat de verwoesting , in Augustus begonnen, thans zou worden voltooid; de hoofden der beweging hadden hunne bevelen gegeven, de rollen waren verdeeld, men zou weldra het sein tot den aanval hooren.

298

Op het kerkhof hielden twee handlangers van het consistorie, Gerard Pelgrom en Lodewijk de schilder, toespraken tot het volk; zij wierpen olie in de vlammen van het fanatisme; de opgewondenheid steeg tot razernij. »Wij gaan het Zevende 1) der beeldstormerij houden!quot; klonk het van mond tot mond. Toen stroomde de menigte de kerk weder binnen; er werd een psalm aangeheven, die als de ouverture van het afschuwelijke drama kon worden beschouwd, want hij was nog nauwelijks geëindigd, of men hoorde voor de poort van het klooster der Wilhelmieten. dat schuins tegenover de kerk stond, een hoop straatjongens andermaal het lied der beeldstormers aanheffen:

1) Een zinspeling op de kerkelijke indeeling der zieledien-sten. Het was toen juist zeven weken geleden dat de eerste beeldstoirnei-ij had plaats gegrepen.

-ocr page 299-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

»Uyt groote nood,

Slaet papen en monniken dood!quot;

Dat was het sein. De woestelingen vielen nu met een oorverdoovend geschreeuw op het klooster aan. Zij hadden een boom genomen, om de poort te verbrijzelen, doch de gejaagdheid, waarmede zij te werk gingen, was oorzaak dat zij daarin niet slaagden. Eerst keerden zij zich nu naar de kloosterkerk, die zij op schandelijke wijze ontheiligden , doch daar die kerk geen toegang tot het klooster verleende, begaven zij zich andermaal naar de groote poort, wisten een opening te maken, waardoor enkelen naar binnen kropen, die den overigen toegang verleenden.

Zoodra de schout het antwoord van Everzwijn vernomen had en ingelicht was omtrent de gepleegde feitelijkheden, stelde hij zich met eenige schepenen aan het hoofd der schutters en trok tegen de muitelingen op, die hem echter uitjouwden en met den kreet: »Vivent les Gueux!quot; ontvingen. Het was tevergeefs dat hij zijne manschappen aanspoorde om de benden uiteen te jagen, want vele schutters waren in verstandhouding met de opstandelingen ; zij slopen onderweg stil af, zoodat de schout nog slechts een vijftigtal gewapende mannen bij zich had, toen hij het tooneel van den opstand bereikte. Nu bleek het echter aanstonds, dat de muitelingen besloten hadden geweld met geweld te keer te gaan. De schout werd met drie of

299

-ocr page 300-

DE BEELDSTORMERS

300

vier musketschoten ontvangen. «Slaat dood!quot; riep de wapenknecht van Brederode, die vooraan stond; men viel met den degen in de vuist op de leden der regeering en de schutters aan en er had een bloedige worsteling plaats. Willem Michielsz. ontnam den hellebaardier van den voorzittenden schepen zijn wapen en velde daarmede den dienaar van den schout neder. De schout, Jacob van Brecht, die het bewijs leverde dat hij een onverschrokken man was, bleef intusschen het gevaar trotseeren, ofschoon hij schier geheel verlaten was; hij baande zich dwars door de menigte een weg tot het klooster, wist met een schepen ■ en een twaalftal hellebaardiers de kloosterpoort binnen te dringen, in weerwil dat uit de vensters een scherp musketvuur op hem gelost werd, en verjaagde spoedig met het rapier in de hand de opstandelingen uit hunne verschansing. Waren de schutters hem getrouw gebleven, het klooster zou behouden zijn geweest , doch die lafaards deinsden terug voor het vuur der muitelingen. Het baatte ook weinig, dat een andere afdeeling der schutterij, met De Gruyter aan het hoofd, uit het middelpunt der stad tegen hen was opgerukt, want men versperde hem den toegang tot het kerkhof, iets waartoe de enge straatjes in de hand werkten. De schout zag zich thans op zijne beurt in het klooster aangevallen, en daar het niet mogelijk was zich staande te houden, nam hij

-ocr page 301-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

de wijk door den boomgaard, vervolgens door de rivier en bereikte zoo de stadswallen.

Nu hadden de opstandelingen vrij spel. Met Willem Michielsz. en den wapenknecht van Brederode aan het hoofd, stormden zij het klooster binnen , dat geheel vernield en geplunderd werd. De kloosterlingen hadden de vlucht genomen, doch de beeldstormers koelden hun wrok op alles, wat zich aan hunne oogen vertoonde en roofden wat hun kostbaar toescheen. Er werd geen venster, geen deur gespaard en van het geheele rijke klooster bleven alleen de vier muren met het dak over.

Het was intusschen nacht geworden, een nacht vol verschrikkingen , waarin heiligschennis op heiligschennis gepleegd en het heiligste met voeten getreden werd. Het was tevergeefs geweest, dat De Gruyter met een handvol schutters poogde het klooster der Minderbroeders te redden; hij moest voor de overmacht wijken, want de burgers waren als versteend van schrik en sloten zich in hunne huizen op, zoodat aan geen bijstand te denken viel. Midden in de kerk van laatstgenoemd klooster verbrandde men de misgewaden en andere voorwerpen , en de beelden uit de kapel werden naar de markt gesleept, die door een sterke afdeeling der beeldstormers bewaakt werd. Daar stak men de beelden en ander houtwerk in brand, zoodat de vlammen hoog opstegen en de belendende gebouwen

301

-ocr page 302-

DE BEELDSTORMERS

bedreigden. En dit alles had plaats onder woest getier, onder het uitbraken van godslasteringen en het zingen van schandelijke liederen.

Middelerwijl het klooster der Predikheeren ook aangevallen en geplunderd werd, waren weder een aantal beeldstormers insgelijks de kathedraal binnengedrongen , want de mannen van het consistorie hadden bevolen, dat zij hetzelfde lot zou deelen. Men had niet slechts op de markt tusschen fakkels en wapenen gezworen geen rust te nemen, alvorens alle kerken en kloosters geplunderd en de monniken en vrouwen uitgedreven waren; in de St.-Jacobskerk was reeds het besluit genomen , dat ditmaal ook de kapel der Illustre broederschap verwoest zou worden. Zóó groot was echter de eerbied voor die kapel, dat er onder de woestelingen waren, die huiverden, toen zij dit bevel vernamen. Zekere Joost, een schilder. verliet, zoodra hij dit hoorde , zijne bond-genooten en smeekte een van de dienstdoende knapen der broederschap, de schilderij op het altaar der Hooge kapel, een der meesterstukken van Hieronymus van Aken , te redden. Zijn ijver was zeker prijzenswaardig, doch de rampzalige scheen niet te bevroeden dat de heiligschennis, die gepleegd werd , veel afschuwelijker was dan de kunstschennis, want zoodra hij wist dat de schilderij in veiligheid was, voegde hij zich weder bij de beeldstormers.

Toen nu de grootste verwoesting in het klooster der

302

-ocr page 303-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

Minderbroeders had plaats gevonden 1), hoorde men eensklaps den kreet: «Naar de St.-Jan!quot; De talrijke bende trok onder woest getier naar het heiligdom op, den weg nemende over het kerkhof. Aan het prachtige portaal van het noorderdwarspand poogde men binnen te dringen, doch de zware eiken poort week niet van hare plaats. Bijna al de beeldstormers droegen een wit teeken op hun hoed, dat hun was uitgereikt. Sommigen waren bovendien vermomd met zwarte maskers en droegen omgekeerde nachttabbaards , om onbekend te blijven. Een der laatstbedoelden, die, te oordeelen naar zijn stem, de advocaat Agy-laeus moest zijn, zond een paar zijner handlangers naar den koster, om hem de sleutels der kerk af te eischen. De arme man, die van ontsteltenis meer dood dan levend was, wist niet wat hij zou zeggen, doch zijne vrouw nam het woord en verzekerde, dat de sleutels op het stadhuis bewaard werden.

Zoodra de smid Cock Muesel dit antwoord vernam, zeide hij:

«Dan moeten wij andere maatregelen nemen.quot;

303

Hij liet eerst een gat in de deur boren en er toen een stuk uitzagen, zoodat een jongeling naar binnen kon dringen om de slagboomen af te werpen. Zoodra

1) Nog wei drie, vier dagen lang roofde het gemeen alles, wat eenige waarde had.

-ocr page 304-

DE BEELDSTORMERS

dit plan ten uitvoer was gebracht, vlogen de deuren van het heiligdom open en stroomde de razende bende, aangevoerd door Willem Michielsz. en de smeden Cock Muesel en Ruygvogel, naar binnen, en geen half uur later was alles , wat men sedert de eerste beeldstormerij aan de altaren hersteld had, opnieuw verwoest. Het was stikdonker in de kerk, doch men wist zich licht te verschaffen. Midden in het schip stookte men een vuur van vernielde beelden, kruisen en altaarsieraden en terwijl de vlammen in een rooden gloed opwaarts, stegen, zwierven de beeldstormers, zwart geblaakt door den damp, als duivels rond , tierende en vloekende en alles vernielende wat hun in het oog viel.

Willem Michielsz. was weder overal vooraan; hij verbrijzelde met zijn hellebaard alles wat onder zijn bereik kwam. hij scheen dronken van vreugde , nu hij aan de inblazingen van zijn bedorven hart den vrijen teugel kon geven. Zijn vernielingszucht moest zelfs nu en dan bedwongen worden door den reusachtigen wapenknecht van Brederode, die van zijn heer in last scheen te hebben datgene te doen sparen, wat voor den dienst der nieuwgezinden gebruikt kon worden , een bevel, dat zooveel mogelijk strikt gehandhaafd werd, en soms aanleiding gaf tot een ernstigen twist onder de beeldstormers. ))Waar is Jan Bentijn?quot; had Willem reeds meermalen geroepen, doch Bentijn was niet te vinden. Willem scheen zijn wrok nog niet geheel aan de beel-

304

-ocr page 305-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

den te kunnen koelen, en het oogenblik was al te gunstig om ook zijn persoonlijken vijand niet te doen gevoelen, dat niemand hem mocht trotseeren. Doch toen hij eenige oogenblikken tevergeefs naar Bentijn had rondgezien, greep hij opnieuw naar zijn hellebaard. Het baatte niet, dat Jan van Lijbergen, die als een radelooze door de kerk liep, hem met gevouwen handen smeekte het prachtige koor voor verdere vernieling te sparen. Met nieuwe woede verminkte hij het gestoelte des kapittels 1), hielp de beelden der apostelen en heiligen naar beneden halen en hakte en kerfde waar hij slechts kon.

Eensklaps hoorde en zag men een buitengewone beweging aan den ingang der kerk bij het noorder dwarspand. De hopman De Gruyter was met eenige schutters met geweld binnengedrongen; hij sloeg met zijn hellebaard overal rond en riep de zijnen toe:

«Volgt mij naar de Hooge kapel, wij willen dat heiligdom verdedigen of sterven!quot;

Hij zag er vreeselijk uit, zijn kleeren waren gehavend en hier en daar met bloed bevlekt. Met zijn wapen in de gespierde vuist, baande hij zich een weg door de menigte, die verrast was en voor het oogenblik terugweek. Dit duurde echter niet lang, want de becld-

1) Het stond daar slechts weinige ja^en geleden gedeeltelijk nog, zooals de beoldstoi-mers het voor driehonderd jaren in dien nacht achterlieten.

II 5 \' 20

305

-ocr page 306-

DE BEELDSTORMERS

stomers, die zeer goed wisten dat zij de overmacht bezaten, wierpen zich in groot getal op de kleine schaar verdedigers. Er had een wanhopig gevecht plaats , waaraan ook Willem Michielsz. deelnam. Moorden smartkreten weergalmden door het gebouw, dat meer en meer in duisternis gehuld werd, daar het vuur verminderde. Men wist nauwelijks of men een vriend of vijand voor zich had, doch De Gruyter sloeg met steeds vernieuwde kracht om zich heen en drong meer en meer vooruit.

»Slaat den hond doodiquot; bulderde Willem Michielsz., die als razend was, doch zich niet in de nabijheid vau den dapperen hopman waagde.

Het gevecht werd met vernieuwde woede voortgezet , doch men zag De Gruyter eensklaps verbleeken, terwijl het wapen uit zijn hand zonk. Men had met de kolf van een zinkroer zijn rechterarm verbrijzeld; hij scheen slechts een oogenblik door de pijn overmand te zijn, want alvorens men hem kon naderen, had hij den hellebaard met de linkerhand opgeraapt en zwaaide het wapen opnieuw, ofschoon minder krachtig en zeker.

Toen hoorde men Willem Michielsz. in een schaterlach uitbarsten; hij wilde vooruitdringen, om zich op den weerloozen hopman te werpen, doch werd daarin verhinderd.

Het was andermaal de touwslager Harmsen, die

306

-ocr page 307-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

tusschenbeide trad. Hij had zich den ganschen nacht tusschen de muitelingen bewogen, om eene ontmoeting tusschen Bentijn en Willem Michielsz. te voorkomen en tevens zooveel mogelijk De Gruyter in het oog te houden.

Willem was woe dend over dien tegenstand en wilde zich loswringen.

«Terug!quot; bulderde hij, »of...quot;

«Vergeet niet, dat ik twee armen tot mijn beschikking heb,quot; sprak Wouter, hem stevig vasthoudende.

«Hij heult met de papisten, hij is een verrader!quot; schreeuwde Willem , zijne makkers tegen den touwslager aanhitsende.

Een zware vuistslag op het gelaat van Willem Michielsz. was het antwoord. Harmsen was bleek geworden van verontwaardiging.

«Als ik met de papisten heulde, zou ik mij zeker niet onder dieven en moordenaars bevinden,quot; sprak hij.

Die woorden lokten woedende krelen uit en men wilde den touwslager te lijf, doch eensklaps trad een der gemaskerde mannen tusschenbeide.

»Wat is hier te doen?quot; vroeg hij.

»Die ellendige verrader noemt ons moordenaars en dieven, omdat wij de kerken van de papistische bij-geloovigheden zuiveren,quot; zeide Willem Michielsz., die zijne handen nu weer vrij had.

307

-ocr page 308-

DE BEELDSTORMERS

»Is dat waar, zijt gij dan niet een der onzen, Harmsen?quot; vroeg het masker, zich tot den touwslager wendende.

«Dat ben ik geweest, maar ik wil niet langer de bondgenoot zijn van lieden, die zich aan diefstal en brandstichting schuldig maken en daarenboven nu nog weerlooze menschen willen vermoorden,quot; sprak Harmsen fier, zonder zich -een oogenblik te bezinnen.

Andermaal lieten zich woeste kreten booren.

De gemaskerde , die Harmsen zeer goed kende en voorzag dat dit geschil bloedig zou eindigen, keerde zich om en zeide :

»Wat staat gij hier te twisten, slaat liever de handen aan het werk, want voordat de dag aanbreekt, moet de gansche santekraam opgeruimd zijn. Vooruit v naar de Hooge kapel.quot;

«Hij heeft gelijk, wij hebben wel wat anders te doen,quot; klonk het uit meer dan één mond; «naar de Hooge kapel!quot;

Dit tooneel, hoe kort het ook duurde, had aanleiding gegeven tot de redding van De Gruyter, wiens leven anders groot gevaar zou hebben geloopen. De schutters , ziende dat hun aanvoerder gewond was en overtuigd dat zij toch voor de overmacht zouden moeten bezwijken, namen hem gedurende het geschil tusschen Harmsen en Willem Michielsz. in hun midden en trokken zich al strijdende terug, om den uitgang aan

308

-ocr page 309-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH,

het noorder dwarspand weder te bereiken, wat hun dan ook gelukte.

Intusschen sloeg de storm der vernieling naar de Hooge kapel over. Juist waren de deuren onder de woeste vreugdekreten der beeldstormers bezweken, toen men eensklaps hoorde roepen:

«Daar is Jan Bentijn!quot;

De oud-voorzanger verscheen werkelijk op het tooneel der verwoesting.

«Beter laat dan nooit, Jan,quot; zei Hans de barbier, «waar hebt gij toch gezeten?quot;

«Ze hadden mij thuis opgesloten, maar daar zij in slaap geraakt waren, heb ik door een raam en over de muren den weg weten te vinden. Ik zal mijn schade wel inhalen, dat beloof ik je,quot; antwoordde Bentijn.

«Een hoera voor Jan Bentijn, mannen,quot; riep de barbier.

Aan die uitnoodiging werd gevolg gegeven en men hoorde een woesten kreet in de kapel opstijgen.

«Waar zullen wij nu mede beginnen, Michiel?quot; vroeg de smid Cock Maesel den aanvoerder.

gt; Met het orgel,quot; antwoordde Willem, een sluwen blik op Bentijn werpende, die hem zeer goed verstaan kon, al sprak hij ook zacht.

«Het orgel blijft voor mijn rekening,quot; riep Jan; »zij hebben mij het zingen verboden, ik zal hun het pijpen verbieden!quot;

309

-ocr page 310-

DE BEELDSTORMERS

Aanstonds begaf hij zich, vergezeld van zekeren Jan Geelink en een paar knapen naar het orgel. Men sloeg alles met bijlen kort en klein; de pijpen werden naar beneden geworpen en door de oproerlingen opgevangen , die er een oorverdoovende muziek op maakten. Zelfs hoorde men in dien onzaligen nacht langs de straten het geluid van orgelpijpen, waarop de straatjongens bliezen.

Middelerwijl Jan Bentijn het werk der verwoesting onder het zingen van zedelooze liederen voortzette, vernielde Willem Michielsz. met zijne makkers de zitbanken der broeders, de metalen lutrijns en alles wat hier onder de handen kwam. Willem brak nu en dan in een schaterlach los, wanneer de stem van Bentijn zich boven het rumoer uil liet hooren.

«Ik zal je straks dat zingen wel voorgoed afleeren bromde liij tusschen de tanden. Daar hij echter zag dat het vuur uitdoofde en het langzamerhand geheel donker in de kerk begon te worden. verliet hij de Hooge kapel en begaf zich naar het schip. Dat gedeelte der kathedraal bood een erbarmelijk schouwspel aan. Overal lagen verminkte beelden, sommige half smeulende, andere schier onkenbaar geworden onder de bijlslagen der woestelingen. Enkele beeldstormers waren smoordronken neergevallen; zij hadden gèen bewustzijn meer van \'t geen rondom hen omging cn strekten tot spotternij van hunne makkers, die in groepen

310

-ocr page 311-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

op den grond zaten en geroofden wijn uit miskelken zwelgden.

» Wat zit gij daar te slempen ?quot; riep Willem Michielsz.. toen hij een dier groepen genaderd was; «zorgt liever dat het vuur blijft branden, want er moet nog heel wat gedaan worden, alvorens de gansche santekraam opgeruimd is.quot;

»Leve Willem Michielsz.!quot; riepen de dronkaards.

»Kom hier, Willem,quot; sprak een uit den hoop, «neem ook eerst een hartsterking, want dan gaat alles veel vlugger van de hand.quot;

Hij vulde een beker wijn en bood hem den rooden beeldstormer aan.

«Leve de vrijheid, leve de vreugde!quot; riep Willem en ledigde den beker in onafgebroken teugen.

Toen raapte hij eenige armen en andere brokstukken van beelden bijeen, wierp die in den gloed, beval zijnen manschappen, dat zij ingelijks hout zouden bijdragen en zette daarna het vernielingswerk voort onder het zingen van het lied;

»Hebdy niet ter Missen geweest In der Papen kercken?quot;

Tegen een der kolommen stond Wouter Harmsen, half in de schaduw, met de armen over elkander geleund, het werk der vernieling aan te staren. Hij zag bleek en men kon , in weerwil van de schemering die daar heerschte, zeer goed zien dat zijn borst

311

-ocr page 312-

DE BEELDSTORMERS

zwoegde onder de gewaarwordingen, welke zijn gemoed bestormden. Zijne oogen volgden Willem Mi-chielsz., die overal hakte en kerfde. Daar zag Willem, dat het beeld der H. Oda nog het kruisbeeld in de hand hield. Hij kapte het met de hand van het beeld af, raapte het van den grond op en slingerde het door het schip midden in het vuur.

«Willem, vreest gij het oordeel Gods niet?\'\' riep Wouter hem toe.

De woestaard trad een paar schreden nader om te zien aan wien die stem toebehoorde.

»Zoo, zijt gij daar weer?quot; sprak hij lachend; wgij hebt de koorts, manneke, en ik zou je aanraden met een warme kruik naar bed te gaan, want jg zenuwen zijn niet tegen dit werk bestand.quot;

«En ik geloof, dat gij door den duivel bezeten zijt, want dat is geen werk voor een Christenmensch,quot; antwoordde de touwslager, zonder zijne plaats te verlaten.

«Gij spreekt als een papist,quot; zei Willem.

«Moet men dan een papist zijn, om te ontroeren,, wanneer men het beeld van onzen Heer en Heiland in het vuur ziet werpen?quot; vroeg Wouter. j

De touwslager huiverde, toen hij die woorden sprak. Hij herinnerde zich op dat oogenblik , hoe zijne moeder in haren doodstrijd het kruisbeeld aan de lippen gedrukt had, hoe het nog in hare handen geklemd zat, toen zij reeds den geest gegeven had.

312

-ocr page 313-

VAN \'s-HERTOGENBOSCH.

»-Als gij zoo kieskeurig zijt, moest gij liever naar huis gaan,quot; hernam Willem. »Maar,quot; zoo vervolgde hij, «help mij eerst even een handje om St.-Teunis wat te blakeren, daar zult gij toch wel niets tegen hebben.quot;

Het verminkte beeld van den H. Antonius den kluizenaar lag aan zijne voeten; hij wilde het op het vuur gaan werpen, doch bevond dat het te zwaar was.

Wouter gaf geen antwoord en bleef even roerloos staan.

«Hebt gij geen trek?quot; sprak Willem, terwijl hij Wouter een oogenblik aanzag, «welnu, dan zal ik het alleen doen.quot;

Hij nam niet zonder inspanning het beeld van den grond, wierp het op zijne schouders, liep er mede naar het midden der kerk en plofte het in den vuurgloed, zoodat de vonken hoog opspatten en zich een verstikkende rookwolk verhief.

Een luid hoerah ! weergalmde langs de gewelven, en de beeldstormers stemden het spotlied op de geestelijken aan, waarin o. a. voorkwam:

«Goeden dag, lieve pater!

Belieft u wat water

Te wasschen uw snater.quot;

313

-ocr page 314-

DE BEELDSTORMERS

Het lied verstomde echter eensklaps, het maakte plaats voor kreten van verbazing en men hoorde sommigen met afkeer en ontzetting uitroepen: «Het St.-Teunis-vuur! het St.-Teunis-vuur !\'\'

De kring rondom het vlammende hout spatte ia een oogenblik uiteen; sommigen der woestelingen waren als verstijfd van schrik , anderen verlieten met haastige schreden de kerk, voortdurend roepende; «Het St.-Teunis-vuur! het St.-Teunis-vuur!quot;

Ook Wouter Harmsen werd uit zijne verdooving gewekt; hij naderde den brandstapel om te zien wat er gaande was, en zie, daar lag Willem Michielsz. stuiptrekkende. De rampzalige was kennelijk door de ziekte getroffen, die men het St.-Antonius-vuur noemt. Zijn gelaat was in een oogenblik schier onkenbaar geworden en de afschuw, welken zijne makkers van de ziekte hadden , was zoo groot, dat zij hem levend zouden hebben laten verbranden, zonder een hand uit te steken om hem te redden, want zijne kleeren hadden reeds vlam gevat en hij lag met zijne beenen in den gloed 1).

314

«Dat is de hand Gods!quot; riep Harmsen ontroerd.

1) Volgens een geloofwaardig geschiedschrijver werden in dien nacht twee beeldstormers in de St.-Jan door de ziekte geslagen, naar den H. Antonius, als de beschermer daartegen , genoemd. Men heeft hen nog denzelfden nacht hegraven.

-ocr page 315-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

Hij hief de gevouwen handen ten hemel en riep met tranen in de oogen uit:

«Heer, straf mij niet in Uwe verbolgenheid en kastijd mij niet in Uwe gramschap. Ik heb gezondigd, o God, ik heb zwaar gezondigd, maar verstoot den verloren zoon niet, die vol berouw tot U terugkeert.quot;

Nog altijd riep men in de kerk met afschuw: «Het St.-Teunis-vuur! het St.-Teunis-vuur!quot; Er kwamen nieuwsgierigen aangeloopen, doch zij deinsden vol ontzetting terug, toen zij zagen hoe Willem Michielsz., door een inwendig vuur verteerd wordende, zich krampachtig bewoog.

«Trekt hem uit het vuur,quot; sprak Wouter, toen zijne ontroering een weinig bedaard was.

Niemand had daartoe echter den moed; zelfs de smid Ruygvogel en Hans de barbier schenen de overtuiging te hebben, dat hier iets bovennatuurlijks plaats greep en verlieten oogenblikkelijk de rampzalige plek.

«Lafaards!quot; riep Wouter, «gij durft wel heiligdommen schenden en gewijde voorwerpen stelen , maar geen hand uitsteken om uw aanvoerder te redden.quot;

Hij pakte nu Willem bij de schouders en sleepte hem een eind van den gloed. Op dat oogenblik naderde hem een der gemaskerden.

«Breng hem buiten,quot; fluisterde hij Wouter in het oor, «het geval zal anders te veel gerucht maken.quot;

«Gave God, dat de gansche bevolking kon zien

315

-ocr page 316-

DE BEELDSTORMERS

hoe de snoodaards gestraft worden, die zelfs met het heiligste den spot durven drijven,quot; antwoordde Wouter. »Ik heb, dunkt mij, meer dan mijn plicht gedaan met hem uit het vuur te sleepen, want geen uwer handlangers had daartoe den moed; zorg nu zelf maar verder voor hem.quot;

Na dit gezegd te hebben, verwijderde hij zich.

Men hoorde een vloek achter het masker; de man verliet ook die plek en kwam eenige oogenblikken later met twee lieden terug, die, hoewel bleek en bevend, Willem Michielsz. naar het kerkhof sleepten. Hij had toen den geest reeds gegeven.

In de Hooge kapel was intusschen het werk der verwoesting voortgezet. Jan Bentijn had niets gehoord van \'t geen rondom hem plaats had gegrepen, zoo weerde hij zich aan de vernieling van het orgel. Toen hij echter zijn lust ten volle aan het speeltuig had gekoeld, zag men hem de kapel verlaten. Na de verwijdering van het lijk van Willem Michielsz. waren weder nieuwe groepen beeldstormers uit het klooster der Wilhelmieten de kathedraal binnengekomen. Jan voegde zich bij hen. Er stonden nog enkele beelden, ofschoon zeer gehavend, op hunne voetstukken. Zij werden insgelijks veroordeeld en men bracht touwen bijeen, om ze met geweld naar omlaag te halen. Harmsen, die nog in de kerk was, had reeds herhaaldelijk getracht Bentijn naar buiten te lokken

316

-ocr page 317-

VAN \'s-HERTOGENBOSCH.

en hem zelfs een goede som geboden, wanneer hij naar huis wilde gaan, doch de dronkaard wilde er niets van hooren en was overal vooraan, om door zijn gezang de beeldstormers aan te wakkeren.

Zoo ging het nog lang voort. Eensklaps ontstond echter andermaal een oploop en men hoorde roepen: «Bentijn is dood! Bentijn is dood!quot;

De oud-voorzanger lag werkelijk met een verpletterd hoofd op den grond; hij was bij het afrukken van een beeld door een zwaren steen getroffen en had op de plaats zelve den geest gegeven 1). Clara\'s droom was bewaarheid, de ongelukkige had geen gehoor willen geven aan de roepstem der genade, en nu werd hij te midden van zijne euveldaden en heiligschennis voor Gods rechterstoel geroepen.

Wouter Harmsen was getuige geweest van dit ontzettend tooneel. Schrik en ontsteltenis waren op zijn gelaat te lezen, want hij zag in dit tweede geval een nieuw bewijs, dat God zich kwam wreken op de booswichten, die Zijne tempels onteerden en Zijne gezalfden mishandelden, en hij ging gebukt onder den zwaren last, die ook op zijne ziel drukte. Hij was nog bezig met pogingen aan te wenden, ten einde

1) Volgens soranaigen zou Jan Bentijn getroffen zijn door een steen , door een onbekende hand geworpen; \'t is intusschen zeker dat hij oogenblikkelijk den geest heeft gegeven.

317

-ocr page 318-

DE BEELDSTORMERS

de levensgeesten van den ongelukkige op te wekken, toen een jong meisje zich door de menigte wrong en met een luiden schreeuw op het lijk neerviel.

Het was Clara. Zij was dien nacht van vermoeidheid op haar stoel ingesluimerd, had, toen zij ontsteld wakker geworden was, haar vader gemist en zich daarna onmiddellijk naar de kathedraal begeven.

Helaas, zij kwam te laat. Hartverscheurend waren de kreten, welke de kinderlijke liefde en de smart haar ontrukten, toen zij het schier onkenbare gelaat haars vaders zag.

««Dpod ! dood!quot; kermde zij. »0 God , mijn droom !

Toen rees zij op, zag woest in het rond en riep:

»Moordenaars, gij hebt mijn vader gedood! Is het nog niet genoeg, dat gij de kerken ontheiligt, moet gij u ook nog baden in het bloed van mijn armen vader ?quot;

Haar oog viel op Harmsen, die geheel vernietigd daars stond.

» Gij ook onder de heiligschenders en moordenaars.... gij!quot; kreet zij, en plofte toen zwaar op het lijk neder.

»Clara, ik bezweer u, dat ik geen deel heb aan de misdrijven, die hier gepleegd zijn,quot; riep Wouter, zich voorover bukkend; »ik veracht die lieden, ik heb geen deel aan hunne misdaden, ik verfoei hunne handelingen, ik...quot;

318

-ocr page 319-

VAN \'S-HEKTOGENBOSCH.

Hij luisterde een oogenblik, doch er kwam geen antwoord. Clara lag bewusteloos, haar gelaat en klee-ren waren besmeurd met het bloed van haar vader.

Harmsen nam haar toen in zijne gespierde armen en droeg haar buiten de kerk en naar huis.

319

-ocr page 320-

XIII.

Toen die lange en bange nacht ten einde liep, hadden de beeldstormers alles in de kathedraal vernield; geen altaar was gespaard, geen beeld staande gebleven en de prachtige schilderingen op de kolommen en het gewelf waren geblaakt en bewalmd door de vlammen en de rookwolken. Het pronkjuweel der architectuur, waarop het geheele vaderland zoo trotsch ging, was nog slechts een ruïne.

Bi^ het aanbreken der morgenschemering verlieten de muitelingen de kerk, als schuwden zij het licht, ofschoon hunne toomelooze vernielingszucht nog niet bevredigd was, want toen zij bij het uitgaan zagen dat de doopvont gespaard was, vielen zij met ver-

-ocr page 321-

DE BEBLDSTORMERS VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

nieuwde woede op dat kunstgewrocht aan. De fabriekmeester Jan van Lijbergen, die zich niet had kunnen losrukken van het gebouw, waaraan hij met geheel zijne ziel gehecht was, snelde op het geluid der hamerslagen toe om dat meesterstuk te redden, doch hij kwam te laat, want de vont lag reeds in stukken op den grond verspreid. Het gelukte hem intus-schen de brokstukken naar de bouwloods te doen dragen en \'t is aan zijne ijverige bemoeiingen te danken geweest, dat dit kunstgewrocht \\) behouden is gebleven.

De laatste beeldstormer had nu dit schouwtooneel der verwoesting verlaten. »De kerk was eindelijk ledig geworden,quot; zegt Hezenmans 2), »ledig van alles; zij, vroeger schitterend van harmonij en hemellicht, was in een woestijn herschapen en geleek een uitgestorven koningshuis; de nacht des rouws was gekomen , na zooveel schitterende vreugdedagen door haar beleefd, en niemand zou meer op hare feesten verschijnen ; hare priesters waren verdreven en zij met leed overladen!quot;

1) In den 2den jaargang der Katholieke Illustratie bladz. 168 vindt men eene afbeelding en uitvoerige beschrijving der doopvont. \'

2) In zijn uitstekend werk: De St.-Jans-kerk te \'s-IIer-togenbosch en hare geschiedenis, waaraan wij de voornaamste bijzonderheden betreffende de beeldstormerij ontleend hebben.

n 5 2i

321

-ocr page 322-

DE BEELDSTORMERS

Daarmede was echter alles niet geëindigd, want de beeldstormers begaven zich, na het verlaten der St. Jan, naar \'t klooster der Predikheeren, waar de tooneelen van dien rampzaligen nacht vernieuwd werden, en bleven dien dag het werk der verwoesting voortzetten in de vrouwenkloosters en in de conventen »

buiten de muren.

De stad verkeerde in een volslagen oproer. Men hoorde openlijk dreigen, dat al de priesters en kloosterlingen vermoord zouden worden. Men meent dan ook zeker te weten, dat bisschop Sonnius zijn behoud in de vlucht heeft moeten zoeken, zooals vele priesters met hem; \'t is evenwel zeker, dat de deken van het kapittel en een aanzienlijk getal geestelijken het gevaar getrotseerd hebben en gedurende de beroerten voortdurend in de stad gebleven zijn. De regeering was natuurlijk ook niet meer veilig, de meeste overheidspersonen hadden reeds de vlucht genomen, evenals de meest gegoeden, zoodat op den 11en October nog slechts de drie jongste schepenen aanwezig waren. Men meende, dat ook de schout de stad reeds voor goed had verlaten , doch in den avond van dien dag bezocht hij, vermomd in de kleederen van zijn dienaar, de koninklijke commissarissen, hen aansporend met hem de vlucht te nemen, zoodra zich daarvoor een gunstige gelegenheid aanbood. Na drie dagen gelukte hem dit.

Eer wij tot de hoofdpersonen van ons verhaal terug-

-ocr page 323-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

keeren, meenen\'^wij een vluchtig overzicht te moeten geven van de gebeurtenissen, welke binnen \'s-Hertogen-bosch plaats grepen, alvorens weder dagen van kalmte voor de stad mochten aanbreken.

Zóó groot was de vrees voor het consistoriale schrikbewind en voor de vagebonden, die zich sedert Augustus in de stad genesteld hadden, dat niemand den moed had daar het gezag te gaan handhaven, nadat de koninklijke commissarissen aan den Raad van Brabant den waren toestand hadden blootgelegd. Het was ook tevergeefs dat men den kanselier van Brabant, Jan Scheyfve, daartoe aanspoorde; slechts het onophoudelijk aandringen der gouvernante kon den eersten staatsdienaar bewegen het gevaar het hoofd te bieden en de hachelijke zending op zich te nemen.

Toen de kanselier, vergezeld van Heer Jan van Merode, op den 1en November binnen de stad kwam, waren daar door de drie jongste schepenen reeds flinke maatregelen tot herstel der orde genomen. Zij hadden voor rekening der stad openbare werken doen ondernemen, om het volk van het verder berooven der kerken en kloosters, die natuurlijk allen verlaten waren, af te houden, en niet slechts een nieuwe oproeping gericht tot de schutterijen en de burgers om elkander tegen plundering te vrijwaren, maar ook een gebod uitgevaardigd, waarbij alle landloopers, bedelaars, en vagebonden, die zich sedert de eerste

m

-ocr page 324-

DE BEELDSTORMERS

beeldstormerij met gansche scharen in Den Bosch gevestigd hadden, gelast werden de stad te verlaten. op straffe van met roeden de poort uitgegeeseld te worden.

De ferme houding van den kanselier Scheyfve boezemde het consistorie ontzag in, en hij waagde het na eenige dagen niet slechts den schout, Jacob van Brecht, weder binnen de stad te brengen, maar hem zelfs een lijfwacht van acht en veertig wapenknechten te geven. Toen deze maatregel de verbittering in zoo hooge mate gaande maakte, dat een openlijk gemor ontstond en men het zelfs waagde den schout met den dood te bedreigen, liet hij Van Brecht weder naar Brussel terugkeeren en nam nu eene gewapende bende in soldij om de orde te handhaven, en ofschoon de kwaadwilligen niet nalieten alle pogingen aan te wenden om de soldaten, die zij, »dieven-leidersquot; noemden, tegen de regeering op te ruien, bleef de rust ongestoord. De bevolking verkeerde in-tusschen in gestadigen angst, want herhaaldelijk werd het gerucht verspreid, dat de tooneelen der beeldstormerij vernieuwd zouden worden, dat men het zilveren beeld van St. Jan van het stadhuis halen en alle katholieken vermoorden zou, doch de kanselier scheen ontzag in te boezemen, en men begreep, dat thans geweld met geweld te keer zou worden gegaan; het consistorie was niet alvermogend meer en moest voor de noodzakelijkheid bukken.

324

-ocr page 325-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

Reeds weinige dagen na zijne komst had Scheyfve aan de regeering het voorstel laten doen, om de kerken aan de katholieken terug te geven, onder dien verstande, dat het consistorie er twee zou behouden. De gilden, die, naar wij weten, voor een gedeelte de nieuwe leer waren toegedaan, bewilligden in eene beperking, ingeval het consistorie die van St. Jacob, St. Pieter, St. Cornells en St. Anna zou behouden.,,

Zoo naderde men het Kerstfeest. Op Kerstavond deed de kanselier den deken van het kapittel op het stadhuis ontbieden en vezocht hem, den volgenden dag in de St. Jan een plechtige gezongen Mis op te dragen, wat dan ook werkelijk gebeurde. Nooit te voren had de kathedraal zulk een schaar van geloovigen, nooit zooveel godsvrucht gezien. Te midden der ruïnen weerklonk de jubelzang der blijde boodschap: »Eere zij God in den hoogste, en op aarde vrede den menschen van goeden wille.quot; Nooit wellicht is een jubelzang uit zulke verscheurde gemoederen opgestegen, nooit wellicht zijn vreugdekreten zoozeer met tranen vermengd geweest! Nog kort geleden schitterde die heerlijke tempel in volle majesteit en thans.... ? Doch aan het smartelijke gevoel, dat alle aanwezige geloovigen overweldigde, paarde zich de vreugde, dat men ten minste weer mocht neerknielen in dien eeuwenouden tempel, dat men zich weer mocht verheugen in het bezit, al was

325

-ocr page 326-

DE BEELDSTORMEBS

hij ook ontdaan van alle sieraden, beroofd van zijne kostbaarheden, van zijne altaren en beelden.

Van stap tot stap verder gaande, bracht de kanselier de regeering aan het verstand, dat het prediken der nieuwgezinden wel feitelijk door oproer binnen de stad uitgeoefend , maar daarom nog niet minder in strijd was met de wetten des lands, en de mannen van het consistorie eigenlijk nog altijd onder beschuldiging van muiterij stonden. Hij benoemde nu eene commissie, bestaande uit leden der regeering en van het consistorie , ten einde te bewerken, dat de predikanten niet meer binnen de muren zouden optreden. Na groote inspanning werd ook dit doel bereikt. Door de regeering werd, in overeenstemming met het consistorie en onder nadere goedkeuring der hooge regeering , een plaats buiten de St.-Janspoort aangewezen. Een toeval was oorzaak, dat de kanselier nog verder kon gaan dan hij voorloopig gemeend had. Het water kwam namelijk onverwacht opzetten, en daar nu de predikatiën niet op de aangewezen plaats gehouden konden worden en het eenmaal vast stond, dat binnen de muren geen godsdienstoefening gehouden mocht worden, bleef er niets anders over dan de predikanten te noodzaken de stad voor goed te verlaten.- Van Diest en zijne collega s maakten zich dan ook reeds voor hun vertrek gereed, toen onverwacht eene gebeurtenis plaats greep, die de stad opnieuw aan bandeloosheid prijsgaf.

326

-ocr page 327-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

327

De graaf van Megen verscheen eensklaps met een legQr voor de poorten. Zoodra die tijding zich verspreidde , ontstond een groot rumoer. De burgerij was namelijk zeer tegen den graaf ingenomen en had reeds lang met hem over heerlijke rechten overhoop gelegen; men meende dus niets goeds van hem te mogen verwachten. Het consistorie, met Agylaeus aan het hoofd, maakte van die verslagenheid gebruik, om het volk te doen gelooven , dat de kanselier zijn woord geschonden had en de stad in handen van haren vijand , den graaf van Megen, wilde leveren. Het volk sloeg weder tot muiterij over, en er hadden samenscholingen voor de woning van den kanselier plaats, dien men zonder vorm van proces wilde ophangen. Zoodra nu het consistorie weder kans zag om den boventoon te voeren, vaardigde het zekeren Herman de Ruyter (dezelfde die later Loevenstein heeft verrast) naar Antwerpen af, en het gevolg hiervan was, dat hij den 16en Februari terugkeerde , vergezeld van een vreemdeling. Zij kwamen in een schuit den boom binnen; de vreemdeling was in een mantel gehuld, waaronder een pistolet verborgen was; hij droeg een hoogen vilten hoed en zijne beenen staken in roode kousen, naar den trant dier dagen gesneden en »geuzenkousen\': genaamd. Deze drieste Calvinist heette Antoni Hombergen, hij behoorde tot de verbonden edelen en was oud-kapitein van den prins van Condé. Brederode moet wel geweten heb-

-ocr page 328-

DE BËELDSTORMERS

ben, dat Bombergen voor niets terugdeinsde, toen hij hem zond om zich van Den Bosch meester te maken en het gezag van het consistorie te herstellen, want zijne daad getuigde van ongehoorde stoutheid.

Die man bleek dan ook voor zijne taak geschikt te zijn , want hij wist, vooral door het uitstrooien van allerlei ongerijmde geruchten en door het vertoonen van valsche brieven, waarin de landvoogdes Margaretha den graaf van Megen aanspoorde de stad niet te sparen, zich van het gezag meester te maken. De kanselier en Merode werden niet slechts streng bewaakt, maar moesten ellendige dagen doorbrengen, en Bombergen, die met een onbegrensde macht heerschte, deed het geschut geducht op het leger van den graaf van Megen spelen, die zich eindelijk terugtrok.

Die toestand duurde twee maanden en gedurende al dien tijd waren de katholieken weder verstoken van hunne kerken en bedeplaatsen en moesten voortdurend in vrees voor hun leven en hunne bezittingen doorbrengen.

Intusschen hadden de opstandelingen in Vlaanderen een paar geduchte nederlagen geleden, en Brederode, die den tijdelijken dictator van quot;s-Hertogenbosch herhaaldelijk moed en volharding had ingeprent door de belofte, dat hij hem bijstand zou zenden, zag zich eindelijk genoodzaakt te bekennen, dat de macht hem daartoe ontbrak. Het was een der jonkers van Ba-tenburgh, die, in schipperskleeren vermomd, deze tij-

328

-ocr page 329-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

ding binnen \'s-Hertogeiibosch bracht. De stad was toen door de troepen zoodanig bezet, dat zelfs geen mondbehoeften binnen hare poorten gebracht konden worden, en daar Bombergen geen kans zag zijne positie te handhaven, verliet hij de stad. de partij vloekende, welke hij had gediend; de predikanten volgden hem spoedig.

Nu opende de stad hare poorten voor de troepen des konings, het consistorie ontbond zich en de voornaamste leden vestigden zich te Hedel, waar zich ook de predikanten ophielden. Zoo diep had echter de regeeringloq^heid en ongebondenheid gedurende een tiental maanden wortel geschoten, dat een voortdurende ontevredenheid bleef heerschen, niet weinig aangewakkerd door den beruchten Everzwijn, die ook te Hedel woonde. doch elk oogenblik in de stad verscheen en met zijn geestverwant Agylaeus naar middelen uitzag om het verloren terrein te herwinnen.

Keeren wij, na deze korte opsomming der voornaamste gebeurtenissen, tot ons verhaal terug.

Bijna twee maanden lang was \'s-Hertogenbosch ter prooi geweest aan een muitzieke bende, die het gezag met voeten trad en eene verwoesting aanrichtte, waarvan nu nog, na drie eeuwen, overal de sporen kunnen worden aangewezen. Een kleine tusschen-poozing van verademing uitgezonderd, waren al dien tijd de godsdienstoefeningen gestaakt geweest, althans

329

-ocr page 330-

DE BEELDSTORMERS

voor de katholieken. Doch al hadden ook de beeld-stormers gezworen, »dat nimmermeer een Mis in de stad zou worden gedaanGod scheen in Zijne ontferming de gebeden der geloovigen verhoord te hebhen. Op den 6en Mei \\ 567 werden hunne harten weder voor de eerste maal verkwikt door het plechtstatig klokkengelui , dat hen naar de beroofde en ontheiligde kathedraal riep. Indrukwekkend weerklonk het zware geluid van de Salvator over de oude hertogstad en uit menig oog ontsprong een vreugdetraan. Ook tot Wouter Harmsen drong dat geluid door, doch het bracht nu geen onrust in hem te weeg, het joeg hem niet naar buiten ver, ver van de stem, die pijnlijks herinneringen in hem opwekte, — die stem deed zijn hart van blijdschap trillen, want hij had den vo-rigen dag aan de voeten van den ouden priester zijne dwalingen afgezworen, zijne zonden beleden, en ging nu mede op naar den tempel, om het danklied aan te heffen voor de bevrijding der stad van het juk der revolutie.

Den vorigen middag had het kapittel voor de eerste maal na de beeldstormerij van Augustus de Vespers in de St. Jan gezongen; thans werd daar een Hoogmis opgedragen. Al geleek de kathedraal, bij hetgeen zij vroeger was, slechts eene ruïne, Jan van Lijber-gen had in de weinige dagen, welke hem daartoe ter beschikking stonden, wonderen verricht. Beelden

330

-ocr page 331-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

waren in de kerk wel niet meer te vinden, van de altaren was wel niets meer te zien, doch hij had in die ontzaglijke ruimte alles doen opruimen en op het hoogaltaar prijkten bloemen, de eerstelingen van dat jaar, als de zinnebeelden van de ontluikende lente, van een nieuw leven, dat weder voor de geliefde kathedraal ging aanbreken. Geen orgeltonen weerklonken langs de gewelven — Jan Bentijn had ze tot zwijgen gebracht — doch uit de harten der geloovigen steeg een jubelzang op, schooner dan ooit in dien eeuwenouden tempel had weerklonken, en de wierookgeur klom langs de geblakerde kolommen, als om ze te zuiveren van de rookwalmen der heiligschennis.

Toen de H. Mis geëindigd was, liet de Salvator opnieuw haar machtige stem hooren; de geestelijkheid schaarde zich bij de hoofdpoort en trok nu in processie door de stad, gevolgd door den gouverneur Schouwenburg, den commissaris Van der Borcht, de geheele regeering en al de gilden en schutterijen, die eindelijk tot het inzicht gekomen waren, dat de hoofdmannen van het consistorie hen in den politieken stroom van dien tijd hadden meegesleept, om des te gemakkelijker hun doel op godsdienstig gebied te kunnen bereiken. De hopman De Gruyter was ook op zijn post, al moest hij zijn rechterarm nog in een doek dragen ; zijn gelaat straalde van vreugde, toen hij deelnam aan die open-

331

-ocr page 332-

DE BEELDSTORMERS

lijke eerherstelling na zooveel gepleegde goddeloosheden. Stil en indrukwekkend trok de processie langs de straten, die nog zoo kort geleden getuigen waren geweest van de opruiende en godslasterlijke liederen der woestelingen. Elke traan, die uit het oog welde, was een dankoffer, elke gedachte , die uit het hart opging , een vreugdekreet. De godsdienst was hersteld, de kathedraal heroverd; men dacht niet aan de toekomst, aan de hachelijke tijdsomstandigheden, men verheugde zich in het geluk van het oogenblik, en wij, die ons slechts tot taak hebben gesteld de gebeurtenissen der noodlottige beeldstormerij van de beroemde St. Jan te beschrijven, willen dan ook dien indruk niet verzwakken door den sluier op te lichten, waarachter nog zooveel noodlottigs voor de stad \'s-Hertogenbosch en haar beroemden tempel verborgen is.

Op den avond van dien gedenk waardigen dag vinden wij vier onzer bekenden: de hopman De Gruyter, Wouter Harmsen, Agnes en Clara Ben tij n bij den ouden priester, dien wij voor het eerst in het huis met den »Hoornquot; hebben aangetroffen. In die tien maanden schijnt hij wel tien jaren verouderd te zijn, want zijne wangen zijn geheel ingevallen, zijne oogen staan dof en zijn verzwakt lichaam rust in een grooten stoel, die met kussens gevuld is. Sinds zijn terugkeer uit Antwerpen had hij de stad niet meer verlaten; hij

332

-ocr page 333-

/

VAN -\'S-HERTOGENBOSCH. 333

was getuige geweest van de laatste beeldstormerij, en de grievende smart, welke zijn hart verteerde bij het zien van zooveel heiligschennis, had zijne krachten gesloopt. Desniettemin lag een glimlach van vreugde op zijn gelaat, nu hij het herstel van den godsdienst had mogen beleven en zich omringd zag door personen , in wier lot hij steeds zooveel belang had gesteld.

Toen De Gruyter hem uitvoerig had meegedeeld hoe alles zich des morgens had toegedragen en hoe gelukkig de bevolking zich gevoelde, omdat de bange dagen voor goed voorbij waren, schudde de priester langzaam het hoofd.

»Ik dank God, dat ik dezen gelukkigen dag nog heb mogen beleven,quot; sprak hij, «want slechts met siddering kon ik denken aan sterven te midden van geweldenaars, die zelfs de ontzielde lichamen niet met rust laten in de gewijde aarde, maar laat ons daarom met denken, dat het gevaar voorbij is. De duivel van den hoogmoed beheerscht het tegenwoordige geslacht; hij heeft zich genesteld in de harten van de grooten der aarde, die de wetten Gods met voeten treden en slechts luisteren naar de stem der rede, naar de ingeving hunner hartstochten en lusten. Men werpt het zoete juk des Heeren af om te luisteren naar de inblazing van hem, die een verleider was van den beginne af en die al zijne krachten zal inspannen , om , het onkruid des ongeloofs welig te doen

-ocr page 334-

DE BEELDSTOKMEBS

opschieten en den storm aan te blazen, die de Kerk van Christus bedreigt.quot;

«Gij maakt mij beangst voor de toekomst, mijn vader,\'\' sprak Agnes.

»Die des Heeren wegen bewandelen hebben geen kwaad te duchten, mijne dochter,\'\' hernam de priester. »Ik wijs slechts op de toekomst, opdat gij altijd voorbereid zult blijven tegen de gevaren. Wij gaan allen een nieuwe toekomst tegemoet, ik om voor altijd deze wereld te verlaten, gij om een nieuw leven in te treden. Gij zijt allen jong en krachtig; moge de beproeving, die gij nu reeds hebt doorgestaan, u geleerd hebben, dat men steeds moet waken en bidden om in den strijd des levens te blijven volharden, want de duivel is listig en de mensch zwak. Harmsen kan het getuigen, hoe zelfs rechtschapen menschen mede-gesleept kunnen worden door een leer, die uit den booze is, omdat zij menschelijke begrippen stelt boven Gods wetten en geboden.quot;

Harmsen sloeg verlegen de oogen neder.

»Ik zeg dit niet om u te beschamen of te krenken, mijn zoon,quot; vervolgde de priester; «want hebt gij gedwaald, gij zijt teruggekeerd tot den schaapsstal.quot;

«Door Gods genade!quot; sprak Wouter, «en ik hoop mij in mijn volgend leven die genade meer waardig te maken door te strijden voor hetgeen ik herwonnen heb.quot;

334

-ocr page 335-

VAN \'S-HERTOGENBOSCH.

De priester had de oogen gesloten, het spreken scheen hem zeer vermoeid te hebben.

Agnes, die hem angstig gadesloeg, knielde aan zijne voeten neder en zeide:

»Wij zijn gekomen om uw zegen te vragen op ons voornemen om in het huwelijk te treden. Gij hebt mij als kind in de waarheden van onzen godsdienst onderwezen , gij hebt mij beschermd toen ik door slechte menschen vervolgd werd, gij zijt altijd een vader voor mij geweest, o schenk mij ook uw zegen, nu ik den gewichtigsten stap mijns levens ga doen.quot;

De aandoeningen overmeesterden haar en haar hoofd zonk op des priesters knieën neder.

De pastoor liet zijne oogen eenige oogenblikken op haar rusten en er kwam weder een glimlach op zijn gelaat.

«Hoe, mijne dochter,quot; sprak hij, »gij wilt in het huwelijk treden met iemand, die reeds meermalen getoond heeft, dat hij niet voor gevaren terugdeinst als de Kerk zijn sterken arm noodig heeft? Gij zult als zijne huisvrouw naast hem te strijden hebben, en nu reeds siddert gij?quot;

«Zij is ontroerd, dewijl zij u zoo verzwakt ziet, eerwaarde,quot; sprak Clara, «zij is zoo veel aan u verplicht ; het is uit dankbaarheid dat zij tranen stort.

«Ik weet het wel, mijn kind, ik weet het wel hernam de priester, nog altijd met denzelfden glimlach

33Ö

-ocr page 336-

DE BEELDSTORMERS

om den mond. »De hopman zal een kloeke huisvrouw in haar vinden, ik ben daarvan overtuigd. En gaat gij ook al in het huwelijk treden, Clara?quot;

»Juffer Agnes verlangde dat wij te gelijk zouden, trouwen, eerwaarde,quot; hernam het meisje, »en ik heb dat verzoek niet van de hand willen wijzen, omdat wij reeds speelgenooten zijn geweest toen wij nog kinderen waren, en in den laatsten tijd in hetzelfde lot hebben moeten deelen. Ware dit het geval niet geweest ik * zou nog eenigen tijd gewacht hebben, omdat mijne moeder altijd even troosteloos blijft en niet zonder hulp kan zijn. Wouter heeft echter goedgevonden, dat moeder bij ons zal komen inwonen.quot;

»Dat is braafsprak de priester, »God zal u dit vergelden, want er staat geschreven, »eert vader en moeder, opdat gij lang moogt leven op aarde.quot;

Daarna gaf hij door een wenk te kennen, dat allen bij hem zouden nederknielen. Hij bad lang in stilte -met de oogen ten hemel gericht en strekte daarna zegenend de handen over hen uit.

Toen, na zoo vele wederwaardigheden, de beide huwelijken gesloten werden,- had de brave priester reeds het tijdelijke met het eeuwige verwisseld.

336

-ocr page 337-
-ocr page 338-