â â \' \' v quot;\'quot;
\'-y
OLTERBEEK, J^IST, A.SBBROBK. DOEDES E. A
HOMILIARIUM.
Verzameling van uitgezochte Leerredenen.
TWEEDE BUNDEL.
GUN N i H G
KERKHERVORMING.
LEERREBENEN
VAN
J. L. WOLTEEBEEK, N. C. KIST, J. P. HASEBEOEK, J. I. DOEDES, M. VAN STAVEEEN, C. C. CALLENBACH, J. J. VAN OOSTEEZEE, E. BENNINK JANSSONIÃS, B. TEE HAAE, J. J. L. TEN KATE, N. BEETS en J. HAETOG.
UTRECHT,
KEMINK amp; ZOON.
(Over de Domkerk;.
B10 L.! O TH £EK DER ^JJKS\'üNlVERSlTEi ( UTRECHT.
De gunstige ontvangst, welke aan den eersten Bundel van hel Homiliarium ten deel viel, deed de Uitgevers besluiten, om een tweeden Bundel te laten volgen. Zij verzochten mij, om daartoe leerredenen hijeen te zamelen, waarin de Kerkhervorming herdacht was.
Deze herdenking dagteekent in ons land eerst van het jaar 1817. Vóór dezen tijd vond zij in onze Kerk niet plaats. Zelfs hel eerste en tweede Eeuwfeest der Hervorming zijn onopgemerkt voorbijgegaan.
De emeritus predikant van Rotterdam J. Scharp gaf 1) van dit droevig feit de navolgende verklaring. â Voor 200 jaren viel er hier te lande aan de viering van hel feest der Hervorming niet te denken, daar de Gereformeerde Kerk door de ongelukkigste twisten, en het Vaderland door beroerende staatskrakeelen geschokt en gescheurd werd, en eene zwarte onverdraagzaamheid, zelfs aan de Luthersche Broederen, het bouwen van openbare kerken betwistte of moeielijk maakte.quot;
âFoor 100 jaren vierden de Lutherschen in ons land het Eeuwfeest, maar, wat den overigen Protestanten betrof, het ivas of die gebeurtenis hun niet aanging, ook was de verwijdering der Kerkgenootschappen niets verminderd; Staatsgeschillen, in ons land altijd verknoopt aan kerkelijke verdeeldheden, speelden nog hunne ongelukkige rol-, de kansels dreunden nog van de twisten met an en en is ten en anten; verdraagzaamheid was eene soort van ketterij; rechtzinnigheid en stugheid, vroomheid en dweepzucht waren woorden van dezelfde beleekenis; theologische geschillen van meerder of minder, of nietsbeduidend gewicht, werden met hatelijkheid, hoogmoed, belangzucht en domheid gevoerd, niet slechts door zoogenaamde Godgeleerden maar ook door Kerkeraden en Gemeenteleden, niet slechts in steden, maar ook
1
Zie zijn Avond-Godsdienst op den 300,jarigen feestdag der Hervorming. Rott. 1817.
op dorpen: ik mag geene bijzondere namen of gevallen noemen, maar zooveel is zeker, dat hel geen tijd was, om aan Jubelfeesten te denken.quot;
Vleiend is deze toelichting van het genoemde feit evenmin, als dat zij geen goed deel waarheid bevat.
Gelukkig dat tegen het aanbreken van hel derde Eeuwfeest der Hervorming de behoefte in onze Kerk ontwaakte, om haar geboortefeest dankbaar te herdenken. Den 16den Juli 1817 besloot de Synode der Ned. Herv. Kerk, om de gemeente hiertoe op te wekken. Dit besluit, door den Koning bekrachtigd, vond veel bijval. Getuige de vele Hervormingsleerredenen in ditzelfde jaar in druk verschenen. Hiervan nam ik er één in den Bundel op, namelijk van J. L. Wolterbeek, Pred* bij de Herv. Gem. te Amsterdam. Deze leerrede onderscheidt zich gunstig van de meesten, ook door hare niet te groote uitgebreidheid, waarmede sommige predikers, naar het schijnt, hebben willen vergoeden hetgeen tot nu toe verzuimd was.
Met deze Eeuwfeestviering scheen de herdenking van de Hervorming weder te zullen eindigen. De Synode achtte het althans in 1819 noodig, om aan de Kerkeraden eene aanschrijving te richten, âom van tijd lot tijd in het openbaar de geschiedenis en de zegeningen der Hervorming in gedachtenis te houden, en vooral op den tijd, als de dag van den ^lsten October op een Zondag invalt, die gelegenheid te gebruiken om, immers door gebeden en dankzeggingen, deze gebeurtenis Godver heer lijkend le gedenken.quot;
Op deze aanschrijving volgde in 1853 een Synodale Brief, om j aar l ij ks âden gedenkdag der Hervorming openbaar in de gemeente te vieren.quot;
Deze roepstemmen zijn niet te vergeefs geweest. Langzamerhand is hieraan meer en meer gehoor verleend; en, daar in den loop der jaren menig predikant zijne leerrede ter perse zond, ontbrak het mij niet aan stof, om een Bundel saamtestellen.
Of ik in mijne keuze gelukkig geweest hen, mogen mijne lezers beslissen, wien ik den zegen der Hervorming van harte toebid.
DE VEKZAMELAAR.
â¢!
M
i ]sr h o u jd.
i.
J. L. WOLTERBEEK.
Biz.
Opwekking tot dankbaarheid voor de herstelling der Christeljjko
vrijheid door de Kerkhervorming.......... 1.
II.
N. C. KIST.
Leerrede ter viering van het elfde eeuwfeest der invoering van het Christendom in Nederland en van den 322sten jaardag der Kerkhervorming................24.
III.
J. P. HASEBROEK.
De rechtvaardiging door het geloof..........50.
IV.
J. I. DOEDES.
Een woord ter eere der Kerkhervorming........86.
V.
M. VAN STAVEREN.
Het lied van Samuels moeder beschouwd op den Hervormingsdag. 109.
aSBU
VI.
C. C. CALLENBACH.
De Hervorming herdacht..............128.
VII.
J. J. VAN OOSTERZEE.
Morgenstond en Nacht...............152.
VIII.
R. BENNINK JANSSONIUS. De driehonderdvijftigste gedenkdag der Hervorming .... 184.
IX.
B. TER HAAR.
De wachters op den morgen.............213.
X.
J. J. L. TEN KATE.
De Kerkhervorming herdacht............ 237.
XI.
N. BEETS.
Houd dat gij hebt................ 257.
XII.
J. HARTOG.
Leerrede uitgesproken op den 31sten October 1880 ..... 273.
8.
I.
Opwekking tot dankbaarheid voor de gt;2- herstelling der Christelijke quot;Vrijheid
door de Jierkhervorming 1).
34. Gez- iS2 : 1, 3. Gebed des Heeren : 5. Gez. 2:1, 3. Gez. 99 : 4.
Geliefde broeders en zusters in onzen Heere Jezus Chris-13gt; tus! â Dankbaarheid en vreugde in God, onzen Vader, en in zijnen Zoon, onzen eeuwig geprezen Heiland, zij door zijnen Heiligen Geest de vrucht van dit Feest. Amen.
137. De groote Zoon van God had de heerlijkste bron voor de wereld geopend; eene bron van hemelsche wijsheid, van onwankelbaren troost, van onvermengde gelukzaligheid. Rijkelijk vloeide die bron voor de volken; duizenden leschten gt;57. hunnen dorst naar waarheid, naar reinheid, naar vrede der ziele, en genoten eenen wellust, die nog niemand gesmaakt had. De Christen-maatschappij bloeide welig, was getooid met den heerlijksten glans, droeg vruchten des levens, en J73. belasten en beladenen vonden onder hare schaduw de uit-
1
1
Voor \'t eerst in druk verschenen in het jaar 1817.
Homiliarium II.
nemendste verkwikking. â Dan helaas! de boom verwelkte, zijn blad verdorde, zijne vruchten vielen af, en hij hield schier geheel op eene toevlucht voor vermoeiden te zijn. De onkunde, het bijgeloof, de boosheid hadden de bron verstopt, haar helder water beroerd, met giftige planten vermengd, den boom zijn voedsel ontnomen, tot in zijn hart toe bedorven, en het leven maakte plaats voor den dood. â Menig vriend der waarheid snakte naar lafenis, maar vond die niet; menig vriend der menschheid zocht de bron weêr te openen, den boom weêr te doen bloeien, maar werd met woest geweld teruggedreven. Bedrukt sloeg hij zijne oogen ten hemel, prees de voorgeslachten gelukkig, betreurde het nageslacht, en ging hopeloos henen. â âStaat op uit den dooden, en Christus zal over u lichten!quot; â Die stem der Almacht klonk over de wereld, werd gehoord door de volken, en het leven verrees uit den dood. De bron werd weêr geopend, het water des levens welde weêr rijkelijk op, en wij en onze kinderen kunnen er weer uit drinken en leven tot in eeuwigheid.
Zouden wij ons dan heden niet verheugen, daar wij op dezen dag aan die groote gebeurtenis denken? ons niet verheugen in onzen God, die ons door zijnen Zoon zoo uitnemend beweldadigd heeft? â Dat lof en aanbidding en de vurigste smeekingen om den Geest der dankbaarheid dan uit onzer aller harten, in Christus naam, tot Hem opklimmen.
ï
a
e
Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet weder-t om met het juk der dienstbaarheid bevangen.
Galaten V : 1.
d
ir U allen M. H.! tot dankbaarheid op te wekken, tot innige,
d hartelijke dankbaarheid voor de groote en weldadige gebeur-ie tenis, aan welke wij op dit Feest gedenken, is mijne roeping ie in deze ure, en de vurigste wensch mijner ziele, it Staat dan in de vrijheid, met welke Christus ons vrijgemaakt
n heeft, en wordt niel wederom met het juk der dienstbaarheid le bevangen. Onder alle gezegden des Bijbels vond ik er geen, â¢d hetwelk met mijn gevoel beter strookte, met den aard en de strekking van dit Feest meer overeenstemde, noch ter be-sn reiking van mijn doel geschikter was, dan dit gezegde van paülus. Immers wijst het ons op een groot, vereerend en allerweldadigste voorrecht, waarmede de Zoon van God zelve gt;p ons verwaardigd heeft; â op een voorrecht, hetwelk voor et het Christendom zoo goed als verloren was, doch door de it- Hervorming weer hersteld is; â en geeft ons te gelijk aan-de leiding om over de ware dankbaarheid voor deze weldaad lit te spreken, en tot de beoefening daarvan elkander krachtig n. op te wekken. â Overwaardig derhalve is dit gezegde onzer aller aandacht, daar het ons drie, zulke gewichtige en gepaste stukken ter overweging aanbiedt. En is onze aandacht bij die overweging eene Christelijke, Gode geheiligde, dan
4*
voorzeker zal dit Feest op eene waardige wijze door ons gevierd, en dat groote goed, hetwelk de Allerhoogste ons door deze gebeurtenis heeft toegedacht, onder ons vermeerderd en bevestigd worden.
Op de vrijheid, met welke Christus ons heeft vrij gemaakt, worden wij hier in de eerste plaats gewezen. Welaan dan, laat ons het oog op haar vestigen, opdat wij haren edelen aard en hooge waarde recht leeren kennen.
Spreekt paulus van eene vrijheid, met welke Christus ons heeft vrijgemaakt, dan bedoelt hij gewisselijk geene andere dan zulk eene, welke Christus ons geschonken heeft, welke wij aan Hem verschuldigd zijn. â Maar van hoedanigen aard is die nu? â Mogen wij niet vaststellen, M. H., dat de man, die met zooveel vuur op die vrijheid wijst, en in wier schatting zij zulk eene waarde bezat, daarvan zeer juiste begrippen zal gehad, en ook niet nagelaten zal hebben, die begrippen in zijne schriften mede te dealen? Vordert Gij daarenboven niet van mij, en ben ik, als Bedienaar van het Evangelie, er ook niet ten duurste toe verplicht, dat ik u dienaangaande zuivere bijbelsche begrippen geve, en haar dus naar echte bronnen en niet naar de leeringen van menschen voordrage? â Komt laat ons den Apostel zeiven dan hooren, opdat wij door zijn eigen onderwijs tot de ware kennis dier vrijheid gebracht worden.
âWanneer de volheid des tijds gekomen isquot; â dit lezen wij Hoofdst. IV: 4 enz. â âheeft God zijnen Zoon uitgezonden, geworden uit eene vrouwe, geworden onder de wet; opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen, en
5
wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. En overmits Gij kinderen zijt, zoo heeft God den Geest zijns Zoons uitgezonden in uwe harten, die roept, Abba Vader. Zoo dan, Gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon.quot; â Vergelijken wij deze woorden met onzen tekst, dan is het klaar, dat vrij te zijn en kinderen Gods le zijn niet van elkander verschillen; en het eene tot opheldering van het andere door paulus gebruikt wordt. â Maar wat nu te verstaan door kinderen Gods te zijn? Waren de Israëlieten dat ook niet? O ja, echter verschilt het woord, hetwelk de Apostel van de Israëlieten als kinderen Gods bezigt, aanmerkelijk van datgeen, van hetwelk hij zich bedient, als hij de Christenen kinderen van God noemt. Noemt hij de Israëlieten kinderen, dan gebruikt hij een woord, hetwelk een klein kind beteekent, zulk een, die pas begint te spreken, dat nog moet onderwezen worden, dat nog eerst moet leeren denken, en dus noch in staat noch bevoegd is om zelve te denken. Spreekt hij daarentegen van de Christenen als kinderen Gods, dan gebruikt hij een geheel ander woord, hetwelk het best door 200» kan vertaald worden, zoo als ook geschiedt in het 7de vers Hoofdst. IV en duidt daarmede dezulken aan â zooals het verband ontegenzeggelijk leert â die het kinderlijk onderwijs ontwassen zijn, die niet meer onder voogden en verzorgers staan, maar de mondige jaren bereikt hebben. Door de vrijheid derhalve, in onzen tekst vermeld, verstaat hij eene vrijheid van mondige zonen, zulk eene, die den mondigen zonen toekomt.
Maar waarin bestaat deze vrijheid nu ? â Mondige zonen, zij, welke den mannelijken leeftijd gerekend worden inge-
6
treden te zijn, hebben de vrijheid en het recht om hun eigen verstand te gebruiken en te volgen, om over de dingen te denken, zooals die hun na een ernstig en bedaard onderzoek â de plicht en de sieraad van dezen leeftijd â voorkomen waarheid te zijn. â Verklaart het Evangelie ons nu tot mondige zonen, dan bestaat de vrijheid, van welke hetzelve als een, ons door Christus geschonken, voorrecht spreekt, daarin, dat wij het recht hebben om in zaken van den Godsdienst ons eigen verstand te gebruiken, en slechts dat voor waar te houden, dat te volgen, daar voor uit te komen, hetwelk wij na ernstig onderzoek en rijp beraad bevonden hebben waarheid te zijn. Het Evangelie derhalve, aldus sprekende, ontslaat ons uitdrukkelijk in zaken van den Godsdienst van alle menschelijk gezag, ontzegt een ieder het recht ons over het verstand en geweten zijner medechristenen te heerschen, en verklaart daardoor alle de zoodanigen, welke daar naar staan, voor vertrappers dier vrijheid, welke Christus geschonken heeft. Ja, het is de Heer zelve, die zegt: âGij zult niet Meester genaamd worden; want één is uw Meester, namelijk Christus.quot; â Verder: mondigen zonen staat de toegang tot hunnen vader open, zij kunnen en mogen vertrouwelijk met hem spreken, hem zeiven over hunne belangen raadplegen, vaderlijk onderricht en hulpe van hem verwachten, en behoeven daartoe noch de tusschen-komst noch de voorspraak van anderen. Het tegendeel te willen beweren, zou een inbreuk op een der grootste voorrechten van mondige zonen, en voor de liefde eens vaders zeer beleedigend zijn. â Verklaart het Evangelie ons nu tot mondige zonen, dan bestaat de vrijheid, welke het ons predikt
7
en waartoe het ons roept, daarin, dat wij tot God zeiven, als onzen Vader, mogen naderen, kinderlijk, vertrouwelijk met Hem mogen verkeeren, en van zijne liefde alles hopen. Dan verklaart het ons ronduit, dat wij daartoe de tusschen-komst, de voorspraak van menschen, hoe heilig, hoe hewel-dadigd, hoe uitstekend ook boven alle andere kinderen van Adam, ja zelfs die der Engelen volstrektelijk niet noodig hebben, maar in eigen persoon dadelijk tot den Vader kunnen gaan. â Deze tusschenkomst had Israël, als onmondig kind, noodig. Niet zoo onmiddellijk kon het tot den Eeuwige gaan; langs verscheidene zinnelijke wegen werd het tot Hem opgeleid. Het Allerheiligste, alwaar Jehova zijnen troon had, vermocht het niet te aanschouwen; zulks was slechts een enkelen uitgelezene vergund. De Priesters waren de mond des volks tot Jehova, en deze wederom sprak door hen tot hetzelve. Eene menigte van zinnelijke plechtigheden hielden den Israëliet eerbiedig op eenen afstand van zijnen Jehova, en was als het ware eene scheidsmuur tusschen hem en zijnen God. â Dit alles heeft Christus opgeheven, door zijn bloed ons den weg tot God gebaand, door Hem hebben wij den kinderlijken toegang tot den Vader, aan Hem hebben wij het te danken, dat zijn Geest in onze harten is uitgestort, die ons de vrijmoedigheid en het recht geeft, om den Allerhoogste als Vader te beschouwen, en als Vader aan te spreken. â Ziet daar den aard der vrijheid, waarmede Christus ons heeft vrijgemaakt, en aan welke wij hier inzonderheid te denken hebben.
Welk een groot voorrecht! Waarlijk niet zonder reden was paulüs er zoo mede ingenomen, bezat het in zijn
8
oog zulk eene hooge waarde. Immers lacht het iedereen van alle zijden toe, en belooft hem de uitstekendste voor-deelen en genoegens? â Misschien ziet elk uwer dit niet zoo dadelijk in. Noodig is het dus, dat ik u ook nog op de waarde dier vrijheid opmerkzaam make, opdat gij haar recht moogt leeren kennen.
Wat brengt ons tot eene rechte, wezenlijke kennis van den Godsdienst? tot zulk eene kennis, welke uit begrippen bestaat, die wij met helderheid aanschouwen, die ons klaar voor den geest zijn; uit begrippen, welker gegrondheid wij duidelijk inzien en levendig besefFen; tot een kennis derhalve, welke metterdaad den naam van kennis, en wel van de onze verdient? â Immers eigen onderzoek, zulk een onderzoek, hetwelk wij zelve in het werk stellen, waarbij de vermogens onzer ziel zelve werkzaam zijn, en bij hetwelk wij met de noodige bezadigdheid, onbevooroordeeldheid en ernst ver-keeren? Maar hadden wij nu tot zulk een onderzoek noch de vrijheid noch het recht, moesten wij anderen voor ons laten denken, en waren wij verplicht de denkbeelden van anderen blindelings te volgen; zou het dan mogelijk zijn, immer tot eene rechte, grondige kennis te geraken? zouden de denkbeelden, welke wij verkregen, dan wel immer de onze kunnen genaamd worden? zou onze kennis wel immer eene vaste kennis kunnen worden; en wij niet nog daarenboven gedurig in gevaar zijn, om valsche denkbeelden te erlangen, en tot eene menigte van dwalingen te vervallen? Leert de ondervinding van allen, die niet zelf denken., niet zelf onderzoeken, maar alles op goed geloof aannemen, zulks niet onwedersprekelijk ? Zoo staat dan eene echt christelijke
9
verlichting des verstands in het nauwste verband met de christelijke vrijheid van denken. â Verder: is geloof aan de leer van het Evangelie niet een hoofdplicht van elk, die onder hetzelve leeft? â Maar waarin bestaat nu de ware aard van dat geloof? Immers daarin, dat wij die leer voor waar en goddelijk houden, voor eene leer, die niet uit de menschen, maar uit God is, en wel daarom, dat God zelve aan die leer, als zoodanig eene, getuigenis heeft gegeven? De grond derhalve, waarop het ware christelijke geloof rust, is het getuigenis van den onfeilbaren God, welke niet dwalen kan. â Maar hadden wij nu noch de vrijheid noch het recht om zelve te onderzoeken, zelve te denken, en hetgeen wij als waarheid hebben leeren kennen, aan te nemen en te volgen; waren wij integendeel verplicht, om voor waarheid te houden, om te gelooven hetgeen menschen ons leeren, zonder dat het ons zoude vrijstaan zulks te toetsen aan het onfeilbare woord Gods, en het dan naar bevind van zaken of aan te nemen of te verwerpen, verplicht derhalve tot een blind geloof aan menschen; zou de grond van ons geloof dan niet het getuigenis van menschen, in plaats van het getuigenis Gods worden? zou ons geloof dan niet de ware grond ontbreken, en ophouden een echt christelijk geloof te zijn? â Ten derde: Zijn heiligheid en deugd niet een hoofdeisch van het Evangelie? Kunnen ware Evangelische heiligheid en deugd wel immer op eenen anderen wortel, dan op dien des geloofs aan Gods getuigenis groeien? wordt de weg tot geloof niet gebaand door zuivere kennis van Gods woord? en komt men tot deze niet door eenen vrijen geest des onderzoeks? staan heiligheid, geloof, kennis en vrijheid
10
van onderzoek en denken dus niet in het nauwste, onver-brekelijkste verband tot elkander? â Maar ontneemt nu den mensch die vrijheid van onderzoek, dan sluit gij hem immers den weg om tot heiligheid en deugd, of ware godzaligheid te komen? Ten minste brengt gij hem in gevaar, dat zijne godzaligheid niet die zuiverheid heeft, waardoor zij eene evangelische godzaligheid wordt; in gevaar zelfs om voor godzaligheid te houden, hetwelk geene godzaligheid, maar slechts eene menschelijke verordening is, in gevaar derhalve om meer de menschen dan God en zijnen Zoon te dienen? â Eindelijk: Is er eene grootere eere, een uitnemender voorrecht, eene krachtiger opwekking tot een Gode gewijd leven, en eene rijkere bron van troost en zaligheid uit te denken, dan dat de nietige mensch tot den oneindigen God onmiddellijk kan naderen; dan dat de zondaar onbeschroomd tot den Heilige kan gaan, met Hem als zijnen Vader kan ver-keeren, Hem alles zeggen, wat hem drukt, alles voordragen, wat hij wenscht, van Hem alles goeds hopen ? â Maar ontzegt hem nu die eer, betwist hem dat voorrecht, dringt hem op, dat hij te nietig, te onrein is, om zoo tot God te naderen, dat hij, behalve den goddelijken Middelaar en Voorspraak Jezus, nog andere voorspraken behoeft; zal dat, al waren die voorspraken, waarop gij hem wijst, oneindig verre boven hem in waarde en voortreffelijkheid verheven, wel eenen evangelischen kinderzin, wel een echt verkeer met God kunnen bevorderen? zal hij hierdoor zelfs niet in het grootste gevaar komen, om hard van God te denken, om door noodelooze gewetenskwellingen gefolterd te worden, om op het pad des bijgeloofs te vervallen, om tot nietige boete-
---
n
r- doeningen te komen, en hierdoor dien vrijen, christelijken
in geest te verliezen, en met eenen slaafschen geest, met eenen
rs geest der dienstbaarheid vervuld te worden? â Zoo staat
id dan ook dit gedeelte der christelijke vrijheid even als het
ie andere in het allernauwste verband met onze wezenlijke
ie volmaking en gelukzaligheid.
or Ziet daar, M. H.! dit is de vrijheid, met welke Christus ar ons heeft vrijgemaakt; deze is haar aard, deze hare waarde, ve Aan Hem, den Eengeboren\' Zoon des Vaders, den Heiland â der wereld, hebben wij haar te danken. Hij zelf bracht t- haar uit den hémel op deze aarde, verwierf ze door zijn ij bloed, en schonk ze ons door zijnen Geest. â Welk eene n, eer, welk een voorrecht, welk eene weldaad! â Kon er iets d- grooters, iets heilzamers aan nietige menschen, aan diep tot hedorvene, diep schuldige, hoogst onwaardige zondaren ge-3r- schonken worden? â Is het mogelijk hierop te zien, en niet n, met dank vervuld te worden? Mogelijk, op dit geschenk des it- Vaders, en op Hem, die het ons langs zulk een moeielijken Jm weg aanbracht, het oog te slaan, zonder tot de vurigste hulde, in, dank en aanbidding gedrongen te worden? Dat wij dan den ak drang onzer harten volgen, en Hem, die op den troon zit, en en het Lam, dat voor ons geslacht is, de eer en de heerlijkere heid toebrengen.
vel
net âHem, die op den troon zit, en het Lam, dat geslacht is,
tiet zij de eer en de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid.quot; â
3m Gewisselijk klom deze lofzang in vele vergaderingen der
om Christenen, van de vroegste tijden af, met de vurigste ge-
te- beden ten hemel, zoo dikwijls men op het vereerende en
42
zalige van dit voorrecht zag, op die vrijheid, met welke Christus ons heeft vrij gemaakt. â Maar zou men nu ook niet hebben mogen verwachten, dat men dit geschenk des hemels door alle eeuwen heen zoude erkend, naar behooren gewaardeerd, als het dierbaarst kleinood bewaard, en uit alle krachten, ja meer dan goed en leven gehandhaafd hebben? â Dan, helaas! dit groote goed werd miskend, niet geteld, veracht, vertrapt, zelfs door hen, die er mede verwaardigd waren. â Christenen waren het, die hunnen Medechristenen dit voorrecht wilden betwisten. Christenen waren het, die het vrije onderzoek des Bijbels stremden, zulks als den snoodsten gruwel verdoemden, en durfden zeggen: âdat de H. Schrift haar kracht en aanzien slechts van den Paus en de Kerk ontleende, en dat het dezen alleenlijk toekwam, derzelver zin en meening te bepalen, en aan hare uitspraken eene verbindende kracht te geven.quot; â Christenen waren het, die den eenigen Middelaar niet genoegzaam keurden, en de voorspraken der Heiligen aan zijne zijde plaatsten, die hunne broederen wilden beletten rechtstreeks tot den Vader te gaan, den scheidsmuur, door Christus zei ven weggenomen, weder wilden oprichten, en de gewetens in boeien kluisteren. â Christenen waren het, welke dit voorrecht zichzelven geheel alleen boven hunne Medechristenen wilden toeëigenen; die te vuur en te zwaard verdelgden, welke dit voorrecht, hun door God zeiven geschonken, wilden bewaren en handhaven; die in de ingewanden der Kerke wroeten, en het Rijk van den Heer, in plaats van het op te bouwen, tot den grond toe dreigden af te breken. â Een akelige nacht verving den blijden morgen; een nacht van
13
onkunde, van dwaling, van gruwelen. De waarheid lag begraven, en de wijnberg des Heeren verwoest. Ach! hadde God zich niet ontfermd, nog zou die nacht ons drukken, nog zou de vriend der waarheid angstvol vragen: âWachter! wat is er van den nacht?quot; maar ook het ter nederslaande antwoord ontvangen; âde morgenstond is wel gekomen, maar het is nog nacht.quot; â Dan, Gode zij dank! die oude nacht is voorbij gegaan, de schemering weêr aangebroken, op haar is de blijde morgen gevolgd, en die morgen is het onderpand van eenen helderen, vollen middag.
Drie eeuwen geleden schonk Hij, aan wiens voeten alle dingen onderworpen zijn, en die door den Vader gezet is tot een Hoofd boven alle dingen, ons dit verloren en onwaardeerbaar groot voorrecht weder. â Maarten Luther, geboren in Saksen, voorgegaan door brave en verstandige mannen in de Roomsch-katholieke kerk, voorgegaan inzonderheid door Nederlanders, welke nog het sieraad onzer natie zijn en altijd zullen blijven; gerugsteund door kundige en moedige medearbeiders in Duitschland en Zwitserland; uitgerust daarenboven met een helder doorzicht, met eenen on-versaagden, alles trotseerenden moed, met eene onuitdoof bare liefde voor waarheid en recht, en met de edelste zucht, om de eer van God en den Verlosser en het heil zijner mede-menschen te bevorderen; deze man was het, welken de Heer der kerke zoo zichtbaar verwekte en gebruikte, om dit groote werk te werken. â Hij was het, die de snood vertrapte, zoo lang begravene waarheid weer opdolf, uit het stof verhief, en openlijk ten toon stelde. Hij was het, die den blinddoek van de oogen van duizenden wegnam, den scheids-
44
muur, welke onkunde, bijgeloof en boosheid tusschen God en den mensch zochten op te richten, met mannenmoed om-verre wierp, de kluisters des gewetens verbrak, en de zoo deerlijk mishandelde christelijke vrijheid weêr in het heerlijkste licht plaatste. â Hij was het, die van geenen anderen regel des geloofs wilde hooren, dan van dien der goddelijke Openbaring; die iedereen de vrijheid en het recht toekende, om het woord van God zeiven te onderzoeken; die den grooten Zoon van God, als den eenigen Middelaar en oorzaak der zaligheid, wilde geëerbiedigd hebben; die ter verdediging dier hemelsche waarheden openlijk optrad, ze voor Vorsten en hunne stedehouders, voor geleerden en leeken, voor rijken en armen, rondborstig beleed en manmoedig handhaafde; die goed, vrienden, leven, ja alles voor baar over had, en noch door beloften, noch door bedreigingen aan het wankelen konde gebracht worden.
Dit weldadige licht, in Duitschland zoo heerlijk opgegaan, drong spoedig door tot in ons vaderland; weldra vernam men hier, wat dèar gebeurde. Dit goede zaad vond in ons vaderland eene wel toebereide aarde. Reeds veertig jaren van te voren hadden helder denkende Nederlandsche mannen, achtenswaardige leden der Roomsch-katholieke kerk, tegen de hand over hand toenemende misbruiken en wanbegrippen dier kerk geijverd, op den eenigen waren regel des geloofs met kracht en moed gewezen, en hunne zuchtende medechristenen van de kluisters des bijgeloofs zoeken te bevrijden. Geen wonder derhalve, dat luthers gezuiverde begrippen in ons vaderland met blijdschap omhelsd, met zorgvuldigheid aangekweekt en met ijver verbreid werden. Geen wonder.
45
dat men dit hemelsche licht boven alles zocht te bewaren, en daarvoor goed en leven en alles over had. Geen wonder, dat de strengste bloedplakkaten, noch die van karel den Vden, noch die van zijnen zoon filips, in staat waren dit licht uit te blusschen, en dien onwaardeerbaren schat aan onze vaderen te ontrooven. Ja zij waren het, aan wier moed, standvastigheid, edele zelfopoffering en warme liefde voor hun nakroost, men het, naast de volijverige en belanglooze pogingen van den onvergetelijken willem den Isten en inzonderheid naast de hulpe van God te danken heeft, dat wij dit onschatbaar voorrecht nog ongeschonden bezitten, en op dezen dag met duizenden onzer medechristenen ootmoedig en dankbaar kunnen juichen, âde duisternis is voorbijgegaan, en bet waarachtige licht schijnt nu!quot;
Welk eene gebeurtenis! Hoe groot en weldadig, van welke zijde wij die ook mogen beschouwen! Immers is zij het, door welke de Allerhoogste aan zoo vele landen van Europa, en vooral aan ons vaderland, drie eeuwen achter elkander, de uitnemendste zegeningen geschonken heeft. Immers is zij het, die op de verlichting des verstands, op de aankweeking van kunsten en wetenschappen, op de uitbreiding van den koophandel, op de verbetering der staatsbesturen, en inzonderheid op de bevordering van echte bijbelkennis en op deugd en goede zeden den allerweldadigsten invloed gehad heeft. Gewisselijk onder alle groote gebeurtenissen, welke, na de komst van Gods Zoon in het vleesch en na de uitstorting van den Geest op het Pinksterfeest, op deze aarde voorvielen, komt aan deze gebeurtenis de eerste rang toe, zij staat in denzelfden rij met die grootste van alle. Gewisselijk ware
16
die dag niet aangebroken, nog zouden wij in de akeligste duisternis ronddwalen, nog zou het woord van den levenden God voor ons en onze kinderen een verzegeld boek zijn. â Lof en aanbidding, eer en heerlijkheid worde Hem en zijnen grooten Zoon dan door ons allen, op dezen dag, voor zijne uitnemende zegeningen toegebracht.
Slaat dan in de vrijheid, met welke Christus ons heeft vrij gemaakt, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen. â Dit riep paülus den Christenen in Galatië toe; en dit beboeren wij en alle Christenen, welke met ons dit Feest vieren, elkander op dezen dag toe te roepen, daar wij thans aan de herstelling van dit onwaardeerbaar voorrecht plechtig gedenken.
Staat dan in de vrijheid en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen. Bewaart ze met alle mogelijke zorgvuldigheid, en maakt van die vrijheid een recht en doelmatig gebruik. Deze twee denkbeelden liggen in deze woorden des Apostels; in deze twee stukken bestaat de ware dankbaarheid voor deze weldaad; en tot deze twee dingen zijn wij ten duurste verplicht. Van belang is het, dezen tweeledigen plicht te kennen en te beoefenen, daar buiten dit de feestviering ons geen waar nut kan aanbrengen, noch de groote en weldadige geest der Hervorming onder ons bevorderd worden.
De Christelijke vrijheid, door de Hervorming hersteld, moeten wij met de grootste zorgvuldigheid bewaren, haar standvastig aankleven, en op onze hoede zijn, dat wij niet wederom onder eenig juk gebracht worden. Hiertoe zijn wij in de eerste
17
ste plaats verplicht, dit is het eerste gedeelte der dankbaarheid, en welke God van ons vordert.
â Het menschelijk bederf is nog te groot; de eigenliefde,
ien de trotschheid, en de zucht om gelijk te hebben zijn nog jne te diep geworteld; de vooroordeelen, de invloed van het menschelijk gezag op de denkwijze en het geloof der men-schen nog te sterk, dan dat eene zorgvuldige bewaring van rrij dit kleinood als iets overtolligs zou kunnen beschouwd wor-eid den. Zoolang toch die opgenoemde verkeerdheden nog onder De; de menschen gevonden worden, zoolang is deze schat nog dit niet volkomen veilig; en zijn wij nog in gevaar, dat die oude wij nacht of een dergelijke, niet minder akelige, wederkome. â cht Willen wij derhalve bewaren, wat wij hebben, in het bezit en genot er van blijven, dan moeten wij waken, inzonderheid ]uk legen alle menschelijk gezag in den Godsdienst.
jke Geen menschen, zij mogen zijn, wie zij zijn; geen vor
en sten, geen leeraren, geen kerkvergadering staat het vrij, eze eigendunkelijk te bepalen, wat wij al dan niet te gelooven are hebben. Ook zij zijn, evenzeer als elk, aan den eenigen jen regel, aan dien des Bijbels gebonden, en hebben de macht zen niet om iemand te beletten met eigen oogen te lezen, wat dit in den Bijbel staat, en de geesten te beproeven, of zij uit de God zijn. Deze Christelijke vrijheid schonk Gods Zoon ons, or- toen hij op deze wereld kwam, en herstelde die met zulk eene machtige hand, toen zij onder de Christenen schier we- geheel verloren was. Bewaren moeten wij dus dit onwaar-stig deerbaar voorrecht, en geene zorge, geene moeite, geene om opofferingen moeten ons daartoe te zwaar zijn.
rsle üoor Gods groote genade beleven wij tijden, waarin de
Homilarium 11. 2
18
vorsten van Europa, zelfs Roomsch-katholieke vorsten, deze ^
vrijheid en dat recht hunnen ingezetenen als een onbetwist- m
baar en onvervreemdbaar goed toekennen en behoorlijk hand- g£
haven. â Door Gods genade leven wij in een land, alwaar jg
de grondwet van staat die vrijheid waarborgt; en onder een je(
kerkbestuur, welks hoogste vergadering met dienzelfden re
echt-Evangelischen geest bezield is, daarvoor rondborstig ^
da
Ol
Di
uitkomt, een vrij onderzoek des Bijbels voor het grootste voorrecht en den duursten plicht houdt, en hierdoor in de schoonste overeenstemming staat met die Hervormers in ons
vaderland, welke ten jare 1562 de Nederlandsche Geloofs- ve
belijdenis opstelden, uitgaven en daarbij onbewimpeld ver- (}0
klaarden: âdat niemand hunner bij het opstellen en uitgeven va
dier belijdenis er aan gedacht had, om dezelve aan eenen in
eenigen mensch tot eene regelmaat voor zijn geloof op te W⬠dringen; maar dat het alleenlijk hun doel geweest ware, om
hun geloof uit den Bijbel voor te dragen en te bevestigen. re(
Dat geene menschelijke uitspraken in zaken van den Gods- wjj
dienst eenige de minste verbindende kracht hebben; dat het (jg,
woord Gods die alleen heeft, en dat het dus een ieder vrj
vrijstaat, zelve te onderzoeken, en datgeen, hetwelk hij als ju^ waarheid heeft leeren kennen, te omhelzen en vrijmoedig te
belijden.quot; â Van deze zijde beschouwd, hebben wij derhalve en
geene reden van vreezen, dat ons zal ontnomen worden, wat sja, wij hebben, dat wij wederom onder het juk der dienstbaar- 1 ver
heid zullen gebracht worden; geene reden van vreezen, dat js
wij immer, ter bewaring en handhaving van dit voorrecht, js
ten bloede toe zullen behoeven te strijden. gro,
Dan, M. H. er is eene andere zijde, van welke de vrijheid, (jlls
met welke christus ons heeft vrijgemaakt, belaagd, en wij met een nieuw juk bedreigd worden. Ten sterkste voel ik mij gedrongen, U hierop bij dit Feest opmerkzaam te maken en daartegen te waarschuwen. Wij hebben namelijk tijden beleefd, en beleven die nog, in welke men de menschelijke rede al te zeer zoekt te verheffen, hare uitspraken met die der Openbaring gelijk stelt, ja daarboven plaatst, en daardoor den goddelijken oorsprong des Bijbels en dien der Openbaring, daarin vervat, den bodem tracht in te slaan. Dit wanbegrip heeft den schadelijksten invloed op de zuivere verklaring des Bijbels gehad; de waarheden des Christen-doms zijn er door verdonkerd, de grootheid en verdiensten van onzen eenigen Heiland er door verminderd, zelfs geheel in de schaduw geplaatst, ja Jezus zoo uit het Evangelie weggenomen, dat Jezus geen Jezus gebleven is. â
Willen wij derhalve dankbaar zijn voor het groote voorrecht, aan hetwelk wij op dezen dag gedenken, dan moeten wij waken tegen den invloed van alle menschelijk gezag in dezen; waken tegen dit verregaand misbruik der christelijke vrijheid, opdat wij niet onder een nieuw maar veel erger juk der dienstbaarheid komen; waken vooral, daar dit wanbegrip de bedorvene neigingen der menschen zoo streelt, en hen, eer zij er om denken, in de verschrikkelijkste boeien slaat. â Het is waar, ons Vaderland is met dit vergift op verre na niet zoo besmet, als het naburige Duitschland; het is waar, menigeen is van dit kwaad teruggekomen; echter is het nog niet zoo geheel en al uitgeroeid, dat men met grond kan zeggen: vrede, vrede, en geen gevaar! â Zijt dus op uwe hoede tegen deze belaging der ware christelijke
2»
20
vrijheid, en bewaart, wat gij hebt, opdat niemand u uwe krone ontneme.
Wilt gij intusschen van deze zijde beveiligd, volkomen beveiligd zijn, dan is het volstrektelijk noodig, dat gij van die vrijheid, met welke Christus ons heeft vrijgemaakt, een goed en met het weldadig doel des grooten Gevers geheel overeenstemmend gebruik maakt. Hiertoe zijn wij in de tweede plaats verplicht, en dit is het ander gedeelte der dankbaarheid voor de weldaad der Hervorming.
Niet genoeg is het M. H.! dat wij de vrijheid hebben om zelve te denken, om zelve te onderzoeken. Dit maakt ons nog niet metterdaad vrij. Willen wij waarlijk vrij, volkomen beveiligd zijn tegen alle, zoo oude als nieuwe kluisters, dan moeten wij van die vrijheid van onderzoek het trouwste gebruik maken, en er ons met allen ernst op toe leggen, dat wij onze godsdienstige kennis eerst en vooral uit het woord van den onfeilbaren God zeiven opzamelen; dat onze godsdienstige begrippen zuivere bijbelsche begrippen, en de hoofdgronden, op welke die steunen, geene andere zijn, dan die de goddelijke Openbaring zelve aan de hand geeft. Dan moeten wij er ons met allen ernst op toe leggen, dat onze menschelijke rede, dat groot geschenk van God, en buiten welke wij van dit voorrecht geen gebruik zouden kunnen maken, door de Openbaring geleid, geheiligd en zoo dienstbaar gemaakt worde, om eene zuivere, grondige kennis der Bijbelwaarheden te erlangen, en met volkomene overtuiging in te zien, welke menschelijke en welke goddelijke leeringen zijn. â Wilt gij in dezen met een goed gevolg bezig zijn, leest dan uwen Bijbel met alle mogelijke eenvoudigheid; stelt u, lezende,
21
voor, dat het een boek is, geschreven door menschen voor raenschen; geschreven in de menschelijke taal, onder bewoordingen en voorstellingen, welke menschen gewoon zijn te gebruiken, en aan welke die zin moet gehecht worden, welken menschen doorgaans daaraan hechten. â Leest uwen Bijbel verder met den verschuldigden eerbied, stelt u, dien lezende, voor, dat het God is, welke daar door menschen tot menschen zijnen verborgen, hoogst weldadigen wil bekend maakt, door menschen den menschen toeroept: âdit is de weg, bewandelt denzelvenen dat dus aan alles zulk een zin moet gegeven worden, als met de hooge volmaaktheden Gods, en inzonderheid met zijne heiligheid en liefde het meeste overeenkomt. â Leest uwen Bijbel daarenboven met de noodige belangstelling-, stelt u, dien lezende, voor, dat gij hier de eenige ware bron van licht voor uw verstand, van troost voor uw hart, van reinheid en heiligheid voor uw gevoel, van kracht en standvastigheid voor uwen wil vindt, en dat er onder den geheelen hemel geene andere leer is, door welke wij kunnen zalig worden. â Leest zoo dit woord, en gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrij maken.
Niet genoeg is het, M. H.! dat wij door Christus de vrijheid hebben, om den Allerhoogste als onzen Vader aan te merken, tot Hem als onzen Vader te gaan, met hem gemeenzaam te verkeeren, en van Hem alles goeds te verwachten. Zulks brengt ons nog niet tot die heerlijke vrijheid der kinderen Gods. Willen wij dezen onwaardeerbaren schat metterdaad bezitten, dan moeten wij van dit groot voorrecht het allertrouwst gebruik maken. Geen dag moet er in ons
22
leven komen, in welken wij ons God niet in dat licht voorstellen; geen dag, in welken wij zijne oneindige liefde niet in zijne werken, in onze lotgevallen en zijn eeuwig gezegend woord met heldere blikken zoeken te aanschouwen; geen dag, in welken wij onze geheele ziel, alle onze gewaarwordingen, alle onze overleggingen, alle onze wenschen niet op Hem richten, niet voor Hem uitstorten, geen dag, in welken wij niet zoo met Hem trachten te verkeeren, als het teeder-lievendste kind met zijnen boven alles beminden vader en moeder verkeert. â Maken wij zulk een gebruik van de vrijheid, ons door Christus geschonken, dan zal de teederste kinderzin in ons verwekt worden; de grootste bezorgdheid, om immer eenig denkbeeld te voeden, dat onzen Hemelschen Vader of onzen goddelijken Verlosser tot oneer zou kunnen zijn, eenig denkbeeld, dat van zijn onfeilbaar woord afwijkt, en met zijn eeuwig gezegend Evangelie strijdt; de grootste bezorgdheid, om immer iets te zeggen, immer iets te doen, hetwelk met zijnen heiligen en volzaligen wil niet overeenkomt; de grootste bezorgdheid, om in leer en leven, voor Hem en onzen Heer, zelfs in het minste berispelijk te zijn. â Maken wij zulk een gebruik van onze christelijke vrijheid, dan zal zij voor alle belagers volkomen veilig, dan zal niemand in staat zijn ons onder eenig juk te brengen, dan zal het voor de wereld blijken, dat wij niel meer dienstknechten, maar zonen zijn. â Maken wij zulk een gebruik van de christelijke vrijheid, dan zal de liefde tot God, tot den Verlosser en tot alle onze medemenschen ons dringen, om hen tot die heerlijke vrijheid der kinderen Gods te brengen, om een ieder dit goddelijk Boek in handen te
23
geven, waarin deze parel van groote waarde ligt opgesloten, en met kracht toe te roepen; âZoekt, zoekt en gij zult vinden.quot; â Dan zullen wij medearbeiders Gods en medearbeiders van Christus worden; medewerken, dat de heerlijke weldaden der Hervorming op kinderen en kindskinderen overerven, ja, medewerken, dat het goddelijke licht, door Christus ontstoken en hersteld, eene zonne wordt, die de wereld verlicht, de volken beweldadigt, en den rijksten oogst der zaligste vruchten aanbrengt.
Amen.
j. l. wolterbeek.
II.
Leerrede ter viering van het elfde eeuwfeest der invoering van het Christendom in Nederland en van den 3SSstei1 jaardag der Kerkhervorming1).
Psalm 89 : 1, 7. Gez. 151 : 5. Gez. 152: 3. Gez. 50 : 3, 4.
Wij zijn thans op een tijdstip bijeenvergaderd, hetwelk voor het godsdienstig en Christelijk gevoel van een iegelijk onzer, zelfs meer dan gewoonlijk, treffend en belangrijk wezen moet. Er komt eene dubbele herinnering tot ons van weldaden en voorrechten, die wel de grootste en heerlijkste mogen genoemd worden, onder zoo vele, die ons door Gods ontfermende liefde zijn toegevoegd. â De invoering des Christendoms in ons Vaderland: ziet daar de ééne! En wie onzer, die een Christelijk hart in zich omdraagt, die voor zich zelf op den zegen des Christendoms prijs stelt, die slechts van verre zich den ongelukkigen toestand kan voorstellen, aan welken daardoor, voor ons land en volk, een einde ge-
1
Voor \'t eerst in druk verschenen in het jaar 1839.
25
maakt is; wie vereenigt zich niet gaarne in den geest ook met zijne Roomsch-Katholieke landgenooten, die heden juist het llde Eeuwfeest dier altijd onvergetelijke gebeurtenis vieren? â De Kerkhervorming, welke, op den 31sten October, nu 322 jaar geleden, haren aanvang nam, om, ook voor onze vaderen en voor ons, het licht en de vertroostingen des Evangelies met nieuwe kracht te doen aanbreken: ziet daar de andere herinnering, waartoe deze ure ons roept, en welke wij allen gewis ons gelukkig achten met de voorgaande te kunnen vereenigen. â Toehoorders! mochten wij het doen onder het dankbaarst gevoel, en tot lof en prijs dier ontfermende goedheid, welke ons boven duizenden geslachten, ja boven duizenden onzer medechristenen zoo ruimschoots en zoo onverdiend heeft willen beweldadigen! Maar mochten wij het doen, niet minder tot onze eigene opwekking en aanvuring, om zoo heerlijke voorrechten, aan ons verleend, recht te leeren waardeeren, recht te leeren gebruiken, en, door toenemende verlichte kennis, en ongeveinsd geloof, en hartelijke godsvrucht, met Gods hulp er recht aan te leeren beantwoorden.
Zoo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods:
Gebouwd op het fondament der Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen:
Op welken het geheel gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot eenen heiligen Tempel in den Heer.
Op welken ook gij mede gebouwd wordt tot eene woonstede Gods in den Geest.
Efese II : 19â22.
Ik ken geene andere Bijbelplaats, in welke alles, wat wij aan onze toebrenging tot het Christendom en aan de gezuiverde bediening en belijdenis van het Evangelie verplicht zijn, tegelijk met hetgeen op de ver vooruitziende bedoelingen en eischen van het Evangelie betrekking heeft, in kort bestek, zóó aanschouwelijk ons voor oogen gebracht wordt, als zulks in de voorgelezen tekstwoorden het geval is. Immers, zij roepen ons de tijden voor den geest, toen, in den nacht van Heidensche duisternis, het eerste morgenrood des Evangelies ook over ons Vaderland aanbrak. En evenzeer herinneren zij ons het nog heugelijker tijdstip, toen, door de Hervorming der Kerk, die eerste morgenschemering in den vollen dageraad des Christendoms overging. Ja, den sluier
27
der toekomst lichten zij als voor ons op, om, te midden van zooveel verkeerds en gebrekkigs, hetwelk Gods Koninkrijk onder de menschen nog bevlekt of ontsiert, door het uitzicht op betere tijden, ons vertrouwen en onzen moed te schragen; maar niet minder ook, om ons de dure verplichting in te prenten, dat wij aan de roeping, met welke wij geroepen zijn, een iegelijk, in de kracht van God, zoo veel in ons is, moeten beantwoorden.
Om kort te gaan: ome hooge voorrechten, uitzichten en verplichtingen, als belijders van het Christendom, en als bestraald door het licht des gezuiverden Evangelies: dit is hetgeen onze tekst ons voor oogen houdt. En ziet daar ook, hetgeen nu op denzelven mijne keuze bepaalde. Want op een oogen-blik, als het tegenwoordige, tot de Gemeente sprekende, kon en mocht ik de groote weldaden niet onvermeld laten, welke Gods ontfermende liefde, in onze roeping tot het Christendom , en onze toebrenging tot de Hervormde belijdenis, over ons allen heeft uitgestort.
Ik zal u daartoe den rijken inhoud der woorden, u voorgelezen, niet op eenmaal voorstellen, maar uwe aandacht liever stukswijze daarbij bepalen; omdat juist de vier achtereenvolgende afdeelingen van onzen tekst zoo uitnemend geschikt zijn, om, bij de herinnering der hooge voorrechten, uitzichten en verplichtingen, tot welker beschouwing deze ure ons roept, ons ten leiddraad te dienen.
De Vader van alle barmhartigheid, aan wien wij zoo groote weldaden verschuldigd zijn, zegene nu ook dit ons feestelijk herdenken er van aan ons aller hart en ons aller leven! Zijn Geest wekke en versterke zulke dankbare gevoelens in
28
ons, die in al onze gezindheden en daden zich openbaren. Amen!
I.
Hetgeen in de woorden van onzen tekst, thans wel in de eerste plaats, onze aandacht en belangstelling tot zich trekt, is, dat daarin de herinnering tot ons komt dier heerlijke weldaad, welke de goddelijke barmhartigheid, nu elf eeuwen geleden, door de invoering van hel Christendom in ons Vaderland, aan ons voorgeslacht en ook aan ons bewezen heeft. Immers daarom alleen kan ook tot ons, gezegd worden, evenzeer als tot de Christenen, aan welke Paulus schreef; zoo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en huisgenooten van God!
De Apostel schreef deze woorden aan Christenen, die vroeger Heidenen waren. Hij achtte het van belang, hun dezen vroegeren ongelukkigen toestand in het geheugen terug te roepen. Zij zouden er door worden opgewekt, om hunne tegenwoordige voorrechten des te hooger te schatten. Daarom gedenkt, zoo schrijft hij in het ilde vers, dat gij eertijds Heidenen geweest zijt, en dat zij, die op den naam van besnedenen zich beroemden, toen op u, als onbesnedenen, met diepe verachting neerzagen; dat gij toen waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israels, vreemdelingen van de verbonden der belofte, geene hope hebbende, ja, zonder God in de wereld! Maar ziet, welk eene heerlijke verandering, door de genade van God, met hen was voorgevallen! Gelijk de Apostel in het 4e vers zich uitdrukt: God, die rijk is in barmhartigheid,
20
i. had naar zijne groote liefde, ook hen, die dood waren in mis
daden, met Christus levend gemaakt; hen als uit den dood in het leven teruggeroepen; opdat Hij, â door ook Heidenen in alle weldaden des Evangelies, in vergeving van zonden en een eeuwig leven te doen deel krijgen, â door alle toe-le komende eeuwen heen, den rijkdom van zijne genade in
t, Christus luisterrijk zoude tentoonspreiden!
:e Is het wel te verwonderen, dat de Joodsche natie, zoo
n gewoon zich zelve, bi] uitsluiting, als het heilige volk van
God te heschouwen, dezen rijkdom der goddelijke liefde zich \'t. nauwelijks konde voorstellen; en dat zij, die, uit de Joden,
l, Jezus als den Messias erkend hadden, niet gemakkelijk tot
f: de goddelijke gedachte zich konden verheffen, dat die Mes-
ir sias de Verlosser, niet slechts der Joden, maar ook der Hei
denen, wezen zou? Dat zij dan ook de Heiden-Christenen, ie nog bij voortduring, als vreemdelingen en bijwoners bleven
n beschouwen? Ja, dat dezen zelfs, omdat zij vroeger Heide-
ig nen waren, de Joodsche Christenen, met welke zij in aan-
ie raking kwamen, als hunne meerderen aanzagen, en lichtelijk
m zich verleiden lieten, om naar derzelver bekrompenheid en
i\' vooroordeelen zich te schikken, als moesten zij eerst, door
w de onderhouding van de werken der Wet, van het recht op
i- de weldaden van het Evangelie zich verzekeren.
\\d Maar deze juist was de dwaling, welke de Apostel, gelijk
»r elders, zoo ook in ons tekst-hoofdstuk, met kracht en vuur
V. te keer gaat. Neen, niet uit de werken, zegt hij vs. 9, opdat le niemand roeme! Er is geen onderscheid. Nu in Christus
n Jezus zijnde, zijt gij, die eertijds verre van God waart, zoo wel
l, als de geloovigen uit de Joden, nabijgekomen door het bloed van
30
Christus! Hij, de bevrediger bij uitnemendheid, heeft beiden, Joden en Heidenen, tot één gemaakt; den scheidsmuur, de Wet, namelijk, omvergeworpen; in één ligchaam, door het kruis, beiden met God verzoend; aan beiden evenzeer, door het evangelie, den vrede verkondigd; opdat beiden, door deelgenootschap aan denzelfden geest en dezelfde voorrechten, den toegang gelijkelijk hebben zouden tot denzelfden Vader. En in onzen tekst besluit hij: Zoo zijl gij dan nu niet meer vreemdelingen of bijwoners; maar medeburgers der Heiligen: gij deelt in alle voorrechten, welke oorspronkelijke Joden genieten: ja, gij zijt huisgenooten Gods; met hen, voorzoover zij in Christus gelooven, zijt gij leden van hetzelfde huisgezin en gelijkelijk onderdanen van dat Hemelsche Koninkrijk, hetwelk door Christus hier op aarde is opgericht.
Die Apostolische woorden, Toehoorders! zijn ook tot ons gesproken. Ook omtrent ons geldt het: zoo zijt gij nu niet meer vreemdelingen of bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods! Want al zijn wij uit Christen-ouders geboren en van der jeugd af in het Christendom ingelijfd; al zijn onze vroegere vreemdelingschap en onze tegenwoordige voorrechten, reeds op eeuwen afstands, van elkander verwijderd; en al is er niemand, die ons het recht op het volle bezit van de weldaden des Evangelies zou willen strijdig maken; dit neemt toch niet weg, dat wij ook op voorouders terugzien, die, als Heidenen, vreemdelingen waren der beloften, en zonder hoop, en als zonder God en zonder Christus, in de wereld voortleefden! Dit neemt niet weg, dat de weldaad der goddelijke liefde, aan welke het behaagd heeft, ons land en volk met het licht des Christendoms te
31
bestralen, voor ons even groot en heerlijk is, als zij geweest is voor de Christenen, aan welke de Apostel deze woorden toevoegt. Dit neemt vooral niet weg, dat wij de voorrechten, ons door Gods genade geschonken, des te hooger en dierbaarder schatten zullen, naarmate wij meer indachtig blijven, hoe zij, uit wier bloed wij gesproten zijn, hier eenmaal in duisternis nederzaten, welke, had God het niet verhoed, ons nog zoude bedekken!
Wij kunnen het ons wel nauwelijks voorstellen, maar het is toch zoo, dat op denzelfden grond, op welken wij thans zoo vele en zoo groote Christelijke voorrechten genieten, eenmaal blindheid en woeste barbaarschheid heerschten. Toen groeiden hier de bosschen, aan Wodan, of andere valsche Godheden, toegewijd. Toen stonden hier de altaren, op welke men aan Zon of Maan, in plaats van aan Hem, wiens vingeren ze formeerden, godsdienstige hulde toebracht. Toen bekleedden hier tooverkunst en wichelarij de plaats van het geloof aan eene wijze en goede Voorzienigheid. Toen werden hier de brandstapels opgericht, op welke men dieren, ja menschen, offerde, tot verzoening, gelijk men meende, van vertoornde Goden. Want God, den Schepper der wereld, en Christus, den Zaligmaker van zondaren, kende men niet. En schier van alles verstoken, waardoor de redelijke mensch boven de dieren des velds verheven is, gaf men aan iedere opwelling der woeste driften gehoor, en was men dood in zonden en misdaden!
Maar hoe verre ook van God verwijderd. Zijne liefde gedoogde niet, dat onze vaderen altijd vreemdelingen bleven. Eindelijk verrees, na den hangen nacht, een liefelijk mor-
32
genrood aan de kimme. Het was in het jaar 690. Toen is het geschied, dat de edele Willebrord, door de opwekking en het voorbeeld van een\' Wilfried en Egbert aangevuurd, met andere tochtgenooten, als Apostel van het Christendom, uit het reeds Christelijke Engeland naar onze nog heidensche kusten overstak, om, onder tallooze bezwaren, hier de eerste stralen van licht te ontsteken; om hier, bijna eene halve eeuw lang, onvermoeid te arbeiden, alleen voor het heilige doel, hetwelk hem herwaarts gedreven had; maar om ook, toen hij, in het jaar 739, van zijne aardsche taak werd opgeroepen, die edele zelfvoldoening te smaken, dat hij de meeste gewesten onzes Vaderlands, met Gods hulp, aan de dienst der afgoden ontrukt en voor het kruis van Christus gewonnen had.
Het is zoo, niet meer kon een Willebrord aan anderen geven, dan hij zelf bezat, en geen schooner licht hier aanbrengen, dan hij zelf kende. Maar hetgeen hij heeft aangebracht was toch de algemeene omtrek van de leer onzer behoudenis, zoo als de kerkelijke overlevering die destijds meer of min duidelijk had bewaard doen blijven. Zelfs mogen wij er bij voegen, dat juist die gebrekkige leer, welke hij verkondigde, onder het aanbiddelijke bestuur der Voorzienigheid, zulk een vorm der Christelijke belijdenis en eerdienst geweest is, welke voor den nog geheel onbeschaafden toestand onzer vaderen, het meest, schier zeggen wij, alleen, geschikt was, en juist berekend, om op hunne ruwe verstanden en harten dien krachtigen en weldadigen indruk te weeg te brengen, dat zij hunne afgoden verlieten, om den alleen waren God te dienen, en in ongeveinsd geloof hunne
33
knieën te buigen voor het kruis van Christus. Vooral was hetgeen hij heeft aangebracht, van stonden aan en hoe langer zoo meer, de vruchtbare moeder van allerlei echt Christelijke denkbeelden, gezindheden en deugden, welke wij in ons Vaderland, reeds vóór de tijden der Kerkhervorming, met dankbaarheid opmerken; inzonderheid van dien gemoedelijk vromen zin, welke, schoon ook door geene gereinigde kennis voorgelicht, voor Christus en zijne zaak gaarne alles over had; welke, op eene voor ons schier onbegrijpelijke en ongelooflijke wijze, die trotsche tempelgebouwen heeft doen oprijzen, waarin wij nog ons verzamelen: ja, die zoo vele andere nuttige instellingen en stichtingen te voorschijn riep, van welke wij, tot instandhouding van onze eeredienst, tot verzorging van ouderdom en van jeugd, tot verpleging van kranken, tot onderhoud van weezen en weduwen, nog heden de rijkste vruchten plukken. In allen gevalle was hetgeen hij heeft aangebracht, het medeburgerschap mei de heiligen, waardoor onze vaderen, als leden van het Christelijke huisgezin, in alle voortgangen der algemeene en Godsdienstige beschaving en verlichting deelden. Het was het begin van eene betere toekomst. Het was, met één woord, de school, in welke ons land en volk voor eene schoonere belijdenis van het Christendom heeft moeten opwassen. En, al vereeren wij hem niet als eenen Heilige; al wordt onder ons geen jubilé voor hem gevierd; al zijn onze oogen geopend voor het gebrekkige in de leer, door hem hier verkondigd; al is het, Gode zij dank! dat een beter licht ons omstraalt, dan hij zelf aanschouwd heeft; o! wij zouden ons aan ondankbaarheid schuldig maken, wij zouden door onzeRoomsch-
Homiliarium 11. 3
34
gezinde landgenooten ons laten beschamen, waren Wille-brobds naam en nagedachtenis, vooral in deze oogenblikken, geheel uit ons geheugen en uit onze tempels verbannen. Neen, geloofd en geprezen zij God, wiens ontferming hem tot onze vaderen zond, om het juk der afgoderij en der vreemdelingschap, voor hen en ook voor ons, te verbreken; en die ons nu, daar wij met innig mededoogen terugzien op den ongelukkigen toestand, waarin ons voorgeslacht hier verkeerd heeft, tot roem van zijne barmhartigheid, met de woorden des Apostels, zeggen doet: 100 zijn wij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der Heiligen, en huisgenooten van God!
II.
Bij de dankensstof, over welke wij nadachten, hebben wij. God zij geloofd! nog eene nieuwe te voegen. Want onze tekst herinnert ons niet slechts onze toebrenging tot het Christendom, waardoor wij medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods geworden zijn; maar tevens het voorrecht, hetwelk ons door de Hervorming der Kerk, ten deel viel; dat wij ook opgebouwd zijn op het fondament der Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus de hoeksteen is!
De Apostel, aan de Heiden-Christenen schrijvende, voegde deze woorden, als in éénen adem, bij de voorafgaande. Zij behelzen dan ook eigenlijk slechts eene nadere verklaring van deze. Want diegenen, welke Paulus, van wage hunne belijdenis des Christendoms, medeburgers der Heiligen en. Gods huisgenooten genoemd had, beschouwde hij tevens, als gebouwd
35
op het fondament der Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus de hoeksteen is. Zij waren, volgens zijne beeldspraak, steenen van het nieuwe Godsgebouw, waarvan de Apostelen, met alle vroegere buitengewone leeraren of Profeten des Ouden Verbonds, den grondslag gelegd hadden, die echter alleen op Christus zeiven, als den onontbeerlijken en onwankelbaren hoeksteen, rustte. En daarmede gaf hij dan te kennen, dat zij hetzelfde Evangelie beleden, hetwelk, door de Profeten van den ouden dag reeds aangekondigd en door de Apostelen en Evangelisten gepredikt, aan Jezus Christus niet slechts zijnen oorsprong te danken had, maar van hetwelk Hij zelf den inhoud, de ziel en het middelpunt uitmaakte. Gebouwd te zijn op het fondament der Apostelen en Profeten, en huisgenooten Gods te wezen, komen hier dus voor als onafscheidelijke eigenschappen van dezelfde deelgenoot en der Christelijke belijdenis en van het Hemelsche Koninkrijk !
Maar wat de Apostel zich als zoo onafscheidelijk voorstelde, is helaas! niet lang één en ondeelbaar gebleven. Inlijving in het Christendom en zuivere kennis en belijdenis van het Evangelie, zoo als het door de Apostelen gepredikt was, gingen ai spoedig geenszins allerwege hand aan hand. üe mondelijke prediking toch van het woord des levens, welke aanstonds wonderen verrichtte, en heinde en verre Christengemeenten te voorschijn riep, ontaarde, bij gebrek aan de gelegenheid, om de schriftelijke oorkonden des Nieuwen Testaments te raadplegen, veelzins in de troebele bron der Overlevering, welke meer en meer, hetgeen Jezus en de Apostelen geleerd hadden, geenszins getrouw of onvermengd
3*
30
teruggaf. En zoo gebeurde het, dat althans een groot gedeelte der Christenen, terwijl zij op het voorrecht, van medeburgers der Heiligen en huisgenooten Gods te wezen, zich hoog beroemden, de leer des Evangelies, zoo als de Apostelen die gepredikt hadden, en zoo als Christus zelf daarvan het middelpunt is, niet dan hoogst gebrekkig en onvolledig, en daarenboven met allerlei menschelijke toevoegsels overladen en als onkenbaar gemaakt, in haren schoot bewaarde.
Toehoorders! het was dit Christendom, hetwelk, in den aanbiddelijken weg der Voorzienigheid, ook aan onze vaderen het eerst moest ten deel vallen. En ofschoon wij reden hebben, om God ook voor dit bewijs zijner liefde vurig te danken, omdat het ons land en volk aanvankelijk uit de duisternis tot het licht heeft overgebracht; dit licht was toch weinig meer dan de morgenschemering, welke een\' op handen zijn-den dag verkondigt. â Inderdaad, bij al het goede, hetwelk reeds door dit Christendom over onze vaderen en over ons is uitgestort, kunnen wij toch niet zonder weemoed de tal-looze afwijkingen en verbasteringen gadeslaan, welke het eenvoudige Evangelie onzer behoudenis toen schier onkenbaar maakten. â Of wat was er dan van dat woord van onzen Heer geworden, hetwelk Hij tot zijne Discipelen sprak; Gij zuil niet Rabbi genaamd worden; want één is uw meester, Christus: en gij zijt alle broeders â maar de meeste van u zal uw dienaar zijn! Wat was daarvan geworden, toen zelfs één onder de gewone Leeraren der Christenheid, alleen omdat hij in de oude hoofdstad des Rijks, het wijdberoemde Rome, gezeteld was, als stedehouder van Christus en als plaatsvervanger Gods op de aarde, zich boven al zijne mede-
37
broeders niet slechts, maar boven ieder ander menschelijk wezen verhief: toen hij de aarde en hare volheid aan zich alleen onderworpen en cijnsbaar waande, en, als eenig en onfeilbaar hoofd der Kerk, zelfs over de gewetens en gedachten der menschen willekeurig gebied voerde; toen ook een Willebrord, wilde hij ongestoord in zijnen nuttigen arbeid voortgaan, van hier naar Rome reizen moest, om van den zich noemenden opvolger van Petrus daartoe de vergunning te vragen, en hem zijne onderwerping aan te bieden: en toen ook aan onze vaderen hierdoor een juk der dienstbaarheid werd opgelegd, waaronder zij, hoe ook aan de Roomsche kerk gehecht , toch meermalen en in velerlei opzichten, weigerden den vrijen hals te buigen? En wat zullen wij dan van de eenvoudige Evangelie-leer leggen.^ Ach! schier onkenbaar werd zij, toen de Kerk zelve der H. Schrift vijandig geworden was, en in plaats van hare kinderen toe te roepen: onderzoekt de Schriften, deze zijn het, die u kunnen wijsmaken tot zaligheid, het lezen van den Bijbel tegenging, en de vertalingen er van op de lijst der verboden boeken plaatste. â Of wat van die dienst van God in geest en in waarheid, zoo als haar het Evangelie ons kennen doet? O konden deze zelfde tempelmuren spreken, zij zouden ons zeggen, boe men vroeger binnen hen samenkwam, niet om uit het woord van God geleerd en gesticht te worden, niet om in het gemeenschappelijk gebed zich te vereenigen, of gezamenlijk den Heer een lied te zingen; maar om, vaak in eene vreemde taal en in afgemeten getal, gebeden op te zeggen en lofgezangen te hooren, om voor de vele altaren der Heiligen neder te knielen, en aan dezen in plaats van
I------aULiUiXUL.-quot;
38
aan den Allerhoogste, door gebaren en ommegangen, eene a
eigenwillige hulde toe te brengen! En wat van Christus v
eindelijk, den eenigen middelaar Gods en der menschen? zi
Ach! zoo ver was het gekomen, dat men, niet dan door b
bemiddeling en voorspraak van andere middelaars, tot Hem h
meende te kunnen naderen; dat men meer nog het kruis, a
dan den Gekruiste eerde; en, maar al te veel Zijne ver- ft
dienste voorbij zag, toen men geleerd had, door eigene of d
anderer zoogenaamde verdienstelijke werken, zich eene plaats d
in de gewesten der eeuwige vreugde te kunnen verzekeren! a;
Neen, Toehoorders! toen althans scheen men van de leden h
des Ghristelijken huisgezins niet langer te kunnen zeggen, zi
dat zij gebouwd waren op het fondament der Apostelen en sl
Profeten, waarvan Christus de hoeksteen is. Maar, gelukkig, ei
ook te dezen aanzien zou de overmaat van het kwade zich d
zelve tot keerkring verstrekken. Want uit den boezem der G Roomsche kerk zelve, zijn, vooral ook in ons vaderland, in
een Thomas a kempis, een Wessel Gansfort, Erasmus o]
en anderen, de mannen opgestaan, die door hunne vroom- d^
beid en heldere, echt Evangelische inzichten, in de hand van d;
God het voorname middel geweest zijn, om een\' beteren tâ¬
dag te doen aanbreken. En toen nu eindelijk een Luther zi
en Zwingli, een Kalvyn en Melanchthon, als door een\' 0
hoogeren Geest bezield, openlijk en onbevreesd de handen M
sloegen aan de zoo langs reeds met vurig verlangen te ge- ki
moet geziene, Hervorming der kerk: wat was toen het di
middel, hetwelk zij aangrepen? Van welk wapen bedienden 01
zij zich, tegen de hun allerwege aangrijnzende vijanden? zi
O! wij behoeven het bijna niet te vragen. Het was voor vt
1
39
e allen één. Zij leiden de Christenheid naar den vergeten, ja
s verloren Bijbel, terug. En met dezen in de hand wijzen
? zij de diepte der verbastering aan, doen zij de tallooze ge-
r breken en afdwalingen kennen, en leeren zij vooral, waar
a het, in de belijdenis en betrachting van het Evangelie, boven
, alles op aankomt. Met één woord, zij bouwen alleen op het fondament der Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus
»f de hoeksteen is! En terwijl zij zoo vele ijdele vonden, die
,s de zielerust en troost behoevende mensch, in boetedoeningen,
! aflaten en zoogenaamde verdienstelijke werken, zich zei ven
a had uitgedacht, met kracht en vuur te keer gaan; wijzen
, zij op den eenigen troost, dien het Evangelie, beide in leven en
n sterven, ons aanbiedt: wijzen zij alleen op de genade van God
;, en de liefde van Christus: en stellen zij de vergetene leer op
h den voorgrond, dat de mensch, zonder zijne verdienste, alleen uit
ir Gods genade in Christus, door het geloof gerechtvaardigd wordt!
n O! toen was het wel, alsof Christus en zijne Apostelen
s opnieuw onder de menschen verkeerden, om hun den weg der zaligheid aan te wijzen. Met vuur en geestdrift streefden
n dan ook de volken, diegene ten minste, die voor eenen be-
n teren toestand reeds waren gerijpt en vatbaar geworden, om
r zulk eenen schat van licht en troost deelachtig te worden,
i\' Onze vaderen vooral hadden goed en bloed er voor over.
n Maar God zegende ook hunne pogingen. En ons, hunnen
s- kinderen, lieten zij, als het kostelijkst erfgoed, het onwaar-
ït deerbare voorrecht na, dat wij, ziende op het licht, dat ons
n omstraalt, vroolijk en dankbaar in God mogen roemen: Wij
? zijn gebouwd op hel fondament der Apostelen en Profeten, waar-
)r van Jezus Christus de hoeksteen is!
I
mmm
40 ui.
De opsomming der weldaden, welke door het tegenwoordige oogenblik, naar aanleiding van onzen tekst, ons herinnerd worden, is nog niet ten einde. Want, hebben wij het vooral aan de Kerkhervorming te danken, dat wij opgebouwd zijn op het fondament der Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus de hoeksteen is; die zelfde Kerkhervorming geeft ons juist daarin het bewijs voor hetgeen de Apostel zegt: dat het gebouw des Christendoms, behoorlijk samengevoegd, oprijst tot een heiligen tempel in den Heer!
In deze woorden namelijk, zet de Apostel zijne begonnen beeldspraak voort. En had hij zijne bekeerlingen tot het Christendom zich voorgesteld als levende steenen, gebouwd op den door de Apostelen en Profeten gelegden grondslag; nu verheft zich zijne verbeelding tot de beschouwing van hetgeen er aan dezen bouw al meer en meer zou toegevoegd worden. Daar ziet hij nu, hoe van lieverlede, op den gelegden grondslag, een geheel gebouw, behoorlijk, dat is, overeenkomstig zijne bestemming, samengesteld en opgetrokken wordt. Om meer eigenlijk te spreken, daar ziet nu het oog zijns geloofs, hoe men aanhoudend voortgaat, door prediking en door onderwijs, de Gemeente meer en meer te doen toenemen, haar overal nieuwe leden toe te brengen, de vroeger toegebrachte te volmaken, en alle, door geloof, en hoop, en liefde, onderling en met den Heer zóó te vereenigen, dat zij, een iegelijk in zijne mate, elkanders heil en de groote bedoelingen van het geheel bevorderen. â Ja, daar staat reeds dat gebouw, eensklaps als uit den grond
44
verrezen, in deszelfs eindelijke volkomenheid, voor hem!
Daar staat het als een heilige tempel voor den Heer! Het is
)r- de Christelijke Kerk op aarde! Het is het Koninkrijk Gods
n- onder de menschen! Niet zooals zijn sterfelijk oog daarvan
iet alleen de eerste, hoogst geringe, beginselen aanschouwen
^d mocht; maar zooals het zijne heerschappij meer en meer
an heinde en verre ging uitstrekken, om eenmaal het gansche
ng menschelijke geslacht te omvatten, en alle volken der aarde
gt: in ééne reine en heerlijke maatschappij, aan God en zijne
ip- dienst gewijd, te vereenigen!
Deze waren de hooge uitzichten des Apostels nopens eene,
en wel langzame, maar toch bij voortduring toenemende, vol-
let making der Gemeente van Christus op aarde: uitzichten,
wd welke wij, gelijk elders, zoo vooral in het IVde hoofdstuk van
ig; dezen zelfden brief terugvinden, en die ook in den geheelen
an aard en de bedoeling van het Evangelie gegrond zijn. â Of
!gd is misschien de Apostel hierin door zijne verbeelding bedrogen?
je- En heeft de uitkomst wellicht reeds deze zijne hooge uit-
is, zichten gelogenstraft? Toehoorders! al is het er nog verre
ge- af, dat wij reeds dien heiligen tempel voor den Heer zóó
nu zouden zien opgerezen, als de hooge geest-verrukking des
3or Apostels zich hem voorstelde; duizend omstandigheden had-
te den er toch onafgebroken, dikwijls geheel onopgemerkt,
3n, plaats, welke zijne stichting bevorderden, en nu reeds zijn
of, bouw tot aanzienlijke hoogte opgevoerd hebben.
er- Dat hier reeds de eeuwen spreken, welke onze Hervorming
leil voorafgingen. Zij toch vermelden ons eene uitbreiding van
Ja, het Christendom, welke inderdaad al ons denken en hopen
gt;nd te boven gaat. Zij zeggen ons ook, dat zelfs de verschillende
42
wijzigingen en verbasteringen der eenvoudige Evangelieleer, in den weg van Gods Voorzienigheid, moesten dienstbaar zijn, om volken voor het Christendom te winnen, die anders van hetzelve afkeerig gebleven waren, maar voor welke het nu in tegendeel tot heil en troost geweest is, gelijk zij weder-keerig deszelfs sieraad geworden zijn. Zij zeggen on daarenboven, dat er toen zoo veel opmerkelijks geschied is, zoowel, om de Schriften der Apostelen en Profeten te bewaren en bijeen te verzamelen, en zoo dezelve nog voor ons te doen dienen; als, om de leer daarin vervat, althans reeds in vele barer bijzonderheden, nader te doen kennen en beter te doen behartigen. En bedroeven ons vaak zoo vele verkeerdheid en dwaling, die toen met de belijdenis van het Evangelie vereenigd gingen: o! wij kunnen niet genoeg herhalen hetgeen de geheele geschiedenis met luider stemme ons toeroept: dat de hooge voortreffelijkheid van het Christendom vooral ook daarin op de proef gebleken is, dat het zelfs in zijne verbasteringen altijd oneindig beter was dan de godsdiensten, welker plaats het innam, en dal bet, hoe dan ook ontsierd en verbasterd, toch nooit en nergens ophield, voor duizenden van zondaren, een Evangelie, eene heugelijke tijding, ja, eene kracht Gods tot zaligheid te wezen!
Maar spreken zoo reeds de vroegere eeuwen, het is toch de Hervorming vooral, welke eene meer in het oog vallende en luisterrijke proeve levert van hetgeen de geloovige verwachting des Apostels bezig hield. En wij beroepen ons op haar te liever, omdat zij ons vooral de innerlijke ontwikkeling en volmaking van het Christendom onder de menschen voor oogen plaatst. Wij zouden haar toch verkeerd beoordeelen.
43
door alleen te meenen, dat zij de Kerk van veel verkeerdheid en dwaling gezuiverd heeft. Neen, zij ging verder. Op den grondslag der Apostelen en Profeten, waarvan Christus de hoeksteen is, bouwde zij voort. Want, zooals zij den Bijbel, en den Bijbel alleen, als de bron onzer kennis tot zaligheid, gebruikte en aanbeval, was dit nimmer te voren geschied. En zooals zij dan ook, hetgeen die Bijbel tot troost en zaligheid van zondaren in zich sluit, zooals zij vooral de leer des geloofs aan Gods genade in Christus opzettelijk ontwikkelde en op den voorgrond plaatste, wordt dit, zelfs bij de voortreffelijkste leeraren der Christenheid, die vroeger gebloeid hebben, nergens aangetroffen. Maar zoo heeft zij dan ook voor eene nog dieper gaande Hervorming en verbetering van den staat des Cristendoms onder de menschen, eene nieuwe baan geopend. Want, hetgeen de Hervormers zelf voorzien en voorspeld hebben, dat is geschied: ten aanzien van de kennis en beoefening der H. Schriften en van de leer der zaligheid, zijn er sedert hunne dagen, (zelfs ten gevolge der pogingen van ongeloof en betweterij), vorderingen gemaakt en verbeteringen aangebracht, die van de weldadigste zorg van den Heer der Gemeente getuigenis afleggen; en van welke Hij ons reeds vergund heeft vruchten te plukken, welke alleen door onkunde of kortzichtigheid kunnen miskend en gelaakt worden.
En nu gewis, bij het dankbaar opmerken van zoo veel goeds en groots, hetwelk tot op onzen tijd voorviel, om de heerlijke uitzichten des Apostels te bevestigen en te verwezenlijken, nu valt ons ook des te meer het vele gebrekkige en verkeerde in het oog, hetwelk nog in onze dagen den staat
44
des Christendoms onder de raenschen kenmerkt. Wie uwer denkt daarbij niet reeds aan die menigte van volken, welke thans nog, als vreemdelingen, zonder God en Christus in de wereld voortleven? Wie denkt niet aan zoo vele milioenen Christenen, op welke nog, althans gedeeltelijk, dezelfde duisternis rust, waaruit wij door Gods genade verlost zijn; die, ofschoon niet meer vreemdelingen en hijwoners, toch niet opgebouwd zijn op het fondament der Apostelen en Profeten; en die daarom alleen onder dat middeleeuwsche juk nog gebukt gaan, hetwelk priesterlijke heerschzucht en vreemde staatkunde hun, ook in onze dagen, zelfs met nieuwe sluwheid en vermetelheid, opdringt? En wie denkt dan niet vooral ook aan dat gebrek in kennis, in geloof en in godzaligheid, hetwelk wij rondom ons, ja, zeggen wij het vrijuit, hetwelk wij aan ons en in ons bespeuren? Ach! hoe verre is het er nog van af, dat daar, waar het licht der Hervorming schijnt, en waar men op den naam van Hervormden zich verheft, ook die alleen ware Hervorming plaats heeft, welke de Apostel Paulus aldus beschrijft: wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt hervormd door de vernieuwing uws gemoeds; opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehaaglijke, en volmaakte wille Gods zij! â Maar, geloofd zij God, dat wij het weten, en dat wij het gelooven! het zal beter worden. Ja, onder alles, wat er gebeurt, en langs allerlei wegen, ook door hetgeen in onze dagen ons verbaast en treuren doet, gaat het gezegende Christendom voort, door verdere uitbreiding en door innerlijke volmaking, aan zijn heilig en weldadig doel voor het menschelijk geslacht te beantwoorden. Op het fondament der Apostelen en Pro-
45
feten moet nog verder voortgebouwd worden; maar Christus zal de hoeksteen blijven. En hetgeen de Apostel voorzag, hetgeen achttien eeuwen verkondigen, hetgeen de Hervorming ons aanschouwelijk maakt, dat zal eenmaal waarheid wezen: op de gelegde grondslagen rijst de heilige tempel voor den Heer, in welken zich eens het gansche menschdom, door hetzelfde geloof, dezelfde hoop en dezelfde liefde, ver-eenigt!
IV.
Er is in den tekst nog eene korte, maar hoogst belangrijke herinnering over: hoe wij, namelijk, door de Hervorming medegebouwd zijnde op het fondament der Apostelen en Profeten, waarvan Christus de hoeksteen is, nu ook, een iegelijk voor ons zelf, eene woonstede Gods, door den Geest, behooren te wezen.
Had toch de Apostel in het voorgaande de Heiden-Christenen zich voorgesteld, als die op den grondslag der Apostelen en Profeten, en op diens hoeksteen, Christus, aan den oprij-zenden heiligen tempel voor den Heer werden toegevoegd; en zegt hij nu, dat zij daarop medegebouwd waren lot eene woonstede Gods, in, of liever door, den Geest; dan wijst hij daarmede, zoowel, de bedoeling aan, welke hierdoor bij hen zei ven bereikt moest worden; als hij het groote hulpmiddel kennen doet, hetwelk hen daartoe kon in staat stellen. Eene woonstede Gods moesten zij wezen; en, om dit te kunnen zijn, daartoe zou de Geest van God, door zijne gemeenschap en bijstand hen helpen en bekwaam maken!
46
En ziet daar dan, Mijne Hoorders! een woord van terechtwijzing en troost, hetwelk te goeder uur tot ons allen gesproken wordt, en hetwelk zich ook zoo natuurlijk, ja zoo noodzakelijk aansluit aan de herinnering der heerlijke voorrechten , welke ons, als Christenen en als Hervormde belijders van het Evangelie geschonken zijn. Immers, vonden wij rijke stof, om ons in die voorrechten, zooals zij ons naar aanleiding van het Apostolische woord herinnerd werden, met dankzegging aan God te verheugen; o! dan vooral, wat zeg ik, dan alleen zullen wij dit van ganscher harte doen, wanneer wij ook de schoone bestemming in het oog houden en ter harte nemen, tot welke het bezit dier voorrechten ons leiden en dringen moet, en welke ons daarom, door dat zelfde woord, nog opzettelijk wordt voorgesteld.
Ja schoone, heerlijke bestemming, ons, nietigen en diep-schuldigen stervelingen aangewezen, om zelve eene woonplaats van God te zijn! Bijna roepen wij uit: dat is te hoog en te wonderbaar! Dat is te veel in ons verondersteld, te veel van ons gevergd! Daarbij is onze geringheid, en onreinheid, en zwakheid geheel over het hoofd gezien! En echter kan, ja, zal dit bij ons plaats hebben, wanneer het maar onze welgemeende keuze geworden is, om de gedachte aan den God van ons leven en van alle goedertierenheid, die vooral ook in Christus ons zoo uitnemend heeft lief gehad, door een oprecht en kinderlijk geloof, in onze harten weg te leggen en te bewaren; â wanneer wij, onder lief en leed, en dan vooral, wanneer onze eigene schuld en verkeerdheid ons grieft en smartelijk valt, al onze hoop en al
litl
ons vertrouwen op Hem in Christus stellen; â en wanneer zijne gadelooze liefde dien zachten gloed van wederliefde in ons ontsteekt, welke ons, naar het woord van onzen Heer, Hem boven alles, en onzen naaste als ons zeiven, beminnen doet. Immers, waar geloof, en hoop, en liefde wonen, daar woont de Heer. En het menschelijke gemoed, in hetwelk deze drie worden bewaard en aangekweekt: o! het mag eene woonstede Gods genaamd worden!
Maar nu. Mijne Hoorders! kent gij iets, meer wenschelijk, kent gij iets, meer betamend, ja, kent gij iets meer natuurlijk, dan een Christelijk gemoed, hetwelk, door een verlicht en kinderlijk geloof, en vaste hoop, en vurige liefde bezield en gedreven wordt? Wilt gij naar dat bezit niet streven? Strekt zich uwe begeerte niet uit, om zulk een gemoed in u zeiven om te dragen? om in ge\'ioof, en hoop, en liefde iederen dag nog meer overvloedig te worden? En wanneer wij dan hieraan, in het een of ander opzicht, nog zoo dikwijls, en wellicht zoo sterk en zoo beschamend, gebrek bij ons waarnemen; hoe? zullen wij dan aanstonds den moed laten zinken? zullen wij dan de hoop op het bereiken onzer bestemming opgeven en het woord van den Apostel verre stellen, hetwelk toch zoo duidelijk ons zegt, dat wij, gebouwd op het fondament der Apostelen, nu ook zeiven eene woon-stede Gods moeten wezen? â Ach! ongelukkige keus, welke wij dan doen zouden! En jammerlijke miskenning van onzen duren plicht niet slechts, maar van de goddelijke goedheid en zorge tevens! Ziet! om er ons tegen te waarschuwen, om ons tot eene betere keus te leiden, daartoe komt, ook in deze oogenbhkken, die goddelijke roepstem tot ons, welke
is
ons naar de gemeenschap, en den invloed, en de ondersteuning van den Geest Gods heenwijst. Toehoorders! het is die hoogere invloed, aan welken wij, wie weet, hoeveel goeds? reeds verplicht zijn; welke, van der jeugd af, misschien zoo dikwijls reeds, ons voor vallen behoed heeft, of waar wij struikelden, ons wederom heeft doen opstaan; welke nog iederen dag van ons leven ons veilig geleiden wil; en welke aan niemand onzer behoeft te ontbreken, omdat de gever van alle goede gaven ook den bijstand van zijnen Geest schenken wil aan een iegelijk, die Hem bidt!
Daarom, Geliefden! niemand onzer wanhope aan het bereiken van hetgeen er van hem gevorderd wordt; maar een iegelijk streve, om, als een huisgenoot Gods, en als opgebouwd op den grondslag der Apostelen en Profeten, waarvan Christus de hoeksteen is, nu ook zelf eene woonstede Gods door aen Geest te zijn! Een iegelijk streve, ook door een dagelijksch, ernstig en biddend onderzoek van het woord van God, ons door de Hervorming teruggegeven, naar die verlichte kennis, naar dat eenvoudige, kinderlijke geloof en die ongeveinsde godsvrucht, waardoor wij van ons verwijderen en met Gods hulp in ons zeiven dooden, hetgeen in strijd is met zoo heerlijke voorrechten, als ons zijn toegevoegd; waardoor wij, daar wij, als Protestanten, tot de vrijheid geroepen zijn, welke in Christus Jezus is, boven alles pogen vrij te zijn van de zonde, die in het oog van God ons bezoedelt; en daar geen priesterjuk meer op ons drukt, des te ernstiger onze hooge roeping kennen en ter harte nemen, om, een iegelijk voor ons zeiven, priesters voor den Allerhoogste te wezen. â Zoo, zoo, Geliefden! zullen wij ons ware belijders
49
van het Christendom en echte kweekelingen der Hervorming betoenen. Ja, zoo zullen wij Hervormd zijn door de vernieuwing onzes gemoeds; en als levende steenen toegevoegd aan het Godsgebouw, zal dan ook in ons en door ons, meer en meer, die heerlijke toekomst worden verwezenlijkt, welke de Apostel, met het oog des geloofs, in hooge geestverrukking zich voorstelde. Want, hoe meer harten hier kloppen, in welke de liefde voor God en Christus woont, des te meer ook zal de gansche aarde een Tempel zijn voor den Heer! Amen!
N. C. Kist.
i
Homiliarium II.
III.
De reelat vaardiging door het geloof 1).
Psalm 32 : quot;1, 0.
De rechtvaardige zal door het geloof leven.
Romeinen I ; 171\'.
Indien ooit een geschrift een titel aan het hoofd droeg, geschikt om eene groote verwachting van den inhoud te doen opvatten, zeker mag men zulks zeggen van het geschrift, dat wij daar opgeslagen voor ons hebben liggen: zendbrief
VAN PAULUS AAN DE ROMEINEN.
Zendbrief van paulus! Paulus de Apostel, geroepen niet van menschen, noch door een mensch, maar door jezus Christus en God den Vader: paulus, de mensch in christus, die tot in den derden hemel is opgetrokken geworden, om de gezichten en openbaringen des Heeren te ontvangen; paulus, het uitverkoren vat onder de gezanten des kruises, die door de genade Gods overvloediger heeft gearbeid dan de twaalven zei ven, die den Heer in het vleesch hebben aanschouwd:
1
Voor \'t eerst in druk verschenen in het jaar 184G.
51
paulüs, de Apostel der Heidenen bij uitnemendheid, die half Azië met de zegeteekenen zijner Evangelieprediking en Apostolische werkzaamheid heeft bedekt: paulüs eindelijk, die bij alle deze titels nog een nieuwen grond van aanspraak op onze erkentenis en dankbaarheid voegt, als de eerste zendeling-Apostel van dit werelddeel, waarom wij hem, zoowel als om zijne bepaalde betrekking tot de Heidenen, meer bijzonder omen Apostel zouden kunnen noemen. Zegt mij, welk geschrift ter wereld draagt grooter, roemrijker, doorluchtiger naam aan het hoofd, dan het geschrift, waarvan de titel luidt: Zendbrief van paulüs?
En nu; deze paulus, schrijvende aan de romeinen, de bewoners van Rome: Rome, de koningin der steden, de moeder der volken, de hoofdstad der wereld: Rome, de stad der augustussen en tiberiussen, onder wier wereldheerschappij de Heiland der wereld geboren werd en stierf: Rome, de zetel der kunsten en wetenschappen, de stad der virgi-liussen en ciGEROOS, het brandpunt der toenmalige verlichting en beschaving: Rome, de stad, wier burgerschap elders met een adelbrief werd gelijk geschat, en waarvan zelfs een paulus zich beroemde burger te zijn. Maar wat meer zegt: Rome, het hoofd en het hart der toenmalige maatschappij, waaruit het vergif der afgoderij en der zedeloosheid zich door al de aderen van het reuzenlichaam verspreidde, en waar de bloedplakkaten werden uitgevaardigd, die den naam van jezus Christus aan de verfoeiing en vervolging der geheele Heiden wereld prijs gaven: Rome, de stad, waar het Evangelie zijn zwaarsten strijd te strijden, maar ook zijn grootste overwinning te behalen had. Kon ooit een Apostel
4*
I
52
een grootscher werkkring voor zijne Evangelische werkzaamheid kiezen, dan paulus in zijnen zendbrief aan de romeinen?
Zendbrief van paulus aan de Romeinen. Reeds had het paulus mogen gebeuren, in bijna al de hoofdsteden des ongeloofs en der afgoderij het Evangelie te verkondigen: hij had gepredikt te Efezen, hij had gepredikt te Athene, hij had gepredikt te Antiochië, hij had gepredikt te Corinthe: nu ontbrak er nog slechts eene parel aan de kroon zijns Apostel-schaps: nu moest hij ook nog prediken te Rome! Het is waar, reeds had aldaar de bazuine des heils geklonken; reeds was aldaar door Christenen uit Palestina eene Gemeente gesticht. Maar daarmede was aan zijne begeerte niet voldaan. Hij zelf moest Rome zien, te Rome prediken, de geloovigen te Rome versterken en vertroosten; vooral de gemeente des Heeren te Rome uitbreiden door zijne Evangeliedienst. Reeds lang had zijn hart daarnaar verlangd: maar het was hem tot dusverre altijd ontzegd geworden. Nu evenwel hoopte hij er te komen: zich thans te Corinthe bevindende, dacht hij van daar eerlang zich over Rome naar Spanje te begeven. Zoo dierbaar was hem die hope, dat hij niet nalaten kon de geloovigen aldaar er deelgenoot van te maken. Hij maakte dus dankbaar gebruik van de gelegenheid, dat eene zuster in den Heere, febe geheeten, zich uit Corinthe naar Rome begaf, om haar met het geschreven bericht daarvan te belasten. En het is dit bericht, dat de eerste aanleiding werd tot het verheven geschrift, dat op de rolle onzer heilige boeken voorkomt als: Zendbrief van paulus aan de Romeinen.
Zendbrief van paulus aan de Romeinen. Wij moeten ons dus wel wachten, ons door dien naam Zendbrief aangaande
53
het doel en den aard van dit geschrift te laten misleiden. Het is waar, naar den uiterlijken vorm is het een brief, een brief gelijk de Brief aan timotheus, aan titus, aan filemon, of ook aan de door paulus gestichte, bij hem bekende en geliefde Gemeenten te Corinthe of te Filippi. Aan het hoofd lezen wij den Apostolischen zegen; aan het einde vinden wij den Apostolischen groet. Maar als wij daarentegen op den inhoud letten, dan blijkt ons terstond dat er tusschen de genoemde brieven en den Brief aan de Romeinen een aanmerkelijk verschil bestaat. Immers terwijl de meeste overige brieven van paulus meer eigenlijke brieven zijn, waarin des Apostels lessen en vermaningen als bij voorkomende gelegenheid , zonder redekunstigen zamenhang, worden medegedeeld, is daarentegen de Brief van Paulus aan de Romeinen meer een redekunstig opstel, in den vorm van een Brief vervat-Het is als wilde paulus bij het schrijven van dezen Brief er zich voor schadeloosstellen, dat hem tot nog toe het voorrecht ontzegd was, om te Rome te mogen prediken: als gaat dus in hem de Briefschrijver allengskens in den Prediker en Redenaar over: als stond paulus bij het schrijven van dezen brief in den geest op de Rostra te Rome, evenals vroeger op den Areopagus te Athene; hier verkondigende de Rechtvaardiging door het geloof, gelijk ginds de Leer der opstanding en des jongsten gerichts! Lukas heeft ons de prediking van paulus op den Areopagus medegedeeld: van zijne mondelinge prediking bij zijn later verblijf te Rome meldt hij ons alleen: hij legde het koningrijk Gods uit: hij predikte hel koningrijk Gods. Hoe gaarne zouden wij nochtans van die prediking iets meer hebben geweten? Hoe gaarne de groote stem van
54
paülus, die binnen de voornaamste hoofdsteden der wereld geklonken had, binnen de muren van de Stad der steden hooren klinken! De Heilige Geest is dier begeerte te gemoet gekomen, door ons den Brief van paulus aan de Romeinen te bewaren. Hier hooren wij den grooten Apostel der Heidenen in de hoofdstad des Heidendoms het Evangelie van jezus Christus prediken. En gelijk Rome in de rij der steden, staat ook in de rij der Apostelbrieven van paulus bovenaan: De Brief van paulus aan de Romeinen.
Paulus aan de Romeinen. Wat dunkt u? Ligt dus niet in dit enkele woord eene geheele geschiedenis, eene groote voorspelling? Paulus en Rome! Zietdaar de twee grootste mamp;chten op aarde tegenover elkander geplaatst. Paulus, dat is het Christendom; Rome, dat is het Heidendom; paulus, dat is de nieuwe wereld, die verschijnt; Rome, dat is de oude wereld, die verdwijnt: paulus, dat is het Nieuw Jeruzs.lem, dat van God uit den hemel nederdaalt; Rome, dat is het oude afgodische Babel, dat valt en voor het Nieuw Jeruzalem plaats maakt. â Paulus en Rome! Reeds vroeger hadden deze beide machten elkander uit de verte bestreden en bekampt: reeds stond paulus voor felix en festus; reeds stonden Felix en festus voor paulus. Maar nu zouden zij elkander van naderbij en onder de oogen zien: nu zouden zij handgemeen raken! Hemel en aarde, ziet toe! De groote wereld-strijd gaat aan! â Wij kennen den uitslag van dien strijd. Paulus heeft overwonnen: Rome heeft de nederlaag ondergaan. Het kruis door paulus geplant, heeft den troon der caesars neêrgeworpen: de stad der zeven bergen heeft het hoofd gebogen voor den lagen heuvel van Judea, die Golgotha
55
heet; het Kapitool is, althans eeuwen lang, evenzoo het middelpunt der Christelijke wereld geweest, als het vroeger het middelpunt der Heidenwereld was. Wat meer is, zelfs de naam der Romeinsche Redenaars en Zangers heeft voor den glans van den naam des Joodschen Tarsers moeten onderdoen, en, naar de treffende opmerking van een beroemd Kerkredenaar 1), Rome acht zich meer vereerd door den hriet van paulus aan hare burgers gericht, dan door al de beroemde redevoeringen, die zij van haren cicero heeft gehoord. Alzoo is ook hier het woord van paulus-zelven bewaarheid; Hel dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat hij de wijzen beschamen zou: en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat hij het sterke zou beschamen.
Zendbrief van paulus aan de Romeinen. Is het niet zoo? Indien het aan ons stond een wensch te doen, het zou zijn, dat de inhoud van dit geschrift aan den grootschen titel mocht beantwoorden, en dat die Zendbrief even groote be-teekenis hebben mocht in de geschiedenis der Evangelieleer door zijn innerlijk gewicht en waardij, als in de geschiedenis der wereld en der kerk door het feit zijner openlijke afzending naar Rome. â Welnu, aan dien wensch is voldaan. De Zendbrief van paulus aan de Romeinen is door zijnen inhoud zoowel den grooten naam des Zenders, als der Gemeente, aan welke hij gezonden werd, waardig. Met volle recht prijkt hij, onmiddellijk na de geschiedenis der Apostolische Handelingen, aan het hoofd van het Apostolisch Onderwijs, als daarvan uitmakende den wortel, de kern en de kroon. Ver-
1
Bossuet.
56
langt gij daarvoor een ander getuigenis, dan het mijne? Hoort dan de uitspraak van een man, die zeker een door u met betwist recht heeft, om in deze zaak getuigenis te geven: ik bedoel luther, dien men den paulus der Hervorming genoemd heeft. Aldus spreekt deze verheven Bijbeltolk in zijne voorrede voor dezen brief: âDeze Briefis met recht het voornaamste stuk van het Nieuwe Testament genoemd, en het allerzuiverst Evangelie, dat wel waardig is en verdient, dat een Christen het niet alleen woord voor woord van buiten kenne, maar dat hij er ook dagelijks zijn voedsel van make, als van het dagelijksch-brood zijner ziel. Want deze Brief kan nooit te veel en te goed gelezen en overdacht worden, en hoe meer men hem in handen neemt, hoe kostelijker hij wordt en hoe beter hij smaakt. Wij vinden in dezen Brief op het overvloedigste al wat een Christen weten moet, namelijk wat de wet is en wat het Evangelie, wat zonde, straf, genade, geloof, gerechtigheid, Christus, God, goede werken, liefde, hoop, kruis en lijden is; en hoe wij ons jegens iedereen, hij zij goed of kwaad, sterk of zwak, vriend of vijand, zoowel als jegens ons-zelven te gedragen hebben. Daarbij wordt dat alles uit de Schrift bewezen, en met voorbeelden van hem-zelven en uit de Profetie gestaafd, zoodat het niets te wenschen overlaat. Het schijnt dus wel dat paulus in dezen Brief de geheele Christelijke en Evangelische leer eenmaal in een kort begrip heeft willen zamenvatten, en den toegang openen tot recht verstand van het Oude Testament. Want zonder twijfel, al wie dezen Brief wêl in zijn hart heeft, voor dien staat het Oude Testament in al zijn licht en kracht daar. Daarom mag wel ieder Christen met hem bekend zijn, en
57
hem gedurig in oefening brengen. Waartoe God ons zijne genade schenke. Amen.quot;
Is nu volgens luther de Brief aan de Romeinen het voornaamste stuk des Nieuwen Testaments, de plaats, die wij u straks hebben voorgelezen, is de voornaamste plaats uit den Brief aan de Romeinen. Ja, indien ik straks niet ten onrechte den Brief van paulus aan de Romeinen eene prediking in geschrifte genoemd heb, deze plaats is als de tekst, welken paulus tot grondslag van die prediking legt. Immers nauwelijks heeft paulus na zijne inleiding den hoofdinhoud van zijne volgende rede aldus opgegeven; De rechtvaardigheid Gods wordt in hel Evangelie geopenbaard uit geloof tot geloof: of hij laat er onmiddellijk op volgen: gelijk geschreven is: de
rechtvaardige zal uit het geloof leven. Eene uitspraak
waarin hij niet slechts den hoofdinhoud van zijne rede opgeeft, maar waaruit hij ook vervolgens zijn geheel redebeleid afleidt en ontwikkelt. Wij hebben hier dus een ondubbelzinnig bewijs, hoe hoog in paulus eigen schatting deze uitspraak stond: een bewijs, dat nog van elders versterkt wordt door het gebruik dat hij daarvan ook in twee zijner andere brieven \') maakt. Zoo blijkt dan uit dit alles duidelijk de hooge waardij van deze uitspraak, zoowel voor den Apostel-zelven, als voor anderen, tot wie die uitspraak kwam. Maar even daarom kan het voor ons niet onverschillig zijn na te gaan, waarom zij voor beide zulk eene hooge waardij heeft.
I t.f
lij r
â n r
mi
ii
m
I ! \'J i
r\'. |
i
j .
\'ill
;!ï I M\'
H ⢠i i
Wat den Apostel-zelven betreft, schijnen mij hier voornamelijk drie redenen in aanmerking te komen.
*) Gal. ill : h. heur. x : 38.
l i
58
Vooreerst, Deze uitspraak had voor den Apostel zulk eene iiooge waardij, uit hoofde van haren oor^row^. Vanwaar was zij dan oorspronkelijk? Gij hebt het reeds vernomen uit hetgeen hij er bijvoegt: gelijk geschreven is: zij was oorspronkelijk uit de Heilige Schrift.
Wel kon de Apostel, niet geroepen van menschen, noch door een mensch, geen oogenblik twijfelen, of het Godslicht, dat in zijn boezem scheen, gerechtigde hem, bij de prediking des Evangelies, zich op zijn eigen gezag als Apostel te beroepen: maar toch kennen wij de standvastige gewoonte des Apostels, om zijne prediking zooveel immer mogelijk op het getuigenis des Ouden Verbonds, als op haren Goddelijken hoeksteen, te gronden. Die zelfde gewoonte zien wij hem ook hier volgen. Want dat lievelingswoord van paulus: De rechtvaardige zal uit het geloof leven, het is geen woord van paulus-zelven, het is een woord van eenen Godsman des Ouden Verbonds, van den Profeet habakuk. â God heeft aan dezen Ziener het oordeel, dat door de hand der Chaldeërs over Israël komen zal, geopenbaard. Door die openbaring verschrikt, stort habakuk zijne ziel in klachten voor God uit, en bidt hem, dat hij dit oordeel verzachte, of althans niet ter vernietiging, maar alleen ter kastijding strekken doe! Na die uithoezeming stelt hij zich, gelijk hij-zelf het uitdrukt, op een wachttoren, om te hooren, wat God hem antwoorden zal op dezen strijd en twijfeling zijner ziel. En ziet! daar antwoordt hem de Heer een krachtig woord: een woord, dat wel het gevreesd oordeel als onvermijdelijk en onmiddellijk ophanden zijnde aankondigt, maar tevens belooft, dat er in dien dag onderscheid zal zijn tusschen dien, die gelooft, en dien die niet gelooft.
59
Van den ongeloovige wordt gezegd: Ziel, hij wiens hart niet wel gesteld is, zal er geen acht op slaan \'), zal aan de nadering van het oordeel niet gelooven, zal het niet achten, niet vreezen , niet zoeken af te bidden of te ontgaan: evenals vroeger de ongeloovige wereld vóór den zondvloed op de prediking van Henoch en noach geen acht geslagen heeft, en daardoor verloren gegaan is. Maar de rechtvaardige zal door (of uil) zijn geloof leven. Hij zal door het geloof het oordeel des Heeren te aller ure verbeiden, in de ure der bezoeking zich aan den Heer vasthouden, en alzoo, â daar God zijn geloof niet beschamen zal, â leven, behouden worden, door zijn geloof: gelijk noach ten tijde van den zondvloed door zijn geloof behouden is. â Zietdaar de aankondiging van jehova aan den Profeet: eene aankondiging, in de schatting van jehova zoo groot en gewichtig, dat hij den Profeet gebiedt, haar op steenen tafelen te schrijven, opdat ieder, die voorbijgaat, haar lezen moge. En waarlijk, die aankondiging is niet ter aarde gevallen! Niet alleen leest ieder Israëliet haar nog heden, als een les voor alle tijden, vooral in tijden van beproeving en druk, in de rolle zijner Profeten; maar ook de gansche Christenheid leest tot op dezen dag dat hooggewichtig woord als het kortbegrip des heils, op de tafelen der Apostolische Schrift: De rechtvaardige zal door het geloof leven.
Maar had die uitspraak van den ouden Profeet voor paulus reeds hooge waardij om haren Goddelijken oorsprong als een uitspraak der Schrift: nog gewichtiger was zij hem uit hoofde
*) Volgens van der palm.
60
van haren inhoud, als bevattende de hoofd- en grondleer van die Schrift. Het is waar; als men dit gezegde beschouwt in het verband, waarin het voorkomt, blijkt het terstond, dat het in de eerste plaats een antwoord is van God aan den Profeet op de door hem uitgeboezemde klacht, en bepaaldelijk betrekking op Israël en de Ghaldeërs heeft. Maar gelijk ieder woord van God, zoo draagt ook dit woord, in het omkleedsel van dit tijdelijk en plaatselijk karakter, de kern van eene algemeene en eeuwige waarheid in zich, die zich naar alle zijden, in alle betrekkingen en omstandigheden, op alle menschen en personen laat toepassen. Wat van Israël bij de komst van het naderend oordeel geëischt werd, om in dit oordeel behouden te worden: geloof, lijdzaam, volhardend geloof, dat zich vasthoudt aan God, als ziende den Onzienlijke; is een eisch, welke, door alle eeuwen heen, aan allen gedaan wordt, die, hetzij in tijdelijke, hetzij in eeuwige oordeelen en gerichten, hun behoud van God hopen. Altijd en overal en voor allen blijft de uitspraak waarachtig: De rechtvaardige zal door hel geloof leven. Geloof is het uitverkoren, ja, het eenig en uitsluitend middel van behoud. Geloof toch en geloof alleen verwerft ons de gunst van Hem, die ons behouden moet: zonder geloof is hel onmogelijk Gode te behagen. Lijdt nu deze regel geene uitzondering hoegenaamd, hij vindt nochtans zijne innerlijkste en diepste toepassing in de hoofdvraag der zaligheid. Vraagt gij: Wat moet ik doen om zalig le worden? Ook dan is het antwoord: De rechtvaardige zal door hel geloof leven. Het leven, de zaligheid, van den rechtvaardige, en vriend en gunstgenoot van God, is geen vrucht van zijne eigene rechtvaardigheid, van zijne eigene
61
in verdienste of goede werken: neen, het is een vrij genade-
in geschenk van God, dat door een kinderlijk geloof aan de
at begenadigende liefde van God moet worden aangenomen, en
;n alzoo het eigendom van den geloovige, en door zijn geloof
1- gerechtvaardigde, wordt. Zoo is de geheele leer der Recht-
jk vaardigmaking door het geloof in de uitspraak van habikuk
i- als in haar kern besloten. En dit zal ons te minder verwon-
â¢n deren, als wij in het oog houden, dat de Profeet bij die uit-
:h spraak kennelijk het oog heeft op het voorbeeld van abraham,
)p waarop hij zinspeelt: abraham geloofde in den Heer, en hij
êl rekende het hem tot gerechtigheid. Ziet, zoo heeft de geheele
in Schrift, waar zij den weg der zaligheid verkondigt, door alle
r- eeuwen en jaarduizenden heen, slechts ééne stem, ja wat nog
n treffender is, slechts één woord, dat zij ons achtereenvolgens
n door den mond van mozes, van de Profeten en van de Apos-
;e telen toeroept. Zoo wordt op ieder van hare heilige bladeren
d dat slotgetuigenis van de Schrift aangaande zich-zelve gestaafd:
)e Het getuigenis van jezus is de Geest der Profetie *). Zegt, is i, I het woord niet waarachtig en getrouw; Jezus Christus is h | gisteren en heden dezelfde en in eeuwigheid!
is
?. En nu heb ik nog de voornaamste reden niet genoemd,
lt waarom de Profetische uitspraak voor den Apostel zulk een
[- hooge waardij had. Deze namelijk was gelegen in hare deug de-
\'g lijkheid, als welke paulus bij eigene ervaring had leeren
il kennen. Want ziet gij; deze uitspraak, in geen gewone, in
n geen aardsche school was het, dat paulus haar had leeren
n -
e *) Openb. XIX ; IQ.
62
begrijpen en verstaan. Geene Gamaliels hadden hem haar verkondigd: geene ananiassen hadden hem haar gepredikt: zelfs had de Heer hem haar niet uit den hemel toegeroepen. Neen, hij had haar leeren kennen in de hoogste school: de school, waarin de Voorzienigheid den mensch brengt, dien zij tot iets groots opleiden en vormen wil; hij had haar leeren kennen in de school des levens, in de school der ervaring, der diepste, der innigste, der hartdoordringendste en zielver-brijzelendste ervaring. De rechtvaardige zal door het geloof leven. Dat woord; paulus zelf had het eenmaal niet gekend; paulus zelf had het eenmaal niet geloofd. Wat zeg ik? Juist het tegendeel had hij geloofd, en voor dit zijn ongeloof met blakende drift geijverd. Ach, het laat zich wel begrijpen. De leer der zaligheid, gelijk die van abraham af tot habakuk toe van Godswege aan Israël verkondigd was, was eindelijk onder de korenmate van allerlei menschelijke vonden bijna geheel verborgen geraakt. Men had den sleutel der kennis verloren; dus waren mozes en de Profeten een gesloten boek. Of indien al hier ot daar een enkele lichtstraal der waarheid door den nacht henenbrak, hij werd welhaast uitgedoofd; want alsof het niet genoeg ware, dat het gansche lichaam des volks bijna geheel blind geworden was omtrent den weg van zijn eeuwig behoud, het bezat nog daarenboven aan zijn hoofd blinde leidslieden, die het zich bepaaldelijk ter taak stelden, de oogen des volks blind te houden; er was een boos en overspelig geslacht opgestaan, dat zich opzettelijk tot bewaarder en handhaver van de leugen der menschen tegenover de waarheid Gods had opgeworpen; behoef ik u te zeggen, dat ik de Farizeën bedoel? paulus was een Farizeër! een
63
Farizeër, gelijk ook de anderen. Neen, niet gelijk de anderen, meer dan de anderen was hij een Farizeër, hij, de Apostel, de voorstander der Farizeeuwsche leer. De aanleg van paulus bracht mede, dat hij in alles een ijveraar, een Zeloot moest zijn. Zoo was hij ook een ijveraar, een Zeloot voor de rechtvaardigheid uit de werken der wet. Ook hij had met den jongen Farizeër aan de voeten van jezüs kunnen vragen: Wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebhe? En indien het goede , hem geboden, slechts met zijne eigene denkbeelden en begrippen van den weg der gerechtigheid niet in strijd was geweest, hij zou tot het uiterste, het hoogste, het zwaarste zijn in staat geweest, en niet, als die andere jongeling, kleinmoedig en bedroefd, voor den eersten eisch zijn teruggedeinsd! Doch de Voorzienigheid leidde paulus niet aan de voeten van jezus, maar aan de voeten van Gamaliel. Daar, in de school van dien grooten, edelen, maar echt-Farizeeuwschen Wijze hoorde hij de leer der menschelijke eigengerechtigheid in al haren gevaarlijken, wegslependen en den uiterlijk onbedorven mensch betooverenden schijn verkondigen. Daar werd hij gemeenzaam met de dwaling; die ten deele de dwaling der betere, nog niet door het licht des Evangelies verlichte, gemoederen is; dat het mogelijk zij door de vervulling der wet, door de getrouwe betrachting barer werken, zich eene eigene gerechtigheid op te richten, die voor God geldt. Geen woord van den geestelijken aard der wet, welke iedere poging om, zonder het beginsel der wedergeboorte uit den Geest, een enkel harer geboden te vervullen, bespot en tot een hopeloos proefstuk maakt. Geen woord van het doel der wet, om juist door de openbaring dezer onmacht
64
den mensch uit zich-zelven naar God, en van den hollen en inzinkenden grond zijner eigene rechtvaardigheid naar den Rotssteen der gerechtigheid Gods te drijven. Geen woord van het eigenlijk karakter der wet, hetzij als tuchtmeester van onmondigen, hetzij als handwijzer voor zoekenden naar den weg des heils! Neen, maar in plaats van dit alles, de eeuwigdurende verheffing, vereering en bijna vergoding der wet, en de aanprijzing harer werken als den open, effen en gehaanden weg der zaligheid. Was het vreemd, dat de verkondiging van zulk eene leer op den vurigen geest van eenen paulus de uitwerking had, om hem niet alleen met voor-heeldeloozen ijver in het spoor der wet te doen voortstreven, maar hem zelfs uit overdreven ijver buiten dat spoor te doen gaan? Immers, evenals die jeugdige Farizeër bij jezus, vergenoegde hij zich welhaast niet meer met de vervulling van de âgewonequot; geboden der wet, maar streefde er naar om iets buitengewoon goeds en grootsch te doen, ten einde zich daardoor boven de gewone betrachters der wet te onderscheiden. Hij wilde niet alleen rechtvaardig, hij wilde over-rechtvaardig zijn. Maar waar nu een waardig doel voor dien
brandenden werkijver gevonden?---- Ziet, daar treedt hem
te kwader ure het beeld des gehaten Nazareners voor den geest. En paulus, alsof het hem niet genoeg ware, gelijk hij-zelf het noemt, ânaar de rechtvaardigheid, die in de wet is, onberispelijkquot; te zijn, wordt ânaar den ijver een vervolger der Gemeente!quot; Dezelfde man, wien het te gering was, de eenvoudige geboden der wet te vervullen: Gij zult niet doodslaan ! Gij zult geen valsche getuigenis spreken tegen den naaste! had een welbehagen aan stefanus dood, en het was aan
I
65
en zijne voeten, dat de getuigen, die den heiligen en met Gods en Geest vervulden man valschelijk hadden beschuldigd, de klee-rd deren aflegden, om den eersten steen op hem te werpen! er Saulus, de leerling van Gamaliël, in wiens school hij ten ar minste had kunnen leeren: Ziet voor u toe, wat gij doen zult de aangaande deze menschen: opdat gij niet bevonden wordt ook Ier legen God te strijden *), verwoestte zonder terughouding of en schroom de Gemeente, blies dreiging en moord tegen de disci-3r- pelen des Heeren, en vergat zich zoo verre, dat hij later, nadat en zijne oogen waren opengegaan, geene woorden krachtig genoeg )r- vond om zijn afgrijzen van zijn eigen vorig gedrag uit te n, drukken; die ik te voren een Godslasteraar was en een vervolger en en verdrukker, die (hij, de voornaamste aller ijveraars voor de ïr- rechtvaardigheid der wet! de voornaamste der zondaren ben! an Arme blinde man! Waar doolt gij heen? Gij meent voor ets God te ijveren; en het vuur van uw ijver is ontstoken in de ch hel! Gij meent de zwaarste eischen der wet te vervullen; en ïr- het zijn hare eerste, hare heiligste geboden, die gij vertreedt 3r- en vertrapt! Gij meent u bij God te rechtvaardigen en welen gevallig te maken; en gij vergadert u den Goddelijken toorn ;m als een schat in den dag des toorns!....
en Maar neen! God, die groot is in barmhartigheid, ontfermt ijk zich over den wel verblinden, maar niet verstokten Dweeper, vet eer zijn heülooze ijver hem in het verderf heeft gestort. Onzer vergefelijk uur in paulus leven. Het was op den weg naar de Damaskus. Hij spoedde zich naar een nieuwe prooi. Daar )d- omschijnt hem plotseling een licht van den hemel. Hij stort
te! __
an *) Hand. Y ; 35, 39.
Homiliarmm II- 5
â
66
ter aarde. Hij hoort een stem: saul! satjl! â Wiezijtgij, Heere? â Ik hen jezus! â Wat wilt gij? â Ga naar de stad, en het zal u gezegd worden. â Paulus staat op, opent de
oogen____hij ziet niemand, hij is blind. Nu blind naar het
lichaam, gelijk vroeger naar de ziel. Aldus komt hij te Damaskus aan. Aldaar blijft hij drie dagen zonder te zien. Hij eet niet, hij drinkt niet, hij vast, hij waakt, hij bidt. Hij worstelt in den gebede met God. Hij strijdt den grooten strijd der ziele: den grooten strijd der bekeering en des geloofs. Daar gaat hem, in dien dubbelen nacht des lichaams en der ziele, het licht der waarheid op. Gelijk hij-zelf het heeft uitgedrukt: God, die gezegd heeft, dat hel licht uit de duisternis schijnen zou, scheen in zijn hart, om hem te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van jezus Christus. Sprak God eenmaal over den duisteren afgrond: Daar zij licht, en daar was lichtl als door een nieuw scheppingswoord gebood God ook licht over de duisternis in zijne ziele. En welk was nu het machtwoord, dat den geestelijken nevel, die hem omringde, scheurde en verdreef? Het was dat woord van God: De rechtvaardige zal uit het geloof leven
Verstaat mij wèl, Geliefden 1 Ik beweer niet, dat dit woord, meer dan zoovele andere, in die dagen paulus bepaaldelijk voor den geest gebracht zij, of dat hij toen reeds den ganschen inhoud van dat woord, gelijk het later het kortbegrip zijner prediking worden zou, hebbe verstaan. Wie durft bepalen, hoeverre de Goddelijke werkzaamheid ter verlichting van den geest van paulus in dat geheimzinnige tijdperk van zijn leven gegaan zij? Wat ik beweer, is alleen dit: dat althans in dit tijdperk de weg voor de volgende verlichting des Apostels op
1
67
j, eene even krachtige als beslissende wijze is gebaand. En was
i, het anders mogelijk? Gelijk een onverwacht natuurverschijnsel
le op eenmaal een hoogen berg doet instorten met den grond
3t die hem draagt; alzoo had de Goddelijke verschijning op den
te weg naar Damaskus even plotseling den grond, waarop paulus
i. stond, onder zijne voeten doen wegzinken. In een oogwenk
ij is de hemelhooge berg zijns hoogmoeds geslecht. Paulus ligt
d als in een afgrond verzonken. Die afgrond wordt een dal des
s. ootmoeds voor hem. Hij leert de valschheid van zijnen Fari-
;r zeeuwschen waan, en daarmede de nietigheid van zijn geheele
t- stelsel kennen. Hij komt tot de overtuiging, dat, daar zijn
is ijver voor de rechtvaardigheid, die uit de wet is, hem niet
ig had kunnen beletten in de grootste dwalingen en zonden te
is vervallen, en inplaats van een voorwerp van het Goddelijk
1: welbehagen, een waardig voorwerp van den Goddelijken toorn
)- te zijn, er noodzakelijk een andere grond van rechtvaardig-
ie heid voor God moest bestaan. Hij wordt gedwongen naar
n dien grond te vragen. En zou nu hier het beeld van den
it verheerlijkten Heiland, dat nog steeds als in een lichtglans voor hem zweefde, hem niet zijn verschenen? Zou hij nu
d, niet reeds, althans van verre, vermoed hebben het nood-
jk zakelijk verband, dat hij later volkomen inzag, tusschen de
;n ongenoegzaamheid zijner eigene verdiensten en de verdiensten
3r van een door God geschonken en verhoogden Middelaar?
i, Onmiddellijk na zijne bekeering predikte, ja bewees hij in de
in synagoge te Damaskus, dat jezus de Christus is *). Zou
:n paulus , zou de vrome Israëliet, zou de leerling van gamaliél
it -
â¢p ») Hand. IX : 22.
5*
68
zoo onkundig geweest zijn aangaande de Hope der Vaderen, aangaande de Voorbeelden der wet, dat hij, ook na de buitengewone verlichting, die hem te beurt gevallen was, zelfs geen schemerend inzicht in de roeping van den Christus Gods en van zijn Hoogepriesterlijk werk op aarde zal hebben gehad? Hoe het zij: nog weinige dagen, en ananias komt tot hem om hem de handen op te leggen, en hem niet alleen het gezicht weder te geven, maar hem ook den Heiligen Geest mede te deelen. Door dien Geest gedreven verkondigt paulus jezus als den christus. Na de aflegging van dit getuigenis voert de Geest hem weg, en leidt hem naar Arabiê. Evenals mozes, evenals elia, evenals jezus christus, moet ook paulus in de afzondering der eenzaamheid worden toegerust tot de grootsche taak, welke hij in de wereld te vervullen heeft. Wat aldaar, in die geheimzinnige en door vroegere Goddelijke openbaringen dubbel merkwaardige streken, tus-schen paulus en den Geest van christus, die op hem was, zij omgegaan; wie waagt het zelfs te gissen ? Zeker was aldaar ook harakuk, de Profeet, door den Geest zijn onderwijzer. In die school nu werd paulus , die den persoonlijken omgang des Heeren had moeten missen, gedurende driejaren, in een onophoudelijk geestelijk verkeer met den naar het lichaam afwezigen, maar met zijn Geest bij hem tegenwoordigen Heer, tot zijne eigenaardige werkzaamheid als leeraar en Apostel der Heidenen gevormd. In die school was het, dat aan paulus de bazuin in de hand werd gegeven, door wier geluid hij later de omheining, door de wet rondom Israël gemaakt, als een anderen muur van Jericho, zou doen omstorten. In die school was het, dat paulus werd toegerust, om het
I
69
Evangelie, dat nog door de windselen van het Jodendom omvangen was, van die windselen te bevrijden, en een vrijen loop door de wereld te openen. Maar in die school was het dan ook, dat paulus het tijdelijk en voorbijgaand karakter der wet als zoodanig leerde inzien, en diensvolgens de rechtvaardigheid, die op haar gebouwd was, verwerpen. In die was het, dat paulus, met voorbijgang van mozes en Sinaï, de gerechtigheid leerde aangrijpen, welke reeds de gerechtigheid van abraham geweest was; van hem, in wien alle geslachten des aardbodems moeten gezegend worden. In die school was het, dat paulus.... maar dat hij zelf spreke: Maar heigeen mij gewin was, dat heb ik om Christus wil schade geacht. Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennisse van jezus Christus mijnen Heer: om wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en achte die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen, en in hem gevonden worden, niet hebbende mijne rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof in Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof. â De rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof! Dat is met andere woorden: De rechtvaardige zal door het geloof leven.
En nu. Geliefden! Verwondert het u nog, dat deze uitspraak voor paulus hooge waardij had? Immers was zij voor hem niet alleen het hoofdwoord der Schrift; niet alleen het hoofdwoord der zaligheid; zij was voor hem nog daarenboven het hoofdwoord van zijn eigen geschiedenis en leven. Zijn geheele geschiedenis, zijn geheele levenslot, wat waren zij, dan de levende verklaring van dat woord, van hetwelk
J
70
hij in het eerste gedeelte zijns levens, zijns onwetens, de grootste tegenstander geweest was, om er in het ander gedeelte te beter de grootste voorstander en verkondiger van te zijn? Ja, dat woord was voor hem als de scheidsmuur, die saulus van paulus scheidde, gelijk het daarna ook het groote beweegrad werd, dat saulus tot paulus maakte, en in paulus alle krachten van lichaam, ziel en geest te werk stelde en in beweging bracht. Met één woord: Dat woord werd de leuze van paulus, en indien ooit een mensch één geweest is met de leuze, welke hij zich koos, paulus was één met de leuze, die hij zich had aangenomen; De rechtvaardige zal door het geloof leven.
Maar nu; naar mate PAULUs-zelf te meer de hooge waardij van deze uitspraak voor zichzelven had ondervonden, naar die mate drong hem zijn hart te sterker, om die uitspraak ook tot anderen te brengen. Wat meer is, hij wist het, dat zij hem daarom alleen zoo gewichtig en dierbaar gemaakt was, opdat hij er de overbrenger aan anderen van wezen zou! Heerlijke roeping voor den ijverigen, geestdriftvollen man! â Sta nu op, o paulus, ga uit, en roep dat woord voor de wereld uit. Gij zijt nu geworden, wat eenmaal de Heer van u voorspelde, een uitverkoren vat-, een vat, niet alleen door de hand des grooten Formeerders van een edel leem gekneed, maar nu ook in het vuur der beproeving wonderbaar door-gloeid en gehard. Wel moogt gij thans, als een vat, den dierbaarsten schat des Evangelies, de blijde boodschap der
T
71
rechtvaardiging door het geloof, voor de wereld tentoon dragen. Draag dien schat, gij uitverkoren man, draag dien schat voor de koningen en de kinderen Israels. Draag dien schat voor de Heidenen. Draag dien schat op den Antonia-burg te Jeruzalem. Draag dien schat op den Areopagus te Athene. Draag dien schat op het Kapitool te Rome. Draag alom dat woord, dat gij niet van menschen, noch door een mensch ontvangen hebt, maar dat gij in de school der heiligste, der zaligste ervaring als een getrouw en alle aanneming waardig woord hebt leeren kennen: De rechtvaardige zal door het geloof leven.
Paulus heeft aan die roeping voldaan. Dat woord van habakuk, het is zijn wachtwoord, zijn krijgsleus, zijn veldkreet geworden. Het was de hoofdsom zijner Godgeleerdheid: de hoofdinhoud zijner prediking: het hoofddoel van zijn leven en streven. Het was voor hem het Evangelie van het Evangelie: het allerverblijdendste uit de gansche blijde boodschap der zaligheid: gelijk hij het met zekeren hoogmoed noemt, het was zijn Evangelium! Waar hij ook kwam, bij de Jood-sche meesters te Jeruzalem, bij de Grieksche wijzen te Athene, bij de Roomsche landvoogden te Caesarea, nergens heeft hij zich dat Evangelium, (dat nochtans den Joden een ergernis, gelijk den Grieken en Heidenen een dwaasheid was,) geschaamd. Zoo wenschte hij het zich ook nu te Rome niet te schamen. Hoort het uit zijn eigen mond: Ahoo helgene dat in mij is, dat is volvaardig om u ook, die te Rome zijt, het Evangelie te verkondigen. Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet, want het is een kracht Gods tot zaligheid voor een iegelijk die gelooft, eerst den Jood en ook den Griek.
i
iê it
TM
m m
r. i
Pi i
^ K ]
i
ii
\'i
ii
! \\\\
1 al
J
« ;
i ;i fi
li;
Mt *
|i
72
Want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal door het geloof leven.
En in der waarheid, indien iemand reden had, zich dit Evangelie niet te schamen, het was paulus. Want welke was de wondermacht, waardoor hij over de halve wereld zoo vele duizenden en tienduizenden van verblinde Heidenen en verstokte Joden tot het Evangelie had bekeerd? Het was de macht van dat woord: Be rechtvaardige zal door het geloof leven. Niet alleen aan hem, aan duizenden en tienduizenden had zich dat woord een kracht Gods ter zaligheid bewezen. Niet alleen voor hem, voor duizenden en tienduizenden had dat woord een ander scheppingswoord: Daar zij licht.\' betoond. Ja, dat woord was een licht voor de in duisternis omzwervende en omtastende menschheid geworden. Voor dat woord had de Jood de gerechtigheid der wet, de Heiden zijne afgoden verlaten. Het was op eenmaal gebleken, dat dit woord de oplossing van het raadsel was, dat sedert adams uitdrijving uit het paradijs op den bodem van alle menschenharten geschreven stond, en naar welks verklaring de beteren onder ons geslacht niet hadden opgehouden te zoeken. Gelukkige paulus ! Hij werd, zelfs boven zijne oudere broederen in het apostelschap, verwaardigd, om dat woord aan Joden en Heidenen te brengen. Daardoor was hij de heraut des vredes, de weldoener der menschheid geworden. O hoe liefelijk waren alom de voeten van hem, die kwam om deze blijde boodschap uit te roepen. Neen, geen overwinnaar, die de muren van Rome zegevierende binnentrok en aldaar de mare eener nieuwe overwinning verkondigde, was voor Rome grooter
73
heilbode, dan de eenvoudige Christin, ons alleen bij name bekend, die den brief van paulus binnen Rome bracht, in welken met onuitwischbaren inkt geschreven stond: De rechtvaardige zal door het geloof leven.
En toch! Zonderlinge tegenstrijdigheid. Toch waren er te Rome, die, reeds vroeger met dat Evangeliewoord bekend geworden, er zich aan ergerden en stieten, en paulus aanleiding gaven om plechtig te betuigen, dat hij zich dat Evangelie niet schaamde, en het zich ook te Rome niet schamen zou. Ja, de Brief van paulus aan de Romeinen is eigenlijk nog meer een verweerschrift, dan eene prediking. Het is een verweerschrift van de waarheid, reeds door andere voorgangers gepredikt, en op hunne prediking door velen aangenomen; maar nu onder hare belijders-zelve tot een oorzaak van scheiding en twist geworden, waarin het niemand beter dan paulus voegde als scheidsrechter op te treden. Wonderbare wegen Gods! Een nietige sektentwist tusschen de Joodsche en Heiden-Christenen te Rome wordt de gezegende aanleiding tot het rijkste en vruchtbaarste onderwijs, dat ons de Heilige Geest immer aangaande de hoofdvraag der zaligheid gegeven heeft. Wij weten dan ook uit de uitkomst, dat deze arbeid van den Apostel niet ijdel is geweest in den Heer. Paulus Zendbrief, en later paulus prediking redde de waarheid, die anders te Rome ligt ettelijke eeuwen vroeger ware verloren gegaan. Onder den invloed van zijne verkondiging breidde zich niet alleen de Gemeente aldaar verblijdend uit; maar werden ook de zaden uitgeworpen van dat geloof, dat later in dierenperken en op bloedschavotten de Goddelijke kracht der waarheid getuigde. En indien reeds vóór de komst van
74
paulus te Rome het geloof der Romeinsche Christenen verkondigd werd in de geheele wereld quot;), bij den grooten roem des geloofs, die ook in volgende tijden van Rome uitging, denken wij met dankbaarheid aan de schriftelijke en mondelinge getuigenissen van paulus: denken wij aan zijn woord; De rechtvaardige zal door het geloof leven!
Zoo ziet gij dan nu paulus niet alleen als prediker, maar ook als handhaver en verdediger van die uitspraak voor u staan. Hartverheffend gezicht, wanneer wij op paulus zien: op den man, die als een zorgvuldig landman niet alleen waakt over den akker, hem toebetrouwd, en daarin met volle handen het goede zaad des koningsrijks uitstrooit; maar die ook zich even ijverig betoont in het uitrukken van het onkruid, dat door den satan in dien akker wordt gezaaid. Smartelijk gezicht echter, als wij op den akker-zelven zien, op welken het onkruid zich wederom zoo ras met de tarwe vermengt, omdat de menschen slapen, omdat de Christenen niet beter waken om het hun overgeleverd pand te bewaren. Rijkans zouden wij willen vragen: Hoe was het mogelijk? Hoe was het mogelijk, dat eene Gemeente, die eenmaal de waarheid van de leer der Rechtvaardiging door het geloof als eene zaligmakende waarheid had erkend, zich die waarheid weder liet ontrooven? Maar neen, wie alzoo vrage, hij, die de mensche-lijke natuur in haren waren staat kent, niet. Hij weet het, hoe zich overal en altijd het schuim der dwaling met het reine goud der waarheid vermengt; hij weet het, ook uit
*) Rom. I : 8.
75
eigen ervaring weet hij het, hoe aan den menschelijken hoogmoed, aan de menschelijke zelfzucht niets zwaarder valt, dan geheel en al van God af te hangen, en inplaats van loon voor arbeid, genade voor genade te ontvangen: hij weet het, dat er een valsche leeraar in den boezem schuilt, die niet ophoudt tegenover de waarheid uit God: Be rechtvaardige zal leven door het geloof: de leugen uit de menschen te stellen: De rechtvaardige zal leven door â de werken.
Intusschen is het niet. onbelangrijk, en vooral voor ons tegenwoordig doel niet ongepast, na te gaan, langs welken weg zich deze dwaling in de kerk ingedrongen, en daarin tot op dezen dag gehandhaafd heeft. Wijden wij dus aan dit onderzoek nog eenige oogenblikken toe.
De rechtvaardige zal door het geloof leven. Wat is geloof? Geloof; in den engeren zin des woords, lt;vaarin het hier voorkomt; geloof in den zin en geest van patjlus, waar hij het als het verwervingsmiddel der zaligheid voorstelt; geloof is die gesteldheid van den inwendigen mensch, waardoor hij voor zichzelven werkzaam is met het heil, dat ons door de menschwording en den dood van jezus Christus is aangebracht. Jezus Christus wordt aangegrepen door het geloof; en van dat oogenblik wordt hij alles voor den mensch, en in den mensch. Hij wordt voor den mensch niet alleen het middel om in de toekomst het eeuwige leven te beërven, maar hij deelt hem ook nu dat leven reeds in beginsel mede, en stort in het hart van den mensch eene nieuwe liefde uit, die in hem de vruchtbare bron van nieuwe werken wordt: werken
76
nochtans, die zoo onwillekeurig en als van zelve geschieden, dat zij meer het gevolg van eenen onwederstaanbaren aandrang, dan van eenige opzettelijke inspanning of strijd zijn. Zietdaar het geloof. Overal nu, waar dit geloof aanwezig is, verstaat men ook het woord: De rechtvaardige zal door het geloof leven. Immers daar verstaat men het, hoe eene werkzaamheid, gelijk die, welke ik aan het geloof toeschreef, den mensch voor het eeuwige leven, dat God in Christus uit genade schenkt, vatbaar maken, bekwamen en vormen kan: eene werkzaamheid, waarbij de mensch het rustpunt zijner ziel, waarop hij in leven en sterven steunt, uit zichzelven in een ander Wezen buiten zich overbrengt: eene werkzaamheid, waardoor alzoo de geheeie mensch, als met den wortel van zijn gansche bestaan, met zijn denken, willen en doen, in dat andere Wezen wordt overgeplant: eene werkzaamheid bijgevolg, die den mensch, inplaats van een zelfzuchtig en zelfzoekend leven, een leven van enkel liefde, van zichzelven aan en voor dat andere Wezen overgevende liefde, leven doet; en dat Wezen is Gods Zoon! en die Zoon van God is het levend Beeld der Goddelijke waarheid, liefde en heiligheid, God geopenbaard in het vleesch! En die Zoon van God is de Middelaar, door God-zei ven verordend, om, door zijne ver-eeniging met den mensch, in hem de Band der gemeenschap tusschen den mensch en God, en de Gerechtigheid des men-schen voor God te zijn! â Meent niet, dat ik hier de taal eener opgewondene verbeelding spreke. Ik druk mij nog oneindig minder sterk uit dan paulus , als hij het leven des geloofs aldus beschrijft: Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en wat ik nu in het vleesch leef, dat
77
leef ik door het geloof des Zoons Gods, die mij lief gehad en zichzelven voor mij overgegeven heeft!
Waartoe deze beschrijving? Om het u te doen gevoelen, hoe het ten eenenmale onmogelijk is, bij het rechte begrip van den aard en het wezen des geloofs, het geloof van de werken te scheiden. Even onmogelijk als het is, het leven van de openbaring des levens, den adem van de ademhaling, de spraak van de woorden, die men spreekt, te scheiden. Ook is zelfs het denkbeeld aan zulk eene scheiding eene ongerijmdheid voor hem, die zelf het waar geloof bezit. Maar bij wie treft men deze dwaling aan ? Bij hen, die zeiven het levend geloof, en dus ook het leven des geloofs missen. Kwamen nu deze slechts tot de gevolgtrekking: mij ontbreken de werken des geloofs; dus moet mij het geloof ontbreken; dan ware de grootste strijd, die ooit in de Christenkerk gevoerd is, onmogelijk geworden. Maar zich den eenigzins dubbelzinnigen en misleidenden klank van het woord geloof, (dat de Apostelen slechts ter hulpe hebben geroepen om het onbeschrijfelijke te beschrijven,) ten nutte makende, onttrekt men zich aan den nood, om uit het afwezen van de werken des geloofs tot het afwezen van het geloof te besluiten. Zoo wordt men genoopt, aan het woord geloof eene beteekenis op te dringen, welke het in den geest van paulus nimmer heeft of hebben kan. Men neemt het in een armen, kouden, dooden zin, als beteekende het bloot: de kennis der Goddelijke waarheid, met de bijna werktuigelijke, of althans louter verstandelijke toestemming daarvan. Alsof het den kranke iets baten kon, wanneer hij de middelen kent en goedkeurt, waardoor hij genezen kan worden, zoolang hij daarvan voor
78
zichzelven geen gebruik maakt! â Uit deze eerste dwaling nu moet noodzakelijk een tweede volgen. Want men gevoelt het wel, dat dit bespiegelend geloof, dat men ten onrechte met den heerlijken naam van geloof versierd heeft, den mensch niet rechtvaardigen, niet heiligen, niet zaligen kan. Het gaat immers enkel in het verstand om, zonder op het hart, op den wil te werken. Dit geloof kan men bezitten, en nochtans een groot booswicht zijn. Wat nu gedaan, om het ontbrekende aan te vullen? Men voegt er de werken bij, en inplaats van; De rechtvaardige zal leven door het geloof, wordt het: De rechtvaardige zal leven door het geloof, verbonden met de werken. Zietdaar de werken, die vroeger erkend werden het geloof te volgen, reeds op ééne lijn met het geloof geplaatst!
Maar het moet nog erger komen. Niet wetende, of althans niet erkennende, dat het levend en zaligmakend geloof eene gave Gods is; de vrucht van eene Goddelijke werking, door den Heiligen Geest in het hart gewrocht, waardoor de mensch, van den overheerschenden dwang der zonde verlost, in staat wordt gesteld en willig wordt gemaakt, om het getuigenis van God in zijn Woord kinderlijk en eenvoudig aan te nemen; waardoor het wederom eene zedelijke onmogelijkheid is, dat iemand, door God tot het geloof gebracht, in de grond- en hoofdwaarheden des geloofs van andere medegeloovigen verschillen zou: dit alles, zeg ik, niet wetende of erkennende, stuit men op de vele en velerlei getoo/sbegrippen, die men onder de menschen ziet bestaan! Vandaar vindt men zich alras, zijns ondanks, gedwongen, nog een stap verder te gaan, en aan te nemen, dat het niet zoo zeer het geloof is, waarop het voornamelijk aankomt: en de gedrochtelijke stel-
79
ling, onder allerlei gedaanten verborgen en vermomd, is geboren: âHel is onverschillig, wat men gelooft, mits men slechts het goede doe.quot; Zietdaar nu de werken niet alleen
i op dezelfde lijn met het geloof, maar zelfs vóór het geloof
t geplaatst; en van het geloof, inplaats van het beginsel en den
) grondslag des geheelen Ghristelijken levens, eene ijdele leuze
3 gemaakt, die men als een bloot opschrift boven de werken
e ophangt! â Maar zietdaar dan ook de geheele orde des heils omgekeerd! Zietdaar paulus tot een leugenaar gemaakt!
gt;e Zietdaar het Woord Gods op zijn dierbaarste en troostrijkste
le bladzijden in het aangezicht wedersproken en wederstaan!
}t Zietdaar het offer van jezus Christus, indien niet geheel
t! doelloos gemaakt, dan toch van zijn grootste waardij en kracht
is beroofd! Ziedaar de blijde boodschap: jezus christus is
ie gekomen om den mensch door rechtvaardiging te heiligen en te
or volmaken, verdrongen door de troostelooze en hopelooze leer:
h, Volmaak u-zelven, indien gij bij God rechtvaardig wilt zijn.
lat Waarom spreekt men het niet onbewimpeld uit: jezus
lis christus is gekomen om door leer, voorbeeld, lijden, ster-
n; ven, opstanding en heerlijkheid de leer te bekrachtigen: De
Jat rechtvaardige zal door de werken leven.
en Door welke werken ? De werken des geloofs. Maar men bezit
er- het geloof niet; hoe zal men dan de werken des geloofs doen?
3e, Men wordt dus gedwongen voor deze werken; welke niet
ien anders dan de vrucht des Geestes, liefde, blijdschap, vrede,
ich goedertierenheid, zachtmoedigheid en matigheid zijn; andere
te werken in de plaats te stellen. Inplaats van den Heiligen
\'is. Geest in het hart, wordt het vleesch, of ten beste genomen,
itel- het onverlicht en onverbeterd verstand de wetgever, die ons
80
zegt, wat wij moeten doen om Gode welbehagelijk te zijn. De ongeloovige en onbekeerde mensch zijn eigen wetgever! Is het vreemd, dat men uit de eene dwaling in de andere, dat men welhaast van onverschillige tot zondige, van zondige tot werken des duivels vervalt? Gij hebt het in paulus gezien: de man, die de rechtvaardigheid in de werken zocht, deed ten slotte zonder het te weten of te willen, het werk der duisternis, en werd ânaar den ijver een vervolger der Gemeentequot; een vijand en bestrijder van dien God, voor wien hij meende te strijden!
Geliefden! Ik heb u de verbastering van de leer der rechtvaardiging, ons door paulus overgeleverd, willen beschrijven. Onwillekeurig heb ik een geschiedkundig tafereel geschetst. Want die beschrijving van den weg, langs welken de verbastering der grondleer van paulus, van de miskenning van het wezen des geloofs tot de onnatuurlijke scheiding van het geloof en de werken, en eindelijk tot de eenzijdige verheffing der werken overgaat: van welke dwaling wederom de in-plaats stelling van werken van eigenwillige godsdienst voor de werken, die uit het geloof, naar Gods Woord, en Gode ter eere geschieden, de natuurlijke en noodzakelijke vrucht is: â het is werkelijk de weg, langs welken de kerk uit den bloeienden staat, waartoe haar paulus aanvankelijk mocht zien ontluiken, tot den doodelijken toestand verviel, waaraan vóór driehonderd zeven en twintig jaren de onvergetelijke één en dertigste October een einde maakte. Beboet ik u duidelijker te spreken ? Ik heb u den dag der gezegende Kerkhervorming genoemd 1
81
Ik moet er echter nog iets bijvoegen. Weet gij het, Toehoorders, welk woord het was, dat, evenals het staal uit den steen, in de ziel des Hervormers het eerst het licht en het leven wekte, dat hij later, onder de besturing Gods, aan de wereld mocht mededeelen? Het was dit woord, dat voor mij ligt: De rechtvaardige zal door het geloof leven. Bij drie merkwaardige gelegenheden in luthers leven was dat woord als de Engel Gods, die hem staande hield op zijnen weg, en hem bij de hand nam om hem op den weg des levens te leiden. Eerst in het klooster te Wittemberg, kort na zijne wijding tot Leeraar in die Schrift, wier kampvechter hij stond te worden, nadat zij den kamp zijner eigene ziele had beslist. Daarna in het klooster te Bologne, bij den vernieuwden zielsstrijd in het gezicht des doods. Eindelijk te Rome â is het niet treffend? te Rome! â bij het beklimmen van den ge-waanden trap van pilatus; het laatste doode werk, de laatste zwakheid van den grooten en in God sterken man. Ja, dat woord van habakuk, dat woord van pauujs, is ook het woord van luther. Aan geen ander woord in de gansche Schrift is de Hervorming meer verplicht, dan aan dit. En wat meer zegt: geen ander woord meer dan dit drukt in een enkelen trek de kenmerkende waarheid, den strijd, de kracht en de zegepraal der Hervorming uit: de rechtvaardige zal
door geloof leven!
Nog een woord van toepassing en ik eindig.
Geliefden! Hervormde Christenen! Gij, die uit de gezegende handen van luther dat woord hebt ontvangen, dat
Homiliarium II. 6
82
dwaling en bijgeloof aan de wereld hadden ontroofd: hervormde Christenen, gij, die, wat meer zegt, het pand dier waarheid ontvangen heht als een dierbaar erfgoed van die Vaderen, die in het graf slapen, en onder welke er zijn, wier graauwe haren met bloed zijn ten grave gedaald, waarmede zij hun geloof aan die waarheid stervende hebben bezegeld: hervormde Christenen. gij, die in uwe Belijdenisschriften op elk blad dat woord wedervindt, en aan wie het telkens, en ook nu weder, â dank, eeuwig dank zij der trouwe Gods! â opentlijk van den leerstoel verkondigd wordt: wat hebt gij met dat woord gedaan? Het is toch niet genoeg, dat woord op de banier te schrijven, om welke wij ons met al de kinderen der Hervorming hebben geschaard: de groote vraag, waarop alles aankomt, is en blijft deze: Wat is dit woord voor mij? â Welnu, wat is dit woord voor u? â Er zijn, voor wie dit woord een oorzaak van ergernis is. Zij zijn het, die dat Evangelie verwerpen, die er zich over schamen, omdat het een Evangelie van genade alleen voor schuldigen, van rijkdom alleen voor armen, van zaligheid alleen voor rampzaligen is. â Er zijn, voor wie dit woord een oorzaak van zonde is. Zij zijn het, die dat Evangelie aannemen, omdat het, naar hunne valsche opvatting, een Evangelie van aanneming ook voor onbekeerden, van vergelding ook voor werkeloozen, van verlossing ook voor vrijwillige zondeslaven is. â Ik heb u het dubbel misbruik, dat omtrent dit woord in de kerk van Christus bestaat, genoemd. Hervormde Christenen! Hebt gij hier uw naam ook hooren noemen ? O dat ik hier spreken kon met woorden, die geene klanken, maar, gelijk de Prediker zegt, prikkelen en nagelen zijn, door-
83
dringende in het binnenste en innigste van uwe harten. Dan zoudt gij gevoelen, dat dit woord een tweesnijdend zwaard is, dat de dubbele dwaling van EiGENgerechtigheid en on-gereehtigheid afsnijdt, om alleen voor de GEUECHTiGHEin, die in Christus is door het geloof, plaats te laten. Dan zoudt gij inzien, wat het beteekent, als wij u verkondigen, dat God van den mensch niet dan geloof, maar dat het geloof van den geloovige eene persoonlijke, waarachtige en krachtige hekeering eischt, niet alleen van de zonde tot de deugd, maar ook en vooral, van den hoogmoed der roenschelijke wijsheid tot den ootmoed der kinderlijke onderwerping aan Gods Woord, van de liefde der wereld tot de liefde Gods, en, wat het zwaarste is, van het zijns-zelfs eigen ziin tot het eigen worden, beide met lichaam en ziel, in leven en sterven, van jkzus Christus, onzen eenigen Meester en Heer! Mocht dit woord in uwe harten ingaan, en aldaar een goede plaatse vinden en behouden! Dan zult gij, Christelijke Sadduceër! niet langer daarheen gaan in een dwaas en zondig vertrouwen, dat God geen recht heeft u rekenschap te vragen van uw geloof, alsof God, eenmaal in het Evangelie den weg der zaligheid geopenbaard hebbende, het u kon toelaten, eigenwillig een anderen weg, en voor den weg des geloofs den (onmogelijken!) weg der werken te kiezen! Maar dan ook zult gij. Christelijke Farizeër! daar niet henen gaan in een even dwaas, als zondig vertrouwen op hetgeen gij uw geloof noemt: opdat werkelooze en trage rusten en sluimeren op het werk van Christus, dat in hem, die er zich aan overgeeft, het krachtigst bewijs is, dat Christus niet in hem, noch hij in Christus, en dat dus Christus voor hem, evenals
6*
ffi
ïf
i \'⢠i
â¢\'! J 1
1 )
; \'l
. ll
Sf
â quot; I ^ i
: I) 11!
iUif
â ll\'l
84
hij voor Christus niets is! â Aan den eersten roep ik als wachtwoord toe: Christus voor ons! Aan den anderen: Christus in om! Aan den eersten: Geloof, wat gene gelooft zonder de werken! Aan den anderen: Werk, wat gene werkt zonder geloof! Of liever: want hoe zou uit twee zulke doode zaken, als een valsch geloof en een eigengerechtige werkzaamheid, eene levende zake, gelijk het waar en zaligmakend geloof is, kunnen voortkomen ? aan beide roep ik toe: Vraagt God om dat geloof, dat leeft in Christus! Vraagt God om dat leven, welks begin het geloof in Christus is. Ja, Geliefden! Dat geloof, geloof in God door Christus, dat de bekeering onmiddellijk met zich voert als het lichaam zijn schaduw, â neen, liever als de zon haar licht! â dat geloof is uit God! Maar is dit geloof uit God, dan is het eene gave Gods: is het eene gave Gods, alle goede gaven zijn van den Vader der lichten afkomende, bij wien geen verandering is of schaduw van omkeering; en reeds vóór achttien eeuwen werd van hem verkondigd, dat hij een God is, die een iegelijk zijne begeerte mildelijk geeft, en niet verwijt. Begeert dan van God alles, wat u ontbreekt. Begeert van hem vóór alles het licht van dien Heiligen Geest, die overtuigt van zonde en gerechtigheid en oordeel: want indien de beide dwalingen, die ik bestrijd, slechts ééne gemeenschappelijke bron hebben, die bron is het afwezen van de Alfa der zaligheid: bevindelijke kennis der zonde. De weg der zaligheid is onveranderlijk, en loopt voor ons, zoowel als voor paulus en luther, door het dal des ootmoeds, door de diepte der vernedering, naar den berg der verheerlijking, naar den berg Gods! Paulus op den weg van Damaskus, luther op den weg
85
11
v :
I! lifei!
naar Erfurt, hebben, te midden van de donderen en bliksemen des Heeren, het heil hunner zielen gevonden. Ik zeg niet, dat zulk eene smartelijke geboorte ook voor u noodig is. God heeft duizend wegen van bekeering, en lydia vindt den Heer in het stille heiligdom: ja, timotheus vindt hem op de knieën zijner moeder. Maar bekeering, omkeering, omzetting van verstand en hart, nog meer dan van leven en werken, moet er zijn. De rechtvaardige zal door het geloof leven ; hij, die eenmaal waarlijk leven zal, moet dat leven reeds hier aanvangen: en om dat leven te kunnen aanvangen, moet men geboren worden uit God! â Och of de zalige ure dier hemel-sche geboorte heden, al ware het slechts voor dezen of dien in ons midden, gekomen ware! Och of voor een enkelen uwer deze ure onvergetelijk wierd als de ure, waarin u voor het eerst de zaligmakende genade Gods verscheen, en de rechtvaardigheid Gods aan uw hart werd geopenbaard door het woord, dal geschreven is: De rechtvaardige zal door het geloof leven! Dat geve God!
\'â Hl
i\' il I
1 |
\'m : f|
li
III
\'i
\'â 1, I
quot; :J|
Amen.
J. P. Hasebuokk.
l\'|
I wS-
IV.
Een woord tex- eere der Kerkhervorming1).
Het volk, dat in duisternis zat, heeft eon groot licht gezien.
Matth. IV ; IB».
Sedert den eenendertigsten October des vorigen jaars hebben wij wederom gedurende een jaar het voorrecht der vrije Evangelieprediking genoten. Terwijl in dat tijdvak duizenden Christenen met allerlei ijdele ceremonien werden beziggehouden , zonder dat zij konden opwassen in de kennis van Jezus Christus; terwijl honderden tot op hun sterfbed en in hunne laatste ure zelfs verstoken moesten blijven van de gezuiverde prediking des kruises, werd de volheid van het Evangelie der Apostelen ons voortdurend gebracht, en behoefde onder ons niemand ten grave gedragen te worden, zonder ook in zijn stervensuur te kunnen hooren van de rechtvaardiging en den vrede door het bloed van Gods Zoon. Weer ligt een 31° October achter ons, onvergetelijk voor
1
Voor quot;teerst in druk verschenen te Utrecht, in het jaar 1849.
87
ieder, die zich verblijdt, dat hij zich niet behoeft te krommen onder het juk van dwaze en leugenachtige leeringen der menschen, nu de deur hem is geopend tot de kennis van den eenigen naam, onder den hemel gegeven tot zaligheid. Naarmate het dagelijks meer blijkt, dat ieder, die niet in het Evangelie alleen het geneesmiddel tegen de krankheden des tegenwoordigen tijds vindt, machteloos is tegen het geweld der dwaling, der zonde, der leugen, is het heiliger plicht voor ons, het heil, dat de Hervorming der zestiende eeuw ons aanbracht, met dankzegging aan God te herdenken. Wij willen het thans doen naar aanleiding van de woorden des Apostels: Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien!
Had Jesaja daarmede eens de ellende geschilderd, waaruit Israël verlost zou worden door de hand zijns Gods, Mattheus neemt het woord van den Profeet over, als hij het in waarheid vervuld ziet door het optreden van Jezus in Galilea. Even scherp als de tegenstelling van duisternis en licht, is hem die van de geestelijke ellende, waarin Galilea ten tijde van Jezus was gedompeld, en het heil, dat over die landstreek in de verschijning van den Christus opging. Verscheen Jezus in Galilea eertijds werkelijk als een groot licht in de duisternis van den nacht, vijftien eeuwen later heeft Hij zich opnieuw als een groot licht geopenbaard in de duisternis, welke zijne Kerk op aarde bedekte. Wij staan nu niet langer bij de woorden van den Evangelist stil, maar nemen ze over met het oog op de dagen der Kerkhervorming. Wij zeggen, terwijl wij denken aan hetgeen de Kerkhervormers wrochten; het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien. In dezen zin en
if
| V
IN
I. H
i:.!(
I
:wU
R-fl
a i:: i
il
\'f !
\'\' \'!
â il
t|
:
M
ï I
-i n
1 â !
J-\'\'
88
met deze bedoeling ze overnemende ter eere der Kerkhervorming, zien wij daarin
1. eene juiste beschrijving van den zegen der Hervorming,
2. eene ernstige herinnering van de verplichting der Hervormden.
Verlangen wellicht sommigen hier eenige bijzonderheden te hooren van hetgeen de Heer der gemeente door de hand der Hervormers gedaan heeft, wij mogen ons van het voldoen aan die begeerte ontslagen achten, nu er in onze dagen zulk eene licht toegankelijke gelegenheid bestaat, om met de geschiedenis der Kerkhervorming nauwkeurig bekend te worden. Het weinige, dat hier ook eene plaats zou kunnen vinden, bleef gewis onvoldoende tot bevrediging van dat gekoesterd verlangen. Liever eene aanwijzing, hoe in de woorden, dooiden Evangelist overgenomen van Jesaja, eene juiste beschrijving van den zegen der Hervorming is te vinden. Hij spreekt van een volk, dat in duisternis zat; hij zegt, dat daarover een licht is opgegaan; hij noemt dat licht groot. Daarmede achten wij den zegen der Hervorming juist beschreven, als wij letten op hetgeen de Christelijke Kerk ons tijdens de Hervorming, in de Hervorming en na de Hervorming te zien geeft.
Tijdens de Hervorming geeft de Christelijke Kerk ons een volk te zien, dat in duisternis zit. Ik weet, dat velen dit niet zullen toestemmen. Ik vrees, dat wij hunne toestemming ook zeer moeielijk zullen verwerven. Om de uwe te verkrijgen, beginnen wij met de opmerking, dat wij niet blind zijn voor den invloed, dien mannen als Wiclef, Huss, Thomas van Kempen, Wessel Gansfort, Erasmus en anderen
89
op tijdgenoot en nageslacht uitoefenden; dat wij hunnen arbeid op hoogen prijs moeten stellen. Maar gelijk Johannes de Dooper niet naast Jezus stond, stonden die mannen met hunne geestverwanten niet naast Luther, Zwingli, Calvijn en hunne vrienden. De morgenschemering kondigt ons wel den naderenden vollen middag aan, maar vergoedt ons niet het gemis van het licht, dat ons toestroomt, als de zon boven onze hoofden gezien wordt. Moge men aan eenen Wessel Gansfort ook den naam van licht der wereld hebben gegeven, het was in 1489, toen hij stierf, niet meer dan morgenschemering, in vergelijking van hetgeen na 1517 gezien werd. Was hij er van overtuigd, dat de heilige Schriften de levende bron des geloofs zijn, dat God alleen de zonden vergeven kan, dat de aflaat zich alleen bepalen moet tot kerkelijke straffen, zijn gevoelen was het gevoelen der Kerk niet, zijne overtuiging werd niet die der gemeente, en er was nog te veel in zijne voorstelling van de waarheid, dat hem tot de zonen der Roomsche kerk deed behooren en ons verhindert, hem met de Hervormers op ééne lijn te plaatsen. Met weinigen stond hij alleen op een eenigszins hooger standpunt dan de Kerk des Heeren van zijnen tijd, in welke gij zeggen moogt, dat de duisternis heerschte, zoo gij met mij het waarachtige licht alleen in de kennis van Jezus Christus ziet. Jezus Christus werd niet door de Kerk zelve beleden en gepredikt als eenig hoofd zijner gemeente, als eenige middelaar tusschen God en menschen, als het eenig offer, eenmaal voor de zonden der wereld geslacht; niet als het eenige fundament voor de hoop der rechtvaardiging en als de eenige deur zijner schapen. Immers verhief zich de
90
heilige vader te Rome als zichtbaar opperhoofd der Kerk, en sprak met een vertoon van macht, alsof hij de hemelen en hunnen ingang in zijne hand had. Eene menigte heiligen met de maagd Maria aan het hoofd plaatste zich tusschen den Koning des Godsrijks en zijne duur gekochte gemeente. Telkens offerde de priester Christus opnieuw ter zondenverzoening, en waar het geloof in den Gekruisigde en niets anders de hoop der rechtvaardiging moest geven, kwamen goede werken en aflaat en wat al niet daarnaast of ook daarvoor in de plaats. Niet op Christus, maar op hetgeen men de zaligmakende Kerk en haren schat geliefde te noemen, werd de zondaar gewezen, indien hij ten eeuwigen leven wilde ingaan. Hem, die zich âhet licht der wereldquot; had genoemd , plaatste men niet in leer en leven op den voorgrond als den borg des beteren verbonds, in wien God vergeving der zonden predikt voor ieder, die in Hem gelooft; door wiens bloed de zondaar gerechtvaardigd wordt uit genade, door wiens Geest vernieuwd hij tot het koninklijk priesterdom wordt gerekend. Maar het is niet bevreemdend, dat Jezus Christus door het volk niet als de wijsheid, rechtvaardiging, heiligmaking en verlossing des zondaars gekend werd. De heilige Schriften, weinig gelezen door het meerendeel der leeraars, waren verborgen voor de leeken. De waarheid was evenals het talent in de gelijkenis begraven, het licht onder de koornmaat geplaatst. De stralen der waarheid konden tot de onkundigen niet doordringen. Wel wordt ons door de vijanden der Hervorming telkens opnieuw herinnerd, dat wij de zaak overdrijven, dat wij de geschiedenis geweld aandoen; maar wij volharden in hetgeen wij daar zeiden. Geenszins
91
ontkennen wij, dat op Hoogescholen en in kloosters, onder geleerden en godvreezenden de heilige Schriften en haar hoofdinhoud, Jezus Christus, bekend waren. Maar de Kerk zelve werkte door hare vertegenwoordigers de vrije Evangelieprediking, dat is, de verspreiding van het waarachtige licht, niet in de hand. Wel zegt men ons, dat er overzettingen van den Bijbel in de taal des volks bestonden. Maar men moet daarbij dan eens aantoonen, dat Rome het volk opwekte om den Bijbel te lezen, dat Rome het volksonderwijs behartigde met het doel, om de heilige Schriften voor de jeugd toegankelijk te maken. Wel roept men ons toe, dat vele Hoogescholen op onderscheidene punten van Europa opgericht, kweekplaatsen waren van kennis. Maar al gaven wij eens toe, dat zij ook brandpunten van het licht der goddelijke waarheid geweest zijn, hetgeen wij stellig ontkennen, dan vragen wij toch, wat het den vreemdeling op de heide in de duisternis baat, dat de straten in de steden des nachts eenigermate verlicht zijn. De invloed der Hoogescholen op het volk gedurende de middeneeuwen tot verbreiding van de kennis des Evangelies moet hier bewezen worden. Geleerden mogen er geweest zijn in niet gering getal; maar geleerdheid is nog nooit hetzelfde geweest als levend en levenbrengend Christendom; wetenschappelijke vorming is nog geen licht op den weg naar den rechterstoel van Christus. Waar Hij niet het middenpunt van prediking en leven is, noemen wij het duister, en zeggen daarom, dat de Christelijke Kerk ons tijdens de Hervorming een volk geeft te zien, zittende in de duisternis.
Voor dat volk is een licht opgegaan. De Christelijke Kerk
92
geeft het ons in de Hervorming te aanschouwen. Nadat reeds van tijd tot tijd stemmen gehoord waren, die op herstelling van het vervallene, op genezing van hetgeen zeer krank was, aandrongen, verwekte God de mannen, door wier arbeid wij nu het licht der waarheid kennen, mannen, wier verstand door de kennis van Gods Woord en door den Geest van Christus verlicht was. Terwijl Luther in Saksen de dwalingen en leugens der pauselijke en priesterlijke wijsheid aanviel, streed Zwingli met hetzelfde wapen, waardoor Luther sterk was, in Zwitserland; en binnen korten tijd traden anderen naast hen op als krijgsknechten van Christus, om Hem de eer te doen geven, die hem toekomt. Liever trotseerden zij vervolging, smaad en dood, dan dat zij zich door de duisternis, waarin Rome hen allen gaarne gehouden had, het licht des heils van het kruis langer hadden laten ontnemen. De Hervormers, gevoed door menig levend woord van hunne wegbereiders, allermeest gelaafd aan de bron, welke de heilige Schriften openen voor ieder, die naar gerechtigheid en waarheid dorst, hadden in hun hart ondervonden, dat het Evangelie eene kracht Gods tot zaligheid is, dat Jezus alleen de woorden des eeuwigen levens heeft, dat geen eigen gerechtigheid en geen uiterlijkheden den vrede kunnen brengen, dien het bloed des kruises van Golgotha predikt. Zij hadden uit den Bijbel geleerd, diens inhoud vergeleken met de leer en den eeredienst en de praktijk der Kerk. Jezus Christus had zich in hen geopenbaard en zijn licht in hun hart laten schijnen. Daar openden zij den mond, omdat zij, uit den Geest geboren en in Gods Zoon geloovende, niet konden zwijgen van hetgeen zij als eeuwige goddelijke waarheid uit
93
i
de geschriften der getuigen van Christus hadden leeren kennen.
Zij wilden niets anders weten, dan Jezus Christus en dien gekruisigd, al was hij ook dezen eene ergenis en genen eene dwaasheid. Hun was Hij de kracht en de wijsheid Gods. Zij roemden in het kruis van Christus door het geloof, dat hen de wereld deed overwinnen en hun de sterkte gaf, om den smaad der wereld boven de eere der menschen te verkiezen. Bleek het al spoedig, dat zij niet in alles eenstemmig dachten; poogde men te vergeefs de kloof te dempen, die Luther in den Avondmaalsstrijd van Zwingli scheidde; waren de Hervormers mannen, die zeer van elkander verschilden in gaven, karakter, ontwikkeling, kennis;
één waren zij in beginsel, want Christus leefde in hen allen, \'
één waren zij in den geest, want de liefde van Christus drong hen, één waren zij in streven, want met het woord Gods bestreden zij de wijsheid der menschen, één waren zij in hoop, want op denzelfden grond bouwden zij hunne verwachting van voor God gerechtvaardigd te worden. Zij verschilden niet in de hoofdzaak: het kruis van Christus als fundament van de hoop der vergeving van zonden, de noodzakelijkheid der vereeniging van geloof en bekeering, van rechtvaardiging en heiligmaking; het eeuwige leven, Gods genadegift, niet door de werken te verkrijgen, maar den zondaar in Christus bereid naar den rijkdom zijner eeuwige liefde. Dat was het licht, dat hen verlichtte, een nieuw licht, omdat zij het opnieuw hadden mogen aanschouwen met ongedekten aangezichte; een oud licht, omdat men het reeds voor vijftienhonderd jaren ook door Paulus te Rome gezien had. Dit was het licht, dat zij den volke brachten.
flijiL ffquot;
fquot;
\' 11 quot;
â¢quot;\'I ;
|s !!
t\'fl
94
Met de heilige Schriften in de hand traden zij onder het volk op, wat Paus en priester ook daar tegen mochten zeggen, en in des volks eigene taal verkondigden zij de groote werken Gods tot behoud der verloren zondaars. De heilige Schriften werden door hen in de huizen gebracht, voor eenvoudigen verstaanbaar gemaakt, den onkundigen verklaard, opdat allen Jezus Christus kennen zouden als het waarachtige licht, en opdat zij door het geloof in zijnen naam leden zijns lichaams, kinderen Gods, geestelijken en priesters des Waarachtigen zouden worden. Zooals de Hervormers het Evangelie predikten had de zestiende eeuw het nog niet gehoord en gezien. De Christelijke Kerk ontving het beginsel harer wedergeboorte. Den Pauselijken heerscher werd de macht over de sleutelen des hemelrijks ontweldigd. Al sloot hij ook, de Hervorming opende door Evangelieprediking den weg tot den troon der genade. Voorwaar, het is duidelijk, dat de Christelijke Kerk ons in de Hervorming een licht geeft te zien, dat opging voor een volk in duisternis.
Met recht kunnen wij dat licht groot noemen. Door hetgeen de Christelijke Kerk ons na de Hervorming laat aanschouwen , worden wij gedrongen, aan die stelling ons zegel te hechten. De Kerk werd weer tot Christus gebracht. Van Hem had reeds vóór zijne verschijning in het vleesch een Engel verzekerd: âdeze zal groot zijn.quot; Groot is Hij geweest, groot in zijne woorden, die de scharen met verbazing vervulden, groot in zijne teekenen, waarin zich zijne macht over natuur en geesten openbaarde, groot in zijne vernedering, door welke Hij den naam zijns Vaders verheerlijkte. Groot is Hij, als met eere gekroond in den hemel, nadat Hij wereld.
95
zonde, dood en graf heeft overwonnen, koninkrijken, heerschappijen en machten zich heeft onderworpen. Groot is Hij in de regeering zijner Kerk, in wier geschiedenis Hij zijne macht en liefde openbaar maakt. Hij is haar licht, het groote licht, dat door de Kerkhervorming weer helderder dan vroeger begon te schijnen en al verder en verder de koesterende stralen uitzendt, opdat allen verlicht zouden worden door de kennis van den weg tot het leven in zijns Vaders gemeenschap. Groot noemen wij het licht, dat door de Her-vorming schijnt, omdat zij hare kracht aan het afschijnsel des levenden Gods ontleend heeft. Wat zou de Hervorming hebben uitgericht, indien zij met een nieuw of vernieuwd stelsel van menschelijke wijsheid opgetreden was, of aan vernieuwing van oude vormen had gearbeid? Eene school of eene secte had zij in het leven geroepen, maar ons niet doen zien wat wij nu voor oogen hebben, eene gemeente, op het fundament der Apostelen gegrond, en vast genoeg daarop staande, om aan het geweld van de vijandschap des vleesches en der menschenvergoding het hoofd te bieden. Een groot licht is door de Hervorming opgegaan, omdat zij den levenden Christus Gods tot hare kracht heeft. Daarom dringt het al verder en verder, en zijn de werkingen van dat schijnsel zoo machtig. Niet gelijk Romes heerschappij in de middeneeuwen door velerlei stoffelijke middelen, doorgaans onder zeer gunstig medewerkende omstandigheden, zich uitbreidende; maar in de machtigste vorsten van Europa en in de aanzienlijkste hoofden der Kerk heftige tegenstanders vindende, met zwaard en brandstapel in hare kinderen vervolgd, alléén met het woord des kruises kampende, hield de
ij .
lp ij
ipj ! â \' â
rh 11
f:.:1
;iM
gt; i\'
â VI i
lid
nii
96
Hervorming zich staande, won haar arbeidsveld meer en meer grond, en oefende haar licht zelfs op de aan Rome getrouw gebleven Kerk merkbaren invloed uit. Al wil deze het niet erkennen, het licht, dat over het volk in de duisternis opging, is niet volkomen buiten Romes hooge kerkmuren gehouden. Onmiskenbaar is de invloed, dien het daar binnen gehad heeft. Maar niet zoo groot, dat eene vergelijking tus-schen de oude moederkerk en de uit God geboren dochter ons niet uitnemende diensten bewijzen kan, om ons te doen zien, dat het licht der Hervorming meer dan eene morgen-schemering, meer dan een voorbijgaand luchtverschijnsel geweest is. Terwijl het ware geestelijke leven daar, waar de herdersstaf van Romes kerkvoogd de schapen hoedt, bijna geheel ontbreekt, openbaart het zich in menige vrucht des Heiligen Geestes, waar het woord der Hervormers als zaad in een goeden akker is gevallen. Daar maakt zich het werk der Hervorming als een werk des Heiligen Geestes kenbaar. Eerst na de Hervorming heeft de Christelijke Kerk kunnen toonen, welken rijkdom van leven uit God in haar woont, terwijl zij vóór dien tijd, zoolang zij voor het levend woord des Evangelies zich doof hield en de inhoud des Evangelies door haar werd veranderd, zich ijveriger in de bloedige vervolging van andersdenkenden, dan in de leering en vermaning door de liefde van Christus betoonde. Eerst na de Hervorming kan men weer zien, wat bet Evangelie voor volksgeluk en volksleven aanbrengt. Vergelijkt slechts de landen, waar Rome in waarheid heerscht, en stelt daartegenover, niet de streken, waar men tegen Rome protesteeren de tevens tegen de geheele Christelijke waarheid zich verzet, maar die, waar
het Woord Gods wordt geëerbiedigd en ingang vindt in de harten, waar men Gods Zoon alleen erkent voor den weg ten eeuwigen leven. Daar kan de zuurdeesem het geheel doordringen en toont hij werkelijk zijne alles doordringende kracht in de aanbidding van den levenden God als Geest, in geest en waarheid. Daar is Gods Woord het eenige zwaard, waarmede ongeloovigen en onboetvaardigen worden gedwongen, voor het kruis van Christus zich te buigen. Door het licht der Hervorming verlicht gaat nu de verlichte Kerk van Christus door hare zendelingen van land tot land en van volk tot volk, om ook anderen tot het licht te brengen, en de waarheid, in Christus geopenbaard, aan alle natiën te prediken in hare eigene talen. Ook Rome ijvert voor de uitbreiding der Kerk onder de volken. Maar terwijl zij het onderzoek en de kennis der heilige Schriften tot een voorrecht harer geestelijkheid maakt en hare zendelingen in de Heiden wereld niet zelden slechts een schijn van Christendom laat brengen, vereenigen Protestanten zich tot algemeene onbeperkte Bijbelverspreiding en zenden bijna veertig Zendelinggenootschappen predikers in de Heiden wereld uit, die in last hebben, om de volken de Schriften te verklaren en alzoo in de leer en in den weg der Apostelen te volharden. Door de Protestanten wordt aan de einden der aarde de nacht der duisternis, die de Heidenen bedekt, door het licht der Hervorming verdreven. In en buiten Europa schijnt dat licht al verder en helderder, totdat het eens al de volken zal bestralen, in vrede en rust hen zal doen leven, en de gansche aarde met dankzegging aan den alleen wijzen God zal erkennen, dat er voor het volk, dat in duisternis zat, een groot licht is opgegaan.
Homiliarium IJ. 7
98
Vonden wij in het Apostolische woord den zegen der Hervorming met juistheid beschreven, wij zien er ons ook eene ernstige herinnering van de verplichting der Hervormden in gegeven. Is er door de Hervorming voor het volk, dat in duisternis zat, een groot licht opgegaan, dan worden allen, die in dien zegen deelen, ernstig vermaand, om het met hartelijke blijdschap te begroeten, het overal onbelemmerd verder te doen schijnen, het tegen de macht der duisternis zorgvuldig te beschermen.
Het licht, dat door de Hervorming opging, met hartelijke blijdschap te begroeten, waartoe zijn wij eerder geroepen? Met vreugde wordt elke ontdekking in het rijk der natuur ontvangen, en men beijvert zich, er zooveel mogelijk partij van te trekken. Maar wat zijn al de ontdekkingen, die onze wetenschappen kunnen verrijken, vergeleken met de ontdekking, die de Hervormers aan het licht brachten, nadat zij hen zeiven tot het licht gebracht had: de ontdekking, dat men niet met willekeurig voorgeschreven goede werken, niet met aalmoezen en bedevaarten, niet met het opzeggen van gebeden en het koopen van aflaatbrieven, niet langs een met eigen hand gelegden weg, den ingang van het Koninkrijk der hemelen bereikt, maar dien ziet geopend alleen door het geloof in Gods Zoon ? Welke ontdekking is te vergelijken met die van den weg des eeuwigen levens, zooals de van God gezonden wegbereider der zondaars dien heeft afgebakend, met die van de hoofdwaarheid des Evangelies, dat alleen zij kinderen Gods zijn, die in de gemeenschap van Christus leven, dat alleen zij levende leden van zijn lichaam, van zijne gemeente, kunnen genoemd worden, die even innig met Hem
99
als de rank met den wijnstok zijn vereenigd; dat alleen zij\' zich als medeërfgenamen van den Zoon zullen verheerlijkt zien, die door zijn bloed gereinigd en door zijnen Geest geheiligd zijn en niet in zich, maar alleen in den gekruisigden Christus, hunnen roem, hunnen vrede en hunne hoop zoeken». Die ontdekking zou natuurlijk geen waarde bezitten, indien zij geen waarheid had doen vinden. Maar dit dan ook, dat zij de eeuwige waarheid, die uit God is, heeft ontdekt, dit moet ons haar licht met vreugde doen begroeten. Die het licht der zon met blijdschap begroet, verbergt zieh niet in de duisternis, maar gaat het licht tegemoet, plaatst zich. in zijne stralen en laat zich daardoor beschijnen. Begroeten wij nu het licht, dat door de Hervorming opging, met blijdschap^ wanneer wij het woord des Evangelies, terwijl het tot ons komt, óf onze aandacht niet waardig keuren, óf er ons aan ergeren, óf het vijandig tegenstaan? Dan plaatsen wij ons bij het volk, dat in de duisternis zit en willen liever kinderen der duisternis, dan des lichts, genaamd worden. Want kinderen der duisternis zijn allen, die zich niet verblijden in het licht der Hervorming, in de prediking van Christus, gestorven om onze zonden, opdat wij door zijn dood met God verzoend zouden zijn; een vloek geworden voor ons, opdat Hij ons van den vloek zou verlossen. Die zich hieraan ergeren mogen zich kinderen des lichts achten, zij toonen toch de duisternis lief te hebben, zoolang zij niet tot den levenden Christus komen, om uit zijne volheid genade voor genade te ontvangen; zoolang zij vijanden blijven van het bloed des Zoons, dat van alle ongerechtigheid reinigt; zoolang zij van bekeering, wedergeboorte, vernieuwing des harten niet willen
7*
;|! i â \'\' -li
\'\' \' 1
n\\
â â Ivjjj
m |
|
11
\'ï !l
\' ]ï
\\ \' â \'tl quot; I
i
r! I
n. i
lil
; I; 1
100
hooreri, als noodzakelijk voor ieder die uit vleesch is geboreri. Zou dit oordeel ook misschien te hard zijn? Maar oordeelt dan zeiven. Indien gij hebt toegestemd, dat er door de Hervorming werkelijk een groot licht is opgegaan, en dat zij, die dit licht niet kennen, in de duisternis zitten, wat de kennis van den waren weg ten eeuwigen leven betreft, dan moet gij toch ook toestemmen, dat ieder, die het door de Hervormers ontstoken licht, het door hen gepredikte Evangelie, den door hen gepredikten Christus vijandig is, tot de vrienden der duisternis moet gerekend worden. Moet gij dan dien naam niet geven aan allen, die, wanneer gij in de leer der Hervormers volhardt, niet wat de verschilpunten, maar wat de hoofdzaak aangaat, waar Luther met Zwingli, waar Melanchthon zoowel als Calvijn met de beide anderen volkomen eenstemmig dachten en predikten, â die u dan niet kunnen verdragen, die zich dan inspannen, om anderen te doen gelooven, dat gij dweepers zijt en bekrompen van verstand en voorstandei\'s van verouderde leeringen eener men-schelijke wijsheid? Kunt gij het er voor houden, dat men zich waarlijk over de Hervorming, waarlijk in het licht der Hervorming verblijdt, wanneer men, ziende, dat gij u geheel aan de Hervorming aansluit en al uw heil in Christus en zijn verzoenend sterven en de gemeenschap zijns Geestes vindt en alle eigene gerechtigheid verwerpt, dan uwe denkwijze als mystiek verfoeit en uitkrijt, om met dit bijna nimmer recht begrepen en bij de wereld zeer verdacht woord deze uwe denkwijze des te gemakkelijker te doen veroordeelen en als dwaasheid te doen verwerpen, of als gevaarlijk te doen tegenstaan? Doet aan de waarheid hulde en erkent, dat
1
101
die u zoo bejegenen, al noemen zij zich ook de echte, de ijverigste, de vrijzinnige Protestanten, toch zeker Luther en Melanchthon en Zwingli en Calvijn, die zij nu zeggen hoog te schatten, openlijk zouden tegenstaan, indien deze dienstknechten van Christus in de negentiende eeuw leefden en onder ons werkten. Nemen wij geen deel aan den krijg, dien wij onder de leus van zuiver Protestantismus niet zelden zien voeren tegen de waarheid, welke de Hervormers in de zestiende eeuw eenstemmig hebben gepredikt, nadat zij den volke langen tijd verborgen was gehouden. Treden wij vrijmoedig op als vrienden van het licht, dat God door hunne hand ontdekte en helder schijnen liet tot vertroosting van ieder, wiens schuld hem drukt, wiens eigene gerechtigheid hem geen grond blijkt te zijn om op Gods barmhartigheid te hopen, wiens oogen zijn geopend voor de toekomst, die hem bij de openbaring van Gods toorn wacht; tot vertroosting, omdat het hem op den gekruisigden Christus wijst als op het Lam Gods, dat de zonden der wereld heeft gedragen, door welks bloed verzoening van alle overtreding gedaan is. Schamen wij ons het Evangelie Gods niet, dat den Hervormers licht gaf en hen tot lichttrawanten maakte van den Heer, die ook over ons zijn licht liet opgaan, die ook in onze harten moet schijnen, en die ons tot erfgenamen van zijn Koninkrijk maakt, als wij het woord zijner gezanten, als wij in Hem als het waarachtige woord des levens gelooven.
Het licht, dat door de Hervorming opging, overal onbelemmerd verder te doen schijnen, daartoe zijn wij allen gehouden. Het wordt immers door ieder, die zich beroemt Protestant te heeten, schande geacht, als hij niet een vriend
T
I
ïfM il-\'\' il
UMil t.%
i i
â¢1 ; i
! I
h â *i
⢠il i
:ï
tP
1 W I â
k i
j\'l Kï
J.
102
is van verlichting. Men is immers gewoon, hen, die men eeren wil, bij uitnemendheid âverlichtquot; te noemen! Treurig, dat dit woord zoo dikwijls wordt misbruikt. Verlicht noemen de meesten doorgaans alleerst zichzelven, en dan natuurlijk ieder, die alles juist zoo inziet, opvat en verklaart, als zij het zelf voor alleen juist houden. De verlichting in de geeste-lijke wereld te bevorderen, dat is het, wat ieder zich ten doel stelt, die van licht zijn heil wacht. Welaan dan, vrienden van verlichting, welaan dan, gij allen, die u verlicht noemt, en anderen tot de verlichting wilt brengen; als Protestanten hebt gij niet lang te zoeken naar het ware licht en naar een werkkring, om het licht verder te verbreiden. De Hervormers zijn u voorgegaan. Maar geeft wel acht op hetgeen zij deden. Eerst namen zij het Evangelie voor zichzelven als â eene kracht Gods tot zaligheid, eerst namen zij Christus zeiven aan, niet om Hem slechts als voorbeeld ter navolging op den weg van zedelijke volmaking te gebruiken, niet omdat zijne leer eenige geenszins te verwerpen bestanddeelen voor hun stelsel hun aanbood; maar om door Hem met God verzoend en van den toekomenden toorn verlost te worden. Volgt hen hierin. Want indien gij hen hierin niet volgen wilt, is er van uwe medewerking tot onbelemmerde verspreiding van het licht der goddelijke waarheid geen goede vrucht te verwachten. Men moet de kracht dier waarheid zelf ondervonden hebben, om haar met getrouwheid aan anderen te prediken. Men moet haar licht kennen, om hartelijk te wenschen, dat anderen daarin ook mogen wandelen. Kan het dan verwacht worden, dat wij het licht der Hervorming overal onbelemmerd verder zullen doen schijnen, zoo het
103
voor ons hart geen waarde heeft? Is het dan ook misschien langs dezen weg te verklaren, dat wij bij dezen en genen soms tegenstand ontmoeten, als het er op aankomt, Christus en Christus alleen aan allen te doen kennen als eenigen grond van de hoop der zaligheid? en alles uit te roeien wat naar de onevangelische leer van de rechtvaardiging voor God door verbetering des levens riekt? Wat ons aangaat, laat ons haar tegenspreken, laat zij in ons geen verdedigers vinden. Predikt in uwen huiselijken kring het Evangelie, dat de Hervormers van de Apostelen hadden ontvangen. Uw huiselijke kring roept u het eerst. Verwaarloost gij dien, gij zijt verre van ijverig in uwe roeping, al waart gij ook lid van alle maatschappijen en genootschappen, die kennis en verlichting moeten verspreiden; al waart gij ook altijd te vinden waar men bijeenkomt, om Gods woord te onderzoeken. Eerst de huiselijke kring, niet zelden al te veel verwaarloosd ook door hen, die daar als lichten moesten schijnen. Geeft uwen kinderen woorden des eeuwigen levens en verkwikt daarmede ook hen, die u dienen. Ziet dan verder. Het licht der Hervorming is wel voor velen onder ons het licht van den vollen middag; maar voor niet weinigen, bepaald ook uit de gebrekkig onderwezene volksklassen, slechts eene uchtendschemering, indien nog maar de schemering van den morgen! Weet gij niet, dat er in onze steden, op onze dorpen en gehuchten worden gevonden, die van de Christelijke Kerk weinig meer ontvangen hebben dan â het water des doops en misschien ook een Bijbel; â maar waarin zij niet lezen, omdat het lezen hun zulk een zware arbeid is? Zij moeten gebracht worden tot de kennis van Jezus, tot het licht, dat
lu
\\ lt; 2* tkf f ^
p
\'.ij!:},,
(rj\'i? ff jlt;j|
I
lü\'l
y
! [E 11
â¢-IK- :
til ! ]
t1
â ii : i
,11
104
over ons opging. Aan het jongere geslacht, dat verwaarloosd door het oudere, in onwetendheid en straks in zondedienst opwast en oud wordt, moet de Christelijke liefde het levend brood uit Gods woord reiken. De Bijbel op de scholen! Wat zal de toekomst ons anders brengen, zoo de volken zich niet aan Christus leeren onderwerpen ? In de middeneeuwen kon de Kerk hen in bedwang houden en de gekroonde hoofden waren machtig in hunnen overwegenden invloed. Maar de tijden zijn veranderd. Vrijheidszucht bezielt tienduizenden. Oproer dan na oproer, en duisternis na onkunde, als het woord onzes Heeren niet van de daken gepredikt wordt; âIndien de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zoo zult gij waarlijk vrij zijn.quot; Handen daarom aan den arbeid. Ieder doe wat in zijn vermogen is, om Evangeliekennis tot: allen te brengen, en naast de buitenlandsche Evangelieprediking onder de Heidenen ook de binnenlandsche werkzaamheid tot verlichting der verwaarloosde Christenen te doen bloeien. Ziet toch niet met geringachting neder op het verachte, bij oppervlakkige beschouwing weinig beduidende, uwer aandacht schijnbaar niet waardige. âDenkbeelden van groote mannen regeeren de wereld,quot; zegt men; maar de handen, die het door zoogenoemde groote mannen uitgedachte des noods met geweld doorzetten, waar worden zij gezocht, waar zijn zij te vinden? Daarhenen met de stralen van het licht des Evangelies; â daarhenen, waar de geestelijke belangen worden verwaarloosd; ook met uw goed ijverig de pogingen ondersteund van hen, die zich tot het verlorene, verlatene, verwaarloosde, gevallene wenden, om er Christus den goeden Herder te prediken, die zijne kudde uit alle oorden der
105
wereld bijeengaart. Met uw goed en met uwe gebeden ondersteund al wat zich vereenigt, om in den geest der Hervor-vormers en met het door hen in navolging der Apostelen gepredikte woord licht te brengen in de duisternis en het leven onder de dooden. Gij hebt een machtigen medewerker in uwe nabijheid! Het is de Zoon Gods, die zulk een arbeid beschermt en zegent en vruchtbaar maakt. Hij wil zijn licht ook over anderen, die nog in het duister zijn, laten opgaan.
Het licht, dat door de Hervorming opging, tegen de macht der duisternis zorgvuldig te beschutten, wij moeten er ons krachtig toe opgewekt gevoelen. Het is de gave Gods in zijnen Zoon, het is zijne genadegift aan een in duisternis dolend volk. Vóór dat het helder binnen onze landpalen scheen, is er bloed voor gestort, vervolging en marteling voor getrotseerd. De weg tot ons is op velerlei wijze belemmerd geworden. Voor het licht des Evangelies hadden onze vaderen hunne rust, hun goed, hun leven veil. Zullen de kinderen niet waken tegen het gevaar van weer in de duisternis terug te worden gedreven? âMaar is daarvoor dan gevaar?quot; zoo vraagt de een. En met den schrik op het gelaat antwoord de ander: âZiet gij dan niet, dat de Roomsche Kerk veld wint, dat hare trouwe kampioenen, de Jezuiten, op de eene plaats verjaagd, op de andere ongestoord arbeiden?quot; Gevaar is er zeker, en gevaar ook stellig van de zijde der Roomsche Kerk. Maar het gevaar dreigt niet van die zijde alleen. Waarom zou een lid der Roomsche Kerk, die voor zijne heiligen en voor zijne ceremoniën ijvert, ons gevaarlijker schijnen dan een Protestant, die ons zijne eigene meeningen omtrent den weg des heils inplaats van het woord
i
â¢jK !â
: ^ \\
J
:,:v I
1 1
KV pÃl . \'⢠f
i. 1 L
â ( M l
â
CU:\\ r
â fv )
i
\'Ml
15 I li
i ra 1;:! i!
⢠quot;i w
\'â t!
I i
106
des Evangelies wil opdringen, en die ons niet verdragen kan, als wij ons verzetten tegen zijn streven, om de ergernis des kruises door menschenverheerlijking weg te nemen ? Gevaar dreigt u van alle zijden; onverschillig, waar het licht der Hervorming zou moeten wijken voor het licht der rede, der wijsheid van de wereld, der hoogmoedige val-sche wetenschappelijkheid. Tegen dat gevaar moet gij het licht, door de Hervormers ontstoken, beschutten met duidelijke, ondubbelzinnige getuigenis van de waarheid, die naar de godzaligheid is; met viijmoedigheid te gebruiken in het onbevreesd belijden van Jezus als der zondaren vrede, hoop en roem. Duisternis moet wijken voor licht. Waar Jezus zich vertoont, moet de Overste dezer wereld zich terugtrekken. Waar Hij spreekt, moet alle tegenspreken eindigen. Plaatst dan Christus als het licht der wereld, als den overwinnaar van den vorst der duisternis, als het levenbrengend woord, tegenover de leugen en de dwaling. Wilt gij Rome tegenwerken, â gij doet wel. Maar gij hebt betere dan stoffelijke middelen, om haren val met rassche schreden te doen naderen. Hare sterkte ligt minder nog in de stoffelijke middelen, die zij aanwendt, dan in de zorg, waarmede zij uwe geestelijke wapenen tot verdediging en uitbreiding van het rijk der waarheid onschadelijk tracht te maken. Laat ons door de onkunde, waarin zij hare volgelingen houdt, trachten heen te breken, de heilige Schriften, die ons Christus brachten, in de hand! Verspreidt haar, waar gij kunt, in de Roomsche Kerk. Nimmer duldt zij, dat gij haar op die wijze bestookt, haar in de hartader zoudt treffen, haar op hare grondvesten zoudt doen wankelen. Reden te meer, om overal uit de
107
heilige Schriften den gekruisigden en verheerlijkten Christus als eenig hoofd zijner Kerk en eenigen herder zijner schapen te prediken, opdat men in de Roomsche Kerk wakker worde en het licht zie, dat ons bestraalt; reden te meer, om overal uit de heilige Schriften de armoede der Kerk met haren schat van goede werken ten toon te stellen en daartegenover den Christen te plaatsen, die niets dan Christus heeft, maar dan ook door Hem met vruchten der gerechtigheid vervuld is. Allen, die nog vóór Rome zijn, tot Jezus gelokt, die, niet gekomen om gediend te worden, maar om ons te dienen, ons vrij gemaakt heeft van alle heerschappij der menschen in zaken des geloofs en des gewetens. Zoo beschut gij het best van de zijde, waar de Roomsche Kerk u belaagt, het u toevertrouwde pand. Zoo beveiligt gij het licht der Hervorming tevens het best tegen de duisternis, waarmede het door een ongeloovig Protest antismus wordt bedreigd. Hoe meer het u gelukt, allen zelf de heilige Schriften te doen lezen, in plaats, dat zij wel veel lezen over die Schriften, maar bijna nimmer er in, hoe meer de zuivere Apostolische getuigenis van Christus in school en huisgezin wordt gehoord, des te veiliger zal de waarheid, die ons tot licht is, tegen de aanvallen zijn, welke zij moet verduren. Maar beschut allereerst het licht in u zei ven, indien gij den woorde Gods gehoorzaam geworden en den Zoon Gods door ootmoedig geloof onderworpen zijt. Laat in u niet wortel vatten wat een schaduw zou kunnen werpen op hetgeen in u verlicht is door Gods Geest. Al wat uit het vleesch, uit de wereld is, zoekt u op den dwaalweg te voeren. Houdt u aan Hem, die u vasthoudt, opdat gij het licht des levens zoudt zien. Wan-
108
delen wij in het licht\' van de zon der gerechtigheid, opdat men uit de vruchten leere den boom, die haar draagt, voor eene plant van den hemelschen Vader te erkennen. Die in Christus is, is in het licht en moet het werk der duisternis haten. En dit is het werk der duisternis, ongeloof en ongehoorzaamheid aan het eeuwig blijvend woord Gods.
De machtige arm van dien God, in wiens Zoon het eeuwig blijvend woord tot u is gekomen, beschutte u, behoede de gemeente der heiligen, bewake het rijk des lichts. Hebt gij met allen, die er toe geroepen en gekomen zijn, uw erfdeel in de gemeenschap des Vaders door Christus, vreest niet, dat de nacht u ooit zal bedekken. Waar God door zijnen Christus heerscht, is geen nacht. Heerscht Hij over u, dan heerscht het licht over u en gij komt niet in de duisternis, ook niet, als hier voor uwe oogen alles nacht is geworden. Terwijl de dood den onbekeerden zondaar van deze aarde, waar hij het licht zien kon, overbrengt in de buitenste duisternis, waar hij het licht niet zien zal, voert de dood u, die hier het licht des heils gezocht hebt, tot den Vader, die in het licht woont en die zich daar in zijne volheid tot in alle eeuwigheid aan u ter aanschouwing zal geven! Amen.
J. I. Doedes.
V.
Tiet lied van Sarrraels moeder beschouwd op den Hervormingsdag1).
Gez. 150:1,3. Ps. 118 :-12. Ps. 113 ; 3, 4. Gez. 156 ; 4.
1 Samuel 2 ; 1â11.
Het gedeelte der Heilige Schrift M. H.! dat in dit uur onzer overpeinzing zich aanbiedt, is reeds geschikt om zijn zelfs wil onze aandacht tot zich te trekken. Het is het lied eener dankbare moeder, en wiens gevoel zou niet deelen in den hoog gestemden toon van haren lof Gode toegebracht? Het is een lied opgewekt uit een hart, dat, door de liefde Gods aangeraakt en verwijd, nu ook overal in de geschiedenis Gods groote daden verheerlijkt. Een lied eindelijk, welks toon weerklinkt in de gewijde liederen des O. Verbonds, welks nagalm in den mond der beweldadigde maria de lofzangen des N. Verbonds opent en de geboorte des Verlossers verheft. Doch mijne Gel.! dit lied heeft te dezer ure een
1
Voor \'t eerst in druk verschenen in het jaar 1850.
lio
eigenaardig belang. Het is heden de dag, waarop de eerste groote daad der hervorming plaats greep, waarin de kiem van het geheele Goddelijke werk besloten lag. Den 31 October 1517 sloeg Luther zijne stellingen aan, tegen den Godontee-renden aflaat, aan Wittenberg\'s hoofdkerk. Het licht der hervorming brak door in de duisternis der kerk. Van deze daad is een zegen uitgegaan, die nog heden millioenen verkwikt. Het mostaardzaad is gewassen tot eenen boom, die zijne takken wijd uitspreidt, onder wiens liefelijke schaduw zich nog millioenen verlustigen. Doch ligt zweeft de vraag op uwe lippen: wat heeft deze dag gemeen met onzen tekst? Gel.! in het jaar 1503 ontrolde een twintigjarig jongeling, tot voltooiing zijner studiën te Erfurt gekomen, in de boekerij der hoogeschool, een boekwerk. De eerste blik reeds wekt zijne belangstelling. Hij is als geboeid aan die letteren bij de verdere lezing. Zijn gelaat teekent verrassing en blijde vreugde. Die jongeling was luther; dat boek de latijnsche vertaling des geheelen Bijbels; het blad dat hij las, het lied van hanna in onzen tekst. Behoef ik meer om uwe deelneming, uwe ingenomenheid met dit lied te wekken? Hebt gij bedacht, hel is heden 31 October; was het woord des Heeren: ik ben met ulieden al de dagen tol aan de voleinding der eeuwen, geen ijdele klank, maar loofdet en dankdet gij reeds in uwe woning, in den kring van uw gezin, zijne groote daden; dan was het voorzeker uw verlangen in die gevoelens te worden versterkt in het heiligdom. Ik wil dezen uwen wensch bevredigen. Onze bijbeloefening over het lied van hanna geschiede met het oog op den grooten Hervormer en het werk dat de Heer door hem heeft gewrocht. Vijf
i
1
Ill
punten van beschouwing zijn het aan welke onze overpeinzing zich vastknoopt;
I. De aanvang, in vs. la, geeft ons aanleiding als in een\' helderen spiegel, \'s Heeren bestuur te bewonderen, die juist dit blad het eerst voor lutiier ontrolde,
II. De lofverheffing Gods, vs. lb, 2, is een treffende roepstem, om de sluimerende krachten des Hervormers te wekken,
III. De vermelding van Gods daden, vs. 3â8, is als eene merkwaardige profetie van het Godsbestuur in de hervorming zichtbaar.
IV. De bedoeling van Gods almacht, vs. 9, 10, eene krachtige aansporing om in dit werk niet te vertragen.
gt;
I gt;1 i ^
lilt I
ï,
1 m
li
\'t: f,|
ili
:
I 1H
4 i \\
li i
iâ¢:
V. Het wijzen op samuel, vs. 11, eene herinnering tot innige dankbaarheid.
I.
De aanvang van onzen tekst, vs. la, bepaalt eerst onze aandacht, en geeft ons gelegenheid: a. de aanleiding tot dit lied te verstaan; b. door een paar aanmerkingen ons op het rechte standpunt te plaatsen om het te begrijpen; en doet ons c. ten slotte gevoelen wat heldere spiegel van Gods bestuur hier zichtbaar is, die juist dit blad voor den Hervormer ontrolde.
a. Wij lezen: toen bad hanna en zeide, liever: toen nu kanna gebeden had, sprak zij. Immers in het slot van Hoofdstuk I lezen wij, dat hanna en haar echtgenoot in den Tabernakel reeds hadden aangebeden, hunnen dank aan God uitgestort voor de gave hun geschonken, en den zoon der
\'
â 3
- -\' »:
â lis
: ; i; ⢠.
: \'tl ïhl
iP,
M ii ,1
!l ffl
J-1
112
gebeden Hem aanbevolen. Doch het blijde gevoel der gelukkige moeder is onder dat bidden en danken in den Tabernakel opgewekt. Deze plaats, vroeger onder zuchten betreden, is nu het tooneel barer vreugde. Het harte is vol en stort zich uit in den blijden lofzang, dien wij in den tekst lezen.
b. Doch het is noodig M. H.! hier een paar aanmerkingen in te lasscben om ons op het rechte standpunt te plaatsen ten einde dit lied wel te begrijpen. De eerste betreft den algemeenen inhoud. Een oppervlakkige blik op dit lied zou doen denken, dat wij hier een zegelied hadden des volks na roemrijke overwinningen op machtige vijanden behaald. Als wij vs. 5b uitzonderen is er weinig in rechtstreeks op hamna\'s toestand toepasselijk; veel dat in deze omstandigheden, om het minste te zeggen, vreemd klinkt in haren mond. Doch bedenken wij, dat het eene Israëlitische vrouw en moeder was, die nu, door haren zoon, deel verkreeg aan de voorrechten en beloften des volks; wier naam zonder nakroost ware uitgewischt, maar thans bewaard bleef in dien zoon der belofte; dat nu de geschiedenis des volks ook de geschiedenis werd van haar nakroost; dat ze zich bevond in het heiligdom des Heeren, de woning van jehovah den eeuwig getrouwe, â neen, dan bevreemdt ons die inhoud niet; dan vinden wij die opklimming natuurlijk van haren huisselijken zegen tot dien van land en volk onder jehova\'h bestuur. Voor de Israëlitische moeder was het lot van haren knaap en van haar volk één. â En juist door dezen algemeenen inhoud, ziet daar onze tweede aanmerking, is deze lofzang echt nationaal geworden. Gij vindt in den gewijden bundel der Israêli-tischen dichtkunst, in de Psalmen en Profetiën, gedurige
113
toespelingen op, soms woordelijke aanhalingen uit dit lied. Het is eene vruchtbare moeder geworden van Godgewijde gevoelens. Het leefde in den mond des volks, en zelfs maria, de moeder des Heeren, kon geene betere uitdrukking barer gewaarwordingen vinden dan de woorden dezes lieds. Geen wonder daarom dat dit lied, na dat van mozes en debora, het oudste van Israêls zangen, is bewaard gebleven.
c. En nu Gel.! zouden wij den Heer niet danken, die dit blad uit de heilige bijbelrol bewaarde, door wiens bestuur juist dit lied het eerst het oog des grooten Hervormers trof? De wereldling moge dit toeval noemen, wij kennen geen toeval. Gods hand is hier zichtbaar. Doch gij verwondert u misschien, dat ltjther dit nooit te voren las. Gij doet het, denkende aan de veelvuldige verspreiding der Schrift in onze dagen; zoodat ze nu nergens, ook in de geringste woning niet, behoeft te ontbreken. Maar wij vergeten dat de geheele Bijbel toen zeldzaam was, en slechts in uitgebreide boekerijen werd aangetroffen. Alleen de zoogenaamde Evangeliën en Epistelen waren bekend, zijnde gedeelten uit de geschiedenis des Heeren en de zendbrieven des N. \\;erbonds, die in de kerken werden voorgelezen en buiten welke men meende dat er weinig belangrijks in de Schrift werd gevonden. Daarom vreemd is het niet dat luther den Bijbel niet kende. Zoo kwam de geleerde jongeling, in menschelijke wetenschappen zeer, in Gods woord nog weinig ervaren, te Erfurt aan de hoogeschool. In de boekerij valt zijn oog op de latijnsche vertaling des Bijbels. Hij opent haar nieuwsgierig en, â danken wij den Heer, die hem juist dit lied deed lezen, â deze lofzang eener moeder, eener moeder in
Homiliarium II. 8
\' mm
!1 \'quot; «»
! i|\'
â : \'if- i
n
\'\':$⢠tl
â i m\\
* iv\' li â¢,. i
:% f
IX\'
(i; f
Si;
1 V;
144
Israël, trof zijn hart. Het heerlijke dichtstuk roerde de snaren van zijn dichterlijk gevoel; de lofverheffmg Gods boeide zijne godsdienstige aandacht. Was er zooveel schoons in den Bijbel, zooveel dat de ziel verrukte; deze eerste proeve trok hem tot dien Bijbel. Hij heeft dien gelezen en herlezen. Hij is machtig geworden in de Schrift, doorvoed met deszelfs Goddelijken Geest. Hij heeft in die Schrift het Evangelie gevonden, en, als waarachtig hervormer, die gave niet voor zich behouden, maar door eene vertaling, zooals er weinige worden gevonden, millioenen stervelingen gebracht tot de fonteine des levens. Gel.! bewondert gij niet met mij het bestuur des Heeren, die den twintigjarigen jongeling, als het hart nog het meest is geopend en de ziel vurig, juist dit schoone lied het eerst liet lezen en hem alzoo boeide aan de gewijde bladen?
II.
Maar het lied zelf, tot welks beschouwing wij nu overgaan, moge ons dit duidelijker prediken.
a. Wij vinden, in vs. lb en 2, eene heerlijke lofspraak aan God. De vrome zangeres heeft geen woorden genoeg om het gevoel harer vreugde uit te drukken. Mijn hart springt op van vreugde in den Heer\', mijn hoorn verheft zich in den Heer; wijd geopend is mijn mond over mijne vijanden, want in uw heil verheug ik mij. Heilige blijdschap doortintelt hare borst, en moet zich lucht geven in Godverheerlijkend gezang. Het hart klopt hevig in den boezem van dankbare vreugde over haar voorrecht, geheel het tegenbeeld van hare vorige
ji : i 5 f]
\'llf
415
droefgeestigheid. Verbeeldt u haar nog eens aan het offer-maal neergezeten, alleen met hare zorg en kommer tegenover de gelukkige peninna. Hoe was dan haar hart bezwaard, drukten rouw en droefheid hare ziel neder en verbleekten hare wangen! Maar waren hare tranen bitter geweest, nu was de rouw verwisseld in vreugde, het harte klopte innig van dank. Mijn hoorn verheft zich in den Heer. Eene spreekwijze, ontleend van het gedierte. De hoorn is de zetel der kracht, het wapen van rund en hert en ander vee. Omhoog gestoken is hij het beeld van hunnen vurigen moed en fris-sche levenskracht. Vroeger bedrukt en kleinmoedig was hanna nu moedig en vurig. Ze hief het hoofd met moederlijken trots omhoog en durfde eiken vijand onder de oogen zien. Mijn mond is wijd open gedaan tegen mijne vijanden. Als eene kinderlooze veracht en versmaad, moest ze de luide klachten in haren boezem smoren. Zij durfde den mond niet open doen, om den smaad niet op te wekken; zwijgend verborg zij het leed in het binnenste. Maar nu waren de kluisters der lippen verbroken. Nu ze haren eerstgeborene had gebaard is de smaad weggenomen. Vrijmoedig en onbeschroomd vloeien de woorden tegen hare versmaders. Zij behoefde nu niet langer beleediging te verduren, want, zoo zingt zij, in uw heil verheug ik mij. In den zegen door den Heer verleend was hare droefheid veranderd in blijdschap, hare rouwe in jubel, hare tranen in lofgezang. En welk een lofgezang? Geen heilige gelijk jehovah, ja geen builen u, geen rots, gelijk onze God. Kent ge in korter bewoording krachtiger verheffing? De keur harer woorden is treffend. Zij noemt God eerst jehovah, den verbondsgod, den eeuwig getrouwe,
8*
\' \' \' l
1
1 \\
: i Ij
i 1 iffl
\': I , â i
- i
!;\'i 1\'
ii\'fnh
[tl Hl
416
die zijne trouw ook aan haar verheerlijkte en het woord zijnes Priesters had waargemaakt. Die jehovah is de Heilige, die heiligheid wil, in wiens licht wij het licht aanschouwen, ver boven de Goden des heidendoms aan wie de zedelijke kracht ontbrak. Zij gevoelt zich zalig in het heiligdom, zaliger dan zij wezen kon bij de wellustige afgodsfeesten der heidenen. Ja wat waren die afgoden ? Er was geen God buiten Hem. Geen rots waarop men zoo veilig bouwen kan als op onzen God. Zij gebruikt hier den naam elohim, d. i. de Almachtige, en gij beseft dadelijk de kracht des woords in haren mond. Zij had te vergeefs van menschen uitkomst gewacht, maar zij was tot God gegaan, had tot Hem gebeden. Hij de Almachtige, die haar volk zoo dikwerf uit den bang-sten nood had gered, had ook haar geholpen! Zij had op Hem zich verlaten en was niet beschaamd. Dies loofde hare tong zijne heerlijkheid, trouw en macht.
h. Deelt ge niet in den jubel der blijde moeder, M. H.! gij vooral, die het ervaren hebt, dat de Heer een rots is, een burg en een hoog vertrek, in de uitreddingen uws levens? Maar wat indruk moest dit maken op den twintigjarigen luther? Neen zoo kende hij God niet. In de kerk mocht niemand tot God gaan, dan alleen door den mond eens Priesters als middelaar. De leek was te onrein. Hier stort eene vrome moeder onmiddelijk haar gevoel tot God uit. In de kerk was God een God van verre. Na de moeielijkste en ingespannenste studie had hij nog slechts een flauw beeld des Almachtige, onrein vertegenwoordigd en afgespiegeld in de Priesters, zijne dienaren op aarde, â bier een God van nabij, almachtig en getrouw, rein weergekaatst in den spiegel
117
eener reine ziel. De God der kerk had hem beangst gemaakt en vreemd gelaten, â de God des Bijbels trok hem krachtig tot zich. Zulk een\' God te dienen, dat moest zalig zijn. Was hij tot de studie der rechtsgeleerdheid bestemd, wat wonder indien de spitsvondige wetenschap der godgeleerdheid van die dagen hem die oorspronkelijke bestemming had doen getrouw zijn! Maar nu had hij een ander en verhevener denkbeeld ontvangen en verliet de eerste bane. De sluimerende krachten zijner ziel ontwaakten; dien God moest hij leeren kennen en dienen. En die God is zijn rots geweest en zijn leidstar. Hij mocht anders een rechtschapen mensch zijn geworden, maar wie weet waartoe zijne vrijheidszucht in die bewogene dagen hem zou gebracht hebben ? Misschien ware hij tot een volksmenner en oproermaker opgegroeid. Nu echter werd hij waarlijk een Christen, een volwassen zoon van God. En als in latere jaren dit groote werk was volbracht, zal de grijsaard gedachtig aan de ondervinding zijner jeugd met verruimde borst hebben gezongen: Geen heilige gelijk jehovah, ja geen buiten U. En geen rotssteen gelijk onze God.
III.
Wij vervolgen den lofzang der blijde hanna en zien met haar, hoe zij, tot beschaming der vijanden, in de lotwisselingen der menschen en de geschiedenis der volken, Gods machtige hand aanschouwt. De vermelding zijner daden vs. 3âS® is als eene merkwaardige profetie van hel Godsbestuur in de hervorming zichtbaar.
*
118
a. Zij spreekt, sterk in haren God, de vijanden aan, vs. 3. Maakt het niet te veel, dat gij hooge, hooge zoudt spreken, dat iets hards uit uwen mond zou gaan: want de Heer is een God der wetenschappen en zijne daden zijn recht gedaan, of, gelijk wij dit vers liever vertalen, als wanneer het geene toelichting behoeft: Spreekt niet veel hooge hooge, dat is zeer trotsche, dingen, noch het vermetele ga uit uwen mond, want een God, die nauwkeurig op alles acht geeft, is jehovah, en bij Hem zijn de slechte daden gewogen. Hij zal ze te huis zoeken. Hare vijanden hadden haar, de heidenen haar volk vermetel en hoogmoedig beschimpt, doch de Heer zag het en strafte het. Voorwaar eene krachtige aansporing om dit na te laten. De geschiedenis had het immers luide gepredikt, en in de gedurige tegenstellingen van vs. 5â8 komt het, zoo treffend mogelijk, uit, hoe God den hoovaardige vernedert maar den nederige verhoogt. De trekken, uit de geschiedenis des volks ontleend, scharen zich alle om het groote middenpunt van haren lof, vs, S11. Zij zelf is een toonbeeld van hetgeen God doen kon; dit heldere lichtpunt in haar eigen leven heeft haren blik in de geschiedenis verruimd. De boog des sterken wordt slap gemaakt, het wapen des helds, in die dagen zoo gebruikelijk, is hem ijdel, maar de zwakke is met sterkte omgord, vs. 4. De geschiedenis der Rechteren leverde daarvan de treffendste proeven. Een gideon, die met driehonderd mannen duizenden versloeg; een simson, die, schijnbaar van kracht beroofd, met éénen ruk den Dagonstempel deed instorten en honderde Philistijnen sneuvelen, ze waren nog te versch in het geheugen om hare ziel niet te ontvonken. De verzadigde moet zich verhuren om brood, maar die hongerig
119
t
waren gaan ledig, behoeven niet uit gebrek te arbeiden, zij hebben overvloedig. Verwondert het u dat zij vooral denkt aan rachels zoon, jozef, den behouder van zijn geslacht, terwijl de trotsche Egyptenaar zijn goed, zijne vrijheid ver-koopen moet om te leven. En dan haar eigen lot. De onvruchtbare baart zevenmaal, krijgt tal van nakroost, maar de overvloedige in kroost verwelkt als de bloeme des velds, vs. 5. Zij mocht van vreugde opspringen om den verkregenen zoon, terwijl anderen, die zich eerst in kroost verheugden, nu eenzaam wegkwijnen. Leest slechts, Richt. V, het lied van debora, den schimp op de moeder van den gedoodden sisera en ge vindt het u opgelost, hoe hanna zoo zingen kon, en haar heil maken tot het middenpunt van haar lied. De Heer doodt en maakt levend: doet ter helle, eigenlijk in het dooden of schimmenrijk, nederdalen en Hij doet opkomen. Hij maakt arm en rijk, Hij vernedert en verhoogt. Hij verheft den geringe uit het stof, en den nooddruftige verhoogt Hij uit het slijk, om hem te doen zitten bij de vorsten, en een troon der eere te doen beërven, vs. 6, 7, 8». Gel.! hoe zou het mogelijk zijn hier alles bij te brengen uit de geschiedenis waarom hanna zoo mocht zingen. Genoeg Israel\'s lotgevallen in Egypte, in de woestijn, onder de Rechters, vooral jozef\'s geschiedenis, het leven van wiens moeder rachel met het hare in zoo menig opzicht overeenkomt, het zijn alle zoo vele proeven voor de waarheid van haren zang. Zoo had de Heer gedaan. In moederlijken trots ziet zij op haren zoon. Wat zou de Heer met hem, aan zijne dienst gewijd, niet groots kunnen doen tot beschaming barer tegenstanders en der vijanden van haar volk.
1\' %
!lt;{ .li\'
[I
ï\', \'I
⢠gt;\'-» 4:
r. \' . ?N
Pi i -jl
ilii
li
1 \'h
\' f *1
t1 J-\' â¢â Li
u 4
⢠-1
i r|
Ã
mrwMiiinii iiiiiiiâi
120
b. Treffend woord voor den jongeling luther. Het deed hem den Heer zien in de geschiedenis. Het was uitnemend geschikt, om den, op zijne jeugd en kracht, overmoedige tot ootmoed te stemmen. De Heer doet alles. Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; zietdaar de grondtoon zijner latere belijdenis. O! als hij in rijper jaren het lied weder opsloeg, dat zijne jeugd zoo verrukte, het lied, dat de vonk deed gloren, die later als verkwikkend vuur de aarde verwarmde, het moet hem geweest zijn als eene profetie der toekomende dingen, van welke hij nu de vervulling beleefde. Ja der sterken boog wordt verbroken en de zwakke met kracht omgord. Beschouwt luther tegenover de machtige rijksvorsten van Duitschland; hem, den eenvoudigen en onge-wapenden Monnik, tegenover den Keizer, in wiens hand de ban was en de macht tevens om die uit te voeren. De Hervormer alleen met het woord: Hier sta ik, ik kan niet anders, God helpe mij. De Keizer, den schepter zwaaiende in drie werelddeelen, naar den mensch gesproken, onweder-staanbaar in vermogen. En toch de machtige Keizer moest het opgeven tegen den weerloozen man. De zwakke is omgord met kracht. Ziet hem in gedurig levensgevaar; verdwenen uit de maatschappij; het gerucht zijns dood verspreid; zijne vijanden triomfeerend. Maar ziet hem ook, alle zwarigheid overwinnend, aan het hoofd van duizende aanhangers eene nieuwe kerk stichten en de oude eene wonde toebrengen waarvan zij nog niet geheeld is, en zonder algeheele hervorming niet heelen zal; en gij juicht met mij: de Heer maakt arm en rijk, vernedert en verhoogt, doet in het schimmenrijk dalen en voert opwaarts. Aanschouwt hem, den gemeenen
121
; I
â H
Priester, tegenover den Opperpriester te Rome. Zijn pogen wordt veracht; zijne verwerping der misbruiken en verheffing van \'t Evangelie een loutere monnikentwist genoemd. Nauw tien jaren later en de geringe Priester heeft de driedubbele kroon doen waggelen. Hij is de raadsman der vorsten en in hem was het waarheid: De Heer richt den geringe uit het stof en doet hem zitten onder de edelen, en geeft hem een1 stoel der eere ten erfdeel. Wilt gij het hooren, hoe hanna\'s lofzang zijne ziele innam. Verplaatst u in het jaar 1527. In eene doodelijke zwakte vervallen, zoodat hij afscheid nam van gade en kroost, zich in vurige gebeden tot God wendde, en niets dan den dood voor oogen zag, sprak hij tot justus jonas zijnen vriend: âJonas, ik moet den dag van gisteren aan-teekenen. Ik ben daar ter schoole gegaan, en heb in een zweetbad verkeerd. De Heer doodt en maakt levendig. Hij voert in de hel en er weder uit: want Hij is de Heer des doods en des levens. Hem zij lof eer en prijs in eeuwigheid. Amen.quot; En toen de grijsaard luther, twintig jaren later, aan den avond des levens, korte oogenblikken voor zijnen dood, zijne wegen overdacht, was hem hanna\'s lofzang de profetie zijner daden en hij stortte dat uit in deze woorden; âOnze God! Gij zijt een God om te behouden. Gij zijt de Heer. De Heer, die uit den doode opwekt.quot; Zouden wij dan de hand des Heeren miskennen? Neen, wij zingen met verruimde borst: de sterke is zwak en de zwakke machtig, de Heer doodt en maakt levend. Hij vernedert, ja ook Hij verhoogt! Hem zij lof en prijs eeuwiglijk!
r-\'!
4, iri
ilr
.â¢â¢â ri
5 i\'
iiiï
; \\ : ü
122
IV.
Geen wonder M. H.! dat de vrome hanna, verrukt door de daden des Hoeren, getroost en blijmoedig de toekomst te gemoet zag. Zij prijst, vs. 8*, 9, 10, de bedoeling van Gods almacht, welke voor luthbr eene krachtige aansporing was, om in zijn werk niet te vertragen.
a. De Heer, die tot hiertoe hielp, zou ook verder helpen. Aan macht voorwaar ontbrak het Hem niet. De grondvesten der aarde zijn des Heer en, en de wereld heeft Hij er op gevestigd, vs. 8b. Hij de Schepper, de Grondvester aller dingen, Hij vermocht te doen wat Hem behaagde. Dat grootste werk der almacht, dat woord: er zij licht en het was er, gaf de vaste waarborg; Hij, die het meerdere deed, kon ook het mindere doen. Zou de Heer, die de aarde grondvestte, den mensch, den nietigen sterveling, den geringen stofbewoner niet regeeren op zijnen wenk? Donker was het uitzicht voor haren zoon, voor Israël. De verachting van de dienst van Jehovah, tot in des Hoogepriesters huis toe, gelijk het vervolg van dit hoofdstuk leert, zou die ook haren zoon besmetten, en Israël ten val brengen? Maar neen, al is de toekomst donker, haar blik blijft helder. De Schepper bewaart de voeten zijner gunstgenooten. Hij behoedt hen voor dwalen en struikelen en richt hunne schreden tot de gewenschte uitkomst. Hare eigene gescliiedenis, die des volks predikte het. Maar de goddelooze wordt verdelgd in de duisternis. Zijn spoor loopt in de donkerheid, in den nacht des doods en der vergetelheid is zijne nagedachtenis vernietigd, zijn naam en roem van de aarde uitgewischt. De machtigste vijanden
123
â â
11 â If
waren bezweken en zouden verder vergaan; wat vermochten zij tegen den Schepper? Neen, niets vermag de man door kracht, vs. 9. Buiten den Heer is ook de sterkste zwak, buiten Hem alle macht ijdel. Wat zou dan de tegenstand der vijanden? Zij is gerust, zij gaat blijmoedig de toekomst tegen, want hare vijanden zijn vijanden Gods. Die met den Beer twisten, worden verbrijzeld. Hij dondert op hen van uit den hemel. Jehovah richt de einden der aarde, vs. lO. Niets kan aan zijne macht zich ontrukken.
b. Gel.! het was een gewichtig werk op dezen dag begonnen. Eene reeks van bezwaren en tegenkantingen rees van alle zijden op, gelijk het altijd gaat, als men geliefkoosde gebreken, boezemzonden, die ons voordeel en gemak aanbrengen, aantast. En, wat vooral de zaak niet weinig be-moeielijkte, bezwaren woonden in luther zei ven, wiens oog toen nog was beneveld door dwalingen, die hij eerst later met moeite aflegde. Kleinmoedigheid en zucht tot vrede deden hem in het begin eenmaal verklaren dat hij zwijgen zou, als ook zijne vijanden zwegen. En toch wat hebben zij tegen hem vermocht? Als de kracht des menschen het hoogste ware geweest, de sterkte eens mans het wapen ten strijde, voorzeker luther ware duizendmaal vernietigd en verpletterd. Maar neen! niet door eigen kracht vermag de man iets, alleen door die van den Heer. En nu. Die met hem was, was meer dan die tegen hem waren. Met het oog op dien Helper begon en voleindigde hij den kamp, heeft hij zijn leven niet te dierbaar geacht, maar met alle krachten des geestes naar het doel gestreefd. En als het gevaar hem omringde, en de toekomst dreigde, en het water aan de lippen
\'11;, \'M if
â¢v tl h 11
fi
1
i; ,1
Si
\'f
ij
n\' ? r j 1
;i n
ijl\'\'!\'
lt;
1H-
⢠I i
; i
⢠liF
iir:
124
kwam, dan zong hij als hanna: Een vaste burg is onze God. Hanna\'s woord is vervuld. Luther\'s voet is bewaard; die zijner vijanden struikelde. Luther\'s naam is vereeuwigd; hun naam is vergaan. Luther\'s werk is gelukt j hun pogen was ijdel. De gerichten des Heeren zijn over de gemeente gegaan en de tegenstanders zijner zaak als verpletterd. Broeders en Zusters! schaamt u dan over uwe kleinmoedigheid en vreeze, over uwe traagheid, die zoo gaarne spreekt: wat zal ik vermogen met mijne kleine kracht? Gij, die daarom uwe hand aftrekt van het werk, in ijdele rust lijdelijk de toekomst tegengaat, o! â als de vijand des Evangelies de overhand verkrijgt, jammeren zult ge en klagen. Neen opgestaan uit die doodelijke rust! Moedig gewerkt en voor de kleinheid onzer kracht niet gevreesd! In de gemeenschap des Vaders wordt zijne kracht in onze zwakheid volbracht, wij zullen met Hem alles vermogen. Ijverig eerst in ons zei ven, daarna in onzen kring, gearbeid aan ware hervorming des levens! Wij zullen dan niet vreezen maar moedig alle gevaren tegengaan, wetende dat de Heer, de Schepper van de grondvesten der aarde, de Vader van onzen Heer jezus Christus, nooit zal toelaten dat het licht der gerechtigheid tane voor de macht der duisternis. Wij streven voorwaarts, want het is onze zinspreuk: de goddeloozen vergaan in duisternis, maar de voeten zijner gunstelingen bewaart Hij.
V.
Wij staan aan het einde onzer beschouwing. Het slot van vs. 10 toch behoort niet hij het lied. De vermelding alleen
125
van den Koning, die toen in Israël nog niet bestond, leert het reeds. Het is er bijgevoegd in latere dagen, toen dit lied als volksgezang werd gebruikt. Zoo leest gij b. v. in davids boetpsalm, den 51611, aan het einde: doet wel bij Sion naar Uw welbehagen, bouwt de muren van Jeruzalem op, kennelijk in de ballingschap er bijgevoegd, toen het berouw van david over zijne wandaad het toonbeeld werd van het berouw des volks. Zoo is ook hier de slotgalm zulk een bijvoegsel. Als het volk, na behaalde zegepraal, hanna\'s lied opzong, voegde het er bij: de Heer geve luister zijnen Koning en verhooge den hoorn zijns Gezalfden.
Onze tekst dan eindigt met het bericht: daarna ging elkana naar zijn huis te Rama, doch het knaapje werd een dienaar des JJeeren voor het aangezicht van den Priester eli, vs. li. Deze toon des verbaals moge eenigszins afsteken bij den hoogen toon van het behandelde lied; toch M. H.! roert en treft het onze ziel. Hanna zong op hoogen toon; zij vertrouwde, God zou haar kind bewaren en het ten zegen stellen voor zijn volk. Haar vertrouwen is niet beschaamd. Het knaapje wies op en werd een dienaar Gods. De verleiding, in het huis des Hoogepriesters, door het voorbeeld van diens zondige zonen, zoo groot, had op Samuel geen vat. Ze sterkte hem veeleer in het voornemen getrouw te zijn om den Heer te dienen. En deze dienstknecht Gods is een der grootste mannen geworden, een keerpunt in Israel\'s geschiedenis, de Hervormer zijns volks.
Zoo is dit bericht als het Amen, door Gods mond gesproken, op den lofzang van hanna. Ze heeft niet te vergeefs op den rotssteen der eeuwen gebouwd, de Heer heeft hare uitzichten heerlijk bekroond.
126
Broeders en Zusters! is het ons niet eene opwekking tot innige dankbaarheid? Wij hebben heden avond den grooten Hervormer herdacht, die in waarheid door God tot zijnen dienaar is opgevoed. God heeft het heerlijk werk verder gezegend, dat luther in de vreeze des Heeren ondernam, den zondaar te wijzen, niet op de gebrokene bakken van eigen gerechtigheid, maar op de eeuwig springende fontein van Gods genade; niet op de ijdele inzettingen van menschen, maar op het levend en eeuwig blijvend Evangelie. Het licht, door de hervorming aangebracht, is, door diezelfde genade, ook onder ons opgegaan en ons blijven bestralen tot op dezen dag. Gel.! welken indruk maakt het op ons? Zullen wij henengaan als ijdele bewonderaars? Zal het ons genoeg zijn, als de mond het betuigt: ja dat is een schoon een heerlijk werk? O M. H.! dan hebben wij de lichtste taak op ons genomen. Maar, gij gevoelt het met mij, het is de ware dank niet, dien wij God voor zijne trouw schuldig zijn. Vatten ook wij het voornemen op dienaars des Heeren te zijn, of het meer en meer te worden. Geven wij acht op zijne roepstem, die tot ons komt in de prediking zijns woords, in de teekenen der tijden, in de lotgevallen, die ons overkomen, in de gebeurtenissen onzer dagen, voor de kerk van Christus zoo gewichtig. Dat zou ware dank zijn en de dag der hervorming een dag van wedergeboorte voor velen onzer.
Gel.! een blad des Bijbels lag dezen avond voor ons, de lofzang eener vrome moeder. Dat enkele blad bracht den grooten Hervormer tot Gods Woord. Het was de kracht en de ziel zijns levens tot den laatsten adem toe. Ziet in ruime mate woont het onder ons. Wat het voor luther geworden
127
is, kan het ook voor een iegelijk onzer zijn. Ja, als wij het in de rechte stemming lezen, wordt de doode letter levend, zij wordt geest en kracht voor ons. Broeders en Zusters! Voere dat woord ons tot Christus, tot den Vader. Worde het steeds meer het licht en het leven der wereld. Dan rijst een hooger lied omhoog als dat van hanna , het lied van de wedergeboorte der aarde, van de menschheid die tot haren Heer, tot haren Vader is weergekeerd, het lied van de verloste kinderen Gods! Amen.
M. van Staveren.
VI.
De Hervorming lierdacht 1).
Ps. 78:1, 2. Gez. 171:3. Ps. 107 : 1. Ps. 89 : 8.
Een schoone dag, de dag des Heeren.
Hoe veel duizend zielen hebben er hun leven aan te danken, en de heerlijkheid die zij dealen voor den troon van het Lam.
Deze dag des Heeren, tevens gedenkdag aan hetgeen voor ruim drie eeuwen in de Kerk heeft plaats gegrepen, moge voor veel duizend zielen, die nog zwoegen in het stof, een dag van zaligheid zijn.
Moge hij ook ons goed zijn en gezegend.
Ik wensch u de geschiedenis der Kerkhervorming bloot te leggen.
Haar wensch ik te laten spreken, haar te laten zeggen wat er gebeurd is. Ik zal er niet aan toe doen, maar ik zal er ook niet af doen. Gij zult de geschiedenis hooren.
1
Voor \'t eerst in druk verschenen in het jaar 1853.
129
1
1
â i \' ⢠I
Mijn doel is, u te doen kennen, niet wat menschen gedaan hebben, maar wat God gedaan heeft, eerst door één mensch, later ook door anderen â opdat gij diepe overtuiging moogt hebben van uw groot voorrecht, dat God de duisternis der middeleeuwen heeft verdreven, opdat gij zoudt wandelen in het licht, dat u tot op dezen dag beschijnt.
Dat niemand onzer door wederliefde en zondelust er de oogen voor sluite of gesloten boude, opdat het in den groeten dag niet tegen hem getuige.
Leent mij dan uwe welwillende aandacht; doch laat ons, in diep gevoel onzer afhankelijkheid van den zegen van boven, vooraf voor hoorders en spreker ootmoedig om een zegen smeeken, in den naam des Heeren Jezus,
li?-
1 41 i i
1*1
m-i
li ;.gt;i
\'H
f m
quot;i lt;
Homiliarium TI.
| i?
J\'
âZiet een klein vuur, hoe grooten hoop houts het aansteekt.quot;
Jak. III; 5h.
Over de gepastheid mijner tekstkeuze bij eene gelegenheid als deze, moogt ge straks oordeelen.
Onze Apostel Jakobus is bezig, met de noodzakelijkheid te betoogen der rechte beteugeling van onze tong. De tong is, wel is waar, maar een klein lid, maar daarom niet te min van een groot en overwegend belang. De Christen behoort dus nooit te denken; de tong is klein; een misslag door haar begaan, is van weinig beteekenis, â want dit kleine lid regeert vaak het geheele lichaam. Voor ons ge-heele leven kunnen we ons door één onbedachtzaam gesproken woord in het ongeluk storten. Zoo zijn er meer kleine dingen, die groote gevolgen hebben en machtige werking doen. Hoe klein is het gebit â een groot paard wordt er door gedwongen. Hoe klein is het roer! een schip van de eerste grootte wordt er door gestuurd, werwaarts de stuurman wil. Men wachte zich dus zorgvuldig voor de tong, want â hoe klein een lid ook, de grootste onheilen kan het aanrichten. Die zich b. v. onkuische redenen veroorlooft, verstikt bij zich zei ven en bij anderen het gevoel van eerbare schaamte, en wordt eerlang de grootste wellusteling.
In onzen tekst vergelijkt de Apostel de tong, als klein lid,
131
bij een klein vuur, of vuurvonkje, maar dat gansche hout-bosschen in vlam kan zetten en tot asch doen vergaan.
Uit de kleinste beginselen, uit één woord, zonder nadenken daar heen gesproken, kan, even als uit eene onopgemerkte vonk, een hevige brand van twisten, van verwarring en ongeluk ontstaan. Welke droevige tooneelen levert de nalatigheid van het beteugelen der tong te allen tijde niet op. De kerkelijke, de wereldlijke geschiedenis, de dagelijksche ervaring is er vol van. Ketterijen, scheuringen, vervolgingen werden menigmaal uit onbedachtzaam voortgebrachte, naderhand uit hoogmoed vastgehoudene gedachten, geboren.
Maar ook heeft de Heere niet zeldzaam uit de kleinste beginselen, de grootste en heerlijkste zaken doen ontstaan.
Zoo was de heerlijke Kerkhervorming, waarvan wij thans de gedachtenis vieren, haar bestaan en voortgang aan de kleinste beginselen verschuldigd. Hier stak ook een klein vuur een\' grooten hoop houts aan.
Onder dit beeld wil ik u een overzicht geven over de geschiedenis der Reformatie. Moge het onzen harten heilzaam zijn!
Het kleine vuur tracht ik u eerst te doen kennen. Ik tracht u daarna te doen zien, dat het ligt uit te blusschen ware geweest. Vervolgens doe ik u opmerken, hoe het, niet tijdig gedoofd, een grooten hoop houts heeft aangestoken. Maar dat ook toen, ten vierde, de tijd om uit te blusschen voorbij was. Ten vijfde, dat het vuur brandt tot op dezen dag en nimmer zal uitgedoofd worden. En, ten zesde, dat het branden moet in onze harten.
9*
432
Ik tracht u eerst het kleine vuur te doen kennen.
Wat mag wel het vonkje geweest zijn, dat den grooten brand der Kerkhervorming heeft aangestoken? Dat vonkje waren de worstelingen eener nederige ziel in eene kloostercel te Erfurt. Deze nederige ziel, met buitengewone geestvermogens toegerust, was ten jare 4505 tot doctor in de wijsbegeerte bevorderd, in tweeentwintig jarigen leeftijd. Hij onderwijst reeds vele takken der wijsbegeerte, de natuurkunde en de zedeleer; maar zijn hart houdt niet op hem toe te roepen, dat hij vóór alle dingen van zijne zaligheid moest verzekerd zijn. Deze stem werd zeer versterkt èn door het plotsling sterven van een\' dierbaren vriend, èn door een hevig onweder, dat hem overviel en hem verschrikt ter aarde deed vallen. Hij doet een gelofte, want zijn karakter was vaardig en beslist, de wereld vaarwel te zeggen en zich geheel aan God toe te wijden. De zucht tot heiligheid heeft zijn hart ingenomen. Maar hoe heilig te worden? Niets komt hem geschikter dan het kloosterleven voor. Hij wordt monnik in het heremieten-klooster van den H. Augustinus, te Erfurt. Men legt hem het gemeenste werk op; ea met den knapzak op den rug moet hij in al de straten van Erfurt van huis tot huis gaan bedelen. Zóó zou hij heilig worden, en door den tijd, die hem van zijne kloosterbezigheden overbleven, aan de studiën te wijden. De werken der Kerkvaders, bovenal die van Augustinus, boeien hem. Maar niets boeide hem zoo zeer als de Bijbel, dien hij in het klooster aan een\' ketting gehecht vond. Onophoudelijk gaat hij den vastgeketenden Bijbel bezoeken. Hij moet weten uit de bron zelve, wat God van hem wil, om heilig te worden.
133
15
Hij tracht bovendien door vasten, kastijdingen en waken het vleesch te kruisigen. Hij moet zekerheid hebben van zijne zaligheid. Maar ach, wat hij poogt en wat hij zoekt, hij vindt ze niet. Wat hij overvloedig ontdekt is dat zijn hart verdorven is, en dit â het verontrust hem telkens meer. En ziedaar â het eerste vonkje, waaraan de Kerkhervorming is ontstoken. Het eerste vonkje was dus niet eene uiterlijke daad, maar â een innerlijke diep gaande zielstrijd. Van wie? Van den geleerden jongeling, die onlangs met roem overladen, doctor der wijsbegeerte was geworden, van Martijn Luther, zoon van den mijnwerker Johan Luther, van Mans-feld. Ach! hoe komt die beangstigde ziel nog eenmaal tot kalmte en rust? Dat weet God te bewerken. Eerst moet Hem de Vicaris-generaal, Staupitz, de vriend van Keurvorst Frederik, dienen. Deze man was één van de zeer weinigen, in de Kerk hooge waardigheden bekleedende personen, die in waarheid God vreesden. Hij had, als Luther, niet dan na lang worstelen, den vrede gevonden in Jezus bloed en wonden. Daarom kon hij Luthex verstaan en Luther raad geven. Zoo raadde hij hem âin plaats van zich voor zijne zonden te pijnigen, zich in de armen des Verlossers te werpen.quot; Maar Luther meende niet boetvaardig genoeg te zijn. Staupitz hernam; âer bestaat geen oprechte boetvaardigheid dan die van de liefde tot God aanvangt.quot; Dit vertroostte Luther, doch â zijne zieleangst had hem maar voor een oogenblik verlaten, en â hetgeen Staupitz begonnen had, moest door een zeer eenvoudig werktuig, een ouden vromen monnik, worden voltooid. Deze bepaalde hem, in zijne felle angsten, bij de geloofsbelijdenis, voornamelijk bij het artikel,
4 i I
r » â lit:
!.\']
134
dat hij met groote lieftalligheid uitsprak, âik geloof de vergeving der zondenquot;, en merkende, dat dit indruk maakte, hernam hij: âmen moet niet alleen gelooven, dat de zonden aan David of aan Petrus vergeven zijn; de duivelen gelooven dat ook. Het is Gods bevel te gelooven, dat ze ook ons vergeven zijn.quot; Van toen af nam het licht dagelijks in de ziel van Luther toe, al biddende en onderzoekende de Schrift.
Luther bevindt zich nu twee jaren in het klooster. Hij wordt tot Priester gewijd â maar â om een jaar daarna op grooter tooneel te worden overgebracht. Keurvorst Fre-derik van Saksen benoemt hem tot hoogleeraar aan de Universiteit te Wittenberg. Hier onderwijst hij eerst enkel de natuur- en de redeneerkunde, doch reeds in Maart 1509 heeft hij het recht gekregen, om de Bijbelsche Godgeleerdheid te onderwijzen. Met de Psalmen begonnen, is hij weldra tot den brief aan de Romeinen gevorderd; en â wordt sterk geroerd door de woorden H. 1: 17: âde rechtvaardige zal door het geloof leven.quot; Nog lang daarna weêrklonken deze woorden in zijn hart, die hem het geheim hadden ontdekt van het Christelijk leven. Van alle zijden stroomden jonge lieden toe, om hem te hooren, zelfs kwamen vele Hoogleeraren zijne lessen bijwonen. Hij moet, op sterk dringen van Staupitz, ook prediken te Wittenberg. De oude kapel is weldra te klein, en de raad van Wittenberg kiest hem tot prediker en beroept hem om in de Stadskerk het woord te verkondigen. De indruk, dien hij maakt, is onbeschrijfelijk.
Hij wordt belemmerd in deze werkzaamheden, want â zijne orde zendt hem naar Rome. Ja, daar moet hij zijn.
135
om, wat hij nooit zou hebben geloofd, den vervallen toestand der Kerk in zijn ware diepte te peilen.
Diep bedroefd en verontwaardigd verlaat hij Rome en keert naar Wittenberg terug.
De hooge waardigheid van Doctor der H. Godgeleerdheid wordt hem opgedragen den 19 October 1512. Dit was het derde tijdperk van Luthers ontwikkeling. De komst in het klooster had zijne gedachten naar God gewend; de kennis van de vergeving der zonden en van de rechtvaardigheid des geloofs had zijne ziel vrij gemaakt; de eed als doctor afgelegd gaf hem dien vuur-doop, die hem Hervormer der Kerk maakte. En inderdaad van nu voortaan waren èn zijne Akademische lessen èn zijne prediking aan het bestrijden der dwaling en de handhaving der waarheid gewijd. Hij leert Erasmus kennen uit zijne schriften, maar vertrouwt hem niet. Hij vormt discipelen, die zich gedrongen gevoelen de waarheid te belijden. Feldkirchen verdedigt onder hem eenige stellingen, waarin zijn eerste aanval tegen de Sofisten en het Pausdom werd begonnen. De redetwist had ten jare 1516 plaats, maakte groot gerucht en werd als het begin der Hervorming aangemerkt. Eene der verdedigde stellingen was: âde menschelijke wil zonder de genade is niet vrij, maar is slaaf, en is dit uit eigen verkiezing.quot;
Luther moet voor Staupitz, die afwezig is, veertig kloosters bezoeken. Die brandende fakkel geeft licht â te Grimma, te Dresden, te Erfurt, te Neustadt, en waar hij verder verschijnt, â tot dat hij, bedroefd over al wat hij gezien heeft, te Wittenberg terugkeert. Intusschen zijn vele duistere harten verlicht, en het jaar 1517 is genaderd.
436
Wat nu? De aflaathandel wordt in Duitschland onbeschaamder dan ooit, gedreven. Johan Tetzel, een Domini-kaner, is aan het hoofd. Te Rome heeft men geld noodig, en Tetzel zal zorgen, dat het voorhanden is. Hij verzekert de onkundige menigte, waar hij komt, dat wie een ziel uit het vagevuur verlangt gered te zien, niets noodig heeft dan een brief van zijne hand, tegen betaling van grooter of kleiner som; en dat het geld den bodem der kist niet raakt, of de ziel is verlost uit hare ellende. Hierbij blijft het niet: bij verkoopt aflaten voor zonden, die men nog verlangen mocht te bedrijven, met de betuiging dat ze geen gevolgen zullen hebben, in noch na dit leven. Hij verkoopt aflaten voor de zonden van vadermoord en moedermoord, die men gaarne zou willen plegen; voor de zonden van diefstal, echtbreuk en alle andere gruwelen, die men van zins mocht zijn te begaan. â Het volk koopt. Kan het anders of de goddeloosheid en zedeloosheid nemen op de meest verontrustende wijze toe? Luther bevond zich in den biechtstoel te Wittenberg. Vele burgers verschijnen voor hem. Zij belijden aan groote ongereldheid schuldig te zijn. Luther bestraft. De lieden geven ronduit te kennen, hunne zonden niet te zullen nalaten. Hij ontzegt hun de vrijspraak. Zij beroepen zich op hunne aflaten. Luther blijft weigeren. Zij klagen en tieren. Hij is onbewegelijk. Zij klagen het Tetzel, die, als een wild dier, tegen Luther uitvaart, en zijnen handel voortzet. Wat moet Luther doen? Zijn geweten zegt het hem. De zoogenoemde Allerheiligendag nadert. De toevloed van pelgrims te Wittenberg was dan zeer groot. Hij spoedt zich op den avond van 31 October 1517 kloekmoedig naar
137
de kerk, slaat aan de deur 95 stellingen tegen de aflaten aan, en verklaart zich bereid ze den volgenden dag aan de Universiteit tegen allen en in aller tegenwoordigheid te verdedigen.
Behoef ik nog te zeggen, dat ze gelezen en herlezen werden? ja, dat de geheele stad weldra in beweging was? En ziedaar, â met wat voorafging in het klooster te Erfurt, en met wat Luther daar heen dreef, â het begin van het werk, of, om met mijn tekst te spreken, /cfeme trnwrquot;, bestemd van Gods wege, om een grooten hoop hout aan te steken.
Deze bestemming is van achteren gebleken. Nu, in zijn opkomst was bet. naar den menscb gesproken, ligt uit te blusschen geweest. Laat ons dit, in de 2e plaats zien.
Ja, waarom zou dit kleine vuur niet hebben kunnen gedoofd worden, als voor 100 jaren te Konstantz, waar het bloed van Huss het toen ontstoken vuur doofde?
Waarom, vraag ik nogmaals, zou het niet hebben gedoofd kunnen worden, â óf door Luther te verpletteren met één\' slag, â 6f door aan zijne groote ergernis te gemoet te komen ?
Hem te verpletteren, stond immers in de macht der Kerkelijke Overheid. Hoe raasde, schold en vloekte Tetzel, en hoe brulde hij van woede, toen men hem de tijding bracht, dat Luther zijne aflaten volstrekt niet gelden deed! Dit deed bij op den kansel, en, om het volk meer schrik aan te jagen, liet hij meermalen op de groote markt een vuur aansteken, en maakte bekend van den paus bevel ontvangen te hehben, de ketters, die zich tegen zijne allerheiligste aflaten zouden durven verzetten, te verbranden.
138
Zou het niet ligt zijn geweest den Keurvorst Frederik te bewegen tot overgave van Luther in de macht zijner vijanden? En zoo hij hiertoe nooit zou hebben kunnen besluiten, toch weten wij, dat hij Luther deed verstaan Wittenberg te verlaten, \'t geen waarlijk met eene overgave bijna gelijk stond. Luther maakte reeds toebereidselen tot zijn vertrek. Hij vereenigde zijne vrienden voor het laatst aan een afscheidsmaal. Men is aangezeten en â hem wordt een brief gebracht, \'t Is een brief van het hof. De Vorst vraagt hem; âwaarom hij zoo lang draalt?quot; Tot de verwijdering van den Hervormer is dus vast besloten. Luthers ziel is van droefheid overstelpt, schoon hij kracht bezit uit te roepen: âVader en moeder verlaten mij, maar de Heer zal mij aannemen. Hij moet vertrekken. Zijne vrienden zijn geroerd. Men spreekt weinig. Wat gebeurt? Daar komt een tweede boodschap. Luther opent den brief, niet twijfelende er eene nieuwe aanmaning in te zullen vinden. Maar neen! â alles is plotseling veranderd. âDaar de nieuwe gezant van den paus hoop heeftquot;, schrijft men hem, âdat alles door middel van een godgeleerd gesprek zal kunnen geschikt worden, zoo blijf nog.quot;
Hier worden tegelijk Luther en de zaak der Hervorming door eene zeer bijzondere tusschenkomst van Gods genadige Voorzienigheid gered. Intusschen hebben wij gezien, hoe het kleine vuur op het punt gestaan heeft van uitgedoofd te worden.
Men had het ook kunnen dooven, zeide ik, door aan Luthers groote ergernis te gemoet te komen, hoor mij. Wanneer Rome slechts geen schandelijke winsten had willen behouden; wanneer het wijs genoeg geweest was de Duitschers niet te verachten, wanneer het schreeuwende misbruiken
139
had vernietigd, zou ligt, naar menschelijk inzicht, alles tot dien doodelijken staat wedergekeerd zijn, waaruit Luther was ontwaakt.
Noch het een, noch het ander geschiedt. Laten wij er met aanbidding Gods zorg in zien. God heeft gezorgd, dat er nu geen Alexander VI in Rome regeert, die verpletteren zou; ook geen Adriaan, die misschien een weinig hervormd zou hebben. Die juist nu het pauselijk bewind in handen heeft, is Leo X, een man niet geweldig om te verpletteren, niet ernstig en vroom om te hervormen.
En â het kleine vuur, niet tijdig gedoofd, heeft een grooten hoop houts aangestoken. Zien wij dit, met dankzegging, in de derde plaats.
Nauwelijks had Luther door het aanplakken zijner 95 stellingen den eersten stap gedaan, om de waarheid van het Evangelie openlijk te belijden, of de Heer, in wiens naam hij dat werk begonnen had, zond hem een\' trouwen medehelper, Philippus Melanchton, door den Keurvorst Frederik naar de hoogeschool te Wittenberg beroepen in 1518. âIk ben ouder dan meester Philipquot;, getuigde Luther, âmaar ik kan en wil gaarne van hem leeren.quot; Later zeide hij, âer is op aarde niemand die zulke gaven bezit als meester Philip.quot; Nog later: âOnzen meester in het Grieksch, onzen hooggeleerden en lieven Philippus moge de Heer zijnen besten zegen schenken! Hij heeft zijne gehoorzaal altijd vol als hij leert; vooral komen al de Theologen hem hooren. Hij maakt, dat allen, grooten, middelsoorten en geringen, zich op het Grieksch toeleggen.quot;
140
Ziet ge wel, de kleine vuurvonk begint de wouden aan te steken? Waartoe vooral bijdroeg eene toenemende verachting van het pausdom, nadat het de leer der aflaten juist in de aangerande punten had bekrachtigd. Door zoo schreeuwende dwalingen te wettigen verbitterde het eiken verstan-digen mensch, en maakte de terugkeering van Luther onmogelijk. âMen geloofdequot;, schrijft een vijand der Hervorming (Maimbourg) âdat dit wettigen van den aflaathandel alleen geschied was in het belang van den paus en der geldver-zamelaars, die bijna niemand meer vonden, die hun iets voor die aflaten wilde geven.quot;
Zoo verspreidt zich de vlam van lieverlede, en Luthers roem breidt zich wijd en zijd uit. âOnze stadquot; schreef Luther, kan te nauwernood de van buiten aankomende bevatten. Het getal studenten vermeerdert zeer als een over-stroomend water.quot; Onder deze telde men de uitstekendste jongelingen van Duitschland. Maar reeds was het niet meer in Duitschland alleen dat de stem van den Hervormer gehoord werd. Zij was de grenzen van het rijk overgetrokken. Zijne schriften begonnen reeds in Zwitserland, in Frankrijk, in Spanje, ja ook en zeer gretig in de Nederlanden, gelezen te worden, nog gretiger in Engeland. Tot in het hart van Italië vonden ze bewonderaars onder de geleerden. Te Bazel werd Luther door den bisschop zeiven toegejuicht, en de Kardinaal de Sion, die Luthers werken las, riep een weinig schertsend uit: âo Luther! gij zijt een echte Luther (louteraar).quot;
Zijn geschrift over âde gevangenschap in Babelquot; kwam alle hoop vernietigen op bevrediging tusschen den paus en Luther.
141
Inmiddels werd het hart van den keurvorst Frederik, een oogenblik als wij zagen, aan \'t wankelen gebracht, hoe langer hoe meer versterkt. Hij beefde bij de gedachte, een onschuldige in de wreede banden zijner vijanden over te leveren. Liever de rechtvaardigheid dan den paus, â ziedaar het richtsnoer dat hij aanneemt.
Nog verder grijpt de vlam, door het kleine vuur verwekt, om zich heen. Luther bewijst uit de Schrift, dat het pausdom is het rijk van den Antichrist, en â het volk zeide: Amen. Het was de Antichrist, dien men op den zoogenoemden stoel van Petrus gezeten zag.
De pest heerschte in Wittenberg. Des niettemin zag men dagelijks nieuwe studenten aankomen. Gewoonlijk zaten er in de akademische zalen vier a vijf honderd discipelen aan de voeten van Luther en Melanchton. Vorsten, heeren, geleerden schreven van alle kanten aan Luther brieven vol vertroosting en geloof. Maar ook vinnige satyren tegen de Ultramoniaansche heeren gericht liepen overal in de provinciën rond.
Eindelijk is het geduld van Rome ten einde, en Luther wordt 15 Juni 1520 in den ban geslagen. Maar ook dit is een bliksemschicht, die het brandend bosch slechts nog feller doet ontvlammen. Luther gevoelt zich thans vrijer en daardoor krachtiger dan ooit, want door den paus uit de gemeenschap der kerk (nu geen kerk meer) geworpen, neemt hij met verjeugdigde liefde tot Jezus Christus de toevlucht.
Omtrent dezen tijd had de jonge Duitsche Keizer, Karei V, eenen rijksdag te Worms beschreven; daar zou ook de zaak van Luther onderzocht worden. Luther zelf moest ver-
142
schijnen. Hij aarzelde niet. Zoo ergens, hier heeft de brand om zich heen gegrepen en openbaarheid gegeven aan de zaak als eene zaak, niet van Luther maar van God. Op de reize liep het volk overal zamen om den man te zien, die zich tegen den paus had durven verzetten. Men voorspelde hem banden en verdrukking. Hij antwoordde: âal staken zij een hemelhoog vuur aan tusschen Wittenberg en Worms, zoo moet ik toch in den naam des Heeren verschijnen.quot; Wat later zeide hij: ânaar Worms ben ik geroepen, naar Worms moet ik optrekken; en al waren er ook zoo veel duivels in, als pannen op de daken, toch wil ik er heen.quot; â Met zulk een hart trok Luther 16 April 1521 op eene open wagen Worms binnen, van meer dan 2000 menschen begeleid. Den volgenden dag, \'s namiddags 4 ure, zou hij op den rijksdag verschijnen. Om het gedrang des volks moest men hem, langs een omweg, door huizen en tuinen, naar de vergaderzaal brengen. Eer hij binnen trad, klopte een beroemd veldheer, George van Freundsberg, hem op den schouder, met de woorden: âmonnekje, gij gaat hier in een vuur, zoo als ik er nog nooit in het hevigst gevecht gezien heb. Maar, zijt gij zeker van uwe zaak, ga dan in Góds naam uwen gang, en wees getroost. God zal u niet verlaten.quot; Toen trad Luther de zaal binnen. Daar zaten vergaderd, de Keizer Karei, 7 Keurvorsten, 24 Hertogen, 8 Markgraven, meer dan 30 Bisschoppen, een pauselijke, 3 koninklijke gezanten, en nog meer dan 200 aanzienlijke leden der rijksstenden. â In het voorvertrek en aan de vensters waren ongeveer 5000 menschen bijeen. â Aan Luther werd de vraag gericht, of hij de boeken, die daar
143
voor hem lagen, voor de zijne erkende, en of hij wat daarin geleerd werd herroepen wilde? Als Luther zich de titels der boeken had laten voorlezen, zeide hij; âja, deze boeken erken ik voor de mijne. Maar het tweede punt, of ik alles staande houden, dan wel herroepen wil, dat is eene zaak, die het geloof, en de zaligheid der zielen betreft. Daarom bid ik uwe Keizerlijke Majesteit om tijd tot beraad, opdat ik behoorlijk antwoorden kunne.quot; â Aan Luther werd de vrijheid gegeven zich te verwijderen, met last om \'s anderen daags 18 April op nieuw te verschijnen. Op dien dag, \'s avonds 6 ure, werd hij binnengeleid. Men vorderde, dat hij kort en rond zou verklaren, of hij al dan niet herroepen wilde. Luther antwoordt: âdaar men alzoo van mij een bepaald, eenvoudig antwoord verlangt, zoo wil ik er u een geven, dat geen twijfel zal overlaten; ik kan mijn geloof noch aan den paus, noch aan de kerkvergadering onderwerpen , want beiden hebben dikwijls gedwaald en zich zeiven tegengesproken. Ik kan en wil dus niets herroepen, tenzij men mij uit de H. Schrift, of met opene en klare redenen bewijze, dat ik ongelijk heb. Want tegen zijn geweten iets te doen, dat is gewis niet raadzaam, en gevaarlijk. Hier sta ik, ik kan niet anders. God helpe mij, Amen.
M. A.! laat ik u vragen, of gij niet begrijpen kunt, dat de om zich grijpende vlammen, door het kleine vuurvonkje aangestoken, zich nu noch verder verspreidden? Vriend en vijand van Luther waren getroffen. De Keurvorst Frederik was in \'t bijzonder zeer verheugd, en zeide tot zijn hofprediker Spalatinus; âhoe schoon heeft Pater Martinus voor den Keizer en het rijk gesproken.quot; Keizer Karei riep zelf ver-
144
wonderd uit: âdie monnik spreekt met onverschrokkenheid, en als die zeker is van zijne zaak.quot;
Ik heb geen tijd, u Luther op den Wartburg voor oogen te stellen, waar hij ongeveer tien maanden, onder weg van Worms, door vijf vermomde ridders opgeligt, vertoefd heeft. Hij noemde het zijn Patmos. Dit alleen moet ik u zeggen, dat hij hier onvermoeid arbeidde aan eene overzetting van den Bijbel, waarvan hij het Nieuwe Testament afwerkte, zoodat de Duitschers eerlang in staat zouden zijn, Gods Woord in hun eigen taal te lezen. Hier schreef hij ook zijne uitmuntende Kerkpostil, die hij zelf voor een zijner beste werken hield.
Inmiddels ging het werk der Hervorming met vasten gang voort. Vele vorsten waren haar toegedaan; en deze sloten te Torgau, 4 Mei 1526, een verbond tot onderling hulpbetoon, zoo de vervolging om des geloofs wil het mocht noodig k maken; ingevolge waarvan zij op den rijksdag te Spiers, 19
April 1529 een plechtig Protest inleverden tegen de onverhoorde veroordeeling hunner geloofsgenooten, dat hun sedert den naam van Protestanten gegeven heeft.
Luther bleef nu vooral zorg dragen voor de verspreiding der zuivere Evangelische kennis onder het volk, waartoe op buitengewone wijze hebben bijgedragen, door Gods zegen, zijn groote en kleine Katechismus ten jare 1528 en 29 in het licht gegeven.
Gaarne zou ik u nog veel van den beroemden rijksdag te Augsburg, in 1530 gehouden, mededeelen, maar de tijd zou mij ontbreken.
j:
Hoe gaarne deed ik u hooren, dat de Heer zich in alle
UL,
145
landen mannen verwekte, die krachtige voorstanders waren van het werk der Hervorming: in Zwitserland eenen Ulrich Zwinglius, een Oecolampadius, een Farel, een Viret en Calvijn. Een tijdgenoot zegt van de drie laatst genoemden: âhet krachtig, en uit een grootmoedig hart met indruk makende macht voortvloeiend woord van Farel, en zijne vurige gebeden kon men niet aanhooren, zonder geroerd en of \'t ware met hem ten hemel opgetrokken te worden. â Viret onderscheidde zich door de aangename sierlijkheid zijner rede, zoodat zijne toehoorders onwillekeurig door zijne wegslepende voordracht geboeid werden. â En zoo vele woorden als Calvijn sprak, even zoo vele diepzinnige gedachten deelde hij aan de harten zijner toehoorders mede.quot;
Ook in Schotland begon een licht in de stikduisternis op te gaan, dat men door den dood van den voortrefielijken Hamilton even schielijk meende gedoofd te hebben, als het opgekomen was. Maar God verwekte voor den jeugdigen Hamilton den onverschrokken Johannes Knox, van wien getuigd wordt, dat hij de gaaf bij uitnemendheid had om anderen moed in te boezemen. Zoo vormde zich de ééne evangelische gemeente in Schotland na de andere, zoodat in 1560 het pausdom door een besluit der vereenigde Stenden werd afgeschaft, en geheel Schotland belijdenis deed van de Evangelie-leer.
De Hervorming drong van alle zijden ook in de Nederlanden door. De schriften van Luther waren hier bij uitnemendheid gezegend. Bijzonder de overzetting der H. Schriften in onze moedertaal. Een exemplaar des Bijbels kwam Guido de Brés in handen. Hij las en herlas en leerde weldra,
Homiliarium II. 10
I
146
met een geloovig hart, de waarheid kennen, dat de mensch zalig wordt uit genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is. Die gekende waarheid moest hij aan anderen hekend maken. Hij deed het, en vond later goed eene geloofsbelijdenis op te stellen, met hulp van Adrianus Savaria, opdat de tegenstanders mochten weten, dat de Hervormden niets heieden in strijd met Gods Woord. De belijdenis, in 37 artikelen begrepen, is, dank zij Gode, tot op dezen dag de belijdenis der Hervormde Kerk in Nederland gebleven.
En ziedaar nu den grooten hoop bouts, door een klein vuur ontstoken. Ik heb de voornaamste feiten slechts aangestipt, opdat ge een overzicht (hoe beperkt ook) over het geheel zoudt hebben. Ik moet u nu, ten vierde, aantoonen, dat de tijd om te blusschen reeds is voorbijgegaan.
De tegenstanders hebben het getracht, nooit door wettige middelen, maar door list en door geweld. Ach, wat stroomen bloeds zijn in Duitschland, in Zwitserland, in Frankrijk, in Engeland, maar vooral op dezen bodem, vergoten geworden. Reeds in 1521 had Hertog Georg te Leipzig een boekhandelaar ter dood laten brengen, omdat hij de schriften van Luther verkocht had; en het volgende jaar gebeurde hetzelfde met twee burgers, die het Evangelie waren toegedaan. Te Brussel werden in 1523 drie Augustijner monniken om het geloof levend verbrand. Midden in de vlammen baden zij; âJezus, Gij Zone Davids, ontferm u onzer.quot; En als men hun het verwijt toeduwde, dat zij zich door Luther hadden laten verleiden, zeiden zij: âLuther heeft ons verleid, gelijk Jezus Christus de Apostelen verleid heeft.quot;
147
jl
!! gt;-
ill ill
li
1,:
Al terstond na Luther\'s dood, 1546, ontstond er een oorlog, daaruit, dat de Keizer, in overeenstemming met den paus, de Evangelische Kerk met geweld wilde onderdrukken, en dwingen zich te onderwerpen aan de kerkvergadering, door den paus te Trente beroepen, die echter alleen uit pausgezinde geestelijken was zamengesteld. Toen grepen de Evangelische staten, in Gods naam, naar de wapenen. De Keizer behaalde de overwinning en had het ergste in den zin; doch de Heer vernederde hem, en bij den vrede van Passau (1552) en in den religie-vrede van Augsburg (1555) moest hij aan de Evangelischen geloofsvrijheid toestaan. Toch namen de vervolgingen geen einde. In de Nederlanden woedde de Hertog van Al va, die zich beroemde 18000 Hervormden met het zwaard te hebben laten dooden. In Frankrijk werden de belijders van het Evangelie te vuur en te zwaard vervolgd. In den beruchten St. Bartholomeus nacht (24 Augustus) 1572, werden op last des Konings, te Parijs 4000, en in andere steden van Frankrijk meer dan 24000 gereformeerden omgebracht.
Hoeveel ellende zou ik u nog uit het tijdvak van den 30-jarigen Religie-oorlog kunnen verhalen, indien ik niet vreesde uw geduld te lang te vergen, en wat gevolgen later, 1685, de herroeping van het edikt van Nantes gehad heeft, een vreeselijk besluit, lang door de ongehoordste wreedheden voorafgegaan. Men berekent, dat gedurende deze woede, 500,000 protestanten Frankrijk hebben verlaten. De 400,000, in het rijk achtergeblevenen, dwong men met geweld naar de mis te gaan. Sommigen, die de hostie weder uitwierpen, werden levend verbrand. De lijken van die zich op hun
10*
148
sterfbed aan de Roomsche plechtigheden niet willen onderwerpen, werden op horden naar de mesthoop gesleept.
Toch is de brand der Hervorming niet gebluscht kunnen worden. Het bloed der martelaren was, gelijk ook onder de Romeinsche Keizers, het zaad der Kerk. Ja, men moet erkennen, dat de gemeenten gebloeid hebben, en sieraden geweest zijn van geloof en godvrucht in het midden der verdrukking, terwijl het getal van die om Jezus naam hadden moeten sterven, altijd overtroffen werd van die de dwalingen der Roomsche Kerk afzwoeren en zich hartelijk aan de verdrukte Hervormden verbonden, Frankrijk alleen uitgezonderd.
M. A.! wij moeten nog, met een oogopslag, zien dat het vuur der Hervorming brandt tot op dezen dag, en nimmer zal uitgedoofd worden, \'t Was ons vijfde aandachtspunt.
Maar hoe komt het, dat er nog Hervormde gemeenten bestaan? Zoo mag ik ook vragen: hoe komt het, dat een geloovig geworden Christen ten einde toe in zijn geloof en godsvrucht volhardt? Het antwoord is: een geloovig geworden Christen is ligt te verleiden, ligt valt hij van de eene in de andere zonde, en zou zeker in de diepste diepte van het ongeloof terugzinken, hield zijn Heiland hem niet staande. Hij verzuimt te waken, en ziet â zijn vijand sluimert nooit. Hij laat na den strijd op nieuw aan te binden en. ziet â zijn vijand verraadt hem aan den Filistijn. Hij vertraagt in den gebede, en ziet â hij is machteloos. Maar â de Koning, hem van den Heilige Israels gegeven, heeft gebeden en gewaakt ; Hij heeft gebeden, dat \'s Christens geloof niet op-
149
houde, en â zijn gebed is verhoord geworden, en â de Christen blijft bewaard in de kracht Gods door het geloof tot de zaligheid. En hieraan moet het toegeschreven, dat er nog Hervormde gemeenten bestaan. Ach, de Kerk der Hervorming begon omtrent liet midden der vorige eeuw in slaap te vallen. In Duitschland, in Engeland, in Frankrijk scheen het ongeloof een verbond gesloten te hebben tot haren ondergang. Vele gemeenten werden bedorven en verwoest, en zonken tot een verfijnd Heidendom terug. Nederland werd ook op dien hemel, aan de hel gelijk, belust en heeft zijne dwaasheid duur geboet. Maar de Heiland, schoon de afvalligen straffende, heeft weten te zorgen, dat er een kern overbleef, die bleef getuigen. En vooral sints de laatste 30 jaren heeft het aan getuigenissen tegen ongeloof en bijgeloof niet ontbroken. En wat de Heere in één oogenblik geven kan, is nu ruim een half jaar geleden gebleken, toen bijna alle protestanten de handen inéén sloegen, om de pauselijke hiërarchie, die bijkans gevestigd was, op waardige wijze te wederstaan. Neen, God wilde Nederland nog niet verlaagd hebben tot een wingewest van Rome. Hoe? Hij begon het werk der Hervorming. Dit dient nimmer uit het oog verloren. Niet Luther is begonnen, niet Zwingli, niet Calvijn is begonnen, maar â God is begonnen in Luther, in Zwingli, in Calvijn, en â Hij laat niet varen de werken zijner handen.
Maar dat vuur der Hervorming, brandende tot op dezen dag, en nimmer uit te dooven, moet branden in onze harten. Ziedaar ons zesde en laatste punt van overweging.
Het moet branden in onze harten. Ach, in menig hart
â r f
m
ij!
â
t ui
|
i
i â¢
â j \'|
i
\'i
⢠*i
l\\ iii
â¢11 â
150
brandt het niet, door onverschilligheid en wereldliefde. Die menschen, schoon ze zich Hervormden noemen, hebben hart voor niets, dat niet grof zinnelijk en dierlijk is. Om een ambt zouden ze met de Roomschen gemeens zaak maken. Zulken zijn hier in deze vergadering niet. Maar daar zijn er zoo veel te meer, die niets weten van de worstelingen en angsten van Luther in zijn kloostercel; die heimelijk nog meenen uit hunne werken te zullen gerechtvaardigd worden; die blijven weigeren aan den Heere Jezus Christus hand en hart te geven â ach! gij zijt slechts hervormd in naam. Ei, ziet het jongelingen en maagden! ei, ziet het mannen en vrouwen en grijsaards te zamen! en laat u, op uwe knieën gebogen, een nieuw hart geven van den Almachtige, en â gij zijt niet hervormd slechts in naam, maar in Waarheid, en â gij zult staan tegen den afval, als Luther tegen den paus gestaan heeft, en is niet beschaamd geworden.
En gij, die waarlijk vernieuwd zijt geworden in den geest uws gemoeds, en den nieuwen mensch hebt aangedaan â kent uwe roeping in deze dagen en vervult ze. Het vuur in uw hart ontstoken mag nimmer gedoofd, noch onder een aschhoop bedolven worden. Hoe is het thans met u ? Brandt het vuur, zij het ook klein? of is het bijna gedoofd? In het laatste geval vraag ik alleen; Smart het u, dat het zoo koud is in uw binnenste? Smart het u? Ik wijs u op Hem, die het gekrookte riet niet verbreekt en de glimmende vlaswiek niet uitbluscht. Gaat heen, laat zijne liefde uw hart in vlam zetten, en gij zult tot zegen zijn, in uwe mate, als Luther was in zijne mate. In het eerste geval, zoo het vuur brandt, ei zorgt toch, al wederom in uwe mate, en in uwen kring.
|
151
dat het een grooten hoop houts aansteekt. Weest ernstig op middelen hedacht, om voor anderen nuttig te zijn. Gij leeft voor u zeiven niet in deze wereld, gelijk de Hervormers niet geleefd hebben voor zich zeiven, maar voor den Heer en voor hunne naasten. Uw hart moet van liefde branden ook voor de Roomschen, ik zeg niet, voor Roomsche beginsels en leer, maar voor Roomschen, om ze door liefde voor den Heer en zijne waarheid te winnen. Laat ons hart met diep medelijden worden aangedaan over zoo velen, die omgeven van de duisternissen des bijgeloofs en des ongeloofs, Hem niet kennen, en zij onze leus voortaan met Luther:
âEen vaste burgt is onze god.quot;
Amen.
C. C. Callenbach.
VII.
IVIorgenstond en Nacht. 1)
Ps. 77 : 7, 8. Goz. 15 : 2. Morgcnz. : 5. Gcz. 152 : 4», 3ii.
De last van Duma.
Men roept tot mij uit Seïr: wachter wat is er van den nacht? wachter! wat is er van den nacht?
De wachter zeide: de morgenstond is gekomen, en het is nog nacht; wilt gijlieden vragen, vraagt; keert weder. komt.
Jesaja XXI ; 11, 12.
Het is een merkwaardige trek uit de geschiedenis van den tweeden tempelbouw te Jeruzalem, die ons in het boek van esra verhaald wordt 2). Toen de fundamenten van het huis des Heeren gelegd werden, gaf de groote menigte, geheel onder den indruk van den plechtigen oogenblik, het hart in feesttonen lucht. Maar anderen, hooger bejaarden, die den vorigen tempel nog in al zijn luister gekend hadden en thans op het meer beperkte bouwplan het oog sloegen, verhieven
1
Voor \'t eerst in druk verschenen in het jaar 1860.
2
Esra : 11â13.
153
eene stem des geweens, omdat het tegenwoordige zoo weinig beantwoordde aan den luister van vroegere dagen, Eene stem des gejuichs en eene stem des geweens, die men nauwelijks van elkaar onderscheiden kon; merkwaardige, aandoenlijke tegenstelling! Bedriegen wij ons, Gel., of zij wordt in anderen vorm heden ook in ons midden gevonden? Ziet, wij vieren op dezen dag 1), in vereeniging met een groot deel der Evangelische kerk, zoowel in als buiten ons vaderland, het jaarfeest der Hervorming, door den geloofsmoed van lüther begonnen. Ook voor ons is het een feest der tempel vernieuwing, en gelijk toen onder Israël, staan priesters en levieten gereed om den Heer in zijne gemeente te loven. Maar is het niet, of het zeldzaam tooneel uit esra\'s tijd vernieuwt? De schare, die ter feestviering opging, is kennelijk in twee, zeer ongelijksoortige klassen verdeeld. Aan den eenen kant klinkt de toon des triomfs: »de rechterhand des Heeren is verhoogd; de rechterhand des Heeren doet krachtige daden. Geloofd zij God, die ons licht gegeven heeft; van den Heer is het geschied, en wonderlijk is het in onze oogen.quot; Aan de andere zijde verneem ik een toon des geklags: hoe, is het heden een tijd voor de kerk, om het feestgewaad aan te trekken, en moest zij niet liever in het boetkleed voor de oogen des Heeren verschijnen? Ach, wat baat een feest der Hervorming, waar men van den geest der Hervorming zoo ver en jammerlijk afweek! Welk een verschil tusschen vroegere en tegenwoordige dagen; tusschen wat de Hervormde gemeente moest wezen, en wat zij wer-
1
Uitgesproken 31 October 1858.
154
kelijk is! Voorwaar, indien de Heer thans een profeet tot haar uitzond, hij mocht het .voord van joël herhalen: «heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit, scheurt uw hart, en niet uwe kleederen!quot; Moet het langer zoo voortgaan als in den tegenwoordigen tijd, de Hervormde kerk gaat veeleer hare ontbinding, dan hare ontwikkeling tegen, en God weet wat het einde moet zijn! Heb ik juist geraden, Gel., dan heb ik goed gezien, geklag ter eene, gejuich ter andere zijde, en ik zie reeds de vraag te gemoet: âmaar gij, aan wat zijde staat gij, en wat toon zult gij heden doen hooren ?quot; Om der waarheid hulde te doen, M. H., \'t is in ons gemoed nog zonderlinger, dan in uw midden gesteld. Een en hetzelfde hart is vervuld met beide, schijnbaar tegenstrijdige stemmingen. Met een mengeling van onderscheiden gewaarwordingen zagen wij dezen feestdag verrijzen. Wij wilden in het juichen u voorgaan, maar zagen te veel droevigs rondom ons, dan dat wij den jubeltoon van heeler hart konden aanslaan. quot;Wij wilden met u treuren en klagen, maar dan vreezen wij ondankbaar te zijn. Doch waartoe ook het een of het ander uitsluitend begonnen, daar het ons immers vrijstaat beiden te doen? Want op de vraag naar de teekenen der tijden voor de Evangelische kerk weet ik geen beter antwoord dan dit: niet louter licht, niet enkel duisternis, maar eene wondere vermenging van beiden: de morgenstond is gekomen, en nog is het nacht!
Pas had jesaja in de tien eerste verzen van dit Hoofdstuk den val van Babel voorspeld; daar wordt een nieuw orakel tegen Duma, waarschijnlijk een stam der Edomieten, van zijne lippen gehoord. De profeet wordt hier, om zijn voor-
n
155
uitzien van het toekomende, als Wachter begroet, wellicht met toespeling op die dienaars des heiligdoms, die op de tinnen des tempels gedurende den nacht hadden post gevat om het eerste schemeren van den dageraad aan den Oostelijken hemel te kondschappen. Staande op zijn eenzamen wachttoren, hoort hij tot zich roepen uit Seïr, het gebergte door Edomieten bewoond: âwachter, wat is er van den nacht?quot; Men wil weten, of het tegenwoordig onheil, waaronder Edom gebukt gaat, haast voor welvaart en voorspoed zal wijken. Maar ofschoon het antwoord zonder uitstel gegeven wordt, het is ver van bevredigend. Wel is de morgen gekomen, maar in menig opzicht is het even duister gebleven. De eene oorzaak van ongeluk hield slechts op om voor de andere plaats te maken, en aan de ellende was nog geen einde te zien. De ziener sluit zijn antwoord met de bepaalde verzekering, dat hij hun voor ditmaal niets meer te zeggen heeft. Willen zij verder raadplegen, zij blijven daartoe vrijheid behouden. Maar zij moeten dan een andermaal wederkomen; mogelijk zal Gods raadsbesluit voor zijn dienaar iets minder ondoorgrondelijk zijn.
Verre werpen wij de verdenking van ons af, M. H., alsof wij ons op ééne lijn wilde plaatsen met den hoogverlichten jesaja. De profetenmantel is niet op onze schouders gevallen, en de vinger des Almachtigen heeft onze oogen niet aangeraakt. Wij verblijden ons zelfs, dat wij geene roeping ontvingen om te profeteeren tegen de Evangelische kerk, gelijk hij tegen Duma, dat werkelijk na Babels val niet, als Israël, de vrijheid herkreeg, maar veeleer door gyrus werd vervolgd en bestreden, tot het eindelijk spoorloos verdween.
ilM
yi
.hi \'
i
156
Nochtans, wie niet wenscht achter te houden, dat hij niet zou verkondigen den vollen raad Gods, mag in zekeren zin op zich toepassen wat de Godsspraak tot ezechiël zeide: âMenschenkind, ik heb u tot een wachter gesteld over Israël!quot; Vergunde God ons de kennis van het toekomende niet, toch valt het moeielijk voor wie door zijn Geest zich laat leiden om over het tegenwoordige met eenige juistheid te oordeelen. Op het standpunt des geloofs vindt men zich als geplaatst op een wachttoren, van waar het vrij staat een blik in het ronde te slaan. En zoo is het ons heden als vernemen ook wij, uit den schoot der Evangelische kerk, van verschillende zijden de vraag: âWachter, wat is er van den nacht; wij vieren het feest des lichts, maar is dan de duisternis reeds voorbij, of althans, trekt zij van lieverlede op voor uw oog?quot; Wat zullen wij antwoorden, Toehoorders, daar de zaak zich, voorwaar, niet in weinig woorden laat uitwijzen? Wij hebben deze ure bestemd om eenigszins uitvoeriger eene vraag te bepeinzen, die, wij mogen het immers vertrouwen, niet uit nieuwsgierigheid, maar uit waarachtige belangstelling voortspruit Morgenstond en nacht, zij zijn in het rijk der natuur nimmer gelijktijdig, zij zijn in dat der genade meermalen te zamen aanwezig Morgenstond en nacht op het gebied der Hervorming, zietdaar dan het onderwerp der tegenwoordige ure. Volgt ons bij de â ontwikkeling beloven wij niet â maar bij de aanstipping van enkele merkwaardige tegenstellingen.
De Hervorming en de wereld;
De Hervorming en Rome;
157
De Hervorming en het Protestantisme;
De Hervorming en ons hart;
De Hervorming en de toekomst.
Telkens zullen zij ons aanleiding geven om het wonderspreukig antwoord des profeets het onze te maken. Aan het einde keeren wij met het antwoord nog eenmaal in tot ons zeiven. En de Heer leere óns een woord te spreken naar de behoefte der tegenwoordige dagen; geve ü, te verheugen met beving; make ons allen tot kinderen des lichts, die, welgewapend, tegen de duisternis strijden! Amen.
I. âMaak u op, wordt verlicht, want uw licht komt, en de heerlijkheid des Heeren gaat over u op!quot; Was het niet, Gel., of die Godsspraak van jesaja tot heel de wereld gericht werd, waar God den dageraad der Hervorming deed aanlichten? Helaas, in den ruimsten zin des woords was ook toen het vervolg dier Godsspraak waarachtig: âduisternis bedekt de aarde en donkerheid de volken.quot; Wij zullen wel de eeuwen, die der zestiende voorafgegaan zijn, niet onvoorwaardelijk bij een donkeren nacht vergelijken. Wij weten het, sterren van de eerste grootte hebben in dat duister geblonken, en ook in de ongunstigste tijden was de Heer met Woord en Geest nimmer geheel van zijne gemeente geweken. Wat meer is, op kennelijke wijze heeft Hij zelf de Hervorming voorbereid en het morgenrood aan den dag doen voorafgaan. Een wiKUF, een huss, een savanarola, een wessel gansfoort, een geert groote, een THOMAS a KEMPis en zoovele anderen meer hebben geschenen als
158
lichten in de wereld, te midden van een overspelig en zondig geslacht. Maar bewijst niet juist de warme hulde, die wij hunner nagedachtenis brengen, dat zij uitzonderingen waren op den geest hunner eeuw, en staaft niet de haat, dien zij in verschillende mate ondervonden, dat de wereld boven het licht de duisternis liefhad? In der waarheid, al zweefde ook de Geest Gods over de felbewogen wateren, als aan den morgen der schepping, de duisternis bleef op den afgrond gezeteld. Het grootste gedeelte der wereld was Heidensch, en waar het Christendom in naam was gevestigd, ach, in hoe menig opzicht mocht het een ander, verfijnd en herrezen Heidendom heeten! Of was niet de vereering der afgoden herleefd in de aanbidding der beelden; de offerdienst in het dagelijksch misoffer; de priesterpaal in den luister der hiërarchie ; de vergoding der stof in de leer der transsubstantiatie en andere? Daar verwekt God mannen, vol des geloofs en des heiligen Geestes, die uit het kloosterstof den Bijbel te voorschijn brengen, en voor de wereldgeschiedenis een nieuw tijdperk van licht en leven doen aanbreken. Luther slaat zijne stellingen aan, en als op Engelenwieken zijn zij binnen weinig dagen tot aan en over de grenzen van Duitschland verspreid. Daarmede was de Hervorming begonnen, om voortgezet en uitgebreid te worden tot op den huldigen dag. Trouwens, zij was niet slechts eene nationale, maar in den volsten zin des woords eene wereldgebeurtenis, die met de verlichting, vernieuwing en zaliging van ons geslacht in rechtstreeks verband was geplaatst. Haar zaad werd dan ook in die eeuw en de volgende, niet slechts in Europa, maar zelfs in andere werelddeelen met milde handen gestrooid.
159
en gezegend zij de trouw van den oppersten Landheer, het schoot op, en droeg vrucht, en bevruchtte op zijne beurt weder andere, nog verder gelegene akkers. En dat kon ook niet anders, Gel., want de hoofdleer door luther verkondigd, was geen nieuwe leer, maar de oude, van jezus, van de Apostelen, van de bloedgetuigen, van de vroegste en beste kerkvaders zelve: de Evangelische kerk is geen drie, maar achttien eeuwen reeds oud. Slechts was het licht een tijdlang achter wolken verscholen en haar aangezicht met zoo vuile smetten ontsierd, dat het onken- en ontoonbaar geworden was. Wat de Hervorming aan de wereld bracht was het oud, onvervalscht, eeuwigblijvend Woord Gods, naar zijne oorspronkelijke bestemming weder in aller handen gegeven, en uit dat Woord de blijde boodschap, door eigengerechtigheid en werkheiligheid, had God het niet verhoed, bijna uit den Bijbel gescheurd: wij worden om niet gerechtvaardigd. Wat zeg ik, de Hervorming schijnt van den Heer der gemeente de bestemming ontvangen te hebben, die Hij eenmaal zijn Apostelen aanwees, om door het Woord van Hem te getuigen en te arbeiden aan de herschepping van ons diepgezonken geslacht Werkelijk, het zij tot hare eere gezegd, heeft zij zich dan ook aan die grootsche taak niet onttrokken, en voor zoover zij eene levende is, heeft de Evangelische kerk aanvankelijk het hevel van den Heer des huizes gehoorzaamd, elders op zoo schandelijke wijze misbruikt: âdwingt ze om in te komen, opdat mijn huis vol worde.quot; Maar nu dan een bük in het ronde, en de vraag op de lippen: hoever is het thans met de Hervorming der wereld gevorderd? Hoever? Ach, Gel., een zucht rijst onwillekeurig op uit het
160
hart van den Christen, wanneer hij heden een blik slaat op de u immers welbekende wereld- en zendingskaart. In Europa, het noorden en westen, ja, met het licht der Hervorming beschenen, maar zuiden en oosten nog grootendeels van dat vriendelijk schijnsel verstoken. In Azië hier het schemerlicht der halve maan, en daar de dwaalsterren van brama, van Buddha, van confutzée aan het tanen ja, maar nog niet van den hemel gevallen. In Afrika de zuideruithoek verlicht, en de leer der Hervorming met lofwaardige trouw door ettelijke tienduizendtallen onzer land- en geloofsgenoten beleden, maar hooger op alles donker, en niet weinig nog nooit door den voet van één heidenbode betreden. In Amerika het noorden ten deele verlicht, maar het zuiden in duisternis, en op al die eilanden, die God als stof op de baren gestrooid heeft, hoevele honderden, waar men in nevelen rondtast, tegenover die weinigen, waarvoor het aanving te lichten. Duisterheid der duisterheden, \'t is daar alles schier duisterheid! En meent niet. Gel., dat de wereld, die in onze nabijheid den Christelijken doop heeft ontvangen, daarom reeds met den geest der Hervorming vervuld werd, en ophield duisternis in zich zelve te wezen. Ach, wat snijdend kontrast tusschen de belijdenis en het leven van zoo menigeen, die onder de banier der Hervorming zich schaart, maar niet ophield van de wereld te zijn! âGij zijt tot vrijheid geroepen,quot; zoo predikt de Hervorming, en â Amen zegt de wereld, en kust de ketenen, haar door de zonde om de leden gehangen. âGij zijt een koninklijk priesterdomquot; â Amen zegt de wereld, en strijdt koninklijk tegen Christus den Heer en offert priesterlijk aan hare eigene afgoden. âGij
161
zijt duur gekochtquot; â Amen zegt de wereld, en beschikt naar eigen willekeur over zich zelve, alsof zij geen anderen Heer in wettig eigendom toekwam. Voorwaar, voorwaar, het moge zijn begonnen te lichten voor Adams gevallen geslacht, nog is het er. God weet hoever van verwijderd, dat de heilzon haar toppunt bereikte. De morgenstond is gekomen, en â nog is het nacht!
II. Die nacht drukte voor vierhonderd jaren inzonderheid op Rome ter neder, dat zich zelve tot heheerscheresse der Christenheid van Europa verhief. Wat eischt gij van ons, dat wij u met weinige trekken het beeld van een nacht zouden schetsen, die geen uren, maar eeuwen geduurd heeft? Wat nacht van slavernij voor de volken, die het zich op hoogen toon hoorden aanzeggen, dat geestelijke en wereldlijke macht tot elkaar in gelijke verhouding stonden, als de zon en de maan, die haar licht van de zon moest ontvangen! Wat nacht van zonde neergedaald op het trotsch Vatikaan, waar meer dan eenmaal Pausen regeerden, van wie zelfs een Roomsch Godgeleerde onzer eeuw moest verklaren, âdat zij waardig waren geweest, gelijk korah, dathan en abiram, levende ter helle te varen.quot; Wat nacht van ongeloof ter eene zijde, waarin zelfs priesteren spotten over het wonder der wezens-verandering, dat zij zeggen te kunnen verrichten, en heel Europa een Paus en een Keizer over deze vraag met elkander hoort strijden, wie eigenlijk van hun beiden de Godslasterlijke stelling had uitgesproken: âde wereld is door drie groote bedriegers misleid, door mozes, door Christus, door mahomed.quot; Wat
Homiliarium II.
162
nacht van bijgeloof aan den anderen kant, waarin men klokken doopt, en ezelsfeesten viert, en wonderdoende beelden als uit het stof van den grond ziet verrijzen! Helaas, al had het nieuwe Rome het opzettelijk aangelegd om de voetstappen van het oude te drukken, in menig opzicht had het nauwelijks anders kunnen handelen, Toehoorders! Geen wonder, dat ook de uitstekendste leden der Roomsche kerk eene dringende behoefte aan eene Hervorming, gelijk het heette, in hoofd en leden gevoelden. De Kerkvergaderingen van Pisa, Constanz en Bazel, met groote verwachting belegd, maar zonder noemenswaardige vruchten geëindigd, waren de bewijzen er van. En waar nu eindelijk de Augustijner monnik van Erfurt met zoo kloeke hand het kwade roadom zich bestreed, daar riep men eindelijk nog eens een Concilie te zamen, om te verbeteren wat te verbeteren viel. Trente zou de kandelaar worden, waarop een beter licht ook voor Rome\'s kerk zou verrijzen; Trente werd de korenmaat, die het ontstoken licht der Hervorming tot eiken prijs zocht te dooven. Wachters aan géne zijde der Alpen, wat is er thans van den nacht, waaraan gij een einde zoudt maken? Zij laten hem voortduren, zoolang zij kunnen, Gel., en sluiten de vensteren des heiligdoms voor het van alle zijden toestroomend licht. Trente belemmert bij vernieuwing het Bijbellezen, bevestigt de overlevering, handhaaft het Pausdom, en spreekt een banvonnis uit over wie de hoofdwaarheid van het Evangelie gelooft. Een banvonnis? ja. Gel., het staat in de besluiten dier vergadering met zoovele woorden te lezen: âals iemand zegt, dat bet rechtvaardigmakend geloof niets is, dan het vertrouwen op de barmhartigheid Gods,
463
die in Christus de zonden vergeeft, en dat het dit vertrouwen alleen is, waardoor wij gerechtvaardigd worden, die zij vervloekt!quot; â âAls iemand zegt, dat de verkregen gerechtigheid voor God niet bewaard of vermeerderd wordt door goede werken, maar dat deze slechts de vruchten en teekenen der verkregen rechtvaardiging zijn, die zij vervloekt!quot; Hoort gij het Gel., een vloek over u, een vloek over mij, een vloek over allen, die met paxjlus verklaren: âwaar is dan de roem, hij is uitgesloten!quot; Ach, met zoo het Evangelie in het aangezicht tegen te staan, liet Rome, tegenover het machtwoord Gods: âdaar zij licht,quot; het wreed bevelwoord: âdaar zij nieuwe duisternisquot; hooren. Natuurlijk, dat van eene Hervorming der Roomsche kerk, die onder zulke voorteekenen aanving, ook nog in onze dagen weinig of niets is gekomen. Ja, de dag aan den dag voert nieuwe bewijzen ons toe, dat men op dit grondgebied even weinig geleerd als vergeten heeft. Nog is de Rijbelverspreiding binnen dezelfde willekeurige grenzen beperkt, en geeft de heilige Vader op eiken witten Donderdag zijn onvaderlijken vloek aan de afgevallen zonen der Kerk. Nog zijn de oude wapenen van leugen en laster, waarmede men het werk der Hervorming bestreed, niet versleten, en de onzinnige aanklachten, waarmede men den persoon en het karakter van een lxither en calvijn zocht te schandvlekken, worden tallooze malen tegen hen en hunne geestverwanten herhaald. Nog laat men eischen hooren, die bij elke nieuwe toegefelijkheid in vermetelheid toenemen, en zag van het opzet niet af om wat men de erfenis zijner vaderen noemt óf uit te breiden óf te heroveren. 3a, nog zoekt Rome zijn steun in den Jesuïtischen geest,
n*
164
waarmede het zich hoe langer zoo meer vereenzelvigt, en waarbij de heerschappij van den Paus van alle grenzen ontheven wordt, mits deze op zijne beurt zich slechts de gehoorzame zoon van vader loyola toone. Nog werd ook in dit jaar alle gezond verstand met voeten getreden door verdichten wonderverhalen, te onzinnig om breeder vermeld te worden, en wat zelfs de middeleeuwen niet uitspreken dorsten, maria\'s onbevlekte ontvangenis, werd onlangs tegenover de bescheidenste en waardigste tegenspraak, als geloofsartikel vastgesteld en gehandhaafd. âLaat ons met vrijmoedigheid toegaan tot den troon van maria,quot; zoo staat er boven een harer tempelen nedergeschreven: âopdat wij genade vinden en barmhartigheid verkrijgen, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.quot; Rome, Rome, God weet, dat wij u even weinig haten, als wij kleinmoedig u vreezen, maar toch wij beklagen u diep! Ja, nog eens, wij beklagen u, omdat nog erger vijand dan het bijgeloof zich tusschen uwe heuvelen legert, wij bedoelen het jammerlijkst ongeloof. Volgens de getuigenis van bijna allen, die in onze eeuw de schreden naar Italië wenden, staat Rome nergens lager in eer, dan op zijn eigen bodem. De menigte bekreunt zich niet om den Paus, maar â evenmin om het Evangelie van Christus. De biechtstoel wordt grootendeels overgelaten aan vrouwen en kinderen, maar ook den hemelschen Hoogepriester miskent men, die alleen de zonden vergeeft. De grond is onder- . mijnd onder de vermolmende bisschopszetsels, en zedelijk geknakt is de macht, slechts door vreemde bajonetten geschraagd. O, ik weet het, ook op dit gebied schijnt aanvankelijk een nieuwe morgen te dagen. Nog voor weinig jaren
165
bracht een Italiaansch Protestant hier de blijmare: âmen begint bij ons naar het Evangelie te verlangen, men is er rijp voor geworden.quot; Een kunstplaat toonde hij ons, waarop aan de eene zijde de Pieterskerk door zware donders geteisterd werd, zoodat Paus en Kardinaal moesten vluchten, terwijl aan den anderen kant de menigte henenstroomde naar de helverlichte. Evangelische kerk van Turin, waarbij hen de Heer zelf stond te wachten. Dat, zeide hij, was het zinnebeeld van den staat van zaken aldaar; geve God, dat hij de waarheid gezegd hebbe! Maar toch, de enkele naam van mortara, in deze zelfde dagen met zooveel deernis op de lippen genomen, waarschuwt ons dringend om ons met geen al te schoone hope te vleien. De banbliksems van het Vatikaan zijn niet uitgebluscht, de grondstellingen der Jesuïten niet ingetrokken, de toortswalmen van het bijgeloof in geenen deele verhelderd. Zoo misschien ook hier de morgen gekomen is, gewis bleef het tot dusver nog nacht. Toehoorders, een gebed op heden voor Rome, opdat weldra, voor die Profetische klacht, de roemtaal des Apostels gehoord worde: âde duisternis gaat voorbij, en het waarachtige licht schijnt nu!quot;
III. âGodlof â juicht menig onzer in stilte â âbij ons is het toch anders en beter. Als Israël zijn wij ook uit het diensthuis geleid door een hooge hand en een machtigen arm. Zou het dan ook hier niet wezen, gelijk toen in Egypte drie-daagsche duisternis heerschte, maar onder de kinderen Israels in Gozen was licht en blijdschap en eere?quot; Dat het zoo ware, Gel., de winst zou gewis aan onzen kant even groot zijn, als de schade aan de andere zijde onmetelijk. Maar
166
wij vreezen heimelijk, dat gij u met valsche overlegging bedriegt, en bij het waardeeren der zonnestralen uw oog voor de schaduwen sluit. Schoorvoetend staan wij gereed, eene derde tegenstelling een weinig meer van nabij te bezien: de Hervorming en het Protestantisme. Ja, de morgenstond is gekomen, dat woord mag heden als van de daken onzer Godgewijde tempelen klinken. Geluk, mijne land- en geloofs-genooten, ook voor u is de morgen van den dag der vrijheid verrezen! Gij hebt het niet meer aan feilbare menschen te vragen: zelve moogt gij uit Gods Woord onderzoeken, wat gij doen moet om zalig te worden. Gij moogt God dienen naar de inspraak van het eigen geweten, en zijt aan niemand rekenschap schuldig, dan aan Hem den Allerhoogste alleen. Terwijl anderen gebeden hooren prevelen in een taal, door t bijna niemand verstaan, moogt gij den eeuwigen Geest in geest en waarheid vereeren, en waar zij onder het juk van een harden tuchtmeester zuchten, is voor u de staf des drijvers verbroken. â Bij het licht der vrijheid, straalt het licht der waarheid van alle zijden u tegen. Ontdaan van al den overtolligen opschik, waarmede menscbelijke wijsheid dit dwaze Gods overlaadde, treedt de waarheid, die eigen dochter des hemels, uit het heiligdom der Schriften u tegen. Voor u geen andere middelaar, dan Christus, de éénige voorspraak; geen beeld, dan het beeld des onzienlijken Gods; geen offer, dan het offer van Golgotha; geen wierook, dan de wierook der gebeden; geen aflaat, dan die door God uit genade geschonken wordt; geen zalving, dan met de olie des heiligen Geestes, geen bedevaart, dan naar het hemelsche vaderland. â Kon het anders, of ook een morgen der ver-
167
nieuwing moest uit dien der vrijheid en der waarheid verrijzen? Maar wie kan ontkennen, dat de Hervorming, dat werk van den Heer, ook een onschatbare weldaad geweest is, en zich als een vernieuwende en levenwekkende kracht openbaarde? Reeds de hoofdleer, die zij predikte, de leer der vrije genade, was op zich zelve tot die vernieuwing de roepstem, de prikkel, de kracht. De geest, dien zij wekte, van zelfstandig, geloovig, biddend onderzoek der heilige Schrift verklaarde aan iederen leugengeest in het hart en de wereld den oorlog. En de invloed, dien zij oefende op het staatkundig, maatschappelijk, huiselijk, persoonlijk leven van duizenden laat zich even betwijfelen, als met éénen blik overzien. Doorwandelt Europa en vraagt, waar de wet beter geëerbiedigd, de jeugd beter onderwezen, de armoede beter gestuit, de rijkdom beter besteed wordt; waar in één woord de volken tot rijpheid komen, en waar integendeel in een staat van onmondigheid blijven, daar waar Rome of wel het Protestantisme regeert, wij zijn overtuigd, dat het antwoord niet twijfelachtig en voor onze goede zaak bij uitstek ver-eerend zal zijn. Dat is de lichtzijde, Toehoorders, die wij niet mogen voorbijzien, zonder uwe hand te miskennen, Vader der lichten, die het morgenrood uit de duisternis schept! Doch mag het daarom ontkend worden, dat tegenover dit alles een donkere schaduwkant staat? Maar doorwandelt dan zelve op dit haar jaarfeest de Evangelische kerk in onderscheiden streken, en ziet, of haar uitwendige, of vooral haar inwendige toestand geen stof geeft tot bittere klacht en bange vrees te gelijk. In Duitschland, de stroom van de opwekking der laatste jaren hier en daar reeds zicht-
168
baar aan \'t ebben, en ook waar de katheders en kansels met geloovige leeraars bezet zijn, het volk op de treurigste wijze van kerk en Evangelie vervreemd, terwijl elders weder de scheidsmuren tusschen de zonen der Hervorming zoo hoog mogelijk opgebouwd worden, dat men bijna aan de bekrompen ijveraars vragen zou: âis luther voor u gekruisigd, of zijt gij in den naam van luther gedoopt?quot; In Zweden, de godsdienstvrijheid aan zoo knellende banden gelegd, dat het schijnt of de Hervormingsbeginselen niet slechts verzaakt, maar bespot worden. In Engeland, de talrijkste kerk het meest in hare vormen versteend, en de poort voor Rome geopend om langs een zijweg naar binnen te sluipen. In Frankrijk, ja, opgewekt leven, maar ook eene ontluikende wetenschap, die stelselmatig tot twijfelen en ontkennen geleidt, en de verhouding tusschen Staat en Hervorming nog maar al te ver van verblijdend. En in ons Vaderland, ja, in ons Vaderland, wat zullen wij er van zeggen, of willen wij er maar liever van zwijgen? Doch neen, niet zwijgen, waar wij eene gebeurtenis vieren, die ons juist het onschatbaarst voorrecht, de vrijheid van spreken, hergaf! Eenmaal, Gel., werden in ons vaderland de twee eerste martelaars der Hervorming verbrand, op wie luther zelf een voortreffelijk lied heeft vervaardigd. Stelt u voor, dat de Hervormer, uit zijne grafstede opgerezen, nog eens het land kon bezoeken, waarover zijn lofgezang ruischte, gelooft gij het ook niet, dat hij, bij veel lofwaardigs, nog meer te laken zou vinden ? âGij roemt in de vrijheid,quot; zoo hoor ik hem spreken, âmaar zijn er niet velen van u, die meer vrijheid van Christus dan vrijheid door Christus begeeren? Gij hebt het juk van
169
Pausdom en Conciliën afgeschud, en gij deedt wél. Maar waarom bestrijdt gij ook met woord of daad het onfeilbaar gezag van Gods Woord, waarvan ik toch zeide, dat men het zou laten staan waar het stond? In mijne dagen werd Christus vernederd, waar men vele middelaars aanriep; maar wordt Hij, die God blijft, bovenal te prijzen in eeuwigheid, minder onteerd door zoovelen in uw midden, die niets meer van Hem weten te belijden, dan dat Hij een vlekkeloos mensch is? In mijne dagen werd het kruis door den aflaathandel verijdeld, maar is dat roem in het kruis, als gij de volstrekte noodzakelijkheid of de schulduitdelgende kracht van het kruisoffer loochent? In mijne dagen werden dwalingen moedig bestreden: zij worden toch in uw midden niet geduld, niet bevorderd, niet toegejuicht? Wat is, waarop rust, waaraan herkent men eigenlijk uwe Hervormde Gemeente? Ik hoor steeds van Reglementen, maar waar is hare Belijdenis toch? Ik hoor veel van dweepers en drijvers, maar zoo heeten zij toch niet altijd, die aan hunne belijdenis vasthouden en hare handhaving vragen? Ikquot; â maar waartoe voortgegaan. Toehoorders? Neen, geen luther treedt onder ons op, de man in de krachtige hand, maar de Heer, wiens oogen als vluurvlammen zijn, Hij weet en weegt onze werken. Wat dunkt u, heeft ook onze Kerk geene stof, om voor zijn blik de oogen neder te slaan? Maar kan het dan worden ontkend, dat zich in 1 aar midden de treurigste verwarring naast langzame versterving vertoont; dat denkbeelden in haar midden voorgestaan worden, die nog weinige jaren geleden door alle christelijke gezindten van alle landen als buiten- of tegen-christelijk zouden zijn uitgeworpen; dat
170
Gods Woord, waarop de Hervorming gebouwd is, juist door Hervormde handen roekeloos aangerand en ondermijnd en verguisd wordt? En nu daartegenover, bij hen, die voor de waarheid strijden en lijden, is daar geen hoogmoed; is daar geen liefdeloosheid en sektegeest; is daar geen bekrompenheid en steilheid en hardheid en heerschzucht, die ons het woord van paulus ontlokt: âwat zal ik zeggen; zal ik u prijzen, in dezen prijs ik u niet?quot; Wij zwijgen van meerder en erger, maar waar deze dingen alzoo zijn, wien bevreemdt het nog langer, dat ook heden de juichtoon: âde morgenstond is gekomen,quot; de klacht van onze lippen niet weren kan: âen nog, en nog is het nacht?quot;
IV. âWij moeten dat alles toestemmen,quot; zoo hooren wij van sommige zijden ons toeroepen, âmaar het kan ons evenmin bevreemden als schokken. Nacht blijft het toch altijd in de ziel van den naam-Christen, hij moge Protestant of Roomschgezind heeten. Wat uit vleesch geboren is, is vieesch, en wie zou druiven van doornen of vijgen van dis-telen lezen? Maar gij moest ook liever op zulken het oog slaan, die in waarheid zijn wedergeboren tot een levende hope, en tot wie paulus zou zeggen; eertijds waart gij duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heer!quot; In waarheid, Gel., en zou daar het profetisch woord niet langer van toepassing wezen? Dan mogen wij wel met dubbele belangstelling bij de vierde bijzonderheid stil staan; de Hervorming en ons hart was haar naam. Ja, vrienden en vriendinnen des Heeren, van u kan het gelden: de morgenstond is gekomen, den Vader der lichten zij eer! Eens was het nacht
171
voor uw verstaud, want gij kendet evenmin God als u zeiven; nacht in uw hart, want wat daar heimelijk omging was schandelijk ook om te zeggen; nacht in uwe toekomst, omdat de Opgang uit de hoogte u nog niet met haar schijnsel bezocht had. Maar God, die eenmaal gezegd heeft dat het licht in de duisternis schijnen zou, heeft ook in uwe harten geschenen, om u te geven verlichting der kennis zijner heerlijkheid in het aangezicht van Christus, den Heer. \'t Is begonnen te lichten in uwen donkeren hof, en de Engel der opstanding daalde, en riep u uit uw zondengraf wakker. Thans uit den doodslaap verrezen, tast gij niet langer in vale nevelen om; licht ziet gij, licht voor u, licht rondom u, licht boven u, en gij weet in wien gij gelooft. â En is bij dat licht der waarheid niet van lieverlede ook licht der reinheid gekomen? Uw hart was ook een nacht, een wereld van ongerechtigheid, die gij peilen noch zuiveren kondt, maar thans, gij zijt met Christus gekruist, en gij leeft, indien ook nog in het vleesch, toch niet meer naar het vleesch, gelijk vroeger. Gij hebt aangedaan, als kinderen des lichts, de volle wapenrusting des Heeren, en wenscht, als in den dag, eerlijk te wandelen. â Hoe zou u dan, bij het licht der waarheid en der reinheid, het licht der vreugde ontbreken? Waar de hoofdleer der Hervorming: âuit genade zalig geworden,quot; in waarheid wordt geloofd en beleefd, daar kan het niet anders of het hart moet zich met een blijdschap verblijden, die niemand wegnemen kan. Immers, daar kunt gij van uwe behoudenis zeker zijn, terwijl de Roomsch-gezinde, die haar geheel of ten deele van goede werken verwacht, nog altijd moet vreezen dat hij nooit genoeg heeft
172
gedaan. Daar smaakt gij de zalige vreugde van, zonder tusschenkomst van priesters of heiligen, rechtstreeks toe te gaan tot den troon der genade. Daar ziet gij, zonder vreeze voor vagevuur, den hemel zich terstond hoven het graf van u en de uwen ontsluiten, en de roem der hoop doet u juichen: âzalig de dooden, die in den Heer zijn gestorven.quot; Driewerf geluk dan, mijn Christen, die op dezen gedenkdag kunt danken, niet slechts dat de Heer over zijne duurgekochte kerk heeft gewaakt, maar ook dat uw hart is hervormd en vernieuwd tot een tempel des heiligen Geestes! Voor u, al ware het ook voor niemand anders op aarde, voor u hrak sinds korter of langer tijd in waarheid de morgenstond aan. O voorzeker, nu is dan ook wel aan alle nachtelijk duister daarbinnen voor goed een einde gekomen? Nu verdient gij wel nooit meer het verwijt van den Heer: âo onverstandigen en tragen van harte?quot; Wie ook â gij hebt nu toch geen oogen meer voor het klatergoud, dat de wereld als echt betaalt en ontvangt? Gij toont het aan vriend en vijand, dat de naam van kinderen des lichts u boven alle eernamen geldt? Gij verblijdt u zóó ten allen tijd in den Heer, dat het u niet eenmaal zelfs behoeft herinnerd te worden: «wederom zeg ik u, verblijdt u?quot; Gij â maar wat is u. Gel.? Het is mij, als zie ik op sommige wangen een blos van schaamte verrezen; als hoor ik uit menigen boezem, waarin toch een warm hart voor den Heer klopt, de zucht: dat het zoo ware; dat het zoo bleve! En waar ik u dan broederlijk vrage, wat u dan nog ontbreekt, daar het toch wel zeker morgenstond werd, is het niet, of die vraag voor een stroom van klachten de sluizen heeft opengezet? âHelaas, zoo hoor
173
ik u spreken, ja, wij zijn Hervormd, en niet alleen van belijdenis, wij zijn in Christus een nieuw schepsel geworden, maar ook de nieuwe mensch, wat blijft hij in menig opzicht de oude! Ik ken Gods Woord onvervalscht; ik lees Gods Woord onverlet; ik volg Gods Woord onbevreesd: maar ach, wat sta ik weinig in de vrijheid van Christus , en laat door allerlei wind van leering mij slingeren, en ben nog een aanvanger in de kennis des Heeren, waar ik, wat den tijd betreft, reeds een leermeester van anderen zijn kon. Ik ben gerechtvaardigd door het geloof, maar wat draag ik weinig vruchten der dankbaarheid, en wat gaf ik vaak door onbedachtzaamheid aanleiding om de leer der genade te lasteren. Ik heb den vrijen toegang tot God, maar hoe ontbreekt het hier aan de vrijmoedigheid, en daar aan de vrengd des ge-beds, en ben ik een priester, waarom brandt dan mijn outer zoo zelden, en ben ik een koning, waarom draag ik dan nog zoo menigen kluister? Ik zie den hemel uit genade ontsloten, maar â de Roomschgezinde doet dikwijls meer moeite om voor geld van het vagevuur vrij te komen, dan ik om mij uit dankbaarheid voor een hemel voor te bereiden, waarvan ik het burgerrecht uit genade ontving!quot; Spreekt gij alzoo, Gel., en slaat daarbij boetvaardig de hand op de aanvankelijk gereinigde, en toch nog zoo bezoedelde borst? Verblijdt u, zoo ver het eene blijdschapsstof heeten mag, gij hebt ontelbare lotgenooten. Wij voor ons stemmen reeds terstond met u in, en wat meer zegt, de uitstekendste dienaars des Heeren, die in waarheid tot zijne doorlouterde en levende gemeente behoorden, hadden door alle eeuwen heen overvloedige reden tot dezelfde, meer waarachtige dan vleiende
174
taal. En zou het, hoever wij ook vorderden, wel ooit geheel anders worden, zoo lang wij hier van Christus, ons Licht, moeten uitwonen? Maar dan heeft het ook geen verdere aanwijzing noodig; het beeld van ons geestelijk leven blijft geteekend in het woord, waarvan geen tittel of jota misplaatst is: âde morgenstond is gekomen, en nog is het nacht!quot;
V. Nog één trek, en de schets is voltooid. De Hervorming en de toekomst. Zoo hebben wij het laatste punt onzer overweging genoemd, en niet zonder reden. Gel. Niet slechts lokt de vraag en het antwoord van den tekst ons bovenal tot zulke beschouwingen, maar ook het feest, dat wij vieren, legt ons van zelf de vraag op de lippen: waar gaan wij eigenlijk henen? De Hervormde kerk is in nadruk de kerk der toekomst, gelijk de Roomsche de kerk van het voorledene, en ten deele ook van het tegenwoordige is. Verstaat ons wél, mijne Hoorders, wij beweren volstrekt niet, dat de ge-heele Christelijke kerk eindelijk eene Gereformeerde of Luthersche of, onder eenige andere menschelijke bemaning, eene Hervormde zal worden â even weinig als zij eindelijk eene Roomsch-Katholieke zal zijn â maar dit verwachten wij, dat de beginselen der Hervorming ten laatste gewis triomfeeren zullen, omdat zij, naar onze innigste overtuiging, geone andere zijn, dan die van hel Evangelie zelf, door Christus op aarde gebracht. En waarom zouden wij die hope niet voeden, daar reeds het tegenwoordig oogenblik heenwijst naar menig gunstig teeken des tijds? Ja waarlijk, al is het op de vleugelen van den stormwind, de morgenstond is gekomen voor heel de Evangelische kerk. Heeft de onge-
175
loovige wetenschap hare zetels nog in, hier en daar verliest zij plaats in de harten, en in menige dorre doodenvallei verheft zich een ruischen als van beenderen, die tot elkander geraken. Een tegenstand begint openbaar te worden tegen de dwingelandij der valsche vrijzinnigheid, die, zoo zij met gematigheid, kracht en liefde wordt volgehouden, onmogelijk ongezegend kan blijven. Er komt, bij alle verschil, toch ook verstandhouding en samenwerking van velen, die op hetzelfde fundament willen bouwen, en klimt de strijd, ook het aantal der strijderen wast. En zou het klein zijn in onze oogen, dat in Duitschland het werk der inwendige zending op steeds grooter schaal wordt ontwikkeld, en aan verstrooide geloofs-genooten steeds krachtiger hulp wordt gereikt? Dat Ierland zijne bekeerlingen tot het Evangelie bij duizenden telt? Dat in Frankrijk, na al de geloofsvervolgingen, nog evenveel Hugenooten aanwezig zijn als in den besten tijd der Hervorming? Dat in Italië de deur voor het Evangelie steeds wijder begint open te gaan? Ja, wie zal ons zeggen, hoe juist de groote wereldgebeurtenissen, die wij zien of verwachten, onder Gods aanbiddelijk bestuur nog geleiden zullen om nieuwe wegen voor het oude Evangelie te banen? O liefelijk uitzicht, hoe verheft, hoe streelt gij ons hart! En toch, neen, toch klopt dat hart niet met onbekommerde slagen, want, voorwaar, wat in de natuur nimmer geschiedt, het geschiedt in de kerk van den Heer; hoe helderder de morgen verrijst, te dichter daalt hier en daar soms de nacht met zevendubbele zwaarte. Wij durven niets voorspellen in een tijd, waarin elke berekening faalt, en juist het meest ondenkbare vaak de meeste kans heeft van komen. Maar wie onzer is zoo blind van niet
176
te zien, wat in onze dagen wordt beraamd en beproefd ? Zien wij Rome niet met merkwaardigen takt zich bedienen van den loop der gebeurtenissen om zijn eigen gebied te ver-grooten, en telkens veranderen van taktiek, ja moet het zijn van beginselen, onder voorwaarde, dat het altijd aan de bovenhand blijve? Zien wij het Protestaniisme niet hier en daar zoo innerlijk verdeeld en verzwakt, dat wij nauwelijks weten, hoe het zich duurzaam zal staande houden, te meer, daar zelfs zijne moedige strijders, door eindeloozen tegenstand afgemat, ten laatste met moedeloosheid geslagen worden? Wordt niet op menige wijze de openbare meening misleid, het openbaar geweten verkracht, het practisch ongeloof van allerlei zijden gevoed? En wie zal zeggen, wat nog in het rechtvaardig oordeel Gods over eene kerk kan besloten zijn, die hare dierbaarste panden â Schrift en Belijdenis â nagenoeg lijdelijk laat prijsgeven aan eiken ruwen verwoester? De Heer komt, de Heer komt in dezen steeds meer donkeren tijd, en soms is het ons, als hooren wij zijne stem in de verte; âIk zal haastelijk komen, en de kandelaar van zijne plaats weren, indien gij u niet bekeert.quot; Dat verhoede God, roept gij huiverend uit? Wij herhalen het biddende met u, maar juist omdat wij gelijktijdig zijne zegeningen en zijne gerichten zien toenemen, is het ons, of wij bij den blik op het uitspansel, hier de zon hoog aan den hemel zien pralen, daar de wolken, zwaar van onweer, zien wassen, en wij zeggen nog eens met den hoogver-lichten jesaja: âde morgenstond is gekomen, maar nog is het nacht!quot;
177
En nu, Gel., hoe gebrekkig wij heden ook spraken, wij hebben voor ons zeiven vrijmoedigheid, om jesaja\'s woord uit het vorig vers te herhalen: âO mijne dorsching, en tarwe mijns dorschvloers, wat ik gehoord heb van den Heer der heirscharen, dat heb ik u lieden aangezegd.quot; Het dubbel feit is gestaafd; wat eisch moeten wij ten slotte in den naam des Heeren u brengen? Maar wat anders dan dezen: waardeert den Morgen, bestrijdt den Nacht, verwacht den Dag.
Waardeert den Morgen. Moest het niet noodeloos zijn, Gel., iemand tot waardeering dier onschatbare weldaden op te wekken, die ons de Hervorming hergaf? Toch leert de ervaring gedurig, dat juist het ongestoord bezit van een voorrecht ons zijne groote waardij vaak ten deele of geheel doet vergeten, en vinden wij overvloedige aanleiding tot de vraag: wat onderscheidt u? Verplaatst u in een van die tempelen, waar het kruis op den toren geplant staat, maar binnen de muren verijdeld wordt door allerlei menschenvonden. Daar knielt een zondaar voor een medezondaar, die geen zonden vergeven kan; daar buigt zich een treurende voor een Madonnabeeld, dat niet kan hooren en troosten; daar verdringt zich de bijgeloovige schare, om niets te hooren dan klanken. Wat onderscheidt u, dat gij rechtstreeks absolutie kunt vragen aan God; dat gij in chhistus tot Hem spreken kunt, als een kind tot zijn vader; dat gij naar uwe behoefte en vatbaarheid u zijn raad tot uw eeuwig heil hoort verklaren? Begeeft u naar die landen, waar de vrije Evangelieprediking wordt bestreden, als ware zij onheil of misdaad. Daar wordt de kerker geopend voor wie de Schrift onderzoekt; daar worden blinden door blinden geleid, die samen in de sche-
Homiliarium II. 12
178
mering rondtasten; daar zijn honderden uwer geloofsgenooten op een omtrek van vele mijlen, zoo het wèl is, met één kerk en leeraar, beiden even gering en behoeftig. Wat onderscheidt u, dat gij de Schrift iederen morgen en avond met eigen hand moogt ontsluiten; dat gij godsdienstige voorrechten smaakt, zelfs in den vreemde benijd; dat gij het Avondmaal onder beide gestalten moogt vieren, en leeraars bezit, die niet als meesters, maar als broeders u voorgaan? Iets heerlijkers dan de vrije verkondiging van Gods welbehagen in menschen is nergens op aarde te vinden, en het werd u geschonken om niet; u bewaard bij al de stormen der tijden; u verlengd, waar in andere wereldstreken het licht in duisternis onderging. Indien gij zulke voorrechten niet boven alles waardeert, Gel., wij vreezen dat gil nog tot de lauwe Protestanten behoort, van wie niet veel anders kan gezegd worden, dan dat zij niet Roomsch zijn, en dit laatste ook weder alleen, omdat hun vader of moeder niet Roomsch waren. Maar wij vreezen tevens, dat bij klimmende onverschilligheid het licht wel eens zou kunnen verminderen, dat thans nog zoovelen, die in het huis zijn, beschijnt. Wij vreezen vooral, dat ten genen dage menig Roomschgezinde u zal voorgaan in het koninkrijk Gods, omdat hij bj minder licht meer ijver en nauwgezetheid betoonde dan gij, die wellicht met hooghartig medelijden op zijne onwetendheid neerzaagt. Helaas, dit is het oordeel, dat ook over de Evangelische kerk is gekomen, dat het licht wel over haar opgegaan is, maar dat velen de duisternis liever hadden dan het licht, omdat hunne werken boos waren. Gel., ziet toe, dat in niemand van u zij zulk een dwaas en ondankbaar bestaan!
479
Gelooft hen niet, die beweren, dat het éénerlei is of men Roomsch heet of Onroomsch, wanneer men voorts slechts wél leeft. Gij kunt niet wél leven, indien gij niet wél gelooft, gij kunt niet wél gelooven, indien gij de Schrift niet onderzoekt, en u niet houdt aan den éénigen Zaligmaker. En daarom, houdt wat gij hebt, opdat niemand de krone u roove! Verre, verre van u alle bekrompen godsdiensthaat, maar even ver alle misdadige geringschatting van volstrekt onschatbaren zegen! Hervormde gemeente, help toezien, dat u door bedreigingen en beloften geene zwakke leden ont-scheurd worden! Jongelieden, wacht u voor verbintenissen, die aan de ééne zijde ongeoorloofd zijn, aan den anderen kant niet opgevolgd kunnen worden! Ouders, ziet toe, dat uwe kinderen bij de zuivere, onvervalschte melk van Gods Woord worden opgevoed, en laat uw huis hun in dit opzicht vergoeden, wat gij in de school ziet ontbreken! Nederlanders, waakt, opdat gij de vraag niet verdient van voorgeslacht of nakomelingschap: wat hebt gij gedaan met den schat, die aan uwe handen werd toevertrouwd?
Zoo den morgen waardeerende, bestrijdt gij tevens den Nacht. Gij hebt dien te bestrijden allereerst bij u zeiven, want duisternis is ieder van ons naar het vleesch, om het even tot wat kerkgemeenschap hij hier op aarde behoore. Of wat baat toch uw voorrecht, Gel., als gij met het gezag van den Paus ook het gezag des Bijbels verwerpt, en met de voorspraak der heiligen ook die van den éénigen Middelaar afwijst? Wat baat het, of gij roemt in de vrijheid, maar slaven der ongerechtigheid blijft, en ja niet beeft voor het
12»
480
vagevuur, maar rechtstreeks rijpt voor de hel? Ach, zoo zou het ten laatste u beter zijn, de waarheid nimmer gekend, dan haar ongeloovig versmaad te hebben, want wie veel gegeven is, van hem zal te overvloediger afgeëischt worden. Een kind des lichts is hij alleen, die uit den Vader der lichten geboren is, en de roepstem van Christus, het Licht der wereld, gehoord heeft; âdie Mij volgt zal in de duisternis niet wandelen, maar het licht des levens hebben.quot; En vraagt gij, hoe komt het mij tot die groote, boven alles ge-wenschte verandering? Gel., de groote waarheid, door de Hervorming gehandhaafd en waarvan luther verklaarde: âzij is het Evangelie in het Evangelie, eene leer, waardoor alleen aan de oude slang den kop wordt vertreden,quot; trede hier bovenal voor uw oog! Gelooft in Christus, in wien God om niet goddeloozen rechtvaardigt, en smeekt om een dubbel deel van dien Geest, die in de Hervormers zoo krach-tiglijk wrocht. Maar zijt gij langs dien weg zeiven licht geworden in den Heer, tracht dan ook het duister rondom u in zijne kracht te doen wijken. Getuigt tegen alle onrecht en leugen en zonde in uw naasten, eigen kring, het moet op den dwalenden broeder een vreemdsoortigen indruk maken, als men volstrekt den splinter uit zijn oog verwijderen wil, maar den balk bij zich zeiven vergeet. Predikt, waar gij kunt, den Roomschgezinde het Evangelie met een eenvoudig, niet beleedigend woord, maar bovenal door een wandel, die achting voor uwe belijdenis wekt. Gevoelt uwe dure verplichting, om wat gij om niet ontvangen hebt ook om niet te geven aan anderen, en protesteert, voorwaar, niet tegen Rome alleen, maar tegen al wat onwaarachtig, onrechtvaar-
181
dig, onchristelijk is, al vertoonde het zich ook als Hervormd, van het hoofd tot de voetzolen toe! Strijdt den goeden strijd des geloofs, jesaja\'s spreuk in uwe banieren geschreven: âtot de wet en tot de getuigenis; het zal zijn, zoo ze niet naar dat woord vragen, dat zij greew rfajferaarf hebben zullen.quot; Houdt u te midden van alle wisselingen des tijds en der meeningen aan die schoone belijdenis vast, waarop uwe vaderen de eeuwigheid zijn binnengegaan, en laat de hope uw anker zijn, als gij het schip der Kerk of van uw eigen leven beloopen ziet door dreigende stormen. Hoe donker het ook schijne, de Heer, die kan schijnen te slapen, zal straks opstaan en groote stilte gebieden.
Ja, verwacht den dag zijner zegepraal) leden der strijdende kerk! Ziet, oneindig ver zijn wij beneden jesaja geplaatst, maar toch, in één opzicht zijn wij boven den ziener bevoorrecht. Onze prediking kan veel meer bevredigend, dan deze zijne Godsspraak besluiten. Haar laatste woord was geen morgen, maar nacht; het onze daarentegen geen nacht, geen morgenstond zelfs, maar middag, waarop geen avond zal volgen. Wat jesaja aan duma niet spellen mocht, dat mogen wij u beloven, want de weg der Hervorming is gelijk de weg der rechtvaardigen, waarvan salomo spreekt, âeen schijnend licht, voortgaande en schijnende tot den vollen middag toe.quot; Wel kan het nog langen tijd duren, eer de middagzon onbewolkt staat te schijnen; menige morgen, die rijst, kan nog vervangen worden door lange, donkere nachten. Maar het einde zal toch iets anders dan duisternis zijn, en al hadden alle kerkvergaderingen het anders besloten, dat
182
zal den Heer niet verhinderen zijn licht alom te doen schijnen. Voor Hem maakt geen verschil, of er duizenden of enkelen voor zijne waarheid getuigen; Hij kan door velen, maar ook door weinigen uitkomst schenken, en âdonkere nachten worden licht, als Hij het gebiedt.quot; Versterkt dan uwe harten. Gel., en ziet, niet op de wolken, maar op Hem, die boven de wolken regeert! Luther stond in den aanvang alleen, en schreef van den Wartburg aan den versaagden melanch-thon: âhij mocht maar getroost zijn, er waren nog wel andere dagen geweest, waarin het met de zaak des Heeren nog veel wanhopiger stond, bijv. in de tijden van huss.quot; De Heer, die zijne hoop niet beschaamde, is machtig ook ons gebed te verhooren voor de bewaring der bedreigde, voor de wederoprichting der vervallene kerk. Wel durven wij u geene heldere en rustige dagen als dicht aanstaande beloven: de gemeente des Heeren zal wellicht nog gelouterd moeten worden in zevenmaal heeteren oven, eer zij het hoofd in helderen zonneglans baadt. Maar wat schade, of wij hier in duisternis wandelen, zoo daar slechts ons huis in eeuwig licht mag staan blinken, en wat verschil, of het naaste pad in nevel of in morgengloor voor ons ligt, zoo het slechts in heerlijkheid eindigt? Hierin is de lijdzaamheid en het geloof der heiligen, dat zij waken, alsof de Heer morgen zou komen, en wachten, ofschoon Hij nog jaren zou uitblijven. En wenscht gij den triomf van zijne zaak te verhaasten, Gel., nog eenmaal naar jesaja gehoord. Het slot dezer Godsspraak geeft u een zinrijken wenk: âwilt gijlieden vragen, vraagt, keert weder, komt.quot; Ja, vraagt naar den Heer en zijn heil; âstaat op de wegen en ziet toe, en
183
li
vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, zoo zult gij ruste vinden voor uwe zielen!quot; Keert weder tot den Heer, die u heeft verlost en vernieuwd: o dierbare Evangelische kerk, mocht gij die roepstem gehoor geven, en zondares, die gij zijt, als de boetvaardige zondares met ontsnoerde vlechten, uw Heiland te voet vallen, Hij zou ook tot u zeggen: âuw geloof heeft u behouden, ga henen in vrede!quot; Komt, komt tot Hem, gij allen, die nog verre; komt nader; gij die nabij zijt, zoo rijst uw morgen steeds hooger, en uw nacht zinkt steeds dieper terug. Nog een weinig tijds, en de laatste nacht dekt de aarde, en het zuchtend schepsel vraagt nog eenmaal met opgestoken hoofde: âWachter, wat is er van den nacht; wachter, wat is er van den nacht?quot; Maar, daar verschijnt Hij-zélf op de wolken, die aan allen nacht voor de zijnen voor eeuwig een einde maakt, en het groote Hervormingsfeest breekt aan voor hemel en aarde, en alle verlosten herhalen: âde Morgenstond is gekomen, en nu is het eeuwige Dag!quot;
li
t\'J
Amen.
J. J. van Oosterzee.
VIII.
De driehonderd.vijftigste gedenkdag der Hervorming 1).
FEESTREDE EN LIEDEREN, KOORGEZANG.
EERSTE HALFKOOR.
Verschijn, o licht, aan \'s hemels trans.
Bestraal ons met uw heilgen glans.
De feestdag is verschenen!
TWEEDE HALFKOOR.
Dat ieder, die nog slaapt, ontwaak!
Dat elk in vrome geestdrift blaak!
Eén geest moet ons vereenen!
ALLEN.
Wil ons wekken, wil ons trekken,
Gods vermogen, Gods meêdoogen.
Straal thans heerlijk ons in de oogen.
1
Voor \'t eerst in druk verschenen in het jaar 1867.
185
EERSTE HALFKOOR.
O ziet, verheven op een rots,
Prijkt vol van glans de Kerke Gods: Vervuld is haar vertrouwen.
TWEEDE HALFKOOR.
Profeet en Koning hield naar \'t licht Sints eeuwen \'t biddend oog gericht; Maar wie, die \'t mocht aanschouwen?
ALLEN.
Op nu, vromen! Laat ons komen Om te juichen, ons te buigen En van Gods gena te tuigen.
Weest gegroet op dezen dag die ons roept tot het verheerlijken van de groote daden Gods. Geliefden in onzen Heer Jezus Christus! Genade, vrede en zaligheid zijn het die der Gemeente zijn aangeboden door onzen God en Vader en door Jezus Christus, onzen Heer, toen voor driehonderd vijftig jaren Maarten Luther optrad om het werk der hervorming aan te vangen. Genade en vrede en zaligheid zijn uit die handen aangenomen door duizenden, die sints dien tijd gekomen zijn tot de bronnen des levens die het Evangelie heeft doen ontspringen. Komen ook wij in het heiligdom om die gaven te vragen en te ontvangen? Wat voegt ons dan anders dan de toon des danks? En wat lied is meer geschikt om op dezen feestdag op onze lippen te zijn dan het gezang waarmede in ons vaderland, in deze stad, slechts weinig schreden van deze plaats, het Hervormingswerk in ons vader-
186
land plechtig is gewijd. Het is het derde gezang. Sedert eeuwen in de Katholieke kerk bij zegefeesten gezongen, werd het door den eersten martelaar op onzen grond op de lippen genomen, toen hij zijn doodvonnis vernam en straks werd het hem door martelaarslippen uit den kerker toegezongen-Deze dag roept ons toe dat zij niet beschaamd worden die op Gods goedheid bouwen. Het loflied, bij den eersten brandstapel gehoord, is aangewezen voor het feest van dezen dag, waarop geloofsverwanten en kinderen roemen in den Hervormingszegen waarvoor die martelaars leefden en stierven.
ZANG DER GEMEENTE.
Gezang 3 : 1.
GEMEENTE.
Wij loven U, o God! wij prijzen uwen naam!
U, eeuwig Vader: U verheft al \'t schepsel saam.
VROUWEN.
Zingt Serafs, Englen zingt! heft Machten aan en Troonen!
Onafgebroken rijze uw lied op hooge toonen!
GEMEENTE.
Heer; driemaal heilig zijt Ge, o God der legerscharen!
Dat aard en hemel steeds uw grootheid openbaren.
Eon lied van Hammaaloth.
Als de Heer do gevangene Zions wederbracht, waren wij gelijk degenen die droomen.
Toen word onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de Heidenen: de Heer heeft groote dingen aan deze gedaan.
De Heer heeft groote dingen aan ons gedaan; dies zijn wij verblijd.
O Heer! wend onze gevangenis, gelijk watcr-stroomen in het Zuiden.
Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.
Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en weenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijne schoven.
Psalm CXXVI.
De voorgelezen psalm is het werk van een dichter die uit de Babylonische ballingschap tot zijn vaderland was teruggekeerd. Die psalm is het lievelingslied geworden van zijne lotgenooten, die zijn herinneringen, zijne vreugde en verwachting deelden. Hoe aandoenlijk klonken die toonen van de lippen van vele beêvaartgangers, die weer feest mochten vieren in het herbouwde Jeruzalem. En Toeh., ziet gij terug op de dagen die de wedergeboorte der Kerk voorafgingen â en leest gij de geschiedenis van uw volk, sedert de optrede van Luther, zult gij dan niet dezen psalm als een kostelijk Hervormingslied begroeten? O, de Geest die dezen psalm
488
ingaf dringt ook ons een treurige gevangenis te herdenken, in een goddelijke verlossing te juichen, voorde voltooing van het werk Gods te bidden, en op een blijden oogst na een moeielijken arbeid te wachten.
I.
Vergeten werden door de verloste kinderen van Juda ook bij hunne vreugdefeesten de bange jaren niet hunner ballingschap. Bewaard bleven in hun heilige boeken de bittere en aandoenlijke psalmen, die aan Babylons rivieren waren geschreven. Hoe konden zij zoo grooten jammer vergeten? En hebben wij ons een geringer ellende voor den geest te brengen? Als de klok straks twaalf uren slaat, is het oogenblik daar waarop voor driehouderd vijftig jaren Maarten Luther aan de slotkerk te Wittenberg zijn vijf en negentig stellingen aansloeg. Hij gaat daar alleen, maar nochtans niet alleen; God is met hem. Dat is de eerste daad van den man die opstond om de ijzeren kluisters te verbreken die hem zwaar hebben gekneld. Straks voelen duizenden met wanhoop en smart welk een vreemde macht hen gevangen houdt. Een hijgen naar verlossing wordt in alle deelen der kerk vernomen. Hoe voelt Luther bij het voortgaan al meer dien druk. Ja, dat getuigt het geschrift drie jaren na zijn optreden, in deze zelfde maand October uitgegeven over de Babylonische ballingschap der kerk. Met kracht en ijver toont hij daarin de vernedering en slavernij van het erfdeel des Heeren aan. En Luthers woorden â hebben ze niet over de geheele aarde geklonken? Werden ze niet in ons land met belangstelling
189
vernomen, met kracht herhaald? Ja, uwe voorvaderen, vrijheidlievend en godsdienstig, door uitstekende leidslieden gevormd en voorbereid, hebben van hun druk de wereld luide doen gewagen. Wat was er van het Woord Gods, door Mozes en de profeten en straks door Christus en zijne apostelen tot menschen gebracht? Was het niet al te lang uwen vaderen onthouden? Wie hunner verlangde God zeiven te hooren spreken? Daar stond een rij van priesters steeds gereed om het woord te verkondigen van den man te Rome, die het lezen van het woord Gods aan de schare als een strafwaardige misdaad verbiedt en die, tegen Gods woord, ijdele werken voorschrijft als middelen om de zaligheid te verdienen. Was die druk minder dan die waarover Abrahams zonen klaagden als zij inplaats van Gods wet, de wetten van een vreemden vorst moesten gehoorzamen?
Is dat te dragen dat zoo groote scharen zich geheel overgeven aan de macht van priesters? Zijn die leden der gemeente zoo weinig beteekenend dat zij niets durven denken, niets kunnen onderzoeken, niets mogen aannemen en volgen dan hetgeen den priesters behaagt? Voorwaar, Judaas kroost droeg geen zwaarder last dan het Christenvolk dat zoo zijn verstand en geweten voelde gekluisterd.
En heeft elk mensch behoefte aan God? Is het u goed met al uw nooden, uw wenschen, uw geheimen tot God te gaan, om van Hem licht en kracht en troost te vragen ? Wat moet het zijn wanneer daar menschen u in den weg treden? Hoe hinderen zij u in den vertrouwelijken omgang met uwen Vader als zij u dwingen hun uwe zonden te belijden, hun uwe geheimen te openbaren en van hen den eenigen troost
190
in leven en sterven eerbiedig te vragen. Hoe moest het dan uwen vaderen te moede zijn, als hun werd opgedrongen dat zij slechts door de tusschenkomst en de voorspraak van men-schen op Gods gunst mochten hopen. Die arme gevangenen! Ach! Moest gij hier zoo, onbekend met de genade des Vaders en de zekere liefde van den eenigen Middelaar, in dit land der vreemdelingschap zwerven totdat de Engel des Doods uw kluisters verbrak? Arme gevangenen! Zoo is er hier gezucht voordat Luther optrad. En toen hij hier werd gehoord, hoe zijn toen alle machten ter hulp geroepen om de zucht naar verlossing te smoren. Nederlanders! Gedenkt den tachtigjarigen strijd uwer vaderen tegen Spanje. Maar vergeet niet: voordat in 1568 die strijd begon, had de bloedige worsteling tegen den schandelijksten dwang reeds vijftig jaren hier geduurd. Reeds in den eersten tijd na Luthers optreden werden hier de wreedste bevelen gegeven en uitgevoerd. Acht jaren waren nog niet voorbijgegaan, toen op dezen grond, niet ver van dit heiligdom, de eerste martelaar naar den brandstapel werd gevoerd. En wie telt al de gruwelen van list en geweld, in de eerste vijftig jaren gesticht om ons voorgeslacht te verhinderen zijn gevangenis te verlaten? Nederlanders! Sluit de geschiedboeken niet dicht voor u en uwe kinderen! Wie dringt u opdat deze bladen niet voor u geschreven staan ? Wordt het hart van u en uw kroost ontroerd bij dat lezen? Welaan! Laat het zoo zijn. Zij die zooveel geleden hebben, waren uwe voorouders. Het is hun bloed dat door uwe aderen vloeit. Hun woningen waar zij baden en werkten zijn thans de uwe. Uw rust, uw burgerlijke, uw godsdienstige voorrechten, onze feestvreugde, onze
191
Bijbel, onze psalm- en gezangboeken, onze kerken â zij zijn gekocht met bun bloed. Gaat ons oog voorbij, gij jaren der vervolging! Laat in 1867 ook het beeld van 1567 voor onzen geest verschijnen. Zegt, hoe was het hier op den 31 October 1567? Dit heiligdom zou de latijnsche gezangen hooren. De wierookwalmen zouden hier opstijgen tot eer aller heiligen op den volgenden dag. Maar hoe zou er in ons land iemand zijn die den vijftigsten gedenkdag van Luthers eerste werk met blijdschap kon vieren? Voor kort is de hertog van Alva in de Nederlanden verschenen. Hij heeft gezworen dat hij in ons vaderland al het werk van Luther zal verwoesten. Daar wordt door hem een bloedraad opgericht. Weeklachten vervullen het land. Waar is de man die een lied schreef tot eer der Hervorming? Wie zong er zulk een zang? Wie herbergde een prediker des Evangelies? Wie luisterde naar diens woord? Wie begeerde van hem voor zijn kind het teeken des H. Doops? Wie vroeg hem een bede of troostwoord bij \'t graf zijner dierbare ontslapenen? Wrake, vloek en dood moest daar komen over allen. Het land is in een groote gerichtsplaats herschapen. De galm der doodsklokken dreunt in steden en vlekken. Want als deze man na zes jaren weggaat, zal hij roemen dat bij meer dan 18,000 men-schen door beulshanden heeft laten ombrengen. En wilt gij zien hoe deze daden door zijne Kerk worden begrepen? Herinnert u dat de Paus hem met de grootste lofspraken en met de rijkste geschenken beloonde. Gel! Laat u die droeve verhalen niet uit uw geheugen wisschen. Ziedaar het beeld van de treurige gevangenis waarin de vaderen leefden. Let op de jammeren waaraan gij ontkomen zijt. Dit 350ste ge-
192
denkjaar van Luthers optreden is het 300ste gedenkjaar van stroomen bloeds en tranen, op onzen grond vergoten. Gij verstaat uw oorsprong, uw volksbestaan, uw godsdienst, uw kracht niet, wanneer gij deze dingen niet kent. Welaan, laat daarom thans eerst een droeve klacht rijzen. Zij mag vervangen worden door den toon des lofs!
KOOEGEZ ANG.
EERSTE HALFKOOR.
Op de outers lag een zwarte nacht,
Het woord van God, tot ons gebracht,
Had veel te lang gezwegen.
TWEEDE HALFKOOR.
Waar bleef het licht dat blinken zou?
Toeft, wachter, nog de nacht van rouw?
Blinkt nog geen dag ons tegen?
ALLEN.
Brengt den Heere lof en eere!
Hooggeprezen moet Hij wezen.
Want de morgen is verrezen.
II.
In eene Goddelijke verlossing hebben wij te juichen. Als de Heer de gevangenen Zions wederbracht, waren wij gelijk degenen die droomen. Wij zien rond in dit heiligdom. Hoeveel anders is het dan voor drie eeuwen! Waar zijn de priesters, waar altaar en beeldwerk? Het Woord Gods ligt voor ons. Gij allen moogt het onderzoeken. Niemand mag
193
heerschappij voeren over uw geweten. Gij weet het dat niet uw werken maar Gods genade alleen de grond is uwer zaligheid. Eén Middelaar kent gij door wiens bloed gij de vergeving der zonden u ziet gewaarborgd, in wiens verheerlijkt leven gij de kracht tot een heiligen zin en een zalig sterven ontvangt. Tot God gaat gij als tot uwen Vader. En hoe arm, zwak en klein, â ook de lippen van kinderkens mogen met hetzelfde recht als de priester en hoogepriester zich openen tot het gebed en de lofzang aan God. Hoe? is het waarheid dat wij hier mogen juichen, waar onze vaderen voor drie eeuwen angstig klaagden ? De zaak die verloren scheen voor eeuwig, heeft nu gezegepraald! Van onze kindschheid zijn wij gewend aan honderde voorrechten in kerk, maatschappij en huis die toen bij name niet eens werden gekend. Datzelfde waarin wij nu ons verblijden en juichen is het wat onze voorgeslachten tot kerker en ballingschap en brandstapel bracht. Kan dat waarheid zijn? Is het beeld dat ons werd voorgehouden misschien een logenbeeld? Toen zulk een slavernij, nu zoo groote vrijheid? Hebben wij gedroomd of droomen wij heden? Zoo vroegen de kinderen van Juda, toen zij uit Babyion weder hun dierbaar vaderland waren binnengetrokken. En wanneer gij eens aandachtig wilt luisteren naar de liederen die hier bij \'t gerucht van Alvaas gruwelen zeer zacht in een vertrouwelijken kring werden uitgesproken, dan zoudt ge hier en daar ook het toen nieuwe lied hooren:
Wanneer de Heere verlossen sal Syon zijn volck ghepresen,
Van haren druk en banden al Als droomende sullen sij wezen.
Homiliarium II. 13
194
â
Zoo is het geweest. Hoe werd de mond vervuld van lachen en de tong met gejuich bij allen die zich de gewenschte verlossing zagen schenken. En zou dan niet een lach van heilige vreugde om onze lippen zweven? Zou er op onze tong geen jubel zijn? Ja, wel biedt onze tijd ons overvloedige redenen tot bezorgdheid aan, wanneer wij zien op den toestand der kerk. Maar ook voor hen, die uit Babyion weerkeerden, bleef er nog veel te hopen en te vreezen over bij het bebouwen van \'t verwoeste land. Doch tusschen de stormige najaarsdagen verkwikt ons een enkele stille dag waarop de zon nog eens helder aan den hemel blinkt. En een heerlijke dag, een dag des Heeren, een dag van licht is die dag waarop het Hervormingswerk is aangevangen. Die dag wordt door millioenen met blijdschap begroet. Zoo dikwijls bij verjaart, moge Gods naam verheerlijkt worden door zijne gezegende kinderen. En is er heden het zevende halve eeuwfeest aangebroken ? En wordt dit feest ook in de taal van Luther met blijde gezangen geprezen? â laat zevenmaal heerlijker en inniger en krachtiger dan ooit, onze dank met die onzer broeders en zusters elders oprijzen. Worden er niet uit andere landen stemmen vernomen die getuigen van de groote daden die de Heer heeft gedaan aan ons volk? Gewis. De laatste tijden leveren steeds vernieuwde bewijzen dat ook vreemdelingen verwonderd staan bij het lezen van onze geschiedenis. Vreemdelingen zijn er die haar beschrijven. En waar geloof bestaat, daar wordt er gesproken: De Heer heeft groote dingen aan dat kleine volk gedaan. O, zulke getuigenissen worden er gegeven ook door velen in andere landen die nog in gevangenschap verkeeren, maar die met een vurig
i95
verlangen uitzien naar den dag der bevrijding en daartoe moed en hope putten uit onze geschiedenis. Is het wonder, waar een sultan van Turkije, Amurad III, voor bijna drie eeuwen op den moed en de kracht van ons voorgeslacht met verbazing staarde? Met de kaart van ons kleine land voor zich wenschte hij de oplossing van het raadsel te vernemen, dat in den nacht zijn ruste had verstoord. En toen zijne aanzienlijken verstomden en de antwoorden van een wijzen vreemde hem niet bevredigden, sprak hij: âzal ik u hiervan mijn oordeel geven ? \'t Is God! \'t Is God,quot; riep hij uit, terwijl hij met zijne hand ten hemel wees: âGod is \'t die deze landen behoudt. Anders zou het eene onmogelijkheid zijn!quot; En nu, Nederlanders van onze dagen, Evangelische Christenen , zullen wij niet de stem van vreemde volken beantwoorden met het woord: âDe Heer heeft groote dingen bij ons gedaan! Dies zijn wij verblijd.quot; Of wie was Luther dat hij uit zijn enge cel de geheele gedaante der Kerk zou kunnen veranderen? Wie was die monnik voor wiens stem de Keizers en vorsten hebben gebeefd, door wiens arbeid de Pausen zich de macht en heerschappij over millioenen zagen ontroofd en verzwakt? Wie spaarde en beveiligde dat leven, waar het leven van duizenden door Romes bevel eensklaps werd afgesneden? Hoe hebben zich zoovele harten geopend op zijne stem, waar die in een wereld vol bijgeloof en leugen en zonde, tot geloof en waarheid en heiligheid riep? Zal de geest der wereld zich vermoeien om in de geschiedenis van onzen staat enkel het werk der menschen, een samenloop van omstandigheden te zien? En wil de haat en spijt van Romes dienaren den val van hunne Kerk, den triomf der
13*
196
Hervorming verklaren door het lasteren van de beginselen en drijfveeren van ons voorgeslacht? Wij vragen hen: Wat is er van uw credo, van het geloof in God dat gij belijdt, wanneer gil nog niet zijne hand kunt opmerken in het werk der Hervorming? Wat zal er noodig zijn om uw oog te openen voor de werken en bedoelingen Gods? O, wij noemen met eerbied de namen van een Luther en Zwingli, van een Willem de Zwijger en Filips van Marnix. Maar niet om menschenwijsheid en kracht te vereeren. Niet omdat zij groote dingen aan ons gedaan hebben, zijn wij verblijd. Onze blijdschap zal groot zijn omdat wij het aanschouwen dat de Heer het is, die hen tot werktuigen gebruikten, in wien zij kloeke daden deden, van wien alles goeds afdaalt, tot wiens verheerlijking alles strekken moet. Verblijdt u dan van harte, maar in uwen God. Want is het de Heer die groote dingen gedaan heeft aan ons, dan hebt gij het bewijs dat Hij ons volk liefheeft, dat ons volksbestaan, onze welvaart, onze bloei zijn werk is. En zullen wij dan niet mogen vertrouwen dat Hij ons niet verlaten zal? Gewis! Wie, die enkel op menschen ziet, zou het ooit hebben kunnen denken dat zulk een klein volk de sterke vereenigde macht van Rome en Spanje had weerstaan? En aanschouwt gij de middelen die hier werden aangewend tegen dat kleine volk? Ziet gij hoe hier de monden werden gesloten die den Bijbel liefhadden? Zou niet de geheele wereld meenen, dat in die stroomen bloeds het hier gestrooide zaad wel moest verdrinken? Als de Paus en de Vorst spraken: zoo moet het werk der Hervorming worden versmoord! dan bleek hier het tegendeel. In \'t zwakke der menschen toont God zijn kracht. Beschaamd
197
wordt de wijsheid der verstandigen. Het bloed der martelaren heeft krachtig en wondervol den grond geschikt gemaakt om hier het kostelijk zaad de heerlijkste vruchten te doen dragen. Zoo wil het God. Komt, Hem zij dan onze dank, waar wij gedenken aan de werktuigen, waardoor Hij zijn doel bereikte. Goddelijk, wonderlijk was het als de martelaren zingende de dood tegemoet gingen en met blijde gezangen werden ter dood geleid. Laat zulke liederen door ons worden vernomen. Toeh.! geheiligd is de weg die naar dit bedehuis voert. Gaat gij over de Plaats, gij betreedt de plek waar de vlammen den eersten martelaar voor de Hervorming in Noordnederland, Jan de Bakker, hebben verteerd. Op den 15 September 1525 klonken hem op zijn gang voorbij de Gevangenpoort tot aan zijn laatsten snik de verhevenste en aandoenlijkste zegeliederen van de lippen zijner medegevangenen in de ooren. Wenscht gij ze te verstaan? Welaan, laat het koor het eene dier gezangen, het oude martelaarslied, aanheffen, hetwelk werd gezongen door gevangenen die op den volgenden dag hun dood verwachtten. En gij gemeente, vervang dien toon door het aanheffen van het andere lied, het plechtige lofgezang waarmede diezelfde zangers in den kerker te dier ure de heerlijkheid Gode toebrachten, die een groot werk onder ons heeft gedaan.
KOORGEZANG.
EERSTE HALFKOOR.
O gij zaalge feestgetijden
Van een zaalgen martlaarstoet,
Heiige strijd der overwinnaars,
Hoe ontsteekt ge ons hart in gloed!
Hoe verheven was hun leven,
198
TWEEDE HALFKOOR.
En hun deugd was rijk en schoon
ALLEN.
O wij wijden aan hun strijden Nog een blijden jubeltoon.
EERSTE HALFKOOR.
Onbezweken in het smeeken, In \'t vertrouwen op den Heer,
Droeg hun hart de felste smarte,
In den kamp voor \'s Heilands eer.
ALLEN.
Wreed gebonden, vol van wonden,
Hebben zij, door niets vervaard,
De ergste plagen kloek gedragen Op de houtmijt, onder \'t zwaard.
EERSTE HALFKOOR.
Mod gestreden en geleden.
Keerde \'t lichaam weer tot stof,
ALLEN.
Maar de vromen zijn gekomen Tot de kroon in \'t hemelhof.
Door \'t verachten van de wereld,
Door den schoonsten worstelstrijd,
Zien zij in den kring der Englen Zich door \'t heerlijkst loon verblijd.
ZANG DER GEMEENTE.
Gezang 3 ; 2.
GEMEENTE.
U looft de Apostel schaar in heerlijkheid, o Heer!
Profeten, martelaars vermelden daar uw eer.
199
VROUWEN.
Door heel uw Kerk wordt steeds daarboven, hier beneden,
In strijd en zegepraal, uw groote naam beleden;
GEMEENTE.
Zij looft, o Vader! U, oneindig in vermogen.
Onpeilbaar in verstand, onmeetbaar in meêdoogen.
|
III.
Voor de voltooiing van Gods werk hebben wij te bidden. Nog was niet terstond geheel het volk van Juda uit Babels gevangenis weergekeerd. Een groot gedeelte bleef in het vreemde land vertoeven. Maar de verlosten konden niet juichen in den zegen hun geschonken, of zij dachten met weemoed aan de achtergeblevenen. Waarom deelen ook dezen niet in de vreugde, de vrijheid en in het werk der Godverheerlijking, in den opbouw van Jeruzalems tempel? Hoe zou de vreugde klimmen wanneer allen, als broeders en zusters uit een bloed gesproten, een waren in het verheerlijken Gods! Maar hoe zal dat geschieden? Wat daartoe te doen? Hoort! onder hunne blijde uitboezemingen klinkt de toon des gebeds: âHeer, wend onze gevangenis! dat is: Heer, breng onze gevangenen weder, als de -waterbeken in het zuiden.quot;
Niets is verkwikkelijker in die dorre warme landstreken dan de in den zomer opgedroogde waterbeken op nieuw te zien stroomen. Hoe zal dit ons zijn? Sedert drie en een halve eeuw heeft een groot deel der Christenen gebruik gemaakt van de gunst Gods om in de vrijheid te wandelen en
200
zich mei het woord Gods te verkwikken. Maar wanneer gij nu de blikken slaat over de aarde, hoe groot is de schare die nog in de gevangenis blijft toeven. Zal het ons niet tot smarte zijn? Ziet, rondom in uw vaderland. Hoe velen die het goede niet kennen, waarin wij roemen. quot;Wilt gij hun toeroepen; komt, hoe goed is het hier bij de stroomen des Woords. Daar wordt ons geantwoord, gelijk uit Babyion; Hier is \'t ons gemakkelijker. Hier zijn wij gewend. Aan u is de moeite om nog zelve de hand aan het werk te slaan tot het opbouwen, eer alles gereed is om wel te wonen. Voor u de gevaren van vijanden en indringers, waartegen gij al den dag gewapend moet zijn. Voor ons wordt gewaakt door de macht, die ons hier beheerscht. Wij hebben slechts blindelings te gehoorzamen en blijven bevrijd van uwe worstelingen. Uwe vrijheid is ons te duur!... Zijn het niet zulke stemmen die hij hoort? o Hervormde Br. en Z., zullen wij het hard in hen veroordeelen, wanneer zij alzoo tot ons spreken ? Het gebied, waarop wij ons bewegen, is hen onbekend. Van verre schijnt de strijd die hier aanhoudend bij het onderzoeken, breken en bouwen, de Evangelische Christenen wacht, minder verkieselijk dan die stille, doodsche, gemakkelijke rust, waarmede zij maar aan de stem eens vreemden zich geheel overgeven. Wat is er te doen, opdat de broeders in onze en hunne eigene sprake onze psalmen zingen, Gods woord hooren en lezen, onze feesten vieren ? ... Heer, breng onze gevangenen weder!... Zal die bede ons niet in dank worden afgenomen door Homes priesterscharen? Zal die als een vijandige uitboezeming worden veroordeeld ? Hervormden, wij willen hen niet tergen. Geen woord van bitterheid klinke
201
van onze lippen. Met die bede mag ieder van ons gaan in het heiligdom, waar God ons allen als priesters en vrije kinderen wil wachten en hooren. Geen macht ter wereld kan ons dwingen die bede te smoren. God wil haar van ons vernemen. Want is het niet God zelf die voor zoovele jaren Luther zond en zegende, en ook onze vaderen heeft vrijgemaakt ? Is die verlossing niet het werk van Luther noch van eenig mensch maar het werk van God\'? Zou de Almachtige laten varen het werk zijner handen ? Zou Hij, die \'t werk begonnen heeft, het niet voortzetten, het niet voltooien? Zou Hij, die dezen dankdag verleent, niet luisteren naar ons bidden; âHeer, breng onze gevangenen weder!quot; Ja, dat verlangt Hij van ons, Hij die van de heerschappij van den priesterstand ons ontsloeg om ons allen tot een priestervolk te bereiden, o Hoe moet ons tot zulk bidden de overtuiging dringen dat God zijn werk eens volkomen zal maken. Neen, vergeten zal Hij niet wat Hij voor 350 jaren deed. Vergeten zal Hij niet wat Hij voor 1800 jaren heeft gesproken door zijn Zoon van âééne kudde en één herder.quot; Dan moet de tijd komen waarop de menschen vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid aan \'t menschenwoord, om enkel onderworpen te zijn aan Gods Woord en het eenig opperhoofd, Christus alleen te volgen. Schijnt die tijd u verre? Ziet gij verontrustende verschijnselen in onze dagen? Ja, er worden van dag tot dag de bewijzen gegeven, dat Romes woord in menig land en ook op velen onzer landgenooten een grooten invloed heeft. Op het woord der priesters worden hier schatten naar Rome gezonden en jongelingen opgewekt om hun bloed te storten voor het in stand houden van het... wereldlijk gezag
202
van den Paus. In dit gedenkjaar, waarin wij ons de komst van Alva herinneren, die, aangemoedigd door den lof van Romes paus Pius V, achttienduizend Nederlanders deed vermoorden , â heeft Romes paus Pius IX achttien Gorkumsche vermoorde geestelijken heilig verklaard op eene wijze waardoor de eer der Hervorming in Nederland is aangerand. In dit jaar heeft een Nederlandsch geestelijke openlijk verkondigd dat Nederland geen Protestantsch land meer is, terwijl hij de reuzenschreden van zijne kerk hier in de laatste vijfentwintig jaren luide roemt. Hoort het en verstaat! Is het waarlijk zoover gekomen, dat deze dingen kunnen gezegd worden? Nederlandsche Hervormden! Zoo opent dan uwe ooren en bloost. Laat die stemmen niet onopgemerkt. Heeft God daartoe ons volk zoo gezegend? Neen, getuigt er tegen. Niet wat de geest der eeuw u voorzingt van valsche verdraagzaamheid, mag uw lied zijn! Genoeg hebben die schoone klanken geklonken, terwijl bedriegelijk uw kostelijk erfdeel is aangerand. Zal Romes profetie vervuld worden? Zal uw volk weder tot de gevangenis keeren? Zegt niet te haastig, neen! Roemt niet in uwe kracht. Wie zou voor 250 jaren, wie voor 50 jaren hebben gedacht dat in ons vaderland de macht van Rome zoo zou rijzen? En het zal erger worden, indien er niet een einde komt aan de macht das ongeloofs, die de godsdienst als een onbeteekenende zaak uit de raadzalen en letterkunde en wetenschap en scholen verbant. Het zal erger worden indien de kinderen der Hervorming zich laten betooveren door den geest des tijds die vrijheid predikt, maar eene vrijheid niet om Rijbel- en Christusprediking te erlangen, zooals de vaderen, maar om ze te verachten. Het
203
zal erger worden als niet onder ons die macht wordt verbroken, die nog met andere banden dan met die des Evangelies ons binden wil en scheiding maakt tusschen broeders en zusters, die de erfgenamen zijn van dezelfde genade en buiten den Christus des Evangelies geen zaligheid kennen. Gelooft het. Daarmede doet de vijand zijn voordeel. Kunt gij dien verkeerden stroom niet keeren? Vreest niet. Gelooft en hij zal wijken. Hervormden! beschouwt uw kerk, uw staat, uw vrijheid als Gods werk. Dan wantrouwt gij uw eigene wijsheid, uw macht. Dan ziet gij in den God van voor drie eeuwen, den God van uw Heden, van uwe Toekomst.
Gij gaat op om te bidden in uwe heiligdommen met de gemeente, gij bidt in uw huis, gij bidt in uwe eenzaamheid: Heer, breng onze gevangene weder!... En de Hoorder der gebeden onzer vaderen leeft. Hij zal ook nu zijne helden verwekken, als in de vroegere dagen. Wie nu opstaan tegen Gods werk worden beschaamd. Wie nu nog gevangen zijn zullen hun banden door een krachtige hand zien geslaakt. Als een droom zal het zijn, wanneer de nu nog verwijderde broeders een zullen zijn in eene kerk die niet naar Luther, niet naar den Paus zich noemt, maar in Christus alleen roemt. O, wars er meer gebeden zooals in die eerste vijftig jaren, er zou meer geloof en meer waarheid en vrijheid en eenheid en liefde zijn. Laat er meer gebeden worden in de vijftig jaren die komen. En de heerlijkheid van het volgende eeuwfeest zal grooter zijn dan van het vorige.
204
KOOEGEZANGL
EERSTE HALFKOOR.
Laat, o Vader, allen komen Tot het heil dat Gij ons schenkt,
Brengt hen naar de frissche stroomen quot;Waar ons uw genade uit drenkt.
TWEEDE HALFKOOR.
Wie in harde banden zuchten.
Bukkend voor een vreemde macht.
Mogen tot de Godsstad vluchten.
Waar hen vrede en vrijheid wacht.
ALLEN.
o Gij heilige Gemeente,
Die door God u ziet gegrond
Op het kostlijkst hoekgesteente,
Wanneer komt die blijde stond?
EERSTE HALFKOOR.
Wie van ons nog zijn gescheiden, Worden één in geest en naam;
ALLEN.
Hij die ons reeds uit wou leiden,
Brenge ons allen spoedig saam.
Ach, nog storen droeve klanken Onze blijdschap op dit feest; â
TWEEDE HALFKOOR.
Laat ons bidden, waar wij danken:
Zalf heel \'t menschdom met Uw Geest!
205
ALLEN.
Gij vereenig, Gij vergader,
Wat verdeeld is en verstrooid!
En uw heerlijk werk, o Vader!
Wordt in Christus dra voltooid!
ZANG DER GEMEENTE.
Gezang 87 : 1.
(Staande.)
Ja, Amen! Vader, ja!
Gij slaat ons stneeken ga.
Gij zult ons niet beschamen:
Het woord van uw gena Blijft, Vader! eeuwig ja,
In Christus, ja en Amen.
IV.
Zoo zullen wij op een moeielijken arbeid een blijden oogst verwachten. Wie met tranen zaaien zullen met gejuich maaien. Die het zaad draagt dat men zaaien zal, gaat al gaande en weenende, maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijne schoven.
Was er voor de verlosten grond van vreeze dat niet hun vurigste wensch naar het herstel van het geheele volk, de vereeniging van* Juda in zijn vaderland, zou worden vervuld ? Was de zaaitijd voor hen aangebroken, onzeker was het steeds of niet hun arbeid door vijanden verwoest zou worden. De volkomen vreugde is voor den gelukkigen oogsttijd bewaard. Och of de Hervormers het mochten zien welke kostelijke vruchten er opgeschoten zijn op den akker des Heeren, die
206
hun ter bearbeiding was toevertrouwd. Roept u het beeld voor den geest van al die volken die door de Hervorming gebracht zijn tot het woord van God. Ziet op hun uitwen-digen en inwendigen toestand voor driehonderd vijftig jaren en heden. Aanschouwt hoe het Evangelie van Christus al meer zijn weldadig licht heeft doen doordringen in al de standen der maatschappij. Hebben niet de booze geesten van onwetendheid en bijgeloof verschrikt de vlucht genomen, toen daar land bij land bedekt werd met kweekscholen, waarin de kinderen tot de kennis van het meest nuttige, het eene noodige worden opgeleid? Zijn de harde ijzeren scepters niet verbroken waarmede de heerschers der Staten hunne volkeren hebben voortgedreven? Verheugen zich de volken niet in het bezit eener vrijheid, vroeger niet gekend? Worden niet de rechten ook der kleinen geëerbiedigd? Verbrijzeld zijn de werktuigen, de pijnbanken, de moordschavotten, waardoor de macht die voor drie eeuwen heerschte de andersdenkenden voor hun gevoelens strafte. Neen! Die heilrijke omwenteling zou niet zijn geschied, indien God niet de Hervorming der kerk had geboden, o De mannen die God tot zijnen arbeid gebruikte, hadden hunne dagen in rust en genot en eere kunnen doorbrengen, indien zij God en den Heiland en hun volk niet liever hadden gehad dan hun eigen leven. Voor hetgeen zij hebben gedaan en»gewild, hebben zij moeite en schande en lijden en dood gedragen. Was het niet menigmalen als zou al hun zwoegen geheel ijdel zijn? Maar over hunne graven klinken nu ruim driehonderd jaren lang de dankgezangen tot God voor het geschenk des Evangelies. En wanneer thans de zendelingen in de verschillende
207
landen der duisternis doordringen en honderdduizende blinden aan de voeten van Christus brengen, â en wanneer de Bijbel, in bonderdzestig talen vertolkt, al de landen doorwandelt met de belofte dat hij niet ledig zal wederkeeren, â en wanneer daar duizende stichtingen overal oprijzen waardoor de geest van \'t reine Evangelie onder verwaarloosden wordt voortgeplant, dan spreken wij: Vruchteloos is uw zaaien niet geweest, Profeten en martelaars der Hervorming! \'t Is goed dat gij u niet hebt laten verschrikken. Hoe zijn uwe tranen reeds lang gedroogd! Hoe wordt uw binnenste met blijdschap vervuld als gij daar zoo velen ziet komen tot den Heiland, die zonder uw tranen en bloed Hem niet zóó hadden leeren kennen en liefhebben! En Gel. hebben wij niet een gevoel van innigen dank in onze harten als wij op dezen dag gedenken aan onze vaderen? O hoe hebben hunne harten gesidderd als voor drie eeuwen een Alva kwam, blazende vervolging en moord, gereed om bij de reeks van mannen en vrouwen, zwakken en kleinen die den bloeddoop reeds hadden ondergaan, nog duizende slachtoffers te voegen. Ja, in God hebben zij gehoopt als zij hun leven Gode offerden. Maar hoe konden zij zich ooit voorstellen wat wij thans ondervinden, hoeren en aanschouwen? In ditzelfde jaar is het 250 jaren geleden dat deze zelfde Kloosterkerk is gewijd tot de prediking van het Evangelie der Hervormers. Wie zal het kunnen zeggen hoe vele Vorsten, Staatslieden, Helden, hier licht en wijsheid, moed en kracht en hope hebben opgedaan tot een moeielijken arbeid, tot strijden en dood. Wie zegt ons hoe hier tot op dezen tijd lijdenden getroost, armen verblijd, zondaren tot God worden gebracht! Indien onze
208
eerste bloedgetuigen ons konden aanschouwen, zoo gelukkig in de prediking des Evangelies, zij zouden spreken: Is dat de vrucht van onzen arbeid? Gezegend dan onze zuchten en tranen van een enkel oogenblik! Was onze ziel een oogwenk onrustig in ons? Voor dezen oogst zouden wij eeuwen van smart hebben over gehad! Geloofd zij God! Nu, die vrucht kan niet verborgen blijven. Die wordt hun getoond. En Gel. zullen wij, die thans de vruchten zien en plukken van \'t geen zij hebben uitgestrooid, dan niet moedig onze laak volbrengen? Ja, de tijden der vervolging zijn voorbij. God geve voor altijd! Maar meenen nu de zonen en doch-teren van een martel aars volk dat zij daarom geheel geen offers moeten brengen? Kinderen der martelaren. Hervormden ! uwe vaders en moeders die duur het Evangelie hebben gekocht, staan daar voor u. Zij houden het Evangelieblad omhoog, waar gij lezen zult: âStrijdt om in te gaan. Alleen wandelt waardig het Evangelie, staande in één geest, met één gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof des Evangelies !quot; En wederom: âWie u een ander Evangelie brengen wil, al ware hij u een Engel â hij zij vervloekt!quot; Wat zoekt gij hier ruste zonder strijd? Gij zijt Hervormden genoemd. Kost het nu geen moeite hervormd te zijn, hervormd te worden? Daar staat gij tegenover de macht van Rome, die veel meer dan menig Hervormde vermoedt, in stilte het hier verloren grondgebied zoekt te heroveren. Gaat dat u niet allen aan? Is het genoeg dat gij u beveiligd noemt en waant? Kost het u te veel moeite daartegen te waken? Machtigen, hoofden van huisgezinnen, leidslieden des volks, die daartegen kunt waken, moet gij het niet? Hebt gij eigen eere, voordeel,
209
rust, liever dan uw belijdenis, uw Kerk, uw Evangelie? O gij moogt het u gemakkelijk meenen te maken in dezen tijd des zaaiens. Maar de tijd des maaiens zal u niet vinden onder de juichenden die met blijdschap de schoven dragen in de schuren. Uw Heer zegt: Wee u die lacht, want gij zult weenen!
Toeh.! Aan uwe zijde bevinden zich bekenden, geliefden en vrienden, die hunne namen op de registers der Hervormde Gemeente hebben doen schrijven. Daaronder zijn er, die hun doop hebben vergeten. \'Vaders die den Bijbel nooit openslaan voor hun huisgezin. Moeders die hare kinderen niet het eerste gebed leeren uitspreken en in de drukte van werk en weelde en genot meermalen het gebed, van vrome moeders geleerd, verwaarloozen. Dichtgegrendeld is de Bijbel en in de psalmen en gezangen zijn zij vreemdelingen. Wat? zullen zij ter kerke gaan om God te verheerlijken, te danken en te bidden? Is dat hun niet te moeielijk? Is het hun gemakkelijker om een eigen weg te gaan? Wordt hun geweten tot zwijgen gebracht door verontschuldigingen, nu aan het kerkgebouw, dan aan den prediker, dan aan de Goddelijke openbaring zelve ontleend ?... o Mijne broeders en zusters, is er somtijds in uw hart eenige neiging om dat voorbeeld te volgen? Wilt gij nu en dan bezwaren tegen de huislijke en openbare godsdienst doen gelden die in het huis uwer ouders nooit hebben gegolden? Vergeet ook gij de plechtige belofte, bij uwe belijdenis afgelegd om, in uwen kring, de belangen uwer Hervormde gemeente met ijver voor te staan? o Weet het wel. Zoo gemakkelijk komt gij niet tot de vreugde die uw voorouders smaken. Neen, wat verandere en wat tegen-
Homiliarium II. 14
210
gesproken worde: God is onveranderlijk. Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in eeuwigheid. Gods woord blijft eeuwig met zijne beloften en bedreigingen. Neemt dat woord opnieuw op, als werd het op dezen dag door de handen dier stervende martelaren u toegereikt. Is de huis-selijke godsdienstoefening bij u vreemd, o voert haar in. Begint het op dezen Hervormingsdag. Dan zal deze gedenkdag u heugen. Hij zal een zegen brengen in uw gezin, dien gij nog niet kent. Bidt om Gods Geest, voor u, voor uwe Gemeente, bidt om vergeving voor zoovele vlekken als de gemeente ook door uwe schuld ontsieren, bidt om die eenheid, die alleen het sieraad en de kracht is onzer Evangelische kerk. De heiligdommen trouwer bezocht. Ja, gij wordt hier geroepen tot strijd en nog niet tot volkomene blijdschap. Maar zaait, al is het met tranen. Wat den vaderen is geschied zal uw deel zijn. Gij maait eens met gejuich gelijk zij.
Vraagt gij hoe zal het zijn met de gemeente na vijftig jaren? O slechts weinigen van ons zullen het vierde eeuwfeest vieren. Maar zorgen wij, hoe sterk ook de tegenwerking zij en van waar zij kome, dat wij den geest van het voorgeslacht bewaren en aan onze kinderen overdragen. Wordt hier dan door menig tijdgenoot ons streven miskend en ons werken veracht, â onze vaderen hebben vrij wat meer voor hun geloof verdragen. En nu worden zij gezegend door de latere geslachten. Nu mogen zij zich verblijden in ons heil. Zullen wij niet dat deel voor ons begeeren? O hoe goed zal het zijn als ons nageslacht, dat over vijftig jaren dezen grond bewoont, zal getuigen dat wij tegen den verkeerden geest dezer dagen in geworsteld hebben, opdat de schat des Evan-
211
gelies bewaard en op prijs gesteld wierd bij bet nageslacht.
Al mengen dan onze stemmen zicb niet in bet feestgezang in dit aardscbe heiligdom. Wat nood? De Kerk die bier in strijd verkeert, de Kerk die boven triomfeert, is de ééne Kerk des Heeren. Daarboven is de Gemeente des Heeren,
de naar Christus beeld hervormde Kerk, zonder rimpel en vlek. Daar wenken ons de vaders en moeders, die ons tot den Heiland brachten. Daar roept Christus allen die hier met tranen zaaiden tot de blijdschap van den heerlijksten oogst die gevierd wordt met de feestgezangen. Hem die op den troon zit en het Lam dat voor ons geslacht is tot eere. Amen.
KOORGEZANG.
eerste halfkoor.
O dag, dien God ons komen doet,
Wees van ons allen blij gegroet!
allen.
Laat heel de Kerk Hem eeren!
eerste halfkoor.
De Kerk, die hier in strijd verkeert,
tweede halfkoor.
De Kerk, die boven triomfeert,
allen.
Is de ééne Kerk des Heeren.
\'t Lied moet schallen!
God schenkt allen De eigen namen!
Jubelt samen:
Heilig, Heilig, Heilig! Amen.
U*
j ;
1
j ! j
é
212
ZANG DER GEMEENTE.
Psalm 72 : 11.
Zijn naam moet eeuwig eer ontvangen;
Men loov\' Hem vroeg en spa:
De wereld hoor, en volg mijn zangen Met Amen, Amen, na.
R. Bennink Janssonius.
IX.
De wachters op den morgen 1).
Ps. 118 : 12, 14. Ps. 150 : 1, Ps. 130 : 3, 4. Gez. 15 ; 2», 6\'\'. Gez. 50 : 4.
De wachters op den morgen.
Ps. 130 : 6h.
âHel vijftigste jaar zult gij heiligen; hel zal U een jubeljaar zijn!quot; âZóó klonk op den plechtstatigen toon des bevels de eisch van Israels wetgever; 2) en zoo dikwerf eene halve eeuw was voorbijgesneld, dan werd op den dag der groote verzoening met de bazuine des geklanks, het nieuw ingetreden jubeljaar, dat voor velen in den lande een jaar van bevrijding zijn zou, uitgeroepen en aangekondigd. Wij hebben niet het geklank der bazuine gehoord, toch kan wel niemand uwer er onwetend van zijn, hoe dit jaar door de geheele Protestantsche Christenheid als een jubeljaar verdient gevierd
1
Voor \'t eerst in druk verschenen in het jaar 1867.
2
Levit. XXV ; 10.
214
te worden; hoe plechtig en gewichtig de dag van heden is en zijn moet voor het gevoel, in de schatting van zoo velen als nog altijd met vurige dankbaarheid het in hun harte blijven zegenen: Hervormde Christenen te mogen heeten. Ziet! de helft eener eeuw is weder toegevoegd aan het drietal eeuwen, die vervlogen zijn, sedert Luther den eersten, koenen stap ter Hervorming deed. De 31ste October herinnerde ons, hoe hij vóór drie honderd en vijftig jaren met eigene hand zijne stellingen tegen den aflaat aan de slotkerk te Wittenberg aansloeg, en alzoo tegen de reuzenmacht van Rome eenen strijd begon, waarin hij, tot steeds dieper en helderder inzicht in de waarheid geleid, als strijder Gods onbezweken heeft pal gestaan; waarin hij overwinnaar is gebleven door zijn geloof, en voor vele duizenden na hem het pad tot eene gelijke overwinning gebaand heeft. Wij hebben op dezen dag het aandenken te vernieuwen aan eene gebeurtenis, waardoor niet maar voor een goed deel der Christenheid de nacht van onkunde en dwaling is afgedreven, en de morgen is verrezen van een schooner dag; waardoor niet maar de kluisters zijn gevallen, die den menschelijken geest als in verachtelijke slavenboeien prangden; waardoor niet maar het vrije geweten voor goed zijne heiligste rechten veroverd heeft â schoon wij ook dit alles dankbaar blijven roemen en waardeeren â maar waardoor bovenal het Evangelielicht zelve â en datgene wat het Evangelie tot eene goede en blijde boodschap maakt â te lang onder een korenmaat verborgen, op nieuw hoog op den kandelaar is geplaatst; waardoor dat gezegende licht ook in onze harten kan schijnen, en zich ook aan onze harten kan openbaren, in al zijne ver-
215
troostende, heiligende, levenwekkende kracht. Welverdiende dan deze dag als de roem der dagen door ons gevierd te worden! Wel betaamde het, dat gij reeds op den vorigen dag des Heeren tot eene hooggestemde feestviering werdt opgewekt! Maar klinkt zulk een feest- en juichtoon in waarheid door uwe harten? Mag de stemming, waarin gij naar dit Heiligdom zijt opgegaan, in waarheid die eener dankbare, aan God geheiligde vreugde genoemd worden? Helaas! Terwijl vóór vijftig jaren geheel het Protestantsche Nederland als een eenig man zich opmaakte, om van zijne belangstelling en ingenomenheid met zulk eene gedachtenisviering te doen blijken, is de dag, die heden voor ons is aangebroken, schoon hier en ginds zich jubeltoonen en feestvierende stemmen verhieven, door velen met koelheid ingewacht en als in eene doodsche stilte verbeid. âMaar geeft deze dag â zulk eene vraag klinkt wellicht uit uw midden mij tegen â ons werkelijk zulk eene rijke stof tot danken en juichen aan? Hebt gij, die geroepen zijt de Voorganger der gemeente te zijn, het recht om zulk eene blijde en opgewekte stemming des gemoeds van haar te eischen en te verwachten, nu de Protestantsche Kerk van Nederland tot op hare grondvesten is geschokt en bewogen, zoodat velen, in het steeds donkerder wordend verschiet, de ure barer slooping en ontbinding steeds dichter meenen te zien naderen ? â T. H. Op het diepst en het innigst blijf ik van de overtuiging doordrongen, dat de zegenrijke gebeurtenis der Kerkhervorming voor een iegelijk wie haar in haar wezen kent, en naar waarde weet te schatten, nog niets van hare welddadige werking verloren heeft, en daarom ons vurigst loven en danken ten volle waardig
216
blijft; doch verre zij het van mij in den toestand der tijden te willen verheelen en verbloemen, wat niet langer te verheden en te verbloemen valt, of aan eene bezorgdheid, welke aldus zich uit â schoon zij altijd van moedeloosheid en kleingeloovigheid getuigt â allen rechtmatigen grond der vreeze te ontzeggen. Met U geloof ik, dat de hoogge-stegen en bruisende jubel des lofs, niet de meest aangewezen toon kan heeten, die op dezen hoogst gedenkwaardigen dag de gemeente voegt; dat op dezen dag, bij den blik op het verledene, het tegenwoordige en de toekomst, nevens dankbare vreugde ook diepe en heilige ernst, en nevens goede en blijde hope ook zeker gevoel van weemoed in onze zielen mag en moet wonen. Ik zocht daarom naar een woord des Bijbels, dat geheel in overeenstemming met zulke gedachten en gewaarwordingen zijn mocht, en daaraan te gelijk eene God verheerlijkende richting zou vermogen te geven, en ik meen dit gevonden te hebben in
Ps. CXXX : 6b.
âDE WACHTERS OP DEN MORGEN!\'\'
Vreemd kan het zekerlijk schijnen op het zevende Jubelfeest der Hervorming een Psalm gekozen te zien, welks onbekende zanger, in den aanvang des lieds, uit de diepte des lijdens, zijne smeekstem om hulpe en redding tot God verheft; een\' Psalm, die wel ontelbare keeren, ook in de
217
felbewogene tijden der Hervorming en zoo dikwerf als het met de zaak des Vaderlands of die des Evangeliums hachelijk scheen te staan; in de stille binnenkamer, onder den open Hemel en onder tempeldaken, door de Christelijke gemeente zal zijn aangestemd, maar die toch op blijde gedenk- en feestdagen wel het minst zal zijn gebruikt of gezongen. Hoe somber of treurig nochtans de aanhef schijne, al spoedig verheft zich, na de uiting des schuldgevoels, de toon des lieds tot de taal van een kalm en rustig vertrouwen, en aan het einde klinkt de blijmoedige toon eener welverzekerde hope op de redding en verlossing ons tegen, die met het vurigst verlangen werd ingewacht. Het enkele woord, dat ik daaruit heb uitgelezen, scheen mij niet slechts voor dit uur rijke stof ter overdenking te kunnen opleveren, maar ook geheel de inhoud van dezen schoonen Psalm kwam mij voor op ongedwongene wijze dienstbaar te kunnen gemaakt worden aan het heilig en gewichtig doel, dat wij ons met deze plechtige feestviering hebben voorgesteld. En zoo de keuze van dezen tekst nog iets tot hare rechtvaardiging behoefde, dan zou hiertoe wel de herinnering voldoende zijn, dat hetzelfde lied, waarin wij thans onze stichting en opbeuring gaan zoeken, de eerste Psalm der Reformatie geweest is, die onder de breede kerkgewelven van dezen grijzen Dom heeft geklonken.
Ik verwacht den Heer (zóó zong dan de dichter van dit lied in het 5de vers) mijne ziel verwacht, en ik hoop op zijn woord. Ik verlaat mij op de getrouwe vervulling van al zijne beloften. Mijne ziel wacht op den Heer, meer dan de wachters op den
218
morgen, de wachters op den morgen! â Wij zouden geheel ontbloot moeten zijn van alle schoonheidsgevoel, indien wij niet aanstonds het diep treffende gevoelden, dat er in de herhaling dezer woorden ligt; indien wij niet de sterkte der aandoening opmerkten, welke daaruit spreekt. De beeldspraak is van eenen wachter ontleend, die in den nacht op een torentrans of elders is geplaatst, of ook een gevaarlijken post inneemt, en met steeds klimmend verlangen de eerste schemering van den dageraad verbeidt. Nog teekenachtiger en aanschouwelijker is de voorstelling van zulk eenen Oosterschen Wachter, in het 2iste Hoofdstuk der Godspraken van Jesaia: âDe last van Duma. Men roept tot mij uit Seïr: Wachter wat is er van den nacht? Wachter wat is er van den nacht? (Ook, daar wederom diezelfde treffende herhaling!) Wachter! Ziet gij nog niet den morgen grauwen? maar mistroostig of ontmoedigend luidt daar het antwoord des Wachters: de morgenstond is wel gekomen, maar het blijft nog donker; het is nog nacht!quot;
Moge dan deze beeldspraak Oostersch gekleurd zijn, verstaanbaar genoeg is zij voor ons allen, en niet moeielijk kan het ons vallen ons geheel in zulk eenen toestand in te denken, te verplaatsen. Hebt gij wel eens, of meermalen, eenen langgerekten nacht wakend aan het ziekbed van een geliefden kranke doorgebracht? Herinnert gij U, hoe angstig gij toen het opvlammen der koorts en ieder verschijnsel der steeds klimmende krankte gadesloegt? Hoe nauwlettend gij de traag voortkruipende uren teldet? Hoe dikwerf gij, naar buiten zaagt, en zuchtend uitriept: âWordt het dan nog al en nog al geen dag?quot; Maar ook, met welk een onuitdruk-
219
baar gevoel, de eerste lichtstraal van den morgen, en de aanblik van Gods vriendelijke en heerlijke zon toen door U werd begroet ? O dan weet gij het ook, dan verstaat gij ten volle, wat dit woord beteekent: âde wachters op den morgen, de wachters op den morgen!quot; Alleenlijk, zoo dit verlangen naar den naderenden morgen, toen bij U al lichtelijk met zeker ongeduld gepaard ging, dan was het dat verlangen niet, gelijk het ons in onzen schoonen Psalm afgeteekend wordt: dat verlangen is een verbeiden van den Heer, dat alzoo met lijdzaam en geduldig wachten gepaard gaat, en een vasten grond der hope voor de toekomst behoudt. Immers de wachter weet, dat, hoe lang ook de dageraad schijne te toeven, de morgen zeker zal komen, en zóó laat ook hier de gewijde zanger aan het einde zijns lieds van de snaren zijner harpe het ruischen: Israël hope op den Heer! De Heer zal Israël verlossen! want bij den Heer is goedertierenheid, en hij Hem is veelvuldige verlossing!
Welk eene gedachte wordt nu door dit beeld, zoo als het hier en in Jesaja\'s Profetiën geteekend staat, uitgedrukt? Ik weet het niet beter te vertolken, dan door: het verlangend uitzien naar eene hetere of schoonere toekomst. Hierover wensch ik dan in dit uur te spreken. Dat verlangen, willen wij beschouwen, zooals wij het vinden;
bij Israël vóór de heuglijke tijden der vervulling;
in de Christelijke Kerk vóór de dagen der Hervorming;
in de Hervormde Kerk op den gedenkdag, dien zij heden viert.
220
Gereedelijk zult gü mij vergunnen bij het laatste ook het langst te vertoeven. Voor het toepasselijk deel dezer rede zal ik weder in den inhoud van onzen Psalm de grondtrekken zoeken dier gemoedsstemming, die ik onder den goddelijken zegen, door deze ure van plechtige feestviering, bij ons allen wensch bevorderd te zien.
Zekerlijk behoort die 130ste Psalm nog altijd tot de meest geliefde en gezongene Psalmen, omdat zóó menigeen, die donkere dagen in zijn leven gekend heeft, daarin zóó geheel zijn eigen gemoedstoestand zag uitgedrukt, en daarin zoo menigwerf opbeuring en verkwikking heeft gezocht en gevonden. Dat wachten op den morgen, dat verlangend uitzien naar eene betere of schoonere toekomst, het is eiken sterveling die zijn aandeel heeft aan de rampen dezes levens, zóó natuurlijk eigen. Wij vinden het dan ook in de geschiedenis van alle volken weder, maar nergens op zulk eene sterksprekende en aandoenlijke wijze ons afgeteekend, als bij het vrome Israël vóór de heuglijke tijden der vervulling, als in de heilsverwachting des O. Verbonds. Het is volkomen naar waarheid gezegd, dat, terwijl de meeste oude volken eene gouden eeuw, die reeds lang had uitgebloeid, aan den ingang hunner geschiedenis plaatsten, Israël daarentegen zijne gouden eeuw â welke al de droombeelden der Heidensche volken door haren glans verre overstraalde â van de verre toekomst bleef verwachten. Reeds van de
221
lippen van eenen stervenden Jakob, waar hij zijne zonen zegent, vernemen wij het woord; âO/? Uwe zaligheid wacht ik ó Heerquot;*) waarmede hij, in het vertrouwen op de vervulling van Gods beloften ontsliep. Davids Koningsharp gaf dezelfde klanken aan; en hoe liefelijk schildert hij dien morgen, die er met de komst van zijnen nazaat zou verrijzen, dien morgen zonder wolken, als de ochtendzon zich zou spiegelen in den regendrop op het jeugdige kruid. §) Op de vleugelen en met den blik eens adelaars vloog de geest van eenen verrukten Jesaja tot in de verste toekomst vooruit, en die rijzende zon te gemoet. En zoo vele Profeten, als er na hem hebben gezongen, hielden zij niet allen, met het verlangen âdes wachters op den morgenquot;, het oog onafgewend gevestigd op de kim, waar die morgen ontgloren moest? Maar dat verlangen naar eene betere en schoonere toekomst, welke de vervulling van Gods beloften zou zijn, hoe dikwerf is het teleurgesteld, hoe lang en hoe zwaar is het beproefd! Daar hoort gij eenen Jeremia, den man die ellende gezien heeft, terwijl hij den val van bet schuldig Jeruzalem voorziet, klagen: âWee onzer! de avondschaduwen verlengen zich!quot; In plaats van den morgen te begroeten ontwaart hij met schrik het donker van den neêrzinkenden nacht. Daar zitten de Sionieten aan Babels stroomen; men vraagt hun de woorden eens lieds, maar de harpen zijn gehangen aan de wilgen. Hoe zouden zij een lied der vreugde
*) Gen. XLIX : 18. §) 2 Sam. XXIII: 4. f) Jerem. VI; 4.
222
v
zingen, waar nog altijd de langverbeide morgen toeft? De gevangenen van Sion zijn wedergebracht; Juda heeft opnieuw bezit genomen van het erf zijner vaderen; maar de Psalmtoon is verstomd, de orakelstem der Profeten zwijgt; het schijnt eer duisterder dan lichter te worden; en als de vraag uit het hart der vromen klimt: âWachter wat is er van den nachtfquot; â\'Wachter! wat is er van den nacht?quot; dan luidt het antwoord des wachters: âde morgen is wel gekomen, maar het blijft donker, \'t is mg nacht!quot;
Maar toch niet eeuwig zou die hope kwijnen; â niet onbevredigd zou dat wachtend uitzien naar dien morgen, dat vurig steeds hooger klimmend verlangen blijven. Gods beloften falen niet. Bij de heuglijke vervulling der tijden, in den zaligen Kerstnacht, daar breekt het licht der wereld door en een dag gaat op, gelijk er nog geen dag aan de kim heeft gegloeid en geschenen! De zonne der waarheid en gerechtigheid verrijst, welke als het waarachtige licht in den nacht van menschelijke dwaling en zonde, tot diep in den nacht der graven zal schijnen. Met den Christus Gods in zijne armen hoeren wij nu eenen Simeon juichen: âNu laat gij ó Heer Uwen dienstknecht in vrede henengaan naar Uw woord, want mijne oogen hebben Uwe zaligheid gezien! 1) Ik heb de zonne des heils in haren opgang aanschouwd. Ik heb genoeg geleefd!quot; De morgen, hoe lang vertraagd, hoe lang te vergeefs verbeid, en met welk een smachtend verlangen ingewacht is in de volheid der eeuwen toch gekomen.
1
Luk. 11: 29 en 30.
223
God heeft gedacht aan zijn genade, zijne trouw aan Israël niet gekrenkt, en in de vervulling der zaligste hope het voor alle volgende eeuwen bevestigd, dat er hij Hem goedertierenheid is, en veelvuldige verlossing!
De nacht was voorbij gegaan, de morgen was gekomen. Het licht, dat in den zaligen Kerstnacht ontgloorde, heeft zich steeds verder over de aarde verspreid. Volken die in duisternis als in schaduwe des doods waren neêrgezeten, ook onze Vaderen, hebben den weêrglans van dat licht opgevangen en zich mogen koesleren in zijne stralen. Hoe spoedig evenwei scheen dat gezegende licht, door menschelijke dwaling verdonkerd, in nevelen te zullen ondergaan! Hoe spoedig zien wij voor de volken van ons werelddeel den hemel zich verduisteren; eerst de zon, dan het avondrood, eindelijk de helderst flikkerende sterren verbleeken. Neen! wij willen den nacht der middeleeuwen, en de tijden die het naast aan de Hervorming zijn voorafgegaan, niet donkerder kleuren, dan zij werkelijk geweest zijn; maar wij mogen toch met gerustheid vragen: hoe het. in het hart en het leven van de meeste belijders des Evangeliums moet zijn gesteld geweest: toen het heilig Bijbelboek als onder kloosterstof lag begraven ; toen men veel meer vroeg wat in Pauselijke besluiten en decretalen, dan wat in dat Evangelie geschreven stond, en een iegelijk wie het waagde daartegen zijne stem te verheffen met banvloek en houtmijt bedreigde? Wat er van het wezen des christelijken geloofs en der godsvrucht worden moest, toen men door eene reeks van verdienstelijke werken, Gode
224
toegeteld en in rekening gebracht, de zaligheid meende te kunnen beërven of die ook voor anderen te kunnen koopen ? Toen de dierbaarste aller weldaden, genadige schuldvergeving voor zilver werd veil gesteld; en vuige gewinzucht ten laatste den gruwel zóó verre dreef, dat men den klank van het geld genoegzaam keurde om de vlammen des vagevuurs te blus-schen, en de deuren des hemels te doen openspringen?
Tegen dat donkere â wij zijn de eerste om dit toe te stemmen â staan in die zelfde tijden, ook helderder lichtpunten over. Neen! ook toen heelt het niet aan velen ontbroken, die naar het licht hunner overtuiging God in geest en in waarheid zochten te dienen; die waarachtig vroom van hart en wandel geweest zijn; maar ook overal, waar een hart in den boezem klopte, dat naar waarheid dorstte, dat naar schuldvergeving en heiliging, naar troost en zielrust smachtte â daar was het oog voor het bederf der Kerk ontsloten; damp;ar werd steeds dieper en inniger de dringende behoefte aan eene Hervorming erkend en gevoeld. Zij allen dus, die in die duisterder tijden eene eere van Christus en Christendom verdiend genoemd te worden, zij waren het ook, die met hopend en biddend verlangen naar eene betere en schoonere toekomst bleven uitzien; die in stilte bleven wachten op den Heer, meer dan de wachters op den morgen, de wachters op den morgen! En hoe lang en hoe zwaar werden wederom dit geduld en vertrouwen beproefd! Hoe dikwerf zal het oog dier vromen, meermalen ook uit eene enge kloostercel en door de beschilderde glasruit heen, naar den donkeren hemel hebben opgezien, met de diepe verzuchting: âZou de morgen nog niet komen? Blijft het nog altijd nacht?quot;
225
Hoe ijdel en vruchteloos scheen zoo menige vroegere poging ter Hervorming te zijn gebleven! De stem van zoo velen als van betere dingen getuigenden â scheen zij niet als eene stem der roependen in de woestijn te zijn weggestorven? Het zaad door hunne hand gestrooid â scheen het niet verwaaid door den wind, of tegelijk met de assche hunner
houtmijt verstoven! En toch____de nacht was reeds tot
schemering vergrijsd; de schemering had zich verdund, het liefelijk morgenrood kleurde reeds de kim, en ~ toen ook nu de volheid van Gods tijden was gekomen.....daar verrees de zon, welke het licht der zaligmakende genade Gods weder in voller glans zou doen schijnen, welke â God zij geloofd! â nog niet is ondergegaan, maar ook ons bestraalt, nu wij dezen drie-honderd-en-vijftigsten gedenkdag der Hervorming mogen vieren.
* 11
Ja, de dag, dien wij heden gedenken, blijft een dag van grootsche herinnering, die, zoo dikwerf als hij wederkeert, met vreugde en dank aan den God des lichts en der waarheid gewijd, tot in het laatste nageslacht verdiend gevierd te worden. Maar, al zochten wij elke sombere gedachte zorgvuldig van uit uwen geest te verbannen en te verwijderen, het zou ons kwalijk gelukken, nu de toestand der tijden ook over den luister van dit feest zulk eene zwarte en donkere schaduw geworpen heeft. Ik zwijg hier â hoe ernstig de macht des bijgeloofs ook bij voortduring te duchten zij â van de overwinningen, door Rome behaald, van de veroveringen waarop het stoutmoedig blijft uitgaan, van de drieste
Homiliarium II. 15
.1
220
taal, die het in zijnen overmoed te dikwerf blijft voeren, want wij mogen twijfelen of Rome op dit tijdstip gestemd zal zijn luide triumfzangen op den naderenden val van het Protestantisme aan te heffen, nu de bajonnetten zich kruisen om \'s Pausen waggelenden stoel omver te halen of te schragen. Maar ik heb hier, gelijk gij allen vermoedt, veel meer het oog op de inwendige gesteldheid onzer eigene kerk, waardoor het ten volle verklaarbaar wordt, dat dit zóó heuglijke feest door velen, en niet het minst door dezulken, die Christendom en Hervorming nog den dierbaarsten zegen achten, veel meer in eene gedrukte dan met een hoog opgewekte stemming des gemoeds en des geestes gevierd wordt. Daar zijn er wel, die de machtige beweging onzes tijds met de Hervorming der zestiende eeuw volkomen gelijk stellen; die hierin eene tweede, geen minder heilrijke en nog meer doortastende hervorming zien; die, in plaats van angstig wachtend uit te zien naar den nieuwen morgen, dien morgen reeds werkelijk gekomen achten, en begroeten met vroolijk gejuich. Maar die opvatting en beschouwing zal wel allerminst de uwe zijn, even weinig als zij de mijne is of zijn kan. Of zou dit die morgen moeten heeten, welke de menschheid met het licht eener betere kennis moet zegenen, dat het wezen van het Protestantisme niet langer in het geloof aan Jezus Christus en Zijn Evangelie, maar in de losrukking en wegwerping van alle banden worde gezocht? Zou dit die morgen zijn, dat de wereld, niet enkel op stoffelijk gebied met al hare natuurkrachten, maar ook op het gebied des zedelijken en geestelijken levens, in de keten eener ijzeren noodwendigheid geprangd en gewrongen blijft?
i
227
Zou dit die morgen zijn, dat het geweten logen spreekt, als het ons schuldig verklaart voor God, en verantwoordelijk stelt voor den Oppersten Rechter? Zou dit die morgen zijn, dat de zondaar niet langer behoefte heeft aan genadige schuldvergeving of de verlossing, die in Jezus Christus is? Zou dit die morgen zijn, dat het geloof aan de onsterfelijkheid wankelt en een dobberen wordt tusschen hoop en vrees? Zou dit die morgen zijn, dat het allerheiligst geloof in den levenden God aangerand in het binnenste heiligdom des ge-moeds, heftig wordt geschud en bewogen, en dat, terwijl het kerkelijke leven kwijnt, en het onzaligst twistvuur blaakt, een volslagen ongeloof, met de ontroerende snelheid, waarmede het giftige onkruid voortwroet op den akker, voortgaat zich in hoogere en lagere standen te verspreiden? Zoo dit de morgen is, die komen zou, met welke kleuren schildert gij dan den invallenden nacht?
Helaas! Veel begrijpelijker is het ons dan nog, dat velen in onze dagen â al stooten zij het denkbeeld verre van zich, als hadde het Christendom zich zelve geheel overleefd; als zoude het Protestantisme eene volslagene ontbinding en vernietiging tegengaan â dat velen in onze dagen in de teekenen der tijden veel meer de voorteekenen van den langzaam neigenden avond dan van den rijzenden morgen meenen te onderscheiden, en daarom uit een diep verslagen gemoed, even als de jongeren van Emmaus bidden: Blijf mei ons, o Heer! want hel gaat avond worden, en de dag is gedaald! *)
( â \'
15*
228
Maar neen! even weinig als den vrolijk rijzenden morgen kunnen of willen wij in de teekenen onzes tijds den vallenden avond zien, want op den avond volgt de nacht, als het beeld der verschrikking en des doods! Doch dat de Protestantsche Christenheid in waarheid donkere tijden beleeft, dat wij voor de ons dierbare, Hervormde kerk, wellicht nog donkerder tijden tegengaan â Ziet M.! Gel.! wij zouden willens blind moeten zijn, om dit nog langer niet te zien en te erkennen. Daarom mag en zal dit woord des gewijden Psalmdichters wel in ons hart en dat van duizenden met ons een diepen weerklank vinden: âMijne ziele wacht op den Heer, meer dan de wachters op den morgen, de wachters op den morgen!quot; â En meent niet T. H.! dat zulk eene taal alleen door U, of door allen, die nog aan de belijdenis onzer Hervormers, in hare hoofdtrekken, getrouw zijn gebleven, ontboezemd wordt: gelooft het, naar den aard der christelijke liefde, dat er ook onder dezulken, die eene tegenovergestelde richting zijn toegedaan, niet weinigen worden gevonden, die als de groote strijdvragen onzes tijds hunnen geest benevelen en hun hart bestormen en benauwen, vuriglijk en uit de diepte des harten de verzuchting doen opgaan: â Het worde licht! het worde licht!quot; En geloofd zij God, dat het ons te midden dier donkerheid ook nu niet aan een vasten grond der hope ontbreekt: dat, hoe lang ook vertraagd, of met welk een smachtend verlangen verbeid, de morgen eener betere en schoonere toekomst eenmaal zal dagen! Vraagt gij hoef of wanneerf Of andermaal een Luther zal moeten opstaan? Of nogmaals een Hervormer zal moeten verschijnen, meer nog dan hij met de schitterende gaven van het genie ge-
V
229
kroond, en bovenal een man vol des geloofs en des Heiligen Geestes, die in staat zij met beslissende kracht op den tijdgeest te werken en het steigerende ros in de teugels te grijpen? â Ik belijde mijne onwetendheid! â Maar zoo vast als mijn geloof is in den levenden God, wiens ook de gangen zijn dezer eeuw: zóó ongeschokt als het onze overtuiging mag zijn gebleven, dat het groote werk der Hervorming uit God zijnen oorsprong heeft genomen, die daarmede het waarachtig heil der menschheid heeft gewild en bedoeld: zóó vastelijk mogen wij vertrouwen, dat God door al de woelingen en bewegingen onzes tijds, voor de christenheid eene betere en schoonere toekomst voorbereidt; dat Hij het goud in den smeltkroes heeft geworpen, om het meer gereinigd daaruit te voorschijn te brengen en, niet op onzen, maar op Zijnen tijd, orde zal voortroepen uit verwarring en het licht zal gebieden uit de duisternis.
Ja, dat God na bange en donkere dagen den morgen eener schoonere toekomst kan doen aanbreken, en zich den Schepper kan bewijzen van het licht uit de duisternis, dat is niet enkel bij den oorsprong of de eerste invoering der Hervorming, maar ook daarna gedurende den zwaren strijd, dien de Hervorming in onderscheidene landen heeft te strijden gehad, meermalen op het heerlijkst gebleken en bevestigd. Getuigt dat, gij Nederlandsche grond, gedrenkt met het bloed der martelaren, kampplaats van den heiligsten strijd, die later, toen hier lofliederen der bevrijding klonken, het toevluchtsoord en de herberg zijt geworden voor zoo vele vervolgden om het geloof! Getuigt dat Fransche uitgewekenen!
230
zonen van het land, waar de Hugenoten onder Psalmgezang hebben gestreden, waar de Gamisards hebben gebeden in de kerken der woestijn, nu de broederen uws geloofs, in het land uwer vaderen weder als in ruimer en vrijer lucht mogen ademen! Getuigt dat, Valleijen vanPiemont! wreed ver volgde Waldenzen! die zóó menigwerf als gij de oogen opheft naar uwe bergen, als gij de sneeuw uwer Alpen in de inorgenzon zaagt gloeijen, terwijl het nog duister bleef in uwe dalen, de verzuchting hebt moeten slaken: âDe morgen is elders wel gekomen maar rondom ons blijft hel nacht!quot; maar die in onze eeuw ten laatste ook het jubeljaar uwer bevrijding en verlossing zaagt ingaan! Getuigt het, gij allen bevrijden en geredden! en gij schimmen onzer vaderen! die zoo veel donkerder tijden nog dan wij hebben doorgeleefd! Roept het ons, hunne moedelooze kinderen toe; âWacht en hoopt op God! de morgen komt; want bij den \'leer is goedertierenheid en veelvuldige verlossing!quot;
Vraagt gij thans M. Gel.! wat deze beschouwing bij ons moet werken, of van welke gezindheden dat verlangend uitzien naar een betere en schoonere toekomst hij ons moet gepaard gaan: wij slaan nogmaals ons oog op geheel den inhoud van onzen Psalm; wij vinden daarin den loon des smeekgebeds; den toon des oolmoeds en der schuldbelijdenis; eener lijdzame verwachting -, en eener blijmoedige en welverzekerde hope-, en wij kunnen niet anders wenschen dan dat ook de stemming onzes gemoeds hiermede overeenkomstig zij!
231
Vreest niet, dat wij de dank- en juichtoonen van uwe lippen willen weren, die er op dezen dag gaan opklimmen in uw hart! Neen! vrij mogen zij langs deze tempelgewelven ruischen en weêrgalmen; en heil Uwer M. B. en Z.! zoo uw hart van den warmsten dank ontgloeid mag heeten jegens den God uw levens voor den zegen der Hervorming, waarmede Hij ook U en uwe kinderen gezegend heeft. Alleenlijk ga dit danken met vurig en ernstig bidden gepaard. Vragen wij toch, welke toon op dü Hervormingsfeest wel den boventoon behouden mag, dan ligt het antwoord gereed: de smeektoon des gebeds, gelijk hij hier ons tegenklinkt: âUil de diepte roep ik, o Heer! Heer! hoor naar mijne slem en laat Uw oor opmerkzaam zijn op de slem mijner smeeking.quot; Of zou eene krachtige opwekking daartoe niet vooral heden voegen, nu zóó veel, zóó onuitsprekelijk veel zich vereenigt, wat ten gebede drijft en dringt? â Zou het geene waarheid zijn, dat er in onze dagen, veel meer over de godsdienstwaarheid getwist, veel meer over den nood der tijden en der Kerke geklaagd, dan voor het heil en den vrede der Kerke gebeden wordt? Kon ook ons gebed, M. Gel.! niet ernstiger en inniger, vuriger en aanhoudender zijn? O! moge er dan op dezen dag veel gedankt, maar nog meer uit de diepte des harten, gebeden worden! En geven wij toe aan de stille hope en de weemoedig zalige gedachte, dat dit Hervormingsfeest, onder den hoogernstigen indruk dezer tijden gevierd, onder den zegen des Almachtigen daartoe zal kunnen leiden; mocht van nu af niet enkel in onze Heiligdommen, maar ook in de woningen en de huisgezinnen der Christenen meer van den waren geest des gebeds worden gevonden, meer
232
zielsverheffing zijn in den gebede tot den eenigen en eeuwigen Vader des lichts, die de bron van alle licht en waarheid is: hoe zegenrijk zou daarvan de vrucht en de uitwerking zijn! dan gewis, zou het nu reeds onze juichtoon mogen zijn: âDe morgen is ons reeds dichter gekomen! De dag van een betere en schoonere toekomst licht aan in \'t verschiet!
En zou die toon des smeekgeheds, indien ons bidden waarlijk bidden mag heeten, niet van zelfs ook de toon des oolmoeds en der schuldbelijdenis zijn? Hoort, hoe de Dichter zingt, gelijk wij zeiven zoo dikwerf hebben gezongen: Zoo gij de ongerechtigheden gadeslaat, Heer! wie zal dan bestaan f â Het mag hierbij nog wel eens herinnerd worden, hoe het ingetredene Jubeljaar onder Israël werd afgekondigd op den dag der groote verzoening, als het volk zich pas voor zijnen God verootmoedigd had. En zou er op dit jubelfeest der Hervorming, door ons, door zoo velen als het met ons mogen vieren, eene mindere schuld te belijden zijn? â Neen! beroemt en verheft u niet, boven vele anderen getrouw te zijn gebleven aan de leer der Vaderen, gelijk gij haar ontvangen en gehoord hebt! Of gelooft gij niet, dat de Heer der gemeente tot menigeen, die gereed staat op de mannen des ongeloofs den eersten steen te werpen, dit gestrenge woord zou kunnen richten: âIk weet uwe werken, dal gij den naam hebt dat gij leeft en gij zijl dood. Weest dan wakende en versterkt het overige wat versterven zou, want ik heb Uwe werken niet vol gevonden voor God! 1) â Keeren wij liever tot ons zeiven in met de vraag: of wij, die Hervormde Christenen
1
Openb. III : 1 en 2.
233
mogen heeten, reeds den ouden zuurdeesem hebben uitgezuiverd en hervormd zijn door de vernieuwing onzes gemoeds? Of ons leven tot zulk een toonbeeld des geloofs, der liefde en der godzaligheid verstrekt hebbe tegenover zoo velen, die den zegen der Hervorming missen, als van ons, hoog be-weldadigden en bevoorrechten door Gods liefde! mocht ge-ëischt en gevorderd worden? en dan gewis! zal niet de trots der Farizeërs, maar de ootmoed des Tollenaars de onze zijn; dan gewis! zal de eigene schuldbelijdenis ons op de lippen zweven, en, zoo iets ons vermag op te beuren, het is dat gezegende woord dat hier volgt: âbij V is vergeving, opdat gij gevreesd wordlT een woord, dat wij te blijmoediger overnemen, als die de verlossing kennen, gelijk die door Jezus Christus is; als die aan den zegen der hervorming ook dien zegen danken, dat wij het weten, hoe aan genade alleen onze redding en zaliging hangt.
Zoo de vrome zanger, alleen bij zulk eene schuldvergeving, die redding en verlossing waagde te gemoet te zien, die hij voor zich en zijn volk smeekend had ingeroepen; dat verlangen, hoe vurig het zijn mocht, was geen ongeduldig verlangen, maar een lijdzaam wachten op den Heer, en zulk eene lijdzame verwachting moet ook de onze zijn! Denkt niet, als wij daartoe U opwekken, dat wij U in deze dagen van gisting en strijd tot eene volslagene onzijdigheid of werkeloosheid willen veroordeeld zien; dat wij van U zouden vergen, âvrede! vrede!quot; te blijven roepen, waar het gevaar ten volle aanwezig is, of waarheid te noemen, wat gij verderfelijke dwaling keurt, en uwe dierbaarste en heiligste
234
overtuiging in de ziel te smoren. Neen! nu of nooit moeten de trage handen en de slappe knieën worden opgericht, moeten de lendenen omgord en de lampen brandende zijn. Nu of nooit moet het de leuze en het wachtwoord zijn der Protestanten; Houdl wal gij hebt, opdat niemand uwe kroon neme!1) niet door te zweren bij Luther of Calvyn, maar door getrouw te blijven aan de groote beginselen, waarvan de Hervorming is uitgegaan! Nu of nooit moeten alle krachten vereenigd samenwerken, om te vergaderen, te behouden, weder op te richten, en te versterken, wat ter versterving neigt. Maar toch â âzij die gelooven haasten nietquot; â en als ik U tot lijdzaam wachten aanspore, dan denk ik aan den edel godvruchtigen geest, die een von Staupitz en Frederik den wijzen bezield heeft, twee mannen waaraan de zaak der Hervorming zulk eene onberekenbare verplichting heeft, en die beide van het beginsel uitgingen, nauwlettend de gangen en wegen der Voorzienigheid gade te slaan, niet ontijdig in het raderwerk dier Voorzienigheid in te grijpen, maar God te laten werken, en geloovig wachtend te vertrouwen op Hem! â Ziet Gel.! dat betaamt ook ons: niet door onbesuisde stappen of handelingen eene uitkomst te verhaasten, dien wij daarna allerdiepst zouden moeten betreuren; niet de zwakke banden die onze Hervormde Kerk en de Prctestantsche Christenheid nog te zamen hechten, door het zaaien van nog meerdere verdeeldheid los te rukken, maar ook thans de heilige waarheid te betrachten in de liefde. Roept geen vuur van den Hemel af over het hoofd der Samaritanen,
1
Openb. III : 11.
235
maar blijft liever bidden voor den vrede van Jeruzalem! Hangt niet met slaafsche gehechtheid aan het oude, omdat het oud is, en staat niet elke christelijke ontwikkeling, omdat zij nieuw is, haastig tegen! En bovenal M. G.! Laat ons in de rustelooze beweging onzer tijden Gods hand, Gods leiding en werking niet miskennen of voorbij zien, die ook thans tot ons als van Zijnen Hemel spreekt: B//c formeer het licht en Ik schep de duisternis. â Ik de lieer doe al deze dingen!quot; 1)
Geduldig en geloovig dan den Heer verbeid, en aan Hem de uitkomst bevolen! Geheel het vertrouwen op Hem gevestigd en eene blijmoedige en wel verzekerde hope op den naderenden morgen in het harte bewaard! Hoe liefelijk en verkwikkend klinkt die hope aan het vroolijk uiteinde des lieds: Israël hope op den lieer! â De lieer zal Israël verlossen van al zijne ongerechtigheden! â want bij den Heer is goedertierenheid en veelvuldige verlossing! â Roept dat op dezen Hervormingsdag aan allen tegen, die neêrgebogen en verslagen van harte zijn. Een ongeloovige heeft gezegd: âHet christendom zal ook dezen storm doorstaan, en bij alle wisseling van vormen zich zelve herscheppen en vernieuwen met steeds verjongende kracht.quot; Christenen! Gij die gelooft, gij moogt U niet door het ongeloof laten beschamen! Gij die gelooft, moogt U niet door de vele verontrustende verschijnselen der tijden laten ontmoedigen! Liever onzen zwakken geloofsmoed gestaald en opgebeurd aan de geloofs-
1
Jes. XLV : 7.
236
kracht onzer Hervormers, door den aanblik dier rolsmannen, die zich vasthielden als ziende den Onzienlijke, en onder al de stormen des tijds, en schoon de grond onder hunne voeten beefde, niet hebben gebeefd en nooit aan eene God-verheerlijkende uitkomst hebben gewanhoopt. Luthers harptoon blijve onze Psalm in den nacht: âEen vaste burcht is onze God, een toevlucht voor de lijnen. En als men ons in deze dagen met de bedenking tegentreedt, of er nog en hoe eenmaal het vierde eeuwfeest der Kerkhervorming in het eertijds Protestantsche Nederland zal worden gevierd? Dan zij hierop ons rustig antwoord alleen: âChristus leeft en God regeert nog!quot; en als wij op de vraag: âWachter! wat is er van den morgen ?quot; het antwoord bekomen: die morgen schijnt nog verre! \'t schijnt nog donkerder en nog donkerder te worden, dan zij het hierop zoowel de taal van uw als van mijn geloof:
âDie kampstrijd onzer eeuw, dat worst\'lend licht en duister,
Is licht do dagheraut van schooner uchtendluister,
En \'t wordingsuur der zegepraal.quot;
Amen.
B. ter Haar.
X.
De Klei\'kliervorming herdaclit. 1)
Ps. 68 ; -10. Gez. 2G5 : 2. Gez. 2G4 :1, 2. Gez. 96.
Zie, ik kom haastelijk; houd dat gij hebt, opdat niemand uwe kroon neme.
Openb. III : 11.
Een woord des Heeren, den Apostel dien hij liefhad in hart en pen gegeven, voor de Gemeente te Philadelphia! Dat Philadelphia, de Lydische stad, hezat een Christenfremeente, die mei recht mocht heeten van Gemeente der Liefde te midden eener booze wereld, tegenstelling van die Zustergemeente in Efeze, die hare âeerste liefde verlatenquot; had.
Heerlijke Broedergemeente! Zij diende den Heer, den heiligen, waarachtigen en machtigen Koning, die de sleutelen heeft tot alle schatten van wijsheid en vrede. Zij bewandelde den weg des heils, klein van kracht, maar getrouw aan Gods woord, en Jezus\' naam niet verloochenend. Zij droeg den roem â zelfs de tegenstanders getuigen zijnde â van
1
Voor \'t eerst in druk verschenen in het jaar 1S69.
238
beminnelijk te zijn en van Jezus bemind, sterk in zwakheid, door dulden heerschend, en gelukkig door de liefde. Zij koesterde de hoop, dat de Heer haar nabij, haar triomf gewis, hare heerlijkheid eeuwig zou zijn, een vaste pilaar in Gods geestelijken tempel. En zoo was die Gemeente dan, naar haren innerlijken aard, wat elke Gemeente moet zijn, een type der ware Christenkerk. Die Christenkerk in \'t algemeen , gelijk de Philadelphische Gemeente in \'t bijzonder, had vaak hare beproeving en menige âure der bezoeking.quot; Maar de Heer, die âhare werken weet,quot; was met haar; en gelijk van al die oude Zeven Gemeenten, als Christen Gemeenten te niet gegaan, alleen die van Philadelphia nog staat âonder de verdwenen volkplantingen en kerken van Klein-Azië, als een ongeknakte zuil op een veld van ruïnenquot;*), zóó hestaat en staat het Christendom nog heden na achttienhonderd jaren, te midden van de versleten en verworpen leerstelsels van de wijsheid dezer wereld.
âIk zal u bewaren,quot; sprak de Heer; en zoo ooit op die tot op den huidigen dag toe vervulde belofte zijner trouw, het Amen onzer dankbaarheid past, het is wel op eiken, ook op dezen 31en Oktober. Wij zullen die overtuiging in ons verlevendigen, als wij ons door onzen tekst de Geschiedenis der Hervorming doen herinneren, om in de stem van \'t Verleden straks ook een les te hooren, voor het Heden althans niet zonder werkelijkheid.
âDie ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de Gemeente zegt!quot;
â¦) Gibbon.
239
I.
Onze tekst herinnert ons de Geschiedenis der Kerk, hervorming :
den strijd, dien zij streed â¢,
de kracht, die haar sterkte;
de kroon, die zij won.
1. âZie, ik kom haaslelijk; houd dal gij hebt, opdat niemand uwe kroon neme!quot; Dat woord wijst ons op den strijd, dien de Hervorming streed.
Wij denken ons drie eeuwen terug, en vinden het Christendom, door millioenen beleden, waar wij tellen bloeiend, maar hoe zwaar wij wegen? Rijk, tot overladens toe, van vorm, is het arm van gehalte geworden; want in dien vorm is de geest van Jezus\' leer vervluchtigd, verstikt. Godsdienst der Waarheid en der Liefde, reine dochter des Hemels! hoe is zij miskend en verminkt. Wat zien wij ter plaatse waar zij allereerst licht en leven had moeten spreiden? Dwaling, alom, uit Onkunde geboren, die den Bijbel veracht als een âboek vol distelen en onkruidquot;, het arme volk uit de hand genomen, in de boekerijen der kloosters gevangen aan een keten. Verbasterd alom het beginsel der Eeredienst, door de gedrochtelijke leer, dat, niet de Mensch met God, maar God met den mensch verzoend moet worden; voldoening voor verzoening, waarbij de Onveranderlijke veranderen moet en gehoorzaamheid minder wordt dan het vette der rammen. Gezocht, alom, de redding der ziel niet in het eene offer van Christus aan het kruis, tot ons eigen offer gemaakt door
240
de gehoorzaamheid des geloofs, maar in het dagelijksche priesteroffer der Mis, ook werktuigelijk bijgewoond tot verdienste gerekend. Aan het hoofd dier priesters (wat al men-schen tusschen de ziel en haren God!) de Man der zeven heuvelen, zich stellende in de plaatse van Hem die âde Vaderquot; is, die zegt; âIk ben heilig en niemand meer.quot; Het woord van Bisschop Eligius van Noyon sedert acht eeuwen alom herhaald; âGeeft geschenken den Geestelijken, en gij kunt op den oordeelsdag zeggen: âNu, God! geef ons, want wij hebben U gegeven.quot; Aan \'t Pauselijk Hof â een laaghartig stelsel van ongeloof, schertsende met de âfabel van Christusquot;, en spottend bij het sakrament des altaars, evenals de Heiden-sche Augurs tijdens Rome\'s verval. Bij het volk â een zielloos stelsel van werkheiligheid, met Marianisme en Heiligen-vereering â de oude Mythologie, in de namen gekerstend! â tot verloochening van het werk van den Ãénigen Middelaar Gods en der Menschen. Misschien hier en daar, verre van de openbaarheid van dat Hof en dat Volk, in \'t verborgen een enkele monnik, bleek van peinzen en nachtwaken, âworstelend in de engte van zijn celquot;, of zwoegend op den Pilatustrap in de stad der Caesars, âbeide vragend wat geen van beide te geven hebbenquot; 1).
En daar treedt nu op eenmaal die Johan Tetzel te voorschijn, die de onbeschaamdheid der kerk ten top voert. Ziet hem zijn kraam opslaan en de vergeving der zonde verkoopen. Hoort hem liegen, dat de aflaten de grootste genadegiften Gods zijn, dat het roode kruis van den Aflaat evenveel ver-
1
Da Costa.
241
mag als Jezus kruis; dat de Heer zijn macht aan den Paus heeft overgedragen, en zich met de regeering zijner kerk niet meer bemoeit tot op den .Tongsten Dag. Hoort hem lasteren, dat hij, Tetzel, geen Petrus benijdt, want dat hij door den aflaat meer zondaren zalig maakte dan Petrus door zijn woord, daar de ziel der stervenden, zoodra het geld in de offerkist klonk, uit de helle opvoer ten hemel.... Maar genoeg! Wij weten \'t, dit was de slotsom; âhet evenwicht van Hoofd en Hart, dat levensbeginsel van ons wezen, door den val des menschen gebroken, na verloop van vierduizend jaren op den drempel der nieuwe wereld door de prediking des Geloofs weder hersteld, lag na vijftien eeuwen op nieuw ontbonden onder de volken!quot;
En daar treedt nu de Hervorming op. Zeker niet plotseling, niet onvoorbereid. Een Waldus en een Wicleff, een Huss en een Savonarola, hadden haar den weg gebaand, lot zij nu, met steeds klaarder bewustheid, in Luther optraden voorttrad. Nu is \'t: âHoud wat gij hebt;quot; Gods Woord, het eeuwig Evangelie; uw kindschap Gods en den zegen des geloofs. âLaat niemand u beroovenquot;: niet van uwe Vrijheid, om u opnieuw onmondig te maken en onder voogdijschap te stellen; niet van de Waarheid, die alleen vrijmaakt en nu zelf in banden ligt! Dat was de wapenkreet tot den ontzach-lijken strijd: strijd tegen Leugen en Huichelarij, tegen Bijgeloof en Waan, tegen Hoogmoed en Mammon, tegen Priesterdwang en Zielenmoord. Strijd, die gevoerd wordt op een keerpunt der wereldgeschiedenis, die beslissen zal over het lot van de grootste macht onder de menschen: de kerk van Jezus, het Christendom-zelf!
Homiliarium II. 16
242
2. âZie, ik kom haastelijk; houd dat gij hebt, opdat niemand uwe kroon neme!quot; Dat woord wijst ons op de kracht, die in den strijd de Hervorming sterkte.
Wat was die kracht? De ervaring van de waarachtigheid der belofte, ja, van hare dagelijksche vervulling: âIk kom!quot; ik kom tot u, ik ben bij u, ik verlaat u niet noch begeef u. De nabijheid des Heeren, steeds in zwakheid krachtig, steunde hem in wien de Hervorming haar kampstrijd streed.
Gedenkt den 31 Oktober 1517. Daar staat Luther voor de slotkerk te Wittenberg en slaat aan de hoofddeur met eigen hand zijn vijf-en-negentig stellingen over den aflaat aan, waarvan de eerste luidt: âGeen mensch kan voor zijne zonden aan God genoeg doen of iets bij Hem verdienen; de vergeving der zonden is een geschenk der vrije genade Gods, die men alleen door geloof en bekeering deelachtig kan worden.quot; Door duizenden werden die stellingen gelezen, afgeschreven, met ongeloofelijke snelheid als op den adem der winden verspreid, â\'t Was,quot; schrijft Myconius, Luthers tijdgenoot, âalsof de Engelen waren uitgezonden om den inhoud heinde en verre over de aarde te verkondigen.quot; Binnen veertien dagen hadden zij de verste grenzen van Duitschland bereikt, binnen eene maand waren zij, in de landtaal overgezet, in Vlaanderen, in Italië verspreid, en binnengedrongen in het Yatikaan van den Paus; binnen zes weken waren ze alom bekend in Europa; een jaar later vond een reiziger ze tot in Jeruzalem toe. En die woorden vonden weerklank in dui-zende harten, bevredigde de behoeften van duizenden, die er door geroepen werden tot de Waarheid, geleid tot den Bijbel, gebracht tot het Leven. Maar die dat woord verwinnen deed.
243
die het den Hervormer in den mond let, die het in de ziel stortte van die het hoorden, dat was de Heer, de levende Heer, die âkwamquot; met zijnen zegen, en âhaastelijk kwamquot;, df Sterke en Getrouwe.
Gedenkt den 17 April 4521. De Riiksdag te Worms is beschreven. De verstokte monnik is opgedaagd. Evenals een Paulus eens, worden hem op weg slechts banden of verdrukkingen voorspeld. Maar hij antwoordt: âAl staken zij een hemelhoog vuur aan tusschen Wittenberg en Worms, zoo moet ik toch in den naam des Heeren verschijnen en mij in den muil des Ondiers tusschen zijne tanden wagen, en Christus belijden en het Hem overgeven.quot; In de nabijheid van Wittenberg, als de averechtsche vriendschap hem voor bet laatste zoekt te weêrhouden met het oude; âZijt u-zelven genadig,quot; daar is het wederom: âNaar Worms ben ik geroepen, naar Worms moet ik optrekken, en al waren er ook zooveel duivels als pannen op de daken, toch moet ik er heen.quot; Hij gaat er heen, er hij staat er. Welk een vergadering, machtiger dan die waarin een Paulus voor Felix of Festus vei\'scheen! Daar troonde, omgeven van al de teekenen zijner heerlijkheid, de machtige Keizer, naast den Aartshertog Ferdinand zijn broeder. Zes Keurvorsten, vier-en-twintig Hertogen, acht bet Markgraven, dertig Aartsbisschoppen, Bisschoppen of Prelaten, zeventien Gezanten van de voornaamste hoven en vrije Staten van Europa, de twee nuntii van den Paus, benevens een groot aantal Prinsen, Graven en Baronnen, vierhonderd in getale, zijn rechts en linksch van den prachtigen troonstoel gezeten. In het voorportaal en voor de vensters verdringt zich een schare van meer dan vijfduizend menschen. En als
16»
242
r-
2. âZie, i/c kom haastelijk; houd dat gij hebt, opdat niemand uwe kroon neme!quot; Dat woord wijst ons op de kracht, die in den strijd de Hervorming sterkte.
Wat was die kracht? De ervaring van de waarachtigheid der helofte, ja, van hare dagelijksche vervulling: Jk kom!quot; ik kom tot u, ik ben bij u, ik verlaat u niet noch begeef u. De nabijheid des Heeren, steeds in zwakheid krachtig, steunde hem in wien de Hervorming haar kampstrijd streed.
Gedenkt den 31 Oktober 1517. Daar staat Luther voor de slotkerk te Wittenberg en slaat aan de hoofddeur met eigen hand zijn vijf-en-negentig stellingen over den aflaat aan, waarvan de eerste luidt: âGeen mensch kan voor zijne zonden aan God genoeg doen of iets bij Hem verdienen; de vergeving der zonden is een geschenk der vrije genade Gods, die men alleen door geloof en bekeering deelachtig kan worden.quot; Door duizenden werden die stellingen gelezen, afgeschreven, met ongeloofelijke snelheid als op den adem der winden verspreid, â\'t Was,quot; schrijft Myconius, Luthers tijdgenoot, , alsof de Engelen waren uitgezonden om den inhoud heinde en verre over de aarde te verkondigen.quot; Binnen veertien dagen hadden zij de verste grenzen van Duitschland bereikt, binnen eene maand waren zij, in de landtaal overgezet, in Vlaanderen, in Italië verspreid, en binnengedrongen in het Vatikaan van den Paus; binnen zes weken waren ze alom bekend in Europa; een jaar later vond een reiziger ze tot in Jeruzalem toe. En die woorden vonden waêrklank in dui-zende harten, bevredigde de behoeften van duizenden, die er door geroepen werden tot de Waarheid, geleid tot den Bijbel, gebracht tot het Leven. Maar die dat woord verwinnen deed.
243
die het den Hervormer in den mond let, die het in de ziel stortte van die het hoorden, dat was de Heer, de levende Heer, die âkwamquot; met zijnen zegen, en âhaastelijk kwamquot;, de Sterke en Getrouwe.
Gedenkt den 17 April 1521. De Riiksdag te Worms is beschreven. De verstokte monnik is opgedaagd. Evenals een Paulus eens, worden hem op weg slechts banden of verdrukkingen voorspeld. Maar hij antwoordt: âAl staken zij een hemelhoog vuur aan tusschen Wittenberg en Worms, zoo moet ik toch in den naam des Heeren verschijnen en mij in den muil des Ondiers tusschen zijne tanden wagen, en Christus belijden en het Hem overgeven.quot; In de nabijheid van Wittenberg, als de averechtsche vriendschap hem voor het laatste zoekt te weerhouden met het oude: âZijt u-zelven genadig,quot; daar is het wederom: âNaar Worms ben ik geroepen, naar Worms moet ik optrekken, en al waren er ook zooveel duivels als pannen op de daken, toch moet ik er heen.quot; Hij gaat er heen, er hij staat er. Welk een vergadering, machtiger dan die waarin een Paulus voor Felix of Festus vei\'scheen! Daar troonde, omgeven van al de teekenen zijner heerlijkheid, de machtige Keizer, naast den Aartshertog Ferdinand zijn broeder. Zes Keurvorsten, vier-en-twintig Hertogen, acht Markgraven, dertig Aartsbisschoppen, Bisschoppen of Prelaten, zeventien Gezanten van de voornaamste hoven en vrije Staten van Europa, de twee nuntii van den Paus, benevens een groot aantal Prinsen, Graven en Baronnen, vierhonderd in getale, zijn rechts en linksch van den prachtigen troonstoel gezeten. In het voorportaal en voor de vensters verdringt zich een schare van meer dan vijfduizend menschen. En als
16»
244
het nu heet: âMen vraagt u een kort en duidelijk antwoord: wilt gij terugtrekken of niet?quot; daar klinkt het mannelijk en moedig: âHet is den christen niet geoorloofd tegen zijn geweten te spreken.quot; En daarop, de oogen over de vergadering latende gaan, die zijn leven in handen heeft, spreekt hij: âHier ben ik; ik kan niet anders; God helpe mij, Amen!quot; â Welnu, welke was de kracht van dien armen monnik, over wiens onheteekenend uiterlijk Keizer Karei zich verwonderde? Wie sterkte dezen man, dat hij aldus, onbevreesd, den elek-trieken schok geeft aan zijn tijd; dat hij, wachter zijner eeuw, zijn volk roept uit den slaap; dat hij, ook op gevaar van op morgen den brandstapel te betreden, voor duizende geslachten, met een mannelijke stem, de blijde boodschap vernieuwt en er geen woord van terug neemt: âDe rechtvaardige zal leven door het geloof?quot; Dat was de Heer, de levende Heer, die kwam met zijnen zegen, die haastelijk kwam, de Sterke en Getrouwe!... Neen, edele Erik van Brunswijk! niet de teuge uit uwen zilveren beker, dien vermoeiden kampioen toegezonden, was zijne ware verkwikking: hij had een verkwikking die gij niet weet, maar die gij later ervaren zult, als, naar zijne bede, de Heer Jezus uwer gedenken zal in uw stervensure. Neen, wijze Frederik van Saxen, grootmoedige Philip van Hessen! niet in de eerste plaats de wenk uwer vriendelijke oogen, te midden van zoo vele gefronste voorhoofden en dreigende blikken, sterkten dezen Pater Martinus; maar de blik van twee oogen, die bi niet zag maar gevoelde: die van zijn Heer en Helper, die ook dezen kruisgezant kon doen getuigen: âIn mijne verantwoording is niemand bij mij geweest, maar de Heer heeft
245
mij bijgestaan en mij bekrachtigd!quot; *) Verketterd en verbannen en vogelvrij verklaard, gaat hij goedsmoeds zijns weegs met het woord: âGelijk de Heer het gewild heeft, zoo is het moeten gaan: de naam des Heeren zij geloofd; en Hij staat mij ter zij!quot; En waar hij nu ook verder de vaan der Hervorming plant, steeds komt die stem tot hem, en tot allen die zich met hem gorden tot het groote werk, tot de gant-sche strijdende Kerk: âZiet, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld!quot;
3. âZie, ik kom haastelijh; houd dat gij hebt, opdat niemand uwe kroon neme!quot; Dat woord, eindelijk, wijst ons op de kroon, die de Hervorming won.
Wat won de Reformatie? Wat heeft zij uitgericht, de grootsche daad, die haar uitzond, en zij triomfeerde? Hoort de stem des verwijts: âStroomen bloeds, verwoesting op verwoesting, zijn dat âIk kan niet andersquot; van Luther gevolgd. De bladen der geschiedenis, na de Hervorming, zijn onuitputtelijk in de verhalen van onverzoenlijke vijandschappen, van onmenschelijke slagen, van den boerenkrijg, van onzen tachtigjarigen oorlog met Spanje, van den strijd tusschen de Ligue en de Hugenooten in Frankrijk, van den dertigjarigen oorlog in Duitschland. Ja, de Westphaalsche vrede was nog het einde niet. Wel vervuld is het woord: âIk ben niet gekomen om vrede te brengen maar het zwaard !quot;§) Wat zullen wij zeggen? Beklaagt gij u van het onweêr, omdat
â¦) II Tim. IV : 16. ij) Beynen.
246
het inslaat in de schaapskooi of een schuur in den asch legt, terwijl het voor duizenden de lucht doorzuivert, van schadelijke dampen en pestilentie zwaar? Er zijn dingen, schatten, kroonen, die men niet te duur koopt, ook niet met het edelste bloed. Niet het leven is het hoogste goed; maar het hoogste kwaad is de dwang des gewetens, en des leugens heerschappij. Wat baat het den mensch of hij, niet alleen zijn bloed behoudt en zijn leven, maar zelfs de wereld wint, en hij verliest zijn ziel?
Ziet, deze kroon heeft de Hervorming gewonnen â en is dat klein? â de scheidsmuur verbroken tusschen God en de ziel die Hij tot zich schiep. Geen mysteriën of voorrechten in de Godsdienst voor den Priester boven den leek, maar ook de leek, door den gescheurden voorgang, ingetreden in het Heilige der Heiligen, als een hunner die door den Heer die ons heeft lief gehad, gemaakt zijn tot Koningen en Priesters, Gode en Zijnen Vader1). Voor allen herwonnen, het recht op de Waarheid; want voor allen is eens voor achttien eeuwen hetzelfde volbracht. Het recht op de Vrijheid; want, zooals het eene opschrift luidt op het Luther-monu-ment binnen Worms: âDie Christus recht verstaan, die zullen door geen leering van menschen meer gevangen worden genomen: zij zijn vrij, niet naar den vleesche, maar naar het geweten.quot; Het recht op Gods Woord, Zijn ücht op ons pad; Gods Liefde uit de eerste hand, uit Gods hart in rechte lijn uitstralend tot in het onze; op Gods Leven, onovergedragen in menschelijke vaten, maar in frissche stralen opgevangen.
1
Openb. 1:5,6.
247
gt, naar het woord: âDie wil kome en neme het water des
de- Levens om niet.quot;
en, Was niet binnen eene eeuw na dien 31 Oktober de zede-
het lijke gedaante van half Europa herschapen, het gelaat van
het Christus\' Gemeente vernieuwd?
3ns En sedert, ziet door de Hervorming de Blijde Boodschap
3en gebracht tot aan de einden der wereld. Den eenen dag is
nt, bevolen het aan den andere te melden, den nacht aan den dag, en zoo de menschen zwegen, de steenen zouden haast
i is roepen: âVrede! vrede dengeen die nabij zijn en dengeen die
de verre zijn, zegt de Heer, en ik zal ze genezen.quot; Ziet gij het
ten niet, hoe alles wat tot hiertoe vast en hecht was, los wordt
aar in de gemoederen? Ziet gij het niet, hoe alle leugens wan-
in kelen en vallen, zij het ook nog niet om alle door waarheid
eer te worden vervangen, dan ten minste om voor andere leugens
en plaats te maken, die door andere waarheden worden begeleid,
en, en weldra gevolgd door de volkomen triomf der Eeuwige
oor Waarheid? Heeft en kent niet onze tijd zijn roeping: het
iid; afbreken en opruimen der puinhoopen uit de middeneeuwen,
nu- waardoor nog zooveel ongelijks en hobbeligs overbleef in de
len bewerktuiging van het Nieuwere Leven? Zoo worden alle
ge- bergen geslecht, alle laatste hoogten geëffend. Adel daalt;
het rijkdom slinkt; troonen storten in. Nieuwe schuddingen trillen
ad; reeds in den schoot der wereldzee, al is het op hare opper-
lijn vlakte nog kalm. De heirweg der Menschheid wordt gebaand
gen voor de laatste en heerlijkste komst van Hem, die door de
en, wereldgeschiedenis heen zijne stem steeds hooren: âIk kom, ik kom haastelijk!quot; En ja, Hij was komende en is het tot dezen dag: komende als een bliksem, die van het oosten
s
248
naar het westen gaat, een dood brengende, of een licht, een zuiverende kracht, een nieuw leven! En het Christendom middelerwijl, bij velen gehaat en aangevochten, het zit, gelijk eens Luther op zijnen Wartburg: bij zijnen bijbel en zingende zijn psalm; âEen vaste burcht is onze God!quot;
Voor acht weken deed ik een bedevaart naar dien Wartburg. Ik zat aan zijn voet in de schemering. Daar brak de maan door de drijvende wolken en goot haar bleeken zilverglans over dat eerwaardig slot, dat in stilte zijn acht eeuwen droeg, en waar nu nergens eenig teeken van leven zich vertoonde. En ik dacht: âIs dat nu het beeld van dat Christendom, door zóóvelen voor uitgediend verklaard, een anliquileil die men bezichtigt maar niet meer bewoont, een ruïne in de schaduw, bij het koude licht van den nacht?quot; Maar den volgenden morgen vroeg stond ik in de Luther-cel, en daar viel, met verkwikkelijke warmte, de zonneschijn door de ruiten, en bescheen er het beeld van den grooten Hervormer, en hulde daar buiten den burcht als in een krans van stralen. Het was of die morgenzon profetesse was van een nieuwen dag, die over de Kerk zou opgaan; en ik herhaalde de vraag:
âO, Man der daden!
Wanneer, wanneer Daalt, uit den Wartburg der gebeden,
De held die in uw spoor zal treden,
Der Toekomst Reformator neer?quot;
249 II.
1. Der Toekomst Reformator. Heeft dan de Hervorming niet hare taak volbracht, en is de kroon die zij won, niet de laatste, waarop geen andere meer volgen kan?
Gij weet het tegendeel, want gij leeft midden in den strijd, gij hoort de roepstem die nog altijd, meer dan ooit, weêr-klinkt: âHoud wat gij hebl, laat u niet berooven!quot;
Daar zijn roovers rondom u, en het geldt een kroon, de beste: die uwer schoonste hoop, die van uw waarachtig leven!
Elke tijd heeft zijn eigenaardigen strijd, die dan vaak tegelijk aan vele plaatsen losbreekt; want daar is als \'t ware een strooming des geest es, en zoowel de hartstochten als de denkbeelden eener eeuw dringen, als door de poriën, tot binnen in het hart barer kinderen. De grooten strijd ónzes tijds nu, is die van het Materialisme, zich bewegende als tusschen de beide polen van ongeloof en bijgeloof. Waar Rome de harten onverschillig vindt en de hoofden benevelt, daar wint zij veld. Dus in Engeland, waar aan de eene zijde de koude Negatie der Wetenschap vele leden als afgevroren heeft van het Christendom, en aan de andere zijde Zinnelijkheid en Onkunde bezig zijn het Protestantisme wederom te omhangen met de priestertooi van al de bonte plechtigheden van het Katholicisme. Dus in Duitschland, Luthers vaderland! waar de Jezuiten in de Rijnstreken een akker vonden, volkomen toebereid om het kwade zaad op te nemen, of waar het Indifferentisme van gisteren door het herleefde Formalisme van eergisteren vervangen wordt.
En de kerk van Nederland, en uwe Hervormde Gemeente,
250
gij Hoofdstad van mijn vaderland? Ik heb den grond lief, die om der godsvrucht en der vrijheid wil gedoopt is met het bloed der martelaren; ik hemin de moederkerk, aan wier boezem mijn geest het eerste voedsel, mijn hart de eerste rust genoot; en voor u. Gemeente van Amsterdam! trad ik wel allerlaatst als beschuldiger op. Maar de waarheid moet gesproken, al zou zij ook bijna als een beschuldiging luiden, want het is niet geraden, evenmin als tegen de conscientie, tegen de ervaring te spreken.
Ook hier, ook bij u, bij de kinderen der Hervorming, een koortsig jagen naar allerlei zingenot, en daarom steeds nieuwe proefnemingen van de oude kunst der legende: uit steenen goud te maken. En daarbij nu tegelijk, op elk gebied des levens, een onophoudelijke schermutseling tusschen de twee oude vijanden in het nieuwe, veelverwige kleed, Ongeloof en Bijgeloof, dit is: de Losbandigheid en de Slavernij. Hier â de slavernij: een angstig terughunkeren naar verouderde tijdvormen, enge kerkers, waaraan de altijd jonge geest zich lang ontworsteld heeft: een miskenning van de eeuwige wet der Geschiedenis zoowel als van des Christendoms eenigen grondslag, die niet is de doode formule, maar het levend feit: âGod was in Christus de wereld met zich-zelven verzoenendequot;, gelijk elk feit een kracht, maar tevens, gelijk geen ander feit in die mate, een kracht van den God der liefde tot liefde1). Ginds â de losbandigheid, de Mephistopheles-geest, met of zonder de toga van Faust, in kerk en huisgezin, in school en leven, altijd dezelfde geest, âdie steeds ontkent.quot;
1
Zie mijne Eischen des tijds aan het Protestantisme, 1853.
251
Die het Gezag ontkent, en de willekeur wordt; het Geloof ontkent, en de twijfel wordt; het Gevoel ontkent, en het ijskoude verstand is; de Geestdrift ontkent, en de onverschilligheid is; de uitspraak der dankbare Bewondering ontkent, en de honende, bijtende wankritiek is; de heilige, reine Liefde ontkent, en aldus de onreine, dierlijke drift en de onheilige zelfzucht is!... In hoe menig protestantsche woning is het vuur op het huisaltaar der Godsdienst, indien niet uitgegaan, dan slaaprig-smeulend, zich-zelf verteerend onder de assche. Wisselende aandoeningen en gewaarwordingen voor vaste beginselen; uitwendige betamelijkheid, in plaats van inwendige vernieuwing; ingebeelde vrede des harten, zonder waarachtige verzoening met God. Ik zie â een vermoeiend hinken op twee gedachten, waarbij het nooit tot de ruste van een innerlijk veroverd standpunt komt; een gedurig twisten met Gods geest in de conscientie, waarbij het proces nooit voortgaat en het pleit nooit voldongen wordt; een âimmer-leerenquot; bij een âimmer-tot-kennis-komenquot;. Ik zie â overtuiging van het verstand zonder overbuiging van den wil; of hardnekkige betweterij in de theorie, ter wille van de liefst voor de wereld als systematisch voorgedane praktijken van den meest wuften wereldzin. Ik zie â eigenwijsheid in het hoofd, eigenliefde in het hart, eigengerechtigheid in het leven!
Is deze rede hard? Kunt gij ze niet hooren? Ga ik te ver, en wilt gij ook, dat ik intrekke wat gesproken is? Maar toon dan, Hervormde Gemeente! dat gij het Geloof bewaart en beschermt bij u-zelf en bij anderen; dat gij de Zelfverloochening, als eerste vrucht van het geloof, predikt met
252
woord en voorbeeld; dat er een hervormende kracht van beide uitgaat, in uw eigen huis allereerst, en voorts zoover uwe stem kan reiken en uwe gangen kunnen worden gezien? Want weet het wel, de hervorming der Gemeente moet uitgaan van de hervorming van het Huisgezin, en de gehalte van het Huis wordt beslist door het Hart van des huizes leden, van des huizes hoofd allereerst.
Gewis, er zijn vijanden te over, vijanden uwer moeder, kinderen der Reformatie! en daarom uwe vijanden: vijanden uwer ziel en zaligheid; en zoo is er dan een strijd nog altijd, waarbij de roepstem niet overbodig werd, indien gij immers nog iets te verliezen hebt: âHoudt wat gij heht, laat uwe kroon niet rooven!quot;
2. Indien gij nog iets te verliezen hebt. Maar dat hebt gij, Gemeente! zoo lang er onder uwe leden nog een beginsel of een overblijfsel van waarachtig Geloofsleven gevonden wordt. Aangaande hen, die dit ten eenemale missen â wat zij hebben, hebben zij niet, en wat zij meenen te hebben kunnen zij niet houden. Maar dit geldt van u allen niet, dit geldt niet van Uwe minderheid. Want bij de minderheid was van ouds het recht: de levende waarheid en het waarachtige leven. Er zijn meer dooden onder de aarde dan levenden op de aarde, en ook op de aarde, in hoogeren zin, meer die sterven dan die leven. Die minderheid is het bewarend zout te midden van het bederf der meerderheid, de kleine zuurdeessem in den grooten meelklomp der wereld. En wij, uwe Voorgangers, kennen haar. Wij weten het. God dank! en het bemoedigt ons bij allen, vaak schijnbaar on-vruchtbaren arbeid, ook in uwen schoot. Hervormde Gemeente
253
van Amsterdam! is nog altijd een schat van Geloof en Liefde verborgen. Wij doen die ontdekking juist niet altijd bij vele edelen en grooten en machtigen; wèl menigmaal daar, waar alle andere schatten vergeefs zouden worden gezocht. Er zijn kelders en zolder-kamerkens in deze groote stad, noode door een zonnestraal bezocht, waar een liefelijk licht van vrede en lijdzaamheid schijnt: onbekende kluizen, maar waarvan wijk en nummer in Diens gedenkboek blinken, die âin de straat genaamd de Rechtequot; een Saulus bidden zag. Maar rijk of arm, waar zij dit beide zijn als armen van geest en verkorenen om rijk te zijn in God, tot hen, als tot de vertegenwoordigers van het ware Christendom der Hervorming, tot hen komt de bede: âHoudt wat gij hebt!quot; en de kracht der belofte, die tot alles sterkt: âZiet ik kom haastelijk, ik ben komende, ik ben met u!quot;
De Heer komt, en Hij is er, gij die Hem wacht! om u te doen behouden wat gij hebt. Wat gij niet houdt, dat hadt gij ook niet: dat was leengoed, voor een tijd, geen tot blijven bestemde bezitting. Bekommert u daarover niet, dat rijker en rijper ervaring u veel ontneemt wat u in den aanvang van uw Christenleven nuttig was, onontbeerlijk scheen, ook waarlijk toen en zóó, in de ontwikkelings-geschiedenis van uwen inwendigen mensch noodzakelijk was, onmisbare schakel der groote keten. Betreurt het niet, dat de bloesem afvalt als de vrucht is gezet, maar zorgt voor de vrucht. Betreurt, nu gij een man geworden zijt, de kinderschoenen niet, waarin gij loopen leerdet, maar die u nu zouden knellen en uwen voortgang belemmeren. Wat tot blijven bestemd was van de ure des wordens af aan, het immer-noodige en
254
eeuwig-duurzame, het waarachtig goddelijke in den mensch, houdt dat! Dat is â uw Geloof, dat geloof, waarvan Luther sprak, en het nageslacht heeft het woord op zijn monument gegriffeld: âHet geloof is niets anders dan het rechte, waarachtige leven in God-zelf.quot; Dat is â uwe Liefde: liefde uit een rein hart en een goed geweten, waardoor de meeste zich den minste acht en het voorbeeld des Meesters volgt, die kwam om te dienen en zijn leven hoven allen waarlijk te genieten, door het voor allen waarlijk te geven. Dat is â het heilig Vertrouwen op de eeuwige liefde des Vaders, dat kracht geeft om te leven en moed om te sterven. Dat is â het Geduld der heiligen, waardoor gij rust hebt onder arbeid, berusting onder teleurstelling, daadkracht onder bidden, en gebed om eiken zegen over ieder goed werk. Dat is â met één woord â om, als de gemeente van Philadelphia, Gods woord te bewaren en Jezus\' naam niet te verloochenen in woord noch wandel, en getrouw te zijn in het kleine en in het groote, om der wille der getrouwheid van Hem, die u âliefheeft.quot; Hij zal komen â vaak bij stormen in den nacht; maar Hij stilt de stormen en Hij blijft uw licht. Hij zal komen â ook in beproevingen, want de nood der tijden klimt; maar bij Hem zijn uitkomsten in leven en dood. Hij zal komen â met de wan in de hand om te ziften, maar ook met de kroon, de blijde oogstkrans, om het koren der garven, dat niet doorviel, te verheerlijken. Hij komt in zijn kracht. Hij komt haastelijk.
3. Met de kroon. Ik noemde haar een oogstkrans, maar dat is niet juist. Er is een kroon, die reeds vóór de vol-
255
einding beide arbeid en arbeider kroont. De Hervorming heeft de hare, en ieder waarachtig kind der Hervorming de zijne. Dat is de kroon der gerechtigheid, d. i. der welbehaaglijkheid voor God, omdat men geloovig streed voor het recht, het hoogste; dat der Waarheid, die uit God is omdat Hij de God der waarheid is. Die kroon wordt als zoodanig door de wereld niet gezien, maar voor die haar dragen, blijft haar geur niet verborgen, die het hart versterkt door het gevoel van Gods genade. Wat de wereld van haar ziet, dat zijn hare doornen, want zij is hier slechts zichtbaar als een kroon der lijdzaamheid. Zoo is zij gezien op het gezegend hoofd van den Grooten Hervormer, zich buigend aan het kruis met een â\'t Is volbracht.quot; Zoo werd zij gedragen door Zijne Jongeren, die het Hem napredikten, ook in pijn en banden en in veel gebeds: âWordt hervormd door de vernieuwing uwes gemoeds.quot; Zoo droeg haar Luther bij al zijn werk, tot hij inging tot zijne ruste. En zoo moet gij haar dragen, broeders van des Vaders Zoon, Gods kinderen en dus medeerfgenamen, hier van het kruis en ginds van de heerlijkheid! Want die kroon ondergaat een verwonderlijke verandering, die begint op het sterfbed. Daar vallen de doornen af. En dan â rondom het vredig gelaat, waar nu de rimpels zijn geglad en waar de ontboeide ziel een naglans van hare zaligheid achterliet, blinkt zij al vast als de kroon der heerlijkheid, de onverwelkelijke en onverderfelijke, die de Heer beloofd heeft aan die Hem op hunne beurt liefhebben.
In die hope, Broeders I zetten wij het werk der Hervorming voort, in de kracht en het oog op de kroon van Hem die gezegd heeft: âZiet, ik maak alle dingen nieuw.quot; Dan mogen
256
de aardsche bedehuizen en kerkgenootschappen vervallen en vallen, de Geest des gebeds blijft wonen in de Gemeente, en de ware Kerk, onzichtbaar en toch merkbaar in haar werk, dat een voortgaande reformatie is, blijft en gaat het volmaakte te gemoet. Hare kinderen zijn hare pilaren. âDie overwint,quot; zegt de Heer, âik zal hem maken tot een pilaar in den tempel zijns Gods, en hij zal niet meer daar uit gaan, en ik zal op hem schrijven den naam mijns Gods.quot;
Amen, Heer! kom haastelijk.
A m e n.
J. J. L. ten Kate.
XI.
Houd dat gij hebt. *)
Het is en blijft in Nederland bij de kerken der Hervorming eene loffelijke gewoonte om, hetzij op den laatsten Zondag der Octobermaand, hetzij op den eersten in November, den 31 sten October van het jaar 1517 âte gedenken in hare tempels.quot; Den Sisten October van het jaar 4517 â waarop hij, âdie gezegd heeft dat het licht uit de duisternis schijnen zouquot;, het al to jammerlijk verduisterde licht van zijn heilig Evangelie op nieuw door de dikke nevelen, die het sinds zoolang bedekt hadden, deed doorbreken, en de schemeringen gezien werden van den schoonen dag, die bestemd was over de christenvolkeren op te gaan en een nieuw leven te wekken uit slaap en dood. In Saksen, waar zij ontstaan waren, werden de eerste bewegingen van dat nieuwe leven gezien, maar welhaast zijne werkingen in geheel het midden en noorden van ons werelddeel gevoeld, en ook deze lage landen daardoor niet onaangeroerd gelaten â dit dierbaar Nederland, waar het bestemd was, in zijne jonge kracht, niet alleen de macht des bijgeloofs, maar ook het juk der dwingelandij te verbreken en een edelaardig volk tegelijkertijd te helpen aan hemelschen troost en burgerlijke vrijheid.
â¦) Voor \'t eerst in druk verschenen in het jaar 1876. Hnmiliarium II.
17
258
Als 1.1. Dinsdag, de in ons midden overgeblevene en sedert van elders weder aangegroeide en met een ijver, die ons eensdeels moet beschamen, steeds nieuwe kerken bouwende roomschgezinde gemeente zich gereed maakte om den volgenden morgen het feest van Allerheiligen te vieren, herinnerde zich de protestant, met dankbaarheid aan hem, die uit de duisternis tot het licht en van het kleine tot het groote voert, den stouten stap van den Augustijner Monnik, niet als een heilige door hem gehuldigd, maar als uitverkoren werktuig in de hand des Heeren naar waarde geschat; den stouten stap van Maarten Luther, door hem gedaan in den avond van den laatsten October van dat IS13 jaar der 16e eeuw, hetwelk bestemd was op de aarde onvergetelijk te zijn en waardig is in den hemel herdacht te worden. Of werden toen niet, met welberaden ernst, aan Wittenbergs slotkerk door hem die 95 Stellingen aangeslagen, waarin de voor zijn eigen hart weder waarheid gewordene evangeliewaarheid de groote en zegevierende worsteling met dwaling en miskenning aanvaardde? Den volgenden dag stroomde de Wit-tenbergsche gemeente, stroomde de schare der bedevaartgangers uit alle oorden van Europa naar het heiligdom. Daar lagen, ter eere van het feest, in hun prachtigen opschik van goud en edelgesteente, de boven goud en edelgesteente geschatte overblijfsels der heiligen, welke de kerk rijk was ten toon, en milde aflaatbrieven, die haar verrijken zouden, te koop. Gelijk van jaar tot jaar, werden de eerste aangebeden, en de laatste gekocht; â maar ook die opzienbarende Stellingen aan de deur der kerk bleven niet onopgemerkt, hielden velen staande, troffen niet weinigen. Niet te vreden ze ge-
259
lezen te hebben, niet te vreden er voor zich zeiven kennis van te hebben genomen, schreef menigeen ze af, tot eigen nadere overweging, tot mededeeling aan anderen. Gezegende opmerkzaamheid; vruchtbare schrijfstift! De Engelen Gods juichten u toe. De Engelen Gods, van welke men straks niet kon nalaten te gelooven dat zij zich met het rondbrengen en verspreiden der nieuwe; want nieuw waren zij weder geworden; der nieuwe waarheden belast hadden, om de snelheid waarmede het werk zich had medegedeeld en vermenigvuldigd; zoodat wat daar op dien 31sten October aan de kerkdeur te Wittenberg gelezen was, in veertien dagen in geheel Duitschland, in vier weken aan de gansche christenheid bekend was, in alle kloosters was doorgedrongen, aan alle scholen van geleerdheid hoofden en harten vervulde. Geen telegrafisch net spotte nog met den tijd, geen spoorwegnet met de afstanden; geen snelpers was de jonge drukpers nog; maar te Jeruzalem, in Spanje, in Nederland, las men, bijna gelijktijdig, en een iegelijk in zijn eigene taal, woorden als deze: âDe waarachtige en kostelijke schat der Kerk is het heilig Evangelie der heerlijkheid en der genade Gods.quot; De 62ste van Luthers Stellingen.
Medechristenen! het is de Heer, die voor dien onschatbaren schat de harten wederom geopend heeft; die oogen gegeven om hem te zien, handen den moed geschonken zich rechtstreeks naar hem uit te strekken.
Het is de Heer, die, in den armsten tijd, inden hoogsten nood, wederom duizenden van ellendigen door dezen schat rijk gemaakt heeft voor tijd en eeuwigheid.
Hij heeft het licht, hij heeft de gaven,hij heeft de krachten
17*
260
geschonken, hij den moed en de trouw, hij de vastheid des geloofs en de vurigheid der liefde, waardoor de strijd heeft kunnen gestreden, de worsteling heeft kunnen volgehouden worden, waarbij het om het verbreiden, om het algemeen maken van dien schat te doen was. Het heldenwerk der hervorming zijner zoo jammerlijk misvormde kerk was het zijne. Hij heeft de wijsheid, hij de kloekheid verleend tot het moedig verzet tegen menschelijk gezag op het gebied des gewetens; hij het licht op den kandelaar herplaatst, hetwelk alleen kon vóórlichten en troosten in leven en in sterven.
Landgenooten! het was de Heer, die de stralen van dat licht ook en weldra, tot uwe landpalen heeft doen doordringen, die dien schat onder het bereik van ook uwe vaderen gebracht heeft; die hen, meer dan eenig ander volk, in de gelegenheid gesteld heeft voor het behouden van dien schat hun bloed met vreugde te vergieten. Ook op dezen bodem is, bij het flikkeren der martelvuren en onder het woeden van den krijg, eene Hervormde Kerk op het fondament der apostelen en profeten door God gegrondvest. Door zijne genade, en onder zijne bescherming is er in Nederland nog eene pro-testantsche bevolking, eene protestantsche kerk tot op dezen dag. Voorzeker, dit is een gedenkdag, dit een dankdag waard. Storten wij ons hart voor Hem uit, maar bidden wij ook om dezen zegen, dat wij ons aandeel in den hervormingszegen mogen waardeeren en ons waardig betoenen â immers niet moedwillig of roekeloos mogen gaan verbeuren.
GEBED.
Houd dat gij hebt, opdat niemand uwe kroon neme.
Openb. Ill: lib.
Ik heb, als gij ziet, het boek der Openbaring van Johannes niet opgeslagen, om u, naar aanleiding van dezen gedenkdag, te bepalen bij gestalten of te onderhouden over voorzeggingen, daarin voorkomende, welke, vooral in de hervormingseeuw, maar ook later, met meer of minder grond op Rome en het Pausdom zijn toegepast. Over Rome en het Pausdom wil ik weinig, veelmeer wensch ik tot u, als hervormden, te spreken. Bepaald te worden bij hetgeen gij als protestantsche christenen hebt, immers kunt hebben, zal u profijtelijker zijn dan wederom te hooren wat genen missen of verwerpen; wat zij te veel en tot hunne schade hebben, gaat u bijlange zooveel niet aan, als wat gij u beijveren moet, indien gij het hebt, ook te behouden. Ik heb geene roeping om hen te oordeelen, maar wel om u en mij zeiven in den naam des Heeren te vermanen. âHoud dat gij hebt, opdat niemand uwe krone neme!quot; dat woord door den Heer der Kerk zeiven, na een voorafgaand ontzaglijk: âZie, ik kome haastelijk!quot; tot zijne gemeente te Filadelfia gesproken, nemen wij aan als tot de kerken der Hervorming, en in deze tot ons, als hare leden gericht.
Wat hebben de kerken der Hervorming?
Höe kunnen zij het houden?
Wat staat te wachten, indien zij het zich laten nemen?
262
Wat hebben de kerken der Hervorming? Wat had de Gemeente te Filadelfia? Zie, in het opgeslagen Hoofdst. het 8ste vers. Zij wordt geprezen door den Heer, omdat zij âZijn Woord bewaard en Zijn Naam niet verloochend heeft.quot; Zij bezat het Evangelie der genade; zij droeg in haar hart het Woord van Vrede door het bloed des kruises. Zij kende en beleed den eenigen Naam die onder de menschen gegeven is, door welken zij moeten behouden worden. Ziedaar wat zij had, ziedaar wat uitmaakte haar rijkdom en haar eere; haar schat en haar kroon. Ziedaar wat de ware Kerk van Christus altijd heeft, altijd hebben moet. Haar gansche rijkdom is in dat Woord; al hare eere in de belijdenis van dezen Naam. Maar waar was deze schat, wat was er van deze kroon in de kerk der middeleeuwen, in de eeuw waarin een Luther, een Zwingli, een Galvijn optraden? Helaas, wat was er van het Evangelie der genade, wat van de belijdenis van den Naam des Zaligmakers geworden? Moedwillige bestrijding niet, maar jammerlijke onkunde en algemeen zedenverval had voor het licht van dat Evangelie de oogen der christenwereld verblind, die belijdenis in haren mond doen ontaarden. Het christelijk geweten was ingesluimerd, en het Godswoord, alleen in staat om het weder op te wekken en wakker te houden, verloren. Hoogmoed heerschte; onkunde gehoorzaamde; valsche gerustheid en zondige begeerlijkheid juichten beiden toe. Nog altijd werd aan het behoud der ziel gedacht; nog altijd werd zij begeerd en verkondigd. Maar den weg, het middel, den eenige Middelaar als eenige Middelaar â men kende ze nog slechts in de dichte bosschen van Mora vie, in de stille valleien van Piemont.
263
In de plaats van het Godswoord was het menschenwoord, in de plaats van eigen overtuiging en gewetensdrang het gezag der Kerk gekomen. Voor den éénen Koning der Kerk, de Paus; voor den éénen Hoogepriester, vele priesters; voor de ééne offerande, eene oneindige offerdienst. In de plaats van het geloof, de goede werken; in de plaats der goede werken, willekeurige penitentiën; in de plaats der penitentiën, een handvol geld. Voor Golgotha, de biechtstoel; voor het bloed des kruises, een aflaatbrief; en op de muren van een christelijk bedehuis, vijftien eeuwen na Christus geboorte, dit woord een nieuwigheid: âDe waarachtige en kostelijke schat der Kerk is het heilig Evangelie der heerlijkheid en der Genade Gods!quot; De waarde van dien schat had de Au-
Igustijner Monnik leeren kennen, als de door hem opgedokene schrift hem dat woord had toegeroepen: âNiet uit de werken, maar uit het geloof wordt de mensch gerechtvaardigd voor God!quot; Nu wist hij wat genade was. Nu kende hij het Evangelie; nu doorgrondde hij dien eenigen naam Zaligmaker, Behouder. Nu ging, naar zijn eigen betuiging, niet alleen de gansche Heilige Schrift, maar de poort des hemels voor hem open. Nu kende hij een geloof, âdat de heerlijkheid Gods ziet.quot; Maar nu ook was, door het aanbiddelijk Godsbestuur de kiem der Kerkhervorming (die in een hart, een troost- en heilbehoevend hart gelegd, en niet door een kerkvergadering bewerkt moest worden) gelegd. Want niet voor zich zelf alleen wilde dat hart het Woord, dien Naam, den Schat van vertroosting kennen, die een barmhartig God het had doen kennen en verstaan. Alle harten moesten het weten, alle zondige stervelingen het vernemen, allen, diegustijner Monnik leeren kennen, als de door hem opgedokene schrift hem dat woord had toegeroepen: âNiet uit de werken, maar uit het geloof wordt de mensch gerechtvaardigd voor God!quot; Nu wist hij wat genade was. Nu kende hij het Evangelie; nu doorgrondde hij dien eenigen naam Zaligmaker, Behouder. Nu ging, naar zijn eigen betuiging, niet alleen de gansche Heilige Schrift, maar de poort des hemels voor hem open. Nu kende hij een geloof, âdat de heerlijkheid Gods ziet.quot; Maar nu ook was, door het aanbiddelijk Godsbestuur de kiem der Kerkhervorming (die in een hart, een troost- en heilbehoevend hart gelegd, en niet door een kerkvergadering bewerkt moest worden) gelegd. Want niet voor zich zelf alleen wilde dat hart het Woord, dien Naam, den Schat van vertroosting kennen, die een barmhartig God het had doen kennen en verstaan. Alle harten moesten het weten, alle zondige stervelingen het vernemen, allen, die
264
christenen genaamd waren, het met hunne eigene oogen in de Heilige Schriften lezen; dat de rechtvaardige door het geloove leeft en leven zal; de geheele christenheid wederom met vrije hand en onbelemmerd putten uit den overvloed, die haar gegeven was en nu wederom geopend werd in het Evangelie der heerlijkheid en der Genade Gods. Daar ving de prediking aan; daar werd de strijd aanvaard; daar vloeiden in de taal, in welke hij geboren was, de woorden Gods uit de pen des vaardigen schrijvers. Daar gingen de oogen van duizenden open; daar ontwaakten de conscientiën. De volkeren geraakten in beweging; vorsten ontblootten eerbiedig het hoofd; scholen en kerken wedergalmden; âder boodschappers van goede tijding werd een groote heirschaarquot;; een schaar van martelaren stond gereed, â de kerkhervorming was daar. Ja, de kerkhervorming was daar, rijk door dezen schat: âhet Evangelie der heerlijkheid en der genade Godsquot;, gekend, gelezen, bewaard in de hervondene, heropende, herkregene Schrift. De kerkhervorming was daar, fier op deze kroon: âde belijdenis van een Zaligmaker, die de eenige Zaligmaker is, en die zaligmaakt een iegelijk die gelooft.quot;
Is dit M. G.! is dit en niets anders, dit en niets minders de schat en de kroon der Kerkhervorming; is het dit, wat de Kerken der Hervorming als kerken der hervorming (naar de geschiedenis van haar ontstaan en als reden van haar bestaan tegenover de kerk van Rome) hebben, en houden moeten, om te blijven wat zij geroepen werden te zijn: ware kerken van Christus â o, dat zij dan ook haren rijkdom en hare eer in niets anders, niets minders stellen! In niets
2(35
dat bijkomstig, in niets dat ondergeschikt, in niets dat niet op zichzelf, dat slechts om den wil hiervan, zijne beteekenis heeft en zijne waarde. Geen uitwendige glans, geen vorstelijke bescherming, geen staatkundig, geen maatschappelijk overwicht kunnen haar iets wezenlijks toebrengen. Vrijheid van onderzoek, vrijheid van geweten, klare kennis, verstaanbare eeredienst, hebben voor haar slechts waarde omdat Gods heilswoord er het voorwerp, zijne verheerlijking door de luide belijdenis van het Evangelie der genade er het doel en de vrucht van is. Op dat Woord blijven zij steunen door die belijdenis bloeien! Dit is het wat haar te hebben gegund en gegeven is; dit wat zij houden moeten, opdat niemand hare kroon neme!
En hoe zullen zij het houden, hoe dezen schat en deze kroon bewaren, bij de talrijkheid barer belagers, bij de vele verzoekingen waaraan zij zijn blootgesteld? Hoe houden wat zij hebben, tegenover het nog altijd machtige en ontzag-inboezemende Rome, de dagelijks driester en afkeeriger wijsheid der eeuw, de zondige, de afvallige neigingen in haar eigen boezem? Hoe, dan door het waarlijk te hebben, â eerbiedig te bewaken, â metterdaad te gebruiken?
Door het waarlijk te hebben. Geliefden! Behoef ik het te zeggen? Een kerk der Hervorming heeft niet waarlijk wat zij heeft, indien zij het niet lief, indien zij er geen hart voor heeft, indien haar hart er niet aan hangt. Dit is een âhebben als niet hebbendequot;, prijselijk en apostolisch, waar van het goed der wereld sprake is, maar verderfelijk waar het geestelijke schatten geldt, ja verderfelijker dan het ont-
266
beren, want ontberen kwelt, maar deze wijze van hebben bedriegt. Men heeft den schat niet, al heeft men den akker, die hem heeft, indien men hem niet opgraaft en blijde tot zich neemt; men heeft de parel niet van groote waarde, indien men hare waarde miskent, en met paarlen van minder waarde of wel met valsche paarlen pronkt. Men heeft de Heilige Schriften niet, die men âvan jongs af geweten heeftquot;, indien men ze niet als de Heilige Schriften waardeert, ze niet onderzoekt, tracht te verstaan, haar inhoud niet ter harte neemt, indien zij niet dierbaar worden gehouden, als een gave Gods, onmisbaar, in verband met het eeuwig leven. Gij hebt niet âhet Evangelie der heerlijkheid en der genade Godsquot;, indien het U niet heeft, door de onontbeerlijkheid zijner vertroostingen en den onwederstaanbaren eisch zijner geboden. Men heeft niet de belijdenis der rechtvaardigheid die uit het geloof, men heeft niet de belijdenis van âden eenigen Naam, die onder de menschen gegeven is, door welken wij moeten behouden wordenquot;, indien deze belijdenis niet is de vreugd van het hart, de kracht van het innerlijk leven; indien deze Naam niet dierbaar en heilig is âboven allen naam die genoemd wordtquot;. Slechts liefhebben is hier hebben, en de voorwaarde tot houden.
Oprechte liefde troetelt niet maar haar voorwerp, maar, om het te behouden, waakt zij. âHoud wat gij hebtquot; wil zeggen: âLaat u niet berooven; zorg dat gij niet verliest.quot; Waar men deze waarschuwingen ter harte zal nemen, moet op eiken vijand, elk gevaar gelet, niets licht geteld, en de slaap uit de oogen gehouden worden. Valsche gerustheid» lichtzinnige overmoed zijn duchtbare verraders van de kerken
267
der Hervorming. Doodelijke venijnen reikt een onbetrouwbare vriendschap, een noodlottig bondgenootschap haar toe. Gevaarlijker dan de omsingeling door het bijgeloof, is haar de ondermijning door het ongeloof. Haar schromelijkste verzoeking is sinds lang die tot een behaagziek heulen met de wijsheid van den dag. Ja dit, mijne tijdgenooten, dit is de strik, waarin zij in onze dagen weder zoo veelvuldig en zoo schromelijk gevallen zijn; dit het gevaar, hetwelk meer dan eenig ander overal dreigt haar schat weg te nemen en haar hare kroon te doen verliezen. âDe waarachtige en kostelijke schat der kerk is het Evangelie der heerlijkheid en der genade Godsquot;. Maar wat wordt er van dezen âschatquot;, wat blijft er over van dat âEvangelie der heerlijkheid en der genade Godsquot;, waar men zich. in den misbruikten naam van gezond verstand en wijsgeerig nadenken, laat beduiden aan zijn goddelijken oorsprong te moeten twijfelen en de groote werken Gods, die het verkondigt, te gaan ontkennen of voor de behoudenis der ziel onverschillig te achten? De âkroonquot; van de kerken der hervorming is hare vrijmoedige, hare eenstemmige belijdenis der ârechtvaardiging uit het geloof, zonder de werken der wetquot;; maar wat wordt er van deze belijdenis, indien het getuigenis, waar zij op steunt, geen Godsgetuigenis meer wezen mag, en zijn geloof te gronden op het gezag van Gods Woord voor laagheid uitgekreten of als on-noozelheid bespot wordt? â Bewaakt uw schat, bewaart uw kroon, protestantsche kerken, wisselt hem niet voor valsche munten, ruilt haar voor geen versiersels van klatergoud! Kent uwen heiligen Bijbel! Dat gezegend Boek heeft zoo vele wonderen niet gedaan om, op grond van de wonderen,
268
die \'t vermeldt, in verdenking gebracht te worden en ten laatste te blijken niet anders te wezen dan de merkwaardige vrucht der oude letterkunde van een zonderling volk, dat nu eenmaal den schedelbult van den godsdienstzin had, maar die geenszins den toets van verstandiger eeuwen en heden-daagsche diepere inzichten kan doorstaan. Kent uwe belijdenis ! Op de lippen van Hervormers en Martelaren, is zij niet daardoor onoverwinnelijk geweest, omdat zij eenige graden verstandiger was dan de leer des bijgeloofs. Dit was het niet dat haar voor duizenden tot den eenigen troost in leven en in sterven maakte, maar dit, dat zij in het Woord Gods een on wankelbaren grond, dat zij in de diepste overtuiging des harten een onverlambare kracht bezat. Waar dit met dankbaren eerbied erkend wordt, daar is waakzaamheid zonder vrees, verdediging zonder verdrag. Zie hier, bij den wind die er .waait, een stelling aan te slaan aan alle kerkdeuren der Hervorming: âMen moet de menschen leeren dat het dwaasheid is de blijvende dwaasheid des Evangelies met de voorbijgaande wijsheid der eeuw te willen verzoenen; maar wijsheid te volharden bij de overtuiging, door de ervaring van achttien eeuwen bevestigd, dat het dwaze Gods wijzer is dan de menschen.quot;
Doch in deze ervaring wordt niet gedeeld, waar de wijsheid van âhet dwaze Godsquot; niet op de proef gesteld wordt door het gebruik. Om zedelijke schatten waarlijk te hebben, waarlijk te houden, moet men ze te werk stellen. âHoud dat gij hebt!quot; het beteekent ook: âGebruik dat gij hebt; besteed het wel; woeker er mede!quot; O wie zal het der pro-
269
testantsche christenheid luide genoeg toeroepen, krachtig genoeg herhalen en op het hart drukken: Gij hebt de Heilige Schriften, die u âwijs kunnen maken tot zaligheidquot; â gebruik ze, âtot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid isquot;; word en vorm onder haar goede leer en tucht âvolmaakte menschen Gods, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.quot; Gij hebt het Evangelie der heerlijkheid en der genade Gods â gebruik het tot uw volkomene vertroosting, doordring er u van tot uwe volkomene heiliging. Predik, betuig en betoon het als een kracht der liefde tot liefde, als een drang der barmhartigheid tot barmhartigheid. Overdek de wereld met uwe goede werken, opdat Rome niet zegge: âgij hebt het geloof, maar ik heb de werken.quot; âAl wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat welluidt, zoo er eenige deugd is, en zoo er eenige lof isquot;, hedenk en behartig het; opdat de niet godsdienstig, maar burgerlijk deugdzame niet zegge: âIk ben bruikbaarder, dan gij.quot; Verheerlijk God door uwe deugden, en wacht u dat zijn naam, om uwer gebrekkelijkheid wil, niet gelasterd worde door uwe en zijne vijanden. â Zóó zult gij immer meer lief krijgen wat gij hebt, immer hooger waardeeren wat gij bewaakt. Zóó staat de kroon steeds vaster op uw hoofd. Zóó wordt de schat u steeds eigener. Zóó houdt gij wat gij ontvingt en â wordt er door behouden.
Wat, indien gij het verloort; wat, indien gij het u nemen liet? Wat, indien de Kerken der Hervorming, Hervormde Kerk in Nederland! indien gij terugvielt tot het bijgeloof,
\'
270
u oplostet door ongeloof, \'s Heeren Woord niet bewaardet, \'s Heeren Naam verloochen dat? Wat, indien gij van de zegeningen der Hervorming niet overhieldt dan een misbruikte vrijheid, eene verlichting, die niet meer verwarmde, en een verzet tegen Rome, dat zich zelf veroordeelde, omdat het zoowel het overgebleven goddelijke als het veelvuldig men-schelijke in die misvormde kerk bestreed! Indien de Bijbel, om Rome\'s wil uit de openbare scholen gebannen, steeds en nog al meer in onbruik geraakte in de huisgezinnen; indien de belijdenis van het Evangelie der heerlijkheid en der genade Gods, als kerkelijke leerstelligheid beschimpt en uitgeluid, plaats moest maken voor eene koude en schrale leer van God, deugd en onsterfelijkheid, deze drie, indien nog maar deze drie! en het aanbiddend geloof in den gekruisten en verheerlijkten Christus zich oploste in den koeleren eerbied voor de nagedachtenis eener in de geschiedenis, nu ja, zeer merkwaardige âpersoonlijkheidquot;; indien de overtuiging algemeen werd dat overtuigingen, die een duisteren hemel verhelderd, een verpesten dampkring gezuiverd hebben en overal de schoonste bloemen en de heerlijkste vruchten hebben doen opgaan, voor de deugdzamen overbodig, voor de ver-standigen ongerijmd, en voor de eenvoudigen onverstaanbaar zijn.... Kerk der Hervorming! dan hebt gij uzelve geoordeeld , en de Kerk van Rome zal in het godsgericht tegen u opstaan. Rampzalig Vaderland! Dan is het: Ikabod; de eere is weggevoerd!...
Wat hoor ik? Is het een verzuchting der diepe smart; is het een stem der vertwijfeling, of een aanklacht der verontwaardiging, die daar uitroept; âEn is het daartoe dan niet
271
reeds zoo goed als gekomen ? Ikabod! de eer is weggevoerd; de kroon afgevallen, de schat met voeten getreden. Sluit uwe oogen toch niet voor hetgeen zich dagelijks naakter en menigvuldiger vertoont en niets vuriger verlangt dan in al zijn afschuwelijkheid gezien en opgemerkt te worden. Ontveins toch niet, verbloem toch niet dat de afval dagelijks algemeener wordt, dat de geest des ongeloofs bijna niemand onaangeroerd laat, dat de dubbelzinnige eernaam van een man zijns tijds te zijn zelfs de kinderen Gods gaat omkoopen en vervoeren. Ziet gij het niet? Het christen zijn opgelost in beschaafd zijn; het protestant zijn gesteld in protesteeren; de twijfeling beter geacht dan het geloof; het bidden zelfbedrog; het belijden overtollig â ja, op dezen gedenkdag der Hervorming, aan protestantsche kerkdeur op kerkdeur de stelling aangeslagen dat âvan de leden eener protestantsche kerk de belijdenis te verlangen dat zij gelooven in Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, onzen Heer, niet anders mag genoemd worden dan een ondragelijken gewetensdwangquot;; en dat de ware kracht en bloei der kerk niet komen zullen dan met de veelheid der leden de ontkenners zijn en geen belijders. Gewis de ure komt en is nabij, dat er nergens, dat er ook in Nederland geen spraak meer wezen zal van een hervormde kerk, van protestantsche christenen; dat wat tot nog toe de christelijke wereld geweest is, of roomsch zal wezen of heiden; dat.... Houd op, gij kleingeloovige! De Heer leeft; Hij regeert. Hij draagt de kroon nog, die men Hem betwist. Hij voert nog den schepter, tegen welken men opstaat, en â houdt hij ook u niet nog? Of zijt ook gij reeds op het punt op te geven wat gij hebt? Of hebl gij
272
het niet waarlijk? Of zijt gij de eenige die het nog heeft, nog houden kan, nog door dengene. die u houdt, gesterkt kan worden om het te houden? Neen! neen! Hij heelt ook in dit Israel doen overblijven zijn zevenduizend, die de knieën voor den Baal dezes tijds niet gebogen hebben, en zoo zij gehouden wenschen te worden, hij zal ze blijven houden. Gelooft gij het niet? Kent gij hem niet? Ken maar steeds beter uzelven, en zie wat gij nog behoeft opdat uw geloof minder wankele, uwe liefde niet verkoele, uwe hope onbe-neveld blijve, en het Evangelie der heerlijkheid en der genade Gods, in u, in u persoonlijk, meer en meer blijke een kracht tot behoudenis, een kracht ook tot heiliging te wezen. Dit is, voor zoo veel in ons is, dat Evangelie te versieren en de toekomst der Hervormde Kerk helpen verzekeren.
N. Beets.
XII.
Leerrede quot;uitgesproken op den 31stei1 October I88O. 1)
âDie de doodsschaduw in den morgenstond verandert, â Heer is zijn Naam.quot;
Amos 5 : 8.
Is de geschiedenis het werk van menschen, of is zij Gods werk lt;? In het midden van Jezus\' gemeente kan het antwoord op die vraag niet twijfelachtig zijn. Zij toch komt samen tot verheerlijking van God, uit en door en tot Wien alle dingen zijn, en zij vergadert telkens weêr rondom Hem, die niet ophoudt tot haar te spreken van de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan. En zoo voelt de gemeente zich ook thuis te midden van die Profeten, wier opvatting van de geschiedenis zoo grootsch is, en zoo aantrekkelijk voor het geloof. Gij weet, wat deze Wachters in Israël in \'t algemeen door geschiedbeschrijving verstaan. Haar taak is, de leiding van Israël tot nu toe voor te stellen in het licht der goddelijke liefde, getrouwheid en rechtvaardigheid; het verleden
1
Voor \'t eerst in druk verschenen in het jaar 1880, maar niet in den handel. Homiliarium II. 18
274
van het volk, vooral ook het leven en werken zijner Koningen te beoordeelen naar den maatstaf der goddelijke wet; in hun lot aan te wijzen, hoe de beloften en bedreigingen Gods zijn vervuld, en met en in dit alles aan de geslachten, die komen zullen, tot hunne waarschuwing en vertroosting, in de geschiedenis hunner vaderen een spiegel voor te houden.
In dien geest zijn ook âde woorden van Amos, die onder de veeherders was van Thekoa, die hij gezien heeft over Israël,quot; en in dien geest is ook dit 5de Hoofdstuk. Een klaaglied heet het, want hij moet groote onheilen aankondigen aan de Jonkvrouw van Israël. Hij moet haar aanzeggen, dat hare rampen niet meer dan verdiend zijn, en hij moet haar opwekken tot bekeering, of zij misschien nog aan de naderende ellende mocht ontkomen. En waarom zou zij den Heer niet zoeken en leven? Uitkomsten zijn er bij Hem, âdie het Zevengesternte en den Orion maakt, en de doodsschaduw in den morgenstond verandert, en den dag als den nacht verduistert ; die de wateren der zee roept en giet ze uit op den aardbodem, Heer is zijn Naam. Zoo had de Groote en Machtige zich ook in hunne geschiedenis geopenbaard, en noch zijne beschermende en reddende hand, noch zijne straffende rechtvaardigheid kon der Jonkvrouw van Israël verborgen zijn. Niemand kon Hem weêrstaan, en niemand mocht tegenover Hem vertwijfelen, die de doodsschaduw in den morgenstond verandert.
Het woord doodsschaduw, of schaduw des doods, wordt vooral gebruikt van de donkerheid, zooals die in de woestijn, waar geen menschelijk wezen is, gevoeld wordt. Het dient om de diepste en vreeselijkste duisternis te beschrijven, waaruit
275
de mensch zich niet zou kunnen redden, wanneer hij overgelaten was aan zich zeiven. Maar, zegt de Psalmist (Ps. 23: 4): âXI ging ik ook in een dal der schaduwen des doods, ik zou geen kwaad vreezen, want Gij zijt met mij.quot; Maar, zegt de Profeet: âDie de doodsschaduw in den morgenstond verandert. Heer is zijn Naam.quot;
En dat woord maken wij tot het onze, als wij op dezen gedenkdag een deel van de geschiedenis der gemeente zullen beschouwen in het licht der goddelijke almacht, liefde en getrouwheid. Den zegen der Hervorming te herdenken als een werk Gods, zietdaar wat wij ons hehhen voorgenomen, in de stille verwachting, dat het weerklank zal vinden bij u, en in de biddende hoop, dat het achtervolgd zal worden door den zegen Gods!
Hoe donker de schaduw was, hoe heerlijk het licht, hoe heftig de tegenstand en hoe glansrijk de overwinning, ga ik u achtereenvolgens herinneren.
I. Het zal u niet onbekend zijn, hoe verschillend de Middeneeuwen, en ook de eeuw vóór de Hervorming worden beschouwd. De Katholieken spannen alle krachten in om den tijd te verheerlijken, toen de kerk alles beheerschte tot zegen, zeggen zij, voor hare kinderen, en met trots wijzen zij op den ijver der geloovigen, die de cathedralen bouwde, wier zuilen en gewelven nog bewondering afdwingen, als zegeteekenen van het verbond tusschen kerk en kunst. Van Protestantsche zijde hoort men het tegendeel, en zij spreken van priesterlijk geweld, van ergerlijk bijgeloof, van barbaarsche zeden en van den nacht der Middeneeuwen. Op zich zelf
18»
276
is het reeds waarschijnlijk, dat er aan beide zijden overdreven wordt, en wanneer wij ons herinneren, wat na een nauwkeurig onderzoek gebleken is waarheid te zijn, dan bevinden wij, dat zij, gelijk dikwijls het geval is, in het midden ligt. Daar was in de Middeneeuwen veel goeds en groots, maar wij zien het langzamerhand verdwijnen. Daar was in de Middeneeuwen veel verkeerds, en wij zien het toenemen, totdat de verbastering van het godsdienstig leven haar toppunt had bereikt. Wij moeten zeggen en houden staande, dat zich in de dagen vóór de Hervorming doodsschaduwen hadden uitgebreid over de gemeente. Hoe was de werkheiligheid ingedrongen in het denken en leven! âHet was de algemeene overtuiging geworden, dat men de zaligheid moest verdienen, door allerlei willekeurige werken van uiterlijke boetvaardigheid, door onthoudingen, bedevaarten, kerkbe-schenkingen, zelfkastijding, kloosterlevenquot;. Straks was het zóó ver gekomen, dat het geestelijk opperhoofd der kerk zijne dienstknechten durfde uitzenden om de vergeving der zonden te verkoopen! Hoe waren de edelste gemoederen gevangen in dezen strik, daar toch ook een man als Luther zijne zaligheid langs dezen weg met ernst heeft gezocht en zich door nachtwaken, bidden en kastijden bijna dood heeft gemarteld. De groote menigte zonder ernst was verzonken in eene werktuigelijke, zieldoodende berusting in hetgeen bedorvene priesters haar inprentten en voorschreven. En wat werd er langs dien weg in ernstige gemoederen gewerkt ? Geen schijn van rust, maar een steeds oplevende gewetenswroeging, eene steeds toenemende tweespalt en verwarring, waaruit geen ontkomen scheen te zijn. Uit al wat Luther aangaande zich
277
zeiven heeft gezegd, blijkt dit zoo duidelijk als de dag. Hij voelt, dat de werkheiligheid, door de kerk aangeprezen als de weg des hehouds, geen vrede geeft aan zijn hart, en zonder dien vrede is het leven hem erger dan de dood. Maar, zoo moest hij wel vragen, als ik niet zalig kan worden dan door de werken, hoe komt het dan, dat deze weg mij niet leidt tot dit doel? Is het wel de wil van God, dat ik zalig zal worden? Vreeselijke gedachte! En trots al die zoogenaamde genademiddelen van de kerk, werd de klove tusschen hem en God steeds dieper en breeder, en het einde kon niet anders zijn dan wanhopen aan God en vertwijfelen aan zijne gerechtigheid!
De genademiddelen van de kerk, door de hand der priesters, want zij waren de kerk, uitgereikt of geweigerd, om den toegang tot den hemel te ontsluiten of de ziel prijs te geven aan de eeuwige verdoemenis... welk eene slavernij! Overal de priester tusschen God en den mensch, om hem als een onmondige te leiden en te regeeren van de wieg tot het graf. Overal het gezag van de kerk, om het geweten te binden aan inzettingen, die de wet Gods krachteloos maakten. Overal het Pausdom, waarvan Luther schreef en schrijven moest in een brief aan den Paus, dat het onverbeterlijk was, den menschen schade deed aan goed en ziel, de zonde en de schande vergrootte, en het geloof en de waarheid ten onder hield.
Zoo ver was het dan gekomen met de gemeente Gods, dat zij dwaalde in eene woestijn, in een land van wildernissen en afgronden, in een land van dorheid en schaduwen des doods, in een land, waar niemand doorheentrok, en
278
waar geen mensch kon wonen (Jerem. 2 : 6). Waar waren de kinderen Gods, die vrijmoedigheid hadden om toe te gaan tot den troon der genade? Waar waren die door Christus verlosten, die geen anderen Heer hebben dan den Heer in den hemel? Waar was het geloof? Waar was de vrijheid? Waar waren de vruchten van beiden? Waar was de levensgemeenschap met dien, die ons gemaakt heeft tot Koningen en Priesters, Gode en zijnen Vader? O! het scheen, alsof het steeds woester en lediger zou worden in de zielen der menschen; alsof de dichte duisternis nooit wijken zou van hen, die geroepen waren kinderen des lichts te zijn, maar rond moesten tasten in de schaduwen des doods. Eu toch, het licht zou dagen midden in de duisternis, en het was een heerlijk licht!
II. Gij weet, hoe het woord des levens viel in de ziel van Luther: âwij besluiten dan, dat de mensch gerechtvaardigd wordt door het geloof, zonder de werken der wel.quot; Hij zegt het zelf, dit is mij geweest de poort tot het Paradijs, en daarin vond hij de kracht om zijne stellingen aan te slaan aan de kerk te Wittenberg, den strijd te aanvaarden met alle werkheiligheid en het pauselijk juk te verbreken. Wat had hij gevonden voor zijn hart en geweten? Het Evangelie van den Zoon van God, zegt hij, die ons, zonder onze verdienste, tot ons behoud en onzen vrede geschonken is. Hij roemt: het is een woord des behouds, het is een woord der genade, het is een woord der vertroosting, het is een goed woord, het is een woord des vredes. En die dat woord hebben aangenomen, het levende woord, dat in Christus de
279
Schrift vervult, die treden in persoonlijke levensgemeenschap met Hem; die zijn als Jezus\' onderdanen inwendig verheven boven de geheele wereld en verzekerd, dat geen ding zoo goed is of zoo boos, of het zal hun dienen ten goede. De vrijheid van een Ghristenmensch is groot en heerlijk. Hij is een Koning en een Priester tegelijk; hij is vrij als Gods kind. Want, hoeveel worstelingen het ook kost, om zich los te wringen uit de banden van het menschelijk gezag op het gebied des geloofs, hij komt er toch. Het was eene Babylonische ballingschap, zegt hij, maar zij had een einde. Daar was een Koning die gezegd had tot de gemeente: âWie is onder ulieden van al zijn volk, van het volk van den Heer, den God des hemels? Zijn God zij met hem en hij trekke op naar Jeruzalem.quot; Hij heeft het woord van Koning Jezus verstaan, het woord, dat hem de vrijheid geeft. Hij breekt de ketenen één voor één, die Rome aan zijne ziel had aangelegd. Het priesterlijk gezag, roept Luther uit, is eene schrikwekkende dwingelandij en onderdrukking van de ware zelfstandigheid en vrijheid van het Christelijk geloofsleven. Hij schudt het af, hij verovert zich de vrijheid in de kracht van zijn geloof als kind van God. âNoch Paus,quot; het zijn zijne eigene woorden, ânoch Bisschop, noch eenig ander mensch heeft het recht, eene enkele syllabe over een Ghristenmensch op te stellen, indien het niet met zijne toestemming geschiedt; al wat anders geschiedt, komt uit den geest der tiranny.quot;
Hl. Maar deze geest biedt weerstand aan het nieuwe licht en zal al zijne krachten inspannen, om zijne ver-
280
breiding te beletten en zijne werking te verhinderen of te verijdelen.
Langs den weg van zachtheid en listige omleiding zoeken priesters en diplomaten den nieuwen Apostel te bewegen, dat hij zwijgen zal. Middelerwijl wordt de banvloek van den Pauselijken Stoel over hem uitgesproken, daar men bevonden had, dat deze man een pest was, die oproer verwekte in de kerk, en een opperste voorstander van allerlei kettersche gevoelens. De zendelingen van den Opperpriester zorgden er voor, dat in alle landen van Keizer Karei het vonnis bekend werd gemaakt, dat hem overleverde aan aller verachting. Weldra werden op meer dan ééne plaats zijne geschriften aan de vlammen geofferd, opdat zij de zielen der menschen niet meer zouden kunnen bederven. Wel is het Pauselijk gezag in de schatting van het volk reeds zóó diep gedaald, dat niemand er aan denkt hem leed te doen; wel is Luther zelf reeds zóó hoog geklommen, dat hij openlijk met Rome durft breken en de bul van den Paus in de vlammen werpt met de woorden: âOmdat gij den heilige des Heeren bedroefd hebt, daarom vertere u het eeuwige vuur!quot; Wel durft hij in het openbaar verkondigen: âals gij niet met uw gansche hart afvalt van den Paus, kunt gij het heil uwer ziel niet gewinnen,quot; maar daarmeê komt het voor hem van kwaad tot erger. Het wereldlijk gezag komt zich voegen bij de Pauselijke macht; het treurig verbond, dat aan de wereld en aan ons vaderland op zooveel bloed en tranen is te staan gekomen! Gij weet, dat Keizer Karei hem naar Worms ontbood. Als een anderen Paulus wordt hem lijden en verdrukking aangekondigd. Men waarschuwt hem, men wil
281
iM00ÃIÃNÃSISÃXUIÃÃÃll$iÃttlÃ
hem tegenhouden maar moedig en onvervaard voert hij den bezorgden tegen: âAl waren er te Worms zooveel duivelen als pannen op de daken, ik wil er toch in!quot; En hij staat er, de eenvoudige monnik, in het aangezicht van al het gezag, dat de wereld regeert, en alle handen zijn tegen hem! Hij staat er in zijne armoedige pij, met een lichaam uitgeteerd door ongehoorden arbeid, strijd en ziekte. Maar al wordt de uitwendige mensch verdorven, de inwendige wordt sterker van dage tot dage. Herroepen wil hij niet, tenzij men hem van dwaling overtuige uit het Woord. âHier sta ik, ik kan niet anders, God helpe mij!quot; dat is zijn antwoord, als zij hem dringen en dreigen, alsof hij zondigde tegen God en menschen, de waarheid lasterde en den Heiligen Geest bedroefde. Zijne vrienden zijn bezorgd voor het ergste, maar de Keizer laat hem gaan, dien hij heeft laten komen op zijn mannenwoord. Hij zal geen hand naar hem uitsteken, om hem kwaad te doen, en Luther kan gaan, van waar hij is gekomen. Maar reeds den volgenden morgen heeft Karei bij geschrifte verklaard, dat hij een trouwe zoon der kerk wil blijven, gelijk zijne vaderen waren. Hij zal niet wijken van den Roomschen Stoel; hij zal het oud geloof beschermen en, zegt de machtige, de Koning van Spanje, de Keizer van Duitschland, de Heer der Nederlanden, zoodra Luther thuis gekomen is, onder bescherming van het vrijgeleide, dat ik hem gaf, gebied ik ieder mijner onderdanen, met hem te doen als met een ketter!
IV. En wiens zal de overwinning zijn? O! hoe zullen Paus en Keizer bevonden worden tegen God te strijden!
282
Langzamerhand zou het zich onthullen, hoe de hand des Heeren alles had voorbereid en bestuurd, opdat de doods-schaduw wijken zou voor den morgenstond. Wie spreekt van Gods werk in de geschiedenis, gevoelt, dat het boven zijn vermogen is, het overal na te gaan; Gods gedachten en wegen zijn hooger dan de onze, en ons spreken is stamelen. Maar dit zien wij wel, dat er veel gebeurd was, waardoor de dag der Hervorming werd voorbereid; dat allerlei verschijnselen en omstandigheden den voortgang en de verspreiding van het licht hebben bevorderd, en dat de Heer de geesten geleid beeft in zulke sporen, die leidden naar dit doel. Het was vruchteloos, dat men het zocht te keeren. Het woord had zijn loop, het woord van Gods genade, het woord van de vrijheid van een Ghristenmensch, het Evangelie van onzen Heer Jezus Christus. Het Evangelisch geloof won duizende harten en werd ten rijken zegen. Van alle zijden daagt de hulp, door God beschikt. Eene schare van groote mannen, zooals er in Jezus\' gemeente nooit in eenen en denze\'.fden tijd bad geleefd, treedt op door God verwekt en door zijn Woord en Geest bezield. Met alles wat zij zijn, dienen zij de groote zaak. Zij dienen de Hervorming met hun geloof en hunne wetenschap, met hunne macht en hun geld, met hun bloed en hun leven! En wederom wordt het gestaafd, dat het bloed der martelaren het zaad is van de kerk. Ook hier worden de eerstelingen gezien van het zaad, dat heerlijk tot Gods eer zal groeien en door geen tiranny vergaat! Het vertrouwen des geloofs, dat de mannen der Hervorming bezielde, is niet beschaamd. Als zij ten strijde gaan, bidden zij, als Gustaaf Adolf: âJezus! geef mij heden voor uwe eer
283
te strijden!quot; Als men hen belaagt en belastert, roemen zij als Luther: âEen vaste burg is onze God!quot; Zij ondervinden, dat alle dingen hun ten goede medewerken. Zij worden wonderbaar gesterkt om standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig te zijn in het werk des Heeren. Indien God met hen is, wie zal tegen hen zijn? In het aangezicht van de martelvuren, die te Brussel worden ontstoken, dicht Luther het schoone lied: âEen nieuw gezang, wij heffen \'taan, \'t Klimt tot God den Heere.quot; Hij is verzekerd, dat de asch der martelaren, over alle landen verstrooid, den vijand niet zal baren dan schande, en dat zij, wier mond in de vlammen tot zwijgen is gebracht, nu hunnen vervolgers ten spijt, nadat zij zijn gestorven, een loflied zullen zingen in alle talen. Hoort wat hij verwacht in dat zelfde lied, wat hij verwachten durft te midden van de doodsschaduw, van de hooggeklommen ellende:
âEen blijde zomertijd spoedt aan,
De wintertijd heeft afgedaan,
De bloemen zien we ontspruiten.
En Hij, die zoo dit werk begon.
Zal schooner dan men denken kon Gewis dit werk besluiten.quot;
Zoo zong hij in het jaar 1524. Hoe vreeselijk zal de vervolging nog woeden, vele jaren achtereen! En toch heeft hij niet te veel verwacht. Het was donker, maar het licht, dat opging, was heerlijk. De tegenstand was heftig, de worsteling langdurig, maar glansrijk was de zege, en de over-
284
winning was des Heeren, die de schaduw verandert in den morgenstond, Heer is zijn Naam!
Tegenover de groote werken Gods, van welke wij mogen spreken en hooren, rust op ons allen eene ernstige verplichting. Wij voelen het, maar het komt er op aan, ons hiervan helder bewust te zijn of te blijven, en dienovereenkomstig te handelen. Gunt mij nog een woord van opwekking in dien geest!
Wat ons eerst en vooral betaamt is, God te verheerlijken, die de doodsschaduw in den morgenstond verandert. Heer is zijn Naam, en Hij is almachtig, barmhartig en zeer getrouw. Wij spellen met eerbied den naam der groote mannen uit de eeuw der Hervorming, die den goeden strijd gestreden hebben en het geloof behielden. Wij kunnen er ons van ganscher harte in verblijden, dat er gedenkteekenen tot hunne eer en nagedachtenis worden opgericht. Maar het betaamt ons, niet te vergeten, hetgeen zij zelve ook altijd bedachten, dat zij middelen waren in de hand des Heeren; voorts hebben zij wel geplant en nat gemaakt, maar God heeft den wasdom gegeven. Zij hebben God gedankt voor de gave, die zij van Hem hadden ontvangen; voor ieder talent waarmede zij mochten woekeren in den dienst des Heeren; voor de geloofskracht, die hen bezielde, voor de hoop, die hen staande hield in den boozen dag. En het voegt ons in hun spoor te gaan. Wij zeggen het een beschrijver van de Kerkhervorming na: âGod zeide: daar zij licht, en daar was licht! Dit woord der scheppende Almacht, in \'s werelds morgenstond gesproken, werd ook in de zedelijke wereld herhaald.
285
Het klonk in dien zaligen nacht, toen de Christus, de Heer, die de Redder des menschdoms en het licht der wereld zijn zou, te Bethlehem werd geboren. Het klonk nog eens in den nacht der middeleeuwen, en de duisternis verdween voor een nieuwen dag.quot; En nu is het zeker waar, dat het ook hier geweest is als in de natuur, waar de nacht niet eensklaps in den dag wordt herschapen, de duisternis slechts langzaam wijkt voor den morgenstond, en het morgenrood reeds lang den hemel kleurt, eer de zon zelve is opgegaan. Maar al was de Hervorming een vrucht der tijden, die langzaam tot rijpheid was gekomen, wie is de Heer der tijden, indien niet God? De geest des tijds was machtig en onbedwingbaar, maar hij was \'t, zegt dezelfde schrijver, omdat de Almachtige zelf er bezielend op had gewerkt, gelijk de Geest Gods koesterend over de Bajert zweefde, eer het licht van den eersten morgen in volle stroomen doorbrak.
Daarom, âlaat ons aanbidden en nederbukken, laat ons knielen voor den Heer, die ons gemaakt heeft.quot; Wij buigen ons voor den hoogen God, die uit verwarring orde schept, die den machtigsten sterveling vernedert, die zijne kracht groot maakt in de zwakheid der menschen, en in wiens hand het hart van den Koning is als eene waterbeek, daar hij het neigt tot al wat hij wil. En wat Hij wil is niet anders dan het werk der barmhartigheid, en de vrucht van deze is het ware leven in gemeenschap met zijn Zoon. Toen klom de roem van den Apostel met nieuwe kracht ten hemel: âGod, die gezegd heelt, dat het licht uit de duisternis schijnen zoude, is Degene, die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods, in het
286
aangezicht van Jezus Christus.quot; Het was de eerste dag eens nieuwen levens voor menige ziel, die worstelend in gebeden het troostrijk aangezicht van den eeuwigen Vader zocht, maar het niet kon vinden, daar zij nederlag als in schaduwen des doods. Het was de eerste dag eens nieuwen levens voor de Evangelische gemeente, die de ketenen van het priesterlijk gezag had afgeschud, om te staan in de vrijheid der kinderen Gods, geroepen en gerechtigd tot de aanbidding in geest en in waarheid. Het was de eerste dag eens nieuwen levens voor menig volk, dat door den nieuwen geest in nieuwe banen werd geleid, en in welks midden uit den wortel van het Evangelisch geloof een plant verrees, welker vruchten de rechtsbedoeling, de algemeene ontwikkeling, hèt maatschappelijk welzijn ten goede kwamen en komen tot op dezen dag. Zoo zeggen wij dan met den Psalmist: âDit is de deg, dien de Heer heeft gemaakt,quot; en roemen wij met den Apostel: Wij zijn Gods gebouw! En zoo willen wij dan aan de menschen de eere geven, die hun toekomt, en met eerbied staren wij op de helden des geloofs, die gestreden hebben tot overwinning. Maar zij waren middelen in zijne hand; zij hebben zijn raad gediend en zijn wil volbracht, den raad en den wil Desgenen, die de doodschaduw verandert in den morgenstond; Heer is zijn Naam!
Voorts hebben wij te bedenken en in het oog te houden, waarom het bij de Reformatie te doen is geweest. Wat is een Protestant? een naam, zeggen wij vooraf, die ter kwader ure dien van Evangelisch heeft verdrongen, gelijk de eerste vrienden der Hervorming heetten. Wat is een Protestant?
287
Zij zijn\'t, hoor ik roepen, âdie de enge haven van het kerkgeloof verlaten en zich in de volle zee geworpen hebben, de golven van twijfel en onderzoek om hoofd en boezem laten spelen, en zich met innig behagen dompelen in \'t zilte nat van de kritiek.quot; Wij, die het bij herhaling hoorden, zuchtten ook telkens weer: och! als zij maar niet verdrinken, want helaas! daar zijn er al, die het in dat zilte nat met hun leven hebben betaald! Wat is een Protestant? Een ander antwoord luidt: Het Protestantisme is een voortdurend protest tegen alles wat zicht tracht te plaatsen boven het Ik, en de volkomene vrijheid voor ieder in het bijzonder om zijn eigen wil te volgen. Als dat zoo was, dan moeten wij toegeven, dat de Sansculotten der vorige eeuw de geestelijke kinderen der Hervormers zijn geweest! Wat is een Protestant? vragen wij nog eens, oi Viever wat is een Evangelisch man? het woord zelf brengt terstond nader aan de waarheid. Waarom was het bij Luther eerst en vooral te doen, en bij al die ernstige menschen in Rome zelve, in Florence en Venetië, in Napels, in geheel Italië, in Duitschland, in ons Vaderland, en overal, waar die godsdienstige beweging zich deed gevoelen? Het is wereldbekend; hoe kan men er zijne oogen voor sluiten? Het was al die menschen te doen, om vrede voor hun hart, om rust voor hun geweten, om verzoening met God, die zij niet konden vinden, zoolang zij met de kerk ze zochten op den weg der werkheiligheid. Dit leidde tot de eerste breuk met Rome, omdat de kerk met baar zielloos gebaar en haar doode werken de behoeften van den zondaar onbevredigd liet. De Hervorming is geboren uit den dorst van het schuldige hart naar den levenden, den
288
genadigen God. En waar die was gevonden, kwam men eerst tot de ware vrijheid in Christus, tot de vrijheid der kinderen Gods. Toen eerst heeft Luther met een bloedend hart de kerk verlaten, die dezen weg niet wilde gaan, en heeft hij eene andere gesticht, hebbende dezen zegel: âWij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof hebben vrede bij God door onzen Heer Jezus Christus.quot; Het blijkt uit al zijn werk en uit menig heerlijk geschrift van zijne hand, dat hij van uit het middenpunt des geloofs de vrijheid heeft veroverd, die ook alleen uit dit middenpunt te bereiken en te bewaren is. Het is bij een man als Luther nooit opgekomen, een standpunt in te nemen buiten de Christelijke sfeer, en och! of het bij niemand ware opgekomen! Waar dat middenpunt des geloofs wordt losgelaten, ontaardt de vrijheid in losbandigheid, en in haar waan kant zij zich aan tegen het goddelijk gezag, en zet haar eigen geest in de plaats van den heiligen Geest, en den mensch in de plaats van God. Maar wie kan \'t vergeten, dat de Zoon eerst waarlijk vrij maakt, die ons macht geeft kinderen Gods te zijn, tenzij hij, die zich verwijdert van den grond van het Woord, van den rotsgrond, waarop Luther stond en alle Hervormers met hem? Dat Woord was een licht op zijn pad en een lamp voor zijnen voet; niet de letter van het Woord, maar de Christus, die er in leeft, die levend maakt. Och! of dat levend en eeuwig blijvend Woord aller licht en lamp mocht zijn en blijven! Dan worden wij voortdurend aan ons zeiven ontdekt, en God ontdekt zich aan ons. Dan wordt alles, wat naar eigengerechtigheid en werkheiligheid zweemt, in zijn onverstand openbaar; dan zien wij, waar de paden eener
289
valschelijk dusgenaamde vrijheid henenvoeren, en hoe sterk zij waren en hoe gelukkig, die de vrijheid der kinderen Gods begeerden en behielden. Maar een Protestant, die niet leeft bij het Woord, is als een visch op het drooge; hij is eene plant gelijk, die losgemaakt is uit den grond, waarin zij thuis hoort en wortel schoot. Niets is zekerder dan dit, niet alleen dat hij geen vruchten draagt, maar dat hij zal verkwijnen, verdorren en versterven!
Hoeveel donkere plekken zijn er aan den hemel der Evangelische kerk! Wolken, vrij wat grooter dan een mans hand, rijzen op aan den horizon, of onderscheppen reeds het licht. In haar eigen midden zijn werkheiligheid, ver-achtering van de genade, valsche vrijheid en letterdienst helaas! maar al te menigvuldig, en omdat er geen geloof is, is er veel twisting over het geloof. Het ziet er niet best uit, en van buiten tracht het Pauselijk gezag met alle middelen partij te trekken van alle omstandigheden, die het zijne vroegere glorie zouden kunnen doen herwinnen. In de gansche wereld, in Oost en West wordt de Protestantsche kerk en het Evangelisch geloof door den Stoel van Rome belaagd. Waar is het gevaar zeer dreigend? Zeker daar, waar Evangelische Christenen, klein in getal en vermogen, in de verstrooiing leven onder duizende en millioenen Katholieken. Om hen te beschermen, te steunen, voor vervloeiing te bewaren, doet die Vereeniging haar best, die naar Gus-taaf Adolf heet. En als zij tot u komt, ook heden, om een beroep te doen op uwe hulp, steunt haar met uwe gebeden en gaven; zij is waardig, dat gij dit aan haar doet, immers
290
blijkt het telkens weer, hoe gezegend hare werking is, maar ook hoeveel steun zij behoeft. Doet wat gij kunt, en dan eerst hebt gij recht, met vol vertrouwen het over te geven aan God. Dat willen wij doen te midden van alle duisternis; wij vertrouwen op God, die de doodsschaduw verandert in den morgenstond. Zoo heeft Hij menigmaal ons vreezen en zorgen beschaamd en Hij is getrouw, die het ook doen zal! Neen wij willen niet vreezen voor de zaak der waarheid; zij is Hem bevolen en Hij regeert, en Hij maakt alles wel op zijn tijd, en Hij zal het rijk der duisternis beschamen, tot het niet meer wezen zal. Neen! wij willen niet vreezen, als onze eigen weg zoo moeielijk is, als het zoo donker wordt rondom ons en zoo donker in het verschiet. Al gingen wij ook door een dal der schaduwen des doods, de Heer is onze Herder en Hij zal ons bewaren van alle kwaad. Houdt u aan Hem vast, en geen wenscbelijk goed zal u ontbreken. Vreest niet; gelooft alleen! Uit den jongsten nacht rijst de morgen van den eeuwigen dag; die de doodsschaduw verandert in den morgenstond, Heer is zijn Naam!
Amen!
J. Hartog.