ocr page 1
ocr page 2

GUNNING

7

G

2 4

JM^nNNINZ^Jfi

4/. 7?

m

UCTllTEsANsRf^R

/.LEc\'gt;ni.N jquot;

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

KENT GIJ DE APOSTELEN ?

ocr page 6

►

ocr page 7

GUNNING

KENT GIJ DE APOSTELEN?

WANDELINGEN DOOR HET HEILIGE LAND

gedurende het Paasch- en Pinksterfeest en den tijd der Apostelen,

DOOR

LUDWIG SCHNELLER.

UTRECHT, C. H. E. BREIJEK

BIBLIOTH \'EK RIJKSUNIVERSITEIT U T R S C H T.

ocr page 8

Snelpersdrukkeqj — C. C. Callenbach — Nykerk.

ocr page 9

VOORREDE.

De evangelische geschiedenis is het fondament des Christendoms. Deze groote gebeurtenissen van eene spanne tijds, door ivelke de eeuwigheid telkens heen breekt, zijn de eigen ivoor den Gods, die Hij in de rollen der ivereldgeschiedenis neergeschreven heeft.

In onzen tijd meent men over het algemeen, dat men de feiten der evangelische geschiedenissen, voor zoo verre zij zich niet buigen voor het gewone rnenschenverstand, gerust kan missen. De feiten loochent men, maar de idéé wil men behouden. Welk een zelfbedrog! Men ontneemt zoodoende den goddelijken inhoud aan het Christendom en maakt het tot een voortbrengsel van menschelijke vondjes. Op die wijze kan men wel is waar, door eene Christelijke opvoeding en Christelijke atmospheer gevoed, nog eene geestvolle wereldbeschouwing opbouwen, maar de ivereld Gods in het Christendom, die meer is dan eene toereldbeschouwing, het rijk Gods, het Christendom zelf, door den Christus gesticht en door zijne Apostelen in de wereld verbreid, gaat daarmede verloren.

Wij eerbiedigen elke overtuiging, ook zelfs dan, wanneer die van de onze grootelijks verschilt. Zouden wij hem de broederhand weigeren, die nog in den voorhof staat, en die zich d.e gansche

ocr page 10

Snelpersdrukkei-y — C. C. Callenbach — Nykerk,

ocr page 11

VOORREDE.

De evangelische geschiedenis is het fondament des Christendoms. Deze groote gebeurtenissen van eene spanne tijds, door ivelke de eeuwigheid telkens heen breekt, zijn de eigen woorden Gods, die Hij in de rollen der wereldgeschiedenis neergeschreven heeft.

In onzen tijd meent men over het algemeen, dat men de feiten der evangelische geschiedenissen, voor zoo verre zij zich niet buigen voor het gewone me nsc he nv er stand, gerust kan missen. De feiten loochent men, maar de idéé wil men behouden. Welk een zelfbedrog! Men ontneemt zoodoende den goddelijken inhoud aan het Christendom en maakt het tot een voortbrengsel van menschelijke vondjes. Op die wijze kan men wel is waar, door eene Christelijke opvoeding en Christelijke atmospheer gevoed, nog eene geestvolle wereldbeschouwing ophouwen, maar de wereld Gods in het Christendom, die meer is dan eene wereldbeschouwing, het rijk Gods, het Christendom zelf, door den Christus gesticht en door zijne Apostelen in de wereld verbreid, gaat daarmede verloren.

Wij eerbiedigen elke overtuiging, ook zelfs dan, wanneer die van de onze grootelijks verschilt. Zouden wij hem de broederhand iveigeren, die nog in den voorhof staat, en die zich de gansche

ocr page 12

VOORREDE.

volheid der goddelijke feiten vncj niet blijmoedig kan toeëigenen, alsof wij boven hem stonden?

Hij echter, die niet vreest de grondslagen des Christendoms te doen schudden, mag wel toezien, dat hem niet eindelijk den grond onder de voeten ivegzinkt. Hij, die de kracht en den troost van het heerlijke Paaschfeest, in legenden en fabelen verandert, wat zal diens grond zijn, waarom hij ook slechts van het voortbestaan na den dood zeker is? Hij, die de leer der Apostelen niet ten grondslag legt, en niet gelooft dat de Christus, die van den Vader was gezonden en tot Hem wederkeerde, de eenige vertrouwbare tolk van Zijn Eeuwig Wezen is, maar die Hem bloot tot een mensch, zij het dan ook een uitstekende, maakt; waar zal hij zekerheid vinden omtrent het bestaan van God, of hoe zal hij kunnen gelooven, dat die God hem genadig zal zijn? Daar moet de grond onder de voeten wankelen. Men klemt zich ivel is waar, nog vast aan de verhevene idealen van het Christendom, maar zij zweven als in de lucht, en elke absolute icaarborg ontbreekt. Maar al te zeer zijn wij den Heer ongehoorzaam geworden. Zijn wij Christenen, dan is Christus onze Heer. De dienaar is niet meerder dan zijn meester, ook niet in zijne gewaande, hoogere ontwikkeling.

Ook in de gemeente zijn er vele wankelmoedige en twijfelende zielen, die niet meer vaststaan, en die de grondslagen zonder slag of stoot prijs geven. Zij vreezen, waar wij eene rots onder de voeten hébben, zoo als b. v. bij de Paaschgeschiedenis. Wel kunnen zij zich niet geheel los maken van de heerlijkheid des Christendoms, maar beschroomd en vreesachtig staan zij voor dat spook: de tijdgeest en de nieuwere wetenschap; zij geven van de overoude vesting het eene stuk na het andere prijs, in den waan van daardoor meerdere tegenstanders voor het Christendom te zullen winnen.

Voorwaar eene ontzettende dwaling! alsof er ooit eene grootere ontwikkeling of hoogere wetenschap kon bestaan dan die, die zich buigt voor God en voor Gods Woord. Alsof ooit eenig ontwikkeld mensch op een hoog er standpunt staan kon, dan het door Jezus Christus, en na Hem door een Johannes, Petrus en Paulus, ingenomene.

VI

ocr page 13

VOORREDE.

Nocj nimmer werd eene resting behouden door angstvallig terugtrekken uit eene vaste stelling; integendeel! Wij hebben alle reden om met kalmte en gerustheid op de zoo vaak aangevallen bolwerken van het Evangelie te staan, tonjours en vedette. Laat hen komen, die menschen van één dag, die het eeuwige Evangelie bestrijden willen, gelijk zij reeds eeuwen door deden! Ook zij zullen even beschaamd uitkomen als hunne voorgangers. De strijd op de wallen zal en mag nimmer eindigen. Daar wij eene eeuwige macht en kracht aan onze zijde lubben, mogen wij toch zoo diva,as niet zijn om te vreezen, dat het hemelsche gebouw, door den bouwmeester van Nazareth opgericht, door de zwakke pijlen van enkele menschen, bij nacht zou instorten. Weest onbevreesd! Het zal nog wel eenige eeuwen verduren, ook zonder menschelijke hulp. Het komt er slechts op aan, dat wij er niet uit verdwalen, maar binnen de wallen blijven.

Wat nu deze Geschiedenis der Apostelen betreft, daarover heb ik voor den lezer van mijn vroegere geschriften weinig te zeggen. Vroeger heb ik den gekruist en, en in zijne vernedering verheerlijkten, Jezus voor de oogen der gemeente geschilderd, en in deze Apostolische geschiedenissen den opgestanen en, in heerlijkheid door zijne Apostelen werkzamen. Heer geschetst. Met opzet heb ik de Evangelische geschiedenis vóór het Paaschfeest doen eindigen, en de geschiedenis der Apostelen daarmede aangevangen. Vaak volgt de gemeente, bij het bijbellezen en gedurende het kerkjaar, het leven van Jezus tot aan het Paaschfeest. Dan eindigt op eenmaal alles. De Handelingen der Apostelen zweven dan als in de lucht, en komen ons bijna voor als eene vreemde, nieuwbeginnende geschiedenis; terwijl die geschiedenissen juist de doorwerking zijn van \'s Heeren opstanding. Daarom wilde ik de opstanding niet als een aanhangsel, als het besluit zijns levens behandelen, maar als het begin van een nieuw tijdperk. Daarom heb ik Paschen, Hemelvaart, Pinksteren en de geschiedenis der Apostelen ook uitwendig, zoo nauw mogelijk aaneen geschakeld. Het is de nieuwe tijd, waarin de verhoogde Heiland op aarde werkt.

VII

ocr page 14

VOORREDE.

Evenals in mijn vroegere werken heb ik getracht, de heilige geschiedenis aan de gemeente af te malen met mijn vaderland, het Heilige Land, als achtergrond. Ik behoef hier niet nogmaals te verzekeren, dat ik geen verdichte verhalen geef, maar dat ik nauwkeurig op de kleinste plaatselijke omstandigheid heb acht gegeven.

En zoo zend ik ook dit hoek de wereld in, van uit dit liefelijke dal, waar ik het schreef, omringd door de prachtige gletschers en sneeuwtoppen der Alpen, maar tevens omringd door de verheven en heerlijke bergen Gods der heilige geschiedenis, die in eeuwige heerlijkheid en majesteit uitsteken boven de menschheid, zoekende in het dal, en die den weg ten Hemel loijzen. De Heer zegene ook dit werk, en late het in menig christelijk gezin tot leering zijn en nieuwe vreugde aan het lezen van Gods Woord bijzetten.

Ludwig Schnellbr.

Eichisau (Kanton Glarus) 1894.

VIII

ocr page 15

P A S C H E N.

ocr page 16
ocr page 17

DE KEIZER OP CAPRI.

De Heer is opgestaan! Dus jubelt Gods gemeente, En slaat het oog — niet op de graven, waar gebeente

En dierbre broederasch in sluimert, maar op Hem, Die voor haar stierf, en ziet, hy leeft in eeuwigheden,

En, als haar heerlik Hoofd en Koning aangebeden. Het stof doet wachten op Zijn stem.

Beets.

Hoog van den top van den Capo, het Oostelijk voorgebergte van Capri, breidt zich voor het oog van den reiziger een prachtig landschap uit. Daar stond op den eersten Paaschmorgen, toen Jezus Christus in het verre Oosten uit het graf verrees, het schitterend marmeren paleis van Keizer Tiberius, den be-heerscher der wereld. Het slot was gebouwd op een steilen rotswand en blonk den van Sicilië komenden zeevaarders als eene schitterende keizerskroon tegen.

Thans is het daarboven eenzaam en stil. Vreedzaam vliegen de zeemeeuwen door de verlaten bouwvallen. Het trompetgeschal en fluitspel van die glorierijke dagen is verstomd. In de vroeger zoo prachtige zalen en vertrekken des keizers groeien de liefelijke bloemen van het Zuiden, de orchideën en de zoo welsprekende doodskopjes. Tusschen de voegen der mozaïkvloer, waar eens de voetstappen van den gevreesden overheerscher

ocr page 18

i

ocr page 19

DE KEIZER OP CAPBI.

De Heer Is opgestaan! Dus jubelt Gods gemeente, En slaat hot oog — niet op de graven, waar gebeente

Eu dierbro broederasch in sluimert, maar op Hem, Die voor haar stierf, en ziet, hü leeft in eeuwigheden,

En, als haar heeriyk Hoofd en Koning aangebeden. Hot stof doet wachten op Zijn stem.

Beets.

Hoog van den top van den Capo, het Oostelijk voorgebergte van Capri, breidt zich voor het oog van den reiziger een prachtig landschap uit. Daar stond op den eersten Paaschmorgen, toen Jezus Christus in het verre Oosten uit het graf verrees, het schitterend marmeren paleis van Keizer Tiberius, den be-heerscher der wereld. Het slot was gebouwd op een steilen rotswand en blonk den van Sicilië komenden zeevaarders als eene schitterende keizerskroon tegen.

Thans is het daarboven eenzaam en stil. Vreedzaam vliegen de zeemeeuwen door de verlaten bouwvallen. Het trompetgeschal en fluitspel van die glorierijke dagen is verstomd. In de vroeger zoo prachtige zalen en vertrekken des keizers groeien de liefelijke bloemen van het Zuiden, de orchideën en de zoo welsprekende doodskopjes. Tusschen de voegen der mozaïkvloer, waar eens de voetstappen van den gevreesden overheerscher

ocr page 20

DE KEIZER OP CAPEI.

en van zijne slaven weerklonken, groeit het gras. Koeien en ezels grazen in de breede gangen. Vijgeboomen laten hunne lichtgroene blaadjes door de vensters en deur openingen zien. Treedt gij echter naar buiten op de borstwering, daar waaide eenzame, levensmoede Roomsche kluizenaar in de verlaten ruïne van het keizerlijk paleis verblijf houdt, dan ziet gij diep onder u een afgrond, waar in duizelingwekkende diepte de zee het rotseiland bespoelt. Hier en daar vlamt uit den donkeren gloed van peilloos ultramarijn een helder blauw licht op, dat licht, dat ook de beroemde blauwe grot zoo tooverachtig verlicht. Als uit een hemelsblauwen stralenkrans verheft zich dit wonderschoone eiland uit de bruischende golven.

Vredig en stil verheft zich het eiland uit de woelige zee, als een zinnebeeld van liefelijken vrede, te midden van eene rustelooze wereld. Hoe rustig is hier de natuur van af de Marine grande daar beneden, tot aan de hemelhooge kalkwanden der rots Anacapri met den steilen top van de Monte Solaro. Hoe wedijvert de natuur hier om dat onvergelijkelijke plekje ook geheel eenig te tooien. Als met verkwistende hand zijn de muren en balkonnen met ontelbare rozen bekransd. De gouden oranjeappelen tusschen het donkergroene gebladerte verspreiden een heerlijken geur. De avondwind ruischt door de olijfboomen en eenzame palmen, of door de ernstige pijnboomen, die zich op den bergrug scherp afteekenen tegen den helderblauwen hemel van het Zuiden. En wanneer des avonds de zon tusschen purperen wolken achter Ischia in de zee onderduikt, dan schijnt nog haar laatste vriendelijke glimlach op Capri te rusten, dat in volle schoonheid prijkt, omringd en bespoeld door de groetende golven der zee.

Toch heeft dit vreedzame eiland eenmaal ontzettende dagen beleefd. Een dwingeland heeft vandaaruit zijn naam met bloedige letteren in de bladen der wereldgeschiedenis geschreven. De naam van Keizer Tiberius is een der beruchtste onder alle Vorstennamen der aarde. Gelukkig eiland, alwaar heden ten

4

ocr page 21

IN HET JAAR 33.

dage de gedachtenis aan dien vorst is uitgewischt. Alleen de ruïnen van zijn paleis op den Capo schijnen de herinnering aan hem levendig te houden. De machtige Vesuvius daar aan de andere zijde der golf, uit wiens ingewanden groote rookwolken opstijgen, schijnt nog te droomen van vuur en dwingelandij, van wreede daden en verstoord geluk van duizenden, van de helsche pijn des gevreesden Keizers, die zoo als de bewoners gelooven, daar onder de rotsen van Capri in nacht en duisternis gevangen zit.

Op den Paaschmorgen der wereld echter, woonde hij nog daar. Ongeveer terzelfder tijd dat hij Pontius Pilatus, in het jaar 27, naar Palestina gezonden had, verliet hij Eome, welks laag zedeloos leven hem tegenstond, en trok zich terug naar Capri. Daar gaf hij zich over aan de uitgezochtste en dierlijkste lusten, in de twaalf aan de Olympische goden gewijde paleizen, die hij op de hoogten van het eiland had laten bouwen. Zijn hoofdzetel was de villa Jovis op den Capo, tegenover het voorgebergte van Minerva op het schiereiland van Sorenta. Nog heden ten dage worden de verlaten gangen tusschen de afgebrokkelde muren bezocht, en bewondert men de ingelegde vloeren van kunstig mozaïkwerk, terwijl de wanden der vertrekken nog prijken van de kleuren, die voor twee duizend jaren door schilders uit Rome of Pompei daar werden aangebracht. Nog heden ten dage bezoekt men, in herinnering verzonken, de geheime, goed geplaveidde gangen, die tusschen de rotsmuren zijn aangelegd, en u als door een tunnel, duizend voet diep, door quot;het gebergte aan den oever der zee brengen, waar altijd een schip gereed lag, om den ergdenkenden keizer elk oogenblik gelegenheid tot ontvluchten te geven. Vanaf die hoogte genoot hij dagelijks het liefelijke uitzicht op de blauwe zee en de wonderschoone golf van Napels. Voorwaar een keizerlijk verblijf, waarmede geen keizerlijk slot der aarde kan worden vergeleken. Zee en eilanden, liefelijke zeeoevers en verheven bergtoppen in de verte schenen er den overheerscher der wereld

5

ocr page 22

DE KEIZEE OP CAPEI.

hunne hulde te brengen. Van de Ponza-eilanden, door de nevelen in het Noorden nauw zichtbaar, zwerft het oog van de meer nabijgelegen znster-eilanden Ischia en Procida naar het vaste land. Vandaar begint, bij het voorgebergte van Misena, de onvergelijkelijke bocht of golf van Napels, uit welks midden majestueus de rookende Vesuvius oprijst, en welker oevers als omzoomd worden van steden, wier witte muren in het zonlicht schitteren, en als in het blauwe water schijnen onder te duiken. Daar zag men Baja, Puteoli, Napels, Pompei, Portici, Torre del Greco, Torre Annunziata, Castellamara, eene aaneenschakeling van steden, als een glinsterend parelsnoer langs den oever geregen, tot daar, waar het, door het schitterende gebergte Angelo gekroonde, schiereiland van Sorenta in haren onvergelijkelijken vorm uitloopt in eene uiterste spits, de tegenwoordige Punta Campanella, welke slechts door een breed kanaal van Capri gescheiden wordt.

Dagelijks kon de keizer zich in dien aanblik verlustigen. Eilanden en zeeën, bergen en vlakten, steden en dorpen schenen hem, den overheerscher der wereld, te aanbidden. Gehoorzaamde hem niet de gansche wereld? Werden hem niet op de ontelbare altaren van het reusachtige Eomeinsche rijk dagelijks offers gebracht? Brachten de trotsche keizerlijke galeien, die met volle zeilen over de blauwe golf zich heenspoedden, niet de bevelen, waardoor hij over het lot der gansche wereld besliste? Menigmaal zal hij zich inderdaad in zijn villa Zeus verbeeld hebben, de geweldige god des donders zelf te zijn, die bliksem en donder in zijne hand had. „Wederom nam hem de duivel mede op eenen zeer hoogen berg, en toonde hem al de Koninkrijken der wereld en hunne heerlijkheid, en zeide tot hem: al deze dingen zal ik u geven, indien gij, nedervallende, mij zult aanbidden.quot; — Terwijl reeds voor twee jaar in Palestina in een afgelegen hoekje van zijn rijk, een ander dezelfde verzoeking overwinnend had afgewezen en op dien morgen uit het graf van Jozef van Arimathéa te voorschijn trad, was de Eomeinsche

6

ocr page 23

IN HET JAAR 83.

keizer voor de verzoeking bezweken. De overheerscher der wereld was een slaaf zijner lusten en schandelijke hartstochten. Le schoonste vrouwen nit zijn gansche rijk offerde hij in zijne paleizen daaraan op. Het gekroonde monster ontwijdde door zijne ontembare hartstochten en teugellooze driften de vreedzame heuvels en de reine grotten, die de zee in de rotsen had uitgehouwen, en waarin het schitterde en fonkelde als het tooverland in een kindersprookje. Even als alle wellustelingen was ook hij wreed en zijne omgeving sidderde voor hem. Allen waren slaven, hetzij zij als senator of in eene ellendige hut geboren waren. Hem, dien hij haatte, liet hij van de duizend voet hooge rots onder zijn paleis, in zee werpen. In de nabijheid der bouwvallen iVan zijn slot is eene vooruitstekende rots, vanwaar weleer de vuurtoren door vuursignalen berichten naar Puteoli en Calabrië zond. Die rotspunt wordt nu nog door het volk de „Salto Timberioquot; d. i. Tiberiussprong genoemd. Het moet de plaats zijn, vanwaar de keizer, volgens het verhaal van Suetonius, zijn ongelukkige slachtoffers na ontzettende martelingen en folteringen omlaag deed storten. Daar was het, dat hij met een duivelschen glimlach op het gelaat stond, wanneer de verooroordeelde, hetzij minister of slaaf, met een ontzettend gegil plotseling in de diepte stortte, van klip tot klip en van de eene vooruitstekende punt naar de andere als een steen werd heengeworpen, totdat een doffe val in de zee deed vermoeden dat de ongelukkige van zijn lijden was verlost. De minste achterdocht, dien de keizer aangaande een zijner onderdanen voedde, was voldoende om dien ongelukkige dit vreeselijke lot te bereiden. Geen wonder dat de geheele wereld voor \'s keizers toom beefde. Wij begrijpen, waarom Pontius Pilatus plotseling verbleekte en al zijne goede voornemens varen liet, zoodra de Joden hem dreigend toeriepen: „Zoo zijt gij des keizers vriend niet.quot; De Salto Timberio op de Capri zal hem voor den geest zijn gekomen.

De tegenwoordige visschers en boeren van Capri weten van

7

ocr page 24

DE KEIZER OP CAPBI.

de geschiedenis van vroegere eenwen weinig of niets, maar den gevreesden naam van Tiberius, of, zooals hij in hunne taal genoemd werd, Timberio, spreken zij nooit uit zonder bijvoeging van cattive Timberio d. i. de wreede Tiberius. Hij is hen de verpersoonlijking van al wat er wreeds en duivels in den mensch kan schuilen.

Zoo was de toestand op de hoogste plaats en in het voornaamste huis, toen de heerlijke Paaschmorgen aanbrak. De eerste Zondag breidde zijne vleugelen uit over de verloste aarde om vrede en zaligheid te doen nederdalen. Met de, in dien nacht verrijzende, zon steeg uit de duisternis van den Goeden Vrijdag een nieuwe gouden zon op over de landen en zeeën der aarde. De grootste dag der wereldgeschiedenis was gekomen, het uur der verlossing van zonde en dood had geslagen, een nieuw tijdperk was aangebroken; de ware Keizer, die heerschen zou over alle rijken der aarde, was uit het graf in de rots op het wereldtooneel te voorschijn getreden — de andere keizer zat op zijn rotseiland, onbewust van al hetgeen er voorviel, den tijd zijner regeering in de duffe stiklucht zijner zwelgerijen te verdroomen.

Welk eene tegenstelling tusschen de twee tijdgenooten, Christus en Tiberius! De een als de bloedige zonsondergang eener verouderde, in hare zonden verzinkende wereld op de rots van Capri; de andere als een gouden zonsopgang eener nieuwe wereld op den steen van het stille graf buiten Jeruzalem. De een in onverzadelijke hebzucht de gansche wereld willende winnen, maar daarmede zijne ziel verliezende; de andere in onvergelijkelijke liefde alles opofferend, tot zelfs het eenige wat hem bleef: zijn leven, maar daarmede alles winnend en aan de rechterhand des Vaders zijn rijk aanvaardend. Beide namen zijn met bloedige letteren in de wereldgeschiedenis opgeschreven; Tiberius met het bloed der duizenden zijner slachtoffers, maar Christus met Zijn eigen bloed, dat hij uit liefde voor zijne vijanden vergoot. De een maakt zijn liefelijk Capri tot de graf-

8

ocr page 25

IN HET JAAH 33.

spelonk zijner lage zonden en lusten en zijner vermoorde onderdanen; de andere maakt het graf van Jozef van Arimathéa tot de poort, waardoor al zijne verlosten ten eeuwigen leven kunnen binnengaan.

Als een spion zat de keizerlijke heremiet op zijne hooge rots van Capri. Niets van wat er rondom hem geschiedde ontging hem; maar heden, op den Paaschmorgen bespeurde hij er niets van, dat het keerpunt der tijden was aangebroken, dat de Held in het Oosten het werk had volbracht, dat geheel zijn reusachtig Eomeinsche rijk, ja de gansche wereld uit hare banen zou lichten, en waardoor de keizerlijke politiek zijner opvolgers te schande zou gemaakt worden. De gansche natuur scheen dien morgen een jubelpsalm aan te heffen. De aarde verheugde zich bevende onder de bergen van Jeruzalem en de leeuwerik jubelde over Golgotha. Na een lange, bange week van zwoegen was het Zondag geworden voor de wereld. Maar Tiberius zat boven op zijn rotspaleis en bemerkte van dat alles niets — evenweinig als de door schrik als bedwelmde discipelen en discipelinnen van Jezus, die in verschillende huizen van Jeruzalem verstrooid, een hopeloozen Paaschnacht en Paaschzondag doorbrachten.

9

ocr page 26

DE HOPELOOZE PAASCH-SABBATH.

Jezus de Galileör had gedurende de laatste jaren, bij elk zijner bezoeken aan Jeruzalem met altijd grootere beslistheid uitgesproken Gods Zoon te zijn. Voor gansch Israel had Hij het betuigd in het openbaar, op de groote feesten, waar zich de joden der gansche wereld verzamelden, ja zelfs in zijn verhoor voorden Hoogepriester (Joh. 18 : 20).

Daardoor waren allen gedwongen, om vóór of tegen Hem partij te kiezen. De hoogepriester Kajafas en zijne, wel is waarvan alle aardsche macht ontblootte, staatsraad, moesten zich uitspreken, omdat, door de reizen die Jezus en zijne jongeren in alle drie provinciën gedaan had, het gansche volk Hem had leeren kennen en belang in zijn persoon stelde. De persoon van Jezus vervulde zoozeer aller gemoederen, dat er bij den aanvang van het Paaschfeest voor de, van vreemdelingen overvolle, stad, geen belangrijker vraag scheen te zijn dan deze: „Wat dunkt u van Jezus ?quot;

De leiders van het volk hadden hun vast standpunt ingenomen. Hen scheen het de grootste aanmatiging en de grootste onbeschaamdheid toe, dat een landsman en nog wel een onontwikkeld buitenman uit Galiléa, zich zeiven, zooals zij Hem in December reeds hadden verweten, Gods Zoon had genoemd (Joh. 10 : 33).

ocr page 27

IN HET JAAR 33.

Nog in de vorige maand October hadden zij Hem wegens deze onzinnige bewering voor uitzinnig verklaard (Joh. 10: 20). Maar anderen verzekerden, dat zoo iets ondenkbaar was bij Een, die zóó als machthebbende sprak als deze Jezus. Er bleef him dan ook niets anders over, dan zijne bewering, de Christus te zijn, als ernstig gemeend aan te nemen. Daarom hadden zij ook de onvermijdelijke gevolgen van hun standpunt voorzien, zoodra zij bemerkten, dat Jezus zich niet door allerlei afschrikkende maatregelen liet terug houden, en het zelfs den vorigen Maandag gewaagd had, niettegenstaande hunne bedreigingen, onder het gejubel van het volk en het zingen van de koningspsalm zijn intocht in de stad te houden. Door een slim en krachtig aangegrepen plan hadden zij met ongelooflijken spoed gedaan gekregen, dat de Romeinsche stadhouder, zelfs tegen zijn zin, hun zijne toestemming tot de terechtstelling had gegeven; en zonder verwijl, eer iemand het vermoeden kon, was het vonnis voltrokken.

Daarmede hadden zij voor zich de, ook toen moeielijke, vraag beslist: of Jezus was Gods Zoon, zooals hij tot in zijn doodsuur beweerd had te zijn, öf de gevaarlijkste bedrieger en godslasteraar, die ooit in Israel was opgetreden. En de uitkomst had het immers bewezen dat zij gelijk hadden. God had zijn zoogenaamden zoon rustig den smadelijksten dood eens moordenaars doen ondergaan. Smaad en bespotting slechts bleven nu over voor den grooten volksleider. Zijn gegeeseld en doorboord lichaam lag nu daarbuiten begraven. De groote volksbeweging, voor drie jaar door Johannes den Dooper op-en door Jezus voortgezet was nu gelukkig ten einde. Het had moeite genoeg gekost. De Paasch-Vrij dag was voor hen een zware dag geweest. Nu was alles voorbij. Nu kon men rustig Paaschfeest vieren, zonder door dien Jezus gestoord te worden.

Was dit aller overtuiging? Was dit de meening van allen, die volgens voorvaderlijk gebruik, aan den avond van dien on-rustigen Paasch-Vrijdag in de familiekringen te Jeruzalem ver-

11

ocr page 28

DE HOPELOOZE PAASCH-SABBATH.

eenigd waren? was dat werkelijk de meening van die duizenden, die den volgenden Paaschmorgen zich in de voorhoven des tempels verdrongen, terwijl Kajafas in aijn prachtig hoogepries-terlijk gewaad, dat hij slechts driemaal in het jaar droeg, zijn ambt uitoefende? Die duizenden, die Jezus den vorigen Maandag met Hosianna\'s hadden ingehaald, die voor drie dagen in dezelfde voorhoven vol bewondering naar Hem hadden geluisterd, en die nu plotseling de mare van zijn vonnis, ja van zijne terechtstelling hadden vernomen, hielden zij Hem en zijn werk voor dooiden kruisdood veroordeeld ? En dan, zijne elf discipelen, wat dachten z ij van den plotselingen dood huns meesters, met wien zij voor enkele dagen uit Jericho waren vertrokken, als ging Hij om als koning zich te laten kronen ?

De voorbeeldelooze spoed, waarmede tegen aller verwachting in, alles was afgeloopen, had, zooals wij uit alle vier Evangelien zien, op al zijne aanhangers verlammend gewerkt. In doffe verslagenheid brachten zij den anders zoo feestelijken Paaschsabbat door. De gebeurtenissen van den vorigen dag en den ontzettenden Vrijdagnacht konden zij niet vergeten. Nu was alles voorbij. Het tieren en razen der vijanden was verstomd. Jezus\' lijden was geleden. Hij had zijn dierbaar hoofd geneigd en was — \'t was ondenkbaar — gestorven. De beide heeren uit Jeruzalem hadden Hem gisteren van het kruis genomen en in den nabij-zijnden tuin van den Raadsheer Jozef begraven, terwijl eene kleine schare weenende vrouwen het lijk had gevolgd. Eene deur in de rots gaf toegang tot het graf. Daar hadden ze Hen ingedragen. De vrouwen hadden toegezien, hoe ze Hem erin hadden gelegd. Daarna hadden ze nog een blik geslagen op het dierbare plekje, waar Hij onder de ruischende palmen en cypres-sen lag, — en toen hadden zij afscheid genomen, helaas, voor altijd.

Nu was de sabbat aangebroken en met dien dag het Paasch-feest, het heerlijkste aller feesten. Wat was hen nu het Paasch-feest? Bitterlijk bedroefd zaten zij hier en daar bij elkander. De

12

ocr page 29

IN HET JAAR 33.

huisdeuren waren goed gegrendeld. Kajafas en zijne soldaten konden ook nu nog elk oogenblik komen, om ook hen evenals hunnen Meester te kruisigen. Geen enkele straal van Paasch-vreugde verlichtte den nacht. Wel had Jezus verscheidene malen gezegd, dat Hij ten derde dagen zou opstaan, maar dat was ongetwijfeld beeldspraak geweest, evenals dat andere beroemde gezegde van drie dagen, toen Hij had gesproken: „Breekt dezen tempel, en in drie dagen zal ik denzelven oprichten!quot;

Vertwijfeling had zich van hen meester gemaakt. Neen, zij hadden niet gedacht dat het zóó eindigen zou. Aan hunnen Heer twijfelden zij niet. Hoe zou het hen mogelijk zijn geweest, als zij aan zijne edele persoonlijkheid dachten, die hen na zijn lijden en sterven zelfs goddelijk voorkwam. Het geloof aan zijn persoon was het eenigste, wat hen uit de schipbreuk van alle aardsche hoop was gebleven. Al het andere was in dikke duisternis gehuld. Die schrikkelijke ommekeer, die plotselinge terechtstelling midden in zijn zegetocht nog eer Hij iets tot stand had gebracht; neen, het was niet mogelijk. Zij konden niet begrijpen, dat God het zoo had gewild en alles zoo had toegelaten.

Ja, wij kunnen ons indenken, hoe zij dien Paasch-sabbat doorbrachten. Het eene oogenblik beschuldigden zij zich zeiven, dat zij Hem in Gethsemané alleen hadden gelaten en een van hen Hem zelfs driemaal verloochend had; dat zij Hem allen verlaten hadden, toen Hij aan het kruishout leed, behalve Johannes. Dan weder verdiepten zij zich in allerlei herinneringen en dachten zich in dien gelukkigen tijd terug. Het was hen, alsof zij nu eerst recht gevoelden, wat Hij voor hen was geweest. Nu eerst gevoelden zij de waarheid van des dichters woord:

Als gü het beste hebt verloren,

Dan weet gy, wat gy hebt bemind.

Maar of zij zich ook dan weder de eene en dan de andere gebeurtenis van zijn dierbaar leven voor den geest haalden, over

13

ocr page 30

DE HOPELOOZE PAASCH-SABBATH.

alles lag een somber floers uitgespreid, en bij en onder alles was de grondtoon huns harten: dat alles was Hij ons, en dat zal Hij nimmer meer voor ons zijn. Jezus was gestorven, en wie zal van een doode nog iets verwachten ? Toen zij Hem voor enkele dagen te midden van eene jubelende schare de stad hadden binnengeleid, waren zij er trotsch op geweest, dat zij Hem, wien al deze jubel gold, toebehoorden en hadden onbegrensde verwachtingen gekoesterd. Nu zou het hemelrijk op aarde komen. Eeeds zagen zij de schitterende koningskroon op het edele hoofd van hunnen geliefden Meester. Maar toen men de nagels uit het dierbare lichaam aan het kruis had getrokken, de doornenkroon Hem van het bleeke hoofd had genomen en het levenlooze lichaam in het nabij gelegen graf had gedragen — toen was alles voorbij. Zijn loopbaan was geëindigd. De wereld vervolgde rustig haren loop, evenals na elk ander sterfgeval. Jezus was gestorven en toch werd de wereld niet uit hare wegen gelicht. De zon ging op dien Sabbatmorgen even schitterend op boven den Olijfberg als altijd, alsof er niets ware gebeurd, en schoot gouden stralen op de stille rots in wier donker gewelf het lichaam van Jezus rustte. In de gansche stad vierde men Paaschfeest zooals voor eeuwen, en Jezus, om wien men zich gisteren en eergisteren had verdrongen, scheen voor immer bij de dooden zijne plaats te hebben gevonden. Het prachtige paleis in het westelijke gedeelte der stad, waarin Pontius Pilatus met zijne gemalin woonde, lag daar zoo trotsch op de hoogte, alsof daar gisteren geen tierende volksmenigte bij de vensters had gestaan en in de grootste opgewondenheid aan den Prokurator het bevel van terechtstelling had afgedwongen. Pilatus zat daarboven rustig en was blij, dat het woeste getier van de dweepzieke joden verstomd was, en de zaak zoo gunstig voor hem was afgeloopen. Gaarne had hij erin bewilligd, om het graf door soldaten te laten bewaken om de zaak te zekerder ten einde te brengen.

De jongeren zaten verstomd bij al die onloochenbare feiten.

14

ocr page 31

IN HET JAAR 33.

15

Feiten spreken zooveel luider tot het menschelijke hart dan wenschen en verwachtingen. Zij moesten het zichzelf toestemmen: hun droom van een aanstaand Messiasrijk, die hen voor drie jaren reeds tot jongeren van den Dooper had gemaakt, de droom van Israels verlossing door Jezus, was voor goed voorbij (Luk. 24 : 21). Jezus was tot zijnen Vader gegaan; dat had Hij hen eergisteren voorspeld (Joh. 14 ; 28). De wereld was Hem niet waardig geweest en de werkelijkheid, die zij voor oogen hadden was vreeselijk. Als nuchtere mannen moesten zij er zich in schikken. Thomas sprak het duidelijk uit. Wat zullen wij elven nog bij elkander blijven? Hij ging zijnen eigenen weg, uitwendig misschien gelaten, innerlijk een gebroken man. Judas, die zoo lang vertrouwelijk met allen had omgegaan, kwam niet weder tot hen. Zijn geweten was ontwaakt en hij heengaande, had zichzelven verworgd. De tien anderen bleven nog bij elkander. Uit de schipbreuk hunner verwachtingen trachtten zij althans den onderlingen geestelijken band te redden, waarmede Jezus hen verbonden had. Te vergeefs wilden zij het raadsel ontcijferen. Ook zij stonden voor de bange vraag: öf Gods Zoon, of een bedrieger, op zijn best een dweeper. Was Hij Gods Zoon? Zij konden aan de waarheid zijner woorden niet twijfelen. Zij herinnerden zich alles, wat Hem in hunne oogen zoo groot en zoo dierbaar gemaakt had. Zij dachten aan zijne groote daden: de storm op zee had hij gestild; de kranken had hij genezen; Lazarus, die toen misschien in hun midden zat, had Hij opgewekt uit de dooden. Hoe levendiger echter zijn goddelijke persoon voor hunne oogen trad, des te schreiender was de tegenstelling tus-schen zijne goddelijke zending en zijn smadelijk einde, toen God hem verlaten had. Zij hadden het immers zeiven gehoord, hoe Hij aan het kruis geroepen had: Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten? Ja waarom? Die vraag folterde hen voortdurend. Het treurig einde zijns levens, dat de smaad zijner vijanden had opgewekt kwam hen telkens weer voor den geest

ocr page 32

DE HOPELOOZE PAASCH-SABBATH.

als een onoplosbaar raadsel, waarop zij geen bevredigend antwoord konden vinden.

Ook de vrouwen waren in Jeruzalem; de trouwe, edele disci-pelinnen, die hare woningen aan de zee van Genesareth verlaten hadden, om Hem op dit Paaschfeest te volgen, waarvan ook zij zulke groote verwachtingen hadden. Zij waren bij Jezus gebleven, totdat Hij zijn hoofd neigde en stierf. G-edeeltelijk waren het verwanten van Jezus (Luk. 23 ; 49), aan wier hoofd de arme Maria stond, die sedert zijn koninklijke intrede in Jeruzalem de vervulling van hare schoonste adventsverwach-tingen op dit feest had verwacht. „Hij zal een Koning zijn,quot; zoo had de Engel weleer tot haar gesproken. Waarschijnlijk waren ook hare andere kinderen en hare dochters met haar gekomen. Deels waren het de talrijke andere discipelinnen des Heeren (Matth. 27 : 55), die wij niet allen bij name kennen. Daar was Maria Magdalena, Maria, de moeder van Jakobus en Jozes, Salome, de moeder van Johannes den evangelist, misschien ook de beide zusters uit Bethanië. Ook zij behoorden tot de discipelinnen, maar wij kunnen niet aannemen dat allen in één huis haar intrek hadden genomen. Die vrouwen hadden nog andere zorgen als de mannen. Haar teeder-godsdienstig, vrouwelijk gemoed, was het eene bepaalde behoefte, om den geliefden doode nog bewijzen van liefde en achting te geven. Bij ons zijn het de bloemen, die op den kleinen dierbaren heuvel gelegd worden en die van nimmerstervende liefde spreken. In het Oosten was het de balseming van het lijk, opdat de tand des tijds geen geweld daaraan zou kunnen uitoefenen. Dat te mogen doen was een troost voor de bedroefde vrouwen. Het had haar zoo goed gedaan, dat voor haar Heer en meester door twee hooggeplaatste mannen voor een deftig graf was gezorgd en Hij als een der grooten van de stad in een fraai graf ter ruste was gelegd, tusschen kostbare specerijen, mirre en aloë. Dat alles was haar echter nog niet genoeg. Zij wachtten slechts om naar het graf te gaan totdat de Sabbat voorbij zou zijn, en zij het

16

ocr page 33

INquot; HET JAAR 33.

weder mochten naderen. Doch toen de zon op den Sabbat onderging en men weder koopen en verkoopen mocht, gingen zij naar de markt en gaven alles uit wat zij hadden; dat had Maria van Bethanië voor acht dagen ook gedaan; nu herinnerde zij zich met weemoed elk woord, dat de Heer toen gesproken had, zeggende: „Zij is voorgekomen om mijn lichaam te zalven, tot eene voorbereiding ter begrafenisquot; (Mark. 14 : 8). Het was toch de laatste dienst, dien zij Hem konden bewijzen. Den volgenden morgen heel vroeg zouden zij naar het graf gaan en alles brengen wat liefde en dankbaarheid brengen konden, om het graf met liefelijken geur te vervullen en om haren dierbaren Heer zacht te bedden tusschen allerlei specereiën. Een treurzang wilden zij dan aanheffen, zooals dat bij de Joden in gebruik was, nog treuriger dan die van de dochteren van Jeruzalem, nog treuriger dan Davids treurlied over Jonathan, niet door gehuurde klaagsters, neen door haar zelve met hare vriendinnen uit G-alüéa en al de discipelinnen uit de omgeving van Jeruzalem. Zij wilden zich naar Oostersche wijze bij het graf nederzetten en weenen en klagen. Zij wilden bij het graf haars Meesters waken en Hem eeren ook in den dood, opdat de wereld, die Hem zoo snood had omgebracht, zien zou, dat er nog liefhebbende harten waren, die in Hem geloofden en die Hem getrouw bleven ook over den dood.

En Zaterdagnacht brak aan. Stil was het boven Jeruzalem. De volle maan volgde langzaam en statig hare baan, hoog boven den Olijfberg en boven de stad, hoog boven het graf des ontslapenen meesters. De stedelingen en de vele vreemdelingen sliepen nog na den feestdag. Alleen de vrouwen waakten. Zij zaten en wachtten; \'t was haar of de morgen nimmer zou aanbreken, waarop zij naar buiten en naar het graf konden ijlen, om haar droevig werk te volbrengen.

17

2

ocr page 34

DE OPSTANDING.

Op den eersten dag der weke, voor den dauw des morgenrood^ Rees de Godmensch uit de banden des te niet gebrachten doods! Onverderfelyklieid en leven werden aan het licht gebracht! En de zon der nieuwe schepping brak d\' alouden zondennacht!

Da Costa.

Geen menschelijk oog heeft de opstanding des Hoeren aanschouwd. De menschen kwamen eerst aan het graf toen Jezus réeds verrezen was. Mattheus is de eenigste evangelist, die ons terugvoert tot dicht bij die groote gebeurtenis. Volgen wij dan zijn verhaal.

Twee nachten had het lichaam in het graf gerust. Des Vrijdags, den eersten nacht was het doodstil geweest in den tuin van Jozef van Arimathéa. Niemand was daar. Slechts het lichaam van Jezus rustte in de stille rotsgroeve. Op eenigen afstand schemerden de lichten der stad en de nachtwind fluisterde dooide boomen in den stillen tuin. In den tweeden nacht was het anders. De hoogepriesters hadden van Pilatus eene wacht gevraagd (Matth. 27 ; 62), opdat de discipelen niet misschien bij nacht komen zouden en hem stelen, om dan te kunnen zeggen: Hij is opgestaan van de dooden. Jezus toch had er duidelijk op gezinspeeld (Matth. 12 : 40). Pilatus was den Joden ter wille ge-

ocr page 35

IN HET JAAR 33.

weest en had eenige Romeinsche soldaten, die hem van Cesaréa naar Jeruzalem hadden begeleid, bij het graf geplaatst.

Die opdracht zal hen vreemd genoeg zijn voorgekomen. Toen de nacht aanbrak, staken zij, even als den vorigen avond in de zaal van het hoogepriesterlijk paleis, een \'wachtvuur aan, (de Aprilnachten toch zijn koel in Palestina) en zaten daar dien langen Paaschnacht voor den, door de volle maan beschenen, rotswand. Daar achter lag de geheimzinnige doode. En van wien anders zullen zij gesproken hebben dan van Jezus. De eigenaardige opdracht, die hen daar had gebracht, gaf er alle aanleiding toe. Nimmer toch hadden zij Rome\'s wapenen ter bewaking van een doode aangegord, en dan nog wel, om dien doode te verhinderen uit dat graf te verdwijnen. Die stille doode daar binnen scheen al hunne aandacht waardig. Reeds onder het kruis hadden zij met heilige vreeze gestaan. In den beginne hadden zij zich vroolijk gemaakt en het lot geworpen over zijne kleederen. Hem gehoond en gelasterd, en gelachen over den gekruisigden Jodenkoning. Maar toen de duisternis kwam. toen Hij met een vertrouwend gebed op de lippen stierf, toen de aardbeving kwam, toen waren ook zij ernstig geworden. Dat alles kon elders ook wel voorkomen, maar nu, bij dezen kruiseling, was het hen een bewijs dat de goden vertoornd waren. Ook zij hadden zich van het kruis verwijderd met den bangen uitroep van hun hoofdman: „Waarlijk! deze was\'G-ods Zoon!quot; En nu, nu bewaakten zij zijn lijk. Een nachtwake aan het graf stemt elk mensch ernstig en daarbij kwam nog dat voor de soldaten, dat deze doode wel iets bizonders geheimzinnigs had.

De nacht spoedde ten einde. De scherpe Westenwind, die in het heilige land kort voor het aanbreken van den dag opsteekt, kwam van over de Middelandsche zee. De schemering daagde, maar nog was het donker om hen heen. Onduidelijk waren de omtrekken van de torens der stad eu van den Olijfberg te zien. Maar hoor wat is dat? — Eene aardbeving doet.

19

ocr page 36

DE OPSTANDING.

even als Vrijdag, den grond onder hunne voeten beven en de bergen rondom Jeruzalem sidderen! De rotsen splijten! De steen, die voor het graf was gelegd, rolt langzaam weg — hun oog ontwaart eene gedaante wit als sneeuw, die hen als door de bliksem getroffen, verblindt. (Matth. 28 : 3). Zij sidderen en beven. De angst voor een bovenaardsche macht, die hen reeds den vorigen dag had doen beven, greep hen aan! Ja waarlijk, Hij ivas Gods Zoon! Zijn graf opent zich. Ontzet en verschrikt verlaten zij hunnen post en vlieden naar de stad!

Daarna was het weder stil in den tuin en bij het graf. Niemand was daar dan de engel, die den steen van het graf had gewenteld, en zat op dien steen voor de opening. In het Oosten achter den Olijfberg brak de schemering door. Purperen lijnen waren aan den hemel zichtbaar. Toen zullen ook de overige engelen zich hebben opgemaakt om den Overwinnaar te begroeten.

Wel wordt er in de Evangeliën slechts van één engel gesproken, die aan de soldaten, en van twee, die aan de vrouwen verschenen waren, maar dat waren slechts de engelen, die voor het menschelijke oog zichtbaar waren. Want als de engelen reeds uitgezonden worden ten dienste en om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen, hoeveel te eerder zullen zij daar geweest zijn, toen Gods Zoon na volbrachten arbeid uit het graf verrees! Even als zij in de velden van Bethlehem bij zijne geboorte nederdaalden „eene menigte des hemelschen heirlegersquot; zoo verschenen zij ook zeker bij het einde van zijne loopbaan. Dat waren de „meer dan twaalf legioen engelenquot; van wie Hij in Gethsemané gesproken had. Zij vielen op hun aangezicht en prezen en aanbaden hunnen Hemelschen Heerscher, den Levens-vorst, die met verheerlijkt lichaam en met verheerlijkt aangezicht uit het graf van Jozef van Arimathéa te voorschijn trad.

Toen zal er, even als in den eersten Kerstnacht, een nieuw lied gezongen zijn, en in duizendvoudigen jubel een nieuw Paaschlied geklonken hebben, dat groote lied der hope, dat

20

ocr page 37

IN HET JAAR 33.

sedert op de lippen der verloste menschheid is gelegd. De groote daden, die Jezus volbracht had, zullen den inhoud van dien lofzang uitgemaakt hebben. Wat was er in die drie veelbewogen dagen, waarvan elke dag eene eeuwigheid in zich scheen te bevatten, niet gebeurd! God had vrede gemaakt met den mensch. Een gouden brug was gelegd, die van af het kruis op de aarde tot in den hemel reikte.

Ook in de onzichtbare wereld waren groote veranderingen geschied. Terwijl het lichaam van Jezus in het koele graf van Jozef rustte, terwijl de soldaten de wacht hielden, was Hij als Overwinnaar ingegaan in die andere wereld, daar waar de dooden wachtende waren op de dingen, die komen zouden. Welk een lofzang moet er zijn opgegaan door de reien dier wachtende geesten, toen Jezus Christus, de overwinnaar des doods, aan de poorten van het doodenrijk verscheen en de ijzeren grendelen verbrak. De moordenaar aan het kruis was niet de eenige, dien Hij met zich nam in het Paradijs. Wijd waren de poorten geopend, de poorten des eeuwigen levens. Eene ongekende beweging ging door het doodenrijk, en de psalm der groote verzoening op Golgotha klonk door de onzichtbare wereld. De verloste gevangenen traden in de geopende deur en \'t was hen als droomden zij. Nu was alles volbracht. Jezus had nieuwe instellingen gemaakt èn in deze èn in gene wereld, nadat Hij eene oude, groote, lange rekening van zondenschuld, die reeds aan de poorten van het verloren Paradijs was opgeschreven, had uitgewischt.

Even als aardsche koningen en veldheeren hunnen glorierijken intocht houden na eene groote overwinning, zoo hield ook Jezus Christus nog eenmaal zijnen intocht in de zichtbare wereld. Zijne opstanding zou zichtbaar voor de zijnen zijn, als bewijs dat de zondenschuld gedelgd en de overwinning behaald was. Nog eenmaal betrad de Heiland de aarde.

De eerste stralen der Paaschzon verlichtten de heilige stad. Jeruzalem lag daar voor \'s Heeren oog, de stad waarover Hij

21

ocr page 38

DE OPSTANDING.

pas voor enkele dagen had geweend. Slechts eenige minuten verwijderd stonden de drie ledige kruisen op Golgotha.

Welk een blik van vreugde zal Jezus nn, op de door de Paaschzon beschenen en op de door Hem verloste aarde geslagen hebben. Hij zag neder op de stad, en sloeg het oog op Golgotha, op de bergen, waarachter de Middellandsche zee, de oceaan en de gansche mensch en wereld zich uitstrekten, als of Hij zeggen wilde: „U heb ik verlost. Duur heb ik u gekocht met mijn bloed. Volg nu den weg des levens, dien Ik u door mijnen dood gebaand heb!quot;

Voor het paleis des Keizers stonden twee wachten, die het eiken voorbijganger als toeriepen: ,. De keizer houdt hier verblijf.quot; Twee engelen hielden de wacht bij het graf in de steenrots — eene hemelsche wacht. En zij hadden de opdracht om aan een ieder, die bij het graf kwam, met heilige vreugde de blijde boodschap te verkondigen: „Christus is opgestaan!quot;

22

ocr page 39

DE EERSTE BERICHTEU VAN JEZUS\' OPSTANDING.

De eerste schemering brak aan over het heilige land; het zal omstreeks zes uur zijn geweest, een half uur voor zonsopgang (Joh. 20 : 1; Luk. 24 : 1). Buiten op Golgotha en in de straten der stad was het nog donker. De wacht was nog niet afgelost op den burcht Antonia en de bazuinen der priesters hadden het aanbreken van den Paaschmorgen nog niet aangekondigd van den nog in het duister liggenden tempel. Slechts de hanen kraaiden, en hier en daar ontwaakten enkele menschen.

Eene koele morgenwind, zooals meestal in April, streek over den tempel en den Olijfberg. Daar achter begon de hemel zich te kleuren. Enkele purperen streepen aan den horizon achter de bergen van Gilead, verkondigden den opgang der zon.

Eenige vrouwen spoedden zich naar de noordelijke stadspoort. Hare kleeding deed vermoeden, dat zij niet uit Jeruzalem, maar uit de provinciën ten Paaschfeest gekomen waren. Het waren de trouwe discipelinnen uit Galiléa: Maria Magdalena, Maria de moeder van Jakobus, Salomé de moeder van Johannes en nog eenige andere vrouwen (Luk. 23 : 55; 24 : 1). Zij ijlden naar buiten, naar het graf van Jezus. De tuin van Jozef van Arimathéa was haar dierbaar geworden, sedert het stof van haren meester daar rustte. Zij hadden behoefte om bij Hem te zijn, zij wilden

ocr page 40

DE EERSTE BERICHTEN VAN JEZUS\' OPSTANDING.

zich in het graf nederzetten om daar haren tranen den vrijen loop te laten. Nog eenmaal wilden zij de doorboorde handen kussen, die zoo dikwerf zegenend op hare hoofden had gerust, nog eenmaal een blik werpen op dat heilige aangezicht. De kruik met kostbare zalf en de doeken in hare handen bewezen haar voornemen. Zij wilden het dierbare lijk zalven. Geurige kruiden („aromataquot; zegt Lukas) en specereien hadden zij medegebracht om haren meester koninklijk te begraven. Dat had Hij wel aan haar verdiend. Zoo wilden zij Hem inwikkelen en dan afscheid nemen, afscheid voor altijd.

Zalven! Dat éene woord zegt alles. Zij spoedden zich naar buiten, maar geen straal van hoop verlichtte hare harten. Zij namen dezelfde roerende, maar niet te min vergeefsche middelen te baat, waarmede de mensch het afschrikwekkend raadsel des doods zoekt te bemantelen, sedert voor de eerste maal een stille doode onder heete tranen in het koele graf werd gelegd. Hetzij men de graven versiert met bloemen of met een prachtig marmeren monument of met een eenvoudigen steen, hetzij de vrouwen eene kruik met kostbare zalf en specere ien brengen, alles is te vergeefs. Zelfs waar men, zoo als bij de Egypte-naren, het lijk door balseming voor verderf bewaarde, opdat de mummie duizenden jaren zou bewaard blijven, toch was de ziel ontvloden! Evenzoo als de groote, steenon sphinx-gestalten op de oude doodenstad Memphis heenzagen naar het Oosten, over de duizenden en andermaal duizenden graven, zoo zochten nog altijd de menschen naar eenen zonsopgang aan gene zijde des grafs. Daartoe ontbrak echter nog elke grondslag; het Paasch-feit ontbrak, en dat alleen kan aan alle verwachtingen en aan de hoop op een eeuwig leven eene vroolijke zekerheid geven.

De vrouwen van Galiléa vonden het echter toch eene troostrijke gedachte, om dezen liefdedienst haren Heer te bewijzen. Stil was het nog in Jeruzalem en de straten waren ledig. Geen voetstap werd gehoord. Eindelijk bereikten zij de poort en :raden in de frissche ochtendlucht buiten de stadsmuur. Hier en daar

24

ocr page 41

IN HET JAAK 83.

verspreid lagen enkele vriendelijke landhuizen van rijke stadbewoners, door fraaie tuinen omringd. Rechts zagen zij het dal Kidron, daar achter de scherpe lijnen van den Olijfberg tegen liet effen biauw der lucht; dien Olijfberg, waar haar meester des avonds zoo gaarne vertoefde in den hof Gethsemané. In de verte zagen zij Golgotha met de drie ledige kruisen. Daarheen wendden zij hare schreden, daar toch was het dierbare graf. Tusschen twee tuinmuren ijlden zij voort, totdat zij voor den tuin van Jozef stonden.

Het was een net onderhouden tuin, op Oostersche wijze door eene muur omringd en waarvoor men, volgens Johannes, een eigen tuinman had. Met kloppend hart openden zij de poort. Geen tuinman, geen wachthebbende soldaten werden zij gewaar. Alles was doodstil. De tuin, dien zij door eene wacht bezet verwachtten, was als uitgestorven. Het was er zoo stil als op Golgotha, waarheen zij met ontroering zagen, gedachtig aan het lijden, dat de Meester daar had verduurd. De zon ging op, toen zij het graf naderden (Mark. 16 ; 2). Hoe liefelijk is zulk een Aprilmorgen in het heilige land. De gouden stralen der zon verlichten berg en dal, de stemmen der menschen zwijgen, geen wanklank wordt vernomen. Alleen de natuur schijnt feest te vieren en haren Heer te aanbidden. Alle bergen rondom Jeruzalem, van den Olijfberg af, prijken in het frissche voorjaarsgroen. In den tuin bloeien de kweeën in prachtige sneeuwwitte trossen. Het lichte groen der vijgenboomen wat afgewisseld door de donkerzilverige kleur der olijven, de bladeren-dosch der talrijke granaatboomen schitteren tusschen het overige groen, en de vogelenschaar zingt zijn jubelend lied onder den helder blauwen hemel.

Zulk een liefelijken oord werd door de zon beschenen, toen de vrouwen des morgens tegen half zeven den tuin van Jozef binnentraden. Een zee van licht vervulde den tuin, waar toen nog eene ernstige sabbatsstilte heerschte. Alleen de palmbladeren ritselden, door den wind bewogen, en de hooge cypressen fluis-

25

ocr page 42

DB EERSTE BERICHTEN VAN JEZUS\' OPSTANDING.

terden over het nabijzijnde graf in de rots, als wisten zij te verhalen van de groote dingen, die zij dien morgen hadden zien geschieden.

De vrouwen echter bemerkten niets van de bekoring van dien Paaschmorgen. Sedert haar Heer in het graf rustte, was voor haar de gansche wereld als met een rouwfloers bedekt. Zij bemerkten niets van het liefelijke voorjaar, niets van dien schoonen morgen, maar bekommerden zich alleen over de vraag, wie wel den grooten steen van het graf af zou wentelen. Zij konden het niet doen (Mark. 16 : 4), en, werd de steen niet weggenomen, dan konden zij ook niet in het graf. Voort ijlden zij door de lanen, waardoor zij eergisteren met Jozef en Nicodemus het lijk naar het graf hadden gebracht. Eindelijk bij eene kronkeling van het pad, zien zij plotseling den rotswand voor zich. Daar, door die welbekende deur, hadden zij eergisteren den geliefden doode binnen gebracht; maar eerst toen werden zij plotseling gewaar, dat de steen reeds afgewenteld was. De, door den steen zoo zorgvuldig gesloten, deur stond wijd open, alsof er dien morgen reeds iemand was doorgegaan.

Verschrikt zien zij elkander aan. Hoe? Zouden een der jongeren reeds hier zijn geweest ? Vreesachtig en twijfelmoedig treden zij de lage deur binnen (Mark. 16 : 5), en staan in de donkere grot. Plotseling van het volle licht in de grot komende, moesten hare oogen zich eerst aan de duisternis wennen. Daar tegen den rotswand is de steenen bank, waarop zij het lijk hadden nedergelegd. Zij treden nader en een kreet van smartelijke teleurstelling komt van hare lippen. Het graf is ledig! Het lijk is er niet meer!

De mensch is geneigd om in moeielijke dagen alles van de somberste zijde te beschouwen. Aan eene opstanding denk: geen van haar. Zij denken slechts aan haar verlies, aan diefstal van het lijk, ja als het nog maar niet wat ergers is. Maria Magda-lena, die het meeste begenadigd was, die in dubbelen, in zeven-voudigen zin haar leven Hem te danken had en die zich, door

26

ocr page 43

IK HET JAAR 33.

onuitsprekelijke liefde gedreven, zeker het meeste had er op verheugd, nog eenmaal zijne voeten te kussen, nog eenmaal den doode haren dank te brengen, zij ijlt naar de stad terug om het den jongeren te vertellen. Als iemand haar helpen, haar raden kan, dan zijn zij het; Zij ijlt naar Johannes, die waarschijnlijk met de moeder van Jezus en met hare zuster in hetzelfde huis woonde, en vandaar naar Petrus om aan beiden de vreeselijke tijding te brengen. Met knikkende knieën staat zij eindelijk voor het huis, klopt aan de deur staat al spoedig voor Johannes en roept in angst en droefheid uit: „Zij hebben den Heer weggenomen uit het graf — en wij weten niet waar zij hem gelegd hebben.quot;

De andere vrouwen waren in het graf, eene ruime plaats in de rots, blijven staan, en zagen aan hare rechterhand twee mannen in blinkend-witte kleederen. Dat gezicht deed de toch reeds ontstelde vrouwen nog meer vreezen. De onbekenden echter spreken haar vriendelijk toe, alsof zij eene gelukkige tijding te melden hadden. „Vreest nietquot; zoo spraken zij, „omdat het graf ledig is. Wat zoekt gij den levende bij dedooden? Hij is hier niet. Hij is opgestaan! Herinnert gij u niet, wat Hij u reeds in Graliléa zeide, namelijk dit, dat Hij gekruisigd zou worden en ten derde dage weder zou opstaan?quot;

Opgestaan! Voor de eerste maal klonk dat woord, dat zoo ongeloofelijke en toch zoo zalige woord haar in de ooren. Zij konden het zich niet indenken, maar de hemelsche boden spraken woorden, die zij vroeger ook van Hem vernomen, maar toen niet begrepen hadden. Wat klonken nu die woorden onbeschrijfelijk heerlijk en vertroostend. Maar neen, het kan niet zijn, zij kunnen het niet gelooven; en in plaats van zich te verheugen, bracht het ongeloofelijke bericht en het ledige graf haar geheel in verwarring: doodelijk verschrikt vluchtten zij (Mark. 16 : 8). Haastelijk uitgegaan zijnde vloden zij en lieten de kruik met zalf en den nardus in het graf achter (Mark. 16:8; Matt. 28 : 8; Luk. 24 : 9). Wederom was het stil in den

27

ocr page 44

DE EEKSTE BERICHTEN VAN JEZUS\' OPSTANDING.

tuin. Hoog boven den olijfberg stond de zon in volle pracht en verlichtte met gouden glans die voor de gansche christenheid geheiligde plaats, vanwaar de vreesachtige vrouwen zoo verschrikt waren gevlucht.

Maar ziet, een half uur later, omstreeks te zeven uur, komen daar weder drie vroege bezoekers eenige oogenblikken na elkander aan het graf: eerst Johannes, daarna Petrus en daarna ten tweede male Maria Magdalena (Mark. 16 ; 1 — 9; Joh. 20:1 —2). De beide jongeren hadden op het wonderbare bericht der vrouwen alles laten staan, en waren zoo spoedig mogelijk heen gesneld door de straten der stad, tot bij het graf. Was er eenige hoop in hunne zielen opgegaan? De jeugdige Johannes was Petrus vooruitgesneld; zonder om te zien haastte hij zich voorbij Golgotha, waar hij eergisteren bij den stervenden Meester onder het kruis had gestaan. Waarschijnlijk zullen de woorden: „Ten derde dage opstaan,quot; hem in de ooren hebben geklonken, maar nog kon hij het niet gelooven. Hij spoedt zich door de tuindeur en staat voor het graf. Ja waarlijk, de deur is open, de steen is afgewenteld, hij blikt naar binnen en ziet de linnen doeken zorgvuldig samengerold. Met een kloppend hart staat hij daar. De hope der opstanding begint in zijne ziel te gloren. Daar komt ook Petrus bij het graf. De voortvarende, vastberaden man wil geen oogenblik verliezen en treedt, zonder op Johannes te letten, in het graf. Ook hij ziet de linnen doeken liggen, dat was voorwaar geen bewijs, als hadde men den I-leer gestolen. De hoofddoek, waarmede het dierbare hoofd omwonden was geweest, lag afzonderlijk, de overige linnen doeken op sene andere plaats, als een nachtgewaad, dat eene pas ontwaakte daar zorgvuldig had nedergelegd. Petrus deelt onmiddellijk zijne opmerkingen aan Johannes mede, die daarna ook binnentrad en verbaasd de sporen ziet van \'s Heeren opstanding. Onuitsprekelijke vreugde begon zijn hart te vervullen. De woorden: „En ten derde dage opgewekt worden,quot; die hij evenals de andere discipelen als beeldspraak had beschouwd, werden

28

ocr page 45

IN HET JAAR 33.

hem nu werkelijkheid. Wat hij nimmer had durven denken, was oógenschijnlijk toch geschied. De Heer was opgestaan! Het ledige graf, de afgelegde en te zamen gevouwen, linnen doeken waren de sprekendste bewijzen. Een zalige vreugde doorstroomt zijn hart, en telkens en telkens weder beziet hij de bewijzen der opstanding. Het geloof, het groote, zaligmakende geloof der opstanding begon zijn hart te vervullen. Hij begon te beseffen, dat juist dit de heerlijke, goddelijke oplossing was van het ontzettende raadsel van Golgotha, en dat juist de dood des Meesters het heerlijkste bewijs moest worden van zijne Godheid en van zijne goddelijke zending.

„Hij geloofdequot;; in deze twee enkele woorden (Joh. 20 : 8) beschrijft de evangelist in meesterlijke eenvoudigheid de zaligste ervaring zijns levens. Hij was de laatste van alle discipelen die onder het kruis bleef, totdat Je Heer gestorven was. Nu was hij ook de eerste, die geloofde en Paaschfeest vieren mocht.

Van Petrus lezen wij (Luk. 2-4 : 12) „Hij ging weg, zich verwonderende over hetgeen geschied was.quot; Ook hij werd nadenkend. Maar terwijl Johannes het nog niet waagde, om het zalige geloof dat in hem was, uit te spreken, moest de, door zijn val verootmoedigde. Petrus afwachten wat er gebeuren zou.

Te zamen gingen zij terug naar de stad (Joh. 20 : 10). Wat zouden zij ook langer bij het ledige graf vertoeven? Was Hij waarlijk opgestaan, dan was Hij naar elders heengegaan, en waarheen anders zou Hij heengegaan zijn, dan tot zijne verlatene, bedroefde discipelen? Welk eene verrassing zou hen dezen dag nog wachten. Met deze gedachte, die zij zich zeiven nog ternauwernood durfden bekennen, ijlden zij in den vroegen lentemorgen naar de stad terug. Geheel verdiept in eigen overdenkingen, dachten zij niet meer aan de treurende Maria Magda-lena, die bij het graf was gebleven en bitterlijk weende.

29

ocr page 46

DE EERSTE VERSCHIJNING AAN DEN PAASCHMORGEN.

„Maria!quot; klinkt het, en niets meer.

„Dat is de Heer!

Reeds ligt zij snikkende aan zyn voeten! Wie zaalger dan dit vrouwenhart,

Dat zulk een Heer, na zulk een smart,

Dus blü mocht groeten!

Beets.

Maria stond bij het graf en weende. Met deze woorden vangt de groote evangelist aan, ons de eerste verschijning van den Verrezene mede te deelen.

De jongeren weenden en treurden allen nog, maar terwijl zij weenen is reeds de heerlijke Paaschmorgen aangebroken. De Heer, die op den Goeden Vrijdag had uitgeroepen: „Het is volbracht!quot; is intusschen heengegaan en heeft zijn verlossingswerk uitgestrekt over de onzichtbare wereld, over de geesten in de gevangenis van het doodenrijk. Hij is „nedergedaald ter helle,quot; zoo als het in onze geloofsbelijdenis eenigszins onduidelijk is uitgedrukt. Daarna Hij was teruggekeerd op de verloste aarde, om door zijne opstanding het geloof zijner jongeren te wekken en te versterken, en hen te bekwamen om den grondslag te leggen van het christelijk geloof en van de christelijke kerk,

ocr page 47

IN HET JAAE 33.

waardoor zijn werk zich van eeuw tot eeuw zou ontwikkelen, tot aan dejr voleinding der wereld. Toen Hij het graf verliet beefde de aarde. Die aarde met hare milliarden graven, sidderde onder de voeten van Hem, die als de eenige overwinnaar over den dood, het graf verliet, en die het groote kerkhof dezer aarde in een zonnig verblijf van onsterfelijkheid zou veranderen. Dat alles was reeds in den vroegen morgen geschied — „Maria echter stond buiten bij het graf en weende.quot;

Daar stond zij onder de boomen van den tuin, wellicht geleund tegen den rotswand. Intusschen was de dag reeds aangebroken. De zon schitterde op de gouden platen waarmede de marmeren tempel daarginds was versierd; in het hart van Maria echter was het stikdonkere nacht. De laatste troost was haar ontnomen. De beide jongeren waren haastig weggegaan, misschien evenzoo ontzet als zij over den diefstal van het dierbare lichaam huns Meesters. Zij was alleen in den tuin.

Dat Hij werkelijk was weggenomen, neen, zij kon het niet gelooven. Nog eenmaal wil zij een blik slaan in het graf en zien, of het dan werkelijk waar is; want nog altijd hoopt zij, dat hare oogen haar bedrogen hebben. Zij bukt zich en ziet in de geopende grafdeur.

Daar • zag ook zij evenals de andere vrouwen twee mannen in witte kleederen, den eenen aan het hoofd-, den anderen aan het voeteneinde, die tot haar zeiden: „Vrouw wat weent gij?quot; Met innige deelneming spraken zij haar aan, geroerd door hare groote droefheid. Maria, hopende dat zij eindelijk iemand gevonden had, die haar zekerheid geven kon — want wat zouden deze vreemdelingen in het graf doen, als zij niets van het lijk wisten — stelde vertrouwen in hen en klaagt: „Zij hebben mijnen Heer weggenomen — en ik weet niet, waar zij hem gelegd hebben.quot;

Toen zij echter ook van hen geen antwoord ontving, wendt zij het hoofd af en keert zich om. Daar treedt haar een derde persoon te gemoet. Hare diepe droefheid schijnt ook hem

31

ocr page 48

DE EERSTE VERSCHIJNING AAN DEN PAASCHMORfrEN.

te ontroeren en met innige deelneming doet hij dezelfde vraag als de beide mannen; „Vrouwe, wat weent gij ? Wien zoekt gij ?quot;

Hare betraande oogen zien zijne gestalte niet. maar zij houdt Hem voor Jozefs tuinman. Misschien denkt zij, terwijl zij weder hoop vat, zal deze toch wel weten wat er met den doode is geschied. Zijne stem, ja geheel zijn voorkomen boezemt haar vertrouwen in, en onder bitterlijk weenen en met eene smeekende stem bidt zij; „Heer, hebt gij hem weggedragen, zoo zeg mij waar hebt gij hem gelegd en ik zal hem wegnemen !quot;

Maar ook Hij blikt haar zwijgend aan. Hij schijnt het niet te weten. Hoe kan Hij haar dan helpen? Zij keert zich om en ziet met vragenden en zoekenden blik den- tuin in.

Daar hoort zij — waakt of droomt zij? — de zoo welbekende stem van Jezus haar toeroepen: „Maria!quot;

Zijne stem! Een gevoel van verrukking doortintelt haar lichaam en ziel. Was dat niet dezelfde stem, waarmede Hij haar in die onvergetelijke ure haars levens had geroepen; die stem, waarnaar zij zoo menigmaal had geluisterd?

Als van den bliksem getroffen wendt zij zich om. Een jubelkreet ontsnapt hare borst en een juichtoon klinkt door den stillen tuin, door den helderen Paaschmorgen. „Eabbuni! Rab-buni! Mijn Heer en mijn Meester,quot; zoo juicht zij, terwijl zij aan de zijne voeten nederzinkt om zijne knieën te omvatten, om Hem te aanbidden en te blijven knielen aan de voeten van haren wedergeboren Heer.

Maar zacht afwerend sprak Hij tot haar: „Raak mij niet aan, want ik ben nog niet opgevaren tot mijnen Vader; maar ga heen tot mijne broeders en zeg hun: „Ik vaar op tot mijnen Vader en uwen Vader, en tot mijnen God en uwen Grod.quot;

Zij mocht Hem dus niet aanraken, — en ach, hoe gaarne had zij het gedaan! — maar, Hij gaf haar hoop voor de toekomst. Zij mocht niet bij Hem blijven — hoe gaarne had zij het gedaan — maar Hij had haar een bevel gegeven en dat

32

ocr page 49

IN HET JAAR 33.

mocht zij volbrengen. Lag\' daarin niet reeds eene zaligheid voor haar, voor haar die Hem had dood gewaand? Had Hij haar niet verwaardigd om Hem het eerst van allen te zien? Mocht zij niet de eerste verkondigster zijn der blijde boodschap ? Mocht zij niet de eerste zijn, die in den kring der treurende jongeren zou uitroepen: „De Heer is waarlijk opgestaan!quot; en zou zij Hem dan niet met vreugde gehoorzamen?

Zij spoedt zich dan ook heen om zijn bevel te volvoeren. In welk eene andere stemming keert zij dienzelfden weg terug, die zij zoo kort te voren zwaarmoedig en hopeloos gekomen was! Hoe anders ijlde zij nu door den tuin en langs Golgotha! De vreugde gaf haar vleugelen. In een oogenblik was zij aan de stadspoort. Vlug vervolgde zij haren weg door de straten der nu reeds lang ontwaakte stad, totdat zij aan het huis kwam waar de jongeren treurend bijeen zaten.

Met schitterende oogen en een Paaschglans op het aangezicht trad zij in den kring der jongeren en riep hen vol vreugde toe: „De Heer is opgestaan!quot;

Hoe zeer zij hen echter verzekerde dat zij Hem zelve gezien had; hoe zeer zij ook haar best deed om getrouw zijn boodschap over te brengen niets mocht baten. Zij zagen haar verwonderd ja bijna met medelijden aan. Dat waren toch onmogelijke fabelen. Evenmin als zij de andere vrouwen geloofd hadden, evenmin als zij het geloof van Johannes konden deelen, die niets gezien had dan het ledige graf, evenmin lieten zij zich door de gelukkige Magdalena overreden. Zij geloofden haar niet (Mark. 16 ; 10, 11).

* *

*

De verdere levensloop van Maria Magdalena is ons onbekend; zij blijft echter voor de gansche Christenheid als eene lichtende gestalte aan de poorten van den Paaschmorgen, even als Maria van Bethaniö aan de poorte der lijdensweken. Zonder eenigen grond heeft de overlevering die eerste verkondigster der groote

3

33

ocr page 50

DE EERSTE VERSCHIJNING AAN DEN PAASCHMORGEN.

34

Paaschvreugde, verwisseld met de groote zondares, van wie Lukas (Hoofdst. 7) verhaalt. Waar zij echter geleefd heeft, hetzij in de eerste Christen gemeente te Jeruzalem, hetzij in haar vaderland Galiléa in het liefelijke, van palmboomen omringde, Magdala, aan den oever van het blauwe meer van Galiléa, waar zij telkens herinnerd werd aan den arbeid haars Meesters gedurende zijne omwandeling op aarde — dat ééne woord „Mariaquot; dat de Heer haar op dien Paaschmorgen in den tuin van Jozef bij het open graf heeft toegeroepen, zal haar levenslang als hemelsche muziek in de ooren hebben geklonken. Dat uur, waarin de Verrezene haar verscheen, waarin Hij door haar dei-wereld den eersten Paaschgroet liet brengen, zal haar altijd het hoogtepunt haars levens gebleven zijn. Gedurende haar ge-heele leven zal haar de blijde hope zijn bijgebleven, dat de tijd zou komen van een opvaren tot zijnen en onzen Vader, waar geen „Noli me tangerequot;, geen „Eaak Mij niet aanquot;, ons verre van Hem zal houden, wanneer de geloovige ziel Hem eeuwig zal bezitten in de vele woningen in Zijns Vaders huis.

ocr page 51

DE VERSCHIJNING OP DEN PAASCHMIDDAGL

0! op Emmaus pad te zaam,

Diep bedroefde wandelaren!

U, vereenigd in Zyn naam,

Komt H\\j zelf de Schrift verklaren!

Wolk oen blijdschap grijpt u aan!

Isrels Heil is opgestaan!

Da Costa.

Uit de provincie Judea zijn ons slechts enkele jongeren van Jezus bekend. Wel weten wij, dat Hij ook daar eenigen tijd op het land, in het gebergte en in de dorpen vertoefd en gearbeid heeft. Ook weten wij dat de bewoners der omliggende plaatsen van Jeruzalem, Hem meer dan anderen hebben kunnen leeren kennen bij zijne herhaalde bezoeken op de feesten te Jeruzalem, die de gewichtigste tijdperken waren zijner Messi-aansche werkzaamheid. Uit de aanzienlijken der hoofdstad kennen wij Nicodemus en Jozef van Arimathéa; uit het nabij-zijnde Bethanië de welbekende Martha, Maria en Lazarus; en in Jericho „Zacheus.quot; Van zijne vrienden en volgelingen in de talrijke omliggende steden en dorpen weten wij verder niets.

Des te belangrijker is het ons, als wij aan het einde van het Evangelie van Lukas nog twee dorpsbewoners uit die streek

ocr page 52

DE VERSCHIJNING OP DEN PAASCHMIDDAG.

leeren kennen, de een genaamd Kleopas, terwijl de naam van den tweede niet genoemd word. Beiden waren zij uit Emmaus, een der talrijke dorpen aan de westelijke berghelling, hoog boven het bekende dorp Ajalon. Zij hadden Jezus gedurende de laatste jaren leeren kennen en liefhebben bij zijne bezoeken te Jeruzalem, en meer en meer waren zij tot de vroolijke gewisheid gekomen, dat Hij Israels Verlosser was, zooals de toen reeds onthoofde profeet van de Jordaan, Johannes den Dooper, getuigd had. Ook zij waren gedurende het Paaschfeest verscheidene dagen te Jeruzalem geweest. Ook zij hadden Hem met gejuich de stad binnengehaald. Ook zij hadden van dit feest alles gehoopt, maar nu op dit feest ook alles verloren. Toen zij zijne plotselinge middernachtelijke gevangenneming vernomen hadden, waarop het verhoor, de volksoploop, de overhaaste terechtstelling gevolgd was, toen waren ook zij verslagen. Teleurgesteld in alles wat zij geloofd en gehoopt hadden, hadden ook zij hunnen schoenen droom van een Verlosser, met dien op Golgotha-gekruisigde, begraven.

Hoe goed kunnen wij ons voorstellen, dat zij niet in de stemming waren om het Paaschfeest mede te vieren. De sabbat hadden zij nog in de stad doorgebracht, omdat zij volgens de Joodsche begrippen, op dien dag niet reizen mochten; maar des Zondags, toen de voornaamste dag van het feest voorbij was, keerden zij der goddelooze stad den rug toe en gingen naar huis.

Des morgens in de vroegte waren zij nog in een der huizen geweest, waar de jongeren uit Galiléa vertoefden. De eerste berichten, namelijk dat de vrouwen, die Hem hadden willen zalven, het lijk niet meer gevonden hadden, waren reeds tot hen gekomen. Ja, men had zelfs beweerd dat zij door engelen het bericht hadden ontvangen, dat Hij leefde. Ook hadden eenige jongeren dat bericht bevestigd. Maar hoevele oorzaken konden daartoe geen aanleiding hebben gegeven! De hoogepriesters hadden Hem dat voorname graf misschien niet gegund, of er kon iets anders gebeurd zijn. Aan zulk ijdel geklap (Luk. 24 : 11)

36

ocr page 53

IN HET JAAR 33.

van engelen-verschijning enz. konden zij geen geloof slaan. Zij hadden geen engelen gezien en zij hadden genoeg menschen begraven, om te weten, dat niemand uit het graf wederkeert. Hij, die een doode kon opwekken, zooals voor eenige maanden Lazarus, Hij was nu zelf gestorven. Jezus was dood, en bleef dood. Waarom zou God Hem eerst hebben laten sterven, indien Hij Hem in het leven had willen behouden ? De jongeren waren nuchter genoeg, om het allen eens te zijn, dat de goede vrouwen in hare opgewondenheid, hersenschimmen en droomen voor waarheid hadden gehouden.

In deze stemming hadden zij aan den vroegen morgen de verzamelde jongeren verlaten. Niemand geloofde aan hetPaasch-wonder, behalve eenige vrouwen, wier overdreven berichten geen geloof verdienden. Wat zouden zij dan nog langer in Jeruzalem vertoeven ? Waarom met hun stil verdriet nog langer verwijlen onder de menigte van feestgangers? Wat hielp het nu nog om te zamen te blijven klagen? alles was nu toch gedaan. Ook Johannes en Petrus zouden over eenige dagen naar Galiléa terug gaan, om even als vroeger hun vischnet weder ter hand te nemen. Neen, zij wilden niet langer vertoeven, het was hun alsof zij niet langer in de stad konden blijven. Terug naar hunne stille bergen, terug naar Emmaus, om daar hunne diepe smart in de eenzaamheid geduldig te leeren dragen.

Het zal des namiddags omstreeks tusschen 3 en 4 uur geweest zijn, dat zij zich naar de noordelijke poort begaven. Emmaus lag ruim twee uur van Jeruzalem verwijderd; tegen zonsondergang (half zeven) waren zij dan te huis. Stedelingen en vreemdelingen uit allerlei oorden verdrongen zich in de straten, en onder die allen verscheidene Romeinsche soldaten. Onze wandelaars verlieten de stad door dezelfde poort, waardoor men eergisteren Jezus naar buiten had gevoerd, het kruis dragende en gevolgd door eene joelende menigte. Ook dat kwam hun weder in de gedachte, en toen zij zich al de bizonderheden van dien vreese-lijken gang herinnerden, gevoelden zij al de zwaarte van hunne

87

ocr page 54

DE VEESCHIJNING OP DEN PAASCHMIDDAG.

smart. Door dezelfde poort waren waarschijnlijk des morgens vroeg ook de vrouwen, Maria Magdalena, Petrus on Johannes met haast gegaan.

De middaghitte was voorbij toen zij buiten de stad den weg noordwaarts insloegen. Een frissche zeewind woei hen tegen. In het Oosten trok de nevel, die gedurende de hitte des daags de schoone vormen van het gebergte in het Over-Jor-daansche als met een floers omhuld had, meer en meer op. De talrijke boomen, in de tuinen aan beide zijden van den weg, de olijf- en granaat-boomen, de vijgen en amandelen, de cypres-sen en palmen gaven den weg een vriendelijk aanzien. De wijngaarden op de helling van den Olijfberg en den Skopus, waren in jong frisch lentedosch gehuld. Het gansche landschap baadde in zonneschijn. Tusschen het weelderige groen zag men hier en daar in de kalkrotsen een deur, somtijds met fraai metselwerk versierd; dat waren de stille verblijfplaatsen der dooden, die de Israelieten niet op ééne plaats bij elkander, maar liever in hunne eigene tuinen begroeven. Daar sliepen de vaderen onder de boomen, die zij zelf hadden geplant en geliefd. Nog heden ton dage ziet men op dien weg de talrijke graven dier tijden.

In treurige gedachten verzonken vervolgden onze wandelaars hunnen weg tusschen de ommuurde tuinen. Golgotha was in de verte zichtbaar en de drie kruisen staken akelig boven het vriendelijke groen uit. Zij haastten zich om zoo spoedig mogelijk aan die treurige herinneringen te ontkomen. Weg! weg uit die ongelukkige stad, waaraan tot den jongsten dag die vreeseüjke bloedschuld zou kleven! De weg voerde hen voorbij of liever dwars door den tuin van het tegenwoordige Syriesche weeshuis. Het doel van hunnen tocht, de bergtop van Mispa namelijk, die zich boven alle anderen koninklijk verheft, hadden zij steeds voor oogen. Links achter die bergen lag hun Emmaus, het tegenwoordige Kubeebe.

De eerste, verpletterende smart, die ons na een aangrijpend sterfgeval de mond als toesluit, was voorbij. Nu zij de stad

38

ocr page 55

IN HET JAAR 33.

voor goed verlaten hadden en zij den weg naar huis hadden ingeslagen — ach hoe geheel anders waren zij dien weg voor acht dagen gekomen! — nu werd het hun langzamerhand mogelijk om over al het gebeurde te spreken. Nu konden zij ongestoord het hart voor elkander uitstorten. Zij konden elkander troosten met de herinnering aan alles, wat de gestorvene voor hen geweest was en waardoor zij Hem zoo lief hadden gekregen.

Wat liefelijke herinneringen kwamen in hun hart op. Sedert zij Hem voor twee en drie jaar hadden leeren kennen, in de dagen van Johannes den Dooper, sedert dien tijd hadden zij pas begrepen, wat leven heet. Toen had Jezus hun het groote heerlijke doel van het leven leeren kennen en in hen eene hope gewekt, die zelfs door den dood niet kon worden uitgedoofd. Zij werden niet moede om zich in die vervlogene dagen te verplaatsen. Nu zij Hem hadden verloren, nu eerst voelden zij, hoe lief en dierbaar Hij hun geweest was. Ja waarlijk, het was hen. Hem hoorende en zijne wonderdaden aanschouwende, vaak, alsof zij in Gods nabijheid waren geweest !

Hoe grooter en heerlijker dat alles hun toescheen, des te verpletterende!\' was hen de werkelijkheid, dat alles voorbij was! Zij hadden gehoopt, dat Hij Israel zou verlossen (Luk. 24 : 21). Was het Hem gelukt ? Ach neen! Aan het kruis gehecht zou zijn naam slechts met het brandmerk der meest smade-lijkste terechtstelling onder Israel voortleven, en in angst vroegen zij zich zeiven af hoe het mogelijk geweest was dat Hij, nog voor drie dagen, met zoo groote beslistheid van de voltooiing van zijnen arbeid had gesproken. Des Woensdags en ook Donderdags had Hij hun gezegd, dat Hij zijn werk zou volbrengen, en dat de gansche wereld Hem als koning zou eeren. Daarop was Donderdag die plotselinge nachtelijke aanval bij den Olijfberg in Greth-semané geschied, toen men Hem met fakkellicht wegvoerde; daarna die lange, bange nacht, toen de anders zoo moedige Petrus,

39

ocr page 56

DE VEBSCHIJNING OP DEN PAASCHMIDDAG.

laat na middernacht, gebogen en zwijgend uit het paleis trad en de oogen niet durfde opheffen. Daarop de Vrijdag morgen, waarop men Hem van den een naar den anderen ten verhoor voerde, en met ongeloofelijken spoed veroordeelde en wegleidde. En heden was Hij reeds drie dagen in het graf. Een ontzettende en onoplosbare tegenstelling tusschen die gebeurtenissen en zijne beloften om Israel te verlossen. In plaats van die belofte vervuld te zien, was alles jammerlijk geëindigd, en was Hij een smadelijken dood gestorven.

Onder zulke troostelooze overdenkingen waren onze wandelaars langs de landerijen van het hedendaagsche Syriesche weeshuis gegaan, en de hoogte boven Lifta (vroeger Nephthoa) overgetrokken. Daar, bij een groep Olijfboomen, wendde hun weg zijwaarts af naar het dal, eerst langzaam glooiend tusschen boomgaarden en wijnbergen, later stijl naar omlaag in het diepe dal. Gedurende den wintertijd bruischt beneden in dat dal een wilde stroom, op de omliggende bergen ontstaan, die zich later in de Middellandsche zee uitstort. Nu in April, was de bedding droog; reeds van verre zag men de witte kiezel-steenen in het midden, als een krijtwitte lijn zich met vele wendingen in het dal kronkelen.

De weg was op dat uur eenzaam. Alle bewoners waren met het Paaschfeest naar Jeruzalen. Eene Sabbatsrust lag over de gansche omgeving. Duizende alpenviooltjes bloeiden tusschen de rotsspleten. Lachende roode adonisroosjes, die de overlevering der vromen, ter herinnering aan de bloeddroppelen in Gethsemané, bloeddroppeltjes noemden, eene menigte vriendelijk blauwe klokjes, eenige late „lelietjes der dalenquot; schooner dan Salomo in al zijne heerlijkheid, gansche velden van purperroode ranolkels en tulpen, die liefelijke Aprilskinderen, dat alles bloeide op bergen in dal. De hoornen ruischten en de vogelen zongen hun Paaschlied. De menschen echter lieten zich dien dag weinig of niet zien. Ook de, op de hoogte liggende, dorpen en het nabij zijnde Nephthoa schenen uitgestorven. Het geblaf van een hond

40

ocr page 57

IN HET JAAK 33.

of het kraaien van een haan was het eenige geluid, dat men vernam.

Ongestoord konden de jongeren zich in sombere, droeve gedachten verdiepen, zonder op iets te letten, dat om hen heen voorviel; zij waren dan ook zoo in gedachten verzonken, dat zij niet eenmaal bemerkten, dat een man in de kleederdracht dier dagen, zich bij hen gevoegd had en reeds eenigen tijd naast of achter hen gegaan was.

Het was de Verrezene. Hij had zich dien Paaschdag, dien gezegenden Zondag, die over de gevallen aarde aangebroken was, opgemaakt, en ging rond als een hovenier om de geknakte bloesems van het geloof zijner jongeren met vriendelijke hand weer op te richten. De tranen van Maria van Magdala had Hij des morgens reeds gedroogd. Wellicht had Hij ook Petrus reeds weder opgericht en tot een nieuw leven bekwaam gemaakt. Nu voegde Hij zich bij de jongeren van Emmaus, die treurig hunnen weg vervolgden.

Eerst toen Hij hen aansprak werden zij Hem gewaar. Zij zagen op, en zie, een man liep naast hen, die zij naar zijne kleeding te oordeelen, voor oen Paaschfeestganger hielden. Over het witte onderkleed was de gebruikelijke mantel geslagen, en het hoofd was met een kleurigen doek omwonden. Vriendelijk en deelnemend zag Hij hen aan en sprak: „Wat redenen zijn dit, die gij wandelende, onder elkander verhandelt, en waarom ziet gij droevig?quot;

Bijna verontwaardigd, dat iemand die dit Paaschfeest te Jeruzalem had medegevierd, niets wist of gehoord had van Jezus\' dood, vroegen zij Hem: „Zijt gij alleen een vreemdeling te Jeruzalem en weet niet de dingen, die in deze dagen aldaar geschied zijn?quot; Met de gewone Oostersche levendigheid en van droefheid vervuld, begonnen zij Hem alles te verhalen. Met van smart nog bevende stem schilderden zij hem, wat Jezus hun Meester uit Nazareth voor hen geweest was. Met zichtbare deelneming luisterde de vreemdeling toe. Dikwerf scheen Hij

41

ocr page 58

DE VERSCHIJNING OP DEN PAASOHMIDDAG.

ook aangedaan te zijn en met te meer geestdrift verhaalden zij de daden huns Meesters, van den eersten dag af, dat zij hem hadden leeren kennen. Groote liefde en gehechtheid sprak uit hunne woorden, uit hunne stem en uit de vochtige oogen. Zij verhaalden, hoe die Meester uit het stille Nazareth was gekomen, hoe Hij als profeet machtig in woorden en werken, het gansche land was doorgetrokken; hoe bijna het gansche volk, door zijn aangrijpende prediking in de Synagogen en in den tempel. Hem voor den Messias hield; hoe Hij voor acht dagen, onder het gejuich der menigte, Jeruzalem was binnengetrokken, hoe Hij toen plotseling door een schurkenstreek was verraden, door den hoogen raad gevangen genomen en aan het Romeinsche gerecht was overgeleverd geworden, vrijgesproken en toch daarna ter dood veroordeeld was; hoe Hij toen in allerijl gevonnist en aan het kruis was genageld en eindelijk stil, lijdzaam, zonder eene enkele klacht eergisteren om dezen tijd het hoofd gebogen had en gestorven was, — dat alles verhaalden zij den vreemdeling in groote opgewondenheid. Ten laatste echter, toen zij aan het graf dachten, waar nu het koude lichaam en daarmede al hunne hoop was begraven, toen overmande hen de smart, en met eenen diepen, hopeloozen zucht voegden zij er aan toe: „Wij hoopten, dat Hij Israel zou verlossen.quot; Wel maakten zij gewag van het avontuurlijke bericht der vrouwen, die dien morgen bij het graf waren geweest; maar dat bericht beschouwden zij als kinderpraatjes, waaraan verstandige, nuchtere mannen geen geloof konden hechten.

De beide jongeren, die beiden zeker als om strijd het een en ander hadden medegedeeld en elkanders verhaal hadden aangevuld, letten volstrekt niet op den weg dien zij gingen. Het vriendelijke dorp Lifta, met de heerlijke bronnen, oranje- en citroentuinen, dat aan de steile helling van het gebergte lag, hadden zij ter zijde laten liggen. De witte bedding van de beek Uadi es Sarar waren zij doorgetrokken en hadden aan de overzijde, den weg door het dal ingeslagen, die in de richting van

42

ocr page 59

IN HET JAAE 33.

Emmaus weder op het gebergte voerde. Dat is ten minste de naaste weg van Jeruzalem naar Emmaus; hij loopt langs een klein beekje, dat door drie bronnen gevoed word, die op eenigen afstand van elkander boven het dal ontspringen. Het dal is zoo smal, dat alleen de bedding der beek er plaats in vindt, en heden ten dage nog zeer eenzaam. Het gedruisch der wereld wordt daar niet vernomen. Alles is stil en ook nu nog zouden enkele wandelaars zich daar in een gesprek kunnen verdiepen en alles om zich heen vergeten. Daar bloeien in April talrijke bremstruiken met groote geele bloemtrossen. In Jezus\' tijd moeten er op de rotswanden links en rechts voortreffelijke terrassen zijn aangelegd geweest, waar boomen en wijnranken een vruchtbaren grond vonden, die het gehecle dal vervulden met een liefelijken geur. Het vriendelijke dal is bovenal in April, als bezaaid mot de sneeuwwitte bloesems der kweeën, en door het donkerroode loof der granaatappelboomen. Daar waar de grond te rotsachtig en te ruw is, groeit de bekende doornstruik van Palestina met zijne kleine roode bessen. Hoogerop wordt het dal breeder. Daar strekken zich vruchtbare akkervelden uit, waar tusschen het koren, honderden hemelsblauwe korenbloempjes te voorschijn komen.

Waarschijnlijk was hot dit dal, dat do drie mannon op dien Paaschmiddag betraden. Eindelijk hadden zij hun verhaal geëindigd. De vreemdeling had aandachtig en stilzwijgend toegeluisterd, zonder hen in do rede te vallen. Hij scheen te beseffen, dat een bedroefde reeds eenigen troost vindt, als hij zijn verdriet aan een deelnemenden vriend kan mededeelen en zijn hart kan uitstorten. Met innige deelneming was het verhaal aangehoord, misschien ook van tijd tot tijd een enkele vraag gedaan, en vol verwachting zagen zij nu den vreemdeling aan. Zij dachten, dat Hij zijne verwondering zou uitspreken over de vernietiging hunner hoop. Niets van dat alles. Integendeel ! Want, op wel is waar welwillenden, maar toch afkeurenden toon ving Hij aan mot hen over hunne eigene

43

ocr page 60

DE VERSCHIJNING OP DEN PAASCHMIDDAG.

dwaasheid te berispen. Niet de oversten huns volks, neen, maar zij, zij werden gelaakt. „O, onverstandigen en tragen van hart,quot; zoo begon Hij hen ernstig aanziende, „om te gelooven al hetgeen de profeten gesproken hebben! Moest de Christus niet al deze dingen lijden, en alzoo in Zijne heerlijkheid ingaan ? Is dat niet juist de weg tot Zijne koninklijke troonsbestijging ? En kan men volgens de profeten, een anderen weg daarheen verwachten ?quot;

Met groote oogen zagen zij Hem aan. Dat was eene gansch andere, eene nieuwe, hoopvolle opvatting der dingen, waaraan zij nog in het geheel niet hadden gedacht! Zij spraken van smaad — Hij sprak van heerlijkheid! Zij van onbegrijpelijke raadselen — Hij van noodzakelijke goddelijke leiding! En toen zij Hem verbaasd en vragend aanzagen, toen ving de vreemdeling aan hun te bewijzen, dat in al hetgeen zij Hem verhaald hadden, zoo weinig opvallends en onverwachts lag, dat het veeleer verwonderlijk zou zijn, indien het anders geweest ware. Zóó en niet anders moest volgens de profeten, de geopenbaarde raad Gods geschieden.

Ten hoogste getroffen hoorden zij Hem aan. In den aanvang wol wat ontstemd door zijne terechtwijzing, maakte langzamerhand echter die onwil plaats voor groote verwondering. Zij wisten niet hoe zij het hadden. Zij werden berispt, maar die berisping werd hun een heilzame balsem voor het bedroefde hart. Waren dat niet dezelfde woorden, die de gestorven Meestor gedurende het laatste halve jaar steeds had uitgesproken, sedert de dagen van Hermen, waar Hij voor de eerste maal van hot geheim zijns doods gesproken had? Had Hij toen ook niet juist op de noodzakelijkheid zijns lijdens gewezen, on aangetoond en verklaard, dat juist dat lijden voor Hem de van God aangewezen poorte tot Zijne Mossiaansche heerlijkheid was? Daar was geen sprake meer van eene donkere, onbegrijpelijke leiding, geen sprake van onbegrepen raadselen, maar van een sedert eeuwen in de Heilige Schriften voorspelden, noodzakelijken weg voor den Verlosser.

u

ocr page 61

IN HET JAAR 33.

Hij sprak van hunnen Meester in het geheel niet als van een doode, maar wel als van een, die langs een roemrijken weg een heerlijk doel had bereikt. In zijn spreken over dien gekruiste, was niets treurigs, niets beklagends. Hen scheen Hij te beklagen, omdat zij zoo onverstandig waren om den heerlijken loop der dingen nog van zulk eone treurige zijde te bezien.

Terwijl zij den eenzamen weg- door hot enge dal, dat langzamerhand breeder werd, bestegen, ving de vreemdeling aan om met eene verwonderlijke Schriftkennis, de nog verborgen geheimen van het Oude Testament te ontsluieren. Hij wist hen het beeld van den lijdenden en door lijden verheerlijkten Christus zoo meesterlijk en duidelijk voor oogen te stellen, dat het hun toescheen, alsof het niet anders zijn kon. Hij liet uit enkele pro-fetiën een zoo merkwaardig licht op de geschiedenis der laatste dagen vallen, dat zij zich slechts verwonderen konden. In zijn gesprek verklaarde Hij hun de éene heerlijke Oud-Testamentische belofte na de andere. Alles was zoo overtuigend, dat zij er geen enkel woord tegenin konden brengen. Hun hart klopte warmer en de vreemdeling scheen hun meer en meer belangrijk. Wonderbaar was het hen te moede, als zij Hem, van tijd tot tijd onder het gesprek stilstaande, in het verhevene, schoone gelaat zagen. Hun hart brandde binnen in hen. Het was alsof die man een geheim bezat, dat zij nog niet konden doorgronden. Het was hen, alsof zijne, zoo kalm en rustig uitgesproken, woorden eene wonderbare macht op hen uitoefenden. Meer en meer begonnen zij de lijdensgeschiedenis met Zijne oogen te beschouwen. Meer en meer begonnen zij te begrijpen, dat het einde van huns Meesters leven geene mislukking, geen smaad was, maar een ingang in heerlijkheid.

Omstreeks een uur zal er zoo wandelende verloopen zijn, toen zij uit het dal de hoogte bereikten. De vreemdeling vervolgde het gesprek, terwijl zijne toehoorders nu en dan een uitroep van verwondering deden hooren. Het was alsof de loodzware

4:5

ocr page 62

DE VERSCHIJNING OP DEN PAASCHMIDDAG.

last door de woorden van dien merkwaardigen man, van hun bekommerd en troosteloos hart werd weggenomen. Het scheen hun toe, alsof zij Hem iets te zeggen hadden, als brandden hun op de tong de woorden, waarmede zij Hem als een ouden bekende moesten begroeten — en toch geen van beiden waagde het om dat woord uit te spreken.

Zoo waren zij op de hoogte aangekomen. Wat heerlijke aanblik breidde zich daar voor hunne oogen uit. Uit het enge, diepe dal waren zij in de ruimte op het gebergte gekomen, van waar zij een blik op het gansche omliggende land konden slaan. Van daaruit zagen zij over berg en dal, over land en zee. Talrijke dorpen en gehuchten verlevendigden het landschap, vanaf den trotschen top van Gibeon tot aan Ephraim, het hedendaagsche Teyibe, toe, waarheen Jezus zich na de opwekking van Lazarus had begeven. (Joh. 11 :54). Berg en dal, tot aan de verwijderde woestijn, gloeiden in den roodgouden glans van den Paasch-avond. De witte kalkbergen en de omliggende dorpen, door olijfboschjes omgeven, waren door de ondergaande zon gekleurd. Het gansche heilige land tot aan de Middellandsche zee lag daar als een schitterend panorama voor hunne oogen, van af de bergen aan gene zijde van de Doode zee, tot aan de in het zuiden gelegen hoogten van Bethlehem. Een purperen, met lila gemengden gloed lag over het verwijderde land der Moabieten in de laagte, terwijl de bergtoppen schitterden in rooden glans als gloeiende robijnen. Trotsch lag Jeruzalem daar op de hoogte aan gene zijde van het dal, waardoor zij gekomen waren. De avondzon speelde op de tinne des tempels, terwijl in de diepte aan gene zijde van de vlakte der Philistijnen, de Middellandsche zee als een blinkende streep zichtbaar was.

Op de hoogte der bergen, in de zuivere frissche berglucht wordt het den mensch lichter om het hart, wanneer hij de dampen en kleine onaangenaamheden van het dal achter zich heeft, en ver, ver weg in Gods heerlijke schepping blikt en de bergwind als een adem Gods hem om het hoofd speelt. Zoo

46

ocr page 63

IN HET JAAR 33.

was het ook onzen beiden wandelaars te moede, toen zij niet alleen uit het dal aan hunne voeten, maar door den onbekenden vreemdeling uit het veel diepere dal der vreeze en hopeloosheid op de vrije berghoogte des geloofs gevoerd waren. Hoe geheel anders zagen zij nu daar in de verte op Jeruzalem en Golgotha, dat zij voor eenige uren zoo moedeloos verlaten hadden, en waarover nu een glans van verheerlijking uitgespreid scheen, die niet alleen door de ondergaande zon veroorzaakt werd. quot;Wel durfden zij het nog niet gelooven, maar de nevel begon op te trekken. Zij begonnen te begrijpen, dat de schijnbaar donkere wegen Gods „louter lichtquot; waren. Zij begonnen te vermoeden, dat de zoo treurige gebeurtenissen der laatste dagen eene oorzaak van groote blijdschap zouden blijken te zijn voor alle geslachten en natiën der aarde, ook voor hen, die nog ver over de blauwe, door den avondzon beschenen zee woonden; en dat zij eenmaal die stad daarginds zouden zegenen, voor de ontzettend donkere dagen, die door de kruisiging van Jezus als een drukkend raadsel hun gemoed hadden bezwaard.

Dat alles heeft voor onze wandelaars zeker dien weg onvergetelijk gemaakt. Zoo dikwijls zij later gedachtig waren, hoe zij daar boven met hunnen toen nog onbekenden Meester in den glans der ondergaande Paaschzon gestaan hadden, — een voorgevoel hebbende wie Hij was, en het toch niet vattende — zullen zij dien bergrug in den geest denzelfden naam hebben gegeven als later de kruisvaarders, die van daaraf in de verte voor het eerst de tinnen van Jeruzalems tempel zagen; namelijk: Mons iucundes d. i. berg der heerlijkheid.

Vandaar sloegen zij den weg in naar Emmaus, dat nog een kwart uur verder lag. Zij trokken langs de noordelijke helling van het gebergte, met het uitzicht in het diepe dal, op het hedendaagsche Ramallah. In de omliggende dorpjes stegen hier en daar kleine rookwolkjes uit de huizen. Men bereidde het avondeten. Nog ééne kleine hoogte en daar lag Emmaus voor hen. Vreedzaam lag het vriendelijke dorpje als tegen den

47

ocr page 64

DE A\'ERSCHIJNING OP DEN PAASCHMIDDAG.

berg geleund. Een stille Paaschvrede lag verspreid over de huizen, die van boomgaarden omgeven waren. De beide jongeren, luisterende naar de gesprekken van den vreemdeling, verbaasden zich, hun dorpje nog maar enkele minuten verwijderd voor hen te zien, en toen zij nu het laatste eind wegs, tusschen de olijf-, vijgen- en granaatboomen naast Hem gingen, overviel hen met schrik de gedachte, dat zij nu afscheid van Hem nemen moesten. Reeds maakte Hij zich gereed om den landweg te vervolgen, terwijl zij den weg naar hun dorpje moesten inslaan; doch op hunne woning wijzende, baden zij Hem: „Blijf bij ons, want het wil avond worden en de dag heeft zich geneigd!quot; De vreemdeling nam hunne uitnoodiging vriendelijk aan en met groote vreugde begeleidden zij Hem naar het dorp, waar zij weldra in een der eenvoudige huizen binnen traden.

Daar moest de vreemdeling zich op de kussens nederzetten, terwijl zij zich beijverden, om den welkomen gast zoo spoedig mogelijk het avondbrood te bereiden. Weldra was de maaltijd gereed, de borden werden neergezet en de drie dischgenooten namen plaats. Maar zie — wat is dat? — de vreemdeling neemt het op de tafel liggende brood juist zoo als hun Meester het deed, als Hij met zijne jongeren aanzat, zooals Hij nog den laatsten Donderdag gedaan had bij het gezamenlijke Paaschmaal. Hij nam het brood, sprak het gewone gebed uit, brak het. en gaf, alsof Hij de huisvader was, ieder een deel met denzelfden zoo welbekenden, weisprekenden blik. Toen viel plotseling de laatste sluier van voor hunne oogen. Hij is \'t! Hij is \'t! Zoo juichen hunne harten. Zij springen verrast op, zij willen zijne voeten omvatten en zijne doorboorde handen kussen, maar toen zij nog verschrikt en verrast opstonden — waren zij alleen. Hun gast was weg. Vragend zien zij het vertrek rond, maar zijne plaats is ledig en blijft ledig. Zij zijn weder alleen.

Enkele oogenblikken zullen zij sprakeloos en verbaasd elkander hebben aangezien, als of zij van elkander de oplossing van het

48

ocr page 65

IN HET JAAR 38.

raadsel verwachtten. Waarschijnlijk zullen zij elkaar met tranen van vreugde omhelsd hebben en, zooals meestal in oogenblikken van diepe ontroering, steeg hun gebed sprakeloos maar juichend ten hemel. Nu maakte de bange vrees der laatste dagen plaats voor onuitsprekelijke vreugde en aan den laten avond, toen de zon reeds onderging, brak voor hen de heldere, vroolijke Paasch-dag aan. Hij was het dus, die naast hen gegaan had, die door zijne deelneming zoo wonderbaar hunne harten had geroerd, terwijl zij Hem nog niet begrepen. Nu konden zij het zich niet verklaren, dat zij Hem niet eerder hadden erkend, toen Hij hun de Schriften verklaarde; en telkens weer riepen zij uit: „ Brandden niet onze harten binnen in ons, als Hij tot ons sprak op den weg, en als Hij ons de Schriften opende?

Nu echter, konden zij niet langer in Emmaus blijven. Zoo spoedig mogelijk wilden zij den treurenden jongeren de blijde mare mededeelen. Nog heden avond willen zij gaan en hun zeggen, dat de vrouwen des morgens tocli gelijk hadden gehad, en dat zij Hem nu ook gezien hadden. Al was de zon ook ondergegaan, de maan scheen helder genoeg in dien Paasch-nacht. Zij heten den maaltijd staan, juist zooals de Heer dien had verlaten; en als met gevleugelde voeten ijlden zij denzelfden weg terug, dien zij met den niet-herkenden Meester gegaan waren.

De maan kwam op, üe sterren schitterden; het was hen alsof de lichtende sterren in dien nacht spraken van de zalige Paaschboodschap, die hunne harten vervulde. De wijzen uit het Oosten kunnen voor 34 jaren hunnen weg in den glans van hunne ster, niet zoo vroolijk en zalig zijn gegaan, als die twee jongeren van Emmaus hunnen nachtelijken terugtocht naar Jeruzalem. Gene lazen in het gouden schrift des hemels de aankondiging van een nieuw-geboren koning der joden ; aan dezen was heden door den Verrezene een nog veel dieper blik in de Schrift geopend, namelijk Mozes en do Profeten, getuigende van den, door lijden verheerlijkten, Christus, die in den kruis-

49

ocr page 66

DE VERSCHIJNING OP DEN PAASCHMIDDAG.

dood de liefde des Vaders aan de wereld geopenbaard had.

Zoo spoedden zij zich over berg en dal naar Jeruzalem terug. Zij liepen zoo snel mogelijk, en konden het oogenblik ternauwernood afwachten, waarop zij den jongeren, die zij zoo treurend verlaten hadden, de blijde mare zouden mededeelen. Om zeven uur hadden zij Emmaus verlaten, tegen negen uur stonden zij reeds voor de muren van Jeruzalem. Zij ijlden Golgotha voorbij, de noordelijke stadspoort in, door de straten der stad, totdat zij voor dezelfde huisdeur stonden, waaraan Maria Magdalena des morgens, sidderende en bevende had aangeklopt. De deur was nog van binnen gegrendeld uit vrees voor de joden. Zij klopten aan, noemden hunne namen, en spoedig werd de deur geopend. Met van vreugde stralende aangezichten kwamen de tien Apostelen hen te gemoet en riepen: „De Heer is waarlijk opgestaan en is van Simon gezien!quot; Als een juichende echo weerkaatste de mond der beide jongeren van Emmaus: „Ja, Hij is waarlijk

opgestaan! Wij hebben Hem gezien!quot;

» *

*

Het vriendelijke dorpje aan de westelijke berghelling bestaat nog, en is sedert dien Paaschavond het lievelingsplekje gebleven van geheel de Christenheid. Menigmaal ben ik op Paasch-maandag uitgegaan en heb den weg door het enge dal beklommen; hoe herinnerde ik mij dan al het gebeurde op die gedenkwaardige wandeling der jongeren. Dikwerf is de weg zoodanig dooide rotsen ingesloten, dat alleen de bedding der beek er plaats vindt. Het was mij dan, alsof ik over dezelfde rotsen ging als toen de verrezen Heiland. In het stille, van de wereld afgescheiden dal meent men nog de stemmen te hooren uit lang verleden tijden, en het is als hoort men nog die ernstige stem zacht-verwijtend zeggen: „O, gij onverstandigen en tragen van hart, om te gelooven al hetgeen de profeten gesproken hebben!quot;

Het dorpje zelf ligt nog vriendelijk daarboven op het gebergte; aan drie kanten ziet men vandaar in diepe dalen, terwijl het

50

ocr page 67

IN HET TAAE 33.

van eene zijde beschut wordt door een hoogen bergtop. Zoo staat het daar als een wachttoren en als een stomme Paasch-prediker der Christelijke kerk, en schouwt ver over de zee, aan wier overzijdsche oevers tegenwoordig de Christelijke natiën wonen, terwijl hier de naam van den Verrezene onder de dorpsbewoners of miskend öf vergeten is.

Het is een aangrijpende zaak, om op een Paaschavond daar bij het dorpje te staan en met de oogen den weg te volgen, waarlangs de jongeren gingen. Men meent de drie wandelaars daar over de hoogte, waar de weg zijwaarts gaat, te zien aankomen. Men verbeeldt zich dien Eenen te zien, die het vredige dorpje wil voorbij gaan, terwijl de anderen hem trachten terug te houden. Men verbeeldt zich Kleopas en zijn medgezel de bede te hooren uiten, die als een onzichtbaar opschrift boven dit dorpje schijnt te zweven, en die door duizende Christenen na hen herhaald is: „Heer blijf bij ons! Want het wil avond worden!quot;

51

ocr page 68

DE VERSCHIJNING IN DEN PAASCHNACHT.

Do Heer is opgestaan ! Wat twjjflen Z\\jn getrouwen ?

Wie eerst gelooft, zal eerst Gods heerlijkheid aanschouwen, Meer dan Bethaniën bestraalt zjj Jozefs hof.

De Meester komt, Hij draagt de teekens van uw zonden ;

Maar, eer ge een vinger heft tot de altijd zichtbre wonden, Knielt voor uw Heer en God in \'t stof I

Da Costa.

Reeds lang was de zon achter het paleis van Pontius Pilatus ondergegaan, toen de beide jongeren van Emmaus de poorten der stad weder genaakten. Zij hadden zich door de donkere straten gespoed, om hunne inede-jongeren in hunne droefheid te vertroosten.

In den kring der verzamelde Apostelen heerschte echter reeds groote vreugde. In den loop van den dag toch, waarschijnlijk vóór de verschijning op den weg naar Emmaus, had de Heer, volgens gelijkluidende berichten in het N. T., zich aan Petrus geopenbaard. Aan den diepst-terneêrgebogen jonger, die zoo slecht zijn woord had gehouden: „Al moest ik ook met u sterven, zoo zal ik u geenszins verloochenen,quot; verscheen Hij het eerst. Wat de Heer hem gezegd heeft wordt niet vermeld. Het was eene ontmoeting onder vier oogen. In dien laatsten nacht, toen

ocr page 69

IX HET JAAR 33.

Petrus had uitgeroepen: „Ik ken dien mensch niet,quot; toen had Jezus hem aangezien en ook nu zag de Heer hem weder aan; en zeker zullen de vermanende woorden van den liefdevollen en vergevenden Heiland hem opnieuw diep verootmoedigd, maar ook onuitsprekelijk gelukkig en zalig gemaakt hebben. Hoe zal zijne ziel ontroerd zijn geweest toen hij na dien schrikkelij-ken nacht den Heer weder ontmoette, die hem in genade weder aannam; eene zelfde ontroering, maar nu nog in sterkere mate, dan bij de eerste openbaring van Jezus\' heerlijkheid in het schip, op de zee van Galiléa, toen hij in vervoering uitriep: „Heer! ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch.quot; De inhoud van dat gesprek schijnt Petrus zijn leven lang geheim te hebben gehouden. Door allen wordt alleen de verschijning medegedeeld (Luk. 24 : 34 ; 1 Oor. 15 : 5).

Dien avond echter, verscheen Petrus in het midden der jongeren als de eerste, betrouwbare Paaschbode uit den kring dei-Apostelen. Welk eene verandering was er met hem voorgevallen! Op zijn gelaat stond reeds de blijde mare te lezen. Dezelfde Petrus, die de laatste dagen als een nachtwandelaar onder hen verkeerd had, stond nu voor hen als een nieuw mensch, stralende van vreugde, vol moed en hoop; geheel dezelfde man van vroeger, even vurig van geest, haastig, en allen in zijn ijver met zich mede voerende, trad hij in hun midden met den uitroep: „De Heer is waarlijk opgestaan!quot; Daar stond hij weder als hun leidsman, alsof hem weder op het hoofd ware gezet de kroon, welke de Heer hem vroeger geschonken had met de woorden: „Gij zijt Petrus, en op deze Petra zal ik mijne gemeente bouwen.quot;

Ondertusschen was de nacht aangebroken. De maan verlichtte, de daken der huizen en paleizen van Jeruzalem, maar in het huis waar de jongeren verzameld waren, was de nacht in hekleren dag veranderd. In den laten avond was voor hen het morgenrood van een nieuwen tijd, de Paaschzon in al haren glans, opgegaan. Al de Paaschverwachtingen, al de Paasch-

53

ocr page 70

54 DE VERSCHIJNING IN DEN PAASCHNACHT.

berichten vereenigden zich gedurende die nachtelijke bijeenkomst als in één brandpunt te zamen. Tegen negen uur zullen de jongeren van Emmaus zijn aangekomen. De eene blijde mare verdrong de andere; hoe zou men wenschen een stille getuige te zijn geweest van die zalige Paaschvreugde in den kring der jongeren! Eindelijk, tusschen negen en tien uur, vonden zij den tijd om den avondmaaltijd te nuttigen (Mark. 16:14; Luk. 24 : 36). Het eten werd opgedragen, denkelijk in dezelfde zaal, waarin zij voor drie dagen met hunnen Meester het avondmaal genoten hadden. Wat hadden zij tusschen die twee maaltijden veel beleefd! Welk een storm had hun kring sedert dien eersten maaltijd tot op de fondamenten geschokt. Hoe vroolijk onderhielden zij elkander nu gedurende den maaltijd, na die wonderbare omkeering op dezen dag. Des morgens aan den rand der vertwijfeling, de vrouwen met betraande oogen de kruik met zalve naar het graf brengende — en nu, allen vervuld van heilige Paaschvreugde aan den gezelligen disch verzameld. Petrus verhaalde: „Ik heb Hem gezien!quot; Magdalena riep uit: „Ik heb Hem gezien!quot; De beide jongeren van Emmaus herhaalden telkens weer: „Wij hebben Hem gezien! Hij heeft met ons gewandeld!quot;

Terwijl zij alzoo in druk gesprek waren en die berichten, die zij niet moede werden aan te hooren, hun als liefelijke muziek in de ooren klonken (Luk. 24 : 36), stond daar op eenmaal Jezus in het vertrek, zonder dat de goed-gegrendelde huisdeur geopend was geworden, en sprak met de zoo welbekende stem, dezelfde woorden, die Hij altijd gebruikte als Hij hen begroette, alsof daar geen kruisiging, geen dood tusschen lag, geheel zoo als vroeger: „Schalom alekèm!quot; Vrede zij ulieden!

Zij springen op, en kunnen van ontroering en schrik niets zeggen. Zij staren Hem, door bet licht der lamp beschenen, aan als ware Hij een geest. Hoe gelukkig zij zooeven geweest waren, met vreugde over Hem sprekende, het scheen hun nu toe, alsof het onmogelijk was, dat de Heer, dien zij eergisteren, daar buiten Jeruzalem in het graf hadden gelegd,

ocr page 71

IN HET JAAB 33.

thans levend voor hen stond; en zij waagden het niet om in zijne tegenwoordigheid overluid te spreken (Luk. 24 : 37).

Hij echter, zag hen vriendelijk aan; een glimlach speelde om zijne lippen, omdat Hij hunne droefheid op eenmaal in groote vreugde kon veranderen. Toen sprak Hij tot zijne geliefde discipelen: „Wat zijt gij ontroerd? en waarom klimmen zulke overleggingen in uwe harten?quot; Daarop trad Hij nader en, zijne vrienden op de lidteekenen der wonden wijzende, die Hij bij de kruisiging ontvangen had, voer Hij met de zoo welbekende stem voort: „Ziet mijne handen en mijne voeten, want ik ben het zelf, tast mij aan en ziet, want een geest heeft geen vleesch en beenen, gelijk gij ziet dat ik heb.quot;

Maar toen zij nog altijd vreesachtig en zich niet durvende verheugen daar stonden, niet waagden te gelooven, dat Hij het werkelijk was, dat Hij werkelijk daar stond, zooals Hij dien laatsten Donderdag avond in diezelfde zaal gestaan had, toen wees Hij vriendelijk op het gereedstaande avondeten waartoe zij Hem niet durfden uitnoodigen en sprak: „Hebt gij niets te eten?quot; evenzoo als Hij dat vroeger, aan den avond van een moeitevollen dag tot zijne jongeren gezegd had.

Toen eerst kwam er beweging onder hen; zij mochten Hom toch weer dienen zoo als vroeger, en met groote vreugde gaven zij Hem wat zij hadden, een stuk van een gebraden visch, honig en brood. Hij, de Heer, zette zich vertrouwelijk aan tafel evenals weleer, en nam het avondmaal, dat Hij in Emmaus zoo plotseling had afgebroken. Toen eerst, toen zij met Hem aten, toen Hij als een huisvader bij hen zat, toen zij Hem aan elk woord, aan elke handeling herkenden, toen verdween de laatste twijfel; volkomene Paaschvreugde vervulde hunne ziel. Hoe omringden zij met vreugde hunnen Meester! Hoe dankbaar, hoe gelukkig zagen zij Hem in de oogen. Wat waren die sombere wolken van droefheid op eenmaal opgetrokken; vergeten was die ontzettende dag, waarvoor ook zijne ziel gesidderd had in den tuin van G-ethsemané. Zeker zullen zij Hem

55

ocr page 72

öfi

wel gezegd hebben, welk een angst zij hadden uitgestaan. Zij zullen Hem wel bekend hebben, dat zij niet hadden durven hopen Hem ooit weder te zien en niet geloofd hadden aan de voltooiing van zijn heerlijk werk.

Daarop volgde eene onvergetelijke ure voor de jongeren, toen Hij nog weder met hen sprak over liet verband tusschen zijnen dood en zijne opstanding als den eenigen weg tot zijne verheerlijking. Dat was eene Paaschprediking zoo als er op aarde sedert dien tijd geen meer gehouden werd! Wel verweet Hij hun hun ongeloof en hardigheid des harten, dat zij degenen niet geloofd hadden, die Hem na zijne opstanding hadden gezien (Mark. 16 : 14), maar daarna liet Hij hun een diepen blik slaan in Gods raad en in de profetiën. „Dit zijnquot; zoo sprak Hij, „de dingen waarvan ik u sprak, toen ik nog bij u was, want het moest alles vervuld worden wat van Mij in de profetiën en in de psalmen geschreven isquot; (Luk. 24 : 24). Meer en meer openbaarde Hij hun de schatkameren des O. T.; Hij, de groote Meester, die met hen om wist te gaan, zooals geen ander. Menigmaal leest men een woord in de Schrift zonder er iets bizonders in te zien, en eerst wanneer de ware Meester het ons verklaart, dan gaan ons plotseling de oogen open voor de diepe beteekenis dier woorden. Zoo ging het ook met de jongeren op dezen Paaschavond. Elk onbegrepen woord, dat de Heer hun verklaarde, begon onder zijne aanraking te schitteren als diamanten en robijnen in de Paaschzon. De eene knop na de andere opende zich voor hunne oogen en ontplooide tot hunne verbazing hare kelk in al hare liefelijkheid en ongedachte schoonheid. „Toen opende hij hun verstand,quot; zegt Lukas (24 ; 45), „opdat zij de Schriften verstonden.quot; Ten slotte wees Hij hen nog op de groote beteekenis van hun Apostolisch ambt. De eerste Paaschdag mocht niet voorbij gaan, zonder dat ook de ganse he wereld in den geest deelen zou in de groote vreugde van dien dag, door de uitzending van de door Hem geroepene Apostelen en Paaschboden. Zij hadden dien dag de hoogste

ocr page 73

IN HET JAAR 33.

openbaring zijner heerlijkheid gezien. Zij waren ooggetuigen geweest van zijne zondelooze heiligheid, en ook van dien dag af, van zijne heerlijkheid, waardoor de dood was overwonnen. Nu waren zij ook in staat om zijne getuigen te zijn voor alle volken, waaraan Hij voor drie dagen, gezeten wellicht aan denzelfden disch, gedacht had, zeggende: „Dit is mijn bloed, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden.quot; Daarom sprak Hij: Nu moesten in Christus\' naam boete en vergeving van zonden gepredikt worden onder alle volken, maar beginnende te Jeruzalem. „Gij hebt alles gezien. Gij zult mijne getuigen zijn!quot; (Luk. 24 : 48).

Eindelijk maakte Hij zich gereed om heen te gaan. Nog eens groette hij hen met den gebruikelijken groet dier tijden, waarin Hij ditmaal voor de jongeren een ongekende kracht legde: „Vrede zij ulieden!quot; En zoo als Hij vroeger (b. v. in de voorgaande weck, bij de vervloeking van den vijgeboom) zijne woorden door eene handbeweglmj had verduidelijkt, zoo verleende Hij hun niet alleen met woorden de noodige kracht tot hun ambt. maar blies op hen en sprak: „Ontvangt don Heiligen Geest! Ontvangt de volmacht, waarvan ik u reeds voor een half jaar sprak. (Math. 16 : 19) Zoo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij vergeven; zoo gij iemands zonden houdt, dien zijn zij gehouden!quot; Deze met majesteit uitgesproken woorden klonken nog in hunne ooren, — toen zagen zij Hem niet meer; zoo als voor eenige uren te Emmaus, was Hij plotseling uit hunne oogen verdwenen.

Het zal tegen middernacht zijn geweest, dat de Heer van hen scheidde, maar toch iu den geest bij hen bleef. Zijn „vrede zij ulieden!quot; klonk nog \'door in hunne harten. Zij gevoelden het, dat Hij dien groet niet gaf, zooals de wereld dien geeft. Bij de wereld is zulk een groet een ijdele klank, maar met dien groet was na bange donkere dagen, door zijne gemeenschap de vrede Gods in hen uitgestort.

Welk een zalige Paaschnacht moet dat geweest zijn, die de

ocr page 74

58

gelukkige jongeren bij liet schijnsel der lamp doorbrachten, ook zelfs nadat de plaats van Jezus weder ledig was. Wel was liet daarbuiten avond geworden, maar de Paaseiizon schitterde nog laat door de vensters van die welbekende Paaschzaal en over den nabijgelegen Olijfberg. De wereld, het graf, het door de maan beschenen landschap tusschen Jeruzalem en Emmaus, alles, alles scheen hun in dien heerlijken Paaschnacht met duizend stemmen slechts één ding te prediken, dat als door een echo in hunne harten weerklonk:

Do Heer is opgestaan! Hi) is waarlijk opgestaan.

ocr page 75

HET VERZEGELDE GRAF.

Bergen, vermeldt het Bronnen, vertelt het, Heuvlen en dalen.

Wilt het herhalen: Weg is de duister.

Los is de kluister,

Jezus verrezen;

God is geprezen!

Naar liet Latijn door Du. Bennink Jansonius.

Sedert dien tijd klonk de mare van het gebeurde op liet Paaschfeest: „De Heer is waarlijk opgestaan!quot; jubelend door de gansche christelijke kerk. Het blijde geloof aan de opstanding van Jezus Christus is de grondslag van geheel het christelijk geloof. In zijne opstanding heeft de Heere Jezus in zijn lichaam, aan zijne kerk het duidelijke bewijs gegeven, dat Hij het eemvige leven in zich heeft, dat Hij het al den zijnen geven kan, en dat de zoo gevreesde „poorte der helquot; zijne gemeente niet meer schaden kan (Matth. 16 : 18). Door zijne opstanding heeft Hij bewezen, niet alleen een groot man uit het Oosten, maar de Verlosser te zijn. Hij heeft zich geopenbaard als Verlosser der zonden door zijne zondelooze heiligheid, omdat Hij zich geheiligd

_

ocr page 76

HET VERZEGELDE CrEAF.

heeft voor ons (Joh. 17 : 19). Door zijne opstanding heeft Hij bewezen te zijn de Verlosser van den onvermijdelijken dood, tegen wiens duistere macht alle helden en wijzen, alle geslach--. ten der aarde tot nu toe te vergeefs hebben gestreden, sedert de menschheid .voor de eerste maal aan een graf heeft geweend. Wie daarvan verlossen kan; hij, die van de zonde en hare vreeselijke gevolgen verlossen kan, zal zeker door de menschheid als bevrijder, als Heer en Heiland worden begroet. Hij, die dat niet kan en een Heiland wil zijn en toch even als ieder mensch onmachtig de wapenen moet neerleggen en in het graf blijven; een zoodanige kan ons niet redden. Van hem zal de menschheid smartelijk teleurgesteld zich afwenden. Daarom is het feest der opstanding de hoeksteen van liet gansche christelijke geloof. Zonder het Paaschfeest zou do wereld nimmer eene christelijke kerk hebben gezien. Ook voor de Apostelen was van toen af, de opstanding het fondament, waarop hun gansche geloof, hunne gansche prediking in de wereld was gebouwd. Vroeger hadden zij reeds menige openbaring zijner heerlijkheid gezien; van het eerste teeken in Kana af, tot op het wandelen op het meer van Genésareth en tot de opwekking van Lazarus. De opstanding echter van den gekruiste zelf was hun de hoogste aardsche openbaring zijner heerlijkheid. Daaronder kon men met eene kleine verandering, dezelfde woorden plaatsen, waarmede Johannes de vermelding van het eerste wonder voor twee jaar te Kana geschied, eindigde: „Dit was het laatste teeken, dat Jezus deed en openbaarde zijne heerlijkheid; cn zijne discipelen geloofden in Hem.quot;

Waarom Jezus niet aan het gansche volk, dat Hem des Vrijdags aan het kruis had genageld, verscheen? Die verzoeking had Hij al lang overwonnen. Dat was de eerste verzoeking geweest bij den aanvang van zijn verlossingswerk, toen de verzoeker tot Hem kwam met de woorden: „Werp uzelven nederwaarts van de tinne des tempels,quot; om op die wijze het volk door eene op de verbeelding werkende daad,

60

ocr page 77

IN HET JAAR 33.

tot geloof aan zijne Goddelijke zending te brengen. Wat zou Hij daarmede bereikt hebben? Boete en geloof, waarop het toch alleen aankomt bij de intrede in zijn rijk? Hadden zij zijne woorden vol geest en waarheid, die Hij tot het einde toe in den tempel had gesproken, niet geloofd, dan had ook het groote schouwspel van het wederkeeren van den Verrezene in den tempel, niet de zoo noodwendige verandering des harten kunnen te weeg brengen, noch hen tot zijne jongeren hebben kunnen maken. In nog veel hoogere mate zouden dan de woorden van toepassing geweest zijn, die Jezus bij de gelijkenissen van den rijken man gesproken had: „Indien zij Mozes en de profeten niet hooren, zoo zullen zij ook, al ware het dat er iemand uit de doode opstond, zich niet laten gezeggen!quot; (Luk 16 ; 31). Als zij Jezus\' woorden niet aannamen vóór zijnen dood, toen Hij dagelijks met hen verkeerde en hen leerde, dan zouden zij Hem ook niet gelooven als Hij uit de dooden opstond en in hun midden verscheen. Door het woord, door het woord alleen wilde Jezus overtuigen. Daarom had Hij zich ook aan de beide jongeren van Emmaus niet door zijn persoon geopenbaard, maar door zijne ivoorden ; toen Hij hun de Schrift uitlegde, was hun hart brandende binnen in hen; aan zijn gebed, aan zijn breken des broods herkenden zij Hem eindelijk, en konden zij met grooter zekerheid, dan alleen door aanschouwing, spreken: „Het is de Heer!quot;

Hij, die in den Paaschnacht den tuin van Jozef had bezocht, zou de stukken van het zegel hebben gevonden, waarmede de hoogepriesters het graf verzegeld hadden. Het was hen toch ingevallen dat deze bedrieger gezegd had: „In drie dagen zal ik weder opstaan.quot; Daarom vroegen zij aan Pilatus de toestemming om soldaten naar het graf te zenden. Zegel-klei werd medegenomen, om daarmede den, voor het graf geplaatsten, steen aan den rotswand te verzegelen; en onder het volle besef hunner waardigheid, was het ambtszegel van den hoogen raad daarop gedrukt. Toen waren zij gerust; nu kon Hij niet meer opstaan.

61

ocr page 78

HET VERZEGELDE «RAF.

Men kan een modelijdenden glimlach niet onderdrukken, als men denkt aan Jezus, den Zone Gods, en aan deze kinderlijke pogingen om met hun bakje zegelklei en hun groot zegel de opstanding te verhinderen. En toch zijn er nu ook nog menschen genoeg, die wat de opstanding van Christus betreft, aan die hooge-priesters doen denken. Ik bedoel al degenen, die sedert de dagen dei-Apostelen tot nu toe, met groot gewicht en scherpzinnigheid hun ambtelijk en wetenschappelijk zegel aan het graf van Christus hechten, om de Paaschberichten der Apostelen te wedersproken. De Christelijke kerk behoeft die pogingen om de prediking der Apostelen te wederleggen, gelukkig niet te vreezen. De tegenstanders der Apostelen staan tegenover het feit van het Paaschfeest als kinderen, die met opgeheven handen naar de zon willen loopen om haren opgang te verhinderen. Geen enkel feit in de wereldgeschiedenis is zoo onomstootelijk bewezen als de opstanding van Christus. Die opstanding is ten allen tijde de grond en hoeksteen der Christelijke kerk geweest en gebleven, die onwrikbaar ieder ongeloof in den weg treedt, zoodat het zich daaraan stoot en vergaat. In geen enkel opzicht komt de bestrijding der tegenstanders van het geloof der Apostelen meer in al hare nietigheid voor den dag en heeft zij meer den stempel van verlegenheid, dan bij de opstanding des Heeren. Wat voeren zij daar tegen aan?

De een zegt: „De berichten over de opstanding stemmen niet allen met elkander overeen. Zeker, men vindt hier en daar een klein verschil. Dat is echter niet alleen bij de verhalen dei-opstanding het geval, maar ook bij vele andere verhalen in de Evangeliën, waar bij kleine verschillen in bijzaken, toch eene groote overeenstemming in de hoofdzaken gevonden wordt. De ééne Evangelist spreekt van twee vrouwen, terwijl Johannes, die anders de berichten der anderen slechts aanvult, alleen Maria Magdalena noemt, maar daarbij de begeleiding der andere vrouwen duidelijk veronderstelt. Zeer zeker, in de berichten dier dagen komt niet alles tot in de kleinste bizonderheden

62

ocr page 79

IN HET JAAR 33.

overeen. De eene Evangelist zegt. dat Jezus om 9 uur, de andere dat hij om 12 uur is gekruist. Ook bij het verhaal van Petrus verloochening komen de berichten niet geheel overeen. Daaruit volgt nu echter niet, dat Petrus Jezus niet verloochend heeft. Verder stemmen ook de verhalen van den Paaschdag niet in alle bizonderheden overeen, maar het feit dat zij Jezus gezien hebben, eerst Maria, of „de vrouwen,quot; daarna Petrus, dan de beide jongeren van Emmaus en ten slotte de elven, wordt met de grootste overeenstemming verzekerd.

En is die kleine afwijking zoo zeer te verwonderen? Laat men eens een der oude soldaten, die bij Sedan gevochten hebben, naar de door hen beleefde bizonderheden vragen, en het eene bericht zal eenigzins afwijken van het andere. Zullen wij daarom aan de overwinning twijfelen? Zij stonden voor de overwonnen vesting en wij staan voor het feit van het daardoor gegrondveste Duitsche rijk. Het zou hen zeker belachelijk voorkomen, als iemand, om de verschillende berichten zou willen twijfelen aan den slag en aan de overwinning van Sedan.

Zoo ging het ook met de Evangelisten. Zij stonden voor het open graf. Het kwam hen niet in de gedachte, dat iemand het door hen verklaarde feit, waarvan de gezamenlijke Apostelen en vele andere, nog levende mannen als ooggetuigen optraden, zou kunnen betwijfelen. Zij gaven zich dus ook geen moeite om hunne berichten geheel met elkander overeen te doen stemmen, maar schreven wat zij zich herinnerden. Zoo wordt dus juist deze verscheidenheid in bijzaken een bewijs voor de zekerheid des geloofs van de toen levende ooggetuigen. Ook is het voor hem, die het wil, niet moeielijk, om eene eenvoudige oplossing dezer tegenstrijdige bijzaken te vinden. De bewijzen der niet overeenstemmende berichten zijn van even weinig waarde als de zegelklei der hoogepriesters, dat tegenover de groote levenwekkende Paaschfeiten als roest voor de deur van het graf viel.

63

ocr page 80

HET VERZEGELDE (ÏKAF.

Anderen zeggen, en dat is reeds zwaarder geschut, dat de opstanding onmogelijk is, omdat het nimmer te voren gebeurd noch gezien was. Dientengevolge kan Christus ook niet opgestaan zijn. Dit is een bewijs, dat tegen elke nieuwe daad Gods b. v. even goed bij de schepping der wereld kan aangevoerd worden. Wij hebben die niet bijgewoond en zij is volgens onze beperkte kennis der natuurwetenschappen, ook onmogelijk. Jezus Christus echter, die der zonde niet onderworpen was, was ook niet aan de macht des doods onderworpen. De natuurwet van zijne, met God vereenzelfdigde, persoon, die „het leven in zich zei ven heeftquot; (Joh. 5 : 16), eischte die opstanding gebiedend. Reeds bij de verheerlijking op den berg, waar de jongeren op de aanstaande gebeurtenissen van zijnen dood werden voorbereid en waar de sluier van zijne geheimzinnige persoonlijkheid eenig-zins werd opgelicht, zien wij een straal schitteren van de in Hem wonende levenskrachten der eeuwigheid. Die krachten kwamen bij de opstanding tot werkzaamheid. Daarop beroept Petrus zich ook, toen hij vijftig dagen later op het Pinksterfeest voor het gansche volk te Jeruzalem, dat bij de kruisiging was tegenwoordig geweest, predikte; „Het was onmogelijk, dat hij van denzelven dood zou gehouden worden. Daarom bleef zijne ziel niet in het doodenrijk, daarom heeft zijn vleesch de verderving niet gezien. Deze Jezus heeft God opgewekt — waarvan wij allen getuigen zijn!quot; (Hand. 2 : 24, 27, 31, 32).

En dan het ledige graf, wat vangen wij daarmede aan ? Zullen wij met de hoogepriesters onze toevlucht nemen tot de bewering dat de jongeren het lijk gestolen hebben? Waar hebben zij het dan gebracht? Heimelijk in een ander graf gelegd, — om dan aan de wereld te doen gelooven, dat Hij was opgestaan? En zoo niet, dan had men zich even goed dadelijk op den derden dag, toen volgens de onaantastbare getuigenis van Paulus (1 Kor. 15), het geloof aan Jezus\' opstanding bij de Apostelen vast stond, bij het graf zelf kunnen gaan overtuigen, of het lijk er nog was. Zulk een graf in de rots, waarbij uien

64

ocr page 81

TN HET JAAR 83.

niet eerst een aardhenvel behoeft te verwijderen, maar zelf in de rots gaan kan. maakt zulk een onderzoek zeer gemakkelijk! Er wordt ons weliswaar geleerd, dat de jongeren bepaald zeker waren van him geloof, — „zonden zij zich dan dadelijk met nuttelooze, nieuivsgierige vragen bezighouden?quot; Dat zon toch eigenlijk niet zoo geheel nutteloos geweest zijn, en het zou én in het belang der jongeren én in het belang der gansche wereld zeer te betreuren zijn geweest, indien zij dat verzuimd hadden. Dat was volgens de prediking der Apostelen de hoofdzaak! En Jozef van Arimathéa? Zou hij in zijn eigen tuin niet eens aan die nuttelooze nieuwsgierigheid hebben toegegeven? Er blijft dus eindelijk niet anders over, dan met de hoogepriesters aan te nemen, dat het lichaam van Jezus in liet geheim is weggehaald en terwijl dat lijk hier of daar op een onbekende plaats aan het verderf is overgegeven, gingen de Apostelen de wereld in, hielden hun bedrog tot aan hun dood toe geheim, om de opstanding van Christus als grondslag van een nieuw tijdperk te prediken.

Deze bewering heeft echter tegenwoordig nog slechts weinige voorvechters. Zij zouden zichzelven te veel in het aangezicht slaan, tegenover het hooge standpunt, waarop de Apostelen door hun leven en door hunne brieven thans tegenover de wereld staan. Daarom werden die verschijningen des Heeren eenvoudig als • visioenen d. i. als gezichten verklaard, die dan weder „zielkundigquot; werden uitgelegd. Daarmede wordt ons dan een nieuw soort, nog nimmer gekende zielkunde geleerd. Zij hadden, zegt men, hun meester zóó lief, waren zoo van ganscher harte en met geheel hunne ziel met Hem bezig, dat de vrouwen door hare overspannen zenuwen, zich plotseling verheelden, Hem te zien. Ook de Apostelen leden aan die overspannen-zenuwziekte. Iloe? zoo dachten zij, onze meester, van wiens waarheidszin en Messiaansch koningschap wij zoo vele onomstootelijke bewijzen hebben. Hij zou een leugenprofeet zijn? God zou Hem hebben verloochend? Onmogelijk. „De kloof\' zegt een der voor-

65

ocr page 82

HET VERZEGELDE GRAF.

66

standers \') van die verbeeldings-theorie, „die tusschen hun geloof en de werkelijkheid was ontstaan, moest worden aangevuld. Er moest een brug worden gebouwd en de regenboog van het visioen was het, die als noodzakelijk gevolg ontstond, en de klove moest overbruggen. Huu geloof ontwikkelde zich tot een denkbeeldig zien (jammer dat wij voor dien toestand geen geschikt woord in onze taal bezitten) het eerst bij de meest dweepzieken, later door de keten eener zelfde geestvervoering die hen verbond, bij allen. Met deze regenboog-theorie, waarmede men tot in de wolken opvaart, willen ernstige mannen het groote feit, waarop het geloof der Apostelen rust en dat zij voortdurend als het onomstootelijke fondament van hun christelijk geloof prediken, omverstooten ? Met deze wonderbare bewering wil men de heiligste verzekeringen van al de Apostelen, dat zij Jezus herhaalde malen hebben gezien en met Hem hebben gesproken en gegeten, tot een zinsbedrog van overspannen zenuwen maken?

Hoe? De Apostelen zouden het als eene inwendige noodzakelijkheid hebben ervaren, dat Jezus moest opgestaan zijn ? Maar juist het tegenovergestelde blijkt ons uit eiken trek dei-overeenstemmende berichten in de Evangelien. Geen der Apostelen geloofde aan zijne opstanding. Hadden zij reeds vroeger, toen Jezus voor de eerste maal van zijne opstanding sprak, Hem volstrekt niet begrepen (Mark. 9 : 10) hoeveel te minder konden zij deze gedachte bereiken na zijnen gewelddadigen dood. Zij hadden zijne mededeelingen van zijne opstanding, als in gelijkenissen gesproken, beschouwd, omdat Hij zoo vaak in gelijkenissen sprak. Neen, zij hielden Hem voor altijd dood. Zij toch gingen heen om hem te balsemen, en daartoe moesten enkele lichaamsdeelen geheel weggenomen worden. Zij droomden zelfs niet van eene opstanding en hielden daarom de eerste berichten der vrouwen voor sprookjes.

*) Hauarath. De Apostel Paulus.

ocr page 83

IN HET JAAR 33.

Daarenboven hondt zulk eene ziekelijke overspanning der zenuwen, die iemand een doode voor levend doet aanzien, toch eindelijk op, wanneer men weder bij gezonde zinnen en tot nuchtere inzichten is gekomen. Neem er de proef van en zeg aan eene moeder, die haar kind drie dagen geleden begraven heeft, dat haar doode lieveling weer leeft. Laat haar naar het graf gaan en zie, of zij zich misschien zal verbeelden dat het leeft zij had het kind toch zoo lief gehad! Of zij zich dat in gezonden toestand zal blijven verbeelden en levenslang gelukkig zal zijn in den waan dat haar kind leeft? Zal zij nimmer een traan meer storten, terwijl het lichaam van haar kind in liet graf der verderving is ten prooi gegeven ?

Gesteld echter, dat zoo iets wonderlijks mogelijk ware, zou dan die beklagenswaardige verbeelding der moeder alleen door hare verzekeringen zulk eene sympathie kunnen verwekken en zich deze aan alle nabestaanden en vrienden kunnen mededeelen? Zouden zij ook in hare gelukkige verbeelding deelen en met haar denken, dat het kind dat werkelijk in het graf ligt, leeft? Zoo iets is eenvoudig ondenkbaar. En toch moest liet bij de Apostelen zoo geweest zijn. Paulus zegt in den, als echt bewezen, 1 Korinther-brief (Hoofd. 15 : 6), dat meer dan vijfhonderd jongeren, van welke het meerendeel toen nog leefde, den Ver-rezene gelijktijdig hebben gezien; die\' moesten zich dus allen in gelijke geestvervoering verbeeld hebben, dat zij Hem juist dezelfde woorden hebben hooren spreken en dat, terwijl zij eigentlijk niets zagen als blauwe lucht, en terwijl het lijk van Jezus hier of daar in een graf verging. Wij moeten bekennen, dat ons geloof aan wonderen zulk eene hoogte niet heeft bereikt. Aan anderen, die zich beroemen kunnen zoo lichtgeloovig te zijn, laten wij het over om zulk eene wetenschappelijke verklaring aan te nemen. Wij aarzelen niet, om zulk een geloof onder de „zielkundigequot; raadselen te tellen, waaraan men beweert dat de Paaschdag zoo rijk was.

67

ocr page 84

HET VERZEGELDE GRAF.

En, wonder boven wonder! de Apostelen predikten vijftig dagen na het Paasehfeest, toen de Israelieten weder op een feest te Jeruzalem vereenigd waren, aan duizenden de opstanding van Christus; en geen dier duizenden denkt er aan, om, wat de Apostelen als eene nutteloos-nienwsgierige vraag beschouwd hadden, te onderzoeken of niet misschien het lichaam van Christus in het, een kwartier verwijderde, graf lag, terwijl de Apostelen daar zijne opstanding predikten!

Nog meer! De Apostelen blijven hun leven lang in die benijdenswaardige verbeelding. Bij geen dezer elf anders zoo kalme, helderdenkende mannen komt ooit eenige twijfel op. Zelfs in de kalmste oogenblikken, die toch eindelijk bij de meest-over-spannen menschen, zoo als men de Apostelen voorstelt, komen, komt het hun nimmer in de gedachte of hun geloof aan de opstanding misschien niet op zelfbedrog zon kunnen berusten. Neen, zij zweren er op! Zij offeren er hun bestaan, hun leven aan op! Zelfs na 30 tot 40 jaren, een tijdperk waarin men gewoonlijk een doode vergeet, gaan deze mannen gewillig in den dood voor den Verrezene en voor hunne getuigenis van zijné opstanding. Zij buigen het hoofd onder het zwaard, als verwachten zij den lauwerkrans. Zij geven zich vroolijk in den dood; den dood, die toch anders alle droombeelden onbarmhartig verstoort, overtuigd, dat zij door dezelfde kracht, die Christus deed opstaan, ook opgewekt zullen worden tot een nieuw leven, — en dat alles op grond van eene overspanning der zenuwen op den zoogenaamden Paaschdag!

68

In het bewustzijn, dat deze droombeelden-theorie toch al te armzalig is, heeft men \') getracht om de verschijningen des Heeren wel aan te nemen, maar zóó, dat zich de geest van den Heer aan den geest der jongeren zou geopenbaard hebben. Dat alle Paaschberichten van het N. T. dit denkbeeld regelrecht weerspreken, behoeft niet te worden aangetoond.

Keim en anderen.

ocr page 85

IN HET JAAE 83.

69

Ook anderen hebben getracht om alles op eenigzins gelijke wijze te verklaren, maar zijn niet minder ongelukkig geweest. Een van hen, die zich aan de heerlijkheid van het Paaschfeest niet kon onttrekken en haar evenmin dealen kon, heeft na jarenlang eerlijk gezocht te hebben, eene oplossing van het raadsel gevonden, waarmede hij de gansche Christenheid met vreugde dacht te vervullen. \') Hij beweert, dat het verlangen der mensch-heid, het verlangen van vele eeuwen zich in de arme jongeren heeft vereenigd. In dien kleinen kring der Apostelen zou zich de smart, de vrees, de hoop, het heimwee van ontelbare milli-oenen in dat oogenblik als vereenigd hebben. (Alweder een zielkundig raadsel!) Onder den geweldigen druk der gewaarwordingen van millioenen zou de mate van hunne innerlijke gewaarwordingen en waarnemingen tot zulk eene hoogte gestegen zijn, dat zij plotseling, om zoo te zeggen, een zesde zintuig hadden bekomen, waarmede zij in de onzichtbare wereld konden zien (alweder een wonder!) en daar den Heer, die wel is waar niet was opgestaan, maar in hoogere sferen leefde, zagen. In gewone omstandigheden kan de zuurstof in de lucht niet in vloeibaren toestand worden gebracht, wel echter door aanwending van eene zeer zware drukking, en zoo zou de zwaarte der gewaarwordingen van millioenen menschen dit anders niet voorkomende wonder bij de jongeren hebben te weeg gebracht.

Hoezeer wij ook het oprechte streven dezer mannen, om, van hun standpunt uitgaande, het heerlijke Paaschfeest te redden, moeten prijzen, beweren wij toch, dat het armzalige verklaringen zijnl Waarom wil men bij den diepen afkeer van het „wonderquot; eene reeks van nieuwe wonderen uitvinden, inplaats van de laatste beslissende stap te doen in het land der wonderen Gods, en eenvoudig de opstanding aan te nemen zooals die door de Apostelen is gepredikt, en met Paulus te be-

\') Professor Furrer te Zürich.

ocr page 86

HET VERZEGELDE GRAF.

kennen, dat Christus is opgewekt door Gods kracht en door de heerlijkheid des Vaders ?

Ten laatste: de groote omwenteling op liet gebied van den geest, het grootsche zedelijke verschijnsel in de wereldgeschiedenis, die geweldige nog immer voortgaande beweging, die sedert de opstanding van Christus de eene eeuw na de andere, het eene volk na het andere, wakker schudt en tot eene vroeger ongekende hoogte verheft, — dat alles zou door een bedrog, zij het dan een zelfbedrog, zijn te weeg gebracht ? Twee eeuwen lang zou de Voorzienigheid die groote dingen op aarde hebben volbracht op grond van een bedrog, zij het dan ook een zelfbedrog ? ■ Voorwaar al die tegenwerpingen vallen, tegenover de ontzagwekkende overeenstemming der Apostelen en hunne tot in den dood herhaalde getuigenissen, als de zegel-klei der Hoogepriesters ter aarde. Op zijn best bewijzen zij ten duidelijkste, dat ieder, die liet geloof van de Apostelen niet wil aannemen, zich in de pijnlijkste verlegenheid bevindt, hoe het eenstemmige Paaschgeloof der Apostelen, hun leven en sterven, en het ontstaan der Christelijke kerk te verklaren, en men daarom naar de avontuurlijkste verklaringen grijpen moet, die niemand zullen overtuigen, die „natuurlijkequot; verklaringen verlangt.

Neen, neen! Wij staan op eene rots, op het rotsgraf van Jezus Christus. Onaantastbaar is het feit der opstanding. Wij herhalen het; geen feit in de wereldgeschiedenis staat vaster en onomstootelijker dan de opstanding van Jezus Christus. Indien deze, gedurende eene halve eeuw herhaalde, getuigenis der Apostelen niet voldoende is, namelijk dat zij Hem persoonlijk meermalen hebben gezien en met Hem hebben gesproken; de op elk bladzijde van het N. T. wederkeerende, blijde verzekerdheid van deze praktische, nuchtere mannen; hunne schriftelijke getuigenissen in de geschiedboeken der wereld, niet alleen met pen en inkt, maar met hun bloed; het wereld-vernieuwende feit der Christelijke kerk, die van den aanvang af op niets anders is gebouwd, dan vragen wij met recht: welk getuigenis

70

ocr page 87

gt;

IN HET JAAE 83.

71

der weroldgeschiedenis kan men dan nog geloof schenken? Waar bleef, in liet algemeen, elke verschijning in de wereldgeschiedenis, hetzij eene volksverhuizing, hetzij de overwinning der toen bekende wereld door Alexander, die niet door zulke kunsten, als van herschenschimmen of spel der verbeelding, kunnen worden weggeredeneerd?

Ware de Heere Jezus Christus niet waarlijk opgestaan, dan was, zooals Paulus reeds 1 Kor. 15 : 17 zeer terecht zegt, ons gansche Christelijke geloof een armzalig luchtkasteel.

Daarom berust de gansche prediking der Apostelen, hetzij te Jeruzalem, hetzij te Athene, hetzij in hunne brieven, altijd weder op het vaste fundament der opstanding van Christus. Zooveel is zeker, dat de Apostelen wel dadelijk hunne prediking hadden geëindigd, indien zij den minsten twijfel aan de opstanding hadden gekoesterd. Zij zouden zich niet hebben kunnen voorstellen, waartoe zij dan dezen doode aan de wereld zouden moeten prediken? Eerst door de opstanding is Jezus Christus, volgens Paulus (Rom. 1 : 3) bewezen Gods Zoon te zijn. Ware Hij in het graf gebleven, dan zou men Hem weliswaar den roem hebben toegekend, van een groot man te zijn geweest, maar om den dood te overwinnen had ook Hij dan geen macht gehad. Voor dien vijand moest dan ook Hij zich buigen. Hij zou een groot wijsgeer zijn geweest, maar de Heiland, de Verlosser der menschheid zou Hij niet zijn geweest.

Daarom vereenigen wij ons op elk Paaschfeest met de Apostelen en de gansche Christenheid van alle tijden in den blijden jubelkreet, die met klimmende gewisheid dien eersten Paasch-dag vervulde; in den vroegen morgen van Maria Magdalena beginnende, tot Petrus en de beide Emmaüsgangers doordringende, totdat alle jongeren op den laten Paaschavond elkander begroetten met de woorden: „De Heer is waarlijk opgestaan!quot; Wij zetten ons op elk Paaschfeest in den geest neder bij hot ledige graf van Jezus en bij de graven van allen, die in Hem zijn ontslapen, die graven, - waarover door zijn sterven eene hope

ocr page 88

HET VERZEGELDE GRAF.

der verrijzenis is opgegaan, — en planten daarop, als een banier des eeuwigen levens, de eeuwenoude Paaschbelijdenis der Christenheid:

Ik geloof aan Jezus Christus,

Opgestaan uit de dooden!

ocr page 89

PASCHEN AAN HET MEER VAN GENESARETH.

ocr page 90
ocr page 91

DE VEERTIG DAGEN.

Veertig dagen, veertig dagen!

schoone dagen van genot,

In het zoet verkeer gesleten

met den hoogen Zoon van God; Eer Hjj oprees naar den hemel,

11«, die uit het graf verrees,

Maar nog eerst in \'s Ileilands dingen

zyn discipelen onderwees.

Toen beval Hy hun de blymaar

te verkonden wijd en zijd;

Toen beloofde Hij zijn bijstand

tot het einde van den tyd;

Toen den Geest, den Waren, Heilgen,

die hut hart, zyn dienst getrouw, Troosten moest en doen gedenken,

leeren en doordringen zou.

Beets.

Het Paaschfeest was over de aarde opgegaan.

Hot treurspel, oud als de wereld, van een reddeloos verloren menschheid, had een zalige oplossing gevonden, door den, zich zelf ten offer gevenden. Zone Gods. Een nieuw tijdperk was voor de wereld aangebroken, en de dwalende planeet der zondige menschheid onder nieuwe voorwaarden gesteld. Het lied der eeuwige liefde, dat door de groote barmhartigheid Gods eene

ocr page 92

DE VEERTIG DAGEN.

gansche wereld aan dood en zonde ontrukt is, klonk voortaan over de aarde. God had ten Paaschmorgen aan de hemel-sche melodie van dat nieuwe lied, zelfs door de redelooze natuur, in den diepen bastoon der aardbeving, eene ontzagwekkende begeleiding gegeven. Het was, als ging er ook door de natuur een zuchten, „dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis.quot; (Eom. 8). De aarde beefde, als in onbeschrijfelijke vreugde. De rotsen rondom Jeruzalem spleten. Het donderen van de aardbeving golfde als een lach over de schepping, als moesten berg en dal mede uitroepen: „Het is volbracht!quot; Ook door de Engelenwereld ging er eene beweging. Het groote geheim, waarin zij op het Kerstfeest reeds ten deele hadden geschouwd, had zich nu heerlijk voor hen geopenbaard. De grootste vreugde echter, heerschte onder de jongeren. Voor hen brak met dien Paaschdag een heerlijke tijd aan, waarin de Verrezene gedurende veertig dagen met hen verkeerde en den tijd van hun Apostelschap kroonde. Heilige dagen waren het! Met een glans van Paasch-heerlijkheid omgeven staan zij in de/ Evangeliën vermeld en nog jaarlijks worden die dagen herdacht in den tijd tusschen Paschen en den Hemelsvaartdag. Na de stormachtige lijdens-dagen genoten de Apostelen toen ongestoorde blijdschap, en de hemelsche afglans dier vreugde vergezelde hen gedurende hun gansche leven. Voor het uitwendige waren het gewone dagen, tocli het was hun somtijds, alsof de hemel voor hen ontsloten was, en zij zeiven als in den voorhof des hemels vertoefden.

Die veertig dagen waren voor hunne Apostolische getuigenis van het grootste gewicht. In die dagen werd hun geloof aan de opstanding als op eene rots gegrondvest. Ware de Heer hun slechts eenmaal verschenen, dan hadden zij na twintig of dertig jaren zelfs kunnen denken, wat de tegenwoordige schriftuitleggers beweren: dat zij zich door zelf bedrog hadden laten medesleepen. Jezus echter zorgde door zijnen omgang gedurende zes weken

76

ocr page 93

IN HET JAAR 33.

met hen, dat hun Paaschgeloof, dat fondament van alle christelijk geloof, boven allen twijfel verheven zou zijn. Hoe ongelooflijk het Paaschbericht hun ook in den aanvang had geklonken, hoe zeer zij zich ook tegen het geloof aan de opstanding hadden verzet, nu was geen twijfel meer mogelijk. Zij zagen Hem herhaaldelijk, zij spraken met Hem, zij zagen Hem van aangezicht tot aangezicht, zij aten met Hem, zij luisterden naar zijne woorden, en elk hunner wist Hij naar zijne eigenaardige zielsbehoefte te leiden en te troosten, zoo als hij vroeger de weenende Magdalena, de gevallen Petrus, de twijfelende Thomas eu de beide jongeren van Emmaus getroost had.

Wel voelden zij duidelijk, dat het verkeer met den Verrezene toen anders was, dan gedurende hun samenzijn in de laatste twee jaren. In al \'s Heeren verschijningen aan zijne Apostelen gevoelden zij het losmaken van elke aardsche betrekking, die hen aan Hem verbonden had. Nu was Hij de verhoogde, die zich had losgemaakt van alle aardsche banden, die niet in verband stonden met zijn werk als Heer der gemeente en Verlosser der wereld. Opmerkelijk is het, dat aan Maria, de moeder van Jezus, geene bizondere openbaring ten deel viel, zoo als aan de anderen. De aardsche betrekkingen bestonden voor Hem niet meer. Met zijn laatste vriendelijke woorden „Vrouw-, zie uw Zoon!quot; was Maria geheel in den kring der overige menschenkinderen terug getreden. Hij toch was gekomen, om de menschheid in veel hoogeren zin tot zijne verwanten te maken. Reeds eenmaal had Hij gezegd: „Wie is mijne moeder, of mijne broeders? Zoo wie den wil van God doet, die is mijn broeder en mijne zuster, en moederquot; (Mark. 3 : 33).

Het feit, dat Maria in de Paaschgeschiedenis geheel op den achtergrond treedt, is eene merkwaardige kritiek op de leer der Roomsch-Katholieke kerk, van de Maagd Maria. Zijne woorden: „Raak mij niet aanquot; bij de eerste verschijning aan Maria Magdalena, hebben eene diepe beteekenis. Niet alsof Hij zich in het geheel niet meer wilde laten aanraken. Neen, op denzelfden

ocr page 94

78

avond noodigde Hij zelfs zijne twijfelende jongeren uit, om zijne handen en zijne zijde te betasten, maar Hij weerde met die woorden de aanraking van aardsche vertrouwelijkheid af.

Bij elke verschijning ondervonden de jongeren die verandering in hunnen omgang met Jezus. Hij was dezelfde en toch was Hij omgeven van eene zekere eigenaardige grootheid, die anders was dan vroeger. Het was hetzelfde lichaam en toch een verheerlijkt lichaam. Zij kenden Hem, en toch is het hen dikwerf als kenden zij Hem niet. Hij verschijnt lichamelijk in hun midden, maar is niet meer gebonden aan tijd en plaats. Hij heeft zijne knechtsgestalte, zijne aardsche zwakheid afgelegd, alleen de heerlijkheid is gebleven.

Die veertig dagen waren voor de Apostelen dagen van zalig genot. Het waren dagen van gezegenden wasdom in het geloof, waarin de Heer het onderricht der laatste jaren aan zijne jongeren, voleindigde. Zijn voornaamste werk toch was de vorming zijner discipelen geweest. Zij hadden voortdurend van Hem geleerd door zijne woorden, door zijne daden en door liet aanschouwen zijner goddelijke persoonlijkheid. Wat moet die dagelijksche omgang met den Heer hen in den waren zin des woords gevormd hebben! De omgang met een gewoon mensch of leeraar oefent reeds door diens edel karakter en zedelijke reinheid, een grooten invloed op ons uit, omdat hij onze edelste gevoelens opwekt en leidt. De omgang met Jezus moet een, voor indrukken ontvankelijk, mensch, met wonderbare kracht tot God getrokken hebben en hem naar Zijn beeld gevormd hebben. Wij verwonderen ons niet, dat deze Apostelen de leeraars der wereld zijn geworden, en dat ook nu nog gansche volkeren van eeuw tot eeuw uit de levensstroomen hunner ■Evangelien en brieven voortdurend putten, zonder dat die bron uitdroogt.

Wat gedurende den tweejarigen omgang van Jezus met de jongeren door zijne meesterhand was voorbereid, werd gedurende die veertig dagen na Pasehen voltooid. Toen gaf de Heer zijnen

ocr page 95

IN HET JAAR 33.

Apostelen zijn eindonderricht over het rijk Gods (Hand. 1 : 3). Nadat zij op Goeden Vrijdag zijne machtige prediking hadden gehoord, niet in woorden, maar in zijne door velen miskende liefde, in den dood des kruises; nadat zij op Paschen de hoogste aardsche openbaring zijner heerlijkheid hadden aanschouwd, door zijn macht ook over het aardsche leven; nu begonnen zij beter te beseffen, dat het rijk Gods geen Joodsch Koningschap was, maar een wereldrijk in den ruimsten zin des woords; dat Hij niet te Jeruzalem zijn troon zou bestijgen maar aan de rechterhand des Vaders. Dat alles leerde Jezus hen in die laatste dagen. Hij zeide hen, dat de toekomst Hem behoorde. Hij zeide hen, dat van toen af in de menschheid een leven zou gewekt worden, dat zich van eeuw tot eeuw zou voortplanten, om alle volkeren de vruchten van zijn dood en zijne opstanding te doen genieten. Hij liet hen een blik slaan in zijn rijksprogram, volgens hetwelk Hij aan het einde van die, wereldomvattende en door hen aangevangen, beweging, zou wederkomen om de wereld te richten en zijn rijk in heerlijkheid te stichten, waarin eindelijk het doel bereikt, en alle schoone en rijke gaven, die God in de menschenwereld gelegd had, rein en heerlijk, zonder smet, in blijde werkzaamheid tot ontplooiing zou komen, ter eere Gods des Vaders.

Do eerste acht dagen na Paschen bleven de jongeren te Jeruzalem, want eerst den volgenden Zondag had de verschijning des Heeren plaats, die ook den laatsten twijfelaar, Thomas, in de blijde Paaschvreugde zou doen deelen. Later hebben de Apostelen hoofdzakelijk in Galiléa vertoefd. Alle Galileërs toch, keerden acht dagen na het Paaschfeest naar huis terug. Jezus had hen ook reeds voor zijn dood bevolen, om zooals gewoonlijk na het Paaschfeest, naar Galiléa terug te gaan. Een zijner laatste woorden, aan den avond vóór zijnen dood, was geweest: „Maar nadat ik zal opgestaan zijn, zal ik u voorgaan naar Galiléaquot; (Matth. 26 : 32). Welk eene liefde toonde de Heer hun, om hun dadelijk bij de eerste verschijning aan de

79

ocr page 96

DE VEERTIG DAGEN.

vrouwen, den terugkeer naar hun huis te bevelen (Matth. 28 : 7). Sedert November, dus sedert een half jaar, waren zij niet te huis geweest. Petrus had vrouw en wellicht ook kinderen achter gelaten. Daarop had hij wellicht door verlangen gedreven, voor eenige weken gezinspeeld (Mark. 10 : 28). Nu mochten zij nog eenmaal naar huis wederkeeren en geen gezelschap zal ooit blijder en vroolijker over de bergen naar Galiléa getrokken hebben, dan de jongeren na het Paaschfeest. Zij gingen naar huis, naar het geliefde schoone Galiléa; zij verlieten Jeruzalem, waar men nog altijd onder de macht der hoogepriesters gebukt ging, en van welks muren zij nog altijd het „kruis hem,quot; meenden te hooren. Zij gingen naar huis, naar vader en moeder, naar vrouw en kind, naar de geliefde plek waar zij hunne kindschheid hadden doorgebracht, naar het liefelijke meer Genesareth waar zij het eerst den Heer hadden leeren kennen. In groote blijdschap begroetten zij de hunnen en verkondigden aan de getrouwe vrienden in Kapernaum en Bethsaïda de opstanding van hunnen gekruisigden Heer. Daar bleven zij rustig verwijlen, en verbeidden de verdere aanwijzingen en bevelen huns Meesters. Omstreeks eene maand bleven zij in hun vaderland, maar zaten daar niet terneer in diepzinnige beschouwingen, neen! gezonde mannen als zij waren, wijdden zij zich aan den arbeid en aan hun vroeger beroep. Hoe lang was het reeds geleden, dat Petrus en Johannes te zamen het net uitgeworpen hadden. Door al het ondervondene in de lijdensweek en op den Paaschdag (toen men hen altijd te zamen zag) waren zij nu nog inniger aan elkander verbonden, en menigmaal staken zij te zamen in zee zooals in vroegere dagen, toen zij Jezus nog niet kenden, voordat Hij hen beiden op éénen dag, na die wonderbare vischvangst, tot zijne volgelingen had gemaakt.

De kalmte van hun beroep, dat hen in den nacht deed uitgaan op de stille zee, waarboven de sterren fonkelden en vanwaar de omtrekken der omliggende bergen te zien waren, deed hen na de laatste gebeurtenissen, die lichaam en ziel hadden aangegrepen,

80

ocr page 97

IN HET JAAR 33.

81

weldadig aan. Wanneer zij buiten op het schip waren, en de glinsterende golven van het meer Genésareth - weerglans van het sterrenheir - tegen het schip sloegen, terwijl de nachtwind over den donkeren waterspiegel streek, dan herinnerden zij elkander aan zoo menigen merkwaardigen dag huns levens, die met deze oevers onverbreekbaar verbonden was. Daar, bij Bethsaïda, had Jezus op den eersten dag van hun Apostelschap, misschien wel in ditzelfde schip, tot liet volk gepredikt en daarna, bij die wonderbare vischvangst, hen tot zijne jongeren gemaakt. Daar op dien heuvel der bergprediking had Hij op een onvergetelijken morgen zijne twaalven afgezonderd en de prediking gehouden welks „zalig, zalig, zalig!quot; nog altijd over de2e donkere hoogten scheen te klinken. Daar, op die Oostelijke hoogvlakte bij Julias, hadden de vijfduizend na hunne spijziging Hem met geweld tot koning-willen maken. Toen hadden zij zijne weigering niet begrepen. Nu begrepen zij haar wel. Hier op de zee hadden zij aan den avond van dienzelfden dag, tegen wind en golven gestreden, terwijl Hij eenzaam op het gebergte bad, totdat Hij wandelende op de zee, tot hen kwam en zijne diepe stem door storm en golfgeklots tot hen doorklonk: „Vreest niet, ik ben het!quot;

Zoo was het verblijf in hun vaderland voor hen een tijd van heilige herinneringen en heilige verwachtingen. Maar zij zouden nog grootere dingen ondervinden.

e

ocr page 98

DE VERSCHIJNING AAN HET MEER.

„Vrede zij ulieden!quot; Klonk het uit des

lieven Heilands mond Als hy zijn beminde jongeren

tusschen hoop en vreeze vond, „\'t Is geen geest, die tot u nadert:

Jezus ziet gij voor u staan. Schaft mij spijze dat ik ete

strek uw hand uit, raak mij aan.quot;

Beets.

„Van jongs af aan las ik gaarne in den Bijbel, onuitsprekelijk gaarne. Het liefste las ik het Evangelie van Johannes, daar ligt zoo iets wonderbaars in; schemering en nacht, en tusschen die beiden schitterende bliksemstralen; lichte wolkjes en achter die wolken, de volle maan: zoo iets edels en heerlijks, waaraan men nimmer verzadigd wordt.quot; Onwillekeurig denkt men aan deze woorden van Matthias Claudius, als men aan het laatste hoofdstuk van Johannes komt, „dit eenige, ware, teedere Evangelie,quot; zooals Luther het genoemd heeft. Het laatste hoofdstuk is blijkbaar een aanhangsel van het, reeds met het 20ste hoofdstuk afgesloten, Evangelie, waarschijnlijk door Johannes zelf, of onmiddelijk na zijnen dood door een zijner leerlingen, volgens mondelijke mededeelingen des Meesters, er bijgevoegd; in elk geval ademt het geheel den geest van den Apostel Johannes.

ocr page 99

IN HET JAAR 33.

„Na dezen openbaarde Jezus zich zeiven wederom den discipelen aan de zee van Tiberias.quot; Met deze woorden begint de evangelist het verhaal der laatste verschijning van Jezus. Meermalen heeft men het vermoeden geuit, dat men bij dat „na dezenquot; aan een voorafgaanden Zondag heeft te denken. In dat geval zouden wij op de drie eerste Zondagen der Christenheid de voornaamste verschijningen van den Verrezene te herdenken hebben; den eersten Zondag de opstandingsdag zelf, op den tweeden de verschijning aan Thomas, op den derden de verschijning aan het meer van Genésareth. Voorwaar een gouden drietal, waardig om aan het hoofd te staan van de lange reeks van Zondagen, die sedert dien tijd, in de wereldgeschiedenis staan opgeteekend.

» *

*

Het was een nevelachtige Zondag in April of Mei. Zacht streek de morgenwind over de kabbelende golfjes van het meer Genésareth. In het oosten begon het te lichten boven de donkere bergen. Eenige zachtgeele streepen verkondigden daar het naderen van den dageraad. Witte zeemeeuwen vlogen luid snaterend over het water. Gansche scharen van duiven waren daarboven uit de spleten der rotsen en holen bij Arbela opgestegen en vlogen naar Kapernanm en Gergeza om hun morgen voedsel te zoeken.

In de nabijheid van Kapernanm en Bethsaïda aan den noordelijken oever der zee lagen hier en daar visschersvaartuigen in het water. Eenige visschers uit de naburige steden hadden reeds uren lang gevischt, de nacht toch is daar voor de visch-vangst de geschiktste tijd. Nu en dan hoorde men van een dei-booten het geplas van een in het water geworpen net. Daarna was alles weer stil, hun arbeid toch moet zoo stil mogelijk geschieden, om de visch niet te verschrikken. De zee was kalm en blonk door de zon flauw verlicht, als glinsterend metaal, van den donkeren krans harer bergen omringd.

83

ocr page 100

DE VERSCHIJNING AAN HET MEER.

Aan den oever liep een man heen en weder. Het scheen een wandelaar te zijn, die in den vroegen morgenstond uit een dei-steden den weg langs de zee genomen had. In het Oosten is de schemering kort. Terwijl de wandelaar zijnen weg vervolgde, verfde zich de horizon in het Oosten met purperen lijnen. Daar ginds, aan de overzijde der zee, in het land der Gergesenen waren de wolken rood gekleurd, waardoor ook de toppen der bergen met een rozigen gloed werden overtogen. De westewind, die in die landstreek eiken morgen voor zonsopgang waait, streek den eenzamen wandelaar over het hoofd, de zon te ge-moet, als wilde hij haar begroeten; de zilveren takken der olijf-boomen werden heen en weder bewogen, de palmen sloegen hunne bladeren zacht rinkelend tegen elkander, terwijl men de beekjes op de vlakte van Gennesar hoorde murmelen, als om den nieuwen dag een welkom toe te roepen.

De wandelaar bleef staan en sloeg den blik op een der nabij liggende booten, die op het kalme meer wiegelden. Duidelijk ontwaarde hij in de boot zeven mannen, die hunne netten in het water hadden geworpen. Die mannen zijn ons niet onbekend; zij behoorden allen tot den kring der Apostelen, die voor eenige dagen, na eene afwezigheid van een half jaar, naar hunne woonplaats waren teruggekeerd. Daar was Petrus, die onlangs vóór alle anderen den Heer had gezien; daar was de twijfelaar Thomas, die zich door zijne afzondering van de overigen, door zijn twijfel, acht dagen lang een bitter verdriet had berokkend, terwijl de anderen al lang een blij Paaschfeest vierden, maar die nu on-afscheidelijker dan ooit aan de jongeren was verbonden. Daar was Nathanaël van Kana, de ware Israeliet zonder bedrog, die voor twee jaar met Petrus en Johannes op dien heerlijken lentemorgen daar beneden aan den Jordaan tot de eersten had behoord, die zich bij Jezus hadden aangesloten. Daar was ook nog Johannes met zijn broeder Jacobus, die in gemeenschap met Petrus de meest geliefde Apostelen waren, en eindelijk nog twee anderen, wier namen onbekend zijn. Hunne gedachten

84

ocr page 101

IN HET JAAR 33.

even als hunne gesprekken waren in dien stillen nacht bij den Verrezene; alles in den omtrek toch, herinnerde hen aan Hen;. Zij wachtten Hem bepaald een dezer dagen. Hij had hen toch naar Galiléa vooruitgezonden om Hem daar weder te ontmoeten.

Met hunne vischvangst waren zij dien nacht niet gelukkig geweest. De witte huizen aan den oever van Kapernaum en Bethsaïda waren reeds duidelijk te zien, en niet meer op een goede vangst rekenende, besloten zij landwaarts te varen. Daar hooren zij van den oever iemand roepen. De man nauw zichtbaar door de morgenschemering, roept hun toe, terwijl Hij zich van het nu nog in CTaliléa gebruikelijk vertrouwelijk woord „kinderenquot; bediend: „Kinderkens, hebt gij iets te eten?quot;

„Neenquot; roepen zij Hem toe. „Welnu, werp het net ter rechterzijde van het schip, dan zult gij vangen!quot; riep de vreemdeling, als ware Hij een ervaren visscher, die de visschen in menigte in die richting zwemmen zag. \')

Zij trekken het ledige net uit het water, en werpen het aan de andere zijde van het schip. Aanstonds zonk het net dooiden zwaren last in de diepte. De visschers bemerkten, dat zij eene goede vangst hadden gedaan, en wilden het volle net ophalen, maar het was hun onmogelijk. Zij konden het net, zoo groot was de menigte der gevangene visschen, niet aan boord halen.

Terwijl zij zich daarmede nog alle moeite gaven, krijgt Johannes plotseling een voorgevoel van hetgeen er gebeuren zal, hij begreep altijd het eerste de wijze van doen van Jezus. „O, Petrus,quot; zoo fluistert hij zijnen vriend in de grootste vervoering in; „Het is de Heer!quot;

Ook voor Petrus is nu alles plotseling duidelijk. Hij dacht aan het gebeurde voor twee jaar, toen de Heer aan dezen oever, misschien wel in dit zelfde schip zich juist op dezelfde wijze aan hen had geopenbaard, en hem met Johannes en hunne wederzijdsche broeders tot Apostelen had verkoren. Zou de Heer hen willen verrassen door deze nieuwe openbaring aan de eerste

\') Vergelijk Schneller, Kent gy Hem? Hoofdstuk: De vischvangst.

85

ocr page 102

DE VERSCHIJNING AAN HET MEER.

openbaring vast te knoopen? Dat alles gaat Petrus in een oogen-blik door het hoofd. Hij juicht bij de gedachte van de nabijheid des Heeren. In een oogwenk heeft hij het opperkleed omgord, en zonder een woord te zeggen, springt hij in het heldere water en zwemt met krachtige slagen naar den oever. Daar stijgt hij uit het water en spoedt zich naar zijnen Meester, om Hem het eerst te begroeten. Het was alsof hij den Heer, die hem reeds eenmaal verschenen was, nog iets onder vier oogen had te zeggen of te vragen, maar dat woord bleef nog onuitgesproken.

De andere jongeren hadden dat alles met verbazing aangezien, maar Johannes, die nog met de uitdrukking der grootste verrassing naar den oever heen ziet, zegt het ook hen: „Het is de Heer!quot; „Het is de Heer!quot; zoo klinkt het van mond tot mond. „Naar land! naar land!quot; zoo roepen zij elkander toe, „Petrus na, om den Heer te begroeten.quot; Nog slechts twee honderd ellen waren zij van den oever verwijderd. Enkele krachtige riemslagen waren voldoende om het schip met het nog in het water hangende net aan wal te brengen.

Toen sprongen ook de andere jongeren de boot uit, vooraan de jonger, dien Jezus liefhad. Met kloppende harten ijlen zij Hem te gemoet, en begroeten en omringen hunnen geliefden Meester. Daar stond dan de Apostelschaar weder om haren Heer geschaard, zooals vroeger zoo menigmaal was geschied. Zijne edele gestalte had ook ditmaal iets geheimzinnigs, iets heiligs. Ook toen schijnt het niet de uitwendige gestalte van den morgenwandelaar te zijn geweest, waardoor de jongeren Hem hadden erkend, evenals voor veertien dagen Maria Magda-lena Hem voor den hovenier had gehouden en de Emmaüsgangers Hem voor een feestganger naar Jeruzalem aanzagen. In zijne houding was iets bekends en toch iets vreemds; Hij stond in eene andere, hoogere betrekking tot hen. Al hadden zij op het eerste oogenblik nog getwijfeld, die twijfel verdween, als nevel voor de zon, zoodra Hij tot hen begon te spreken. Dat was dezelfde manier, waarop Hij altijd met hen had omgegaan.

86

ocr page 103

IN HET JAAR 33.

Dat was de oude Meester, die elk hunner kende en doorgrondde. Evenals bij de vroegere verschijningen, aan Maria en op den weg naar Emmaus, waren het dus niet de uitwendige trekken, maar veelmeer zijn onveranderde geest en karakter, zijn woord bovenal, waardoor Hij zich bij zijne jongeren wilde doen herkennen. Het was, alsof Hij hen toen reeds, nog zonder woorden wilde leeren, dat de wijze van zich te openbaren meer en moer veranderen en eindelijk geheel ophouden zou, maar dat één ding altijd hetzelfde en onveranderlijk blijven zou, namelijk zijn woord en geest, waardoor Hij bij zijne jongeren blijven zou tot aan het einde der wereld.

Zoo hadden zij Hem vroeger, Johannes het eerst, herkend bij de vischvangst van voor twee jaar, waarop de Heer nu terugwees. Het was alsof Hij hen daarmede zeggen wilde: „Ziet, Ik ben nog dezelfde als toen.quot; Maar nog duidelijker herkenden zij Hem aan hetgeen nu volgde. Vóór Hem zagen zij een kolenvuur, waarop eenige visschen werden gebraden. Ook brood lag daarbij. Jezus sprak; „Brengt van de visschen, die gij nu gevangen hebt.quot; Hij noodigde hen dus bij zich te gast. Hij zelf had hun den maaltijd bereid, maar vroeg hen toch nog om eenige der door hen gevangen visschen daarbij te voegen. Simon Petrus, weder de eerste, heeft ternauwernood dien wensch gehoord, of hij springt vol ijver in het schip om de bevelen zijns Meesters, al waren zij ook nog zoo gering, te volvoeren. Geheel alleen, als waren zijne krachten vertienvoudigd, trekt hij het zware net door het water aan land, en allen beijveren zich om gezamenlijk de visch te tellen en in de vischkaar te bergen. Honderd drie en vijftig visschen werden geteld. Terwijl zij daarmede bezig waren onder de oogen huns Heeren, stond hun die heerlijke voorjaarsmorgen voor den geest, toen Hij voor twee jaar, na die wonderbare vischvangst hen tot de roeping zijner navolging had ingeleid. Knoopte Hij deze onvergetelijke Paaschmorgen niet klaarlijk aan dien heerlijken lentemorgen vast? Was het niet, alsof Hij nu, niet door woorden, maar

87

ocr page 104

DE VERSCHIJNING AAN HET MEER.

daardoor misschien nog aangrijpender, zijne toenmalige belofte herhaalde: „Ik zal u tot visschers van menschen maken?quot;

Wanneer feestvierenden ouders op een huwelijksherdenking dezelfde trouwtekst van het altaar in oor en hart klinkt, als eens in de gulden dagen hunner jeugd, dan zijn het wel dezelfde woorden, maar hoe veel rijker van inhoud schijnen die hen nu toe en hoe veel beter vatten zij er de beteekenis van! Toen lag alles nog in eene nevelachtige toekomst, nu hebben zij Gods genade en Gods leidingen ervaren, waarbij zij aanbiddend en dankend stilstaan. Zoo was het ook bij de jongeren. Ook toen had zich elk woord des Heeren onuitwischbaar in hun geest geprent, maar hoe geheel anders klonken die woorden hun nu toe; welk een volheid Zijner heerlijkheid, welke ervaringen op Goeden Vrijdag en Paschen vermengden zich nu onder de heerlijke beloften voor hun Apostelambt, als zij de woorden gedachten: „Van nu aan zult gij menschen vangen.quot;

Konden zij nu nog twijfelen, dat het hun Meester zelf was? Neen! Neen! „Niemand,quot; zegt Johannes, „onder de jongeren durfde Hem vragen: „Wie zijt gij?quot; want zij wisten, dat het de Heer was.quot;

Daarop noodigde Jezus hen allen vriendelijk aan den maaltijd, zooals in vroegere dagen: „Komt en houdt het middagmaal!quot; Hij zet zich als een huisvader, op zijn gewone plaats. En zie, als naar gewoonte neemt Hij het brood, zegent het en deelt het onder de dischgenooten, desgelijks ook de visschen.

Daar zitten zij weder, welk een gelukkige kring! om hunnen Meester aan de geliefde oevers van het meer Genésareth. Inmiddels was de zon opgegaan. De bergtoppen schitterden in de kleuren van den lentemorgen. De gouden stralen der zon weerkaatsten zich in de blauwe zee. Langzamerhand werden de steden aan den oever zichtbaar en rezen sneeuwwit als uit de blauwe wateren omhoog. De voorjaarsbloemen bloeiden op de omliggende vlakte. De oleanderboomen, die aan den oever prijkten, lieten hunne helderroode bloesems in het water hangen, en

88

ocr page 105

IN HET JAAR 33.

de zoo vreedzame Zondagmorgen scheen in duizendvoudige accoorden te jubelen: Paschen! Paschen! Die jubel weerklonk echter het luidste in de harten der jongeren; zij zaten weder bij hunnen Meester; zij mochten weder met Hem spreken en naar zijne geliefde stem luisteren. Wat zullen zij de gebeurtenissen der twee laatste jaren besproken hebben; hier, waaralle bergen in den omtrek getuigden van de daden en woorden, waarmede Hij dit Galileesche land had gezegend.

Zoo hadden zij Hem wederom in hun midden. Toen de zwakke vrouwenhand van eene Maria Magdalena hun voor de eerste maal de poorte der Paaschvreugde had geopend, toen hadden zij haar niet geloofd, en zeker is liet een bewijs voor de waarheid van het Paaschfeit, dat de jongeren geen lichtgeloovige mannen waren, maar met hardnekkig-kritieschen twijfel alle Paaschberichten ongeloovig hadden aangehoord, totdat zij zeiven ervaren en gezien hadden. Nu was alle twijfel onmogelijk. Ook de toen aanwezige Thomas twijfelde niet meer. Zij hadden Hem gezien, met Hem gesproken, zij hadden nu ook weder met Hem gegeten, zooals aan den laten avond van den dag dei-opstanding. Het was de derde maal, dat Hij in den kring dei-Apostelen verscheen (Joh. 21 : 14). De laatste maal was het echter nog niet. Hier in Galiléa zouden, zoo als de Heer aan de eerste Paaschboden gezegd had, zijne getrouwe volgelingen op een aangewezen berg nog eens bij elkander komen (Matth. 28 : 16). Eerst daarna moesten zij naar Jeruzalem terugkeeren.

S9

ocr page 106

HET GESPREK MET PETRUS.

Ja, Hy weet het, Zoon van Jona!

Hij vergaf u; \'t hoofd omhoog! (»y zult nog de hoeksteen wezen

van zijn kerk en tempelboog. Zoo ge uw harte niet voldoen kunt,

daar quot;t wil boeten voor zijn schuld, Hij verblijdt u met de tijding,

dat gij voor Hem sterven zult.

Maar de Heer zal deernis toonen

bij den deemoed van zijn vriend; Driemaal zal do vraag weerklinken,

Simon, of gij hem bemint?

De gemeenschappelijke maaltijd was afgeloopen. Wij -weten niet, waarover Jezus gedurende dien maaltijd met de jongeren gesproken heeft, maar zeer waarschijnlijk zal het gesprek de voorafgegane vischvangst tot onderwerp hebben gehad. Zonder bepaald doel toch, zal Jezus dit wonder niet juist nu hebben herhaald; en wij twijfelen er niet aan, of Hij zal ook nu weder als voor twee jaar, gesproken hebben over de woorden; „Ik zal u tot visschers van menschen maken!quot;

De voormalige visschers op het meer Genésareth ontvingen nu eene nieuwe belangrijke roeping, die de hoogste openbaring

ocr page 107

IN HET JAAR 33.

van hun vroeger visschersberoep was. Zij zouden voortaan op de zee der volkeren in het schip der kerk staan, en hunne netten uitwerpen, daar waar de Heer het hun aanwees. Dan zouden zij een rijken buit voor het hemelrijk behalen. Dat was ook, volgens de berichten van Lukas (2-i : 46 — 49), de inhoud van \'s Heilands gesprekken met de jongeren gedurende de veertig dagen.

Overgelukkig door de onverwachte verschijning des Heeren, met geestdrift ziende op het heerlijke ambt, waarmede Hij hen verwaardigde, luisterden de jongeren naar zijne woorden. Eén echter zat daar in hun midden ter neder, die in de blijdschap der overigen niet doelen kon. Het was Petrus. De herinnering aan zijne verloochening in het paleis van den Hoogepriester vervolgde hem als eene donkere schaduw. Daarover had hij met den Heer nog niet gesproken. Hij had zijn Apostelambt, dat de Hoer hein na die eerste vischvangst voor twee jaar had toevertrouwd, ontwijd. Hij voelde zich daartoe onwaardig. Was het dan wonder, dat zijn hart bezwaard was, toen hij den Heer over dat ambt hoorde spreken?

De Heer las al die gewaarwordingen op zijn gelaat en in zijne ziel, en met de zoo groote liefde en takt, die Hem altijd eigen waren, als de ware, eenige zielzorger, sprak Hij Petrus aan, opdat ook bij hem de zalige Paaschvreugde zou doorbreken. Wel kon Hij die verloochening niet stilzwijgend voorbijgaan; Hij kon de wonde niet heelen, zonder die aan te raken, maar Hij deed het met onvergelijkelijke teederheid, als een ervaren arts, die met zachte hand de pijnlijkste plaats aanraakt. Van de verloochening sprak Hij niet. Hij scheen ook niet te twijfelen aan de oprechtheid Petrus\' bewering, toen hij zich beroemd had, den Heer liever te hebben dan de overige jongeren (Matth. 26 ; 38). Hij vroeg slechts, terwijl Hij op de andere jongeren wees: „Simon, zoon van Jonas, hebt gij mij liever dan deze ?quot;

Allen zwegen. Jezus zag Petrus aan, ook de zes jongeren

91

ocr page 108

HET GESPREK MET PETRUS.

zagen Hem aan. maar hij, de oogen ternauwernood durvende opslaan, sprak niet van „liever hebbenquot; maar antwoordde slechts: „Ja Heere! gij weet dat ik u liefheb.quot;

En Jezus sprak: „Weid mijne schapen!quot;

Daarop vroeg Jezus tot aller verwondering ten tweede male, de vergelijking met de anderen achterwege latende: „Simon, zoon van Jonas, hebt gij mij lief?quot;

En wederom antwoordde Petrus: „Ja lleere, gij weet dat ik ii liefheb.quot;

En Jezus sprak: „Hoed mijne schapen!quot;

Ten derde male richtte de Heer met nadruk dezelfde vraag tot hem: ,,Simon, zoon van Jonas, hebt hij mij lief?quot;

Petrus werd bedroefd, omdat de Heer ten derde maal tot hem zeide: „Hebt gij mij lief?quot; Hij gevoelde, dat de Heer door de driemaal herhaalde vraag, hem dwong om zijne zonde nog eens te herdenken. Die treurigheid ivilda de Heer. Hij toch, als bekwame zielenarts, wist, dat eene donkere plek in ons leven nimmer door doodzwijgen kan worden uitgewischt, maar alleen door oprechte boete en vergeving. Lag in die tranen van berouw niet reeds het morgenrood der Paaschvreugde ? Bij al liet vernederende lag er niet mipder eene opheffende genade in die vragen des Heeren.

Al had zijn gansche hart reeds toen den Heer nog niet toebehoord, dan zou de groote zachtmoedigheid van den, door hem zoo snood verraden. Meester, hem nu hebben overweldigd en hem geheel en al voor den Heer hebben gewonnen. Wanneer de verloren zoon eindelijk in de diepste ellende te huis kom: en de beleedigde ouders geen enkel verwijt, geen enkel woord van bestraffing doen hooren, maar alleen liefde toonen, zich verheugende het verloren kind weder te hebben, als bekommerden zij zich alleen om de vraag of hij hen nog liefhad, dan breekt hem het hart en hij moet uitroepen: „Ik ben het niet waard! Ik ben het niet waard!quot; Zoo ging het met Petrus aan het meer Genésareth. Zijn meester scheen zich maar om één ding

92

ocr page 109

IN HET JAAR 33.

te bekommeren en wel of het dan werkelijk waar was, wat zijn Petrus tot de dienstmaagd gezegd had: „Ik keu dien mensch niet!quot; of hij Hem dan werkelijk niet kende en niet liefhad. Hoezeer het Petrus vernederde, dat de Heer die vraag driemaal herhaalde, hief toch elke vraag hem weder op uit zijn berouw en zijne neerslachtigheid. Die vragen toch verzekerden hem telkens, dat het den Heer om zijne liefde te doen was. Elke vraag klonk hem als eene bede om liefde in de ooren. Het telkenmale herhaalde: ..Hebt gij mij lief?quot; was hem een vernieuwd bewijs van de liefde zijns Meesters, die hij wist niet te hebben verdiend. Smart, berouw, vreugde en hoop zullen in zijn antwoord geklonken hebben, toen hij bij de derde maal zich beroepende op de stem in zijn binnenste, vol ontroering uitriep: „Ja Heere, gij weet alle dingen, gij weet dat ik u lief heb.quot;

Daarop reikte de Heer hem met vriendelijken blik ten derde male den, door zijne drievoudige verloochening verbeurden, herderstaf toe en sprak: „Weid mijne schapen!quot;

Ook de andere zes aanwezige jongeren begrepen wat de Heer bedoelde. Niet alleen had de Heer hem in hunne tegenwoordigheid zijne zonde vergeven, maar hem ook weder in hunnen kring de plaats van leidsman en hoofd, die Hij hem vroeger reeds gaf (Matth. 16:18), teruggegeven. Niemand hunner echter wist zóó goed als Jezus, dat Petrus nu meer dan ooit geschikt was om den herderstaf te voeren. Hij, die over zijne eigene zonden heeft geweend, kan anderen troosten. Hij, die zelf gedwaald heeft en bij ervaring weet hoe de goede herder zijne schapen nagaat en zoekt en te huis brengt,.kan des te beter in de woestijn gaan om andere verdwaalden thuis te brengen.

Daarna verhief de Heer zich; Hij scheen zich een gesprek te herinneren, dat Hij voor eenige weken met Petrus gehad had, toen Hij hem gezegd had: „Waar ik heenga kunt gij mij nu niet volgen, maar gij zult mij namaals volgen.quot; Daarop had Petrus gevraagd: „Heer, waarom kan ik u nu niet volgen. Ik wil mijn leven voor u laten.quot; (Joh. 13 : 35), en de Heer had hem

93

ocr page 110

HET GESPREK MET PETRUS.

toen zijn val moeten voorspellen; nu echter kwam Hij op dat „namaalsquot; terug. Hij zag Petrus aan; Petrus, die in deze ure met onverbreekbare banden van liefde en dankbaarheid aan Hem verbonden was geworden; die zijn opvolger in het herdersambt, zijn opvolger ook in den martelaarsdood zijn zou; en sprak: „Voorwaar, voorwaar ik zeg u: toen gij jonger waart, gordet gij u zeiven, en wandeldet, alwaar gij wildet; maar wanneer gij zult oud geworden zijn, zoo zult gij uwe handen uitstrekken (als een die zich blindelings leiden laat,) en een ander zal u gorden, en brengen waar gij niet wilt.quot; En zich omwendende zeide Hij; „Volg mij!quot;

Petrus volgde, en in die woorden: „volg mijquot; kwam hem de toenmalige duistere voorspelling van den Heer voor den geest: „maar gij zult mij namaals (in den dood) volgen!quot; Het zal Petrus het grootste voorrecht, het beste bewijs van \'s Heeren vergeving zijn geweest, dat Hij hem nu riep. Wellicht zal hij in de donkere ure des berouws in Jeruzalem gehoopt hebben, dat hij de verbroken belofte nog eenmaal zou mogen volbrengen, en door het sterven voor zijnen Heer zijn val weder zou mogen goed maken. Ook dat had de Heer in zijne ziel gelezen, en Hij heeft dien wensch later vervuld.

Overgelukkig ging hij naast zijnen Meester, die hem nog afzonderlijk scheen te willen spreken, maar weldra bemerkte hij dat Johannes, zijn onafscheidelijke medgezel, medeging — Johannes, met wien hij dien nacht in het paleis van Kajafas, op den Paaschmorgen bij het graf, en ook nu weder op het meer Genésareth was te zamen geweest, en met wien wij hem weldra in prediken, in dulden en leiden der gemeente op het nauwst vereenigd zullen vinden. De Meester had hem een blik in de toekomst gegund, zou Hij zijnen vriend Johannes daar niet in laten deelen? Op hem wijzende sprak hij: Heer wat zal ervan hem worden? Zal ook hij u door zijnen dood prijzen? Zullen wij ook in den dood één zijn?

De Heer echter lichtte den sluier niet verder op, en sprak een

94

ocr page 111

IN HET JAAR 33.

geheimzinnig woord: „Indien ik wil, dat hij blijve, totdat ik kome, wat gaat het u aan? volg gij mij.quot;

Dat waren raadselachtige woorden. Geen der jongeren heeft ze geheel verstaan. Eeeds in Efeze was naar aanleiding dier woorden, de meening verspreid, dat Johannes niet zou sterven. Toen de grijze Apostel, nog van jeugdige geestdrift bezield, in hun midden verkeerde en de Christelijke kerk in alle steden aan den oever der Middelandsche zee bloeide, terwijl de andere Apostelen Paulus en de, op dien morgen aan de zee van Gené-sareth aanwezige, jongeren en Petrus, Nathanael, Thomas en Jakobus reeds lang ontslapen waren, - toen fluisterden de christenen in Efeze, gedachtig aan die onvergetelijke woorden op den Paaschmorgen, elkander toe: „Deze jonger zal niet sterven!quot; Om deze dwaling weg te nemen, heeft of Johannes zelf, of een zijner discipelen kort na zijnen dood het 21ste hoofdstuk, met zijne, der waarheid getrouwe, berichten aan het 20ste toegevoegd.

Wat de Heer toen nog met Petrus en Johannes in het bizonder heeft gesproken, wordt niet vermeld. Waarschijnlijk spraken zij over de samenkomst van alle getrouwe volgelingen uit Galiléa, die zou plaats hebben op een der omliggende bergen aan de zee van Galiléa, nu door de vriendelijke morgenzon beschenen, in tegenwoordigheid van vijfhonderd jongeren (Matth. 23 : 16; 1 Kor. 15:6). Waarschijnlijk toonde Hij hun, wanneer en op welken berg zij zich moesten vereenigen om zich nog eenmaal voor zijn heengaan, in het, door zijne werken geheiligde, land zijner kindsheid te verzamelen; maar met zekerheid weten wij het niet. Maar wel weten wij, dat deze heerlijke Zondagmorgen, toen alles door de glansrijke Paaschzon beschenen was, een onvergetelijke dag is gebleven voor de zeven jongeren, en deze hun boven alle andere verschijningen des Heeren dierbaar is geweest.

Bij de lezing van het laatste hoofdstuk van Johannes\' Evangelie voelen wij met de gansche Kerk, die geheimzinnige adem

95

ocr page 112

HET GESPREK MET PETRUS.

zijns geestes ons doortintelen. Daar weet de meesterlijke schrijver niet onnavolgbare teederheid en verhevenheid het beeld van den Verrezene te teekenen; hoe zien wij Hem daar die veertig dagen onder zijne jongeren verkeeren, om hen dan hier en dan daar een zalig Paschen te bereiden. Daar zien wij Hem nog eenmaal, ais een hemelschen en toch zoo bekenden gast, in den kring der Apostelen verschijnen, om zoowel door zijn geheimzinnig komen, als verdwijnen, hen de woorden te leeren verstaan: „Ziet, ik ben mét ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld.quot; Daar staan wij nog eenmaal aan dien liefelijken oever, waar Hij de meeste zijner daden deed, waar Hij zijne Apostelen als zijne navolgers verkoor,, waar Hij de bergprediking hield; en met weemoed nemen wij dan afscheid van dat schoone meer Genésareth. Als wij nu somtijds nog geroerd aan die gezegende oevers staan en de groote heerlijke dagen gedenken, toen de sporen zijner genade en heerlijkheid dit liefelijke dal vervulden, zoodat dit lichtende landschap ons een transparant toeschijnt, waardoor de lichten der eeuwigheid gloren, dan komt ons telkens dit laatste tooneel, dat Johannes met meesterhand in zijn 21ste Hoofdstuk geteekend heeft, voor den geest. Dan zien wij aan den, nu zoo stillen en verlaten, oever, den verrezen Heer in al zijne goddelijkheid en zachtmoedigheid te midden van zijne zeven jongeren staan, en onder hen dien éénen met betraande oogen tot Hem opzien, die daar door die vraag zoo diep verootmoedigd, maar tevens zoo hoog begenadigd werd; die vraag, die hem tot driemaal toe gedaan werd; „Simon, zoon van Jonas, hebt gij mij lief?quot;

* *

♦

De veelbeteekenende woorden, die Jezus dien morgen zijn Apostel Petrus in diens Apostolisch leven heeft mede gegeven, zijn vervuld geworden. Op den groeten morgen aan het meer Genésareth, volgde voor Petrus een lange ilay van onafgebroken arbeid in den dienst zijns Heeren. Het bevel zijns Meesters;

96

ocr page 113

TN HET JAAR 33.

„Weid mijne schapen!quot; heeft hij getrouwelijk vervuld. De woorden, door hem op dien gedenkwaardige!! morgen gesproken: „Heere, gij weet dat ik u lief heb!quot; klinken ons in al de leidingen en voorvallen zijns levens als een echo dier ure tegen. Zoo vaak het hem vergund werd, om voor zijnen Heer te lijden, of op verschillende plaatsen zoowel de vijanden als de jonge christenen, tot den grootten Herder (zooals hij zijnen Hoer zoo gaarne noemde) te leiden, dan was dat alles de honderdvoudige bekrachtiging van zijne bekentenis aan het meer Genésareth: „Heere! gij weet, dat ik u liefheb!quot;

Ook zijn martelaarsdood, dien de Heer hem op dien] morgen had voorzegd, was eene vervulling van zijne gelofte. Dertig jaren later treffen wij denzelfden Petrus, dien wij „toen hij jonger wasquot; aan de zee van Genésareth hebben leeren kennen, in de keizerstad Rome aan. Hij is dan oud geworden en had liet niet gedacht, dat hij nog te Rome komen zou, ook niet dat de kroon, die hij daar zou ontvangen, de martelaarskroon zou zijn. Daar mocht hij voor zijnen dood nog eene goede getuigenis van zijnen Heer voor de machtigen der aarde afleggen; voor dien Heer, dien hij eens voor eene dienstmaagd had verloochend. Daar heeft een ander hem gegord en geleid, waar hij niet wilde; en toen men hem door de prachtige straten van Rome voerde, zooals men eens zijnen Heer uit Jeruzalem ter kruisiging had geleid, toen heeft hij, zegt men, van zijne beulen eene gunst gevraagd. Hij zou namelijk gewenscht hebben, om niet met het hoofd naar boven rnaar met het hoofd naar beneden te worden gekruist, want, zoo zou hij gezegd hebben: „Ik ben niet waardig in dezelfde houding als mijn Heer en Meester, aan het kruis te sterven.quot;

Die veelbeteekende overlevering doet ons zien, hoe zeer hij heeft waargemaakt die heerlijke uitspraak in Johannes\' Evangelie, die zijn vriend uit Efeze als laatsten krans, op Petrus\' hoofd gelegd heeft, daar hij diens dood eene laatste verheerlijking Gods noemt (Joh. 21 ; 19). Toen hij eindelijk aan het kruishout hing —

7

97

ocr page 114

HET OfESPREK MET PETRUS.

hij, de vroeger zoo vurige Petrus, die bij de eerste zinspeling des Heeren op zijnen dood aan het kruis, had uitgeroepen: „Dat zal u nimmer wedervaren!quot;; hij, die zich vroeger gaarne zelf gordde, om te gaan waarheen hij wilde, en nu zijne handen gelaten op het kruis uitstrekte — toen zal hij wel gedacht hebben aan dien gang voor vele jaren, toen hij in dien, door de maan zoo helder beschenen, nacht had gezegd: „Ik wil met u sterven!quot; en die grootspraak zoo slecht gehouden had.

Toen zal hij zich nog eenmaal dien glansrijken Paaschmorgen aan het meer Genésareth hebben herinnerd, toen de Heer hem vergeving had geschonken, en uitdrukkelijk had gezegd: „gij zult mij volgen! — En toen zijn bloed neerdruppelde en hij zijn einde voelde naderen, was zijn laatste ademtocht aan het kruis eene goedmaking dier oude schuld, uit dien onvergete-lijken nacht, eene laatste bekrachtiging zijner bekentenis aan de zee van Genésareth en als een laatste groet aan zijn Meester:

„Heer! Hoer! Gy weet allo dingen

Gy weet dat ik u lief heb!quot;

98

ocr page 115

HEMELVAART.

ocr page 116
ocr page 117

Heerlijke Heiland, vaar op tot uw troon!

De aarde is gered door Uw lijden en sterven;

Had zy voor U slechts een distlige kroon,

Heeft zij gekruisigd Gods eenigen Zoon,

Thans zult gü schepter en krone verwerven;

Daar waar gij eeuwig en heerlijk regeert.

Tot gij den laatston weerstrever verneert.

Beets.

En nu, vriendelijke lezer, ga aan de hand der Heilige Schrift nog eenmaal met mij op naar den Olijfberg. Daar slaan wij nog eenmaal het oog over berg en dal. Aan de eene zijde ziet men de stad Jeruzalem met hare koepels en torens; duizende herinneringen komen ons voor den geest, die als eene onzichtbare kroon boven die stad zweven, en den grootschen indruk nog verhoogen. Aan de andere zijde zien wij over bergen en \' dalen, over de woestijn van Judéa tot aan de ver beneden gelegen Doode Zee. Heden blikken wij echter noch naar Jeruzalem,

noch naar de Doode Zee, maar in gedachten verzonken, betreedt onze voet de gewijde hoogte om de Hemelvaart te vieren.

Even als het Paaschfeest is ook de Hemelvaart in ouden en nieuwen tijd hevig bestreden. Door Lukas wordt zij tweemaal verhaald, door Johannes meermalen vermeld (b. v. Joh. 6 : 62). \')

De Hemelvaart is als de proef op de som; de slotsom eener

1) Het slot van het Evangelie van Markus met de korte mededeelingen over de Hemelvaart is er later bijgevoegd.

ocr page 118
ocr page 119

Heerlijke Heiland, vaar op tot uw troon!

Do aarde is gered door Uw* lydon en sterven; Had zü voor U slechts een distlige kroon,

Heeft zij gekruisigd Gods eenigen Zoon,

Thans zult gij schepter en krone verwerven; Daar waar gij eeuwig cn heerlijk regeert,

Tot gij den laatsten weerstrever verneert.

Beets.

En nu, vriendelijke lezer, ga aan de hand der Heilige Schrift nog eenmaal met mij op naar den Olijfberg. Daar slaan wij nog eenmaal het oog over berg en dal. Aan de eene zijde ziet men de stad Jeruzalem met hare koepels en torens; duizende herinneringen komen ons voor den geest, die als eene onzichtbare kroon boven die stad zweven, en den grootschen indruk nog veihoogen. Aan de andere zijde zien wij over bergen en dalen, over de woestijn van Judéa tot aan de ver beneden gelegen Doode Zee. Heden blikken wij echter noch naar Jeruzalem, noch naar de Doode Zee, maar in gedachten verzonken, betreedt onze voet de gewijde hoogte om de Hemelvaart te vieren.

Even als liet Paaschfeest is ook de Hemelvaart in ouden en nieuwen tijd hevig bestreden. Door Lukas wordt zij tweemaal verhaald, door Johannes meermalen vermeld (b. v. Joh. 6: 62). \')

De Hemelvaart is als de proef op de som; de slotsom eener

\') Het slot van het Evangelie van Markus met de korte mededeelingen over de Hemelvaart is er later bijgevoegd.

ocr page 120

HEMELVAART.

lange bewijsvoering. Ware Jezus slechts een mensch geweest, die gestorven was, die men onder tranen in het graf van Jozef van Arimathéa had gelegd; hadden de Apostelen Hem gedurende die veertig dagen niet meermalen gezien en met Hem gesproken; hadden zij niet gezien, dat Hij op eene andere wijze deze aarde had verlaten, dan de millioenen andere menschen-kinderen, die op het groote kerkhof der aarde begraven zijn geworden — dan zou de gansche verkondiging van het Evangelie, die sedert twee duizend jaar over de aarde is gehoord ééne lange, groote begoocheling zijn geweest. Voor hem echter, die aan de opstanding des Heeren en aan zijne verschijningen gelooft, is de Hemelvaart een even zoo van zelfsprekend als noodzakelijk feit. De Heer kon toch, nadat Hij verschillende malen aan zijne jongeren verschenen was, niet op eenmaal wegblijven, zonder bij de laatste maal bepaald afscheid van hen genomen te hebben. Neen, de Hemelvaart is een waardig en noodzakelijk einde van dat grootsche en verheven leven. Hoe liefelijk is het, dat Jezus den Olijfberg koos om ten hemel te varen; daar waar hij dien Donderdag juist voor zes weken den heetsten strijd gestreden had, toen hij op het „aangezicht ter neder viel en den kelk des Vaders dronk.quot; Het verheven hoofdstuk van Jezus\' leven zou zonder de Hemelvaart onvoltooid zijn gebleven. Het „opgevaren ten hemelquot; dat is het groote punctum finale aan het einde van Jezus\' aardsche leven. Daarom is het ook een der liefelijkste accoorden, die door onze geloofsbekentenis klinkt.

Waar de Heer zijne jongeren in de nabijheid van Jeruzalem heeft aangetroffen, weten wij niet; zeker wel op een der vroeger zoo welbekende en geliefkoosde plekjes, en waarschijnlijk in de onmiddelijke nabijheid van Gethsémané. Hoe menigmaal had Hij met hen dien weg naar Bethanië betreden! De laatste maal was het in dien treurigen Donderdagnacht geweest. Nog eenmaal betraden zij dien weg, die hen naar het vriendelijk Bethanië, aan den rand der woestijn, bracht, waar Hij na zijnen

102

ocr page 121

IN HET JAAE 33.

doop, den loopbaan begonnen was met de veertig dagen van eenzaamheid; daar wilde Hij ook zijnen loopbaan eindigen.

Waarover zij wel te zamen zullen gesproken hebben? Lukas zegt ons in zijne berichten over de gesprekken na de opstanding (Luk. 24 : -45): „Hij opende hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden.quot; Een onderwerp voor zijn gesprek behoefde Hij niet ver te zoeken. De natuur om hen heen, gaf Hem aanleiding te over. Daarginds lag G-ethsémané, alwaar Hij den doodstrijd gestreden had, en alle jongeren Hem hadden verlaten. Daar, op de hoogte, schitterde in de morgenzon de marmeren tempel, waar men Hem had veroordeeld. Buiten de stadsmuur lag Golgotha, waar Hij de vorige maand gekruisigd was te midden oener woedende volksmenigte. Hoe duister was dat alles voor de jongeren geweest! Hoe weinig waren die gebeurtenissen in overeenstemming geweest met hetgeen zij, afgaande op de profeten, zich hadden voorgesteld! Nu echter ging de ware Schriftverklaarder naast hen en „opende hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden.quot; De gansche omgeving, G-ethsémané, Jeruzalem en Golgotha, vertoonde zich toen in een gansch ander licht voor hunne oogen; die donkere, onverklaarbare leidingen waren hen nu even helder als de, door de morgenzon beschenen, hemelvaartsweg, dien zij gingen. De gansche Bijbel moet hun door de woorden van dien eenigen, grooten Schriftverklaarder, als eene lange hemel vaar ts-tekst hebben toegeschenen, die van Jezus\' verheerlijking sprak, terwijl duizenden engelenhanden, van de eerste bladzijde af, den mensch naar den hemel wezen, als naar zijn eenig en waarachtig vaderland.

Bovenal legde de Heer een bizonderen nadruk op de leer van zijn lijden en sterven, als do kern en hoofdzaak der gansche heilige Schrift. Wel kwamen de jongeren ook toen nog, terug op hunne meermalen herhaalde vraag, wanneer Jezus zijn rijk weder oprichten zou, maar Jezus wees hen af met de woorden: „Het komt u niet toe te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in zijne eigene macht heeft gesteldquot; (Hand. 1 : 7). Hij

108

ocr page 122

104

voerde daarentegen hunne gedachten terug tot den aanvang en het einde van het Evangelie: „Alzoo is er geschreven, en alzoo moest de Christus lijden en van de dooden opstaan ten derde dage; en in zijnen naam gepredikt worden bekeering en vergeving der zonden onder alle volkeren (Luk. 24 :46).quot; Daarmede wees Hij zijnen Apostelen de beide hoofdlijnen des Evangelies voor alle tijden aan, n.1. met het ernstige woord der bekeering en het liefelijke woord der vergeving, dat aan alle volken gebracht moest worden op grond van zijn verzoeningsdood op Golgotha. De Apostelen gevoelden, dat met dit bevel niet de, door hen veel te vroeg verwachtte, voleinding, maar wel de aanvang van een nieuw tijdperk bedoeld was. Uit dat oogpunt herhaalde de Heer nog eenmaal welken loop zijn rijk nemen zou (Hand. 1: 3), met de belofte, dat het Evangelie eerst aan alle volkeren zou gepredikt worden; eerst daarna zou Hij terug komen om zijn rijk in heerlijkheid te voleinden.

Zoo ging de Heer nog eenmaal aan hunne zijde naar Bethanië, vervuld van het gewichtige werk, waartoe Hij zijne jongeren wilde uitzenden. In vriendelijken zonnenglans lag de aarde aan zijne voeten. Hij was gekomen om de wereld het hoogste en het beste te brengen. Onvermoeid was Hij over berg en dal gegaan om het verlorene te redden. Daarom was Hij geslagen, gemarteld en eindelijk in den naam van godsdienst en vroomheid, gedood en met een doornenkroon gekroond geworden. Hij had de diepe verdorvenheid van den mensch leeren kennen. In dat groote hart was er echter geen plaats voor verachting. Ook nu nog leefde er slechts één gevoel in zijn gemoed, en dat was: liefde. Daar staat Hij op den Olijfberg, met de stad waar Hij terechtgesteld was voor de oogen, maar zonder eenige bitterheid in het hart. Welk eene oneindige liefde en erbarming ligt er in het uitzenden zijner vredeboden in die wereld, die Hem gekruisigd had. „Keert terug van dezen berg,quot; zoo ongeveer zal Hij tot zijne jongeren gesproken hebben, „predikt het Evangelie aan alle kreaturen, doorwandelt elke groene vlakte, trekt door

ocr page 123

IX HET JAAE 33.

de woestijnen, bevaart de blauwe wateren der zee en brengt den menschen mijne boodschap van de vergeving hunner zonden!quot;

Nog eens nadert Hij het vriendelijke dorpje Bethanie, waar Hij zoo menigen avond rust en verkwikking had gevonden, en waar Hij het huis der twee zusters en van Lazarus vaak tot een voorhof des hemels had gemaakt. Heden zou het zoo geliefkoosde Bethanie zelfs Hem tot een voorhof des hemels worden. Hier, in het gezicht van den Jordaan, waar de jongeren Hem voor het eerst hadden mogen aanschouwen, in het gezicht van de, in het zuiden gelegen, bergen van Bethlehem, waar Hij voor 86 jaar zijn aardsche loopbaan was begonnen, wilde Hij ook ten hemel varen. Hier wilde Hij van zijne jongeren scheiden, nadat Hij hen had leeren verstaan, dat er voortaan geen scheiding meer tusschen hen zijn zou. „Ik zal u geene weezen laten, ik kom weder tot u,quot; had Hij voorheen reeds tot hen gezegd (Joh. 14 : 18). Ook vóór zijn opvaren ten hemel sprak Hij niet van scheiden, maar van blijven, wanneer Hij hun de verzekering gaf: „Ziet, ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld.quot; Zijn geest, de kracht uit de hoogte, door wien Hij in hen blijven wilde, dien zou Hij zenden. Dit teeken zijner nimmer ophoudende nabijheid moesten zij daar ginds in Jeruzalem afwachten.

Terwijl Hij zoo in koninklijke majesteit onder hen stond, in de nabijheid der heerlijk bloelende tuinen van Bethanie, gaf Hij hun in die laatste ure, nog eenmaal de laatste opdracht, om het Evangelie, dat in Jeruzalem was volbracht, aan alle natiën der wereld te prediken. Daar, bij Bethanië, was de groote ure der zending onder de heidenen. De Heer, scheidende uit het aardsche leven, dacht in die ure der Hemelvaart niet alleen aan de enkele jongeren, die Hem omringden, maar achter hen zag Hij het eene land na het andere, en de eene natie na de andere door hunne prediking toegebracht, om den /Verlosser van Golgotha te aanbidden. Die heerlijke woorden, die Hij aan zijne kerk als een heilig erfdeel achterliet, doen ons een blik

105

ocr page 124

106

slaan in de groote liefde, die Hem aan het kruis had gebracht. Zijne laatste woorden bevatten zijne hoogste wenschen, waarmede Flij hun beval om aan alle menschen en volkeren de boodschap dei-eeuwige liefde en erbarming des Vaders in zijnen Zoon te brengen. „Gij zult ontvangen,quot; zoo sprak Hij, „de kracht des Heiligen G-eestes, die over u komen zal, en gij zult mijne getuigen zijn, zoo te Jeruzalem als in geheel Judéa en Samaria en tot het einde der aarde (Hand. 8 : 1).quot;

Daarna hief Hij zijne handen op over zijne jongeren en zegende hen. Zij gevoelden, dat de afscheidsure naderde; met diepe ontroering luisterden zij naar zijnen zegenden groet, die zich van eeuw tot eeuw in stroomen van zegen over zijne jongeren zou verbreiden, totdat Hij zelf zou weder komen. Hij stond daar voor hen, zooals zij Hem hadden zien staan op don berg der verheerlijking, toen zijne hemelsche heerlijkheid zijn aardsche lichaam doorlichtte. „En het geschiedde als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde en werd opgenomen in den hemelquot; (Luk 2-i: 50). Eene kleine wolk daalde van den naastbijzijnden Olijfberg neder; die wolk nam de gedaante eens sluiers aan, die de zichtbare en de onzichtbare wereld van elkander scheidde, hoe nauw ook anders vereenigd, en omhulde de gestalte des Heeren, die de handen nog zegenend over hen bleef uitbreiden. Zij vervolgde haren weg „in het luchtruim.quot; Maar den Heer zagen zij niet meer.

In de laatste veertig dagen was Jezus meermalen plotseling uit hun midden verdwenen, terwijl Hij zich in de onzichtbare wereld terug trok. Dit verdwijnen was voor hen niets ongewoons; maar do bizondere ernst en plechtigheid van dit laatste afscheid, zijne veelbeteekenende afscheidswoorden en bevelen: dat alles deed hun gevoelen, dat dit de laatste maal was; dat dit liet opvaren tot zijnen Vader was, waarvan Hij reeds op den Paaschmorgen tot Maria, en sedert dien tijd meermalen tot hen allen gesproken had.

Biddende waren zij neergeknield, toen zij Hem zagen scheiden, en biddende hadden zij Hem vaarwel gezegd (Luk. 24 : 52).

ocr page 125

IN HET JAAR 33.

Toch waren zij niet bedroefd, toen die dierbare gestalte aan hun oog onttrokken was. Neen, zij verheugden en verblijddon zich over de verhooging huns Meesters op den troon, ter rechterhand Gods des Vaders. Zij wisten, dat zijn scheiden een bij-hen-blijven in anderen vorm was. De wolk was geen Elia\'s wagen, die Hem voor altijd had weggenomen; zij was slechts het voorhangsel, dat hun lichamelijk oog van den eeuwig-nabijzijnden scheidde. Hij was niet weggegaan. Hij was slechts in het incognito zijner onzichtbare tegenwoordigheid teruggetreden, waarin Hij hen toch altijd nabij zou zijn. Terwijl zij Hem zoo vol blijdschap nastaarden, ..ziet, twee mannon stonden bij hen, in witte kleeding, en zeiden: Gij Galilésche mannen! wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, die van u opgenomen is in den hemel, zal alzoo komen, gelijkerwijs gij Hem naaiden hemel hebt zien heenvaren.quot;

In deze tweeledige gewisheid, van zijne nabijheid en zijne wederkomst, keerden de Apostelen in opgewekte stemming, (Luk. 2-1 : 52) langs denzelfden welbekenden weg van Bethan\'ië over den Olijfberg naar Jeruzalem terug, verwachtende de groote dingen, die aldaar door „de kracht uit de hoogtequot; in en door hen zouden geschieden.

Nimmer vergaten de Apostelen dien Hemelvaartsdag; hun later leven werd er door verhelderd, en een vriendelijken straal van dat licht viel op hun eigen sterven en hemelvaart. Zij zagen sedert dien dag de wereld in een ander licht. De aarde, die Jezus betreden had, scheen hun eene andere toe. Neen, \'t was toen geen land meer vol verachte zondaren en heidenen, maar een land der goddelijke barmhartigheid. Niet slechts een tranendal, vol duistere raadselen, maar een voorhof des hemels, een voorportaal der hemelsche heerlijkheid. Al zouden ook zij nog menige donkere ure moeten beleven, nu wisten zij dat dezelfde berg, waarop Gethsémané lag, ook een Hemelvaarts-berg kon worden. Het bevel, dat zij op dien berg hadden ontvangen, liet hen nog veel meer en veel heerlijkers verwachten.

107

ocr page 126

HEMELVAART.

Hij toch, had hen tot nllc volkeren en naar alle landen gezonden; deze aarde zon eindelijk door Christus tot vrede komen en voor ontelbare millioenen tot een heerlijken Hemel-vaartsberg worden, wanneer Hij eenmaal komen zou om, zoo als Hij hen nog in de laatste ure gezegd had, zijn rijk in heerlijkheid te stichten.

Stüg dun ten lioogen floor wolken en zwerk!

De Englen verwachten hun Hoor in hun midden!

Zie wolgovallig terug op uw werk;

Regel, bezegel en zuiver uw kerk;

Wees onze voorspraak bij Hem, dien we aanbidden;

Reinig ons, heilig ons, maak ons bereid

Om U to zien in uw heerlijkheid.

N. Beets.

ocr page 127

PINKSTEREN.

ocr page 128
ocr page 129

DE TERUGKEER NAAR JERUZALEM.

Looft den Geest! Hij is de Heere,

God door God uit God gegaan!

Zingt Hem psalmen! Geeft Hem eere!

Roept Zijli naam uit! Bidt Hem aan!

Hem, die, gaaf en Gever tevens,

Uitzendt en gezonden wordt.

God is, en wordt uitgestort!

Looft, o volk! den Geest des levens. Hem, die schept en wederschept.

Dien ge in \'t hart ontvangen hebt!

Da Costa.

\'t Was Juni, juist zeven weken na de opstanding van Jezus. De tuinen rondom Jeruzalem droegen reeds de eerste vruchten des jaars. De vroege vijgen, die Jezus in de Paascliweek aan den weg bij Bethaniö als harde onrijpe vruchten had zien hangen, en aan dien ecnen boom te vergeefs had gezocht, waren inmiddels rijp geworden, en stonden op de verschillende markten in den omtrek, als eene zoete lekkernij van dit jaargetijde te koop. Ook de wijngaarden, die wij op den eersten Paaschdag aan het jonge groen herkenden, stonden vol in blad, waarachter groote trossen nog onrijpe druiven verborgen waren.

ocr page 130
ocr page 131

DE TERUGKEER NAAR JERUZALEM.

Looft den Geest! H\\i is de Heere,

God door God uit God gegaan!

Zingt Hem psalmen! Geeft Hem eere!

Eoept Zijn naam uit! Bidt Hem aan!

Hem, die, gaaf en Gever tevens,

Uitzendt en gezonden wordt.

God is, en wordt uitgestort!

Looft, o volk! den Geest des levens. Hem, die schept en wederschept.

Dien ge in \'t hart ontvangen hebt!

Da Costa.

\'t Was Juni, juist zeven weken na de opstanding van Jezus. De tuinen rondom Jeruzalem droegen reeds de eerste vruchten des jaars. De vroege vijgen, die Jezus in de Paaschweek aan den weg bij Bethanië als harde onrijpe vruchten had zien hangen, -en aan dien eenen boom te vergeefs had gezocht, waren inmiddels rijp geworden, en stonden op de verschillende markten in den omtrek, als eene zoete lekkernij van dit jaargetijde te koop. Ook de wijngaarden, die wij op den eersten Paaschdag aan het jonge groen herkenden, stonden vol in blad, waarachter groote trossen nog onrijpe druiven verborgen waren.

ocr page 132

DE TERUGKEER NAAR JERUZALEM.

De heete woestijnwinden der maand Mei waren voorbij, en de Junizon had het zaad op het gansche gebergte spoedig doen rijpen. De gerstoogst, waarvan men de eerste schoven op het Paaschfeest in den tempel had gebracht, was afgeloopen, terwijl de tarwe, die den mensch het dagelijksch brood moest verschaffen, nog moest worden gemaaid. Het koren golfde op de akkers, en als de westewind, die dagelijksche gast te Jeruzalem, over de bergen streek, bogen zich duizenden halmen onder den goudgelen najaarszegen. Het ruischen der halmen was voor den landman eene liefelijke muziek, een duizendstemmige psalm der natuur, Gode dankende, die uit liefde der aarde en den mensch zijne geheimzinnige schatkameren jaar op jaar opent.

De rijpende zaadkorrels waren voor een half jaar in de, dooide winterregens bevochtigde, aarde gestrooid, toen Jezus alleen, wellicht slechts door Johannes vergezeld, zijn laatste, onverschrokken bezoek aan Jeruzalem had gebracht. \') Nu was het zaad rijp. Kostelijker zaad echter uit den hemel door de hand van den goddelijken Zaaier in de voren der aarde gestrooid, was gelijktijdig opgekomen en tot een heerlijken oogst gerijpt. Ontzaglijke gebeurtenissen hadden den wandelaar dier dagen, die door wind en weer naar het Feest der Lichten was opgegaan, van het tooneel doen verdwijnen. Jezus was gekruist en gestorven. Daarna was Hij opgestaan, en had zijne jongeren, na de zoo treurige lijdensdagen, gedurende veertig dagen een tijd van verkwikking en van zegen bereid. Het was hun in zijne heerlijke tegenwoordigheid, alsof zij zich in het Paradijs bevonden, waarvan ons bericht wordt; dat de mensch de stemme Gods hoorde, die in de avondkoelte door den hof ging.

112

Van dat alles wist men in het gansche land niets. De duizenden feestgangers waren na het Paaschfeest weder naar hunne haardsteden teruggekeerd, waar voortaan geen Jezus hen meer zou bezoeken, zoo als in de laatste twee jaren. Wel sprak men nog

\') Vergelyk Schneller. Kent gy Hem? Hoofdstuk: Kursttyd te Jeruzalem.

ocr page 133

IN HET JAAR 33.

van Hem. Hoe kon het ook anders ? Op het laatste Paaschfeest was Hij de hoofdpersoon geweest; van Hem had men allerwege gehoord, van af zijn feestelijken intocht onder het gejuich der menigte, tot aan den schrikkelijken uittocht onder de bewaking-der krijgsknechten en gevolgd door eene joelende, vijandige volksmenigte. Nu was Hij begraven. Men leefde niet langer in de verwachting van hetgeen nog zou kunnen gebeuren, maar in het verledene; men besprak met elkander wat die merkwaardige doode gedaan had, en men kon den indruk, dien zijn onverwachte, smadelijke dood te Jeruzalem gemaakt had, niet van zich afzetten.

Het Pinksterfeest, het vroolijke oogstfeest naderde. Had men met Paschen de eerste schooven gerst in den tempel gebracht, terwijl op het gebergte de golvende akkers nog prijkten, nu bracht men de twee eerste tarwebrooden den Heer als dankoffer, terwijl daar buiten op alle hoogten en in alle vlakten de tarwevelden met zware halmen Gods goedheid prezen. Het was naar de schoone aartsvaderlijke gewoonte, dat het eerste brood dat de aarde opleverde, aan niemand anders dan aan den Heere God werd gegeven; eerst daarna haalde de mensch het brood van de velden te huis. Overal lag de sikkel tot den vroolijken arbeid gereed, maar vóór dat zij in het golvende graan geslagen werd, ging het volk nog eenmaal op naar Jeruzalem, om God in den tempel voor Zijne goedheid te danken.

Niet alleen waren het de inwoners des lands, die men tot het feest zag opgaan. Ook menig reisgezelschap uit den vreemde had zich opgemaakt, en zag men langs de wegen van Joppe, Cesaréa en Damaskus, öf op kameelen, of in wagens, tusschen • de rijpe korenvelden naar Jeruzalem trekken. Toen ter tijde toch, waren de Joden reeds een internationaal volk, dat in alle landen, aan alle kusten en op de eilanden verbreid was. Vele dier vreemdelingen, die niet op het Paaschfeest hadden kunnen komen, kwamen nu op het heerlijke Pinkster-of Oogstfeest. Zij, die de Noorderpoort van Jeruzalem naderden, waren in spraak

s

113

ocr page 134

DE TERUGKEER NAAR JERUZALEM.

en kleederdracht zeer van elkander onderscheiden. Alleen de algemeene Joodsche type, het gemeenzame, trouwe vasthouden aan het oude geloof van Israel was de band, die hen tot ééne natie te zamen bond. Men zag er, zooals Lukas ons bericht (Hand 2 : 9 enz.), in hunne iranische dracht, lieden uit Perzië, Medië, Elam en inwoners van Mesopotamië. Daar zag men er uit Klein-Azië, met hun Grieksche beschaving, of wel uit de binnenlanden van Frygië en Cappadocië, hetzij van de kusten der Zwarte zee uit Pontus, of eindelijk, van de zuidelijke helling van het Taurus-gebergte in Pamphilië. Men zag er pelgrims uit het wonderbare Nijl-land en Noord-Afrikanen van Cyrene, ja zelfs dezulken, die winstbejag tot in het binnenland van Arabië had doen doordringen. Als uit eene andere wereld afstammende, stonden daar nevens de inwoners van Bagdad en Babylonië de Joden uit de wereldstad Rome en van de kusten van Italië, Frankrijk en Spanje. Allen, deels geboren Joden, deels vreemden, die zich aan den Joodschen godsdienst hadden aangesloten, trokken mede om dat vroolijke oogstfeest, op naar Jeruzalem.

Het levendigst echter waren tegen dit feest die wegen, die uit de verschillende deelen des lands naar Jeruzalem voerden. Op de wegen van Jericho, Bethlehem, Joppe en Samaria verdrongen zich de scharen van landlieden en stedelingen. Daar lag zij weder in zomerdosch gehuld voor hen, de schoone, oude stad Jeruzalem. Trotsch lag daar in de verte de prachtige tempel ; hoe blonken van af de geliefde hoogte de tinnen hen tegen! Van de westzijde der stad blikte de oude koningsburcht uitdagend op de huizen en paleizen neder. Daar had nog voor zes weken de stadhouder Pontius Pilatus gezeteld. Nu was het slot onbewoond, want de stadhouder woonde gewoonlijk te Cesaréa, aan den liefelijken oever der Middelandsche zee.

In volle pracht lag daar Jeruzalem voor de oogen der feestgangers. Toch zal menigeen droevig gestemd geweest zijn, toen men de torens der stad wederzag, waar voor zeven weken Jezus zoo onrechtvaardig was veroordeeld en gedood. Voor menig-

114

ocr page 135

IN HET JAAR 33.

een scheen, trots allen zonnengians, de schaduw dier booze daad over de oude koningsstad te zijn uitgespreid.

De hoogepriester Kajafas en zijn raad hadden wel is waar, gezegevierd. Het had hun moeite en zorg genoeg gekost om het dreigende gevaar af te wenden, dat sedert het optreden van den Dooper en van Jezus steeds grooter was geworden, en voor acht weken bij Jezus\' intocht en zijn optreden in den tempel als machthebbende, als een verwoestende stroom, al hunne Farizeeuwsche en godsdienstige instellingen scheen te zullen vernietigen. Nu was alle gevaar voorbij. Hij had even als zijn voorganger Johannes, moeten boeten. De een was in de gevangenis onthoofd, de andere aan het kruis genageld geworden. Men was in Jeruzalem zijn leven weer zeker, en ongestoord kon men het Pinksterfeest vieren, zonder door dien Meester uit Galiléa te worden bemoeielijkt.

Toch vergisten die hooge heeren zich deerlijk, als zij dachten, dat die beweging, die het land in de laatste jaren zoo hevig had beroerd, die eens bijna de troonsbestijging van Jezus had tengevolge gehad (Joh. 6 : 13), zoo op eenmaal zou worden vergeten en tot zwijgen gebracht. Het volk oordeelt later over een doode, en vooral over een, die in opgewondenheid is terechtgesteld, veel zachter dan op het oogenblik zelf. Het vriendelijke en reine beeld van den rechtvaardige had een diepen indruk op hen gemaakt, en het geduldige, stille lijden aan het kruis na de dagen van geestdrift en gewoel kon men niet vergeten. Juist nu, toen men weder te zamen kwam op de plaats zijner terechtstelling, en allen, die voor zeven weken daar tegenwoordig waren geweest, zich weder vereenigden, toen kwamen alle herinneringen met dubbele kracht weder op. Het was alsof men hem miste op het feest; ook gingen er geruchten dooide stad, die een eigenaardig licht wierpen op den dood van Jezus. Men sprak er van, dat de wacht der soldaten bizondere dingen beleefd had, en dat de aardbeving van dien Vrijdag zich op Paaschdag herhaald had. Men verhaalde elkander, dat Judas

I :: 1

ij;

it

115

11

!i t I

M

r

fir : \'i*

il rJ;i rV

•I :

.

lil

. f

r

ocr page 136

DE TERUfiKEEE NAAR JERUZALEM.

Iskarioth, een zijner volgelingen en aanstaande predikers, die Hem trouweloos aan den Hoogen raad had overgeleverd, zich in vertwijfeling had opgehangen.

Velen begon Jezus het beeld van een onschuldigen martelaar te worden, en niet weinigen meenden, dat men het beste had verloren, sedert ook Jezus den onthoofden Dooper in den dood was gevolgd. Ook ditmaal was de naam van Jezus evenals in de laatste jaren in elks mond. Alles scheen dit jaar aan Hem te herinneren. De Olijfberg, even buiten de stad met zijne vele buitenverblijven, herinnerde het volk aan zijn feestelijken intocht voor acht weken. Het was alsof men voor het rechthuis en op den weg naar Golgotha het volksgewoel op den Goeden Vrijdag nog hoorde. Op het plein voor den tempel stond men in groepjes bij elkander en besprak men, hoe Jezus nog geen acht weken geleden, hier in ditzelfde voorhof het volk had toegesproken, en hoe Hij door zijne indrukwekkende woorden en edele persoonlijkheid duizenden naar zich had doen luisteren. Men durfde evenwel zich niet luide uitspreken. Hij toch, was dooide overpriesters in naam van den godsdienst ter dood veroordeeld geworden! De meeste inwoners der hoofdstad en ook vele Joden-genooten hadden zich blindelings aan de zijde van Kajafas geschaard, maar men fluisterde elkander toch hier en daar onder ernstige gebaren toe, wat de overledene voor velen in den lande geweest was; hoe hij overal loerende en weldoende was rondgegaan; hoe krachtig zijne getuigenis van God het geweten had wakker geschud, geheel anders dan de toespraken der priesters en hoogepriesters. Waarlijk, zijn leven was niet geweest als dat eens boosdoeners — en niettegenstaande het smadelijken daarvan — zijn sterven nog veel minder dat eens misdadigers. Het had een diepen indruk gemaakt, toen het bekend werd, dat het eerste woord dat zijn geprangd hart ontvlood, een gebed voor zijne vijanden was geweest. Nog grooter verwondering had het verwekt, dat hij wegens Godslastering was veroordeeld geworden en toch vóór zijn sterven in vol

116

ocr page 137

IN HET JAAR b8.

vertrouwen, zijnen geest in de handen zijns Vaders had bevolen. Zonder twijfel ontwaakte onder zulke gesprekken en bij het geringe vertrouwen, dat zij in hunne overheid hadden, bij velen het bittere zelfverwijt, dat zij zich öf hadden terug moeten trekken uit de oproerige menigte, öf den moed hadden gemist om voor den rechtvaardige op te komen.

Al de herinneringen aan Jezus ontkiemden als zaadkorrels, die men des winters in de aarde heeft gelegd en die nu door niemand opgemerkt, stil en langzaam in de getrokken voren opkwamen, totdat het voorjaar zou komen, dat alles tot een nieuw leven roept. Zoo werden die zes weken, die men buiten Jeruzalem doorbracht, en die te zamen vielen met de veertig gulden dagen, die de Verrezene zijnen jongeren schonk, voor een groot deel des volks tot een stillen Pinkster-Advent, tot een voorbereidingstijd voor de groote Pinksterbekeering te Jeruzalem. Gods Geest zweefde over het land, en bereidde in het verborgene de harten voor een nieuw, zalig Pinkster- en Oogstfeest. Terwijl het tarwegraan daar buiten op de velden van het heilige land in den gloed der Meizon rijpte, ontkiemde er een edeler zaad, dat Jezus gedurende de twee laatste jaren, sedert die heerlijke dagen aan den Jordaan, tot aan den nacht in Gethsémané, ja nog van af het kruis op den goeden Vrijdag,quot; als de trouwe landman uitgestrooid had, in de, door de ploegschaar des Ouden Testaments getrokken, voren.

Zeker, zij trokken op naar Jeruzalem voor het Oogstfeest zoo als oudtijds. Niemand vermoedde, dat op dit feest de eerste, eindelijk rijp geworden schooven met gejuich en gezang op Gods altaar zouden worden neêrgelegd. Zeker, men sprak met liefde en leedgevoel van den grooten doode, maar niemand vermoedde dat Hij zelf eenige dagen te voren tot dit feest naar Jeruzalem was opgegaan, om de, door de kruisiging zoo geschandvlekte zaak weder in haar eer te herstellen. Niemand vermoedde, dat God den, door Hem schijnbaar veriatenen, Jezus, had opgewekt en tot machthebbende zou verheffen (Matth. 28 : 18); dat deze

ocr page 138

11F, TERUGKEEE NAAR JERUZALEM.

Vcrrezeneen verhoogde Jezus juist op dit feestquot; door nog grootore daden en werken als die van de laatste jaren, plotseling weder op den voorgrond zou treden, om zijn koninkrijk uit te breiden, totdat niet alleen dit kleine Palestina maar de geheele wereld Hem te voet zou liggen.

(Jok de Apostelen, de jongeren en de discipelinnen van Jezus waren even als de andere feestgangers, weder naar Jeruzalem gekomen. De Apostelen hadden van hun geliefd Gal ilea afscheid genomen, en op bevel huns Meesters zich voorloopig in de hoofdstad metterwoon gevestigd, waar zij tot nog toe slechts van tijd tot tijd op de feesten met hunnen Meester hadden vertoefd. Midden in dat Jeruzalem, waar Jezus gekruist was, zou de eerste gemeente gevestigd worden.

Toen de Oversten en raadslieden hen op de straat tegen kwamen, zullen zij deze Galiléërs zeker met eene mengeling van medelijden en leedvermaak hebben aangezien. Die arme stumpers! Jaren lang zijn zij met dien gekruisten gelukzoeker het land doorgegaan, zich inbeeldende dat hij „Israël verlossen zou,quot; en dat wel in tegenspraak met den Hoogen raad en de hoogepriesters. Nu zullen zij na het droevig einde van hunnen aanvoerder wel van hunne grootsche verwachtingen zijn genezen, en kunnen niets beters doen, dan hunne vischnetten weder ter hand nemen, waarvoor zij zich te voornaam achtten, om zich dan in hun kleine hoekje van Galiléa in welverdiende vergetelheid terug te trekken. Dat zij zouden ten uitvoer brengen, wat hun Meester was onmogelijk gemaakt, dat zij na zijne terechtstelling de gebrandmerkte en verloren zaak tegen de regeerende machten weder zouden opnemen: die krankzinnige gedachte was hun zelfs in den droom niet opgekomen.

En toch, juist dat zou geschieden. Dit Pinksterfeest zou hunne voldaanheid over de welgelukte terechtstelling plotseling den bodem inslaan. De Apostelen kwamen als ieder ander bezoeker naar Jeruzalem terug. Zij hadden in Galiléa, dat land vol herinneringen aan Jezus\' weldaden, vóór hun vertrek nog

118

ocr page 139

IN HET JAAR 33.

119

een groeten, onvergetelijken dag beleefd. De Verrezene had op het gebergte langs de zee van Genésareth nog eenmaal vijf honderd zijner jongeren bijeen vergaderd. (1 Kor. 15 :6; Matth. 28 : 16). Daar op die bergen hadden zij zich zoo menigmaal rondom Hem vergaderd, als Hij hun de gelijkenissen van het Koninkrijk verhaalde. ïoen waren die gelijkenissen hun menigmaal als raadselachtige geheimen voorgekomen. Nu, in het licht der Paaschzon, waren die gesloten knoppen ontloken tot heerlijke bloemen (Joh. 2 : 22). Toen, vóór het Pinksterfeest waren zij weder met Hem op eenen berg bijeen, zoo als ten tijde der bergprediking; wat was er in dien tijd al niet gebeurd, en wat had hun Meester al volbracht! De Goede Vrijdag en het Paaschfeest lagen achter hen. Toen, terwijl honderden zijner jongeren vol geestvervoering tot Hem opzagen, gaf Hij hun nog eenmaal het bevel, om heen te gaan in de geheele wereld en alle natiën tot zijne jongeren te maken, hen doopende zooals Johannes in den Jordaan gedaan had (Matth. 28 : 19). Daarop had Hij hun kort voor liet Paaschfeest, naar Jeruzalem gezonden; daar wilde Hij hun nog eenmaal vóór zijne hemelvaart verschijnen. Daar zou de eer van hun geschandvlekten Meester roemrijk hersteld worden. De smadelijke dood aan het kruis mocht de laatste herinnering aan Jezus niet zijn. Daarmede mocht het openbare leven van Jezus niet eindigen; en het was daarom, dat Hij in de stad, waar Hij door zijnen dood en zijne opstanding, zijn verlossingswerk had volbracht, aan het geheele volk een bewijs wilde geven, dat Hij leefde en van zijnen troon in den hemel, zijn schijnbaar vruchteloos werk door zijn Apostelen zou voortzetten. Dit beslissende Pink-sterwerk moest natuurlijk evenmin als de kruisiging in een verborgen hoek der provincie aan het meer van Genésareth geschieden, maar wel in de hoofdstad, ten aanzien van het gansche volk; daarmede zou het werk van Christus als een wereldver-nieuwende factor in de wereldgeschiedenis ingevoerd en de schitterende poorten zijner kerk voor alle natiën ontsloten worden.

ocr page 140

120

De Apostelen hadden dus hun geliefd Galiléa verlaten, bestraald door de Paaschzon. Ook de Schrift neemt nu voor goed afscheid van dat vriendelijk- plekje. Zij waren opgegaan naar Jeruzalem en hadden hunnen Heer nog eenmaal op den Olijfberg vaarwel gezegd. Zij hadden Hem ten hemel zien varen en waren daarna naar Jeruzalem teruggekeerd, aldaar wachtende op de belofte: te worden aangedaan met kracht uit de hoogte.

ocr page 141

ii

IIIIIIIIIIIIIHIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII

|

HjH

1

C76^ 0^3 cjj\'a

Ci\'ö a\'iO

quot;ï* quot;Ó*

f|!Splpl|lipppSp

gpSp!ppppf|Slp^

■ ,■ ■■

DE GEBOORTEDAG DER CHRISTELIJKE KERK.

Gods Geest kwam neer in heftig bruisen, By aardontroerend stormgeluid.

Zyn vuurvlam schitterde op de hoofden,

En riep den naam van Christus uit.

Gloei wéér! Gloei altijd, vlam des Heeren!

Ga volkren tot hun God bekeeren!

Hallelujah ! Hallelujah!

Men vierde Pinksterfeest. Buiten op de velden rijpten de golvende korenaren; de tuinen in de voorstad prijkten in den glans der Juni-zon en in de stad bewoog zich de feestelijke menigte door alle straten. Van het paleis van Herodes, van de markt in de bovenstad, tusschen de dicht bij elkander gelegen winkeltjes der benedenstad, over de brug bij het Xystus-plein; ja, van alle kanten stroomde de menigte in den vroegen morgen naar den tempel, waar dien dag het dankfeest voor den oogst zou gevierd worden.

Onder de fraaie zuilengangen en in de zalen van het voorhof des tempels, zag men de landlieden in hunne wijde, witte kleeding, bont dooreen gemengd onder de vertegenwoordigers der verschillende landen van het groote Romeinsche keizerrijk. Ook de jongeren van Jezus, zeker wel ten getale van honderd twintig zielen (Hand. 1 : 15), zag men, zooals dat voorheen

ocr page 142

DE GEBOORTEDAG DER CHRISTELIJKE KERK.

zoo dikwerf gebeurde, in het voorhof des tempels bij elkander staan, om het feest mede te vieren. Alleen de Meester ontbrak ditmaal, om Wien vroeger iedereen, die in den tempel kwam, zich schaarde.

Van den vroegen morgen af waren de priesters druk in de weer; dit was toch een der voornaamste feesten, dat voor iiet volk waardig moest worden voorbereid. Kajafas, de hooge-nriester verscheen ook nu, zooals op elk der drie feesten, in zijn prachtig, hoogepriesterlijk gewaad. Ook nu was hij, evenals voor zeven weken, op den dag der kruisiging, te zien in feestdosch, in purper, goud en juweelen; ook ontbrak niet op de borst het kostbare schild, waarop in twaalf kostbare edelgesteenten de namen der twaalf stammen schitterden, en dat hij biddende op het hart moest dragen. De uiterlijke glans der Israelietische godsver-eering vertoonde zich in den van marmer en goud glinsterenden tempel. De dienst was aangevangen met het feestelijk bazuingeschal; de oude psalmen ruischten over de hoofden der, in de voorhoven aandachtig verzamelde, menigte, en met het neder-leggen der eerstelingen van het brood was het hoogtepunt dei-plechtigheid bereikt, om spoedig daarna te eindigen.

Het was de derde ure, volgens onze tijdrekening des morgens ten negen uur. Ook de honderdtwintig jongeren van Jezus waren nog daar. De groote middaghitte had hen in een der open zalen of portalen van den voorhof des tempels de toevlucht doen nemen; want met het „huisquot; waarin zij zaten, waarvan wij lezen (Hand. 2 : 2), kan niet anders dan een der zalen van den voorhof bedoeld zijn. In geen ander „huisquot; toch, in de nauwe vestingstraten van Jeruzalem zou het mogelijk geweest zijn een duizendtal menschen te vereenigen; wat ons in den loop van het verhaal duidelijk gemeld wordt.

Allen waren in eene blijde, opgewekte stemming bijeen. Het scheen hun, die voor eenige, dagen de hemelvaart van Jezus hadden gezien, alsof dit feest met zijne oude psalmen eene nieuwe beteekenis gekregen had. Voor hen klonken tusschen

122

ocr page 143

IN HET JAAR 33.

die liederen des Ouden Testaments de jubelende accoorden van het Nieuwe Testament, getuigende van Gods liefde, getuigende van het Paasch feest, van de Hemelvaart en van de terechtbrenging van het gansche verloren menschengeslacht. Eene vroolijke verwachting deed hunne hartten sneller kloppen. De Heer had toch eene nieuwe, zalige openbaring voor deze dagen beloofd, namelijk zijn wederkomen in den Heiligen Geest en hunne toerusting met kracht uit de hoogte. Zouden zij zich daar dan niet op verheugen? De uitstorting des Geestes, de bekroning van zijn gansche werk, zou de hemelsche vrucht van zijn God-menschelijk leven zijn! Dan zou Hijzelf in hunne harten woning maken om nimmermeer van hen te scheiden! Zij, die den Heiligen Geest ontvingen, zouden deelgenoot worden van eene hoogere, reinere wereld, die hun Meester door zijn sterven en zijne opstanding voor hen geopend had. Dan zou het woord van hun Heer op den Paaschmorgen, vervuld worden, dat al zijne jongeren zijne broeders zijn zouden. Omdat Christus Gods Zoon was, en dewijl de Geest Gods „zonder matequot; in Hem woonde, zou voortaan Gods Geest ook hen vervullen eu hen opheffen tot de goddelijke gemeenschap der kinderen Gods. Zoo waren zij in die tempelzaal op \'s Heeren komst wachtende, bijeen; zij hadden, om zoo te zeggen, alle deuren en vensters hunner harten voor den hemel geopend en waren daardoor in dé ware stemming om de goddelijke kracht in hunne harten te ontvangen.

Toen, \'t was negen uur, ruischte het plotseling door de lucht. De cypressen en de palmen in de voorhoven des tempels werden bewogen; een geweldige wind, als een stormwind, trok over Jeruzalem, woei over de eendrachtig verzamelde jongeren, over het dal van Kidron naar den nabij gelegen Olijf berg. De jongeren vermoedden wel, dat deze wind, evenals de wolk bij de Hemelvaart, een symbool was van hoogere dingen. Het was hen, alsof de Heer zelf in dien wind kwam en onzichtbaar om hen zweefde, als voer Hij op de vleugelen van den stormwind daarheen, om

128

ocr page 144

DE fiEBOORTEDAG DER CHEISTEM-IKE KERK.

in den geest zijn intocht in hun midden te houden. Het ruischt en bruischt met kracht en macht door en om den tempel, alsof Hij weder op het tooneel verscheen, die eens op deze plaats gezegd had: „Ik zal dezen tempel in drie dagen weder oprichten!quot; In zalige blijdschap opgestaan, zijn de jongeren van zijne persoonlijke tegenwoordigheid gewis, ofschoon zij Hem niet zien. Eene onbeschrijfelijke vreugde grijpt hen aan, alsof de hemel zich voor hen opent. Nieuwe kracht voelen zij in zich, alsof de ware, gouden lente huns leven was aangebroken. Het ging hun, zooals de dichter van de aardsche lente zingt:

In juichende jubelkoralcn Zingt Lente het opstandingslied.

En velden en wouden herhalen Den zang, die den harten ontschiet.

Met van vreugde stralende oogen roepen zij het elkander toe, dat het de Heer zelf is, die in den Geest weder tot hen komt. Een honderdstemmige vreugdekreet klinkt door de feestelijke voorhoven. De menigte nadert van alle kanten en ziet met verbazing op de verzamelde jongeren. Verdeelde tongen als van vuur schijnen voor een oogenblik op hunne hoofden te zweven. Brui-schende wind, vlammen als van vuur, dat waren de teekenen, die de toestroomende menigte waarnam. Wat dit teeken beduiden moest, dat was hun echter een raadsel. Maar wat de storm en de vlammen hun niet konden zeggen, dat zeiden hun de jongeren zeiven. Zij waren „vol des Heiligen Geestes.quot; Hoe zeer kan eene aardsche geestvervoering den mensch niet opheffen. Het is ons dan alsof daar plotseling een nieuw, een gansch ander mensch voor ons staat. Hier echter was meer dan aardsche geestdrift. Hier was het niet eene plotselinge opwinding, maar Gods Geest vervulde en doorgloeide hun gansche wezen, en verhief hen ver boven de grenzen der natuur. Nu begrepen zij den zin der woerden, die hun vroegere Meester voor twee jaar bij den Jordaan gesproken had: „Die zal u met den Heiligen Geest en met vuur

124

ocr page 145

IN HET JAAR 33.

doopen!quot; Nu begrepen zij vele woorden huns Heeren, wier zin zij vroeger slechts hadden vermoed, als Hij van die „kracht uit de hoogtequot; sprak, of wanneer Hij tot hen zeide: „Wij, de vader en ik, zullen komen en woning bij u maken.quot; (Joh. 14 ; 23). Van deze kracht Gods vervuld, beginnen zij te spreken met andere talen, „zooals de Geest hun gaf uit te spreken.quot; In alle talen der toen bekende wereld beginnen de bezielde jongeren van Jezus te spreken. Het was alsof zij door den stormwind waren mede gesleept; door een vuur waren ontvlamd, dat hun geestelijk leven verhief in hoogere sferen, ofschoon zij zich zeiven toch volkomen meester waren.

Onder de, uit de voorhoven des tempels toegestroomde, menigte waren vele vreemdelingen, die voor dit feest waren opgekomen. Lukas noemt ons bewoners uit vijftien verschillende landen, die daar vertegenwoordigd waren. Allen, van af den bruinen Arabier, die van den oever der Indische zee gekomen was, tot aan den koopman van de kusten der Zwarte zee, Italië of Spanje; allen, hoorden plotseling uit het midden der jongeren hunne eigene volkstaal spreken.

Wat echter nog meer verbazing wekte dan de verscheidenheid der talen, was de inhoud van hunne rede. Hoe verschillend de talen ook waren, zoo moest toch ééne groote gedachte, één verheven doel hen allen bezielen. Zij „prediktenquot; (Hand. 2 : 4) „en prezen de daden Godsquot; (Hand. 2 : 11). Welke daden zouden zij prediken dan die, waardoor Hij zich als de Christus geopenbaard had? De daden Gods op den Goeden Vrijdag, de daden Gods op den Paaschdag, op den Hemelvaartsdag, die waren het, die zij prezen en aan de verzamelde menigte predikten. Voor de eerste maal klonk de zalige Paaschboodschap jubelend door de stad, waar Jezus was gekruist. Daar stonden zij zoo als eens de profeten in den ouden tijd, met waardigheid en verhevenheid en tegelijk met bezielende en wegsleepende welsprekendheid. Het was de lentezang eener nieuwe schepping des Geestes, die uit het diepst des harten, vol zaligen dank aan God

125

ocr page 146

DE GEBOORTEDAG DER CHRISTELIJKE KERK.

over hunne lippen stroomde. Ook de aanwezige menigte, Kretenzen en Arabieren, Romeinen en Perzen, spoorden zij aan om zich mede te verheugen over de liefde Gods in zijnen Zoon Jezus Christus. Zij spraken het luide uit, dat God den zoo onlangs gekruisigde weder opgewekt had, en dat Deze zich een nieuw volk uit alle natiën zou verzamelen.

Verbaasd hoorde de menigte dat alles aan. „Ziet,quot; zoo spraken zij tot elkander, „zijn dit niet allen Galileërs?quot; De vreemdelingen, die hunne eigene taal hoorden spreken, riepen: „Hoe is het mogelijk, dat deze eenvoudige menschen onze talen spreken?quot; Toen zij dien morgen in den tempel verschenen waren, had men de jongeren nog beklaagd, dat zij met hun gekruisigden Galiléschen Meester zoo bedrogen waren uitgekomen. Nu schenen zij volstrekt niet beklagenswaardig, maar noodigden daarentegen iedereen uit, om zich te verheugen, en beweerden, dat hun Meester leefde. Zelfs zag men eenige mannen uit de hoogste standen, Jozef en Nikodemus, met dezelfde vroolijke gewisheid te midden der Apostelen staan. „Wat moet er van dit alles toch worden?quot; zoo sprak men tot elkander. „O,quot; zeiden de aanhangers der hoogepriesters, „wat daarvan worden zal? Zij zijn dronken en vol zoeten wijns!quot;

126

ocr page 147

DE PINKSTEBPBEDIKIWG.

Uit het midden der jongeren trad een man met een eerbiedwaardige, gebiedende houding naar voren. De jongeren verstomden. De omringende menigte zweeg, toen men begreep, dat zij door dien man de oplossing van het raadsel zouden vernemen. Hij, die daar stond, was de, door den Heer bestemde, voorvechter der Christelijke kerk, tot wien Hij vroeger gezegd had: „Gij zijt Petrus en op deze Petra, zal Ik mijne gemeente bouwen!quot; Voor Petrus was een gewichtig levensuur aangebroken. Hij voelde zich gedreven door de kracht des Geestes, dien hij ontvangen had. Het was hem, alsof niet hij maar een ander door en uit hern sprak. Voor de eerste maal voerde hij den herderstaf, dien de Heer hem in eene onvergetelijke ure in de hand had gegeven, zeggende: „Weid mijne schapen!quot; Voor de eerste maal zag men hem daar op de trappen des voorhofs staan, waar zijn Meester voor eenige weken zoo menigmaal had gestaan en door zijne goddelijke welsprekendheid aller harten had gewonnen.

Luid klonk zijne stem door de breede voorhoven des tempels (Hand. 2 : 14), toen hij voor de verzamelde menigte de eerste christelijke prediking hield; de eerste godsdienstoefening der

ocr page 148

DE PINKSTERPEEDIKINfi.

jeugdige Christelijke kerk in die heilige ruimten des Ouden Verbonds. Stoutmoedige woorden waagde hij te spreken; woorden, die hem misschien den dood zouden kosten. Hier, te midden van het leger der vijanden, predikte hij luid en onverschrokken, dat de, voor acht weken ter dood veroordeelde, Jezus, niemand anders was als de Zoon Gods, de sedert eeuwen verwachte Koning en Messias. \') Er zijn oogenblikken, waarin de waarheid, die men nog niet had durven uitspreken, maar waarvan men toch in het binnenste des harten overtuigd is, eindelijk door den rechten man uitgesproken, ons op eenmaal aangrijpt. Zulk een oogenblik was nu gekomen voor de openlijke verkondiging der goddelijke zending en waardigheid van Jezus, den gekruiste.

Zich beroepende op de woorden der tegenstanders, die het merkwaardig verschijnsel aan dronkenschap hadden toegeschreven, deed Petrus een greep in de schatkameren des Ouden Verbonds. Hier, in het midden der Israëlitische Schriftgeleerden, haalde hij eene tot nog toe weinig bekende plaats aan uit de profetiën* van Joel, die een duidelijk licht op de tegenwoordige ure scheen te werpen. Daar werd een tijd geprofeteerd, dat God in de dagen van Christus, zijnen Geest zou uitgieten over alle vleesch, en waarin de zonen en dochteren des volks zouden profeteeren.

128

„Ziet,quot; zoo sprak Petrus ongeveer tot het volk, „dat woord des profeten geeft ons den sleutel voor dit oogenblik. Daar staan zij, die zonen en dochteren des volks, die gij hoort profeteeren. Dit is dus een der teekenen van den tijd van den Messias. De Messias is gekomen en Hij is niemand anders als de door u gekruisigde Jezus. Ik herinner u aan zijne, van Gods Geest vervulde, redenen op deze plaats. Ik herinner u aan zijne daden, wonderen en teekenen, die gij zelf gezien hebt. Was het niet of God zelf die daden deed? Hem hebt gij gedood! U klaag

\') Op dezelfde plaats in den tempel, waar eens Petrus predikte, mogen de Mohammedaansche priesters uuk nu nog even als toen, openlijk prediken.

ocr page 149

IN HET JAAR 38.

ik aan, gij hebt den gezalfde Gods met de hulp der heidenen omgebracht. Meent gij nog altijd, dat zijn sterven aan het kruis een bewijs is, dat God Hem heeft verworpen en verlaten? Ik zeg u, het moest alzoo geschieden indien Hij werkelijk de Messias was. Het was de bepaalde raad Gods om Hem over te geven aan de willekeur der zondaren tot in den dood. Dat was juist de eenige, noodzakelijke weg tot zijne verhooging. Meent gij, dat Hij dood is ? Geenszins! Het was, zooals de Schrift zegt, onmogelijk, dat Hij van den dood zou worden gehouden. Dit is het gewichtige, verblijdende bericht, dat wij allen n onbeschroomd mededeelen: Hij leeft! Hij leeft! Hij is opgestaan! Door de merkwaardige gebeurtenissen van dezen dag, in de stad, waaide Christus is gekruisigd, wil God het feit der opstanding waarmaken en daarmede den, door den dood geschandvlekten, naam des rechtvaardigen weder in eere herstellen. Wij zei ven zijn een levend bewijs; wij allen zijn getuigen van zijne opstanding. Wij hebben Hem gezien! Wij hebben met Hom gesproken! Hij zelf heeft ons gezonden, om u dit te verkondigen! Hij zal niet weder tot u komen. Hij is, zooals Hij voor acht weken, op den dag zijns doods gezegd heeft (Matth 26 ; 64), opgevaren ten hemel (Hand. 2 : 34) voor onze oogen en heeft zich ter rechterhand der Majesteit Gods gezet. Hij wil niet slechts van uit Jeruzalem ons kleine land regeeren, zoo als wij het ons hadden voorgesteld, maar Hij wil van uit den hemel zijn rijk uitbreiden, totdat het alle natiën omvat (vers 39). Ziet gij de mannen en vrouwen, die daar voor u staan, van Gods Geest vervuld, zooals vroeger de groote profeten Israels? Dat is zijne eerstegrooteregeerings-daad, die de nu levende Verrezene door de uitstorting des Gees-tes onder ons heeft volbracht (vers 33). Gij dacht Hem aan het kruis van God verlaten, maar ik verkondig u heden ten aan-hoore van gansch Israël, en roep het u, trots zijnen moordenaars, luide toe: „Hij is niemand anders dan de door God verhoogde Heer en Koning!quot; (vers 36).

Met verbazing had het volk deze stoutmoedige toespraak aan-

9

129

ocr page 150

130 DE PINKSTERPEEDIKING.

gehoord, die met de uitroeping van Jezus tot koning eindigde. Als een bliksemstraal drongen die woorden velen in het hart. Was het dan niet waar? Was Hij dan werkelijk de boosdoener, die de regeerende machten van Hem hadden gemaakt? Zijne verheven woorden, die eens het volk medesleepten; zijne daden, die Hij alleen met Gods hulp had kunnen verrichten, zooals de opwekking uit de dooden van Lazarus, voor enkele maanden; zijn rustig, kalm optreden tijdens zijn verhoor; zijn zielegroot-heid gedurende de kruisiging; de geruchten, die men van zijn graf had gehoord wat beduidde dat alles? Altijd duidelijker stond onder de woorden van Petrus voor hunne oogen, die gestalte des profeten, dien zij eerst hadden vereerd en bewonderd, maar ten slotte hadden miskend en uitgeworpen.

Wij hebben onzen Koning en Verlosser gekruisigd! zoo klonk het in hunne harten. Wij hebben onzen Messias verworpen; Zij zagen in den geest de rumoerige tooneelen van den Goeden Vrijdag, en de man met de doornenkroon en den purperen mantel, verscheen hun plotseling in een nieuw licht. De overtuiging, die uit Petrus\' woorden sprak, de eenstemmige blijmoedige getuigenis van deze honderd en twintig jongeren van Jezus, gaf niet den indruk van inbeeldingen of onware bevindingen. Met schrik dachten zij aan de mogelijkheid, dat Hij leefde om hen te richten, en ontroerd vroeg men aan Petrus en zijne volgelingen: „Wat zullen wij doen? Waarmede kunnen wij het gebeurde weder goedmaken ?quot;

Petrus echter — die in hen niet de moordenaars zijns Heeren zag, maar wel degenen, die de Verrezene bedoeld had met zijn: „Weid mijne schapen!quot; — riep uit: „Ieder, die zijne valsche voor-oordeelen aflegt, die berouw toont over het gebeurde en zich dooiden doop als onderdaan in zijn rijk laat opnemen; dien allen verkondig ik genade en vergeving. De Heere Jezus wil zich niet wreken, maar u redden, en met de vergeving uwer zonden ook dezelfde gaven des Heiligen Geestes verleenen, die wij zooeven ontvangen hebben.quot;

ocr page 151

IN HET .TAAR 38.

Opmerkelijk was het om te zien, hoe onder deze woorden van Petrus, zich plotseling eene gemeente vormde in dat Jeruzalem, dat Jezus had gekruisigd. Eerst zullen de jongeren zijn gekomen, die Hem in het verborgen volgden, en dezulken aan wie Hij veel had welgedaan. De blindgeborene (Joh. 9), de jongeling van Naïn, Jaïrus met zijn dochtertje en de weduwe, die haar penningske in de schatkist had geworpen. Evenals des avonds, als er één sterretje te zien is, al spoedig geheel het hemelsche heir aan den hemel schittert, zoo kwam de eene schare na de andere, om zich aan de gemeente van den Verrezene te verbinden.

\'t Was een voorspoedige wasdom. Zij kwamen bij honderden, ja, bij duizenden; en in weinige oogenblikken was de gemeente aangegroeid tot drie duizend zielen. Het tarwegraan, dat voor zeven weken in de aarde was gelegd, bleef niet alleen (Joh. 12 : 14), maar ving aan zestig- en honderdvoudige vrucht te dragen. De timmerman van Nazareth begon, zooals Hij op diezelfde plaats gezegd had, zijnen tempel te bouwen (Joh. 2 : 19). Drie duizend levende steenen werden dien dag tot dien bouw samengevoegd, tot een geestelijken tempel van Jezus Christus, allen doordrongen van een nieuwen levensadem des Heiligen Geestes en van het geloof, dat de Heer leeft en regeert in eeuwigheid.

» »

«

Daar stonden de hoogepriesters en de raadsheeren, de juristen en de theologen der hoogeschool, en wisten niet wat zij van dezen onbegrijpelijken ommekeer en van de stoutmoedigheid dier Galüéërs hadden te denken. Evenals eene onderdrukte vlam plotseling kan uitbreken en helder uitschieten, zoo begon de bewering, dat Hij de Messias was, die door de terechtstelling van Christus onderdrukt was geworden, weder op te vlammen. Jezus was gestorven, maar in zijne plaats schenen duizenden volgelingen als uit de aarde opgekomen te zijn. Hier, in hunnen tempel, moesten zij het aanzien, dat de, door hen als gods-

131

ocr page 152

DE PINKSTERPKEDIKTNG.

lasteraar gekruisigde, niet alleen werd uitgeroepen tot Koning van Israel, maar tot Koning der gansche wereld, die de eereplaats ter rechterhand van Gods Majesteit had ingenomen. Hoe vertwijfeld zagen zij deze algemeene geestdrift aan, wier golven zoo hoog gingen, dat zij de in Jezus geloovige menigte noch door duizend hoogepriesters, noch door duizend gewel-dadige maatregelen konden terughouden van het belijden en aanbidden van hunnen nieuwen Heer en Koning.

Hoe vertoornd zij ook over deze heillooze beweging waren, — voor heden moesten zij het opgewonden volk zijn gang laten gaan. Enkelen zullen misschien gedacht hebben zooals Gamaliel, die voor eenige weken had gezegd: „Indien dit werk uit de menschen is, zoo zal het gebroken worden, maar indien het uit God is, zoo kunt gij dat niet breken.quot; De meesten hunner wilden een rustiger tijd afwachten, om dezen dwazen Galiléërs het prediken te verhinderen, maar geen hunner vermoedde, dat de aan Gods rechterhand Verhoogde juist deze voormalige visschers uit Galiléa en deze in geestdrift ontvlamde gemeente bestemd had, om niet alleen hun farizeeuwsch stelsel, maar de gansche wereldgeschiedenis uit hare voegen te lichten en in nieuwe banen te voeren.

132

ocr page 153

PINKSTERAVOND.

Voor de jeugdige, Christelijke kerk was het een gelukkige Zondagavond, toen de gouden Junizon haar loop had volbracht en met hare laatste stralen het koninklijk paleis van den ouden Herodes en van Pilatus bescheen, en stad, tempel en Olijfberg met een zachtrooden gloed kleurde! Wat was er niet reeds van dat kindeke geworden, om hetwelk Herodes bij de komst der Wijzen uit het Oosten, daarboven zulke wreede moordaanslagen had gesmeed; dat kind dat, tot man geworden, daar door Pilatus was veroordeeld geworden!

Welke groote veranderingen waren er op dien feestdag geschied. Des morgens, toen men zich in de stad tot het oogstfeest voorbereidde, waren de jongeren nog een veracht, klein kuddeke, dat vogelvrij was verklaard. Nu, des avonds, geloofden drieduizend mensehen in Jezus; eene gemeente zoo groot in aantal, als de inwoners eener gansche stad. Des morgens scheen de zaak van Jezus voor altijd begraven te zijn; des avonds bewoog zich een groot aantal Christenen door de straten van Jeruzalem. Des morgens nog scheen Kajafas met zijn Hoogcn raad te zegevieren. Des avonds hoorde men dezelfde straten, waardoor voor zeven weken het; „kruis hem, kruis hem,quot; ge-

ocr page 154

PINKSTERAVOND.

klonken had, vroolijke lofpsalmen tot prijs en eer van den Heiland weerklinken. ■

De Apostelen, die in hunne kleinmoedigheid, op Goeden Vrijdag nog gedacht hadden, dat God de teugels van het wereldregiment had losgelaten, zagen als in een droom over de golvende menigte der jongeren, die allen met hen Jezus\' opstanding verkondigden. Nu bemerkten zij tot hunne verrassing, dat het vele heen-en-wedertrekken huns Heeren door het gansche land, toch niet te vergeefs was geweest. De zaadkorrels, die de hemelsche Landman twee jaren lang onvermoeid op den akker der harten gestrooid had, rijpten daar voor hunne oogen. Toen gedachten zij aan het woord des Heeren, dat Hij voor ruim een jaar tot hen gesproken had: dat het veld reeds wit was om te oogsten en dat zij zouden maaien, wat Hij gezaaid had (Joh. 4 : 35 — 38). Zij begonnen te begrijpen, dat juist de, door hen zoo bejammerde, dood de sterkste band zou zijn, die, niet alleen het volk, maar nog ontelbare millioénen anderen, als één volk te zamen zou verbinden; allen namelijk, die elkander onder zij:i kruis de hand zouden reiken. De eer van \'s Heeren naam was op dezen dag hersteld; die groote verzamelde gemeente was een bewijs, dat niet de jongeren, maar hun verhoogde Heer zijne kerk op aarde had gesticht, dat Hij niet verre van hen was, maar hen nu op tastbare wijze de waarheid van liet woord leerde verstaan, waarmede Hij voor eenige dagen van hen gescheiden was: „Ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld.quot;

* *

„Vele vruchten! vele vruchten!quot; dat was het motto van dit heerlijke Oogstfeest te Jeruzalem, waar de eerste schooven met gezang en gejuich op Gods altaar werden gelegd. Op dien dag waren er drieduizend toegebracht en binnen enkele dagen zouden er nog vijfduizend worden toegevoegd (Hand. 4 : 4).

Voor Jeruzalem echter, was dit de laatste, groote dag der

134

ocr page 155

IN HET JAAR 33.

genade waarmede de geschiedenis van het Godsrijk in het oude land der openbaring, eindigt. Nog eenmaal werd het in duidelijke woorden, met aardsche en- hemelsche stemmen, in oude en nieuwe talen, door beeldspraak van storm en vuurvlammen, door de, van den Heiligen Greest doordrongen. Apostelen verkondigd, wie de miskende en gekruisigde Jezus was: de Verrezene en tot den troon verheven Christus. De hoogepriesters en het grootste deel des volks echter, wendden zich spottend af. De wolk in het heiligdom, waarin God tegenwoordig was, en die de Israelieten daar aanbaden, verhief zich, om voor altijd van Jeruzalem te wijken; en in de plaats daarvan breidden zich van toen af, de vleugelen van het toekomstig gericht over het ongelukkige Jeruzalem uit. Eén menschengeslacht later — en van do schitterende, eens zoo hoog begenadigde, van Gods trouw en genade overvloeiende, maar in zoo hardnekkig ongeloof verstokte stad was niets meer over dan eene weemoedige puinhoop van verbrande woonhuizen en door den rook bedorven marmerblokken.

Voor de andere landen en natiën der wereld werden op dien dag de schitterende poorten der Christelijke kerk geopend. De landlieden van Palestina gingen na het oogstfeest terug naar hunne bergen, om den sikkel te slaan in het golvende graan. Ook de Apostelen gingen na afloop van het Pinksterfeest uit, en grepen hunne sikkels, om hun nog veel heerlijker oogst voor de hemelsche schuren onder de volkeren aan te vangen. Zij hadden hun leertijd in de beste school doorloopen, die ooit een mensch doorloopen heeft: de school van Gods Zoon. Op dien Pinksterdag-waren zij „volleerdquot; verklaard. Nu waren zij geschikt, om als de leeraars der gansche wereld, uit te gaan, om haar in de sporen van Jezus Christus te leiden. Spoedig zullen wij hen zien uitgaan van Jeruzalem naar Judéa en Samaria, langs den oever der Midde-landsche zee, naar Syrië en Klein-Azië. Wij zullen de duiven des Evangelies zich zien omhoog heften van de hoogten rondom Jeruzalem, om zegevierend te zweven boven de schoone heuvelen

135

ocr page 156

PmCSTER AVOND.

van Pallas-Athene, om zich neder te zetten op de trotsche hoogte van het Eomeinsche Kapitool, en met den palmtak des vredes zich heen te spoeden naar de uiterste einden der aarde.

Wij staan ook nu nog in dien tijd ,,na Pinksteren.quot; Jezus Christus heeft de opdracht aan zijne kerk voor dien tijd. duidelijk in twee gelijkenissen medegedeeld. De gelijkenis van het zuurdeeg spreekt van de inwendige werking des Heiligen Geestes onder de volken, ook dan nog nadat zij sedert eeuwen het Evangelie hebben aangenomen. Daarna in de gelijkenis van het mosterdzaad, die ons spreekt van de uitwendige toebrenging van alle geslachten der aarde, door het zaad des Evangelies. Nog is dat doel niet bereikt, maar de teekenen der tijden zijn duidelijk aan den hemel zichtbaar. Jaar op jaar dringt de schare der zendelingen dieper door in den nacht van het heidendom. Reeds begint zich de profetie te vervullen, die, wel is waar onuitgesproken maar toch verstaanbaar voor de gansche wereld, in het Pinksterwonder van de redenen der Apostelen in de wereldtaal ligt. Het Evangelie wordt reeds in honderde talen gepredikt. De Heilige Schrift is reeds in alle bekende talen der wereld vertaald. Onder de palmen van Indië, op de sneeuwvlakten der Himalaya, in het heete zand van Afrika en bij de ijsbergen van Labrador klinkt het vroolijke Pinksterlied: „Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten dergenen, die den vrede verkondigen.quot; In de Babylonische spraakverwarring dezer aarde voelen zich millioenen vereenigd door die ééne liefelijke taal, die zij allen verstaan: de taal des gebeds tot den Vader in den hemel, de taal van het Christelijke geloof en van de Christelijke liefde.

Dat alles zegt ons, dat de eerste Pinksterdag als eene groote, heerlijke profetie aan de poorten der Christelijke kerk staat, heenwijzende op een nog heerlijker dag, die staat te komen. Zooals de Zondag aan den aanvang der Christelijke kerk staat, een Paaschzondag, een Pinksterzondag, zoo zal ook haar einde één groote, gulden Zondag zonder einde zijn, die de vleugelen zal uitbreiden over alle landen.

136

ocr page 157

IN HET JAAR 33.

137

De Christelijke kerk is van haren aanvang af een Zondagskind. Daarom worden aan haar vele heerlijke dingen geopenbaard, die de natuurlijke mensch nimmer zien, nimmer begrijpen zal. Zij ziet aan het einde van de, door storm geteisterde, tijden der wereldgeschiedenis een zaligen sabbat ; aan het einde dei-dagen de heerlijke oplossing van alle raadselen, door de liefde van Hem, die aan die wereld Zijn Eengeboren Zoon gaf. Zij ziet met spanning en verlangen naar dien tijd uit, als het werk van Christus, dat op dien Pinksterdag begonnen is, zal zijn voltooid. Dan zullen er geen Apostelen meer noodig zijn om in verschillende talen het woord der verzoening te prediken, maar allen zullen de geliefde moedertaal van het groote, heerlijke Vaderhuis spreken. Daar zal alle strijd en misverstand verre van ons zijn, en het eindelijk één Herder en ééne kudde wezen. Met het oog op het eeuwige Pinkster- en lentefeest der nieuwe wereld zal „onze mond vervuld zijn met lachen en onze tong met gejuichquot;, en stemmen wij in met het slotaccoord des l-26stC11 Psalms:

De Heer heeft groote dingen bij ons gedaan! Dies zijn wij verblijd.

ocr page 158
ocr page 159

DE EERSTE VLEUGELSLAG DER ZENDING.

ocr page 160

—MMMMM

■

\'mÊÊÊÊÊÊÊKÊiÊamp;w

\'

■ ::::: i

^mMW^^Mi^^M^^BWiiiiHwHilffliBBSlim

ocr page 161

DE VERVOLGING IN JERUZALEM.

Het Godswoord wies. Met kwellen, dreigen, dooden

Ging Saul, als wraakgezant, van huis tot huis; En opgeschrikt als schuwe duiven, vloden

De Christnen heên, zich hechtend aan het kruis. De beste schat ging op hun zwerftocht meè:

Gods eigen Woord! \'t Woord wies by storm en weè!

Twee jaren waren sedert dat Paasch- en Pinksterfeest voorbijgegaan. De wereld was nog onveranderd. Keizer Tiberius, op zijne hooge rots te Capri gezeten, wist nog niet, dat aan den Oostelijken oever der Middelandsche zee, in een klein landje van zijn onmetelijk rijk, eene macht was opgestaan, die bestemd was om èn zijn rijk èn de gansche wereld van den grond af te veranderen. De loop der dingen bleef in het gansche keizerrijk onveranderd. Niets deed vermoeden, dat de verschijning van Jezus duurzame of zelfs vérstrekkende gevolgen in de gansche wereld hebben zou. Het scheen, dat Hij, evenals zoo vele edele menschen vóór hem, spoorloos van het tooneel der wereldgeschiedenis verdwenen was.

Zelfs in Jeruzalem kon het den oppervlakkigen toeschouwer voorkomen, dat het Christendom bestemd was, om, even zooals zoo vele sekten van het jodendom, weder te verdwij-

ocr page 162

DE VERVOLGING IN JERUZALEM.

nen. De gemeente te Jeruzalem verheugde zich in eene zekere populariteit. De Christenen werden door het volk voor zeer vrome lieden gehouden, omdat zij zich streng aan de voorschriften der Joodsche wet hielden. Uit eene andere natie werd niemand toegelaten, zonder dat deze eerst Jood was geworden. Wel hielden zij zich afgezonderd, maar dat deden andere sekten somtijds ook, b.v. de Esséërs, zonder daarom op te honden leden der Israëlitische volksgemeente te zijn. Niemand ging geregelder op naar den tempel dan de Christenen. Hun lievelingsplaatsje was onder de zuilengangen, wier glinsterende, marmeren zuilen van uit de hoogte nederzagen in het diepe dal van Kidron en naar den, nog van den glans dei-hemelvaart omgeven, Olijfberg. Daar waren zij dagelijks in de gebedsure te zien.

Zelfs de hoogepriesters en de Hooge raad waren genoodzaakt, om met deze gunstige stemming des volks wel degelijk rekening te houden. De diepingewortelde haat, die Jezus voor eenige jaren aan het kruis had gebracht was echter nog niet verminderd. De Apostelen werden enkele malen gevangen genomen en zelfs gegeeseld, maar de gemeente liet men met rust. Door de schijnbaar groote gelijkvormigheid der Christenen met de Joden, kon menigeen de gevolgtrekking maken, dat die sekte in de toekomst hare rechtmatige plaats naast de Farizéën en Saducéën in het jodendom zou veroveren, en dat Jezus in latere tijden zelfs door de hoogepriesters als een profeet zou erkend worden. Zulke voorbeelden vindt men meermalen in de geschiedenis. De jonkvrouw van Orleans is niet de eerste, d.e in den naam der Katholieke kerk als eene kettersche werd verbrand en later door dezelfde Roomsche kerk tot eene heilige verklaard is. geworden. Jezus zelf had den Joden verweten, dat zij de profeten, die tot hen gezonden waren, hadden gedood en ge-steenigd, en daarna groote, prachtige gedenkteekenen voor hen hadden opgericht (Matth. 23 : 29, 30).

Die tijd van rust en vriendschappelijke verhouding der beide

142

ocr page 163

IN HET JAAR 36.

gemeenten was tot grooten zegen voor de jeugdige Christelijke kerk. In dien tijd konden vele nieuwe aanhangers zich kalm aan de gemeente aansluiten. De eerste organisatie en de eerste gemeenteverordeningen konden zich ongehinderd ontwikkelen en burgerschap verkrijgen. De grondtrekken der kerkregeling, die voor de gezonde ontwikkeling van de, op éénen dag zoo plotseling ontstane, gemeente onontbeerlijk was, konden in dezen zoo welkomen vredestijd worden vastgesteld.

Er lag echter tevens een groot gevaar in zulk een tijd van kalme rust. De gemeente toch, kon zich aan zulk een „stil en rustig leven in alle godzaligheid en eerbaarheidquot; zoodanig gewennen, dat zij onderwijl hare roeping in de wereld, die haar Meester haar in de laatste ure nog zoo dringend had aanbevolen, zou vergeten. De eerste vervolging moest de Christenen met ruwe hand aan dat zendingswerk herinneren. De groote Stuurman van het jeugdige schip der Christelijke kerk had haar zeer wijselijk eerst een tijd van windstilte in de veilige haven van Jeruzalem geschonken. Maar nu kapte Hij door de onverwachte vervolging, de ankertouwen van zijn schip door. Een storm van vervolging blies voor de eerste maal in de ruime zeilen, die het scheepje pijlsnel door de branding naar buiten op de open wereldzee joeg. Wie kon toen vermoeden, dat het een triomftocht zonder wederga zou worden, en dat liet schip met hooge masten, als de groote reddingsboot voor eene verdrinkende menschheid, door de wereldzee zich spoeden zou, totdat de stuurman het eindelijk, met volkeren en natiën beladen, door den bruisenden vloed der eeuwen, met krachtigen arm, in de groote vredes-haven brengen zou, waarheen Hij het bestemd had?

De botsing tusschen de Christenen en de Joden, die ongeveer drie jaar na de opstanding van Christus, de gemeente van Jeruzalem in het grootste gevaar bracht, bleek geen oorzaak tot klagen te zijn. Zij was onvermijdelijk en noodzakelijk. Hadden de Joden den Heer der Kerk gedood, dan konden zij ook op den duur zijne Kerk niet gedoogen. De Apostelen predikten telkens

143

ocr page 164

DE VERVOLOING IN JERUZALEM.

in den tempel, dat Jezus de Messias was, en dat Hij door zijn dood en opstanding slechts tot de wereld-heerschappij was verheven. Zeer natuurlijk waren Kajafas en zijne raadsheeren vertoornd over deze prediking. De gevangenneming en de geeselingen van eenige Apostelen waren slechts de voorboden van het naderende onweder. Wel kon men geen afdoende middelen tegen die duizenden aanhangers van Jezus te baat nemen, ook omdat de wetten des lands het verboden; maar toch werd er in alle stilte ijverig naar eene gelegenheid gezocht. Eens moest er toch een gunstige dag komen, waarop het volk, dat de Christenen nog altijd genegen was, door het een of ander zou worden vertoornd. Jezus stond ook eenmaal hoog in de gunst van het volk aangeschreven. Als zij het juiste oogenblik maar afwachtten, dan zou het volk zich wel aan de zijde der hoogepriesters scharen.

De getrouwheid der Christenen in het houden der wet; de belangelooze liefde onder elkander, die zich in eene, helaas spoedig mislukte, proef, van de gelijke verdeeling der goederen, openbaarde, deed deze gunstige gezindheid van het volk tegenover de Christenen voortduren. Afgezien van hunne vreemde meening, dat de Messias reeds gekomen was, kon men hen niets verwijten. Er behoefde zich echter slechts één kenschetsend verschil tusschen de Christenen en de Joden te openbaren, om de breuk met het volk aanstonds te doen ontstaan.

Deze breuk ontstond ongeveer in het derde jaar van het bestaan der gemeente. Tot dien tijd toe was er nog geen enkele heiden gedoopt. Wel behoorden er tot de gemeente verschillende proselieten, die uit Syrië, Cyprus, Klein-Azië en Griekenland afstamden, en die reeds vroeger den Joodschen godsdienst hadden aangenomen. Zulke „Hellenisten,quot; zooals b.v. Stefanus, Filippus en anderen, bekleedden reeds gewichtige ambten in de gemeente. Het was dus volstrekt niet meer eene gemeente van Galiléers en inwoners van Jeruzalem. In korten tijd waren er velen uit Cyprus, Antiochië en Noord-Afrika op den voorgrond getreden,

144

ocr page 165

IN HET JAAR 36.

en vertoonde de gemeente daardoor meer en meer het kenmerk van haren wereldomvattenden Godsdienst.

Onder deze mannen was de diaken Stefanns door zijne groote geleerdheid een der voornaamste. Hij had aan de Hoogeschool te Jeruzalem gestudeerd. Daar had hij de wapenen leeren voeren, die hij nu ten voordeele van het Christelijk geloof met groote bedrevenheid, zelfs tegenover de Schriftgeleerden, wist te hanteeren. Hij wist scherpzinnig de stellingen der Farizeën en studenten te wederleggen en vermocht daartegenover het geloof aan den Verrezene op grond van de Schrift, meesterlijk te verdedigen. Hij was het ook, die voor de eerste maal de scherpe tegenstelling tusschen het Christendom en het aan Jezus vijandige Jodendom aantoonde. Hij sprak het onverholen uit, dat de tempel van Jeruzalem en de gansche Mozaische gods-vereering hare beteekenis had verloren, sedert de stichting van het rijk van Christus en van zijne gemeente, en dat de kerk van Christus de kerk der toekomst was. Hoe meer hij in welsprekendheid de hoogepriesters en zijne trawanten overtrof, des te heviger werd hunne woede. Bij zulke beschouwingen kon men op de instemming des volks ook niet rekenen. Daarmede tastte men het in zijn grootste heiligdom aan, in zijnen tempel, zijn roem en zijn trots; het bezit van den tempel maakte de Joden tot Gods volk en verhief hen in eigen oogen verre boven alle andere „onreinequot; natiën, die zij met den minachtenden naam van ,, heidenenquot; bestempelden.

Op zekeren dag had Stefanus door zulke twistgesprekken hun toorn opgewekt, en waren niet alleen de geleerden maar alle omstanders in woede ontstoken. Wat? Zouden zij toelaten, dat iemand hun oud, eerwaardig, nationaal heiligdom zoo beschimpte en dat nog wel in den tempel zelf? Neen, dien ijveraar zou men spoedig het zwijgen opleggen. Hij werd gegrepen en voor den Hopgen raad gesleept. Een stormachtige zitting had er plaats. Pontius Pilatus schijnt toen juist naar Rome te zijn teruggeroepen, en zijn opvolger was nog niet aangekomen: de Joden

10

145

ocr page 166

146 DE VERVOLGING IN JEBÜZALEM.

waren dus zonder opzicht en konden doen, wat zij wilden. De stoutmoedige verdedigingsrede van Stefanus had hen woedend gemaakt. Toen hij in bezielde woorden van den geopenden hemel sprak, waar hij Jezus zag staan ter rechterhand Gods, vervulden kreten van verontwaardiging over zijne onbeschaamdheid de zaal. Terwijl hij in welsprekende taal de gelegenheid aangreep om voor den Hoogen raad getuigenis van zijnen Heer af te leggen, hielden zij zich de ooren toe; stormden allen, hunne waardigheid vergetende, op hem aan; en wierpen hem uit het paleis. Daar wachtte hem de dweepzieke menigte, die hem aangreep en hem buiten de stadspoort bracht, waarschijnlijk in de nabijheid van Golgotha. Daar werd hij zoo lang met steenen geworpen, totdat hij, uit vele wonden bloedende, neerzonk met de woorden: „Heere Jezus, ontvang mijnen geest!quot; en met het gebed op de lippen: „Heer, reken hun deze zonde niet toe!quot;

Het eerste martelaarsbloed was vergoten. De bloeddorstige menigte, die op Goeden Vrijdag op dezelfde plaats een nog „grooterequot; had gedood en wier gansche geschiedenis, van nu af aan tot op de verwoesting van Jeruzalem toe, meer en meer eene geschiedenis van gruweldaden werd, dorstte naar meer. Eene algemeene vervolging der Christenen volgde. De Hooge raad kwam samen, want nu was toch hun tijd gekomen. Eindelijk was de lang gewenschte verandering in de volksstemming daar, zoodat ook zij de Christenen wilden vervolgen. Men besloot alles, wat nog aan den Gekruisigde herinnerde, met wortel en tak uit te roeien. Eenige Farizeewsche mannen vol fanatisme, stelden zich geestdriftig aan het hoofd der vervolging. Bovenal Paulus, een man van 30 a 40 jaar en van een doortastend karakter, doordrongen van ijver voor de Farizeewsche wet, maakte zich door zijne groote gestrengheid tegen deze scheurmakers zeer verdienstelijk. Kajafas \') dacht en beval, maar Paulus was de uitvoerder der bevelen. Die beide mannen schenen elkander te begrijpen. Zij gingen arm in arm, om den zoo ge-

\') Misschien wel zflu opvolger.

ocr page 167

TN HET .TAAR 36.

haatten naam van den Gekruisigde van den aardbodem te verdelgen. Paulus wist met behulp zijner vrienden van de Grieksche Synagogen, de Christenen in hunne verborgenste schuilhoeken op te sporen. Zij drongen in de huizen en sleepten daaruit hunne offers naar buiten. Zij bezochten de naburige steden en dorpen, om ook daar de vervolging voort te zetten. Alle Christenen in Bethanië, Bethlehem, Emmaüs en Jericho werden vogelvrij verklaard.

Uit Jeruzalem had een ware Exodus plaats. Daar toch woonden van de 8000 Christenen, die er het nieuwe geloof hadden aangenomen, het grootste deel. Al waren niet allen daar gebleven, toch kon men wellicht wel eenige duizenden van hen, daar zoeken. Schrikkelijke dagen waren voor de jeugdige gemeente aangebroken, toen, na de steeniging van Stefanus, de vervolgers door de straten van Jeruzalem ijlden, om de Christenen gevangen te nemen. De vlucht was het eenigste, wat hen van de bloedige maatregelen van Kajafas, Paulus en zijne helpers redden kon. Zij verspreidden zich naar alle kanten; Zuidelijk naaide bergen van Hebron, naar het Noorden in het land der Samaritanen, naar het Westen langs de zeekust, naar het Oosten naar Dékapolis en Perea. De Apostelen echter, hielden zich schuil in de stad, met gesloten deuren, zooals in dien schrikkelijken tijd voor drie jaar, toen men hun Meester had gekruisigd. Zij wilden de gemeente en de verstrooide kinderen van het Vaderhuis gelegenheid geven om zich te vereenigen. De meesten echter van hen, die tot nu toe zoo eendrachtig en gelukkig waren geweest, hadden zich naar alle windstreken verstrooid. De naam van Jezus en ook zijne gemeente scheen ten tweede male van de aarde te zijn weggevaagd.

Toch veroorzaakten de steeniging van Stefanus en de daarop gevolgde vervolging, die den ondergang der gemeente ten gevolge scheen te hebben, niets anders als de aanvang harer hoogste machtsontplooiing. De door haar ondervonden vijandschap werkte eene krachtige roepstem, die de geloovigen onder de vanen van

147

ocr page 168

DE VERVOLGING IN JERUZALEM.

Jezus Christus verzamelde, om het Evangelie in alle landen en onder alle natiën der aarde te verbreiden. Het was goed voor hen, zoo streng te worden opgeschrikt; zij waren in gevaar om hunne roeping voor de wereld te vergeten. Zij waren in gevaar om het oude Jeruzalem, die veel geliefde Godsstad op den berg Sion, als het noodzakelijke middelpunt van het Christendom aan te merken. Wel had men buitenaf vernomen van eene groote opwekking op het Pinksterfeest, vanwaar honderden zendingsboden in de wereld waren uitgegaan, maar het groote werk zelf was nog niet ter hand genomen. Eerst de dood van den vromen diaken en de onmiddelijk daarop gevolgde, bloedige vervolging maakten plotseling een einde aan den zoo gezegenden tijd van kalmte en rust, en klonken als een helder bazuingeschal onder de jeugdige Christenen, dat hen opriep om uit te gaan in de ge-heele wereld.

Hoe dikwijls beklagen en beweenen wij als een groot ongeluk juist dat, wat in de handen van Hem, die de wereld regeert, een middel is tot de bereiking van heerlijker dingen. Wat aan de gemeente eene duistere, onbegrijpelijke toelating van God scheen, was in den diepsten grond niet anders als de druk van eene krachtige hand aan het roer, die het schip der kerk met één stoot uit de kalme baai in de opene, woelige zee wilde brengen. De duizenden Christenen, die weenende en jammerende hun vaderland den rug toekeerden, waren als zoovele edele zaadkorrelen, die door den stormwind der vervolging in den reeds lang toebereidden akker der wereld werden gestrooid. Geen boeken werden er door God uitgezonden. Geen onzer Evangeliën was toen nog geschreven, maar menschen zond Hij, in wie Christus eene gestalte had gekregen. De verstrooiing der gemeente van Jeruzalem was de eerstesteenlegging van de Wereldkerk. Wanneer de zaadbol in zijnen schoenen vorm, goed bewaard op den zolder ligt, door geen storm geschud, dan blijft het zaad dood, maar als de bol verbrijzeld wordt en de daardoor vrijgekomen, duizenden zaadkorrels over berg en dal worden verspreid.

148

ocr page 169

IN HET JAAR 36.

dan komt er een duizendvoudig, nieuw leven te voorschijn. Zoo was het ook met de gemeente te Jeruzalem. Het was een zegen, dat zij zich in eene veeljarige rust had kunnen ontwikkelen, gelijk een zaadbol met vele rijpende zaadkorrels. Nu echter, was de tijd gekomen, dat de storm der vervolging de uitwendige gemeenschap verbrak, en de levenskiemen over berg en dal verspreid werden. Toen trokken er honderden Evangelieboden uit in de wereld. Met tranen moesten zij zaaien, met vreugde zouden zij oogsten.

Wel schenen liet zeer ongunstige voorteekenen, waaronder de zendingsgeest voor de eerste maal zijne vleugelen uitsloeg. Wat wij zien, is eene, van alle kanten ten doode toe vervolgde, gemeente; maar juist toen openbaarden zich duizenden nog ongekende krachten, die in de gemeente gesluimerd hadden. Wat zij nu volbracht, was van onvergelijkelijk veel grooter waarde voor haar zelve en voor de wereld, dan de, zoo grootmoedige en liefdevol ondernomen, maar helaas! reeds spoedig mislukte, proef eener gemeenschap van goederen. Spoedig zullen wij op verschillende plaatsen eene Christelijke gemeente, als door onzichtbare handen gevormd, zien bloeien. In die duistere tijden zullen wij talrijke Christenscharen als lichten zien schijnen, dan in C-faliléa of in Samaria, dan aan de Noord-Afrikaansche kusten, dan op Cyprus en in Fenicië, ja zelfs in Italië, zonder dat iemand weet, wie daar het licht des Evangelies heeft ontstoken.

149

ocr page 170

FILIPPUS IN SAMARIA.

In het midden van de vroegere landstreek Samaria verheft zich een hooge, prachtige heuvel, door vijf bronnen omringd. Van den top des heuvels heeft men een heerlijk panorama. Rondom ziet men de bergen, die zich in het Zuiden vereenigen tot eene groote poort, door den Ebal en Garizim gevormd. Op de omliggende hoogten liggen schilderachtige dorpen verspreid, die tusschen de olijfboschjes uitkomen. Ver in het Westen breidt zich de Middellandsche zee uit. Geen enkele reiziger door Palestina zal dien heuvel onopgemerkt voorbijgaan. Daar toch, verhief zich vroeger het oude Samaria of, zoo als het later genoemd werd, Sebaste, d. i. „de Verhevene.quot;

Waarlijk! Omri, de oude koning van Israel, toonde geen slechten smaak te hebben, toen hij, nadat zijn paleis in Thirza verbrand was, zijne residentie hier, naar den toenmaals nog onbebouwdei: heuvel, verplaatste. Ook nu nog heeft die trotsche hoogte in hare verlatenheid nog iets van hare vroegere grootschheid behouden, toen daarboven de fraaiste stad van gansch Palestina gelegen was; toen de vorsten en koningen in het avondrood nog op hare trotsche tinnen stonden en op hun heerlijk land Israel nederzagen. Toen heeft dat Samaria voorzeker een prachtig schouwspel opgeleverd voor allen, die haar naderden. Jeruzalem

ocr page 171

IN HET JAAR 36.

bleef niettegenstaande al hare pracht, eene roos tusschen de doornen, eene koningsstad tusschen rotsachtige bergen. Samaria daarentegen lag in een vriendelijk lachend landschap. E ondom de stad zag men geurige tuinen, bevochtigd door natuurlijke bronnen. Op de hoogten lagen tusschen de wijnbergen, verscholen tusschen het donkere groen, verscheidene fraaie buitenverblijven — ook Naboth (1 Kon. 21 : 1 enz.) had daar zijn eigen wijnberg — en in het dal werd men telkens verrast door nieuwe, fraaie uitzichten. De stad stond als eene schitterende kroon boven op den berg. Daar leefde men in groote weelde, vroolijk en onbezorgd.

Jesaja kenschetst de stad, met het oog zoowel op het haar omringende natuurschoon, als op het weelderige leven, met deze woorden: „De dronkenen van Efraïm en de afvallende bloem zijns heerlijken sieraads, die op het hoofd der zeer vette vallei is.quot; Daar werden velerlei goden vereerd en de feesten ter hunner eer met steeds grooter pracht gevierd. Daar stond niet alleen „de gouden Stier,quot; onder wiens beeld Jehova werd aangebeden, neen, men was hier in Samaria vrijzinniger dan in Jeruzalem, want ook de altaren van Baal en van Astarte waren daar opgericht. Dat waren de lievelingsgoden van Izebel\'s vaderland, welke Fenicische prinses van uit haar „elpenbeenen paleisquot; over de groene landouwen, de blauwe zee, met de schepen harer landslieden, kon zien.

Al lang reeds was die heerlijkheid van het oude Samaria verdwenen, in den tijd waarop wij in ons verhaal de stad naderen. Het noordelijke rijk van Israel was reeds ondergegaan; de Assyrische en de Babylonische ballingschap was reeds lang voorbij; voor drie honderd jaar was Alexander de Groote door het land getrokken; en de ijzeren Romein zwaaide nu den scepter der wereldheerschappij.

Op een avond, omstreeks drie jaar na de Opstanding en Hemelvaart van Christus, ging een man in oostersche kleederdracht, op den weg van Jeruzalem komende, door het dal der

151

ocr page 172

152

beek, waar eens de honden het bloed van koning Achab gelekt hadden. Het was Filippus, een van de diakenen der verstrooide gemeente van Jeruzalem. Door de vervolging kon hij zijne uitnemende gaven, die hij tot nog toe, met zijn uitstekenden ambtsbroeder Stefanus, hoofdzakelijk aan de bestiering der gemeentebelangen had moeten wijden, nu aan edeler en gewichtiger werkzaamheden dienstbaar maken. Hij trok het land door, om de verstrooiden te versterken en te vermanen, en aan anderen het Evangelie van Christus te brengen (Hand. 8 ; 4). Op vele plaatsen vond men sedert de vervolging in Jeruzalem een klein aantal Christenen, de eerstelingen der toekomstige gemeenten. De vluchtelingen hadden zich in grooten getale naar Samaria begeven. Daar, bij de vijanden van de Joden, waren zij voor hunne vervolgers veilig. Deze broeders wilde Filippus bezoeken.

Ruim drie kwartier reeds lag daar de stad vóór hem, terwijl hij op den voortreffelijk aangelegden, Romeinschen straatweg-naderde. Het oude Samaria der Israelietische koningen was weliswaar verdwenen, maar een nieuw, nog grootscher Samaria lag voor hem. Herodes had de heerlijke ligging der oude stad opgemerkt en eene nieuwe op die plaats doen bouwen. Hij, Herodes, was een bouwlustig koning, die het gansche land met prachtige gebouwen in Griekschen stijl had versierd. Door zijn toedoen was ook voor Samaria een nieuw tijdperk van bloei aangebroken. Die stad, die daar op dien avond aan het oog van Filippus zich vertoonde, kon gerust met de fraaiste steden des lands wedijveren. Filippus zal zich wel hebben herinnerd, hoe Elia eenmaal daar boven tegen den afgodendienst gestreden had, want ook nu zag hij onder allerlei schoons slechts altaren aan de afgoden gewijd. Daar stond b.v. de prachtige tempel van Augustus, die Herodes had herbouwd en die reeds van uit het dal te zien was. Ter eere van dien machtigen vriend en heer had hij de stad zelfs Augusta, of wel Sebaste genoemd, omcla: men in het Oosten de grieksche taal sprak.

Zeker zal bij Filippus, met het oog op al die pracht, de

ocr page 173

IN HET JAAR 36.

wensch en de bede zijn opgekomen, om aanhaar ook de tijding van de verlossing der wereld door Christus en van den, door Hem geopenbaard en. Vader in den hemel, te brengen. De Heer zelf toch, had voor de inwoners dier landstreek, voor welker hoofdstad hij nu stond, dikwerf eene bizondere liefde en achting getoond.

Eindelijk betrad hij de eerste straten. Halverwege den heuveltop bevond zich een ronden zuilengang; ook nu nog ziet men, als men het ellendige stadje is doorgetrokken, dat in de plaats van het trotsche Samaria is verrezen, in de vruchtbare tarwevelden vele hooge zuilen staan, of vindt men ze in het golvende koren, als vreemdelingen uit lang vervlogen tijden, liggen. De straat, door welks bodem nu jaarlijks de ploeg gedreven wordt, had de bijna ongeloofelijke breedte van vijftien meters. Aan beide zijden van dien zuilengang stonden de prachtigste gebouwen en woonhuizen der stad. Die zuilengang was twintig meter lang, terwijl elke zuil eene hoogte had van 12 tot 15 voet; de beschaafde wereld van die lang vervlogen jaren was gewoon daardoor zijne geliefkoosde avondwandeling te maken. In gedachten verzonken schreed Filippus daar tusschen. In een dei-straten vroeg hij naar een zeker huis, waarheen de, van Jeruzalem verdreven, Christenen gevlucht waren. Groot was zeker hunne vreugde bij het wederzien van den zoo welbekenden diaken.

Van dat alles bericht ons Lukas echter niets, maar gaat dadelijk over tot de vermelding der prediking van Filippus aan de Samaritanen. Hier, te midden der aan Israel vijandige Samaritanen, die nude „barmhartige Samaritanenquot; voor de verstrooide Christenen waren; hier, in die stad vol van Grieksche afgodsbeelden, vatte een Christen voor de eerste maal het toen nog stoutmoedige plan op, om ook aan andere volkeren het Evangelie te prediken.

Wij zien dus Filippus daar in Samaria de eerste zendings-prediking buiten Israel houden. Vermoedde hij de gevolgen van zijn werk? Vermoedde Luther wat hij deed, toen hij zijne 95

153

ocr page 174

FILIPPÜS TE SAMARIA.

stellingen aan de slotpoort bevestigde? Filippus begreep het gewicht van dat beslissende uur niet. Hij deed, wat hij niet laten kon, toen hij de Samaritanen om zich verzameld zag: hij predikte.

Waar hij optrad? wij weten het niet. Stond hij daar boven op den top des bergs, waar eens de tempel van Augustus met zijne prachtige zuilengalerij, zijne beelden en altaren zich verhief, of wel op de marktplaats? Het wordt ons niet bericht, maar zeker is het, dat zijne prediking een diepen indruk op het volk maakte. In grooten getale verdrongen zij zich om hem heen; men werd niet moede om vol verwondering en eerbied naar hem te luisteren. De geest van die vroegere bergprediking, die Jezus voor eenige jaren in Galiléa gehouden had, vervulde ook Filippus. De Samaritanen hadden groote dingen van Jezus gehoord; ook zij hadden van de woelingen onder de Joden vernomen; ook zij hadden van de kruisiging van Jezus in Jeruzalem gehoord; ook zij hadden gehoord van eene gemeente in Jeruzalem, die Jezus vereerde. Maar dat alles ging in hun oog slechts de Joden aan. Daar stond nu Filippus, een dei-voorgangers der Christenen, voor hen, een man vol geest en heiligen ernst, die ook hen uitnoodigde om de geopende poort der Christelijke kerk in te gaan. Hij predikte hun Jezus, den Heiland der wereld. Hij predikte de verzoening door zijn bloed. Hij predikte de geopenbaarde liefde Gods des Vaders. Dat was balsem voor elke ziel, die berouw had over hare zonden. Dat was een tegemoetkomen aan de diepste behoeften van het menschelijk hart, waarvan zij bij de marmeren altaren van Zeus of Augustus nimmer gehoord hadden.

De daden die Filippus deed, zetten aan zijne ivoorden nog mee ; kracht bij (Hand. 8:6); want toen de teekenen, die hij deed, hun een duidelijk bewijs waren, dat hij in den naam kwam van Een, die nog grooter en machtiger was, namelijk van den verrezen en, aan de rechterhand Gods verheven, Jezus, die ook hen heden in zijn rijk noodigde; toen hij de kranken, lammen en geraak-

154

ocr page 175

IN HKT JAAR 36.

ten onder de volksmenigte genas; toen dezelfde wonderen geschiedden, die zij voor eenige vediEeft in Galiléa van Jezus gezien hadden; en de genezenen juichende en dankende, den man omringden; toen twijfelden zij niet meer, en er werd groote blijdschap in de stad (Hand. 8:8). Nu begrepen zij, dat Christus, de Verrezene, ook tot hen gekomen was en ook voor hen den gouden dag des heils had doen aanbreken!

Hoe langer Pilippus in Samaria predikte, met te grooter vreugde nam men zijne prediking aan. Eene groote godsdienstige opwekking had in de stad plaats, waarin Elia voor eeuwen te vergeefs tegen Izebel en de Baals-priesters had gestreden. Menigmaal wandelde Filippus met eene schare geloovigen naar beneden in het dal, om hen daar in de gemeente op te nemen door den doop in de bron der beek, waarlangs hij wandelde, toen hij het eerst de stad aanschouwde. Even als er voor zes jaar eene groote menigte den Dooper bij de Jordaan had omringd, zoo stonden nu ook vele Samaritanen voor Filippus, om door den doop in den kring der door Christus verlosten, te worden opgenomen.

155

ocr page 176

DE KOMST DER APOSTELEN.

De Apostelen waren in Jeruzalem, in een zeer gevaarlijken toestand achtergebleven. Nog altijd hadden zij vervolging en. dood te vreezen van de dweepzucht der hoogepriesters en van hunnen doortastenden voorvechter, Paul us. Op eenmaal echter, werden zij verrast door een bericht van Filippus uit Samaria, die hun de bekeering van bijkans alle inwoners der stad meldde. Welk eene vreugde zal die boodschap in hun midden hebben verwekt! Het licht begon te dagen uit de duisternis.

Slechts weinige dagen hadden zij met droefheid gezaaid en reeds nu konden zij met vreugde beginnen te maaien; hoe zullen zij Jezus\' woorden indachtig zijn geworden, toen Hij hen vcjor zijn Hemelvaart, bepaaldelijk van Samaria gesproken had (Hand. 1:8): „En gij zult mijne getuigen zijn zoo te Jeruzalem, als in geheel Judéa en Samaria, en tot het uiterste einde der aarde.quot;

Met vreugde maakten de beide, zoo nauwverbonden Apostelen, Petrus en Johannes, zich op, om onbemerkt de stad te verlaten en naar Samaria to trekken. Het was eene reis van twee dagen, Herinneringen aan vroegere jaren, toen zij daar met Jezus wandelden, zullen hunne harten hebben vervuld. Zij vertoefden aan de Jakobsbron aan den voet van den berg Garizim tegenover den Ebal. Hoe duidelijk kwam hun alles voor den geest, wat zij toen met Jezus hadden doorleefd, nadat Hij zich met de Samaritaansche vrouw onderhield. In Sichar vonden zij een kleinen kring van geloovigen, die door Jezus, in knechtsgestalte

ocr page 177

IN HET JAAE 36.

op aarde rondgaande, was bijeenvergaderd geworden. Aan den avond van den tweeden dag bereikten zij Samaria. Hoe klopte hun hart, toen zij hier voor de eerste maal eene heidensche stad, het vroeger zoo verachte Samaria, binnenkwamen, en door al de Christenen als Apostelen, als Vaders begroet werden. Hoe verheugden zij zich, toen zij hier hetzelfde geloof en dezelfde liefde tot hunnen Heer, als in de verwoeste gemeente van Jeruzalem, mochten opmerken. Met dank aan dien Heer traden de Apostelen voor de gedoopte gemeente op en verkondigden haar wederom den weg der zaligheid. Petrus predikte, ook Johannes predikte. Toen ten slotte het volk door hunne woorden meer en meer in het geloof versterkt werd, knielden de beide Apostelen neder en baden, dat de verzamelde gemeente den Heiligen Geest mocht ontvangen. Daarop legden zij hun de handen op en zij ontvingen den Heiligen Geest. Een heilige geestdrift ontwaakte in de jeugdige gemeente; een nieuw leven ontwaakte in de harten; dat leven uit en in Christus, dat dooiden dood niet wordt vernietigd, maar tot in eeuwigheid blijft.

Wij weten niet, hoe lang de Apostelen in Samaria bleven, maar naar Jeruzalem terugkeerend, bezochten zij verscheidene steden en dorpen in de provincie Samaria en predikten Jezus Christus, den Verrezene. Voor vier jaren had dezelfde Apostel Johannes, verstoord over de weinige gastvrijheid der Samaritanen, tot den Heer gezegd: „Heer, wilt gij, dat wij zeggen, dat vuur van den hemel nederdale, en deze verslinde, gelijk ook Elias gedaan heeftquot; (Luk. 9 : 54)? Toen had de Heer hem die woorden ernstig verweten. Maar nu had Hij toegestaan, het ware vuur uit den hemel over die Samaritanen af te bidden, toen zij daar nederknielende, om de gave des Geestes smeekten.

Vroolijk keerden de Apostelen in het voor hen gevaarlijke Jeruzalem terug. De eerste heidensche stad was voor het grootste gedeelte tot het Christendom bekeerd. De eerste vervolging, in het jaar 36, had eene ongedachte uitbreiding van het Christendom ten gevolge gehad. Voor de eerste maal was het hun

157

ocr page 178

DE KOMST DER APOSTELEN.

duidelijk geworden, dat het bloed der martelaren het zaad dei-Christelijke kerk is; en dit kon nog niet eens de eenige, goede uitwerking genoemd worden. Nu toch waren de Apostelen zich eerst recht bewust geworden van den alles-omvattenden aard des Christendoms. De gemeente leerde eerst toen, zich tegenover den doodelijken haat van het oude Israel, als eene zelfstandige, van Israel afgezonderde gemeente, op eigen voeten te stellen. Langzamerhand moest zij leeren, om in- en uitwendig de omhulsels van het oude Jodendom af te schudden. Het gevaar, dat de Christenen, als eene Joodsche sekte, stil en rustig zou kunnen blijven voortbestaan, was voor goed weggenomen.

Zoo was dan, zooals het meestal gaat, uit die donkere dagen een groote zegen ontsproten. Zoo is het altijd geweest. Niet de aangenaamste, niet de rustigste tijden zijn de vruchtbaarste voorde Christelijke kerk, maar wel de dagen, waarin zij het kruis te dragen heeft. Niet de heerlijke bloesem der gemeenschap van goederen in Jeruzalem, maar de vervolging heeft de zending gegrondvest. Niet de zonneschijn der volksgunst, maar de storm der volkswoede heeft den adelaar der wereldzending aangespoord, om zich met krachtigen vleugelslag van de bergen van Jeruzalem te verheffen en zijne vlucht uit te breiden tot aan s\' werelds einden.

Wanneer wij echter op die gewichtige dagen terugblikken, dan verwijlen onze gedachten niet juist bij Petrus, ook niet bij Johannes, maar allereerst bij dien groeten pionier der zending onder de heidenen. Weliswaar kroont hem geen Apostelnaam, maar voor onze oogen siert zijn hoofd een glinsterende diadeem, als wij hem aan de spits zien staan van het heilige leger der zendelingen, die jaar op jaar zijn uitgegaan, hem na, over de hoogste bergen, door de diepste dalen, onder de verzengendste luchtstreken der evennachtslijn en door de ijsvelden aan de Noordpool, om der wereld Christus te verkondigen. Hij zal ten allen tijde aan de spits staan van al die helden van Jezus Christus, als de eerste baanbreker, de groote, onvergetelijke diaken van Jeruzalem, de Apostel van Samaria, Fillppus.

158

ocr page 179

HET EERSTE MORGENROOD BOVEN HET DONKERE WERELDDEEL.

ocr page 180
ocr page 181

HET EERSTE MORGENROOD BOVEN HET DONKERE WERELDDEEL.

Filippus ging mot zijnen staf,

Naar \'t oudo Gaza heen.

Do woostonij zweeg als hot graf;

HU legt dien langen reistocht af verdiept in zielsgebeön.

Daar snelt een troep van ruiters aan, Hun roep bereikt zyn oor;

Een metgezel zal met hom gaan;

Het hoofd der fiere Karavaan ....

Zijn paarden ment een Moor.

Voor dezelfde stadspoort van Jeruzalem, door welke voor ruim dertig jaar de Wijzen uit liet Oosten naar Bethlehem waren gegaan, in de nabijheid van de poort van Jaffa, stond een prachtig, vorstelijk rijtuig te wachten. De paarden stampten vol ongeduld en de koetsier wachtte slechts op zijnen heer. Vele voorbijgangers uit de stad blijven stilstaan, om het vertrek van dien vreemden gast te zien. Bewoners van Griekenland en klein Azië, Romeinen en Perzen waren niet zeldzaam in de godsdienstige wereldstad der Joden, maar een vorst en minister uit Nubie was geen dagelijksch bezoeker van Jeruzalem. Daar waar de

ii

ocr page 182

V

DE KOMST DER APOSTELEN.

duidelijk geworden, dat het bloed der martelaren het zaad dei-Christelijke kerk is; en dit kon nog niet eens de eenige, goede uitwerking genoemd worden. Nu toch waren de Apostelen zich eerst recht bewust geworden van den alles-oravattenden aard des Christendoms. De gemeente leerde eerst toen, zich tegenover den doodelijken haat van het oude Israel, als eene zelfstandige, van Israel afgezonderde gemeente, op eigen voeten te stellen. Langzamerhand moest zij leeren, om in- en uitwendig de omhulsels van het oude Jodendom af te schudden. Het gevaar, dat de Christenen, als eene Joodsche sekte, stil en rustig zou kunnen blijven voortbestaan, was voor goed weggenomen.

Zoo was dan, zooals het meestal gaat, uit die donkere dagen een groote zegen ontsproten. Zoo is het altijd geweest. Niet de aangenaamste, niet de rustigste tijden zijn de vruchtbaarste voorde Christelijke kerk, maar wel de dagen, waarin zij het kruis te dragen heeft. Niet de heerlijke bloesem der gemeenschap van goederen in Jeruzalem, maar de vervolging heeft de zending-gegrondvest. Niet de zonneschijn der volksgunst, maar de storm der volkswoede heeft den adelaar der wereldzending aangespoord, om zich met krachtigen vleugelslag van de bergen van Jeruzalem te verheffen en zijne vlucht uit te breiden tot aan s\' werelds einden.

Wanneer wij echter op die gewichtige dagen terugblikken, dan verwijlen onze gedachten niet juist bij Petrus, ook niet bij Johannes, maar allereerst bij dien grooten pionier der zending onder de heidenen. Weliswaar kroont hem geen Apostelnaam, maar voor onze oogen siert zijn hoofd een glinsterende diadeem, als wij hem aan de spits zien staan van het heilige leger der zendelingen, die jaar op jaar zijn uitgegaan, hem na, over de hoogste bergen, door de diepste dalen, onder de verzengendste luchtstreken der evennachtslijn en door de ijsvelden aan de Noordpool, om der wereld Christus te verkondigen. Hij zal ten allen tijde aan de spits staan van al die helden van Jezus Christus, als de eerste baanbreker, de groote, onvergetelijke diaken van Jeruzalem, de Apostel van Samaria, Filippus.

158

ocr page 183

HET EERSTE MORGENROOD BOVEN HET DONKERE WERELDDEEL.

ocr page 184
ocr page 185

HET EERSTE MORGENROOD BOVEN HET DONKERE quot;WERELDDEEL.

Filippus ging mot zijnen stof,

Naar \'t oudo Gaza heen.

Dc woestenü zweeg als het graf;

Hvi legt dien langen reistocht af verdiept in zielsgebeön.

Daar snelt een troep van ruiters aan, Hun roep bereikt zyn oor;

Een motgezel zal met hem gaan:

Het hoofd der fiere Karavaan....

Zijn paarden ment een Moor.

Voor dezelfde stadspoort van Jeruzalem, door welke voor ruim dertig jaar de Wijzen uit het Oosten naar Bethlehem waren gegaan, in de nabijheid van de poort van Jaffa, stond een prachtig, vorstelijk rijtuig te wachten. De paarden stampten vol ongeduld en de koetsier wachtte slechts op zijnen heer. Vele voorbijgangers uit de stad blijven stilstaan, om het vertrek van dien vreemden gast te zien. Bewoners van Griekenland en klein Azië, Romeinen en Perzen waren niet zeldzaam in de godsdienstige wereldstad der Joden, maar oen vorst en minister uit Nubië was geen dagelijksch bezoeker van Jeruzalem. Daar waar de

ii

ocr page 186

162 HET EERSTE MOEfiENROOD BOVEN HET DONKERE WERELDDEEL.

witte en de blauwe Nijl te zamenvloeien uit het geheimzinnige binnenland, dat zelfs den wereld veroveraar, Cesar, bewoog die geheimzinnige bronnen op te zoeken, waar de edele Gordon in onze dagen viel, en waar nu de Mahdi en de wilde Sooda-nees heerschen, daar was het vaderland van dien zeldzamen vreemdeling. Het was een man van eene donkere gelaatskleur, met ernstige oogen, dien men de stadspoort zag uitgaan. Misschien zal hij in stilte de omstanders gelukkig geprezen hebben, omdat zij hun leven lang in de stad Gods, onder de schaduw van den tempel wonen mochten. Hij had de maandenlange reis ondernomen, om slechts eenmaal Jeruzalem te zien. Nu had het uur van vertrek voor hem geslagen. Hij stapte in het rijtuig; de koetsier beklom de bok, klapte met de zweep en voort spoedde hij zich in den vroegen morgen, langs den weg naar Gaza.

In enkele minuten was het rijtuig langs den voortreffelijken straatweg het kleine dal genaderd, waarin men nu de Mamilla-vijver vindt. Rechts en links van den weg stonden prachtige gebouwen, totdat men een kwartier verder, op de westelijke hoogte komt, waar tegenwoordig de, overal van verre zichtbare, windmolen staat. Daar zal wellicht de voorname vreemdeling, wiens donker hoofd zooals van alle Nubiërs, met een witten tulband omwonden was, nog eenmaal hebben stil gestaan, om nog een laatste blik op de heilige stad te slaan. Nog eenmaal vestigde hij het oog op de tinnen van den Phasaël en den Hippikus. nog eenmaal zag hij met weemoed en dankbaarheid op den wit marmeren tempel van Jehovah, die zoo als Jozefus zegt: „als een sneeuwbergquot; in den glans van den morgenzon boven alle daken en koepels uitstak.

Daarop draafden de paarden vroolijk voort en in weinige minuten waren huizen en paleizen, de tempel en Jeruzalem\'s hoogten voor altijd aan zijne oogen onttrokken. Bergaf voerde de weg in het Rozendal, op den weg naar Gaza „welke woest isquot; (Hand. 8 : 26). Terwijl de vreemdeling zich met elke minuut

ocr page 187

IN HET JAAR 36.

163

verder van Jeruzalem verwijderde, bleef hij in den geest in de stad vertoeven. Hij verkeerde in die eigenaardige stemming, die ons allen overvalt bij het verlaten van eene geliefkoosde plaats, die wij wellicht nimmer terug zullen zien. Alles wat hij daar beleefd had, kwam hem voor den geest. Ook zal hij gedacht hebben aan zijn vaderland, met zijne tropische hitte, waar hij een gewichtig ambt bekleedde en dat hij voor eenige maanden verlaten had, om voor eens een pelgrimstocht naar Jehova\'s tempel in Jeruzalem te ondernemen. De koningin Kandace had hem uit hare hovelingen tot kamerling verheven. Zij had hem zoo wel hare eigene schatten, als ook de rijksschatten toevertrouwd. Aan haar hof had hij te midden van groote weelde geleefd, gouden en zilveren sieraden, paarlen en juweelen waren daar zijn eigendom; één ding echter ontbrak daar aan zijn gelul;, die ééne kostbare parel namelijk, wier gemis eene stem in zijn binnenste hem deed gevoelen; en daardoor had hij geen vrede gevonden, noch in al dien rijkdom, noch in de paleizen of feestgelagen van zijne koningin. Reeds lang verlangde hij naar dat land der hope, naar dat heilige land, waar de tempel Gods stond; van dien God, wiens geboden en beloften zijn hart en geweten zoo diep hadden geroerd. Eindelijk had hij verlof gevraagd en verkregen, had huis en gezin verlaten, en was, steeds den Nijl volgend, naar het Noorden getrokken. Egypte met hare palmen trok hij door, daarna de woestijn van het hedendaagsche Suezkanaal, totda,t hij eindelijk van dezelfde westelijke hoogte, waarop hij nu stond, voor de eerste maal, diep bewogen, het heilige, geliefde Sion met zijn tempel, zijne paleizen en torens had aanschouwd.

ocr page 188

OP DEN WEG NAAR GAZA.

De zoo eenzame weg naar Gaza „die woest was,quot; scheen voor onzen kamerling meer dan alle andere wegen geschikt tot stille overpeinzing. De weg was eenzaam. Wel voerde hij in den aanvang nog langs groenende wijnbergen, waartusschen, omringd door lichtgroene vijgenboomen, hier en daar vriendelijke buitenverblijven te voorschijn kwamen, die naar gelang van het jaargetijde door vroolijke landlieden bewoond waren. Van tijd tot tijd zag men rechts of links van den weg, op de hellingen dei-bergen, enkele dorpen door donkergroene olijfboomen ingesloten. Ook kwam hij voorbij eene bron, waarin de overlevering zegt, dat hij door Filippus zou zijn gedoopt, maar daarna werd de weg steeds eenzamer. \') Altijd dieper werd het dal, dat zich uitstrekt tot aan de, bij de zeekust liggende, bergen. Langzamerhand werd het klimaat zachter en vond men hier en daar de, in liet gebergte rondom Jeruzalem onbekende, citroen- en oranjeboomen, die met hunne donkere bladeren en witte bloesems, de dorper, versierden, de bronnen beschaduwden en het gansche dal met de heerlijkste geuren vervulden.

Gedurende den tocht op dien eenzamen weg had de kamerling tijd te over, om al w7at hij in den laatsten tijd doorleefd

1) Het woord „woestquot; in onzen tekst, beteekend woordelijk vertaald „eenzaamquot;.

ocr page 189

IN HKT JAAR 86.

had, te overdenken. Hij gevoelde al het smartelijke van het afscheid, maar toch hadden blijdschap en dankbaarheid de overhand. De grootste wensch zijns harten om, al was het slechts eenmaal in Jeruzalem te mogen bidden, was vervuld geworden. Meer had hij niet noodig. De Joden in de verstrooiing, in Rome, Frankrijk, Spanje on Mesopotamië, koesterden ook algemeen den wensch om eenmaal in hun leven te Jeruzalem te aanbidden; nimmer toch was de tempel zelf de verzamelplaats voor de gemeente, maar enkel het huis Gods. Men bezocht God in den tempel. Ook de tegenwoordige Mohammedaan wenscht slechts eenmaal in zijn leven aan de heilige Kaaba in Mekka te hebben geknield, hetzij hij in Marokko of aan de Nijl of aan den Ganges woont. Dan is hij een heilige pelgrim geworden. De zegen van dien pelgrimstocht blijft hem gedurende zijn gansche leven bij en geeft hem tot aan zijnen dood eene zekere wijding. Zoo had ook deze kamerling uit Moorenland zijn lievelingswensch vervuld gezien; en hij was overtuigd, dat de zegen van zijn pelgrimstocht hem zijn gansche leven zou begeleiden. Wel is waar was hij geen Jood maar een heiden, die als proseliet tot het Jodendom was overgegaan; daarom hoopte hij ook eenmaal te mogen deelen in de genadegaven en de beloften van Gods volk.

Van Jezus zelf had de kamerling te Jeruzalem niets vernomen, dan alleen dat hij een ter dood gebrachte oproermaker was, wiens aanhangers totaal waren uitgeroeid. Hij was ten tijde der eerste vervolging, kort na den dood van Stefanus in Jeruzalem gekomen, toen de Christenen op enkele uitzonderingen na, alle gevlucht waren. De enkelen, die in de stad gebleven waren, hielden zich schuil, en het scheen of de herinnering aan den, voor eenige jaren gekruisten, Jezus voor goed verdwenen was. Alle merkwaardigheden in Jeruzalem werden door den Afrikaan in oogenschouw genomen, maar de verkondigers van dat heil, dat op den heuvel Golgotha buiten Jeruzalem was geopenbaard, ontmoette hij niet. Waarschijnlijk zal hij den Hoogepriester Kajafas of zijnen opvolger hebben bezocht, misschien zal hij met

165

ocr page 190

OP DEN WEG NAAR GAZA.

den dweepzieken ijveraar voor de vaderlijke inzettingen, Paulus, hebben gesproken (Gal. 1:14), die juist toen de laatste sporen van het Christendom te vuur en te zwaard wilde uitwisschen. Van Jezus, den Heiland der wereld echter, had hij niets vernomen.

Doch ook aldus had Jeruzalem een diepen indruk op den machtigen heerscher, den kamerling der koningin Kandacé, gemaakt. Hij had de verheven Godsvereering in den tempel bijgewoond, hij had de priesters gevraagd naar de beteekenis hunner eerwaardige zeden en gebruiken, en had in de verschillende synagogen de verklaring der Psalmen en Profeten aangehoord. Het woord Gods had hem machtig aangegrepen en eene nieuwe wereld van hoop en verwachting was voor hem opgegaan. Meer en meer gevoelde hij de verhevenheid, heiligheid en waarheid van Gods geboden, die allen, de nabij-zijnden en de verwijdersten, omspanden en omvatten, met het verheven einddoel van een groot Godsrijk, dat vanaf de heilige bergen van Sion zou geregeerd worden. Ook in hem, in dien vreemdeling uit Afrika ontgloeide de hoop op een aanstaand Godsrijk en zijn Vredevorst, en verheugd zal hij hebben ingestemd in de uitspraak des psalms: „Eén dag in Uwe voorhoven, o Heer! is beter dan duizend elders.quot;

Daarom had hij ook vóór zijn vertrek als een wijs en verstandig rentmeester, van alle schatten en juweelen der heilige stad den grootsten schat uitgezocht en mede genomen, namelijk: het Woord Gods. Het was een exemplaar van een boek, dat een bizonderen indruk op hem gemaakt had: het boek van Jesaja, den evangelist in profetengewaad. Die kostbare rol lag naast hem in den wagen, terwijl hij langs den stijlen bergweg afdaalde.

Nu en dan reed hij een vriendelijk dorpje voorbij, dat van uit de hoogte als uit een krans van boomgaarden te voorschijn kwam. De reiziger, die heden ten dage per spoortrein van Jaffa naar Jeruzalem reist, kan zich in die rotsachtige dalen, waar nu de locomotief fluit en zucht, eene duidelijke voorstelling maken, van den weg, dien de kamerling volgde. Nu eens rolde

166

ocr page 191

IN HET .TAAR 36.

de wagen door een nauw dal, langs de uitgedroogde, met witte kiezelsteentjes bedekte, bedding eener beek, waarboven zich hooge bergwanden, uit opeengestapelde rotsblokken gevormd, verhieven, en waar tusschea zich groote zwarte holen en spleten vertoonden. Dan weder ging de weg door vriendelijke dalen of langs stijle bergwanden, die loodrecht in de diepte verdwenen, of langs diepe afgronden, totdat eindelijk over de vlakte der Filistijnen in het verre Westen, do blinkende, blauwe Middellandsche zee opdoemde. Langzamerhand werd het landschap vriendelijker, de dalen werden wijder, de bergen en heuvelen lager en kwam onze reiziger beneden in de vlakte. De trotsche bergen lagen achter hem. Van hetgeen in die vlakte voorviel is het, dat wij verhalen willen.

De kamerling zat dan op zijn wagen en las den profeet Jesaja. Had hij op den steilen bergweg slechts met groote moeite en inspanning, of misschien in het geheel niet, kunnen lezen, hier op den effen weg in de vlakte ging het gemakkelijker. Ofschoon hot lezen al rijdende nog altijd lastig was, kon hij er toch niet mede eindigen. Het ging hem als iemand, die een ongeopenden brief van een vriend in de zak heeft en nu niet kan rusten, voor dat die gelezen is. Hij las steeds voort, daar de inhoud hem meer en meer boeide. Welk een aangrijpende klacht van den grooten God over zijn ongehoorzaam volk! Welk een heilige ernst sprak er uit Jesaja\'s woorden, toen hij stond voor de Cherubim en de Seraphim, die hun „heilig!quot; „heilig!quot; door de ruimten des hemels deden weerklinken.

Alleen zij, die eens reikhalzend naar waarheid dorstten, maar nimmer een bijbel in de hand hebben gehad, kunnen met den voornamen Afrikaan gevoelen en beseffen met welk eene aandoening hij die heilige woorden las. Zoo zeer was hij in zijn moeitevolle lektuur verdiept, dat hij, zijn vaderland, Jeruzalem, het weemoedige afscheid, ja alles vergetend, hardop begon te lezen, alsof hij iemand deelgenoot moest maken van hetgeen hij las. Door de velden der vlakte voerde de weg tusschen

167

ocr page 192

OP DEN WEG NAAR GAZA.

rijpende korenvelden, terwijl van tijd tot tijd in de verte een schitterende strook der Middellandsche zee zichtbaar werd. Achter verhieven zich trotsch de bergen van Judéa als eene sterke vesting; menigmaal hadden de Filistijnen zich daartegen bloedig het hoofd gestooten. De ijverige lezer lette echter noch op de bergen noch op de zee. Alleen aan de beschreven rol van den profeet Jesaja, die hij voor zich had opengeslagen, wijdde hij al zijne aandacht. De Heilige Geest, die door de Schrift zoo wonderbaar tot onze harten weet te spreken, bereidde zijn hart door het lezen des Ouden Testaments, voor de groote waarheden van het Nieuwe Verbond.

Enkele hoofdstukken zal hij waarschijnlijk hebben overgeslagen, maar menig hoofdstuk met aandacht hebben overpeinsd. Nu was hij bijna aan het einde van het boek Jesaja gekomen en las het 58^° Hoofdstuk. Somtijds trilde zijne stem van aandoening, dan weler klonk zij vragend, als peinsde hij over de beteekenis van die merkwaardige woorden, die zoo verheven klonken en toch zoo veel raadselachtigs bevatten; smaad en heerlijkheid, ziekte en ellende en juist daardoor genezing, straf en vrede, een doornenkroon en eene koninklijke diadeem; enkel tegenstrijdigheden — neen! hij kon het niet doorgronden.

Plotseling hoort hij zich door iemand aanspreken, die reeds eenigen tijd naast den wagen scheen gegaan te zijn. Verrast ziet de kamerling op, en ontwaart een man met een edel voorkomen. Uit zijne heldere, donkere oogen sprak zoowel vriendelijkheid als openhartigheid; over zijn ganschen persoon lag iets verhevens, gepaard aan een zekeren, gewijden ernst, die hem aantrok.

„Verstaat gij ook wat gij leest?quot; vroeg de wandelaar vriendelijk.

De kamerling, zichtbaar verheugd, dat hij dit land niet zou behoeven te verlaten, zonder dat het raadselachtige boek van Jesaja hem zou verklaard worden, liet den wagen stilstaan en, eerlijk zijne onkunde bekennende, vroeg hij:

„Hoe zou ik toch kunnen, zoo mij niet iemand onderricht?quot;

168

ocr page 193

IN HET JAAE 36.

Daar het hem toescheen, dat de vreemdeling denzelfden weg ging, drong de kamerling er op aan, dat hij op den wagen klimmen zou en zich naast hem nederzetten.

Filippus — want deze, dien wij pas te Samaria hebben ontmoet, was het, voldeed aan dat verzoek, en naast elkander neder-zittende, vervolgden zij den weg. Filippus liet zich de boekrol geven en las de woorden, waar de kamerling gebleven was. Deze luidden: „Als een lam werd hij ter slachtbank geleid, en als een schaap dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, deed hij zijnen mond niet open. Hij is uit den angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal zijnen leeftijd uitspreken? want hij is afgesneden uit het land der levenden.quot;

ocr page 194

■^T) S^Tgt; s^a r^^a s^ s^ï s^gt; ^YT) 6gt;Y^ S^ Ggt;Y/-a s^ lt;r^T) «^a s~^a ff^a s^ G-^-

§ Hp»^ ^ ^^lt;sw^^

..^\' j^s-:

°o 6ve)^(57e)^ (SVCJ

e^a e-^-s c^s cl^S e^s e.^? e^-3 c-^s cJ^a e^s c^s er^,s e-^5 e^s G^igt;

©f êvè)^quot; (57i)T quot;STST éVG)^

o e/Avs e/AV9

FILIPPUS.

Tiet was Filippns te moede, alsof de Heer zelf het boek op die plaats had opengeslagen. Do voortrollende wagen werd hem tot preekgestoelte. Welk een rijkdom van stof leverde hem dit hoofdstuk. De innige overtuiging dat het de Heer was, die hem daar had gebracht, verhoogde zijne stemming. Nu wist hij, waarom hij juist dien weg .,die woest wasquot; had moeten gaan. Nn wist hij waarom hij, toen hij den wagen zag, eene zoo duidelijke inwendige stem had vernomen: „G-a heen en voeg u bij dien wagen!quot; Nu wist hij dat eene hoogere macht dien Negervorst geleid had, toen deze te Jeruzalem juist dat boek uitkoos, en waarom hij nu juist die plaats had opgeslagen. Het was hem, alsof de Heilige Geest zelf de teugels in handen had genomen om den, naar God verlangenden, vreemdeling langs den weg, „die woest wasquot; op den goeden weg te leiden, die voert naar het hemelsch Kanaan.

Bezield door al zulke overdenkingen, sprak Filippus mot groote geestdrift. Hij voerde den kamerling in den geest terug naar een der heuvels van Jeruzalem, dien hij achteloos was voorbij gegaan, naar den heuvel Golgotha. Hij toonde hem den Zone Gods, die daar als een schaap ter slachtbank werd gevoerd en zijnen mond niet opendeed. Hij liet hem de bange ure op

ocr page 195

IN HET JAAR 36.

den Goeden Vrijdag mede doorleven, en daarna de zalige Paaschdagen, de verheven Hemelvaart, en het indrukwekkende Pinksterfeest, dat de boodschap van de liefde des Vaders in de Hemelen in Jezus Christus, aan alle volkeren en natiën aankondigde. Zeker zal hij hem hebben medegedeeld, hoe hij voor eenige dagen aan een vreemd volk in Samaria het Evangelie had gebracht, en hoe hij velen door den doop in dat rijk van Christus, dat rijk van liefde en genade had opgenomen.

Hoe langer de kamerling toeluisterde, hoe blijmoediger zijne stemming werd. Het was hem, alsof hij alles wat hij nu hoorde reeds lang gezocht en verwacht had; als hoorde hij eindelijk het liefelijke lied weder, dat hij in zijne kindschheid gehoord, en sedert te vergeefs gezocht had; het groote lied der eeuwige liefde. Hoe geheel anders, hoe oneindig liefelijker klonk hem dat in de ooren, dan alles wat men hem in Jeruzalem gezegd had. Hier was het geen God, die alleen de Joden lief had, maar een God, die alle verdwaalde kinderen der wereld in Christus wilde aannemen en liefhebben. Hij begreep, dat het rijk Gojs en Gods genade niet alleen betrekking hadden op dat kleine stukje aarde, dat hij had bezocht, zooals Paulus van Tarsen hem wellicht had verzekerd, en dat Gods liefde niet begrensd was door Palestina\'s grenzen. Neen, nu openbaarde zich aan hem voor de eerste maal de schoone, groote, bezielende gedachte van de algemeenheid van Gods liefde, de alomvattende erbarming des Vaders — dezelfde groote gedachte, die later de bekeerde Paulus onder de zwaarste vervolging en met gevaar van zijn leven, tot aan zijn dood toe, der wereld heeft verkondigd.

De kamerling was overtuigd. God had hem op het juiste oogen-blik het rechte woord doen hooren. Alles wat Filippus hem zeide, droeg het onmiskenbare kenmerk der waarheid, die elke naar God zoekende ziel bevredigt. Aan hem werd het woord van don Heiland, dat Hij enkele uren voor zijnen dood tot Pilatus had gesproken, bewaarheid: „Een iegelijk die uit de waarheid is, hoort mijne stem.quot; Uit alles hoorde hij de stem

171

ocr page 196

FILIPPUS.

van den goeden Herder, die hem heden geroepen en bij de hand had genomen, zonder dat hij het zelf wist. Alles stemde overeen met hetgeen hij in Jesaja had gelezen en dat hij te vergeefs had trachten te begrijpen. Het was de vervulling van de verheven profetien van het Oude Testament. Van dat alles had hij in Jeruzalem niets gehoord! Was het geen duidelijke leiding Gods, dat Hij hem Pilippus had gezonden, voordat hij het land verlaten zou hebben, zonder het beste gevonden te hebben?

Nog één wenseh bleef hem over, en wel, dat Filippus hem, evenals voor eenige weken de Samaritanen, door den doop onder de volgelingen en jongeren van Jezus wilde opnemen.

Een klein, stroomend water ruischte langs den weg; en de kamerling sprak:

„Ziedaar water; wat verhindert mij gedoopt te worden?quot;

Filippus antwoordde:

„Indien gij van ganscher harte gelooft, zoo is het geoorloofd.quot;

Onmiddelijk sprak de kamerling met groote vreugde en verzekerdheid :

„Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van Gfod is.quot;

Daarop liet Filippus den wagen stilstaan; zij stegen uit en traden aan den oever. Zooals vroeger Johannes de Dooper aan den Jordaan gedaan had, steeg Filippus met den kamerling in het water en doopte hem. Wel zal de vreemdeling het hoofd diep gebogen hebben, toen Filippus hem de handen oplegde, cn die met een diep geroerd hart gedankt, dat het hem vergund werd den eersten heiden uit het verre land in de gemeente van Jezus Christus op te nemen.

Daarop stegen zij weder uit het water, wellicht zonder een enkel woord te spreken. In zulke heilige oogenblikken is zwijgen welsprekender dan de schoonste woorden. „Toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest des Heeren Filippus weg/ en de kamerling zag hem niet meer.quot; Wonderbaar, als een Godsbode, had hij zijn weg gekruist; wonderbaar was hij ook aan zijne oogen onttrokken.

172

ocr page 197

IN HET JAAE 36. 173

Was het niet een gewichtig oogenblik, daar bij die onbekende beek in de vlakte der Filistijnen bij O a/a ? Was het niet een uur van genade voor de volkeren, die daar over de wateren der Middellandsche zee woonden? Was het niet alsof hier, even als vroeger aan den Jordaan, de Heilige Geest nederdaalde op de arme heidenwereld en eene stem haar voor de eerste maal toeriep: „Ook gij zijt mijn geliefde zoon?quot; Toen werd het groote uurwerk van het Godsrijk op het uur gezet, waarop liet ook nu nog staat, op het uur der heiden-zending. Pilippus, niet een der Apostelen \'), was geroepen om den vreemdeling uit Afrika te doopen, als eersten vertegenwoordiger van de groote, wachtende heidenwereld.

Groote verrassingen waren in de eerste tijden nog te wachten daar in Jeruzalem, waar Paulus dreiging en moord blies, om de Christenen te vervolgen en uit te roeien. Maar het was Filippus, die eerst in Samaria en toen hier den heidenen de poort der kerk opende. Zijn naam staat met schitterende letteren geschreven in de geschiedenis der eerste Christelijke kerk. Hoe langer wij dezen Apostolischen man beschouwen, hoe

1

belangrijker hij ons wordt. Daar staat de profetische gestalte,

die in Samaria eene gansche bevolking opwekte, die de eerste lichtstralen in het verre Afrika deed schijnen aan de poorte der heidenkerk, van welke tegenwoordig honderd duizenden torens in Europa en Amerika, in Azië, Australië en Afrika ten hemel wijzen,

als wilden zij van alle hoogten en uit alle dalen en van alle

V -■

vlakten der aarde de groote vraag van Pilippus aan alle volkeren voorleggen: „Gelooft gij van ganscher harte in Jezus Christus ?quot;

Daar staat de onvergetelijke Filippus en gaat alle Apostelen vóór op den weg ,.die woest is,quot; op den nog nimmer betreden weg des Evangelies in de heidenwereld. Deze eerste heiden-zendeling, op onbekende paden gaande, moet wel een diepen blik in Gods alomvattenden raad hebben geslagen, die in Christus allen

1) Onze Filippus (Hand. G : 5) mag niet verwisseld worden met den Apostel van dien naam. (Matth. 10 : 3).

ocr page 198

PILIPPUS.

volken vrede brengen wil. Hij moet de beteekenis van den ééuen Herder en de ééne kudde goed hebben verstaan, om de eerste te zijn geweest, die met de Joodsche vooroordeelen gebroken heeft; anders ware niet juist hij uitverkoren geworden om alle anderen vóór te gaan in het verkondigen van het Evangelie aan alle volkeren.

De kamerling uit Moorenland was de eerste Christen uit de heidenwereld — hoe velen zijn hem later gevolgd. Zooals des avonds, wanneer één ster aan het firmament zichtbaar wordt, de andere spoedig volgen, totdat het gansche schitterende, flikkerende sterrenheir neerziet op de donkere aarde, zoo zijn ook ontelbare scharen den kamerling gevolgd door de wijd geopende poorte der Christelijke kerk. Op dien gedenkwaardigen dag was er één enkele Christen — nu telt men er 450 millioen!

174

ocr page 199

DS BLIJDE REIS NAAR HUIS.

Verbaasd stond daar de kamerling, steeds beter beseffende dat de hand Gods heden de teugels van zijnen wagen geleid had. De Heer had Filippus\' schreden daarheen geleid, had hem de rol van Jesaja juist bij die woorden doen openslaan, had hem bij het water gebracht en Filippus na den doop plotseling weder weggenomen. Deze wonderbare wijze van scheiden moest den kamerling tot een vernieuwde geloofsversterking worden, en hem ten slotte duidelijk doen inzien dat een hoogere hand alles aldus had bestierd. Hij had zeer zeker een duidelijk inzicht in \'s Heeren genadeleidingen noodig, want aan dat ééne uur moest de man zich zijn gansche leven vastklemmen. Hij had niet, zooals wij, die dagelijks aan den ruischenden stroom van het water des levens staan, helaas te weinig door ons gewaardeerd, een Nieuw Testament, noch Christelijke gemeenschap, noch eene wekelijksche Evangelie-prediking. Hij moest tot aan het einde zijns levens zich vergenoegen met wat hij in dat ééne uur ervaren had.

Wij zien hem in den geest aan het water staan, maar tevergeefs zoekt zijn oog Filippus. Zou hij daarover treuren? Neen, hij verheugde zich te zeer, dat hij eindelijk had gevonden, datgene, waarnaar hij zijn leven lang had gezocht. Hij toch had God en

ocr page 200

DE BLIJDE RETS NAAR HUIS.

niet Filippus gezocht. In Christus had hij dien God gevonden, Nu had hij een Vader in den hemel; nu kon hij Hem aanroepen, ook al was hij verre van Jeruzalem verwijderd. Zijn kennis van de geloofsleer was gering, zeer gering. Hij kende zelfs het „Onze Vaderquot; niet, maar op menschelijke wijze en in korte woorden had Filippus hem het tweede artikel van de geloofsbelijdenis verklaard. De boekrol van Jesaja nam hij met zich mede in den wagen en zijnen Heer Jezus Christus in het hart.

Wees dan gezegend op uwen weg, gij in waarheid eerste en rijkste schatmeester in gansch Afrika! Uw Heiland in het hart, uw Vader boven u, en den hemel voor u, — neen, wij verwonderen ons niet, dat de Heilige Schrift aan het begin van uwen toekomstigen levensweg het schoone woord plaatste: „En hij reisde zijnen weg met blijdschap.quot;

En nu willen wij onzer verbeelding ruim spel geven en den gelukkigen kamerling volgen in zijn ver verwijderd vaderland. Waarheen ? Door de palmbosschen van Egypte, voorbij de duizendjarige pyramiden en tempels van Memphis, stroomopwaarts den snelvlietenden Nijl volgende, voorbij de watervallen en de wonderbare gebouwen van Karnak en Luksor, tot aan de heete oevers van de Baehr-el-Abiad en El-Asrak in het land der Mooren. Daar komt hij aan, onze eerste broeder uit de heiden-wereld, en trekt zich in zijn paleis terug. Zal het hem mogelijk zijn geweest, die ééne kostbare parel even zoo veilig te bewaren als de andere schatten zijner koningin, die hij achter slot en grendel sluiten kon ? Of heeft hij niet gerust voordat hij, even als zijn vriend Filippus daar in Voor-Azië, uit kon gaan in de steden en dorpen van zijn vaderland, om zijne koningin Kandacé en haar volk tot Christus te brengen, om die in Midden-Afrika, als een Johannes de Dooper en Evangelist tegelijk, als eene nieuwe kerk aan de onbekende oevers van den Boven-Nijl, voor zijnen Heer te winnen? Heeft die machtige kamerheer door de kracht des Heiligen Geestes eene schare van Evangelisten gevormd, die allen zijnen profeet Jesaja en het levende

176

ocr page 201

IN HEÏ JAAR 8(5.

Evangelie in het hart droegen? Is de Zonne der Gerechtigheid en des Evangelies reeds eenmaal over het hart des donkeren werelddeels opgegaan, om daarna voor vele eeuwen weder onder te gaan? Zijn er wellicht op het ontzettend groote kerkhof van Soedan vele honderden Christenen begraven, wier namen door de wereld zijn vergeten, maar die staan opgeschreven in het Boek des Levens, en die daar onder de gloeiende zon der evennachtslijn slapen, om den grooten opstandingsmorgen te verwachten ?

Wij weten het niet, vriendelijke lezer. Maar hebt gij nimmer gehoord, hoe het er tegenwoordig in dat werelddeel uitziet ? Ziet gij in Soedan, in Oost-Afrika die zwarte volkeren niet op dien iveg „ivelke woest is ?quot; Weet gij het niet, hoe zij voortleven zonder licht, zonder troost van boven; weet gij het niet, dat hun gansche leven slechts eene dorre, troostelooze woestijn als de Sahara is, en dat hun leven door de leer van den Islam of den afgodendienst in, duisternis is gehuld ? Ziet gij dat slaventransport niet in de gloeiende, verzengende zon, aan welks eind de slavenhandelaar de uitgeputte vrouwen en kinderen langzaam met een bloedig zwaard doodt? Is het daar geen groot, uitgestrekt kerkhof, waarop geen kruis is geplant, dat van de graven in de diepte naar den geopenden hemel wijst?

Ziet gij ook die kleine schare dappere volgelingen van den Kamerling? Livingstone gaat vooraan, als een nieuwe Filippus van Afrika. Hij heeft zijn leven gegeven aan dat werelddeel. Zijn levenswerk is voor die verwijderde stammen het morgenrood geweest dier liefde, die alles gelooft, alles hoopt en alles duldt. Zijne liefde heeft in de harten dier zwarten de uitgedoofde vonk der liefde ontstoken en tot nieuwen gloed aangeblazen. En na zijn dood droegen zij den dierbaren doode gedurende vele maanden, onder het grootste levensgevaar dwars door het donkere werelddeel om hem in den vaderlijken grond te doen begraven. Een groote schare van strijders voor het Evangelie is hem nagevolgd. Van Noord en Zuid, van West en Oost dringen zij

12

177

ocr page 202

DE BLIJDE REIS NAAK HUIS.

door in de donkerste oorden, om die met de wapens der liefde voor Christus\' rijk te veroveren.

Ja, de Evangelische Zending heeft zich dat te lang verwaarloosde werelddeel weder aangetrokken. Levensboomen ontspruiten op het graf van Livingstone en van zijne medestrijders. Zijt gij, lezer, ook te vinden in de rijen dergenen, die mede de hand aan den ploeg slaan? Of gelijkt gij dien bekrompen Jood, die toen ter tijde meende, dat Gods liefde zich beperkte tot de grenzen van Palestina, of die nu meenen, dat het rijk Gods ophoudt bij de grenzen van Europa of zelfs bij de grenzen van hunne eigene, kleine kerk? Billijkt gij misschien de bewering van die Europeanen, die meenen, dat de zweep het eenigste geschikte Evangelie voor de negers is, en die daarenboven door hunne zonden, den naam van Christus onder de negers schandvlekken, zoodat zij met een vloek op de lippen tegen hunne beschaafde onderdrukkers en tegen den Heer Jezus sterven? Hoort gij die stemme des Geestes niet in al de ellende dier arme zwarten, wien toch ook een verlangen naar Gods licht en Gods. liefde is ingeplant, en die ook tot u, zoo als weleer tot Filippus spreekt: „Ga toe, en voeg u bij dezen man?quot;

De Kamerling moest zich gedurende zijn gansche leven ver-gërioegen met dit ééne uur, waarin hij Gods genade leerde kennen, maar hij ging heen en verkondigde aan zijn volk de groote daden Gods. Aan u zijn reeds duizenden zulke gezegende uren gegeven, en hebt gij wel ooit de hand uitgestrekt, al was het slechts om voor één mensch uit de heidenwereld de poorten van het rijk der genade te openen? O! wanneer zulk een lezer dit boek in handen krijgt, dat hij dan de stemme des Geestes moge vernemen, die hem tot den arbeid roept! Hij ga heen, en helpeen steune onze Zendingvereenigingen, opdat de hemel in het Oosten weder glöeie en het zoo vurig verlangde uur moge aanbreken van:

Het tweede morgenrood over het ongelukkige donkere werelddeel!

178

ocr page 203

DE ROEPING DES RIJKSBANIERDRAGERS VAN JEZUS CHRISTUS.

ocr page 204
ocr page 205

DAMASKUS.

Naar Damask us! Naar Damaskus !

Koepels groeten u van verre; Minaretten blikken neder;

Dieper fonkelt daar de Sterre; Met meer goud vlamt daar de Zonne; Zoeter ruischt er bron op bronne, D\' Arabier, op stouten toon,

Zingt: „hier staat des Eeuwgen troon!quot;

Neem nu, vriendelijke lezer! den wandelstaf op, en verlaat het ruwe gebergte van Judéa en de vaak betreden, heilige paden van Jeruzalem! Van nu af toch, voert ons de zegetocht der jeugdige kerk naar verderaf gelegen landen, door de Heilige Schrift nog nimmer genoemd. Kom met mij méde naar Damaskus, op die bronnenrijke, wereldberoemde hoogvlakte, de zoogenaamde Ghüta, die in het noordelijk gedeelte des lands, bijna even hoog gelegen is als Jeruzalem (700 meter boven de oppervlakte der zee), en van oudsher de Parel van het Oosten heeft omsloten.

Damaskus! Alleen de klank van dien naam werkt als een tooverslag op eiken Arabier. Het liefelijkste, schoonste beeld

ocr page 206

DAMASKUS.

op aarde verrijst voor den Islamiet, wanneer hij van zijn „Chamquot; spreekt, zooals de stad tegenwoordig genoemd word. Een gevoel van heiligen eerbied grijpt den Mohammedaanschen pelgrim aan, als hij die oude Kalifenstad, in de glinsterend, groene krans harer tuinen, voor zich ziet. Keizer Julianus, de Afvallige noemde haar, trots Eome en Konstantinopel, het „Oog der wereld.quot; De Arabische zangers noemden Damaskus „Het Oog van het Oosten,quot; ,,de Paarl van het Oosten,quot; „de Koningin der Syrische steden.quot; En toen Mohammed, destijds nog een eenvoudige kameeldrijver, voor de eerste maal voor de stad stond en van een nabij gelegen heuvel op de, midden in de woestijn gelegen, stad in hare aangrijpende schoonheid nederzag, toen, zegt men, heeft hij vol bewondering uitgeroepen: „Den sterveling is slechts één paradijs op aarde gegeven, — ik zoek het hemelsche!quot; Na die woorden gesproken te hebben, wendde hij zich om, zonder de poorten te zijn binnen gegaan.

Werkelijk gelooft de Mohammedaan, dat op de plaats waar Damaskus gebouwd is, het verloren paradijs is geweest. De onuitputttelijke vruchtbaarheid, de zeven armen van den blauwen stroom, de schitterende meren, de majestueuze bergen; alles schijnt hem een overblijfsel van de verdwenen heerlijkheid van Eden te zijn. Ook nu nog schijnt het den Arabier, die zich het Paradijs als een heerlijke tuin vol kostelijke vruchten en frissche bronnen voorstelt, dat Damaskus eene afspiegeling is van het hemelsch Paradijs, de belichaming van al de gelukzaligheid en liefelijkheid, die de aarde den mensch bieden kan.

Voor zoo ver wij weten, is Damaskus de oudste stad der gansche wereld. Zij werd gebouwd door Uz, kleinzoon van Noach. Sedert de eerste menschenschare in „de grijze oudheidquot; uit het Oosten, over Mesopotamië heen toog, om nieuwe woonplaatsen te zoeken, hebben daar aan de paradijsachtige oevers van den Barada, in de schaduwen der ruischende palmen, cypressen en populieren, menschelijke woningen gestaan, waarin de bewoners met verrukking nederzagen op dat eenig

182

ocr page 207

188

schoone plekje aarde. „Men late,quot; zegt Mark Twain, „de eerste 11 Hoofdstukken uit het Oude Testament weg, en er blijft geen verhaald voorval uit de wereldgeschiedenis over, zonder dat Damaskus bestond om daarvan bericht te ontvangen. Men ga zelfs zoover men slechts wil in het onbekende verleden terug: en altijd vindt men Damaskus. In de geschriften aller eeuwen, dus sedert meer dan 4000 jaar, is zijn naam vermeld en zijn lof bezongen. Voor Damaskus zijn jaren slechts oogenblikken en eeuwen eene korte spanne tijds. Damaskus rekent den tijd niet bij dagen, maanden of jaren, maar wel bij wereldrijken, die het zag ontstaan, bloeien en verdwijnen. Het is een zinnebeeld der onsterfelijkheid. Baalbeck, Thebe en Epheze zag het verrijzen, dorpen breidden zich tot groote steden uit tot verbazing der wereld; zij bleven een tijd bestaan — en men zag ze verlaten, vervallen en aan de uilen en vledermuizen ter schuilplaats gegeven. Damaskus zag het Israëlitische rijk verhoogd en vernederd. Het zag Griekenland ontstaan, twee duizend jaren bloeien en — verwelken. In hoogen ouderdom zag het Rome opbouwen, dat door zijne macht de wereld overschaduwde en — onderging. De enkele eeuwen van bloei en heerlijkheid van Genua en Venetië, waren voor het ernstige, oude Damaskus slechts eene onbeduidende opflikkering, niet waardig om aan de vergetelheid te worden onttrokken. Damaskus heeft alles gezien, wat ooit op aarde gebeurde en — leeft nog. Het heeft op de dorre beenderen van duizenden wereldrijken neergezien en zal voor zijn sterven nog duizenden rijken aanschouwen. Het oude Damaskus is in waarheid de eeuwige stad.quot;

Ook nu nog biedt de stad met hare omgeving, zelfs voor den meest bereisden Oosterling, wiens oogen aan den weelderigsten plantengroei gewoon zijn, een prachtig schouwspel. Treed slechts op een der vooruitspringende rotsblokken van den Antilibanon, wiens hoogten zich verheffen boven de stad, en die niet zijne eeuwig frissche wateren de bloeiende oase

ocr page 208

DAMASKUö.

dagelijks nieuw leven schenkt, en uw oog zal in bewondering nederzien op de groote wereldstad Damaskus! Twee geweldige berggevaarten staan als reu zen wachters voor de zoo hooggeprezen stad: de Antilibanon met zijne voorgebergten, en de Hermon met zijne drie spitsen, wiens trotsche, met sneeuw bedekte pyramide in koninklijke majesteit op de stad nederblikt.

Achter de stad opent zich eene uitgestrekte horizont, die op onmetelijken afstand met den blauwen hemel ineensmelt. Meren schitteren in de vlakte, en talrijke stroomen, rivieren en beekjes vertoonen zich tusschen de tuinen, om zich spoedig weder aan het oog te onttrekken. Aan gene zijde der oase strekt zich het gele zand der woestijn uit, waardoor paden als rechte lijnen zichtbaar zijn, en waarop men, door den grooten afstand ter nauwernood zichtbaar, eene lange rij kameelen en karavanen ziet voortkruipen. Die breede, zilveren band in de diepte, die door de stad zich slingert en daar buiten in het Zuid-Oosten schitterend verdwijnt, is de prachtige Barada-stroom, wiens oorsprong van Damaskus uit in twee dagreizen te bereiken is. Gredrenkt door groote bronnen komt deze bij Damaskus reeds als een groote stroom uit het gebergte te voorschijn. Tusschen schilderachtige bergwanden en hemelhooge rotsblokken stort zich de Barada in de nabijheid van Damaskus vaak in prachtige watervallen, als in jeugdig brui-schenden overmoed neer, als wist hij dat de koningin der Arabische steden hem opwachtte, opdat hij daar midden in de woestijn een eeuwig groen paradijs zou doen ontluiken.

Bovenalles boeit het uitzicht op de stad zelve uw oog. Daar ligt het prachtige Damaskus in zijne gansche uitgestrektheid aan uwe voeten. Hoe dorder de woestijn daarom heen u toeschijnt, met des te grooter verrassing blikt gij op de, in de zon glinsterende, huizenmassa, waarover eene wolke van geschiedkundige herinneringen zweeft. „Te midden van al het golvende, groene loof,quot; zoo schildert in geestvervoering een reiziger den

184

ocr page 209

IN HET JAAB 37.

aanblik, „ligt de groote, uitgestrekte stad als een eiland van paarlen en opalen, dat uit een meer van smaragden te voorschijn komt.quot; Meer dan zeventig hooge minaretten en torens van moskeen steken boven de huizen en straten uit. Tot voor korten tijd was de groote Om mayaden-Moskee de indrukwekkendste, • grootste en schoonste van alle, wier slanke, wit marmeren toren met haren reusachtigen koepel de stad kenmerkte. Talrijke cypressen en palmen, die tusschen de huizen te voorschijn komen, verlevendigen het vriendelijk stadsgezicht.

Met dit alles echter, hebben wij slechts voor een deel van de heerlijkheden van Damaskus gewaagd. Do grootste roem dei-oude stad aan den Barada is het doolhof van tuinen, die haar omgeeft. Met recht mag van Damaskus het woord des dichters gelden;

Omringd van rozenhoven,

In bloesemrijken krans!

Daar springen frissche bronnen In regenbogenglans.

De gansche Ghüta-vlakte is één groote, uitgestrekte tuin. Een uur ver rondom de Kalifenstad ligt de eene tuin naast den anderen, evenals te Napels, te Sorento en Baja, terwijl tusschen het zachte groen de helderwitte huisjes te voorschijn komen. Het zijn de tuinhuizen en villa\'s der gelukkige eigenaars. Daar bloeien in ontelbare menigte de schoonste rozen, en de heerlijkste geuren bezwangeren de lucht. In dat heerlijke klimaat schijnt alles te gedijen. De vruchtbare grond werpt zijnen bewoners de vruchten als in den schoot. Een en dezelfde bodem voedt daar, zooals nergens elders, de rijkste graanvelden en te gelijk de heerlijkste vruchtboomen, die hunne takken over de golvende halmen uitbreiden. Dat zijn de altijd groenende boomen, waarvan de psalmist zingt: „Want hij zal zijn als een boom, die zijne vrucht geeft op zijnen tijd en welks blad niet afvaltquot; (Ps. 1 : 3). Oranje- en citroenboomen, abrikozen en perzikken, walnoot en granaat wedijveren met nog zoo vele

185

ocr page 210

DAMASKÜS.

amlore boomen in groote vruchtbaarheid. Behalve die vruchtboo-men ziet men eene menigte prachtige, groote boomen, zooals de breede platanen, de ernstige cypressen, de trotsche palmen en de liooge zilverpopulieren, welke laatste langs den geheelen oever van den Barada groeien. Vaak ziet men krachtige wijnstokken zich slingeren om de stammen der boomen aan den Barada en in de tuinen, die met de hooge populieren in wasdom wedijveren en tot aan de kroon zich opwerken, terwijl zij den wandelaars daar beneden hunne zoete druiven in overvloed bieden.

De onuitputtelijke waterrijkdom is alleen de oorzaak van die groote vruchtbaarheid. Op alle plaatsen borrelt en murmelt en stroomt het water; op en onder den aardbodem worden de vruchtbaarmakende takken van den Barada in talrijke kanalen door de tuinen geleid. De Barada is in waarheid een nimmer opdrogende goudbron voor de stad. Geen wonder, dat die stroom door de ouden „de goudstroomquot; „Chrysorrhoasquot; is genoemd, want niet alleen in de tuinen maar overal in zijnen loop toovert hij een eeuwig groen leven te voorschijn. Men lette slechts op de prachtige mirtenbosschen bij Salhije; daar steekt de mirteboom ver boven de huizen van het dorp uit en in den bloeitijd staat hij daar met bloesems bedekt als eene groote, sneeuwwitte bloemruiker, in bruidsdosch schitterend.

Echter niet alleen de tuinen en boomen worden door den Barada met eeuwig-jong leven gesierd, maar zijne wateren spoedden zich voor alles, heen tot de menschen in dat oude, heerlijke Damaskus. Dat heerlijke, koude, zuivere water, dat aan don stroom zijn naam, Barada d. i. „de koude,quot; gegeven heeft, is van oudsher de roem en de trots van Damaskus. Hij, die Damaskus bezocht heeft, begrijpt den ouden Syrischen veldheer Naaman, die op het bevel van Elia, om zich zevenmaal in den Jordaan te baden, met toorn en verachting over de vaak troebele wateren van Palestina\'s stroom uitriep: „Zijn niet de wateren van Amana en Parphar te Damaskus veel beter dan alle wateren in Israel, dat ik mij daarin zou baden om gereinigd

186

ocr page 211

IN HET J A AH 87.

te worden?quot; De rivier Barada, oudtijds de Amana, is nog heden ten dage de trots der inwoners van Damaskus. Het zijn niet juist de inwendig kunstig versierde huizen der edelen, met hunne door zuilen gedragen, huishooge, koepelvormige zalen, en marmeren en albasten wanden, bedekt met de kunstwerken van Arabië, die de stad zulk een wijd beroemden naam geven onder de steden van het Oosten, maar wel de frissche wateren van den nabijgelegen Libanon, die haar doorstroomen; de Barada toch, verdeelt de stad in zeven deelen. Nog meer! Geen huis is er in Damaskus, dat niet zijne eigene, frissche fontein heeft. Die trouwe vriend der Damasceners wil daar niet vluchtig door trekken, neen! hij blijft er verwijlen, treedt in elk huis en bezoekt de menschep en de kinderen. Hij brengt hun een dage-lijkschen groet der bergen. Hij drenkt en verkwikt hen, hij maakt de tuinen vruchtbaar, en eerst daarna stroomt hij verder de woestijn in, om in het heete zand onder te gaan, toen het leven hem, na zijn afscheid van Damaskas, niets meer waard was. Die stroom is voor alle inwoners van Damaskus een onontbeerlijke huisvriend, die zelfs op den heetsten dag verkoeling aanbrengt, en niet alleen in de huizen der rijken, der patriciërs, waar de, door den stroom gevormde, fontein de marmeren bekkens vult, maar ook in de vuilste steegjes, in de huizen der armen, waar een takje door het armoedigste kamertje stroomt en dat door zijn gemurmel verlevendigt.

In Damaskus is de reiziger nog geheel in het Oosten. Geen geratel van sierlijke rijtuigen, zooals in de straten van Kaïro en Alexandria, geen Europeesche wijken met breede, zindelijke straten, zooals in de stad der Pyramiden, maar midden in het echte, nog onveranderde Oosten. Wel doet zich sedert 1894 de schelle fluit der locomotief ook te Damaskus hooren, evenals te Jeruzalem, maar de Oostersche zeden zijn daarmede in de, streng aan het oude vasthoudende, Kalifenstad volstrekt niet verdwenen. Do locomotief geeft daar den indruk van een monsterachtig anachronisme, van een onbeschaamden indringer uit

187

ocr page 212

DAMASKUS.

188

eeno vreemde wereld. Geen fabriekschoorsteenen ontwijden den blauwen Oosterschen hemel. Daar ziet men nog den rooden Tar-busch \'), terwijl op het hoofd der mannen eene Europeesche hoed verbazing verwekt.

Welk eene menigte Oostersche tooneelen ontwaart gij op uwen gang door de prachtige wereldberoemde Bazaars van Damask us! Door al het schoone en wonderbare verrast, blijft gij dan hier en dan daar stilstaan, terwijl gij door de hoog overdekte straten slentert en de menigvuldige voortbrengselen van Oostersche nijverheid bewondert. Hier vindt gij de grootste verscheidenheid van zijden en katoenen stoffen uit de werkplaatsen, die ruim 4000 weefstoelen in de stad in beweging houden; daar de groote Chane der tapijthandelaars, die vooral ruim voorzien worden uit Perzië. Hier de wereldberoemde lederwerken der zadelmakers van Damaskus, de met paarlen bestikte, en met zilver en goud beslagen toomen en zadels; daar de verschillende uitstallingen van kunstig bewerkte wapenen uit den ouderen en nieuweren tijd; ofschoon de kunst der oude wapensmeden in het zoogenoemde Damascener zwaard reeds lang naar Samarkand verhuisd is, en de tegenwoordige wapenhandelaar zich met goede Solinger klingen geheel tevreden stelt. Rechts ziet uw oog een vruchtenwinkel met alle denkbare soorten van ingemaakte vruchten, links eenige kramen van de, in het Oosten zoo beroemde, suikerbakkers vau Damaskus. Hier boeit u de prachtige kleurenmengeling der weverijen en stoffen voor mannen-kleeren; dan weder zijn het de schatten uit Indië: kostbaar fluweel en damast, goud- en zilverbrokaat, die door de karavanen naar Damaskus worden gebracht. Want nog altijd heeft de karavanenhandel een groote uitgebreidheid behouden. Zoodra er eene karavaan van 5000 kameelen aankomt, die in de reusachtige Chanen van Damaskus een onderkomen vinden, dan

\') Roode wollen muts mot blauwe kwasten. 2) Gebouwen van tapijthandelaars.

ocr page 213

IN HET JAAE 37.

schijnt de halve, omstreeks 120000 inwoners tellende, stad op de been te zijn. Ieder wil bij den handelaar zelf koopen, om dan met het gekochte verder handel te drijven, tot naar Bagdad en het heilige Mekka.

Natuurlijk is het leven op de straat ook geheel oostersch. Elke kleur door God geschapen, weet de Damascener in smaakvolle kleurenmengeling voor zijne kleeding te gebruiken. Weliswaar toont daar ginds die vrouw uit een harem, die den haar ontmoeten-den Christen bijna geregeld van zachte lippen een ruwen vloek nazendt, ons geen kleurenpracht; zij is van het hoofd tot de voeten in een lang wit kleed gehuld, om zich zoo veel mogelijk te verbergen voor de onwaardige blikken der menschen, terwijl zij te voet of op een ezel langs de winkels gaat en hare in-koopen doet. Vaak ziet men ook met welgevallen een krijgs-haftigen Bedoein op zijn vurig gespikkeld paard, terwijl hij zijne lange lans spelend boven het hoofd zwaait; of wel men slaat de bonte menigte gasten van een Arabisch koffiehuis gade, die op lage bankjes gehurkt hunne Mokka drinken, of waterpijpen rooken, luisterende naar een Bard, die de wonderlijkste dingen verhaalt. Dut men zich te Damaskus te midden eener Mohammedaansche wereld bevindt, bemerkt men aan de talrijke Moskeen, waarvan er 300 in de stad zijn. Damaskus is niet minder eene stad der geleerden in de Islamitische wereld; nog altijd ontdekt men een naglans uit dien lang vervlogen bloeitijd onder de Omayaden; toen in de achtste eeuw, onder de kunstlievende regeering dier grootste dynastie, die het Arabische volk gehad heeft, beleefden kunst en wetenschap, poëzie en geschiedkunde, Mohammedaansche theologie en schriftgeleerdheid, een ongekenden bloei. Ook prachtige gebouwen verrezen er onder de vrijgevige hand van dat edele Arabische vorstengeslacht. Toen in hot jaar 1893 de mare zich verspreidde, dat het prachtigste gebouw van Damaskus, de groote Omayaden-Moskee, plotseling in rook en vlammen was opgegaan, steeg er één kreet van smart op uit de gansche Mohamme-

189

ocr page 214

190 DAMASKUS.

daansche wereld, maar zeer zeker ook uit de harten aller kunstkenners in Europa. Oorspronkelijk een heidenschen tempel, later, omstreeks liet jaar 400, door keizer Arkadius tot eene Christelijke kerk verbouwd, was de Omayaden-Moskeé met den grootst mogelijken glans en de pracht der toenmalige, rijke kunst versierd geworden. Nog zie ik ze levendig voor mij, die hooge porfier-, marmer- en syeniet-zuilen, die het gewelf droegen, de honderden kostbare lampen, die aan kunstige kettingen van de balken neerhingen, de verhevene, Korinthische zuilengangen, die den buitenhof insloten. Thans is al die pracht uit vroegere eeuwen in rook en vuurvlammen ondergegaan.

Hoe vele andere overblijfselen uit die oude en overoude tijden zullen er misschien nog onder den grond dier stad begraven liggen! Op menig Bijbelsch bericht zou daardoor een belangrijk licht kunnen vallen. In overoude tijden toch, was Damaskus de meest beteekenende handelsstad in het Oosten. David reeds bracht er eene bezetting soldaten heen, en voor bijna drie duizend jaar stelde de Israelietische koning Achab bij een vredesverdrag de voorwaarde, dat het den Israelietischen hoofdlieden vergund zou worden in Damaskus „straten te makenquot; d. i. een eigen Bazaar of winkel voor hunne koopwaren te mogen oprichten. Ook Elia en Eliza hebben die groote handelsstad in het Noorden bezocht. Ten tijde van Jezus Christus, nadat het grootste deel der Joden Palestina reeds verlaten had en over de gansche aarde verstrooid was, bestond er in gansch Syrië geen stad, waar zulk eene groote Jodenkolonie was als in Damaskus. Jozefus vermeldt, dat gedurende den opstand in den Joodschen oorlog, er 10 tot 18 duizend Joden op eenen dag sneuvelden.

Door al die omstandigheden breidde zich het jeugdige Christendom, dat zich in den aanvang nog altijd aan het Jodendom vastklemde, tot in Damaskus uit; bovenal vluchtten in den tijd der vervolging, na de steeniging van Stefanus, vele Christenen daarheen. Daar toch, ver verwijderd van Jeruzalem, vanPaulus en den Hoogen Raad, dachten zij zich veilig. Men beweert zelfs,

ocr page 215

In heï jaae 37.

191

dat de meeste vluchtelingen zich in Damaskus hebben neergezet en grooten invloed uitoefenden op de aldaar wonende, vrii-zinnige Joden. Zoodra Paulus de sporen van den Nazarener in Jeruzalem dacht vernietigd te hebben, was zijne eerste gedachte om zijn werk te Damaskus, als het meest bedreigde punt, voort te zetten; om ook daar het nieuwe geloof met kracht en geweld te onderdrukken.

ocr page 216

HET VERTREK NAAR DAMASKUS.

Het was in het jaar 37 van onze tijdrekening, dat Paulus zich opmaakte om van Jeruzalem naar Damaskus te reizen. Paulus, als gevolmachtigde van den Hoogen Eaad, stond aan de spits eener kleine schare volgelingen. Hun weg liep door Galiléa, waar de Nazarener, wiens laatste sporen zij nu van de aarde dachten uit te delgen, nog voor weinige jaren, aan de zee van Tiberias duizenden en nogmaals duizenden om zich verzameld had. Nu was het doodstil aan den vriendelijken oever. Geen Jezus maakte het den wijzen en voorzichtigen raad van Jeruzalem meer lastig, en Paulus voelde zich geroepen om dat werk voor immer te vernietingen.

Te dien tijde was hij een man in de kracht zijner jaren; want als hij zich in den brief aan Filemon, in het begin van zijn zestigste jaar, een oud man noemt, moet hij in den tijd dier vervolging een man van tusschen de dertig en veertig jaar geweest zijn. \') Voor korten tijd was hij uit zijn vaderland Tarsen in Cilicië naar

\') Het woord „jongeling,quot; dat in Hand. 7 : 57 over Paulus sprekende, gebruikt wordt, omvat ook uu nog in het Oosten een uitgestrekt begrip, en kan zeer goed een man in de kracht zijner jaren boteekenen.

ocr page 217

IN HET JAAR 37.

Jeruzalem gekomen, alwaar hij in zijne jeugd reeds schijnt geweest te zijn. Met geestdrift bezield voor zijnen voorvaderlijken Godsdienst, vond men in geloofsijver zijn gelijke niet. Spoedig trok hij dan ook de opmerkzaamheid der eerste en voornaamste mannen zijns volks tot zich. Zijn schitterend begaafde natuur, zijn helder verstand, zijne groote scherpzinnigheid en welbespraaktheid, en bovenal zijn vast, onbuigzaam karakter deden groote dingen van hem verwachten (Gal. 1 ; 14). Bij al die goede eigenschappen bezat hij tevens een teeder geweten. Zijne latere geschriften (Hom. 7 b. v.) doen ons duidelijk zien, dat aan die groot aangelegde natuur een inwendige strijd niet is gespaard gebleven. Hoe onrustiger en beangster vaak zijn geweten was, des te meer zocht hij door nauwgezette vervulling van alle voorschriften der Mozaïsche wet, den hem ontbrekenden inwendigen vrede te erlangen.

In Jeruzalem had hij zich, als bewoner van Klein-Azië, aan de Synagoge der Libertijnen aangesloten, waar hij al spoedig eene eerste plaats innam, niet alleen om zijn hoogen rang in de maatschappij als Romeinsch burger, die in dien tijd een groot voorrecht geacht werd, maar niet minder om zijne groote begaafdheid, zijn ijzeren wil en vast karakter. Hij scheen geroepen te zijn, om een groote rol onder het Joodsche volk te spelen.

Daar ontstond de eerste, groote botsing met de, tot nog toe gedulde, Christen-gemeente. Paulus zelf was gedurende het openbare leven van Jezus niet in Palestina, maar in zijn vaderland, in Tarsen geweest. Persoonlijk schijnt hij Jezus nimmer gezien noch gehoord te hebben, ofschoon hij (volgens Hand. 26 : 4) zijne opvoeding in Jeruzalem schijnt genoten te hebben. Jezus\' redenen in den tempel had hij niet gehoord noch had hij het: „Kruis hem!quot; mede geroepen. Het Pinksterfeest was in elk geval voorbij, eer Paulus weder in Palestina terugkeerde. Met verbazing zag hij de groote uitbreiding der Christengemeente aan. Het ergerde hem, dat de Christenen — hoewel

13

193

ocr page 218

194 HET VERTREK NAAR DAMASKUb.

zeiven Joden — steeds scherper het Joodsche geloof bestreden. In de Synagoge der Libertijnen, wier leerlingen uit de ver-schillendste wereldstreken afstamden (volgens Hand. 6 : 9, uit Cyrene in Noord-Afrika, uit Egypte, uit het Taurus-gebergte en uit Klein-Azië) werd veel over die verderfelijke secte gesproken. Nog bitterder echter werd de stemming, toen er uit hun eigen kring mannen als Stefanus, tot het Christendom overgingen. De Libertijnen begonnen waarschijnlijk met de Christenen te redetwisten, maar deze wisten zich goed te verdedigen. In den voorhof des tempels, waar Jezus voor eenige jaren nog de Schriftgeleerden had bestreden, werden scherpe debatten gevoerd. Bovenal trad de diaken Stefanus, van gelijken rang als de anderen, tegen hen in het strijdperk; hij toch was als de meeste Grieken zeer ontwikkeld, en daarenboven een bezield redenaar, die het volk wist mede te slepen. De Libertijnen verdedigden de oude Joodsche begrippen, hij daarentegen die der jeugdige Christen-gemeente. Men weet, hoe het bij zulke twistredenen toegaat. In de hitte van den strijd wordt door het uitlokken van de laatste, scherpe tegenspraak en door het ontwikkelen van het eigen standpunt, alles eerst recht duidelijk, zoodat men er dan toe komt, om duidelijk en onbevreesd uit te spreken, wat men vroeger alleen waagde te denken. Men herinnere zich slechts het gesprek tusschen Luther en Eek te Leipzig, waar Luther tot schrik zijner toehoorders, niet alleen voor de eerste maal duidelijk uitsprak, maar ook voor de eerste maal duidelijk zich bewust icerd, dat de paus van Rome voor hem geen beslissend gezag meer had. Zoo ging het ook te Jeruzalem. De Libertijnen brachten Stefanus in het nauw, waarbij een zijner scherpste tegenstanders de schrandere, scherpzinnige Paulus geweest zal zijn. Stefanus kwam er door de tegenspraak zijner vijanden toe, om in duidelijke woorden te verklaren, dat het Oude Verbond in het Nieuwe was vervuld geworden, en dat daardoor de Joodsche godsdienst voor God haar recht van bestaan had verloren. In hunne woede beriepen zij zich plotseling

ocr page 219

IN HET JAAR 37.

op het volk; en daar zij Stefanus niet met goede gronden konden wederleggen, sloegen zij hem dood. Paulus schijnt daarbij als afgevaardigde van den Hoogen Raad te zijn opgetreden. Toch zou diezelfde Paulus spoedig genoeg ervaren, dat geestelijke machten zich niet laten steenigen.

Vooralsnog stond hij in de voorste gelederen der vervolgers. Dit nieuwe geloof scheen hem het toppunt van dwaasheid te zijn; \'t was toch te onzinnig, om het heil der wereld te verwachten van een zoo smadelijk ter dood veroordeelde! Een ontwikkeld Israeliet, die de wet kende, moest dat geloof ver-oordeelen; daar stond toch duidelijk en klaar geschreven (Deut. 21:23; Gal. 3:13): „Vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt.quot; De leider dier oproermakers was dus een vervloekte.

Al spoedig werd Paulus de ziel der gansche vervolging (Hand. 8 : 3). Aan zijn wilskracht, aan zijn doortastend, onbuigzaam karakter was het te danken, dat Jeruzalem in korten tijd geheel van Christenen gezuiverd was. „Hij verwoestte de gemeente,quot; lezen wij (Hand. 8 : 8). Paulus deed zijn werk grondig. Zij, die niet onmiddelijk naar de woestijn of andere landstreken vluchtten, werden door dezen dweeper of zijne spionnen opgespoord en gevangen genomen. Menigmaal gebeurde het, dat terwijl een gezin in eene schijnbaar verborgene plaats bij elkander zat, de deur plotseling werd opengebroken; Paulus met zijne gewapende handlangers trad binnen, en sleepte allen naar de gevangenis. Ouderdom noch geslacht werd ontzien. Paulus scheen een hart van ijzer en een voorhoofd van staal te hebben. Geen bidden, geen smeeken kon hem vermurwen. Wat na de gevangenneming volgde, is gemakkelijk tusschen de regels door, in de Schrift te lezen. Neen, men vergenoegde zich niet alleen met de gevangenneming der ongelukkigen, zelfs eene bloedige geeseling was niet voldoende. Zij moesten vermoord worden. In die dagen werden de handen van Paulus voor de eerste maal met het bloed der martelaren bevlekt (Hand. 9 : 1; 26 : 9; Gal. 1 : 13). Hoe vele Christenen in die dagen den bloeddoop (Matth. 20:22)

195

ocr page 220

HET VERTREK NAAK DAMASKUS.

ontvingen en zich lieten doopen „voor de dooden,quot; zooals Paulus later schreef (1 Kor. 15 : 29), weten wij niet, maar zij allen stonden hem voor den geest, toen hij zoo smartvol klaagde; „Ik, die niet waard ben een Apostel genoemd te worden, omdat ik de gemeente Gods vervolgd heb.quot;

Eindelijk scheen het werk in Jeruzalem voltooid te zijn; maar Paulus liet het daarbij niet rusten. Evenmin als hij latei-rusten kon, voor dat hij het Evangelie tot aan het einde dei-wereld had gebracht, even weinig kon hij zich nu vergenoegen met het feit, dat Jezus\' werk alleen in Jeruzalem was verstoord geworden. Daarom liet hij zich door de hoogepriesters, in wier gunst hij zeer gestegen was, eene volmacht geven tegenover de overpriesters der synagogen te Damaskus, om aldaar, waar naar alle waarschijnlijkheid de meeste Christenen zich bevonden, hot werk voort te zetten.

ocr page 221

OP WEG NAAR DAMASKUS.

Christnen in Damaskus\' poort,

Dio aan \'t sid\'dren sloegt en boven, Dio, gezonken op de knie,

Hulde gingt uw vijand geven:

Die, in ketens en in banden U te snoeren, had gedacht.

Als gevangne van uw Koning,

Wordt hij zelf nu ingebracht.

Voor de eerste maal begeleiden wij nu den man, dien wij later menigmaal op zijne reizen hopen te volgen. Hij trekt door Samaria en Galiléa, en bezoekt Cesaréa Philippi, waaide Heer zijnen jongeren voor het eerst zijn lijden en sterven verkondigde.

De geheele reis naar Damaskus duurde ongeveer acht dagen. Zulk eene reis te paard of te voet, door stille streken, langs stijle afgronden, vriendelijke meren, of over eenzame bergen, stemt de ziel, bovenal na veelbewogen dagen, tot rust en overpeinzing. De doorworstelde strijd is dan gestreden. Men keert tot zich zeiven in; men luistert weder naar dien getrouwsten vriend: de stemme Gods in het geweten, dat naar vrede smacht.

ocr page 222

OP WEG NAAE DAMASKUS.

Ook voor Paulus zal de stilte der reize, na de stormachtige dagen der laatste weken, weldadig zijn geweest, maar toch konden uitwendige stilte en rust hem den inwendigen vrede niet geven. Te vergeefs trachtte hij den prikkel zijns gewetens uit te rukken; juist door zijn tegenstreven drong die te dieper hem in het hart. Zijn gansche leven, van zijne jeugd in Tarsen af, zal aan zijn geest voorbij zijn gegaan. Voor eenige jaren was hij naar Jeruzalem teruggekeerd. Zijne brieven verraden ons duidelijk wat hem daartoe dreef. Zijn beangst geweten liet hem geen rust. Zijne zonden drukten loodzwaar op zijne ziel. Toen heeft Paulus een zwaren strijd gestreden, en evenals Luther in het klooster te Erfurt, was hij menigmaal der vertwijfeling nabij geweest. De strijd tegen zijne zonden en tegen de wet in zijne leden moet hem zwaar geweest zijn; den naklank van dien strijd hooren wij nog in dien uitroep van het beangst geweten, dien wij in Rom. 7 vernemen: „Ik ellendig mensch! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods ?quot; Te ernstiger nam hij alles op, te strenger was hij tegen zich zeiven. Wat Luther na hem van zich zeiven zeide: „Indien een monnik ooit als monnik in den hemel kan komen, dan zou ik er zijn gekomen; ik zou mij, als het langer had geduurd, hebben doodgemarteld door vasten, waken, koude lijden, lezen, bidden en allerlei arbeid,quot; kon Paulus ook van zich zeiven getuigen: „In het Jodendom nam ik toe boven velen van mijnen ouderdom in mijn geslacht, zijnde overvloedig ijverig voor mijne vaderlijke inzettingenquot; (Gal. 1 : 14). Wat baatten hem nu echter al zijne zelfkastijdingen, zijne farizeeuw-sche offers, vasten en wasschingen, dat zich kwellen met de „werken der wetquot; of de nuttelooze „kindergebodenquot;, zoo als hij die later noemde. Vrede had hij niet gevonden, maar wel was hij daarentegen een slaaf van inzettingen geworden; gelijk hij later dien toestand onder de wet, eene slavernij noemt tegenover „de heerlijke vrijheid der kinderen Grods.quot;

In zijn streven om alles te doen wat God verlangde, was hij begonnen de Christenen te vervolgen. De zachtere aandoeningen

198

ocr page 223

IN HET JAAH 37.

van zijne gevoelige natuur, door den aanblik der weenende Christenen opgewekt, onderdrukte hij met kracht en geweld. Deed hij dat alles niet om Gods wil? Alhoewel met een bloedend hart, hij vermocht vrouwen en kinderen te mishandelen, te straffen, in de gevangenis te werpen, ja zelfs te dooden.

En nu? En nu? Was hij gelukkiger geworden door zijne heldendaden ? Had hij vrede gevonden, sedert hij met door bloed bevlekte handen, moord en dreiging blazende tegen de discipelen des Heeren, door het land trok? Neen! onrustiger dan ooit, wanhoopte hij bijna aan zich zeiven. Waartoe was hij gekomen ? Langzaam zijnen weg vervolgende, traden allerlei schrikbeelden uit het verleden hem duidelijk voor den geest. Welke vreese-lijke tooneelen had hij bijgewoond! De gestalte van den edelen Stefanus zal wel het eerst voor hem zijn opgekomen. Zijne beweringen en woorden hadden hem, den geleerden Farizeër, niet kunnen overtuigen. Maar de geweldige prediking die Stefanus hield, en daarna zijn dood, hadden een diepen indruk op zijn gemoed achtergelaten, waartegen hij te vergeefs worstelde. Toen had hij gezien wat hij nimmer te voren zag: het zalig sterven van een, door Christus verlost, kind van G-od. Vergevende, biddend, blijmoedig ten hemel ziende onder de steenworpen zijner vijanden, zoo was hij gestorven. Alleen zij, die ook, zonder aan den Christus te gelooven, het sterven van een geloovig Christen hebben bijgewoond, en zagen hoe de stervende, die van verre het vaderland schijnt te aanschouwen, het lichaam als ware het een kleed afwerpt, even als Elia den mantel, om in een vurigen wagen naar het vaderland te ijlen; zij kunnen zich voorstellen welk een indruk het sterven van Stefanus op Paulus moet hebben gemaakt. Zij zullen gevoelen, dat van dat oogenblik af een prikkel hem in het geweten drong, die hij niet meer kon verwijderen.

Maar ook andere beelden traden hem voor den geest. Het waren de Christenen, die hij vervolgde en ter dood had laten brengen. Bij allen dezelfde ervaringen! Zij scholden niet, als hij

199

ocr page 224

OP WEG NAAR DAMASKUS.

hen uit hunne huizen slepen liet; en de bittere tranen der moeders, als men haar met geweld van hare kinderen losscheurde, verhinderden niet, dat eene heilige vreugde haar uit de oogen straalde, omdat zij „den Heerquot; hoopten te zien. Haar blijmoedig geloof, haar onwankelbaar vertrouwen op dien Heer, scheen nimmer zoo groot en zegevierend te zijn, als op het oogen-blik, dat alle menschelijke hulp te kort schiet — in den dood. Hoe konden die arme menschen zoo zalig sterven? Telkens kwam de vraag bij hem op : En gij! Zoudt gij ook zoo kalm, zoo blijmoedig zijn ? Zijt gij beter dan zij ? Hebt gij dien vrede, die in den dood de proef zal doorstaan?

Daarbij kwam nog, dat zij nimmer de Schrift smaadden, maar juist uit die Schrift, met de heerlijkste uitdrukkingen bewezen, dat Jezus de verwachtte Messias was. Zijn grootste ergernis, dat een gekruisigde nog na zijnen smadelijken dood, als Verlosser vereerd werd, hadden zij kalm, met de woorden van den profeet Jesaja, van alle kracht beroofd, en, even als de Verrezene, gevraagd: „Moest niet de Christus alzoo lijden en in zijne heerlijkheid ingaan?quot; Waarom kon hij dat alles niet vergeten ?

In andere oogenblikken kwam zijn trots weder tegen die dwaze leer op; hij kon niet gelooven, dat God zijne beloften in het Oude Verbond zou doen uitloopen op den smadelijken dood van een gekruisigde. Dwaasheid! Die laffe praatjes aangaande Jezus van Nazareth moesten nu eindelijk met wortel en tak worden uitgeroeid! Die verdwaasden moesten gedwongen worden om in te zien, dat hun Jezus, zoo smadelijk aan het kruishout gestorven en van God verlaten, wiens lijk men uit het graf had gestolen, niet was opgestaan, maar dood, ja voor alle eeuwigheid dood was. En dan besloot hij weder het bloedige werk ter eere Gods voort te zetten.

Toch had hij geen rust bij zijn besluit. Telkens kwam hem de leider dier gansche beweging, die gehate bedrieger, Jezus Christus, in de gedachte, die toch zulk eene voorbeeldelooze liefde

200

ocr page 225

IN HET JAAR 87.

in de harten zijner aanhangers had gewekt. Afgezien van zïjne valsche leer, had niemand iets kwaads van [Tem kunnen zeggen. Als een weldoener des volks was Hij het land rondgegaan. Ook bij zijnen dood was veel raadselachtig gebleven. Waar was zijn lijk gebleven? Was het werkelijk heimelijk gestolen? Hij, de scherpzinnige opmerker, wist maar al te goed, dat de dood aan elk bedrog een einde maakt; en de Christenen gingen toch voor dat geloof blijmoedig in den dood. Voor een leugen geeft men zijn leven niet gereedelijk, vooral wanneer men door een eenvoudig herroepen, zijn leven redden kan. Wat hadden deze menschen aan hun geloof anders, dan smaad, vervolging en dood ? En toch hielden zij er aan vast. Was dat niet een bewijs, dat zij geen leugenaars waren? en dat zij althans het werkelijk geloofden, dat zij Jezus, den Verrezene, hadden gezien en hoopten Hem in eene betere wereld weder te zien? Waar had hij onder zijne volgelingen zulk een blijmoedig, bezielend en heldhaftig geloof gevonden? Waren de Christenen allen leugenaars? Indien alles toch eens waar ware? Indien deze Jezus eens werkelijk leefde ?

Te vergeefs zocht Paulus zulke gedachten te verdrijven. Hij trachtte aan wat anders te denken, maar niets mocht baten. Te vergeefs sloeg hij de versenen tegen de prikkels.

Wij hebben getracht, den gedachtengang van Paulus gedurende die dagen eenigszins te volgen. Gedurende zijne reis gevoelde hij meer en meer den tweestrijd in zijn binnenste en hoezeer het hem met al zijn redeneeren onmogelijk was om tot rust te komen.

De laatste dag was aangebroken. De Hermon met zijne, met sneeuw bedekte, kruin lag reeds achter hem. Weldra zou hij Damaskus bereiken. In de verte zag hij reeds de trotsche stad met hare torens door de heete middagzon beschenen, in een krans van tuinen liggen. Plotseling echter, op den klaarlichten dag, daar omgeeft hem een helder, schitterend licht van uit den hemel, nog schitterender dan de zonnige dag. Het be-

201

ocr page 226

OP WEG NAAE DAMASKUS.

straalt hem even als de glans, voor eenige jaren, niet ver van daar, door de Apostelen op den berg der verheerlijking gezien.

Als verblind staart Panlus een oogenblik in dat schitterende licht. Het was slechts één oogenblik; want de eigenzinnige reiziger stortte onmiddelijk daarna met een beangstigd en twijfelend gemoed ter aarde.

Bliksemsnel zal de gedachte door zijne ziel zijn gegaan: „Nu zal zich alles oplossen!quot;

Roerloos ligt Panlus ter aarde.

Daar hoort hij eene onbekende stem, die hem bij den naam roept en zegt: „Saul! Saul! wat vervolgt gij mij?quot;

„Heer, wie zijt gij?quot; zoo klonk het uit de beklemde borst.

„Ik ben Jezus, dien gij vervolgt. Het is u hard de versenen tegen de prikkels te slaan.quot;

Als van den bliksem getroffen lag Panlus ter neder. Het was dus zoo! Hij leefde! Hij leefde! Het was geen bedrog. Plotseling ziet hij de gevolgen der nooit geloofde waarheid. Een storm woelt in zijn binnenste. Wat heeft hij gedaan! Waartoe is hij gekomen! Hij heeft den Messias, den Zone Gods vervolgd! Hem, op wien hij als een rechtgeaard Israeliet, zijn leven lang met brandend verlangen had gewacht. Hem had hij vervolgd! Bedwelmd en bijna niet in staat om een woord te spreken, waagt hij sidderend en bevend nog ééne vraag en zegt: „Heere, wat wilt gij dat ik doen zal ?quot;

En de Heer zeide tot hem: „Sta op, en ga in de stad, en n zal aldaar gezegd worden wat gij doen moet!quot;

De mannen, die Paulus hadden begeleid, waren als versteend blijven staan; zij hadden eene stem gehoord, het licht waargenomen, maar niemand gezien.

Paulus richtte zich weder op; uit angst en schrik had hij de oogen gesloten gehouden, maar toen hij ze opende, was hij blind. Zijne oogen hadden den lichtglans niet kunnen verdragen, even zoo min als men op een helderen dag in do zon zien kan zonder verblind te worden. Hij zag den weg niet, zoodat zijne bege-

202

ocr page 227

IN HET JAAR 37.

203

leiders hem bij de hand moesten nemen. Daaraan dacht hij echter niet. Wat bekommerde hem het licht zij nor oogen! Slechts twee gedachten vervulden zijne ziel, terwijl hij aan de hand zijner begeleiders de stad schrede voor schrede naderde. De eene was; „Hij leeft! Alles wat de Christenen gezegd hebben, is waar!quot; De andere: „En ik heb Hem vervolgd!quot;

ocr page 228

-

IN DAMASKUS.

Zalf, Heer! dien Gy verkoren hadt

In uw barmhartigheid.

O! dat uw Geest op \'t vredospad

Met kracht uw dienstknecht leid\'! Sier onzen Herder, Koning!

Dien uw genade ons gaf\'.

By werk, in hart en woning, Met mantel, ring en staf!

Langs de heerlijke tuinen van Damaskus, daar waar het oog tegenwoordig het vriendelijke mirtenboschje aanschouwt, werd Paulus in de stad gevoerd. Hij hoorde het ruischen van den Barada langs den straatweg; hij hoorde de voetstappen doffer tusschen do huizen; hij hoorde het rumoer en het gedruisch in de straten der bedrijvige stad. Spoedig sloegen zijne geleiders rechtsaf, daarna weder links, totdat zij kwamen aan de straat, toen „de rechtequot;, (Luther schrijft „juistequot;) nu „Darb el mustakimquot; ge-heeten, dat dezelfde beteekenis heeft. Die straat voerde tot buiten de Oostpoort en was eene echte winkelstraat; de inwoners, druk in de weer met hunnen groot- en kleinhandel, verdrongen zich daarin. Vroeger zag die straat er geheel anders uit. De opgravingen der laatste jaren hebben een groot aantal zuilen te voor-

ocr page 229

IN HET JAAR 37.

schijn gebracht, die de, vroeger honderd voet breede en een uur lange, „rechte straatquot;, aan beide zijden versierden.

Voorzichtig ging Paulus aan de hand zijner begeleiders door deze kolonnade. Gaarne maakte men voor hem plaats; hij toch was een blinde en, naar \'t scheen, een aanzienlijke blinde.

Na herhaalde navraag hielden zij voor een huis stil. Het was liet huis van Judas, vermoedelijk eene Joodsche herberg, waar Paulus zijn intrek wilde nemen. „Hier zijn wij er!quot; riepen zijne begeleiders; gedwee, met onvasten tred volgde Paulus, en trad over den drempel. Hij liet zich in zijne kamer brengen — en bleef alleen.

Het geplas der fontein, door de Barada gevoed, verbrak de stilte in het binnenhof. De wind ruischte door de takken der cypressen en citroenboomen, die de tuinen te Damaskus versieren ; maar Paulus dacht er niet aan, om zijn dorst te lesschen of zijne brandende oogen te verkoelen. Wel kwam de gastheer om den vermoeiden reiziger met spijs en drank te verkwikken, maar te vergeefs; elke verkwikking en alle voedsel werd door Paulus afgewezen.

Drie lange dagen bleef hij daar in de eenzaamheid. Wat er gedurende die drie dagen in zijne ziel omging, kunnen wij slechts uit enkele plaatsen in zijne latere brieven vermoeden. Het was een diepgaand leed; berouw over zijne onzalige dwaling en verootmoediging over de barmhartigheid Gods. Hij had Jezus gezien (1 Kor. 15 ; 8). Hem, dien vervolger, had Jezus de laatste Paaschver-schijning toegedacht. Nog altijd klonken die vriendelijke, ernstige woorden hem in de ooren. Jezus verachtte hein dus niet; hem, den dwazen vervolger. Hij verpletterde hem niet, neen. Hij riep hem tot zich en wilde hem doen weten wat hij doen moest. „Mij is barmhartigheid geschied!quot; zoo jubelde hij nog in hoogen ouderdom. „Ik, die niet waard ben een Apostel genaamd te worden.quot; „Mij, den allergeringste onder alle heiligen,quot; „als van een ontijdig geborene.quot; Neen! ik ben het niet waard ; ik, die met van bloed bevlekte handen hierheen kwam om de gemeente Gods

205

ocr page 230

IN DAMASKUS.

te vervolgen! Onwaardig! Onwaardig! zoo klonk het telkens in zijne ziel. Een groot, een heilig voornemen, beslissend voor zijn gansche leven, ontkiemde in zijn ontroerd gemoed; de gedachte namelijk; „Weder goed maken!quot; Hij zou voortaan zijn leven dien Heer offeren, zooals hij zich uitdrukt. Zijn vervolgen van de Christenen, waaraan hij zijn gansche latere leven slechts met diepe smart denken kon, moest hij door de prediking des Evangelies weder goed maken. „Wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondigquot; (1 Kor. 9 : 16).

Buiten, in de straat genaamd „de rechtequot;, bleef het drukke verkeer der groote handelsstad ongestoord voortgaan. Arabieren en Romeinen, Grieken en Mesopotamiërs, Joden en Perzen gingen hunnen gang en deden hunne zaken. Des nachts klonk de muziek aan de oevers van den Barada, quot;en op de bruggen hingen wellicht evenals nu, gekleurde lampions, wier rood schijnsel in den donkeren vloed weerkaatste, terwijl in de, boven het water op palen opgetrokken, openbare gebouwen eene vroolijke menigte zich toen, even als nu, verzamelde. Langzamerhand kwamen de sterren te voorschijn, de maan ging op, het gedruisch in de straten verstomde en eene diepe stilte legerde zich over het slapende Damaskus; de lange nacht ging voorbij, kwam tweemaal weder, maar voor den man in de eenzame kamer, in het huis van Judas, was het alsof er dag noch nacht was. Hij bad tot zijnen God en — wachtte, totdat hem het licht zou opgaan en hem zou gezegd worden wat hij doen moest.

Op den derden dag kwam er een, voor Paulus onbekende, man in huis. Paulus hoorde hem zijnen naam noemen, en even daarna door zijnen gastheer binnenleiden.

Alleen gelaten, trad de vreemdeling tot vlak voor Paulus, sprak hem vriendelijk aan als was hij een welbekende broeder, en als wist hij alles wat er gebeurd was. „Paulus, lieve broeder,quot; zoo sprak hij, „de Heer, die u op den weg verschenen is, heeft mij tot u gezonden, opdat gij weder ziende en met den Heiligen Geest vervuld zoudt worden.quot; En terstond vielen de schellen

206

ocr page 231

IN HET JAAR 37.

van Paulus\' oogen. Hij was weder ziende. Ernstig en diep geroerd zag hij Ananias aan, als een, die uit de dooden is opgestaan en voor het eerst Gods vriendelijke zon aanschouwt. Broeder! Broeder! zoo klonk het hem voor de eerste maal, uit den heiligen kring der Christelijke Kerk tegen; en met dien naam sprak hij ook den man aan, die een bode Gods hem toescheen. Ook Ananias zal het als een droom zijn geweest, toen hij den gevreesden vervolger zoo voor zich zag.

Wat die beide mannen met elkander besproken hebben, wordt ons niet vermeld. Wie meer te vragen had: Ananias, die tot nog toe voor Paulus had gebeefd, of Paulus, die met brandend ver langen meer van den Heer wenschte te vernemen; wij weten het niet. Wel weten wij, dat Ananias Paulus mededeelde, wat de Heer hem had opgedragen. Ananias kwam hem het antwoord brengen op zijne vraag aan den Heer: „Wat moet ik doen?quot; Als tot een der groote profeten zal Paulus tot Ananias hebben opgezien, toen hij hem verkondigde wat zijn nieuwe gebieder over hem besloten had. „Gij zijt,quot; zoo sprak Ananias, „den Heer een uitverkoren vat, om zijnen naam te dragen voor de Heidenen en de koningen en de kinderen Israels. Hij zal u toonen, hoeveel gij lijden moet om zijnen naam.quot;

Diep bewogen hoorde Paulus de opdracht zijner zending onder de volkeren aan. Wie zal zeggen, wat er in dat uur in zijne ziel omging ? Zoo pas daar gekomen, als een der heftigste vervolgers dier gehate Christenen, — en nu verkoren tot Apostel, tot rijksbanierdrager van Jezus Christus, met de opdracht om diens naam voor vorsten en volkeren te brengen! Wanneer een koning na den veldslag zijn overwonnen vijand vol vertrouwen tot zijn veldoverste maakt, zal die man niet meer verbaasd en zich niet meer geëerd gevoelen dan Paulus in dat uur. Diep zal die vijand het hoofd gebogen hebben, als had hij zoo juist zijne wijding ontvangen, en als voelde hij reeds toen de gansche verantwoordelijkheid, die op hem als leider daalde bij de ernstige verzekering: „Ik zal u toonen hoeveel gij lijden moet

207

ocr page 232

IN DAMASKUS.

om mijnen naam.quot; En vast zal hij zich op dat oogenblik hebben voorgenomen, om die verheven opdracht en die ernstige roeping getrouw te vervullen tot in den dood. In die ure zal Paulus zijnen Hemelschen Koning trouw gezworen hebben; endegroote rijksbanierdrager van Jezus Christus is zijn eed getrouw nagekomen tot op den dag, toen zich datzelfde hoofd, dat zich nu boog onder de zegenende handen van Ananias, bukte voor het zwaard van den beul in de ver verwijderde wereldstad Rome.

Al spoedig leidde Ananias den nieuwen jonger van Jezus binnen in de Christelijke gemeente van Damaskus, om wier wil hij met zoo geheel andere bedoelingen gekomen was. Vol van dank, aanbidding en vreugde zullen zij hem, den grimmigen vervolger, hebben ontvangen als een hunner; en wat zal het voor Paulus geweest zijn, toen hij zich voor de eerste maal omringd en gedragen voelde door de Christelijke liefde, om met gelijke liefde en dankbare vreugde de broeders te gemoet te treden. Hij liet zich door hen telkens weder van Jezus verhalen; van Jezus, door hem zoo grimmig gehaat, die hem nu was verschenen en voor wien hij zich nu nederboog. Hij verlangde slechts van Jezus te hooren. Het was een kort doop-onderricht uit den mond der gemeenteleden, even kort als bij den kamerling uit het Moorenland.

Daarop volgde de doop. Hij toch, wilde den beslissenden stap doen, wilde den Heer met zijn gansche hart toebehooren, voordat hij eenige spijze tot zich nam. De gemeenteleden geleidden hem naar buiten, naar den Barada. Daar stonden zij onder de zilverpopulieren aan den vloed, zooals vroeger de doopelingen aan de groene oevers van den Jordaan. Klaar en helder stroomde de rivier aan hunne voeten, de wind ruischte in de hooge toppen der boomen en de gemeente gevoelde de nabijheid van dien Heer, die voor drie dagen zichtbaar aan Paulus verschenen was. Nog eens zal Ananias aan Paulus de opdracht zijns Heeren hebben overgebracht. Hij \' gaf hem de banier des kruises in de handen, opdat hij die hoog zou houden in de

208

ocr page 233

IN HET JAAR 37.

wereld. Hij reikte hem den herderstaf, om Jezus schfipen te weiden onder alle volken. Hij zette hem de martelaarskroon op het hoofd met de woorden: „Ik zal hem toonen, hoe veel hij lijden moet om mijnen naam!quot;

Daarop stegen zij af in den vloed. Ananias doopte den grooten Apostel, groot in het Godsrijk en groot in de geschiedenis der menschheid, in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Welk een uitverkoren vat door hem werd gedoopt, dat door den Heer op zoo bizondere wijze was gezocht, heeft zelfs Ananias in die ure niet voorzien.

Eenigen tijd bleef Paulus in Damaskus. Spoedig, wellicht reeds den dag na zijnen doop, ging hij in de synagoge, waar hij verwacht werd na de aankondiging zijner geleiders, hem door den Hoogen Raad medegegeven. Hij vroeg niet naar de gevaren, waarvoor de broeders hem waarschuwden. „Zoo ben ik dan terstond niet te rade gegaan met vleesch en bloed,quot; sprak hij (Gal. 1 : 16). Tegenover de Joden wilde hij zoo spoedig mogelijk toonen, wie hij was. Eene lange studie over het wezen des Christendoms had hij voor die bekentenis niet noodig. Men behoeft geen bewijzen te zoeken voor dat, wat men zelf beleefd heeft.

Welk eene verbazing zal de Joden hebben aangegrepen, toen Paulus als Christen in hunne synagoge optrad! Zijne reis-genooten, de opzieners der synagogen, de Rabijnen, de gemeenteleden hoorden den doortastenden vijand der Christenen, die voor niets terugdeinsde en die met de volmacht om hen uit te roeien, tot hen was gekomen, vol geestdrift en overtuiging van Jezus, den Verrezene, getuigen. „Ik zelf heb Hem gezien en gehoord!quot; Dat was het hoofdthema zijner prediking.

De eerste prediking van Paulus, die spoedig door de geheele wereld weerklonk, zal als het eerste ruischen des winds zijn geweest, die, tot een storm aangewakkerd, door het gansche Romeinsche rijk gehoord worden zou. Door die prediking klonk het bazuingeschal des nieuwen levens, waarvan hij voor vele volken de heraut zou worden.

209

14

ocr page 234

IN DAMASKUS.

210

Op die eerste prediking volgden nog vele andere. Paulus leefde van dag tot dag meer in zijne opdracht in. Zijn woord werd van dag tot dag machtiger, en zijne aanhalingen uit de Schrift steeds overtuigender. Niet te vergeefs had hij de joodsche scholen doorloopen. Hij was een scherpzinnig redenaar en bezat eene grondige kennis van de Schrift. Al die gaven werden nu door hem gebruikt in den dienst des Heiligen Geestes. Vaak dreef hij zijne tegenstanders geweldig in het nauw en bleef, evenals Stefanus, ten slotte altijd overwinnaar met zijne getuigenis; „Deze is de Messias, de verwachte Verlosser en Heiland der wereld!quot; (Hand. 9 : 22). Des avonds echter, als de jeugdige gemeente na den arbeid des daags bij elkander was, om het brood te breken en met den Heer in den geest gemeenschap te houden, dan was Paulus niet de gevende, maar de ontvangende. Dan liet hij zich telkens weder de feiten uit de geschiedenis van Jezus verhalen, om de heerlijke, koninklijke woorden des Heeren te vernemen, waarvan er enkele door Paulus tot ons zijn gekomen (b. v. Hand. 20 : 35). Natuurlijk heeft hij de daden des Heeren niet eerst na drie jaar, bij zijne ontmoeting met Petrus (Gal. 1 ; 18) vernomen, maar wel in dien, voor hem onvergetelijken, kring der jongeren teDamaskus, in wier midden hij eindelijk dien vrede Gods deelachtig werd, dien hij vroeger door vasten en ijveren voor de farizeeuwsche wet te vergeefs gezocht had.

ocr page 235

NAAK ABABIË.

Dwaallichten flonkren door den nacht. Zoo dwaalt ook d\' aard in \'t donker.

Maar zie, omhoog gloeit vol van pracht \'t Verheven stergeflonker.

Hun heilig licht, wat deinz\' of zwicht\'. Straalt helder allerwegen.

Zoo licht\', o God, steeds uw gebod.

Wat ons weervaar\', ons tegen.

Na eenige dagen, waaruit wij, volgens Grieksch spraakgebruik, ook eenige weken of maanden kunnen verstaan, is de pas bekeerde Paulus weder op reis (Gal. 1 : 17). Wij vinden hem op een schoonen morgen tusschen de prachtige tuinen ten Zuid-Oosten van Damaskus, op den weg, die naar Arabie voert. Langs de donkergroene boschjes en vruchtbare boomgaarden, volgde hij den loop van den Barada, vergezeld door de zegenwenschen der Christenen van Damaskus, die hem in dien korten tijd hartelijk lief hadden gekregen. Hij vervolgde zijnen weg naar het Zuiden of Zuid-Oosten en wel naar de provincie van Herodes-Filippus, die Jezus voor eenige jaren bezocht had, nadat Hij voor het eerst van zijn aanstaand lijden gesproken had, en de Apostelen met Hem op den berg der verheerlijking geweest waren. Dat Arabië, waarheen zijn weg leidde, is waarschijnlijk

ocr page 236

NAAR AEAB1Ë.

het Nabateër-laml, dat ten Zuiden van de Doode Zee en aan gene zijde van den Jordaan, geheel Syrië als een gordel omringt.

Daar regeerde koning Aretas, die met Herodes-Antipas, den moordenaar van Johannes den Dooper en rechter van Jezus, in bittere vijandschap leefde, omdat hij de dochter van Aretas ter wille van Herodias verstoeten had. Bij de spanning, die er tusschen den koning van Arabië en den Joodschen Tetrarch bestond, was Paulus gevrijwaard tegen de navorschingen der Joden; de vijandschap tusschen die beiden zal hem aanleiding geweest zijn om zich naar Arabië terug te trekken.

Zijn weg naar het Nabateër-land voerde hem steeds verder Zuidwaarts. Hij trok do vruchtbare streken van Batansea en Dekapolis door, en bezocht menige groote stad, bekend door hare grieksche beschaving. Hij zal door Gerasa, het tegenwoordige Dscherasch, en Philadelphia, het hedendaagsche Amman, beide in Dekapolis gelegen, gekomen zijn, waarvan in onze dagen de heerlijke ruïnen nog spreken in het, nu verlaten en woest geworden, land. Reeds Mohammed stond in bewondering verzonken bij het aanschouwen dier\' aangrijpende schoonheid. Nu is het eenzaam en stil geworden in die vroeger zoo bloeiende steden, die Paulus toen bezocht, en die het middenpunt waren van geheel den handel van Arabië. De eenige levende wezens, die nu nog een blik slaan op de door hen onbegrepen schoonheid dier oude zuilen, zijn de Tscherkessen-horden en de eenzame herders, die hunne schapen en bokken tusschen de zwijgende tempelhallen hoeden.

Hoe zuidelijker Paulus echter kwam, des te meer voerden ook toen even als nu, de zwervende Beduinen daar heerschappij. Alleen de sterke hand van een Herodes had er in korten tijd de orde hersteld, \'t Was een bergachtig land, dat Paulus doortrok, sedert de dagen der Moabieten beter geschikt voor het weiden der kudden dan voor landbouw of boschkuituur. Kaal en boomloos strekken de bergruggen zich uit^ zoover het oog zuidwaarts reikt. De Nebo, van wiens top Mozes

212

ocr page 237

IN DE JAREN 37 — 40.

eens het Heilige Land aanschouwde, en het Arnondal, waar Johannes de Dooper, eenige jaren voor deze reis van Paulus, zijne laatste dagen op Macherus \') doorbracht, kunnen als typen gelden van het eigenaardige van dit bergachtige land ten Oosten van de Doode Zee.

Uit Hoofdstuk -4 : 25 van den brief aan de Galaten heeft men afgeleid, dat Paulus tot aan den Sinaï zou zijn doorgedrongen, omdat hij in dien brief den Arabischen naam van het gebergte Hagar (d. i. steen) gebruikt; toch mag men uit de bekendheid met dien Arabischen naam niet zulk eene gewaagde gevolgtrekking maken.

Ook is het zeer onwaarschijnlijk, dat Paulus hier, afgezien van enkele gesprekken, opzettelijk gepredikt of het Evangelie verkondigd heeft. Nergens vindt men in de geschiedenis ook zelfs eene aanduiding van het vormen eener gemeente in die landstreek. Waar Paulus (Gal. 1 : 23) van zijn eerste optreden in Damuskus spreekt, zeggende, dat hij dadelijk aanving Christus te verkondigen, kan daarna toch zeer wel een tijd van stille afzondering gevolgd zijn. Nergens spreekt Paulus in zijne brieven van eene gemeente, die hij in Arable zou gesticht hebben. Uit de geheele geschiedenis blijkt veelmeer, dat Paulus na zijne bekeering nog omstreeks zes jaar lang in stille afzondering leefde, en wachtte tot dat de Heer zelf hem tot zijn arbeid riep.

213

Kan ons dat zoo verwonderen? Na eene zoo plotselinge bekeering, die eene zoo ingrijpende verandering van geheel zijn inwendig leven, zijne inzichten, overtuigingen en levensdoel ten gevolge had, moest de stilte juist zulk eene diepe natuur, als die van Paulus, aantrekken. Daar in de eenzaamheid, waar zoo vele Godsmannen des Ouden Testaments: een Mozes, een Elia, de eenzaamheid hadden gezocht, moest het ook Paulus eene behoefte zijn om in te leven in die nieuwe wereld, die hem in Christus was opgegaan, en biddende en onderzoekende zich

\') Zie „Kont g;i het landquot; afdecling „gevangenis en dood van den Dooper.quot;

ocr page 238

NAAR ARABIË.

daarin meer en meer te verdiepen. Arabië was daartoe in menig opzicht bizonder geschikt. Daar in Rabatea was het hem gemakkelijk, om het dagelijksch brood te verdienen, daar toch bloeide het beroep der tentenmakers; al de tenten immers, dei-duizenden nomaden in de omliggende woestijn, werden daar gemaakt. Juist dat tentenmaken had Paulus geleerd; volgens de oude zeden toch, moest elke Rabbijn behalve zijn beroep als geleerde, ook een handwerk kennen. In zijn vaderland had dat handwerk Paulus bizonder aangetrokken. De talrijke kudden bokken op de Cilicische bergen leverden grooten voorraad van het noodige haar, waaruit de wevers van ïarsen tenten, mantels en zakken vervaardigden en ter markt brachten. Ook werd het haar der zwarte bokken, die op de omliggende bergen graasden, door de Beduïnen aan de wevers verkocht. Dit materieel werd eerst door hen bewerkt tot dikke touwen en banden, en dan daaruit de voor zon en regen ondoordringbare, stof vervaardigd, waaruit de woestijnbewonerg sedert duizenden jaren hunne draagbare huizen maken. Daarenboven was dit handwerk meer dan alle andere geschikt tot stille overpeinzing en nadenken. De diepzinnige dichter Ter-steegen heeft zich gedurende vele jaren uit zijn veelbewogen beroepsleven terug getrokken, en zich gewijd aan den stillen arbeid van het weven, en juist in dien tijd zijne schoonste liederen gedicht.

Wij hebben ons dus den grooten Apostel daar voor te stellen als een eenvoudige wever, zooals die, welke men ook tegenwoordig aan den rand der woestijn ziet zitten. De eenvoudige weefstoel staat daar, terwijl de lange koorden aan pinnen zijn vastgehecht. Zijn ambt als Rabbijn had Paulus geheel op zijde gezet; hij was een eenvoudige handwerksman geworden, die van zijn handenarbeid leefde. Geen leeraar, maar leerling wilde hij zijn. Hij, die hem op den weg naar Damaskus verschenen was, was zijn leermeester.

Laat ons het weefgetouw van Paulus, waaraan hij drie jaren lang in Arable gearbeid heeft zachtkens naderen. Daar zit of

214

ocr page 239

IN DE JAREN 37 — 40.

staat hij, en ordent de zwarte linten, waartusschen hij de spoel heen en weder laat gaan, om eene tent te weven. Hij draagt de Oostersche kleeding, waarschijnlijk naar de gewoonte der Beduïnen onder wie hij leeft; een gewaad in diepe plooien nederhangende, met een lederen gordel om het midden vast-gegespt, op het hoofd den tulband of den, met een Agal vastgebonden, schilderachtigen hoofddoek. Gedurende den arbeid wordt de mantel afgelegd. Zijn gelaat van een zwaren baard omringd, is vol uitdrukking en toont ernstig nadenken. Zijne heldere arendsoogen blikken onverschrokken en open onder het ernstige voorhoofd, waarachter groote gedachte schijnen te huizen.

Paulus zal van eene krachtige natuur geweest zijn. Uit enkele uitdrukkingen wel is waar, zou men kunnen vermoeden, dat hij een ziekelijk man was; toch is dit zeer onwaarschijnlijk. Een man, die gedurende vijf en twintig jaren, voortdurend van het eene land naar het andere, over hooge bergen, door eenzame steppen en wildernissen gereisd heeft; een man, die vervolging, honger en dorst verdragen heeft, in koude en in hitte van het Oosten naar het Westen is gegaan; een man, die op de stormachtige zee menigmaal heeft schipbreuk geleden en eens te midden van een woedenden storm een dag en eene nacht op eene plank op de bruischende golven doorbracht, en toch in zijne laatste oogen-blikken te Rome, zich nog met ongebroken kracht bezig houdt met plannen te beramen, om geheel de bekende wereld aan zijnen Koning onderdanig te maken; zulk een man moet een sterk gestel en een zeldzaam weerstandsvermogen hebben gehad. Ook van de oogkwaal, die men bij hem vermoed heeft, vindt men geen spoor in de geschiedenis. De bewering, dat hij een epileptikus zou geweest zijn, en waaruit men (in allen ernst!) de verschijning des Heeren bij Damaskus, dat hoogtepunt zijns levens, en andere openbaringen, zooals b.v. die, waarvan hij 2 Kor. 12 spreekt, wil verklaren, is slechts in het hoofd van hen opgekomen, die, doodelijk verlegen met de groote feiten van het Christendom, de Opstanding des Heeren, de verschijning van Jezus nabij

215

ocr page 240

NAAR AEABIË.

216

Damaskus, „wetenschappelijkquot; door niets beters weten te verklaren dan door epileptische visioenen. \')

Die twee of drie jaren van stilte, in het ver verwijderde Arabië doorgebracht, ver van het dweepzieke drijven der Joodsche partijen en ook ver van de, om hun bestaan worstelende. Christenen, zullen gewis weldadig op Paulus\' gemoed hebben gewerkt. Als een droom lagen de veelbewogen dagen van het verleden achter hem. De eenzaamheid was hem eene hoogeschool, nadat de vroegere scholen hem zoo geheel op het dwaalspoor hadden gebracht. Nu was het de Heilige Schrift, die hij bestudeerde. Zeker zal hij een exemplaar van het boek der Psalmen en der Profeten hebben medegenomen. Bovendien kende hij het meeste van buiten. Daar in de eenzaamheid werd hij de diepzinnige Bijbel-theoloog, waarvoor hij nu nog in de Christelijke kerk bekend staat. Hoe geheel anders zal hij nu de Heilige Schrift hebben onderzocht! Vroeger lagen de profetische boeken als een prachtig landschap voor hem, waarover de ochtendschemering nog lag uitgespreid; het was een voorgevoel van het goddelijke, maar nog geen helder inzicht, doorzicht, overzicht van alles. Nu was de openbaring van Jezus Christus als een gouden voorjaarszon over dat landschap opgegaan. Vroeger was hem het voornaamste in het Oude Testament, de geheimenis der verlossing door den, door lijden tot heerlijkheid komenden Messias, een boek met zeven zegelen geweest. Nu, door den Heer zelf verlicht, ging er een nieuw licht ook uit de profetische boeken voor hem op. Hier werd hij aangetrokken door eene voorzegging, die op den Christus betrekking had; elders vond hij met verwondering de roeping aller volken en ook die der heidenen, tot het rijk Gods; en het was vooral die laatste ge-

\') Eonan is zoo gelukkig geweest om zelf zulk een aanval van epilepsie, als van Paulus bfl Damaskus, te hebben gehad en wel op eene reis bfl Byhlos. Hij heeft de naïviteit om door zyn aanval van epilepsie het gebeurde by Damaskus te willen verklaren. Volgens zgne geestrijke opvatting was het bij Paulus „een koortsachtig deliriumquot;, een zonnesteek of iets dergelijks, die hem tot bekeering bracht.

ocr page 241

IN DE JA EEN 37 — 40.

dachte, die den lateren Heiden-Apostel bizonder boeide. Verbaasd erkende de, tot nn toe enghartige, Farizeër, dat de leer van de algemeenheid des heils reeds lang in het Oude Testament geleerd was, van af de eerste belofte aan Abraham, dat in hem alle volkeren der aarde gezegend zouden worden, tot aan de belofte van den laatsten profeet: „En zij zullen komen tot den wensch aller heidenenquot; (Haggai 2 : 8). Het was hem, als had hij het geheim gevonden, dat aan zijne levenstaak eene geheel andere richting zou geven. Tot in hoogen ouderdom werd hij niet moede om deze „geheimenisquot; te loven, die de wereld nooit gekend, nooit gevonden zou hebben zonder de openbaring Gods, dat namelijk; „in de volheid der tijden alles tot één zou vergaderd worden in Christus, beide dat in den hemel en dat op de aarde is (Efez. 1 : 10).

Steeds dieper werd zijn blik in den heerlijken samenhang dei-Christelijke waarheden. De groote, zoo overweldigend groote waarheid, dat G-od de liefde is, en dat wel voor alle menschen, niet alleen voor de Joden, verruimde zijn hart van dag tot dag. Het werd hem duidelijk, dat God de gansche wereld door Christus wilde zaligmakeu en dat het eene onzalige dwaling zijns volks was, die genade afhankelijk te willen maken van de vervulling der uiterlijke joodsche gebruiken en godsdienstige instellingen. Nn bekommerde hij zich niet langer om de gerechtigheid die uit de Joden is, waarmede hij zich vroeger, onder de grootste gewetensangsten, te vergeefs gekweld had, maar nu was het hem te doen om de nieuwe gerechtigheid, de ware verhouding des menschen tegenover God, waarin de verloste Christen door den Heiligen Geest geplaatst wordt. Deze ware verhouding was dan bereikt, als in het leven eens Christens alles door één ding bezield wordt, namelijk door de liefde. Voortaan bestonden er voor den Christen geen geboden meer van offeranden, tienden, vasten, wasschingen en dergelijke armzalige werken, waardoor hij vroeger dacht gerechtvaardigd te worden; nu kende hij slechts de eene koninklijke wet der liefde, die het

217

ocr page 242

NAAR AEABIË.

geloof werkt. Lovende en dankende begroette Paulus het nieuwe licht, dat voor hem was opgegaan, evenals Maarten Luther deed, toen hem honderden jaren later, de geschriften van dien zelfden Paulus in handen kwamen, en hij in tegenstelling van de kerkelijke werkheiligheid, het zoete woord der rechtvaardigheid uit het geloof wedervond. Zoo dikwijls Paulus een blik sloeg in de diepte van deze waarheid, of wanneer zijn Heer hem in die dagen met nieuwe openbaringen verwaardigde (Gal. 1 : 12), zal hij dankbaar hebben ervaren, wat hij later, in den brief aan de Romeinen, over die diepzinnige waarheidsprekende, uitriep: „O, diepte des rijkdoms beide der wijsheid en der kennisse Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijne oordeelen, en onnaspeurlijk Zijne wegen! Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is zijn raadsman geweest? Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in dei-eeuwigheid! Amenquot; (Rom. 11 : 33).

Zoo werd dan de langdurige eenzaamheid voor den Apostel Paulus een gezegend Patmos van heerlijke Godsopenbaringen, een eenzame bidcel, waar de man, die eeuwen lang tot de ge-heele woreld prediken zou, zich voorbereidde, en wiens arbeid de, wel wat verdachte, lofredenaar Renan „de grootste gebeurtenis in de wereldgeschiedenisquot; noemt. Het was de voorjaarstijd in Paulus\' leven, de adem des geestes waaide als eene zoele wind, levenwekkend en zaligend over zijne ziele, om later onverwachte vruchten te kunnen voortbrengen. Het waren de heerlijke dagen der eerste liefde! Niet hij, maar Christus leefde in hem (Gal. 2 : 20). De oude Paulus was in den doop te Damaskus ondergegaan en begraven (Rom. 6 : 4), en een nieuwe Paulus was in Christus opgestaan. Het verleden lag achter hem als de nacht; de dag, de groote dag des eeuwigen levens was aangebroken. Zijne levensbeschouwing was veranderd. Wat hem vroeger als gewin voor de toekomst wenkte en lokte: een schitterende loopbaan, eer bij de hoogepriesters en in de synagogen, dat alles lag als een droom achter hem; vóór hem lag

218

ocr page 243

IN DE JAREN 37 — 40.

een helder, zonnig land, de gemeenschap met Christus, den Zone Gods. Het doelwit, dat hij met zijne vrienden had nagejaagd, achtte hij nu, zooals hij zich uitdrukt, schade; hij was als iemand, die niet in den drek zoekt, als hij een veld vol schitterende diamanten voor zich ziet (Phil. 3 : 8).

Vaak zal hij aan zijn weefstoel gezeten, zich hebben verdiept in het woord, dat de Heer te Damaskus in zijn beroepsbrief geschreven had: „Deze is mij tot een uitverkoren vat, om mijnen naam te dragen voor de Heidenen, en de Koningen, en de kinderen Israels.quot; Hoe duidelijker die groote gedachte Gods hem werd, om namelijk de gansche wereld door Christus te redden, des te blijmoediger ontving hij de groote, heerlijke opdracht der zending tot de gansche wereld. Nu zag hij Gods leidingen in zijn leven, in een geheel nieuw licht. Hoe merkwaardig had God hem van zijne eerste jeugd afaan, voor zijn beroep van Heiden-Apostel voorbereid! Een Petrus, een Johannes, waren daartoe niet in die mate geschikt geweest. Zeker, ook zij waren door den Heer gevormd geworden, gedurende twee jaar hadden zij dagelijks den omgang met den Zone Gods genoten; maar zij hadden nimmer Palestina\'s grenzen overschreden, zij konden zich, zooals wij uit de geschiedenis der Apostelen bemerken, slechts met moeite losmaken van de aangeboren verachting der Joden voor andere natiën. Eerst nadat een ander den weg had gebaand, leerden zij voegen. Paulus echter had van kindsbeen af in Tarsen gewoond, waar de beroemste hoogescholen der toenmalige Grieksche wereld waren. Hij had daar ook de goede, edele zijde van den Griekschen geest leeren kennen en waardeeren, en daardoor reeds in zijne jeugd een ruimeren blik gekregen op Gods werk, ook onder andere volkeren. Hij kon de Heidenen als vriend naderen, als iemand die hen verstond, die hen ook desnoods met hunne eigene wapenen kon wederleggen. Hij kon, als bittere tegenstander en vervolger der Christelijke kerk, ook de vijanden van Jezus begrijpen, zich in hunnen toestand verplaatsen en juist daarom, als een krachtige prediker en een ervaren zielzorger.

219

ocr page 244

NAAK ARABIË.

hunne harten veroveren en hen overtuigen. Zoo was hij dan als voorbeschikt, om die eene groote, bezielende gedachte te verwezenlijken, die hem gedurende zijn verder leven geheel en al vervulde, dat namelijk, niet, zooals vele joodsch-denkende Christenen geloofden, alleen Joden of tot het Jodendom overgegane Heidenen, maar allen, alle natiën en volkeren, tot het heil in Christus geroepen waren.

Daarbij kwam nog eene gewichtige uitwendige omstandigheid van zijn leven. Hij bezat het zoo zeer begeerde Romeinsche burgerschap, dat hem bij allen een zeker aanzien gaf, en dat de meesten zijner stamgenooten, in elk geval al de andere Apostelen, misten. Dat burgerrecht verschafte hem den toegang tot het geheele Romeinsche rijk. Tevens was hij een Joodsch Rabbi, en daardoor bevoegd en gewoon om in alle synagogen als geroepen leeraar op te treden, dat hem den toegang bij de Joden verschafte.

Bij dat alles kwam nog, dat hij, tegen alle Joodsche gewoonte in, ongehuwd was; hetzij dat hij nimmer gehuwd is geweest, of wel weduwnaar was, hetgeen men uit verschillende plaatsen in den brief aan de Korinthen zou vermoeden. Hij had dus den tijd voor zich, daar hij noch voor vrouw, noch voor kind behoefde te zorgen. Waarheen de dienst van het Evangelie hem ook riep, hij kon onmiddelijk aan die roepstem gehoor geven en afreizen, zonder zijne huisgenooten in zorg te moeten achterlaten. Hij was een krijgsman, „hij werd niet ingewikkeld in de handelingen des leeftochtsquot; zooals hij eenmaal sprak. Was hij weduwnaar, dan zal de hartelijke man, die behoefte aan liefde had, zeker vaak in zijne eenzaamheid treurig gestemd zijn geweest. Nu echter wist hij, waarom God hem in de eenzaamheid had gezet. Hij moest ten allen tijde voor het Evangelie beschikbaar zijn.

In dat alles erkende Paulus de leidingen Gods. De gedachte, die hij aan de Gal. (Hoofdst. 1:15) nederschreef: „Maar wanneer het Gode behaagd heeft, die mij van mijner moeders lijf af-

220

ocr page 245

IN DE JAHEN 37 — 40.

gezondere! heeft en geroepen door zijne genade,quot; is liet resultaat van biddende overdenking van zijnen levensweg.

Paulus had, evenals zijn groote navolger en leerling Luther in het klooster te Erfurt, een tijd van heilige stilte, waarin hij opgroeide tot waarachtigen Doktor in de Theologie, kenner der Heilige Schrift en leeraar van het Evangelie aan millioenen voor eeuw na eeuw. Als wij nagaan de gebeurtenissen van het verblijf van Paulus in de woestijn van Arabia, zoo rijk aan gevolgen, dan zouden wij dit Arabia Petraa („het steenachtige Arabiëquot; zoo als de ouden het noemden) willen toeroepen: „O, gij onvruchtbare, Arabische woestijn! Niemand noeme u langer woest, sedert daar de groene levensboom in G-ods tuin is gegroeid, aan wiens vruchten de gansche wereld zich heeft verkwikt, nl. de brieven aan de Romeinen, aan de Korinthiörs, aan de Filippenzen en anderen. ISTeen, wij willen van u niet langer spreken als van een land, dat niet tot de wereldgeschiedenis behoort, sedert van uwe hoogten de man is afgedaald, die het uitverkoren werktuig G-ods was, om zijnen gedenk-waardigen veroveringstocht voor Christus, in de wereld aan te vangen; die tocht, die van gewichtiger gevolgen en grooter zegen geworden is, dan de veroveringstocht van welken groeten wereldveroveraar ook, hij heette dan Alexander, of Cesar of Barbarossa.quot;

221

ocr page 246

DE TERUGKEER UIT DE WOESTIJN.

Ongeveer drie jaar had Paulus in Arabië vertoefd, toen de tijd van vertrek aanbrak. Zulke tijden van stilte en eenzaamheid kunnen wel gezegende overgangen zijn in eens menschen leven, maar mogen nimmer levensdoel wezen, zooals later de monnikken zich voorstelden. Of Paulus volle drie jaar in Arabië gebleven is, of reeds vroeger naar Damaskus is teruggekeerd, kunnen wij uit Gal. 1 : 18 niet duidelijk opmaken. Nu keerde hij terug naaide plaats zijner bekeering, naar de plaats waar hij gedoopt was. Als een kind in Christus was hij voor eenige jaren uit Damaskus vertrokken, als een man in Christus keerde hij tot diegemeente terug, die hem met groote vreugde in haar midden zal hebben begroet.

Onmiddelijk bezocht Paulus de synagoge en predikte. Nu was die prediking nog wat anders dan voor eenige jaren, toen hij den Heer slechts sedert enkele dagen kende. Zijn inwendig leven was gerijpt, zijn geloof bevestigd. Zijne aangrijpende, overweldigende prediking in de Synagoge was als een bergstroom, die zich eindelijk uit zijne banden losbreekt. Aller harten werden geroerd, en of liefde of haat voor het Evangelie was de uit-

ocr page 247

IN HET JAAR 40.

werking van Paulus\' rede. Al wat hij in die uren van eenzaamheid had verzameld, kwam nu gezuiverd en diep doordacht uit den mond van den, door God begenadigden, getuige, de harten zijner hoorders verfrisschende als het heldere bronwater, dat van de hoogte van den Antilibanon in den Barada stroomt.

Van hoe meer beteekenis de persoonlijkheid van Paulus was, hoe meer de gemeente door zijne verschijning bekend werd en zich uitbreidde, des te heviger werden de toorn en de haat zijner vroegere vrienden, met wie hij voor drie jaar het Christendom had willen uitroeien. Zij waren zoo verbitterd, dat zij al spoedig zijnen dood zochten; de afvallige zou de muren van Damaskus niet levend verlaten. De Christenen bemerkten het gevaar van zijn toestand, en raadden Paulus dringend aan te vluchten.

Zijn val was besloten, en alle maatregelen waren genomen om hem het ontvluchten onmogelijk te maken. De stadhouder van den koning van Aretas, tot wiens rijk Damaskus toenmaals behoorde, leende den Joden de behulpzame hand. Spionnen en verspieders werden aangesteld, en de poorten van Damaskus werden bewaakt, om den vluchteling te vatten. Er scheen geen ontkomen mogelijk; bleef Paulus in Damaskus dan zou men hem met behulp der overheid wel in handen krijgen.

Ter goeder ure echter, bedachten de Christenen een middel ter redding. Zij herinnerden zich het huis van een der vrienden, dat op den stadsmuur stond en van waaruit de vlucht heimelijk kon plaats hebben. Ook nu nog ziet men èn in Damaskus èn in Jeruzalem, zulke huizen, die zoo nauw met den stadsmuur ver-eenigd zijn, dat de vensters als in den muur geplaatst zijn. Van uit zulk een huis, hetzij van het dak, hetzij uit het venster, kan men met behulp van touwen en ladders gemakkelijk buiten de stadspoort komen. Ook nu nog wordt in Damaskus de plaats aangewezen, van waar Paulus zou zijn ontvlucht.

Waarschijnlijk was het na middernacht, toen eenige mannen uit de gemeente der Christenen, waaronder ook zeker Ananias was, behoedzaam met Paulus aan het venster traden, terwijl

223

ocr page 248

DE TERUGKEER UIT DE WOESTIJN.

eene mand aan een stevig touw werd bevestigd. Na in alle stilte van elkander afscheid te hebben genomen, plaatste Paulus zich in de mand en werd daarna over den stadsmuur naar beneden gelaten. Nog één dankbare handdruk, nog één vaarwel klonk met gedempte stem door den duisteren nacht. De achter-blijvenden, die in grooten angst elk geluid waarnamen, hoorden de wegstervende voetstappen van Paulus. Daarna verdween de vluchteling in den duisteren nacht. Zoo keerde Paulus den rug naar Damaskus, waar hij voor drie jaar verblind en verschrikt was binnen geleid, en waar hij het kostbaarste kleinood gevonden had. Ook dien angstigen nacht zal hij nimmer vergeten hebben. Achttien jaar later beschreef hij dien in zijnen tweeden brief aan de Korinthiërs (11 : 32). Menigmaal nog in zijn leven was hij in levensgevaar en moest hij vluchten voor de vervolgingen der vijanden. Ditmaal was het de eerste vervulling der ernstige woorden, die Jezus hem door Ananias had laten aanzeggen: „Ik zal hem toonen, hoeveel hij lijden moet om mijnen naam.quot;

Eene koude nachtwind streek over de vlakte, terwijl Paulus denzelfden weg betrad, waarop de Heer hem voor drie jaar was verschenen. Diep bewogen zal hij aan die onvergetelijke ure zijns levens hebben gedacht. Nu wilde hij Jeruzalem bezoeken. Vóór hem verhieven zich de donkere omtrekken van het Hermon-gebergte, waarover de prachtige sterrenhemel zich uitbreidde. Daar was eens zijn Meester verheerlijkt geworden. Op dien weg zag hij in den geest zijnen Heer, goeddoende het land rondgaan; op dien weg, dien hij voor drie jaar voor het uitwendige juist zoo als nu, maar voor het inwendige zoo geheel anders, betreden had. Hij ging langs de zee van Genésa-reth, langs Tiberius, Naïn en Samaria; ongeveer op den achtsten dag zag hij van af den Skopus, de Heilige Stad voor zich liggen in den schoenen krans harer bergen. Wat zal er in hem zijn omgegaan, toen hij ging voorbij Golgotha en de zoo welbekende plaats, waar Stefanus was gesteenigd. Hoe geheel anders was alles in hem geworden, sedert hij voor de laatste

224:

ocr page 249

IN HET JAAK 40.

maal die plaatsen bezocht had! Als een overmoedig vijand aan de spits der vervolgers, was hij uitgegaan; als een vluchteling uit deze vervolgde gemeente betrad hij de poorten van Jeruzalem. Als een Saulus was hij uitgegaan, als een Paulus keerde hij weder.

Ook in Jeruzalem was er veel veranderd. Kajafas, de moordenaar van Jezus, was kort na liet vertrek van Paulus — wellicht reeds vroeger — naar Damaskus gezonden, en had sedert dien tijd den steun van zijnen vriend Pilatus moeten missen. Ofschoon hij nog in het land der levenden verkeerde, toch was zijn macht gebroken. Of hij den eens zoo gedienstigen Saulus ooit weder heeft gezien ? Of Paulus hem de woorden zal hebben herinnerd, die hij eenmaal op den goeden Vrijdag als Hoogepriester had uitgesproken? Wij weten het niet. Zoo veel is zeker, dat de vervolging te Jeruzalem had uitgewoed, sedert het vertrek van Kajafas en Paulus.

Men had nu andere zorgen, dan de uitbreiding van het Christendom tegen te gaan. Tot ontzetting der gansche bevolking had keizer Galigula bevolen, dat zijn standbeeld in Jehova\'s tempel zou worden opgericht. De rorneinsche troepen waren in Palestina getrokken om \'s keizers wil met geweld, ondanks de wederspannige Joden, te volvoeren. Reeds was de tijd daar, dat de oude, heilige burchten en torens van Sion op hare grondvesten beefden, waarop, naar \'s Heeren woord, op dien gedenk-waardigen Woensdag der lijdensweek daar boven op den Olijfberg, de laatste stuiptrekkingen zouden aanvangen van het stervende, ten strafgericht Gods gewijde volk Israel. Hoewel met weemoed in het hart zal Paulus zich toch gelukkig hebben geprezen; nu toch had hij eene betere hoop, die niet met dezen tempel en deze stad zou moeten te gronde gaan.

Onder al die verwarringen had de Christen-gemeente zich in de drie provinciën des lands voortdurend uitgebreid. Vele gemeenten waren na den martelaarsdood van Stefanus gesticht geworden, en de terugkeer van den eens zoo gevreesden vijand als een

15

225

ocr page 250

DE TERUGKEER DIT DE WOESTIJN,

jonger van Christus, was de kroon op dien tijd der vervolging.

Zeer waarschijnlijk zal Paulus bij zijne zuster hebben ingewoond, die in Jeruzalem gehuwd was (Hand. 23 : 16). Onmid-delijk trachtte hij met de Christenen in aanraking te komen, maar helaas, zij vertrouwden hem niet. Zijne gewelddadigheden waren bij vele familiën nog te versch in het geheugen; één was er slechts, die hem beter kende dan al de anderen, en de gewichtige plaats voorzag, die Paulus eenmaal zou innemen, \'t Was de edele Barnabas (Hand. 9 : 27). Hij leidde Paulus in bij de Apostelen en de jongeren van Jezus, zoodat al spoedig de laatste vrees geweken was. De eens zoo gevreesde vijand werd met dank aan Gods genadeleidingen, als vriend en broeder verwelkomd.

Niet lang echter bleef Paulus te Jeruzalem. Bovenal zocht hij in dien tijd den omgang met Petrus, terwijl de andere Apostelen, die de nieuwe gemeenten buitenaf bezochten en leidden, afwezig waren. Behalve Petrus was alleen Jakobus, de broeder des Heeren, te Jeruzalem (Gal. 1 : 18, 19). Daar zocht hij, niettegenstaande het gevaar, zijne inzichten bekend te maken ook aan de Libertijnen, zijne vroegere makkers in de Grieksche synagoge (Hand. 9 : 29). De stoutmoedige getuigenis, juist uit dien mond, verbitterde zijne vroegere vrienden zoozeer, dat zij een aanslag op zijn leven waagden. Reeds toen ving in Jeruzalem de tijd aan, dat men eiken twist over godsdienstige geschillen liefst met het zwaard besliste. Dit tijdperk duurde tot aan den laatsten Joodschen oorlog.

Niet alleen liep Paulus gevaar, om door de hand eens sluipmoordenaars te worden vermoord, maar met recht vreesde men, dat daarmede de pas gebluschte vlam der vervolging met nieuwe woede zou uitbreken. De Christenen raadden hem aan. het, juist voor hem zoo gevaarlijke, Jeruzalem te verlaten, om zich niet noodeloos in gevaar te begeven; zijn verblijf kon slechts tot de heftigste tooneelen aanleiding geven, zelfs al dreigde hem niet een onmiddelijke dood. Vertrouwde mannen begeleidden hem ge-

226

ocr page 251

IN HET JAAR 40.

durende twee dagen tot aan Cesaréa. Wel hadden zij tegelijkertijd nog andere Christen-gemeenten in het landschap Judéa willen bezoeken, maar Paulus moest zich haasten om het dreigende gevaar te ontkomen. „En ik was,quot; zoo schreef hij aan de Galaten (1 : 22), „van aangezicht onbekend aan de gemeenten in Judéa, die in Christus zijn. Maar zij hadden alleenlijk gehoord, dat men zeide: Degene die ons eertijds vervolgde, verkondigt nu het geloof, hetwelk hij eertijds verwoestte, en zij verheerlijkten God in mij.quot;

Met het vertrek van Paulus houdt Jeruzalem op, in de Heilige Schrift het tooneel der heilige geschiedenis te zijn; nog slechts enkele malen wordt die groote stad op weinig roemrijke wijze besproken. Daarna volgt een welsprekend zwijgen, waarachter wij reeds den donder van het toekomende gericht vernemen.

In Paulus echter was het werktuig toebereid, door hetwelk hoofdzakelijk, de geheele wereld het tooneel der geschiedenis van het Godsrijk zou worden. Israel had zijne twaal Apostelen. Nu was de dertiende geroepen, de Apostel der andere natiën, wiens levenstaak dien der andere verre overtrof. Zijne grootste afdwalingen zelfs moesten dienen om hem te sterken en te bevestigen in zijn geloof. Ook voor de Westersche volkeren met hun kritischen geest was het gewenscht, dat hun Apostel de meest kritische was. Thomas was gewis een twijfelaar, erger dan de overige Apostelen; de alleron-geloovigste echter is Paulus geweest, die gevreesde vijand dei-jeugdige kerk, die met nog meer nadruk dan iemand anders gesproken heeft: „Tenzij dan dat ik Hem aanschouwe, zal ik niet gelooven.quot; Tot aan het einde zijns levens heeft Paulus zijne roeping als Apostel alleen gegrond op het feit, dat hij den Verrezene zelf gezien had (Gal. 1 : 1; 1 Kor. 15 : 8). Het bloedig optreden van Paulus in het Nieuwe Testament, bij den dood van Stefanus en andere slachtoffers, bleef hem gedurende zijn gansche leven eene aansporing, om het bedreven kwaad weder goed te maken, door zijn eigen leven ten offer te brengen

227

ocr page 252

DE TERUGKEEK, ÜIT DE WOESTIJN.

voor de gemeente, die hij vroeger vervolgd had. Eene Christenvervolging aan wier hoofd hij stond, is het eerste dat wij in het Nieuwe Testament van hem lezen; een Christen-vervolging waarvan hij het edelste offer was, in het ver verwijderde, keizerlijke Rome, is de laatste gebeurtenis zijns levens, waarbij wij zijn spoor verliezen. Daartusschen ligt een veelbewogen leven van onvermoeiden arbeid. Bij zijne bekeering vond hij eene kleine Christelijke gemeente in Palestina; als eene, in de gansche wereld gevestigde, kerk heeft hij haar achter gelaten. Nog na zijnen dood gaat hij in profetische gestalte en met Apostolisch gezag door de Christenheid, haar steeds tot een nieuw leven opwekkend door zijne prediking des kruises, die reeds toen door de geheele bekende wereld klonk. Ook onder ons is hij ruim anderhalve eeuw later, toen de kerk van Christus op nieuw gevaar liep om onder het juk der Farizeeuwsche instellingen en werkheiligheid te geraken, weder opgestaan van den dood, toen zijn Duitschen opvolger in het klooster te Erfurt, de brieven van Paulus in handen kwamen, die hem en der gansche wereld, als eene nieuwe openbaring, dat heerlijke woord van de rechtvaardiging door het geloof alleen, toeriepen.

De naam van Damaskus zal voor Christus\' kerk ten allen tijde onvergetelijk blijven. Als wij in onze dagen evenwel, ons oog vestigen op die prachtige stad, dan kunnen wij een gevoel van weemoed niet onderdrukken. Voor het uitwendige is zij groot en bloeiend als weleer; terwijl de meeste, ja bijna alle groote steden in den omdrek, Ninevé en Babyion, Baalbeck en Palmyra, Memphis en Thebe in puin liggen, heeft Damaskus nog altijd iets van hare eeuwige jeugd behouden. Hoe vaak ook belegerd en veroverd door de Mongolen en Mammelukken, de Tartaren en Turken, heeft zij zich telkens weer als een Fenix verjongd, uit de vlammen verheven. Zelfs het geestdoodende bestuur der Turken heeft haar niet geheel kunnen ontluisteren. De kandelaar echter, is van haar weggenomen. Het Christendom, dat daar zoo welig wortel schoot, en dat steeds grootere Christen-

228

ocr page 253

in het jaar 40.

220

scharen in hare kerken vereenigde, waaruit nog in de achtste eeuw de gevierdste geleerde der Grieksche kerk, Johannes Damascenus, opstond, kon daar geen blijvende plaats vinden, omdat het zout der oostersche Christenen zouteloos was geworden. De Mohammedanen kwamen als een strafgericht over haar, en sloegen de kruizen van de torens der kerken, om er de halve maan op te planten. Nog ziet de halve maan op de stad neder, waar eens Europa\'s Apostel geroepen werd. Het ware Christendom, dat in het aanbidden en verheerlijken van beelden en reliquieën onderging, ging het als den Barada, die jeugdig, frisch en vroolijk zijnen loop aanvangt, maar nadat hij door Damaskus is heen-gespoed, in de woestijn verzandt en in moerassen verdwijnt, zonder ooit de heerlijke, blauwe zee te bereiken.

Evenwel, met deze droevige beelden wil ik niet eindigen. Ook nu weder zijn op verscheidene plaatsen in gansch Syrië Evangelische zendelingen gevestigd. De Amerikaansche broeders in het geloof arbeiden er met grooten zegen. De oorsprong van het Syrische weeshuis in Jeruzalem voert ons naar Damaskus en op den Libanon terug, waar in het jaar 1860 in weinige dagen 10000 Christenen werden neergeveld. Duizenden kinderen van den Libanon verzamelen zich dagelijks in de Evangelische scholen. En wie weet, of niet nog eenmaal de tijd zal komen, dat in Damaskus en door gansch Syrië zal weerklinken het Evangelie, dat in die eenig schoone stad, na zwaren strijd, bezit nam van den grooten heraut van Jezus Christus, den

Apostel Paulüs!

ocr page 254
ocr page 255

DE EERSTE PREDIKING DES EVANGELIES AAN DE MIDDELLANDSCHE ZEE.

ocr page 256
ocr page 257

Kent gvj het land, waar do citroenboom bloeit?

In donker loof do goudoranje gloeit,

Een zachte wind uit blauwen hemol stroomt,

De mirt zeor stil, luid de laurierboom droomt,—

Kent gü het wel?

Daarheèn! Daarheen!

Wild\' ik met u, o m\\)ii geliefde, treèn!

Ieder reiziger, die, zij het ook slechts eenmaal, het Beloofde Land bezocht heeft, zal zich altijd met vreugde de vriendelijke havenstad van Palestina herinneren, die van de eene zijde bespeeld door de bruischende golven der zee, aan de andere zijde omringd is door de welriekendste oranje- en citroenboomen. Het is de eerste stad, die de reiziger reeds van uit zee aan de kust van het Beloofde Land gewaar wordt. Hoe vriendelijk en uitlokkend ligt zij daar! Wit als een zwaan duikt Jaffa, een der oudste steden der gansche wereld, uit de bruischende golven op en ziet van haren prachtigen heuvel, als eene Koningin van haren troon, op het eindeloos wisselend spel der golven. De witte huizen liggen amphitheatersche wijze tegen de berghelling aan; menige forsche palmboom verheft het hoofd hoog boven de daken en wiegt hare trotsche kruin, bewogen door den zachten wind die van den blauwen hemel en de blauwe zee over het land strijkt, ten teeken dat men de kust van het zonnige land der palmen heeft bereikt.

De groote stoombooten wel is waar, wachten zich de gevaarlijke

ocr page 258

234 DE EERSTE PREDIKING AAN DE MIDDELLANDSCHE ZEE.

stad te dicht te naderen. De preutsche zeestad toch, heeft een gordel van puntige rotsblokken om zich heengetrokken: een gevaar vollen krans van klippen, die zich in een wijden kring om Jaffa, uit de zee verheffen. Van den oever of van de platte daken der huizen zijn zij duidelijk zichtbaar, daar de golven er onophoudelijk schuimend over heen slaan, waardoor de aanblik der zee zeer verlevendigd wordt, die in den glans der zon als van duizenden diamanten fonkelt. Geen wonder, dat de Grieksche legende van Andromeda zich juist aan deze klippen heeft vastgeknoopt; van Andromeda, de schoone, zachtaardige koningsdochter, die daar aan een der gevaarlijkste rotsen weerloos aan den harden steen geketend zat, prijs gegeven aan het vreeselijke zeemonster, totdat haar de dappere Perseus bevrijdde. Wee de stoomboot, die zich roekeloos in dezen gevaarvollen kring waagt! Zij zou op de klippen te pletter slaan; vraatzuchtige haaien zouden de schepelingen verslinden; en het schoone schip zelf zou evenals de ongelukkige Andromeda, aan de rotsen uit den afgrond worden vastgeketend, totdat de rustelooze golven haar, tor, stof vermalen, in de diepen oceaan zouden oplossen.

Welk reiziger naar Palestina herinnert zich niet de somtijds liefelijke, maar ook dikwijls angstvolle vaart op een dobberend schuitje, dat hem van boord door den schuimenden klippenkrans naar den oever van het Heilige Land voerde! Acht tot tien roeiers, in hunne wit en blauw gestreepte bovenkleeren, stemmen een vroolijk zeemansliedje aan; op de maat van hun gezang slaan zij hunne roeiriemen met gespierde armen in de donkere golven, en pijlsnel spoedt zich het kleine scheepje naar het schoone strand. Het is een trotsche aanblik, wanneer die 40 tot 50 sloepen na de aankomst der stoomboot, hun bijna vermetelen wedstrijd aanvangen, terwijl de schippers, begeerig om de eerste te zijn, van alle kanten hun luid Haiho! over de bruischende golven laten weerklinken. Daar ijlen zij in wedstrijd, nu eens hoog op de golven, dan weder tusschen de watermassa verdwijnend, heen. Nu zijn zij de smalle rotspoort genaderd, dien

ocr page 259

IN HET JAAR 38 OF 39.

buitengewoon-engen doorgang, slechts van 10 meter breedte, waar-tusschen de sloepen zich moeten heenwerken. Rechts en links verheffen zich de rotsen als de tanden van een zeemonster, dat de zoo welkome buit wil verslinden. Menig reiziger, tot dusver veilig voortgereisd, is die rotspoort, in het gezicht van het ge-wenschte strand, de wuivende palmen, en de vriendelijk wenkende stad, tot een schrikbeeld der onderwereld geworden. In wit schuim brekend, slaat de branding tegen de klippen. De schippers spannen hunne laatste krachten in. Een geweldige druk van 20 tot 30 gespierde mannen armen! Dan worden bliksemsnel de riemen ingehaald, opdat zij niet rechts en links als rietstaven tegen de rotsen breken; en als een pijl uit den boog vliegt het kleine scheepje door de schuimende branding. Spoedig daarop schommelt het op het kalme, blauwe vaarwater, dat binnen den kring der rotsen eene veilige haven biedt aan de kleine schepen, en door een bosch van masten en zeilen glijdt het nu geheel rustig voort tot aan het land.

Wie kan den vriendelijken groet, dien dat land hem bracht ooit vergeten! Als men de smalle en morsige, maar toch vaak schilderachtige straatjes van Jaffa achter zich heeft, en landwaarts trekt, waar de citroenen bloeien en de gouden oranjeappelen tusschen liet donkere loof schitteren, dan wordt de ziel door de betoovering van dat bekoorlijk Zuiden bevangen. Hoe wordt daar die onbeschrijfelijke en onwederstaanbare liefde voor dat Zuiden gewekt, om nimmer te verkoelen. Hij, die eenmaal den voet zette op dat zuidelijke strand, vergeet zijn gansche leven niet die bloeiende oranjeboomen, die duizenden gouden vruchten tusschen andermaal duizenden witte bloesems, die hare bedwelmende geuren uren ver over het land verspreiden. Zijn gansche leven door klinken door zijne ziel de woorden des dichters:

Wicn eens \'t betoov\'rcnd Zuiden zijn schoonheid openbaard\',

Hij heeft geheel zijn leven daar heug\'nis van bewaard;

Die trekt en lokt hem immer terug naar \'t gouden strand,

Daar, waar in warme glansen hom groet \'t Beloofde Land.

235

ocr page 260

PETRUS IN LYDDA.

Wanneer men van Jaffa landwaarts trekt naar den hoogen rotswand, wiens top, voor het oog nog verborgen, Jeruzalem kroont, komt men na een marsch van ongeveer drie uren in de stad Lydda.

Het was op een avond in het jaar des Heeren 38 of 39, dat van de tegenovergestelde zijde van het gebergte, de Apostel Petrus de stad naderde. Wij hebben den man met dat krachtvolle gelaat, die ernstige en toch vriendelijke blik, sedert verscheidene jaren niet meer ontmoet. Nog altijd échter, staat hij aan het hoofd der jeugdige Christelijke kerk; hij, de rots op welke Jezus zijne gemeente grondde. Veel had hij in dien tijd ondervonden, dat hem en al de anderen meer en meer had bevestigd in de overtuiging „dat Jezus bij hen was alle dagen,quot; en dat Hij zelf als Heer der kerk, de teugels voerde. Hoe menige storm was er in de laatste zes jaren, sedert zijn Hemelvaart, over de kleine gemeente der Christenen losgebroken, maar alles had slechts medegewerkt om haar groei en hare kracht op ongedachte wijze te vermeerderen. Het bloed van den edelen Stefanus was het zaad der Christelijke kerk geworden!

In Samaria was eene gemeente gesticht, en telkens ontvingen

ocr page 261

IN HET JAAR 38 OF 39.

de Apostelen nieuwe, verblijdende berichten van gemeenten, die door de vluchtelingen waren gesticht tot in Damaskus. ja zelfs tot in de wereldstad Antiochië aan den Orontes. Zelfs rot over de Middelandsche Zee, die Petrus op zijnen weg van het gebergte steeds voor zich zag, was het Evangelie doorgedrongen, in Cyrene en op het schoone eiland Cyprus. Waarschijnlijk zal Petrus bij den eersten storm der vervolging den moed verloren hebben, evenals toen hij voor zeven jaar op de zee van Genésareth den Heer te gemoet ging, en bij het zien der hooge golven begon te zinken en uitriep; ,.Heer! help mij!quot; Nu, terwijl die dagen hem in de herinnering kwamen, zal het hem geweest zijn, alsof diezelfde stem hem weder toeriep: „O gij klein ge-loovige! Waarom twijfelt gij ?quot; Niet alleen toch had de vervolging talrijke gemeenten doen ontstaan, maar zelfs Paulus, de zoo gevreesde vijand en vervolger, voor wien alle Christenen gesidderd hadden, was te midden der vervolging plotseling een jonger van Jezus geworden.

Aan dat alles zal Petrus hebben gedacht, toen hij door de vlakte van Saron, naar Lydda trok. De reis gold een bezoek aan eene nieuwe gemeente. De onvermoeide Filippus was ook de Apostel van die streek geweest. Nadat hij den Kamerling uit Moorenland verlaten had, had hij in de oude vlakte der Filistijnen de vluchtelingen bezocht en enkelen tot het geloof in Jezus gebracht. De geheele kust, van af Asdod, Lydda, Joppe tot aan Cesaréa, de politieke hoofdstad van Palestina, toe, had hij bezocht en blijvende sporen zijner werkzaamheid achtergelaten. Op de, van ouds, wegens hare rozen beroemde, vlakte bloeiden nu de ware, edele rozen van Saron, de gemeenten van Jezus Christus; en nu naderde voor de eerste maal een Apostel des Heeren deze steden, om den steeds rijker bloeienden tuin van Jezus Christus te bezoeken.

Tegenwoordig ziet het er in Lydda gansch anders uit, als op den avond, waarop Petrus, den pelgrimsstaf in de hand, de stad binnentrok. Ook nu nog is het eene groote plaats, die na vele

237

ocr page 262

PETEUS IN LYDDA.

naamsveranderingen, door de Grieken Diospolis, door de kruis-vaders St. Georg genoemd, haar eeuwen-ouden naam Lydda gehandhaafd heeft. Evenals de gansche kust bezaaid is met nog voorhandene of nauwelijks herkenbare bouwvallen van verwoeste steden, is ook Lydda nog slechts eene schaduw van wat het eens was, eene bewoonde puinhoop, boven het vroeger zoo bloeiende Diospolis. Eene fraaie minaret, die zich in een vijver spiegelt, verheft zich hoog in de lucht en teekent hare schoone vormen tegen den horizon af. Slanke palmen steken de toppen boven de huizen uit, en des avonds als de zeewind opsteekt, stoo-ten de takken klinkend tegen elkander, als de avondklokjes van Lydda. Naast de Mohammedaansche moskee staan de bouwvallen der St. George-kerk, die de kruisvaders, de opvolgers dier eerste Christenen, daar gebouwd hebben. De fraaie ruïnen buigen het hoofd als in het stof voor de trotsche halve maan op de naburige minaret. Het oude vaderland der Christelijke kerk zucht nu onder den Islam! Een bosch van oude, hooge, ondoordringbare cactus-hagen omringt de stad, inderdaad zeer ten nadeele der bewoners, want terwijl zij zich de zoete vruchten goed doen smaken, waait de wind de fijne cactusstekels velen in de oogen, zoodat het zesde deel der inwoners blind is. De weemoedige aanblik, die de straten opleveren, waarin het grootste deel dei-bewoners met een stok tastend den weg zoekt, heeft den stichter van het Syrische weeshuis in Jeruzalem aanleiding gegeven, om eene inrichting voor blinden daarin te openen. Over het algemeen is de omgeving van Lydda ook nu nog schoon en vruchtbaar. Overal ontmoet men sporen van menschelijke vlijt. Men wandelt als door tuinen, die tengevolge van den waterrijkdom, jaar in jaar uit in weelderigen bloei staan. Olijf- en vijgen-boomen, perzik- en granaatappelboomen staan in vollen dosch; kostbare vruchten uit het Zuiden rijpen in de tuinen, en golvende graanvelden omringen in de maanden April en Mei, de stad van alle zijden.

Hoe schoon moet zij geweest zijn, toen zij bij de komst van

238

ocr page 263

IN HET JAAR 38 OF 39.

Petrus nog gelukkiger dagen kende, vrij van den druk, waaronder zij nu sedert eeuwen gebukt gaat. Het was tegen den avond dat Petrus de stad naderde, die volgens Jozefus, eene groote stad genoemd kon worden. De zon dook in het Westen in de ;:ee ouder, en purperrood was de hemel boven de vlakte van Saron. Hij trad de poort binnen, waar zich volgens Oostersch gebruik, de lieden verzamelden, om te rusten van den arbeid des daags. Hij liet zich het huis wijzen, waar hij „de heiligen, die in de stad woonden,quot; dacht te vinden. Welk eene vreugde zal dat ontmoeten voor de Christenen van Lydda geweest zijn! Het was toch de eerste maal, dat een der Apostelen naar Lydda kwam. Hij was er een welkome gast. Wij kunnen ons voorstellen wat de inhoud zijner rede was, die dien avond door de gemeente met dankbare vreugde werd aangehoord. Bovenal moest hij hun van den Heer verhalen, dien hij gedurende twee jaar had mogen volgen en die vóór al de andere Apostelen, aan hem op den eersten Paaschdag verschenen was. Hij moest hun verhalen van de wonderbare uitbreiding der gemeente, niettegenstaande de vervolgingen; hij moest hun verhalen van de bekeering van Paulus, voor wiens toorn ook de gemeente daar had gebeefd. Zeker, het was een feestelijk urn-voor de Christenen in Lydda, toen men naar hem luisterde, totdat men vermoeid ter ruste ging.

Den volgenden dag was Petrus in de gelegenheid Christus in veel ruimeren kring, aan de geheele stad te verkondigen. Het was eene prediking, waarbij de daad aan het woord werd toegevoegd, even als Jezus voor vele jaren bij zijne reizen door Galiléa had gedaan. Op eene wandeling door de stad ontmoette Petrus een kranke, Aenéas genaamd, die sedert acht jaren, alzoo sedert den tijd van Johannes den Dooper, door de jicht verlamd was. Eene inwendige stem openbaarde Petrus, dat deze krankheid en de daarop volgende genezing, door God bestemd waren tot verheerlijking Zijns Heeren, en om der prediking des Evangelies in deze vlakte, eene goddelijke bekrachtiging te geven. Hij voegde

239

ocr page 264

PETRUS IN LYDDA.

zich bij den kranke en sprak: „Aenéas! Jezus Christus maakt u gezond! Sta op en neem uw bed op!quot;

Verbaasd staarde de zieke Petrus aan. Hij kon niet anders doen, dan hem gelooven op zijn woord en hem gehoorzamen. De zoo lang verlamde leden weigerden hem hunne diensten niet langer. Hij verhief zich, vouwde zijn bed te zamen en was genezen.

In een oogenblik had de mare dier wonderbare genezing zich door de gansche stad verspreid. Allen verzamelden zich rondom Petrus en den herstelden man. Het merkwaardigste van de ge-heele zaak was, dat Petrus nadrukkelijk gezegd had, dat Jezus Christus den man genezen had. De jongeren hadden dus gelijk met de bewering, dat Hij leefde. De genezene, door de gansche stad bekend als verlamd, stond daar als een onwederlegbaar bewijs voor hen. Zoo werd dan deze genezing het klokkengelui, dat niet alleen de bewoners van Lydda, maar ook die van Sarona (wellicht het tegenwoordige Ramlé, dat een half uur verwijderd lag) rondom den Apostel verzamelde, om de prediking van Jezus Christus te vernemen. De gevolgen waren verrassend, want Lydda en Sarona werden bijna geheel geloovig in den Heer.

Heerlijke dagen bracht Petrus te midden der jeugdige gemeenten door. Opnieuw werd hij zich bewust van de heerlijke leiding zijns Heeren en Meesters. Wel bleef de Joodsche Raad in zijnen haat tegen den Christus volharden, maar overal in het land werd toch het kruis zegevierend geplant, en gansche scharen van volgelingen verzamelden zich onder dat teeken. Nog lang heeft Lydda eene eervolle plaats in de geschiedenis der Christelijke kerk behouden. Wel werd het 30 jaar na het bezoek \\an Petrus, in den Joodschen oorlog, door den Romeinschen veldheer Cestius Gallius tot op den grond toe geslecht, maar het is latei-door Vespasianus herbouwd. Lang was het de zetel van een Christelijken bisschop, en beslissende Synoden der Christelijke Kerk hebben zich nog in de vierde eeuw aldaar verzameld. De heilige George, de drakendooder, die later, ten tijde der kruis-vaders, der stad haren naam gegeven heeft; hij, het vermaarde

240

ocr page 265

IN HET JAAR 38 OF 39.

kind van Lydda, heeft zijne vaderstad in Palestina zeer beroemd gemaakt. Met speer en lans, en den kronkelenden draak onder den voet, is hi; uitgetogen als schutspatroon en heilige van de Katholieke kerk. Ook onze krijgslustige, Duitsche naburen hadden een welgevallen in die krijgshaftige heiligheid. Zulk een dappere krijger als beschermheer in den hemel was hun zeer naar den zin. Hij was gedurende de kruistochten een bizonder geliefd heilige. Langen tijd heeft Richard Leeuwenhart met zijne troepen voor de stad van den Roomschen schutspatroon van Engeland gelegen. Ook in het Oosten werd de heilige George van Lydda door Christenen en Mohammedanen als een hooger wezen vereerd. De fraaie kerk, die de kruisvaarders in Lydda voor hem gebouwd hebben, maar meer en meer in verval geraakt, is een stomme en weemoedige prediker in zijn oude vaderland, die aan allen verkondigt, dat zelfs de grootste en krijgshaftigste heilige zijn tijd heeft.

Treedt nu met mij in de oude, eerbiedwaardige zuilengangen, waardoor de zonnestralen op het gras en op de voorjaarsbloemen spelen, die er welig tieren. Daar heeft Richard Leeuwenhart eertijds gebeden met zijne dappere krijgers, die het roode kruis op de schouders droegen. Daar heeft in lang vervlogen eeuwen, menige helm geblonken; daar legden de kruisvaders, vóór zij ten strijde optrokken om Jeruzalem te veroveren, knielend de wapens neer, om die te laten wijden door den heiligen George. Als gij die lang vervlogen eeuwen voor het oog uws geestes laat voorbijgaan; die predikende Petrus, die daar de eerste Christen-gemeente om zich verzamelde; die groote. Christelijke stad, die daar eeuwen lang stond; die plotselinge inval der Arabische horden, die de halve maan hoog boven het kruis plantten; die schitterende wapenen der kruisvaarders, die zoo menigmaal hun legerplaats in de vlakte voor Lydda opsloegen — dan beseft gij iets van het groote stuk wereldgeschiedenis, dat daar, bij deze nu zoo verlaten stad, werd afgespeeld.

241

16

ocr page 266

PETKUS IN JOPPE.

Waarom dat klaagiyk weonon

To Joppe, luid en bang? Van jongren en van ouden

Weerklinkt een droef gezang. Hoe zoet en zalig sluimert D\' onslaapne op do baar, Zoo lieflyk als een Engel, Den rozenkrans in \'t haar.

Petrus volgde op zijne reize de voetstappen van dentrouwen Filippus en werd gewis verwacht door de inwoners der nabij-zijnde stad aan de zee, die in het Grieksch, Joppe genoemd wordt. Zonder twijfel echter heeft Joppe sedert vele eeuwen, zooals ook nu, Jaffa geheeten of, gelijk in het Oude Testament, Jafo. Eene onverwachte gebeurtenis voerde Petrus vroeger dan hij gedacht had, daarheen.

In Jafo toch was eene Christin gestorven, in het Hebreeuwsch Tabéa, maar in het Grieksch Dorkas d. i. Gazelle geheeten. De beminde Dorkas was een goede engel in de gemeente ge vreest. Eene yazel, eene ree werd zij genoemd, en vlug als eene ree was zij in hare werken van dienende liefde. Door de, nu zoo morsige, straten heeft zij zich menigmaal heengespoed, om hongerigen te spijzen en naakten te kleeden, en in dat stille

ocr page 267

IN HET JAAE 38 OF 39.

verborgen weldoen vond zij haar geluk. Terzelfder tijd dat Petrus in Lydda aankwam, was zij zwaar ziek geworden en korten tijd daarna aan die ziekte bezweken.

Wegens de drukkende hitte moet men de dooden in Jaffa spoedig bedolven, \') dikwijls zelfs eenige uren nadat de dood is ingetreden; in elk geval werd op denzelfden dag het graf gedolven. Dat was echter geen graf in de rots, zooals ginds op het gebergte, maar een graf in het zand, in de duinen. Waarschijnlijk zal het zijn geweest op dezelfde begraafplaats met hare hooge palmen, die wij ook nu nog bezoeken, en waar sedert eeuwen de inwoners van Jaffa, de soldaten der koningen van Egypte, Feniciers, Israelieten, Macedoniers, Grieken, Saracenen, kruisvaarders en krijgers van den eersten Napoleon vreedzaam bij elkander slapen tot op den jongsten dag.

Het lichaam der geliefde zuster was gewasschen en in het kamertje op het platte dak neergelegd. Daar hoorde men het bruischen der zee, en de palmen in de nabijheid fluisterden met hun zacht geruisch tot de stille doode, die met gesloten oogen, bleek en roerloos terneder lag. De geuren der bloeiende oranje-boomen vervulden de avondlucht. Dorkas lag daar stil als een slapend kind, dat van eene gelukkige toekomst droomt.

De treurende jongeren zonden heen naar Lydda, om den Apostel Petrus te verzoeken bij de begrafenis tegenwoordig te zijn. Zij meenden, dat hij meer nog dan anderen, de treurenden zou kunnen troosten; hij, aan wien de Heer op den eersten Paaschdag het eerst verschenen was. Twee der jongeren spoedden zich naar Lydda; en Petrus, in hunne smart deelende, was onmiddelijk bereid met hen te gaan. Zoo vertrokken zij, om geen tijd te verliezen, aanstonds weder naar Jaffa.

243

De weg, dien ik zoo menigmaal betrad (niet met den spoortrein, die sedert 1892 de beide steden verbindt), wordt hoe langer hoe mooier, hoe meer men Jaffa nadert. Rechts en links zagen

\') Vergelijk; Schneller, „Kent gU het land? Hoofdst. Graf en doodenklachtquot;; ook Schneller, „Kent gij Hem?quot; Hoofdst. „Onrüpe navolgers.quot;

ocr page 268

PETRUS IN JOPPE.

de drie wandelaars fraaie buitenverblijven, door hooge palmen en prachtige tuinen omgeven. Reeds van verre wordt de reiziger verkwikt door de welriekende geuren der oranjeboschjes. Vooral in het voorjaar is het een genot om dien weg te gaan; het is alsof men in een prachtigen tuin wandelt. Duizenden bloemen van de helderste kleuren bloeien voor onzen voet. Nergens in het gansche land, ja zelfs in de geheele wereld vindt men zulke Adonisrozen als daar; zulke groote kelken, zulke prachtige vormen, zulk eene zachte mengeling van kleuren vindt men nergens. Daar nevens staan in stille pracht en schitterenden kleurendOs, de Anemonen, „die leliën des velds,quot; als wilden zij hunnen Heer en Schepper prijzen. Dat zijn de rozen van Sar on, waarvan men in het Hooglied leest, waarin de Sulamith in het voorjaar zingt: „Ik ben eene roos van Saron, eene lelie der dalen.quot; (Hoogl. 2:1). Boven dat alles juicht en jubelt een vogelenkoor, als wilde dat, evenals de bloemen, den vaak onrustigen en bezorgden mensch hetzelfde prediken, dat de Heer ons in de bergprediking leert (Matth. 6 : 25—30j. De tortelduif kirt haar zachte lied, de nachtegaal jubelt, de leeuwerik schalt en huppelt van het eene veld naar het andere, terwijl de trot-■sche adelaar hoog in de lucht de vleugels uitslaat. Op de velden ziet men de, van ouds beroemde, koeien van Saron (Jes. 33 : 9; 65 : 10; 35 : 2; 1 Kron. 27 : 29), welke men tegenwoordig ook fokt in Bir Salem, de landbouwkolonie van het Syrische weeshuis.

Onze drie wandelaars gingen tusschen die prachtige, ooster-sche tuinen door; Petrus merkte daarin vreemde boomen en planten op, die hij in Jeruzalem nimmer gezien had, en die hem menigmaal aan zijn vaderland bij de zee Genésareth, zullen hebben herinnerd. Rechts en links van eene laan stonden tamarinden, platanen en breedgetakte Sycomoren \'), waarop wel vijftig Zacheüssen plaats hadden kunnen vinden. Van de palm-boomen hingen de dadels in gouden trosjes neder. Daarachter weder stond in volle pracht een donker bosch van oranje- en

1) Vygebuomeu.

244

ocr page 269

IN HET JAAE 38 OF 39.

citroenboomen, tusschen wier donkere taladeren de vruchten doorschemerden. De vruchtbaarheid dier streek heeft de menschen telkens weder uitgelokt, om op die vooruitspringende rotspunt in de zee eene stad te bouwen, hoe vaak zij ook is verwoest. De oude Feniciërs, de werklieden van Salomo, de profeet Jona, Alexander de Groote, Pompejus, Napoleon de eerste, hebben deze schoone wereld zonder onderscheid bewonderd, zooals wij ook nu nog doen.

De wandelaars bevonden zich plotseling voor de stad, die men, daar een dicht bosch haar verbergt, ziet als men er vlak bij is. „Daar is Jaffa!quot; zullen zij hebben uitgeroepen. Wat zal Petrus aan zijn geboorteplaats hebben moeten denken, toen hij, de voormalige visscher, door eene stad ging, waar zoo vele visschers woonden. Bij de poort en in de straten zaten rechts en links verkoopers in hunne tentjes of kraampjes. Men bood er oranjeappels, dadels, meloenen en allerlei soorten van visch te koop. Petrus en zijne begeleiders gingen door het gedrang op de markt rechtstreeks naar het huis, waar Dorkas in de kleine kamer op het platte dak zoo rustig sliep. De vrienden hadden zich reeds voor de deur verzameld. Ook heden ten dage ziet men reeds uren voor de begrafenis, eene treurende menigte voor de deur verzameld. Zeker zal ook daar eene groote schare zijn te zamen gekomen, die zich — zooals eens de gansche stad bij den jongeling van Naïn — bij de treurenden wilde aansluiten; Dorkas toch had zich de liefde van allen verworven. De draagbaar stond voor de deur. De weenende vrouwen wachtten om den gang naar het graf door hare klaagzangen te begeleiden.

Eindelijk kwam Petrus. De menigte werd stiller. Men fluisterde elkander toe, dat hij de welbekende leider der gemeente van Jezus te Jeruzalem, was. Men herinnerde elkander, dat hij reeds voor de eerste vervolging geëerd en bemind was; dat men de zieken in de straten droeg waardoor hij ging, opdat slechts zijne schaduw op hen vallen zou om hen gezond te maken. Hier kwam hij helaas! te laat. De arme Tabéa was immers dood.

245

ocr page 270

PETRUS IN JOPPE.

Spoedig zou zij in hare planken woning in het duinzand aan den oever rusten. Er bleef Petrus niets anders over dan zijne tranen met die der bedroefde menigte te mengen.

Petrus begaf zich dadelijk op het platte dak. Toen hij de kamer binnentrad, waar de doode lag, brak het weenen en klagen op nieuw los. Een schare van weduwen uit Joppe omringde het lijk. Hun allen had Dorkas in stilte welgedaan. Vroeger had zij al hare liefdewerken verborgen kunnen houden, maar nu de kruik haars aardschen levens was verbroken, doorgeurde hare opofferende liefde het gansche huis, als eens de kostbare nardus in Bethanië. Met aandoenlijken ijver toonden de weenende vrouwen den Apostel hare kleederen. „Zie eens Petrus, dat heeft zij voor mij gedaan,quot; sprak de eene, een kleed in de hand houdende. Eene andere toonde hem een hoofddoek en sprak: „dien heb ik van haar!quot; Weder anderen toonden hem hare schoenen, en riepen: „Die heeft zij ons gegeven!quot; en de tranen besproeiden de kleedingstukken, als eene kostbare erfenis der overledene, die zoo stil daar ter neder lag, en wier mond nimmer weder spreken zou. Eene andere grafrede als die der vrouwen werd niet gehouden; maar eene schoonere, dan deze onder tranen gesproken woorden van dankbaarheid dier armen van Joppe, kon men niet bedenken. Eeeds bij haar leven had Tabéa zich een grafschrift geschreven, niet op koud marmer maar in liefhebbende menschenharten.

Een eigenaardige vreugde, die echter door niemand werd begrepen, vervulde Petrus\' gemoed. Hij had den wenk zijns Meesters verstaan, die hem voor weinige dagen in Lydda een werk had te doen gegeven, dat de gansche stad tot den Heer had gebracht. Tabéa, die reeds door haar leven eene welsprekende prediking van Christus was geweest, zou nu door haren dood eene nog krachtigere prediking worden van des Heeren heerlijkheid. Hare krankheid was, evenals die van Lazarus, „niet ten doode,quot; maar ter eere Gods, opdat de Zoon Gods daardoor verheerlijkt zou worden. Nog altijd bleef Petrus zwijgen. Zooals hij voor acht jaren den

246

ocr page 271

IN HET JAAR 38 OF 39.

Heer had zien doen aan het sterfbed van Jaïrus\' dochtertfe, zond hij ook nu alle weenende omstanders weg. Eene hartbrekende smart en begrafeniszangen pasten niet bij de opstanding eener doode. Verwonderd en weenend ging men heen, denkende dat hij in de eenzaamheid bij de doode wilde bidden.

Nu was Petrus alleen; hij sloeg het oog op het vriendelijke gelaat der doode, boog zijne knieën en sprak woorden van vast vertrouwen en vroolijk geloof tot den verrezen Heer. Hij bad om hare opwekking uit den dood; hij bad, dat hare opstanding de opstanding mocht worden van vele geestelijk-dooden in Joppe. Daarop wendde hij zich naar de stille, bleeke gestalte en sprak, als tot eene slapende die men wekken wil: „Tabéa! Sta op!quot;

Langzaam slaat Tabéa de oogen op, ziet den Apostel verwonderd aan en richt zich overeind. Wat hij in die wonderbare ure zijns levens met haar sprak, wij weten het niet; maar vergeten deed zij het haar gansche leven niet. Zij dankte den Heer, dat zij de eerste mocht zijn, die haren Heiland in de opstanding mocht volgen. En Petrus zal haar zeker de hand op het hoofd hebben gelegd en haar hebben gezegend, zoo als een vader zijn kind zegent.

Daarop gaf Petrus haar de hand, en richtte haar geheel op. Toen opende hij de deur, om de treurenden binnen te laten. Do vrouwen en de jongeren traden toe, om het lijk uit te dragen. Maar wie beschrijft hunne vreugde en hunne verbazing ? — daar treedt Tabéa zelve hen te gemoet, wel nog met een bleek gelaat, maar met denzelfden vriendelijken blik, die haar zoo eigen was.

Welk eene aandoening en verbazing zal dien avond de menigte hebben doorstroomd, die voor het sterfhuis verzameld was. Als op de vleugelen van den wind verspreidde zich het ongeloofe-lijke bericht door de gansche stad. De opwekking van Dorkas door Petrus was hun eene goddelijke boodschap aan hunne stad. Ofschoon het in de Handelingen der Apostelen niet uitdrukkelijk staat vermeld, twijfelen wij er niet aan, of Petrus

247

ocr page 272

petrus in jorrjj.

zal deze van God gegeven gelegenheid hebben aangegrepen, om der alzoo toebereide schare den groeten Verrezene te prediken, die door hem die daad had gewrocht; te prediken van zijn hemelsch koningrijk, waartoe ook zij geroepen waren, en door Wien deze wereld vol graven en doodsbeenderen, tot een woonstede van opstanding en eeuwig leven zou worden.

En deze indrukwekkende prediking bleef niet zonder gezegende uitwerking, want wederom eindigt deze geschiedenis in de Hand. met de woorden: „En velen geloofden in den Heer!quot; Weder was er eene nieuwe Christengemeente gesticht, ditmaal zelfs had de koude dood de gemeente moeten verzamelen. De inwoners van Joppe vingen aan te gelooven, dat de gekruiste Jezus werkelijk leefde en ook toen, hoewel onzichtbaar, in hun midden werkte.

Op den dag van den dood van Tabéa waren er wellicht nog slechts weinige Christenen in Jaffa, maar aan den avond was er eene talrijke gemeente verzameld. Tabéa zelve, die het kie ne aantal „heiligenquot; kende, zag met verwondering op de menigte der geloovigen; haar doodsdag, met de daarop gevolgde opwekking, zal nog lang gevierd zijn geworden als de geboortedag der eerste Christengemeente aan de vruchtbare oevers der schoone Middelandsche Zee.

248

ocr page 273

5^c) 6-^3 s^c) efyb •rfy* 6^8 e^a ej-a ,

a»/ï a*/» a»/gt;

4» «J. 1S3,

tplptplptpp\'lptp^

DE BOBPING TOT DE PREDIKING ONDER DE HEIDENEN.

Langen tijd bleef Petrus in Jaffa. Na de eerste geestdrift der gemeenteleden was het dringend noodig, dat hij met Apostolisch gezag en nuchteren blik de jeugdige gemeente leidde, opvoedde en inwendig regelde. Des avonds en bovenal op de sabatten, hield hij, gedachtig aan het bevel zijns Meesters ; „Weid mijne schapen,quot; heerlijke godsdienstoefeningen. Een zijner dankbaarste toehoorsters zal wel de opgewekte Tabéa geweest zijn.

Hij had zijn intrek genomen bij een aldaar woonachtig Christen en naamgenoot, nl. Simon, den lederbereider. De huizen van Jaffa zijn niet zoo stevig en zwaar als die op het gebergte. De lichte bouwwijze en de vroolijke, heldere kleuren der Itaiiaan-sche steden zijn ook daar zeer geliefd. Op de platte daken evenwel, ziet men op elk, naar Oosterschen trant gebouwd, huis eene vrij gelegen, luchtige kamer, van waar men op het terras van het dak komen kan. Het is üe aangenaamste kamer van het geheele huis, men heeft er een heerlijk uitzicht op de stad, de tuinen en de zee; daarom biedt men deze kamer aan de meest geëerde gasten ter bewoning aan. Ook Petrus woonde in de dakkamer van zijnen vriend Simon.

ocr page 274

250 DE ROEPING TOT DE PREDIKING ONDER DE HEIDENEN.

Heerlijk is het om in het schoone jaargetijde daar te vertoeven. Onvergetelijk zijn mij de dagen, die ik zelf daar zoo menigmaal in de nabijheid der zee heb doorgebracht. Hetzij men aan het met schelpjes bedekte strand, met het gezicht op de brekende, schuimende golven, of van het dak of het balcon ter neder blikt op het bosch van bloeiende oranjeboomen met hare gouden vruchten, die de heerlijkste geuren verspreiden, overal is het een opwekkend, prachtig vergezicht. Ook Petrus zag van het platte dak of van uit zijne kamer, dagelijks op de heerlijke, blauwe Middellandsche Zee; dat uitzicht zal vooral hem hebben aangegrepen, hij toch was ook aan een „zeequot; geboren. Ook zijn ouderlijk huis te Bethsaïda aan de Galileesche zee, werd door de golven, al waren ze ook kleiner, bespeeld, en menigmaal had hij er het net uitgeworpen. Daar een door bergen omringd meer — hier de groote, onmetelijke zee!

Op zekeren dag zat Petrus tegen den middag boven in zijn dakkamer. Hij bad; zeer zeker zal hij zijnen God ook gedankt hebben voor de genadige leidingen zijns levens. Wat groote dingen toch, had God hem doen beleven, sedert hij voor 8 jaar. als een eenvoudige visscher, Jezus had leeren kennen aan den boschrijken oever van den Jordaan! Aan het meer Genésareth had zijn Heer hem een ander net en een ander roer in de handen gegeven, dan dat waarmede hij van zijne jeugd af bekend was geweest, toen Jezus tot hem sprak: „Van nu zult gij menschen vangen.quot; Was het zoo niet uitgekomen? Was hij niet uitge-gegaan op de zee der menschenwereld om zielen te vangen voor het hemelrijk? De Heer had hem in de laatste weken ge-heele steden geschonken. Hij volgde het voetspoor van Filippus, die de gansche vlakte langs de kust had bezocht tot aan Cesaréa. Zou hij nu hier bij die heidensche bevolking eindigen ? Reeds in Joppe was de bevolking eene gemengde. Daar woonden niet alleen Joden, maar nog veel meer oude Feniciërs, Filistijnen, Grieken en Romeinen. Waren die allen niet van de verkondiging des Evangelies uitgesloten, zoolang zij geen Joden waren geworden?

ocr page 275

IN HET JAAE 38 OF 39.

Joppe was eene stad vol merkwaardige herinneringen voor een Jood. Een man als Petrus, die de Schrift door en door kende, moest op die plaats wel aan den profeet Jona gedachtig zijn, die door God naar een heidensch volk was gezonden, doch het bevel niet had opgevolgd, maar in die havenstad een schip had gezocht en was uitgegaan in de wijde wereld om Gods bevel te ontvlieden. Zeer zeker zal Petrus over dat alles hebben nagedacht. Dat boek echter eindigt met eene ernstige vraag: „Meent gij, dat Ik die groote stad Ninevé niet zou ver-schoonen ?quot;

Petrus was nu in hetzelfde Jaffa gekomen met een boodschap van nog veel grooter beteekenis, dan die van Jona. Waarschijnlijk waren er ook verscheidene heidenen door de opwekking van Tabéa ontvankelijk geworden voor het Evangelie, maar Petrus had zich niet met hen ingelaten. Hoe toch zou een heiden de zaligheid deelachtig worden, zonder zich eerst te laten besnijden ? Zoo had hij het ten minste van zijne jeugd af geleerd. Voordat zij daartoe overgingen, waren zij onrein. Zoo als elke vrome Jood, had hij geen gemeenschap met hen. Hij vermeed hunne huizen en wachtte zich om met hen te eten. Nu voerde hem Filippus\' voetspoor in de schoone hoofdstad van Cesaréa, eene bijna geheel heidensche stad. Zou hij er werkelijk heengaan ? Hij zou dien onreinen heidenen het Evangelie verkondigen? Onmogelijk! In het boek Jona echter, vroeg de Heer in betrekking tot die stad: „En Ik zou die groote stad niet verschoonen ?quot; Toen hij voor ongeveer zeven jaar, met den Heere Jezus bij diezelfde zee, bij Tyrus en Sidon was, had de Heer hem toen niet duidelijk getoond, dat die arme, maar in haar geloof zoo rijke, vrouw volstrekt geen hondje was, dat alleen de brokken der tafelen van de Joden waardig was? Had de Heer haar geloof niet geroemd, terwijl Hij bitterlijk klaagde over het ongeloovige Israel? Waren de heidenen werkelijk de onreine dieren, waarvoor men van zijne jeugd af, hen had leeren houden? En toch, hoe konden die andere natiën ooit in de

251

ocr page 276

252 DE ROEPING TOT DE PREDIKING ONDER DE HEIDENEN.

Christelijke kerk komen, wanneer niet juist zij, die oog- en oorgetuigen waren geweest van het leven, het lijden en de opstanding des Heeren, tot hen gingen om het hun te verkondigen?

Met zulke gedachten zal Petrus zich ook biddende hebben bezig gehouden; want wij kunnen niet aannemen, dat een visioen zonder eenig aanknoopingspunt aan den gedachtengang eens, menschen, om zoo te zeggen onmiddelijk uit den hernel valt. Vooroordeelen bij zijne opvoeding ingeprent, streden met andere nieuwe inzichten, en biddende zocht hij tot klaarheid te komen.

Daar ontving Petrus een merkwaardig antwoord op zijn gebed. Het scheen hem als opende zich de heldere, zonnige, blauwe hemel boven Jaffa. Een groot linnen laken, aan de vier hoeken gebonden, daalde neder en Petrus zag daarin allerlei dieren en vogels, in de Mozaïsche wet voor onrein verklaard. Nimmer had hij ze zelf met den vinger aangeroerd, of ervan gegeten, zoo als andere volken deden. Hij hoorde eene stein, die hem zeide: „Sta op Petrus, slacht en eet!quot;

Ontzet, zelfs over het denkbeeld van zulk eene groote overtreding der wet, antwoordde hij; „Geenszins Heer! wantik heb nooit gegeten van iets, dat gemeen of onrein was!quot;

Maar de opdracht werd driemaal herhaald en telkens voegde eene stem met nadrukkelijken ernst er bij: „Wat God gereinigd heeft zult gij niet gemeen achten.quot;

Daarna was het, alsof het laken weder werd opgenomen in den hemel, van waar het gekomen was, en Petrus zag niets meer, dan den, in de middagzon stralenden, hemel en daar beneden de woelige zee met hare aanrollende, schuimende golven.

Wat was dat? Was het een droom? Was het een antwoord op zijne vraag? Was het een bevel, om niet langer te wachten met het: „Gaat heen in de gansche wereld!quot; omdat er in Gods oog geen onrein volk was?

Terwijl hij nog over een en ander nadacht, werd er beneden aan de huisdeur geklopt. Een Romeinsch soldaat, van twee andere mannen vergezeld, stond buiten en vroeg naar Petrus.

ocr page 277

IN HET JAAR 38 OF 89.

Zij kwamen uit naam van hunnen kapitein Cornelius, van het Romeinsche garnizoen te Cesaréa. Petrus hoorde het. Te gelijkertijd drong eene welbekende, inwendige stem hem, om naar beneden te gaan en met hen te trekken. „Twijfel niet,quot; sprak de Heer, „want Ik heb hen gezonden.quot;

Petrus ging naar beneden en begroette de mannen. Zij verhaalden hem de merkwaardige geschiedenis van den god-vruchtigen officier in Cesaréa, die op Jezus wachtte. Toen begreep Petrus het gezicht, dat hij gezien had; hij twijfelde niet langer, liet alle vooroordeelen varen, en wat hij dien morgen nog onvoorwaardelijk zou hebben geweigerd, deed hij nu met vreugde. Hij volgde de mannen naar Cesaréa, om daar door \'s Heeren leiding, onverwachts in eene pas ontstane Christengemeente, in het midden van een Heidensch officiersgezin, al zijne vooroordeelen te laten varen en er van te worden overtuigd, dat ook Romeinen en Grieken en ten slotte alle natiën der wereld even zoo goed als de Joden, zonder meer tot het lidmaatschap der Christelijke kerk waren geroepen. De hoofdman Cornelius, uit de blinkende gelederen van het dappere Romeinsche leger, was de eerste Heiden uit het Westen, die in dienst trad van den hemelschen koning, Jezus Christus.

Doch vóór Petrus Joppe verliet, zal zich de steeds aanwassende gemeente dier oude stad aan de zee, zeker nog eens hebben verzameld, om den beminden Apostel vaarwel te zeggen. Nog eenmaal mocht de dankbare, ootmoedige Dorkas hem de hand kussen. Nog eenmaal zal hij de gemeente vermaand hebben, om vast te staan in het geloof. Daarop scheidde hij van hen. Lang zuilen zij de vier wandelaars hebben nageoogd, die langs het strand naar Cesaréa trokken, totdat de hooge gestalte van den Apostel niet meer zichtbaar was.

En zij bloeide en groeide, die eerste jeugdige gemeente te Joppe. Op de van ouds beroemde vlakte Van Saron prijkten destijds de schoonste rozen, schooner dan ooit te voren; men-schelijke bloemen, die hare kelken wijd openden voor het hemel-

253

ocr page 278

254 DE ROEPING TOT DE PREDIKING ONDER DE HEIDENEN.

sche licht, dat in Christus zoo vriendelijk op hen afstraalde. Zoo werd dan die reis van Petrus eene gebeurtenis van groote beteekenis; en de stichting der beide gemeenten te Jaffa en te Cesaréa is een mijlpaal, die een grooten vooruitgang der jeugdige Christelijke kerk aanwijst. Het Evangelie was tot aan de zee doorgedrongen. Nu reeds blikten vele Christelijke gemeenten aan het strand der oudste zeevaarders, uit op de blauwe Middelland-sche Zee, aan wier oevers in de volgende eeuwen een breede kring van groote. Christelijke kerken zoude worden gebouwd, zich uitstrekkende tot aan Rome, ja tot aan de Zuilen van Herkules, in het ver verwijderde Spanje.

ocr page 279

T A R S E N.

ocr page 280

ocr page 281

.■gt;- ^ ■;• :»• ^ ■•;•■■

ÉS-^-DS-^-D G$rgt; 5^3 6$fTgt; lt;r^3 6^-D S^ 6^ «^3 iT^c) G^ S^c)

Sgt;5^ 6^ 0~^0 SNU\'c. 6^ lt;5^/3 S^ SAV/C) SNV/C) GNV^ (ÖNV^) GNV/^ GNV/^ CA^ ^3 6^3 (JNV^D •■-.^9lamp;3lamp;r\'\'lamp;9l(^)l(^)l(^)l^)lamp;\'9\'s.^£.amp;S)I(s:i-9lamp;gt;S)^.amp;amp;^.^K^G)A(S!!S)A(B/

....-rr:——---.\'.. - \' -—rr——r- ,.- ,. ....—-r-r—-rrr—-rr---r---—-^——tttc

e^s 0-^9 Q^s ey^p c^ci c^JVs c^s e^s e^vs 0^5 c^s e^v.3 e^3 e^Vo a^v.9 e-^s

DE REIS NAAR TARSEN.

Zeker is het voor den lezer niet onbelangrijk, om de vaderstad van den Apostel Panlus, waar hij zijne jeugd doorbracht, te bezoeken. Over het algemeen is ïarsen geheel onbekend; slechts enkele malen toch wordt die zoo beroemde stad door Euro-peesche reizigers bezocht. Zelden ook wordt het oude Tarsen in eene reisbeschrijving vermeld, terwijl het toch ten tijde van den Apostel Paulus tot de voornaamste steden in het Oosten behoorde.

Reeds lang was het verlangen in mij gewekt, om die gedenkwaardige plaats te leeren kennen, wier naam, ter wille van haren grooten zoon, zulk een goeden klank in de Christelijke wereld heeft. Eerst in Mei 1893 werd het mij vergund Tarsen te zien. Op een schoenen morgen in de genoemde maand scheepte ik mij op de Egyptische stoomboot „de Kedivequot; in, om langs de Cilicische kust naar het tegenwoordige Karamania te stoomen. Eeeds van verre zag ik van uit de zee de hooge spitsen en besneeuwde ruggen van het Taurus-gebergte, welks glinsterende sneeuwtoppen zich 3550 meter verheffen. Als een kolossale muur, rondom Klein-Azië opgericht, verheft zich het

17

ocr page 282

TARSEN.

gebergte uit de zee. Ook uit Syrië ziet men de omtrekken van ver verwijderde bergen. Het zijn de Mons Cazius en de Amanus, waartusschen de Orontes en de stad Antochie liggen. Hoe meer wij het land naderden, des te duidelijker konden wij de vlakte van Cilicië, die zich aan den voet van het gebergte uitstrekt, onderscheiden. De stad Mersina met hare heldere, witte huizen, roode daken en enkele moskeen, werd meer en meer zichtbaar. Eindelijk liet men het anker vallen, en naderden de kleine booten, om de passagiers naar de havenstad van Karamania te brengen.

Door een vriendelijken aanbevelingsbrief van den Minister van buitenlandsche zaken te Berlijn, wist de Heer Christ-mann, Duitsch consul, van mijne komst. Hij had de welwillendheid om mij aan de haven op te wachten, ten einde mij onmid-delijk naar zijne woning te kunnen begeleiden. Wij wandelden in de richting der zwart-wit-rood-gekleurde vlag, die ik reeds van uit de zee, hoog op het consulaat had zien wapperen. Na enkele minuten zaten wij reeds op de divans van het Duitsche Consulaat. Het huis is dicht aan zee gebouwd, en wordt door de bruischende golven bespoeld. Van uit de vensters heeft men een prachtig uitzicht op den onmetelijken oceaan. Na een vriendelijk onthaal in de gastvrije woning, bezochten wij de onmidde-lijke omgeving der stad. Door de drukke straten en langs de winkels gaande, begaven wij ons naar de vlakte van Cilicië, sedert overoude tijden om hare vruchtbaarheid beroemd. In tegenstelling daarvan noemt men het bergachtige gedeeite der provincie, „Cilicia aspera,quot; het ruwe Cilicië. De, vroeger zoo vruchtbare en bloeiende, vlakte is nu nog slechts schaars bevolkt. Men schat de bevolking op ongeveer 150.000 zielen. Drie steden, Mersin, Tarsen en Adana, zijn de voornaamste handelplaatsen van Cilicië, waartoe men daarenboven ook Alexandretta aan gene zijde der golf rekenen kan. Van het oude Mopsuesta, eens zoo beroemd in de kerkgeschiedenis, bestaan in het tegenwoordige Missis nog maar enkele geringe overblijfselen.

258

ocr page 283

DE SPOORWEG NAAR TARSEN.

Toen ik na onze terugkomst, met den voorkomenden bijstand van den Duitschen Consul mijne zaken in Mersin had afgedaan, maakte ik mij gereed om Tarsen te bezoeken, dat ongeveer vijf uur landwaarts gelegen is. Ofschoon op den klassieken bodem van het vaderland des Apostels, ging de reis niet „per pedes apostolorum,quot; maar vertrok ik met den, dooide Engelschen aangelegden, spoorweg, die Mersin en Tarsen met Adana, de hoofdstad der provincie, verbindt. Deze is de eenigste spoorlijn in het Oostelijk gedeelte van Klein-Azië. Een eigenaardig gevoel overstelpt ons, als wij met den spoortrein over de vlakte ijlen, waardoor Paulus als kind zal gewandeld hebben; maar toch was het mij welkom, den weg door de, vroeger zoo vruchtbare, maar nu eenigzins vervelende, vlakte zoo spoedig kunïlen te afleggen.

Ik had ondertusschen tijd genoeg om, uit het venster van den wagon een indruk van de vlakte op te doen. Een uitgestrekt laagland, dat zich van de zee tot aan het Taurus-gebergte, met zijn donkerblauwe voorgebergte, uitstrekt, vertoonde zich aan mijn oog. Talrijk zijn de vruchtbare koren- en katoen-velden, terwijl groote boomen schaars zijn. Runderen, koeien on buffels grazen op de uitgestrekte weiden, terwijl hier en daar een klein dorpje op de vlakte gezien wordt. Deze, eenmaal zoo veel geprezen landstreek, was tot voor een tiental jaren nog een kweekplaats van giftige koortsmiasmen. Bovenal gedurende de gloeiende zomerhitte, konden slechts weinige inboorlingen het in het laagland uithouden. De inwoners van geheele streken vluchtten voor deze gevaarlijke koortsen naar hunne Yaïla, hunne zomerverblijven op het Taurus-gebergte, waar de onvergelijkelijke-zuivere berglucht ook aan menig krank Europeesch kind de gezondheid wedergeeft. Eerst sedert men in den laatsten tijd den grond weder heeft bebouwd en, bovenal in de nabijheid dei-woningen, boomen heeft geplant, is do gezondheid der streek veel verbeterd.

De schelle fluit der locomotief verkondigde den reizigers do

259

ocr page 284

TABSEN.

260

aankomst te ïarsen. Aan het kleine station steeg ik uit, maar van de stad was voorloopig nog niets te zien. Door eene zware laan van oranje- en citroenboomen sloeg ik den weg naar de stad in. Een bijna bedwelmende geur uit de oranjebooragaarden, waarin tallooze witte bloesems en eene menigte gouden vruchten prijkten, kwam ons te gemoet. Daarnevens zag men reusachtige walnotenboomen, naast de, in Palestina en Syrië zoo welbekende, in vollen bloei staande, Senselacht-boomen. Bij trossen hingen de rozen over de muren en heggen. De maand Mei is in Tarsen de bloeimaand der rozen; telkens dacht ik bij den aanblik dier ongekende bloemenpracht aan Paulus, die in het voorjaar zeker ook menigmaal de rozen heeft bewonderd, en die door zijn leven en zijnen arbeid den naam zijner vaderstad met onuitwisbare letteren op de tafelen der geschiedenis heeft geschreven. Eens sprak hij niet zonder een zeker zelfgevoel tot dien romeinschen hoofdman en tot het verzamelde volk; „Ik ben een joodsch man van Tarsen, een burger van eene niet-onvermaarde stad in Ciliciëquot; (Hand. 21 : 39).

ocr page 285

OOSTERSCHE GASTVRIJHEID.

In Tarsen vindt mon geen logementen, in den zin dien wij er nu aan hechten. Om een onderkomen te vinden, moet men zich vergenoegen öf met eene plaats in een inorsigen Chan, \') öf de particuliere gastvrijheid inroepen. Ik verkoos het laatste, maar vooreerst scheen daartoe weinig kans te zijn. De huizen, waarlangs mijn weg mij voerde, zagen er alles behalve aanlokkend uit. Voor het grootste gedeelte waren het vuile hutten, zonder licht of lucht. Naar alle kanten rondziende vervolgde ik mijn weg, totdat ik eindelijk aan het Zuid-Oostelijk gedeelte der stad een deftig, steenen huis gewaar werd. Een groote, door touwen vastgebonden vlaggestok, als ware liet de mast van een schip, was voor het huis geplaatst, en voor mij het teeken, dat de eigenaar de waardigheid van Europeesch vice-consul, eene in het Oosten zeer gewenschte onderscheiding, bekleedde.

Op dat huis ging ik af; hoe meer ik naderde, hoe vriendelijker het er uit zag. Het groote aantal vensters in het uitgebreide gebouw duidde aan, dat het huis van een voornamen

\') Groot gebouw in het Oosten, dat tot winkel en logement dient.

ocr page 286

OOSTERSCHE GASTVRIJHEID.

ingezetene van Tarsen was. Het kruis boven de deur zeide mij, dat er Christenen woonden. Naderbij komende, werd ik verrast door de zachte welluidende toonen eener piano, die mij op eenmaal verplaatsten in mijn dierbaar vaderland. Hier woonden dus ook de Muzen. Terwijl ik dacht — met meer recht dan in hot vaderland, waar bijkans ieder huis, ook dat van boozo menschen, zijne piano heeft —

„Keer vrij daar in, waar klinkt een lied;

Slechte menschen zingen niet,quot;

spoedde ik mij naar de huisdeur. Op mijn kloppen verschoen de heer des huizes. Hij was vice-consul van Nederland en met-zijnen broeder eigenaar van een der grootste handelshuizen van Tarsen. Ik sprak hem, volgens de zeden des lands, in de Arabische taal aan, hem zegen, vrede, heil en een lang leven toewenschende. Met de grootste hoffelijkheid beantwoordde hij mij met een zelfden zegengroet en noodigde mij dringend uit, zijn huis als het mijne te beschouwen.

Ik werd binnengeleid in eene nette logeerkamer, die den reiziger, die weken lang in eene scheepskooi of op den grond had moeten slapen, allerweldadigst aandeed. Fraaie tapijten, eene prachtige verzameling wapenen aan den wand, eene gemakkelijke divan; ja zelfs eene kleine \'Fransche en Grieksche bibliotheek ontbrak niet. Na een klein half uur weixl ik ook door de dames op het vriendelijkst ontvangen en omniddelijk aan de, van allerlei Oostersche lekkernijen voorziene, tafel gebracht. Bij iedere plaats lag een welriekend ruikertje van rozemarijn en rozen, terwijl op het midden der tafel een prachtig middenstuk van allerhande bloemen prijkte.

In den aanvang moesten wij beproeven, hoe wij elkander het best zouden kunnen verstaan. Daar de geheele familie, bestaande uit de twee broeders, de vrouw des huizes, hare zuster Mejuffrouw Buküwala en het dochtertje Kristaléna, uit Griekenland afstamde, werd er Grieksch gesproken. Met veel moeite trachtte ik mijn

262

ocr page 287

HET GEZELSCHAP VAN MIJN GASTHPJER.

Homerischen woordenschat op te delven, maar bereikte daarmede niets anders dan een Homerisch gelach over mijne westersche uitspraak der grieksche taal. Mijn gastheer en de zijnen verstonden ook Turksch, maar ook daarin was ik al even zwak als in het Grieksch. De beide heeren en ik kenden Arabisch, de dames daarentegen niet, zoodat wij eindigden met Fransch te spreken, dat de vrouw des huizes weder niet verstond, zoodat ik mij door gebaren of vertalen verstaanbaar moest maken. Haar vriendelijk gebarenspel echter, dat meest betrekking had op de vele lekkernijen, die voor mij stonden en waarvan ik ruimschoots gebruik maakte, is mij altijd in herinnering gebleven. Wij ouderen, onderhielden ons recht levendig. Mejuffrouw Buküwala was eene bereisde Grieksche dame. Meer dan een jaar had zij in Parijs doorgebracht, had daar de wereldtentoonstelling bezocht en daarna drie maanden in Berlijn en drie maanden in Homburg vertoefd, ja zelfs nog andere streken van Duitschland bereisd. Wie zou zich ooit hebben kunnen voorstellen, daar, in dien afgelegen hoek der wereld, iemand te zullen ontmoeten, die het natuurschoon van de oevers van den Rijn en het gedenk-teeken in het Niederwald kon prijzen. De Duitsche taal was zij helaas, bijna vergeten. Slechts enkele woorden herinnerde zij zich, die zij dan ook telkenmale langzaam en met eene welluidende stem in gebroken Duitsch tot mij sprak, namelijk: „Ik kan niets Duitsch! Ik kan niets Duitsch.quot; Het gesprek liep voornamelijk over den strijd tusschen de oude en de nieuwe uitspraak van het Grieksch, bovenal over de hypothesen omtrent Homerus, waarin zij levendig deelnam en ijverig de stelling bepleitte, dat de gezangen van Homerus het werk van één Dichter zijn. Men kon duidelijk zien, dat zij de scholen te Athene niet te vergeefs had bezocht.

Na het eten werd er muziek gemaakt. In een fraai salon, vanwaar men een heerlijk uitzicht over de stad had, stond de bewuste piano. Juffrouw Buküwala was echter niet over te halen om voor een vreemde te spelen. Hare kleine leerlinge

263

ocr page 288

264

Kristalléna echter, speelde met gemak eenige Sonaten en daarna een Potpouri, waarin bijna alle Europesche volksliederen voorkwamen. Enkele onwelluidende toonen werden gaarne over hot hoofd gezien. Op haar verlangen zong ik eenige Duitsche volksliederen, die men zeer roemde. De Oostersche liederen klinken zoo geheel anders dan de onze.

Des namiddags kwam er een deftige landauer voor, om mij de stad en de omstreken te toonen. Wij reden in de richting van den Cydnus en langs den straatweg van Adama. Somtijds was de tocht werkelijk angstverwekkend en bijna aan te bevelen als straf voor jeugdige misdadigers. De weg was ontzettend slecht. Door dik en dun, over gaten en groote steenen vervolgden wij in snellen draf onzen weg, terwijl we ons somtijds krampachtig aan het rijtuig moesten vastklemmen. De beleefde gastheer, die met mij achteruit reed en mij gedurende mijn verblijf in Tarsen zijn ganschen tijd ten beste gaf, scheen de zaak minder ernstig op te nemen. Men gewendt toch aan alles.

Van tijd tot tijd echter was de weg beter, en had ik ruimschoots gelegenheid om de ongeloofelijke vruchtbaarheid dezer vlakte te bewonderen, die oudtijds als korenschuur wijd en zijd beroemd was. Het was de 15de Mei, de tijd van den gerstoogst en daarenboven marktdag. Ciliciesche arbeiders waren van de omringende dorpen gekomen om werk te zoeken. Meer dan ooit moest ik denken aan \'s Heeren gelijkenis van de arbeiders, die ledig aan de markt stonden en wachtten of ook iemand hen huurde. Dit schouwspel leverde daarvan de aangrijpendste verluchting op. Zeker waren er wel 4000 arbeiders, die zich op de markten, pleinen en in de straten verdrongen. De meesten hadden bij onze aankomst al werk gevonden, en trokken in grooten getale naar de verschillende korenvelden. Wel was dit een bewijs van de groote vruchtbaarheid, die ook nu nog die vlakte kenmerkt, waar met zoo weinig oordeel gearbeid wordt, en toch zoo grooten oogst wordt ingezameld. Niets is er gedurende het gansche jaar, dat zoo vele handen behoeft, als de oogst. De eenigste

ocr page 289

DE ARBEIDEESMARKT VAX TAESEN.

machine, die men tot heden aldaar kent, is de stoomdom-h-machine. Altijd zijn er handen genoeg om het land te bewerken, maar die zijn slechts ternauwernood voldoende voor den oogst. Langen tijd zagen wij de maaiers in groote menigte, in hunne schilderachtige Turkmenische kleeding, langs ons rijtuig gaan. Onwillekeurig dacht ik aan den man, die eens, even als al die arbeiders, de stad was uitgetrokken naar een nog grooter oogstveld, dat wit was om te oogsten. Welke reuzenschoven heeft deze Paulus van Tarsen in de hemelsche schuren verzameld, de Syriers, de Galaten, de Macedonicrs, de Grieken en de Eomeinen.

Overal op onzen weg zag ik de bewijzen van de kwistigste vruchtbaarheid. Overal weelderige vruchtboomen en tuinen, en dat alles bijna zonder eenigen arbeid van mcnschen! Over het algemeen laat men Allah zorgen. Men laat groeien wat er groeien wil, en oogst de kostelijke vruchten. Het Tarsen uit den tijd van Paulus, moet men zich voorstellen als eene stad, die door een bosch van heerlijke, vruchtbare tuinen was omgeven. Ook nu nog, terwijl de streek zoo zeer achteruit is gegaan, heeft zij een paradijsachtig voorkomen. Aanschouwt slechts deze wereld van leven en kleuren! Het oog wordt door alle mogelijke scha-keeringen van groen verkwikt. Daar ziet men de groote platanen, de hooge palmen, de kolossale walnootboomen. Ginds ganscho bosschen van bloeiende oranjeboomen met hunne helderglinste-rend, goudachtig groen, en daarnevens de heerlijke citroen-boomen. Zij schijnen echter van rol verwisseld te hebben, daalde oranjeappels bijna als citroen zoo zuur en de citroenen over het algemeen zoet zijn. Daar staat de donkere olijfboom naast den lichtgroenen vijg of den abrikozenboom. Ook ziet men er de schaduwrijke moerbezienboom, die men wel is waar, niet voor de zijdewormteelt gebruikt, maar tot beschutting voor de wijngaarden, opdat de druiven niet te rijp worden. De granaat-appelboom tiert welig en bij al die vruchtboomen staan, voornamelijk bij den Gydnus, populieren, wilgen en treurwilgen. In het

265

ocr page 290

OOSTERSCHE GASTVRIJHEID.

kort, men vindt in Tarsen alle mogelijke zuidelijke boomen bij elkander in heerlijken wasdom.

Daarenboven verneemt het oor aan alle plaatsen het mischen en murmelen van het water. Aan het zachte klimaat der vlakte paart zich hier een onuitputtelijken waterrijkdom, waardoor het oude Cilicië tot een der vruchtbaarste streken van het Oosten wordt.

Indien eene verstandige regeering in die streek den steun zocht van Westersche vlijt en hulpmiddelen, of deze slechts toeliet, zoodat de grond doelmatig bearbeid werd, Cilicië zou spoedig weder opbloeien als een paradijs. Wij onderhielden ons op onzen tocht over een jongen, ondernemenden Duitscher, die zich sedert eenige jaren aldaar gevestigd had, en dien ik in die dagen leerde kennen. Hij had plan om, met medewerking van eenige kapitalisten uit Berlijn, ongeveer een millioen hekt-aren land aan te koopen. Hij kon de vruchtbaarheid van het land niet genoeg roemen en had voornamelijk de streek aan öe mond van den Cydnus op het oog, waar in oude tijden de vruchtbaarste landen van Cilicië gelegen waren. Tegenwoordig is het oen moeras. De Cydnus voert namelijk in den winter puin van het gebergte met zich. Oudtijds zorgde eene verstandige regeering, dat de voortreffelijke haven, waaraan Tarsen hare groote beteekenis dankt, niet werd verstopt door den modder. De tegenwoordige regeering denkt aan zulke maatregelen niet. Door den, sedert eeuwen aangespoelden, modder heeft zich een bank gevormd, die het water van den Cydnus zijn vrijen afloop verhindert en noodzaakt het omliggende land te overstroomen. Daardoor is natuurlijk ook de haven, de eenige bron van welvaart van Tarsen, verloren gegaan. De stoombooten ankeren tegenwoordig niet aan de monding der rivier maar te Mersina.

Juist deze moerassige kuststreek dacht de kloeke Duitscher te koopen. Toen hij zijn voornemen aan den Turkschen Pacha bekend maakte, sprak deze hoofdschuddend: „Allah is groot en barmhartig — de Duitscher wil dit moeras hebben? Allah

266

ocr page 291

PLANNEN VOOR DE TOEKOMST.

267

verlichte u — als gij moerassen hebben wilt, zal \'t aan mij niet haperen.quot; Onze vriend had zich ondertusschen overtuigd, dat het onder water staande land volstrekt niet moerassig was. Hij vertelde mij, dat hij groote afstanden op dien moerassigen grond te paard had afgelegd, zonder dat het dier ook slechts een enkele maal in den modder was blijven steken; hij hoopte door een kanaal, de modderachtige massa met weinig moeite naar zee aftevoeren en dat daardoor de vruchtbare grond weder te voorschijn zou komen. Dan zou, door degelijken, volhardenden arbeid, het beruchte Cilicische moeras spoedig van de landkaart verdwijnen, en de schatten, die sedert anderhalve eeuw verwaarloosd in den grond begraven liggen, kwamen weder te voorschijn. Hij geloofde vast, dat alles daar met goed gevolg zou kunnen verbouwd worden, niet slechts suikerriet, katoen, maïs, vlas, dat alles ook nu, hoe gebrekkig het zij, toch groeit, maar ook koffie, thee en rijst; terwijl ook het gebergte, met zijne schatten van marmer en steenkool, een rijken buit belooft.

ocr page 292

BOUWVALLEN UIT DEN OUDEN TIJD.

Spoodig na ouzo rijtoer maakte ik mij op, om de ruïnen, die nog van hot oude Tarsen zijn overgebleven, to bezichtigen. Veel is liet niet, ofschoon men met zekerheid kan bepalen, dat de stad reeds voor 3000 jaar gebouwd is. Veel ook is er zeker nog onder den grond begraven. Dadelijk zichtbaar is de Bab Bulus d. i. de Paulus-poort, die aan den grooten zoon van Tarsen doet denken, alsook het zoogenoemde graf van Sardanapalus.

De Paulus-poort, de eonigste overgebleven stadspoort der vroegere vesting, is in schoenen stijl gebouwd, eenigermate ontsierd door het nieuwere lofwerk dat men er aan toevoegde. Do Turken hebben er smakeloos, zuilen en versierde steenen ingemetseld. De poort stamt waarschijnlijk uit den tijd dor kruisvaarders en komt prachtig uit tusschen de hooge boomen.

Veel merkwaardiger is de andere bouwval uit de oudheid: het zoogenaamde graf\' can Sardanapalus \') De oude Tarsers roemden or reeds ten tijde van den Apostel Paul us op, dat Sardanapalus hunne stad had doen bouwen. Eene toespeling op deze legende vinden wij in dezen naam. Het was reeds tegen den avond, toen ik den weg naar de ruïne insloeg; een kwartier later stond ik voor hot eigenaardige, groote gebouw. Het is opvallend groot, en vestingachtig-vierkantig van vorm. Ik stapte de zijkanten

\') Een der laatste koningen van liet Assyrisclie rijk.

ocr page 293

HET GRAF VAN SAEDANAPALUS.

af, en vond eene lengte van ongeveer 110 meter bij eene breedte van 35 meter. De hoogte der muren schatte ik op 8 meter. Zij waren zoodanig gebouwd, dat liet bovenste gedeelte omstreeks een halve meter naar voren uitsteekt. Geen enkele gehouwen steen was aan de muur zichtbaar; het gebouw bestaat uitsluitend uit kleine steentjes, die als in de kalk zijn vastgegroeid. Afgebroken stukken van dit mengsel van kalk en steen geleken stevige rotsblokken.

Het gebouw heeft slechts eene kleine poort. De jongen, dien ik had weggezonden om den sleutel te halen, liet zich wachten zoodat ik den tijd had, om de omgeving der ruïne te bezichtigen. Tusschen bloeiende citroenboomen en hoog gras, waartusschen prachtige, gevlekte Aaronskelken, liep ik om het gebouw heen. De muren waren geheel bedekt met een bosch van klimop met glanzige bladeren, en rondom het betooverde slot verhieven zich prachtige, groote boomen.

Terwijl ik mij het hoofd brak om de beteekenis van dit merkwaardige gebouw na te vorschen, kwam de jongen met een kolossalen sleutel terug; den grootsten, dien ik ooit in mijn leven zag. Met vereende krachten gelukte het ons, met dat monster de kleine poort te openen. Wij traden binnen. De muur, waarin de poort zich bevond, was 4 \'/j tot 5 meter dik, en vormde dus eene kleine gang; zij was overal van dezelfde dikte. Uit dien gang kwam ik op eene ruime binnenplaats; aan beide einden ervan stond een groote toren van dezelfde hoogte als de muren, 20 nieter lang en 12 meter breed. Niettegenstaande de groote afmetingen dier torens vond ik nergens een ingang. Slechts in een der torens zag ik een gat, dat naar eene afhellenden gang voerde. Toen ik erin wilde gaan, werd ik door eenige toeloopende bewoners dringend gewaarschuwd met de woorden: „Daar beneden woont de duivel!quot; „Dien vrees ik nietquot; antwoordde ik en bukte mij, om er in te kruipen. „Daar beneden zijn vele slangen!quot; riepen zij mij wederom toe. „Die vrees ik welquot; hernam ik, en keerde terug. Later vertelde men mij, dat

269

ocr page 294

OVERBLIJFSELEN UIT DEIv OUDEN TIJD.

er aan liet einde van dien gang een gat was, waardoor men in een afgrond stort. Natuurlijk had die afgrond, volgens het geloof der inwoners, geen bodem; er zouden ook schrikaanjagende wezens huizen. Eens moet men met fakkels tot aan den afgrond zijn doorgedrongen, en daarin een brandenden bos stroo hebben geworpen; die bleef steeds vallen zonder den bodem te bereiken, totdat hij in de groudelooze diepte verdween.

De groote binnenplaats, die door een zwaren muur omgeven is, dient tegenwoordig tot begraafplaats der Armeniërs. Daar, in die sterke vesting, die men elkander vroeger vaak onder hevigen strijd betwistte, liggen nu de dooden ter ruste. Kleine marmeren steenen uit de nabijgelegen bergen, met Armenische inschriften en met een Armenisch kruis er op, wijzen de verschillende graven aan.

Op eene plek kon men den muur beklimmen; ik nam die gelegenheid waar en liep op die wijze het geheele gebouw rond. Gemakkelijk kon men er met twee rijtuigen naast elkander rijden. Menige bizonderheid bemerkte ik nog aan den reuzenbouw, maar niets, dat eenig licht kon geven aangaande de beteekenis ervan.

In mijn vaderland teruggekeerd, kon ik meerdere inlichtingen bekomen. Men houdt de ruïne voor een overblijfsel van een gebouw, waarin de groote vuurfeesten werden gevierd, die men aan den ouden Cilicischen zonnegod Sandan wijdde, wiens naam reeds in den tijd van Paulus met den zoogenaamden grondvester der stad, Sardanapalus, werd vereenzelvigd. Hot waren woeste feesten, gelijkende op de Baaisfeesten in Fenicië. De beide torens binnen den muur dienden tot reusachtige vuuraltaren en brandstapels. De vuurvlammen moesten bij deze feesten, in hunne taal, den vurigen zonnegod loven; en het volk danste met de opgewonden priesters rondom de vlammen. Deze schandelijke feesten ter eere van Sandan waren in Paulus\' tijd nog zeer menigvuldig. Vaak, als de vlammen den nacht daarbuiten verlichtten en den donkeren hemel rood verfden, als men laat in den stillen nacht, met luide volksliederen het beeld van den

270

ocr page 295

BIJ ZONSONDERGANG.

koning van het feest — op andere plaatsen den persoon, die hein voorstelde, zeiven - in de knetterende vlammen stortte en verbrandde, zal Paulus als knaap en als man zeker met somber gelaat voor de poort der stad hebben gestaan en, op de vlammen binnen die muren ziende, met dankbaarheid hebben ervaren, hoe heerlijk liet geloof aan den levenden God is, tegenover deze onzinnige, veelal ontuchtige, heidensch godsdienstige feesten.

Ondertusschen was het avond geworden. De zon neigde ton ondergang. Prachtig gekleurde wolken legerden zich over liet Taurus-gebergte. De donkerblauwe wolkenmassa opende zich in het westen als eene prachtig gekleurde, lichtende poort, waarachter de schitterende avondzon in purperkleurige wolken onderging. Een zacht windje ruischte door de citroenboomen en langs de oude vesting. De vogels zongen in de takken, de krekels piepten, en daarboven klonken de klokjes der grazende koeien, die met hunne herders naar de stad terugkeerden.

Ook ik nam den terugtocht aan. Langs geurende tuinen on door stille straten keerde ik weder, om nog een gezelligen avond bij den heer Avania door te brengen. De Oostersche gastvrijheid verloochende zich ook toen niet, doch vertoonde zich in den liefe-lijksten vorm. Niets, niet het geringste vriendschapsbewijs werd vergeten, om het den gast in het vreemde huis aangenaam te maken. Toen ik in een gesprek met een der dames vroeg, waar men die lieve, zilveren armbanden, aldaar vervaardigd, kon bekomen, om er eene naar het vaderland te kunnen medebrengen, nam zij de hare onmiddelijk van den arm, met de bede dien voor mijne vrouw mede te nemen als aandenken aan Tarsen. Geen tegenspraak mocht baten. Het Xonion \') mocht ik, volgens haar zeggen, in het huis van een Griek niet weigeren zonder onbeleefd te zijn. Die armband herinnert ons nog telkens aan de groote gastvrijheid, die ik in die dagen mocht genieten inliet huis mijner Grieksche vrienden, in het oude Tarsen, in Cilicie.

\') Geschenk aan dun gast.

271

ocr page 296

DE STAD.

Achter de laatste huizen van Tarsen verheft zich een kleinen, fraaien heuvel, dien ik den volgenden morgen bezocht. Het is de eenigste hoogte in de onmiddelijke nabijheid dei-stad; juist hoog genoeg om een uitgebreid uitzicht over de omgeving te hebben. Deze heuvel zal waarschijnlijk een ge-liefkoosden uitgang voor de bewoners geweest zijn, en menigmaal zal ook Paulus daar gestaan hebben.

Ten Noorden ziet men het, met sneeuw bedekte, Taurus-ge-bergte, als ware het de muur eener vesting; daarvoor do uitgestrekte groene vlakte, en aan de voet van den heuvel de stad. Hoe menigmaal zal Paulus van dien heuvel naar het trotsche gebergte hebben heengezien. Daar, achter de bergen woonden de Galaten en de Lykaoniërs. Volgens zijn Israelietisch geloof waren zij allen van het heil uitgesloten; God toch had alleen aan de Israelieten de zaligheid beloofd. In zijn jeugdig gemoed kwam de groote gedachte nog niet op van een Godsrijk van liefde, waartoe alle volkeren zouden behooren. Hij kende zijnen tijdgenoot Jezus nog niet, die toen in stille afzondering in Nazareth leefde. Groote karavanen uit het binnenland van

■

ocr page 297

HARE LIGGING.

Klein-Azië bezochten toen ter tijd de stad Tarsen, het middelpunt van allen biütenlandschen handel. Ook nu nog is Tarsen het uitgangspunt van alle karavanen, die op den overouden bergweg naar dé Porta Cilicke reizen. De bewoners van Ikonium en Antiochië kwamen bij den Sultan-Dagh van het gebergte af. Paul us had ais kind door zulke kooplieden en kameeldrijvers veel van die steden en landstreken hooren verhalen. Bovenal had het hem verwonderd, dat men ook daar Joodsche gemeenten vond en dat vele heidenen Israels geloof hadden aangenomen. Dagelijks zag hij naar de bergen omhoog, waarachter die landen waren gelegen; en wij begrijpen, wat hem op zijne eerste zendingsreis daarheen trok.

Dichter bij, aan den voet des heuvels lag de stad voor mij, te midden van vruchtbare tuinen, in de schitterende middagzon. Do vlakte strekte zich Oost- en Westwaarts uit en in het verre Zuiden zag men. niettegenstaande de lage ligging, een glinsterende streep van de naburige zee. Een schilderachtig tooneel, dat Tarsen met zijne torens en tuinen! Tusschen de vele kleine huizen bemerkt men ook enkele groote gebouwen. Vijf slanke, spitse torentjes, de trots dor Mohammedanen, steken het hoofd op naar den blauwen hemel; in het Oosten verheft zich vriendelijk het heilige zinnebeeld des kruises, dat op de koepelvormige kerk der Armeniërs is geplaatst. De stad verkrijgt een bizonder vriendelijk voorkomen door de vele groote boomen, die hier en daar tusschen de huizen geplant zijn. Populieren, palmen, cypressen en moerbeziënboomen verkwikken het oog. Van den heuvel af gezien, maakt de oude vaderstad van Paulus in den glans van den voorjaarsmorgenzon inderdaad een aangenamen indruk. Zij telt ongeveer 20.000 inwoners.

Die gunstige indruk verminderde niet, toen ik later met den Heer Avania eene wandeling door de stad maakte. quot;Wel moet men ook hier, evenals in alle Oostersche steden, geen Europeesche netheid en reinheid verwachten. Op de Bazaars waren rechts en links in open kraampjes, verschillende voortbrengselen van Tarsische

18

273

ocr page 298

DE STAD.

nijverheid te zien. Ook de landlieden, de Turkraenen, waren talrijk vertegenwoordigd, waarvan velen met de sikkel in de hand, ten bewijze dat zij maaiers waren. Hunne kleeding was schilderachtig en veelkleurig als de regenboog. Het gedrang in de nauwe straten was vaak groot. Men zag er menschen en dieren, Turken, Kurden, Tscherkessen, beladen en niet-beladen ezels, karren door buffels getrokken en lastdragende kamoelen hunnen weg door het gedrang vervolgen.

De bevolking der stad maakt een vriendelijken en aangenamen indruk; vooral heb ik een prettige herinnering aan de straatjeugd. Geen enkele maal hoorde ik uit den mond van kinderen het woord „Bakschischquot; ]) waarmede de lastige straatjeugd van andere steden den vreemdeling vervolgt. Telkens als ik die mooie, welopgevoede kinderen zag, dacht ik aan het kind Paulus, dat ook eens de straten dier stad doorkruiste.

274

Het was eene bonte mengeling van allerlei volken en natiën, die ons in de straten ontmoette: Turken en Turkmenen, Syriers, Grieken, Tscherkessen en Girkassiers. Den naam Turk, mag men slechts aan de arme Turkmenen geven; de voorname Turken zouden dien naam als eene beleediging beschouwen. Zij willen „Osmanliquot; genoemd worden, en zien met groote verachting op de Turkmenen neder. Ofschoon die stamgenooten van hen zijn, worden zij als ketters aangezien, waarom men ook het, door hen bewoonde, gebergte „Giaur Daghquot; d. i. gebergte der ketters, heet. Mijne begeleiders verhaalden mij een en ander van hen. Deze Turkmenen, deels boeren, deels beduïnen, noemen hunnen godsdienst naar Nusseiri. Het is een tusschending, tusschen Mohammedanisme en oostersch Christendom. Voor het uiterlijke, voor de regeering voegen zij zich bij den Mohammedaanschen godsdienst, maar in werkelijkheid willen zij niets daarvan weten. Somtijds heeft hun geloof iets van Fetischdienst. Zij hechten namelijk, even als de Mohammedanen van Palestina, groote waarde aan

1) Bede uiu eene aalmoes.

ocr page 299

EENE WANDELING DOOE DE STRATEN.

het vastbinden van reepen katoen aan heilige boomen en in heilige bosschen, die, in de wind fladderende, den door hen bedoelden heilige aan hunne belangen moeten herinneren. Hun voornaamste heilige is de Apostel Paulus, dien zij hooger stellen dan Mohammed, ofschoon zij van zijn evangelie geen kennis hebben. Tot hem richten zij vóór alle anderen, hunne gebeden. Hij toch is hun groote landgenoot, die door de geheele wereld wordt geëerd. Het boschje boven zijn zoogenaamd graf te Tarsen, is altijd met duizenden heen en weder waaiende lapjes versierd.

Ook is er te Tarsen eene Christengemeente; ik ontmoette op mijne wandeling vele harer leden. De oude kerk van Tarsen, die der wereld eertijds beroemde kerkvaders, zooals een Diodorus schonk, is bij de verovering door de Islamieten geheel vernield. In het begin der middeleeuwen echter, zijn de Armeniërs van den Kaukasus opgebroken en hebben zich, als bij eene soort van volksverhuizing, over geheel Klein-Azië verspreid en Armenische gemeenten gesticht. Ik trof zelfs midden in Klein-Azië, in Eregli en Iconium enkele gemeenten aan. Zoo waren zij ook naar Tarsen gekomen en hadden daar zelfs een eigen rijk gegrond. Hunne afstammelingen zien wij in de tegenwoordige Armenische gemeente, wier belangrijk kerkhof ik bezocht. Wel is waar is er van den leveuwekkonden geest des Christendoms weinig meer over in die afgelegen kerkjes. De Amerikaansche zendelingen hebben zich zeer verdienstelijk gemaakt door zich met hun te bemoeien; er is reeds eene kleine evangelische gemeente gevormd, die veel goeds doet verwachten.

Van de verschillende ambachten, die ik op de straten opmerkte, vond ik het belangrijkste de weverij; het handwerk, dat eens ook door Paulus aldaar werd uitgeoefend. Wij vervoegden ons dan ook in de groote weverij van de heeren Mavromati amp; Christ-mann, mijne vriendelijke gastheeren uit Mersin, de eenigste groote fabriek in Tarsen, alwaar vier honderd arbeiders bezig zijn. Het katoen, dat daar verarbeid wordt, groeit in de vlakte en wordt met groote winst naar het buitenland verkocht. De

275

ocr page 300

DE STAD.

nijverheid te zien. Ook de landlieden, de Turkmenen, waren talrijk vertegenwoordigd, waarvan velen met de sikkel in de hand, ten bewijze dat zij maaiers waren. Hunne kleeding was schilderachtig en veelkleurig als de regenboog. Het gedrang in de nauwe straten was vaak groot. Men zag er menschen en dieren, Turken, Kurden, Tscherkessen, beladen en niet-beladen ezels, karren door buffels getrokken en lastdragende kamcelen hunnen weg door het gedrang vervolgen.

De bevolking der stad maakt een vriendelijken en aangenamen indruk; vooral heb ik een prettige herinnering aan de straatjeugd. Geen enkele maal hoorde ik uit den mond van kinderen het woord „Bakschischquot; \') waarmede de lastige straatjeugd van andere steden den vreemdeling vervolgt. Telkens als ik die mooie, welopgevoede kinderen zag, dacht ik aan het kind Panlus, dat ook eens de straten dier stad doorkruiste.

274

Het was eene bonte mengeling van allerlei volken en natiën, die ons in de straten ontmoette; Turken en Turkmenen, Syriers, Grieken, Tscherkessen en Cirkassiers. Den naam Turk, mag men slechts aan de arme Turkmenen geven; de voorname Turken zouden dien naam als eene beleediging beschouwen. Zij willen „Osmanliquot; genoemd worden, en zien met groote verachting op de Turkmenen neder. Ofschoon die stamgenooten van hen zijn, worden zij als ketters aangezien, waarom men ook het, door hen bewoonde, gebergte „Giaur Daghquot; d. i. gebergte der ketters, heet. Mijne begeleiders verhaalden mij een en ander van hen. Deze Turkmenen, deels boeren, deels beduïnen, noemen hunnen godsdienst naar Nusseiri. Het is een tusschending, tusschen Mohammedanisme en oostersch Christendom. Voor het uiterlijke, voor de regeering voegen zij zich bij den Mohammedaanschen godsdienst, maar in werkelijkheid willen zij niets daarvan weten. Somtijds heeft hun geloof iets van Fetischdienst. Zij hechten namelijk, even als de Mohammedanen van Palestina, groote waarde aan

1) Bede om eene aalmoes.

ocr page 301

EENE WANDELING DOOE DE STRATEN.

het vastbinden van reepen katoen aan heilige booraen en in heilige bosschen, die, in de wind fladderende, den door hen bedoelden heilige aan hunne belangen moeten herinneren. Hun voornaamste heilige is de Apostel Paulus, dien zij hooger stellen dan Mohammed, ofschoon zij van zijn evangelie geen kennis hebben. Tot hem richten zij vóór alle anderen, hunne gebeden. Hij toch is hun groote landgenoot, die door de geheele wereld wordt geëerd. Het bosehje boven zijn zoogenaamd graf te Tarsen, is altijd met duizenden heen en weder waaiende lapjes versierd.

Ook is er te Tarsen eone Christengemeente; ik ontmoette op mijne wandeling vele harer leden. De oude kerk van Tarsen, die der wereld eertijds beroemde kerkvaders, zooals een Diodorus schonk, is bij de verovering door do Islamieten geheel vernield. Ia het begin der middeleeuwen echter, zijn de Armeniërs van den Kaukasus opgebroken en hebben zich, als bij eene soort van volksverhuizing, over geheel Klein-Azië verspreid en Armenische gemeenten gesticht. Ik trof zelfs midden in Klein-Azië, in Eregli en Iconium enkele gemeenten aan. Zoo waren zij ook naar Tarsen gekomen en hadden daar zelfs een eigen rijk gegrond. Hunne afstammelingen zien wij in de tegenwoordige Armenische gemeente, wier belangrijk kerkhof ik bezocht. Wel is waar is er van den levenwekkenden geest des Christendoms weinig meer over in die afgelegen kerkjes. De Amerikaansche zendelingen hebben zich zeer verdienstelijk gemaakt door zich met hun te bemoeien; er is reeds eene kleine evangelische gemeente gevormd, die veel goeds doet verwachten.

Van de verschillende ambachten, die ik op de straten opmerkte, vond ik het belangrijkste de weverij; het handwerk, dat eens ook door Paulus aldaar werd uitgeoefend. Wij vervoegden ons dan ook in de groote weverij van de heeren Mavromati amp; Christ-mann, mijne vriendelijke gastheeren uit Mersin, de eenigste groote fabriek in Tarsen, alwaar vier honderd arbeiders bezig zijn. Het katoen, dat daar verarbeid wordt, groeit in de vlakte en wordt met groote winst naar het buitenland verkocht. De

275

ocr page 302

DE STAD.

machines der fabriek worden door de wateren van den Cydnus gedreven. Vele kleine meisjes uit Tarsen, van tien jaar en daarboven, stonden aan het spinnewiel en verrichtten haren arbeid handig en vlug. Toch was er iets weemoedigs in, die lieve en vriendelijke kinderen zoo jong reeds in eene fabriek, in plaats van in eene christelijke school te zien. Zij zagen mij echter vroolijk aan. en verdienden bij eene vriendelijke behandeling door den lieer Christmann, wekelijks een aardig sommetje voor hare ouders.

Daarna bezocht ik nog eenige kleinere weverijen. Daar zat er een in zijne tent bij de rivier, ginds zag men een ander in zijne kleine werkplaats in eene nauwe straat. Aan een ouderwetsch weefgetouw, zoo als Paulus er zeker ook een gehad heeft, zat een oud man. Het garen hing over zijn, met eene roode muts bedekt, hoofd. Zijne schoenen en eene waterkruik stonden naast hem, en in een mandje aan zijne zijde lagen eenige gevulde spoelen. Onder zijne voeten was de grond eenigszins uitgehold, doordat er ook met de voeten gewerkt wordt terwijl de handen vlijtig het bootje heen en weder werpen, en af en toe een nieuwe spoel aanhechten. Eentoonig was het werk. Van tijd tot tijd slechts brak de draad, die weder moest worden aangehecht. Toch was mij die arbeid zeer belangwekkend, want zóó heeft ook Paulus meerdere jaren in die stad gezeten, terwijl hij onder den eentoonigen arbeid, over de diepzinnigste geheimenissen van het Godsrijk peinsde.

276

ocr page 303

Wm,

DE CYDNUS EN DE ZEE.

De natuurlijke ligging van Tarsen is bijzonder gelukkig. Midden in eene der vruchtbaarste vlakten der wereld, aan het begin van den beroemden Tauruspas, aan den oever van een, tot aan de zee bevaarbaren, stroom, en bij eene voortreffelijke zeehaven, was Tarsen de stapelplaats van den handel aan de Zuid-Oostkust van Klein-Azië. Door toedoen van keizer Augustus was het eene vrijstad geworden, had een uitgebreid zelfbestuur, en den eerenaam van Metropolis. Daarbij bloeiden ten tijde van Paulus kunsten en wetenschappen. Zoo had hij dan zijne jeugd in eene stad doorgebracht, waar handel en nijverheid, kunst en wetenschap werden aangetroffen. Toch was Tarsen niet gelijk aan onze groote steden, waar door het drukke leven de natuur verdwijnt. Neen, het was omgeven door elk soort van natuurschoon. Het was eene schoone wereld, die de jeugdige Paulus dagelijks voor oogen had: de trotsche, met sneeuwbedekte Taurus, de uitgestrekte vruchtbare vlakte, de bruischende Cydnus midden in de stad en de onmetelijke blauwe zee in de nabijheid.

De Cydnus, die een afzonderlijk bezoek overwaard is. stroomde vroeger midden door de stad. Van beide oevers zagen de Tarsers

ocr page 304

278 DE CYDNUS EK DE ZEE.

van uit hunne vensters of van hunne daken, op den kristal-helderen stroom en groetten de voorbijvarende schippers. In Tarsen speelt het tooneel, dat door Shakespeare bezongen is, waar Kleopatra, in purper gekleed en met den koningsdiadeem op het hoofd, van kleine liefdegoden omringd als Aphrodite, den Cydnus opvaart, om op de openbare markt van Tarsen naar de liefde van Antonius te dingen. Tegenwoordig is alles anders geworden. De stad ligt ietwat ten oosten van den stroom. Te vergeefs zoekt men er de wijsgeeren van oudtijds. Geen kleine, goed onderhouden tuinen meer, maar eene groene vlakte strekt zich aan beide zijden uit. Aan den oever bevindt zich een dicht woud, een bosch van populieren, platanen, palmen, treurwilgen, moerbeziën en olijfboomen; daartusschen zoekt de, eens zoo bezochte, stroom eenzaam zijnen weg.

Wij naderen den oever; het had hard geregend en het water was daardoor troebel. Schuimend en bruisend vervolgde de stroom zijnen loop. Toch hadden wij de rivier niet in hare volle breedte voor ons. Zij wordt in tien kanalen verdeeld, die stad en tuinen moeten bevochtigen. Beneden de stad bij de groote steenen brug, vereenigen die kanalen zich weder tot één stroom, ofschoon die, juist daar door rotsen ingesloten,- slechts 60 meter breed is. In de nabijheid der stad is de Cydnus, wegens die afleidings-kanalen, slechts 20 it 80 meter breed. Vanaf Juli, als er maar weinig sneeuwwater van het gebergte komt, is hij smal en klein, totdat de winter weder groote watermassa\'s toevoert.

Wij gingen stroomopwaarts tot aan den waterval van den Cydnus. In de verte reeds hoorden wij het bruisen en loeien, totdat wij eindelijk voor den val stonden. Het was een schoor® aanblik, te meer omdat er pas zware regenbuien waren voorafgegaan. Honderd tot twee honderd meter breed, bruiste de Cydnus over eene door rotsblokken gevormde bank van 2 a 3 meter hoog. De zon schitterde op de effen vlakte even boven den val, en daar beneden stortte het water donderend naar

ocr page 305

DE TOCHT LANGS DE lUVIER.

omlaag, zoodat het schuim als nat stof ons bevochtigde. Zware boomstammen, door het water van het gebergte medegevoerd, lagen tusschen de rotsblokken vastgekneld; dat deed ons aan vroegere tijden denken, toen men de stammen van het, aan hout zoo rijke. Tanrus-gebergte, in lange vlotten van het gebergte naar de zee voerde. Midden in den waterval zijn kleine eilandjes met prachtig hoog riet, boschjes en boomen. Een hooge palm staat eenzaam boven aan den waterval, neder-ziende op de pracht aan hare voeten.

De tegenwoordige bewoners noemen den Cydnus „ennahhr el bardquot; d. w. z. de koude stroom. Die naam herinnert ons aan den Barada bij Damaskus, en is ontleend aan de koude temperatuur van het water, dat eigentlijk slechts gesmolten sneeuw is, en door diepe dalen tusschen de rotsen van het gebergte vloeit, waarin slechts zeer zelden een zonnestraaltje doordringt. Ook herinnert ons die naam aan eene algemeene bekende gebeurtenis, die daar heeft plaats gehad. Toen namelijk Alexander de Groote dien wilden bergpas, „de poort van Cilicië,quot; de hedendaagsche Kulekk Boghas, veroverd had en in de vlakte was afgedaald, om bij den wereklberoemden slag aan den Issus, Darius te ontmoeten, sloeg hij bij Tarsen zijn kamp op. Door den marsch verhit, voelde hij groote begeerte om zich in den helderen stroom te verfrisschen, en ging onmiddelijk in het ijskoude water. Eenige minuten later lag de koning in de armen zijner trouwe Macedoniërs, en weinig scheelde het, of de heldenkoning had vóór den be-slissenden slag van zijnen overwinningstocht, den dood gevonden in de golven van den Cydnus. De heer Avania toonde mij beneden den waterval de plaats aan, waar Alexander zou gebaad hebben en beweerde, dat de koorts, die de koning zich toen op den hals had gehaald, zijne gezondheid voor goed geknakt heeft, en in het verre Zuiden zijn dood heeft verhaast.

Van af Tarsen loopt de Cydnus nog eenige uren door de vlakte. Tegenwoordig is het doodsch en eenzaam op hare wateren. Geen schip, geen vlot wordt er gezien, sedert de uitwatering

279

ocr page 306

DE CYDNUS EN DE ZEE.

verstopt is. Do eons zoo levendige haven is verzand en vergeten. Eens was het daar beneden aan de monding der rivier geheel anders; ten allen tijde zag men een bosch van masten op de blauwe zee en een groot aantal kleinere schepen vergemakkelijkte liet verkeer met- de stad, welke de grootere schepen niet konden naderen. Het is niet zonder beteekenis geweest, dat Paulus van zijne jeugd af zoo veel op zee was. Menigmaal zal hij den Cydnus tot aan de zee hebben afgevaren. Daar lagen de schepen van Antiochië, Alexandrië, Efezus, Athene, Korinthe, Marseille en Spanje. Zeker was het niet de eerste maal dat hij de zee bevoer, toen hij naar Jeruzalem ging, of zijne verre zendingsreizen ondernam. De zee was hem van jongs af een vertrouwd element. Geen wonder was het dan ook, dat hij op die laatste, stormachtige zeereis zijns levens naar Rome, den Romeinschen hoofdman zulke goede raadgevingen geven kon.

Ook voor zijn later Apostolisch beroep was het voortdurend verkeer met de zee van den jeugdigen Paulus niet zonder groot gewicht. Als God den mensch een ambt geeft, dan geeft Hij daarbij tevens de noodige geschiktheid. Tot Paulus\' roeping behoorde ook een zekeren lust tot reizen, dien wij ook bij latere zendelingen, b.v. bij Livingstone, aantreffen. Ia de onmiddelijke nabijheid der zee, bij het drukke verkeer op den Cydnus was die lust bij Paulus meer en meer ontwikkeld. Daar is die voorliefde tot reizen in hem ontwaakt, die hem zijn gansche leven bij bleef. Daar reeds werd in zijne vroegste jeugd, zijne aandacht gevestigd op de kusten der Middellandsche zee, als hij de schepen telkens weder aan de monding van den Cydnus en aan de oevers zijner vaderstad zag komen. Bij de andere Apostelen aan het neer van Genésareth was dat niet het geval geweest. Daar liet hij zich door de vreemdelingen, die uit het verre Westen kwamen, veel van de vreemde landen verhalen. De knaap Paulus luisterde, als men des avonds bij elkander zat, met belangstelling naar al hetgeen de kloeke reizigers van de Grieksche, Italiaansche, Fransche en Spaansche kusten wisten te verhalen. In al die leidingen zien

280

ocr page 307

DE OUDE HAVEN.

281

wij Gods hand, die Zijn uitverkoren werktuig van zijne vroegste jeugd af voorbereid had tot de prediking des Evangelies in de landen aan de Middellandsche zee. Nu begrijpen wij waarom Paulus zelf later zijn geheelen levensloop een wonder van goddelijke leiding noemde, als hij (Gal. 1 : 15) zogt, dat het Gode behaagd heeft, hem van zijner moeders lijf aan aftezonderen en te roepen door zijne genade. Zijnen zoon in hem te openbaren, opdat hij denzelven door het Evangelie onder de heidenen \') zoude verkondigen, onder alle natiën van het Romeinsche keizerrijk.

\') Heidenen botcekcnt in den Bjjbcl steeds; volken, natiën.

ocr page 308

PAULUS IN TARSEN.

Vaak veronderstelt men, dat Paulus na zijne reis van Jeruzalem naar Tarsen (Hand. 9 : 30), onmiddelijk het Evangelie zou gepredikt hebben in Cilicië en Syrië (volgens G-al. 1 : 21). Dit vermoeden is echter geheel ongegrond. Noch in de Handelingen der Apostelen, noch in Paulus\' brieven vindt men daartoe eenige aanleiding. Ook ontbreekt in de geschiedenis zelfs het geringste bericht, als zou hij de daar aanwezige gemeenten hebben gesticht (Hand. 15 : 41).

Wij moeten dus aannemen, dat Paulus ook na zijne reis van Damaskus naar Jeruzalem, nog twee a drie jaar in zijne oude vaderstad Tarsen heeft doorgebracht. Eerst in het jaar 43 werd hij naar Antiochië geroepen; wij zullen ons wel niet zeer verrekenen, wanneer wij den ouderdom van Paulus met het jaartal gelijk stellen. \') Toen hij in Tarsen terug kwam, zal hij dus ongeveer 4n jaar geweest zijn. Wel verwondert het ons, dat een man, die reeds in Damaskus en Jeruzalem met goed gevolg gepredikt had, nog langer zwijgen kon. Wij hechten echter in deze onze beoordeeling, te veel waarde aan onzo tegen-

\') In ilun brief aan Filomon, in liet jaar (iO, noemt li\\i zicli reeds een „uutl manquot;.

ocr page 309

IN BE JAREN 40 — 43.

woordige toestanden, waarin elk candidaat na volbrachte studie en geslaagd examen, al is hij nog zoo jong, tot het predikambt kan geroepen worden. In den tijd van Panlus was het anders; daarenboven hebben wij in het Nieuwe Testament nog een voorbeeld van een man, die lang gewacht heeft, nl. de timmerman van Nazareth. Reeds lang zou hij hebben kunnen prediken, maar hij wachtte, totdat de heraut zijn trompet door het land had doen klinken en hem opriep. Ook Panlus wachtte in Tarsen in stilte op de roepstem zijns Heeren.

Zooals vroeger zette hij zich metterwoon in de wijk der Joden neder. Deze driejarige afzondering, waarvan geen geschiedschrijver ons iets meldt, zal gewis geen verloren tijd zijn geweest. Het was voor zijn toekomstig werk van de grootste beteekenis, dat hij, nadat hij zich zoovele jaren in de woestijn van Arable had teruggetrokken, nog weder een langen tijd onopgemerkt en ongestoord vertoefde aan eene plaats, waar ook de toenmalige beschaving geëerd was. Sedert den tijd van Alexander den Grooten, dien genialen pionnier der Oostersche beschaving, had de G-rieksche ontwikkeling in Tarsen wortel geschoten. Het land zelf, met zijne Seinitiesche bevolking en taal, was weliswaar nog vrij wel van dien invloed uitgesloten, maar toch was de hoofdstad een der beschaafste steden van het Oosten. Tarsen toch was een der voornaamste brandpunten der Grieksche verlichting. De daar gevestigde hooge-scholen telden onder de beroemdste der toenmalige bekende wereld, en konden zich gerust met die van Athene en van het beroemde Alexandrië, vergelijken. De groote aardrijkskundige Strabo, uit Klein-Azië, schrijft van een groot aantal geleerden, die daar hunne lessen gaven of hunne studiën volbrachten. Men leerde er philisophie en poëzie, maar bovenal welsprekendheid. Datgene, waarvoor men in onzen tijd geen scholen meer noodig schijnt te hebben en men aan het toeval denkt te kunnen overlaten, namelijk om zuiver en sierlijk te leeren spreken, goldt toenmaals als een eerste eisch der beschaving.

283

ocr page 310

PAULUS IN TAKSEN.

Do scholen in de welsprekendheid namen dan ook eene eer-te plaats in. Aan het schrijven van boeken hechte men weinig, maar aan goed spreken alleszins waarde.

Wanneer wij echter in de brieven van Paulus telkens weder een minachten van wijsbegeerte en schoone redenen vinden, dan moet ons dat niet verwonderen. Men beoefende toen niet meer de ernstige, edele wijsbegeerte van een Plato, maar bande-looze sophisterij, waaraan alle zedelijke diepte ontbrak. De redenaars waren snappers, dien het slechts om toejuiching en nog meer om de beurs hunner toehoorders te doen was. Persoonlijke ijdelheid was meestal de drijfveer dier schitterende toespraken en twistredenen. Paulus leerde de ledigheid eener uiterlijk schitterende wijsbegeerte kennen. Wij kunnen begrijpen, dat hij later alle gemeenschap met die geleerde snappers afwijst, bij de verkondiging van het Evangelie (1 Kor. 2 : 1) enz. Maar in dit middelpunt van Grieksche beschaving leerde hij den Griekschen geest verstaan en de Grieksche taal beheerschen. Hoewel zijne brieven niet in klassiek Grieksch geschreven zijn, heeft toch zijn groote geest die taal weten te onderwerpen, en heeft hij door zijne geschriften grooter invloed gehad op het geestelijk leven der wereld, dan alle anderen te zamen, die in dien tijd in het Grieksch boeken geschreven hebben.

Wie der zijnen nog in leven waren, weten wij niet; maar zeker zullen zij zich verheugd hebben in eenig aanzien, dat zij in de stad genoten, ten gevolge van hun Romeinsch burgerrecht. Zijne ouders worden niet genoemd en waren wellicht reeds lang gestorven. Zijne zuster was in Jeruzalem gehuwd (Hand. 23 ; 16), en van een zijner broeders, die hem later in het predikambt ter zijde stond, lezen wij in een zijner brieven (2 Kor. 8 : 18, 22; 12 ; 18).

Waarmede Paulus zich zal hebben bezig gehouden ? Zijn ambt als Rabbi zal hij hebben opgegeven; er bleef hem dus niets anders over, dan om tot zijn vroeger handwerk terug te keeren, dat hij in Arable had uitgeoefend, en dat hem later zulke groote

ocr page 311

IN DE JAREN 40 — 48.

diensten zou bewijzen. Onder de verschillende takken van nijverheid in de stad waar zoo vele ambachten werden uitgeoefend, was er geen zoo bloeiend als juist de weverij. In de tarief-wet van Keizer Diokletianus werd het linnen van Tarsen zeer geroemd, en het weven van grof linnen gaf aan duizenden handen bezigheid. Tallooze kudden schapen en bokken weidden op de Cilicische bergen. Ik zelf was op eene reis over het Taurus-gebergte, verbaasd over de vele kudden van Angora-bokken en Mohair-schapen, die in dat ruwe gebergte hun voedsel vinden. De wol dier schapen en bokken wordt door de talrijke karavanen, die de Cilicische bergengte doortrekken, in de vlakte gebracht en in Tarsen tot tapijten, mantels, doeken en, inzonderheid het haar der bokken, tot zwart tentlaken bewerkt, en door de daar gevestigde handelshuizen op de wereldmarkt gebracht.

In oude tijden, ja ook zelfs nu nog, heeft in het Oosten elk ambacht zijne afzonderlijke straat; zoo moeten wij dus ook Paulus gedurende dien tijd, te Tarsen in de weverstraat zoeken. Wellicht zal hij de zaak met zijne broeders, misschien ook met enkele vrienden hebben gedreven, en zullen zij naargelang der bestellingen, tenten, mantels of tapijten hebben vervaardigd.

Dagelijks zag Paulus van uit zijn venster of van af het platte dak zijns huizes, de met sneeuw bedekte toppen van het Taurus-gebergte. Hij hoorde de wijsgeeren hunne voordrachten houden aan de oevers van den Cydnus. Hij zag de schepen zich voortspoeden naar de groote zee, en de vlotten, drijvende of door lange stokken bestuurd, den stroom afzakken. Alles scheen hem toe te roepen: „Trek uit in den vreemde!quot; Hij echter vertoefde en — wachtte. Terwijl hij in zijne werkplaats met een schijnbaar onbeduidenden arbeid zich bezig hield, herschiep Gods geest die plek tot eene werkplaats van verhevener soort, waar Paulus steeds dieper in den geest van het Christendom doordrong ; die kennis toch kan nimmer het werk van het ééne uur der bekeering zijn, maar wel van een veeljarig, biddend na-

285

ocr page 312

PAULUS IN TAKSEN.

denken, en dat is later door geen der Apostelen zoo geroemd, als juist door Paulus, in diens brieven.

Terwijl hij in de stille afzondering zich verdiepte in Gods Woord, ging daar buiten de wereld haren loop, die al de volkeren meer en meer voorbereidde voor het Evangelie. Allen zuchtten onder do overheersching van ellendige dwingelanden, zoodat men meer en meer uitzag naar een Redder en Heiland. Onder den druk dier tijden nam, zooals Suetonius bericht, het geloof aan de oude voorspellingen hand over hand toe, en verwachtte men op grond daarvan, een verlosser uit het Oosten, uit het kleine Judéa. Na den dood van den gevreesden Tiberius, in hot jaar 87, ten tijde van Paulus\' bekeering, beklom een nog vreeselijker monster in menschengestalte, keizer Caligula, den troon. De berichten uit Rome brachten allerwege schrik en ontzetting met zich. Moord en doodslag behoorden tot zijne liefhebberijen. Veroordeeling en terechtstelling was zijn dagelijksch brood. Zijn broeder werd door hem vermoord. Zijn schoonvader moest zich met een scheermes zelf de keel afsnijden. In den schouwburg liet hij zonder eenigen grond, ontelbare slachtoffers voor de wilde dieren werpen, terwijl hij zich vermaakte bij het zien van het vreeselijkste lijden en het hooreu van hartverscheurende jammerkreten. Eens, terwijl het volk de keizerlijke galeien in de golf van Napels bewonderde, liet hij de toeschouwers plotseling grijpen en in zee verdrinken. Niemand was veilig voor zijne grillen. De lichaamsdeelen van zijne slachtoffers liet hij afsnijden of hen door paarden uit elkander scheuren, verbranden, dag aan dag met ijzeren ketenen geeselen, totdat de ziel ontvloden was. Één doel had hij slechts voor oogen, en wel, om den doodstrijd zoo lang mogelijk te rekken en zich daaraan te vermeien. „Och,quot; zoo riep hij eens uit, „had het gansche Romeinsche volk slechts één nek.quot; Dan voorzeker had hij allen op eenmaal den hals afgesneden.

Alleen zijn eigen paard had hij lief. Het was versierd met

286

ocr page 313

IN DE JAREN 40 — 43.

diamanten halsbanden van onschatbare waarde, en bedekt met purperen dekkleeden. De stal was een op het kostbaarst ingericht paleis. Het dier had zijne eigene bediening en wee dengene, die den slaap ervan stoorde.

Daarenboven was Caligula verzonken in een afgrond van onzedelijkheid, even zeer tot afschuw als tot voorbeeld zijner tijdgenooten. Ontucht was hem een levensbehoefte. Huwelijken sloot en verbrak hij, alsof hot de spijzen bij zijnen maaltijd gold^ Of de vrouwen zijne eigene zusters of de echtgenooten van anderen waren, was b«t hem hetzelfde. Menigmaal joeg hij haar, nadat hij haar als slachtvee had behandeld, weder weg. Zelfs het keizerlijk paleis maakte hij tot eene plaats van openbare ontucht, om er geld mede te verdienen. Niettegenstaande zijne grenzelooze verkwisting (b. v. van de gansche nalatenschap van Tiberius, 300 millioen Guldens, in één jaar) was hij zeer geldgierig. Menigmaal liet hij groote hoopen goudstukken in eene zaal strooien, en liep er dan blootvoets door of wentelde er zich in rond.

Onder dit alles liet dit gekroonde monster zich als een God vereeren. De schoonste afgodsbeelden liet hij uit Griekenland overkomen, het hoofd afstaan en zijn eigen beeld daarop plaatsen. In een der prachtigste tempels in Rome stond zijn beeld, als dat van een God. Dagelijks werd dat beeld prachtig gekleed, terwijl hij, de bleeke, dikke woesteling, met gefronsd voorhoofd en afschrikkend, walgelijk gelaat, door Rome\'s straten ging, of in vrouwen kleederen of met een vergulden baard, als Zeus den bliksem in de hand dragende. De wereld liet zich door dien zinnelooze regeeren en sidderde voor dezen dwaas.

Was het dan wonder, dat er een zuchten ging door de natiën, en dat men angstig omzag naar een redder en een beteren tijd? Ook naar Tarsen, waar zich toen ter tijd Paulus ophield, drongen die berichten door. Zij gaven den toekomstigen Apostel veel te denken. Voor hem was het een bewijs, dat het einde nabij was, en dat de wereld rijp was voor het oordeel.

287

ocr page 314

PAULUS IN TAKSEN.

Een zoo verdorven wereld kon niet lang meer bestaan. Paulus dacht in den aanvang van zijn optreden werkelijk, dat hij Christus\' wederkomst nog zou beleven (Vergel. den brief aan de Thess.) Juist daarom wachtte hij op een bevel van zijnen God, dat hem zijn arbeidsveld aan zou wijzen; want vóór dat Christus weder kwam moest het Evangelie aan de gansche wereld gepredikt worden. De tijd was kort, en men moest zich haasten om aan alle volkeren den Christus te verkondigen. Hij gevoelde de verplichting, die op hem lag en die hem tot schuldenaar aller volken maakte. Die gedachte vervolgde hem zijn gansche loven door en dreef hem van de eene plaats naar de andere. Voorwaarts! was zijne leuze, opdat, eer het einde daar zou zijn, het evangelie aan alle volkeren gebracht ware.

In zijn onwrikbaar geloof aan Gods leidingen werd hij niet bedrogen. Nadat hij twee of drie jaar in Tarsen had gewacht, kwam de roepstem van eene geheel ongedachte zijde. De banier des kruises werd hem onverwachts in de hand gegeven. Van toen af aan heeft hij, een getrouw banierdrager zijns Heeren, haar nimmer uit de hand gelegd, haar door de halve wereld gedragen, haar geplant in Rome, totdat zij aan zijne stervende hand ontviel met den zegekreet, dien hij als in een eigenhandig opgesteld grafschrift, met deze woorden uitsprak;

Ik heb den goeden strijd gestreden!

Ik heb den loop geëindigd!

Ik heb het geloof behouden.

Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid.

288

ocr page 315

A N T I O C H I Ë

ocr page 316
ocr page 317

«-------------------........................... — 111 i i 111111111 iiiiiiiiriiiiiiiiriiiiiiiirniiiiiiiii:

Zijt g\' ook thans in\'t stof gezonken

Antiochie, eens zoo trotsch,

Toch weerklinkt uw naam voor immer,

Alom in do Kerke Gods.

Zien wii niet op uwe straten

Paulus\' heilige gestalt\'?

Komt van u de Christennaam niet,

Die nog door de wereld schalt?

Nog slechts weinige jaren is het geleden, dat men, niet alleen in Spanje, maar in de geheele wereld, dien gedenkwaar-digen 3ci«n Augustus vierde, waarop vóór vierhonderd jaar, de dappere Genuees de kleine havenstad Palos verliet en zijne drie kleine Karavellen \') aan de golven des Atlantischen Oceaans toevertrouwde, om over die onmetelijke watervlakte westwaarts eenen weg naar Indië te zoeken. Zoo ver het oog reikte was op dien S^en Aug., in de breede golf van Valencia, de zee met feestelijk getooide schepen bedekt, van af het kleine bijna onzichtbare zeilbootje, tot aan de grootste stoomboot. Bijna alle zeevarende natiën waren daar vertegenwoordigd. Tusschen de groote kolossen van de moderne scheepsbouwkunst, de pantserschepen, de kruisers, de korvetten, uit alle landen der aarde, dobberde een merkwaardig ouderwetsch schip, met hoogen boeg en achtersteven, op de golven. Het was de „Santa Mariaquot; het getrouwe afbeeldsel van het admiraalsschip van Columbus; een gebrekkig vaartuig, als een vreemdeling uit lang vervlogen eeuwen, maar met zegeteekenen en de vlaggen van alle Amerikaansche staten versierd. Wel zal het een indrukwekkend oogenblik geweest, zijn.

^ Klointïe gat.

ocr page 318

ANTIOCHIË.

toen zich, onder het geklank der verschillende nationale liederen, die reusachtige vloot onder het donderen van het geschut in beweging zette, en de zware pantserschepen door een meesterlijk uitgevoerde manoeuvre naar hot Oosten zich wendden, om de kleine, onversaagde Santa Maria als waardige aanvoerster te volgen, terwijl van de kust het luide gejubel zich aan het oor-verdoovend kanongebulder paarde. En des avonds, toen het donker geworden was en de gansche horizon der uitgestrekte baai als éen vuurzee begon te schitteren, toen een vuurregen over de anders zoo stille oevers van Palos neerdaalde, en op verschillende punten vuurzonnen en raketten zich in de zee spiegelden, terwijl door al dien glans de sterren als verbleekten; toen was het, alsof die vurige tongen in vlammenschrift slechts één naam aan den hemel deden blinken, namelijk den naam Ghristophorus Cohimbii-s! Dat gejubel uit duizenden monden, dat over de kalme zee schalde, was slechts eene huldiging, een groet na vierhonderd jaren, aan dien man, door wiens kloeke daad eens de nieuwe wereld ontdekt werd.

Ik ken echter nog eene andere haven op de wereld, stil en afgelegen. Geen trotsch vaartuig bezoekt die haven meer, geen Europeaan ziet men daar. Dood en uitgestorven ligt die daar in het verre Oosten, en toch hebben ook daar eens de grootste oorlogschepen van alle einden der wereld voor anker gelegen, en toch is van uit die haven een grootere dan Christoffel Columbus uitgezeild, om der zuchtende menschheid de ware „nieuwe wereldquot; te ontsluiten. Ook hij werd, evenals Colurnbus, somtijds gesmaad en in ketenen geklonken, dan weder geestdriftig geëerd en bemind, om aan den avond zijns levens, aan de voeten van zijnen hemelschen Koning, een gansche wereld te leggen, die hij voor Hem veroverd had. Die haven is Seleucië, de haven van Antiochië, van waar Paulus zijn gedenk-waardigen tocht door de wereld aanving.

Stil, zeer stil is het in het oude Seleucië geworden. Als uitgestorven ligt de haven daar. Witte zeemeeuwen krijschen boven

292

ocr page 319

IN HET JAAH 44.

de zwijgende rotswanden, en de ruischende golven zingen haar overoude lied. Nog ziet gij in de rotsen de uitgehouwen paden, waarlangs eens een vroolijk volk den weg naar de bovenstad insloeg. Nog teekent zich daar de oude berg Rhosus, de tegenwoordige Dschebel Musa, trotsch met zijne puntige rotsen tegen den hemel af, even als in de dagen, toen hij nog nederzag op de duizenden inwoners, op de tempelen en paleizen aan zijn voet, en op het bonte mastbosch der schepen, die van Klein-Azië en Griekenland, van Egypte en Italië naar het beroemde Seleucie zich spoedden. De menschen zijn gestorven, de paleizen zijn in puin gevallen en verdwenen, de, eens met ongehoorde kosten gemaakte, haven is verzand en verstopt, en weemoedig is de aanblik der twee dikke ronde torens, ver de zee in staande, van waar Paulus zich eens inscheepte.

Laat vriendelijke lezer, u echter door de groote eenzaamheid boven het graf eener eens zoo glansrijke wereld, niet afschrikken. Hoe stiller het daar is, des te ongestoorder kunnen wij ons verdiepen in het verledene en in den geest terugkeeren tot die groote dagen van voorheen, terwijl geen ander geluid ons oor treft, dan dat van de branding der zee. Wel mogen wij ons die dagen in herinnering brengen; het waren gewichtige dagen voor de ontwikkeling van ons werelddeel en niet minder voor de andere; dagen, waaraan wij het grootste wat wij bezitten, te danken hebben. Moe weinig opzien het ook baarde in de paleizen en op de kade van Seleucie, toen Paulus omstreeks het jaar vier-en-veertig van onze jaartelling, in allen eenvoud, van Antiochië daar aankwam en zijn schip besteeg, toch zijn zijne reizen onder de leiding Gods de oorzaak geworden, dat de kronen der tegenwoordige vorsten het kruis dragen; en dat er nu, in de plaats der aan de afgoden geweide eikenboomen, duizenden kerktorens van Christengemeenten ten hemel wijzen; en dat eiken Zondag doorgansch Europa, van den Ebro tot aan het Uralgebergte, het klokgelui de Christenen oproept, om het Evangelie te hooren van den Vader in den hemel, die ons in Jezus Christus is geopenbaard.

293

ocr page 320

i s^s fj^a lt;5 J-d ^ lt;^^0

.Jtf Ci^/O Cl?ö lij® \'

^ cr6vgt; cg-o crg\'Q cg^a c^ | -gt;;-

1 fö)¥ (SföT \'S\'® f é\'ÖT (§7© g Ö/G)?\' ©te) nquot; ÖA2)¥ dA\'^J

- ^ ^e^^£^v9e^,.oa^s\'e^9e^i-c^\'oe^^

HET ONTSTAAN DEB GEMEENTE TE ANTIOCHIE.

Terwijl Paulus in Tarsen op de roepstem zijns Heeren wachtte, had het Evangelie, door duizenden Christenen verspreid, zijn weg door de wereld reeds aangevangen. De vervolging, die Paulus zelf had aangeblazen, had de jeugdige Christen-gemeente plotseling opgeschrikt en haar aan haren bijna vergeten zendingsplicht herinnerd. Iedere vluchteling uit Jeruzalem werd een zendeling. Het Evangelie, als door engelen-handen gedragen, verbreidde zich over zee en land. Eene moedige schare van, voor ons onbekende, zendelingen ontwikkelde in de toenmalige wereld een ongekenden ijver. Plotseling hoorde men, nu hier dan daar, van eene nieuwe Christen-gemeente, waarvan de stichter aan niemand bekend was. Het geloof aan den verrezen Heiland verspreidde zich van Judéa en Galiléa naar Samaria, in de vlakte der Filistijnen, naar Lydda, Sarona, Jaffa en Cesaréa. Een helder schitterende krans van paarlen versierde dra geheel de oostelijke kust der Middellandsche zee, tot aan Fenicië en het Noorden van Syrië, Ja, zelfs werd de blijde boodschap van Christus tot over de zee gebracht. Op het groene eiland Cyprus en in het verre Noord-Afrika had de verrezen Heer talrijke volgelingen (Hand. 11,19,20). Waren er zelfs in Cyrene, zuidelijk tegenover Griekenland, reeds Christen-gemeenten, dan kan er geen twijfel bestaan dat ook

ocr page 321

IN HET JAAE 43.

in het oude wonderland der Pyramiden aan de Nijl, dat land waar eens het kind Jezus zoo gastvrij werd opgenomen, lofgezangen zullen geklonken hebben, tot eer van dien held, die den waren weg heeft geopend van het diensthuis in Egypte naar het Beloofde Land. Ook in Italië, alwaar wij spoedig de Christenen Aquila en Priscilla, zullen leeren kennen, ja zelfs tot in de nabijheid van het keizerlijk paleis te Rome, was het geloof doorgedrongen aan Hem, die voor enkele jaren in den naam des Romeinschen keizers aan het kruis was genageld.

Toch was die zendingsarbeid nog gebrekkig. Men trachtte toch slechts de Joden in de Christelijke kerk op te nemen. De ervaring van Petrus in Joppe en Cesaréa, had wel de gedachte gewekt, dat ook de Heidenen gelijke rechten hadden, maar ook in dit geval gold het spreekwoord: „één zwaluw maakt nog geen zomer.quot; Dat alles zou nu veranderen, maar aanvankelijk niet door Paulus.

Niettegenstaande de groote beteekenis van enkele groote mannen mogen wij Hem, nooit uit het oog verliezen, die zelf zijne kerk bestiert naar zijn verheven plan, en in wiens hand een Paulus en alle anderen, slechts werktuigen waren, door welke Hij zijn welbehagen ten uitvoer brengt. Geen menschen waren het, die tot de bekeering der Heidenen iets bijdroegen; als van zelf, zooals het bij de gewichtigste keerpunten in do geschiedenis van het Godsrijk meermalen geschiedt, leidden de omstandigheden er toe.

Het was in de stad Antiochië dat die groote vooruitgang plaats had. Daar, binnen de muren der groote wereldstad aan den Orentes, waar alle natiën der wereld te zamen kwamen, waar het Grieksche leven naar elke richting zijn pracht ontplooide, waar menschen uit alle natiën en van alle godsdiensten met elkander verkeeren moesten, daar was het de plaats voor de overwinning over bekrompen denkbeelden, die den Christenen in Jeruzalem nog van hunne Joodsche opvoeding aankleefden (Hand. 11 . 2; Gal. 2 : 12). Want hoe menige schoone vrucht

295

ocr page 322

HET ONTSTAAN DER GEMEENTE TE AKTIOCHIË.

van het christelijke leven zich ook in die gemeente ontwikkelde, zij was nog niet volkomen, „maar dwaalde menigvuldiglijk.quot; Het heerlijke Evangelie moest zich ook daar, even als bij alle andere volken, door allerlei menschelijke vooroordeelen en zwakheden heen worstelen, om eindelijk in zijne gansche heerlijkheid en klaarheid te worden begrepen. Nog altijd dacht men in de Jeruzalemsche gemeente, dat het Christendom allereerst eene Joodsche instelling was, en dat de heidenen eerst ware Joden moesten worden, om Christus\' rijk te kunnen binnen gaan. Wij willen en mogen die, in de vervolging getrouw gebleven, Christenen niet veroordeelen, omdat wij bij ervaring weten, hoe moeielijk het is, om een, met de moedermelk ingezogen, vooroordeel te overwinnen. Begrijpelijk echter is het, dat deze ban eenmaal moest gebroken worden; en in die eerste lentedagen van frisch Christelijk leven, die over Antiochië aanbraken, is dat geschied.

Antiochië was toen ter tijd op twee na de grootste stad dei-wereld. Uit alle landen kwamen de menschen daarheen, zocals men tegenwoordig Berlijn, Londen of Parijs bezoekt. Ook de Christenen trokken er heen, hetzij om er handel te drijven, of wel om familie-aangelegenheden. Daar omringde hun het heidendom in duizendvoudigen vorm; toch zuchtte onder die, zedelijk zoo laag gezonken, bevolking aan den Orontes, menig edel gemoed naar iets beters, iets hoogers; en ook met zulke personen kwamen de Christenen vaak in aanraking. Bij zulke gelegenheden vertelden zij den heidenen, dat zij in hunnen Heer Jezus Christus, verlossing en vrede hadden gevonden, en dat zij de gewisheid hadden van een eeuwig leven. Het was hunnen grieksche vrienden dan, alsof zij de heerlijkste berichten uit het vaderland ontvingen. In den aanvang spraken de Christenen slechts ove:: hun geloof, maar toen zij langzamerhand de dankbare vreugde hunner toehoorders opmerkten, begonnen zij in uitgebreider kring ook het Evangelie te prediken (Hand. 11 : 20).

De uitkomst was boven alle verwachting; het Evangelie

296

ocr page 323

IN HET JAAR 43.

vond onder de Grieksche bevolking dier groote stad, zoo gioote instemming, dat de jongeren daarin onmogelijk de hand des Heeren konden miskeimeu (Hand. 11:21). In korten tijd hadden zij een groot aantal Christenen voor zich. die als uit den grond waren opgekomen, en de eerste Christelijke gemeente uit de heidenen was onverwachts in de groote stad gesticht.

De zaak baarde zooveel opzien, dat men er al spoedig van hoorde in Jeruzalem. Met verbazing vernamen de Apostelen het ongehoorde bericht van eene Christen-gemeente uit de heidenen, in de groote stad aan den Orontes. Wel is waar vermoedden zij toon nog niet, dat deze groote hoofdstad, waar alle belangen, zoowel die van het Oosten als van het Westen, zich vereenigden, weldra de plaats van Jeruzalem zou innemen, en dat dit middelpunt van beschaving en handel, ook het middelpunt zou worden der Christelijke kerk. De zaak was hen echter van zoo groote boteekenis, dat zij besloten, er een bekwaam man heen te zenden, die de nieuwe beweging in Antiochië kon leiden. Daarvoor kozen zij Barnabas.

Eene betere keuze hadden zij dan ook niet kunnen doen. Barnabas was in Cyprus geboren en aldaar in eene Grieksche omgeving opgegroeid. Hij bracht daardoor een ruimeren blik en een warmer hart voor die Grieksche wereld mede, dan men in Jeruzalem gewoonlijk had. Spoedig scheepte hij zich te Jaffa of te Cesaréa in, en zeilde naar Antiochië.

Alles wat hij daar zag, vervulde hem met groote vreugde. Met verbazing vond hij daar eene innig-geloovige Christengemeente, bijna geheel uit vroegere heidenen bestaande. De vorm en het karakter van deze gemeente waren geheel anders dan die van Jeruzalem, met hare bekrompen, joodsche levensvormen; en toch, hier vond hij hetzelfde geloof, bespeurde hij denzelfden geest, gloeide dezelfde liefde en straalde dezelfde hoop. In de eerste opwelling van vreugde hield de welbespraakte man eene bezielde prediking, waarop vele andere volgden, en de uitkomst was altijd dezelfde: „Er werd eene groote schare den Heer

297

ocr page 324

HET ONTSTAAN DEE GEMEENTE TE ANTIOCHIË.

toegevoegdquot; (Hand. 11 : 24). De Antiochiërs stroomden toe en lieten zich, diep geroerd door het gehoorde, doopen. Het was als een Pinksterfeest in de heidenwereld, nadat Jeruzalem reeds vele jaren vroeger zijn Pinksterfeest gevierd had.

De eerste, bezielde scharen uit die Grieksch-Eomeinsche wereld, verzamelden zich onder de banier van Jezus Christus, weldra in zulken getale, dat de arbeid voor Barnabas reeds spoedig te uitgebreid werd. Telkens als hij de groote menigte voor zich zag, moest hij zichzelven bekennen, dat hij hulp noodig had. Maar wie ? Voor zulk eene bloeiende gemeente, die uit leden van zoo verschillenden stand en verschillende beschaving bestond, waren ook uitgezochte werktuigen noodig. Wel zal hij het eerst aan de Apostelen te Jeruzalem hebben gedacht, maar zij waren voo]\' deze grieksche wereld niet geschikt.

Daar viel hem echter te goeder ure den naam van Paulus in; een lichtstraal van Boven. In Jeruzalem had men sedert den tijd der eerste vervolging nog allerlei bezwaren tegen Paulus. Voor drie jaar echter, in het jaar 40, had Barnabas bij het bezoek van Paulus aan Jeruzalem, reeds opgemerkt, van hoe groote beteekenis Paulus was en een diepen indruk van zijn persoon ontvangen. Hij besloot, Paulus als medearbeider naar Antiochië op te roepen.

Barnabas wist waar Paulus te vinden was. Nog altijd vertoefde hij in zijne geboortestad Tarsen, dat daarenboven veel dichter bij Antiochië lag dan Jeruzalem. In twee dagen kon hij er zijn; als hij, Barnabas, \'sMaandags de haven van Seleucië verliet, zou Paulus reeds den volgenden Zondag zijne eerste prediking in de gemeente van Antiochië kunnen houden.

298

ocr page 325

DE ROEPING VAN PAULUS.

Het was in het jaar -13, dat Barnabas plotseling en onverwachts de werkplaats van Paulus te Tarsen binnentrad. Wellicht had hij lang te vergeefs naar de woning moeten zoeken, maar eindelijk betrad hij den drempel en vond Paulus te midden zijner handwerksgezellen aan zijn weefgetouw zitten. Met een vroolijken uitroep zal Paulus zijn opgesprongen, om den ouden vriend te begroeten.

Weldra zaten de beide mannen in een levendig gesprek gewikkeld, in Paulus\' woning bij elkander. Met van vreugde schitterende oogen hoorde Paulus de verrassende tijding van de uitbreiding des Evangelies in Antiochië. De woorden van zijnen vriend klonken in zijne ooren als eene lang verwachte roepstem van zijnen hemelschen Meester, als hot trompetgeschal voorden krijgsman, die ongeduldig wacht op het bevel tot den aanval. Met vreugde stemde hij er in toe, om Barnabas naar Antiochië te volgen, en in de groote wereldstad liet Evangelie te verkondigen. Zijne zaak deed hij nu voor goed aan zijne broeders over, en vermaakte hun alles, wat hij in Tarsen bezat.

Slechts weinige dagen daarna voeren de beide vrienden

ocr page 326

DE ROEPINGr VAN PAULUS.

tussclicn populieren, platanen en kastanjes den Cydnus af, om in de haven een schip te bestijgen, dat hen in één dag naar Seleucië zou brengen. Den volgenden dag stonden zij reeds op Syrischen bodem en hadden van uit Seleucië slechts eene wandeling van bijna zes uur te doen, om Antiochië te bereiken. De weg van de haven naar de stad, was altijd druk bezocht en liep tusschen den prachtigen berg Amanns en den, ongeveer 5000 voet hoogen, Mons Casius. Het vlakke strand verlatende, werd de streek al spoedig heuvelachtig; op de hoogte gekomen, kon Paulus naar het verre Noorden terugblikkende, de met sneeuw bedekte hoogten en scherp getande bergtoppen van den Taurus in zijn Klein-Aziatisch vaderland, zien. Meer zuidelijk schitterde de uitgestrekte sneeuwlijn van den Libanon, die hem den weg naar het verwijderde Heilige Land wees.

Eindelijk zagen zij van den laatsten heuvel in de heerlijke vlakte van den Orontes. Dit vruchtbare dal, waarin Antiochië was gelogen, strekt zich van de uitmonding der rivier ruim zes uur landwaarts uit. Door twee gebergten ingesloten, schitterde de vlakte van den tooi harer wereldberoemde tuinen. Langs de talrijke beekjes liepen lanen van esschen- en beukenboomen en bloeiende oleanders. Het gansche land scheen hun één groote tuin. Elk plekje gronds scheen door vlijtige handen bijna overdadig vruchtbaar te zijn gemaakt. Boven de heerlijke wijngaarden breidde de forsche vijgenboom zijne kruin uit. De wandelaars werden ook allerlei zuidelijke vruchten gewaar. Tusschen de granaatappel-, olijf-en perzikboomen glinsterden honderden geurige meloenen. Dichte oranje- en citroen-boschjes verspreidden een heerlijken geur. Tusschen de boomen zag men nette villa\'s en vriendelijke tuinhuisjes; vooral aan de oostzijde van Antiochië ontwaarden zij ontelbare prachtige landhuizen, die — beschaduwd door groote sycomoren, palmen en cypressen, omkranst van geurige jasmyn — menig gelukkig huisgezin schenen te herbergen. Vlak bij de stad schitterde hun, door het zon beschenen, het helder witte vlak tegen van den Orontes, Syrie\'s wijdberoemden

300

ocr page 327

IN HET JAAH 44.

vloed, waarop ontelbare schepen het handelsverkeer naar de zee bevorderden.

Op den voorgrond lag nu het van ouds beroemde Antiochië voor hen! Het was eene wereldstaxi van geweldige grootte, ver in do vlakte en tegen de hellingen van den Silpius zich uitstrekkende. Reeds van verre vernamen zij het gegons van verschillende geluiden, veroorzaakt door het drukke verkeer, dat immer de nabijheid van eene groote stad aankondig^ Het was het Rome van het Oosten. Geen stad in het morgenland kon zich met Antiochië in grootte, glans of pracht gelijkstellen. Met aandoening zag Paulus op de stad neder, waarin hij voortaan den arbeid zou mogen verrichten, waartoe de Heer hem voor 0 jaar, op den weg naar Damaskus, geroepen had. Hoe grootsch glinsterden die tinnen in de verte, hoe trotsch stonden daar die 300 a 400 groote torens op de stadsmuren, een wonderwerk der toenmalige bouwkunst en waarop voor een rijtuig met vier paarden bespannen, ruim plaats was. Men hield Antiochië voor eene onneembare vesting, die eiken vijand, die het durfde wagen, uit het Oosten de grenzen van het Romeinsche rijk te naderen, het hoofd kon bieden.

Te zamen gingen Paulus en Barnabas de groote Orontes-brug over. Een menigte kameelen versperde den weg; daar toch was de legerplaats der karavanen, die kisten en goederen tusschen Seleucië, Antiochië en andere plaatsen vervoerden. Het was de eerste groet der groote handelsstad. Vreemde kooplieden van buitenlandsche karavanen stonden naast hunne kameelen; men zag het hun aan, dat zij uit verre landen kwamen. Zelfs waren er uit Babylon en Suza in Perziö, die hunne schatten uit vreemde werelddeelen, op de stapelplaats van den handel tusschen Oost en West, wilden brengen. Men vond er Syrisch linnen, Sidonisch glas, purper uit Tyrus, dat altijd de eerste plaats op de wereldmarkt innam; schitterende zijde, die in dien tijd voor het eerst over de Kaspische Zee in den handel kwam, en in de fabrieken van Beiroet en Tyrus kunstig geverfd en geweven

301

ocr page 328

DE ROEPING VAN PAULUS.

werd; verder de tapijten, weefsels, kostbare zalf en specereien van den Eufraat en Mesopotamië; leder en pelswaren; en bij dat alles een menigte volwassene en jonge slaven, die in Antiochië veel gekocht en gebruikt werden.

Panlus en Barnabas spoedden zich door de drukke straten, om de woning van den laatste op te zoeken. Spoedig daarna verzamelden zich daar de hoofden der jeugdige Christen-gemeente, die den nieuwen leeraar met vreugde in hun midden verwelkomden. Ook voor Paulus was het eene gelukkige nre; dit was dan toch de eerste gemeente, die hij de zijne noemen mocht, en daarbij de eerste gemeente uit de Heidenen. Hoe dankbaar stemde het hem, te midden dier heidensche, losbandige, wereldsche bevolking, die zich aan de laagste lusten overgaf, deze gelukkige, geloovige Christenschare te zien. Hoe heerlijk klonken de dank- en lofpsalmen dier eerste Christenen uit de heidenen, tegenover die heidensche liederen ter eere van Aphrodite, ter eere der vele goden en godinnen, die allerwege in Antiochië weerklonken. Eene heilige vreugde zal hem hebben aangegrepen bij de gedachte, dat hij met Barnabas mocht arbeiden aan het heerlijke en groote werk, waartoe God hen in deze stad geplaatst had.

302

ocr page 329

x

DE STAD ANTIOCHIË.

De eerste dagen van zijn verblijf in de groote wereldstad besteedde Paulus, met haar in alle richtingen te doorkruisen en de Christenen in hunne woningen te bezoeken.

Daarbij zag hij meer en meer in. hoe groot de invloed was, die de dienst der Grieksche goden op de inwoners van de Syrische hoofdstad had. Overal gevoelde hij de macht der Olympische goden. Hier stond hij voor den schouwburg of basilika, die Caesar eens in de kunstlievende residentie der oude Seleuciden had doen bouwen. Daar sloeg hij bewonderend de oogen op den Cirkus, die amfltheatersche wijze gebouwd, voor 200,000 toeschouwers plaatsen bevatte: de schepping van den grooten Augustus. Of wel hij wandelde door de prachtige zuilengangen, waarmede zijn landsman. Herodes de Groote, de stad met koninklijke vrijgevigheid versierd had; werwaarts hij ook zijne oogen wendde, overal vond hij de teekenen van het afgodisch geloof der Grieken, dat door Alexander den Groote in het Oosten was verbreid.

Menigmaal zal zijn weg hem gevoerd hebben door de twee beroemde straten, die de stad van Noord naar Zuid en van Oost naar West doorkruisten en in vier groote kwartieren verdeelden. Op het kruispunt stond een prachtigen, op zuilen

ocr page 330

DB STAD ANTIOCHIB.

rustenden koepel, die ook het middenpunt van de stad uitmaakte; van daar uit liepen de zuilengangen naar de vier hemelstreken door de stad.

Hoe prachtig waren die straten! Elke straat toch, was door vier reien marmeren zuilen in drie afdeelingen verdeeld, waarvan de eene voor zware karren, voertuigen en lastdieren, de tweede voor de fraaie rijtuigen der rijke bewoners, en de derde voor voetgangers was bestemd. Vooral de laatste was zeer fraai versierd. Een smaakvol dak welfde zich daarover, zoodat men nagenoeg eene Duitsche mijl ver door de stad kon gaan, zonder in den zomer van de hitte, of in den winter van den regen last te hebben. Deze prachtige straat was pas een paar jaar voor de aankomst van Paulus, door keizer Tiberius, met eene menigte afgodsbeelden en zegeteekenen versierd geworden. De wandeling door de stad overtuigde Paulus meer en meer, dat hij zich in eene sterk bolwerk van het grieksche heidendom bevond.

Ook de openbare inrichtingen en de wandelingen waren door het gansche Romeinsche rijk beroemd. De stedelijke regeering had er veel toe bijgedragen, om het den Antiochiërs zoo aangenaam mogelijk te maken, en in vele opzichten kon zelfs het keizerlijk Rome zich niet met Antiochië meten. De zuilengangen alleen waren in het oog der Antiochiërs een voorrecht, waarom Rome hen moest benijden. Niet minder trotsch waren zij op hunne waterleidingen, die evenwel door het overvloedige water van den Orontes niet moeielijk aan te leggen en te onderhouden waren. In Damaskus en Tarsen had Paulus dergelijke waterleidingen reeds gezien. Nog nu stroomt het water van den Barada dooide waterleidingen te Damaskus, in elk paleis en in elke hut; en wij weten, hoe hoog zulk een waterrijkdom in het Oosten wordt geschat. quot;Wat hij echter in Antiochië zag, was nog veel grootscher. Yan het wereldberoemde Daphne werd de stroom in de stad geleid, zoodat het kristalheldere water dagen nacht door de stad stroomde, en de fonteinen, de groote badhuizen, de openbare paleizen en elke partikuüere woning

304

ocr page 331

IN HET JAAE 44.

voorzag. Stroomen water werden er verbruikt in de weelderige openbare badhuizen, die tot de beroemste openbare gebouwen van Antiochië behoorden. Enkele waren in grootschen stijl gebouwd en dienden tot algemeen gebruik. Daarenboven waren er voor elk der achttien stadswijken nog afzonderlijk openbare badhuizen, en bovendien nog eene menigte partiku-liere baden, die in pracht en weelde alle beschrijving te boven gingen. Elk woonhuis had een of meerdere fonteinen, zoodat die in de straten en op de wandelingen, niet tot nut maar slechts tot versiering en verkoeling in den heeten zomertijd dienden. De Antiochische schrijver Libanius, noemt dit alles een groot voorrecht, waar hij zijne vaderstad vergelijkt met de andere groote steden van zijnen tijd, waar, zoo als hij mededeelt, de openbare bronnen en fonteinen altijd door vrouwen, meisjes en slaven bestormd worden, die twistend en vechtend, de eersten trachten te zijn om hunne kruiken te vullen.

Menige groote stad van onzen tijd, zou het oude Antiochië dien waterschat kunnen benijden. Wat zou b.v. het ongelukkige Hamburg bij de cholera-epidemie vóór eenige jaren, gegeven hebben voor het bezit van zulk eene kostelijken, altijd frisschen watertoevoer.

Niet minder trotsch waren de inwoners van Antiochië op de verlichting der stad. Dezelfde Libanius roept vol geestdrift uit; „Het zonlicht wordt des avonds in Antiochië door andere lichten vervangen. Als de zon ondergaat, schitteren er duizenden andere lichten, nog schitterender dan bij een Egyptisch illumi-natiefeest. In Antiochië onderscheiden dag en nacht zich slechts door verschillend soort van verlichting. De arbeidende bevolking bemerkt ter nauwernood het onderscheid, en werkt ongestoord door; zij, die er lust in hebben, zingen en dansen den ganschen nacht.quot; Had de goede Libanius een blik in de toekomst kunnen slaan, in een, door electrische zonnen verlichtten, nacht, dan zou hij zich wel wat voorzichtiger hebben uitgelaten.

Ook de industrie was in Antiochië zeer bloeiend, ofschoon

20

305

ocr page 332

DE STAD ANTIOCHIË.

rustenden koepel, die ook het middenpunt van de stad uitmaakte; van daar uit liepen de zuilengangen naar de vier hemelstreken door de stad.

Hoe prachtig waren die straten! Elke straat toch, was door vier reien marmeren zuilen in drie afdeelingen verdeeld, waarvan de eene voor zware karren, voertuigen en lastdieren, de tweede voor de fraaie rijtuigen der rijke bewoners, en de derde voor voetgangers was bestemd. Vooral de laatste was zeer fraai versierd. Een smaakvol dak welfde zich daarover, zoodat men nagenoeg eene Duitsche mijl ver door de stad kon gaan, zonder in den zomer van de hitte, of in den winter van den regen last te hebben. Deze prachtige straat was pas een paar jaar voor de aankomst van Paulus, door keizer Tiberius, met eene menigte afgodsbeelden en zegeteekenen versierd geworden. De wandeling door de stad overtuigde Paulus meer en meer, dat hij zich in eene sterk bolwerk van het grieksche heidendom bevond.

Ook de openbare inrichtingen en de wandelingen waren door het gansche Romeinsche rijk beroemd. De stedelijke regeering had er veel toe bijgedragen, om het den Antiochiërs zoo aangenaam mogelijk te maken, en in vele opzichten kon zelfs het keizerlijk Rome zich niet met Antiochië meten. De zuilengangen alleen waren in het oog der Antiochiërs een voorrecht, waarom Rome hen moest benijden. Niet minder trotsch waren zij op hunne waterleidingen, die evenwel door het overvloedige water van den Orontes niet moeielijk aan te leggen en te onderhouden waren. In Damaskus en Tarsen had Paulus dergelijke waterleidingen reeds gezien. Nog nu stroomt het water van den Barada dooide waterleidingen te Damaskus, in elk paleis en in elke hut; en wij weten, hoe hoog zulk een waterrijkdom in het Oosten wordt geschat. Wat hij echter in Antiochië zag, was nog veel grootscher. Van het wereldberoemde Daphne werd de stroom in de stad geleid, zoodat het kristalheldere water dag en nacht door de stad stroomde, en de fonteinen, de groote badhuizen, de openbare paleizen en elke partikuliere woning

304

ocr page 333

IN HET JAAR 44.

voorzag. Stroomen water werden er verbruikt in de weelderige openbare badhuizen, die tot de beroemste openbare gebouwen van Antiochië behoorden. Enkele waren in grootschen stijl gebouwd en dienden tot algemeen gebruik. Daarenboven waren er voor elk der achttien stadswijken nog afzonderlijk openbare badhuizen, en bovendien nog eene menigte partiku- \' liere baden, die in pracht en weelde alle beschrijving te boven gingen. Elk woonhuis had een of meerdere fonteinen, zoodat die in de straten en op de wandelingen, niet tot nut maar slechts tot versiering en verkoeling in den heeten zomertijd dienden. De Antiochische schrijver Libanius, noemt dit alles een groot voorrecht, waar hij zijne vaderstad vergelijkt met de andere groote steden van zijnen tijd, waar, zoo als hij mededeelt, de openbare bronnen en fonteinen altijd door vrouwen, meisjes en slaven bestormd worden, die twistend en vechtend, de eersten trachten te zijn om hunne kruiken te vullen.

Menige groote stad van onzen tijd, zou het oude Antiochië dien waterschat kunnen benijden. Wat zou b.v. het ongelukkige Hamburg bij de cholera-epidemie vóór eenige jaren, gegeven hebben voor het bezit van zulk eene kostelijken, altijd frisschen watertoevoer.

Niet minder trotsch waren de inwoners van Antiochië op de verlichting der stad. Dezelfde Libanius roept vol geestdrift uit: „Het zonlicht wordt des avonds in Antiochië door andere lichten vervangen. Als de zon ondergaat, schitteren er duizenden andere lichten, nog schitterender dan bij een Egyptisch illumi-natiefeest. In Antiochië onderscheiden dag en nacht zich slechts door verschillend soort van verlichting. De arbeidende bevolking bemerkt ter nauwernood het onderscheid, en werkt ongestoord door; zij, die er lust in hebben, zingen en dansen den ganschen nacht.quot; Had de goede Libanius een blik in de toekomst kunnen slaan, in een, door electrische zonnen verlichtten, nacht, dan zou hij zich wel wat voorzichtiger hebben uitgelaten.

Ook de industrie was in Antiochië zeer bloeiend, ofschoon

20

305

ocr page 334

DE STAD ANTIOCHIË.

handel en nijverheid in die stad van weelde en vermaak, bij andere steden achterstonden. Hephaestus, de G-od des vuurs, was de schutspatroon van de groote Eijkswapenfabrieken, die veel belangrijker waren dan die, welke Paulus voor eenige jaren in zijn vaderland had leeren kennen. Die uitgebreide wapenfabrieken en arsenalen herinnerden allen, die het hooren wilden dagelijks, dat Rome voornemens was, eiken vijand, die den vrede wilde verstoren, onmiddelijk tot aan de tanden gewapend, te gemoet te gaan.

Ook werden te Antiochië de romeinsche munten voor geheel het Oosten geslagen. Elke denar, met \'s keizers beeld gestempeld, \') die door de rijksmunt te Antiochië werd uitgegeven, verkondigde aan de geheele oostersche bevolking, wie haar Heer was. Ook de munten, die Jezus en zijne Apostelen gebruikten, waren grootendeels in Antiochië geslagen.

Paulus bevond zich hier dus in het krijgs- en staatkundige middelpunt van gansch het romeinsche Oosten. Het paleis van den stadhouder van Eome zag, van de westelijke helling van den berg Silpius, waarop de bovenstad was gebouwd, trotsch in de vlakte neder; daarboven verhief zich, als om de stad re beschermen, den prachtigen tempel van Jupiter. Vandaar uit voerde men de teugels der wereldregeering des Oostens. Vandaar uit hield Eome niet alleen de naburige, roofzuchtige Beduïnen in bedwang, die op hunne vlugge paarden, vaak tot dicht bij de stad naderden, en den last van menig zwaar beladen kameel dei-karavanen zoo veel mogelijk verlichtten, maar tevens de verder naar het Oosten liggende volken. Daarom lagen ook in Antiochië de romeinsche legioenen. De reusachtige kazerne, de Citadel, hoog op den berg gebouwd, zag op de wereldstad neder. Allerwege zag men romeinsche soldaten en officieren, en bij het bezoek des keizers aan het Oosten, pleegden zij ook daar verblijf te houden.

Groote schatten vloeiden te Antiochië samen, niettegen-

\') Kleine, romeinsche, koperen munt.

306

ocr page 335

IN HET JAAR 44.

307

staande zijne ongunstige ligging voor handel en nijverheid, en niettegenstaande zijne haven door de natuur zoo misdeeld, en hare verbinding met de stad, slecht was. Onmetelijke rijkdommen waren in het bezit der voorname Antiochiërs. Het verschil van stand was ook daar zeer groot, evenals overal elders in den ouden tijd. Twee derden van de bevolking dier millioenenstad, bestonden uit slaven en in knechtschap gehoudene arbeiders, terwijl de anderen meer of minder alles konden genieten, wat hun hart begeerde. Zij wisten het zich met hunnen rijkdom recht gemakkelijk te maken. De belangwekkende bewijzen daarvan vindt men in het hedendaagsche Antiochië niet, maar wel in de goed onderhouden overblijfselen dier oude steden (ong. 100 in getal), die meer landwaarts, 40 uren ver het Orontesdal in, tot aan het oude Apaméa gelegen zijn. Nu nog vindt men daar ruïne aan ruïne, de laatste overblijfselen van de, vroeger zoo prachtige, villa\'s en paleizen, die ook door Paulus zeker werden bewonderd. Ook nu betreedt de voet des reizigers de, uit enkel villa\'s bestaande, steden, eens zoo vroolijk bevolkt maar nu zoo doodstil. Wel stemt het den wandelaar weemoedig, als hij tusschen de, vroeger zoo prachtige, landhuizen der rijke Antiochische landheeren en fabrikanten zich beweegt. Hier ziet hij een voorhof, omringd van zuilen, die voor het, reeds lang in puin gevallen, huis, klagend de wacht houdt. Daar is een prachtig balkon, vanwaar voor twee eeuwen de Syrische echtgenoote des avonds, met hare kinderen uitzag naar de komst van den vader en echtvriend. Ginds ziet een prachtig, gemetseld portaal van een huis eenzaam tot de kale rotsen op, als dacht het aan de vervlogen jaren, toen de voorname gasten, door scharen van bedienden deftig ontvangen, onder de bogen doorgingen, om in den fraaien tuin met zijne klaterende fonteinen, door vroolijke krullekopjes te worden begroet. Daar in de rots, die het niet meer aan is te zien, welke bloeiende beschaving haar eens omgaf, gaan wij over de, in die rots gemetselde, olie- en wijnpers, waar vlijtige wijnbouwers en boeren onder den blauwen hemel hunnen lan-

ocr page 336

ANTIOCHIE.

delijken arbeid verrichten — weemoedige herinneringen uit verleden tijden, die in het stille dal reeds lang begraven zijn.

Toch kon al die uitwendige pracht het oog van een Paulus niet verblinden. Achter di^ schitterend vertoon van het openbare leven, was een treurige afgrond van zonde en zedeloosheid verborgen. Menigmaal zal beving en siddering hem hebben overvallen, als hij in dien afgrond blikte, alsof hij achter een vroolijk masker de vale trekken van den dood aanschouwde. In de gansche bekende wereld was er geen stad, waarin men zoo als in Antiochië, slechts het ééne wachtwoord kende: „genot, genot tot eiken prijs!quot;

De meest geliefkoosde plaats der inwoners was het wereldberoemde Daphne, een klein bosch van onbeschrijfelijke schoonheid en liefelijkheid, dat zijnen naam ontleent aan zijne talrijke laurierboomen. Aan beide zijden van den weg, van Antiochië naar Daphne, die anderhalf uur lang was, stonden prachtige zuilen, waartusschen fraaie villa\'s, tuinen en fonteinen gelegen waren. De eene zijde van den weg was met roodachtige steenen geplaveid en diende voor de feestelijk gekleedde, met kransen versierde wandelaars, terwijl de andere kant, een goede vaste zandweg, bestemd was voor de equipages en de heeren te paard. Daphne! Daphne! Het woord alleen reeds was voldoende, om het bloed der Antiochiërs in beweging te brengen. Schertsend werd de stad wel eens „Epidaphnequot; d. i. „bij Daphnequot; genoemd, ten bewijze dat die plaats de hoofdzaak was; even alsof men zeide: „Keulen bij den grooten Domquot; om de laatste als het voornaamste der gansche stad aan te duiden. In dat toover-land verbeeldden zich de bezoekers, aan alle aardsche zorgen ontrukt te zijn. Kunst en natuur gaven elkaar daar de hand, zoodat men niet kon onderscheiden, waar de eene eindigde en het andere begon. Prachtige boschjes lokten tot verpoozing, waar harpspel en fluit zich in het halfdonker lieten hooren. Vroolijke groepjes in feestdosch gehuld, omringden den marmeren tempel van Apollo en zongen welluidende, grieksche liederen. Telkens openden zich voor het oog nieuwe vergezichten: heerlijke wei-

308

ocr page 337

IN HET JAAR 44.

landen, waar kudden witte schapen weidden ; vriendelijke bosch-jes; tallooze watervallen en fonteinen; spiegelgladde vijvers en zilveren beekjes, waarin de zonnestralen glinsterden. Dat alles volgde elkander in bonte afwisseling op. Onder overoude cypres-sen ruischte de beroemde Kastaliabron. Over dat alles welfde zich een altijd zuivere en heldere, zuidelijke hemel, als een zacht-blauwe baldakijn, en blikte lachend neer op de toovergaarde.

Achter dezen bekoorenden schijn stond naakt, de gemeene, lage, Oostersche zinlijkheid en wellust. Daar in Antiochië-Daphne vereerde men slechts éénen God: „den wellust.quot; Zelfs de godsdienstige feesten der Syrische goden, waren vaak niet anders dan uitingen van de weelderigste uitgelatenheid en laagste ontucht.

Natuurlijk kan men in zulk eene stad niet veel echte beschaving verwachten. Zelfs onder de rijke inwoners zocht men die, over het algemeen, te vergeefs. Beschaving en voedsel voor den geest zochten zij in den schouwburg, die door de voorname wereld even hartstochtelijk werd bemind en gezocht, als door de volksklasse. En welk een schouwburg was het dan nog! Jacht op wilde dieren, moorddadige gevechten der gladiatoren, dat was hun lust. Van zedelijke vraagstukken of tragische drijfveeren was nimmer sprake. Bloed moesten zij zien. Onder opwindende muziek, oorverdoovende toejuichingen en het handgeklap der dames van Antiochië, heeft menigeen in doodstrijd op het zand der arena gelegen, totdat de bedienden het lijk met hunne ijzeren haken naar buiten sleepten.

Antiochië was het vaderland der balletdanseressen, der theater-en circushelden, der clowns, goochelaars en grappenmakers van het geheele Romeinsche rijk. Vele latijnsche dichters dier dagen beklaagden er zich bitter over, dat het uitvaagsel der Syrische bevolking, muzikanten, harpspeelsters, danseressen en tallooze slechte vrouwen den Tiber overtrokken en het, vroeger zoo steng zedelijke, Rome bedierven en vergiftigden.

In een woord, in deze „stad der kroegen en bordeelen,quot; zooals Julianus haar loiter noemde, moest de eene zinlijke genieting de

309

ocr page 338

ANTIOCHIË.

andere opvolgen. Hoogere belangen kende men er bijna niet. In de huizen hield men maaltijden, drinkgelagen en schandelijke feesten; men bekranste het hoofd en zalfde het haar met welriekende oliën; men las slechte romans van liefde-, roovers- en toover-geschiedenissen, die in Antiochië in groote hoeveelheid werden vervaardigd en gretig werden verslonden; men bezocht de prachtige warme baden; men vermaakte zich in dekroegen; doodde den tijd met dansen en drinken; en verontreinigde den kuischen nacht door schandelijke zonden. Dat was het leven van duizenden inwoners van Antiochië, dat door honderd duizenden als hun ideaal werd beschouwd.

Wij achtten het noodig, om op dat alles de aandacht te vestigen, vóór wij Paulus deze stad zien betreden, die met zijn vriend Barnabas de banier des kruises zou ontplooien, om alle heilbegeerige zielen, midden in dien poel, het hemelsch ideaal te toonen, door Jezus Christus aan de menschheid gegeven.

310

ocr page 339

DE BLIJDE ARBEID IN ANTIOCHIË.

Paulus was een man van omstreeks veertig jaren, toen hij in de Syrische wereldstad zijnen arbeid aanving, die zijn naam met schitterende letteren in de wereldgeschiedenis gegrift heeft. Hij was een man van rijpe levenservaring en van een, door zwaren strijd verkregen, vast karakter.

Die dagen in Antiochië waren de lentedagen van zijn gewichtig ambtsleven. De kleine bizonderheden uit dat tijdperk zijn niet zoo uitvoerig geboekt, als zijn latere, gedenkwaardige tochten door de wereld; toch was de tijd, dien hij in Antiochië doorbracht, van groote beteekenis voor zijn leven. Daar toch werden de grondslagen gelegd van geheel zijne latere werkzaamheid. Daar ontwikkelden zich de adelaarsvleugelen, die hem tot op de hoogten der keizerstad Rome zouden doen vliegen.

Ook in ander opzicht was het een zonnige tijd. Geheel zijn volgend leven tot aan zijn bloedig einde toe, was eene aaneenschakeling van beproeving en vervolging, van ketens en banden. In Antiochië geen spoor van dat alles; waarschijnlijk omdat de Kerk zich daar voor de eerste maal losmaakte van het Jodendom en men niets met de dweepzieke Joden te doen had. Daar kon hij met vreugde arbeiden, zonder dat iets hem in dien tijd der

ocr page 340

DB BLIJDE AEBEID IN ANTIOCHIË.

eerste liefde verbitterde. De wereldstad liet het kleine hoopje Christenen zijn gang gaan. „Leven en laten levenquot; was daar de leuze.

Onder zulke gunstige omstandigheden waren er, door het optreden en prediken van Barnabas, reeds vele inwoners van Antiochiö voor het heil in Christus gewonnen; hoe veel te meer moest dan een zoo uitstekend man als Paulus, de gemoederen wakker schudden. Met zijne heilige overtuiging, zijne scherpzinnige bewijsvoeringen, zijn zedelijken ernst en zijne schitterende welsprekendheid was hij èn voor de Grieken èn voor de Joden onwederstaanbaar; en meer en meer trad hij in de gemeente op den voorgrond.

En Paulus stond niet alleen. Een kring van geloovige mannen, die met hem den Heer Jezus Christus verkondigden, hielpen hem in zijnen arbeid. Een innige band van vriendschap verbond dien uitgelezen kring, en geen hunner misgunde Paulus den voorrang. Een geloovige kerkeraad werkte met hen te zamen, om Christus\' kerk in die woelige straten een weg te openen, en eene hemelsche wereldstad van levende steenen op te bouwen, te midden dier groote stad aan den Grontes. Daar was de geestvolle, welbespraakte Barnabas, daar vond men Simon, bijgenaamd Niger, en den Afrikaan Lucius, uit Cyrene, die zeker de stichter dier gemeente geweest is (Hand. 13 : 1; 11 : 20). Daar was Manahen, die vroeger met den prins Herodes aan het hof des konings opgevoed was. Boven die allen uit blonk Paulus, wiens machtige persoonlijkheid steeds met meerder kracht en meerder opgewektheid ingreep in de verwarde draden van het leven dier groote stad.

De opgewekte, onvermoeide arbeid dier mannen ontmoette meer en meer toenadering en instemming. De ernstige gemoederen voelden zich door het Evangelie krachtig aangegrepen. Het hart van den mensch was, toen even als nu, „onrustig, totdat het ruste vond in God.quot; Bij edele, ernstig-denkende menschen moest, in die zedelooze omgeving van Antiochië, een hijgend verlangen

312

ocr page 341

IN HET JAAB 44.

ontstaan, naar iets reiners, iets hoogers. Velen inwoners klonk het woord als een lang gemiste tijding uit het vaderland, in de ooren. Het was hun een adem des levens in de stiklucht eener zedelijk verkwijnende wereld.

Zoo werd, uit de velerlei volken van het groote Antiochië, den Heer „een groot volkquot; toegebracht (Hand. 11 : 24). Ver van de heilige bergen van Sion, waar men nog altijd geneigd was, met verachting op de „Heidenenquot; neder te zien, vormde zich daar in het hooge Noorden van Syrië, de eerste, groote gemeente, die niet uit het kleine, betrekkelijk onbeteekenende volk der Joden was ontstaan. Niemand vermoedde toen nog, dat die gemeente bestemd was, om de plaats van het, steeds meer ten ondergang-neigende, Jeruzalem in te nemen, en de geboorteplaats der wereldkerk, der moedergemeente veler anderen gemeenten in het Romeinsche rijk, te worden.

Een heerlijk waas van geloof en liefde lag er over die gemeente uitgespreid, waar voor de eerste maal ook andere natiën niet alleen werden toegelaten, maar zelfs de overhand hadden. Het was, als ontwaakte er in de Heidenwereld iets, dat daarin al lang gesluimerd had. Het was, of er krachten en gaven te voorschijn kwamen, de Joden in afkomst gelijk, die in de Heidenwereld gebonden waren geweest, maar nu zich vrij ontwikkelden in het Godsrijk. Op groote schaal begon zich de oude belofte te vervullen, die God voor tweeduizend jaar aan Abraham, als grondgedachte der toekomende wereldgeschiedenis, gegeven had: „En in uwen naam zullen alle volkenn der aarde gezegend worden!quot;

Welk eene vreugde zal, gedurende dat ééne jaar van gemeenschappelijk samenwerken, die Apostolische mannen hebben vervuld, toen steeds nieuwe scharen den Heer aannamen, dien zij daar in die Grieksche stad, niet meer met het Hebreeuwsche woord „Messias,quot; maar met den goeden, Griekschen naam van „Christusquot; aanduidden. Op de fraaie, met marmeren zuilen en beelden versierde, galerijen en pleinen van Antiochië, sprongen

313

ocr page 342

DE BLIJDE AEBEID IN ANTIOCHIË.

toen niet alleen de kristalheldere fonteinen van Daphne, maar ruischten de stroomen des eeuwigen levens door de stad.

Wij mogen ons echter die verkondigers van het Evangelie niet, zoo als bij ons in het Westen, in huizen en lokalen voorstellen. Openbare zalen waren er niet. De particuliere huizen waren, zooals overal in de oude tijden, zeer klein, zoodat zij onmogelijk eene „groote menigtequot; konden bevatten. Antiochië was eene zuidelijke stad, waar de openbare bijeenkomsten en vergaderingen gewoonlijk onder den blooten hemel plaats vonden. De heldere, blauwe lucht is voor den Oosterling altijd het meest geliefkoosde dak. Ook Jezus had, in den voorhof des tempels in Jeruzalem, en in Galiléa, bijna altijd in de open lucht gepredikt. Somtijds verzamelde zich de schare der Anti-ochiërs op den weg naar hun zoo veel geprezen Daphne, dan weder in de myrten- of oranje-boschjes, of ook wel op de, door fonteinen versierde, pleinen, in en voor de stad.

Des Zondags verzamelde zich de gemeente, om God te loven en te prijzen en om het Avondmaal te vieren; elke Zondag was als een nieuwe polslag der jeugdige, in de wereld optredende. Christelijke kerk. Boven de toehoorders welfde zich dan de prachtig blauwe hemel, waarvan de psalmdichter zingt: „O Heer, uwe goedertierenheid is tot in de hemelen; uwe waarheid tot in de bovenste wolken toede wolken, die boven hunne hoofden naar de woestijn dreven. En als de zachte wind van over de Middellandsche zee, door de palmen en cypressen, over hunne hoofden ruischte, en de Grontes, met zijne vele beekjes, in de verte zich deed hooren, terwijl de krachtige prediking van den bezielden Apostel dat alles overstemde, dan werd er telkens eene godsdienstoefening gehouden, waarover Gods engelen zich verheugden. De Heer der kerk was in hun midden, en zaadkorrelen van groote waarde voor de gansche wereld, werden uitgestrooid.

Dikwijls waren er ook vele heidenen aanwezig, die met verbazing de opgewekte schare aanzagen en naar de prediking luisterden. Het scheen hun toe, dat die Christenen, die den

314

ocr page 343

IN HET JAAR 44.

hemel als hun vaderland beschouwden, een nieuwen God hadden gevonden, dien zij niet kenden. Zij wisten niet, waarvoor hen te houden. Joden waren zij niet; het grootste deel van hen bestond uit Grieken. Maar tot de Grieken behoorden zij evenmin; zij toch offerden noch aan Jupiter noch aan Apollo, noch aan Aphrodité, en hielden zich ver van alle afgodsaltaren. Hun één en alles scheen Christus te zijn, van wien zij altijd spraken. Om nu ten minste een naam voor die nieuwe gemeente te hebben, noemden zij hen, naar hunnen God en held: „Christenen;quot; een naam, die al spoedig door geheel de stad gangbaar was, en die later, overwinnend en duizendmaal gezegend, bekend werd in de gansche, wijde, wijde wereld. Die dierbare Christennaam, die nu, in Europa evenals aan den Ganges en den Missisippi, aan den Noordpool en onder de evennachtslijn, met vreugde en dankbaarheid aan God, genoemd wordt als de naam, die de verdwaalde menschenkinderen, en de verstrooide, vijandige volkeren der aarde, als een groot volk van kinderen Gods omvat.

Sints dien tijd in Antiochië noemde zich \'s Heeren kerk met den Christennaam. Slechts in Jeruzalem en onder het Israëlie-tische volk bleef een andere naam in zwang, die ook nu nog onder alle Semitische volken in gebruik is; die blijft ook ons altijd heilig, doordat hij ons herinnert aan het land der kindsheid des Heeren en aan het opschrift boven het kruis, de naam „Nazarener.quot;

315

ocr page 344

famp;z eamp;a €amp;a eysa eamp;v e$hgt; s$hgt; e$hgt; s^z er$hgt; s$hgt; e$hgt; eamp;o eamp;s s^gt; g^gt; «w»

^(aAQo.i?A\'5)^^AG)^(3amp;Q^(pAg).°.(pAG)^pAG)|o|fiAG)o,(pAG)X(p;

!Slt; \'Zamp;Z :gt;-^r V

©1 ÊÏG)quot;!quot; SVST lt;3VG)\'S\' (5?G)T (D*/!) JSVS^êtg) JêvS)^ amp;q)J! (5VG) ° (avè)^®^) JövSf (D\\

ê^ï) eAs e^sS gAS e/^s 0^9 e^s9 ë^s egt;^9 e^s e^s e^s 0^9 e^s e^9 o^s eAs c^s e^JVs CL^S cJ^i) e^s G-^VS e-^Vs G^S e^s e^9 e-^3 e^s e-^Vs e^s e^s e^Vs c^s e-^s

PAULUS\' BLIK OP DE HEIDENWERELD.

Deze tijd van blijden arbeid onder de opbloeiende gemeenten der Christenen uit de Heidenen, was voor het leven en denken van Paulus van beslissend gewicht.

Daar toch zag hij in de praktijk voor oogen, wat hij door nadenken en overpeinzen als Gods plan met de wereld, had leeren kennen. Vroeger, toen hij nog een Farizeër was, zal het hem menig uur van zwaren strijd hebben gekost, om de wereldomvattende, goddelijke beloften voor Israel, in overeenstemming te brengen met het treurige einde van dat volk. Alle volkeren toch zouden in de nakomelingen van Israel worden gezegend; dat was toch eenmaal aan Abraham beloofd! Maar hoe zag het er wel uit in Israel ? Het vaderland was verdeeld en vertreden; de koningskroon sedert vijf eeuwen weggenomen; de natie in alle werelddeelen verspreid; een Romeinsch Keizer heerschte over Palestina; Jeruzalem\'s einde scheen te naderen. Was dat niet een treurige mislukking aan het slot der geschiedenis van Israel, eens met zoo groote verwachtingen aangevangen? Waar bleef de vervulling dier beloften? Waar was dan die God, die eens voor eeuwen had beloofd, dat Japhet in Sem\'s hutten zou wonen en dat alle eilanden zich over Jakob zouden verheugen?

ocr page 345

IN HET JAAR 44.

Nu, nu Paulus de wereldgeschiedenis in het licht van Christus\' verschijning had leeren verstaan, werd hem alles duidelijk. Juist dit vervallen van Israel moest den weg banen voor de vervulling der beloften. De Babylonische ballingschap, de gebeurtenis, zoo beweend aan de wateren van Babyion, waar de harpen dei-treurende gevangenen Sion\'s aan de wilgen hingen, was de eerste morgenschemering. Van dien tijd af werden de zonen van dat volk door de stormen der wereldgeschiedenis over de geheele aarde verstrooid. Twee dingen brachten zij overal mede; ten eerste: het geloof aan den éénen God, die hemel en aarde geschapen heeft, en ten tweede: de heilige wet, in de tien geboden vervat. En deze vielen als kostbare zaadkorrels in de openliggende voren der wereldgeschiedenis. De zuivere berglucht van den Sinai, begon over de zondige wereld te waaien, en Israel\'s geloof vond op vele plaatsen talrijke vereerders. De hoop op een redder, die uit Israel komen zou, ging als een ster op over de volkeren. In de kerken der, over de wereld verspreide. Joden en in hunne Synagogen, verzamelde zich op eiken Sabbat eene menigte heidenen als in een voorhof des Christendoms, en verwachtte den Heiland der wereld.

Onmogelijk kon het aan den scherpen blik van een Paulus ontgaan, dat aan de Joden eene goddelijke zending was toevertrouwd juist door den ondergang van hun vaderland, en niet minder door de verstrooiing. Hij kon niet betwijfelen, dat zij die roeping nooit zouden hebben vervuld, wanneer het oude rijk van David altijd ongestoord op Juda\'s bergen had voortbestaan. Hadden de Joden hunnen Johannes, den Dooper, gehad als wegbereider van Christus, ook de volkeren der wereld hadden hunnen wegbereider tot Christus gehad in het verstrooide Israel. Die Johannes, de Dooper, was in de steden en op de eilanden, over land en zee voorgegaan. Men vond ze als kooplieden op de groote wegen, in hunne wagens, te voet, op de schepen; als krijgsgevangenen waren zij met de slaventransporten medegevoerd, zonder de bewustheid, dat zij „de knecht van Jehovaquot; waren

317

ocr page 346

PAULUS\' BLIK OP DE HEIDENWEHELD.

(Jes. 52 en 53), die den Heer den weg moesten bereiden. Israel was als een krachtige adventsprediker door de wereld getrokken, in het toen heerschende veelgodendom en den zondenroes, „als het eenige nuchtere volk onder bedwelmden,quot; zooals de wijsgeer Lotze het uitdrukt.

Dat was Paulus\' wijsbegeerte der geschiedenis. Hij begreep zeer goed, dat Jezus Christus de spil was, waar de wereldgeschiedenis om draait, en dat de geschiedenis der wereld, dei-volken, en van een ieder in het bizonder, eigentlijk slechts het kleed is van de geschiedenis van het Godsrijk. Zonneklaar lag de geschiedenis zijns volks, schijnbaar zoo droevig, voor hem. Niet om Abraham\'s zaad, maar om het rijk Gods was het te doen. In Abraham was die geschiedenis ontsprongen als een bergstroompje, dat later een geweldige stoom zou worden. Langzamerhand was het al grooter en grooter geworden; en nu stond het op het punt om te vloeien in den Oceaan van het goddelijke raadsbesluit, dat alle volken in liefde omvat.

Dat alles had Paulus bij grondige studie der Heilige Schriften, menigmaal overwogen in den tijd zijner afzondering in Arabië en Tarsen. In de jeugdige, ijverige Christengemeente uit de heidenen, te Antiochië, zag hij voor de eerste maal de proef op de som. Nog nooit was het hem zoo duidelijk geworden, dat Gods plan met de wereld, onmogelijk beperkt kon zijn tot het kleine Palestina en het kleine volk der Joden, zooals zijne landslieden beweerden, maar dat dit daarentegen alle natiën moest omvatten. Daar zag hij voor de eerste maal broeders en zusters zich verzamelen, in wier midden men niet langer vroeg naar Jood of Griek, knecht of vrije, man of vrouw, maar die „allen, één in Christusquot; waren. Daar zag hij voor de eerste maal, hoe ook de, door de Joden zoo verachtte, heidensche natiën zich ontwikkelden en veredelden, zoodra zij zich onder het kruis van Christus geschaard hadden.

Juist die inwendige vrijheid dier Christenen uit de heidenen, waardoor zij zich de genadegaven van Christus zoo veel vrij-

318

ocr page 347

IN HET JAAR 44.

moediger durfden toeëigenen, naarmate hen de joodsche, denkbeeldige gerechtigheid uit wet en kerkvorm, ontbrak; juist de zooveel vrijere vorm van hun Christelijk geloof en van hunne gewoonten, die niet gebonden waren aan de vaak bekrompene voor-oordeelen en instellingen der Farizeën, moest aan de Antiochie-sche gemeente die jeugdige frischheid verleenen, die aan de Jeruzalemsche gemeente ontbrak.

De daar heerschende, zuiverdere lucht moest ook op Paulus weldadig werken. Ware hij van den beginne afaan lid der Jeruzalemsche gemeente geweest en gebleven, dan zou hij in die kleingeestige banden, bezwaarlijk ooit een Paulus zijn geworden.

Het ging Paulus en zijne medgezellen, evenals onzen Dr. Maarten Luther in de dagen na de hervorming. Toen hij zijnen arbeid begon, was ook hij nog in de knellende ketenen en instellingen der Roomsche kerk gebonden. Toen hij zijne 95 stellingen aan de slotkerk sloeg, vermoedde hij zelfs niet, dat dit de eerste schrede was\'tot eene algemeene omwenteling in de wereld. De innerlijke kracht der waarheid bracht hem tot de breuke met Rome, en tot de volle ontplooiing van het zuivere. Evangelische geloof. Zoo zullen ook de leiders dier Christelijke beweging in de groote stad Antiochië, met haar millioen inwoners, zelf vaak verrast zijn geweest over de onverwachte ontwikkeling des Christendoms in de vormen der grieksche wereld. Daar leerden zij eerst recht begrijpen, dat het Christendom niet slechts een uitlooper des Jodendoms was, maar zelfs iets geheel nieuws tegenover het Jodendom; daar gevoelden zij den weldadigen, frisschen adem der evangelische vrijheid en liefde, tegenover deze duffe lucht der Joodsche voor-oordeelen, in de bekrompen vormen der gemeenten van Palestina.

En niemand trok de gevolgtrekkingen scherper en krachtiger, dan juist Paulus. Niemand begreep zoo goed als hij, dat de bevrijding van den uitwendigen, Joodschen godsdienst voor het Christendom een levensvraag voor de toekomst was. Hij was de man, die zulk eene overtuiging kon voorstaan en doorvoeren,

319

ocr page 348

PAULUS\' BLIK OP DE HEIDENWERELD.

320

het koste wat het wilde; van dien tijd af heeft hij ook aan de volkomene, geestdriftvolle uitvoering dier gedachte zijn leven gewijd. De roeping aller volken zonder onderscheid, hetzij Joden, Grieken of barbaren, heeft hij van dien tijd af tot zijne leuze gemaakt, en is daarvoor tegenover vriend en vijand in het strijdperk getreden. Hoe smartelijk het hem ook viel, hij heeft zelfs den strijd met de Jeruzalemsche Apostelen niet geschuwd (Gal. 2 ; 13 enz.), zoodra het die groote gedachte zijns levens goldt, die zij steeds niet geheel konden vatten. Ter wille van die leuze heeft hij gedurende zijn gansche leven, de martelaarskroon gedragen. Want niet de heidenen, maar de Joden en de bekrompen Christenen uit de Joden, zijn de oorzaak geweest zijner voortdurende vervolgingen, mishandelingen en gevangenschap. Ja, het vasthouden aan die groote gedachte zijns levens, die hij in den brief aan de Romeinen zijne levenstaak noemt (Eom. 1 : 5), is ten slotte de oorzaak geweest, dat hij aan den avond zijns levens, bij den tempel te Jeruzalem is geslagen en gevangen genomen, in Gesaréa twee jaren lang in den kerker smachtte, en eindelijk in Rome, als martelaar van die groote en heerlijke grondgedachte zijns levens, het hoofd boog onder het zwaard van den romeinschen beul.

ocr page 349

GEBAANDE WEGEN.

Duidelijker dan ooit te voren begreep Paulus in Antiochië, dat alle volkeren der wereld tot het heil in Christus moesten gebracht worden. En toen die overtuiging eenmaal bij hem vaststond, drong de geheele toestand der wereld hem, om die gewichtige taak te gaan vervullen. Had God de wegen niet, zooals nog nimmer te voren, gebaand, om de verbreiding van het Evangelie van Christus mogelijk te maken; om eindelijk op alle bergen der aarde, en niet alleen op Palestina\'s bergen, het woord des profeten in vervulling te doen gaan: „Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt?quot;

Allereerst was het de eenheid des rijks, die de verbreiding des Evangelies gemakkelijk maakte. Zoo lang de wereld had bestaan, was, noch vóór noch na dat tijdperk, de geheele bekende wereld ooit tot één rijk vereenigd geweest. Inderdaad is het merkwaardig, dat bij de komst van Jezus Christus alle volkeren onder één schepter vereenigd waren, terwijl vroeger alles in de wereld in strijd en gisting was, en het eene volk tegen het andere opstond. Voor het Evangelie moest de weg worden gebaand; want zoodra die merkwaardige eenheid haar werk had volbracht, zien wij de volkeren weder verdeeld. Zoodra

21

ocr page 350

GEBAANDE WEGEN.

het Christendom, ook naar het uitwendige, de zege over liet Heidendom had behaald, verdeelt de eerste Christenkeizer het rijk weder. De volkeren, die nimmer vereenigd waren geworden, indien zij niet door de krachtige hand des Heeren waren bijeen gehouden, vielen weder uiteen. In plaats van het ééne Romeinsche rijk van die dagen, staan nu 20 rijken tegenover elkander. „De geschiedenis der oude volken vloeide in het Romeinsche rijk te zamen, als zoovele stroomen in den oceaan,quot; zegt Niebuhr. De geheele Middellandsche zee, aan wier oevers alle beschaafde volkeren der oude wereld gevestigd waren, was één groot, Romeinsch meer geworden. Hoe vele natiën wonen nu om diezelfde zee, en staan wangunstig, in volle wapenrusting tegenover elkander: Spanjaarden, Franschen, Italianen, Oostenrijkers, Turken, Egyptenaren en Engelschen! Elke plek langs de kust, waarop de wandelaar toen ter tijd den voet zette, was Romeinsch grondgebied. Do golven beukten te Gibraltar even zoo goed den Romoinschen bodem, als de blauwe wateren van Ostia en Napels; evenzoo goed bij de Nijl-Delta als de branding aan de kust van Joppe en Antiochië. De Apostel kon de gansche bekende wereld doortrekken, zonder door grenzen te worden tegengehouden.

Daarmede hing de algemeene ivereldvrede te zamen, die aan de uitbreiding des Evangelies zeer te stade kwam. Al stonden aan de uiterste grenzen des rijks de legioenen ook geschaard, om de wederspannige volken in bedwang te houden, toch heerschte er vrede in het groote rijk. De ijzeren, romeinsche schepter hield overal de pax romana in stand. De Romeinen, beroemd door het aanleggen van prachtige straatwegen, verbonden de verwijderdste landen. De handel en de scheepvaart bloeiden, het onderling verkeer was door allerlei reisgelegen-heden, gemakkelijker dan ooit gemaakt. De Apostelen konden op de groote wegen van den Euphraat tot aan Spanje trekken, zonder door den oorlog te worden belemmerd.

Niet minder voordeelig voor de uitbreiding des Evangelies

322

ocr page 351

IN HET JAAB 44.

was het feit, dat er toen voor het eerst ééne wereljiaa1 was, die men overal verstond. De geheele bescliaafde wereld sprak Grieksch. Het was alsof de Heere God tijdelijk do Babylonische spraakverwarring op de aarde had opgeheven, opdat de geheele wereld de boden des Evangelies zouden kunnen verstaan. Paulus kon van Damaskus tot aan Gades in Spanje, in het Grieksch prediken.

God had op het tijdstip, toen Jezus bij zijne hemelvaart zijne Apostelen „in de geheele wereldquot; uitzond, alle toestanden daartoe geschikt gemaakt. Eenige eeuwen vroeger zou men zulk een bevel niet hebben kunnen ten uitvoer brengen. Nu echter Alexander, Pompejus, Cesar en Augustus, als werktuigen Gods, de wegen voor het Evangelie gebaand hadden, kon het Evangelie als op de vleugelen des winds, van land tot land en van zee tot zee worden verspreid. Men moet inderdaad blind zijn, indien men de albestierende hand Gods niet in den toestand der toenmalige wereld erkent. Paulus althans was daar uiet blind voor, en alles scheen hem met duizend stemmen toe te roepen, dat hij uit gaan moest op de nieuwe wegen tot zijn heerlijke roeping voor de volkeren van het Romeinsche rijk.

Ook de toestand in zijne eigene gemeente te Antiochië drong hem daartoe. Hoe krachtig openbaarde zich nu reeds in die groote, woelige wereldstad de beweging, die voor 12 jaar aan de oevers van het meer Genésareth, zoo onaanzienlijk begon. De jonge adelaar had vleugelen gekregen, werd onrustig en wilde zich omhoog verheffen, om de vleugelen uit te slaan tot aan de einden der aarde.

Als Paulus stond op den berg Gassius, tea Zuiden van Antiochië, zal hij het oog in de onmetelijke ruimte hebben geslagen, waar hij, achter den Amanus, met zijne eiken, dennen, beuken, esschen en cederen, de ver verwijderde, besneeuwde hoogten van het Taurus-gebergte in Klein-Azië, ontwaarde, aan welks voet zijne vaderstad lag. Daar, achter dat gebergte, lagen weder andere steden, waarvan hij in zijne jeugd reeds had gehoord; Galatië,

828

ocr page 352

LfEBAANÜE WEGEN.

Lykaonië, Pisidië en Frygië. Links dook liet schoone eiland Cyprus harpvormig uit de zee op. Achter dat eiland zag hij in den geest groote landen, Griekenland, Italië, Kome. Moesten die allen niet even zoo goed als Antiochië, het Evangelie hooren ? Was hij het niet, die het hun brengen moest ? Was hem dat niet reeds in Damaskus opgedragen?

In zulke oogenblikken werd de Apostel door eene inwendige onrust aangegrepen, die hij niet overwinnen kon; het was een onwederstaanbare, magnetische drang. Het was eene stem, die hem voortdurend toeriep: Ga uit naar de verre landen, ginds over de wijde zee!

324

ocr page 353

ROEPSTEMMEN VAN BUITEN.

Allerhande omstandigheden in Antiochië, deden die behoefte, om weg te trekken, meer en meer bij Paulus groeien. Handel en verkeer verbonden de stad met de geheele, overige wereld. De groote oorlogs- en handelsschepen kwamen wel is waar, niet te Antiochië, maar te Seleucië voor anker, maar de Orontes was zeer goed bevaarbaar, en aan beide oevers der rivier lagen verscheidene kleinere handelsschepen vastgemeerd.

Telkens als Paulus door de straten en langs de kade ging, zag hij daar de schepen, beladen met allerlei kostbaarheden uit vreemde landen. Bij de groote Orontesbmg en op de werven lagen de schepen naast elkander. Op de hooger gelegen punten der stad en vooral op den berg Silpius, kon hij de gansche benedenrivier overzien en zag hij tallooze schepen haar afzakken, om naar andere landen te trekken. Hij zag er schepen uit Tarsen, Eféze, Corinthe, Puteoli en Rome, ja zelfs schepen uit Marseille in Frankrijk, en van Valencia in Spanje. De groothandelaren in Antiochië hadden hunne pakhuizen en factorieön in alle voorname plaatsen aan de Middellandsche Zee. Zou in Antiochië niet in hem het verlangen ontbrand zijn, om het Evangelie zelfs aan het einde der aarde, tot in Spanje, te mogen verkondigen,

ocr page 354

ROEPSTEMMEN VAN BUITEN.

waar hij ook Spaansche handelsschepen de dokken zag binnen-loopen? Het handelsverkeer met Ostia, Rome en Puteoli, de voornaamste handelsstad van het Westen, was zeer levendig. Ook werden er te Antiochië schepen bevracht naar Dalmatië en Dacië, naar Gallië en Germanië, naar Bordeaux, Lyon, Trier en Parijs. De eenheid des rijks en de geringe belastingen vergemakkelijkten den handel naar alle richtingen.

Hoe menigmaal zal Paul us in gedachten verzonken, aan de kade hebben gestaan, om de talrijke schepen te zien vertrekken. Daar voeren zij met wapperende vlaggen en wimpels heen! Daar zag hij, hoe men alle mogelijke goederen uit de geheele wereld opstapelde, de schepen er mede bevrachtte, om de gansche wereld te voorzien van koren, specerijen, Indische kruiderijen, kleederen, zijden stoffen, vellen en lederwaren, — alles, alles! alleen het Evangelie niet. Allerlei kostbare handelswaren, alleen de ééne kostbare parel niet! Telkens en telkens weder, herinnerde eene inwendige stem hem aan het zoo vaak herhaalde bevel, hem in Damaskus gegeven; „Gij zijt de man! Gij moet uitgaan op een dezer schepen en der wereld die kostbare lading brengen. Hier, in het zedelooze Antiochië, heeft men het Woord wel aangenomen, waarom dan ook niet daar buiten, in de wijde wereld ?quot;

Waarom ging men dan niet uit? Lagen de schepen daar niet gereed? Waren alle wegen niet geopend? Was het niet het laatste bevel van Jezus geweest: „Gaat heen in de geheele wereld?quot; Waarom had de Kerk dat gewichtige bevel, dat hem zoo na aan het harte lag, nog niet ten uitvoer gebracht?

Ten slotte scheen elk schip, dat den Orontes afvoer, hem eene vermaning, een verwijt te zijn, dat hem drong om den, zoo lang verzuimden, plicht te gaan volbrengen en een Apostel der Heidenen te worden.

Wij zullen wel niet dwalen, wanneer wij aannemen, dat reeds lang zulke gedachten bij Paul us werkten en tot rijpheid waren gekomen, voor ze ten uitvoer werden gebracht; hij bevroedde

326

ocr page 355

INquot; HET JAAR 45.

niet, dat hij het middelpunt was van al degenen, die vastend en biddend samenkwamen in de gemeente, en die door den Heiligen Geest de blijde zekerheid ontvingen, dat zij dat groote werk moesten aanvangen. Waarschijnlijk heeft Paulus in zijne gemeente ook wel gesproken over dat laatste bevel zijns Heeren: „Gaat heen in de geheele wereld.quot; Waarschijnlijk zal hij toen de Christenen met groote welsprekendheid hebben gewezen op die ondernemende kooplieden hunner vaderstad, die moeite noch gevaar ontzagen, om hunne waren: linnen, zijde, koren en lederwerken, over de zee te voeren en daarvoor schatten en goud naar huis te brengen. Moesten dan de zoo rijk begenadigde Christenen niet uittrekken, om handel te drijven voor de eeuwigheid; om het kostelijkste koren, het brood des levens, het Evangelie, daar buiten te verspreiden, en daarvoor de heerlijkste schatten, menschenzielen, ja geheele natiën, te huis te brengen in de schuren van den Heer der kerk?

Zeer zeker mogen wij dat veronderstellen. Want, ofschoon wij uit de Handelingen der Apostelen weten, dat de Heilige Geest de Antiochiërs had gedreven om dat zendingwerk aan te vangen, wij weten ook, dat de Heilige Geest niet onmiddelijk werkt, maar door de harten der menschen, die Hij verlicht en bekwaamt tot goede werken. Het kan dus zeer goed zijn, dat na zulk eene prediking de gansche gemeente zich bewust werd, dat God juist aan de Antiochiërs zulk een groot en heerlijk werk wilde opdragen. Toch was de Christengemeente ook nuchter genoeg, om die opgewekte geestdrift niet dadelijk te vertrouwen. Vastend en biddend zochten zij zekerheid bij den Heer, en zoodra die hun gegeven was, togen zij vroolijk aan het werk.

Daarin zijn de Antiochiërs voor alle latere zendingsgemeenten een heerlijk voorbeeld. Niet alleen gaven zij aan hunne zendelingen al het noodige voor de reis mede, neen! met de grootste offervaardigheid, gaven zij de groote, nimmer te vergoeden bijdrage voor de zending onder de heidenen, nl. hunne twee grootste

327

ocr page 356

ROEPSTEMMEN VAN BUITEN.

en meest geliefde mannen, die zij zoo gaarne voor zich hadden behouden: Paulus en Barnabas.

Deze twee werden door de Antiochische gemeente met gebed en handoplegging geordend. Dat was de eerste gedenkwaardige inzegening van zendelingen, bij hun vertrek naar de heidenen; een voorbeeld van elke inzegening van zendelingen in onze dagen. Die beide mannen zouden nu op Antiochische koopvaardijschepen heentrekken; zij zouden gaan op alle wegen, te water en te land, in de gansche wereld, als ware kooplieden van Jezus Christus, om aan de volkeren het kostbaarste, dat op de wereldmarkt te vinden was, om niet te verkoopen, de „eene kostelijke parelquot; van het Koninkrijk Gods.

8-28

ocr page 357

HET VERTREK DER APOSTELEN.

Niet lang daarna zien wij op een schoonen morgen de beide zendelingen, Paulus en Barnabas, denzelfden weg, maar in omgekeerden richting, gaan, waarop zij een jaar geleden, samen van Tarsen komende, zich naar de stad hadden begeven.

Nog eenmaal zal de gemeente zich diep bewogen hebben vereenigd, om de beide dierbare mannen vaarwel te zeggen. Veler zegewenschen en gebeden zullen hen op hunne gansche reis hebben gevolgd. Daarna trokken zij over de Orontes-brug, langs de pakhuizen en stapelplaatsen der karavanen. Vroolijker dan ooit te voren zag Paulus de scheepswimpels wapperen. Eindelijk mocht hij dan wegtrekken daarheen, waar die schepen hem reeds zoo lang hadden geroepen.

Wel mochten de beide mannen Antiochië verlaten met de zalige gewisheid, dat zij niet te vergeefs hadden gearbeid. Eene groote kudde was door hunne prediking toegebracht. Levensboomen groenden aan den oever van den Orontes, veel schooner dan de laurier- en myrtenbosschen van Daphne. Eén jaar slechts hadden zij gemeenschappelijk in de gemeente mogen arbeiden; reeds toen konden zij haar aan zich zelve en aan de mede-

ocr page 358

HET VERTREK DER APOSTELEN.

arbeiders overlaten, en heengaan om ook aan andere volken het Evangelie te brengen.

Zij bevroedden zeker niet, welk een veelomvattenden arbeid zij gingen ondernemen, toen zij evenals een jaar geleden, langs de geurige tuinen van Antlochiö en over de heuvelen heentrokken naar Seleucie, om vandaar zoo spoedig mogelijk naar Cyprus over te steken. Dat was het eiland, dat Paulus van de hoogten bij Antiochië zoo vaak had gezien, als had het hem gewenkt om over te komen. Het was ook het vaderland van Barnabas, zoodat alles hen aanspoorde, om allereerst daarheen te reizen. Neen, zij vermoedden niet, welk eene gelieole omkeer in.u: in de gansche wereld, die reize zou teweegbrengen. Wij echter, die weten welk een stroom van zegen daarvan is uitgegaan, ook over onzen vaderlandschen bodem, wij zegenen dien grooten dag, ofschoon geen geschiedschrijver den datum heeft geboekstaaft. Vol aandoening volgen wij in den geest ook nu nog die beide wandelaars, die zoo moedig uittrokken, zonder geleide, zonder macht, zonder aanzien, zonder leger, en die toch op hunne schouderen droegen liet geluk der wereld, den vrede der volkeren, de boodschap des heils, waarin alle natiën, aan alle kusten der aarde, de vervulling hunner diepste behoeften zouden vinden.

„Goede reis! Goede reis! gij eerste, moedige zendelingen!quot; zoo roepen wij dankbaar uit. Trekt vroolijk voort over zee en land! Onzichtbaar trekt vóór u henen de Heer der Heerlijkheid. Onzichtbaar dragen de engelen de banier des kruises u voor. Onzichtbaar trekken hemelsche heirscharen met u, om u te behoeden op al uwe wegen, om u op de handen te dragen, opdat gij uwen voet niet aan een steen stoot. Jubelende groeten van millioenen menschen uit alle geslachten, van alle eeuwen, klinken u na, en zegenen den dag, waarop gij uittrekt uit Antiochië, om den vrede te verkondigen aan allen.

330

ocr page 359

LATERE LOTGEVALLEN VAN ANTIOCHIË.

In Antiochië bleef de gemeente welig bloeien, en meer dan eens had zij het voorrecht den dierbaren Paulus weder in haar midden te hebben, als hij van zijne zendingsreizen terugkeerde, om na stormachtige dagen, weder onder de geliefde broeders in zijne eerste gemeente, te rusten.

Daar, waar de Christelijke kerk haar naam heeft ontvangen, was ook haar tweede vaderland. Over Jeruzalem toch pakten steeds dreigender de wolken van een naderend onweder zich samen; reeds leefde de man, die Jeruzalem zou verwoesten en al hare heerlijkheid in vlammen zou doen opgaan. Eeuwenlang is er in Antiochië eene Christengemeente gebleven; onder alle andere sterren aan den sterrenhemel der Christenheid licht ook de hare ons vriendelijk tegen. Verscheidene martelaren hebben ten tijde der vervolgingen daar hun geloof door den dood bezegeld, en den, daar voor het eerst genoemden, Christennaam door een moedigen en blij moedigen dood eere aangedaan. In het reusachtige amphiteater, aan Paulus zoo welbekend, werd 70 jaar later, in het jaar 115, bij een bezoek van keizer Hadrianus aan Antiochië, de vrome bisschop Ignatius voor de leeuwen geworpen.

Later, toen in de Christelijke kerk van het Oosten, ongezonde en onchristelijke bespiegelingen meer en meer de overhand kregen, toen is die gemeente tot grooten steun geweest voor de beroemde Antiochische theologenschool. Die school beoefende op nuchtere, duidelijke wijze, eene grondige, wetenschappelijke uitlegging dei-Heilige Schriften en kan als voorloopster der evangelische kerk beschouwd worden. Het scheen, alsof de gezonde, bijbelsche opvatting van Paulus, zelfs ten tijde toen de verwarring, de strijd- en de heerschzncht het grootst waren, als een blijvende zegen boven de gemeente zweefde. Op hare kansels schitterde menig beroemd man der oude kerk. Johannes Chrysostomus hield daar voor eene dichte schare van Antiochiërs zijne eerste, bezielde predikingen, eer hij de patriarchenstoel van Konstantinopel beklom, en versierd werd met de doornige kroon van het wereld-

331

ocr page 360

HET VERTREK DER APOSTELEN.

bisdom, die hij ten laatste, als oud man, in de afgelegen steppen, voor de martelaarskroon verwisselde met den uitroep: „Geloofd zij God voor alles!quot;

Later werd de invloed der steeds dieper zinkende Byzantyn-sche kerk steeds grooter. Het zout der gemeente werd daarbij, te midden der nog altijd zedelooze stad, smakeloos. De edele leeraars der Antiochische school moesten naar het oostelijk Perzië vluchten en de Antiochische kerk werd, zooals bijna de geheele kerk van het Oosten, het bederf ten prooi. Het was dan ook, overeenkomstig de eeuwige wetten van den Wereldregeerder, eene noodzakelijke, onafwendbare straf, toen in de zevende eeuw de woeste, Arabische stammen met het dweepzieke krijgsgeschreeuw van den Islam, zich op Syrië stortten en een einde maakten aan die vervallen kerk. De eere Gods en de naam Zijns Zoons eischten de vernietiging van die verdorven kerk, die den naam van Christus in de wereld schandvlekte, omdat er boete noch bekeering meer werd gevonden of gezocht.

Ook de kruistochten, die in Antiochië Christelijke regeeringen

vestigden, hebben door hun ijdel pogen, om door bloedvergieten, %

moord en ongehoorde gruweldaden het rijk van Christus te vestigen, daar evenzoo min als in gansch het Oosten, iets tot herstel aangebracht. Vestingen hebben zij verstoord, dapper hebben zij op „devervloekte heidenenquot; losgeslagen; Jeruzalems straten hebben zij met bloed gedrenkt, om onmiddelijk daarna met vrome gezangen naar het heilige graf te trekken; maar het Evangelie des vredes, dat daar eens aan het kruis werd volbracht, hebben zij niet aan het Oosten verschaft.

En hoe is het in onze dagen? Wel is het landschap rondom Antiochië, het dal tusschen den Orontes en de hoogten Amanus en Cassius, nog altijd eene parel van het Oosten. Zes uur stroomopwaarts groeit en bloeit nog alles om u heen; maar treedt gij de voormalige wereldstad binnen, hoe geheel anders ziet het er nu daar uit. Wel rnoogt gij op dien puinhoop der millioenenstad vragen, of het ook wellicht een droom is, dat op die eenzame

332

ocr page 361

HET HEDENDAAGSCHE ANTIOCHIË.

plek eens al de pracht en heerlijkheid der aarde te vinden was, of daar eens duizenden huizen, paleizen en tempels gestaan hebben. Begraven is het heerlijke Antiochiö en de stormen der eeuwen hebben die heerlijkheid als kaf verstrooid. Verstomd zijn de murmelende beekjes en de plassende fonteinen; verdwenen is het liefelijk Daphne met zijn tooverpracht; in puin gevallen is ook de groote kerk van Chrysostomus. De hand der veroveraars en, meer nog, geweldige aardbevingen hebben de vorstelijke stad van den aardbodem verdelgd. Nog slechts enkele ruïnen getuigen van verdwenen pracht.

Het tegenwoordige stadje, Antakia, is het armzalig overblijfsel van Antiochiö. Slechts een paar duizend inwoners wonen, waar in de vervlogene eeuwen millioenen leefden. Enkele eenvoudige moskeen en kunstelooze torentjes verheffen zich boven de armzalige, leemen hutten en de vuile steegjes der verkwijnende bevolking van Antakia. Overal ontwaart uw oog de halve maan in plaats van het kruis, dat de Apostel Paulus voor bijna 2000 jaren met zijne vrienden, Barnabas, Lucius en Manahen, blijmoedig op de hoogten der stad plantte. Dan vervult het u met diepen weemoed, dat een groote tijd over dat Oosten heen trok en verzonk, verzonk met de tallooze Christenen, welker lichamen daar beneden in het breede dal begraven liggen in de verwachting van den groeten morgen der opstanding.

Diepe stilte, eene kerkhofstilte heerscht op de plaats, waar eens de luidruchtige, heidensche feesten werden gevierd en de schitterende optochten werden gehóuden ter eere van de Romein-schen keizers, maar ook op de plaats, waar de Christelijke feesten werden gevierd en de prachtige. Christelijke kerken dier rijke wereldstad zich verhieven. Slechts het geroep van den Mohammedaanschen Muezzin klinkt, als die eens overwinnaars, in het eenzame dal van den Orontes en tegen de berghellingen van den Silpius, op wiens hoogten eenmaal keizerlijke paleizen en Christelijke kerken, stralend in het heerlijke zonlicht, neder-zagen in het, nu door de gansche wereld vergeten, dal.

333

ocr page 362

BESLUIT.

Onmogelijk is het mij, waarde lezer, om met de beschrijving dezer treurige tooneelen te eindigen. Zouden onze laatste gedachten verwijlen bij die weemoedige grafliederen, die ons toe-klonken van de heuvelen van het oude Antiochië, welks naam uit de hedendaagsche wereldgeschiedenis is uitgewischt?

Neen, wij zien eene andere toekomst. De teekenen der tijden wijzen ons op iets anders, op iets nieuws. Wij hebben den loop der dingen niet slechts gevolgd, om ons met belangrijke gebeurtenissen uit lang vervlogen eeuwen, bezig te houden, maar oin nieuwe, gewichtige bevelen te ontvangen van den Heer der Kerk. Wel was het toen een groote tijd, toen de gemeente te Antiochië werd gevestigd, en daarmede in den bodem der Heidenwereld het mosterdzaad werd nedergelegd, dat zich nu tot breede, schaduwrijke boomen heeft ontwikkeld. Wel was het een gewichtige tijd, toen daar onder de gebeden der jeugdige Antiochische gemeente, de eerste zendingseeuw aanbrak. Wel had G-od de wegen der wereld wonderbaar geëffend voor het Evangelie, door de eenheid des rijks, de pux rornana, de een-

ocr page 363

BESLUIT.

heid van taal, de grootsche ontwikkeling en vergemakkelijking van het wereldverkeer.

Is liet echter in den tegenwoordigen tijd niet weder zoo, en is het niet reeds lang zoo geweest? Leven ook wij nu niet in een zendingseeuw ? Heeft G-od ook deze eeuw niet met dit merk-teeken gestempeld ? Wederom staat de wereld voor iedereen open, zooals nimmer te voren. Weder zijn de verkeermiddelen gemakkelijker gemaakt dan ooit. Weder wordt er handel gedreven van het eene einde der aarde tot aan het andere, en naar nieuwe werelddeelen de weg gebaand. De vroegere beletselen van tijd en ruimte, zijn op eene wijze overwonnen, waarvan onze vaderen zelfs in hunne sprookjes niet droomden. Zelfs de bliksem moet den mensch dienstbaar zijn, om woorden en gedachten in een oogenblik rondom de aarde te brengen. Het stoomros ijlt, de telegrafen en telefonen spreken met duizendejft stalen tongen. Millioenen raderen en schroeven wenden zich in iedere minuut, om aan het reusachtige wereldverkeer te kunnen voldoen. Millioenen brieven worden ieder uur met de wereldpost over de landen en zeeën verspreid. Geen land kan men zich in onze dagen voorstellen, dat niet in enkele weken kan worden bereikt. De afgelegenste dalen en duisterste schuilhoeken zijn door reizigers ontdekt. De Chineesche muren zijn gevallen. Minder dan ooit zijn de talen scheidsmuren. Gods Woord, de brieven van den Apostel Paulus, die eens de haven van Seleucië uitzeilde, wordt nu als met een hemelsche wereldpost en alsof engelen de boodschappers waren, in meer dan drie honderd talen, tot in de afgelegenste landen gebracht.

Gewis, een merkwaardig uur is er in de wereldgeschiedenis aangebroken, een uur van gelijke beteekenis als vóór 1800 jaren. Zou de Heere God dat alles zoo hebben beschikt, slechts om den handel en de nijverheid der natiën te dienen, om ons koffie, rijst en indigo uit verre landen te brengen, en om in die landen

335

ocr page 364

336

ons kruit en de voortbrengselen onzer nijverheid achter te laten ? Noen, en nogmaals neen! Hij, die aan het eeuwig raadsbesluit Gods gelooft, om in Christus alle volkeren der aarde te zaligen, kan voelen en tasten, dat er ook nu een zendingstijd is aangebroken, veel grooter, veel omvattender, veel hoopvoller dan ooit te voren.

De oude belofte Gods aan Abraham, dat door Christus, het „zaad Abrahams,quot; Gods genade aan alle volkeren zou geopenbaard worden, begint zich op heerlijke wijze te vervullen. Lang genoeg heeft zich de Christenheid opgehouden met onvruchtbare, dogmatische twisten, waarvan wij de ontroerende, treurige gevolgen zien in de vroegere kerken van Azië en Afrika. Zij zijn door de stormen van het goddelijk strafgericht weggevaagd.

In onze dagen wordt de kerk weder het laatste bevel van haren Goddelijken Meester indachtig. Dat laatste en hoogste bevel was; „Gaat dan henen in de geheele wereld en predikt het Evangelie aan alle volkeren.quot; Welnu, niet te vergeefs heeft God ons daartoe den weg gebaand. Niet te vergeefs zullen de schepen zich voortspoeden, niet te vergeefs zal de spoorweg met ijzeren koorden de landen omspannen. De koopman waagt zijn vermogen en zijn leven, en trekt uit in vreemde landen om zijne onzekere bezittingen te vermeerderen — en wij, zullen wij ons ook niet opmaken? Door een sterken arm is ons een weg gebaand — en wij zouden stil staan en niets doen?

Welnu dan, laten ook onder ons weder mannen opstaan, die, hoewel onbekend en onaanzienlijk, zooals eons Paulus en Barnabas, uittrekken om de banier van den Hemelschen Koning in verre landen te planten! Welaan, mogen ook onder ons weder gemeenten opstaan, die zooals de Antiochische, hare beste, hare voortreffelijkste mannen geven en uitzenden in de heidenwereld! Laat ook weder onder ons eene offervaardigheid gezien worden,

ocr page 365

BESLUIT.

zooals in de gemeenten van Antiochië, Macedonië en Achaje, die van de goederen, hun door den Heer geleend, blijmoedig gaven verzamelt, om te bevorderen het heerlijke werk, waarin men ook nu, op vele arbeidsvelden, met tranen zaait, en het oude woord van Paulus bewaarheid wordt: „Wij moeten door vele verdrukkingen liet rijk Gods ingaan.quot;

Trekt heen, naar het oude vaderland van Paulus; heen naar het ongelukkige Oosten, naar Syrië en naar het Heilige Land; heen naar Afrika en Azië; heen naar Ceylon\'s palmenstrand en naar de ongelukkige volkeren van Polynesië, ja, tot aan de einden der aarde. Gedenken wij hen als onze broeders en zusters, die voor ons dien arbeid verrichten, die duizende|L Zendelingen, onder de evennachtslijn, onder Indië\'s palmen, op de ijsvelden aan den Noordpool en in den verwijderden Stillen Oceaan! Volgen wij hen bij hunnen arbeid met onze gebeden; volgen wij hen in de zendingsberichten, die ons worden medegedeeld; geven wij met vreugde acht op die voorposten van Jezus Christus op aarde, die wij jaar op jaar, steeds verder, overwinnend zien doordringen in het heidendom en het bijgeloof. Evenals Paulus en Barnabas, zijn zij apostolische reizigers; en wij groeten hen van verre en roepen hun toe:

Neemt hot Godswoord op mv vleuglen,

Wiuden! voert liet blijde voort!

Draagt het heen, gij lichte golfles!

Naar het verst gelegen oord!

Totdat allen saam helvjden,

Dat Hij is de een\'ge Heer;

Totdat aller knie zich bulge Gevend onzen God de eer.

337

22

ocr page 366

Ik kon een land op aarde,

Gekluisterd in oliënd\',

Totdat, naar \'t Godsorakel,

De lijdensnacht zich wendt. Daar werd een kruis verheven, Dat kruis, zoo ernstig-schoon. Dat nu in alle landen

Wyst naar des Eeuwgen troon.

Kom, Geest van \'s Hoeren liefde

Wek ons ten wedstrjjd op! Dra sier\' één krans van zegen

Dier dierbre bergen top;

Totdat d\' aan \'t kruis verhoogde

Van zyn geboortegrond \'t Bevrijde volk, aanschouwe. En \'t zijnen lof verkondt.

ocr page 367

wn^ aquot; (9\'te)T (9Vg)|\' (£« e)¥ (s ® T (S?2)T (3?G)\'f StST (S S eAc. e^e) e^-s» e^9 e^^) 2^9 e^s e^

= /ÖT©/© squot; Srèf (S\'iö\'s i^è)\'l,6?G)l\' ©fö) \'f ©te)!quot;

| (2^^egt;^è^9e^vse^.3e^9e^^lt;2gt;^£\'a^^

AANHANGSEL.

DE EVANGELISCHE ZENDING IN HET HEILIGE LAND.

Ook dit geschrift wil ik niet uitzenden in de wereld, zonder er eene dringende bede tot alle vriendelijke lezers aan toe te voegen. Moge de kring mijner lezers, die zich met mij in het Heilige Land hebben verplaatst, ook een groote vriendenkring worden, die blijmoedig en vroolijk de hand aan den ploeg slaat, om het zaad des Evangelies in de versche voren van het oude Beloofde Land te strooien.

Weder gaan de boden uit, die den vrede verkondigen. In Damaskus, waar Paulus bekeerd werd, is vóór 30 of 40 jaar, door het bloed der martelaren het zaad gezaaid, waaruit de boom van het Syrische Weeshuis, de groote, Duitsche, Evangelische zendings-inrichting te Jeruzalem, is gegroeid. Bij Lydda, waar Filippus en Petrus predikten, is de bloeiende landbouwkolonie ontstaan, eene vrucht van het Syrische weeshuis, alwaar in het Evangelie opgevoede, Arabische boeren zich zullen vestigen. Over de bergen van Judéa, Samaria en Galiléa, waar wij den

ocr page 368

3-4(1

Verrezene in den geest hebben gevolgd, trekken de Evangelisten van het Syrische weeshuis en brengen de boodschap des Vredes in de armoedigste hutten.

Is het Heilige Land niet het vaderland voor ons allen? „Zie uwe moeder!quot; zoo sprak de, van Maria scheidende, Heiland tot Johannes. Ook nu, nu Hij boven alle aardsche betrekkingen, ook boven die tot zijn geboortegrond, verheven is, wijst Hij door elk Bijbelwoord dat wij lezen, den gezegenden Johannes der Evangelische kerk altijd terug op dat wonderland in het Oosten, en spreekt, herinnerende aan den oorsprong der Christelijke kerk: „Ziet uwe moeder!quot; Voor deze uwe moeder, lieve lezer, waag ik het, bij u aan te kloppen.

Hot Syrische weeshuis te Jeruzalem heeft den krachtigen steun der Evangelische Christenheid noodig, om zijn veelomvattend werk te kunnen volbrengen. Dat huis staat op een ons dierbaar plekje, den lezer nog toevertrouwder geworden. Het staat daar op zijne verheven post ten Noordwesten van de stad, en ziet op de daken en koepels van Jeruzalem neder, en op de bergen van het land Juda en Benjamin. Wij zijn er nu zoo vaak langs gegaan. Niet ver van ons huis moet de heuvel Golgotha gelegen hebben en Jozefs tuin, waar de eerste Paaschmorgen voor de geheele wereld aanbrak. Menig lid der eerste Pinkstergemeente zal wellicht daar buiten, in de nabijheid van Golgotha, hebben gewoond; want de oude, prachtige, gemetselde graven in de rotsen, doen ons vermoeden, dat menige aanzienlijke familie uit Jeruzalem daar hare tuinen en villa\'s had. Van den berg, vanwaar Hij ten hemel voer, heeft de Heer de plaats van ons tegenwoordig Syrisch weeshuis, als het hoogste punt der omgeving, voor oogen gehad. Ons huis is dus omringd van heilige hoogten \'en be-teekenisvolle herinneringen aan de grootste gebeurtenissen der wereldgeschiedenis.

Ons doel met dat weeshuis is niet alleen, zooals bij den aanvang, de verzorging van weezen, maar ook de Evangelische Zending in het Heilige Land en de planting der Evangelische

ocr page 369

S41

Kerk in haar oorspronkelijk vaderland door inwoners, die in het Evangelie werden opgevoed. Reeds meer dan duizend Arabische mannen staan op de hoogten van het Heilige Land als wegbereiders voer de Evangelische Kerk.

Langdurige ondervinding heeft ons geleerd, dat zulk een afgezonderd leven ook zijne gevaren voor die mannen heeft. Op het zendingsfeest, dat het Bestuur van het Evangelische Weeshuis in 1894, onder groote deelneming te Keulen vierde, is er met algemeene en groote instemming besloten, om niet alleen op het ingeslagen pad voort te gaan, maar men heeft tevens nieuwe plannen beraamd en vastgesteld. Tot nu toe was onze arbeid eene voorbereidende, door eene doelmatige Christelijke opvoeding, en werden de Christelijke jongelingen, die voldoende bekwaam waren voor een ambacht, weder ontslagen. Wij zien echter in, dat wij die jongelingen niet geheel mogen loslaten, maar hen liever onder eenig toezicht moeten houden. Van het vormen der steenen, dat in het weeshuis plaats had, moesten wij eindelijk tot den bouw des tempels zeiven overgaan. Er moest worden gesticht enne. Arabisch-Evangelische gemeente mor de poorten van Jeruzalem, wier leden in onze inrichting zijn opgevoed. De grond voor zulk eene stichting hebben wij na jarenlange voorbereiding in bezit. G-roote stukken lands rondom het zendingshuis zijn ons eigendom. Daarop moeten nu een aantal huizen worden gebouwd, om het den jongen, onbe-middelden handwerkslieden en kooplieden in den aanvang gemakkelijk te maken, opdat er zoodoende eene, van der jeugd af in het Evangelie gewortelde, gemeente voor de poorten van Jeruzalem zich ontwikkele en voor aller oog groeie en bloeie als een ceder van den Libanon.

Het geldt een nieuw, gewichtig plan voor de evangelische zending in het Heilige Land, een nieuwen buitenpost, en wel: het vestigen eener evangelische gemeente uit de inwoners, vóór de poorten van Jeruzalem.

Wie wil zich nu opmaken, om met ons, als ware kruisridders.

ocr page 370

aanhangsel.

242

de banier van het Evangelie weder omhoog te heffen in die stad, waar eenmaal op den Pinkstermorgen voor de eerste maal het dierbare Evangelie werd verkondigd, dat sedert van land tot land werd voortgeplant? „Vexilla regis prodeunt,quot; d. w. z. \'s Konings banieren gaan ons voor, dat zingt men daarbinnen in de kerk van het H. Graf, als men in feestelijken optocht de vaandels rondom de traditioneele plaats draagt. Welaan dan, dat zij dan ook in hoogeren zin, onze duizendstemmige kreet voor Jeruzalem: „Vexilla regis prodeunt!quot;

Wie nu het Heilige Land liefheeft, wie gaarne mede wil helpen om het vaderland van den Heiland, van den Bijbel en van het Christendom, weder voor het Evangelie te winnen, hem vraag ik dringend mij een steentje, hetzij groot of klein, toe te zenden. Elke, ook de geringste, gave voor dat gewichtig werk zal met harte-lijken dank in ontvangst worden genomen, door den schrijver. Pastor Ludwig Schneller te Keulen (nader adres onnoodig), en openlijk vermeld worden door den Penningmeester van het Bestuur, den Heer Julius Buddeberg, aldaar. Ons blad, „der Bote aus Sion,quot; dat in Jeruzalem wordt gedrukt, bevat behalve de berichten over ons zendingswerk, ook verschillende belangrijke mededeelingen over Palestina, en wordt aan elk bijdragend vriend onzer Zending, die het bij den schrijver bestelt, gratis en franco, direct van uit Jeruzalem toegezonden.

Ludwig Schneller.

Keulen, Juli 1894.

ocr page 371

INHOUD.

Bladz.

Een wooed vooeaf............v

Pasohen.

De Keizer op Oapri...........3

De hopelooze Paasch-Sabbath........10

De opstanding.............18

De eerste berichten van Jezus\' opstanding .... 23

De eerste verschijning aan den Paaschmorgen ... 30

De verschijning op den Paaschmiddag.....35

De verschijning in den Paaschnacht......52

Het verzegelde graf...........59

Pasohen aan het meer van Gknésareth.

De veertig dagen............75

De verschijning aan het Meer........82

Het gesprek met Petrus..........90

Hemelvaart..............101

Pinksteren.

De terugkeer naar Jeruzalem........111

De geboortedag der Christelijke kerk......121

De Pinksterprediking...........127

Pinksteravond.............133

De eerste vleugelslag der zending.

De vervolging in Jeruzalem.........141

Filippus te Samaria...........150

De komst der Apostelen..........156

Het eerste morgenrood boven het donkere werelddeel.

De Kamerling uit het Moorenland.......161

Op den weg naar Gaza..........164

Filippus...............170

De blijde reis naar huis..........175

ocr page 372

Bladz.

De roeping des rijksbanierdragees van Jezus Christus.

Damaskus..............181

Het vertrek naar Damaskus.........192

Op weg naar Damaskus..........197

In Damuskus.............204

Naar Arabië .... ........ 211

De terugkeer uit de woestijn........222

De eerste prediking des Evangelies aan de Middellandsche Zee

De aankomst te Jaffa...........233

Petrus in Lydda............236

Petrus in Joppe............242

De roeping tot de prediking onder de Heidenen . . . 249

Tarsen.

De reis naar Tarsen...........257

Oostersche gastvrijheid..........261

Bouwvallen uit den ouden tijd........268

De stad . .............272

De Cydnus en de Zee...........277

Paulus in Tarsen............282

Antiochië.

Antiochië..............291

Het ontstaan der gemeente te Antiochië.....294

De roeping van Paulus...........299

De stad Antiochië............308

De blijde arbeid in Antiochië........311

Paulus\' blik op de Heidenwereld.......316

Gebaande wegen . . . . ■........321

Roepstemmen van buiten.........325

Het vertrek der Apostelen.........329

Besluit...............334

Aanhangsel..............339

^Vffi

ocr page 373
ocr page 374
ocr page 375

{ -v is f ; ■ ; . ■ v ,; ;■: ■•-; ■ \' ^

z:-1 ;, .., ; quot; ;.,.. .r:-; v :.

ïpKf • -V, ;-■ ;■\'-■• \' ■\' ■-. - ■ ■■ ■ \'■ ;•;• . ■ ^■;vquot; ■ ■ 1 quot; ^\'gt; •• ;• /

^■r ■.r\'-- v-v /-^\'v::-

v . ■

%r--rhï-\'~ - ■ ■ : V: vv:^;v.._^ a ?

•: -^r: \' ■/■;- -V: ■lt;;gt;:r: ^ -\'i

-r-v.\'\' ■-c

zZquot; \\ \' gt; ■ , ■: ■ ■: ■■ ■ .lt;^1

^Jr\'r-: \' r ■ -. - --J

■amp;f~- \' ■ ■;!•■,\'quot;\'\'lt;■ V-, ■ . •„. .!\': ■ -- .■■-• ■,•\'■ A : ■\'.;■• ■ - • ■■ \'Sk

i;^:\'-^-\'-■■• \'■•• quot;:\' quot;-.- •■ \'■gt;■quot;\'■\' \'\'■\'■■■ ■ •\'•\'** ■*•■• . : , • :•, :• , • .. ;-•\' :quot;, ^ v.--.. \'r ■ ■ \' :•.• . - , ,-. \'-\' - ■ -\'• ... .- ; ___

ï* •

.vr

:f

;lt;;\'v.-1 , ■: y-y - ■. ■ yi\'.:: * ■■.quot;\'■l

\\ -^. K. , . - .. .- \' - - ï

y-i.^ ■ ■■\':/ ■ r---.■-, \\.yquot;■.:\'\'-■■■■■ ry\' \'r\'\' ^ : .(\'j •? ■■;■

ocr page 376