ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

MOLUKKEN-VOGELS

door

A. Gr. VORDERMAN,

Correspondent der Koninklijke Akademie van Wetenschappen.

De reis, waarvan melding gemaakt is in het voorbericht van het onlangs in dit Tijdschrift verschenen stuk over Celehes-vogels, werd van uit Menado voortgezet naar de Molukken. Achtereenvolgens werden de volgende plaatsen bezocht, waar mijn jager gelegenheid had vogels te verzamelen en deze te prepareeren.

le. Ternate. De tochtjes strekten zich uit tot de omgeving der hoofdplaats.

2e. Batjan. Van uit Laboeha werden de boschrijke omstreken afgejaagd, terwijl Prins Oesman mij later eenige door zijn jager opgezette vogels toezond.

3C. Gani, aan eene kleine baai gelegen, aan de Zuidwestkust van Halmaheira.

Daar ter plaatse bevinden zich eenige Chineezen, die boschproducten opkoopen en naar Ternate verschepen.

Bij een hunner trof ik een kist aan vol vogelhuiden, afkomstig van Pitta maxima, Semioptera wallacei, Carpophaga basilica en Tadorna radja. De vogels, waarvan zij afkomstig waren, zijn door Alfoeren geschoten en geprepareerd, die deze kunst van natuuronderzoekers geleerd hebben, doch door het ontbreken van arsenikzeep worden deze huiden spoedig door insecten aangetast, zoodat dan ook de meeste als handelsartikel van inferieure kwaliteit zijn.

ïe Ternate bestaat namelijk een uitgebreide handel in vogel-

BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

ocr page 6

— 170 —

huiden. De Nederlandsche Nieuw-Guinea Handel-Maatschappij, voorheen C. W. R. van Renesse van Duuvenbode, die te Amsterdam, Parijs en Ternate vestigingen heeft, zendt hare jagers uit naar Nieuw-Guinea en verscheept van uit Ternate kisten vol vogelhuiden naar Parijs. Te Makasser zag ik bij meerdere handelshuizen kisten gevuld met vogelliuiden o. a. van kroondui-ven, die zij uit Papoea door opkoop verkrijgen, en naar Europa afschepen. Ook van uit Banda wordt de Zuidkust van Nieuw-Guinea tot het verzamelen en bereiden van vogelhuiden, door jagers, in dienst van een handelslichaam, bezocht, zoodat indien niet eene uitroeiing te wachten staat, dan toch zeker het aantal vogels aldaar van lieverlede zeer beperkt zal worden.

Na de Halmaheira-groep bezocht te hebben, was Amboina aan de beurt. Eerst werd in de omstreken van de hoofdplaats \'gejaagd. De vogels zijn daar ook, gedeeltelijk doordien er te veel jacht op gemaakt wordt, schaars. Vervolgens kwamen Saparoea en Noesa- laut der Oeliassers aan de beurt, om daarna over te steken naar Boeroe. Te Kajeli was de posthouder in het bezit van eenige opgezette vogels uit Massarete (Zuidkust van Boeroe) afkomstig, die door den dokter-djawa geprepareerd waren. Deze medicus toonde mij ook meerdere exemplaren van een klein parkietje, dat hij op het eiland Amblauw, bezuiden straat Manipa in de Banda-zee gelegen en onder de Zuid-Oostkust van Boeroe ressorteerende, aangetroffen had, doch dat hij nooit op Boeroe zelf had waargenomen. Het is de Hypo char mosyna placens, waarvan mijn jager later te Wa-haai een vijftal bemachtigde.

De onmiddelijke onstreken van Kajeli eigenen zich [niet tot het verzamelen van veel landvogels, doordien het oorspronkelijk dichte bosch, (de kale kajoepoetih-bosschen uitgezonderd) te veraf is gelegen.

Van Kajeli ging het naar Wahaai op de Noordkust van Ceram. Hier is in de onmiddelijke omgeving der militaire vestiging veel oerwoud aanwezig en wordt nu en dan door de officieren jacht op casuarissen gemaakt, waarvan het vleesch (der dijen) heerlijk smaakt.

ocr page 7

— 171 —

Te Saparoea trof ik bij den Controleur drie jonge Ceramsche casuarissen aan, die onderhouden werden om later geslacht te worden.

Na eenige dagen verblijf te Wahaai werd naar quot;Waroe (Noord-Oostkust van Ceram) gestoomd, op welke plaats slechts één etmaal vertoefd werd. Op reis van daar naar Gisser werd bij het koraaleilandje Madoerang, in volle diepe zee gelegen, gestopt en had mijn jager gelegenheid ook daar eenige vogels op te doen.

Gisser is een klein dicht bevolkt atol met binnenzee en druk handelsverkeer. De jacht leverde daar uit den aard der zaak weinig bijzonders op

Anders was dit gesteld met Banda, dat daarna bezocht werd. Wie ooit te Banda komt, verzuime niet het hoofd der Arabieren aldaar, Sech Said bin Abdullah BaSdilla op te zoeken, die behalve vele opgezette vogels, ook een interessante collectie ethnologica, uit Papoea afkomstig, in zijn bezit heeft.

Van uit Banda ging de reis naar Makassar. De stoomer der Pakketvaart-Maatschappij, die de reis door de Molukken gemaakt heeft en naar Java terug keert, voert gewoonlijk een massa levende vogels mede, meestal kakatoeas, papagaaien, parkieten en lori\'s. De „Reaalquot;, waarmede ik de terugreis naar Java maakte, had bij zijn vertrek van Makassar ± 400 dier vogels aan boord. Gelukkig dat het schip groot is, want de orde der Papagaaien munt niet uit door liefelijk gezang.

1. HALIASTTJR GINNERERA V.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. I, pag. 315 van B. Sharpe.— Schlegel, Vog. Ned. Indië, Valk vogels, pag. 51, pl. 4 fig. 3.— Vorderman, Celebes-Vogels, Natuurk. Tijds. Ned. Ind. Dl. LVIII, pag. 36.

Een vrouwelijk individu van Gani (Halmaheira).

Een vrouwelijk van Massarete {Boeroe).

Gelijkt veel op den Haliastur interrnedius van Java.

Kop, hals, nek, voorst gedeelte van mantel en flanken, krop en borst zuiver wit, zonder donkere schaften aan de vederen

ocr page 8

— 172 —

gelijk bij H. intermedius. Alle overige deelen van romp, staart- en vleugeldek roodbruin met donkere schaften. Eenige mantelvederen op de grens tnsschen wit en bruin zijn aan de basis, ook voor het onbedekte gedeelte, wit en eindigen in roodbruin; hare schaften zijn enkel voor het bruine gedeelte donker gekleurd. Bij de lste slagpen is het bruin tot de basis van de binnen vlag beperkt, terwijl die veder overigens zwart is; bij de 2de is het bruin meer uitgebreid en dit gaat allengs door tot de 6de slagpen, waar het zwart slechts het uiterste 4lt;,e gedeelte der veder omvat. De 7de slagpen is geheel bruin evenals alle overige. Uitgezonderd de twee uiterste paren hebben de staartpennen, wier hoofdkleur roodbruin is, vuil rosachtig witte uiteinden.

Bek aan de basis loodblauw; op de onderkaak strekt zich die kleur tot bij de punt en de randen uit, die witachtig zijn, evenals de punt van de bovenkaak, waarvan het overig gedeelte groenachtig is. Washuid geel, de teugels blauwgrijs.

Iris helder grijsbruin.

Pooten wasgeel; nagels zwart.

Afmetingen:

Staart.............17.8 cM.

Vleugel............36.4 „

Culmen met washuid........2.9 „

Tarsus............4.6 „

Middeltoon...........3.5 „

Nagel van id...........l-ö „

Achtertoon...........2.— „

Nagel van id...........1-7 „

2. ASTUR GRISEOGULARIS Gray.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. I, pag. 122 van B. Sharpe.— Schlegel, Vog. Ned. Indië, Valkvogels, pp. 23, 61, pl. 14 fig. 3, 4; pl. 15, fig. 1-3; pl. 16. fig 1, 2. sub Nisus cruentus.

Een jeugdig wijfje van Gani {Halmaheira).

Vederen van kop, nek en der zijden van den hals wit aan de basis en zwart aan het uiteinde, doch bij den overgang der

ocr page 9

— 173 —

kleuren lieht bruin aangeloopen. Hierdoor doen zich de nek en zijden van den hals zwart voor, terwijl bij de kortere kop cederen tusschen het zwart, wit en bruin heenschemeren.

quot;Wangvederen isabella met grijszwarte schaftvlekken en dito uiteinden. Kin- en voorhalsvederen evenzoo, doch het isabella domineert. Kropvederen licht isabella met één of twee zwartbruine dwarsvlekken. Op de borst, die evenzoo geteekend is, wordt het bruin geleidelijk iets lichter van tint. Buik-, flank- scheen- en onderste staartdekvederen isabella met ros-bruine dwarsbanden. Binnenst vleugeldek evenzoo.

Vederen van den bovenromp wit aan de basis, met zwartachtige dwarsbanden en rosachtig uiteinde. Ook hier schemeren rosse en witte tinten door het zwart heen. Kleine buitenste vleugeldekvederen met vosbruine boorden; de overige dekvederen evenzoo, doch met lichter getinte dwarsbanden.

Slag- en staartpennen licht van Dijckbruin met vele zwarte dwarsbanden (de staartpennen tellen er 12 a 13). Op de basis der binnenvlag van de slagpennen is het bruin geleidelijk door geelwit vervangen, terwijl de grens der kleuren lichtbruin aangeloopen is.

Binnenvlakte van staart en ondervlakte van vleugel licht rosachtig met vele donkere dwarsbanden.

Bek loodkleurig; het donkerst aan de punt. Washuid en pooten wasgeel; nagels zwart. Iris heldergeel.

Afmetingen:

Staart........

. . . . 19.8

cM.

Vleugel........

. ... 23 2

V

Oulmen met washuid.

. ... 2.8

V

Tarsus........

. . . . 5.7

V

Middelloon.......

. ... 2.9

77

Nagel van id......

. ... 1.5

V

Achtertoon.......

. . . . 1.7

77

Nagel van id......

. ... 1.7

77

3. HALIAETUS LEUCOGASTER Gm.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. I, pag. 307 van B. Shaepe. —

ocr page 10

— 174 —

Schlegel, Vog. Ned. Ind. Valkvogels, pp. 9, 50, pl. 4, fig. 1 en 2.— Vorderman, Batavia-Vogels, Nat. Tijds. v. N. Indië, Dl. XLII pag. 34,

Op den 23sten Augustus 1897 passeerde ik aan boord van het Gouvernements stoomschip „Arendquot;, op reis van Waroe naar Gisser, het eilandje Madoerang, oostelijk van Ceram gelegen. De gezaghebber zond een sloep naar den wal om te trachten schildpadeieren voor de equipage te verzamelen. Het eilandje is dichtbegroeid en bestaat uit koraal, terwijl een uitgestrekt rif, dat bij laagwater droogvalt, zich om het begroeide gedeelte uitstrekt. Bij die gelegenheid werden een fraaie stern {Sterna her gil) en een reiger {Demiegretta sacra), hieronder te beschrijven, geschoten, terwijl een der matrozen een uit takken bestaand nest van een zeearend ontdekte, waarin één jonge nestling, die levend aan boord werd gebracht, doch binnen eenige dagen bezweek. Bij die gelegenheid trachtte de moeder het jong te verdedigen, zoodat: zij met geweerschoten, die echter misten, in bedwang moest gehouden worden.

4. PANDION LEUCOCEPHALUS Gould.

Zie Cat. Birds. Brit. Mus. Vol. I, pag. 451 van B. Sharpe. — Schlegel, Vog. Ned. Ind. Valkvogels pp. 12, 52, pl. 3. fig. 3.

Hen mannelijk exemplaar, geschoten aan den rand van het kratermeer La-goena. nabij de hoofdplaats Ternate.

Kin, keel, flanken, onderst staartdek, binnenste kleine vleugeldekvederen der secundaria en tertiaria, okselvederen, bovenkop en nek wit met isabella tint bewasschen. De vederen van beide laatst genoemde lichaamsdeelen eindigen puntig en vertoo-nen in het midden een zwartbruine lansvormige schaftvlek. Achterste fiankvederen rosachtig met donkere schaftstrepen. Dwars over de borst een gordel van bruinachtig bistrekleurige vederen met donkere schaftstrepen. Borst en buik intens isabella.

Oorstreek zwartbruin, welke kleur zich tot op de zijden van den hals uitstrekt.

Alle bovendeden van romp en vleugeldek, de slag- en staart-pennen donker van Dijckbruin als grondkleur. Kleino binnenste

ocr page 11

- 175 -

dekvederen der primaria van Dijckbruin; middelste evenzoo, doch met witte binnenvlag en dito buitenrand. Groote binnenste vleugeldekvederen wit met vaalzwarte breede d warsbanden; middelste binnenste dekvederen der primaria en secundaria wit met een van Dijekbruine peervormige schaftvlek, die nabij het uiteinde roestkleurig aangeloopen is.

Scheenvederen aan den voorkant wit; van achteren lichtbruin.

Vleugelrandvedereu donkerbruin met licht bistre randen en daardoor als geschubd. Primaria donker van Dijckbruin; de buitenste paren zwart, doch met breed wit aan den binnenrand, dat umberkleurige spikkeltjes vertoont. Secundaria en tertiaria van Dijckbruin; slechts de basis van de binnenvlag is lichter gekleurd. De buitenste vleugeldekvederen hebben lichte zoomen. Alle staartpennen met smalle lichte terminaal-zoomen. De middelste egaal van kleur, de overige met binnenvlaggen als die der primaria.

Bek zwart; washuid loodblauw. Pooten blauwachtig wit; nagels zwart. Iris okergeel.

De vlucht bedraagt 132 cM.

Afmetingen:

Staart.............18.—cM.

Vleugel.....

Culmen met washuid

Tarsus......

Middeltoon.

Nagel van id, Buitentoon Nagel van id.

40.5 ,

3.5 „

4.8 „

3.9 „ 2.9 ,

2.8 ,

De vogel had toen hij geschoten werd een zoetwatervisch in de klauwen.

5. ACCIPITER ERYTHRAUCHEN Gray.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. I, pag. 145 van B. Sharpe.— Schlegel, Vog. Ned. Indië, Valkvogels, sub Nisus erythrauchen.

Een vrouwelijk exemplaar van Amboina in overgavgskleed.

ocr page 12

— 176 —

Bovenkop en mantel donkergrijs; zijden van den hals en nek vosbruin; wangen lichter grijs. Kin, keel en buik wit met geelachtigen tint, de Hauw uitkomende lichtgrijze rand-zoompjes der kin- en keelvederen geven aan die deelen een grijsachtig waas. Zijden van den buik lichtgrijs. Krop en borst grijs; als restant van het eerste kleed zijn daar eenige isabellakleurige vederen met donkerbruine lancetvormige schaft-vlekken. Onderst staartdek wit. Rug- en stuitvederen donkerbruin met vosroode eindzoomen en daardoor als geschubd. Bovenste staartdekvederen donker grijs (enkele van het lste kleed als de stuitvederen). Flankvederen Isabella getint wit met lange donkere schaftvlekken. Scheenvederen wit van hart- of druppelvormige lichtbruine schaftvlekken voorzien; de meest benedenwaarts geplaatste met lansvormige vlek. Schoudervederen gedeeltelijk donkergrijs (2de kleed), gedeeltelijk donkerbruin met lichtbruinen eindzoom. Evenzoo de buitenste vleugeldekvederen.

Slagpennen sepiabruin, de binnenvlag zalmkleurig en van lange driehoekige sepiakleurige dwarsbanden voorzien.

Bij de secundaria en tertiaria strekken zich de donkere dwarsbanden over de schaft heen tot de buitenvlag uit, die bovendien aldaar een rosachtigen buitenrand en dito eindzoom heeft.

Binnenste vleugeldekvederen okergeel met donkere schaft-streepjes.

De staartpennen zijn in de rui. Het middelste paar en enkele overige zijn donker grijs, de overige als de secundaria gekleurd en geteekend. Washuid geelgroen; ooglidranden donker geel. Iris guttegomgeel. Bek donker leikleurig aan de basis; overigens grijsblauw.

Pooten groenachtig geel; voetzool oranje; nagels zwart.

Afmetingen:

Staart............15.— cM.

20.— 2.4 6.4

Vleugel.....

Culmen met washuid . Tarsus......

ocr page 13

— 177 —

4.7 cM, 1.5 „

Middeltoon. . Nagel van id Achtertoon . Nagel van id

6. CERCHNEIS MOLUCCENSIS Homb. en Jacq. Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. I, pag. 430 van B. Sharpe.— Schlegel, Vog. Ned. Indië, Valk vogels, p.p. 6, 47 pl. 1 fig. 3—5. — V order man, Kangean-vogels. Nat. Tijds. v. Ned. ladië Dl. Lil, pag. 183.

Een mannelijk exemplaar van Bntjan.

7. NINOX SQTTAMIFILA Bp.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. II, pag 184 pl. XII, fig. 2 B. Sharpe. — Schlegel, Mus. Pays-Bas. Striges pag. 28.

Twee mannetjes van Wahaai (Ceram) en een wijfje van Wan te (Cerarn). Deze uil is algemeen op Noord-Ceram.

Beschrijving van een der Wahaaische vogels.

De hoofdkleur is kastanjebruin. Bovenkopvederen aldus gekleurd en vrij effen. Vederen van den binnenooghoek wit met zwarte schaftjes en rosachtige uiteinden. Ooglidranden geel. Ooglidrandsvederen ijl geplaatst; bruinachtig met zwarte schaftjes. Wangvederen donker bruin; washuid geel; bek lood-blauw; iris zwartbruin.

Kinvedertjes helder rosachtig met zwarte schaftjes. Vederen van den nek donker rosachtig bruin met lichtbruine dwars-bandjes. Mantel, rug en stuit effen bruin.

Bovenst staartdek donker bruin met licht bruinachtig witte dwarsbandjes. Schoudervederen donker bruin van breede witte dwars banden voorzien, die van de grondkleur door een donker biesje gescheiden zijn.

Keel roestkleurig met donkere dwarsbanden. Borst- buiken flankvederen rosachtig wit met donker bruine smalle dwarsbanden. Scheenvedertjes kort, effen liebt roestkleurig.

Alula en groote buitenste vleugeldekvederen der primaria donker van Dijckbruin met lichteren buitenrand; kleine en middelste effen kastanjebruin; groote der secundaria als de

ocr page 14

— 178 —

schouder vederen. Buitenvlaggen der slagpennen licht bruin; binnenvlaggen grijsachtig bruin van breede sepiakleurige dwars-banden voorzien. Bij de secundaria en tertiaria heeft het grijs van de binnenvlag een rosachtigen tint, terwijl de lichte grond-kleur tusschen de donkere dwarsbanden in witachtig wordt. Kleine en middelste binnenste vleugeldekvederen licht rosachtig met donkere dwarsbandjes; groote wit met donker bruine bandjes. Staartpennen als de secundaria.

Pooten met rosachtige stekelige borsteltjes bezet, geel van kleur en met donker hoornkleurige nagels.

Afmetingen:

Staart............12.— cM.

Vleugel .... Culmen met washuid Middellijn van het oog Tarsus

Grootste voortoon Nagel van dezen. Grootste achtertoon . Nagel van dezen.

21.8 „

3.- „

2.6 „

8. CACATUA ALBA S. Mull.

Zie Cat. Birds Birt. Mus. Vol. XX, pag. 124 van Salvadori. — Schlegel, Mus. Pays-Bas, Psittaci, pag. 143 sub Cacatua cristata. — Finsch, Papag. I. pag. 283 sub Plictolophus leucol-ophus.

Een mannelijk exemplaar van Batjan en een, wijfje van Gani (Halmaheira).

Beschrijving van het exemplaar van Batjan. Het vederkleed is wit met een breede witte kuif, gevormd door de kruinvederen, die niet opgewipt zijn, doch dezelfde kromming als die van den schedel volgen; de grootste kruinvederen zijn 10.5 cM lang en 5 cM breed aan haar uiteinde.

Slechts het basaal gedeelte van de binnenvlaggen der slagen staartpennen is licht zwavelgeel De basis der overige vederen is echter effen wit.

ocr page 15

— 179 —

Bek, washuid, pooten en nagels zwart. Naakte huid om het oog wit met licht blauwe plooitjes. Iris donkerbruin.

Maaginhoud: maisvruchten, waaruit blijkt, dat deze kakatoe voor den landbouw schadelijk is.

Afmetingen:

Staart ........

. . . . 14.6

cM.

Yleugel........

. . . . 27.5

V

Culmen met washuid.

. . . . 4.6

V

Tarsus........

.... 2.6

V

Grootste voortoon.....

V

Nagel van id.......

. ... 2.—

V

Grootste achtertoon ....

. . . . 4.—

V

Nagel van id.......

. ... 1.8

V

9. CACATUA MOLUCCENSIS Gm.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XX, pag. 126 van Salvadori.— Schlegel, Mus. Pays-Bas, Psittaci, pag. 142. — Fissen, Papag. I, pag. 280 sub Plictolopus moluccensis.

Een vrouwelijk exemplaar van Wahaai (Ceram).

Alle onderdeelen zijn wit met licht geelachtig zalmkleu-rigen tint. Ook de bovendeelen vertoonen die kleur, doch de uiteinden der vederen zjjn bovendien licht roomkleurig; evenzoo het buitenst vleugeldek, terwijl de kleine en middelste binnenste vleugeldekvederen als de onderdeelen en flanken gekleurd zijn, en de groote meer zalmkleurig even als de vederen om den anus.

Slagpennen roomkleurig met geelachtigen binnenrand. Dit geel breidt zich op de meer binnenwaarts geplaatste geleidelijk uit.

Staartpennen gelijk de slagpennen; het geel meer zalmkleurig. Oksel zalmkleurig.

Kuifvederen oranjerood met witte schaft; de achterste met witte uiteinden.

Naakte huid om het oog blauw wit. Washuid, bek, iris, pooten en nagels zwart; voetzolen grijsgeel.

Maaginhoud: boschvruchtjes.

ocr page 16

— 180 —

Afmetingen:

Staart.......

Vleugel ......

Culmen met washuid

Langste kuifveder

Tarsus. ......

Grootste voortoon met nagel „ achtertoon „ „

10. TANYGNATHTJS MEGALORHYNCHUS Bodd.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XX, pag. 426 van Salvadori.— Schlegel, Mus. Pays-Bas, Psittaci, pag. 46 (partim). — Finsch, Papag. II, pag. 351 sub Eclecius megalorhynchus.

Een fa en een § van Kajeli {Boeroe) en Gani (Halmaheira).

Deze soort is kennelijk door den bijzonder grooten snavel.

Kop smaragdgroen; nek helder grasgroen; mantel vederen met blauwe zoomen. Rug azuurblauw; stuit- en bovenste staart-dekvederen geelgroen met smaragdgroene randen; scheen vederen smaragdgroen. Vederen der onderdeelen geelgroen met smaragdgroene boordsels.

Okselvederen, kleine en middelste binnenste vleugeldekvederen geel en groenachtig aangeloopen. Groote binnenste dekvederen grijs met gele uiteinden.

Primaria en secundaria licht indigoblauw met groenen buitenrand en een breed zwart gedeelte aan den rand van de binnenvlag. Schoudervederen en tertiaria grasgroen met licht geelgroene boordsels. Kleine buitenste vleugeldekvederen blauwachtig. Middelste id. met geelgroene heldere boordsels; op de plaats der secundaria echter zwart met gele boordsels.

Binnenvlakte van den vleugel geelgrijs. Staartpennen van onderen geel, van boven helder groen met groengele uiteinden.

Washuid zwart. Bek vermiljoenrood. Iris wit met geelachti-gen binnenring. Pooten loodblauw, nagels donker hoornkleurig.

Afmetingen:

Staart............15.8 cM.

16.6 cM.

28.5 „

4.8 ,

13.8 ,

2.- ,

5.3 „

ocr page 17

— 181 —

Vleugel.......

Culmen met washuid Hoogte bovenkaak aan de basis

onderkaak „ „

Tarsus.......

Grootste voortoon met nagel

24,6 cM.

, achtertoon „ „ .....3.3 ,

11. ECLECTTJS RORATUS S. Mull.

Zie Cat. Birds Brit, Mus. Vol. XX, pag. 393 van Salvadobi. — Schlegel, Mus. Pays-Bas, Psittaci, pag. 38 sub Eclectus grandis. — Finsch, Papag. II, pag. 340.

Twee mannetjes en twee wijfjes van Batjan.

Van deze en de volgende soort werden vroeger de mannetjes en wijljes ala tot verschillende soorten behoorende, beschreven. Dr. A. B. Meijer van Dresden heeft het eerst op het verschil in vederkleed, groen of rood naar gelang van de sekse, gewezen.

Beschrijving van een mannetje.

Kop, nek, hals, krop, borst, buik, onderst staartdek, achterflanken, scheenvederen en de bovendeelen zijn intens groen. Zijden van de borst en voorflanken karmozijnrood, even als de kleine en middelste binnenste vleugeldekvederen, terwijl de groote donker grijs zijn. Vleugelrand helder kobaltblauw. Groote buitenste dekvederen der primaria zwart met indigoblauwe buitenvlaggen en dito uiteinden. Primaria zwart met indigoblauwe buiten vlaggen. Uiteinden der secundaria, haar buiten-vlag en het gedeelte der binnenvlag, dat aan de schaft grenst, indigoblauw; overigens roetzwart, terwijl bij de meer binnenwaarts geplaatste de kleur der buitenvlag geleidelijk in grasgroen overgaat. Tertiaria grasgroen met grijs aan de basis van de binnenvlag.

Alle staartpennen hebben geelachtige eindzoomen. De middelste zijn donker groen met een blauwe plek in het midden nabij het uiteinde. De overige staartpennen zijn als de secundaria gekleurd en geteekend; geleideljjk neemt het groen in

ocr page 18

— 182 —

uitgebreidheid af, totdat het op het 2de paar van buiten af gerekend, tot een smallen randzoom van de buitenvlag beperkt is en op het buitenste paar nagenoeg geheel ontbreekt, zoodat op die vederen de donker blauwe kleur overheerscht. Pooten grijsgrauw; nagels donker hoornkleurig. Bovenkaak oranjerood aan de achterhelft; aan de punt wasgeel; onderkaak donker leikleurig. Iris oranje met gelen binnenring. Washuid zwartachtig.

Beschrijving van het wijfje.

Kop eu voorhals karmozijnrood; onderhals idem, doch de vederen eindigen in violetroode haren. Achternek, zijden van den hals, krop, borst, buik en flanken lilakleurig roodbruin. Vederen om den anus rood met gele harige einden. Dijstreek en scheenen karmozijnrood. Onderste staartdekvederen citroengeel (enkele rood aan de basis). Mantel, rug en stuit donker purperrood, de laatste op het bovenst staartdek geleidelijk in karmozijnrood overgaande. Staartdekvederen met smalle gele eindzoompjes. Alle buitenste kleine vleugeldekvederen en de middelste der secundaria en tertiaria donkerrood als de rug; de middelste en groote dekvederen der primaria zwart met indigoblauwe buitenvlag en lichtblauwen buitenrand. Buiten-vlag der primaria en het deel der binnenvlag, dat langs de schaft loopt donker blauw; het overige deel van de binnenvlag zwart op den binnenrand in donkergrijs overgaande.

Secundaria evenzoo, doch hier wordt het grootste gedeelte van de buitenvlag, van af de basis gerekend, door donker rood vervangen. Op de grens van het rood en het blauw is een groene tint waar te nemen. Tertiaria grijszwart met donker roode buitenvlag en dito uiteinde. Vleugelrand kobaltblauw Bij de kleine en middelste binnenste vleugeldekvederen wisselen karmozijnroode rijen met grijszwarte af; de laatste soms met roode uiteinden. Alle groote binnenste vleugeldekvederen zwartgrijs, iets lichter getint dan de overeenkomstige kleur van de binnenvlakte des vleugels. Staartpennen alle met citroengele uiteinden en overigens donker rood met bruinachtig aan de basis van de binnenvlag ; de drie buitenste paren vertoonen een donkergroene buitenbies.

ocr page 19

— 183 —

Bek donker hoorakleurig met gele en roode daar doorheen schemerende plekken. Punt van boven- en onderkaak lichtgeel; washuid, iris en pooten als bij het mannetje.

Maaginhoud: boschvruchten.

Afmetingen: £ ?

Staart........14.7 cM. 12.5 cM.

Vleugel........27.— „ 23.2 „

Culmen met washuid. ... 4.1 „ 3.8 „

Tarsus........2.2 „ 2.4 „

Grootste voortoon met nagel . 3.8 „ 3 9 „ „ achtertoon „ „ . . 3.4 „ 3.6 „

12. ECLECTUS CAEDINALIS Bodd.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XX, pag. 394 van Salvadori.— Schlegel, Mus. Pays-Bas, Psittaci, pag. 38. — Finsch, Papag. II, 344.

Twee {groen), fa van Wahaai {Ceram), één {rood) § van Kajeli (Boeroe).

Gelijkt veel op de hierboven beschreven Eclectus roratus, doch de afmetingen verschillen nog al.

Bij het mannetje is het rood op de zijden van de borst meer oranje aan de grens van het groen en ontbreekt het blauw op de staartpennen nagenoeg geheel.

Bij het wijfje is het rood van den bovenkop niet zoo helder als bij E. roratus; zijn borst en buik blauwviolet met grijsbruin bewasschen en domineert op mantel, rug en tertiaria een olijfkleurige tint, die bij roratus geheel ontbreekt. Ook bij de staartpennen is verschil, daar de uiteinden bij cardinalis licht rood of geelrood zijn in stede van geel.

Afmetingen:

$

?

Staart.......

12.2

cM.

ii.i

Vleugel.......

. 23.2

23.3

Culmen met washuid.

3.9

D

3.7

Tarsus.......

1.6

V

1.6

Grootste voortoon met nagel.

3.8

V

4.—

,, achtertoon „ „ .

2.7

•n

3.2

cM.

ocr page 20

— 184 —

13. GEOFFROYUS CYANICOLLIS S. Mcll.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XX, pag. 410 van Salva-dori. — Sculegel, Mus. Pays-Bas, Psittaci, pag. 44 sub Elec-tus cyanicollis. — Fixsch, Papag. II, pag. 357 sub Fionias cyanicollis.

Drie exemplnren van Bntjan en van Gani (Halmaheiru.)

Beschrijving van het mannetje.

Voorhoofd, teugels, voorst gedeelte der wangen, kin en keel intens vleeschkleurig rood, dat op de achterwangen met lila bewasschen is. Kruin en achterhoofd lila-achtig licht blauw, van achteren scherp begrensd door het azuurblauw van deu nek. Het bovenbeschreven rood is eveneens achterwaarts scherp begrensd door een heldere groenblauwe streek van krop en zijden van den hals. Borst groen met okergeel bewasschen, buik- en flankvederen geelgroen met smaragdgroene zoomen even als de onderste staartdekvederen. Mantel en rug groen, dat met bruin bewasschen is. Stuit- en bovenste staartdekvederen bruinachtig groen met helder groene boordsels. Binnenst vleugeldek en okselvederen helder azuurblauw even als de vleugelrand.

Buitenste vleugeldekvederen donker grasgroen met lichte boordsels, de kleine in het blauw trekkend. Buitenvlaggen der primaria en secundaria benevens een deel hunner binnenvlag grasgroen; het overige gedeelte der binnenvlag zwart; aan den binnenrand geleidelijk in donker grijs overgaande. Tertiaria bruinachtig groen. Binnenvlakte der vleugels donker grijs, Staartpennen van onderen geelgroen, van boven grasgroen met gele binnenranden.

Ooglidranden okergeel; washuid grijs. Bovenkaak rood met gele punt. Onderkaak donker hoornkleurig met gele over-langsche strepen. Pooten en voetzool groengrijs als met wit bepoederd. Nagels donker hoornkleurig. Iris napelsch geel met lichtgnjzen binnenrand.

Afmetingen:

Staart............9.6 cM.

ocr page 21

— 185 —

Vleugel..........

. . 17

6

cM.

Culmen met washuid......

. . 2

4

7?

Tarsus..........

5

n

Grootste voortoon met nagel. .

. . 2

V

„ achtertoon „ „ .

. . 2

.6

V

Het wijfje is anders gekleurd doordien

grijsbruin, met

violet

bewasschen, de plaats van het lichtblauw op den bovenkop inneemt en geelachtig grijs het rood van den kop.

Dwars over de zijden van de borst loopt bovendien een goed geprononceerde olijfbruine gordel. Bek donker hoorn-kleuvig bij het zwarte af.

14. GEOFFROYTJS RHODOPS Gray.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XX, pag. 405 van Salvadori. — Schlegel, Mus. Pays-Bas, Psittaci, pag. 43 sub Eclectus rho-dops. — Finsch, Papag. II, pag. 380 sub Pionias rhodops.

Deze vogel vervangt in de Ambon-groep de Gtoffroyus cyanicollis van de Hdlmaheirri-groep.—Ik verkreeg exemplaren van Kajell en Massarcte op Boeroe, van Wahaai (Ceram) en van Saparoea.

De beschrijving van het mannetje komt overeen met die van dezelfde sekse van (x. ctjanicollis hierboven vermeld. Het rood van den voorkop heeft bij rhodops meer ponceaukleur en het lila van den bovenkop trekt meer in het blauwe. Daarentegen ontbreekt bij rhodops het azuurblauw van den nek en is de mantel niet bruingroen, doch grasgroen. Bij beide soorten komt soms op den schouder een bruine vlek voor. Ook de afmetingen verschillen iets. Zij zijn voor rhodops q de volgende.

Staart.......

Vleugel.......

.....8.8 „

Culmen met washuid .

.....2.9 ,

Tarsus.......

.....1-4 „

Grootste voortoon met nagel.

.....3.1 „

„ achtertoon „ „

.....2.8 ,

Ook de wijfjes toonen verschil.

Bij rhodops is het grijsbruin

van den bovenkop vervangen door donkerbruin, bestaat de blauwe nekkraag niet, wordt de olijfbruine gordel over de zijden van

ocr page 22

— 186 —

de borst gemist; zoo ook dezelfde kleur op den mantel, doch hier vertoonen zich soms in den achternek of op de tertiaria zwarte vlekken.

15. CHALCOPSITTACUS ATEK Scop.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XX, pag. 13 van Salvadori. — Schlegel, Mus. Pays-Bas, Psittaci, pag. 129 sub Lorius ater. Finsch, Papag. II, pag. 755 sub Domicella atra.

De zoogenaamde zwarte loeri. Van deze soort kwam een mak levend individu te Wahaai (Ceram) in mijn hezit. waar het aangebracht was uit Mysool.

Het diertje vloog los in huis rond en stierf nog denzelfden avond van mijn vertrek van Wahaai aan boord, toen het in eene kooi gezet was.

Het vederkleed is zwart met roetkleurigen tint op de slagpennen en dito glans op de onderdeden. Kop- en nekvederen puntig eindigende. Op den schouder zijn enkele vederen rood aangeloopen; hetzelfde vertoonen enkele binnenste groote vleu-geldekvederen. Staartpennen aan de onderzijde rood met gele glanzende uiteinden, van boven bruingrijs. Washuid, naakte huid om het oog, bek pooten en nagels zwart. Iris helder bruin met lichteren binnenrand.

Afmetingen.

Staart.......

Vleugel.......

Culmen met washuid

Tarsus.......

Grootste voortoon met nagel „ achtertoon „ „ -

16. APROSMICTUS AMBOINENSIS L.

Zie Gat. Birds Brit. Mus. Vol. XX, pag. 489 van Salvadori.— Schlegel, Mus. Pays-Bas, Psittaci, pag. 90 {part). — Finsch, Papag. II, pag. 249 (part) sub Platycercm amboinensis.

Ik verkreeg een vrouwelijk individu geschoten in de bosschen in den omtrek van Wahaai (Ceram) De vogel staat daar en te Ambon bekend als Kastoeri radja.

12.6 cM

18.6 „

2-7 ,

19 , 3.2 „

ocr page 23

— 187 —

Het midden van borst en buik is oranje gekleurd; het overige gedeelte der onderdeden, de kop en nek zijn donker karmozijnrood, welk rood zich ter zijde tot boven de schouders uitstrekt. Mantel, rug, stuit, bovenst staartdek, kleine buitenste vleugeldekvederen, eenige schoudervederen, de kleine en middelste binnenste vleugeldekvederen zijn donker kobalt blauw; de groote binnenste vleugeldekvederen vaalzwart. Slagpennen voor de buitenvlag en het deel der binnenvlag, dat aan de schaft grenst, grasgroen, overigens rookzwart. Alula, middelste en groote buitenste vleugeldekvederen en tertiaria grasgroen.

Middelste staartpennen donkerblauw; de overige evenzoo, doch met grootendeels zwarte binnenvlag; de twee buitenste paren bezitten bovendien een rooden binnenrand en dito uiteinde.

Naakte huid om het oog grauw. Onderkaak, rand en punt van de bovenkaak zwart; overig gedeelte van bovenkaak oranje rood; washuid oranjegeel. Iris licht oranje. Pooten en nagels zwart.

Maaginhoud: boschvruchtjes.

Afmetingen:

Staart............24.3 cM.

Vleugel...........21.— „

Culmen met washuid.......2.6 „

Tarsus . . . \'........1.8 „

Grootste voortoon met nagel.....3.5 „

„ achtertoon „ „.....2.3 „

17. LOEIT!S FLAVOPALLIATUS Salv.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XX, pag. 41 van Salvadori.— Schlegel, Mus. Pays-Bas. Psittaci, pag. 121 (part^) — Fissch, Papag. II, pag. 776 sub Domicella garrula (part).

Een vrouwelijk exemplaar van Batjan.

Kop, nek, onderdeelen en flanken karmozijnrood. Scheen-vederen grasgroen. Mantel, rug en stuit karmozijnrood. Op het midden van den mantel een driehoekige zwavelgele vlek,

ocr page 24

— 188 —

omgeven door donkerroode vederen. Vleugelrand geel. De groote binnenste vleugeldekvederen aschgrijs, de overige zwavelgeel, harig eindigende. Groote buitenste dekvederen der primaria donkergroen met zwarte basis, de overige buitenste donkergroen met geelbruine harige uiteinden. Buitenvlag der slagpennen donkergroen, en zwart aan het uiteinde, binnenvlag zwart aan het uiteinde, doch overigens donker roserood. Dit rood betreft enkel de primaria. Tertiaria grasgroen.

Staartpennen donkerrood met breeden groenachtig zwarten band aan het uiteinde; aan de onderzijde glanzend rood, ter plaatse van het zwart met donkeren weerschijn en geelach-tigen weerschijn aan de uiteinden.

Naakte huid om het oog zwart. Pooten grijsachtig, nagels zwart. Bek oranjerood met geel aan de punt. Basis zwartachtig evenals de washuid. Iris terrasienna met lichtgelen binnenrand.

Maaginhoud: boschvruchten en maïs.

Afmetingen:

. . . 21

Vleugel.........

. . . 17,

.—

Culmen met washuid.....

. . . 2,

6

D

Tarsus.........

. . . 2,

V

Grootste voortoon met nagel.

. . . 2,

.7

n

„ achtertoon „ „ . . .

. . . 2,

3

V

18. EOS RUBRA Gm.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XX, pag. 23 van Salvadori. — Schlegel, Mus. Pays-Bas. Psittaci, pag. 124 sub Lorius squama tu*. — Finsch, Papag. II, pag. 786 sub Domicella rubra.

Drie exemplaren van Wahaai (Cerani) en Amboina.

Kop en romp karmozijnrood; onderste staartdekvederen groengrijs aan de basis, licht blauw aan het uiteinde. Middelste- en kleine buitenste vleugeldekvederen roodbruin; de groote der primaria en de alula karmozijnrood met zwarte schaftstreep. De buitenste groote dekvederen der secundaria met roode buitenen zwarte binnenvlag, waarbij een blauwen binnenrand. Die

ocr page 25

— 189 —

der tertiaria zwart met donkerblauwen buitenrand en gedeeltelijk roode binnenvlag. Schoudervederen kobaltblauw.

De 4 buitenste primaria zwart met olijfgroenen buitenrand en vleeschkleurig roode binnenvlag; de overige slagpennen donkerrood met zwarte schaft en dito uiteinde; dit laatste groen bewasschen. Binnenst vleugeldek elfen karmozijnrood; op den vleugelrand enkele blauwe vlekjes. Staartpennen zijdeachtig glanzend, donker bruinrood met groenachtigen weerschijn en zwarte schaft; de binnenvlag aan het basaal gedeelte karmozijnrood. Ondervlakte donker koperkleurig glanzend met bruine zoomen.

Bek rood met oranje randen. Naakte huid om het oog, washuid, pooten en nagels zwart; voetzolen lichtgrijs.

Iris oranje met lichtgrijzen binnenrand.

Maaginhoud: vruchtjes.

Afmetingen:

Staart ..........

. . 10.5

cM.

Vleugel.........

n

Culmen met washuid.....

, . . 2.5

n

Tarsus..........

, . . 2.—

n

Grootste voortoon met nagel .

. . 2.5

n

„ achtertoon „ „ . . .

, . . 2.4

V

19. EOS RICINIATA Bechst.

Zie Cat. Birds Brit, Mus. Vol. XX, pag. 28 van Salvadori. — Schlegel, Mus. Pays-Bas. Psittaci, pag. 125 sub Lor km rici-niatus. — Finsch, Papag. II, pag. 803 sub Domicella riciniata (part).

Twee exemplaren van Bat jan en een van Gani (Halmaheira) s kooivogel van Ternate.

Voorhoofd tot de kruin, streek om het oog, teugels, wangen, zijden van het achterhoofd en kin helder karmozijnrood. Dezelfde kleur bezitten de kleine en middelste binnenste vleugeldekvederen, dij- en scheenvederen benevens de borst, terwijl de flankvederen donker violetachtig blauw zijn met karmo-

ocr page 26

— 190 —

zijnroode schaftvlekken, Keel, kruin en achterhoofd donker bruinachtig violet; hals en nek evenzoo, doch het violet heerscht hier voor. Buik- en onderste staartdekvederen donker purperachtig blauw met roodbruine harige zoompjes. Grroote binnenste dekvederen der primaria zwartachtig.

Buitenste kleine en middelste vleugeldekvederen en mantel donker bruinachtig rood; rug, stuit en bovenst staartdek karmozijnrood. Alula zwart met lichtrood aan de basis. Groote buitenste dekvederen der primaria zwart met rood basaalge-deelte van de binnen vlag; die der overige slagpennen zwart met breedeu rooden dwarsband. Tertiaria bruinachtig met donkerroode zoomen. Overige slagpennen zwart met een lange ovaalronde scherp begrensde roode vlek aan de binnenvlag.

Middelste staartpennen bruin groenachtig; bij de overige beperkt zich die kleur tot het uiteinde en de buitenvlag, terwijl de binnenvlag roserood is aan het basaalgedeelte.

Washuid geelgrijs; bek oranje met lichtere punt; naakte huid om het oog zwart. Pooten en nagels zwart; voetzool grijsgeel. Iris bruinrood.

Maaginhoud: vruchtjes en maïs.

Afmetingen:

Staart............9.5 cM,

Vleugel............14.— „

Culmen met washuid........2.—

Tarsus............1.7 „

Grootste voortoon met nagel.....2.3 „

„ achtertoon „ „......2.3 „

20. TEICHOGLOSSUS CYANOGRAMMUS Wagl.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XX, pag. 51 van Salva-dori. — Schlegel, Mus. Pays-Bas. Psittaci, pag. 109 sub Trichoglossus haematotus. — Finsch, Papag. II, pag. 830. Ben exemplaar van Massarete en twee van Kajeli (Boeroe)

De vederen van den bovenkop en de wangen eindigen puntig. Voorhoofdkruin, teugel- en wangvederen donkerblauw

ocr page 27

— 191 —

met kobaltblauwe scliaftstreep. Kin, keel, oorstreek en achterhoofd zwart. Daaromheen in den nek en ter zijde van den hals een bleek groengele dwarsband, waarvan de vederen op enkele plaatsen een roode basis hebben. Alle overige bovendeelen donkergroen. In de interscapulairstreek enkele roode vlekken. Borst helder rood met zwarte dwarsbanden. Voorflanken rood met groene dwarsbanden; achterHanken- en achterbuikvederen geel met breede groene uiteinden, evenals de onderste staartdek-vederen. Voorbuik groen. Binnenst vleugeldek en okselvederen helderrood. Vleugelrand groen. Slagpennen met zwarte uiteinden en groene buitenvlag; de primaria met gele binnen vlag, de secundaire met een roode. Middelste staartpennen verlengd en grasgroen ; de overige groen met gelen binnenrand, het geel allengs breeder wordend b|j de meer buitenwaarts ingeplante.

Bek vermiljoenrood, oranje aan de punt; washuid en naakte huid om het oog zwart. Pooten en nagels leikleurig; voetzool geelgrijs. Iris oranje:

Afmetingen:

Staart.........

Vleugel........

Culmen met washuid.

Tarsus........

12.2 cM

Grootste voortoon met nagel.

„ achtertoon

21. HYPOCHARMOSYNA PLACENS Temm.

Zie Cat. Birds. Brit. Mus. Vol. XX, pag. 74 van Salvadori.— Schlegel, Mus. Pays-Bas. Psittaci, pag. 113, sub Kanodes placens. — Fixsch, Papag. II, pag. 872 sub Trichoglossus placens.

Ik verkreeg 5 opgezette exemplaren, afkomstig van het eiland Amblauw hezuiden straat Manipa en ressorteerende onder de Z. O. kust van Boeroe in de Banda- zee. terwijl mijn jager 7 dier vogeltjes schoot in de omstreken van Wuhaai (Ceram).

Beschrijving van een mannetje. Voorhoofd smaragdgroen; kruin geelgroen; achterhoofd en verdere bovendeelen uitgezonderd de stuit, die donkerblauw is, grasgroen. Teugels,

ocr page 28

— 192 —

wangen en keel karmozijnrood. Dezelfde kleur hebben het binnenst vleugeldek, de zijden van de borst en de voórflanken. Achterflanken, krop, borst en buik geelachtig groen. Oorstreek donkerblauw, ieder vedertje met een helder kobaltblauwe schaftstreep. Slagpennen met zwarte uiteinden, donkergroene buiten- en gele binnenvlaggen. Verlengde middelste staartpennen grasgroen met eene scherp driehoekige roode vlek aan het uiteinde, waarvan de top geel is. Bij de overige staartpennen beperkt zich het donkergroen tot het grootste deel der buitenvlag en een driehoekige vlek nabij het uiteinde der binnenvlag, terwijl het basaal gedeelte der binnenvlag helder rood is en het uiteinde van de veder geel.

Bek vermiljoen rood, washuid en pooten oranje, nagels donker hoornkleurig. Iris oranje.

Afmetingen:

Staart............7.5 cM.

Vleugel............9.2 „

Culm en met washuid........1.4 „

Tarsus............1.—

Grootste voortoon met nagel „ achtertoon „ „

Het wijfje is even als mannetje, doch de bovenkop is niet geelgroen, doch even donkergroen als de overige bovendeden. Het rood is overal vervangen door geelgroen en de vedertjes op en om de oorstreek zijn donkergroen met heldergele schaft-streepjes.

22. SCYTHEOPS NOVAE HOLLANDIAE Lath.

Zie Voeuermax, Celebes-vogels, Nat. Tijds. v. Ked. Indië Dl. LVIH, pag. 52.

Een ma-nv el ijk individu van Batjan.

23. CENTROPUS GOLIATH Bp.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XIX, pag. 335 van Shelley. — Schlegel, Mus. Pays-Bas. Cuculi, pag. 61.

Een J exemplaar van Batjan en twee J van Gani (Halmcheira). Beschrijving van de Batjan-vogel.

ocr page 29

— 193 —

Deze koekoek draagt zijn soortnaam niet ten onrechte. De lengte toch van een pas geschoten vogel te Batjan bedroeg niet minder dan 66 cM.

Op de groote buitenste vleugeldekvederen na, die wit zijn, is het geheele vederkleed zwart met blauw-groenen glans op den mantel en het zwarte gedeelte van het buitenst vleugel-dek, terwijl de slag- en staartpennen een meer groenachtig blauwen gloed vertoonen. Het zwart van rug en buik trekt meer naar het rookkleurige.

Bek, pooten en nagels zwart; voetzolen donker okergeel. Naakte huid om het oog zwart; iris kastanjebruin.

Maaginhoud: torren, rupsen en sprinkhanen.

Afmetingen:

Staart .........

. . . 37.2

cM.

Vleugel........

. . . 24.5

T

Culmen........

. . . 4.8

V

Tarsus.........

. . . 5.5

V

Grootste voortoon.....

. . . 4.2

V

Nagel van dezen.....

. . . 1.8

V

Kleinste achtertoon.....

... 2 —

V

Spoorvwmige nagel van dezen .

. . . 2.6

V

Bij ieder der te Gani (Halmaheira) geschoten mannetjes werd slechts één groote ovale testikel waargenomen, die 4.2 cM lang en 2.6 cM breed was.

24. CENTROPUS JAVANICUS Dim.

Zie Vokderjian, Celebes-vogels, Nat. Tijds. v. JNed. Indie Dl. LVIII, pag. 53.

Een $ individu van Kajeli (Boeroe).

25. EUDYNAMIS ORIENTALIS L.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XIX, pag. 322 van Shellet.— Schlegel, Mus. Pays-Bas. Cuculi, pag. 16 (part).

Een vrouwelijk exemplaar van Attiboina.

Bovenkop, nek en zijden van den hals zwart, flesschengroen glanzend, de voorhoofdsvedertjes met bruine schaftvlekjes, de nekvederen met helder roestkleurige schaftvlekken. Teugel-

ocr page 30

— 194 —

vedertjes als die van het voorhoofd. Wangen rookzwart. Een breede malaarstreep licht okerkleurig; daaronder een breede rij vaalzwarte vederen, waarvan de achterste roestkleurige sehaftvlekken bezitten. Midden van kin en keel licht oker-kleurig met enkele scherppuntig uitloopende zwarte vedertjes.

Zijden van hals en krop intens okerkleurig; op het laatste deel hebben de vederen een zwart dwarsbandje. Binnenste vleugeldekvederen, borst, buik, flanken, scheenen en onderst staartdek fraai okerkleurig met smalle zwarte dwarsbandjes.

Mantel-, rug- en buitenste vleugeldekvederen zwart met bronsachtigen glans en witte of okerkleurige droppelvlekken. Bovenste staartdekvederen vaalzwart met groenachtigen glans en roestkleurige dwarsbandjes.

Slagpennen vaalzwart met boogvormende okergele en roestkleurige dwarsbandjes op de buitenvlag en driehoekige isa-bellakleurige dwarsbanden op de binnenvlag, die ecliter niet tot het uiteinde reiken.

Staartpennen vaalzwart met okerkleurige uiteinden en boogvormende helder roestkleurige dwarsbanden op de vlaggen.

Basis van bovenkaak donker hoornkleurig; overig gedeelte en onderkaak licht hoornkleurig. Pooten en nagels leikleurig; voetzool okerkleurig. Iris karmijnrood.

Maaginhoud: vruchtjes en steenharde pitten.

Afmetingen:

Staart ...

. . . 17.—

cM.

Vleugel .

. . . 19.8

V

Culmen .

. . . 2.7

V

Tarsus

. . . 3.4

V

Grootste voortoon

met nagel .

. . . 3.7

„ achtertoon

V V

. . . 2.8

V

26. CACOMANTIS SEPTJLCRALIS S. Mull.

Zie Vordekmax, Batav. Vogels in Nat. Tijds. v. Ned. Indië Dl. XLI, pag. 190.

Een exemplaar van Ternute en één van Wahaai (Ceram).

ocr page 31

— 195 —

27. CHALCOCOCCYX CRASSIROSTRIS Salv.

Zie Cat. Birds. Brit. Mus. Vol. XIX, pag. 301 van Shelley. — Schlegel, Mus. Pays Bas, Cuculi, pag. 34, sub Cuculus pal-Uolatus.

Een exemplaar van Tern ate.

Alle bovendeelen donker grijsbruin met een groenachtigen bronsgloed; als restanten van het eerste kleed komen onder de middelste en groote buitenste vleugeldekvederen enkele voor van helder kastanjebruine kleur met donkere dwarsbanden. Primaria vaalzwart; de binnenvlag voor de basaalhelft wit, door bruinrood begrensd. Secundaria evenzoo geteekend, doch vaalbruin in plaats van zwart. ïertiaria bronskleurig. Zijden van het gelaat grijsachtig; een bruinachtige band ter zijde van den hals en over den krop. Kin keel, krop en borst grijswit, hier en daar een donker dwarsbaudje. Buik, Hanken en onderst staartdek wit met enkel smalle bistre dwarsbandjes; evenzoo de scheenvederen en het binnenst vleugeldek. Enkele der groote binnenste dekvederen der primaria vertoonen bruine uiteinden.

Middelste staartpennen effen van Dijckbruin met groenen glans en donker reflecteerende dwarsbandeletjes en rosse randen. De daarop volgende 2 paren hebben een van Dijckbruine buitenen een rosse binnenvlag, en bovendien een zwarte vlek nabij het witte uiteinde. De overige paren zijn wit met vaal-zwarte vlekken aan de binnen- en koolzwarte breede dwarsbanden aan de buitenvlag, terwijl het zwart nabij het uiteinde met roestkleur omzoomd is. Bek zwart, van onderen donker hoornkleurig. Pooten donkergrijs; nagels zwart; voetzool okergeel. Ooglidranden oranje; iris bruinzwart.

Afmetingen:

6.2 cM.

Staart. Vleugel Culmen Tarsus.

u . t/ „

1.5 „

Grootste voortoon met nagel „ achtertoon „ „

ocr page 32

— 196 —

28. CHALCOCOCCYN NIETJWENHUISI N. Sp.

Deze nieuwe soort, die naar den Borneo-reiziger, den Officier van Gezondheid, Dr. A. W. JsTieüwenhuis genoemd wordt, is volgens Dr. Buttikofer zeer na verwant aan Ch. malayanus, doch de glans van boven is groen zonder bronskleur en de kruin is meer intens donker groen met blauw reflect.

Ik kreeg slechts een mannetje te Gani (Halmaheira).

Alle onderdeelen, de zijden van het gelaat en het binnenst vleugeldek wit met groenzwart glanzende dwarsbandjes. Boven-kop donker zeegroen met blauw reflect; alle overige bovendeden bistre met groenen glans. Slagpennen vaal bistre met gedeeltelijk witte binnenvlag, die op de grens der kleuren rosachtig aan-geloopen is. Middelste staartpennen bistre met groenen glans en donker uiteinde. Uiterste staartpennen wit met zwarte dwarsbanden die alterneerend geplaatst zijn ten opzichte der vlaggen ; de overige met vaalgroene buitenvlag, rosachtige binnenvlag en een breed zwart uiteinde, dat lichter getopt is en een witte vlek in de binnenvlag heeft; het 2de paar van buiten gerekend heeft zwarte dwarsvlekken in het rosachtige gedeelte.

Pooten en nagels donkergrijs. Iris bruin zwart. Ooglidran-den oranje. Bek zwart, van onderen donker hoornkleurig.

Afmetingen:

. . 5.8

cM.

Vleugel.........

. . 9.5

D

Oulmen.........

. . 1.4

V

Tarsus..........

. . 1.7

•n

Grootste voortoon met nagel .

. . 1.5

n

„ achtertoon „ „ . . .

. . 1.4

v

29. EHYTIDOCEROS PLICATUS Forst.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XVII, pag. 386 van O. Grant.— Schlegel, Mus. Pays-Bas, Buceros, pag. 3, sub Buceros ruficollis. Men q van Ceram en een $ van Batjan.

Het mannetje van deze soort heeft hoofd, nek en voorborst bruin, doch is overigens gelijk aan het wijfje.

ocr page 33

— 197 —

Beschrijving van een volwassen wijfje van Batjan.

Het vederkleed is effen zwart met zeegroenen glans. Staartvederen vuilwit met witte schaften. Bek geelachtig witj aan de basis sepia opgeloopen. Casque driehoekig plat, door een diepe transversaal-voor in twee deelen gesplitst; het achterste deel is van voren vuil wasgeel en van achteren wij nkleurig; het voorste deel als de bek gekleurd. Naakte huid om het oog azuurblauw. Naakte keelzak witachtig blauw met azuurblauw aan de achterzijde in het midden.

Pooten bruinzwart; nagels zwart; voetzolen bruinachtig.

Iris bruingeel.

Maaginhoud: waringinvruchten.

Afmetingen:

23.—

cM.

Vleugel...........

38.—

»

Culmen...........

16.5

V

Idem tot de punt der casque.....

8.8

»

Hoogte bovenkaak aan de basis met casque.

4.8

»

Idem onderkaak aan de basis.....

2.1

n

4.6

V

Middeltoon..........

V

Nagel van id..........

9 _

V

Achtertoon..........

2.9

V

Nagel van id..........

2.—

V

De lengte van den pas geschoten vogel bedroeg 80 cM.

30. MEROPS OENATTJS Lath.

Zie VoRDERMAjf, Celebes-Vogels, Nat. Tjjds. v. Ned. Indië Dl. LVIII, pag. 57.

Een exemplaar van Gani (Halmaheira), een van Gisser. twee van Wakaai (Ceram) en twee van Terne te.

31. ALCEDO ISPIOIDES Less.

Zie Vorderman, Celebes-Vogels, Nat, Tijds. v. Ned. Indië Dl. LVIII, pag. 60.

Drie exemplaren van Amboina, Kajeli {Boeroe) en Gani (Halmaheira)

ocr page 34

— 198 —

32. ALCYONE AFFINIS Gray.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XVII, pag. 171 vanB. Sharpe.— Schlegel, Vog. ]Ved. Indië. Ysvogels. pp. 11, 47 pi. 3. fig.

4, sub Alcedo azurea.

Em J van Bat jan.

Alle bovendeelen donker kobaltblauw, op het voorhoofd en bij de neusgaten in zwart overgaande. Zijden van het gelaat eveneens. Op de teugels een licht oranje kleurige vlek, en achter de oorstreek, ter zijde van den hals, een witte okerkleurig-getinte grootere vlek. Zijden van de borst indigoblauw. Kin, keel en voorhals wit, licht roestkleurig bewassehen. Borst, buik, flanken, onderst staartdek en binnenst vleugeldek intens kaneel-bruin. Kleine en middelste buitenste vleugeldekvederen zwart met kobaltblauwe uiteinden. Groote dekvederen en alula rook-zwart evenals de slagpennen, die echt- r een donkerblauwe buiten-bies en een roestkleurigen binnenrand hebben.

Middelste staartpennen donkerblauw; de overige zwart met donkerblauwe buiten vlag.

Bek zwart, oranjerood aan de punt. Pooten fraai koraalrood, nagels . vleeschkleurig. Iris bruinzwart.

Maaginhoud: insecten en slakjes.

Afmetingen.

Staart............3.7 cM.

Vleugel......

Culmen......

Tarsus.......

Grootste voortoon met nagel Achtertoon. . . „ „ . Deze soort is drieteenig.

7.7 4.3 1.—

1.8 1.1

V

33. CEYX LEPIDA Temm.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XVII, pag. 183 van B. Sharpe. — Schlegel, Vogels Ned. Indië, Ysvogels, pp. 39,66 pl. 16, fig. 4,5.

Vijf exemplaren van Temate. Amboina en Saparoea.

ocr page 35

— 199 —

Bovenkopsvederen en die van het midden van den nek zwart met een lilablauw vlekje aan het uiteinde, op welk vlekje de schaft kobaltblauw is. Op de wangen dezelfde kleur en teekening, doch door de grootere lengte der vedertjes komt hier het blauw in overlangsche streepjes voor, terwijl het op den kop tot stippels beperkt is, die in lijnen gerangschikt zijn. Neusvedertjes oranjeachtig roestkleurig; daaronder de zwarte teugel. Ter zijde van den hals een flauw geel getinte witte vlek, die van onderen in roestkleur eindigt. Het overige gedeelte van de halszijde is als een zwarte overlangsche streep.

Kin en keel wit, lichtgeel getint. Borst, buik, flanken, binnenst vleugeldek en onderst staartdek helder kaneelkleurig, het meest geprononceerd ter zijde van de borst. Bij de voorwerpen van Ternate is de kleur der onderdeelen donkerder getint. Buitenst vleugeldek rookzwart en spaarzaam met kobaltblauw bespikkeld. Rugvederen licht azuurblauw met helder zilverachtig blauw in overlangsche streepjes. Stuit en bovenst staartdek kobaltblauw. Slagpennen rookzwart met okerkleurigen binnenrand. Staart-pennen met donkerblauwe buiten- en zwarte binnenvlaggen.

Bek en drieteenige pooten helder oranjerood; nagels oranje. Iris bruinzwart.

Maaginhoud: schubben van vischjes.

Afmetingen:

Staart .

. . . 2.4

cM.

Vleugel. .

. . . 5.9

V

Culmen. .

. . . 3.6

V

Tarsus.

. . . 09

V

Grootste voortoon met nagel

. . . 1.4

V

Achtertoon

V

V . . .

. . . 0.9

V

34. HALCYON LAZULI Temm.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XVII, pag. 252 van B. Sharpe. — Schlegel, Vogels Ned. Indië. Ijsvogels, pp 31,61 pl.XII, fig. 1,2.

Twee exemplaren van Wahaai (Ceram).

Vederen van bovenkop, nek en wangen donker kobaltblauw

ocr page 36

— 200 —

aan de uiteinden; teugels en oorstreek zwart. Bij ieder neusgat een kleine zuiver witte vlek. Kin, keel en krop wit (bij een ander exemplaar is ook de borst wit) terwijl er tusschen de zwarte achterhoofdsvederen enkele witte voorkomen. Borst, buik en flanken helder azuurblauw, het lichtst in het mediaan-vlak en daar ter plaatse eenigszins met groenachtig reflect. Onderst staartdek donkerblauw; binnenst vleugeldek zwart.

Groote buitenste vleugeldekvederen zwart, donkerblauw aan-geloopen; middelste en kleine helder blauw, doch zoodanig dat de blauwe plek, die hierdoor ontstaat in het midden helder zilverachtig blauw is en aan den omtrek kobaltblauw. De harige mantel, rug en stuit vederen zijn helder blauw, in het midden zilverachtig groenblauw aangeloopen. Bovenst staartdek donkerblauw. Slagpennen vaalzwart met bruinachtige uiteinden en blauwen buitenrand. Staartpennen donker indigoblauw.

Bek zwart; de basis van de onderkaak wit, dat vleeschkleurig getint is.

Pooten en nagels zwart; voetzolen en achterhielen grijsachtig geel. Iris bruinzwart.

Afmetingen:

Staart ............5.6 cM.

9.— 4.5 1.2 2.1 1.4

Vleugel Culmen Tarsus.

Middeltoon met nagel Achtertoon „ „

35. HALCYON DIOPS Temm.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XVII, pag. 253 van B. Siiarpe. — Schlegel, Vog. Xed. Indië. Ijsvogels pp. 30, 60. pl. 12 fig. 3 en 4.

Vier exemplaren van Ternate, Batjan en Gani (Halmaheira).

Het mannetje verschilt van het wijfje doordien het laatste de witte nekkraag mist en een lichtblauwe gordel over de borst heeft, die het mannetje mist.

ocr page 37

Beschrijving van een mannelijk exemplaar van Batjan. Bo-venkop donker kobaltblauw; teugels en oorstreek meer zwartachtig. Boven ieder neusgat een groote zuiver witte vlek. Alle onderdeden en flanken zoomede een breede ring om den nek helder wit, op de buik eenigszins roomkleurig getint.

Voorste rij mantel vederen donker blauw; verder gedeelte zilverachtig groenblauw. Rug en stuit zilverachtig azuurblauw; bovenst staartdek donker blauw.

Buitenste groote vleugeldekvederen en alula zwart met donker indigoblauwe buitenvlaggen. Evenzoo de slagpennen, doch van af de 3de slagpen loopt dwars over het midden der primaria een zuiver witte dwarsband, die bij het vliegen een fraai effect heeft.

Binnenst vleugeldek wit. Vleugelrand helderblauw. Middelste en kleine buitenste vleugeldekvederen donkerblauw; in het midden van het vleugeldek hebben de vedertjes licht groenblauwe schaftvlekken, zoodat hierdoor een verschil in nuance ontstaat. Staartpennen zwart met indigoblauwe buitenvlaggen.

Maaginhoud : insecten en vischschubjes.

Bek, pooten, nagels en iris zwart.

Afmetingen:

Staart .

, ... 4.7

cM.

Vleugel

... 8.7

•n

Culmen

, ... 3.7

v

Tarsus.

. ... 1.4

7)

Middeltoon

met nagel . . . .

. ... 2.2

V

Achtertoon

, . . . 1.4

V

36. HALCYON SANCTUS Vig. en Horsf. Zie Vorderman, Celebes-Vogels, Xatuurk. Tijds. v. Sed. Indië, Dl. LVII, pag. 62.

Vier exemplaren van Ternate, Gani {Halmaheira). IVahaai ((\'eram) en Oisser.

37. HALCYON CHLORIS Bodd.

Zie Vorder man, Celebes-Vogels, Natuurk. Tijds. v. Ned. Indië, Dl. LVIII, pag. 62.

Acht exemplaren van Ternate, Kajeli {Boeroe) Amboina, Wahaai (Ceram) en Banda.

ocr page 38

— 202 —

38. TANYSIPTERA DEA l.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XVII, pag. 310 van B.Sharpe.— Schlegel, Vog. Ned. Indië, Ijsvogels, pp. 83, 62, pl. 13, fig.

3 en sub Dacelo dea.

Een J van Amboina een paar van Saparoea en een 2 van Wahaai (Ceram).

Voorhoofd-, bovenkop- en superciliairvederen met zwarte basis en azuurblauwe uiteinden. Wang vederen zwart met donkerblauwe schaftstreepjes. Zijden van hals, borst en flanken zwart. Nek vederen met kobaltblauwe uiteinden. Schoudervederen zwart, hier en daar donkerblauw aangeloopen. Onderdeden wit, op de buik okerkleurig bewasschen; binnenste vleugeldekvederen zwart met witte harige zoomen, en blauwen vleugelrand. Rug, stuit en bovenst staartdek zuiver wit. Scheenve-dertjes zwart

Slagpennen vaalzwart met donkerblauwe buitenvlag. Op het donkerblauwe buitenste vleugeldek komt een zilverblauw heldere vlek voor, omgeven door kobaltblauw.

Staartpennen trapsgewijze verlengd; de buitenste de kortste. Bij het middelste paar is de vlag, voor zooverre die over het aangrenzende paar heenreikt, zeer versmald en daarbij blauw-gekleurd met een zwarte schaft over het basaal gedeelte, dat wit is. Overige staartpennen wit met witte schaften. Het middelste paar eindigt in eene raketvormige verbreeding, die wit van kleur is en waar ook de schaft die kleur heeft. Het uiterste paar heeft een donkerblauw zoompje aan het uiteinde van de buitenvlag.

Bek vermiljoenrood. Pooten en nagels groenachtig geel. Iris bruinzwart.

Maaginhoud: insecten, w. o. sprinkhanen.

Afmetingen:

Staart (middelste pennen). .

. . . 23.8

cM.

Uiterste staartpennen.....

. . . 4.9

V

Vleugel........

. . . 10.5

n

. . . 3.9

V

ocr page 39

— 203 —

Tarsus.....

Middeltoon met nagel Achtertoon „ „

1.8 cM.

39. EURYSTOMUS AUSTRALIS Swains,

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XVII, pag. 36. van B. Sharpe.— Sciilegel, Mus, Pays-Bas, Coraces, pag. 139 sub Eurystomus orientalis (partim).

Twee exemplaren van Wahaai (Cur am).

Bovenkop, nek, zijden van den hals en wangen donker bruinachtig umberkleurig. Teugels en ooglidrandsvedertjes zwart. Kin- en keelvederen donker grijsachtig; in het midden kobaltblauw met lichtblauwe schaftstreep, die aan het uiteinde een helder grijsachtig wit puntje bezit.

Hals en krop vuil bruinachtig umberkleurig, als met vaalblauw bewasschen. Borst grijsachtig blauw. Buik, flankeD, binnenst vleugeldek en onderst staartdek helder grijsachtig blauw; de laatstgenoemde vederen met donkere schaftjes.

Mantel, rug, stuit en bovenst staartdek, zoomede de kleine buitenste vleugeldekvederen bruinachtig umberkleurig met lichte grijsblauwe randzoompjes aan de vederen.

Groote buitenste vleugeldekvederen der secundaria en tertiaria licht grijsblauw met witten binnenrand. Idem der primaria en de alula met indigo blauwe buiten vlag en grijze binnen vlag.

Primaria zwart met vaal indigoblauwe buitenvlag.

Op het midden van de veder een lichtblauwe breede dwarsband, die bij de eerste slagpen slechts de binnenvlag betreft, doch voor de overige over beide vlaggen gaat. Op dit lichte gedeelte steekt de schaft donker af. De uiteinden dezer vederen zijn zwart. Secundaria zwart met indigoblau-wen buitenrand en licht bruingrijzen binnenrand. Tertiaria vaal grijsblauw met bruinachtig grijzen binnenrand. Bij den uitgespreiden vleugel heeft de lichtblauwe spiegelvlek eene eenigszins halvemaanvormige gedaante. De uitgespreide staart is van onderen lichtblauw met donker grijs aan den rand en aan het uiteinde.

ocr page 40

— 204 —

De bovenzijde der staartpennen is, wat betreft de basaal-helft, licht groenachtig blauw met grijzen binnenrand en het overig gedeelte rookzwart met indigoblauwen buitenrand.

Bek vermiljoenrood en donker bruin langs den snavelrug en bij de punt; van binnen oranje.

Iris donkerbruin.

Pooten roodbruin, voetzool oranjerood, nagels zwart.

Maaginhoud: insecten.

Afmetingen:

. . . 9.9

cM.

Vleugel........

. . . 18.1

V

Gulmen........

. . . 2.4

V

Tarsus.........

. . . 1.5

V

Middeltoon met nagel . . . .

... 2.6

n

Achtertoon. „ „ .

... 1.7

33

40. CAPRIMULGUS MACRURTJS Hoesf.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XVI, pag. 537 van E. Hartert.—Vorderman, Batav. Vogels, Nat. Tijds.v. Ned. Indië, Dl. XLII, pag. 57.

Een exemplaar van het Fort te Kajeli (Boeroe).

41. COLLOCALIA LINCHI Horsf.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XVI, pag. 508 van E. Hartert. — Vorderman, Batav. Vogels, Nat. Tijds. v. Ned. Indië, Dl. XLI, pag. 193.

Drie exemplaren van Amboina.

42. MACROPTERYX MYSTACEA Less.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol XVI, pag. 516 van E. Hartert. —

Een vrouwelijk exemplaar van Wahaai (Ceram).

Bovenkop, teugels, buitenst vleugeldek, buitenvlaggen der slagpennen en staartpennen zwart met blauwachtigen metaalglans. Binnenvlaggen der slagpennen effen zwart. Buiten-vlag der uiterste staartpennen van boven rookzwart, van onderen

ocr page 41

— 205 —

grijs. De secundaria hebben op het midden der binnen vlag een groote witte vlek, waardoor op de binnenvlakte der vleugels een breede witte dwarsband ontstaat. Binnenste kleine en middelste vleugeldekvederen zwart met blauwen glans, de groote vaalzwart. Zijden van het gelaat, keel, hals, nek, rug, stuit, borst, buik en flanken effen donker grijs, op het midden van den buik in witachtig grijs overgaande. Bovenst staartdek donker grijs. Een superciliairstreep met witte verlengde puntige vederen reikt tot terzijde van den hals. Kinvederen wit, dat zich voortzet in een knevelstreep, waarvan de achterste vederen zeer puntig en verlengd zijn en tot bij den vleugel-hoek reiken. Schoudervederen wit. Bek, pooten en nagels zwart.

Iris zwartbruin.

Afmetingen:

Middelste staartpennen Uiterste „

Vleugel.....

Culmen.....

Mondwjjdte.

Tarsus.....

Middeltoon met nagel.

Achtertoon „ „

Lengte knevelvederen.

43. PETROCHELIDON NIGRICANS V.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. X, pag. 190 van B. Sharpe.-

Deze zwaluw hoort in Australië te huis en emigreert van daar uit naar Nieuw-Zeeland. Nieuw-Brittannië. Nieuw-Guinea, de Aroe- en Key-eilanden. In groote vluchten werd zij door mij op Banda-Neira waargenomen, nabij het oude Fort Nassau.

Voorhoofdsvedertjes roodbruin. Bovenkop, nek en mantel zwart met groenblauwen glans. Zijden van het gelaat, slagpennen, buitenst vleugeldek en staartpennen rookzwart Rug-, stuit- en bovenste staartdekvederen rosachtig met donkere

5.9 cM.

17.3 „

22.5 „

1.1 „

2.3 ,

0.9 ,

1.5 „

1.1 „

39 ,

ocr page 42

— 206 —

schaftjes. Kin- en keelvedertjes grijsachtig rosachtig met donkere schaftstreepjes. Krop en binnenst vleugeldek grijsachtig rossig. Onderste staartdek- en flankvederen rossig met donkere schaftjes. Borst en buik wit met roestkleur als bewasschen.

Bek zwart; pooten paarsachtig leikleurig; nagels donker hoornkleurig. Iris zwartbruin.

Maaginhoud: kleine insecten.

Afmetingen:

Middelste staartpennen.......4.3 cM

Uiterste , „........5.— „

Vleugel............9.7 „

Culmen............0.7 „

Tarsus............1.— „

Middeltoon met nagel.......1.1 „

Achtertoon „ „ .......1.— „

44. RHIFIDURA SdUAMATA M. en S.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. IV, pag. 318 van B. Sharpe.— Teugels, voorhoofd, zijden van het gelaat en hals zwart. Van den neuswortel reikt een witte streep tot boven het oog. Kin en keel wit, welke kleur zich naar achteren als een streep tot terzijde van den nek voortzet. Kropvederen zwart met witte zoompjes, waardoor dit deel zich geschubd voordoet. Borst, buik- en onderste staartdekvederen wit met zwarte basis, zoodat ook hier zwart doorschemert, even als op de flanken, waar de harige vederen licht grijsbruine uiteinden vertoonen. Scheen-vedertjes bruinachtig. Bovenkop en nek umberkleurig. Mantel, rug en bovenst staartdek roodbruin.

Buitenste vleugeldekvederen umberkleurig met rosachtige buitenboordjes. Slagpennen donker umber met rosachtigen buitenzoom en licht isabella getinten binnenrand. Binnenste vleugeldekvederen umber met witte uiteinden. Staartpennen aan haar basaal gedeelte roodbruin, overigens umber met witte uiteinden; het bruin van de basis zet zich langs de randen iets voort, doch het sterkst bij het middelste paar, waar het wit aan het uiteinde ontbreekt.

ocr page 43

— 207 —

Bovenkaak, pooten en nagels paarsachtig zwart; voetzolen en onderkaak witachtig.

Iris zwart.

Afmetingen:

Staart............9-1 CM.

Vleugel............7-1 »

Culmen...........!•! »

Tarsus............2.3 „

Middeltoon met nagel.......1.3 „

Achtertoon , „.......1.2 „

45. RHIPIDURA MELANOLEUCA Q. en G.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. IV, pag. 341 van B. Sharpe.— Drie exemplaren van Batjan, Gani (Halmaheira) en Amboina. Beschrijving van een mannelijk exemplaar van Amboina. Alle bovendeden, zijden van hals en gelaat, kin, keel, zijden van de krop, binnenst vleugeldek, de flank- en scheenvederen zwart. Midden van den krop en verdere onderdeden wit. Een witte superciliairstreep reikt tot achter het oog. Bij enkele individus is een rudiment van een wit knevelstreepje te herkennen. Slagpennen rookzwart; staartpennen effen zwart. Bek, pooten, nagels en iris zwart.

Maaginhoud: kleine insecten.

Afmetingen:

Staart............10.2 cM.

Vleugel...........10.4 „

Culmen...........1.7 „

Tarsus...........2.4 „

Middeltoon met nagel.......1.4 „

Achtertoon „ „.......1.5 ,

46. MYIAGRA GALEATA Gray.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. IV, pag. 385 van B. Sharpe.—

Een jong mannelijk exemplaar van Amboina in overgangskleed. Kopvedertjes blauwgrijs met bistre schaftvlekjes.

Nek, rug, mantel en zijden van den hals bistre roet blauw-

ocr page 44

— 208 —

grijs bewasschen. Bovenste staartdekvederen grijs met donkere schaft en rosachtigen eindzoom. Onderdeelen en flanken wit, doch op krop en borst roestkleurig aangeloopen. Vleugel-randvedertjes bistre met rosachtige randjes; overig binnenst vleugeldek wit. Kleine en middelste buitenste vleugeldek-vedertjes bistre met grijze zoompjes, de groote bistre met licht rosachtige uiteinden. Slagpennen bistre met witachtigen rand aan de basis van de binnen vlag ■ en roestkleurigen buitenrand.

Staartpennen bistre, de middelste met grijze buitenranden, de overige met roestkleurigen buitenrand.

De breede bek is donker leikleurig, doch de onderzijde dei-onderkaak is loodkleurig.

Pooten en nagels donker leikleurig, voetzolen okerachtig grijs. Maaginhoud: kleine insecten.

Afmetingen:

Staart............5.9 cM.

Vleugel............6.7 „

Culmen............1.3 „

Mond wijdte...........0.9 „

Tarsus............1.6 „

Middeltoon met nagel........1.2 „

Achtertoon „ „........1.— ,

47. PIEZORHYNCHTJS ALECTO Temm.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. IV, pag. 415. van B. Sharpe.—

Twee mannetjes en één wijfje van Ternate.

Het vederkleed van het mannetje is als volgt.

De geheele vogel is koolzwart met groenblauwen metaalglans. Bij opvallend licht doen zich de teugels en supercilia fluweelachtig voor. Groote buitenste vleugeldekvederen dofzwart met glanzenden rand. Slag- en staartpennen rookzwart met metaalglanzende groenblauwe buitenranden,

Bek loodkleurig met donkere punt; van binnen oranje even als de tong. Pooten, nagels en iris zwart; voetzolen okergeel. Maaginhoud: harige rupsen en torretjes.

Het wijfje heeft den kop en de zijden van het gelaat zwart

ocr page 45

— 209 —

met indigoblauwen gloed; ^vangen dofzwart, nek donkergrijs. Mantel, rug, stuit, bovenst staartdek, kleine en middelste buitenste yleugeldekvederen der secundaria en tertiaria, zoomede de buiten vlaggen der slagpennen en de staartpennen vosbruin; de laatste met iets donkerder getinte uiteinden.

De overige kleur der slagpennen is zwart met een vosbrui-nen binnenrand. Middelste eu groote buitenste dekvederen der primaria zwart met vosbruine buitenzoomen. Alle onder-deelen wit; daar de vederen dier deelen een zwarte basis hebben, zoo schemert die kleur hier en daar door, waardoor een grijze tint ontstaat. Binnenste vleugeldekvederen grijs met witte zoomen of dito uiteinden. Onderste staartdekvederen met ijle baarden wit Isabella getint.

Bek pooten en iris als bij het mannetje.

Maaginhoud: waterinsecten en wantsen.

Afmetingen:

S

?

Staart......

7.9

cM. .

. 6.9

cM.

Vleugel.....

8 4

V

. 7 7

V

Culmen.....

1.4

v •

. 1.5

•n

Tarsus. ....

1.9

n

. 2.—

D

Middeltoon met nagel .

1.5

v •

. 1.6

n

Achtertoon. „ „

1.4

7)

. 1.3

D

48. PIEZORHYNCHUS BIMACULATTTS Gray.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. IV, pag. 420 van B. Sharpe.—

Een jong mannetje van Batjan.

Kin keel en borst licht roestkleurig. Teugels en wangen donker roestkleurig, daardoor als een vlek afgeteekend. Oorstreek zwart. Alle bovendeelen grijsleikleurig. Voorhoofdsvedertjes rosachtig. Neusvedertjes zwartachtig. Buik, flanken en onderst staartdek wit, dat met Isabella bewasschen is. Kleine en middelste binnenste dekvedertjes der primaria lichtgrijs met witte randjes; alle overige wit.

Slagpennen en hare groote buitenste dekvederen vaalzwart, de eerste met witten binnenrand aan de basis.

ocr page 46

— 210 —

Staartpennen zwart; de beide uiterste paren met witte uiteinden.

Snavel donker hoornkleurig; onderkaak en pooten loodkleurig; voetzolen okergeel.

Maaginhoud: insecten.

Afmetingen:

Staart ....

Vleugel.

Culmen.

Tarsus ....

Middelloon met nagel

Achtertoon „ „

49. MONARCHA INORNATA Garn.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. IV, pag. 431 van B. Sharpe. —

Vijf eremplaren van Ternate, Noesa-laut en Banda.

Beschrijving van een mannetje van Banda.

Behalve de borst, buik, Hanken en de onderste staartdek-vederen, die kastanjebruin zijn, is het geheele vederkleed van den romp aschgrijs. Binnenste vleugeldekvedertjes aschgrijs met bruine boordsels.

Kleine en middelste buitenste vleugeldekvederen aschgrijs; de overige met grijze buiten- en vaalzwarte binnenvlag.

Slagpennen zwart met grijzen buitenrand en witachtigen binnenrand.

Staartpennen vaalzwart met grijze buitenranden; de meer buitenwaarts geplaatste met grijze uiteinden.

Bek helder loodblauw; pooten en nagels donker loodkleurig ; voetzolen okergeel. Iris bruinzwart.

Maaginhoud: insecten.

Afmetingen:

6.o cM.

6.8 yj

1.2 , 1.7 „ 1.3 „ I-- m

Staart......

......7.—

cM.

Vleugel......

......8.5

V

Culmen.....

......1.7

V

Tarsus......

......2.1

7)

ocr page 47

— 211 —

Middeltoon mer, nagel.......1.4 cM.

Achtertoon „ „ .......1.1 „

50. ARTAMUS LEUCOGASTER Val.

Zie VoRDEKMAN, Celebes-Vogels, Nat. Tijds. v. Ned. Indië, Dl. LVIII, pag. 73.

Twee exemplaren van Ternate.

51. GRAUCALUS MELANOPS Lath.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. IV, pag. 30 van B. Sharpe.—

Zes exemplaren von Wahaai (Ceram). Gisser, Noesa-laut en Banda.

Beschrijving van een volwassen wijfje van Wahaai.

Voorhoofd, streek om het oog, wangen, oorstreek benevens kin, keel en krop zwart.

Bovendeelen van af de kruin, zijden van den nek, borst en flanken aschgnjs. Vleugelrand, binnenst vleugeldek, midden van den buik en onderst staartdek zuiver wit Mede asch-grijs zijn de bovenste vleugeldekvederen, de binnenvlaggen der slagpennen (die echter een witten binnenrand hebben), de buitenranden der primaria, de buitenvlaggen der secundaria en tertiaria, terwijl overigens de slagpennen zwart zijn. Van de alula, die overigens grijs is, is de grootste veder zwart. Hoofdkleur der staartpennen zwart, het middelste paar grijs met een zwart uiteinde; de overigen met een wit uiteinde en grijs aan de basis van de binnenvlag.

Bek, pooten en nagels zwart.

Iris donkerbruin.

Maaginhoud: vruchten en insecten.

Afmetingen:

Staart.

. . . 14.1

cM.

Vleugel .

. . . 19.2

Culmen .

... 2.5

T)

Tarsus. .

... 2.6

V

Middeltoon

met nagel ....

... 26

V

Achtertoon

... 1.9

ocr page 48

— 212 —

52. GRAUCALTJS PAPUENSIS Gm.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. IV, pag. 39 van B. Sha.rpe .—

Een mannetje van Batjan.

Kop, bovendeelen en buitenst vleugeldek aschgnjs, het lichtst getint op het voorhoofd en de stuit. Kin, keel, buik, onderst staartdek, vleugelrand en binnenst vleugeldek wit. Teugel-en neusvedertjes zwart.

Alula- en buitenste dekvederen der primaria zwart met lichtgrijze buitenranden en eindzoomen. Primaria zwart met smallen lichtgrijzen buitenzoom en witten binnenrand. Secundaria evenzoo, wat binnenvlag betreft, doch met breeden grijzen buitenrand. Dit grijs verbreedt zich allengs naarmate de plaatsing der pennen meer binnenwaarts is.

Staartpennen zeer versleten bij dit exemplaar. Middelste bruinachtig grijs; de overige zwart met grijze buitenranden en wit basaalgedeelte van de binnenvlag.

Bek pooten en nagels zwart.

Iris bruinzwart.

Afmetingen:

53. LALAOE AUEEA Temm.

Staart.........

. . . 11.3

cM.

Vleugel........

. . . 14.9

»

Culmen........

. . . 2.3

V

Tarsus.........

. . . 2.5

»

Middeltoon met nagel . . . .

... 2.2

V

Achtertoon „ „ . . . .

... 2.—

V

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. IV, pag. 180 van B. amp;ha.rpe —

Twee mannetjes van Ternate.

Bovenkop, teugels, streek achter het oog, zijden van den hals, nek, mantel, rug, stuit, bovenst staartdek en kleine buitenste vleugeldekvederen zwart, met duidelijk zeegroenen metaalglans. De rugvederen met witte, de overige met grijze basis.

Een superciliairstreep, die tot boven het oog reikt, de wangen

ocr page 49

en de kin zijn wit. Evenzoo een gedeelte van de halszijde, dat met het wit van de oorstreek één geheel uitmaakt en het binnenst vleugeldek. Buitenste middelste vleugeldekvederen wit; groote dito zwart met witte uiteinden, uitgezonderd die der primaria, die effen zwart zijn.

Primaria zwart met witte binneuvlag aan het basaalgedeelte. Secundaria evenzoo, doch bovendien met een breeden witten zoom aan het uiteinde van de huitenvlag. Hierdoor ontstaan op den zwarten vleugel drie breede witte dwarsbanden.

Het zuiver wit der binnenvlaggen komt voornamelijk uit op de binnenvlakte van den vleugel.

Uitgezonderd de kin zijn alle cnderdeelen en de flanken kastanjebruin.

Staartpennen zwart; het middelste paar en de buitenranden der overige met een zwakken groenen metaalglana; de twee buitenste paren met een wit uiteinde.

Bek, pooten en nagels vaalzwart, voetzolen geel. Iris bruinzwart.

Maaginhoud: steenharde pitjes en insecten.

Afmetingen:

.....7.5

cM.

.....9.3

.....1.4

7)

.....2.—

n

.....1.3

V

.....1.3

V

54. CHIBIA AMBOINENSIS Gray.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. III, pag. 239 van B. Sharpe.— Wordt beschouwd als eene subspecies van C. carbonaria, die in de Papoegroep voorkomt.

Drie exemplaren van Wahaai (Ceram) Amhoina en Saparoea. Beschrijving van de Ambonsche vogel.

De neusvedertjes staan rechtop, bedekken de neusgaten niet

ocr page 50

— 214 —

en zijn betrekkelijk klein. Vederen van de zijden van den hals en den nek lansvormig puntig eindigende.

Halve krul van het buitenste paar staartpennen slechts even opgewipt. De geheele vogel is zwart.

Vedertjes van den bovenkop sterk groenachtig glanzend; die van den nek en de zijden van den hals, zoomede van keel en krop alleen als schaftvlek of schaftstreep nabij het uiteinde blauwachtig groen glanzend. Krop, mantel, rug, buik, flanken en onderst staartdek met zeer flauwen indigoblauwen glans.

Bovenste staartdek vederen met groenachtig glanzende uiteinden. Buitenst vleugeldek en tertiaria sterk groenachtig glanzend. Slag- en staartpennen enkel glanzend aan het deel, dat in toegevouwen staat aan het daglicht is blootgesteld.

Bek, pooten en nagels zwart; voetzool geelachtig grijs. Iris donkerbruin.

A-fmetingen:

Buitenste staartpennen.......13.5 cM.

Vleugel...........14.4 „

Culmen...........3.— „

Tarsus.......... . 2.6 „

Middeltoon met nagel.......2.— „

Achtertoon „ „ . ......1.8 „

55. PACHYCEPHALA MENTALIS Wall.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. VIII, pag. 189 van H. Gadow.—

jKen mannetje en een wijfje van Ternate.

Beschrijving van het mannetje.

Kop en kin koolzwart. Zijden van den hals, nek, borst, buik, flanken en onderst staartdek guttegomgeel. Kin en voorhals wit, de keelvederen kuifvormend verlengd. Dwars over den krop een naar achteren scherp begrensde halvemaan vormenden zwarten dwarsband. Scheen vedertjes zwart met gele harige uiteinden. Mantel, rug, stuit en kleine buitenste vleugeldekvederen donker olijfgroen. Bovenst staartdek zwart. Middelste

ocr page 51

— 215 —

vleugeldekvederen zwart met harige olijfgroene boordsels; groote zwart met olijfgroene randen. Slagpennen zwart met olijfgroene buitenranden — die het breedst zijn op de meest binnenwaarts voorkomende — en lichtgrijzen binnenrand. Binnenste vleugeldekvederen wit met heldergele zoomen.

Staartpennen koolzwart.

Bek zwart; tarsi van achteren paarsachtig loodkleurig; overigens zijn de pooten bistre met donker hoornkleurige nagels en okergele voetzolen.

Iris donker bruin.

Maaginhoud : kleine schelpdiertjes en insecten.

Het wijfje is veel eenvoudiger gekleed. Kop donker grijsachtig umberkleurig. Zijden van het gelaat hlict umber. Kin, keel en hals lichtgrijs met umber dwarsbandjes.

Vederen van borst, buik en Hanken geel, zeer flauw umberkleurig gedwarsband; daardoor totaal indruk van vuil geel. Achterbuik en onderst staartdek helder geel. Bovendeelen van den romp olijfgroen, op het staartdek in het olijfbruin trekkend. Slagpennen vaalzwart met witten binnenrand en olijfgroenen buitenband. Staartpennen olijfbruin met olijfgroene buitenzoomen.

Bek, pooten en iris als bij het mannetje.

Afmetingen:

s

?

Staart.......

. . 7.—

cM.

7.3

cM.

Vleugel......

. . 9.—

n

9.2

V

Culmen......

. . 1.9

1.6

V

Tarsus......

. . 2.5

V

2.5

V

Middeltoon met nagel .

. . 1.9

V

1.6

V

Achtertoon „ „ . .

. . 1.6

V

1.6

V

56. F ACHY CEPHAL A PHAEONOTA Mull.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. VIII, pag. 214 van H. Gadow.—

Deze vogel is zeer algemeen op Banda-Nelra en Lonthair. Ik verkreeg in weinige dagen een tiental, tot beide seksen behoorende.

Beschrijving van een mannetje.

ocr page 52

— 216 —

Bovenkop en wangen donker umberachtig grijs, Nek en bovenste rompvederen, buitenst vlengeldek, de buitenvlaggen der primaria en secundaria, de tertiaria en de staartpennen umberachtig bruin. Kin, keel, midden van den buik, onderst staartdek en binnenst vleugeldek wit. Krop, borst, zijden van den buik en flanken licht rosachtig. Binnenvlaggen der primaria en secundaria vaalzwart met witten binnenrand.

Bek en iris zwart. Pooten en nagels vleeschkleurig. Voetzool okergeel.

Maaginhoud: insecten.

Afmetingen:

Staart............6.— cM.

Vleugel............8.— „

Culmen............1.7 „

Tarsus............2.1

V

Middeltoon met nagel........1.4

Achter toon „ .........1.3 „

57. PACHYCEPHALA CINERASCENS Salv.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. VIII, pag. 216 van H. Gadow.—

Een mannelijk exemplaar van Ternate.

Bovendeelen en zijden van het gelaat umberachtig grijs. Kin, keel en borst grijs. Buik-, flank- en onderste staartdekvede-ren harig zilverachtig wit, waarbij het grijs van de basis doorschemert. Slagpennen donker umber met witten binnenrand. Staartpennen donker umber; het middelste paar flauw grijsachtig gedwarsband.

Bek, pooten en nagels zwart; voetzool okergeel. Iris donker bruin.

Afmetingen:

Staart.............5.4 cM.

Vleugel............7.6„

Culmen............13„

Tarsus............1.8,

Middeltoon met nagel........1-6 „

Achtertoon. „ .........1-2 „

ocr page 53

— 217 —

58. CINNYRIS ASPASIA Less

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. IX, pag. 71 van H. Gadow.—

Een J van Amboina.

De hoofdkleur van het vogeltje is zwart. Dit zwart heeft op borst en mantel bij opvallend licht een flauw donkerblauwer! glans. Bovenkop sterk smaragdgroen reflecteerend. Kin, keel en krop sterk azuurblauw glanzend. Buitenst klein en mid-delst vleugeldek, rug, stuit en bovenst staartdek sterk blauwgroen glanzend. Groote buitenste vleugeldekvederen en slagpennen, zoomede het binnenst vleugeldek vaalzwart. Staartpennen zwart met sterk groenblauwe metaalglanzende buitenranden.

Bek, pooten en nagels zwart. Iris donkerbruin.

Maaginhoud: kleine insecten.

Afmetingen;

Staart............4,3 cM.

Vleugel. ...........5.9 „

Culmen............2.1 „

Tarsus............1.5 „

Middeltoon met nagel.......1,2 „

Achtertoon „ „ .......1.1 „

59. CINNYRIS AURICEPS Gray,

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol, LX, pp, 70, 71, van H. Gadow.—

Vijf exemplaren van Termite.

Beschrijving van het mannetje.

De grondkleur van dit honigzuigertje is zwart. Dof fluweel-zwart op teugels, zijden van het gelaat, nek, mantel, krop, borst, flanken, buik en onderst staartdek en zwart met sterk uitgedrukten blauwen metaalgloed op keel, voorhals, rug, stuit, bovenst staartdek en op de buitenste kleine en middelste vleugeldekvedertjes, terwijl de groote een paarschen gloed hebben. Alle slagpennen zwart; buitenranden der primaria en secundaria, zoomede de tertiaria van een paarsachtigen gloed voorzien.

Staartpennen zwart; het middelste paar over de geheele uit-

LVIII. 15*

ocr page 54

— 218 —

gestrektheid, de overige langs den buitenrand staalblauw glanzend.

Enkele exemplaren vertoonen aan de oksels een flauw geel vedertje.

Bovenkop sterk groengoud glanzend.

Bek en pooten zwart. Iris donkerbruin.

Maaginhoud: kleine vezeltjes en insecten.

Afmetingen:

Staart............4.4 cM.

Vleugel............5.8 „

Culmen............1.6 „

Tarsus............1.7 „

Middeltoon met nagel........1.— »

Achtertoon „ „........!•— „

Het wijfje heeft de bovendeelen umbergrijs. Zijden van het gelaat lichtgrjjs. Kin-en keel grijswit. Verdere onderdeelen licht groenachtig geel, waarbij het grijs van de basis der vederen doorschemert. Zijden van den nek, mantel en rug met olijfgroen bewasschen. Kleine en middelste buitenste vleugeldekvedertjes donker grijsachtig umber met lichtere boordjes; de groote vaal-zwart met olijfgroene buitenranden.

Slagpennen vaalzwart; de binnenvlag met een witten rand aan het basaal gedeelte; de buitenrand fijn gebiesd met olijfgroen. Staartpennen zwart, de 3 buitenste paren wit getopt.

Bek, pooten en iris als bij het mannetje.

60. c1nnyris frenata s. mull.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. IX, pag. 85 van H. Gadow, waar deze vogel als een subspecies van C. jugular is beschouwd wordt. — Vorderman, Celebes Vogels, Nat Tijds. v. Ned. Indië Dl. LVIII, pag. 82.

Drie exemplaren van Kajeli {Boeroe) en Tern ate.

61 cinnyris zenobia less.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. IX, pag. 90 van II. Gadow. —

Vijf exemplaren van Amboina. Saparoea, Noesa-luut en Gisser.

ocr page 55

— 219 —

Bovendeelen intens geelachtig olijfgroen; bovenkopsvedertjes echter umberkleurig met olijfgroene randjes, waardoor dit deel zich als geschubd voordoet. Teugels zwart, welk zwart zich even tot boven het oog en op de wang uitstrekt. Zijden van nek en oorstreek geelachtig olijfgroen. Kin, keel en krop zwart glanzend met sterken donkerblauwen metaalgloed langs de zijden van het glanzende gedeelte. Borst, buik en flanken zwart met indigoblauwen glans. Onderste staartdekvederen dof zwart met blauwglanzende randen. Onder iederen oksel een bundeltje oranjegele vedertjes. Kleine buitenste vleugeldekvederen donker olijfgroen, de overige bistre met olijfgroene randjes. Evenzoo de slagpennen, doch hier is het groen tot den buitenrand beperkt, terwijl de binnenrand aan de basis witachtig is. Binnenst vleugeldek vaalzwart. Staartpennen zwart, een weinig blauw glanzend.

Bek, pooten en nagels zwart. Iris donkerbruin.

Maaginhoud: kleine insecten.

Afmetingen:

Staart............3.3 cM.

Vleugel Culmen Tarsus

Middeltoon met nagel. Achtertoon „ „ .

62. DICAEUM VULNERATUM Wall.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. X, pag. 29 van B. Suarpe. —

Een mannetje van Amboina.

Op stuit en bovenst staartdek na, die vermiljoenrood zijn, is de bovenzijde grijsachtig umberkleurig, terwijl de bovenkop-vedertjes donker umbergijs gerand zijn en dit deel zich daardoor als geschubd voordoet. Slag- en staartpennen vaalzwart.

Zijden van gelaat en hals, zoomede de onderdeelen licht grijs; onderst staartdek bovendien als met olijfgroen bewasschen. Op de borst een vermiljocnroode vlek.

ocr page 56

— 220 -

Binnenst vleugeldek wit. Bek, pooten en nagels zwart. Iris

bruin.

Afmetingen :

Staart............2.3 cM.

Vleugel............4.8 „

Culmen............0.9 ,

Tarsus............1.4 „

Middeltoon met nagel........0.9 ,

Achtertoon , „ .......0.9 ,

63. MYZOMELA BOIEI S. Mull.

Zie Cat. Birds Brit Mus. Vol. IX, pag. 133 van H. Gadow. —

Elf exemplaren van Uanda-Neira, waar deze soort algemeen is.

Elk mannetje heeft het volgende vederkleed.

Kop, nek, kin en keel benevens het midden van mantel en rug, stuit en bovenst staartdek vermiljoenrood. Teugels, hals, krop, zijden van mantel en rug, buitenst vleugeldek, slag- en staartpennen vaal purperachtig zwart, de pennen min of meer rookzwart.

Borst, buik, flanken en onderst staartdek licht geelachtig grijs, het zwart van de basis der vederen doorschemerende. Vleugelrand zwart, binnenst vleugeldek en de rand van het basaal gedeelte der binnenvlag van de slagpennen zuiver wit. Bek zwart; pooten en nagels donker leikleurig; voetzolen oranjegeel. Iris bruinzwart.

Afmetingen:

Staart ..........

Vleugel..........

Culmen..........

Tarsus..........

Middeltoon met nagel.....

. . 1.2 „

Achtertoon „ „ .....

. . 1.1 „

Het wijtje heeft de bovendeden bistre,

de slagpennen met

olijfgroene buitenzoompjes, keel en borst grijs; de vederen der

overige onderdeelen grijs met vuil isabella uiteinden. Voor-

ocr page 57

— 221 —

hoofd, teugels, kin en streek om het oog vleeschkleurig rood. Overigens als het mannetje.

64. ZOSTEROFS CHLORIS Bp.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. IX, pag. 184 van II. öadow. —

Twee exemplaren van Gisser en vier van Banda.

Alle bovendeden en zijden van hals en borst geelgroen; onderdeelen geel. Teugels zwart, welke kleur zich als een smal streepje onder hot ooglid voortzet. Ooglidrandsveder-tjes zilverwit. Boven den teugel een lichtgeel plekje, dat bij een der vogels nabij de neusvedertjes in rosachtig overgaat, terwijl ook de voorste kinvedertjes rosachtig getint zijn. Binnenst vleugeldek lichtgeel. Slag- en staartpennen vaalzwart met geelgroene buitenboorden, de eerste bovendien met witachtige binnenranden. Basis van de onderkaak en pooten loodblauw; snavel en punt der onderkaak even als de nagels donker hoornkleurig; voetzolen gnjsgeel. Iris grijsbruin.

Maaginhoud: kleine insecten.

Afmetingen:

Staart............4.2 cM.

Vleugel, Culmen. Tarsus

6.1 „

Middeltoon met nagel Achtertoon „ _

65. PHILEMON MOLUCCENSIS Gm.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. IX, pag. 275 van H. Gadow. —

Drie mannetjes en twee wijfjes vayi Kajeli (Boeroe).

Deze vogel is zoo weinig schuw, dat een mijner roeiers op een tochtje naar een eajeputolie stokerij een individu op weinige passen afstand met een steen gooide en het op die wijze doodde. Het is dezelfde soort, die door Wallace in zijn bekend werk over den Indischen Archipel Tropidorhynchus bouruensis genoemd wordt.

Bovenkopsvederen tot den nek donker bruinachtig umber-

ocr page 58

— 222 —

kleurig met lichte bruingrijze randjes, het sterkst geprononceerd op het voorhoofd, het minst op een band, die achter het oog begint en om het achterhoofd gaat, waar lichtgrijs domineert en het bruin zeer licht van tint en tot een minimum beperkt is. Wang en oorstreek vaal rookzwart; daarachter een neerdalende band van bruinachtig grijze vederen in de kleur der onderdeden overgaande. Vederen van kin en het voorste deel der zijden van den hals als die van den bovenkop. Voorhalsvederen grijs met witte scherppuntige scha ft vlekjes. Krop-, borst-, buik- en flank vederen grijs aan de basis, licht umber-kleurig aan de uiteinden. Onderst staartdek licht umberkleurig even als het binnenst vleugeldek. Van af den nek zijn alle bovendeden effen umberachtig bruin, vrij donker getint; de primaria en groote vleugeldekvederen met lichtere randen. Staartpennen umber met lichtere uiteinden. Tong hoornachtig doorschijnend, aan de punt borstelvormend gespleten.

Bek zwart. Pooten loodkleurig; nagels donker hoornkleurig en voetzolen geel.

Iris: terrasienna.

Afmetingen:

Staart............11.6 cM.

Vleugel............14.— ,

Culmen............3.6 „

Tarsus............2.6 „

Middeltoon met nagel........2.1 „

Achtertoon „ .........2.1 „

66. PHILEMON SUBCOENICULATUS H. cn J.

Zie Cat. Birds Brit Mus. Vol. IX, pag. 250 van H. Gadow. —

Twee mannetjes en een wijfje van Wahaai (Ceram).

Het geheele vederkleed is olijfgroen, uitgezonderd de vederen van nek en hals, die lichtgrijs wollig en weinig ontwikkeld zijn, waardoor die deden zich vrij kaal voordoen.

De grondkleur is het lichtst op de buitenranden der slagen staartpennen, zoomede op den bovenkop, borst en vleugel-

ocr page 59

— 223 —

rand, terwijl de overige deelen met umber getint zijn, donker van boven, licht op de onderdeelen. Grondkleur der slag- en staartpennen donker umber. Naakte huid van de zijden van het gelaat olijfgroen. Om de oorstreek een rand van bruinachtig zwarte vedertjes, die rechtop staan.

De stevige bek is donker hoornkleurig. Tong oranje, in een donker gekleurd kwastje eindigende. Pooten en nagels donker leikleurig; voetzool okergeel. Iris donkerbruin.

Maaginhoud: oranje boschvruchtjes, groote larven en rupsen.

Afmetingen.

Staart............14.5 cM.

Vleugel.....

Culmen.....

Tarsus.....

Middeltoon met nagel Achtertoon _ _

16.6 „

rt.cr „

4.1 „ 3.1 „

De vogel is even weinig schuw als zijn confrater van Kajeli. Den geheelen dag kan men hem waarnemen op de roode bloemtrossen der Erythrina\'s om het Fort.

67. MELITOGRAIS GILOLENSIS Temm.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol, IX, pag. 282 van H. Gadow. —

Twee vrouwelijke exemplaren van Gani (Ilalmaheira).

De bovenkopvedertjes zijn min of meer toegespitst en eindigen achter de kruin als een soort kuif; zij zijn grijs met lichte geelgrijze schafstreepjes.

Een superciliar streep van dergelijke vedertjes loopt over de naakte huid om het oog. Kin-, keel-, krop-, borst- en buikvederen vaalzwart met witte schaften, zoodat die deelen zich in overlangsche richting gestreept voordoen. Achterbuik, onderst staartdeken flanken vaal umberkleurig bruin. Nek- en mantelvederen donker umber met lichte schaftjes. Staart- en slagpennen zoomede het bovenst staartdek, rug en stuit sepia, de slagpennen en dekvederen met lichte buitenranden en roodbruine binnenranden; binnenst vleugeldek grijsbruin. Naakte huid om het oog, op het voorhoofd en achter de kuif zwart.

ocr page 60

— 224 —

Bek zwart Pooten en nagela donker leikleurig; voetzolen okergeel.

Maaginhoud: vezels en insecten.

Afmetingen:

Staart............8.1 cM

Vleugel............9.8 „

Culmen............3.1 ,

Tarsus............2.8 „

Middel toon met nagel........1.9 „

Achtertoon „ „ .......1.8 „

68. CRINIGER CHLORIS Finsoh.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. VI, pag. 85 van B. Siiarpe.—

Twee exemplaren van Batjan.

Alle bovendeelen en zijden van het gelaat en hals donker geelachtig olijfgroen. Alle onderdeden helder groenachtig geel, het lichtst op de kin en op het midden van den buik in geel overgaande. Buitenvlaggen der slagpennen olijfgroen; binnen-vlaggen vaal zwart met lichtgelen binnenrand. Binnenst vleugel-dek lichtgeel. Staartpennen donker olijfgroen met bruinzwarte schaften; aan de onderzijde grijsgeel met witte schaften. Bek loodkleurig op den snavelrug, elders groenachtig grijs.

Pooten loodkleurig; nagels licht hoornkleurig; voetzool okergeel. Iris donkerbruin.

Maaginhoud: Insecten.

Afmetingen:

Staart............8.— cM.

Vleugel............9.8 „

Culmen............1.8 „

Tarsus............2.— „

Middeltoon met nagel.......1.7 „

Achtertoon „ „ .......1.3 „

69. CRINIGER MYSTACALIS Wam,.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. VI, pag. 85 van B. Siiarpe. —

Een £ exemplaar van Kajeli {Boeroe).

ocr page 61

— 225 -

Gelijkt veel op C. chloris van Batjan, doch heeft grooter afmetingen.

Het eenige verschil in kleur is dat C, mystacalis gele teugels heeft en de onderdeelen donker geelachtig-olijfgroen zijn.

Bek, pooten en iris gelijk.

Afmetingen:

Staart............9.1 cM.

Vleugel............10.2 ,

Culmen............1.7 „

Tarsus............1.9 „

Middeltoon met nagel........1.7 „

Achtertoon „ „........1.4 „

70. PITTA MAXIMA Müll. en Schleg.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XIV, pag. 419 van Sciater. —

Vier exemplaren van Gani (Halmuheira) en één van Datjan.

•Kop, bovendeelen van den romp, staart, schoudervederen en tertiaria koolzwart. Binnenst vleugeldek, flanken en binnenvlakte van den vleugel zwart; het laatste deel met een witten dwarsband over het midden der zwarte primaria. Buitenste kleine en middelste vleugeldekvederen harig licht zilverblauw glanzend; die der secundaria met haar groote dekvederen zilverachtig groen glanzend. Buitenvlag der secundaria aan het randgedeelte vaal blauwgroen. Buitenste groote dekvederen der primaria en alula effen zwart. Krop, borst en zijden van den buik, zoomede de scheenvedertjes wit. Midden van den buik en onderst staartdek ponceaurood; op den buik schemert het zwart van de basis der vederen in het rood door.

Bek zwart; pooten vleeschkleurig; nagels licht hoornkleurig. Iris donkerbruin.

Maaginhoud: insecten.

Afmetingen:

Staart............6.9 cM.

Vleugel............14.8 ,

Culmen............2.6 „

ocr page 62

— 226 —

Tarsus.....

Middeltoon met nagel, Achter toon „ -

71. PITTA CYANONOTA Gray.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XIV, pag. 435 van Sclater. —

Een jeugdig mannetje in overgangskleed van Ternate.

Bovenkop- en nekyederen grijsbruin, die van het achterhoofd in rui, donker bruinachtig granaatrood. Vederen van de zijden van het gelaat, van hals, keel, krop en borst donker grijsbruin met een heldere schaftvlek. Aan de keel een dwarsband van witte vederen met zwart uiteinde. Op de borst zijn reeds eenige vederen geruid en vertoonen deze een egale grijsblauwe kleur. Mantel, rug, stuit en bovenst staartdek vaal indigoblauw; flankvederen grijsachtig met breede licht bruinachtige zoomen. Buik en onderst staartdek rood. De kleine en middelste der buitenste vleugeldekvederen en de groote der primaria vaal-zwart met licht grijsblauwe uiteinden, de overige eindigen vuil blauwachtig. ïertiaria donker grijsblauw. Slagpennen vaalzwart; slechts de 3» en 4e slagpennen hebben een witten dwarsband op het midden. Staartpennen vaalzwart met grijsblauw aan de buitenranden.

Bek donkerbruin, witachtig aan de punt en oranje aan den mondhoek. Pooten licht loodblauw met vleeschkleurigen tint. Voetzolen en nagels licht vleeschkleurig.

Iris donkerbruin,

Afmetingen:

Staart............4.— cM.,

Vleugel............9.5 ,

Culmen............2.1 „

Tarsus............4.2 „

Middeltoon met nagel.......2.7 „

Achter toon „ „ .......2.— „

6.2 cM

4.- „

3.- „

ocr page 63

— 227 —

72. UROLONCHA MOLUCCA L.

Zie Vordekman, Celebes-Vogels, Nat. Tjjds. Ned. Indië, Dl. LVIII, pag. 94.

Een exemplaar van Amboina.

73. ERYTHURA TBICHOA Kittl.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XIII, pag. 385 van B. Siiarpe.—

Twee exemplaren van Tcrnute.

Het vederkleed is grasgroen, donker op de bovendeelen, lichter op de onderzijde, terwijl deze kleur op buik en onderst staartdek in grijsachtig groen overgaat. Voorhoofd tot den kruin en zijden van het gelaat donker blauw.

Het bovenst staartdek en het toegespitste middelste paar staartpennen zijn bruinrood; de overige staartpennen zijn donker-umber met bruinroode buitenranden.

Slagpennen vaalzwart met grasgroenen buitenzoom en isabella binnenrand.

Binnenst vleugeldek isabella. Pooten en nagels geelachtig bruin. Bek zwart. Iris bruinzwart.

Afmetingen:

Staart............4.7 cM.

Vleugel. Culmen. Tarsus .

Middeltoon met nagel Achtertoon , B

74. CALORNIS OBSCURA Bp.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XIII, pag. 149 van B. Sharpe.—

Twee exemplaren van Batjan en cén van Saparoea.

Het vederkleed is effen zwart; zoowel op de boven- als op de onderdeden zijn de vederen groenachtig metaalglanzend. Slagen staartpennen rookzwart. Bek, pooten en nagels zwart. Iris menierood.

Afmetingen:

ocr page 64

— 228 —

Staart .....

Vleugel.....

Culmen.....

Tarsus.....

Middeltoon met nagel. Ach ter toon „ _

75. CALORNIS METALLICA Temm.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XIII pag. 138 van B. Shakpe. —

Acht exemplaren van Tcrnate. Amhoina, Saparoea cn Noesa-laut. Beschrijving van een mannetje van Ternate.

Het vederkleed is effen zwart, met bijzonder sterk gepronon-ceerden metaalgloed; groen op keel, nek, buitenst vleugeldek, rug, stuit en bovenst staartdek; verder op borst, onderdeelen en flanken. Daarentegen een sterke purpergloed op kop, kin en krop, benevens op den mantel; in het midden van dit laatste deel komt weer een groenglanzend gedeelte voor. Binnen-vlaggen der slagpennen en staartpennen dofzwart. Zacht zeegroen glanzend zijn de buitenvlaggen der slagpennen, het mid-delpaar der staartpennen en de buitenvlaggen der overigen, die even als de slagpennen een dofzwarte binnenvlag vertoonen. De vederen van kop, nek, mantel en krop loopen spits uit. Bek, pooten en nagels zwart. Iris menierood.

Maaginhoud: vruchtjes.

Afmetingen:

Staart............10.8 cM.

Vleugel............10.9 „

Culmen............1.7 B

Tarsus............2.6 ,

Middeltoon met nagel........2.2 „

Achtertoon „ .........1.8 „

Het wijfje heeft de onderdeelen lichtgeel met langwerpige zwarte schaftvlekken op krop, borst en flanken. Op het onderst staartdek lijnvormige zwarte schaftvlekken.

ocr page 65

— 229 —

76. ORIOLUS PHAEOCHROMUS Gray.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. Ill, pag. 211 van B. Sharpe. —

Een vrouwelijk exemplaar van Gani (Ilalmaheira).

Het vederkleed is egaal umberkleurig, het donkerst op de bovendeelen. Alula geelachtig-gnjs. Slagpennen mot licht bruinachtige binnenvlag. Op kin en keel schemert een grijze tint door.

Bek, pooten en nagels zwart; voetzolen okergeel. Iris donker bruin.

Afmetingen:

Staart............9.1 cM.

2.7 „

1.8

quot;Vleugel. Culmen. Tarsus .

Middeltoon met nagel, Achtertoon „ _

77. CORONE VIOL ACE A Bp.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. III, pag. 45 van B. Sharpe, waar deze kraai als eene subspecies van Corone enca beschouwd wordt. — Schlegel Mus. Pays-Bas, Cora ces, pag. 31 sub Cor-vus violaceus.

Twee mannetjes en één wijfje van Wahaai (Ceram).

Het vederkleed van dezen vogel is egaal zwart met violet-blauwen glans terwijl de basis der vederen wit is. Door reflect ontstaat op den grens der naar voren gerichte neusve-dertjes, die ver over de neusgaten heenreiken, een fluweel-zwarte dwarsband tusschen de oogen. Bek, pooten en nagels zwart.

Iris bruin.

Afmetingen:

Staart............13.3 cM.

Vleugel. Culmen,

ocr page 66

— 230 —

Tarsus......

Middeltoon met nagel Achtertoon „

78. LYCOCORAX PYRRHOPTEKUS Bigt;.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. Ill, pag. 185 van B. Sharpe.— Schlegel, Mus. Pays-Bas, Comces, pag. 131.

Twee mannetjes van Batjan, hi het hosnh geschoten.

Kop, romp, staartpennen en kleine buitenste vleugeldekvederen koolzwart; middelste en groote buitenste vleugeldekvederen, zoomede de meest buitenwaarts geplaatste secundaria, zwartbruin. Overige slagpennen vaal bruinachtig-umber, de schaften in de kleur begrepen. Binnenst vleugeldek rookzwart.

Bek, pooten en nagels, zoomede de naakte huid om het oog, zwart.

Iris kastanjebruin.

Maaginhoud: platte pitten van vruchten

Afmetingen:

Staart............14.4 cM.

Vleugel............19.7 „

Culmen............4.5

V

Tarsus............3.9 „

Middeltoon met nagel........3.4 n

Achtertoon „ .........3.6 „

79. SEMIOPTERA WALLACEI Gray.

Zie Cat Birds Brit. Mus. Vol. III, pag. 178 v. B. Siiarpe,— Schlegel, Mus. Pays-Bas, Coraces, pag 385 sub Paradisea Wallacel

4.2 cM. 3.7 ,

Op reis verkreeg ik twee wijfjes te Batjan en een jong mannetje te Gani (Halmaheira). die door mijn jager geschoten loerden. Door bemiddeling van Prins Oesman te Lubochi (Batjan) verkreeg ik later nog meerdere mannetjes, van Batjan ajkomslig, in full dress.

Beschrijving van een wijfje van Batjan.

ocr page 67

— 231 —

Vederen van bovenkop en nek licht vaal-grijsbruin. De opstaande vedertjes van voorhoofd en neusstreek, die der teugels en van den hoek van de onderkaak licht rossig. quot;Wang, kin en keel vaal paarsachtig-gnjsbruin. Alle andere deelen ufnber-kleurig, inclusief de slag- en staartpennen, welke echter witachtige schaften hebben. De binnen vlaggen der slagpennen zijn echter licht umberachtig-grijs aan de binnenvlag De voorste flankvederen zijn sterk ontwikkeld, met harige boorden, en reiken als twee zjjdelingsche dotten tot bij het midden van den buik.

Pooten oranje; nagels licht hoornkleurig.

Bek licht bruinachtig. Iris donker bruin.

Afmetingen:

Staart............8.4 cM.

Vleugel............13.5 „

Culmen............3.3 „

Tarsus............3.9 „

Middeltoon met nagel........2.7 „

Achtertoon „ „........2.8 „

Is het wijfje betrekkelijk leelijk, van het mannetje in pracht-kleed kan dit niet gezegd worden. Het verschilt van haar door een zachten lilagloed op den bovenkop en door twee verlengde schoudervederen aan iedere zijde, die wit zijn met umber be-wasschen, daarbij zeer smal en tot over het uiteinde van den vleugel reikende. Hare lengte is 15al6cM. Het voornaamste sieraad van dezen zonderlingen paradijsvogel is echter gelegen in de kleur van keel, krop en flanken, waarvan de vederen een sterk groenen metaalgloed vertoonen, die zich naar gelang van het opvallend licht ook blauw kan voordoen. De vederen aan de zijden van de borst zijn stevig en sterk ontwikkeld en reiken achterwaarts tot voorbij het uiteinde van den romp als een zich allengs versmallenden sterk glanzenden bundel. Borstvedercn bistre met groenglanzende boordsels en daardoor als geschubd. Buikvederen donker bistre met glanzend groene harige uiteinden. Aan de verlengde schouder-

ocr page 68

— 232 —

vederen dankt de vogel den maleischen bastaardnaam van hoerocng polèt, het laatste woord afgeleid van epaulette. Over het algemeen is de tint van het mannetje donkerder dan die van het wijfje.

Maaginhoud: restanten van insecten.

80. PTILOPUS XANTHOGASTER Wagl.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XXI, pag. 91 van Salvadori. — Schlegel, Mus. Pays-Bas, Columbae, pag. 11 sub P. diadematus.

Vijf exemplaren van Banda-Neira en Lonfhoir.

Bovenkop lichtgrijs. Een smal bandje gele vedertjes reikt als een hoefijzer om den kop van den eenen teugel tot den anderen. quot;Wangen en zijden van de keel licht grijs. Kin en midden van de keel licht geel. Nekvederen geelachtig grijs; kropvederen puntig met gele basis en lichtgrijze uiteinden. Een groengele dwarsband over de borst, die grijs is. Midden van den buik groengeel, op iedere zijde van den buik een oranje vlek. Flanken groenachtig grijs. Onderste staartdek-vederen licht groen met breede gele boordsels; de zijdelingsche vederen oranje. Mantel-, rug- en bovenste staartdekvederen smaragdgroen met grasgroene, harige boordsels. Bovenst vleu-geldek idem, doch het glanzend smaragdgroen heerscht voor. Schoudervederen donker indigoblauw glanzend met geelgroene boordsels.

Primaria en secundaria met glanzend groene buiten- en zwarte binnenvlag. Tertiaria grasgroen met indigoblauw uiteinde, dat met geel omzoomd is. Middelste staartpennen smaragdgroen; de overige met zwarte binnenvlag, grijzen ter-minaalband en groene buitenvlag; nabij het grijs is de schaft blauw opgeloopen. Staart van onderen donkergrijs met lichtgrijs uiteinde.

Bek groenachtig. Pooten olijfgroen, nagels zwart; voetzolen vleeschkleurig. Iris oranje.

Afmetingen:

Staart............7.6 cM.

ocr page 69

— 233 —

Vleugel........

.... 12.7

cM.

Culmen........

. ... 1.4

V

Tarsus........

. ... 1.5

V

Middeltoon met nagel.

. ... 2.1

V

Achtertoon „ „ ...

. ... 1.6

V

81 PTILOPTJS SUPERBUS Temm.

Zie Cat. Birds Brit. Mus, Vol. XXI, pag. 112 van Salvadori.— SchIjEgel, Mus. Pays-Bas. Columbae, pag. 30 (part).

Vier exemplaren van Gatii (Halmaheira) en Amboina,

Deze duif gelijkt „a s\'y méprendrequot; op den als Celebes-vogel in Dl. LVIII van dit tjjdschrift op pag. 104 door mij beschreven Ptilopus temminchi. Is de kring van voorkomen voor laatstgenoemde soort beperkt tot Celebes en de Soela-eilanden, voor P. superbus is de geographische verspreiding grooter, daar deze zich uitstrekt tot de Molukken, Nieuw-Guinea en Noord-Australië.

Het eenige verschil in vederkleed is dat bij P. superbus de donkerblauwe dwarsband over de borst van voren scherp begrensd is tegenover de aangrenzende kleur, terwijl die bij P. temmincki geleidelijk in die kleur overgaat Dit wat betreft het mannetje. Bovendien heeft het wijfje van P. superbus een donkerblauwe vlek op het achterhoofd en dat van P. temmincki een purperkleurige, die zich tot in den nek uitstrekt.

Afmetingen van

een è

exemplaar van

Amboina;

Staart .

. . . 7.4

cM.

Vleugel.

. . . 13.8

V

Culmen.

. . . 1.7

V

Tarsus .

. . . 1.7

V

Middeltoon met

nagel.

. . . 2.7

Achtertoon „

. . . 1.8

V

82. PTILOPUS MONACHUS Reinw.

Zie Cat. Birds Brit. Mus, Vol. XXI, pag. 121 van Salvadori.— Schlegel, Mus. Pays-Bas. Columbae, pag. 12.

Vier exemplaren van Ternatc en Gani (Halmaheira).

LVIII. 16k.

ocr page 70

— 234 —

Dit duifje munt uit, behalve door eenvoudige fraaie kleur-verdeeling, door bijzonder kleine afmetingen. Beschrijving van een mannetje van Ternate;

De bovenkop is grijsachtig-blauw, door een smallen zwavelgelen rand omzet. Teugels en hoek van de onderkaak even blauw, benevens eèn vlek op het midden van de borst. Kin en keel fiauwgeel. Achterbuik, uiteinden der schenkelvederen en onderst staartdek zwavelgeel. Overigens is de vogel grasgroen en het midden van den voorbuik groengeel. Slagpennen donkergrijs met lichtgrijzen binnnenrand en groenen buitenrand of buitenvlag; de secundaria bovendien meteen fijn geel buitenbiesje. Binnenst vleugeldek en binnenvlakte van den vleugel aschgnjs.

Middelste staartpennen effen geelgroen; de overige alleen met een dergelijke buitenvlag, terwijl de binnenvlag grijs is met een zwarten band nabij het uiteinde; van onderen is de staart lichtgrijs terwijl de dwarsband door donkergrijs aangeduid is.

Bek groen; pooten wijnrood; nagels donker hoornkleurig; voetzolen geel. Iris oranje met gelen binnenrand.

Maaginhoud: waringinvruchtjes.

Afmetingen:

Staart............5.4 cM.

9.6 , 1.- „ 1.8 „

Vleugel Culmen Tarsus

Middeltoon met nagel. . Achtertoon „ „

Het wijfje is iets kleiner. Het grijsblauw is tot het voorhoofd en de kruin beperkt en het gele dwarsbandje op den kop wordt gemist.

Haar kin en keel zijn gnjsachtig-geelgroen. Buik en onderst staartdek licht groenachtig-geel. Geen grijsblauwe vlek op de borst.

ocr page 71

— 235 —

83. PTILOPTJS IONOGASTER Reinw.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol XXI, pag. 148 van Salvadori.— Schlegel, Mus. Pays-Bas. Columbae, pag. 20.

Een mannelijk exemplaar van Gani (Halmaheim).

De hoofdkleur van deze duif is grasgroen. Dit groen heeft op mantel, zijden van den hals en krop een geelachtigen tint. Kop, wangen, kin en keel licht aschgrijs, scherp begrensd. Midden van borst en buik paarschpurper. Achterbuik en onderst staart-dek citroengeel. Het groen is op de bovenvlakte der vleugels afgebroken door twee licht aschgrijs gekleurde dwarsbanden; de eene betreft de uiteinden der schoudervederen, de andere de middelste dekvederen der secundaria en tertiaria.

Slagpennen zwart met smaragdgroen glanzend uiteinde en dito buitenrand of buiten vlag; de binnenvlag is grijsachtig bruin.

Kleine middelste vleugeldekvederen groen; de overige grijs als de binnenvlakte van den vleugel. Middelste staartpennen grasgroen; de overige meer smaragdgroen met zwarte binnenvlag en een licht grijs uiteinde.

Bek aan het uiteinde geel; overigens licht loodblauw. Pooten wijnkleurig; nagels zwartachtig; voetzolen okergeel. Ooglid-randen lichtgeel, even als de iris.

Afmetingen:

Staart............5.— cM.

12.5 B

Vleugel. Culmen Tarsus

Middeltoon met nagel Achtertoon - _

84. PTILOPUS VIRIDIS L.

Zie Cat. Birds Brit. Mus, Vol. XXI, van Salvadori.— Schlegel. Mus. Pays-Bas. Columbae, pag. 22.

Brie exemplaren van Saparoea en Wahaai {Cerurn).

ocr page 72

— 236 —

Beschrijving van een mannetje van Saparoea.

Aschgrijs zijn: voorkop, eenige der kleine buitenste vleugel-dekvederen, de uiteinden van de tertiaria, welke laatste bovendien met geelgroen omzoomd zijn. Donker wijnkleurig zijns keel en krop, terwijl overigens de vogel donkergroen is. Dit groen heeft een geelbruinachtigen tint op den mantel en het aangrenzend vleugeldek. Scheen- en onderste staartdekvederen groen met breede lichtgele zoomen. Secundaria en hare groote dekvederen met geel aan den buitenrand. Slagpennen zwart met groene uiteinden en dito buitenrand of buiten vlag. Binnenvlaktevan den vleugel grijs; de dekvedertjes grijs of grijs met groene boordsels.

Middelste staartpennen groen, bruinachtig aangeloopen. De overige met groene buitenvlag, zwarte binnenvlag en grijs uiteinde, dat met geel omzoomd is.

Naakte huid om het oog oranjegeel. Bek aan de basis oranje, aan den top intens geel. Pooten wijnrood; nagels donker-hoornkleurig; iris rood met oranje binnenrand.

Afmetingen:

Staart............5.4 cM-

Vleugel .

Culmen . Tarsus.... Middeltoon met nagel Achtertoon „ „

85. CABFOFHAGA NEOLECTA SCHLEG.

Zie Cat. Birds. Brit. Mus, Vol XXI, p. 200 van Salvadori.— Schlegel. Mus. Pays-Bas. Columbae, pag. 90.

Drie exemplaren van Saparoea, Wahaai (Ceram) en IVaroe (Ceram).

Beschrijving van een wijfje van Sapoeroea. Kop aschgrijs,, om de oogen, bij den neuswortel en kin geleidelijk in wit overgaande. Nek, hals, krop, flanken en binnenst vleugeldek licht-

ocr page 73

— 237 —

-grijs. Borst en buik eveneens doch met een rose-achtigen tint be-wasschen. Op het midden van den buik en het onderst staartdek is dit rosekleu\'ig grijs het sterkst geprononceerd. Alle boven-deelen, van af den nek, donker metaalglanzend groen met sterk gouden of koperkleurigen weerschijn. Alula en groote \'buikenste dekvederen der primaria donkergrijs, aan de uiteinden groenachtig aangeloopen. Primaria grijszwart, aan de lünnenvlag, grijs als bepoederd op de buitenvlag.

Secundaria geheel als met donker grijs bepoederd. Tertiaria groenachtig bronskleurig glanzend. Binnenvlakte van den vleugel grijs. Staartpennen zwartachtig met grijs bepoederd; buitenranden der meer buitenwaarts ingeplante, met een zweem van een blauwachtigen glans. Pooten en bek, tusschen de neusgaten, wijnkleurig. Overig gedeelte van den bek licht loodblauw. Nagels donker hoornkleurig; voetzolen okergeel

Iris donkerbruin.

Maaginhoud: boschvruchten.

Afmetingen;

Staart............16.2 cM.

Vleugel............25.3 „

Culmen *..........2.6 r

Tarsus............2.8 „

Middeltoon met nagel...... . 4.6 „

Achtertoon „ „........3.8 „

86. CARPOPHAGA BASILICA Sündev.

Zie Cat. Birds Brit. Mus, Vol. XXI, p. 211 van Salvadori.— -Schlegel. Mus. Pays-Bas. Columbae, p. 96.

Drie eiemplaren van Terna te en Gani (Halmaheira).

Beschrijving van een wijfje van Gani. Kop en borst grijsachtig vleeschkleurig. Nek licht aschgnjs. Buik, flanken en •onderst staartdek helder kaneelbruin. Binnenste vleugeldek-Tederen donkergrijs, de kleine met bruine zoomen.

Bovenst vleugeldek, mantel, rug, stuit en bovenst staartdek donkergroen met koperkleurigen metaalglans, het sterkst op

ocr page 74

— 238 —

mantel en vleugeldek. Primaria zwart met metaalglanzend blauwe buitenvlag. Secundaria zwart met groenen metaalgloed op de buitenvlag; de overgang tusschen groen en zwart is donkerblauw.

Tertiaria als de mantel.

Staartpennen zwart, metaalglanzend groenacbtig-blauw, de achterhelft grijs bij den top donker aangeloopen.

Bek zwart. Ooglidranden en pooten karmijnrood, nagels donker hoornkleurig. Iris bruin.

Afmetingen:

Staart............10*2 c^-

Vleugel...........21. „

Culmen............2.2 ,

Tarsus............3.1 „

Middeltoon met nagel.......-4.4 „

Achtertoon , „ .......2.9 „

87. MYEISTICIVORA MELANURA Gray.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XXI, pag. 233 van Salvadori.— Schlegel. Mus. Pays-Bas. Columbae, pp. 98,102; Xo. 57, 58^ 59, 61, 62, sub Carpophaga bicolor.

Een wijfje van Waroe (Ceram).

Zwart zijn de alula, de groote buitenste dekvederen der primaria, de primaria zelve en de secundaria, benevens de voorste scheenvederen, de vederen welke naast den anus voorkomen en eenige kleine onderste staartdekvederen, terwijl de staartpennen, te rekenen van af de grens van het bovenste staartdek, eveneens zwart zijn.

De uiterste staartpen maakt hierop eene uitzondering, daar het zwart zich ook tot nagenoeg den heelen buitenrand uitstrekt. Het «wart der slag- en staartpennen is met grijs als bepoederd. De overige deelen van het vederkleed zijn wit. Aangezien de witte vederen een gele of geelachtige basis hebben, zoo schemert dit op vele plaatsen door, vooral op buik, rug, onderst en bovenst staartdek.

ocr page 75

— 239 —

Het wit van de staartpennen is aan het basaal gedeelte van boven door bleekgeel en van onderen door sterker geel verdrongen. Ook de okselvederen, het binnenste vleugeldek ea de onderzijde der tertiaria hebben een gelen tint.

Ooglidranden, basis van den bek en pooten licht loodblauw. Punt van den snavel groenachtig. Nagels zwart; voetzolen lichtgeel.

Iris bruinzwart,

Afmetingen:

Staart.............12.2 cM.

Vleugel.....

Culmen.....

Tarsus.....

Middeltoon met nagel

Achtertoon „ „

88. MACROPYGIA AMBOINENSIS Brissos.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XXI, pag. 351 van Salvadori— Schlegel, Mus. Pays-Bas. Columbae, p. 110, 113, partim sub M, turtur.

Een mannetje van Amboina en een van Kajeli (Boeroe).

Bovenkop vosbruin. Superciliairvedertjes helder roestkleurig; daaromheen vosbruine vedertjes met zwarte dwarsbandjes, die zich ook tot boven de teugels uitstrekken. Wang-, kin-, en keelvedertjes grijsbruin met lichte schaftjes. Voorste dekvederen lichtbruin met zwarte dwarsbandeletjes als gemarmerd; achterste effen vaalbruin. Mantelvederen grijsbruin met lichte randzoomen. Rug, stuit en bovenst staartdek vosbruin. Hals en krop leverkleurig bruin met gegolfde zwarte dwarsbandjes; terzijde van den hals en in den nek een purpere metaalgloed. Flanken, het kleine buitenste vleugeldek, het onderst staartdek en het binnenst vleugeldek helder kastanjebruin. Borst en buik bruinachtig okerkleurig met smalle donkere dwarsbandjes. Middelst en groot buitenst vleugeldek zoomede de slagpennen donker van Dijck-bruin. Staartpennen donkerbruin;

23 — 2.4 2.4 3.9 2.7

ocr page 76

— 240 —

de drie buitenste paren met vosbruine basis en breeden zwarten dwarsband nabij het uiteinde, dat licht rosachtig getopt is.

Bek bruinachtig; pooten donkerbruin, nagels zwartachtig, voetzolen vleeschkleurig. Iris karmijn met lichtblauwen bin nenrand.

Maaginhoud: boschvruchtjes.

Afmetingen:

Middelste staartpennen.......17.7 cM.

Uiterste. .........8.— „

Vleugel............15.6 „

Culmen............1.8 „

Tarsus................2_

......gt;7

Middelloon met nagel........2.6 „

Achtertoon , ........1.9 n

89. MACROPYGIA BATCHIANENSIS Salv.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XXI, pag. 357 van Salvadori.— Sciilegel. Mus. Pays-Bas, Columbae, p. 110 en 113, partim sub. Macropygia turtur.

Twee exemplaren van Ciani (llaltnaheira) en Ternate. Te Gani is zulk een overvloed dezer kaneelduiven dat de officieren van de „Zeemeeuwquot; dagelij,s mut tientallen dezer vogels van de jacht kwamen.

Hoofdkleur kaneelbruin, echter afgewisseld door zwart. Zoo zijn voorhoofd en superciliairstreek zwart en beperkt zich het helderbruin van den bovenkop tot kruin en achterhoofd. Zijden van het gelaat donkerbruin met heldere schaftstreepjes; kin- en keelvedertjes helder bruin met witachtig centrum, krop-vederen met zwartachtig einde dat kaneelbruin omzoomd is; daardoor als geschubd. Borst, buik en flanken helder kaneelbruin; rug, stuit en bovenst staartdek kastanjebruin. Buitenst klein en middelst vleugeldek kastanjebruin, donker ged wars-band.

Nek en mantel (als restant van het eerste kleed) licht oker-kleurig met donkere dwarsbandjes; enkele donkere vederen met kastanjebruine randzoompjes. Primaria en secundaria bruin-

ocr page 77

— 241 —

zwart met lichtbruin buitenzoompje en kastanjebruinen binnenrand; tertiaria donkerbruin en evenzoo geteekend. Staartpennen effen bruin; de twee buitenste paren met een zwarte vlek nabij het uiteinde der binnenvlag.

Bek donkerbruin. Tarsi roodachtig; toonen en nagels donkerbruin; voetzolen gnjsgeel. Iris rose met blauwen binnenrand.

Afmetingen:

Staart............17.6 cM.

Vleugel............14.7 ,

Culmen............1.7 n

Tarsus............2.— „

Middeltoon met nagel........2.4 „

Achtertoon „ „........1.6 „

90. CALOENAS NICOBARICA L.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XXI, pag. 615 van Salva-dori.— V or derm an. Billiton-vogels, Nat. Tijds. van Ned. Indië, Dl. XLVIII, pag. 146.

Een J individu afkomstig van het eilandje Yoe hij Patani (Halmaheira.)

In de maag dezer vogels treft men constant kleine witte afgeslepen steentjes aan.

91. CHALCOPHAPS INDICA L.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XXI, pag. 514 van Salva-dori. — Vorder max, Batav. Vogels, Nat. Tijds. van Ned. Indië, Dl XLII, pag. 228.

Twee exemplaren. Eén van Ternatc en één van Wahaai.

92. MEGAPODIUS FREICINETI Temm.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XXII, pag. 457 van O. Grant. — Schlegel. Dierentuin N. A. M. pag. 213.

Een vrouwelijk exemplaar van Sidangoli (Nonrd-Halmaheira) aan de overzijde van Ternate, door Al foer en gevangen en te Ternate levend in mijn hezit gekomen.

ocr page 78

— 242 —

Het vederkleed is rookzwart met grijzen tint op de randen der vederen van mantel, kop en borst. Kopvederen donker grijsbruin. Huid van de keel donker vleeschkleurig; om bet oog is de naakte huid donker wijnrood, achter de neusgaten is zij zwartachtig. Achterhoofdsvederen tot een kuifje verlengd.

Bek aan de basis en op den culmen donker hoornkleurig; aan de punt en randen donkergeel.

Tarsi donker olijfgroen, bij het hielgewricht roodachtig. Nagels en toonen donker leikleurig. Geen spoor of knobbel aan den scheen:

Afmetingen:

8.7

cM.

Vleugel..........

. 23.7

»

Culmen van den rand der neusgaten.

1.6

n

Tarsus...........

7.2

V

Middeltoon..........

4.9

n

Xagel van dezen.......

2.4

V

Achtertoon.........

3.—

7)

Xagel van dezen.......

2.3

»

93. EULIPOA WALLACEI Gray.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XXII, van O. Grant. — Schlegel, Dierentuin X. A. M. pag. 213.

Een vrouwelijk individu van Sidangoli (Noord-Halmaheira) door Alfoeren levend te Ternate aangehrncht.

Is een der fraaiste loophoenders. De weinig bevederde huid van de zijden van het gelaat, van kin en keel is donker vleeschkleurig. Bek tusschen de neusgaten donker rood, het achterdeel olijfgroen, het voorste deel licht geel. Tarsi licht geelachtig grijs; pooten en nagels donker leikleurig.

Kopvederen donker van Dijck-bruin, op het voorhoofd in het grijsbruine trekkend; voorste nekvedertjes zeer kort met witte harige zoompjes. Achterste nekvederen, hals, krop en klein buitenst vleugeldek olijfkleurig. Borst, voorbuik, onderst staart-dek,scheenen en flanken donkergrijs. Achterbuik vuil-wit. Voorst

ocr page 79

— 243 —

gedeelte van de mantelvederen olijfkleurig met smalle kastanjebruine randjes; achterste mantelvederen en groote van het buitenst vleugeldek aschgrijs met breede kastanjebruine dwars-banden, zoodat het zichtbare gedeelte van het grijs tot een smal bandje beperkt is.

Tertiaria olijfkleurig; de binnenste met kastanjebruin aan de buitenvlag; de secundaria effen olijfkleurig; de primaria donker sepia waarvan de drie buitenste met licht okerkleurigen buitenrand. Staartpennen donker olijfkleurig.

Afmetingen:

Staart............6.5 cM.

Vleugel......

Culmen van af de neusgaten

Tarsus......

Middeltoon.....

Nagel van dezen .

Achtertoon.....

Nagel van dezen .

. • r

■ 2.1 „

. 2.6 „

• 2.- ,

94. STILTIA ISABELLA V.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XXIV, pag. 51. — Vorderman, Billiton-vogels, Nat. Tijds. van Ned. Indië, Dl. XLIX, pag. 264

sub Glareola isahella.

Brie exemplaren van Kajeli (Bocroe).

95. LOBIOVAXELLUS MILES Bodd.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol XXIV, pag. 140 van B. Sharpe — Schlegel. Mus. Pays-Bas. Cursores, pag. 66.

Een vrouwelijk exemplaar van Banda Neira.

Naar de op kenanga-bloemen gelijkende lellen, die van de basis van den snavel afhangen, wordt deze vogel op Amboina en Banda, waar hij op den trek uit Australië nu en dan aangetroffen wordt, hoeroeng lean any a genoemd.

Deze kieviet wordt spoedig tam, nadat men hem de baarden der slagpennen afgeknipt heeft, en loopt dan tusschen de

ocr page 80

— 244 —

hoenders vrij op de erven rond. Soms voegen zich wilde soortgenooten bij deze getemde. Enkele malen wordt deze vogel in kooien naar Java overgevoerd, als wanneer men hem aan boord met kakkerlakken voedt.

Bovenkop tot den nek zwart. Nek, zjjden van hals en flanken, binnenst vleugeldek en scheenvederen, zoomede alle onderdeden wit. Mantel, rug, stuit en buitenst vleugeldek, op de middelste en groote dekvederen der primaria na, die zwart zijn, umberkleurig grijs. Bovenst staartdek wit; staart-pennen aan de basaal helft wit, het uiteinde zwart met witten terminaalzoom. Primaria zwart, met wit aan de basis van den binnenrand; secundaria grijs aan de basis van de buiten-vlag, overigens zwart; tertiaria umber-gnjs.

Boven den teugel een licht wasgeel gekleurde huidlel, als een kapje over het voorhoofd, tot achter het ooglid reikende en die der tegenovergestelde zijde op het voorhoofd bijna rakende, daarbij één geheel uitmakende met een dergelijke huidlel die als een driehoekige lap naast de mondopening afhangt. Bek lichtgeel met hoornkleurige punt. Doorn aan den vleugelhoek geel. Pooten karmijnrood; nagels licht hoornkleurig; voetzolen vleeschkleurig.

Iris lichtgeel.

Afmetingen:

Staart............8.9 cM

Vleugel............22.— „

Culmen............3.8 „

Lengte der onderste huidlel......2.8 ,

Idem der bovenste, van voren naar achteren . 3.3

\' 77

Vleugeldoorn..........1.2 „

Naakt gedeelte van de scheen.....4.1 „

Tarsus............7.8 B

Middeltoon met nagel........3.5 ^

Achtertoon „ „ .......0.7 „

ocr page 81

— 245 —

96. ORTHODROMUS GEOFFROYI Wagl.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XXIV, pag. 217 van B. Shakpe. — Vordermax, Lampong-vogels. Nat. Tijds. van Ned. Indië, Dl. LI, pag. 245, sub Aegkdites geoff\'royi.

Een wijfje van Saparoea.

97. HIMANTOPUS LEÜCOCEPHALUS Gould.

Zie Cat. Birds. Brit. Mus. Vol. XXIV, pag. 317 van B. Sharpe. — Schlegel, Mus. Pays - Bas. Scolopaces pag. 106.

Een mannetje en een wijfje van Saparoea.

Kop, achtemek, rug, stuit, bovenst staartdek en kin zuiver wit. Alle onderdeelen wit, dat licht roseachtig getint is.

Een groote vlek achter het hoofd, als een collier de voornek betreffende, zwart.

Evenzoo de mantel, de verlengde schoudervederen en de vleugels met hunne dekvederen. Staartpennen wit; het middelste paar grijsachtig aan het uiteinde.

Bek zwart. Pooten paarsachtig, licht vleeschkleurig; nagels zwart.

Iris karmijnrood.

Afmetingen:

. . 6.7

cM

Vleugel.........

. . 23.3

V

. . 6.3

V

Naakt gedeelte van de scheen .

. . 7.9

V

. . 12.2

Ti

Middeltoon met nagel.....

. . 4.3

J)

Geen achtertoon aanwezig.

98. LIMOSA BREVIPES Schlegel.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XXIV, pag. 381 — 385, van B. Sharpe., waar deze soort, die in Oost-Azie de Limosa aegocephala Pall, van Europa en West-Azie vervangt, met deze tot één teruggebracht wordt.

ocr page 82

— 246 —

L brevipes verschilt slechts van L. aegocephala door de constant kleinere afmetingen.

Een vrouwelijk exemjUaar van Saparoea in overgangskleed.

Bovenkop donker umberkleurig. Zijden van het gelaat, nek en hals licht grijsachtig, hier en daar met licht bruinachtige uiteinden aan de vederen. Grijsachtig witte superciliairstreep. Kin wit. Krop en borst vederen licht bruinachtig, met umber dwarsbanden; op vele plaatsen door lichtgrijze harige uiteinden der vederen befloersd.

Borst, voorbuik en tlanken wit met wijd uiteenstaande umber dwarsbanden Achterbuik, onderst staartdek en binnenste scheenvederen effen wit; de buitenste wit met umber gedwars-band. Achternek en mantel grijsachtig umber, hier en daar worden vederen aangetroffen, die donker van Dijck-bruin zjjn en licht okerkleurige dwarsvlekken vertoonen, die niet tot het midden reiken. Rug vederen umber met donkere schaftjes. Bovenststaart-dek wit met zwart uiteinde. Kleine buitenste vleugeldekvederen umber; middelste grijsachtig of bruinachtig met lichte eindzoo-men; groote der secundaria en tertiaria umber met witte uiteinden, die der primaria van Dijck-bruin met bruine schaften. Slagpennen met witte schaften, donker van Dijck-bruin aan de achterhelft, wit aan de voorhelft. Twee rijen kleine binnenste vleugeldekvederen, nabij den vleugelrand, donker van Dijck-bruin, de eerste rij wit gezoomd, de tweede met witte uiteinden, de overigen wit. Slechts de groote der primaria hebben een grijze basis.

Staartpennen zwart, de meer buitenwaarts ingeplante mee wit aan de basis van de binnenvlag; allen witachtig getopt.

Pooten en nagels zwart. Bek donker paarsachtig vleesch-kleurig aan het achterdeel; aan de, een weinig lepelvormig verbreede punt, zwartachtig. Iris bruinzwart.

Afmetingen:

Staart............6.7 cM.

Vleugel Culmen

19.2 9.1

rgt;

ocr page 83

— 247 —

Naakt gedeelte der scheen

Tarsus......

Middeltooon met nagel. Achtertoon „ „ . .

4.1 cM

99. TBINGOIDES HYPOLEUCUS L.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XXIV, pag. 456 van B. Sharpe. — Vordermax, Batavia-vogels, Nat. Tijds. van Ned. Indië, Dl. XLII, pag. 101 sub Actitis hi/poleucos.

Drie exemplaren van Kajch (Boeroe).

100. RHYACOPHILUS GLAREOLA GM.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XXIV, pag. 491 van B. Sharpe. — Vorderman, Batavia-vogels, Nat. Tijds. van Ned. ludië, Dl. XLII, pag 99. sub Totanus glareola.

Een mannetje van Sapnroea,

101. BUTORIDES JAVANICA Horsf.

Zie Schlegel Mus. Pays-Bas, Ardeae pag. 43.—Vorderman, Batavia-vogels, Nat. Tijds. van Ned. Indië, Dl. XLII, pag. 231

sub Ardea javanica.

Een exemplaar van Kajeli (Boeroe).

102. BUTORIDES MACRO RH YNCHXJS Gould. Zie Schlegel, Mus. Pays-Bas, Ardeae, pag. 44.

Een jeugdig exemplaar van (inni (llalmaheira).

Deze soort is waargenomen in Australië, de Molukken, Borneo, Java en Japan. Zij verschilt slechts in afmetingen

met Butorides javanica.

Afmetingen:

Staart............6.5 cM.

18.5 „

Vleugel Culmen

Naakt gedeelte van de scheen Tarsus.......

ocr page 84

— 248 —

Middeltoon met nagel........5.5 cM.

Achtertoon. „ „........3.7 „

103. HERODIAS PICATA GOULD.

Zie Schlegel Mus. Pays-Bas, Ardeae pag. 10.

Een mannelijk individu van Kajcli (Borroe).

Op het onderdeel der wangen, voornek, kin, keel en hals na, die vuil wit zijn, is het vederkleed van dezen reiger vaal zwart, terwijl de vederen der bovendeelen bovendien eeen vaalgrijzen tint vertoonen. Binnenst vleugeldek en binnenvlakte van den vleugel donker grijs. De achternj der puntige vederen die de hals van voren benedenwaarts versiert, is zwart; enkele vederen met witte uiteinden.

Achterhoofdsvederen puntig verlengd. Desgelijks de schouder- en mantelvederen. Bek, pooten en nagels donker in-diaansch geel; snavelrug aan de basis bruinachtig. Was-huid bruinachtig geel. Iris guttegomgeel.

Afmetingen:

Staart.............8.2 cM.

Vleugel............22.2 „

Culmen............5.9 „

Naakt gedeelte der scheen......4.1 „

Tarsus............7.1

Tl

Middeltoon met nagel........5.6 „

Achtertoon „ .........3.8 „

104 HERODIAS INTERMEDIA van Hasselt.

Zie Schlegel, Mus. Pays-Bas, Ardeae, pag. 19. — Vor-derman, Batavia-vogels. Nat. Tijds. van Ned, Indië, Dl. XLII, pag. 230 sub Ardea intermedia.

Een exemplaar van Kajeli (Boeroe) en een van Wahaai (Ceram),

105. DE MIEGRETTA SACRA Gm.

Zie Schlegel. Mus, Pays-Bas, Ardeae p. 25 sub Ardea ju-gularis Forst.

Een vrouwelijk individu geschoten op het eilandje Madoerang (Oostkust Ceram) en gedetermineerd aan het Leidsche Museum door Dr. BüTTIKOFER.

ocr page 85

— 249 —

Uitgezonderd het midden van kin en keel, dat zuiver wit is, is het vederkleed van dezen reiger donker leikleurig grauw. De vederen van het achterhoofd zijn wel tot een kuif verlengd, doch zonder uitstekende verlengde vederen als bij Herodias picata en daarbij in het grijs trekkende. Zijden van den hals donkerkleurig grijs. Bepaald donkergrijs zijn ook de puntig verlengde krop- en vele als aigretten verlengde achterste mantelvederen.

Binnenvlakte van den vleugel en ondervlakte van den staart donkergrijs. Onder de andere vederen verborgen, bestaat aan iedere zijde van de stuit een veder met wollige, zuiver witte baarden. Bek donker bruin-vleeschkleurig, van onderen met heldere punt. Washuid zwartachtig. Naakt gedeelte der scheen,, voorrand van tarsus en eenige vingerleden zwart; overigens zijn de pooten groengeel. iSTagels donker hoornkleurig; voetzolen goudgeel.

Maaginhoud: kleine vischjes.

Afmetingen:

Staart............9.2 cM.

Vleugel...........29.— „

Culmen...........7.9 n

Naakt gedeelte der scheen......2.8 „

Tarsus............7 4

Middeltoon met nagel.......6.3 „

Achtertoon. „ „.......3.8 „

106. NYCTICORAX CALEDONICUS GM.

Zie Schlegel. Mus. Pays-Bas, Ardeae, pag. 59.

Vijf exemplaren van Amboina, Wahaai (Ccram), Gani (Halmaheira) en Banda.

Het. Ambonsche exemplaar had den bek vol kleine spring-bloedzuigers, die zich aan de weeke deelen hadden vastgehecht.

Bovenkop donker leikeurig. Een 3 mM. smalle witte reder, dakvormig gevouwen, allengs toteene lengte van 19 eM. puntig

LVIII. 17k

ocr page 86

— 250 —

eindigende, steekt achter den nek uit. Supercilia, zijden van liet gelaat en van den hals licht vaal kaneelkleurig.

Nek kaneelkleurig. Mantel, rug, staartdek, vleugels eu staart vaal roestkleurig donker kaneelbruin, dat onderbroken is door een gnjsachtigen glans van de uiteinden der randen der groote dekvederen van de primaria, en door okerachtig op de schoudervederen. Onderdeelen wit, de borst vaal bruinachtig en de buik Isabella bewasschen. Binnenst vleugeldek rosachtig, even als de vederen aan de buitenzijde der scheenen. Washuid, culmen en het grootste gedeelte der onderkaak geelgroen ; punt van de onderkaak en overig gedeelte van den bek zwart. Pooten licht groenachtig geel; voetzolen donkergeel; nagels licht hoornkleurig. Iris oranje.

Afmetingen:

cM

Vleugel.........

. . . 29.5

Cuimen........

Naakt gedeelte der scheen .

... 2.7

Middelloon met nagel ....

. . . 7.9

Achtertoon „ „ ....

... 4.8

107. IBIS MELANOCEPHALA Bp.

Zie Schlegel, Mus. Pays-Bas, Ibis pag. 14. — Yordermas, Batav. Vogels, Nat. Tijds. van Ned. lodië. Dl. XLII, pag. 95.

Ken jong individu van Gisser, dat van ccn naburig onbewoond eilandje aangebracht was, en door aankoop in mijn bezit kwam.

108. TADOENA RADJA Garn.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XXVII, pag. 175 van Salvadoki. — ScnLEGEij, Mus. Pays-Bas, Anseres, pag. 69.

Twee bij een Chinees gekochte, door Alfoeren geprepareerde-exemflaren te Gani (Halmaheira).

Onderdeelen, kop, nek en flanken wit. Mantel, schoudervederen en een band dwars over den krop donker van Dijck-bruin met zwarte dwarsbandjes. Rug, verlengde schoudervederen, stuit, bovenst staartdek en staartpennen zwart. Buitenst vleugeldek

ocr page 87

— 251 —

wit, met een zwarte smalle dwarsband nabij de slagpennen. Alula zwart. Prirnaria zwart; secundaria wit, het basaal gedeelte der buitenvlag metaalglanzend groen, door zwart omzoomd; tertiaria zwart met kastanjebruine buitenvlaggen, waaronder enkele die wit getopt zijn. Kleine en middelste binnenste vleugeldekvederen der secundaria en tertiaria wit, die der primaria vaalzwart. Groote binnenste dekvederen donker grijs. Onderste staartdekvederen umberkleurig, fijn gespikkeld met witgrijs.

Snavel pooten en zwemvliezen, in gedroogden staat, geelachtig.

Afmetingen:

Staart.........

. . . 10.9

cM.

Vleugel........

. . . 28.-

V

Culmcn........

. . . 4.5

V

Tarsus........

. . . 5.2

V

Middeltoon met nagel . . . .

. . . 6.—

V

Achter toon „ v ... .

. . . 2.2

n

109. STERNA BERGII Licht.

Zie Cat. Birds Brit. Mus. Vol. XXV van O. Salvix. — Schlegel Mus. Pays-Bas, Sternae pag. 11.

Een individu van Podoc Madoerang, ten Oosten van Ceram.

Het min of meer bultige voorhoofd, de teugels, wangen, nek en verder alle onderdeelen benevens het binnenst vleugel-dek en de flanken zijn zuiver wit met zijdeachtigen glans. Vóór den binnenooghoek een plekje met zwartachtige vedertjes. Kruinvederen grijszwart met witte randzoompjes, waardoor dit deel zich als geschubd voordoet. Achterhoofdsvederen tot een kuif verlengd, zwartachtig met een witte stippel aan het uiteinde. Op den nek na, die wit is, zijn alle verdere bovendeden van den romp zijdeachtig zacht lichtgrijs. Vleugelrand wit. Buitenst vleugeldek, uitgezonderd de groote dekvederen der vier buitenste primaria, even grijs gekleurd. Bedoelde dekvederen hebben een umber bruine buiten- en grijze binnen-vlag. De vier buitenste slagpennen zijn rookzwart aan de

ocr page 88

252 —

buitenvlak- dor punt en het gedeelte der binnenvlag aldaar, dat aan de geelwitte schaft grenst; het overige gedeelte is zuiver wit en de basis van deze buitenvlaggen is juist tot de plaats waar zij door de bovenbeschreven dekvederen bedekt zijn zilverachtig grijs. Overige slagpennen zilvergrijs met witten binnenrand, de tertiaria daarbij op hot uiteinde barer buiten-vlag eene donker grijsbruine kleur aannemende. Staartpennen als de binnenste primaria. Staart sterk gevorkt; de korte middelste pennen het lichtst, de buitenste het donkerst getint. Bek geel, dat groenachtig getint is. Pooten, zwemvliezen en nagels zwart, dat tegen do hcldergelo kleur der voetzolen afsteekt.

Iris. zwart.

Maaginhoud: kleine vischjes.

Afmetingen:

Middelste staartpennen.......8.1 cM.

Uiterste „ .......153 _

Vleugel

Ylucht

Culmen

1.4 „

3.2 „

3.1 ,

0.9 „

Naakt gedeelte der scheen

Tarsus.....

Middeltoon met nagel . Achtertoon „ „

Buitenzorg, 3 April 1898.

ocr page 89

Macropteryx mystacea Less........pag. 204.

Petrochelidon nigricans V. . .......„ 205.

Rhipidura squamata M. en S.......„ 206.

B melanoleuca Q. en G.......„ 207.

Myiagra galeata Gray..........„ 207.

Piezorhynchus alecto Temm..........208.

„ bimaculatus Gray......., 209.

Monarcha inornata Garx ............„ 210.

Grancalus melanops Lath.........„ 211.

B papuensis Gm............212.

Lalage aurea Temm...........„ 212.

Chibia amboinensis Gray.........„ 213.

Pachycephala mentalis quot;Wall........„ 214.

, phaeonota Mull......., 215.

„ cinerascens Salv.........216.

Cinnyris aspasia Less..........„ 217.

v auriceps G^ay..........v 217.

„ zenobia Less..........B 218.

Dicaeum vulneratum quot;Wall....... . „ 219.

Myzomela boiei S. Mull..........„ 220.

Zosterops chloris Br. . ...........221.

Philemon moluccensis Gm.........„ 221.

„ subeorniculatus H. en J......„ 222.

Melitograïs gilolensis Temm..........223.

Criniger chloris Finsch..........„ 224.

„ mystacalis Wall...........224.

Pitta maxima M. en S.............., 225.

„ cyanonota Gray ..........v 226.

Erythura trichoa Kittl............227.

Calornis obscura Bp........................„ 227.

, metallica Temm..........„ 228.

Oriolus phaeochromus Gray..........229.

Corone violacea Bp...........„ 229.

Lycocorax pyrrhopterus Bp...........230.

Semioptera wallacei Gray..........„ 230.

Ptilopus xanthogaster quot;Wagl..........232.

B superbus Temm..............233.

, monachus Reinw.........„ 233.

„ ionogaster Reinw...........235.

Ptilopus viridis L..............235.

Carpophaga neglecta Schl...........236.

ocr page 90

— 252 —

-

buitenvlag\' der punt en het gedeelte der binnenvlag aldaar, dat aan de geelwitte schaft grenst; het overige gedeelte is zuiver wit en de basis van deze buitenvlaggen is juist tot de plaats waar zij door do bovenbeschreven dekvederen bedekt zijn zilverachtig grijs. Overige slagpennen zilvergrijs met witten binnenrand, de tertiaria daarbij op het uiteinde harer buiten-vlag eene donker grijsbruine kleur aannemende. Staartpennen als de binnenste primaria. Staart sterk gevorkt; de korte middelste ponnen het lichtst, de buitenste het donkerst getint. Bek geel, dat groenachtig getint is. Pooten, zwemvliezen en nagels zwart, dat tegen de heldergele kleur der voetzolen afsteekt.

Iris zwart.

Maaginhoud: kleine vischjes.

Afmetingen:

Middelste staartpennen.......8.1 cM.

Uiterste „ .......153 „

Vleugel.....

Vlucht .....

Culmen.....

Naakt gedeelte der scheen

Tarsus.....

Middeltoon met nagel . Achtertoon „

iL fail

Buitenzorg, 3 April 1898.

ocr page 91

Macropteryx mystacea Less........pag. 204.

Petroehelidon nigricans V. . .......„ 205.

Rhipidura squamata M. en S.........206.

„ melanoleuca Q. en G.........207.

Myiagra galeata Gray..........v 207.

Piezorhynchus alecto Temm........„ 208.

v bimaculatus Gray........„ 209.

Monareha inornata Garn............v 210.

Grancalus melanops Lath.........v 211.

„ papuensis Gst....................„ 212.

Lalage aurea Temm...........„ 212.

Chibia amboinensis Gray.........„ 213.

Pachyeephala mentalis Wall........„ 214.

v phaeonota Mull.......„ 215.

, cineraseens Salv.........216.

Cinnyris aspasia Less..........„ 217.

„ aurieeps G^ay....................„ 217.

v zenobia Less..........„ 218.

Dicaeum vulneratum Wall ........ v 219.

Myzomela boiei S. Mull..........„ 220.

Zosterops chloris Bh. . .........„ 221.

Philemon molueeensis Gm.........v 221.

„ subcorniculatus H. en J......„ 222.

Melitograïs gilolensis Temm ........v 223.

Criniger chloris Finsch............224.

„ mystacalis Wall.........„ 224.

Pitta maxima M. en S......... . „ 225.

„ cyanonota Gray . . ........v 226.

Erythura trichoa Kittl......... . „ 227.

Calornis obscura Bp........................„ 227.

„ metallica Temm..........„ 228.

Oriolus phaeochromus Gray..........229.

Corone violacea Bp......................„ 229.

Lycocorax pyrrhopterus Bp..................„ 230.

Semioptera wallacei Gray........ , „ 230.

Ptilopus xanthogaster Wagl................„ 232.

„ superbus Temm............233.

„ monachus Reisw..................„ 233.

„ ionogaster Reinw. . .........235.

Ptilopus viridis L..............235.

Carpophaga neglecta Schl..................„ 236.

ocr page 92

— 252 —

buitenvlag dor punt en het gcdecltp der binnenvlag aldaar, dat aan de geelwitte schaft grenst; het overige gedeelte is zuiver wit en do basis van doze buitenvlaggen is juist tot de plaats waar zij door de bovenbeschreven dekvederen bedekt zijn zilverachtig grijs. Overige slagpennen zilvergrijs met witten binnenrand, do tertiaria daarbij op het uiteinde barer buiten-vlag eene donker grijsbruine kleur aannemende. Staartpennen als de binnenste primaria. Staart stork gevorkt; de korte middelste pennen het lichtst, de buitenste het donkerst getint. Bek geel, dat groenachtig getint is. Pooten, zwemvliezen en nagels zwart, dat togon do heldergele kleur der voetzolen afsteekt.

Iris zwart.

Maaginhoud: kleine vischjes.

Afmetingen:

Middelste staartpennen.......8.1 eM.

Uiterste „ .......15 3 „

Vleugel...........32.5 „

Vlucht ........

52

Culmen........

Naakt gedeelte der scheen.

. . . 1.4 „

Tarsus........

F;

(M co

Middeltoon met nagel.......3.1

Achtertoon „ ........0.9

Buitenzorg, 3 April 1898.

ocr page 93

Macropteryx mystacea Less.....

. . . pag.

204.

Petrochelidon nigricans V......

205.

Rhipidura squamata M. en S. ...

206.

„ melanoleuca Q. en G. . . .

207.

Myiagra galeata Gray.......

207.

Piezorhynchus alecto Temm.....

208.

„ bimaeulatus Gray. . . .

209.

Monarcha inornata Garn......

210.

Grancalus melanops Lath......

211.

, papuensis Gm.......

212.

Lalage aurea ïemm........

212.

Chibia amboinensis Gray......

213.

Pachycephala mentalis Wall.....

214.

v phaeonota Mdll ....

215.

„ cinerascens Salv ....

216.

Cinnyris aspasia Less.......

217.

„ auriceps G.-ïay.......

217.

v zenobia Less.......

218.

Dicaeum vulneratum Wall.....

219.

Myzomela boiei S. Mull.......

220.

Zosterops chloris Br........

221.

Philemon moluceensis Gm......

221.

„ subcorniculatus II. on J. . .

222.

Melitograïs gilolensis Temm.....

223.

Criniger chloris Finsch.......

224.

224.

Pitta maxima M. en S.......

225.

„ cyanonota Gray.......

226.

227.

227.

228.

Oriolus phaeochromua Gray.....

229.

Corone violacea Bp........

229.

Lycocorax pyrrhopterus Bp......

230.

Semioptera wallacei Gray......

230.

Ptilopus xanthogaster Waol.....

232.

233.

„ monachus Reinw......

233.

, ionogaster Reinw......

235.

Ptilopus viridis L.........

235.

236.

ocr page 94

Carpophaga basilica Sond. Myristicivora melanura Gray. Maeropygia amboinensis Briss

„ batchianensis Salv.

Megapodius freicineti Temm Eulipoa wallacei Gray . . . Lobiovanellus miles Bodd . . Himantopus leucocephalus Gould Limosa brevipes Schl .... Butorides macrorhynchus Gould. Herodias picata Gould ....

Demiegretta sacra Gm.....

Nycticorax caledonicus Gm. . .

Tadorna radja Garn.....

Sterna bergü Licht.....

ocr page 95
ocr page 96
ocr page 97
ocr page 98