ENKELE BESCHOÃWIHN,
gewijd aan de belangen der
KOLONIE SURINAME,
door
Mp. a. c. wesenhagen,
voormalig Surinaamsch ambtenaar.
HUGH amp; VAN DITMAR. 1886.
Men moet of van het bezit van volkplantingen afzien, of de middelen, welke men te haver behoudenis noodig heelt, in het werk stellen.
Mr. E. Luzac, Hollands rijkdom.
0437 1203
Tot de middelen, welke men tot behoud der Kolonie Suriname noodig heeft, beliooren, naar mijne hesclieiden meening, om te beginnen:
I. Meerder belangstelling van de zijde van liet Moederland, inzonderheid van de Nederlandsche Regeering en Volksvertegenwoordiging.
II. Meerder zelfstandigheid van het Koloniaal Bestuur,
I.
Meerder belangstelling in de Kolonie.
In den laatsten tijd heeft het Moederland ontegenzeggelijk vele geldelijke offers aan Suriname gebracht. Nuttige instellingen zijn haar geschonken. Goede hervormingen, zijn aangebracht. De op zichzelf reeds zoo weldadige vrijverklaring der slaven heeft millioenen aan tegemoetkomingsgelden gekost. Voor de premiën, uitgeloofd op den aanvoer van arbeiders, is ook nog een millioen besteed. Een immigratie-fonds is opgericht.
Bovendien is een Regeerings-Reglement op vrijzinnige grondslagen aan de Kolonie geschonken. Het oud-Hollandsch recht is vervangen door eene behoorlijk beschreven wetgeving, nagenoeg op dezelfde leest geschoeid als de Nederlandsche. Ter zake van den aanvoer van arbeiders zijn doelmatige maatregelen genomen en nuttige besluiten uitgevaardigd. Ter nakoming dier besluiten heeft het in de Kolonie zelf, onder ten deze dikwijls gewenschte en gewaardeerde voorlichting en medewerking der Regeering, evenmin aan belangrijke verordeningen ontbroken. Langs
4
dezen weg is ook hefc schoolwezen, vooral door de invoering-van den leerplicht, en de geneeskundige dienst, vooral door regeling in de buitendistricten, aanmerkelijk verbeterd. Meerdere belangrijke onderwerpen erlangden een wettig beslag.
Bovendien komt, sedert eenigen tijd, Suriname jaarlijks oin dekking vragen van het tekort in hare gewone huishouding. Dit tekort, een gevolg van velerlei, hier niet nader aan te geven omstandigheden, is eenigen tijd op kunstmatige wijze verbloemd; doch, evenzeer als de toestand van gebouwde en ongebouwde eigendommen door uitstel van noodzakelijke voorzieningen verslimmerd wordt, zoo is ook hier, ouder den dekmantel eener schoonklinkende subsidie-vermindering, het verval hoe langer hoe dieper ingetreden.
Met het oog nu op al wat aan de Kolonie ten koste gelegd is en nog jaarlijks ten koste gelegd wordt, zonder dat dit vruchtdragend blijkt te zijn, begint menigeen aan hare opbeuring te wanhopen. De belangstelling, waar die al bestaan heeft, verflauwt en gaat allengs over in een niet te miskennen vooroordeel.
Bij het groote publiek is gemis aan belangstelling op zich zelf voor Suriname geen bezwaar. Alleen zou te bejammeren blijven, dat tusschen kinderen van hetzelfde land, onderdanen van denzelfden vorst, al mogen zij over verschillende werelddeelen verspreid zijn, bij hunne vele aanrakingspunten geen hechter band bestaat.
Als een der oorzaken van Bngelands voorspoed op koloniaal terrein, wordt de onderlinge genegenheid tusschen Moederland en Koloniën aangemerkt. âA mother country must be affected by its colonies deze bekende opmerking van lord Brougham wordt in den onderstelden zin, dat het Moederland het er dan ook naar maken moet, door de Bngelsche natie ter harte genomen. Bij al hetgeen zij aan hare koloniën ten koste legt, is toch steeds eene groote mate van welwillendheid waar te nemen.
5
Ook in Dnitschlaud nit zioli de openbare belangstelling in koloniale zaken zeer ten gunste dei- nieuw aangeworven koloniën. Bij herhaling en opzettelijk worden bovendien de belangen, ook van de minst beteekenendc kolonies, in den Duitschen Rijksdag ter sprake gebracht.
Hier te lande evenwel beschouwt het groote publiek do zaak veelal uit een dusgenaamd practisch. oogpunt, en is daarom volkomen onverschillig voor eene bezitting, die geen voordeel meer afwerpt, doch integendeel geld is gaan kosten. Met Curacao loopt men sedert eenige jaren vrij van subsidie; tegen het behoud dier kolonie is dus geen bezwaar; doch ten opzichte van Suriname begint men in den laatsten tijd zelfs onverbloemd te kennen te geven, dat het daarmee maar denzeltden weg op moet gaan als met de Kust van Guinea.
Destijds heeft de Minister de Waal de wenschelijkheid van dusdanige loslating openlijk betoogd, en wel van alle koloniën, die geen direct voordeel voor Nederland meer afwerpen. Op zijn voorbeeld is dit naderhand ten opzichte van Suriname een en andermaal geschied. De kust van Guinea is reeds aan dat systeem, en nog wel met geldelijk voordeel, opgeofferd; men moet nu maar duidelijk zeggen of Suriname al of niet moet volgen. Alleen zou men, op dien weg voortgaande, ten slotte ook van Java kunnen afstand doen.
Gansch anders dacht intusschen het Hoofd van Staat niet lang geleden over deze aangelegenheid. Bij de onderhandelingen over den afstand van West-Indische koloniën, meer uitdrukkelijk van Suriname, aan Engeland en de ver-eeniging van Belgie met Nederland, schreef de Souvereine Vorst aan Fagel, destijds gezant te Londen ; âmaar mag , ik dan onze beste kolonie opofferen en den blaam op mij âladen, dat gedaan te hebben als prijs voor de vereeni-âging met Belgie, en alzoo de glorie van mijn huis hoo-âger te hebben gesteld dan het welzijn van den staat ?quot;
Deze vorstelijke woorden mogen, thans meer dan ooit.
6
in herinnering worden gebracht; â niet zoozeer in het belang van Suriname, dat â¢wellicht met eene overdracht of loslating gebaat zou zijn (1), dan wel voor de eer en den goeden naam van Nederland.
Het vooroordeel blijft intusschen een groot struikelblok tusschen Moederland en Koloniën, vooral daar, waar dat vooroordeel zich niet beperkt tot de groote massa, maar ook overslaat op hen, van wier opleiding of maatschappe-lijken stand men anders verwachten mocht, en ten slotte ook diegenen aansteekt, aan wie het toezicht over den gang van zaken is toevertrouwd. Het is zoo volkomen waar, wat Frederic Yoünc op het wetenschappelijk congres van dc Amsterdamsche tentoonstelling (2) zeide: quot;If even âthere was a question demanding to be approached in a âspirit of sympathy, and with an absence of prejudice, âit is : the manner in which the outlying dominions may âbe conducted from the centre.quot; Dit geldt vooral daar, waar, bij nu en dan niet te miskennen schuld of roekeloosheid der kolonisten zelf, ondervonden wanbeheer mede erkend wordt de schuld te dragen van koloniaal verval. Daar behooren met alle te hulp staande middelen de gevolgen van dit laatste zooveel mogelijk te worden weggenomen.
Hoe dus het groote publiek over Suriname denken moge, voor Eegeering en Volksvertegenwoordiging behoort de al of niet aanwezigheid van batig slot of andere voor-deelen geen maatstaf te zijn voor meerder of minder toewijding.
Men is het in deze kringen volkomen met elkaar eens, dat er iets voor Suriname behoort gedaan te worden. Allereerst â¢â om haar op te heffen uit haren staat van verval, later â om
(1) Engeland en Dnitsehland zouden elkaar het bezit van dusdanige kolonie ongetwijfeld betwisten. Voor Engeland is, door de aangrenzing aan Bemerary, ten allen tijde ook dene Nederlandsche kolonie zeer begeerlijk geweest, terwijl niet lang geleden in âdas Auslandquot; de aandacht van Duitachland op Suriname gevestigd werd.
(2) In zijne redevoering, aldaar op 19 September 1883 gehouden quot;on the political relations of mother countries and colonies.quot;
7
haar zoo mogelijk tei\'ug té brengen tofc vorigen bloei. Men kan het evenwel niet met elkaar eens worden, wat. Ontegenzeggelijk ontbreekt het hier en daar niet aan goeden wil, maar men gunt zich den tijd niet om bij deze kolonie opzettelijk stil te staan. Men vliegt er geregeld langs en over heen. Nu en dan worden dikwijls in den boezem der quot;Vertegenwoordiging goede wenken gegeven, doch dit geschiedt geheel terloops, en de wenken worden bedolven onder het vele werk, dat niet alleen Nederland, maar in den laatsten tijd ook O.-Indië, en vooral Sumatra, aan Eegeering en Kamerleden te doen geeft. De Kamers schijnen zich meestal met de gedachte te troosten, dat ten deze de wil voor de daad moet gelden, en dat het overigens aan den Minister en den Gouverneur mag worden overgelaten, voor do wederopbeuring der kolonie te zorgen. Terwijl inmiddels een en andermaal aan de Kamers gebleken moet zijn, dat het koloniaal bestuur vroeger wel eens te wenschen overliet, is van een principieel debat hierover of over den kwijnenden toestand der Kolonie nimmer sprake geweest. Suriname mag tevreden zijn, wanneer het eenmaal per jaar, bij de begrootingsbehandeling, ter sprake komt. En wanneer dat al eens met meerder of minder zaakkennis geschiedt, gaat dit slechts van enkele zijden met matige belangstelling gepaard, en is meestal eene groote mate van onverschilligheid, zoo niet miskenning, de grondtoon van het debat.
Men moet daarbij ook vooral rekening houden met regeeringspersonen en wetgevers, die een eenmaal aangenomen standpunt niet wenschen te verlaten. Het blijft daarom moeielijk â niet om met enkele woorden naar waarheid eene voorstelling der zaken te geven, maar wèl om een en ander begrijpelijk te maken voor hen, die de West-Indische toestanden niet kennen, en nog veel meer voor hen, die ze misschien niet anders dan met hunne eigen inzichten strookt, willen kennen.
Het subsidie wordt op de ministeriëele bureaux, nu en dan zelfs in de Tweede Kamer, zooveel doenlijk beknibbeld
-i I
8
en ten slotte met kennelijken weerzin, Lij wijze van aalmoes, uitgereikt. Het is alsof Suriname uit de diepte, waarin het door velerlei omstandigheden is nedergestort, zicli zelf wol weer tegen de hoogte zal kunnen opwerken.
Intusschen spreekt van zelf dat, om daartoe te geraken, krachtdadige hulp van buiten eene eersto behoefte blijft. En nu is wel is waar, gelijk ik begonnen ben dankbaar te erkennen, in den laatsten tijd nog al het een en ander voor Suriname gedaan; â doch, wanneer men de Kolonie niet van uitputting wil doen bezwijken op den weg, dien zij nog te maken heeft, dan kan hare toekomst niet te zeer aan de voortdurende aandacht van Regeering en Vertegenwoordiging worden aanbevolen.
Men kan dus niet zeggen, dat men na de oprichting van een immigratiefonds met Suriname\'s toekomst heeft afgerekend. Men erkent dan ook volmondig, dat er nog het een en ander, ook van Staatswege, gedaan moet worden. De Kamer beraadslaagt over velerlei wenschelijke verbeteringen, de Minister neemt die in overweging: en de Surinaamsche begrooting wordt intusschen met den Franschen slag afgehamerd. Onder dat alles, het is voor ingewijden geen geheim, onder dat alles gaat de Kolonie langzaam, maar zeker, te gronde.
Deliherante senatu perit Saguntum.
Doch het gebeurt ook meermalen, gelijk alweer ten vorigen jare, dat de behandeling van de Surinaamsche begrooting zich bepaalt tot wisseling van schrifturen en dat zelfs de zoo gewenschte mondelinge toelichting en gedachtenwisseling ontbreekt. Suriname verschijnt en verdwijnt als bij tooverslag, en gaat dan weer voor een vol jaar de ruste der vergetelheid te gemoet.
Zoo is op 23 December 1885 door de Tweede Kamer het wetsontwerp tot definitieve vaststelling der koloniale huishoudelijke begrooting van Suriname voor het dienstjaar 1886 zonder beraadslaging mefc algemeene stemmen aangenomen. Een ontwerp, dat, op dezelfde grondslagen geschoeid.
eenige maanden te voren door de Koloniale Staten van Suriname in zijn geheel was verworpen. De Kamer had, gelijk trouwens genoegzaam bekend was, uitdrukkelijk te verstaan gegeven (1), dat deze verwerping door de Kol. Staten was geschied âals protest tegen het regeeringsbeleid in Suriname.quot; Niettemin is de begrooting, zonder de minste bespreking van dat beleid, met stille trom, als gezegd, van de agenda der Kamer afgevoerd.
In het Voorloopig Verslag wordt in het voorbijgaan zoodanige verwerping âweinig strookend geacht met de juiste opvatting van de taak der Staten.quot; Daar dit recht evenwel tengevolge van artt. 109â112 Sunu. fiegeerings-Reglement aan de K. Staten is toegekend, was integendeel in de gegeven omstandigheden de verwerping wellicht plichtmatig. De Staten meenden, dat het regeeringsbeleid in zijne grondbeginselen aan de Kolonie schade deed. Daargelaten nu de al of niet gegrondheid dier meening, als thans niet aan de orde, komt het mij toch staatsrechtelijk juist voor, om uit handen van zoodanige regeering geen begrooting aan te nemen, daar, volgens de aangegeven zienswijze, de Kolonie er toch nimmer door gebaat zou zijn. Zoodoende maakt men eenvoudig gebruik van een begrootingsrecht. Om redenen, buiten de be-grootingscijfers gelegen, wordt wel eens meer eene begrooting afgestemd. Het klein aantal leden der Staten doet er niets toe af. Bij het toekennen van politieke rechten moet men al de gevolgen daarvan aanvaarden.
Bovendien, de Staten hebben ingevolge het Sur. Eeg.-Regl. het recht van amendement op het door den Gouverneur ter goedkeuring aangeboden ontwerp der voorloopige begrooting; doch zij waren gewoon, om bijna elke wijziging, die zij krachtens dat recht in de begrooting mochteu brengen, bij de indiening daarvan tot definitieve vaststelling, door den Minister van koloniën, geschrapt te zien.
(1) Vgl. het Voorloopig Verslag van het AfdeclingR-ondcraoek, van 11 November 1885.
10
Reden to meer, om eeue begrootiug, die huns inziens niet in de allernoodzakelijkste behoeften der Kolonie voorzag, in haar geheel te verwerpen.
Men zou zich juist van den anderen kant de vraag kunnen stellen, of zoodanige aanneming eener koloniale begrooting, als thans door de Kamer is geschied, wel volkomen strookt met de juiste opvatting van de taak der Nederlandsche Volksvertegenwoordiging. Evenzeer als do Staten het recht hadden tot verwerping, had ook de Kamer zeer zeker het recht tot aanneming der alzoo verworpen begrooting. Doch de wijze waarop zij dit nu heeft gedaan, zoo ex tripode, zonder discussie en met algemeene stemmen, is zeer zeker niet overeenkomstig de regelen van parlementaire wellevendheid.
Men had, â ook bij hetgeen aan de openbare beraadslaging, of liever aan de gelegenheid daartoe, was voorafgegaan â anders mogen verwachten.
Blijkens het verslag vau het sectie-onderzoek § 3, werd, in ééne afdeeling ten minste, âvan gedachten gewis-,.s e 1 d omtrent den ougunstigen eoonomischen toestand der Koloniequot;. De hoofdoorzaak daarvan wordt gezocht in âde afschaffing der slavernij, waardoor gebrek aan werk-âkrachten is ontstaan.quot; Voor zoover men na te melden regeeringsverzuimen daarmede in verband brengt, en daarbij dan aan ééne van de hoofdoorzaken van dien achteruitgang gelieft te denken, voor dat deel, naar \'t mij voorkomt, volkomen juist weergegeven.
Aan de vermelding van de oorzaak van Suriname\'s âougunstigen economischon toestandquot; koppelt zich toch een opmerkelijk getuigenis, dat de zaak tevens in een zuiverder daglicht stelt: âhierinquot; (d. i. in dit gebrek aan werkkrachten) âis niet tijdig en naar behooren voorzien: âde regeeringen, zoowel der Kolonie als van het Moederland, âzijn in gebreke gebleven , daarin de noodige maatregelen âte nemen.quot; Een getuigenis evenwel , alleen opmerkelijk uithoofde van zijn officieel karakter. Immers het feit op
11
zicli zelf is buiten geschil, in zoover de nu uitgesproken meening der Kamer kennelijk slechts betrekking heeft op do bevordering der immigratie van rijkswege en daarmede in verband staande voorzieningen, waartoe eerst te elfder ure besloten is, nadat het veroorzaakt verval intusschen reeds was ingetreden. Men had er â om zich tot algemeen erkende feiten te bepalen â gerust kunnen bijvoegen ; dat die ontijdige en onbehoorlijke voorziening van regee-ringszijde niet slechts geldt het na de emancipatie ontstaan gebrek aan werkkrachten, maar het groote vraagstuk der emancipatie zelf vau allo kanten raakt. Tot zulk eene ingrijpende maatschappelijke hervorming, als de algeheele afschaffing van slavernij meebrengt, is, â niettegenstaande den tijd, dien men genomen heeft tot overweging en voorbereiding, niettegenstaande het goede voorbeeld van andere koloniale mogendheden en de goede raadgeving van ter zake kundigen, â besloten en overgegaan op eene wijze, die zonderling mag heeten. Men deed dit niet geleidelijkerwijs ten voordeele van degeneu, die na een te bepalen tijdstip zouden geboren worden, doch voor oud en jong tegelijk; die emancipatie is door geen doeltreffenden maatregel, het noemen waard, voorbereid; zij is bovendien niet met genoegzame zorg in Suriname ingevoerd.
Nederland was, door het lange dralen en beraadslagen, als gewoonlijk weer achteraangekomen. Engeland had de slavernij reeds afgeschaft in 1834, Frankrijk in 1848, Nederland deed dit eerst in 18(53. Vandaar do jacht om dien toestand, dien men zich dan toch begon te schamen, zoo spoedig mogelijk, zonder overgang, op te heffen. Het apprenticeship of de opleiding tot den staat van vrije burgers, of wel de vrijmaking trapsgewijs, na voorbereiding voor het genot der volle persoonlijke vrijheid, en het openen der gelegenheid om door een inmiddels verworven peculium zichzelf los te koopen, konden toen als voorzichtige maatregelen, doch die op tijd moesten werken, geen dienst meer doen. ^De eer van Nederlandquot;, zoo heet het in het Voorl.
12
Versl. der comm. van rapp. voor hot ontwerp dor wet tot afschaffing dor slavernij in W.-lndië, van liet jaar 1858, âkon do slavernij geen oogenblik langer dulden. Men duldde ze intussclien nog vijf jaar na dit verslag.
De eer van Nederland liad, dunkt mij, veeleer medegebracht, om evenals andere natiën, t ij d i g tot de opheffing der slavernij te besluiten, en dan kon in 1863 dit doel laugs meer geleidelijken weg met beter gevolg bereikt zijn geweest. âLiever handelen dan spreken , dit woord van Thorbeeke weerklonk toenmaals gedurig in de Kamer, en er bestond alle reden voor.
Het feit, dat op 1 Juli 1863 plotseling in die eeuwenoude slaven-maatschappij alle aanwezige slaven vrij verklaard werden, was intusschen door geen tienjarig staatstoezicht goed te maken. Het bleef een misgreep, uitgelokt door een gevoel van rechtmatige philanthropie, wel is waar, doch, evenals zoo menig philanthropische uiting, met onvoldoend overleg ten uitvoer gebracht. Nog boven aller verwachting heeft Suricame den ruwen schok kunnen te boven komen, en haar bestaan, hoe kwijnend en ellend.g ook, nog tot op den huidigen dag kunnen voortsleepen.
En moge nu al het getuigenis, in het Voorl. Versl. neergelegd, het regeeringsverzuim uit een meer bepei-kten gezichtskring beschouwen, dit getuigenis op zich zelf maakt niettemin der Kamer tot plicht, om de nog voortdurende gevolgen van dat verzuim alsnog weg te nemen: vooral daar te elfder ure genomen voorzieningen niet in staat bleken, hieraan genoegzaam tegemoet te komen. Die plicht treedt te meer op den voorgrond, als men bedenkt, dat, terwijl nu gezegd wordt dat de âregeeringen zoowel dor Kolonie als van het Moederland in gebreke blevenquot;, in de tegenkanting der Volksvertegenwoordiging zelve tegen sommige regeeringsvoorstellen mede de oorzaak mag* gezocht worden van de niet tijdige voorzieningen, hierboven bedoeld.
Doch men beeft zijne gedachten ook verder laten gaan dan over den ongunstigen economischen toestand der Kolonie.
13
Men heeft ook eens r,van getlachten gewisseldquot; omtrent de middelen om daarin verbetering te brengen. In het belang dei* Kolonie ware het beter, dat men het nu alweer niet bij die gedachtenwisseling gelaten had, maar, toen het er op aankwam, in de avondzitting van 23 December jl. met beslistheid eene interpellatie tot de Regeering had gericht of een geformuleerd voorstel aan de Kamer had voorgelegd.
Bij genoemde gedachtenwisseling heeft men intusschen, blijkens het V. V., als middelen om aan de regeerings-verzuimen tegemoet te komen, en ook uit anderen hoofde der Kolonie eene betere toekomst te verzekeren, âgenoemdquot;:
a. betere aanvoer van arbeiders;
b. afschaffing, althans vermindering van uitvoerrechten ;
c. aanmoediging van de kolonisatie van Nederlanders;
d. verbetering van de communicatiemiddelen, door aan Suriname alsnog een telegraafkabel en een goeden stoom-bootdienst op de rivieren te schenken;
e. ontwikkeling van het gemeentewezen in de Kolonie.
Na die vijf middelen in het Verslag als âgenoemdquot; te
hebben doen opnemen, is de taak van de Kamer in haar eigen oog ten opzichte van Suriname voor het jaar 188(3 als afgedaan te beschouwen.
Opmerkelijk is intusschen het gevoelen in het V. V. omtrent de allerdringendste noodzakelijkheid van het sub d aangegeven middel, eene geregelde telegraphische verbinding, als âtegenwoordig eene eerste behoefte voor elke maatschappij.quot; Hier kan voor Suriname niet sterk genoeg op worden aangedrongen. Het geldt hier aansluiting aan het nabij gelegen Demerary, dat wel in de telegraafverbinding is opgenomen (1). Gelijk de ervaring leert, is het gemis daarvan een hoofdbezwaar voor menigeen, ambtenaar zoowel als industrieel en kapitalist, om zich naar Suriname te begeven.
(1) Ten ware ik juist ben ingeliclit, dat de aansluiting slechts zou behoeven te geschieden tot de Braamspunt, vier uur van Paramaribo gelegen, waarlangs reeds een kabel loopen zou , die Cayenne met Demerary of wel met Martinique verbindt: hetgeen de zaak natuurlijk zeer zou vereenvoudigen.
14
Bovendien kan men nagaan, lioe zeer het overleg tusschen Gouverneur en Minister door eene telegrapTiische verbinding zou kunnen worden bespoedigd, hoezeer daarentegen, bij voortdurend gemis daarvan, de afdoening der meest dringende zaken wordt tegengehouden, en welk eene langgerekte gedachtenwisseling de nietigste zaken aan den anderen kant met zich moeten medebrengen.
Het V. V. erkent dan ook, dat een land, waaraan de telegraaf ontbreekt, âeene eerste voorwaarde van bestaan mist.quot; âZiet men tegen deze uitgave opquot;, zoo vervolgt het V. V., â merkwaardigerwijs geheel in aansluiting aan de als motto door mij gekozen woorden van Luzac, ââ âdan deed âmen beter zich geheel aan de Kolonie te onttrekken.quot; Stoute woorden voorzeker, want zijn zij ernstig gemeend, dan dient â als werkelijk later blijkt, dat de Kamer tegen de uitgaaf opziet â een voorstel tot afstand, verkoop of loslating der Kolonie noodwendig te volgen. Doch het zal vooralsnog van die zijde zulk eene vaart niet loopen. De ernst dier verontwaardiging mag toch worden in twijfel getrokken, als men ze in verband brengt met de daarop volgende bewering in hetzelfde Verslag, dat âde Kamer een âen andermaal van hare ernstige bedoeling heeft doen blijden om, zoolang de omstandigheden en beschikbare middelen âdit slechts gedoogden, der Kolonie ter wille te zijn.quot;
Zeer zeker, wie zal het loochenen, dat de Kamer, die het geld moet toestaan, dit ook een en andermaal gedaan heeft met betrekking tot eene noodzakelijke uitgaaf ten behoeve van Suriname. Doch, zoolang het slot van rekening tusschen Suriname en Nederland nog niet vaststaat, kan ook nog geen lijn getrokken worden tusschen het âter wille zijnquot; en het afdoen van schuld. Bovendien schrijft de omstandigheid van het gemis van een telegraafkabel naar Demerary (1) , het aanleggen van zoodanigen kabel zóó gebiedend voor, dat daarvoor reeds lang de noodige middelen hadden behooren te zijn beschikbaar gesteld.
(1) Of mog-elijk slechts naar de Braamspunt,
15
Het regeeringsantwoord op de gewisselde gedachten omtrent een der oorzaken van Suriname\'s verval is merkbaar ontwijkend. Waarom de vroegere regeeringsverzuimon niet volmondig erkend zijn, is een raadsel. Het staat tocli vast dat men niet tijdig voor de gelegenheid tot het bekomen van werkkrachten heeft gezorgd, ter vervanging van diegene, welke men had knnnen en moeten voorzien, dat door de emancipatie aan de toenmaals bloeiende landbouw-onder-neminsren zouden worden onttrokken. En als antwoord op dit eenvoudig op den voorgrond geschoven feit, zegt nu de Minister, dat âop dit oogenblik van gebrek aan arbeiders geen sprake kan zijn, maar wel van gebrek aan kapitaal.quot; De Regeering werpt eene slagschaduw over het besproken wanbeheer, maakt er zich zoodoende van af, en tracht er voor in de plaats te schuiven âhet tegenwoordig gebrek aan kapitaal.quot;
Op zichzelf volkomen terecht: van gebrek aan arbeiders is thans geen sprake; van daar dat dit in het V. V. ook niet is beweerd. De toenmalige bloei van den grooten landbouw is langzamerhand juist tengevolge van die vroegere verzuimen veranderd in verval; er is sedert de laatste jaren tijdelijk geen sprake meer van de instandhouding of uitbreiding, maar slechts van de voortsleeping van het landbouwbestaan. En nu wil de Regeering in hare Memorie van Antwoord de gedachte hiervan afleiden en zich bepalen tot het gebrek aan kapitaal. De quaestie wordt met zekeren zwenk op een geheel nieuw terrein gebracht.
âAan kapitaal is er gebrek: daaraan is gebrek in âruime mate, er is gebrek aan kapitaal, met het noodige âbeleid dienstbaar te maken tot exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van Surinamequot;. Nu, dat wist ieder, en dit behoefde niet met zooveel klem te worden herhaald. Wèl had met enkele woorden van den tegenwoordigen suiker-druk als bijkomende oorzaak kunnen zijn melding gemaakt.
Het sous-entendu is intusschen, dat het verschaffen van dat kapitaal geen regeeringszaak is. Dit is ook nimmer
16
beweerd. Wel is beweerd dat het mede de schuld der Regeeriog is, dat die âongunstige economische toestandquot;, waaronder ook het kapitaalsgebrek te brengen, is ontstaan. En op deze bewering heeft de Regeering het stilzwijgen in acht genomen. Het is in deze voor de Kolonie zoo ernstige tijden een stilzwijgen van zeer veel beteekenis.
Omtrent het in het V. V. § 3 sub a genoemde middel : âbetere aanvoer van arbeiders\'\' zegt de regeering dat âChina geen immigratie onder contract wil toelaten.quot;
De vrijwillige, doch gecontracteerde immigratie uit Afrika, als minder kostbaar, minder omslachtig en van beter gehalte dan uit Britsch-Indië, wordt geheel voorbij gegaan.
De vraag sub b omtrent afschaffing of vermindering van uitvoerrechten , is volgens de Regeering âin overwegingquot; bij den Gouverneur van Suriname. Men is âin afwachtingquot; van de uitkomsten van zijn onderzoek. â Het is intusschen buiten geschil, dat deze aangelegenheid tot de zeer dringende behoort, dat voor dergelijken maatregel in Suriname dezelfde gronden als op Java voorhanden zijn en dat bovendien de arbeid in Suriname duurder is.
c. âISTederlandsche landbouwers kunnen weinig bijdragen tot ontwikkeling van de welvaart der Koloniequot;, zegt de Minister. Doch dit geldt slechts voor den Nederlander, als veldarbeider bij den grooten landbouw in Suriname gebezigd. Waar Nederlanders zich als zelfstandige kleine landbouwers in Suriname willen vestigen, kan de vruchtbare grond, door middel van hun kapitaal en met behulp van de gewone arbeiders der tropen bewerkt, hun zeer zeker veel voordeel aanbrengen, terwijl ook voor enkele ambachten aldaar gelegenheid bestaat. De Regeering had zich althans bereid kunnen verklaren, om de zoo-danigen met verhuis- en reiskosten, met voorlichting en op andere wijze tegemoet te komen en ter wille te zijn.
d. âDe regeling van den stoombootdien st op de rivieren is bij de Koloniale Staten aanhangig.quot; Dit is, met en benevens het antwoord sub e âvoor ontwikkeling van het
17
gemeentewezen is in Suriname geen plaatsquot;, liet eenige dat geen verdere bespreking noodig maakte. â
Met geen van de andere antwoorden behoefde de Kamer zicli m. i. tevreden te stellen. Ook het antwoord tocli op den aandrang tot telegraphische verbinding sub d: âmen âwacLt het bericht van den Gouverneur van Suriname of âeenig vooruitzicht bestaat, dat het plan van verleden jaar â(men schreef nu November 1885) tot uitvoering kan âkomenquot;, kan verre van bevredigend genoemd worden.
Dit bericht toch over dat vooruitzicht op telegraphische verbinding komt zeker niet met telegraphische snelheid.
Op 22 December 1884 verheugde men zich in de Kamer, op art. 47 der begrooting een memoriepost te vinden voor het verleenen van een subsidie voor de telegraphische gemeenschap. Uit het Koloniaal Verslag bleek dat het Koloniaal Bestuur zich in verbinding had gesteld met de firma Spkoston tot wijziging van het bekende contract, doch zonder bevredigend resultaat, en dat nu aan den Gouverneur was opgedragen, de voorwaarden op te maken voor de aanbesteding dezer zaak, te vinden bij de bewoners der Kolonie zelve. Het lid Gildemeester gaf met aandrang den Minister in overweging, âin den âloop van het volgende jaar daaromtrent iets definitiei\'s âmede te deelen, opdat op de aanstaande begrooting geen âmemoriepost mocht voorkomen, maar een bepaald bedrag, âopdat Suriname worde aangesloten aan het telegraafnet der âwereld.quot; Gemeld Kamerlid, dat bij die gelegenheid zeer sterk voor de Kolonie heeft geijverd, zeide, na even de lange âlijdensgeschiedenis van Surinamequot; te hebben in herinnering gebracht, dat âer niet veel woorden noodig waren om aan âte toonen dat, als men Suriname in een toestand van verval âwil laten komen, men niet beter doen kan dan den tegen-âwoordigen toestand van isolement te doen voortduren.quot;
In November 1885 was men intusschen even ver. â
Er waren dus punten genoeg voor eene nadere bespreking bij de openbare behandeling der Surinaamsche
18
begrooting, mogelijk ook voor eene iufcerpellatie, eeu voorstel of een amendement. Br was alle ruimte om â toegegeven dat voor het gemeentewezen geen elementen in de Kolonie ziju en dergelijke regeling, in plaats van do beoogde bezuiniging, noodelooze uitgaven zonde medebrengen â op andere voor de band liggende bezuinigingsmaatregelen en verbeteringen van den invvendigen dienst het oog te vestigen (1); op beteren stoombootdienst langs de kust en betere comnmnicatie-wegen te land aan te dringen, enz. Toen dan ook het Eindverslag van 30 November 1885 te kennen gaf, dat âdoor de gewisselde schrif-âturen de openbare beraadslaging over bet voorstel genoeg-âzaam voorbereid wasquot;, mocht men met reden wachter., dat dit geen gemeenplaats was, doch dat de beraadslaging over vei-schillende punten, waaromtrent partijen niet tot overeenstemming gekomen waren of die nog nadere toelichting behoefden, kon worden tegemoet gezien.
Doch, toen als gewoonlijk op de grenzen van het naderend Kerstreces de Surinaamscbe begrooting aan de orde kwam, zijn al de dringende belangen van die maatschappij eenvoudig doodgezwegen. Een beroep op het âvergevorderd uurquot; was hier niet bruikbaar. Het was niet op \'t einde, maar geheel in den aanvang van de avondzitting van 23 December, te half 8 ure geopend. Aan den anderen kant zou men kunnen zeggen, dat men om gastrische redenen op dat uur over \'t algemeen geen groote opgewektheid bezit tot debat. Het is mogelijk. Doch het is wel treurig, dat Suriname, boe dan ook, altoos op een aan de heeren der Tweede Kamer ongelegen uur niet hare belangen moet komen aankloppen.
Men had, gelijk ik zeide, anders mogen verwachten. Dit is zeer zeker eene gemakkelijke wijze om maatschappelijke
(1) B.v. op eene betere regeling van liet bnitenlandsch verlof aan ambtenaren, waarbij Demerary alweer tot voorbeeld strekken kan; â door de tegenwoordige verloven, z.g. tot herstel van gezondheid, is 3, zoo niet meer, van de hoofdambten in handen van âwaarnemendequot; of tijdelijk gequalifi-ceerdequot; ambtenaren; met de gevolgen van dien.
19
vraagstukken op te lossen^ maar kan op den duur niet direct als afdoende beschouwd worden. Het heeft den schijn, alsof men van de langgerekte vertoogen der laatste dagen moede was. Doch het is waarlijk de schuld van Suriname alweer niet, als enkele Kamerleden bij de behandeling der staatsbegrootiug den beschikbaren tijd in beslag nemen, met over allerlei onderwerpen de stroornen hunner welsprekendlieid uit te gieten. Naast dit genoegen is toch ook eene bescheiden plaats denkbaar voor het gevoel van plicht, om, al mocht zoo\'n avondzitting dan wat later worden, de Surinaamsche quaesties, die zoovele zijn, eens goed onder de oogen te zien. Die gelegenheid komt, helaas, in den regel slechts éénmaal in \'t jaar voor. Maar als het zóó moet doorgaan, ziet het er voor Suriname wanhopig uit. Hare begrooting zal wel altoos onder Hoofdstuk X achteraan komen, als al het kruit verschoten, als alle bezieling geweken is â zij \'t dan in den aanvang der avondzitting, zij \'t wat later, bij het huiverig naderen van middernacht en meer â als men menschelijkerwijze dommelig is en moê, en geen nachtwerk, maar naar huis en naar zijn bed verlangt.
En, wanneer nu het lid Gildemeester (vroeger het lid Gratama of Van der Hoeven) Suriname niet eens ter sprake brengt, glipt het geheele Suriname zoo maar onder den hamer van den voorzitter door.
In plaats van deliberante senatu perit Saguntum zou men hier langzamerhand kunnen gaan zeggen: dormitante senatu perit Saguntum. En op deze wijze krijgt men het zeker nog veel eerder gedaan.
Het geldt intusschen een land met een schoon verleden en eene voor velen zeer leerrijke geschiedenis. Kapitalen van millioenen steken er in den bodem, groote uitgestrektheden vruchtbaren grond liggen er thans, deels verlaten, deels onbebouwd. Er is nog plaats voor velen. En daarom, niet het een of ander Kamerlid is aangesteld, om voor de Kolonie te waken, maar de geheele Volksvertegenwoordiging is voor
20
de goede behartiging vau hare belangen ten volle verantwoordelijk en aansprakelijk. Naast, niet onder, de Regeering. Men mag eenvoudig niet alles op de persoonlijke inzichten van een minister of een secretaris-generaal, hoe bekwaam ook, laten aankomen.
Zoodanige afroffeling eener koloniale begrooting spreekt in de gegeven omstandigheden duidelijk genoeg. Zij doet inzien, met welk eene soort van ernst en met welk eene soort van belangstelling men de W.-Indische zaken in de Tweede Kamer behandelt.
Dergelijke afdoening is intusschen niet te rijmen met de staatkunde van eene koloniale mogendheid. Het zal zeker een wonderlijken indruk maken op andere mogendheden, wier koloniën, in de onmiddellijke nabijheid van Suriname gelegen, sommige voordeelen genieten, die men, op het papier van een afdeelingsverslag, ook voor Suriname wen-schelijk acht, doch waarvoor men, als het er op aan komt, de gelden niet tracht toegestaan te krijgen.
De Vertegenwoordiging behoort dus ten opzichte van Suriname, mijns inziens, in hare eischen te volharden en ze zelfs aan te vullen; en de Regeering zal met die eischen meer rekening behooren te houden. Luzac (1) waarschuwt op welsprekende wijze âtegen het opzien om voor koloniën âuitgaven te doen, die niet terstond of spoedig vruchten âzullen opleveren.quot; âOnmogelijk,quot; zegt Van dek Spiegel (2) dan ook, âonmogelijk om verbetering in onze Koloniën te âweeg te brengen, waar de mercantiele comptoirgeest de âziel der werkzaamheid is, en de slenter genoegzaam de âgeheele wetenschap is geworden.quot;
En alvorens met de groote massa over het prijsgeven van koloniën te gewagen, bedenke men dat Nederland, â in zielental op zichzelf minder te beteekenen dan België, â het aandeel, dat de uitgestrektheid en de millioenen onderdanen der gezamentlijke koloniën tot hare grootheid bijdra-
(1) Hollands rljkiïom, pag. 221.
(2) .Nadenking van een Staatsman, pag. 50.
21
gen, niet te gering mag schatten. Men moge indachtig zijn aan de woorden van De Ficqüelhont : (1) âla Hollande seule ne serait qu\'une puissance de troisième ordre, si les possessions coloniales ne lui donnaient pas dans le monde l\'importance d\'une puissance de premier ordre.quot; (2)
II.
Meerder zelfstandigheid van het Koloniaal Bestuur.
âWacht u over zee te willen zien; het is een verre âafstand tusschen Kolonie eu Moederland, en zelfs geoefende âoogeu van Nederlandsche staatsmannen en Nederlandsche âStaten-Generaal zouden dan dikwijls in het nadeel van do âKolonie schiju voor waarheid aannemen.quot;
De meerdere mate van zelfstandigheid van het koloniaal bestuur, door Thorbecke hier als hoofdvereischte van een goed regeeringsbeleid op den voorgrond gesteld, moet evenwel berusten op volkomen betrouwbaarheid en geschiktheid van het hoofd der Kolonie. En moge Suriname in dit opzicht op \'t oogenblik gerust zijn, niet altoos was dit het geval. Integendeel, het gehalte van sommige gouverneurs heeft den grondslag gelegd tot een regeeringsbeleid, dat dikwijls belemmerend op den gang van zaken heeft gewerkt, en waarvan het einde nu met vreugde mag worden tegemoet gezien.
Bij de beoordeeling van het vroeger regeeringsbeleid had, naar het mij voorkomt, de Kamer evenwel gereede aanleiding kunnen vinden om â bij wijze van een voor de hand liggenden overgang â ook over het beleid uit den jongsten tijd, den grond der begrootings-verwerping door de Surinaamsche Staten, een oordeelvelling uit te brengen , althans, door het vragen van inlichting aan de Regeo-
(1) Lord Palmerston. rAngleterre et le continent, Jiag. UT.
(2) Getuige het aanzoek om , met de grootc mogendheden, deel te nemen aan de jongste Europeeache congressen over de aangelegenheden van het Suez-Kanaal en den Congo-Staat.
22
ring, voor te bereiden. Doch over dit beleid vindt mon in het V. V. niets anders gezegd dan hetgeen ook van elders bekend was, dat er n.1. spanning was tusschen den laatst teruggekomen Gouverneur en de Staten, en men nu maar het beste wilde hopen van den nieuwen Gouverneur. Het beleid van dien vorigen Gouverneur was dan toch op zijn minst, bij de bekende meening der Koloniale Staten, bedenkelijk te noemen. En nu blijkt het niet alleen, dat door de groote overijling, waarmede de Surinaamsche begrooting er als het ware is doorgehaald, men zich den tijd niet gunde, de Eegeering over dat beleid te interpel-leeren, maar bovendien blijkt uit het V. V. ten duidelijkste, dat dergelijke interpellatie ook nooit in de bedoeling gelegen heeft, al ware Suriname eens bij uitzondering eenige dagen, in plaats van den laatsten avond, vóór het Kerstreces aan de orde geweest.
Bij den zorgwekkenden toestand der Kolonie zijn in een staatsstuk dergelijke algemeene zinspelingen op de gespannen verhouding tusschen de Staten en den laatsten Gouverneur en dergelijke verwachtingen van de komst van een nieuwen landvoogd, intusschen niet van zekere luchthartigheid vrij te pleiten. In het bijzonder, wanneer men in aanmerking neemt, dat deze wanverhouding tusschen het Surinaamsche volk, vertegenwoordigd door de Koloniale Staten, en de Nederlandsche Regeering, vertegenwoordigd door den Gouverneur, zich in geenen deele heeft bepaald tot den laatst teruggekomen Gouverneur, en ook niet steeds uitsluitend het gevolg is geweest van bijzondere eigenschappen van dezen of genen landvoogd, maar hoofdzakelijk van bet, in de oogen der Staten, verkeerde regeeringsbeleid. Ook dus voor zoover betreft het aandeel, dat de Minister daarin heeft.
Ik laat in het midden de juistheid dezer laatste meening, en geef aan den anderen kant toe dat er geen termen zijn om te wraken, dat over het algemeen het beheer eener gesubsidiëerde kolonie in handen der Nederlandsche Regeering beruste. Doch het is toch zonderling, dat de in-
23
menginp der Regeering zich langzamerbaml tot in nagenoeg allo bijzonderheden der koloniale huishouding heeft uitgestrekt. Alle mogelijke voorzieningen van eenig aanbelang, zelfs de zoodanige , die de Minister van koloniën uit den aard dor zaak niet in staat was persoonlijk te beoordeelen, moesten in den laatsten tijd uitgaan van, althans bekrachtigd worden door het Ministerie in Den Haag, de metropolis als \'t ware van eene kolonie in Zuid-Amerika. Men heeft met dezen toestand dus wel degelijk rekening te houden. Bij zaken van eenig aanbelang bestond het dagelijksch bestuur van Suriname niet uit den Gouverneur en zijne raadslieden , den Raad van Bestuur, maar uit den Minister. De formeele onderscheiding tusschen âKoloniaal Bestuurquot; en âNederlandsche Regaeringquot; of âOpperbestuurquot; was dan ook vrij wel overbodig geworden. Tegenover ingewijden werd de persoonlijkheid van den Gouverneur, als orgaan van invloed en gezag, zoodoende geheel uitgewischt, terwijl bovendien nu en dan, zelfs tegenover het groote publiek, \'s Gouverneurs prestige er noodzakelijk onder lijden moest. Goede bedoelingen van den Gouverneur, van nabij met de behoeften der Kolonie bekend, mochten nu en dan tot begin van uitvoering overgaan, door het in den vorm van een bescheiden voorstel nemen van initiatief, die pogingen werden soms verijdeld door den last, om juist andersom te handelen dan \'s Gouverneurs persoonlijk inzicht medebracht. Gouvernements-resolutiën, die de Gouverneur, als van bloot localon of particulieren aard, in een onbewaakt oogenblik vermeenen mocht eens zonder voorkennis van den Minister te mogen uitvaardigen, heeft men nu en dan, twee maanden ongeveer na de afkondiging, alweer bij Gouveruements-resolutie door denzelfden Gouverneur zien intrekken: een tijdsverloop, overeenkomende met dat van ruim eene mailreis heen en eene mailreis terug.
De verwachting, in het V. V. uitgedrukt, is telkenmale bij de uitzending van een nieuwen Gouverneur opzettelijk uitgesproken of stilzwijgend gevoed.
24
De geschiedenis heeft intusschen geleerd, dat bij zulk een gebeurtenis het politieke leven telkenmale voor een oogenblik opflikkert, doch dat dit spoedig eenevertooning blijkt te zijn van kunstmatige opgewektheid. Zoodra men gewaar wordt, dat het lijntje eigenlijk in dezelfde handen blijft, dooft het heilig vuur al heel spoedig uit. Te grooter is de reactie, naar gelang de verwachting hooger gespannen was.
Men gaat in den regel nu eenmaal niet naar Suriname, uit belangstelling in of uit liefde voor de Kolonie of om aan de Regeering een genoegen te doen; men gaat er eenvoudig heen om stoffelijk voordeel. Dit is, bij hetgeen men hier soms achterlaten en zich daar ontzeggen moet, ook niet meer dan natuurlijk. Van daar dat de Gouverneurs niet gewoon waren zoo spoedig tegenover den Minister hunne rechten te handhaven. Feitelijk stelden zij zich gewoonlijk ten dienste en ter beschikking van het Departement van koloniën en de duur van het gouverneurschap, waar het met het oog op het te behalen hoogste pensioen wel zeer op aankomt, was dan eenvoudig eene quaestie â tegenover de Surinaam-sche bevolking van politieke voorzichtigheid, tegenover de Regeering niet zelden van het prijsgeven van eigen overtuiging.
De verwachting, in het V. V. uitgedrukt, ware, bij bestendiging van dien toestand, dus eene ijdele verwachting. De nieuwe Gouverneur zou dan mogelijk het goede willen, en toch niet kunnen.
Het was niet lang geleden geheel anders. Als men 40 jaar teruggaat, ontmoet men in de geschiedenis van Suriname de grootsche figuren van Elias , Van Raders en Schimpf , die , als Gouverneur van een verafgelegen land, waarover hun het beheer door de keuze van den Koning was toevertrouwd , er de mannen niet naar waren, om zich de teugels uit handen te laten nemen. Ik denk hierbij aan de waardige, bijkans hooghartige verantwoording van Elias tegenover den toenmaligen Minister van koloniën, ter zake van door «ekere partij tegen hem ingebrachte klachten. Verder denk
25
ik aan het krachtig beroep van Van Radees op zijn ambtseed en zijne daaruit ontleende bevoegdheid om, âzonder vooraf-âbekomene anthorisatie der Hooge Regeering, eene zaak, âdie met het welzijn o£ het nut der Kolonie in nauw verband âstaat, aan te vangen.quot; Dit geschiedde, toen hem vanwege den toenmaligen Minister van koloniën eene aanmerking werd gemaakt op het door hem, op eigen verantwoording, ondernomen grootsche werk van de doorgraving van het Saramacca-kanaal. Eindelijk roep ik mij voor den geest het geheele bestuur van Schimpp, die, met een onafhankelijk fortuin en van zijn goed recht bewust, zonder Minister scheen te regeeren, omdat hij op zijn persoonlijk verantwoordelijk terrein geen ministeriëele inmenging duldde. Tegenover den Minister even als Van Radees een stijfhoofdig gouverneur, was hij niettemin even als deze een goed Regent van Suriname. De omstandigheden waren hem evenwel gunstiger. In het jaar 1858 gaf hij te kennen, wegens te groot geworden verschil van zienswijze met den toenmaligen Minister van koloniën, het bestuur over Suriname uit handen te willen leggen; en een jaar later, na vruchtelooze pogingen om hem van zijn voornemen terug-te brengen, werd dat verslag op de meest eervolle wijze hem door den Koning verleend.
Voor zoodanige opvatting van deze hooge en persoonlijk verantwoordelijke betrekking scheen bij latere Gouverneurs, om voor de hand liggende redenen, geene genoegzame ruimte te bestaan.
Blijkens de Handelingen van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, meende de Minister van koloniën in de zitting vaa 23 Januari jl., in antwoord op het verzoek om inlichting van een afgevaardigde uit Zuid-Holland, te moeten opkomen tegen de door mij in de N. B. Ct. van 12 Januari t. v. gegeven voorstelling, âalsof het bestuur van Suriname feitelijk niet âzou worden gevoerd door den Gouverneur, bijgestaan door âden Raad van bestuur, maar dat in iedere zaak van
âgewicht door den Minister van koloniën zou worden beslist.quot;
âTegen deze voorstelling moet ik opkomenquot;, zegt de Minister, en hij laat, met dit doel, er onmiddellijk op volgen: âhet Regeerings-Eeglement geeft eene ruime autonomie aan Suriname: de Koloniale Staten hebben een groot âaandeel in de wetgevende macht; zij kunnen de verordeningen , die de G-ouverneur hun aanbiedt, goed of afkeuren; âzij hebben ook het recht van initiatief en dat van âamendement.quot; Tot goedmaking van het désaveu dei-aangehaalde meening over het dagelijksch bestuur van Suriname , kan echter een beroep op de samenstelling der koloniale verordeningen m. i. geen dienst doen. Waar toch slechts sprake is van gouvernements-resolutiën als alge-meene maatregelen van inwendig bestuur, daar kan, naar het mij voorkomt, ten betooge dat niet de Minister, maar wel degelijk de Gouverneur dat bestuur in banden heeft;, niet worden aangevoerd, dat ook de Koloniale Staten een aandeel hebben in de wetgevende macht.
Zoowel de eigenlijk gezegde wetgeving als de algemeeno maatregelen van inwendig bestuur zijn in Suriname, ingevolge het Regeerings-Reglement, zeer zeker aan het toezicht van de Nederlandsche Eegeering onderworpen. En daargelaten sommige minder gelukkige bevelen van het Opperbestuur, geloof ik ook veilig te mogen stellen, dat op beiderlei gebied het Departement van koloniën door dat toezicht en de noodige voorlichting zeer dikwijls een heilzamen invloed op den gang van zaken in Suriname heeft uitgeoefend. Geheel iets anders is het ingrijpen in de tengels van het dagelijksch bestuur en het doen terugnemen van algemeene bestuursmaatregelen, die reeds op geruchtmakende wijze naar buiten hebben gewerkt.
Voorloopig is er echter uitsluitend sprake van gouvernements-resolutiën, als door mij bedoeld, buiten de Koloniale Staten om, door den Gouverneur, den Raad van Bestuur gehoord, uitgevaardigd.
Op dergelijke algemeene maatregelen van inwendig be-
stumquot; blijf ik van toepassiag achten mijn beweren, dat in iedere zaak, ook van minder gewicht, de Minister gekend wilde zijn, en dan ook zijn invloed gelden deed, nu en dan met het gevolg, dat noodwendig verbonden is aan de beoordeeling van koloniale vraagstukken van uit een \'s-Gravenhaagsch bureau. En op dergelijke algemeene maatregelen van inwendig bestuur acht ik dan ook van toepassing het gezegde van Thorbecke, dat liet sterke oogen moeten zijn, die van uit het Moederland de koloniale zaken met nauwkeurigheid willen leeren kennen. Na de afdwaling naar de koloniale verordeningen, komt de Minister dan toch ook op dit zwaartepunt neer, en laat de zaak niet onbesproken. âHet zou ondenkbaar zijnquot;, zegt de Minister, âdat de opvolgende Ministers van koloniën, in plaats van âvertrouwen te stellen in den man, die vaak (1) op hunne âeigen voordracht is benoemd, hem het werk uit handen âzouden nemen, hem tot machteloosheid zouden doemen. âEn er bestaat niet de minste reden om te meenen, zooals âde schrijver van het ingezonden stuk scheen te doen, dat âde tegenwoordige Gouverneur van Suriname, een man, âwiens bekwaamheid, energie, werkkracht en toewijding âalgemeen bekend zijn, daar machteloos zou staan.quot; Het is alweer een geweldige sprong, waarmee men van den eersten volzin den anderen bereiken moet. Bij den eersten volzin is er slechts sprake van het verledene, waarbij \'s Ministers verzekering op feiten afstuit en mijn beweren dus niet in het allerminst kan te niet doen. De laatste verzekering geldt de onbekende toekomst en hoogstens ook den beperkt tegenwoordigen tijd, waarvan de geschiedenis toen nog in wording was, eu waarbij men dus, met alle mogelijke reserve en met eene goede hoop op verbetering bezield, eene afwachtende houding behoorde aan te nemen.
Ik stel op den voorgrond, dat er van het regeerings-
(1) De Minister schijnt hier ook het oog te hebben op voordrachten van ambtsvoorgangers, bij ingetreden ministerieele wisseling. Benoeming buiten ministerieele voordracht is ten deze toch niet denkbaar.
28
beleid van dezen Minister tegenover den tegenwoordig e n Gouverneur bij mij geen sprake kon ziju, omdat daarvan nog niets naar buiten had gewerkt. In bet algemeen sprak ik van bet regeeringsbeleid, dat verscbillende gouverneurs na Schimff (grootendeels dus vóór bet optreden van dezen Minister) zicb bebben laten welgevallen. Ik heb, wat meer is, in bedoeld ingezonden stuk ten opzicbte van den tegenwoordigen G-ouverneur, integendeel gezegd , dat âbij bestendiging van dergelijke Haagss cbe bureaucratie de uitzending van een nieuwen âGouverneur, boe boog zijn persoon ook aangescbreven ,.moge staan, op zicb zelf geen den miusten waarborg âkan opleveren, dat de toestand verbeteren zal, en verder âdat de toekomst intusscben nog leeren moet, âof onze zelfstandige en bekwame oud-Minister van justitie âer de man naar is, om, onder de tbans bestaande âvoorwaarden, lang Gouverneur van Suriname te zijn/\' Ik sprak dus zoo voorzichtig en gereserveerd mogelijk, en wanneer nu uit \'s Ministers verzekering volgt, dat, nu de tegenwoordige Gouverneur aan bet roer is en juist op grond van het boog aangeschreven staan van zijn persoon, die Haagsche bureaucratie niet zal worden bestendigd, dat aan die onbegrensde inmenging thans een einde gekomen raag heeten, â welnu, daar heb ik, in aansluiting aan, en gedekt door, voorzegde reserve, natuurlijk ook niets gezegd, en kan ik mij zelf toch gelijk blijven.
Deze verzekering van den Minister is intusscben vau zeer veel beteekenis, en als zoodanig wordt zij zeer gaarne, hoewel voorloopig onder benefice, aanvaard.
Het was dan ook meer dan tijd, dat een bekwaam Gouverneur de meerdere zelfstandigheid van bet gouverneurschap kwam vindiceeren. Alleen op deze wijze is eenig heil te wachten van de overigens erkende, ook door den Minister gehuldigde verdiensten van den nieuwen Gouverneur. Alleen zoodoende is er kans tot vreedzame oplossing van het moeilijk vraagstuk der Surinaamsche regeerkunst.
29
Even aangenaam, en daarbij in zekere mate verrassend, klinkt uit \'s Ministers mond de verklaring, âdat de Gouverneur volkomen de vrije hand heeft.quot; Eene verklaring, die de bedoelde titularis ongetwijfeld zal weten op prijs te stellen en ten voordeele der Kolonie te benutten, terwijl Suriname den afgevaardigde uit Zuid-Holland erkentelijk mag zijn, dat hij den Minister die verklaring heeft ontlokt.
Nu de Minister zoodoende zelf den twijfel omtrent zijn verder beleid, wat de regeering van Suriname betreft, heeft weggenomen, vervalt natuurlijk menige bedenking, die ik tegen de mogelijke voortzetting van het laatst waargenomen regeeringsbeleid meende te moeten inbrengen.
Terwijl men nu toch op dit eene punt, meerdere vrijheid van beweging voor den Gouverneur, een weinig licht aan Suriname\'s horizont mag zien, volhard ik voor\'t overige bij mijn gevoelen, dat de in het Voorloopig Verslag der 2® Kamer van November 1885, (toen dit ministerieel bescheid nog niet gegeven was), uitgesproken verwachting van eene betere toekomst, op niets gegrond was, en dus eene aprioristische stelling, eene ijdele verwachting kon genoemd worden.
Bij de hoop dat aan de Haagsche bureaucratie in Suriname, ook door het stelselmatig uitzenden van geschikte en betrouwbare Gouverneurs, voor goed een einde gemaakt zij, is het al vast merkbaar, dat de tegenwoordige titularis veel persoonlijken invloed bij de regeering heeft en dat, als er van dien kant iets voor Suriname te doen is, Suriname dit wel uit zijne hand zal ontvangen. Hij is bovendien een man, wiens werkzaamheid zich niet schijnt op te lossen in het quieta non movere, maar die buitengewone werkkracht ontwikkelt. (1)
In den lof, ook door den Minister aan den tegenwoordigen Gouverneur toegezwaaid, ligt onmiskenbaar iets minder
(1) Getuige o. m. de beantwoording, met bijgevoegde nota van wijzigingen, kort na zijn optreden, van het voorloopig verslag der Koloniale Staten, van 1 Maart 1S80, over het aanhangig ontwerp eener verordening tot wering van besmetting door scheepvaart, welk verslag rnim 5 jaar lang onbeantwoord gelaten werd.
30
vleiends voor de vorige Gouverneurs. Daarmede gaat ten overvloede gepaard eene stellig uitgesproken verwerping van elk aandeel in sommige algemeen afgekeurde handelingen van den onmiddellijken voorganger van den tegenwoordigen landvoogd. Dit is evenwel iets tusschen den Minister en
O
den laatst teruggekomen Gouverneur, hetgeen nog niet tot het openbaar domein behoort, daar het nog te kort geleden is, om, naar eisch eener goede beoordeeling, genoegzaam naar buiten te hebben kunnen werken.
De Gouverneur heeft dan alzoo âzijne handen vrij.quot; Terwijl men mot dankbaarheid van \'s Ministers verklaring mag akte nemen voor de toekomst, kan dit voor het ver-ledene in geenen deele gelden.
âliet zou ondenkbaar zijn, dat de opvolgende ministers in âplaats van vertrouwen te stellen in den man, die vaak op âhnnne eigeu voordracht is benoemd, hein het werk uit handen âzouden nemen en hem tot machteloosheid zouden doemen.quot; Men zou hier toch ook de vraag kunnen stellen, of in den laatsten tijd bij benoeming tot Gouverneur van Suriname steeds de bekwaamheid, de geschiktheid en de verdiensten den doorslag gegeven hebben, en of het niet wel eens is voorgekomen, dat dergelijke benoeming dienen moest om zich van een lastigen oppositievoerder te ontdoen, of om eene geleidelijke opklimming langs de sporten van de hiërarchische ladder de kroon op te zetten. Dit zijn vragen, die ik niet te beantwoorden heb, doch die feitelijk tot allerlei gissingen aanleiding kunnen geven. De benoeming van sommige Gouverneurs heeft intusschen den grondslag gelegd tot de door mij gewraakte bureaucratie, waarbij de Gouverneur soms wel vertrouwd genoeg bevonden werd, om ala dilettant de teugels te mogen vasthouden, doch waarbij, evenals bij den verantwoordelijken koetsier, het bestuur in handen bleef van het Departement van koloniën. (1) â Dit
(1) Aan de daaraan verbonden uitgebreide schriftelijke verantwoording van het Koloniaal Bestuur, met het ^evolgelijk dekkings-systeem door allerhande ambtelijke commissariaten , werd veel tijd zoek gebracht, die voor meer feitelijke behartiging van \'s lands belang benut kon zijn.
31
was in de gegeven omstandigliedea wellicht âdenkbaarquot; niet alleen, maar ook begrijpelijk; docli voor den goeden gang van zaken daarom tocli minder gewenscht, daar van uit Den Haag eene kolonie wezenlijk niet kan worden geregeerd. Het is dus eenvoudig te bejammeren, dat men niet eerder op het denkbeeld gekomen is, om de Gouverneurs van Suriname op nauwlettender wijze te zoeken en daardoor hun wat meer de âvrije handquot; te kunnen laten.
Met opzet sprak ik telkens van eene meerdere mate van zelfstandigheid van het Koloniaal Bestuur. Volkovien zelfstandigheid zal over \'t algemeen niemand kunnen wenschen of verwachten, te minder in een door het Moederland gesubsidieerde kolonie. Artikel 112 Reg. Regl. drukt, hoezeer niet ten onrechte, op de Surinaamsche maatschappij en bijgevolg ook eenigszins op de vrijheid van handelen van den Gouvernenr.
Die toestand kan alleen met het subsidie een einde nemen.
Doch, daargelaten het onbetwistbaar recht der Regeering om van de minste uitgaaf en den eenvoudigsten maatregel voorkennis te dragen en die te beoordeelen, geloof ik toch, hetzij met bescheidenheid gezegd, dat de wijze, waarop, en de vorm, waarin dat recht wel eens is uitgeoefend, de ontwikkeling zoowel van het Koloniaal Bestuur als van de Koloniale maatschappij in den weg heeft gestaan. Van algeheele vrijheid in uitgaven, gelijk thans op Cura9ao, kan nu nog geen sprake wezen. Wel zou het mogelijk overweging kunnen verdienen om, nadat Suriname haar achterstallige schulden met behulp van ruime subsidiën zal hebben gedelgd, en nadat zij zoodoende voor goed in haar huishouden zal gezet zijn, haar vooreerst eene zekere som in het jaar als huishoudgeld toe te kennen; met herziening van het Reg. Regl. wat de vaststelling der begroeting betreft. Zulk een fixum, mits aanvankelijk niet te laag gesteld, zou na zeker tijdsverloop nader kunnen worden geregeld, en zou moeten strekken zoowel voor reo\'elmatiquot;1 wederkeerende, als voor onvoorziene uitgaven.
DO\' O
32
Op deze wijze geloof ik, dat de Kolonie tot kraclitsin-spanning zou worden gebracht en er eindelijk toe geraken zou, door vereenvoudiging van den inwendigen dienst als anderszins, het evenwicht tnsschen haar inkomsten en uitgaven te herstellen.
Het is intusschen niet meer dan natuurlijk, dat de ,.vrije handquot; van den Gouverneur geen inbreuk kan maken op de rechten, aan den Koning (stelle de Regeering) als opperbestuur der Kolonie toegekend. Die rechten worden dan ook uitdrukkelijk door den Minister gehandhaafd.
âDe Minister, die zich aan het Regeorings-Reglement houdt, zal soms nuttige wenken kunnen geven.quot; Die herinnering aan het Regeerings-Reglement geldt natuurlijk als commentaar op den verleden- en als voorbehoud voor den toekomenden tijd. Wanneer die ânuttige wenkenquot; in de toekomst echter niet een weinig minder elasticiteit ontwikkelen dan in het verledene, dan staat het te vreezen, dat aan de âvrije handquot; ook van dezen Gouverneur voor hare bewegingen riet bijzonder veel ruimte zal gelaten worden. (1)
Naast de artt. 21 en 57, door den Minister bedoeld, staan toch ook de artt. 13 en 28, 29 en volgg. Regeerings-Reglemt, De Gouverneur oefent wel is waar zijne waardigheid uit met stipte inachtneming van de bevelen des Konings (stelle der Regeering), en is bijgevolg ook verplicht, de door hem genomen besluiten onverwijld ter. kennisse des Konings (stelle der Regeering) te brengen en die in te trekken of te wijzigen, zoodra hem dit van \'s Konings- (stelle Regeerings-) wege wordt bevolen; doch aan den anderen kant is hij, ingevolge zijn dubbelen eed, naar z ij n vermogen verplicht, de welvaart der Kolonie te bevorderen, en is hij ten slotte, even goed als de Regeering zelf, wegens zijn doen en laten verantwoordelijk aan den Koning en aan niemand
(1) Als men dezen volzin in zijn samenhang beschouwt, dan springt eene vooropgestelde uitdrukkelijke voorwaarde in het oog, en wordt elke verkeerde gevolgtrekking zoodoende voorkomen.
33
anders. Hij bestuurt de Kolonie in naam en als vertegenwoordiger des Konings.
Bij het geven van nuttige wei-ken aan \'s Konings vertegenwoordiger, â als zoodanig opperbevelhebber over de in de Kolonie aanwezige krijgsmacht, die in tijden van oorlog of opstand de Kolonie in staat van oorlog of beleg kan verklaren, wetten en verordeningen niet alleen , maar ook door den Koning aangestelde ambtenaren, kan schorsen, en verder in urgente gevallen al datgene kan doen, wat den landvoogd eener ver van het moederland verwijderde kolonie alsdan geoorloofd is, â is er dus eene niet te overschrijden grens, en behoort groote voorzichtigheid te worden in acht genomen.
Ik kan evenwel, wat het verledene betreft, sommige van die zoogenaamde ânuttige wenkenquot; niet anders noemen dan een meesterachtige inmenging; met het oog op de mate van betrouwbaarheid van den Gouverneur wel is waar heilzaam nu en dan, doch dikwijls ook belemmerend, waar het gold de ernstige, doch door de \'s-Gravenhaagsche Regeering minder goed begrepen, bedoeling, om inderdaad het welzijn der Kolonie te bevorderen. Ik heb nooit beweerd, dat dergelijke inmenging ten doel zou hebben, om den betrokken Gouverneur machteloos te doen staan, doch wel was dit somwijlen het gevolg er van; wel heeft de wijze, waarop de wenken gegeven werden, er soms toe bijgedragen, om â als gezegd â het prestige van den CTonverneur, ook tegenover het groote publiek, nog meer te doen dalen. En mocht al eens blijken, dat die inmenging in op zich zelf onverdedigbare gouvernementshandelingen op een beter en juister begrip van recht en billijkheid berustte, dan was zij, uit dit oogpunt bezien, natuurlijk niet te wraken, doch dan bleef alweer, uit een staatkundig oogpunt, te bejammeren, dat het bestuur van Suriname aan zulke handen was âtoevertrouwd.quot;
En nu moge de Minister sedert zijn optreden in het laatst van December 1883, stelle dus sedert 1884, zich de moeite ge-
34
geven hebben om, bij zijne vele loopende ambtsbezigheden, de Suriuaamsche retroacta met de meest mogelijke nauwgezetheid na te gaan, toch is het mij â niettegenstaande \'s Ministers verzekering â bij den besten wil niet mogelijk om, voor zoover het verledene aangaat, die wenken op het voetspoor van den Minister uit dit vriendelijk en als het ware huishoudelijk gezichtspunt te beschouwen. â Integendeel, het door mij bedoelde tijdvak, van het aftreden van Gouverneur Schimpp in 1859 tot het optreden als Gouverneur van mr. Smiflfc in 1885, is ruim genoeg geweest om vroegere gewoonten zóó diep te doen inwortelen, dat het uitroeien daarvan later zeer zou kunnen worden bemoeielijkt.
Een voorbeeld uit meerdere, ton einde te doen uitkomen mot welk een noodeloos machtsvertoon wel eens âdo mannen, in wie de opvolgende Ministers vau koloniën vertrouwen steldenquot; in het openbaar zijn opgetreden, om korten tijd daarna, als het ware uit eigen hand, eene gevoelige correctie daarvoor te ontvangen. Het verband met het door mij gewraakt regeeringsbeleid is hierbij niet ver te zoeken.
Op 30 April 1870 ging de heer E. F. L. Mollingeü, destijds eigenaar der plantage Voorburg in het district Beneden Suriname, ten overstaan van den Commissaris van dat district een werkcontract aan met een aantal Chinee-sche immigranten, waarbij deze zich verbonden om, te rekenen van 29 Augustus 1870, voor den tijd van vijf achtereenvolgende jaren, als veld- en fabriekarbeiders werkzaam te zijn in dienst van voornoemden heer M., op diens evengemelde plantage, tegen het loon en de voorwaarden en de vooraf te genieten premie, als bij dat contract bepaald en nader omschreven waren. Van dit contract werd aanteekening gehouden in het algemeen register van immigranten op de doorloopende nummers, waaronder de in voege als voorzegd gecontracteerden waren ingeschreven.
Op 16 Augustus d. a. v. meende de toenmalige Gouverneur evenwel te kunnen en te mogen âgoedvinden en verstaanquot; (Gouverneinents-Besolutie vnn dien datum
35
No. 9), dat de immigranten, na expiratie van hunne loopende contracten, de verzuimdagen, waarvoor zij ingevolge koloniale verordening natuurlijk reeds straf hadden ondergaan, bovendien zouden behooren in te werken. Daargelaten nu de billijkheid van dergelijke bepaling (1) en daargelaten ook dat deze quaestie, ware zij toen reeds wettig geregeld geweest, als van geheel civielrechtelijken aard, moeielijk bij gouvernements-resolutie tegenover het betrokken nieuwe huurcontract kon worden beslist, kwam het voor, dat deze Resolutie nimmer de kracht kon hebben van eene door partijen eventueel ingeroepen rechterlijke beslissing, en dat dus â de algemeene verbindbaarheid dezer resolutie onaangeroerd latende â zij althans de terugwerkende kracht miste, om op eene overeenkomst van 30 April t. v. te worden van toepassing gemaakt.
De heer M. liet dan ook, met terzijdestelling van genoemde Resolutie, op 29 Augustus 1870 de gehuurde immigranten van de verschillende plantages, waar zij tot dusver werkzaam geweest waren, op Voorburg komen. Deze lieden waren hunnerzijds volkomen bereid aan het nieuwe huurcontract gevolg te geven, daar hun vorig vijfjarig contract op 28 Augustus 1870 feitelijk was afgeloopen.
Te kwader ure besloot toen de Gouverneur tot krachtdadige uitvoering van zijn, eveneens te kwader ure genomen, civielrechtelijk besluit. Door machtsvertoon wilde hij nu, zij het den heer M. noodzaken, de arbeiders aan het Gouvernement over te geven, tot terugvoer naar hunne laatste plantages, zij het de arbeiders dwingen, Voorburg-te verlaten en zicb te laten terugvoeren, zoodoende hunne met den heer M. aangegane en reeds uitgevoerde overeen-
(1) Eenige jaren later, in de tusschen Nederland en Groot-Brittannie gesloten overeenkomst, betreffende immigratie van vrije arbeidders uit B. Indiö (Gouv. Blad No. 14 van 1872) is werkelijk de bepaling opgenomen dat de immigrant, na afloop van zijne verbintenis, verplicht zal zijn daarenboven een gelijk aantal dagen te werken, als behoorlijk bewezen zal zijn, dat hij vrijwillig verzuimd heeft. Doch, men schroef in hot door mij behandeld geval nog maar 1870, en toen lag deze quaestie nog geheel open.
komst verbrekende. De Gouverneur stelde zich geregeld partij in dit tussclien den heer M. en de vorige huurders hangend geschil, en gebruikte daarbij het hem toekomend gezag op hoogst bedenkelijke wijze. Op 30 Augustus 1870 nam Zijne Excellentie den sterken arm te baat, ten einde de bedoelde immigranten met geweld van Voorburg te verwijderen, en de Districts-commissaris verscheen er op hooger last met de gewapende macht. Het onbesuisde binnendringen van eene bende maréchaussees in verschillende arbeiderswoningen, zonder rechterlijke machtiging of bekomen verlof van den eigenaar, lokte van de zijde van dezen laatste terstond een krachtig verzet uit, door welke tegenkanting deze poging tot schennis van het recht van domicilie werd afgeweerd. (1) Alstoen begaf zich, op last van Zijne Excellentie, het toenmalig stationsvaartuig, Zr. Ms. schroefstoomschip Schouwen, op 1 September d. a. v. naar quot;Voorburg, alwaar het voor de aanlegplaats het anker vallen liet. Vermoedelijk was het doel, als gebruikelijk, doch in dit geval, vrij zonderling, om «de vlag te vertoonenquot; en daardoor ontzag in te boezemen, â waartoe soms, bij oproertjes, tegenover de plantage-bevolking met goed gevolg het stationeerend oorlogsschip gebezigd werd, â doch deze maatregel kou hier minder doeltreffend heeten. Het gold hier toch geen oproerige bevolking, maar een groot plantageeigenaar, onwillig om eenige huurlingen te voorschijn te brengen, die tegen een oorlogsschip, dat hij begreep hem niet iu \'t allerminst te kunnen deren, geenszins opzag, en bij wien bovendien verschillende leden van het état-major in de stad als vriend aan huis kwamen.
(1) Ter zake hiervan werd later wel is waar eene strafvervolging wegens rebellie tegen den heer M. opgesteld, die evenwel, na een beroep op het in illicito verkeeren der politie en het gevolgelijk geoorloofde van den tegenstand, op 15 Maart 1871 met een ontslag van rechtsvervolging door het Hof van justitie in Suriname is beëindigd. Ter volledigheid diene, dat de Hooge Raad, na aanteekening van cassatie in het belang der wet, zich later met deze uitspraak, wat de rechtsqnaestie aangaat, niet heeft vereenigd, doch dat dit geen inbreuk heeft gemaakt op de eenmaal uitgesproken straffeloosheid van den heer M.
37
In den vroegen morgen van 2 September d. a. v. begaf zich de raadsman van den heer M., na zich voorzichtigheidshalve van het geleide van een deurwaarder te hebben voorzien, naar Voorburg, de stadsbewoners en vooral het huisgezin en. de vrienden van den lieer M. in groote opschudding achterlatend en in spanning over de geweldige dingen, die komen zouden. Men wist vau M.\'s verzet, wist dat de Districts-commissaris in eigen persoon in de laatste dagen gedurig, en soms bij nacht en ontij, was heen- en weer gereisd tusschen Voorburg en het gouver-nements-hotel, wist van het aanwezig zijn van het oorlogsschip tegenover Voorburg-; men vreesde, vooral met het oog op den min of meer heftigen aard van den heer M., het ergste. In dezelfde spanning werden de lieden eenige uren later op Voorburg aangetroffen. De Districts-commissaris was intusschen, met achterlating van zijne maréchaussees, wederom stadwaarts getogen, om nadere orders van den Gouverneur te halen. Ter voorkoming van onheilen werd onmiddellijk, met het oog op de opgewondenheid der gemoederen en de heftige verontwaardiging van den beer M. zelf, gemelde ambtenaar per expresse verzocht, om terstond uit de stad terug te komen, ten einde de immigranten, waar het om te doen was, onder protest over te nemen. Deze lieden werden daarop, tot niet geringe hilariteit van Zr. Ms. zeemacht, uit hunne veilige schuilplaats te voorschijn gebracht, hunne namen nauwkeurig opgenomen, het protest werd gereedgemaakt, en eenige uren daarna werden de huurlingen bij deurwaarders-exploot en onder streng voorbehoud van alle rechten en actiën, door hun wettigen huurder overgegeven aan het Koloniaal Grouvernement, vertegenwoordigd dooiden inmiddels uit de stad teruggekeerden Districtscommissaris. Deze liet alsnu door zijne maréchaussees de immigranten triomfantelijk terugbrengen, een ieder naar de plantage, alwaar hij, althans naar het oordeel van den Gouverneur, nog verzuimdagen zou hebben in te werken.
38
De Schouwen maakte vervolgens stoom op, en, als ware \'t een gezamenlijke pleiziertocht geweest, kwamen, â door den daarop gevolgden onvermijdelijken roeiwedstrijd der negers, â de tentboot van den Districts-commissaris en die
O \'
van den hoer M. met bijbelioorend gezelschap, tegen het vallen van den avond nagenoeg tegelijk met het oorlogsschip te Paramaribo aan. De stad was nog vol van een âbombardementquot; van Voorburg en dergelijke kleinsteedsche praatjes meer. Men liep uit, om tijding te vernemen van de plaatse des onheils, en zelfs de Gouverneur kon zijn ongeduldig hunkeren naar rapport niet genoegzaam beheerschen. De zaak maakte eene geweldige sensatie, welke ik opzettelijk, om hetgeen er volgt, in alle bijzonderheden verplicht was te doen uitkomen. De Gouverneur, zonder genoegzaam zijne aandacht te bepalen bij het protest, verhoovaardigde zich daarbij, begrijpelijkerwijs, niet weinig op zijn krachtdadig optreden tot handhaving van zijn genomen besluit.
In aansluiting evenwel aan het uitgebracht protest had de heer M., na briefwisseling en insinuatie, aan het Koloniaal Gouvernement intusschen de formeele erkentenis ontlokt , âdat de niet-naleving van het onderwerpelijk contract âvolstrekt niet heeft afgehangen van den wil der immi-âgranten, maar zij genoodzaakt zijn geweest zich aan den âwil van het Koloniaal Bestuur te onderwerpenquot;, en stond hij nu op het punt om het Gouvernement met eene civiele actie tot feitelijke opheffing van die overmacht en bij gebreke van dien tot vergoeding der daardoor geleden en te lijden schade te bespringen. Tot verbazing van een ieder en niet het minst van den hoer M., werd toen evenwel de Gou-vernements Resolutie van 16 Augustus 1870, No. 9 , waar zóó ontzettend veel om te doen was geweest, en tot de krachtdadige handhaving en uitvoering waarvan zóó geweldig veel beweging en ophef gemaakt en zulk eene beroering in den lande gebracht was, bij Gouv.-Resol. van 18 Maart 1871 No. 11 eenvoudig ingetrokken en vervallen verklaard.
39
En nu zal liet wel onmogelijk zijn, liet formeel bewijs te leveren, dat die intrekking Leeft plaats gevonden op ministerieele aanschrijving; docli, terwijl liet niet denkbaar is, dat de Gouverneur met zulke eene aanschrijving zal te koop loopeo, ligt het alleszins gegrond vermoeden toch wel voor de hand, dat hier niet aan eeue spontane intrekking te denken valt, vooral wanneer men daarbij in aanmerking neemt het tijdsverloop tusscheu voornoemd machtsvertoon en het later non-avenu verklaren daarvan.
Men .kan, bij de algemeene en dan ook in allen deele gegronde onderstelling van ministerieele tusschenkomst, uit deze proeve intusschen beoordeelen, van welk eene verbazende rekbaarheid die ânuttige wenkenquot; van het Departement van koloniën kunnen zijn, al naar gelang van de mate van vei\'trouwbaarheid van den benoemden Gouverneur.
In de gegeven omstandigheden was deze oplossing, met het oog op des Gouverneurs prestige, wezenlijk te betreuren. Zij kwam wel is waar den heer M. ten goede, zóó zelfs dat hij, bij het terug bekomen zijner manschappen, meer dan voldaan, van allen verderen eisch tot schadeloosstolling afzag; â doch dit daargelaten, kan ik aan den anderen kant, na al het voorgevallene, door mij met voordacht uiteengezet, een dergelijk doen désavoueeren der handelingen van een Gouverneur niet overeenbrengen met de juiste opvatting van een goed regeeringsbeleid. Er moest, om te beginnen, door de nauwgezette keus der titularissen, nimmer vrees voor zoo iets behoeven te bestaan : maar mocht al eene wetsopvatting, waarover geschil van gevoelen bestond (1), aanleiding hebben gegeven tot overschrijding van bevoegdheid, men zou dit als een voldongen feit hebben kunnen beschouwen en, bij den eenmaal inge-
(1) Het Koloniaal Gouvernement grondde zijne houding (m. i. minder juist) op art. 18, al. 1 Kon. Besl. 10 Maart 1863, no. 71 (publicatie 1863 no. 12) waarbij de immigranten gesteld worden onder de speciale bescherming van het Gouvernement, en waaruit nu gedistilleerd werd, dat het Gouvernement had te waken over de rechten en plichten der immigranten, terwijl het daarbij van
40
slagen weg naar rechteiij aan de afwikkeling en eindbeslissing van den rechter hebben kunnen overlaten, om de belanghebbenden te redden uit de moeilijkheden, waarin de berucht geworden Gouv. Resolutie van 16 Augustus 1870 No. 9 hen gebracht had. De vermoedelijk te wachten veroordeeling tot feitelijke opheffing der overmacht en in de proceskosten, zou dan voor het Koloniaal Gouvernement een eervollen terugtocht hebben opengelaten, terwijl de louter besparing der kosten van dit pi-oces niet opweegt tegen de zonderlinge houding, die men den Gouverneur nu beeft doen aannemen.
Ik zou den Minister, met de meeste bcscheidenheicl, dus wel in bedenking willen geven, of er geen mogelijkheid bestaat dat hij zich vergissen kan, wanneer hij, van het vorledene sprekend, meent dat de opvolgende Gouverneurs âde handen vrijquot; hadden. Er zijn toch, behalve hetgeen naar buiten werkt, ook wenken, waarvan de strekking en de uitwerking zich tot de binnenkamer van den Gouverneur bepaalt.
Intusschen behoort, naar het mij voorkomt, tot de middelen, die men âtot behoudenisquot; van Suriname noodig heeft, in de allereerste plaats een meer zelfstandig bestuur, en daartoe vóór alle dingen de mogelijkheid tot handhaving van \'s Gouverneurs prestige, opdat deze zich aan de invloeden, zoo in den Haag als in Suriname, blijve onttrekken.
Het is dus een alleszins verblijdend teeken, dat zulk een bestuur voor den vervolge, althans onder den tegen-woordigen Gouverneur, dien ik daarom van harte een zeer lang bestuur toewensch, door den Minister is toegezegd.
Wanneer ik alsnu het punt der Surinaamsche autonomie beleefdheidshalve, als door den Minister op het tapijt ge-
oordeel was, dat eene werkovereenkomst, aangegaan voor den tijd van vijf achtereenvolgende jaren, het jaar berekend op 300 werkdagen, van zelf mede-hracht, dat de overeenkomst eerst dan kon beschouwd worden te zijn afge-loopen, als, na aftrek van ziekte- en verlofdagen, de immigrant 1500 dagen had gewerkt.
Dit oordeel had zeker recht op bestaan en verdediging in rechten, doch intusschen niet op geweld.
41
braclit, korfcelijk aanstip, geschiedt dit om te beginnen bij wijze van opmerking, dat de uitoefening van de aangegeven rechten en bevoegdheden,â gelijk de ervaring ten deze een en andermaal heeft aangetoond, â voor neutralisatie vatbaar is. Dikwijls, ik zal het geenszins ontkennen, ten bate- doch dikwijls ook tot schade der Kolonie. Vooreerst toch kan de Gouverneur, die op zijne bem\'t dienaangaande de noodige âwenkenquot; van den Minister ontvangt (gelijk de Minister zelf heeft verklaard), bij bezwaren zijnerzijds of van de zijde der Regeering, de vaststelling van do door de Koloniale Staten goedgekeurde of bij wijze vau initiatief ingediende ontwerp-verordeningon alsnog in beraad houden, â voor de afkondiging is bovendien opzettelijke of stilzwijgende goedkeuring der Regeering binnen zes maanden een vereischte, â terwijl, bij eventueele afkeuring eener ontwerp-vei\'ordening door de Koloniale Staten, nog wel langs anderen, den Minister bekenden, weg, gelegenheid bestaat om de daarin opgenomene voorzieningen ingevoerd te krijgen. Hierin is, bij de volkomen wettigheid van een en ander, natuurlijk op zich zelf niet het minste bezwaar. Doch ik gaf vroeger reeds te kennen, dat het amendeeren door de Koloniale Staten der voorloopige begrooting een wanhopig werk was, daar bij de indiening door de Regeering tot definitieve vaststelling de aangebrachte amendementen eenvoudig geschrapt werden. Evenzeer durf ik stellen, dat er nu en dan ook met andere denkbeelden dei-Koloniale Staten geene voldoende rekening werd gehouden.
Ik zal daarbij geenszins ontkennen, dat daartoe soms overwegende redenen bestonden.
Aan den eenen kant raag men toch niet voorbijzien, dat door de alleszins bevoegde eu dikwijls zeer gewaardeerde tusscheukomst der Regeering tot intrekking of wijziging van een bestaande- of het vaststellen van eene nieuwe verordening, nu en dan de billijkheid is betracht.
Niet slechts met volkomen medewerking der Koloniale Staten, doch ook trots de tegenkanting van dit college.
Tiet eerste geval deed zicli bijv. voor, bij de vaststelling der âStrafverordening van 1874quot;, ter vervanging van de gelegenlieidsverordeningen tegen lediggang, zwerverij en arbeidersovertredingen van 19 April 1873 (Gr. B. 15 en 1().)
Het tweede geval was bijv. aanwezig, toen liet beginsel, dat over de Imnrders van arbeiders ter zake van linnne overtredingen als zoodanig, door denzelfden rechter en volgens dezelfde snelle rechtsbedeeling als hunne huurlingen moest worden recht gedaan, bij Verordening van 16 Mei 1877 (Gr. B. 9) werd gehandhaafd.
De Verordeningen van 19 April 187o zijn door den toenmaligen Gouverneur, die dergelijke onderwerpen door de oogen van zijn rechtsgeleerden raadsman, den Procureur-G-eneraal, moest bezien, bij de Staten ingediend, zóó kort vóór 1 Juli 1873, â den dag van de opheffing van het staatstoezicht, â dat de Staten, wilde men op dien datum niet tegenover een wetteloozen toestand zich bevinden, wel verplicht waren die voorzieningen, hoezeer hier en daar gewijzigd, aan te nemen.
De Verordening van 16 Mei 1877, ter overbrenging van de daarin opgenoemde overtredingen van het Hof van justitie naar de kantonrechters en ommegaande rechters, heeft veel wederwaardigheden gehad, wier opsomming mij te ver zou leiden. Kenmerkend is, dat zij als Ontwerp op 27 Apnl 1875 door den Gouverneur bij de Staten werd ingediend, met de toelichtende bemerking, dat ârecht en billijkheidquot; deze voorziening voorschreven; âde ondervinding âverbiedt naar mijn inzien,quot; schrijft de toenmalige Gouverneur, âden bestaanden toestand (1) één dag langer dan onvermijdelijk te laten voortduren.quot; Bij de Koloniale Staten vond dit ontwerp een ongunstig onthaal. De wisseling van schrifturen eindigde echter reeds op 16 November 1875, met
(1) Dat de arbeiders feitelijk gfeen recht verkregen, omdat zij eenvoudig door allerlei moeilijkheden (dagenlange reizen, werkverzuim en gevolgelyk loonverlies enz.) verhinderd waren hunne klachten te doen berechten door het Hof van justitie, tot dusver het forum privilegiatum voor de overtredin-sren der huurders van arbeider?, als zoodanicr.
43
het eindverslag der Staten. De zaak was dus in staat van wijze en inen kon, na het krachtdadig optreden van den Gouverneur tot handhaving van de arbeiders-rechten, de openbare beraadslagingen eerlang te gemoet zien. Benige dagblad-artikelen, op dit onderwerp betrekking hebbende, brachten de planters-gemoederen in beweging. De zaak trok de aandacht, zoowel van de Nederlandsche Regeering als van het Britsche consulaat, dat toezicht hield op de behandeling der immigranten. En toen nu op 8 Februari 1876 de toenmalige Gouverneur de Koloniale Staten met een brief verraste, waarin hij schreef, thans niet op eene behandeling van het aanhangig ontwerp te willen aandringen, verwekte dit algemeene verbazing.
Spoedig daarop hoorde men toen van het berucht telegram van den Britschen consul âStop emigrationquot;, en werd de immigratie uit Hindostan geschorst, terwijl men vernam dat de gelijke rechtsbedeeling voor arbeider en werkgever als voorwaarde tot heropening daarvan gesteld was.
Daarna is, op hoog bevel, de zaak wederom in de Staten aanhangig gemaakt, en de verordening van 16 Mei 1877 tot stand gebracht.
Wie zal er zijn, die \'t in het eerstgenoemde geval zal wraken, dat de Regeering eene slechte wet als die van April 1873 afkeurt en door eene betere vervangen doet ?
Wie zal betwijfelen, dat, bij tastbaar ongegronde tegenkanting der Staten, het Koloniaal Bestuur, dat zich, â om welke reden dan ook, â te zwak gevoelt, in het doorzetten van nuttige maatregelen moet worden ter zijde gestaan door de Nederlandsche Regeering? Wie zal daarbij aarzelen om bij den Minister of een bekwaam ministerieel ambtenaar meerder opleiding tot wetgevenden arbeid en, waar het plantersbe-langen geldt, meer onbevangenheid van oordeel te onderstellen, dan bij vele leden der Koloniaale Staten van Suriname?
Doch aan den anderen kant heeft de ministeriëele inmenging ook wel eens te denken gegeven aan een furor huro-craliens gubernandi, waarbij geen rekening gehouden
44
wordt met nooden, behoeften en bezwaren, maar de ministerieele opvatting van de draagkracht eener koloniale bevolking, tegen betere inlichtingen in, met zekere heftigheid gehandhaafd wordt. Dit was het geval bijv. met de invoering eener belasting.op het verbruik van gedistilleerd, bij de Wet van 19 Juni 1871 [Stbl. no. 71, G. B. no. 10), in Suriname uitgevoerd bij Besluit van 22 April 1875 (G. B. no. 9). Artikel 148 Reg. Regl. laat wel is waar ruimte voor de invoering van belastingen in Suriname bij verordening of wel bij wet; doch Art. 59 der Nederl. Grondwet, laatste alinea, stolt voor dit laatste eene âbestaande behoeftequot; tot voorwaarde. En waar nu, op grond van den toestand der Kolonie, do Koloniale Staten een en andermaal ernstige bezwaren inbrachten tegen het in behandeling nemen van de hun daartoe ingediende voorstellen (1), daar heeft de toenmalige Minister de âbestaande behoeftequot;, die de Grondwet eischt, naar het mij voorkomt, niet genoegzaam aangetoond. Bij de behandeling der wetsvoordracht in de Tweede Kamer op 27 Mei, en in de Eerste Kamer op 16 Juni 1871, heeft men ten eenemale verzuimd, stil te staan bij de verschillende nuttige doeleinden, waarmede het Surinaamsch gedistilleerd, in den vorm van rum, dram en voorloop, in bijna elk Surinaamsch huishouden gebruikt wordt, en ook verdere bezwaren van de Staten, herhaaldelijk breed uiteengezet, onbesproken gelaten; de Staten zeiden in gemoede dezen nieuwen algemeenen druk aan de bevolking niet te kunnen opleggen, eer de immigratiezaak geregeld was en daardoor de toestand een weinig was verlicht. Dit âverzetquot;, gelijk de Minister het in de Tweede Kamer noemde, moast nu gebroken worden; er was hier bepaald âonwil, miskenning van âhet gezag van het opperbestuurquot;.
Bij de indiening der wet heeft de Minister dan ook onbe-
(1) Op 3 Mei 1871 b. v., namen de Staten eene motie aan, waarbij gezegd werd, ,;dat op grond van een ongnnstigen toestand der Kolonie, die het leggen âvan nieuwe of meerdere lasten op de bevolking op dit oogenblik niet toeliet, âde verordening voorloopiy niet verder in behandeling kan genomen worden.\'*
45
wimpeld aan de Eerste Kamer medegedeeld, waartoe die wet hoofdzakelijk strekken moest. Op dat oogenblik was z. i. die invoering nl. uoodig als maatregel, âom aan de âKoloniale Staten van Suriname te doen zien, dat met de âstellige hevelen van het opperbestuur niet de spot mag âgedreven worden.quot;
Eene proeve alweer van de elasticiteit der zoogen. ânuttige wenken.quot;
Tegen herhaling van dergelijke taal waarborgt ons in-tusschen de nieuwe Grouverneur, even goed als tegen liet indienen van verordeningen als van 19 April 1873 en tesren de anerstvalliffe terutmemina- van aanhauo-io\'e ont-
o o o o o o o
werpen, door ârecht en billijkheidquot; voorgeschreven, als van 27 April 1875.
In dezelfde mate waarborgt hij ons tegen het uitvaardigen van gouvernements-resolutiën als van 10 Augustus 1870 No. !â¢.
En zoo ben ik tot mijn uitgangspunt teruggekomen, van waar de Minister, door het ter sprake brengen van de Surinaamsche autonomie, mij voor enkele oogenblikken liad afgevoerd, n.1. tot des Gouverneurs zelfstandigheid.
Deze zelfstandigheid berust m. i. op een dubbelen gouvernementsplicht: het nemen van initiatief en het bieden van weerstand. Door het eerste voorkomt men de maatschappelijke behoeften, en geeft men, door zich met het belang der bevolking persoonlijk bezig te houden, den stoot aan wat goed en nuttig is. Door het tweede is men bestand tegen onbehoorlijke invloeden in de Kolonie zelf, en onmatige invloeden van de zijde der ISTederlandsche Regeering. Redelijke samenwerking met de Koloniale Staten is daarbij, â zoo mogelijk , â gewenscht.
Voorloopig is er reeds tusschen het hoofd der Kolonie en de Koloniale Staten eene betere verhouding waar te nemen, dan men er in de laatste jaren gekend heeft.
Veel hangt intusschen af van de houding der Regcering
4G
en dor Volksvertegenwoordiging tegenover de geldelijke eiscben, die de nieuwe Gouverneur voor de wederopbeuring der Kolonie stelt.
Op zelfstandige wijze lieeft hij van de zucht tot schijnbare subsidie-vermindering afgezien. Vorige Gouverneurs trachtten in dit opzicht in de allereerste plaats zich bij Kegeering en Vertegenwoordiging aangenaam en gewenscht te maken, en daardoor hun aanblijven te rekken. En of later de rekeningen met de begrootingen klopten, dan wel een aanmerkelijk hooger cijfer aanwezen, en later bij eene nieuwe wet moesten worden gewijzigd en verhoogd, dit kon hen minder deren ; zij waren misschien dan al in Nederland terug, in het onbetwist genot van een hoog pensioen.
Deze Gouverneur heeft met die tradition gebroken. Het is hem niet te doen om Ministers of Kamerleden te believen. Hij schenkt hun klaren wijn. Hij vraagt veelgeld: want hij moet de onbetaalde schulden zijner voorgangers met de opgeloopen renten delgen, voor het tegenwoordige de zaken in het reine brengen en voor de toekomst zorgen. âEr is naar gestreefd,quot; zegt hij, (Mem. v. toelichting op de Kol. begrooting 1887), âmet de meeste trouw de waar-âlieid te betrachten, zonder overdrijving, zonder onjuiste âvoorstelling, maar ook zonder terughouding of verzwijging âvan iets, wat aan deze begrooting een ander voorkomen, een âanderen schijn zou kunnen geven dan zij behoort te dragen.quot;
Voor allerlei geregeld terugkomende voorzieningen, die anders ten laste van âonvoorziene uitgavenquot; 1) oi pro memorie op de begrooting gebracht werden, heeft hij nu terecht afzonderlijke artikelen uitgetrokken; en hoevele de behoeften ook blijken te zijn, hij legt ze allen onbewimpeld bloot.
Het is te hopen, dat de Minister of de Tweede Kamer liet hoog subaidiecijfer, gelijk nu is aangevraagd, niet zal verminderen en speciaal ook de voor de telegrafische
(1) De post van Æ 20,000, in de laatste jaren voor dit artikel uitgetrokken, bleek later steeds onvoldoende te zijn, en werd dan, als gezegd, bi] nieuwe wet gewijzigd ; men had dan intussohen het aubsidieeijfer schijnbaar verminderd, en zoodoende, tijdelijk, de eer gered.
verbinding uitgetrokken post niet door een Memoriepost zal vervangen.
Aan Nederland het alternatief: doen wat er te doen valt, of Suriname prijsgeven. Het langzaam wegkwijnen der kolonie kan door een eerlijk man met geen anderen naam worden bestempeld.
Mogen de Regeering en de Vertegenwoordiging zich ditmaal eens door de kracht der waarheid laten overtuigen !
Alleen langs dezen weg kan eerlang de wederopbeuring der Kolonie en, als gevolg daarvan het einde van het subsidie worden tegemoet gezien.
A. C. W.
September, 188G.
BBRATUM.
Op pag. :i0, noot, worde gelezen, in plaats van commissariaten:
commissorialen, waarmede bedoeld wordt het commissoriaal maken van allerhande zaken, door liet verzoek om .consideratie en bericht.\'\'