-ocr page 1-

O

\'f?7

i

Jx

MAR1A-BEELTENIÖÖEN IN DE KAÏAKOMBEN.

In beantwoording vau hetgeen wij door de kritiek tegen ons ingebracht zien, moeten we in. i. liefst zoo weinig mogelijk treden. De lezer kan wat wij geschreven hebben, ter hand nemen en het vergelijken met wat de beoordeelaar aanvoert. Is de kwestie persoonlijk, dan is het nog meer raadzaam stil te zwijgen. Zoo niet, dan onderzoeke men de redenen der tegenpartij. Heeft hij o. i. ons wederlege!, dan toone men zijn dankbaarheid voor de verheldering zijner kennis door in \'t openbaar zijn ongelijk te erkennen, ook wanneer men door dit terstond te doen, en het beleidvol zoeken van een overgang te versmaden, een diepe verontwaardiging wekt. Achten we daarentegen zijn bewijsvoering onvoldoende, zoo wyze men hem dit in privaten brief aan, eu late hem in \'t openbaar het laatste woord.

Dezen stelregel volgende heb ik meermalen mgn ongelijk openlik erkend en het verkeerd geschrevene terstond teruggenomen, b. v. toen eenigen tijd geleden de Nederl. Kathol. Stemmen mij aanwezen, dat ik een uitspraak van Aeneas Sylvius (later paus Pius 11) op een schismatieke kerkver-

-ocr page 2-

MAKIA-BEELTENISSEN IN DE KATAKOMBEN. 311

gadering, later door hem verloochend, als rechtzinnig had aangehaald. En als ik mij niet wederlegd gevóelde, heb ik meermalen, bijzonder aan roomseh-katholieke beoordeelaars, mijn repliek privaat medegedeeld. Bij hen toch is daarvoor nog eeo andere reden die ook wel tegenover protestantsche woordvoerders geldt, doch daar niet officieel, maar slechts wegens hun partijzucht. Ook de protestantsche partij-woordvoerder toch erkent niet gaarne ongelijk, tenzij deze erkenning zijn positie versterke. Want immers heeft hij een positie op te houden. Maar een persoonlijke- of een partij-positie is toch altoos nog minder van beteekenis dan een onfeilbare kerk — en ziedaar juist het geval waarin de roomsch-katholiek zich geplaatst vindt. In elke kwestie die de geloofsbelijdenis der kerk (iets anders dan het geloof der gemeente!) raakt, staat vooruit vast dat de protestant ongelijk moet hebben, en heeft deze dus geen kans hoegenaamd om zijn tegenspreker te overtuigen. Zoo beproeve hij dan niet wat hij vooruit weet dat niet slagen kan. Thands verkeer ik in het geval dat ik door dezelfde Nederl. Kath. Stemmen beschuldigd word, van het geloof der eerste christenen zoover dit uit de katakomben op te maken is, een verkeerde voorstelling gegeven te hebben. Ook een ander roomsch-katholiek blad nam die beschuldiging van genoemde »Stemmenquot; over en voegde er het zijne aan toe; doch in den scheldenden vorm, die beantwoording onraadzaam en overbodig maakt. Ik bepaal mij dus tot de Nederl. Kath. Stemmen, die waardiglijk spreken.

De zaak is deze. Ik heb een voorlezing gehouden over »Rome, van de katakomben uit beschouwd.quot; Het verslag van die voorlezing, ter kennis van den schrijver in de Stemmen gekomen, geeft hem aanleiding om van mij te zoggen:

»De Kerk der Catacomben is volgens Dr. Gunning niet roomsch geweest, omdat er in de catacomben geen\'sporen

-ocr page 3-

312 MARIA-BEELTENISSEN IN DE KATAKOMBRN.

»te vinden zijn van de Maria-vereeriug, met andere woor-jgt;(len, omdat in de Tcataleomben geen Mariabeelden ofschil-»derijen waar Maria opgeschilderd staat, worden gevonden.\'\'\'\'

De verzekering, in de door mij onderhaalde woorden vervat, wordt iu het volgend artikel van de N. K. St. herhaald. En dan wordt zij in beide deze artikelen met een aantal verwijzingen naar bekende schrijvers, die over de katakomben gehandeld hebben, wederlegd. Zeer duidelijk en volkomen ontegensprekelijk wordt aangewezen dat er wel degelijk een aantal Maria-beeltenissen in de katakomben voorkomen.

Wat nu in deze beide vertoogen van de N. K. St. te waardeeren, ja, maar toch ook met eenige bevreemding aan te zien is, dat is de vriendelijkheid waarmee de steller dier artikelen over mij spreekt. Ik bedoel hier niet persoonlijke beleefdheid, want daaraan heeft deze schrijver mij wel gewend; maar de waardeeriug van mijn ivettnscliapUj!. gehalte in \'t algemeen, al heb ik dan, zijns inziens, op dit punt deerlijk misgetast. Want het dient gezegd, om te beweren dat er in de katakomben geen Mariabeelden of schilderijen waar Maria op geschilderd staat, worden gevonden, moet men toch — ik zeg niet de katakomben niet gezien, maar ook geen enkel roomsch of protestantsch handboek over de katakomben ook maar oppervlakkig geraadpleegd hebben. Wel worden onderscheidene beeltenissen, hetzij van particuliere personen, vrouwen, jongedochters, echtgenooten of moeders, hetzij van dusgenoemde Oranten, met geen of roet twijfelachtig recht voor Mariabeelden aangezien. Maar er blijven toch altoos nog genoeg beelden over waar b. v. het Kind op haren schoot of de drie (of vier) Wijzen uit het Oosten geen twijfel omtrent de beteekenis van het vrouwebeeld overlaten. Dat nu het bovenbedoeld roomsch orgaan-over de mij toegediende tuchtiging meteen ietwat

-ocr page 4-

MAKIA-BEELTENI SS EN IN UF. KATAKOMBEN. 313

kinderachtig pleizier, (ik mag geen edeler woord gebruiken) met een »hoort gij, Dr. Gunning?\'\'en allerlei woorden voor welke men stilzwijgend uit den weg gaat, in de handen klapt, is te begrijpen. Dat orgaan is kennelijk aau geen groote triomfen gewoon, daar het over de neêrwerping van een zoo weinig achtbaar tegenstander als ik in zijn oog ben, reeds zoo uitgelaten is! Maar in een degelijk hlad als de N. K. St. is de beleefde waardeering van het weten-schapljjk gehalte van een man die durft zeggen, dat er in de katakomben geen Maria-beelden zijn, inderdaad bevreemdend. Dat dit blad niet scheldt, spreekt van zelf. Maar van »een man als Dr. Gunning\' enz. te spreken bij zoo schromeiijke — of onkunde of kwade trouw, dat gaat waarlijk vèr!

Ik schrikte dan ook toen ik las dat ik dit gezegd had. En daar deze voorlezing, over de katakomben door mij gehouden, waarschijnlijk niet in \'t licht verschijnt, achtte ik mij verplicht op deze artikelen te antwoorden. Het ware toch mogelijk dat ik mij versproken had, of dat het verslag in het Haagsch Dagblad hetwelk de schrijver in de N. K. St. volgde en (trouwens tegen de eigen betuiging van den kundigen verslaggever) bijna woordelijk getrouw noemt, uit misverstand zoo iets had geschreven. In het eerste geval moest ik het gezegde dadelijk terugnemen; in het tweede, tegen de misstelling opkomen.

Ik sloeg oogenblikkelijk mijn aanteekeningen op. Voor alles wat ik in \'t openhaar spreek, gebruik ik losse aanteekeningen, die alle denkbeelden uitdrukken maar den vorm aan \'t oogenblik overlaten. Hier lees ik woordelijk: »de geheele geloofsvorm dezer oudste tijden noch protes-»tautsch noch roomsch. Niet protestantsch, want een waas »van naïef klassicisme gelijk bij Clemens, enz.: en een zeer »concreet, symbolisch geloof aan de groote feiten der heilige

-ocr page 5-

314 MARIA-BEELÏENISSEN IN DE KATAKOMBEN.

«geschiedenis, zonder dogmatische bepaaldheid of die een-»heid vau afleiding hetzij uit rechtvaardiging uit het geloof, »hetzij uit Gods soevereiniteit, die luthersch of gereformeerd »is. Niet roomsch, want geen spoor van hierarchic of Maria-3gt;of heiligendienst.quot;

Daarop heb ik ten bureele van het Dagblad, waar men mij vriendelijk inzage gunde, het N0. van 2 Dec. 1881, waarin het verslag van die lezing voorkomt, geraadpleegd. Ik lees daar; »niet roomsch, omdat er in al die overblijf-sselen uit de eerste christen-eeuwen geen enkel bewijs te sontdekken was van de onderstelling dat in die eerste tijden »de Mariadienst had bestaan, een pauselijk onfeilbaar gezag ^gegolden of de avondmaalsbediening reeds een versteening »was geworden.quot;

De laatste woorden over het Avondmaal drukken niet juist mijn meening uit, en staan dan ook niet in \'t concept, schoon ik over de mis toch een woord, en later uitvoerig sprak. Maar de door mij onderhaalde woorden: »de oudste, eerste tijden, de oudste christen-eeuwenquot; wat be teekenen z\'jV Ben eersten tijd, den tijd der vervolgingen. Want de geheele voorlezing handelt, blykens het program, uitdrukkelijk slechts over den tijd des overgangs van het oude heiden- tot het christendom. En dat na dien tijd der vervolgingen onmiddellijk de hierarchie, de pauselijke aanspraken, de roomselie wijziging der christelijke leer zich kenbaar maakten, heb ik in deze zelfde voorlezing, ook blijkens het verslag in het Dagblad,^aangetoond niet alleen, maar ook in zijn noodzakelijkheid gemotiveerd. Eu verder ziet de lezer duidelijk, dat ik niet spreek over het al of niet bestaan van M.a,iia,-ieeUenissen, maar over de roomsche }gt;la.r\\a.-vereerin(j. Dat Maria afgebeeld wordt in de kata-komben gelijk zij in de H. Schrift voorkomt, is natuurlijk en noodzakelijk: maar wat ik, blijkens eigen aanteekeningen

-ocr page 6-

MARU-BEELTENISSEN TN DE KATAKOMBEN. 315

en Dagblad-verslag, ontkend heb en blijf ontkennen, is enkel dit, dat Maria in de katakomben uit de eerste tijden zon voorkomen als vereerd gelijk de roomsch-katholieke kerk haar eert.

Er is dus geen kwestie hoegenaamd van, dat ik het bestaan van Mariabeelden in de katakomben ontkend zou hebben. Dit is ook inderdaad, de geëerde schryver in de N. K. St. veroorlove mij dit in \'t voorbijgaan op te merken, wat al te dwaas. Wij protestanten, — indien wij althans, gelijk ik met velen, tot het middelslag van gestudeerde personen en niet tot de vooraanstaanden behooren, wier kunde te betwijfelen belachelijk zou wezen, — wij protestanten moeten voor onze roomsehe broeders èf ter kwader trouw of onkundig zijn. Ik vond dan ook in roomsehe beschouwingen, die ik de eer had over mij te lezen, altoos dat ik geen roomsehe auteurs gelezen heb, van Trente noch Catech. Kom. weet, Thomas v. Aq., Bellarminus enz. niet dan bij name keu. Eens, toen door uitgeschreven aanhalingen uit de Disp. de controv. van den laatstgenoemde bleek dat ik hem kende, hernam men dat ik hem dan ja, gelezen had, maar hem toch niet begreep. Dit zij zoo: het kan, naar de eischen der partijstelling, niet anders. Maar als men het al te ver drijft, maakt men zichzelve krachteloos. Zoo hier in dit geval. Dat ik niet «beslagen ten ijs kom,quot; en geen »diepe studie vooraf over mijn onderwerp gemaakt hebquot;, moet mijn geachte tegenstander wel beweren, en ik verg van hem niet, het tegendeel te gelooven. Maar dat ik gezegd zou hebben: »er worden in de katakombon geen Mariabeelden of schilderijen waar Maria op ge.schil-derd staat, gevondenquot; — waarlijk dit gaat de mate van onkunde die den gewonen protestant, en zoo ook mij, in de hedendaagsche roomsehe polemiek toe komt, toch eenigszins te buiten.

ssr

-ocr page 7-

MAKIA-BEELTENISSEN IN DE KATAKOMBEN.

Wat nu echter de zaak zelve betreft, namelijk dat in de eerste eeuwen geen ;poor van de roomscho Maria-ver-eering in de katakomhen te vinden is — dit valt niet moeielijk te bewijzen.

Ik wil uit een of ander der vele handboeken die ik raadpleegde, b. v. uit het boek van Spencer Northcote, door Dr. (r. A. Hnlsebos met een belangrijke inleiding vertaald, of uit Withrow\'s the catacombs of Rome, enz., bier niet datgene wat mijn bewering bevestigt, uitschrijven.1) ITrt uitvoerigste wat mij vergund was te leeren kennen, is het beroemde prachtboek van Louis Perret, Catacombes de Rome, in 6 folio deelen. De schrijver heeft echter aan zijn illustratiën, die overigens van hooger w; arde zijn dan de bijgevoegde tekst, te zeer door schoone kleuren eeu zekere prae-raphaelitische tint gegeven. Ook in dit opzicht is veel nauwkeuriger bet laatst verschenen prachtwerk, een ware reuzenarbeid van geleerdheid en volhardende toewijding van vele jaren, die den schrijver bijkans gezondheid en leven gekost heeft. Ik bedoel het vóór mij liggende: Les Catacombes de Rome, histoire des arts et des croyanees religieuses pendant les premiers siècles du Christ,ianisme, par Theopbile Roller. Hier zijn de afbeeldingen waar het vooral op aan kwam, bij magnesinm-licht in de katakomben zelve gephotographeerd, en dus alle moge-

\') Ook roomsche schrijvers, als zij zich tot aanwijzing van het bfsiaaude bepalen, kunnen hiertoe zeer goed dienst doen. Tot miin leedwezen is de schoone R. C. Real-Kncyclopiidie der christl. Altcr-thïimer van F. X. Kra.is (die hij de letter C. geen artikel over de katakomhen heeft) nog niet tot dien naam gevorderd. Ik ontving alt hands nog niet verder dan de fide Afl . die tot een eindweegs in de U gaat. Oen beschaatden, niet geleerden lezer verwijs ik naar het zeer goede boekje uRom\'s altchristliehe Coemeterien, van Ferdinand IJecker (vooral op de Rossi steunende); voor ons onderwerp aid. bl. 105 en vv.

£1G

-ocr page 8-

JSl?

MARIA-BEEl/rUNlSSEN IN UE KATAKOMBEN. 317

lijliheid vau dwaling, wat de reproductie betreft, uitgesloten.

De zeer uitvoerige afbeelding vau al wat belangrijks iu de katakouiben of in de musea te Rome voorhanden is,

■wordt begeleid door een beschrijving, van welke ik telkens bij het lezen en bestudeereu de eenvoudige trouw, de kritische nauwkeurigheid eu voor ieder verstaanbare duide-Igkheid heb leeren waardeeren.

Welnu, iu deze beide werken heb ik uit de oudste tijden geen Maria-beeltenis gevonden met welke een protestant geen vrede zou kunnen hebben. Ook wordt daar altoo.s de aandacht op het Kind, niet op de Moeder gevestigd,

en komt het aantal der Maria-beeldeu, in vergelijkiug met dat der overige afbeeldingen, niet overeen met de betee-kenis welke de H. Maagd in de latere roomsche kerk heeft. De duidelijkste inlichting geeft ons Roller.

Ik verwijs in dat werk, om mij tot het hoofdzaaklijke te bepalen, naar de fresco\'s uit de »Gri£ksche zaalquot; in de begraafplaats van Priscllla (T. I. p. 74 vgg.) uit de 2de eeuw; uaar de magnesiuin-photographiën van een fresco uit de begraafplaats van Petrus eu Marcellinus, uaar de dito uit een dito van de begraafplaats van Domitilla (Ner.

en Achill.), de afdrukken van een vaas uit het Museum Kircher, eu van een marmer van Ravello (T. II p. 145 vv.)

uit de derde eeuw; en zelfs naar de groep der Mad. van de heil. Agnes T. 11 p. 204 vv.) \') of de gravures naaide teekeuiugeu van Aringhi en Boldetti (T. II p. 213 vv.)

\') Uier duidt het bakjud (Joastantiuiaausch monogram aan, dat wij iu de 4dc eeuw ziju. Dit uueld. door Martigny na het eoncilie vua .Efesus (431) geplaatst, werd in elk geval niet voor heilig gehouden, daar men er, evenals te Milaan door et Avondmaal van Leonardo da Vinei, eene deur doorheen heeft geslagen. Doch het is, ondanks de bewijsvoeringen van Marchi en (jarrucci, onzeker of wij hier wel met een Maria-bee.ld te doen hebben.

-ocr page 9-

MARIA-BEELTEN1SSEN IN DE KATAKOMBEN.

waar het niet geheel zeker is of wij wel voorstellingen van de Maagd Maria hebben. Ik zon de uitvoerige beschrijvingen van Maria, t. d. p. gegeven en geheel met de bijgevoegde afbeeldingen overeenkomende, hier kunnen wedergeven. Maar liever trek ik het resultaat aldus samen.

In de eeuw (want uit de isto eeuw hebben wij niets gewaarborgds, dan een onbeduidende inscriptie) zien wij Maria voorgesteld zooals ook wij protestanten haar volgens de bijbelsche verhalen eeren, als de Moeder des Heeren, de gezegende ouder de vrouwen, uiet 0;:.dat zij de onbevlekt ontvangene hemelkoningin zou zijn, maar omdat zij geloofd heeft. De wijzen uit het Oosten brengen oiferanden, niet aan haar, maar aan het Kind dat op haar schoot gezeten i-; gelijk een daarbij staand profeet de ster toont, die de natiën verlicht, niet in den persoon van Maria, maar van haren Zoon. In de 3do eeuw is de Maagd nog eenvoudig

o o O

en aansprakeloos, maar toch reeds geëerd, op de eere-kathedra gezeteld. In de 4\'-^ en 5^ eeuw zien wij den nimbus het hoofd der heiligen, de beeltenis van Christus en ook van de heilige Maagd omgeven. Maar de hemelkoningin komt eerst in de middeleeuwen, b. v. in de basiliek van S. Clemente, voor.

Nu ben ik gaarne bereid, wat ik hier in algeineene trekken heb geschetst, in bijzonderheden nader te staven. Maar het za! niet kunnen dienen om mijn geëerden tegenstander te overtuigen. Waarom niet? Omdat hij voorvechter der roomsch-katholieke kerk is. Als zoodanig kan hij niet anders dan mijn blik op deze dingen bevooroordeeld noemen. De protestant, bovendien als zoodanig volgens een vroegere verklaring van de N. K. Stemmen «woedende vijand van alle kunstquot;, is eveuinin als hij in de bijbelsche berichten omtrent Maria, die hij van harte aanneemt, overeenstemming met de kerkleer omtrent de

318

-ocr page 10-

MABIA-BEELTENISSEN IN DE KATAKOMBEN.

onbevlekt ontvangen Moeder Gods kan zien, in staat om bij de eenvoudige, reine gestalte die uit de eerste tijden der katakombenschilderiug Maria voorstelt, met het oog des geloofs de lijnen te verlengen, de kleuren te verhoo-gen, den goddelijkeu glans te zien doorschemeren die de heilige Koninginne des hemels omgeeft.

Haar zien echter de geloovige roomsch-katholielve uitleggers ook in de oudste heeltwiissen zoowel als in de

oo

bijbelsche verhalen. Ik ben er zeer verre van verwijderd, hen daarom persoonlijk bevooroordeeld te noemen. De roomsche kerk laat in dingen die met bet geloof samen-

o O

hangen (gelijk hier het geval is) alleen in schijn, niet inderdaad, discussie, d. i. onbevangen erkenning van de mogelijkheid van dwaling toe. In eene of andere bijzonderheid kan de ketter tegenover den verdediger der roomsch-katholieke leer gelijk hebben. Maar bijaldien dit zoo ver zou gaan, dat een leerstuk der kerk daardoor aan het wankelen zou gebracht worden, moet deze ketter in het ongelyk komen. De kerk toch impoueert zich aan hare kinderen, wil niet door hun vrye keuze, die de mogelijkheid van haar dwalen onderstelt, beaamd worden.1) Haar trouwe zoon kan dus bij eene discussie als deze niet gelijk de protestant3) het resultaat, welk het dan ook zij, af-

\') Can. et door. S. S. Cono. Trld. Seis. VII Cati. 14. Si quis dixerit, hujusmodi parvulos baptizatos, quuiD adoleverint, interrojran-dos esse an ratum habere veliut quo i patrmi eorum nomine, dum baptizarentur, pulliciti sunt; et ubi se nolle respouderiut, suo esse arbitrio relinquendos; uec alia interim poena ad ehristiana;n vitam eo^cndos, nisi ut ab\' eucharistiie aloriumque sacramentornm porceptione arceantur, donoc resipiseant: anathema sit. Zie over dit, laatste, de straf die in dat jreval moet opgelegd worden, de ironiache doch ware opmerking van Chemnitz in zijn Kxamea Deer. üouc. Trid. Part. j! Loc. 2 Sect, il aan het einde.

-) Ik bedoel deu protestant die uict partij-verdediger is of een

319

-ocr page 11-

320 JIARIA-BEEI.TF.NISSEN IN DE KATAKOMBEN.

wachten. Tot alle roomsche denkbeelden, dit erken ik gaarne, is de kiem in de geloofsopvatting van de christenen der eerste eeuwen leeds aanwezig. De hierarchic, wier middelpunt Rome is, voelen wij reeds in de derde eeuw —• ik merkte het in de besproken voorlezing zelve op — vrij duidelijk beginnen, zich baan te breken ter oefening van haar deels heilzamen, deels noodlottige!^ maar in elk geval histonsch-noodzakelijken invloed. Ook voor de Maria-idee geldt ditzelfde. Licht kon het mogelijk zijn, dat het aan den dag treden der specifiek-roomsche richting in de chris. telijke kerk nog veel vroeger terug te dateeren ware, dan de historie ons doet zien. Feitelijk is het niet zoo geweest: de historie spreekt er tegen. Maar als het geschied ware, als wij het historisch moesten constateeren, welnu, dan zou daaruit blijken, dat storende invloeden als de van ouds te Rome inheemsche heerschzucht, die op de leervorming ten allen tijde werkte, of zulke invloeden van welke reeds Paulus gewaagt als van slagboomen tegen zijn »ijver om de Gemeente als een reine Bruid Christus toe te voerenquot;, veel vroeger dan wij tot nog toe dachten, den Hof des Heeren waren binnengeslopen.

Doch hier heb ik een misverstand af te sngden. Het zou kunnen schijnen mijn bedoeling te zijn, dat de protes-tantsche (eu onder deze dan de gereformeerde) opvatting der waarheid bij uitsluiting zuiver schriftuurlik ware, en het specifiek-roomsche |niet dan dwaling en zonde. Aldus meen ik niet. Van heeler harte protestant en aan de be-

positie ie handhaven hoeft. Deze laatste kau daar hij niet slechts ee7i middelpunt, een beginsel, maar een kader, een samenstel van overtuipringen. het koste wat het kost, te verdedigen heeft, dus ook niet het resultaat, welk het dan ook zij, afwachten. Maar hij is dan ook, hoe onhodox-protestant zijn belijdenis ook wezen moge, in be. giubol ruomsch.

-ocr page 12-

MARIA-BEELTENIÖSKN JN DE KATAKOMBEN. 321

lijdenis myner kerkgemeenschap gehecht, zie ik echter, naar de heilige Schriften, de volle waarheid, de geopenbaarde, vleeschgeworden, persoonlijk sprekende en levende Waarheid nergens anders dan in den Heere Jezus alléén-Maar ik acht de volheid van Christus in niemand, ook niet in één Apostel, geheel ontvouwd. Zoo zie ik in de Schrift Panlus, den apostel die de vertikale lijn des géloofs trekt, met Jakobus, die de horizontale lijn der allen omvattende liefde beweegt, wel zeer zeker één in Christus, in het middelpunt, maar niet in den omtrek, de bepaalde geloofs-beschrijving, aau elk van beiden eigen. Ik keu de uitlegkundige redeneeringen met welke men dit verschil poogt te veronzijdigen, door te beweren dat Paulus een ander geloof bedoelt dan Jacobus, enz., maar zij bevredigen mij niet. Uit gehoorzaamheid aan het Schriftwoord derhalve, onder hetwelk ik mij onvoorwaardelijk buig, vereffen ik niet wat Gods Woord niet vereffent. De apostelen, met huu verscheidenheden, hebben gesproken door den Heiligen Geest; en daar de Heilige Geest alles uit Christus neemt, zoo geloof ik dat het begin dier bestaande verschillen ligt in Christus zelveu, namelijk daarin dat zijn volheid te rijk is om in één mensch, één geestrichting, geheel te kunnen opgenomen worden. Is nu de protestantsche opvatting bepaaldelijk aau Paulus, de roomsch-katholieke bepaaldelijk aan Jakobus meest verwant, zoo geloof ik dat beide afdee-lingen een historisch recht hebben; gelijk wij ze dan ook in de historie veel vroeger dan in de 16dc eeuw, ja, van den beginne af, zich naast elkander zien vormen. Is de Kerk gebouwd op het fundament der apostelen eu profeten, zoo meen ik het apostolisch, regeerend, samenhoudend element veel meer bij de roomsch-katholieken, — het profetische, dat zich als in Israël tegen het bevriezen der instelling aankant, veel meer bij de protestanten werkzaam

21

sj^-y /

-ocr page 13-

322 MARIA-BEELTENISSEN IN DE KATAKOMBEN.

te zien. In dier voege deukende, neem ik niet een hoogmoedig, zich boven de tegenstellingen verheven wanend, standpunt in. Wat ik boven het vermogen van een kerk-genootschi boven dat van twee Apostelen des Heeren, voor wie beide woord ik met gelijken eerbied als voor Gods Woord buig, moet achten te zijn, daarvan meen ik niet dwaselijk dat ik of iemand anders het zou kunnen. Ik sta met mijn volle hart en, mocht het zijn! met ge-heele toewijding van mijn leven aan de protestantsche zijde; want ik geloof dat de roomscbe en de protestant beiden eenzijdig zijn, en zulks zoolang wij in dit vleesch wonen, niet kunnen ontgaan; doch dat de protestant boven zijn roomschen broeder dit groot voordeel heeft, dat hij zijn eenzijdigheid ziet en crlceni. Hij acht geenszins, als een twijfelaar, dat de waarheid niet hier op aarde te verwezenlijken zou zijn; maar integendeel, hij weet dat zij verwezenlijkt is in Jezus Christus. En juist omdat Christus moet haerschen, d. i. zich de geheele wereld met haar duizend levensvormen tot werktuig, tot orgaan wil maken, om zoo de levenskiemen welke in die wereld liggen, tot ontvouwing te brengen, juist daarom weeft Hij, de eeuwige Christus, zich in den loop der eeuwen het kleed waarin Hij vóór ons staat. Christus blijft niet eenzaam staan, alsof wij, zijn gemeente, geen verbinding met Hem hadden, en Hij zijn leven, de waarheid, het eeuwige leven, ons niet zou kunnen mededeelen. Maar juist omdat Hy dit inderdaad doet, juist omdat ook wij Protestanten in Christus de waarheid hebben, kunnen we haar ook bij onze roomsch-katholieke broeders, hoewel in anderen vorm, onderscheiden. Naar mate iemand de volle waarheid heeft, weet hij ook dat hij haar slechts aanvankelijk, slechts in het middelpunt, en nog niet in den omtrek, heeft. Daarom is dan ook de belijdenis dat wij alleen in den geloove.

-ocr page 14-

maria-beeltenissen in pe katakomben. 3^3

niet uit de werken, gerechtvaardigd zijn, of dat wij alleen nit Gods vrije, verkiezende genade leven (deze twee uitdrukkingen beteekenen dezelfde zaak) de hoogste uitdrukking der waarheid. En als zoodanig brengt het de diepste verootmoediging mede, o als wij zien op den broeder die aan de andere zijde staat: want dat hij ons miskennen kan, is voor een groot deel onze eigen schuld.\')

J. H. Gunning Jr.

\') In een volgend Kquot;. dezer Stemmen hoop ik te antwoorden op de beschuldigino: der X. K. Stemmen, dat ik liet roomsoh karakter van Shakespeare en Calderon zon hebben miskend. Het zij mij hier vergund, als bewijs der onmogelijkheid dat de beschouwing van den protestant in een punt als het in dit opstel besprokene, bij den roomsch-kathoiiek zou kuunen ingang vinden, nog het volgende aan te voeren. In eene lofrede op de H. Moeder Anna, als patrones der hulpkerk van St. Kicolaas binnen de Vesten te Arnsterdam gehouden (welke gedrukt is, anders zonden wij haar niet beoordeelen) naar aanleiding van Jes. 45; 3 rdabo tihi thesauros absconditosquot; —wordt uit de omstandigheid dat de Overlevering uns omtrent de H. Anna niets vermeldt, bij overweging dat zij toch de moe er van \'s Heiland* Moeder geweest is, afgeleid dat deze onbekendheid een verborgenheid. dat is, eene verheven deusd, is geweest. De verborgenheid der H. Moeder Anua wordt alzou voorgesteld »als liet gevolg en de vol-imaking harer deugd. Zij was verborgen als huisvrouw; zij was jverborgen als moeder, omdat zij, ten derde, verborgen was in God.quot; In dit leerrijk voorbeeld kan blijken hoe onvermogend de protestant is om den roomsch-kathoiiek te verstaan. Hij toch, de protestant, zal meenen dat zulk een uitlegging de overlevering niet gelooft, maar heheerscht; dat er hier met haar gespeeld wordt in plaats van onder-werjping aan haar; en dat, waar niets omtrent de fl. Anna door de overlevering vermeld wordt, er ook niets anders van haar te zeggen valt, dan dat zij ons onbekend is. Hierin moet echter de roomsch-kathoiiek de onkunde van den protestant beklagen. Eu eveuzoo wanneer hij, de arme geestelooze protestant, in de beeltenissen van Maria in de katakomben niets anders ziet, dan er werkelijk geteekend staat. Voor den roomsch-kathoiiek daarentegen moet het, naar de methode der uitlegging, in deze lofrede op de H. Anna gevolgd, zonneklaar zijn dat, de beeltenissen van Maria in de katakomben niemand anders dan de onbevlekt ontvangen Moeder Gods teekenen.