DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
M mi ra i5
DOOR
tl. J. SCHIMMEL.
TWEEDE DRUK.
TWEEDE DEEL,
SCHIEDAM, H. A. M. ROELANTS. 1891.
VIJFDE BOEK.
i.
Op de vleugelen der verbeelding zweven wij uit Engeland, uit den gistenden baaiert, waar de hevigste krachten, woelend en hotsend, wringend en scheurend, bestaande toestanden vernietigen en nieuwe, betere en grootschere voorbereiden, naar de kleine Republiek der Geünieerde Provinciën, waar nu kalmte heerseht en welvaart en \'t schier der herinnering reeds ontsnapt is, tot welken duren prijs, voor hoeveel kostelijk bloed, voor hoevele smarten, die kalmte en welvaart nauw een eeuw geleden werden gekocht.
De kleine Kepubliek aan een uithoek van Europa, nauw een tiende van Frankrijks bevolking tellend en toch de leidende en besturende gedachte in den grooten strijd, thands door het verbonden Europa tegen den Zonnekoning aangebonden! De kleine Eepubliek, en toch de schatkamer van Europa! â⢠De kleine Republiek, aan wier deur tal van Vorsten met een zich diep neêr-buigende welwillendheid en vaak met weergalooze onderworpenheid wachtten, om de hun toegelegde soldij â beleefdelijk subsidies genoemd â te ontvangen!
Ja, de Republiek der Geüniëerde Provinciën was in het Zenith harer macht!
Onze tijdgenoten, hoe degelijk ook het onderwijs dat hun wordt aangeboden, kunnen zich zeker geen denkbeeld vormen van den overwegenden invloed hunner voorvaderen, in de laatste tien jaren van de 17e eeuw over onzen gantschen aardbol uitgeoefend, want anders zou de liefde voor het land, dat zulk een verleden heeft
kapt. van de lijfgarde â II. i
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE.
gekend, tot meer fierheid en grooter zelfvertrouwen leiden dan uit zoo menig betoon van onverschilligheid en matheid af te leiden valt.
In de woonhuizen der machtigste burgers werden de meest grootsche besluiten genomen en maatregelen voorbereid, welke de verst dragende gevolgen zouden hebben. Wel school dit oogenblik de bewegende kracht in Engeland, maar hij, die zoo heeten mocht, was een zoon der Eepubliek en oefende de hem ten deel gevallen macht uit door haar medewerking, méér nog: door haar rijkdom en vermogen alléén. Van Denemarken tot Italië, van Brandenburg en Tirol tot aan den Atlantischen Oceaan, waar deze de kusten der Nederlanden bespoelt, was Bourbon de oorlog aangezegd, en op het slagveld van Europa, zooals de Spaansche Nederlanden nu reeds twee eeuwen lang mochten heeten, dreunde de donder van het geschut en pletterde het schroot de have der nij veren en deze zei ven niet het minst!
Maar van al de gekoesterde grootsche voornemens of reeds genomen besluiten, van al de ellenden ginder, de weën van den krijg, zoo als alle weën vreeselijk te doorstaan, maar steeds barende of dringende tot vernieuwing en verjonging, werd geen spoor gevonden in het warm gezellig huiselijk of maatschappelijk leven binnen de landpalen van den Staat. Klaagden de kooplieden over de belemmeringen aan handel en nijverheid door den oorlog opgelegd, toch liepen er genoeg schepen binnen van Oost en West, 0111 het Noordelijk deel van Europa ruimschoots te voorzien van de zoozeer begeerde vruchten der Tropen. Zelfs bracht de oorlog den kooplieden nog betere gelegenheid hun waren duur af te zetten en de prijs van den peper bijv. zóo hoog op te drijven, dat dit handels-artikel de eer gewerd van de aanleiding te zijn tot een spreekwoord, dat nog op aller lippen is.
Even ijverig en met dezelfde zorg als vroeger, beploegde de landman zijn akkers of won hij van de goed toebereide wei den kos-telijken s,-hat; even dartel joeg twee- en vierspan langs de buitenverblijven aan Amstel en Vecht; even rustig gleden de trekschuiten door de vaarten; even vroolijk laveerden de boeiers op IJ en Zuiderzee en zwiepten en helden en schommelden de speelwagens en kiereboes op de zandwegen naar Haarlem of den Beemster, in de Meer of \'t Gooi. Over hoofdgelden en imposten werd er gemopperd, maar ze werden toch stipt betaald. \'tWas wel of allen gevoelden, dat men ))iets kreeg voor zijn geldquot; en dat men zelfs voor iets wat eigenlijk maar weelde was; zooals eer en ontzach bij vreemden, toch wel iets over mócht en kón hebben.
In Amsterdam was in de eerste maanden van 16Ã9 dikwijls feest geweest. Na de benauwdheid, welke zich in het laatste trimester van het vorig jaar van allen had meester gemaakt, was
2
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAKDE.
de glorierijke uitredding door alle standen met de uitbundigste vreugde gevierd.
Wat er had plaats gegrepen, maakte na vele maanden nog dikwijls het onderwerp uit van het gesprek ook van Brechtjen en Ernst, â die wij nu hand aan hand naar moeders huis zien gaan, niet geregeld, maar »met horten en stootenquot;, zoo als het veel bedaarder Brechtjen het noemde, daar Ernst geen paal voorbij kon gaan zon-â¢der dien over te springen, of geen stoepketting voor de rijkelui\'s-huizen zonder er op te schommelen, of â wat het ergste van alles was â geen plas, zonder zijn voet er in neer te kletsen, tot grooten schrik van Brecht, die dan wat gauw op zij week! Deze had, zooals ze trouw deed, sedert zij van de dagschool was genomen, Moeder het loopmeisjen had afgedankt en zich niet meer zoo vlug ter been als vroeger vond, broertjen van het Fransche school aan den Niezel afgehaald om hem naar huis te brengen, wat ook nu, zooals meest op Woensdag en Zaturdag, met moeite â¢en veel oponthoud gepaard ging.
«Even het Rokin op!quot; bad Ernst, toen zij aan de Vischsteeg waren gekomen en, boven allen uit, het geroep der aalwijven hoorden. Toen ze er waren, klonk het weer: «hier even aan den wal!quot; -en vervolgens: «Weet je \'t nog, hoe hier de vuurrotten over \'t water gleden?quot;
De jongen doelde op het feit, door grootere dan hij als hoogst merkwaardig in het geheugen bewaard, dat aan den avond van â den dag der kroning Zijner Hoogheid tot Koning van Engeland, \' op het kostelijk feest dat van wege Heeren Burgemeesteren in de stad werd gevierd, er een geheel nieuw soort van vuurwerk op bet water was afgestoken. Er was hier te lande nooit zoo iets nog te zien geweest, \'t Leken wel heusche rotten, die zwommen en doken en sissend verdronken! En wat er nog iets zeer bijzonders aan bij zette, \'t was, dat de arme uit Frankrijk herwaards gevluchte Hugenooten, die de wapens niet hadden kunnen aangorden om met Zijne Hoogheid meê te trekken en geen geld hadden om den koffer Zijner Hoogheid te stijven, eens hadden willen toonen, dat ze \'t -even goed meenden als hun meer bevoorrechte geloofsbroeders. Zij waren kunstvuurwerkmakers van beroep; zij gaven hun werk om niet en daardoor den verrukten Amsterdammers niet alleen een blijk van hun kunstvermogen, maar ook van hun erkentelijkheid en loyauteit.
»Er is hier nu wat minder volk, hè Brecht!quot;
»Ja wel, ja welquot; zei Zus, die hem bij den arm had gevat toen de wilde jongen zich heel ver over den wal heen boog, alsof er nog een half dozijn van die waterrotten te kijk waren. »Ik heb â er wel tien van je soort toen in\'t water zien vallen,quot; vervolgde ze.
«\'t Zou wat! een nat pak, dat \'s alles! Wat geeft een jongen
3
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
daarom! Hoor je?quot; riep hij, zoo als altijd van den hak op den tak springend, »de ronzebons! Daar moeten we bij wezen!quot;
Brechtjen voelde zich voortrukken. Ze begreep heel goed, dat de jongen al in de Warmoesstraat het voornemen had opgevat haar te noodzaken den Dam met hem over te gaan, en de slimheid had gehad, door het kiezen van een omweg, tot het oversteken van dat woelig en meestal door haar gemeden plein te verplichten. Hoe zou ze door die wriemelende massa heen geraken! Voor die groote huizen, waar de voorname kooplieden woonden in papier en boeken, s zoo Latijnsche, Hebreeuwsche, Grieksche en al de talen, die ooit of te ooit gedrukt zijnquot;, was \'t betrekkelijk stil en leeg; maar dien weg verlangde de kleine bengel ook niet te gaan. Neen, veeleer langs die breede wallen van balen en vaten, bovendien nog omhéind van paarden en sleden, dwars door de hijgende, sjouwende, tevens kraaiende en ook kibbelende arbeiders heen, waaronder de waagdragers, met hunne veelkleurige hoeden, roode, groene, gele, bonte, maar vooral die van het Prince-veem met hun breede banden van oranje, wit en blauw om den hoed!
Ze waren in de nabijheid aangekomen van de waereldberoemde Waag, midden op het plein, »de reus, die dag aan dag onnoembare lasten torscht en als een kasteel van blauw arduin met zeven poorten,quot; rustig het gewoel overzag.
»We gaan daar niet door, Ernst!quot; zei Brechtjen angstig. «Moeder zal ongerust worden .... Dat is de voorslag van elven al... !quot;â
«Willen we bij de poppenkast uitkomen, dan moeten we er doorheen! Waarom ook niet? Duik maar, zie, zóo!quot; en hij boog zich en gleed hier baal of vat voorbij, slipte ginds de beenen der veemlui door, ontweek verder den gewapenden schouder van me-nigen driftigen sjouwer, die hem een vloek achterna zond, en was, eer Zus hem had ingehaald, al ruim vijf minuten aan \'t genieten van Jan Klaassen, die bezig was, niet zijn vrouw, zooals gebruikelijk was, maar een Franschen pochhans, die in allerlei reukwatertjens negotieerde, te slaan, ja te beuken, zoo als Jaap uit »het Noorsch banketquot; het zijn harden stokvisch maar zelden deed!
Met een hoogroode kleur â wat haar al heel goed stond! â was Brecht hfem eindelijk op zij gekomen. Het lief blondtjen «met-de duivekaters mooie oogenquot; had onder weg bekijks genoeg gehad en een der jongste waagdragers had haar oolijk onder het huikjen begluurd, en, om dat goed te kunnen doen, zich zoover naar haar moeten ©verbuigen, dat de knaster suiker, dien hij op den schouder droeg, den haren had aangestooten, wat haar een oogenblik werkelijk had doen schrikken.
«Brecht, even vol, hè, als toen die Grieksche tempel hier stondgt; waarin de stads-pijpers zoo toeterden!quot;
4
DE KAPTKIN VAN DE LIJFGARDE,
Brecht gaf geen andwoord en was voornemens hem nu recht uit, de Nieuwe Kerk langs, naar moeders huis te voeren, \'t Bleek voor het oogenblik ondoenlijk. Niet dat de altijd maar ranselende Jan Klaasen den jongen verdroot, integendeel; maar »hoewel \'teen kostelijk spulquot; was, dat niet alleen hém maar ook Brecht veel «verheugingquot; schonk, de aandacht der schouwlustige jongen en ouden toch werd door gants iets anders plotseling afgeleid. Een karos, met vier paarden bespannen en van Stads-soldaten omgeven, was voor het Stadhuis gereden, waarvan het voorplein tijdig van wege Mijnheer den Hoofdschout was afgezet. Wat er te doen was? vroeg Ernst aan Brechtjen, en ieder omstander aan zijn gebuur. »Ze zeggen,quot; zoo zei er een, «dat die in die mooie koets zooveel als een Moscovieter gezant is, die den Heeren zijn eerbiedenis komt doen!quot;
»Hij ziet er ve^L. rijker uit dan die van gister!quot; merkte een mager stemmetjen aan, dat Brechtjen deed opkijken, en Ernst ook, waarbij »de vreeselijke jongenquot;, zoo als Brechtjen hem inwendig roemde, nog vrij luid de opmerking voegde: »dat \'s onze dikke Mie !quot;
»Eijker mag deze er uitzien, maar die van gister had veel meer in de melk te brokken. Die kwam van den Keizer uit Weenen heb ik me laten vertellen,quot; viel een ander in.
»\'kMoet toch zeggen dat er heel wat mogendheden hier komen!quot; viel hetzelfde magere stemmetjen in.
»Laat ze maar weg blijven, mensch! Ze komen hier niets als om te halen. Let op; er komt weer gauw een groot op het bier !quot;
»UEd. heeft gelijk; \'t zal uitkomen zoo als UEd. zeit! Wel, heb ik van mijn leven! Jelui ook hier in \'t gedrang!quot; riep hetzelfde stemmetjen van straks.
\'t Hoorde â de jongen had goed gezien â aan dikke Mie, zoo als hij al heel oneerbiedig een goede kennis van zijn moeder noemde, â de zuster nog wel van moeders apotheker. Een dik schommeltjen, burgerlijk maar gekleed, want het donker bruin overkleed of jak was maar van wol, de wit en blauw gestreepte rok die van voren door een wit linnen voorschoot grootendeels bedekt doch van achter goed te zien was, maar van katoen. Een donker blauwe doek van dezelfde stoffaadje diende tot kroplap; een mutsjen met een zwart zijden lint versierd dekte het grijzende hair, dat, van voren en aan de slapen goed zichtbaar, beschaduwd werd door een strooien hoed, die den vorm had van een omgekeerden ronden etensbak. Het hoofddeksel was uitmuntend geschikt om te schutten tegen â¢de warme Augustus-zon, die nu, op het midden van den dag en het geheel open plein, blakerde en zengde, maar in de hoogste mate onbehagelijk van vorm, zoodat slechts de bedaagde vrouwen
5
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
der burgerklasse er mee gezien werden. Een goedaardig gelaat keek er vriendelijk uit: blauwe oogen die wel altijd pret schenen te hebben, dikke roode lippen, die zeker veel van praten en van lachen hielden, en een kin, die altijd glom; misschien wel een door-loopende veel beteekenende getuige voor de fijne boter en het fijnamp; vet, waarmeé de eigenaresse haar spijs bereidde.
Een goed schomineltjen! En wie haar van nabij kenden, meesmuilden over het keursjen, dat geen baleinen of staal en sedert jaren al geen schuurband meer verborg, maar toch nog, al was \'t maar niet meer dan tien duim hoog, gedragen werd in de hoop misschien, dat de weelderige vleeschvorming daardoor nog tegen gehouden of verborgen mocht worden!
»Ei, ei! wou je graag weten wat ik vandaag en morgen op tafel zal brengen?quot; zei ze lachend, terwijl ze Ernst wat terug duwde, toen hij de hand uitstak naar de goed gevulde hengselmand, die de forsche arm gemakkelijk scheen te dragen.
Zelfs de vrouwen van den deftigen stand, maar dan gevolgd door een dienstmaagd, kochten zeiven op de markten wat zij behoefden. Mietjen Nagtegaal deed dat zonder geleide, even als haar vriendin, Jufter Semeyns. Deze nam wel altijd Brechtjen meé, die dan achter haar ging alsof ze de dienstmaagd was, maar de groente-evenals de visch- en de vleeschmarkt wisten al lang de waarheid. »Vreemd, hè,quot; had Mietjen wel eens tot haar broêr, met wien ze huisde, gezeid, »dat het degelijk mensch zoo van franschen wind houdt?quot; waarop dan de lange, magere â bij haar vergeleken was-hij al heel lang en mager, wat dan toch heel mirakuleus was, daar beiden uit een pot aten! â dwars als altijd haar toeduwde: »in \'t geheel niet vreemd! Zij is van hoogen kom-af! Noem je haar niet even als ik altijd »Jufferquot;, en menschen, die je minder kent dan haar maar van je eigen kaliber, bij den voornaam?quot;
Het had op den Dam al lang elf geslagen, maar vrouw Nagtegaal volgde den Westertoren, die altijd wat na liep. Naar haar zeggen, kwam dat »in haar kraam goed te pas,quot; daar zè altijd zoo véél had te doen, dat ze »de luiste klok het liefste had.quot; Toen echter haar toren begon te spelen, durfde zij niet langer blijven, hoe groot ook de verleiding was om het voorbeeld van de beide-kinderen te volgen, rechts uit te wijken en den mooi opgeschikten nikker te zien, die daar, te midden van eenige druksprekende makelaars van het Damrak, met statigen tred en deftige houding kwam aanwandelen, koers zettend naar de Waag of de Beurs.
»Komt, jelui moet óok naar huis!quot; zei ze, Ernst een duwtjen gevend in de richting welke zij zelve op moest. »Je moeder zal wachten... Ze is in de vroegte zeker al gaan markten .... Niet ? Dan voelt ze zich zeker niet goed. In de laatste weken merkte ik al zoo wat. Niet, dat ik er iets van den aptheker van gehoord heb! In \'t ge-
6
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAHDE.
heel niet; die zou liever zijn tong op slikken dan van zijn patiënten me ooit iets zeggen.... Kinderen, dezen kant op!quot;
Maar die kinderen lieten zich blijkbaar niets gezeggen en waren naar den nikker toe afgedwaald. Alleen Brecbtjen bad baar even goê-dag geknikt.
»Die lomperts! De moeder heeft geen slag van opvoeden!quot; mompelde de kinderlooze. »Die twee hebben ook al hetzelfde van de moeder! Erg grootschig .... En \'tspant er in huis . . .! Barend zeit natuurlijk van neen, maar ik weet bet beter... bet spant; ze eet om den anderen dag maar vleescb.quot;
Ze veegde zich de zweetdroppels van bet voorhoofd met den bagelwitten doek, dien ze uit het zakjen van baar voorschoot haalde en schoof toen de zware mand aan den anderen arm.
Ernst was baar al lang vergeten; Brecbtjen gedacbt haar nog bij de vermaning, om toch dien Turk, een gewoon koopman uit Tripoli, zooals bij en zij er al zoo veel gezien hadden, maar te laten loopen en naar buis te gaan.
ï-Goed dan! maar eerst nog even naar de pruimen- en appelwinkels daar! \'t Is immers niets om, vlak by de Nieuwe Kerk en die moeten we toch langs.quot;
Ze gaf nogmaals toe, maar nu vast besloten bet niet meer te doen.
xBrecht, geef me een schelling! Daar kan ik die beele mand appelen en gele pruimen voor krijgen; \'k weet het zekerâ \'k ben er gister naar gaan vragen . ..quot;
»Gister .. .? onder schooltijd .. .?quot;
»Nu, wat zou dat? Jesses, wat ben jij een heilig boontjen!quot;
»Stukjens gedraaid! En moeder, die zoo veel schoolgeld voor je betaalt. . .!quot;
»Geef me een schelling. Je hebt geld bij je, ik w-eet bet! In de Warmoesstraat heb je geld ontvangen voor de kousen, die je gebreid hebt. ..quot;
»Jongen! Altijd gluur je maar .. ..!quot;
»Bij het geld was een acht en twintig .... dat zag ik in de gauwigheid, al keerde je me ook je rug toe. Kom, daar kan wel een schelling af! Moeder houdt óok zoo veel van pruimen.quot;
»\'t Is mijn geld niet.... \'tis van moeder. Trek nu maar je hart van al dat lekkers af. Ernst, je moet meê!quot; Zij trok hem voort, terwijl bij het gezicht nog gekeerd hield naar de innig begeerde lekkernijen.
»Brecht!quot; riep hij gramstorig, toen hij wel gedwongen was bet oog af te wenden van de verleiding: »\'t staat bij me vast â ik ga in de negotie. Je pikt er veel meer meê op dan met een sabel ; daar heb je vader nu, die al zoo lang weg is en maar niets van weerom komen laat hooren ...
7
DK KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Toe maar... spreek zoo maar als moeder er bij is, dan maak Je haar weer aan \'t schreien!quot;
»Dat hoop ik nooit weer te doen, Brecht! \'t Heeft me wat gespeten van dien eenen keer!quot;
»Zoo mag ik je hooren!quot;
Ze sloeg haar arm om zijn hals en zoo stonden beiden spoedig â voor de deur, die door moeder geopend werd.
8
II.
Moeder had in de eenzaamheid pijnlijke oogenblikken doorgebracht.
Niet alleen dezen voormiddag heeft zij den angel van het verdriet gevoeld; daarvoor heeft het geheele wezen, sedert wij \'t het laatst beschouwden, een te groote verandei\'ing ondergaan. Het blonde hair heeft bijna allen glons verloren en is achteloos opgemaakt, de wang heeft haar zaehten blos moeten prijs geven en toont een schier ziekelijk matte kleur, de oogen, die vroeger zoo helder keken, zijn als beneveld, en in de ooghoeken trilt vaak iets vochtigs. De levenslente, die zoo lang haar zomer bleef doorgeuren, is verdwenen en heeft plaats gemaakt voor den herfst. Wat zij er echter in geuren en kleuren door verloren heeft, won zij in liefelijkheid. De weemoed, waarvan het gelaat tuigenis geeft, heeft de fierheid, welke er vroeger op troonde, getemperd, ja tot een uitdrukking van lijdelijke onderworpenheid bijna verzacht; het verdriet, dat de rimpels plooide in het hoog gewelfd, vroeger zoo marmerglad, voorhoofd, heeft den trotschen trek langs neus en mond doen verdwijnen en daarvoor in de plaats doen treden een lichte zenuwtrilling, welke tot deelneming wekt, daar ze zoo duidelijk van lijden spreekt.
Ja, Geertruid had in de laatste maanden veel geleden en leed steeds meer.
Haar verdriet was zóo groot, dat de zuinigheid, welke zij hoe langer hoe meer in acht moest nemen, het verloren gaan van alle weelden, het weldra-zich-beperken tot het noodige en toen tot het allernoodigste, niet meer meêgeteld werd onder den rampspoed, die haar en haar kinderen trof. En dat bij eene, voor wie het bezit van weelde, zij \'t ook eene van de meest bescheiden soort, een
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
herinnering was aan het geliefd verleden, ja bijna de eenige band welke baar daaraan nog hechtte!
Brecbtjen was vroeg uitgegaan om haar broêrtjen uit school le halen. Geertrui bad haar laten gaan, want het bedacbtzame kind verbeuzelde nooit den tijd en voelde zeker behoefte in de lucht zich wat te gaan vertreden. Zij bad haar van school moeten nemen, daar de kosten baar te veel bezwaarden en een meisjen juist zoo-heel geleerd niet behoefde te worden. Een vrouw toch kon het best stellen niet goed lezen en schrijven en ter dege naaien en breien. Wat er aan bet laatste nog mocht ontbreken, kon moeders onderwijs wel bij brengen. Maar Ernst moest nog blijven schoolgaan, zoo lang mogelijk ten minste. Of dat echter nog zoo heel lang zou zijn, betwijfelde zij steeds meer.
Haar oordeel over Brecbtjen was gaandeweg wel iets gewijzigd. Dat Ernst, een jongen van dertien, nu wel alleen den weg naar huis en naar school zou kunnen vinden, kwam nog wel niet in haar op; dat Brecbtjen evenwel die dagelijksche wandelingen bespaard moesten worden, had ze zich van ochtend voor het eerst zelve gezegd. Het was een lief, gezeggelijk kind! Ze erkende dat nu gaarne. Dat Geertrui den jongen bad voorgetrokken had \'s vaders partijdigheid voor de andere tot oorzaak. Dat was niet goed van haar gehandeld, dat voelde ze. Zij bad veel gebreken, dat wist ze. Zij was in veel te kort geschoten, maar in baar plicht als vrouw toch rooit!
Zij bad zich van morgen nog eens goed iu de eenzaamheid onderzocht, haar verhouding tot Karei sedert baar huwelijk nauwkeurig nagegaan, maar geen verflauwen van haar liefde voor den eensverkoren echtgenoot gevonden. Hoe zou dat ook mogelijk zijn I Het Christelijk huwelijk was een Sakrament; bet was voor bet aangezicht des Heeren aangegaan met de beloften van wederzijdscbe-trouw, van éen te zijn, éen in geest en een in vleesch! Toch bad ze zich zelve moeten bekennen niet altijd eenswillend, niet altijd volgzaam, niet altijd tevreden te zijn geweest met betgeen haar echtgenoot haar schonk en schenken kon. Maar zij had toch geen oogenblik opgehouden hem lief te hebben als baar man, hem te achten en te eeren als den vader barer kinderen.
Na het eenvoudig, ja karig, ontbijt uit melk en brood bestaande, had zij baar handwerk weder opgenomen, waaraan zij den vorigen avond laat, toen de kinderen naar bed waren, nog gewerkt had. Zij herinnerde zich nu, dat Brecbtjen, die bij baar sliep, gisteravond weer niet in slaap was, toen zij in de bedsteé klom, en dat ze een vetlucht had bespeurd zoo als een pas uitgedompte kaars zoo licht verspreidt. Zij vond ook, dat het gezichtjen van bet kind steeds bleeker werd. Zij nam zich voor, eens goed op baar te letten.
10
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAHDE.
Zou ze hier in de achterkamer blijven? Maar \'t licht was er-zwak, en haar oogen â ze waagde \'t zich zelve bijna niet te bekennen! â waren \'took geworden.
Dat fijne borduurwerk vorderde veel, te veel, van haar gezicht !\' Toch mocht het niet gestaakt worden, want zij kon er door wel-, op een Zeeuw rekenen in de week. En haar kas had zoo drin--gend versterking noodig! Twee derden van de kapiteinswedde had Karei laten staan; slechts éen derde had hij voor zich willen behouden, wat naar haar meening te weinig was. Daarom had zij hem geschreven, dat ze wel met minder toe kon, en tóen had hij de toelage op de helft gesteld, niettegenstaande zij kon nagaan,, dat bij juist op dat tijdstip een hoogere gagie had gekregen en hij zelf melding had gemaakt van een geschenk Zijner Hoogheid in geld. Maar daar zouden wel hoogere uitgaven tegenover staan,, want Karei was altijd zuinig geweest en bet zuinigst juist voor zich zeiven.
Dat zij het wist te zijn, bewees haar zeer eenvoudige katoenen, kleeding, van nog goedkooper stof dan die van Mietjen Nagtegaal. Dat die stof nochtans van veel grooter waarde scheen, mocht alleen worden dank geweten aan den smaak van haar, die de role bad weten te knippen en in éen te zetten; en dat was zij zelve.
Vreemd, ze kon van ochtend niet werken! \'t Was weer als. gister avond, toen ze óok zoo moede was en haar kloppend hoofd als bestormd werd door de zwartste gedachten! Ze rees van haar stoel met matten zitting op, nam bet kussen van den leunstoel in den hoek van het vertrek â zijn kussen â en lei bet op baai-stoel. De onrust werd er nog grooter door. Zij kon nu maar alleen denken aan hem, die in den huiselijken kring er altijd op neerzat en dan na de grootste vermoeienissen zoo welbehagelijk zich er op neer vlijen kon! »Hemelscbe vader,quot; zoo bad ze, »ver-los mij van dien angst!quot; Hare lippen bleven zich bewegen al werden er geen woorden meer gehoord. De bede was ook te innig,, dan dat zij kon worden uitgesproken.
»Ik kan niet werken! Ik kan \'t niet doen, al wil ik het nog zoo graag!quot;
Zij wierp het fijne gaas en de klosjens floretzijde van zich, stond op, liep het voorvertrek in, vond ook daar geen rust, daalde eindelijk de trap af en trad haar pronkkamer binnen.
Glad gewreven matten, waar een aangename geur uit opsteegf dekten den grond ; tafels en stoelen, in den stijl van zestien jaar geleden, maar uitmuntend onderhouden â de losse stoelkussens tegen de inwerking van licht en stof t\' onderste boven gekeerd; het kostelijk snijwerk van leuning en rug, van tafelrand en poot scherp en schoon gehouden! â vulden voor een te aanmerkelijk deel de kleine afmetingen van deze. De wanden waren met sneeuw-
11
DE KAPÃEIN VAN DE LIJFGARDE.
witte kalk aangestreken, wat het geheel iets leegs en kouds zou â hebben gegeven, zoo niet de ruimte gebroken werd: hier dooiden fraaien spiegel uit twee stukken glas bestaande, ginds door â¢een groot portret in een kostbaar ebbenhouten lijst. Dat portret ^stelde een zeeman voor van hoogen rang. Het laatste werd bewezen door de rijke gouden passementen aan hoozen en wambuis, voor zoo verre de stalen platen der wapenrusting ze zien lieten, \'en bovendien door den kommandostaf, in de rechtervuist geklemd.
De schilder was in zijn arbeid uitnemend geslaagd, ook wat de gelijkenis betrof. Dit portret kon niet anders zijn als dat van den Vice-Admiraal Ernst van Perseyn; want er was algeheele overeenstemming in gelaatstrek en oogblik tusschen den afgebeelden man en de levende vrouw, die er zich voor had geplaatst en zich aan den aanblik bijna niet kon verzadigen.
»Vader, ziet u mij, hoort u mij?quot; vroeg ze zacht. »Ik hoop het niet,quot; liet ze er op volgen, »want dan zou u niet gelukkig kunnen zijn ....quot;
Scherper kon ze den toestand harer ziel niet teekenen dan door â deze woorden!
Zij sloot de deur af, alsof ze verrast kon worden in het huis, waarin zij op dit oogenblik de eenige aanwezige was. De lade van het tafeltjen op de vier geboogde poten, bijna buigende onder den last van den grooten Statenbijbel, opende zij met het sleuteltjen, dat in haar geldknipjen geborgen was. Ze nam er eenige brieven uit, verkreukeld en gedeukt. â een blijk dat ze veel in handen waren geweest. Ze zette zich neer op een der stoelen, den rug naar \'s vaders portret gekeerd, en begon te lezen; eerst den langen brief, waarin Karei haar zijn behouden aankomst in het huisjen van de schamele lersche vrouw had gemeld. Hoe hartelijk was de inhoud! Met oogen, stralende van vreugde, met een stem, trillende van dankbare liefde, had zij dien haar kinderen voorgelezen, en den wilden jongen, die niet stil kon zitten luisteren, met ongewone strengheid zijn vergrijp onder het oog gebracht. Die brief vervulde haar nu met diepen weemoed, daar zij dacht aan de volgenden, die ze niet meer voorgelezen had.
Die volgenden! Ze waren stijver en stijver geworden, kouder en kouder, tot dat er haar een ijswind uit tegenwoei !
Exeter ... Dec. 1688.
Waarde huisvrouw!
»Ik ben gezond en hoop hartelijk dat ook van UEd. en de kinderen te mogen vernemen ... Altijd nog maar geen vijand... I altijd nog maar bekeken en bewonderd! Het zou wel wat vervelend worden, als de Prins niet voor afleiding zorgde. Ik kan niet
12
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
zeggen dat bet een heel plezierige is. Fred, onze Fred, die zoo-aardig met de kinderen kon spelen en stoeien, is daar juist doodgeschoten op last van onzen strengen Heer om een vergrijp, dat onder de bestaande omstandigheden er geen is........!
Kust de kinderen en geloof mij van harte UEds u liefhebbenden, man ...
Honiton ... Dec. 1688.
â Dezelfde aanhef als vroeger! â »Het ziet er naar uit, dat, we den dans zullen beginnen .. . Koning Jakob wordt hier verwacht, overgeleverd door zijn eigen soldaten... Omkooping eni verraad is hier algemeen ...quot; En daarop volgde â wél een blijk dat de brief op verschillende tijdstippen was begonnen en voortgezet: »Ik blijf niet bij het leger, maar moet terug naar Londen ^ ditmaal alevel in mijn eigen veêren. Dat mij deze zending wordt opgedragen, vereert me en doet me bijna zeker zijn van bevordering .. . Zou er dan eindelijk toch wat licht komen in ons donker?\' \'t Deed me zonderling aangenaam aan te vernemen, dat ÃEd. het goed had met de kinderen, waaruit ik mag deduceeren, dat het huishoudgeld, ook nadat de toelage verminderd is, niet mankeert. Ik kan mij nu vrijer bewegen en ben bijna zeker van een goede gratifikatie en overplaatsing bij de Lijfgarde Zijner Hoogheid. . . t In haast: Gode bevolen! »\'t Zal waarachtig wel gaan,quot; zoo als onze Tromp schreef. Ik meld ÃEd. later wel waar ik verblijf...quot;
Wat een opgewekte toon! Dat de schrijver alleen aan zich zeiven dacht, werd door de lezeres bij de ontvangst niet opgemerkt, zóo blij was ze, dat \'haar Karei weer eens reden had vroolijk en opgewekt te zijn, zoo als bij dat in de eerste jaren van hun huwelijk bijna altijd geweest was. Maar of ze \'t bij de eerste hérlezing nóg had kunnen voorbij zien? Nu ten minste deed ze \'t niet.
»Ik meld ÃEd. later wel waar ik blijf!quot; had hij »in haastquot; geschreven. Het scheen wel, dat zijn werkzaamheden nog in omvang\' waren toegenomen, daar hij in weken zelfs geen gelegenheid had gehad iets, ware \'t alleen zijn woonplaats maar, »in haastquot; meé te deelen.
Eindelijk, eindelijk was er weer een brief gekomen.
London ... Februari 1689.
»Waarde Huisvrouw!
Ik ben sedert een maand Kaptein van de Lijfgarde. Mijn Kolonel is Bentinck, die in den Engelschen adelstand is verheven met den titel van Graaf van Portland, Viscount van Woodstok, en daarbij.,
13:
de kaptein van de lijfgabde.
â groom of the stole is geworden, wat zooveel is als bestierder van de hofplechtigheden, met een inkomen, naar het zeggen is, van «estig duizend gulden. Veel. niet waar? Maar alles is hier dan ook verschrikkelijk duur! Een kleurendoos b.v. voor de kaptafel, kost niet minder dan honderd gulden en een fleschjen eau de violette â geen luxe maar behoefte hier â twaalf. Ik moet dus op de kleintjens passen en ben blij, dat TJEd. \'ttenuwent minder zal hoeven te doen.quot; Bij die woorden greep haar hand onwillekeurig naar het magere geldknipjen. » We blijven hier zeer in aanzien, hoewel Zijn Hoogheid zich wat minzamer kon toonen. Maar zijn gezondheid is hier ook miserabel. Hoe dat gaan moet als hij \'t hier niet uithouden kan! Gelukkig, dat de Prinses hier is gekomen. Zij neemt aller harten in! Wat een vrouw toch veel vermag, die, al is ze van binnen niet opgewekt, daarvan niets toont, maar, ter contrarie van dien, schertst en lacht en daartoe anderen ook verlokt!quot; Geertrui bracht de hand aan \'t hart, alsof ze daar een pijnlijken steek voelde. Met anderen inkt en een nieuw versneden pen volgde er: »Ik kom van de eerste receptie Hunner Majesteiten, waarbij ik dienst deed .. . Wat pracht!quot; Het slot van den brief â bijna anderhalve bladzijde â behelsde een optelling van al de Hertogen en Hertoginnen, Graven en Gravinnen, die daarbij «assisteerdenquot; en een beschrijving van de schitterende kos-tumes. »\'t Was éen en al geur van rozen en hyacinthen. . .quot; »\'t Was verrukkelijk! Wie had me dat voorspeld in Holland! Hoe kleinbm-gerlijk is \'t toch bij ons! Zoodra \'t maar immer mogelijk is, inviteer ik TJEd. en de kinderen over te komen, tenzjj ik verlof kan krijgen ....
Uw Kaptein van de Koninklijke Lijfwacht: K. Semeyns.quot;
Er was vergeten de juiste woonplaats op te geven....
Geertruid herinnerde zich nu zeer goed, dat ze dit dadelijk opmerkte en dat, in het oogenblik van de eerste lezing reeds dezer missive, de worm die steeds aan haar hart was blijven knagen, ontstaan was.
Die door hem beschreven geuren der kaptafel kwamen haar verdacht voor. Ze stegen haar naar het hoofd, bedwelmend, benauwend! En dan die opmerking over den invloed der vrouw, die zich zelve vergeten kan! een opmerking, welke zij in haar hart opzette tot een verwijt, dat, misschien verdiend, toch niet dus en na zóo vele weken afwezig-zijn, haar had moeten worden toeworpen!
Dieper boog het hoofdtjen. treuriger trek verscheen op haar gelaat, toen ze den volgenden brief opende;
14
DE KAPTEIN VAN DE LUFGAltDE.
Londen, 17 April 1689.
Waarde Huisvrouw!
Ik was most horrible afraid, dat het met UBd. en de kinderen niet goed ging, daar ik maar altijd niets van allen hoorde.quot; Van Februari tot half April â de tijdruimte welke er lag tusschen â¢de voorlaatste en de laatste missive â was hij bevreesd geweest! â Waarom\'t niet in zijn moedertaal uitgedrukt? âZóo lang had i hij in die vrees kunnen leven zonder een poging aan te wenden zich zekerheid te verschaffen, wat hij met éen brie! had kunnen doen! En zóo had de altijd voortvarende en scherpzinnige Karei gehandeld! Hij loog! Hoe was hij teruggegaan in zedelijkheid, in kracht! Waarom schuwde hij niet meer wat hij altijd het kleinzielig wapen van de ellendigste lafheid had gescholden? Het papier trilde in haar hand; maar zij vervolgde; »Daar viel mij op â eens in, dat ik vergeten had kunnen hebben mijn woonplaats UEd. in mijn laatsten te communiceeren. Ik ben ook nog al ambulant cn dikwijls absent. Het beste zou wezen, indien voortaan ÃEds missiven adressed werden aan Mr. Stevens, steenwerker, FLeetstreet, van wien ik meen UEd. reeds vroeger geschreven te hebben. Van
geen er in het Politique gebeurt, zal UEd. wel het een en ander door de Haarlemsche Courant gehoord hebben. De verdreven Koning is in Ierland geland. Onze geloofsgenooten daar worden bij honderdtallen vermoord, zooals de allerlaatste berichten luidden. De twee steden Enniskillen en Londonderry in het Noorden houden het nog, maar wij schijnen hen niet te hulp te kunnen komen. Een, die de posten der belegeraars door gekropen en behouden in Engeland geland was, vertelde, dat de pest onder het hoopjen belegerden woedde, maar dat het de algemeene leus bleef: »eerst de honden gegeten â de paarden werden het al â dan de gevangenen en eindelijk elkaar!quot; Algemeen is de ergernis, dat Zijn Majesteit zich niet roert. Maar voor mij is dat geen wonder! De maar half-trouwe Engelsche troepen zijn onder Ghurchill,-die Graaf van Marlborough is gemaakt, naar het continent, om tegen Frankrijk te vechten, en van ons wil Willem niet scheiden omdat.... hij misschien dan geen veertien dagen op zijn troon bleef.,..quot; gt;gt;Daar even hoor ik evenwel, dat de oude Schomberg, die tot Hertog is verheven, benoemd zal worden tot Opperbevelhebber van de Hollandsche troepen, die naar Ierland zullen gaan. Misschien moet ik meê. Ik zal er ten minste reverentelijk om verzoeken . .. zoodra ik Zijn^ Majesteit te zien en te spreken krijg, wat gants niet gemakkelijk gaat. Hij vertoont zich niet meer in \'t publiek. Er gaan al heel vreemde geruchten onder het volk aangaande \'s Konings leefwijze .... Het zeggen is, dat hij \'t geen drie maanden meer houden kan. Een talrijke faktie â er zijn er hier nog meer dan
15
DE KAPÃEIN VAN DE LIJFGARDE.
tp ons! â haat hem als een overweldiger, als een goddeloozer die geen bloedverwantschap ontziet; die faktie gelooft, dat de Koningen direct door God benoemd worden.... Waar is \'t, dat \'s Konings gezondheid erg is achteruit gegaan. White-hall heeft hij, moeten verlaten voor Hampton-Court. Dit laatste lag echter al te ver van het Parlementshuis en werd spoedig verlaten en toen werd Kensington, de woning, in de voorstad, van den Graaf van Nottingham, voor achttien duizend guinjes gekocht. Daar wordt nu alles verbouwd, en in afwachting dat alles klaar is, betrok hij, een ander huis. Hij komt niet anders uit als voor de jacht, tot groote ergernis van de City, welke sedert eeuwen gewoon was een Hof in de nabijheid te hebben. Het laatst zag ik hem in den tuin, van Kensington, bezig met groote linden te doen aanplanten, die hjj van heel ver weg laat komen. Wel zag hij er broodmager uit, maar toch opgewekt, toen zelfs vroolijk! Maar er was ook geen. enkel Engelsch Minister in zijn nabijheid, en zelfs ik »een Kapitein zijner Lijfwachtquot; mocht hem niet naderen ... Ga ik werkelijk meê, en dan zal \'t wel als Kolonel zijn, dan hoort ge in de eerste maanden heel weinig van mij. Denk dan maar: geen tijding goede tijding. . . Aan mij kan UEd. altijd schrijven door genoemden Mr. Stevens... Ik heb het zoo noodig . .. Dikwijls kan ik zoo verlangen naar huis, naar wie me daar wachten . .. naar vrijheid om te gaan... Maar weg met die gedachten ...! Er is hier zooveel goeds...! zooveel eer en macht te behalen...! Weest allen gegroet, lieven, lieven! van man en vader!quot;
»En sedert dien tijd geen brieven meer!quot; snikte Geertruid.
En die laatste was al zoo vreemd van inhoud. Verre het grootste-deel was juist gewijd aan het politieke, dat zij, zoo als hij zelf erkende, wel uit de Hollandsche koeranten zou hebben gelezen.. En dan dat slot vol weemoed, vol tweestrijd! . ..
Was hij werkelijk naar Ierland gegaan?
Maar in »het Hollandsch Nieuws,quot; dat ze toch tweemaal \'s weeks-ontving en van \'t begin tot het eind las, ja bijna spelde, als om de woorden zich in te prenten, was wel gemeld, dat de twee belegerde steden ontzet waren door een klein aantal Engelsche troepen, maar niet dat het leger waarvan hij in zijn brief sprak,, naar Ierland was overgebracht. Waar hij ook ware, in Londen-zeker niet meer! Zou hij misschien overleden zijn? Maar dan hadden »Heeren Gekommiteerden tot de zaken van Oorlogquot; de uitbetaling harer toelage niet kunnen blijven »fiatteeren.quot; Waren\' hare brieven, die ze twee maairdeu lang iedere week aan het opgegeven adres had verzonden, werkelijk ontvangen? Zeker niet;: want anders zouden die, of minstens een enkele, beandwoord zijn,, hoe kort ook, ware \'t maar met een enkel regel schrifts. Ze had.
16
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAKDE.
in haar eerste brieven toch zooveel liefde meenen te leggen; ze had ze zoo geheel geschreven zooals \'t eene obedieerende en liefhebbende huisvrouw betaamde; maar in de twee laatste misschien te veel toegegeven aan hare beleedigde fierheid, of liever aan de beleedigde moederliefde. Hare grieven als vrouw had ze toch gemeend te verkroppen, maar die van de moeder had ze laten gelden met een kracht, welke, naar ze hoopte, toch altijd waardig was gebleven ... En toen er geenerlei andwoord meer kwam, had zij gezwegen, met moeite het brood etend, dat hij haar nog verschafte, maar dat alleen brokkelend omdat zijne kinderen het deden met haar. Lange weken waren weder verloopen, en nog altijd geen bericht!
»Waagde hij niet meer te schrijven?quot; vroeg ze zich eens peinzensmoede af.
»Vader in den Hemel, om den wille van den Heere Jezus, laat dien lijdensbeker niet tot mij komen!quot; bad zij nu, terwijl zijn laatste brief uit de handen, die zich vouwden, klaterend op den grond gleed.
De klopper viel met kracht op de voordeur neer. Ware ze minder afgetrokken geweest, ze zou de vrouw, die zich nu zoo krachtig aanmeldde, wel eer hebben bespeurd en minder verschrokken zijn opgesprongen. Teleurstelling! Ja, zij had een knecht van \'s Lands post daar denken te zien... \'tWas Mietjen Nagtegaal maar, zwoegend en dampend, wat de burgervrouw nog burgerlijker maakte.
»Neem me niet kwalijk, dat ik even kom aanwippen! De kinderen nog niet thuis? Ja, dat dacht ik wel. Ik joeg ze op den Dam naar huis toe, maar ze gaven er niet om. Lieve kinderen. Juffer, maar gehoorzaam is anders! Ik kom zoo van de visch-markt. Vette puitaal .... twee stuivers maar het pond. Ik hield vol, dat het kataal was en kreeg ze daarom zoo goedkoop. Wat zeg je er van?quot; Triomfantelijk hief ze een deel der ontvelde, maar toch nog wriemelende lekkernij in de hoogte. »Laten we samen deelen!quot;
»Wel gedankt, Mietjen .... Ik ben met mijn maal al klaar.quot;
»Nu, dat bultjen aal kan er zeker nog wel bij,quot; hernam de andere , een greep doende in haar mand. «Lang me de vergiettest maar aan of een schotel. . . .quot;
»Maar ik zeg je immers . .. .? heusch, Mietjen, \'tis me \'t geld niet waard.quot;
»Maar, mensch, wie spreekt er van geld? Ik heb den aal voor ons beiden gekocht. Barend betaalt, en wij eten .. .!quot;
Geertrui kreeg een kleur. Vrouw Nagtegaal noemde komplimenten altijd maar »viezevazerijen.quot;
17
»\'tls je van harte gegund, juffer Semeyns! Smul nu van middag eens ...!quot;
2
kapt. van de lijfgarde. â II.
BE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Op de eerste zinsnede antwoordde Geertruid snel: »Nu dan, zeer bedankt!quot; Bjj het hooren der tweede, had ze er half spijt van. Toch deed ze dat niet blijken; ze bleef het geschenk der goedhartige aannemen, altijd evenwel nog in twijfel of niet achter de goedhartige zich de meêlijdende verschool â van gene kon ze alles aannemen, van deze echter niets.
»Wat ik toch blij beu, mij nu eens overwonnen te hebben. Ik leer ... ik leer aan,quot; zoo ruischte \'t in haar binnenst, en weinige oogenblikken later stond ze zelfs opgewekt voor het stooktafeltjen in de »coocke,quot; behagelijk de lucht van bradende boter en beschuit opsnuivende en daarbij prevelend: »dat zal de kinderen Ijjken .. .! Waarlijk, een burgemeestersraaal!quot;
18
III.
Wat zouden de kinderen het zich laten smaken! Ook moeder was voornemens ditmaal eer aan \'t maal te doen. Ernst vond dat \'inoeder er nu eens wat joliger uitzag dan in maanden het geval was geweest. Brechtjen oordeelde anders, maar wachtte er zich wel voor dat te doen blijken. Moeders roode en ietwat opgezette wangen waren alleen te danken aan het vuur; in moeders ooghoeken had â¢een traan gehangen; ze kon het nog zien, al was hij ook gedroogd. Toen ze thuis was gekomen, was ze dadelijk naar de pronkkamer gegaan; het scheen wel dat ze wou weten of moeder daar gezeten had: was dat zoo, dan wist ze welke gevolgtrekkingen zij te maken had. Ja, moeder was er geweest en had er haar knipjen laten liggen. Zij opende dit haastig, terwijl haar hart klopte, en stak er â¢den acht en twintig in, dien zij straks in den kousenwinkel had gebeurd. Daarna lei zij \'t weer op dezelfde plaats néér en wilde zingend of liever neuriënd, wat hier beter paste, de trap opklimmen naar de huiskamer, maar de innerlijke onrust liet dat bewys van vroolijkheid niet toe. Zou Moeder straks merken wat ze gedaan had? Zoo ja, wat zou ze er van zeggen? Zou ze er erg boos â om wezen?
Gelukkig dat Moeder met haar gedachten bij haar heerlijk â¢schoteltjen was en dat de boter zoo snerkelde, want nu was het piepen van de pronkkamerdeur niet eens gehoord kunnen worden.
Die dubbel onhandige Ernst! Jongens waren toch erg onnadenkende schepsels. Precies ongedresseerde honden! Dit scherpe oordeel van Brechtjen werd uitgelokt door het omslaan van het tinnen bord van Ernst en het neêrglijden van een groote portie aal â de grootste nog wel, want moeder vond altijd dat dit een jongen in zijn groei toekwam. De jongen had dan ook weer het
BE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE.
oude maar steeds verboden kunstjen beproefd, om het bord op de punt van zijn vinger te laten balanceeren, wat hij kort geleden van een potse- en konste-maker op de Westermarkt had gezien.
Het hagelwit tafellaken, dat de geheele week dienst had moeten doen, was éen vlak en éen spat. De jongen was op de ontvangst der gewone oorveeg voorbereid, maar wilde die toch ontkomen door met zijn hoofd zoo ver mogelijk uit te wijken, waardoor dit in aanraking kwam met de tinnen bierkan, welke nu ook omver ging en den schuimenden inhoud uitgoot op den blank gesehuurden, houten vloer.
Toch verloor hij zijn tegenwoordigheid van geest niet, en beproefde hij ook nu door een kwinkslag zich te redden. »Nu lijk ik Vader wel, die óok eens,, â weet u wel? â de kan omgooide, en toen was er nog wel wijn in en was Fred er bij!quot; riep hij uit, terwijl hij naar den vaagdoek zocht.
De oorveeg bleef ditmaal uit, zelfs de straffe vermaning, wat toch het minst was dat hij had kunnen verwachten. Och, dat heiu het ergst maar ten deel ware gevallen! Nu hoorde hij geen enkel woord van moeders lippen, maar zag hij iets over haar gelaat heen trekken wat hem altjjd inwendig zoo\'n pijn deed als hij \'t gewaar werd; nu zag hij moeder het bord wegschuiven als ware-haar honger in eens gestild en hoorde hij zich door Brecht toefluisteren : »jouw schuld, dat Moê niet eten kan!quot;
Wat gedwongenheid had nu de opgewektheid van straks vervangen ! Vóór zich kijkend, at Ernst haastig de hem opnieuw gereikte spijs: schuins naar moeder kijkend, deed Brechtjen dat. Het tikken van de hangklok werd alleen gehoord, en als dat gebeurde-wist Ernst wel dat het overal beter voor hem was dan thuis.
Het neervallen van den klopper was daarom voor allen een heuchelijke afleiding! Ernst, die anders in \'t geheel zoo willig niet was, ging zonder dat het hem geheten werd naar beneden en kwam terug met de boodschap, dat Moeder gewacht werd bij vrouw Jansz. Schuurman »in het kistemakerspand!quot;
»Zeg dat ik kom .. . dadelijk kom!quot; klonk het haastig.
Heel spoedig stond Moeder klaar om uit te gaan. Ernst moest alleen naar school; Brechtjen zou op \'t huis passen. De huik had Moeder reeds opgezet, maar nog altijd zochten hare oogen en handen iets, dat ten laatste beneden in de pronkkamer gevonden werd.. Ernst was stil afgedropen, Brechtjen stond aan de deur gereed Moeder uit te laten, toen deze de pronkkamer uitkwam, het lang gezochte voorwerp â het geldknipjen â in de hand, met een vriendelijk lachjen op de lippen en ook in het oog. Ze lei zacht-kens de hand op Brechtjens hoofd, trok met de andere het purperrood gezichtjen naar zich toe en drukte toen een kus op de-beverige lippen.
20
DE KA.PTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Nu begrijp ik waarom de nachtkaars nog zoo dikwijls walmt als ik boven kom en waarom zekere wangetjens zoo bleek er uitzien! .... Moedig kind!quot;
»U heeft veel meer moed!quot; snikte Brechtjen, het hoofdjen schuilend onder moeders huik.
Moeder drukte haar hand; het was een bewijs dat ze wist begrepen te zijn.
»Kom, Brechtjen, nu ga je meê! â Ik denk dat ik veel werk zal krijgen. Vrouw Schuurman beloofde om me te denken. Wat zal \'t gezellig wezen voortaan samen te werken! Ik heb in eens «en groote dochter, en ze is toch nog maar even zestien . .. Dat belooft wat!quot;
»Moeder ... ik durf het haast niet vragen .. . U moet niet boos worden .. . belooft u me dat?quot;
s Boos worden! Hoe zou ik dat nü kunnen!quot;
»Leeft Vader nog.... voor ons?quot; Brechtjen had gefluisterd.
Moeders gelaat werd marmerwit. Hoe meer ze over de vraag nadacht, des te diepzinniger werd ze.
»Ik hoop het...! Och, wat bazel ik! Ik weet het... Vader klimt maar altijd hooger in rang. Hij zal nu al een eigen regiment hebben en dat geeft héél wat!quot;
»En ü heeft het... niet breed. .
»Foei, Brechtjen, hoe kun je denken ...? Vader heeft altijd geweten wat bet best voor ons was. Je moogt zoo niet oordeelen; je gedachten zouden zondig kunnen worden ...quot;
Ze was blijde, den innerlijken weemoed achter een moederlijke les te kunnen verbergen.
\'t Was wel of dat kind een zesde zintuig had. Ze schrikte van â¢de scherpte van -opvatting, van de juistheid van gevolgtrekking dier zestienjarige. Tot geen prijs wilde zij zulk een onderhoud voortzetten. »Kom kind, voortgemaakt! Voor dat Ernst van school terug komt, moeten we weer thuis wezen... De luie beenen opgenomen, Brecht! \'tls een lange kuier!quot;
In de Kalverstraat hoek Olieslagerssteeg stond het genoemde pand, waar de broeders van het kistemakers- of schrijnwerkers-gilde hun werk ten toon en te koop stelden. Twee vrouwen, de «ene, door Burgemeesteren aangesteld en beëedigd, de andere, de vrouw van een Gildebroeder, waakten beurtelings over de aanwezige schatten. De toegang was voor ieder vrij. Tegen het etensuur der burgerij of even daarna werd »de winckelquot; bijna alleen door de Heeren en Vrouwen van aanzienlijken huize bezocht.
Toen Geertrui met haar dochter binnen trad, vond zij dan ook alleen onbekenden, wier fijn damasten rohes een onderkleed hadden van zijde of fluweel, wier keursen prijkten met gouden pailletten, wier opgemaakt hair den in de mode gekomen love-lock
21
DE KAPTEIN VAN I)E LIJFGARDE.
vertoonde en uit wier zwart of wit of rose kanten hoofddoek mat-bleeke, maar zeer voorname in het rond ziende, geziehtjens te\' voorschijn kwamen, geurende van het geparfumeerd amandelwater, waarmeê ze gedrenkt werden. Wat Geertruid als iets fonkelnieuws waardeerde was de sleep, die eenige der juffers aan hare robes droegen en â een teeken van ongewoonte! â vrij moeielijk regeerden.
Wat daar was uitgestald was de moeite der beschouwing waard en wel in staat den kooplust te wekken. In lange rijen, waar men door kon wandelen, stonden de bevallige meubelstukken, veel minder zwaar afgewerkt dan twintig jaar geleden of elders, in Duitschland en Engeland, nóg gebruikelijk was. Alles was ook Systeme Boule, naar den beroemden Parijschen schrijnwerker dus genoemd.
Daar werden de stoelen en sofaas bewonderd van sakredaan of notenboomhout, de zitting even als de rug opgevuld en bedekt met welriekend leder of met donker of kleurig fluweel, dat, in strijd met de vroeger lang gevolgde mode, niet meer met koperen nageltjens was vastgehecht, maar nu met een passement van zijden franje of koord. Daar prijkten werkelijke kunstwerken: tafels van rozenhout, kunstig ingelegd met agaat of jaspis, spiegeltafels, waarvan het blad een mozaiek van florentijnschen steen vormde, kabinetten of kunstkasten, tresoren of schenktafels met gepolijst koper of met schildpad en ivoor belegd, toilettafels van ebbenhout of Surinaamsch mahagonie, alles met golvende zwevende Ijjnen, alles het kenmerk dragend van den besten tijd van den rococostijl, licht en bevallig, het oog boeiend en verrukkend, minder rustgevend dan aanlokkend; alles bewijs van toenemende weelde, maar van een weelde, die minder door het groote treffen, dan door het fijne behagen wil. Overal was de hand des kunstenaars merkbaar, die schaaf en beitel van den ambachtsman leidde en bestuurde. Vreemd was dat niet, sedert onder de Gildebroeders tal van schrijnwerkers waren opgenomen, die bij de herroeping van het Edikt van Nantes om den wille des Geloofs uit Frankrijk waren verdreven en zich hier drie jaren geleden hadden neder gezet.
»Hoe veel kost deze?quot; hoorde Geertruid een Heer, oogenschijnlijk van bij de vijftig, vragen.
«Dat is de duurste van al de kunstkasten die het Gild op \'t oogenblik heeft. Duizend gulden, Mijnheer!\'quot; klonk het andwoord van Vrouw Schuurman op zeer eerbiedigen, ja onderdanigen toon.
»A1 héél duur!quot; zeide de Vrouwe kort, die den voornamen Heer in den ponceau rood fluweelen met goud omboorden rok met breede mouwopslagen van zwarte zijde, en met den aan éen kant opgetoomden hoed met kleine veertjens verzelde.
sik geloof te mogen verzekeren met alle reverentie, toch niet
22
DE KA PT KIN VAN DE LIJFGARDE.
té duur, in consideratie nemend de houtsoort waaruit het stuk is gefabriceerd.quot; Dit zeggende sloot zij de deuren open, waardoor het inwendige van zacht geel satijnhout zichtbaar werd.
»En deze?quot; vroeg Mijnheer, die op een andere kast wees, uitwendig gelijk aan de straks bedoelde.
»Zes honderd gulden!quot;
De onderhandeling had Geertruids aandacht getrokken. Zij vergat een oogenblik de nederige plaats, welke zij onder al die voorname kooplustigen innam. De stem en de houding van dien heer kwamen haar bekend voor en herinnerden haar vroegere, gants andere, veel gunstiger omstandigheden. Ja, het leed geen twijiel, \'twas Henrick van Arkesteyn, de landverrader, die in \'72 buskruit had willen leveren aan den vijand, Henrick, de wettige zoon van den eens machtigen Bestuurder der Republiek, den geweldigen Mijnheer Neve, wiens onwettigen zoon zij had gehuwd.
Welk een klove verwijderde haar van hem!
En \'t was niet de klove, die eer van oneer, maar die nederigheid van hoogheid scheidt! Dezelfde gevoelens, die haar bestormden, toen die man maanden geleden haar woning voorbij stapte, deden \'thaar thands in nog hoogere mate.
ïDrechtjen, laten we naar dien kant gaan â daar is \'t minder vol!quot; fluisterde zij zenuwachtig. »We zijn er niet naar aangekleed, om op dit uur hier te wezen ... .quot;
^Pardonneer!quot; hoorde zij in haar onmiddellijke nabijheid zeggen. Het gold haar, want de spreker voegde er dadelijk bij; »Heb ik niet de eer een juffer van Perseyn voor mij te zien?quot;
Hij had Geertruid dus herkend en wilde daarvan blijk geven; dat stemde haar wrevel eenklaps lager.
»Dat was ik; nu echter Juffer Semeyns, Mijnheer van Arkesteyn!quot;
»Wie eens een Perseyn was blijft dat.... Maar ook de naam Semeyns klinkt goed, hoe langer hoe beter zelfs.quot;
«Waarlijk?quot; Geertruid waagde bet hem in de flauwe oogen, in het wel wat vervallen gelaat te zien, terwijl een niet onvriendelijke glimlach langs haar lippen zweefde.
»Is dat uw dochter?quot; vroeg hij op Brechtjen doelende, die onder zijn blik weder vuurrood werd.
Geertruid knikte toestemmend en vroeg op haar beurt, het oog gericht op de vrouw, die straks naast hem had gestaan en nu haar naderde; sis dat uw echtgenoote?quot;
«JaJquot;
»Wil u de goedheid hebben mij aan haar te presenteeren?quot;
Henrick aarzelde een oogenblik, maar voldeed toch met gratie aan het verzoek, dat bijna als een bevel bad geklonken.
»Piete-Kóo, juffer Semeyns, een Perseyn en verre nicht; Me-vrouwe van Arkesteyn, een geborene van Vlooswijck.quot;
23
DE KAPTEIN VAK DE LIJ1GAUUE.
»Een Burgemeestersdochter!quot; prevelde Geertruid. Geen wonder dat haar «respect en reverentiequot; ten top klom. Of het veroorzaakt werd door den kouden blik der hooge vrouw, dwalende langs de eenvoudige kleedij der »verre nicbtequot; en toen zich richtende naaide nog mindere van Brechtjen, al wat Geertruid aan hoogheid bezat, kwam eensklaps bij haar boven! Zich fier oprichtend en met stralende oogen zeide ze langzaam en op ieder woord gewicht leggend tot de hooge Vrouw, de Burgemeestersdochter: »Mijn Heer vader was Admiraal van Perseyn, een volle achterneve van wijlen mijnheer Adam Adriaan van Arkesteyn.quot;
»Je hebt me daar nooit van verteld, Henrick!quot; merkte de toe-gesprokene oi), wel zoo beleefd om een zweem van verwijt in den toon harer stem te leggen. »UEd. komt hier óok uwe inkoopen doen\'?quot;
Geertruid voelde inwendig alles trillen. Ze zou misschien uitgeborsten zijn on bekend hebben, dat zij, »de nicht, ware \'t ook een verre,quot; borduurwerk kwam halen, om de Burgemeestersdochter, een geborene van Vlooswijck, te ergeren, maar Henrick voorkwam dat en maakte het ook geheel onnoodig door de aanvankelijk zeer raadselachtige opmerking: »\'tZou een eer zijn voor het Gilde, als de Juffer tot eenigen inkoop besloot. ... want dan zou ook in Engeland door de Juffer bekend worden, hoe men hier werkt! U gaat zeker toch heel spoedig over, niet waar? Ik ontving voor eenige dagen een bezoek van een Engelschen heer op mijn kantoor, die mij van uw heer echtgenoot vertelde. Hij moet de gunsteling zijn van het gebeele Hof en bij den Koning in hooge eer zijn.quot;
»Is hij .. . dan nog. .. in Londen?quot; stamerde Geertruid, wie \'t voor de oogen begon te schemeren.
»TJEd. zal zeker de laatste tijdingen hebben... .quot; vervolgde Heer Henrick beleefd. »UEd. is de Heer Kaptein misschien al gauvv thuis wachtende? Wil UEd. hem mijn groeten overbrengen, zoodra hij aangekomen is, en mijn huis aanbevelen voor een bezoek?quot;
»ÃEd. is wel zeer beleefd,quot; stamerde Geertruid.
»Deert de Juffer iets?quot; vroeg de geborene van Vlooswijck, terwijl zij haastig een taboeret naar de wankelende schoof en zich tot de altijd bezige vrouw Schuurman wendde om liulp.
»\'t Is niets .... werkelijk niets .... een benauwdheid, zeker van de warmte,quot; stamerde Geertruid, het glas water gulzig ledigend, dat het doodelijk verschrikte Brechtjen bij de eerste verschijnselen reeds van Moeders ontsteltenis was gaan vragen en thands haar toereikte.
»\'t Zal de blijdschap zijn over de esrlange overkomst van haaiman .... \'tMoet een gelukkig huwelijk zjjn!quot; zeide Henrick met
24
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
een zweem van ironie, toen hij met zijn echtgenoote, na eenige woorden van deelneming, het achtergedeelte van het diepe huis â¢doorwandelde, dat op het Rokin een uitgang had. Daar stond, â onder vele andere, de slede gereed, welke Mevrouw, naar de deftige woning aan de Heerengracht bij de Leidsche straat, thuis zou brengen.
»Zijn er middelen?quot; vroeg zijn vrouw.
»Van huis uit zeker niet. Maar een Kaptein van de Lijfgarde heeft wel gelegenheid om \'t goud, behalve op den rok, ook in de beurs te tooveren. In ieder geval is er distinkt en influëntie, waarvan nut is te trekken .... Wg zullen dan ook niet vergeten dat 2e een Perseyn is, hoewel gemésalliëerd ....quot;
Vrouw Scliuurman had Brechtjen een zijdeurtjen gewezen, waardoor ze met haar naar het »comptoirkenquot; kon gaan.
Daarheen hadden beiden zich maar dadelijk moeten begeven toen ze binnen waren gekomen. Het gaan langs de meubels kon voor haar moeder toch geen nul hebben, en was dus maar tijdverlies.
Aan Brechtjens arm ving Moeder den tocht aan. Niemant der aanwezigen kon gelukkig iets slepends en wachelends aan Moeders gang bespeuren. Het bijzijn dier druk pratende en haar toch soms beglurende heeren en dames deed haar alle krachten inspannen. Toen zij echter in het eng vertrekjen met haar kind was aangekomen, zeeg zij op den eenigen matten stoel, die daar stond, neêr en borst -zij in tranen uit.
Brechtjen vroeg niets, hoe verbaasd en verschrokken ze ook ware over het betoon van zulk een droefheid. Zij had haar moeder stiller en stiller, somberder en somberder zien worden, maar van haar toch nooit klachten gehoord of tranen gezien. In de woorden van den voornamen Heer, die haar altijd zoo verlegen maakte, had zeker iets heel ergs gescholen.
Wat kon ze doen om te toonen, dat ze zoo\'n innig medelijden had en zoo gaarne in die droefheid deelen wou? Zij wist het niet, maar ze bleef moeders wangen streelen en haar liefste woordtjens fluisteren.
\'t Scheen der lijdende goed te doen en haar tevens de op haar rustende plichten te herinneren, want zij richtte het gebogen hoofd op, droogde de vochtige oogleden, prevelde: »ik moet... ik wil,quot; eri trad Vrouw Schuurman, die met een lap fluweel en verschillende strengen zijde binnentrad, glimlachend te gemoet.
»Dus weer in orde!quot; zei de stevige gezonde en altijd druk bezige. »Heb je die aanvallen meer?quot;
De andere schudde ontkennend.
»Dat is dan ook maar goed; want anders zou ik dit werk je niet durven opgeven, \'t Is voor den verjaardag van een der Heeren
25
DE KAPÃEIN VAN DE LIJFGARDE.
Burgemeesteren, van daag acht dagen. Op dezen lap moet het wapen van Zijn Edel Groot Achtbare geborduurd worden voor een stoel â een pronkstuk dat de Vroedschap Zijn Edel Groot Achtbare vereeren wil. Weet dus wat je aanneemt. Over zes dagen moet ik het werk thuis hebben. Er kan twee dukaten voor betaald worden. Durf je \'t aan? Bij druk werk is een mensch het gezondst, want dan vergeet hij zijn zenuwen. Duif je \'t aan?quot;
»Neen, Juffer!quot; stamerde Geertruid, ⢠tot overgroote verbazing van Brechtjen, die dat van moeder niet gewoon was.
»Dan hebben we elkaar niets meer te zeggen ... Ik hoor in den »winckelquot;; dag, Vrouw Semeyns!quot;
»Dag, Juffer Schuurman! ÃEd. blijft me toch indachtig?quot; bad Geertruid op den drempel.
»Als er eens werk komt waar geen haast bij is.quot;
»Die denkt nog, dat ik er tegen op zie uit traagheid,quot; mompelde de geslagene, terwijl ze zich moest steunen op baar kind om staande te blijven.
Arm kind van nog geen zestien jaar!
. . : a . ;v
26
IV.
Neen, traagheid was \'t niet geweest, maar wel bewustzijn va» onmacht, toen Geertruid een arbeid afwees, die in zes dagen en. nachten baar twee dukaten bad kunnen opbrengen! Zij bad, thuis gekomen, zelve niet geweten boe haar dat mogelijk was geweest, en Brechtjen had er wel op gepast te laten merken, hoe moe baar arm was geworden waarop Moeder had gesteund.
Toen Ernst van school was gekomen bad bij wel vijf minuten moeten staan kloppen eer hij open was gedaan door Zus, die hem om den bals was gevallen en hem had medegedeeld, dat Moé naar bed was gegaan om haar hoofdpijn, en nu wat zou zien te slapen; waarom ze hem met een paar van baar liefste woordtjens bad om toch zacht te loopen .. . liefst op zijn kousen daar hij op zijn schoenen altijd zoo klotste ... \'t Zou wel gauw over wezen, had ze er bijgevoegd, toen ze hem zóo bang zag worden, dat bij niet alleen de schoenen uittrok maar \'t ook zijn kousen wou doen.
De hoop der beide kinderen op Moeders spoedige herstel werd niet vervuld, en veertien dagen later was beider onrust nog toegenomen.
Aandoenlijk tafreel! zoo oordeelde ook de lange magere man, die de steile trap naar de bovenste verdieping met moeite was opgeklommen en de deur, op het kleine portaal uitkomende, had geopend, \'t Was nog hel licht op de trap geweest, maar op den drempel van de kleine slaapkamer met de groote bedstede was het zóo donker, dat bij geen voet vooruit zou hebben durven zetten, indien bij denzelfden tocht niet reeds dagen achtereen bad gedaan.
\'t Is Barend Nagtegaal, de apotheker en de vriend der familie. Hij werd een d:ig of tien geleden heel laat in den avond â \'t was warempel al over tienen! â wakker geklopt en had meteen de akelig luide en scherpe stem geboord van zijn zuster Mietjen, die daar naast sliep en zeker weer niet in slaap had kunnen komen na al dat eten! Zij bad hem verboden op te staan, daar ze
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGA11DE.
in den vooravond nog van den moord had gehoord, die op \'t Kar-thuizerskerkhof drie weken geleden was begaan. Hij mocht zich niet aan gevaar blootstellen... hij was dat ook haar verplicht!
Maar hij had zeer goed geweten wat zijn plicht was en had niets om al dat geschreeuw en gekrijsch gegeven. Hij was naar beneden gegaan met zijn vaderlief op en in zijn slaaprok, waar zijn heupdoek om heen was gewonden: dat was hij niet Zuster Mietjen maar zich zeiven verplicht. Hij had toen aan de binnenzijde der deur heel manhaftig, dat wil zeggen: heel knorrig gevraagd, wie zoo laat in den nacht hem durfde storen. Eer hij nog goed had kunnen grommen, had hij de stem van den kwajen jongen al herkend, die zoo dikwijls tegen hem een langen neus \'had gemaakt, als de deugniet dacht niet gezien te worden door de »lange spuitquot;, zooals hij. God beter \'t! hém, een artsenijmenger, had durven betitelen. »Dekselsche straatslijper!quot; had hij geroepen, maar ditmaal te vroeg. Waarom niet de kalmte bewaard, die hem anders altijd eigen was en hem zoo goed stond? Want toen hij gehoord had hoe \'t er op de gracht uitzag bij de Juffer, was hij op zijn muilen meêgeslof\'t en had hij in aller ijl de huisdeur achter zich dicht getrokken, zonder er zelfs acht op te geven of ze wel in \'t slot sprong.
Mietjen, die alles wist wat er in Barend stak, had zich in haalbed opgericht, wel vermoedende wat er gebeuren zou. Dat zij iets niet wou, was voor Barend voldoende om dat iets juist te willen. Hij had niet alleen de deur geopend, maar was zelfs naar buiten gegaan, de nachtlucht in, zonder zijn warme dagkleêren aan, haar â alleen in het holle huis latende, terwijl de deur niet eens op het nachtslot was! Lieve Hemel! Er waren toch niet alleen stinkende medicijnen in huis, maar ook zilver, maar ook een kostelijke menschen-ziel, genaamd Mietjen, die wist dat ze meer was dan het kostelijkste en daarom .... met dicht geknepen oogen het gezicht in het mollige kussen begroef en de dekens er over heen haalde. Kwam er een dief en moordenaar, dan hoopte ze, door zich onzichtbaar te maken, nog het leven te behouden!
Och, haar lieve leven werd dien nacht niet belaagd, maar wel haar lieve rust; want in de gevaarlijkste ure â de Wester sloeg volle twaalf slagen â had zij een gestomp en een getrap tegen de voordeur gehoord, dat het heele holle huis er van gedaverd had. Lieve Heer! zij had haar veeren bed moeten verlaten, wat lang niet makkelijk viel, daar zij in den donker het trapjen niet had kunnen vinden en dus genoodzaakt was den sprong uit de bedsteé naar beneden te wagen! Zij was gelukkig op de bloote voeten terecht gekomen en toen naar beneden gehold, zoodat ze naar asem snakte, evenals haar garnalen het konden doen in haar ijzeren pot!
:28
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Daar hadden Broör en Zuster in de apotheek tegen over elkaar gestaan zoo als nimmer te voren. Beiden dachten voor het eerst, van hun leven eenstemmig; \'t gold: eikaars voorkomen. Beiden vonden te gelijk, dat ze nooit nog zóo iets gezien hadden, zelfs niet in het honden- en apen-spel op de Nieuwmarkt. Maar na dat korte oogenblik van eenstemmigheid was er weder verschil en klonk het uit den mond van Mietjen met zekere grimmigheid: »dat hij nu wel het flerecijn zou krijgen,quot; en toen, als andwoord op een vraag van den ander: »Wat blief? Naar de Juffer gaan, morgen vroeg ? Dat doe ik niet. \'t Zal er daar wel niet zoo Spaansch uitzien ^als je zeit,quot; waarop de ander, ongewoon bewogen, te kennen had gegeven, haar hier niet alles te kunnen vertellen, want dat ze op bloote voeten stond, waar kramp uit voort kon komen, die heel gevaarlijk was bij dikke menschen, vooral vrouwen. Maar naar was \'t daar ginder, héél raar ... en die twee kinderen hadden niets als mekaar!quot;
Met het aanlichten van den dag was Miefjen al haar huis uit,, met een hengselmand aan den arm. Barend zou zich zeiven nu in de eerste uren wel kunnen helpen, want in koken en stoven was een aptheker toch half een vrouw.
\'tWas erger, veel erger geweest dan Barend had gezegd.
Die Barend! Hij zag nooit goed! Hij overdreef altijd, in \'t ver-grooten als in \'t verkleinen. De Juffer was héél zwaar ziek; dat had ze Brechtjen, die voor het bed zat te schreien, maar zóo. zacht, alsof het kind haar eigen snikken niet hooren wou, dadelijk gezeid. »Zeker zelve ook geen oog dicht gedaan van nacht? Gauw dus onder de dekens, Brecht! Ik kan hier wel een poos blijven...quot; Zóo had ze haar toegesproken en zóo was ze blijven spreken, dagen achtereen, schikkend en ordenend, tucht oefenend over allen, ovei-den wilden jongen en de zieke niet het minst
Ze zorgde voor deze met een handigheid, welke Brechtjen een goed voorbeeld was, en toch zag het kind de goede buurvrouw niet gaarne aan het ziekbed. Of die goede buurvrouw ook gauw begreep waarom dat was! De zieke ijlde veel en haalde alles verward door elkaar, maar «een goed verstaander heeft maar een half woord noodig,quot; en zij was »een goed verstaanderquot;, beter nog dan de beste! Nu. had ze hooren kreunen en prevelen: »in Londen nog altijd!quot; dan weer blij roepen: »geef hier â geef hier dien brief... van hém misschien,quot; en dan weer klagen: »ik durf het werk niet aan, heusch niet\' ik ben zoo erg zwak... Maar twee dukaten, Brecht, hè, die kunnen we zoo goed gebruiken... !quot;â Mietje wist genoeg, \'t Spande er, danig, hoor! Precies zoo als ze altijd had gedacht!
Dadelijk had ze, na nog eens van Barends medicijnen te hebben ingegeven, Brechtjen in haar tijdelijk slaaphokjen op zolder-
2»
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
«en bezoek gaan brengen, en was ze, den hazenslaap van het geschokte kind door haar haastig optreden en haar zwaren gang storend, zonder omwegen maar dadelijk begonnen; »Waarom niet â¬er gezegd, dat je Moê het niet breed had en voor de lui moest werken? Hoeveel heb je nog in huis? Zóo, weet je dat niet? zóo, alles in de laatste weken maar op den kerfstok laten zetten! Dat kan ik me begrijpen. Kind, je bent ook nog maar een kind ... . quot;Gebrek zal je niet lijden, hoor, al laat je vader je ook in den steek!quot;
En toen â ze vergat het haar leven niet â had ze van dat â anders lieve kind een paar oogen gezien .. ..! neen maar, ze leken wel die van een kat! â en had ze moeten hooren van zoo\'n kleuter, die nog niet eens haar belijdenis had gedaan, welke zij al â dertig jaar achter den rug had, dat Vader beter wist wat goed voor allen was dan wie ook, en dat ze niet geloofde, dat zoo iets van een vader ooit gezeid werd\' tegen zijn kind .... en nog veel meer van die »viezevazerijenquot;, waar, gelukkig, de lomberd geen geld op gaf, niet eens een valsch oortjen.. .!
»Waar Moeder gewoon was haar geld te bewaren?quot; had zij vervolgens gevraagd, altijd bedaard gebleven en niets terugnemend van, maar ook niets toevoegend aan, haar vroegere woorden. Het kind had het niet geweten. Toen was ze wel wat haastig opgestaan, had ze uit haar geldtaschjen, dat zij altijd onder haar voorschoot borg, zelfs onder het bonte, dat ze alleen thuis droeg, een rijksdaalder, een gulden en een oud pietjen genomen en die muntstukken op de plaats, waar ze gezeten had, neergelegd. Fijn, niet waar? Ja, zij wist dat zij een heel fijn gevoel had, heel anders als Barend.
Brecbtjen had het geld bij het aankleeden gevonden. Ze had het er laten liggen, tot dat ze vier en twintig uur later zich zelve de bekentenis deed, dat Mietjen een goede ziel was en zij eigenlijk een snib, die het geld niet waard was, dat zij nu toch maar in een laadtjen zou gaan wegbergen. Het strenge oordeel over zich zelve geveld was nog strenger geworden, dat over Mietjen nog gunstiger, toen deze bleef volharden in haar krachtigen bijstand en haar bedrijvigheid in ziekekamer en huisvertrek, in keuken en kelder, hoewel Brechtjen het stille optreden van Meester Barend toch altijd nog hooger was bljjven stellen.
Meester Barend was dan ook even stil en bescheiden als hij lang en mager was. Om het smal gelaat, ontsierd door een langen tot op de bovenlip bijkans neerhangenden neus, fladderden de dunne grijze hairen aantrekkelijk, zoo dikwijls hij, wat nog al eens gebeurde, zonder zijn pruik, en het hoofd alleen gedekt door de katoenen muts, waarvan de goedige pluim halverwege naar beneden viel, bij de buren een vertrouwelijk bezoek bracht. In de
so
UE KAPTEIN VAN DE LIJFGABDE.
grijs blauwe oogen lag altijd een vriendelijk stralend lichtjen, zoo lang ten minste geen Amsterdamsche straatjongen op hem de vervaarlijk scherpe oogen richtte en hem de gewone, meestal grievende op- en aanmerkingen toesnauwde of, nog erger! met een lieven glimlach en een zoet stemmetjen beleefdelijk als een snuifjen »toebackquot; aanbood.
Zijn stem was, naarmate die zijner zuster scheller en schriller was geworden, in zachtheid toegenomen; toch kenmerkte die stem soms een eigenaardige vastheid en klem. Of \'t door Mietjens sedert jaren getoonde heerschzucht veroorzaakt werd of door \'s mans werkelijk aangeboren zin voor het hoogere, Barend bemoeide zich in \'t geheel niet met eenig huiselijk beheer, maar hield éen uur per dag het Leerboek der Artsenijmengkmnde, waarop hij zijn graad had verkregen, â het: »Nieuw licht der Apothekers, van de Hud,quot; in de hand en verdeelde de andere uren tusschen zijn ordinaire en extra-ordinaire bezoeken en zijn politieke gesprekken op de stoep onder den luifel van zijn buurman, die een steeds achteruitgaande kaarsenmakerij had.
Een »zeer delikaat en gecompliceerdquot; geval had hij de ziekte van de Juffer gevonden; een geval, zoo als hem nooit vroeger was voorgekomen; een geval, dat hem toescheen het midden te houden tusschen de gevolgen van gevatte koude en een verkeerde werking van het hart. Hij had in de laatste dagen herhaaldelijk dus, en meer dan de gewoonte was, zijn Leerboek ter hand genomen, maar was \'t met zich zeiven niet eens kunnen worden, welke middelen hij had toe te dienen. Niet dat ze ontbraken! Honderd waren er voor een, maar wélke te kiezen?
Hij had eindelijk besloten op de zenuwen te werken, maar heel voorzichtig, heel langzaam aan, want hij wilde een «crisisquot; vermijden, een van die geweldige schokken, waarbij hij een doctor medicinae zou hebben te roepen, wat niet zou dienen tot vergrooting van zijn naam, welke in de buurt nog ongerept en »ex-cellentquot; was. Maar welke recepten hij ook schreef en welke verfoeilijk riekende en smakende medicijnen hij ook toebereidde â Mietjen liep geregeld in de laatste dagen met dicht geknepen neus de aptheek door! â hij had de ziekte maar niet kunnen bezweren; hij had zich moeten bekennen, dat de krachten slonken, en het vleesch der patiënte als van het gebeente werd geknaagd; dat»het levenquot; gevaar liep, en eindelijk; dat »het levenquot; niet te behouden viel!
Hoe moest hij handelen, niet als genees- en heelkundige â dat wist hij heel goed! maar als mensch, wien het hart op de goede plaats zat? Hij had het zich dagen lang afgevraagd, maar nooit zoo ernstig als den middag, dat we hem naar boven zagen stommelen, den deftigen kastoren hoed met slap neerhangenden rand op het
31
WE KAPTEIN VAN DE UJFGAllDE.
hoofd, en den niet minder deftigen zwart laken jas, zóo lang en rechtvaardig uithangend dat bij wel een tabbert leek, aan hef lijf. Hij had veel opgemerkt, veel meer dan Mietjen had gedaan of ooit zou kunnen doen. Aan dat ziekbed school een geheim, dat-hij alleen had doorgrond. Nimmer was hem de goedheid des Heeren zoo zichtbaar gebleken als in het naderend einde van deze patiënte! Nimmer scheen hem de eere van vader te moeten worden van twee weezen meer nabij! Hoe zou hij \'t aanleggen om de kinderen te doen begrijpen, zonder te veel pijn te doen, dat ze de lieve moeder zouden verliezen ? Hij kon zich dat maar niet duidelijk maken. Dat was dan ook meer de taak van den Wijkdominee, die het best wist welke woorden het meest zalfden, en welke stem aan die-woorden de noodige kracht kon geven, om de radeloosheid te doen verkeeren in blijmoedige berusting, wat dan toch een Christen betaamde.
Hij was, over dat alles nadenkende, tot op den drempel van het zieke-kamertjen gekomen, en staarde het tafereel aan, waarop we straks doelden. De doeken, voor het eenige venster met de in lood gevatte glasruitjens gehangen, waren door het tochtjen, dat het snel openen der deur had aangebracht, zacht bewogen. Een der plooien was op zij gewaaid, zoodat zich een kleine opening had gevormd, waardoor een zonnestraaltjen naar binnen viel. Een lichtstreep reikte van het vensterken tot aan de hoofdtjens dei-beide kinderen, die, elkaar omarmd houdende, op een stoel voor de-bedstede hadden willen waken, maar daar waren ingedommeld, óververmoeid onder den last van de smart.
Een der chitsen bedgordijnen werd eerst weggetipt door een kleine magere hand; vervolgens kwam er een bleek ingevallen gelaat door de reet en werden door een paar witte lippen eenige woorden gefluisterd: â ja, hij had \'t duidelijk gehoord â »ik moet blijven ... ik wil blijven ... om hén ...!quot; Daarop had hij een beweging en een geluid gehoord als van een neervallend hoofd in een geplet kussen. O, zoo het zijn kunst nog eens mocht gelukken, die moeder voor haar kinderen te behouden!
Daar roerde zich de eene, de oudste dier twee!
Met een schrik werd die wakker. Ze zag den lieven ouden man in het kamertjen staan, naar \'t baar toescheen met een bestraf-fenden blik in het oog. »Dat ik heb kunnen slapen!quot; fluisterde zij, beschaamd zich de oogen wrijvende, die er nog rooder door werden. Hij wenkte haar tot zich. Zich uit de stevige armen van broertjen behoedzaam losmakend, om hem niet te wekten, stond ze weldra op het portaal, waar ze hem naar beneden volgde.
»Dat ik in slaap kón vallen, meester! Erg, niet waar?quot;
iLieve meid, gun je maar wat slaap I \'t Gaat met moeder hard achteruit!quot; Hij hield bij die woorden het gelaat van haar afge-
32
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGABDE.
wend, maar voelde nu de ingehouden droefheid van het kind; een zacht nokken deed haar hand in de zijne trillen. »Maar hopeloos is \'t geval waarlijk niet.... Tóch moet uw vader van den toestand weten ...
»Hij weet het â ik heb hem geschreven.quot;
»Zoo? Wanneer?quot;
»Den eersten dag van moeders ziekte.quot;
»I)us al drie weken geleden. En nóg geen bericht!quot;
»Maar dat zal komen .... ik weet het zeker!quot; riep Brechijen levendig.
»Waar houdt hij zich op?quot;
»Dat weet ik niet recht.quot;
»Maar, kind...! Je Moe zal toch vroeger wel brieven ontvangen hebben! Waar liggen die bewaard?quot;
»Vaders laatste brief, waaruit Moé ons voorlas, was uit een stad, waarvan ik den naam onthouden heb . ..quot;
»Maar daar zal hij niet meer wezen . .
» Dan ergens anders in Engeland . ..quot;
»Maar dat is zoo groot.quot;
»Toch is mijn brief besteld en is het andwoord op weg. Ik weet het zeker . ..quot;
«Hoe dan?quot;
»Ik heb er van nacht van gedroomd. Ik wou voor moeders bed den brief opwachten, en toen ben ik in slaap gevalien . ..quot;
»Een licht slaapmiddeltjen zou haar goed doen,quot; dacht Barend.
Hij overlegde even wat hij bij den papaverkop zou voegen om te gelijker tijd ook hier op de zenuwen te werken.
»Daar komt iemand de stoep op. Hoort u, meester?quot;
»Kom, je moet in bed wat gaan slapen... Ik zal mijn zuster zeggen, dat ze niet mag komen; dan komt ze.quot;
Werkelijk, daar meldde beneden zich iemant aan; \'t was \'s Lands post. Hij bracht een duren brief, die nochtans door Brechtjen met gejubel werd ontvangen. »Laat maar. Meester!quot; riep ze\'Barend, die naar zijn geldzakjen tastte, vroolijk toe, »ik betaal de twee schellingen. Uw zuster zorgde er voor dat ik dat kan!quot;
»Zóo, deed Mietjen dat!quot;
Hij prevelde er zoo wat van, dat haar hart beter was dan het vet, dat er om heen was gegroeid. »Waar ga je heen?quot; vroeg hij verwonderd. »Toch niet naar boven, naar de ziekekamer? Daar moet rust wezen â daar moet de slaap komen, anders is \'t binnen vier en twintig uur gedaan Iquot;
33
Hij mocht roepen, vermanen, verbieden, het kind was met den brief naar boven gehold en was bezig dien voor te lezen, toen hij hijgend het bovenportaal had bereikt. «Allerliefst kind!quot; las Brechtjen met een hoog rooden blos op de benepen wangen, met
3
KAPT. VAN DE LIJFGARDE. â II.
DE KAPT EI N VAN DE LIJFGARDE.
luide stem, vlak voor de chitsen bedgordijnen. »Dagen lang heeft uw brief\' rondgezworven eer hij mij in handen kwam. Zoodra ik verlof kan krijgen, kom ik over. Houd mij op de hoogte van moeders ziekte! Schrijf mij spoedig aan het adres, dat ik moeder in een mijner laatste missives opgaf: Mr. Stevens... Fleetstreet... London. Ik ben in grooten angst. Goed, dat moeder lieve buren heeft leeren kennen! Dank hen uit mijn naam en vraag of ze u willen blijven helpen; Ernst kan nog zoo weinig. Gij kunt toch alles niet alleen at. Zeg moeder toch, dat ik gauw kom...l heel gauw . ..! zoodra ik hier gemist kan worden I Wat zou ik gaarne bij u willen zitten en moeder, die het beste meriteert, helpen oppassen. Hartelijk, hartelijk gekust van uw liefh. vader.quot;
Een kreet, een snik klonk uit de donkere bedstede. Een witte magere hand werd naar buiten gestoken, vatte den brief aan en bracht dien aan de lippen. Na die krachtsinspanning viel de patiënt, die zich halverwege had opgericht, weder uitgeput achterover. Dikke tranen vielen langs haar uitgeteerde wangen en koelden de brandend heete ooghoeken af; zoo lang zij daar had gelegen, had zij geen enkelen traan gestort. ..
Er was ontspanning gekomen; er kwam weldra neiging tot rusten, tot dommelen, tot slapen. De Meester schreef het toe aan het medikament, den vorigen dag aan het vroegere recept toege-â voegd en waardoor hij op de slijmvliezen had willen werken, wat .nu bleek gelukt te zijn.
Brechtjen en Ernst waren innig overtuigd, dat Vaders brief een mirakel had gedaan.
Die goede lieve vader, dat hij zelfs op zoo\'n afstand nog zóóveel voor hen kon doen!
Moeder was ingeslapen. In den beginne hadden de lippen zich nog zenuwachtig bewogen; maar weldra geen enkele trekking meer! De0 ademhaling werd rustiger en rustiger. De Meester had stilte aanbevolen, de grootst mogelijke stilte; niets mocht den slaap, die zoo gewenscht was, storen: alleen maar moest om het uur een lepef vol van het drankjen worden ingegeven; dat vooral mocht niet achterwege blijven, want de geruste slaap was uit dat drankjen
voortgekomen ....
De kinderen geloofden dat vast nu Meester het zoo ernstig verzekerde en namen zich dus voor met iederen heel-uurslag van \'t Stadhuis, moeder het voorgeschreven quantum toe te dienen. Maar zij hoorden den gantschen dag geen klok slaan. Ze waren weder in eikaars armen ingeslapen op denzelfden stoel vóór de bedstee.
Stil was \'t dus wel in het geheele huis, juist zoo als Meester Nagtegaal het had voorgeschreven.
cquot; A
- N c quot;S \' 1. j
O
\'Si
Twee maanden waren nü in hoop en dan weder in vrees doorgebracht. Brechtjen, steeds trouwer bijgestaan door Mietjen, die het geheele huishouden voor haar rekening had genomen, kon zich geheel aan Moeder wijden en aan de briefwisseling met Vader. Zij had hem goed op de hoogte van alles gehouden. Haar eerste bericht, na de ontvangst van het juiste adres, had vrij gunstig geluid. Moeder had kunnen slapen en was minder raoö wakker geworden ; maar haar latere waren wel eens minder bevredigend geweest en maakten gewag van groote zwakte.
Weldra kon er weder een betere tijding afgezonden worden. Meester Nagtegaal had het drankjen veranderd om op de maag te â¢werken, wat dadelijk geholpen had, daar Moê wat broodsoep had .gegeten. De waarheid was, dat Vaders brief, dien ze nu te beand-woorden had, een zeer hartelijken innigen groet voor Moê had ingehouden met de mededeeling, dat hij zou overkomen om allen naar Engeland over te voeren, zoodra hij maar hooren mocht dat Moeder de noodige kracht had voor de zeereis, die in het najaar achter nog al vermoeiend was. Hij zou nu maar verlof kunnen krijgen voor drie of vier dagen. .. . maar die wilde hij besteden, -om hen allen mede te nemen en bij zich te houden zoo lang hij kon.
»Bewaar die brieven toch goed, Brechtjen!quot; had Moê eens ge-zeid. »Leg ze bij de andere!quot; En toen Brechtjen vroeg, waar Moê de andere bewaarde, had zij een trek van tevredenheid op het gelaat der langzaam herstellende bespeurd, geen rechtstreeksch andwoord gekregen, maar alleen het verzoek, om al de ontvangen en nog te ontvangen brieven maar op de beddeplank te leggen. Moeders oogen waren er heel dikwijls op gevestigd en dan bewogen zich de lippen snel en hadden de oogen zulk een vreemde uit-
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE.
drukking. Breelitjen was verre van het vermoeden, dat Moeder zich dan afmatte en aftobde, om een andwoord te vinden op de geheim gehouden vraag: »Waarom nu niet aan mij geschreven? Hij weet immers, dat ik nu nog wel niet schrijven maar toch wel lezen kan?quot;
Moeder was in de laatste dagen dan al heel goed vooruitgegaan f Brechijen had weder een brief verzonden, en deze gewaagde reeds van een halven dag opzittens, maar droeg dan ook de datum van 14 Oktober. Wat had de tijd van half Augustus af lang geduurd f »\'t Was wel,quot; zoo schreef ze, »of ze er haar heelen groei in had kunnen doen.quot; Dat was misschien maar hoovaardige inbeelding, maar dat ze in dien langen langen tijd bijna breien en naaien verleerd had, dat was een nederige en geheel ware bekentenis. Maar Moê, schoon ze nog niet zonder te beven de pen kon houden, zat nu reeds halve dagen te lezen, meest in den Bijbel, maar toch dikwijls ook in de preeken van hun Wijkdominee, »die deze zoo\' lief was te sturen.quot;
Hoe üjn trachtte Brechtjen te beduiden, dat Vader nu niet meer aan haar alleen moest schrijven, \'t Scheen toch wel, dat Moeder iets van wat er in haar binnenste omging, had doen gissen. Brechtjens zinspeling bleek voor Vader onduidelijk te zijn geweest, want deze schreef weder aan haar en weidde daarbij uit over de vreeselijke stormen, welke nacht en dag door Londen en aan de kusten woedden en vele schepen in het Kanaal hadden doen vergaan. »\'t Zal een obstacle zijn voor de reis in de eerste weken, maar ik kan \'t niet langer uithouden. ... ik moet komen.quot;
Moeder, die \'s morgens dien brief op haar bed las, sprak er va» nu eens vroeg te willen opstaan en »zich aan te kleeden,quot; zelfs haar beste kleed, haar groen zijden met purperen weerschijn, waarin ze getrouwd was, aan te passen. »Hij zal me wel wat wijd zijn geworden, kind!quot; zei ze met een glimlachjen dat langs dien vermagerden neus en die verbleekte lippen zoo weemoedig heen-gleed.
»Ik geloof dat het niet zoo heel erg zal wezen .... maar wel, dat \'tu te veel vermoeien zal; en u zal toch wel gauw weer uiï willen gaan!quot; luidde Brechtjens andwoord.
Hoe behendig had het kind weten uit te stellen wat niet anders als een ontmoediging en een grievende teleurstelling te weeg zou hebben gebracht. Zij werd door Moeder beter dan door Vader begrepen; want het trouwkleed weid niet te voorschijn gehaald. De kleedij door haar gewoonlijk gedragen werd echter aangetrokken, de verwarde haren geordend, waarbij Brechtjen mocht helpen, het kapspiegeltjen, dat Karei haar eens uit het veld had mee gebracht waar hij \'t in de tent van een Pransch officier had buit gemaakt, vóór haar geplaatst en met nauwkeurigheid geraadpleegd. Brechtjen,
36
DE KAPT KIN VAN DE LIJFGARDE.
was angstig bij het laatste en wilde het onderzoek bekorten. Daarom begon ze te vertellen van de tucht door Mietjen uitgeoefend.
»Die goede vrouw! Hoe veel zijn wij haar geobligeerd!\'\' zei Moeder even van haar spiegeltjen opziende.
»Geen kist of ze is van haar plaats geweest ...quot;
»Och, kind! dat overdrijf je zeker...quot;
»Ook onze pronkkamer en het portret van grootvader ...quot;
«Wat? Heeft ze...?quot;
»Alles werd te onderst boven gehaald...quot;
»Neen maar...! Liet je dat toe?quot;
»Maar ze zorgde extra best voor het brood in de spinde ...quot;
»Cloed, dat je me dat herinnert...! Waar waren mijn gedachten! Hoe heb je \'t toch gemaakt...?quot;
»Berst geborgd, maar toen Mietjen er zich mee bemoeide, niet meer.quot;
»Ik moet afrekenen met haar. .. vandaag nog!quot;
Daar was gelegenheid toe. Mietje kwam weder aanwippen. Terugkomend van de hal of van de groenmarkt had ze dat dikwijls gedaan, maar dan altijd in haar morgen- of huis-japon. Nu leek ze wel op zijn Zondagsch uitgedoscht. In plaats van haar groven strooien hoed had ze een kleurige huik opgezet; in plaats van het bont of wit katoenen voorschoot, droeg ze een zwart zijden. Ook was de hengselmand of het emmertjen thuis gebleven. Mietjen zag er nu heusch »pronke-pmtigquot; uit, al kon men juist niet getuigen, dat ze door een ringetje was te halen. Hoewel de herfst reeds zijn intreê bad gedaan en een gure wind plassen van kil water uit de grauwe wolken voort en naar beneden joeg, stond ze voor Geertruid zich het zweet ven het gelaat te wisschen, wat deze, die rilde van de kou, niet weinig verbaasde.
»6a nu eens naast me zitten, goede gedienstige buurvrouw!quot; zei Geertruid, die aan al dat vegen en dat blazen en steenen een eind wilde maken.
»Ik heb geen tijd... waarachtig niet! Ik kom hier alleen, om u te feliciteeren met uw herstel. Dat heeft Barend nu eens netjes opgeknapt, hé? Brief hem om Gods wil niet over, dat ik u dat heb gezegd, want dan berst hij nog van eigengerechtigheid. Daar had je \'t van ochtend weer. «Barend,quot; zei ik, »hoe denk je er nü over?quot; Je moet weten dat hij de Juffer al verleden week soep had willen sturen . ..quot;
»Hoe goed zijn Broér en Zuster toch voor ons allen geweest en daarom ....quot;
»Bedank me niet! Ik wist immers dat u \'t niet had en wij wel. Ik heb niet eens mijn beide rokken gegeven zoo als de Heer het wil, maar slechts een van het half dozijn. Waar zouden ik en
37
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Barend \'t ook aan verdoen ? En daarom is \'t ons een plezier, de lui, die we mogen lijden, \'t eens volop goed te geven. En dat bracht mij op \'t denkbeeld, u en de beide kinderen van daag tot het noenmaal te noodigen. Zeg nu niet neen, want dan zou u me boos maken en Barend gelijk geven, wat hij nooit heeft gekregen en ook niet moet hebben, wil hij in den huiselijken band blijven.quot;
»Och, mijn beste Mietjen, ik deug nog niet in gezelschap â daarbij is \'t weer zoo guur ...quot;
jgt;\'t Zal nog wel guurder worden; dus daarop is niet te wachten ... en Barend zeit ook, dat het met de krachten best zal gaan en dat een stevige, goed klaar gemaakte pot. ...quot;
»Dus ben je \'tnu eens met hem eens,quot; schertste Geertruid.
»Hij is er niet bij, en hij zal \'t nooit hooren ... Ik heb de sleê-al voor ÃEd. besteld. Om twaalf uur precies komt ze voor. ..
»Maar, Mietje, zoo\'n kippeneindtjen! Daarvoor een rijtuig te-nemen . .. ! Ik weet wel, dat het mij niets zal kosten en dat buurvrouw er niet krom voor zal hoeven te liggen,quot; haastte Geertruid er bij te voegen, daar zij die opmerking reeds op Miet-jens lippen zag liggen, »maar bij alles wat je al voor ons gedaan hebt...! Nu ik daarop kom! Wees zoo goed mij op te geven wat je voor me betaalde, wil je? Twee maanden toelage is op \'t Stadhuis te ontvangen en de derde maand is al ingetreden, maar daarvoor heb ik nog niet het mandaat van betaling. Och, ik zou zoo graag willen, dat de aptheker de twee oudste liet ontvangen en om het laatste mandaat liet vragen en dan van het montant het voorgeschotene afhield ...!quot;
Mietjen was al lang opgestaan, had met de voeten getrappeld, met de oogen een paar pluizen op de tafel gezien en ze met de vingers gevangen; zij had de lippen herhaaldelijk geopend, om ook eens een woordtjen in \'t midden te brengen, en zag nu de kans. daarvoor gunstig.
»Wat een Stadhuiswoorden! Goed, goed, ik zal \'t hem vragen ... Waarlijk, langer kan ik niet blijven, wil ik met mijn eten klaar komen ... Ik sta er op, dat u een paar pond zwaarder terug komt dan u heen is gegaan.... Heb ik die papiertjens te geven ?quot;
jgt;Tusschen elf en twaalf aan de stads-thesaurie____éen keer in
de week en \'t is nu de dag ..
»Bestig____Ik laat Barend er zelf naar toe gaan . .. Dan ben
ik hem van ochtend meteen van den vloer kwijt.quot;
De klok van den Westertoren was nog niet koud van den twaalfden slag, of de sleeper had zich reeds aangemeld. Brechtjen had om half twaalf al voor het school van Ernst gewandeld en hem, na een kwartier wachtens, opgevangen en vervolgens meê naar huis genomen. Zij had alle tegenspartelen van zijn kant denken te voorkomen door hem meê te dealen wat festijn hem wachtte.
38
I)i: KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
maar de jongen, die altijd anders handelde als zij verwachtte, bad zijn tong uitgestolien, evenwel een oogenblik later met zekere deftigheid erkend, dat dikke Mie toch wel lekker koken kon. Zij had Moeder, nog vóór ze hem was gaan halen, kunnen helpen klaar maken, zoodat die nog wat rusten kon voor zij haar eersten uitgang deed. Die eerste uitgang had eigenlijk naar de Kerk behooren te geschieden, maar â de zeden werden losser, wat »op stoelquot; reeds meermalen werd bejammerd! â hij werd bij velen uit de gezeten burgerij zeer dikwijls naar slemppartijen en, nog erger! naar den Stads-schouw-hurg gedaan.
x.\'k Hoop maar niet dat de menschen me zien. \'k Had niet moeten toegeven. Ik behoor niet by de vroolijkheid. Ik behoor â ja bij wien .. . ?quot; zoo bad Moeder zitten te peinzen; en haar gedachten zwierven ver weg, de zee over ... en ze sloeg de handen voor het gezicht, liet ze weer zinken en vouwde ze ten gebede. »Moed!quot; klonk het: »moed! Ik mag me niet weer laten over-heerschen â ik moet slerk wezen voor mijn kinderen .... Het zwaarste is ook geleden .... De pijn is het snerpendst als zij voor \'t eerst wordt gevoeld!\'\'
Barend was den heelen ochtend niet van den huiselrjken vloer geweest, zeker omdat Mietjen \'t zoo graag had gehad. Hij had de papiertjens aangenomen, gehooid, dat ze vóór twaalven, en anders de geheele week niet, konden verzilverd worden, vervolgens den bediende geroepen en dezen naar het Stadhuis gestuurd met verlof daarna te gaan eten en het geld meê te brengen als hij weer op het werk kwam. Zijn thuis-blijven had zijn bezige zuster nog onrustiger gemaakt dan ze reeds was. Een Juffer van Perseyn te eten te hebben was een groote eer; \'t zou haar in de buurt niet weinig in de hoogte steken; maar \'t had zijn bezwaren toch ook.
I Alles, alles moest in de puntjens zijn .... En Barend zat in de binnenkamer, die toegang gaf tot de keuken, haar verschrikkelijk in den weg! Hij zat in zijn huisjas opzijn gewone plaats, met een koperen stoof onder de voeten. Hij had koü gevat, naar hij zei »van nacht bij het zetten van zijn laatste lavementquot; â zoo\'n man noemde toch maar alles bij zijn naam! â en daarom zou hij vandaag maar binnen blijven en de laatst uitgekomen pamfletten, hein daareven door den boekverkooper van het Singel gestuurd, eens op zijn gemak lezen. Alles, alles moest in de puntjens zijn .... En Barend zat in de binnenkamer, die toegang gaf tot de keuken, haar verschrikkelijk in den weg! Hij zat in zijn huisjas opzijn gewone plaats, met een koperen stoof onder de voeten. Hij had koü gevat, naar hij zei »van nacht bij het zetten van zijn laatste lavementquot; â zoo\'n man noemde toch maar alles bij zijn naam! â en daarom zou hij vandaag maar binnen blijven en de laatst uitgekomen pamfletten, hein daareven door den boekverkooper van het Singel gestuurd, eens op zijn gemak lezen.
Zij zorgde er voor dat de »aterlingquot; het niet op zijn gemak deed. Telkens moest ze hem voorbij of reikte ze voor hem heen, tot hij opstond, stoel en stoof verschool\' en een eind verder ging zitten.
»Dat je me niet helpt is tot daar-en-toe, maar datje me expres in den weg gaat zitten is slecht. Je denkt dat alles maar altoos hier naar je pijpen moet dansen . . . .quot;
gt;Hè?n vroeg Barend met een wreveligen trek op het gelaat
39
DE KAVTEIN VAN DE LIJFGARDE.
uit ïijn boeksken opkijkend. »Heb ik je niet gezeid, dat je er nog wat meé wachten zoudt, de juffer te vragen?quot;
»Alsof ik niet wwt, dat je een spelletjen met me speelt en je aanstelt of je er tegen bent juist als \'t anders om is.quot;
»Daar vel je nu je eigen vonnis .... Nu erken je zelve, altijd dwars te wezen en me te dwingen .. ..quot;
»Je valt door de ben. Ik weet genoeg! Ik zou nu maar zwijgen ; ieder woord maakt het erger en onze gast hoeft juist niet, als ze hier komt, je in je wars gedaante te zien.quot;
Barend, die in de laatste tien jaren in ruime mate ondervonden had, dat Mietjens logika gelijk nul was, maar toch de zijne altoos tot zwijgen bracht, vond het beter niet verder te gaan en liever wanne voeten te houden dan een gloeiend hoofd te krijgen. Hij schoof nogmaals met stoel en stoof verder, en liet het tafellaken, dat Mietjen, oogenschijnljjk bij ongeluk, uit haar handen in zijn schoot liet vallen, daar kalm liggen.
»Daar had ik \'tweér!quot; zuchtte Mietjen.
» Wat?quot;
»Die steek in de borst. Barend!quot;
Hij sprong op. »Wanneer heb je je laatste druppels genomen? Je eet te veel, Mietjen, heilig, te veel! En dan maak je \'t je ook te druk!quot;
»Half slag! Dat \'s half twaalf! Nog niet gedekt en ik moet naar mijn pot zien! Waarom altoos tegen een nieuwe vaste diensbö je zoo aangekant? \'t Kan er toch af, heb je me gezeid .. . .quot;
»Maar, menscb, met een vaste dienstbó heb je geen minuut rust ....!quot;
»O, dus is \'t m ij n schuld dat de laatste heenging .. . ? Had i k mijn vinger in je ropsenbusiequot; â konserf van vlier â «gestoken? Had ik .... ?quot;
»Neen, dat had ik gedaan en nog veel meer en toen is Trijntjen tégen jou opgevlogen .. . .quot;
»Daar is met geen man ter waereld ooit te praten .... Lieve Grootje!quot; riep ze ontsteld, het onheilspellend snerkelen uit de keuken vernemend en ijlings wegsnellend.
Daar stond Barend met het tafellaken en met zijn vrees voor Mietjens steek in de borst. Die broeder en zuster! Water en-vuur leken ze wel, en toch hadden ze elkaar lief als tweelingen! Altijd krakeelden ze, maar in die heftige »coinbusties,quot; zoo als hij \'t noemde, die graag zijn aasjen latijn te luchten hing â wat te nacht en te ontgde gebeurde, zoo als z ij vaak vinnig opmerkte â voedden zij elkander op ! Wat zou beider leven wezen, als de wrijfpaal er eens niet was, tegen welken de kille kalmte des eenen warm werd geschuurd en de heerschzucbt der andere van tijd tot tijd pijnlijk aan bonsde! .......
40
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGA11DE.
Barend had de tafel gedekt, de tinnen borden uit de kast gekregen, waar het dagelijkscli huishoudgoed in geborgen werd. Naast de bordtjens lag hij de dwaal, op deze den tinnen lepel en het kleine stalen vorkjen met twee scherpe punten. Wat nieuwigheid weer! Waarom niet de oude gewoonte behouden? Een lepel was nuttig; maar een vork om \'t eten te pikken van je eigen bord â en \'t naar je eigen mond te brengen . ... ? Gelukkig dat Mietjen er nooit zoo precies op toezag, daar ze er zelve niet goed meê te recht kon. Nu Juffer Semeyns kwam, moest echter de mode achterna worden gehinkeld. Moest er mostert in het potjen, peper en zout in de papieren zakjens worden gedaan en deze op tafel gelegd? Zou er ook olie en azijn gekregen moeten worden? Hij vroeg het Mietjen door een reet van de deur, die hij dadelijk weer sloot, om de wolken rooks te keeren, die de geheele keuken vervulden en Mietjen omgolfden, terwijl het vuur, op het stooktafel-tjen rood en geel opvlammend, ze grijsgrauw kleurde.
tgt;Ik weet niet wat je zegt! Houd de deur dicht, anders slaat mijn koek om door den tocht!quot;
»Dus koek krijgen we ook van middag,quot; mompelde Barend tevreden. »Nu, de deur zal ik dicht houden, daar kan ze op aan. \'t Lijkt ginder wel een hel, en zij, die er midden in staat, kucht niet eens! Dan is haar streek maar een leugentje om bestwil.... om mij de tafel te doen dekken. Maar \'t blijft toch een leugen... Dus oneerlijk is ze ook. Dat spijt me!quot;
Daar sloeg het twaalf. Barend ging in de apotheek het tafeltjen â¬n de stoelen schikken, waarop een flesch. »ypocrasquot; van eigen maaksel kwam te staan met eenige kleine glaasjens en een klein schoteltje met »marsepainquot;, volgens zijn beste recept klaar gemaakt in de aptheek, waarvan \'t in die dagen een der, smakelijkste ingrediënten was. Hij plaatste zich voor het glas der buitendeur en zag langs »den gaperquot;, die onder de luifel hing, naar boven.
De donkere wolken joegen elkander in ijlenden spoed voort! De kaarsen moesten maar dadelijk opgestoken. In den winkel ging \'t nog, maar in de binnenkamer, welke het daglicht uit de aptheek moest hebben, zou \'t spoedig een egyptische duisternis zijn. Daar had Miê evenwel voor te zorgen. Daar zou hij nu eens zich niet meê bemoeien.
Er hield een slede stil. Over de onderdeur van den kaarsentrekker werd de vaderlief van buurman gestoken en gluurden twee nieuwsgierige oogen naar buiten.
Barend was op straat gewipt en hielp Geertruid en de kinderen uitstappen. »Wat ziet mijn patiënte er goed uit! Binnen, gauw de aptheek in! ... Al is \'t ook een binnenwind, toch kan hij een catarrha brengen. Alles staat klaar.... Dorus, om drie uur hier terug!quot;
41
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Het laatste bevel gold den sleeper.
Ernst zag nu voor \'t eerst met een spottenden lach den opge-vulden kaaiman aan, die aan een touw van de zoldering der ap-theek afhing en hem vroeger, als hij alleen voor de toonbank stond, groote vrees had aangejaagd.
»Een glaasjen ypocras?quot;
Moeder en Brechtjen bedankten; Ernst schoof een glaasjen bij zonder er toe genoodigd te zijn, maar zijn »astranterigheidquot; baatte hem niets.... Een jongen, die nog geen veertien was, mocht geen ypocras hebben! Een kaneeltjen straks misschien! Een stuk marsepain nu al!
»Als de vrinden nu maar komen en \'t zich willen laten smaken!quot; schetterde \'t uit de binnenkamer.
De gasten, voorafgegaan door den gastheer, deden hun intrede in de volgens Ernst lekker riekende eetkamer, waar men evenwel »geen hand voor de oogenquot; kon zien.
42
VI.
Maar Mietjen had gauw twee smeerkaarsen op hooge kopereni kandelaars opgestoken. Geertruid kon dus haar eereplaats vinden», aan de vierkante tafel vlak onder de papieren kroon, voor dezegelegenheid expresselijk uit de pronkkamer gehaald.
Wat er op tafel dampte kon Ernst nog niet onderscheiden. Hij had er den tijd niet toe; hij moest de oogen sluiten en de handen vouwen bij Barends gebed, voor dezen keer ietwat bekort,, maar als altijd met zalving uitgesproken. Hij hoorde nog zeggen: «Almachtige, barmhartige Vader, dewijl gij ons het brood des levens, Jezus Christus, van den hemel gezonden hebt. .. .quot; hier dwaalde hij met zijn gedachten af en naar den grooten dampenden schotel van Delfsch aardewerk toe, op welks buitenzij hij een deel van den «verloren zoonquot; zag, die bij de varkenstrog op zijn buik lag te smullen ... Door de stemverheffing van den biddende weder tot aandacht terug gebracht, vernam hij nu als slotwoorden; Geeft dat wij deze spijze en drank niet tot verdoemenis of bezwaring onzes oordeels mogen gebruiken, Amen!quot;
»Amen!quot; zeiden allen.
»Bene proficiat!quot; wenschte Barend in zijn latijn Geertruid toe, waarna hij de huismuts weer opzette.
»Brecht, \'t duurde lang, hé!quot; fluisterde Ernst. »\'t Onze is korter . . ..quot;
Een duw van Brecht deed hem zwijgen en rond zien, eerst naar de zoldering met de dikke balken, tusschen welke in een hoek ter zijde van den schoorsteen stukken gerookt vleesch en een halve zij spek hing; toen naar de blauw-witte muren en het tresoorken of spijskastjen, op welks blad nu tal van glazen en kannen stonden met toespijzen en schaaltjens suikergoed, en ten laatste -â- in allerijl, want zijn bord moest hij bijhouden â naar den vloer
l)E KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
waar hij, voor zoover bet bescheiden licht \'t hem toe liet, versch â wit zand zag gestrooid.
»,t Eten is hier rijker, Brecht, maar \'t andere bij ons beter!quot;
Gelukkig, dat die twee alleen aan \'t beneden-eind zaten en er een druk gesprek was ontstaan tusschen Moeder en den gastheer, terwijl Mietjen, die anders de ooren van een das had, geheel verdiept was in haar plichten van gastvrouw en de borden over-hoopte met het eerste gerecht, bestaande uit witte boonen met pruimen, waarbij zij een stuksken gember op een klein glazen schaaltjen presenteerde, met de verzekering dat »het echte Chi-neeschequot; was.
»Een preparatie maar van de maag, lieve Juffer!quot; zeide Mietjen, Geertruids protest tegen de op het bord opgehoopte quantiteit daardoor afwijzend. »U is bij een apotheker te gast, die weet wat m past..
»Ja, maar.....!quot; Barend wilde even in \'t midden brengen, dat hij bij de samenstelling van het maal niet was geraadpleegd en zeker een andere maagpreparatie zou hebben verordend, indien hij.. .! »Beter ware \'t maar geen slapende honden wakker te makenquot; of â »geen oude koeien uit de sloot te balenquot; en het interessante gesprek met de Juffer, die over het politieke wist meö te praten, te vervolgen. »Zoo als ik straks met een enkel woord reeds aanduidde: \'t is oorlog tusschen onze stad en Zijn Hoogheid dn Engeland, \'t Is ook geen manier van doen ... \'t Is begonnen niet de nominatie van nieuwe Schepenen, waarvoor een dubbeltal, zooals gewoonlijk, door heeren Burgemeesteren was opgemaakt, dat aan den Stadhouder of, bij afwezen van dien, aan de Leden van den Hove van Holland behoort toegezonden te worden, en daar Zijn Hoogheid in Engeland is, handelden onze Burgemeesteren geheel naar herkomst en gebruik door de nominatie te expediëeren naar den Hove ...
»Mietjen lief, schenk den kinderen geen kaneelwijn â liever een glas bier!quot; zei Geertruid midden in de toespraak van Barend. Zij had met schrik reeds den berg op het bord der kinderen bespeurd en zag met nog grooter schrik de kan met het edele vocht verschijnen en daarbij een grooten kroes naast ieders bord plaatsen.
»Maar \'t kaneeltjen smaakt er zoo goed bij ... \'t Zal hun geen kwaad doen .. . Als UEd. \'t alevel niet hebben wil. .. dan maar bier; toch niet ons huisbier, maar Delfsch, dat ik in den kelder heb; \'t gewone is voor een gewoon maal.quot;
»En dat is \'t onze niet, dat zie ik heel goed! Wat kostelijk alles!quot; merkte Geertruid aan, wie eenige lof thands wel niet te onpas voorkwam.
»Dring \'t toch de Juffer niet op!quot; zei Barend eenigzins gemelijk.
44
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
\'t Was hem maar zelden in zijn rethoriikers-kamer gebeurd» dat er niet naar zijne toespraak geluisterd werd, en hier had dat plaats door de schuld zijner zuster. Ook zag hij, dat de gast den berg van witte boonen op haar bord niet op kon en dat ze met schrik dien telkens door nieuwen aanvoer verhoogen zag.
»Ik moet de gast toch vriendelijk tot eten dringen als jij haar daarvan afhoudt,quot; hernam Mietjen. »De juffrouw luisterde alleen uit hoofschheid, Barend!quot;
»Toch niet! Ik hoor meester graag vertellen van die affaires. En dus ... deden de Heeren van den Hove de benoeming .. .. ?
«Contrarie van dien, Juffer! Zijn Hoogheid of liever Zijn Majesteit â zoo heet hij nu door het toedoen onzer Hoogmogenden -â gelastte, dat hem de nominatie naar Londen zou worden gezonden .. . Hij en geen ander zou de benoeming doen ... Maar \'t is tegen alle recht in! Een mijl op zeven! Over Londen moeten Amsterdamsche schepenen hun benoeming krijgen. En \'t gaat aan beide kanten zoo scherp toe, heb ik aan \'t Stadhuis van zeer vertrouwde zijde gehoord!quot;
Mietjen had in de laatste oogenblikken geen stoornis te weeg kunnen brengen; ze had er misschien wel lust, maar geen tijd toe gehad. De maagpreparatie was ten einde; een der hoofdgerechten zou nu worden opgedragen. Daarvoor had ze de hulp ingeroepen, of liever opontboden, van de beide kinderen, die zich repten om haar naur de »coockequot; te volgen en herhaaldelijk weer verschenen en verdwenen om den schotel visch, die de Juffer, al zat ze nog zoo aandachtig naar Barend te luisteren, zeker reeds geroken zou hebben en dus ook begeerd, op te brengen met al wat daarbij behoorde.
\'t Was gekookte snoek, waarbij blanke knollen als toespijs werden gebruikt en als drank eigenlijk water met melk behoorde. Mietjen was evenwel genoeg met haar tijd meêgegaan, om zulk een drank niet wat zuinig te vinden en had er dus de xypocrasquot;,. die toch maar ijdel op het tafeltjen in de apotheek stond, bij gehaald.
«Kostelijk, hè?quot; riep ze, toen ze Geertruid en zich zelve de grootste middenstukken. Barend een deel van den staart en de kinderen een wichtig kopstuk op het bord had gelegd.
«Jakkes!quot; wilde Ernst uitroepen, maar Brecht, die aan de beweging zijner lippen begreep wat er komen zou, schoof hem gauw haar bierkroes met echt Delfsch gevuld toe, en beduidde hem dat hij drinken moest.
»Dat \'s nog uit het kookboek van Moeder zaliger. Toen ik van school was genomen â er werden toen nog niet zulke geleerden gemaakt van de knechtjens en de meisjens â en in het huishouden kwam, was dat mijn gilde-proef, zoo als \'t betiteld werd. \'t Word \'tlievelingskostjen van Barend. Is \'tniet. Barend?quot;
45.
BE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Ja, ja . .. maar ik hield altijd meer van midden- dan van staartstukken. Ik zeg \'t maar voor \'t vervolg, hoor, Mietjen! ...quot;
»Wat hij weer astrantig is!quot; dacht deze. »Maar van middag zal \'t hem toch niet helpen! Zoo\'n lekkerbek, die altijd zelf maar het eêlst wil hebben!quot;
»Kom, nóg een stukjen, Juffer! Ik heb hier nog een murw mootjen, een middenstukjen, dat \'s toch het eêlst van den visch ... en komt van rechtswege onze gast toe.quot; Hier wierp ze Barend een bestraffenden blik toe, dien deze... doorstond! »Maar UEd. eet waarlijk niet!quot; riep ze Geertruid toe, terwijl zij haar het murw stukjen op het bord wierp en daarna een volle lepel van de saus «r orer heen goot.
»Lieve Mietjen, neen! Al te gul!quot;
»Heeft UEd. mijn saus goed geproefd? Ik kan UEd. raden snoek of karper zóo klaar te maken. Weet UEd. hoe ik dat doe? Ik kook de visch blauw in water met azijn en leg haar dan in een gebonden saus van in boter gefruit speksop, rijnwijn, azijn, foelie, peper en gember. Als UEd. het wil, dan kom ik de lekkernij bij u eens klaar maken, en dan kunnen de kinderen me helpen. Uien moeten er eigenlijk ook in. Als de oogen van Ernst niet te gauw tranen dan mag h ij ze schillen . ..quot;
»Heel graag, heel graag!\'\' mompelde Geertruid, »maar Mietjen-lief! u is te mild geweest. Mag ik dat laten staan?quot;
»Gerust!quot; verzekerde Barend.
»Als \'tniet naar uw smaak mocht wezen, laat u \'t dan maar... Wel dat spijt me, dat ik iets geef wat. . ..quot;
»\'tls heerlijk, heerlijk . . . maar mijn maag wil nog niet te best Jneê ....quot;
»Dan een vingerhoedtjen ypocras ... Ik hoop maar dat wat er nu volgt meer in den geest zal wezen.quot;
»Maar Mietjen, volgt er nóg meer? Wat heb je voor ons uitgehaald! Foei, dat moet je nooit weer doen. Ik durf je op die manier niet bij me te gast vragen . . .quot;
»Dat hoeft ook niet, beste Juffer! Komt UEd. maar altijd bij ons. â Nu heb ik jeluis hulp eerst recht noodig!quot; zei ze tot de kinderen, die weder haar naar achter volgen moesten.
»Meester!quot; fluisterde Geertruid, nu ze zich weer alleen met den gastheer zag, »ik merk dat ge u met de politieke affaires veel afgeeft ... u leest veel...quot;
»Straks nog een nieuw pamflet, dat misschien nog niet eens op het Stadhuis bekend is: ^De haai en het lootsmannetjen of de slokop en het kaasboertjen.quot; Daarin wordt het ondankbare Engeland de les gelezen, \'t Schreit dan ook ten hemel. Wij moeten maar geld geven, oorlog maken, om Zijn Hoogheid op zijn troon te houden, en ons nog achteruit laten zetten toe.quot;
46
TIE KAPTEIN VAN DE LIJFG lRDE. 47
»Weet u ook hoe \'taan de overzij gaat quot;
«Slechter dan voor een paar maanden. . want al de officieren, â¢die in verlof waren, zijn plotseling opgerc spen.. . Dat hoorde ik gister van buur Gerrits, die \'t van \'t ka itoor van Oorlogszaken had: en dat\'s een vertrouwbare bron.quot; 1
»Hadden er velen verlot gekregen?quot;
»Wie \'t vroeg kon \'t krijgen, ten minstt had. Zijn Hoogheid weet deksels goed, ho vriend moet houden ...quot;
»Maar van de Lijfgarde kon toch zeker geen officier gemist worden ?quot;
Barend bemerkte met schrik wat verkeerden weg hij was ingeslagen .. . »Neen,quot; hernam hij snel, »dat geloof ik ook: dat\'s een keurbende, zooals men dat noemt. Ik geloof haast, dat ze buur Gerrits op \'t kantoor ook gezegd hebben, dat er niemant van dat wapen verlof kon krijgen ...quot;
»Goede vriend!quot; hoorde hij zich toefluisteren op zulk een zach-ten toon, dat hij er van werd aangedaan. Tevens voelde hij een zachte hand de zijne drukken. Het was om zich bijna niet goed te kunnen houden! Dat hij ook zoo lomp had kunnen zijn om daarvan te spreken en zoo onhandig om er zich van af te maken zoo als hij deed. De Juffer had toch zoo\'n scherp verstand en begreep zelfs de woorden, welke niet werden gesproken.
Het bedrijvig binnenkomen van Mietjen was nu een welkome afleiding. Op een grooten schotel torschte zij een koek van bij de tien pond. \'t Was de hoofdschotel, \'t Was de glorie harer kookkunst, de triomf van haar zorg en beleid over de natuurlijke gevaren, welke in den vorm van tocht en te-heet-vuur maar al te vaak zulk een saamgesteld produkt bedreigen. Ja, om den wille van dien »koek in den zakquot; had zij Geertruid eigenlijk te gast genood. Zulk een algemeen erkende lekkernij kon in een burger-huishouden maar niet naar verkiezing klaar worden gemaakt. Slechts in een tijd, dat er rolpens werd afgekookt, kon \'t geschieden, want in het rijkste vleeschnat diende de koek, welks beslag, uit grutte-meel, krenten en rozijnen bestaande, in een langwerpig vierkanten zak was gegoten, uren te zwabberen, en zwabberend zoo gaar en smijdig te worden, dat hij door een fijn touwtjen in platte stukjens kon worden gesneden of gezaagd. Als de hulp van een mes moest worden ingeroepen, was bij mislukt. En eerst op het oogenblik, dat hij uit den zak werd getrokken, kon de deskundige afdoende kritiek oefenen. Dit laatste verklaarde volkomen Mietjens onrust van dagen her, van het oogenblik af, dat bij haar het voornemen rijpte, om het waagstuk te ondernemen.
»Hij is er goed uit!quot; riep ze in de verte al tot Broêr, dien ze nu vriendelijk toeknikte. «Maak je touwtjen maar vast klaar!quot;
wie familie in Holland hij zijn Hollanders te
BE KAPÃEIN VAN DE LIJFGARDE.
Terwijl de kinderen de kan met stroop en de kom met gewelde boter aanbrachten en Ernst bovendien bezig was een zijner wijsvingers, die in de stroop had gebaad, aan een mouw van zijn best lakensch wambuis af te vegen, maakte de gastheer zich op, den, plicht te vervullen, die hem was opgelegd. Hij zou dien echter niet kunnen volbrengen. Het raam van de straatdeur vvsrd omhoog gedrukt en de onderdeur geopend.
»Daar is iemant,quot; zei Geertruid.
»Volk, meent de Juffer? Och neen,quot; hernam Barend, die het touwtjen bijna tot op het midden van den geheel garen koek bad gebracht, maar \'t daar liet zitten. »Sedert de drogisten, die geen examen hoeven af te leggen en geen bul te betalen, als paddestoelen uit den grond oprijzen, is \'t met den verkoop voor de toonbank uit. \'t Zal onze knecht wezen . .. Harmen, ben jij \'t?quot;
»Ja, baas! ik kom van \'t Stadhuis
»Breng het geld maar hier .. .quot;
Barend keerde zich naar den binnentredende.
Twee mandaten waren betaald; het derde was geweigerd, want-het bericht was juist gekomen »dat de Kaptein niet meer onder dienst was.quot;
»Goed, goed! Ga maar dadelijk aan \'t fleschjens spoelen!quot; snauwde Barend hem toe.
De oude knecht trok zijn schouders op en mompelde zoo wat tusschen de tanden: ^Lekker aan \'t schransen en dan zoo te blaffen! Ik zal de rhabarber maar vast krijgen!quot;
Geertruid zat een oogenblik als versteend. »Niet meer onder dienst!quot; prevelde zij. Barend en Brechtjen begrepen den toestand; Mietjen en Ernst blijkbaar niet. Mietjen had in hare voortdurende agitatie de boodschap niet verstaan; haar verdroot Barends treuzelen; ze rukte hem het touwtje af, dat zij met veel meer handigheid dan hij hanteerde. Ernst was bezig een groote rozijn, het verst uit een der wanden van den koek puilend, met den vinger te bemachtigen.
»Daar, Juffer!quot; Met die woorden werd de gast een snede op het bord geworpen en werd stroopkan met boterkom voor haar geplaatst.
Daar Mietjen geen andwoord ontving, keek zij de andere wat nauwkeuriger aan, nam ze met de vingers een stuk uitgebrande pit van de kaars, waardoor deze helderder opvlamde, en bespeurde zij Geertruids versteend gelaat.
»Een flauwte!quot; riep ze verschrokken, »Barend, Barend!quot; Maar deze was al in de aptbeek bezig, uit een fleschjen eenige druppels in een kelk te gieten. Dat duurde der ontstelde veel te lang. Op het tresoorken stond een fleschjen anijs, dat straks eerst bij de kraakamandelen en de vijgen op tafel had moeten komen, maar nu
48
DE KAPTKIN VAN DE LIJFGARDE.
reeds dienst kon doen. Ze goot een flink vingerhoedtjen-vol Geer-truid in den mond, die dadelijk bijkwam. Ja, Mietjen wist wel wat wonderen een anijsjen werken kon. Had zij zelve er geen ondervinding van sedert jaren? De spiritus van Barend kwam te laat. Dat dacht ze wel. Kon een vrouw maar eens aptheker wezen!
»De Juffer moet de lucht in!quot; zei Barend. »Mie1jen, heb je haar anijs gegeven? \'tls niet goed, maar je hebt het wel eens slechter aangewend.quot;
Dat was een steek onder water. Of zij \'t voelde! \'t Was wel of ze kleurde!
»Moö, willen we samen de straat in gaan?quot; vroeg Brechtjen aan haar oor.
Een lange zucht volgde; de vuist werd gebald; de lippen saam-genepen. De wil zocht de half verloren heerschappij over het lichaam te herwinnen. Het gelukte.
»Wat spijt het me, Mietjen, dat ik zoo ondankbaar moet zjjn tegenover zoo veel vriendelijkheid... Ik heb te veel van mijn krachten gevergd, \'t Is mijn eigen schuld â ik vraag je wel om verschooning â maar ik voel dat de lucht mij goed zal doen.quot;
»Dan moet u gaan ... Ik zal de kinderen voor u een goed stuk koek meêgeven . . , Steek wat suikerboontjens bij u â dat \'s lekker en versterkend . .
Geertruid liet alles toe, terwijl ze haar huik opzette en haar regenkleed omsloeg.
»Ik ga ook meê!quot; riep Ernst.
»Eet eerst je koek, jongen!quot; drong Mietjen.
«Neen, ik wil met Moê meê! Maar ik kan \'t straks wel komen halen ....quot;
Daar zat Mietjen weinige minuten later alleen in haar binnenkamer voor de leêge tafel, naast nog ongerepte schoteltjens en nog ongebruikte kelken! Dagen lang had zij zich op dezen middag verheugd! Dagen lang had zij ingekocht en opgestapeld! Uren voor blakerend vuur gestaan! Bijna doodsangsten verduurd voor éen oogenblik van glorie, dat... niet gekomen was!
Barend hield zich verre. Maar zij ging hem zoeken en ze vond hem onder de luifel van den vuilen kaarsentrekker.
«Barend, ik zou wel willen huilen! Ik wist wel, dat het nog niet goed voor haar was uit te gaan . .. maar jij wou \'t weer doorzetten ....quot;
»Ik?quot; vroeg hij schamper. »Heb ik \'t niet tegengehouden.... tot het laatste oogenblik tegengehouden ?quot;
49
»Zeg je dat nu al weör? Weet ik dan niet, dat je altijd het tegenovergestelde zeit van wat je meent?quot; Met een tip van haar bonten voorschoot dat over haar zijden Zondagsche hing, kwam zij aan haar ooghoeken.
4
KAPT. VAN DE LIJFGARDE. â II.
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE.
Barend had medelijden. »Nu, nu! Je best heb je gedaan ... en wat de juffer mankeerde kwam niet van het vroege uitgaan. Willen we Gerrits met zijn vrouw vragen van avond? Er is nog wel voor een half vendel volks over ..
»Neen, dat wil ik nu niet!quot; riep ze, waarna ze, kalmer geworden omdat ze nu eens z ij n wil had weerstaan, zich met een zekere fierheid -gt;in haar vestequot; terugtrok.
»G-aat het beter, Moê?quot; vroeg Ernst na een poos stapvoets de straat doorgewandeld te hebben.
»Veel beier, mijn jongen!quot; klonk het opgewekt.
Toen ze thuis kwamen vroeg Brechtjen Moeder naar bed te mogen brengen.
»Ik denk er niet aan,quot; klonk het. »Ik was straks benauwd, maar ik adem weer geheel vrij. Ik ben zeker niet verzwakt, want ik voel me sterk.... ik voel dat ik alles zou kunnen doen.quot;
«Overspanning, moeder!quot;
»Dat zou \'t kunnen wezen, liefste, als ik een blijde tijding had ontvangen.quot;
Haar lippen beefden terwijl ze die van Brechtjen zochten en drukten. Nóg vroeg deze niets. Maar de gazellenoogen wemelden. «Heerlijk, dat je me zonder woorden begrijpt. Dat geeft kracht aan mijn kracht, \'t Is of de Heere me bij de hand heeft genomen .... dat er van Zijn almacht op mij is neergedaald . ...! Laat mij nu een poos alleen! Wees niet bang voor me! Ik weet immers welke schatten ik nog heb?quot;
Zij was alleen; zij drukte de hand tegen haar voorhoofd; zij staarde een oogenblik voor zich uit... in het vrije, in het oneindige, want er waren geen wanden meer, die haar blikken opvingen! Maar weldra gaf een schok te kennen, dat haar wil zich weder eerbiedigen deed. De waarheid, de volle waarheid te kennen is beter dan de slingering tusschen vrees en hoop! Om te kunnen strijden heeft men noodig den vijand te zien!
Zij ging aan \'t rekenen ... Zij had schulden ... Ze had altijd gezorgd ze niet te hebben. Maar die lange, lange ziekte! De geïnde toelage van twee tnaanden zou de huishoudelijke schulden, grooten-deels bestaande in de voorschotten der Nagtegaals, wel kunnen kwijten; de huur zou gevonden kunnen worden uit de opbrengst van het huisraad; maar wat bleef er dan over voor de reis?
De reis naar Engeland! Van het oogenblik af, dat ze de tijding van Kareis ontslag vernomen had, stond haar besluit vast. Zij moest naar hem toe! Zij vroeg zich niet af wat haar man kon misdreven hebben; zij wist nu, dat hij in ellende verkeerde en hulp zou behoeven; een zacht woord van zijn wettige vrouw, een liefkozing van zijn kinderen!
Hoe gelukkig, dat zij de Engelsche taal eenigzins meester was
50
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE,
geworden door het. verkeer met de kameraden van Karei en vooral met Fred, den jongen wees, dien Karei zoo edelmoedig tot zich iiad genomen! Maar hoe aan geld te komen ? Borgen terwijl zij wist het niet terug te kunnen geven? Daar kwam haar fierheid tegen op! Zij peinsde, zij rekende tot het hoofd haar pijn deed. Zij deed het in de bedstede nog den geheelen voornacht, maar in â den nanacht had de vermoeidheid haar toch de oogen doen sluiten.
Met een glimlach op het gelaat werd ze wakker. Was \'tomdat haar geest, half ontworsteld aan de kluisters van het lichaam, de vleugels had kunnen uitslaan en ze doopen in den morgendauw van een onzienlijke waereld en bij het ontwaken â den terugkeer tot het aardsche-zijn â den weerschijn eener herinnering van genoten weelde in het gewone bewustzijn behouden had ? Wie onzer â¢ondervond soms niet iets dergelijks, maar voelde tevens niet de teleurstelling, welke daarop volgde, als het aardsche bewustzijn terug was gekeerd en de schrikkelijke werkelijkheid van lijden uit gemis weder meêbracht? O dat ontwaken, wat was \'t Geertruid bitter!
Niet langer in de veeren gewoeld! Voort, in het bezige leven, hoewel \'t haai- aangrimde! Zij klom haar rustbed af! De kinderen sliepen nog. Laat zij ze niet wakker maken! Op de teenen loopend begon en volbracht zij het zoo noodig huiswerk.
In het zindelijk, maar nederig, werkkleed deed zij de bovendeur open, waarop de klopper met kracht was neergevallen. Zij had al voor een half uur het hoornblazen en het schreeuwen van den bakker; »hiet witte brood en weggen, al hiet gaerste koeken, al hiet!quot; gehoord, en daar juist: »panharing, versche haring als suiker zoo zoet, engelsche bokkens!quot; \'t Zou dus wel een van de vele venters wezen, die zich had aangemeld.
Wat schrik! Daar stond de verre Neve, Heer Hendek van Ar-kesteyn, voor haar. De voorname Heer kwam haar bezoeken! Maar hij was bijna niet te kennen, zóózeer had hij het hoofd in den kraag van zijn regenmantel schuil doen gaan! En het bezoek werd in het vroege morgenuur gebracht: dan waren slechts de «slechte luidtjensquot; op straat!
Zonder eenig andwoord op zijn verzoek om een oogenblik haar te mogen spreken, ging zij hem voor naar de pronkkamer, waaide ander haar volgde, met scherpen blik alles opnemend wat hem omgaf.
»Verschoon me dat ik zoo vroeg kom, maar gisteravond laat ontving ik een tijding aangaande uw man.quot;
»Ik ken baar reeds,quot; hernam Geertruid met een stem, welke zij eenige vastheid wilde geven; toch klonk ze als een zacht nokken. Tegenover dien man in zulke omstandigheden, in zulke kleeding te staan, \'t was een foltering!
»TJEd. kent die tijding.. . in bijzonderheden?quot;
51
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Neen, heeft UEd. zekere tijdingen?quot;
»Tot nu slechts geruchten.quot;
»Deel mij die nu niet meê, Mijnheer! Als UEd. de goedheid! wil hebben ze mij ... te schrijven ...quot;
»Ik zal \'t doen... Vrouwe Nichte!quot; klonk het ongewoon zacht van zijn lippen. »Ik kom ook niet hier, om pijn te doen maar. ... om te helpen ... Ik zal nooit vergeten, dat UEd. een Perseyn is. Ik heb een buitenverblijf aan de Vecht. Wil UEd. \'t met uw dochter-dezen winter betrekken? Wij kunnen dan later zien.. . .quot;
De vriendelijke uitdrukking, bij de eerste woorden op haar gelaat verschenen, trok weg bij de laatste.
Daar schoot een gedachte door haar brein, zóo afschuwelijk, daar-welde een achterdocht op, zóo kwetsend voor haar vrouwelijk gevoel, dat ze den verren Neve als een indringer door een scherp, woord over haar drempel wilde jagen. Tot de zelfbeheersching welke zij zich had opgelegd als den eersten harer plichten, behoorde echter ook het bedwingen der meest gerechtvaardigde fierheid. Toch wilde zij doen blijken dat hij doorzien was.
»Brechtjen kan niet tegen de Vechtlucht; dit verplicht me reeds voor uw .... vriendelijk aanbod te bedanken. Maar nog een andere alles afdoende reden bestaat daarvoor: ik ga zoo spoedig mogelijk naar mijn man toe ...quot;
»En UEd. kent niet eens de bijzonderheden...?quot;
5gt;Ik begrip niet hoe die ooit van eenigen invloed zouden kunnen zijn op mijn besluit.quot;
»Ik hoop, dat UEd. zóo zal blijven oordeelen als de geruehten zich bevestigen .. .quot;
«Mijnheer!quot;
Dat éene woord weerhield Heer Henrick voort te gaan; tochi vervolgde hij na weinige sekonden met gedempte stem: «Heeft UEd. geld voor die reis?quot;
»Ik zal \'tmij weten te verschaffen.quot;
»Ik hoop, dat het u lukken moge, Geertruid!quot;
Zij zag hem een oogenblik vreemd aan bij het noemen van dien, naam. Hij zocht voorzeker toenadering, maar eene die zij afsloeg. Geld zou hij voor haar over hebben indien ze wilde blijven, maar zeker niet zoo ze op reis ging over zee.
Haar hoofdknikjen en kleine buiging was hem een bewijs, dat zij het gesprek voor geëindigd beschouwde.
Hij zette den hoed op en boog. Zij ging hem voor, om de deur te openen. Hij hield haar hand, die de klink oplichtte, even tegen en zei; »Vrouwe nichte, roep gerust mijn hulp in waar UEd. die-noodig acht. Heb echter de goedheid dat altijd te doen aan het adres der firma. Uw request komt toch alleen mij ter hand, daar-ik het eenig lid der firma ben ....quot;
52
DE KAPTEIN VAN J)E HJFGAUDE.
Hij vertrok zonder een dankbetuiging af te wachten, welke ook niet zou zijn uitgesproken.
Zij bleef een oogenblik als bedwelmd staan, bedwelmd alsof haar een hevige slag op het hoofd ware toegebracht! Welk een laagheid en tevens welk een hooghartigheid!
Hij zeide haar te willen helpen en hij had haar getrapt! Zouden zij allen zoo zijn in de groots mensehenwaereld, welke zij alleen , zonder den steun van een krachtige mannenhand, gereed stond te betreden? Het innig vroom gemoed richtte zich tot den Almachtige, â dien zij als den Hemelschen Vader had leeren liefhebben! Maar meer dan dat gebed bracht een vroolijke jongensstem te weeg, die haar naam riep.
»Ja, Ernst, ja, ik kom!quot; liet ze krachtig hooren. ))Ik merk dat je goed geslapen hebt en dat de maag gezond is gebleven. Dat \'s meer dan ik durfde hopen ..
Tegen den middag kwam Barend, die met blijde verbazing een bijna geheel herstelde vond, terwijl hij gevreesd had een hopeloos ingestorte zieke te zullen zien. Hij had vijf minuten lang een nieuw recept bepeinsd wat op al de hoofdorganen gelijkelijk zou kunnen werken, en hij was, hoewel hij geen oogenblik nog twijfelde aan de macht van geneesmiddelen door zijn wetenschap gemengd, toch blijde er geene meer te behoeven voor te schrijven.
Zij deelde hem haar voornemen mede; zij vroeg hem haar rekening te willen opmaken en haar van dienst te zijn bij den verkoop van haar huisraad.
»Wil u alles verkoopen?quot; vroeg hij met grooten nadruk.
Zij begreep wat hij bedoelde en zweeg een oogenblik. Zij kon nog niet van alles afstand doen; zij wou nog eens aan \'t rekenen gaan ....
»Van avond hoop ik u daarop bepaald te kunnen andwoorden, meester ! \'t Is me voor \'s hands troost genoeg dat u mij op zijde blijft... Ik wou graag met de eerste postboot van den Briel vertrekken.quot;
»In die najaarsstormen op zee?\'\' zei hij bedenkelijk het hoofd schuddend.
»Grod de Heer is ook in de stormen!quot;
Daar viel niets tegen in te brengen; het kinderlijk geloof heerschte in beider gemoed even sterk.
Dien avond zou ze bepaald and woord geven! Ze zou \'t reeds «er kunnen doen.
Nauwelijks toch was Barend vertrokken of er had een nieuwe bezoeker zich aangemeld, een vreemde, dien ze niet wist hoe aan te spreken. Was \'teen sinjeur of maar een mosjeu? De wijze van zich uit te drukken gaf hem recht op den eersten titel, zijn kleedij en zijn onderdanige manieren alleen aanspraak op den tweeden.
53
DE KAPTEIN VAN DE LUFGABDE.
»Ik ben makelaar in schilderijen, Juffer! Laatst hier voorbijgaande, toen de ramen aan straat openstonden, heb ik een portret in de benedenkamer zien hangen. In de verte trof mij het koloriet. Misschien deê \'t de entourage alleen. Mag ik \'t eens van naderbij zien?quot;
Geertruid weifelde.
»0, als UEd. er zóo veel prijs op stelt. .. zal \'t wel niet te koop zijn .... In de verte leek \'t me niet bepaald slecht. Van. wien is \'t?quot;
»Van der Helst staat, geloof ik, in een hoek dicht bij de lijst.quot;\'
»Zeker niet... dat kan niet...quot; Dit zeggende wierp hij een onderzoekenden blik in \'t rond en vond zijn respekt dalen en de onmogelijkheid, dat hier een Van der Helst in eigendom aanwezig zou zijn, nog onwaarschijnlijker. »Neen, dat zal niet zoo zijn.quot;
»Gelief mij dan te volgen. Sinjeur!quot; Ze vond het toch maar beter hem eer te hoog dan te laag te betitelen.
De makelaar was nauw voor de schilderij getreden, of er kwam een schamper lachjen op zijn gelaat.
»Juist zoo als ik wel dacht, \'t Is geen Bartholomeus van der Helst....quot;
»Maar daar staat toch . ..quot;
fVan der Helst, maar dat is Lodewijk, zijn zoon. Waar de vader honderd gulden doet, doet de zoon maar tien. Niet onaardig... maar gebrekkig van kompozitie ... vleesch laat veel te wenschen over . ...quot;
»Ik vraag uw oordeel niet,quot; zou Geertruid in andere omstandigheden met een hoogroode kleur, getuige van groote ergernis, met hoogheid hebben gezegd. Thands zweeg zij echter, al werden de wangen ook purper.
»Is dat te koop?quot; vroeg de makelaar, die naar Geertruids schatting nu maar een mosjeu bleek te zijn.
Zij knikte toestemmend.
»Welnu; Twee honderd gulden comptant. \'t Is niet zijn beste werk, en zijn beste, het portret van Luit.-Admiraal Stellingwerf^ zag ik voor minder gaan ....quot;
Twee honderd gulden maar! En \'t was haar schat geweest haar leven lang, en wie \'t zagen hadden steeds verrukt gestaan en \'t niet altijd ontveinsd, dat ze \'t wel wat spilziek achteden, zoo veel waarde renteloos in huis aan den wand te hangen!
»Dat... is... te weinig; véél te weinig...!quot; stamerde ze.
»Als de zeebonk, die \'t voorstelt, er maar wat anders uit zag... met wat meer goud op den rok ... en een bekenden naam droeg..!quot;
Dat was te veel!
»\'tTuigt niet van uw kennis, Mosjeu! Het is de Vice-Admiraal van Perseyn, in \'72 voor Texel gebleven, bij het binnenbrengen
54
DE KAPÃEIN VAN DE LIJFGARDE.
van een rijk beladen koopvaardij-vloot, mijn vader, Mosjeu! Het schilderij is niet meer voor je te koop.quot;
Welk een verandering onderging de geheele gedaante van den kwanselaar! Diep buigende stamelde bij: «Heb ik dan de eer met eene afstammelinge van Perseyn te spreken, den beroemden en algemeen befaamden vlootvoogd V een maag van de Heeren van Arkesteyn? Ik bid u duizend maal om verschooning. Maar het licht valt slecht...! Is \'t gepermitteerd?quot; en zonder \'t gevraagd verlof af te wachten schoof hij de lage glasgordijntjens wat ter zijde, wat naar Geertruids oordeel weinig ander licht gaf, maar hem, den deskundige, eensklaps geheel van gevoelen deed veranderen.
»Ik moet zeggen . .. erkennen . . ., Lodewijk heeft zich zeiven overtroffen. Ik kan nu het dubbele bieden. Vier honderd komptant.quot;
Geertruid ware geen fijn gevoelige vrouw geweest, indien ze zoo spoedig om den wille van haar belang de aangedane beleedi-ging had kunnen vergeten.
»Ik blijf er bij: dat portret is niet meer te koop!\'\' Die man had haar gedwongen te verraden, dat het de beeltenis was van haar vader. Nu kon ze er niet afstand van doen; nu werd het heiligschennis! En toch...! en toch...! Het verstand begon zijn rechten te hernemen.
jgt;En als ik opkwam tot zes honderd. Juffer! Geld bij den visch! Over een uur kom ik \'t halen en breng ik \'t geld meê.quot;
Hoe ordinair werd dat manspersoon in haar oog! »Je hebt gehoord wat ik zeide?quot; Zij sloeg de hand aan den knop der deur, maar draaide dien nog niet om. Zoo veel geld! Zoo veel geld! De reis kon ondernomen worden! Zij zou voor dat portret in \'t boêlhuis, waar ieder \'t zou aangapen, misschien zooveel niet bedingen, en \'t te houden ging toch ook niet.
De ander sloeg haar aandachtig gade en toonde zelf ook een soort van onrust. »Zes honderd vijftig dan, maar dat is dan ook het uiterste waartoe ik komen kan,quot; fluisterde hij.
»Voor wien komt ge hier?quot;
sJa ... u begrijpt... dat wordt nooit gezeid voor dat de koop gesloten is en de kooper \'t dan permitteert... en in deze zal de permissie zeker niet gegeven worden.quot;
»Ik wil weten voor wien ge biedt.quot;
«Zeven honderd dan, maar op mijn woord van eer, hooger mag ik niet gaan â En vraag me dan niet. ..quot;
»\'tls meer dan een geldkwestie, man! Begrijpt ge dat niet?quot;
De ander keek haar beteuterd aan. Had hij quot;t voor minder kunnen krijgen? Die vrouwen! Om daarmeé zaken te kunnen doen, moest men apart geformeerd wezen. »Geen geldkwesties-Dat \'s me te geleerd!quot;
55
1)E KAPTEIN VAN BE LIJFGARDE.
»Kog eens: voor wien biedt ge?quot;
»Ik mag \'t niet zeggen â alleen dit: wat ik bood is verre boven de waarde; maar voor mijn principaal was \'t óok geen
geldkwestie, dat begrijp ik nu----Alleen een familie-belang----in
het kabinet werd dit portret misschien gemist...quot;
»Dus ge komt van____Mijnheer van Arkesteyn----?quot;
â »De Juffer heeft het gezegd â niet ik. De Juffer gelieve alles voor zich te houden.quot; Er gleed een pak van \'s makelaars hart. Hij had een goede zaak hopen te doen. Mijnheer bad den prijs op acht
honderd gesteld____Als hij nu den koop voor lager had kunnen
sluiten, dan had hij \'t voordeelig verschil tusschen den principaal en zich zeiven verdeeld en beiden een goeden dag bezorgd.
»Meld Mijnheer Neve dat de schilderij hem behoort!quot;
De Mosjeu haastte zich heen te gaan. De buitendeur mocht hij zelf open doen en achter zich sluiten. Geertruid bleef voor het portret â neen, voor haar vader staan.
Het was niet meer haar eigendom! »0 God! hoe zwaar valt mij dat! Hoe zwaar!quot; kermde zij.
Ernst was naar school! Brechtjen werd uitgestuurd naar Mietjen, die zij te helpen had in \'t omwasschen en wegbergen van \'t geen den -vorigen dag uit kast, kist en keuken was te voorschijn gehaald. Geertruid wilde alleen zijn, op het oogenblik dat haar schat werd weggehaald. Zij bleef in de pronkkamer, geheel verloren in den aanblik van hetgeen straks niet meer onder het bereik barer oogen zou zijn. De klopper viel neer ââ twee mannen stonden op de stoep. Zij klom op een stoel en bracht baar lippen aan die van haar vader. »Nu sterft ge eerst voor mij. Vaarwel, vader! lieve vader!quot;
Zij opende de deur, wees den bezoekers de kamer waar het verkochte hing en snelde de trap op naar boven!
56
ZESDE BOEK.
i.
Wij hebben Kapt. Semeyns in wanhoop verlaten, krimpend onder de beten zijner konsciëntie, en hervinden hem weken later voor de sofa geknield, waarop Maud neder ligt, als een voorname Lady uitgedoscht, een sierlijken waaier van ivoor met dukaten-, goud rijk versierd in de hand, de kreuken niet achtend die haar houding wrong in het donker blauw fluweel der rohe of het wit satijn van het voorschoot.
\'t Was niet warm in het vertrek. De herfst deed zich reeds gelden en er was geen vuur aangelegd in den open haard. Niettemin scheen Maud behoefte te gevoelen aan afkoeling. Met den waaier toch wuifde ze zich het gelaat, waarvan het voorhoofd en de slapen een ivoor-wit en de wangen een rozerood blosjen vertoonden. Van dicht bij beschouwd mochten beide tinten aan de inwerking eener beleidvol bedekkende ,en verfraaiende kunst worden toegeschreven.
Wat stormen waren over beider hoofd losgebarsten I Wat orkaan had straks weder geloeid! De kunst had Semeyns gelaat geenerlei hulp geboden. Misschien had zij, indien zij tot bijstand ware aangezocht, hare onmacht moeten erkennen. Het hoofdhair was nog even dik als vroeger, maar vertoonde hier en daar witte vlokken; de glans van de oogen was gedoofd; om de oogholten liep een roode kring; de wangen hadden hare verweerde kleur behouden, maar werd deze vroeger door den eigenaardigen blos van kracht en gezondheid als doortinteld, thands dierven ze dien en hingen vermagerd en verflenst neer. Had hij vroeger te jong mogen heten voor zijn leeftijd, hij was er nu te oud voor geworden. Het inwendig vuur, dat de steenen wanden van den berg had verwarmd en gestoofd en aanvankeljjk de planten en struweelen op zijn steilten en hellingen welig in spleet en holte had doen tieren, had die
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
wanden eindelijk doorgloeid en liet smaragden kleed, dat ze vroeger dekte, doen verwelken en verdorren.
En dat vuur scheen niet te doven! Het gloeide maar voort ea greep om zich heen en verteerde al wat het greep. De hartstocht gelijkt toch de vonk, die, bij haar ontstaan, door een vallend blad kan worden gedoofd, maar, de aandacht ontsnappend, voortgloeiende\' en in gloed toenemend, de woudvorsten zelfs blakert en ter doode-toe zengt.
Toen hij Brechtjens eersten brief gelezen had, toen hij onderden indruk er van als waanzinnig rondtuimelde, heerschte in hem de éene gedachte: »Naar huis! naar huis! In de armen van vrouw en kinderen!quot; Had hij Geertruid weken lang niets van zich doen hooren, die onnatuurlijke kilheid had schaamte tot oorzaak gehad, een niet te bedwingen schaamte tegen over de reine, die hij bedroog!
Hoe dikwijls was hij begonnen, had hij een dagteekening gesteld, maar had zijn hand den aanhef »lieve huisvrouw!quot; geweigerd neer te schrijven! Maar nii was \'t anders! Nu had hij zich te richten tot zijn kind, zijn dochter, jegens wie hij oprecht was-als hij haar zijn liefste woordtjens gaf, als hij in geestelijken zin de armen naar haar uitbreidde..!
Wij weten reeds dat en wat hjj schreef en hoe goed hij beand-woord werd.
Dat geregeld ontvangen van tijdingen stelde hem eenigzins gerust. Die tijdingen waren wel niet geheel bevredigend; ze spraken wel niet van herstel, maar ook niet van dadelijk gevaar; wat ze echter wel hadden moeten doen, indien de pen der kleine schrijfster minder door meêlij voor den lieven afwezigen vader ware bestuurd geworden! »\'t Bleef slepend, maar de meester had goeden moed!quot;
En hier om hem heen ging het steeds slechter, dreigde de vijand hoe langer hoe meer den schat te bemeesteren, aan wien hij zich te vaster hechtte, naarmate de kans dien te verliezen grooter werd.
Het verzoek om verlof, dat hij dadelijk had willen doen, werd verschoven tot zijn eerste brief zou beandwoord zijn; later uitgesteld om allerlei drogredenen, waarvan de voornaamste was; het steeds dreigender verraad, dat den persoon Zijner Majesteit omgaf, sedert de verdreven Koning aan het hoofd van een talrijk leger in Ierland stond en het ontzach voor het Goddelijk Recht der Koningen het in Engeland van lieverlede weer begon te winnen van de vroegere vrees voor het despotisme, dat noodzakelijk uit zulk een politiek leerstuk geboren was. Niemand van de Lijfwacht behoorde in verlof te gaan, verzekerde hij zich zeiven. Maar velen van die keurbende gingen toch, en ze waren minst genomen even gehecht aan Koning Willem als hij! Hij bedroog zich zeiven (n iij wist dat hij \'t zich deed!
58
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE,
\'t Was betn zeer goed bewust, dat de ialoezy hem folterde tot razend wordens toe! Jaloezy op wien? Op dien verwijfden blonde,, op dien nachtbraker en speler, die het goud, welks herkomst niemant bekend was, met handen vol om zich heen smeet; die in éen nacht,, naar hij hoorde, in een der vele speelholen honderden guinjes verloor? Hij had den losbol nooit in Mauds nabijheid bespeurd; hij had anderen nooit om het huis zien dwalen, inziende en groetende,, en toch hield hij er zich overtuigd van, dat hij misleid, dat hij bedrogen werd, dat er roovers in het rond slopen om het zijne-te stelen.
Ja, het zijne!(Maud had zich in zijn armen geworpen. Herhaaldelijk had hij zicE afgekeerd! Hij was haar ontvlucht, niettegenstaande zijn hartstochten reeds door de verleidelijke waren opgewekt! Hij had zich reeds voor altijd overwinnaar gewaand! Maar nogmaals was ze tot hem gekomen, en wel onder omstandigheden,, welke een tweede afwijzing bijna tot een wreedheid, tot een zedelijken moord zouden hebben gemaakt. Jeugd had hij nooit gekend; in het gareel van den plicht had hij steeds getrokken en in zijn leden tintelde toch de rijkste levenskracht! En jeugd werd hem door haar geboden! Hij was voor de bekoring gezwicht! Een tijdelijke afdwaling slechts! Hij kon immers terug treden zoodra hij het wilde? Gevloekte waan! Eigenschappen, waarvan hij het bestaan in dat kind niet vermoedde, hadden zich van lieverlede ontwikkeld! De roos, door hem geplukt, bleek scherpe dorens te dragen! Had hij haar nog wel lief? Hij verafschuwde haar soms; hij wilde haar soms van zich werpen, maar drukte haar een oogen-blik later te inniger aan de borst. Maanden reeds had hij den duldeloozen toestand verdragen! Het edelste in hem dreigde te verwelken of was misschien reeds verwelkt. Zijn geestkracht vlamde soms in razernij op, maar om dan zich te ontspannen en als weg-te zinken in matte moedeloosheid. Het onnoozele kind had hij eenmaal juichend omvangen, maar dat kind was een vrouw geworden, die al de geheimen had leeren kennen van de meest volleerde-kokette. Listig bleek ze meer en meer, buigzaam en de prooi aan j zich ketenend als de sliuig!
Gister avond was hij laat thuis gekomen. Hij had de avondwacht gehad, en was in het naar-huis-gaan in Haymarket bij een welbekenden kwaker, die goede Bordeauxsche roode en witte wijnen verkocht, een paar flesschen van de fijnste soort gaan koo-pen, om die op zijn kamer zoo mogelijk met Maud te ledigen. Wie weet wat de wijn haar en hem op de lippen zou leggen! Wie weet of het nemen van een koen besluit er niet door kon worden bespoedigd!
Thuis gekomen vond hij licht noch vuur; alles zelfs in dezelfde wanorde, als hij \'t \'s middags had achter gelaten. Maud was af-
59.
DE KAPTEIN VAN DE LIJPGAKDE.
wezig. Hjj had zich voorgenomen rustig te blijven en eiken twist â in de stilte van den nacht te vermijden. Er was toch al ruchtbaarheid genoeg gegeven aan zijne betrekking tot Maud, eene betrekking, die druk besproken werd, niet omdat ze een zeldzaamheid was onder de Officieren en de Engelsche Edellieden, maar â omdat zijn biea aimée aan het Hof doorging voor een werktuig der Jakobieten. Heel fijn en voorzichtig was hem reeds te kennen gegeven, dat een verbreken dier betrekking hem slechts voordeelig kon zijn. Maar voor die inblazing was hij doof gebleven; zijn fierheid reeds zou heni het gehoorzamen hebben verboden.
Hij had zich op zijn bed geworpen, maar drong zich wakker te blijven. De klok sloeg twaalf. Meer dan een kwartier later kwam Maud thuis, naar \'t scheen, zonder geleide. Hij veinsde in â¢diepen slaap te zijn, maar merkte alles op, als ware zijn oog gewapend met den sterkst verhelderenden bril. Het regenkleed van fijn zwart laken, met marterbont omzoomd, gleed op den grond â¢neer, terwijl het zwart fluweelen masker nog het bovengedeelte van het gelaat bedekte. En hij had haar verboden te dragen wat wel onder de hoogste vrouwen in zwang was gekomen, maar dan \'toch altijd slechts onder de lichtvaardigste der lichtvaardigen!
»Slaap je al?quot; had het aan zijn legersteé geklonken op een toon, die vroolijk klonk, ja uitgelaten, zóózeer zelfs, dat hij er de opwinding, door het gebruik van rum of arak verkregen, in bespeurde. gt;Ik kom \' van de Bourguignonnes van daan. Heerlijke muziek was er! Toch kreeg ik er slaap; maar ik was ook zoo moê van de Bartholomeiv-kermis in Smith-field .... Waarom me â¢dat niet al lang laten zien? Maar je denkt nooit aan wat me plezier kan doen .... Wat waren er veel spullen! De akteurs â er waren heele knappe onder â en de aktrices zaten, rood en geel en blauw en groen gekleed, op de galerij voor hun hokjens te kijk. Eu daarbij getoeter, dat je hooren en zien verging, en een wiel, waaraan schuitjens hingen, die, vol van dames en heeren, rond werden gedraaid .. ! Ik zat er óok in ..! En weet je wat om te watertanden was ? De speenvarkens die overal te koop hingen! Alfred kocht er me een: hij laat het morgen bij Hopps bezorgen.quot; Hij snurkte. »Och, je slaapt maar, ouwe driftkop!quot; riep ze, terwijl ze zich van het bed afwendde. Zij begon te fluiten. Het was â al een zeer jolig deuntjen. Het fluiten had hij steeds als gemeen en ongepast afgekeurd en den deun als zeer onwelvoegelijk in den mond van eene, die een Lady gelijken wilde, veroordeeld. Toch vergastte zij er hem nu op! Het kostbaar kleed, dat hij haar nog nooit te voren had zien dragen â telkens zag hij nieuwe robes en kleinodiën â werd neuriënd uitgetrokken en achteloos in een hoek geworpen, even als de gouden armband op het tafeltjen in haar nabijheid. Hij hoorde haar overluid denken en meende te
â 60
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
liooren; »Mij een zorg! Laat hem slapen ... Alfred ..! een mooie-naam!quot; Hij kon de laatste woorden niet goed verstaan; van de-allerlaatste; »die dikke Generaal...! hoe werd hij ook genoemd?-
Lan...gerok, meen ik. \'t Is niet uit te spreken----maar aardig
was hij!quot; hoorde hij niets; alleen vernam hij een lachjen.
Hij had dien nacht weinig geslapen, veel minder dan zij, diamp; nog dommelde en doezelde, toen hij reeds geheel gekleed was en haar wakker schudde. Hij had gewikt en gewogen; hij had een vast besluit genomen.
;gt; Ik heb met je te spreken en wacht je in de andere kamer,quot;\' snauwde hij haar toe.
»Doe \'t hier!quot; verzocht ze, hem de hand reikend, welke echter-niet werd aangenomen.
»Sta op! Je zult wel hoofdpijn hebben.quot;
»In \'t geheel niet!quot;
»Dan is \'t een bewijs, dat je veel verdragen kunt...quot;
«Hoe beleefd! Karei, wat heb je? Heb je gehuild? Je oogea, zijn zoo rood!quot;
»Huilen doet geen man. Schreien soms wel. Maar daarvoor is \'t hier toch geen plaats.quot;
»Waarom niet. Karei?quot; vroeg ze, hem naar zich toetrekkend.
»Wie vloekt, schreit niet.... Niet meer? Sta op en kom vóór!\' Wasch het blanketsel goed af, want ik wil je nu eens zien zoo-als je werkelijk bent.quot;
Hij liet haar alleen.
»Daar zal weer wat zwaaien! Die arme ouwe jongen!quot; prevelde ze met een lachjen, dat aan het vermoeid en nog ten deel ge-blanket gelaat een weerzinwekkende uitdrukking gaf. »Hij zal honger hebben.... Laat ik hem den tijd geven zijn wit brood in. zijn chocolade te weeken, dan doen hem de korstjens niet zeer in den mond!quot;
Hij deed zoo als zij vermoedde en gebruikte wat in de voor^ kamer ordeloos en gebrekkig door Mistress Ilopps was klaar gezet, \'t Scheen wel of alles om hem heen meer en meer een baaiert werd! Hoe koud zich ook de Oktokermaand inzette, wat dikke smook ook oprees uit de schoorsteenen van de geburen, toch was. er in zijn verblijf niet gedacht aan verwarming! De toenemende slordigheid van Maud vond haar weergade in die van Hopps! In en om zich alzoo redenen genoeg voor den wrevel, die hem be-heerschte!
Eeeds lang was het karig ontbijt genuttigd, dat weelderig had kunnen zijn, indien hij waarde had ontvangen voor zijn immer stijgend kostgeld, en nog altijd was Maud niet verschenen! Hij klopte driftig aan de deur der slaapkamer en hoorde zich toe--roepen dat ze dadelijk verschijnen zou. \'t Duurde zoo lang omdat.
BE KAPTEIN VAN DE LIJFGAUUE.
ze hem met iets verrassen wou. Waarlijk, ze verraste hem ook; want zij trad, met zorg geblanket, binnen in het kostuum, dat ze gister avond voor \'t eerst aan had gehad.
»Hoe vind je me?quot; schenen haar oogen te vragen, terwijl zij ze beurtelings op hem en den kleinen spiegel vestigde.
»Wat? I)e koorddanseressen zijn alleen \'s avonds in de gouden pailletten, jij \'s morgens al!quot; riep hij geërgerd.
»\'t Bewijst wat je zeker bewijzen wildet; dat ik meer ben dan het soort waar op je \'t oog hebt.quot;
»Ga daar zitten!quot;
Ze keek hem met een uitdagenden blik aan en bleef staan.
»Waar kwam je gisteravond van daan? Heb ik je niet verboden zoo laat alleen op straa.t te zijn?quot;
»Ja, maar wat je verbiedt is niet altoos billijk. Alleen was ik niet. Weet ik altijd waar mijnheer de provoost-geweldiger schuilt?quot;
«Niet dien toon! Waar ben je geweest? Ik sta voor mij zeiven niet in, als je mij niet ernstig en deemoedig andwoordt!quot;
Ze zag onrustig naar de deur en ging op de sofa zitten, dicht bij den guéridon, waar de nieuwe uitvinding: een kamerschei, stond.
»Ik zag je in den schemeravond om Holland-Aouse dwalen... \'naar de officieren zien... juist toen de wachten werden afgelost... Dat wil ik niet hebben.... Andwoord! Ik wil and woord 1quot; schreeuwde hij.
»Over mijn tong ben ik nog alleen de baas!quot; klonk het bits.
»Daarom spreekt ze dan ook altijd logen! Zie, wat ik gister avond vond in een hoek achter de sofa!quot; Hij toonde haar eenige roode en witte veertjens, zoo als de jongste officieren en Edellieden, die de laatste mode volgden, op den rand van den hoed droegen. »Welk bezoek heb je gehad? Van Alfred? Dien naam hadt je gisteravond op de lippen! Ik sliep niet toen je terug kwaamt als een gemeene deern, geurende van tabaksrook en rum? Andwoord! And woord!quot;
»Waarom? Mijn tong liegt immers altijd? Je hebt het zelf gezegd.quot;
»De kelk is eindelijk overgeloopen, deern! Wij moeten scheiden ... elkaar niet meer zien!
Zij had zich op de sofa in haar gantsche lengte neergestrekt en speelde met haar gesloten waaier.
»Schepsel zonder hart...! zonder eerbaarheid!... En dat is bij vrome lieden opgevoed en heeft haar belijdenis gedaan!quot;
»Ik ken al de boeken van het Ouwe en Nieuwe Testament nog van buiten en de Artikelen des Geloofs op mijn duimpjen.. -zei ze, waarna zij den straatdeun begon te fluiten, die hem den
\'63
DE KA.PTEIN VAN DE LIJFGARDE.
vorigen avond reeds zoo zeer had geërgerd. Hg sprong op haar toe, rukte haar den waaier uit de hand, sloeg haar daarmeê op het hoofd en wierp dien toen in haar gezicht. Zjj huiverde; de bovenlip trok even stuipachtig op, waardoor een rij witte tanden .zichtbaar werd. \'t Was het blikkeren van het gebit eener tot woede geprikkelde wolvin.
igt;Aunt, je hebt liet spel gewonnen,quot; zoo klonk het in het diepst van haar binnenst.
Hij stond een oogenblik roerloos van schrik over zijn laaghartige â daad. Een zwakke vrouw te mishandelen, eene, die nog wel verlamd scheen van vrees en ontzetten, want hij vernam zelfs geen kreet en,zag alleen een gestalte, die in elkaar kromp en zich als saamvouwde!
»Ik bedoelde niet... ik wou niet...quot; hikte hij.
«Mijn hersens inslaan â neen, dat geloof ik ook niet; toch kwam de slag goed aan!quot; zei ze zacht, terwijl ze een hand aan het golvend welriekend hair bracht, dat zeker niet stevig genoeg was opgemaakt, want het viel in lange lokken neer en omlijstte â de blanke slapen en wangen.
»Wij moeten scheiden, maar niet dus!quot; riep hij getroffen uit.
«Vaarwel dan!quot;
Zij sprak die woorden. Eensklaps was hij verlegen met de voor zijn eigenliefde te gemakkelijk behaalde zegepraal.
«Green hart!quot; suisde \'t van zijn lippen... »Je hebt me nooit lief gehad...quot;
»Ik heb je toch nooit geslagen... Nu, vaarwel! Ik ben moe... Waarom ga je niet heen?quot;
»Omdat ik je vooraf wil zeggen wat je in mij hebt gebroken ... bezoedeld ...quot;
»Gra je weer preeken? Ga liever heen.quot;
»Maud!...quot;
»Ik weet al wat er volgt: Ik ben van steen... ik ben lichtzinnig ... oneerbaar... Al het onrecht is aan mijn kant. De heer Kaptein gaf mij altijd zulke goede lessen en voorbeelden...! voorbeelden vooral!\'\'
Ze wierp hem de haar toegeslingerde verwijten terug met zooveel handigheid, dat hij te blozen had over \'t geen hij had gedaan. »Maar dat is nu al zoo dikwijls gezeid, dat het me verveelt. Ieder van ons gaat voortaan zijn eigen weg... Wat treuzel je toch ? Ga dan heen...! Ik weet heel goed, welken weg ik heb in te slaan...quot;
»Je staat aan den rand van een afgrond.quot;
»Dan val ik daar maar in...quot;
»Mijn hand heeft...quot;
»Me geslagen.quot;
63
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Maud! Maud! vergeef me dat!quot; Hg zonk op de kniën voor de sofa neer.
Zij bootste fluitend de leeuwerik na.
»Heb meélij met me! Wees niet zoo monsterlijk wreed!quot;
»Ga heen!quot; beet ze hem toe; \'t kwam hem voor, dat zijn hand, welke de hare gegrepen had, even werd gedrukt.
sik kan niet gaan... zoo niet!quot; snikte hij.
Een glimlach vertoonde zich op Mauds van hem afgewend gelaat.
»Als ik maar de overtuiging had, dat je me trouw waart...!quot;
»Een jaloersch man is niet te overtuigen.quot; Zij had nu den, waaier geopend en koelde er zich het gelaat meê af.
»Met wien was je gister, Maud ?quot;
Ze zag hem aan. â Zij fluisterde; »Onverbeterlijke... dwaas!\' Omdat je \'t nu zoo nederig vraagt en omdat je zoo\'n dwaas bent, zal ik andwoorden. Om vier uur was ik bij Holland-Aoitóe, waar je me gezien schijnt te hebben. Waarom ? misschien wel om zekeren, jaloerschen Kaptein goedendag te zeggen... ik had je \'t \'s morgens niet eens kunnen doen...quot;
»Is dat waar? Is dat waar?quot;
»\'t Is waar ook; mijn tong liegt alleen.quot;
«Verder! verder!quot;
»Van daar naar \'t nieuwe kofiihuis waar »de kaasboerquot; uithangt
in St. Jamesstreet mét onze Hopps; we huurden een rijtuigjen----
Weet je wie in \'t koffihuis woont? Kit, het lersche wijf, dat we zoo dikwijls voor den gek hebben gehouden bij Vader David....quot;
»Dus je denkt nog aan die dagen! Ik ook Mau1\' Ik ook..-gedurig . .. aan onze wandelingen . . .!quot;
Zij ging door, zonder op hem acht te geven. »Daar hebben we gegeten... \'t Is hier zoo eenzaam als je er niet bent, en dat gebeurt nog al eens! Toen zijn we naar Haymarket gegaan, daar hoorden we.... maar dat heb ik je gister al verteld â en je sliept niet zoo als je straks vertelde.quot;
»Wie waren daar? Misstress Hopps en....?quot;
»Ik.quot;
»Niemant meer?.,. Wie is die Alfred?quot;
»Een alleraardigste jongen, met wien ik in \'t voorbij gaani kennis maakte. Zijn taille is niet zoo dik als de hals van mijn. Kaptein.quot;
»En dan die veeren!quot; Hij toonde wat hij gevonden had.
3,Ik heb een hoed met die veeren in huis gehad. Zeker! â Ik: wou je er zoo een geven. Ik dacht je met een nieuwen te verrassen, maar ik herinnerde me nog bij tijds, dat je vroeger wel,, maar nu bij de Lijfgarde niet meer die kleuren draagt.... Hoe ik aan het geld er voor kwam? Ik spaarde \'t van de douceurs, die-
64
DE KAPTEIN VAN DE LIJFOAUDE.
je me vroeger dikwijls gaaft! Dat geld wil ik tóch voor je besteden. Je beste jas is niet meer naar de mode. Laat me dien voor een paar dagen, dan stuur ik hem naar je kleêrenmaker om gaatjens in de mouwen te maken voor knoopjens op de ponjetten. De knoopjens moet je evenwel zelf betalen, want zóo ver reikt mijn geld niet...quot;
»Dat vind ik lief! Heb je geld noodig, Maud? Niet? Hij kuste haar vóór zij \'t hem had kunnen beletten, ondersteld dat ze dit gewild had. »Liefste, vergeef me mijn argwaan...! Ik zal dien voor goed onderdrukken ...!quot;
»Dat wil zeggen: voor de twee minuten, die je misschien nog bij me kunt blijven. Of heb je van daag geen dienst? Dat zou heerlijk wezen, want dan ga ik met je wandelen of de Theems-op met een roeiboot naar Hampton-Court... Jammer dat de Koning er niet meer woont, hè?... Toch gaan er nog velen van de fashion heen. Daarom kleedde ik me zoo mooi. In weken heeft de Heer Kaptein .zich niet met mij op straat laten zien. Blijf je thuis, Kaptein?quot;
»Ik zou bijna vergeten dat het Donderdag was! \'k Heb van middag inspektie en den heelen nacht dienst____quot;
»\'tls waar ook, dat \'s Donderdags altijd. Dus blijf ik van daag thuis 1quot;
«Een lange dag voor je! Ik heb er niet tegen, dat je met Hopps____quot;
»Daar heb je \'t nu! Ik wou \'t je zelf laten zeggen. En ik kreeg dien slag met den waaier, omdat...quot;
»\'k Wou lat mijn hand ware verlamd!quot;
»Ik ken dat.... Vaarwel!quot;
Zij liet zich omhelzen.
»Trek je niet je mooisten uniform-jas aan? Maar \'t is waar ook: van avond eerst heb je hem op de wacht noodig. Zou ik je een poos gezelschap mogen komen houden ?quot;
»Wil je dat? Waarlijk?quot;
»Ik deed \'t toch vroeger al! Erg in \'t gniep... heerlijk!quot;
»Maar ééns.quot;
»Wat een werk toen om dien schildwacht voorbij te komen, herinner je je \'t nog? Ik kende.... \'t parool niet. Noemen ze dat zoo niet?quot;
»Als je van avond komt, zeg dan; »peen,quot; als ze je er naar vragen, en je wordt doorgelaten.quot;
»Is dat Hollandsch? Dat woord kan een Engelsche mond nu eens óok zeggen.quot;
Hij trad naar de deur.
65
»Karel, wie was die ondeugende vent op dat steigerend paard gisteren voor het hek van Holland-house ?quot;
5
KAPT. VAN DE LIJFGARDE. â 11.
DE KAPTEIN VAN DK LIJFGARDE.
»Boetzelaar van Langerak, een vrat soutien de hordei!quot;
»Een Generaal, hé?quot;
Karei knikte.
»Als je hem ontmoet zeg hem dan, dat hij de Ladies niet zoo scherp moet aankijken!quot;
Karei ging de kamer uit. Toen hij op de bovenste trede dei-trap stond, voelde hij reeds het eerste gefluister van het zelfverwijt; toen hij de buitendeur achter zich dicht sloeg, klonk die stem als het »gedruisch van vele -wateren.quot;
»Weer verslagen! Ik, willelooze gek! Wie redt mij? Wie redt mij?quot; bruiscbte \'t in zijn binnenst.
En daar boven werd zonder eenig zelfverwijt de behaalde overwinning gevierd, den overwonnene echter de vernedering van het tneölij bespaard.
âIk doe met hem wat ik wil. Zou ieder man zoo lat wezen? liaf en brutaal! Hij durfde me slaan!.... mompelde Maud. Zij zweef een poos. Hare blikken zwierven naar \'t scheen doelloos rondr Tóch niet! Zij zag in haar verbeelding Vader David en Moeder Sally en Nathanaël. Zij hoorde het klokken der moederhen, het piepen der kuikens, het kirren der duiven. Zij snoof de reine
morgenlucht op...! . tij.
Waarom was Davids jongen ook zoo\'n kinkel? Daar was licht.... daar was lucht....! Zij stokte. Zij lachte schel. Maar daar was toch geen Auntie, die met vier paarden reed!
66
II.
Bijna op denzelfden tijd, dat de twee kostgangers van Misstress Hopps kibbelden en zich weder verzoenden, was de Gravin van , Dorchester bezig het laatstnoodige voor te bereiden ter uitvoering barer nu reeds maanden lang beraamde plannen.
In hetzelfde boudoir, waar wij haar reeds eens vonden, zien we haar terug. Toen was haar kamenier haar eenig gezelschap, mi ,is \'t een jong, naar den laatsten smaak uitgedoscht heer, Mr. Edward Jones Wellthorpe. Deze scheen nog altijd gunsteling te zijn gebleven.
De Gravin, liever noemen wij haar hier Kate Sedley, zat gekapt en gekleed in den leunstoel voor de kaptafel.
\' Mr. Jones had den eenen arm gelegd op den rug van haar stoel en boog het hoofd zóo ver voorover, dat de bedwelmend geurende lokken van zijn pruik zich met haar love-locks vermengden en de geur harer welriekende lippen door zijn reukorgaan van nabij kon worden genoten.
Het verdiende te worden opgemerkt, dat de jonge man, eens bekend, ja beroemd, om zijn lang zijdeachtig blond natuurlijk hair, dit had laten afscheren en door een donkerbruine pruik had doen vervangen.
Kate had juist de rekening van den verkwister opgemaakt en, de scherpte van haar blikken temperend door de oogleden half te sluiten, hem op zoeten toon toegevoegd: »Je kost me veel, maar, zoo als ik nog altijd blijf gelooven, niet te veel. Het moet van daag blijken of ik al of niet gelijk heb. Geef me de rol aan, welke in die latafel ligt.quot; Dit zeggende wees ze op het meubelstuk, dat onder haar bereik stond.
Ze hielp zich zelve niet, maar wilde dat hij \'t haar deed. \'t Was of ze hem tot in \'t kleinste toe zijn afhankelijkheid van iiaar wilde herinneren.
BE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Die rol bevatte den platten gvond van een lieerenhuis, in de-nabijheid van Londen gelegen, maar dat door de gestadige uitbreiding der stad reeds als een deel van deze kon worden aangemerkt.
»Ik ken de les van buiten!quot; zei Edward met een zweem van ongeduld.
»Je zult wel eens achter de schermen van Drurylane hebben, gekeken, niet waar? Nu, dan weet je ook hoe dikwijls zelfs de eerste komediespelers de rol moeten doorloopen en opzeggen^ waar \'t een stuk betreft dat geld belooit op te brengen. Me dunkt dat het stuk, door den aanstaanden Lord Fitz-Gérald te vertoonenr tot de meest opbrengende behoort.quot;
»Tot de gewaagdste en gevaarlijkste zeker!quot;
»Wordt Mylord bang?quot; _ ^
»Neen, dat weet je wel beter... Wat heb ik ook te verliezen!\' riep Edward schijnbaar onverschillig uit.
Kate hoorde er éenige weifeling en zéér veel vrees in; maar ze wist hoe ze met hem had om te gaan.
»Je hebt van morgen zéker nog geen druppel rum geproefd... En als men er aan gewend is, verklaar ik me, dat men dan dof gestemd kan wezen. Zorg maar dat je van avond je niet te veel druppels «opwekkingquot; hebt toegestaan. Laten we nu samen het slagveld eens voor het laatst gaan verkennen! Dat ijzeren hek wordt bewaakt door twee schildwachten, niet waar?
jgt; Ja, ja. Ik kan alles wel droomen. Tegenover Holland-house ligt de hoofdwacht.quot;
»Stil! Er zijn luistervinken overal; dus ook hier, hoe ver de-kamer ook van straat en keuken ligt! Geen aanduiding alzoo van plaats of personen! Heb jij ook niets te verliezen, ik wel. Yan naderbij beschouwd: jij toch ook, nog meer zelfs dan ik.
»Kate, ik zie je toch liever wat minder geregen ..!quot; zei Edward lachend, met de hand de gouden keten om haar fraai gevormden hals als verschuivend. ri
»Bewaar je scherts voor het danshuis!quot; hernam ze scherp. »wa voort, terwijl je met den vinger den weg aanwijst, dien men te volgen heeft om in het zoogenaamd Zomerhuis te komen...
»Dat ligt dieper den tuin in, ter zijde van het huis. Langs deze laan â \'t zijn overal lange rechte lanen en overal nieuw geplante lindeboomen, die gestut zijn om niet om te vallen, komt men langs het huis naar dat gebouwtjen toe. \' ^
»Hoe ver ligt dit van het huis en van de naaste wachtpost?quot;
«Honderd schreden van het eerste â drie honderd van het tweede.quot;
»Heb je ze geteld?quot;
j-Neen, maar Lilly, de linnenmeid, deed het.quot;
68
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE.
»Zeker jong, en met kleine voetjens ? Ja, dat dacht ik wel. ÃSu, dan kunnen we van die honderd en die drie honderd schreden â¢er wel twee honderd en zeshonderd maken. En de hoofdwacht? Weet je zeker, dat die zoo ver af ligt als je me vroeger ver-teldet?quot;
»Ja... Lilly zei me echter laatst, dat de officier, die de wacht kominandeert, sedert een paar weken een karaertjen vlak bij den ingang van het achtergedeelte van het huis betrekt, zoodra het donker wordt en het een slemppartij van St. Hubert is, zoo als het «onder onsjenquot; op Donderdagavond wordt genoemd, en dat â¢er dan een lantaarn op een paal vlak voor het Zomerhuis geplaatst wordt.quot;
»Hoe hoog staat die lantaarn?quot;
»Wel, op gewone manshoogte.quot;
»Dus voor jou te hoog?quot;
»Op de teenen staande, kan ik haar bereiken...\'\'
»Goed, dat je soms je eens uitrekt. â \'t Kan je groei nog bevorderen. Het is nieuwe maan; je hebt dus geen hemellicht te duchten; zelfs dat van de sterren misschien niet.quot;
»Als \'t van avond ten minste zoo bewolkt is als nu... Maar denk je er niet om, Kate, dat het vandaag Donderdag is, en, als «ens het gezelschap na middernacht opbreekt, het dan Vrijdag zal wezen.quot;
»Lord Fitz-Gérald, je gaat boven mijn bevatting...quot;
«Vrijdag is een ongeluksdag.quot;
»En je lacht niet bij die woorden, jij, die nog al gauw lacht, zelfs waar \'t niet te pas komt? Het blijft bepaald zoo als wij \'t â afspraken. Zijn Majesteit te Dublin wordt reeds ongeduldig en... de tegenwoordige bezitter uwer rijke goederen schreef reeds heel vertrouwelijk naar die stad. De slimme vos! Hij heeft het draaien van den wind al geroken; hij wil weer overgaan tot de Tories. Hij ruikt al den aanstaanden ommekeer. Binnen drie maanden woont Zijn Majesteit, door de gratie Gods en mijn toedoen weer Koning van drie Rijken, zeker weer in Whitehall, maar \'t kan â¢ook wezen: binnen drie weken... Het laatste is hem aangenamer dan het eerste en kan alleen waarheid worden door den moed en â het beleid van mijn jongen vriend, dien ik op dit oogenblik liever tegenover mij op een stoel zie zitten dan leunend op den mijnen,.
»Een schoon landschap beschouwt men het voordeeligst van een hoogte..
yiEen geschilderd misschien, en dat zul je in de laatste tijden meer gezien hebben dan een natuurlijk. Dat zal wel veranderen, als je je voorvaderlijk slot weer hebt betrokken... Maar de Gravin van Dorchester verzoekt je vriendelijk de galanterie aan den kapstok te hangen en in plaats daarvan er den ernst van af te nemen..»
69
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAUDE.
Je begrijpt toch wel, Mr. Jones, dat de tijden ernstig, heel ernstig zijn, en dat wat knaap is man moet worden.quot;
Hij had tegenover haar plaats genomen en zag haar met eenige-onrust aan.
gt;Of ik dat begrijp! \'t Is een spel op leven en dood...quot;
»Juist, maar ik heb de kansen weten te berekenen en de na-deelige tot een minimum terug gebracht. Ik ben tevreden over je lokale inspecties. Voor alle zekerheid ga je straks nog eens het terrein beschouwen, niet vluchtig zoo als je \'t een meisjenskopjen gewoon bent te doen, maar met al de berekenende schranderheid, waarmeê je den eersten blik op je aanstaande bruid zoudt slaan. Daarna kom je tusschen vier en vijf uur in de «Kaasboerquot;, waar Kit je een goed maal zal klaar maken en waar ik dan ook zal wezen om voor een passende kleeding te zorgen...quot;
»Dus nogmaals een tête a tête met de goddelijke Kate!quot; riep hiji op zijn lichtvaardigsten toon uit.
gt;Je vergist je... met de Gravin van Dorchester. Kate is voor Edward Jones begraven. Versta je me goed...?quot;
Hij stond op, boog zich, maar met een satyrieken glimlach, en zei: »De geestigste en bevalligste vrouw van Engeland kan voor niemant in \'t graf blijven liggen...quot;
«Schrijf dat over en teeken \'t dan!quot; klonk het meer bevelend dan verzoekend.
Werkelijk, Kate Sedley was voor hem verdwenen en de Gravin van Dorchester stond voor hem, toen ze hem een stuk papier toewierp.
»Wat? Wat?quot; riep hij, nadat hij \'t gelezen had. »Een trouwbelofte aan... Maud?quot;
»Ja, het lief dom duifjen, dat je immers zoo dikwijls hebt doen kirren, zoo als je me verzekerde...quot;
»Ja wel, maar anderen deden \'t ook. Zoo\'n deern trouwen? Zeis een diamant â een robijn wat gloed betreft! â maar de edelsteen is niet los te maken van de modderkluit waarin hij steekt» Men wil den steen wel een oogenblik oprapen, maar in den zak steken en bewaren; grand merci 1quot;
Een ongewoon lichtjen straalde in de oogen der Gravin! Een zonderlinge zenuwtrekking deed de bovenlip even omhoog gaan â dezelfde beweging als bij Maud in oogenblikken van woede kon worden waargenomen, maar bij deze veel duidelijker, eigenlijk openhartiger, dan hier!
Edward was en bleef een gans, zooals de Gravin hem steeds in zijn afzijn noemde. Hij was te lokken, hij was te drijven, zonder dat hij de beweegredenen goed begreep, en klotste dan door dik en dun. Hij dartelde door bet leven, waarvan hij den ernst weinig kende en nooit hoopte te leeren kennen. Hij was het witte-broods-kind, dat, bij lach en scherts opgevoed, den rijkdom, vertegen-
70
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
woordigd door grondbezit, de eenige voorwaarde tot geluk heette. Maar hij was te gelijkertijd volbloed-edelman, derhalve geheel overtuigd van de klove, die den adel scheidt van den niet-adel, die eigenlijk niet meer was dan gepeupel. Van de vrouwen, aan speeltafel en in danszaal, vroeg hij alleen vroolijkheid en ongesluierde schoonheid, maar van de éene, wie hij den naam zijner voorvaderen zou schenken, vroeg hij geheel iets anders en oneindig veel meer. Daarom weigerde hij steeds korter en bitser wat de andere hem vroeg en nogmaals vroeg.
»Dat doe ik nooit!quot; riep hij geërgerd. »Ik kan begrijpen dat je belang stelt in eene----1quot;
Hij hield op, verschrikt over zijn eigen vermeielheid. Onder het rozen-rood van haar blanketsel meende hij het donkerder rood van een blos te zien gloeien. Hij wenschte, dat hij zoo iets niet had gezegd en was gereed te trachten de laatste woorden een gants anderen zin te geven als ze aanvankelijk schenen te hebben. Maar de Gravin liet hem den tijd er niet toe en behoedde hem tevens voor nog grootere dwaasheden, waartoe hij door zijn nadere toelichtingen zeker zou gekomen zijn. Zij had de trouwbelofte voor zich op de kaptafel gelegd, reikte hem een ander beschreven stuk papier en daarbij een schoon vel toe, en voegde hem op zeer beslisten toon toe: »Begin dan maar dit over te schrijven en onder-teeken het met den naam van: Alfred!quot;
Het was het ontwerp van een brief en hield de volgende woorden in: «Twijfelt ge er nog aan of ge om den tuin wordt geleid, kom dan van avond te acht uur voor \'t koffiehuis »het Koningshoofdquot; in Lime-street, waar ge een Heer zult vinden, die een blauwen strik op den linker schonder draagt: volg dien!quot;
Edward wilde goed maken wat hij straks bedorven had en maakte geen tegenwerping, al stuitten hem »al die verborgenhedenquot; geweldig tegen de borst. «Intrige, uw naam is vrouw!quot; meesmuilde hij, met een kleine verandering een beroemd gebleven uitspraak bezigend van zijn lievelingsdichter, Shakespeare.
«Vouw den brief dicht en schrijf het adres: iKaptein Semeyns van de Lijfgarde....quot;
»Hoe?quot; Hij schaterde \'t uit. »Dat \'s erg wreed. De man, hoewel soms twijfelend, was toch nog zoo gelukkig. En nu mag hij niet eens meer twijfelen kunnen I Komt Maud van avond waarachtig in het koffihuis of liever____daar boven? Met wien? Toch
niet met dien rekel van een Alfred?quot; De laatste vraag deed bij met een angstige uitdrukking, welke iets kluchtigs had. «Ik ben op niemant zoo jaloersch. Hij is dan ook voor haar nog het meest versch en daarom gevaarlijk.quot;
«Ik zal wel voor je aanstaande vrouw zorgen; wees maar niet. bang!quot;
71
DE KA.PÃEIN VAN DE LIJFGABDE.
»Zoo meende ik \'fc waarachtig niet. Spreek er niet meer over!
daarvan kan niets komen____ Ik geef mijn leven, maar niet voor
een toekomst als jij er mij een bezorgen wilt!quot; werd haar bijna toegesnauwd.
Zij bad den brief, door hem toegevouwen en van het gewenschte opschrift voorzien, in ontvangst genomen, wierp zich achterover in haar leunstoel en wees hem op den stoel, waarvan hij was opgerezen.
»Ga daar weer zitten!quot; beval zij. »Ik heb nog een paar woorden te zeggen. Luister goed! Als je van avond of van nacht het werk gedaan hebt, dan vindt je mij niet hier, maar boven ons koffiehuis, »de Kaasboer.quot; Mijn huis is in de laatste weken bij de Williamieten hoe langer hoe meer verdacht geworden en daarom is \'t me ver van aangenaam dat je hier weer bij dag hebt aangeklopt. Men is iets op het spoor, maar zal, in het ergst geval, wel te verzoenen zijn als éen der bondgenooten wordt overgeleverd. Dat zal Uw Lordschap zijn, die dan nog maar een Lord in den dop is, en nog wel een, die er in blijft zitten! üw Edelheid was altjjd de onvoorzichtigste onder de onvoorzichtigen. Ik wil niet ontveinzen, dat dit mij steeds genoegen deed. Daardoor toch werd Uw Edelheid \'t best door de onzen te leiden en in den band te houden. Uw Edelheid heeft buiten mij om den wil Zijner Majesteit willen leeren kennen. Ik weet, dat Uw Edelheid een brief naar Dublin heeft geschreven, maar geen andwoord ontving. Een goede les voor Uw Edelheid.quot; Den sarkastischen toon prijs gevend voor den gewonen ruwen duwde zij hem toe: »Van mij en mij alléén ben je afhankelijk. En nu zeg ik je, dat, als je niet doet wat ik wil dat je doet, je toekomst waar je je leven voor wilt geven de gijzeling is in het naaste en een plantaadje in de West-Injes in het verder verschiet.quot;
»Je zoudt misschien mij het geld weigeren dat ik schuldig ben? Ik heb eereschulden!quot;
»Ja wel, eerlooze eereschulden!quot;
Ze bleef zich een oogenblik met zijn angst vermaken. De domme schurk, even schuldig als de ellendeling in het officierskleed ginder!
Zij vervolgde:
»Ik kan gissen wat er bij je omgaat. Dan doe ik ook het grootsche werk niet, zeg je in je binnenst; waarop ik andwoord: in dat geval loopt je kostbaar leven juist het grootst gevaar zonder dat er eenige toekomst tegenover staat. De brief, door Mr. Jones, aspirant naar den titel der Fitz-Géralds, aan Zijne Majesteit te Dublin geschreven, is daar niet verscheurd en kan overgezonden worden. Dat de inhoud je thands in Londen den kop zou kunnen kosten of liever op het rad brengen weet niemant beter dan jij zelf. En op het rad is \'t pleizierig sterven!quot;
72
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Zou je in staat zijn mij over te leveren?quot; vroeg de ander met heesche stem.
Een lichtmis, die hoog ernstig wordt, is zulk een kluchtig schepsel! De gravin van Dorchester kon zich dan ook niet weerhouden te lachen en meê te deelen waarom zij \'t deed.
»Ik trok maar even de teugels wat aan, om je ze te doen voelen, beste jongen! Even maar! Ik kan de kinketting nog vernauwen, maar \'t is zeker niet noodig en uit puur plezier doe ik nooit zeer. Ik blijf een onderteekende kopy van die trouwbelofte vragen, maar daardoor eisch ik niets vreeselijks van een telg van het stamhuis der Fitz-Géralds, dat zjjn begin heeft te danken aan â de mooie dochter van een barbier, die vier eeuwen geleden het voorrecht had een Prins van Wales te behagen. Ja, ja,
dat is een feit____! Hieldt je meer van lezen, dan zou je heel
wat balkjens leeren vinden op de wapenborden der edelste geslachten, en dat is juist zoo kwaad niet____dat brengt nieuw en
vurig bloed mee... Maar dat zal je wel niet met me eens wezen, «n je zult wel weer zeggen even als straks, dat je je begrijpen kunt dat ik oordeel zoo als ik oordeel. Mis geraden, Mylord! Die trouwbelofte moet door een huwelijk achtervolgd worden, maar niet verder wil ik met den gewonen loop van zulke zaken méégaan. Na het huwelijk ziet Lord Fitz-Gérald zijn vrouw niet weer terug; zij is dood voor hem. Maar uit de kerk komende, zal hij in zijn zak een douceur vinden, die hem twee duizend pond waard zal wezen... Kom, lach nu eens weer! Je moogt lachen. Ik jaag nu den ernst weg. Wil je een roemer canary of een nog grooter glas rum? Arme Edward, blijf je nóg bang, dat je voortreffelijke voorvaderen \'t je kwalijk zullen nemen ? Waarlijk niet, beste jongen, maar wel de gijzeling en de plantaadje in de West!quot;
73
III.
In een huurkoets jen had de Gravin van Dorchester het verblijf van Maud bereikt. De gelegenheid voor het, verkrijgen van zulke voertuigen, die de voornaamste straten zonder te veel gevaar voor de voetgangers konden doorkomen, was in de laat ste maanden sterk vermeerderd. Door de gezeten burgers in Londen werd er in toenemende mate van gebruik gemaakt. Ook de hoogere standen bedienden er zich van voor het verrichten van boodschappen en het afleggen van bezoeken, waarbij het bezit van een bekenden of beroemden naam of een groot fortuin juist niet naar buiten behoefde geopenbaard te worden.
De Gravin van Dorchester had reden te vreden te zijn bij het vertrek van Mr. Jones. Deze had in alles bewilligd en de roede nog leeren kussen, die hem kastijdde. De arme, die zich te voeden had met de kruimkens, vallende van zulk een tafel! De gewichtige samenzweering, waarvan Kate de ziel was en waarvan het hoog ernstig doel door geen der hooggeplaatste bondgenooten werd ontveinsd, al gaven ze onder elkaar aan het beraamd plan geen weid-scher naam dan van intrige, bracht al haar krachten in beweging. Zij »de ziel der samenzweeringquot; zag zich weder gevreesd, met ontzach bejegend. Haar onrustige geest, die zoozeer beweging noodig had, behoefde niet meer in ledigheid op zich zeiven te teren. Er was werk, veel omvattende arbeid, die haar voor verstijven en verdorren behoedde en tevens algeheele voldoening beloofde aan den hartstocht, die in haar binnenst alle andere overheerde: de wraak.
Zij was beleedigd, ter dood toe gewond in het edelst wat zij bezat, in het eenige wat dat onedel gemoed nog verwantschap
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE. 7S
deed gevoelen aan het goede, aan wat de dierlijkheid nog over-spreiden kon met een schemer van licht en van reinheid. Na haar eerste bezoek aan Maud in Kingstreet had zij zich daar in weken niet weder laten zien. Het was of zij zich schaamde voor de dochter, wie zij ter kwader ure het geheim had geopenbaard, dat ze jaren lang had weten te bewaren, en dat haar eenige rust voor zich zelve en veel invloed ten goede op Maud had verzekerd. Dit was voorbij, onherroepelijk voorbij! Toch moest ze pogen te herwinnen wat verloren was, zij \'t ook langs anderen weg. Maud verachtte haar. Ja, zg moest het zich zelve bekennen: het kind verachtte de moeder; die moeder verdiende \'t, maar het kind â en dat was \'t vreeselijkst â had zelf het recht tot verachten verloren.
Arbeid, afmattende arbeid, hoe ze er naar verlangde, hoe ze dien zocht en zich gelukkig prees, dien gevonden te hebben! Arbeid, die de dagen tot oogenblikken deed inkrimpen en de nachten vernietigde door den diepen, door vermoeidheid te voorschijn geroepen, slaap welke bewusteloosheid bracht.
Een reis naar Dublin, het hartelijk welkom haar daar toegeroepen door den balling, die er de Koningskroon torschte even als het kruipend kind den valhoed, de raad, daar gevraagd en gegeven, de plannen daar geopperd, gewogen en vastgesteld, dat alles was een verfrisschend bad geweest! Het had haar gezonken aanzien niet alleen geheven, maar het had ook haar schier vernietigd zelfvertrouwen weer tot ontkiemen en opbloeien in staat gesteld. Teruggekeerd, had zij de kracht gevoeld haar kind weer te zien en zich zelve kunnen beheerschen door voor het oogenblik te berusten in een toestand, waarvan zij al het afschuwelijke\' inzag. De kastijding van den schuldige werd verschoven, maar om haar des te strenger te doen zijn.
Het terugzien van moeder en dochter was hartelijk geweest. Op het laatstelijk voorgevallene werd niet gedoeld, \'t was of \'t uit beider geheugen, zonder eenig spoor na te laten, was wegge-wischt! Auntie bestond alleen voor Maud en deze wederkeerig alleen voor de zorgende, geschenken brengende en liefkoozende-Auntie! De bezoeken werden herhaald, maar steeds in de uren dat Semeyns dienst had, zoodat die er onkundig van bleef; zy werden steeds met graagte ontvangen maar nooit terug gebracht. Auntie vroeg dat ook niet. Slechts eens had zij de zich opgelegde zelfbeheersching even den teugel laten vieren en haar gevraagd of Maud niet eens met de »vierquot; zou willen rondrijden in damp; schooce omstreken der stad. Toen had Mand een oogenblik voor zich heen gekeken en vervolgens gevraagd of Auntie van paarden en van karos gewisseld had. De vraag was zóo goed begrepen geworden, dat er geen andwoord op gegeven was. Het onderwerp werd sedert niet meer aangeroerd.
76 DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAUDE.
Maar de dag was nu aangebroken, dat de sluiers, met welke â¢die twee zich hadden omplooid, moesten wegvallen; dat moeder en dochter elkander in de oogen zouden moeten zien. Aunüe had het zoo lang mogelijk uitgesteld, maar van daag moest het geschieden.
Ditmaal echter zou \'t onder veel gunstiger omstandigheden kunnen plaats hebben dan vroeger! Had de moeder zich den â eersten keer niet tegen den blos der schaamte kunnen wapenen, xi u evenwel zou die blos zelfs niet tevoorschijn behoeven te komen. Het pijnlijkst was geleden. Het gold nu maar zich het bezit van het kind te verzekeren, dat niet opgehouden had haar lief te hebben, maar, aan algeheele vrijheid gewend, zich geenerlei banden liet aanleggen, al werden die ook door de moederliefde met rozen omvlochten.
Vóór Auntie naar boven klom, had zij Misstress Hopps, die haar de deur opende, enkele woorden toegefluisterd. Hopps had â daarop toestemmend geknikt en zich twee guinjes in de hand laten glijden, waarna zij diep nijgend fluisterde: »Ik zal zorgen dat hoed en jas in uw koetsjen komen, Mylady!quot;
Een oogenblik later opende Auntie de kamerdeur en vond ze Maud op de sofa in dezelfde houding neêr liggen, als waarin Semeyns haar straks had verlaten. Met de armen omhoog gestoken, de handen boven het hoofd gevouwen, de oogen doelloos voor zich uitstarend, terwijl een geeuw langzaam over de lippen gleed, was zij het beeld van den lediggang, welke de verveling tot gezelle had.
Aunüe merkte \'t op, en een glimlachjen van tevredenheid speelde â even langs haar mond.
»Waar is de Kaptein, Maud?quot;
»Waar hij meest altyd is als hij niet slaapt,quot; andwoordde ze, zonder veel van houding te veranderen.
»Erg vervelend voor je, Maud!quot;
»Och, ik ben er aan gewend.quot; ^
»\'t Is goed gezond wéér. Wil ik je straks komen afhalen? Maud schudde ontkennend. «Niet met rijtuig, want je houdt niet van rijden, maar....quot; Maud hield niet op ontkennend met het hoofd te schudden.
»Kind Iquot; fluisterde Auntie, terwijl ze een van Mauds handen in de hare nam, »heb je nog niet genoeg van dien ouden zeu-rigen man?quot;
»Maanden al te veel. Auntie!quot;
«Gelukkig! Jaag hem dan weg!quot;
»Och, hij laat me vrij.... Anderen zijn me liever, maar ik geloof ze met veel meer moeite te kunnen leeren wat ik hem nu eenmaal geleerd heb...! en dat heeft ook al veel moeite gekost en me zelfs slaag bezorgd....quot;
DE KAPTEIN VAN 1)E LIJFGAUDE,
»Wat zeg je? Heeft hij je..,.?quot;
»Wat zou dat? Als ik hem nog lief had, ja, dan...! Maar ik heb een hekel aan hem! Hij weet zoo mooi soms te praten, dat ik er onrustig bij word en me in een kerk denk. God, dan kan. ik zoo ongelukkig wezen en zou ik hem wel van me weg willen trappen...! Maar meest is hij onderdanig en dient hg mij... nederig ... juist zoo als ik \'t hebben wil... \'t Is kluchtig hoe ik met hem kan omspringen. Auntie, ik heb ü zeker voor dit toilet óok te danken?quot; zei ze, eensklaps van toon veranderend.
Wat gedachtensprong! Auntie merkte er innerlijke gejaagdheid in op! Ook in het hart van haar kind was geen rust! En daar moest en daar kon toch rust komen, als dat hart maar dat der moeder ontmoeten wou.
»Ja, Maud!... Ik zorg er zooveel mogelijk voor, je wat afwisseling te bezorgen... even als Mr. Jones ...quot;
»Jones...? Edward Jones? Niet meer dan water en melk! Alfred, die is me meer waard. Maar toch ook zoo heel veel niet. Hoe komt het toch. Auntie, dat me alles zoo gauw verveelt? Miil~ berry gardens, Westminstev-walk, Drury-lane, \'t is om te geeuwen! Altijd hetzelfde. En dan die galante mannen en die jaloersche-vrouwen! De laatste vind ik nog het aardigst.quot;
3gt;Laten we die dan gaan opzoeken, Maud!quot;
»En ü wil méégaan? Hè, ik dacht niet dat ü van zulke vrouwen zou houden.quot;
Auntie zag haar vragend aan, maar waagde geen vraag te doen, want menig andwoord van Maud had haar pijn gedaan, \'t Baatte echter weinig. Maud gaf toch een andwoord, want ze vervolgde: »Ik maak ze jaloersch, en dat geeft pleizier, maar ü, dunkt, me.... kan dat niet,quot;
s Kom, maak je nu maar gauw klaar! Sla van daag je nieuw fluweel overkleed om, dan zie ik meteen hoe je dat staat!quot;
»Waarom wil u me volstrekt de straat opjagen?quot; vroeg Maud met kwalijk onderdrukt wantrouwen. »U en ik samen buiten... onder aller oog! Ik zie er \'t genot niet van in, Aunt!\'\'\'\'
»Kind, wantrouw me toch niet altijd! Ik m\'een het zoo goed met je en ben hier gekomen om je daarvan de overtuiging te geven. We zijn aan een kruispunt..! Vat mijn hand en wandelen we samen ...!quot;
Zij kon niet voleinden. Een dof gedruisch in de verte had Mauds oor getroffen. Zij had zich halverwege opgeheven. »Hoor, Auntie! \'t Komt nader! Hoor! Er zijn weer duizenden op de been! Zoo als gister zeker! Hoor, hoe ze juichen! Dat \'s de Koningin, die, als \'t even weêr is, in een heel eenvoudige karos met maar twee paarden de stad door rijdt en dan de menschen gek maakt van vreugde. Wat moet die vrouw gelukkig wezen!...quot;
77
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE.
Zij zweeg en bleef een oogenblik nadenken.
Auntie was altijd voor dat nadenken bang, doodelijk bang. »Och, kind!quot; viel ze haastig in, »een volksgril...! de luim van \'t gepeupel...! Van daag juichen, morgen gillen ze haar toe...quot;
sEn werpen ze haar met modder...? Neen, dat kan ik niet gelooven. En toch, waarom zouden ze die vrouw alleen toejuichen â â¬n een andere...?quot;
Auntie rilde.
iOmdat ze een Koningin heet,quot; klonk \'t met heesche stem, »wordt in haar de ontrouwe dochter, die haar vader onttroonde, voorbij gezien...quot;
Maud had niets van die verklaring gehoord, maar was blijkbaar haar eigen gedachten blijven uitwerken.
â » Auntie,quot; zei ze eensklaps heel zacht bijna aan het oor der andere, »wie is mijn vader?quot;
Auntie voelde zich de keel als toegenepen.
Maud vervolgde kalm en koud: »Weet u \'t misschien zelve niet?quot;
«Onnatuurlijk kind!quot; mompelde Aunt, zich driftig van haar af-keerend.
»Ik dacht juist dat ik een heel natuurlijk was!quot; klonk het luchtig.
Auntie verkreeg dit oogenblik de onwrikbare overtuiging, dat met het hart van dat kind niet gesproken en het verstand niet overmeesterd kon worden, omdat dit zich had verschanst achter â de wallen eener logika, tegen, welke het denken der gewone men-schen geen treffende projektielen te werpen had.
Was er dan geen enkele sleutel te vinden, die op dat gemoed paste? \'t Ware ongerijmd, zoo iets te denken. In een ondeelbaar oogenblik trokken haar de meest charakteristieke gezegden, in de laatste weken van Maud gehoord, als voorbij. Ja, Maud voelde zich vernederd; zij zou juichen in een verhooging! \'t Kind sprak zich nooit duidelijk uit, misschien omdat \'t haar zelve niet duidelijk was, veel waarschijnlijker echter omdat haar hoogmoed zich niet naar buiten wilde openbaren, zoo lang die om bevredigd te worden de omstandigheden te ongunstig dacht. Indien Aunt juist oordeelde dan zou zij het moeielijk spel toch nog wel kunnen winnen.
»Kind,quot; zei ze op haar innemendsten toon, »ruim mij een plaatsjen in op de sofa! Ik heb je iets te zeggen wat je goed hebt te hooren.quot;
Maud zette de voetjens, half schuilend in de marokijnen muiltjens, op den grond neer, maar met denzelfden onverschilligen trek op het gelaat, dien zij tot dus verre getoond had. »Gra niet preeken! Dat zou ik niet kunnen uithouden,quot; zei ze met eenigen tegenzin, Aunt de hand latend welke deze gegrepen had en kuste.
78
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Wat moet die vrouw gelukkig zijn! riep je straks, van Mary sprekend, die door het volk werd toegejuicht. Ik ben ook zoo toegejuicht en voelde mij toen óok gelukkig!quot;
»U? Och, kom!quot;
De uitdrukking van minachting, die bij die woorden op Mauds gelaat zichtbaar werd, was al zeer kwetsend. Auiit hield zich goed, deed of ze niets had bespeurd en vervolgde: »Toen de wettige Koning hier regeerde, boog het gantsche Hof en de gantsche City voor mij. Toen eenige wrokkende ondankbare onderdanen een samenzweering tegen hem smeedden en hem dwongen tijdelijk te wijken, jouwde het volk den wettigen Koning uit, hém en allen die hem trouw waren en trouw bleven, dus ook mij. Je hebt mij zien verguizen... alleen uit politieken haat...quot;
«Onder het volk staande hoorde ik heel iets anders.quot;
»En weer heel iets anders zul je hooren als de wettige Koning terug is gekeerd in White-hall en mijn koets onder die van de edelsten voor de hoofdpoort van het paleis stil houdt. Je weet nog niet wat politieke haat vermag... De hoogste wordt vertrapt, de laagste verheven, naar dat het getij loopt. Je zult het zien, heel gauw zien, want onze wettige Koning wordt spoedig weer in triomf ingehaald ... Maar als dat gebeurt, zal mijn dochter niet onder het gepeupel staan, maar naast mij zitten in mijn karos als Lady Fitz-Gérald...quot;
T-Wat? Ik begrijp u niet... Ik met u naar het hof...? als Lady...? niet in de bergen... in een spelonk, waar niemant me zien mag...? En hoe komt u aan dien naam?\'\'
»\'t Is die van je Edward.quot;
»Mijn Edward? \'t Mooist wat hij had, liet hij zich afscheeren, hoewel ik \'t hem verbood.quot;
»Maar ik gebood het hem en om goede redenen. Luister nu eens goed! De vader van Edward bezat rijke goederen in het Westen. Hij was Whig en dus een tegenstander van den recht-matigen Koning en een aanhanger van den hoogverrader Monmouth. Toen deze overwonnen was en de straf ondergaan had, werd zijn aanhanger, Henry Lord Fitz Gérald, de verbeurd verklaarde bezittingen ontnomen; aan een verren neef, die heel gauw van geloof was veranderd, werden ze met den titel van het oud-adellijk geslacht geschonken. De nieuwe bezitter wist dankbaar te zijn! Hij was een tweede Sunderland in \'t verraden. Nauw had de overweldiger te Torbay voet aan wal gezet, of de nieuwe Lord Fitz-Gérald nam weer het vroeger geloof aan en voegde zich bij hem. De eenige zoon van den vorigen bezitter, die in de gevangenis overleden was, zwoer daarentegen den gevluchten rechtmatigen Koning trouw en ontving eenige weken geleden de verzekering, dat hij de goederen zijns vaders terug zal ontvangen, zoodra Zijne
79
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Majesteit in White-hall terug is gekeerd... Edward Jones, aanstaand Lord Pitz-Gérald, geeft u zijn naam ...!quot;
«Edward, die doet wat ik verbied omdat ü het gebiedt?quot; zei Maud nadenkend. Haar blik was bij het verhaal telkens afgedwaald; aan al die bijzonderheden had ze blijkbaar weinig aandacht gegeven.
En nu die onverwachte opmerking, welke van zoo veel bekrompen trots getuigde! \'t Maakte Aunt werkelijk toornig.
«Waarachtig, de stijfkoppigheid van haar vader!quot; riep ze verbolgen en op een toon, der echte Kate Sedley ten volle waardig.
»U kent mijn vader dus? Noem hem mij!quot;
»Zoodra je je Lady Fitz-Gérald noemt.quot;
»God, altijd met dien jongen te wezen! Leef eens op water en melk!quot;
«Een ding vergeet je: je kunt weduwe worden... en... je zult het heel gauw wezen.quot;
De stem van Auntie daalde terwijl ze deze woorden uitte.
Maud zag haar onderzoekend aan en schoof even van haar af.
»Ik kom je straks halen, Maud! We blijven den gantschen dag en avond samen. We zullen plezier hebben, Maud!quot;
Maud gaf geenerlei andwoord; \'t mocht wel beteekenen dat ze-al heel weinig verwachting had van dat plezier.
»We gaan de plek opzoeken waar je vroeger gewoond hebt... \'t Zal nu een afscheid voor goed zijn aan het leven daar geleid. We nemen Kit meê, je kent toch nog wel de lersche slons...?quot;
»Of ik die ken!quot; riep Maud helder lachend. »Zoo\'n grappig dier als zij was, had ik in mijn gantschen tuin niet! Waar is ze heen gestoven?quot;
»Ik heb haar opgezocht en gevonden om jou, lief kind! Ik heb haar verzorgd omdat ze in je nabijheid had geleefd; ik hielp haar aan een goed bestaan omdat ze me van je vertelde...quot;
»Goede Auntie!quot; lispelde Maud.
»Door die enkele woorden ben ik meer dan beloond voor alles wat ik voor je deed en nog zal doen! Lief, lief kind, ik ben de eenige, die waarlijk van je houdt! Geloof dat, mijn engel!quot;
»Ik wil \'t gelooven. Auntie!quot;
vAuntie? Heb je geen anderen naam voor me?quot;
»Nog niet!quot;
«Onverzettelijk!quot; mompelde Aunt geërgerd en toch ook bekoord over zooveel vastheid. Dat kind werd meer en meer de moeite van het winnen waard! «Tot straks alzoo! Tot weldra! Ken je het wachtwoord van van avond? Ja? Goed. Blijf in dat toilet, maar doe het gouden halssnoer aan, dat ik je liet zenden, en ook den armband, dien ik je door Edward liet geven----quot;
«En hij zei me, dat het een geschenk van hém was. \'k Geloof dat hij altijd noodig heeft met geleende veören te pronken....quot;
80
DE KAPTEIN VAN DE LIJEGAK.DE.
Auntie verliet haar. Zij had ook hier reden tevreden te zijn. Zij meende zich haast zeker van de liefde en de toekomst van haar kind.
Kon zij daar zoo zeker van zijn? Mand bleef nog een tijd lang op de sofa zitten. Zij dacht na over veel en velerlei. Weer eene nieuwe waereld werd haar geopend! »Een ding vergeet je: je kunt weduwe worden en je zult het heel gauw wezen!quot; prevelde zij. \'t Waren Aunties woorden, die ze straks al zoo vreemd had gevonden.
»Venijnige blauwe ringduif, heb je van nacht je jong dood gepikt? Hoe mooi je ook bent, ik draai je toch den nek om!quot; vervolgde ze, door hare verbeelding midden in de oude ménagerie verplaatst. »Leelijke mops, die er zeven zoogde, je krijgt een dubbele portie eten, hoor! Gek wezen!quot; zoo viel ze zich zelve in de reden. »Gauw het eten klaar gemaakt voor een anderen dierentuin!quot;
81
Zij repte zich haar toilet na te zien en te voltooien.
1
KAPT. VAN DE LIJFGARDE. â
II.
6
IV.
Op liet plein voor Holland-House was leven en beweging. Daar viel iets zoo vreemds te zien, dat de voorbijgangers bleven staan om het te genieten. De weg tusscben de Hoofdwacht en het ijzeren hek, dat de tijdelijke woning van Koning Willem omsloot, werd door een bonte menigte overvuld.
Een jacht-partij!
Het uitgestrekte landgoed Hampton-Court, dat Zijne Majesteit, wien de lucht in Londen onverdragelijk was, al heel spoedig na zijn troonsbestijging had betrokken, bleek te ver van Londen en het Parlement, om geen belemmering te brengen in den gang der regeeringszaken. Naar een dichter hij Londen liggend verblijf werd derhalve omgezien. Op Kensington-House in het Graafschap Middlesex, viel de keuze, maar de vele veranderingen, door Zijn Majesteit verlangd, hadden tot het betrekken eener tijdelijke woning verplicht. Een goed gebouwd huis. Holland-House, kwam ter beschikking.
«â¢Goed voor een Lord, niet goed genoeg voor een Koning,quot; had het oordeel der Londensche burgers geluid.
»Van een zuivere lucht omgeven en daarom voor mij bij uitstek geschikt!quot; zoo meende Zijn Majesteit, en ditmaal was hij niet af te brengen van het genomen besluit. Toch haastte hij zich zijn hoovaardigen onderdanen de zekerheid te geven, dat ook hij het Engelsche Koningschap een betere residentie waardig keurde, door Kensington te koopen.
Zoodra de duizenden guinjes voor huis en park den vongen eigenaar waren toegeteld, had men tal van werklieden daarheen zien trekken. Nacht en dag was er gezaagd, geschaafd en gehamerd. Groote kisten waren uit Holland aangebracht, Hollandsch sprekende tuinlui in het park met rooien en spitten begonnen; groote lindenboomen werden uit de wouden van de naastbij lig-
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGA11DE.
â gende parken op daarvoor expresselijk vervaardigde voertuigen, malle-jans betiteld, met de grootste zorg bekleed en bedekt als gold het hier de fijnste bloemen, aangevoerd. Reeds in het vroege morgenuur had men dikwijls een langen mageren man met een bonte huiskap op het hoofd, de geheele gestalte omplooid door een blauw-laken mantel, met de grootste aandacht zien toeschouwen â of met een kort woord of met een enkel handgebaar bevelen geven, â die met den tneesten eerbied ontvangen en de grootste snelheid â en nauwgezetheid werden uitgevoerd.
»Dat \'s nu onze Koning! Hij laat zich nooit zien â neem hem nu eens op!quot; zoo had het uit den mond van dezen en genen, die Tan verre het schouwspel aanstaarden, geklonken. En weer anderen hadden er aan toegevoegd, toen het werk ver genoeg was gevorderd, om de bedoeling er van te gissen: «Rechte lanen, alles recht! â¢Geschoren heggen! Alles stijf en mager als hij zelf is....quot;
Hij liet zich nooit zien, had men gezegd, en er school waarheid in de opmerking!...
Zijn Majesteit liet naar het algemeen gevoelen zijn Geheimen Raad en zijn Parlement maar arbeiden en regeeren, om met zijn Hollandsche Generaals tabak te smoken en jenever te drinken en â daardoor zich niet alleen het verhemelte te streelen, maar ook een oogenblik van vergetelheid te verzekeren. En dit laatste moest voor Zijn Majesteit zeer gewenscht zijn. De Fransche vloot was op de kust; het leger van den verdreven Koning zat den ouden Schomberg in Ierland op de hielen... Alles liep spaak bij gebrek â¢aan toezicht, aan overleg! En nog altijd kwam er van den kluizenaar in Holland-house geen ander blijk van leven, als het kloppen en hameren op Kensingtoa-house en klonk er geen andere stem als die de richting aanduidde der boomen en de omtrekken der gazons.
Zóo erg echter als in de laatste dagen had de zwijgende het nog niet gemaakt! Had niet de Koninklijke vlag van Engeland van het huis gewapperd, men zou niet vermoed hebben dat daar de man woonde, die voor luttel maanden nog tot een half-god was verhoogd, wien deugden en hoedanigheden waren toegedicht verre boven den gewonen standaard verheven, en van wien daden waren verwacht, welke het rampzalig en aan alle zijden bloedende land als met een too verstaf gelukkig zouden maken, tevens krachtig en â¢als met een nieuw leven begiftigd!
Stiller en stiller was het van lieverlede om de nederige residentie geworden. Slechts de keurig uitgemonsterde Lijfgarde gaf eenige afwisseling en ook de karos, welke dikwijls voor de hooge stoep, die van de hoofddeur naar het voorplein voerde, stil hield, om de vriendelijk knikkende Koningin in te nemen en naar de \'City te voeren. Het roffelen der trommen en het geschetter der
83
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
trompetten, dat Hare Majesteit van de zijde der hoofdwacht verwelkomde, deed dadelijk honderden samen stroom en, uit wier midden dan de juichtoon oprees: »We hebben ten minste een Koningin en wel een van de beste soort!quot;
Toen het hof nog in Hampton-Court was gevestigd ging er geen. dag voorbij, zonder dat de Koning aan het hoofd van zijn jachtstoet het park introk, de bosschen uren ver tot aan Windsor doorzwierf om het wild te verrassen en zich het eenig genot te verschaffen, dat zijne gezondheid niet schaadde. De bevolking, verzot op de pracht en praal van het Koningschap, mocht daarvan wel niet veel te zien krijgen, toch vernam ze van tijd tot tijd van de groote Heeren, die meê tot de jacht waren genoodigd en die eer met een rit van acht uur soms moesten betalen, wat de Koning had gezegd of niet gezegd maar had kunnen zeggen, en hoe vele-malen hij gekucht en daarbij naar den adem gesnakt had. Maar sedert Holland-house werd bewoond hoorde men ook daarvan niets meer.
De kleine woning had in de onmiddellijke nabijheid dan ook geen jachtveld, dat ongemerkt kon bereikt worden.
Maar ziet, vandaag is het doodsche voorplein een toonbeeld van levendigheid en vroolijkheid. Niet dat er, aanvankelijk ten minste, veel gelachen en luid gesproken wordt, maar de bepluimde hoeden, de roode, blauwe en geele rokken, zichtbaar als de kille herfstwind den mantel doet op- en wegwapperen, de geele kappen der hooge laarzen, de roode mutsen der knechten, die de bassende honden aan de lederen riemen teugelen, â dat alles geeft een verscheidenheid van kleuren en tonen, behagelijk afstekend bij het donkere huis en de bladerloze hoornen.
De aanwezigen zijn in twee hoofdgroepen, en deze weder in kleinere, verdeeld. Ãen dertigtal Engelsche Edellieden houden zich afgezonderd van het drietal Hollandsche Hoofdofficieren, die naast hunne paarden staan, vastgehouden door knechten in de uniform, der Garde.
Dat drietal zag niets ongewoons in de stugheid der anderen, maar handelde ook ditmaal zoo als \'t gewoonlijk deed in dergelijke-omstandigheden: het beandwoordde die stugheid met de grootste onverschilligheid en stapte van tijd tot tijd door de groepen der Engelschen heen, die het toch niet waagden een enkel scherp woord te doen hooren en zich meest slechts bepaalden tot een-koele buiging.
Maar die voorname en hooghartige Engelsche Lords waren \'t ook met elkander niet eens, ja haatten elkander feller, dan ze die overmoedige vreemdelingen schuwden. Whigs en Tories scholen onder hen ! Whigs, die Willem van Oranje Koning hadden gemaakt, Tories, die van het Goddelijk recht der Koningen vastelijk over-
84
DE KAVTEIN VAN DE LIJPGAllDE.
tuigd waren en, hoe ook door Jakob geknereld en gekastijd, dezen toch, innerlijk altans, nog voor hun meester erkenden. Dat die twee partijen zich op het voorplein der koninklijke residentie éven vrij konden bewegen, \'t was ook thands een reden tot ergernis voor hen, die tot de bovenliggende partij behoorden, en duidt dadelijk de richting aan in welke Koning Willem stuurt.
))Ha, ha, ha!quot; klonk het eensklaps luidruchtig uit een troepjen Tories, waarvan de minste een Viscount was.
Er was door een hunner iets van een vuil papier voorgelezen, half luid en met blikken, schuins naar de anderen gericht, als om â deze te doen gissen dat er iets zeer geheims en gewichtigs werd medegedeeld. Een der naastbij staanden uit de andere groep trad dan ook nader bij, terwijl hij een vragenden blik wierp op den breedgeschouderden Hollandschen Generaal, die nog het meest van allen door de Engelschen werd ontzien, \'t Was de Graaf van Ouwerkerk. De acht en veertigjarige krijgsman draaide aan den dikken rossigen knevel, terwijl hij den voorlezer op zijde trad. De overigen uit de groep der Whigs drongen den breed geschou-â derden achter na. De Tories hadden hun doel bereikt: de tegenpartij verlangde zelve te hooren wat men anders voor zich had moeten houden.
»\'t Moet van een uwer geestverwanten wezen, Mylords!quot; zeide â¢de voorlezer tot de Whigs. »Ik noem het een schandelik libel, dat door beulshand diende verbrand te worden, zoo er nog recht werd gesproken in Engeland!quot;
5gt;In üw plaats, Mylord! zou ik het laatste maar niet betreuren.quot; \'t Was blijkbaar een Whig die dat zeide. »Ge schijnt het vod al dikwijls gelezen te hebben, want het ging straks al zoo vlot. Mogen wij nu ook hooren?quot;
»Als üw Lordschap het verlangt, zal \'k u den aanhef laten genieten. Het is de geest van Karei den tweede die tot Koning William spreekt als volgt:
«Heil, brave neef en kaasboer, die «De maat te vullen heeft der Stuartsdynastie!
«Dat al liet kwaad, bedoeld door ons geslacht,
»ïot volle ontwikkeling in en door u zij gebracht ! «Bevoorrechte, gij maakte in maanden klaar «Wat wij niet konden doen in tachtig jaar!quot;
»Dat moet door een Whig zijn gedicht. We zouden nooit van eenig Koningshuis dus durven spreken,quot; besloot de voorlezer.
»En üw Lordschap heeft dat papier zeker op weg hier naar toe gevonden?quot; vroeg Ouwerwerk, de hand uitstrekkend naar het blad, dat de ander in de hand hield en niet waagde terug te trekken.
»Zoo als je zegt, Mijnheir!quot; klonk het sarkastiesch.
85
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGABDE.
gt;En zoo iets schandelijks wordt uit het slijk opgeraapt en durft men hier, voor het paleis Zijner Majesteit, voorlezen...? \'t Is wel een bewijs, dat de zachtmoedigheid niet de gewenschte vruchten brengt en dat eindelijk eens het strenge Eecht het woord moet nemen,quot; riep een ander uit de groep der Whigs.
»Als uwe partij iets leeren kon, dan zou ze weten dat juist haar sterfuur slaat, zoodra het strenge Eecht het eerste woord zegt. Broddelaars waart ge steeds bij voorspoed en bij tegenspoed ... om van de besten uwer alleen maar te spreken, samenzweerders...!quot;
»Een valsche Jakobiet, die dat zegt!quot; riep een der jongeren,, terwijl hij de hand aan den knop van den hertsvanger sloeg.
»Generaal, laat ge toe, dat uw meester onder de vensters van zijn huis dus wordt verguisd?quot; schreeuwde een ander van Ouwer-kerke toe.
»Als Uwe Lordschappen het toelaten, waarom ik dan niet? Maar stelt u maar gerust; een arendsnest is niet gemakkelijk door een steen te iereiken!quot;
sik zal hun^eens een koekjen geven van hun eigen deeg!quot; prevelde een der Hollandsche Generaals, die om zijn snaaksheid en zijn virtuositeit in de debauches dier dagen bij de Engelsche Heeren van alle Hollanders nog de grootste populariteit genoot.
\'t Was Van der Duin, Heer van \'s Gravenmoer. Zijn gelaat had niet den Germaanschen type van dat van Ouwerkerke, maar naderde meer den Angelsaksischen. Het zou schoon zijn geweest, als niet de ongebondenheid er haar merk op gezet had; maar de uitdrukking van een fierheid, welke het sarkasme meesterlijk als of-en defensief wapen wist te gebruiken, was door het toegeven aan de meest vleeschelijke hartstochten toch nog niet verloren gegaan.
»Ik heb óok iets voor de Heeren. Ik vond het óok ergens, maar het papier waarop het geschreven is maakt de hand niet vuil zoo als dat van Mylord ginder. Als die \'t eens op wilde zeggen! Mylord leest zoo mooi!\'\'
Mylord was de dupe der komplimenteuze woorden en las luide;
»De Koning,quot; klagen wij, «hij steunt alleen Op vreemden: Duitsclier, Hollander en Deen;
Hij pleegt met Engelschen maar zelden raad Ten aanzien van de zaken van den Staat.
Gewettigd en verklaarbaar is het feitl Hij werd door ons maar al te vaak misleid.
Een dwaas waar\' hij, geloofde hij aan trouw Bij eenig Engelsche, \'t zij man of vrouw.quot;\'
gt;Mijnheir!quot; riep dezelfde Tory toornig, terwijl hij \'s Gravenmoer van top tot teen mat.
86
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Mylord!quot; klonk \'t, en dat andwoord werd van een glimlacbjen begeleid: het laatste was nog hoovaardiger dan het stille spel van den Tory.
»Stil! stil! \'t Is verdiend!quot; riepen Whigs en Tories nu te gelijk. »Waarom \'t ook met »Greefmoerquot; aan te leggen....?quot;
»Hurrah voor het middernachts-pitjen!quot; riepen vele der jongere edellieden.
»Waart gij gister in Coventgavden-theater, waar de Spanish Fryer gespeeld werdïquot; vroeg een Tory uit de achterste groep aan zijn buurman, die de waag ontkennend beandwoordde maar begeerig het waarom der gedane vraag wilde weten.
»Daar borst een daverende toejuiching los, toen een der akteurs van een Koning sprak, die weer spoedig in zijn land terug zou komen.quot;
»Zeker zijn er weer slechter tijdingen uit Ierland! \' merkte een bedaagde Lord uit de groep der Whigs aan, die zich nog weinig met de anderen bemoeid had. »Is dat zoo, dan wordt de toestand zeer bedenkelijk.quot;
Een luide lach werd aan de andere zijde gehooid.
Een der Tories deelde vrij luid mede, dat eenige Geestelijken der Engelsche Kerk in het Noorden zich \'s morgens vroeg op weg hadden begeven, om den eed van trouw aan Koning Willem in de hoofdplaats van hun district af te leggen, maar bij de eerste pleisterplaats de tijding hoorden van een verloren veldslag in Ierland en toen ijlings terug waren gekeerd.
»Zoo zouden zij allen doen, die honden van Tories!quot; werd er door de Whigs geroepen.
»Machtelooze woede!quot; sarde men uit de rij der tegenstanders.
Er waren er onder de beide partijen, die zich schaamden over de verregaande onkieschheid van den woordenstrijd op deze plaats en ten aanhoore der Hollandsche Veldoversten.
»Om Gods wil. Generaal, zeg ons of er slechte tijdingen zijn! Treed tusschen beiden!quot; zei de bedaagde Lord van straks.
»Slechts een konstapel kan hier tusschen beide komen, en ik ben dat voor als nog niet, Mylord!quot;
»Maar wat denkt ge van de lersche zaken ? De laatste tijdingen spraken van een schandelijke terugtocht....quot;
Allen drongen zich om Van Ouwerkerke heen. »De terugtocht kan niet «schandelijkquot; zijn, waar de Hertog van Schomberg het bevel voert.quot; Het werd met hoogheid gezegd.
»Naar het gerucht wil is het geheele leger verloren...quot;
»Dat kan niet, want Graaf Solms met drie van onze regimenten behoort tot dat leger,quot; klonk het fier.
De groepen verdeelden zich, om een geestelijk Heer den doortocht te gunnen, die, met statigheid uit het rijtuig gestapt, met
87
DE KAPTKIN VAN BE LIJEGAKDE.
onverstoorde kalmte de Lords op het voorplein nader trad als wist hij, dat hem bij zijne nadering ruimte zou worden gemaakt. En het geschiedde zooals hij, Doctor Burnet, de nieuwe Bisschop van Salisbury, verwacht had.
Naar beide zijden deftig groetend ging hij voort, op de hoofddeur toe, waar Mr. Eandae, de concierge, hem reeds had opgemerkt en zich haastte de twee deuren wijd te openen.
»En ik zeg je, Jaap, dat er nou niks van de jacht komt. Een Amsterdamsch Burgemeester is óok al binnen en nou de deuze nog!quot; klonk het luid in plat Hollandsch tot een der jagerknechts, die reeds lang hun best hadden gedaan om de honden in toom te houden.
Aller aandacht vestigde zich nu op den boerschen man, die zoo vrij en frank zijn gevoelen waagde te uiten. Hij was den meesten der aanwezigen een bekende en wel een goê-bekende. »Jan Bijmeniequot; was van de gunstelingen Zijner Majesteit de zonderlingste en ver-makelijkste en daarbij de minst gevaarlijke. Ervaren in het jachtvermaak als de beste, werd hij door de liefhebbers â en wie van Engelands adel behoorde daar niet toe? â dikwijls geraadpleegd. Om die ervaring werd hij gezocht en om den vertrouwelijken en gemeenzamen toon, dien aller meester jegens hem aansloeg, werd hij met de meest nederbuigende goedheid door de hoogste Edellieden behandeld en stelden deze zich daarvoor schadeloos, door onder elkaar over zoo veel boerschheid en onbeholpenheid van taal â \'t was me een Engelsch dat hij uitbracht! â en manieren te schateren.
De naam, waarmeê zij hem aanspraken, was maar een bijnaam. Hij heette eigenlijk Jan Flourensz, was een Hagenaar van geboorte en door den Prins van Oranje voor jaren naar het Loo gezonden, waar hij tijd en gelegenheid kreeg zich tot volmaakt schutter en jager te bekwamen. Zijn treuzelgang en leuke manieren deden in het geheel niet een driftig temperatuur vermoeden, en toch; dat had hij en daaraan had hij zijn bijnaam te danken, \'t Was op een van zijn Geldersche jachten, die soms van zonsopgang tot zonsondergang duurden, dat de Prins hem lachend Jan-bijt-me-niet had betiteld. Jan had al een heelen tijd gegromd en niet onduidelijk gezinspeeld op de onnatuurlijke zwaarte van den jongen hertebok, dien hij een uur lang op den schouder had getorscht. Plotseling had hij het beest met den innigsten van al zijn vloeken â en hij had ze bij menigte! â voor het paard van Zijn Hoogheid neergesmakt met de opmerking, dat «anderen die er de lekkerste beeten van krijgen zouden nou maar eens het vrachtjen moesten nemen,quot; waarbij de kinkel waarachtig gewaagd had Zijn Hoogheid brutaal aan te zien. Het liep voor Jan beter af dan allen, die \'t gezien en gehooid hadden, vermoedden. Zijn
88
DE KAPTBIN VAN DE LIJFGAUDE.
Hoogheid bad gelachen en toen, van Boetzelaar-Langerak aanziende, gezeid: »\'t Is of er bloed van een Amsterdamsch burgemeester in den vlegel zit!quot;
De fiere Stadhouder had steeds een open oog voor de inborst zijner ondergeschikten en schiep zelfs behagen in een gemeenzaamheid, welke de beleefdheidsvormen, waar hij zelf weinig om gaf, voorbij zag, maar de meest innige verknochtheid aan zijn persoon tot kern had. De eenige straf, die Jan beliep, was de bijnaam, dien hij aanvankelijk met grimmigheid afwees maar toch eindigde met zich te laten aanleunen.
»\'t Was zoo noodig dat hg er eens uitkwam. Dat binnen\'s huis leven past \'em in \'t geheel niet,quot; vervolgde Jan al grommend.
»Je meester hoest zich half dood in de lucht... Misschien is hij weer door zoo\'n bui overvallen,quot; merkte een der Edellieden op, die van den eersten uitval van Jan niet alles had begrepen.
Jan keerde hem even zijn bot gelaat toe en mompelde: »wat weet jij er eigenlijk van?quot; waarna hij hem zijn rug te zien gaf.
»Jan heeft vandaag weer de bokkepruik op!quot; riep een ander, lachend over de lompheid van den boer.
Uit Jans hoofdkap, die gemakshalve achterst voren was opgezet, zoo dat de klep, die de oogen bij anderen beschermde, dat hielden nek deed, kwam wat geel blond hair te voorschijn, een paar lichtblauwe oogen, bijna geen wenkbrauwen, een stompe aan de punt eenigzins plat ingedrongen neus, een groote mond met dikke lippen, die, als ze open gingen, een gebit als van een wolfshond vertoonden, wangen, door wind en regen verweerd, ietwat neerhangend en van tijd tot tijd ter rechter of ter linker een raadselachtige zwelling vertoonend, welke bij nauwkeurige examinatie telkens van plaats veranderde en denken deed aan een vaak driftig bewogen bal in den mond. De hoedanigheid van dien bal werd dadelijk herkend, zoodra een bruinachtig vocht de mondhoeken bevochtigde. Een doek van gekleurd katoen zat hem als een touw om den hals en in dien doek waren van voren twee gebombeerd gouden knoopjes bevestigd, \'t Was het eenig weelde-artikel dat hij droeg, \'t Was een geschenk Zijner Hoogheid, dat een buil moest goed maken, hem eens door het naar het hoofd gooien van een liniaal door den driftigen meester toegebracht. Zijn wambuis, van dubbel Friesch laken, hing open en liet een rood baaien mouwvest zien. Een laken broek met wijde pijpen tot over de knie, een paar wollen kousen en een paar schoenen, waarvan de weerga in breedte en lengte maar zelden was gezien en dat bijna aan een vierkant strijkijzer deed denken, voltooiden zijn kleeding.
»Wij wachten hem nu al een half uur! We zijn geen lakeien!quot; zoo luidde de gramstorige uitroep van een der Edellieden, die ditmaal door allen, Whigs en Tories, werd bijgestemd.
89
HE KAPTEIN VAN DE LIJFGAKUE.
»Houdt jelui maar kalm! Ik zal wel even gaan kijken waar \'em de schoen wringt,quot; zei Jan in zijn hoogst eigenaardig Engelsch.
»Doe dat! doe dat, Jen!quot; riepen hem verscheidene goedkeurend en bemoedigend toe.
Jan ging met blauwe waterige oogen de rijen langs, terwijl iets wat naar een glimlach zweemde over het dom gelaat heentrok. Voor wie hem goed kende beteekende dat zooveel als: denkt jamp; dat ik \'t voer jelui doe, dan heb je \'t mis. Hij draaide zich langzaam om en trad op het huis toe met een stap, die dezelfde bleef al duurde de tocht ook tien uur. Hij wist waar hij wezen moest. Niet door de voordeur, welke voor de groote Heeren, hoewel zelden, werd geopend, maar door een hem welbekende achterdeur, naar den kant van het kleine park, zou hij Zijn Hoogheid â \'t woord Majesteit kwam niet te best over zijn lippen â wol vinden! \'t Was de kant waar tijdelijk de griffie zich bevond â in Amsterdam »comptoir,quot; in Engeland »kabinetquot; genoemd â waar Mijnheer Huygens, Sekretaris voor de Hollandsche Zaken, wiens verblijf in White-hall nog bewoonbaar moest worden gemaakt, soms uren achtereen zat te pennen met eenige klerken in het vertrek vlak naast hem. Wat al die krassende ganzenveeren eigenlijk voor goeds deden was Jan altijd een open vraag gebleven, \'t Ging hem niet aan; maar beklagen deed hij toch de stum-perts, die nooit wild rooken en maar zelden den wasem van het hout.
Dat hij dien weg al dikwijls had genomen bewees het afzijn van alle verbazing bij de klerken, toen Jan de deur van het kantoor even open duwde en zijn hoofd naar binnen stak.
sZou \'t gaan....?quot; vroeg hij.
«Neen, Jan, van daag niet, hoor!quot;
j.Waarom niet?quot; schreeuwde hij. quot;t Was zijn eigenaardigheid dat zijn spreken óf mompelen óf schreeuwen was; zijn stem scheen aan middentonen arm.
»\'t Ziet er van ochtend hier erg Spaansch uit! Max kreeg straks een pul naar \'t hoofd!quot;
»Heit hij een buil? Niet? dat \'sjammer voor \'em, want dan krijgt hij niks niemendal. Dus heeft hij weer opgespeeld? Nou, dat \'s beter dan in de stilte kniezen. Ik ben al van zeven uur klaar geweest. Ajuus, ik ga door!quot;
90
In een langwerpig vierkant vertrek.\'welks wanden tot op halve-manshoogte met eikenhout waren beschoten en verder met goud» leder bekleed, liep Zijne Majesteit de Koning van Engeland met haastige schreden heen en weer. Voor de drie vensters met kleine ruiten van fijn glas hingen dikke, maar thands weggeschoven^ gordijnen van blauw damast. Het uitzicht op het Park werd dit oogenblik weinig genoten. De groote schrijftafel van notenboomhout met papieren bedekt werd niet gebruikt, want de armstoel, die den schrijvende had behooren te dragen, stond een eind ver-het vertrek in, schuins en dwars, alsof hij met een ruk van zijn gewone plaats was verdreven. Van het marmeren blad der twee el hooge kast, met sierlijk snijwerk als overladen en van voren, met glazen deuren, waardoor de kostelijke inhoud, uit Japansch en Chineesch porselein bestaande, zichtbaar was, bleek een der groote pullen, die er op prijkten, neergevallen, want in de nabijheid lag op het dikke Smyrnaasch tapijt een menigte scherven. Een groot vuur vlamde in den open haard, in wiens d jour bewerkten rand de Koningskroon met de letters W. R. â William rex â in koperen letters prijkten. De haard was het eenig voorwerp wat de aandacht van den bewoner in deze oogenblikken nog trok. Telkens toch werden er blokken hout op geworpen en werd er in gepookt om het vuur helder te doen opvlammen. Dat hi) dat zelf deed en \'t niet overliet aan Max, getuigde wel van de dringend gevoelde behoefte aan meer warmte. Steenkool, die meer en meer als brandstof werd gebruikt en meer hitte verschafte, mocht hier echter niet dienen, daar de walm, welke zij voortbracht, meer geschuwd, dan de grootere warmte die ze gaf, nog wel begeerd werd.
Hoe vervallen was het gelaat Zijner Majesteit! Goed dat de groote pruik de slapen en wangen ten deele bedekte; maar het
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
wegslinken van deze kon toch worden bespeurd. Hoe buiten alle -evenredigheid groot scheen nu de neus! Hoe bleek, vaalbleek, was de gelaatskleur en hoe stak daarbij de gloed der bliksemende â¢oogen af! Vlokjens schuim stoven langs de bleek-roode lippen! Was dat de kilkoude Willem van Oranje, de meestal zwijgende â¢en stil voor zich ziende, zeker omdat hem de adem iot spreken meestal ontbrak ? Dit vertrek had kunnen getuigen van veel moeite, van veel lijden, van veel strijd! Hoe goed had de bewoner de toekomst voorzien, toen hij bij de Hosanna\'s reeds het »Kruist hemquot; voorspelde! Hij had onder Whigs en Tories zijn beambten â en raadslieden gezocht; hij had ze oneerlijk en onbetrouwbaar gevonden. Toch had hij op hen te steunen om het doel te kunnen bereiken dat hij beoogde. En dat doel...! Hij voelde zich in staat tot de meest grootsche ontwerpen. Al de Hoven van Europa lagen open voor zijn blik. Maar hij schuwde de détails van het beheer, welke hem te \'s Hage werden bespaard door Pagel en Bentinck, die uit te voeren wisten wat hij had gedacht. Hier echter had hij alles zelf te doen! \'t Was of het wrijten der partijen gedurende tientallen van jaren het bederf had gebracht in alle takken van bestuur. De vloot had verrotte schepen; het leger, dat naar Ierland was gezonden, gebrek aan voeding, aan dekking, aan amu-nitie. Hij had zich aan het hoofd er van willen plaatsen, maaide partij die hem op den troon had geplaatst, verbood dit. Zijn leven toch mocht niet gevaar loopen, want het was dat der partij.
Hij wilde echter niet de Koning eener partij, maar van Engeland wezen; hij wilde meer nog zijn dan dat: hij wilde de Veldheer worden van het Vasteland van Europa, om het te redden uit de vang-armen van het monster: Bourbon. Daarom had hij op den dag van zijn troonsbeklimming reeds gesproken van het uitvaardigen eener Wet, waarbij in Engeland algeheele amnestie verleend werd. Hoe slecht was hij begrepen of liever hoe weinig bekreunde men zich om zijn wenschen, al begreep men die ook! Hoe weinig begrepen hem zelfs zijn Hollanders, die hem wel steunden en bleven eeren, maar om hem heen stonden, schache-rend, lovend en dingend om postjens en faveuren of om privilegies voor hun handel, en er zich niet weinig op te goed deden dat zij hem hadden gebracht op de hoogte waar hij nu stond! Hij had maanden lang zijn wrevel verkropt en met taai geduld het oogen-blik verbeid, dat hij de mazen kon scheuren van het hem omgeworpen net. Maar inmiddels had hij gearbeid, terwijl zijn Engelsche Staatsdienaren dachten, dat hij stil zat, snakkend naar lucht en gebukt onder toenemende zwakte.
Ware \'t mogelijk geweest, dat ee» nieuwsgierige blik in zekere lade van gindsche schrijftafel gespeurd hadde, de bewijzen van een moeitevollen en geslaagden arbeid zouden zijn gevonden.
92
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Daar lagen de geteekende verdragen met bijna al de gekroonde hoofden van Europa tegen den algemeenen vijand: den Zonne-Koning.
En nu scheen de tijd gekomen om ook Engeland te toonen, dat hij een wil had en de gezindheid dien te doen gelden. Twee dagen geleden was eindelijk het wetsontwerp der Amnestie bij het Parlement ingediend, maar dadelijk daarop ook het voorstel van eenige Parlementsleden, om vooraf uit te maken welke personen er van zouden worden uitgesloten.
Duizenden, ja tienduizenden, en van de besten en hoogsten, behoorden daartoe. Zijn Majesteit had toen de meest invloedrijke Whigs ontboden en hun toegeroepen met een stem, die door de zaal had gedaverd, duidelijk en klaar, zij \'t ook met een tongval die hun ooren pijn deed: »Ik geef u van al de uitgezonderde personen niet een, Heeren! Geen partijmoorden meer!quot;
En gister nog, laat in den avond, had hij Zijn Geheimen raad bijeen geroepen en dien medegedeeld, dat hij voornemens was naar den Haag terug te keeren en den troon geheel af te staan aan zijn gemalin. Als een donderslag uit blauwe lucht had hun die tijding in de ooren geklonken. Van stroeve meesters waren de leiders der Whigs dadelijk onderdanige en bevreesde dienaren geworden. Met tranen in de oogen hadden zij hem gesmeekt, van zulk een wanhopig voornemen af te zien. Hij had niets geand-woord, maar hen gewenkt heen te gaan, waaraan zij hadden voldaan, overtuigd dat het asthma hem het spreken belette en algeheele rust noodig maakte. Hadden zij eens den tevreden glimlach kunnen zien, die na hun vertrek voor \'t eerst sedert maanden op dat steenen gelaat zich vertoonde!
En van morgen had hij een jachtpartij verordend en de uit-noodigingen ter rechter en linker, tot quot;Whigs en Tories, doen uitgaan. Hij was opgeruimd. Max, de kamerdienaar, had weer enkele van die woorden gehoord, welke door een dienende nooit woi\'den vergeten en een aanhankelijkheid doen ontstaan, blijvende, ja zelfs toenemende, onder leed en onspoed.
Maar diezelfde Max had een half uur later zich gelukkig te prijzen, dat hij den worp zijns meesters met een der kostbaarste Japansche pullen had kunnen ontwijken. En diezelfde Max had, in de wachtkamer staande, gehoord hoe Mijnheer Witsen, de Amsterdamsche Burgemeester, werd getrakteerd; hoe dezen werd toegeroepen, dat hij het verdrag teekenen moest en dat zijn tegenwerpingen »zotquot; waren!
Wat was er dan toch gebeurd in het laatste half uur? vroeg de man zich af. Hij ging alles na van het oogenblik dat hij Zijn Majesteit, nog te bedde liggend, den kop warme melk als gewoonlijk had gereikt, tot dat hij de laatste gesp aan den schoen
9S
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAKDE.
had vastgemaakt, \'t Was toen altiid door nog heel mooi weer geweest.
\'t Bleef hem, die op de magere voeten trilde, duister! Maar hij had den vreemdeling ook niet gezien, die een kwartier lang »bianenquot; was geweest, en door Mijnheer den Sekretaris door de Griffie heen â derwaarts was geleid. Die vreemdeling had een brief overgereikt -en was toen met zijn geleider langs denzelfden weg weer terug .gebracht. En die brief... had een oogenblik in de vingeren Zijner Majesteit getrild! En de arendsoogen hadden gebliksemd en een donkerrood had de bleeke wangen een oogenblik overvlamd en de beklemde keel had eenige woorden als uitgehikt en de voet had met zulk een heftigheid op den vloer gestampt, dat de vuurpook kletterend en schetterend op het ijzeren hek van den haard was neergevallen!
Juist op dat oogenblik was Max met de chocolade binnen gekomen, waaraan Zijn Majesteit, die er onachtzaam dadelijk de lippen aanzette, zich deerlijk brandde, en had hij er de boodschap bij gevoegd, dat Zijn Hoog Eerwaarde, de Bisschop van Salisbury, audiëntie vroeg. Hij had, geen andwoord krijgend, die boodschap nog eens herhaald en was vervolgens, zonder Zijne Majesteit verder aan te zien, naar een der gordijnen gegaan, waarin hij een leelijke plooi had meenen te ontdekken. »Chocolaad...! Brandend heet! die wil ik niet. Ik wil mijn dubbel Bredaasch bier, waar ik al dagen om gevraagd heb! Bier wil ik, bier!quot;
»De colli liggen aan \'t accijnskantoor, dat ze, al is \'t Kroon-goed, niet vrij van rechten wil laten doorgaan,quot; hernam Max, die als bij instinkt zich daarbij omdraaide. Hg was in eens op zij gesprongen. Op een voet afstands van hem lagen de porceleinscherven voor zijn voeten! \'t Scheen Zijn Majesteit lucht te hebben gegeven, want nu hoorde hij zich toesnauwen; »Laat hem binnen komen... Scheer je weg!quot;
Zijn Majesteit stapte nog met alle teekenen van heftige gemoedsbeweging het vertrek rond, toen de steeds opgeruimde Doctor in de Godgeleerdheid, â »de deuzequot;, zoo als Jan Bij-me-nie hem genoemd had, â zijn vroolijk en welgedaan gelaat op den drempel liet zien.
»Ik kom Uwe Majesteit mijn innigen dank betuigen voor de nominatie en verzekering doen van mijne eerbiedige____quot;\'
»Ja, ja, dat kennen we____Met den mond vleien en in het hart
tegelijkertijd overleggen, hoe het best met den vijand te onderhandelen!quot; voerde de nog verbolgene hem bits te gemoet.
»Sire....!quot; De Doctor wist niet wat te denken. Hij moest wel aan een aanval van waanzin gelooven. Hij beefde bij het zien van het verwrongen en ontzachwekkend gelaat des Souvereins. \'t Was of Zijn Majesteit \'s Doctors opvatting begreep en niet geheel uit
34
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
de lucht gegrepen aclitte, want toen Zijn Hoog Eerwaarde de zoo ruw afgebroken toespraak, van wier waarde hij zelf nog al wel overtuigd was, vervolgen wilde, viel Zijn Majesteit hem wel nogmaals in de reden, maar om nu op een gants anderen toon te zeggen; »ik ben van uw trouw overtuigd.quot; Toch overwon weer â de diep gewortelde ergernis, want hij voegde er aan toe: »Je zoudt ook aan het geld van den vijand juist de vingers niet blauw tellen.quot;
«Sire, heb ik dat verdiend____?quot; werd met bewogen stem gevraagd. â » Reeds in den Haag legde ik de gaven, mij door God verleend, aan uw voeten neer, als nederige offerande voor het heil van Kerk en Staat. Waart gij een Mozes, ik wilde een Aaron zijn....!quot;
»Best! Best! Ik verdenk niet üw trouw, man! Ik zal dat bewijzen door u een geheim toe te vertrouwen----Ik denk er over,
terug te keeren naar den Haag. Van daaruit kan ik nog wel inyloed uitoefenen op den gang van de zaken hier. Mary kan
Koningin blijven____ Men heeft hier toch weinig anders te doen
als het Groot-zegel te drukken op de besluiten van de meerderheid, en dat kan een vrouw even goed doen als een man, ja beter, want zij kan er nog vroolijk bij blijven.quot;
»Mijn God, doe dat niet, Sire! \'t Ware een moord gepleegd aan â¢de Kerk des Heeren. Heeft Uwe Majesteit grieven, zij zullen uit den weg worden geruimd!quot;
»Ik heb u niets meer te zeggen... en waarlijk, tot hooren weinig tijd.. Bewaar het geheim goed, Lord Bisschop! Eenige dagen ten minste!quot; In die laatste woorden lag wel wat ironie.
Burnet had nog zooveel te zeggen, wat wel waardig was om door den hoogststaande aangehoord en ter harte te worden genomen, maar de hoogststaande keerde zich van hem af, trok met den voet den armstoel tot bij de schrijftafel en wierp er zich in neêr. De oogen vonkten niet meer, maar straalden zoo als ze gewoonlijk deden als er van binnen stof voor spotternij aanwezig was.
De Bisschop begreep dit oogenblik niets beters te kunnen doen dan te vertrekken. Hij zeide nog eenige zeer treffende woorden, haalde Paulus aan waar die van volharden en strijden en lijden met blijdschap in het hart getuigde en nam toen zeer reverente-lijk afscheid.
»Nu weet Mary het over tien minuten en de halve stad in een half uur,quot; mompelde de Koning met een spottenden lach. »De goede doctor is wel eens meer dan nu de hond in \'t kegelspel geweest.quot;
Hij nam een der voor hem liggende veerenpennen in de hand, maar wierp haar, gekneusd door de krampachtige neep der vin-
95
BE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
geren, van zich. Toen dwaalden de starende oogen een poos over het blad der schrijftafel; de hand greep een sierlijk gebonden boeksken, dat in een hoek lag. \'t Was onlangs met den Holland-schen post aangekomen en eigenlijk voor Hare Majesteit bestemd. Hij las den met gouden letters gedrukten titel: »Op het vertrek uit Nederland en \'t voorspoedig landen in Engeland van Hare-Koninklijke Hoogheid, Mevrouwe de Prineesse van Oranje, tegenwoordige Koninginne van Groot Brittanje enz. enz. enz. van L. Rotgans.quot; Hij las. Werkelijk hij wou eens beproeven of het ditmaal beter dan anders lukken zou de edele »dichtconstequot; te begrijpen:
«Ik hoor de harp van toon verandren en vol vreugd Uitachaatren Wilhelm» roem, Mariaas eedle deugd.quot;
\'t Ging niet verder. »Die poöten!quot; mompelde hij, en met eenige minachting voegde hij er bij: »die leugenaars!quot; Hij werd echter zijn Holland herinnerd. Hij dacht zich verplaatst op de Haagschamp; kermis, waar hij als knaap en ook nog wel later zoo veel plezier had gehad. Daar tuitte hem een volksdeun in de ooren, daar bromde de rommelpot en gilde de doedelzak! Wou hij er nog eens zijn en het plompe lied hooren? Dat noemde ten minste de dingen bij den naam. Breeroo\'s beschrijving van de vischmarkt, al was die ook een Amsterdamsche, zou hem meer hebben geboeid dan Vondels bewerking der bijbelstoffen. »\'k Wou dat ik met de vogels meê kon over zee! \'t Was me wel honderd, neen twee honderd duizend gulden waardquot; momi^ide hij.
Nog eens zou hij beproeven te lezen:
«Terwijl ik, drijvend op mijn wieken, deze daadt De volken maak bekend, van daar de dageraad Apolloos paarden spant in gloeiende gareelen ....quot;
Het boeksken vloog weer in den hoek waar \'t al dagen gescholen had. »De man moet toch een bedankjen hebben en er nog wat bij..! Bentinck zal \'t wel weten ; die kent dat volkjen betelen Mary voegt er dan een briefjen bij!quot;
De Hollandsche poëtery was hem tóch nuttig geweest. Zij had afleiding gegeven en de nurksheid, voor een wijle altans, verjaagd.
Er werd getikt, zacht eerst, toen wat harder. Zijn Majesteit was tot den vroegeren gedachtenkring terug gekeerd. Barsch riep hij: »Wie daar?quot;
»Huygens!quot; werd er door een kier gefluisterd.
»Is bij gekomen?\'\'
»Nog niet, Mijnheer!quot;
96
3)E KAPTEIN VAN BE LTJFGAUDE.
»Ik wil niet gestoord wezen. Ga heen! Wat heb je daar?quot;
»Italiaansche prenten van Bartolo Santi op bezien van Browne den kunsthandelaar.quot;
»Ik heb geen tijd.quot;
»Ze zijn van Santi!quot;
»Ik verstond je wel!quot;
Huygpns had wel reden zich verbaasd te toonen.
Zijn Hoogheid â bij de Hollanders bleet\' hij dien titel behouden â had weinige dagen na zijn landing er een rit van een paar uur voor over gehad, om enkele stukken van Van Dijck in zeker kasteel te bezien. Zijn Hoogheid had altijd veel van de schilder- en teekenkunst gehouden â de meest zinnelijke kunsten stonden hem \'t naast â¢â en nu wilde hij er niets van hooren! »\'t Was weer een van de kwade buien,quot; dacht de Hollandsche Sekretaris, dien men zich moeielijk anders kan voorstellen als in een kamerjapon, de voeten op een warme stoof, het lijf gewikkeld in ellen vlaggedoek, mopperend over het voortrekken van anderen, maar toch van kop tot zolen houw en trouw aan den gevreesde n en tevens geëerden meester. Een kleinzielig man, voor wien het meödeelen van een vuil schandaaltjen een weelde en het vermelden van de kracht zijner purgeerpillen een zielsbehoeite was I Een kleinzielig man, maar een bruikbaar man, die wel drie talen begreep en het slechlste schrift ontcijferde\'.
jgt;Dan zal \'k maar weer aan het extraheeren der duitsche kor-respondentie gaan!quot; prevelde de treuzel, langzaam achteruit schuivende. \' r ,
»Wat heb je daar \'n\'jg verder?quot; vroeg Zijne Majesteit, die behalve de portefeuille een doosjen in Huygens\' hand zag.
»Een zakhorloge van Tempion, dat de uren en kwartieren slaat als men even op een stift duwt.quot;
»Leg dat daar maar neer... Ik heb nu geen lust het te zien... geen tijd... Wat is de prijs?quot;
»Die is er niet bij opgegeven.quot;
»Neem \'t dan maar weer meö... Ik heb je meer dan eens gezeid, dat ik vooruit wil weten hoeveel ze me afzetten. â Hoe is \'t met je van daag? Je ziet bleek... Plaagt je het heimwee ook? Ik zou \'t je waarachtig niet kwalijk nemen, man!quot;
»Ik ben van nacht wat ruim...quot;
Zijn Majesteit was bang voor het relaas van \'s mans nachtelijke ondervindingen en viel daarom haastig in : »Als de voorname mijnheer komt dan laat je hem doorgaan. Hij hoeft niet aangediend te worden. Trap maar driemaal tegen \'t beschot.quot;
Er werd aan de griffiedeur geklopt.
«Buiten blijven!quot; werd er gramstorig geroepen.
Toch ging de deur even open. Huygens kromde den rug alsof
KAPT. VAN DE LIJFGARDE â II. 7
97
1*8 DE KAPT KIN VAN DE LIJFGARDE.
hij de slagen vreesde te ontvangen, welke hij in aantocht dacht. Hij vond »Mijnheerquot; al heel »grijnigquot; van daag.
»Ik ben \'t, Sire! Mag ik niet binnenkomen?quot;
De vleiende wachtte het verlof niet af en opende de deur wat meer, maar bleef toch op den drempel staan. Huygens boog nu het hoofd er nog bij en schoof heen.
Een liefelijke verschijning voor Zijn Majesteit! De knaap, daar verschenen, was Henrick, de oudste zoon van zijn Bentinck en diens voor weinige maanden overleden echtgenoote, Anna Villers. Hij telde even vijftien jaar en toonde in houding, in oogopslag en gebaar, Angelsaksische fijnheid en G-ermaansche kracht. Het kastanjebruin hair golfde vrij en ongedwongen, op het midden van het hoofd gescheiden, langs den reeds nu gespierden maar blanken hals. De staalblauwe oogen hadden een tieren blik; de eenigzins breede kin met den scherp gesneden mond gaf het geheel iets gebiedends. Het blauw laken overkleed op den schouder terug geworpen liet den toegeknoopten rok en een paar hooge tot aan de knie reikende laarsjens zien. Een kleine karvvarts hield hij wel wat dreigend in de hand. Achter hem aan kwam Jan Bijmenie aangezwabberd.
»Zoo, mijn jongen! wat brengt je zoo vroeg hier naar toe?quot; vroeg Zijn Majesteit op een toon als niemant nog van morgen gehoord quot;had. »Je hebt toch van daag geen dienst?quot;
Henrick was een der paadjes Zijner Majesjeit.
» H ij zei, dat ik thuis moest blijven!quot; dus luidde de aanklacht, welke vergezeld ging van een handgebaar in de richting waar Jan stond. »Ik wou méégaan...quot;
»Ik zei den jonker, dat hij \'t dan maar aan Zijn Hoogheid moest gaan vragen. Kinderen geven maar armoei in \'t loopen, en als \'t rennen moet worden dan komen de waterlandersâquot;
»Tk ben geen kind meer, ouwe lummel!\'\' riep de knaap.
Zijn Majesteit begon zich te herinneren dat hij een jacht verordend had.
»De jacht gaat. niet door! Zeg de Heeren af!quot; riep hij Jan toe... »Niet zoo driftig, Woodstock!quot; ââ zoo noemde hij Henrick altijd, wiens vader behalve Graaf van Portland ook Viscount van Woodstock geworden was â »als Vader er niet is geef ik geen verlof tot zoo\'n vermoeienden tocht. Maar niemant gaat van daag; laat je dat troosten! Wat doe j ij daar nog? Heb ik je niet ge-zeid de Heeren te gaan afzeggen?quot;
Jan was bezig de porceleinscherven op te rapen, welke hij op den grond verspreid zag. »\'t Kan, loof ik, nog wel aan mekaar gezet,quot; zei Jan met een oolijk oogknipjen. »\'t Is jammer van \'t ding dat het zoo ...quot;
))Laat liggen en doe je boodschap..!quot;
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
«Lichter gezeid dan gedaan, je Hoogheid, zoo als zwarte Mie van Keppel zei, toen ze de vuile knuisten schoon moest spoelen. .. Vie hebben buiten wel een uur staan te blauwbekken..
»Gauw er dan naar toe! Ik heb geen lust om het nóg eens te zeggen! Weg, dadelijk â er naar toe!quot; riep de Koning driftig; maar \'t was nu maar vertoon. Hij nam het zich zeiven bijna kwalijk, maar hij kon niet knorrig worden, al toonde Jan zich ook weer een onbeschoften prengel, die zich zelfs in een koestal nog te schamen had.
Maar die vent was toch leep ook! Die zinspelingen op tooneel-tjens uit de Veluwe deden meest vergeven wat de lompheid zoo dikwerf misdreef!
99
VI.
De deur, door welke de Bisschop van Salisbury gekomen en heen gegaan was, ging open en ditmaal zonder dat er eenig verlof gevraagd en gegeven werd. De binnentredende werd nauw gezien of Henrick maakte een diepe bevallige buiging en bleef met gebogen hoofde staan en Zijn Majesteit rees van zijn stoel op, terwijl hij Jan toebeet: »je kap af, lompert!quot; Jan had vergeten voor Zijn Hoogheid te doen wat hij nu in alle haast deed voor de Koningin. Hij wist ook drommels goed, dat als deze in \'t spel was Zijn Hoogheid niets door de vingers zag.
«Woodstock, ga met hem naar de Heeren! Jij weet een boodschap te doen. â Je laat den jonker spreken, hoor! Geen van je lompe opmerkingen...! De Heeren hebben reden om uit hun humeur te wezen. Maar de mist is te dik geworden.quot;
Beiden vertrokken en lieten den Koning en de Koningin van Engeland alleen.
»Ik dacht wel dat je komen zoudt, Mary!quot; klonk het de vriendelijk lachende stug tegen. Hij scheen geen oog te hebben voor de lieftalligheid dier vrouw, voor het smaakvolle van haar rijk-maar stil toilet. Hij zag haar doordringend aan, terwijl zij hem meêdeelde niet te kunnen gelooven wat Burnet haar was komen vertellen. Hij zou willen terug keeren naar den Haag? Zij had er misschien blijde in berust, indien hij er vroeger niet van had willen scheiden..! Niet, dat ze \'t geen grootsch werk bleef achten, hém ten volle waardig: een volk te gaan bevrijden, dat hem de armen had toegestoken...! Hij glimlachte schamper bjj die woorden. Zij merkte \'t op en werd er door ontroerd. Daar was iets wat hij haar verborg en wat bitterheid stortte in het gemoed, dat op zoo velerlei wijzen reeds gekrenkt werd. Zjj moest weten wat dat was, en daarom vroeg ze waarom hij zoo pijnlijk lachte.
DE KA PT F. IN VAN DE LIJFGARDE, 101
»Omdat ik geen reden heb er éen van het volk, dat ik heet bevrijd te hebben, te vertrouwen.quot;
»1 k ben óok een Engelsche, Willem !quot; riep zij kinderlijk plagend uit. Ze trad op hem toe en zette zich op zijn knie. »En m ij youdt ge hier willen achter laten? Ik geloof er niets van!quot; riep ze, haar armen om zijn hals slaande.
»Wat ik niet kan doen, kunt gij, Mary!quot;
»Weet je wat ik kan? Je liefhebben; het verdriet, dat anderen je aandoen, je een oogenblik doen vergeten... je distels met bloemen bedekken... maar een volk regeeren, in Europa den baas spelen, dat kan mijn Willem alleen...!quot;
H ij zou den baas spelen, h ij die niet eens baas was in zijn eigen huis! zoo liet hij zich uit, en hij schetste haar den benarden toestand der zaken; hij, die nooit tegen haar repte van de eischen â en overleggingen der Staatkunde, leidde haar nu een deel van dien doolhof rond. Hoe spoedig weigerde zij verder te gaan! Met «11e logika spottend, keerde zij, zonder eenigen overgang, zonder den schijn zelfs aan te nemen van iets gehoord en begrepen te hebben, naar de waereld terug, die zij alleen kende: haar huis en haar hart. Hij, met zijn grooten geest, zou wel alles wat hem hinderde uit den weg ruimen; dat had hij altijd weten te doen, zelfs als jongeling! Hij moest ook wel overwinnaar zijn!... Maar had hij daar niet durven zeggen, dat bij niet de baas was in zijn eigen huis? Dat was toch waarlijk wat al te erg.
»Mary, ik moet naar den Haag of... naar Ierland...quot;
Haar wang werd een oogenblik doodsbleek. Naar Ierland! Daar stond haar vader aan het hoofd van een leger, en tegen hém wilde haar man optrekken óok in volle wapenrusting en met zijn Hol-iandsche, zelden kwartier-gevende, regimenten!... Zij had het wel â eens vermoed, dat hij dat zijn plicht zou achten, maar daar hij â er nooit tegen haar op had gezinspeeld, had zij zich er wel voor gewacht, daarvan een woord te reppen... En nu ...! Zij wist nu, â dat hij een besluit had genomen. Of \'t noodzakelijk was kon noch wilde zij beoordeelen. Zij wist alleen dat het vast stond. »Naar den Haag of naar Ierland!quot; Zij sloeg de hand voor de oogen; zij dwong de opwellende tranen terug; hij hield niet van schreiende oogen.
»Naar den Haag terug â dat is de Bartholomeusnacht voor ons allerheiligst Geloof! Naar Ierland â dat is, als ge vallen mocht, m ij n dood... dat is... als ge overwint.... die van mijn vader!quot;
»Denkt ge dat ik vergeten ben wat ik u bij mijn heengaan naar dit land beloofde? Ik had slechts éen woord te spreken, toen ik Londen voor het eerst betrad... ik zweeg, en liet hem. heengaan.quot;
DE KAPTEIN VAN BE LIJFGARDE.
»Doe wat goed is in uw oogen! Uw dienstmaagd heeft geen recht tot klagen!quot; prevelde zij aan zijn oor. En na eenige oogen-blikken: »Was het dat wat u zoo ontstemde, dagen lang?quot;
»Misschien nog iets anders.... maar dat is niet voor uw ooren geschikt.quot;
Er werden drie slagen tegen den houten wand van de zijde der Griffie vernomen.
»Mary, Mary,quot; zei hij haastig, »ik moet alleen wezen als het bezoek, dat me daar is aangekondigd, gebracht wordt. Lieve Vrouw...!quot; bij nam haar band in de zijne en drukte die.
»Ik ga, Willem! Nu zul je tocb niet meer zeggen datje geen baas bent in je eigen huis?quot;
»Tóch wel.quot;
»Is er dan nóg iets? Och zeg mij dan wat?quot;
»Ik zeide je voor een paar dagen, dat er Bisschoppen waren, die weigerden den eed van trouw aan ons beiden af te leggen.quot;
»Sancroft misschien? Maar hij is de Primaat onzer Kerk.quot;
»Maar hij legde den eed niet af.quot;
»Hij is zoo vroom.quot;
«Hij legde den eed niet af...quot;
»Hij weet niets van de waereldsche zaken... hij is een man Gods... een profeet I...quot;
»Hij legde den eed niet af,quot; klonk het scherper.
»Hij zal het doen of niet meer hier komen... Is nu alles goed, Willem?quot;
»In ons eigen huis, ja... maar daar buiten mist het nog wel wat.quot;
»Dat zou \'t in den Haag niet minder doen...quot;
»Maar daar zou bij mistig weer ook menig lichtjen voor de ramen staan. Niet meer, Mary! Je moogt niet bet laatste woord hebben; ditmaal niet, hoor!quot;
»Ditmaal alleen?quot; De gulle lach bij die vraag bewees dat zij \'t gehoorzamen gewoon was en dat ook zeer goed vond.
Zij was heengegaan. Hij oogde haar na. Met welk een tederheid! Zij kende die; zij twijfelde aan die tederheid nooit, ook nu niet, al had hij haar straks niet gekust toen haar lippen de zijne waren genaderd en haar armen hem hadden omstrengeld!
Lord Godolphin was de deur, die van de Griffie naar binnen leidde, doorgelaten. Een onzichtbaar geleider deed dat en sloot de deur achter hem goed dicht, waarvan hij blijkbaar zich vergewiste door de kruk herhaaldelijk om te draaien.
De binnengetredene was een deftig uitziend man van middelbaren leeftijd. Zijn langwerpig gelaat had fijne trekken. Wat het meest kenmerkend was en alzoo dadelijk de aandacht trok, \'t waren de halverwege gesloten oogleden en de lange spitse vingers der
102
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
smalle blanke hand. Hij was een erkende Tory, maar had den eed van trouw aan Koning William afgelegd. Hij was zelfs lid van het Kabinet en een, ja zelfs de invloedrijkste van de Lords dei-Schatkist, in welke betrekking hij zijn ambtgenoolen, die alle van de tegenovergestelde en thands bovendrijvende partij waren, overschaduwde.
Met diep neergebogen hoofd stond de oude minister van Koning Jakob voor den Koning, die thands zijn gebieder was, nederig het verlof tot spreken verbeidend.
Dat verlof werd niet spoedig verleend. Hij voelde de oogen Zijner Majesteit strak op zich gevestigd. Hij had den naam van meest in zich zeiven getrokken en weinig spraakzaam te zijn, daarbij arbeidzaam en bekend met alle onderdeelen van het Beheer; hij mocht zich dus vleien aangenaam te zijn aan den nieuwen Koning, voor wien de Whigpartij meer en meer een onmogelijken steun had moeten worden. Hij was op een ongewoon uur en op een bijzondere wijze naar het Kabinet Zijner Majesteit opontboden. Een geheim onderhoud alzoo! Een onderhoud misschien wel, waarin een verandering der Regeering zal worden besproken en hem een hoogere plaats aangeboden, de allerhoogste licht, in een Tory-kabinet! Dit alles vloog hem, terwijl hij daar stond, door het brein, maar bij dat alles ook een gedachte, welke hem benauwde en al de verwachtingen der eerzucht den bodem dreigde in te slaan. Die gedachte begon alle andere te beheerschen en deed hem de oogen-blikken van stilte zóo ontzettend lang toeschijnen, dat hij, hoewel een echt Engelschman op het punt van formaliteit en etikette, de voorschriften van deze overtrad en, zij \'t ook op zeer bescheiden toon, het woord nam.
»Uw Majesteit had de groofe genade mij te doen ontbieden?quot;
»Neem een stoel. Lord Godolphin! Heb de goedheid daar plaats te nemen!quot; hernam Zijn Majesteit, op de vierkante eikenhouten tafel met vier gedraaide poten wijzende tegenover den vuurhaard, maar aan de zijde tegenovergesteld aan de plaats waar hij zat. Er was weer een oogenblik van stilte.
»Ik heb u een dienst te vragen, Mylord!quot; klonk het eindelijk en stug.
»Uw Majesteit maakt mij de gelukkigste van al uw onderdanen. Ik hoop dat ik zal kunnen beandwoorden aan het vertrouwen in mijn zwakke krachten gesteld.quot;
De hoogste verwachtingen der eerzucht schenen hare vervulling nabij.
Er was nogmaals een oogenblik van stilte.
Zijn Majesteit sprak niet, maar hield maar altoos de schitterende oogen op hem gevestigd, wat op den ander al een zeer onaange-namen invloed scheen te oefenen.
103
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Mijn anibtgenooten, Sire! weten, naar ik hoop, niets van dit opontbod Vquot; zoo begon hij, de voorzichtigheid, in den aanvang in acht genomen, prijs gevend als onder den invloed eener toenemende onrust. »Hun ijverzucht zou andersin zulk een mate worden opgewekt, dat samenwerking voor mij voortaan onmogelijk zou worden.quot;
»Wees gerust. Die anibtgenooten zullen u niet lang meer plagen.quot;
i Sire, hoor ik goedV Ik mag het Uwe Majesteit hier wel bekennen: zij zijn niet te gebruiken â zij zijn geheel ongeschikt...quot;
»Zoo .... ?quot;
Een spotachtig lachjen verzelde dat korte andwoord.
Dat »zooquot; kwam Lord Godolphin al zeer vreemd en ongepast voor. Hij keerde spoedig tot zijn verschansingen, welke hij even verlaten had, terug.
«Slechts de trouw aan mijn Koning en Vaderland doet mij dus spreken.quot;
»Uvv trouw? Juist! Mylord, ik heb een dienst van u te vragen, wel wat beneden uw pozitie... maar die de trouw, waarvan ge spreekt, nog beter bewijzen kan. Ik kom u verzoeken een brief voor mij te schrijven, waarvan de inhoud slechts mij en u bekend mag zijn. Ik had dus geen keus â ik moest mij dus wel tot u wenden. Wilt ge neerschrijven wat ik u voor zeggen zal?quot;
Zijn Majesteit had uit den borstzak van zijn jas een brief te voorschijn, gehaald, dien hij openvouwde, maar in dier voege vast hield, dat de ander, al had hij de oogen ook naar die zijde durven opslaan, het schrift onmogelijk had kunnen zien. Maar de ander hield de oogen al dien tijd neêrgeslagen.
»Ge zult daar papier en al het noodige vinden,quot; vervolgde Zyn Majesteit. »Het papier, dat ge daar neemt, draagt immers mijn wapen? Goed. Gelief te schreven. Ik kan kort zijn en behoef niet veel van uw geduld te vergen. Nu dan, eerst het adres: »Aan Mr. Meifort, Sekretaris Zijner Majesteit Koning Jacobus te Dublin.quot;
De pen trilde eensklaps in des schrijvers hand... Mylord werd doodsbleek. De tanden klapperden; de pen viel op het blad papier neêr en wierp daarop een dikken inktdruppel, juist op de plek waar het wapen Zijner Majesteit stond afgedrukt.
»Wat hebt ge, Mylord?quot; vroeg Zijn Majesteit, zich in zijn volle lengte oprichtend.
Er lag dreiging in de oogen, dreiging in de stem.
»Sire!quot; Meer volgde er niet. Mylord was van zijn stoel gegleden en lag op de kniën voor zijn rechter.
»Ik had u een andwoord willen dikteeren op uw brief aan Mr. Meifort, den dubbelen bedrieger! Ik geloof, dat die man een
104
DE KAPTEIN VA-N DE LIJFGATtDE.
voordeeligen handel drijft. Hij maakt zeker veel geld voor de brieven, welke hij ü, cn nog meer voor welke gij hém schrijft.quot;
»Sire, ik veinsde...! Ik wilde hem daar ginder in de val lokken.... Ik zou de briefwisseling binnen kort Uw Majesteit hebben medegedeeld____quot;
»Ik twijfel er niet aan, maar hadt ge \'t eer gedaan, dan zou quot;quot;t me veel geld hebben bespaard, want Meifort is heel duur.quot;
»Is dat ernst of ironie Vquot; vroeg Mylord zich in doodsangst af. quot;Bij mijner ziele zaligheid, Sire, ik wilde hem in den strik lokken____!quot;
»Zweer maar niet! \'t Is immers onnoodig na aw eens aan mij afgelegden eed!quot;
»Ja, dat is zoo, Sire! Of hebben die woorden misschien een zin, â dien ik niet begrijp?quot;
»Ge zijt anders nog al goed van begrip, Mylord! Toch was die Meifort u te leep af! Laat het u, die zoo voorzichtig heet, nog voorzichtiger maken. Ge behoeft niet verder te schrijven.... Ge zult het goed vinden, niet waar, dat uw plaats in mijn Geheimen liaad een tijd lang open blijft? Ge hebt den naam van goed te kunnen zwijgen, Mylord! Ge zult dus zeker niet vertellen wat hier tusschen ons is voorgevallen.quot;
gt;8ire, die edelmoedigheid....! dat vertrouwen in mijn eerlijke bedoelingen...!quot;
»Speel toch niet met groote woorden!quot; riep Zijn Majesteit, met den voet even stampend. »Als ik u vreesde, Mylord, zou ik anders handelen. Ge kunt gaan... door dezelfde deur als ge gekomen zijt.quot;
Hij keerde hem den rug toe. Mylord stond langzaam op. Hij had het hoofd op de schouders behouden. Maar voor hoe lang? De door hem geschreven brief bleef in het bezit van dien strengen man, die zoo kwetsend wist te zijn in zijn zachtmoedigheid! Als hij dien brief maar in zijn bezit had...! Hp waagde dien wensch niet te uiten! De lucht zelfs die hij hier inademde was hem te zwaar! Hoe hij een man, die hem genade had geschonken maar in zijn macht hield, vreesde I
»Sire!quot; stamerde hij.
Hij moest toch trachten te weten te komen wat de Koning voornemens was hem betreffende te doen.
Zijn Majesteit wendde weer het hoofd om. »Nog hier? Ik dacht dat Uw Lordschap al vertrokken was.quot;
Zijn Lordschap trad diep buigend achteruit en vertrok door de griffiedeur.
»Die durft in drie maanden geen woord meer kikken. Hij is knap... zijn kop mag op zijn schouders blijven... hij is later te gebruiken â de fielt! Nu is \'t tijd de Tories vooruit te brengen.
105
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
en door hem de Whigs naar achter te duwen! Een ander Parlement, en dan naar Ierland!quot;
Hij was \'t treuzelen moê, meer dan moê! De sedert maanden opgegaarde kracht deed zich gelden. Hij ademde ruim; de tijd vaa handelen was gekomen.
»Max!quot; riep hij bijna vroolijk: slaat de Heeren weten dat ik vanavond present zal wezen!quot;
Hij lachte: hij zag nog eens de gebogen gestalte van Mylord Godolplnn voor zich. Nog anderen, nog hoovaardiger, zou hij weten te doen buigen... Maar van avond geen politiek, maar als kameraad onder de kameraden!
j â¢\' ⢠, , .... , .
106
Wquot;
,01
VIL
Het zwarte floers van een donkeren stormachtigen Oktobernacht, â volgende op een mistigen dag, lag over Londen. Zelfs waar de-karige licbtjens op de lantarenpalen niet waren uitgewaaid was. de weg moeielijk te begaan. De voeten slibden weg op het ellendig plaveisel, dat aan weerszijden der straten langs de huizen was aangelegd, en om over te steken naar de overzijde moest letterlijk een modderpoel doorklotst worden, waarin zelfs de paardenhoef menigmaal vastkleefde.
De duisternis achter de Residentie Zijner Majesteit, bij het begin van het Park, was nog grooter dan overal elders. Voor de hoofdwacht was \'t betrekkelijk licht. Blies de harde wind ook van tijd tot tijd de olielampjes uit, telkens werden ze weer aangestoken. Dat geschiedde ook op het voorplein, want streng was bevolen daar op de verlichting goed toé te zien. Maar van die der achterzijde was niet gerept. De officier, die daar de wacht had, behoorde er voor te zorgen: hij kon zooveel hulp requireeren als hij meende te behoeven; maar hij was verandwoordelijk. Het was een post van vertrouwen, vooral op Donderdagavond, en alleen een officier der Lijfgarde, niet beneden den rang van kaptein, vatte daar, op zulk een avond, post tegenover, maar niet al te dicht bij, het Zomerhuis of Paviljoen.
\'t Had even zes geslagen. Kaptein Semeyns was de hoofdwacht, waar hij het militair saluut ontvangen en het wachtwoord gegeven had, en de schildwachten op het voorplein voorbijgegaan. Hij had den officier, die met de dagdienst was belast geweest, in de Wachtkamer naast de Griffie afgelost.
Hij was in zeer gedrukte stemming. Een paar uur te voren van zijn inspektie thuis gekomen, had hij Maud niet gevonden. Hij had alléén het eenvoudig maal gebruikt, was zich gaan kleeden,
J)E KAPTEIN VAN DE IJJFGiKDE.
maar bad het noodige gemist: den unifonn-jas en den hoed, dien hij bij de dienst aan bet paleis behoorde te dragen. Hopps had geen inlichtingen kunnen geven, maar meende te weten, dat Miss Maud een leerling van bet kleerenmakersgild bij zich boven had gehad; misschien bad Miss Maud, die erg nauwlettend was op \'s Kapiteins »kleerenquot;, daaraan iets gevonden wat niet goed was en dat laten veranderen. Dat kon waar wezen. Hij herinnerde zich, dat Maud van eenige noodzakelijke verandering aan zijn jas had gerept. Maar dan zijn hoed? De bewuste leerling zou ook dien hebben meêgenomen, dacht Hopps. Maar dan Maud, waar was die in den dikken mist heen gedwaald ? Daar wist Hopps niets van te vertellen, want ze was den gantschen achtermiddag bij baai-zieke zuster geweest en alleen thuis gekomen, om het eten voor den kapitein klaar te maken. Hij had toen met den voet gestampt, een vloek uitgestooten, een hollandscben en daarom al heel ruw â en rauw klinkend, en was toen, zoo als ze Maud later vertelde, in de kleêren, die bij aan had, maar geheel verborgen in den mantel, waarvan hij den kraag zoo boog mogelijk had opgeslagen, tandenknarsend de trap afgestapt.
Ja, tandenknarsend! Semeyns was woedend geweest, woedend, tegen Maud, maar ook, maar meer nog, tegen zich zeiven. Weelwas ze den geheelen dag afwezig en dat in zulk een weer! 1t Was van lieverlede een storm geworden. De regen sloeg in groote druppels neer. Hij zelf had haar aangemoedigd uit te
gaan____ daartoe verleid door haar liefkozingen! De slang! Zoo
hij haar eens betrappen kon! Hij zou haar vernederen en de bekoring, onder wier almacht hij zoo nameloos leed, in eens doen verdwijnen. Op den tocht naar Holland-house was hij vervuld vooral van die éene gedachte: zich vrij maken van een juk, dat hem de schouderen als inperste ..!
Niet meer dan bet hoog noodige had hij tot den Luitenant, wiens plaats hij kwam innemen, gesproken, en deze, de somberheid en tevens gejaagdheid van zijn meerdere bespeurend, had geen enkele opmerking gewaagd en zich gehaast heen te gaan!
\'t Was nog geen half uur later toen een ander officier der Garde hem van de Hoofdwacht een brieijen kwam brengen, dat daar door een jongen was bezorgd, \'t Was geteekend: Alfred v. p. Die naam was door Maud nog gister, toen ze half dronken was, genoemd. En de inhoud! Ademloos verslond hij dien met de oogen! Alfred wilde hem de overtuiging van Mauds ontrouw verschaffen. Hij wilde baar, die zéker ook al zijn liefjen was, uit minnenijd verraden en den gelukkigen medeminnaar doen straffen!
Het oogenblik der wraak was eindelek gekomen. Tegen acht uur werd hij in de Limestreet gewacht... Hij kon er nog komen indien hij dadelijk een huur-rijtuig vond. Om tien uur kon hij
ui; kaptein van de ltjfgakde.
terug zijn en Zijn Majesteit zat dan nog rustig te praten met de vrienden.
Maar____ zijn post verlaten! Dat zou een soldaat doen, voor
wien de gehoorzaamheid de eerste der plichten was \'i Een ander in zijn plaats stellen? Maar wat reden zou hij opgeven? Bovendient de nachtdienst op Donderdag mocht slechts door een Kaptein verricht worden. En aan de Hoofdwacht was dit oogenblik geen officier van dien rang!
Daar sloeg het al half zeven----Marde hij, dan was de gelegenheid voorbij om te weten te komen wat hij weten moest! »Dat verhoogt nog haar schuld!quot; prevelde hij. «Misschien is ze
dit oogenblik____!quot; Hij durfde zich zeiven niet bekennen wat hij
vreesde. Hij vloekte de veile deern; maar hellepijn bracht de gedachte, dat een ander zich van haar meester zou maken.
Wat baaiert van aandoeningen en hartstochten! Wat opeenvolging van elkaar bestrijdende wenschen en voornemens! Hjj was besloten te blijven en zijn plicht te doen; de vrouw, die hem met zich naar beneden trok, naar vuilnis en slijk, te verachten, te ontvlieden, te vergeten, en... hij deed wat hij besloten had niet te doen; hij sloop heen, de duisternis in, het nog donkerder onbe~ kende te gemoet!
De schildwachten zagen hem in het halve licht, dat hen bescheen, het hek uitgaan, maar weinige minuten later wéér terug keeren. De persoon toch, die hun van verre het wachtwoord toefluisterde, droeg den Kapteinsuniform, â¢â¢â de opengeslagen mantel deed die van voren zien. Dat de gestalte eene andere was, dat de hoed van den Kaptein, die het hek was uitgegaan, de versiersels miste, welke op dien van den thands binnengetredene prijkten,, het kon niet opgemerkt worden, daar al de lichten weer door een daar juist opgestoken windvlaag waren uitgewaaid. Maar al waren ze ook alle blijven branden, honderd tegen éen, dat ze tóch geen verschil zouden hebben bespeurd.
Achter het paleis was het stik donker, want ook het licht op de lantaarnpaal was uit. Vreemd dat de daar aangekomen officier zoo tastend rondsloop! Hij moest er toch goed bekend zijn, zoodat hij in staat had moeten zijn in \'t donker zelfs andere hinderpalen te mijden.
Gelukkig voor Mr. Edward Jones â want hij was de ezel, die zich de leeuwenhuid had omgehangen â dat geen wacht hem hier begluren kon! Mr. Edward Jones was evenwel niet in een stemming om iets gelukkig te vinden. Als de veel eischende en zoo scherp spottende Maud hem nu eens in \'t aangezicht had kunnen zien! Wat zou ze zich vroolijk hebben gemaakt over zijn .doodelijke bleekte, over het trillen zijner lippen, het beven zijner handen, het knikken zijner kniün! God, dat hij zich ook tot zoa
BE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
iets had laten overhalen! De overtuiging, dat hij aan een Gode welgevallig werk bezig was, vervulde hem niet; daarvoor had hij ook te weinig Godsdienst, zoo zouden zijn tijdgenooten getuigd hebben.
Alles was de schuld van dien laaghartigen bloedverwant, die op het oogenblik wellicht in den molligen leunstoel, die aan hem, hem, den hier van koude en vrees blauwbekkende, behoorde, was ingedut vol van bourgonje of porto! Hoe hij hem dat betaald
zou zetten als het rad der fortuin eens gedraaid was____ als
Koning Jakob ...! Een geweldige rukwind stoorde hem in zijn overpeinzingen. De windvanen op het hooge huis kraakten en zuchtten; het licht in het Kapteinskwartier flikkerde en danste; de lantaren op de paal rinkinkte. Wat onheilspellende stilte volgde daarop â¢eerst, maar wat nog meer onheilspellend gedruisch vervolgens! Daar klonken stemmen, barsche soldaten-stemmen in zijn nabijheid! Hij was verraden; hij werd achtervolgd! Maar de overprikkelde verbeelding kwam tot rust, toen hij die stemmen op den--zelfden afstand blééf hooren en de overtuiging kreeg, dat het vernomen geluid door het aflossen der buitenwachten was veroorzaakt.
Zijn hem aangeboren spotzucht kon zich weer doen gelden; ze trof nu, wat maar zelden gebeurde, hem zeiven. «Waarachtig, ik had me nóg een pint moedwater moeten ingieten! Maar Kate was -zoo karig en ze paste op me als of ik haar zuigeling was! Ik zat ook naast mijn aanstaande vrouw!quot; Hij lachte, maar zorgde er toch voor dat dit heel stil geschiedde.
Hij stond voor het paviljoen: een stijf, langwerpig vierkant steenen gebouw van maar éen verdieping. Een steenen trap, van twee ijzeren leuningen voorzien, leidde langs drie treden tot een deur, die horizontaal in tweeën open ging. Hij kon de gladge-â schuurde geel koperen kruk zien glinsteren in den lichtschemer, die door de dichtgeschoven glasgordijnen naar buiten viel. Die lichtschemer spelde het bestaan van wel vier vensters, bijna een manshoogte boven den grond.
Hij was op de teenen voortsluipend nader gekomen. Hij vernam stemmen, luid sprekende, \'t Was dus zoo als hem was gezegd! Dat gaf hem rust! dat gaf hem moed! Hij kwam met de kin aan de vensterbank en gluurde naar binnen. Het nijdig gordijn belette hem iets waar te nemen. Er was geen enkele reet, geen kreuk of plooi zelfs! Toch speelde er het licht door heen â wat den glurende wel niet van binnen, maar toch van buiten, wat veel gevaarlijker was, waarneembaar deed zijn. Hij trad daarom terug. Toch verlangde hij der opgewekte nieuwsgierigheid voldoening te geven, \'t Was meer dan nieuwsgierigheid! \'t Was noodzakelijkheid ! Hij had den overweldiger wel eens gezien, en wie dat eens
110
J)E KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
had gedaan, vergat dat steenen gelaat niet licht, maar straks in de duisternis moest hij zeker zijn en dus ook weten, hoe de vijand gekleed was en tevens de gunstelingen die hem thands omgaven.
Hij liep het gebouw om en vond ook aan die zijde een raam. Hij zag een gevederden hoed van binnen op de vensterbank liggen; die hoed deed het glasgordijn even openvallen; \'t was maar een kleine reet, een spleet, niet meer, maar voor hem voldoende.
Het gesprek daar binnen was steeds levendiger geworden; het werd zelfs luidruchtig. Schel klinkende uitroepen! Vuistslagen self\'s op tafelplat of wand! Gelach in alle tonen, giggelend weinig, maar meest hard en grof, schaterend en onbedwongen! Hij moest imchten te zien bij wat hij hoorde! Wie weet wat Staatsgeheimen hij machtig kon worden ! De tijd, dat hij juichte bij het opknoopen van een spion, was zoo lang voorbij, dat hij zich niet meer herinneren kon dien öoit gekend te hebben.
Op de teenen staande spiedde hij naar binnen.
Drie geel koperen kandelaars droegen even zoo veel smeerkaarsen en dansten dit oogenblik, even als tal van flesschen en roemers, op een vierkante eikenhouten tafel met rechte poten, onderling door een balk verbonden, waarop de voeten der aanwezigen konden rusten. De vuistslag van een hunner op het blad !iad de trilling veroorzaakt, maar een stoere hand op den schouder van wie dien slag had aangebracht, deed den tweeden, die had kunnen volgen, voorkomen.
Wat een goud op het lompe tafelvlak! Hij watertandde. Als hij daarin eens een greep mocht doen, dan zou hij voor een heele week geborgen zijn!
Ze speelden het hem zoo wel bekende Basset. Wie was de Tailleur? Zeker hij, die daar straks zoo geweldig op de tafel had geslagen. Ja, de »tailleur\' kon bij dat spel ongemakkelijk zijn slag slaan. Laatst nog in George-Tavern bij de Beurs zag hij Myiord van Winchester, naast wien \'t niet uit te houden was als hij zich üiet geparfumeerd had, honderd guinjes naar zich toestrijken. Zou de Overweldiger, die van geen uitscheiden wist als hij eens aan de Bassettafel zat, weer drie honderd guinjes verloren hebben, zoo als laatst bij de Koningin-weduwe? \'t Was \'t eenige wat hij in den boer te prijzen had!
»Maar neen, ze speelden niet meer.... ze streken het goud op ... Wat grabbelden de lange dikke vingers! Ze waren met hun vijven! Een zat aan een der kanten van de tafel alleen: de anderen twee aan twee aan weerszijden. Jones zag den alleen zittende op den ug, maar hij kon toch het profiel van het aangezicht even waarnemen, toen dat zich tot den naasten buur keerde. Hij was \'t...
111
UafiBMAMBMSMSntHtl
UE KAFT KIN VAN 1)E LIJPGAUDF,.
lt;]e steeds smuigende Overweldiger, maar die thands zijn mond, waaruit een heldere lach klonk, wijd open wist te doen. Drie van de anderen hadden vleezige gezichten, met een uitdrukking van forschheid en stoutheid, van hooghartigheid en toch van boersch-heid ook. Bij deu vijfden merkte hij minder forschheid maar meer fijnheid op. Het scheen hem de zwakste van allen te zijn...
Wat Mr. Jones niet weten kon, kan ons bekend zijn: Willem Henrick van Oranje zat daar neer met een Zuilesteyn en van 0 uwer kerke, twee bloedverwanten van de linkerzijde, met Jan Willem Bentinck en Nicolaas Witsen. De drie eeraten, de gewone leden van den vertrouwelijken kring Zijner Majesteit, de laatst genoemde, hier als gast voor het eerst en het laatst verschenen, daar hij, na het teekenen dien morgen van het of- en defensief Traktaat van de Republiek met Engeland, op het punt was naar het vaderland terug to keeren, waar het Amsterdamsche Burgemeesterskussen hem met ongeduld sedert weken wachtende was. Wij, daar luisterend, zouden beter den ernst, die er straks ge-heerscht had en den lach, die er thands gehoord werd, verstaan^ Straks was het geheimste openbaar gemaakt. Willem had uitgesproken wat in \'t diepste van zijn hart verborgen lag: zijn ergernissen, zijn wrevel. Hij had den lerschen veldtocht bepaald, de veldoversten aangewezen, den loop der Engelsche zaken besproken^ maar van de Hollandsche, wat anders wél het geval was, met geen enkel woord gerept. Witsen, de Amsterdammer, was aanwezig en die behoefde niet alles te weten, daar \'t den zenuw-achtigen man nog maar zenuwachtiger maken zou.
Dat ze â en Zijn Hoogheid niet het minst â hem, Witsen, ook altoos in allerhande zaken mengden! Hij was van nature vreesachtig en had daarbij een scherp oog voor den nijd die hem omringde. â Het Patriciaat, en vooral liet Amsterdamsche, was naijverig en achterdochtig. â Hij was zwak van charakter, maar hij had veel praktische kennis ; hij was bloode maar ijverig, vooral bij tweede-hands-arbeid, en dezulken mocht Zijn Hoogheid nog al graag. Na veel tegenspartelen was hij als eerste ambassadeur-extraordinaris Hunner Hoogmogenden bij Zijner Hoogheids troonsbeklimming naar Engeland gezonden. Of hij al gewezen had op zijn schuchterheid, op zijn onbekendheid met de Engelsche tale, \'t had niet mogen baten. Zijn Hoogheid wilde dat juist hij zou komen, hadden Hun HoogEdel Mogenden gemompeld. En, eens in Engeland, had hij niet anders als teleurstellingen gekend. Hij was altijd gewoon geweest te loven en te dingen en voor zijn land, onder strijkaadjes en gemoedelijke lachjens, zooveel mogelijk naar zich toe te halen; maar Zijn Majesteit had saaiheid tegenover saaiheid gesteld en was in taaiheid hem de baas gebleven T Dat had hij van morgen nog ondervonden, toen hij eindelijk een
112
DE KAPT F, IN VAN DE LIJFGAWDE.
voor de Republiek nadeellg verdrag had moeten teekenen! Amsterdam was in haar burgemeester Wltsen zelfsbeleedlgd geworden!
Toen hij, ook al daartoe gedrongen, zich straks op de glijplank had gewaagd, welke in een hoek van het Zomerhuis stond, was er waarachtig nog door den beleediger op gedoeld! Die glijplank! \'t Was een soort van spel, wat de Booze zeker in de meest booze bui had uitgevonden...! »Witsen, je moet het maar niet zoo hoog opnemenquot;, had Zijn Majesteit geroepen, juist op het oogenblik dat de toegesprokene het lijf in alle bochten te draaien had om staande te blijven, â «dat ik van morgen iets »zotquot; van je genoemd hebquot;; en een oogenblik later, toen hij met de anderen aan het geliefkoosd kegelen was gegaan en salie negenquot; had gemaakt, had hij Zijn Majesteit hoog ernstig hooren zeggen: »\'k Zal je in den Engelschen adelstand verheffen met den titel van Baronquot;, waarop hij al het plezier, dat hem zijn meesterworp had geschonken, in eens had voelen verdwijnen en plaats maken voor een gevoel van angst. »Om Gods wil, neen, Mijnheer! Ik zou geen leven meer thuis hebben!quot; had bij uitgeroepen en zijn gelaat had daarby een uitdrukking aangenomen, zóo klnchtig-droevig, dat het allen en Zijn Majesteit \'t eerst en \'t meest had doen schateren. Maar de man had gelijk; hy kende de zijnen; de Amsterdamscbe Patriciërs hielden van hun gelijken, maar schuwden wie hun meerdere werd.
Er was niet meer van gerept. T)e eens opgewekte vroolgkheid was blijven aanhouden niet alleen, maar steeds blijven toenemen. Er was reeds een stout glas wijn gedronken en men bleef het doen! Witsen sprak er het eerst van, zich weer om de tafel te zetten en wat te gaan uitrusten. »Ik ben zoo moê van al die lichaamsbewegingen dat ik niet meer kijken kan! Mag ik uitscheiden?quot; riep hij.
Toen kwam het Basset. Willem sprak er \'t eerst van. Had Witsen maar niet van gaan zitten gesproken! De zuinige man, hij verloor,.. geen dukatons, maar guinjes! Zijn gelaat was vuurrood; dat van Zijn Majesteit en Bentinck niet minder; dat van de beide Generaals het minst. Toen Willem op het laatste zinspeelde, waagde Witsen te zeggen, terwijl hij de beide ijzervreters daarbij aankeek: »aan de Heeren wordt het spreekwoord bewaarheid, dat de gewoonte een tweede natuur is!quot; waarop van Ouwer-kerk onder het neuriën van:
«Dikbuikig Burgemeesterken,
Pas op het flerecijn!quot;
113
den forschen arm als beschermend eerst op den schouder en toen op het hoofd van Witsen lei, maar, zij \'t met opzet of bij toeval, in dier voege, dat de pruik van Zijn Groot Edel Achtbare daarbij
8
KAPT. VAN DE LIJFGARDE. â II.
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
naar achteren schoof. De stoot, eenmaal dus gegeven, bleef nawerken; de beweging plantte zich voort; het glijdend hoofddeksel bleef aan \'t glijden... Mr. Nicolaas Witsen «at daar met een kaal geschoren kruin, een rotstop gelijk zonder eenigen heester of struik. Zijn Majesteit, wien de keel zoo ruim was dat stroomen van woorden en geluiden er een geheel vrijen doortocht vonden, hield zich den buik vast van \'t lachen, maar de basstemmen der anderen overstemden allen en alles! Witsen vatte het als een beleediging op en sloeg zich den handpalm bijna murw op het tafelblad. Hij was op weerwraak bedacht. Met een niet te keeren snelheid lichtte hij de pruik van den onschuldigen Zuilestein, die aan de andere zijde naast hem zat, op; schrik veinzend drukte hij haar dadelijk weer neer, maar half achterst voren, met de beleefde verontschuldiging: »ik dacht dat de Generaal zijn eigen hair droeg,\'\' welke opmerking scherp kon worden gevonden door wie er van gehoord had, dat de beroemdste Veld-oversten van den Zonne-Koning het val-sche hair als een krijgsman onwaardig schuwden.
Het gelach trof nu Witsen niet meer alleen...
«Druivenbloed kan den smaad alleen uitwisschen! riep Ben-tinck. De roemers werden daarop weder ten boorde gevuld en Ouwerkerk begon weer te neuriën, waanneê Witsen nu zelf ging instemmen. Het was zoo rumoerig dat de vrij luide lach van hem, die, buiten staande, een gedeelte van het grappig tooneel had aanschouwd, niet werd gehoord.
Ja, de losbol had genoten en zijn ellendigen toestand haast kunnen vergeten. Dezen zou hij echter spoedig herinnerd worden. Hij hoorde toch een voetstap, sloffende op de dorre bladeren achter zich in het Park. Hij trok het hoofd ijlings terug en trad in gebogen houding achteruit in het donker. Daar werd hij een kaerel, zeker den een of anderen tuinknecht, in den lichtschijn gewaar, die uit het eerste venster viel dat de vileyn voorbij klotste. Jones\' toestand werd al zeer ellendig, toen hij den kaerel zich zag neerzetten op een der steenen treden der stoep en hem daar met een knuppel even tegen de deur hoorde slaan.
Binnen was het gedruisch van stemmen op eens in een vervaarlijk gestommel en getrappel van voeten overgegaan. Zijn Majesteit was opgestaan, figuurlijk gesproken, met het gewone steenen masker in de hand. »Marsch!quot; kommandeerde hij. »Goeje reis, Witsen!quot; Hij schudde dezen hartelijk de hand. »\'k Wensch je vroolijke gezichten thuis!quot; zei hij lachend. »\'k Heb er waarachtig niet op te rekenen, en dat weet Uw Hoogheid \'t best, klonk t als andwoord met een erg dubbel slaande long.
Jones had zich op den weg geplaatst, die van het tuinhuis uaai het voorplein leidde en leunde tegen een boom. De mantel drukte hem bijna de borst in en kon hem in zijn bewegingen niet weinig
114
li
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE,
belemmeren; hij liet dien daarom van de schouders vallen. Ware het licht geweest, de te wijde en te lange uniform-jas zou hem een potsierlijk aanzien hebben gegeven. En het werd waarlijk eensklaps licht, in éene richting altans, maar de plek waar ijij stond werd er te donkerder door: de onder- en bovendeur van het tuinhuis werd geopend.
»Hou je roer recht, Witsen!quot; riep van Ouwerkerke.
Kon Jones ook de woorden niet begrijpen, wat ze bedoelden echter zeer goed. Hij zag waggelende beenen en zwaaiende schouders en hollebollende hoeden. De kinkel was van de stoep opgestaan en bad een der langste gestalten bij den arm gegrepen.
De deur van het tuinhuis viel door den tocht, die een dei-opengeschoven ramen veroorzaakte, ratelend en klaterend dicht, \'t Was weer overal donker, donkerder nog dan vroeger.
Wat was er gebeurd\'?... Boven het loeien van den stormwind uit had een gil geklonken en toen een luide vloek. Jan Bijt-me-nie â hij was de kinkel, die al jaren lang zijn meester bewaakte als ieder ander bewaker verre moest zijn en ook nu weer als trouwe hond op wacht had gestaan, â Jan Bijt-me-nie voelde zich duchtig gebeten.
Hij had Zijn Hoogheid, die zeer onaangenaam was aangedaan door de koude buitenlucht, in de stevige knuisten goed vast gehouden â hij mocht hem nooit zoo graag lijden als na zoo\'n gezellig avondtjen! â maar hij had toch niet kunnen voorkomen, dut Zijn Hoogheid het bovenlijf sterk voorover boog. Juist op het oogenblik, dat hij veel aan hem te houden had, voelde hij een schok in zijn schouder, toen een gloeïng daar, een felle pijn, en lauw vocht langs den eensklaps machteloos geworden arm neerdruppelen. Als bij instinkt had hij den anderen arm uitgeslagen en den jas van iemant gegrepen, die zich geweldig weerde om los te komen.
»Houdt hem! Houdt hem! \'t Is op Z\'n Hoogheid!quot; schreeuwde Jan met afnemende kracht. Hij werd op den grond gevonden toen Zijn Majesteit, die, het eerst van allen de waarheid vermoedende en opgekoeld naar het kapiteins-kwartier was geloopen, van daar met een lantaarn terug kwam.
De trouwe kaerel baadde in zijn bloed en kreunde van de pijn. Hij was bewusteloos, maar hield den jas van een Garde-officier in de verstijfde vuist genepen, een jas in welks zij-zak eenige papieren zaten; brieven van Kaptein Semeyns, brieven geschreven door een dochter aan haar vader.
»Ben komplot van de Jakobieten. Ik wachtte zoo iets!quot; merkte van Ouwerkerke koeltjens aan.
»Laat daarvan niets verluiden, Heeren!quot; bracht Zijn Majesteit met moeite uit.
115
DE KAPT BIN VAN DE LIJFGARDE,
»Sedert dat doodvonnis te Exeter had die man een wrok tegen u,quot; fluisterde Bentinck.
»\'t Wil er niet bij me in! Een der vertrouwdsten...!quot; De keelkramp belette Zijn Majesteit iets meer uit te brengen. jgt;Sire, zorg voor u zeiven..! Ga naar binnen!quot; bad Witsen, diamp; gebeel nuchter was geworden van den schrik.
»Eerst voor Jan gezorgd! Brengt hem in het tuinhuis!quot; Zijn Majesteit, die hem mee hielp wegdragen, zag bij het licht dat daar nog brandde de mouw en de lubben van zijn linkerarm stijf van bloed. De dolksteek was op zijn hart gericht geweest en had bij zijn voorover buigen Jans schouder, die toen op dezelfde hoogte zich bevonden had, getroffen.
»In Gods Raad was anders besloten. Wat vermag de mensch tegen de voorbeschikking Gods?quot;
Zijn Majesteit was van de waarheid van het leerstuk zoo innig overtuigd, dat hij het rustigst van allen zich vertoonde en kalm te bedde ging. De benauwdheid bleef hem echter den geheelen nacht bij en verjoeg den slaap, die toch zoo noodig ware geweest om kracht te geven voor den gewichtigen arbeid van den volgenden dag: de ontbinding van het Parlement en het weg zenden van het Whig-Ministerie.
116
VII.
\'t Was middernacht. Seineyns vloog door de uitgestorven straten, maar kon niet in de dikke duisternis den naasten weg naar Holland-house vinden. Hier en daar was nog een wegstervend lichtjen, niet meer dan een lichtsprank, merkbaar, te zwak om een baken te zijn. En \'t was zoo noodig dat liy den kortsten weg vond! Hij wist wel niet het juiste uur, maar \'t moest zeker later dan tien zijn. Er hadden klokslagen door de lucht gegonsd, maar of de loeiende storm ze ten deele opgevangen of zijn gehoor hem kwade parten had gespeeld, hij had de slagen niet alle kunnen tellen. Hij had soms het laatste zelfs in \'t geheel niet kunnen doen. In zijn hersenen scheen óok een storm te loeien: het geregeld denken werd er hem door belet. Slechts éen gedachte werd daar vastgehouden en trotseerde alle andere, die in den maalstroom van het bruischende bloed werden opgestuwd, en die gedachte was: den wachtpost weer in te nemen, dien hij ter kwader ure had verlaten.
Zijn eer hing daar van af! Zijn toekomst, zijn leven! Een lafaard zou hij zijn in het oog van hoogen en lagen ! De allerlaagste zou het recht hebben hem den rug toe te keeren en dit zou hij niet kunnen, niet willen verdragen!
Hij had den eersten plicht van den soldaat vergeten ! Hadde een ander het gedaan en ware hij geroepen over dien ontrouwe recht te spreken, hij zou hem tot den kogel, neen tot den strop hebben veroordeeld! En hij zelf had nu de schanddaad gepleegd! En wat er hem toe gebracht had, was zóo laag, dat hij er zich zeiven om verafschuwde, bleek bovendien een valstrik te zijn geweest, wat hem, behalve aan de oneer, nog aan de meest rechtmatige spotzucht prijsgeven zou.
«Vervloekt zij de eerste blik dien ik op haar wierp!quot; mompelde hij tusschen de tanden... »Ik moet er zijn!quot; riep hij in wanhoop, toen hij met al zijn kracht tegen den stormwind inroeide en, aan
DE KAPTKIN VAN DE LIJFGARDE.
den hoek eener straat gekomen, nóg niet het vurig begeerd doel bereikt zag.
Daar hoorde hij stemmen.... vlak voor zich uit! Stemmen en paardenhoefslag, verdoofd in de modder der straat! Hij repte zich in die richting voort. Ware \'t ook, dat ginder een bende optrok van dieven, die in grooten getale in het midden van Londen zich ophielden, hij zou hun hulp vragen. Ze mochten hem al wat hij aan waarde bezat ontnemen, als ze hem maar op den rechten weg brachten. Waarschijnlijker was \'t echter, dat een troep lichtmissen, als gewoonlijk verregaand beschonken, daar in het donker en in de straatmodder rondtuimelde.
»Heeren! Heeren! Hebt de goedheid...!quot; zoo riep hij zoo hard hij kon.
Hij was gehoord. Een verborgen gehouden lantaren werd hem toegekeerd. Iets wat naar een uitroep van blijdschap zweemde-werd vernomen. In een oogwenk was de ruiterbende nader gekomen en zag hij zich door haar omsingeld. Hij was niet onder dieven verdwaald, maar onder zijn naaste vrienden. Hij was te midden van een kompanjie der Lijfgarde! Spoedig zou hij reden hebben,, deze ontmoeting te beschouwen als het ergst wat hem had kunnen trelfen.
»Ge zijt mijn arrestant!quot; klonk het hem toe. Een luitenant waagde hem die woorden toe te grauwen, een paar gemeene soldaten de band aan zijn zwaard te slaan en het hem af te nemen. »Voorwaards! Marsch!quot; werd er gekommandeerd, en Semeyns was gedwongen in een draf tusschen de ruiters in te loopen. Hij was straks nader aan het doel geweest dan hij zelf wel wist, want na weinige minuten was het plein bereikt, waar de hoofdwacht zich bevond.
Maar wat zou \'t hem gebaat hebben al had hij zelf den weg gevonden? Zijn schandelijk plichtverzuim bleek toch reeds opgemerkt! Daarom vroeg hij geenerlei rekenschap van het op hem geoefend geweld. Hij had zich zei ven reeds geoordeeld en veroordeeld en volgde met gebogen hoofde den afgestegen luitenant naar binnen, de gelederen door der zwijgende soldaten, overwalmd door rood-vlammende toortsen. Toen hij ze voorbij was gegaan, hoorde hij achter zich een spottenden lach, weldra gesmoord door eenige krachtige vloeken.
»Ze hebben gelijk!quot; mompelde hij. »De minste hunner is meer dan ik Iquot;
Uit aanmerking zeker van zijn rang, werd hij niet dadelijk in het jgt;cachotquot; geworpen, maar zag hij zich de officierskamer ontsloten. Toen hij er binnen kwam, zag hij zijn kameraden, zijn minderen in rang, opstaan en zonder een enkelen groet zich ijlings verwijderen. Hij was alleen...!
118
DE KAPT KIN VAN 1)E LIJFGARDE.
»Groote God!quot; De forsche gestalte vouwde zich als in tweën! Het doodsbleek gelaat werd dooi\' een paar bevende handen bedekt! Tranen brandden in de oogholten! Tandengeknars duidde den
hoogsten graad aan van woede---- van machtelooze woede! Hij
zeeg neer op een houten zit en legde het hoofd, dat niet meer denken kon, op de tafel welke naast zijn stoel stond.
Of hij daar en in die houding langen tijd had gewacht, wist hij niet. \'t Kwam hem voor, dat er slechts weinige oogenblikken waren verloopen sedert zijn aankomst en het opengaan der deur, waardoor echter een schemer van daglicht viel en de Hoofd-officier binnentrad, die de twee begeleidende officieren met een gebiedenden wenk op den drempel reeds terug deed gaan.
Semeyns stond tegenover den kommandant der Lijfgarde: Ben-tinck. Graaf van Portland.
»Ik heb met je te spreken...quot; zeide deze hoog en koud.
»Ik heb mij niet te verdedigen... Ik ben schuldig..! Uwe Edelheid make het kort met mij! Wat ik lijd is niet lang te dragen.quot;
»Dat begrijp ik!quot; klonk het even hoog, maar minder koud. »Je stemming zal wel de scherpe ondervraging, naar ik vertrouw, overbodig maken. Wat deed je de monsterlijke wandaad plegen? AVas \'t wrok over een verongelijking? Was \'t hebzucht? We hebben dat te weten. Het eerste kan een soldaat op den zandhoop brengen; het tweede in den strop.quot;
»Ik begrijp... Uwe Edelheid niet!quot; bracht Semeyns stamerend uit, terwijl hij de hand aan het oververmoeide voorhoofd bracht. »Wrok...? Hebzucht...? Ja, ja... ik had een wrok, maar ik begeer niet, dat dat voor mij eenige verontschuldiging oplevere!quot;
Bentinck zag den ander op zijn beurt verwonderd aan. Hij begon aan verstandsverbijstering te gelooven; \'t getuigde voor zijn goed hart, dat hij \'t bestaan er van hoopte. »\'t Was dan wrok jegens een, die je weldoener was, die je zóózeer vertrouwde, dat hij je de bescherming van zijn kostbaar leven vroeg! Wrok om een daad, waarvan je bekrompenheid het noodzakelijke niet kon vermoeden ! Maar je spreekt onwaarheid. Wrok kan niet de eenige aanleiding zijn. In slecht gezelschap geraakt, heb je geluisterd naar de lokstem van den vijand ... en de eens opgevatte wrok drong je daar te lichter toe...quot; Bentinck poosde even, maar vervolgde scherper: »Maar in dat geval moet je toch een doortrapte schurk zijn! In dat geval heb je maanden lang moeten kunnen huichelen en Zijn Majesteit hebben durven nabij zijn met een duivelsch opzet in je binnenst! Waarom \'t dan niet eer gewaagd ? Er waren meer gelegenheden, want Zijn Majesteit neemt zich nooit tegen bandieten en dieven in acht... Er waren meer stormachtige nachten! Waarom \'t dan niet eer beproefd? Waarom juist nu? Geef andwoord! Je
119
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
wilt niets acliterhouden, heb je gezegd. Welnu, zeg me dan alles wat je weet van het komplot... Misschien kun je er \'t lijf nog door bergen...quot;
Semeyns had Mijnheer Bentinck al herhaalde malen in de reden willen vallen, maar de eerbied had hem weerhouden en ook de vrees, dat hij het verstand verloren en iets verricht had, waarvan de heugenis voor hem verloren was gegaan.
«Komplot? Komplot?quot; prevelde hij. »Ja,quot; vervolgde hij na eenig nadenken, »\'t moet een komplot geweest zijn. Dat niet-vinden van mijn tenue: mijn jas en hoed .... en dan die brief...quot;
»Door je kind geschreven. Ik heb dien straks gelezen. Vrouw en kinderen, en nog wel zoo\'n dochter in \'t lieve vaderland te hebben, en dan hier...!quot;
^Erbarmen! Erbarmen! Maak er een einde aan. Mijnheer! Spoedig een einde!quot;
»Niet langer met het sentiment gesold! Huichelen kun je zeker als de beste!quot; bromde Bentinck, die quot;t zich zeiven kwalijk nam, dat hij ontroerd was door die uiting van diepe smart.
»Zijn er... brieven..? nieuwe... van huis gekomen?quot; vi\'oeg Semeyns, die de laatste woorden vol smaad niet had gehoord, zóózeer was hij bezig geweest de gedachte uit te werken, welke het gewag maken van een gelezen en door zijn Brechtjen geschreven brief had doen ontstaan.
»Het vragen komt alleen mij toe!quot; hernam Mijnheer Bentinck, die even floot, waarna een ofHcier dadelijk binnenkwam met een jas,\'\'die Semeyns voor den zijnen herkende.
»ïrek dien aan, óver den jas dien je nu aan hebt.quot;
Semeyns merkte bescheiden aan. dat dit onmogelijk was, maar gehoorzaamde toen hetzelfde bevel herhaald werd.
Het bleek niet te kunnen. De onderstelling, dat de kleeding, waarin Semeyns was gevat, onder den bij het tuinhuis gevonden jas was gedragen, bleek dus onjuist.
»Zijt ge na het plegen van den gelukkig mislukten...?quot; Bentinck hield plotseling op. Hij moest voorzichtig zijn! Hij behoorde niet te doelen op den aanslag, waarvan niemant nog iets vermoedde en dien Zijn Majesteit geheim wilde houden. Was \'t een komplot, dan zou \'t door Tories zijn gesmeed, en deze wilde Zijn Majesteit juist gebruiken om den overmoed der Whigs te fnuiken. Werd het bovendien bekend, dat eenigen hunner naar het leven van den Souverein hadden gestaan, dan zouden de Whigs weer almachtig worden en de gerechtelijke moorden weer doen beginnen. Wat geschreeuw zou er tevens gehoord worden over de zorgeloosheid Zijner Majesteit, en hoe weinig kans zou er dan bestaan op den tocht naar Ierland! Daarom ging Bentinck niet door, maar
120
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
verbeterde hij zijn eerste vraag door een andere. »Zijt ge naar huis gegaan om je te verkleeden?quot;
»Naar huis? Verkleeden? Ik begrijp Uwe Edelheid werkelijk niet. Ik heb mijn post verlaten niet om andere kleéren te zoeken ... Zou ik voor een kinderachtige ijdelheid den duursten plicht van den soldaat verzaakt hebben? Is het briefjen dat ik ontving... ?quot;
«Welk briefjen? Bedenk je een nieuwe logen?quot;
»Dat wapen gebruikte ik nooit!quot; klonk het eenigzins fier. »Dit briefjen ontving ik, Kolonel, toen ik op mijn tijd de wacht had betrokken. Ik toon het waarlijk niet om mij te rechtvaardigen ... Ik maak geen aanspraak op genade... De kogel, maar niet de strop... als dat kan... en dan spoedig... als dat kan!quot; smeekte hij met steeds zwakker wordende stem.
Bentinck had gelezen, \'t Werd hem hoe langer hoe raadselachtiger.
»Wie is die Alfred?quot;
»Ik weet het niet.quot;
»En den raad van een onbekende volgdet ge bij een misdrijf, dat je geheel verleden bederft en je toekomst verwoest? Hoe waarschijnlijk!quot;
»Ik liet mij vervoeren... ik joeg na wat ik, zoo ik \'t gevonden had, het vinden niet eens waard zou hebben geacht...! Ik werd schuldig...quot;
»Je bekent dus!quot;
»Alles... van het eerste oogenblik af deed ik dat... Ik hoopte nog terug te kunnen zijn vóór Zijn Majesteit het paviljoen zou hebben verlaten... Men heeft mij gevangen gehouden.quot;
«Dus je beweert daar niet te zijn geweest toen Zijn Majesteit... het Zomerhuis verliet? Bewijs dan, datje ergens anders waart.quot;
jgt;Ik ben naar het in dat briefjen aangewezen koffihuis gereden; ik vond daar den aangeduiden persoon buiten naast een draagstoel staan.quot;
»Heb je hem goed in \'t gezicht gezien?quot;
»\'t Was donker en de breede rand van den hoed, doorweekt van den regen, hing slap neer.quot;
» Verder.quot;
»Ik ging met hem in den stoel, waarvan de gordijnen natuurlijk neerhingen tegen den regen. Na een langen marsch...quot;
»Hoe lang?quot;
»Naar mijn gissing wel een uur; misschien duurde \'t korter; mijn ongeduld en het voortdurend zwijgen van mijn medgezel deed mij den tijd lang vallen.quot;
«Vervolgens?\'\'
»Hielden wij stil voor een onaanzienlijk huis in een nauwe
121
1)F- KAPTEIN VAN DK LIJFGARDE.
straat. We stapten uit. De onbekende tikte tegen de deur; deze ging open. Mij werd gewenkt binnen te gaan. Toen ik mij omkeerde. ten einde te zien wie mij bad opengedaan, zag ik niets, want het was stikdonker; alleen hoorde ik mij toefluisteren: »de trap op!quot; Ik klom naar boven, trad den drempel over; nauw bad ik dat gedaan, of mij werd door dezelfde stem gefluisterd: »Houd stil, tot ik u kom halenquot;, en de deur klepte achter mij dicht, \'t Was er geheel duister. Ik tastte rond, maar voelde niets wat op luik of venster geleek; de muren waren kaal, de vloer door niets gedekt; ik vond eerst slechts éen stoel, al tastend nog drie andere. De tijd viel me ontzacbelijlv lang. Ik wist wat schuld ik op mij laadde en dat iedere minuut wachtens de kans om die te bedekken verminderde. Eindelijk ... eindelijk hoorde ik den grendel wegschuiven. Een stem â \'t scheen dezelfde van straks â fluisterde: »kom meê!quot; Wij gingen weer de trap af. het huis uit, een eind de straat door, toen een andere in, weder terug en nogmaals vooruit, waarna mijn arm werd losgelaten en... ik alleen stond, zonder te weten waar ik was of waar ik was geweest.quot;
»En je denkt, dat ik dat sprookjen gelooven zaly »De scherpe ondervraging,quot; die ik je besparen wou, is zeer noodig. Goed bedacht! Of liever: slecht bedacht! Een man van digniteit, nog wel een schrander man. zou zich op die wijze bij den neus laten nemen? Hou je mij voor simpel?quot;
»Maar waarom zou ik liegen. Mijnheer? Ik beken immers volmondig de misdaad, waarvan ik word beticht? Ik heb mijn post verlaten... Ik deel Uw Edelheid mede wat er mij toe verleid heeft; maar ik doe dat waarlijk niet in de hoop mij te verontschuldigen. Ik ben bedrogen, en dat ik het op die wijze kon worden, getuigt tégen mij en bewijst mijn nietswaardigheid.quot;
Mijnheer Bentinek stapte driftig het vertrek op en nêer. Hoe schrander ook van nature en hoe behendig ook door ervaring, hij wist den weg niet te vinden in dezen doolhof. De vooropgezette meening, dat Semeyns den aanslag had gepleegd, deed hem het spoor telkens bijster worden. Zeker, het verlaten van een wachtpost was een vergrijp, dat streng behoorde gestraft te worden, maar een moordaanslag op een persoon, die ieder Hollander vooral heilig en boven alle anderen kostbaar en dierbaar moest zijn, was oneindig grooter. Zou de man tegenover hem. door hem en op zijn aanraden door Zijn Majesteit zoo dikwijls gebruikt in zaken, die het meeste beleid en den koensten moed vorderden, ook hier beleid en moed toonen, door zich te bezwaren met het minste misdrijf, om daardoor zich vrij te kunnen pleiten van een, dat veel grooter en veel minder te verschoonen was?
Semeyns had hem met de oogen gevolgd, \'t Was wel of hij iets begon te vermoeden van \'t geen bij den ander omging. Met
122
DE KAPTEIN VAX DE LIJFGARDE.
bevende stem en zeer nederig klonk het van zijn lippen : »Mag ik Uwe Edelheid een vraag doen?quot;
»Nu?quot;
»Word ik van iets anders beschuldigd als van het verlaten van mijn post?quot;
»Hoe kom je daarop?quot;
»Oindat het mij toeschijnt, dat Uwe Edelheid door mijn verhaal zeer is ontstemd en het niet kangelooven. Waarom dat? Ik beken mijn post verlaten te hebben. Kan Uwe Edelheid de aanleiding daartoe, welke ik opgaf, niet als waar aannemen, welnu, dan be-schouwe zij die als een logen. Doet het tot de daad zelve iets af?quot;
Bentinck bleef hem doordringend aanzien.
»Mag ik nóg een vraag doen?quot; Een hoofdknik gaf hem daartoe verlof. »Dien jas heb ik gister in mijn huis niet kunnen vinden^ toen ik mij wilde aankleeden voor de paleis-wacht. Het heette dat hij bij den kleermaker was!quot;
»Wie zeide u dat?quot;
»Mijn hospita____Misstress Hopps.quot;
»Zoo!quot;
»Uw Edelheid zal dat wel weten, want er schijnt naar mijn huis gezonden te zijn...quot;
«Waarom denkt ge dat?quot;
»IIoe zou die jas anders hier kunnen zijn?quot;
\'t Was juist geredeneerd als de beschuldigde niets anders had gedaan als waaraan hij zich schuldig bekende. En zoo\'hij bezig was te liegen, dan zou dat door een onderzoek ten zijnen huize overtuigend kunnen blijken. Maar waarvoor dan toch die goochelpartij met dien jas? Wat doel zou Semeyns gehad hebben met hem niet aan te trekken, als het kleedingstuk werkelijk aan den kapstok had gehangen, en dien later te gaan halen? De zaak, welke aanvankelijk zoo glashelder scheen, werd verwarder en verwarder. Van Ouwerkerke had misschien dadelijk het meest juist van allen geoordeeld, toen hij van een Jakobitiesch kotnplot gewaagde.
\'t Zou Bentinck een verlichting zijn als dat zoo was. Hij floot. »De Kaptein blijft in strenge afzondering. Niemant mag toegelaten!quot; riep hij den binnengetreden Luitenant toe.
»Moet hij in de ijzers worden gesloten, Kolonel?quot;
Semeyns, die dat hoorde, trilde, hoewel hij ten volle bekend was met de militaire reglementen, door Zijn Majesteit onlangs nog verscherpt.
«Neen: maar goed bewaakt; geheel buiten toegang. Je hoortspoedig meer.quot; Met een schuinschen blik op Semeyns verliet hij het vertrek.
Lag in dien blik een groet? Misschien; maar zeker niet de verachting en de afschuw, waarmeê Mijnheer Bentinck den schuldige eerst had bejegend.
12 i
VUL
Het was een soort van pronkkamer, waar Mr. Nikolaas Stevens, in Fleetstreet, op zekeren November-morgen aan de welvoorziene ontbijt-tafel neêrzat, met tal van vreemde gezichten.
De »constrijkequot; ivoor- en steensnijder was nabij de zeventig, maar het langwerpig mager gelaat, waarin de oogen nog zoo levendig vonkelden, teekende niet meer dan zestig; het droeg den blos der gezondheid en het merk van verstandelijke kracht. Van nature opgewekt en door het bezige leven aangetrokken, had hij toch zijn hoflgste voldoening gevonden in zijn kunstarbeid, de genietingen echter verre van gering achtend, welke koffihuis of theater hem als verpozing aanboden.
Jaren geleden reeds was hij weduwnaar geworden; hij was niet hertrouwd en had het voorrecht zijn kinderen goed getrouwd te zien. De laatste dochter was voor weinige maanden het ouderlijk huis uitgegaan aan de hand van een echtgenoot, die ook hem lief was geworden als helper en deelgenoot in hetzelfde kunstvak. In zijn werkplaats stond hij op zijn ouden dag dus niet alleen, en in zijn huis had hij een trouwen bijstand gevonden in de goede Sally, die stil haar weg ging â veel stiller dan vroeger â sedert den moord aan haar David.
Zij was altijd zoo wat «doezeligquot;, zoo als het genoemd werd, â sedert dien ontzettenden nacht gebleven. Ze had ook altijd zoo veel met zich zelve te doen, zei ze, als er over geklaagd werd dat ze meest stil en in zichzelve gekeerd neêrzat, maar als haar Na-thanaël, al was \'t maar in zijn werkpak, al was \'t maar door een reet van de deur, voor haar zichtbaar werd, dan stroomden de woorden, welke altemaal loftiutingen inhielden, haar van de lippen. Dan sprak ze weer als van ouds van haar kostelijk agaat, waarbij alle edelsteenen van Mr. Stevens\' voorraad verbleekten; dan ge-
DE KAFTEIN VAX DE LTJ FGA.RDE.
tuigde zij van de alles overtreffende voortreffelijkheid van haar vermoorden echtvriend, die een voorbeeldig man en daarbij een kostelijk profeet was geweest.
En de meester, als hij haar hoorde, verdroeg dat blijmoedig en liet alleen, bij al die moederlijke en echtelijke overdrijving, een glimlachjen langs de dunne lippen zweven.
Waarlijk, hij toonde maanden lang meer geduld, dan waartoe Geertruid sedert gister in staat was geweest. De bleeke vrouw loch, tusschen twee kinderen in, aan de ontbijttafel gezeten, was de Hollandsche, die den vorigen dag tegen het vallen van den avond aan Stevens\' huis als geheel vreemde had aangeklopt.
«Mijn man is Semeyns, Kaptein van de Lijfgarde. Wilt ge mij met mijne kinderen voor éen nacht opnemen? We zijn landge-nooten, niet waar?quot; had het nederig, maar toch niet biddend geklonken.
»En al waren we dat niet, en al had uw man hier óok niet als vriend verblijf gehouden, en al had ik zelfs nooit van u gehoord, toch zoudt ge met de kinderen hartelijk welkom zijn, niet alleen voor éen nacht, maar voor zoo lang als ge wilt.quot;
De goede vriendelijke man, die zulk een and woord gaf! Hoe wist hij de lijdende vrouw dadelijk te bemoedigen, de bedeesde kinderen op hun gemak te brengen! Wat kwam zijn fijnheid en teerheid van opvatting nog beter uit, na het vertrek der kinderen, die, hoe afgemat ook van de reis, moeder geen oogenblik uit het oog wilden verliezen, maar toch eindelijk aan moeders ernstig vermaan en zijn bijna grootvaderlijken aandrang toegaven en door Sally, die hen niet begreep, maar door voortdurend knikken hun van haar goede gezindheid verzekering wilde doen, naar hunne slaapvertrekjes waren gebracht!
Geertruid had, met Stevens alleen gebleven, aanvankelijk niets van de oorzaak harer verre reis in dit barre jaargetijde gesproken, en hij had er ook niet naar gevraagd. Toch moest ze naar zijn overtuiging geheel van die oorzaak vervuld zijn en had haar voor-zich-heen-zien, baar beurtelings rood-en-bleek-worden, dat ook voldoende te kennen gegeven. Hij was begonnen met zich zeiven op den voorgrond te brengen. Wat had ze hem een eer bewezen en een genoegen bereid door zich tot hem te wenden! Hij was een goed Hollander gebleven, al droeg hij ook zijn nieuw vaderland een goed hart toe. \'t Was aan hem weer bewaarheid, dat men zijn geboorteland eerst recht lief krijgt als men er niet meer in woont. Als hij geen Engelsche vrouw had getrouwd, dan zou hij de moedertaal zuiverder spreken dan hij nu kon, en misschien nog wel eens naar Delft zijn teruggekeerd. Was ze er nooit geweest en had ze er geen kennissen? Niet? Dat speet hem! Hij was in\'tjaar \'50 er al van daan gegaan. Hij was nu een oude paai, want hij
125
DE KAPTEIN VAN 1)E LIJFG AU DE.
was geboren op den dag, dat Oldenbarnevelt in den Haag werd onthoofd. Een barre tijd was \'t toen, zoo als zijn moeder hem meermalen had verteld !... Maar die was Remonstrantsch en ijverde altoos voor den grooten Huig, zoodat ze wel eens wat overdreven zou hebben. Toch was er veel bij hem van blijven hangen, zoodat hij, man geworden, nóg door moeders bril was blijven zien en heel gemakkelijk tot het verlaten van zijn land had kunnen besluiten.
Maar \'t was hier wat dat betreft niet beter gegaan ... eigenlijk nog veel erger! Vreemd! dat had hij zich zoo erg niet aangetrokken, zeker omdat hij hier niet door den bril van een moeder had leeren kijken. Hij had zich hier buiten alle twisten weten te houden en alleen voor zijn »constequot; geleefd. Als er gegeeseld werd en geradbraakt op Towerhill, en dat was nog wel eens gebeurd, dan had hij zich altijd in zijn werkplaats opgesloten, geheel alleen, want zijn werkvolk had steeds vrij-af gevraagd, om er naar toe te gaan; en dan had hij steeds naar het moeielijkst stuk werk omgezien. Op den dag dat de Hertog van Monmouth werd onthoofd, had hij zich het eerst aan de bewerking van bazalt gewaagd â en hij had het tafelblad, dat er van gekomen was, aan Koning William even goed verkocht als zijn Jaspis- en Agaatbeeldjens vroeger aan Koning Karei en de ivoren krusifixen en Madonnaas aan Koning Jakob. Toeh was hij een goed Protestant, en hij hield het er ook voor, dat zijn lieve gast... Geertruid had oogenschijnlijk goed toegehoord, maar geen andwoord gegeven, niettegenstaande Mr. Stevens eensklaps met spreken was opgehouden. »Of ze... niet van de ware religie was?\'\' had hij toen gevraagd met eenige aarzeling, en niet op denzelfden vertrouwelijken toon van straks.
Wel bleek ook hij een kind van zijn tijd en was de sektehaat ten minste tot op den drempel van zijn werkplaats doorgedrongen I
Gelukkig voor beiden had zij hem gerust kunnen stellen en had ze \'t ook gedaan, toen ze bespeurd had dat hij op eenig andwoord bleef wachten. Ze was wel, zoo als zij te kennen had gegeven, geen Voetiaan â ze was veeleer een Goccejaan, want Domi-nus Bollandus, bij wien ze haar belijdenis gedaan had, was dat geweest, \'t Zou zoo wat van de Presbyterianen hebben, had Stevens â geoordeeld, en daar hij van de Engelsche Low-church was, had hij \'t er voor gehouden, dat het verschil tusschen hen beiden niet zóo groot was, of hij zou er wel over heen kunnen stappen.
Aan de terughoudendheid van Geertruid was toen een einde gekomen. Hij had daar even van Koning William gesproken. Hij deed zaken met hem. Hij was dus met hem bekend â misschien van heel nabij? Het andwoord had niet geheel bevestigend kunnen luiden. Hij was wel meermalen op Rolland-house geweest, maar
126
DE KAI\'TEIN VAN DE LIJFGARDK.
had dan alleen Koningin Mary ontmoet. Dat had Geertruid heerlijk gevonden; een vrouw, al was zij zelve geen moeder, zou een moeder toch beter dan eenig man begrijpen... en ze had zoo noodig begrepen te worden ! ,
Het ijs was toen gebroken. Ja, zij had het toen kunnen zeggen, dat ze om haar man hierheen was gekomen. Sinjeur Stevens had er straks blijk van gegeven, zich Kaptein Semeyns, die hier verblijf had gel;ouden, te herinneren, en haar kind had haar brieven aan zijn adres verzonden ... \'t Was wel een bewijs, dat Mr. Stevens haar man van nabij had blijven kennen.
Maar dat was niet zoo, had de ander geandwoord. Wel had hij hem met Sally en bet pleegkind van deze geherbergd, â bij het woord: pleegkind, was Geertruid vuurrood geworden â maar de Kaptein was niet lang te zijnent gebleven, \'s Nachts was hij naar veiliger plaats vertrokken. Hij had in die dagen groot gevaar ge-loopen. Ja, de Kaptein was een moedig man: in het holst van den nacht was hij heengegaan. Sedert dat oogenblik had hij weinig van hem vernomen; alleen maar, dat zijn woonplaats Kingstreet was, boven den winkel waar »de gouden armbandquot; uithing.
Dan wist ze niet veel, maar toch iets meer van hem, had Geertruid gezegd, met een traan in \'t oog en de bevende hand op de ietwat rimpelige van Mr. Stevens leggend. De Kaptein woonde niet meer waar hij \'t misschien vroeger had gedaan. Indien dit zoo geweest ware, dan zou zij met haar kinderen hem daar wel zijn gaan opzoeken. In de gevangenis was hij, ten minste veertien dagen geleden. Zij had \'t in Amsterdam vernomen... Och, ze was pas zwaar ziek geweest en daarom waren haar zenuwen zoo geschokt, dat zij telkens tranen in de oogen kreeg, \'t Moest de droefheid, welke haar bij die mededeeling overweldigde, veront-schuldigén.
Zou Mr. Nicolaas Witsen weer »langtongquot; zijn geweest en bij zijn aankomst te Amsterdam dadelijk als nieuvvtjen hebben verteld wat in Londen verzwegen werd? Mijnheer van Arkesteyn toch had Geertruid verteld wat men hier nog niet scheen te weten. Het tractaat, dat Witsen meêbracht, had hem zeker strakke gezichten en gramme blikken bezorgd, \'t Kon zijn dat hij er op bedacht was geweest, eenige afleiding en ontspanning te bezorgen, door een belangrijk nieuwtjen er bij te vertellen.
Stevens had gezwegen en de oogen neergeslagen, maar daarbij het hoofd geschud en zich eindelijk laten ontvallen:» Arme vrouw!quot;
»Maar hij zal geen misdaad hebben gedaan!quot; had zij, het hoofd fier opheffend, met kracht uitgeroepen. »Hij zal belasterd zijn.... Hij is snel en hoog gestegen en zal vele benijders hebben gemaakt. Kan u mij niet bij de Koningin brengen...? Zij had altijd den
127
DE KAPÃEIN VAN DF, LIJFGARDE.
naam van zoo goed te zijn! Och, Sinjeur, doe daar uw best toe!quot;
»Dat beloof ik u.... Weet u wel, dat ik zeker vrouwtjen uit Holland al lieel moedig vind, en lief ook ?quot;
Hij was toen opgestaan en bad Sally geroepen, die den last kreeg, de Juffer den weg te wijzen en verder behulpzaam te zijn. »Lach me niet uit,quot; had hij ten slotte tot Geertruid gezegd, »maar ik ben erg moê.., ik voel van avond eerst recht goed, dat ik naaide zeventig loop.quot;
En Sally had toen de verdere leiding op zich genomen, Geertruid goedig toegeknikt en al heel vernoegd gekeken, toen zij bemerkte dat de Hollandsche, die er in haar donker wollen kleed, haar hagelwitte chemisette, welke boezem en hals afsloot, en het met bont omzoomde hoofddoekjen er zoo fatsoenlijk en godsdienstig uitzag, Engelsch verstond en \'t zelfs vrij verstaanbaar sprak. Ze had, gaande naar het slaapvertrekjen, dat de gast met haar doch-tertjen moest deelen, vertrouwelijk gevraagd of Geertruid nog niet van haar jongen had gehoord, die zoo braaf oppaste en nu een meisjen had gevraagd en gekregen van een heel ander soort als Maud, die haar pleegkind was geweest, wier hart haar man zaliger, en zij zelve ook, had trachten te kneeden naar den wille des Heeren, maar die geheel was afgedwaald en zich had begeven tot de afgoderij der zonde. Waar de slons was heen gedwaald, ze was \'t nooit te weten gekomen, maar dat wist ze wel, dat haar Nathanaël...quot;
»Goede nacht, goede nacht, vrouw!quot; had Geertruid zich gehaast baar toe te roepen. De woorden dier vrouw hadden haar al zeer onaangenaam getroffen.
sNu slaapt u in \'t zelfde bed waarin de slons geslapen heeft, den ochtend na dien vreeselijken nacht, toen mijn David de martelaarskroon verwierf...quot;
Sally had in de verste verte niet geweten, hoe boos haar tong was geweest. Daarom was ze niet weinig verwonderd geweest, zich plotseling geheel alleen tegen over een gesloten deur te zien, maar was er weldra zeker van, dat Geertruids verdwijnen veroorzaakt zou zijn door de overgroote ontroering over haar buitengewone rampen, waarvan de geheele wereld, volgens hare innige overtuiging, vervuld moest zijn. Gelukkige, zij bad veel verloren, maar zij had uit haar rampen zich zelve goud weten te slaan: het haar verblevene was in hare schatting vertienvuldigd in waarde.
De kinderen hadden heerlijk geslapen. Toen ze aan \'t ontbijt zaten, verorberden ze met graagte de ham met eieren, hun voorgezet. Geertruid nam slechts weinig en bracht den linnen zakdoek van tijd tot tijd aan de oogleden, die er brandend rood uitzagen.
128
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Wat liefde onder dat drietal! dacht Mr. Stevens. Hij was zelf grootvader en wist dus, hoe het hart van kinderen te winnen was. Brechtjen verstond den vreemd Hollandsch sprekenden ouden man al heel spoedig; Ernst eerst na veel moeite, maar toen ook extra goed. Tegen tien uur moest evenwel aan alle jokkernijen een einde komen. De vroolijke oude man sloeg zijn regenkleed om en Moeder maakte zich ook gereed uit te gaan. Zouden de kinderen alleen moeten achter blijven? »Gaan we niet meê naar Vader?quot; vroeg Ernst. »\'t Zal me benieuwen of Vader er uit ziet zooals ik van nacht van hem droomde. Moê, waarom mogen we niet meé ? Brecht, waarom knip je me zoo toe met je oogen?quot;
«Straks____ later.... mijn jongen! Vader kan ons nóg niet ontvangen.... Vraag me niet meer!quot; klonk het bijna biddend van moeders lippen.
Mr. Stevens en Geertruid verdwenen. Gene begreep in wat onlijdelijke spanning zijn gast moest verkeeren. Daarom had hij maar besloten dadelijk met haar naar Holland-house te rijden. Hij wist genoeg van de leefwijze Harer Majesteit, om een toelating tegen elf uur in den morgen waarschijnlijk te achten.
De kinderen bleven bedrukt achter! Brechtjen was gaan vertellen, waar Ernst anders dol op was, maar waar hij nu niet lang naar luisterde. »Die goede Mietjen! Wat. bracht ze ons een mand vol brood en worst meê, toen ze aan den Haarlemmerweg ons stond op te wachten!quot; zei Brechtjen, die in eens weer naar het lieve vaderland was gereisd en van haar sprookjens maar afstapte.
»Ik wil naar Vader!quot; riep Ernst.
»Dat eerste schommelen van de boot buiten het Brielsche gat, hè Ernst? Wat was \'t goed dat het zoo stil was! \'t Is moeder nog aan te zien dat ze \'t erg kwaad heeft gehad. Moeder...quot;
gt;Ik wil naar Vader!quot; riep hij weer, en Brechtjen, óok onder den indruk van verlaten te zijn, daar niemant in dat huis haar begrijpen kon, kon zich niet bedwingen en snikte ditmaal nog luider dan broêrlief, die gewoon was alles even heftig te doen.
De zwaar bewolkte hemel klaarde evenwel plotseling op, toen het vriendelijk gezicht van den ouden heer onder de luifel zich vertoonde en de helder flikkerende oogen door de kleine ruitjens naar binnen schouwden.
129
Weldra klonk het in de kamer zelve, opgewekt en vroolijk: »Weg met die waterlanders! Moeder komt in een ommezientje terug! Wil jelui eens mooie steenen zien? Ze komen heel uit de diepte van onze aarde. Sommige blozen als de wangen van Brechtjen, en andere flikkeren en stralen als de oogen van dien kwajongen. Komt dan maar meê, kleuters! Maar niets aanraken, hoor, voor ik je dat toesta!quot;
KAPT. VAN DE LIJFGARDE. â II. L H \' r ^ , 9
IX.
Geertruid was juist niet in »een ommezientjen,quot; zoo als Stevens dat met een woord uit zijn jeugd genoemd had, terug, maar toch nog vóór het noenmaal. Brechtjen had haar bij het binnentreden goed opgenomen en toen veel van haar innerlijken angst zien verdwijnen. De uitdrukking van verslagenheid was van moeders gelaat, de matheid uit haar oogen verdwenen, en wat er voor in de plaats was gekomen, wist ze wel geen naam te geven, maar \'t moest iets hebben van wat zij zelve wel eens gehad had, als ze meer dan de haar opgelegde taak had afgewerkt en, hoewel erg moê, toch met een liedtjen op de lippen de naald in haar koker stak en »haar werkquot; oprolde.
»We gaan gauw naar Vader!quot; riep moeder hun toe. Maar eerst had ze nog met Mr. Stevens te spreken, die dut wel verwacht en haar reeds gewenkt had hem te volgen.
»Welk een lieve, lieve vrouw!quot; riep Geertruid boven gekomen uit. Daarna borst ze plotseling in tranen los! »Ik schaam mij dat ik zoo zwak ben..! Maar de vriendelijke woorden mij toegevoegd .... en het medelijden mij daar betoond...! vooral dat medelijden...!quot;
Zij had geen oog gehad voor den statigen rijkdom van het groote vertrek, waarvan de vloer met een Smyrnaasch tapijt was gedekt, waarvan de drie groote vensters met spiegelglas, alle uitziende op den tuin, en, behalve door de stevige luiken van buiten, van binnen door donker blauw damasten gordijnen aan vergulde stokken hangend konden worden afgesloten. Zij had niets bespeurd van de sofaas en stoelen, waarvan het hout zoo kunstig was gesneden en de kussens zoo mollig waren gevuld en overtrokken met dezelfde stoifaadje der gordijnen; ook niet van de kasten en dressooren en tafels even als sofaas en stoelen vervaardigd van het sedert weinige maanden ingevoerd mahagonie-hout uit Guyana,
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE.
waarvan het Kastemakersgilde te Amsterdam, de weergade leverde. Zij had slechts gezien, en dat nog maar als door een floers, hoe om de groote tafel in het midden eenige Ladies waren neergezeten, alle bezig met handwerk, en dat aan den kant, \'t dichtst hij het groote haardvuur in den prachtigen breeden schouw en met den rug er naar toe gekeerd, een Lady met een boek vóór zich zat: dat was de Koningin.
»Ge waart in de zaal waar de met schildpad belegde tafel staat en dat kastjen met ebbenhout en ivoor ingelegd, waarin de japan-sche pagoden staan, en het puitrum van ebbenhout, waarop de bijbel ligt in schildpad gebonden...! mijn werk!quot; merkte Stevens aan. \'t Was een uiting van ijdelheid waarover hij een oogenblik later zich zei ven bestrafte.
»Als ik daar nóg eens mocht komen, dan zou ik het zeker opmerken en bewonderen, beste-vaarquot;! hernam Geertruid op een ongewoon wannen toon. Maar dadelijk vatte zij den draad van haar verhaal weer op. De Koningin was bezig voor te lezen, want â wat Geertruid niet wist, weten wij â de oogen Harer Majesteit waren te zwak voor naalden-arbeid, en daar ledigheid naar baar oordeel een groote zonde was, die tot nog grootere kon leiden, was zij voorlezeres, terwijl de dames harer omgeving voor de versiering en stoffeering van huiskamer of zaal of voor de dekking der vele armen zorgden, wier lot de Gebiedster zich in Engeland en Holland steeds aantrok. Op den morgen van Geertruids bezoek had ze Tillotsons verhandeling: »over de kwaadsprekendheidquot; voor zich. De keuze van dat onderwerp was met opzet geschied. Een harer dames toch had den vorigen dag veel over zekere personen, die vijandig aan het nieuwe Hof waren, gesproken, en wel in dier voege, dat het de spottende vroolijkheid niet weinig had opgewekt. Haar Majesteit had toen gezwegen, maar wilde nu, zoo weinig persoonlijk als maar mogelijk, hare afkeuring daarover te kennen geven. Toen Geertruid echter binnen kwam en bescheiden op den drempel bleef staan en niet wist hoe zij zich houden moest, was Hare Majesteit uit haar leunstoel opgerezen en naar haar toegekomen met uitgestoken rechterhand, en had zij, vriendelijk glimlachende, haar naar den stoel geleid, die een der dames in de nabijheid van den koninklijken leunstoel had neérgezet. Hoe bedremmeld was ze gebleven, niettegenstaande den vertrouwen wek-kenden eenvoud, den vriendelijken ernst, de rust en den vrede rondom haar!
Als ze meer zich zelve ware geweest, dan had ze wellicht den adem van reinheid en bevalligheid kunnen hooien ruischen uit de plooien der gordijnen van raam en portiek, en door de gantsche ruimte de zegen-beden hooren fluisteren van hen, die daar vertroost waren en gezalfd, vertroost en versterkt!
131
DE KAPTEIN VAN DE LIJ KG AR DE.
Haar Majesteit had haar naast zich doen plaats nemen. Haar tweede Vaderland, had ze gezegd, was nooit uit haar gedachten, en wie er uit tot haar kwam, noemde zij altijd een lieve gast. »Hoe stelt ge \'t hier toch met de vuilheid. Juffer? We zijn aan zoo veel netheid gewend, niet waar?quot; had ze zoo erg vertrouwelijk gezegd. En toen had Geertruid moeten vertellen wat haar hier had gebracht. En Geertruid had dat zoo sober mogelijk gedaan en tot haar grooten angst gezien, hoe het straks vriendelijk gezicht strak werd en de innemende glimlach als verstijfde.
»Maar dat zijn politique zaken, waarmeê ik me zoo weinig-inlaat!quot; had Haar Majesteit ten laatste met gedempte stem uitgeroepen.
Het was bovendien ook een zoo bedenkelijke zaak! Een Kaptein van Willems Lijfgarde, die gevangen was genomen...! Het feit had aan het Hof algemeen opzien gebaard! Een Hollandsch soldaat, die jaren reeds gediend had en wiens trouw algemeen beproefd werd geacht, had zich schuldig gemaakt aan ..! ja, niemant wist recht waar aan; maar wat hij ook misdreven mocht hebben, het. was zeker een gevolg van zijn ongebonden leven. â Dat laatste had Mary het best onthouden. â En de beleedigde vrouw van dien man zat op dit oogenblik biddende naast haar, voor hem pleitende en hem prijzend en verheffend met al de overdrijving der liefde! En die vrouw was moeder en zou uit haar betrek-kelijken welstand tot armoede vervallen door een misdrijf, waaraan zij waarlijk geen deel had, een misdrijf, dat haar bovendien geheel onverdiend nog oneer en schande bracht! Hoe te helpen?
»\'k Zal u mijn vriendin Mad11\'- Opdam in den Haag aanbevelen____ Mad1\'\' Opdam bestuurt mijn inrichting van uit Frankrijk
gevluchte adellijke dames, maar heeft naast zich iemant noodig. De Haagsche lucht zal voor u en uw kinderen zeker beter dan de Amsterdamsche wezen ...quot; En zoo was Haar Majesteit voortgegaan met haar een onbezorgde toekomst voor te houden, en haar en haar kinderen zelfs een vroolijk verschiet te openen.
Maar dan haar man... ? Hij ging boven allen en alles, had Geertruid verzekerd. Het zwarte brood, met hem gebroken, zou smakelijker zijn dan het witste, dat de weelde gaf zónder hem !
Haar Majesteit had toen met ontroering gezegd, dat ze doen zou wat ze maar zelden deed: Zijn Majesteit daarover raadplegen. »Om uwentwil, waarlijk niet om zijnentwil!quot; had zij met eenige verheffing van stem gezegd, en die woorden hadden Geertruid pijn gedaan.
Het onderhoud was daarop plotseling afgebroken. Door een zijdeur toch, bijkans geheel verborgen achter een portret van Zijn Majesteit ten voeten uit, was een lange magere gestalte binnen gekomen, bij welker verschijnen alle oprezen, alle, ook Haar Majes-
132
Dl! KAPTEIN VAN DE LIJFGAUDE.
teit. Wie dat was, behoefde Geertruid niet gezegd te worden, Het was de gevreesde Opperbevelhebber van de Engelsche en Holland-sehe legers, de strenge Stadhouder, de naar hare opvatting alvermogende Koning!
\'t Kwam haar voor, dat al de aanwezigen min of meer deelden in haar onrust. Zelfs Mary scheen onthutst en gebukt onder een zwaren last. Maar na een blik op het gelaat van den binnen-getredene helderde ook het hare op en na zijn op vroolijken toon in het Pransch uitgebrachte woorden: »Iluim al de prullen maar dadelijk opl \'t Is een mooie winterdag! We gaan een rit maken... de stad door!quot; was ze gerust gesteld geworden en had ze maar dadelijk de belofte, aan de bedroefde Hollandsche Jufïer gedaan, willen vervullen. Zij had Geertruid hem voorgesteld; zij bad in enkele woorden hem bekend gemaakt met don treurigen toestand van deze: in zeer weinige woorden maar, en toch had het den schijn gehad of Zijn Majesteit er nog te vele gebezigd had gevonden. \'t Was geweest of zijn gelaat was verstijfd. Geertruid had gesidderd en beefde er nog van.
tOm den wille van vroeger bewezen diensten is hij begenadigd .... maar hij is uit het leger weggejaagd.... Juist een uur geleden is er last gegeven hem te ontslaan. Die naam moet hier niet meer genoemd worden,\'\' had het koel en streng van zijn bloedelooze lippen geklonken.
Geertruid had niets wagen te vragen, zelfs niets wagen te denken...
Genade hield, tenzij die door den Heer werd geoefend, voor haar altijd iets vernederends in, en hier werd ze aangekondigd met zulk een kilheid, dat aan geen zachtmoedigheid, maar alleen aan verstandelijk overleg en berekening kon worden gedacht... Zij had eerbiedig en met een uitdrukking van innige erkentelijkheid in de oogen voor Haar Majesteit gebogen, maar den rechter, die rechter was gebleven ook in zijn genade, niet aangezien.
Haar man was dan toch gespaard! De wonden, hem geslagen, zou zij trachten te helen en, waar zij dat niet mocht kunnen, zouden \'t de kinderen wel vermogen! Er was stof tot danken!
Wel moest haar nacht in de laatste tijden donker zijn geweest, dat zij reeds dankbaar wist te zijn bij een schemerschijn, die zoo weinig nog verlichtte!
Of de gevangene reeds ontslagen was? had zij den paadje gevraagd, die haar naar de buitendeur geleidde. Deze had zelfs die vraag niet begrepen, evenmin als de concierge en de schildwacht; de laatste had zelfs haar vraag niet schijnen te hooren, want hij was zonder iets te zeggen heen en weer blijven loopen en de blik, waarmee hij al haar bewegingen naging, had iets dreigends en achterdochtigs gehad.
133
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Ik kon hem dus niet gaan afhalen en ben maar regelrecht hierheen gegaan, \'t Is ook.beter en verstandiger van hier uit naar zijn kwartier te gaan... mét de kinderen...!quot; zeide zij, haar verhaal besluitend.
»Zoudt ge ze meê nemen?quot; vroeg Stevens bedenkelijk.
»Zeker, zeker! Ik heb daarvoor goede redenen ...quot;
»Gebruik dan eerst het noenmaal hier.quot;
»Och, Beste-vaêr, ik heb geen honger... de kinderen verlangen ook zoo____quot;
»Ga dan met God! Moedig zijt ge genoeg...quot;
gt;Zoo ik slechts nederig wete te zijn... God wederstaat den hoo-vaardige... Dat is mij gebleken. Beste-vaêr, u houdt me voor veel te goed...!quot;
Weinige oogenblikken later was de moeder met de kinderen onder geleide van Nathanaël al op weg: Ernst, vroolijk snappend, Brechtjen, dikwijls onrustig naar moeder opziende en onbegrijpelijke andwoorden gevend. Moeder zwijgend vóór zich starend met een bede in het hart! Nathanaël scheen niets te zeggen te hebben en dacht bij het tegenkomen van een jonge dochter met een paar kersroode en donzige lippen aan zijn Mabel, die ze echter nóg rooder en donziger had, en die, gelukkig! niets anders als de twee eerste letters van haar naam met die andere, aan wie tij toch nog wel eens dacht, gemeen had. Die Maud, die zoo in de staatsie was gekomen! Hij had haar wel eens bepluimd en begoud op straat ontmoet, maar dan altijd haar den nek toegedraaid! En zijn Mabel, wie hij dat verteld had, had dat heel verstandig gevonden en daarbij noodig geacht hem te zeggen, dat hij voortaan haar alleen maar in het gezicht had te zien.
134
X.
Haast ter zelfder tijde was voor den ex-kapitein de gevangenisdeur geopend. Lange dagen had hij doorgebracht in afwachting zijner terechtstelling, voor-den Krijgsraad L De eenzaamheid was een schrikkelijke foltering geweest! De kogel alleen kon verlossing brengen. Hij geloofde aan de eeuwige verdoemenis der niet-uit-verkorenen, tot welke hij zeker wel bebooren zou; maar hij kon niet aannemen, dat de pijnen der hel de tegenwoordige te boven konden gaan of zelfs evenaren. Soms evenwel had hij óok oogen-blikken gekend, dat hij wilde blijven leven, dat hij, zij \'t maar voor eenige uren, zich weder vrij mocht kunnen bewegen.
Hij zou ze weten te gebruiken, om de deerne te straffen, óm, en misschien wel, dóór wie hij geschandvlekt was. Want er was zeker veel meer gebeurd dan hem werd meêgedeeld. De jas, dien hij thuis niet had kunnen vinden en dien men hem hier had getoond, getuigde dat. Het door hem ontvangen briefjen had alleen gediend om hem te verlokken zijn post te verlaten. Zijn daarop gevolgd gevangen-houden bewees den verraderlijken toeleg volkomen ! Als hij maar verhoord werd, dan zou hem openbaar worden wat hem nu verborgen bleef. Maar dat verhoor, eiken dag door hem verbeid, bleef uit; dagen, dagen, misschien wel weken, want zelfs het vermogen om den tijd te berekenen ontslipte hem!
Daar naderden voetstappen zijn gevangenis, een eenvoudig, maar toch goed ingericht vertrek, door een van dikke ijzeren staven voorzien venster uitziende op een binnenplaats. Dat waren de gewone voetstappen niet. Neen, niet de bewaker, maar Kolonel Bentinck verscheen op den drempel en kondigde hem de goedertierenheid Zijner Majesteit aan.
»De waereld is groot. Verlaat Engeland zoo spoedig mogelijk! Breek alle betrekkingen af met de vrouw, die Gravin van Dor-
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Chester heet. Dit voor de reis!quot; Hij reikte hem een zakjen met tal van guinjes. »Je hebt er recht op: \'t is je soldij. Als er wat tijd over heen is gegaan en je hebt hulp noodig, dan kun je mij dat doen weten en ik zal zien wat ik voor je doen kan!quot; Bentinck was meer bewogen dan hij wel wou doen blijken. Hij was er niet ver van, den diep vernederden man de hand te drukken, maar bijtijds bedacht hij zich nog.
»Gravin van Dorchester!quot; mompelde Semeyns. »Ik heb haar wel eens ontmoet... dat is waar... maanden... neen, weken geleden .. .!quot;
»Ontmoet haar niet meer! Vraag naar niets! Onderzoek niets! Alleen dit: die vrouw wordt onschadelijk gemaakt. Hier is het briefjen van je dochter.quot; Semeyns\' vingei\'en trilden toen hij \'t aannam en wegborg. »De jas waarin \'t gevonden werd, blijft echter bij \'t regiment. Ga de kazerne achter uit! Er wacht buiten deze deur een knecht, die je er brengen zal. Een openlijke kassatie is je bespaard. Vergeet nooit met welk een zachtmoedigheid Zijn Majesteit je behandeld heeft!quot;
Bentinck was vertrokken zonder een enkel woord, dat van dankbaarheid getuigde, gehoord te hebben.
De vrijgelatene snoof de buitenlucht begeerig, behagelijk, op! »Vrij!quot; \'t Was eerst alleen een juichtoon. »Vrij!quot; Maar onzichtbare ketenen sleepten hem nog nal »Vrij!quot; Hij was in staat gerechtigheid te oefenen! Verder ging het bewustzijn van zijn toestand nog niet. Hij wist bij welken zwaardveger bij de beste vuurwapenen kon vinden. Hij kocht er twee pistolen met kruit en kogels... Wat heerlijk gevoel, zich weer gewapend te weten! \'t Was of er een deel van den smaad, klevende aan den gedegra-deerden, neen weggejaagden, soldaat, losliet en wegviel!
»De een voor haar... de ander voor mij. Niet slechts in het leven éen, maar ook in den dood!quot; siste het van zijn lippen.
Weinig minder kalm was \'t dien morgen in \'t gemoed van de vermogende eigenaresse van de grootsche woning in St. James square geweest. Wat had Kate Sedley in de laatste dagen tusschen hoop en vrees geleefd! De aanslag was mislukt; William was ditmaal gered, maar de poging kon worden herhaald. Wie Kate eenmaal waagde te beleedigen, mocht niet vrij meer ademen! De verleider van haar kind had zij echter reeds dadelijk onschadelijk weten te maken! De domme Edward Jones bleef haar slaaf.
Na het mislukken van den aanslag was deze, zeker om van den schrik te bekomen, naar de speeltafel gegaan in Apollo-Tavern, het koffihuis der hoogadellijke Tories, en had daar in een paar uur de vijfhonderd pond verloren, welke zij hem \'s ochtends als voorschot op zijn loon in de hand had geduwd. Had de stumpert den toeleg gehad, zich door het spel van haar vrij te maken, dan had
136
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
hij zich deerlijk vergist. De keten, waarmeé zij hem aan zich boeide, had een sclialm minder en was dus nog korter geworden...!
Als zij zelve maar buiten schot mocht kunnen blijven! Toen de half dronken lichtmis in den ochtend na zijn dappere daad, welke hij zelf toen nog gelukt dacht, zich bij haar had aangemeld, was hij vriendelijk opgenomen. Zij had hem voor eenige dagen van de straat en uit de koffihuizen willen houden! Toen haar echter, weinige uren later, de waarheid bleek en\' de gewaande overwinning in een nederlaag was verkeerd, kende haar woede geen palen. De terugkomst van haar »ouwen dofterquot; was weder vertraagd. Zij berekende de kansen, welke zij, hier blijvende, liep. Zij vernam van Hopps, dat deze in haar eigen huis verhoord was geworden door een Hollandsch Officier, wat een overtreding was der Engelsche wet, waarvan in gunstiger omstandigheden kon worden gebruik gemaakt. Zij zelve werd echter niet geplaagd en mocht zich de magere handen wrijven in zelfvoldoening. Zij zou geheel ongemoeid blijven en haar voornemen met Maud zonder opzien te wekken kunnen volvoeren.
Tot gister avond laat had zij zich daarmeé nog knnnen vleien.
\'t Had even tien uur geslagen en de kamenier was reeds geroepen de slaapkamer in orde te brengen, toen op de voordeur de metalen klopper herhaaldelijk was neergevallen. Wat was dat? Zoo laat een bezoeker nog! »Opent niet!quot; had ze gelast. Maar toen de bezoeker houder bleek te zijn van een rechterlijk bevel moest de toegang wel worden verleend.
Een rechterlijk bevel in de hand van een Hollandsch Officier! De binnentredende bleek het laatste toch te zijn. Hoffelijk begon hij, en hoffelijk bleef hij ten einde toe, hoewel hij haar aan te kondigen had, dat Engeland over vier en twintig uur geen veilig verblijf meer voor haar wezen zou; hoffelijk, hoewel hij, na hare onhoffelijke klachten over ruwe soldaterij en tyrannij en verkrachting van Engelands wetten, haar bij de hand vatte en die stevig omklemde, zóo stevig .zelfs, dat ze een oogenblik dacht geboeid te zijn, en haar toefluisterde, dat wat zekere hospita verzwegen had, door de buren was verklapt, en het pakjen, gebracht in haar rijtuig, dat voor zeker buis in Kingstreet zekeren middag had gewacht, uit een jas en hoed had bestaan van een officier der Lijfgarde Zijner Majesteit.
Men had voor als nog, werd er bijgevoegd, een anderen smaak als de weggejaagde Koning en vond er geen behagen in bloed te zien stroomen. .. »voor als nog!quot; En daarom zou voor de Gravin van Dorchester een spoedige verandering van verblijf zeer gewenscht zijn.
Zij had nooit vermoed, dat een soldaat even als de fijnste Lady-met een zoet glimlachjen den priem kon hanteeren. Zij wist tot
137
tgt;E KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
dus verre dan ook van Bentinck zoo weinig, maar had nu het voorrecht te vernemen dat deze tegenover haar stond. Bij zijn beleefde buiging, toen hij vertrok, bracht hij nog een zeer bescheiden verontschuldiging uit over zijn laat bezoek. Men had echtfr alle opzien willen vermijden, daar men wist, dat de Gravin van Dorchester niets zóo zeer schuwde als dit.
De modderkluiten, haar eenmaal wervelend om de ooren, kwamen haar bij die opmerking eensklaps in de gedachten.
In den vroegen ochtend reeds van den volgenden dag â \'t was nog wel een uur voor Geertruid haar tocht naar Holland-house begon â stond Edward aan haar kaptafel. Wat was de mooie blonde van voor eenige weken veranderd! Kon alleen aan het trillen van haar lippen de innerlijke onrust bespeurd worden, bij hém sprak alles van vrees en verslagenheid. Hij scheen wel tien jaar verouderd. Daartoe droeg echter ook de pruik, die hij, na het afknippen van het eigen hair, wel had moeten blijven dragen en die vooral in de laatste nachten erg geleden had, zeer veel bij. Zeker had zij op die ongunstige verandering gedoeld en daarbij geene verzachtende omstandigheden doen gelden, want hij voerde haar driftig tegemoet: »Voor den mond van een falkonnet of den loop van een musket zal niemant mij zien beven, maar wel voor een onzichtbaar gevaar, wel voor een zwaard, dat aan een vrou-wenhair boven mijn hoofd hangt en ieder oogenbiik kan neervallen.quot;
»Ik grif die heldenvvoorden in mijn geheugen .. ..quot; merkte ze spottend aan.
igt;En ook, wat komt het er op aan, hoe mijn uitzicht is? Maud neemt immers alleen maar mijn naam!quot;
»Juist; van avond te zeven uur in de Kapel bij Charing cross... Aan den arm van Alfred, Viscount van Pembroke, zal de bruid binnen komen . ..quot;
igt;En danVquot;
»Zal bij Hopps voor een drietal gasten het een en ander klaar staan.\'\'
»Drietal?quot;
«Natuurlijk. Is \'t niet geraden, dat er nog een, behnlve gij, voor Mylady Pitz-Gerald zorgt?quot;
«Feeks!quot; klonk het nauw hoorbaar.
»Geen dank!quot; Het scheldwoord was door Kate gehoord en werd door die enkele woorden ruim betaald.
»Bij de Theemsbrug wacht mijn rijtuig; daarheen brengt gij en de Viscount Mylady. ïegen overgave van het huwelijksbewijs ontvang je \'t restant der belooning. \'t Is gelijk oversteken, Mr. Jones! Tijdig zul je later van mij hooren . .. Wij blijven vrienden, vertrouwde vrienden, Edward! Als je schuldeischers dat eens kon-
138
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
den hooren, dan zou ik je wissels zeker vijftig percent hooger moeten inlossen. Heb je een nieuw pak besteld? Dat van voor veertien dagen heb je zeker verdobbeld, want wat je nu aan hebt kan dat pak toch niet wezen, hé? In zulk een armelijke kleeding hier te durven komen!quot;
igt; Had ik het nooit met die slang aangelegd!quot; ruischte \'t in zijn binnenst.
«Een baard als de soldaten dragen, zou ik er bij nemen----Ze
zijn te koop, ik weet het zeker. Alles kan op éen rekening komen____
Dus voor een kanon of een musket ben je niet bang____Ik zie
je al een eigen regiment hebben...quot;
»Stuur me naar Ierland, naar Dublin!quot;
»Zeker niet, want daar ga i k heen, en dan zou er te veel schranderheid en beleid op eens worden ingevoerd, wat de markt drukken zou; heet dat niet zoo op de Koninklijke Beurs?quot;
Kate Sedley had al pratende weer zich zelve gevonden.
f) â ( \'
â U W lt;-1
jl *
189
XI.
Maud had al bijna veertien dagen zonder don ouden Kaptein geleefd en had waarlijk moeite zich te herinneren hoe hij er uitzag. Het best had ze de grijze hairen onthouden in den steeds dunner geworden baard, de diepe voren en rimpels in zijn voorhoofd, en zijn gewoonlijk knorrigen bevelenden toon. Slechts een enkel maal kwam haar het oogenblik te binnen, dat ze hem het eerst had gezien en dat alles wat in haar was naar hem toe werd getrokken. Spoedig was evenwel die indruk voorbij: och, zij was toen ook niet veel meer dan een dom kuiken geweest!
En achter den rug van den strengen brommenden meester, die haar eens het schoone hair had doen afsnijden en met haar eigen waaier haar een slag in het gezicht had gegeven, hadden sedert lang vele buigende, steeds vleiende en nederig dienende jonge mannen haar in Londen het leven veraangenaamd.
Auntie had óok voor afleiding weten te zorgen, en had dat met «en zachtmoedigheid en bescheidenheid gedaan, wat Maud zeer voor haar had ingenomen. Auntie drong nooit haar gezelschap op; zij kwam niet eens alle dagen. Zij had echter hare maatregelen zóo goed genomen, dat alles toe ging, ook al was ze afwezend, alsof ze er bij ware geweest. Hopps was, wat Maud in de verste verte niet vermoedde. Aunties zaakgelastigde. Edward kwam nooit alleen, maar altjjd met den beeldschoonen Alfred, die, zoo als Maud nu hoorde, een Viscount was. Wel had géne wel eens weg kunnen blijven als déze kwam, zoo als ze Auntie soms gulweg bekende, die daarop goedig lachte en guitig verzekerde, dat de â aanstaande Mylady Pitz-Gerald, in de bruidsdagen altans, alle opspraak moest vermijden. Op haar vraag of die bruidsdagen lang zouden duren, had zij tot andwoord bekomen, dat door toedoen van dien boosaardigen Kaptein alles vertraagd werd. Was Maud,
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE.
even als de goede eerlijke Hopps, ook al niet ondervraagd aangaande den bespottelijken diefstal van een jas en een hoed? Maud, hoewel natuurlijk niets tegen haar had kunnen ingebracht worden, lag nog altijd onder oenige verdenking, en het vreemdst van alles was, dat dit ook met Mr. Jones het geval was. Werd het ruchtbaar dat die beiden huwden, dan zou de argwaan misschien weer voedsel ontvangen en toenemen.
\'t Waren redeneeringen, die tegenover Maud alleensteek hielden. Maud was een kind gebleven, wat de kennis betrof van de groote menschen-maatschappij en .. . ze was in \'t geheel niet begeerig naar den echtgenoot. Ze wou toch maar alleen een Lady worden, om aan het Hof te komen, eerst, als \'t niet anders kon, mèt en later, spoedig zoo als ze hoopte, zónder Auntie.
Deze had voor de vertraging natuurlijk gants andere redenen als de opgegevene. Ze achtte zich nog onmisbaar te Londen. In haar koffihuis, waar »de Kaasboerquot; uithing, hield ze met Jakobs vurigste aanhangers vele zeer geheime samenkomsten. In een der laatst gehoudene was een bepaald besluit genomen, wat op hare houding tegen Maud van grooten invloed was. Zoo aarzelend en uitstellend toch als ze de laatste tien dagen zich had getoond, zoo haastend en spoeddringend was ze van ochtend geweest. Ongewoon vroeg was ze bij Maud, die nog te bed lag, gekomen, om haar aan te kondigen, dat de lang verwachte ure eindelijk had geslagen. Ze zou in den loop van den dag de heerlijkheden laten bezorgen, welke zij reeds voor dagen bij goudsmid en echte Fransche tailleuse had besteld... »Van avond,quot; zei ze hartelijk, »komen wij tot elkaar om niet meer van elkailr te scheiden...quot;
»En wanneer gaan we dan naar het Hof?quot;
»Spoedig... over drie of vier dagen, Maud!quot;
»Dat is het eenige wat ik in de geheele historie goed vind!quot; \'t Was voor Auntie weer niet heel aangenaam te hooren. Ze drong echter de opwelling van toorn terug; ze kon dat nu gemakkelijk doen; nog éen dag, en dat kind, tegenover de maatschappij gerechtvaardigd, zou onder het beheer der moeder zijn!
Maud, weder alleen gebleven, verveelde zich de volgende uren waarlijk rji3t! De bruidskrans, de sluier van zilverglans, het gouden halssnoer met juweelen sluiting, het geel zgden kleed met kant en bloemen gegarneerd, de geparfumeerde handschoenen, â alles bracht haar in verrukking! Ze wou de goede Hopps daarin doen deelen! Ze riep haar boven, om die schatten meê te bewonderen en .. . het was aan Hopps besteed!
Hopps toch sloeg de roode korte handen met de dikke toppen zóo forsch op elkaar, dat het in de kamer daverde, wischte ze toen af aan haar niet te zindelijk voorschoot, en waagde het mooiste slechts met de vingerspitsen aan te raken.
141
UE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE.
»\'t Is of \'t voor een koningin is !quot;
Het toppunt harer bewondering werd in dien uitroep aangekondigd.
»Maar weet je wat me tegenvalt, Hopps? Dat de robe geen sleep heeft en zoo hoog toeloopt â mijn hals en borst mag toch gezien worden, hè Hopps? â ook hebben de schoentjes veel te dikke zolen, \'t Is of ik er op te loepen heb! En dat hoef ik niet meer te doen als ik Lady ben!quot;
Er werd aan de kamerdeur zacht geklopt. Waren die beiden minder in verrukking geweest, ze zouden verschillende maar zéér bescheiden voetstappen op de trap hebben gehoord. Maud, die in een stemming was om alle rijkdommen van Londen te verwachten, riep vroolijk binnen, maar liet den bruidskrans, dien ze zich had willen opzetten, uit de hand vallen bij den aanblik van een ernstig uitziende vrouw, in een strenge kleeding van effen zwart laken, zonder eenig ander versiersel als de goed gesteven en sneeuwwitte chemisette en mancheües. Het hair, waarover een grauwe tint lag, krulde even bij de slapen, maar was overigens bedekt door een zwart fluweelen hoofdkap, van binnen met wit taffetas gevoerd. Het over- of regenkleed, smal bezoomd met goedkoop bont, hing van voren open. Achter haar school halverwege een knaap weg; naast haar stond een meisjen met goud blond hair, haar vasthoudende met de rechterhand.
O wat snoeperig gezichtjen! \'t Leek wel een engelenkopjen! dacht Maud.
»De buitendeur stond open, en mij was gezegd, dat hier Kap-tein Semeyns\' kwartier was. Ben ik verkeerd, neem me dan niet kwalijkquot;, klonk het zeer bescheiden, maar de persoon, die de woorden uitte, daarbij in aanmerking genomen, toch ook zeer deftig.
»Ja en neen,quot; hernam Hopps, die door het dialekt, waarin gesproken werd, dadelijk de waarheid vermoedde. »De Kaptein heeft hier wel gewoond . . . maar .. .quot;
»Dan ben ik toch waar ik wezen moet,quot; ging Geertruid na «enige inspanning voort, \'t Was of ze moeite had, Maud aan te zien; toch behoorde ze dat te doen, want ze had tot haar te spreken. »De jufferquot;, ze zag haar nu aan, »is zeker degeen van wie mijn man in zijn brieven melding maakte. Ik heb u dan te danken voor alles wat ge voor hem hebt gedaan.quot;
\'t Was gesproken wat ze zeggen moest en haast toch niet zeggen kon.
»Dat is zijn vrouw... dat zijn zijn kinderen!1\' prevelde Maud, die iets voelde wat ze geen naam wist te geven. Was het eerbied, vrees, ergernis, oi\' dat alles tegelijk?
»Ik weet toch, in welke moeielijke omstandigheden u naast hem
142
DE KAPTEIN VAN DK LIJFGARDE.
is gebleven en dat u een weeze is. Ik kom hier niet, om u van den Kaptein te scheiden, maar om u een plaats aan te bieden aan mijn tafel, in mijn huis. Houd het mij ten goede, indien ik u be-leedigen mocht.... Ik dacht dat u arm was.... ik zie nu, dat u rijk is.quot;
Tranen verstikten bijna haar stem. Bij het gezicht van al die schatten, welke ze van haar man afkomstig waande, dacht zij aan haar eigen armoede!
Maud stond roerloos. Zij had geen woorden om de vreemde gedachten, die in haar opkwamen, vorm te geven. Z ij n vrouw bedankte haar voor al de zorgen ... Z ij n vrouw bood haar een plaats aan ...! Maar dat was spot, dat was schimp. En op spot en schimp had zij altijd goed weten te and woorden. Waarom kon ze dat dan nu niet? Waarom sloeg ze de oogen neer, terwijl zij den doorgeurden kamerijkschen neusdoek verfrommelde, en \'t zóo heftig deed, dat hij scheurde! Bespottelijk, nu niets aan die vrouw te zien als die sneeuwwitte manchetten! Die nóg te zien terwijl ze haar niet meer aankeek... I Ze had zelve veel mooiere dan de hoogst eenvoudige, welke die vrouw droeg!
«Maar, Misstress...quot; viel Hopps, nu eenigszins van haar verbazen bekomen, in, »de Kaptein zit in de gevangenis.... en als je er naar toe gebracht wilt worden ...!quot;
»De Kaptein is ontslagen en zal wel gauw hier zijn...quot;
tgt;Groote goedheidlquot; riep Hopps verschrikt. »Dat zal toch niet waar wezen? Dan gebeurt er hier een ongeluk, en daar wil ik niet bij wezen____quot;
»Blijf hier, Hopps!quot; riep Maud, toen ze haar naar de deur zag gaan. Ze scheen wel bang voor die groote blauwe oogen van zijn vrouw, oogen, die helder blonken, onverschrokken blikten, niets scherps hadden, en die ze toch als aan zich voelde hechten...
»Ik ben de bruid... ik ga trouwen, Mylady!quot; zei Maud bedeesd, hoewel ze een donker vermoeden had, dat ze iets meêdeelde wat haar waarde in de schatting van die deftige vrouw ver-hoogen zou.
De infamie, waaraan Geertruid een oogenblik dacht, bestond niet! De vrees van die dikke grove vrouw voor Kareis terugkomst maakte het zeker, dat de bruigom een andere was als dien ze er een oogenblik te voren voor gehouden had. Zij ademde wêer wat ruimer.
»Ik wensch u geluk met dat voornemen, \'t Is een groot voorrecht, voor éen alles te wezen, éen lief te hebben met alles wat in u is ... Dat verheft iedere vrouw; dat heiligt haar en maakt haar waardig moeder te zijn.quot; Geertruid zei die woorden niet leerend en vermanend, maar met diep gevoel; toch maakten ze weinig indruk op Maud, die maar op Brechtjen het oog gevestigd
143
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
hield, deze toeknikte en, toen Geertruid opliield, het kind vrien-delijk vroeg; »Koin eens hier. .. geef me een hand!quot;
Brechtjen zag haar moeder aan, die haar bleef vasthouden.
»Kom dan bij me!quot; klonk het wel wat ongeduldig. »Ik heb lekkers wat je zeker nog nooit geproefd zult hebben, en nog meer, nog veel meer.. . ! Mag ze niet bij me komen?quot; vroeg ze eenigs-zins verward, terwijl haar wang rood werd. Ze nam het zich zelve kwalijk, dat ze niet durfde vragen: waarom niet?
»Ga naar de vriendelijke Juffer, kind!quot; zei Geertruid in haar moedertaal na innerlijken tweestrijd.
Maud had haar arm om Brechtjen heen geslagen, trok haar naar zich toe en gaf haar een kus.
Hopps was middelerwijl de deur uitgeslopen. Zij had gerucht gehoord aan de buitendeur. Ze wilde zich bergen eer de gevreesde vijand, dien ze hier verwachten kon, zich vertoonde, maar ze liep dien juist te gemoet. »Heere Jezus!quot; riep ze, toen ze, boven aan de trap staande, de niet goed gesloten straatdeur zag open stooten, den ex-kapitein binnen komen en de trap opstormen. Ze had haar voorschoot over haar gelaat geworpen, om ten minste maar niets te zien, en was op het portaal zoo ver mogelijk naar achter gedrongen. Als een wervelwind ging het haar voorbij; met éen ruk vloog de kamerdeur open en toen .... en toen . ..! Niets wilde ze hooren of zien. Ze vloog naar beneden, haar »coockequot; in, waar ze zich verschanste achter haar braadpannen en ketels.
En daar binnen? üe rechterhand had Semeyns in den gordel, die maar voor een klein deel van voren uit den open hangenden jas zichtbaar was. Maud, die het eerst bespeurde wie er binnen kwam en heel goed wist wat meestal in dien gordel stak, deed een gil hooren, waarop Geertruid zich omkeerde. Ze stond vlak tegenover haar man. Instinktmatig hief zij het hoofd omhoog en deed zij haar gestalte rijzen, maar weldra boog dat hoofd en slonk die gestalte; weldra werd de arm, die zich even had saamgetrokken, uitgestrekt om .... den man recht te houden, die op den drempel was terug gedeinsd en de knikkende kniën en den bloedstroom in de hersens wilde beheerschen, maar dat niet kon!
»Vrouw! Kinderen!quot; snikte hij, hoewel geen enkele traan de oogen bevochtigde.
»Is dat Vader, Moeder?quot; vroeg Ernst. »Ik ben bang, Moê! Laten we heengaan!quot;
»Hij is bang voor mij!quot; snikte de vader nog heftiger. Niet alleen die woorden van zijn jongen, maar ook de druk van de hand op zijn schouder, de hand van Geertruid, vervoerden hem tot die onmannelijke uitbarsting.
Hij merkte waar zijn dochter zich bevond. Alsof hij haar door
144
DB KAITKIN VAN DE LIJFGARDE,
een pestzieke zag omarmd, riep hij haar plotseling toe, zich niet te doen kussen.
»Gaan we van hierlquot; hoorde hij zich toefluisteren door Geer-truid, wier vingeren niet meer zijn schouder, maar zijn rechter hand drukten.
Welk een verandering op Mauds gelaat, in Mauds bewegingen bij \'s Kapteins woorden, die, ze begreep \'t maar al te goed, zooveel smaad voor haar inhielden! De bovenlip trok weer op en liet de witte tanden zien. Zij zocht met de rechterhand in het kleino-diën-kistjen naast zich op de tafel, terwijl ze met de linker het kind omvat hield, dat ze alzoo belette van haar weg te vluchten. Spoedig had ze gevonden wat ze zocht. Het was een ring. »Neem dien voor je moeder mee!quot; zei ze, het kind, dat er niets van begreep, nu van zich afduwend.
Geertruid werd doodsbleek; de ring, dien Brechtjen haar toereikte, was de huwelijksring van haar man.
»Hij gaf mij dien, toen hij nog heel lief voor me was!quot; stiet Maud uit.
»Ze roofde hem!quot; riep Semeyns op zijn diepsten toon.
Geertruid had den ring aangenomen en stak dien Semeyns aan den vinger.
»Mooi! Prachtig! Nu is het kalf weer bij de koe!quot; riep Maud, luid lachend, zelfs schaterend.
»Ga heen, heilige!quot; fluisterde Semeyns. »Ga heen met de kinderen! Ik ben geoordeeld.quot;
Geertruid had zijn arm gevat, waarvan de hand weer in den gordel schuil was gegaan. «Heengaan? Niets liever;maar wijs vrouw en kinderen den weg. Karei!quot;
Zij had zich tusschen hem en Maud geplaatst, en drong hem zachtkens naar de deur.
Hij bood geen weerstand meer, hoewel zijn tandenknersen van den hartstocht getuigde, die hem inwendig teisterde.
»Wie ook rechter over haar moge zijn, niet... gij!quot; vervolgde ze, heel zacht, maar daarom niet minder indrukwekkend.
Hij boog het hoofd en ging den drempel over, achtervolgd door zijn kinderen en .. . door zijn vrouw. Deze had, vóór zij de deur achter zich sloot, zich nog even omgekeerd en een enkelen blik op Maud geslagen.
De deerne lachte nog altijd, maar alsof zij dien blik voelde en genoodzaakt werd dien te ontmoeten, zij keek nu ook Geertruid
aan. Het lachen verstomde.....De handen maakten een afwijzend
gebaar. »Weg! Weg!quot; schreeuwde zij.
Heerlijk snerpte de koude lucht de naar buiten getredenen in het gelaat! Brechtjens hand lag in die van haar vader, zonder dat ze zelve het wist hoe die daar was gekomen. Moeder lel den rooden
KAPT. VAN DE LIJFGARDE. â II. 10
145
DE KM\'TEIN VAN DE LIJFGARDE.
146
knuist van den jongen, die zich nog altijd muisstil hield, in \'s vaders andere hand; zij zelve ging alleen, maar vlak naast Brechtjen. Deze scheen nóg geen woorden te hebben. Broêr evenwel had ze weldra bij menigte, toen Vader, aan wiens vervallen gelaat hij even gewend was, hem als vroeger had toegesproken. Hij was aan \'t vertellen van het laatste plezier, dat hij gehad had; lang vóór moeders ziekte was hij naar de komedie geweest... de groote op de Keizersgracht .. . daar had hij juffers gezien, even prachtig als die daar op de kamer was, maar veel mooier, want die daar op de kamer ...!
,Moê, gaat u naast Vader loopen, dan houd ik Ernst vast, want die bonkt telkens tegen de voorbijgangers aan!quot; zei Brechtjen plotseling op den schoolmaitressentoon, dien Ernst niet uit kon staan.
C,
XII.
Hartelijk verwelkomde Mr. Stevens het viertal gasten, dat zijn vriendelijk huis betreden had. Hij vroeg naar niets, deed geene verwondering blijken, maar toonde alleen eerbied voor den krijgsman, van wiens moed en beleid in de uren van gevaar hij nogmaals met enkele woorden gewaagde. »Ja, mijn jongen!quot; zei hij, de groote oogen die Ernst opzette ontwarend, »dat vertel ik je later wel eers, als ik in de werkplaats bezig ben en je boven op een grooten steen, zoo als van morgen, me moogt zien snijden. Misschien word je ook nog zoo\'n duri\'-al!quot;
Maar de loftuiting maakte Semeyns niet rustiger. Stil bleef hij voor zich heen staren. Toen de gastheer zich verwijderen wilde en den kinderen voorstelde hem te volgen, wat ze allebei wat gaarne schenen te willen, stond hij eensklaps op om mede te gaan.
^lk begrijp---- ik begrijp! Wat ben ik toch een slecht gastheer!quot; riep Mr. Stevens. »Er is honger in het land, en ik, die goed gegeten heb, denk daaraan niet! Sally! Sally!quot;
Deze stak weldra het gezicht door een reet van de deur. Een geur van zeep, een wasem van heet water ging van de opgestroopte mouwen uit; de flepmuts stond schuins op haar hoofd; het zweet paerelde op het roode voorhoofd en de roode wang.
»Kom maar binnen en zie eens wien we hier terug hebben gekregen! Herken je je ouden kostganger niet?quot; vroeg Stevens verbaasd, toen hij Sally\'s eerst zwervend oog en toen vragenden blik bespeurde.... »De man, die je het leven redde, staat daar!quot;
»Ja, ja, nu herken ik hein ! Er is sedert ook zooveel met me gebeurd, moet u maar denkenquot;, zei ze, zich tot Semeyns keerend.
DE KAPTEIN VAN T)K LIJl\'GABDE.
»11 weet toch dat David dood is? \'t Is waar ook; u wist dat nog eer dan ik... want u kwam op den moord aan... Wat een heilig man was hij, niet waar? Wat kon hij heerlijk en stichtelijk spreken! \'t Was of Onze Lieve Heer hem de woorden op de lippen lei. Ik zweeg dan ook altijd eerbiedig als hij spreken ging! Ik wist hem te eeren! En weet u nog iets van mijn pleegkind af ? Wat heb ik dat kind lief gehad! Wat had ik haar graag aan mijn Nathanaël gegund, maar na haar heengaan in \'t holst van den nacht niet meer! Ik heb altijd gedacht, dat ze u was nageloopen; God vergeve me de zondige gedachte! \'t Was een schande, dat ik het ooit denken dorst! De vriend van mijn David! Ja, ja, nu ben ik er... Dat is uw vrouw en die twee zijn uw kinderen! Voed ze toch streng op, in de vieeze des Heeren, Ma am! vooral het
meisjen, Ma\'am! Op een jongen behoef je zoo niet te passen----
daar zit meestal meer kracht in, zoo als mijn agaat heeft bewezen, mijn eenigen schat...quot;
Wie weet hoe lang de woordenstroom nog zou hebben voort-gebruischt, indien Stevens niet voor het toekleppen der sluisdeuren had gezorgd.
»Sally!quot; riep hij luide en zijn best doende te lachen, «omdat jij van middag de schapenbout tot op het been hebt afgekloven, denk je dat ieder oververzadigd is! Gauw, van de waschtobbe af en een stevig avondmaal opgezet! Als \'t niet in een half uur op tafel staat, mag je niet meé eten. De avond begint al te vallen. Van onzen besten cider, hoor, zet je klaar, en een kruik brandy ook!quot;
ïgt;Brandyherhaalde Sally verwonderd, maar zij maakte geenerlei tegenwerping en holde heen.
Terwijl ze aan \'t raaskallen was, had Geertruid de hand van haar man gegrepen en die gedrukt. »Ben je erg moê?quot; had ze aan zijn oor gefluisterd. Brechtjen had de vraag gehoord, was achter den rug van vader geslopen en drukte hem een kus op de wang. Toen Sally weg was, van wier woorden Ernst geen enkel had begrepen, vleide deze: »Och vertel ons wat. Vader! Niet ziek worden! ü ziet er uit als moeder vóór ze liggen ging!quot;
»Later, vrouw! Later, kinderen! Ja, ik ben moê. Ik kan bijna
niet denken____ Maar \'t zal wel beter worden, nu ik weer bij
je ben.quot;
\'t Was eer een trillend uithikken van eenige woorden dan geregeld spreken.
Mr. Stevens was Sally spoedig gevolgd en had het zwaar beproefd gezin alleen gelaten. De tijd der verklaring was, naar zijn oordeel, gekomen. Het afgedwaald schaap was tot de kudde terug gebracht. In de armen der liefde zou de verloren zoon het zoo dwaas verstoeten geluk hervinden.
»Moeder is een engel Gods, Brechtjen!quot; vervolgde Vader, zijn
148
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
hand zacbtkens uit die van Geertruid terugtrekkend en zich als loswindend uit de omhelzing van zijn dochter. »Je lijkt op haar... blijf dat altijd doen 1quot;
»Geen engel Gods, maar een vrouw met vele gebreken ben ik. Waarom mij soo hoog te verheffen?quot; Haar stem daalde zoo diep, dat ze voor hem alleen verstaanbaar was toen ze uitbracht: »Denk om de kinderen! Straks als we alleen zijn, meer!quot;
»Weet u wel, Vader, dat u moeder van den dood heeft gered?quot; zei Brechtjen.
j-Tk?quot;
Het woord werd trillend en huiverend geuit.
»Mosjeu Barend had moeder opgegeven,quot; Semeyns liet het hoofd op de borst zinken, »rnaar ik hoorde een stem van binnen, die me moed gaf. Juist werd er geklopt op de straatdeur en ik wist dat het \'s Lands Post was. Uw laatste brief kwam, en moeder zag dat ik dien in de hand had en vroeg dien te zien en zjj kuste hem ... en toen werd ze beter.quot;
» Geertruid !quot; klonk het gesmoord van zijn lippen ; dieper zonk het hoofd neer; smartelijker werden de wenkbrauwen samengetrokken.
»Ik heb óok iets te vertellen!quot; riep Ernst. »Het portret van Grootvader Perseyn is door moeder verkocht. Daardoor heeft moeder zóóveel goudgeld in haar geldzakjen, dat het er bijna van berst.quot;
»Gekke jongen! Ik kon het portret toch niet meênemen? Ik zou nu maar zwijgen en niet spreken van dingen, waar je geen verstand van hebt.quot; Ze wendde zich glimlachend tot haar man. »Van morgen heb ik kennis mogen maken met de Koningin.... Zij wil voor ons zorgen, de lieve vrouw! We hoeven geen krimp meer, te kennen____Onze toekomst is helder...!quot;
(Plotseling sprong Karei op uit zijn stoel. Heftig waren zijn bewegingen. »Beneden zal het maal wel klaar wezen!quot; riep hij luid, veel te luid om natuurlijk te zijn. »Ik snak naar eten, naar drinken!quot;
Hij vloog de kamer uit; beneden gekomen, vroeg hij Sally een glas brandy, dat hij in éen teug naar binnen sloeg, tot groote verbazing van de matige vrouw, die van den nu zaligen David, die toch óok soldaat was geweest, nooit zóo iets had gezien.
Semeyns kende zich zeiven niet meer. Vrouw en kinderen schuwde hij; in hunne tegenwoordigheid voelde hij zich diep ellendig. Met Stevens en Sally er bij waagde hij nog in \'t rond te zien, maar, alleen met de zijnen, zag hij uit naar iets wat hem verbergen of bedekken kon.]
Hg was nu beneden en dacht er niet aan weer naar boven te gaan, toen hij het avondmaal nog niet klaar zag staan. Hij trad de werkplaats in, vroeg Stevens een vel papier, een paar pennen en een inktkoker voor hem in het »comptoirquot; klaar te willen leggen, ging toen over den kunstarbeid, dien hij verrichten zag,
149
DE KAPÃEIN VAN DE LIJFGARDE.
praten, meer was het niet dan gedachteloos praten, en hoorde eindelijk met welbehagen de stem van Sally, die allen aan tafel riep.
Veel werd er niet gesproken. Geertruid gebruikte weinig; haar man daarentegen verbaasde door zijn gulzigheid. Zij hield dikwijls de diep ernstige blikken op hem gevestigd; zij kende hem niet langer. Zij had hem zoo innig lief; zij wilde hem zoo innig gaarne vergeven, en dat ze hem zoo veel te vergeven had, vond ze juist zoo heerlijk. Hoe zou ze hem dat straks kunnen zeggen, straks als hij alleen met haar was, zóódanig zeggen, dat hij \'t in den vollen omvang begreep? Maar daar waren geen woorden voor; daar moest een hart zijn, dat voelen wilde, dat voelen kon! Was er dat? Was er nog liefde? Voor haar misschien niet, maar dan toch zeker wel voor de kinderen. En dat was voldoende voor haar! Inwendig schreiend achtte zij dat voldoende! O God, met hoeveel pijn beleed zij zich dat!
Voor dat alle spijzen nog waren rond gediend, stond Karei op. Hij moest nog iets dringend noodzakelijks verrichten, wat reeds te lang was uitgesteld. Spoedig zou hij terug komen. Hij zei \'t met een glimlach, die Geertruid zóo droef toescheen, dat haar den schrik om het hart sloeg. Zij wilde meé opstaan om met hem te gaan, maar hoorde zich toevoegen, dat hij te schrijven bad en daarbij het liefst alleen was. Ze zweeg, maar volgde hem met de oogen. Ze zag hoe hij wankelend naar de deur trad en op den
drempel even omkeek naar haar en de kinderen____ Heilige God,
wat lag er in dien éenen blik!
Hij was in \'t »comptoirquot; aan \'t schrijven gegaan, maar niet voor dat hij eenige oogenblikken haastig het enge vertrek op en neer had gestapt. Hij voer niet de trillende hand door zijn vergrijsd hoofdhair! Hij poogde zijn gedachten te ordenen!
Niet meer te behooren bij vrouw en kinderen! Hen als de hoogste schatten te eeren en van hen te moeten vlieden! Dat was het loon der zonde. Den reinen dampkring, die hem weder om-golfde en hem het vredig verleden herinnerde, in te ademen en dien te zwaar te vinden voor de verzwakte, de verontreinigde longen! Niet meer de krachtige man te kunnen zijn, die vrouw en kinderen voor leed te behoeden en den rampspoed, zoo die niet af te wenden ware, toch te temperen en te verzachten wist door het grootste deel er van te dragen! Veeleer een man te zijn, die voor allen had te buigen en in iederen blik der zijnen een verwijt te lezen, dat hem de lippen sloot, zelfs bij de tederste liefkozing...!
Er was geen plaats voor hem in die waereld van ongerepte reinheid! Hij had het bidden en het aanbidden verleerd, en naast die vrouw en die kinderen voegde hem toch niets anders! Hij kon hier niet leven, hij kon dat nergens meer...! Hij had de enkele regels geschreven, die dat meldden. Daar stond het: »Ik vraag u en de
150
DE KAPTE1N VAN UK LIJFGARDE.
kinderen op mijn knieën om vergiffenis. Ik heb u allen lief, maar gij staat zoo hoog, zoo verre boven mijn liefde. De misdadiger kan niet aanzitten aan het Nachtmaal des Heeren.... Mijn steun hebt ge niet üoodig.... de toekomst van u en de kinderen is helder, zeidet ge straks. Vaarwel, aangebedene, die de reine liefde zijt! Vaarwel tot in eeuwigheid!quot;
Van het geld, hem dien morgen ter hand gesteld, behield hij slechts een enkel goudstuk. Hij riep zacht of Nathanaël even komen kon, vertrouwde hem brief en tasch toe, met verzoek beiden niet vóór morgen ochtend aan Misstress Semeyns ter hand te stellen, maar nu boven te gaan zeggen, dat de Kaptein dadelijk uit had moeten gaan en niet als zeer laat terug zou kunnen komen. Hij wilde er voor zorgen, dat Geertruid ten minste dezen nacht nog zou kunnen slapen! Maar de volgende nachten...? Die zouden voor haar zeker niet zoo rustig zijn als voor hem! Wat schrik en ook wat smart zou hij vrouw en kinderen veroorzaken! Tot het laatst toe zou hij hun een vloek zijn!
Hij kende nog den weg door de werkplaats heen naar de gang, die de werklieden doorgingen om binnen of buiten te komen. Hij was die eens door geleid toen hij heimelijk Londen had moeten verlaten. Ware hij toen maar ontdekt, gegrepen en gedood geworden, dan zou hij minder onrein voor den Oppersten Rechter verschenen zijn!
Wat was die Opperste Rechter nameloos wreed!
Hij, de Alwetende en de Alvoorziende, wist dat zijn zwak schepsel vallen moest, en had dat schepsel niet voor de verleiding behoed! Eeuwige verdoemenis wachtte den bezoedelden zondaar, die boven zijn kracht was beproefd en verzocht geworden ! Waarom was hij geboren? Zelf had hij er nooit om gevraagd, en het ongevraagde geschenk had hem ten verderve gebracht, \'t Was om den laatsten sprank van het licht des verstands te dooven! \'t Was om de wanhoop te zien voegen bij de wroeging! \'t Was steenen voor brood ontvangen van de Godsdienst, die Liefde heette!
Hij had zich reeds geruimen tijd in de koude buitenlucht opgehouden, en nog altijd gloeiden zijn slapen en sloegen zijn\'wangen de vlammen uit. Mocht hij den waanzin, dien de Leerstukken der Kerken hem brachten, maar kunnen bezweren! Dat konden slechts andere gedachten, die de thands bij hem heerschende verjoegen! En zij kwamen in grooten getale, maar nóg zwarter getint\' Hij dacht aan de lichtvaardige deerne, thands voor hem de zendelinge van den duivel, maar eens toch ook â hij moest het zich zei ven bekennenâde Liefde, de zondige Liefde, maar die hem toch de vervoeringen en verrukkingen eener weelde had doen kennen, die hem in het lange huwelijksleven vreemd waren gebleven. Maar neen... die opvatting was afschuwelijk! Zijn diepe ellende, uitwendig, inwendig, tijdelijk, eeuwig, ze was de vrucht
van die liefde; en aan de vruchten kent men den boom!
n\'
151
XIII.
Wat schaterend gelach klonk hem op eens in de ooren!
Hij ontwaakte als uit een droom! Waar bevond hij zich? Hij huiverde toen hij \'t gewaar werd! Dat was de leiding Gods of des duivels. Ja, des duivels. Hij vond zich voor Hopps bovenhuis staan! Hij zag de vensters van zijn vroegere kamers helder verlicht! Hij hoorde het rinkinken van glazen, het neuriën van vroolijke liederen! Hij zag een der ramen open gaan, het doodsbleek gelaat van een jongen man, die aan de buitenlucht heul vroeg voor de gevolgen der overdaad, naar buiten steken, een molligen arm teder om den bekanten hals van den ellendeling slaan .., vernam de vleiende tonen van een welbekende stem I Hij spande den haan van het pistool, dat hij in zijn rechterhand voelde; â hoe het daar gekomen was, wist hij niet. Het was de begeerte naar bloed! naar het bloed van haar, wier omhelzing het zijne zoo dikwijls had doen zieden. Was \'t de neep van den minnenijd? Was \'t de razernij van den haat?
Verdoemelijk laf ware dat! Verdoemelijk laag! Haar bloed zou in \'t rond spatten, heinde en ver, tot het de kleederen bereikte van de reinen ginds!
Het edele zijner natuur deed zich gelden! Hij stak het pistool weer in den gordel en wendde zich af.
»Heb ik recht tot straffen?quot; vroeg hij zich na eenige oogen-blikken af, daartoe misschien gebracht door de woorden der heilige, die hem straks op die kamer dat recht had ontzegd. »Neen .... loope zij haar eigen weg, die langer zal zijn dan de mijne! Ik stond hooger dan zij ... in plaats dat ik haar tot mij wist op te heffen, heeft zij mij tot haar laagte neergetrokken ... Als ik maar wist dat ook zij eenmaal zal lijden zoo als ik \'t doe! Maar dat zal wel niet zoo zijn: dat ware... te rechtvaardig!quot;
BE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Daar dreigden de leerstukken weer op hem aan te zullen stormen, om hem de lastering op de lippen te brengen! De heftige beweging der bezige menschenwaereld rondom hem bracht echter afleiding. De lichamelijke zintuigen deden weer dienst, en wat hij door het oog zag, door de ooren hoorde, eischte thands wel zijn volle aandacht.
De drukte in de straten, straks reeds ongewoon, maar toen niet door hem opgemerkt, was toegenomen. Luide kreten werden aangeheven. Vaandels werden rond gedragen.... »Naar St. James Street!... Naar den dikken Whig!quot; had een man in lompen geroepen, en het werd nagebauwd door vele anderen die in betere kleêren staken .. . Semeyns begreep eindelijk iels van hetgeen het grauw bedoelde. In de veertien dagen, welke hij in hechtenis had doorgebracht, waren de Whigs van het kussen gestooten en hadden de Tories er op plaats genomen. De gewone weerwraak zou worden geoefend! Zou de ommekeer leiden tot nog grooter verandering, tot eene van Koning ? Zou Jakob weer. .. ?
Hö volgde de menigte een tijd lang. Waarom? Hij wist het niet. Uit belangstelling? Kan een ter dood veroordeelde die nog voor wie of wat ook koesteren? Toch werd ze opgewekt... Daar in de enge straat, waarin hij te midden der menigte werd voortgestuwd, zag hij een huisjen, welks houten bovenverdieping vooroverboog; naast de verwelooze straatdeur een klein raampjen, waarvoor een paar krom gebogen ijzeren staafjens tot sluiting waren aangebracht en waarvan een der kleine verweerde glasruiten in scherven uit de looden sponning was gevallen, \'t Was zeker veroorzaakt, door de vlam van de olielamp, die daar nog stond te walmen en de snuisterijen verlichtte, op de vensterbank uitgestald. Die armelijke vertooning had hij meer gezien ... Bij het suikerwerk had hij toen een pop zien staan, die hem had doen denken aan de betere, die zijn Brechtjen thuis had. â »0! dat kind!quot; â Wanneer had hij dat toch gezien! Ja... in dien nacht, toen hij onder den arm genomen en straat in straat uit was gevoerd... in dien zwarten nacht, dat hij van zijn wachtpost was weggeloopen . ..!
Hij was dus hier geweest. . . misschien in een dier huizen gevangen gehouden . .. Hij kon niet goed opmerken, want hij werd voort- en den hoek om-gestuwd, tot vlak voor het koffihuis waar »de kaasboerquot; uithing. Zoo hij daar even rusten kon____en drinken....! De grootste kroes brandy zou hem welkom wezen. Na de verslapping, die op de overspanning van uren volgde, voelde hij alle kracht van zich geweken.
Hij trad binnen.
Hij had betere koffi- en chocolade-huizen bestreden! Alles was hier zeer bescheiden ingericht. De bar â het buffet â achter in de langwerpig vierkante kamer was van gewoon hout, de mantel
153
UK KAPTEIN VAN i)K LIJFGARDE.
van de schouw, waavin op de ijzeren plaat een steenkolenvuur gloeide, evenzeer en droeg geenerlei sieraden; enkele lompe tafels en even lompe zitten namen een groot deel der ruimte in. Een groote koperen lamp, in den vorm van een sclienkketel met tuit, waaruit de dikke katoenen pit te voorschijn kwam, verlichtte niet veel meer dan de tafel, die onder haar stond. De vloer was van hout eu vol vuil; de Wiinden met kalk bepleisterd, maar beschreven hier en daar en vol vlekken; alles droeg het merk van slordigheid. te meer uitkomende omdat het tevens dat der nieuwheid vertoonde.
Voor de twee vensters, die op de straat uitzagen, stonden kleine tafels. Aan de eene zaten twee mannen als burgers uit den bemiddelden stand gekleed ; bij de andere stond de jongen, die anders bediende maar nu nieuwsgierig naar buiten gluurde. Hij had van avond weinig anders te doen en vond dat heel genoegelijk. De klanten toch, die hij gewoonlijk op dezen tijd in het koffihuis had na te loopen en te bedienen, wat hij naar hunne opvatting nooit vlug genoeg deed, zag hij nu buiten bezig, om hem een aardig plezier te verschaffen! \'t Was daar buiten toch een op-stootjen zoo als er in de laatste maanden maar zelden was gezien, en wel een. dat waarschijnlijk, evenals in den goeden tijd der Stuarts, met een plundering en â maar dat zou al te veel genot op eens zijn! â met een brandstichting zou eindigen. »Een kroes brandy!quot; hoorde hij achter zich roepen. De zoete waan werd verstoord ; de jongen werd uit zijn Eden naar de woeste ledige aarde gejaagd.
Hij bracht het gevraagde aan den doodsbleeken klappertandenden man, die aan \'t tafeltjen voor het raam, waar hij had uitgezien, op den houten zit was neergevallen. Wat een vreemde kwant was die laatst binnengekomene, die het venster, waar hij vlak voor zat, niet eens uit zag; die het hoofd op de beide elbogen bleef steunen en de starende oogen vestigen op den in éen teug geledigden kroes! Het schouwspel buiten was toch wel een oogblik waard! De vaandels, waarop met groote letters: »leve de Koningquot; geschilderd was, werden in triomf rond gezwaaid; groote steenen en aardkluiten naar het huis van den alderman aan de overzij der straat geslingerd, waarop het rinkinken van berstend en in scherven neervallend glas volgde; aan de rosse vlammen der toortsen werden twee poppen in brand gestoken, poppen als Hollandsche boeren aangekleed, elkaar stevig omarmd houdende; de een droeg op de rood katoenen borstlap een W, waarboven een koningskroon, de andere een B met een gravenmuts! William en Ben-tinek! Zij gingen onder het hoongelach van het geboefte in vlammen op.
»Dat grauw!quot; bromde een der twee burgers aan het ander
154
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE.
iafeltjen gezeten. »Even een jaar geleden zag ik \'t den man. die nu geplunderd of doodgeslagen zal worden, op de schouders tillen, om hem in triomf rond te dragen! Neen, ik kan niet zoo kalm en blijmoedig oordeelen als gij! Cromwell had gelijk; die zou er een paar veldslangen door heen hebben laten spelen .... Wij hebben geen reden om erg fier te zijn op broeders als deze... Maar ik erken ze niet voor mijn gelijken, dat woedend en gierend geboefte, honden in wulpschheid, hyenaas in vraatzucht, vossen in trouw, zwijnen in bevalligheid gelijk!quot;
«Hebben ze werkelijk die niet aantrekkelijke hoedanigheden,quot; hernam de ander, die met het gelaat naar Semeyns toegekeerd neêrzat, »dan vleit ge u zeiven waarlijk niet. want ze zijn toch uw broeders... Wat zij hebben hebt ook gij, maar het vernis, wat gij uw beschaving noemt, houdt het bij u bedekt. Als de wind van den hartstocht echter over dat vernis heenblaast, dan laat het wel eens los en dan ziet ge u zeiven en de u verwanten, zoo als gij . . . dat grauw nu ziet. Dat grauw is, wél beschouwd, eerlijker dan gij en de uwen! Het veinst niet, zoo als gij lieden dat doet.quot;
»Ik heb vele uwer paradoxen in stilte aangehoord, maar deze is mij te erg. Gij, de Apostel der algemoene vrijheid, verdedigt de woestelingen, die de verdedigers onzer politieke en religieuze vrijheid honen en thands hunne beeltenissen verbranden, maar straks het de personen zeiven zullen doen, indien geen musketkogels het hun beletten . . .quot;
«Broeder, lever nu zelf niet het bewijs, dat ge hun gelijke zijt, door midden onder hen te gaan staan! Laat ons liever op een afstand blijven! Niet een enkelen schalm beschouwd en daarnaar de gantsche eindeloze keten beoordeeld! Neemt gij \'t den in hartstocht ontvlamden of den omgekochten en aangehitsten kwalijk, dat ze de verdedigers va,n hetgeen gij voor heilige waarheid houdt beschimpen, den moet ik uw ergernis als kortzichtige vrees brandmerken. De vrijheid loopt nooit en nergens gevaar, evenmin als de waarheid. Wees ebbe en vloed indachtig; niet éen van deze, maar beiden vormen den vasten grond...quot;
«Algemeenheden, die in het leven even veel dienst doen als de veeren pen tegen de degenspits.quot;
»Ge zijt niet gelukkig in uw voorbeeld, want het bewijst tegen uw stelling. De veeren pen toch wint het altijd van de degenspits.quot;
«Het zij! Maar ge voert mij op een zijpad. Dat grauw â ha, de konstapels weten er meê om te gaan! Zie, hoe de hoopen uiteen stuiven! Lafaarts zijn het, uw vrienden! Heeft uw medelijden nu geen tranen?quot;
«Mijn logika heeft iets beters, daar zij aanvallers en verdedigers beide in de armen van haar rechtvaardigheid sluit.quot;
155
1)K KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Uw logika â ge noemt baar steeds een trouwe bondgenoot, maar ik vrees, dat ze voor u dikwijls een verraderlijk veinzaart is â uw logika tocb en uw onverstoorbare kalmte mogen niet als tweelingen samen gaan. Wat we daar zagen, \'t is een brok waereldgeschiedenis! Het grauw, dat we hoorden brullen, \'t is \'t zelfde, dat Jezus van Nazareth deed kruisigen...quot;
»Dat Socrates tot den giftbeker en Galileï tot den kerker en Jeanne d\'Arc tot den brandstapel veroordeelde? Bedoelt gij\'t zoo?quot; vroeg de ander met eenige ironie. »Och broeder!quot; vervolgde hij, de blanke, schoon gevormde hand op die des anderen tegenover hem leggend, »laat ons goed onderscheiden en niet aan een maat-schappelijken stand toeschrijven, wat aan de geheele menschheid behoort. Hebt ge in Druiy-lane-theater niet wel eens op alle rangen het oog gevest, en dan niet gezien, hoe het algemeen-menschelijke zijn rechten overal deed gelden, door den gladden hoveling bijv. tot een goedkeurend glimlachjen te verlokken bij het ontdekken en bestraffen van den leugenaar, en de drukke, ruwe, woeste menigte, in haar staanhokken saamgeperst, te doen schreien met schier moederlijke teerheid, met echt vrouwelijke fijnheid, bij het lijden van den eenvoud en de onschuld? Slechts de banken van ruw hout en de stoelen met fluweel bekleed spreken van onderscheid en verschil. Te recht! In het wezen der dingen ligt het onderscheid niet, maar alleen in de opvatting van het individu.quot;
»Dus die woestelingen...?quot;
»Stel u gerust; \'t zijn dezelfde niet, die den Wijze van Nazareth kruisigen of de Gracchen van de Terpejische rots deden storten. Zij, die dat deden, zijn ons thands in ontwikkeling misschien reeds verre vooruit.quot;
»Droomen!quot;
»Die toch de werkelijkheid der volgende eeuwen zullen beheer-schen; droomen, aan wier voorstellingen de toekomstige millioenen schepselen hun kracht tot leven, tot werken en hopen zullen ontkenen ...! Wat hebt gij anders overgehouden van uw Kerkelijk Geloof, geleerde broeder, als afschuw van het grauw, als de hoogmoed der kennis, als de wrevel der onvoldaanheid, als het stikdonker van de eeuwigheid achter en voor u ... ?quot;
»Dweeper! Ik heb u te lief om u een toovenaar te noemen.quot;
»Braaf gedacht! Hadt ge me minder lief, dan gingt ge vast aan \'t houtrapen voor mijn brandstapel, niet waar ? Zorg, dat de bijzondere liefde opwasse tot een algemeene, tot het in- en opgaan van den eenling in de alheid, en ge hebt u den troon van den Cherub verworven ...quot;
«Jammer, dat ik, onder den kouden zerk naast u liggend, geen tong meer zal hebben om te lofzingen.quot;
156
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE.
»Ge zult er een hebben boven dien zerk, eeuwige geest! Maar zij nu reeds indachtig, dat dan, wat hier slechts gedachten waren, als daden rondom u zal staan, troostend of aanklagend, naar hooger voerend of naar lager terugdrijvend. Denk er over na, vooral in de stilte der natuur! Gij zult nog eens naast mij komen zitten, broeder!quot;
«â¢Liggen, dat is mogelijk, maar dan onder den zerk!quot;
De iinder was alleen. Hij schouwde den vertrekkenden vriend met een fijn glimlaehjen op het edel gelaat na, en maakte zich toen gereed het voorbeeld van dien vriend te volgen.
»Mag ik met u spreken?quot; hoorde hij in zijn nabijheid zacht vragen.
Zich omkeerend zag hij den vreemde, dien hij in zijn nabijheid aan het ander tafeltjen had zien plaats nemen, maar van wiens nabijheid hij verder niels had bespeurd, voor zich staan met gebogen hoofd, trillende lippen en marmerwit gelaat.
»Zeker..... Kan ik u van eenig nut zijn, zoo spreek!quot;
Zij namen tegenover elkaar plaats.
»Ik hoorde wat ge zeidet: vergeef het mij, indien ik onbescheiden was,quot; stamerde Semeyns, den ander in het open gelaat ziende, dat van adel en zachtmoedigheid sprak. »Daden en gedachten zouden ons volgen! Gij gelooft aan een voortleven na den dood? Of heb ik misschien niet goed begrepen?quot; De laatste vraag werd op blijder toon dan de eerste geuit.
sgt;Gij hebt mij begrepen.quot;
»Hebt ge daarvoor andere bewijzen als de eenig ware Religie ....?quot;
«Welke? Er zijn misschien meer dan honderd religies op aarde, die zich alle de eenig-ware noemen; dat ze \'t niet kunnen wezen bewijst reeds dat feit. Ja, ik heb daarvoor bewijzen en andere als al de eenig-ware religies.quot;
» Vreeselijk!quot;
»Arme broeder!quot;
»Wilt ge met me bidden....? de een of andere Kerk zal nog wel open zijn.quot;
»Zou \'t hier niet even goed gaan als in de St. Pauls of in welk gebouw ook?quot; vroeg de ander met een zweem van ironie. »Maar wat moeten wij bidden en tot wien?quot;
»Gij gelooft dus niet____aan God?quot;
Het scheen wel dat Semeyns huiverde van ontzetten. Vreemd is toch het menschenhart! Het blijven-in-den-dood werd straks nog een blijde gedachte, niet te min het niet-gelooven aan Gods bestaan een gruwel en een lastering geacht.
»Ik geloof aan het Wezen der wezens. Bestond Hij niet, dan zou ik niet bestaan, Ik geloof aan God â \'t Goede zoo als de
157
DU KAPTETN VAN DE LIJFGARDE,
naam het uitdrukt â den Volmaakte. Maar ik herhaal \'t, wat wilt ge bidden?quot;
»Dat Hij mij vergeve----wat ik deed en nog doen zal____om
het bloed van Jezus Christus, die ook voor mij is gestorven....quot;
»Dat wilt ge vragen aan den Volmaakte? Vergeven! dat is; veranderen van gezindheid... te niet doen van het geen logiesch bestaat? Ge wilt, den Volmaakte dus bidden, dat bij, u ten gevalle, onvolmaakt worde?quot;
»Dus is bidden onnoodig? En toch brengt het zoo dikwijls troost!quot;
»Bidden, werkelijk bidden, is in gemeenschap treden met hooger sfeer, en daarom verheffend, i-einigend, kracht gevend, ontwikkelend.quot;
«Anders niet? Dat is weinig troost! Gij ontneemt me nog wat ik had,quot; klonk het met gebroken stem.
«Nogmaals: arme broeder, die toch zoo rijk is zonder het te weten! Ik ontneem u slechts een logen; ik ontneem u een on-mogelijk God, een God, naar uw eigen beeld gemaakt, ongerijmd als de mensch met zijn beperkte zintuigen en zijn onbeperkte hartstochten. Gij hooptet op vernietiging; gij wildet bidden om vergiffenis van zonden, reeds bedreven en nog te bedrijven? Gij wildet de hand aan u zeiven slaan?quot;
Setneyns knikte toestemmend en voegde er deemoedig aan toe: »Ik wil u alles bekennen en dan: zeg mij wat ik te doen heb.quot;
»Het zou u weinig baten, broeder! Niemant kan u helpen als gij zelf! Er is geen rechter buiten u.quot;
»En dan mijn zonden... ?quot;
»Denkt ge, dat ze voor den Volmaakte bestaan? Maar dat is schennis Zijner Majesteit. Goed en kwaad, \'t zijn twee facetten van éen steen. Deugd en ondeugd, \'tis dag en nacht; \'tis: de bloem, die haar kleuren toont, en de knop, die, in zijn ontwikkeling gestoord, vóór het openen van zijn windselen verwelkt. Goed en kwaad, het een is de verkwikkelijke schaduw op het pad, het ander de steen, die den enkel wondt, maar tevens doet stalen en stevigen, â beiden zijn noodig voor de eeuwige reize van den geest naar het Volmaakte.quot;
«Onmogelijk.... onmogelijk...! Dus wat ik deed was niet uit den Booze â dus zou ik geen vergiffenis noodig hebben..? Welk een leer van verwildering!quot;
»Stil. Gij zijt uw eigen rechter en ge zijt eeuwig. Wat ge deedt, zelfs wat ge dacht, het zal tegen u getuigen overal en altijd, tot dat ge de gevolgen van daad en gedachte hebt doen overgaan in andere, die de vrucht zijn van nieuwe daden en gedachten, in overeenstemming met hoogere behoeften en reiner idealen. Bedenk: gij zijt uw eigen aanklager en ge kunt u zeiven niet bedriegen. Bedenk: slechts wat ge u zeiven verworven hebt
158
1)E KAPTKIN VAN DE LIJFGARDE.
behoort u; aangeleerde en niet zelf verwerkte kennis gaat voorbji. Daarom: strijd om te verkrijgen wat u opvoeren kan naar hooger hoogte, naar reiner lucht. De Volmaakte wil dat ge tot Hem komt, maar vrijwillig en in harmonie met Hem. In den ontwikkelingsgang is het vallen begrepen even als het opstaan. Begrijpt ge mij goed\'? Die leer is er niet eene van verwildering. Ge waart een zoon der kerken en wildet u dooden. Kind! Wat in u denkt en de verandwoordelijkheid draagt van wat ge deedt en dacht, het is onverderfelijk. Tracht den strijd te ontwijken, lafaard, maar vliedt ge van \'t eene slagveld, \'t is om op een ander te komen...! gij moet strijden en gij zult strijden en... overwinnen.... Wanneerquot;? vraagt ge misschien. Er is geen tijd... Gij staat in de eeuwigheid... reeds nu !quot;
»Kon ik het aannemen! Ik word van allen veracht____Ik heb
hier geen plaats meer...
»Veel edeler dan gij zijn veracht, hadden geen plaats en verwierven de hoogste.quot;
»Maar ik veracht mij zei ven nameloos diep!quot;
»Dat is de eerste stap tot de zegepraal!quot;
»Gij begrijpt me niet... Wat moet ik doen? Ge zijt zoo wijs, zoo verstandig____quot;
»Als een kind, naar ik hoop. Wat ge doen moet? Zóo handelen, dat ge u zeiven weer achten kunt. Dat is een straf, die een belooning met zich voert.quot;
Semeyns had het aangezicht op de armen, die het tafelblad beroerden, nedergelegd. Hij was ontroerd en verslagen. Hij was niet getroost zooals hij dat gehoopt had. Hij was den man gelijk, wien nieuwe kleederen waren omgehangen, maar die zich daarin nog zoo moeielijk bewoog, dat hij de oude terug verlangde, hoe veel rafels en scheuren hij er ook in bespeurd had.
Hoe lang hij in die houding gezeten had, wist hij niet. Een druk op den schouder deed hem opschrikken. De lamp boven de groote tafel brandde dof; de plaats tegen over hem was ledig.
Een slordig gekleede vrouw stond naast hem.
»Jezus Maria, man, wat heb je me doen schrikken! Ik dacht dat je in een beroerte gestikt was! Ik moet sluiten, versta je?\'\'
Die stem was hem niet onbekend. Hij stond loom op en trad onder het bereik van het steeds zwakker wordend licht.
»Kit, de lersche!\'\' riep hij.
sKen je me? Ja, ja, nu gaat me een licht op. Hoe zoo alleen?quot;
^Kan ik hier voor een nacht blijven?quot;
»Dat zal wel gaan: maar oogen en ooren dicht, en mond ook! Als \'t waar is wat ze me verteld hebben, dan hoor je nu ook tot het verbond. Volg me maar de trap op. Stil loopen, heel stil! Wat er gaande is, weet ik niet, maar er is wat gaande... Hier-
159
DE KAPÃEIN VAN DE LIJFGARDE.
heen! Dat is zoo veel als een dependentie van het huis; \'t loopt achter andere huizen om, â ik noem \'t een wrat.quot;
Zij ging hem voor, een kleine kamer door zonder vensters. Daar was hij in dien nacht geweest, het leed geen twijfel; de trap, die ze nu langs, het portaal dat ze óver gingen, herkende hij; ook dien stoel; er stonden er nog drie, juist het getal dat hij toen had geteld. Wat webbe van gedachten werd er in zijn brein ontsponnen! Van het distelveld der bespiegeling was hij eensklaps overgebracht naar de kampplaats der daad! Hij ademde ruimer.... Vóór hij in het kleine ledikant, dat in het kamerken stond, naast het bekende vertrek, slechts als doorloop dienst doende, de vermoeide leden uitstrekte, herhaalde hij de laatste woorden van den wijsgeer, die voor hem geen naam had: »zóo handelen dat ge u zeiven weer achten kunt!quot;
Ja toch, dat gaf moed, dat gaf kracht!
160
XIV.
De ringen wai\'en dooi\' Maud en Edward Jones gewisseld in de Ideine donkere Kapel. De zegen was uitgesproken en het zegel der Kerk den onverbrekelijken huwelijksband ingedrukt. Maud, kind van onbekende ouders, zoo als de getuigen Misstress Hopps en Arthur Dudley verklaarden, was gehuwd met Edward Jones Wellthorpe, van rechtswege Lord Fitz-Gérald, naar de opgave van Kit Smolls en James Hollock, Stewart van de Gravin van Dorchester. De koster bad het wettelijk bewijs van het voltrokken huwelijk, zijnde een uittreksel van het huwelijksregister, den jongen echtgenoot in de hand geduwd en toen heimelijk het goudstuk ontvangen, dat zijn arbeid met tienmaal meer dan gewoonlijk betaalde. Maar alles was dan ook door hem stil en bescheiden verricht; zelfs de voortvarende gewilligheid van de zijde des priesters had hij voor zich zeiven als een buitengewone verdienste doen gelden. De voortvarende curate, die een paar dagen geleden van een onbekende Lady een klinkend bewijs van hooge achting had ontvangen, had dat zijn ondergeschikte wijselijk verzwegen.
Wat was Maud prachtig gekleed! Wat zoete geuren omzweefden haar en gingen van haar uit! Wat fraaie karos had haar met haar bruidegom en diens onafscheidelijken medgezel tot voor het schamel kerkjen gebracht. Over tapijten van de straatdeur af tot aan het altaar gelegd, was zij de kussens nader getreden waarop zij te knielen had. Daar had ze Auntie meenen te vinden ! Auntie was toch haar moeder, en had ze ook iang een zonderlinge opvatting van het wezen eener moeder gehad, sedert eenige uren was die veel veranderd. Maar Anniie was er niet. Auntie had misschien wel gelast, dat Hopps Maud tot een soort van vondeling zou maken. Deze had toch de verklaring, blijkens welke zij geen bekende ouders bad, hooren voorlezen. Een schamel troepjen maar om haar heen! Met uitzondering van Arthur, wiens Viscountschap
KAPT. VAN DE LIJFGARDE. â II. quot;1 1
DU KAPTEIN VAN J)K LIJFGARDE.
echter verzwegen werd, waren er alleen ondergeschikte schepsels. Maar de ergernis over een en ander was niet de eenige oorzaak van de bleekheid, welke merkbaar was door het blanketsel heen. Hare gedachten schenen zich niet te kunnen bepalen tot de plechtigheid, waarvan zij het groote gewicht, ook voor haar, weinig scheen in te zien. Telkens en telkens, te midden harer ontvangen schatten, onder het aankleeden en het kappen, in het rijtuig, en over de tapijten zwevend, zelfs bij het prevelen der heilige gebeden, telkens en telkens had zij die statige ernstige vrouw met den straffen blik en die smettelooze manchetten voor zich gezien!
Toen de plechtigheid was afgeloopen en haar echtgenoot zich naar haar toe had gebogen, om haar te kussen, maar Arthur zich tusschen beiden indrong en haar den artu bood, had ze geen verwondering te kennen gegeven of geen enkel woord geuit, dat van blijdschap of van ergernis blijk gaf. In het rijtuig, dat hen weder thuis bracht, zat Arthur naast, haar echtgenoot tegenover haar; gene spraakzaam en guitig, deze grimmig tot in zijn zwijgen en in zijn hoekige en haastige bewegingen.
Auntie bleef zich over haar sclwmen; die Hollandsche vrouw had zich verre boven haar gesteld; het kind van deze, de lichtblonde engel met oogen zoo blauw als de hemel, was van haar terug geroepen als of ze de pest of de pokken onder de leden had. En nu was ze overgeleverd aan twee mannen, die haar als cipiers bewaakten en haar brengen zouden naar haar, die zij dit oogenblik haatte. Ja haatte, en ook . . . vreesde!
Zij kon niet tegen haar op!
Zij was door haar behandeld als een speelpop en dat vooral wou ze niet zijn! Er was in haar een halsstarrigheid, welke van die zoo wulpsche natuur niet verwacht kon worden. Zij begon â een tot dusverre onbekende aandoening â zich laag en gemeen te vinden en de schamele woning, te midden van weiden en bos-schen, een paradijs waarheen ze terug wou! Wat wonder, dat ze doof was voor al de kwinkslagen van Arthur en blind voor de nurksheid van haar echtgenoot, dien ze in de laatste dagen nog lager was gaan stellen dan den nu vergeten brom-kapitein!
Maar het heldere licht, dat zoo vroolijk de vensters uitstraalde, toen ze voor haar woning stil hield, maar de nederig buigende Hopps, die vooruit was gesneld en haar op den drempel ontving met den titel: Mylady; maar de warme kus, die Arthur haar heimelijk op den molligen arm drukte, toen hij haar hielp uit de hooge karos te komen, het gaf een keer aan haar gedachten! Auntie zou daar boven zijn om haar te ontvangen en haar straks mede te nemen in haar met vier paarden bespannen rijtuig, dat in den Novembernacht, hoe helder ook de sterren in de vinnig koude lucht flikkerden, niet door het volk op straat herkend zou
162
DE KA PT F. IN VA.N DE LTJFGAUDE.
worden. Binnen vier dagen zou zij dan aan liet Hof zijn, geheel vrij .... En dan zou ze Arthur tot zich roepen, en dan .. . .!
Maar Auntie was er niet.... Er was wel voor vier gedekt, maar de vierde plaats werd door de brutale Hopps ingenomen, die waarlijk geheel den schijn aannam van gastvrouw te zijn. Schonk ze niet de fijne roemers vol met den kostelijker, wijn, die Malvoisy heette? Sneed zij niet de vette kapuinen met den rozjjn-saus voor? Had zij haar, die ze nog altijd Mylady noemde, maar reeds begonnen was dit\' met een spottend lachjen te doen, niet naast zich gezet en de twee anderen tegen over haar? Gelukkig nog, dat de laffe Edward het verst van haar af zat!
Maar de wijn werkte wonderen .... Daar begon Arthur te neuriën; \'t was de ballade van «Het straatrotjen.quot;
Edward viel met een stem, die niet kwaad klonk, mede in, en Maud, die de wijs meer gehoord en aardig vroolijk gevonden had, volgde ten slotte; wat Arthur deed schateren van lachen en Edward â hoe gek! â vinnig boos maakte.
»Je zult het niet meö zingen .... niemant zal \'t meer zingen,quot; schreeuwde hij.
»Nu wil ik het juist,quot; hernam Maud. «Arthur, zeg me hoe de woorden zijn!quot;
En deze begon:
«Een vrouwlijk rotjen zwierde op straat,
üit geul en slop gekropen.quot;
Edward had de flesch canary, die nog ongerept onder zijn bereik stond, aan den mond gezet en eenige teugen gulzig naar binnen geslagen. Het suisde in zijn ooren: »die deerne is je vrouw; en toch behoort zij je niet!quot; Door wrevel, door nijd vervoerd, schreeuwde hij de volgende woorden uit:
»Een mooie deern, die niemant haat,
En alles elk doet hopen.quot;
Vervolgens deed hij een erg gemeenen vloek hooren en toen: »Daar bedoelt hij jou mee, Maud! Sla hem op zijn bakkes, of ik doe het!quot;
»Mylord in spe, je vergeet het kontrakt!quot; zei Arthur, met uitdagende blikken en klaar gehouden vuist, Edward aanziende.
Toen deze niet voornemens scheen de bedreiging te volvoeren, vervolgde de ander sarrend: »je hebt het loon nog niet weg, al heb je haar ook tot vrouw. Maud, de woorden van het eerste koepiet zijn anders, en wel:
«Het rotjen zoekt een vetten maat.
Voor dat het wordt verzopen____quot;
163
DE KiPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Het heeft niets met je gemeen, dat merkt ieder, die zijn hersens nog heeft. Onze Maud is geen rot, maar is de roos in onzen tuin. Ze heeft knoppen voor ieder, die haar weet te bewonderen als een edelman, niet als een straatjongen.quot;
Hij was naar haar toegegaan, wankelend en draaierig, den vollen roemer opgeheven in de hand. Hij was in Mauds oogen schoon als een Apollo; hij reikte haar de hand, die zij aannam, en kuste haar op de volle donzige lippen.
Met een krachtigen vloek smeet Edward zijn glas weg naar den kant waar Hopps zat, die den inhoud in het gezicht kreeg, en sloeg hij over de tafel heen naar den onbeschaamde. Maar zijn toorn behoefde niet verder te gaan. Arthur had reeds een rijk diner achter zich, waar Portugeesche wijnen waren geschonken. Hij had al den gantschen avond zich door de armen van Bacchus omslingerd gevoeld en zeeg er nu geheel in neer . .. Hij snakte naar lucht en had nog even bet besef naar het raam te wankelen, dat open te stoofen en het hoofd naar buiten te steken.
Edward zag nu de kans schoon. Hij trad op Maud toe, greep haar hij den pols en beet haar toe: «Misstress Jones, je gaat met me heen! Je zult me volgen...quot; Maar ze ontglipte hem, daarbij geholpen door Hopps, die zich de oogen, door den daarin gespoten wijn een oogenblik verduisterd, had schoon gewischt, en den verwoeden echtgenoot tegenhoudende, hem toefluisterde: »\'tls tijd. Mylady wacht... Ik heb er nu genoeg van!quot;
Waar was Maud gebleven? Ze stond naast Arthur, dien ze een glas water had gebracht. Het glas beefde in de eene hand, terwijl de andere de cravatte van den benauwden jonkman zocht los te maken.
Haar gelaat drukte eensklaps vrees en walging uit.
Hare oogen staarden op éen plek, en zagen niets anders als de sneeuwwitte manchetten der Hollandsche vrouw, en, â o! hoe afschuwelijk! â aan haar eigen polsen vuil bevlekte, roode, door wijn of door bloed bedropene! Zij trad ijlings terug en sloeg de hand forsch aan Hopps schouder. »Waarom is Auntie hier niet, Hopps? Ik begin te begrijpen dat je in alles de hand hebt. Ze had hier moeten zijn â zij had haar kind moeten ontvangen . .. Je hebt valsch\' getuigd, dat ik een vondeling was! Waarom? Waarom?quot;
»Haar kind...? Maud, laat me je eens aankijken. Ben je dronken?quot;
Maud gaf haar een slag in \'t gezicht.
Hopps sloeg niet terug. »Haar kind?quot; herhaalde ze zacht. »Kom, kom, Mylady, de vroolijke jongens niet met zoo veel ernst bekeken! Mr. Jones, hou je vrouwtjen bezig! Zie, onze Arthur is weer bij gekomen .... Denk maar Mylady, dat we een paar
164
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAEDE.
Clowns, en van de beste, in de tent op Bartholomew-kermis hebben zien werken. Komt, nog eens vroolijk bij elkaar gezeten! En als je eens wilt hooren boe de oude Hopps zong, toen ze jong was, zal ik je bet liedtjen van Nell Gwyn laten hooren uit de dagen van Karei den Tweeden, vroolijker gedachtenisse ...! \'
Ze zong en de prettige deun klonk als kattenmuziek, waarbij Edward den arm om haar niiuw te omspannen midden sloeg en met haar ging dansen, en Arthur, die Bacchus had uitgeworpen en tijdelijk altans tot doodvijand had verklaard, Maud uitnoodigde met hem dat voorbeeld te volgen. Maar Maud sloeg dit met een hooghartigen blik af, zóo hooghartig, dat Arthur het moest uitproesten en bekennen, dat Mary Belson, die anders voor oude kokette speelde en gister avond uit nood als Lady Macbeth optrad, in haar beste oogenblikken geen grooter oogen had opgezet.
»Waarom is zij niet hier...?quot; vroeg Maud weer aan het ooi-van Hopps, die plotseling zweeg, haar cavalier nog al ruw van zich afstiet en met Maud even ter zijde trad.
»Haar Ladyschap kon niet. Haar Ladyschap loopt gevaar gevangen te worden genomen, indien ze zich in \'t openbaar vertoont. Haar Ladyschap heeft om u zich vijanden gemaakt.quot;
»0m mij? Zijn \'t weer leugens, HoppsVquot;
»Liegen doe ik nooit! Vraag \'t haar zelve! Je gaat nu naar haar toe. Wie kon denken, Maud, dat je van zoo\'n hoogen kom-af was? Doe een goed woordtjen bij je moeder voor me, Maud! Ze moet schatrijk wezen en de laatste dagen hebben me veel gekost. Daar straks nog! Zie, boe mijn kroplap er uit ziet en mijn rokken . .! Bedorven van den wijn! En dat heeft je man nog wel gedaan!quot;
Mauds voeten trappelden van ongeduld. »Hier van daan wil ik! Breng me waar ik wezen moet!quot; Ze haatte Auntie, en toch was \'t zoo ver gekomen, dat ze bij haar bescherming moest zoeken.
Maar Hopps, hoe gaarne ze ook wilde, mocht niet méégaan. Mylady de Gravin had haar dikwijls ordters gegeven, die ze altijd naar de letter had opgevolgd â maar van haar méégaan om Maud te brengen had Mylady geen woord gerept.
»Maar ik wil dat je \'t doen zult â ik, haar dochter 1quot;
»Ik durf niet.. . waarachtig, ik durf niet! Ze is zoo\'n baas. Ze heeft den Kaptein ook wel het beentjen weten te lichten . ..quot;
Dat was nog weer iets nieuws! Ook dat gaf Maud weer te denken en te morren en te vreezen . . . !
Middelerwijl waren de twee vrienden weer verzoend en spraken ze óok fluisterend met elkander, waarbij het blijkbaar Maud gold.
«Neen, neen, verleid me niet!quot; zei Edward eindelijk vrij luid,
165
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
\'t Was of Maud iets begreep van hetgeen daar verhandeld werd. Zij trok de bovenlip op de gewone wijze op. Zij fluisterde, maar voor niemant verstaanbaar: »toen li ij er nog was, durfden zij zójveel niet, de melkmuilen!quot;
Edward naderde haar, nadat zjjn tweestrijd een einde had genomen. »Maud, vraag Hopps je te helpen verkleeden! Je bent nu een fatsoenlijke vrouw geworden en moet dat op straat toonen,quot; Maud rilde van woede! Weer een trap, ditmaal niet op de teenen, maar op het hart! En dat nog wel van dien flauwert!
»Laat mijn rijtuig voorkomen!quot; beval zij op hoogen toon. »\'t Is zoo\'n heerlijke nacht! En zuinigheid voegt een pas gehuwd paar. We gaan dus wandelen. Misschien doen we dan meteen het. nieuwe paardenspel van Signor Carotti even aan!quot; antwoordde haar echtgenoot.
Hopps verklaarde, dat Misstress Jones\' bruidskleeding op een wandeltocht was ingericht en dat de prachtige bonten mantel, die Misstress Jones zoo erg fijn stond, tegen feller koude dan er nu heerschte bestand was.
»Je gaat meê, Hopps! ik wil het!quot;\' gebood Maud.
»Goed, mijn schatjen! Och ja, ik wil zoo lang mogelijk bij je blijven. Wie weet wanneer ik je terug zie....quot;
»Nooit!quot; klonk het in Mauds binnenste.
Ze waren op weg. Arthur wilde zich weer meester maken van Mauds arm, maar ditmaal kwam de breede forsche Hopps tus-schen beide, die iets van Arthurs toeleg begon te begrijpen en nu inzag door haar medegaan hare aanspraken op Mylady\'s erkentelijkheid niet weinig te zullen vermeer\'-eren. Edward stak lachend den arm door dien van zijn vriend en hield dien stevig vast. De beide vrouwen gingen achter die twee aan.
Er was veel volk op de been, maar minder toch dan een uur vroeger. De voorbijgangers bespraken het oproerijen, dat evenwel door een tiental constaples bedwongen was. Op de Theemsbrug was het echter nog zeer druk en woelig, zoo dat het viertal niet zoo spoedig als twee hunner ten minste dat wenschten, vooruit komen kon. Het gesprek der twee vrienden, hoewel fluisterend gevoerd, kon door de vrouwen, die herhaaldelijk tegen hen aan werden geduwd, soms duidelijk worden gehoord.
Dit oogenblik was er werkelijk een opstopping. Maud, die al dien tijd niets had geandwoord op al de vleitaal, welke Hopps haar gedurig liet hooren, beet haar nu toe, dat ze zwijgen zou. Zij wilde nu eens goed trachten te verstaan wat die twee spraken. Er werd geld geboden en het betrof weder haar.
jgt;Honderd pond! Zeg Kate maar, dat ik met de deern aan den haal ben gegaan, en dat ik op mijn woord van Edelman beloof den schat in het eind van de week zelf aan het klooster af te
166
BE KAPTE!K VAN DF, IIJFGAKDE.
leveren, dat er meö verrijkt zal worden. Waarom aarzel je nog? Is er wat aan haar verbeurd?quot;
Er liep een huivering door Mauds leden heen.
Daar werd zij onzacht op zij geduwd door een gezel van een of ander gild, die het meisjen aan zijn arm voor het gedrang wilde behoeden en ook voor de aanraking van deernen als hij er nu eene meende te zien in Maud, die Hopps\' arm had losgelaten. »Dat zulk gespuis zich hier ook al waagt! \'t Hoort in \'t groote-lui\'s-kwartierlquot; riep de verontwaardigde jonkman uit.
Maud herkende de stem van Nathanaël. Zij zag om en werd ook door hem herkend, die nu zijn Mabel nog dichter tegen zich aan drukte.
»Maud! Maud, waar ben je?quot; riep Hopps. »Is ze bij jelui?quot; vroeg ze den twee Edellieden, die ontkennend andwoordden.
Er kwam op eens een geweldig gedrang... Luide kreten weerklonken. »Wat is er?quot; »Een vrouw in het water!quot; »Over de leuning gegooid of gesprongen!\'\' »Ze kwam nog even boven water en toen zag ik een bonten hoofdkapâquot; »Een rijkeluiskind zeker!quot; iZie, ze roeien er al naar toe.quot; »Ze visscben.... ze hebben haar!quot; »Maar dood is ze, daar kun je op aan; daar verwed ik mijn besten haan onder, die nog van morgen baas van de vecht-plaats bleef!quot;
Ja, ze was opgevischt, herkend door haar echtgenoot en diens vriend. Het gelaat van die twee was even bleek als dat dei-drenkelinge.
»Waar moet ze heengebracht? Ze is al stijf bevroren!quot; zei de stoere man, die haar bij de armen vast hield, maar de beenen liet sleepen.
«God, hoe rijk gekleed!\' riepen eenige vrouwen, en ze staken de hand uit naar de kanten, welke uit den pelsmantel stijf en goor te voorschijn kwamen.
«Handen thuis, meerkatten!quot; en de stoere man volgde Edwards aanwijzing en bracht het lijk naar het rijtuig met twee forsche paarden bespannen en met kisten en koffers beladen, waarvan er een onder den hoogen houten zit van den koetsier stond en de twee zwaarste onderaan tusschen de wielen hingen.
Een bejaarde Lady had daarin reeds lang zitten wachten, herhaaldelijk tusschen de gordijnen, die het portier afsloten, heen-glurend. Het heftigst ongeduld martelde haar! Nog maar enkele uren was ze vrij te gaan! Waar bleef Maud toch? Zou ze naar Kingstreet rijden? Zich bij Hopps vertoonen en daar in het huis, dat ze bespionneerd wist, op heeterdaad laten betrappen, onderzoeken, en dan met de papieren, die ze bij zich droeg, naar de gevangenis laten voeren? En die papieren, ze waren zoo gevaarlijk! Ze getuigden, dat Kate Sedly verdiende in triomf door Koning
167
DE KAPTEIN VAN DE LUFGAKjjE.
Jakob in Dublin te worden ingehaald. ..Weg moest ze, den gant-schen nacht door rijden om de kust te bereiken! Waar bleef ze toch, haar kind, Misstress Jones nu, maar weldra..? O! men kon zoo spoedig weduwe worden als een machtige dat wilde I En de oude suffer in Dublin had haar meer dan ooit noodig na dien meesterlijken zet van den Overweldiger, om de Tories aan zich te verbinden!
Half tien sloeg het daar! En tot tien uur was haar vrijgeleide maar geldig.... Wee, Viscount Pembroke! Wee, Lord Pitz-Gérald,
indien ze door hen bedrogen was! Maar dat kon niet____Zij had
alles te goed berekend, te duidelijk verordend----»Maud! Maud!
waar blijft ge?\'\' kreet ze nogmaals, bijna radeloos.
De menigte omstuwde haar rijtuig en begon lastig te worden. Zij schouwde angstig naar buiten....
Daar werd Maud haar gebracht, met de ijspegels aan mantelzooni en hoofdkap, het wit gelaat nog gebleekt door het matte licht van het gesternte, dat in den winternacht zoo kil en koud flikkerde en flonkerde in het donker-blauw uitspansel! Een gil werd gehoord. De straks nog opstuwende en rumoerige menigte week terug en werd stil, uit eerbied voor de kreten der wanhoop, uit medelijden voor het genok der diepste verslagenheid.
168
ZEVENDE BOEK.
i.
De zomer had zijn intrede gedaan in het groene Erin, zooals Ierland heette, in menige aandoenlijke Sage, in menige tot geestdrift vervoerende Ballade. Hij had de stille wateren van de Boyne reeds lang ontboeid, er weder zijn vonken gestrooid op de kabbelende goltiens, de moerassen en weiden met een smaragdgroene wade overspreid, uit gene de waterbloem, uit deze madelief en boterbloem wekkend, de bosschen met een zondagskleed gesierd en getooid, en talloze talen geschonken aan het gevederd koor, dat er in weg school bij het aanheffen van den hoogtijdszang.
Verrukkelijk landschap! Naiuurschoon, dat tot blijheid stemde, aangrijpend, niet door grootschheid, maar door liefelijkheid! Plekjen, bestemd om de wieg te zijn der onschuld, de tempel van bet geluk!
Het had zoo kunnen zijn, indien de tochten van den menscli niet als geesels van een vertoornd God hadden dienst gedaan! De voortbrengende natuurkracht had als altoos gehoorzaamheid getoond en donzen windselen geslagen om bouwval en groeve, een zacht tapeet gespreid over braakliggende akkers en blootliggende menschen- en dierenlijken, maar de onafgebroken doch langzaam arbeidende had nog niet den tijd gehad een kleed te weven, dat al het gepleegd onrecht overdekken kon!
Green schoorsteen rookte, geen kinderstem joolde, geen lied weerklonk, geen bede werd gelispeld! Geen viervoetig wild zelfs hief uit moeras- of weide bloem den kop omhoog, angstig naar onraad spiedend. Slechts wat vleugelen had, om zich in de lucht te bewegen, en alzoo onbereikbaar wist te zijn voor den verdelger, die op den grond woedde, had het leven geborgen en mocht zich nog verheugen in zijn bestaan.
\'t Was of er iets van de vreugde daarover trilde en tjilpte en floot in de zangen, waarvan het eikenbosch weergalmde, dat een
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
deel van de rivier de Boyne aan weerszijden bezoomde. \'t Was of dit, of iets wat er naar zweemde, gevoeld en begrepen werd door den man, den eenigen, die daar aan den voet van den schil-derachtigen eik nederzat en een tijd lang het oog bad gevestigd op de dikke armen van den reus, wien reeds eeuwen over den forschen kruin voorbij waren getrokken. Toch verbaasde die reus nog door zijn volle forsehe levenskracht, hoewel hier en daar een ontbaste tak of een gespleten knoest van de macht van den storm, en de almacht van den bliksem getuigde. Het vlerkengezuis en geklepper, het nebbegeknetter en eindelijk de jubelende zang, die alle andere geluiden overstemde, deed den peinzende het hoofd hooger opheffen en noodde hem tot luisteren.
Had hij zich een rouwkleed aangetrokken, om in overeenstemming te zijn met de diepe ellende rondom zich? Een tuniek van grof laken omsloot zijn leden; een leeren gordel het middenlijf; laarzen met hooge, nauw toeloopende schachten been en knie; een metalen kap het hoofd, terwijl een doek, aan de hoofdkap als een soort van boordsel verbonden, van achtei\' tot over den nek, van voren tot even over de wenkbrauwen neerhing. Met een breeden metalen band, onder de kin doorloopend, was zij aan het hoofd bevestigd. Alles was zwart, met uitzondering slechts van den blinkenden loop van het musket en van den glinsterenden sabel aan den zwarten bandelier, die tevens den zwarten kogel- en kruittasch ophield, en van het vuurroode doodshoofd en de kruislings daar onder liggende doodsbeenderen, aan de kap van voren vastgehecht.
Het was dus een soldaat, en nog wel een van het regiment Pransche Hugenooten, dat zich róor maanden bij het leger van den Hertog van Schomberg had gevoegd, toen dat, na het ontzet van het heldhaftig verdedigd Londonderry, Koning Jakob tegen trok, die van Dublin met tienduizenden ongeoefende inboorlingen in aantocht was. Hoe groot bevelhebber Schomberg ook ware, hij had den vijand niet kunnen overwinnen; hij had zelfs voor hem moeten deinzen, want die vijand was: het klimaat en het verraad. De regen was in den herfst bij stroomen neergegudst en had het land in drabbe en modder verkeerd; de hebzucht had voor haver stroo geleverd, voor stroo hooi, voor brood lijnkoeken, en dat alles in veel te geringe hoeveelheden. De oneerlijkheid had tenten en dekens teruggehouden, hoe duur ook dek en dekking waren in rekening gebracht.
De militaire administratie had bewezen éen dievenbende te zijn!
Zonder beschutting, bijna zonder voedsel, hadden de moede troepen zich op den doorweekten grond moeten legeren, en dat in een land, waarover de godsdiensthaat heen had gezweept en gegierd; waar de huizen van steen, meest aan Engelschen en Schotten be-hoorende, in puin verkeerd; waar de hutten van klei, waarin damp;
170
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
half naakte inboorling meer dan balf verkleumd in slijk en draf wegschool, in vlammen waren opgegaan; waar schaap en koe, alleen om vacht en huid geslacht, wijd en zijd in het rond wegrotteden naast de lijken van Engelschen kolonist en lerschen daglooner, door sluipmoord gedood! En toen begon het verraad zich te ver-toonen onder de soldaten, die men het meest had vertrouwd: de Fransche Hugenooten, onder wie vele valsche broeders bleken te zijn! En toen begon de vreeselijkste aller vijanden zijn slachting! De blauwe pest verscheen onder de troepen en sloeg tientallen bij tientallen neer!
Dapper hield zich het leger, groot boven allen de bevelhebber^ die wel tot den terugtocht besluiten moest, maar dezen volvoerde met zulk een meesterlijk beleid, dat de militaire tijdgenoot en tegenstander zelfs getuigde, dat Schomberg in zijn nederlaag eerst recht had bewezen de eerste veldoverste te zijn van zijn tijd.
Niet éen, van soldaat tot kolonel, of hij riep de legerplaats, welke verlaten moest worden, een »tot weerziensquot; toe. Ieder van de overlevenden was zeker, dat Koning William het leger, met frissche benden versterkt, zelf zou komen aanvoeren en dan wel zou zorgen dat ammunitie, voedsel noch dekking ontbrak.
Maanden waren sedert voorbij gegaan en nog altijd verscheen niet de helper en bleef de weerwraak uit!
In de winter-kwartieren had echter de ledigheid niet gehuisd. Er was gedrild, geschouwd, gezuiverd. De aanhangers van Lode-wijk XIV, die zich als Fransche Hugenooten, en dus als zijn ergste vijanden, hadden voorgedaan, werden voor zoo ver ze reeds niet waren overgeloopen, uir. de gelederen weggezonden. Op den sektehaat werd een beroep gedaan. De smeulende wrok der uit hnn Vaderland verjaagden werd op nieuw aangeblazen, de godsdienst-leuze op het vaandel geschreven en de eed; «overwinnen of sterven,quot; tot in de nieuwe sombere uniform krachtig aangeduid. Een der kolonels van de drie Hugenootsche regimenten was naar Londen vertrokken en van daar met nieuwe manschappen teruggekeerd, en daartoe had ook de eenzaam peinzende behoord, dien wij straks een oogenblik bespiedden. Wie hij eigenlijk was, wist kolonel de Caillemotte alleen; maar dat hij hooger in ontwikkeling en ervaring stond dan de meesten. bespeurden zijn kameraden al heel spoedig.
Hjj had de reglementen als Monsieur Charles geteekend, â al de hugenootsche soldaten behoorden tot den kring der beschaafden â getoond ze in al hunne strengheid begrepen te hebben en ze stipt te kunnen gehoorzamen. Hij was geen geboren Franschman, misschien ook geen Engelschman, maar tot welken landaard hij eigenlijk behoorde, kon men moeielijk gewaar worden, daar hij zelden sprak en maar kort andwoordde, en er uit alle provincies van
171
HE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Frankrijk en de Spaansche Nederlanden rekruten, die de meest verschillende dialekten spraken, waren aangebracht. Als gewoon soldaat diende hij en ontving hij zijn drie stuivers soldij, waarvan hij nog bleek te kunnen overhouden, daar hij den een of ander gulzigert van zijn kompanjie in \'t geheim nog wel eens een stuiver brood kocht. Van slaap scheen hij weinig lust te hebben, want hij was \'s morgens het eerst uit het stroo en \'s avonds het laatst er weer in: maar hij dronk ook nooit iets anders als water en nipte met de lippen maar even aan den kroes, die op feestdagen met 2gt;het hollandsche moedwaterquot;, zooals het Schiedamsche vocht in -het leger heette, gevuld werd.
Zijn matigheid, zijn gehoorzaamheid en zijn herhaald eerbiedig verzoek, om deel te mogen uitmaken van de uiterste voorhoede, hadden hem in het midden van den winter nabij Dalkirh een observatiepost aan den noordelijken oever van de rivier de Boyne met een halve kompanjie doen betrekken.
Het terrein was aan weerszijden golvend en naar de rivier afloopend. Het bosch, in de nabijheid der verschansing aan de westzijde, vond mijlen in het rond zijn weergade niet, daar de gloQÃMjtó en de vlakten slechts schaars eenig kreupelhout vertoonden, akj»|6 bouwland omzoomend, welke in den laatsteu winter bewerkt nom \' bezaaid waren en dus thands braak lagenenden algemeenen indruk van verlatenheid en ellende verhoogden. In den rug gesteund door het stedeken Dandalk, waar een Hollandsch garnizoen lag, was de \' plek voor een observatie-post goed gekozen. Nagenoeg op gelijke afstanden toch lagen de twee eenige bruggen, die over de rivier tot den grooten heirweg naar Dublin voerden, ten Oosten; dicht bij de zeemonding der rivier in de nabijheid der slecht versterkte stad Drogheda, waar de lelievaan waaide naast die van Koning Jakob, en ten Westen; bij het vlekjen Slane. Langs een dier twee wegen en over een dier beide bruggen, kon alzoo het lersche leger worden verwacht, indien het tot den aanval oprukte. Aan de overzijde der rivier, achter het ook daar oploopend terrein verscholen, lag het dorp Old-Bridge, waar rog eenige handel in vee werd gedreven en nog eenig graan was geborgen, wat der steeds in het rond sluipende en spiedende Hugenootsche bezetting zeer welkom bleek te zijn. Achter dat dorp links en de hoogten van Donore rechts lag een open plek, zacht glooiend naar beneden, tot waaide heirweg naar Dublin zijn slingers vertoonde.
De verschansing was dicht bij den oe\\er der rivier aangelegd. Op een nu met puin bedekte vlakte, aan de Westzijde begrensd door het op heuvelachtig terrein geplant woud, stond een steenen huis, waarvan de beneden verdieping alleen behouden was ge-Heven. Maar ook deze duidde aan, op wat wijze al het andere was verwoest. Het hout der getraliede vensterkozijnen was ge-
172
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE.
blakerd; de deuren, met ingetrapte paneelen, half verkoold; de houten vloeren gezengd en deels door bijlshouwen of\' dorschvlegel-slagen versplinterd. De bezetting had er aanvankelijk gebibberd van de koude, hoe groot ook het houtvuur was gebouwd, dat \'in de stuk gemokerde schouw had gevlamd, en waarvan de rook zich aanvankelijk een uitweg had monten banen door de glaslooze vensters of de paneelloze deuren. Maar met kracht was men aan \'t herstellen gegaan en de arbeid had hen warm gehouden en het gevaar, dat hen omringde en meermalen van de zijdê van een onzichtbaren vijand dreigde, had nevens de spanning der spieren ook al de kracht van het brein gevorderd. Aarden wallen waren rondom het huis opgeworpen, over de rivier een houten brug geslagen, van staketsels in het midden en stevige palissaden aan beide hoofden voorzien. In de laatste dagen was alles klaar gekomen, en de zonnige Juni-maand had warmte gebracht en beloofde een nog warmere Juli-maand. Behalve dat de avond- en morgen-fa«-t:qaes nu ook op den dag werden aangeheven en blijder klonken, kortten spelen van allerlei aard den tijd, als er geen »uitgaan op verkenningquot; werd gekommandeerd. Dit had. in de laatste weken dikwijls plaats gehad, vooral ca het dooden \'s nachts van twee schildwachten op de brug door geweerkogels uit het bosch, dat aan de overzijde der rivier lag. Die aanslag had tot het vermoeden geleid, dat de vijand zich begon te roeren en misschien tot den aanval bereid was. Van het hoofdkwartier was het bevel gekomen de verkenningstochten telkens verder uit te strekken, en altijd had Monsieur Charles gevraagd een van het drietal te mogen zijn, dat door moeras en bosch, over wei en akker kruipend, de dorpen of vlekken tot in de nabijheid zelfs van Dublin bespieden kwam.
Dat scheen wel het eenig spel, dat dien Monsieur Charles den nurkschen zwijger, bekoren kon. Was hij weer terug gekeerd binnen de schamele versterking en had hij geen dienst, dan werd hij zelden te midden zijner kameraden gezien; dan dwaalde hij alleen af, het Bosch in, of de daar achter liggende hoogten en vlakten over. De spotternij der kameraden hield dikwijls een scherp woord gereed, maar de martiale houding, de strenge uitdrukking van het dicht met grijzend bruin hair bewassen gelaat, de stipte plichtsvervulling van dien »stille in den landequot; deed dat woord binnen houden.
»Wat die man toch op zijn geweten heeft?quot; vroeg men fluisterend elkaar af. »De haat, die ons bezielt, overheerscht hem niet. Aan onze vervloeking van den meineedigen tiranquot; â Lodewijk XIV werd bedoeld â »neemt hij nooit deel, en aan onze godsdienstoefeningen maar zeer weinig, en dan nog meer met het lichaam dan met de ziel!quot;
173
DE KAPÃEIN VAN DE LIJFGARDE.
De zonderling, over wien dus gesproken werd en die ditmaal niet over hoog en laag gezworven maar ginder onder de zware boomen gezeten had, vond niet, dat hij op dezen dag het beste deel had verkoren. Beter was \'t hem steeds te midden der verwoesting van boerenstulpen, van verkoolde boomen en platgetreden heesters, van omgewoelde en van onkruid groenende akkers, waarover een stikkend vunzige lucht heen golfde, dan in het woud met de v rooi ijk kwinkeleerende vogels boven zich! Wat somberheid moest in dat binnenst heerschen, dat de woestenij hem liever was dan het bewegingvolle leven! Hij had straks zeli\'s het naast zich liggend musket gegrepen, om een paar spechten, wier vede-renpracht zijn aandacht getrokken had, te dooden. Het minnespel, door het paar zoo dartel aangevangen, had hem verdroten! Het aangestaard genot dier twee onschuldige schepselen had hem pijn gedaan . . .!
De eenzaamheid, welke voor hem geen eenzaamheid meer was, begon hem nu zwaar te vallen. Hij was opgestaan, nam het musket in de hand en keek naar de zon, om naar haar stand den tijd te berekenen. Noj lang zou het dng zijn en niet voor dat de schemering viel zou hij de wacht moeten betrekken. Hij keerde om en trad in de richting van het blokhuis voort. Hij had het in minder dan tien minuten bereikt, groette den schildwacht op den aarden wal en trad door de omheining naar binnen.
Een aardig schouwspel deed zich daar op, vroolijk en vol afwisseling, dank zij vooral het gouden licht der zon, dat zelfs het puin en de verkoolde binten en balken een blijden tint gaf! Op eenige bossen stroo lagen een tiental soldaten, wel alle in de zwarte sombere uniformen, maar zonder de vrees- en afschuwwekkende hoofdkap, om een steenen zerk neer, waarop een blad papier lag met figuren en getallen bedrukt, en waarover een paar dobbelsteenen van tijd tot tijd heen huppelden.
Hoewel hazardspelen streng verboden waren en ook niet voegden bij den ernst van soldaten, zich geroepen wanend om in de dienst des Heeren te staan, toch wreekte zich de verkrachte natuur dikwijls en werd er geofferd aan de Afgoden der Filistijnen. De eentonigheid bracht die dobbelsteenen in de ledige vuist en de onuitwischbare hartstocht den blos der begeerte op de verweerde kaken.
Monsieur Charles had nauw de groep gezien of hij wendde zich wrevelig af; hij wilde voorbij gaan. Hij had dit reeds gedaan, maar wendde, vóór hij het huis binnen trad, toch nog het hoofd even om. Wat vlogen die dobbelsteenen dartel over dat steenvlak! Wat lokten zij blikken vol vuur in de oogen der spelenden! Wat grepen de vingers naar den gewonnen farthing! Wat speelden al de gelaatszenuwen de kansen na van het spel! Hij merkte \'top en
174
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
wist het te waardeeren! Hij was even het heden ontrukt en leefde weer in het verleden ... in fashionable clubs, waar de bonte hoed-pluimen wuifden, waar de bevallige bar maid de woelige en schertsende gasten met een betooverend glimlachjen bediende, waar het goud op het laken der tafel glinsterde. Onwillekeurig tastte hij met de hand in den zak, waar meest de geldbuidel gedragen werd. Maar voor die hand nog de daar aanwezige koperstukken had kunnen aanroeren, werd ze met een schok terug getrokken en prevelden de lippen: »De oude Adam! Leeft de verdoemeling dan nóg?quot;
Zonder nogmaals om te zien en den roep te beandwoorden dei-spelenden, om meê te doen en den langen tijd te korten, stapte hij het huis binnen en wierp hij zich op de houten brits.
h
/ \\s.
J
Wl
/
/. --
175
II.
Het havevbrood was door de keel gewerkt, waarbij de zure inhoud van den bierkroes veel dienst had gedaan. De avondliederen waren gezongen, het wachtwoord, dat voor het volgend etmaal vdrogonnades\' zou zijn, gegeven; de posten waren uitgezet: twee op den aarden wal, een op de versterkte en afgesloten brug, en een twaalftal voor het huis, om ieder half uur de ronde te doen en bij onraad dadelijk op het bedreigde punt hulp te verleenen.
Monsieur Charles had, zooals gewoonlijk, den gevaarlijksten post voor zich aan den sergeant gevraagd en dien als gunstbewijs verkregen. Hij stapte, op den schouder het musket waaraan een bajonet was bevestigd, met vaste schreden heen en weer: zeker van zijn wapen, zeker van de hand, die het gebruiken moest.
Het was een prachtige sterrenhemel! Niet te tellen lichtjens flikkerden in de oneindige ruimte, en gouden spranken â in die dagen vallende sterren genoemd â ontstonden en vergingen met de snelheid van een bliksemstraal in den zwoelen dampkring. De maan vertoonde zich niet; toch zweefde een zacht mat zilveren licht over het landschap, over de stille rivier, over het mollig donker gebla-dert van het woud en over de hoogten, waar die door een opening van het boscli zichtbaar werden. Daar, en vooral aan de andere zijde, langs de glooiingen en hellingen, werd dat zuivere licht echter ontbonden en bezwangerd met de opstijgende giftige dampen; daar sloeg het vaak neer, licht- of donkerblauw gekleurd !
De schildwachten hadden in de duisternis der winternachten op de brug vooral, waar de sneeuwwind zoo geniepig kon snerpen, vaak gerild van de koude en het merg in het gebeente als voelen verstijven, maar in een nacht als deze was die wachtpost een verkwikking. Nu behoefde het oog niet te staren in het onpeilbaar duister, dat zoo menigen vijand verbergen kon ; nu behoefde
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAKDE.
het moedigste hart niet bij wijleii zijn slag te versnellen, als de verbeelding allerlei gevaren, in reuzengestalten verzinnelijkt, voor het starend oog tooverde! Nu kon elke vijand worden gezien, en voor honderdtallen van zichtbare vijanden vreesde niet één van de mannen hier op post!
Er werd op dit oogenblik niets gezien en toch sperde Monsieur Charles de koude blauwe oogen wijder open, stuurde hij zijn scherp-sten blik naar de overzijde en lichtte hij den doek, die de beide ooren bedekte, even omhoog.
Daar ginder was leven, maar een leven, dat voor hem nog geen vorm had.
Neen, zijn verbeelding was niet in het spel geweest! Daar werden eenige takken in het kreupelbosch heftig bewogen en drong een hoofd, weldra een schouder, er door heen. Een goed gekleed (jentlemau, achtervolgd door een zwarten langharigen hond, werd zichtbaar, speurde een oogenblik rond, vooral achter zich, en naderde met teekenen van de grootste vermoeidheid de brug. Toen hij de palissaden bijna genaderd was, werd hij met luider stem aangeroepen en zag hij een musketloop op zich gelicht.
»Een vluchteling uit Dublin!quot; klonk het in zuiver Engelsch. »Ik kom dienst nemen... Is dit niet de voorpost van Koning Williams leger Vquot;
De sergeant en twee man traden de brug op. Er werden nog eenige woorden gewisseld, waarna den deserteur de gevraagde doorgang werd verleend.
Ja, Mr. Edward Jones, die het recht had een veel hooger titel te voeren, maar waarvan de weggejaagde despoot, die nu in Dublin ergerlijk den baas speelde, hem had beroofd, had nu genoeg van al de schandelijkheden ginder, waar de Pranschen zich als meesters gedroegen en allen die Engelsch spraken als lijftigenen behandelden. Hij had eindelijk de kracht gevonden om te breken met zijn politieke beginselen en wilde zich daarom nu bij het leger voegen van den verdediger van het allerdierbaarst geloof en van de even dierbare vrijheden. Hij kon belangrijke inlichtingen geven en zou dat doen, zoodra hij was uitgerust van al de vermoeienissen, die hij op den gevaarlijken tocht had doorgestaan . . . Voor hem en zijn hond vroeg hij een nachtverblijf. Aan zijn hond was hij gehecht, want aan het trouwe verstandige dier had hij eens zijn leven te danken gehad. Van dat oogenblik af waren beiden onafscheidelijke gezellen geweest.
Gedurende dit onderhoud had Monsieur Charles zich op ongewone wijze gedragen. Hij had vergeten zijn plicht als schildwacht te vervullen en was bij het drietal blijven stilstaan, dat op de brug aan het spreken was. Toen de deserteur zijn naam had genoemd, had Monsieur Charles licht gehuiverd; toen Mr. Edward Jones\' gelaat kapt. van de lijfgarde. â II. 12
177
DF, K A PT lil N VAN DE LIJFGARDE.
naar dat van Monsieur Charles was gekeerd, hadden de oogen van dezen gevonkeld, en toen Mr. Edward Jones zulk een gunstig getuigenis van zijn viervoetigen metgezel aflegde, dien hij stevig aan een dik touw vasthield, had Monsieur Charles, tegen de regelen van de krijgstucht in, een woord willen uitspreken, dat niet gunstig voor den nieuw-aangekotuene zou hebben geluid.
Hij wist zich echter te beheerschen en liet alzoo zijn superieur aan \'t woord, wiens lichtgeloovigheid hij inwendig afkeurde en wiens gebrek aan schranderheid en beleid, ook nu weer gebleken, hem sedert maanden reeds het gehoorzamen meestal zoo moeielijk had gemaakt. Maar die superieur, die zijn plaats alleen aan zijn hooge geboorte had dank te weten, gaf ditmaal toch blijk van meer scherpzinnigheid dan Monsieur Charles hem toekende.
Toen deze was afgelost en zjjn strooleger mocht opzoeken, wachtte de sergeant hem op.
»U is meer Engelschman dan Franschman! Ik heb zijn stroo naast het uwe laten leggen ... Spreek met hem en zie zoo veel mogelijk van hem te weten te komen! Hij kan een groote aanwinst voor ons zijn; nog meer misschien door zijn berichten dan door zijn persoon. Hij ziet er me erg vermoeid en uitgeput uit!quot;
»Van de reis?quot;
«Misschien ook van een zondig leven. Lauzun is in Dublin; hij is de Maarschalk van al de lichtmissen van Versailles; en daar worden ze bij legioenen geteld.quot;
Mr. Edward Jones! Die naam werd door Monsieur Charles binnen \'s monds herhaald, terwijl hij den last van den sergeant opvolgde en naar het blokhuis stapte. Al de soldaten hadden er de voorkeur aan gegeven zich buiten te legeren en snorkten onder de wollen deken, waarover ze evenwel nog hun overkleed of mantel hadden gelegd. Ontkleeden, dus luidde de order, mocht zich nie-mant, want op dezen buitenpost moest ieder bij het eerste signaal geheel strijdvaardig zijn. Had Monsieur Charles het voorbeeld zijner kameraden wenschen te volgen, dan werd hij daarvan teruggebracht, toen hij onder de slapenden den man niet aantrof, die hem door zijn superieur was aanbevolen. Die man had zeker de buitenlucht te koel gevonden, wat voor een overlooper, die tot het vijandelijk leger heette behoord te hebben, wel wat vreemd was. Over-groote vermoeidheid en doorgestane angst konden daarvan de oorzaak zijn. Maar de schoenen waren niet óm geloopen. de kleêren weinig gekreukt en bijna niet bestoven, zooals Monsieur Charles dadelijk had opgemerkt. Monsieur Charles kon den argwaan, die telkens sterker werd, maar niet verjagen. De naam, d hij gehoord had, was er de oorzaak van; een naam, dien hij gekend had en die hem een beeld voor oogen tooverde, dat hij met alle teekenen van afschuw van zich afweerde en dat hem, gelukkig in de
178
DE KA.PTEIN VAN UE LIJIGAHDT.
stilte van den nacht, dus ongehoord en ongezien, de oogen deed afwisschen en tot een herhaald snikken noopte.
Hij trad binnen. De hond was aan een ring, die zich aan een der houten britsen bevond, vast gebonden, ver van zijn meester af. Hij sloeg niet aan, toen een vreemde binnen kwam en toonde ook nu, zoo als straks, schuwheid en onrust. De deserteur had het zich makkelijk gemaakt. Hij had zich van zijn bovenkleêren ontdaan i n deze op de brits naast zich gelegd. De donker fluweelen jas, het violetkleurig laken kamisool, de fijne degen, die in den strijd weinig dienst kon doen, lagen ordeloos weggeworpen op elkaar; de hoed, aan éen zijde opgetoomd, maar zonder pluim of veeren, was in een hoek neergerold. Die hoed vertoonde, op de hoogte, waar hij tot rand vvas omgebogen, een rond gaatjen, dat door een van binnen daar tegen aangebracht stukjen vilt was gedicht. Ben nietige bijzonderheid slechts! Dat was ze echter met voor Monsieur Charles. Ze deed toch den forschen krijgsman, dien de kameraden den ijzervreter noemden en wiens zenuwen volgens hen verstaald waren, bibberen als het door een sprookjen beangstigd kind. Die hoed had eens den officieren van de Lijlgarde Zijner Majesteit in een dartel spel tot doelwit gediend en was hem van zeer nabij bekend. Hoe de breuke, er in geslagen, was geheeld en toen overdekt door nieuwe pluimen van geel en blauw, evenzeer! Die hoed was eens de zijne geweest! De Kaptein Semeyns trad, hoewel in het Hugenootsche rouwkleed, eensklaps krachtig op den voorgrond! Hij had dien hoed in zijn woning eenmaal gemist, evenals zijn uniformjas! Deze was hem door zijn rechter vertoond, gene niet. Werwaards voerden hem de eens ontboeide gedachten! Het vermoeden, dat hem iets verborgen was geworden, kreeg nieuwen steun! Hij was verdacht gevvorden van grooter misdrijf...! Er was in zijn afwezigheid een aanslag gepleegd op ...! \'t Was hem nu zonneklaar. En men had hem daarvan verdacht! Men had geloofd, kunnen gelooven, dat hij...! Hoe bitter was hij miskend! Maar, daar trad weder de rechter in zijn binnenst, die steeds strenger en strenger zich gelden deed en vonnisde, op, en riep hem toe: sZjjt gij daar zelf niet de oorzaak van? Hebt gij niet herhaaldelijk en in het openbaar een man. wagen te veroordeelen, die verre boven uw oordeel verheven was ... ? En met wat zachtmoedigheid zijt ge niet te min ge-vonnisd!quot;
Met bevende hand nam hij den hoed op. Daar viel iets uit: een wit quot;den doek. Hij wilde zich nog meer overtuigen en bekeek den hoed\'nauwkeurig van binnen; hij sloeg de ieeren voering omhoog; er rolde een geel verkleurd papier uit... een brieljen, geteekend: Arthur v. p.
Arthur! Arthur! Dus was het briefjen onderteekend, dat hem
179
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGAEDE.
zijn wachtpost had doen verlaten! Maar het schrift van dit brief-jen...? Hij bad de letters zich goed in het geheugen geplant! Hij had ze beschouwd en nogmaals beschouwd! Hij wist dat hij ze herkennen zou, zoo hij ze terug zag! Neen, het schrift van dit brief jen geleek niet op dat van ht t ander . .. !
Hij zette zich den hoed op. Deze paste volkomen op zijn hoofd! Hij kon niet meer twijfelen ... Maar wat kon de vermetelheid of de onvoorzichtigheid van den dief verklaren om met dien hoed rond te loopen? \'t Was waar, ieder gentleman droeg een dergelijken; slechts de oranjestrik en de kleur der pluimen kon dien stempelen tot esn krijgsmanshoed. En voor het verdwijnen dier onder-scheidingsteekenen was gezorgd! Maar toch...? Zijn oog viel op de «afgeworpen bovenkleeren. Wat schijn van weelde, maar wat werkelijke schamelheid! Fluweel en laken waren draadi-chijnend, geplet of afgesleten. In het geldtaschjen school een paar zilverstukken â munt te Dublin onlangs geslagen en in die mate op hoog bevel vervalscht, dat het lood en niet het zilver er het gehalte aan gaf! Dus rijkdom had het verraad nog niet beloond! Hij nam nogmaals het briefjen in de handen, las nogmaals den inhoud .... »Ik neem aan te betalen op den löen December aanstaande honderd pond aan Mr. Edward Jones Wellthorpe, Lord Fitz-Gérald, ter voldoening van bet mij in Apollo Tavern geleende!quot;
Een speelschuld dus!
Semeyns dacht na. Hoe was hij weer te midden van het verleden geplaatst, dat hij voor zich dood had verklaard! Hij had het geheel willen afsterven; hij had zijn persoonlijkheid trachten prijs te geven, zich tegen over anderen willen vernederen en zoo de achting, die hij verloren had, hopen te herwinnen. Hij had dat denken te kunnen doen, zoo lang hij in den staat van verdooving bleef, waarin hij de eerste dagen na zijn verdwijnen uit Stevens\' huis had verkeerd. Maar het beeld van vrouw en kroost, ook dat van Maud, de ellendige, die hem zoo ongelukkig had gemaakt, maar die hij â het geweten sprak! â met gelijke munt had betaald, vervolgde hem! Wat zou een kogel een weldaad zijn!
Daar stond dit oogenblik weer alles klaar vóór hem!
In Kits koffihuis, waar hij, na vrouw en kinderen ontvlucht te zijn, vernacht had, was een verborgen plaats voor de geheime bijeenkomsten der Jakobieten. Dat scheen ontdekt te zijn; want toen hij den volgenden dag terug was gekeerd van zijn tocht naaiden Kolonel, die voor het Hugenootsche regiment nieuwe manschappen wierf, had hij \'t koffihuis door konstapels bezet gevonden en Kit voor goed verdwenen .... Hij was er blijde om geweest! Weer een der aanrakingspunten met zijn verleden uitge-wischt! En toen was de martelaarsgang aangevangen: alleen...
180
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
zonder naam . . . zonder andere medgezellen als de kommer en het gevaar! Vergetelheid, verdooving! Gene gewerd hem alleen na de uitputting van alle lichaamskracht, de/e te midden van den kogelregen! En nu stond hij weder te midden van dat verleden, en nu voelde hij, dat hij niets had vergeten en zich van niets had weten los te maken, dat hij even zwak was als vroeger, en even verachtelijk ook!
De dageraad, merkbaar toen hij de slaapplaats betrad, was van lieverlede ochtend geworden. Wat moest hij vau den man denken, die daar zoo rustig sliep en, zoo als hy nu eerst bemerkte, een klein leeg fleschjen, waaruit de lucht van brandy opsteeg, in de hand hield saamgenepen? Was hij werkelijk uit wanhoop van Koning Jakob weggeloopen of werd er nogmaals verraad bedoeld? Zou Edward Jones hem herkennen? Ze hadden elkaar slechts even toegesproken en vlak tegenover elkaar gestaan; maar dat had niet meer dan een oogenblik geduurd.... Zijn stem zou de ander zich wel niet meer herinneren; zijn gelaat, zoo als \'t geworden en half bedekt was met het Hugenootsehe rouwfloers, evenmin.
De slapende bewoog zich. Semeyns wierp zich in het .stroo, veinsde te slapen en sliep ook werkelijk in.
Wakker geworden, zag hij den anler noch diens bond. Hij haastte zich naar buiten en bespeurde daar den blijkbaar geheel verkwikten man de aarden wallen omloopen en het hek doorgaan, dat naar buiten voerde, op het bosch toe.
»Hij heeft zich geheel gelegitimeerd!quot; zei de sergeant. »Ik heb een kaart van hem gekregen, waarop de stellingen van den vijand duidelijk zijn aangeduid. Onze verkenningen kunnen niet meer gevolgd worden â ze zijn waardeloos . . . We hebben nog in veertien dagen geen aanval te wachten .. . Een lijst van de regimenten om en in Dublin heb ik ook, met opgave der getalsterkte ...quot;
Monsieur Charles had geluisterd, maar sprak geen woord. Hij had zoo lang hij kon, den deserteur, die op zijn gemak voortwan-delend in het bosch verdwenen was, met de oogen gevolgd.
»Heeft u met hem gesproken?quot; vroeg de sergeant.
»Nog niet.. . Mag ik het nü doen?quot;
»U wordt dit gelast!quot;
Monsieur Charles sloeg aan. schouderde zijn musket en ... was oogenschijnlijk al zeer ongehoorzaam. Hij volgde toch niet den weg, dien de ander had ingeslagen, maar stapte de brug over en het bosch, aan de overzijde waaruit dien nacht de deserteur te voorschijn gekomen was. in.
Vreemd! Waarom deed hij dat? Gaf de hond, die door zijn meester op diens wandeling schier moest worden rneêgetrokken en telkens den snuffelenden snoet naar de overzij keerde, daartoe aanleiding?
181
de kapte1n van me lijfgarde.
Als in den stormpas schreed Monsieur Charles voort tot hij zich gedekt zag door het eerste kreupelhout. Toen ging hij langzamer en gluurde behoedzaam rond, zooveel mogelijk, maar altijd bedekt door het vol in blad staand hout. den waterkant houdende. Waarlijk, daar merkte hij Mr. Jones aan de overzijde op, zich voorover buigende naar den hond, die met den staart tussehen de poten voor hem stil stond.
Een aandoening van feilen haat maakte zich van hem meester! De laaghartige, die zijn val had veroorzaakt, die hem het eerst de nepen van den minnenijd had doen voelen, stond daar onder het bereik van zijn nimmer falend musket...! Een lichte huivering liep door zijn leden. De hand sloeg a!s naar een onzichtbaren vijand. «Schande! Schande!quot; fluisterde hij. Het verleden had hem weder bebeerscht! Kon hij dan zijn hart wel voor de liefde sluiten, maar niet voor den haat? Kon hij dan niet anders worden als hij was? Het musket, waarvan de haan reeds gespannen was, zette-hij af. Hij had overwonnen.
Maar hij had langer geen tijd iot zelfbeproeving en kastijding. Zie ... de hond is losgelaten, plonst in de rivier, zwemt die over. Wat glinstert er aan den halsband, die telkens bij eiken zwemslag uit het water opdoemt? De oever is bereikt. Een herhaald afschudden wordt gehoord en toen een vroolijk gebas. Snel als de-wind jaagt de viervoet door het kreupelbosch, komt op den breeden woudweg, wil de verhevenheid over, altoos in de richting van het Zuiden . .. Daar valt een schot... de vluchteling valt neer... dood, onder een enkelen kreet! Wat aan den halsband hing was een klein blikken doosjen en daarin bevond zich een goed droog gebleven stak papier, waarop geschreven stond, haastig maar duidelijk: «Aangekomen; kaas niet voor over acht dagen; weinig knechts in \'t pakhuis.quot;
En dat schrift werd door den ex-Kaptein der Lijfgarde herkend! Het briefjen, dat hem zijn post deed verlaten, was een dubbele logen geweest. Inhoud en schrift beide waren valsch.
Niet de onbekende Arthur, maar Edward Jones, ginder aan de overzijde, alleen in het eenzame bosch, was de schrijver er van geweest! De man was weerloos, was dubbel verrader, en de be-leedigde ... was gewapend!
c \' ! i ï -quot;!-
I â \' ⢠i-vl â ^ \'\' \' \' \'â lt;
te-w ^Ky f i ,
i/j i A L /â
\' t -7-r JA J . tAh
182
III.
Semeyns keerde langzaam terug. Wat zou hij doen? Dat briefjen toonen aan zijn superieur? Dan zouden binnen een paar minuten een paar musketschoten knallen. Het zou gerechtigheid zijn; maar ook beleid? Zou het niet verstandiger zijn den verraderlijken Jakobiet in eigen net te vangen, diens gangen na te gaan en te ontdekken wat hij in \'t schild vosrde? Nog vele andere spionnen hield de vijand zeker gereed, ora het werk op te nemen als deze vóór de ontdekking van zijn plan onschadelijk werd gemaakt. En die anderen zouden misschien niet zoo licht in de kaart te kjjken zijn als deze.
Het verstand behield de overhand en dit geschiedde gemakkelijker dan aanvankelijk verwacht kon worden. De persoonlijke begeerten traden op den achtergrond, de algemeene belangen naar voren en namen nu het geheele terrein in.
Monsieur Charles was den deserteur nabij gekomen. Hij zag hem in de laagte aan den oever rondgluren, spieden naar de overzijde, zich haastig telkens verplaatsen en onrustig de takken wegbuigen, welke hem het uitzicht belemmerden.
»Aan \'tvissehen, Mr. Jones?quot; klonk het in \'tEngelsch achter hem.
Alsof de toegesproker.e op een adder Imd getrapt, zoo sprong hij op zij.
«Goeden morgen ! Goddank, een landgenoot!quot; werd er geandwoord met een blijde verbazing, welke echter met een lichte huivering gepaard ging.
»Een landgenoot, maar... voor als nog geen bondgenoot. Wat je zoekt kun je hier niet vinden... Je zoekt je hond. Deze ligt voor altijd aan de overzij. Hij liep snel, maar mijn kogel vloog nog sneller.quot;
jgt;Dus... dat schot...?quot;
UE KAPTEIN VAN 1)K LIJFGAUDE.
»Was het mijne.quot;
«Waarom deedt u dat? Mijn Castor... mijn vriend...!quot;
»\'t Is te hopen dat je er warmer hebt dan hij was. Het was je hond nietâ Het briefjen, dat hij over moest brengen, zeker aan zijn werkelijken baas, nam ik van den halsband af____quot;
De ander werd spierwit.
»Ik begrijp den inhoud niet, al vermoed ik dien ook.quot;
»Mag ik weten wat u vermoedt?quot;
»Dat uw bondgenooten niet aan déze, maar aan géne zijde staan____quot;
Monsieur Charles trad dichter bij; Mr. Jones deinsde onwillekeurig.
»Als je denkt, te kunnen vluchten, dan vergis je je wel. Nog éen stap en ik schiet je neer.quot;
Mr. Jones dreigde neer te vallen van schrik. De man tegenover hem in dat zwarte kleed, met die afschuwwekkende hoofdkap en dien rouwsluier, waar de scherpe woorden als onder uit sisten, had wel iets van Satan, en Satan was de eenige mogendheid, voor welke hij zijn leven lang respekt had gehad. Maar het klimmen van het gevaar deed de vrees ter zijde dringen en op lijfsbehoud bedacht zijn. In den wezel school toch werkelijk iets van den vos.
»Ik begrijp, dat u mij voor een spion houdt. Maar ik ben dat niet. Wil u hooren ?quot;
Monsieur Charles zweeg, maar wees hem een plaats aan om te gaan zitten.
De ander gehoorzaamde dadelijk en zat neer, maar, â \'t was lastig, â op drie voeten afstands en vlak tegen over dien »doode-kop!quot;
»Ik ben arm, dood-arm, en ik heb van een rijk Edelman geld te vorderen.quot;
»Van wien?quot;
«Viscount Pembroke.quot;
«Bewijs dat!quot;
Mr. Jones nam zijn hoed en sloeg de voering om.
»Spaar je die moeite. Dat briefjen is van Arthur.quot;
Mr. Jones kromp het eerste oogenblik in een, maar begreep weldra wat hem tot dusverre duister was geweest en daarom vooral zoo vreeswekkend. Die schrikkelijk barsche man tegenover hem had op geheel menschelijke wjjze zijn achterdocht opgedaan.
»U kent het? TJ heeft den inhoud onderzocht? Ik ben blij dat u \'t deed. Nu weet 11, dat ik waarheid spreek.\'\'
»Je spreekt van Viscount Pembroke en ik van Arthur.quot;
«Naast dezen naam slaat V. P. Wij Edellieden verstaan die toevoeging.quot;
Wat was hij blijde den groven ruwen soldaat zijn meerderheid te kunnen doen gevoelen! Maar die soldaat toonde niets wat naar eenigen eerbied zweemde en vervolgde op denzelfden strengen toon:
184
UE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Een speelschuld zeker! Je hebt van hem gewonnen; je hebt zeker wel eens meer aan hem of anderen verloren ... Van adel en doodarm! Uit dat hout wordt het best de onderdanigste en volgzaamste spion getimmerd ! Was \'t een schuldeischer, die aan de andere zij van de rivier dadelijk moest weten, dat je goed waart overgekomen ?quot;
»\'tls me nog niet duidelijk wat u bedoelt.quot;
»Och, waarlijk zoo dom? Ik houd je eer voor een slecht komediant.quot; »\'k Wou dat mijn vader riet meer dan een komediant, al was \'t ook de slechtste, geweest ware, dan zou ik minder hebben van
een gejaagd hert____quot;
»Je kwaamt van den vijand en deelt den vijand meö, hier aangekomen te zijn en dat hier de bezetting niet groot is. Als je tot straks, tot den tijd van appèl, hadt gewacht, dan hadt ge de manschappen tellen en vollediger bericht kunnen zenden. Slecht komediant en dom ook!quot;
»Toen ik een jonkman was bereed ik een zweetvos en had ik
twee rijknechts. Ik was eenig zoon van een rijken vader____De
Fitz-Géralds waren in Somersetshire bijna de rijksten. Het kasteel had tien kamers en in iedere kon gestookt worden; bet park w;is vijftien bunders en had een hertenkamp.... Mijn vader hield er een Stewart en een kamerdienaar op na, en de tien boerderijen in den omtrek waren alle zijn eigendom, vrij en onbelast.quot;
sgt;Tot je dat alles verspeeldet... ?quot;
»Tot Monmouth in \'t land viel, wiens partij mijn domme vader koos, tot Jeffreys, de hoofdrechter, kwam met zijn scherprechters om onze pachters armen, beenen of het hoofd af te hakken en ons uit ons huis joeg; tot Jakob Stuart een ander met titel en
eigendom begiftigde____quot;
»Nog eens: domme komediant! En je komt van de overzij: waar Jakob Stuart zich ophoudt.quot;
»Heeft u nooit van dubbele apostaten gehoord ? De schurk, die nóg onze goederen bezit en mijn boeren uitzuigt, is eerst recht een komediant en een erg beste, want toen Koning William in \'t land kwam, brak hij geheel met zyn weldoener Jakob en ging hij den overwinnaar aanhangen. Ik deed mijn rechten bij het nieuwe Goevernement gelden, maar de ander had beter tong, dat wil zeggen: meer gouden schijven. Toen wilde ik me dat nieuwe Goevernement, dat ik niet aangenaam kon zijn, nuttig maken. Ik veinsde Jakokiet te zijn, om de tegenpartij haar geheimen te ontfutselen. Ik kwam in het koffihuis waar ze \'s nachts bijeen
kwamen____quot;
»Waar was dat?quot;
»Bij Kit Smolls, waar de kaasboer uithangt. Maar voor ik iets vertellen kon hadden de babbelaars het Goevernement reeds alles
185
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
doen begrijpen. Ik werd onder hen gerangschikt en moest met hen vluchten. Alle gingen naar Dublin; ik later dan allen, omdat ik mijn vrouw had te begraven... die juibt in dien nacht...quot;
»Welnu?quot; Er klonk haast in die vraag.
»In \'t water was gegooid.quot;
igt;Wat\'? Hoe heette zij...?quot;
»Maud ... Een Mondeling. Ze had zich aan een vreemdeling verslingerd, die haar bedroog en verliet. Het oude liedtjen! Ik had medelijden en huwde haar...quot;
»Verdoemde leugenaar!quot; siste het door de trillende vingers heen, welke op den mond waren gelegd.
tgt;Hè, wat? ü heeft haar gekend?... Wie is u toch?quot; vroeg de ander, die nu alle reden had om zich weder wezel te toonen. \'t Was een waar monster, dat tegenover hem zat met een geladen musket in zijn gespierden klauw! «Gelooft u me niet? In een klein kerkjen in Cheapside zijn we gehuwd,quot; vervolgde hij bedeesd en met iets gebrokens in zijn stem, wat geheel in overeenstemming was met den toestand, die te besclirijven viel. In plaats van een slecht, was hij een goed komediant, ten minste in deze oogenblikken.
Monsieur Charles rilde van toorn; toch liet hij den ander voortgaan.
«Alles ging heel eenvoudig toe. Ik had geen pond op zak, niets anders als de schuldbekentenis van Viscount Pembroke, die toen zelf kort bij kas was. \'s Avonds over de London-bridge naar huis gaande, werd zij over de leuning in de Theems geworpen...quot;
»Zag je dat?quot;
«Neen, maar anderen zeiden...!quot;
»Dat... ze in \'t water was geworpen door... ?quot;
»Haar ouwen lief. Wie zou \'t anders hebben kunnen doen...? Jaloezy verklaart veel.quot;
»Hoe heette die vreemde?quot;
»Een Hollander... Semeyns, geloof ik.quot;
»Loopt hij nog vrij rond?quot;
«Dat weet ik niet. \'t Zeggen is dat hij naar \'t continent is gegaan ... in dienst bij de Franschen. Ik mag lijden dat het zoo is.quot;
» Waarom ?quot;
ȟ vraagt dat een echtgenoot!quot;
Niet met een kogel den leugenaar gedood, maar met den kolf van het musket hem de hersens ingeslagen!
Wat strijd! Zoo \'t waar was dan zou Maud dood zijn. Hoe dikwijls had hg aan die deerne gedacht met afschuw... thands deed hij \'t met medelijden! Dat hij van een moord beticht werd, liet hem onverschillig. Wat was er nog aan hem verbeurd? Maar de leugenaar tegenover hem, die hem zijn plicht had doen verzaken,
186
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGAKDE.
die de oorzaak was zijner nameloze ellende, zou boeten! En dan...? quot;Wat hersens van slechte materie zouden uiteen spatten en de vuilnis vermeerderen op den lerschen grond. Den leugenaar aan zich te onderwerpen, hem geheel meester te worden en ten bate van de goede zaak te gebruiken, dit was veel verstandiger... Zich wreken was misschien verklaarbaar bij éen die nog iets te verliezen had â maar bij hem...?
Er was een oogenblik van stilte.
Eindelijk begon Monsieur Charles weer te spreken; \'t was Jones een verlichting.
»Je hebt geen enkele dienst kunnen bewijzen aan Koning William, zeide je.quot;
»Ik had er geen tijd en gelegenheid toe.quot;
»Je hadt het willen doen?quot;
» Zeker.quot;
»Daarvoor ging je zekeren avond naar llolland-house?quot;
Jones maakte een beweging alsof hij de vlucht wilde nemen. De ander bracht den vinger aan den trekker en was reeds gereed, vóór Jones zich nog maar half had opgericht.
«Waarom die schrik?quot; klonk het koeltjens.
Er volgde geen, andwoord. Jones kon het niet geven, want zijn tanden klapperden.
Monsieur Charles wist nu genoeg. Hij ging niet verder.
Hoe dom de ander ook scheen, toch zou éen woord meer hem kunnen doen ontdekken wat hem voor als nog verborgen moest blijven.
»Je houdt me aangenaam bezig en ik jou ook, naar ik ziequot;, klonk het bijtend. »Je weet ook met zooveel ernst sprookjens te vertellen; \'tis of je er zelf aan gelooft. Wat bedoelde je in je briefjen met de woorden: »kaas, niet voor over acht dagen?quot;
»Het woord kaas duidt Koning William aan____Maar, bij al
de Heiligen die er zijn of er nog komen, maak het kort! Schiet me neer zonder verdere dreiging! Ik kan hier niet langer zitten onder den mond van dat musket...!quot;
»En je bent natuurlijk voornemens nog meer van die briefjens te verzenden als er beter en nauwkeuriger nieuws is. ..quot;
»Neen... Als je alleen op een eiland zit, verbrandt je dan je eenige boot, al is die nog zoo slecht, of wacht je er meê tot een betere voor je aan den wal komt? Ik ben in dat geval; ik ben een schipbreukeling... ik verlang naar een hechter boot, maar ik weet nog niet of ik die krijgen kan . .
»Ja, zoo spreken allen van je partij. Je bent natuurlijk een Tory, een aanhanger van het leerstuk . ..quot;
»Och, wel neen ... ik ben een arme slokkert, die niet weet hoe van den eenen dag tot den anderen te komen... die weer terug
187
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
wil hebben wat hij vroeger van rechtswege bezat. Heb ik daarin ongelijk? En als me dat gelukt dan word ik een even vroom en eerlijk man als mijn vader was en fok ik een paar erfgenamen en een massa vee.quot;
»Dus wil je \'t nu eens met William probeeren, nu Jakob je in den steek laat?quot;
«Juist, want ik geloof dat William de meeste kansen heeft.quot;
«Staat het dus zóo slecht in Dublin?quot;
»Wat het leger daar betreft zei ik reeds alles wat ik wist en voor het overige... \'t gaat zoo als \'t vroeger ging: Kate, de oude maitres, die me niet kan uitstaan, regeert weer, en de Franschen krieuwen er met de Engelschen en deze nog daarenboven met de Ieren. Toen ik dat merkte, besloot ik geen zijpaadjes meer in te slaan maar den rechten weg te loopen zooals mijn vriend Viscount Pembroke nu ook doet. Ik besloot hem op te zoeken, hem betaling van de schuld te vragen en voor \'t ontvangen geld een officiers- of onderofficiers-plaats te koopen. Ik wil Koning William onder de oogen komen .. . door mijn daden zijn aandacht trekken. Hij is een krijgsman en waardeert moed... Het leven, dat ik sedert vaders dood leidde, is niet langer uit te houden... Nu weetje alles... alles, provoost geweldiger!quot;
Monsieur Charles bleef hem aanstaren, of liever aangluren...
Onder den zwarten doek zag Mr. Jones twee vlammende oogen ... t Was niet langer te verduren. De overmaat van vrees voerde tot vermetele overdrijving. Op den toon, dien hij gewoonlijk in zijn club aan de speeltafel aansloeg, riep hij uit; »En nu, Sir..! â hoe u heet weet ik niet, maar dat u een ander is als u schijnt is zeker â wil je me voorthelpen, dan zal ik je dankbaar wezen; en als eerste bewijs daarvan verklaar ik me bereid de wichtige crowns in mijn broekzak van Koning Jabob tegen een shilling met Koning Williams borstbeeld te ruilen ...quot;
Het was natuurlijk een scherts, want de zilveren Jakobs-crcwns waren het maakloon niet eens waard; maar de scherts was valsch... ze moest ook de heftigste angst verbergen.
»Sta op en ga me voor!quot; zei Monsieur Charles.
Dat klonk Mr. Jones als een vrijspraak in de ooren. Maar wat er volgde deed veel van den gunstigen indruk verloren gaan. »Ik
zal over je rapporteeren____ Je kunt er op rekenen, dat hier altijd
gauw wordt beslist.quot;
De sergeant wachtte beiden op »Welnu?quot; vroeg deze, met Monsieur Charles even terzijde getreden. »Hij is te vertrouwen, niet waar?quot;
sik kan dat nog niet bevestigen.quot;
«Laat dan twee man aantreden om hem op te hangen... Vlak voor de brug aan de overzijde!quot;
188
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Mag ik iets zeggen?quot; De sergeant knikte toestemmend. »Op die manier krijgen we zijn werkelijke facie niet te zien ... En zou dat niet noodig wezen ?quot;
»Wil u hem beter leeren kennen, \'t is mij goed, maar houd dan ook het oog op hem. Uwer de verantwoordelijkheid!quot;
»Mag ik een raad geven?quot;
»Nu...? Die raad is...?quot;
«Dadelijk een verkenning in den omtrek, maar dan gewapend . . .quot;
»Houd u gereed en kies zelf uw medgezellen!quot;
189
IV.
Vijftien mannen gingen als tirailleurs het bosch aan de overzij in. Mr. Jones zag hun uittocht niet, daar hem door Monsieur Charles was aangediend geworden, dat hij voor \'s hands in de kamer moest blijven en daar voor netheid en orde had te zorgen. Bezems en boenders werden ter zijner beschikking gesteld.
Met de voorzichtigheid en de buigzaamheid der kat gleden de manschappen door het woud en eindelijk door het dichte kreupel-bosch, elkaar goed in het oog houdende, toch afzonderlijk doordringende en, op het open veld gekomen, achter elk struweel, achter elke glooiing van het terrein, zich dekkend. Slechts klonk van tijd tot tijd een doffe toon uit; den hoorn, die allen aan een touw om den hals droegen, maar waarvan tot dusverre slechts Monsieur Charles, die de aanvoerder was, zich bediende om de richting aan te â duiden, welke hij had ingeslagen en de anderen te volgen hadden.
Wat barre woestenij waren ze ingetreden! Geen enkele boom! geen enkele hut, geen enkele vogel zelfs, aan gene zijde der heuvels! En die woestenij hadden de meeste der mannen, die zich daar voortbewogen, eerst op den buik kruipend, maar weldra rechtstandig voorwaarts snellend, gekend met het liefelijk groen van den haverhalm overdekt! Daar had de sikkel gesneden; daar hadden kinderen gespeeld! En nu...? Ja, waarlijk, daar ver voor hen uit beweegt zich toch iels .. . Een wolf misschien, die zijn aas kwam zoeken en ... \'t niet eens meer vond . .. ? Neen, een mensch, een vrouw . . . eene oude diep gebogene, kreupele en met lompen half bedekte, war.t alles was rafel, scheur en vuil! Ze lag op den grond, speurend naar eeu haverschil, die de menschenvoet niet vertrapt of de hongerige kraaienzwerm niet bespeurd mocht hebben!
De moeite was vergeefs, en ze had zoo\'n honger! Wat rauw gekras om haar heen! Ze had duizenden van kraaien opgeschrikt, die zich
DK KAPTKIN VAN DE LIJFGARDE.
daarover wel schenen te willen wreken, want ze omzwermden al dichter en dichter haar hoofd, dat niets anders als éen dikken grijzen haarbos vertoonde!
Ze vreesde die vijanden niet! Ze zwaaide den dikken knuppel, die haar staf en haar wapen was. Maar met dat te doen moest ze opstaan en zich omkeeren ... En toen zag ze over de vlakte eenige zwarte gedaanten zweven â duivels, die ze kende en bij wie vergeleken de kraaien nog bod«n der Gebenedijde Moedermaagd mochten heten.
En achter haar, de weg van waar ze was gekomen en dien ze weer op moest, om haar woning te bereiken: een oud varkenskot, waarvan de laatste bewoner reeds lang in de maag der soldaten was verdwenen, vertoonde zich een man te paard. Hoe zou ze weg komen V Daar siste haar reeds een kogel om de ooren! Ze wierp zich vlak voorover en sloeg met de magere kin tegen iets hards: een kei, een bekkeneel misschien, maar de pijn werd niet gevoeld, de snorrende kogels lieten er haar den tijd niet toe.
Het lood ging over haar heen; de »doode-koppen,quot; die het spuwden, ook. Van een hunner kreeg ze nog een trap van de met spijkers beslagen voetzool in de lendenen en toen . . . ging zij aan den haal, strompelend en vallend, opstaande en weer neersmakkend, tot ze eindelijk veilig was achter wat kreupelhout, waar ze even ellen-digen als zij zou vinden, om hun toe te roepen dat de »doode-koppenquot; weer in \'t veld waren en men het eenig wat nog restte: het lijf, had te bergen.
Het oude wijf, te vuil om door een kogel te worden aangeraakt, was niet het mikpunt geweest, maar wel de man te paard achter haar. Monsieur Charles dacht in hem den eigenaar van den hond te zien, die hem het briefjen van Mr. Jones had moeten brengen. Met wat snelheid de sdoode-koppenquot; ook op een korten stoot van den signaalhoorn neerdoken en voort kropen, ze waren door den ruiter gezien, die zijn paard nu de sporen gaf en weg rende. De voorzichtigheid werd nu overdaad. Slechts de snelheid vei mocht iets. »Vnur! Vuur! en in galop dien spiedende achterna!quot; Vergeefs! Hij rende sneller dan zij; reeds de eerste kogels, hom achterna gezonden, haddan het doel niet kunnen bereiken.
«Niet den kant op van \'t dorp, maar nu op Duleck aan ...!quot; klonk het kommando.
De vlakte lag achter hen... Een weg kronkelde zich over heuvels, met dennen beplant, langs weiden, waar het gras welig groeide, maar koe noch paard graasden . ..
\'t Was de eenigo weg, dien de ruiter had kunnen inslaan.
Over de heuvels heen den bochtigen weg aan de andere zijde opgezocht! Aan den voet van een der hoogten had onder een at-dakjen oen beeld der Moeder Gods gestaan; slechts een deel was
191
DE KAPTEIN VAN UE LIJFGARDE.
overgebleven: de helft van het hoofd en éen arm, die nu doelloos zich hield gekromd, daar het kindeken, dat hij omsloten had gehouden, was stuk geslagen.
Toch lag er nog een biddende voor neergeknield, \'t Was een vagebond, zoo als Ierland er toen bij duizenden telde: een vroeger beroofde en thans op zijne beurt roovende.
Een schapenvacht om de lendenen geslagen, was zijn eenige kleeding; een knods zijn eenig wapen. Hi} had dien nacht nog het huis van een Engelschen kolonist in brand helpen steken en in de verwarring een zilveren vaas en een bottel brandewijn gestolen; de vaas was in den grond begraven, de bottel leeg gedronken. Hij zelf deed nu boete en prevelde de van buiten geleerde en nooit begrepen gebeden, en dacht er meteen bij, wat hoeve het den volgenden nacht zon kunnen gelden. Om daarbij evenwel geluk te hebben, moest hij eerst zeker zijn, dat hem de diefstal van dezen nacht vergeven werd, en daarom nu nog tien Ave. Maria\'s bidden!
Hij bracht het nog niet tot het derde. Een kogel boorde door zijn achterhoofd.
»De afgodendienaar!quot; riep de Hugenoot, die het schot gelost had, en door dien uitroep tevens te kennen gaf waarom hij \'t had gedaan.
»Is u iets anders? Wat u deed is u niet waardig, Monsieur Felix !quot; klonk het in het slecht fransch, dat Monsieur Charles meest liet hooren. »U hadt verdiend onder de dragonnades in uw land bezweken te zijn!quot;
«Moraal van een anti-christ, van een Godloochenaar!quot; bromde Monsieur Felix, en hij niet alleen.
Daar trof een geruisch als van vele stemmen hun oor. Het kon zijn dat de voorhoede van Jakobs leger in aantocht was! Het gevaar, dat allen dreigde, bracht weer eenstemmigheid in aller hart.
Weer dreunde door de hoorn een kommando.
De straks fiere gestalten kromden zich. Het geladen musket in de eene hand en met de andere de weerbarstige en veerkrachtige takken van het hakhout wegbuigende, de oogen, glurende van onder den zwarten sluier, wijd opengesperd, zoo doken, gleden of sprongen ze voort, en de hellingen af!
De holle weg vóór hen uit was versperd door een menigte boeren en landloopers, niet meer dan half gekleed, enkelen met musketten gewapend, de meesten evenwel met zeisen, dorschvlegels en knuppels. Allen omringden, ja omstuwden een ezel, die eene vrouw had gedragen.
Deze was er afgesleurd en een prooi der dievenbende.
Hier werd de huive haar van het hoofd, daar het donker wollen kleed in flarden van het lijf gescheurd. De jongen, die den ezel had geleid, bevreesd voor het ook hem wachtend lot, had, bij de eerste verschijning der bende reeds, zijn eigendom in den steek
192
DE KAPTEIN VAN DE LIJrGARDE.
gelaten en midden door de sloot, die aan éene zijde den weg van de verderop liggende weiden afsloot, het hazenpad gekozen.
De arme vrouw die het voorwerp was van de meest dierlijke hebzucht! Zij liep gevaar van alle kleederen beroofd en onder de holsblokken of de bloote voetzolen vertrapt te worden. Zij klaagde niet; zij riep niet om een hulp, die toch niet verleend kon worden! Dat had haar misschien tot dusverre het leven gespaard. Maaide woestheid van dat lorapenpak deed het ergste voor haar vreezen. Er werd reeds een paar vuile handen naar het dik hoofdhair uitgestoken; reeds zwaaide er een ander een sikkelvormig mes! Een krachtige hoornstoot werd gehoord, nóg een en nóg een! De kogels ploften neder in de menigte en misten niet. De vuile knuisten, die het slachtoffer het meest nabij waren, vielen krachteloos neder, plotseling verlamd! Een oorverdoovend geschrei werd aangeheven! Eerst werden de dorschvlegels nog in de hoogte geheven en wilden de kloeksten den onzichtbaren vijand, in het kreupelhout verscholen, nog te keer gaan, maar toen er gezien werd met wie men te doen had, stoof het geboefte huilend en jankend uiteen. Meer dan tien hunner bleven dood of zwaar gekwetst achter; de laatsten werden dadelijk met de musketkolven afgemaakt, zooals de »doode-koppenquot; altijd deden; die gaven nooit pardon en vroegen \'t ook niet.
De geredde vrouw was bewusteloos Het kostte moeite haar los te maken uit den neep van een groote grove bebloede vuist, die nog altijd haar hairvlechten vasthield. Monsieur Charles rilde alsof hij voor het eerst in het vuur was geweest. Hij had haar opgeheven en wees met ongewone drift alle hulp af. \'t Was of hij de heerschappij over zich zeiven verloren had. Hij gaf geene bevelen meer; hij hield zich slechts bezig met de half naakte vrouw, voor wie hij een dekking zocht. Hij ontdeed zich van zijn tuniek en sloeg haar die om. Zijn medgezellen toonden den ridderlijken aard van den volksstam, waartoe zij behoorden! Eenigen, de meest praktische, gingen in hun metalen kap water scheppen uit de sloot; anderen bonden hun zakdoeken aan elkaar en bekleeden haar daarrneê boezem en rug. Monsieur Charles bad den linkerarm om haar hals geslagen en hief, als een volleerde zieke-zuster, haar zacht kens omhoog, terwijl hij in de rechterhand de met water gevulde kap hield, waaruit hij haar de frissche druppels in den mond goot.
De bezwijmde was een vrouw uit den deftigen stand, zooals allen dadelijk uit de hoedanigheid der kleedingstot\' en uit de gelaatstrekken en den gelaatstint bleek. Het was geen lersche, dus een Engelsche zeker. Maar wat bracht haar hier? Wat had haar Dublin doen verlaten, â ze kwam toch dien kant uit â zonder eenig geleide? De nieuwsgierigheid zou spoedig bevredigd kunnen
KAPT. VAN DK LIJFGARDE â II. 13
193
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
worden, want er kwam beweging in de verstijfde ledematen; er kwam een roode tint over de bleeke wang. Monsieur Charles wenkte een zijner kameraden zijn plaats in te nemen en trad snel op den achtergrond. Hij trok het floers van zijn hoofdkap naar beneden en vatte den ezel bij den toom.
De avond begon reeds te vallen en de weg was nog lang.»Voorzichtig ! Voorzichtig haar in het zaal geplaatst!quot; prevelde hij na de eerste zucht van de tot bewustzijn teruggekeerde.
gt;Waar ben ik? O, mijn God!quot; klonk het bijna kreunend in een hun vreemde taal, die wel iets geleek op die van hun nieuw vaderland, maar toch geen Engelsch was.
gt;Dat \'s Hollandsch!quot; zei er een, die meer gereisd had dan de anderen.
f Een landgenoote van onzen Gideon! Hoe komt zulk eene hierheen verdwaald?quot;
«Genade! Genade!quot; klonk \'t ih dezelfde taal, maar voor de anderen onhoorbaar, van de trillende lippen van hem, die naast den ezel ging en het zwakke schepsel met den arm in den zadel recht hield.
194
Mr. Jones noch iemant der bezetting zou zich meer neervlijen op de britsen in het wachthuis. Hij had er reeds vroeg in deu avond zijn leger opgezocht, want hij verveelde zich erg. De Sergeant toch keerde hem den rug toe, en al had hij dat niet gedaan en hem zelfs vriendelijk in plaats van grimmig aangekeken, hij, die onverstaanbaar Engelsch sprak en \'t moeielijk begreep, zou met hem toch geen gesprek hebben kunnen voeren. Uit aller oogen blikte Mr. Jones de argwaan tegen, waaruit hij mocht afleiden, dat de engelsch sprekende »doode-kop,quot; dien hij voor een verkleeden «ngelschen constable, eigenlijk «stillen verklikkerquot;, was gaan houden, juist geen voor hem gunstig getuigenis had afgelegd.
In \'t stroo was \'t dus het best. Daar kon hij ongestoord nadenken, en tot ernstig nadenken was er aanleiding genoeg! Hij kon maar geen vrede hebben met den vent, die zoo veel van hem af wist! Hoe was hem bekend wat toch niemant kon weten behalve Mr. Jones zelf en Kate, die er wel niet van gerept zou hebben ? Hij moest zich dien lastigen kwant van den hals zien te schuiven. Maar hoe?
De slaap had hem in de armen gevangen en schonk hem een aangenamen droom. Hij zat in een der vele kamers van het vaderlijk huis; \'t was rent-duy; een menigte pachters stond met overvulde geldzakken vóór hem... het goud stroomde op de tafel waaraan hij zat...! hij greep er naar...!
Maar alles veranderde op eens. Een krachtige hand schudde hem heen en weer! Een barsche stem beval hem op te staan en buiten op den grond een bos stroo op te zoeken; een vrouw werd naar binnen geleid, en op een stroozak geleed, waarover nog wel een wollen deken werd gespreid! Hij had dadelijk de plaats te ruimen! Een schop met den voet gaf nog meer klem aan het ruwe woord...
DE KAPTEIN VAK DE LIJFGABDE.
Neen maar, dat was hij niet gewend! Zijn afkomst, zijn gezondheid liet niet toe, dat hij in de open lucht...! Dezelfde krachtige hand slingerde hem het vertrek uit... en â \'twas alles behalve aangenaam â de kaerel, dien hij meer dan ooit voor een verklikker van het Gerecht hield, ging toen rustig naast hem liggen, zeker om af te luisteren wat hem in den slaap misschien ontglippen mocht.
De verklikker had er alle gelegenheid toe, want deze sliep den gantschen nacht niet. Hij kon zelfs niet een oogenblik het moede lichaam laten rusten. Hij zat in \'t eerst halverwege op, wierp zich weldra neer, om het bonzend hoofd op den mantel, die opgerold als kussen dienst deed, een steun te geven, maar sprong dan weer in de hoogte en verliet ten laatste zijn leger, om aan de deur dei-kamer te luisteren, waar de binnen gebrachte vrouw lag.
Hij kon vermoeden wat die vrouw in doodsgevaar had gebracht; hij kon de smart berekenen, welke dat gemoed had geteisterd. Wat zelfopoffering van de vrouw...! van de moeder nog meer! Wat grootheid van ziel! En dan te weten dat elk nieuw bewijs van die grootheid den misdadiger verder moest doen afdeinzen!
gt;Ik ben niet meer dan een mensch met buil en wond bedekt! Waarom is haar gestalte als die van een engel en toont haar kleed geen enkele vlek?quot; zoo klonk het in zijn binnenst, terwijl hij aan de deur luisterde, ademloos en trillend als een espenblad.
En zich niet een kogel door het hoofd te mogen jagen, nu die van den vijand hem maar niet treffen wou! Wat zou hem echter de dood baten, nu hij had leeren begrijpen dat die hem van zijn persoonlijkheid niet kon bevrijden, dat een daad niet te niet kon worden gedaan, zelfs niet een gedachte, en dat de mensch slechts door een opstaan het verwijt over zijn vallen kon doen zwijgen? Hij voelde dat het waar was wat hem was gezegd: de daad, de gedachte straft zich zelve; ze kan niet uitgewischt worden, maar ze kan het uitgangspunt zijn van nieuwe daden en gedachten, meer overeenkomstig de zedewet, en daarom den geest overbrengende oj) nieuwe wegen, hem voortstuwende in andere richting!
Mnar zóo ver was hij nog niet! Zou hij ooit zóo ver komen? Wat geweldige strijd, waartoe hot koude verstand alleen hem de wapens leende! Was \'t hem vroeger niet beter, toen hij nog het geloof had, dat op iedere vraag een andwoord gaf? Zou het hem zelfs niet het best zjjn in den schoot der moedei kerk, die geen enkele vraag zelfs liet oprijzen maar iedere voorkwam, door te wijzen op eene onfeilbaarheid, waarvan ze met niet te miskennen Majesteit getuigde? Maar kon een eens afgevallen blad terugkeeren tot den tak die liet gedragen had? Kon de eens vrij geworden gedachte zich de klepperende vleugels laten knotten? Onmogelijk! Vooruit dus, vooruit op den muilen zwaren zandweg, waarop hij
196
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE.
telkens stil stond om adetu te scheppen en krachten te garen! Zou hij ooit verder komen? zoo vroeg hij nogmaals zich angstig af, angstig en zwak.
Hij bleef zich nog verachten, zelfs zóózeer, dat hij zich niet waardig vond den schoenriem van zijn jongste kind te ontbinden !
Het moede hoofd rustte tegen dea deurpost. Hij weende, maar stil, maar ingehouden, en daarom des te bitterder!
Zij scheen van Dublin gereisd te zijn. Wat had haar derwaards doen gaan en niet naar het Noorden van Ierland, waar de oude Schomberg met de overblijfselen van zijn leger de winterkwartieren betrokken had ? Zij w.is hem gaan zoeken; dat was duidelijk. Wat pijnlijke gedachte rees daar bij hem op! Ja, zij had er â wel aanleiding voor, hem gevlucht te gelooven naar den vijand. Zijn daden wettigden liet vermoeden, dat hij tot een overlooper, misschien wel tot een spion, was verlaagd. En hij zou er aan kunnen denken het masker af te leggen, dat hem nu nog voor den blik der reinheid beschermde?... Het licht; dat er hem uit toestraalde, zou hem verblinden, de gloed hem verzengen...!
Kon hij slechts iets van de kinderen vernemen! O, ze zou niet op reis zijn gegaan, indien die niet bezorgd waren geweest! God, wat had hij de echtgenoote jaren lang onrecht aangedaan, door haar liefde voor hem ondergeschikt te wanen aan dis harer kinderen ! Dat door hem gepleegd onrecht werd voor hem in deze â oogenblikken een misdaad! Een misdaad te meer!
Er school waarheid in een deel zijner onderstellingen!
Toen Geertruid zich door hem verlaten wist, was haar eerste aandoening er eene van toorn geweest. Hij wilde geen vergeving, omdat hij voor zich er geene behoefde; hij wilde niet in den kring van vrouw en kinderen terug keeren, omdat hij er zich een vreemde gevoelde, omdat hij de andere verkoos boven haar...!
Toen Mr. Stevens echter iets dergelijks zeide, na den afscheidsbrief gelezen te hebben, week eensklaps haar wrevel. \'Zij wees den anders zoo rechtschapen man met eenige htfagheid terug. Zij ging zóo ver, van zich te verwonderen, dat iemant van zijn leeftijd en van zijn ervaring zóo kon oordeelen. Maar toen ze met haar kinderen alleen was, toen Brechtjen haar met wemelend oog en trillende lippen aanzag, maar niets zeide, en Ernst tegen haar aanleunde en zelfs zich aan haar vast klemde en vroig: »Waarom is Vader nu al wéér weg?quot; toen had ze een oogenblik van groote zwakheid. »Je hebt een vader... gehad,quot; wilde zij zeggen, maar het laatste woord bleef gelukkig binnen, en er werd alleen gehoord: »Je hebt een vader, die het best weet wat goed voor hém... en voor óns is.quot;
»Dank u!quot; had Brechtjen toen aan haar oor gefluisterd.
Maar de groote zwakheid toen betoond werd opgevolgd door
197
DE KAVTEIN VAN ÃF, LUFGAIiDK,
kracht! In den levensstrijd gehard, hoe eng de kring ook geweest ware, waarin ze dien strijd had leeren kennen, toonde zij nu wat kracht ze er in vergaard had! Zij naderde nogmaals de lieve Koningin. Zij weigerde nogmaals den opnieuw aangeboden steun, waaraan een dadelijke terugkeer met haar kinderen naar Holland verbonden werd. Zij bad en verkreeg Harer Majesteits tusschenkomst om den »afwezige,quot; zooals Geertruid haar man nog noemde, die in Kensington, waar met Nieuwjaar het Hof gevestigd was. reeds een schurk werd geheten, op te sporen. Uit de dienst weggejaagd zou hij, ondersteld dat hij zich weer had laten werven, nooit zijn waren naam hebben opgegeven. Het zoeken zou reeds moeielijk zijn, het vinden bijna onmogelijk T Toch bleef zij smeeken dat het mocht worden beproefd I Of het geschiedde? De lieve Mary verzekerde haar, terwijl ze te gelijkertijd een kostbaar borduurwerk bestelde, dat de militaire intendance tot een vernieuwd onderzoek was uitgenoodigd.
Er kwam echter in weken gesnerlei bericht.
Wat moest zij doen? Mr. Stevens had haar gebeden bij hem te blijven: het kostgeld dat ze hem betaalde was, naar hij verzekerde, ruim genoeg. Maar dat koslg?ld kon ze niet lang meer voldoen. Sedert die bekentenis, waarop de oude niets had geand-woord, wat Geertruid eerst wel wat pijnlijk had aangedaan, maar, practische huisvrouw zoo als ze was, al heel spoedig natuurlijk vond, kwam er overvloed van werk voor haar van het hof. Hare Majesteit, die zij er voor bedanken liet, deed haar weten, dat het perste afgeleverd werk haar zoo vele klanten had bezorgd, en zij dus het heuchelijk verschijnsel alleen aan eigen gave en ijver te danken had. Een genoegelijk grinneken van den ouden bij het mededeelen der boodschap, bracht haar op het denkbeeld, dat zij te midden van eèn komplot stond, waarvan hij de hoofdaanlegger was! Wat was zij toch omringd van goede menschenl «Gelijken trekken gelijken aanquot;, zou Mr. Stevens zeker geandwoord hebben^ als hij haar uitroep had kunnen hooren!
De winter was voorbij gegaan, de lente was gekomen eri nog: altijd geen spoor van den gevluchte! Haar hoop was het lichtjen van de bijna verteerde kaars gelijk, die \'s avonds laat nog wel soms opflikkerde bij haar werk, maar van welke zij het onmogelijke vergde.
»Baas!quot; zeide Sally op zekeren avond, »daar staat ieinant in het voorhuis, die ik niet durf binnen laten.quot;
Het was een oude slonzige vrouw, met kleéren aan die in de gevangenis waren versleten; het was Kit Smolls, de lersche. Sally had haar een eeuwigen haat gezworen; voor dat schepsel had ze-geen brood en zout in huis. Maar nu dat vuile vrouwmensch voor â¢de deur stond, moest ze \'t toch wel aan den baas gaan zeggen.
198
J)E KAPTEIN VAK 1gt;E LIJFGARDE.
Kit werd binnen gelaten en vertelde, dat zij, zeker omdat ze maar een lersche voetveeg was, had moeten boeten voor wat anderen hadden misdreven. Het koffihuis, waarin de Gravin van Dorchester haar »gezetquot; had, en dat zoo erg best opnam, was zekeren nacht door de constables overvallen. De Edellieden waren \'t ontkomen en de Hollander ook, die er den vorigen nacht verblijf had gehouden en ook van de vrienden bleek te wezen, of misschien in zijn verborgen kamertjen, dat in het zijstraatjen uitkwam, niet eens was ontdekt. De laatste woorden vooral trokken de aandacht. Het lang gezochte spoor was op eens gevonden, maar.... het liep uit op \'s vijands kamp! Dat was erger nog dan het ergste, dat Greertruid zich had kunnen voorstellen. Tot den vijand overgegaan! Maar dat domme krijschende vrouwmensch zou \'t wel verkeerd begrepen hebben! Het kón niet waar wezen! Maar was Karei dan vroeger trouw geweest aan eed en plicht? O dat zelfs uit de verontschuldiging, die ze zocht, de beschuldiging geboren moest worden!
Kit had alles verloren en had geen onderkomen. Ze had geen andere bekende meer in Londen als Sally... en daarom was ze, uit de gevangenis, die voor haar weer open was gegaan, hier naar toe gedwaald... Haar beschermster was naar Dublin gegaan. Ze wou naar haar toe, zoo spoedig mogelijk. Ze had meer dan genoeg van de Bngelsche gevangenissen, waar \'t voor haar een heilige dag was geweest, als ze bij het stuk droog brood niet meer dan een grauw kreeg. Ze wou dadelijk heen, maar ze hac geen reisgeld...
Geertruid zou \'t haar geven en met haar meé gaan.
Kit klapte in de roode handstompen van uitgelaten vreugde.
»Gevaar loop je niet. Ma om, want mijn Lady is de baas overal waar ze is, en ze is nu in de stad, waar ik in stikdonker zelfs een speld zou kunnen vinden.quot;
» M aar de kinderen ... ?quot;
»Och, laat ze mij. indien ge ten minste niet af te brengen zijt van een waagstuk, dat ik meer dan vermetel, dat ik roekeloos noem. Wees maar niet bp.ng dat ik \'t hun niet goed zal geven. Door ze lief te hebben doe ik meteen mijn schuld aan n af. Ja, ja, ik heb een groote schuld aan u. Ik stak eens mijn vinger tus-schen den schors en den boom en... heb me toen wel deerlijk gekneld, maar dat was nog geen straf genoeg!quot;
De oude voelde een kus op zijn gerimpeld voorhoofd en zag zich eenige dagen later de voogd en verzorger van twee kinderen, die met hem deden wat ze wilden. De jongste toch wou hem leeren touwtjen springen en had de stijve beenen er toe gekregen, ware de oudste niet wijs-vermanend tusschen beide gekomen.
Geertruid kwam met Kit in de hoofdstad van Ierland aan en huurde een kamertjen in de armste wijk. Ellendig was de huis-
199
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE.
vesting, nog ellendiger de voeding. Koning Jakob had het niet veel beter, zoo troostte Kit haar en zich zelve, want, zoo als haar in de buurt verteld werd, waren slabladen de eenige groenten op zijn tafel. Mdar »een beetje geduld maar!quot; beider armoede zou wel spoedig uit zijn, zoodra Kit haar Lady maar »in de gatenquot; had gekregen.
Den dag na de aankomst^ meldde ze zich reeds aan bij den schildwacht voor het gebouw, op welks nok de koninklijke vlag van Engeland, Schotland en Ierland woei. De barsche vent verstond haar niet, hoewel ze alle talen naar ze meende sprak, namelijk; Gaelisch en Engelsch. Ze hoorde nu, dat er no_; een iaal bestond eu wel de Fransche, die men hier moest kennen, om verstaan niet alleen, maar ook om begrepen te worden. Maar Kit, die in het geldtasclijen van Ma am eens gekeken en daar nog maar weinig zilveren stukken gevonden had, zag in, dat ze haar Lady al heel spoedig sin de gaten had te krijgen,quot; om niet te verhongeren. Ze zette daarom door en vond gelegenheid de tijding van haar aankomst door een landgenoote \'aan Lady Dorchester te doen overbrengen. Het andwoord was weinig bemoedigend. Mylady had haar voor \'t oogenblik niet noodig, en zou haar wel eens laten ontbieden, als ze werk voor haar had.
Dagen verliepen en van ontbieden geen enkel teeken! Al de kazernes werden door de beide vrouwen begluurd, ieder drilveld bezocht, het optrekken van iedere wacht gageslagen, elke wapenschouwing bijgewoond! Alles was te vergeefs! Als Geertruid zelve zich bij de groote dame, van wier macht Kit zoo hoog opgaf, eens ging aanmelden ? Kit vond het niet kwaad, mids zij zelve Mylady eerst had gesproken, want anders zou \'t niet baten.
Daarom ging ze nogmaals naar het paleis en vroeg of ze met Maam Semeyns kon worden toegelaten. Als met een tooverslag openden zich de gesloten deuren. De van vreugde bijna snikkende Kit stond voor de hooge maar kil-koude Mylady, wier gelaat ingekrompen en wel tot perkament scheen verdroogd te zijn. Waar die vrouw was? Waarom ze hier was gekomen? klonk het haar ijzig toe. En toen Kit alles eens klaar en duidelijk uit een zetten wou, werd ze in de reden gevallen en voor »een zeurkousquot; uitgemaakt, »die nog te veel tanden had.quot; Die vrouw kwam zeker haar man zoeken. Die man was dus hier! Op zijn hoofd was een prijs van vijftig pond gezet! Had Kit honger, dan kon ze dien gaan stillen en nog wat overhouden bovendien, als ze van dat vrouw-mensch te weten kon komen, waar haar man zoo ten naasten bg zich schuil hield. En kon Kit dat niet te weten komen, dan zou Mylady dat wel kunnen als ze die vrouw maar te spreken kreeg. Dadelijk moest Kit haar dus hier brengen en deed ze \'t\'niet, dan zou ze een korporaal met zes man van \'sKonings wacht zenden, om haar te gaan halen.
200
DE KAPTE IN VAN DE LIJFGARDE,
Kit was bij die woorden langzamerhand achteruit geschoven op de deur toe, maar wilde, vóór ze heen ging, toch nog iets aangenaams zeggen en vroeg naar de lieve Maud, waar Aar.tie wel alles van zou weten. Maar toen â Kit zou \'thaar leven niet vergeten ! â werd het perkamenten gezicht nóg strakker en stijver en vielen er van de dunne blauwroode lippen woorden, die als een hagelslag neerkwamen! »Kraaienaas!quot; \'twas van al de scheldnamen de eenige, die Kit thuis bracht .... Mylady was gek geworden, \'t kon niet anders.
Maar die andere, haar reisgenoote, bleek \'took te wezen, hoewel op een heel andere manier. Die had bij het omstandig verhaal, waartoe Kit zich verplicht had gevoeld, een blij gezicht getoond en God gedankt en vervolgens uil geroepen, dat ze ten minste nu wist waar de Kaptein niet was, en nu maar dadelijk verder wou. Kit mocht haar volgen als ze wilde naar het Noorden, naar het leger van Koning William ; maar Kit bedankte daar hartelijk voor, daar ze wist, dat de monsterdieren ginder alle Ieren, die ze vingen, gingen roosteren en braden. Bovendien kon haar Lady eigenlijk toch niet buiten haar en zou dat wel blijken, zoodra haar bui van dolheid voorbij was.
Geertruid had haast te vertrekken. Uit het verhaal der domme 1 vrouw, wier domheid nu eerst goed was uitgekomen, had ze zóo- \' veel begrepen, dat men haar hier achter slot en grendel zou willen brengen.
Op zekeren morgen was ze verdwenen, na voor twee personen | bet logies voor zeven dagen vooruit betaald te hebien. Kit bleef verwonderd, maar niet ontmoedigd alleen. Mocht het gedroogde lijk, zoo als zij haar Lady reeds begon te noemen, haar alle hulp blijven weigeren, dan kon ze haar armen wel weer in het warme zeepsop steken en voor een van de vele smerige regimenten gaan wasschen.
Geertruid stond alleen in een vreemd en bovendien een vijandelijk land!
Ze begreep gevaar te loopen, indien ze, naar de Hollandsche voorposten vragend, zich tot een Ier om inlichting wendde. Maar er waren in Dublin ook Engelsch sprekende Ieren, onwillig zich krommende onder het hen opgelegd juk. Van den druk der bevolking onder den moedwil der tuchtloze soldaten en van den geldnood van den despotischen Koning had ze treffende blijken gezien, en daarom hoopte zij hondgenooten te vinden. En \'t bleek niet te ver- { geefs . ..! »Ga in die richting!quot; hoorde zij weldra zich toefluisteren. | gt;Hebt ge geld genoeg om een ezel te koopen? Ja? dan zal ik u er een bezorgen ... Reis vroeg in den morgen en laat in den avond!quot; »Dat God u bescherme ...quot; zoo voegde een tweede er bij.
Ze ging. De Admiraalsdochter bleef haar afkomst trouw. Het
201
J)K KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
gevaar dreigde niet alleen, zelfs niet het meest, van de zijde der inlandsuhe bevolking, maar van de rondsluipende verspieders var» Schotnberg, vooral van de vermaledijde doode-koppen, die dezelfde taal spraken als de hulptroepen van Koning Jakob, mair veel strenger en wreeder waren. Maar van waar het ook mocht komen, geenerlei \' gevaar hield haar terug . . . Eenige vriendelijke woorden, en daarbij een eerlijke verdeeling van voeding en dekking, maakten den jongen, die bij den ezel behoorde, tot haar bondgenoot. Zijn hart sloeg bovendien warm voor het Noorden, waar de Engelsche en Schot-sche kolonisten zich als leeuwen gedragen en den Dublinschen despoot handen vol werks gegeven hadden! De jongen kende uren in den omtrek den weg, daar hij in dienst was geweest van den koninklijken post, maar ontslagen was geworden om het geloof van zijn vader.
De algerneene verwoesting deed hen, eenmaal buiten Dublin gekomen, weinig menschen ontmoeten ... De lersche vagebonden vonden ook in den omtrek der stad niets meer te rooven en te plunderen. Het arbeidsveld lag voor hen meer in de nabijheid van de Hollandsche liniün. »Nog een halve dag reizens en we zijn aan de uiterste voorpost, maar . . . daar liggen de doode-koppen . .. Niemand heeft er graag meö te doen,quot; liet de jongen hooren. Eenige uren later, toen een ruiter hen in galop was voorbij gereden, in wien hij een officier van een lersch regiment herkende, meesmuilde hij bedenkelijk, dat het in den omtrek niet pluis werd en er zeker ergens een troep in hinderlaag zou liggen. Men zocht toch de doode-koppen bij kleine troepjens te vangen. Was zijn vrees gegrond, dan zouden de landlocpers wel in de nabijlieid zijn, want die roken het aas even als de kraaien.
De jongen had maar al te goed gezien. Geen half uur later of een troep van de allerergste soort wachtte hen op. De zucht naar zelfbehoud deed alle undere aandoeningen wijken. De jongen liet zijn ezel in den steek, maar de doode-koppen, die tot dus verre slechts verdervers en verdelgers waren geweest, hadden zich ditmaal eens behoeders en redders betoond. ^
C-V - - . Æ-gt;
uyt \'i/h-z ,
202
VI.
i Monsieur Charles stond nog altijd niet het hoofd tegen den deurpost. geleund, onder de heerschappij zijner sombere gedachten en tevens luisterend naar de ademhaling der deerlijk gehavende en doodelijk verschrikte vrouw. Zij scheen echter nu in diepen slaap geraakt en door geen enkelen droom gekweld. Zou hij binnen treden? Maar als ze daardoor eens wakker schrikte? Hij stak het hoofd door de reet der deur, om te zien of de kroes met frisch water, door hem straks uit de rivier geschept, nog gevuld was. Hij tuurde er in het half donker naar en zocht meteen het van hem afgekeerde gelaat der slapende waar te nemen. Hij sloop naar binnen als een dief, bevreesd op heeter daad betrapt te worden. Hij knielde ter zijde der houten slaapbank neêr en kuste eerbiedig de eenigzins afgegleden linkerhand der slapende.
»Dank, dank!quot; nokte hij zacht. »Je zocht mij.... je hebt mij vergeven! Kon ik \'t mij zelven maar doen!quot;
Aan een der vingers van de door hem gekuste hand glinsterde de ring, dien hij eens daaraan had gestoken. Zij had dien trouw bewaard en droeg dien ... nóg!)
»Wees gezegend... ook in ae kinderen! Spreek dezen niet van hun gestorven vader als jaren, jaren later! Dan is er geen reuk van verwording meer. Wat een pijn, haar terug te zien en weer te moeten scheiden! Ware me dat bespaard!quot;
De smart dreigde hem te sterk te worden!
Had hij den engel slechts kunnen zien, die hem dat oogenblik met de vleugelen van het innigst mededoogen overschaduwde!
Alles bleef nog een wijle doodstil. Op de teenen sloop hij terug, het aangezicht naar de slapende toegekeerd. Het afscheid, zoo moeielijk te brengen, werd echter gewelddadig verhaast. Hij stond
DE KA.PTE1N VAN DE LIJFGAllDE.
op den drempel, als aan die plek genageld, toen eensklaps in de verte een gil werd gehoord, opgevolgd door een doffen slag In «en oogwenk was de wacht, die nog een oogenblik te voren de ronde had gedaan op de brug, en snorde een kogel van den schildwacht op de verschansing naar hetzelfde punt. De hoorn van den bevelhebber gaf het alarmsein. In minder dan een halve minuut stond de geheele bezetting gewapend in het gelid. De lucht was zwaar bewolkt, zoodat het oog slechts weinige schreden voor zich nit kon zien, wat de verdediging tegen een aanval bemoeielijkte.
En een aanval was er geschied!
De schildwacht op de brug was bekropen en door een messteek in het hart getroffen. Op de brug, noch bji het bruggehoofd aan de overzijde, kon eenige vijand worden bespeurd. Maar de duisternis, welke over de rivier lag, scheen niet-te-min te leven.
»Moasquetaires, «pprestcz-vous! En joue â- Tirez /quot; klonk het forsche koramando en tien kogels snorden het duister in en hadden voor een deel ten minste doel getroffen, want een reeks vloeken in het lersch werd vernomen en daarbij het neerploffen van eenige lichamen en het gekerm van gekwetsten.
s\'t Zijn maar Ieren!quot; zei de Sergeant op minachtenden toon. »Een salvo zal wel genoeg wezen om hen te doen loopen Jammer, dat we er een der onzen door verloren! Tien van dat gebroed aan de boomen straks, Messieurs! Kruit en lood zijn ze niet waard.quot;
Het laatste was ook niet meer in groote hoeveelheid aanwezig. Aanvraag tot toezending van ammunitie was een paar dagen geleden aan den naasten post bij Dundalk gedaan, maar had nog geen gevolg opgeleverd. De Sergeant had echter goede redenen de geheele waarheid ditmaal niet te zeggen. Toch wilde hij zijn manschappen tot spaarzaamheid vermanen, maar op een wijze, dat hun moed en koelbloedigheid er niet onder lijden konden. Hij vond het daarom verre van aangenaam, dat hij van alle zijden op de verschansing de musketten hoorde lossen.
»Nummer zeven, vóór!quot; kommandeerde hij.
De aangeroepene, en dat was nog wel de kundige Monsieur Charles, trad niet voor! Was hij schildwacht op de brug geweest en daar gewond of gesneuveld? Waren ze werkelijk overvallen, dan had hij dien man het meest van allen noodig! Die man gold een halve kompanjie in het vuur en meer nog achter de verschansing, want het beleid gaf zijn beproefden moed en zijn koele doodsverachting een drievoudige waarce.
Den Sergeant viel daarom een steen van het hart, toen hij eindelijk de stem van No. 7 vpresentquot; hoorde roepen en daaraan als verontschuldiging toevoegen; »Ik heb den deserteur het vluchten belet.quot;
204
DE KAPTE1N VAN WE LIJFGARDE.
»Sla hem dood!quot;
»Voor \'t oogenblik onncodig, Sergeant!... We zijn omsingeld! Aan alle kanten besprongen! Met de bajonnet er op in, Heerent Ieder houde zijn nevenman naast zich...!quot;
De Sergeant duidde het niet euvel, dat een subalterne bevelen uitdeelde, want hij zag eensklaps in, dat de toestand ernstiger was dan hij had gedacht. Hij kon met de zijnen de brug niet verlaten, die zeker ook van onzichtbare aanvallers was omgeven, en, eenmaal onverdedigd, den vijand den gemakkelijksten toegang tot de kleine zwakke verschansing zou openen.
»Dorsth vlegels! Zeisen! Anders niet! Boeren maar en landloopers! De palissaden alleen houden de lummels al tegen! We behoeven geen hulp, Sergeant! \' riep Monsieur Charles.
Maar de dorschvlegel sloeg hier een soldaat de hersens in en de zeis maaide ginder er een de voeten af! En alles was duisternis rondom hen! En vóór hen uit klonk geen stem, geen kommando, maar kletsten de vlegels en scheerden de zeisen...! \'t Was een gevecht als tegen Booze Geesten! De palissaden moesten zijn neergehaald, misschien wel omdat ze bij den grond waren doorgezaagd» straks in het begin van den nacht of reeds vroeger... misschien wel door den overlooper, die dadelijk na zijn aankomst dien kant was afgedwaald. Was dit waar, dan hadden zij den ergsten vijand nog wel binnen de versterking____
«Maak hem met den bajonnet af!quot; gebood Monsieur Charles, die aller argwaan op eens een vorm gaf.
»Een musket!quot; klonk het in \'t Engeisch vlak in zijn nabijheid. De stem kwam van den grond. »Ik ben hier naar toe gekropen... Ik heb met de lersche kinkels ook wat te verrekenen! Laat me los! Laat me er op in gaan. \'k Geloof dat er musketten genoeg vrij komen!quot;
Ja, waarlijk! De dorschvlegels en de zeisen reikten nu verder dan de musketten, waarvan de daarop vastgeschroefde bajonnet alleen dienst deed. Tien mannen lagen reeds badende in hun bloed, verminkt of met gespleten schedel, en hun musketten lagen maar voor het grijpen. Voor Mr. Jones evenwel onbereikbaar, want de armen waren hem aan de voeten gebonden. Hij vroeg gene vrij te maken; de voeten mochten hem nog vaster omsnoerd worden, dat kwam er niet op aan. Loopen hoefde hij niet, als hij maar even kon staan en de armen vrij had. »Ik geef een pond toe voor eiken lerschen bunsing, dien ik neerleg! Ik wil niet als een hond doodgeslagen worden op den grond!quot;
Dezelfde doffe slagen, hetzelfde geluid van schurend snijden op de brug; hetzelfde neerploffen van getroffenen, maar daar nog duideljjker waarneembaar dan op de verschansing, want de brug weerkaatste het geluid, de aarden verschansing niet.
205
UE KAPT KIN VAN UE LIJFGARDE.
»Niels als bedeltuig!quot; riep de Sergeant; liet waren zijn laatste â woorden. Hij zeeg neder, niet bedwelmd, maar gedood door een â enkelen slag.
Waren \'t werkelijk alleen Ieren van de meest verachtelijke soort? Waren er alleen wapenen, die in de vuilstejhanden pasten? Daar klonk voor het eerst aan gene zijde, vlak vóór hen uit, musketgeknetter. De kogels vlogen hoog over de verschansingen heen; de meesten sloegen neer voor het huis. Een bereikte het venster en een paar andere den »doode-kopquot;, die op be rel van Monsieur Charles bij het begin van den overval voor de deur had post gevat. De schrik sloeg dezen om het hart. Hij vloog naar beneden, op het huis toe, opende de deur en sloeg met den ba-jonnet van zijn musket het olielampjen op den grond. Hij zag niet in het rond; hij wilde niet zien. Toen holde hij terug naar de zijnen. Met zijn dolkmes sneed hij de touwen los, waarmeê hij Jones had gebonden.
»\'k Geloof dat het je nu ernst is. Vat aan dat musket en die kogeltasch; plaats je voor het huis. Worden we overmand, schiet â dan eerst de vrouw daar binnen dood en dan je zeiven . .. Op genade valt niet te rekenen. De man, die daar straks stond, is doodgeschoten. De post is dus gevaarlijk!quot;
»In mijn pozitie vreest men geen kogelquot; klonk het vastberaden, en Monsieur Charles zag hem koelbloedig naar den hem aangewezen post stappen.
Nogmaals een kogelregen uit de hoogte, maar nu iets lager gericht!
»Waar schuilen toch die schutters?quot; vroeg zijn nevenman.
»In de boomen van het bosch, denk ik. Geregelde troepen zijn, uaar ik vermoed, de rivier overgekomen...quot;
»Dan zijn we afgesneden. Onze Sergeant is daar even gevallen .. . Wil u dat een van ons hulp gaat vragen van den naasten post. .. ?quot;
»Hij zou opgevangen worden â en we hebben niemant meer te missen.quot; Met luide, al het gewoel en gedruisch overheerschende, stem, met eene als door geen hunner nog was vernomen, kommandeerde hij de musketten te laden en daarop: »vuur!quot; Hij had even als de andere kameraden nog maar lood en kruit voor drie schoten in de tasch, en hij wist even goed als de Sergeant het geweten had, dat er in het ammunitie-magazijn, een kuil, uitgegraven in den vloer van het huis en met eenige planken overdekt, niets meer te vinden was. De traagheid van de militairs intendance, ditmaal getoond, kreeg nu, in verband gebracht met den stoutmoedigen nachtelijken aanval, een ongedachte beteekenis. Het leger van Koning Jakob moest de winterkwartieren verlaten hebben. Het trok op, zeker naar het Noorden, om Schomberg aan
206
UE KA.PTE1N VAN DE LIJFGAEUK.
te tasten vóór Koning William met zijn versche benden geland was. De uiterste voorpost moest, wat het ook kostte, worden genomen en door Jakobs aanhangers bezet.
Er was voor de belegerden weinig uitzicht op redding, want mocht ook het grootste aantal der belegeraars uit ongeoefenden â en slecht gewapenden bestaan, de musketschoten uit de takken van eiken- en iepenboomen gelost, spraken van de aanwezigheid van goed gewapende soldaten, misschien wel een deel van Koning Jakobs Fransche hulptroepen, behoorende tot de beste krijgslieden van Europa.
De aandrang van hen, die de bóeren-wapenen hanteerden, verminderde na de twee laatste salvoos. Maar een twintigtal der kameraden lag dood of ter dood toe gewond op de verschansingen. Nog maar eens konden de musketten worden gelost, en nog hagelden de kogels over hunne hoofden heen. Het licht in het huis gaf echter geen leiding meer, zoodat het snorrend lood nu op het puin van de binnenplaats pletterde of in den lossen grond mat werd. De bajonnet werd weder geveld en een charge gekouiman-deerd op brug en verschansing.
De overmacht werd echter overweldigend.
«Steekt de brug in brand!quot; riep een stem.
»Geen vlam! Hakt het plankier open!quot; beval Monsieur, gt;en dan.. . allen op den wal!quot;
Maar wat Monsieur Charles verboden had te doen, deed de vijand. Het bruggehoofd aan de overzijde ging in vlammen op. De wind joeg gelukkig den walm naar den vijand toe. Het vuur, door olie en vet aangezet, beet in het drooge hout en verlichtte den naasten omtrek. De toeleg van den vijand kon vermoed worden. Men wilde zich vergewissen van het klein aantal der nog in leven zjjnde verdedigers en van hun stelling, om daarnaar den algemeenen aanval in te richten.
«Niet meer schieten! Den laatsten kogel voor ons zei ven bewaard, want levend vallen wij ze niet in handen!quot;
Na die woorden van nummer zeven werd de cantique der vervolgden aangeheven, de kap vaster op het hoofd gedrukt, de bajonnet voor den laatsten stormloop geveld.
Maar wat kracht de vertwijfeling ook schonk, wat moed het Geloof, door de vervolging en de mishandeling beproefd, ook de harten van die mannen van staal instortte, de aanblik van wat nu zichtbaar was geworden, deed hen een oogenblik deinzen en benam hun bijna den adem. Verschillende lersche visschersboten, uit tee-nen gevlochten eu met paardenhuiden bekleed, lagen op de Boyne in de nabijheid van het brandende bruggehoofd. Alle waren over-vuld met inboorlingen van de laagste soort. Aan iedere zijde dei-verschansing drongen zij in hoopen op. Over gelaatstrekken, waarin
207
DE KAPTE1N VAN 1)K LIJFGARDE.
het dierlijke het won van het menschelijke, en de botheid van den apensnoet zich paarde aan de begeerlijkheid van den wolfsmuil, over bloedroode tot boven de elboog opgestroopte armen, die de boersche wapenen zwaaiden met merg en bloed bespat, wierp de vlam haar rossig licht, en het tafereel werd als een sabbath der helle, een dans der duivelen! In de oogen dier honderden brandde de bloeddorst. Van de heete lippen ging thans een gekrijsch uit als van gieren, neerschietend op den buit. En in het halfdonker van den achtergrond dommelden eenige gestalten van goed gekleede soldaten weg, beneden in het gelid geschaard of in de takken der hooge boomen hier en daar de musketten richtend. Hun aantal kon niet juist worden geschat, maar dat der anderen des te beter. Er was geen ontkomen. De doode-koppen wisten dat. Geen zwakheid werd gevoéld. De cantique der vervolgden werd door die der stervenden vervangen.
Het bruggehoofd was afgebrand; de vlammen doofden van lieverlede: het openhakken van het plankier had een algeheele vernieling verhoed. De duisternis overwon en zou haar sluier doen neerzweven om den moord te omhullen, die aanstaande was!
Hoor! Hoor! Wat was dat?
\'t Was door het scherpst hooi-end oor reeds eenige sekonden lang vernomen. Een dof gebrom heel in de verte! Het liep den geheelen horizon ten Noorden om, steeds toenemend in kracht; het naderde en naderde en werd een knallen, een ratelen, een donderen .. . het waren kanonschoten geworden .... de dampkring trilde.... de kruitlucht kon geroken worden, het licht gezien .. . Maar dat licht, \'t was niet de vlam van het afgaand geschut, maar de weerschijn van vreugde-vuren op de hoogten van Antrim en Down ontstoken .. . . !
De belegerden wisten wat dat beteekende. De sombere cantique werd plotseling vervangen door een vroolijk schaterend triomflied! Koning William had den voet op lerschen grond gezet: dat verkondigde die geschutdonder, dat spelden die talrijke vuren op de \' hoogten 1
»Dorschvlegel, pletter, zeis, maai weg! In ónze plaats treden de wrekers op, die weerwraak zullen oefenen, honderd, ja duizendvoud !quot; zoo jubelde \'t in ieders hart.
Maar dorschvlegel noch zeis roerde zich meer. Het gekrijsch van den aanvallenden roofvogel ging over in het gehuil vun de vluchtende hyena!
De voorhoede van Schomberg was in aantocht en in de onmiddellijke nabijheid, zoo werd er onder de aanvallers vermoed. Eenigen hadden reeds de kanonskogels over hunne hoofden hooren gonzen. Tienduizenden waren zeker nabij! Wat zou de halve kompanjie Pransche Infanterie, die met hen opgetrokken was en niets anders
208
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
had gedaan dan zicli in het bosch te verschuilen, daar tegen kunnen doen?
Er werd zelfs niet meer gedacht of geraadpleegd.
Het gevaar had voor de visscherlui, de boeren en struikroovers geen bepaalde gestalte meer. Maar het bestond en het dreigde van alle kanten ... 1 Zich redden, den dood ontvluchten, die hen op de hielen zat, het was hun eenige gedachte, en . .. de boten waren eensklaps als onder de wateren van de rivier bedolven en de benden als opgeslokt door den grond!
ju** H*quot; v
gt;?,,! yy. r. - U I - fl- ^
209
1^. -*C^SVÂ¥V^
14
KAPT VAN DE LIJFGARDE. â II
VII.
De Koning was geland tegen den avond, in liet noorden, in de nabijheid van liet versterkte Belfast!
{ Toen de schepen, van Chester uitgezeild, in het gezicht van de lersche kust waren, gonsden de metalen stemmen der kerktorens reeds door de lucht, omarmden de bewoners elkaar in de straten der steden, op de landwegen der dorpen, overal waar de Engelsche en Schotsche kolonisten sedert tientallen van jaren woningen gebouwd, akkers beploegd, fabrieken gesticht, mijnen ontgonnen en zich verheugd hadden in welstand en voorspoed, tot dat Koning Jakob den troon in White-hall had-bestegen. Toen, en nog erger sedert hij, uit Engeland verjaagd, zijn intrede had gedaan in de lersche hoofdstad Dublin, roof en moord, onrecht en geweld van de eene zijde, maar aan de andere: heldenmoed, daden van zelfopoffering en onwrikbaren moed!
De minderheid had zich staande gehouden tegen een overgroote meerderheid, maar voelde dat de overspanning eindelijk tot uitputting zou moeten leiden. Waar bleef de krachtige geest, die de minderheid tot een meerderheid kon vervormen? Waar bleef de handhaver der vrijheden, gelijfstaffierd van zijn onoverwinnelijke regimenten? Was hij te ziek om zich in den zadel te zetten, snakkend naar een adem, die steeds in de keel stokte, de speelbal der partijen, als een kind in den loopstoel door de Whigs geplaatst, als een pest geschuwd door de Tories? Had de faam gelogen, toen die hem de hoedanigheden van het genie toekende, hem omwond met den eikenkrans van den staatsman, met den lauwer van den krijgsman? Hadden de libellen en de Dublinsche (/«zette gelijk, dat de meest verregaande ongebondenheid zijn van nature reeds zoo geringe krachten sloopte, dat de Heere God hem geslagen had van wege de veelheid zijner zonden, dat de wroeging over de ver-
DE KAPTEIN VAN UE LIJFGARDE. 211
jaging van zijn schoonvader hem verteerde en zich openbaarde in een nurksheid, die alle harten van hem vervreemde en dat van zijn vrouw, de onnatuurlijke dochter, het meest?
Daar was hij eindelijk gekomen met zijn tienduizenden versche manschappen, die jubelend hem omgaven, en de wapenbroeders, die niet hadden kunnen overwinnen en een nederlaag hadden te wreken, met eerbiedige hoogachting op lerschen grond tegentraden.
Nauw aan land gestapt, had hij zich in den zadel geworpen van den vurigen hengst, die hem reeds jaren had gedragen en ook nu weer huppelend droeg, de vlokken schuim rondom zich strooiend bij het krommen van den fleren nek, bij het brieschend snuiven van den vurigen adem, bij het wuiven van manen en staart.
Allen vooruit, door niemant gevolgd, was hij den eenzamen weg ingeslagen naar Belfast, den grijzaart te gernoet, die op de kale vlakte, omploegd door paardenhoeven, platgetrapt door soldaten-zolen, zonder eenigen boom en zonder andere woning als een klein wit huisjen, hem met ongeduld en ook met eenige angst verwachtte. Die grijzaart was Schomberg, wien de lersche grond de eenige ooit geleden nederlaag had bereid. Reeds in de verte was hij door den aansnellenden ruiter bespeurd en opgemerkt en wuifde een hand hem een groet toe. De grijzaart voelde de oogen vochtig worden. Hij wist nu, dat geen verwijt hem treffen zou; hij wist nu ook, dat een gezond man hem naderde en een krachtig man ook; want wie zóo zijn paard berijden kon moest gants anders zijn als de zieltogende, waarvan de geruchten hadden gefluisterd.
»Blijde u te zien, Schomberg! \' klonk het van dichterbij en weldra van zeer nabij: »Nu wij u behouden mochten, is niets verloren!quot; En de hand werd uitgestoken en drukte die des anderen krachtig.
De toegesprokene had reeds bij den eersten groet in de verte het hoofd ontbloot. Het avondkoeltjen speelde met de grijze lokken, die nog altijd aan de pruik der mode de overwinning betwistten. Het was of de vreugde ze deed huppelen en zwieren.
Zijn Majesteit nam nu mede den half opgetoomden hoed met de oranje-pluim af. De soeverein kon niet welsprekender zijn achting toonen voor den in eigen oog vernederden onderdann. Wat deed dat den laatsten goed! Wat betuiging van eerbied en van verknochtheid vloeide hem van de lippen! Hoe hartelijk klonk de uiting der blijdste verbazing in de woorden: »Maar üw Majesteit ziet er wel tien jaar jonger uit!quot;
«Waarachtig, geen wonder! Ik snuif de frissche lucht in en sta niet meer tusschen een Whig en een Tory in. Schomberg, niets plezierig als de een je links en de ander rechts trekt en allebei dat even hard doen...! En nu, hoe staan de zaken?quot;
»Wil Uw Majesteit het hoofdkwartier in Belfast opslaan en dan na eenige rust...ïquot;
DE KAPTE1N VAN UE LIJFGARDE.
»Riist? Alles geeft me hier rust.... De hulptroepen die ik je breng nog de beste. Schomberg, ik breng al »de blauwenquot; van Solms meê en duizenden Noren, die niet weten wat vermoeidheid is. In Belfast kwartier maken? Zeker niet. Ik heb me een houten huis laten timmeren, \'t Is geen Versailles, vriend, maar ik kan er recht in uitleggen als ik slaap en ik kan er met twee man eten... Dat paleis zullen we hier laten opslaan... Hoor, ze komen al... O zie ze... daar... daar!quot; De aretidsblik had de ruimte doorboord; de oude oogen des anderen konden met dien blik niet meer meê.
Zijn Majesteit had gelijk. De oude had wel de trommels en trompetten reeds gehoord, maar nü zag hij ook in den gloed der ondergaande zon de borstkurassen en de metalen ringkragen vonkelen.
»Dat is mijn Hollandsche Lijfgarde.... Die nam ik voor alle voorzichtigheid meC!\'\'
»De getrouwsten onder de getrouwen, Sire! Dat weet ik..
jgt;Toch was er éen ontrouwe onder!quot; klonk het eenigzins kort en strak. Maar op denzelfden opgewekten toon van straks vervolgde hij: »0p honderd zestig man maar éen op wien men niet rekenen kan, dat is in een waereld als waarin wij leven, nog zoo heel erg niet!\'\'
En zoo ging \'t nog een tijd lang door, tot »de zakenquot; werden behandeld, eerst nog te paard, maar weldra op den houten zit zonder leuning in het klein Versailles, den houten barak Zijner Majesteit.
De batterij in de nabijheid van Belfast was reeds lang afgevuurd en had op steeds verdere afstanden echoos gevonden; het eerste houtvuur op de naaste hoogte was al half uitgeglommen, toen de beide legerhoofden scheidden.
Zijn Majesteit sliep den eersten nacht op lerschen bodem wel zes uur achtereen zonder te kuchen en werd wakker zonder hoofdpijn, en de Hertog van Schomberg kon bij het ochtendkrieken getuigen, dat er in dat verraderlijke land, waar de giftstof den dampkring bezwangerde, toch soms een slaap was zonder afmat-tenden droom.
De volgende dagen niets als zonneschijn en vreugde! Lu lucht trilde van d? kommandoos der drilmeesters, die vooral de pas in Engeland geworvene boeren-daglooners duchtig hun overwicht deden gevoelen. De grond daverde onder het gewicht en gedruisch dei-zwaar beladen ammunitie- en viktualie-wagens, van het hurrah der Denen, Duitschers en Bngelschen en het hoezee der Hollanders, zoodra de hoed met de Oranje-pluimen werd bespeurd en â de groote haviksneus, die wel alles scheen te ruiken, en de vurig blikkerende oogen, die wel alles schenen te zien; tot de scheef
212
DE KAPTF.IN VAN DE LIJFGARDE.
geloopen hak der schoenen en het stuk vleesch in der soldaten ratjetoe, en het streng stug gelaat, maar door een tevreden glimlach verhelderd, even als het herfstlandschap door den gouden zonnestraal.
Wat tafereel vol leven en beweging! Wat overdaad van licht, wat weelde van kleurschakeei ing! Blauw met geel op den voorgrond, in lange liniën, recht zonder eenige bocht, als waren de lijnen met een kantoor-liniaal getrokken: dat waren de veteranen van Solms, die uit pure ijdelheid eens deel namen aan de exercities en door hun voorbeeld een lesjen wilden geven aan de rekruten. Talloze gelederen van roode rokken en witte broeken, van groen en rood, van violet en zwart, van wit en blauw! Als een beweegbare muur van metaal zwenkten ginds de kurassiers in hun blinkende harnassen, als reusachtige vogels zwermden verderop de vlugge dragonders, die van geen metalen beschutting waren voorzien, die geen zwaard zwaaiden, waarvan de lengte kon wedijveren met die eener lans, maar in vergoeding daarvoor de karabijn ontvingen, die op verren afstand kon treffen. En op de hoogten in het verschiet gaapten de metalen monden van kartouw en falkonnet, met de vurig hinnekende paarden bespannen, wachtende op het sein, om van de hoogte neer te ploifen en de glinsterende monsters, die den dood in hun binnenst besloten, meê te voeren over wei en moeras, over bloem en struweel, door dik en dun, door bosch en water heen. En hun het naast: een breede zwarte vlek, zich scherp afteekenende op het veld dier levendige vroolijke kleuren, een kontrast, dat ietwat pijnlijk het oog trof en het tot aandachtig opmerken verplichtte, even als de rouw in den kring der blijde opgewondenheid!
En al die massaas kleuren, eerst gemengd en als dooréén wriemelend, ordenden zich van lieverlede en toonden regelmatige strepen! De trommen roffelden, de trompetten schetterden, de vaandels wapperden en bogen voor de twee mannen, die op een kleine verhevenheid te paard het schouwspel aanstaarden!
De oranje-pluimen op den hoed des eenen wuifden op dit oogen-blik vlug en vroolijk; de witte en blauwe op dien des anderen â vederen, die den afgeloopen winter als geknakt hadden neêrge-hange â schenen nu als herboren en wapperden stout en uitdagend.
»Koning William, hurrah! Schomberg, hurrah!quot; klonk het uit de voorbijtrekkende gelederen, van lippen, schuilgaande onder grauwe, bruine en blonde knevels, of van die, nauw voorzien van het dons, dat niet meer dan de kracht van den man nog maar voorspelt.
Wat straks in de verte een sombere vlek geleek, had zich, nader komend, verbreed en uitgebreid... tot drie regimenten voetvolk.
213
DE KAPT KIN VAN ÃK LIJFGARDE
van top tot teen in rouw, maar met bloedrood vaandel, waarop met zwarte letters het woord »ve/lge^lllce,, geschilderd was.
Bij het voorbijtrekken boog het vaandel niet, maar werd het in de hoogte geheven, trillend en huiverend, onder het annheffen van een koraal-gezang.
«Do Hugenootenriep Zijn Majesteit. »Drie regimenten, en zoo weinig volk!quot; vervolgde hij, ze met de oogen volgend (n tellend.
»Niet meer dan de helft is nog over, en ook die helft zal blijven, want ze wagen zich als of ze willen vallenquot;, hernam Schomberg. â¢
»Daar kunnen we dan op rekenen bij liet vaststellen van de ordre de batnille. Zuil; een hoopjen kan wonderen doen op het zwakste punt.quot;
»Er mogen geen zwakke punten zijn. Majesteit! Goed toezien eer men stelling kiest is meer dan ooit geraden . . . Hier is \'t wel: langzaam gaat zeker!quot;
»Neen, volstrekt niet. Hier is \'t: snel handelen is overwinnen. Straks maar dadelijk op marsch-!quot;
x\'Maar Uw Majesteit zit al van van morgen zes uur ie paard en \'t is nu al over drieën.quot;
»Heb je meêlij met mijn paard, Schomberg?quot;
»Neen; ik heb liefde voor den berijder, Sire!quot;
»We zullen allebei wat rust nemen, en wat rust geven óok!quot; zei Zijn Majesteit, hem schertsend aanziende, terwijl hij uit den zadel sprong en den toom in de hand lei van den fluks toegeschoten officier.
Nu ging het te voet de regimenten langs.
Maar ze waren dat niet langer. De orde scheen wel verkeerd in wanorde; de rechte liniën waren verbroken; de manschappen warrelden onder een ; de musketten waren in rust gezet... \'t Was of ieder zich schadeloos wilde stellen voor den onderganen druk. Er was nog even gehoord naar de proklarnatie, waarbij alle plundering verboden werd; vervolgens stipt geluisterd naar een afkondiging van den betaalmeester-generaal, dat alle achterstallige soldijen binnen het uur betaald zouden worden â met een volle maag was \'t beter vechten dan met een leege, was steeds de stelregel Zijner Majesteit â en in afwachting van het aangekondigd gewichtig tijdstip bestormden allen de drank verkoopsters in grooten getale. De brandende zonnehitte had de keel verdroogd, en de Hollandsche Schiedammer heette in de vaatjens der oolijk kijkende marketensters te schommelen. Was voor het leger der Republiek op het Vaste-land de dukatons der Heeren Staten de ambrozijn, dat vocht was de nektar.
Een Engelsche rekruut had er van gehoord en smakte begeerig met de tong.
214
1)E KAPTEIN VAN DR LIJFGARDE.
»Eerst hard geld!quot; eischte de vrouw met het tonnetjen, gramstorig een jongen afweerend, die voor \'s hands met een liefkozing betalen wou.
»Geld komt er!quot; zoo klonk het van allo zijden. »Hoor maar, Peggy\' daar wordt het afgelpzen !quot;
En Peggy hoede t en had vertrouwen in de belofte en schonk een Hein kroesjen vol. Maar de begeerige jonden nam het, vreemd genoeg, niet aan; bij bleef als versteend staan, de hand uitgestoken, den mond wijd open! Allen, die Peggy omringd hadden, traden terug, en toen zij omkeek begon de Schiedammer in het tonnetjen bijna te schuimen, \'t Was Zijn Majesteit, die den kroes in de hand vatte, eerst de lippen er even aan zette, maar toen een goeden slok nam en hem vervolgens Schomberg toereikte. »Zuiver, geloof ik, maar niet uit een Hollandsche distilleerderij! Jongens, met mate, hoor!\'
Hij drukte Peggy een halve kroon in de bevende hand en ging toen verder.
»Peggy,quot; zoo plaagden ze haar, »als \'t eens het vocht van gister was geweest! Hij kwam voor ons proeven! Hij zorgt toch voor\'alles!quot;
»En hij maakt van jelui gladde betalers! Dat \'s de hoofdzaak maar!quot; verzekerde Peggy, die nu al een goejen dag had.
Zijn Majesteit zag het dansen aan der Deensche troepen. In de forsche bewegingen, in den zwaai van den krachtigen arm, spiegelde zich het wapenspel der oude zeekoningen af bij mes- en bijlworp!
»Bij ons op de kermis gaat \'t anders toe!... Lustiger!quot; dacht Zijn Majesteit, en daarbij kwam werkelijk de begeerte op, om tweeden Pinksterdag vreer eens te Scheveningen te wezen, of half Mei op den Vijverberg, om koek te hakken tusschen de wijde hozen van de boerenprengels en het dubbel stel rokken van de vrijsters met roode koontjens en lachende bekjens.
sSire, zouden niet een paar officieren der Lijfgarde n volgen?quot; fluisterde Schomberg.
» Waarom?quot;
De vraag klonk scherp. Schomberg moest het niet euvel duiden. Waarom hem ook Whig en Tory zoo op eens hej-innerd?
»Zelfs geen maliehemd onder den rokVquot;
»Dan zou ik stikken. Waarvoor ook? Zeg, wie zijn dat?quot; Hij wees op een troep, die als rustige burgers zich hadden neergevlijd. Breed geschouderde kaerels met een echt Engelsch gelaatstype.
»I)at zijn de verdedigers van Enniskellin . . . burgers . .
»Zeg liever geboren soldaten!\'\' hernam Zijn Majesteit, die in hun midden kwam. «Vrienden, ik heb veel van je dapperheid gehoord; ik kom die nu eens van nabij zien. Geeft me er gauw een proefjen van!quot;
215
DE KAPÃEIN VAN DE LIJFGARDE.
Weer verder ging hij, terwijl het handgeklap op de musket-kolven hem achtervolgde, het gejuich der in hun ijdelheid gestreelde burgers hem voorbij stoof en de volgende regimenten bereikte voor hij nog bij hen was aangekomen.
»Wat hebben ze er toch van gebazeld, dat hij geen tien tellen kon! Hij haalt je met éen woord het hart naar den mond,quot; zei een dikke sergeant, die van beroep bierbrouwer was.
Het werd Schomberg wel wat zwaar! De zon brandde, en nergens een boom die schaduw gaf! Maar Zijn Majesteit scheen van niets hinder te hebben; zelfs niet van de dorst.
Voor een der nieuw geworven Engelsche regimenten was ook het oogenblik van rust gekomen. Ze waren van den vroegen ochtend af op het drilveld geweest en hadden vervolgens deel moeten nemen aan de wapenschouwing. Maar dat had hun Koning óok gedaan. Ze hadden \'t zich nu makkelijk gemaakt en lagen in troepjes op den grond, zoo lui mogelijk.
Daar kwam de rustelooze Opperbevelhebber aanstappen. Ze vlogen als beschaamd van den grond op, om zich in het gelid te scharen. Een hunner had straks een mandtjen kersen weten te krijgen. Een heerlijke versnapering! Hij wist nu nog beter dan toen hij ze kocht, wat hij er meê doen zou. Hij trad naar voren, wel wat linksch, maar niet beschroomd. »A-ls Uw Majesteit ze zou willen nemen .. . ? de eerste van het seizoen . . . goed rijp!quot;
»Wat graag, mijn jongen! Eet meê, Schomberg, of heb je geen dorst?quot; Dat was nu een vraag! Er scheen wel spot in te liggen. »Heerlijk! Heerlijk!quot;
Zijn Majesteit bleef met een kers in de hand eensklaps staan en naar den weg zien in de nabijheid, langs welken een vijftal soldaten van de Hugenootsche regimenten moeielijk voortmar-cheerden en een Gentleman met een vrouw op een ezel omringden, iAllen zagen er warm en bestoven uit; maar vooral de vrouw itoonde een vermoeidheid, welke aan uitputting grensde. 1 »Jongen!quot; zei Zijn Majesteit, »d ie is zeker dorstiger dan wij. Geef me eerst een hand en breng dan het mandtjen aan haar, wil je?quot;
Of hij het wou! Hij heeft het in zijn dagboek opgeteekend____
Mogelijk, dat zijn achter-kleinkinderen in het groene Erin het verhaal hebben bewaard en nog het eenvoudige feit weten te waardeeren, zooals het regiment, waar hun ever-grootvader bij diende, het heeft weten te doen, daarvan tuigenis gevende op de vele slagvelden, waarop \'t den Opperbevelhebber, die hen tot liefhebben drong, volgde en hem zoo dikwijls de overwinning verschafte.
Zijn Majesteit vernam later hoe die moede vrouw heette. Zoodra hij den naam Semeyns hoorde, keerde hij zich snel af. Het strakke masker was plotseling weer over zijn gelaat heen gegleden.
216
VIII.
Welk een nacht had Geertruid doorgebracht, na de vermoeienissen en de verschrikkingen van den dag!
Na door die vreeswekkende mannen met eerbied behandeld en met tedere zorg zelfs gevoed en gedrenkt te zijn, was ze van uitputting in een diepen slaap gevallen, niet zoo diep evenwel, dat geen droombeeld had kunnen ontstaan, \'t Was zelfs in haar herinnering bij het plotseling wakker schrikken, hoe flauw ook, teruggebleven! Zij had hem meenen te zien, hem, dien ze zocht, hem dien ze wilde vinden met al de kracht die in haar school; een kracht, die door de hinderpalen, welke op haar weg zich voordeden, nog in omvang was toegenomen, \'t Was de kracht, de moed van haar vader, die beide steeds had voelen aangroeien naarmate het gevaar toenam.
De tucht, waaronder het Kalvinisme haar had vastgehouden, was verbroken; de strengelijk zich intoomende liefde had moeten wijken voor de alles wagende, alles ontdekkende, alles opofferende!
Zij had hem straks in dien droom meenen te zien, bloedende uit vele wonden, en ze had zich toen ontdaan van alles wat haar dekte, om het bloed te stelpen en de wonden te verbinden ... In de smart die zij gevoelde, school weelde! Maar de weelde verdween en de smart bleef, toen het strijdgewoel haar legers teê had bereikt, en een kogel een vensterruit in scherven deed spatten...! Toen een bajonnetspits haar in de oogen flitste, het lampjen, dat nog eenig licht gaf, deed omkantelen en het licht doofde, had ze zich ijlings weder op den stroozak neergeworpen en de dekens over zich heengetrokken! Maar ze had weder moed gevat en had wagen op te staan en de deur te openen. «Binnen blijven!quot; was haar in \'t Engelsch toegegromd, en weldra werd door een reet der deur met een stem, die minder bar klonk,
DE KAPTEIN VAK DE LIJFGARDE.
gefluisterd: »Binnen is \'t nog \'t veiligst.. . \'k wou dat ik er
óok zat!quot;
\'t Moest daarbuiten dan wel heel erg zijn, dat een »doode-kopquot; zoo sprak. Maar later, toen het dag was, zag ze, dat hij, die haar bewaakt had om haar te behoeden, niet tot dat vendel behoorde. Later, veel later eerst, want de minuten schenen wel uren, de uren een eeuwigheid! En dan niet te weten wat daar buiten eigenlijk voorviel! En dan dat somber gezang, dat lied als van stervenden! En eindelek dat donderen in de verte, en in de nabijheid die roode gloed als van brand! Dat gejuich en ten slotte die stilte! Zij vouwde de hand en geloofde de laatste ure nabij. Haar laatste gedachte, haar laatste bede was voor hém!
«Gered! Ontzet!quot; klonk het door een reet der deur. De stem, die de woorden uitbracht, was dezelfde van straks, maar de toon was een geheel andere.
Wat er toen met haar gebeurd was, wist ze niet meer. Was ze in onmacht gevallen of\' had de slaap over de doodelijk verschrikte zijn donzen mantel heengespreid ? De zon toch lichtte en straalde reeds hoog boven de Oosterkim, toen zij het bewustzijn herkreeg. Wat gevoel van zelfbehagen doorstroomde haar! WTat rust om zich heen! Er was voor haar gezorgd! Een volle kruik met frisch water, een homp brood en twee eieren stonden naast de slaapbank op den grond! Hoe die eerste dronk haar verkwikte!
Al heel goed was er voor haar gezorgd!
Naar buiten! En dan terstond het onderzoek begonnen . .! Wat was ze opgewekt! Wat straalde het zonnelicht haar vriendelijk tegen ! Neen, neen, het kon niet zijn : de kinderen waren geen weezen ! Hij zou tot hen terugkomen en dan zon hij haar . . . vergeven! In de laatste woorden sprak ze een gedachte uit, welke zij nog nooit een vorm had gegeven. Ja, zij bad ook een schuld aan hem, een schuld, die de zijne verklaarde, vergoelijkte. Ze had zijn hart doen versterven; al had ze dat waarlijk niet gewild; al had ze hem altijd lief\' gehad zoo als nu!
Op den drempel sliep een man. die niet het kleed der doode-koppen droeg... \'t Was zeker dezelfde, die dien nacht haar bewaakt had! Verderop zag zij de bezetting in \'t geweer of bezig eenige kuilen te dichien!
Wat een klein hoopken maar!
Zij was opgemerkt. »Ik zoek mijn manquot;, zei ze, dwaas genoeg, zonder vermelding van naam. Maar al had ze grooter dwaasheid begaan, \'t zou niet zijn bespeurd, want de toespraak was niet verstaan.
Er werd op den slapende gewezen. Deze werd ruw wakker gemaakt en betastte zich armen en beenen. Het onderzoek was bevredigend. Hij had zijn ledematen nog, ook zijn hoofd, dat echter erg suisde.
218
DK KAPTE1N VAN DE LIJI\'GAltDF.
^lk zoek mijn man, die dienst nam . . . die misschien hier is ..
»Als hij al maar niet onder den grond ligt,quot; klonk het wrevelig, waarbij op de versche kuilen gewezen werd. »Er zijn er v;in nacht heel wat gevallen. Waar hebben ze de gekwetsten geborgen? God zal me zegenen, die hadden ze toch wel binnen kunnen brengen en naast je leggen, Ma am!quot;
Geertruid had de helft niet gehoord. Aan de mogelijkheid, dat Karei reeds gesneuveld kon zijn, had ze nog niet gediicht; van de waarschijnlijkheid, ja van de zekerheid was ze nu reeds bijna overtuigd. Ze stond als versteend; zij staarde voor zich uit; haar blik hechtte zich als aan de grafheuvels, of zij door puin en zand wilde doordringen om te zien wie er onder bedolven lagen.
Hoe overdreven was ze in haar angst! Ze had immers zelfs geen de minste aanleiding voor de onderstelling, dat zij onder dit hoopken volks kon vinden wat ze zocht V
»Ik kan \'t niet gaan vragen, boe graag ik \'t ook voor u zou willen!quot; hernam de man, die baar verbaasd bleef aanzien. »De eenige, die onze taal hier spreekt, is weer de rivier overgegaan, het land waarachtig in. waar de aanvallers van van nacht van daan kwamen. Dat \'s me een vechtersbaas! \'t Doet me toch plezier, dat hij een Engelschman is ... Hij moet nu de Opperste hier wezen . .. Veel manschappen heeft hij niet overgehouden .. . Hij heeft rne gelast u naar Belfast te brengen. Brengen is eigenlijk het woord niet, want ik heb niets te brengen, ik word zelf gebracht. Omdat ge een landgenoote zijt â ja maar, daar ben ik toch zoo zeker nog niet van â en omdat ik met u spreken kan. heeft hij geordonneerd, dat ik naast den ezel zou loopen, die u weg moet dragen, zoodra u weer wat op uw verhaal is gekomen.quot;
»Hoe heel die dappere soldaat, die zoo goede man?quot;
»Dapper mag hij wezen, maar goed .. . ? De duivel hale me voor ik ooit weer zoo\'n amikaal onderhoud moet hebben als hij me eens gunde Iquot; bromde de ander. «Hoe hij heet? Ze hebben hier geen namen naar het schijnt... Ze worden bij nummers genoemd ⢠⢠. hij is nummer zeven, geen Franschman en beroerd bij de pinken ; anders weet ik niets van hem af.quot;
Welk dwaas vermoeden rees daar plotseling bij Geertruid op!
»Breng me bij hem!quot; bad ze dringend.
»Ik zei u immers dat hij hier niet meer is en dat ik niets te brengen heb, maar gebracht word!quot;
«Maar wees dan zoo goed hem mij aan te wijzen als hij terug komt binnen het fort?\'\'
»God help me, ik merk, dat gij een soldatenvrouw zijt, gij kent de termen en zijt met weinig tevreden. Dit een fort, een vesting misschien?... Maar wat ge mij vraagt zou ik wel willen, maar zal ik niet kunnen doen. We moeten vóór den avond in Belfast
219
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
wezen, en daarom: zoo gauw als er versterking komt van den naasten wachtpost op marsch, dat heeft hij zoo gekommandeerd â¢en dan is \'t basta. Noem mij den naam van den man, dien ge zoekt, dan wil ik wel gaan zien of ze me ginder verstaan en iets van hem weten.quot;
»Semeyns!quot;
\'t Was of de ander een duizeling kreeg. Hij greep zich aan den deurpost vast. »De weggejaagde Kaptein van de Hollandsche Lijfgarde?quot;
De woorden werden haperend uitgebracht. Wat licht ging hem eensklaps op. Er was geen twijfel meer mogelijk! Nu begreep hij, hoe die man wist wat niemant anders kon weten! De krachtige persoonlijkheid, die hem zooveel ontzach had ingeboezemd, was zeker de door hem verongelijkte, de door hem vernederde man, wien hij zijn liefjen had afgegoocheld, wien hij als moordenaar had gebrandmerkt! Ontzettend! Aan welk een weerwraak stond hij nu niet bloot! En wat hij te volvoeren had â geen letter schrifts droeg hij gelukkig bij zich, die dat verraden kon! â was op zich zelf reeds zoo moeielijk..! Zou door dien man reeds iets vermoed zijn, en zou hij daarom aan de ketting gehouden worden? Want als een hond lag hij aan den band!
Dat woord; «weggejaagdquot; had Geertruid gebeten. Hoog had ze hem te gemoet gevoerd: »Wat weet u daarvan? Heeft u hem gekend? Hij was een held. Heeft u hem gekend?quot;
Eindelijk kreeg Geertruid andwoord.
»Neen: \'k heb van hem gehoord... en heel onlangs... dat hij dood was____quot;
»Van wien? Van wien?quot;
«Dat herinner ik mij niet meer.quot;
«\'t Is niet waar. Ik wil den soldaat zien, die zoo liefderijk voor
me zorgde____ dezelfde zeker, die me gister redde.... Ik moet
hem zien!\'\'
Maar sterker wil dan de hare had het anders beschikt.
Twee kompanjies Engelsche Infanterie rukten de verschansing binnen, om de »doode-koppenquot; te vervangen. Deze moesten naar hun regimenten terugkeeren. Mr. Jones wilde van deze gelegenheid gebruik maken, om zich van den halsband te ontdoen en zich meteen als weldoener op den voorgrond te stellen. Hij verzocht bij de vrouw, die haar verloren man zocht, te mogen blijven om haar te helpen zoeken, \'t Was, zoo als hij nu voorgaf, hem gelukt dien man na ontzachlijk veel moeite op het spoor te komen. Hij had zich maar niet begrijpelijk weten te maken voor de alleen fransch sprekende Hugenooten, maar nu hij zoo gelukkig was landgenooten te ontmoeten...! Hij ontving geen andwoord, maar zag den ezel voorbrengen en een vijftal doode-koppen er om heen
220
DE KAPT KIN VAN DE LIJFGAHDE.
geschaard, en toen nog een paar anderen de vrouw vrij hardhandig in het zaal zetten. Hij voelde zich te gelijkertijd stevig bij de hand grijpen door een van de zwarte duivels, die van struktuur veel had van hem, dien hij reden had te vreezen. Het gezicht van dien kaerel was niet te onderscheiden, daar een met bloed bevlekte doek de wangen bedekte en de sluier der hoofdkap, niet tegenstaande de hitte, neer was geslagen.
Met een enkel handgebaar was hem de plaats naast den ezel aangewezen. Br was geen twijfel aan: bij had met nummer zeven: alias den ex-kapitein, te doen, op wiens hoofd Kate vijftig pond had uitgeloofd, door haar te betalen zeker zoodra ze den ouden doffer weer in Whitehall zou hebben gebracht. Wanneer dat gebeurd was en wanneer hem, Edward Jones, den tol der koninklijke dankbaarheid was uitbetaald, dan zou hij wel genegen zijn op haar hooid eens zooveel te zetten, want die Kate was toch een verfoeilijk Bchepsel... Als Satan van vrouwen hield, dan verdiende zij zijn favorite te wezen! Wat oefende dat geraamte een macht over hem uit! Op tientallen van mijlen voelde hij nog haar vuist, niet alleen om zijn pols, maar zelfs om zijn hals!
Niemant belette hem met die soldatenvrouw te praten, maar bij had er geen lust in. Hij had al wat er van gave van opmerking en scherpte van ontleding in hem school aangewend tot zelfbeschouwing en tot een oordeel over zjjn eigen pozitie; maar toen de voorposten van Koning Williams leger bereikt, toen die voorbij waren getrokken en de eerste voltallige regimenten werden ontmoet, had hij die gave toe te passen op de beweging rondom hem.
Welk verschil tusschen de orde hier en de tuchteloosheid in Dublin! Het was hem opgedragen, dat verschil te vernietigen, overal tuchteloosheid te doen ontstaan, en dan zou hij uit bet water, dat hij troebel gemaakt had, den zalm mogen ophalen! Ware het echter niet beter... i-echts omkeer te maken, van doel te veranderen en den overweldiger, die goed vast scheen te kunnen houden wat hij gegrepen had, te gaan dienen?
Daar werd der moede soldatenvrouw van wege Zijn Majesteit, de lekkere fruit gebracht en weerklonken de juichtonen der geestdrift. Daar zag hij onder de officieren van het nieuwe Engel sche-regiment zijn vriend Alfred, die ook hem opmerkte en hem toeknikte!
Had Alfred niet de wijste partij gekozen?
â gt;Misstress Semeyns,quot; fluisterde hij op zeer minzamen toon, »door veel nadenken ben ik nu eindelijk tot de zekerheid gekomen, dat hij, dien ge zoekt, nummer zeven is... Waarheen hij evenwel gestoven is, weet ik niet. Mocht ge hem vinden, zeg hem dan, dat Mr. Edward Jones het u gezegd heeft om goed te maken wat hij. jegens hem misdeed. Ik heb er berouw van... Misschien is \'t wel de stoere gentleman, die op dit oogenblik ons begluurt.quot;
UE KA PT FIN VAN DE LIJFGARDE.
«Karei, Karei!quot; riep zij in haar moedertaal. Maar de aangeduide gentleman was een vreemde, die den naam Belfast noemde en op de torens in de verte wees.
)igt;Op wiens last?\'\' vroeg ze.
Een schouderophnlen was het and woord; maar een hoofdofficier, die op last Zijner Majesteit kwam vernemen wie de moede vrouw was, en die fransch verstond, vertolkte haar wat de gentilliomme zeide: zekere Monsieur Charles had verzocht haar derwaarts te brengen voor hij dien morgen op weg was gegaan om een uiterst gevaarlijke zending te vervullen.
»Of Monsieur Charles nummer zeven in de kompanjie heette?quot;
\'t Werd bevestigend beandwoord.
»Of er hoop was op zijn terugkeer?quot;
»Hoop was er altijd, en de Hugenootsehe broeders mochten die boven allen blijven koesteren, want sedert maanden waren zij op de voorposten in levensgevaar geweest en toch niet allen gedood !quot;
Een schrale troost! Een troost, die waarschijnlijk als bemoediging was bedoeld, maar zeer ontmoedigend werkte! Hoe wreed! Zij had zijn spoor gevonden, en zij kon het niet volgen ... Hoe wreed van hem! Zou hij niet gevonden willen worden? Zou zij door een eenzijdige liefde verblind zijn en hij weder den weg zijn opgedwaald, die hem van haar nog meer verwijderde? Neen, niet die gedachte! Ze zou krankzinnig kunnen maken!
Ze liet zich verder voeren, zonder eenig verzet... Zij was gebroken.
Mr. Edward Jones wilde met haar gaan, maar hij werd terug gewezen en moest naar het kwartier der doode-koppen tneö. De band bleef dus om zijn hals . ..!
Maar hij was toch een vrij man. zoo schetterde \'t uit zijn mond. Hij was vooralsnog geen soldaat, die onder de krijgstucht stond. Dus moest hij vrij zijn te gaan waar heen hij wou ...!
Waarlijk, hij was welsprekend in zijn verontvvaardiging, maar â wie rondom hem waren en hem wel altijd schenen te bewaken, keken strak in hun bijbels of onderhielden zich zacht met elkaar... Slechts de jonkman, die daar even bij hen was gekomen, bleek gehoord en verstaan te hebben, maar scheen het waarachtig nog wel vroolijk op te vatten.
\'t Was de luitenant Alfred, die hem een bezoek kwam brengen.
» Mooi gesproken... maar je hebt wel eens beter hoorders of â en dat waren altijd de dankbaarste! â hoorderessen gehad!quot;
* Viscount Pembroke!quot; riep Mr. Jones triomfantelijk uit, de onverschillige doode-koppen daarbij aanziende. »Mijn vriend... mijn gelijke!quot; vervolgde hij.
Maar had hij verwacht, dat na die mededeeling eenig respekt â voor zijn persoon zou zijn ontstaan, dan bleek hij zich deerlijk
222
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
vergist te hebben. De afschuwelijke schepsels bleven wat ze waren: smuichende cipiers!
Hij zou ze behandelen zoo als zij \'t hem deden en zich verder niet met hen, maar alleen met zijn vriend, afgeven.
»Ik wil óok dienst nemen... in \'t zelfde regiment waar jij bij dient!quot; verklaarde hij.
»\'t Heeft me heel wat geld en moeite gekost!quot;
»Ik had nooit gedacht dat er een lood soldatenvleesch aan je lijf zat.quot;
»Dat zit er ook nu nog niet aan, maar die vervloekte Kate bracht mij door haar intriges in de engte. ..quot;
»Ze joeg m ij in een slop zonder uitgang zoo als ze denkt... Alfred, betaal me den wissel van honderd pond, en dan koop ik me ook een luitenantsplaats . ..quot;
»Over zes maanden krijg ik geld â dan is \'t weer reut day.quot;
»Maar je soldij .. . ?quot;
«Die heb ik gister op de speeltafel laten liggen.quot;
tAU Saints! Kun je dat hier doen? Waar, wanneer?quot; vroeg Edward haastig.
s\'t Is uit, hoorl even als \'t uit is met mijn militaire geest-drift... Hoe kun je die ook houden bij al die reglementen, waarover gestadig de drilstok heenzwaait? Verbeeld je; om vijf uur \'s ochtends op, en dan exerceeren tot negen met niets in je maag als water, waar je voor bedanken zoudt als je \'t niet noodig hadt, om den steenklomp, dien ze hier brood noemen, door het keelgat te jagen; om negen uur uiensoep: dus weer water. Dan weer exerceeren ..
»God zegen me, wat een omzwaai! \'t Is toch maar om schieten te doen! En dat kan een Edelman al, zoodra hij de fonteinen van zijn min verlaat...quot;
»\'t Schijnt hier niet alleen om \'t schieten, maar ook om \'t raken te doen te zijn!quot; riep Alfred lachend uit. »En dan wordt je bovendien bedrild als een schooljongen en moet ik aanslaan en buigen voor iederen Kaptein en den mijnen zelfs verlof vragen om even ter zij te gaan.quot;
igt;En zoo\'n pozitie heeft Viscount Pembroke, de lustige kwartel, zich veroverd...! jGrand merci!quot; zoo als een mijner voorvaderen zich eens liet ontvallen.
»Was \'t bij gelegenheid van den inval der Romeinen een paar honderd jaar vóór de geboorte onzes Heeren?quot; vroeg Alfred.
«Misschien veel vroeger nog!quot; Edward poosde even. »11; vertrap \'t, ik doe \'t niet!1\' klonk het toen ernstig van zün lippen.
» Wat ? \'
»Dienst nemen.quot;
»Ik zou \'t ook riet doen als ik \'t al niet gedaan had! Ik kan
223
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAUDE.
me alleen begrijpen, dat men er toe overgaat als men aan iets
gelooft en er iets van een martelaarsnatuur in je zit----Maar i k
heb geen geloof en niets van een schaap. Alleen ben ik bangquot; â en hier daalde zijn stem â »dat als de Groot-mogol overwint, hij ons duchtig zal Groot-mogollen... \'t Is niet zoo\'n zwakkeling als we dachten, kontrarie van dien.quot;
»[1 ij zal niet overwinnen; daarvoor hoop ik te zorgen?quot;
»Ben je bezopen? Als ik je geen honderd pond schuldig was zou ik me nog duidelijker uitdrukken. Kom, ik heb nog een flesch goede brandy in mijn kwartier â die drinken we samen leeg. â Morgen, hoor ik, gaan we al op marsch om te vechten. Van nacht ga ik mijn testament schrijven! Wil je me helpen? Aan wie zal ik mijn roerend goed vermaken? Mijn onroerend moet naar de zijlinie... Aan Polly of aan Molly? Was Maud er nog, dan kreeg die mijn lijfgoed... Dat was toch een beroerde streek van je...! \'k Geloof dat hopelooze liefde voor mij baar dood is geweest... Goed van je verzonnen om den vreemden snoeshaan, die al zoo veel op zijn kerfstok had, \'ter nog bij te geven!quot;
Hij nam zijn kostelijken vriend onder den arm en wilde zich met hem verwijderen, maar een paar dier afschuwelijk uitziende heiligen plaatsten zich voor hen en wees Edward terug.
Een ruiter naderde in aller ijl hun kwartier, \'t Was de Kolonel van het regiment. Al de mannen sprongen op en traden in \'t gelid. Viscount Pembroke stond in eens als een stok, met de hand aan den rand van den hoed.
«Morgen op \'t appèl wordt Monsieur Charles op last Zijner Majesteit genoemd. Zijn Majesteit hoorde van het nachtgevecht en laat Monsieur Charles ontbieden . .. Een hooge eer voor ons regiment, Heeren!quot;
Maar Monsieur Charles was op kondschap uit â niemand wist eigenlijk in welke richting. De berichten, door gindschen overlooper aangebracht, werden door hem niet vertrouwd, en daarom was hij zelf maar weer aan \'t snuffelen gegaan.
»In dien vent moet wél een martelaarsnatuur schuilen,quot; fluisterde Alfred, die den ander \'s Kolonels woorden vertolkte.
»Dat komt hier goed te pas. Weet je wie die Monsieur Charles is?quot; Edward boog zich tot Alfred over en noemde zacht een naam.
»God zal me liefhebben, die hier! Goed dat ik heb leeren mikken!quot;
224
IX.
Te midden van dichte drommen infanterie, en vooraf gegaan van een menigte ruiters, reed of liever schommelde en schokte een lompe vierkante karos door het mulle zand van een sedert jaren verwaarloosden weg, op de grens van de Graafschappen Louth en Meat. Onberispelijk was de houding van het voetvolk, krijgshaftig, hooghartig en toch dartel in hunne bewegingen de esca-drons dragonders en kurassiers. De donkerblauwe uniformen met wit uitgemonsterd, de lichte hoed met witte veören, de bandelier van dezelfde kleur deed de infanterie dadelijk herkennen als uit Frankrijk herkomstig. De verbleekte roode rokken met vaal blauwe broeken, de ouderwetsche pothelmen, de kleine vlugge uitstekend afgerichte paarden kenmerkten de kavallerie als een brigade van het geroemde lersche paardenvolk, â de trots van Tyrconnel, den vroegeren lerschen Landvoogd, de hoop van Zijn Majesteit Jakob de Tweede, zich nog noemende beheerscher van drie koninkrijken, maar in werkelijkheid: de afhangeling van den Zonne-Koning, die hem zes duizend man voetvolk had gezonden, en de gehoorzame dienaar van de oude leelijke vrouw, die thands naast hem in het vervaarlijk schokkend rijtuig zat.
Den vroegeren tijger waren de nagels geknipt en de tanden afgevijld!
De rampspoed, die hem reeds maanden lang teisterde, die hem tot den beweldadigde van Lodewijk van Bourbon verlaagde, weer-houde iederen smaad, zelfs iedere uiting van het bevredigd gevoel van rechtvaardigheid! De ineengedoken gestalte, de smartelijke trek op het gelaat, waar de pijnen der jicht zich op af spiegelen, boezeme alleen medelijden in, zelfs waar hij, zoo als nu, het oog behagelijk laat weiden over de keurtroepen, die den wagen omringen; zelfs waar het bekend is, dat hij, een drietal dagen geleden, bij zijn vertrek
KAPT. VAN DE LIJFGARDE. â II. 15
l)E KAPTEIN VAN DE LIJEGAKDE.
uit zijn hoofdstad Dublin de gezin ten, vijandig aan de zijne, op brandschatting stelde en hare predikers naar den kerker zond.
»Ik reken op hen; ik kan dat... ik zag nooit betere soldaten en ik weet daarover te oordeelen! Kate, als altijd krijg je gelijk! Maar Lauzun wil niets wagen.. . Daarom maar weer naar Dublin terug! Zie nu niet langer zoo zuur!quot;
Het was de gemeenzaamheid van vroeger van z ij n zijde, maar van de hare niet de opgewektheid, het somtijds scherp maar meestal vroolijk vernuft van vorige tijden.
Wat macht had die Kate Sedley toch van den overste der duivelen ontvangen om zulk een invloed op hem te kunnen b 1 ij v e n uitoefenen! Zij was nooit mooi geweest, toch had ze hem beheerscht; ze was nu leelijk: ingedroogd, verflenst, versteend, en ze beheerschte hem nog.
Als hij openhartig had durven zijn, dan zou hij bekennen, dat hij, toen ze ongeroepen, geheel alleen, als vluchtelinge zonder éen guinje op zak â haar roerend en onroerend goed was door den Overweldiger onder sequester gesteld â op zekeren avond in zijn somber lersch paleis zich vertoond had, haar in het Vagevuur had gewenscht, waar ze van wege barer zonden tal en het totaal gemis van Heiligen, die er haar uit zouden willen bidden, wel altijd zou moeten blijven. Maar haar hart bleek overvol te zijn van wraakzucht en dat was het zijne ook! Dat had de eerste toenadering gegeven. Bloedrood was haar oog geweest, en de magere rechterhand, die zij ten hoogen had opgeheven, had veel van een vogelklauw gehad, toen zij zwoer niet te zullen rusten voordat allen, die haar beschimpt en gekwetst hadden, waren gevallen, gedood, vertrapt! Wat hij daarop een hartelijk amen had laten hoeren, want hare vijanden waren ook de zijne! Hoe hij bijna ademloos had geluisterd naar haar verhaal van de samenzweering, beleidvol door haar opgezet en beleidvol voortgesponnen zoo lang zij zelve daarop had kunnen blijven toezien en alleen mislukt door de onbeholpenheid van den dienaar, den aan haar geketenden slaaf, die belast was geworden met het opzamelen der vruchten. Die ellendige Jones, die lafaard! Sterven moest hij als een hond, maar niet voor dat hij verricht had bij volle daglicht wat hij in het donker niet had weten te doen! Neen, een lafaard was hij toch niet! Zij had zijn hebzucht weten op te wekken! Hij had reeds erg veel honger! »Laat het patent opmaken, onderteeken het en geef het mij, het patent, waarbij de goederen der Pitz-Geralds hem met den titel worden teruggegeven!quot; En Jakob had met het hoofd toestemmend geknikt... O, zij had grootsche plannen met den aan haar door de tederste banden gehechten jonkman. Hij was haar schoonzoon geworden! Hij wist nog maar niet, en zou \'t misschien nooit vernemen, hoe hoog die titel hetn ver-
226
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE.
hief. Hij zou wel heel gauw óok naar Dublin hebben te vluchten, want de Overweldiger was al de eedgenoot en op het spoor. Met moeite had zij zelve weten te ontkomen. Dat men haar, het hoofd der samenzweering, niet aan het kleed had durven komen, bewees â dat Eij nog al behendig had gemanoeuvreerd. Zij zou misschien in \'t geheel niet verdacht zijn geworden, indien die Hollandsche Kaptein maar een hoofd kleiner ware gemaakt! Tegen hem kwam alles wat in haar was aan haat en wrok in beweging! Indien de goede heilige zaak de overwinning wachtte, dan zou ze weten te straffen..... hém het eerst en het meest. Hij moest levend geradbraakt worden â van onder op!
Jakob was haar toen in de reden gevallen en had haar verteld, dat hem den vorigen nacht â Kate was toen juist haar reis naar Ierland begonnen â in een droom de Heilige Maagd was verschenen met een afgehouwen hoofd in de hand, waarvan het gelaat precies op dat van zijn lieven schoonzoon, den Hollandschen smuichert, geleek! God had zelf de wraak op zich genomen! Hij kon dat ook beter doen dan zijn knecht Jakob, die de Kerk te vreezen had en daarom er niet overluid aandenken mocht den aterling uit den weg te ruimen ... Maar als die droom eens vervuld werd ...! Zijn droom, zoo vol beteekenis, noch zijn vrome gevolgtrekkingen en overpeinzingen hadden op haar eenigen indruk gemaakt, maar zij liet dat toen niet blijken. Daarom had zij de reeks harer eigene gedachten vervolgd en krachtig herhaald, dat, zoo de overwinning aan hen beiden verbleef, die Hollandsche Kaptein onder de eerste der te recht gestelden behooren moest. De allereerste was natuurlijk de Overweldiger; maar dien nam zij voor haar rekening, want haar lief mocht de blanke handen met dat bloed niet rood maken. De Overweldiger zou onder haar bereik komen zoodra hij maar in Ierland aan wal stapte, wat hij zeker zou doen. Maar van dien Kaptein was zij zoo zeker niet! gt; Jakob!quot; had ze uitgeroepen met een stem, die hem waarlijk vrees had aangejaagd, »als ik om dien man te kunnen grijpen eerst mijn vader moest dooden, dan zou ik dat doen. Want hij heeft onze Maud eerst ten val gebracht en to en vermoord! Die man moet lijden wat hij mij deed lijden, en dat was en is vreeselijk, Jakob!quot; Deze had zich gehaast haar weer toestemmend toe te knikken, maar kon ter nauwernood een geeuw onderdrukken. Wat had zij hem dien geeuw euvel geduid! Zij had hem in den pijnlijken arm gegrepen en daardoor tot kermen verplicht. »God! God! hebt ge nog macht over den duivel, help me dan in het zoeken en grijpen en straffen van dien ellendeling!quot; had ze uitgeroepen, waarna ze, als weder aangegrepen door al de verschrikkingen van dien vreese-lijken nacht, vertelde hoe ze gemarteld was.
»Als we Londen weer binnentreden â jammer dat Jeffreys
227
1)E KAPTEJN VAN DE LIJFGARDE,
dood is! â dan zoeken we een ander van bet zelfde slach, en dan zullen we hem aan \'t werk zetten,\'\' had de oude doffer verzekerd, die alles wou belooven als hij maar niet meer door zijn zoete-lief in den arm werd geknepen. »en dan zullen we vijftig pond zetten op het hoofd van den fielt, die je zooveel verdriet heeft aangedaan.quot;
Kate had een lach, een grijnzende, langs haar lippen laten spelen. »Mij alleen?quot; riep ze, »neen, ons! Slechts onder beesten telt het vaderschap niet. \'t Is of je er je onder rangschikt! Wat bazel je van vijftig pond! Neen, duizend, tienduizend moeten er op zijn hoofd gezet, en niet alleen in de drie koninkrijken maar overal op het Vaste-land moet er naar hem gezocht worden...quot; Ze moest hem voor zich zien, hem zien stuiptrekken of... ze stond voor zich zelve niet in . .. ze zou gek worden!
»Heilige Drievuldigheid, bescherm me! Hoe raak ik haar kwijt!quot; had het in zijn binnenste weerklonken en daarbij een halve gelofte, om zich gedurende een week het liefste te ontzeggen, als de oude minnares zoo ver mogelijk kon worden weggestuurd.
Eenige dagen later echter had hij leeren berusten in\' het onvermijdelijke, had hij er zelfs vrede meé leeren hebben! Ze had hem weer kracht gegeven om besluiten te nemen; zij had zich meester weten te maken van al de draden der verschillende intriges, aan het kleine Dublinsche hof door Ieren, Franschen en uitgeweken Engelschen gesponnen. Zij, vervuld van slechts éen gedachte, had eenheid aan de tot dusverre gescheiden en elkaar bekampende krachten gegeven! gt;.
228
Werkelijk, er was een oogenblik van samenwerking, van één-\' stemmigheid in de hoofdstad van Ierland!
i
â r J A
c
V- ^
X.
Kate Sedley toonde sedert te weten wat ze wilde en ook te willen wat ze wist. Een prijs werd op Semeyns\' hoofd uitgeloofd; een kleine nietige vooralsnog, maar men wilde dien eerlijk betalen als hij verdiend werd en men had slechts weinige echte muntstukken meer in kas! Mr. Edward Jones was, zoo als ze wel vermoed had, onder haar vleugels komen schuilen, \'t Was het duivenjong dat zich onder de borstveeren van een havik kwam warmen!
Kit was ook tot haar gekomen. Ze had de slons als een verbleekte en versleten vloermat willen wegwerpen, maar, toen ze vernomen had met wie de vagebonde huisde, haar nog eenigen tijd dienst willen laten doen. De vrouw van den Hollander kon zij grijpen! En als ze die in haar macht had, dan zou de weerwraak kunnen beginnen; dan had ze ten minste al een gijzelaar!
Maar de prooi, waar ze op aasde, was haar ontsnapt. Kit, met geweld voor haar gebracht, had in haar angst verteld alles wat ze wist en niet wist, maar daarbij door haar overgroote domheid ging verdichten. De gans had verteld â ze had. God beter \'t! weer gedacht zich aangenaam te maken â dat ze den Kaptein, die zoo veel van Maud had gehouden, een nacht had geherbergd. God, dezelfde nacht van Mauds dood, de nacht van de door de Sheriffs gestoorde bijeenkomst der Jakobieten in »de vergulde Kaasboer!quot; De moordenaar was zeker ook nog verrader geworden. De zonden van den vervloekte werden nog grooter, en de slons, die bevend voor haar stond en allerlei onzin uitsloeg, had zich óok tegen haar wagen te keeren do.or den grootsten vijand te herbergen en goed te doen! Met Kit kon ze ten minste afrekenen. Mylady had, zoo vertelde Kit later, erg genadig geknikt en toen een knecht geroepen en toen haar erg genadig toegesproken en haar heel goedig verzocht dien knecht te volgen. Buiten op de binnenplaats gekomen, had zij het bewijs gekregen van Myla-
)gt;E KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
dies allerliefste gezindheid. Door vier man, Fransche kaerels nog-wel, was ze op den blooten rag gegeeseld geworden en vervolgens-weggeschopt ! Bij den eersten zweepslag al was \'t in haar binnenst raar gaan spooken, juist als in den tijd dat de oude ketter â och, dat de Heilige Patrick het hellevuur voor hem wat minder fel mocht doen opvlammen ! â haar den kostganger aftrocbelde ...
Toen ze kreunend en kermend weer naar haar achterbuurt terug keerde, wist ze wat ze zou willen doen, maar nog niet hoezij \'t zou kunnen.... Mylady had een worm denken te trappen en \'t was een addertjen, dat een giftigen angel had, en dat schuifelde en schuifelde tot het haar kon naderen en bijten.
De Overweldiger was in \'t Noorden geland, zoo liep dien dag de mare door Dublins straten. Jakobs troepen trokken eindelijk op, duizenden, ja tienduizenden in getal.... »De beste soldaten van de waereld!quot; juichlen eenigen bij den aanblik der Fransche hulptroepen en der Ierse he ruiterij. »Een zwerm sprinkhanen, niets meer!quot; fluisterden anderen heel zacht, bij het gezicht der ontelbare rijen lersche Infanterie, saamgeraapt volk en ter nauwer-nood in staat de acht en dertig tempoos van het kommando te begrijpen. Maar het oprukken zelf bewees reeds eenigen moed en vastberadenheid, en dat was reeds een verbetering van den ellen-digen toestand, in de laatste maanden beleefd! Geen wonder dan ook, dat op zekeren morgen, toen er een karos voor Zijner Majes-teits verblijf stil hield, een menigte volks den Koning, die juist ter rechter tijde zijn wil had doen kennen en gehoorzamen, opwachtte. Toen hij verscheen en met moeite op zijn paard was geholpen, wuifden eenige hoeden; toen de Gravin van Dorchester zich in de karos plaatste en de Graaf de Lauzun, de Opperbevelhebber, die de Fransche hulptroepen van het vaste-land had meegebracht, te paard steeg, den degen trok en daarmeê bevallig salueerde, borst een luide jubel los. Een vuist werd evenwel gebald, éen verwensching in echt gaelisch uitgestooten. Mylady zag noch hoorde dat, en al had zij \'t gedaan, het zou haar gevoel van zelfvoldoening weinig hebben gedeerd.
Het was reeds veel, dat zij den ouden rhumatieken man tot beweging had weten te prikkelen; dat zij de Lauzun, wien nog de vermaning van den minister Louvois om toch zoo weinig mogelijk fransch bloed te spillen, in de ooren klonk, reeds verplicht had minder luid van een »wakend wachtenquot; te spreken. Toch was het plan, om den herfst met zijn regens, die gewoonlijk de pest mede brachten, nogmaals tot bondgenoot te kiezen, door den Franschen Edelman nifft opgegeven.
De thands opgetrokken troepen zouden zich daarom dan ook alleen bepalen tot het maken van vertoon. Mylady had het goed gekeurd. Als men maar eerst in het veld stond...!
230
DB KAPT KIN VAN\' IJK LIJFGARDE.
Buiten Dublin kwam Jakob bij haar in het rijtuig, en toen begon My lady de loopgraven té1 openen en haar geschut te planten. De Lauzun bleef echter altijd nog weerstand bieden Dagen lang was \'t alleen voortrukken om telkens weer terug te trekken. De vijand doemde soms aan den horizon op; maar met innerlijken weerzin en onder heftig gemor van Ieren en Franschen, werd dan telkens weder tot omkeeren besloten. Maar eindelijk... eindelijk toch liet Zijn Majesteit zich door Mylady overreden.
Weder draaiden de paarden van de koninklijke karos op Dublin af; weder trok het geheele leger terug. Maar Kate had daarjuist haar boodschapper aangetroffen, die haar een omstandig verhaal kwam doen van den nachtelijken aanval op \'s vijands uitersten voorpost aan de Boyne. De aanvallers hadden brand gesticht en bij het licht der vlam gezien, dat Lord Fitz-Gérald niet alleen leefde, maar dat hem zelfs een geweer en een wachtpost was toevertrouwd.
»We hebben hem, als ge de hand maar uitsteken wilt!quot; riep Kate haar reisgenoot toe. «Laat omkeeren! Zie den vijand die u zoekt onder de oogen en hij zal ze neerslaan! Word met hem slaags, en in het midden van het gevecht, zult ge eensklaps verwarring zien..! Ge hebt de overwinning maar voor het grijpen..! Kijk me niet zoo verschrikt aan als of ik aan \'t raaskallen ben!quot;
Hij andwoordde snel, dat hij \'t laatste wel nooit van haar denken kon, maar dat hij haar gezicht zoo betrokken zag en voor haar gezondheid bezorgd was... Hij wilde óok niets liever dan door éen veldslag alles beslist zien, en als er kans was op overwinning...!
Ze boog zich naar hem toe en fluisterde hem iets in het oor.
»Als dat gebeurde... zonder mijn toedoen altoos!quot;
«Natuurlijk, de Gezalfden des Heeren plukken alleen de vrucht..! Het gebeurt, ik ben er zeker van... Gister ontmoette ik een heks, een echte, en die zei me dadelijk, dat ik groote dingen wou doen; groote dingen, die me onrustig maakten, maar dat ik binnen een week rust zou krijgen... Dus zal ik mijn wensch vervuld zien..!quot;
\'t Was een profetie, en daarvoor was Jakob altijd teergevoelig geweest! Voor elk mysterie boog hij gaarne, voor het ongerijmdste het gauwst en het diepst. Een kreet van blijde verbazing ontsnapte hem dus ook nu bij Kates mededeeling, die zijn aandacht zóózeer in beslag nam, dat hij er niet op lette, dat haar adem geheel anders als gewoonlijk ging.
De Graaf de Lauzun ontving het bevel, zich bij de Koninklijke karos te vervoegen. Deze stond stil toen hij aankwam en werd na zijn vertrek dadelijk omgewend.
De Koning had zijn straks medegedeelde lofrede op de soldaten, die hem omringden en op de schranderheid zijner reisgenoote, ook tegen den Franschen bevelhebber luide doen klinken en toen zijn besluit doen kennen om den vijand te staan. De Lauzun, hoe
231
232 DE KAPTEIN TAN DE LIJFGAUDE.
%
vreemd! deed nu geen enkele tegenwerping meer hooren. Droeg die dan ook al kennis van de voörspelling? Slechts merkte hg met de vroegere bedachtzaamheid aan, dat men meer dan ooit er voor had te zorgen, het terrein in zijn voordeel te krijgen, \'s Konings leger toch was kleiner in aantal, en dat wist men daar ginder heel goed, want altijd waren ze op hun tocht bespied. Nog straks had men jacht gemaakt op een dus genoemden »doode-kop.quot;
»Juist! Juist! Kate heeft het goed ingezien,quot; riep Zijn Majesteit; de Lauzun boog met een glimlach, die iets smadelijks had. »Dus ge erkent zelf, wel wat al te voorzichtig te zijn geweest?quot;
»Neen, Sire! Maar onvoorzichtigheid kan in sommige omstandigheden voorzichtigheid worden.quot; Hij boog het hoofd het portier van het rijtuig in en vervolgde hoog ernstig en met halve stem: »Zoo even werd mij gemeld, dat een infanterist gister tegen den middag gestorven is aan »de ziekte.quot; \'t Was een mijner land-genooten, een die somber en aantrekkelijk van aard was, en voor de zoodanigen moet de blauwe pest al zeer gevaarlijk zijn . . .quot;
De Koning verbleekte; hij wist wat machtige vriend die verschrikkelijke ziekte in den vorigen herfst was geweest. Welk een Heilige had hij beleedigd, dat de vriend nu in een vijand dreigde te veranderen?
»Zoo op eens verschijnt die ziekte toch niet,quot; merkte de Gravin van Dorchester aan.
»De kompanjie, waartoe de jongen behoorde, kampeerde eergisteren op het veld, waar Schombergs pestzieken van verleden jaar begraven liggen.quot;
j â |r»Daar moeten we dan geen stelling kiezen,quot; riep Jakob haastig. »Ja, nu begrijp ik waarom ge naar een spoedig eind verlangt. Ik ben voor géén ziekte zóo bang Iquot;
»En uw soldaten denken er ook zoo over! Bovendien zijn de windsels en het verband van de wonden op het lijk niet gevonden. Men vermoedt een schelmstuk van een verrader. De ziekte is... zéér besmettelijk!quot;
De laatste woorden werden weder zeer ernstig en nog zachter door de Lauzun geuit.
gt;Ook dat nog!quot; zuchtte de oude man.
»Zit toch zoo niet te jammeren; anderen hebben \'t veel zwaarder, en doen het niet!quot; Kate sloeg, terwijl zij|deze bitse woorden sprak, het regenkleed nauwer om zich heen, leunde tegen een der stijlen van het rijtuig en bracht bijna bij iederen schok de hand aan het brandende voorhoofd.
Het geheele leger was weldra omgezwenkt en had front gemaakt tegen de rivier de Boyne. Het oploopend terrein bood daar een goede sterke stelling aan; de rivier waarnaar het terrein afbelde, een voortreffelijke dekking.
UE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE. 233
0
De tent Zijner Majesteit werd op de hoogten van Donore opgeslagen; vlak daar naast eene voor de Gravin van Dorchester. De lersehe dames en de vrouwelijke bedienden hadden gebeden terug te gaan, wat haar goedgunstig was toegestaan. Hoe Jakob er bij Kate ook op had aangedrongen dat voorbeeld te volgen, het was vergeefsch geweest. »Waarom zou ik het doen?quot; had ze op doffen toon geandwoord. »Ik heb niets als mijn wraak overgehouden, en mijn wraak is hier.quot;
Wie sloop daar uit haar tent, die juist klaar was gekomen en die ze betrekken ging? Een soldaat, die ze er naar vroeg, and-woordde, dat het de waschvrouw was, die al twee dagen lang voor schoon linnengoed had gezorgd.
Een kanonschot en een luid gesprek aan de voorhoede dicht bij de rivier trok spoedig Kates onverdeelde aandacht. Jakob stond in een oogenblik naast haar. Een kruitwolk hing over de rivier. Nogmaals dreunde het geschut en weldra kwam een estafette aanrennen met het schier ongeloofljjk bericht, dat de Overweldiger, die zich roekeloos had bloot gegeven, door een kanonkogel was aangeschoten. Een tweede boodschapper kwam het bericht bevestigen en voegde daar aan toe, dat men hem op den kop van zijn paard had zien neervallen; een derde volgde zijn beide voorgangers als op den voet en verhaalde, dat alles in \'s vijands kamp in verwarring was en de lersehe infanterie, die het dorp Old-Bridge bezet hield, waar tegenover het gewichtig feit was voorgevallen, niet binnen de liniën te houden was en onstuimig verlangde dadelijk aan te vallen en de verschrikte rebellen te verslaan.
»Dat is Gods han\'l!quot; zeide Jakob, zich devotelijk kruisende.
»De voorspelling van de heks!quot; fluisterde Kate aan zijn oor.
»\'t Zou zelfs al te gauw wezen!quot; hernam Zijn Majesteit.
»Als Gods hand in \'t spel is?quot; merkte Kate stekelig aan. »En mocht die het weer niet goed hebben gedaan, dan zal mijn hand beter slagen, al is \'t nog niet zoo gauw. De Hollander geeft zich zoo licht bloot, dat zei de Lauzun me.... Wat is \'t koud! Ik ga naar binnen. Krijg je bericht, dat de smuichert gevallen is, laat mij dan roepen, dadelijk roepen!quot;
Het bericht was niet geheel verzonnen geweest.
Met de gewone voortvarendheid was Koning Willem, die eindelijk den vijand had zien stand houden, de stelling van dezen gaan verkennen. Uren lang had hij, omgeven van zijn hoofdofficieren, de rivier langs gereden, zijn eigen regimenten verdeelend en ordenend, de liniën van den tot staan gekomen vijand verkennend.
Van het krieken van den dag reeds te paard, steeg hij op zekere koele plek af en beval hij, het maal voor zich en zijn gevolg klaar te maken. De vrachtpaarden werden ontladen, de cantines geopend, een tafellaken over het gras heengespreid. Terwijl hij en de zijnen
UK KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
het zich goed lieten smaken, verschenen aan den tegenoverlig-genden oever der rivier eenige ruiters. Er waren er onder, die begrijpen konden wie daar ginder aan de overzijde neerzat te midden van een schitterenden stoet. Ze zonden om artillerie en deden een paar veldstukken verdekt opstellen. De Koning, die het maal had geëindigd en weer in den zadel zat, was het doelwit. Het eerste schot raakte een van de pistoolhalsters van Prins George van Hessen en deed het paard van dezen neerstorten; het tweede, een zesponder, raakte Zijn Majesteit. Gelukkig schramde de kogel jas en schouder alleen en veroorzaakte slechts het verlies van een ons bloed.
Zijn Majesteit was echter op den kop van zijn paard voorover neergezonken. Dat was in \'s vijands kamp gezien en deed er een oorverdoovend gejuich opgaan. Aan déze zijde was er een oogen-blik van groote ontsteltenis. Solms wierp zich in wanhoop op den grond en borst in tranen uit. Maar Zijn Majesteit had zich het volgend oogenblik weer opgeheven en zat rechtstandig in den zadel. »\'t Heeft niets te beteekenen!quot; riep hij opgeruimd; »toch kwam de kogel dicht genoeg.quot; Nauw gunde hij Sinjeur van Loou den tijd hem te verbinden. Hij had haast zich aan zijn troepen te vertoonen. Hij reed al de liniën langs, waar hij met uitbundig gejuich werd begroet. De band tusschen hem en zijn manschappen was door het gebeurde nog hechter geworden.
Hij bleef te paard, alles bezichtigend, allen bemoedigend, onder den geschutdonder, die aan weerszijden den gantsehen dag aanhield. Lang na zonsondergang hield hij nog bij toortslicht een laatste inspektie, en zag hij toe, dat alles den volgenden morgen klaar zou zijn, om de rivier op de doorwaadbare plekken te forceeren. Ieder soldaat moest op zijn hoed een groen takjen dragen als her-kenningsteeken. Het wachtwoord was ^Westminsterquot;. Hij bad dien dag negentien uur te paard gezeten en was moede naar het lichaam, maar naar den geest vroolijk en opgewekt.
»Ja wel, we kennen dat!quot; bromde Jan Bijtmenie, de oude jagers-knecht, die in zekeren Oktobernacht een lammen arm had opgedaan, maar niet-te-min er op gestaan had meê naar Ierland te gaan, om op tijden als niemant meer kon oppassen er voor twee te waken. »Na zoo\'n mooi weertjen komt er meestal donder, en dan hebben de naasten bij hem er maar den last van.quot;
Hij had gezorgd voor een kruik water, die hij in de schaduw en in den wind frisch had gehouden; zette, erg boos dat hij geen pint melk had kunnen machtig worden, de kruik voor het veldbed, en viel toen voor de barak onder den blooten hemel op een oude mat in een hazenslaap neer.
lt;1- i
234
XI
\'t Was nacht. Slechts de starren straalden licht uit. Omhoog alzoo een mat zilveren schemer, omlaag halve duisternis. Daar ginder, uren van de Boyne af, had een vrouw in een klein dorp-jen eenige mijlen ten zuiden van Belfast onder het nederig dak van een werkman rust gezocht en in de laatste dagen ook gevonden, voor \'t minst in zulke mate, dat de krachten, welke voor goed haar hadden schijnen te begeven, ten deele tot huar waren terug gekeerd.
Uitgeput was ze een week geleden te Belfast aangebracht, begeleid van eenige bar-uitziende, maar jegens haar vriendelijke, soldaten, waarvan er een haar een som gelds ter hand had gesteld, met de dringende uitnoodiging daarvoor in het nabijliggend dorp Carrickfergus een boot te huren, om haar naar Engeland terug te voeren. Wel verre van daaraan te voldoen, had zij, zoodra ze zich weer zonder pijn bewegen kon, Belfast in zuidelijke richting verlaten, het land alzoo dieper intrekkend en den weg weder inslaande, van welken zij met zoo veel moeite naar de vesting in veiligheid was gebracht. Koning Willeai\'s leger was de magneet, die haar onweerstaanbaar aantrok. Maar telkens als zij het doel meende bereikt te hebben, werd zij door de uitgezette posten teruggewezen. Brandewijn en vrouwen waren verboden waar, en met Zijn Majesteits dagorders viel niet te spotten. Zij moest wel in het dorp achterblijven, waar zij zich nu bevond, maar wachtte op de eerste de beste gelegenheid om verder te gaan. Zij werd gedreven. Een gedachte had zich bij haar vast gezet, en wat tedere stemmen haar ook in de nachtelijke stilte toeriepen terug te keeren, zij wilde ze niet hóoren, voor \'t minst niet volgen.
\'t Was nog nacht, en toch was zij reeds ten bedde uit, angstig spiedend naar het ochtendrood.
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Zij moest weg, nog eer het dag werd.
Had den vorigen avond het gerucht ook niet de ronde gedaan, dat een veldslag nabij was? dat die slag aan de Boyne zou geleverd worden en dat daar al wat wapens droeg heen was getrokken ? Aan de Boyne tegenover Old-Bridge! \'t Was, naar haar verteld was, bijna een dag reizens. Zij moest daarom zich haasten. Maar ze kon zich toch onder den kogelregen niet wagen, werd haar door de vriendelijke dorpelingen te gemoet gevoerd. Beter ware t voor haar aan te komen tegen het eind van den slag, die wel langer dan een dag zou duren, en dus nu nog wat te rusten. Zij had daarin berust, was haar schamele bedsteê weer gaan opzoeken, maar had den slaap niet kunnen vatten. Daar purperde de Oosterkim; de reis mocht nu niet langer uitgesteld. De ezel, waar ze op gekomen was, stond gezadeld en werd door haar bij den toom gevat. »Het was nu nog koel,quot; zeide ze met een glimlachjen op het bleek ingevallen gezichtjen, zoodat ze de krachten van den langoor voor later, als zij ze noodig had, sparen kon.
jgt;God geleide u!quot; riepen haar huisbaas en diens vrouw haar bij het afscheid toe.
Terwijl beiden haar naoogden, schudden zij meewarig het hoofd.
»Ik houd haar voor niet wel bij \'t hoofd!quot; merkte de man aan. De vrouw stemde dat toe, maar gaf daarbij te kennen, dat dezulken dikwijls aangeblazen werden door den geest Gods.
Bijna terzelfder tijd werd er beweging bespeurd op de hoogte van Donor e.
In de laagte lag het dorp Old-Bridge-, daar was den geheelen nacht slechts het gonzen der insekten, die zich vermeiden in den zwoelen dampkring, en het aanroepen der schildwachten gehoord ... Dubbele posten, op korte afstanden uitgezet rondom de koninklijke tent, waarop de kleuren van Stuart en Bourbon slap neerhingen, riepen elkaar droomerig het wachtwoord toe. Er werd achter het doek der groote tent vast en diep geslapen, zoo meende de dichtst bij staande schildwacht, maar in de kleinere daar naast ging het minder rustig toe. Daar was in den voornacht al gekreund en gezucht, en werden heel vreemde geluiden voortgebracht, als van stemmen, die niet veel van menschelijke hadden.
»Wat deed die vrouw, die toch maar een gemeen wijf was, in zulk een kostelijke tent!quot; bromde de Fransche infanterist, die, uit nieuwsgierigheid, bij het schilderen telkens een stap verder ging dan hij behoefde, en van de koninklijke tent afdwaalde, om die »van het gemeene wijfquot; nader te komen. De nieuwsgierigheid bekwam hem ten slotte slecht.
Het was aan den horizon ten Oosten al wat lichter geworden; de dampen, die daar hingen, werden licht purper getint. Beneden in het dorp zag hij de lersche infanterie, en achter deze de Fransche,
236
DE KAPTEIN VAN HE LIJFGARDE.
tot welke ook hij behoorde, in beweging komen en zich opmaken naar een huis, tot cantine ingericht; verderop aan de andere zijde der rivier, in den nevel niet duidelijk waarneembaar: donkere gestalten, bij wijlen glinsterend en lichtgevend â zeker de aangestoken lonten, in de harnassen weerkaatst! -â in den dunnen wadetn als spoken met telkens wisselende omtrekken zich afteekenen. Hij stond er naar te kijken, toen hij plotseling een rauwen gil achter zich hoorde. Hij wendde zich snel om en zag â zijn kniën knikten, zijn hart stond een oogenblik stil! â een gedaante, geheel in het wit, met loshangende kleeren, de borst ontbloot en, daarop een hand â een scherpe klauw leek het wel â krampachtig woelend en slaande, terwijl een andere een vuilen lap vasthield, welke met alle teekenen van afschuw werd weggeslingerd, hem, den angstig starende, bijna in het gezicht! Langzaam van den schrik bekomen, bracht bij de hand aan den trekker van zijn musket en wilde hij aanleggen; maar zij trad op hem toe, waarop hij ijlings retireerde en de naastbijslaande wachten aanriep.
Welk een nacht! Wat was daar in die tent voorgevallen? Kate was reeds vreemd te moede geweest, toen zij haar den vorigen middag was binnengetreden. Het laatste uur in het rijtuig doorgebracht was haar al een foltering geweest .. . Als ze maar eens kon slapen, dan zouden die gejaagdheid, dat kloppen van haar slapen, die pijnen in het hoofd wel bedaren! Zij beproefde \'t, maar kon niet en had al den tijd voor de bitter-zoete opmerking, dat de oude naast haar zoo lief was, om haar de gelegenheid tot rusten niet te ontnemen! Zij hoorde niets van hem als zijn snorken. Zij wentelde zich om en om op het donzen leger en kon zich maar niet losmaken van die éene afschuwelijke gedachte, welke bij de laatste woorden van de Lauzun bij haar eensklaps was opgerezen. Er was een pestziekte . . . Sombere, veelbewogen gemoederen waren \'t meest vatbaar voor besmetting, en de besmetting was overal. ..!
Daar kwam de verdooving al! Maar die pijnen door \'tgeheele lichaam, die steken in de hersens vooral, deden die verdooving telkens wijken. Daar zag zij haar kind .. . uit het water zoo even opgehaald...! de roode vuist van den Hollander om haar hals geklemd...! haar Maud, wie de stijve tong uit den mond hing en die daarmeê nog kon spreken, want ze hoorde zich toesissen; »een beste moeder! betere liggen nog onder de galg begraven!quot; »Help! Help!quot; had ze toen gemeend te roepen. En toen kwam er een ander gezicht voor haar bed, dat van een oude gemeene feeks, die op haar rug wees en haar grinnekend toeschreeuwde: »Je hebt de pest!quot;
»Water! Water! het brandt me!quot; Ja, dat had ze werkelijk geroepen, dat herinnerde zij zich nog, toen ze op de bloote voeten stond te bibberen en naar water zocht op haar waschtafeltjen en
237
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
maap. een leege kan vond. Wat werd er toch goed voor haar gezorgd ! En ze had met de handen getast en in haar bed gevoeld naar iets wat haar in de lenden zoo pijnlijk gedrukt had, en ze had een lap te voorschijn gehaald, die er niet hoorde, een bebloede vuilrie-kende lap, die niet van haar kon zijn, maar wel behoord had kunnen hebben aan den vileyn, die eergister gestorven was aan... de ziekte! Die lap, ze was misschien door Kit daar neergelegd, door Kit, â misschien wel de waschvrouw, die zich gister zoo gerept had, de tent te bezoeken, en dat nog wel zonder daartoe geroepen te zijn. Kit met den blooten bloedenden rug...!
Naar lucht snakte ze. Ze stond buiten...
»De pest! de pest!\'\' gilde ze. Afschuwelijk! de besmetting hield ze nog altijd in haar hand! Maar die kon ze van zich afwerpen en ze deed het..!
»Jakob!quot; schreeuwde ze, ))Jakob! Stuur hulp!quot;
Daar traden een paar Officieren nader. Ook deze deinsden ontzet terug; vooral toen ze vernamen, aan welke ziekte die havelooze met de loshangende in het rond zwierende grijze hairvlechten zelve verklaarde te lijden ...
De Koning werd gewekt en stoof het bed uit toen hij hoorde wat er gaande was. Hij riep zijn kamerdienaar om hem ten spoedigste aan te kleeden. Erg wrevelig was hij; hij had zijn nachtrust zoo hoog noodig om de kracht te verzamelen, die hij vroeger had gehad, de kracht om moedig te zijn.
»Het mensch wordt erg lastig,quot; prevelde hij; en terwijl hij werd aangekleed, zag hij haar voor zich: leelijk en afzichtelijk mager, uitgedroogd als een stokvisch. Hij durfde niet wegblijven; hij moest wel naar haar toe gaan. Toen hij echter vernam wat Kate had geroepen, was hij dadelijk van besluit veranderd. In eens klonken hem de vermaningen der Kerk in de ooren. Hij had zoo dikwijls reeds beloofd zijn betrekking met haar af te breken. In Dublin nog was \'t hem aangezegd. Wat lieve Heilige had zich over hem ontfermd en hem nu in staat willen stellen, voor goed van haar te gaan, en nu niet alleen ten eigen bate, maar â \'t klonk daarbij zoo goed! â ook ten nutte van allen. Zoo zij hier bleef kon zij het geheele leger aansteken I Al de dapperen... die voor hem vochten... die voortreffelijke Christenen!
«Stuur om den geneesmeester, maar niet den mijnen... Een ordonnans naar Mijnheer de Lauzun! Zadel een paard voor me en laat het wachten achter mijn tent! Niemand toelaten als Mijnheer de Lauzun... Gauw! Gauw!quot; riep hij driftig.
Mijnheer de Lauzun was reeds op weg naar hem toe. Bij had een gewichtige tijding. De rechtervleugel van \'s vijands leger was op weg naar de brug van Slane, met het doel daar over de rivier te komen en dan de linkerflank van het lersche leger om te trek-
238
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
ken en de engte bij Duleck te bezetten, waardoor de terugtocht n;iar Dublin zou zijn afgesneden.
»Ik heb een regiment Dragonders naar de brug gestuurd en Isat straks de Fransche Infanterie volgen. Wij moeten \'t den vijand beletten ... tot eiken prijs beletten, want alles hangt van het bezit dier stelling afquot;, riep hij.
sik ga dadelijk met u, Graaf! We moeten dat beletten, zeker... zeker ...!quot; zei Zijn Majesteit met een ongewone uitdrukking van blijdschap. Hij trad haastig zijn tent uit, schuw het hoofd van de andere afgewend.
»Jakob!quot; hoorde hij een heesche stem achter zich, »ze willen me niet door laten. Jakob ...! Jakob!quot;
»Breng haar, als de meester bij haar geweest is, onder goed geleide het kamp uit naar een alleen staand huis. De meester moet daar met haar heen gaan en er blijven ... er blijven, hoor! Niemant van u mag haar aanraken... niemant. .. niemant!quot;
»Jakob!quot; hoorde hij nogmaals, maar ditmaal uit de verte.
sik mag niet.. . ik mag niet,quot; prevelde Jakob. »Als Christen .. . als Koning mag ik niet. . .quot;
Zelden had hij zoo goed als nu geweten wat plicht was.
De verbeelding doe ons eenige oogenblikken terugtreden en de rivier ovei-zweven.
Het is nog nacht. In het eikenwoud, dat de uiterste post, door de doode-koppen eens zoo wakker verdedigd, aan éene zijde dekte en thands aan den rechtervleugel van Koning Williams leger paalt, â¢dringt zelfs het matte starrelicht niet door, dat over de vlakte nog een schemer spreidt. De weg, die er door loopt, is de weg naar de brug van Slane, de eenige overgang naar de overzijde, sedert de kleine houten brug, door de bezetting van de voorpost aangelegd, door de vlammen was vernield.
Te midden van het wasemend lager geboomte staat een soldaat, aan zijn kleeding dadelijk als een der doodekoppen herkenbaar, te wachten en van tijd tot tijd naar boven te turen, als of hij naar den tint van het blauw omhoog het uur van den nacht wil berekenen. Het zweet parelt op zijn voorhoofd; de voeten dragen hem moeielijk. Begeerig snuift hij de nachtlucht op, al is die ook meer lauw dan koel. Hij is van een gevaarlijken tocht terug gekeerd en, zoo als \'t bleek, bij tijds op zijn post.
Is \'t de vermoeidheid, die hem zoo weemoedig stemt, die hem 2,00 week maakt, die bij hem de gedachte aan een spoedig sneuvelen doet oprijzen en vasthouden? Weer onderzoekt hij zich zeiven. Weer dwalen zijn gedachten naar de moedige vrouw, die hem vergeven heeft, die hem lief heeft met grooter kracht dan de vurigste dochter van het zuiden bezit... naar de kinderen, verre...
239
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
verre van hetn...! Maar weer klinkt het even droef: »Ik kan mij zeiven nog niet achten... ik kan nóg niets stellen tegen over hunne minachting, die ze verbergen zullen onder hunne liefkozingen, maar die ik zal blijven bespeuren!quot;
Het krijgsmansleven echter vraagt de onverdeelde inspanning van alle vermogens. Hoe heerlijk is die eisch! Hoe gaarne voldeed hij er aan! Het verleden weggebannen! Slechts geleefd in het oogenblik! Daar deint de grond in zijn nabijheid onder de geregelde voetstappen van soldaten. De regimenten Portland, Ben-tinck en Douglas, Hollanders en Schotten, trekken zwijgend het bosch door. In hun midden reed de zoon van den ouden Schomberg.
Het angstig verbeid oogenblik is daar. Hij treedt uit het bosch te voorschijn. De eerste ochtendschemering is ook het woud ingetreden en doet hem door de anderen onderscheiden.
Een gemompel van goedkeuring werd gehoord. Meinhart Schomberg reed voor; vlak voor diens paard blijft de ander staan.
»Welnu?\'\' vraagt gene.
»Vier mijlen van Slane is de engte van Duleck____De weg
naar Dublin loopt erdoor heen en is daar zoo smal, dat geen twee wagens elkaar kunnen passeeren; aan weerszijden moerassen waar nu een voet water staat. De engte is nog niet bezet en de brug van Slaue ook nog vrij! Het golvend terrein kan een half uur lang de marsch dekken; dan kan de Ier u zien, maar dan zijt ge hem meer dan een half uur vóór!quot;
»Goed... Uw naam?quot;
* Monsieur Charles van \'t regiment Caillemottelquot;
»Dezelfde dus, die reeds eens bij dagorder werd vermeld, \'tZal vandaag weer gebeuren. Monsieur Charles!quot;
Deze boog en trad terug, waarna de regimenten in alle stilte hem voorbij gingen. Menig officier groette hem, maar hij merkte het niet op of wilde dat niet. Toen het achterste gelid de bocht van den weg was omgeslagen, liep hij in een andere richting het bosch in, een smal pad langs, dat hem voor het versplinterd houten hek der verschansing bracht, welke een week geleden door hem en zijn kameraden was verdedigd. Hij trad het huis in, na door de schildwachten op de half verbrande brug, waarover nu slechts een loopplank lag, herkend en gegroet te zijn. Daar lagen zijn beste kameraden te rusten en in e\'en hoek de steeds meêgevoerde overlooper, dien Monsieur Charles nog maar altijd niet de eer om wapens te dragen kon waardig keuren. Hij had groote behoefte aan een hall\' uur slapens. Hij zou er aan toegeven... een half uur slechts! Hij was gewoon altijd wakker te worden op den tijd, dien hij bij het ter ruste gaan daarvoor bestemd had.
Maar ditmaal had de óververmoeidheid het gezond gestel kwade parten gespeeld en de rust genomen, welke zij noodig vond.
240
DE KAPTEIN VAN J)E LIJFGARDE.
Toen hij van den stroozak opsprong, stroomde toch het volle zonlicht hem tegen, dreunde de grond en golfde de lucht, \'t Was de donder van het geschut in de verte. Hij luisterde... Het centrum was zeker slaags en beproefde de Boyne te doorwaden â een zeer gewaagde aanval, zoo als hij gister reeds oordeelde, toen hij naar de ordre de bataille, die toen reeds een begin van uitvoering kreeg, den toeleg van den Opperbevelhebber vermoeden kon.
En daar, op de eereplaats, lag zijn regiment! Hoewel hij niet op het appèl verwacht werd, had hij zich toch voorgenomen aan het waagstuk deel te nemen en dan te zien of hij maar altijd schotvrij zou blijven!
Spoedig dus daarheen, waar al zijn kameraden hem reeds bleken voorgegaan!
Allen, tot zelfs... de overlooper! Ja, Jones was meê! Zou die melkmuil dan toch werkelijk moed hebben? Zou hij een leven van ongebondenheid en luiheid willen boeten en zoo mogelijk uit-wisschen ... ?
Maar... waar waren zijn bovenkleeren, zijn hoofdkap, zijn wapens? Daar lag niets als de hem ontstolen hoed, dien hij Jones had laten behouden, en de half versleten rok van dien... Ja, hoe zou hij den libertein betitelen? Weer kwam de gedachte aan verraad bij hem op! Hij moest hem achterna... hij moest hem rekenschap vragen, hem en den kameraden ook, die de ruiling hadden toegelaten.
Hij had, met hoeveel weerzin ook, zich gekleed met hetgeen
hij gevonden had____ Hoe ellendig voelde hij zich in dien te
nauwen overrok en zonder degen, zonder kruit- en kogeltasch, zonder musket...! Gelukkig, zijn pistolen hield hij steeds bij zich op den stroozak en had hij behouden! Die pistolen waren nog geladen! Op marsch! Op marsch! Hoor, daar schettert de krijgsmuziek in de verte, maar, naar \'t zijn geoefend oor toeschijnt, van de overzijde der rivier! De overgang is dus gelukt; de strijd is nu man tegen man! En hij is nog hier, bonzend tegen de deur, die van buiten gegrendeld is, met de handen aan de ijzeren staven, die kruiselings de vensters afsluiten ...! Dat is verraad ! Dat is niet het werk van zijn kameraden, maar wel van den fielt, die zeker alleen achter gebleven was en toen zijn kans schoon had gezien om den eenige, die hem naar waarheid had beoordeeld, onschadelijk te maken.
»Opent!quot; schreeuwde hij met al de kracht zijner longen. De zijnen moesten toch een wacht hebben achtergelaten. Green andwoord ! Gevangen, en hij hoorde, maar nu heel flauw, de tonen van het Wilhelmus, herhaaldelijk verdoofd door musketgeknetter.
241
Gevangen...! Tot onmacht veroordeeld, en dat misschien op het oogenblik, dat het verraad zijn lagen legt en zijn strikken
â¢16
KAPT. VAN DE LIJFGARDE. â II.
1)E KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
spant! In hechtenis genomen door den vilein, wiens toeleg hij verijdelen wou en die bij slot van rekening slimmer dan hij bleek te zijn! Zijn forsche vuist hamerde op de deur, maar deze bleek onwrikbaar; zijn handen omklemden de ijzeren staven: ze werden ontveld, maar vermochten niets.
En de sekonden werden minuten en de minuten uren! Eindelijk... eindelijk, beweging in den omtrek..! gedruisch, dat steeds beter gehoord werd...! Toen; dicht bij, aan den kant van de houten brug, kraken, trappelen, het losbranden van eenige musketten en ten laatste: een hoop gewapend volk met een witten doek â het herkenningsteeken der Jakobieten â om den hoed of om den arm, woest tierend, de verschansing overrennen!
»Veilig! Veilig____ Het bosch in...!quot; riepen ze, terwijl ze de
musketten zonder bajonnet en de ammunitietasschen wegwierpen. Het Vaandel â groen met een rood kruis â lag bet eerst op den grond, \'t Was lersch voetvolk, dat op de vlucht was gejaagd en ordeloos zich verspreidde.
»Vrienden, verlost me!quot; riep hij, nadat hij zich den witten doek, die bij de achtergelaten kleederen gevonden was, om den hoed had gewonden.
Eerst een algemeene schrik, die velen zonder onderzoek het bosch deed ingaan! Bij het herhalen van den aanroep waagden zich evenwel enkelen het huis te naderen en door de vensters naar binnen te gluren.
»Is er wat te halen ?quot; werd er reeds geroepen. De hoop op buit was een oogenblik sterker dan de schrik. Eenige musketten werden opgeraapt en daarna de deur geopend.
»Ze hebben ine hier gevangen gezetâ ik wil meê.... Neemt wat van je gading is...!quot; klonk het in zuiverder Engelsch, dan zij spraken, wat hen een oogenblik wantrouwend maakte. Maaide man droeg het herkenningsteeken en sprak, zooals er meer in de nabijheid van den Koning werd gesproken; hij was ongewapend,
en____wat kon het hun ook schelen? Ze waren het kwijt----en
de Blauwen en de Doode-koppen zaten hen op de hielen, en wat nog meer was ; de pest ook! Ze weifelden; maar daar klonk het eensklaps onder den hoop: »de Noren! de Noren!quot; en bij dien uitroep paarde zich het bijgeloof aan de lafheid, want allen kenden de Godsspraak van voor eeuwen, dat de laatste ure voor groen-Erin zou slaan als de blonde hairen en baarden van Kanuts onderdanen zich gewapend in het land vertoonden!
»Vlucht! Vlucht!quot; En allen liepen als bazen en lieten den bevrijden gevangene aan zijn lot over.
De slag scheen reeds gewonnen, en het was... ja zeker wel drie uur in den namiddag! Welk een tijd had hij verslapen en als gevangen man doorgebracht! Hoe vele uren had hij Jones uit
242
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
het oog verloren! Maar als alles over was en de Koning overwonnen had...!
Neen, alles was nóg niet over____Daar donderde het geschut
weder, verder dan hij \'t straks had gehoord, maar heftiger! De strijd scheen nu het heetst aan den linkervleugel, en dien kom-mandeerde Zijn Majesteit, in persoon. Zijn Majesteit, die zich nooit aan den kogelregen stoorde, die altijd vooraan was en dikwijls in het midden van \'s vijands gelederen! Hij stond op de loopplank â¢der brug en verkende even den omtrek. In de verte over de vlakte: wolken van stof, opgeworpen door een bonte zwerm vluchtelingen. Het saamgeraapte volk was uiteen gestoven. Wat wonder ook! Links van hem lagen de hoogten van Donore. De twee tenten, welke daar in den vroegen ochtend nog stonden, waren verdwenen. Om die hoogten heen eenige veldstukken zonder manschappen.... Maar daar achter scheen nog gevochten te worden...!
Wat klaagtonen in zijn nabijheid 1 \'t Waren kreten, rauw en ruw uitgestooten! Ze kwamen uit het bosch aan de overzijde.
Wat vreemde gedaante waggelt daar de boomen langs, op de rivier toe ... ? Ze wil zeker drinken, maar slaat bij de poging neer. Hij snelt naar haar toe: hij staat voor haar...
»De pest____ de blauwe, ben je niet bang zoo als de anderen?quot;
kermt ze, de verwarde hairen uit de oogen strijkend.
Hij heeft in zijn hoed water geschept en is tot haar terug gekomen. Hij buigt zich tot haar over, om haar de verfrissching, waarnaar de heete lippen smachten, in den mond te gieten en ziet haar oog^n vuriger en vuriger blikken werpen, de linkerhand vol geronnen bloed opheffen en naar zijn aangezicht slaan.
«Ellendeling! Ja, raak me maar aan â word als ik... besmet ... besmet 1quot;
»Zij was krankzinnig, maar niet lijdend aan de ziekte,quot; had uren geleden de Fransche meester verklaard.
Niemant had hem echter geloofd, \'t Was zijn belang, meende ieder, om zoo iets te verklaren, want anders had hij bij dat schepsel moeten blijven. »Het was een zieke, die zich in een ijlende koorts zoo iets inbeeldde,quot; hield de geleerde man vol. »Die vrouw moest rust hebben en daarom van het slagveld worden weggebracht, zoo spoedig en zoo ver mogelijk,quot; sctireef hij verder voor. Men liet den geleerden man praten en zorgde er voor, haar uit den weg te gaan. Toen hij verdwenen was, om den Koning rapport te brengen, waren officieren en manschappen alleen \'s mans laatste uitspraak indachtig. De pestzieke moest weg... vér weg. .! Men beval het haar; zij werd woedend en bedreigde allen. En de trompetten riepen hen juist naar de laagten, naar het bedreigde dorp! Toch stompten de musketkolven haar de hoogten af en zond een der haastigste soldaten haar een kogel na, om haar
243
DE KA PTE FN VAN DE LIJFGARDE.
bang te maken en tot sneller loopen te verplichten! \'t was zoo kwaad niet gemeend, maar de rechterpols was geschramd en de top van zijn pink gereten.
En zoo was de Gravin van Dorchester naar wat schaduw heen gestrompeld en lag zij, als verlamd onder de weeën in haar hoofd en de pijnen aan haar eene hand, schreiend en dan weer vloekend neer.
De moeder van Maud!
\'t Was als stak een hajonnetspits hem vlak in \'t hart. Hoe verouderd ook van gelaat, toch was ze door hem herkend. Hoe vermagerd ook, toch had ze in de trekken nog iets van Maud! Hij had medelijden met haar! Wat plicht ook legde hem het schuldig verleden op! Bovendien, niemant kon geruster dan hij een pestzieke aanraken, in de forsche armen nemen en wegdragen naar veiliger oord. Wat werd er aan hem verloren?
In het huis, waar hij zoo vele bange uren had doorgebracht, lei hij haar neer. Haar vuistslag, terwijl hij haar op de armen voortdroeg, werd niet afgeweerd, haar vervloekingen niet beand-woord. Meer dan hij nu gedaan had kon hij echter niet voor haar doen! Hij trok de deur achter zich aan en vloog heen, den weg op naar het slagveld.
244
XII.
Maar waar lag het slagveld op dit oogenblik? Hij staarde scherp in \'t rond; hij luisterde; hij snoof de kruitdampen, welke hij zag wuiven, begeerig op.
Het geschut dreunde nog altijd aan de overzijde der rivier, waar Jakobs leger had gestaan.
In het bosch aan den overkant, waar straks die vrouw had gelegen, langs de gevlekte stammen der beuken, de ruige der eiken, de zilveren der1 berken, glinsterde nu het staal van den ringkraag, de ijzeren loop der musketten... Honderden bij honderden gleden daar voort in stilte, maar in stipte orde: de eerste kompanjie met musketten, de volgende mei. spietsen gewapend.
Hij was bespeurd. Een kogel snorde hem langs de slapen.. nog een, nóg een! Hij was naar de brug teruggekeerd en stond nu op de loopplank. Daar trad het voorste gelid het bosch uit op de vlakte; ieder hoed toonde een groen struikjen, en ieder man uit de voorste kompanjie legde het musket op hem aan. Hij scheurde het herkenningsteeken van den vijand, dat hij nog op den hoed droeg, af en riep: «Westminster! Westminster!quot;
Door een reet van de deur van het steenen huis loerde een vlammende blik.
Hij stapte over de plank de voortrukkenden te gemoet.
»Sta! Wie zijt ge?quot; werd hetn toegeschreeuwd.
Gelukkig dat hij \'t stuk, dat zijn identiteit kon bewijzen, met andere papieren, voor hem van onschatbare waarde, al waren \'t ook maar enkele verkleurde en gekreukte brieven, steeds in zijn onderkleeren bewaard had... Er stond geschreven: »Eurole le... Monsieur Charlesquot; en daaronder: »Kolonel la Caillemotte.quot; Nauw was de naam van Charles genoemd of de vijandige houding van het regiment werd dadelijk een vriendschappelijke, ja meer
DE KA. PT F, IK VAN DE LIJFGARDE.
nog dan dat! De man, die bij dagorder Zjjner Majesteit was vermeld, die door Zijn Majesteit zelfs in zijn barak was geroepen, stond voor hen. Ãen jong officier van de eerste k om pan j ie trad naar voren en vroeg of bij bem de band mocbt geven. Zwart gebrand door bet kruit was \'t gelaat, gezengd bier en daar de rok, neergetrapt de laarzen, weggereten voor een deel de overslagen van dezen, bovendien alles van den gordel af druipend van \'t natT Maar bet oog blikte vroolijk en de mond had een glimlach.
»Arthur Dudley, Viscount of Pembroke!quot; Dit zeggende stak hij Monsieur Charles de band toe.
En deze had bij bet eerste verzoek reeds de zijne willen reiken aan den jonkman, wien de geestdrift uit de oogen straalde; toch trok hij haar weder terug. Niet de naam echter dien bij hoorde en die hem zoo onaangenaam aandeed, bewoog hem daartoe. Alfred dacht echter dat dit de eenige reden was.
nRancune? op zulk een dag? Ik weet toch óok wie u is! zei Alfred teleurgesteld. »Ge moogt mijn band aannemen... Onze Koning heeft mij toegeknikt en mij op den schouder getikt; hij vond dat ik moed had, en daarover weet niemant beter te oor-deelen dan hij.quot;
De Viscount had den vuurdoop ontvangen en daarin een bad van verfi\'issching en vernieuwing gevonden. De rinkelrooiende melkmuil was eensklaps een man geworden.
»Nadert me niet, dappere kameraden!quot; zei Jtfo/iAieM?\' Charles luid en een stap terug tredende. »Een pestzieke heeft mij straks aangeraakt.quot;
Allen deinsden. Het regiment, dat voor \'t eerst in het vuur was geweest, had den kogel niet geschroomd, maar vreesde de onzichtbare smetstof. De Kolonel, die reeds jaren de slagvelden van het Vaste-land kende en beter vertrouwd was mot den dood in allerlei gedaanten, reed echter voor en wenkte hem op een paar voet afstands naast hem voort te gaan.
* Monsieur Charles, er kan bier geen sprake zjjn van lafheid. Toch vorder ik verklaring van uw hierzijn, terwijl uw regiment in het vuur was en weer vertiend is geworden!\'
Monsieur Charles behoefde slechts enkele woorden te spreken tot verdediging. Hoe zonderling, hoe ongelooflijk die gedwongen gevangenschap ook klonk, tegenover dien man kon de achterdocht niet lang stand houden. De Kolonel, wien de toorn van den moedigen man zelfs wat overdreven voorkwam, dacht hem te bevredigen door de verzekering, dat hij nog wel de geleden schade zou kunnen inhalen, daar de slag nog niet ten einde was. Maar dat Monsieur Charles uit het gevecht was gehouden, was t niet alleen wat dezen neerdrukte en schier wanhopig maakte. Waar was de vilein, die zich van zijn bovenkleeren, van zijn wapens had meester
246
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE.
gemaakt \'? Die kleeren konden een vermomming zijn, die wapens .. I Hij waagde \'t nog niet te uiten wat hij vreesde, dat met die wapens was ot\' nog zou worden uitgevoerd Eenigermate deed Lij \'t gissen, toen hij haastig vroeg: »Zijn Majesteit is toch niets overkomen?quot;\'
»Waarom?... Weet u iets van eenig komplot...? Generaal Ginckel bad Zijn Majesteit van ochtend nog. zich niet als een gewoon soldaat bloot te geven... Ziju Majesteit lachte hem uit... Als zóo iets eens gebeurde!quot;
Hij keerde zich om in den zadel en riep luitenant Dudley toe: «Wie was de Hugenootsche soldaat, dien u van morgen heeft toegesproken?quot;
»Mr. Jones, Kolonel! Vroeger een baas in \'t kornetten en in \'t basset zoo als ik ...quot;
»Dat wordt u niet gevraagd. Sir!quot;
»Pardon, Kolonel!quot; zei de jonge Edelman, die de krijgsreglementen nog niet van buiten kende, maar nu aan éen artikel ervan herinnerd werd op een wijze, dat hij \'t nooit weer vergeten zou.
»Zag u hem met de anderen meé de rivier overgaan in het water?quot;
»Toen hij mij \'t laatst in \'toog viel, hinkte hij op den oever; hij scheen zijn voet verstuikt te hebben, maar zijn nevenman bleek er niet veel meêlij voor te hebben en stompte hem het water in . .
De jonge luitenant had grooten lust te lachen om de dwaze bewegingen, die Jones toen had gemaakt, maar hij bedwong zich nog te rechtertijd. Op een wenk vün zijn Kolonel nam hij zijn plaats aan \'t hoofd van zijn kompanjie weer in.
»Waar kan Zijn Majesteit nü zijn. Kolonel?\'\'
»Aan de overzijde, om er een eind aan te maken. De Pransche infanterie en het beste deel van de lersche ruiterij houdt nog stand tegenover den Graaf van Schomberg. die de engte bij Duleck sinds van morgen al bedreigt en den gantschen dag een goed deel van \'s vijands beste troepen van het centrum heeft doen détacheeren . .
Monsieur Charles knikte toestemmend; hij wist dat nog beter dan de Kolonel.
»\'tls de eenige mogelijke weg. langs welken Jakob ontkomen kan. Wordt hij gegrepen, dan is de priesterslaaf een lijk.\'\'
»Ging \'ter heet toe in ons centrum?quot;
»Was die afleiding niet gemaakt, dan zouden wij \'t hard te verantwoorden hebben gehad. Nu stond alleen wat lersche ruiterij en het lersche voetvolk met enkele Pranschen tegen de blauwen van Solms. de Hugenootsche regimenten en de jongens van mijn eigen regiment. De overtocht werd tegen elf uur beproefd. De helft van mijn regiment bleef als reserve achter. De aanvalskolonne bad het water tot aan de borst. Ik heb zelden op het Vasteland zulk
247
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
een scherp gevecht en onder zulke omstandigheden bijgewoond. Midden in de rivier toch werd het geleverd. Ruiterij van \'s vijands kant tegen onze als een muur staande blauwen en doode-koppen! De schoren van dien muur waren mijn jongens, üw Kolonel Caillemotte is gevallen, en ookquot; â hier poosde de grauwbaard â »en ook onze oude ... onze Schomberg. Hij viel op bet bed van eer ... de held ... en niet alleen held op het slagveld! Ba! Is \'t niet of ik er nog nooit een zag vallen ? \'t Is toch een voorrecht voor ieder van ons!quot;
»Uat is \'t!quot; riep Monsieur Charles.
»Ik ontzette den ouden met mijn eerste kompanjie, waarvan u een der luitenants schijnt te kennen. Een wilde jongen van het ras waar een saletrekel of een overste uit groeit! Maar de oude was dood! Twee sabel wonden in zijn hoofd en een karabijnskogel in den nek! Ik droeg hem zelf weg, terug naar ons kamp mét dien jongen, die hetdeed of\'t het lijk van zijn moeder was! Daar moest ik blijven, zoo luidde het bevel van het hoofdkwartier. Niets doende en mijn vurige jongens morrend aan mijn zij, zag ik van verre hoe de anderen zich roerden. Ze klauterden tegen de helling aan de overzij op; maar telkens rezen er nieuwe regimenten als uit den grond; het golvend terrein had ze bedekt weten te houden. Evenwel hielden en wonnen de onzen grond, en spoedig zag ik, dat het er met de bajonnet op los ging, toen er versterking kwam van den linkervleugel, die door Zijn Majesteit zelve werd gekom-mandeerd en ook zwemmend over de rivier was gekomen. God! God! wat een gezicht! En ik moest stil blijven staan aan den overkant . . ! Tot mijn paard toe wou vooruit! Eindelijk kwam de order: Rechts omtrekken over de brug van Slane. Maar we waren toch al nat en de rechte weg was de kortste ... daarom gingen we maar hier in de nabijheid de rivier in Iquot;
»Maar Zijn Majesteit...? waar zou die zich bevinden?quot;
»Zoo als gewoonlijk zeker: overal, maar nergens te houden!quot;
Zonder dat eenig bevel daartoe was gegeven, was de marsch sneller en sneller geworden. Ieder begreep, dat hij ginder verwacht werd en de slag kon helpen beslissen.
Het dorp Old-bridge, links van hen, achter de hoogten van Do-nore verscholen, was in vlammen opgegaan. Slechts een dikke rookkolom kwam aanwervelen en het regiment, dat nog door verschillende anderen, in reserve gehouden, gevolgd werd, omgolven en omnevelen. Met den smook werden ievens de klaagtonen overgebracht der verjaagde dorpelingen en der honderden gekwetsten om hen heen op den grond, kreunend en kermend. Maar daarnaar niet gezien, niet gehoord! Laat de trommels roffelen, de trompetten en de pauken schetteren! Een vroolijke marsch, waarbij de voeten huppelen en het hart meteen! Daar in de verte, rechts van hen
248
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
af, daar licht een vlam; en nauw is ze gedoofd, of de schorre donder volgt en de gewiekte kogel sist, fluit of gonst door de lucht!
»Holla, jongens! van »Kaptein Schnick Schnackquot; gezongen, die zijn lekkerste worst altijd in den schoorsteen van den boer vond, of nog beter: »van Maggy, die soms haar mans broek droeg.quot; Hurrah, jongens! flink uit de borst!quot; En hij stelde in:
»Het broekkie zat warm, maar het was haar te nauw,quot;
en al de jongens, die vóór twee maanden nog maar onnoozele prengels waren, lachten en juichten en overstemden den nu zoo vroolijken, maar anders zoo barschen ouwen «brandnetel.quot;
Daar flikkerde weer de vlam en daar kwam weer iets aansissen, en eer ze nog recht wisten, wat het was, vlogen eenige armen en beenen over de gelederen heen, druppelde een lauwe regen neer en klonken enkele zuchten . . . kreten . .. gillen!
)gt;En Maggy die pufte en viel puffende flauw!quot;
vervolgde de Kolonel.
Een oogenblik stilte, een oogenblik maar, en toen vielen allen, die de armen en beenen nog hadden en het hoofd nog voelden, in en zongen verder;
«Haar neus, die bleef rood, maar haar facie was blauw,
Geen raannebroek voegt ook een vrouw!quot;\'
»Daar komen weer wat blauwe boonen! Plat op den grond!quot; kommandeerde de »brandnetelquot;. Hij zelf bleef rustig op zijn paard, met Monsieur Charles naast zich.
»Houden ze zich niet goed?quot; vroeg de brandnetel, toen de kogels over hen en de volgende regimenten waren heen gevlogen. »Ze verdienen de mooiste Maggies en Peggies van Dublin. Nu, ik zal wel maken dat zij ze krijgen ook!quot;
»En zoo hij nu eens viel...!quot; prevelde Monsieur Charles, die steeds de oogen goed hield opengesperd.
»Daar, daar!quot; vervolgde hij, en zonder verlof te vragen, maar wijzend op een half ingestort huis, een paar honderd schreden van hen verwijderd, rende hij van hen af, de vlakte over, bestreken door het voortreffelijk bediend geschut der Fransche Artillerie.
In de nabijheid van den aangeduiden bouwval was het overschot van Caillemottes Hugenootsch regiment door Monsieur Charles bespeurd.
Daar moest zich de dief bevinden, die nog iets anders en ergers zou kunnen zijn! Onder den snellen loop gaf hij geen acht op de stukken lood en ijzer, die om hem heen tuimelend voortgierden en in zijn nabijheid wervelend en groevend neersloegen in den grond. Hij had het geladen pistool met overgehaalden haan in de
249
l)K KAPTEIN VAN BE LIJFGAKDE.
hand en bestemde den kogel voor den dief en verrader. Maar was de Edelman-bedelaar dat laatste wel? Had hij ooit het voornemen gehad dat te zijn en, zoo ja, kon bet dan hem niet gegaan zijn als Arthur Dudley, die door den vuurdoop een ander man was geworden... V
Hij was bij de zijnen aangekomen, die hem in de verte niet hadden herkend. Hij deed geenerlei moeite om zich bekend te maken; hij zocht met de oogen.
»Waar is de man met nummer zeven op den rok?quot;
^ Daar achter den bouwval. Hij wou zoo graag mee doen, wat u hem steeds verbood!quot; riep er een van de honderd dertig, die er van het regiment nog waren overgebleven.
sDat is ook de waarheid!quot; bracht Jones huiverend uit, terwijl hij naar voren trad.
Hoe bleek was zijn gelaat, hoe aarzelend zijn houding!
Veel tijd tot vragen en andwoorden was er niet, want daar bliezen de- trompetten den stormmarsch.
»Onze laatste tocht!quot; werd er onder de doode-koppen gefluisterd en daarbij menige hand gedrukt, menig kort, maar daarom des te aandoenlijker, afscheid gestamerd.
Tot. voor \'t aangezicht des Heeren, broeder!quot; lispelde er een.
«Waar we onze ouders en onze zonen zullen vinden,quot; and-woordde een ander.
»Vengeance! Vengeance!quot; zoo klonk hunne leuze, naast die van: »Leve Koning William! Westminster, Westminsterquot; in \'t Engelsch, en de boven alles uitklinkende van: »Leve Zijn Hoogheid!quot; inde Hollandsche taal.
Dat waren xSolms blauwenquot;, en waar die waren, was ook de zege.
De aanvalskolonnes drongen naar voren, omwindeld van rook en smook. De nevenman was bijna niet te zien, maar het punt van aanval daarentegen des te beter door de vlam van de lonten der Fransche kanonniers op de hoogte. En als die vlam was gezien, dan wist ieder wat volgen zou, en dan werden plotseling openingen geslagen in de gelederen en baadde de enkel in een warmen stroom en zag men gelaatstrekken, straks nog vroolijk lachend, overtogen met het vaal bleek van den dood!
Altijd voorwaards! voorwaards!
Het geschut zweeg, want de aanvallers waren de infanterie der verdedigers nabij gekomen en stieten op het carré, door haar gevormd.
Zij konden de Fransche kommandoos hooren, waarop bijna altijd de overwinning was gevolgd: igt;Les cinq premiers rangs genoux a ter re!quot; d Mousquetaires de serre-file. apprestez-vous !quot; vEnjoueâtirez!quot;
Het kommando werd goed opgevolgd, want de musketkogels
250
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE,
ploften en beten in de gelederen der aanvallers. Maar iedere breuke werd dadelijk geboet, iedere opening aangevuld. Voort ging de tocht over de gevallenen heen, die nog geen pijn voelden en nog niet kermden, al trof een met spijkers beslagen voetzool ook de geslagen wonde of het vermorseld lichaamsdeel!
»Dat duurt me veel te lang, jongens! Zijn jelui laffe meiden geworden?quot; zoo grommelde \'t gram over de hoofden door den kruitdamp heen in het Hollandsch.
\'t Was de Generaal Ginckel.
5Vuur! Vuur! en dan er op in... Blauwen, voorop! Of ik ga alleen!quot; riep dezelfde stem.
Een oorverdoovend geweld! Een schok van staal op staal! Een worsteling van man tegen man! Het carré was uit een geslagen â de blauwen waren er in en hielden er schrikkelijk huisl
Waar Solrns Blauwen waren, daar was immers de zege?
Ditmaal toch niet!
De lersche ruiterij, onder bevel van den Schot Hamilton, kwam ter hulp en sneed den overwinnenden aanvaller van den dein-zenden overwonnene af. De steigerende paarden werden op spiets en bajonnet gevangen, of regen er zich in razernij zeiven aan. Ze ontvingen een meestal doodelijke wonde, maar stelden hun berijders tevens in staat hen te wreken. Paarden sloegen neer, maar sloegen onder het neervallen »blauwenquot; en sdoode-koppenquot; te pletter!
Daar was geen voetvolk tegen bestand!
De overwinnaars van van morgen begonnen af te houden. De mannen van Londonderry en Enniskellin verstrooiden zich, en dat voorbeeld werkte aanstekelijk op de nieuw aangeworven Engel-schen. Hadden ze kunnen zien, hoe klein het aantal der verdedigers was en hoe groot het hunne, de verstrooiden zouden zich verzameld hebben...! Maar alle beradenheid was voorbij en de opgewondenheid van straks was afmatting geworden.
Ginckel was woedend en sloeg met het plat van zijn sabel naar de deinzenden!
Boven het gewoel van de nog vechtenden, boven den jubel zelfs der lersche ruiters, steeg eensklaps een bruischen en juichen uit het oosten op, waar de linkervleugel dien dag had gestreden.
De grond sidderde en beefde.
De geheele ruiterij van Zijn Majesteit was in aantocht. Zij had ginder de baan schoon geveegd.
Aan de spitse, wel tien el het voorste gelid vooruit, werd een ruiter gezien met een hoed, die een oranjepluim had gedragen, want enkele veertjens van die kleur beefden nog, maar geknakt, op den rand. In zijn linkerhand hield hij de sabel, want de rechterarm was stijf door het daar omheen geslagen verband. Een
251
DE KAPTKIN VAN DE LIJFGARDE.
kogel had zijn pistoolhalsters meegenomen, een ander de hak van zijn laars. Het zweet gudste hem van het besmookt gelaat; de oogen straalden vuur uit, donker gloeiend, als dat van de ondergaande zon. Maar vroolijk klonk het, terwijl hij met de sabel zwaaide, tot de mannen van Enniskellin, die aan \'twijken waren: »Wat willen jelui nu voor mij doen?quot; Hij werd echter niet zoo dadelijk herkend en een dier burgersoldaten dacht een vijand in hem te zien en legde op hem aan. De ander gaf met zijn sabel het musket een andere richting en vervolgde nog even opgeruimd: »Wat? Ken je je eigen vrienden niet?quot;
»Het is Zijn Majesteit!quot; klonk het thands, en de roep werd herhaald en liep de gelederen door en zweefde de ruimte in, de stelling van don vijand over.
»Heeren!quot; riep Zijn Majesteit tot de stoere burgers, die hem nu omringden. »Nu is \'t tijd te doen zien wat ge kunt.... Wees mijn garde...! Volgt me!quot;
Hij wees hun het spoor, en zij volgden en al de anderen met hen naar de plek, waar ruiters zich op ruiters hadden geworpen en de sabels kletsten en blutsten op de harnassen en helmen, en de paarden, tuk op strijd als hun berijders, elkaar aanvielen en reet het blikkerend gebit wilden verscheuren, en in het schuim, dat om de neusgaten bobbelde, lieten gissen wat razende tochten van binnen in hen vlamden!
Men zag eenigen met den witten band op den helm uit den woedenden hoop afhouden en zich omwenden. Er volgden er meer, maar nu meestal paarden zonder berijders. Een geheel eskadron lersche ruiters zwenkte om en viel op het voetvolk achter hen, dat zich weer had gezameld.
Ja, waarlijk; de dappere lersche ruiterij was op de vlucht en had haar aanvoerder in de handen der overwinnaars moeten laten. Die aanvoerder was de schot Hamilton, die voor eenige maanden als gezant van Koning William naar Ierland was gezonden, en, daar aangekomen, zich tegen den Soeverein, wien hij trouw zwoer, gekeerd had en diens geheimen verraden.
Hij werd gewond voor den vertoornden meester gebracht. Hoe vreeselijk zou de weerwraak zijn! Hij stond met neergeslagen oogen; het brandde in zijn wonde minder dan in zijn binnenst.
»Is nu alles gedaan, of denkt uw ruiterij nog aan vechten?quot; klonk het hoog.
»Op mijn eer, Sire! ik geloof dat ze \'t nog doet.quot;
«Op uw eer? Op uw eer!quot;
Onbeschrijfelijk de toon, waarop die weinige woorden door Zijn Majesteit werden uitgesproken I Ze beten als zout in de wonde.
»Breng hem weg en laat mijn chirurgijn zijn wonden verbinden!quot; volgde er koel en kort.
252
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Voor het nemen eener andere wraak stond hij te hoog.
Zijn Majesteit wilde verder, maar had moeite om door het gedrang heen te komen.
Daar vielen in zijn onmiddellijke nabijheid drie schoten!
Soldaten van velerlei regimenten stonden opeen gepakt in het rond. Het hoopten doode-koppen was te tellen. Gedurende den strijd was er éen geweest, die de eer van het regiment weinig zou hebben opgehouden, indien niet zijn nevenman in gewoon heerenkostuum hem had overheerscht, misschien nog meer door zijn voorbeeld dan door zijn gebiedende woorden, \'t Was of Monsieur Charles geen leven had te verliezen en of hij van oordeel was, dat dit ook met de anderen, otn hem heen gegroept, het geval was. De smetstof, die hij waarschijnlijk met zich omdroeg, kon hier onder de ten-doode-opgeschrevenen geen kwaad meer doen en dwong hem alzoo niet meer tot afzondering.
Als of hij Jones\' dubbelganger ware, zoo stond hij dien steeds op zij! De argwaan, die zoo scherp deed spieden, begon te verflauwen ; de minachting voor den vreesachtigen stumpert, die evenwel soms den moed van de wanhoop getoond had, verving van lieverlede de vrees voor verraad. Hoe hij nog hoopte op éen aanval op de laatste verschansing, en dan niet meer terug te keeren! Bij de gevangenneming van Hamilton, wiens laatste sabelslag hij had gekeerd, waardoor een ander den Schot de wonde had kunnen toebrengen, die hem gevangene deed worden, had hij Jones nog naast zich gezien, maar bij het onderhoud van Zijn Majesteit met den gevangen verrader niet meer. Hij had hem met de oogen gezocht; hij had een gevoel van angst. De beelden van vrouw en kinderen kwamen zoo plotseling voor hem staan! Hij zag hem eindelijk, ginder, half verborgen achter en leunend tégen een schanskorf, het musket richten naar den Koning. Snel als een gedachte sprong hij naar voren. Er viel een schot; het paard Zijner Majesteit stortte. Er viel een tweede, en dat ontving h ij in de borst, maar niet voor dat hij den aanvaller een kogel uit zijn pistool door het hoofd had gejaagd.
In minder dan vijf sekonden was alles geschied.
De schrik had allen doen versteenen. Geen geluid werd vernomen. De verst afstaande regimenten hadden de schoten ook gehoord en Zijn Majesteit zien verdwijnen. «Gedood! Verraad!quot; werd er de geheele linie langs geroepen. De woorden hadden vleugels en zweefden naar den vijand toe. Het geschut bulderde weer van de hoogten! Vreugdekreten werden van daar gehoord en het kom-mando: »Voor waards! Niemant pardon!quot;
Zijn Majesteit begreep wat dat beteekende. Hij had zich tot den gevallene, die hem met zijn lichaam gedekt had, overgebogen;
253
DE KA.PTEIN VAN UE LIJFGARDE.
hij had hem willen toespreken, willen oprichten zoo mogelijk, maar hij moest vriend en vijand toonen dat hij leefde!
Generaal Ginckel had het reeds begrepen En hem zijn paard gebracht.
*gt; Zorgt voor hém â \'tis Kaptein Semeyns!quot; En weg stoof hij, allen hem achterna tot den allerlaatsten aanval, die hem de welverdiende overwinning verschafte!
Het bevel was den wondheelers overgebracht, maar van deze waren er ook gesneuveld, en de overgeblevenen konden de vele verminkten, die onder hunne handen vaak schreiden als kinderen, niet verlaten. Bovendien, de officieren moesten eerst geholpen worden, en dan... de minderen... als \'t dan niet te donker was!
- C ^ \'
vâj. 4- \'T M.
pjL\\, ^ ...
254
XIII.
De zon was ondergegaan. De liefelijke schemering, die een zomeravond vooraf gaat, temperde de scherpe lijnen en hulde de vlakte in een half donker, dat nog wel gissen liet, maar niet meerj zien.
Welk een schouwspel straks, toen het licht nog straalde!
Op den grond, omgewoeld door de kanonkogels of de paardenhoeven, in een diepen kuil of op een heuvel van opgeworpen zand, tusschen de wielen van neergeslagen kanonnen of onder het wicht van doode of doodelijk gekwetste paarden, lagen ze neder, de naamloze kinderen, uit alle vier windstreken door den werftrom bijeengegaard en aangelokt door de hoop op buit en een vrij en onbezorgd leven! Slechts weinige hunner waren zich bewust van een hooger beginsel en konden daarin een vertroosting en bemoediging en verheffing vinden. Verre de meesten hadden geplunderd en gemoord uit lust, hadden gestreden zonder wrok maar ook zonder genade, als werktuigen, tot vernielen en vernield worden bestemd.
Allen echter, die nog leefden, leden en krompen inéén onder de heftige pijn! De geknotte ledematen vonden zelden een rustpunt, zoodat de verscheurde pezen en zenuwen gerekt werden of genepen. De klaagtonen werden schorrer en doffer, omdat de brandende keel, door geen drup water bevochtigd, hun den doorgang bemoeielijkte, ja afsneed. In de starende oogen had het zonlicht gevlamd als een vuur, door wreede duivels gestookt.. . en bij ieder gedreun en gedruisch ontwaakte de vrees, dat een batterij of eskadron in aantocht was, om over hun lillend vleesch heen te varen en \'t te vermalen!
Wel hun, die den laatstem adem mochten uitblazen, wien de smarten van de folterbank werden verkort!
Maar nu was de zon ondergegaan!
Een verkwikkelijk koeltjen wuifde over het slagveld, maar voerde
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
een reuk van verderf met zich, verre, verre voort! Het koeltjen verfrischte, maar bracht ook nieuwe vijanden, want zwermen van roofvogels en nog wreeder ongedierte â de op buit beluste men-schenschare! â werden er door aangelokt in steeds toenemen-den getale .. .!
Wee, wee den starenden oogen, den geknotten ledematen!
Onheilspellend krasten ze, de tot brassen genoode raven! Nog afschuwelijker, de voortsluipende vagebonden â de hyenaas der slagvelden ! De hoornen lantarens, in het bezit van eenige dezer, gleden als dwaallichtjens over de vaaldonkere velden, of hielden stil, aan éen plek geboeid, \'t Was een teeken, dat er niet langer werd gezocht, maar dat er gevonden was. En dan .. . werd er soms een hand of een voet bewogen of een brullende angstkreet gehoord, waar alles lang reeds roerloos en zwijgend geweest was. Haveloozen, in wier binnenst de honger raasde en de meest geprikkelde hebzucht naar verzadiging snakte, betwistten elkander den buit!
Behoorde tot hen ook de vrouw, die al een half uur zoekend over het slagveld met wankelenden tred was heen gegaan, de vrouw, die altijd zorgde het dichtst bij een lantaarn te zijn en dan de paar voet ruimte, welke er door verlicht werd, bespiedde? Maar zij raakte geen der gevallenen aan; zij spiedde... zij onderzocht slechts. Daarom werd ze geduld door den zwerm om haar heen . . . Haar loshangend hair, haar stuk gereten kleeren, maakten haar de gelijken der vuilsten: ook daarom werd zij onder dezen geduld.
»Is hij er onder? Hij is dezen kant opgedwaald . .. De ander ook ... Allebei .. .! Hij is ook gevallen ... hij, die een kroon stal! Dat is m ij n werk, mijn, alleen mijn!quot; klonk het van haar dorre lippen.
Ze werd nu niet alleen geduld, maar met belangstelling aangehoord.
»Ja, ik zag \'t toen ik achter die schuur stond ... Als ik ze maar allebei vinden kon...! Hij is van zijn paard getuimeld. Ik heb het gewild! Weet je ook waar Maud is? Ze kwam uit het water op en ze stak me haar hand toe en ze riep; »Moeder!quot; Ik heb het duidelijk gehoord!quot;
»Ze is gek... stoot haar weg... ze geeft te veel schaduw!quot; riep er een, die het ook van de lantaren eens anderen moest hebben.
Ze werd weggeduwd, zóo ruw dat ze neerviel, midden in een afschuwelijken poel.
»\'kHeb zoo\'n dorst. . . een guinje â een echte â voor een glas water, want dat hier ... is geen water!quot;
»Alle duivels, ze heeft goud, en we grabbelen hier maar naar koper!quot;
Een dozijn handen werden naar de op den grond liggende uitgestoken, maar deze weerde zich en \'sloeg van zich af en klauwde
256
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
en krabde... Zij knarstandde en riep: »Help, Jakob!quot; en toen bleef ze stil liggen en prevelde, zelfs lachend: »Ga je gang maar, hoe meer er me aanraken, hoe meer er de pest krijgen ... Ik ben besmet... ik heb de blauwe... Toe maar!quot; gilde nu de halfnaakte.
En ze lachte . .. lachte luider en luider!
In een oogenblik was ze verlaten ... Ieder was vol afschuw op zij gegaan, want die hyenaas hadden ook van nabij de blauwe pest gezien en waren bang voor dat monster!
Zij grabbelde met de handen om zich heen. Zij wilde... wilde opstaan... Zij stond, maar was bijna over een paard gestruikeld â een melkwit paard, waarover de lichtschijn van een der lantarens even en snel heengleed.... Melkwit! Ze herinnerde zich, zulk een paard gezien te hebben... Daar had hij op gezeten, die een andermans kroon droeg, die haar van zich gejaagd had, eens... lang
geleden____ toen ze nog mooie kleêren droeg. Als ze hem daar
vinden kon! Wie eigenlijk ? Er waren er twee! Haar hersens konden de gedachte niet meer vasthouden; haar beenen het lijf niet meer dragen; zij viel weer neer; het koude witte paard was haar kussen. »Als maar niemant hem kwam weghalen terwijl ze sliep.quot;
En heel in de verte, van den kant der rivier, werd een lichtjen zichtbaar, heen en weer zwaaiend en slingerend. Was \'t een lantaren, dan werd ze door een zeer onvaste hand voortbewogen.
\'t Bleek spoedig zoo te zijn!
Een vrouw naderde, gants anders gekleed als zij, die hier neerlag, ot als zij, die hier en ginder over het slagveld bleven ronddwalen; gants anders in de uitdrukking van haar gelaat, in houding en gebaar. De militaire intendance aan de overzijde der rivier kende haar wel, want den geheelen dag had zij gebeden, vurig gebeden, om tot de voorste gelederen te worden toegelaten, om bij haaiman te zijn, die ginder vocht, en zoo goed stond aangeschreven... tot Monsieur Charles.
Het werd, het bleef haar geweigerd, vrij barseh in het eerst, later, toen zij den naam van den soldaat had genoemd, iets meer beleef.1 en met wat meer deelneming! Vrouwen mochten niet toegelaten worden, had Zijn Majesteit op strenge straf verboden, vooral niet vóór of in den slag. Het maakte de mannen maar-week, en ditmaal stond er zooveel op \'t spel! De boodschap zou echter worden overgebracht, zoo ten minste de bode onder weg niet getroffen werd en hij tot wien hij ging nog mocht leven.
257
Ze had zelfs niet mogen blijven waar ze toen stond! Ze had meer naar achteren moeten gaan, achter die rij heuvels; en dat was nog te dicht bij, als het retireeren noodzakelijk mocht worden : maar dit werd niet waarschijnlijk geacht; neen, neen, de overwinning was zeker!
17
KAPT. VAN DE LIJFGARDE. â II.
258 DE KAPTEIN VAN DR LIJFGARDE.
Zg moest wel doen wat haar geheten werd en zonk neer op een der hellingen----
Vreeselijk moé was ze, maar rusten kon ze toch niet. Als de grond onder haar dreunde bij de losbarsting van het\'geschut. dan sprong ze op; als het musketvuur knetterde en dat geluid den gantschen horizon langs liep, dan drukte zij de handen tegen de ooren, en werd het een oogenblik stil, dan vouwde of wrong zij ze en riep zij den Almachtige aan, en bad ze de kogels van hem af te leiden, van hem, dien ze met zooveel moeite zocht, van hnra, die haar dierbaarder scheen te worden naar mate haar zelfverloochening grooter offers te brengen had.
Ze voelde geen opwellingen van toorn meer; maar alleen de rillingen van een hart dat dreigde te breken. Er waren oogen-blikken, dat aan de vreeze der echtgenoote ook die dev moeder werden toegevoegd, en dan sloop de wanhoop nader en sloeg de klauwen naar haar uit; maar dan ook trad het kinderlijk geloof uit de schaduw te voorschijn en dekte haar met zijn schild.
De strijd scheen zich te verplaatsen. De knallen, die de lucht deden beven, kwamen van verder af. Zij waagde haar schuilplaats weer te verlaten en de intendance, die nu tevens de ambulance geworden was, nader te komen.
Ze had nog nimmer van zoo nabij de verschrikkingen van den oorlog gezien! Smarten, overal smarten! Bittere ontgoocheling na zoo vele illuzies van roem en grootheid!
En ze was maar een vrouw, een zwakke vrouw! Ze scheen in onmacht gevallen te zijn, en haar voorkomen scheen sympathie gewekt te hebben, want de wondheelers, die haar niet kenden etgt; den arbeid bijna niet af konden, hadden haar toch een kroes met wijn doen reiken en een sneê wit brood.
Ze vond een en ander naast zich staan; ze wist niet wie bet haar had gebracht. Toen ze \'t haar gebodene gebruikt had, werd haar echter weder toegeroepen terug te keeren, en op al haar vragen kreeg zij slechts kort en haastig tot andwoord: »Nog niet avanceeren.... \'t Zal wel avond zijn eer ge \'t kunt.quot;
En de zon was reeds aan de kim, toen ze gewenkt werd door een medelijdende onder die oogenschijnlijk zoo meedoogenloozen, en het vurig begeerde verlof eindelijk ontving!
Zij vloog voort, ter rechter noch ter linker ziende, zoo snel de voeten haar maar konden dragen, over den omgeploegden grond, waarin zoo menige kogel stak, die haar deed struikelen.
»Ik zoek mijn man! Hij staat bij de Hugenooten!quot; riep ze de soldaten toe, die haar tegenkwamen, en het andwoord luidde ontwijkend maar haar duidelijk genoeg.
Er waren zoo vele kogels neergehageld 1 Had zij recht te ge-looven dat juist hij niet zou zijn geraakt?
DE KAPTEIN VAN UE LIJFGARDE.
Waar de Hugenooten stonden ? vroeg ze weder, en nu aan een gekwetst maar verbonden officier.
Of er nog stonden wist hij niet. Als leeuwen hadden ze gevochten, maar bijna allen lagen daar, en hij wees naar de overzijde der rivier, waarover men bezig was een pontonbrug te slaan.
Wat klonken die woorden haar ruw en hard in de oorenl
Toen de officier er de uitwerking van bij haar bespeurde, vond hij zelf dat hij onbarmhartig was geweest en was hij begaan met de arme vrouw.
»Ik kan u aan een lichtjen helpen____ Als ik er de kracht toe
had, ging ik met u meê zoekenquot;, zei hij vriendelijk.
»Ik ben niet bang... Sir! O, als ge me aan een lantaren kondet helpen, zou ik u heel dankbaar wezen. Dus zijn de Hugenootsche regimenten daar gekampeerd Vquot;
De Officier schadde meêwarig het hoofd. Hij vond het zoo moeielijk een andwoord te geven; hij wist niet hoe hij \'t zeggen zou, dat ginder alleen de verslagenen lagen.
«Gekampeerd wel nietquot; zei hij haperend. »Wie nog leven nemen op dit oogenblik deel aan de vervolging... maar de anderen...!quot;
Hij kon niets meer zeggen.
De ontboden lantaren werd aangebracht door een soldaat, wien reeds het tillen van het toch niet zwaar voorwerp moeielijk bleek te vallen.
»Ik hoop, dat ge niet vinden moogt,quot; fluisterde de Officier tot afscheid. Een oogenblik later geloofde hij weer iets ruws te hebben gezegd. Hij kon ook met die zwakke schepsels niet omgaan!
Ze vervolgde haar weg en trad de brug over! Ze zag het dadelijk; ze was op het slagveld____
»Hij hoopte dat ik niet vinden mocht!quot; fluisterde zij, en ze begreep hem nu eerst ten volle. Als ze hem hier eens wel vondl En hij kon daar liggen, al vond ze hem niet; want wat was dat veld bevolkt en wat klein gedeelte slechts werd door haar lantaren verlicht! En dan nog: telkens moest zij de oogen sluiten om niet te zien!
Neen, dit ging haar krachten te boven! Zij kon niet verder... Zij moest wachten tot het weer dag werd! En als hij daar eens werkelijk lag, dan zou hij uren, uren lang verlaten liggen! Al was hij dood, toch zou ze dat niet kunnen dulden; toch zou zij, als ze zoo iets deed, zich dat verwijten tot haar laatsten ademtocht. Ze zou \'t Brechtjen noch Ernst ooit durven bekennen!
De uniform der Hugenooten was licht op te merken! Ze vermande zich en dwong den oogblik naar omlaag; ze dwong zich het afschuwelijkst te zien.
Wat schrik! Daar waren er meer, die zochten, en \'t haar kwalijk schenen te nemen dat zij \'tdeed. Wat krijschten die stemmen!
259
T)E KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE,
Wat vloeken rezen er op! Wat bedreigingen onder die bende f Welke daden! Er werd gevochten om den buit! De tijd drong ook; er moest spoedig gevonden worden! De scherpzinnigsten
onder hen hadden onraad bespeurd____Heel in de verte.... aan
den horizon in de richting van Duleck was een rossig licht gezien, \'t Kon de overwinnaar zijn, die terug kwam van de vervolging der overwonnenen! En daarom geborgen wat men had, en zoo mogelijk nog daarbij gekaapt wat een ander had weten machtig te worden...! quot;t Was een woedend gevecht van de levenden op de lichamen der dooden!
Geertruid had niet ver van zich uit in de schemering iets wits zien bewegen .. . Zou \'t een gekwetste zijn, die zijn bewustzijn herkregen had, die om hulp riep, haar misschien wenkte? Naderbij gekomen zag zij, dat een witte doek door het avondkoeltjen uitwoei; een doek, behoorende aan een vrouw, die tegen een paard aan lag...! Zeker ook een van de roovende bende!
Als het schepsel sliep, dan moest ze niet gewekt worden! Behoedzaam schreed Geertruid daarom voort, bij haar uitwijken zooveel mogelijk een halven cirkel beschrijvend.
Daar stond zij voor het eerste lijk, dat de uniform der Huge-nooten droeg...!
Hier had het regiment dus gestaan, het zijne wellicht! Dat lijk, zou zij \'t durven aanzien? Zij waagde \'t niet... zij wendde de oogen af. Zij moest, zij moest\' Waarom ook niet? Alles was afschuwelijk om haar heen... Zij trapte in bloed, zij ademde bloed, zij proefde bloed!
Zij schouwde; zij staarde.
Hij was \'t niet! De man was midden door het hoofd geschoten; het gelaat weinig bebloed... \'t lijk was herkenbaar en zij herkende \'t; \'t was dat van den Engelschman, die haar het eerst het spoor van Karei gewezen had en zich zeker ook in hetzelfde regiment had doen inlijven.
De lantaren werd in de hoogte geheven en verspreidde licht in wat breeder kring!
»God!quot; De lantaren trilde in de hand. Daar... daar lag hij! \'t Eerst had zij den ring aan den vinger herkend... en toen... het gelaat, het bleek strak gelaat, waar aan de dood zijn masker gehecht had.
»Karel! Karei! Gevonden en toch verloren!quot; snikte ze luid, zoo luid, dat menig zieltogende de reeds starre oogappels nog even bewoog, zóo luid, dat de vrouw tegen het doode paard aangeleund, uit haar verdooving werd gewekt en opsprong en naar die plek schoot als een tijger naar het opgemerkt aas!
»Wat gevonden? Wat verloren?quot; kreet ze. »Maud? Maud?quot;
Ze was naast de andere en zag naar het gelaat, dat gekust
260
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDK.
werd, en ze stiet een gil uit, na een oogenblik met de hand aan haar hoofd te hebben nagedacht. Ze wilde de gedachte grijpen, welke zich daar in haar hersens opdeed, grijpen en vasthouden, â¢en ditmaal gelukte het haar.
. o
»Ik heb hem ... Maud, ik heb hem ! Nu komt de wraak, Maud!quot; Ze sloeg als met een klauw naar het bleeke gelaat, waarvan de oogen gesloten waren, naar de borst, die stijf was van bloed.
»Help! Help!quot; riep Geertruid, die de razende weg wilde duwsn, maar daartoe onmachtig bleek. Zij boog zich over den dierbare heen, had haar arm om zijn hals geslagen, haar hoofd op het zijne neêrgevlijd, om den aanval te ondervangen en op zich te doen neder komen. Zij voelde dan ook een vuistslag, maar ook â was ^t mogelijk? â maar ook een beweging onder zich! Was\'t misschien omdat ze dat hoopte, omdat haar sidderen en beven \'t ook het lichaam, dat zij aanvatte, liet doen?
Maar het oor lag tegen zijn hart aan, en ... ook daar eenige beweging!
Wat reuzenkracht voer in haar, dat ze de bloedgierige van zich af kon slingeren!
Voor een oogenblik was ze gered!
Maar de andere zou den strijd nog niet opgeven. De andere ging gluipend in \'t rond, zoekend naar een wapen, dat daar spoedig genoeg gevonden zou worden.
»Help! Help!quot; klonk het luider en luider, en in wanhoop zag Oeertruid om zich heen. A.1 de dwaallichtjens echter van straks waren verdwenen. Zij was met die razende sterke vrouw alleen...!
Zie! Zie ...!
Er was beweging aan een kant, waar straks een doodsche stilte bad geheerscht. Uit het duister verschiet traden heller en heller lichtstippen te voorschijn, en die lichtstippen werden rosser en rosser en werden flambouwen, die een troep ruiters omwuifden met licht en met walm!
De andere had een wapen gevonden.
»Help! Help!quot; riep, gilde Geertruid, terwijl zij de furie tegemoet trad, die de kolf van een stuk geschoten musket zwaaide... Ze vloog op haar af! \'t Was de laatste krachtsinspanning.
»Doe je meê? We zullen hem den kop inslaan. Laat los... laat toch los!quot;
Geertruid had den musketloop gevat, die echter uit haar handen dreigde weg te glijden... die die handen schuurde, schaafde, ontvelde !
»Niemant hier om te waken tegen dit ongediert?quot; riep een stem op een toon van gezach. »Ginckel, onderzoek dat dadelijk! Schiet die twee wijven neer!quot;
»Mijn man leeft nog! Schiet my maar neer, maar red hém... mijn man..! God, de Koning... Zijn Hoogheid!quot;
261
262 DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAHUE.
ïWie hebben we hier?quot;
Zijn Majesteit, die dat vroeg, was van \'t paard gesprongen, waarop de andere vrouw met het gevonden wapen naai- hem sloegr maar terstond, door een sabelhouw getroffen, neerstortte ...
»Hoe heet je man, vrouw?quot; klonk het in het Hollandsch.
»Semeyns, Sire! Van Londen uit gezocht en hier viiid ik hem â stervend, maar toch nóg niet gestorven...!quot;
»En ze hebben hier de gekwetsten laten liggen!quot; bromde Zijn Majesteit. «We zullen weten wie daaraan schuld is! Heeren, haalt, dadelijk een draagbaar! Die man heeft mij het leven gered...quot; Hij had Geertruids hand gevat. »Ik begrijp meer dan ge denkt,quot; zei hij weer in het Hollandsch. »Help hem wegbrengen naar de officiers-ambulance... Ik hoop er voor te zorgen, dat ge van nacht ten minste wat slapen kunt. Slaap, niet waar, heb je noodig?quot;
Hij had altijd goed geweten dat slaap noodig was, maar nooit beter dan dit oogenblik.
Hij zat weder te paard. Het opstijgen ging ditmaal moeielijk. Hij had bijna geen stem meer, en toch klonk het met dezelfde opgeruimdheid, die hem den gantschen dag had gekenmerkt: »We kunnen tevreden zijn. Ierland is ons! Een vroolijke taptoe, Heeren! Een dubbel rantsoen voor ieder!quot;
\'t Was waar; hij droeg nu de drie koninkrijken op het punt van zijn zwaard.
Men zegt, dat op den avond van den elfden Juli van het jaar zestien honderd negentig Zijn Majesteit Lodewijk van Bourbon, de veertiende van dien naam, eensklaps een huivering voelde midden onder het dansen eener menaette en zich door den Opperkamerheer een glas water liet geven, dat hij met trillende hand aan\' de lippen bracht. Al de hovelingen keken ernstig en verslagen. Maar toen Zijn Majesteit weer wat bekomen was, zag hij glimlachend in het rond en sprak hij de geruststellende woorden : » We zullen spoedig een overwinning méér tellen... Ik weet het zeker... Mijn voor -gevoel bedriegt me nooit!quot;
Hoe vele zegepralen, die bloedige nederlagen waren, vierde hij sedert dien avond!
XIV.
Meer dan vijf jaren zijn voorbijgevaren. Het is de laatste dag der maand Augustus van het jaar zestien honderd vijf en negentig.
Laat de verbeelding ons een landschap voor oogen tooveren, dat den weelderigsten plantengroei vertoont, door de hand des menschen aan den meest dorren zandgrond ontlokt! Bosschen van hoogop-gaande eiken, beuken, sparren en dennen, waar het oog ook heen-stare! Akkers, waarover haver, rogge en boekweit eenige weken geleden nog als zeeën van lichtgeel, melkwit en lichtgroen golfden, maar waarvan de oogst op dit oogenblik, opgetast in de schuur, den dorschvlegel heinde en veer in beweging brengt!
Eens, vóór eeuwen, was de lustwarande van nu slechts een dorre woeste vlakte, waaruit de grafheuvels van de oudste en reeds lang verdwenen bewoners de koppen van wit stuifzand somber en treurend ophieven; thands wuift er niet alleen de schaduw, zweven er de fijnste geuren rond, tintelen er de kleuren in de rijkste schakeeringen, maar ruischen er zelfs de druppelen kristalhelder water, murmelend wegvlietend langs het mosch van den boschkant, over de kiezels van het bed der beek of klaterend opschietend in fonteinen en neerspattend in de kunstrijke bekkens, bloemen wekkend op het moschtapijt, frischheid en verkwikking brengend zelfs in den zonnebrand van den middag!
Wij bevinden ons op het Loo, het zoogenaamde: oude, want sedert negen jaar is er een nieuw gesticht dóór, en geheel ingericht naar den smaak van hem, die toen nog maar Zijn Hoogheid heette, maar nu reeds zes jaren als Zijn Majesteit nederig begroet wordt. En die smaak getuigde van een fijn schoonheidsgevoel, altijd beschouwd in de lijst van den tijd, waarin het zich te uiten had!
Gij, zoon der 17e eeuw, ga de donkere laan in, loopend langs het gebouw van het Oude Loo, waarvan de roode baksteen zoo
DE KAPIEIN VAN DE LIJFGARDE.
warm door het dichte weefsel van heesters en boomtwijgen heen-gluurt, sla dan rechts af en .. . verbaas u! Alles daar is nog jonge aanleg, want negen jaar geleden golfde daar nog het graan. Maaide geest van Le Notre is er over heen gevaren en heeft er de scheppingen zijner kunst neergestrooid met de vaste overtuiging, dat die der natuur de zijne wel op den voet zouden volgen.
Wat lusthof!
Op den achtergrond, afgesloten door het nieuw paleis met zijn twee vleugels, van de drie andere zijden door het weelderig lover der eeuwenheugende eiken en beuken, het donker- en licht-bruin huwend aan nog honderde andere tinten van groen! En de vlakte, dus omlijst, tuigt van de macht van het kunst-genie, gesteund door het vermogen van het goud, dat met milde band door een offervaardig meester is aangereikt.
264
En gij, zoon der 19e eeuw, schouw rond en bewonder, maar iiü â want de revolutie in \'t laatst der vorige eeuw heeft verwoest en vernietigd wat de 17e bouwde en wrocht â aan de hand van den talentvollen gids, 1) die op zijn wandelingen weet te schilderen met woorden, ons lijnen en tinten als zien laat, en de muziek der springende fonteinen als hooren. Bewonder het breed met vazen versierd terras, dat de gantsche breedte van het paleis met zijn beide vleugels beslaat! Bij de trap, die naar de tuinen leidt, zijn twee marmeren beelden: de Bijngod en een Riviergodin, uit wier urnen heldere waterstralen ontspringen, die, van trap tot trap in schelpen opgevangen, op eik der twaalf treden twee schelpkaskaden vormen. Daal de trap af, en het pad in den eersten tuin voert, tusschen twee kleine fonteinen op twee rijen, naar de groote Venus-fontein in het midden. Op een bol, door vier uit schelpen waterspuitende Tritons gedragen, staat het beeld van de Mingodin met Amor, en een viertal zwanen werpen bovendien krachtige stralen in het marmeren bekken. Verder: glas en bloem-parterres met vazen, en in het midden van ieder perk een springende waereldkloot: een bol door vier kinderen getorscht, en marmeren beelden, omgeven van ruischende waterstroomen, opspuitend uit dolfijnen en vazen. En al die pracht en al die weelde herhaalt zich in den tweeden tuin, maar niet als slaafsche navolging, maar telkens in nieuwe figuren en beelden, alsof de scheppingskracht des kunstenaars geen uitputting te vreezen had. Wat overweldigende pracht als al de fonteinen leefden en de zomerzon marmer en groen, bloemen en schelpgrot met haar zee van licht en gloed overgoot! Wat weelde, waarin het vernuft des menschen zich de krachten der natuur had onderworpen, â een zegepraal echter die de zonen van een later geslacht niet hebben toegejuicht
1
Craandijk, Wandelingen door Nederland.
DE KAPTEIN VAN DE LUFGAllDE.
en misschien reeds door hem, die haar te voorschijn deed roepen, meer als een verplichting, door de hoogheid van stand en rang opgelegd, dan als een bevrediging van eigen wensch werd beschouwd en gewaardeerd.
Schaduwrijke plekjens toch in de ver afliggende wouden waren Zijner Majesteit liever, zoo ging de sprake: plekjens, waar de ruwe bank was getimmerd tegen den wit gevlamden beukenstam en bij wijlen het wilde hert opdook uit het lage hout, met de fijne neusgaten snuivend en den reuk opvangend van het water der in de nabijheid verborgen murmelende beek!
»Daar kon je hem dikwijls zien zitten dutten,quot; verzekerde Jan de hondenbaas. Jan Bijtmenie zoo als ze hem daar ginder in Engeland hadden genoemd. Jan, die den ouden dag voelde aankomen en zich een paar jaar geleden »hier naar toe liet pensionneeren.quot;
^Dikwijls?quot; zoo ging hij wel eens zich zeiven in de reden vallend voort, als hij goed geluimd was en het mansvolk, dat hij rondleidde â vrouwvolk was rouwvolk, en daar hield hij zich nooit meê op â hem aanstond. «Dikwijls, zei ik? In Kensington zitten brommen, omdat zijn linden, die hij geplant heeft, niet willen groeien, ja, dat doet hij dikwijls. En daar heeft hij ook alle reden toe, want hij heeft ze glad verkeerd laten zetten. Maar hier komt hij niet dikwijls. Ik heb hem in geen twee jaar gezien, en dat wil heel wat zeggen voor een, die vroeger bij manier van spreken, met hem »gong en stongquot; en in Ierland tot op »zijn verschooning moest passen.quot;
Ja, Jan had gelijk toen hij dat nog maar weinige dagen geleden met eigenaardige welsprekendheid verkondigd had: de eigenaar van al die pracht was bijna altijd afwezig.
Ook op dezen heerlijken Augustusdag was hij \'t.
»Waarom doet de zon zoo haar best?quot; had Jan kunnen zeggen. »De fonteinen springen toch niet, en de vlaggestok staat mager als een uitgeteerd oud wijf op den nok van \'t huis!quot;
\'t Zag er van daag bij al die pracht dan ook erg verlaten uit! Niemant, die haar beschouwde____ en beschouwen was hier bewonderen !
Niemant?
En stond daar bij het einde der donkere laan, waaraan het Oude Loo paalde, niet een beschouwer als verloren in zijn genot? Het leek wel een krijgsman, en een van fioogen rang ook. De prachtige uniform toch der Koninklijke Lijfgarde kleedt hem, en alles is nog wel hoofsch- of gxoot-tenue! Zijde noch fluweel is gespaard; kwistig zijn de gouden passementen aangebracht; alles straalt nieuwheid uit; slechts de bandelier wordt gemist, en bij gevolg ook de degen, anders had hij zóo de trappen van het terras kunnen opklimmen ter audiëntie!
KAPT. VAN DE LIJFGARDE. â II. 17*
265
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Jan Bijtinenie, uit de keukens van het Nieuwe Loo komend, ziet hem, maar is er niet blijde verbaasd om, dat er dan toch éen bezoeker is; want hij kent hem, die daar staat, van heel nabij. â \'t Is de »Overstequot;, dien hij even als zijn beste brak, bij manier van spreken, van buiten en van binnen kent; en al heeft hij ook evenveel »vrundschapquot; voor hem als voor dat leepe trouwe beest, »de Overstequot; is er toch maar een van »de plaatsquot;, even als hij en de honden... »Een best mensch, die Overste, al heeft die hem no» nooit iets in de knuisten gestopt en al is die ook een donders strenge baas! Zijn baas nog wel, want Mijnheer Semeyns is: »meesterknaap van de wildernissen op de Veluwe,quot; wat zoo j veel is als Jagermeester van het gantsche domein, een ambt, dat in Holland de \'s Gravemcers vervulden, dat hier vroeger aan de Bentincks behoorde en een halve eeuw geleden ter beschikking van de Stadhouders van Gelderland kwam. Een meestal stil, in zich zeiven gekeerd, man, maar altijd vriendelijk, zelfs in zijn stilste buien ! Jan bad er wel eens aan gedacht, of het bij den baas van tijd tot tijd »ook wel ereis onklaarquot; kon zijn, en daarom hem bijzonder nagegaan bij \'t aankomen en bij \'t afvallen van \'t blad, wat, zoo als de geleerden zeggen, »altijd veel vat heeft op de dolheid.quot; Maar \'t had tot niets geleid! Nu, de kolder mocht hij dan niet in den kop hebben, dan school hij bij »den demenquot; toch ergens anders!
Toen hij hem daar zag staan in de schaduw van dien eik, »met zijn beste plunje aanquot;, werd hij in zijn geloof weer versterkt. Of zou de baas \'t al zoo in de vroegte geroken hebben wat hij daar even pas gehoord hadV Dat kon niet, want hij. Jan Flourensz, woonde in bet paleis, het nieuwe Loo, en de ander maar in het oude.
Hij wou er »haring of kuitquot; van hebben, en hoe druk hij \'took had en wat pijn hem vandaag ook bij elke beweging zijn éene schouderblad deed â er was zeker onweer in de lucht â hij had er een omweg voor over. Nog altijd stond de baas op dezelfde plek, in dezelfde houding, toen Jan bij hem aankwam. Hij schrikte bljjkbaar, toen hij Jan, die reeds naast hem stond, eindelijk opmerkte; maar toch vriendelijk, ja zoo mogelijk nog meer dan vriendelijk, klonk zijn groet.
»Mooi weertjen van daag!quot; begon Jan.
«Verrukkelijk, Jan!quot;
»En dan doet men zijn beste pak aan!quot;
»Heb je dat aan? dat zou ik toch niet zeggen!quot; \'t Werd glimlachend uitgebracht.
«Beroerd!quot; mopperde Jan; hij kon nooit »zoo iets fijnsquot; zeggen om ergens achter te komen, of ze hadden hem dadelijk beet.
»lk meen eigenlijk niet mé zelf, maar uwees.quot;
266
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»0 zoo... En nu wou je graag weten, waarom ik mijn beste plunje draag.quot;
»Uwees is erg waaksch, dat moet ik zeggen.quot;
5gt;En Jan Bijtemie ...quot;
j-Zeit u maar liever alleenig: Jan.quot;
»En Jan wordt erg kort van memorie ... Op iederen een eu dertig Augustus..
»Goddorie, ja!quot;
Jan greep zijn pet, die hij ouder gewoonte achterst voren droeg, en schoof haar over het stugge grijze bair naar achter; \'t was zijn beleefdste manier van groeten. »Uwees is jarig vandaag! Wel gefeliciteerd! Nog veel jaren na dezen met de juffrouw en de jonge juffrouw en den jongen heer! Een en dertig Augustus! Ja wel! En dat heeft hij zeker ook geweten, want hij is er, hoor! en hij heeft den heelen nacht door gereden en doodmoê kwam hij natuurlijk aan... Gezien heb ik hem nog niet. Ik mocht niet binnenkomen. â Nou, dat was »gunterquot; anders... Toen zag ik hem naar mijn zin wel ereis te veel.quot;
«Begrijp ik \'t goed? Is Zijn Majesteit...? Maar dat kan niet. Den zes en twintigsten was hij nog bij Namen. Daar nam hij voor \'t eerst een Maarschalk van Frankrijk gevangen â \'t zal niet voor het laatst zijn. Jan! Was \'k er bij geweest...! Maar neen, zoo gauw hier naar toe...? dat kan niet waar wezen.quot;
»Toch is \'t zoo... toch is \'t zoo... toch is \'t zoo! \'t Is of mijn jongens in de hokken er al de lucht van hebben, want ze snuiven, ze snuiven...! en elk vrat van morgen voor twee...quot;
»Morgen op de hertenjacht zeker! Dat zal je ook niet erg vleien,- ouwe!quot;
»Toch ga ik meé, al regende \'t ook ouwe wijven. Maar voor Uwees is \'t kriek; Uwees ribbekast, bij manier van spreken...quot;
»Daar weet ik wel voor te zorgenquot;. ïdonk het eenigzins strak.
»Uwee wordt er toch niet kwaad om, dat ik er zoo precies alles van weet.. . ?quot;
»Wel neen, maar weet je waar ik, zelfs op mijn verjaardag, kwaad om zou kunnen worden? Als je je tijd verpraatte, al was \'t om me te feliciteeren...quot;
»Dan ga ik nu maar heen.quot;
»:t Is je geraden. Jan!quot;
»\'kGa de hartsvangers vast slijpen... en alsüwee menoodig heeft...quot;
»Zal ik zoo vrij wezen het je te laten weten.quot;
»Nou,dat \'s ook meer valsch dan zuiver\'\', dacht Jan, wol wat knorrig zich omdraaiend naar het bosch toe.
Mijnheer de meesterknaap van de Veluwsche wildernissen riep hem in het weggaan na; »Denk er om, als je Zijn Majesteit spreekt, dat het \'t eei-st is na den dood van de Koningin.quot;
267
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Jan knikte even en zei dat hij »\'t hoopte waar te nemen.quot;
»0ok een erfstuk der familie, even als ik! En hij wordt ook bedorven even als ik..!quot;
Hij verviel weer in gepeins!
Het hoofdhair was sneeuwwit, maar sprong nog van alle kanten langs den hoed uit. Het eens gebronsde gelaat was gebleekt, wat echter de hitte, die hem omvloeide, thands onder een lichtrooden tint verborg; de oogen hadden meest een matten blik, â het geheel teekende kalmte en rust, geadeld door een uitdrukking van weemoed.
Hij had, daar staande, reeds meermalen naar zijn borst gegrepen en daar de hand neergelegd. Bij sterke aandoeningen voelde hij daar heftige pijnen, en op een dag als deze bleven die aandoeningen nooit uit.
Schooner weer was het, zoo ver zijn herinnering strekte, op geen zijner verjaardagen ooit geweest! Hij was daarom al heel vroeg uit de veeren gesprongen, had zijn Geertruid laten slapen en zóo stil het huis verlaten, dat hij ook Brechtjen noch Mieken, de dienstmaagd, in haar slaap had gestoord.
Daar binnen zou zeker heel veel te doen zijn, waarvan hii geen kennis mocht dragen vóór dat alles sin de puntjensquot; klaar zou wezen. Hij had in de laatste weken al zoo iets gemerkt; en dat ook Ernst, in Amsterdam op kantoor, in al de geheimenissen deelde, \'t werd zonneklaar bewezen door het wegstoppen van zijn aan Moeder gerichte brieven, die anders altijd aan \'s vaders adres kwamen en dan hardop werden voorgelezen.
Wat was \'t heerlijk verkwikkend daar buiten in den vroegen morgenstond! Het was of de reine lucht steeds reiner en heiliger gewaarwordingen wakker riep!
Wat weemoed in de weelde! Wat weelde in den weemoed!
Kerksch was hij niet, wat de Apeldoornsche dominee menigmaal sterk afgekeurd en dezen wel eens verleid had tot het kiezen van zijn text uit het Oude Testament, dat er zoo vele heeft welke gebruikt kunnen worden om den hoogmoed, die zich Gode gelijk denkt, aan den kaak te stellen. Maar dikwijls, maar altijd op een feestdag als hij nu weer mocht vieren, drong de innigste dankbaarheid en de diepste nederigheid een bede en een dank naar de lippen.
Hij was een verrezene uit de dooden, in meer dan éene beteekenis f
Hij voelde \'t, hij had het reeds lang gevoeld, dat hij niet had kunnen verrijzen als langs den weg dien hij was opgevoerd. Hij had willeloos en krachteloos moeten nederliggen, als omstrengeld door de armen van den doodsengel, om verzoend te worden met zich zeiven, om overtuigd te worden dat de gevolgen van het misdrijf zijner ziele waren uitgewischt.
268
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Dat eerste ontwaken uit zijn verdooving! Die eerste blik op zijn verpleegster, wie de angst groeven had geploegd in het ingevallen gelaat, en die bij zijn eersten oogopslag een traan liet glippen uit het oog en een glimlachjen tevens spelen langs het gelaat! Hij had eerst gedacht in de sfeer der engelen ontwaakt te zijn, maar weldra begreep hij, nog op aarde te wezen, en ondervond hij, dat ook daar engelen woonden om te dienen en lief te hebben. Geen wonder, dat hij herstelde wat aanval er ook op de fijnste organen was gedaan! De pijnen verscheurden hem in \'t eerst bij iedere ademhaling de borst, en de kracht om te dragen was zoo luttel! Maar telkens, als de strijd om het leven het heftigst was, dan werd er een stem gehoord, die als muziek klonk, een stem, die hem verheerlijkte in zijn smart, die hem bad die smart te dragen, opdat hij, de roem der zijnen, de roem van zijn Koning en Land, voor allen, die hem zoo innig aanhingen, mocht gespaard blijven; een stem, die hem in het oor fluisterde, dat ze saam nog eens elkanders brieven moesten lezen en dat ze in de haren dan al de tittels zou aanvullen... want die waren nooit anders als kussen geweest, kussen eener ingehouden liefde!
Het werkte als de oliedruppel, uitgestort op de kuif der woedende golven!
Hij werd opgericht, en de wetenschap wist de gedeerde borstkas in een keurs te sluiten, die de natuurljjke maar deels weggeschoten steunsels verving! Voor verdere krijgsdienst was hij ongeschikt geworden, maar er werd voor hem en de zijnen gezorgd zooals een machtige der aarde, voor wien het betoon van dankbaarheid een voorrecht was, dat alleen vermocht te doen!
In zijn ouden rang bij de Garde hersteld en daarbij een ambt, waarnaar de eerste Edelman van Gelderland begeerig zou dingen, dat was zijn toekomst!
Dat eerste weerzien der kinderen!
Ernst, die de reeds stevig geworden armen om hem heen wilde slaan, maar nog bij tijds door de van blijdschap snikkende moeder werd teruggehouden met de opmerking, welke in der haast bijna komiesch klonk, dat Vader maar een kunstborst had, die nog versch was, bij welke woorden de jongen .in tranen was uitgebarsten; Brechtjen, de alles bij instinkt gissende, bij zijn stoel neergeknield, zijn hand kussende en daarna roepend: »Wat ben ik trotsch op u! Wat zijn we dat allemaal!quot; Hij had den martelaarsgang nog eens willen afleggen, om nog eens de weelden van het eerste ontwaken onder een kus van zijn Geertruid, en van het eerste weerzien der kinderen onder traan en juichtoon te smaken!
Vreemd! Als hij de plichten vervulde, die het hooge hem toevertrouwde ambt oplel en de bosschen uren in het rond bezocht, dan kon soms de verbeelding de eenzaamheid plotseling bevolken .. .
269
DR KAPÃEIN VAN DE LIJFGARDE.
Het was wellicht zijn innerlijk, dat zich naar buiten openbaarde; het waren misschien zijn eigen gedachten, die zich objektiveerden en gestalten aannamen. Omgolfde hem het zonlicht, dan meende hij Geertruid daar voor zich uit te zien zweven, badend in licht en gloed, de hellingen der hoogste heuvels op, met den wijsvinger altjjd tog naar hooger gestrekt! Verrastte hem de avond en zeeg het maanlicht neer op het woud en de heide, die beiden als overdekkend met een alles verkillenden en verstij vend en glans, dan meende hij een meir te bespeuren in den dauw, die over de vlakte wolkte, en uit dat meir een bleeke gestalte, in doorschijnend gaas gehuld, te zien oprijzen en in het marmeren gelaat, in de gedachteloos starende oogen en in de lange sluike hairen, waaruit het water druppelde. Maud te herkennen; Maud, het kind der schande, maar dat die schande door éen enkele daad van haar wil van zich af had geworpen! En dan klonk wel eens de droeve vraag in het binnenst: »Is ook dat gezoend? Is ook dat geboet?quot; En het laatste, dat hem dat schouwspel had getroffen en hij zich die vraag hoorde doen, was \'t of er een andwoord werd gegeven in de woorden, welke in hem of buiten hem klonken: »dat de gemeenheid haar te walgelijk werd, dat zij de smetten, een erfenis misschien van vroegere bestaansvormen, voor een deel altans verloor, dat zij kan voortschrijden op nieuwe banen, dankt ze voor een goed deel toch aan u!quot;
ïLieve man, waar blijft ge toch?quot;
Twee armen omsloten hem, en een lieve mond drukte een warmen kus op zgn lippen. In dien kus lag een gelukwensch en een zegenbeê tevens.
t)Begrijpt ge \'t niei ?quot; vroeg de gelukkige aan de vrouw, uit wier zwart fluweelen huive met witte zijde gevoerd een gelaat te voorschijn kwam, waarover de levensstrijd de vergenoegdheid der overwinning had gespreid. Wat hooghartigheid was geweest, het had zich getemperd tot een deftigheid, die zich een glimlach niet alleen liet welgevallen, maar die uit behoefte tot medgezel koos.
»Zeker begrijp ik \'t... Wat hebben wij \'t goed! Onze Hemel
is klaar, te klaar misschien____ Maar als er wolken komen, dan
zal de Heere onze hand nemen en ons leiden langs Zijne paden..!quot;
»Dat wij elkaar vroeger zoo weinig begrepen!quot; lispelde hij aan haar oor.
»Och!quot; hernam zij met eenige ergernis, »ik preekte te veel, en waarlijk, ik was daar weer aan den gang.quot;
igt;En ik? ik was de hoogmoedige, terwijl ik dacht dat gij \'t waart !quot;
»En nu het verleden voor goed begraven en het heden alleen gediend!quot; riep Geertruid.
»Tóch niet, beste! Het verleden is noodig om mij nederig te doen blijven. Laten we het heden recht goed gaan genieten, maar het verleden houden we bij ons, en dat altijd, hoor!quot;
270
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE.
Niet in het huis, dat hem ter bewoning was afgestaan en dat, grooter dan het door ons in het heden kan worden beschouwd, door Semeyns en de zijnen een veel te ruime en te aanzienlijke huizing werd gevonden, stond het ontbijt gereed. Brechtjen had er op aangedrongen zulk een ochtend van ziilk een dag in de open lucht te vieren en daarvoor een door allen geliefde plek uitverkoren.
\'t Was in de nabijheid van het huis en midden in \'t bosch, dat wel «-een zelf gegroeid\'\' scheen. »Forsche dennen verhieven er hun kroonen hoog in de lucht; zware beuken breidden hun krachtige takken wijd over den ruig begroeiden ondergrond uit; wilde boomgroepen wiessen in weelderige verwarring uit een bosch van varens en struweelen op, of lange rijen van kloeke stammen schoten als slanke zuilen in edele schoonheid omhoog. In de diepte, tus-schen het frissche groen en het roode zand van den bodem, glinsterde een heldere waterstraal.quot; 1)
Daar, in de halve schemering, terwijl over de kruinen der reuzen de zon haar vloeibaar goud uitstort, dat in warme sprankels door het lover en langs de twijgen huppelt en rust vindt op het donzen mosch, aan den voet. der forsche stammen, staat Vaders welbekende leunstoel met leder bekleed, maar in den rug thands voorzien van een zacht kussen, met een K en een G in gouddraad op het groen satijn geborduurd en gevat in of omgeven van kleurrijke bloemen. En half over den rug van dien stoel hangt een bandelier of liever sjerp van oranje zijde, waarvan de slippen van wit satijn kunstig en smaakvol met zachtkleurige bloemknoppen zijn bestikt, met gouden pailletten bestrooid, en eindigen in franjes uit fijn gouddraad door kunstrijke vingeren gestrengeld.
»Prachtig! Prachtig!quot; fluisterde de zoo rijk beschonkene
»Raad nu eens van wie ge dat hebt!quot; riep Geertruid uit, die waarlijk nu wel een kwart eeuw jonger scheen en dit oogenblik haast voor de oudere zuster van het twee en twintigjarige Brechtjen kon doorgaan.
»Het kussen van mijn vrouw â de bandelier van mijn kinderen..!quot;
»Hoe kan Vader \'t zoo raden, hè, Moê?quot;
»Als of ik niet bij ondervinding weet, dat de jonkheid zich graag voedt met idealen____Een bandelier voor mij!quot;
»Maar bij past toch bij uw uniform, en die uniform heeft u vandaag toch aangetrokken!quot; merkte Brechtjen aan, terwijl het gazellen-oog een blik toonde, die wel wat angstigs had. Zouden Ernst en zij hebben misgetast bij het doen eener keuze?
271
«Zeker, zeker, Brecht! Je hebt met Ernst het geschenk aangevuld, dat Zijn Majesteit mij eens vereerde. Dat die den bande-
1
Craandijk\'s wandelingen door Nederland.
DE KAPTE1N VAN BE LIJFGARDE.
lier weg liet, \'t had een goede, dat gy beiden er hem bijvoegt,
een nog veel betere reden____ Maar, vaderlief blijft er niettemin
een veteraan om, hoor!quot;
»Voor ons is hij jonger dan ooit!quot; riep Brechtjen, terwijl de rijke blonde lol ken van het geestig gezichtjen afzwierden en naar achter golfden bij het omarmen van den grooten man, wiens mond zij echter nu, op de teenen staande, goed bereiken kon.
Maar Brechtjen zou hem niet langer alleen bezitten.
Terwijl ze hem omhelsde toch was het geluid van krakende takken en van een welbekende stem in de nabijheid gehoord.
Dwars door struik en struweel kwam Ernst aan, gevolgd door een met veel zorg gekleed jonkman, wien een zwarte knevel de bovenlip zou hebben overschaduwd, indien de mode niet de verwijdering van dat sieraad bij ieder, die geen krijgsman was, had geëischt.
»Dat is nu juist weer iets voor hem!quot; riep Geertruid, half schertsend, half ernstig. »Met zijn beste kleeren aan door het bosch...! overal dorens nog wel!... En Ewout ook nog meê te slepen!quot;
Ditmaal werd ze in \'t geheel niet gehoord.
De beide aangekomenen drongen zich om den jarige heen. Beiden werden bijna even hartelijk verwelkomd. Ze waren met den nachtwagen uit Amersfoort daareven aangekomen. Ernst had van zijn patroon. Mijnheer Van Arkestein, twee dagen verlof gekregen, en bracht zelfs een brief met statig beleefden inhoud van den koopman, die een pilaar van de Beurs was, meê. De jonkman kon weer getuigen, dat de patroon, wat dikwijls! van den Kaptein der Lijfgarde, den vriend Zijner Majesteit, sprak. Ewout, een leerling van Amsterdams »Illustre schoolquot;, had willen meêkomen. Hem schenen de pandekten minder aan te trekken dan de boomen in het bosch en »wat daar onder school . . .!quot; zoo als Ernst, erg op de laatste woorden drukkend, zei.
Waarom wendde Brechtjen het in eens gloeiend gezichtjen af en mompelde Moeder, heel zacht en heel gelukkig; »\'tis me toch een brutale jongen!quot;
»Kom, nu aan de maag ook eens gedacht!quot; riep de gastvrouw, die al den tijd had gehad de tafel, waar om heen de versierde stoel siond en de andere, die alleen van hout waren, te overzien en toch nog altijd iets te verschikken had.
\'t Zag er alles keurig en aanlokkelijk uit. Een eierkoek, met witte suiker oversneeuwd, prijkte als hoofdschotel in het midden; daar omheen aan de eene zijde; de warme met krenten rijk doormengde mik, aan de andere: de fijnste witte bollen, in wier nabijheid, op schotels onder stolpen, versch gewonnen bijenhonig, oude Leidsche kaas en goudgeele boter prijkten. Op de plaats, voor
272
BK KAPTEIN VAN DE LIJFGARDR.
Geertruid bestemd, stond een schenkblad met het beste servies, dat anders in het kastjen achter glas was weggeborgen: een servies van echt Japansch, en op het kooltjen in de theestoof in hare nabijheid, zong het water in den geel koperen ketel vol ongeduld een liedtjen, dat wel beteekenen kon: »laat me toch kennis maken met mijn maagschap uit China!quot;
leder kende zijn plaats aan die tafel. Vader tusschen vrouw en Brechtjen in; naast deze had Ernst willen gaan zitten, maar, Ewout en Brechtjen lachend aankijkend, was hij toch maar een stoel verder gegaan en had zijn rust gezocht naast moeder, tegen wie hij, met de oogen oolijk knippend en met het hoofd naar zuster en vriend duidende, half luid zei: »Niet waar, ik mag geen spelbreker wezen!quot;
»Ondeugende jongen, je vergeet dat je nog maar even negentien bent!quot; en ze zag den bruinen krullebol met den stouten blik in de oogen en den krachtigen lichaamsbouw vol verrukking aan. Ze vond, dat hij hoe langer hoe meer op zijn vader begon te gelijken.
Ze knikte dezen weer eens hartelijk toe; ze lachte om de woorden, door hem en de jonkheid om haar heen gesproken, en de zon lachte meê door het geboomte heen, en de vogels deden \'t ook op hun manier, daarbij echter niet geheel vrij van eeuige zelfzucht!
Er kwam eensklaps verandering!
De zon bleef haar lachjens schenken, maar de vogels vlogen op de gonzende vlerkjens weg en de vroolijk schertsende en zelfs dartelende feestvierenden rezen zwijgend van hun stoelen op en bogen het hoofd naar den kant der donkere laan, waaruit twee personen op heu toetraden.
De een, als edelman gekleed maar in gedekte kleuren, met een rouwstrik aan den schouder gehecht en de hand aan een stok met zilveren knop, was Zijn Majesteit; de ander, achter hem aanschuivend met den gewonen tragen gang en op het hoofd een langwerpig vierkanten kist dragend. Jan Bijtmenie, de zweetdruppels, die in zijn baard telkens neerdruppelden, van tijd tot tijd, zoo veel als het beladen hoofd de beweging toeliet, grommend afschuddend.
»Jan vertelde me van het feest hier. Ik wensch u geluk, Kap-tein, en u allen... Bljjft nog lang bij elkaar!quot; Hij hield even op. Haastig vervolgde hij: »We he bijen het daar ginder bij Namen warm gehad, maar het kasteel is toch ons. Mijn Engelschen hielden zich bijzonder goed!quot; Hij wenkte Jan nader te komen. «Voorzichtig,\'t is geen dood wild, ouwe!quot;
Hij keerde zich tot Mevrouw Semeyns en bood haar het op zijn kant, tegen een poot der ontbijttafel aangezette, kistjen aan.
»Ge hebt er eens van gesproken tegen de Koningin,quot; bij dat woord poosde hij weer even, want de keel weigerde hem haar
273
DE KAPTEJN VAN DE LIJFGAKDE.
dienst. »Ze sprak maanden geleden er mij over; \'t is me toen
door het hoofd gegaan... maar sedert____herinnerde ik \'t mij.
Is \'t geschenk u aangenaam, dank er dan de lieve gestorvene voor!quot;
Hij wendde zich plotseling af en vervolgde tot den Kaptein op een geheel anderen ja bijna nurkschen toon: «\'k Mag lijen dat het morgen niet zoo warm is! Ik wou dan nog eens de bosschen in... Stuur de gewone invitaties rond! Ik wil niet datje méégaat en die ouwe sukkel ook niet. Smakelijk ontbijt! Weest gegroet!quot;
Zonder Geertruid in staat te stellen hem te danken voor het geschenk, waarvan zij den aard nog wel niet gissen kon, maar de waarde wel vermoedde, verwijderde hij zich door de donkere laan, waardoor hij gekomen was, met vasten, maar langzamen stap. Hij scheen nu eens geen haast te hebben en wel in ieder dier boomen een goê-bekende te zien, die hij een oogenblik beschouwens wel waard vond.
Toch bracht de aanblik pijn. Waarom was hij niet bij zijn leger gebleven, waar hij te midden van den woedenden strijd het schrijnen van de geslagen wonde niet voelde?
Die donkere dagen vóór en na de laatste Kerstdagen! Als een kinj had hij geschreid aan het bed der lijdende, als een zwakke vrouw was hij in onmacht gevallen bij de doodsponde! Dagen lang na Marys verscheiden had hij in den leunstoel neergelegen, zonder te weten wat hem werd gevraagd, en toch had men zooveel te vragen! Heerlijk, dat de oorlog hem wenkte op het veld; dat de kansen, die hem wachtten, vooraf moesten worden berekend en geleid op het papier; dat de Kabinetten van al de Potentaten in Europa doolhoven waren, waarin hij den weg had te zoeken, maar ook wist te vinden, zooals niet een der levenden! Gewerkt en zich zei ven vergeten, want hij was zoo diepverslagen! En toch, te midden van al het gewoel, van al de aandoeningen, die het spel der wisselende kansen wekte, bleef hij hunkeren naar het land zijner geboorte en naar de plekjens in dat land, die hij met zijn Mary zoo dikwijls had bezocht... Hij was nooit teerhartig minnaar geweest; hij had den schat nooit overschat zoo lang hij dien bezeten had, maar nu die verloren was, bleek eerst de hooge waarde er van en werd ieder nurksch woord, dat zijn Maiy zóo goed wist te wegen en te verstaan, dat ze \'t vóór \'t nog gesproken was reeds vergeven had, een beschuldiger!
En hier was hij zoo dikwijls met haar alleen geweest! En hier in schaüw van die boomen had zij hem de liefste blikken van haar minlijke oogen geschonken! Hij kon de tranen niet bedwingen .. . Nogmaals, waarom ook hier gekomen?
Hij moest... Hier kon hij \'t best in den geest met haar alleen zijn ... Het gaf pijn, maar daar was weelde in die pijn! Hij wilde weer met haar zijn en hij kon hier denken, dat zij naast hem ging.
274
UE KAPTEIN VAN Jgt;E LIJFGAKDE.
niemand om hen heen, niemand hen volgend als de een of ander boer, wiens eenvoudige taal hen dikwijls trof, wiens ruwe woorden soms lachen deed.
Maar heel lang zouden ze niet van elkaar gescheiden zijn! De keel, waaraan hij de hand bracht, gaf antwoord, het gloeiend voorhoofd ook!
» Wat is hij vermagerd, de groote man! en zoo alleen nu ! Niemand kon denken dat hij zóo veel van haar hield! Maar toen \'top een scheiden ging, toen ... bleek het, dat ook voor hem de grootste kracht de vrouw was!quot; fluisterde de Kaptein.
Jan stoorde die gepeinzen.
»Ze zeggen, dat ze hem de baas van alles willen maken en nóg wat! Hij is nog veel meer mans dan toen we bij hem waren, heb ik me laten vertellen. Het is nu overal botertjen tot den boöm!quot;
3gt;Moet je Zijn Majesteit niet volgen?quot;
»Jan!quot; werd er uit de laan geroepen met een scherpe stem.
»Ik kom! Ik kom!quot; bromde Jan, die, zoo snel hij de voeten maar reppen kon, den roep ging gehoorzamen, maar bij het heengaan zijn »baasquot; toch nog even toebeet: »Ik heb \'t niet uit mijn duim gezogen. Ik heb het van Kasper, die hem van Arnhem met de twee blessen is wezen halen.quot;
Wat zou er toch in het kistjen zijn?
Brechtjen kon haar nieuwsgierigheid niet betoomen, wat Ewout heel natuurlijk vond, maar Ernst al heel bespottelijk.
»Jonge meisjens zijn precies als de musschen . . . nieuwsgierig en brutaal... Wachten, hoor, tot Vader van opendoen spreekt!quot;
Maar het bleek dat hij â \'t was raadselachtig genoeg! â wel â¢wat van den inhoud wist, want hij zei zeer gewichtig tot zijn moeder, die óok van binnen brandde, maar, door meerdere ervaring o-eleerd, zich beter inhouden kon; »Wat zal u er blij meê wezen!quot;
»En nu, vrouw!quot; riep de Kaptein vroolijk, »nu mogen we \'t openmaken, want de Koning is uit het gezicht..
»We hadden \'t juist moeten doen terwijl hij er bij was . .. Dankbare menschente zien, \'tis toch zoo verrukkelijkquot;, riep Brechtjen.
»Onze weldoener is schuw op dat punt. Misschien wel omdat hij zoo dikwijls te leur werd gesteld,quot; merkte Vader aan.
Ernst en Ewout hadden het deksel der kist losgemaakt, terwijl aller oogen nieuwsgierig staarden.
Het portret van Admiraal Perseyn werd zichtbaar! Het portret, door Geertruid in de diepste ellende verkocht en tot haar weer terug gekomen in een uur van de hoogste weelde! Op die lippen had zij den kus der wanhoop bij het scheiden gedrukt: bij het terugzien kon ze dien nu nog niet wegwisschen door een van verrukking en zaligheid, want... zij schreide, het hoofdjen gelegd op den schouder van haar man.
275
UE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Nu mag de Admiraal gerust bij ons blijven, niet waar, Geer-truid? Nóg kijkt hij altijd fier, maar niet verwijtend meer!quot; fluisterde haar man.
»Omdat hij weet niet meer de hoogste te zijn in ons huis.quot;
»Nu, Vader, Moeder! wat zegt u nu wel van mij? Ik wist het al wel veertien dagen, maar \'k heb gezwegen, zelfs tegen Ewout, tegen dien vooral; vroeger kon\'die zwijgen als ieder man, maar sedert Brechtjen hem leerde wat spreken is...!quot;
»Genoeg, genoeg, jongen! Krijg maar niet te veel van je hoog-moedigen vader . .riep de Kaptein.
igt; Dat is nu eens een haring uitgooien om een kabeljauw te vangenquot;, zei Geertruid lachend. »Maar onder dat alles vergeten we onzen kostelijken koek. Ieder moet een sneé doen. Wie de amandelboon treft, die er in is, mag iets begeeren. ..!quot;
»Als Brechtjen hem krijgt, dan weet ik wel wat ze voor haar boon vragen zal!quot; beweerde Ernst.
276
De Kaptein was de gelukkige; hij mocht iets begeeren ... maar hij wist niets, \'t Was voor \'t eerst van zijn leven dat hij geen woorden kon vinden, dat hij, zoo als Jan zou zeggen, 3gt;met zjjn mond vol tanden zat.quot;
EINDE VAN HET TWEEDE EN LAATSTE DEEL.
p