â¢5i
O
DE KAPTBIN VAK DB LIJFGAKDB.
0524 0001
II
i
\' J-fSL
l;:
DOOR
I-ï. J. SCHIMMEL.
TWEEDE DRUK.
EERSTE DEEL.
SCHIEDAM, H. A. M. KOELANTS. 1891.
INLEIDING.
O
I.
it Binnenhof te \'s Gravenhage was in den namiddag van Dins-den 2Gen Oktober van het jaar onzes Heeren zestien honderd ^ en tachtig als uitgestorven. Geen wandelaar werd er opge-t; geen vroolijk schertsende soldaten van de gardes Zijner cxf ;heid vertoonden er zich; zelfs aan de hoofdwacht op het jnplein was alleen de schildwacht zichtbaar en hielden maar r/ ige soldaten in het anders bijna overvuld vertrek van het thuis verblijf.
jchts een enkel voorbijganger was in de laatste tien minuten, ien klokkeslag van 3 uur vooraf gingen, door dien schild-|t gezien. Het was maar een eenvoudig gekleed burger uit minderen stand, zooals het grof laken en de verouderde snit wambuis, kniehozen en overmantel aanduidde; toch had hij \' indacht getrokken ook van den luitenant, die in het wacht-door de kleine vensterruiten heengluurde. Hij was in het te uur dan ook reeds herhaaldelijk voorbij gekomen, telkens weg nemend van het Buiten- naar het Binnenhof, en steeds, et laatste aangekomen, turende naar een en hetzelfde venster het oude Stadhouderskwartier. ^
len zonderling!quot; »Een warm patriot!quot; »Een verdacht zwer-\' dus luidden de opmerkingen vóór en in de hoofdwacht.
spion van den franschen gezant d\' Avauxquot;, zoo oordeelde de ^ uant, die er straks een van den Gerechte gesproken en van i vernomen had, dat d\' Avaux dien morgen een zijner kreatu-meestal haagsche burgers van de smalle gemeente, hierheen gezonden, om te zien en te hooren zooveel hij maar kon.
s man had echter niet veel kunnen zien en hooren, daar de utendienaars hem goed in het oog hadden gehouden en een
PT. VA.N DE LIJFGARDE. â
I.
1
2 DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
der vroolijkste en vernuftigste hunner hem steeds zóóveel hac1 , ^ laten vooruitdringen, dat hij op het punt was zijn doel te bereiken ^ maar hem dan ook met een krachtigen duw en een scherpen grauw \\ , r tot deinzen had verplicht. 1
En wat er dien morgen op Buiten- en Binnenhof voor velen te aanschouwen en voor enkelen te hooren zou zijn geweest [ . fd bo
Het was een schouwspel, eenig in de jaarboeken der Stad, j; i eenig zelfs in die der Vereenigde Provinciën. Reeds tegen elf urt ^e| (|\' waren de gardes in grooten getale in het Binnenhof opgesteld, j
het groote Oranjevaandel ontplooid, dat uitwapperde, opgedragen en beheerscht door den snerpenden kilkouden wind, die van Zuid-®^^6 west, zooals hij in de laatste veertien dagen geweest was, naar , het Noorden was uitgeschoten, \'t Waren drie prachtige bataillons^g^ voetvolk, geflankeerd door een paar eskadrons van de dragonders^^ o Zijner Hoogheid, alle in blauw laken met geel uitgemonsterd,^61\'^ \'sterk gebouwd, flink doorvoed, mannen die wisten wat vechten^ ^ was en tevens, â de vele likteekens op het gelaat mochten \'t ge- ⢠tuigen I â wat een musketkogel of een sabelhouw beteekende! ^
Weldra was toen de Hooge Overheid van de Zeven Geüniëerdi troo^t Provinciën en van Holland en West-Friesland, â Hunne Hoog- wa\' Edelmogenden en Hunne GrootEdelmogenden â bespeurd, waii-j(; delend of rijdend in zeer eenvoudige karossen naar hunne ver-^. (jaar gaderzaal. Deurwaarders, met het teeken hunner waardigheid op de borst en in de hand, zwierven in angstige haast van de voor-\'^ j deur af, den gang door, tot aan, zelfs tot in, de vergaderzalenl^en aan weerszijden van het Binnenhof. Eerbiedig werden -de Soeverei- ^oor nen der Eepubliek begroet door de menigte daar vereenigd. g^a
heilwenschen, die hen tegenklonken, werden in verschillende taleiare ^ gehoord, maar de meeste en de warmste in het beschaafdste Franscl^. gJ.on( dier dagen, want ze vloeiden van de lippen der fransche Hugeuoo , ten, bij de onlangs plaats gehad hebbende herroeping van het edikn van Nantes, om der wille der Religie met - achterlating dikwijl: ^^ van kinderen of ouders, van geld en goed, hun vaderland ont({j|en . vlucht en in de Republiek der Geüniëerde Provinciën, met broe- j]ar^e derlijke liefde en tevens schrandere voorzienigheid, opgenomen.
Maar grooter en rumoeriger menigte had zich bij de zooge-naamde Stadhouderspoort saamgepakt, en hief een oorverdooveni gejuich aan. Daar werden de Haagsche predikanten met honderdei hunner gemeente-leden; daar werden de Engelsche Edellieden^ waarvan den Haag, vooral sedert een drietal maanden, schier over-j^,®^ vuld was, als op elkaar gestuwd, toen de eenvoudige karos naderde^^ waarvoor de poort ontsloten werd. Hij, die er in zat, boog even.^ Hij scheen de opgewondenheid om zich heen niet in al haar omvang waar te nemen; hij scheen geheel vervuld met hetgeen hen\'
scheli Hun;
op het Binnenhof wachtte, en onder die duizenden er slechts éei
h
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
speuren, een, naar het scheen, krachtig man, maar wiens . \' sbleekte en wiens vermoeide oogblik Item, en velen met n sedert eenige weken bezorgdheid inboezemden. Dat was Mr. auv \' r Fagel, de Raad-pensionaris van Holland en West-Friesland, ien blik op zich voelde rusten, naar de karos opzag en met e beminnelijken glimlach op het scherpzinnig gelaat diep het . fd boog, eer hij de deur intrad, die tot de zaal Hunner Groot \' J\' i Mogenden leidde.
ur^el mochten die duizenden dien morgen daar bijeen zijn ge-m oold! Wat reeds maanden lang was gemompeld, wat reeds weken iqeing koerier op koerier van al de hoofdsteden van Europa deed u enden en in vliegende haast tot haar deed terug keeren; wat ^quot;scherpzinnige d\'Avaux had vermoed, en, door zijn gouden V^boletten geholpen, ten naasten bij reeds volledig wist, zou thands , VVden geopenbaard!
3e Hooge Overheid der Zeven Geünieerde Provinciën en het ofd der uitvoerende macht, de Stadhouder Willem Hendrik van Se\'tnje, werden besproken van Stamboul af tot in het Noorde-,e\'., ste Noord van Schotland en waren het voorwerp geworden van 1 \'ïjrootste vereering of van de geweldigste vrees!
00g\'ir was grond voor dit alles!
vVall\'3e duizenden daar buiten konden wel geen getuigen zijn van \'el\'t daar binnen geschiedde, toch zweefden, als langs onzichtbare 0J-\'l!graafdraden, de woorden in de beide vergaderzalen gesproken, r0,01\'r de hoofden der menigte, die ze bewaarden en weldra verder !a e.niden voeren, door de geheele Stad, door de geheele Eepubliek erf.\'J\' door geheel Europa.
taler stadhouder, een lange magere gestalte, daalde kalm uit de in-cl3,10\' ^omPe\' van a^e versierselen ontbloote, karos neer. Zijn ge-\' b t stond strak als droeg het een masker. De groote haviksneus, BdiV\' scke:rPe oogblik, zouden alleen ontzach hebben moeten inboeze-n, indien het volk, dat hem zag geboren worden en waar onder leefde, achter dat masker niet zóóveel goeds en edels ver-lolen wist, dat het ontzach er door omgestempeld kon worden roe hartelijke verknochtheid.
ij was haastig binnen getreden. Weldra neergezeten tegenover HoogEdelmogenden, nam hij het woord en verklaarde hij, ig en schijnbaar koud, dat hij Hunne HoogEdelmogenden s getrouwelijk had gediend en altoos \'s Lands best voor oogen f gehad; dat hij naar Engeland toog met geene andere oog-erde waarbij hij den Alwetende tot Getuige aanriep, als in zijne eveij\'11\'3aar gemaakte verklaring waren medegedeeld. Hij wist niet ⢠orn-l me^ ^em mocht voor hebben,quot; maar indien hem iets
3
heJ^helijks mocht overkomen, beval hij de Prinses, zijne Gemalin, s éeif ^unner Hoog Edelmogenden zorg, hun verzekerende dat zij
4
4 DE KAPTEIN VAN BE LIJFGARDE.
.
dit land als haar vaderland beminde. Toen vertrok hij, na a.) handen hartelijk te hebben gedrukt, naar de vergaderzaal Hun i Groot EdelMogenden, waar hij mede gewaagde van den aansta:,! den tocht naar Engeland en »Haar Edel Groot Mogenden vrunc lijk bedankte voor al hetgeen hij voor zijn persoon, eerst ge( E rende zijne Minder- ende daarna in zijn Meerderjarigheijt genot.\' | had, en versocht de goetheijt te hebben, van daar in te volh gt;â den;quot; hij hoopte »beter gelegenheijt als tot nu te sullen krijgi;! om het te erkennen; het had noyt aan sijn ijver ende genegenh \' gemangelt; hij soude, zoolang hij leefde, dankbaar wesen ende 1quot;, welvaren van den Staet en speciaal van Holland, \'t geen alt i zijn belangh ten vollen naer sijn vergenoegen behertigd had, waj.i nemen;quot; hij meende »boven alles noyt te vergeten de groote eu ⢠gewichtige hulp, welcke sij bij dese gelegenheyt aan hem besoi i den.... hij nam Godt Almachtigh, een Kender aller zielen harten tot Getuige, dat hij zijn desseyn tet geen ander ooghmer-bij der hant vatte als tot desselfs eer, voorstant ende Behouder.; van de Kerck en ten voordeele van de Geüniëerde Provintiën.... en eindelijk bad hij »God, den Oppersten Schepper, ten aide hoogsten met zijn zegen over de Geüniëerde Provintiën ende het bijsonder de Provintie van Hollant, voort te gaan en begeer op haer nochmaals seer vrundelijck hem in de gunste, altijt sf, persoon toegedragen, te behouden.quot; Na deze woorden, waarvan â voordracht door kalmen, bijna killen, eenvoud zonderling afst ⢠bij den warmen inhoud, was de Ka^lpensionaris Fagel opgesta; zenuwachtiger, gejaagder dan ooit. Hoe hij te moede was bewn de traan, die in den ooghoek schemerde en het glas water, (h hij ter sluiks met bevende hand aanvatte en leeg dronk. I daarop had het met de warmte en zegginskracht hem eigen, mt toch met ongewone aandoening, als had hij een voorgevoel v; zijn naderend einde, geklonken: »alsoo de voornemens van si\' Hoogheijt niet tot het maecken van vremde conquesten strektii: maar alleen tot behoudenis van Gods kerck, de vrijheyt der K buien ende der Natie, welcke in de eerste beginselen van di Staat veel tot deszelfs vrijheyt toegebracht heeft, mitsgaders to gerustheyt deser Heerschappij, was het van Godt Almachtigh wenschen ende te bidden, dat zij gelukkigh mochten komen te vallen ende de gene die Godts kereken meenden te vervolgfj in alle haer doen ende quaet voornemen gestoort ende naer hij verdiende loon verdelgd werden; de Eepublijk ende bijsonder Provintie van Hollant soude voor sijn Hoogheijt, als t\' eenenm» van desselfs suuht tot haer overtuigt, altijt behoorlijke achting f toegenegenhert V quot;.ouden en God Almachtigh voor de behoudei» van sijn dierlViü persoon aenroepen; sij, hier vergadert, wensci ten hem verder een voorspoedige reyse toe.quot;
DE KAPTEIN VAN DE LLTFGATIDE.
Naïef en tocli krachtig, eenvoudig tot nuchterheid toe, en niet te min zoo veel zeggend! \'t Was de eharaktertrek van de edelsten onzer vaderen in die roemrijke, ja grootsche, dagen!
Al de aanwezigen waren opgerezen, omringden den Stadhouder met tranen in de oogen en drukten hem de hand. Vooral Fagel, die zoo veel had gedaan om het schijnbaar onmogelijke mogelijk te maken, stikte het woord van afscheid bijkans in de keel. Zouden zij hem weerzien, en zoo ja, hoe? En hij, die van hen ging, had naast hen en zelfs voor hen gestaan, reeds als jonkman van even twee en twintig, als helper en beschutter; had, opgewassen tot man, de macht der Eepubliek op de slagvelden ver buiten de eigen enge grenzen doen eerbiedigen. »Grod Almachtig geleide U, helpe U en brenge IJ weer tot ons, uwe beste vrienden!quot; zoo snikten, zoo riepen, zoo prevelden allen, zelfs de Afgevaardigden van Amsterdam, welke stad de hengenis van veel gekibbel, van veel kwaad humeur en stokstijve hal star righeid tegenover den heerschzuchtigen Stadhouder, in deze oogenblikken en nog vele andere na deze, van zich af dreef.
En hij, zoo deelden ooggetuigen mede, bleef kalm en rustig, zeide niets, terwijl hij de hem toegestoken handen drukte. Het krampachtig kuchjen echter en de luide moeielijke ademhaling vertelde, aan wie hem kenden, genoeg van den storm, die er inwendig woedde, maar dien de mannelijke wil zocht te bezweren en, zoo als bijna altijd, ook bezwoer.
Wat verlichting ep verluchting, toen hij het plechtstatig afscheid gebracht had\'en in de eenvoudige kamer in het Stadhouderskwartier even mocht pozen!
Grootsche herinneringen waren aan dat vertrek met zijn twee van kleine ruiten voorziene vensters, welke op het Binnenhof uitzagen, verbonden! De Stadhouders waren sedert Willem I in rijkdom toegenomen en voelden zich, al ware het slechts om politieke redenen, verplicht weelde en pracht te toonen aan de Heeren Staten en de Afgezanten der vreemde Mogendheden. Toch hadden zij weinig aan de mode, die van toenemende en, als men de Predikanten wilde gelooven, van schrikbarend toenemende weelde getuigde, geofferd, en zij behoefden dat ook maar weinig te doen om den burger, indien hij niet een Amsterdamsch of Middel-burgsch koopman ware, nog verre in praal en pracht te overtreffen. De tegenwoordige Stadhouder hield zeer weinig van weelde; hij had er zelfs geen oog voor; toch, schrander als de schranderste zijner voorzaten, dwong hij zijn gemalin, Mary, uit het huis Staart, dochter van den tegenwoordigen koning van Engeland, Jakob II, niet al te zuinig te zijn en, in het openbaar verschijnende, zich zelfs rijker te toonen dan de vrouw van eenigen Stadhouder zich had veroorloofd. In hun huiselijk leven waren al de Stadhouders
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
6
steeds eenvoudig geweest en de tegenwoordige volgde ook daarin het voorbeeld zijner voorzaten. Het vertrek, waarin hij zich nu bevond en behagelijk voelde, waarin de Grroote Zwijger soms, waarin de eerste veldoverste van zijn tijd. Prins Maurits, dikwijls had gearbeid, zou den deftigen burger onzer dagen armelijk en kil hebben toegeschenen, al vlamde ook het vuur, van turven en groote blokken bout gebouwd, vroolijk in den open haard. De houten vloer toch was overal goed zichtbaar en droeg slechts een Smir-naasch tapijt, waar de zware, ietwat lompe eikenhouten tafel op vier gedraaide poten en de leeren leunstoel voor het eveneens eikenhouten schrijfbureau stond. De wanden waren halverwege met eikenhout beschoten en voor het overige met doek, waarop eenige landschappen uit den omtrek van Delft en \'s Gravenhage waren geschilderd. Eenige papieren lagen ordeloos op de neergeslagen klep van het schrijfbureau, eenige kleedingstukken op de tafel en op twee der vier stoelen, waarvan de rug en de zitting bekleed waren met donker bruin leder, dat met talrijke koperen spijkers was vastgenageld. Bij het binnentreden had de Stadhouder zich gehaast den langen mantel, die hem bij zijn wandeling van de vergaderzaal der Heeren Staten naar de oude Stadhouderlijke vertrekken goede diensten had bewezen, af te werpen en evenzeer den hoed met lagen bol en een aan drie zijden eenigzins omhoog gebogen rand, met gouden passement omboord en getooid met blauwe en gele pluimen. Daardoor werd de groote allonge-prniV â grand in folio en Binette genoemd naar den te Parijs wonenden uitvinder â het gelaat geheel omlijstend, de ooren gants en al bedekkend en zelfs tot op den rug in rijke krullen neerdalend, volkomen zichtbaar, even als de waarlijk prachtige rok van donker blauw fluweel met geelzijden omslagen aan de beide polsen. Die rok, van voren aan den hals met een onzichtbaren haak gesloten, hing, hoewel van knoopsgaten en gouden knoopjens voorzien, van voren open, en was op de borst eenigzins uitgebogen, zoodat het onderhemd niet alleen goed was te zien, maar de fijne kanten, waarmeé het omplooid was, zich in al haar rijkdom konden laten bewonderen. De fijn batisten nieuwerwetsche cravate â een regiment Kroaten, dat zulk een halsbekleeding droeg, had er den naam aan gegeven â omwond den hals en hing van voren breed en bijna tot op het midden der borst neer en werd daar in de ge-wenschte plooien gehouden door een diamanten agraaf. Onder den rok door, van links naar rechts, liep de degen met gouden hand-vatsel, den Stadhouder vóór elf jaar vereerd door eenige kolonels van het leger, ter herinnering aan den slag geleverd bij Seneff tegen Bodewijk XIV; een slag, wel verloren, maar, zoo als later telkens het geval zoude zijn, door het beleid en de tegenwoordigheid van geest van den overwonnen Opperbevelhebber in een over-
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
winning verkeerd. De broek, van blauw fluweel even als de rok, werd door dezen bijna geheel bedekt en was aan de knie alleen even zichtbaar, waar hij de wit zijden kousen vast hield, schuilgaande in de bruin lederen schoenen met rood gekleurde hak.
Maar er is belangrijkers waar te nemen dan die oogenschijnlijk slechts nietige bijzonderheden, welke den tijdgenoot echter niet nietig toeschenen. Met uitpluizende en tot ongeduld stemmende nauwkeurigheid toch, werden ze opgeteekend en medegedeeld, als een bewijs te meer van de opgewektheid en het vermogen van den Prins van Oranje, zelfs overgebriefd door den Franschen gezant aan zijn meester, den Half-god, die aangebeden werd te Versailles, maar door gants Europa, hoewel rillend en huiverend, vervloekt!
Veel belangrijker, we erkennen \'t gaarne, is een blik op het gelaat van den man, wiens naam in Europa sedert zestien jaar op véler, en sedert vier maanden, bijkans op aller lippen speelde. Hij zou over weinige dagen zijn acht en dertigste jaar bereiken, maar wie hem dit oogenblik beschouwde, zou zelfs een publikatie van hunne Groot Edel Mogenden, waarin die ouderdom werd opgegeven, niet hebben geloofd. Het groot, beenig gelaat met het hooge, aan de zijden afgeplat, voorhoofd, met den forschen stevig ingeplanten haviksneus, met de fijne steeds op elkaar geperste lippen, waar diepe rimpels langs liepen, als bevrozen in het karige vleesch, deed hem wel vijftig en soms nog daarboven schijnen. De schitterende oogen evenwel, waarin vuur vlamde en flikkerde â schijnbaar al de driften eener gloedvolle jeugd! â deden die opvatting weder te niet en gaven voedsel aan het vermoeden, dat het binnenst van dien man een zeer onbetrouwbare tolk had gevonden in de uitdrukking van het gelaat. Oud en jong, zwak en krachtig, mededeelzaam en gesloten, voor de teerste indrukken vatbaar en voor het liefste en zachtste geheel onverschillig, zoo werd hij afgeschilderd naarmate men hem van dichtbij of van verre beschouwde; maar eenstemmig was aller oordeel, dat de indruk dier persoonlijkheid een buitengewone was.
Hij had straks den Engelschen Admiraal Herbert en den Hol-landschen Evertsen bij zich gehad en hun, de hand drukkende, een hartelijk stot spoedig weerziens!quot; toegeroepen. Nog op den drempel had het opgewekt in de Engelsche en Hollandsche taal geklonken: »Van avond ben ik te Hellevoetsluis; en dan dadelijk in zee! We krijgen den Noord-Ooster â ik ben er zeker van!quot; Maar toen ze vertrokken waren, was de halve glimlach van het gelaat verdwenen en had hij zich haastig weder naar zijn stoel gewend vlak voor het haardvuur, waaraan hij zich huiverend warmde.
»\'t Heeft moeite gekost, maar \'t is toch gelukt, en drie weken lang zullen ze wel de pais bewaren!quot; mompelde hij nu, daarbij denkend aan den aanvankelijken onwil van de Admiralen Evertsen
7
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
en van Almonde om onder de bevelen te staan van den Engelsch-naan Herbert. Een Hollandsche vloot onder een Engelschen bevelhebber! Al de baat, jegens den erfvijand in het Hollandsche zeemanshart sedert een eeuw opgehoopt, was er tegen in verzet gekomen, maar de Stadhouder had volgehouden, eerlijk met hen gesproken, vertrouwen gevraagd, en er op gezinspeeld, dat de opoffering van eigen zin en begeerte, hun gevergd, de zijne niet overtrof. De rondborstige zeelui hadden ten laatste, hoewel morrend, gezwegen en vervolgens.... gehoorzaamd. â Als men het laatste maar deed, dan werd het morren en mopperen niet zoo erg kwalijk genomen! â En de Stadhouder had toen van den Engelschen Admiraal een brief verkregen »aan de Zee-officieren en zeelieden van des Konings vloot,quot; een vermaning inhoudende zich bij den Prins van Oranje te voegen, daar deze niets anders beoogde als het behoud der Religie en der Vrijheden van Engeland.
Daar roerden zich de pijpers en de trommelslagers op het Buitenhof. De gardes verlieten, op eenige weinige kompanjies na, hun wachthuis en sloegen den weg in naar de Delftsche vaart, waar de schuiten lagen, bestemd om ze naar Hellevootsluis te voeren. De blik van den Stadhouder werd levendiger, vuriger! De troepen, in de zes laatste weken gelegerd in het kamp bij Nijmegen, naar het gerucht wilde, met het doel om het land aan de Oostzijde tegen Frankrijk te dekken, waren sedert gistermiddag óok in beweging en zouden, werd de marschorder stipt uitgevoerd, op dit oogenblik reeds over de Zuiderzee Nieuwediep hebben bereikt. Tot dusverre waren zijne bevelen tot in de kleinste bijzonderheden en met de grootste eenheid uitgevoerd.
De oogblik dwaalde af van het venster en staarde in de ruimte. Trok het verleden den peinzende voorbij ? Wenkte hem de toekomst? Voorwaar, loomer verbeelding dan de zijne was, zou tot werkzaamheid worden geprikkeld door zulk een tafereel! »De gant-sche historie van de oude en nieuwe tijden vertelt niet zulk een triomf van Staatsmanskunst,quot; zoo roept een Engelsch Geschiedschrijver uit.
De jonkman, die het vaderland in \'72 had gered, zou sedert den Nijmeegschen vrede voor »doê-nietquot; hebben gespeeld, indien niet zijn staatsmansoog de vele leemten in de regeering der Unie had bespeurd en de steeds toenemende fierheid, gevolg van steeds vermeerderend gevoel van eigenwaarde en kracht, niet telkens in botsing ware gekomen met den vaak kleinzieligen burgertrots, die elk Kollegie in elke Stad, elke Stad in elk Gewest, en elk Gewest in de Unie naar Soevereiniteit deed streven. En hij had, met eerbiediging van ieders persoonlijke vrijheid en gelijkheid, al de kracht en de macht der Geüniëerde Gewesten willen saamgetrokken zien in éen kollegie of liever in éen persoon, en wel in den zijnen;
8
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
niet om despoot, maar om opgewassen te zijn tegen het gevaar dat hij, en, helaas, hij bijna alleen! dreigend vond.
De helft van Europa toch gehoorzaamde Lodewijk XIV, en de andere helft, in zich zelve verdeeld, omgekocht door het Fran-sche goud, maakte zich gereed, het voorbeeld der eene helft te volgen. En wat zou het gevolg daarvan zijn? Voor het Katholiek Europa slaafsche dienstbaarheid, voor het Protestantsche algeheel verderf. Hij zag, hoe Engeland, door volks-charakter en ligging bestemd tot een reus op te wassen, in zijn groei gewelddadig werd gestuit door de ontrouw, de lafheid en dubbelhartigheid zijner regeerders, alle in soldij van Frankrijk; hij zag het een dwerg geworden met misvormde leden, onder den dwang van de aangelegde ijzeren beugels! En dat Engeland moest de hoeksteen zijn, waarop het vervormd Europa een nieuw staatsgebouw behoorde op te trekken. Eeeds bij het leven van Karei II, die geen wettige nakomelingen zou nalaten, dacht hij aan een nauw verbond met het Engelsche Koningschap. Met veel geduld en beleid slaagde hij er in, de oudste dochter van den Hertog van York, den vermoede-lijken troonsopvolger, te huwen. Voor drie jaren was deze, onder den naam van Jakob II, koning geworden en sedert.... Zie, des Stadhouders gelaat vertoont een glimlach, ja waarlijk een glimlach! Hoe zijn tegenstanders fout op fout begingen en hem de zwaarwichtige taak hadden verlicht!
En elke fout was opgemerkt, en met elke had hij zijn voordeel weten te doen!
Jakob, zijn schoonvader, de vrijheden van zijn vrijheidlievend volk vertrappend en aan de overgroote meerderheid zijner onderdanen een Godsdienst met geweld opdringend, die hij, â we geloo-ven het gaarne, â als de eenig zaligmakende met geheel zijn hart aanhing, had zelf hem de hoop van het verbijsterd Engeland doen worden. Lodewijk, door den glans van eigen heerlijkheid blind gestraald, had hem niet minder geholpen door het eenmaal machtig huis van Habsburg te tergen, den Paus te vernederen, waardoor hem eerst een vriendelijke verstandhouding, en weldra een krachtig bondgenootschap in Weenen en Rome was verschaft. Hoe het onmogelijke â het huis Habsburg vrede te doen hebben met den aanval op Engeland tot onttrooning van Jakob den Tweeden, den geestdriftvollen verdediger van het Roomsche geloof â mogelijk was geworden, het was in de eerste plaats te danken aan Jacob Hop, den Amsterdamschen Pensionaris, die in zijn langwijligheid en_ breedsprakigheid, maar ook in zijn volharding en halstarrig*-heid, een type aan de Hoven te zien gaf van den Hollandschen landaard dier dagen! Wel had diens onderhandeling veel moeite en^ ook veel geld gekost! Hop klaagde er dikwijls over, dat de Rijkspost meestal een zeer ontrouwe bode was en dat men in
9
10 DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Duitschland tegenover den laagsten niet alleen, maar ook den hoogsten, ja Allerhoogsten, altijd maar klaar moest staan met.... fooien. De nuchtere maar schrandere Hollander gaf zijne drooge missives een geur van humor, als hij \'t over die fooien had, waartegen de Heeren Staten-Generaal nooit een klacht inbrachten en welke de Heeren, hoe zuinig meestal ook waar \'t zijn kamerhuur of zijn tafel gold, wat gaarne! betaalden.
Bijna al de Duitsche Vorsten waren gewonnen; het aantal soldaten, door de Vereenigde Provinciën in soldij te nemen en bestemd aan de oostelijke grenzen de vertrouwde, door den Stadhouder gevormde en aan hem verknochte, troepen te vervangen, bepaald! En toch scheen Zijn Hoogheid nog te weifelen! Uit Engeland drong, ja bad men den inval te wagen. En toch, geen bepaald andwoord! \'t Was waarlijk geen vrees van zijne zijde, maar het gevolg van een der hoofddeugden in zijn charakter. Willem Hendrik van Oranje deed nooit den eersten stap, zonder den tweeden en derden te hebben berekend. De schitterende en in Engeland aangebeden Hertog van Monmouth, een -bastert van Karei II, had voor weinige maanden met grooten spoed en met groote luchthartigheid gewaagd wat ook hij wilde ondernemen; maar was overwonnen, gevangen genomen en door een onvaste beulshand gemarteld en eindelijk gedood! En hij moest slagen, want met hem verhief zich of daalde het land zijner geboorte, het land, dat hij lief had met zijn gantsche hart! Gelukkig, zijn schoonvader zelf baande hem nogmaals het spoor en drong hem tot handelen. Den dertigsten Juni jl. waren, met het bericht van de geboorte van een Prins van Wales, eenige aanzienlijke Edelen van de Whigpartij te \'s Hage gekomen, een verklaring aanbrengende, door honderden edellieden geteekend, dat de jonggeborene een ondergeschoven kind was, en met de verzekering, dat ook het meerendeel der Tories hem smeekte over te komen om hen te verlossen. En de Tories waren nog wel de Edellieden en Voornamen, die het met de legitimiteit en met het goddelijk recht der Koningen hielden, en de uitvinders en verdedigers van het leerstuk der lijdelijke gehoorzaamheid aan de van God verordineerde Overheid! Sydney, de eens schoone en dartele jonkman, maar steeds, onder den mantel der luchthartigheid, veel berekening, takt en politieken zin verbergend, bracht weldra zelfs een brief van Jakobs eersten minister, Lord Sunderland, waarbij deze zich mede ter beschikking Zijner Hoogheid stelde. De geschiedenis heeft ons niet het oogenblik geschetst, dat de Prins dien brief ontving en hem las met de wetenschap, dat de brenger de minnaar was van de echtgenoote des schrijvers. Wat we gaarne den lichtflits in de donkere oogen, den smadelijken trek langs neus en mond hadden willen waarnemen en het woord van minachting
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAKDE. 11
hooren, dat zeker halverwege gesmoord is geworden in den lach. der blijde tevredenheid!
En toen.... was de tijd van wachten voorbij en die van arbeiden gekomen. En toen----werd er rusteloos voort gegaan, maar
steeds met onhoorbare schreden; want daar loerden in zijn nabijheid de lijnxoogen van d\'Avaux, den gezant van Lodewijk, en de scherpe naijverige blikken van de kooplieden, vooral de Amster-damsche, die geen oorlog wilden, en daarom met de krachtige vuist de snoeren der geldbeurs omklemden! Hoe dankbaar wij den geschiedschrijver zouden zijn, die ons een trouw tafereel wist te ontwerpen van al de volharding, de slimheid en stoutmoedigheid, door Fagel in Holland en van Weede van Dijkvelt, daar buiten in Engeland, aangewend. Aan de deftigheid van het verhaal zou het vroolijke incident geen scha doen, dat de terecht beroemde Amsterdamsche burgemeester Hudde aanbracht, die zich buiten alles houden en van niets weten wou, maar tegen zijn zin in alles werd gemengd en het geheimste onder een glas Bourgonje in het oor werd gefluisterd, dat hij toch niet beletten kon te hooren. En wat hij eenmaal wist, hoe zeer \'t hem ook bezwaarde, verplichtte hem, den wakkeren man, tot medewerking!
Het Edikt van Nantes was herroepen geworden. Lodewijk wilde eenheid van godsdienst in zijn rijk, wilde God behagen en zoo mogelijk met zich verzoenen. Duizenden, ja tienduizenden hadden huis en hof verlaten, bescherming gezocht en ook gevonden in dit vrije land. Wrok brachten de ballingen mede en wat nog meer gold, ook goud, goud dat ze der goede zake wilden offeren. Het , Franschgezinde en op Frankrijk handeldrijvende Amsterdam in zijn te Parijs en Bordeaux wonende poorters beleedigd en in zijn handel geknot, boog het fiere hoofd en stond den Stadhouder niet langer tegen. In Engeland deed Sunderland zijn Meester de dolzinnigste maatregelen nemen, hem den aangeboden steun van Frankrijk in geld en manschappen weigeren en hem alle geloof ontzeggen aan de vijandelijke bedoelingen der Geünieerde Provinciën, op wier oorlogswerven hij in White-hall bijna de hamerslagen had kunnen hooren weergalmen, indien hij zijne ooren tot luisteren had willen neigen. D\'Avaux zond missives op missives in cijferschrift naar zijn ambtgenoot te Londen, al te maal te vergeefs ! En Lodewijk, de verblinding en den hoogen toon van Jakob, zijn beminden koninklijken neve, eindelijk moede, besloot zijn leger, dat hij door de Spaansche Nederlanden heen naar de grenzen der Republiek had willen zenden, den weg naar Duitsch-land te doen inslaan, waar hij nu bezig was te strijden en te overwinnen! ....
Het uur der afreize had geslagen. Zijn Hoogheid had nog éen
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
gewichtig bevel te geven, nog met éen vertrouwden bode te spreken, dien hem Mackay, de Kolonel van het eerste Engelsche regiment in Staatsche dienst, had aanbevolen, en dan zou hij naar Honselaarsdijk rijden, waar hij alleen met zijn vrouw, zijn trouwe, lieve Maiy, geheel alleen op zijn burgerlijk Hollandsch, zou middagmalen. Vandaar zou hij met de schuit, die tegen den avond voorbij voer, naar Hellevoetsluis en den Briel gaan.
Hij zag door het venster op het Binnenhof den burgerman, dien wij straks reeds heen en weder zagen gaan, door een schoutendienaar aanhouden en in de bijna ledige wacht brengen. Wat zou daarvan de reden zijn? Zou die man in soldij staan zijner talrijke vijanden en meer dan eenvoudig bespieder hebben willen zijn? Het zou niets bevreemdends in hebben! Hoe dikwijls was hij reeds niet gewaarschuwd! Hadden de Staten-Generaal hem niet eenige weken geleden »zonderling ernstelijkquot; gebeden, zijn dagelijksche tochten naar het Scheveningsch strand te staken, indien hem niet meer dan een enkele paadje of lijfbediende volgen mocht? Om het gevaar dat hij liep had hij zich nooit veel bekreund. Stond niet alles in Gods hand? Viel er éen hoofdhair zelfs zonder Zijn heiligen wil? Had de Heere niet van alle eeuwigheid het lot van iederen mensch bepaald? Hij had op zoo menig slagveld zijn vast geloof en vertrouwen bevestigd gevonden. Hij had op de aardsche reize nog veel te doen. De Heere God zou hem dat laten verrichten, dat zeide hem een inwendige stem, en hem dus overschaduwen met Zijne kracht.
Een bescheiden tikjen kondigde een bezoeker aan; zeker hem, dien hij wachtte. De kamerdienaar had den portier den last moeten overbrengen om, zoo een krijgsman van eer, der Engelsche regimenten zich mocht aanmelden, dien te laten voorbij gaan, zoodra hem de naam Mackay werd genoemd.
De binnentredende had aan gene zijde der deur zijn vilten hoed met breeden rand nog op het hoofd gehad en nam dien eerst af, toen hij, na de deur rustig en zonder gedruisch gesloten te hebben, tegenover Zijne Hoogheid stond, die hem van het oogenblik af, dat hij zichtbaar voor hem was geworden, nauwkeurig had gageslagen. Er kwam iets vriendelijks over \'s Prinsen eerst zoo stug gelaat. Het Engelsche woord, dat hem op de lippen was gekomen, werd vervangen door het Hollandsche: »Ik ken je____kapitein....\'\'
»Semeyns,quot; klonk het eerbiedig, maar zonder zweem van verlegenheid.
»Juist, je waart bij Senef!quot;
De toegesprokene duwde met de linkerhand even een vlok van het dikke kastanje bruine hair van het voorhoofd weg, waardoor een diep likteeken zichtbaar werd, en zeide: »Bij het regiment Solms, Uwe Hoogheid!quot;
12
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
De Prins zag met klimmend genoegen den krachtigen krijgs-f man aan, wien de roode wapenrok met de wit laken hozen zoo goed kleedde, van welk laatste echter niet veel bespeurd kon wor-! den, daar de hooge kaplaarzen tot over de knie reikten; wiens zwaard, aan den gordel met den eenvoudigen lederen riem ver-bonden, om de wijze waarop het gedragen werd, zoo goed voegde ji bij de stoute uitdrukking van het staalblauw oog, den krachtig (: geplanten krommen neus, de fijne lippen, welke bij het spreken
Seen forsch gebit deden zien, en de kin, welke menige fiere Wel-Edel-Groot Mogende hem had kunnen benijden.een forsch gebit deden zien, en de kin, welke menige fiere Wel-Edel-Groot Mogende hem had kunnen benijden.
Hij had gestreden bij Senef, een slag, welke Zijner Hoogheid altijd een schoone herinnering was gebleven; misschien wel omdat hij de eerste gelegenheid had gegeven den Zonne-koning te toonen, dat het jongsken, zooals hij hem placht te noemen en voor welks opvoeding hij te Versailles had willen zorgen, indien Joan de Witt het had gewenscht, tot een man was opgewassen, die het waagde hem in het open veld te weerstaan en een leger tegen hem aan te voeren, dat het jongsken zelf in de moerassen van het kleine Gemeenebest had verzameld, geoefend en onder tucht gebracht; f een leger, dat toen wel verslagen, zich echter in de nederlaag i zóo had gedragen, dat een toekomstige overwinning kon worden l verwacht.
Die officier had tot het regiment Solms behoord en maakte nu deel uit van de Engelsche troepen! Hoe kon dat zijn? Het verbazend geheugen, al de Oranjetelgen eigen, liet Zijne Hoogheid niet lang in twijfel. Hij herinnerde zich dat hij, toen zijn schoonvader Jakob de tweede de drie Engelsche regimenten, bij de Staten in soldij, opeischte, om bij hem dienst te doen ten einde den inval van den Hertog van Monmouth te keeren, Hunne HoogEdel-Mogenden had »geadviseerdquot; ze te laten vertrekken. Hij had ze echter teruggeëischt, toen de indringer overwonnen was en ze ook terug zien keeren. Maar menig officier en soldaat was overgehaald om bij een ander regiment, in Engeland liggende en tot het have-j loos en weinig geregeld leger behoorend, dat koning Jakob wilde f oprichten ter beveiliging van zijn eigen persoon, te worden ingelijfd. ; i Anderen, naar Jakobs keuze, waren daarentegen aan die regimenten , 1 toegevoegd. Een zuivering werd bij den terugkeer noodig bevonden. De door Jakob aangestelden werden weggezonden, en van de andere Hollandsche regimenten werden de knapste en strengst Protestantsche soldaten en officieren, die Engelsch konden spreken en verstaan, â de bekendheid met die taal was toen verre van i algemeen â met verhooging van soldij of wedde er bij over ge-r plaatst.
t i Zijn Hoogheid begreep nu nog beter dan bij den eersten blik
4dien sterk gebouwden en schrander uitzienden man tegenover
y _
13
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
zich\' waarom zijn verknochte dienaar Mackay juist dien man had gekozen. Een Hollander was in de bestaande omstandigheden het best te vertrouwen, en vooral een, die zich goed in het Bngelsch wist uit te drukken. Om dit te weten, begon hij hem in die taal aan te spreken, met de gemakkelijkheid, maar ook de geringe fijnheid, waarmeê hij de Fransche, Duitsche en zijn eigene sprak.
Zijne verwachting werd ook in dit opzicht overtroffen.
De kapitein sprak het even vlot, maar beschaafder en sierlijker dan hij!
»Semeyns.... toch van geen bekende familie!quot; prevelde hij. »Waar hebt ge Engelsch geleerd?quot; vervolgde hij luide in dezelfde straks reeds gebezigde taal.
»In het veld. Bij Senef was het regiment Solms gelegerd naast het le regiment Engelschen. Ik had het voorrecht een soldaat, die ernstig gewond was, te redden. Ik bleef zijn vriend en ging veel met hem om, vooral sedert hij onderofficier was geworden.quot;
»Welken graad had je zelf toen?quot;
»Die van onderluitenant sedert \'72. Bij Senef werd ik luitenant, in \'78 eerst kaptein!quot; klonk het met een zweem van wrevel.
»Ben je ooit in Engeland geweest?quot;
»Ja, Uwe Hoogheid, toen ik pas tot het Engelsche regiment behoorde. Mijn kolonel gaf mij eens een brief te bezorgen in Londen.quot;
»Aan....?quot;
7gt;Mr. Berkley, den kamerdienaar van Lord Churchill.quot;
»Kom wat naderbij!quot; zei Zijn Hoogheid, terwijl hij oprees en naar het schrijfbureau ging, waar hij een klein pakket, met rood was gesloten, in \'t welk een wapen was afgedrukt, dat echter niet dat der Oranjes was, uit een der laden nam.
»Kreeg je toen een brief terug?quot; vroeg hij, het pakket, dat hij had willen overreiken, nog even terughoudend.
»Ja, aan het adres van Mijnheer Bentinck.quot;
Aan alle aarzeling was een einde gekomen, nu Zijne Hoogheid dien naam hoorde. Zijn Bentinck had dien man vertrouwd; de eenige, die al zijn geheimen kende, de eenige, op wien hij steunde als op zich zeiven en dien hij aanhing met een warmte, als alleen een wantrouwende natuur gevoelt voor een, aan wiens trouw en zich zeiven opofferende verknochtheid niet meer getwijfeld kon worden. Hij reikte hem het pakket toe met de woorden, op ernsti-gen toon geuit: »Voor je eigen veiligheid is \'t beter, dat de inhoud je onbekend blijft. Het heeft geen adres: aan niemant anders als Mylord Sunderland stelt ge \'t ter hand. Wat hij je zal zeggen, doet ge. Er is haast bij. Te Zandvoort ligt een visscherspink klaar. Noem maar den naam van Mijnheer Bentinck. Je kent den kortsten weg naar Londen door de vorige reis. Heb je een gezin?quot; 0P
14
DE KAPTEIN VAN DE UJFGAUDE.
»Ben vrouw en twee kinderen.quot;
»Mocht je iets overkomen, dan wordt er voor hen gezorgd.quot;
Zijne Hoogheid zeide deze woorden in beider moedertaal.
ȟwe Hoogheid neemt mij door die woorden een zwaren last van \'t hart.quot;
»Het beste gehoopt, kaptein! We staan allen in Gods hand! â Je komt bij \'t regiment terug, zoodra \'t zijn kleuren toont in Engeland. â Mackay gaf je geld?quot;
Het andwoord luidde bevestigend. Semeyns trilde nog een warm woord op de lippen, een wensch voor het behoud van een, voor wiens leven ieder soldaat der Geüniëerde Provinciën het zijne gaarne zou willen geven, maar hij had er de gelegenheid niet toe. Een dame van hoogen rang, bij nadere beschouwing van den hoog-sten zelfs, Hare Hoogheid, trad binnen, maar wilde terug gaan toen ze hem zag. Haar echtgenoot riep haar echter haastig toe nader te komen, terwijl hij Semeyns met de hand een vaarwel toe wuifde.
Man en vrouw waren alleen.
»Wat verrassing, niet waar?quot; klonk het vroolijk van hare lippen. Vreemd, maar er was disharmonie tusschen den opgewekten toon en het bleek, ontsteld gelaat en de wel wat sombere kleedij, welke bij dit laatste voegde.
Wat lieve verschijning! De roep harer liefdadigheid en lieftalligheid was over het gantsche land uitgegaan. Een geur van zachtheid omzweefde haar, waar zij, bescheiden en nederig, en toch bijna altijd als weldoende en reddende, verscheen. Zij was even zeven en twintig jaar, maar scheen gewoonlijk, in tegenstelling van haar echtgenoot, veel jonger; toch kon haar in dit oogenblik hooger leeftijd dan zij werkelijk had, worden toegelegd. Het langwerpig gelaat, waarin twee zacht blauwe oogen glinsterden, die even als de welgevormde neus en mond der Hydes, uit welk geslacht haar moeder gesproten was, tot bewondering drongen, ging thands bijna schuil onder den zijden sluier, die het donker hair omhuifde; evenals de rijzige gestalte in den zwarten mantel, dien zij, bij het binnentreden, van voren ten deele van de schouders glijden deed, waardoor het zwart zijden kleed â rok en lijf waren van dezelfde stof en kleur â en de kanten kraag, in korte slippen op den boezem uitloopende, even zichtbaar waren.
Wat schemer over die oogen! Wat strakheid over die wangen! Wat trilling langs die soms op elkaar geklemde lippen! Wat zouden zij jammeren, zij, die haar nu naderden en haar vroeger van nabij omringden en die oogen hadden zien schitteren van levenslust, die wangen zien kleuren van ongekunstelde dartelheid, die lippen zich zien plooïen, ronden en golven bij de ernstige woorden van een kinderlijk reine godsvrucht of bij de vroolijke eener
15
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE,
nooit kwetsende jokkerij! Hare Hoogheid had in de laatste maand veel onrust gekend, veel angsten verduurd, bijna evenveel als haar echtgenoot, maar, hoe ze er ook haar best toe deed, ze kon \'t maarniet zoo goed ontveinzen als hij -\'t deed, zelfs tegenover haar! Toch had de blik der liefde ook bij hem bespeurd, wat achter het gewone masker verborgen werd; en haar liefde had moeten zwijgen juist omdat de zijne blijkbaar niet wilde begrepen zijn. Vóór maanden, toen de onweérswolken zich reeds aan den horizon saam-pakten en haar vader, de Koning van Engeland, haar reeds met onterving dreigde, tenzij ze van Kerk veranderde, had de door haar aangebeden gemaal gezegd, dat het verstandig van haar zou zijn een vroolijk gezicht te toonen. Ze had het gepoogd en uit de berichten van d\'Avaux aan zijn meester bleek ook, dat ze naar buiten geslaagd was, daar hij melden kon. dat Hare Hoogheid duidelijk bewees een ontaarde dochter te wezen, die door den Al wij ze daarboven te recht het voorrecht van moeder te zijn, was geweigerd.
«Dacht je misschien, Mary, dat ik onze afspraak had vergeten?quot; werd er aan haar oor gezegd, dat zich tegen zijn borst aan had neergevleid. Een drooge kuch vergezelde die woorden.
»Zeker niet!quot; klonk het opgewekt, terwijl het hoofdtjen even werd opgelicht en de wemelende oogen hem aanzagen. »Ik moest vandaag in de stad bij mijn kinderen aanloopenquot; â daarmeê werden de dames, de Protestantsche refugiées bedoeld, die ze had gekleed en gevoed en onder één dak saamgebracht en waarvan de jongste een goede veertig jaar telde. Gruitig had haar blik moeten zijn bij die woorden, en haar oogen stonden vol tranen. In plaats van eenige berisping te ontvangen over haar overspanning, voelde zij, dat zijn arm haar vaster omklemde. Zij gaf nu alle zelfbe-heersehing prijs en borst in tranen los. »Willem, je ziet er slecht uit. In de laatste nachten sliep je niet. Je hebt veel angst gehad ...!quot;
»Heel veel!quot; klonk het op ongewoon diepen toon. »Niemant mag dat evenwel weten.... niemant als mijn Mary, en dan nog alleen maar bij het afscheid!quot;
»Wat doet mij dat goed!quot; snikte zij. »Kom meê naar ons Hon-
selaarsdijk____ Ik zal me goed houden onder het eten tot van
avond toe. De karos staat vóór.quot;
»Ik heb je iets te zeggen wat ik hier het beste vind te doen.quot;
Hij leidde haar naar den stoel, waarop hij straks had neergezeten, lei zgn linkerhand op den rug en nam haar rechter.
»Mary!quot; vervolgde hij bedaard, maar op een toon, hem weinig eigen, »ik weet niet hoe lang mijn afwezigheid duren zal. Heb je raad of hulp noodig, wend je dan tot Waldeck, Fagel en Dijkvelt; op die personen kun je vertrouwen. Bentinck hoort bij het ziekbed zijner vrouw....!quot;
16
DE KAPTEIN VAN DE LTJFGA11DE.
»Het gaat haar slecht, niet waar?quot; prevelde Mary, alsof ze zich zelve afleiding geven en den gang der verdere mededeelingen, waarvan zij den treurigen aard voorgevoelde, wilde vertragen.
»De laatste berichten van voor een paar uur waren heel treurig. Hij mag niet met me gaan, en hij had daarop zoo gerekend.
Arme Jan Willem, hij heeft zoo\'n verdriet!____Mary, indien het
in den Eaad des Heeren besloten mocht zijn, dat ik je niet meer terug zal zien âquot; een schok schoot haar door de leden; haar hand sloot zich in de zijne vast.... en h ij bleef zoo bedaard, zoo kalm!
»dan____quot; hier poosde hij een oogenblik om den adem te vinden,
die hem dreigde te ontsnappen â »zal \'t noodig zijn dat je hertrouwt.quot;
»Heere God!quot; suisde \'t van haar lippen en ze gevoelde het hart zwellen en bonzen, alsof \'t haar uit den boezem wilde springen.
»Ik heb niet noodig te zeggen dat het geen papist moet zijn.quot; \'t Werd ook hèm te sterk. Hij boog zijn hoofd naar het hare en zij voelde iets vochtigs nederdruppelen langs haar wang.
Zij bleef zwijgen: zij kon niets zeggen.
»Lieve!quot; vervolgde hij met gebroken stem, »dat ik deze bepaling maak, is niet uit haat jegens een andere Kerk, maar om de vrijheid van konsciëntie te behoeden waar mijn vaderen voor gestreden hebben. De Heere, die de harten kent, weet dat ik waarheid spreke! Mary, blijf het getuigen ook als ik er niet meer zijn zal, dat al wat ik deed voor de vrijheid was in de Kerk Christi.... zelfs voor wie daar buiten staan!quot;
»Ik weet het hoe ge de Protestantsche leer lief hebt als ik____
hoe ge óok staat in de vrijheid met welke Christus ons heeft vrij gemaakt,quot; riep zij uit, toen ze eindelijk spreken kon.
Het bleek, dat zij hem niet geheel begrepen had; misschien kon ze \'t ook niet, doordat ze er te eenzijdig voor was in haar streng Kalvinisme.
«Waarom zegt ge mij dit alles?quot; vervolgde ze hartstochtelijk. »Vreest ge..., mij niet terug te zullen zien? Willem, ik heb nooit iemant anders lief gehad als u en ik zal \'t nooit iemant anders doen. Bovendien, daar ik zoovele jaren reeds getrouwd ben zonder dat het den Heere behaagd heeft mij met een kind te zegenen, is dat reeds een voldoende reden om nooit te doen wat ge daar voorstelt. Ik hoop dat de Heere mij u niet zal laten overleven. Maar mocht dit wel zoo zijn, dan wil ik, die van u geen kinderen kreeg, er ook geene ontvangen al ware het van een engel!quot;
Zij bedekte zich het gelaat met de handen. Zijn armen omsloten haar. Zijn zware ademhaling en zijn dl-ooge kuch brachten haar het eerst tot zich zelve.
»Wat hebt ge toch een kinderachtige vrouw, is \'t niet zoo?quot; nokt â te, door haar tranen heen glimlachend. »Gij, zoo sterk en ik, zoo zwak 1 Hoe kun je mij eigenlijk lief hebben____Iquot;
KAPT. VAN DE LIJFGARDE. â I. 2
17
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAEDE.
»Toch doe ik \'t, Mary!quot;
Hij kon nooit galant zijn, en al had hij \'t vermogen daartoe gehad, dan zou hij \'t in deze ure toch niet hebben doen blijken.
»Wat heb ik veel gebreken____!quot;
»Wat hebt ge veel goeds!quot; hernam hij, en misschien welde in zijn binnenste daarbij op.... »en wat hebt ge mij veel te vergeven!quot; Vroolijk voegde hij er bij: ^Kora, nu de lucht in naar ons buitenhuis! Ik heb honger, Mary, waarlijk, ik heb honger...!quot;
»En je hadt het in weken niet! Ik liet een echt hollandschen kost klaar maken, waar je dol veel van houdt! Waar je ook heen gaat, je Holland neem je meê.quot;
Lachend wees ze hem op een eigenaardigheid, welke in den engen kring, waarin ze zich tot dusverre bewogen hadden, voor een zijner deugden werd gehouden, maar weldra in de ruimte, welke zich straks voor hem openen zou, als een zijner grootste gebreken zou worden aangemerkt.
\'t Was of beiden de droeve woorden, straks gesproken, wilden vergeten en elkaar er van overtuigen, dat ze \'t al waren! Wat liefelijk snappen van haar, wat eenvoudige opgeruimdheid en echt mannelijke teerheid van hem, in de zoo burgerlijk gemeubelde »eetsalequot; van het zoo burgerlijke buitengoed. Geen dienaar mocht in de nabijheid zijn. Ze hadden elkander alleen en moesten zijn wat ze zoo gaarne wezen wilden: een onbezorgd, liefhebbend menschenpaar.
Indien Lode wijk van Bourbon een blik op dit middagmaal en op de twee, die het gebruikten, had kunnen werpen, hij zou wellicht met een smadelijk lachjen den boerschen prins, die zoo smakelijk zich van de gebutste spijs bediende, op den losgeraakten strik zijner krakende bottines hebben gewezen in de verwachting, dat het boertjen zich bukken zou om het aangeduid gebrek te herstellen. In figuurlijken zin kwam het boertjen weldra werkelijk in aanraking met de bottines Zijner Majesteit, niet om ze hem vast te binden, maar om ze hem van de voeten te rukken.
De uren krompen tot minuten in bij hun verrukkelijk samenzijn; zóo verrukkelijk, dat Mary in haar nagelaten papieren van dien maaltijd met al den reinen eenvoud van haar liefelijk gemoed, maar ook al de warmte harer liefde heeft gewag gemaakt.
De tijd van scheiden was gekomen.
Montigny, de paadje, kwam melden, dat de schuit op den Briel in het gezicht was. Gelukkig dat er slechts weinig tijds overbleef! De karos wachtte. Zij beiden stapten in. Hij was er op gesteld, dat zij met hem tot aan den oever zou gaan.
»Mary,quot; zei hij haastig »ge gaat morgen zeker naar de kerk?quot;
»Zeker! Een Algemeene Bededag en nog wel zulk een!quot;
«Ja, zelfs de Spaansche Ambassadeur laat voor ons bidden; \'t heeft moeite gekost hem daartoe over te halen.quot; \'t Leek wel een lachjen,
18
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGAKDE.
dat bij die woorden om zijn mond speelde. Ernstig ging hij voort:
»Vooral niet bedroefd zien! Denk er om! En dan____vergeet vooral
niet naar Bentincks huis te sturen____morgen, middag en avond.
Als er voor de zieke ten minste nog een avond zal wezen!quot;
Het rijtuig stond stil; het portier ging open: de trede sloeg neer. De paadje trad een oogenblik ter zijde. Mary lei de hand op Willems arm, verhief zich zoo hoog ze kon tot dat haar mond zijn
oor haast bereikte en toen____deed zij hooren â \'t was een heel
zacht fluisteren â wat er zoo lang op hare lippen had gezweefd
en gebeefd: »je zult nooit vergeten dat hij---- mijn vader is?quot;
»Hij zal mij niet sparen____denk aan Monmouth____maar ik
zal \'t hém wèl doen. Vaarwel____ vaarwel!quot; Zonder verder om
te zien snelde hij de loopplank over. Het Wilhelmus weerklonk; de hoeden wuifden; hij hoorde, hij zag niets; hij daalde dadelijk in de kajuit neer als om zich te verschuilen.
»\'t Is voorbij!quot; hikte hij. »Goddank, voorbij!quot;
19
II.
Den volgenden middag bracht de trekschuit van Haarlem te Amsterdam slechts weinige reizigers aan. \'t Was een bededag; en zulk een werd op het platte-land en in de steden, die niet van den groothandel leefden, als een Sabbath beschouwd, op welken het reizen alleen voor genoegen of uit winstbejach als een verwerpelijke daad werd veroordeeld. Bovendien waren dien morgen reeds vier schuiten aangekomen; de allervroegste was een nachtschuit van den Haag geweest. Met deze waren de Gekommiteerden der Stad ter Statenvergadering van Holland, die veel nieuws konden vertellen, overgevoerd. Met die zelfde gelegenheid had ook de reiziger willen vervoerd zijn, die, onder de weinige aan wal gestapte passagiers, van den hoop nieuwsgierige knapen, die het buiten de poort pleizieriger vonden dan daar binnen, veel bekijks had. Hij zou het zelfs gehad hebben als de passagiers talrijker waren geweest en de nieuwsgierigen uit meer bejaarden hadden bestaan.
Hoe vele vreemde natiën ook hare vertegenwoordigers het wae-reldberoemde Amsterdam der 17e Eeuw toe zond; hoe dikwijls de Turksche tulband er ook naast de bonte Muskovische muts rond ging, toch altijd lokte het de lastige nieuwsgierigheid en tevens snaaksche uitvallen van den praatgragen inwoner uit en van diens ondeugende en moeielijk in den band te houden kroost. En hier gold het wel geen tulband of bonte muts, maar wat dezen dag nog veel meer de belangstelling wekte: het kleed van een officier van een vreemd regiment, dat eenige uit den hoop als het Engel-sche wisten te onderscheiden. Een lange blauwe mantel bedekte wel het grootste deel der kleeding, maar bij het snel voortgaan viel hij van voren herhaal quot; \'lijk open, zoodat het wit en rood van broek en rok zeer goed te zien was.
DE KAPTEIN VAN 1)E LIJFGAKDE.
Wat die hier kwam doen?
Er was toch verteld, dat de Engelschen en Schotten door Zijne Hoogheid naar \'t kamp ergens in den achterhoek waren gezonden!
»Een flinke kaerel!quot; zoo luidde het oordeel van een der krachtigst opgeschoten knapen.
»Een heele hooge!quot; meende een ander.
»Een fouragemeester maar!quot; verzekerde een derde. »Hij komt voor den Prins misschien wel kwartier maken!quot; »We moeten zien waar hij blijft!quot; En hij, die de laatste woorden uitriep, had er wil van, want allen waren het dadelijk met hem eens.
Kaptein Semeyns, die het voorwerp van de algemeene aandacht was, scheen daarop weinig acht te geven en stapte stevig en snel op de poort toe. Het was, zooals hij vreesde, reeds twaalf uur.
De zware slagen der Westerkerk hadden hem op dat punt zekerheid gegeven. Dat hij gister in den namiddag ook zoo lang op het kantoor van den thesaurier Zijner Hoogheid in het Noordeinde had moeten wachten om zijn reisgeld te ontvangen, \'t welk hem nog niet eens in Engelsche munt kon worden uitgeteld, zoodat hij nu nog naar de beurs zou moeten gaan!
Het oponthoud had hem het gaan met de nachtschuit belet en hem een vertraging van meer dan vier uur bereid. En hij moest van avond nog op zee wezen! Aan de poort wachtte hem een nieuw oponthoud, \'t Was wel of hij een belegerde stad betreden ging. De hekken waren wel open, maar de groote deur gesloten en de kleine, aan weêrszijden van welke een stads-soldaat stond, gaf nu alleen toegang.
Hij zou nog veel meer zien dat hem vreemd zou voorkomen.
»Ãw naam? van waar komt u? waarheen gaat u?quot; Een korporaal deed hem die onbescheiden en moeielijk te beandwoorden vragen. Gelukkig, dat er een hooger officiant aanwezig was: nog wel de Onderschout. Deze gaf dadelijk bevel den vreemde, na een blik op hem geslagen te hebben, te laten doorgaan. Hij ried de verbazing van Semeyns over zooveel waakzaamheid. »Ja, kaptein,quot; zei hij, »de hekken zijn hier heelemaal verhangen. Hun Groot-EdelAchtbaren vreezen nu het binnenkomen van Eransche spionnen. De tijd is ver, al is \'t nog maar een half jaar geleden, dat Zijn Hoogheid, op reis naar Soestdijk, de stad in zijn karos doorrende en Hun GrootEdelAchtbaren, die hem een eeremaal op het Stadhuis hadden aangericht, als jongens van het Aalmoezeniershuis liet staan. Een franschman, die geen refugié is., zou nu worden doodgeslagen als hij op straat herkend werd. Maar ik merk dat ge haast hebt, en ik begrijp wel waarom. Van gantscher harte hoop ik dat het je wel ga. Leve Zijn Hoogheid!quot;
Semeyns nam de hem zoo gul toegestoken hand aan en schudde die hartelijk. »\'t Zal ons goed gaan nu we \'t allemaal eens zijn,
21
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Sinjeur! Tegen den namiddag moet ik de poort weer uit. Zou u kunnen zorgen dat ik ongemoeid uitgelaten worde?quot;
»Zeker, zeker! Vaarwel!quot;
Ja waarlijk, er had een groote verandering in de gemoederen plaats gehad. Het steeds Franschgezinde Amsterdam, dat altoos zoo bereid was d\'Avaux te steunen, den Koning van Frankrijk te believen en den Stadhouder in zijn toenemende bemoeizucht, gevolg van onrechtmatige heerschzucht, tegen te werken en te weerstaan, scheen wel gebroken te hebben met zijn verleden en, zooals overal en altijd vooraan, nu de warmste aanhanger van den Prins geworden te zijn.
Er was alle aanleiding voor die groote verandering!
Als men den Hollander en vooral den Amsterdammer dier dagen uit zijn rustige kalmte zag oprijzen en zijn schijnbare onverschilligheid verkeeren in gejaagdheid, dan liepen zijn religie of zijn handel gevaar. En hier waren het nog wel beide.
Het Amsterdam van het laatst der 17e eeuw dreef een handel met Frankrijk waarvan men in onze tijden geen flauw begrip meer heeft. De voornaamste geslachten zonden hunne meest ontwikkelde zonen derwaards, om filialen te vestigen hunner kommerciehuizen; filialen, die den Pranschen, welke wel van «voortbrengenquot; maar niet van »makelenquot; wisten, hunne fijne en grove manufacturen, hunne lakens, hunne wijnen, hun uitnemende papiersoorten tegen Koloniale, Japansche en Chineesche produkten ruilden, om ze dan van hier uit naar Noord en Zuid in Europa te verzenden. Menig Amsterdammer was in Frankrijk sedert jaren gehuwd met onderdanen Zijner Allerchristelijkste Majesteit en werd, toen die Majesteit zich zijn Christendom en de plichten, die het hem oplei, begon te herinneren en der ketterij den oorlog verklaarde, begrepen in de gruwelijke vervolging, welke de herroeping van het Edikt van Nantes na zich sleepte. Daar begon de groote vlucht. Te nacht en ontijde vloden tienduizenden naar al de windstreken heen, om hun allerdierbaarst geloof te redden en â bij niet weinigen was dat het geval â ook hunne schatten in veiligheid te brengen. De armsten hunner waren nog rijk, daar zij een kapitaal meê voerden, dat hun bij de overhaaste vlucht niet afgenomen had kunnen worden; want dat kapitaal was: begaafdheid in kunst en ambacht. Hun zilver en goud hadden zij Zijner Hoogheid, hun kennis, hun nijverheid der Republiek met graagte geschonken. Zijne Allerchristelijkste Majesteit zag te laat in, dat hij zijn doodvijand, den Stadhouder, bevoordeeld en zijn beste vrienden, de Amsterdammers, van zich had vervreemd.
En daarbij kwam nog, dat onderdanen der Republiek, maar in Parijs of Bordeaux of Angoulême of Rouaan woonachtig, door de vervolging rechtstreeks werden getroffen. Ze hadden zich veilig
22
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAKDE.
gewaand, waren gebleven met vrouw en kinderen, en ook hun werd de eisch gesteld; èf van godsdienst veranderen óf.... in de gevangenis of het klooster boete doen voor de betoonde ongehoorzaamheid. De stemming van Amsterdam was toen jegens den | grooten koning zeer onvriendelijk geworden. In de laatste weken werd ze bepaald vijandig. De inkomende rechten op de Holland-sche koopmanschappen â en welke waren er niet Hollandsch? â werden telkens verhoogd. De Staten waren niet lang achterlijk in het betalen met gelijke munt. Een tarievenoorlog was ontstaan, die veel geld kostte, de voorlooper van een anderen, die geld zou kosten en bloed.
Kaptein Semeyns mocht er van hebben gehoord, zeker had hij toch niet veel begrepen. De krijgsmansstand was in de Republiek weinig in eere bij de kooplui en kwam dan ook weinig met hen in aanraking. De pamfletten, welke in menigte verschenen, kwamen niet of uiterst zelden in de wacht- of blokhuizen, en de kranten dier dagen gaven eer nieuws uit de Ukraine of uit de Harems van Stamboul dan uit de raadzaal der Amsterdamsche Vroedschap, of de werkkamer van den Stadhouder en diens Eaden. Maar meer dan eenig libel, pamflet of krant hem in weken zou hebben kunnen vertellen, werd hem bij het voorbij gaan van de Martelaarsgracht in weinige oogenblikken duidelijk. Een koor van klaagtonen hoorde hij in zijn nabijheid; een psalm der verdrukten, kunstloos gezongen, maar trillend van droefheid, en daardoor zoo aandoenlijk! Een talloze menigte omgaf den zingenden stoet. Geen kreet werd uit haar midden gehoord. Een draagstoel ging vooraf. Daarin rustte een prediker uit het onlangs verbeurd verklaard Prinsdom Oranje in Frankrijk, wien de beide beenen zóo fel waren geblakerd door de dragonders, die hem hadden moeten bekeeren, dat hij ze nimmer meer zou kunnen gebruiken. Zij, die hem droegen, en zij, die hem volgden, hadden de preek bijgewoond, die de martelaar in de oude Stads-schermschool bij het Molenpad had gehouden, en hun oogen waren op dit oogenblik brandend heet, maar hadden geen tranen meer, daar zij ze allen vergoten hadden bij het verhaal van den gemartelden herder, bij zijne bede tot den Almachtige voor den Gidéon, die zich toerustte tot den strijd voor het edelste, het heerlijkste, het heiligste wat de mensch kent: de vrijheid der konsciëntie! Helaas, dat onder de vervolgden nu reeds ketterjagers scholen! De vervolgden dier dagen waren niet beter dan de vervolgers! Claude, aan de galeien ontkomen en naar de Geüniëerde gewesten gevlucht, had al een aanklacht ingediend bij de Staten tegen eenige zijner ambtgenooten, die hij verdacht van Arminianisme, Socianisme en nog vele andere »ismenquot; meer.
Maar de schare was dit thands niet indachtig of wist dit niet
23
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAKDE.
en volgde alleen de inspraak der natuur en niet de wijsheid der scholen.
»God de Heere straffe het monster!quot; prevelden enkele der omstanders, en het waren niet alleen de mannen.
»Waarom mij tegengehouden, vrouw! Ik had graag weer het musket willen schouderen!quot; riep een poorter van reeds rijpen ouderdom.
»Dat moet je maar aan jongeren overlaten, vaar!quot; zei Semeyns, die mede onder den indruk verkeerde van het oogenblik.
Veler oog richtte zich op hem en plotseling klonk het: »Vivat de Prins!quot;
De schare begreep als bij instinkt, dat de prins de wreker zou zijn en dat die officier hem in hun midden vertegenwoordigde.
Velen, die naar den bidstond waren geweest en zich onderweg hadden opgehouden, kwamen hem op zijn weg langs den Haarlemmerdijk naar den Dam tegen.
Dien morgen te acht uur hadden de klokken geluid, zware van zuiver gegoten metaal, die nooit te vergeefs de Gemeente ter kerke hadden geroepen en menigmalen reeds de mare van zegepraal en roem over de daken hadden doen gonzen. Duizenden hadden de kerken bezet. In de Waalsche waren tot alle doorgangen gevuld. De preek was overal vroeg begonnen, omdat de kantoren dien dag niet gesloten konden worden, noch de arbeid op de kaaien en steigers gestaakt. Dat de opkomst uit alle standen talrijk was geweest, getuigden de kerkgangers, die Semeyns ontmoette. Er waren er onder de mannen, wien nog de kleeding van voor dertig jaar dekte, wier wambuis en wijde broek van grof laken was; er waren er onder de vrouwen, wier jakjen en kroplap maar van katoen, wier rokken maar van karsaai en wier huik geheel nog dezelfde waren als de moeders gedragen hadden, die toen nog op de grens stonden welke den kleinen burgerstand van de schamele gemeente scheidde. Maar er waren er ook onder, wier nieuwerwetsche kleeding van het fijnste laken, van fluweel zelfs en satijn, wier huik een huive van kant was, wier overkleed met bont was omzoomd, wier kerkboek in ivoor of schildpad gevat en met zilver, zelfs met goud beslagen, door een dienaar of dienstbode gedragen werd.
Hoe groot hun aantal ook ware, toch was er weinig gedruisch. Stil en stemmig ging ieder zijns weegs, onder den indruk van de prediking en het gebed, waarbij zooveel schrikkelijks als tot dus verre door de meesten zelfs niet was vermoed, als zekerheid was geopenbaard. Was aller hart er ook meê vervuld en hadden velen ook de behoefte dit naar buiten te openbaren, het geschiedde slechts fluisterend en bedeesd tegen maag of vriend, die in de nabijheid ging.
24
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE,
Naarmate Semeyns echter den Dam naderde, nam de levendigheid toe. Volkshoopen verdrongen zich voor een boekwinkel; straatslijpers riepen luide de opschriften van de libellen, die zij te koop boden. In den boekwinkel stond in plamfletvorm de «declaratie van zijn Hoogheit, Willem Hendrik, bij de Gratie Gods Prins van Oranje, en behelsende de redenen die hem bewegen, met de Wapenen in het Coninckrijck van Engeland over te gaan,quot; en in de handen der rondventers waren eenige slecht bedrukte vellen papier, een samenspraak tusschen een Fransche gans en een Hollandschen stier, met den veel zeggenden titel: »De gekroonde meijneedt of de Coningh-beul.quot; Verderop werd er rond gevent: »Het overweldigd koninckrijk of het ondergeschoven kind!quot;
Met moeite werkte zich Semeyns door de volkshoopen heen en bereikte hij eindelijk het beroemde plein.
Voor het Stadhuis, dat in zijn del\'tige statigheid en eenvoudige weelde zoo volkomen het charackter der Geünieerde Provinciën uitdrukte, was het leeg, geheel anders als den dag te voren, toen â Mijnheer d\'Avaux schreef het dadelijk aan zijn meester! â tachtig tonnetjens met gouden en zilveren engelsche munt op sleden voor de Wisselbank stonden en door stadssoldaten tot aan de Haarlemmerschuit werden begeleid.
Semeyns wierp slechts even in \'t voorbijgaan een blik op het architektonisch meesterstuk. Hij versnelde zijn stap. De beurs-gangers waren hem echter voor geweest. De bengel, dien hij nog bij \'t begin van den Nieuwendijk had gehoord, was reeds een kwartier geleden verstomd. â Daar sloeg de Stadhuisklok half een. Hij repte zich naar het gebouw met kleinen toren, dat de Dam van het Eokin afsloot en onder welks vloer de Amstel zich met het IJ vereenigde. Hij vloog de trappen op, die naar den hoofdingang voerden en vond zijn vrees van te laat te komen maar al te zeer gegrond, want de bedienden van »het Aalmoesseniers-Weeshuisquot; stonden met de »armbossenquot; reeds op hun post voor de dubbele ijzeren hekken, welke op de helft waren gesloten. Het kostte hem zes stuivers, een kleinigheid voor zoo\'n rijken Amster-damschen schacheraar, zooals ieder koopman in blok- en wachthuis maar al te gauw werd genoemd, maar voor een kaptein, die maar een wedde van even negenhonderd gulden had, eene niet onbelangrijke som.
Hij begreep echter, dat tegenstribbelen niet zou baten. Hij betaalde en bevond zich weldra op het langwerpig vierkant plein, omringd van een breede gaanderij, welke op zes en veertig blauw arduinsteenen pilaren zich steunde. Op ieder van dezen zag hij een nummer, op de meesten de namen der Steden of Gewesten waarop de kooplieden, die daar of in de nabijheid stonden, handel
25
DE KAPTEIN VAN DE LIJEGARDE.
dreven; op eenige de namen der waren, welke daar werden omgezet. Zoo was \'t ook op de houten borden, onder de gaanderij, welke van het plein langs twee treden te bereiken was, tegen den muur vastgemaakt. De houten zoldering, die in de wintermaanden, den blauw steenen vloer dekte, was reeds gelegd, al schreef men nog niet éen November. De vochtigheid der laatste dagen en de daarop sedert gisteren ingevallen koude had dit jaar van den anders stalen regel doen afwijken, en den trappelenden en trippelenden voeten reeds de laatste dagen van Oktober een minder kille rustplaats doen gunnen.
Wat gegons, wat geschreeuw meest, wat gegil bij wijlen, oprijzende uit dien nu eens opeengepakten, heen en weer wiegenden, en dan weder uit elkaar wriemelenden en heen en weer gol-venden, wielenden en deinenden menschenhoop! Voor den gewonen bezoeker een weg vol herkenningsteekenen, met allerlei gidsen, met geen enkele geheimenis, geen angel of klem, maar voor den vreemdeling een bajert waarover de zwartste duisternis hing! Zoo scheen het ten minste Semeyns, die nooit nog een voet in het hoofdkwartier van den Mammon gezet had, dezen middag toe.
Anderen echter, de gewone bezoekers vooral, oordeelden dat er wel onrust, maar geen beweging was, wel geruisch en gedruisch als het gefluister van vele stemmen, maar niet de luide lach of de gramme schimp, die het loven en dingen van vele honderden koopers en verkoopers vaak vergezelde.
Wat kon daar in goede tijden niet verhandeld worden!
Semeyns trachtte de namen te ontcijferen, welke op de borden of de vendu-cedullen te lezen waren. Het duizelde hem! Hier »bonte én witte peper en scalpeter, Siamsch Tin en Sapanhout,quot; daar »geconfijte Schorsoneraquot;, verder »Chineesche zijde, Tonquin-sche zijde, Bengaalsche zijde, Armozijnen, Japansche rokken, Ca-britte Vellen;quot; ginds: »Thee, kamfer, Museus ...!quot; Een groep deftige, minzaam lachende, personen, wier wél-gedaan gelaat in de lijst van statige lange pruiken was gezet, omringde een driftig sprekend Heer, die voor een bord in zijn nabijheid stond, waarop te lezen stond: »fransehe artikelen in Holland gemaaktquot; en daar onder: vdraps de meunier, papeterie, chapellerie/quot;
De industrie was door de uitgeweken Protestanten uit Frankrijk overgebracht naar het land, dat ze gastvrij had ontvangen, en Monsieur Vincent, die met moeite ontsnapt was, bestuurde de nieuwe inrichtingen en was ter beurze een zeer gezien man. Velen zelfs, die in gants andere artikelen handelden, onderhielden zich gaarne met hem, al ware het slechts om hun fransch te onderhouden of het dialekt, dat ze in de school in de Warmoesstraat hadden geleerd, te toetsen aan het zijne. Weinige Amsterdammers toch dier dagen, hoe verzot anders ook op Frankrijk,
26
DE KAPTEIN VAK BE LIJFGARDE.
spraken fransch of verstonden het zelfs, wat d\'Avaux soms heel vreemd vond. Een zuiver fransch sprekende, die bovendien, op den Franschen Koning verbitterd, geen veroordeeling te streng vond voor den bloeddorstigen despoot en geen hulde en bewondering te groot voor de inwoners der Geüniëerde Provinciën, was thands een fijne en zeer begeerde schotel op den steeds weelderiger wordenden Amsterdamschen disch. Maar Semeyns, die daarvan niets wist of begreep, ging dat alles onverschillig voorbij en bleef zoeken naar het bord, waarop iets van munt of wisselzaken gemeld weid.
»Br wordt niets gedaan!quot; hoorde hij, niet ver van zich af, een eenvoudig gekleed persoontjen zeggen tegen een paar rijker ge-kleede en voornamer uitziende mannen, voor wie hij nederig boog en zeer nederig den hoed afnam: »Ik heb hier »de Generale Cargaquot; van »de Moercapel,quot; »het Rad van Avontuur\'\' en »de Nieulant,quot; die gelukkig zijn binnen gevallen. Mag ik ze UEd. aanbieden?quot;
»Iets naders uit den Haag?quot; was het eenige wat er geandwoord werd bij het aannemen der lijst, welke niet eens werd ingekeken.
Het eenvoudig manneken â het was ook maar een makelaar, die echter met ieder een praatjen maakte en naar veler zeggen een wandelenden barbierswinkel leek â wist ditmaal niets nieuws. De deftige heer, met den ring met grooten diamant aan een zijner vingers, met den hooghartigen blik in zijn oogen en de fiere houding, de reeder en groothandelaar, die dikwerf getoond had goed op de hoogte te zijn, wist wèl iets. Hij had eenige dagen geleden zich laten ontvallen dat er iets broeide, â nu, dat wisten de anderen ook! â maar dat het niet Frankrijk maar Engeland betrof, â wat minder algemeen werd geloofd. Hij had weten te vertellen, dat Mijnheer van Albemarle, gezant van den Engelschen koning, ter eere van den jongen Prins van Wales, een groote partij had gegeven, waarop de élite van den Haag was genoodigd; maar dat niemant was gekomen en op het laatste oogenblik zelfs de boodschap was ontvangen, dat Mijnheer Bentinck de trompetters van zijn regiment verboden had te komen spelen, waartoe zij door dien Ambassadeur waren gehuurd. En nu had hij van morgen de uit den Haag teruggekeerde Heeren gesproken, en die hadden hem verhaald van hetgeen daar gister had plaats gevonden. De hoofden van het drietal naderden elkaar. Er werd fluisterend behandeld wat wij reeds weten. sgt;Dan tóch waar!quot; riep een der hoorenden luide uit, maar het algemeene gedruisch dempte den uitroep en de daarop volgende met wrevel geuite woorden; »dan zijn we weer door den Prins beet genomen. Zijn heerschzucht gaat Engeland groot maken op onze kosten! Weer staat de oorlog met Frankrijk en Engeland voor de deur! En als we onder liggen â de tijden zijn al zoo erbarmelijk slecht.quot;
27
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Slechter kunnen ze niet worden â dat is éen troost. En als
we niet onder liggen en den dwingeland tot staan brengen____?
Heeft Uwe Edelheid gehoord dat Ploos van Amstel en van Hussen als Hugenooten te Parijs zijn gevangen genomen en gevaar loopen op de galeibank te komen? Twee personen van zeer goede familie!quot;
»Gods bloed!quot; bromde de derde tusschen de tanden.
Een luide roep werd gehoord. Een magere bleeke persoon, wien het zweet op het voorhoofd stond, gleed met bewonderingswaardige behendigheid door de menigte heen, het drietal voorbij. »Aktiën Kompanjie twintig percent gedaald! Obligation Holland tien, Generaliteit twintig, geldkoers vier! Alle brievenposten opgehouden!quot; gilde hij.
»Daar hebben we den oorlog!quot;
Kreten van ontzetting, van weemoed, van toorn, maar ook van ingenomenheid werden van alle zijden gehoord. Er kwam als een oproer onder de scharen! Deze dacht aan de schepen op uit- en t\'huisreis, gene aan zijn overladen pakhuizen, anderen aan hun onderpand bij de Wisselbank, sommigen, die weinig te verliezen hadden, aan niet onvoordeelige prijsschommelingen, enkelen, wier beginsel hooger stond dan tijdelijk goed, aan de weerwraak dei-goddelijke vrijheid op de misdrijven van den duivelschen dwang. Monsieur Vincent overtrof allen in de uiting van wat zijn binnenst beroerde; en dat was: overstelpende vreugde!
Niemant dacht aan de soldaten, die op het slagveld zouden vallen, â zij werden er immers voor betaald? â Niemant bekommerde zich om den officier, die daar in hun midden stond en wien de oorlog nog andere woorden als roem en buit toebulderde, wien hij ook fluisterde van afscheidstranen, van weeën van weduwen en weezen. Maar het gelaat van dien Officier stond als dat van zijn Kapitein-Generaal, onbeweeglijk en strak, en zou dezelfde koele, haast onverschillige uitdrukking hebben behouden, indien niet een onweerstaanbare menschengolf hem als op het lichaam was gerold en hem naar een groep had heen gesmakt, welke tégen en óm een der pilaren stond en dus niet kon worden meêgesleurd.
Wat was daar ginder gaande?
Eenige oogenblikken vroeger waren er luide kreten vernomen, luider dan er nog gehoord waren; daarop bad Semeyns ten minste bij al het gewoel, dat hem van zijn binnentreden af omgeven had, weinig gelet. Maar nu moest hij er wel acht op slaan. De ontvangen schok en de schrik van het drietal, dat straks naast hem had gestaan, maar nu een paar voet van hem af was geslingerd en een kreet van ontzetten uitte, verplichtte hem er toe.
»God, je neef, van Beuningen! Hij wordt vastgehouden.... opgenomen...!quot;
De Mijnheer, tot wien die woorden gezegd waren, was reeds
28
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
weg en vond de opmerking des anderen, helaas! maar al te waar. De oud-Pensionaris, de oud-Burgemeester, waarop Amsterdam een tijd lang trotsch was geweest, de krachtige bewindvoerder der O.-I. Kompanjie, de Ambassadeur te Versailles en te Londen, die Hunne HoogEdel Mogenden zoo waardig, soms waardiger dan deze zeiven het wenschten, had vertegenwoordigd, werd vastgegrepen en vastgehouden door plebejershanden, zelfs uitgejouwd door eenige kleine burgers. Eeeds sedert maanden hadden zij, die hem het naast omringden, leeren twijfelen aan de helderheid van zijn oordeel, aan de kracht van zijn geest, al was ook de hooge gestalte ongebogen gebleven en de gezondheidsblos op het stoer gelaat niet gebleekt. Zijn hoog ernstige, maar lange en steeds herhaalde redevoeringen over het Duizend-jarig rijk, vaak plotseling volgende op de warmste lofreden op de Oost-Indische Kompanjie, deden soms het ergste vermoeden.
En nu scheen het ergste zekerheid!
De daling der Akties had de krizis verhaast. Van Beuningen was bij het vernemen dier daling in tranen uitgebarsten, daarbij weeklagend, dat hij een verloren man was, maar, zooals hij er dadelijk weer bijvoegde, nog altijd schatrijk, en had toen met een trek van waanzin op het hoog rood gelaat en met de stem van een prediker allen om hem heen tot boete en berouw opgewekt, daar de oordeelsdag nabij was.
Toen zijn neef zich door de menigte een weg had gebaand en hem was genaderd, zag hij den beroemden man, den halsdoek half los gereten, den zwart fluweelen rok op verschillende plaatsen geplet en bevlekt, te midden eener jouwende groep. Hij haastte zich den bloedverwant toe te spreken en bij de hand te nemen, waarop de spotternij zweeg en het ontwaakt medelijden ruimte deed maken voor de personen, die, voorafgegaan door den beursknecht, den krankzinnige weldra naar het corps de guarde van de nacht- of ratelwacht brachten. Daar toefde hij tot de slede was gekomen, die hem naar huis zou voeren, waar hij voortaan onder goede bewaring tot aan zijn dood â drie jaar later â verbleef.
Semeyns vernam van het voorgevallene geen enkele bijzonderheid en zou er ook wellicht weinig belang in hebben gesteld, al ware hem alles hairfijn uitgelegd. Bij den laatst ontvangen schok had hij een ander op den voet getrapt, die nog niet lang geleden den beet van het flerecijn had gevoeld. Een kreet van smart werd even gehoord; een zeer onheilige vloek binnen \'s monds gesmoord, maar daarna vroeg een vleiende stem, terwijl een blozend gezicht met een zoet laehjen tot hem gekeerd werd: »Heeft UEd. mij ook iets te vragen?quot;
29
\'t Was een van de meest gewilde »krengenkoopersquot; of beunhazen van den kleinhandel, een man, die van, maar dan ook
\\
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAUDE.
voor de negotie leefde en, voor een »eourtagiequot; van tien stuivers, van de beurs naar de Weesperpoprt heen en weer op een draf jen liep. Natuurlijk was hij gewoon geraakt aan gepeperde woorden en aan trapjes of trappen op den voet.
»Is er wat te verdienen?quot; was zijn tweede vraag, iets minder beleefd dan de eerste, daar de gedienstige in den toegesprokene maar een soldaat had herkend.
»Ik heb een wissel noodig...
De beunhaas wendde zich haastig af en bepaalde zich tot het uitstrekken van den vinger naar een pilaar in de nabijheid.
De korte aanduiding bleek voldoende. Seineyns werd echter aan het kantoor bescheiden tegen twee uur.
«Onmogelijkquot; was zijn kort en beslissend antwoord.\'»Dadelijk! hier is het geld.quot;
»Zeker veel haast om over te gaan,quot; merkte de geldhandelaar aan.
Semeyns zweeg.
»Ik kan best zwijgen____Kolonel! Ik moet toch uw naam weten,quot;
werd er niet zonder wrevel gezegd, toen Semeyns bleef zwijgen.
«Meester Simons!quot;
Ze waren reeds in het diep der gaanderij, waar een lessenaar met schrijfbehoeften stond, het zoogenaamde »geldcomtoirken.quot; In weinige minuten was de wissel ter hand gesteld en het geld in ontvang genomen, \'t Was duur geld wat die meester Simons meö
nam. Maar het was zoo goed als oorlog en____de man was erg
bokkig, daarbij een soldaat, die niets wist van wisselkoersen.
»Wie hier alle dagen zijn brood moet verdienen!quot; dacht Semeyns, terwijl hij naar de deur ging, welke hij het dichtst bij zag.
Het was de deur naar den kant van het Rokin. Zonder op den steenen Merkurius of het Stadswapen te letten, welke den achtergevel sierde, daalde hij de steenen trappen af, blijde reiner lucht in te ademen en de voeten vrij te kunnen bewegen, \'t Wat, éen uur, en hij had nog maar enkele minuten te gaan; want een klein huis aan den Nieuwezijds Achterburgwal bij de Torensteeg was het doel van zijn tocht.
Voor eenige weken had hij zijn Geertruid met de beide kinderen van den Bosch, waar hij laatst in garnizoen had gelegen, naar Amsterdam overgebracht. De Kolonel had hem, vóór maanden reeds, van een eerlange garnizoensverandering gesproken, wat niets vreemds in had, daar Zijne Hoogheid sedert \'72 er steeds van hield, de soldaten en mindere officieren dikwijls van plaats te doen wisselen. Wat hij sedert vernomen had, deed hem een eer-langen oorlog voorzien.
In September was zijn regiment naar het kamp bij Nijmegen verlegd. De geruchten van een oorlog tegen Frankrijk hielden aan, en onder de Engelschen, waaruit de groote meerderheid van
30
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
zijn regiment bestond, werd meer en meer gemompeld van een inval aan een anderen kant, als officieel werd voorgegeven. Het wegzenden uit de gelederen van alle soldaten en officieren, door Koning Jakob bij de Engelsche regimenten in Staatsche soldij in-gesmokkeld, het vervangen der ontslagenen door Hollanders en door om den geloove gevluchte Engelschen, dat alles bevestigde het opgevat vermoeden. Semeyns besloot daarom, zijn gezin naar het best verdedigd punt van het vaderland te doen verhuizen. Zijn Geertruid toch was een Amsterdamsche, en, waren er ook al redenen, die haar het verblijf aldaar minder aangenaam maakten, alle bezwaren moesten zwichten voor de overweging, dat nergens elders de veiligheid voor haar en de beide kinderen zóo groot kon zijn. Het leven wel is waar was er duur, peperduur in vergelijking met zestien jaar geleden; want hoe de kooplui ook klaagden over slechte tijden, het goud bleef toch uit alle oorden der waereld maar naar Amsterdam heenvloeien. Maar in de duurste stad kon men met eenig overleg en wat gezond verstand nog wel goedkoop leven, en .Geertruid had altoos veel overleg en gezond verstand getoond.
Zij, de dochter van goeden huize, had in de zestien jaar van hun huwelijk getoond zich te kunnen schikken in nederigen kring. Haar liefde voor haar man, voor haar kinderen Brechtjen en Ernst, gene thands vijftien, deze twaalf jaar oud, had het stuksken brood, dat niet meer dan bescheiden mocht heten, steeds dankbaar weten te genieten. Niet in den aanvang slechts, toen de glans der nieuwheid alles overstraalde en de herinnering van geleden smart en ondervonden smaad van de zijde barer voorname maagschap nog levendig was, maar ook al de volgende jaren, gelukkig ver van haai1 geboortestad doorleefd, had ze, hoewel het verleden van haar geslacht nooit vergeten, weten dankbaar te zijn voor wat ze ontving? Ze had haar echtgenoot nog weten neder te zetten door kracht van redenen, ontleend aan het wetboek van plicht en noodzakelijkheid, zoo dikwijls hij zich in zijn eerzucht zag gekrenkt. En hij zag zich dat telkens. Hij had geen machtige protecteurs, en hij wenschte ze ook waarlijk niet. Hij wilde door eigen kracht zich omhoog werken. Dapper als weinigen, vermetel, zoo als Zijn Hoogheid zich in de hitte van den strijd vertoonde, had hij zich onderscheiden in het veld bij het belegeren of het belegerd zijn, en toch was hij eerst in \'78, dus tien jaar geleden, na den slag bij de Abdij St. Denis, dicht bij Mons, kapitein geworden. In dien moorddadigen slag vooral had hij een Kolonelsplaats verdiend, â het bezit alzoo van een eigen regiment, een bezit dat wel eens meer \'dan tien duizend gulden \'sjaars opbracht. Zijne Hoogheid bad ouder gewoonte zich weder te ver gewaagd, en was te midden der» vijanden gekomen; Semeyns had het aan het hoofd zijner
31
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE,
kompanjie gezien. Met de twintig soldaten, die hem nog overbleven â de rest lag dood of gekwetst op het slagveld â was hij op den vijand ingestormd. Juist zou hij den franschen Officier, die Zijn Hoogheid reeds het pistool op de borst zette, hebben doodgestoken, toen die officier achterover viel, getroffen door een schot van Mijnheer Van Ouwerkerk, Generaal der Kavallerie. Hij keerde tot de gelederen terug met een schramschot aan den arm en slechts tien soldaten; hij had het bewustzijn iets groots te hebben verricht; hij had het genoegen dit erkend te zien door wie met hem in de naaste gelederen stonden; maar dat was ook alles. Mijnheer van Ouwerkerk, Hendrik van Nassau, een zoon van Lodewijk van Nassau, heer Van der Lecke, Beverwaard en Odijk, ontving daarentegen een brief van dankbetuiging van Hun HoogEdelmogenden, en bovendien een eeredegen, prachtige pistolen en gouden toomsieraden!
Dat was voor Semeyns een bittere ure geweest; dat had de genezing zijner anders onbeteekenende wonde in Grave vertraagd, waar hij na den kort daarop gevolgden vrede te Nijmegen in garnizoen werd gelegd; dat had hem, ernstig van nature, maar toch vatbaar om het goede, ja rijke van het menschenleven op te merken, het ingetrokkene, het strakke gegeven, dat hem nu kenmerkte en door zijn Geertruid, hoe voorbeeldig ook in haar plichtsvervulling, hoe krachtig ook in haar strijd tegen de duurte dei-tijden, hoe bewonderenswaardig ook in haar pogen om van een goudgulden een dukaton te maken, niet Icon worden verjaagd.
Zelfs zijn Brechtjen kon dat niet, het lieve vroolijke kind, hoe zou dan de niet altijd opgeruimde en licht tillende Geertruid dat vermoogd hebben? Brechtjen had geen anderen tijd gekend als dien zij thands beleefde, maar hare moeder wel, en die moeder had tegen de Republiek, die de niet-bemiddelden en de niet-van-goede-familie-zijnden vergat voort te helpen en te beloonen, dezelfde grieven als, ja in nog hoogere mate, dan haar man.
Neen, zij had maar zelden alle rimpels kunnen wegvagen en een vroolijken lach tooveren op zijn gelaat! \'t Was reeds veel dat ze, door te wijzen op de besluiten van den Heer, die geen rekenschap geeft van Zijn willen en werken, die oodmoedige berusting vordert en dan op Zijne wijze beloont, soms tot eenige gelatenheid en kalmte stemde.
Maar de haastig voortstappende is waar hij wezen moet! De schel, welke aan de groote huizen op Heeren- en Keizersgracht den ouden klopper had vervangen, was aan de door hem gehuurde woning niet te vinden. Hij gaf dus van zijn aanwezigheid op de ouderwetsche manier kennis. Lang behoefde hij niet te wachten. Een ferme jongensstem riep luid, zóo luid, dat hij \'t op \'t stoepjen hooren kon: »Dat \'s vader zeker! Hoezee! Hoezee!quot;
32
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE.
En \'t was Vader, die den joligen krullebol in de bolle roode wangen neep en toen lachend, ja waarlijk op eens gul lachend, op de inktvlekken wees, welke aan de reeds stevige handen kleefden, en daarbij zei; »Als dat maar van het schoolwerk is, heb ik er vreê meé, maar dat weet ik nog niet!quot;
Daar holde Brechtjen de trappen af; daar sloeg zij haar arm om zijn hals en drukte ze een warmen kus op zijn lippen. Hij had zich bij het onderzoeken van de inktvlekken tot den jongen krullebol nedergebogen, zoodat zijn gelaat onder haar bereik was gekomen: anders toch had ze weder zoo als altijd op de teenen zich moeten uitrekken, om haars vaders mond te kunnen be-meesteren. En Vader had, om haar tot de grootst mogelijke inspanning te verplichten, dan dikwerf zich rechtstandig, zelfs het hoofd wat achterwaards, gehouden, \'t Was een plagerij, die Brechtjen dol prettig vond, maar waarbij Ernst altijd krachtig partij trok voor de geplaagde zus.
Onder vroolijk gebabbel steeg het drietal naar boven, wat gants niet makkelijk ging, daar de trap nauw en wel wat steil was en de dolle Ernst, die achteraan ging, telkens een van \'s vaders voeten vasthield. Al die bezwarende omstandigheden in aanmerking genomen, werd de tocht toch nog met spoed ten einde gebracht. En dat mocht ook wel, daar Geertruid boven aan de trap wachtte.
»Dag, vader!quot; klonk het. Zij nam de toegestoken hand en gaf hem een zoen op de gebruinde wang. Omringd, bijna omhangen van zijn kinderen en voorafgegaan door zijn vrouw, trad hij de huiskamer binnen,
»quot;Wat is \'t hier somber!quot; riep hij uit.
»Ja, ik houd de voorkamer aan kant. Wat dikwijls gebruikt wordt, slijt!quot;
»Als altijd heb je gelijk, vrouw!quot; Hij stemde met haar in, maar \'t kostte hem toch wel moeite. Niet meer dan een schemering viel door het kleine venster, dat uitzicht gaf op eenige daken en schoorsteenen, naar binnen. En het was juist zoo\'n sombere bewolkte najaarsdag, en hij kwam juist van buiten, van den Haag, waar licht en lucht, van de Beurs, waar beweging was geweest! Wat moest hij vrouw en kinderen beklagen, die in zulk een schemering verblijf zouden houden, misschien wel den ge-heelen winter!
Maar er was toch nog een andere kamer, aan de straat uitkomende, boven het portaal, en dan nog het zijkamertje beneden.
»Als we in de voorkamer van middag eens aten!quot; zoo stelde hij Geertruid voor.
»Maar dat gaat waarlijk niet, vader! De voorkamer is van
KAPT. VAN DE LIJFGARDE. â I. 3
33
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
morgen juist gedaan. Ik heb me zoo gerept omdat ik je vroeger t\' huis bad verwacht. Je presumeerde toch ....quot;
»Ik had met de nachtschuit willen komen, want ik moet met de schuit van drieën weêr weg.quot;
»Weer weg! weer weg!quot; fluisterde Brechtjen en pruilde de jongste.
»Vader moet, en dan behooren wij daar vrede meê te hebben,quot; merkte moeder met hoogen ernst op. »Alles is voor ons noenmaal klaar en nog wel hier klaar!quot;
Ja, waarlijk, nu zag hij \'t ook. Een sneeuwwit tafellaken lag over de uittrektafel uitgespreid, verborg er het lompe maaksel van en ook ten deele de vier dikke poten waarop ze stond.
»Brechtjen, ga klein Aaltjen zeggen dat ze de soep af kan zetten. Ik kom dadelijk naar omlaag om op te doen. Jongen!quot; zeide ze boos, »ga je handen wasschen in den gootsteen beneden. Dat is al de derde maal, dat ik je vandaag zoo zie.... en als je dan nog maar je lessen afwerkte, maar je meester klaagt steen en been!quot;
De jongen had de helft van het vermaan niet gehoord; want hij was bij de eerste woorden al naar beneden gehold, geheel en al overtuigd van het bestaan van het misdrijf en bekend met de straf, welke er op stond.
Semeyns was naar de voorkamer gestapt, waar hij, bij beter licht, de voorwerpen kon zien, die hem lief waren geworden als stemmen uit het verleden.
Hoogst eenvoudig was alles, maar daaraan had het oog zich gewend, en bovendien bleef hem de troost, dat het beste en kostbaarste der roerende have in het zijkamertjen stond, dat Geertruid zeker zoo rijk mogelijk zou hebben ingericht.
\'t Was in haar huwelijk altijd haar gewoonte geweest, om ten minste éen kamer in haar huis te hebben, waar zij als Admiraalsdochter zich eens behagelijk kon voelen en waar het portret van haar vader, in den goeden tijd door een âkonstrijkquot; schilder vervaardigd, niet al te groot kontrast zou vormen met hetgeen het omgaf. In de bovenvoorkamer stonden echter de meubelen, welke Semeyns het liefst waren, daar ze van zijn huwelijksleven en geluk spraken en ook een weinig van een nog vroeger tijdvak, waarop hij soms nog met schaamte terug zag, maar meest met diepen weemoed.
De houten vloer was alleen bedekt met een karpet ter plaatse waar de gladgewreven eikenhouten vierkante tafel stond, en dat karpet was wel van de goede Delftsche fabriek, maar van de minste qualiteit daar vervaardigd. De muren waren, tot manshoogte maar, met hout beschoten, waarover voor jaren eens een verfkwast was gegaan; hooger op met kalk bestreken, maar met
34
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
zorg door de tegenwoordige bewoonster gewit; de stoelen van donker eikenhout droegen zittingen en halve ruggen met leder bekleed; de spinde was wel een kunstwerk, toonde wel een houtwerk van verschillende en de beste soorten, met smaak in- en opgelegd, met meer dan gewone behendigheid zelfs besneden en gesneden, maar de deuren waren uitgeweken en de vier ronde ballen, waarop het gansche voorwerp steunde, door den houtworm duchtig aangetast; de spiegel was maar in stalen lijst en kon nog slechts dienst doen in het midden, daar omlaag zich vele doffe vlekken vertoonden, die het weerkaatsen van eenig voorwerp reeds voor lang onmogelijk hadden gemaakt. Op een klein tafeltjen, in een hoek geschoven, naast het klavier, waarvan de kast verkleurd en verweerd was, lag een toegeslagen bijbel. Alles teekende eenvoud, maar over alles zweefde de genius van orde en netheid, die zelfs de schamelheid tot een aangenaam stemmenden eenvoud verheffen kan. Hij staarde op dien bijbel, waarvan de geelkoperen sluiting blonk als gedegen goud, en bij dacht aan zijn moeder, die er zoo vaak in gelezen had en die zoo veel had geleden om dat ze zooveel had lief gehad!
Zijn ongehuwde moeder! De bijzit eens van den machtigen Mijnheer van Arkesteyn, zijn vader.
\'t Was of een bloedstroom met groote kracht zijn hart werd uitgedreven, door al zijn aderen heen snelde en, als in vuur verkeerd toen hij het brein was genaderd, dit in vlam zette! Maar stil, weerbarstig hart! Zwijg, beleedigde fierheid! Zóo lief te hebben als die moeder had kunnen doen, wischte elke vlek, die er aan gekleefd had, uit!
Zijn vader, die zijn arme moeder had vertreden, de man, die zich over haar had geschaamd, die minachtend op haar had durven neerzien...! Maar die man had zulk een liefde toch weten op te wekken...! dus ook zachter geoordeeld over hèm!
Hij zag naar den leunstoel daar bij de tafel, waarin Mijnheer Adam Adriaan van Arkesteyn op het Abkouer slot menigmaal had gezeten; waarin hij hem had zien zitten, waarin hij hem nu, ware
\'t maar éen oogenblik, nog eens wilde too veren____! Want, hij
voelde \'t nu eerst goed, de tijd had al het eindige in die men-schengestalte doen verdwijnen en het onverdelgbare wel moeten sparen; de voorrechten van geboorte en stand en wat die gewrocht hadden, waren voorbij gegaan, maar wat het ontstaan van de liefde zijner moeder, niet alleen mogelijk, maar noodzakelijk bad gemaakt, het was gebleven; en, wat hem zeiven een raadsel was, dit stond nu vóór hem als iets wat hij zelfs te bewonderen en té benijden had.
Die spiegel had eens in het huis van den Abkouer school-
35
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
meester gehangen en was evenals die stoelen in publieke veiling door hem gekocht!
\'t Was hem of het lieve bleeke kopjen met de gazellenoogen van Brechtjen, de dochter van dien schoolmeester, er hem uit aan keek!
»Vader, of u komt?\'\' en het goudblond kopjen van zijn Brechtjen werd door een kier van de deur gestoken.
»Ja, ja, lief!quot;
Maar een nieuwe gedachte deed hem nog even blijven.
Dat kind! Het was zijn lieveling! Voor de tonen van haar vleiende stem deinsde elk verdriet, verdween elke wrevel, stierf elke ergernis. Voor den blik dier reine licht-blauwe oogen werd elke drift aan band gelegd, elk hard woord, opwellende naar de tong, bedwongen. Dat kind geleek op het Brechtjen, dat hij in Abcoude had gekend, het wijze-dwaze, het gezonde-ongezonde, tengere schepseltjen! Het blonde hair mocht op dat zijner Geertruid gelijken, de gazellenblik had het van die andere, even als de blanke doorschijnende gelaatskleur, de fijne neusvleugels, de fijn besneden lippen, de uitdrukking van reinheid en eenvoud, over geheel het wezen gespreid. Maar, Goddank! zijn Brechtjen was forscher dan de andere en miste het etherische dat deze had gekenmerkt.
»Man, waar blijf je?quot; werd met eenig ongeduld op den drempel gevraagd. »Je zult te laat komen voor de schuit van driën en je moet je nog kleeden als burger, zoo schreef je ten minste; in de slaapkamer ligt alles klaar.quot;
«Geertruid, vind je de gelijkenis van ons Brechtjen met de andere niet treifend? Weet je wel, dat wij beiden dien naam uitspraken toen we er over dachten, hoe onze oudste heeten zou als \'t een meisken was?quot;
»Hoe kom je nu daarop?quot; Zij nam zijn hand even in de hare, en vervolgde zacht en met eenige trilling in de anders zoo vaste klare stem: »Niet altijd aan het verleden gedacht!quot;
»Waarom niet, Geertruid?quot;
»Vergeet het, zooals ik het tracht te doen. Laat het heden ons genoeg wezen!quot;
»Niet genoeg, vrouw! Laat ons gelooven aan de toekomst.quot;
»Ik ben bang voor de toekomst; ik klem me vast aan het heden,quot; fluisterde zij.
Hij zag haar wel wat verbaasd aan, maar werd ook daardoor weder het verleden herinnerd. Ze stond naast hem, het klare oog met den trouwhartigen blik op hem gevest, zoodat hij haar vlak in het gelaat kon zien, en hij dacht aan het geboomte van den Slichtenhorst, aan de trotsche huizing van het oud-adellijk geslacht, waarin zij zoo goed had gevoegd. De bijna veertig jaren, over
36
DB KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
haar hoofd heengesneld, teekenden zich wel op haar gelaat af, veel meer dan op het zijne! En dat mocht oppervlakkig vreemd voorkomen, daar zijn beroep hém tot moeite en strijd, tot ontberen en ontzeggen verplicht had, terwijl haar leven zoo zachtkens en stil was heengevloden als het klare ondiepe beekjen langs den moschrand en over het kiezelzand. Al wat zij fijns en tengers had bezeten, was schuil gegaan in de rondingen, welke de zomers des levens had aangebracht. De aanvalligheid van het zoo schrander gezichtjen der van gezondheid blozende maagd was niet geheel vernietigd, maar toch wel wat veel getemperd door de kracht, waarvan de trekken en het matbleek gelaat der veertigjarige moeder getuigden. Wat aanlokkende voornaamheid mocht heeten, toen Semeyns haar het hof maakte, was verkeerd in, of, misschien beter uitgedrukt, uitgegroeid tót deftige fierheid, welke wel eens, als de blauwe oogen warmte van blik misten en als staal blonken, gebiedende hooghartigheid werd.
^Wat zijt ge krachtig, Geertruid! Ik benijdde dat nooit meer dan dit oogenblik!quot; riep hij eensklaps uit, terwijl hij de hand sloeg om haar hals en er niet op lette, dat de kant, die het keurslijf langs den boezem en de schouders omgaf, werd gekreukt. »Dank, lieve, voor wat ge voor mij waart al de dagen van ons huwelijk! Zoo ik niet er naar verlangde, dat je toekomst op je verleden geleek, ik zou deze zending niet begeerd hebben....quot;
»Met voor mij gaat ge toch. Karei?quot;
»Ja, voor de Admiraalsdochter niet het minst!quot;
»Werkelijk?____Beste man !quot; Een hoogroode blos purperde een
oogenblik de wang; een licht schoot door haar oogen, welke er wonderschoon door werden. Het duurde slechts een oogenblik. Alles herkreeg weder de gewone kalmte. »Neen, dat moogt ge niet.... Niet voor mij, maar voor de kinderen moogt ge gaan.quot; Na een oogenblik pozens -vervolgde zij: »Niet dus moet ge spreken. â We hebben allebei kracht noodig.quot;
Daar spatte een glas in scherven en werd het omvallen van een stoel gehoord. Geertruid vloog heen. Haar man zag haar met een droomerigen blik na. Hij had het gedruisch niet opgemerkt. »Lieve Geertruid!quot; stamelde hij. \'t Was of hij in dat vertrek niet anders kon zijn als onder de heerschappij van het verleden. Hij wilde haar aan het, hart drukken; hij wilde haar voorhoofd, haar lippen met kussen bedekken. Maar zij was heengesneld. Had zij niet aan zijn oor gezegd dat zij beiden kracht noodig
hadden____ ? Dus ook zij! Maar zij was zoo sterk I Wie zeide
daar, dat het zoo heerlijk zou zijn als ze zich eens zwak toonde?
Neen, hij zei dat niet. Hoe bespottelijk! Daar vielen twee dikke tranen lang zijn wangen! Een soldaat moest nooit trouwen, en
37
DE KA.PTEIN VAN DE LIJFGARDE.
toch, zoo hij eens geen kinderen had gehad, geen vrouw zóo
krachtig als Geertruid was____!
»Maar nu kom ik u halen, vader!quot; zei Brechtjen. »Moeder is erg boos op Ernst en ook op u, vader! Onze groentesoep wordt koud en er staat nog wel een kroes van uw liefste bier bij: Princesse bier!quot; s
»Ik volg je orders! Stel me vrij van de provooststraf, Brecht!quot; Lachende nam hij haar op den forsch gespierden arm en droeg haar zoo, als zijn gevangene, de eetkamer in.
38
EERSTE BOEK.
i.
In een klein vertrek, uitziende op een tuin, waar een paar oude eiken hun geel gedorde\' bladen aan de woede van den heftigen noordwesten wind moesten prijs geven, en de reeds kale takken van iep en kastanje op dit oogenblik wiegden en bogen, wandelde een man in heftige onrust op en neder. Soms poosde bij voor het boogvenster, dat slechts kleine in lood gekaste ruiten vertoonde, in welks midden een geslachtswapen prijkte met vele kwartieren in gekleurd glas en door een gravenkroon gesurmonteerd.
Noch dat wapen, hetwelk van voornaamheid, invloed en macht getuigde, noch de schuimende golven van de Theems, die den tuin en de bastions met torens, welke genen omsloten, schenen zijn aandacht te boeien. Evenmin deden dit de zware eikenhouten kasten, die de wanden aan alle zijden dekten en slechts ruimte overlieten voor een zijdeur, welke naar een belendend vertrek of een aangrenzenden gang voerde, en voor een schoorsteen, in welks breeden eikenhouten maar zwart gesmookten mantel hetzelfde wapen als in het hooge boogvenster werd aangetroffen.
Wij zijn in de bibliotheek-kamer en in tegenwoordigheid van Eobert Spencer, Graaf van Sunderland, den Lord-president van den Geheimen Eaad, den eersten Sekretaris van Staat, den gunsteling van den Koning van Engeland, die alle wetten van het Koninkrijk Ja ad vertrapt en dat had weten te doen door de hulp van dien gunsteling en van den Jezuïet Petre. Hij is even vijftig jaar, een viertal jaren jonger dus dan zijn Koninklijken Meester, die wel zestig scheen, en toch zou men hem nog de oudste van beiden noemen. Welk een verleden ook! In alle politieke geschillen, twisten en intriges had hij zich gemengd, hij, oneerlijk als de oneerlijkste, maar behendig als de behendigste; en oneerlijkheid
40 DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
r
en behendigheid waren in dagen als deze, dat despotisme en bigotterie de eerzuchtigen tot veinzen en huichelen verplichtten, de eenige middelen tot behoud of vermeerdering van macht.
Hij had in de laatste jaren van de regeering van Karei den tweede het wetsontwerp helpen verdedigen, dat de uitsluiting van diens broeder, den Hertog van York, beoogde, op grond dat deze de Roomsch Katholieke godsdienst omhelsd had, en niettemin was hij nu al reeds drie jaar lang de vertrouwde raadsman van den Vorst geweest, wien hij den troon had willen weigeren. Dit feit getuigt voor vele anderen.
Met een smijdigheid als hem menig tooneelspeler had kunnen benijden, had hij zich naar de omstandigheden weten te plooien. Eerst liberaal, zelfs in die mate dat hij de Koninklijke prerogatieven besnoeien wilde, toen behoudend, als de meest verstokte Tory, die het Goddelijk recht der Koningen als leerstuk had aangenomen, eindelijk gehoorzaam zoon der Eoomsche kerk, had hij het gezach weten te dienen, dat hem weelde en macht beloofde: de twee eenige afgoden waarvoor hij knielde.
Zijn voorkomen, zijn houding, zijn gang spiegelden thands voor den opmerkzamen beschouwer af, wat er in hem omging. Zijn hoofd was thands niet gedekt door de statige pruik, maar door een zwart fluweelen kalotjen. Het gelaat kwam er te beter door uit. Het had den ovalen vorm; \'t was bleek, bijna doorschijnend van huid; \'t toonde geen scherpe lijnen, alleen rimpels op het voorhoofd, langs de neusvleugels en de lippen; rimpels, getuigende van een ouderdom, die hier door eigen schuld vroegtijdig was opgeroepen. De blauwe oogen blikten koud en drukten zelden iets uit; de fijne lippen trilden nooit en bewaarden steeds dezelfde korrekte lijnen: geen hartstocht stoof, slechts de vleitoon gleed er over heen. Hals en schouders schenen veel gebogen te hebben; de gang was sleepend en weinig hoorbaar; zelfs hier, waar hij alleen was en de onrust iets zeer gejaagds gaf aan al zijne bewegingen, werd zijn voetstap bijna niet gehoord op den houten vloer, die door geenerlei tapijt was gedekt.
Dat hij zich alleen wist, toonde hij ook in zijn eenvoudige kleedij. Een zwart laken wambuis, nauw tot aan de heupen reikend en daar het fijne overhemd vrijlatend, dat er even uit-pofte, een zwart fluweelen broek zonder eenig versiersel eindigende aan de knie, (vollen kousen, aan den voet zich verbergend in lage stiefletten, dat alles stak scherp af bij het luidruchtig-rijke dat hem kenmerkte ten Hove en bij de weelde zijner woning, welke van buiten wel bijna een burcht geleek uit den Norrnandischen tijd, van bastions en torens, van wachthuizen en met ijzer beslagen poorten voorzien, maar van binnen al de schatten inhield, welke de nijverheid en de kunst dier dagen in den rococostijl wisten
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
voort te brengen. En de schatten dezer woning, hoe groot en kostelijk ook, ze werden nog overtroffen door die van zijn landgoed Althorpe in de nabijheid van Londen. Weelden stapelde hij op weelden: \'t was zijn hartstocht. Teederheid en liefde schenen wel voor hem woorden zonder beteekenis te zijn. Waren ze dat altoos geweest, of waren ze dat later geworden?
Menig levensreiziger zou den zak met paerels, op den weg gevonden, willen ruilen voor een enkelen dadel, welken hij verloor en waar hij vergeefs naar zocht. Was dat bij hem anders? Niemant zou \'t ooit te weten komen van dien gesloten man.
En hoeveel macht had hij moeten verwerven, om zooveel schatten te behouden, terwijl er zoovele verkwist werden! Het hazardspel toch verslond in éen uur de inkomsten van weken; en aan dat spel dankte hij niet te min zijn beste oogenblikken, oogenblikken van geestdrift, van zielsbeweging, van spijt ook, van hartklopping en benauwdheid soms, maar toch van leven, van gloed!
Hij heeft den vorigen nacht nog zulke oogenblikken gekend; hij heeft weer aan de speeltafel vergetelheid gezocht en gevonden, en den daarvoor betaalden prijs van duizend pond acht hij zelfs in deze ure nog niet te hoog. Hoe hg zonder arm te worden of voor \'t minst zich in zijn zucht naar weelde te moeten beperken, zulke verliezen kon lijden, het wordt ons duidelijk door een blik te werpen in de brieven, welke ordeloos op de groote eikenhouten tafel verspreid liggen.
Er lag er een van Barillon, den franschen gezant, die hem een wisselbrief zond van duizend pond als vooruitbetaling van het laatste kwartaal der toelage, door Lode wijk XIV den eersten minister van Engeland als bewijs zijner gunst en achting verzekerd. Er was door den Gezant zeer bescheiden, zelfs oodmoedig, aan de toezending van het geld de opmerking toegevoegd, dat de geldmiddelen Zijner Christelijke Majesteit door de oorlogstoebereidselen, waartoe de vijanden van Frankrijk den grooten Monarch, die zoo velen wél deed, noodzaakten, in de naaste toekomst niet toelieten in even wijden kring als vroeger geluk en tevredenheid te verspreiden; alleen tot de vertrouwdste vrienden en bondgenooten zouden dus in de naaste toekomst de bewijzen van achting worden beperkt.
Of Sunderland zich zeiven tot die vertrouwdsten mocht rekenen ?
Naast en ook onder die deftige missives lagen er velen, die in meest verscheiden maar altijd slordigen stijl plaatsing vroegen op de kantoren Zijner Majesteit. Thomas Dane had veel zin klerk te worden bij de posterij; Philip Wandle bij de zaken ter zee; beiden was dat wel vijftig pond sterling waard.
«Toegestaanquot;, stond onder aan den brief.
Dergelijke »requestenquot; lagen er bij dozijnen. Het was een goede
41
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
week. Van morgen nog had hij een aanbieding ontvangen van vijf honderd pond. Ze was van Charles Banner, die volgens zijn eigen bekentenis wel een schikking had moeten aangaan met zijn onrechtvaardige en ongeduldige schuldeischers, maar ook daarin een bewijs had gezien van zijn eigen scherpzinnigheid en ervaring. Met vol vertrouwen dus bood hij zich aan als kommies bij het accijnskantoor voor inkomende goederen. Bij dit request had de machtige, die óok veel scherpzinnigheid en ervaring had, toch een oogenblik geaarzeld; de drie cijfers echter, door den adressant neergeschreven en in letters nog eens herhaald, hadden den doorslag gegeven en aan alle weifeling een einde gemaakt. De benoeming van den eer-zamen ambtsjager was verzekerd.
En waarom ook niet? Zou de Graaf van Sunderland bevreesd zijn voor een hooger beroep op zijn meester, den Koning, bij de Gratie Gods? Maar die keurde alles goed wat zijn gunsteling deed! \'t Was maanden geleden, maar Sunderland herinnerde het zich nog zeer goed, dat er een beklag werd ingediend over zijne benoemingen en de gelden, welke hij er voor aannam; en het andwoord Zijner Majesteit had geluid, dat hij alles wist wat er in zijn Rijken voorviel en dus ook alles wat zijn trouwe dienaar deed, en als hij nu eens wilde, dat zijn trouwe dienaar de rijkste man in gants Engeland werd, wat ging dat zijn onderdanen aan, die te gehoorzamen hadden, hetgeen ze te weinig, en hem niet met klachten hadden lastig te vallen, hetgeen ze te veel deden?
42
II.
En zulk een vriendelijken meester was hij een trouw dienaar geweest ?
Als die vraag dit oogenblik bij hem ware opgerezen, er zou langs die lippen een glimlach hebben gezweefd, welke afschuwelijk had kunnen zijn. Zeker, hij had zich de twee eerste jaren van \'s Konings regeering een zeer onderworpen en daarbij zeer behendig dienaar getoond. Hij had zijn meester grooter subsidies van den franschen Koning, dan eenig voorganger genoten had, helpen verzekeren; hij had hem trouw bijgestaan in het ter zijde stellen van alle wetten; in het hefien van gelden buiten het Parlement om; in het verdrukken zijner eigen partij, in het doen onthoofden, hangen of vierendeelen van vroegere vrienden en tegenwoordige vijanden; hij had zijn meester gemaakt wat deze zoo gaarne wezen wilde: de alleenheerscher in Engeland, Schotland en Ierland, en hem den titel doen verdienen, dien Hendrik de achtste van den Heiligen Vader ontving, maar zoo laag misbruikte; den titel van Verdediger des Geloofs. Hendrik toch had zich tot hoofd der Anglikaansche kerk opgeworpen, maar Jakob, schoon hem slechts bij erfenis die titel was ten deel gevallen, had de deerlijk vervallen Eoomsche Kerk, welke in geheel Engeland slechts honderdduizend belijders telde, tot de heerschende verheven. Scharen van hovelingen, van eerzuchtigen en hebzuchtigen, hadden de Godsstem, welke dooiden mond Zijner Majesteit zich hooren liet, gevolgd en toegang verzocht en gevonden tot de alleenzaligmakende Moederkerk. Alle eer, alle voordeel was slechts weggelegd voor ben, die Zijne Majesteit liefhad, omdat ze door Haar bekeerd en van het eeuwige verderf waren gered!
En het arme volk, dat door stroomen van bloed had moeten waden om aan eigen haardvuur vrij te zijn, geloofde dit alleen te
UE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
kunnen blijven door het Geloof, dat het bij pijnbank en houtmijt verworven had. Dat krachtige volk, waarin de kiemen van het grootste â een waereldheerschappij! â sluimerden; kiemen, die zich alleen ontwikkelen konden door de zonnestralen der vrijheid; het scheen te buigen in stomme wanhoop, het heette nog iederen Zondag in de kerken te bidden voor den despoot, die het den voet op den anders zoo stuggen nek had gezet!
Het scheen; maar de Graaf van Sunderland had de voorzichtigheid, dien schijn te wantrouwen. In het heetst van den aanval op de vrijheden van het volk bleef hij \'t zich herinneren, dat Mary, \'s Konings oudste dochter uit het eerste huwelijk, de gemalin was van den Prins van Oranje, en dat de Koning, zijn meester, in de vijftig was en daarbij zwak en vol gebreken. Hoewel hij dikwijls met zijn meester disputeerde over theologische vraagstukken, waarbij hij steeds zorgde de nederlaag te lijden, had hij nog altijd gemoedsbezwaren voorgewend tegen een afzweering van het Geloof waarin hij was opgevoed. Toen echter, nu vier maanden geleden, de tweede gemalin van den Koning, Maria van Modena, een zoon had ter waereld gebracht, en er een rilling van wanhoop en vertwijfeling door het gantsche rijk liep, moest hij bedacht zijn op zijn toekomst.
\'t Lag niet in den aard van eenigen Sunderland, te steunen op een kreupele of zich in te schepen op een wrak.
Daarom was deze zoon van dat doorluchtig geslacht er op bedacht, zich tijdig te verbinden met de tegenpartij, die in Willem van Oranje den eenigen verlosser zag; maar ten dage dat hij dat deed, werd hij tevens knielend op den steenen vloer voor de deur van Zijner Majesteits kapel gevonden, biddende «zoetelijk en met veel geweenquot; om te worden toegelaten tot de Heilige Misse. Van dat oogenblik af aan was hij onderdaniger dan ooit ten Hove, in Audiëntie-zaal en Raadkamer, maar tevens drijvend tot de krachtigste maatregelen. Wat tot dusverre nog was ontzien, het werd met ruwheid en woestheid aangegrepen en mishandeld. De privilegies der steden werden opgeheven; in de kathedralen der Anglikaansche Kerk predikten de Roomsche priesters; de Londen-sche Bisschoppen der Protestantsche Kerk werden naar den Tower geleid. Maar tegelijkertijd zorgde hij er voor, dat in den Haag bekend werd wat er in den Geheimen Eaad was besloten en dat in de gewelven van het kasteel Lady Place aan den Theems, niet verre van Londen, waar de malcontenten des nachts de komst van Willem van Oranje voorbereidden, zijne gedachten en verwachtingen werden bekend gemaakt en zijne wenken gevolgd.
Weinige weken geleden was hij op een ongewoon uur ten Hove ontboden en vond hij er den buitengewonen Franschen gezant, die de Geüniëerde Provincies had bezocht en Koning Jakob kwam
44
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
waarschuwen voor de oorlogstoebereidselen, door Oranje verordend. Hij had toen een brief hooren voorlezen, door Koning Lodewijk zei ven geschreven, waarbij deze zijn Engelschen broeder »algeheele beschermingquot; toezei. Gelukkig toen, dat deze woorden waren gebezigd. Hij, de Engelsche Staatsdienaar, had er zich over gebelgd getoond, dat Frankrijk dus tot Engelands Koning waagde te spreken. Volgens hem was het een valstrik, dien men zijn geliefden en vereerden meester wilde spannen. Lodewijk XIV was in gantsoh Europa gehaat, zelfs de Heilige Vader had zich tegen hem verklaard. Geen wonder alzoo, dat hij omzag naar bondgenooten, dat hij den machtigsten Koning â en dat was Jakob geworden, sedert deze de alleen macht hebbende was in drie koninkrijken â wilde om-koopen. Neen, wel verre van Frankrijk, dat bevreesd was geworden en die vrees verborg achter ijdele hooghartige woorden, bij te staan, moest de Meester van Engeland, Schotland en Ierland zich voegen bij\' het bondgenootschap op het Vasteland, er het hoofd van worden en zich op die wijze den hoogen rang verzekeren, die hem om zijn macht, om zijn groote eigenschappen en verheven bedoelingen toekwam. Welsprekender was de gunsteling, die tevens \'s Konings bekeerling was, nimmer geweest; williger toehoorder had hij nooit gehad. De buitengewone gezant van Frankrijk | vertrok met een zeer hooghartig andwoord. Lodewijk trok, zooals j wij reeds zagen, zijn troepen, die hij beschikbaar had gesteld voor Jakobs bescherming, terug, deed het leger, dat op weg naar Holland was, Duitschland binnenrukken en het beleg om Philipsburg slaan, dat hem thands tot inspanning van alle krachten noopte. En Koning Jakob dankte zijn behendigen Staatsdienaar, die hem vrij had gemaakt van alle voogdij en van alle ongerustheid over het doel van de toerustingen der Heeren Staten, welke, hij zag het nu klaar en duidelijk in, alleen een aanval op Frankrijk beoogden.
»De domoor!quot; had Lodewijk XIV uitgeroepen, en niet lang kon het meer duren of Jakob zou wel moeten inzien, dat het schimpwoord verdiend was. Ieder oogenblik toch kon de Hollandsche
vloot aan de Engelsche kust verschijnen met____ den gevreesden
schoonzoon! Duizenden, ja tien duizenden verbeidden dat bericht met ademloos verlangen, en niemant vuriger dan Jakobs gunsteling! De mazen van het net, Jakob omgeworpen, konden niet altijd houden! Weken reeds was er onder de bondgenooten gefluisterd, dat alles voor de inscheping gereed was, dat het over te voeren leger uit keurtroepen bestond, de uitrusting niets te wen-
schen overliet, de krijgskas overvol was____! Weken reeds, en zelfs
geen enkel woord, dat een daad voorspelde, woei uit de lage anden het kanaal over.
Waarom kwam hij niet, hij, die \'t wel alleen, zonder eenig leger,
45
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGAHDE,
had kunnen wagen; zóózeer geliefd was zijn naam, zóo zeer geacht en geëerd zijn verstand eu beleid ? 0 die Hollandsche talmzucht en teuterij! \'t Was van daag reeds dertig Oktober en twee dagen geleden had hij de Declaratie Zijner Hoogheid van den lOden dezer maand, hem langs vele omwegen toegezonden, van het Kijkszegel voorzien, waardoor het vinden van een drukker mogelijk was geworden; want in de laatste maanden stond een geweldige lijfstraf op het zonder verlof uitgeven van politieke libellen.
Zag die »Declaratiequot; het licht, dan kon een algemeene beroering niet uit blijven! Dan zouden den verblinden meester de schellen van de oogen vallen! Dan zou hij ter verantwoording worden geroepen____!
En altijd nog maar geen tijding! De wind was eergister Oost geworden, in den afgeloopen nacht echter in een storm naar het Westen gekeerd!
Welk een tegenspoed! Wat dreigend gevaar!
En daarbij de mededeeling, welke de vrouw, straks op den drempel van dit vertrek verschenen, hem gedaan had: zijn echtgenote â wat smadelijke glimlach bij dat laatste woord! â de nu veertiy\'urige, maar die nog de overblijfselen vertoonde van een vroeger te recht bewonderde schoonheid! Een barer brieven, zoo had ze gestamerd, was o p of liever voor de reis naar den Haag verloren gegaan, want de daarop rechthebbende had dien niet ontvangen, zooals haar daar juist was gebleken!
Het koude zweet paerelde op zijn voorhoofd! Hij kon zijn haastige wandeling bijna niet langer voortzetten. Zijn knieën knikten, zijn leden rilden! De gedachten, die in zijn hersenen ronddwarrelden, deden hem pijn!
46
III.
Een zacht tikken, aan de deur deed hem opschrikken uit zijn verbijstering! Hij vergat verlof tot binnentreden te geven. Het bleek ook onnoodig, want de deur ging open! \'t Was zijn lijfknecht, Tom Bait, wien hij geheel vertrouwen kon, die veel wist, nog meer begreep, maar altoos zweeg.
»Een bode uit White-hall, Mylord! Mylord wordt dadelijk daar gewacht!quot;
De Koning riep hem! Waarom, waarvoor? Zóo vroeg in den morgen! En deze werd tot dusverre doorgebracht in boetedoening, misschien wel voor het weinig hooge en edele, in den afgeloopen nacht verricht!
»Ook een vreemdeling vraagt Mylord gehoor.... Hij meldde zich aan de waterpoort aan. Hij zegt, dat hij haast heeft.quot;
»Een vreemdeling?quot;
»Geen Londoner ten minste.quot;
»Zijn naam?quot;
»Hij heeft er beneden geen, zooals hij zegt.quot;
Een boodschapper uit Holland misschien! Met slechte tijding zeker! Hij moest die kennen vóór hij naar White-hall kon gaan.
«Breng dien vreemdeling hier, maar langs de achtertrappen. Blijf in den bovengang wachten onder mijn bereik. Er is veel slecht volk op de been.quot;
»Juist, Mylord, heel veel, en die men dat zoo niet aanziet, zijn dikwijls de gevaarlijkste,quot; merkte Tom vrij gemeenzaam aan.
Een gebiedende wenk om te gaan maakte aan alle verdere woordenwisseling een einde.
Mylord wierp zich op den met leder bekleeden leunstoel, na een der boekenkasten geopend te hebben, die door het uithalen eener lade als schrijftafel bleek dienst te kunnen doen. Een zware
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
voetstap sleep de treden van de steenen trap en kletste op het marmer van den gang in zijn nabijheid. Zonder tikken trad een stoere gestalte binnen, gekleed als een Londensch burgerman.
Sunderland zag hem eenige sekonden doordringend aan. De fletsche oogen werden donker als die van een loerende kat; de mond bracht koel en schijnbaar kalm uit: »Wie ben je?quot;
«Kapitein Semeyns, van het leger Zijner Hoogheid!quot;
»Schuif den grendel voor de deur!____Zet u daar neer!quot; en
hij wees hem met het oog op een stoel, die aan de andere zijde der tafel stond. «Wanneer aangekomen?quot;
«Gistermiddag.quot;
»En nu eerst hier?quot;
Die vraag ontviel hem. Toonde hij daardoor niet te veel, dat hij ongeduldig had gewacht? hij nog wel, die zich tegenover de bond-genooten altijd heel diep op den achtergrond had gehouden, maar altoos, zooals nu weer, door Zijne Hoogheid naar voren gedrongen werd. Bleek dit ook nu niet weer? Waarom dezen boodschapper niet naar Churchill gestuurd, zoo als hij had laten verzoeken ?
»Ik heb op zee veel tegenspoed gehad, daar de pink, die mij overvoerde, oud en lek was. Twee dagen heeft de overtocht geduurd. Toen ik eindelijk aan de oostkust op het drooge stond, scheen er jacht op mij gemaakt te worden. Met heel veel moeite bracht ik mijn vervolgers â het waren Ieren, hoorde ik â mijn spoor af.quot;
»Goed, goed! Waar hebt ge vernacht?quot;
»Ten huize van den Gezant der Heeren Staten....quot;
»Zeidet ge Mijnheer van Citters waarom ge kwaamt en naar wien ge gingt?quot;
«Mijnheer vroeg niets en ik zei dus niets. Ik had gisteravond al bij Mylord willen komen, maar ik was te vermoeid. Ik ben dat gluipen en sluipen, dat ontwijken der vijanden ook zoo weinig gewoon____quot;
«Wat ge te zeggen hebt, zal ook zoo\'n dringende haast niet hebben,quot; merkte Sunderland onverschillig aan, geheel dus in strijd met zijn betoonde haastigheid van straks.
Semeyns, die weinig vswi gluipen en sluipen hield en er ook weinig van af wist, begreep niet veel van dien hoogen Heer tegenover zich en vond het ook» niet noodig een poging aan te wenden om het wél te doen.
«Wat ik te zeggen heb, Mylord, zeker niet; maar wel wat ik Mylord heb te geven.quot;
Hij reikte een pakket over. Het werd niet aangenomen.
«Open het!quot; klonk het kort.
«Het is aan Mylords adres!quot;
Thands greep de straks nog aarzelende hand er haastig naar. Waarlijk, daar stond: «Graaf van Sunderland, in handen.quot;
48
BE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Het pakket bevatte een »Bijvoegsel tot de declaratie van Zijne Hoogheid,quot; en was gedagteekend 24 Oktober van \'tjaar onzes j Heeren 1688.
Blijkbaar was \'t de bedoeling, dat Mylord ook deze declaratie zou voorzien van het Groot-zegel. Toen hij \'t de vroeger gezonden stukken deed, was het gevaar minder dreigend en kwam Lord Churchill het hem verzoeken. Met dezen deelde hij dus toen de verandwoordelijkheid. Wie hem nu echter dat zeer gevaarlijk pakket bracht was een Hollander, een burgerman, een persoon, die gedésavoueerd kon worden indien men dat dienstig achtte. Aan zulk een kon hij geen papier, van Engelands Rijkszegel voorzien, toevertrouwen. Hij had een besluit genomen: hij wierp het belangrijk dokument, alsof het geheel waardeloos was, achteloos in den hoek der schrijftafel.
»Ge hebt Holland den 27en verlaten, niet waar?quot; Semeyns knikte bevestigend. »Was er toen iets bekend van een inscheping?quot;
»Zeker. Dienzelfden dag moet Zijn Hoogheid te Hellevoet zijn aangekomen. Ik houd het er voor, dat Zijn Hoogheid reeds in Engeland is.quot;
»Wat? Ge weet meer. Ik heb de gewoonte den eersten brenger van een nieuwstijding goed te beloonen.quot;
Mylord boog zich naar Semeyns toe en toonde dezen voor het eerst, dat zijn strak gelaat zich ook in een vriendelijken plooi kon zetten.
»Ik weet niets meer dan ik zei. Zijn Hoogheid is voortvarend in het uitvoeren van een eenmaal genomen besluit. Alles was gereed toen ik vertrok. Zijn Hoogheid is stellig vertrokken en kan dus gister morgen al geland zijn.quot;
»Ja, ja!quot; riep Mylord.
»God geve, dat het zoo zij, want anders...!quot;
»Want anders....?quot;
»Het is van nacht noodweer geweest. Een vloot zonder transportschepen zou het in zulk weer reeds zwaar hebben gehad. Wat Zijn Hoogheid had meê te voeren: een geheel leger ...!quot;
»Vreest ge... een ramp?quot;
»Als de vloot in dien storm is geweest, dan is ze naar alle ! menschelijke berekening verloren. Maar menschelijke berekening doet de Heere zoo dikwijls te niet, en Zijn Hoogheid weet bij ondervinding, dat hij is uitverkoren groote dingen te doen, meestal tegen alle menschelyke verwachting in.quot;
Sunderland had niets van Semeyns geloofsuiting verstaan, zóózeer was hij bezig geweest den omvang van de nieuwe ramp, op de mogelijkheid waarvan hij werd voorbereid, te berekenen, zoo mede de gevolgen daarvan voor hem in de eerste plaats.
49
»Je leven loopt voor het oogenblik gevaar, man, \'t zij de Prins.
KAPT. VAN DE LIJFGARDE.
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
kome of niet! Je kunt hier blijven. Niemant zal je hier zoeken en ik zal er voor zorgen, dat niemant je hier ziet.quot;
Mylord had iets heesch in zijn stem. Hij wilde een fluitjen aan de lippen brengen.
»Nog een enkel woord, Mylord, voor ge iemant roept,quot; zei Semeyns haastig. »Dat papier heb ik temg te ontvangen en naar een drukker in Londen te brengen.quot;
«Versta mij goed!quot; klonk het andwoord zacht maar op strengen toon. »Ge bracht niets; ik ontving niets.quot;
»Maamp;,r dat kan niet....quot;
»Dat moet. Is je hoofd zoo los van zijn romp, dat het er van scheiden wil?quot;
Zonder verder andwoord af te wachten riep hij den getrouwen Tom, dien hij last gaf den vreemdeling naar de spijskamer te brengen en het hem daar aan niets te laten ontbreken. »De man is doodmoê,quot; zoo hoorde Tom zich toespreken; »hij is van nacht op zee geweest en had noodweer. Laat hem dus goed uitslapen. We krijgen weer een jongen Vlaamschen hengst op stal.quot;
De vreemdeling was dus een paardenkooper. »Geloove dat, wie dat kan en wil,quot; dacht Tom.
Toen Mylord alleen was, zegelde hij haastig het ontvangen geschrift, dat hij achter een der vele boeken wierp, welke er in de kast stonden. De schrijftafel ging dicht. Daarna trad hij de belendende kamer, zijn slaapvertrek, binnen, waar Tom spoedig bij hem kwam om hem te kleeden.
»De Vlaming was goed bezorgd,quot; zei de oude op een toon, die iets grinnekends had. «Hij zag wel wat vreemd, toen hij het steenen gewelf met de zware ijzeren deur inging, maar toen ik hem zei dat het in twaalf honderd en zóóveel nog als spijskamer had dienst gedaan, scheen hij mij goed te begrijpen.quot;
Tom trok Mylord de nauwe schoenen aan en snoerde de sluit-riempjes zóo stevig vast, dat het Mylord pijn deed.
»Niet zoo ruw!quot; klonk het.
De getrouwe had de groote pruik in de hand, die de kalot moest vervangen. »Dat Mylord me niets gezegd heeft van het groote nieuws! De Stewart hoorde \'t daareven op straat en vertelde het mij; en ik, die de oudste rechten heb, ik had het toch eer moeten weten en het hém moeten kunnen vertellen.quot;
»Wat voor nieuws?quot;
»Dat de Prins van Oranje geland is.quot;
»Wat?quot;
»Mylord moet even het hoofd stil houden, anders kan ik de pruik niet goed neerzetten.... Nu is ze in orde; nu ziet Mylord .er heel anders uit. Ik wou dat die Vlaming Mylord nu eens zag.
50
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Niemants gezicht verandert zooveel als dat fan Mylord, zoodra er
wat om heen komt____quot;
»Bazel nu niet langer! Zijn Majesteit wacht me. Tom, wat ben je onhandig vandaag!quot;
Tom geloofde dat niet en hoopte zelfs, dat zijn meester zich dien dag niet onhandiger mocht toonen dan hij; maar hij paste er wel op, dit te zeggen.
Toen zijn meester, geheel gereed, de kamer verliet, riep hij den ouden toe: »Bedien den Vlaming goed, geef hem wit brood en een bottel goede cider!quot;
51
IV.
jgt;Ja, ik beleid het van gantscher harte! Kastijd mij.... dat ik krimpe van de pijn!quot; zoo bad een man, met ontblooten rug voor een groot kruisbeeld in de Koninklijke Kapel van White-hall neergebogen. Alles om hem heen sprak van rijkdom en van nieuwheid tevens. De waskaarsen op het outer rustten in fraai gedreven zilveren kandelaars; de glasruiten in de Gothische boogvensters waren fijn bemaald met tafereelen uit het Evangelie en uit de Greschiedenis der Kerk; de twee bidstoelen van eikenhout prijkten met kunstig snijwerk en met de wapens van Engeland, Schotland en Ierland, welke wapens mede op de scharlaken roodfluweelen kussens in kleuren stonden geborduurd. De steenen muren waren met nieuw eikenhout bekleed, waarvan de stemmigheid werd gebroken door de goed uitgevoerde beelden van een viertal heiligen. Het geheel werd overgoten door een mat gekleurd licht, dat door de beschilderde ruiten naar binnen viel en hier het helle rood temperde, ginds het kille wit verwarmde. Een Perziesch tapijt, waarop het licht wonderschoone schakeeringen liet spelen, dekte den vloer voor het outer.
We zijn in de Kapel Zijner Majesteit, die thands zijn ochtenddevotie verricht.
Het is een schouwspel dat walging wekt! Een gants anderen indruk zou het te weeg kunnen brengen, indien wij slechts niet hadden geweten wie daar in zulk een slaafsche houding was neergezegen en als ineen kromp bij de slagen, die de geeselriem in de hand van den eenvoudigen priester op den blooten rug kletsend liet nederdalen. Het kan hartverheffend zijn te aanschouwen, dat een machtige der aarde zich ootmoedig buigt voor het Onaanzienlijke en zich poogt te laven aan een bron, die alleen de dorst der ziel kan stillen; het kan eerbied wekken en innige gehechtheid,
DE KAPTEIN YAN DE LIJFGARDE.
te ontwaren dat de machtige, van wien geheele volken afhangen, in \'t diepst zijner ziel ter rade gaat met wat hij geen naam weet te geven en geen vorm, maar wat hij oneindig boven zich beschouwt in reinheid en heiligheid en dat hem fluistert van ontzegging uit plicht, van liefde in vrijheid en lijdzaamheid alleen om der liefde wil! Maar hier! Al houden wij ook rekening met de geloofsbegrippen dier dagen, al spant ook de zachtmoedige wijsheid, die alles begrijpt en daarom alles vergeeft, de vierschaar over Leerstukken, waarvoor de een het leven waagt om ze te handhaven en de ander om ze te vertrappen, toch kunnen wij de ergernis niet terug drijven, welke zich hier van ons meester maakt.
»Ja, mijn vader!quot; zoo hooren wij kermen, »ik heb haar weer gezien, die ik nooit had moeten zien; haar, die mij tot zondigen verleidde, tot ontrouw aan mijn gemalin, wie de Gebenedijde steeds nabij zij! Maar ik heb haar weder weggezonden ...
«â Wanneer, mijn zoon?quot;
»Van ochtend heel vroeg, en zij vertrekt weêr, en nu voor goed, naar Ierland. Ik heb gezworen bij de Heilige Moeder Gods, dat Catharine Sedley niet meer ontvangen zal worden.quot;
»En uwe gemalin....quot;
fis ziek sedert haar bevalling, mijn vader; zij is.....quot;
»Uwe wettige vrouw, die door de genade van de Heilige Bri-gitta u een zoon heeft geschonken.quot;
»Ze wagen het een onecht hind te noemen, de rebellen, de
vileynen____ De Prins van Wales een ondergeschoven kind! Had
ik ze maar onder mijn bereik wie het durfden zeggen----!quot;
^Deemoed betaamt u, zondaar!quot; riep de priester met kracht.
»Ik heb weder diep gezondigd â \'t is waar, mijn vader! â kastijd mij.... kastijd mij.... dat doet mijn ziel goed.... ik voel dat de pijnen mijn ziel goed doen.... Bid voor mij! Bid voor mij.. ..!quot; en hij prevelde een reeks namen van Heiligen.
De priester verloor niets van zijn strengheid. Hij zag den boeteling zonder medelijden aan; hij stond te hoog, in zedelijken zin te hoog, voor dat guichelspel!
»Zoo de boeleerster u blijft beheerschen, al bevindt zij zich ook verre, waar schuilt dan de bekeering, mijn zoon?quot;
»Maar zij beheerscht mij niet.quot;
»Wat in de laatste dagen door den Koning van Engeland is bevolen, het bewijst den blyvenden invloed van de bijzit.... die de rechter hand is der Engelsche ketters.quot; De laatste woorden werden met minachting uitgesproken.
»Gij oordeelt verkeerd, mijn vader! Niet haar invloed was\'t, maar de druk der omstandigheden.... \'t Is waar, ik heb verkiezingen doen uitschrijven voor een nieuw en vrij parlement; ik
53
DE KAPTBIN VAN DE LIJFGARDE.
heb de Kettersche bisschoppen wat zachter toegesproken; ik heb hun en anderen klerken mijn gunst beloofd, maar het staat aan God én Zijn Heiligen zeiven mij zoo weinig mogelijk te laten
geven____ Het gevaar dreigt nog meer dan ik gister wel dacht.
Dat ik dat nü weet, dank ik haar, de zondaresse, dank ik haar. Word ik door God beschermd, dan kan ik mijn eed houden aan de Heilige Kerk en haar vijanden verderven, \'t Is het eenig goede werk waarop ik mag roemen â niet waar, mijn vader? â dat
ik de Heilige Kerk kan doen triomfeeren____ Alles, alles wil ik
daarvoor ten offer brengen____Geloof dat, mijn vader!quot;
»Ik geloof dat, mijn zoon! En ik weet, dat dit meer is dan de vervulling eener gelofte, dat dit de kwijting is van een door u aangegane schuld. Gij hebt de getrouwen der Kerk, die hier jaren lang bescheiden leeiden, maar onder den druk der vervolging zich trouw hielden aan hun allerheiligst geloof, tot aanzien geroepen, hen zelfs aan de spitse geplaatst en tot voorwerpen van naijver gemaakt! Wat zou het zijn, zoo gij niet vol-harddet...!quot;
»Maar ik wil volharden en ik zal het____ Gij gelooft dat, niet
waar, mijn vader? Geef me nu de absolutie om wat ik voor de
Kerk deed en nog wil doen____ God weet wel dat, als ik nu
mijn ijver wat matig, het alleen is om het onweer voorbij te laten trekken en dan krachtiger vooruit te gaan. Gij zult de mis bedienen in de St. Pauls nog vóór Kerstmis, als ik niet meer hoef te vreezen voor den Haagschen kaasboer, dien veinzenden kwezel...!quot;
Hoe goed die kaasboer zijn schoonvader toch scheen te kennen !
»Het Bijvoegsel tot zijne declaratiequot;, thands in Sunderlands schrijftafel berustend, hield juist de waarschuwing aan het Engel-sche volk in, om geen waarde te hechten aan het tijdelijk betoon van zachtmoedigheid van de zijde van »de uytroeyers van de Godsdienst en verbrekers van de Wetten van deze Coninckrijken, nademaalquot; dit geschiedde »uit vrees voor onze toerustingen om het volk tegen haar te hulp te komen.quot;
Had de priester ook niet de verlangde vrijspraak gegeven, toch was Zijne Majesteit gesterkt en bemoedigd opgerezen. De schrijnende rug getuigde zóo levendig van de smaadheid om den wille Zijner zonden geleden â en vrijwillig geleden! â dat hij meende voldaan te hebben aan de eischen, den zwaarsten zondaar gesteld. En er moesten zoo vele zwaardere zijn dan hij, die op menigte van goede werken had te roemen, werken, welke zelfs geen ander als hij verrichten kon!
Wie toch had krachtiger overtuiging dan hij in zaken des Ge-loofs? Wie had vuriger liefde voor de grootsche Heilige Kerk, die éen bleef in overtuiging en wil, éen zooals God de Vader, God
54
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
de Zoon en God de Heilige Geest éen waren! Hij bad, omdat die God bet in zijn ziel bad geboden, den door bem afgelegden Kroo-ningseed als niet gedaan moeten beschouwen en zijn ketterscbe oproerige onderdanen op de slavenmarkten van West-Indifin of onder beulsbanden moeten brengen, opdat ze de vestiging van bet Godsrijk op aarde niet langer verhinderen mochten en zich spoediger bevinden in het Vagevuur, ten einde nog vóór den alge-meenen oordeelsdag te worden gelouterd en bekeerd!
Hij was nu weder de Koning; het oogenblik van veroodmoedi-ging was voorbij. Al dekte bem geen sierlijk gewaad, al was de kaal geschoren kruin nog slechts met een muts in plaats van de deftige pruik bedekt, al kleedde hem slechts een zwart fiu-weelen rok en broek zonder eenig borduursel, hij gevoelde zich weder de meester, die laag neer zag ook op den Priester, die bem straks scherpe woorden op den toon van gezach had toegevoegd.
Een ongunstigen indruk maakt deze Koning bij de gratie Gods! Zijn gelaat bad dezelfde droefgeestige uitdrukking als dat zijns vaders. De neus en de rechtlijnige wenkbrauwen vormden de gedaante van een kruis; de groote donkere oogen hadden bijna geen blik, of, als ze dien vertoonden, een zeer droeven.
Van Karei den Eersten wordt verhaald, dat hij den doem van bet Noodlot op het aanschijn droeg; van zijn zoon Jakob kon hetzelfde worden getuigd. De dikke nenstop, te meer in bet oog vallend omdat de neus zelf inboog en daarbij dun en tenger was, de weeke lippen en de gevulde kin deden denken aan zinnelijkheid en de breede, ietwat uitgezakte wangbeenderen gaven bet geheel een uitdrukking van wreedheid. Het lage voorhoofd teekende bekrompenheid. De gestalte miste alle majesteit en bevalligheid, wat zijn broeder en voorganger Karei H, die, in charakter zijn gelijke, in kracht van opvatting en uitvoering zijn mindere was, nochtans in hooge mate bezat en dezen zoo vele gebreken van verstand en gemoed had doen vergeven. Met zijn vader had bij de heerschzucht gemeen, met zijn broeder de zinnelijkheid, met beiden de dubbelhartigheid; maar vader en broeder overtrof bij verre in strengheid en koelbloedige wreedheid.
55
Er waren verzachtende omstandigheden die vóór hem konden pleiten! Hij was steeds een soort van verschoppeling geweest bij bet bof en bet volk; bij bet bof om zijn nurksheid en slechte manieren, bij het volk om zijn afzweering van de Godsdienst waarin bij was opgevoed. Wat wonder dat bij veel had te wreken toen Zijner de macht was! Vooral bij, die zoo eenzijdig was en wiens brein slechts éen gedachte bevatten kon, die er dan ook oppermachtig en voor goed regeerde. Dat hij waagde wat zijn broeder eerst in de allerlaatste ure durfde: zich Eoomsch ver-
!
DE KAPTUIN VAN DE LIJFGARDE.
klaren, \'t getuigt in zijn voordeel, maar zijn bekrompenheid maakte de koene daad hem en duizenden tot een vloek. Wreed in zijn wraak, overdreven in zijn vriendschap, maakte hij den vijand onverzoenlijk en den vriend tot verrader. Gevloekt door tien duizenden, gevleid maar misleid door een hoopken afhangelingen, schreed hij droef en vol wrevel, God dienende en de menschen hatende, beide uit vrees, als koning het jammerlijke leven door, de bekoringen der liefde meer ondergaande dan zoekende, onridderlijk in hof- en slaapzaal beide.
Slechts eene der vele minnaressen â het was bijna een attribuut van het Koningschap geworden er vele te hebben â be-heerschte hem. Die eene was Catharine Sedley, wier naam hij straks noemde, en ze scheen er zich zelve over te verbazen. »Wat hij aan mij vindt, weet ik niet!quot; riep zij eens op haar gewone cijnische wijze uit. »Mooi ben ik niet, en het vernuft, dat men mij wel eens toedicht, te waardeeren, daarvoor is hij te dom.quot;
Of zij, hoewel haar gelaat op geen schoonheid kon bogen, geenerlei waarde toekende aan hare weelderige vormen en dus werkelijk meende wat ze zei?
Jaren lang had zij met haar minnaar samen gewoond; slechts toen hij koning was geworden, stemde hij in een verandering toe, welke meer schijnbaar dan werkelijk was. In de nabijheid van Whitehall vorstelijk gehuisvest, was zij even machtig; alleen was zij van gast, gastvrouw geworden. Op zekeren dag verraste hij zijn lief met den titel van Gravin van Dorchester. Het geschenk nam zij aan, onder beding evenwel, dat haar minnaar, als hij ooit van haar scheiden wilde, dit haar zelve zou aankondigen. Zij wist dat het dan nooit tot een scheiding zou komen. De ergernis was algemeen. De schandelijke verhouding moest worden opgegeven. De Presbyteriaansche predikers, de Anglikaansche, wat nog het meeste beteekende: ook de Eoomsche bisschoppen eischten dat. Geene absolutie meer, tenzij dit schandaal een einde nam!
En Jakob gevoelde zooveel absolutie te behoeven! Maar hoe van die vrouw te scheiden? Het teekende geheel zijn inborst, dat hij te kennen gaf, door Catharine onder den ban eener bekoring te zijn gebracht en alleen in staat te zullen zijn haar te vergeten, als ze hem niet meer in de oogen kon zien; dat hij haar van verre bad heen te gaan, tegen de overeenkomst in, en dus .zonder afscheid van hem te nemen; heen te gaan verre van Londen, de zee tusschen hen te plaatsen, zich met ter woon te vestigen in Ierland.
Zij ging â met een lachend gezicht, getuigden eenigen â en met de onbetamelijke scherts: »dat een minnaar, die zoo bang was voor zijn zoete-lief, iets bijzonders geurigs had!quot;
56
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
En die gevaarlijke vrouw had het gewaagd zich den vorigen dag weer in White-hall te vertoonen!
Zij was echter dezen ochtend weder vertrokken. Jakob had haar laten gaan, maar de dankbaarheid vervulde zijn hart, toen hij afscheid van haar nam en het briefjen beschouwde, dat zij hem in de linkerhand had gedrukt, terwijl zijn rechter bezig was geweest haar een prachtig paerelsnoer om den blanken molligen hals te schikken.
57
V.
Welk een schrik beving Zijn Majesteit, toen hij het vertrek waarin hij gewoon was zijn ontbijt te gebruiken, binnen trad en naast de vischpastei â \'t was vastendag â en de kan malvezij een boekjen zag liggen met het opschrift: «Declaratie van Zijne Hoogheidquot; enz.
De Groom van de slaapkamer, die de oorzaak dier ontsteltenis niet dadelijk begreep, vreesde dat een duizeling Zijne Majesteit overvallen had en strekte de hand uit om hem voor neerzinken te behoeden.
»Een stoel!quot; snauwde de meester hem toe. sis Sunderland er nog niet? Zend nog eens naar zijn huis! Hij moet hier worden gebracht, met geweld als hij niet dadelijk meê wil... Laat me alleen... weg, doe je boodschap!quot;
De hooge hofbeambte haastte zich naar de deur te gaan, maar hoorde zich naroepen; »Ook de Kanselier moet komen en Churchill. Maar de laatste zal wel in de wacht wezen. D i e is nog de eenige, die altijd op zijn post is!quot; De andere bleef stokstijf van verbazing over die woorden staan en zijn meester aanstaren. Deze vervolgde vergramd: sGa! Zorg, dat ze gewaarschuwd worden! Ik wil dat ge gaat____! Durft ieder dan me ongehoorzaam zijn?quot;
De bedeesde dienaar had de deur geopend en wilde haastig den drempel overstappen, toen hij opnieuw terug gehouden werd door het bevel, het eerst van alles te onderzoeken wie er van ochtend in deze kamer waren geweest.
Het andwoord daarop scheen niet gegeven te kunnen worden.
Niemant beweerde dat vertrek betreden te hebben! Het was om alle geduld, zelfs om alle vertrouwen op de meest vertrouwden van zijn eigen huishouding te verliezen! Het Koninklijk ontbijt stond op tafel en niemant gaf voor er geweest te zijn! Op zijn
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
toornige vragen werd nederig geknield, zooals het betaamde in de tegenwoordigheid van den Gezalfde des Heeren, maar gezwegen en eindelijk gezworen, dat men er niet in was geweest. »De deur uit!quot; had de Gezalfde toen gebulderd. »Nu deze deur uit en straks de poort van den Tower in!quot;
Hij bevond zich alleen. De diepste stilte heerschte alom. De vrees boeide aller tong en scheen wel aller voetzool met dons omwoeld te hebben. Geen stem, geen voetstap werd gehoord! Toch schuw om zich heen ziende, alsof hij vreesde in een of anderen hoek der kamer een glurend oog te bespeuren, greep hij met bevende hand naar het gedrukte stuk.
Hij wilde lezen, maar hij kon niet, hij durfde niet.
Onwillekeurig wendde hij het hoofd naar de deur. Ellendige herinnering, welke nu bij hem oprees! Hoe kwam ze hem nu juist plagen en tergen! Daar had eenige maanden geleden Monmouth gestaan, de bastert van zijn broeder, de afgod van het gepeupel, zijn neef, die het gewaagd had een inval in Engeland te doen, maar, overwonnen en gegrepen, gebeden had om een mondgesprek.
Hij had de bede genadiglijk ingewilligd; hij had den schoonen, jongen, ongelukkigen man daar op dien drempel zien nederknielen, om zijn leven hooren bidden, en hij had toen een heerlijke zalige aandoening gevoeld, welke zich op zijn gelaat had vertolkt in een blijden glimlach, en hij had de woorden gestameld: »ge hebt een martelaar willen worden; nu, ik zal u er een maken.quot; Hij had die belofte heel gauw vervuld, want vier en twintig uur latei-lag dat schoone hoofd van den romp!
Weg met die herinnering! Ook weg met die van den zoneclips op zijn verjaardag, even veertien dagen geleden! \'tWas een on-heilsteeken, hoe zijn biechtvader die opvatting ook bestreed! Op Golgotha was de zon óok verduisterd â Weg, weg! Hg moest dat alles kunnen vergeten, wilde hij in staat zijn de logens te lezen van dien hoofdman van Satan, dien Judas Iscariot, wien hij zijn oudste dochter tot man had moeten geven! Hel en duivel, dat ontaarde kindergebroed!
Hij was geheel vergeten, wat ontaard vader en echtgenoot hij zelf steeds geweest was!
«Declaratie Zijner Hoogheid.... behelzende de redenen, die hem bewegen met de wapenen in het Koninkrijk van Engeland over te gaan.quot;
Het was dus waar, ontegenzeggelijk, dat hij met een inval bedreigd werd! Hij had n u eerst de zekerheid! Een aandoening van haat, van toorn overheerschte hem! De heete adem der razernij kwam over hem en dreigde hem te verschroeien. Hij bracht beide handen aan het bonzende hoofd! Hij moest lezen! Daar druppelde bloed op zijn handen neer: zijn gewone kwaal bij heftige gemoeds-
59
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
beweging____! Het bloed stroomde hem den neus uit en op de
declaratie neer. Eindelijk was het gestelpt. Hij zou nu. lezen....
Daar trilde de dampkring van een alles overweldigend gejuich en gejubel. Het gonsde over de straten en bonsde tegen de voorzijde van White-hall aan. Het gleed en golfde over de wateren der rivier, waarop de tuin der grootsche woning en ook het venster, waarvoor hij zat, uitzag!
Een menigte, tot overladens toe gevulde, boten dreef op de Theems, een zeker nog grootere menigte volks had zich voor het paleis saamgepakt, en uit al die monden stegen kreten en klanken op, en uit al die verwarde kreten en klanken wonden zich de tonen los van het op doodstraf verboden schimplied op Tyrconnel, den lerschen beul, of liever op hem, den meester van dien woesteling : een lied, dat in de laatste weken het gantsche koninkrijk door gezongen werd en waarvan het refrein was: Lilli bullero, Lilli bullero! Niets beteekenend was de inhoud, onzinnig als een kermisdeun. Maar wat de maker niet vermocht, dat deed het duizendvoudig monster: het volk, dat het zong en er ziel in lel. Waar het werd aangeheven, werd de moed ontboeid, de vrees verkeerd in moed, werd er naar de heup gegrepen, waar het gemis van mes of zwaard voor het eerst sedert langen tijd werd gevoeld.
Lilli bullero! Lilli bullero!quot;
Het werd hem voor zijn eigen paleis toegebruld!
De schrik maakte zich van hem meester. Hij vatte de «declaratiequot; in de vingers en begon het papier te scheuren, eerst in groote stukken, de grootere toen in kleinere, de kleinere in de kleinst mogelijke. Het was of om hem heen een zwerm goore sneeuwvlokken was neergestrooid, toen Sunderland en Churchill binnen traden.
»Churchill, met de lijfwacht er op in! Veeg de straten schoon!quot; riep hij den acht en dertigjarigen krijgsman toe, wiens fiere gestalte en stoute oogblik ontzach geboden en zoo goed uitkwamen tegenover den sluikschen gang, den gebogen rug en de half gesloten oogleden van zijn medgezel.
»Het zal geschieden, Sire!quot; zeide hij, zoo rustig en kalm, dat het den meester zeiven rustig maakte. »Ik heb het van mijn plicht geacht, mijn Heer en Koning een libel uit te leveren, dat mij van morgen van geheel onbekende zijde werd bezorgd.quot; Zonder blikken of blozen bood hij Zijner Majesteit een gedrukt stuk aan, waarvoor deze terug beefde alsof een schorpioenenbeet hem dreigde. Diezelfde declaratie! Hij scheurde, na zijn afschuw overwonnen te hebben, Churchill het libel uit de hand.
Daar bood hem de geknielde Sunderland met alle teekenen van den diepsten eerbied ook een libel aan, dat hem was toegezonden: \'t was dezelfde declaratie, welke de Staatsdienaar, wien daarbij de
60
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
tranen in de oogen wemelden, voorstelde dadelijk in de chocolade-, koffie- en bierhuizen door de Sheriffs in beslag te doen nemen en dan door beulshanden te doen verbranden. Zijne Majesteit smeet ook dit exemplaar naar den hoek, waar het andere een tijdelijke plaats had gevonden.
Churchill verwijderde zich, om het ontvangen bevel te gaan uitvoeren. Sunderland was dus alleen met zijn Souverein en getuige van diens woede.
«Bedrogen hebt ge me, hond!quot; schreeuwde de van schrik half waanzinnige monarch zijn eersten Staatsdienaar toe, die nog half geknield lag, terwijl hij hem met den voet aanraakte en bijna omver wierp. »Je heulde al maanden lang met mijn vijanden. De melkmuilen ginder legden het op m ij toe, en niet op m ij n neef in Frankrijk. Durf het loochenen! durf het. loochenen!quot; In heftige ontroering was hij steeds gewoon zijn woorden, zelfs de meest onbeteekenende, te herhalen.
Sunderland was opgestaan: hij bleef het hoofd gebogen houden; zijn lippen waren spierwit; zijn handen trilden.
»Ik loochen het niet, Sire! Mijn zeer genadige Koning----!quot;
»Die ben ik niet meer____dat zal u blijken, laaghartige vileynâ
verrader!quot;
»Ik beken mij vergist te hebben---- het blijkt mij nu----Mijn
hoofd heeft schuld, myn hart had het nooit, ook nü niet!quot;
»Vuile leugenaar!quot; De koning smeet hem een brief toe. «Wie schreef dat?quot;
»Mylady Sunderland!quot;
»Aan wien?quot;
»Het adres luidt aan Robert Sidney.quot;
»Aan Eobert Sidney, die sedert maanden in den Haag is bij Oranje!quot;
«Helaas, Sire!quot;
»Daar staat het: mededeeling van onze voornemens, en van uw drijven tot strengheid; opgaven van den staat en het aantal onzer troepen... waar zij gelegerd zijn...!quot;
»Drie weken geleden,quot; stamelde Sunderland.
«De datum is óok uit dien tijd... Beken, Judas!quot;
»Ik bekennen, dat ik mijn genadigen Soeverein, mijn geliefden heer en meester, heb willen verraden? Ware ik daaraan schuldig, dan straffe God mij nu en hier namaals! Mijn eenige fout is misschien dat ik Uwe Majesteit te goed heb gediend. Heb ik mij niet zoodanig aan uw heilige zaak verbonden, dat terugtreden onmogelijk is? Heb ik de godsdienst, waarin ik was opgevoed, maar van wier onwaarde Uwe Majesteit mij overtuigde, niet afgezworen en daardoor gebroken met de laatsten mijner vrienden? Sire, mijn toekomst hangt met die Uwer Majesteit saam! Wat uwe Majesteit lijdt, lijd ik.quot;
61
I)E KAPTEIN VAN DE LIJFGAUDE.
Sunderland bracht deze woorden bijna snikkend uit. Hij wierp zich aan \'s Konings voeten en fluisterde bijna, als onder den last der schaamte verpletterd: »üwe Majesteit zal ook wel de verhouding kennen van haar, die zich mijn vrouw noemt, en dien.... Sidney. Eeeds jaren ga ik gebukt onder de schande! üwe Majesteit wist dit toch?\'\'
Uit zijne schande smeedde hij een wapen tot zijne verdediging!
Zijne Majesteit knikte toestemmend. Sunderland bespeurde terrein gewonnen te hebben en vervolgde; »Bij den smaad komt nu nog de misdaad\'. In mijne papieren zal zij het oog hebben geslagen .... Zij heulde niet alleen met den vijand van haar echtgenoot, maar ook met den vijand van den dienaar Uwer Majesteit. Zij kan niet gestraft worden â ik ben voor haar aansprakelijk... üwe Majesteit straffe mij! Doe mij het hoofd op het blok leggen, Sire! dan is de smaad van den echtgenoot geboet en verwerft de dienaar Uwer Majesteit de martelaarskroon, die hem recht geeft op de gelukzaligheid, welke hem hier maar al te veel was ontzegd.quot;
Aan de overzijde der rivier flikkerden de vlammen der vreugdevuren, door het losgebroken volk ontstoken. Dikke drommen dansten er om heen, en over het water, door de vensters van Zijner Majesteits vertrek, weergalmde weer; Lullibullero! Lullibullero!
In de nabijheid knetterde musketvuur. De Lord-kamerheer vertoonde zich doodsbleek op den drempel en kondigde den Lord-Kanselier van Engeland aan; George Jeffreys. Zooveel het door onmatigheid bepurperd gelaat verbleeken kon, was het verbleekt. De wulpsche booswicht, wien geen enkel vergrijp tegen zedelijkheid en reinheid vreemd was gebleven, die op zijn tocht als Lord-Opperreehter door de Graafschappen in \'t Westen, na de nederlaag van Monmouths leger, de honderden veroordeelden in het gezicht spuwde of als honden schopte vóór ze gevierendeeld of gehangen werden, het monster, dat gewoon was het volk te zien wegstuiven als het een tip maar van den rooden karbonkelneus bespeurde, en de hoogste geslachten het hoofd te zien buigen als hij met zijn lompen boerenstap de hofzaal binnen trad, de geliefde dienaar, dien het welbehagen zijns meesters altijd en overal volgde, hij wachelde de kamer binnen en kon slechts de woorden stameren: «Oproer! oproer! Zijn Hoogheid moet geland zijn. â Heel Londen is op de been! Ik liet een fielt vatten, die op straat dit stuk verkocht.quot;
Uit een der zijzakken haalde hij hetzelfde libel te voorschijn, dat de anderen ook hadden vertoond. Het werd den Koning, of alles om hem heen keerde en wentelde, of hij de voetstappen van het uitgelaten gemeen reeds op de trappen van White-hall vernam.
»Verlaat mij niet____ verlaat mij niet! Sunderland, blijf bij
62
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAUDE.
mij! Jeffreys, oude vriend, waar is je moed? Verlaat mij niet!quot; stamerde hij.
»Mijn leven behoort aan mijn Koning!quot; verzekerde Sunderland plechtig.
Een centenaarslast was dezen van de schouders genomen. Hij was behouden en had nu al den tijd te overdenken op wat wijze hij met de meeste eer en glorie het zinkend schip zou kunnen verlaten.
«Sire, wat kan ik als ieder mij te lijf wil? Ze hebben \'t allen op mij verzien! Is het niet in Uwer Majesteits belang, dat ik me een tijd lang verschuil? Stuur me naar den Tower, Sire! Daar ben ik het veiligst.quot;
Was dat de moedige Jeffreys, die zulke wanhopende woorden sprak ?
Churchill verscheen en deelde mede, dat het straks gehoorde musketvuur dat der lijfwacht was geweest, aan wier hoofd hij was uitgetrokken!
»En...?quot; vroeg de Koning, die nog maar niet aan zijn veiligheid gelooven kon,
»Het gepeupel zal rust houden, Sire!quot; merkte de hooghartige krijgsman met een veelbeteekenend lachjen aan.
De eerste lichtstraal in de duisternis!
»Ik heb u te prijzen, Churchill! Jeffreys, ouwe zondaar, neem een voorbeeld aan hém!quot;
De Lord-Kamerheer waagde zich nogmaals naar binnen en meldde, dat een man uit het volk tot Zijne Majesteit vroeg toegelaten te worden, \'t Scheen een visscherman te wezen; van oververmoeidheid kon de vileyn ter nauwernood spreken. Hij had zeven uur gereden op een paard met een slecht zaal. Hij was van nacht op zee geweest.
5gt;De man heeft zeker iets te boodschappen; laat hem binnen komen!quot; beval de Koning, die weer begon te vreezen.
»Het begin van het einde!quot; prevelde Sunderland, wiens stemming steeds blijmoediger was geworden.
De vileyn kwam binnen, zonk op de knieën en vertelde in zeer eenvoudige en daarom des te geloofwaardiger taal het blijdste nieuws, dat ooit een Stuart nog had vernomen. Hij was in den storm geweest, die zijn ranke boot bijna aan splinters had geslagen, maar de Hollandsche vloot, die, naar de lichten te oor-deelen, de geheele zee bedekte, in minder dan een kwartier had ingeslokt. Hij had het gegil en geschreeuw gehoord, het hinniken en het stampen der paarden, het neerploffen van zware lichamen in het water; hij had al de lichten zien uitdooven, plotseling, in éen enkel oogenblik. Het wrakhout dreef overal!
»Dat is Gods belooning voor het ten toonstellen der Heilige
63
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Hostie!quot; riep Zijne Majesteit, bijna jubelend en zich devotelijk kruisend. »Laat dien man vijf pond gegeven worden. Je hebt je Koning in welstand mogen zien, goede man! Hij heeft je willen aanhooren____quot;
»Het paard is van buur Sam Boxer, en ik heb het dood gereden,quot; bromde de visscherman.
»Geef hem dan zes pond.... en daarbij zooveel eten en drinken als hij maar nemen kan.... Dan met hem de City in...! naar alle koffiehuizen...!quot;
Niet zeer te vreden ging de bode heen; als hij stil t\'huis was gebleven had hij meer verdiend. Nu ja, hij had zijn Koning gezien, maar of dat nu al zijn moeite wel loonde?
»Jeffreys, wil je nu nog naar den Tower?quot; vroeg Zijne Majesteit in de genadigste stemming.
»Sire, ik zie weer een pleizierreisjen door eenige Graafschappen in \'t verschiet. Het lijstjen van de goede lui, met wie we een dansjen naar het galgjen hebben te doen, is gauw te maken.quot;
»Hij blijft toch de leepe rot, die overal het spek ruikt. Churchill, je trekt met je regiment naar Fevershams kamp. Tyrcon-nell heeft nu den tijd om zijn Ieren naar hier te brengen, hier, vlak voor White-hall. Wij zullen een Te Deum in onze Kapel doen zingen zóo luid, dat men \'t in de City goed hooren kan. Laat den Geheimen Eaad bijeenkomen. Ik trek mijn oproeping voor een Parlement in. Ik wil, dat de zangers van straks gegrepen en van Newark tot Tyburn gegeeseld worden. Ik wil dat de drukker van dat libel â hij schopte met den voet de op den grond liggende exemplaren weg â in zijn deurpost worde gehangen.... Eerst moet hij evenwel klappen. Ik wil weten, van wien hij dat vod te drukken kreeg!quot;
Zijne Majesteit was vroolijk, mededeelzaam, maar had voor Sunderland geen woord.
Deze had bij de verpletterende tijding Churchill een oogenblik aangezien en diens oogleden even zien trillen. Hij zelf had behoefte gevoeld aan een steun, maar de kracht gehad zich dien te ontzeggen; want elke schijn van teleurstelling, van onsteltenis, van vrees moest vermeden, wilde hij het hoofd, dat hem suizelde, behouden; het hoofd, dat nog zooveel groote en voordeelige ontwerpen uit zou kunnen denken en overwegen, als \'t maar bleef staan waar het nu stond.
Hoe het nu ook suizelde, toch had het een geniaal denkbeeld weten te vatten.
»Sire! als mijn genadige Koning mij vergunt met allen eerbied iets in \'t midden te brengen,quot; zoo hief hij vleiend aan.
»Nu ?quot; klonk het norsch.
»Ik liet in de laatste dagen het huis van den Hollandschen ge-
64
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGABDE.
zant goed in het oog houden____ Wat mij nog een kwartier geleden duister was, is mi) nu licht geworden. Gisteravond laat nog sloop daar een aameohtig reiziger binnen, zeker een Hollander, die goed bij kas bleek te zijn, daar hij den man, dien hij op straat naar den weg had gevraagd, voor zijn terechtwijzing met een halve kroon beloonde. Ik vermoed nu, dat hij een spion van Oranje is____en ik kan hem Uwe Majesteit leveren____quot;
«Leveren? Je weet waar hij is?quot; Er lag ruim zooveel achterdocht als vreugde in die vraag.
gt;Ik heb overal voelhorens, Sire!quot; Terstond na het spreken dier woorden schrikte hij er van. Overal erkende hij voelhorens te hebben! Hij was te oprecht geweest; hij was ook half bedwelmd. Maar de Koning was te bot van geest, om op die woorden acht te geven.
»Als je hem mij levert, Sunderland, dan kom je er met een boete van tien duizend pond ten voordeele van de nieuwe kapel in de Savoy af.quot;
»Mijn aangebeden Koning!quot; riep Sunderland, bijna in tranen uitbarstend, uit. Maar in zijn binnenst welden gants andere woorden op! Hij kende dien toon van \'s Konings stem. Het was dezelfde als gehoord werd bij het aankondigen van genade aan de tot het rad veroordeelden, die van die marteling werden vrijgesteld, maar in een strop van hennep stikten.
»Churchill, laat je dien man door Sunderland aanwijzen en breng hem voor ons zoodra je hem hebt. Gij kunt gaan, Mylords! Alleen den Lord-kanselier heb ik nog eenige bevelen te geven.quot;
Hij stak Churchill zijn hand toe, die deze eerbiedig kustte, maar trok haar terug en wendde zich haastig en met wrevel af, toen Sunderland hetzelfde wilde doen.
Beide Lords gingen, zonder een woord met elkaar te wisselen, de gangen door, het plein over. Sunderland keek zijn medgezel even aan, terwijl hij de straat in de richting van zijn huis insloeg, en zijn dienaars wenkte, die gewoon waren hem te voet of te paard te volgen en te bewaken.
Churchill bleef hem ter zijde. De straten waren uitgestorven. De schaarsche wandelaar week schuw op zij, zoodra hij de twee hooge heeren bespeurde. Het verhaal van den visscher scheen in de nabijheid van White-hall reeds bekend. Of waren de straks afgevuurde geweren der Lijfwacht de oorzaak der stilte ? Sunderland vroeg dat half fluisterend.
»Ik liet met los kruit schieten!quot; klonk het nauw hoorbaar and woord, dat echter van een glimlach vergezeld ging.
»Ge zijt vroolijk. Gelooft ge het bericht van den vileyn niet?quot;
»Gedeeltelijk. De vloot mag verstrooid, half verongelukt wezen, maar Oranje geeft het zoo gauw niet op. Is \'t waar: kunt ge den spion aanwijzen?quot;
KAPT. VAN DE LIJFGARDE. â I. 5
65
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAEDE.
»Ik; heb hem in mijn huis verborgen.quot;
»Wat! Waarom?quot;
jgt;Om een derde hand te hebben, als men aan zijn eigen twee niet genoeg heeft.quot;
»Nu, ik misgun je waarlijk thands zoo\'n derde hand niet.quot;
»Ik wil die aan u overdoen.quot;
»Zeer verplicht!quot;
»Hij bracht een vervolg op \'s Prinsen ^declaratiequot;, dat gedrukt moet worden. Dat zult ge toch wel toestemmen, gij vooral, die geloovei^ blijft?quot;
»Zend hem dan naar onzen drukker. Nog hebt gij de zegels.quot;
»Ik lever hem u uit.quot;
»En ik lever hem Zijn Majesteit? Wilt ge dat?quot;
^Natuurlijk niet. Gr ij kunt nu wat gij wilt; gij zijt in gunst...quot;
5gt;Ja, vier en twintig uur misschien blijf ik er in.quot;
»En ik ben langer dan vier en twintig uur er buiten.quot; Churchill bleef zwijgen.
»De bode zal ook u kennen! Moet ik hem aan Jeffreys uitleveren, dan komen wij beiden op \'t schavot.quot;
Churchil bleef zwijgen.
ïHet is mij duizend pond waard, dat hij niet in Jakobs klauwen valt.quot;
»Twee duizend!quot; fluisterde Churchill.
«Vijftien honderd dan; ik kan waarachtig \'tbijna niet geven. Ik zie den boom van mijn kas en ga misschien een slechten tijd te gemoet.quot;
»Nu dan____goed____maar in goud en dadelijk....!quot;
De twee bondgenooten waren \'t eens; zooals gewoonlijk had Churchill er bij gewonnen. Wie den krijgsman daar zag gaan, wien de blauw fluweelen mantel zoo sierlijk omgolft, wien de hoed met de reigerveeren zoo vast en toch zoo bevallig op de geurig opgemaakte paruik om het breed en welvend voorhoofd sluit, zou zulk een hebzuchtig gekonkel, waar het de bezwering van een dreigend gevaar betrof, niet hebben kunnen verwachten! Een opmerkelijke persoonlijkheid, ook uit een psychologiesch oogpunt, die Mylord John Churchill, later zoo beroemd geworden onder den naam van Hertog van Marlborough! Zijn zuster, Arabella, was de minnares geweest van den tegenwoordigen Koning en had aanvankelijk voor \'s broeders toekomst gezorgd. Zij had hem als officier in de lijfgarde doen opnemen. Hij van zijn kant had ook reeds veel voor de eer der familie en voor zijn eigen glorie gedaan. Hij was als twee en twintig jarige reeds meermalen de harem van den vorigen koning. Karei II, ingeslopen en had daar diensten bewezen, welke hij zich meestal duur liet betalen.
Maar het roemrijkste feit uit dat tijdvak was zijn sprong van
66
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
het balkon der Hertogin van Cleveland op het oogenblik, dat hg met haar liefkoosde en Sultan Karei in aantocht was. Het balkon was wel twintig voet hoog geweest, maar hij was er afgesprongen en had er honderd vijftig pond sterling per voet hoogte meê verdiend, welke som hij dadelijk in een lijfrente, gewaarborgd door vast goed, belegde. Een onverzadelijke hebzucht bleef dien man zijn geheele leven beheerschen. Sunderland had óok het geld lief, maar voor dezen was \'t slechts middel, voor Churchill scheen het werkelijk doel. Er wordt toch verhaald, dat hij zijn overlijden in geheime laden van zijn meubilair een menigte goudstukken werd gevonden, in verschillende tijdperken van zijn leven bijeen gegaard en niet in rentegevende waarden omgezet, omdat het gezicht van goud hem een behoefte was en hij, in oogenblikken dat hij zich zelf mocht zijn, zich het genot van ze te aanschouwen wilde verzekeren.
En aan die onverzadelijke hebzucht paarde zich een even onverzadelijke eerzucht! Dapper was hij in het veld, smijdig in de raadzaal, hoifelijk in het boudoir, maar nergens verloor hij zijn levensdoel uit het oog: verheffing van zich zeiven tot den hoog-sten rang!
En een man met dat charakter had zich in een samenzweering begeven, die hem alles â en hij had reeds zooveel! â kon doen verliezen! De eerzuchtige, die het oor zijns Konings had, die wat hij begeerde verkreeg en de weelden, welke rang en rijkdom ver-leenen, kon genieten in rust en - in lust, stelde dat alles in de waagschaal ten behoeve van.... Een beginsel? Iets onstoffelijks? Ja. Zijn schranderheid had hem reeds lang doen inzien, dat Jakobs bigotterie al wie hem omgaven de verplichting zou doen opleggen, hem te volgen in zijn Kerk, en daar latijnsche gebeden te prevelen. Heiligen aan te roepen, te biechten en de mis bij te wonen. En dat kon Churchill niet! De Godsdienst zijner vaderen en zijner jeugd wilde hij blijven aanhangen. Haar in zijn daden eeren, deed hg niet; maar haar de mindere te zien worden van een andere, welke hij op den schoot der voedster reeds had leeren minachten, dat kon hij niet dulden. Voor een reeks dogmaas, die hij niet kende maar had leeren veroordeelen, wilde hij niet de reeks andere verruilen, welke hij wel kende maar niet eerde of lief had! En daarom had hij de hand gereikt aan den Prins van Oranje, had hij, de voorzichtige, hebzuchtige, eerzuchtige, het gevaar van ontdekking en de vreeselijke gevolgen daarvan niet geschuwd, en zou hij dat niet hebben gedaan al had hij ook het kwade uur kunnen voorzien, dat hij nu beleefde, door dien ge-duchten Noordwesterstorm en de struikeling van den anders zoo vluggen en behendigen sluwert, die naast hem ging.
Beiden gingen in weinig opgeruimde stemming van elkaar. Te-
67
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAEDE.
68
gen den middag werden Sunderland, namens Zgne Majesteit, de Rijkszegels afgevorderd. Tegen den avond sloop de ex-eerste Secretaris van Staat met zijn papieren naar zijn landgoed Althorpe; maar in den vroegen morgenstond van den volgenden dag toog hij, als vrouw vermomd, op reis naar Holland, waar hij dadelijk na zijn aankomst weder van Godsdienst veranderde en eenige jaren in het duister bleef. Hij was nog te vroeg in de kaart gezien en dierf daarom vooralsnog de vrucht van zijn moeitevollen arbeid.
TWEEDE BOEK.
i.
\'t Was een liefelijke streek: een half uur gaans van een der buitenwijken van het 17e eeuwsche Londen, dat toen nog niet de boschjens van beken doorsneden en afgewisseld met weiden en bebouwde heuvels, verslonden had. Waar nu de smidse vlamt en smookt en talloze schoorsteenen walmen, stond aan den zoom van een weiland een tweetal huisjens, van achter gedekt door zware lommerrijke olmen en beuken, op een golvend terrein tot ware reuzen opgewassen, en aan de voorzijde beschaduwd door een paar eiken, wien reeds in den gulden tijd van Queen Bessy tientallen van jaren heugden. De huisjens waren nog met riet gedekt en voor het grootste deel van hout, met leem aangestreken â een bouworde, welke, vóór den grooten brand, die een goede twintig jaar geleden de groote stad teisterde, algemeen voor de woonhuizen van den kleinen burger werd aangewend, maar sedert voorde stad zelve bij een wet was verboden.
Wat er hier aan stevigheid en zekerheid werd gemist, was aan bevalligheid en vriendelijkheid gewonnen.
Dikke takken, waarvan de knoestige vormen geheel schuil gingen in het dikke donkergoene loof, dat slechts hier en daar een tint vertoonde die in het donkergeel verliep, wiegden over de dakvorsten, waarop een ooievaar zijn nest reeds sedert jaren gebouwd had. Het riet, blijkbaar nog onlangs vernieuwd, liep over de beide woningen heen en strekte zich aan weerskanten wel een el over de leemen muren heen. Onder dat riet lag de zolder, die in het grootste der twee huisjens een dakvenster had, dat licht en lucht gaf aan een klein kamertjen. De andere, kleinere woning miste die weelde en toonde, hoe gelijk ook in bouw en inrichting, minder
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
welvaart of minder netheid en orde. Verwonderlijk, hoe de inborst der bewoners zich in honderde kleinigheden naar buiten kan openbaren! De buitendeuren en vensterkozijnen van beide woningen hadden eens dezelfde kleuren gedragen, maar welk verschil had er zich in den loop der laatste jaren daarin voorgedaan! De oorzaak daarvan was de rook, die bij de eene steeds door den schoorsteen was opgetrokken, maar bij de andere wel eens, naar het oude, en verderop in de Graafschappen nog in zwang zijnd gebruik, door de voordeur moest worden uitgedreven. Dat in de eene mogelijk was geweest wat in de andere steeds een onoverkomelijk gebrek was gebleken, getuigde van meer overleg en zorg, uit hoogere eischen van weelde en dus fijnere beschaving geboren dan in damp; andere. Achter iedere woning lag een tuin, maar van zeer verschillende grootte, daar die der eene achter dien der andere omliep; door een bouwvallige houten schutting waren ze gescheiden. De grootste tuin, die wel drie vierden van de geheele ruimt» innam, liep uit op een beek van helder stroomend water, waarover een plank lag, die als brug dienst kon doen, om den voetganger naar het bekoorlijk bosch aan de overzijde te voeren.
Heel licht kon het binnen niet wezen, zelfs niet in de best bedeelde woning, die twee vensters van voren telde: dus een meer dan de andere. Die vensters toch hadden slechts kleine, in lood gekaste raampjes. Als men de deurklink oplichtte en dan over den drempel trad, kon men bij den eersten blik weinig onderscheiden,, vooral op een dag als heden, dat dikke regenwolken de stralen der morgenzon onderschepten. Had het oog zich eenigermate aan de schemering gewend, dan vermeide het zich in de woning, die wij thands binnen treden â het is de grootste der twee â in den aanblik van reinheid en orde, die tot de kleinste bijzonderheden afdaalde en door overdrijving wel iets kleinzieligs had. De houten vloer was met frisch zand bestrooid, de vierkante houten tafel glom van de was, even als de vier stoelen met matten zittingen en recht opstaande ruggen, door kruiselings aangebrachte latjens van greenen hout gestevigd. Op de glimmende haardplaat knapte een vroolijk vuurtjen, uit dennentakken en stronken gebouwd, en daarover hing aan een ijzeren ketting een groote ijzeren pot, waaruit voor een grage maag een lieflijke geur opsteeg. Damp; wanden waren helder gewit. Tegenover den schoorsteen stond een bruine kast, waarop eenige pullen van hetzelfde aardewerk als. de borden, die achter twee rijen latjens op den rand van den wijd vooruitstekenden schoorsteenmantel pronkten; op den achtergrond tegen den muur stond een glad houten tafeltjen, van zulk rijk hout en in zulk een sierlijken vorm, dat het eenigzins vreemd afstak bij den eenvoud van het andere huisraad; op dat tafeltjen lag een bijbel, en naast dezen prijkte een zeer fraai gesneden
70
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAUDE.
kopstuk van serpentine-siveji; daarboven aan den wand hing een friesche klok.
Van de donker geverfde zoldering en tussehen de kleine schoor-balkjes hingen ter zijde van de schouw groote stukken gerookt vleesch, in de meest volkomen orde, naar de lengte, in rijen verdeeld. Voor het venster, het dichtst bij den schoorsteen, zat een vrouw van even in de vijftig, het hoofd gedekt door een muts met gesteven opstaanden rand, waar langs eenig grijs hair krulde. Het laag uitgesneden jak en de bouwen van wollen stof, de hagelwitte kroplap en het even vlekkelooze schort, de klepmuilen aan den grooten welgevormden voet, getuigden wel van nederigen stand, maar ook van welvaart en netheid; de klare blauwe kijkers in het rond vleezig gelaat, het niet breed voorhoofd, dat nog maar weinig rimpels telde, de flink gevormde neus, de groote mond, waarvan de roode lippen meestal een open gleuf toonden, en de roode blos op de wangen, spraken van gezondheid zoo uit- als inwendig.
Het scheen haar geliefkoosde plaats. Ze was niet te warm of tc koud; zij gunde het uitzicht naar buiten over den zandigen rijweg en de daarachter liggende bouwakkers en weilanden, in het verre verschiet bezoomd door boschjens en aan den gezichtseinder door een woud van hoog opgaande boomen, waar Londens ⢠Rijkdomquot; op zon- en feestdagen zich verlustigen kwam. Het plekjen daar scheen die vrouw wel voor zich en voor een andere, die er echter nu niet was, te hebben ingericht. Aan den eenen kant was het beschermd door het tochtscherm, dat met de voordeur een rechten hoek vormde, aan den anderen door den binnenmuur, waar eenige prenten achter glas hingen, enkele gelijkenissen in beeld brengende uit het Nieuwe Testament. Op het glad geschuurd tafeltjen, waaraan zij het grootste deel van haar leven neerzat, stond meest, en ook nu, een grooten rieten doos â een kleine koffer leek het wel â waarvan niet alleen de uitwendige vorm, maar meer nog de inwendige rijkdom, ja overdaad zou men \'t bijna noemen kunnen, verbazing wekte.
Al wat er noodig was om te scheiden en te verbinden, om te hechten en te .tarnen, om te doen golven en te pletten, te omboorden, in te krielen, te vouwen en te strijken, was daar in voorraad. En de bezige gebruikte dien voorraad goed en vond de plaats genoeglijk waar zij dat deed: innig er van overtuigd, dat de plicht ernst gebood, maar dat een lachjen er goed bij stond!
Het was zóo stil in het vertrekjen, dat het tikken der hangklok zich luide deed hooren, en toch was Sally, Toppers vrouw, zoo als haar naam was, niet alleen.
Onder den schoorsteenmantel zat op den eenigen stoel, die een kussen droeg, haar man, David, die een tiental jaren ouder dan
71
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
zij was en wiens beenig gelaat geen aangenamen indruk maakte, \'s Mans voorhoofd toch, met de afgeplatte slapen, de kleine, maar eenigzins opgetipte neus, de tengere, schier bloedeloze lippen, de spitse kin, de scherpe en toch dikwijls afzwervende oogblik, stieten bij het eerste ontmoeten af. Niettemin scheen die man genegenheid te kunnen inboezemen en dus ook te kunnen geven â liefde baart wederliefde â want het oog van Sally dwaalde telkens vriendelijk naar hem af, en haar stem klonk zacht, nu zij het haar opgelegd stilzwijgen, dat haar reeds lang had verdroten, afbrak en zeide:
»Johnny,quot; zoo noemde zij haar David, »zit nu niet langer in
je eigen te mopperen____ Je windt je weer op. Kom tegenover
me zitten! Maud is zeker weer aan \'t zwieren. Die wildzang! Die deugniete!quot;
»Laat me stil zitten! Hoor, daar heb je \'t weer! \'t Is niet uit te houden! Die afgodendienster zal nu het huis uit! Met Kerstmis moet ze opdansen.... Dat wil ik nu eens, vrouw! hoort ge, dat wil ik!quot;
»Of ik het hoor, Johnny, en wat je wil dat wil je,quot; zei ze met iets guitigs in haar toon. »Maar laat dat goeje mensch...!quot;
Johnny sprong van zijn stoel op. »Noem. je Kit Smolls goed? Slons in haar huis, slons in haar hart, slons in haar geloof! Als de Lord Protector nog leefde ...!quot;
»Lieve Hemel!quot; dacht Sally, »daar beginnen we weer aan de dagen van Cromwell te denken,quot; en zij wist wat dat beteekende. Haar man, dat zou ze tegen ieder staande houden, was een beste, maar zou de allerbeste wezen, als hij maar nooit onder dien ijzervreter gediend en even als al die »Heiligen der laatste dagen,quot; stijf staande van leder en ijzer, zoo erg brutaal den baas had gespeeld. Van dat oude baasspelen voelde ze nu nog de naweën; al moest zij \'t zich zelve bekennen â en daarbij kon ze nooit een glim-lachjen bedwingen â dat David niet altijd de baas bleef.
In \'t jaar \'51 was ze met hem getrouwd. Haar huwelijk kon toen doorgaan, omdat hij zoo\'n besten patroon had gevonden in Nicolaas Stevens, een Hollander, die uit Delft de kunst van in porfier en agaat te snijden naar Londen had medegenomen, waar hij het deksels goed had, wat hij zijn knechts ook liet merken. Toen ze hem trouwde, was hij bijna niet in den band te houden. Dat redetwistte den heelen dag, niet alleen met zijn kameraden, maar ook met den patroon over de verborgenheden des Geloofs en kwam dan thuis met een warm hoofd en balsturig humeur, om met haar het ook nog eens aan te leggen. Maar dat was hem maar zelden gelukt, want zij wist van geen andere verborgenheid als de eene, die toch nooit kon worden opgehelderd, hoe al dat redeneeren, waarbij men zich zoo erg boos maakte, en al dat
72
DE KAPTEIN VAN UE LIJFGAKDE.
hoofdbreken, waarvan men \'s nachts de nachtmerrie kreeg, gezocht en geliefd kon worden door een schepsel Gods, dat het goed had in de waereld, een lieve vrouw bezat, een jongen kreeg, zwaar als een steen van acht pond, en een loon verdiende, dat redelijk wel voldoende zou wezen om er een half dozijn van dat slach volop van te eten te geven.
En die jongen, een Agaat zooals Johnny maar eens had mogen fatsoeneeren, was nu in zijns vaders plaats. Goddank, dat het zoo was, maar dat die plaats zóo gauw was opengekomen, daar waren, naar haar vaste overtuiging, die verborgenheden des geloofs weer de oorzaak van geweest. Johnny was, zoo ze anders zei zou ze liegen, thuis van lieverlede minder â strijd lustig kon ze niet vinden, maar wel â strijdvaardig geworden, maar in de werkplaats scheen het wel het oude te zijn gebleven; want, nu tien jaar geleden, was hij op een middag t\'huis gekomen met een paar half afgesneden vingers! \'t Was van een scherp werktuig, dat op den steen was gericht geweest, maar op zijn hand was terecht gekomen. Nu ja, dat kon waar wezen, en dat zou ook wel waar zijn, maar â en daar zat het hem â waarom was die beitel, of hoe dat moorddadig ding ook mocht heten, zoo danig afgedwaald? Ze zou wel durven wedden, dat het groote beest uit de Openbaring â een lievelingsonderwerp van haar lieveling! â aan de orde was geweest. Nu, \'t was gebeurd; en met heel veel pluksel waren de gaten gestopt en door veel zalf was de wonde gaan dicht groeien. Ze had hem behouden; maar werken kon hij niet meer; en hij was juist de beste van den winkel geweest, zoo als Mijnheer Stevens â ze hield bepaald van den ouwen baas, die er zoo stofferig uit zag en toch zoo\'n warm hart in zijn lijf droeg â haar zeide, toen hij haar kwam troosten en meteen berichten, dat Dick â dat was haar glanzende, goed gesneden en in goud gevatte agaat â nu wat meer zou gaan verdienen. Bestig, al was \'t niet eens noodig geweest, want Johnny had gespaard en de twee huisjens gekocht, waarvan ze het een nu zeiven gingen bewonen en het andere verhuurd was en bleef aan de lersche vrouw, die nóg haar buurvrouw, maar niet meer hetzelfde mensch van vroeger was.
In \'t geheel niet! Tot voor twee of drie jaar was alles goed gegaan. Kit Smolls had zich een vlijtige en daarbij goedhartige en meêgaande vrouw getoond, die trouw aan de waschtobbe stond â ze had groote lui te bedienen, heele groote zelfs, die aan het Hof kwamen! â trouw de huur betaalde en daarbij bescheiden zweeg, als Johnny aan \'t redeneeren sloeg en haar zonneklaar bewees, dat haar geloof â ze was Paapsch â uit den duivel was, en zij zoolang ze nog langer er bij bleef, noodzakelijk hier namaals terecht zou komen bij het bekende groote beest.
73
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Maar langzamerhand had Kit haar grooten mond leeren open doen â \'t leek in de laatste maanden meer dan een mond, \'t leek wel een muil; en sedert dien tijd was de rust van haar ouden ijzervreter, die het nooit-iets-opgeven van zijn veldheer zaliger zeker geleerd had, weg en haar eigene de verlorene gaan zoeken.
Wat was er dan toch in die Kit gevaren? Haar Johnny zei, dat de Anti-christ was gekomen; haar Dick zoo wat hetzelfde, maar in andere woorden, en Maud, het kleine porfiertjen, zoo als haar agaat de twintigjarige deerne in de laatste weken eens genoemd had, geloofde, dat het van de vervalschte zeep was, waar-meê Kit hoe langer hoe meer was gaan wasschen. Maar Maud dat moest ze erkennen, was op dit punt, even als op vele andere, juist niet heel erg te vertrouwen. Een lief kind, maar wild â
wild als een jong veulen.....! Toch (iodvreezend ook, maar naar
74
haar eigen hart! Ieder wist, dat Sally Toppens veel van een lachjen hield, maar dat ze ernstig óok kon wezen, de tien geboden van buiten kende en al de boeken van Oud- en Nieuw Testament van voren naar achter en vice versa wist op te zeggen. Maar zóo was de wildzang niet, en daarom was \'t gelukkig, dat Maud niet haar eigen kind was en haar zelfs niet in den bloede bestond. Dat had haar agaat laatst ook nog heel zachtjens aan haar oor gezegd met een hoog roode kleur. Hem had zij de waarheid wel moeten zeggen ; tegen over alle anderen had zij hare gelofte van geheimhouding altijd gehouden. Maar was \'t wel zoo gelukkig, dat Maud een vreemde was? Indien het eens haar eigen was geweest â en een dochterken had ze toch ook wel willen hebben! â dan zou ze haar nog beter hebben kunnen fatsoeneeren naar.... â zich zelve? â neen, dat zou al heel hoogmoedig klinken â-maar dan naar haar beeld en dat van haar man, half en half, zooals het bij haar Dick was geschied, die evenwel, ja, heel uit de diepte van haar hart werd het gefluisterd, toch eigenlijk meer dan drie-vierden van haar had.
y.
*/Æ
II.
» Als de Lord Protector nog leefde____!quot; had haar Johnny straks
uitgeroepen en daarbij nog veel geredeneerd wat Sally niet had verstaan omdat ze er niet naar geluisterd had. Toen hij alles had uitgesproken wat hem op de tong lag, was hij uit zijn donkeren hoek te voorschijn getreden. Nu kwam de magerte en scherpte van zijn gelaat eerst goed uit en vertoonde hij het beeld van den rondkop uit een vroeger tijdperk.
Het dikke stugge grijze hair hing laag op het voorhoofd, bijna tot op de wenkbrauwen, en van achter tot over de kraag van zijn wambuis, van zwart Leidsch laken en geheel er op gemaakt, om te schuilen in een leeren kolder, even als de korte wijde broek om aan de knieën groote stevels te ontmoeten, \'t Was Johnny ditmaal niet, maar wel degelijk David, die in een paar stappen het tafeltjen bereikte en de hand uitstrekte naar den grooten bijbel. Hij moest in de stemming, waarin hij zich nu bevond, niet in Richteren of in Jeremia gaan lezen! Maar welke afleiding te bedenken? Sally wist er geene.
Zij behoefde zich echter geen verdere moeite te geven. De ge-wenschte afleiding kwam, en wel door het »woeste muildierquot; van hier naast.
Een geweldig kletsen en daarop gevolgd dreunen en deinen was reeds eenige minuten lang gehoord. Het had Davids wrevel reeds lang gaande gemaakt; nu kwam er echter een afschuwelijk krij-schende stem bij, die in onbehagelijkheid al het ander onbehagelijke nog te boven ging! In een oogenblik stond David in den tuin en vlak tegen de schutting, die hem van de buurvrouw scheidde. Nu kon hij de laffe woorden hooren, het schimplied op de vromen Israëls! Bjj den eersten regel:
»Een kwezel die ging er uit vrijen____quot;
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
riep hij al: »Baüls kind!quot; en bij den laatsten:
»Wat bazel je, manneken poes!\'\'
was hij de ladder opgestoven, die er in de laatste dagen steeds had gestaan, om den huisheer-buurman gelegenheid te geven, zoo dikwijls hij het wilde, de ongerechtigheden ga te slaan, welke er achter Kits huis werden gepleegd.
»Zwijg, Belials kind!\'\' klonk het snijdend door de lucht van de eene zijde,
«Wat bazel je, manneken poes!quot;
werd nu nog valscher dan vroeger aan den anderen kant gegild.
»De dag des Oordeels nadert. Onze Gideon is in aantocht... hij zal zijn tien duizenden Verslaan,quot; schreeuwde David, maar zijn stem was onder gegaan in het rauw uitgegilde refrein:
«Wat bazel je, manneken poes!quot;
»Schei uit of ik haal mijn musket!quot; riep David nog harder.
Kit had het laatste woord verstaan. Ze hield op met zingen en met het neerwerpen van den steen in den bak met zeepsop, waarin de wasch van een harer klanten, vrij onzacht, maar met gunstig gevolg, tot het afstaan van alle vlekken werd gedwongen.
»Waag dat eens, ouwe droogstok!quot; riep Kit nu met haar gewone zware schorre halve mansstem.
»Je gaat hier van daan met Kerstmis! Ik hou niet van wijven, die \'s avonds laat nog bezoek krijgen! Wat was dat gisteravond laat nog voor een gestommel? Dat stampen en janken begint me ook te vervelen. Wat zie ik daar? Weg met dien Satansdrek! Dadelijk! Ik duld dat niet op mijn grond!quot; Hij wees op het steenen wijwaterbakjen en op een meer dan half verminkt kruisbeeld, dat aan een spijker tegen haar huis hing.
Beide voorwerpen waren in een bad van zeepsop afgewasschen, wat wel eens meer was gebeurd, waarbij dan de ruwheid der eigenaresse op betreurenswaardige wijze was te werk gegaan. Kit vond zelve wel, dat haar lieve Heer aan het kruis er niet mooier op werd, maar wat deed dat er toe, daar hij toch haar zoeten Jezus bleef als zij maar ter misse en ter biechte kwam, wat zij trouw deed!
De uitwendige kenteekenen van haar Allerheiligst Geloof liet zij niet beschimpen. Zij had het zich jaren lang moeten laten welgevallen, maar nu »de Aartsengel Michaël in White-hall op den troon zatquot; en »alle lansspitsen der ketters op zijn diamanten schildquot; ving en ze daarna te pletter sloeg, hoefde zij geen vrees meer te hebben, zoo als Vader Anselmus het laatst nog in de nieuwe
76
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Karmelieter Kapel zoo mooi had gezeid. Zij trok de ronde wijde muts, die niettegenstaande het touw, dat even boven den slap neerhangenden rand stevig om voor- en achterhoofd was gewonden, tot op haar neus bijna neergezakt was, naar boven en keerde haar gezicht naar den mageren sprinkhaan toe, zooals ze, maar ditmaal fluisterend, den vroeger zoo gevierden huisheer schold.
\'t Was me een bakkesjen! Toch zou menig kunstenaar er zich toe aangetrokken hebben gevoeld, misschien meer dan tot het ge-blanket gelaat van den Jashion der City of van White-hall. Hier was natuur, hier was uiting van leven, al was de uiting ook grof en het leven wat dierlijk! Dik blond hair kwam van alle kanten de muts uitkijken en hing over het voorhoofd, waarvan het de smalte en de vele rimpels verborg; toornig vlamden een paar groote bruine oogen in de diepe kassen; diepe groeven omgaven den breeden stompneus en den grooten mond met dikke lippen, die niet wisten wat rust beteekende en verliepen in een vierkante vleezige kin, die menig uitgelokt grimmig woord en menige verdiende schimpscheut had opgevangen en triomfantelijk gekeerd. Het loshangend jak en de daardoor goed zichtbaar geworden onder-kleeren, gegeeld, verfomfaaid en deels versleten, deden niet gissen maar zien wat beter ware verborgen gebleven; uit de opgestroopte mouwen kwamen een paar roode aimen te voorschijn, dampend van het warme water, en nu manhaftig in de zijden gezet; de breede voeten schenen wel tot schoenen een paar oude stevels te hebben, waarvan de schachten waren weggesneden!
Zóo stond ze, David tegenover, gereed tot een tegenweer, even geducht als de aanval dreigde te zijn.
«Verbrand zal je worden met je geheele nest, vermaledijde heiligschenner!\'\' riep ze, met den vleeschklomp, die voet bij haar heette, op den grond stampend. »Ik ben vrij te doen in mijn huis wat ik wil, te laten droogen wat ik wil, en mijn tong uit te
steken tegen wien ik wil____quot;
En van de vrijheid, zich voorbehouden, maakte ze, wat het laatste betrof, dadelijk gebruik.
«Neen!quot; en bij dat woord werd er tandengekras gehoord. »Daar zijn Goddelijke en menschelijke wetten, die je dat verbieden, hoor je, domme beeldendienster?quot;
»Onze aartsengel, die op den troon zit, verscheurt al jelui geschreven geraaskal â op zijn diamanten lanspunt vangt hij al
jelui puntige kwastrige neuzen____quot;
»Ha! ha! wat een onzin!quot; lachte David valsch. »Jelui spreekt \\ na wat je priesters je voorkauwen, niet wetende dat ieder zijn zelfs zaligheid moet werken met vreeze en bevinge.quot;
»Ja, jelui werkt wat! Weet je wat jelui allen doet? Zeuren en uitkramen wat je zelf niet begrijpt. Pater Anselmus zal ik
77
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
eens verzoeken bij je aan te komen, als Zijn Eerwaarde hier toch voorbij moet gaan, om de boerderij van Patrick te wijen en te zegenen, nu het kettersch gebroed, dat er vroeger woonde, er uit is gejaagd.... Dat liet een hooge heer doen, weet Uwee.... een van de hoogste! Zijn Eminentie Graaf Sunderland! Ik wasch voor
Zijn Eminentie! Die hoort nu ook tot de onzen____Al wat hoog
is, komt op zijn kniëen bij ons aankloppen____en als hun beurs
vol is, dan mogen ze die komen leêgen.... en....quot;
Er was geen stoppen meer aan; de woorden gleden, ja, stoven over Kits lippen als de opgezweepte wateren bij een stormwind over den dijk.
David moest zich bepalen tot het ballen zijner vuisten en het schrapen van zijn keel, terwijl hij naar de lucht keek om te zien uit welken hoek de wind blies.
»Kijk je oogen maar niet uit de gaten!quot; riep zij op haar beurt lachend uit. »De wind is goed paapsch, en dat zal hij blijven.quot;
David wist van zijn zoon, dat in de City de Oostenwind de protestantsche werd genaamd. Slechts bij zulk een wind kon de Verlosser komen.
»God de Heer gebiedt de winden en redt de zijnen ter zijner tijd!quot; predikte David plechtig.
»Ja, juist de zijnen, maar dat zijn wij.... De verlosser, zoo als jelui den Hollandschen vadermoorder noemen, is al lang bij de grondvisschen.... Jelui schuilen hier maar altijd bij je zijden galstrig spek en wormstekerig vleeschquot; â Kit, Kit, hoe de hitte van den geloofsijver je tot beschimpen verleidt van wat je met smakkende lippen steeds beschouwdet! â »maar ik, die in de City thuis ben en er nog van morgen heen ben geweest, ik weet, dat je je hoop wel op de mestvaalt kunt leggen. Heb je \'t eer-gisternacht niet hooren stormen, suffert? Toen ging je verlosser naar den grond.... Ze zijn daar ginder al bezig, naar ik hoor, vreugdevuurtjens te bouwen van al het wrakhout____quot;
»Je bent een dochter van den Vorst der leugenen____quot;
»Davidquot;, hoorde hij Sally achter zich zeggen op een toon van ernst, gemengd met eenige onrust, »David! Johnny! Neem je toch in acht voor den guren wind!quot;
Hij hoorde haar; hij zou \'t niet hebben gedaan, als hij niet plotseling bedaarder was geworden, en hij werd dat door het zichtbaar worden van een manshoofd langs den rand van het kozijn der achterdeur, welke van Kits woning naar haar tuintjen of liever washok toegang gaf. \'t Was een ferme kop, met stevig donkerbruin hair. Wie was dat? Een paapsche priester? Zeker niet. Een echte man! Een krijgsman!
»Neem je toch in acht voor den wind en kom de ladder af!quot;
78
DE KA.PTEIN VAN DK LIJFGARDE.
riep Sally nogmaals en nu hem aan een punt van zij,. i-ais trekkend.
»Ja, \'tis een gevloekte wind!quot; zei »de heilige der laatste Jagenquot; al zeer onheilig, terwijl hij een sport van de ladder afdaalde, maar het prijsgegevene dadelijk hernam, om Kit, die haar schimplied weer was gaan uitschreeuwen, de gebalde vuist nog eens te toonen en haar toe te grauwen: jgt;als de wind keert, zul je anders balken, maar dan____geen pardon!quot;
»Johnny, binnen wacht Mylady. â Zij vraagt naar Maud, en die is nergens te vinden!quot;
79
III.
Maud had het altijd gauw benauwd in de woning van Sally en David en zocht daarom dikwijls de buitenlucht op, vooral zooals die zich frisch en geurig liet opsnuiven onder de beuken en olmen aan gene zijde van het water, dat de bezitting harer pleegouders van die rijk belommerde en bevallig glooiende plek scheidde. Bovendien had ze lederen ochtend veel in den tuin te doen, om al de gedierten te verzorgen, die zij de haren mocht heten, \'t Was van jongs af een harer charaktertrekken geweest, zich van levende schepselen te omringen. Tal van hoenders vulden de hokken, die steeds in aantal toenamen; duiventillen, waarin kirrende en korrende, giggelende en bijna lachende soorten kibbelden, krauwden of trekkebekten, hingen tegen den achtermuur; twee hokken, welke het hekjen flankeerden, dat toegang gaf tot de beek en de plank, die er over lag, waren bewoond door twee groote dikke doggen, wier oorspronkelijk woeste aard in het vet was gesmoord, dat de overdadige voeding sedert jaren in steeds toenemende mate had doen ontstaan; een kunstmatig gevormde heuvel, van een stevige heining omgeven, was het verblijf van ettelijke konijnen, waarvan } de overtalrijke jongen, gelukkig! door de twee reusachtige katers, welke vrij mochten rondsluipen, voor een groot deel werden opgepeuzeld vóór ze tot het besef van eigen voortbrengingsvermogen gekomen waren. Hoeveel David en Sally Maud ook toestonden, in vroeger dagen daartoe mede gedrongen door de dringende voorbeden van hun eigen lieveling, die, zeker door Mauds voorbeeld, ook veel van alle dieren was gaan houden, het bezit der twee doggen en van den konijnenberg werd niet dan na lang aarzelen vergund, en toen nog alleen met beding, dat die vieze dieren buiten, ver van huis, zich moesten ophouden en dat altoos blijven doen. De strenge David had er als waarschuwing zelfs bij gevoegd.
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
dat hij ieder konijn, dat hij in den tuin mocht tegenkomen, in den pot zou stoppen, natuurlijk zonder huid. En de strenge man had aan zijn bedreiging heusch eens gevolg gegeven, toen hij, die een even grooten hartstocht had voor zijn kool en zijn erwten als zijn pleegkind voor de beesten, een paar van de grootste snel-voetjens midden in een van zijn best aangelegde bedden vond knabbelen met een vraatzucht, welke voor zoo\'n vet beest al heel onhebbelijk was. \'s Middags was de roover met veel smaak gegeten door hem en Sally, die zelfs den kop niet had laten liggen. Maud evenwel en Dick hadden bedankt en in \'t geheel niet willen eten; gene had onder het voorgebed al met natte oogen gezeten, en toen Dick dat gezien had, snikte die zelfs nog onder het na-gebed. David, de oude ijzervreter van Cromwell, had nooit weer zulk een wreedheid gepleegd, minder omdat hij zich van eenige zonde bewust was â ganschelijk niet! â maar omdat Sally hem dat gebeden had, daar zij hun kinderen nooit weer in zulk een toestand wou zien. »Onze kinderen!quot; had hij gegromd; »een van die twee is maar de onze, en daar dank ik den Heere Heere voor!quot;
»Wat nog niet is, kan nog wel worden!quot; had de altijd hopende en blijmoedige Sally toen uitgeroepen.
Nadat Maud dezen ochtend, zooals gewoonlijk, vroeg haar dak-kamertjen had verlaten en in het achterhuis, dat voor keuken diende, een stuk weit en een aarden kom met melk uit de oude hinkende spijskast had te voorschijn gehaald, had ze haastig haar karig ontbijt gebruikt, daarbij de slimheid gebruikend om de harde korst brood in de melk te weeken. Daarna had ze van den breeden rand van den besmookten schoorsteenmantel â een bergplaats voor vele voorwerpen van huiselijk gebruik â een grof aarden schotel genomen, die gevuld bleek met stukken zwart brood en k\'orlen gerst. Hoewel ze er stevig uitzag, had ze blijkbaar toch eenige moeite de vracht te dragen, waarmeê ze zich te belasten had in het belang harer lievelingen, welke van haar naderen reeds schenen bewust te wezen, daar de stilte van straks eensklaps gestoord werd; eerst door een licht huiveren en trillen der lucht; weldra door een beter verstaanbaar, maar altijd nog bescheiden geluid, waarin gekir en gekakel nog ten deele sluimerde; eindelijk door zacht wiekgeklep van nabij en staartgekwispel in de verte. De klink van de achterdeur ging omhoog en Maud werd gezien met den welbekenden zwaar geladen schotel. Nu nam alle onzekerheid een einde! Weg met alle straks nog geveinsde bescheidenheid ! Klapwiekend streken de duiven neder, en een brutale doffer kirde zijn morgenhonger op haar schouder uit. Een man-hafte haan spanseerde met een voornaamheid, die Maud altijd bekoorde, door den loop, en drong als een meester, die zich zijner macht en daarom hoogere rechten bewust was, zelfs zijn favorite
KAPT. VAN DE LIJFGARDE. â I. 6
81
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
op zij, om het eerst in het oog te vallen. De konijnenberg scheen mede levend te zijn geworden; velen van zijn grootste bewoners stonden op de achterpoten tegen de omheining en deden met de voorste alsof zij wenkten, terwijl de groote donkere oogen daarbij zoo deftig schenen te staren, dat Maud, die het van verre opmerkte, het weer even als gister en eergister en vele, vele ochtenden vroeger, uitschaterde, terwijl zij er dan dikwijls aan haar vroegeren meester Mark bij dacht, die precies zoo kon zien, als hij haar les kwam geven en ook niet wist wat zij niet wist, maar graag wou weten.
Daar vlogen de kruimels en zaadkorrels in het rond, en daar kirde en knetterde, daar kraaide en kakelde, daar baste en knorde het om haar heen en floot en tjilpte het in de verte, in de toppen van de heesterboschjens en van de vruchtboomen, daar orgelde, knapte en kraste het in de hoogste boomen aan de overzijde !
Van alle kanten beweging, begeerte, genot!
Maud voelde haar hartjen sneller kloppen en had wel lust in de handen te klappen van pleizier!
\'t Was of haar groote landgenoot, Shakepeare, die alle gedachten wel voorgedacht en alle aandoeningen voorgevoeld schijnt te hebben, Maud voor tientallen van jaren reeds had voorschouwd, toen hij den regel nederschreef:
And Thisbe fairfully o\'ertript the dew.
Een bevallige maagd, zoo als ze daar stond, het levende om haar heen goed doende en liefhebbend en tevens beheerschend, maar toch met niet altoos strikte rechtvaardigheid! Er waren er toch onder de hongerigen, die dof van veören waren en gebrekkig op de pooten stonden: ze werden terug gewezen; er waren er onder de beweldadigden, die zich voor de eerste en meest geroepene hielden: fraai gekleurde doffers en hanen, die nog wat extraas kregen, terwijl een hongerige kraai en een snappende ekster, die óok de maag leeg voelden en al nader en nader bij waren gekomen om van den overvloed nog iets meester te worden, werden weggejaagd toen de reeds onbillijk begunstigden ze niet wilden dulden. »Terug, gulzigert! Zwarte nikker! Wil je wel eens op zij!quot; â dat gold een heel ouwe raaf! â »Wat kijk je hongerig en je ziet er nog wel zoo mooi uit in je Zondagsche veertjens!quot; zóo klonk het tegen een roodborstje en een specht in geelen met purper afgezetten dosch!
Al was er geen dauw op het veld, zooals de dichter straks schilderde, toch had de nachtelijke regen, die bij den dageraad was opgehouden, de grassprietjens besprenkeld met zilveren droppels. Maud trachtte er de voeten vrij van te houden zoodra de
82
DE KAPTEIN VAN BE LIJFGARDE.
zorg voor haar lievelingen niet al haar aandacht innam. Dit bleek echter niet dikwijls het geval te zijn geweest, daar de schoentjes glommen van het vocht. Toen de honger van haar lievelingen en van de ongebeden gasten gestild was, achtte zij eerst den tijd gekomen voor de rustige waardeering harer schatten. De fraaiheid van vederdosch, de fierheid of bevalligheid van houding en gang, waar die gepaard ging met kracht, verplichtte haar tot bewonderen, noopte haar tot liefkozen. Haar eigen persoonlijkheid maakte dit begrijpelijk. Maud zelve toch was bekoorlijk, al was ze niet mooi, en het echt vrouwelijke in haar maakte het verklaarbaar, dat de mannelijke kracht vooral door haar werd gehuldigd.
Het zwarte hair kwam in lange krullen uit haar wollen hoofd-doekjen te voorschijn en omkringde het van gezondheid blozend gezichtjen. Het voorhoofd was laag en smal, het neusjen iets gekromd, de mond in evenredigheid van het geheel te groot, de lippen donzig, maar te dik, de kin mollig, maar wel wat vleezig. De zwarte wenkbrauwen echter waren zuiver geboogd en in de donker bruine oogjens flikkerde het licht van speelziek vernuft, een licht dat soms warmte geworden, zich kon verdiepen tot den gloed van den hartstocht.
Maar wat er ook ontbreken mocht aan schoonheid werd ruimschoots opgewogen door de bevalligheid der gestalte, door de weelderigheid der vormen. Haar keursjen liet, al dekte ook dit oogenblik een rood zijden doek borst en schouders, de rondingen van haar buste gissen, de korte mouwen den schoonen vorm en de blankheid harer armen, de bovenrok die van voren open hing en daar het onderkleed liet zien, even den fraaien bouw van het been bewonderen. Maud was bekoorlijk en wist zeker dat zij \'t was, al had niemant het haar ooit gezegd, want de niet meer dan eenvoudige stof, waaruit haar kleeding vervaardigd was, toonde kleuren waarvan de schakeering met groote zorg was gekozen, droeg tal van versierselen, weinig kostbaar wel, maar op \'t voor-deeligst aangebracht en als door de toovervingeren eener fee geschikt en geordend.
Zij had nadat de voedering was afgeloopen, het hoofdjen naar boven gekeerd en den wind en de wolken geraadpleegd. Het was echt najaarsweer, guur maar niet koud, en het warme jonge bloed verdroeg zelfs de felste koude bijzonder goed. De wind was West en beloofde te ruimen en uit te schieten. Zij was van haar weerkennis vast overtuigd en de ervaring had haar daarin versterkt. Vader en moeder â ze wist niet beter of David en Sally waren dat, al had ze ook wel eens woorden opgevangen, die er haar aan deden twijfelen â vader en moeder zouden ternauwernood zijn opgestaan, en de boomen aan den overkant zagen er zoo frisch uit, en in het hout, tusschen gindsche heuvels in, had ze een strik
83
de kaptein van de lijfgarde.
gezet voor een valsch en verraderlijk beest, dat jacht maakte op haar konijnen en twee nachten geleden een aanval had gewaagd op den berg, helaas! met maar al te goeden uitslag! Dus gauw de plank gekanteld, die over het water lag I Terwijl zij zich voort-repte kwam in eens de begeerte in haar op, om aan haar ména-gerie ook eenden en ganzen toe te voegen. Met Oe oogtn mat zij de oppervlakte van den tuin, welke in water moest worden verkeerd.
»Een goed werkjen voor Vader!quot; prevelde zij.
Ze zag hem al spitten, met drift spitten â alles wat de man deed ging met haast en drift! â en Kit den langen hals uitrekken over de schutting, waar die het laagst was, om te zien wat de vijand, die zich zoo ongewoon stil hield, wel uitvoerde. Ze lachte... Ze stond op de plank, zag het kristalhelder water, dat de lucht zoo zuiver\' weerkaatste, en kon den lust niet bedwingen het zelfde voor zich te eischen. Ze boog zich even voorover, om zich te spiegelen, daarbij de golvende lokken wat ordenend, den hoofddoek verschuivend, den kroplap verschikkend. Had zij het maar niet gedaan! Een rukwind deed den doek omhoog fladderen en weg wapperen, den kroplap van lichte stof uitwaaien. Gelukkig, zij ving nog een punt er van in de hand en vouwde hem weder om haar hals!
Een oogenblik echter was deze geheel ontbloot geweest, en... in dat oogenblik was zij bespied.
\'t Was of zij voelde, dat er een paar oogen op haar gevestigd was. Ze zag om naar Kits woning, naar het kleine dakvenster, dat daar in het riet was aangebracht, en bespeurde er een vreemde... een man. Met de snelheid der gedachte zweefde zij voort, den eersten heuvel over; daar gluurde zij langs de glooïngen behoedzaam naar het venster, dat zij van daar uit nog even kon waarnemen.
Er was niemant meer te zien!
Hoe? Zgu Kit een kostganger hebben opgedaan? Den vorigen avond, dat herinnerde zij zich nu, had zij vreemde fluisterende stemmen en een zacht heen en weer loopen in haar nabijheid gehoord! En Kit, die er haar niets van verteld had, dat ze iemant wachtende was! Het miw-li was zeker naar de stad; ze kon het haar dus nu niet gaan vragen; anders...! Ze wou toch wel weten wie daar geherbergd was en hoe die man â hij had kastanjebruin hair! â er verder wel uitzag!
Wat was \'t toch heerlijk onder die boomen! Wat liefelijke houtgeur! Daar viel een groote droppel van een der takken juist in haar eene oog, toen ze naar boven keek om den ooievaar op te nemen, die van morgen nog vóór haar het nest verlaten had. »Ooievaar, lepelaar, waar kom je toch van daan?quot; neuriede zij.
84
DE K.U\'TEIN VAN DE LIJFGARDE.
Ja, waar kwam hij van daan? Zij had het meester Mark eens gevraagd, en die had, na haar lang met zijn konijnenoogen aangekeken te hebben, met een grafstem gezegd: uit het Zuiden. Of hij daar dan ook de kinderen van daan bracht? had zij verder gevraagd. En meester Mark had toen een kleur gekregen en gepreveld, dat hij dat wel eens gelezen had. Ze was toen veertien geweest....
»Wat was ik toch een schaap!quot; fluisterde zij. »Die goede Mark, wat zou hij nu wel kleuren als ik \'t hem nog eens vroeg! Maar... ik weet niet of ik het nu nog wel doen zou!quot;
Dus die langbeen kwam heel ver uit het Zuiden! Als \'t maar geen sprookjen was, zooals zooveel andere!
Wat zou er te zien zijn in dat Zuiden? Kon ze er maar naar toe!
Hoor, in de verte wat gerommel en gedruisch!
Daar lag de groote stad, waarvan zij nog maar weinig had gezien ! Als ze er eens naar toe ging, dan was \'t \'s morgens of in de schemering en dan met vader en moeder, tusschen die twee in, en met een dichte huik op het hoofd! Vader noemde die stad altijd het Babyion der verderfenisse, maar moeder sprak er gauw over heen en vertelde een oogenblik later van den tuin Eden, waar »Adam en Eva altijd door maar plezier hadden....quot; »En de eerste zonde deden!quot; viel vader dan in. »Of Adam een mooie man was geweest?quot; had ze gevraagd. En vader bad haar dan grimmig aangekeken en toegegrauwd, dat die Adam een monster was geweest even als zijn vrouw, daar ze met hun beiden de zonde in de waereld hadden gebracht, en die zonde was doorgegaan tot alle mensehen, die sedert in zonden werden ontvangen en geboren ____
Dat had haar de predikant, bij wien ze was aangenomen, later ook geleerd____
Hóór! daar klonk heel in de verte een gezang! Zeker uit de Paapsche Kapel in de buurt! de Kapel, die er zoo prachtig uitzag en die de Koning had laten bouwen! Het werd overstemd door een ander koor! Dat had ze meer gehoord... dat was een psalm...!
Een oogenblik vernam ze niets meer dan gillen en schreeuwen ! Zeker vochten ze daar! Hoe jammer dat vader dat niet wist!
Lieve Hemel, wat was \'t toch stil om haar heen, en er scheen in die wijde waereld zooveel om te gaan! Liever mekaar overschreeuwen, dan ongestoord alleen praten!
In de nabijheid deed een voetstap de doode takken kraken Kit, een groven strooien hoed op het hoofd, een aarden pijp in den mond, die blauwe wolken blies, een groote mand met goed op haar rug, daalde een der zijpaden af. Ze was zeker nieuw werk gaan halen. Zou ze haar aanroepen en een praatjen met haar maken? Maar vader had haar verboden met die vrouw te spreken.
85
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGABDE.
Ze had niets om dat verbod gegeven wanneer hij er bij was, maar achter zijn rug dat doen, neen, dat wou ze niet! Van Kit hield ze niets, van Kit, die eigenlijk geen vrouw was, had ze een afkeer; ze zou dus om harentwil niet laf wezen en heimelyk iets doen wat haar verboden was.
Dan maar haar strik opgezocht! Maar waar had ze hem gezet? Zij zocht en zocht! Zij begon werkelijk moê te worden! Maar wat trilden ginder de dunne stammen van het eiken kreupelhout! Daar school iets wat in den angst zat! Ja, \'twas de plaats waar zij den strik, door Dick voor haar gemaakt, gezet had. Zij herkende die nu. \'t Was veel dichter bij dan zij gedacht had. Zou ze het beest gevangen hebben? Wat zou \'t er voor een zijn? Haar hart klopte. Hoe meer ze naderde, des te meer onrust in haar hart! Dorre bladeren werden opgeworpen, alsof een wervelwind ze opzweepte. Een onverdragelijke reuk deed haar walgen... Ze zag... om den dikken boomstam vlak naast zich heenglurend... een bunsing in doodsangst met den eenen poot in de toegeschoten lus gekneld, zich rekkend en dan weer zich krommend, nu met de tanden in den grond gravend, dan de bereikbare houtstammen schilferend, als door feilen honger geplaagd.
»\'k Heb \'em!quot; Dat was haar eerste blijde gedachte. »Had hij maar zich zeiven geworgd!quot; dat was haar tweede.
Zij werd bang voor haar zegepraal. Hoe zou ze het razende beest meester worden? En dat wou en zou ze toch! Als zij iets wilde dan moest het ook gebeuren. Dat wist ieder harer huis-genooten al reeds lang en dat begreep zij zelve in dit oogenblik ook. Daar lag een dikke tak op den grond. Het beest er meö doodslaan? Dat zou ze misschien niet kunnen. Bloed kon ze wel zien... om bloed gaf ze niets, het druppelde haar zoo dikwijls uit den neus! Maar als dat stinkende beest zich eens losrukte en dan op haar aanviel...!
Ze waagde den eersten slag, die wel raakte, maar niet krachtig genoeg. De bunsing sprong op en het touw was door uitrekking langer geworden, zoodat het den gevangene toe liet haar voorschoot te bereiken en de scherpe tanden er in te slaan.
»Help, help!quot; kreet ze onwillekeurig, terwijl ze haar wapen vallen liet.
Wat was er gebeurd? De bunsing lag voor haar voeten met verpletterden kop, en een vreemde man stond naast haar .... de man met het kastanjebruine hair, met oogen, die door alles heen-zagen .. . prachtige oogen!
86
IV.
jMaud was even den tuin ingegaan en zou wel dadelijk komen. Johnny was haar gaan roependus berichtte Sally, erg ongerust en gejaagd, aan de voorname dame, die voor eenige minuten in een karos met twee vurige paarden bespannen, voor de burgerwoning had stil gehouden, was binnengestapt, naar het kind had gevraagd, en de wenkbrauwen hoog had opgetrokken en de grijze oogen een toornigen blik doen afzenden, toen ze bespeurde dat men eigenlijk niet wist waar het kind was.
»Wat heb ik daarvan te denken, vrouw? Ik heb recht te eischen, dat Maud nooit uit het oog worde verloren... nooit! Het is geen gewone deerne... dat heb ik je n.eer dan eens gezegd... Ga haar zoeken!quot;
Dat alles klonk zoo bevelend, dat het Sally, die steeds gewoon was tegen de grootheid op te zien, allen moed tot zelfverdediging benam. Zij haastte zich aan het bevel gevolg te geven en nogmaals den tuin in te gaan en nu haar man te helpen zoeken.
Het ontzach van Sally was begrijpelijk. Zij verkeerde alleen met burgerluidtjens, en hier stond zeker een dame van zeer hoo-gen rang. Grootere waereldlinge dan Sally zou dadelijk opgemerkt hebben, dat de kleeding der vreemdelinge slechts een négligé was, hoe fijn de stof ook ware, hoe smaakvol het overkleed, dat van achter sleepte en van voren was opengeslagen om het onderkleed van effen donker groene zij zichtbaar te doen zijn; hoe onberispelijk de wit fulpen handschoenen om de kleine handen sloten en de roode hakjens de fijne schoentjens droegen van bruin marokijnleder. Op wat wijze het hair was gekapt en van welke kleur dit was, kon niet opgemerkt worden, omdat een zwart zijden hoofdsluier dit verborg en een regendoek van zwart laken, gevoerd met karmozijn roode zijde, daar over heen geschikt, bedekte wat de sluier nog bloot liet.
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Een gestalte, die de aandacht trok! Een gelaat, dat tot her-haalde beschouwing verlokte! De houding was in de hoogste mate ongedwongen en vrijmoedig en werd daarom in eene woning als deze een hooghartige en een voorname genoemd. De trekken waren, voor zoo verre ze thands waarneembaar waren, niet regelmatig, niet schoon; de oogblik had iets gebiedends, de mond met de weeke lippen een groote plooibaarheid; de neus was groot maar j^iheen dit minder, omdat het gelaat waarin hij was geplant, iets mannelijk forsch en breeds had. Er school kracht iu het geheel, maar kracht, ietwat getemperd of veredeld door de weelderige volheid der vormen, waarvan echter de armen, die boven den el boog tot aan den oksel bloot waren, op dit oogenblik ten minste, de eenige getuigen konden zijn.
Het wachten scheen haar onaangenaam te stemmen. Zij trappelde met de puntige hakjens op den met versch zand bestrooiden vloer; zij fronsde nogmaals de wenkbrauwen. Maar een blijde trek vertoonde zich plotseling op het koude strakke gelaat, toen zij een vroolijke stem hoorde en daarbij een haastigen tred in het achterhuis.
Maud opende de deur en vloog met open armen op de deftige en voorname dame af, die al haar deftigheid en voornaamheid vergeten was; want ook zij trad haastig op het kind toe, en omhelsde haar, terwijl zij haar een kus op de volle lippen drukte.
»Dag, Auntie, â tante-lief, zouden wij zeggen â «eindelijk zie ik u dan weer. Wat is \'t lang geleden! Zeker een jaar of daaromtrent!quot;
»De tijd schijnt je lang te vallen, wildzang! Dezen zomer nog ben ik een halven dag bij je geweest. Nu kan ik niet eens zoo lang blijven. Maar over drie maanden kan ik weer geregeld alle weken komen, als jaren geleden, toen je amper kon loopen. Weer gegroeid, Maud! Wat zie je er lief uit, lieveling!quot;
Ze was gaan zitten en trok Maud op haar schoot en zag er niet naar, dat haar overkleed werd gekreukt. Ze knoopte haar sluier los en lei die af. Nu werd haar vale gelaatskleur, de matheid der trekken eerst goed zichtbaar!
»Wat ruikt u weer heerlijk, Auntie!quot; riep Maud, de geuren, die uit de handschoenen opstegen, begeerig opsnuivend. »\'t Is veel lekkerder dan de reuk van Mr. Chiffinchs pruik.quot;
»Hoe komt ge aan dien naam....?quot; vroeg Auntie eenigzins haastig.
»Wel, die mijnheer â zeker een hooge, niet waar, Auntie? want hij zag zoo erg laag neer op vader â die mijnheer kwam laatst hier. Vader en moeder wisten niet, dat ik in \'t achterhuis was en de deur stond open en toen hoorde ik hem zoo noemen en geld op tafel uittellen; en toen hoorde ik hem vragen, de big, die vet gemest moest worden, eens te zien, en Vader verzocht Moeder toen mij te roepen.quot;
88
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»De ellendeling!quot; mompelde Auntie. Ze was wel eens onrechtvaardiger in haar oordeel geweest. Chifiinch was toch de pourvoyeur des rrnnus plaisirs van den vorigen koning geweest, en die had wat menus plaisirs gekend !
»Wat ik gaarne het achterhuis uitsloop! Moeder vond me een eind ver in den tuin. Ik deed of ik erg bloó was toen ik voor hem stond en hij me lachend van hoofd tot voeten opnam____quot;
»De fielt!quot; prevelde Auntie.
»\'t Was een ouwe man â misschien niet van jaren, maar wel \' van lichaam â hij kuchte, zoo als Kit haar asem ophaalt als ze verkouden is.quot;
»Goed, goed! Hoor nu eens met aandacht naar me, lieveling! Je bent nu oud genoeg om te hooren wat ik je tot dusverre verzweeg. Je hebt altijd geleefd bij je pleegouders, want David en Sally zijn je ouders niet!quot;
»Juist zoo als ik wel dacht!quot; riep Maud. »Lief heb ik ze wel, maar me altijd zoo streng vast te houden aan een band! Ja, lief heb ik ze toch, maar niet zoo veel als u. Auntie!\'\'\'\'
»Ik heb je ook lief, meer dan die luidtjens je ooit konden hebben.... Je bent van mijn bloed----!quot;
»Dat heb ik ook wel gedacht!quot; juichte Maud.
»l)us hebben ze je altijd streng in den band gehouden, Maud?
Nu, daar hebben ze goed aan gedaan____Ik heb hun dit bevolen ...
Dat moet nog een paar jaar zoo duren....quot;
»Mag ik dan niet met u méégaan? Of neen, kan u niet hier bij ons blijven wonen ? Dat zou nog beter wezen. En als ik dan met u eens naar de City mocht gaan....!quot;
»Volstrekt niet... Op het land moet je blijven, \'t Is goed voor je gezondheid en voor nog veel meer anders.quot;
»Maar wie zijn dan toch mijn ouders?quot;
»Die zijn dood____quot;
»Mijn moeder ook?quot;
Auntie knikte.
»Was ze mooi? Was ze lief en goed en vroolijk en aardig als u, A untie?quot;
»Ja, lief kind !quot;
»Ik ben van uw bloed, heeft u gezegd. Dan waren mijn vader en moeder geen kleine lui. En waarom ben ik dan opgevoed hier in zoo\'n ...!quot;
»Ik begrijp heel goed je verbazing, je nieuwsgierigheid... Maar dat alles geschiedde voor je best.quot;
»Had u \'t my maar niet verteld!quot;
»Waarom niet, allerliefste?quot;
»Wel... me dunkt... nu begin ik me over mijn konijnenberg te schamen...quot;
89
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE.
»Neen, schaam je er niet over... in de hoogheid is geen geluk. Je moet nederig blijven, Maud, en dan laat ik je later een mooi park aanleggen en een lief huis bouwen midden in een bosch met beekjens, die er door heen murmelen... en met zooveei wild als je maar verkiest...
»Komt u daar bij mij wonen, Auntie?quot;
»Ja, mijn kind!quot;
»Waarom kan dat nu niet gebeuren? Nu dadelijk?quot;
»Je zoudt me niet begrijpen al lei ik je ook alles hairfijn uit.quot;
»Dat geloof ik niet, Auntie! Ik begrijp al heel veel...quot; Een hoog roode blos kleurde eensklaps haar wangen.
Auntie voelde zich weder ongerust. Zij streek Maud over de glanzige hairen; zij leunde haar koude wang tegen de gloeiende van het kind en fluisterde haar in het oor: »Als we samen gaan wonen, dan gaan we ver hier van daan. Hier is alles leelijk... de menschen ook, Maud!quot;
»Hebben de menschen hier mijn moeder kwaad gedaan...? Ja, \'t zal alles wel wat te maken hebben met mijn vader en moeder... Hebben de menschen ze kwaad gedaan en verdienden ze dat niet?quot;
»Kleine, slimme vraag-al!quot; riep Auntie, den mond van Maud, die veel te veel vragen had, met kussen bedekkend en dus sluitend. »Je moogt me naar mijn karos brengen, maar eerst moet ik nog even je pleegouders spreken. Ze wachten daar zeker?quot;
Ze wees op het achterhuis, waarop Maud toestemmend knikte.
»Wil ik ze roepen, Auntie f
»Neen; blijf me hier wachten.quot;
Auntie ging naar achter en sloot de deur achter zich dicht.
Daar zaten de pleegouders, niet zonder eenige onrust het vertrek van My lady af te wachten. Wel wisten zij niet hoe zij heette, dat had Mr. Chiffinch, die alle drie maanden het kostgeld bracht, hun nooit verteld, maar van den hoogen staat van Mauds beschermvrouw hadden zij zich kunnen overtuigen telkens als deze tot hen kwam. Toen ze nog in de City woonden in een onaanzienlijke achterbuurt, hadden zij tegen dezen en genen er wel eens van gesproken, in het kleine huis ruimte genoeg te hebben, om er nog een kostganger in te bergen. En zie, de zegen kwam als uit de lucht vallen. Voor een klein kind werd goede verzorging gevraagd tegen een ruime belooning. Toen was Maud gekomen, even een jaar oud, en van dien tijd dagteekende eerst recht hun welvaart. Nu, bijna twintig jaar later, hing hun bestaan nog grootendeels saam met dat van dat kind. Niet dat ze broodsgebrek zouden lijden indien ze de driemaandelijksche toelage van tien pond eerst, later twintig, hadden moeten missen. Ze hadden weten over te houden, maar wat ze hadden gespaard was voor Nathanaël, zoo als de agaat van Sally, door deze ge-
90
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
makshalve Dick genoemd, eigenlijk heette. Bij ieder bezoek dus,
door de onbekende Lady gebracht, rees de vrees bij hen op, dat het kind opgeëischt zou worden; en behalve het geldelijk nadeel, dat vooral bij David zwaar woog, golden nog bij beiden de gehechtheid, uit het jarenlang samenzijn geboren, en bij Sally de zeer stoutmoedige wenschen, door den moedertrots jarenlang ge-voedsterd en aangekweekt. Niet meer dan fluisterend hadden ze elkaar hun vrees en hun hoop medegedeeld, terwijl Mylady met Maud in de voorkamer bezig was. David rustte wat uit van zijn met Kit gevoerden heftigen strijd; Sally bekwam van de vrees,
haar straks door de scherpe Lady aangejaagd.
«Spreek me nu maar niet van het Oude Testament!quot; fluisterde ze over de lompe aanrechttafel, waaraan zij en haar echtvriend waren gaan zitten. »We hebben in onze tijden ook Saraas, die Hagars de woestijn zouden durven in jagen. David, hoor die beesten eens een leven maken....!quot; Lieve God, die hanen willen
hun bek niet houden____quot; »\'t Zelfde kon gezegd worden zonder
dien vloek!quot; vermaande haar echtvriend.
»Je hebt wel gelijk, Johnny! Ik zal \'t niet meer doen.... Zou Maud vertellen, dat ze maar Zondags alleen honig op haar brood meer krijgt, nu alles is opgeslagen... ? Heere Jezus, ze komt hier naar toe!quot; zei Sally met heesche stem, toen ze de klink der deur bewegen zag.
»LafFe, zondige menschenvrees!quot; pruttelde David, die evenwel mede zich haastte op te staan, toen Mylady voor hen stond.
»Ik ben tevreden over jelui, luidtjens!quot; klonk het zeer genadig.
gt;Uw Hoogedelheid is wel goed. üw Hoogedelheid heeft maar te bevelen!quot; stamerde Sally.
«Vleierijen, verdoemelijk voor den Heere Heere!quot; mompelde jl /fyv1\'vquot;rquot; David, die er evenwel voor zorgde, dat zijn Heere Heere die woorden maar alleen hoor en kon. ft
»Ik heb Maud nu gezegd, dat ze niet jelui dochter is. Ik zal haar hier nog eenige maanden laten blijven. Ik wil niet, dat ze in Londen komt zonder masker; dat ze eenige kennis aanknoopt met vreemden, vooral niet van Davids geslacht. Ik doe je beiden nagaan, en hoor ik, dat van dat gebod, zij het maar voor ééns,
wordt afgeweken, dan neem ik Maud weg. Mr. Chiffinch mag hier nooit meer ontvangen worden; dat zal ook niet noodig wezen,
want ik zal een ander belasten met de uitkeering van dertig pond per trimester. Mocht Mr. Chifiinch zich hier weer aanmelden, dan wijst ge hem de deur, maar ziet ge meteen, binnen vier en twintig uur, om naar een andere woning, wat verder van London af. Hebt ge me goed verstaan?quot;
91
Beiden bogen bevestigend. Ze hadden alles heel goed verstaan â die verhooging van twintig pond op dertig wel het allerbest.
*
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE,
»Je zorgt er voor, dat Maud onwetend blijve.... Ze mag geen enkel boek lezen....quot;
»Als Gods woord,quot; vulde David aan.
»Den bijbel der Presbyterianen? Neen. Alleen wat het Algemeen Gebedenboek er uit meêdeelt. Begrijpen jelui dat goed? Niets van je godzaligheid, man!quot;
»Zoo als Uwe Genade blieft!quot; haastte zich Sally te stameren met een oodmoedig nijgen.
»Vroeger kon haar dat geen kwaad doen, maar nu wel, en daarom spreek ik er nu over. Is je zoon sedert getrouwd? Me dunkt, hij moet al een goede veertiger zijn....quot;
Nog geen dertig, had David willen zeggen, maar Sally trapte hem op den voet, wat zooveel wou zeggen als: «zwijgen is goud.quot;
»Ja, hij zoekt lang, de beste jongen!... Misschien dat hij wel wat gevonden heeft; maar Uwe Genade weet het licht ook: de tijden zijn slecht, de werkloonen laag, vooral voor groote lui\'s werk, wat toch eigenlijk Mijnheer Stevens steenen maar zijn.... Wij hebben binnen â Uwe Edelheid zal \'t toch wel gezien hebben â zoo\'n beeldtjen staan...dat was mijn mans gilde-proef, weet u...quot;
»Als je zoon een vrouw op het oog heeft, dan moet hij maar spoedig onder den preekstoel komen. Ik zorg voor een uitzet van twintig pond.quot;
tgt; Waar blijft de heiligheid van den echt? Koppelaarster!quot; bromde David erg diep inwendig.
»Ik zal \'t Dick zeggen, Mylady! Wat zal de goeje jongen blij wezen...! O \'tis zoo\'n goeje jongen! werkzaam en nederig!quot; merkte Sally met vuur aan.
ïJa, voor mijn Nathanaël sta ik in als voor mijzelven____Paalvast in de leer als in de liefde!quot; verzekerde David.
»Zeker je gelijkend afbeeldsel, man!quot; riep Mylady met iets wat naar een glimlach zweemde op het gelaat, met iets wat wel een lichtjen geleek in de oogen. »Je behoeft me niet te volgen. Maud brengt me naar mijn karos. Nog een enkel woord!quot; en dit zeggende wenkte ze Sally de klink nog niet op te heffen, waaraan deze de hand hield: »Als Maud iets mocht overkomen door je schuld, al was \'t maar een verdriet, dat haar éen nacht uit den
slaap hield, ik liet je opsluiten____ levenslang. Ik heb er de
macht toe.quot;
Daar binnen wachtte Maud nog altijd. Mylady lei haar arm in den haren en trad de deur uit, buiten het gehoor van de oude lui, die ook niet in een stemming waren om te luisteren.
Zóo waren ze nooit toegesproken door de sedert jaren goed betalende onbekende. Toch was deze begonnen te zeggen, dat ze
tevreden was____ Sally rilde bij de gedachte, dat ze levenslang
nog kon worden opgesloten----
92
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»David, je hebt me wel eens wijs willen maken dat je droomen kon uitleggen even als de aartsvader Jozef: begrijp je nu iets van die dreigementen? Zijn we \'t kind niet voorgegaan in eer en deugd? En dan zoo\'n vermaning!.... Wat is er gebeurd? Toon nu eens je wijsheid.... je weet zoo veel...!quot;
»\'t Komt alles van dien wind... dien paapsehen wind!quot; predikte David.
\'t Was duister als Johannes\' Openbaring, maar juist daarom, geloofde Sally. ( , rquot; \'
93
( /i f) ! j i,
KI-/
/W»\'v
JL
\\ O Ijï. ^ ^
ivuj Ce* \'X-jp/
I
â f.
k \' .
o y
Het huisken van Kit was als uitgestorven. Geen tobbe, geen bleek; geen groot knappend vuur op den haardplaat van het waschhok, en dus ook geen smook, walmend uit de altijd open achterdeur naar buiten en soms over Davids tuin heen. Er lag echter wel iets gliminends en gloeiends in de beter trekkende schouw van haar pronkkamer, waar zij nooit zat en die, hoewel met dien weidschen titel begiftigd, in verre na niet op de achterkamer der rijkere buren geleek.
\'tWas Allerheiligen. Kit was naar de Kapel en had het er op gezet te toonen, dat ze de feestdagen harer Kerk in eere hield. Van daar die stilte, die rust in haar huis en op haar erf! Daar David echter het tegendeel wilde bewijzen, was\'t in zijn woning drukte en gedruisch. Hij was aan \'t houtzagen gegaan en had zich de bijl door Sally doen aangeven, om straks met kloven te beginnen. Maud zat stil in moeder Sally\'s hoekjen met naald en draad in haar hand en een stuk linnen en het nieuwste traktaatje: »Het Manna-Kruikjen in de woestijnquot;, voor zich; geen lachjen op haar gelaat, geen vroolijkheid in de anders zoo jolige kijkers!
Had zij door den tusschenmuur kunnen heen zien, welken zij nu den rug toekeerde, dan had ze den man, aan wien ze, nevens aan zooveel meer wat haar belang inboezemde, dit oogenblik dacht, in de mooiste kamer van Kit aan de wrakke dennehouten tafel op een even wrakken zit op drie poten zien neergezeten, het hoofd voor over gebogen, de oogen strak gevestigd op iets, dat vlak voor hem lag, en een ganzepen in de hand. En als ze over zijn schouder had kunnen gluren, dan zou ze bekend zijn geworden met hetgeen ze zoo gaarne wilde weten. Wie was die man? Een winkelier of een hoogere? Een krijgsman misschien, want ze had ginder bij die eerste ontmoeting een diep likteeken meenen op te merken, meer dan half verborgen onder het prachtige dikke hair.
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
O, als \'teens een krijgsman ware! Ze had er nog nooit een gezien, maar er veel van gehoord! Wonderen van moed en kracht wisten die ridders van ouds te verrichten, en hun eeredienst was de schoonheid, de Jonkvrouw!
Aan de andere zijde van dien muur vloog met de meeste vlugheid de ganzepen over het geele, harde,, ruwe papier, dat Kit voor haar kostganger uit de stad had meêgebracht, te gelijk met een hoorntjen, gevuld met dikke drabbige inkt, welke door bijgieten van water bruikbaar moest worden gemaakt. Kaptein Semeyns schreef, zonder hoop op spoedige verzending, wat hij zijn dierbaarste betrekkingen, die zeker wel verlangend naar berichten zouden uitzien, wilde doen weten. Met dikke bespatte letters, krachtig en forsch, maar stijf in hare regelmatigheid, stond er geschreven:
Lieve huisvrouw!
Ik had een moeielijke reis. Het weer was zóo zwaar, dat ik menigmaal dacht UEd. noch Brechtjen en Ernst weer te zien. Schipper Wout kende evenwel zijn vaartuig en even goed de Oostkust. Behouden liepen we daar een engen inham binnen en wierpen we er het anker uit, beschut door de rotsen. Ik kwam aan land, doornat en verkleumd. Al had ik ÃEd\'s raad gevolgd en nog een verschooning meêgenomen, toch zou \'t me niet hebben geholpen, daar alles nat zou zijn geworden, ook al had ik \'t op mijn hoofd gehouden, terwijl ik door het zeewater heen mij naar \'t land werkte. In een ellendige hut werd ik voor een groote fooi opgenomen en mocht ik mij droogen. De bewoners hadden echter zóóveel groot geld bij me gezien, dat ze dadelijk ygt;loyalquot; werden en mij vertelden, dat er de dood op stond mij, die zeker een Hollandsch spion was, te herbergen.
Ik begreep den schranderen toeleg dier eerlijke liên. Ze wilden mij eerst mijn buidel leêgen en dan nog de hooge premie verdienen, voor het aanbrengen van een spion uitgeloofd. Vóór het aanbreken van den dag was ik dan ook onbemerkt de hut reeds uitgeslopen. Het kostbaarste wat ik te bewaren had, was op het bloote lijf verborgen, maar zóo, dat ik \'t, als het gevaar niet meer te ontwijken was, met de hand grijpen en verscheuren kon. Dat ik nagezet zou worden, was zeker. Een armen boer kocht ik een paard af. Ik betaalde er maar twaalf gulden voor; toch was het beest niet meer dan de helft waard. Wat voor wegen! Wat voor armoê overal 1 Schoorsteenen waren in de eerste dorpen, die ik doortrok, onbekend. De rook sloeg de open deuren en vensters uit.
Hoe het dus met de zindelijkheid gesteld was, kan UEd. daarnaar afleiden.
Ik had een goede acht uur te rijden. Er waren vele voorbijgangers, die mij zacht »God zegen jequot; toeriepen. Een zeide me.
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
dat ik een zijweg moest inslaan, daar hij bereden lersche knechten in den omtrek had gezien. Hoe meer ik Londen naderde, des te vrijer kon ik voortstappen. Aan een herberg met het uithangbord »de zingende leeuwerikquot; rustte ik wat; ik betaalde mijn gelag met mijn paard.
Op mijn voeten kwam ik aan het huis, waar Mijnheer Citters, de Gezant Hunner Hoogmogenden, woonde. Zijn huis was mij in den Haag nauwkeurig opgegeven, zoodat ik maai- ééns te vragen had. Vriendelijk werd ik opgenomen. Ik deed een heerlijk maal en sliep op een bed, dat TJEd. â neen, Mijnheer van Arkesteijn zelfs â niet tot oneer zou zijn geweest. Mijnheer zeiven sprak ik echter niet. Ik begreep wel, dat ik niet naar hem moest vragen. Den volgenden dag ging ik op weg naar Sunderland-AoM««. Een van Mijnheer Citters\' schrijvers, die van alles, mij betreffende, op de hoogte scheen, duidde mij de plaats aan, waar ik wezen moest: zóóveel straten door, dan rechts afhouden, de brug over, aan de andere zijde der rivier links afgeslagen, enz. De oude landmeters-natuur kwam weer bij mij boven: \'t was of ik een plattegrond voor me had: \'k zou het terrein wel in kaart hebben kunnen brengen. Wat een vesting, dat huis van Lord Sunderland! De Amsterdamsche schutters namen \'t zelfs in geen etmaal in! Gelukkig, dat geen hunner deze woorden lezen zal, daar ik anders, t\' huis gekomen, het ongemakkelijk zou hebben te verandwoorden! Een kaptein maar, die iets van Amsterdam durft gering schatten! Door allerlei achterwegen werd ik in een vertrek vol boeken gebracht; daar had ik een gesprek van een paar minuten.
Ik zou met dien grooten Engelschen Mijnheer niet graag met veel geld op zak alleen in een bosch wezen, \'t Had er veel van of ik als gevangene werd beschouwd, als een gijzelaar, dien men houden of uitleveren kon, naar dat de wind woei. Ik moest naar beneden en werd opgesloten in een gewelf, \'t Was er niet koud, maar vochtig. Mijn cipier wierp me een dikken mantel om; op mijn leven was \'t dus niet toegelegd. Heerlijke wijn en een lekkere schapenbout werd me voorgezet. Als UEd. bij me was geweest, dan had UEd. zeker naar de bereiding gevraagd, welke kostelijk was, met laurierbladen geloof ik. Maar uren alleen in dat sombere gewelf! Geen stem drong tot me door, zelfs niet het gieren van den wind. Ik beken eerlijk, dat ik mismoedig werd en tot God opzag om sterkte. Wat zou er van Zijner Hoogheids vloot zijn geworden! Was ze in den storm geweest, dan moest zij vergaan zijn. In dat geval liep ook ik gevaar. Maar wat beteekende dat bij al het andere? Een soldaat weet dat zgn leven ieder oogenblik in perikel kan komen, maar ook dat God een man der weduwen en een vader der weezen is.
Tegen den avond werd ik, even geheimzinnig als ik gekomen
96
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
was, weder weggehaald. Onder de mannen, die mij in den steenen benedengang wachtten, was een bekende, Mr. Berkley, Mylord Churchill\'s dienaar, die mij den vorigen keer voorthielp. Hij sloeg mij den mantel dicht om het lijf en fluisterde, dat ik niets moest zeggen of vragen; door den tuin kwamen wij aan de waterpoort, waar een bootjen lag. Toen we er met ons drieën in zaten, stopte een den breeden rand van mijn hoed in \'t water, om dien goed week te maken, waardoor hij neerhing tot op mijn ooren. \'t Was me, of alles om me heen een samenzweering was, waarover de hoofden of aanleggers zich zei ven schaamden. Of was \'t, omdat Zijn Hoogheids voornemen verijdeld en alles verloren was?
Na een half uur varens legden we aan, vlak bij een scheepstimmerwerf. Van daar liepen we nog ongeveer denzelfden tijd en stonden toen stil voor een boerewoning. Later bleek ze mij in tweeën verdeeld. Aan het huis, waar nog een schemer van lieht werd bespeurd, klopte men aan. Ik werd daar uitbesteed voor een paar shillings in de week, wat ik nog duur genoeg vind, in konsideratie nemende wat ik er voor krijg. Maar toen ik voor Grave lag, kreeg ik niet veel beter eten, en sliep ik op den grond onder den blooten hemel.
Het bleek me al spoedig, dat ik bij een waschvrouw en nog wel een Paapsche was, wat me singulierlijk onaangenaam stemde. De buren zijn van óns Geloof. Het hoofd van dat gezin is, ik geloof \'t uit eenige woorden van mijn waschvrouw te moeten opmaken, soldaat geweest. Hij kijft met haar den gantschen dag, wat me soms nog wat opvroolijkt, omdat er de ganze-domheid van haar zoo heerlijk uit te voorschijn komt \'t Maakt op me den indruk, alsof ik de tegenwoordige gesteldheid van het gantsche land hier verkort te zien krijg. Er is een aardig kind bij de buren. Kit, zoo heet mijn lersche gans, zegt dat ze Maud heet, even in de twintig is en dat hare ouders haar geen enkel pleziertjen gunnen. Waar is het, dat ze erg schuw is, maar nieuwsgierig ook. Als ik me maar even aan mijn dakvenstertjen vertoon, dan zie ik haar naar me kijken, om dan weer dadelijk haar huis in te loopen. Vertel Brechtjen eens, dat ik dat Engelsche kind half slaags met een bunsing vond. Brechtjen, die, naar ik geloof, zelfs voor geen stekelvarken zou schrikken, lacht zeker als ze hoort, dat jonge juffer Maud toen geen woord kon spreken en me aankeek met een paar oogen, waarin zóóveel koddige angst lag, dat ik haar wel naar haar huis had willen dragen. Ik zou het misschien gedaan hebben, als ze niet in eens zich had omgedraaid en als een boschnymf ware weggezweefd, \'tls een allerliefst kind, wat me soms aan Brechtjen doet denken, ofschoon ze heel anders is. Maar wat lief en zacht is, lijkt op mekaar.
Ik heb op mijn woord van eer moeten belooven, mij verborgen
KAPT. TAN DE LIJFGARDE. â I. 7
97
de kaptein van de lijfgarde,
te houden tot dat men mij komt halen. Ik loop groot gevaar, zoo zei men, daar men in White-hall van mijn aankomst weet en geen geld of moeite zal sparen om mij in handen te krijgen.
Nu zit ik al lange dagen hier. Gister was \'t Zondag. Ik had er behoefte aan Gods woord te hooren, maar.... ik gaf mijn woord van eer mij verborgen te houden en bleef dus t\'huis en op mijn zolder, waar ik me alleen warm kan houden door de lappe-dekens van mijn bed om me heen te slaan! Maar niet getreurd, al wordt ook de moed door niets-doen erg gedrukt! Ik begrijp wat veerkracht UEds moed steeds gehad moet hebben, om moedig te blijven in de rust van het gezin. De beweging, ons mannen opgelegd of liever vergund, voorkomt het roesten....
Ik heb UEd. bij \'tafscheid misschien vergeten te zeggen, dat alle maanden op \'s Lands kantoor mijn gage wordt betaald en dat ik verzocht, haar aan het geldkantoor van Amsterdam voor UEd. over te maken; wat gebeuren kon, zooals ze me zeiden. Zorg er dus voor, lieve vrouw, tijdig daar naar toe te gaan; \'t is in \'t Stadhuis: de groote trap op. Beneden staan er wegwijzers voor vier duiten.
Ik hoop, dat er voortaan geen afscheid meer genomen zal behoeven te worden en dat Zijn Hoogheid mij nu indachtig zal wezen. De groote Heeren ónder hem deden \'t tot dusver, waarachtig! maar al te weinig! Hoorde ik Brechtjen maar eens spreken, en Ernst over tafel en stoelen springen! Maar dat zal wel gauw gebeuren. Ik weet dat UEd. mij in uw gebeden indachtig zal zijn en wat UEd. bidt dat wordt door onzen Hemelschen Vader zeker verhoord.
Gode bevolen, moed gehouden! Ik weet niet wanneer UEd. deze ontvangen zal en kan ook niet zeggen op wat wijze DEds res-criptie mij kan bereiken.
Wees hartelijk omhelsd, lieve vrouw, en kus voor mij de kinderen. Vertel Brechtjen maar dat ik het heel goed heb en vroolijk ben.
Maar dat ben ik ook als ik aan u allen denk. Gegroet, gegroet van
Uw U liefh. man,
Kauel Semeyns.
Hij dacht nog aan een post-scriptum. Hij kon nog niet scheiden van de kinderen of van zijne lieve huisvrouw, die altijd, onder wat leed ook, zoo recht op ging en alles deed behalve klagen... Zij kon zich zelve helpen; zij was zich zelve genoeg. Maar die kinderen, vooral zijn Brechtjen niet â die hadden Vader noodig... Hij greep weder naar de pen.
Maar____ er werd geklopt.... ja, geklopt aan de voordeur beneden. Eerst heel zacht, toen harder en harder. Kit kon \'t niet
98
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
doen, want die kwam altijd het bleekveld over, de heg door en de deur van het waschhok in. Nu er te handelen viel, was hij weer krachtig en beraden. Hij klom de ladder af en luisterde aan de deur. Daar wachtte iemant. Met veranderde stem deelde hij niet meer dan fluisterend mede, dat de waschvrouw niet thuis was.
»Is u de kostlegger van Kit Smolls?quot;
» Ja.quot;
»Dan heb ik u dit te geven van wege mijn patroon.quot;
»Wie is dat?quot;
»Mr. Stevens....quot;
»Dien ken ik niet....quot;
»Een Hollander; u had eigenlijk bij vader in den kost gelegd moeten worden.... Men heeft zich in de donkerte vergist.quot;
Nadat Semeyns vernomen had, dat de vader van hem, die buiten stond, buurman David was, aarzelde hij niet langer de deur te openen. Een jonge man stond voor hem met een pakjen in de hand. De snit van zijn openhangend grof laken wambuis en tot aan de knie reikende broek, zijn zwart garen kousen en lompe schoenen met vierkante teenstukken, deden hem dadelijk kennen als een eenvoudig burger, het groene koordtjen aan zijn wambuis op den eenen schouder vastgehecht, als een lid van het gilde der goudsmidsgezellen. Zijn hoed met lagen bol en breeden rand zonder eenig versiersel, die het dik en stug maar natuurlijk hair dekte, werd dadelijk met beleefdheid en tevens met eenigen zwier afgenomen, zoodra hij Semeyns aanschouwde, in wien hij als bij instinkt zijn meerdere in rang scheen te erkennen.
tgt; Wees gedankt voor uw boodschap____! Zeg uw vader, dat de
begane vergissing mij werkelijk spijt. Misschien zal hij mij wel willen helpen haar te herstellen. Mijn groeten aan uw ouders en uw lieve zuster! Ja, ja, ik heb haar gezien, al schuilt ze ook altijd gauw weg; toch heb ik haar goed gezien...quot;
Waarom kleurde Nathanaël tot over de ooren? De goede jongen ! Hij leek precies op zijn moeder: dezelfde bolle wangen, hetzelfde slappe vleesch, maar ook dezelfde goedige uitdrukking!
99
V
VI.
Semeyns, tot zijn zitplaats teruggekeerd, opende haastig het hem ter hand gestelde.
Hij zocht naar een brief; hij vond slechts twee gedrukte stukken: het een een engelsehe vertaling van »het Bijvoegsel tot de Declaratie Zijner Hoogheid,quot; wat hij vermoedde hetzelfde stuk te zijn waarvan hij het handschrift had overgebracht, het andere »de Amsterdamsche Saturdagsche Courant, extra ordinair nummer, reeds des Vrijdags verschenen.quot; Hij verslond de daarin voorkomende tijdingen. De keel werd hem als toegeschroefd, toen hij in allen deele bevestigd vond wat hij gevreesd had. De vloot was vernield. Zijne Hoogheid met moeite teruggekeerd en met hem slechts weinige schepen. Zoo was dan alles verloren; want tot een tweede inspanning van krachten waren de Geünieerde Provinciën, hoe rijk en hoe wakker ook, niet spoedig, zoo ooit weer, in staat. Maar Zijne Hoogheid was toch behouden en Zijne Hoogheid deses-pereerde nooit!
Wat stond daar ter zijde van het korte maar ontzachlijk veel bevattend relaas ?
In de schemering â waar hij zat was \'t niet meer dan schemering â had hij eerst niets bespeurd, maar eindelijk kwam het hem toch voor, dat er eenige krassen en strepen op het papier stonden. Hij trad naar het kleine venster. Waarlijk, daar was iets met potlood geschreven! Met veel moeite ontcijferde hij de woorden; »expresselijk geSxagereerd.quot; Hij ademde ruimer: eerst om de verklaring zelve, welke iets geheel anders als het opgeven der onderneming voorspelde, en, in tegendeel, blijk gaf dat hetzelfde beleid, dezelfde behendigheid, als tot dusverre betoond, nog altijd het roer hanteerde; maar vervolgens ook om het stellen dier verklaring op een Hollandsche krant en de toezending van deze aan
DE KAPTEÃN VAN DE LIJFGAKDE.
hem. Hij was dus geenzins vergeten. Er werd over hein gewaakt. Door wien... ? Niemant anders kon het zijn als de Gezant Hunner Hoog Mogenden.
Mijnheer van Citters alleen kon zoo spoedig het bericht van het noodlottige feit en tevens dat der gewenschte overdrijving ontvangen hebben. En Mr. Stevens, ook een Hollander, had hem dit pakjen doen brengen. Langs dienzelfden weg zou hij nu ook zijn brief kunnen doen verzenden. Zijn post-scriptum, tot het schrijven waarvan hij zich nu dadelijk nederzette, hield meer in dan hij aanvankelijk gedacht had, meer dan een herhaalden groet aan de zijnen, meer dan een innig woord van liefde, een warmen kus als \'t ware, voor Brechtjen en Ernst; want er kwam ook in voor, op wat wijze hij nu door een brief te bereiken was. Hij vouwde het geschrevene dicht, vond de stijfsel, waar hij Kit vóór haar vertrek om gevraagd had, die daarbij gekeken had alsof haar zwaarste stampsteen plotseling voor haar voeten was neergeploft, en bestreek er het papier aan alle kanten meê. Vervolgens opende hij de buitendeur, welke hij achter zich liet dicht vallen, en klopte bij den buur aan.
\'t Scheen daar vroolijk toe te gaan. De rustigheid, die er zich wel metterwoon scheen gevestigd te hebben, had plaats gemaakt voor gedruisch en beweging. Een liefelijk klinkend woord, een volle mansstem, en een boven alles uit klinkende ronde gulle lach, deed Semeyns\' kloppen aanvankelijk onverhoord blijven; maar toen een herhaling daarvan was vernomen, werd niet alleen de deur wagewijd geopend, maar klonk er ook een vroolijk welkom, \'t Was Sally, die het sprak, maar in het volgend oogenblik er wél berouw over scheen te hebben, want zij zag Semeyns met eenige onrust aan en herhaalde haar welkom niet, al hield zij de deur ook open.
Oude David oordeelde genoeg gedaan te hebben voor de belijdenis zijns Geloofs op dezen dag en had het houthakken gestaakt! Hij had zijn vaste plaats aan den haard hernomen en liet de scherts toe, welke Mauds wangen zoo mooi kleurde en de oogen van zijn erfgenaam zulk een blijde uitdrukking gaf. Hij deelde er echter niet in. Sally daarentegen moedigde haar aan.
»Vader!quot; riep de ondeugende Maud, die den strakken man in de vroolijkheid meê wou sleepen, »heeft u \'t gehoord? Na tb wil me Syllabubsquot; â \'t was een uit melk, wijn en suiker bereide drank â »meêbrengen en, als ik \'t opgedronken heb, met zich naar Mulberry-gardens nemen. U is ook van de partij!quot;
»Ik heb nooit van \'t een of \'t ander gehoord en wil er ook niet van hooren. Ik vind het wel wat vreemd, dat je zoo dartel kunt wezen na hetgeen ik je straks heb moeten meêdeelen. Een weeze, Maud...!quot;
101
DE KAPTEIN VAN HE LIJFGARDE.
»Dat ben ik niet, zoo lang ik Auntie heb en u....quot;
»Die waereldsche vrouw...!quot; dus begon David, maar Sally liet hem niet volenden.
»Ik ben heel blij, dat Maud het zoo opvat.quot;
»En ik ben óok blij, dat Maud het nu weet en ik niet langer hoef te zwijgen.... Mulberry-gardens is de mooiste plek in Londen, en dat wil wat zeggen. Weet je waarom ik het er zoo mooi vind? Omdat men er de liefste meisjens ?indt en zij, die er komen, trouwen willen,quot; zei Nathanaël, \'t erg goed meenend, maar vrij plomp toch ook.
»Nu ik dat weet, ga ik er stellig niet heen,quot; riep Maud haastig, en binnensmonds voegde ze er bij: »ten minste niet met hem. Och, Nath...!quot; vervolgde zij op haar gewonen toon.
»Ik heb veel tegen het radbraken van namen, vooral die dei-Heilige Schrift,quot; klonk het scherp van de haardplaat. »Zeg dan maar liever Dick, zoo als moeder, die het wel moeielijk vindt de Schrift te volgen, maar toch nalaat die te misbruiken.quot;
«Nu dan, Natha____na____el!quot; deklameerde Maud, «wanneer
danste je \'t laatst voor de Arke des Verbonds uit met de zoetklinkende luit tusschen de fijne lippen____?quot; Het laatste was bepaaldelijk een onwaarheid, daar \'s jonkmans lippen zóo dik waren, dat zij bij \'t spreken als omkrulden. De geheele vraag was er op aangelegd, om Vader te kwetsen.
Wat deed Maud zoo scherp zijn?
David keek haar gramstorig aan en maakte zich gereed tot een straffe vermaning, maar ditmaal voorkwam Maud hem. »Dat deed Koning David, uw naamgenoot, toch ook, en die zou toch niets doen wat kwaad was in de oogen des Heeren!quot;
Maud maakte het nog erger, hoewel thands in haar onschuld. Ze wist waarlijk niets van Koning Davids verliefde buïen af.
Sally bezwoer den opkomenden storm door veel goeds te zeggen van Mauds handigheid op het spinet, het muziekinstrument, dat op Myladies last was gekocht, maar op Davids streng en herhaald bevel naar boven, naar Mauds kamertjen, was overgebracht. »Maar waarin Maud in de laatste dagen \'t meest vooruit is gegaan, dat is in het zingen. Toe,quot; zei ze »laat ons het deuntje van »de smakkende karperquot; eens hooren.quot; Zij wou aanduiden wat ze er zoo mooi in had gevonden, wat Dick en Maud aan \'t schateren bracht. Toen ze dat merkte, borst zij zelve in een lach uit, die alles overstemde. Op dit oogenblik klopte Semeyns aan.
J-Kom binnen!quot; riep David, die Sally\'s tweestrijd bespeurde en de reden daarvan bevroedde, welke hij echter in geenen deele billijkte.
»Ik zie \'t, je bent soldaat en zeker een van de onzen. Welkom in \'thuis van David Foppers,quot; riep hij.
102
DE KAPTKIN VAN DE LTJFGAKDE.
»Ik kom u een dienst vragen, maar vrees te storen!quot; hernam Semeyns, naar alle zijden groetende, naar die waar Maud stond het diepst. Deze kreeg een hoog roode kleur, wendde zich af, nam den schijn aan van haastig eenigen huiselijken arbeid te verrichten, maar keek, als zij zich onopgemerkt dacht, telkens naar den vreemden man, die voor haar geen vreemde meer was en dien zij, bij David en Nathanaël vergeleken, een pracht van een man vond. Moeder Sally oordeelde, dat Johnny tegen de belofte, aan Mylady gedaan, handelde, en daar Mylady had gezegd overal oogen te hebben, vond zij dat verre van aangenaam en niet in het belang van haar en de haren. Nathanaël voelde iets wat naar afkeer zweemde van dien rustigen vreemde, die zich zoo maar dadelijk thuis gevoelde en, naast Vader David gezeten, dezen deed luisteren naar zijn verhalen uit den oorlog der laatste jaren op het Vasteland.
»Ja,quot; zei David levendig, »wij hadden in de laatste honderd jaar den vijand altijd in ons binnenste en hadden op het Vasteland niet meê te praten____ Maar dat zal verkeeren.... als de
wind maar verandert.... Denkt ge ook niet?quot;
»Ik kan daarover niet oordeelenquot; hernam Semeyns ontwijkend; maar, een vijand van alle veinzerij, voegde hij er aan toe: »Ge ontvingt me zonder naar mijn naam te vragen â dat is ridderlijk. Ik kan dien ook niet zeggen; evenmin mag ik bekend maken waarom ik hier ben. Ik heb bij u aangeklopt, alleen om uw zoon te verzoeken dezen brief aan zijn patroon te geven, die wel zal weten op welk een wijze hij hem verder kan zenden ... Zijn patroon, zoo meen ik van uw zoon verstaan te hebben, is een Hollander.. . Zjjt ge dat ook?quot; vroeg Semeyns met oningehouden blijdschap, toen hij het oog richtte op de Statuette, te pronk staande op het tafeltjen dat niet ver van hem afstond.
»Neen, maar ik wou dat ik \'t was. Want van Holland moet Gidéon, de wreker, zich opmaken met zijne heirscharen...
Sally hield altijd een oog in \'t zeil als David het roer nam. Zij was dan ook er weder dadelijk bij en onderschepte den woordenvloed, die bij Johnny aan \'t opkomen was. »Dat beeldtjen is mooi, niet waar, Heer Vreemde? Dat heeft mijn man dertig jaar geleden gehouwen____quot;
«Gesneden!quot; bromde David.
»____naar een model, dat hij bij Mr. Stevens vond.quot;
»Dat is onze Prince Mauring!quot; viel Semeyns in.
iNu weet ik in eens wat Johnny me nooit zeggen wou...quot;
»Kon,quot; snauwde David.
»Ja, Mr. Stevens kwam in \'50 uit een Hollandsche stad en bracht zijn kunst meê... Heerlijk werken ze tot in porfier en agaat toe, niet waar, Dick? En in \'s Konings paleis daar staat
103
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
het vol van al die kostlijke steenen, niet waar, Dick? Onze genadige Koning Karei zaliger....quot;
»Vrouw, zeur nu niet langer! Als je van een Stuart spreekt, komt liet woord zaliger niet te pas. God de Heer, de Almachtige en de Gerechte, verderve allen van dat Huis, gestorvene en nog levende !quot;
David had zich in zijn volle lengte opgeheven, de rechterhand omhoog gestoken; het was een plechtige aanroeping, waarbij Semeyns mede was opgerezen.
»De dwazen, de verrotten van hart!quot; vervolgde David, »de Bisschoppen van de zoogenaamde Engelsche kerk, die een lijdelijke gehoorzaamheid prediken, omdat de Koning de gezalfde des Heeren is...!quot;
jgt;Maar dat is hij toch, vader!quot; waagde Nathanaël op te merken, hoewel bedeesd en bescheiden.
»Dat is hij, zoo lang niet een ander dat met meer recht toont te wezen, uilskuiken! Saul werd door Samuel gezalfd, maar David ook, nog bij het leven van Saul. Zul jij, als de Gideon uit het Oosten komt, den woord- en echtbreker, den menschenslachter, den Baaispriester, die nu nog in White-hall woont, gaan helpen ? Zul jij dat doen, Nathanaël?quot;
»Neen, vader! Maar ik doe \'t den ander ook niet, voor hij toont van God verordineerd te zijn tot onze Overheid...quot;
Semeyns glimlachte over deze logische redeneering, welke zóo veel staatsmanswijsheid en vooral voorzichtigheid inhield, dat de jonge man, die er juist niet heel schrander uitzag, zeker niet een eigen opvatting liet hooren, maar alleen voor echo speelde. Hoe goed toch, dacht hij, dat Zijne Hoogheid zijn eigen keurbenden meebrengt en op deze bij de uitvoering van Gods ordonnantiën zal kunnen steunen.
»Waar bemoei jij je toch meê!quot; zei Maud vrij scherp tot Nathanaël, die zich gereed maakte tot een and woord; maar hij kon \'t niet uiten, want zij ging door; »Vader David en de vreemde heer vooral weten daar veel meer van. Heb je niet gezien, hoe de vreemde heer glimlachte bij je woorden?quot;
»Ik neem zijn brief niet meê!quot; andwoordde Nathanaël boos.
»Dan doe ik het en ga meteen de stad eens rond....quot;
»En dan ga je rusten in Mulberry\'? Doe dat; daar kan je niet alleen komen en dus.
»Vraag ik den vreemden edelman meê te gaan â hij is zeker edelman â en dan kom ik, \'k wil er alles onder verwedden, zijn naam ook wel te weten ...
»Je durft niet,quot; sarde de jonkman, wien het groen en geel voor de oogen werd. »Je waagt het niet eens hem aan te zien.... ten minste als h ij je aanziet.... anders wel.... anders gedurig....!quot;
104
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAUÃE.
Maud wendde zich snel van hem af en trad op Semeyns toe. De hoogroode kleur van straks maakte op eens plaats voor een mat bleek. Op vasten toon zeide ze: «Heer Vreemde, Nathana\'jl wil uw brief niet overbrengen, maar ik zal \'t doen...quot;
»Een allerliefste bode zou ik dan krijgen,quot; zei Semeyns vriendelijk, terwijl hij haar kleine hand in de zijne nam.
Er ging een huivering door haar leden; geen angst verzelde haar, maar een nog nooit gevoelde aandoening van weelde.
»Maud, je hebt me niet goed begrepen!quot; mompelde Nathanaël verlegen. »Den brief borg ik al in mijn borstzak; na het noenmaal ga ik terug, en dan zal ik hem den patroon dadelijk overhandigen.\'\'
»U blijft toch bij ons?quot; David vroeg het Semeyns zonder Sally daarbij aan te zien.
»Eten,quot; vulde deze haastig aan.
»En slapen,quot; zei David op een toon van gezach. »Nathanaël zal u al bericht hebben, dat u eigenlijk bij ons uw tente hadt behooren op te slaan.quot;
»Ik mag u niet verbergen, dat ik hier liever mij ophoude, hier bij de huisgenooten des geloofs...!quot;
»Ja, u is onze broeder en het Kananeesche wijf hier naast...quot;
»Johnny, Johnny, Kit is zoo arm,\'\' prevelde Sally, en nog zachter voegde ze er bij: »Mylady verbood....quot;
»Daar heb ik niets van gehoord, en gaf zij dat verbod werkelijk, dan is \'t onchristelijk en dus in strijd met onze konsciëntie. Nathanaël, ga hier naast en haal wat onze broeder daar heeft achtergelaten,quot; gebood David.
»Dat is niet veel, jonge vriend! Alleen een blauw laken regenmantel. Een soldaat kan met weinig toe, dat weet een dappere uit Cromwells tijd óok wel!quot;
Als Semeyns den toeleg had gehad, het hart van den ouden puritein stormenderhand te veroveren, dan was hem dat volkomen gelukt. Een tevreden glimlach gleed over Davids beenig gelaat, even als een herfstzonnestraal langs een loodgrijze wolk.
105
VII.
Maud had Semeyns een edelman genoemd, en al de anderen hadden hem evenzeer als een hooger in rang staande dan zij waren aangemerkt, hoewel zijn kleeding hem in niets van den kleinen burger scheidde.
Zijn wambuis was wat langer, zijn broek wat nauwer\' dan die van Nathanaël; maar de stof was van geheel dezelfde hoedanigheid, en den hoed en de kousen had de jonkman voor de zijnen kunnen houden. Wat deed Maud dan den vreemde zoo hoog stellen, en waarom volgden de anderen haar van nabij in haar betoon van ontzach? vroeg zich Nathanaël wrevelig af. Ware hij minder bevooroordeeld geweest, hij zou voorzeker in aller meening hebben gedeeld. Het krachtig mannelijk gelaat met den stouten oogblik, de fiere houding, de gemakkelijkheid, waarmee hij zich bewoog en met allen sprak, de gekuischte taal zonder de gemaaktheid, waartoe de akteurs op de stellaadjes bij Cheapside vervielen, zoo dikwijls ze als helden en vorsten optraden, dat alles mocht hem tot een voornaam heer, misschien wel tot een baronet, stempelen. Zelfs in de wijze van eten onderscheidde hij zich gunstig, naar de meening van Maud. Toen vader David de voorbede eindelijk had uitgegalmd â van de eerstdaagsche verlossing was er ook ingekomen en van Ezechiël, die haar lang geleden reeds voorspeld had, niet weinig â had de vreemde den kroes met porter, die naast zijn grauw-aarden bord stond, in de hoogte geheven en op het hoofd van heel het lieve gezin gedronken, daarbij smeekende, dat de bede om verlossing door den Almachtige mocht worden verhoord. Maud had de handtjens er bij gevouwen, terwijl zij bij de voorbede ze dadelijk, toen Ezechiël werd aangeroepen, los in den schoot had laten vallen. Wat had »de Heer Vreemdequot; handig met den houten lepel gewerkt en zelfs de reepjens spek er op
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
weten te krijgen, die op de kool lagen. Ieder der huisgenooten was steeds gewoon, zijn gerecht deel van moeder Sally te ontvangen, die den grooten bonten pollepel, stevig geplant in den tot den rand gevulden aarden schotel, wat goed wist te hanteeren. Maud was gewoon, om even als de andere huisgenooten het spek met de hand aan te vatten. Ze had nu wel gewild, dat moeder Sally van middag een paar kippen had gebraden, even als ze dat gistet had gedaan. Het goede mensch had het zeker gelaten, om dezen dag niet als een heilige- of feestdag te doen beschouwen, wat Vader David streng verboden had, maar als Moeder zoo\'n gerecht gegeven had, dan zou Maud wel eens hebben willen zien, hoe »de Heer Vreemdequot; het er zonder het gebruik zijner vingers had afgebracht.
Bleef de door haar gewenschte vuurproef ook ontbreken, een andere en niet minder afdoende zou hem echter worden opgelegd. Daar verschenen de eierkoeken, met honig bedropen. Sally vatte er met de hand een aan en wierp die op \'s vreemden bord, waarna zij de van honig vochtige vingers aan de lippen bracht en schoon likte. En de Heer Vreemde? Hij gebruikte den gewonen lepel en voegde daar zijn mes bij; op die wijze werd alles verorberd, zonder dat vinger of lip eenigen overlast leed.
»Doet men dat zoo in Holland?quot; vroeg Sally, die thands mede zich verbaasde. »Och, Uwe Edelheid moet maar denken, dat wij kleine luidtjens zijn. Bij onze edellul gaat het zeker ook anders toe.quot;
»Bij ons in Holland is sinds kort het gebruik van vorken ingevoerd.quot;
»Vorken?quot; merkte Sally verbaasd aan. »Hoe zien die er wel uit?quot;
»Ze hebben wel iets van een hooivork in het klein.quot;
»Je arme kakebeenen!quot; meende Sally.
Semeyns legde haar het gebruik er van uit en beloofde, als de wind keerde, zijn lieve vrouw te verzoeken er een paar over te zenden.
Nog een kroes bier en nog een! Vader David werd hoe langer hoe spraakzamer. Hij was werkelijk voor zijn doen vroolijk geworden en begon te vertellen van de onthoofding van Karei den eersten in \'49. Een schaduw, vlak voor hem op de tafel vallend, deed hem even het hoofd omwenden naar het venster, waarvoor Kit stond, die zoo iets, zelfs in den besten tijd, nooit had gewaagd. Voor dat David nog kon opspringen en haar bevelen zich te verwijderen, begon ze al te schreeuwen: »Maak je maar niet druk, ik ga dadelijk. Als goeie buur kom ik je maar het laatste nieuws vertellen. Daar hangt er al een in zijn eigen deurpost vlak bij Cheapside. Een rijke kwanselaar van de City, die onzen Koning, â Zijn naam zij gebenedijd! â aan de Hollanders verried. Begin nu maar vast door je neus te zingen van plezier!
107
BE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Wel bekome \'t je!quot; Bij de allerlaatste woorden was zij al weg, daar de geërgerde en van toorn bevende David op den drempel der geopende huisdeur was komen staan.
»Nathanaël, volg het wijf! Haal nu den mantel van onzen gasten doe haar dan zijn boodschap! Het reeds betaalde kostgeld moet ze terug geven.quot;
»Laat haar dat behouden, vriend!quot; zei Semeyns vergoelijkend en tot kalmte vermanend.
Kit vernam de tijding. Haar stemming werd er niet zachter door. Haar stem werd zelfs krijschender, haar neustop nog rooder; zij wierp den mantel Nathanaël in het gezicht met den raadsel-achtigen uitroep: »Nii zal het heele nest worden uitgebrand en wil ik rijk worden. Ja, Kit wordt zoo rijk als haar vriend, de fransche kok in \'s Konings paleis.quot;
Op die woorden, door Nathanaël trouw overgebracht, werd weinig acht gegeven, en ze hadden, te oordeelen naar \'t geen weinige dagen later plaats greep, juist de meeste aandacht verdiend.
Semeyns werd sedert door David als op de handen gedragen. Hem werd de stemming klaar van de kleine burgerij en van de platte-landsbewoners door het geheele land. David hield voortdurend gemeenschap met de broederen in Londen en deze met de gelijkgezinden in al de Graafschappen. Hij vertelde veel, maar vernam weinig, want de Heer Vreemde, hoe meêgaande, hoe voorkomend en vertrouwelijk ook, liet niets los en had iets zóo gebiedends in oogopslag en stem als er gedoeld werd op den Gideon, »die zoo lang mardequot;, dat David zijn nieuwsgierigheid weldra voor goed aan band lei. Maar was de Heer Vreemde vóór en een paar uur na het noenmaal steeds de medgezel van David, \'s morgens vroeg en in den namiddag was hij die van Maud, die van lieverlede haar beschroomdheid had afgelegd. O wat heerlijke ochtenden als er gevoederd werd! Hij moest den bak met eten dragen in beide handen, zoo had Maud het den laatsten ochtend gewild, daarbij zeggende, dat hij dan, hoewel onhandig, juist het minst onhandig zou kunnen zijn. Een raadsel voor ieder, die niet wist, dat hij, bij zijn eerste ommegang met haar, den met de eene hand vast gehouden bak had laten vallen, tot groote vreugde van de gulzige duiven en de eksters en kraaien, die er dadelijk bij waren, maar tot nog grootere ergernis van de hanen met hun talrijk bevolkte harems, die ditmaal achteraan kwamen.
»Goed, ik zal gehoorzaam wezen, Brecbt----Maud, meen ik.
Ik mag toch wel Maud zeggen----lieve Maud?\'\'
Zonder iets te andwoorden en alleen met het afgewend hoofdtjen toestemmend knikkend, vloog ze vooruit naar het kippenhok, waar ie met strafbare partijdigheid den grootsten haan, die op de dikke
108
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
lichtgeele pooten met bijna even zooveel ijdelheid paradeerde als een pauw, handen vol gerst toe wierp.
»U sprak gister van uw vrouw.... Heeft ze u lief?quot; vroeg ze, toen hii weer naast haar stond, maar den etensbak van haar af hield.
»Op een andere wijze als Maud het dat brutale beest doet...quot;
»Hij is ook zoo mooi en zoo sterk. Ik kan me begrijpen dat de eierlegsters van hem houden.... Hij heeft een gunstelinge, maar die is ook heel lief voor hem.... \'t Moet dan ook heerlijk wezen, zoo\'n gunsteling te zijn.... Is uw vrouw ook de gunsteling van....? Och, ik zeg onzin!quot; en met die woorden zweefde ze weg en liet ze hem alleen staan.
Dien geheelen morgen bleef ze onzichtbaar. Aan \'t middagmaal zat ze voor zich te zien of vloog ze gewillig, wat waarlijk niet dikwijls gebeurde, op, als Sally haar vroeg iets voor haar te halen. Na het eten ging ze naar haar zolderkamertjen, dat zij den Heer Vreemde had willen inruimen; maar deze had zulk een opoffering niet begeerd en was tevreden met een matras op den planken vloer van den achterzolder. In den namiddag dacht ze onbemerkt de boschrijke heuvels aan de overzij bereikt te hebben. In een soort van vallei, omgeven van groene hoogten en bewassen met eiken hakhout, op de plek waar de tronk van een omgevallen olm haar zoo menigmaal reeds als bank had gediend, zat zij neder, diep in gepeins. De oogen schemerden van ingehouden tranen. Zij voelde zich zoo diep ongelukkig! Zij voelde zich, wat zij zich nog nooit had gevoeld; alleen; want haar hart liep over van aandoeningen, van vragen, van angsten, van verwachtingen, van wen-schen, van begeerten, welke zij niemant meêdeelen en toch niet langer in den engen boezem opsluiten kon.
Daar stond de Heer Vreemde plotseling naast haar, hij, dien zij het minst van allen tot vertrouwde kon kiezen. Waarom niet? Zij begreep het zelve niet. De ander deed het haar evenmin. Dat bleek, toen hij naast haar ging zitten, haar hand in de zijne nam en met een stem, die thands zoo week klonk, zei: »Lief kind, heb ik iets gedaan of gezeid wat je onaangenaam was?quot;
»Wel neen!quot; klonk het eenigzins bits.
»Je pleegvader vertelde van je korte maar treurige geschiedenis. Zonder ouders en alleen tot beschermster een onbekende vrouw... die zich misschien over je schaamt.quot;
»Wie durft dat zeggen!quot; riep zij uit met toornigen blik.
»Niemant, Maud! \'tWas maar een opvatting van mij... Hoor eens!quot; en hij trok haar tot zich en drukte een kus op haar gloeiend voorhoofd, »wil ik je meênemen naar mijn huis?... Ik heb een allerliefste dochter.quot;
»Neen!quot; snauwde ze. Maar plotseling ze zijn hand in de
109
DE KA.PTEIN VAN DE LIJFGAttDE.
hare en fluisterde ze hem hartstochtelijk toe: »Ik dank u, dank u hartelijk. Wil u mijn vriend wezen...? Och, denk nu maar niet dat ik altoos zoo ben... Ik ben anders vroolijk... Zeg, wil u me liefhebben...?quot;
»Zoo als mijn Brechtjen: heel graag. Die is licht blond; maar verschilt de hairkleur ook, de hartjens zullen wel eender zijn.quot;
»God! God!quot; kreet Maud, opstaande en den heuvel opklimmend. Daar bleef ze echter staan, terwijl de uitdrukking van haar gelaat eensklaps veranderde. Zij wenkte hem, dien zij een oogenblik te voren verlaten had, tot haar te komen, en legde den vinger op de lippen. Hij stond naast haar en volgde de richting harer oogen. In den hollen rijweg omlaag bewogen zich een tiental mannen voort, gewapend met pieken, die ze ordeloos droegen, eenigen op den schouder, andere in de hand, met de punt voor zich uit of als wandelstok met de spits in het mulle zand. Een wonderlijke hoop! Slechts twee droegen ouderwetsche pothelmen, de overigen vilten hoeden, waarvan de breede slappe randen half van den bol gescheurd neerhingen en het stug blond hoofdhair in bossen lieten zien. Over het laag toegeknoopte wambuis, dat de wijde broek nog even bloot gaf voor hij voor goed wegschool in de hooge laarzen met wijde kappen, hing een bandelier, waaraan de ouderwetsche kokertjens zwabberden, welke bij de legers op het Vasteland in vroegere jaren de patronen bewaarden. Van de laarzen waren hier de schachten gespleten of gebarsten, ginds de hakken verdwenen of de zolen bijna afgeloopen en versleten. De twee, wier hoofden van pothelmen waren voorzien, droegen behalve den piek nog een haakbus; het paar, dat achter hen aan schommelde, droeg voor elk hunner de aan den bus voegende vork.
Kwezel Ezel
Wat sla je met je staart! schreeuwden eenigen hunner, terwijl sommigen een anderen deun begonnen en de woorden uitgilden:
hier met je goed,
Bloed!
alles is ons!
jgt;Waar gaat die weg naar toe?quot; vroeg Semeyns, zonder een blijk van onrust.
»Naar een wei.... Ze zijn zeker verdwaald: maar ze kunnen zóo ook op den heirweg komen aan den anderen kant, als ze straks het voetpad van de wei inslaan en over het vondertjen gaan. Wat is dat voor volk?quot; vroeg Maud, die aan Semeyns arm hing en zich tegen hem aandrong.
»Ik weet het niet. Soldaten oogenschijnlijk, maar dan van \'t kaliber, dat de Dey van Algiers er op na houdt.quot;
110
DE KAPTEIN VAN DB LIJFGARDE.
»Zie eens____wat hangt er aan den stok, dien Kit in haar bleekveld heeft geplant? Twee kousen, geloof ik____ De vagebonden
wijzen er op.quot;
»Kom, Maud, we gaan naar huis, het wordt koud. Je klappertandt werkelijk. Daar, neem dezen doek 1quot; Hij wond hem van zijn hals en knoopte dien om den haren. Zij liet het toe, hoewel ze zeer goed zag, dat zijn hals er door ontbloot en dus prijs gegeven werd aan den kouden wind, die naar het Noorden was uitgeschoten.
jgt;Echt ridderlijk!quot; fluisterde zij, terwijl zij haar huive wat verschoof, waardoor haar gezichtjen voordeeliger uitkwam. sHet zal u toch geen kwaad doen, niet waar? Mijn hals is maar een dorre stok, vergeleken bij den uwen.quot;
»Dor, waarlijk niet,quot; had hij willen zeggen, daarbij denkende aan dien vroegen ochtend, toen haar kroplap door den wind eerst werd opgetipt en toen meêgevoerd; maar hij hield die woorden als ongepast geheel binnen. Hij bestrafte er zich over, dat hij ze had kunnen denken en dat de herinnering van wat hij uit zijn schuilhoek had beschouwd, hem bijgebleven was.
Het woeste gezang was in de verte weggestorven. Maar toen ze in de gezellige woonkamer traden, waar een vroolijk vuurtjen knapte, dat een ijzeren pot met borrelende melkbrei gaar stoofde. Vader David een pijpken tabak genoot en Moeder haar laatsten zoom naaide, konden zij den zang, die nu wel een luid brullen leek, weer van zeer nabij hooren.
»Dat zijn Ieren!quot; riep David uit. Zijn gelaat betrok en vertoonde een uitdrukking van bekommering, welke nog duidelijker werd, toen Semeyns hem vertelde, wat hij achter Kits huis had gezien.
»\'t Zijn de knechten van den woesten Tyrconnel, den eenige, die met den Baaipriester door dik en dun gaat! Dus zijn de Amalekieten in Londen. Dat is tegen alle privilegies in! Ze komen u zoeken.... ze zijn door het wijf hier naast gehaald.... Is u gewapend? Ik heb mijn sabel nog____maar geen musket meer____quot;
»Ik wil het verderf niet over uw huis brengen, goede man!quot; zeide Semeyns, terwijl hij naar de deur trad, welke de doodsbleeke Sally voor hem wilde openen.
»Neen____neen!quot; riep Mand, zich er voor plaatsend. »Ze zullen
hem vermoorden en ons doen ze niets.quot;
»Kind!quot; David Bag haar hoofdschuddend aan. »Gra naar je kamertjen en vertoon je niet! Een gast, al was hij mijn vijand, is mij heilig, en deze is een welbeminde broeder!quot;
Semeyns had onder zijn wambuis twee pistolen van daan gehaald van de nieuwste konstruktie; met een trekker en een haan met vuursteen. In den leeren gordel, dien het lange wambuis
111
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
steeds goed had weten te verbergen, scholen nog twee metalen doozen: een voor buskruit en een voor gekapt lood.
»Wat zal ons gebeuren! Wat zal ons gebeuren!quot; jammerde Sally.
«Niets als ge mij tot hen laat gaan! Ik sta in uw land niet alleen. Zij durven me geen hair krenken____Laat me gaan!quot; beval Semeyns, toen hij het bonzen hoorde op de deur en het bevel om te openen met de bedreiging, dat bij verzet allen als honden zouden worden neergeschoten. »Ze hebben alleen pieken; de twee haakbussen, die ze meêvoeren, zijn niet te gebruiken!quot; merkte hij met een spotachtigen lach aan. »\'tZijn pochers, en die zwetsen maar alleen!quot;
Het gedruisch, het gewoel en gevloek nam toe, en daar tusschen werd de stem van Kit gehoord, die eerst lachte en vroolijk scheen, maar heel spoedig van toon veranderde, toen het rauwe volk er van sprak, den ouden rondkop te gaan vierendeelen. »Yan hém zullen jelui de handen thuis houden. Hij is mijn vijand, maar niet die van jelui. Ik ben hem ook nog drie verreljaars huur schuldig, en hij is zoo kwaad niet als hij er wel uitziet.quot; Woedend werd ze toen al haar huisraad doorzocht werd, en toen ze dat verbood, de ruwe gasten haar te lijf wilden, de muts van het hoofd trokken en in haar hoofdhair de grove handen staken. Ze was opgevorderd aan buurmans deur voor hen toegang te vragen ; maar zij weigerde \'t botweg, en slingerde hen daarbij in hun eigen dialekt echt lersche vloeken naar het hoofd. De knechten waren dronken, woest als wilde zwijnen. Kit riep in stilte den zoeten Jezus aan om erbarmen en om hulp, en begon in te zien een dom stuk te hebben gedaan.
In buurmans woning had men zich in staat van tegenweer gesteld. Op Davids vraag wat men daar buiten wilde, was er door twee of drie stemmen geschreeuwd, dat de Koning hen gezonden had. »We willen den spion hebben... De dood staat op \'t verbergen... De deur open of we steken het heele nest in brand!quot; riepen ze allen door elkaar.
»Al stelde ik mij in hun handen, toch zou \'t gevaar niet gekeerd zijn van u allen; dat zie ik nu in. Maar misschien kan ik een verdrag sluiten.quot;
»\'t Zijn hongerige hijenaas!quot; zei David met heesche stem. »\'k Heb mijn goed oud zwaard op zij. \'t Is me of de Protektor me aanziet.... De vijanden des Heeren, ze zullen wijken!.... Psalm 102 heffen we aan. De lievelingspsalm van den Protector!
De vrouwelijke Judas zullen we grijpen____ Die vooral! Die
vooral!quot;
1 Sally borst in tranen uit. Haar goede oude zwakke man was weer aan \'t raaskallen, en ditmaal was de schrik er de oorzaak van. Sally borst in tranen uit. Haar goede oude zwakke man was weer aan \'t raaskallen, en ditmaal was de schrik er de oorzaak van.
»Den tuin door, de plank over en het bosch in! Als ge hard
112
DE KAPTEIN TAN DE LIJFGAKDE.
loopt kunt ge in twintig minuten bij de buitenste wijk van de stad aankomen!quot; fluisterde Maud aan het oor van Semeyns.
»Ik ben uw eenige verdediger! Aan den ouden man hebben we niets. Plaats je met vrouw Sally op de ladder, ik ga er voor
staan. Laat je niet zien.... \'t Zijn rauwe klanten____\'t Was al
heel erg als ze je te zien kregen, beste Maud! Kom, vader David, óok naar boven!quot;
Met een balk werd op de deur gerameid; met de pieken werden de ruiten der raampjes ingeslagen, \'t Was een oorverdoovend geweld, gekraak van hout, rinkinken van scherven, geloei van stemmen, geschetter van vloeken en verwenschingen!
David, in plaats van Semeyns\' bevel te gehoorzamen, volgde de ingeving, welke hij van den Heere daar juist meende ontvangen te hebben. Hij had aan de achterdeur geluisterd, haar plotseling geopend, omdat de inwendige stem hem zeide, dat daar de dochter van Judas Iscariot in stilte haar triomf dacht te genieten. Met het zwaard in de vuist stoof hij, toen hij haar niet achter de deur vond staan, het achterhuis door, den tuin in, juist op het oogenblik, dat de voordeur bezweek en het licht, dat de in brand gestoken en op een piek omhoog gehouden klee-dingstukken verspreidden, naar binnen viel. De gemeene tronies werden onder dat licht afschuwelijk. Maud had de armen om Sally\'s hals geslagen en snikte: »Zeg dat hij zich redt zooals vader____want die is achter uit gegaan ...quot;
\'t Was voor de aanvallers een Egyptische duisternis in dat vertrek, terwijl zij door hen, die er in waren, goed konden worden gezien.
»De stommerts!quot; mompelde Semeyns. »Den achteruitgang niet eens te bezetten!quot;
Maar door het open staan der achterdeur werd men het bestaan van zulk een uitgang indachtig; daar buiten toch was het niet zoo donker als binnen waar zij stonden. De aanvoerder, die voor een oogenblik werd gehoorzaamd, beval dat twee der knechten door Kits huis in den tuin moesten trachten te komen, terwijl zij hier naar voren zouden dringen. Levend moest het heele kettersch gebroed gevangen worden genomen.
«Vooruit, Pat! Vooruit, Bob! Schurken.... Lafaards, vooruit!quot; kommandeerde hij.
»Doe \'t zelf. Jij bent sergeant!quot; was het stekelig andwoord.
Semeyns had middelerwijl bedaard zijn pistool gericht. Tot tweemaal knalde er een schot en tweemaal was het doel getroffen.
»Heilige Patrick! Jezus Maria!\'\' zoo klonk het uit den hoop, die eerst achteruit en toen héenstoof, met achterlating van twee zwaar gekwetsten of misschien wel dooden.
»Held, Held!quot; juichte Maud, die achter den held stond, met
113
KAPT. VAN DE LIJFGARDE. â
I.
8
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
haar beide handjes kloppend op zijn schouder, terwijl ze in haar vervoering hem een kus drukte op den ontblooten hals. Semeyns merkte het ter nauwernood op. Hij overlegde in stilte, wat hem te doen stond, nu er van de aanvallers niets meer te zien was.
Daar ging echter een gejoel op uit den achtertuin, waarheen David zich begeven had, voor dat Semeyns het had kunnen verhinderen, al had hij dat gewild. De oude man, eenmaal buiten waar geen vijand was, had zich misschien kunnen redden. Maar nu, wat beteekende dat gejuich? Hij moest er heen. Maar de beide vrouwen?... »Maudlquot; klonk het kort, »ga met de oude vrouw naar boven en trek de ladder op. Spoedig!quot;
De toon van gezach voorkwam alle tegenwerpingen. Sally scheen na de twee pistoolschoten wezenloos geworden en liet zich leiden.
Ze vroeg niet naar haar Johnny____Zij hoopte noch vreesde iets
meer. Semeyns stond nu alleen en zonder eenige schuilplaats meer. De vrouwen waren voor het oogenblik veilig. Werd hij echter gegrepen, dan zou Maud.... een alles overweldigend gevoel van angst over haar lot greep hem aan. Hij zou haar liever met een zijner pistolen zelf neerschieten, dan dat een van dat vuile viesche geboefte haar aanraakte.
Zijn pistolen waren wéder geladen.
Hij ging op het geschreeuw en op het rosse licht af, dat in den achtertuin eensklaps opflikkerde, en deinsde van ontzetten terug op den drempel der tuindeur.
\'t Scheen wel of de geheele wasch van Kit op de pieken, welke thands in -den grond staken, aan \'t branden was, en te midden der vlammentongen, welke het lichte lijnwaad omkronkelden, zag hij ouden David opgeknoopt aan den ondersten tak van den beuk, het sieraad van zijn tuin. Het hoofd hing op zij, de handen, waarvan de vingers waren uitgespreid, slap naast het lichaam.
»Ellendig gespuis! De arme oude!quot; Maar hij bedwong zich, de hand moest niet beven, die hij aan den trekker bracht. Weder klonk er een schot en viel er een neer. De hoop stoof nogmaals uiteen en scheen nu, bevreesd voor de overmacht van den onzicht-baren vijand, aan den haal te gaan. Wat laatste heldendaad ze nog verricht hadden bleek hem weldra.
Uit het rieten dak van Kits huis knetterde de vlam, die voortliep als gevleugeld, eerst bruischend en sissend, toen knappend en loeiend. De geheele omtrek was eerst in walm, maar weldra in een zee van donker- en lichtgoud gedoopt!
Maar van de heuvels stormden de straks gevluchte knechten terug op de brandende woningen toe, waar Semeyns de vrouwen riep de ladder neer te It. ten en dan naar beneden te komen....
»Hulp! Hulp!quot; was het eenige wat hij uit Mauds mond vernam.
114
BE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Wees geen kind!quot; riep hij streng en bevelend. »Eed het leven! Ik wil het!quot;
Daar stormde Kit ook de hoogten af, de woning in, met loshangend hair, het jak aan flarden, de rokken ten deele afgescheurd, zonder schoenen, met verscheurde kousen vol bloed, en achter haar aan kwamen eenige Londensche burgers aangeloopen, be-höorende tot de Train-bands of schutterij, met oude hellebards en verroeste houwers, maar met breede schouders en forsch gespierde handen.
»Is \'t te laat? Ja, te laat!quot; gilde ze, toen ze bij den geworgden vijand aankwam. Zij wierp zich voor hem neer en greep de koude neerhangende hand en kuste die; zij deê \'t, die altijd zoo bang was voor een lijk, en die altijd zoo\'n vinnigen hekel had gehad aan den verstokten aartsketter!
»Ik heb de leerjongens hier naa,r toe gehaald...! Arme ouwe stakkert!... Och, doe je oogen nog eens open.... scheld me maar uit! De duivel zat in me! Maar ik heb \'t weer goed willen maken... Ik breng je hulp: die van \'t slachtersgild waren \'t naast.... Je bent gered, David! Jezus, Maria, laat hij me nog maar eens het
ouwe beest noemen!____ Heilige Jozef, mijn wasch verbrand en
David in een strop, gehangen.... dood!quot;
Ze werd met het hoofd voorover op den grond onder Davids hangende voeten gevonden door Semeyns. Een van de toegeschoten helpers vertelde, dat zij buiten adem was komen aanloopen, hulp vragende voor een ouden stakkert en een hollandschen spion, dien de Koning wilde doen opknoopen.
De Natuur had \'t ook ditmaal gewonnen van de Leer.
115
DERDE BOEK.
i.
Een oude kreupele vrouw zat op een der rotsen, welke de baai van Torbay beseliutten, neer, en staarde met de rood ontstoken oogen in zee. \'t Was 16 November, maar in het heerlijke klimaat van Devonshire en bij een wind, welke van Noord-Oost zoo als hij vier dagen lang was geweest, sinds van morgen Zuid was geworden, scheen het wel lente om haar heen en deed haar bet zoele windtjen zelfs behagelijk aan, daar het de ontstoken oogen afkoelde en het zweet, dat haar van de wangen gudste, zachtkens deed droegen.
Al was \'t ook minder zoel geweest, toch zouden de teekenen van warmte en vermoeidheid zich even duidelijk bij haar hebben vertoond. Haar wandeling was van verre geweest en haar gang was moeielijk! Ellen Stoves, de profetesse van Exeter, zoo als ze door het landvolk genoemd werd, was een der warmste aanhange-lingen van den Hertog van Monmouth geweest, die hier twee jaren geleden bij zijn inval tot redding van het Protestantsche Geloof was verslagen. Zij had haar drie zonen voor de goede zaak de wapenen doen opvatten, daar zij getuigd had van de overwinning zeker te zijn. Zij had ze alle drie verloren: twee op het slagveld, een door beulshand; \'t was de jongste, nauwelijks achttien jaar, die voor haar oogen werd gevierendeeld en wiens bloed haar in het aangezicht was gespat. Zij zelve werd gespaard. Maar de Lord Opperrechter Jeffreys wilde weer eens een grap hebben, na al dien ernst van radbraken en hangen, dat met op elkaar geklemde lippen en starre blikken door de honderden rebellen werd ondergaan.
»Ze is een profetesse!quot; dus klonk het uit zijn mond met een lach, die zoo menig ter dood gemartelde de laatste stuiptrekking
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
nog folterender maakte. »We zullen haar laten profeteeren, maar op éen been voortaan; ze moet hinken; sla haar de teenen van het rechterbeen af!quot;
En toen het vonnis was uitgevoerd, schaterde hij van de spierbeweging van het oude gelaat en de dikke tranen, druppelend uit de groen grauwe oogen. Met den voet de arme verminkte schoppend, snauwde hij haar toe: «Profeteer nu naar hartelust van je verlosser en vraag hem je verloren teenen terug!quot;
Barmhartige buren verpleegden haar. Zij stond nu alleen op de waereld. Haar wonden heelden. Ze was ook met vaster handen en door scherper geslepen staal geslagen dan den beul te Londen in de laatste jaren ter dienste stond. De algemeene liefdadigheid voorzag in de geringe behoeften der arme, die in den omtrek van Newton Abbot verpleging vond en van profetesse bijna tot simpele scheen verlaagd. Toch bleef het denkbeeld, dat haar jaren lang had beheerscht, haar bij. Zij bleef van den verlosser gewagen, die uit het Zuiden zou komen. In plaats dat de voorzegging tot moed stemde, verhoogde zij, van zulke lippen komende, den al-gemeenen weemoed. Te midden eener rouwdragende menigte, te midden der stomme wanhoop uit algemeene vrees geboren, te midden der in der haast gedolven graven, welke bij iederen regenslag of feilen windvlaag de lijken der geslachte overwonnenen prijs gaven, klonk de profetie als een bespotting of als het droombeeld van den waanzin.
En uit het Zuiden nog wel werd de Verlosser voorspeld!
»Och, Ellen was simpel geworden; reken haar dus de zotte praat niet aan, al ergert, al kwetst u die ook,quot; zoo riepen de bewoners van het visschersdorp aan zee, Brixcumley, even als de pachters in den omtrek van Newton-Abbot en Chadley of de burgers van Exeter, de hoofdplaats van Devonshire, elkander toe. Nog van morgen hadden ze \'t gedaan, toen ze de oude Ellen op haar kruk zagen voorbij hinken, en van deze de gebruikelijke belofte hoorden: »de verlosser komt!quot; en ditmaal hadden er eenigen de opmerking aan toegevoegd: »\'t is toch vreemd, dat ze altijd naar zee trekt als \'t Zuidenwind is. Hoe weet het arme schepsel dat zoo precies?quot;
Heel in de vroegte was ze van daag van huis gegaan en toen blies de wind nog uit het Oosten! De gang was voor haar een dag arbeids en werd altoos langs denzelfden weg gedaan. Dezen morgen evenwel was ze even buiten Newton-Abbot een ander pad gevolgd. Dat bad haar over een akker gebracht, welke door allen geschuwd werd. Welig waren er de heesters opgeschoten; rijker takken dan elders wiegden er aan de eiken.
»De verlosser komt!quot; prevelde zij, even wachelend daar haar kruk bij het neerzetten op een hard voorwerp was uitgegleden;
117
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
dat voorwerp was een verweerd bekkeneel. En \'t was toen of zij het gezicht van Ezechiël indachtig werd en zij de talloze doodsbeenderen, onder dien weelderigen plantengroei bedolven, met vleesch zag overdekken en zich hereenigen tot lichamen, die uit de kolken der verderving oprezen en zich dekten met de witte gewaden der Zaligen! En eindelijk op de rotspunt aangekomen,, waar zij gewoon was te zitten staren in het oneindige voor zich uit, had zij een geloofszang aangeheven uit den ouden tijd en als gewoonlijk dien besloten met de bede: »Kom haastelijk, Heere Jezus, kom!quot;
Haar zwakke oogen waren gewoon over de grenzenlooze vlakten te zwerven, doelloos, zonder iets te vinden waaraan de blik zich hechten kon. Maar nu...! Eeusachtige herfstdraden vertoonden zich aan de kim! Neen, dat waren geen draden â dat waren reusachtige vleugelen...! Neen, geen vleugelen van eenig nog onbekend zeemonster!... Dat waren de gebolde zeilen van honderden schepen en tusschen al die straks nog vale kleuren in schitterden nu lichtere vroolijker tinten, \'t Blauw en \'t oranje glimlachte hoog in de lucht: het blijdst en het vroolijkst in de breede banen der groots vlag, wapperend van het schip, dat de haven van Torbay het naast was gekomen.
»De verlosser is gekomen!quot; zoo juichte Ellen, de armen uitgebreid, de brandende oogen naar boven geslagen, naar den azuren boog, door het zonlicht met een lichtgouden weerschijn als overgoten. »Loof mijne ziele, den Heer !quot;
Zij haastte zich naar beneden te komen; als op gewiekte voeten snelde zij het land in. Aan de arbeiders op den akker, aan de pachters in de hoeven, aan de burgers der stad riep zij, van allen de eerste, de blijde tijding toe: »Hij is gekomen, de verlosser! Zoekt uwe wapenen op uit de verborgen plaatsen en treedt in het gelid!quot;
118
II.
Ja, het droombeeld der simpele had zich eindelijk verwerkelijkt. Daar ankerde de vloot, die meer dan zes honderd zeilen telde, voor de haven.
Welke geschiedenis had zij te melden! Van hoevele angsten met stilzwijgen doorstaan of in geveinsde blijmoedigheid ontkend, kon zij gewagen; van hoeveel tegenspoed ook, door een niet-uit-te-patten geduld of meer nog door een onwrikbaar geloof aan hooger bestuur in voorspoed verkeerd! En wat er op het spel stond was het lot van het goede land, dat zijn uiterste krachten had ingespannen, om zijn geniaalsten zoon te helpen in de uitvoering van het stoute en meest grootsche plan der moderne tijden â een plan, waarbij staatkunde en eerzucht wel op den voorgrond traden, maar achter welke beiden zich toch nog iets anders verschool en wat nog wel gelden mocht als de werkelijke beweegkracht: een zedelijk beginsel, een geestesbehoefte, de drang naar algeheele vrijheid van denken en gewaarworden op ieder gebied!
De eerste maal uitgezeild, was de vloot vier en twintig uren later in veegen staat, maar toch niet reddeloos verloren, terug gekeerd. Zijne Hoogheid had den anders zoo onwrikbaren wil aan band weten te leggen en het voorbeeld gegeven tot wenden. Verder ging echter zijn deinzen voor de vijandige elementen niet. Hoewel door zeeziekte geteisterd â hij leed daaraan meer dan eenig ander â wilde hij niet aan land terug gaan. Door geheel Europa zou dan de mare spoedig hebben geklonken, dat hij overwonnen was en den ontworpen toeleg opgaf. Tegen eenige overdrijving der geleden schade, om Jakob daardoor weder in slaap te wiegen, had hij echter niets.
Met de meeste snelheid werd de schade hersteld. Door den
DE KAPÃEIN VAN DE LIJFGAHDE.
spoedigen terugkeer, en het rustig beleid daarbij getoond, was die schade betrekkelijk niet groot; zoodat op den avond van den elfden November »de Brielquot;, het schip waarop Zijn Hoogheid zich bevond, weer zee had kunnen kiezen.
De wind was gunstig en in de voorgeschreven orde zagen de Hollandsche kusten vijf en zestig oorlogschepen, vijf honderd fluiten, zestig pinken en tien branders, te zamen zes honderd vijf en dertig zeilen, als een reuzengroot langwerpig carré op de wateren dobberen en wegdeinzen aan de kim.
Verheven schouwspel, waarbij de Muze der Historie haar bazuinen liet schallen, maar die der Poëzie zich nog tot dus verre zwijgende sluierde! Laat ons hopen, dat zij \'t slechts deed uit bescheidenheid, haar vermogen te klein achtend en de eischen haar gesteld te hoog! Verrukkelijk schouwspel, waarbij wij, zoo dikwerf het ons door de verbeelding op het veld onzer herinnering wordt afgespiegeld, zoo veel kleins en middelmatigs, zoo veel zwaks en onwaardigs als ons thands nog maar te dikwijls omringt, kunnen vergeten! Verrukkelijk schouwspel, zij \'t ook dat wij \'t thands alleen gaan bewonderen aan de hand des Geschiedschrijvers!
De wind blies frisch uit het Oosten. De vloot zette twaalf uur lang koers naar het Noordwesten. De kleine schepen, door den Engelschen Admiraal afgezonden om iets naders van het doel Zijner Hoogheid te vernemen, brachten de bevestiging van de reeds opgevatte meening, dat de vijand zou trachten in Yorkshire te landen. Eensklaps echter veranderde, op een signaal van \'s Prinsen schip, de gantsche vloot van koers en zeilde zij het Engelsch kanaal in. Dezelfde bries, welke de reis Zijner Hoogheid begunstigde, belette Lord Dartmouth den mond der Theems te verlaten. Even tien uur in den morgen was de vloot in het gezicht van Dover en Calais.
Zijn Hoogheids schip, allen anderen vooruit, wees den weg. De transportvaartuigen in het midden, de oorlogschepen om hen heen als schuttende wallen, zoo zich de vijand mocht opdoen. De Bngel-sche Admiraal Herbert kommandeerde de vloot; Evertsen en van Almonde dienden onder hem, dien ze zoo dikwijls hadden bestreden. Herberts post was in de achterhoede en menig Engelsch matroos, opgezet tegen \'t Papisme en aangelokt door de hooge soldij, diende onder hem.
Tegen den middag passeerde Zijn Hoogheid met zijn vloot de Eransche en de Engelsche kusten een mijl van Dover ten Noorden en van Calais ten Zuiden. De oorlogschepen aan den uitersten rechter- en linkervleugel salueerden beide vestingen te gelijk. De troepen verschenen in de wapens op het dek. Het schetteren der trompetten, het klinken der cymbalen en het roffelen der trommen, werden duidelijk aan de Engelsche en Pransche kusten ge-
120
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
hoord. Een tallooze menigte toeschouwers verdonkerde de witte baaien van Kent; een andere onafzienbare schare dekte de kust van Picardië. Bij zonsondergang was de vloot Beachy-Head voorbij. Toen werden de lichten opgestoken. De zee was vele mijlen ver als in een lichtgloed gehuld. Maar de oogen van al de stuurlieden waren gedurende den nacht op drie groote lantarens gevestigd, welke aan den achtersteven van »den Brielquot; flikkerden.
Toen Zondag, de veertiende November, aanlichtte, waren de klippen van Wight in het gezicht. Op dien dag gedacht Zijne Hoogheid zijn geboorte en zyn huwelijk. Er werd zeil geminderd gedurende de ochtend-uren en op alle schepen godsdienstoefening gehouden. In den namiddag en verder den geheelen nacht, vervolgde de vloot haar koers. Torbay was voor de landing gekozen. Maar de ochtend van Maandag den 15en was mistig. De loods van »den Brielquot; kon de bakens niet onderscheiden en leidde de vloot te ver naar het Westen. Het gevaar was groot. Te wenden tegen den wind in was onmogelijk. Plymouth was de naaste haven; maar daar lag een garnizoen onder bevel van Lord Bath. De landing kon betwist worden, en een nederlaag zou leiden tot ernstige gevolgen! Het leed geen twijfel, dat op dit oogenblik de koninklijke vloot de monding van den Theems zou hebben verlaten en met volle zeilen het Kanaal in was gestevend, de Hollanders achterna!
Russell, de moedige, de eerste der Engelsche Edelen, die gewaagd had naar den Haag tot Zijne Hoogheid te komen en die steeds de geheimen van Jakobs Geheimen Raad bleek te kennen, verloor allen moed en riep den Doctor in de Godgeleerdheid, Burnet, toe; »Je moogt gaan bidden, \'t Is met ons gedaan!quot;
Maar op datzelfde oogenblik draaide de wind; een lichte bries suisde uit het Zuiden; de mist klaarde op; de zon brak door; en onder het zachte licht van de stovende herfstzon, wendde de vloot, zeilde de Kaap van Berry Head om en viel kalm de haven van Torbay binnen.
Zijn Hoogheid werd opgewacht door honderden landbewoners, alle van nederigen stand en daarom te eer in staat den inner-lijken aandrang te volgen, zonder aan mogelijke gevaren te denken. »God zegene u! God zegene u!quot; riepen zij hem toe, eenigen van hen door het water wadend de sloep te gemoet, welke van »den Brielquot; was neergelaten en waarin de Verlosser met eenige zijner bevelhebbers zich bevond.
Willem van Oranje had den voet gezet op den Engelschen grond. Zijn vaste stap getuigde van beradenheid; zijn schitterende oogblik van moed en vertrouwen. Hij liet dadelijk seinen de landing te beginnen, \'t Allereerst begeerde hij paarden voor zich en den ouden Maarschalk Schomberg. Twee kleine werkpaarden wer-
121
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
den hem door een boer verstrekt. »In weinig tijds,quot; zoo meldt een Gazette dier dagen, »zag men de voetknechten en dragonders de bergen en klippen, soms vervaarlijk hoog, als katten onder het geluid van trommels en trompetten opklauteren.quot; \'t Was een opwekkend tafereel van krachtig leven en forsche beweging, waaraan de zang der matrozen en soldaten en het liefelijk zonlicht, dat alles overtintelde, een bekoorlijkheid te meer schonk.
De Prins en Schomberg stegen op, om den naasten omtrek te verkennen. Er mocht geen oogenblik verloren gaan.
Welke armoede aan alle kanten! Welk een vuilheid, gevolg van armoede uit verdrukking ontstaan! Welke onmogelijke wegen! De regens der laatste dagen hadden de klei doorweekt; de hoeven der paarden zakten in den kleverigen brij weg en bleven er vaak in steken. Op een hoogte aangekomen, zagen zij in de nabijheid den kerktoren van het stedeken Newton-Abbot en in de verte, in een wazig blauw half wegdommelend, de vele kerkspitsen der stad Exeter.
»Dat zal ons eerste hoofdkwartier zijn!quot; zeiden do beide legerhoofden. Zijn Hoogheid voegde er bij: »Maar verder trekken wij het land niet in vóór de beloften van den adel meer dan beloften blijken.quot;
Wat zou echter het eerste nachtkwartier zijn?
De Prins moest te midden der zijnen blijven en de zijnen waren nog maar voor een klein deel ontscheept. Het visschersdorp, Brixton, moest dus zijn verblijf zijn. De beste hut echter was nog ellendig bouwvallig en ellendig morsig. Wat walging voor een vermoeid aamborstige, die zoo tnoeielyk kon slapen en juist zoo veel slaap noodig had! Op den, door varkens omgewoelden, door kippen en duiven bevuilden, kleivloer werd een matras neergelegd.
Dr. Giles Burnet, die met zeer gemengde aandoeningen den vaderlandschen grond, van welken hij voor eeuwig door Jakob was gebannen, betreden had, was het gelukt te gelijk met eenige gardes da corps Zijner Hoogheid aan land te komen. Hij was den Prins dadelijk gaan opzoeken, daar hij er toch innig van overtuigd was, dat de Prins, hoe knap hij ook ware, eigenlijk geen oogenblik buiten hem kon. Was dit reeds in Holland zoo geweest, hoe veel meer hier. Maar de Prins scheen niet op hem gewacht te hebben: hij was nergens in den omtrek te zien. De goede doctor, later bisschop, voelde zijn opgewekte vaderlandsliefde en zijn vaderlijke bekommering over den verdwenen jongen bevelhebber langzamerhand wegdeinzen en plaats maken voor een steeds toenemende neiging naar rust en slaap. Hij begon zich inwendig driftig te maken over de onbetamelijk slechte woningen, waarin hij zeker zou worden ingekwartierd. Maar dat zou hij zich niet laten welgevallen; hij had recht op het beste logies!
122
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAB.DE.
Eenige soldaten van het Engelsclie regiment Mackay, dat bestemd was de voorhoede uit te maken â bij een mogelijken aanval zouden dan Engelschen op Engelschen stuiten â zag hij een paar matrassen naar zoo\'n onbetamelijk huis overvoeren. Hij wilde ze juist voor zich in beslag nemen, toen hij om den hoek van de stulp Zijn Hoogheid zag staan, de stevels tot aan de kap bijna met opgedroogd slijk bespat, den blauwen hoog om den hals opgetrokken mantel o^\'ersprenkeld met hetzelfde vuil, maar met hoog opstaande vederen op den laag gebolden hoed met breeden aan éen kant opgeslagen rand. Hij haastte zich hem te naderen. »Welkom in mijn land, Hoogheid!quot; riep hij ineens weder goedgeluimd. »Nu is het geraden bedaard te overleggen. Nü is \'t woord aan de menschelijke schranderheid. Wat zijn thands uw plannen, Prins?quot;
Niemand als Burnet kon zoo iets vragen, of zou dat ooit gewaagd hebben te doen. Menig scherp, koud, stekelig woord had hij maanden lang reeds moeten hooren van Willems bleeke lippen, als straf voor een onbescheidenheid, welke wel niet afgelegd scheen te kunnen worden.
Maar Willem bleek ditmaal al in een bijzonder goede luim.
quot;Wel, DokterJquot; zoo klonk het, terwijl de tengere hand op den breeden vleezigen schouder van den Godgeleerde werd gelegd, »wat denkt ge nu wel van de praedestinatie?\'\'
\'t Was de leer, die Burnet verfoeide.
De berisping was ditmaal fijn, te fijn voor den Doctor, die de wending, welke Zijne Hoogheid aan het gesprek gaf, niet opmerkte, maar er alleen het verlangen naar een theologiesch advies uit afleidde. Met warmte andwoordde hij dan ook, dat hij nooit de bijzondere beschikkingen zou vergeten der Goddelijke Voorzienigheid bij deze onderneming, maar dat hij toch de leer der Kalvi-nisten, tot welke Zijne Hoogheid zich tot zijn innig leedwezen maar al te zeer neigde, niet kon aannemen. Hij hoopte zelfs, dat Zijne Hoogheid, na de lezing zijner nieuwe remonstranties, welke hij aan boord had geschreven in oogenblikken dat hij niet zeeziek was....
«Prijs je gelukkig, doktor! dat je die nog hadt. Er zijn er die geen oogenblik er vrij van geweest zijn. Wel te rusten Iquot;
De doctor stond alleen: de Prins was de hut ingegaan. De doctor begreep nu voor wien de aangedragen matrassen waren bestemd.
»Kolonel!quot; riep hij den hoofdofficier toe, dien hij haastig zag voorbijgaan. »Waar bergt ge de mannen van de Pen en het Woord ?quot;
»In de kippenhokken als ze mager zijn, zooals Dominéé Castares.quot;
Voort was hij. De doctor kreeg het werkelijk benauwd. Hij wist niet wat verstandiger zou wezen: driftig of bedroefd te worden,
123
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
en daarom werd hij \'t allebei. Hij was Castares niet, de kalvinist, de prediker naar het hart van Zijn Hoogheid en van het lagere volk, een Presbyteriaan, een nachtkaars in lengte en magerheid!
De schemering daalde; de avond viel en daarom was hij zelfs bigde, dat hij op een paar planken, maar gedekt door een dikke matrozendeken, onder den blooten hemel, maar achter een muurtjen dat de wind keerde, zich te slapen mocht leggen. Waarom had hij zich ook zoo gehaast het schip te verlaten, waar hij zoo\'n goede hangmat had gehad?
Maar dat was immers in het algemeen belang geschied, waarvoor hij alles, zelfs zijn nachtrust, veil had. Het laatste was maar half waar, want hij was gruwelijk verstoord over zulk een slaapplaats, al zag hij ook Mijnheer van \'s Gravenmoer en ook Mijnheer van Ginckel niet ver van zich af in denzelfden toestand. Maar die Hollandsche ijzeren mannen konden er zeker beter tegen, want zij schertsten zelfs nog met elkaar en over hem; ze waagden hem toe te roepen, dat ze hem zijn wel doorvoed vleesch nu benijdden, daar het bij zulk een harde ligging zeker goede diensten bewijzen kon. Hij was erg boos, en toch nog van allen het eerst in slaap.
De goede drukke doctor!
Hij behoorde tot een soort van menschen, welke wij allen op het levenspad wel eens ontmoet zullen hebben: personen, wien geen enkele zwakheid der menschelijke natuur vreemd is gebleven en die we, in weerwil daarvan of misschien wel juist daarom, liefhebben; personen, die gedurig deugden in gebreken, maar ook gebreken in deugden omzetten en, terwijl ze dat doen, ons juist het beminnelijke van het echt menschelijke doen erkennen en huldigen.
Al was de slaap minder verkwikkelijk, de ochtendzon minder schitterend geweest, toch zou de doctor even goed gemutst zijn ontwaakt. De wind, die in den nacht bijna tot een orkaan was aangegroeid, was bedaard. Het Wilhelmus klonk van de zee-, het Lullibullero van de landzijde; de in den avond en in den ochtendstond aan wal gebrachte paarden hinnekten, de gelande troepen defileerden en salueerden de groote vlag, die het wapen van Oranje, gekwartierd met dat van Engeland, vertoonde en waaronder met groote letters stond gestikt het bekende: Je maintiendrai, thands aangevuld met: »de Protestantsche religie en de vrijheden van Engeland.quot;
Een groot carré werd gevormd. In \'t midden stonden Zijn Hoogheid en de hoofd-bevelhebbers met Burnet; op een kleine verhevenheid de prediker Castares â Burnet had zijn ooren wel willen dicht stoppen â en om de soldaten heen, met glanzend gelaat en met verrukking in de betraande oogen, honderden vis-schers en landbouwers.
124
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE.
De prediker wees op de genade Gods, hun zoo zichtbaar gebleken in de wonderlijke uitredding van vele benauwdheden. De moeilijkste omstandigheden waren verkeerd in gunstige, zoodat het kinderlijk geloovig hart wel moest erkennen, dat de wetten der natuur door den Almachtige ten bate »der eenig ware religiequot; waren opgeheven. Juist honderd jaar geleden was de Armada vernietigd door den toorn des Allerhoogsten. Burgerlijke vrijheid en goddelijke waarheid waren weder in gevaar geweest, en weder hadden de elementen voor de goede zaak gestreden. De wind had krachtig uit het Oosten gewaaid toen Zijn Hoogheid het Kanaal door wilde stevenen en was naar het Zuiden gekeerd, toen Hij bij Torbay wilde binnen vallen; had zich gelegd bij de landing eu was, toen deze volbracht was, weder opgestoken, den vervolgers tegen, die aan den horizon verschenen, ia den afgeloopen nacht weder hadden moeten afdeinzen. God de Almachtige was vóór hen, wie zou dan tegen hen kunnen zijn?
Na de kernachtige toespraak steeg de oodmoedige bede ten hoogen en eindelijk Luthers zegelied, door allen der omstanders aangeheven, die straks naar de vier windhoeken de blijde mare zouden heen dragen en van de groote dingen getuigen, die er waren geschied!
Groote plakaten verkondigden hier en daar aan het leger, dat alle gewelddadigheid aan den lijve zou worden gestraft, daar men in bevriend land optrad, en dat al wat geleverd werd dadelijk moest worden betaald.
Een nieuwe reden van tevredenheid, een nieuwe oorzaak van vriendschappelijk verkeer! Levensmiddelen en dranken werden in groote hoeveelheden aangevoerd. Dit veroordeelde onze doctor geenszins; maar er was toch weer iets wat hem niet aangenaam stemde. Dat optreden van Castares vond hij een fout, welke niet ware begaan als men hem had geraadpleegd. De Episcopaalsche kerk had men te vriend te houden en daarom hém de Dienst moeten laten doen. Hoevele fouten zouden er nog geschieden, indien men voortging zoo als men begonnen was!
125
III.
⢠De stortregens, welke vele uren lang neer gudsten en de slechte wegen, zoo ongelijk aan wat Zijn Hoogheid in zijn vaderland gewoon was, zelfs voor de voetknechten onbegaanbaar maakten, hadden eindelijk opgehouden. De Prinsenvlag wapperde van de toren van het kasteel Ford, een prachtige bezitting. van het oude en doorluchtige geslacht der Courteneys. De eigenaar liet het Zijne Hoogheid, die daar het hoofdkwartier had opgeslagen, aan niets ontbreken, maar hield zelf zich schuil. Hoewel een der Whigs â de liberalen en radikalen dier dagen â waagde hij het niet, den aanvoerder der invallers, voor wier welslagen alles wat in hem was ijverde, eenig bewijs van hulde te toonen.
Geheel het Westen was nog onder den indruk der wreede slachtingen van Jeifreys, en zij die nog iets te verliezen hadden het meest. Daarbij kwam, dat niet éen Engelschman van digniteit en qualiteit zich nog bij Zijne Hoogheid had gevoegd. Deze zag zich wel omgeven van de hooiden der samenzwering, die met hem den tocht hadden mede gemaakt, maar vond al hunne verzekeringen, dat het gantsche land hem bij den eersten voetstap op de kust zou bijvallen, een logen. Bij zich zei ven overwoog hjj reeds de vraag, of het niet geraden zou zijn terug te keeren en de keurbenden, die hij meê voerde, voor het vaderland te bewaren.
Naar buiten deed hij daarvan nog niets blijken.
Opgeruimd zelfs als maar zelden gaf hij in overleg met den ouden Maarschalk zijn bevelen. In den liefelijken omtrek van Newton-Abbot had hij zijn regimenten gelegerd: zijn gardes du corps in de onmiddellijke nabijheid, dan zijn oude Hollandsche regimenten Solms, Ginckel en Opdam, verder op, naar Exeter toe, de andere Hollandsche, Duitsche en Zweedsche en eindelijk, slechts weinige mijlen van de straks genoemde hoofdstad van Devonshire verwijderd, de zes Engelsche en Schotsche.
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
\'t Was reeds ver in den namiddag. De loodgrauwe wolken hadden zieli gescheiden en lieten het blauw van den hemel door. De zon wierp hare schuinsehe stralen op het marktplein der kleine stad. De trompetten schetterden driemaal. Al de inwoners schenen wel op éen punt saamgestroomd. Op een verhevenheid, uit eenige rotsblokken in der haast opgebouwd, stond een Engelsch officier, in schaduw van de groote vlag. Hij las met luider stem »de declaratie Zijner Hoogheid en het Bijvoegsel tot deze,quot; voor, en de inhoud wekte toejuichingen en betuigingen van toestemming, van hulde en trouw, van gehechtheid en lielde!
«Geeft ons wapenen! Er zijn er niet veel, die ze meer dragen kunnen, want zij die \'t konden, liggen onder den grond of werken als slaven in de West-Indiën, maar neemt de ouden en de kinderen voor zooveel zij da kracht hebben een piek te dragen!quot; zoo werd van alle kanten verzekerd. De plek, waar dat tooneel plaats had, was voor altijd geheiligd. In onze dagen nog duidt een steen de plaats aan, waar de gezindheid van de schamele landbevolking het eerst met overweldigende kracht en eenheid zich uitte. Het werd Zijner Hoogheid geboodschapt, \'t Was een teleurstelling voor den bode. Sat hij het strakke gelaat van den meester er niet door veranderen, dat hij hem den schouder licht zag ophalen en dadelijk bevelen hoorde geven, om enkele regimenten te doen oprukken en alles gereed te houden voor den intocht binnen Exeter op den volgenden dag. Gelukkig nog dat de opgewonden man niet de woorden had kunnen vernemen, die Zijne Hoogheid tot de lippen deed komen: »Katvisch is er altijd genoeg!quot;
Maar weldra zou er een welkomer bode in het hoofdkwartier verschijnen.
Terwijl »de declaratiequot; gelezen werd en al wat adem had ademloos luisterde, was aan de uiterste voorpost een buitengewone beweging ontstaan. Langs het bergpad, dat een tiental musketiers van Mackay\'s regiment onder een Vendrig bezet hield, kwam een man op een ellendigen hit, die haast den last niet meer dragen kon, aangereden. De musketten werden op hem gericht bij de vraag; wie hij was, waar hij vandaan kwam en waar hij naar toe ging.
»Te veel vragen op eens, Fred!quot; riep de reiziger den verbaasden Vendrig toe, die den sabel haast uit de hand liet vallen bij de onverwachte begroeting.
»De Kaptem!quot; juichte Fred, »Kaptein Semeyns, mannen! Rust!quot; kommandeerde hij, trad voor het front en maakte het militair saluut.
igt;Zoo, mijn jongen! \'t doet me genoegen je in je vaderland te ontmoeten.... dus tóch meêgekomen! Ik was bang dat de geeling je in Hellevoet zou houden____quot;
127
DE K-Al\'TEIN VAN BE LIJFGARDE.
»\'t Vooruitzicht van de weerwraak was voor mij de beste medicijn, Kaptein! De gal, die nog niet bij me in orde is, zal me hier te feller doen vechten. O ik heb zooveel te wreken!quot; riep de jonkman van even vier en twintig, op de tanden knersend, uit.
«Zullen we uw paard naar den vilder brengen, Kaptein?quot; vroeg een der soldaten droog.
»Zeker niet. Hij werd me geleend door een landbouwer, hier wel zes uur van daan, toen ik niet verder loopen kon. »Is \'t je mogelijk,quot; zei me mijn weldoener, »dan breng je hem me terug; anders hou je \'t beest maar; zachts dat ik ook iets doe voor den
goeden Prins!____quot; En zoo oordeelen ze allen op het platte land,
van Londen af.quot;
»Hoerah!\'\' riep Fred; in welken juichtoon de anderen van gant-scher harte deelden.
»Mijn jongen, ik kom straks een bottel cider met je drinken. Geef »mijn rosquot; een paar goede sneden zwart brood,quot; zei de Kaptein schertsend, terwijl hij het bevend viervoetig dwergjen den vochtigen neus strookte. »Ik moet nu verder. In den omtrek zijn er geen vijanden, en mocht ge al eenige mannen zien in kleêren, door Koning Jakob betaald, schiet er dan maar niet zoo dadelijk op, want \'t kon best wezen dat je goede vrienden vóór hadt!quot;
»Begrepen! Begrepen! Een goede boodschap!quot; riepen de soldaten.
»Een heele slechte!quot; schreeuwde de Vendrig, wien de geeling nog in het lijf scheen te spooken. »Vechten wil ik met die slachters! Het bloed wil ik van hen, die het bloed van de mijnen namen! Hoofdhair noch baard laat ik mij korten voor vader en broêrs gewroken zijn...
»Stil, Pred!quot; fluisterde Semeyns hem toe, toen hij even met hem op zij was getreden; »wie onder het Prinsenvaandel staat moet tucht kennen. Gehoorzaamheid is de eerste deugd â dapperheid eerst de tweede . ..
»U heeft goed praten!quot; bromde de geelbleeke jongeling, wiens licht-blonde hairen sluik neerhingen langs de matbleeke slapen en wiens rosse ruige baard tuigenis aflei van den ernst, waarmeê hij tot dusverre de afgelegde gelofte nakwam. »Hebben ze u verkocht als slaaf voor tien pond zooals ze mij deden? Tom Butler, de verklikker die me aanbracht, moet hier wonen----!quot;
»Ik verbied je te doen wat een gewoon jonkman zou doen----
Je hebt de eer de oranje-bandelier te dragen, â blijf die waardig!quot;
Zonder meer te willen hooren, wendde Semeyns zich af, stapte de hoogten op, waar hij te midden van een boschjen kreupelhout het Regiments-vaandel zag wapperen. De Kolonel ontving hem met de grootste hartelijkheid.
»Dat \'s waarachtig vlug! We zijn nauw drie dagen hier, en nu al bij ons!quot;
128
DE KiPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
sZijn Hoogheid wordt goed gediend door Mijnlieer van Citters, maar deze wordt wederkeerig goed ingelicht door of van wage Zijn Hoogheid. Kan ik naar het Hoofdkwartier, Kolonel?quot;
»Ik ga met u.... Heeft u eenig schrijven hy u?quot;
»Zeker niet; daarvoor is Mijnheer van Citters te voorzichtig...! Een boodschap echter wel, die ik van buiten heb geleerd, om dezelfde woorden te kunnen overbrengen; en dat was noodig daar ik niets van den inhoud begrijp. Ik had voor mijn studie, op mijn wandeling hier naar toe, al den tijd.quot;
»LT is van Londen komen wandelen ?quot; vroeg Kolonel Mackay verbaasd.
»Niet geheel, maar toch het grootste deel. Ik ging \'s nachts te voet op reis met een tamelijk goede kaart; den dag daarop trof ik den postwagen naar Salisbury en daarin moest ik mijn nachtrust vinden. Die postwagen ! Hij helde meest rechts over; de hit dien ik de laatste zes uren onder mij bad, deed het links, waaraan ik het te danken heb dat ik mij op dit oogenblik rechtstandig naast u kan vertoonen.quot;
De Kolonel glimlachte. »TJ komt opgeruimder terug dan u is heengegaan. Zeker kort geleden goede berichten van huis gehad ?quot;
Semeyns kleurde even. »Ik kreeg nog geen enkelen brief, maar denk maar: geen tijding, goede tijding. Ik schreef eens, maar of de brief terecht is gekomen bleek me nog niet. De schaduwzijde van onze officie. Kolonel! Van vrouw en kinderen gescheiden te leven...! Maar wat zou hun kwaads overkomen in Amsterdam? zoo troost ik me maar.quot;
»De mijne bleef in den Haag â maar zoo spoedig ik kan laat ik haar overkomen.quot;
»11 heeft ook geen kinderen zooals ik, Kolonel...!quot;
»Ja dat is zoo; en daarbij geloof ik dat uw vrouw ook wel eenige jaren ouder is...quot; lachte de Kolonel.
Er kwam een gevoel van ergernis op bij Semeyns, dat hij echter wijselijk wist te verbergen en te beheerschen.
»Heht ge in Londen gevaar geloopen?quot; vroeg de Kolonel eensklaps, alsof hij toch iets gemerkt had en daarom aan het gesprek een andere richting wilde geven. »Doe ik een vraag, die je niet beandwoorden kunt zonder eenig officie-geheim te schenden, dan blijft ge zwijgen. Je staat nog niet onder mijn kommando.quot;
jiVan harte graag kom ik er weer onder. Dat mij deze zending werd opgedragen, die mij wel uitzicht geeft op eenige avancement, heb ik aan uwe vriendelijke interventie te danken. Ik ben er u zeer erkentelijk voor.quot;
»Daar is geen reden voor. Had ik je niet boven anderen daarvoor bekwaam geacht, ik zou je niet hebben voorgedragen.quot;
»Dat weet ik. Kolonel! Uw vraag tuigt van belangstelling en niets verhindert mij er andwoord op te geven.quot;
Nu gaf hij een kort verslag van de feiten, welke wij reeds-
KAPT. VAN DE LIJFGARDE. â I. 9
129
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAEDE.
kennen. Vreemd genoeg echter genoot Maud niet de eer van in het gebeurde betrokken te worden. Van den ouden rondkop, die zoo spoedig en zoo treurig aan zijn einde kwam, van de radelooze Sally en de van schrik verstomde Kit des te meer.
»Wat zou ik,quot; vervolgde hij, »met die vrouwen beginnen midden in den nacht op een plek, eenige ellen maar in het rond verlicht door de fel brandende woningen? Naar ik vernam waren deze het eigendom van den vermoorde, die jaren had gespaard om het geld van de koopsom te vinden, en te zuinig was geweest om zich tegen brandgevaar te dekken, zoo als men bij ons, in de steden ten minste, doet. Ik hoorde dat zijn vroegere patroon in Londen woonde â in Fleetstreet â en dat hij een Hollander was, dezelfde door wiens tusschenkomst Mijnheer van Citters mij een paar kranten had doen toekomen. Gelukkig! Ik kon de vrouwen onder dak brengen en mij zeiven ook, zonder dat ik opzien wekte. Ik moet zeggen, dat Mr. Stevens eer doet aan zijn landaard. Hoewel diep in de zestig schuwde hij voor mij geen moeite. In zijn nette kleine woning kregen de vrouwen een goed kwartier, en ik in de werkplaats, waarvan in allerijl het achterst en minst in \'t oog vallend gedeelte werd afgeschoten, met matten bedekt en van een uitmuntend bed voorzien zoo als ik er in de laatste tien dagen geen had gehad. Den volgenden morgen had ik al tijding van Mijnheer van Citters. Mijn gastheer had hem dus al heel gauw in kennis gesteld met wat mij wedervaren was. De lersche, die, zooals men mij vertelde, den geheelen nacht op haar kniën had gelegen en gebeden gepreveld, was \'s morgens spoorloos verdwenen. Zij had zeker de droefheid van de vrouw, die zij tot weduwe gemaakt had, niet langer kunnen aanzien... Dat zij ten tweeden male verraad zou plegen, vreesde ik niet. Mr. Stevens was echter niet van mijn gevoelen en duchtte voor mij het ergste. Hij ging weder Mijnheer van Citters raadplegen, die eindelijk er in toestemde mij in zijn huis op te nemen. »Mids het in het holle van den nacht gebeure en langs omwegen, want de weg naar mijn huis wordt door vele spionnen omgeven; van ieder die in- en uitgaat wordt nota genomen,quot; had hij gezegd. Ik werd eenige nauwe straatjens door gevoerd en kwam door een pakhuis, waarin allerlei afval bewaard scheen, in het achtergedeelte van Mijnheers woning. Ik mocht me nauwelijks in mijn kamertjen bewegen; het hokjen, ware \'t maar een oogenblik, te verlaten, werd me streng verboden. Als Hannes, de lijfknecht, geen dobbelsteenen had gehad en ze niet met mij had willen gebruiken, dan zou ik me onbeschrijfelijk hebben moeten vervelen. We maakten een pot van eenige shillings en gingen dien uitgooien of gaven elkaar raadseltens op. Van zijn steenen ging een verdachte geur uit en van zijn raadseltjens niet minder. Een vularair man. Kolonel!quot;
130
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
-»In extra ordinaire omstandigheden misschien nog het beste â gezelschapmerkte de Kolonel op schertsenden toon aan.
«Gelukkig dat ze spoedig wat meer ordinair werden. Hannes vertelde me zekeren middag na het uitgooien van den pot â wat hij telkens deed, hetgeen me op \'t vermoeden bracht dat hij de natuur zijner dobbelsteenen beter dan ik kende â dat in de City weer wat oranjelintjens gezien werden en dat Mijnheer dien morgen voor het eerst sedert weken had geglimlacht tegen een zijner schrijvers. »Ik hou je op de hoogte, vrind!quot; had hij de goedheid te zeggen; terwijl hij achteloos weer een mijner shillings naar zich toe streek en daarna mij goedig op den schouder tikte. Maar zijne zich zoo laag nederbuigende goedheid was vier en twintig uren later overbodig. »Ik moet je naar boven brengen,quot; zoo kwam hij \'s namiddags me haastig berichten. »Mijnheer wil je de eer aandoen met je te spreken. Geef je handen nu een dubbele beurt, hoor, want Mijnheer is kraakzindelijk. Mijn eigen barbier heb ik voor je besteld. Wil je een schoonen halsdoek van me omdoen? Ben je wel eens meer bij een hoogen Mijnheer geweest? Ik zal je aandienen, dat helpt; anders had je zacht te tikken en zóo lang te wachten, tot je permissie krijgt binnen te komen, wat soms heel lang kan duren, vooral als \'t humeur niet te best is. Wil je wel geleoven dat ik, Mijnheers confident en eerste lijfbediende, voor veertien dagen, toen hier de tijding kwam van \'t vergaan der vloot en \'t er erg spaansch uitzag... dat ik toen wel een vol kwartier met mijn oor tegen de deur moest staan luisteren...quot;
»Nu vind ik hem toch ook heel vulgair!quot; riep de Kolonel lachende, »maar ik geloof, Semeyns, dat je overdrijft.quot;
«Waarlijk niet,quot; verzekerde deze.
De Kolonel had zijn Kaptein, die knap, dapper, maar meestal hoog ernstig en karig met zijn woorden was, met klimmend verbazen aangehoord, en vond de opvatting, welke hij altijd had voorgestaan, dat een avontuurlijk leven het beste was voor een krachtig man, in Semeyns ten volle bewaarheid.
gt;En hoe was de les van den dorper verder?quot; vroeg hij.
»Als ik was toegelaten, dan moest ik, even over den drempel, in diep gebogen houding blijven staan en, het verlof hoorende nader te treden, een of twee stappen, naar dat de kamer groot was, naar voren doen en dan weer in dezelfde houding wachten. Hannes had mij misschien nog veel meer te leeren gehad, indien niet een der schrijvers zonder te kloppen bij mij was binnen getreden en mijn leermeester vrij ruw had toegevoegd; «Mijnheer
wacht al meer dan vijf minuten op____Mijnheer.quot; Bij het laatste
woord wees hij met een lichte buiging op my. De arme Hannes wist niet hoe hij \'t had. Ik geloof dat al mijn shillings, in de
131
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
laatste dagen uit mijn zak naar den zijnen overgesprongen, daar in opstand kwamen en gereed waren een tweeden dans, maar in tegenovergestelde richting, te aanvaarden. Hannes stak ten minste zijn hand in den zak en sloot daardoor iedere opening af. Vervolgens mompelde hij wel wat verlegen: »als... Mijnheer... me dan maar volgen wil.quot; Ik meen me zeer goed te herinneren dat hij \'t woord Mijnheer heel moeielijk uitbracht. «Mijnheer moet dan maar voor Mijnheer komen, zooals... Mijnheer is...quot; Ik zal \'t boven wel goed voor je maken, Hannes! en zeggen dat je \'t best met me voor hadt! zei ik »Neen, neen, toch niet! spreek om Godswil niet van de dobbelsteenen,quot; fluisterde hij. »Je weet in dit huis niet meer wie je voor hebt. Je zoudt, bij mijn ziel, zelfs met de bedelaars aan de buitendeur in de war komen... \'t Zijn misschien ook nog wel Mijnheeren!quot; De laatste opmerking, door mij alleen gehoord, was niet erg vereerend voor mij, maar zeker zoo niet bedoeld. Hannes was nu eenmaal zijn rustige kalmte en zijn degelijk gevoel van meerderheid kwijt. De schrijver begreep dit misschien ook, en verwachtte geen dadelijke gunstige verandering, daar hij de leiding der zaak overnam en mij verzocht hem te volgen ...quot;
»Dat Mijnheer van Citters er zulk een simpele knecht op na houdt, komt me toch vreemd voor.quot;
»Mij ook, in den beginne altans; later evenwel leerde ik inzien, dat het zoo heel slecht nog niet gezien was weinigzienden en hardhoorenden in een huis te hebben, waarvan de bewoners zooveel geld waard waren als ze goed zien en goed hadden kunnen hooren. Mijn eerste blik op Mijnheer den Gezant Hunner Hoog-edelmogenden gaf me al dadelijk aanleiding tot mijn beter inzicht. Een ontzachgebiedend voorkomen, fijne trekken, scherpe oogen! Ik heb ruimschoots gelegenheid gehad prachtexemplaren van de regeerende Heeren te zien en kon dus vergelijkingen maken.quot;
Semeyns\' stem had weder het snijdende, dat hem in oogen-blikken van ergernis en wrevel kenmerkte.
))Zijn Hoogheid is te Torbay geland,quot; zoo hoorde ik mij toespreken. »Ik supposeer dat u daar nu nuttiger kan zijn dan hier ...quot;
»En toen werd je voorgezegd,quot; viel de Kolonel in, »wat je zoo aanstonds kunt gaan navertellen, want wij zijn aan het Hoofdkwartier en hem, dien je spreken wilt, schijnt je al te hebben opgemerkt.quot;
132
IV.
Zijn Hoogheid was dien morgen reeds vroeg lütgereden, had de posten bezocht, naar voeding en ligging gevraagd, den weg naar Exeter verkend, de marsch-route, door de voorhoede tegen den namiddag te volgen, vastgesteld en was na zijn rit in een opgeruimde stemming teruggekomen. Op het voorplein van het kasteel, waarvan de eigenaar, hoewel altijd nog onzichtbaar, uitnemend voor zijn hoogen maar ongebeden gast bleef zorgen, had hij zich eenige oogenblikken met den Graaf van der Lip en Mijnheer van Zuilesteyn onderhouden. Hij had zich echter van dezen afgewend, toen Kolonel Bentinck de hooge trappen afdaalde. De anderen traden dadelijk terug en bleven staan bij de valbrug, daar zij nog geen verlof hadden ontvangen zich te verwijderen.
»Ik heb je rust niet willen storen____die heb je noodig. Jan
Willem!quot; hoorden zij Zijn Hoogheid den nadertredende toevoegen, terwijl hij dezen gul de hand reeds van verre toestak.
Wat school er een hartelijkheid in den toon, wat kwam er een blijde glimlach op het gelaat, dat straks hun nog zoo strak en stroef voorkwam! Maar \'t was dan ook Willem Bentinck, Heer van Drimmelen en van Ehoon, den boezemvriend Zijner Hoogheid, de eenige voor wien de steeds geharnaste borst het metalen bekleedsel aflei. En wel mocht dit ook zoo zijn! Nog maar een knaap was hij als paadje, daarna als kamerjonker, bij het Kind van Staat geplaatst; tóen reeds wist Jan Willem Bentinck alle geheimen van den jongen meester, die zooveel te verbergen had. Wat de groote Raadpensionaris er voor zou gegeven hebben, indien hij de beide jongelieden eens onbemerkt had mogen gadeslaan! Hge hij hoogten zou hebben ontdekt, waar hij nu slechts vlak land meende te zien; murmelende en bevruchtende beekjens, waar hij slechts dorheid ontwaarde; zeeën van vuur hooren bruischen
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGABDE.
onder de ijsvlakten, welke laatste alleen zijn oog kon opmerken. Van welk gehalte de vriendschap was dier beide jongelingen â Bentinck was slechts vijf jaar ouder â bleek voor \'t eerst naar buiten, toen de Prins door de pokken werd aangetast en de genees-heeren als eenig redmiddel de opoffering vroegen van een gezond organisme, om zich met de smetstof van den in krachten steeds afnemenden lijder te belasten. Bentinck bood zich daartoe aan; Bentinck sliep des nachts en waakte over dag bij den vriend, reikte de geneesmiddelen toe, welke de Prins van niemant anders wilde aannemen en toonde de kracht in de ziekekamer te blijven tot het gevaar voorbij was, niettegenstaande de pestsmet ook in zijn sterk lichaam woelde en dit ondermijnde. Uitgeput en reeds met de afzichtelijke teekenen der ziekte bedekt, vleide hij zich eindelijk op zijn eigen bed neder. De dankbaarheid van den geredden Oranje-zoon was grenzenloos. Zoo als bij de zoogenaamde stille naturen, welke niet licht worden aangedaan en ontroerd, was een aandoening bij Willem van Oranje, zoo ze eenmaal tot de diepten van zijn gemoed was doorgedrongen, onvergankelijk.
Willem van Oranje en Jan Willem Bentinck vulden elkaar van dien tijd af als aan. In iedere levensomstandigheid stonden zij naast elkaar, \'t Was weinige weken geleden nog gebleken. Bentincks vrouw was lijdende en kon niet herstellen toen de groote tocht naar dit land werd aangevangen, en Zijne Hoogheid had hem gebeden te huis te blijven en later te volgen. De ander wist echter hoe noodig hij was in de ure des gevaars, en dat er dreigende\' gevaren te bekampen waren begreep hij meer dan ieder. Hij volgde den vriend, die hoogere belangen vertegenwoordigde. Maar de storm, die de vloot tot terugkeeren dwong, bracht hem terug aan het ziekbed van de moeder zijner kinderen, tijdig genoeg om haar laatst vaarwel van de verstijvende lippen op te vangen. Hij mocht haar stof de laatste rustplaats bereiden en kon toen, verlost van zijn angst, maar gebukt onder den rouw, zijn vriend vergezellen.
Een nobel gelaat, nog nobeler dan gewoonlijk nu de smart het hooge voorhoofd bewolkt en de zware wenkbrauwen welven, de groote bruine oogen eenigzins dof staren, en de forsche lippen van den groeten, doch schoon gevormden mond sluiten doet! Wie zijn beeldtenis, door Simon de Bois geschilderd, aandachtig beschouwt denkt in de trekken om neus en mond iets strengs en stroefs te lezen en acht de groote onderkin, welke vaak den indruk geeft van goedigheid, weinig voegend bij de diepe groeven, welke de benedenwangen scherp teekenen en begrenzen. Een dikke halsdoek omgeeft nu den gespierden hals; een hoed, op welks breeden rand een zwarte veder lag dekte het bepruikte hoofd; de blauw laken rok, op de borst verborgen onder een metalen kuras is aan de mouwen met rood uitgemonsterd; de broek van dezelfde
134
DE KAPTEIN VAN BE LTJEGABDE.
kleur is maar even zichtbaar waar de panden van den langen rok eindigen en de kappen van de rijlaarzen beginnen. Een strik van zwart krip is aan zijn schouder gehecht en het gevest van zijn sabel is geheel omfloerst. Verklaarbaar waren dus de woorden Zijner Hoogheid toen hij Bentinck in het oog kreeg.
Ja, rust had de verslagen echtgenoot noodig. Maar had hij die gevonden? De pijnlijke glimlach op zijn gelaat, toen hij de hem toegestoken hand aannam en drukte, deed het betwijfelen.
»Och, je hadt by de kinderen moeten blijven!quot; zei Zijn Hoogheid, zijn rechter arm op dien zijns vriends leggend. »Was onze Mary maar bier!quot; \'t Was Bentincks oudste dochter, dus genoemd naar prinses Mary, de gemalin Zijner Hoogheid.
»Ja, de twee Mary\'s!quot; hernam Bentinck. »Ze zullen ons volgen met de oogen der liefde en.... die schreien zoo gauw....quot;
»Niet zoo! Zet je maar dadelijk in \'t zaal! Neem mijn paard; dat is al wat afgereden en een moê man moet er zoo een hebben.quot;
»Ik weet dat het onvoorzichtig zou zijn haast te maken, maar ik zal blij wezen als we op kunnen trekken. Geen nieuwe vrienden van nacht aangekomen?quot;
Zijn Hoogheid schudde met ergernis het hoofd.
«Verder dan Exeter waag ik myn troepen niet! Of denkt ge dat het geraden zou zijn...?quot;
«Sneller voort te trekken? Ik durf op dit oogenblik geen raad geven. Ik zou niet onpartijdig genoeg kunnen zijn. Ik smacht naar afleiding en die vind ik het meest en het best in beweging... Toch zou wachten en niets doen het voorzichtigst kunnen zijn,quot; hernam Bentinck.
Zyne Hoogheid liet Bentincks arm los en wees naar de valbrug. »Ik ken den man die naast Mackay hier heen komt... Wacht...
dat is mijn laatste bode____ Je hebt hem vroeger ook gebruikt,
zoo als hij me zei....quot;
Mackay salueerde, Semeyns nam zijn breed geranden hoed af; beiden, bleven toen staan.
De Prins wenkte hen te naderen. »Kaptein Semeyns!quot; zeide Mackay, den ander voorstellend.
»Gredaan wat ge hadt te doen?quot; vroeg de Prins.
Semeyns knikte toestemmend.
»Zond Mijnheer van Citters u hier heen?quot;
»Ja, Hoogheid, met een boodschap.quot; Semeyns zag even om zich heen. Mackay deed een paar stappen terug.
»Een boodschap? Geen brief dus? goed! Welke?quot;
»Het «zwaardquot; denkt »het kruisquot; tot in Salisbury te brengen. »De paardenquot; staan gezadeld. Ze waren al gekomen, maar ze zochten »de ruif in \'t Oosten.quot; »De vosquot; den strik ontloopen. Langzaam op reis waar »het kruisquot; komt; voor de rest wordt gezorgd.quot;
135
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Zoo, zoo!quot; hernam de Prins, zonder eenige bevreemding over dien zonder haperen overgebrachten onzin. »Wat weet je van de gezindheid der bevolking?quot;
»Zij is algemeen voor Uw Hoogheid. Toen ik vertrok was Londen in gisting. Mijnheer van Citters, hoe verdacht ook in White-hall, is veilig en zou dat zelfs zijn al was hij minder voorzichtig dan hij is.quot;
»Waarom zegt ge dat?quot;
»Omdat dit feit de richting der algemeene meening toont en de kracht, welke haar door den Koning wordt toegekend.quot;
»Juist geoordeeld. Zijn er violente maatregelen genomen toen \'t bekend werd, dat wij, door storm beloopen, onze havens weer moesten binnenvallen?quot;
»Ik ving hier en daar een woord op. De bijeenroeping van het Parlement werd uitgesteld, de Bisschoppen tot het doen van gebeden verplicht, wat zij weigerden; lersche knechten werden óm en in Londen gebracht; eenige der luidste kraaiers aan den lijve gestraft zonder vorm van proces....quot;
»Waarlijk!quot; liet Zijn Hoogheid zich ontvallen, en de toon waarop hij dat woord zeide had iets warms.
»Ik was getuige van éen schandelijke daad, welke een niet licht ie overkomen onwil onder de lagere bevolking van Londen te weeg bracht____quot;
»Ãn het pakket dat ik u ter hand stelde?quot;
»Ik vermoed, dat het \'t Bijvoegsel tot »Uwer Hoogheids declaratiequot; bevatte. Ik heb bij mijn vertrek uit Londen zelfs voor een der kleinste bierhuizen \'t luide hooren voorlezen.quot;
»In orde. Zijn er geweest, die je kwaad of die je goed hebben gedaan, zoo geef hun namen op aan je Kolonel, die dat niet lang meer zal wezen, want ik neem je op als kaptein onder mijn garde du corps, zoodra wij zijn .... waar wij wezen moeten ....quot;
»Uit den grond van mijn hart dank ik Uw Hoogheid. Ik weet wat eereplaats Uw Hoogheid mij toekent en hoe overrijk de belooning is...quot;
»Ik acht de belooning geëvenredigd aan de dienst... Reeds woorden genoeg gewisseld!quot; zei Zijn Hoogheid koud, waarna hij omkeerde en met Bentinck zich verwijderde. Zijn Hoogheid had daar een zijde van zijn charakter vertoond, welke niet de beminnelijkste was en het onjuiste oordeel zjjner Engelsche onderdanen
later verklaarde en ook____ misschien wel voor een goed deel
rechtvaardigde.
De warmte der erkentelijkheid voelde Semeyns eensklaps onder een ijskouden waterstroom verdwijnen. Maar spoedig was hij de onaangename stemming, waarin hij gebracht was, vergeten, toen de gedachte zich opdeed, dat het zwakke lichaam van den opper-
136
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE,
bevelhebber, dat zulke zware lasten te dragen had, de oorzaak kon zijn van die opwellingen van nurkschheid, welke in vroeger tijden, toen invloed en macht minder waren, wel eens beter werden bedwongen dan nu.
»Ik vergat je te vragen die woorden op te teekenen,quot; zei Zijn Hoogheid, terwijl hij met een licht kuchjen en den langen mantel, waarin hij zich geheel had gehuld, tot over de ooren optrekkend, de trappen opklom, door Bentinck gevolgd.
»Ik deed het ongemerkt. Hier zijn ze,quot; en Bentinck reikte hem een blaadjen papier toe, dat hij uit zijn portefeuille nam welke Zijner Hoogheid goed bekend was, niet alleen omdat ze een geschenk van hem was geweest op een van Bentincks verjaardagen, maar ook omdat ze zoo dikwijls voor de eenig veilige schuilplaats mocht gehouden worden van zoo menig Staatsgeheim, waarvan het lot van millioenen afhing.
»Nu heb ik eens een depêche, die Jan Willem Bentinck niet begrijpt!quot; zei Zijn Hoogheid schertsend. »Ik gaf de woorden Fagel op, toen je.... niet bij me kon wezen.quot;
Hoe fijngevoelig kon hij toch zijn! Hij moest doelen op de ongesteldheid van Bentincks vrouw en hij begreep dat hij daarbij den vinger legde op een nog bloedende wonde.
Bentinck keek over Willems schouder heen, terwijl zijn vriend van het papier, dat hij in de hand hield, las: »Churchill is voornemens Jakob Stuart naar de stad Salisbury te lokken. De adel is gereed tot mij te komen. Hij zou reeds gekomen zijn, indien onze inval niet aan de Oostkust ware verwacht. Sunderland, dien men begon te wantrouwen, is gevlucht.quot; Zijne Hoogheid hield even op, en vervolgde op anderen toon en Bentinck daarbij glimlachend aanziende: »Sunderland is in Botterdam aangekomen, wat Citters niet weet. Hij schreef mij dat naar Hellevoet en stelde zich geheel ter mijner dispozitie.quot;
»De verrader!quot; mompelde Bentinck.
«De vos!quot; hernam Zijn Hoogheid.
»Je denkt er toch niet aan...?quot;
»De vos te gebruiken? Zeker wel, maar in een omheining en aan een goede ketting.quot;
»Je zoudt hem dus willen laten overkomen en je het Engelsche volk voorstellen met zulk een dienaar naast je?quot;
»Hij zou in allen gevalle niet naast me, maar achter me staan... en.,. aan de omheining en de ketting kan eerst later worden gedacht. Dus voor \'t oogenblik laat ik hem waar hij is. Schud niet het hoofd, Bentinck! Ik beloof je, hem niet te laten overkomen voor ik je er ampel over gesproken heb.quot;
De gestaakte lezing werd voortgezet. «Voorzichtig naar Salisbury opgerukt! Voor de rest wordt gezorgd.quot;
137
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Voor de rest wordt gezorgd. Men wil ons den Koning daar in handen spelen?quot; vroeg Bentinck langzaam.
»Ja, maar dat wil ik niet. Hg moet Engeland verlaten zonder mij te zien.quot;
»Is je dat ernst?quot; vroeg de ander eenigzins verbaasd.
»Ja, van hem moet geen martelaar worden gemaakt en ook geen gevangene, voor wien gebeden wordt en die verlost kan worden,quot; hernam Zijn Hoogheid levendig; heel zacht voegde hij er bij: »liij moet zelf zich onmogelijk maken... belachelijk...quot;
»Hebt ge er uw gedachten reeds over laten gaan?quot;
»Van het eerste oogenblik af al.quot;
»Heb je iets besloten?quot;
»Dat zou te vroeg wezen en____dan had je die vraag niet behoeven te doen. Ga nu te paard...! De Schotsche regimenten zijn al op weg naar Exeter. Ga een oog in \'t zeil houden en laat de Engelsche volgen.quot;
Bentinck deed naar de ontvangen order. Zijn Hoogheid keek den vriend na en prevelde, de hand aan \'t gloeiend hoofd brengend: »hij heeft niets aan me gemerkt; want dan zou hij weer bij me gebleven zijn, en de frissche lucht is zoo goed voor zijn zenuweruquot;
13S
V.
Exeter, de hoofdstad van het Westen, was sedert vier en twin-» tig uur in rep en roer. De tijding van de landing Zijner Hoog-, heid, door het gantsche Graafschap met geestdrift ontvangen, was in de stad door de bevolking wel met dezelfde gevoelens als elders begroet, maar door de overheid met schrik en angst vernomen. Ja, als men de zekerheid had gehad, dat de Prins zou overwinnen, dan hadden ook al de achtbare magistraatspersonen zich ter aarde gebogen en zouden ze- vol eerbied zelfs zijn neergeknield! Maar die zekerheid had men niet en dus____Jakobs
geduchte weerwraak van vroeger voor oogen gehouden en den, schijn aangenomen van door de overmacht overvleugeld te zijn!
Den vorigen dag was een krijgsbende van Oranjes leger voor de poort gekomen, welke zij gesloten vond. Op de eerste forsche aanmaning werd zij evenwel geopend. Bij den bevelhebber bevond zich Doctor Burnet, die in last had de Episcopaalsche Geestelijkheid van de Kathedraal voor de woede van het volk; dat voor het meerendeel presbyteriaansch was, te beschutten. De opdracht had den Doctor zeer behaagd. Deze begon weer te gelooven aan de mogelijkheid van welslagen. Hij was geraadpleegd en zijn raad was opgevolgd. Maar wat teleurstelling! De Geestelijken, die hij zoo gaarne met de houding van een beschermer ware tegengetre-den, hadden de vlucht genomen. Een slecht voorteeken, dacht de Doctor. »Een goed! Een bewijs van de gunst des Heeren Heeren!quot; jubelden de duizenden in en om de stad. Want uit het geheels Graafschap schenen wel al de inwoners derwaarts te zijn heenge-stroomd. »De prins komt van daag!quot; zoo galmde het dezen morgen van mond tot mond, »Of de magistraat hem aan de poort ontvangen zal?quot; dit vroegen de bemiddelde burgers elkaar af. Neen, hoewel daartoe door den bevelhebber, die met zijn soldaten
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
in de stad vernacht had, opgevorderd, had de Magistraat onbewimpeld geweigerd. De wrevel daarover dreigde een oogenblik â¢de blijde stemming der toeschouwers te verstoren, maar de eerste stooten van den trompet werden gehoord, het eerste getrappel en gehinnik van paarden! Tien duizenden hadden slechts oog en oor voor den naderenden stoet.
Een schouwspel deed zich voor, dat gedurende tientallen van jaren het onderwerp uitmaakte van verhaal en gedicht, en dat, door de ouders aan de kinderen verteld, nog in onze dagen den achter-achterkleinkinderen voor de verbeelding treedt als een optocht van dapperen, waardig om als een mythe van reuzen en van halfgoden in het epos te worden vereeuwigd. Velen hadden eene halve dagreis niet te ver geacht, om de kampvechters der ware godsdienst te gemoet te gaan. Ben groote menigte, meest bestaande uit jonge boeren, zwaaiden hun wapens op den top van Hablon Hill, van waar het leger, van het dorp Chudleich oprukkend, het eerst de rijke vallei van den Exe en de twee groote torens ontdekte, oprijzende uit de rookwolken, welke de stad overwuifden. Langs den hollen weg bij het stapvoets nederdalen en op de vlakten tot aan de oevers der rivier bij het stapvoets voorttrekken, stonden de toeschouwers schouder aan schouder. Van de Westerpoort tot aan de Kathedraal werd er aan beide zijden van den weg gedrongen, gewuifd en gejubeld als door de tienduizenden te Londen op den Lord Mayorsdag. De huizen waren vrolijk versierd. Deuren, vensters, balkons en daken opgepropt met toeschouwers. Het verwelooze, het \'vervallen uitzicht der gebouwen werd er door in de schaduw gesteld. Een geoefend oog, aan oorlogspraal gewoon, zou in het schouwspel misschien wel wat te berispen hebben gehad, want de vele vermoeiende marschen in den regen, langs wegen waarop de voet bij iederen stap tot aan de enkels in do klei wegslibde, konden niet anders als het voorkomen der optrekkende scharen benadeelen. Maar het volk van Devonshire, dat zelden nog zoo vele geordende troepen aanschouwd had, was opgetogen van vreugde en vervuld met ontzach.
Wat onafzienbare gelederen!
De verbeelding der eenvoudige landlieden en burgers zette de duizenden in tien duizenden om. Het juiste cijfer was bijna elf duizend man te voet en drie duizend zes honderd te paard. Aan de spits van twee honderd Engelschen van goeden huize, die den intocht openden, reed een edelman van denzelfden landaard, allen met schitterende helmen en kurassen, allen vrolijk wiegend en deinend op de trappelende Vlaamsche oorlogsrossen. Ieder hunner werd te voet begeleid door een neger van de suikerplantaadjes van Guyana. Met de grootste verbazing werden de zwarten
140
BE KAPTEIN VAN DE UJFGAUDE.
beschouwd, waarvan de huidkleur zoo scherp afstak bij de geborduurde tulbands en de witte vederen. Op hen volgde een eskadron Zweedsche ruiters, met ontbloote breede zwaarden, in zwarte pantsers en pelsjassen... Wijder werd het oog der toeschouwers gesperd, want de geleerdsten hunner verkondigden in \'t rond, dat ze uit een land kwamen, waar de zee bevroren was en de nacht meer dan een half jaar duurde, en dat ze zeiven de beeren verslagen hadden, wier huid hen dekte. Daar kwam de banier Zijner Hoogheid aangedragen, omgeven van vele edellieden en paadjes. Het door de faam reeds medegedeelde opschrift kon nu duidelijk gelezen worden; de woorden werden dit oogenblik door tien duizend monden herhaald, maar verdoofd onder handgeklap en gejubel. \'Dat alles werd echter nog te niet gedaan door den juichkreet bij de verschijning van Willem van Oranje, gezeten op een melkwit ros en omgeven van veertig heeren van zijn Garde te voet, in donker blauwe rokken en broeken met goud passement afgezet en de oranjebandelier om de heup geslagen. Eug en borst waren geharnast. Een lange witte pluim wiegde op den breeden rand van den hoed. Hoe krijgshaftig zat hij neer in den zadel en hield hij het brieschend ros in bedwang! Hoe diepdenkend en gebiedend tevens was de indruk door het breede voorhoofd en het valkenoog gewekt! Men kon zich niet verzadigen aan den aanblik; men poogde dat gelaat zich in te prenten, die trekken vast te hechten aan de fijne vezels der herinnering ; men wilde zijn beeld blijvend behouden!
Wat gebeurde daar?
Een schamel gekleede, hinkende en daarbij op een kruk geleunde, vrouw heeft door de drie dubbele rijen der toeschouwers weten heen te dringen en den Prins te naderen, nog eer een der gardes du corps kon toeschieten om wellicht vijandige bedoelingen te keeren. Zij kuste het paard en toen de hand van wie het bereed en beteugelde. »Ik heb hem gezien! Nu kan ik heengaan in vrede, Heere!quot; kreet ze, terwijl de tranen haar langs de rimpelige wangen stroomden. Willem wuifde haar met de hand toe en glimlachte vriendelijk. Hij wist genoeg van de ongerechtigheden hier gepleegd, om niet, gedeeltelijk altans, te begrijpen wat er omging in den verdorden boezem van die misschien ontkin-derde weduw. Er bleken er te zijn onder de naast volgende troepen, die er nog meer van wisten; want een kreet van: »Beste moei Ellen Iquot; werd uit het derde gelid van het voorste Engelsche regiment gehoord en een blond jonkman liet het vendel dat hij droeg een oogenblik schuins afwijken, om zijn begroeiden mond te kunnen drukken op de slappe lippen der oude vrouw.
«Ellen, de Profetesse! doe haar geen kwaad!quot; riepen vele stemmen, toen een lang gebaard sergeant zich gereed maakte, de
141
142 DE KAPTEIN VAN DE LIJFGATIDE.
indringster met ruwe hand te verwijderen. De bede werd verstaan en verhoord, want Ellen werd niet bemoeielijkt in haar .gang naast het gelid, waarin hij, die zich haar neef had genoemd, in paradetred opmarcheerde.
Het voorval was spoedig vergeten, want nieuwe afwisselingen deden zich voor. Een bosch van glinsterende pieken â thands bajonetten genoemd â kwam nader en nader, wiegend op den schouder der in vasten pas aanrukkende voetknechten, beheerscht door de maat der opwekkelijke krijgsmuziek.
Nu naderde in breede colonnes de Zwitsersche Infanterie. Even voor dit Regiment uit en onmiddellijk achter Zijne Hoogheid, reed een der beroemdste veldheeren van zijn tijd,: de Graaf Schomberg, sedert Turenne en Condé waren heen gegaan, naar het algemeen gevoelen de eerste generaal in Europa, wiens dapperheid en genie de Portugeesche monarchie had gered en wiens zedelijke grootheid, welke hem zijn Geloof hooger had doen stellen dan de Maarschalkstaf van Frankrijk, nog hoogeren roem verwierf dan zijn veldheerstalent.
Vergeten was \'t niet bij eenigen der toeschouwers, dat de twee helden, op wie aller oog staarde, thands onafscheidbaar verbonden door het gemeenschappelijk Geloof, twaalf jaar vroeger tegenover elkaar hadden gestaan onder de wallen van Maastricht en dat toen én de veerkracht én de vermetele dapperheid van den jongen Prins niet waren opgewassen tegen de koel berekenende wetenschap van den Veteraan, die nu de vruchten zijner ervaring en al de kracht van zijn rijp genie aan de voeten had gelegd van den vroegeren vijand. Maar niet allen waren met den grijzen held zóo bekend als met den Prins, dien zij reeds jaren lang als hun Gidéon hadden leeren liefhebben en verwachten. Vandaar dat bij zijn voorbij gaan de juichtonen wel weerklonken, maar het Regiment der stoere bergbewoners de aandacht dadelijk afleidde en tot zich trok.
Welke fiere houding van die krachtige mannen, met stouten stap voorttredend, en wier gebruind en verweerd gelaat getuigde van een reeks veldtochten in Noord en Zuid, in Oost en West! En op dit Regiment volgde een reeks anderen â de benden waarop Gidéon het meest steunde, al paste hij er wel op dit overluid te erkennen; benden, die hij zelf, bij neerlaag en rampspoed, van ordelooze rekruten, te wapen gesneld bij den nood van het vaderland en ter verdediging van godsdienst en have of aangelokt door het werfgeld of door losbandigheid uit de maatschappij verstooten en door wanhoop in het gelid gebracht, had weten te vervormen tot soldaten, die het dapperste leger van Europa, het Fransche, dikwijls tot staan niet alleen maar ook tot wijken hadden gebracht, door hunne koenheid, door hun doodsverachting, door hun taaie volharding.
1
Ho «p^
wei ]
in
sla\'
leg
]
Wi
Be.
Gr
ste
nol
ma
of
de
rul
boi
vei
scl
me
ro(
uii
gei
ne]
kl(
iet wa scl we ms vei vo va:
de rie
ga\' de eei mi da
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAEDE.
Dat waren de Hollandsche en de sedert tientallen van jaren in Hollandsclie dienst zijnde Engelsche Regimenten, meerendeels reeds opgericht in 1672 bij den Pranschen inval in de Geünieerde Gewesten.
De opvoeding, toen begonnen, was voortgezet op de slagvelden in de Spaansche Nederlanden en zou weldra, in de grootsche veldslagen, die aanstaande waren, en waarin de Zonne-Koning zijn legers en zijn invloed en macht zou inboeten, zijn voltooid.
Daar rukten zij op, geleid en beheerseht door de tonen van het Wilhelmus, de musketiers en de fuseliers en de grenadiers van Bentinek, Solms, Mackay, Ginekel en Balfour, de Zeeuwen van Graaf van Nassau, de Gooiers en Waterlanders van Van Zuile-stein, de Friezen van Kingma, de Marrewits-dragonders, de Hugenoten van Marquis de Monpouillon en de Caillemotte, die de martelingen aan de hunnen â aan vader of moeder of broeder of zuster of kinderen gepleegd â hadden te wreken en voor God de gelofte hadden afgelegd dit ook te zullen doen. En steeds rukten er nieuwe drommen aan: in leeren kolder of in ijzeren borstharnas, in blauwe, grijze, roode en witte jassen of rokken, verschillend uitgemonsterd, het hoofd gedekt door de glad geschuurde in het zonlicht bliksemende helmen of den lichteren hoed met ten deele opgetoomden rand en bij de officieren voorzien van roode en witte of blauwe en gele pluimen. De kleuren van de uitmonstering duidden de Regimenten aan. De Kolonels, waarnaar gene werden genoemd, droegen de kleeding en uitmonstering hunner onderhebbenden, maar natuurlijk in fijner stoffaadje en tint.
Wat op het Vaste-land reeds bijna algemeen bekend was: het kleeden der manschappen in uniformen, was in Engeland nog iets geheel ongewoons. Werd daar een bende soldaten gezien, dan was kleur en snit van rok en jas, van broek en schoeisel verschillend en overgelaten aan ieders welbehagen. Voor het eerst werd hier dus een leger gezien, in orde zich voortbewegend, op-marcheerend in rechte gelederen, in geregeldon pas, den gang vertragend en versnellend, zwenkend, zich verdeelend en samenvoegend, zich vormend in carré of in colonnes bij een enkel woord van den bevelhebber.
Zóo moesten de hemelsche heirscharen, de onoverwinnelijken, de uitvoerders van de besluiten des Allerhoogsten zich voordoen, riepen de meest bijbelvaste van de toeschouwers elkander toe.
Maar wat nu volgde vond, tot dusverre ten minste, zijn wedergade zelfs niet op de hemelsche slagvelden, waarvan volgens hen de Bijbelsche oirkonden gewaagden. Daar naderde de artillerie: een en twintig groote stukken geschut van brons, waarvan elk met moeite werden voortgetrokken door zestien paarden en.... daar achter, een vreemd voorwerp op wielen. Dit laatste bleek
143
DE KAPTEIN VA.N 1)E LIJFGARDE.
een beweegbare smidse te zijn, voorzien van alle gereedschappen om wapens en assen te lierstellen.
Men was ten laatste vermoeid van \'t beschouwen en van \'t bewonderen, wat hier hetzelfde was. Was dezen en genen een oogen-blik de schrik om \'t hart geslagen bij \'t zien van zoo vele grimmige gezichten, van zooveel glinsterend en kletterend staal, zoovele bliksemende zwaard- en piekspitsen, de volkomen orde, de eenheid der bewegingen, de stipte gehoorzaamheid, stelde allen weldra genist. Men was overtuigd van de almacht van zulk een leger en tevens, dat die almacht in hun belang en ter verdediging luinner hoogste belangen zou worden aangewend.
Zijn Hoogheid was reeds lang afgestegen en had de eereplaats in de Kathedraal ingenomen; Doctor Burnet had zijn preek reeds ten halve geëindigd en een dozijn malen de zware wenkbrauw gefronsd bij het zien der vele ledige plaatsen van de Geestelijkheid en van den Magistraat, toen de volksmenigte, hoe moede ook en afgesloofd, hare bewondering van het aangestaarde nog altijd in de warmste woorden uitte en bij het bericht, dat aan al de aangestaarde mirakelen er nog éen en wel het grootst zou worden toegevoegd, zich liet medeslepen om door de poort terug te stroomen naar de rivier, waar weder anders gekleede soldaten een arbeid gingen verrichten, waarvan men zich nog geen denkbeeld kon vormen.
Daar werd een brug van kleine booten gebouwd en als met een tooverslag bevloerd en geschikt gemaakt, om een menigte legerwagens te dragen en over te voeren. Nauw was dat geschied of met dezelfde snelheid als de brug ontstaan was, verdween ze ook weer.
»Ik wil wel drie dragonders in huis nemen!quot; riep er een.
»Ik wel zes â ik heb er ruimte voor en schaf het best!quot; schreeuwde een ander den kwartiermeesters toe, waarvoor officieren van de Engelsche regimenten waren gekozen. Kaptein Semeyns, als Hollandsch en tevens Engelsch sprekende, was hun tot hulp toegewezen en deed dienst als tolk; hij had moeite, niet om het leger onder dak te brengen, maar om aan al de aanvragen der burgers tot het herbergen van soldaten te voldoen.
»Er wordt zeker te veel voor betaald!quot; dacht Semeyns. igt;Dankbaarheid over onze komst alleen zal \'t wel niet zijn.quot;
Meer dan de koele Hollander meende was het dat toch.
Honderden brieven werden dien dag in Exeter geschreven, en door \'s Konings post, maar veel meer door bijzondere voetboden, of op boerenkarren en heerenkarossen, naar alle windstreken in Engeland verzonden. In den inhoud van allen spookte de verbeelding, door het aangestaarde schouwspel tot den hoogst mogelijken graad geprikkeld, zoodat van de talrijkheid van het leger, van de
144
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAUDE,
grootte en de kracht der soldaten fabelachtige verhalen werden gedaan. De duizenden werden tienduizenden; niet éen soldaat was minder dan zes voet; de meesten verre daar boven; met het meeste gemak droegen zij de zwaarste pieken, zwaarden van drie yards en musketten, die zonder lont en met een enkel trekjen van den voorvinger afgingen. En welk een orde en wat een wel voorziene kas! Alles werd vriendelijk gevraagd en met goed zilver dadelijk betaald!
Zijn Hoogheid kon tevreden zijn; de indruk, dien hij gewenscht had, was te weeg gebracht. Tegenover Jakobs willekeur werd orde en rechtvaardigheid gesteld.
Dr. Burnet deed dat in zijn tweede preek ter dege uitkomen en waagde zich aan de voorspelling, dat binnen een week de ge-heele Geestelijkheid der Engelsche Kerk zich als éen man om den leunstoel zou scharen van den Eedder, die de wijsheid van Salomo en den moed van Gidéon bezat. Burnet was sedert zijn optreden in de hoofdkerk van mokkend bediller, weeldrig lofredenaar geworden.
Bentinck was minder licht gemutst. »Als we ze maar in den band kunnen houden! Ze zijn aan \'t oorlogvoeren gewend maar in vijandelijk land!quot; zei hij tot Zijn Hoogheid, toen hij na den avondmaaltijd in de door den Deken verlaten woning even bleef napraten.
145
»Daarvoor hoop ik te zorgen!quot; was \'s Prinsen kort maar vastberaden andwoord.
10
KAPT. VAN DE LIJFGARDE. â I.
VI.
In een klein maar vriendelijk kamertjen boven een grooten winkel, waar suiker, specerijen en linnen verkocht werd, zat Kapt. Semeyns uit te rusten van de vermoeienissen, welke de bijna voorbijgegane dag tem gebracht had. Hoe tevreden had hij zich dien morgen gevoeld, toen hij de uniform, het kenteeken van zijn rang en stand, door een der luitenants voor hem medegevoerd, weder had mogen aantrekken. Hij wist, dat de scharlaken roode jas, het kamisool van dezelfde kleur en de witte broek hem goed kleedden. Hij had met de voeten, nu weer besloten in de stevige laarzen met gele kappen, van boven op de omslagen met rood gevoerd, welbehagelijk gestampt, zoodat de sporen aan den hiel vroolijk hadden gerinkeld, en daarbij glimlachend uitgeroepen: »als Maud me nu eens kon zien!quot;
Ja, die Maud! Zij verscheen hem onder het beeld van een zonneschijn in een donker bosch van hoog opgaande olmen, een boomsoort, welke hem, en velen met hem, gold als een toonbeeld van sombere statigheid. Hoe het zonneschijntjen door de knoestige twijgen, langs den doffen ruwen stam heen gleed, alles verlichtend en als omhuivend met goudglans, de duisternis wegvagend en het lachjen brengend tot op den ruwst gebochelden tronk! Een lief kind! Een aanvallig kind! Een vaak speelzieke en guitige ... vrouw! Och, niet meer dan een kind, zoo als Br... Neen, ze was geheel anders..! Hoe kon hij een oogenblik haar met deze vergeleken hebben! Bespottelijk! Zóo bespottelijk dat hij er zich over schaamde!
Wat had hij veel met baar gewandeld! Uren lang zonder dat zij moê werd, zonder dat hij van den tijd af wist! Wat had ze soms handig en smaakvol van het anders zoo weerbarstig sparre-loof een krans weten te vlechten, dien zij dan om zijn hoofd slin-
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
gerde, daarbij een bevallige Hebe gelijkend: een liefelijke bode van een gelukzalige Godin! Hoe schalkscb had het dan van haar lippen geklonken, terwijl ze om hem heen zweefde in steeds enger wordenden kring en hem van alle zijden beschouwde: »Pre-cies een half-god uit de Koorsehe sage! Ja, \'t eenig goede, waar ik broêr Nathanaël dankbaar voor ben, was wel, dat hij me dat oude papier meêbracht, waarop een sprookjen stond afgedrukt. Er was zeker een kostbare steen in gepakt geweest van een of andere Lady, wie het lezen moeielijker afging dan het kijken! Er zijn er zoo, niet waar?quot; en een guitige blik verzelde die vraag. «Kijken, \'t is heerlijk, als er maar iets te zien is! Hier heb ik lang gekeken en me verveeld.quot;
Als ze ouder was geweest of in de waereld opgevoed, dan zou hij die woorden anders hebben opgevat als hij toen had gedaan. Het kijken had haar verveeld, maar toch wist ze dat het heerlijk was als er wat te zien was. Dus er was nu wat te zien... en dat was...! »Schaam je, veertigjarige, die alleen verstand heeft van den oorlog en dan nog maar alleen onder het bevel en de leiding van anderen, die er meer verstand van hebben dan gij!quot; zoo had hij zich reeds dikwerf toegesproken.
Zij was even twintig en hij... Maar was ze werkelijk niet ouder? De ontwikkeling van de welgevormde leest gaf haar recht op minstens een vijftal jaren meer. En wat had ze van hem getuigd? Dat hij haar voorkwam de jongere broêr te zijn van den braven maar erg stumperigen Nathanaël.
Hij maakte een afkeurende beweging met de hand en schudde driftig het hoofd. Hij wilde de gedachten weg jagen, die bij hem
oprezen, ronddwarrelden, op hem aanstormden---- en er waren
er onder, voor welke hij zich schaamde en die hem met afschuw vervulden.
»Geertrui, lieve Geertrui!quot; Hij prevelde onwillekeurig dien naam. Hij zag haar in zijne verbeelding voor zich en scheen tot haar te spreken, toen hij de woorden uitbracht: »Daar moest een einde aan komen en ik heb er ook een eind aan gemaakt. Ja, ik deed dat zelf, zonder aandrang van buiten! Ja, dat kan ik onder eede getuigen, ja waarlijk!quot;
Het was ook zoo. Toen hij haar en Sally naar Mr. Stevens begeleidde, had Maud hem al den tijd, dat de tocht duurde, omvat gehouden en hem haar dankbaarheid en haar bewondering in het oor gefluisterd. In die oogenblikken had hij het besluit haar niet meer te zien niet kunnen nemen, maar later wel, toen hij in zijn hokjen zat, alleen, buiten het bereik barer liefelijke ^ stem en vooral buiten het bereik harer bruine bij wijlen zoo tintelende oogen.
Het had zijn aandrang bij Mr. Stevens, om in het huis van
147
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
den gezant Hunner Hoogmogenden een veiliger schuilplaats voor hem te zoeken, versterkt. Wat zou er echter van de weeze worden naast een burgerlijke domme vrouw als Sally, aangenomen nog dat deze haar wou of kon houden? Waar was de beschermster te vinden, die Maud met den naam van Aantie betitelde ? Sally had nooit veel van Mauds afkomst begrepen en nu, half verbijsterd door de geweldige ramp haar overkomen, was ze nog vergeten wat ze er van begrepen had.
Mr. Stevens sprak hij er over. Mr. Stevens was wel genegen haar bij zich te houden tot Sally wist wat ze doen zou en doen kon. De helft van het geld, dat hij nog over had en dat eigenlijk Landsgeld was, stond hij Mr. Stevens af voor Mauds eerste kostgeld, en toen was hij zonder afscheid te nemen weg gegaan.
Zonder afscheid te nemen? Dat was niet de volle waarheid. Vóór hij \'s avonds laat weg werd gebracht, had hij even in de kamer gegluurd, die hij langs kwam en waarin de pleegmoeder met haar pleegkind verblijf hield. Hij had Mauds geestig kopjen op het kussen zien liggen, beschenen door het schemerlichtjen van de kaars, die hij in de hand hield. Hij had den kandelaar op den drempel gezet, was op de teenen naar binnen geslopen, had haar een kus op het voorhoofd gedrukt en â hij wilde \'t zich zeiven in de eenzaamheid haast niet bekennen â toen nog een op de half geopende rozeroode lippen, welke den zachten druk der zijne schenen te beandwoorden...! Toch had hij de kracht zich toen te verwijderen ââ dat was goed geweest, daarvoor mocht hij zich zeiven prijzen. Weinigen zouden als hij hebben gedaan! Hij was zonder om te zien heen gegaan... voor altoos. Hij zou haar nimmer terug zien... »Neen, Geertruid, nimmer!quot; fluisterde hij.
Stak hij met zich zeiven den draak? Was niet telkens het beeld van Maud voor het oog zijns geestes opgerezen: in het huis van Mijnheer van Citters, op de reis naar Torbay, in het kamp de vorige dagen, in het gelid straks? En was hij, even alleen en nog wel oververmoeid, niet weer dadelijk tot haar terug gekeerd? Voelde hij zich niet gelukkig, met haar beeld voor oogen, een nieuwe waereld ingevoerd, een waereld vol beweging en afwisseling...?
»Als ik niet zoo moê was ging ik dadelijk naar huis schrijven!quot; riep hij eensklaps uit. De reeks zijner gedachten was te volgen; de afgebroken schakel in de keten te vinden. »Waar blijft Fred toch!quot; riep hij gramstorig. »Mij dunkt dat hij tegenover mij stipt op zijn tijd moest passen!quot;
Hij zou immers met den jongen Vaandrig een bottel cider gaan drinken ? Tevens hoopte hij van den jongen wat tabak te kunnen krijgen, tabak van de soort, welke hij gewoon was uit een steenen pijp te rooken. Wat genot! Hij had er zich lang van moeten spe-
148
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
nen! En het werd door zijn mede-officieren ook zóo hoog gesteld, dat meer dan éen hunner hem verzekerd had, het prijsgeven van dat genot moeielijker te vinden dan een etmaal op water en brood te worden gezet!
De straat, waarin het huis van zijn gastheer stond, was een der stilste der over het algemeen zeer stille stad. Toen hij straks door een der kleine vensters naar buiten had gegluurd, had hij een paar vechtende honden gezien, daarbij een kip, die er door verschrikt, de ronde opening in een deur klokkend was binnen gestoven, en een paar kraaien, die in de modder van den onge-plaveiden weg elkaar het daar rijkelijk te vinden aas betwistten. Zoo was \'t een kwartier geleden nog geweest. Maar dit oogenblik was \'t geheel anders. Er was drukte en beweging. Vele hoofden waren uit de vensters en over de onderdeuren gestoken; de buren wierpen elkaar vragen toe, onrustig en gejaagd, en de haastige voorbijgangers andwoordden daarop nog onrustiger en gejaagder.
»Zijn de Ieren in aantocht?quot;
»En de bloedhond?quot;
»Heere Jezus, zij ons genadig! Hebben zij den Prins opgelicht?quot;
tgt;Zijn we verraden? Dat hebben de Baaipriesters van den Dom zeker gedaan!quot;
Algemeene ontsteltenis zoo lang niemant eigenlijk wist óf er iets en zoo ja wat er gaande was! Nog grootere evenwel, toen de verwarde gissingen zwegen en vervangen werden door zekerheid!
»De Hollanders zijn aan \'t plunderen en moorden____ Vlucht,
vlucht, als het leven je lief is!quot; riep er een, die bezig was dat leven in allerijl te bergen.
Even als uit éen vallende sneeuwvlok de alles vernielende en meêsleurende en te pletter slaande lawine geboren wordt, zoo hechtten zich aan dien eenen verschrikten vluchteling steeds meerdere in toenemende mate en groeide er uit dien eenling een menigte saam, even wanhopig verschrikt en nog minder in staat een oordeel te vormen, maar nog steeds grooter indruk wekkende, naarmate hun aantal toenam en de uitroepen van teleurstelling, van verontwaardiging, van ergernis, van ingehouden toorn en eindelijk van los gelaten woede, werden herhaald.
»Wat zwart verraad!quot; riep een smid, die een zwaren hamei-zwaaide.
»Is er dan geen ruste voor het volk Grods?quot; kraaide een klein manneken, een bij bel-voorlezer en uitlegger bij de kleine Gemeente, welke zich »het manna-kruikjenquot; noemde en in een achterbuurt een oefenings- en bedehuis had.
»Waar wordt er geplunderd?quot; vroeg eensklaps een krachtige stem uit een der klapvensterkens van een huis aan den overkant.
De hoop stoof uiteen, toen hij, die de vraag had gedaan, goed
149
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAKDE.
opgenomen en als een officier van het plunderend leger was herkend.
)gt;Hebt ge moed?quot; zoo fluisterde de smid tot een kleermakers-gezel en tot twee welgedane vrouwen â de anderen, en de bijbel-uitlegger bet eerst, waren dadelijk na den officier gezien te hebben aan den haal gegaan, â »hebt ge moed, dan slaan we dezen ten minste de hersens in voor hij nog weet wat hem gebeurt?quot;
»Wat gaat er toch om?quot; vroeg dezelfde stem.
De kleermakersgezel zag daar juist, dat de vijand, dien de smid verslaan wou, zich wapende, en de smid, die een anderen kant opzag, bespeurde de nadering van twee soldaten in een vuurroo-den rok, met een musket op den schouder en een sabel in den bandelier. Zonder eenige nadere ruggespraak te houden vlogen zij op zij, de een ter rechterzij de straat op, de ander ter linker zijn huis in; de beide vrouwen, van baar natuurlijke beschermers verlaten, zagen van alle verdere pogingen van verzet of wrevel af, maar voelden een geheel andere en ook meer natuurlijke aandoening in den boezem ontwaken; en deze was: de nieuwsgierigheid. Deze hield ze op de been, vlak tegenover bet huis, uit welks bovenverdieping de officier nog altijd in het rond spiedde. »Kap-tein!quot; hoorden zij de toegesnelde soldaten roepen, »de Vaandrig is dronken of gek____Hij heeft alles kort en klein geslagen...!quot;
»In zijn kwartier?quot;
»Neen, Kaptein, bij een wild vreemde en dien heeft hij overhoop gestoken ook.quot;
»Groote God!quot; riep Semeyns uit, die alle reden had de tijding voor waar aan te nemen.
Hij repte zich naar beneden en op straat, waar hij met de soldaten verdween. Na eenige zijstraten te zijn doorgegaan en bespeurd te hebben wat algemeene vrees er was opgewekt en met hoeveel argwaan zij door den hoop menschen, die voor een vrij aanzienlijk huis was saamgepakt, werden beschouwd, hadden zij het doel van den tocht bereikt. »Wie woont hier?quot; vroeg Semeyns aan een der angstig glurenden; en toen hij hoorde dat het Tom Butler was vreesde hij het ergste. Reeds andere soldaten van dezelfde kompanjie onder een luitenant waren aanwezig. Zij hadden den ingang van het huis afgezet en de menigte in bedwang gehouden. Toen Semeyns aankwam waren zij onder zijn kom-mando. Hij trad de stoep op en de \'goed geverfde deur met glad geschuurde geel koperen klopper â kenteekenen van hier zeldzame welvaart en netheid â binnen.
Het inwendige beandwoordde aan het uiterlijke. Door een steenen voorportaal kwam men links in een groote vierkante kamer, waarvan thands de dikke eikenhouten deur open stond. Geheel met eikenhout beschoten waren de wanden; op den houten vloer lagen veelkleurige matten en stonden eikenhouten stoelen en tafels,
150
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
waarvan vorm en snijwerk de tijden van Koningin Bessy herinnerden; een groote spiegel, in drie stukken en met stalen rand, rustte van onder op den breeden boord van den grooten schoorsteenmantel en was van boven door een koord aan den wand bevestigd, en wel in dier voege, dat hij, voorover gebogen, het eerst die voorwerpen weerkaatste, die zich óp of niet ver bóven den beganen grond bevonden. Semeyns huiverde bij den eersten blik in dien spiegel; want hij zag een welgekleed burger op den grond liggen onder de vensters, waarvoor de donker groene wollen gordijnen hingen, die thands als met geweld en in allerijl waren weggerukt. De man, die daar roerloos lag, had op het zwart flu-weelen wambuis onder den fijn gesteven en opstaanden Spaan-sehen kraag, een zilveren keten om den hals gedragen, want een paar gebroken schalmen waren nog zichtbaar, vastgehaakt in den op vele plaatsen in flarden gescheurden kraag. Zware stoelen waren omgevallen, een tafel op zijde gekeerd, de matten weggerukt, gekreukt, vertrapt, gescheurd en met bloed hier en daar bedropen.
Voor den schoorsteen stond Fred, de Vaandrig, het mat bleek gelaat met stof en zweet bedekt, verwrongen tot onherkenbaar wordens toe. Het anders zoo goedig blauw oog was met bloed doorschoten; de meestal lachende mond dichtgeklemd; een grijns van woede en van voldoening langs neus en lippen als bevrozen, want de uitdrukking van het gantsche gelaat duidde verstijving aan. De rechtervuist omklemde het gevest van den bebloeden houw- en steekdegen, en de linker hield de zilveren schalmen, die ginder ontbraken, de daaraan verbonden geweest zijnde zilveren penning en een gouden ring vast. Twee soldaten hielden hem aan den schouder en hadden dat al eenige minuten lang gedaan, in afwachting dat de hoogere macht, om welke de jonge in angst verkeerende luitenant gezonden had, zon zijn aangekomen. Al dien tijd had de schuldige, zonder eenig verzet te beproeven, onbewegelijk gestaan, het oog op den vijand geslagen, die tegenover hem onder het vensterkozijn roerloos en bloedend neerlag, en alleen eenige rauwe onverstaanbare kreten uitstootend; maar bij Semeyns\' woorden: »Fred, Fred, moet ik je zóo vinden?quot; ging er een rilling door zijn leden en welde er een traan in zijn oog.
»Satan was mij te sterk! Die daar ligt is Tom Butler, die Ellens man en twee zonen aangaf en mijn schuilplaats verried... Moei Ellen wees mij zijn woonplaats aan...iquot;
»En dit dan?quot; vroeg Semeyns, op de voorwerpen duidende welke de ander in de hand hield. »Een dief dus ook?quot;
De hand liet glippen wat ze zoo lang krampachtig had omvat gehouden.
»Neen, neen! Geloof dat niet! Die keten was het loon voor zijn verraad en dien ring ontnam hij Moei Ellen toen ze niets anders
151
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
meer had... en ze had een wondheeler noodig voor haar half af-gekapten voet...! Een dief ben ik niet, Kaptein, dat gelooft ge toch niet?quot;
Paardenhoeven kletterden op de straat; het rinkinken van sabels tegen metalen kurassen werd gehoord: de Provoost-geweldiger, geheel in het rood gekleed, met zwart uitgemonsterd, een zwarte hoed op het hoofd met roode pluimen, neerhangend langs den half opgetoomden rand,-; trad met twee zijner knechten binnen, verklaarde den jongen man in naam Zijner Hoogheid gearresteerd, wendde zich tot Kaptein Semeyns om voorlichting en, toen deze tot zijn innige vreugde zich daarvan exkuzeeren kon »als te laat geparaisseerd zijnde,quot; tot den~ luitenant, die te elfder ure was verschenen en slechts kon staven wat reeds was geschied.
Een getuige dus maar, die zelfs niet kon mededeelen of er manslag was gepleegd door provokatie en in zelfweer of moord met opzet en geleider lage! Semeyns hoopte nog, dat Fred zich het jonge leven zou kunnen redden.
Helaas! de jonkman bekende alles; hij had den dood van Tom Butler gewild.
152
(O
VII.
De plakkaten, door Zijne Hoogheid uitgevaardigd, waren steeds streng geweest tegen moord en plundering, maar niet altijd naaide letter uitgevoerd. In de Spaansche Nederlanden waren dikwijls bij den boer kippen gestolen en hooi en ganzen en nog heel veel meer; was menige frissche deerne mishandeld, menig bemiddeld grondeigenaar gevoelig in de tasch gegrepen; maar dan brachten de machthebbenden meestal de vingers voor de oogen en wilden er niet door heen zien. Daar gold het meestal dolle moedwil en de laagste hebzucht, en toch wist men rekening te houden met de zwakheid van ruwe menschelijke naturen. Zou dan hier niet voor het minst op dezelfde inschikkelijkheid mogen gerekend worden? vroeg Semeyns zich den volgenden morgen af.
In onrust was de nacht doorgebracht; een gevoel van medelijden vervulde den vriend en joeg hem den slaap uit de moede oogleden; hij had den jongen lief bijna als een zoon; hij had hem doen worden wat hij was: een aanstaand officier, die van de natuur verstand en moed had gekregen en daarbij, door de toestanden waarin zijn jeugd was doorleefd, een onverschilligheid voor het leven en een minachting voor den dood â wat een kostelijke gave was voor een soldaat, die zich een naam, een pozitie heeft te verwerven en de droeve herinneringen van het verleden wil doen verbleeken voor het glorierijk licht van het heden en de toekomst.
Naar de barbaarsche gewoonten in het woeste, nauw aan de Middeleeuwen ontworsteld, Engeland dier dagen waren de overwonnenen het eigendom der overwinnaars. Waren zij rijk. dan werden hunne personen gespaard, maar hunne goederen verbeurd verklaard; waren zij arm dan moest hun lichaam, hun eenig
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
bezit, het ontgelden, en werden zij naar de Keerkringen gezonden, om daar als slaven te arbeiden tot ze dood geblakerd neervielen, wat maar al te gauw gebeurde. Dit zou ook Freds lot zijn geweest, indien de jongen van even negentien jaar niet in volle zee overboord ware gesprongen. Eenigen tijd had hij zich boven water kunnen houden, was toen gezien door een Zeeuw-sche visscherspink, door deze opgenomen en naar Arnemuiden gebracht, in de nabijheid van welke plaats Gemeyns, die toen nog maar luitenant was, tot een expeditie gedetacheerd, in kwartier lag. Hij bad den jongen schipbreukeling doen verplegen en, toen hij diens treurige geschiedenis had vernomen, den Kolonel verzocht hem in zijn kompanjie te mogen opnemen tegen een matige soldij. Het werd hem toegestaan en van dat oogenblik af trok Fred naast hem ten strijd.
Jammer, dat de jongeling zulk een wilde natuur bij wijlen vertoonde! Doorgaands matig, bleek hij echter bij feestgelagen de wildste en uitgelatenste; meestal zachtaardig en medelijdend, was hij in oogenblikken van opgewondenheid twistziek, beleedi-gend en soms wreed. Hartstochtelijk altijd, was zijn liefde aanbidding en zijn haat niet te toornen; en, had hij met zijn twintig jaren veel lief, nog meer had hij te haten. 0, als hij nog eens gewapend mocht staan in zijn geboorteplaats tegenover zijn onrechtvaardige rechters, de laaghartige verraders, de ellendige verklikkers, hoe hij zich wreken zou! Zijn wensch was verhoord geworden, en de bedreiging, welke het uiten van dien wensch steeds had vergezeld, was door hem maar al te goed vervuld.
In den vroegen morgen was de Krijgsraad bijeen geroepen. Gelukkig dat Semeyns niet bevolen was geworden daarin zitting te nemen, wat hij, in aanmerking genomen zijn kennis der Engel-sche taal, had gevreesd. De Kolonel had hem zeker die al te zware taak willen besparen; voor het kiesch gevoel dat daaruit sprak dankte hij hem innig. Het vonnis zou zeker reeds geveld zijn. Hoe kon het anders luiden als een oordeel ten doode?
De Luitenant, die bij de zitting van den Krijgsraad dienst had gedaan, kwam hem de bevestiging melden van zijn vermoeden. Fred was veroordeeld in den strop te sterven. Natuurlijk, de Prins kon genade schenken. Maar een stoute, voor \'t minst een gewaagde, stap was dikwijls een dergelijke intercessie gebleken.
Semeyns echter mocht zich vleien de gunst Zijner Hoogheid verworven te hebben. De onderscheiding, als Kaptein in de lijfgarde te zijn opgenomen, was daarvan een onbedriegelijk teeken. De poging, welke hij in de ongunstigste omstandigheden toch gewaagd zou hebben, was nu minder gewaagd, had zelfs kans te gelukken, maar eischte spoed.
Semeyns kleedde zich zoo goed mogelijk en had eer van zijn
154
DE KAPTEIN VAN 1)E LIJFGARDE,
arbeid, wat menig meisjenskopjen scheen te erkennen, dat, half achter de luiken of de plooien der gordijnen verscholen, door de kleine ruitjens heen gluurde naar zoo veel belangrijks en aantrekkelijks als er op de straat sinds gister voorbij trok.
In de aanzienlijke woning van den Deken, een huis, grenzende aan de Hoofdkerk, had Zijne Hoogheid zich gevestigd.
Semeyns was gewoon geraakt aan de drukten, welke een hoofdkwartier kenmerkten. Wachten, die in het geweer traden, koeriers, die aankwamen en wegsnelden, hoofd-bevelhebbers, die hun marschorders kwamen ontvangen en weder aan hunne onderhoo-rigen gingen of lieten overbrengen, gewoel van buigenden en knikkenden, van bevelen gevenden en ontvangenden, warreling van de meest verschillende en bontste kleuren vaak, en dat alles begeleid en vergezeld van het geklikklak der saluutbrengende musketten en sabels en de vroolijke tonen van trom en trompet, â hij had het dikwijls aangestaard, hij had er zelfs deel aan genomen. Maar nü zag hij, bij veel hem gewoons, ook veel wat het niet was. Hij zag op het ruime voorplein, door stevige ijzeren hekken van den algemeenen weg gescheiden, verschillende karossen met twee en vier paarden bespannen en als bewaakt door een troep ruiters, niet meer dan half bewapend maar rijk uitge-doscht, in kleeding van ouderwetschen snit doch fijne stoiïaadje en met een adellijk wapen op het zwart of blauw of rood wambuis op de hoogte van de borst geborduurd. Op zijne vraag wat dat beduidde vernam hij, dat de karossen en eenige der thands ruiterloze paarden leden van den hoogsten Engelschen adel hadden aangebracht, die hunne gehoorzaamheid en hunne hulde aan Zijn Hoogheid waren komen aanbieden. Het zeggen was, dat deze Heeren slechts de voorhoede uitmaakten van een gants heir, dat in aantocht was. Eindelijk waren ze dan toch gekomen! dacht Semeyns. Wist hij ook al niet, dat hun zoo lang wegblijven Zijn Hoogheid oogenblikken van de pijnlijkste onrust had berokkend, tot dat de door hem overgebrachte boodschap verklaring en bemoediging had gegeven, hij kon toch gissen, dat het bij- en toevallen van zoo vele Voornamen Zijn Hoogheid in hooge mate welgevallig zou zijn. Een goed tijdstip alzoo, om een gunst te vragen, om te bidden : genade voor recht te doen gelden!
Of het vonnis al ter bekrachtiging was aangeboden? vroeg hij. Ja, het was eenige oogenblikken te voren in de werkkamer Zijner Hoogheid gebracht. Of hij ter audiëntie zou kunnen worden toegelaten? Waarschijnlijk niet, daar de Engelsche Heeren met Zijn Hoogheid en Mijnheer Bentinck in een zeer vertrouwelijk gesprek waren en een stoornis ten strengste verboden was. Dus Mijnheer Bentinck, op wiens voorspraak hij hoopte, was mede niet te naderen!
»Doctor Burnet zag ik daar juist de trap opgaan,quot; zei hem de
155
DE KAPTEIN VAN ME LIJFGABDE.
kamerdienaar, die in den gang stond. »Ik hoorde den Doctor blij uitroepen, toen hij de namen vernam der aangekomen Heeren, dat hij ze als zijn oude vrienden dadelijk ging verwelkomen.quot;
Een lichtstraal in het duister! Door Doctor Burnet zou hij misschien kunnen slagen.
Hij haastte zich mede de trap op te gaan en vond in den gang vele officieren, die ook ter audiëntie wilden gaan, maar verstaan hadden, dat er weinig hoop bestond op de vervulling van hun wenschen.
De Doctor, die zich niet door den Paadje van dienst liet gezeggen, ja, ondanks het verbod van dezen, deftig en kalm verder drong en den drempel reeds bereikt had van de anti-chanihre, hoorde zich eerbiedig aanroepen. De gewichtige man keerde zich om en zag dat een officier, met een verzoek in de oogen, hem aanstaarde. De Paadje verzekerde ditmaal vrij luide, dat hij werkelijk geen vrijheid had Semeyns door te laten. »Dring er maar niet op aan, Kaptein,quot; zeide hij in het Hollandsch, waardoor hij liet blijken te weten wien hij voor had. »Ge komt zeker om de zaak van den Vaandrig hier? Zijn Hoogheid is erg uit zijn humeur over het gebeurde en was gister avond zóo driftig, als ik hem maar zelden heb gezien. Heeft u Zijn Hoogheid wel eens driftig gezien?quot; vroeg hij op gedempten toon.
»Op het slagveld...quot;
»Dan is er nog veel wat hem afleidt; erger is \'t binnen vier muren, eer een onaangename tijding of een ongehoorzaamheid of een domheid is.... verduwd, zal ik het maar eens noemen. Verlang er niet naar het ooit bij te wonen...!quot;
»Maar ik moet hem spreken. Mijnheer van der Dussen!quot; zei Semeyns.
sgt;Kom bij mij. Mijnheer de officier!quot; viel de zware stem van den Doctor in. »Gij hebt een beroep gedaan op mijn tusschen-komst; ik las dat in uw oogen. Laat Mjjnheer mij volgen! Ik stel mij aansprakelijk voor wat daaruit kan voortvloeien.quot;
»Voor Uw ZeerEerwaarde kan daaruit niets onaangenaams voortvloeien, maar voor de dienaren van het huis en de officieren van het leger Zijner Hoogheid wel. Ik aanvaard evenwel mijn deel der onaangename gevolgen om den wille der zaak, welke de Kaptein hier heenvoert. Ga dus door, Kaptein! Ik wensch u succes toe, maar... heb weinig hoop.quot;
Semeyns bevond zich met Dr. Burnet in de ledige voorkamer, tegenover de door twee soldaten der Hollandsche Lijfgarde bewaakte deur, aan gene zijde waarvan de machthebbende, die over het leven van den armen Fred beschikken kon, met de hoogaanzienlijke Lords een levendig gesprek voerde. Klanken werden gehoord, maar niet een der vele woorden verstaan. Misschien ware
156
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
dat mogelijk dicht bij de deur; maar de daar op wacht staanden zorgden er voor, dat niemant zich daar plaatste. Bij het binnentreden der twee onverwachte bezoekers wezen ze reeds met een gebiedenden wenk het verder gaan af.
Sern-jyns had menigen kogel om zijn hoofd hooren sissen, maar daarbij nooit de kleinmoedigheid gevoeld, welke zich thands van hem meester maakte. Iets moest daarvan op zijn gelaat te lezen zijn geweest, want Burnet, in een bijzonder goede stemming gebracht, omdat een man van het zwaard zijn bemiddeling had ingeroepen en de Paadje hem onschendbaarheid had toegeschreven â het sarkasme waarmeê dat gedaan werd was niet opgemerkt â klopte hem op den schouder en voerde hem op een zalvenden toon te gemoet: «Vrees niet, mijn vriend! Ik sta naast u. Gaan we daar zitten!quot; en hij wees een van de bewuste deur verst af staanden stoel aan. ,»Vertel me nu wat ge Zijn Hoogheid te vragen hebt...quot;
Semeyns voldeed gaarne aan die uitnoodiging.
»En is de verslagene een papist?quot; vroeg de doctor haastig, toen hij alles aandachtig had aangehoord.
»Ja!quot; zeide Semeyns zonder te aarzelen, hoewel hij ten dezen aanzien geen de minste zekerheid had. Maar hij was ook overtuigd, dat hij anders de hulp van den vriendelijken doctor zou verliezen.
»Dan hebt ge uw zaak zoo goed als gewonnen.quot;
Of Semeyns gelaat weer iets liet gissen van wat er in zijn binnenste omging? De Doctor vervolgde toch: »Ik draag een talisman hier!\'\' zei hij, op den borstzak kloppende van den langen zwart fluweelen jas. »De Hollandsche post is per advies-jacht aangekomen en bracht berichten uit den Haag. Er is zeker een brief bij van mijn Dochter in Christo, de Prinses...quot;
De praatgrage man had zeker nog veel meer mede te deelen, wat zijn grooten invloed kon bewijzen en zou dat ook hebben gedaan, ware niet de deur, welke zoo vele geheimenissen afsloot, geopend geworden. »Tot straks. Lord Earl of Abingdon!quot; riep Zijn Hoogheid op zijn gewonen wel wat onverschilligen toon. »Tot
straks, Mylord Colchester... Wharton____Kussell....quot; De twee
schildwachten presenteerden het geweer voor de nieuwe hooge vrienden, die, vooraf gegaan door den ouden en besten vriend Ben-tinck, het vertrek doorgingen. Burnet knikte vriendelijk, Semeyns boog diep; gene had een der Lords, dien hij van vroeger kende, een woord willen toevoegen, maar allen gingen hem voorbij zonder hem op te merken.
»Ze zijn ook zoo druk in gesprek met Bentinck!quot; zoo troostte de Doctor zich over hunne onverschilligheid.
»Is het oogenblik nu gekomen?quot; vroeg Semeyns, terwijl hij een stap deed naar de deur, die weder gesloten was.
157
DB KAPÃEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Geen denken aan!quot; riep de Doctor, hem-bij den arm grijpend. Tgt;Ik moet hem voorbereiden, of, wat nog beter is, ik zal hem uw verzoek overbrengen en zijn andwoord ook; dit zal gunstig zijn, reken er op!quot;
Hij wees de soldaten met gezach even op zijde te treden en klopte toen vrij luid. Er volgde geen verlof tot binnentreden. De Doctor achtte het ook onnoodig. Hij opende de deur en hoorde toen op korzeligen toon roepen; »Ik wil niet gestoord worden.quot; Maar Burnets gestalte was er niet naar, om onbemerkt te verdwijnen zelfs bij het spoedigst terugtreden. 2gt;Zoo, Burnet! Hoeveel zieken al van morgen bezocht?quot; riep Zijn Hoogheid, die dikwijls een loopjen nam met den praatzieken maar toch zoo goedgezinden Godgeleerde, niet alleen als hij in een blijde stemming was, maar ook in oogenblikken van ergernis. De toon der stem klonk niet vriendelijk: Semeyns merkte dat met angst op.
»Ik kom Uw Hoogheid iets vragen voor een gezonde, maar die gevaar loopt zwaar ziek te worden als hij niet geholpen wordt. De dag is goed begonnen en zal Uw Hoogheid nog schooner toeschijnen als ik meédeel...quot;
Hij wilde spreken van de ontvangen brieven, maar Zijne Hoogheid bleek meer dan ooit gejaagd; de adem gierde moeielijk door de keel; de trekpot met de gewone kruiden stond op tafel, maar het kopjen, dat er naast stond, vertoonde geen druppel vocht en kon dus niet gebruikt zijn.
»Ik heb geen tijd, Burnet! Na het middageten misschien een kwartier... om te praten... misschien ..!quot; Zijn Hoogheid strekte de hand uit naar de schel. »Sta je daar nog?quot;
»Een Kaptein van het Engelsch regiment is de gezonde, dien ik bedoelde... hij wacht buiten...quot;
)!gt;Ik kan hem nu niet spreken... \'t Is ook tegen alle orde in... Laat hij zijn Kolonel rapporteeren.quot;
»Het geldt het leven van een mensch...quot; Zijn Hoogheid fronsde de wenkbrauwen; Burnet haastte zich er bij te voegen »van een veel beloovend jonkman ...quot;
»Laat hij zijn Kolonel rapporteeren!quot; Met de voeten werd even gestampt.
»\'t Is Kaptein Semeyns...quot;
»Laat dien even binnenkomen!quot;
»Tóch gezegepraald!quot; prevelde Burnet, die weder zijn neerlaag een overwinning noemde en zijn beschermeling snel de goede tijding overbracht.
»Alles gaat goed, maar hij is kort aangebonden; dus rad spreken ... volg me ... gauw !quot;
Semeyns deed het en stond voor Zijn Hoogheid, met Burnet naast zich, die hem bemoedigend toeknikte.
158
DE KAPTEIN VAN DE LIJPGAEDE.
Zijn Hoogheid vond Burnet, zoo als wel meer, erg indringend en lastig. Hij liet daarvan op zijn manier blijken en begon het gesprek met Semeyns in het Hollandsch, waar de Doctor maar weinig van begreep.
»Heb je me iets te zeggen...? van vertrouwelijken aard...? uit Londen?quot;
Welk een teleurstelling moest Semeyns Zijn Hoogheid bereiden ! En van welken ongunstigen invloed moest dat niet ^ijn!
»Neen, Uw Hoogheid! Ik kwam... ik nam de vrijheid... de genade te vragen voor den Vaandrig van mijn kompanjie, die...quot;
» .... een burger dezer stad vermoordde in zijn eigen huis en hem bestal...? Hoe kun je...?quot;
»De Vaandrig stal niet...quot;
»Hij deed het wel. Hoe durf je me met zulk een verzoek aan boord komen?quot; Zijn Hoogheid nam een van de papieren, die voor hem lagen op; het was het vonnis van den Krijgsraad. Hg tee-kende het. »Ziedaar mijn andwoord. Breng het uw Kolonel, die voor de dadelijke ten uitvoerlegging heeft te zorgen.quot;
»Uw Hoogheid!quot; stamerde Semeyns, het papier in zijn verwarring niet aannemend, wat een groote lompheid was. Burnet strekte de hand uit, om de linkschheid van zijn beschermeling goed te maken, maar hoorde zich op scherpen toon toeroepen, en thands in het Engelsch: »\'t Heeft niets te maken met de Kerk-orde.quot;
Maar Semeyns wierp nu allen schroom op zij. Het gevaar was dreigend; de batterij niet meer gemaskeerd, maar goed te zien en te verkennen. Vastberaden waagde hij een stap nader te doen. »Ik heb den schuldige jaren gekend... als braaf, als dapper, als
eerlijk. Hij was door den verslagene verraden____ hij had zich
zeiven en zijn maagschap te wreken â een onchristelijke daad, maar voor ieder mensch toch een begrijpelijke. Hij handelde tegen de bevelen Dwer Hoogheid, tegen de tucht...quot;
»Juist, tegen de tucht!quot; viel Zijn Hoogheid in, veel minder streng dan hij straks zich nog getoond had, »En weet je wat dat altijd beteekent? de veiligheid en het behoud van allen. En weet je wat dat hier nog meer zeggen wil? het behoud en de veiligheid van twee landen... van veel meer nog...!quot;
»Uw Hoogheid late hem ten minste het leven.quot;
s-Neen.quot;
»Hij is onschuldig: hij is geen moordenaar uit hebzucht... uit roofzucht,quot; viel Semeyns met kracht in.
»Weten dat de duizenden, die de tijding van het voorgevallene naar alle kanten reeds verspreidden en nog verspreiden zullen? Zullen ze dat gelooven, al verzekeren wij hun dat ook? Daar is maar éen middel om allen ie verzoenen: dat is zijn dood.quot;
»Is dat rechtvaardig. Hoogheid?quot; vroeg Semeyns bijna fluiste-
159
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAKDE.
rend. Het gemoed van den eerlijken braven krijgsman kwam tegen zulk een redeneering op. Zijn Hoogheid betwistte niet de waarheid van zijn toelichting; wilde deze aannemen en dus erkennen, dat geen gewone misdaad was gepleegd, en toch den jonkman, die nog een gantsch leven voor zich had en zoo veel treffelijks beloofde, doen sterven. Dat was in zijn oog een misdrijf, veel SHOoder dan het door den veroordeelde bedrevene; dat was werkelijk een moord, te afschuwelijker omdat hij in koelen bloede werd gepleegd, huichelend gehuld in het smetteloos kleed der Gerechtigheid. »Is dat rechtvaardig...?quot; suisde het nogmaals van zijn lippen.
»Kaptein!quot; riep Zijn Hoogheid, en de stem hield een waarschuwing in. Een kramphoest belette hem verder te spreken, zelfs al had hij dit gewild. Hij legde het vonnis, dat hij altijd nog in de hand hield, weder voor zich, schreef haastig een enkel woord â wat zijn gewoonte was, want hij hield niet van schrijven â en reikte het toen aan Burnet over.
»Stel dat dadelijk Kolonel Mackay ter hand!quot; Hij wendde zich vervolgens tot Semeyns en zeide heel zacht »Het kan niet anders en... dat spijt me wel. Gaat beiden heen!quot;
Toen hij alleen was, haastte hij zich het kopjen uit den krui-denpot vol, boordevol, in te schenken en in eens uit te drinken. De drank was bitter, maar hij merkte het niet; misschien omdat hij er aan gewoon was, misschien ook omdat het meerdere het mindere kan doen voorbijzien en het bittere van straks dat van nu overtrof.
»Laat mij zien! laat mij zien!quot; bad Semeyns, toen hij met Burnet in de voorkamer was teruggekeerd.
Het vonnis was werkelijk bekrachtigd, maar het enkel daarbij gevoegd woord onthief den veroordeelde van de schande der door den Krijgsraad opgelegde straf en veranderde deze tot: de dood door den kogel!
»Tyranniek!quot; riep Semeyns in zijn moedertaal.
Burnet vermoedde, naar den toon der stem te oordeelen, dat er iets heftigs was gezegd. »\'t Heeft niet mogen baten al wat ik deed... Zeker heeft hij van nacht ellendig geslapen en is hij mett hoofdpijn opgestaan... Als dat gebeurt is hij niet te leiden!quot;
.»Ja, ja!quot;
Semeyns groette even en snelde heen. Zijn ZeerEerwaarde kwam hem voor, alleen een lastig, eigenlievend en dus vervelend mensch te zijn. Hij was niet in de stemming, om het goede op te merken ook in het gebrekkelijke en onvolkomene. In zijn kwartier aangekomen sloot hij zich op, wierp zich, den rug naar het venster gekeerd, op een stoel neder en bedekte met de hand het gezicht, terwijl hij telkens en telkens uitriep »Arme Fred! Arme jongen! Offer, onschuldig geslacht!quot;
160
VUL
Eenige dagen waren verloopen. De terechtstelling van den Vaandrig was lang voorbij, maar nog niet vergeten. De gemoederen in Exeter en omstreken waren niet alleen gerust gesteld, maar ook in het vertrouwen versterkt, dat plundering en moord voor goed onmogelijk waren en Zijn Hoogheid zijn ontelbare heir-scharen en zijn reuzen-soldaten alleen in de dienst van het heiligste stelde. De stad zelve wemelde van nieuw aangekomen aanhangers uit alle maatschappelijke rangen, van den daglooner af tot de eerste Pairs van het Eijk. Gene vroegen in soldij genomen en gedrild te worden, wat Zijn Hoogheid en de Maarschalk Sehomberg weigerden, als overtuigd van de onwaarde van soldaten, in der haast uit zulke burgers gevormd. Het vroeger eenvoudig Hoofdkwartier had in pracht en praal en ook in talrijkheid en hoedanigheid van bewoners gewonnen; het had van lieverlede de deftige vormen van een Hof aangenomen, waar de oppermacht ook in het burgerlijke was komen wonen.
Kaptein Semeyns dbrdeelde over veel wat hem omringde anders als de meesten zijner kameraden. Zijn vroolijkheid, welke niet alleen zijn Kolonel had opgemerkt en toegejuicht, was voor een goed deel verdwenen sedert zijn laatste audiëntie bij Zijn Hoogheid. Ze was verkeerd in stroefheid, ja stugge ingetrokkenheid, toen hij van den zandhoop was teruggekeerd, waar hij zijn Fred neervallen en, zonder een enkelen kreet te uiten, den laatsten adem had zien uitblazen. Zijn oog had niet geschreid, maar de leden waren gezwollen en brandend rood. Zijn hand had de teêre vingeren van den veroordeelde tot een laatst vaarwel gedrukt, maar de mond had geen woord gesproken. Slechts een stuipachtige lach had zich langs zijn lippen vertoond, toen de jonkman, neder geknield, zich schuldig, de rechtvaardigheid van het von-
KAPT. VAN HE LIJFGARDE. â
11
I.
UE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
nis erkende en zich God Almachtig aanbeval in de hoop, dat Deze, die de harten kende en de nieren proefde, barmhartiger voor hem zijn mocht dan de menschen. En toen... tien musketten knetterden .... alles was voorbij!
Twee dagen later had hij het bevel ontvangen met zijn kom-panjie naar de uiterste voorposten op te trekken van het leger, dat steeds, maar langzaam, het land introk. Die voorposten zouden nu tot Honiton op den weg naar de stad Salisbury worden vooruit geschoven en moesten uitsluitend bestaan uit soldaten van de Engelsche en Schotsche regimenten. Dit laatste begreep Semeyns zeer goed. Bij een gevecht, dat aan de voorposten het eerst zou plaats hebben, moesten alleen Engelschen met Engel-schen zich meten, moesten landgenooten alleen door landgenooten overwonnen worden. Maar dat hém aan het hoofd van zijn kom-panjie de uiterste grens van de linie werd aangewezen, hém, die tot dusverre met zorg van zijn regiment was afgezonderd gehouden, als om hem onder het bereik van \'s Prinsen stem te doen blijven, \'t bevreemdde hem aanvankelijk niet weinig.
Spoedig evenwel wist hij zich een andwoord te geven, dat tevens welsprekend getuigde van zijn stemming. Hij dacht aan een voorval uit Koning Davids leven; een voorval, dat hem de groote vereering der Christelijke Kerk voor den oud-testamentischen held immer tot een ergerlijke dwaasheid had gemaakt. Koning David had ook een legerbevelhebber gehad, die hem hinderde, en had dien spoedig onschadelijk weten te maken door hem naar de voorposten te zenden. Zijn Hoogheid had wel iets met dien David gemeen ; hij was dapper en moedig, maar ook slim en behendig als deze. Zouden de de Witten dus gestorven zijn, als niet...? Neen, hij waagde de zinsnede niet ten einde te brengen. Zijn wrevel vervoerde hem tot waanzinnige vermoedens en beschuldigingen. Hij had den Prins vereerd, ja lief gehad om diens uitnemende hoedanigheden, welke hij, zelfs in den nederigen kring waartoe hij wel blijvend scheen veroordeeld, zoo dikwijls had kunnen opmerken. Neen, hij wilde niet verder overpeinzen en overleggen; hij wilde de gevolgtrekkingen, welke zich in steeds langer reeksen als aan hem opdrongen, terug doen wijken; hij wilde het verlêden stellen tegen het heden, de eerbiedige liefde van toen tegen den wrevel gemengd met minachting van nu.
Het verleden tegen het heden? Maar zijn verleden, het naaste yoor \'t minst, had toch eigenlijk ook zooveel bitters, veel meer nog dan het tegenwoordig oogenblik. Dat naaste verleden, in de omstreken van Londen doorleefd, gaf tuigenis van een zedelijke nederlaag â hij wilde \'t zich zei ven nu wel bekennen! â en het tegenwoordig oogenblik daarentegen van een____glansrijke overwinning. Ja, had hij ook het uitzicht op roem en eer verloren,
162
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE.
dat op inwendigen vrede was veel verhelderd. Hij had een afgrond leeren peilen, aan welks rand hij zich bloemen had vergaard. Goddank, hij had zich daarvan kunnen afwenden! Hij was voor een verpletterenden val behoed; hij vreesde zelfs niet meer te struikelen.
Was dat verzekerd-zijn van zich zeiven geen waan, zoo als bij de besten onzer zich zoo dikwijls voordoet... ? Suisde daar niet in zijn binnenste: »wie een vrouw aanziet om haar te begeeren, die heeft aireede...quot;
Logen, logen!
Den volgenden morgen schetterde de trompet lustig, toen hij, in de gelederen getreden, zijn Luitenant en Onderluitenant of Vaandrig, die Freds plaats had verkregen, zijn twee sergeants, drie korporaals en hun vijf adjunkten en eindelijk den »fraterquot;, zoo als de chirurgijn, tegelijk barbier, der kompanjie werd genoemd, had gemonsterd en eenigen hunner de laatste bevelen gegeven. Militaire groeten werden herhaaldelijk gewisseld, en wat meer beteekende, menige vriendelijke hoofdknik ontvangen van de burgers, die dien groet vaak vergezeld deden gaan van een hartelijk: God zegene u! Hoe verder zij zich langs de slecht onderhouden en alleen met veel moeite betreden wegen van Exeter verwijderden, des te hartelijker werden de groeten der inboorlingen. Zij trokken na een marsch van ettelijke uren de uiterste wachtpost voorbij, die het hun gants niet vriendelijk afnam dat de stelling, welke dagen lang er een van vertrouwen en gevaar was geweest, door het verder trekken dezer kompanjie alle belangrijkheid had verloren.
»Iets gepasseerd?quot; vroeg Semeyns den aanvoerder, die in rang 2ijn gelijke was.
»Nog al wat bijzonders!quot; klonk het vrij hooghartig. »Als ik hier meer manschappen gehad had, zou ik een goed deel van Koning Jakobs dragonders, die door een heel hoogen Heer naar ons toe werden gebracht, gepakt en gehouden hebben. Ik heb er nu maar een paar honderd meester kunnen worden, maar die zijn voor goed binnen.quot;
Het feit, dat Semeyns werd verteld, was in hoofdzaak waar. De oudste zoon van den Graaf van Clarendon, een neef van Koning Jakob, was uit het kamp bij Salisbury, waar hij, hoewel maar Kolonel, op zeker oogenblik door het afwezig zijn van alle hoogere officieren, â het had er wel iets van dat dit alzoo door een zéér hoogen beschikt was â de bevelvoerende was, aan het hoofd van drie regimenten kavallerie naar het Zuidwesten opgetrokken. Hij had ze eerst naar Blandford en van daar naar Dorchester gebracht, en ze na een halt van een paar uur naar Axminster geleid, in de nabijheid van Honiton. De onder hem dienende officie-
163
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
ren vatteden toen evenwel achterdocht op, vroegen wat het doel was van den tocht en weigerden verder te gaan. De jonge edelman vreesde ontdekt te zijn en derhalve zijn toeleg, om Zijn Hoogheid de drie regimenten in handen te spelen, niet te kunnen volvoeren. Hij joeg, slechts van eenige zijner manschappen gevolgd, door naar de voorposten, terwijl het gros terugkeerde.
Wanneer dat gebeurd was?
»Een uur geleden.quot;
»In welke richting gingen de dragonders terug?quot; vervolgde Semeyns levendig.
;gt;Den kant op waar ge naar toe moet, Satansche geluksvogel!quot;
»En waar hebt ge uw twee honderd gevangenen gestopt?quot; De vraag klonk niet weinig sarkastiesch.
»Ik ken den weg béter dan gij, want ik ben in mijn eigen land,quot; hernam de ander hoog.
»Ik hoop te toonen dat ik, hoewel in een vreemd land, mijn gevangenen beter kan bewaren dan een, die er naar eigen beweren zoo goed in thuis is. Mannen, naar Honiton...! Luitenant, daar plaatsen we onze vedetten!quot;
»Als de Ieren \'t je niet beletten, die hier in \'trond zwerven.quot;
»Elk onzer neemt er tien van dat gespuis voor zijn rekening, niet waar, jongens?quot;
»Hoerah! Hoerah!quot; juichte de gantsche kompanjie.
Maar Semeyns, die een oogenblik had nagedacht, vond de ontvangen berichten nog gewichtiger dan de andere en zag in, dat zijn troepenmacht te klein was voor den aanval of den overval, dien hij voorzag en waarvan hij al de kansen berekende.
»Wil ik met mijne kompanjies de uwe volgen?quot; vroeg de ander, die in Semeyns\' overleggingen misschien wel vreesachtigheid las.
»Is u voorgeschreven hier te kampeeren?quot; was de wedervraag.
Toen de ander daarop toestemmend andwoordde, vervolgde hij: »dan moet ge hier blijven... Ge weet hoe streng er geregeerd wordt.quot;
Bij de laatste woorden had zijn gelaat, dat van lieverlede een uitdrukking van opgewektheid had aangenomen, weder de gewone stugheid der laatste dagen vertoond. Na een oogenblik nadenkens riep hij een langen roodhairigen slungel voor het front. Hij koos hem, zoo als hij zei, om zijn lange beenen, die hij nu eens nog vlugger dan gewoonlijk in beweging had te brengen: hij moest naar \'t kwartier van den Kolonel en dezen om nog een kompanjie vragen, zoo mogelyk om nog twee; maar de andere Kaptein, die zijn ijverzucht te boven was gekomen, bood hem aan den frater van zijn kompanjie, die een paard was machtig geworden, de ge-wenschte boodschap te laten doen.
164
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Semeyns maakte gretig van het aanbod gebruik, waarna hij van den ander met een krachtigen handdruk en de woorden; »tot wederdienst bereid!quot; afscheid nam.
»De versterking zal me wel geweigerd worden,quot; bromde Semeyns. »\'t Ligt eenmaal in \'t plan mij uit den weg te ruimen. Arme kaerels, die met me als offer kunnen vallen van de gril van een..quot; Het woord: »despootquot; bleef ditmaal binnen.
Het broeden op eigen opvattingen had hem tot de monsterachtigste onderstellingen gebracht, maar vermocht toch geen oogen-blik zijn plichtsgevoel te doen zwijgen. De gevaren, die hem omzweefden, dreven hem uit den toovercirkel, waarin zijn argwaan hem had gevoerd; ze noodzaakten zijn gedachten een gants andere richting in te slaan. Het krijgsmanshart klopte sneller; de aansprakelijkheid, die op hem als chef der colonne rustte, verplichtte hem een beroep te doen op andere krachten, als die de bittere wrok voor zich eischte.
In gesloten gelederen marcheerden zij voort: het kruit in de pan, de haan overgehaald, de korte piekspits bij de voorste kom-panjie aan den musketmond geschroefd. Het terrein was golvend. Bosschen hier, graanakkers ginds, dekten de half verweerde rotsen welke de holle wegen omsloten.
»Een uitstekend terrein voor een hinderlaag!quot; zei hij tot een zijner Luitenants, Campbell genaamd.
Ze waren op de hoogte en zagen in een lieflijke vallei neer. Daar hingen aan de zachte helling der rotsen eenige schamele woningen; de kotten en schuren, die er naast stonden, deden ze kennen als boerenhuizingen. Benedenwaards in het dal lag een kleine stad: de kerkspits in het midden gaf het huizental, waarvan de rietendaken uit de nog niet gants ontblaiirde eikenkruinen te voorschijn kwamen, recht op dien naam.
»Daar zullen wel paarden te huren zijn, Campbell! \'tlsnoodig dat we eenige bereden manschappen hebben, als we de omzwervende dragonders in \'t oog krijgen. Neem dertig man meé en kom me dan achterop!quot;
Hij werd in allerijl gehoorzaamd: het Regiment Mackay was bekend om zijn dapperheid, orde en tucht. Dat was steeds geloofd geworden... tot voor weinige dagen .. I
sNeem een Vaandrig meê; maar pas goed op hem: deze moet het toch tot officier brengen.quot;
»Dat hoop ik ook, Kaptein!quot; hernam de Luitenant met een veel beteekenenden blik en iets wat op een zucht geleek.
Semeyns schreed voort. Een groote afstand scheidde hem nog van Honiton, dat vijftien mijl van Exeter lag en voor den avond nog bereikt moest worden. Na een half uur marcheerens liet hij halt houden. Brood en spek kwamen uit de zakken, welke aan.
165
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGATIDE.
den sabelband hingen. \'tWas een plek uitermate voor een kleine rust geschikt. De hoogte was achter hen; de naar omlaag zich slingerende weg, met boomen en heesters bezoomd, liep hier langs een nog groene weide, door een sloot vol helder water bespoeld. De ijzeren kroezen plonsden in het vocht en werden met gretigheid aan de gebaarde lippen gebracht.
Daar viel een schot! Nog een... nog vele..! Eene peletons-vuur! \'t Was in de verte, maar toch niet heel ver, naar de hemelsbreedte gerekend. »In \'tgeweer!quot; werd er gekommandeerd. In een oogwenk was de proviand verdwenen en stond ieder in \'t gelid.
Weder musketgeknetter! \'tWas aan gene zij van den berg!
»Op, mannen, op, dat zullen de Ieren zijn die in het rond zwerven en plunderen! De Luitenant zal \'t warm hebben!quot; riep Semeys, die, allen vooruit, de steilten opklom, de degen in de linkerhand. Hij was al boven; hij zag naar beneden... naar den hollen weg diep onder zich... Een paar honderd slecht gekleede en bewapende soldaten, maar met een goed gekleeden en dap^even aanvoerder aan de spits, drong op een klein hoopjen aan. Dat ueze aanvoerder betere soldaten verdiende had Semeyns dadelijk bemerkt. Het kleine hoopken was de troep van zijn luitenant, de dappere Campbell, die nooit zijn vijanden telde en vaak even roekeloos was als hij, en hij â \'t was door den Kolonel dikwijls met een goedkeurenden oogblik opgemerkt, â geleek daarin bijna den on-versaagden Kapitein-Generaal, die om musketten noch piek-spitsen gaf.
»Naar beneden, mannen, naar de heg beneden, maar achter het boschjén om! Ze mogen ons niet zien... Geen woord meer gesproken !...quot;
\'t Was ook niet uoodig; ieder wist wat hem te doen stond. Op de helling van de tegenover liggende rots, maar bijna op den top, staarden eenige landlieden naar beneden met teekenen van angst. Ze vielen eensklaps plat op den grond, naar het voorbeeld van een tiental musketiers, die diep onder hen achter de heg, welke ook aan die zijde den hollen weg langs liep, zich op den buik hadden geworpen... Het hoopken beneden weerde zich dapper met de piekspitsen; â- tijd om de afgeschoten musketten weder te laden scheen er niet meer te zijn...
»Tien tegen een!quot; bromde Semeyns. »Bravo!quot; juichte hij, want daar schoot het tiental, achter de heg tegenover hen in hinderlaag liggende, de goed gerichte musketten af in de opeengepakte Ieren, waarvan eenige te paard zaten. Verschrikt viel de een op den ander terug. Er ontstond gedrang, verwarring. Maar de vijandelijke aanvoerder bleek zijn tegenwoordigheid van geest niet verloren te hebben. Hij zond een vijftigtal der naastbij staanden de rots op, de heg door, terwijl hij het gros der bende op Campbell en zijn
166
BE KAPTEIN VAN l)E LIJFGAUDE.
weinige musketiers liet aanrukken. »Vuur!quot; kommandeerde nu Semeyns, en zestig kogels snorden onder de boomen door, waarvan vele takken in spaanders vlogen. De afstand was te groot, het terrein voor de aanvallers te ongunstig dan dat ze iets anders hadden kunnen treffen. Toch bleek het oogmerk van Semeyns bereikt, nog beter dan hy zelf had durven hopen. De landlieden aan gene zijde waren opgesprongen en juichten: »Daar is Zijn Hoogheid met zijn duizenden! God zegene hem!quot; En het tweede salvo van Semeyns\' troep zettede aan die woorden beteekenis bij. De Ieren, door een panischen schrik bevangen, wierpen de pieken en musketten weg. Campbell maakte beneden een meesterlijk gebruik van den toestand, liet »Hoerah! roepen, met onverschrokkenheid op de wijkende overmacht inrukken, beval de nu weer geladen musketten te richten op de ruiters, ten einde de paarden machtig te worden en kon zijn Kaptein, die eindelijk met de geheele kompanjie beneden was gekomen, een veertigtal paarden aanbieden en een dozijn gevangenen.
»De lersche varkens liepen me te hard, anders had ik u er meer kunnen leveren,quot; zei hij luid lachend.
»Niet noodig. Het beste lieten ze achter!quot; en dit zeggende wees Semeyns op de vele musketten en pieken, welke in de overhaaste vlucht waren weggeworpen. »We moeten ze achterna. Als we vóór den avond versterking krijgen, dan zie ik kans ook de zwervende dragonders te vangen. Krijgen we geen versterking dan moet uw bewonderenswaardig gevecht het ons alleen doen, en dat zal \'t ook wel kunnen.quot;
»Was u niet zoo bij tijds gekomen, Kaptein, dan zou \'t geheel anders zijn afgeloopen.quot;
Achter hen klonk het Wilhelmus! De geheele kompanjie, die zij straks achter gelaten hadden, voegde zich op last van den Kolonel bij hen en stelde zich onder kommando van Kaptein Semeyns.
«Voorwaarts! marsch!quot; en in de beste orde en in de blijdste stemming, marcheerde de gantsche bende op naar Honiton.
Semeyns had een der paarden bestegen, zijn pijpjen voor den dag gehaald en dampte lustig. Alle wolken schenen weggevaagd. De arbeid, waartoe hij verplicht werd, oefende een heilzamen invloed.
»Wat ellendige vijanden!quot; merkte Campbell aan, op de slecht gekleede en woest uitziende lersche gevangenen duidende, die, beladen met allerlei zakken, voor het front langzaam voortstapten.
»Zes maanden dienst onder Generaal Ginckel, en ze staan even goed als wij de garde van den Koning van Frankrijk,quot; hernam Semeyns met overtuiging. »Ik weet hoe weinig wij waard waren, nu zestien jaar geleden, en hoe eerst de strop en toen de drilstok als middelen van onderwijs moesten dienst doen.quot;
167
IX.
â Te Honiton aangekomen hoorde Semeyns belangrijk nieuws. Tot 2ijn verbazing vond hij daar het gantsche Schotsche regiment van Kolonel Bellasis, die van de aankomst en het terugvallen dei-Regimenten dragonders onder den jongen Cornbury door zijne spionnen was onderricht en met de meeste snelheid, zonder bevelen van het Hoofdkwartier af te wachten, zijn legerplaats verlaten en zich in den rug van de aarzelende Koningstroepen had geworpen. Van de drie naar het vijandelijk kamp gelokte Regimenten was het hem gelukt er twee af te snijden. Deze bestonden geheel uit Engelschen, die al heel spoedig; »leve Zijn Hoogheid!quot; riepen en, toen een verhoogd soldij werd aangeboden, dadelijk bereid waren zich onder de Prinsenvaan te scharen.
»Het wordt ons al te gemakkelijk gemaakt,quot; bromde Semeyns, die in dit alles een nieuwe teleurstelling zag.
»Zijii Hoogheid doet in zijn schrijfbureau meer dan wij in het veld.quot; hernam de Kolonel bewonderend.
»Ja, door verraders te kweeken.quot;
De Kolonel zette groote oogen op; misschien had hij, de Schot, den Hollander, die breed Engelsch sprak, niet goed verstaan.
»Wat beveelt u mij. Kolonel?quot;
»Luidde de order van het Hoofdkwartier dat ge je hier zoudt posteeren?quot;
»Mij is bevolen de uiterste voorposten voorbij te trekken en mijn manschappen op een geschikt terrein als vedetten te doen post vatten.quot;
»Welk een onderscheiding!quot;
»Niet waar?quot; Semeyns\' toon was sarkastiesch.
»De last is duidelijk. U heeft Honiton, waar ik ben en blijf, nu voorbij te trekken en post te vatten zeven mijl verder, te
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAKDE.
Axminster. \'t Schijnt de bedoeling van Zijn Hoogheid toch te zijn op Salisbury af te trekken en, na het hier gebeurde, waaruit de geest van Jakobs leger valt af te leiden, zal hij wel spoedig besluiten zijn Hoofdkwartier te verleggen, en dan is \'t bijna zeker dat hij dat te Axminster vestigen zal.quot;
»U vindt dus goed dat ik doorti\'ek? Dat is uitstekend!quot;
»Laat ik je met twee kompanjies bijstaan.quot;
»Zoo als u beveelt. Ik kan het echter met de mijne alleen wel af. Welk een oorlog!quot;
»Het is er geen en mag er ook geen zijn!quot; hernam de Kolonel vrij strak. »Maar ik beveel u in deze niets.quot;
\'»Dan trek ik dadelijk door naar Axminster, met mijn beide kompanjies alleen.quot;
»Morgen ochtend toch?quot;
j»Als u \'t vergunt, dadelijk. Ik zoek het gevaar. Kolonel!quot;
»\'t Is bekend dat u een kloek man is. Maar je kunt daar op een talrijke troepenmacht stooten....quot;
»Ik heb volle twee honderd musketiers onder mijn bevelen en daarbij een tiental lersche gevangenen, die genoeg schreeuwen en kermen zullen als we beginnen te vuren, om duizend lafaards tegenover ons, zoo die er zijn of verschijnen, op de vlucht te jagen of de wapens te doen nederleggen.quot;
»Ga dan met God! Maar de Ieren laat ge achter bij mij. Gevangenen zijn altijd een belemmering, daarom houd ik er niet van ze te maken. Kwartier geven noem ik altijd maar gekheid... Zoodra je evenwel onraad merkt, moet je mij een renbode zenden, dat beveel ik u. Er mag geen nederlaag geleden worden. «Zooveel mogelijk moet ieder treffen zelfs vermeden,quot; zoo stond er in de order, die ik van ochtend uit het Hoofdkwartier ontving____quot;
De doodmoede soldaten hoorden zonder morren het onverwachte bevel tot oprukken. Ze hadden een stevig maal gebruikt en zich verbroederd met de pas overgekomen koninklijke dragonders, die hun veel vertelden van de schromelijke wanorde in \'s Konings kamp en de angst aldaar voor het onnoemelijk aantal reuzen, waaruit het leger Zijner Hoogheid heette te bestaan.
Hoe men zich vroolijk maakte over al de uitgestrooide vertelsels!
Van een vertrouwden gids vergezeld ving Semeyns den tocht aan. Hij had de beschikking gekregen over een aantal paarden, voldoende om een goed deel zijner manschappen te doen opzitten. Deze hadden geleerd, wat Zijn Hoogheid bij vele kompanjies Hol-landsche musketiers had verordend, tevens als ruiters dienst te doen. Alle gesprekken waren verboden, \'t Was stik donker geworden en aan beide zijden van den weg verhieven zich heuvels en bergen met hout bewassen. Geen enkel lichtjen duidde een woning aan. Een dikke mist omhulde allen. Het was doodstil.
169
BE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Slechts het kletsen van de paardenhoeven in de weeke klei werd vernomen, en soms het krassen van een kraai, te vroeg uit den dommel gewekt. De officieren reden met ontblooten sabel, de bereden manschappen, het musket aan den bandelier op den rug, gereed om bij het eerste signaal van het paard te springen. Een uil kraste in de nabijheid; een steen rolde van een der vele hellingen naar beneden. Een trilling doorliep de benden: aller oor, aller oog was gesperd! Een tijd lang ging de tocht opwaards, toen gelijkvloers, eindelijk naar beneden. Omlaag gekomen werd de flikkering van een lichtjen bespeurd.
»De boerderij van Vader Oals,quot; fluisterde de gids. »Op een half uur afstands ligt Axminster.
»Is hij vriend?quot; vroeg Semeyns.-
»Sedert jaren.quot;
»Kan hij ons allen een dak geven?quot;
»Ja, hij met zijn twee buren____en die zullen er ook niets
tegen hebben.quot;
Semeyns vond voorzichtiger het stadtjen bij daglicht te naderen dan nu er dadelijk heen te trekken. Hij besloot dus bij vader Oals aan te kloppen. Zoo als de gids hem voorspeld had werd hij vriendelijk ontvangen. Hooi en stroo was er overvloedig, ruimte op de dorschvloeren en in de stallen evenzeer.
De wachten werden uitgezet. De luitenant Campbell verzocht aan het hoofd daarvan buiten te blijven, maar Semeyns stond het den buitengewoon vermoeid uitzienden jonkman niet toe. Hij zelf zou waken met den Kapitein der tweede kompanjie. Hij droeg de verantwoordelijkheid en wilde dus \'t liefst op zich zeiven vertrouwen. Mocht hem iets noodlottigs gebeuren dan was de in rang met hem gelijke van rechtswege zijn opvolger in het gezach; daarom wenschte hij dien naast zich.
Vóóraan in het bosch, juist waar de weg van Axminster op Honiton zich naar boven slingerde â de weg dus dien zij straks waren afgekomen â zaten de beide officieren in hun mantels gewikkeld neer achter een stuk rots, terwijl een twintigtal musketiers vóór hen plat op den buik lagen en twee hunner, half achter de boomen verscholen, op wacht stonden.
De stilte, welke hen omringde, maakte den strijd tegen den slaap zwaar. Semeyns\' gedachten echter waren de zee overgezweefd en hadden stil gehouden in zeker huis, bij zekere bedsteden, waar de ademhaling geregeld ging, waar de blosjens gloeiden op gevulde wangen en de vrede sluimerde op lippen, door zoete glim-lachjens half geopend.
«Slaapt goed!quot; lispelde hij. Maar eensklaps verdwenen die beelden en trad er een gants ander voor in de plaats. Een bekoorlijke gestalte lag op het mollig bed in de aanvalligste hou-
170
DE KAPTEIN VA.N DE LIJFGARDE.
ding; het rozerood lipjen opende ziah om hem een liefelijk woord toe te lispelen; de zwellende boezem golfde onder den hagelwit-ten half doorschijn enden doek... Weg! daar van daan! Naar den stillen tempel van het huisgezin terug! Maar het scheen hem onmogelijkâ Wat echter de wil niet vermocht, gelukte den prikkel van buiten aangebracht. Een schok doortrilde hem eu zijn medgezel. Beiden hadden iets gehoord. De twee wachten ook, want ze riepen aan, waarop allen opsprongen.
Luistert! Het kraken van wielen, het stampen van paardenpoten !
»Open de lantaarn!quot; werd er gekommandeerd. Een üauw schijnsel \' viel op den weg en op een karos met twee paarden bespannen en gevolgd door een huifkar, moeielijk voortgetrokken door een bonten viervoet. De karos geleek op de voertuigen, zoo als de burgerstand in Londen, die zich eenige weelde veroorloven mocht, somwijlen huurde, de huifkar, zoo als door de landlieden gebruikt werd, die \'s morgens vroeg de eetwaren naar de groots stad brachten.
De paarden schrikten bij het plotseling verschijnen van den lichtstraal, de koetsier op den hoogen bok nog meer. Het grof laken portier werd even opgetipt. Het oog, dat er uitgegluurd had, bespeurde â wat de koetsier niet gedaan had â⢠een oranjebandelier. Het hoofd werd nu geheel naar buiten gestoken en de vraag klonk: »Prinsen volk?quot;
Op het toestemmend andwoord en bij het toetreden van Semeyns zeide dezelfde stem: »méer licht!quot; en toen, met blijde verbazing: »wat gelukkig toeval, dat ik u juist tref!quot;
Semeyns dacht een oogenblik na: hij had het gelaat, waarop nu het volle licht viel, meer gezien, maar kon het nog maar niet thuis brengen; het was een gelaat, waarvan de uitdrukking hem aanvankelijk het woord: »Mylordquot; op de lippen bracht.
»Herken je mij niet?quot; klonk het in zuiver Hollandsch.
Nu werd het hem in eens klaar.
»Mijnheer van Citters! Uwe Edelheid is behouden aangekomen, want ze is onder de vlag Zijner Hoogheid!quot;
s\'tWerd me daar ginder wat al te warm. Ik heb haast. Kan ik doorrijden?quot;
»Voor alle zekerheid geef ik Uwe Edelheid mijn gids en een paar manschappen meê. Hoort die huifkar...?quot;
»Ze bevat mijn garderobe!quot; klonk het met een lach.
»Het beest dat er voor staat, kan niet meer voort. Mijnheer,, en ik heb geen enkel trekpaard bij de hand!quot; merkte Semeyns bedenkelijk aan.
»Laat de kar dan maar hier blijven n et mijn lijfknecht... Weea zoo goed mij haar morgen na te zenden. Ik ga regelrecht naar
17Ã
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE.
het Hoofdkwartier. Heb je iets te melden dat ik overbrengen kan â en mag?quot;
De diplomaat verloochende ook hier zich niet.
»Neen, niets bijzonders. De Heer en hebben alles gedaan: voor ons soldaten blijft heel weinig meer over.quot;
Mijnheer liet het portier-gordijn los en was er weer achter verborgen. Toen het rijtuig echter in beweging kwam, stak hij de hand haastig nog even naar buiten met een brief. »Dit kwam voor u aan met den Hollandschen post.... verleden week!quot;
Semeyns vatte het kostelijk stuk haastig aan. sik dank Uwe Edelheid wel... Uwe Edelheid wordt vriendelijk gedankt!quot; sta-merde Semeyns.
Hij verlangde dadelijk te lezen. Campbell had nu eenige rust genoten en zou zijn plaats wel kunnen innemen. Eenige minuten later zat hij op de plaats van Vader Oals bij den bakoven, waarin groote zwarte brooden voor den volgenden dag werden gaar gestoofd. Vader Oals en zijn buren wilden de verlossers, van wie ze zooveel hadden hooren vertellen en die ze nu eindelijk te zien hadden gekregen, den volgenden morgen eens een goed gevulde maag bezorgen.
Warm was \'top die plaats, heerlijk warm; het licht liet echter wel wat te wenschen over, want alleen de magere pit van katoengaren moest het verspreiden en die pit dreef op onklare olie en snerkte en spartelde telkens in de vuile drab. Maar de vriendelijke gastheer wist er wat op te verzinnen. Voor het aanstaande Kerstmisfeest was moeder de vrouw begonnen de kaarsen te maken, welke dan de donkere dagen buiten bijna in heldere daar binnen deden ver-keeren. Misschien dat eenige daarvan reeds klaar waren. Daar dit zoo was zat Semeyns weldra aan de greenen houten tafel tusschen twee licht en in, met een open brief voor zich, alles om zich heen vergeten en weinig vermoedende van de bewondering, welke hij in zijn scharlakenrooden rok met den rinkinkenden sabel aan en de glimmende pistolen in de bandelier bij den bakkenden oude wekte.
»Welbeminde man!
UEds. brief van begin November kwam mij voor eenige dagen ter hand en zou wel eer beandwoord zijn, indien ik bij het vertillen van onze kleerenkast mijn rechterpols niet wat bezeerd had. Ook wist ik niet of mijn andwoord wel ooit terecht zou komen, daar ÃEd. mij geen juist- adres kon opgeven. Toen ik evenwel de pen kon houden besloot ik maar te beginnen, wel wetende dat UEd. begeeren zou iets van ons te vernemen. Recht blijde waren we allen te vernemen, dat UEds gezondheid en veiligheid gekon-serveerd bleef____Wij hebben ons al dikwijls angstig gemaakt...
172
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAUDE,
Ernst, die goeie lieve jongen, beurde ons dan weer wat op door zijn dartelheid en jokkernij. Brechtjen kan dat zoo niet en ziet zelfs nog wolken, waar ik liet al de blauwe lucht doe.
Ik houde mij verzekerd, dat UEd. de gelegenheid om u te onderscheiden niet zal verzuimen, maar ook, dat TJEd. daarbij de wijze voorzienigheid niet uit het oog zal verliezen, daarbij in-, dachtig zijnde de genegenheid van de velen, die UEd. achterliet.
Ons huis is nu geheel op orde. Verleden Zondag zaten wij voor het eerst beneden in de mooie kamer, Brechtjen en Ernst aan het raam, ik bij den open stalen haard, den eigensten, dien ik voor tien jaar op het boêlhuis kocht te Botterdam. Er is nog geen vlekjen aan te zien.... Ik zat in uw stoel.... De zitting mag wel eens worden overtrokken; nu, ze heugt dan ook al wat jaren. Ik maakte het kussen immers voor mijn bruigom! Als UEd, bij ons was geweest, ware \'t maar een uurtjen en ons kopjen kandeel meê had geproefd, dan zou ik zeker niet zoo geschrokken zijn bij het zien van den heer, die vlak ons raam voorbij ging. Dat hij er deftig uit zag, bleek uit den uitroep van Ernst. Brechtjen. zag hem ook, nog wel het eerst van ons allen, geloof ik, want ze zei dat hij haar zoo sterk aanzag; wat toch geen reden was om zoo te kleuren! \'t Was neef Henrick van Arkesteyn, die misschien al jaren weer in \'t land is; wij weten ook zoo weinig van die tranche onzer familie af. Naar het- uiterlijk te oordeelen is \'t hem voor den wind gegaan.... Zondige vragen rijzen soms in het binnenste op, indien men de welvaart en het aanzien van sommigen, die het zoo weinig verdienen, en het tobben weer van anderen, die \'t goede altijd lief hadden, nagaat!
Ik heb voor Brechtjen een Fransche- en een naai-school in de nabijheid gevonden. Madame Crevau woont schuins over ons en Juffer Vis op den Kolk. \'t Kost samen zeven gulden vier stuivers in de drie maanden, zonder de turf te rekenen, welke juffer Vis elke week door ieder van haar meisjens laat meebrengen. Ernst deed ik niet op de Stadslatijnsche school, zooals ik met UEd. besprak, want, naar ik van den aptheker hier om den hoek verstond, een man die\' toch ook latijn had geleerd, waren de bijzondere scholen veel beter dan die van de Stad. Ik ben nog zoekende naar een in den omtrek, want ver weg kan ik Ernst toch niet zenden, daar ik hem dan niet altoos zou kunnen brengen en ha-, len, wat ik toch graag zou doen, uit konsideratie van zijn UEd. bekende kordaatheid in \'t loopen en \'t klauteren, \'t Schoolgeld is voor poorters-kinderen op de Stadsscholen wel heel laag, maar daar UEd. geen poorter is, heeft het voor onzen Ernst niet te beduiden.
Brechtjen heeft al een vriendinnetjen zooals ze zegt, evenwel, naar ik hoop en vertrouw, maar een schoolkennisjen, in het kind
173
DE KAPTEIN VAN DE LTJFGAÃDE.
van den koekebakker uit de Stilsteeg. Ze werd er verleden week op een avond gevraagd, om te komen plakken voor St. Nicl., had dolle pret gehad, wel twintig vrijers in \'t goud gezet, zoo als ik geloof, er evenveel opgegeten, en daarbij saliemelk gedronken tot ze niet meer kon. Nu, dat bleek \'s nachts. â Goed, dat Moê in de medicijnkast zelfs in donker den weg weet. Ze was \'s morgens nog wel niet heelemaal-beter, maar ik zond haar toch naar school. Wie zich te buiten gaat in spijs en drank mag er wel eenige boete voor beloopen. Het toch-naar-school-gaan en het niet-meê-gaan den volgenden Woensdagmiddag naar het Doolhof, was voor haar de boete. Zij trok zich het laatste wel aan; dat zag ik aan haar lippen; maar ze zei niets en toonde geen berouw. Had ze dat maar gedaan, dan had ik haar dadelijk meê genomen, want nu moest ze alleen thuis blijven, daar ons dienst-meisjen, dat het ruwe werk doet, tegenwoordig vóór het middagmaal naar huis gaat.
Hoe jammer dat Brechtjen zoo trotsch is!
Ernst kraaide \'t uit van plezier, toen we na \'t eten samen naar de Prinsengracht bij de Runstraat kuierden. Het deed mij haast nog meer aan dan hem, toen ik voor den ingang stond van de hooge poort van het oude Doolhof. Ik noem dit het oude, daar er sedert mijn kindsheid nog menig andere is verrezen. Ik dacht me er in den tijd, dat ik daar aan de hand van onze Bettie stond en mijn lieve vader, de Admiraal, nog leefde. Nu hield ik echter een kind aan de hand, onzen kleinen Ernst... Ik zou toch het heden voor het gister niet willen ruilen...quot;
»Niet? Niet?quot; prevelde Semeyns.
«Verbeeld u, op de plaats stond een grot, uit uitheemsche steenen, zeehoornen en ander schelpwerk gebouwd, van buiten versierd met beelden uit de heidensche fabelleer en van binnen doorsneden met fonteinspruiten; ook de steenen vloer, waarop we liepen, was vol waterpijpen. Maar dat was nog maar het voorspel. \'t Gezicht daarop kostte ons vier duiten. Wat er verder volgde, eens zooveel. Ik dacht evenwel naar UEds. intentie te handelen door zooveel eens te versnoepen. Wij gingen dus door en. zagen daar te veel om op te noemen, maar wat Ernst het meest trof was wel; »Salomon op zijn koninklijken troon met zijn Hellebaardiers en lijftrawanten; vóór hem komt de koningin met hare staatsjuffers, doende alle voor den Koning haar behoor-lijke eerbiedigheid, en de Koning haar beziende staat op van zijn troon, gaande van zelf weer zitten.quot; Zóo stond het op het pa-piertjen aan den wand geplakt; maar het laatste gebeurde ditmaal niet. De koning bleef staan en het knarste en ratelde en rommelde onder hem zóo vervaarlijk, dat de man, die ons alles liet zien, er naar toe kwam loopen en met grove woorden Ernst
174
BE KAPTE!N VAN DE LIJFGAEDE.
^beschuldigde van een steentjen tussehen het raderwerk gegooid te hebben, dat onder den koning alles in beweging brengt. Of het waar was? Hij zei van neen, maar zijn oogen keken zóo ondeugend, dat het me niets verwonderen zou, dat hij den steen een duwtjen had gegeven.
Mijn plezier was er nu evenwel af. Ook hadden we, naar mij dacht, zoo wat het beste gezien. Wij keerden dus maar weerom, zonder eenige opmerking over het nu te veel betaalde. T)e spulle-baas bleef lomp en leidde ons niet terug. Had hij \'t maar gedaan! Want toen we op het pleintjen waren ging Ernst, hoe ik \'t hem ook verbood, de grot nogmaals in, waagde zich op de gevaarlijkste plekken en werd uit al de onderaardsche fonteinen met ijskoud Lauriergrachtwater van onder tot boven bespoten.
De kwaje jongen, hij had zijn Zondagspak nog al aan!
Ik had grooten lust gehad met hem den Heiligen weg over te gaan, het Rasphuis voorbij, en hem daar den »Weelderige-dwangquot; te toonen: het geheime Tuchthuis, zoo als de aptheker me onlangs vertelde, voor verwilderde groote-lui-zoontjens. Ik deed het maar niet, want de jongen was te nat. Hij is er duchtig verkouden van geworden. Toen ik hem voor een paar dagen in zijn bed stopte vroeg hij mij ÃEd. er maar niets van te zeggen; maar dat wilde ik hem niet belooven.
Het leven valt me hier erg meé wat de vroolijkheid, maar gant-schelijk niet wat de goedkoopte betreft. En dan de kosten van het verhuizen en het opknappen van zooveel, dat bij het overbrengen geleden heeft! ÃEd. had me voor. de afreize gepermitteerd niet op eenige guldens te zien, daar UEds revenuën nu wel zouden augmenteeren. Ik was dit het eerst indachtig, toen ik het portret van Vader den Admiraal nog eens met attentie bekeek en toen bekennen moest, dat het een vernisjen noodig had. Op de volgende gracht woonde een schilder, die mij zeide dat dit bijna niets zou kosten en, als hij \'t naar zijn werkplaats mocht medenemen, nog minder; maar het laatste wilde ik niet. Dat portret kon ik de deur niet laten uitgaan, \'t Zou me geweest zijn of ik den lieven besten man dan eerst voor goed had verloren.
Hij verniste dus in de huiskamer, zoodat ik er den gantschen tijd bij kon wezen, \'t Was niet meer dan een paar uur arbeids iederen dag en hij kwam maar driemaal, en hij deed niet anders als vernissen, zooals uit zijn nota bleek; want daar stond op: seen ouden zeesoldaat voor ÃEd. vernist: vijf gulden.quot; Zoo is alles avenant!
Toch moet UEd. niet denken, dat ik met mijn huishoudgeld niet toekom. Kontrarie van dien, ik houd nog over. UEd. behoeft zich dus in niets te bekrimpen. Ik kan zelfs nog iedere week een schelling in het varken van de kinderen doen. Als er occasie
175
de kaptein van de lijfgarde.
toe bestaat zal UEd. mij wel spoedig schrijven met opgave van adres. De rescriptie zal waarlijk niet lang uitblijven, mét een paar regels van de kinderen, die, o zoo vurig! voor U bidden tot den Heer.quot;
Er schoot plotseling iets vochtigs in de ooghoeken van den lezer. Nog een paar regels en hij was het epistel ten einde; en die paar regels behelsden den deftigen groet van zijne getrouwe hem liefhebbende huisvrouwe:
Cteertr. Semeyns, geb. Van Perseyn.
Hij sloot bedaard den brief en huiverde.
Wat voelde hij zich koud...! wat voelde hij zich eensklaps oud!
Hij had ook misschien te veel van zijn krachten gevergd en behoefde rust. »Lieve\'Brecbtjen!quot; fluisterde hij, het hoofd op de linkerhand steunende.
Vader Oals, die met de brooden klaar was en liet oogenblik dat de brief gelezen was, scheen afgewacht te hebben om een vraag te doen, trad hem wat naderbij en zeide: »Heer Officier, brengt Uw Prins onzen prediker Lamb meé, zooals ik heb hooren zeggen ? Dat was me een voorganger in de Gemeente! Hij stelde je naakt voor het aangezicht van den Grerechte en begon je dan weer aan te kleeden heel in de diepte van onderen op!quot;
»Morgen, goede man! Ik slaap bijna zittende.quot;
»Daar is al voor gezorgd. Heer Officier. In de kamer van de Vrouw hebben we versch stroo gelegd, \'t Is nog nooit vertoond; de kamer is haar glorie, maar wie ons onzen broeder Lamb terug brengt krijgt het beste van haar en van mij ook.quot;
176
X.
Geheel gekleed wierp hij zich op het zindelijke strooleger. De geladen pistolen bleven onder zijn bereik, want hoe vriendelijk hem ook de menschen, die hem gastvrijheid bewezen, voorkwamen , toch had hij de voorzichtigheid niet uit het oog te verliezen. Door den slaap overmand kon hij echter niet lang nadenken over de gevaren, welke hem konden bedreigen of over den inhoud van den brief, die hem eenige oogenblikken midden in zijn huiskamer had verplaatst. Hij sliep dadelijk in, sliep vast, zonder droomen!
Maar was dat geen droom: dat het licht om hem heen werd, dat hij een met zand bestrooiden vloer zag, waarop hij neerlag, en toen een zware kast van eikenhöut, twee kleine vensterkozijnen met groene ruitjens, waardoor licht naar binnen viel, zonlicht, dat een gedaante als omgolfde, welke op den drempel stond eener half geopende deur?
Neen, dat was geen droom, maar werkelijkheid...!
Daar stond een tengere schoone knaap, een wollen muts op het hoofd, dat omkroesd was van zwart glanzig hair, met wambuis en broek zooals de gilde-leerlingen in Londen droegen. Wat fijn besneden gelaat, te fijn bijna voor een jongen! En dan het laohjen, dat de roode lippen geopend hield, waardoor onberispelijk witte tanden te voorschijn kwamen! En die oogen, waarin verlegenheid met guitigheid om den voorrang dongen!
»Maud!quot; klonk het eensklaps uit zijn mond.
»Ja, daar ben ik. Gelukkig, dat ze me op de reis hier naartoe niet zoo gauw herkend hebben als u het doet....quot;
»Wat onvoorzichtigheid, om geen harder woord te gebruiken!quot; riep Semeyns, van zijn legerstede opspringend.
»Dat kan wel wezen,quot; merkte Maud koeltjes aan. »Ik moet
KAPT. VAN DE LIJFGARDE. â I. quot;12
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
zeggen, dat de ontvangst me niet meê valt. \'t Verwondert me nu zelfs, dat de voorname mijnheer me nog herkend heeft.quot;
Semeyns reikte haar de hand; dat was zijn eenig maar voor Maud oogenschijnlijk voldoend andwoord, want zij nam die hand in de hare, en hield die vast, terwijl ze met een guitigen blik opmerkte: »\'t Was een lastige reis, en als men dan merkt dat hij, voor wien ze ondernomen werd, haar niet waard is, dan wordt ze een domme streek.quot;
»Dat is ze ook.quot;
»Zoo ? .. . Dan ga ik weerom.... of ergens anders naar toe. Goeden dag, Mijnheer... Semeyns!quot; Zij maakte een buiging, zóo bevallig, dat ze aanvallig werd.
»Ik kan niet uit je wijs worden, kind!quot; gaf hij half ernstig, half schertsend te kennen.
»Ik kan niet uit ü wijs worden. Mijnheer de Kaptein,quot; hernam ze hem nabootsend. »De laatste indruk, de aller laatste, dien ik van u in Londen kreeg, was heel anders als de eerste hier. Weet u wel wat dat voor een indruk was en waar ik dien kreeg ? U kleurt... ? Ah, de groote Mijnheer herinnert het zich ook, en hij kleurt! Dus de groote mijnheer heeft iets gedaan wat hij zelf niet goed kan vinden. Maar was \'t dan zoo erg me een kus te geven tot afscheid?quot;
»Neen, Maud, dat vind ik in \'t geheel niet erg.quot;
»Maar is het dan erger een kus te geven bij het terugzien?quot; vroeg ze fijn glimlachend.
Geen woord, maar een daad gaf op die vraag het antwoord. Hij sloeg zijn arm om haar midden en kuste haar.
»De eerste les is afgeloopen!quot; verzekerde zij.
»Begint nu de tweede?quot; vroeg hij in veel betere stemming. »Kom, ga op dezen stoel zitten. Ik heb nog een half uurtjen vrij.quot;
»Dat \'s met lang en misschien nog te lang.quot;
»Ik ben nieuwsgierig hoe je dat uitlegt!quot;
»Begin ik aan mijn tweede les, dan is de tijd te kort; begint u uw eerste, dan vrees ik dat hij te lang zal zijn.quot;
»Maar wees dan toch een oogenblik ernstig, lieve Maud!quot;
»Ah, \'t begint beter dan ik vermoedde.quot;
»Wat ben je luchtig en opgeruimd! Vroolijk was je altijd, maar nu juist zoo uitgelaten----quot;
»Omdat ik u terug zie.quot;
De woorden werden zoo eenvoudig geuit, dat Semeyns niet wist hoe ze op te vatten; hij vond het daarom ook maar het best den schijn aan te nemen, ze niet gehoord te hebben, en vervolgde; »nu je de uwen verlaten hebt.quot;
»Ik heb niemant anders als u en wil ook niemant anders hebben.quot;
178
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Nu je alleen staat...quot;
»Dat deê ik vroeger.. . Nu ja, Auntie kwam soms een half uurtjen. IJ heeft zelf gezegd, dat ze zich eigenlijk over me schaamt. Doet u dat ook, Mr. Semeyns?quot;
»Neen, waarlijk niet, lieve beste Maud! Maar juist omdat ik je zoo lief vind en zooveel van je houd, kan ik niet goedkeuren, dat je bier bent gekomen te midden van een leger.. i een jong lief meisjen te midden van soldaten..! van ruwe soldaten..! erg ruw . ..!quot;
»Dat kan me niet schelen. Ik kwam hier omdat u hier was... Ik wou met u wezen en dat ben ik nu... Stuur me niet weg!quot; De Ja\'atste bede werd op angstigen toon uitgebracht.
»Maud! Maud!quot; riep de ander, haar in de armen sluitend. Hij schrok van zich zeiven; hij sloeg zich met de gebalde vuist voor het voorhoofd.
»Wat is er nu weer?quot; vroeg ze erg lief pruilend. »Als ik bij u ben dan voel ik eerst, dat ik vroeger eigenlijk niemant had om echt lief te hebben...quot;
Er was een oogenblik stilte. Semeyns dacht na; hij zamelde al de kracht, welke hij nog in zich voelde; maar Maud verkortte zijn innerlijken strijd, door de beide handtjens op zijn rechter schouder te drukken, het hoofdtjen voorover te buigen en haar schalke oogen in de zijne te spiegelen.
»Je vermomming toont reeds, dat je den gedanen stap zelve gevaarlijk achtte,quot; zei Semeyns.
\'t Was de pijl van een deinzend strijder.
»Wel, in een andere had ik \'s avonds niet alleen door Londen kunnen loopen, was ik niet te weten gekomen wat ik moest weten, en bad ik geen plaats gekregen in de huifkar van den hoogen Hol-landschen Mijnheer, die wat verstandig deed zijn biezen te pakken.quot;
»Hoe? Ben je gisteravond....? Waar heb je den nacht doorgebracht?quot;
»Tusschen koffers en doozen en onder een warme pelsdeken. Ik heb in geen drie nachten zoo goed geslapen..
»Je bent toch een baasjen! Waar heb je toch dien moed van daan? Hebben dat de duiven en de konijnen je geleerd?quot;
»Ik geloof haast: de knappe mijnheer die ze me hielp voeren..
»Maar hoe kwam je mijn naam en mijn verblijfplaats te weten?quot;
»Och! och! Alsof een vrouw, die iets wil weten, niet alles te weten komt!quot;
Semeyns had weder reden zich te verbazen over de spoedige ontwikkeling van de vrouw in dat kind. Hij kon ook niet weten wat er in het hart van dat vroeg-rijpe kind reeds maanden lang was omgegaan. Hij begreep bovendien niet, dat aanwending van krachten ontwikkeling van krachten ten gevolge heeft en dat
179
BE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
moeitevolle strijd juist de middelen om dien strijd te voeren doet vermeerderen.
«Luister nu goed!\'\' vervolgde ze vertrouwelijk. »Ik wil je alles vertellen. Toen u vertrokken was zorgde ik er wel voor geen roode oogen te toonen.. .quot;
yJe hadt ze dan toch gehad... en dat om mijnentwil...? Maar \'k moest weg, lieve Maud, om je zelfs wil...!quot;
»Dat geloof ik niet; maar straks mag u boete doen; nü moet u luisteren. Niemant heeft mijn oogen rood gezien, dus. . . daar niet meer over gesproken! Dadelijk al stond het bij me vast, dat ik bij Mr. Stevens niet blijven zou. Moeder Sally viel van de eene flauwte in de andere. Mr. Stevens was, zeker om iets van Auntie te weten te komen, naar dien akeligen mijnheer van het Hof gegaan, die eens buiten was geweest en toen me had aangezien of hij me wegen wou, en kwam terug met de boodschap, dat Chiffinch, zoo heette hij, met de Noorderzon was vertrokken, \'t Scheen wel, dat die erg zware buien had zien hangen en daarom maar liever bij tijds was gaan schuilen. Mr. Stevens zei, dat het voor mij heel naar was, want dat er nu niemant was, die zich mijner aantrok. Ik begreep heel goed, dat hem dat weinig had kunnen schelen als er maar iemant geweest was, die het gewone kostgeld voor me had willen betalen. Hij zei echter heel vriendelijk, dat ik zoo dadelijk me niet ongerust behoefde te maken en liet me gissen dat u daarvoor gezorgd had. Wie ge waart en hoe ge heettet? \'tWas een vraag, waar ik weer geen andwoord op kreeg. Ik had gehoord van Nathanaël, dat hij dikwijls boodschappen deed naar een Hollandschen Mijnheer in Londen. .. Ik kwam te weten waar die woonde en, toen ik er in mijn nieuw pak aanklopte, kreeg ik een voornamen dienaar met veel passement op zijn jas en reukwerk, â heerlijk reukwerk! â op zijn pruik, te zien en ook aan \'t praten. Binnen een kwartier wist ik dat u een Hol-landsch Kaptein waart, en daar de stad vol was van den inval en de overwinningen van het Hollandsche leger begreep ik ook, dat je daar naar toe was gegaan. Bovendien hinderde mij Nath met zijn oogen, die wel geitenoogen lijken, met zijn handen, die wel wat van hanepoten hebben, die agaat van moeder Sally...! Ja, die leelijke jongen verhaastte mijn besluit. Hij was zoo blij dat je weg was... Hij zei \'t me twee, driemaal achtereen; daarbij, dat u nooit terug zou komen en wat dikwijls gelachen had om mijn boersche manieren â is dat waar? is dat waar? â en om mijn kinderpraat â dat kan waar wezen. O, hij had me zoo lief.... en hij begeerde me tot vrouw! Ik grilde... Bij iedere trap, in el-ken hoek wachtte hij mij op met uitgestrekte armen, altijd met dezelfde woorden en ook met dezelfde oogen...! Niemant heeft me ooit zoo kwaad gemaakt, zelfs Sultan niet, de dog, die eens
180
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAllDE.
in mijn konijnenberg zijn breeden rooden muil stak! Neen, ik kon daar niet blijven, en toen die leeljjke jongen me eindelijk toevoegde, dat ik hem wel zou moeten kussen en bij hem wonen, omdat de rijke Aaniie ook met de noorderzon vertrokken scheen en er over een paar weken in heel Londen niet éen behalve hij zou wezen, die zich wat bekommerde om mijn honger en dorst, toen greep ik naar het. laatste der gouden muntstukken, die Auntie me gegeven had. Voor de andere had ik het jongenspak gekocht â in Londen zijn er velen die zich zoo vermommen, dat hoorde ik, en daarbij heel veel meer nog â en het laatste besteedde ik om den voornamen Hollandschen dienaar, dien ik ook op \'zekeren dag zijn goed zag pakken, over te halen mij met zich in zijn huifkar op te nemen. By \'t vallen van den avond begon die alleen haar hotsen, maar even buiten Londen deed zij \'t achter een karos, welke daar wachtte.quot;
»Maar hoe wist je mij te vinden, bij-de-handtjen?quot; vroeg Se-meyns.
»Ik dacht in \'t begin van de reis dat dit heel moeilijk zou gaan ... en hoe makkelijk ging het en als van zelf! Ik zat in de huifkar, toen de lantaarn van de soldaten u en dien hoogen Mijnheer in de karos verlichtte. Ik had geen moeite u te herkennen.quot; Ze drukte op het woordtjen: u, zeker omdat hij straks wel eenige moeite gehad had haar te hei\'kennen. »Wat staan die kleeren u goed! Toe, zet dien hoed met die mooie veeren eens op!quot;
»Kind!quot; fluisterde hij ; maar hij deed toch wat ze gevraagd had, en met een vroolijken glimlach ook.
»U ziet er veel jonger uit dan in die burgermanskleeren! veel knapper! \'t Is om trotsoh op u te zijn!quot; riep Maud in vervoering.
»Wat zal je dan wel zeggen, als je me in mijn monteering ziet van Officier van de Lijfgarde.quot;
»Laat me die eens zien! Toe, trek die eens voor me aan!quot;
ïGansjen, ik heb geen twee monteeringen te gelijk. Ik mag de een niet aantrekken voor de ander niet meer aan mijn staat voegt. Zoodra we in Londen zijn, en niet eer, sta ik bij de Lijfgarde.quot;
»En u wil dat ik u die nieuwe kleeren zal zien aanhebben! U zegt daarmeö te willen dat ik bij u blyf.quot;
»Maar, Maud...!quot;
«Gevangen! Ik laat u niet meer los.quot;
»Maar dat bedoelde ik niet.quot;
»Er is geen andere uitlegging mogelijk en ik houd er mij aan.quot;
»Ik wil hebben, dat ge gaat!quot; zei hij op bevelenden toon.
«Waarheen dan? Wijs uw dienstmaagd dat aan!quot; merkte zij aan met een nederige onderworpenheid, welke iets koddigs had, omdat ze zoo plotseling en zoo overdreven zich toonde.
181
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Ja, waarheen? Semeyns vroeg zich dat af en wist zich geen andwoord te geven. Dat kind, â \'t was geen kind meer en nooit zou hij haar met dat woord meer betitelen, â mocht niet bij den rauwen hoop vertoeven, die hoe langer hoe meer zeker werd van de meest volkomen zegepraal en dus steeds moeielijker in toom zou te houden zijn 1 Bovendien was het aanwezig zijn van vrouwen in het leger streng verboden, en hij wist immers hoe streng de voorschriften werden gehandhaafd! Geen Hoofdofficier zelfs mocht zijn echtgenoote met zich voeren; hoe veel minder dan een vreemde vrouw, die aangemerkt zou worden als ... Zijn Hoogheid was op dat punt als de rechtzinnigste Dominee.
Maar als Mauds vermomming eens bewaard kon blijven!
Zou dat kunnen?
Alleen indien ze aan ieders oog bleef onttrokken. En zou dat mogelijk zijn? Niet voor lang, maar toch licht dezen dag en den volgenden. Maar dan zyn eigen verhouding...! De onwaarheden waartoe ze verplichten, de gevaren waartoe ze leiden kon?
»Maud, je heet Plump en bent een oppasser-rekruut, dien ik den Kolonel heb voor te stellen. Je zegt dat alleen, als je verplicht wordt iets te zeggen. Je blijft in deze kamer en gaat aan \'t poetsen. Je toont je bescheiden en onderdanig voor mij.quot;
»Alsof ik dat niet altijd was!quot; klonk het andvvoord zój ondeugend, dat hij haar tot zich trok en haar op de lippen een kus drukte, zooals hij er een bij het afscheid te Londen had weten te geven.
Hij wendde zich daarop af, gemelijk en wrevelig. Hij minachtte zich zeiven. »Heb ik dan geen wil meer?quot; bromde hij binnensmonds. »Ze heerscht over me! Dat mag niet, dat zal niet. Ze moet zoo spoedig mogelijk weg.quot;
Beneden gekomen vond hij al zijn soldaten smullend aan het versche brood en de versche melk.
»Voor u heb ik het beste bewaard,quot; zei vader Oals. »Ik dorst u boven niet komen storen; ik wilde den aardigen jongen, die straks naar u vroeg, eerst niet doorlaten, maar hij keek me zoo biddend aan.... juist de oogen van broeder Lamb als hij »de zegenquot; uitsprak. Hij zei dat hij zich voor de Heilige Dienst voorbereidde.quot;
xDe deugniete!quot; mompelde Semeyns. »Goede man, hoor niet naar dien knaap! Hij is een weggeloopen leerjongen, die dienst wil nemen. Laat een van je dochters den leugenaar brood en melk brengen.... voor mijn rekening.quot;
ïgt; Waarom niet liever een van mijn jongens?quot; vroeg Oals; maaibij haastte zich toch te doen zooals de Officier, die hem zijn geestelijken herder terugbrengen zou, gelastte.
182
XI.
Mijnheer van Citters scheen veel en zeer gewichtig nieuws te hebben aangebracht.
In den vroegen morgen in het Hoofdkwartier aangekomen, was hij dadelijk bij Zijn Hoogheid toegelaten, die daarop Bentinck en Mijnheer van Schomberg en daarna de aanzienlijkste Hollandsche Generaals bij zich ontboden had. Wat er verhandeld was geworden bleef natuurlijk een geheim; wat er echter de gevolgen van waren bleek spoedig en, daarnaar te oordeelen, waren er groote dingen ophanden.
Een veldslag misschien?
Het leger van Koning Jakob was om de stad Salisbury bijeen; dat Zijner Hoogheid naderde zonder weifelen maar ook zonder haast, diezelfde plaats. De Engelsche Edellieden en de Hollandsche Hoofdofficieren zagen verlangend naar een treffen uit, maar Zijn Hoogheid ... ? Deze liet nooit iets van zijn plannen verluiden en zorgde er wel voor dat men den moed miste er hem naar te vragen.
Maar de oude Maarschalk had zich eenige dagen geleden een woord laten ontvallen, dat de hoop der haastige en ongeduldige dapperen dreigde te verstoren.
»Daar zal de veldslag geleverd worden,quot; had Mijnheer van Ouwerkerke gezegd, terwijl hij wees op de vlakten bij Honiton. »Als wij dat verkiezen en den slag willenzoo had het toen gegeven andwoord geluid. »Wilde men dan den slag niet?quot; vroeg het leger. Bij al den twijfel had men echter de zekerheid, dat men in het Hoofdkwartier wist wat men wilde en men er zeker goede redenen voor had, om te doen zooals men deed. Men was gewoon onder de leiding Zijner Hoogheid overdag nog niets te zien en bij het morgenkrieken van den volgenden dag alles tot in de kleinste bijzonderheden klaar te vinden.
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Zou dit nu ook weer het geval zijn en was zulk een morgenkrieken aanstaande ? De honderden Engelsche en Schotsche pairs, in het hoofdkwartier reeds aanwezig, zagen zich door andere honderden versterkt. Geen uur verstreek zonder dat er nieuwe aanhangers zich aanmeldden, aanhangers van hoogen rang, »maar nog niet van den hoogstenquot;, zooals Zijn Hoogheid zich den vo-rigen dag na het avondmaal tegen Lord Seymour half binnen \'s monds uitte.
Zou daar heden, na de aankomst van den Hollandschen Gezant, verandering in komen?
De trommen roffelden, de trompetten schetterden; de dragonders waren te paard, de musketiers gereed; de Gardes du, corps voltallig bijeen onder de vensters Zijner Hoogheid. De estafetten vlogen door de straten, de poorten uit in alle richtingen, de meesten naar het Noord-Oosten. Maarschalk van Schomberg was te paard gestegen; de Hollandsche generaals ontvingen de laatste orders, welke ze overbrachten aan hun Kolonels. Een regiment wachtte nog op zijn hoofd: dat van Bentinck. Waarom liet deze ditmaal zich wachten ? Hij, altoos de laatste in de, rust, en de eerste bij den arbeid! In gindsch portaal op de tweede verdieping stond hij nog altijd, den gelaarsden voet op de eerste trede van de steenen wenteltrap, welke naar beneden voerde, het hoofd half achterwaards gewend naar Zijn Hoogheid, wiens hand de zijne gevat hield. »Vergeet het niet. Jan Willem,quot; fluisterde de vriend, die nog niet van hem scheiden kon, »geen kroon van dorens, maar wel een narrekap moet hem opgezet, als we hem dan toch in handen moeten krijgen. Gij en niemant anders â geen der Engelschen kent mijn intentie geheel. Zend kaptein Semeyns vooruit. Die man heeft meer dan een paar armen en moet werk hebben dat hem afleidt â daarom zond ik hem al naar de voorposten. Hij spreekt vlot Engelsch en kan naast u goed op zjjn plaats zijn. Ik begin hartelijk naar het eind van het spel te verlangen...quot;
»Zonder aderlating zal \'t toch niet gaan!quot; zei Bentinck.
»Zeker wel. Geen bloed! Dat wordt zoo moeielijk uitgewischt. Ik heb \'t Mary beloofd... \'t Viel me niet moeielijk; het andere zou dom wezen; ik lel u dat uit, meer dan eens.quot;
»Maar in de hitte van het gevecht...quot; mompelde Bentinck.
»Er zal geen gevecht zijn; daar zorgt »het staalquot; voor.quot;
gt;Hoe durft die man zich »het staalquot; noemen; »het vergif1\' ware beter naam.quot;
»St! St! Wie weet hoe hij zich later nog betitelt, maar voor \'s hands is hij voor ons het staal, dat harder is dan dat van een onzer... Ja, je kunt gaan,quot; voegde Zijne Hoogheid er met een glimlach bij, toen de kommandoos tot op marsch gaan tot hen doordrongen. »Neem je toch in Godsnaam in acht... voor verraad!quot;
184
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE.
«Een vreemde vermaning van die lippen!quot; riep Bentinck lachend, daarbij doelende op de roekelooze onverschilligheid Zijner Hoogheid bij alle moordaanslagen , reeds zoo dikwijls gesmeed en nu meer dan ooit te verwachten.
Zijn Hoogheid trad zijn kamer binnen, waar alles overhoop lag en een spoedig vertrek aanduidde. Over een uur moest alles opgeladen zijn. Het Hoofdkwartier werd van Exeter verplaatst naar Axminster, in de nabijheid van Warminster, waar, zooals de kondschap luidde, de voorposten stonden van Jakobs leger.
Het vroegere plan scheen wel geheel veranderd. Wat achterhoede was geweest werd voorhoede en omgekeerd. De Hollandsche regimenten rukten nu met den troep Pransche Hugenoten op naar het front: de Brandenburgers en Zweden formeerden den linker-, de Engelsche en Schotsche regimenten den rechtervleugel.
Het werd tegen den middag aan de voorposten bekend, dat het geheele leger zich in beweging had gesteld en tegen den avond kwam een goed deel der Hollandsche Regimenten daar reeds aan.
Tot verbazing van Semeyns werd den nieuw aangekomen soldaten slechts weinig rust gegund, want ze marcheerden spoedig door Axminster den weg op naar Warminster, waar de vijandelijke troepen in groot aantal lagen. Zijn wachtpost had nu weinig beteekenis meer. Zonder slaags te hebben kunnen worden, zonder in staat te zijn geweest zich te onderscheiden, zonk hij weder tot de oude onbeduidendheid terug. Hij was al in een zeer slechte stemming, toen Maud hem uit de kamer, welke zij den geheelen dag niet had mogen verlaten, toeriep even bij haar te komen, en, toen hij dat gedaan had, hem zeide, dat ze naar beneden wou gaan en met hem wandelen nu de avond gevallen was.
sDat kan niet. Zie je nu wel in, hoe dwaas je gehandeld hebt...?quot;
»\'t Is wel eens goed dwaas te wezen... O, die vervelende braafheid. Vader David maakte me er al wee van.quot;
Semeyns wist niet wat hij hoorde. Hij kende eigenlijk nog maar weinig van het leven, nog weinig van de vrouw, al had hij ook den middelbaren leeftijd bereikt, al had hij ook tal van vreemde landen bezocht, al had hij ook een echtelijk leven van ruim zestien jaar achter zich.
»Ik wil die taal niet hooien! Onnoozele!quot; Hij wilde de rollen omkeeren en haar overtuigen van haar minderheid: »weet je wat je wacht als je herkend wordt? Weet je dat wel?quot;
»Nu? Nu?quot;
»A.ls een slechte deerne te worden weggejaagd.quot;
»En als jij dat toeliet, dan hadden ze gelijk me zoo te behandelen.quot;
»Hè?quot;
185
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Want dan zou \'t blijken, dat ik me al aan weinig bijzonders had gehecht.quot;
Ze had bijwijlen een logika, waarvoor hij zwichten moest. En al wat ze verder zeide, getuigde van zulk een innige gehechtheid aan hem! Zijn wrevel was bedaard.
»Als ik iets hards zeg,quot; zei hij dan ook met iets weeks in zijn stem, »dan is \'t omdat ik het beste voor je wil... omdat ik het zoo goed met je meen...quot;
»Ik wil \'t gelooven als je \'t me maar niet zoo dikwijls verzekert... Kijk me eens aan! Lach nu! Niet zoo gedwongen! Kom, gauw!quot;
En hij lachte werkelijk luide en van gantscher harte. »God, Maud, wees toch voorzichtig! Het heele leger komt hier!quot;
»Hoe heerlijk, hoe heerlijk! Nu krijg ik zelfs Generaals te zien! Hoor ik daar niet muziek?quot;
Zij stiet het eenige venster van het vertrek open en wilde het hoofdjen er doorsteken, maar voelde de hand van Semeyns, die haar weerhield.
»Doe maar zooveel moeite niet.... de Generaals zijn oude kae-rels,quot; zei hij met eenige bitsheid.
»Toch niet als zekere stokoude Kaptein, die er als een lentemorgen uitziet en \'t toch om zich heen laat misten alsof hij een herfstnamiddag leek.quot;
»Mis, mis! Hij Is een lentemorgen.quot;
Een kus verzekerde het haar.
»Moet ik versch stroo voor je nachtleger gaan halen?quot; vroeg ze, haar gezichtjen even van hem afwendend.
»Onnoodig. Ik blijf waken... buiten bij mijn manschappen... dat is voorschrift,quot; zei hij, alsof hij een soort van verklaring noodig vond. »Maud, je hair moet afgeknipt worden; het gevaar van ontdekking zal daardoor minder worden.quot;
»Mijn hair?quot; vroeg ze, terwijl ze de dikke lokken, die om haar schalksch kopjen neervielen en er zulk een schoone omlijsting aan gaven, met de kleine handtjens, welke er geheel in schuil gingen, doorwoelde.
»Ja; je weet het wel handig onder de muts weg te stoppen, maar als deze afvalt dan worden ze gezien en herkend.quot;
«Herkend ?\'\'
»Als behoorende aan een heel aanvallig en verleidelijk meisjen.quot;
«Mijn hair afknippen? Neen, dat laat ik niet toe. \'tls \'t mooiste wat ik heb.quot;\'
»\'t Is weer aangegroeid tegen den tijd, dat je weer het mooiste meisjen moogt zijn.quot;
»Neen, neen! Vorder dat niet!quot;
Hij andwoordde niet, maar nam een schaar uit den lederen zak,
186
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
die het noodzakelijkste voor ieder officier bij het leger te velde inhield. De zware lokken vielen in dikke krullen op den grond. Maud hield de lippen op elkaar geklemd, de oogen dicht, de handtjens gebald. Zij had woorden tegenover woorden, maar niets tegen de brutale daad. Wat storm er echter in haar binnenste woedde, werd naar buiten geopenbaard, toen hij, na den arbeid volbracht te hebben, haar de muts op het ontheisterde hoofd plaatste, den arm om haar hals sloeg en het van hem afgewende hoofdtjen naar zich toe wilde keeren. Zij rukte zich los en gaf hem met de kleine hand een slag in het gezicht.
»Heb ik je zóóveel leed gedaan met dit te vorderen? Maud, hecht je dan alleen aan wat uitwendig is?quot;
ïOch, je bent misschien een groote vechtersbaas, maar anders... niet veel!quot; riep ze snerpend, zooals hij dat nog nooit van haar gehoord had.
»Was dan niet gekomen!quot; beet hij haar in arren moede toe.
»Neen, neen... niet zóo!quot; kreet ze, de handtjens op zijn borst leggend en in tranen uitbarstend. Tegen zulk eene berisping was ze niet bestand. Had hij haar om een lachjen, een enkel vriendelijk lachjen gevleid, ze zou gepruild en zich hebben laten bidden, maar nu hij dus zich toonde, erkende zij hem voor haar meerdere.
»Je moet dat woord terug nemenquot; snikte ze.
»Wat graag!quot; riep hij blijde uit.
Maud zag eensklaps in, dat ze dwaas had gehandeld met zich zoo spoedig te onderwerpen en dat de drift van den vechtersbaas, dien ze voor het eerst ruw had gevonden, wel op andere wijze te toornen ware geweest. Ze zou de ontvangen leering ter harte nemen.
Wie weet of ze niet reeds dadelijk getoond zou hebben dat gedaan te hebben, indien niet de deur zonder eenig gevraagd verlof geopend en een officier van hoogen rang op den drempel verschenen ware. Niet alleen de fijn blauw laken rok, het glinsterend kuras, dat dien rok gedeeltelijk op de borst dekte, de gouden versieringen aan de omgeslagen mouwen, de witte broek met breede gouden biezen teekenden den hoogen rang, maar ook het voornaam en toch vriendelijk gelaat, dat uit de onberispelijke pruik te voorschijn kwam, en het niet-afnemen van den met struisvederen rijk bepluimden grijs kastoren hoed. Semeyns had reeds bij den eersten blik op den binnentredende zich in postuur gesteld en den militairen groet gebracht, die den mindere tegenover den meerdere voegt.
»Wie is die . . . knaap?quot;
De vraag werd in het Hollandsch gedaan, zoo dat Maud er niets van verstond.
187
BE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»11 ij bewees mij goede diensten, Kolonel, toen er in Londen jacht op mij werd gemaakt.quot;
»Hoe komt hij hier?quot;
De toon klonk scherp.
»Hij kon het in zijn kring niet langer uithouden en was er niet veilig meer. Hij wist in het gevolg van Mijnheer van Cit-ters____!quot;
»0 zoo! Dat kan zoo zijn. Maak u gereed dadelijk met mij te gaan! Bij \'t Regiment Mackay komt luitenant Campbell in uw plaats.... Tot dat ge in de Lijfgarde Zijner Hoogheid wordt opgenomen, zijt ge bij mijn Regiment gedetacheerd. Ziehier de order.quot;
»Ik volg u. Kolonel! En deze?quot; vroeg hij op Maud wijzend.
De Kolonel haalde de schouders op. »Wil hij bij ons dienst nemen?quot;
sHij is er nog te zwak voor...quot;
De Kolonel dacht een oogenblik na. De knaap, die misschien reeds goede diensten bewezen had, zou misschien nog voor iets beters te gebruiken zijn dan als soldaat, \'s Kolonels rechtervinger raakte even de kin en tilde het hoofd van den jongen op. Deze sloeg de oogen neer en kleurde. »Hoe heet.... zij?quot; vroeg hij in het Engelse h, en ter loops den blik vestigend op het op den grond liggend hair.
OO
Semeyns rilde even.
»Maud,quot; prevelde de ontmaskerde, die geloofde dat de Kolonel alles reeds ontdekt had.
»Je kunt haar medenemen naar de voorposten en haar dan in veiligheid laten gaan, ondersteld altijd, dat ze nog voor iets heeft te vreezen. U is een gratificatie van vijftig pond toegelegd!quot; zei de Kolonel, waarna hij zich zonder verderen groet omkeerde en vertrok.
»Is dat nu de Prins?quot; vroeg Maud, die van eerbied zich onbehagelijk voelde.
«Neen, maar zijn vertrouwdste vriend: Kolonel Bentinck, zonder wien niets gebeurt.quot;
Hij zag Maud met eenigen wrevel aan; hij beschouwde haar thands als een hinderpaal voor zijn bevordering.
Niets als last had hij van dat meisjen, niets als last!
»Weet je waar die hooge Mijnheer mij een oogenblik aan deed denken? Aan Auntie.... mijn Auntie. Die kon óók zoo grauw uit de oogen zien als ze Sally of David de les las âquot;
»De les las hij me niet! Dat laat ik me niet doen.... daar is
ook nooit reden voor geweest____ Je praat over dingen waar je
geen verstand van hebt,quot; gromde Semeyns.
»Waarvoor is nu mijn hair afgeknipt, wijze Mijnheer? Domme, domme man, die niet zag wat de ander dadelijk zag!quot; Ze vlijde
188
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
zich tegen hem aan en hief de oogjens schalks tot hem omhoog. »Waarvoor dient het nu, dat ik er als een jongen uitzie?quot;
»Maud, wie weet hoe \'t mij benadeelen kan, maar scheiden doen we niet.quot;
»Dat wist ik al lang.... Baas, heb je voor je jongen ook nog iets te zeggen? Niet? dan heeft de jongen iets voor den baas. Die afgeknipte hairen kunnen hier niet blijven liggen. Geef ze een plaats in dien zak.... We nemen ze meê.quot;
Lachend voldeed de baas aan het ontvangen bevel.
189
XII.
Van de tinne van het Bisschoppelijk paleis te Salisbury woei de koninklijke vlag van Engeland. Ze hing slap langs de steng. Hare banen waren nat van den regen en geen windvlaag stoof er langs, zweepte ze op of rekte ze uit.
Beter dat een orkaan het door het nat verzwaarde doek had uitgezwateld en aan flarden gescheurd, dan dit slap neerhangen; â beeld van kalmte uit onmacht, beeld misschien van den Koning, die in de schaduw dier vlag zoo veel groots had denken te scheppen en thands dankbaar mocht zijn, indien de slaap hem een oogenblik vergetelheid bracht.
Ja, Churchill had de weifeling Zijner Majesteit weten te overwinnen. Hij had het in de laatste dagen, dat hij vooral geraadpleegd werd, niet aan goede raadgevingen laten ontbreken; hij had aangespoord tot ontwikkeling van kracht tegenover de val-sche Bisschoppen van de Engelsche kerk, tegenover den altijd murmureerenden Adel, tegenover het klein aantal uit allerlei naties bijeen gescharrelde soldaten, door zijn rebeleerenden schoonzoon, den waardigen echtgenoot van zijn ontaarde en in den ban gedane dochter, aangevoerd.
Die Bisschoppen met hun leerstuk van lijdelijkheid! De lijdelijke gehoorzaamheid was lijdelijk verzet geworden, toen het hun leven en hun aanzien raakte. Als ze bevelen ontvingen van hun gebieder, dan knielden ze oodmoedig; als hun gelast werd te gehoorzamen aan den Gezalfde des Heeren, dan knielden ze nog oodmoediger, maar riepen, dat ze wel wilden gehoorzamen maar \'t niet konden. De Lords waren een en al trouw en eerbied, maar knielden en huilden even als de Bisschoppen, en prevelden daarbij van een vrij Parlement. En een Parlement, een vrij nog wel, gaf de Koning bij de gratie Gods nooit, zoo lang een vreemd
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
leger op Engelands grond vertoefde, en wanneer dat leger verslagen was, ook nooit! Toen de naare aankwam van de vernietiging der Hollandsche vloot, had hij dadelijk al wat hij beloofd had willen terug -trekken, had hij Sunderland â grooter fielt dan de Judas Iscariot, die zijn Meester en God verried! â willen doen ophangen, diens goederen verbeurd verklaren, al de Whigs van aanzien, die het leven na den vorigen opstand met hun vermogen hadden gekocht, door zijn teer geliefden Jeffreys op het blok laten brengen, maar Churchill had toen met groote welsprekendheid er op gewezen, dat dit een politieke fout zou zijn en een blijk tevens van zwakheid en vrees.
En Sunderland was bovendien uitgeweken met al zijn papieren, en de ^pion, dien hij beloofd had aan te wijzen, altoos nog maar niet op te sporen. Sedert de landing en het oprukken van Oranje echter had Churchill niet meer tot beleidvol weifelen, maar tot doortastend handelen geraden. Het leger, dat Lord Feversham heette te kommandeeren, maar dat Ch archill had gevormd en bleef bezielen, wachtte slechts op éen moedig woord van den Koning, en de duizendtallen Zijner Majesteit zouden de honderdtallen van den indringer, die nog altijd in het open veld verslagen was, overweldigen en daardoor paal en perk stellen aan de vrome Jeremiades der Bisschoppen, aan de murmureerende ditoos der Pairs en aan het laffe verraad van gewetenlooze edellingen, die, naar het gerucht verzekerde, iederen dag in steeds grooter getale zich in het kamp Zijner Hoogheid aanmeldden.
Ja, Zijne Majesteit was op de hoogte gehouden... Hij kende de namen van al die verraders! Hij zou ze laten vierendeelen, ja kruisigen, indien hij niet bevreesd ware, dat ze daardoor verheerlijkt zouden worden; hij zou die ontrouwen tot in hun derde geslacht doen boeten, zoodra hij het ingedrongen leger verslagen had!\'\' Tot het doen opknoopen van eenige geruchtmakende belhamels in zijn goede stad Londen moest hij zich, helaas! voor \'s hands bepalen. De raad van Churchill, dien hij tot Luitenant-Generaal bevorderd had, de raad vooral om zich aan \'t hoofd van het leger te stellen, werd er te eer om gevolgd.
En nu was hij te midden van het deel van zijn leger dat uit Ieren bestond: de Engelsche Regimenten toch lagen rondom Warminster. Hij was met uitbundig eerbetoon ontvangen , maar had toch niet den smartelijken glimlach kunnen verwijderen, welke langs zijn lippen als verstijfd scheen. De afval van zijn neef Corn-bury, die thands zich in bet kamp van Oranje bevond, had hem meer pijn gedaan dan hij wilde doen blijken.
Het was echter een verzachtende balsem in de schrijnende wond geweest, dat de vader van den jongen verrader, de Graaf van Clarendon, in wanhoop over dat misdrijf, zich voor hem verood-
191
DE KA.PTEIN VAN DE LIJFGARDE.
moedigd en hem had toegeroepen: »neem alles wat ik heb als zoenoffer;quot; maar sedert waren er zoo velen van hem heengegaan, waren de Graafschappen in Oost en Zuid tegen hem in opstand gekomen en was de schuld van Oornbury daardoor wel niet vergeten, maar toch op den achtergrond geraakt.
O, indien zijn leger, aangevoerd door een man als Churchill, den vijand eens versloeg! Hoe alles zou keeren, alle verzet verlamd zou zijn en de laatste privilegies konden worden verscheurdl
Met die heerlijke gedachten was hij den vorigen nacht ingesluimerd. Zijn kamerdienaar had hem in den nacht dikwijls den naam van Churchill hooren roepen en daarbij het woord voegen: »vooruit...!quot; Maar toen hij een paar uren geleden wakker was geworden en naar de berichten had gegrepen, welke dien nacht waren aangekomen; to-en hij ze gelezen had terwijl de trouwe dienaar hem aankleedde; toen hij had vernomen, dat de zeestad Plymouth zich voor den Prins van Oranje had verklaard en Portsmouth, waar de Koningin zich met den Prins van Wales bevond, mede niet te vertrouwen was, toen had hjj zijn tranen niet kunnen bedwingen en waren de verwachtingen, den vorigen avond nog gekoesterd, gevloden.
Een Lady vroeg gehoor, dadelijk gehoor, zoo meldde de Lord van de Slaapkamer. Zij droeg een masker en wilde haar naam niet noemen, maar beweerde te komen spreken over Zijner Majes-teits kind.
»Sla mij een mantel om en leid de Lady binnen. Heilige Elisabeth, bid voor mij!quot; fluisterde hij, zich devotelijk kruisende. Hij vreesde het ergste.
Maar hoe groot was zijn verbazing, toen hij, de voeten slechts ten halve met de kousen bedekt en in de kleppende muilen geschoten, een zwart kapjen op het kaal geschoren hoofd, in een eenvoudigen armstoel naast het haardvuur gezeten, een vrouw zag verschijnen, die op den drempel reeds den kamerdienaar een wenk gaf heen te gaan! Toen ze zich gehoorzaamd zag, had zij haar sluier weggetrokken en .... Katherine Sedley, Gravin van Dorchester, stond voor hem in diepen rouw!
sKate!quot; riep hij, onwillekeurig de armen naar haar uitstrekkende, maar ze dadelijk weer latende vallen. De bevelen der Heilige Kerk mochten in rampvolle tijden als deze wel stipt worden opgevolgd, sik mag niet met u spreken,quot; stamerde hij, terwijl hij het hoofd van haar afwendde.
Wat stond zij , de verdreven favorite, in haar eenvoudig zwart reiskleed fier tegen over hém, den monarch bij de gratie Gods, met de voeten schuifelend in de onvaste muilen, welke telkens wegglipten!
Een smadelijke lach had zich op haar gelaat vertoond bij die
192
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE.
woorden, zoo schuw en zacbt gesproken. »Gij moogt met mij niet spreken! En wie u dat verboden heeft kan zoo goed beoordeelen wat man en vrouw, wat ouders en kinderen verbindt! Moet ge dan de speelbal zijn van iedereen?quot;
»De Heilige Kerk beveelt me....quot;
»Waar haalt zij de stoutheid van daan dat te doen?quot;
â »Van God!quot;
»Hoe weet ze dat?quot;
»Van den Heiligen Geest, die in haar leeft en werkt!quot;
»Hoe weet gij dat?quot;
»Zij, de Kerk, door haar Bisschoppen van Christus\' sterven af onafgebroken vertegenwoordigd, zegt mij dat, en ze is onfeilbaar.quot;
»I)us de Heilige Geest getuigt in het voordeel der Kerk en dè Kerk in het voordeel van den Heiligen Geest, \'t Is of Jakob Stuart van Koning Jakob II getuigt, dat deze een vader is van zijn volk en Koning Jakob II onder eede verklaart, dat de woorden van Jakob Stuart geloof verdienen.quot;
»En üw geloof...!quot; Zijn gelaat teekende minachting.
»\'t Is verloren gegaan met al de Gelooven, die zich voeden met het ongerijmde.quot;
Zoo twistten die twee, een oogenblik hun bekommernissen vergeten! Het kenschetst den tijd.
Jakob, in het nauw gebracht of het eerst onder den indruk teruggevoerd van de straks gevoelde vrees, gaf den kamp op.
»Je boodschap, Kate! Je weet iets van mijn kind? Is \'t in handen van den Hollander?quot;
»Ons kind is verdwenen^ Jakob! De Koning moet den vader wreken. Geef mij volmacht tot handelen, volmacht om alle Sheriffs met hun constaples ter mijner beschikking te stellen! Ik wil mijn kind terug hebben!quot;.
Haar stem klonk dreigend door het vertrek.
»Kate, Kate, bedaar!quot;
»Je deedt beter mij een stoel aan te bieden... Ik ben erg moê en tot op het been verkild.quot;
Hij was met moeite opgestaan en schuifelde naar een naastbij staanden zit, die met hard leer bekleed was en geen leuning had. Hij wilde haar dien geven, maar zag, dat Kate, vrij en vermetel als altijd, in z ij n armstoel zich reeds had neergevlijd.
»Neem jij dien zit en plaats hem daar!quot; beval ze.
»Ik dacht, dat je berichten hadt van den Prins van Wales, die te Portsmouth ...!quot;
»Wat gaat mij dat ondergeschoven kind aan!quot;
»Durf je \'t wagen mij dit te zeggen? Durf je \'t wagen?quot;
»Zoo als je merkt. Maar Maud is ons beider kind , werkelijk ons beider kind. Durf zeggen dat het niet waar is!quot; Jakob zweeg.
KAPT. VAN DE LIJFGARDE. â I. 43
193
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Ik liet haar opvoeden op het land, verre van alle besmetting. Ik wilde, dat ons kind anders zou worden als de ouders. Ik heb haar lief.... zoo als een moeder dat alleen kan, en ik wantrouwde het bloed, dat ze in de aders heeft. Daarom besteedde ik haar uit bij eenvoudige lieden. Zij mocht nooit weten wie haar vader was...quot;
»Natuurli)k,quot; mompelde Jakob. »En wie haar grootvader van moeders zijde was zeker óok niet.quot;
Om te begrijpen hoe lomp de zinspeling was, wete men, dat Mr. Sedley, de vriend van tooneelschrijvers en tooneelspelers, een der eerste fraaie vernuften van zijn tijd, alle losbandigen in schaamteloosheid en liederlijkheid had overtroffen en het feit, dat hij eens, geheel ontkleed, op het balkon van zijn koffijhuis zich aan de voorbijgaande menigte vertoonde, nog in de herinnering leefde.
Tegenover de v-rouw, die niet alleen in vernuft maar ook in cynisme haar vader geleek, kon de vroegere minnaar een dei-gelijke zinspeling wagen zonder vrees van te verpletteren en te vernietigen.
Kate liet dan ook niets zien als een schamperen trek om haar lippen, niets anders hooren als de woorden: sJuist: ze mocht vader noch grootvader kennen en wel om dezelfde reden; ook haar moeder niet.quot; De laatste woorden bracht zij met halve stem uit.
«Waarom niet?quot;
»Als je dat niet begrijpt zal ik het je niet uitleggen... Zoo ik het laatste echter deed zou ik er niet bij blozen... omdat jij alleen de uitlegging zoudt hooren! Maar niet verder gepraat...! Er moet gehandeld...! Dat je als Koning niet veel meer doet dan overleggen, mogen je raadslieden verandvvoorden en gaat mij niet aan, maar dat je als vader anders zult doen, daarvoor zal ik zorgen.quot;
»Ik ken dat kind niet en wil het niet kennen.quot;
»Braaf Christen! Ze was eens je lieveling in de eerste dagen dat ik met je woonde...quot;
»Dat is zoo lang geleden, en toen je haar liet opvoeden in de leer, die ik verafschuw...quot;
«Dezelfde, die ik aanhing, en ik heb nooit gemerkt dat ik er je minder om was... Wees toch tegen je zei ven waar; durf dat zijn! Maar daar had je nooit de kracht toe en dat was en dat is je ongeluk. In het slaapvertrek speelde de vrouw de baas; in het bidvertrek de priester en in de raadkan^er herinnerde je je de bevelen van beiden! Ik wist dat â ik weet dat...! Maar toen ik gebied voerde over je â ik deed het niet altijd, want je trouw was even zeker als de eeden aan je volk â dreef ik je toch dikwijls er toe, om Koning te zijn, niet priesterslaaf, niet kind onder toezicht van gunstelingen. Ik was je altijd aangenaam; ik was je dikwijls nuttig.quot;
194
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Zij had zich ontsluierd; zij had den kanten halsdoek verwijderd en gaf den nog altoos prachtigen hals en boezem aan Jakobs oogen prijs, die er eerst op staarden, maar er al spoedig zich aan schenen te hechten en er zich in te vermeien.
»Ik kan je misschien wéér nuttig zijn. Ik kan misschien je nogmaals de oogen openen. Ik deed je het eerst van allen Sunderland kennen; ik joeg hem op de vlucht. Ik kan je wellicht nu het hoofd van de geheele samenzweering aanwijzen, want alles om je heen is éen samenzweering.quot;
«Spreek, Kate! Lieve Kate, mijn schutsengel! Ja, ik voel dat ik verraden word... De grond zakt onder mijn voeten weg... Wat doe je? Neen, raak dat niet aan...! Dat wil ik niet... dat mag ik niet willen.quot;
Die laatste woorden werden hem ontlokt door een handbeweging van Kate naar het op de tafel staande ebbenhouten kistjen, waarvan het deksel het wapen vertoonde van Engeland, in onyxsteen meesterlijk gesneden door den Delvenaar Stevens. Dat kistjen bevatte het Groote Rijkszegel, waaraan door Jakob de grootste waarde, de verwonderlijkste kracht, verwonderlijker en meer afdoende nog dan een zijner \'Tele amuletten, werd toegekend.
En niet geheel ten onrechte!
De rechtsleer toch had ingang gevonden, dat elk besluit, elk bevel, waarop het Groote Eijkszegel was gedrukt, gehoorzaamd moest worden, al was dat zegel ook door diefstal of bedrog of overmacht er op gezet; slechts een wet, door Commons, Lords en Koning gemaakt, kon de gevolgen van het gepleegd bedrog te niet doen.
»Wees maar niet bang! Ik zal \'t niet gebruiken. Ik wilde het kistjen maar openen, om je dichter bij het Zegel te brengen, dat je er uit zult nemen, dat je op dit bevelschrift zult afdrukken.quot;
»Maar heb je dan eenig spoor ontdekt? anders baat dat alles toch niet! En al vond je het spoor en heb je mijn stempel, dan vindt je in iederen burger van Londen een heeler van het gestolene. Ik kon in de laatste tijden geen enkel spion vinden, geen enkele geheime drukkerij... en ze waren er toch in menigte...! Zelfs dien spion niet, die in de nabijheid van White-hall, van Whitehall! werd verborgen door dien Judas, dien God vervloeke en verderve ! dien Hij mij in handen spele en ik bouw Hem in Londen een Kathedraal, waarbij de St. Paul een nietige Kapel zal zijn!quot;
»De tijd dringt... Laat mij begaan... zegel het bevelschrift...!quot;
»Maar Kate... als de magistraten je den rug toekeeren dan be-leedigen zij niet jou, maar mij... Denk eens ... die spion verbleef dagen bij Sunderland.quot;
»Ik wil \'t gelooven, maar wat verscheelt dit mij, die in doodsangst verkeer...! Bovendien, er wordt je zoo veel voorgelogen!quot;
195
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Maar Churchill verzekerde het mij ernstig, heel ernstig, en die liegt nooit!quot;
»Groote God, als je je maar het spreekwoord wildet herinneren: zoo als de waard is vertrouwt hij zijn gasten, zou je nie-mant gelooven.quot;
Deze cynische uitspraak was een vergelding: ze overtrof nog de zijne van straks. Zoo was \'t altijd gegaan in beider omgang: barer altijd de zegepraal! Met drift vervolgde zij: »\'t Is om alle geduld te verliezen met een man, die blind is en beter denkt te kunnen zien dan de scherpst gebrilde. Churchill liegt nooit I roep je uit met oogen, die een goedig kalf eer zouden aandoen, en hij is... neen, eerst zul je mij de middelen verschaffen om Maud weder machtig te worden. Als je gevoelen kondet wat ik lijd bij de gedachte, dat iedere minuut vertragens het lijden, de oneer misschien, van mijn kind vermeerdert... Teeken dit bevelschrift! druk er je zegel op af... en ik zal... je weer nuttig zijn.quot; Ze had zijn hand gegrepen, en naar het kistjen gevoerd. Hij bood geen weerstand meer; hij liet zich leiden. Het bevelschrift, getee-kend en gezegeld, was in haar hand.
«Spreek nu, Kate!quot; zei hij biddend. Wat zou hij nu weer hoo-ren? Was \'t maar niet beter...? Maar als hij eens in éen slag het verraad vernietigen kon ...!
«Luister... Ik had Maud uitbesteed op het land, even buiten London ... Dikwijls bezocht ik haar. Hoe ik haar onschuldig zag opgroeien...! Wat was ze lief... mooi, maar niet te mooi..! Wat wilde ik nu ook zeggen... ? Ja, ik ben er. Drie dagen geleden ging ik weer daarheen. Ik vond de woning verbrand; het spoor van de vrouw, die er gehuisd had, in London... half gek van den schrik... Maud en zij waren gered door een Hollander, die er gehuisvest was. Op zekeren nacht was ze verdwenen..
»En die Hollander____?quot;
»Was er door Churchills kamerdienaar gebracht...quot;
» Wat?quot; Jakob was opgesprongen. »De bewijzen ... de bewijzen...! Zoete Jezus! Heilige Maria!quot;
»Een lersche waschvrouw vond ik onder een boom op de kniën, toen ik nogmaals naar den puinhoop van de beide huizen was gegaan... alsof ik daar nog iets zou kunnen vinden! \'tWas een ingeving van boven, zouden de Kerkelijke huichelaars zeggen, en misschien nooit met meer schijn van recht. Die vrouw had den spion â dat was hij: vermoedelijk zelfs een Hollandsch officier â aangegeven aan de Paleiswacht. In den nacht was hij bij vergissing tot haar gebracht. Een van zijn geleiders herkende zij, toen zij dien ontmoette op een harer laatste tochten naar de knechtskamers van White-Hall; zij vroeg daar of men wist wie dat was: Berkley, de kamerdienaar van Lord Churchill, zei men.quot;
196
HE KAPTEIN VAN BE LIJFGARDE.
»Nu begrijp ik alles â alles!quot; riep Jakob uit, waarna hij zijn hoofd met beide handen omklemde, oprees en haastelijk, als had hij een besluit genomen, naar de deur wilde gaan. De voeten echter stonden zóo onvast in de muilen en de eikenhouten vloer was zóo glad, dat hij dreigde uit te glippen en neer te glijden.
Kate greep hem nog bij tijds. »Wat ga je doen?quot;
«Straffen... Ik laat hem opknoopen zonder eenigen vorm van
proces____ Ik wil mij ontslaan van die onzichtbare vijanden. Het
is alsof me overal webben omfladderen, waarin loerende spipnen zitten... Heere Jezus, wat benauwdheden! Maar voor elke minuut van die benauwdheden een verraderskop..! Ik ga... déh Kaptein van mijn lersche lijfwacht roepen...quot;
Hij schelde: een oogenblik later had hij er berouw van. Op zijn schellen zou een zijner Lords binnen komen; hij zou hem kunnen bevelen de wacht te roepen, maar honderd tegen een dat hij niet gehoorzaamd zou worden.
»Ik zal den Kaptein dien ge bedoelt gaan roepen.quot;
»Best, Kate! Had ik je maar altijd bij me!quot;
Daar klonk een voetstap in het portaal en ging de deur open.
»Ik heb je niet noodig, Mylord! of ja, zend me Newman om mij aan te kleeden.quot;
»Had Uw Majesteit doen roepen? Dat hadden wij niet gehoord. Ik kwam Uw Majesteit voor Luitenant-Generaal Churchill een oogenblik gehoor vragen. Zijn Excellentie zei dat er haast bij was.quot;
Jakob zag Kate aan, die toestemmend knikte en hem een veel-beteekenenden blik toewierp, terwijl ze langzaam naar de deur trad en door deze verdween.
Het woord: Kate! bestierf hem op de lippen. Hij had haar zoo gaarne willen houden; bij voelde zich nu zoo alleen; hij keek naaiden wand tegenover zijn rustbed, waar een groot kruisbeeld hing. De doornenkroon van den grooten lijder was met bloed bedropen ... hij huiverde.
»Moet ik Lord Churchill...?quot;
»Laat hem binnen komen. Zeg hem, dat hij hartelijk welkom zal wezen.quot;
197
~j , . (V L J
Y t
XIII.
»Hoe gaat het, Mylord Churchill?quot; klonk het den binnen tredende tegen, die diep buigende de koninklijke hand had gekust. Hoe vleiend was de toon der magere stem!
«Uitstekend, Sire! maar naar ik hoop niet zoo goed als Uwe Majesteit.quot;
Aan de andere zijde der kamerdeur dreunden eenige zware voetstappen. De lersche Kaptein met eenige zijner kloekste mannen had daar zeker op Kates aanzeggen post gevat. De toestand scheen er plotseling geheel door veranderd. Zijn Majesteit toch vertoonde het gewone norsche gelaat. Het lage voorhoofd werd gerimpeld. De vleiende toon van straks werd vervangen door een scherp en bits keelgeluid.
»Hoe heet uw kamerdienaar, Mylord?quot;
Churchill zag hem verbaasd aan. Hij was achterdochtig en had daar goede redenen voor; maar geen gelaatszenuw vertrok; het bleef het deftig gelaat, dat eer deed aan de groote allonge-^x\\nk, welke hij kort geleden in een weddenschap had gewonnen en welke met vijftig pond was betaald. »Mijn kamerdienaar, Sire?quot; Ben fijne glimlach speelde om zijn lippen. Die trek was beleedigend. Gaf hij niet te kennen, dat de vraag eenigzins vulgair werd gevonden? »Als Arthur Arkwright eens wist dat zijn naam over \'s Ko-nings lippen was gekomen!quot;
«Arkwright? Arkwright?... Berkley heet hij.quot;
»Drie maanden geleden was dat zoo; maar toen ik bespeurde, dat de kwant om mij te bespieden geld trok van... ik durf haast den naam niet noemen...quot;
«Den aartsschelm Sunderland.quot;
«Uw Majesteit heeft het gezegd...quot;
«Drie maanden geleden! Bn toen hebt ge hem weggezonden?
DE KAPTEIN VAN BE LIJFGARDE.
En toen zal hij in dienst van dien fielt zijn gekomen en den spion, dien gij niet wist op te sporen, uit den weg hebben geholpen ...quot;
»Zovi hij dat hebben weten te doen!quot; riep Churchill met de grootste verbazing, maar met een zweem van twijfel. »Ik had hem zooveel overleg niet toegeschreven.quot;
»Ja, Mylord! men vergist zich tegenwoordig veel, zeer veel. De schijnbaar domsten blijken erg leep ...quot;
... »en, Sire, de meest gewantrouwden soms het best te vertrouwen.quot;
Zijn Majesteit wendde eensklaps het hoofd af, om den blos, die plotseling op zijn wangen schoot, te verbergen. Hij had daar een les gekregen, een gevoelige, maar, naar het getuigenis van zijn eigen geweten, een verdiende ook.
Churchill bemerkte meester te zijn geworden van het terrein door een enkele stoute, ja vermetele manoeuvre. Hij bad altijd geweten van een goede stelling en nog meer van de fouten zijns tegenstanders partij te trekken en gaf ook nu blijk dat te weten.
»Mag ik vernemen, of ik Uw Majesteit nog meer dienaangaande heb te andwoorden?quot; De Koning bleef zwijgen en het hoofd afwenden. »Mag ik üw Majesteit dan herinneren, dat onze beste troepen, te Warminster gelegerd, waarschijnlijk tegen den avond slaags zullen raken met een kleine troepen-afdeeling Zijner Hoogheid. Om| den goeden geest wakker te houden, zou Uwer Majes-teits bezoek zeer gewenscht zijn. Ik heb reeds onder \'s hands doen meêdeelen, dat Uwe Majesteit hen zou komen zien. Wat maakte dat reeds een goeden indruk! Sire, ik ben overtuigd van de overwinning.... zóo zeer zelfs, dat ik zweer, bij God Almachtig! niet terug te zullen keeren indien ik de neerlaag lijd.quot;
Hij had dB twee wijsvingers zijner rechterhand opgeheven.
Dat maakte op Zijn Majesteit een diepen indruk. Ja, hij had dien man onrecht gedaan en die man was nog wel zijn 5gt;degenquot;. Hem de hand toestekend en die der andere nemend en hartelijk drukkend, zeide hij opgeruimd, bijna vroolijk: »Ik trek naar Warminster wanneer je maar wilt. Over een uur ben ik gekleed. Geef de noodige orders voor het eskorte! Ieren, Churchill, hoort ge, Ieren!quot;
»Ik mag lijden, dat Uwe Majesteit, na onze zegepraal, onderscheid blijft maken tusschen Ieren en Engelschen, maar alsdan in het voordeel der laatsten.quot;
»Nu, nu, \'tkan zoo worden... En als we maar eerst een zon-nestraaltjen zien ... \'t zal schijnen op een nieuwen Hertogsmantel.quot;
«Lokaas, waaraan een blei zich vergapen kan, maar geen snoek!quot; dacht Churchill, die den visscher beter kende dan deze het zich zeiven deed.
199
DE KA.PTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»üw Majesteit weet altijd zoo echt koninklijk te beloonen!quot; klonk het met een dankbaarheid, welke zelfs tranen in \'t verschiet liet zien. Een mensch met meer zelfkennis en grooter geheugen zou inéén zijn gekrompen bij zulk een vleierij, welke een giftigen dolksteek in zich sloot.
Toen Churchill de kamer verliet, waarin de vermetelste onbeschaamdheid de zege bad behaald, zag hij den lerschen Kapitein, voor de deur met een tiental goed gewapenden geposteerd, de hand aan den degen slaan, maar die hand van richting doen veranderen en tot een militairen groet aanwenden, toen geenerlei bevel hem uit de slaapkamer gegeven werd.
»\'t Is goed dat het einde nadert,quot; prevelde de Luitenant-Generaal, den groet even beandw;oordend en vervolgens fier zijns weegs gaande.
Zijner Majesteits koets werd voorgebracht; Zijner Majesteits horse-guards, de best gekleeden en de alleen stipt betaalden van het geheele leger, waren daar achter geschaard.
Een der Adjudanten van den Luitenant-Generaal was reeds een half uur geleden langs een omweg Salisbury uitgereden en had zich in galop naar de voorposten te Warminster heengespoed, zeker om de heugelijke tijding van \'s Konings aanstaande komst over te brengen. Vreemd zou het echter gevonden zijn, indien men het in Salisbury had kunnen weten, dat de Adjudant de daar gelegerde Regimenten scheen te mijden, links afsloeg, waar de voorposten van \'s Prinsen leger stonden, en daar zich gevangen liet nemen door een Hollandsche konpanjie, waarvan de aanvoerder, een goed Engelsch sprekende, hem met de grootste achting bejegende en dadelijk door liet gaan naar Kolonel Bentinck. De gevangene riep dezen blijde toe: »hij komt!quot;
Zijn Majesteit was gereed, \'t Was nu niet meer een sloffende oude, maar een rijk gekleed edelman. De groote pruik verborg de uitgeteerde spierbundels van hals en nek, ten deele ook de ingevallen slapen. Over den zwarten fluweelen rok met zilver afgezet hing het glinsterend borstkuras; op het hoofd rustte de zilveren helm met witte en roode vederen. Zijn Majesteit, een goed Admiraal in der tijd, wilde zijn soldaten daaraan herinneren en ze in oorlogsrusting tegen treden. Die rusting was verouderd. Ze bleek tevens den vroeg oud geworden man te zwaar, zoodat ze onbevallig werd getorscht en aan de sombere trekken van het gelaat nog iets pijnlijks bijzettede. Maar op een afstand werd dat niet bespeurd, en de honderden nieuwsgierigen, voor het vóórplein op elkaar gedrongen, konden slechts van verre toeschouwen, daar ze tegen werden gehouden door gants niet goed gehumeurde wachten.
De Luitenant-Generaal Churchill was reeds te paard gestegen, omringd van eenige weinige Hoofd-officieren. De lucht, die straks
200
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
beloofde op te klaren, zag er weder grijsgrauw uit. De regen begon in kleine druppels neer te vallen; een grijs-blauwe wadem omgaf het plein en de huizen, zoo ver het oog reikte.
Een koerier van de Koninklijke Post kwam aanrennen en deed de toeschouwers verschrikt uitwijken en ruimte maken. Te gelijker tijd schetterden de trompetten, waarvan er een gebersten scheen te zijn. De soldaten hieven een hoerah aan, waarmeê niet éen der toeschouwers instemde. Zijn Majesteit was in aantocht â door de Lords van zijn huishouding gevolgd. De Luitenant-Gene-raal salueerde eerbiedig. Het portier van de koets werd neergeslagen en een Perziesch tapijt over de arduinen treden van de stoep tot aan het rijtuig gelegd.
\'t Was of de tijd, door Zijn Majesteit aan zijn toilet besteed, in sombere gedachten was doorgebracht, want Zijn Majesteit keek norsch voor zich en groette niemant. Geen wonder dus, dat de koerier, dien Generaal Churchill te vergeefs had willen overreden terug te gaan en zich nu zelfs naast de treden van de karos had zien plaatsen, werd toegesnauwd uit den weg te gaan! Maar de man liet zich nóg niet gezeggen, deed geen stap terug, zelfs nog een halven vooruit en bood toen een verzegelden brief aan.
Zijn Majesteit opende dien, las een oogenblik, beefde en greep toen met de hand naar den neusdoek.
Een dikke bloedstroom gudste hem uit de neusgaten, bedroop het straks nog zoo glinsterend kuras en verjoeg daarvan allen luister. Churchill was van het paard gesprongen en ving den wach-lende in de armen; hij raapte tevens het papier op, dat der koninklijke hand was ontvallen, \'t Bevatte slechts een kort bericht. De Hertog van Grafton, een bastert van den vorigen Koning, den broeder van den tegenwoordigen, was tot den overweldiger over-geloopen en... Prinses Anna, \'s Konings meest geliefde dochter, plotseling verdwenen, vermoedelijk in dezelfde richting! »0 God, mijn eigen kinderen!quot;
Deze uitroep had Churchill alleen kunnen hooren.
sRoep den doctor! Ik kan niet gaan â van daag niet...quot; Toen hij omzag en bespeurde wie hem steunde, maakte hij een afwijkend gebaar, waarop Churchill hem dadelijk los liet, daardoor het bewijs leverend dat hij de bedoeling begrepen had. Op het rustbed neergelegd, met ijskoude kompressen op het hoofd en om den nek, hield de geslagene zich blijkbaar met de laatst hem aangebrachte feiten bezig en brachten noodzakelijke gevolgtrekkingen hem tot nieuwe onderstellingen! Zijn dochter Anna stond geheel onder invloed van Churchills vrouw! En Cornbury, die met drie Regimenten wegliep, was maar Kolonel â de hoogere officieren waren allen weggezonden ! â en de Opperbevelhebber, die de macht had dat te doen, was... Churchill!
201
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Overal en altijd die Churchill!
Kate, verstandige Kate, uw berichten waren weder juist...!
Moest hij hem gevangen laten nemen... zijn hoofd op het blok brengen...? Maar wie kon hij bier vertrouwen ? Een vroolijk gelaat toonen... Vriendelijk tegen hem zijn... tot hij hem in den Tower kon lokken...! Ja, dat moest hij doen.
De bloedstrooming hield nog maar niet op; de doctor beval volstrekte rust aan.
»Zoodra Mylord Churchill rust heeft zal ik die ook hebben,quot; prevelde hij, wat voor de omstanders geen zin had.
Er werd een krijgsraad belegd. Spoedig was die om den zieke heengeschaard.
Zou er een slag gewaagd worden of zou men terug trekken?
Churchill bleef voor het eerste, bleef hoog opgeven van de krachten, welke Zijner Majesteit ter dienste stonden. Niemant sprak daar tegen. Toen echter de stemmen werden opgenomen, bleek zich ieder, behalve de zoo moedige Luitenant-Generaal, voor het tweede, alzoo voor terug trekken, te verklaren, waarmede Zijn Majesteit zich dadelijk vereenigde. Een uitspraak, in voege als hier plaats had, toonde wantrouwen jegens den leider. Deze, wiens lippen nu even trilden , rees het eerst op, gereed om het besluit der meerderheid te doen uitvoeren.
De fiere ridderlijke gestalte schreed naar het rustbed met sta-tigen tred en boog zich over den ellendige heen, wiens bleek gelaat bijna niet gezien kon worden, zóo zeer was \'t bedekt onder linnen doeken, met water en bloed gedrenkt. De koninklijke hand werd niet onder de zijden deken van daan gehaald. Churchill scheen er naar gezocht te hebben, maar zich niet te leur gesteld te gevoelen haar niet te vinden. Hij boog onderdanig en wendde zich toen statig af.
Het was een afscheidsgroet voor altoos, want die beiden zouden elkander nooit terug zien
Toen Churchill de kamer verlaten had en de deur achter zich had hooren sluiten; toen hij de buitenlucht inademde en niemant om zich heen of achter zich bespeurde, om hem dat te beletten, haalde hij ruim adem, maakte hij met zijne schouders een beweging, alsof deze een onzichtbaren maar zwaren last afschudden, verhaastte hij zijn stap tot over het plein, waar een paadje hem wachtte met twee paarden aan de hand en een gemeenen wijden ruitersmantel over den arm. Die mantel werd hem haastig omgeworpen , waarna beiden te paard stegen en in allerijl zich verwijderden langs denzelfden weg en in dezelfde richting als de adjudant dien morgen genomen had.
»Is het spel verloren?quot; vroeg de jonge man, die Mylords gunsteling was.
202
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Neen, gewonnen, maar een andere kleur als wij dachten werd
troef.quot;
Aan gene zijde van de heuvels, waar de Hollandsche Regimenten van den vroegen ochtend af in slagorde hadden gestaan, ging een oorverdoovend gejubel op, toen Kolonel Bentinek Mylord Churchill verwelkomde en Kaptein Semeyns beval de achterstaande troepen met het groote nieuws bekend te maken, dat de beste Generaal van Koning Jakob zich onder de Oranjevaan was komen scharen.
Eerst hadden de duizenden, daar in dichte gelederen opgesteld met de lont aan het geschut en het kruit in de pan van het geweer, vermoed dat de Koning zelf was gekomen om zich te onderwerpen, en werd er eenige teleurstelling gevoeld; maar de dappere, scherpzinnige, soms wel wat erg ruwe Ginckel liet zich luide ontvallen, dat men aan Jakob Stuart niets anders zou gehad hebben als een lijk, want, naar \'s Generaals opvatting toch, had er dadelijk summier recht moeten gedaan zijn en dat was hier de kogel geweest.
Zachtzinnig waren de Hollandsche Generaals Zijner Hoogheid niet!
Te gelijker tijd dat dit plaats vond was Zijn Majesteit bezig den brief te lezen, dien Churchill had achtergelaten. Een waardige brief, waarin al de verplichtingen werden erkend, welke het geslacht Churchil aan Zijn Majesteit had, maar tevens de betuiging werd gedaan, dat een welgeplaatst hart de vrijheid des gewetens en de liefde voor het vervolgd Geloof hooger moest stellen dan alle tijdelijke goederen!
Opnieuw vloeide het bloed. De eerste druppels ving de lijder op dien brief, dien hij vervolgens met een diepen zucht van zich afwierp.
203
XIV.
»Maai\' wat heb je hier toch uit te voeren, liefste ?quot; vroeg Maud, aan het oor van den haar liefkozenden Kaptein.
Wat zag ze er aanvallig uit! Het hoofd dierf nog wel zijn grootste sieraad; maar het verlies werd verborgen door een zwart kanten hoofddoek onder de mollige kin vastgeknoopt, het van levenslust blozend gezichtjen bevallig omlijstend. Het keursjen van donkerrood taffetas liet den welgevormden poezelen hals geheel onbedekt, even als de wijde mouwen, even beneden den elboog eindigend, het de bevallig geronde armen deden; de rokken waren van donkerkleurige zijde en vielen verre over de voetjens neer, welke, in lage schoentjens met roode hakjens gestoken, soms in een bui van opkomende drift zich aan den blik van haar bewonderaar bloot gaven en dan welsprekend medepleitten en voltooiden wat het lachend mondtjen zoo machtig reeds begonnen was.
In welke voor ons vreemde omgeving hervinden wij beiden nu!
Eenige dagen zijn verloopen sedert het optrekken naar de woelige plaats, waar meer soldaten dan boomen gezien waren; waar zij eigenlijk gevangen was gehouden door haar Kaptein, die nooit zoo veel had geboden en verboden als toen; die haar zijn eigen halsdoek om het hoofd had gebonden, daar hij den haren voor nog te doorschijnend hield; die zoo dikwijls hij maar kon, naaiden gehuifden munitiewagen, waarin hij haar met de grootste moeite een schuilplaats had bezorgd, kwam kijken en haar dan steeds verliet met het bevel, ja, â het klonk als een militair kom-mando â dat ze niemant aan te zien, haar hoofd niet om te wenden, haar tong niet te roeren had, daar al de Officieren hier Hollanders waren en niemant haar daarom zou begrijpen, al wou ze dat nog zoo graag! En toen de groote Mijnheer â \'t was Churchill geweest! â die met zooveel eerbied en gejuich was ontvan-
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE.
gen, voorbij was gegaan â ze had dat oogenblik baar hoofd zoo ver mogelijk buiten de huif gestoken, maar had slechts een prach-tigen wapenrok kunnen opmerken â was baar Kaptein op zijn tocht naar haar toe tegengehouden door denzelfden Kolonel, die haar op dat klein opkamertjen zoo veel eerbied had ingeboezemd. Beiden hadden lang met elkaar gesproken, zóo lang, dat de winterzon in de zwarte wolken ten Westen duttend was neergezonken, even als een sufiende afgeleefde oude, wien een vroege sluimer lief is.
Nog dienzelfden nacht moest de Kaptein verder, of liever moest hij weer terug naar de plaats vanwaar hij een paar weken geleden vertrokken was. Ja, ja, hij moest weer naar Londen. »Hoe eer je die kleine feeks van hier weg neemt,quot; had de voorname Kolonel, haar gemeenzaam onder de kin grijpend, gezegd, »des te liever zal \'t me in aller belang zijn.quot; De Kaptein had haar de Hollandsche woorden vertolkt en was er weinig over gesticht geweest. Hoewel het erg donker was en een dichte motregen het verblijf in de buitenlucht alleronaangenaamst maakte, werd de reis aangevangen: de kaptein op een sterk zwart paard, zij als zijn schildknaap op een veel minder fraai, maar gelukkig ook minder woest en weerbarstig.
»Nu zie ik in wat dwaasheid ik deed hier te komen,quot; had ze half schreiend geroepen; maar in plaats dat de Kaptein daarmeê had ingestemd, had hij een vroolijken lach doen hooren. Zoo wat een kwartier voorbij de voorposten had hij stil gehouden, haar van haar paard getild en op het zijne overgebracht, waar zij achter hem, en den rechter arm om zijn midden geslagen, een ge-makkelijken, ja aangenamen en gevaarlozen rit begon. Op de reis toonde hij eens recht goed boe veel hij van haar hield, hoe zij het liefst was wat hij op de waereld had, en toonde zij zich ook innig dankbaar en overgelukkig. Wenschen en begeerten, sedert jaren in haar binnenst in onvolkomen vormen opgedoemd, waren nu in volkomen en goed herkenbare gestalten voor haar verschenen!
Toen ze in de nabijheid van Londen aankwamen, was het weder avondschemering. Toch waren ze van de zijde der voorbijgangers het voorwerp geweest van de grootste en blijdste verbazing. Niet alleen de Officierskleeding, maar meer nog de Oranjesjerp trok de algemeene aandacht. Als een burgerman was Semeyns Londen uitgeslepen, in zijn ware gedaante, met de kleuren van den vijand van hun Koning, keerde hij terug. Het een en ander was op hoog bevel geschied.
De groeten werden steeds talrijker, het gedrang om hem heen heftiger. In toenemende mate werden vragen gedaan, welke niet beandwoord mochten worden. Semeyns zag in, dat de verdere tocht op andere wijze moest worden voortgezet, en dat afstijgen geraden
205
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
werd. Hij vroeg of er ook een huurkoets te krijgen zou zijn. Velen waren bereid er een voor hem te halen. Ze waren in de nabijheid van een chocolade-huis, »de societeitquot; van bemiddelde burgers. Bij hun nadering werden de vensters geopend en gluurden eerzame en deftige gezichten naar buiten. In afwachting van het bestelde rijtuig werd Semeyns een rustplaats in hun midden aangeboden en door aller voorkomendheid en hulpvaardigheid vernam hij spoedig, dat er een goed en niet te duur verblijf te krijgen zoude zijn: éen huis van den hoek van Kingstreet en Cheapside. Daar moest de bode van den verlosser zijn intrek nemen, \'t Was schuins over het huis, waar twee maanden geleden Henry Cornish, een rijk koopman, voor de goede zaak, door ophanging in zijn eigen deur, den marteldood stierf.
Hun toekomstige gastvrouw â Misstress Hopss genaamd â ontving beiden allervriendelijkst. Zij konden twee goede kamers krijgen, zei ze, bij ieder woord glimlachend en nijgend, hoewel ze er misschien wel genoeg zouden hebben aan éen, zoo als ze met een snaaksch knipoogjen te kennen gaf. Den Kaptein en zijn vriendin gunde zij het beste, het allerbeste. Semeyns werd bij die woorden vuurrood. Hij kende den zedelijken toestand in Engelands hoofdstad in \'t geheel niet en kon niet vermoeden, dat een verhouding als onder den burgerstand in zijn vaderland tot den kerkdijken ban en een uitstooten uit de maatschappelijke samenleving zou hebben gevoerd, hier onder de voornamen althans een zóo alledaagsche zaak was, dat alle omsluiering overbodig werd geacht.
Semeyns had er op den tocht even op gedoeld, dat Mr. Stevens, of moeder Sally, Maud wel zou willen herbergen, maar ontmoette dadelijk zulk een heftige tegenspraak bij zijn reisgenoote, wier armdruk daarbij krachtiger werd, dat hij daar niet verder van sprak. Als hij oprecht was geweest tegenover zich zeiven, zou hij erkend hebben, dat Mauds tegenzin hem allergelukkigst maakte en hij, al had zij ook toegestemd bij de oude bekenden haar intrek te nemen, er haar toch niet zou hebben heengebracht. Welk een breede klove scheidde hem reeds van den tijd, dat hij zelf daar had vertoefd en de kracht had gehad van haar te scheiden! Maaibij wilde zich niet ondervragen. Hij vreesde de stemmen in zijn binnenste. Hij was soms bang voor de eenzaamheid; streefde zelf naar vermaak en uitspanning en was tegenover zich zeiven zóo weinig oprecht, dat hij voorgaf dat alleen voor Maud te doen.
Maar hoe dat ook ware, Maud was dankbaar voor wat hij voor haar deed. Zij pruilde wel als hij toilet maakte, zijn nieuw ge-kochten hoed opzette, alléén uitging en uren uitbleef, maar toonde telkens een van vreugde stralend gezichtjen als hij terug kwam, ware \'t ook soms ongewoon bleek en in zich zeiven gekeerd. En
206
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
als ze dan naar de reden vroeg, dan andwoordde hij ontwijkend en heel kort, maar omhelsde hij haar spoedig daarna met zóóveel innigheid, dat ze wel begreep zijn herhaalde afwezigheid en zijn vaak sombere stemming niet aan gebrek aan liefde voor haar te moeten toeschrijven.
Op een somberen namiddag, na den geheelen ochtend weer afwezig te zijn geweest, had hij bij zijn terugkomst zijn lieve Maud ook treurig gestemd gevonden. Hoe zij \'t zich ook op wilde dringen, het ging niet; ze kón niet alleen zijn. Ze haalde zich dan allerlei verzinsels in het hoofd en kon er niets aan doen dat de vrees voor zijn veiligheid bij haar opkwam.
^Zottinnetjen!quot; zeide hij lachend, zoo als telkens ook nu gestreeld in zijn ijdelheid. Hij zette zich naast haar, hand in hand, haar kopjen rustend op zijn breeden schouder, en hoorde toen de vraag, in het begin van ons hoofdstuk gedaan:
»Wat heb je hier toch uit te voeren, liefste?quot;
»Je zoudt het niet veel bijzonders vinden als je \'t wist.quot;
»0, maar nu wil ik het weten,quot; hernam ze, met haar gewone scherpzinnigheid opmerkend, dat hij nu veel minder kort en ontwijkend dan vroeger op zulk een vraag andwoordde.
»Onze Stadhouder, Maud, bewandelt liefst twee wegen: een binnen- en een buitenweg; de laatste alleen is voor het algemeen te zien.quot;
»Maar wat heeft dat nu met mijn vraag te doen?\'Hoe zoo\'n man toch raadseltjens weet te verzinnen!quot;
»Neen, neen, wildzang! wat ik daar zei, is een goede inleiding; maar ik bespeur dat je hoofdtjen er niet naar staat om inleidingen te volgen. Nu dan: in korte woorden. Uit de vrijheid, die ik geniet, uit de vriendschappelijke gezindheid allerwegen jegens ons beiden, blijkt reeds genoeg, dat Koning Jakobs zaak hopeloos staat. Na ons vertrek is zijn geheele leger verloopen: het En-gelsche deel voegde zich bij dat van onzen Stadhouder, het lersche zwerft arm en berooid door de Graafschappen. Hij acht zijn nederlaag zelf zeker, wil onderhandelen en de beslissing tusschen hem en Zijn Hoogheid aan een Parlement, geheel vrijelijk te kiezen, daar ons leger niet verder dan Beading zal oprukken, over laten. Zijn Hoogheid heeft dat goedgekeurd, â wat men hier in \'t eerst niet kon gelooven, daar zulk een edelmoedigheid van een overwinnaar tegen een overwonnene eenig in de geschiedenis zou wezen. »Welk een onbaatzuchtigheid!quot; »Welk een liefde voor ons en ons Geloof!quot; »Welk een man Gods!quot; roept en jubelt men rondom ons.quot;
»Wordt er zoo geroepen?quot; merkte Maud aan, toen de Kaptein even poosde. »Wel, wel, en ik heb \'t niet gehoord; integendeel, ik vond het altijd zoo stil in de straat en moest om wat te zien en te hooren, altijd den hoek om gaan.quot;
207
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAWDE.
Had zij maar half geluisterd? Semeyns was echter te zeer vervuld van zijn onderwerp, om het nu plotseling prijs te geven. Hij had tot dusverre wel gezwegen, maar geloofde dat haar toenemend verdriet over zijn alleen-uitgaan van het begin eener jaloezy getuigde, welke hij wel niet ongaarne zag ontstaan, maar toch niet te verre moest laten ontwikkelen. Ook had hij nooit zoo duidelijk als nu ingezien, dat Mauds ontwikkeling als beschaafde vrouw zeer achterlijk was.
»Zie je, dat is nu de buitenweg; maar er leidt naar hetzelfde doel ook een binnenweg, en dezen heb ik te bewandelen. Dat de Prins mij als Officier van zijn leger, hier in de hoofdstad van uw Koning laat optreden is stout; hij geeft weinig om het leven van een mensch â en om zijn eigen evenmin, dat moet ik erkennenquot; â voegde Semeyns er bij als een aanvulling, waartoe het rechtvaardigheidsgevoel hem dwong. »Dat ik kon doen, wat hij mij opleï, zonder gegrepen en gehangen te worden, duidt aan, dat hij goed op de hoogte is van wat hier omgaat...quot;
»Jij gegrepen en gehangen! Wie zou dat durven doen!quot; riep Maud, zich weder vaster tegen hem aandringend.
«Nu ja. Koning Jakob durft niet; dat bewijst mijn hierzijn in volle gezondheid en in den arm van mijn allerliefste engel...! Hij had, naar ik vernam, bij het eerste bericht onzer landing uitgeroepen, dat zoo Zijn Hoogheid het wagen mocht een bode te zenden, hij den eersten onverhoord met afgesneden ooren zou terug doen gaan en den tweeden zou houden, om diens afgehouwen hoofd aan de Citypoort vast te laten spijkeren als een vaderlijke vermaning tot zijn trouwe burgers. Ik was die woorden indachtig, toen ik een paar dagen geleden den eersten keer hem op ging zoeken in zijn paleis.quot;
»Ben je in het Paleis geweest? In \'t Paleis van den Koning? Hoe heb je me dat zoo lang kunnen zwijgen! Wie zóo iets voor wie hem het liefst is verzwijgen kan, kan meer stil houden. Is dat nu de aard van de mannen?quot;
»Stil, dwaas hoofdtjen, en laat mij uitspreken..!quot;
»Was \'t er mooi? prachtig? Zag je er de mooie steenen van Vader Davids baas?quot;
»Ik zag er alleen een oud laf man, die bereid was alles toe te staan wat zijn overwinnaar vroeg, die zich boog voor de waereldlijke en geestelijke Lords, en sidderde als ik de wenkbrauwen maar saamtrok...quot;
»Had ik dat eens gezien!quot;
»Ik wreekte op dat oogenblik de vrouwen en kinderen, die hij tot weduwen en weezen gemaakt heeft!quot; zei Semeyns hoog ernstig.
»Hij zou \'t mij óok gemaakt hebben, dat \'s waar. Hij heeft je gevangen willen nemen. De akelige man! En je was niets bang voor hem? O, je bent toch een held.quot;
208
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»\'t Hoort tot mijn ambacht niet gauw benauwd te zijn... En toch, Maud, voelde ik mij niet heel ruim, toen ik voor het eerst voor hem stond. Den tweeden keer ging het al beter. Hij wou maar niet gelooven dat mijn meester streng weet te zijn en dat die gauw een doodvonnis onderteekent. Daar buiten getuigden de Loids van Zijner Hoogheids zachtmoedigheid, van Zijner Hoogheids begeerte naar een schikking, welke Zijn Hoogheid, na een bondgenootschap met het vrije Engeland gesloten te hebben, vergunnen i?ou met zijn leger en met de zegenbeden van een geheel voïk naar zijn vaderland terug te keeren. Maar daar binnen moest ik getuigen, dat Zijn Hoogheid naar White-hall zou komen en daar bij zijn aankomst geen ander bewoner wilde vinden. Ik heb de zekerheid niet, dat hij mij en niet de anderen geloofde, maar ik heb de zekerheid wel dat ik op den binnenweg ben, dat wil hier zeggen: het juiste pad.quot;
»Had mij maar meégenomen! Ik had zoo graag een koning gezien ...quot;
»Waar niets koninklijks aan is!quot;
»Droeg hij dan geen kroon en had hij geen scepter in zijn hand zooals Ahasverus, toen Esther voor hem knielde?quot;
Semeyns ontwaarde, dat hij door zijne historische les weinig kennis had verspreid. De komische zijde van den toestand trof hem het meest. Wat was ze een ijdeltuit! Maar wat was ze toch beminnelijk en bekoorlijk! En zeker zou ze dat minder zijn, indien ze meer kennis had of meer vatbaarheid om te leeren.
»Zeg me eens hoe je doopnaam is?quot; vroeg zij, zooals gewoonlijk van den hak op den tak springend. »Zeg me dien in je eigen taal!quot;
» Karei!\'\'
»Voortaan noem ik je zoo... Karei!quot; \'t Ging haar nog moeie-lijk af.
»Neen, Maud, dat niet!quot; zei hij met eenige heftigheid.
Hij verwijderde zich van haar en trad aan het venster. Hij bracht de hand aan het voorhoofd.
Maud was geschrokken van den barren toon zijner stem en van zijn haastige beweging. Haar eerste gewaarwording was er echter eene van ergernis.
»Je bent lompquot;, siste het van baarlippen.
»En jij voelt niet fijn!quot; hernam de ander, door hare opmerking nog meer geprikkeld. »Ik heb je zelden over je goede pleegouders hooren praten; over je Auntie iets meer, maar dat komt, geloof ik, omdat die mooie kleeren droeg.quot;
»0!quot; en ze wierp het hoofdjen in den nek en balde de kleine vuisten. Ze wist niet wat ze had, maar ze stikte bijna. gt;-Ik verwonder er me nu niet meer over, datje mij mijn hair afsneedt....quot;
KAPT. VAN DE LIJFGARDE. â I. 14
209
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGAllDE.
»Ik begrijp datje dat verlies hooger stelt dan elk ander...quot;
»Waarom niet? Ik heb zoo weinig wat me aantrekkelijk maakt; en dat weinige heb jij me nog wel ontnomen.quot;
Zij schreide; de donderbui had zich ontladen; de regen begon bij stroomen te vallen.
Semeyns was vertederd; hij naderde haar. »Lieve Maud!quot; lispelde hij aan haar oor. Hij werd niet gehoord. Hij knielde naast haar, om haar in het van hem afgewend en neergebogen gelaat te zien. Het gelukte hem, en hij zag een glimlachjen, een van de zonnestraaltjens, welke hem in zijn vaderland steeds werden onthouden. »Kun je mij vergeven? Kun je...? Wil je .... engel?quot;
Zij woelde met de vingeren in zijn dik zwaar hair. »Zie, zie!\'\' riep ze eensklaps op haar gewonen toon, en ze toonde hem een grijs hairtjen, dat ze hem uit had getrokken. »Dat \'s nu de straf dat je mijn hair, dat niet grijs was, hebt durven afsnijden.... U wordt oud, heer Kaptein!quot;
Goed dat ze die woorden vergezeld liet gaan van een kus en een vriendelijken oogblik; want in die woorden lag iets onheilspellend scherps.
Juist was de vrede tusschen die twee groote mogendheden gesloten, toen Misstress Hopps zonder kloppen en met groote vaart naar binnen stoof. Zij hadden meermalen last gehad van de gemeenzaamheid dier hospita. Er sprak zich een soort van bescherming in uit, voor de helft gevolg van ingenomenheid met zich zelve, voor de wederhelft van niet zeer grooten eerbied voor haar huurders. Ze had al verteld dat ze weduwe was, wat Semeyns gaarne gelooven wou, daar haar weinig jonkvrouwelijke gestalte de waarheid harer verzekering niet weersprak. Ze had Maud, als haar vriend uit was, dikwijls gezelschap komen houden en haar niet altijd verveeld, daar haar verhalen aangaande de bewoners der buurt soms allerkluchtigst waren. De bijzonderheid, dezen morgen medegedeeld, was zelfs met belangstelling door Maud aangehoord. Weinige dagen geleden toch was in Cheapside een beeldschoon jonkman komen wonen, met licht-blond natuurlijk hair, dat zeer lang was en even zoo krulde als de fraaiste pruik, en dat alles natuurlijk! Begrijp eens, alles eigen! Maalais het paartjen bij elkaar was, dan was ze gewoon in haar keuken beneden of op haar kamertjen boven te blijven,
Er moest een reden voor zijn, dat ze thands van haar gewoonte afweek. De ernst, op het goedig maar wel wat vulgair volle maansgezicht, voorspelde dat die reden niet van vroolijken aard was; haar ronde muts, door een paarsch zijden lint om voorhoofd, slapen en achterhoofd vastgehouden, duwde zij met een haastige beweging harer hand terecht; van haar wollen jak, dat tot op haar kniën neerhing en daar de stevige karsaaien rokken
210
DE KA.PTEIN VAN DE LIJFGARDE.
zien liet, maakte ze het bovenhaakjen in allerijl vast, â al te maal bewijzen dat ze haastig van haar werk was geloopen, en dat deed ze niet gauw!
»\'t Spijt me dat ik \'t zeggen moet, maar jelui kunnen hier niet blijven,quot; riep ze, nog voor ze over den drempel stapte.
»Ik riep niet, Misstress Hopps!quot; merkte Semeyns koel aan.
»Dat weet ik wel, en daarom kom ik ook niet hier, maar van wege de algemeene kombustie, die aanstaande is. Ze zeggen, dat Mother Estquot; â dus werd Koning Jakobs tweede gemalin, Maria van Modena, door het volk genoemd â »met haar marmot, dien ze Prins van Wales noemen.... ik had met hetzelfde recht mijn â oudsten en jongsteu zoo kunnen noemen als ik ooit kinderen gehad had, maar dat heb ik niet, al liet ik er ook in onze kerk
door den besten Dominee voor bidden----Waar ben ik nu ook
weer? Ja, ze zeggen dat ze de plaat heeft gepoetst en al in Frankrijk zit...
Semeyns begon aandachtiger te luisteren. Maud had zich op de sofa neergevleid en liet een half onderdrukten geeuw hooren.
»En \'t zeggen is dat hij haar achterna is, want in \'t Paleis is niemant meer te vinden....quot;
»Praatjens! Disch ons maar gauw een ferme osse-lende op, tot vergoeding van \'t geen je ons gister middag te weinig en te slecht hebt gegeven____quot; zei Semeyns.
»Ik geef nooit te weinig en nooit iets slechts.quot;
En nu begon ze hem voor te rekenen, dat twee shillings per dag voor twee volwassen personen, â want dat waren ze, dat viel niet te ontkennen en dat zou ze kunnen bewijzen wanneer het ontkend werd, â schandelijk weinig was. Want wat gaf ze er al niet voor! En nu volgde de optelling. »Bier en brood \'s morgens met honig óf boter, zooals zij altijd bedoeld had, maar \'t was honig én boter in de laatste dagen geworden; chocolade om 11 uur en dan vleesch met warme spijs, waaronder dikwijls schel-vischlever en gebraden brasem, op het uur dat vriend en vriendin het maar kommandeerden.quot;
Semeyns trappelde van ongeduld. Hij nam zich voor haar geen voorwendsel tot afdwalen meer te geven. Maar dan moest ze ook haastig van den onaangenamen zijweg afgebracht. Hoe kwam die eerst kruipend beleefde vrouw zoo eensklaps veranderd, de aanvankelijk milde nu in een gierige verkeerd?
»Zou Zijn Majesteit niet meer in White-Hall zijn?quot; vroeg hij â ongeloovig.
Zij was weder op den rechten weg en holde in éen adem voort. Hij was weg, met het krieken van den dag heengegaan; hij had eens hier langs moeten komen; zij had hem eenige koolstruiken, die ze nog bewaard had, achterna gegooid. Maar hij was wijzer
211
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
geweest en had zich bij zijn biechtvader een tijd lang schuil gehouden, zeker om een kaars aan te steken voor een houten afgodsbeeld en dan te prevelen tot ze is opgebrand, ja zoo doen ze... »en wat er verder met hem gebeurd is, dat weet niemant; maar weg is hjj en het Grootzegel ook.quot;
»Praatjens! Daar is niets van aanquot;, bromde Semeyns, die echter wel wilde dat het meer dan volkspraatjens mocht zijn, en daarbij zich herinnerde, dat hij van morgen was afgewezen door een der Lords van de Slaapkamer, den jongen Hertog van Northumberland, die dat erg verlegen had gedaan.
»En als het Zegel weg is, dan is er geen Overheid meer, zegt de heele buurt. En als er geen Overheid is, dan is er ook geen konstapel, die ons de Ieren van het lijf kan houden en onze eer
beschermen---- Ze loopen het platte land al af en zijn, zooals
de buurt zegt, al naar de City in aantocht. Komen die woestelingen, \'tzijn halve beesten, vooral tegenover de vrouwen, zegt de-buurt, dan is niemant veilig; maar wie een Hollander huisvest is sekuur voor de poes. Daarom, \'tdoet me in mijn ziel pijn, want jelui zijn een aardig paar, ofschoon de een wel wat te oud is voor de ander, maar jelui mogen me niet m perikel brengen... voor twee shillings per dag.quot;
»Begin met ons wat licht te brengen, want \'t is donker geworden. En wat ons betreft, dank God dat je een Hollandsch officier herbergt. Een enkelen bode heb ik maar te zenden en het ge-heele Hollandsche leger is in zes uur hier.quot;
»Ja, in zes uur, maar in korteren tijd draaien de Ieren ons allemaal den hals om en steken ze onze kinderen op staken in het vuur.quot;
»Voor de kleur van dezen bandelier hebben ze respekt. En van, twee shillings zullen we er drie maken; maar dan geen opgebra-den pekelvleesch in plaats van versch vleesch en geen brasem meer, met opzet verbrand, om er den smaak van af te nemen, maar wel werkelijke karper of snoek.quot;
Misstress Hopps was Whig, dat is: vóór de rechten en vrijheden van den burger; ze was daarom vóór den Prins. Maar als er zóóveel gevaar aan verbonden was, dan werd ze een Trimmer, een die wel eens Whig en Tory te gelijk wist te wezen. Er was echter iets dat ze boven alle politieke richtingen stelde, en dat was haar beurs, welke zij in de laatste dagen benadeeld vond. Nu deze betere dagen werd beloofd, week het gevreesde gevaar op den achtergrond.
»De kapitein is redelijkquot; zei zij veel kalmer. »Ik zal het er dan maar op wagen, mids____quot;
De te stellen voorwaarde werd nimmer uitgesproken. Eerst werd een zonderling gemommel, een dof gebrom en getrappel en
212
DE KAPTE1N VAN DE LIJFGARDE,
â¢geschuifel vernomen; toen het gerucht van verwarde stemmen en afgebroken kreten; eindelijk het geraas van goed verstaan-ba*e uitroepen. En weldra weergalmde het uit duizenden monden: »de Ieren! de Ieren in de stadquot;! heandwoord, ja bij wijlen overstemd, door den uitgebrulden volksdeun;
De neerlaag gedronken van ieder papist!
Lullibullero bulier a la!
213
XV.
Het was waar. Koning Jakob had White-ball bij het aanbreken-van den dag heimelijk verlaten, na de tijding ontvangen te hebben, dat de Koningin met den Prins van Wales op de Fransche kust was geland.
De Prins van Oranje bleek zijn schoonvader beter dan wie ook te kennen en had niet ten onrechte gehoopt, dat de strijd zou beslist kunnen worden door de domheid der tegenpartij. De aangevangen onderhandeling was van weerszijden veinzerij geweest; maar \'twas Jakobs groote fout, dat door zijn toedoen aan de goede trouw van zijn behendigen tegenstander niet kon worden getwijfeld.
Koning Jakob was heengegaan. Hij had het Eijkszegel meêge-nomen en Lord Feversham geschreven, de troepen, welke nog trouw waren gebleven, â \'t waren de Ieren alleen â te ontslaan zonder eenige betaling, zonder aanwijzing van eenigen proviand. Het was een daad, zijn verleden waardig! Het was de adder, die, zieltogende, nog een giftigen beet toebracht!
In White-hall heerschte de grootste verwarring, tot dat eenige Pairs, die tot dus verre in hun lijdelijke gehoorzaamheid hadden volhard, in der haast zeer fijne redeneeringen hielden met hun tee-der geweten en tot de verrassende uitkomst geraakten, dat krachtig handelen thands door de Goddelijke wet werd bevolen, daar er geen Koning door Gods genade meer bestond!
Maar buiten White-hall nog grooter verwarring.
Er liep door die honderdduizenden een rilling, een aandoening van blijdschap over verlossing uit een lange beklemdheid, een gevoel van vrijheid, maar ook een van angst! Over al die honderdduizenden zweefde de gedachte van regeeringloosheid! En niet ten onrechte !
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAllUE.
Onder de dichte bladerenkroon, aan den voet van de prachtige woudvorsten, schuilen de zaden der paddestoelen. Als de verfris-schende winden ophouden de luchtzee te doen golven, als het lauwe vocht uit de dikke wolken druppelt en een vochtig warme wadem bladerenkroon en stoeren tronk omwuift, kiemen de vergiftige zwammen en parasieten! Zoo ook in de groote menschenmaatschappij! Als de zon van het Gezach zich sluiert en de Wel, de heilzaam regelende, niet meer den breidel houdt en door haar tucht de zedelijke miasmen verjaagt en uitéén drijft, dan stijgen uit de verborgen holen van ontucht en verdorvenheid, kwaadaardige daemo-nen op.
\' Semeyns, die Maud stevig aan den arm vasthield, zag wat hij nog nooit had aanschouwd.
Uit zijn vensters had hij straks de volkshoopen op lange stokken, op oude pieken en hellebards, op verroeste ijzeren stangen en vorken, oranje-appels zien dragen, de hoeden der mannen en de mutsen der vrouwen als zien schuil gaan in oranje linten, en daar uit afgeleid, dat het volk in massa zich voor den Prins verklaard en de Revolutie ten einde had gebracht. Hij wilde, getrouw aan zijn plicht, oor- en ooggetuige zijn, en vond geen enkele reden den aandrang van Maud, dol op beweging om zich heen, te weerstaan, om haar op zijn wandeling mede te nemen. Had hij het slechts niet gedaan! In het eerst kon hij een zeker gevoel van zelfvoldoening niet onderdrukken. Dat Koning Jakob was gevlucht, moest hij voor een goed deel toeschrijven aan zijn bemoeiingen. Weldra echter maakte die gewaarwording plaats voor een gants andere.
Welke gedaanten rondom hem! Van welke uithoeken der wae-reld waren ze aan komen snellen! Zweet en stof hadden woeste dierlijke koppen bekorst, grijze, maar van waanzin, gloeiende oogen, platte en kromme, wig- en schroefvormige, blauwe en rood purperen neuzen omlijst; schuim bobbelde op de breede lippen, rood als de muil van den tijger, wien ze tevens het blikkerend en bloeddorstig gebit schenen te hebben ontleend. Uit de spelonken van Hackley, uit» het labyrinth van Black Friars, waren ze opgekropen, de duizenden inbrekers en dieven, de zakkenrollers, lijkenstelers en moordenaars!
De aangeheven of liever uitgebrulde leuze van: »weg met de papen!quot; deed ze aanvankelijk steun vinden bij de burgers, die hen anders zouden hebben ontvloden. Zwermen van ledig loopende leerjongens, honderden van ernstige en bemiddelde burgers, die God dankten voor de redding van wat hun toescheen de pestilentie aller pestilenties te zijn, hadden zich bij hen gevoegd en hielpen of zagen voor \'t minst met instemming toe, bij het plunderen en in brand steken der Roomsche kerken. Zij duldden, zoo
215
UE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
zij \'fc al niet aanmoedigden, dat altaarstukken, beelden, krusifixen en bergen van gebedenboeken telkens voedsel gaven aan de van alle zijden opflikkerende vlammen; dat, na de Kerken, de huizen van \'s Konings bekeerlingen bet moesten ontgelden en zelfs de woningen der Ambassadeurs van Roomsch Katholieke Mogendheden, waar men de priesters en monniken verscholen dacht!
Wat zou Semeyns, boe hartelijk ook in \'t eerst ontvangen, hoe warm ook begroet, daar tegen vermogen? Hij had zich vol afschuw willen afwenden; hij bad Kingstreet weer willen opzoeken en de trillende Maud de hoog noodige rust willen schenken ; maar dat bleek onmogelijk!
Ruwe scherts klonk hem, en vooral haar, bij wijlen in het oor. Een woesteling, die in de eene hand een kommuniekelk zwaaide, waarin een drabbig vocht zwabberde, streelde met de andere langs Mauds kin en stuurde haar een grof woord toe, toen de belee-digde zijn groven knuist wegsloeg. »Ze willen me omhoog tillenquot;, riep Maud in doodangst uit, terwijl ze beide armen om den hals van haar vriend sloeg. Een algemeen gelach volgde. Maar een krachtige arm hielp dien van Semeyns, om ruimte te maken. Het was die van den knappen jongen uit Cheapside, van wien Misstress Hopps bad verteld en dien Maud óok reeds had opgemerkt, eer gene nog haar aandacht op den Adonis had gevestigd.
«Hierheen, Kaptein!quot; fluisterde hij snel achter Semeyns\' rug. »We staan midden onder de Tbeemsboeven! Zwenk links af, het bierhuis van Nelly Sweaton in!quot;
Maar het gedrang werd op dit oogenblik onweerstaanbaar en een oorverscheurend gesis en gefluit werd gehoord!
»Een lersch wijf! De waschvrouw van den tyran! Knuppel baardood! Trap haar neer!quot; zoo werd er geschreeuwd, gegild, gebruld.
»Kit! Onze grappige Kit!quot; riep Maud, die, ter nauwernood uit de benauwdheid, weer een lach had.
Kit was zijn gastvrouw geweest; zij had hem dagen lang geherbergd! Dit was de eerste gedachte van Semeyns. »Spaart die vrouw, mannen!quot; riep hij. »Zij doet geen kwaad; zij is een der onzen!quot;
Maar de moedwil was ten top gestegen. Een ruwe hand greep de arme havelooze aan en nam in haar greep een deel der armelijke rokken, die aan flarden werden gereten, meê! Kit stond daar in een staat als alleen haar slaapvertrek kende. Dat was baai-redding! Kluiten vuil werden haar naar het hoofd gesmeten; tientallen zouden nog volgen; maar de moedwil was goedaardiger geworden en had alleen oog voor het groteske van het schouwspel. Br werd gelachen! Maar meer nog dan dit: er kwam afleiding.
Een tiental konstapels gingen een draagkoets vooraf en trachtten zich door de volkshoopen heen te werken, wat met slaan en
216
DE KAl\'TEIN VAN DE LIJFGARDE.
stooten gepaard ging. Hoe moeielijk het ook in de laatste twee uur gegaan was, toch was men gevorderd. Zelfs in deze oogen-blikken van bandeloosheid verloor de Engelsche burger zijn ont-zach niet voor de Wet. De staafjens der konstapels hadden nog niet alle heteekenis verloren.
Nu scheen het nog zoo; het volgend oogenblik evenwel bewees geheel iets anders!
»Daar zit de malle-moêr van \'t ondergeschoven kind in!quot; riep er een, die in de draagkoets een Lady had gezien, die er voornaam uitzag.
»Ze moet er uit! Er uit!quot; schreeuwden de zakkenrollers en de dieven.
gt;,t Is maar de bijzit... Kate Sedley!quot; werd van een andere zijde en wel het naast bij de draagkoets geroepen. Een der konstapels, die met veel tegenzin aan het bevel eener hoogere macht gehoorzaamde, had op de gedane vraag, wie hij vervoerde, de waarheid gezegd. In een oogenblik was de draagkoets neergezet, omgeworpen en staken een half dozijn armen door de zijden gordijn-tgens van een der portieren naar binnen. Een kreet van: »help! help!quot; werd gehoord. Semeyns vergat alles en drong met kracht door de omstanders. Hij voelde niet, dat Mauds arm den zijnen ontgleden was. Hij stond bij de omgevallen koets, waarvan het verguldsel schuil was gegaan in de hoopen modder, welke er óp waren gekletst. Veel meer van het walgelijkste vuil was naar binnen geworpen, wat de huive bewees, welke een naar binnen gestoken hand omhoog haalde en die met dat vuil overhoopt bleek.
»\'t Is een vrouw, mannen!quot; riep Semeyns vermanend. »\'t Is geen vrouw!quot; riepen de vrouwen, die bij het vernemen van den naam van Kate naar voren waren gekomen, na menig scheldwoord en na menigen ribbestoot met de forsche elbogen voor de mannen, die haar in den weg stonden.
»Wat is het wijf vuil! Kopjen onder met haar in den Theems!\'\'
»Wat heeft ze je voor kwaads gedaan?quot; vroeg Semeyns ernstig.
»Waar bemoeit zich die Hollander meê! Ga naar je kikkers, kaas-boer!quot; klonk het van vele zijden.
»Sam melt niet langer! In den Theems met het kreng!quot;
Semeyns zag dat tegenstand niet baten zou. Hij fluisterde de thands onthutste konstapels eenige woorden toe. De draagkoets werd recht gezet en langzaam in beweging gebracht. Aan het rechter portier ging Semeyns, die, nadat men, omstuwd van de menigte, een tiental schreden was voortgegaan, de koets weder deed stilstaan vlak tegenover de deur van Nelly Sweatons bierhuis, waarvan de stoep door een paar ijzeren stangen was afgezonderd. Snel als de gedachte rukte hij het portier open, vatte hij de bezwijmde
217
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Lady om haar midden en droeg hij haar de deur in. De menigte-stond verbaasd de snelle beweging aan te gapen, die volbracht was, eer men haar begreep. Handgeklap weerklonk uit de bierkamer, voor wier ramen zich verschillende personen vertoonden, die het feit hadden aangestaard en de handigheid, waarmeê het was uitgevoerd, blijkbaar toejuichten.
Onder die toeschouwers daar binnen was een man, die de aandacht trok van een uit den volkshoop. Deze staarde, staarde met halfgeopenden mond, en riep eindelijk: »Jeffreys! Jeffreys!quot;
Het noemen van dien naam had de werking als van een elek-trieke vonk. De leege draagkoets was ingetrapt en over de spaanders stapten mannen met koevoeten en mokers gewapend naar het bierhuis, om er de deur van open te ra meien.
»Het wijf den Theerris in en den Hollander aan haar vast! Ze moet een man hebben tot in haar doodstrijd!quot; zoo had het geklonken; maar toen de naam van den vreeselijken beul werd genoemd, was er een cogenblik stilte. Men vreesde hem te zien aankomen aan het hoofd van de aangekondigde lersche knechten: »Waar? Waar?quot; zoo rees de vraag, terwijl velen gereed waren de vlucht te nemen.
»Daar! Die zeeman... zwart van de kolenstof. Zie, hij heeft zijn zware wenkbrauwen afgeschoren... Ik herken den verfoeielijken kaerel, die ons drie maanden geleden trapte en schold â ik ben een geldmakelaar uit Wapping... ik betaal honderd pond huur...quot;\'
»Jeffreys, de beul! We hebben hem!quot;
Het waren geen menscbenstemmen meer! Het waren huilende wolven, gillende hyenaas, die het stinkend aas roken!
De bijzit was vergeten voor het grooter monster.
Maar het ziekte-proces spoedde ten einde. De kwaal had haar eigen geneesmiddel medegebracht: de uitspatting voerde tot afmatting. Overal elders in de groote stad was de woede gestikt in haar eigen schuim. De Lords, die zich zeiven tot regeerders hadden opgeworpen, totdat de Prins van Oranje zijn intenties kon doen kennen, hadden de Trainbands â de schutterij ââ in de wapens geroepen en zagen zich gehoorzaamd. Het juk, dat het grauw over allen dreigde te brengen, moest gebroken. Van alle zijden marcheerden de gewapende burgers op. Zij verschenen thands in de straat waar het oproer nog meester was. Op de aanmaning uiteen te gaan en de verzekering, dat een kwaadaardige vijand een logen verspreid had, toen de aanval van muitende soldaten op losse, overal verspreide blaadtjens papier was aangekondigd, klonk het eenstemmig, dat men Jakobs beul moest hebben, maar, na hem dood te hebben geknuppeld, naar bed zou gaan. Van achter over de daken heen schenen eenigen in het bierhuis gedrongen te zijn, want Jeffreys, de als matroos vermomde Lord-Kanselier
218
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
van Engeland, rukte de deur open en bad de Trainbands hem te beschermen.
»Brengt mij naar den Tower, niet naar mijn huis in Duke-street, maar naar den Tower! Ik bid u, Heeren, laat me niet ver--moorden als een hond...! en den Hollandscben officier ook niet, die hier op last is van Zijn Hoogheid!quot;
Slim was de ellendige in zijn lafheid! De Oranje-bandelier redde hem van den dood.
De aanvoerder der burgerwacht liet het bierhuis afzetten en deed Semeyns buiten treden, achter wien Jetïreys trillend kwam aan--wuchelen.
»Pakt ook de gravin van Dorchester meê!quot; bad deze.
»Ze kan niet gaan; het gepeupel is haar ook vergeten; laat haar maar blijvenquot;, luidde de raad van Semeyns, en daar de Hoofd--man de bescherming van twee al bezwaarlijk genoeg vond, volgde-hij dien raad gaarne op.
»Wat mij betreft, ik heb niets te vreezen van het Engelsche volk!quot; riep Semeyns luide, toen hij buiten kwam te midden der gewapenden. Wie die woorden verstaan hadden, juichten ze toe, en de verder staanden, die \'t van de anderen hoorden, stemden met geestdrift daarmeê in.
Er bleef er dus maar éen te beschermen over, maar die eene werd het uitvaagsel van de menschheid geacht. Het was een zware taak, maar die door de burgerwacht met eere werd volbracht. Er werd alleen gevraagd naar plicht en niet naar neiging!
De Lord Kanselier van Engeland was het beeld van het instortend regeerings-stelsel. Hij uitte een kreet van blijdschap, toen hij de zware poort van den Tower achter zich dicht hoorde vallen. Die poort zou zich alleen weer openen voor zijn lijk.
In den heftigsten angst doorzocht Semeyns de volkshoopen die bem omringden. Maud was niet meer in zijn nabijheid! Maud, in een nacht als deze, alleen op straat! De onvoorzichtige, de luchthartige, de lichtvaardige Maud! Hij vreesde het ergste; hij zag in zijn verbeelding dat ergste plaats hebben, en een woede, haast klimmend tot razernij, maakte zich van hem meester. Als hij haar nu eens voor zich zag, mishandeld door die wilde beest-menschen, hij zou van de pistolen gebruik maken, die hij geladen bij zich droeg, van den dolk, welks heft hij met de rechterhand in den
borstzak vastgreep.. .. hij zou niets ontzien____! geen aantal, geen
ouderdom, geen kunne!... gt;Arme Maud! Aangebeden Maud!quot;
\'t Was morgenschemering toen de vermoeidheid hem drong zgn woning op te zoeken.
»Hemeltjen!quot; riep Misstress Hopps, die hem open deed, »wat ziet de Kaptein er uit!quot;
»Maud, Maud is...quot; stamerde hij.
219
UE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE,
»A1 lang boven---- Ook niet verstandig van den Kaptein, om
haar door dien mooien blonde te laten t\'huis brengen. Ze slaapt; loop wat zachter, anders maakt u haar wakker.quot;
Zij was gaan slapen! Zij had den slaap kunnen vatten, terwijl ze vermoeden kon dat hij...! Een straal van ijskoud water spoot lieer in een vuurgloed!
De aandoening scheen bijna den krachtigen man te sterk. Met \'moeite klom hij de trap op.
Ja, zij sliep, en heel rustig ook; Misstress Hopps had gelijk!
quot;220
XVI.
Weinige uren later verspreidde zicli in Londen het bericht, dat Koning Jakob toch nog in het koninkrijk vertoefde.
Het werd spoedig bevestigd.
De Koning was op zijn vlucht herkend en aangehouden door gemeene matrozen en visschers, als een wild beest aangestaard^ betast, bewaakt, als een door niemant beschermden balling beroofd en mishandeld. De Squires, die in de nabijheid woonden, deden de militia opkomen om hem te beschermen, zooals het heette, maar eigenlijk om hem voor den Prins van Oranje te bewaren, dien zij een dienst dachten te bewijzen door zijn vijand in het land te houden. Zij, hoewel aartsvijanden van den tyran, voelden toch medelijden toen zij den vernederden alleenheerscher aanschouwden ; maar een medelijden, dat grensde aan geringschatting en weldra overging in verachting. De Gezalfde des Heeren had niet dus moeten zwichten, maar in den strijd aan het hoofd van zijn leger! Als Admiraal der vloot had hij in vroeger tijden, toen hij nog maar Hertog van York heette, blijk gegeven van persoonlijke dapperheid. Waarom deze nu niet getoond? vroeg men zich af en men wist, geheel onkundig van het overleg Zijner Hoogheid, die de kroon van den held of van den martelaar buiten Jakobs bereik had weten te houden, zich geen ander and woord te geven dan dat het Bijgeloof, dat ieder verafschuwde, hem had ontzenuwd n doen ontaarden.
Wat er ginder was voorgevallen, werd ten spoedigste geboodschapt aan het Voorloopig Bewind, dat nog altijd in White-Hall zetelde. De Bisschoppen en de meest orthodoxe waereldlijke Lords trokken zich dadelijk terug, getrouw aan het Leerstuk, dat de toekomst van een gantsch volk in gevaar had gebracht. De troon stond niet ledig; dus betaamde het hun zwijgend neer te knielen en, wel verre van bevelen te geven, ze te ontvangen.
DE KAPÃEIN VAN DE LTJl\'GAKDR.
De Garden te paard werden Zijner Majesteit tot geleide en bescherming toegezonden.
Nauwelijks was hij in vrijheid gesteld, of de geest der bitterste bitterheid kwam over hem. Hij balde de vuist tegen het gespuis, dat hem uren lang had verguisd. Hij liet zijn trouwen Lord Fe-versham voor zich komen en gaf dezen den last, een brief aan den Prins van Oranje, die reeds tot Windsor was opgerukt, over te brengen. Die brief hield de mededeeling in, dat Zijne Majesteit weer op weg was naar White-hall en een onderhoud met Zijn Hoogheid wenschte, voor wien St. James-paleis in gereedheid zou worden gebracht.
Zijn Majesteit bleek weinig van den veranderden toestand en van het listig spel van zijn tegenstander te begrijpen.
Zondagsmiddags, den 26en December, kwam hij te Londen â aan. Hij had gevreesd dat het gemeen, \'t welk in zijn afwezigheid zoo vele blijken had gegeven van afkeer van zijn persoon, hem beleedigen zou; maar de aanblik van den bleeken, gebogen man, die in weinige weken een afgeleefde grijzaart was geworden, stemde de ruwe harten, waarin dikwijls zooveel goedheid schuilt, tot zachtheid. Zelfs steeg er hier en daar een gejuich op, toen zijn koets door de City reed, beierden eenige\' klokken, en werden eenige vreugdevuren ontstoken. Een en ander tuigde echter waarlijk niet van de veranderde gezindheid van het gantsche land. Toch maakte Jakob zich dat diets, en even als de drenkeling aan den stroohalm, hield hij zich vast aan een illuzie! Zijn volk zou in de uiterste ure den gezalfde Gods weder toevallen, en dan,.. en dan...! Hij wond zich op; zijn gevoel van verlatenheid week; zijn vrees verkeerde in moed, in overmoed! De priesters en monniken , die in de diepste kelders zich hadden verscholen, vertoonden zich weder in de troonzaal; het gebed aan tafel werd weder door een Jezuïet gezegd; het lersch dialekt, een gruwel voor lederen Engelschman, in de galerijen, in eet- en raadzaal gehoord.
Zijn Majesteit was hooghartiger dan ooit te voren en had reeds, maar nu nog maar voor zich alleen, eenige namen op een stuksken papier geschreven, dat hij in den zak van zijn kamizool wegborg, maar dikwijls daaruit te voorschijn deed komen, om er steeds meerdere bij te voegen. Er stonden bij eenige dier namen kruis-jens, bij enkele zelfs dubbele; deze beteekenden: den dood, géne alleen maar: geeseling met de bullepees van Tyburn tot New-mark, een wandeling van een paar uur!
Maar zijn waan zou spoedig worden verstoord.
Had hij spionnen gehad in het hoofdkwartier Zijner Hoogheid, dan zou die waan reeds vernietigd zijn geworden voor hij den eersten stap op de arduinen stoep van zijn paleis had gezet. Er wordt verhaald, dat Zijn Hoogheid juist op het oogenblik dat Ja-
222
DE KAPTE1N VAN\' DE LIJFGARDE.
kob White-hall binnen stapte, van een uitstap in de omstreken van Windsor was thuis gekomen. De breede stoet, welke hem begeleidde, bestond uit de zonen van de eerste geslachten van het rijk.
Windsor-Castle was door Zijn Hoogheid aandachtig beschouwd. »Zou dat de residentie worden der nieuwe dynastie?quot; hadden de edellieden, die reeds hovelingen waren geworden, elkander heimelijk afgevraagd. Zijn Hoogheid, die te paard zich altijd het vroo-lijkst had getoond en de gewone stijfheid aflei, was spraakzaam geweest en liad met hen over allerlei gesproken, behalve over hetgeen allen, en misschien ook hein zeiven, het naast aan het hart lag. Daar kwam het zeer onwelkom bericht van Jakobs terugkeer en van het bezoek van Lord Feversham, die een brief aanbracht. Aller oogen waren op Zijn Hoogheid gericht; eenigen zagen den glimlach, dien hij om de lippen had, daar nog wel blijven, maar... de wenkbrauwen even fronsen.
»Breng den brief in mijn slaapkamer en Mylord Feversham in quot;arrest!quot; beval hij kort onder het afstijgen, waarna hij zonder te groeten verdween.
De vroeger gesloten overeenkomst had Jakob door zijn vlucht verbroken en daardoor het recht, om als oorlogvoerende een on-schendbaren bode te zenden, verbeurd.
De Lords, die de overeenkomst hadden voorgesteld, waren weder bijeen gekomen en hunne beraadslaging werd door Zijn Hoogheid awrjgend bijgewoond. Maar toen hij \'s avonds alleen zat met Ben-tinck, sprak hij veel en lang.
De naam van Mary werd daarbij dikwijls gehoord.
»Neen, vriend!quot; zoo klonk het ten slotte. »Verder mag ik niet gaan; ik heb het Mary beloofd, en al had ik dat niet gedaan, toch
zou ik niet anders handelen, want____het zou een domme streek
wezen! In Breda hem gevangen zetten? Maar als hij daar sterft, heet ik hem vermoord te hebben, en als hij daar blijft leven, is geen muur zoo dik, dat zijn stem er niet door heen kan klinken . .. . Laat hij zich zeiven tot een dwaas maken, en dan is die stem niets waard. Ik was heel blij, dat Churchill hem niet kon leveren.... Laat het zijn, zoo als ik straks zei.quot;
En wat dat was bleek spoedig. Een der Hollandsche generaals, de Heer van Zuilesteyn, vertrok naar Londen heel vroeg in den morgen. Hij had in last gehoor te vragen bij Jakob, echter niet voor dat een Kommissie uit de Lords, die met de onderhandelingen waren belast geweest, hem gesproken en het officieel ultimatum had medegedeeld, dat een op-reis-gaan voorschreef naar het kasteel Ham, een der bekoorlijke aan de oevers van den Theems gelegen villaas.
De Lords hadden dit geen genoegelijke boodschap gevonden en liever gewild dat een van \'s Prinsen Officieren daarmeê belast zou
223
i
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
worden; maar Zijn Hoogheid had dat minder----kiesch geacht.
Verder moest Mijnheer van Zuilesteyn zich officieel bij Zijn Majesteit aanmelden, en \'s Prinsen wenschen eerbiedig doen kennen, maar dadelijk daarop heimelijk konfereeren met Kaptein Semeyns, verblijf houdende in Kingstreet, ten huize van zekere Misstress Hopps, en daarna de stad met evenveel vertoon als hij er in was gekomen,, weder verlaten.
De Gekommitteerde Lords hadden hun zending met ontzachlijk veel bewijzen van eerbied volbracht. Zijn Majesteit had hun ultimatum meer als een raad dan als een bevel beschouwd. Nauwelijks, waren ze echter verdwenen of Mijnheer van Zuilesteyn vroeg gehoor en deed allerbeleefdst opmerken, dat Zijn Hoogheid bezwaar had Zijn Majesteit te zien, zoolang er nog andere troepen in het veld waren als de zijne, daar er anders een botsing werd gevreesd, die tot eiken prijs vermeden moest worden. Van naar Ham te gaaa of te vluchten werd echter geen woord gerept. Alleen was er voor gezorgd, dat Zijn Majesteit, even na Zuilesteyns vertrek, de tijding van Fevershams inhechtenisneming werd medegedeeld.
Zuilesteyns koets bleef voor het huis, waar Mijnheer van Citters gewoond had, staan; alleen een eenvoudige draagstoel deed dienst voor den tocht naar Kingstreet, waar Kaptein Semeyns den Generaal weldra verschijnen zag. Slechts kort duurde het heimelijk gevoerd gesprek. Het was nauwelijks begonnen of de deur, die naar het slaapvertrek leidde, was behoedzaam geopend en op een kier gezet. Semeyns begon toen nog zachter te spreken; de opening-werd grooter, ja, het hoofdtjen van Maud reeds even zichtbaar. Gelukkig, dat de Generaal ten einde was en vertrok.
»Heb je weer voor luistervink gespeeld?quot; zeide Semeyns lachend.
Alle onweerswolken schenen afgedreven. Wat Maud misdaan had was zeker vergeven, maar die vergiffenis scheen veel meer met graagte geschonken, dan met berouw gevraagd te zijn. Ja, het had den schijn of de Kaptein wel iets van zijn vroegere oppermacht had ingeboet.
gt;Ik heb geluisterd, maar niets verstaan. Een leelijk man met wien je zat te fluisteren! Breng me nu vandaag eens naar de Mulberrytuinen en trakteer me op Syllabubs. Je maakt je al klaar ? Ik ga meê!quot;
»Ik kan je niet meênemen. Ik ga naar het Paleis.quot;
»Nog beter; dan ga ik daar naar toe.quot;
»Dat gaat niet, gaat waarlijk nietquot;.
«Dus je laat me weer alleen?quot;
»Een paar uur maar. Wacht me thuis. Beloof je mij te wachten â \'f Niet naar Cheapside te gaan....? Ik wil niet hebben, dat je dien-melkmuil terug ziet.quot;
Zij gaf geen andwoord en trad de slaapkamer weer binnen. Semeyns
224
WE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
beet zich op de lippen. Het was tijd te gaan, maar hij durfde zich niet verwijderen. Hij was niet meer zeker van Maud, en juist van haar, meer dan van iemant anders, wilde hij dat zijn. God, wat een angst!
Daar kwam weder de gedachte op, die zich straks reeds had voorgedaan, maar toen was verdreven. Hij sloot de kamerdeur aan de buitenzijde en stak den sleutel bij zich.
»SJechts voor een paar uur!quot; prevelde hij.
Niet voor dat hij het paleis bereikt had, was hij zijn aandoeningen meester. Nu moest hij om andere belangen denken als de zijne! Hij moest. Daar klonk hem de welbekende stem van den kamerdienaar in het oor, die hem met een bedrukt gelaat een achtertrap opleidde. Een bange stilte heerschte alom. De Lords van Zijner Majesteits Huis zag hij in een der zalen, die hij voorbij ging, met elkander fluisteren, den biechtvader Zijner Majesteit verlaten in een hoek zijn brevier lezen.
»Moet hij werkelijk naar Ham gaan?quot; vroeg de kamerdienaar. Semeyns haalde de schouders op en trad zonder iets te zeggen de voor hem geopende deur binnen. Zijn Majesteit liep met groote stappen het vertrek, waar we hem reeds eens bespiedden, op en neer.
»Wat hebt ge mij te zeggen?quot; vroeg hij eensklaps stilstaande. »Kort! kort! en eerbiedig ook, want anders, bij het bloed onzes Heeren! zal ik toonen dat ik nog gehoorzaamd word! Juist iets voor hem, den slimmen huichelaar! Een lam van buiten, een wolf van binnen! Gezanten, die fluisteren, zendelingen, die bulderen!quot;
Het strenge woord bestierf Semeyns op de lippen bij den aanblik van den man, die wel tien jaar verouderd scheen in veertien dagen. Het lage voorhoofd scheen nog lager geworden, dooide diepe rimpels, welke er als op versteend waren; het magere gelaat scheen als schuil te gaan in de lokken van de pruik; de neus vergroot door het wegslinken der wangen; de lippen verbleekt door al het bloedverlies der laatste tijden; huiverend en bevend, maar niet meer van een woede, welke zich slaafsch wist gediend. De halsdoek was slordig om den hals geworpen; rok en broek niet afgeborsteld; de gewone zegelring ontbrak aan den wijsvinger, want het kleinood was hem door de visschers, die hem op zijn vlucht hadden aangehouden, ontstolen; de diamanten gespen aan de schoenen waren door hen niet opgemerkt en hem dus gelaten; ze maakten dan ook nu zijn eenige versierselen uit.
Zonder Semeyns tijd te laten tot een andwoord ging hij voort: »In mijn land te vallen en mij de wet voor te schrijven I De man van mijn dochter! Ging het hem aan wat ik deed in mijn rijk? En ik had het goede voor! Ik wilde vrijheid van Godsdienst geven aan al mijn onderdanen. Ik wilde dat en ik zou mijn Koninklijken wil hebben doorgezet____Want het was Gods wil____Bij de bron
KAPT. VAN DE LIJFGARDE. â I. 15
225
DE K APT TIN VAN DE LIJFGARDE.
van den Heiligen Winifred werd het mij nog verklaard! Daar werd mij een stuk van bet Heilig Kruis gegeven. Het zou me de overwinning bezorgen over al mijn vijanden, zoo lang ik het bij me droeg! Het is mij ontstolen door de dorpers, die de vieze handen sloegen aan de Majesteit desKonings! Voor hen geen genade, evenmin als voor Sunderland en Churchill! De lage en de hooge vileinen zullen de lucht ingaan op het zelfde schavot zoodra het tij verkeert, en dat. zal verkeeren... dat zal verkeeren, zoodra de Heilige Drievuldigheid â de rots waarop de Kerk is gegrondvest â niet alleen omhoog, maar ook omlaag regeert....!quot;
»Sire, ilc ben gekomen om ü wer Majesteit de laatste intenties Zijner Hoogheid mede te deelen... Gelief mijn raad nu op te volgen...!quot;
»Ik volgde dien al vroeger op, en hoe is \'t mij vergaan? Mijn vader, de koninklijke martelaar, gaf toe en zij brachten zijn gezalfd hoofd op het blok. Ik geef niets meer toe! Die razende vis-schers! Dat ellendig gepeupel! Maar wie staat er mij borg voor, dat gij niet liegt als de anderen? Zij, die mij trouw zijn â hoe lang nog? hoe lang nog? â raden mij aan te blijven. Zeg, Sir! hebt
ge dochters ? Zend ze de straat op____laat ze gaan bedelen!....
Ge komt zeker weder mij aanraden heen te gaan! Ik heb grooten lust je voor altijd den mond te sluiten.... M ij n afgezant heeft h ij wel gevangen durven zetten! Nog ben i k meester hier!quot; schreeuwde hij stampvoetend.
»Ik geloof het niet!quot; klonk het koud.
tTerg mij niet! Terg mij niet, man!quot;
»Ik terg niet, maar waarschuw, Sire!quot;
De bedaarde toon deed de drift des anderen te niet.
»Zij spraken van Ham, maar daar is \'t \'s winters zoo koud...
Ik wil liever naar Eochester gaan____ Zou dat goed gevonden
worden?quot; De overmoed was verkeerd in oodmoed.
»Alles, als Uwe Majesteit maar in het land blijft....quot;
»Wil dat uw Stadhouder____werkelijk ? Dat zeidet ge me vroeger
niet.quot;
jDat zeg ik ook nog niet. Toen ik Uw Majesteit bet laatst sprak, was het kind, dat Prins van Wales heet, nog niet in Frankrijk. Zou \'t niet kunnen zijn, dat men nu Uw Majesteit een goeden gijzelaar vond, om dat kind weder machtig te worden?quot;
»Wil men dat kind door den vader... ? Heilige Jezus! Nooit...! Nooit!quot;
»Dan moet Uw Majesteit zich haasten dat onmogelijk te maken.quot;
»Door te vertrekken?quot;
»Uw Majesteit spreekt dat woord.quot;
»Gij legt mij dat op de tong, gij, gij! en ik geloof u niet...! Uw Stadhouder zou wat blij zijn als ik hem op die wijs het spel gewonnen gaf.quot;
226
DE KAPTEIN VAN BE LIJFGARDE.
»Sire, hij heeft het reeds gewonnen. Zie!quot;
Door de vleugeldeur, die open stond, zag men de vensters der groote eetzaal, welke het uitzicht gaven op het voorplein. Daar rukten de eerste colonnes van het Hollandsehe leger aan. Semeyns herkende ze als tot het Regiment Solms te behooren.
»Heeds zóo ver! Reeds zóo ver!quot;
»Uwer Majesteits Garde heeft zich zeer verstandig teruggetrokken, Sire! De Hollandsehe musketten zijn geladen, en zij, die ze dragen, gehoorzamen ieder bevel.quot;
Zijne Majesteit deed een stap terug bij die gefluisterde woorden.
»Een mondgesprek____ik wil een mondgesprek met mijn schoonzoon.... Ga dadelijk naar uw meester en vraag....!quot;
»Ben ik goed ingelicht, dan knielde eens Uwer Majesteits neef
Mommouth hier op de plek waar nu Uw Majesteit staat____ Hij
had óok een mondgesprek gevraagd; het werd hem toegestaan. Heeft het hem gebaat?quot;
De ander liet een diepen zucht glippen en zeeg neder op een stoel.
De Wraakgodin had hem in het hart getroffen.
Semeyns had zijn taak volbracht. Het klamme zweet dauwde op zijn voorhoofd. Hij kon den vernederde niet langer aanzien; het arme menschenkind deed den slechten vorst vergeten. »Er is een onzichtbare rechter, streng in de kastijding, maar toch liefderijk in de rechtvaardigheid!quot; prevelde hij met ongewone aandoening.
»Laat de koninklijke barge gereed maken!quot; voegde hij den kamerdienaar toe, die hem met een vragenden blik opwachtte. »Zijn Majesteit verti-ekt nog van daag.quot;
Het gebeurde zoo als hij voorspeld had.
Het was mistig; een fijne motregen viel neer, toen de laatste koning uit het huis Stuart, omringd van eenige weinige getrouwen, die slechts tranen hadden, het vaartuig betrad, dat weldra omringd was van een tiental booten , gevuld met Hollandsehe soldaten. Door dat te doen, heette men hem tegen de weerwraak zijner getergde onderdanen te beschermen.
Het doel van den tocht was Ham.
Daar stonden echter alle deuren open en werd geen schildwacht gezien. De gelegenheid was schoon om het dreigend gevaar te ontvluchten. Zijn Majesteit haastte zich er gebruik van te maken en in alle stilte zich aan boord te begeven van een Fransch schip, dat hem weldra den Zonne-koning in diens voor hem uitgebreide armen voerde.
De kreten voor het St. James paleis van de duizenden, getooid ja overladen met de Oranjekleur, waren tot hem doorgedrongen toen hij in de boot stapte. Hij boog het gelaat in zijn neusdoek en snikte.
»Heil den verlosser! Hoerah, voor den Prins van Oranje!quot; zoo.
227
J)E KAPTEIN VAN DE LIJFGAUDE.
juichten ze ginder. Men wilde hem zien, den man, van wien in de laatste zes weken in stulp en kasteel, door mannen, vrouwen en. kinderen was gesproken, van wiens dapperheid, van wiens beleid, van wiens leger wonderen waren verhaald; men wilde hem zien, om voor hem neer te knielen en hem de hand te kussen als dat mogelijk was, en hem de liefde van hun hart, de schatten van hun beurs als offerande aan te bieden. Waar was hij? Waar school hij?
In de laan van het park achter het paleis kwam een eenvoudige huurkoets aangereden. Hij hield stil voor de trap: twee heeren daalden er uit neer; de een was Schomberg, de ander de Afgod van den dag.
»Hoort ge dien jubel?quot; vroeg de grijzaart. »Ik hoorde Lodewijk nimmer zóo toejuichen.quot;
»Van daag is \'t: Hosanna! en morgen misschien al: Kruist hem t Ze zullen wel aftrekken als ze moe zijn geschreeuwd.quot;
Hoe geheel anders als Lodewijk, de Zonne-koning, zou hebben gesproken en gehandeld. Hoe duidelijk blijkt uit alles dat de twee grootste mannen der eeuw van nature bestemd zijn vijanden tamp; zijn! peinsde Schomberg.
Semeyns, met Maud aan den arm, zag het schitterend schouwspel aan. Beiden waren blijde gestemd. Straks was er weder een loodgrijze wolk aan beider kim opgerezen; maar nogmaals was het onweer bezworen.
»Laf! Mij op te sluiten!quot; had het van haar lippen geklonken toen hij thuis was gekomen. «Prachtig.... prachtig!quot; had ze het volgend oogenblik met stralend oog uitgeroepen, toen hij haar aan een der vingeren een ring met juweel schoof, dien hij op zijn terugtocht in den winkel onder hen had gekocht.
»Ben ik nu aan je getrouwd?quot; had ze een oogenblik later met een zweem van angst gevraagd. »In de kerk zag ik den predikant wel eens doen wat jij daar deedt en dan....!quot;
»Ja wel____ik begrijp je____wij blijven bij elkaar tot dat de
dood ons scheidt____Beloof me dat, Maud!quot;
»Heel graag! Maar dan moet je niet zoo voor meester spelen... Niet meer in de gevangenis, hoor!quot;
»Ik kom je nu halen om den intocht van Zijn Hoogheid te zien ...quot;
»Heerlijk ! En dan naar Mulberry Syllabubs nemen!quot;
»Daar breng ik haar niet heen! Daar hoopt zeker die melkmuil haar te zien!quot; bromde hij; hij paste er echter wel op dit overluid te zeggen. Ze gingen vroolijk de trap af. Misstress Hopps keek ze na, en mompelde zoo wat van »iets, dat door geen muur en geen ijzeren poort is af te sluiten, als het naar buiten wil.quot;
228
VIERDE BOEK.
i.
Geheel Londen was op de been. De winter scheen reeds voor â¢de eerste Zuiderwindtjens van het aankomende voorjaar de vlucht te willen nemen.
\'t Was een genot voor de tien duizenden, die in de straten en â over de pleinen wemelden, de prachtige versieringen aan de woningen, zoowel paleizen als burgerhuizen, te bewonderen, de oogen bijna blind te staren op de oranjekleur, overal schitterend tusschen het groen der sparren, in de vensterbanken op de daar uitgeslagen tapijten of aan de buigende versierde stokken, en daarbij zich om-wuifd te voelen door den zachten adem der Lente.
De eerste Heraut van Wapenen, van top tot teen met kleuren overdekt, gevolgd door zijn trompetters, las onder de vensters van White-hall de proclamatie van Koning Williams en Koningin Mairy\'s troonverheffing, onder het gejubel van ontelbare toeschouwei\'s af, en reed in volle staatsie van het Strand naar Temple har.
Hij werd gevolgd door de machtsteekenen der beide Parlements-Huizen, door de twee Voorzitters van deze en een lange rij koetsen met edellieden en hunne vrouwen. De magistraat der City opende de poorten en voegde zich bij den stoet. Vier Regimenten van de Militia waren langs den weg naar Ludgate-Hill, rondom den kathedraal van St. Paul en Cheapside opgesteld. De balkons, de open vensters, de daken waren opgevuld met toeschouwers. Van al de kerktorens, van de Abdij tot den Tower, beierden blijde de klokken! \'t Was een gegons, een gemompel, een mommen en brommen, een trippelen en trappelen van paarden en menschen, een suizen en bruischen, een wiegelen en warrelen, overstemd bij wijlen door het schetteren der trompetten, en het juichen der scharen van: »God zegene William en Mary!quot;
DE KAPTETN VAN DE LIJFGARDE.
De omkeer was volbracht. De nieuwe Koning en Koningin zetelden in White-hall, waar zij, een uur geleden, de Kroon hadden aangenomen, die de beide Parlementshuizen aan hunne voeten hadden gelegd.
De eerste receptie zou een aanvang nemen in de groots eetzaal, â het beroemde meesterstuk van Inigo Jones. De twee leunstoelen, op een verhevenheid geplaatst tegen den wand in het midden der langwerpige zaal, droegen Hunne Majesteiten. De Koning, voor wien de koninklijke mantel steeds een te zwaar gewicht was, behoefde-zich daarmede nog niet te tooien, daar eerst het later te vieren krooningsfeest hem dat zou opleggen. Zijn rok van rood fluweel, zijn vest van gele zijde, de breede oranje-bandelier met goud omboord, de wit zijden kousen, de marokijn lederen schoenen, op wier sluiting een groote diamant schitterde, --- dat alles was hem prachtig genoeg en voldeed ook den honderden Edelen, die thands ten handkus werden toegelaten. Maar de meesten dezer Edelen hadden slechts oog voor de voor weinige dagen uit Holland aangekomen Koningin. Geheel Engeland had hare deugden, hare lieftalligheid hooren roemen; maar op dit oogenblik waren er hier velen van den adel, die tegenwoordig waren geweest bij haar aankomst en toen getuigen van hare uitbundige vreugde bij het terugzien van haar roemruchten Gemaal â wat natuurlijk was â maar ook bij het betreden van het Paleis, waaruit haar vader kort geleden was verjaagd â wat men in de hoogste mate onnatuurlijk had gevonden en als indruischend tegen de inspraak van het bloed. Weinige uren reeds na het vertrek van Jakob en het zich-hoog-hartig-terughouden van den overwinnaar, had het medelijden met den verdrevene alle andere aandoeningen overstemd. Geen wonder alzoo, dat de vreugde der dochter, die met lichten stap de paleis-trappen was opgeklommen en oog had gehad voor de sierlijke bronzen luchters in de gangen, voor de met schildpad en paarlemoer ingelegde tafels en stoelen, als of zij ze nooit nog in die kunstrijke vormen aanschouwd had; die een toegenegen oor had geleend aan het gesnap der haar omringende Edellieden, wrevel, en bij sommigen zelfs afkeer en minachting gewekt had. Eerst na haar dood bleek het uit haar nagelaten papieren, hoe de schijn in strijd was geweest met het wezen; bleek het eerst, wat haar het opvolgen van de wenschen van haar aangebeden man toen had gekost. N u wist men dat niet, en had men recht haar te veroordeelen, had men zelfs recht den lieven glimlach niet te waardeeren, die op het bijna schoon maar zeker in hooge mate aanvallig gelaat speelde, en den gloed af te keuren, die er thands lichtte in het donker oogenpaar. Maar voor wie op dit oogenblik haar verwantschap aan den ge-vluchten monarch vergeten konden, had de aanblik dier echt koninklijke vrouw iets onverdeeld bekoorlijks. De nobele uitdrukking
230
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
van het gelaat der Hydes, waartoe zij van moeders zijde behoorde, was in haar gelaat de heerschende, en daaraan huwde zij thands de bescheiden deftigheid eener Hollandsche Patricische.
Aan het land, dat haar jaren had geherbergd, was ze gehecht. Van lieverlede had ze zich met het wezen van den landaard vereenzelvigd, wat reeds bleek uit de snede van de kostbare kleedij, en de kleuren waaruit deze bestond. Tot aan den hals toch was het lichtgrijs, met gouden vlinders doorstikt, satjjnen keurslijf gesloten; de mouwen van het donker blauw fluweelen kleed reikten bijna tot de polsen; het voorschoot, in kleur en stoffaadje gelijk aan de keurs, bedekte de voeten. De prachtige paerelen echter, door het zwarte hair gestrooid, en het diamanten snoer, schitterend om den blanken langen hals, zorgden er voor, dat de eentonigheid niet de overhand kreeg, maar dat de weelde zich mengde in den eenvoud.
Langs de trappen, die naar de voorzaal leidden, langs de wanden van deze stonden de Hollandsche Lijfgardes geschaard; aan den ingang der troonzaal een Kapitein dier Garde, en wel de jongst benoemde : Semeyns. Wat zag deze er in zijn prachtige uniform : blauwe jas met roode opslagen, purperen broek even uit den jas te voorschijn komende, zijden kousen van dezelfde kleur en lage schoenen met een zilveren gesp gesloten, een oranjestrik aan den schouder gehecht, er krijgshaftig en smaakvol uit! Het werd hem door de voorbijgaande Edelen en hooge Ladies bijna vergeven Hollander te zijn, â alzoo een vreemde, die met zijn onderhoorigen, evenzeer vreemden maar zelfs niet hun taal machtig zoo als hij, hun nieuwen Koning bewaakten!
Tot wat grommen dit onder vele der talrijke aanwezigen aanleiding had gegeven, zou Semeyns in de eerste plaats hebben kunnen getuigen. Hij zou zijn meester nog meer hebben kunnen rapporteeren aangaande de gezindheid van velen van den Engel-schen adel, indien hij dien meester had kunnen naderen; maar Zijn Hoogheid, thands Zijn Majesteit, in wiens nabijheid hij zich krachtens zijn nieuwe officie dikwijls had op te houden, bleek hem nooit op te merken. Slechts eens, na de intrede Zijner Hoogheid binnen London, had de nieuwe Kaptein den hoogen gebieder mogen spreken; het was: toen hem de eed van getrouwheid was afgenomen. Snel was alles toegegaan; want verschillende personen wachtten dat oogenblik op den drempel. Kort was hem toegevoegd, niet meer dan fluisterend en in beider moedertaal; »je hebt je knap gehouden. Blijf goed wakker; Mijnheer Bentinek is je kommandant!quot; Er had wel iets vriendelijks in den toon der stem gelegen, maar het gelaat was strak en stug gebleven. Semeyns bleef er bij: hij had groot ontzach voor zulk een Vorst, maar de mensch....!
Hoor, daar spraken een paar Heeren, tot in zijn nabijheid voort-
231
DE KAPTEIN VAN I)E LIJF.iABDE.
gestuwd, nagenoeg diezelfde opvatting uit. »Wat groote neus! Zie die oogen! \'t Is of er \'t helsche vuur in gloeit! Hoe stijf! Hoe boersch! Hoogmoed! Heerschzucht! Van Koning veranderd om voor een Paap een Kalvijnschen Kathechiseermeester te krijgen!quot; Dat waren Tories van het zuiverste water, echte verdedigers van het Goddelijk recht der Koningen, Edellieden van het platte land!
Semeyns wist genoeg van de Engelsche toestanden, om de gezindheid dier twee te begrijpen en tevens zich niet te verwonderen over hun hier-zijn. Had het nieuwe Koningschap geen gunsten uit te dealen?
Welk een pracht om hem heen! Zijn Vaderland telde vele voorname lieden, maar van de meesten moest men den door hen ingenomen rang kennen, om ze voor meer te houden dan goed bemiddelde burgers en burgeressen. Maar hier waren er in plaats van tientallen, zooals er in de voorkamer van den Stadhouder met zeker fier ongeduld beidden, honderdtallen, die, met oogverblindende pracht uitgedoscht, zich deemoedig en met gebogen hoofde schaarden in het gelid en slechts fluisterend zich met elkander waagden te onderhouden. Overal overdadig bepluimde hoeden en met de bontste vederen gekapte hoofden! De kleeding, uit de tijden van Cromwell en van Karei den Eersten, naast de laatste modes uit Versailles en de stemmige costumes, zooals die door de burgers en burgeressen der Geünitierde Gewesten werden gedragen!
En aan deze laatste herkende men de driftigste aanhangers van de nieuwe Dynastie, de Whigs: de liberalen, die, door Koning Jakob vertreden, nu het zoet der weerwraak genoten en met triomfantelijken blik en een smadelijken glimlach op de lippen neerzagen op het korte wambuis, dat het rag-fijne hemd van de borst af tot op de heupen zien liet â een antiquiteit van \'49 â en tevens op de met linten en strikken overladen tuniek â een noviteit uit het heden van Versailles.
Wat kleuren! Vat rijkdom van diamanten! Hoe vloekend soms gene, hoe smakeloos gezet meestal deze! Hoe zwaar soms de gang, hoe log vaak de beweging van Hertoginnen en Gravinnen! Hoe gewoon, en daar beneden, de gelaatstrekken van vele zonen en doch-teren der oudste geslachten, wier kwartierental als op het hoo-vaardig gelaat was afgeprent, zonder dat het de vulgariteit er van kon temperen!
Maar niets van dit alles was van toepassing op de vrouw van even vijf en twintig, die thands de rijen dóórging en de troonzaal, statig zonder stijfheid, binnen trad. Het was de dochter van den door Jakob geslachten Lord Eussell, een sieraad der Whigpartij, ja van geheel Engeland. In de plooien van het zwart fluweelen kleed, met keurs en voorschoot van wit atlas, school de fijne kleine hand, die zich even had gebald; op den ontblooten hals, bij wiens blank-
232
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
lieid het er om heen geslingerd paerelsnoer mat-geel werd, wiegde het fiere hoofd zich met majesteit; in de donker-blauwe oogen scheen het vuur van den voldanen wrok te schitteren, maar tevens een traan te wemelen.
Bekoorlijk was hare buiging voor het koninklijk echtpaar bij den handkus. Zoo als straks, bleef de Koning ook nu koel en kalm en scheen hij het ceremonieel meer te dulden dan dankbaar te aanvaarden. De Koningin echter, die aller harten, ook die der Tories, in de laatste oogenblikken had gestolen, boog zich dieper dan te voren, had de hand der nijgende gegrepen, gekust en toen gefluisterd; »Leer nu vergeven en vergeten, Mylady!quot; waarop de andere met tranen in de stem hernam: »Ik zal \'t alleen kunnen, zoodra mijn lieve moeder drooge oogen heeft!quot; Al had men niet gehoord wat er tusschen die twee gesproken werd, toch kon men het gissen. Veler oog werd vochtig; want wie daar den troon het naast omringden wisten wat door het huis Russell geleden was om den wille der heilige zaak.
Maar het aandoenlijk tafereel werd plotseling vergeten; gants andere aandoeningen overstemden, ja verdrongen, de straks gevoelde.
Een andere hooge vrouw betrad de troonzaal.
Bij haar verschijnen in de voorkamer hadden de Lords en de
Ladies eensklaps ruimte gemaakt door____ zich van haar af te
keeren. Oogen, waarin verontwaardiging school, begluurden haar; en menige spotachtige of smadelijke glimlach gaf te kennen, welke woorden er werden gefluisterd.
»De Gravin van Dorchester!quot; zoo werd er aangekondigd.
Alsof de vijandige houding om haar heen alleen aan haar opzichtige kleeding ware toe te schrijven, trad Kate Sedly, de favorite van den verdreven Koning, rustig voort. Zij scheen wel spot tegenover spot te stellen, want trotsch zag zij in \'t rond, met smade-lijker uitdrukking op haar gelaat, dan al die ouderwetsche Lords en Ladies dat vermochten of waagden. Haar kleed met lange sleep was van vuurrood fluweel, haar keurs en voorschoot van licht gele met korenaren geborduurde zijde. Over de lichtblond gekleurde hairen was een sluier geslagen van Mechelschen kant. Die sluier bedekte wat goed was verborgen te worden, maar liet beschouwen wat, naar het oordeel der eigenaresse, het beschouwen, mids de noodige drapeering niet ontbrak, nog overwaard was. Wel verre dat de keurs schaamte huichelde, was ze waar als de natuur: de boezem golfde vrij, niet bedekt door nijdig gaas of ingehouden door beklemmende baleinen. Wat echter het meest de aandacht der Ladies wekte, waren de kleine zwarte stipjens in de nabijheid der mondhoeken, hier en daar op wang en kin.
»Pleisters!quot; zoo oordeelde er een.
233
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Ze heeft ook in het straatvuil gelegen, laatst in den lerschen nacht,quot; zei een tweede.
»Dus vond ze de plaats waar ze hoort,quot; klonk het verder.
sMen zegt dat het de nieuwste mode is in Versailles, waar men ze mouchea noemt!quot; fluisterde een der jongeren, die reeds begon te overleggen hoe zij \'t moest inrichten om er zelve spoedig meê te prijken.
Aan den ingang der troonzaal had de Gravin van Dorchester een oogenblik stil gehouden, het oog op Semeyns gevest. Trof haar het mannelijk schoon, dat zij meer dan wie ook in staat was te waardeeren? \'tWerd door de menigte achter haar geloofd. Misschien was dat ook zoo; maar er bleek toch nog een andere reden te zijn voor haar stoutheid, om zoo voor aller oog, in het bijzijn zelfs van Hunne Majesteiten, de etikette te schenden. »Ik heb u meer gezien,quot; mompelde zij.
Semeyns knikte toestemmend.
»Nu weet ik waar en wanneer! Waar woont ge?quot;
Semeyns aarzelde even, maar beandwoordde, om het incident te bekorten, de zonderlinge vraag.
»Ge hoort van mij.quot; Met deze woorden in der haast geuit schreed zij verder.
Wat was er een oogenblik later gebeurd? De nog wachtenden in de voorzaal hadden den hals zoo verre, als de welvoegelijkheid het maar eenigzins toeliet, uitgerekt en de oogen wijd open gesperd. Een gemompel, dat verschillende graden van goedkeuring en voldoening te kennen gaf, steeg uit de schare op.
â !gt;Hare Majesteit heeft haar niet de hand toegestoken, heeft niet gebogen. De Hollander heeft zich de hand laten kussen, maar die is er met zijn hoofd niet bij,quot; zoo klonk het weldra tot in de achterste rijen en nog veel verder naar achter, de gangen en de portalen door, tot op het voorplein; en overal werd de mare ontvangen met dezelfde goedkeuring.
»Ze houdt zich beter dan ik van zoo\'n kreatuur verwachtte!quot; zei een oud edelman tot een ander, die naast hem stond. »Ze gaat door alsof er niets gebeurd ware en maakt haar reverence goed. Een kras wijf!quot;
De handkus werd voortgezet en had, zonder verder iets buitengewoons op te leveren, een einde genomen.
«Eindelijk!quot; prevelde Zijn Majesteit, die niemant meer uit de voorzaal zag te voor-schijn komen. Mary had het woord niet alleen gehoord, maar ook den toon, waarop het geuit werd, begrepen; zij was steeds gewoon het meest op het laatste te letten. Zij had Willems adem steeds moeielijker hooren gaan, maar, volgens het eens ontvangen consigne, door blik noch woord dit doen blijken. Slechts drukte zij inniger dan straks de hand, die haar gemaal haar toestak bij het nederdalen van de verhevenheid.
234
DE KAPÃEIK VAN DE LIJFGAEDE.
In de zaal, die zij betraden, werden zij door goede bekenden opgewacht. Daar stond Bentinck, in het ambtsgewaad zijner nieuwe waardigheid â hij was groom of the stole geworden en zou weldra Graaf van Portland en Viscount van Woodstok heeten â daar wachtte de Graaf van Ouwerkerk, een sabreur als weinigen, een bloedverwant der linkerzijde van het Oranjehuis, mede in hofgewaad, maar als opperbevelhebber der Ruiterij, waartoe hij dien morgen benoemd was, bevoegd om naast den troonstoel met een zwaard te verschijnen. En het zwaard, dat dan ook nu aan zijn zijde kletterde, was het prachtig kleinood, dat een zilveren schede toonde en een gevest van gedegen goud met diamanten bezet, het geschenk Hunner Hoogmogenden aan den beschutter van Willems leven in den bloedigen slag van Saint Denis. Willem stak beiden de hand toe, terwijl het masker van het gelaat wegviel. Wat hij echter van hen hoorde, deed het dadelijk er op terug keeren.
Verscheidene Lords en Heeren waren blijven wachten om, nadat de handkus was afgeloopen, aan Hunne Majesteiten vertrouwelijker nader te worden voorgesteld ; \'t waren meest alleen de ge-trouwsten onder de getrouwen â de besten der Whigpartij!
Och, die partijen! Willem van Oranje wou geen hoofd van eenige zijn; hij wou boven alle staan!
»\'tls of ik stikken zal,quot; hoorde Bentinck zich toefluisteren, ien dan die laatste berichten!quot;
»Ik ben doodmoê , Willem! Kunnen we ons niet laten verontschuldigen zonder dat we kwetsen?quot; vroeg Mary.
Zij was begrepen.
»Laat hen allen toe!quot; beval Zijn Majesteit kort.
Een groote schare omgaf hen na het openen der zware eikenhouten vleugeldeuren. Met welk een bevalligheid en vriendelijkheid mengde zich Mary onder die velen! Maar met welk een linkschheid stond de nieuwe Koning te midden zijner hem getrouwe Edelen !
Hij had een grijzaart op zich zien afkomen. De magere dorre gestalte had nimmer buigen geleerd; toch maakte ze nu een beweging van onderdanigheid, zoo als geen Stuart er ooit van Sir John Maynard, den moedigen en scherpzinnigen rechtsgeleerde, had gezien. Bentinck fluisterde Willem den naam en het beroep van den in zijn vaderland zoo beroemden man in het oor, die voor weinige dagen negentig jaar was geworden en daar even krachtig en even moedig stond als een halve eeuw geleden in Westminster Hall, toen hij de doodstraf eischte voor Graaf Strafford.
\'s Konings gelaat helderde op bij den aanblik van dien merk-waardigen man. »Ik geloof, Heer Doctor, dat ge al de Wetgeleerden van uw tijd overleefd hebt!quot; zeide hij met eenige warmte.
»Ja, Sire! en zonder Uw Majesteit had ik het alle wetten ook
235
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
gedaan!quot; hernam het oudtjen, dat nog niets van zijn vernuft had Verloren.
De Koning reikte hem de hand met iets wat naar een glimlach Zweemde op het gelaat. ^Dikwijls nog hoop ik u naast me te zien.quot;
Sir John Maynard begreep wat dat beteekende en toonde dat door het andwoord: ȟw Majesteit kan over mij beschikken, zoo lang ten minste de pit nog brandt.quot;
Een gants andere persoonlijkheid volgde den Wetgeleerde op: een bevallig man, een zoon van een der eerste Tory-geslachten. De faam had zijne groote hoedanigheden door het gantsche land verbreid; en de roemrijke afkomst, waarop Edward Seymour kon bogen, schonk haar ditmaal dubbele vleugelen.
Zijn Majesteit, die eens bijzonder beleefd wilde zijn en den invloedrijken jongen man voor zich innemen, voerde hem te gemoet: »Niet waar. Sir Edward, gij zijt familie van den Hertog van Somerset ?quot;
»De Hertog van Somerset, Sire! is familie van mij!quot; andwoordde tie hooghartige, die nimmer vergat, dat hij het hoofd was van den oudsten tak der Seymours.
Zijn Majesteit had zich vergist; een soort van wrevel deed de lippen weder op elkaar klemmen. Hij voelde zich misplaatst, zooals altijd in groote deftige bijeenkomsten. Hoe onvoordeelig viel de vergelijking uit, die de aanwezigen wel moesten maken tusschen â de twee laatste meesters en hem. Karei de Tweede was een nie-teling, Jakob de Tweede evenzeer en daarbij nog een wreedaardig -despoot geweest, maar hoe ongedwongen konden zij zich onder den adel, dien zij van grootvader tot kleinzoon kenden, bewegen! Een kloppen op den schouder, een hand, vertrouwelijk op den arm van een hoogen onderdaan gelegd, deed dikwijls eeh schandelijke daad vergeten. En nu.... had men een boer meer in het koninkrijk, maar een edelman minder. Dat de nieuwe Koning zich thuis gevoelde in de hoogste regionen der staatkunde en klein en nietig moest vinden wat zij vóór alles belangrijk achtten, het kwam bij niet éen hunner op. Dat die volgens hen onaanzienlijke ertsklomp een diamant van het zuiverste water in zich besloot, het werd door niemant dier Edelen vermoed. Dat hij op dit oogenblik zich bijna verpletterd voelde onder den hem opgeladen last, waarvan hij alléén den langen duur kon berekenen, evenmin!
Een algemeene Europeesche oorlog was aanstaande, waarvan hij de aanlegger was. Hij had tal van bondgenooten, maar ze waren onder elkaar verdeeld, op elkaar naijverig en hadden de meest verschillende belangen. Hij had ze te vereenigen niet alleen, maar ook vereenigdte houden. Hij had zijn nieuw rijk te ordenen. De schatkist was ledig; het Engelsche leger, dat hij, dank zijner behendig-lieid, niet had behoeven te overwinnen, was morrend over de on-
236
DE KAPTEIN VAN DE IJJI\'ÃAIIDE.
dergane schande en met baat vervuld jegens de zegevierende Hol-, landers; de onnoemelijke Protestantsche sekten waren weer tegen elkaar in het harnas, nu de gemeenschappelijke vijand, overwonnen was. Nieuwe Wetten waren te maken, nieuwe dienaren te kiezen in de grootste onzekerheid ten opzichte van trouw en ontrouw; want de gemakkelijkheid der overwinning, de spoedige afval zelfs van Jakobs naaste verwanten, had hem geen boogen dunk doen opvatten van bet zedelijkheidspeil der natie. En dan zijn Mary,, die al baar liefde voor hem behoefde, om niet terug te gaan en te knielen voor den beroofden vader! En dan de straks, door tus-schenkomst van Bentinck, ontvangen tijdingen uit Ierland, dat opgestaan was tegen de suprematie der Engelschen, alle Protestanten dreigde te vermoorden en Koning Jakob opriep over te komen! En dan de berichten van de vreeselijke verwoestingen, door het weder overwinnend Pransche leger in het Duitsche Palatinaat aangericht; verwoestingen, sedert den inval der Wandalen en Hunnen in Europa zonder wedergade! De oorlog moest worden verklaard, en bij was nog niet gereed en kon het ook niet zoo spoedig zijn,, tenzij hij de partij-hoofden, die reeds woorden van smaad en van wrok voor elkaar op de lippen hadden, ten minste voor enkele weken, tot zwijgen kon bewegen. En bij dat alles: het zwakke lichaam, dat het voertuig moest zijn van den machtigen wil.... die keel- en longenkramp, die hem belette de velerlei gedachten,
uit te drukken van bet altijd werkend brein____die Londensche
damp, hem het aasjen lucht ontroovend, dat hem aan het zeestrand van zijn geboorteland nog somtijds vrij deed ademen____!
»Sire!quot; hoorde hij, die met geheel zijne gedachten was afgezworven, achter zich fluisteren.
Een vrouw trad hem op zyde. Weder die verachtelijke, die in alle opzichten veile vrouw!
De minnaar was nauw eenige weken gevlucht, diep verslagen en vernederd, en de minnares waagde reeds den voet te komen kussen van wie hem verjaagd had.
»De Gravin van Dorchester!quot; vervolgde dezelfde stem, toen zij, den op zich gevestigden blik misduidend, zich niet herkend dacht. »Ik ken u wel!quot; klonk het haar scherp toe.
»Ik heb Uwe Majesteit verschooning te vragen voor mijn stoutheid, maar een moeder____quot;
»Het is een stoutheid.... die ik niet duld.... Kom hier nooit terug....! het zou voor u gevaarlijk wezen.quot; -
Er was even op het gelaat van Kate Sedley iets te lezen wat er maar uiterst zelden, zoo ooit, op was aangetroffen, namelijk: een aandoening van vrees. De oogen van den gezachhebbende tegenover haar hadden ook gebliksemd; de aderen langs de slapen waren gezwollen; de mond krampachtig vertrokken; de stem had,
237
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARI E.
de straffe woorden bijna uitgesist. Toch had Kate riedley zich spoedig weder de oude gevoeld en in het bezit van wat de meeste harer -tijdgenoten misten: moed, tot vermetelheid toe, vernuft, geenerlei grens kennend of ontziende. Zij boog zich diep, terwijl zij vrij luid zeide, zoo dat velen haar woorden konden verstaan: »Indien Uwe Majesteit te eeniger tijd mijne diensten mocht behoeven, dan verklaar ik mij nederig bereid die te geven. Mijn woning ligt niet
ver van Uwer Majesteits paleis: St. James-square----een geschenk
van Uwer Majesteits schoonvader en voorganger.quot;
De Koning had na de woorden, welke hare verbanning van het Hof inhielden, zich omgekeerd, zoodat Kate Sedley, Gravin van Dorchester, tegen zijn rug haar scherpe pijlen had afgezonden. Dit vooral, dit meer nog dan de grauw haar toegebeten, verbitterde haar; tegen een man, die haar niet wilde aanzien, vermocht ze niets.
Niets ? Had ze dan het \'sarkasme tot éenig wapen ? Wisten schranderheid en overleg, in dienst van den feilen haat, er geene andere te smeden?
»Willem, het is zulk een gevaarlijke vrouw!quot; zeide Mary, toen ze zich eindelijk alleen met hem zag.
»Gevaarlijk?quot; Zijn lach klonk schamper. »Zij is van de soort houtadders, die men maar dadelijk dood trapt.quot;
Als of haar niets onaangenaams ware bejegend, schreed Kate Sedley de gangen door, welke naar beneden voerden, waar haar rijtuig wachtte. Door het blanketsel heen werd echter een blos op haar wangen zichtbaar, toen de dochter der Eussells, begeleid door twee paadjes van Koning Willem, de wenteltrap opsteeg, welke naaide bijzondere vertrekken der Koningin voerde. Lady Cavendish, zoo was sedert eenige maanden haar naam, fronsde de fraaie on-geverwde wenkbrauwen: een uitdrukking van smadende hooghartigheid gleed over het anders lieftallig en edel gelaat. Zij zag de andere, die haar weg kruiste, met een doorborenden blik aan. Kate was als onder den invloed eener bekoring. De ex-Favorite, voor wie ieder gewoon was geweest met een nederige buiging uit den weg te treden, bleef nu niet alleen staan, maar week zelfs ter zijde, om Mylady door te laten. De beide paadjes keken om toen zij haar voorbij waren en lachten.
»We zijn pas in het eerste bedrijf,quot; prevelde de diep beleedigde. »De Idylle kan nog wel als Treurspel eindigen.quot; De tranen sprongen haar in de oogen.
Ze was nooit zoo belangwekkend geweest als nu! Wie haar in haar rijtuig zagen stappen en haar van nabij kenden, huiverden!
238
IT.
In de opeengepakte menigte voor Zijner Majesteits paleis school ook Maud, die den arm gaf aan hare vriendin, Misstress Hopps. Maud is niet meer dezelfde als toen wij haar het laatst ontmoetten: hare jonkvrouwelijke vormen waren verdwenen. Het verlies, zoo dat hier zoo mocht heten, werd ruimschoots opgewogen dooide toegenomen ronding van wat haar vroeger reeds zoo aantrekkelijk maakte. Aan de trekken van haar gelaat had de ontwikkeling der vormen geenerlei schade toegebracht; integendeel; het oog schitterde even vroolijk en blikte nog schalkscher, de lippen schenen nog donziger, nu ze als omgolfd waren door het malsch van kin en wangen. De laatste waren bleeker en hadden de wel wat roode kleur prijs gegeven, die haar vroeger naar eigen oordeel te veel kenmerkte als een kind van het land. Haar eenvoudige kleeding was vervangen door een veel smaakvoller en prachtiger, al kon die nu niet gezien worden, omdat een overkleed van donker blauw laken die bedekte; slechts het allerliefst korfjen van stroo, met oranje lint kwistig versierd en gebogen om het gelaat, als het mutsjen dat in der tijd door de schoone Maria Stuart in de mode was gebracht, kon gezien en bewonderd worden.
Er was reden voor de bleekte der wangen.
Maud was weken lang ziek geweest, en die ziekte was ontstaan sedert Misstress Hopps hare vriendin was geworden en haar geneesmiddelen had toegediend, welke, zoo lang Misstress heugde, bij hare vriendinnen de gewenschte werking nooit hadden gemist.
Wat een zegen voor Maud, dat zij die vroolijke, bedaagde en aan ervaring zoo rijke vrouw had leeren kennen!
Wat was Misstress Hopps\' manier van het leven in te zien gelijk aan de hare en hoe groot was het voorrecht der oude boven de jonge, dat gene zoo duidelijk in woorden wist uit te drukken.
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
wat deze sleclits onduidelijk vermoedde en gevoelde! Het leven was, volgens Misstress Hopps, een miserabele gift als men \'t opvatte, zooals een zwart gerokte Puritein. De meeste huizen waren slecht en mager gemeubeld en daarom was \'t maar goed veel naar buiten te gaan. Daar was beweging en afleiding, en wie daarnaar streelde en vroeg, kreeg van beide genoeg, \'s Morgens in een scliuitjen op den Theems of naar een parade van de Hollanders, \'s middags langs-de winkels onder de luifels door de nauwe straten, slechts aangelegd voor ruiters of smalle draagkoetsen, maar thands ook door rijtuigen gebruikt, wat een gedrang gaf, dat soms een plezier te meer was, of wel naar de New Exchange, â de pantoffel-parade, nu St. Paulswalk niet meer bestond â en \'s avonds naar de hijlik-markten: Hyde-park en Mullberry-^arcZe/is of naar het Theater.\' \'t Was een vroolijk leventjen, wat haar na haar herstel geen oogen-blik van verveling liet, en verveling noemde Maud de gedachte, welke wel eens bij haar opkwam, aan Auntie, aan moeder Sally en aan de menagerie, welke haar eerste leerboek van de natuur was geweest.
Aan die burgervrouw Sally had ze een hekel gekregen; aam David dacht ze slechts met afkeer, aan Auntie echter met iets wat: naar dankbaarheid zweemde. Toen ze Auntie het laatst had gezien, had deze haar goud gegeven, en ze wist nu heel goed, beter dan toen, veel beter, wat er al voor gekocht kon worden. Auntie zou ze wel terug willen zien. Ze was zulk een voorname dame en een. dergelijke had ze nog niet onder de oogen gehad, want, wat Misstress Hopps ook ware, hoe verstandig ook in het opzoeken van. plezier, hoe goed geluimd altijd, hoe veelwetend ook in de geheimste-dingen, voornaam, hoog, rijk als Auntie was ze niet!
Maar als deze nu eens de vroeger gedane belofte zou willen vervullen en haar meênemen naar dat groote landgoed, om er alleen met haar te leven?
Heilige Momus, neen! Dat zou ze nu bepaald weigeren!
Zich begraven in een kasteel, dat veel van een klooster hadt Dat zou zij doen, zij die nog zoo lang en zoo veel in de waereld had te kijken en bekeken kon worden? En dit laatste was ook heel aardig, zooals ze dikwijls ondervonden had, als ze menig jonkman tot omzien en haar aanzien zag gedwongen, tot ergernis van haar goeden besten Kaptein, die dan, maar ook dan alleen, in haar oog zoo grappig was.
Maar die Kaptein, dien zij alleen Karei noemde als hij er niet bij was, had veel minder humeur getoond sedert haar ongesteldheid en had haar zucht naar verstrooïng veel minder euvel geduid, sedert Misstress Hopps eens, volgens haar zeggen, een hartig woordtjen met hem onder vier oogen had gesproken. Onder de hoede van Misstress Hopps mocht ze sinds dien tijd vrijelijk uitgaan, en de
240
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGATIDE.
trouwhartige geleidster stelde het in haar geschonken vertrouwen niet te leur. Telkens toch wees ze Maud op de uitmuntende hoedanigheden van den Kaptein, die zoo dapper was en oogenschijnlijk zoo goed bij kas; die wel de gunsteling scheen van den nieuwen Koning; wien Maud dan ook gerust wat meer reukwater kon vragen en tegen Paschen een nieuw kleed van rozenrood fluweel, wat haar zoo goed zou staan, vooral als Misstress Hopps den vorm van het keursjen bepalen en de kanten om bals en schouders schikken mocht; en van wien ze alleen moest blijven getuigen, dat bij veel te oud was om een heau te zijn voor zulk een belle!
En dat laatste bad Maud ook reeds zelve voor lang opgemerkt. De jonkman met de lange blonde hairen had baar bij den eersten oogopslag reeds van de waarheid daarvan overtuigd.
Maar waar was die mooie jongen gebleven? Sedert den nacht van opstand en geweld â een vreeselijke berinnering voor duizenden in den lande, een heerlijke voor baar! â had zij hem niet teruggezien. De Kaptein wist zeker van \'s jonkmans verdwijnen af; ja, had hem misschien wel doen verdwijnen .... om harent wille over hoop gestoken----! Dat zou dan toch bewijzen dat hij smoorlijk veel van haar hield en dat deed haar toch goed te weten, dat deed haar voorbij zien, dat hij over haar den baas wilde spelen, dat deed haar zelfs gevoelen dat zij \'t kon doen over hem!
En van morgen, toen hij zich voor \'t eerst kleedde als Kapitein van Zijner Majesteits lijf-garde, toen ze dien blauwen jas, met gouden passement langs de knoopen en de knoopsgaten belegd, mocht aanraken en meteen het fijne laken bewonderen; toen ze hem den Oranje-sjerp om de taille wond en den Oranje-strik aan den schouder vasthaakte; toen ze hem den wit kastoren hoed met de witte en roede pluimen op het weelderig hair drukte, en hem de wit lederen handschoenen, door haar met eau de la Reine gedrenkt, aan de hand bad gewrongen met inspanning van al de kracht barer blanke vingeren, toen had ze in verrukking, als maanden geleden, haar armen om hem heen geslagen en hem op den rijken knevel, die den mond overschaduwde, gekust en hem toegefluisterd, dat ze nog altijd trotsch op hem was.
Ze had zoo gaarne met hem meê willen gaan, maar dit verboden al de wetten van Engeland, had hij gezegd. Misstress Hopps mocht haar echter geleiden en als ze te vier uur aan St. James Square was, dan zou hij in zijn fraaie kleeding met haar de City doorgaan. Heerlijk vooruitzicht! Maar haar lipjen pruilde, toen bjj zelfs weigerde zich door haar aan den hoofdingang van \'s Ko-nings paleis te laten brengen.
241
»Dat ik nooit de Hollandsche Generaals te zien kan krijgen!quot; riep ze boos, terwijl de voetjens trappelden van drift. »\'t Is of je me niet vertoonen durft aan je landgenooten!quot; \'tWas een geheel
16
KAPT. VAN DE LIJFGARDE. â I.
DE KAPT EI N VAN DE LIJFGAllDE.
nieuwe opvatting, en ze had die te danken aan haar vriendin Hopps. De Kaptein bleef evenwel onverzettelijk, zoodat ze wel gedwongen was te doen zoo als hij verkoos.
Hoe zij aan Hopps\' arm genoot in de overvulde straten te midden der luidruchtige en goed geluimde menigte!
Daar trokken de Friesche jongens onder Kingma op. Ze lieten de trompetten luide schetteren, de trom duchtig roffelen.
»Wat botte facies!quot; riep er een in de nabijheid. »Dan zijn onze Coldstreams beter!quot;
»Houd den mond!quot; klonk het van verschillende zijden; en vervolgens: »Zeker soldaat geweest van den tyran en dapper geweest op de plaats waar geen Hollander stond! Zeker een van de helden, die nu aan \'t muiten zijnïquot;
De bitse opmerkingen aan het adres van dien onvoorzichtige hielden niet op. Hij was zoo wijs te zwijgen; maar al had hij voort-gezwetst, toch zou hij niet meer aangehoord zijn, daar aller aandacht in beslag werd genomen door het schouwspel, dat hun thands geboden werd. Met welk een orde en snelheid zwenkten de eskadrons ruiters, de kompanjies voetvolk óm en óp het voorplein. In een oogwenk waren alle toegangen afgezet en tevens opengehouden voor de machtigen die in aantocht waren; de Pairs van het Koninkrijk in hun hermelijn en gedekt door hun kroon, de Magistraten in hun roode ambtskleeding, de bloem van den adel in hunne zware met goud overladen staatsie-karossen met vier bepluimde paarden bespannen.
Algemeen waren de toejuichingen, toen een karos verscheen waarin slechts éene dame zat, die bevallig boog, terwjjl de hand de zijden, gordijntjens van de portieren nog verder oplichtte dan een der vier lakeien ze straks reeds had weggeschoven.
»Wie is dat? Wat een schoone vrouw! \'k Wou dat ik zoo mooi was en ook zóo werd toegejuicht!quot; fluisterde Maud haar vriendin in \'toor.
»Dat zal nog wel gebeuren; je kunt het ver brengen als je mijn raad maar volgt!quot; hernam deze. »Wie dat is? Dat is de dochter van Eussell, een der onzen----die....quot;
»Lieve God, nu niet van uw Whigs! Dat duurt me veel te lang, moeder Hopps! Als Karei maar bij ons was, dan konden we op het voorplein komen! Maar die staat nu op de trappen van den troon, hè? Och, kijk me die dreumes eens!quot; en ze wees op een armelijk gekleed vrouwtjen in de nabijheid, dat een kind te drinken gaf midden in het gedrang en nog eenen kleinen jongen by zich had die aan haar karsaaien rokken trok om opgetild te wor-. den en ook iets van al dat moois te zien. Hij was met het vooruitzicht al eenigen tijd zoet gehouden en had tot dus verre niets anders als trappelende voeten gezien.
242
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
«God, wat een lief bakkesjen!quot; Met dien uitroep greep ze den jongen aan, hief ze hem op en plaaiste hem op de breede schouders van Misstress Hopps.
»Wat hebt ge toch een goed hartjen!quot; zei deze, maar de toon \'narer stem was met de woorden niet weinig in strijd. «Vergeet ulevel niet, dat de aalmoes, die men toezegt, uit eigen beurs móet komen, hoor! Ik kan dien jongen niet dragen en hij hindert me -ook in \'t zien.quot;
»Mag ik hem overnemen?quot; klonk het achter hen.
De melodieuze stem, de beschaafde uitspraak kwam Maud bekend voor, en deed haar dadelijk omzien. Zij trilde op haar voet-jens, toen ze haar vermoeden bewaarheid zag. De verloren gewaande Adonis stond achter haar.
Het lange blonde hair, de blanke teint van het gelaat, de lichtblauwe oogen, de fijne mond en ook de fijne halsdoek konden aan :geen ander behooren als aan den prins barer droomen. De kleine iiand, uit de mouwen met geel zijden opslag te voorschijn komend, greep den kleinen jongen en deed hem eensklaps verhuizen. De schamele moeder keek met welbehagen den voornamen heer aan â en dankte Maud met de oogen.
Misstress Hopps echter wenschte zich ditmaal eenige mijlen van hier. Ze wist nog maar altijd niet wie die blondhairige was, en quot;zoo lang haar niet bleek, dat hij er een was van goede pozitie en â¢dus meer dan een van de vele Londensche modegekken, die gekleed en verliefd waren op »kredietquot;, bleef ze \'s kapteins zijde houden.
»Wat ben ik blij u weer te zien!quot; ruischte \'taan Mauds oor. â¢Â»En dat u me dadelijk herkende maakt dat weerzien voor mij nog blijder.quot;
»Dacht u dan, dan ik zoo\'n slechte memorie had?quot;
Misstress Hopps gaf Maud een stomp, die gevoeliger aankwam â dan zij bedoeld had.
»Dat kun je laten .... Waarom stomp je me zoo?quot;
»Ik vergiste me, Maud I Ik dacht dat een vreemde me te dicht â op het lijf drong.quot;
»Ik ben ver weg geweest, maar altijd volgde me op de reis een allerliefst kopjen,quot; suisde \'t weer aan Mauds oor. »Wil u niet mijn arm nemen? ü weet dat die niet zoo makkelijk loslaat in \'t gedrang, en de goede Hopps heeft te veel met zich zelve te doen. Niet waar, moedertjen, je wilt wel wat op zij gaan? We zijn oude kennissen, al kijk je me nu ook aan als of ik een suikerplanter was uit de West-Injes. Ben je boos op me? Ik heb mijn tasch toch vol guinjes!quot;
Moeder Hopps schudde met eenige minachting het hoofd.
Daar voelde zij zich een muntstuk in de hand stoppen. Mét â eenige moeite bracht zij haar hand naar boven. Waarlijk, \'t was
243
244 DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
een guinje. Er was een oogenblik van tweestrijd in haar binnenste. Ze wilde \'t hem voor de voeten gooien en dan even als Nelly Gwyn in der tijd in de rol van »Het verraden meisjen of de drie vliegen om den honigpotquot; met veel deftigheid uitroepen: »Waar zie je me voor aan ?quot; Maar zij bedacht, dat het goudstuk in het gedrang door anderen zou kunnen worden opgeraapt, die er nog minder recht op hadden en er een veel minder goed gebruik van zouden maken dan zij. Een oogenblik later oordeelde zij heel verstandig te hebben gedaan, want het gedrang nam toe, en gesis en gefluit steeg op uit de menschenhoopen, die het naast bij den hoofdtoegang van het paleis stonden.
»Wat is er? Wat is er?quot; vroeg Maud, die op de teenen ging; staan en toch nog het rechte niet gewaar werd, daar honderden vóór haar hetzelfde deden. De blondhairige nam den jongen van zijn schouder af, en bracht zijn hand aan haar taille bij de woorden: »Koningin, maak van den schouder van uw slaaf een troonzetel!quot;
»Als uw Karei dat zag .... dan vermoordde hij uquot;, prevelde Misstress Hopps. »Laten we heen gaan! Die jongen is zoo wild.quot;
De dienst behoefde ook niet meer bewezen te worden, want de kreten van afkeuring en bespotting hielden op,
»Wat was dat toch?quot; vroeg Maud, ditmaal niet aan de oude,, maar aan den jonge.
»Kate Sedley waagde zich onder de besten onzer!\'1 riep de blondhairige op een toon, dien ze van hem niet verwacht hadj een toon waarin zelfs woede lag. Hij had blijkbaar haar vraag niet gehoord, en ze had die toch vrij luide, en hem goed aanziende, gedaan.
Zij herhaalde die nu met eenigen wrevel.
»Een gemeene vrouw, die alles aan den verdreven koning verplicht was, en nu al naar het nieuwe Hof waagt te gaan!quot; zei hij gesmoord en als tot zich zeiven alleen.
»Een gemeene vrouw? En ze zit in zoo\'n karos?quot; Maud wees daarbij op het rijk vergulde voertuig, door vier prachtige paarden getrokken, dat stapvoets door de menigte de aangewezen wacht-plaats ging innemen.
»De gemeensten rijden in de laatste tijden in de prachtigste karossen,quot; hernam de ander hoog.
»De slet werd, toen ze het aankleeden niet meer waard waGr Gravin van Dorchester gemaakt,quot; hoorde Maud in een nabijstaande groep een grove stem zeggen.
»Dezelfde vrouw dus, die ze in dien nacht uit de draagkoets wierpen .... dood wilden slaan .... en die door Karei gered werd ? Maar wat deed dan die vrouw voor kwaad?quot;
»Ze had een ouwen vent lief!quot; klonk het weder aan haar oor,.
â
â
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
o zoo liefelijk vleiend; maar \'tkwam haar voor dat een onderdrukt laebjen volgde.
Maud kreeg een kleur en daarbij een benauwende gedachte.
»En die ouwe vent had een echte vrouw en kinderen,quot; zei een â der omstanders, die eerst om \'s jonkmans opmerking geglimlacht had, maar nu toch een ernstig woord niet ongepast achtte na een blik op die twee.
»Ik geloof.... dat.... Karei óok een vrouw heeft.... en twee kinderen .... Misstress Hopps, laten we er uit zien te komen! Ik snak naar lucht.. .! Neen, Sir, ik ga naar huis!quot; zei ze, toen de jonkman haar zijn arm aanbood.
» Noem me niet zoo deftig,quot; bad deze. »Je weet toch dat ik Edward heet, je getrouwe Edward en ik ben niet oud; ik ben jong, jonger en krachtiger nog dan ik er uit zie Iquot;
»Kijk maar niet zoo boos, lief kind, alsof Edward niet meer â dan zijn doopnaam had!quot; zei moeder Hopps goedig, die wel wat vertederd was door \'s jonkmans guinje.
»Wilt ge beiden een kop chokolade gaan drinken in mijn klub: A^oWo-tavernV vroeg de Adonis.
»Daar komen alleen Edellieden.... \'t Is minst genomen een Baronetquot;, fluisterde Misstress Hopps.
Maar Maud wilde naar huis; ze was moê; ze wou slapen. Slapen? Het geheele Oude Testament draaide om haar heen op den terugweg. Aartsvader Abraham was de vriend van den Heere geweest, en die Aartsvader had niet alleen Sara, maar ook Hagar lief gehad en nog een paar anderen, waar haar Bijbel maar een half licbt op liet vallen! En haar leeraar, een goede lieve man, in wiens pruik geen enkel valsch hair stak, had steeds met zóóveel eerbied van dien Aartsvader gesproken, dat het haar altijd verwonderd had niet de les ontvangen te hebben, hem, zoo dikwijls ze van hem sprak, den titel van Mijnheer te geven. Maar die Hagar was toch door dien Mijnheer Abraham weggezonden, mét haar kind nog wel, toen Sara dat wilde .... en Sara was een oude vrouw â en de andere veel jonger.
Een rare waereld toch, waarin ze leefde!
Ze stortte haar hart voor moeder Hopps uit, toen ze met haar alleen was in haar kamer, en deze lachte haar uit en zei dat Kate Sedley toch maar Gravin van Dorchester was geworden en jaren lang White-hall naar haar hand had gezet en dat de liefde veel meer te zeggen heeft dan de wet, wat Maud bij ondervinding reeds weten kon, want haar Kaptein was alles vergeten wat hij â daar ginder had en als hij \'t zich mocht beginnen te herinneren, dan .... dan ...! De waereld was groot en er waren vele Adonissen die meer waren dan een Kaptein!
»Maar Hagar werd weggezonden!quot; prevelde Maud.
245
246 DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
gt;Dat was zoo in de oudheid en bij de ongeloovige Joden; bij ons, ware Christenen, zenden de jonge Hagars de oude Abrahams, weg als ze dat verkiezen. Kom, wees maar weer vroolijk! Lach nu weer eens zoo guitig, als je dat kunt doen wanneer de Kaptein brommig is als een veteraan en je hem dan laat huppelen als een Vaandrig met exteroogen.quot;
Het zaad, dat de in ervaring rijke Misstress Hopps reeds gestrooid had, en ook nu weder strooide, viel in goede aarde. Maud glimlachte weer.
»Lieve Hemel, Hopps!quot; riep ze kluchtig in haar voorgewenden) schrik, »we hebben hem heelemaal vergeten . . .! De Kaptein wacht ons te vier uur, op St. James Square, en het is al bij vijven!quot;
»Laat hij zich maar bij tijds oefenen in geduld, schatjen!quot;
Hadden die twee geweten, dat de Kaptein dit oogenblik in Edwards klub midden tusschen twistende Officieren stond â Engelscbev van het muitend leger van Koning Jakob, en Hollandsche, van dat van Koning Willem â en gevaar liep van door beide partijen te worden aangegrepen, ze zouden de stille kamer hebben verlaten» om zulk een ongewoon schouwspel en het gewirwar van zooveel kleurige mannen te gaan zien.
1 7 j VwaA- â â¢
â
\\ I J « «V- \' .j.
Wv-V
^ fl
AjJL
â
r C
III.
Koning Jakob was in der tijd voor de liefste zijner vriendinnen al bijzonder mild geweest, toen bij haar het huis, dat ze tbands weder betrokken had, als geschenk had vereerd. Hij, altijd zoo karig waar \'t het beloonen van bewezen diensten betrof, hij, die het grootste deel van het geld, bestemd voor de begrafenis van zijn broeder, wien hij nog wel den troon verplicht was, besteed bad om kostbare jmveelen voor zich en zijn vrouw te koopen. was altijd bijna verkwistend geweest waar het Kate betrof, de leelijke, maar voor hem onontbeerlijke Kate. Niet alleen toch de prachtige woning met den bloementuin daarvoor gelegen en omgeven van een sierlijk ijzeren omheining, had hij haar in vollen en vrijen eigendom afgestaan, maar ook de meubelen, die er nu van de on-dergrondsche gewelven af tot aan den hoogen nok toe, werden aangetroffen, waren voor het goud gekocht, dat uit zijn beurs in die der nieuwbakken Gravin van Dorchester was overgestort. Tal van domestieken doorkruisten de breede gangen en portalen, en klommen of daalden langs de groote steenen wenteltrappen, zich haastende om het opontbod der meesteres, die van stipte gehoorzaamheid hield, te voldoen.
Die meesteres! Allen vreesden haar. Ze hadden dat altijd gedaan, maar nimmer zóózeer als in de laatste maanden, als sedert het nooit te vergeten oogenblik, dat ze van den handkus ten Hove was teruggekeerd. Bessy, de kamenier, had, zoo als ze nog weken later verzekerde, niet langer gevoeld een hart te hebben, toen ze op een aanhoudend driftig schellen naar boven gevlogen, op den drempel der slaapkamer Mylady op den kapstoel neergevallen vond. Zoo had ieder van het dienend personeel in die gewichtige ure zijn eigen vreeselijke gewaarwordingen gehad. Zelfs het hoofd van allen, de Steward, had de meesteres vergeleken bij de gesarde
DE KAl\'TEIN VAN DE LIJFGARDE.
tijgerin, die hij de vorige maand in het beestenspel in Cheapside had zien vertoonen, bij welke gelegenheid hij heel dankbaar was geweest, dat de ijzeren staven der kooi de dikte van zijn pols hadden gehad.
Maar sedert was het stil, zeer stil geworden in het overruime huis. Mylady hield zich opgesloten in de achterzaal, uitziende op eenige grasperken en bloem heesters, die reeds begonnen te knoppen. Op het oogenblik, dat wij haar nu waarnemen, ligt zij half in den grooten armstoel op gedraaide pooten voor het groote vuur, dat, onder den uitgebouvvden op houten pilaren rustenden schoorsteenmantel, knettert en vlamt. Geen blanketsel dekt de rimpels, geen mouches do ruwe verhevenheden of de half gedoofde schrammen op haar gelaat; geen golvend kleed tempert haar volle vormen, geen keurs houdt de te gröote weelderigheid van sommige dezer in toom. Ze heeft nu geen oog voor den keurig ingelegden vloer, voor het vrooljjk dam.ist, dat boven de eikenhouten lambrizeering de wanden dekt, voor de portretten in ebbenhouten lijsten, voorstellende hare voorouders, alle er zoo schoon en voornaam uitziende, omdat hare famazie ze had uitgedacht, zoo als ze zelve meer dan eens lachend had verzekerd, evenmin voor het echt oud Delftsch tapijt, waarop haar stoel staat, voor de tafels, gueridons en dres-soren, alle modellen van den nieuwsten rococostijl. Zij heeft al haar aandacht noodig voor de vellen druks op haar schoot, pamfletten voor het volk van de straat gedacht, opgesteld en gedrukt, en door de voornaamsten niet alleen in Londen, maar in de oudste kasteelen en burchten van heel Engeland gelezen en daar met gejuich of met verachting ontvangen, naar de partyleuze klonk die er aangeheven werd.
»Hoe dat snerpt, hoe dat bijt!quot; prevelde zij even opziende. »Bijna evenveel als de woorden en de houding van den gekroonden boer tegen mij!quot; mompelde ze met een lach, die iets wreeds aan de scherpte van het thands hoekig gelaat gaf. »Neen, neen,quot; kreet ze, »zóo erg toch nog niet! Het bijt nog niet als zout in de diepe vleeschwond; het snerpt niet als de zwiepende wilgenteen op den ontblooten rug! En dat was \'t wat hij mij deed gevoelen, de overweldiger!quot;
Maanden waren voorbij gegaan en nog niets was vergeten!
Met innige voldoening las ze verder, hoe er gewroet werd in \'s Hollanders intiem leven, hoe zijn schranderheid sluwheid werd gescholden, zijn ingetrokkenheid stompzinnigheid, zijn zelfbeheer-sching innerlijke kilheid, zijn onbekendheid met Letteren en Kunst gebrek aan smaak, zijn koelheid voor bet alledaagsche gebrek aan opvoeding, zijn heerschend optreden tegen de vrouwen aan het Hof en zijn gemalin het allermeest, onmacht om het vrouwelijk schoon te waardeeren, zijn gunstbetoon aan de Hollanders, waarbij
248
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAKDE.
steeds de strakheid van zijn gelaat verdween en langs de als versteende lippen een glimlach gleed, dankbaarheid voor hun aandeel in de grofste uitspattingen en ongebondenheden, waarover de behendigste huichelarij steeds een sluier wist te werpen! Hoe breed het als vergrijp werd uitgemeten, dat hij zich telkens vergiste in het kiezen zijner ambtenaren en Tories mengde onder Whigs, dat hij herhaaldelijk verhooging van belastingen voorstelde en Engeland, dat jaren lang alleen aan zijn eigen voordeel had kunnen denken, in een algemeenen oorlog had gesleept, om zijn eerzucht te dienen, om zijn wrok te koelen op den grootsten vorst van zijn tijd, den Zonnekoning te Versailles, die het nietig Prinsdom, waaraan het Stadhoudertjen van een Boeren-republiek zijn naam ontleende, zoo terecht had ingepalmd! Hoe de indringer evenwel spoedig een sneeuw-koning zou blijken, dadelijk smeltend voor de stralen der Stuartszon, welke maar voor een oogenblik was schuil gegaan achter de wolken, door het verraad en de omkooping aan Engelands hemel opgeroepen en door de smart van een beleedigd en bedroefd vader deemoedig geduld! Maar hoe die vader zich thands weder alleen Koning voelde en aan het hoofd van een talloos leger, aangevoerd door de eerste Pransche krijgsoversten, in Ierland was opgetreden in al zijn majesteit, en naar zijn Engelsche onderdanen de vaderarmen uitstrekte, maar óok het geduchte zwaard, dat de polstokken van de waterlanders als rietstaven zou doen splinteren ... .!
En dat alles werd verkondigd in de taal van het gepeupel, dat het fijnste vergrooft, het heiligste verontreinigt, het onwelvoegelijkste naar boven tilt, het steeds omsluierde ontbloot, â in een taal, die niet betoogt maar voorstelt, niet aanduidt maar in beeld brengt, en daarom onweerstaanbaar aangrijpt en boeit, overal waar de beschaving gemist wordt, die van de ruwheid en grofheid met walging zich afwendt.
»Dat doet goed! dat doet goed!quot; klonk het zacht.
Zij wist dat de helft van den inhoud dier schotschriften een logen en de wederhelft een gruwelijke overdrijving bevatte; maar al ware haar bekend geweest wat slechts enkele harer meest ontwikkelde tydgenooten van Willem van Oranjes ziele-grootheid en verstandskracht wisten, ze zou tóch de bevrediging hebben gekend, die zich in dien uitroep uitsprak!
Zij steunde het hoofd met de hand en bleef eeni^e oogenblikken in het vuur staren, waarvan de weerschijn op het barsch gelaat speelde, dat daardoor verlicht werd tot in zijn vele rimpels, gleuven en holten.
Afschuwelijk! Het was of de oogen vol bloed waren geloopen en of de mondhoeken in hun trillen een grijns gaven aan de uitdrukking van het geheel. Haar vrije hand bewoog zich eerst stuip-
249
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
trekkend en balde zich toen. Maar weldra kwam er een groote verandering. De hand hing slap neer in de plooien van haar kleed de oogen sloten zich; dikke tranen waren er in opgeweld en trilden onder de wimpers,
»Als Mand daar maar zat!quot; kreet ze. »Mijn kind, mijn kind, dat ik vreemden vertrouwde! Maar, mijn God, gij weet het waarom ik dat deed . .. .! dat het zelfopoffering was om haar .... om haai* verre van mij te doen opgroeien...! O God, waar is ze? Dit te moeten vragen! God, waarom haar mij te ontnemen na haar gegeven te hebben tegen mijn wil in! God, gij slaat om te plagen! Ik had haar u willen laten dienen, en ge vindt goed dat ze verdwenen is! ... . Waarom deedt Gij me worden wat ik ben?quot;
Zij sloeg beide handen voor het gelaat en snikte. .. .! Niemant harer tijdgenoten zou eigen oog hebben geloofd! Kate Sedley, de cynische, de onbeschaamde, de bijtende Kate, die om een kwinkslag zelfs grijze hairen bezoedelde en om een geestigheid haar eigen vader en moeder aan de kaak zou hebben gesteld, zij snikte . . .!
Waar was Maud? Zij meende eindelijk eenig spoor ontdekt te hebben door Kit, de lersche vrouw, die ze eens bij de puinhoopen vond der verbrande woningen, biddende op de plek, waar de oude puritein was opgehangen. Mylady had haar medegenomen en sedeit onder haar bereik gehouden. In den avond van dien schrikkelijken nacht kwam zij van Mr. Stevens terug, dien Kit haar had doen kennen. Zij was met de con-taples op weg gegaan, die de Sheriffs, slechts aarzelend het bevelschrift van Koning Jakob gehoorzamend, niet schimp in de oogen en op de lippen, Lady Dorchester hadden meö gegeven.
Dien nacht zou zij nimmer vergeten! Stevens kon nu veel openhartiger zijn dan maanden geleden zelfs jegens zijn naasten buur. Toch had hij haar niet meer dan het hoog noodige meögedeeld â dat lag zoo in \'s mans aard. Hij had erkend, dat de zoogenaamde spion uit zijn huis naar de woning van den Hollandschen gezant was gegaan en van daar heel spoedig naar het leger. Eerst dagen later evenwel was Maud verdwenen. Of er verband bestond tus-schen het heengaan van den een en het verdwijnen der andere? Mr. Stevens had gedacht van neen.
God! God! als dat toch eens zoo ware! Wat had ook zoo\'n oud afgeleefd man, die maar voor zijn ambacht leefde, verstand van zulke zaken. . .! Die lersche had haar na den dag van den handkus verteld, Maud gezien te hebben aan den arm van een Lon-densche vrouw, zoowat het midden houdende tusschen een Lon-densche koopvrouw en een lichtvaardige oude juffer. Had de half simpele zich niet vergist, dan was Maud in leven, dan woonde ze misschien niet verre van haar! Maar hoe en waar? Waarom was
250
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
ze uit Stevens\' huis gevlucht? Waarom, in Londen zijnde, daarheen niet terug gekeerd?
Als het Gerecht haar wilde helpen, dan zou ze, nu de orde in Londen geheel hersteld was, haar wel kunnen vinden! .... Maar de tegenwoordige Sherifis snauwden baar af en lachten haar uit, toen ze \'t bevelschrift van Jakob verioonde. »De eenige, die haar-misschien gehoorzamen zou, was haar oude lief, maar die had het zelf in Saint Germain nu niet te broed, daar hij van de aalmoezen, van Koning Lodewijk had te leven,quot; zoo waagde men te spotten. Zij had niet eens getrild van woede, zelfs geen scherp woord doen, hooren bij dergelijken schimp. Zij was er aan gewoon geraakt en, had zoet te zijn en de hand nog te streelen welke haar sloeg. Want het gold haar kind, dat zij aanbad! En zij aanbad het juist, omdat zij \'t verre van zich had laten opvoeden.
De paradox is slechts schijnbaar.
Wat de zintuigen niet waarnemen, het wordt door de fantazie een vorm gegeven, en de fantazie, »een dochter des kemelsquot;, schildert met fijner tinten dan het verstand, dat met het stoffelijke rekening moet houden, ooit vermag. Wat de fantazie zich aan schoonheid en goedheid kan voorstellen, ze hecht het aan het opgeroepen beeld, dat daardoor tot ideaal wordt verheven! Kate wist slechts van de zoete liefkozingen, van de stralende oogen van haar kind, als ze haar bezoeken kwam. Ze dacht zich in haar herboren, maar alleen met de hoedanigheden, welke zij zelve zich in haar beste oogenblikken toekende.
Daar sloeg de pendule â deze was een jaar of vier geleden uit Versailles gekomen als geschenk voor haar ouden lief, maar door dezen baar vereerd âtien slagen. En om elf uur wachtte ze...? Zou hij komen? Zou hij willen?
Nog geen zes maanden geleden zou de vraag, die ze zich nu met eenige ongerustheid deed, niet in haar zijn opgekomen; zou de eerste Lord der Schatkist, zelfs de Voorzitter van den Geheimen Raad, haar verzoek, om in Dorchester/iouó\'e te verschijnen, als een bevel hebben beschouwd, dat nog eer dan een van den Koning moest worden gehoorzaamd. En met welk een angst hoopte zij nu op de komst van een eenvoudig officier! Met welk een onderdanigheid bijna had zij hem genoociigd!
Neen, neen, hij zou niet weigeren.
Zij moest er dus aan denken zich te gaan kleeden. Zij had maar één uur tijds, en er moesten bijna wonderen verricht worden: de verwoestingen toch, door de hartstochten aangericht, behoorden schuil te gaan onder de sluiers der schoonheid.
251
IV.
TSfög waren de laatste mouches niet geplakt, de laatste roode strik tniet op het zwart fluweelen kleed gehecht, de allerlaatste toets door de behendige kamenier aan het fijne geurige blanketsel, dat bet gelaat dekte, niet aangebracht, toen de zware klopper op de voordeur neerviel, en de Steward een oogenblik later aan de deur â der slaapkamer tikte.
»Een Officier van de Lijfgarde Zijner Majesteit vraagt uwe bevelen, Mylady!quot; luidde de boodschap.
Sedert de meesteresse naar het nieuwe Hof was gegaan, waagden hare dienstbaren hem, die nu op den troon zat, niet meer Overweldiger te noemen.
»Laat hem in de achterzaal waar vuur brandt. Stook dit goed op; ik vond het er straks zoo kil. Bessy, gauw mijn armband. .. den grooten gouden! Een drietal paerels in mijn hair . ...! Nog wat cosmetique odeur violette in den love-lonk. Deze moet wat stijver hangen, dan kan hij niet verspringen en naar voren komen ... .! Laat maar, laat maar! Ga gauw naar beneden...! Ik geloof, dat ik in de zaal de pamfletten heb laten liggen ! Heere Jezus, waar waren mijn gedachten! Ik word oud, Bessy .. .! Die vodden daar te laten liggen . .. .! Zeg Mijnheer dat ik kom! Wees heel vriendelijk, maar grijp dadelijk de vuile papieren en stop ze weg!quot;
Bessy was heengevlogen. Kate legde zelve de laatste hand aan haar toilet. Toen ze zich omkeerde om heen te gaan, zag zij de pamfletten achter op de kaptafel liggen. Ze was dus niet zoo achteloos geweest als ze gedacht en vond zich, een laatsten blik in den spiegel werpend, ook veel minder oud, dan ze zich zelve straks gescholden had.
Naar beneden gaande nam zij den langen sleep van het kostbaar zwarte kleed, zoo als een burgervrouw zou gedaan hebben, in de
DE KAPTEIN VAN DU LIJFGABDE.
hand. Dat zou een Lady Danby of Eussell, ondersteld dat ze zich een dergelijk toilet hadden gekozen, toch beneden zich hebben geacht. Zuinigheid bij zulk een weelde, domestieken-arbeid bij zooveel hoogheid, zou de werkelijk hoog geborene hebben versmaad. Kate Sedley wist echter dat niemant, en zeker geen hooggeborene, haar gadesloeg. Toen zij den drempel der zaal overschreed, ruischte de sleep echter behoorlijk over den vloer en trad zij deftig, maar met een beminnelijk lachjen langs de nu rozen-roode lippen, op den man toe, die er in zijne smaakvolle uniform zoo krachtig en zoo aantrekkelijk uitzag.
»Zeker niet meer dan even veertig!quot; zoo kwam \'tin haar op bij haar eersten aanblik.
«Hartelijk dank ik u voor uwe goedheid om aan mijn verzoek te hebben willen voldoen!quot; zei ze, terwijl ze op den armstoel voor het vuur wees en voor zich zelve een hoekjen van den molligen divan koos, die ter zjjde van den schoorsteen tegen den wand stond, maar nu nader bij het vuur en dus ook bij den armstoel geschoven werd.
»Geen man van eenige opvoeding zal zoo iets weigerenquot;, klonk het antwoord koud hoffelijk.
Wat had dat gelaat een droefgeestigen trek, dacht de Gravin, nu ze hem van nabij en met de meeste oplettendheid aanstaarde.
»Dat weet ik nog niet. Heer Kaptein!quot; hernam zij met een levendigheid en vriendelijkheid, waartoe het optreden des anderen haar weinig aanleiding gaf. »Van de ridderlijkheid van een Hol-landsch Officier en vooral een Officier van de Lijfgarde, kon het echter wel verwacht worden.quot;
Semeyns boog even voor de vleierij en vroeg: »Zou ik mogen weten waarmee ik u van dienst kan zijn?quot;
»Heeft u dadelijk begrepen, dat ik u een dienst zou vragen? Was de gedachte aan iets anders geheel uitgesloten?quot;
» Ja!quot;
Dat was kort en krachtig; haar te kort en te krachtig; hém echter nog niet krachtig genoeg. Wat verbeeldde zich wel die ruim veertig-jarige, want zoo oud scheen ze wel, niettegenstaande baar blanketsel! Waagde een ^-favorite halve beloften te doen? Belachelijk !
Kate was behendig en slipte terstond over op een terrein, waar : minder voetangels en klemmen lagen. »U doet mij onrecht, door niet aan mijn dankbaarheid te gelooven .... U heeft mij toch gered uit de handen van \'t grauw.quot;
»Zooals ieder ander zou gedaan hebben. Ik wist niet wie ik i redde.quot;
«Infaam !quot; klonk het in haar binnenst. Uiterlijk echter onbewogen vroeg ze zelfs deemoedig: »En indien u \'tgeweten had...?quot;
25S
D13 KAPTEIN VAN DE LIJFGA11ÃE.
»Dan zou \'k misschien toch gehandeld hebben zooals ik â deed.quot;
Misschien! Dat kleine woord maakte de geheele zinsnede zoo lomp, zoo beleedigend. Niettemin hernam zij met warmte: »U is â¢een waar Edelman, Heer Kaptein!quot;
Deze had ieder andwoord behalve dit verwacht. Hij schoof eenig-zins onrustig op zijn stoel; hij begreep niets van die vrouw.
»11: wilde u zoo gaarne eenig bewijs van mijn dankbaarheid geven.quot;
»Dat is onnoodig, dunkt me, na hetgeen ik u zei.quot;
»Onnoodig voor u, Heer Kaptein, maar niet voor mij. Is u gehuwd? Heeft u kinderen?quot;
» Waarom ?quot;
Euw klonk het woord haar in de ooren. Zou zij zich weer op .gevaarlijk terrein bevinden ? Zij moest toch ditmaal haar weg vervolgen; zij moest dien man trachten te doorzien.
»Waarom ik dat vraag? Geen onbescheiden nieuwsgierigheid â drijft mij er toe, maar wel mijn verlangen, om mijn dankbaarheid te bewijzen aan de vrouw en de kinderen, waar de man en de vader dit zoo trotsch afwijst. Kinderen weet ik nog niet of u heeft maar een vrouw zeker.quot; Zij poosde even, maar geen andwoord ontvangende ging ze voort. «Begrijpt u waarom ik dat zoo zeker weet?... Omdat »waaromquot;, door u, zooals \'t mij voorkwam, wel met eenig â ongeduld geuit.... Er kunnen oogenblikken zijn, dat men juist niet aan zyn vrouw herinnerd wenscht te worden . ...quot;
»Ik kan \'t begrijpen, dat u van die opinie is.quot;
Het stormde in Semeyns\' binnenste. Zijn niet geblankette en van natuur bruin verweerde wangen vertoonden een ongewoon roode kleur.
»Heb dank voor het kompliment, dat u aan mijn schranderheid maakt,quot; zei de onbeschaamde en de thands ook behendige.
Semeyns, hoe zeer ook overtuigd van zijn kracht, voelde daarvan weinig meer tegenover die vrouw. Hij stond op en vatte den bepluimden hoed in de hand.
»Tóch niet. Heer Kaptein! tóch niet; zóo spoedig komt u niet van mij af!quot; zei ze lachend, hem met de vleiende oogen weer tot zitten noodigend .... »Een dankbaarheid, die zich niet uiten mag, wordt een ondragelijke last. U gelooft dat misschien niet? Ik kan begrijpen dat u, die al zoo vele van onze Biellieden en zeker ook van onze burgers hebt leeren kennen, zelfs niet aan het bestaan van dankbaarheid in ons land gelooft.quot;
»Dat is zoo,\'\' hernam hij, en hij staarde haar bij die woorden scherp aan.
»Was u al niet in Londen vóór Koning Jakobs vertrek?quot;
»Ik ken geen Koning Jakob.quot;
254
DE KAPT RIN VAN DE LUFGAWDE.
»Ik bedoelde in de verste verte niet de politiek te mengen in â¢ons gesprek. Ik bedoelde alleen te weten of u vóór Koning Wil-lems landing niet reeds in Londen was .... als agent of ambassadeur of. ...quot;
»Wij spraken over iets anders . ...quot;
»Tóch niet, waarde heer Kaptein! Als u toen hier was geweest, dan bad u van nabij kunnen zien hoe de dankbaarheid hier wordt beoefend en dan zou ik meteen de zekerheid verkrijgen, dat ik, dankbaar zijnde, niet ondankbaar behoefde te worden.quot;
»Zooveel woorden, zooveel raadsels!quot; riep Semeyns.
»Och kom! U is te schrander om niet te weten, dat dankbaarheid, die zich niet bevredigen kan door wederkeerig dienstbetoon, â¢een last wordt, die tot ondankbaarheid drijft, tenzij nieuwe diensten tot nieuwe dankbaarheid verplichten.quot;
»U begint iets duidelijker te worden; u heeft mij stellig een dienst te vragen. Ik begreep dat al, toen ik uw briefjen las en ik vroeg u dadelijk bij mijn verschijning van welken aard die was. Waarom al die omwegen V Ik houd daarvan niet.quot;
»\'tls mij zeer aangenaam dat te vernemen. Een echt Hollander! Een man een man, een woord een woord! Houd het mij ten goede, dat ik een oogenblik iets anders gedacht heb.... De hooge betrekking, die u naast den persoon des Konings een plaats verzekert ....quot;
»Noemt u \'t Kapteinschap na zestien jaren dienst, meest te velde, dan zoo\'n groot avancement?quot; riep hij met eenige ergernis uit.
Zijn harnas had voegen; daaraan had Kate niet getwijfeld, maar die voegen zaten op een gants andere plaats als zij gedacht had.
gt;Ik heb geen verstand van uw militaire rangen; maar me dunkt toch, dat hij, die het naast staat bij den persoon eens Konings, fen zeer vertrouwd dienaar moet zijn.quot;
»Dus
»Moet die vertrouwde dienaar buitengewone waarborgen van zijn trouw hebben gegeven, en bij een Koning als William moeten die waarborgen nog eer in het burgerkleed dan in den soldatenuniform gegeven zijn. Men heeft er wel eens van gesproken, dat een Hol-landsch Officier, als burger vermomd, den grooten Staatsman, die toen nog maar Zijn Hoogheid heette, met onvergelijkelijk talent in Londen heeft gediend .. ..quot;
»Maar wat heeft dat alles nu te maken met de dienst, die u mij wilt vragen? Nog eens: waarom al die omwegen? Is de te vragen dienst misschien van een .... verdachten aard ? Dan heeft u zich wel zeer in mijn persoon vergist.quot;
»Neen, dat deed ik niet,quot; verzekerde Kate. »U is wel wie ik dacht dat ge waart: een ridder zonder blaam. Toch zou ik gaarne weten of u den invloed bezat, dien ik u, en alleen in mijn belang.
255
DE KAPÃEIN VAN DE LIJFGAEDE.
zoo gaarne zag toegekend, en daarom doelde ik op uw vroeger hier-zijn.quot;
»Onnoodig te doelen op iets waaromtrent geen enkel Officier bevestigend of ontkennend mag andwoorden. U weet dat ik tot de Lijfgarde behoor; u slaat dat hoog aan. Hoe ik aan de volgens u gewichtige betrekking gekomen ben, doet niets terzake ....quot;
»Ik geloof va,n wel! Zie me niet zoo boos aan! Uw oogen stralen van nature al schitterend genoeg; de drift behoeft den glans-er van niet te verhoogen .... Waarlijk niet!quot;
Semeyns voelde voor \'t eerst iets, wat den afkeer temperde dien de vrouw tegenover hem, ja thands bijna naast hem gezeten, iot dusverre had opgewekt. Hij vond dat de blik harer oogen iets innemends kon hebben; dat die blik hem niet geheel onbekend was, dat zijn Maud dien in haar liefste oogenblikken even innemend en betooverend kon toonen.
»Ik geloof van wel!quot; herhaalde ze. »Hoe meer aanspraken u op uwen invloed kan laten gelden, des te blijvender is hij, des te meer bestand tegen ongunstige omstandigheden. Men doet het verstandigste tegen een man als u geheel openhartig te zijn en zich over te geven aan de ridderlijkheid van zijn charakter. Men vertelt, dat u eenigen tijd geleden in een chokoladehuis u gemengd hebt in een hoogloopenden twist tusschen Engelsche en Hollandsche officieren en toen u door de tegenpartij heeft laten beschimpen zonder op staanden voet revanche te nemen. Men vreesde, â uw vrienden deden \'ten doen \'t, en ik wil daar zoo graag onder gerangschikt worden! â men vreesde, dat Koning Willem dit streng heeft afgekeurd, hij, de groote krijgsman .. .
»A1 die muitende officieren en soldaten hebben zich moeten onderwerpen, hebben den eed aan Zijn Majesteit afgelegd en zijn al op reis naar het Vasteland....quot;
»Wordt mijn opmerking daardoor beandwoord, Heer Kaptein?quot;
«Misschien niet, misschien wel â het doet niets af. Wie mij kennen, trekken mijn moed niet in twijfel, en Zijn Majesteit zal er mij niet voor straffen, dat ik zijn bevelen heb opgevolgd, wat het ook kostte! En het kostte me veel, de hand van een schimpenden vijand op het gelaat te voelen, en niet op staanden voet haar af te kappen! Maar Zijn Majesteit had bij doodstraf verboden eigen rechter te zijn ... en Zijn Majesteit is dezelfde, die, als Zijn Hoogheid, nog al spoedig een doodvonnis teekende!quot;
De ergernis deed hem voorbij zien, dat de verstandige soberheid, tot dusverre in acht genomen, hem verlaten had.
»U maakt me waarlijk gelukkig! LT had de kracht gehoorzaam te zijn, zelfs waar al uw ridderlijke fierheid daartegen in opstand kwam! U is niet alleen een moedig, maar ook een goed man!
256
DE KAPTEIN VAX DE LIJFGARDE.
een man die zich weet te beheerschen! Dat weet Koning William zeker hoog te schatten! Uw invloed moet nog geklommen zijn door zulk een zelfbeheersching, en zulk een zelfbeheersching bewijst ook behendigheid, en deze maakt den dapperen Officier ook voor diplomatische zendingen geschikt, zoodat...
»A1 weder gevischt in dat water! Met welk doel toch? Eéns en voor altijd: voor spionnen-dienst zijn de Edellieden van uw landaard gebruikt.quot;
Hoe hooghartig en beleedigend klonk dat voor de landgenooten van Kate! Deze scheen dat niet eens te hebben opgemerkt. Wel vertoonde zich even een wrevelige trek op haar gelaat, maar dat had de teleurstelling, dat zij niet te weten kon komen wat zij weten wilde, tot oorzaak.
»Wees nu zoo goed mij te zeggen wat u van mij wil, Mylady!quot;
Ze scheen toch eenig terrein gewonnen te hebben : hij noemde haar eindelijk zooals een gravin het recht had te verwachten.
«Goed, dat u mij daaraan herinnert! De beschouwing van uw persoon en charakter vervulde mij zóo geheel, dat ik afdwaalde. Ik heb voor een zeer gewichtige zaak de hulp Zijner Majesteit, die zeer tegen mij ingenomen is, noodig. Ik geloof niet, dat ik een partikuliere audiëntie, als ik haar aanvroeg, zou verkrijgen ... .quot;
»Neen, dat geloof ik ook niet,quot; zei de ander meer oprecht dan beleefd.
igt; .... in aanmerking genomen den ellendigen staat van Zijner Majesteits gezondheid .... Naar mij gezegd werd is die zéér slecht.quot;
»Niet slechter dan doorgaans. Toch zal Zijn Majesteit zich weten te doen eerbiedigen.quot;
»Wat ben ik blij dat ik dit hoor! Mijn belangen liggen aan den kant Zijner Majesteit.quot;
»Dat dacht ik niet; mafar \'t kan zijn; men behoeft zich hier over niets te verwonderen.quot;
»Steunend op uw grooten invloed, hoop ik door u te verkrijgen .. ..quot;
»Een partikuliere audiëntie? Ik zal mij niet aan een weigering blootstellen.... ü weet zelve dat Zijn Majesteit kwetsen kan!quot;
Er volgde geen andwoord. Kate balde de vuist, maar deze was voor den ander niet zichtbaar....
»U wil dus niet....?quot; klonk het met een stem, welke iets bevends had.
ilk wil niet omdat ik niet kan, Mylady! .... De gunst waarin ik sta.... is zoo heel groot niet. Ik beweer niet, dat ik op meer recht heb . ...quot;
»Zulk een volmaakt ridder....! zulk een uitnemend soldaat!quot; riep Kate oogenschijnlijk vol bewondering.
kapt. van de lijfgarde. â i. 17
257
i)f, kal\'tki.v vax uf, lijfgarde.
»Eigen ondervinding kan u dat juist niet doen zeggen!quot; zei hij, opgestaan en met den hoed in de hand. »Toch dank ik u voor vlw wensch 0111 mij iets aangenaams te doen hooren. God zegene u, Mylady!\'\'
Zij hield hem niet terug, den kouden hooghartigen Hollander, â¢die haar in ieder woord haast geërgerd had, dien zij gevleid had zonder gevolg en, zooals nü bleek, ook zonder noodzakelijkheid! Dat laatste vooral mankte al de aangewende moeiten, al die vleierijen, al dat betoon van onderworpenheid en gedweeheid tegenover zoo veel lompheid, voor haar zelve bitter en vernederend!
»Zoo baas, zoo knecht!quot; mompelde ze, terwijl ze met de driftig bewogen hand, waarvan zij de richting niet berekende, een fraaie vaas, met kunstig gesneden wapen, van den guéridon op den harden houten vloer wierp. »Goed zoo! Als die vaas moge het beiden vergaan! En zoo zal het hen vergaan! Jakob moet terug
komen____ Overwinnen kan de sukkel niet, maar als er eens geen
vijand meer ware....!quot;
Hare gedachten zwierven al verder en verder, werden stouter en stouter! Het geweldigste stond vóór haar en zij deinsde er niet voor terug!
»Mylady. .. .!quot; werd er in haar nabijheid gefluisterd.
Kate sprong op. Wie durfde haar storen, wie waagde binnen te komen zonder verlof?
Daar stond Kit, de ex-waschvrouw, die thands zonder te werken goed werd gevoed, die eigenlijk in de laatste maanden een leventje leidde »als God in Frankrijkquot;, zoo als ze wel eens zeide. Ze zag er nog grover dan vroeger uit, want haar vleesch was, in quali-teit misschien, maar in quantiteit zeker vooruit gegaan. Alle zielsangsten waren geweken, want ze had zóo veel Paternosters en Ave Mariaas gebeden, dat ze, in plaats van over tekortkomingen zich te schamen, nu wel op oververdiensten zich te beroemen had, wat de Lieve Heer dan ook zoo bleek in te zien, daar \'t haar sedert erg voor den wind was gegaan!
»Mylady! ik kwam maar zeggen... dat was de eigenste zelf... Ik herkende het manspersoon aan dat likteeken aan het voorhoofd ... Hij lichtte zijn hoed even af voor den Stewart en ik zag de roode striem . . .
»Ha!quot; klonk het als een juichkreet in haar binnenste. Zij keerde zich tot de lersche en zei scherp: »Raap die scherven weg, vrouw, en kom nooit weer in de kamer zonder te kloppen. Ik ben in een goed humeur en laat het nu bij die woorden maar blijven .... Stewart!quot; zei ze tot dezen, die juist binnen trad, »mijn draagkoets! Ik moet naar Kingstreet.... dadelijk 1quot;
»Er wacht iemant beneden, Mylady!quot;
»Ik spreek vandaag niemant meer.quot;
258
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Hij zegt Mr. Jones te heeten ...
»Laat dien boven; die zal \'t zoo lang niet maken .... Zorg dat mijn draagkoets inmiddels voorkome!quot;\'
Met lichten tred was de nieuwe bezoeker de trappen opgeklommen, de zaal binnengetreden. Wat bevallige verscliijning! \'t Was de blonde met de lange zijden lokken, die Maud zoo lang reeds vervolgde en die haar in de laatste dagen ook wist te vinden, de Adonis, dien Semeyns zocht, maar nooit aantrof!
Met de meeste zorg en dea hoogsten smaak was hij gekleed! Een fijne hagelwitte doek was om den hals gewonden en eindigde van voren op de borst in een strik met lange slippen. De jas, naar het midden toeloopende, daar een geteekende taille vormend en tot â aan de knie neerhangend, was van licht blauw laken; de opslagen aan de mouw van licht gele zijde, de passementen om knoopen â en knoopsgaten van goud; kanten manchetten kringden om de fijne polsen; het kamisool had de kleur van de jasopslagen, de broek, aan de knie sluitend, die van de jas; de geel zijden kousen sloten om een fraai gevormd been, de lage schoenen, door een schitterende zilveren gesp vastgehouden, om een kleinen veerkrach-ligen voet. Uit het hoofdhair en de handschoenen wasemde een welriekende, wel wat bedwelmende geur. De eene hand hield den â aan éen kant opgetoomden en met een enkelen reigerveer versierden hoed, de andere drukte de vingeren der vriendelijk glimlachende Gravin van Dorchester.
»Blijft ge Edward Jones Wellthorpe, of wilt ge Edward Jones Lord Fitz Gérald worden, wildzang?quot;
»Ik wil worden wat ik nog niet ben!quot; klonk het andwoord, nadat de fraaie mond een kus op de toegestoken hand had gedrukt.
»En dan die kleuren die je draagt, onverbeterlijke losbol?quot;
»Zijn, ik weet het, van de Williamieten, maar ik kocht mijn kostuum niet â ik won het â \'k Ben gelukkig geweest aan de speeltafel....!quot;
»En misschien nog ergens anders!quot;
»Ja . .. . dat kon Mylady wel eens geraden hebben! Zéér gelukkig ! Het liefste kind dat ik ooit zag! Een duifjen, en even â dom!quot;
»Kun je een oogenblik ernstig zijn?quot;
»Wat kan ik niet tegenover u, Mylady!quot;
»Uit Dublin, waar, Goddank, weer een Hof is, schreef men mij, â¢dat je eenige weken geleden te Saint-Germain was geweest en er veel jonge kopjes op hol hadt gebracht, maar den eenigen kop, waarvan je dat het liefst hadt gezien, dien van ouden Jakob, niet. Deze is ook wat wantrouwend geworden en hij heeft er waarachtig wel reden toe! Toch geloof ik, dat hij in zijn hoofdstad Dublin â bet oude leventje weer begint en er weer te veel gunstelingen
259
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
op na houdt! Ik heb tegenover hem je partij genomen. Je toekomst is in m ij n handen gf steld, daar ik hun daar ginder beduidde dat »Uw Lordschapquot; het winnen waard was.quot;
ȟw Lordschap! Wat ben ik er nog verre af! Neef Rob houdt de goederen, die hij door Jeffreys kreeg, nog maar wat te goed vast. Ik haat hem als de pest; ik moest hem eigenlijk liefhebben als mijn voorbeeld. â De Tory is Whig geworden en nu in gunst bij den Overweldiger.quot;
»Als jij, die Whig was zoo als je vader, nu maar eens een goede Tory kon worden, vurig als een nieuw, behendig als een oud bekeerde!quot;
»Aan uw voeten word ik alles. Ik kus in den geest al Koning Jakobs vingertop en al de teenen van al de Heiligen.quot;
«Vaarwel dan. Lord Fitz-Gérald!quot;
»Heb ik er veel voor te doen? Zeker wel. Lady Dorchester!quot;
»Blijven wonen, voorloopig altans, waar je \'t nu doet, of verhuis je, me daarvan kennis geven; je alleen Mr. Jones noemen; hier niet meer overdag komen; weinig drinken .... nog minder praten en je een paar uur iederen dag oefenen in \'t gebruik van zwaard en pistool! Zijn je dertig guinjes in de maand ook te veel V\'
260
»Wat zeg je? Aan een anderen kant van Londen gaan wonen? Neen....! neen....! dat doe ik niet!quot; zei Maud driftig, terwijl zij den Kaptein met een donkeren blik aanzag.
Deze was juist thuis gekomen van zijn morgen-bezoek in Dor-chesterAowse, had ter nauwernood gegroet, den hoed met heftigheid op de rustbank neergeworpen, met groote stappen het kleine ver-trekjen heen en weer geloopen en toen zijn besluit meégedeeld, â dat de wrevel der andere in zulk een hooge mate had opgewekt. De toon, door beiden in de laatste oogenblikken aangeslagen, was geheel in strijd met dien in vorige dagen vernomen, maar kwam dien der laatste weken tamelijk nabij.
Van lieverlede was de toon scherper geworden en had ieder â dier twee het voor zeker gehouden, dat betere bekendheid met eikaars gebreken daarvan de eenige oorzaak was. »Hoe weinig gemoed heeft ze! Hoe weinig gevoel van betamelijkheid! Hoe scherp altijd, indien ze in haar meest zoo kinderachtige begeerten wordt gedwarsboomd!quot; zoo klonk sedert weken een inwendige stem in z ij n binnenst, meestal echter spoedig overdekt door een andere, die de tolk was der steeds geprikkelde zinnelijkheid. »Wat brom-mige oude! Wat saaie paai, die niet meer weet wat genieten is en een jonge mooie vrouw diets wil maken, dat zich vervelen eigenlijk het ware is! Wat huichelende zedemeester, die alléén denkt te weten wat goed en kwaad is!quot; zoo had zij vaak geoordeeld. En in de laatste dagen kwamen er nog andere, veel gewichtiger overwegingen bij. Ze kon niet begrijpen, dat ze zich ooit door hem had kunnen lateij liefhebben! Wat stak die andere, met dat fijne blonde eigen hair, met die matte aristokratische gelaatskleur, die regelmatig schoone trekken, welke een voorname geboorte, een at-stammeling van een eeuwenoud geslacht, spelden, voordeelig bij den zwaar gebouwden, vaak zoo plompen burgerman af!
Haar ideaal van mannelijk schoon was geheel veranderd; daarbij deden de eischen van haar bloed zich luider dan ooit hooren en zochten ze vervulling en voldoening langs een anderen als den nu reeds platgetreden weg!
»Je wilt niet? Je zult!quot; riep Semeyns driftig na hare straks zoo krachtig uitgebrachte weigering uit.
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAUDE.
»Weer die meesterachtige toon! Je wordt hoe langer hoe beter katheehiseermeester!quot; klonk het, en het scherp lachjen, dat de woorden vergezelde, gaf er iets sarrends aan.
gt;Ware ik waarlijk wat je me denkt te zijn, dan liet ik je opsluiten in een verbeterhuis!quot;
» Wat?quot;
Het scheen dat de woede haar niet toeliet meer te zeggen. De vonkelende blik en de niet te beschrijven smadelijke lach, die langs de saamgenepen lippen gleed, getuigde echter voldoende wat het gehalte zou zijn geweest der woorden, indien ze ze had kunnen uitbrengen.
Eindelijk scheen zij dat toch te kunnen. Met heesche stem klonk het afgebroken, hortend en stootend: sDenk je me nog het kind» dat je de prachtige hairen afsneedt en dat dit duldde? Je hebt het mis .... ga heen .... je verveelt me!quot;
Een rilling liep door zijn krachtige gestalte. Het woord was gesproken wat hij reeds meermalen op haar lippen had gevreesd te zien zweven. Hij verveelde haar; hij, die bijna geen uur van vrede had gekend sedert hij haar had leeren kennen, sedert hij door haar werd aangelokt; hij, die het edelste wat hij had gehad, voelde wegdor-ren onder haar omhelzingen, die het heiligste haar ten offer had kunnen brengen, ontving tot loon het schamper woord: je verveelt me! Dat waagde een vrouw te zeggen... een vrouw, zoo als zij er eene was!
Nog onder den indruk van het straks gevoerd gesprek met de verworpelinge, die haar geschandvlekten naam met het blanketsel van een adellijken titel trachtte te bedekken, vond hij dezelfde oneer hier, welke hem ginder met zooveel minachting vervuld had. Hij bleef voor haar staan; hij legde den stevigen knuist op haar blanken molligen schouder, maar niet om dien te stroken, waarlijk niet; want de getroffen schouder helde over onder den geoefenden druk.
»Bood de hleeke melkmuil, dien ik je verbood aan te zien en die hier dikwijls komt als ik er niet ben, je meer? Hoeveel wel? Misschien, dat ik tegen hem op kan in \'t bieden!quot;
Maud sprongen de tranen in de oogen. Waren haar weinige weken vroeger zulke woorden toegevoegd, ze zou hebben uitgeroepen: »dat is laag!quot; en daardoor bewezen hebben boven een laagheid verheven te zijn. Thands evenwel was alleen de plompheid, waarmeê de neiging voor een ander haar als een laagheid werd voorgesteld, de oorzaak harer tranen. »Hoe ik hem haat!quot; bruischte \'t in haar binnenste.
Zij snikte en dezelfde uitroep, in de keel gesmoord, weerklonk nog krachtiger in het hart.
Semeyns zag alleen de tranen, zag alleen de beide handtjens, die haar droef gelaat bedekten en van die handtjens de schoon gevormde vingeren, die hg zoo vaak had voelen schuil gaan in de
262
DE KAPTEIN VAN 1gt;E LIJF GARDE.
zi)ne; zag alleen den zwoegenden boezem, van welken door den druk zijner hand het beschermend plooisel was afgegleden. »Maud! Maud!quot;\' riep hij op gants anderen loon. »Wij zijn op een gevaarlijken weg! Niet verder! Keeren we om! O, ik heb .je zoo lief! De jaloezy doet me als een krankzinnige handelen. Ik kan niet buiten je â Maud, dioog die tranen af! Ik kan je niet zien schreien! Maar beloof me dun dien ander niet meer te ontvangen ... hier in mijn woning... in ónze woning!quot;
»Maar wie zei je dan toch, dat ik dat deed?quot; vroeg de behendige.
Dat zij eensklaps zoo bedaard, zoo koud zelfs tegenover zijn bartstochlelijke betuigingen, zulk een vraag kon, ja durfde stellen, bewees wel, dat Semeyns den vinger aan de wonde had gelegd; bewees wel, dat het verleden voor haar was voorbij gegaan met tal van lieflijke herinneringen, maar ook, dat straks de uiting barer smart een gants andere oorzaak had als zijn toorn.
»Deê je \'tniet, liefste? O! dan was ik wél hard tegen je. Deê je \'t niet? Andwoord mij, oog in oog en hand in hand!quot;
Hij was voor haar neergeknield; hij staarde haar in de oogen; hij hield haar beide handtjens in de zijne geklemd. »And woord me nu, Maud, mijn Maud! Deê je \'t niet?quot;
Ze was angstig; zij was het door hem. Zij rekende hem dat als een schuld te meer toe. Ze verzamelde al haar kracht en zei met forschheid: »Neen!quot;
»Ik dank je!quot; Hij haalde haar hooftjen naar zich toe en bedekte haar nog pruilend mondtjen met kussen.
»Je hadt dus geen enkele reden om zoo iets van me te denken! En je verwijt klonk toch zoo scherp!quot; stamerde zij. De opmerking bewees, dat zij de volle heerschappij over de aangeboren slimheid behouden had.
De rollen waren geheel verkeerd; de man, die van dat alles niets bespeurde, was naïef kind geworden; het vroegere kind een volleerde intrigante ....
»\'t Was dus alles inbeelding en op zoo\'n zwakken grond veroordeelde je mij....!quot; vervolgde zij. De beschuldigde had zich volkomen opgericht en was de aanklagende geworden.
»Is er liefde zonder ijverzucht?quot; vroeg de ander, die haar in de armen had genomen en als een lichte donzen veder naar de rustbank droeg, waar hij zich nederzettede naast haar. »Och, ik ben zoo rampzalig geweest; weken, weken lang! Ik verkropte mijn verdriet,.. Ik lijd zoo veel! Maud, maak mij het leven dragelijk...! Maak toch dat ik alleen aan jou denk... aan je liefde ... daaraan alleen...! Willen we samen naar Barbados gaan? Als ik om een Goeverneur-schap vraag, dan geloof ik zeker dat ik het krijg .. .quot;
»Straks wilde je me meönemen naar den anderen kant van de stad ...
263
UE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
»Ja, want Kingstreet is lt;e ver van de Residentie Zijner Majesteit, veel te ver van Holland-//ouse___quot;
»Was dat de eenige reden waarom je verhuizen wou?quot; vroeg ze met den vinger dreigend.
»Neen; ik wil even opi-echt als jij wezen; ik wilde je uit dezen hoek der groole stad voor goed van daan hebben.quot;
»Ik weigerde dat al; en nu wil je me nog verder, naar de wilden zelfs geloof ik, voeren! Je hebt me wél lief!quot;
»Ik dring er niet meer op aan, Maud! Ik gevoel \'t, \'k was zelfzuchtig .... maar ik zal me beteren, liefste! Ik zal dadelijk toonen dat het me ernst is. Ik had vast besloten je met me meê te nemen en in, de nabijheid in kwartier te brengen .... Maar dat wil ik nu niet meer . .. .quot;
»Daar ben ik blij om.... Maar waarom dan toch straks dat humeur? Waar ben je van morden geweest? Je vertelde me vroeger altijd waar je naar toe ging â ten minste ik geloofde dat je dat deedt. .quot;
»Zeker! zeker!quot;
»Maar van morgen zei je me niets.quot;
»Je vroegt me ook niets; dat deê je in de laatste weken niet meer. \'t Scheen wel, dat het je niet veel meer schelen kon ...!quot;
»Begin je weer?quot; vroeg ze met een schalkschen blik. «Nu, waar ben je dan geweest?quot;
»Bij Kate Sedley, bijgenaamd Gravin van Dorchester. . .
»Poei!quot;
»Ook jij! Dat »foeiquot; klinkt heerlijk van die lieve lippen! Ja, een gemeene vrouw! In \'t sljjk tredend, wordt de voet zoo gauw met slijk bespat. Ik geloof, dat ik er iets van meêbracht toen ik hier binnen kwam.quot;
»Ik hoop dat je er nooit weer naar toe zult gaan. Neen, ga er nooit weer heen! Beloof me dat nu eens...? Wat jouwde het volk haar uit! \'t Moet een heel leelrjke vrouw wezen, al heet ze ook van adel.... Ziet ze er erg gemeen uit? Tóch prachtig, hé? Wat reed ze op dien middag bij White-hall in een mooi rijtuig... met de vier! Ze was de lief van een stokouwen man, werd me toen verteld. Wat een smaak! Karei, ik wil niet dat je er meer naar toe gaat...!quot;
»Ook jaloersch! Wat verheugt het me nu dat versleten vrouwspersoon bezocht te hebben.... 1 Nu blijkt me eerst recht wat er in je hartjen omgaat! Dag, lieve, lieve Maud, tot van avond!quot;
»Neen, neen, laat me nu niet alleen!quot; bad zij met den innigste n aandrang.
Hij was er verre van, de beweegreden tot zulk een bede te vermoeden. Hij hoorde er slechts de uiting in van de hartstochtelijke liefde, die, een wijle in de eentonigheid van het alledaagsche leven verdoofd, maar op de vuurproef gesteld, zich in al haar volheid en
264
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGAKDE
frischheid weder openbaarde. Met het grootste zelfvertrouwen, met een zalig gevoel van overwonnen te hebben en zeker te zijn van een blijvende zegepraal, sloeg hij haar bede om bij haar te blijven af en kuste hij haar vaarwel.
»\'tls of Onze Lieve Heer het wil!quot; prevelde zij, toen de buitendeur dichtsloeg en het geluid van zijn laatsten voetstap was weggestorven. »Als hij bij me gebleven ware.... vandaag.... dan zou Edward niet hebben kunnen komen en had ik mijn woord kunnen houden. Maar morgen dan? Och, dan had ik vergeten kunnen zijn wat ik den vorigen dag beloofd had.quot;
Ze dacht na; ze had een logen gezegd. Maar had ze dan niet al lang in hare handelingen gelogen? Nu was ze veel meer zich-zelve geweest dan weken te voren; nu had ze ten minste voor zijn aangezicht durven liegen. Durven! Waarom zou ze de keten niet durven breken, welke haar zoo ontzachelijk zwaar was gaan wegen ? Zie, daar stond de ander voor haar in een wit golvend kleed, in het midden door een gouden gordel vastgehouden, en aan de schouders wuifden twee sneeuwwitte vleugelen! Wat bevallige lach! Wat liefdegloed in de blauwe kijkers! Als hij de armen nu uitbreidde, dan zou ze zich niet kunnen weerhouden zich er in te werpen. Zij lachte een oogenblik later zich zelve uit om de zotte zinsbegoocheling...
»Dat is nu de prins uit mijn sprookjen! Zou hij \'tlang blijven?quot; â vroeg ze zich af.
Wonderlijk wezen! Er begon zelfkennis te komen, maar die leidde in \'t geheel niet tot zelfbeheersching.
De kamerdeur werd zachtkens geopend en het loopmeisjen van moeder Hopps sloop op haar kousen binnen en lei een smerig stuk papier op het hoek-tafeltjen neer. Maud merkte \'t niet eens op.
»Ik ben bang voor zijn soldatenwoestheid,quot; prevelde zij nu. Was â¢dat het and woord op de vraag, welke zij zich misschien in het binnenst gedaan had: wat ze dan nog wel voor den ouden minnaar gevoelde? »Ik heb wel alleen durven vluchten toen ik dacht hem lief te hebben!quot; en bij die woorden zag zij naar de deur, welke naar de trap voerde en langs deze den weg opende naar de straat.
Wat schok! \'t Was of een slaapwandelende eensklaps door ruwe aanraking gewekt werd! De deur was opengegaan .... Een Lady in rijke kleedij stond op den drempel en breidde de armen naar haar uit.
â »Auntie! Auntie.\'quot; riep Maud, en opgetogen viel zij de binnentredende om den hals.
f t
Ze-U
\' Y
265
. V.
VI.
«Eindelijk gevonden!quot; zeide Auntie, toen de hartstochtelijke liefkozingen een oogenbllk werden gestaakt. »Hoe heb ik je gezocht, maanden, maanden lang! Maud, laat ik je eens goed aanzien ... T Je ziet er veel krachtiger, veel beter uit... of neen . .. beter niet, sterker wel.quot;
Maud keerde even het hoofdtjen af. \'t Bleek der andere niet ontsnapt te zijn. Deze nam toch het blozend gezichtjen tusschen beide handen en keek het nogmaals lang en doordringend aan.
»Maud, heb je Stevens\' huis vrijwillig verlaten?quot;
»Zeker; dwingen laat ik me nooit!quot;
Auntie trilde; die toon was haar vreemd. De inwendige ontwikkeling had zeker gelijken tred gehouden met de uitwendige. Auntie had te veel levenswijsheid en ervaring om nog een oogen-blik te kunnen twijfelen,
»Kind! Kind! moet ik je zóó terugvinden!quot; kreet ze met diepe smart.
Maud was bewogen; die stem herinnerde haar hare kindschheid, en die kindschheid, ze gevoelde \'t donker, had iets gehad wat nu werd gemist.
d Auntie .. .! ü moet niet zóo tot me spreken.... Wat deed ik dan voor kwaad?quot;
»Als je in den eenvoud van vroeger die vraag doet, dan.... ben je mijn lieveling gebleven, al zondigde je ook tegen de vormen der...quot; eerbaarheid wilde ze zeggen, maar het woord kwam niet over haar lippen, sal overtradt je ook de wetten der welvoegelijk-heid. Waarom ben je van Stevens weggegaan?quot;
»Omdat de jongen van ouden David mij geen rust liet.quot;
»Waagde die vileyn. . .? Mijn stalzweep zal hem er voor straffen...! Maud, je deedt braaf; je handelde zooals ik, ware ik tegenwoordig geweest, gewild zou hebben dat je deedt.quot;
»Ik bad een afkeer van dien jongen en had den Hollander lief, dien ik bij vader David had leeren kennen.quot;
»En je volgde hem. ..? en je bleeft bij hem? O!quot;
DE KAPT RIN VAN DE LIJFGARDE.
Bij dien uitroep was ze van de rustbank opgesprongen en liep. ze gejaagd het vertrek rond.
»Het vreeselijkste is dus waar! Het heeft mij getroffen...! De ellendeling, die misbruik heeft gemaakt van de argeloosheid van een kind â want een rein onschuldig kind was ze: daarvoor toch. zorgde ik! Macht! Macht!quot; kreet ze met gedempte stem, »macht om hém te kunnen straffen, te kunnen pjjnigen, die mij pijnigt..ïquot; Maar welke macht zou dat wel kunnen! Hij daar boven zeker niet, die maar alles toelaat!quot;
Maud had haar eerst verwonderd, toen wel wat geërgerd aangestaard. Aunties eerst zoo vriendelijk gelaat had een uitdrukking van terugstootende hardheid aangenomen. Maud had eerst nog oog; gehad voor de paerels in het glanzende zwarte hoofdhair en voor den gouden band aan den arm, maar al heel spoedig alleen acht moeten geven op den toorn, welke van zooveel minachting jegens-haar getuigde. Ja, van minachting! Was haar hand, straks nog zoo teder gevat en gedrukt, niet heel ruw weggeslingerd ? Had haar voet niet een schop gevoeld, dien de puntige hak van het schoentjen, plotseling neergezet bij het opspringen der doldriftige, haar bad toegebracht? Auntie, met moeite gaf ze haar nog dien naam, had nooit zoo snerpend tegen haar gesproken.
Maar Mauds verbazing, Mauds ergernis zou nog klimmen, want daar klonk het hard en bevelend:
»Werp een overkleed om, en volg me! Je neemt niets meê van wat hier is, al werd het je ook geschonken. Zelfs de kleeren, die je-aan hebt, zal ik hem terug doen zenden. Hoor je niet wat ik zeg?quot;
Maud bleef haar aanzien, maar bleef dat zittende doen.
»Ben je doof? Ik wil dat je dadelijk met me gaat. Je zult me niet meer verlaten. De tijd is gekomen waarvan ik vroeger sprak.quot;quot;
»Waarheen wil u me voeren ?quot;
»Heel ver van hier . . . waar niemant je kent; waar men licht vergeet en vergeten wordt. We hebben geen tijd te verliezen ... Mijn draagkoets wacht.quot;
»Ik kan niet met u gaan.quot;
»Je moet; je hebt een reinigings-bad noodig ... en een andere-lucht. Ergens in de bergen zal er wel een plek zijn , waar frisch water is en een zuivere lucht ook.quot;
»Ik dank u ... Ik heb mijn eigen weg moeten zoeken en ik vond dien, Aunl /quot;
»Noem je dat een eigen weg? Een mestvaalt!quot;
»Goed! Maar ik blijf er op zitten, \'t Bevalt er me heel goed.
De andere sidderde, \'t Was of zij zelve zoo iets wel eens had gezegd, of \'t zou hebben kunnen zeggen.
»Ontzettend!quot; klonk het heftig. jgt;Kon ik maar denken, dat ze-gek was! Beter in het dolhuis dan hier. ..!quot; Ze wendde zich hoog-
267
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
Jmrtig tot Maud: »Ik heb het recht je verblijf te bepalen... Je â werd mij toevertrouwd.quot;
»Ik geloof er niets meer van. Nog eens: ik ga mijn eigen weg.quot;
»Maud, ga meé ...! Het is tot je best!quot;
De dreiging werd prijsgegeven voor de oodmoedige bede.
Maar Maud bleef ontkennend het hoofdtjen schudden.
»Ik heb de tederste rechten op je!quot; riep de andere nu in rade-loozen angst. Zij greep Mauds hand, boog zich tot haar over, stokte, maar riep eindelijk: »ik ben... ik hen je moeder... Maud!quot;
»Dan heb ik er nu twee!quot; werd er stug geandwoord. »Sally is â¢afgedankt en het werd tijd; die begon ook te kommandeeren!quot;
»Kind, ik ben je moeder, geen pleegmoeder. Ik liet je groot brengen ..
»Bij boeren, bij het kroos in de sloten, midden onder konijnen, .honden en kippen . .. natuurlijk dat ik van hen leerde . ..quot;
gt;Ik betaalde ruim voor je; niets mocht je ontbreken .... rein moest je opgroeien ...quot;
»Kon ik dat dan niet bij u? Of... schaamde u je over mij? â Ja, dat zal wel zoo zijn. De Kaptein zei \'tme eens, toen ik nog â dacht dat hij jong was ... en ik ben \'t gaan gelooven ...quot;
»Voel je dan niet de inspraak van het bloed . ..?quot;
»Voelde ü dat? Waarom mij daar dan uitbesteed?quot;
Auntie sloeg de hand aan het klamme voorhoofd. Welk een smaad wierp dat koude kind haar tegen!
gt;Ik zal je redden . .. tegen je wil dan! Ik ben nog bijtijds gekomen! Je bent nog minderjarig... De wet geeft mij rechten... O, dat ik zoo tegen mijn kind moet spreken, het liefste, het eenig lieve dat ik had! Maud, dat ik je verre van mij liet opgroeien, het was zelfopoffering â het was een grievende smart voor mij, maar \'twas goed! \'twas noodig voor je, mijn aangebedene!quot;
Zij was bij haar neêrgeknield en strookte haar de wangen.
»Als u je niet over mij schaamde, waarom heeft u me dan niet bij u gehouden? Waarom mij dan voorgelogen dat mijn ouders â dood waren? Waarom deed u dat?quot; klonk het koud.
Dat niet te kannen zeggen, het was vreeselijk! Kate liep zwijgend het vertrek op en neer. Zou ze alles bekennen? Maar dan zou dat â¢eenzijdig verstandige kind oprijzen en haar rechter zijn! dan zou ze alle heerschappij over haar verliezen. .. dan zou ze moeten vluchten en alléén en voor altijd! Wat te doen? Hoe te spreken â om gehoord en verhoord te worden?
De trap kraakte onder een haastigen en zwaren voetstap. Maud herkende dien. Semeyns was veel vroeger dan hij gezegd had, terug gekomen... Uit wantrouwen? \'t Zij: tóch was hij welkom. Het â ergste dat ze zich dit oogenblik kon voorstellen, was de bevelende Auntie te moeten volgen naar den eenzamen top van een berg.
268
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE,
Semeyns stond in de kamer. »Is er een brief...?quot;
De vraag bestierf hem op de lippen toen hij zag wie bij zijn Maud zich ophield.
«Gravin van Dorchester!quot; stamerde hij.
Het andwoord, dat Kate Sedley aan haar kind niet kon geven, had daar van onverwachte zijde geklonken. Kate had een stoel gegrepen om niet neer te vallen; gelukkig dat ze den rug toekeerde aan Maud, die op de rustbank zat, roerloos, als versteend, met wijd geopende oogen.
»Ha, ha, ha!quot; lachte deze eindelijk, »dat is nu mijn moeder!quot;
Die lach snerpte door de lucht, en tegelijk scheen wel een giftige angel de beide anderen in het hart te treffen.
Kate Sedley had zoo iets óok kunnen zeggen! Zij moest het ia dat vreeselijk oogenblik zich zelve bekennen, en dat ze dat moest verzwaarde nog de folterende pijn. De overmacht van deze bracht haar evenwel te spoediger tot haar zelve terug.
»Ik kom mijn kind opeischen,quot; klonk het hoog. »Van een belooning voor den liefderijken verzorger spreken wij later.quot;
Semeyns sloeg de oogen neder voor den basilisken-blik, die hem tegenvonkte.
»Toen ik nog niet wist hoe zij heette, zei ik al, dat ik niet met haar mee zou gaan!quot; Met deze woorden rees Maud op, trad naar Semeyns toe, en lei haar hand op zijn arm. «Waarheen je wilt hebben dat ik ga, zal ik gaan. Mijn moeder wil me ergens in de bergen brengen en bij me wezen om me te reinigen ... ik moet vergeten worden... Ik geloof dat ik er heel gauw alleen zou zitten ...! Daar ook bij me te blijven, als men in Londen een vierspan heeft. . .!quot;
»Niet meer! Niet meer!quot; hikte haar moeder. »Mijn rijkdom is de uwe ... ga met mjj naar Dorchester/iouse â blijf daar dan bij mij . . .quot;
Semeyns\' arm drukte dien van Maud.
»Wees maar niet bang dat ik je verlaten zal,quot; zei Maud tot hem. »Ik blijf bij mijn huisdieren â \'t zijn dezelfde wel niet, die Mylady mij voor haar geld jaren lang bezorgde .. .!quot;
»Maud, hoe kun je zoo spreken, in zulke oogenblikken!quot; riep Mylady.
«Weer een les! En ik kon de vroegere al zoo moeielijk verdragen, hoewel ik toen nog niet wist hoe de schoolmaitres heette ...quot; Marmerbleek werd eensklaps haar wang; haar lippen verstijfden; had Semeyns haar niet met de armen omvangen, ze zou neergeslagen zijn.
»Een dokter!quot; riep Mylady.
«Geen opschudding!quot; klonk het ernstig van Semeyns\' lippen. »Ik zal u spoedig laten weten hoe ze gestemd is, als ze weer tot bewustzijn komt. .
26»
DE KAPTEIN VAX DE LIJFGARDE,
\'t Was een beleefde wenk om te vertrekken. Alsof hij dien nog niet duidelijk genoeg achtte, opende hij, na Maud op de rustbank gelegd te hebben, de deur en leidde hij Mylady de trap af.
Zwijgend en verslagen volgde zij hem. Onder den zijden doek, â dien zij over het hoofd had geworpen, werd een ingehouden snikken gehoord. Op den dorpel der buitendeur fluisterde hjj: »ik heb medelijden met u!quot; Een enkelen blik slechts ving hij op; maar â die blik deed hem huiveren en tevens zich beschaamd afwenden.
Toen hij zijn woning weder binnen was gegaan en juist de deur wilde sluiten, hoorde hij terzijde van den draagstoel fluisteren. Hij «tak door een kier even het hoofd naar buiten. De blonde melkmuil scheen Kate Sedley te kennen â geen wonder waarlijk! â â en haar iets gezegd te hebben, wat juist niet aangenaam scheen geweest te zijn, want het zijden gordijntjen werd met een driftigen ruk dicht geschoven en de dragers ontvingen een norsch bevel om voort te gaan.
De aanstaande Lord Pitz Gérald had toch alleen maar aan Kate gevraagd: »hoe ze zijn duifjen zoo gauw had gevonden?quot; Hij bad geen andwoord ontvangen. Hoe lomp! Begon zoo\'n kreatuur ook al preutsch te worden? Wat het ongeluk al niet doen kan! Ah bah! hij zou het duifjen eens vertellen, dat Kate voor het oogen-blik altans geen goed gezelschap voor haar was. Hij wendde zich -om en zag naar boven; de gordijntjens waren dicht geschoven; \'t was het afgesproken signaal om binnen te komen. Hij liet den klopper zacht vallen. De deur ging schielijk open en Semeyns â hij vermoedde ten minste dat die \'t was, want goed aangezien had â hij hem nooit â stond voor hem.
«Duizend maal verschooning, Sir!quot; zei hij, den innerlijken schrik â verbergend met een zelfbeheersching, tot welke hij door weinigen in,staat werd geacht. »Ik vergiste mij: ik moet hier naast zgn. De draagstoel van Lady Dorchester bracht mij in de war ..
Semeyns had weinig van de verontschuldiging gehoord; hij smeet â¢de deur dicht en holde naar boven. Maud scheen reeds tot bewustzijn gekomen en had een harer handen aan de oogen gebracht. Een zenuwachtig nokken getuigde alleen nog van den schok, dien zij ontvangen had. Hij gunde haar gaarne de rust, waaraan zij behoefte had. Zijn oogen zwierven in het rond en vonden het straks op de tafel neergeworpen stuksken papier. Op weg naar Holland-house was hij een zijner luitenants tegen gekomen, die hem had medegedeeld, dat een brief uit Holland, na lang te hebben omgezworven, eindelijk aan een der kazernes vertoond, daar aangenomen en dadelijk naar Kingstreet was bezorgd.
Een brief uit Holland!
De grond scheen onder Semeyns\' voeten weg te deinen. De Lui-â¢tenant deed den voorslag voor hem dienst te doen en verlof daar-
270
DE KAPTEIN VAN DE LIJFGARDE.
toe van den Kolonel te gaan vragen. Hoe daarin van gantscher harte werd toegestemd!
Dat verfomfaaide stuksken papier was zeker de brief. Waarom draalde hij er naar te grijpen? Een brief van de zijnen! Het was â of dat papier een aara omgolfde, die de zjjne afstiet. Hij stak de hand nit, en \'t was hem of ze terug werd geduwd. In geen weken had hij iets uit Amsterdam vernomen ... De laatst ontvangen brief was bijna het lezen niet waard geweest en had alleen de mededeeling ingehouden van den stand der kas, die vrij bevredigend was, van aller gezondheid, van de vroolijkheid der kinderen, vooral van Ernst, maar had geen spoor getoond van een verlangen naar zijn terugkeer! Die vrouw had hem nooit liefgehad, had nooit haar hooge afkomst kunnen vergeten . ..! had hem genomen uit spijt over het niet-spreken van een of ander hooggeplaatste, voor wien zij liefde koesterde ... uit de zucht misschien om een reputatie te herwinnen, die op weg was verloren te gaan. ..! Foei, dat zulke gedachten weder bij hem opkwamen en juist nu . .. ten aan-schouwe van dien brief! nog erger! Daar rees in het diepst zijns harten nogmaals de vraag: »is \'tooit liefde geweest wat ik voelde V Dreef de eerzucht me niet tot de Admiraalsdochter en voltooide toen de jaloezy niet wat de eerzucht begonnen was? Maar de kinderen dan ;\'ie ik heette lief te hebben meer dan mij zeiven? Maar Brechtjen, het lieve edele kind, met den lichtkrans der reinheid om het zoo vriendelijk schoone hoofdtjen?quot; Hij bracht de hand aan het hart en ademde moeielijk. Had hij de laatste maanden meer zulke oogenblikken doorleefd als deze, dan was \'t voorwaar |rr^ niet vreemd, dat zijn gelaat een uitdrukking van matheid vertoonde, dat de droefgeestigheid haar stempel op zijn geheele wezen had gedrukt!
Weg, weg, neerdrukkende, afmattende, vernietigende gedachten! Het leven bij oogenblikken genoten! In den roes van den hartstocht, die zulke heerlijke lusthoven kon tooveren, voortgeslempt en voortgedroomd!
Maar nog altijd ligt daar die ongeopende brief! Onmannelijke vrees!
Daar heeft hij het papier in de hand, wier trillingen hij niet meester kan worden!
Hij leest: »Kaptein Semeyns in \'t leger Zijner Hoogheid bij Exeter of ergens anders in Engeland.quot; Het schrift was niet dat zijner vrouw. Zijn hand greep den rieten arm van zijn stoel vast. Hij beefde! Hoe de brief open kwam,wist hij niet, maar hij kon er in zien... »üw Brechtjenquot;, zoo luidde de onderteekening. Zijn oogen zwierven eerst over de regels, zonder te zien, maar verslonden die weldra.
»Lieve vader! wij zijn zoo in angst... moeder is zwaar ziek...
271
DE KAPÃEIN VAN 1)E LIJFGARDE.
ik geloof dat ze te veel voor ons heeft gewerkt. De Juffer van den aptlieker helpt ons oppassen; als moeder u maar zag, dan zou ze wel gauw beter wezen, geloof ik vast; moeder kan gelukkig niet lezen dat ik dit schrijf, want ze zei altijd dat UEd. het best wist wat goed was ..
Hij kon niet meer. Hij boog het hoofd: hij borst in snikken los.
Maud hief het hoofd even op. Ze was geheel tot zich zelve gekomen door de wonderlijke handelwijze van den Kaptein.
»Karel!quot; lispelde zij op den liefelijken toon, die vroeger zoo dikwijls gebleken had onweerstaanbaar te zijn, »Karel, ik ben vast besloten â ik ga nooit met haar wonen. Heb je me zóo lief? Nooit zag ik nog tranen in je oogen ...! Heb je er misschien verdriet van, dat zij mijn moeder isV Dat heb ik ook ... Had ik \'t maar niet bijgewoond dat ze uitgejouwd werd! Zoo heel veel kwaad heeft ze toch niet gedaan, wel? Lijk ik niet wat op haar? Zeg? Maar zij rijdt dan toch maar in een vierspan en heeft geld genoeg om menigen bepluimden hoed omlaag te doen gaan.^sKarel, kom naast me zitten. Als je me alleen laatquot; â zij zag hem naar zijn hoed grijpen â »en ze komt weer hier, dan zal ze me dwingen met haar te gaan... Karei, ik kan niet buiten je leven!quot; riep ze toen hij de deur had geopend.
Zonder iets te zeggen rende hij voort, de trap af, het huis uit.
Wat wilde hij? Hij wist het niet. Waarheen ging de tocht? :t Was hem onbekend. In zijn brein dwarrelden de gedachten als spattende gloeiende vonken! »Vader wist altijd het best wat goed was!quot; »Karel, kom naast me zitten...quot; »Als moeder u maar zag, dan zou ze beter worden ...quot; »Karei, ik kan niet buiten je leven !quot;
Voort tuimelde hij, stegen in, straten doorT)
»Weer een Hollander die topzwaar is!quot; meesmuilde een voorbijganger.
»Hoe eer de laatste van het soort weer de zee over gaat, des te eer branden we weer een vreugdevuurtjen! \'t Zijn rauwe klanten, die om God noch Zijn gebod geven, maar alleen om hun Prins...!quot;
2.En die weet ook, dat hij heel gauw de biezen had te pakken als hij ze niet meer om zich heen had!\'quot;
272
De Kaptein was den politizeerenden tinnegieters reeds lang uit het gezicht! Hij holde maar voort, tot hij gelukkig twee officieren van het Marcowitsche dragonderregiment ontmoette, die hem onder den arm namen en hem in het veel door de Hollanders bezochte chocoladehuis in de nabijheid deden neêrzitten en tot rusten drongen.
EINDE VAN HET EERSTE DEEL.
A
I