UIT
EDERLAND\'S
ï ETTERSCHAT.
JILâ.-âttsto
AMSTERDAM,
JAN LEENDERTZ amp; ZOON.
|
\'k â -\' â | |
|
- ⢠| |
UIT NEDERUND\'S LETTERSCHAT.
HIT NEBERLAl\'S LETTEBSCHAT.
COMISCHE EN HUMORISTISCHE FRAGMENTEN
VERZAMELD EN VAN EENE INLEIDING VOORZIEN
DOOll
Dr. JAN TEN BRINK.
AMSTEEDAM, JAN LEENDERTZ amp; ZOON. 1893.
INLEIDING.
Eono verzameling van comiseh-humoristische fragmenten, uit Nederland\'s letterschat sa;iingelezen, wordt den lezer in de volgende bladzijden aangeboden. De verzamelaar hield daarbij een zeer eenvoudig doel voor oogen. Aan eene bloemlezing uit den vollen overvloed onzer Nederlandsche letteren werd niet gedacht. Hier volgt alleen eene anthologie uit de werken dier kunstenaars, welke door vis vomica of humor uitmunten. Zulk eene verzameling kan waarde hebben in de oogen van hen, die eigenaardige nationale elementen in onze litteratuur erkennen en waardeeren.
Liefde voor het kluchtige, voor het lagere of hoogerc comische, ten slotte zich adelend tot geestige scherts, vroolijke kortswijl, bijtend vernuft of aangrijpenden humor, â ziehier eene der meest sprekende eigenaardigheden onzer nationale litteratuur. De Nederlandsche gewesten, Vlaanderen, Brabant, Limburg, Holland, Zeeland, het Sticht en de noordelijke provinciën, kenmerken zich van de middeleeuwen af in de letterkundige kunst door een duidelijk sprekenden nationalen aanleg: de ingenomenheid met het Leerdicht en de Klucht.
Het kon wel niet anders. De bevolking dezer gewesten was in hare ontwikkeling, in hare stoffelijke en geestelijke beschaving, afhankelijk van drie groote factoren: het ras, waaruit zij sproot; den bodem, waarop zij leefde; het tijdvak, de dagen van opkomst en bloei, die zij in volle krachtsontwikkeling genoot, of de perioden
IV
van stilstand en achteruitgang, die zij in onverschillige rust liet voorbijgaan.
Uit Frankisch, Saksisch, en Friesch ras gesproten, zou onze landaard vele neigingen gemeen hebben met de groote groep der Germaansche volken. Kenmerkend Germaansch ten onzent was immer de krachtige zin voor persoonlijke en gemeentelijke vrijheid. In de middeleeuwen vormen zich de rijke Vlaamsche, Brabantsche, Zeeuwsche en Hollandsche gemeenten, die een soort van hbme-rule afdwingen aan hunne landsvorsten, die met de Arteveldes te Gent, met Breydel en de Coniïtck te Brugge, zich gewapend durven verzetten tegen hunne feodale souvereinen.
Deze trek naar vrijheid van handeling en vrijheid van gedachte bereidt in de Nederlandsche gewesten den bodem, waarop de Protestantsche kerken, waarop het gebouw der Republiek, in de zeventiende eeuw, gegrondvest worden. Door onze geheele geschiedenis spreekt deze Germaansche trek immer duidelijker, na korte tusschenpoozen van stilstand en achteruitgang. Doch ook de bodem, in het algemeen de uitwendige physisehe toestanden, waarin onze landaard zich ontwikkelde, oefende niet minder grooten invloed op zijn beschavingsgang. Ons Deltaland, doorsneden van tallooze rivieren, stroomen, meren en moerassen, onze lage bodem, ons vochtig, guur klimaat, deden zich krachtig gelden. De natuur riep ons tot een gestadigen strijd tegen onze groote vijanden; de zee en de rivieren. In de worsteling om het bestaan werd onze blik gericht op de beste middelen, om het kleine grongebied, dat we bezaten, tegen den grooten vijand: het water, te beschermen. De Zeeuwen gevoelen dit het diepst, en schilderden op hun wapenbord den rooden liebaart worstelend met de golven, maar lier volhardend: Luctor et emeryo.
Daar de natuurlijke ligging van onzen bodem ons moest brengen tot zeevaart, groothandel en colonisatie, daar de poorters onzer vrijzinnige gemeenten zich hierdoor al vroeg groote rijkdommen verwierven, richtten zij hunne belangstelling op alles, wat nuttig kon zijn ter bevestiging van den veroverden bodem, de gewonnen vrijheid, den verworven rijkdom. Bij den eersten bloei der letterkundige kunst in de middeleeuwen was het niet de adel, waren het de poortersj
V
die het meest den toon aangaven. Met Maerlant en Uuendale begon liet vei\'zet tegen de schitterende schilderingen der uitheemsche ridderlijke kunst, en werd de liefde wakker voor alles, wat nuttige en bruikbare kennis zou kunnen aankweeken. En terwijl aldus de blik gericht werd op do practische belangen van het dagelijksche, stoffelijke leven, ontwaakte onder dien invloed tevens de nationale aanleg voor het comische. Onze Keinaert, onze goede boerden, de zotternijen en kluc hten onzer liederijkers, staven het oogenblikkelijk.
Na den grooten strijd der zestiende eeuw schijnt het, of het Calvinisme onzen oorspronkelijken aanleg zal onderdrukken, of scherts, boert en kortswijl voor goed over onze grenzen zullen worden verbannen. Maar reeds Marnix, een der geniaalste strijders voor onze Calvinistische hervorming, wedijvert met Erasmus in bijtend vernuft, om de oude kerk en hare dienaren ten bloedigste te vervolgen. Wel poogt het Calvinisme de dartelste en levenslustigste zangers â Starter, Bredero, Costeu âhet stilzwijgen op te leggen, maar merry old Amsterdam houdt met de drie genoemde geniale kunstenaars wakker den strijd vol, aanvankelijk gesteund door de satiren van Vondel. Een oprecht Calvinistisch dichter als Constan-tix Huygess schrijft zijne Sneldichten en zijn Trijntje Cornelia.
De oude lust voor Leerdicht en Kluchtspel wordt op nieuw geboet door Cats en de Catsianen ter eene zijde, door de tallooze Amsterdamsche kluchtspeldichters, met Bredero aan het hoofd, ter andere zijde. Schilders als Frans Hals, Jan Steen, Adriaan up. Brouwer, Ostade, Jan Miensen Molenaer en hunne volgers openbaren den Ond-Hollandschen zin voor comische en humoristische tafereelen uit het volksleven. De letterkundige kunst en de schilderkunst toonen beide in de zeventiende eeuw, toonen later in de achttiende met Langendijk, Van Effen, Troost, de Lannoy en Wolff en Deken, dat de aanleg van ons volk zich niet verloochent.
Ook in de negentiende eeuw spreekt de oude zin voor het nuttige en lachwekkende in de scheppingen onzer kunst, maar de hoogere beschaving van het tijdvak oefent een gewichtigen invloed. De grove boert der Amsterdamsche kluchten heeft hare aantrekkelijkheid verloren, het blijspel begint te kwijnen. Het Leerdicht
VI
handhaaft soms nog zijn ouden room, als Bil ueeijijk of Tux Kate zich aanmelden, de een met de Ziekte der Geleerden, dc andere met do Schepping en de Planeten. De liefde voor het comische verheft zich tot tijneren humor, in vertellingen, vertoogen of gedichten van mannen als Hildebrand, Jonathan, Klikspaan en van eene reeks opgewekte novellisten, te midden van welke de oude heer Smits, Lodewijk Müldek, J. J. Ceemer, de Veer, Gerard Keller, Justus van Maurik, en Wekumeus Bünixg zich onderscheiden.
Mr. J. van Lennep, zijn vriend de Schoolmeester, de studentendichter Piet Paaltjens, wekken nogmaals den schaterlach hunner lezers, de Génestet rekent op minder luidruchtigen bijval, wanneer hij ons plotseling in het hart grijpt door de roerende schildering van echt Hollandsch lief en echt Hollandsch leed.
Niemand zal beweren, dat cr buiten de genoemde auteurs geene Nederlandsche letterkundige kunst heeft bestaan. In de zeventiende eeuw weegt Vondel alleen op tegen een heirleger van platte kluchtspeldichters; in den overgang van de achttiende tot dc negentiende eeuw klinkt de machtige stem van Bilderdijk hoog boven de aardigheden van Kinker, Bruno Daalherg en Fokke Simons, in de negentiende staat Da Costa in dichterlijken gloed ver boven de grappige verzen van Oosterwijk Bruyn of Van Zeggelen ââ maar desniettemin blijft de Oud-Hollandsche aanleg tot schertsen, de liefde voor het snaaksche en boertige, geadeld tot geestigen jok en diepaangrijpenden humor, een echt nationale trek, dien geen geschiedschrijver onzer Letterkunde ooit zal miskennen.
Op grond dezer feiten wordt de volgende verzameling van comische en humoristische fragmenten aangeboden. Zij maakt geen aanspraak op volledigheid, daar in eene bloemlezing als deze geene uit het verband gerukte brokken van kluchten of blijspelen konden worden ingelascht. Eon onkel tooneel uit een drama geeft zelden een volledigon indruk van hot geheel. Door dit denkbeeld geleid werd do kous gevestigd op epische en lyrische stukken, die, zooveel als mogelijk was, een geheel aanboden. Bij de lyrische poëzie zijn
VII
enkele erotische gedichten van ITooft, enkele satirische verzen van Vondel opgenomen.
Het is te betreuren, dat de. keus uit de werken der auteurs dezer eeuw niet niet volkomen vrijheid kan geschieden. Tot groot leedwezen van den verzamelaar is het hem niet gelukt een fragment uit de Camera Ohscura op te nemen, hoewel zulk een fragment hier in de allereerste plaats in aanmerking kwam. De Camera is het prettigste aller Nederlandsche boeken dezer eeuw. De 011-sterfelijke Familie Stastok, de beproevingen van den goeden, dikken heer Rruis in Een oude Kennis, en de hatelijkheden van Nuuns in Een onaangenaam mensch in den JTnarhuiMer Hout bleven vast ieder Nederlander, welke ze kent, in het geheugen. Wie onzer lier-innert zich niet met de grootste voldoening de beminnelijke opgeruimdheid van IIii.debraxd, waar hij vertelt van het avondje bij oom Stastok, als mevrouw Dobbeen het âBhijutjequot; opzeg^»f waar hij het roeipartijtje schetst, door Pieter en Hildebrand ter eere van Koosje en Christientje ondernomen? Wie denkt niet met ontroering aan de smart van het stumperachtig diaconiebuis-mannetje Keesje, aan de stille tranen door de oude mevrouw Kegge aan haar liefsten kleinzoon Williaji gewijd? De familiën Stastok, Kegge en Witse zijn zoo zuiver Hollandsch, dat zij alleen met de Bürgerharts, de Leevends, de Blankaarts en de Wild-schuts kunnen vergeleken worden. Ondanks vele vertalingen kan de Camera Ohscura door geen vreemdeling genoten worden â alleen de Nederlander van geboorte zal dit kostelijk boek genieten, zoolang onze nationale samenleving de echt nationale kleur zal behouden.
Sloest tot mijne groote spijt dus een fragment uit de Camera achterwege blijven 1), ook weigerde men mij eenige echt nationale, Hollandsch gekleurde verzen van Potgieter in deze anthologie op te nemen. 2) Zeker hadden hier de Liedekens vun Bontekoe mogen
1) Door weigering der eigenaars vau liet kopijrecht. Erven JiOHN, te Haarlem.
2) Deze weigering ontving ik van den eigenaar van het kopijrecht, Dr. H. D. Tjeenk Willink, te Haarlem.
vin
opklinken met de jolige melodieën van Hooft, Bredero of Starter. Ze zijn door en door llollundscli niet een fijn artistiek element uit de zeventiende-oeuwsche kunst verbonden. Verneemt men Breêro uit liet aardige liedje van Roelfjen uit dc Bontekoe â Koeltje,
âNoch een fijn inennisten zusjen,
âNoch een bloode pimpelmees,
âWeet zij niets van angst of vrees âVoor een lianddruk, voor een kusjen:
âToch laat zij niet alles toe,
âRoeltjen uit de Bontekoequot;\' â
men denkt aan Hooft, als Potgieter Machteld bij het open venster, des avonds naar een minnezanger doet luisteren, Machteld, zicli bedenkend, of ze het venster zal sluiten:
âAls zij \'t venster nu ging sluiten,
âZou de minnezanger buiten âHaar in de onderkeurs bespiên.
âEn dra zocht zij, schaamrood, schuchter,
âMet de vingers om den luchter,
âAchter \'t saai gordijn te vlièn.quot;
Maar liefst van al herleest men het keurig liedeken van üieower-tje, als de jong getrouwde man na een jaartje zijne Dieuwertje vraagt, of ze nog aarzelen zou, als weleer:
âDieuwertjen heugt je nog de avond voor PaaschV âOnder dat wiegekleed giert onze Claes.
âAi, kus hem, cn zeg, zoo het nog stond te doen âOf jij nu wel aarzelen zoudt zooals toen?quot;
Van Busken Huet had ik alleen eone novelle uitzijn studententijd willen plaatsen, doch ook dit werd geweigerd 1). Ik had gedacht aan het vermaarde verhaal: Familie over, de geschiedenis van een student-Hagenaar, die familie overkrijgt, om dc bloeiende aloë in den Hortus te komen zien. Zoo mocht het mij ook niet gelukken eenige
1) Door den eigenaar van het kopijrecht, Dr. H. D. ïjeexk Willink.
IX
echte studentenverzen van onzen sympathieken Piet Paaltjens ter plaatsing te verkrijgen.
Zoo ooit, dan waren zijne Drie Studentjes hier op hunne plaats geweest. De klank van dit lied blijft onvergetelijk, in al zijne fijne schakeeringen van hoog dichterlijke, zilveren harptonen, naast de schetterende trompetstooten der opgewonden studentendartelheid. Wie zal Piet Paaltjens evenaren, als hij den meest weemoedigen, den meest verliefd gestemden zijner drie muzenzonen doet verhalen :
âEén fluisterde dan zoo teeder âVan een schoon blauwoogig kind,
âDat hij eens op een zoraer-concert zag,
âEn sedert had bemind.
âNooit, zeide hij, daalde de zonne,
âZóó blozend van wellust in zee,
âAls toen hij voor het eerst haar zag kijken,
âNaar de goudvisciijes van Couvee.
âNooit speelde \'t korps van Dünkler,
âDas Bild der Kosequot; zoo zoet,
âAls toen zijn blik den blikslag âDier bleeke roos had ontmoet.
âDaar lag in dien blik iets kwijnends,
âIets smachtends naar hij wist niet wat,
âIets dat, dacht hem, ook in \'t klagend âGefluit van den nachtegaal zat.
âEn hooger gloeiden zijn wangen.
âAls hij sprak van dat klagend gefluit,
âEn sneller dronk dan het drietal,
âOntroerd de glazen uit.
Voor het overige heb ik de meest gewenschte medewerking van de heeren uitgevers: A. W. Sijthoff, S. C. van Doesburgh, D. Bolle, Van Holkejia en Warendoef en H. A. M. Roelants â )
1) Die mij verguuniug schouk eeu fragment uit de Brieven van deu ouden heer Smits en eeu stuk van Lodewijk Muldeu te plaatsen, maar zwarigheid maakte vuur Piet Paaltjf.ns.
X
ondervonden, aan wie ik allen de verzekering mijner dankbaarste erkentelijkheid aanbied.
Daar er cene keus moest gedaan worden uit een groot aantal auteurs, zijn hier alleen opgenomen fragmenten van epische en lyrische schrijvers, die naar het oordeel van den verzamelaar er het meest aanspraak op hadden. Zijne bedoeling is evenwel geenszins, dat er buiten de zeven en twintig gekozen namen, geene andere bestaan, die hadden kunnen genoemd worden. Mocht deze bloemlezing van comische en humoristische fragmenten eenigszins in den smaak vallen, dan doet zich later allicht de gelegenheid voor er een nieuwe aan toe te voegen. En dan zoude er zeker eene keur moeten gedaan worden uit de werken van: P. van Limburg Brouwer, Helvetius van den Bergh, A. Booaers, H. Binoer, J. J. A. Goeverneur, J. 1\'. Heye, Klikspaan, de Bragadichters, (J. E. van Koetsveld, W. .7. van Zeggelen, .Toiian Gram, G. II. Eliot Boswell, C. van Nievelt, W. A. van Kees, Frits Smit Kleine, de dichters uit de kring van Piet van Os, W. Otto, P. Heering, J. II. Hoyer, en A. A. Beekman. Vooraf echter worden hier aan een elftal onzer tijdgenooten en aan een zestiental hunner groote voorgangers uit de XVI, XVII en XVIII eeuwen kortere of langere episoden ontleend, die zooveel mogelijk een denkbeeld kunnen geven van de wijze, waarop zich vroeger en later de nationale aanleg voor het Comische, het Kluchtige en Humoristische in onze letteren heeft geuit.
Mei 1893. Dr. Jan ten Brink
T.
HENDRICK LAURENSZ. SPIEGHEL.
11 Maart 1049â4 Februari 1012.
Uit: SOMMIGHE GhEDICHTEX VAN HENDRICK LaUREXTSZ. SpIEGHEL in: Brabbelixgh yax Koejier Vissciier. f Amsterdam: Bij Willem Junsz. op \'t Water, in de Sonne try ser, 1614, 12\'\'.
I
UIT NEDKKLANn\'s I.ETTEI1SCHAT.
1.
I\'obert, die can een yeder begrypen,
Hy eau Tiet bedisselen en Styn beslypen:
Hy siet dat Goossen quaet, en dat Hil verkeert is, Uat Pieter mal en dat Jan ongeleert is.
Dat Nel qualyck hoort, dat Weyu qualyck spreekt: Somma hij weet wat dat Trijn ghebreeckt:
Ghelyck Momus soo begrypt hy elck bysonder. En dat men om hem lacht, dat gheeft hem wonder. 2.
.Nel is verwondert, daer haer Speelnoots trouwen. Dat sy onghehuwt haer leven verslijt,
Sy is lelijck en quaet, soo elck mach schouwen: (reeft het u vreemt, dat haer niemant en vrijt Maer sy is seer rijck, dit is dat haer spijt:
Dan ick acht sy huwt noch in een Jaer niet:
W ant haer minder en acht sy niet een mijt,
Hnde haers ghelijck die en acht haer niet.
3.
De Schipper spreeckt van schepen en touwen : De Coopluy spreken van haer bedrijf:
De .Boereu van haer landt te bouwen: De Advocaten spreken vant ghekijf:
4
De Herder vant vee en zvn g-herijf: De Crijchsluy van vechten, stormen en schansen, Maer de vryers van lacclien, soenen en dansen.
4.
In u alleen is al mijn ruste:
In u alleen is al mijn luste;
In u alleen is al mijn vreucht:
In u alleen is mijn verblven;
In n alleen is tallen tyen
]\\[ija hlyschap. vrede en gheneucht.
5.
Het vryen en can iek niet volprysen.
Al hen ick een heelen dach by myn Lief, Wy hebben veel verscheyden devysen.
De tyt ontloopt ons ghelijck een Dief,
Haer byzyn behoet my voor miskief *)
De dach dunckt my een uur warachtich,
Spreeckt my yemant aen, \'tis ongherief, Ick swijch heel stil of ick spreeck malachtich. Mijn voorgaande reden niet ghedachtich, Ick varieer in mijn woorden telcker stont:
Maer als ick by haer ben, die seer crachtich, Mijn jonghe herteken heeft deur wout,
Soo vloeyen de woorden uyt mijn mont. Wy souden wel quot;t samen een gants Jaer kallen. En cussen en lacchen, en jocken goet ront, Hondert Jaer soud ick soo wel met haer malleu En het scheyden sou my dan noch swaer vallen.
*) Frausch: méchief, mé chef: ongeluk, ongeval.
O 6.
Laet de Schippers en Bootsluy jN\'eptuniiin eereu;
Laet de Crijchsluy Marti sacrifieeren:
Laet de Waerseggers Phebo dienen playsant:
Laet de Jaghers Dyanaes eer vermeeren:
Laat de Consteuaers Minervam adoreeren:
Laet de Boeren Cereri en Baccho doen ofi\'erhant;
Laat de Princen en Bidders int gantsche Lant,
Castors en Pollux eere betrachten:
lek wil Venus en Cupido nae mijn verstant
Eeren en dienen met al mijn crachten;
Dus wondt oock mijn Lief ken met uwe schachten.
7.
HET LOP VAN DANSEN.
(Fragment).
Verscheyden luy prysen verscheyden hanteringe, Sommige wijsheyt, const, ofte goede leeringe.
Andere prysen vechten, stormen en schansen.
Het lof der sotheyt hoort men oock verbreen; Eenighe prysen een kerker of een blaeuwe scheen : Comt hier en hoort het lof van dansen.
Langh heb ick ghetwyfelt of ick \'t sou verswyghen, W ant men can haest deur spreken hinder cryghen: Oock ist een sware last voor mijn swacke schoudren, Om nu te bevvysen bey voor leeck en clerck,
Dattet dansen is een pryselijck werek.
En datmen eerlijck ghedanst heeft by den oud1 ren.
6
Menich aclit mi het dansen voor quaet en voor sonde, l)us sal liaer vreeint clnncken, \'t geen dat ick vennonde Als poghende, quaet oft sonde te prysen;
Waer sonde of quaet in liaer opinv gheleglieu,
Soo laad ick liier gantsch niet te segglien teglien; Nu meen ick met reden contrary te bewysen.
\'t Dnnsen in liem selven dat is seer pryselijck: Met dansen loofde David God jolyselijck,
En ghebiedt ons met dansen Gods lof te verbreden. Mozes Suster heeft Godts lof ghedanst en ghesprongen Israël heeft haer victory dick ghedanst en ghesongen: Dat het dansen niet quaet is, volcht uyt dese reden.
Is het dansen dan een teecken van victory?
Maecktet heerlijck en verbreytet Gods glory? 1st ghebruykt van den ouden, vromen en wysen ? Heeft er Israel Gods lof door verbreet?
Ghebietet ons de Schrift te doen met bescheet?
Segt waerom sal men quot;t nu dan misprysen.
Het dansen had by onse Voorouders sulcke cracht. Dat Cicero Jloscium dapperder acht.
Om \'t volek te beweghen door zijn dansen aerdich. Als hy door cloecke reden, zynde een oratoor:
Want het ghesicht is veel crachtigher als \'t gehoor; Is dan het wel dansen niet seer eerwaerdich?
Homerus, Virgilius en meer ander gheleerden.
Achten dat de Goden sulcken hoochlijck vereerden, Dien zy jonden de gave om wel te dansen.
Castor en Pollucx zijn constighe dansers gheweest;
7
Oock Grypheus en Museus, als men noch leest.
Dese zijn lt;1,1 ghecroout met Laurecrausen.
\'t Dansen dan is een verheuclilijck tijt-verdrijf, En quot;t helpt menich jongman aen een wijf: De ervarentheyt doetet myn prysen eerlijek:
W ant wil men de jonglieluy hiervan ontryven,
Segt waer mee sullense doch den tijt verdryven P Dat soo goet sal zijn, soo tnchtich, soo eerlijek?
Sullen S(^ drineken dat haer de ooghen pnylen?
Sullen se elck in een hoeckgen sitten en jirnylen? Sullen sy slordighe raetselen gheven uyt?
Sullen sy beschimpen malcanders ghebreken ? üf sullen sy altyt singhen even luyt?
Men wilse immers van byeenkomst niet ontwennen?
()pdat (dek ander mach leeren kennen :
Wat ander tijdtverdrijf sal men haer stellen ter hantP
On/c voorouders en zijn gheen kinderen gheweest,
Dese presen het dansen in een vrolycke feest:
jN u wil ment bykans achten voor schant.
1 lier sou noch wel veel meer te segglien vallen,
Maer mijn mont is moe, ick can niet meer kallen, Daer is ghenoegh gheseyt, diet wil verstaen. Het onmanierich dansen wil ick niet prysen:
Maer ick heb alleen hier willen bewysen,
Dat men wel eerlyck te dans mach gaen.
II.
ROEMER PIETERSZ. VISSCHER.
1545â1620.
Uit: Brabbklinch vak Koemek ^\'IssclfEE. Bij hem seleen uoersien e» meer als do helft vermeerdert, C Amsterdam. Bij Willem Jansz. up \'t Water, in de Sonncwyser, 161-1, 12°.
UIT DE âQUICK RNquot;1
1.
Jans moeder is doodt over al haer lijf,
Wat vïaeclit liy daernae, liy eau wel eteu:
Jan heeft verloren zijn glietrouwde wijf,
Die sal hy wel haest met een ander verglieten; Wat sonde hem dan doen treuren? wildy dat weten, Dat hy verloor, daer zyn sin meest op is ghestelt: Vraecht ghy wat dat is? Dat is zijn ghelt.
3
Dquot; een heeft lust in dansen en springhen,
D1 ander heeft lust in stryden en vechten.
De derde heeft lust in spelen en singhen.
De vierde heeft lust in pleyten en rechten.
De vyfde wilt al met drincken beslechten;
lek houdt met een Meisgen tot liefden te beweghen fris: Kick volcht daer zijn natuer meest toi; gheneghen is.
3
Dat myn lief my sondt een van haer boden.
Of ick t\' avont by haer wilde comen eten;
Kn dat my Juno selfs te gast quam noden Hy alle de Goden in den Hemel gheseten.
Ick soude segghen: ontsehuldicht mijn venneteu, Ich blijf by de Godinne boven alle van waerden, Die bier beneden by my woont opter aerdeu.
4
De Meyskens op de JMieuwendyck zijn goet.
Die van \'t W ater hebben Instiglie sinnen,
In de Warmoesstraet dragbense booghe moet,
In de Kalverstraet doense niet dan spinnen.
Op de Burgwal wonen die waerdicli zijn om beminnen,
Op den Dam daer bebbense blosende kaken;
Dan in den arm moghense my meest vermaken.
5
Marry heeft al vyf mannen ghetrout,
D\' een nae d\' ander en sy zijn al ghesturven;
Dierick heeft sesmael gheweest ghehont,
Metter erf hebben hem al zyn wyven bednrven: Dierick en Marry sullen te samen trouwen,
Om te sien wie dat het velt sal honen.
6
Hoe comt dat ick dus wert ontsteken,
Op u myn Lief, so dat het hert wil breken.
I\'m dat door \'t wincken van u ooghen claer?
Want uyt het rechter stormt Venus met cracht. En uyt het slincker schiet Cupido zyn schacht: Teghen twee Goden te vechten, dat valt te swaer: Dan wilt ghy my den strijdt helpen beginnen, W y sullense alle beyde noch wel verwinnen.
7
Hebt ghy qua cleeren? Laet staen u proncken.
Hebt ghy een qua gast? Wyst hem voort.
13
Hebt gliv quaet bier? So drinckt niet droncken.
Hebt ghy qua vracht? Werptse over boort.
Hebt gby een quaet vrient ? Gy mooght hem schouwen: Maer hebt ghy een quaet hooft? Ghy moetet houwen.
8
Meysgen als ick n mach wesen ontrent,
Al stonden de sterren aen het firmament,
Soo is als dach de hemel claer:
Maer als ick van u moet zijn absent.
Al scheen die Son noch so excellent.
So is het nacht voor myn eenpaer;
Wat baet my van der Sonnen cracht.
Als ghy my maeckt dach ende nacht.
9
Meysgen eer ghy u begheeft in de Echt,
Leert spelden \'t woordeken trouwe recht;
Want vergheet ghy d1 eerste letter in \'t schryven, Soo soude u niet dan rouwe blyven.
10
Soo haest als Joris uyt den bedt is opghestaen, En zijn cleedcren propelijck heeft aenghedaen, Ghewasschen, ghekemt en ghe])ronckt is in als \') : Spoet hem tot het schappra 2) en snijt een stick, Al te met wel drie of vier vingheren dick. Dat wringht hy sonder drincken door zijn hals. Dan gaet hy in de kerk swieren met veel ghebrals, Soeckt plaetse daer hy mocht op zijn lief minjootS) loncken, Hoe sou men anders segghen, dan Joris is broot-dronckcn.
1
Als; alles. 2) Schappra: spiude, buffet, 3) Miujoot; lief, bevallig.
14
11
Seglit my docli J orden, wat ist voor een proucker, Die met u Wijf daglieljcx comt coxirtesereu ? ]{_Y is gliccleedt ,il was liy een Joncker,
Met zijn Kuweelen en zyden cleereu.
De ringlien aen zijn liant doet liy drayen eu keeren Zijn lubbekens glieset, eu ghecrult is zijn liaer: Het scliynt een advocaet te zijn aen zijn veeren: Als ick vraecli wat liy doet? Soo seglit gliij : Maer Hy doet mijn Wijfs dinglien; ey soete Va er,
Dat liy u Wijfs dinglien sou doen, dat is een nest: 1Maer dat liy n dinglien doet, dat glieloof ik best.
12
Overal vind ick wol Wyn of Bier,
Overal vind ick ghesoden of gliebraden.
Overal vind ick sachte bedden en goet vyer:
Overal vind ick costelijcke ghewaden,
Overal vind ick, die 1113\' willen raden,
Overal vind ick wel een Wijf of Maeclit,
Maer overal vind ick niet, die my behaecht.
13
Een Noorder Boer was in de May getrocken uyt, ]NTae Parys om de 1\'ranse spraeck te leeren,
Daer gaf men hem te eten sla en groen cruyt, \'s Middachs en \'s avonds, meer dan zijn begbeeren. Soo dacht hy, i(;k wil weder t\' huyswaert keeren : Want daer men in de Somer eet gras parmafoy,
Daer moet men iu de winter oock eten boy.
1
Nest: nietigheid, dwaasheid.
15
14
Marcus die telt de Bouinen in \'t Reguliers Hof,
Hj telt de Soon !) op den dyck, de steenen op straet,
Ily telt al de mannen die daer zijn in \'t Vrouwen lof,
lly telt al de beesten, die mem jaerlijcx slaet,
Hy telt hoeveel volex dat ter kercken gaet,
Hy telt hoeveel sporten datter zijn in \'t Verokcns cot,
Hy telt al de woorden, die Elsgen praet,
Hy telt al de Gorten die daer gaen in de pot,
Hy reeckent wat hy sou coopen, creech hy \'t hoochste lot:
Want op tellen en reeckenen hy zijn sin gliestelt heeft;
Wat soud1 hy anders tellen, als hy gheen ghelt heeft?
15
De Meyskens van de Courtoysye,
Stellen op Brabants haer fantasie:
Op Brabants setten sy het cap;
Op Brabants ist huyfken met den oorlap; Op Brabants zijn haer lubbekens 2) gheset; Op Brabants is haer iluweelen klet1).
Op Brabants knoopen sy haer mouwen ; Op Brabants fronsen sy haer bouwen: 2) Op Brabants segghense; ja voorwaer;
Op Brabants spreken sy alle gaer;
Op Brabandts singhcüi se haren sangh:
Op Brabants makense haren gangh;
Amsterdamsche Dochters doet mijn bescheyt, Schaemt ghy u van do Hollandsche botticheyt?
1
1) Soon: zoden. 2) Lubbckens: manchetten. 3) Klet: borstlap.
2
Bouwen: rok.
JG
UIT DE //ROMMELSOOquot;.
1
Aen Jan van Hout.
Clacs vau Hout can loop(;n noch springhen;
Frans van Hout can lesen noch schryven:
Marten vau Hout cnn segghen noch singhen;
Barber van Hout can wasscheu noch sty ven;
Dan myn vrient Van Hout can alle vreucht bedryven. 2
AVaer is schoon Lief den tijt voorleden,
Hie ons dede hanteren solaes en vreucht?
Als wy t\' samen spraken met lieliijcke reden?
Waer is schoon Lief den tijt voorleden,
Die n hart en \'t myn stelde in vreden?
Maer sclieyen van u, maeckt ongheneucht.
Waer is schoon Lief den tijt voorleden,
Die ons dede hanteren solaes en vreucht?
Pcynst er om. Lief! als ghy niet slapen meucht.
3
Ghy zijt soo schoon en soet van wesen.
Dat ick voor u niet bid den Heer,
Dan dat Hy u slechts behout in desen;
Want schoonder maeckt Hy u nemmermeer.
4
Sijt ghegroet, mijn Liefste, boven alle vrouwen:
Sijt ghegroet, de schoonste in \'s werelts rontheyt:
Sijt ghegroet, die ick met vreuchden moet beschouwen: Sijt ghegroet, de Liefste boven alle vrouwen,
Sijt ghegroet, op wien ick mijn ghepeyns moet bouwen:
17
Sijt ghegroet, op wien mijns levens grout leyt;
Sijt ghegroet, mijn Liefste! boven alle vrouweii,
Sijt ghegroet de schoonste in s werelts ronthejt, God gheve u goeden d.tch en goede ghesontheyt.
15
Nerghens beter dan in de kerek is de Paep devoot, Nci\'u\'liens beter is de Vryer dan daer liy y.ijn Lief aenschoawt, A\'erïhens beter ist \'t kiut, dan op zijn moeders schoot, Nertrhens beter is de vis dan in t water cout,
Nerghens beter is de voghel, dan in quot;t wilde wout, Nerghens beter is de koe, dan in \'t groene gras,
Nerghens beter is quot;t ghclt dan in eVgheu tas.
uit nedkhi-asd\'s lkttkhsciiat.
111.
JACOB CATS.
10 November 1577â12 September 1G60.
Uit: \'sWerEI.ÃS BEGIN, MIDUEX, EYXDE, liESLOTEX IN DEX TROÃ. KrXGH, .MET DEX PROEFSTEEN\' VAX DEX SEI.VEX. DOOIi J. (\'ATS.
Tot Dordrecht, Voor Matthias Hciriuz. O-ednicTcthii Henclrid\' ran Ksch, Hoecl-ch\'ucker, woonende in V Hof in de Dnickenje ran dc Maeyht ran Dordrecht,
A)in(gt; 1037. 4~.
SELSAEM TROU-GEVAL
tvsschen een
SPAENS EDELMAN, ende een HEYJ3INNE;
soo nis ile selve edelman, cude al de werelt doen geloofde.
Daer is een selsacm volck genegen om te dwalen, Gedurigh om-gevoert in alle vreemde palen,
Dat (soo liet schijnen magli) als in li(!t wilde leeft Maer des al niet-te-min svn vaste wetten heeft. Het laet sigh over-al den naem van heydens geven. En leyt, al waar het koomt, een wonder selsaem leve Het roemt sigh dattet weet nyt yders hant te sien Wat yemnnt voor geluck of onheyi sal geschien. Maiomhe was het hooft van dese rouwe gasten. Die staegh o]i haer bevel en op haer diensten pasten, Sy was loos, vals, doortrapt, en slim in haer bejagl Soo veel als eenigh wijf op aerden wesen magh, Sy rpiam veel tot Madril of in de naeste steden, Want mitse klnehtigh was, soo wertse daer geleden. Sy had in haer gevolgh al inenigh gan verstant, Soo datse gunst en hulp by al de jonckhe^^t vaut. Sy stal eens seker kint te midden opter straten.
Dat uyt eeu edel liuys daer eensaem was gelateu,
Het was eeu aerdigli dier, maar jongh eu wonder teer, En quot;t is maer twee jaer out, of slechts een weynigh meer.
De meyt, wieus ampt liet was liier op den dienst te
passen,
Die gaf de buert eeu praut, en liet het wicht verrassen: Maiombe was verblijt, niet om het geestigh kint,
Maer datse rijck gewaet outrent syu leden vint.
Sy geeft haer metten buyt iu onbekende vleckeu.
En waer het onguer heir geuegen is te trecken.
Doch wat de moeder socht, eu waer de vader schreef, Men hoort niet hoe \'t haer gingh, of waer het meysje
bleef.
Hoe nau daer wort gevraeght, hoe nau daer wort vernomen.
Men weet niet wat geval het kint is over-komen:
Waer dat men immer sout, of waer men vragen kan, ï is al om niet gepooght, geen mensoh en wetervan.
Maiombe liet het kint verseheyde dingen leeren,
Waer mede dat het mocht syn teere jeught vereeren. Eerst singen na de kunst, oock springen op de maet, En wat na \'slants gebruyck een vrijster geestigh staet.
Het kint wast onderwijl, eu leerde vreemde saken.
En grepen na de kunst, en veelderhande spraken, En selsaem hant-gespel, en ick en weet niet wat, Waer van schier niet een meusch de rechte gronden vat.
Het was van schoone verw, eu vrolick in het wesen,
Daer is een diep vemuf in syn gelaet te lesen :
Het had eeu wacker oogh, en swart gelijck een git, Syu aeusicht even-wel is uyter-maten wit.
Het kon syn frissche jeught, syu wel-gemaeckte ledcu Tot alderley gedans en alle spel besteden;
In vougen dat het volck, en wie liet maer en sagh, Sigh van het aerdig dier als niet versaden inagh.
Noch kan de jonge maeght geen kleyne lust verwecken, Als sy inet haer gesangh de sinnen weet te treeken : Men vint dat hare stem een yders herte steelt, AVanneerse maer een reys een aerdigh deuntjen queelt. Maer des al niet-te-min sy wil geen vuyle dingen,
Sy wil geen dertel joek, geen slimme ranckeu singen; Haer mont is wonder heus, haer oir en sinnen teer, Al wat oneerlick luyt en singhtse nimmermeer. Des heeftse by haer volck soo veel ontsagh gekregen. Dat sy het menighmael geleyt in beter wegen :
En sclioon dat hun de mont tot vuylheyt is gewent, Men hoort geen dertel woort als syder is ontrent. En of oock al het rot tot stelen is genegen,
Sy straft het vuyl bejagh en isser heftigh tegen;
En mits sy wonder veel met sangh en spelen wint, Soo is Maiombe selfs tot stelen niet gesint.
Doch sooder eenigh dingh bywijlen is genomen,
Sy doetet aeu den dagh en voor de lieden komen;
Maer al door sneegh bcde^\'t en met een loosen vont, Soo datter niet een mensch en weet den rechten grout. Sy riep een vau den hoop, en liet hem veerdigh draven. En liet, wat yemant stal, iu eenigh velt begraven.
En dat of by een boom, een hooght of kromme bocht. Ten eynde men het paut by teyekens vinden mocht. Eu wertse dan gevraeght op \'t guuter is gestolen, En wie het heeft ontvremt, en waer het is verholen.
Soo maecktse voor Jiet volck eini \\voudc;r vreemt vci\'hai\'l, In woorden sonder slot in onbekendo tael.
Macr seyt dan op liot lest, dat onder gene linden, Of aen den naesten bergli het goet is uvt te vinden: En als men dan liet kruem daer nyter aerden track, Soo wast dat al het lant van hare wonders sprack. Doch sy wist boven al haer saken aan te leggen. Om aen de losse jeught gelnck te konnen seggen; Het schijnt dat sy den gront van alle zielen kent. En schier wat yder mensch in syn gedachten prent. Sy wist al watter loopt op in de bant te kijcken. En hoe dat yemants aert kan nvt het wesen blijcken. En wat een kleyn, een groot, een puntigh hooft beduyt. En wat men nvt een oogb of ander lidt besluyt.
Oock nvt den neus alleen soo kan.se gronden trecken, Waer heen dat yemants lust of gulle sinnen strecken; ant isse plomp, of scherp, of hoogh, of bijster plat, Sy heeft van stonden aen syn aert daer nvt gevat. Sy wist als op een draet, nae mate van de jaren, W at yder over-koomt en plagh te wedervaren,
Eu wat een teorc maeght in haer gewrichte voelt. En wat een jonge wulp ontrent den boesem woelt. Sy weet (gelijck het schijnt) de gangen van de sterreu, Waer in het klouckste breyn bv wijlen kan verwerren; Sy weet en wat de son en wat de mane dreyght. En waer toe sigh liet jaer en al den hemel neyght. Een wie haer openljaert wanneer hy is geboren.
Dien weetse by gevolgh syn leven na t(! sporen:
jNtii spreeektse wonder breet van druck en ongeval, Eu offer yemaut arm of machtigh werden sal.
Sy weet don leven-streep in yders hant te wij sen,
Daer uyt een vremt gevolgh lt;\'n groote dingen rijseu ; Want is de linij recht en sonder krommen tack, Soo roemtse stage vrenglit en nimmer ongemack. Maer valtse dickmael scheef en in verschejde bochten, Soo wort hy dien liet raeckt met droufhejt aengevochten. Indiense somtijts rijst, en dan eens neder koomt, Soo dienter voor gewis een swaren val geschroomt. Sy gaet hier bijster hoogh, sy kent een yders wesen, Sy kan oock rijcken sell\'s uyt hant of vingers lesen : En somtijts groot verlies, on somtijts grooton schat. En somtijts wol oen galgh, of ook oen schendig rat. Sy wijst een vrijer aen, wanneer hem staet te paren. Een vrijster ofse voel of luttel heeft te baren.
En ofse by den man sal wesen liefgetal.
Dan of hy bnyton haer syn lust gobrnyckon sal. Dit meynt schier al liet volok alsoo te moeten wesen; Soo dat haer laegen naoin gansch Itoogo was goresen, En al vermits sy broet in desen handel weyt.
En van het naor geheym soo klare roden seyt. (jronaockt men oonigh dorp daer wootse Hucx te vragen, Hoe sigh in haer bedrijf de meeste lieden dragen. En wie sigh daer ontgaot in lust of dertol bloot.
Doch meest wat over-al de losse jonckheyt doet. En als sy gasten vint daer yet op valt te soggen, Soo wootse na do kunst haer saken aen te loggen; Sy maekt aen yder monsch syn fevieii openbaor. Als of uyt syn gesicht het quaot te vinden waer. Wat sy van yemant weet dat voynst sy als te lesen Of nyt het oogh alleen, of uyt het ander wesen:
En dit noch altemael met soo een gauwen streeck, Dat ooek de sneeghste man verwondert stont en keek: Als haer een jud\'er vraeght, wat man liaer staet te trouwen, Sy kan het nieusgier volck gansch aerdigh onderhouwen; Sy spreeckt als door een wolck en noyt met open mout, En al haer gansch beleyt dat heeft een loosen gront. Hoe oyt de sake valt sy kan het al verdrayen,
Sy kan de gauste s(dfs met schijn van reden payen; En alsse dan een reys de rechte gronden treft, Dan isset dat men haer tot in de lucht verheft. Men hielt dat sy gestaegh een geest met haer geleyde, Die haer als in liet oir verholen dingen seyde:
En mits dit al geschiet door soo een jonge maeght, Soo isset dat het spel hun des te meer behaeght. T geviel om desen tijt dat in dien eygen lande Een jongh en aerdigh dier door jeught en liefde brande, En hy die haer het breyn en oock den geest besat, Was even als de maeght met hare min gevat.
Maer daer en was geen raet om oyt te mogen paren, Vermits sy niet gelijck in goet of staet en waren; De juffer is te rijck, als maer een eenigh kint, Soo dat haer drouve vrient voor hem geen troost en vint. Giralde lijckewel die bleef tot hem genegen,
En is oin syuent wil als sieck te bed gelegen;
Maer seyt het niet een mensch wat haer van binnen schort, Soo datse menighmael veel drouve tranen stort. Ofschoon een ander lacht, sy kan geen vreughde rapen, Sy kan haer in den nacht niet geven om te slapen, Sy klaeght, en (soo het schijnt) sy rvoelt gestage pijn, En desen onverlet sy wil geen medecijn.
27
Haer vader niet-tomiu die liet ren doctor halen,
Maer die gingli even-staegli als in liet wilde dwalen; Hy weet niet waiter schort, hy weet niet wat te doen, Hy weet voor hare qnael geen sap of heylsaem groen. Hy stact als buyten spoor, en is geheel verlegen,
Mn al wat hy begint dat zijn bekaeyde wegen:
Dies sèyt hy, dat het quaet een langer tijt behouft. En, siet, liier is het huys ten hooghsten in bedronft, luyst op dien eygen tijt soo quammer Preciose,
Op datse daer ontrent een goede plaets verkose
Voor haer, voor haer gevolgh, en voor het gansche rot; l)ies wortse veel gesieji ontrent het naeste slot. De vrouwe van het huys, bewust van hare saken. Won door het aerdigh dier haer dochter wat vermaken; Eu daeroin sentser 0111, en leytse voor liet bedt, Mn seyde: Niemant weet wat dese vrijster let. Ghy siet eens wat haer schort, en soo gliy weetteseggen Hoe wy dit selsaem stuck behooren aen te leggen,
Mijn gunste, soete inaeght, die zal u zijn getoout. En ghij van mijner haut ten hooghsten zijn geloont. Daar vingh het geestigh dier de vrijster aen te spreken Met wonder soet beleyt en ongewoone streken,
Het queelt een geestigh dicht, het speelt een aerdigh liet; Maer wat het immer doet ten baet de siecke niet. Als dit Constance merckt sy gaet sigh naerder setten, Sy gaet in meerder ernst op alle dingen letten,
Sy bid dat al het volck wil uyt de kamer gaen. Eu sprack de siecke maeght in dese woorden aen; Ey lieve segh een reys (ick dien het toch te weten)
Hebt ghy ontijdigh freuyt ol\' harden kost gegeten,
28
Of is u swacke maegli met suvker overlast,
Of hebje bij geval te langen tijd gevast?
Of is u \'t lijf verclraeyt van op de jacht te rijden, Of door een harden val gebracht in bitter lijden?
Of is n bloet verhit door al te langen dans,
Of hebje laet gewaeckt ontrent de maeghde-kraus ? Of isser yet verstopt in uwe teere leden,
Daer van ghv die het lijt alleen verstaet de reden? Of isser vet verstelt in uwen teeren schoot? Een maeght magh aen een maeght wel seggeu haren noot. Spreekt ront gelijck het dient van u verholen wesen, Ghv suit door mijn behulp in korten zijn genesen; lek weet wat aan de jeught by wijlen kan gescliieu, Hn schoon al ben iek jong iek hebbe veel gesien. Giralde seyde neen op al haer suege vragen.
Bies gaet Constance voort en opent nieuwe lagen;
Hoort (seytse) keuje niet een hups en aerdig quant, De schoonste van de stadt, jae van het gansche lant. Hebt ghv hem menigmael niet geestigh hooren praten. Of door een gunstigh oogh tot in het hert gelaten? Waerom doch soo geveynst, dat ghy soo langen tijt Hem in bedencken hout en niet te wil en zijt? Ey lieve, soo je ineeut den vrijer oyt te trouwen, Eu wilt hem niet te langli in angst eu twijtiel houwen. Een die syn tanden breekt als hij een note kraeckt, Diens vreugd is niet te groot schoon hy de keeren smaekt. Giralde kreegh een blos, en wert geheel ontsteken. Als sy dit geestigh dier van vrijen hoorde sprekeu;
En schoon sy veynseu won, haer liloet is boven haer, Dat maeckt haer innigh hert ten vollen openbaer.
üy
Haer geest is op den loop, hner pols begon te jagen, Eu al met vreemt gewoel van ongelijeke slagen. Constance wederom: Xu sie iek watter schort; (rhv (wat ick bidden magli) en doet n niet te kort. Spreeekt soo de reden eyscht, en laet n moeder weten. Wat voor een edel geest u sinnen heeft beseten.
Want hoe ghy langer SAvijght, en meer n sieckte dekt, Hoe dattet uwe jeught tot grooter hinder streckt. De siecke vrijster sucht, en al haer leden beven,
Haer sinnen even-selfs, die worden om-gedreven,
Xu sie ik (sprack de maeght) wat kunsten wijsheyt doet; Ghy weet, gelijck het blijckt, den grond van mijn gemoet. Des wil ick nu voortaen in geenen deel verswijgen, \\V aer na te deser uyr mijn jonge sinnen hijgen.
Wat dienter meer geveynst? ick ben van liefde kranck. En dat heeft nu geduert wel seven maenden lanck. Wilt dit nn met beleyt mijn ouders openbaren.
En raet hun acht te slaen op mijn bedroufde jaren. Want soo ick dien ick min niet haest genieten magh, Noo is de grond geleyt van mijnen lesten dagh.
My sal geen sprayt, of krnyt, geen sap, of pap geuesen; lek sal begraven zijn, ick wil begraven wesen.
Indien ick niet en krijgh hem die mijn hert bemint. En souder wien mijn ziel geen rust op aerden vint. Terstont na dit gespreek soo stortse duysent tranen. Die met een stage veur haer teere wangen banen.
Constante troost de maeght, en geeft haer goede mo^t, liu stremt, door soet gespreek, haer gullen tranenvloet. . lier op is, des versocht, de moeder in-gekoinen.
Die had tot haer behulp een doctor met genomen;
30
Constance gaeter by, maer trat bezijden af,
Daer sv haer met besclieyt het stuck te kennen gaf. liet speet de medecijn, dat sy de rechte gronden Van dese maeghde-qnael had knnstigh ondervonden; Te meer, vermits hy weet dat ook de klouekste man JJit nvt geen herte-slagh of ader voelen kan.
Maer als hy in gespreek met haer began te treden,
Doen gingh Constance rout, en gaf hem dese reden: Een maeght van achtien jaer, af-keerigh van genncht, Die veeltijts sonder slaep gehiiele nachten sucht. Die, als men slechts begint van vrijers yet te spreken. Verandert in gebaer, en laet haer woorden steken. Die staegli wil eensaem zijn, en nimmer uit en ga ft. En, schoon al isse jongh, liet soet geselschap haet. Die geel en deeriick siet, en leeft als sonder eten. Wat soo een vrijster schort dat heb ick wel te weten; lek segge, dat geen salf haer oyt genesen kan,
Maer dat haer stil gebreck vereyst een rustigh man. Hier by koomt dat ick sic haer oogen in-gesoncken, Maer vierigh even-wel, gelijck als helle vonken,
Haer pols geweldigh ras, haer water bijster root. Hoe? kan dit anders zijn als enkel minne-noot?
Voor mij ick stel het vast, ghy mooght het overleggen, V dochter even-selfs sal u de waerheyt seggen,
Soo ghy haer recht bevraeght; want na haer saken staen. De noot die roept om hulp, daer is geen veynsen aen. De doctor laet de spijt, na deze woorden, varen. En prijst het rijp verstant in soo onrijpe jaren;
Soo rlat hy naderhant haer niet als eer bewees. En met een vollen mont haer snege vonden prees.
31
Of nu het listigh dier yet v.tu den handel wiste.
Dan of het na de kunst en schijn van reiden giste, ⢠En stel ick niet te vast; doch hoe het immer was, De vrvster kreegh een man, en hare koorts genas. Soo haest de jonge maeght haer vont te zijn genesen, Soo wou sy metter daet beleeft en danekbaar wesen, Sy let hoe \'t heydens volck gansch sober is gekleet, En \'t is haer teere jeught een innig liertcn-leet. Sy sprack haer moeder aan: Van yemant gunst ontfan^cu Doet stracx een billiek hert met alle vlijt verlangen Om weder-gunst te doen. Vrou moeder \'t is bekent In wat een drouven stant mijn ziele was behmt; Nu ben iek (Gode lof) gesont in al de leden,
Ghy toont een danckbaer hert, dat leert de wijse reden; Dit heir is wonder uaeokt, ghy kleet het schamel rot. Dat sal haer dienstigh zijn, en lief aen onsen God. Voor al en dient by ons de vrijster niet vergeten Die u van mijn verdriet de gronden leerde weten.
Indien ick yet vermagh, soo weest toch hier beleeft; Al wie den naeckten kleet ontfanght meer als hy geeft. De moeder wederom: Dit zijn ganseh rouwe menschen, Die om geen prachtigh kleet, en min om rijekdom wenschen; Sy dwalen evenstaegh, dat is haer oude wet.
Het geit dient haer tot last, een kleet maer tot belet. Dus schoon ick haer een kleet wou om de leden handen, lek houdet voor gewis men soudet niet ontfansj-en. Ke moeder, seyt de maeght, ghy zijt my wat t(ï taey, Ey lieve, schenckse wat al waret enckel baey.
Laet haer doch uwe gnnst om mijnentwil verwerven. En laet my des te min wanneer ghy koomt te sterven;
De moeder louglier om, en prees de goede ziel,
Maer soo dat van de gift of niet of weynigli viel. Als yemant naer een (juael bekoomt syn vorigli wsen. En dat een jonge wulp van krevel is genesen.
En dat een schippers gast sigl\\ op liet drooge siet, Dan smelt een danckbaer hert wel licht tot euckel niet. Giralde lijckewel, nu onder echt(^ wetten,
Beschonck het geestigh dier met hondert pistolctteu, Een brnyt-stuck voor den dienst. Daer lough het
gierigh wijf.
En vont in dit verhael een aerdigh tijt-verdrijf. Dit maeckt de jonge, maeght vermaert in alle steden, Mits sy de vrijsters kent tot in haer diepste, leden. En \'t bracht aen \'t gansche rot geen kleyne baten in; Want daer Constance quam daer wasset al gewin. Maiombe die sigh liet haer beste-moeder noemen,
En laet geen vreemde mans ontrent haer nichte komen, Sy neemt haer evenstaegh met al haer sinnen waer. En waer de bende reyst, sy slaept benevens haer.
Daer was ontrent Madril een bnyten-hof te vinden, Bevrijt met boom-gewas van alle sture winden.
Hier viel om desen tijt een openbare feest.
En daer bewees de maeght haer uytgelesen geest.
Daer is een prijs geset voor die met aerdigh singen, Daer is een prijs geset voor die met luchtigh springen Sou swoven boven al; en \'t is de snege maeght Die aan het nieusgier volck in beyde meest behaeght. De knopjens van yvoir die aen haer vingers waren,
Gaen boven alle spel en boven alle snaren;
Want alss\' haer soete stem en rasse vingers roert,
Soo wort al wie liet hooit door lusten om-gevoert, \'T en is door geen gespreek de meusehen uyt te leggen, \'T e)i is (ua mijn begrijp) met woorden niet te seggen, Wat schoonlieyt al vermagh. De kunst is liefgetal, Maer kooiutcr sehoonheyt bv soo ^aetse bovenal.
u J O
Daer was om deseu tijt een ridder in den velde. Die meest het kleyne wilt met snegc bracken quelde: En fwijl hy iu de jacht sigh al te besigli hout, Soo raeckt hy buyten spoor te dolen in het wout. Hy weet geen jagers meer, hy weet geen snelle winden, 11 v weet in al het bosch syn pagien niet te vinden: Maer fwijl hy eensacm dwaelt, verneemt hy nevens hem Ken wonder soeten galm, een onbekende stem. Hy staet een weynigh stil tot by hem is vernomen Van waer het soet geluyt tot hem was af te komen, En daer op trat hy voort, en met een stillen gangh Soo quam hy in het dal van waer meu lioort den sangh. En mits hy tot de plaets nu dichte cjuam genaken, Soo gaet hy door het loof een open ruymte maken, Ten eynd1 hy moehte sien wie in het naeste gras Soo wonder a(,-ngenaem van sangh en stemme was. Twee vrijsters aen den bergh, die plnckten versche rosen. Die sy tot haer vermaeck uyt al de velden kosen. En wat ter zijden af, ontrent een groenen bocht,
Daer sat een jonger maeght die rose-kransen vlocht. Een wijf van vreemt gelaet, geseten aender heyden. Dat quam (gelijck het scheen) het jonge rot geleyden; En schoon sy mede pluckt, of rosen over-draeght, Soo heeftse staegh het oogh ontrent de jonghe maeght. En fwijl men besigh is ontrent de versche bloemen,
UIT NKDERI.ANn\'s LETÃEHSCIIAT. 3
Teïnam Don Ian liet volck, dat wy lu-ydiniK\'ii noemen, En siet de jonge sprayt, die in het groene sat, -Heeft op den staenden voet hem door het oir gevat. Hem door het oogh verruckt, hy siet haer geestigh Avesen, En hoort haer soete stem, en heeftet bey gepreseu. En t1 wijl by staet en dut en op den vrijster siet, Soo hief sy weder aen, en sough een ander liet:
Schoon bloom-gcwas, en edel kmyt
Van \'s hemels dan gevoet,
En al wat uyter aerden sprayt,
G-hy wort van my gegroet!
lek koom hier aen der heyden gaen,
Daer sonck ick mijn vennaeek;
lek gae op n mijn oogen slaen,
En \'t schijnt dat ick ontwacck.
lek sie mijn heelt in mve jenght.
Dat my eerst heden blijekt.
lek sehep mijn lust nyt uwe vreught,
Vermits ghy my gelijekt.
V schoone venv en trissche glans
Verkiert het gansche velt.
En, na er het seggen van de mans Ben ick oock soo gestelt.
Maer daer is noch een ander stuck,
Dat med\' ons beyde raekt;
Dat is dat ramp en ongeluck
Ganseh licht tot ons genaekt.
Besiet hoe ras een hloemtje sterit,
En plat ter aerden sijght:
Besiet hoe licht syn glans verderft,
En dorre plecken krijght.
Besiet hoe dat een frissche roos,
(Ick meyn een jonge maeght)
Een die men onder dnysent koos,
En al de jenght behaeght,
35
Besict hoe licht een schoone blom Verliest haar eersten glans;
Schoon sy was lief en wellekom By alle jonge mans.
Wel roosjens, ciersels van het velt, Kan dit alsoo gescliien?
En ist met u alsoo gestelt,
ïSoo dienter in versien.
Maer segh wat kan u betei1 zijn, Als datje wort gepluckt V
Niet door een bock ot\' gortigh swijn. Om soo te zijn verdrukt.
Maer om te zijn een hnpsche kroon. Ter eeren van de jenght,
Vw plneker tot een soete loon.
En tot een stage vreught.
En of xi tijt is wonder kort,
Maeekt daerom geen getrenr;
Want schoon een frissche roos verdort, Zij houdt een soeten geur.
Wel nu wij staen in eenen graet, 0 giersel van het wout,
Koom geef my doch van uwen raet Die ghy voor sekersf hout.
Moet oock mijn bloemtje t\'syner tijt Van yemant zijn gepluckt V (Pax.) lae, vryster, soojet weerdigh zijt,
En soo het u geluckt.
Daer zijnder niet dan al te veel Die staegh ten toone staen,
Sy bieden ons een groene steel,
Maer niemant wilder aen.
Daer sweeft haer blat dan met den wiut, Als stof gemeenlick doet.
Ach quot;t bloemtje dat geen plucker vint. Dat treedt men met den voet.
3G
(Peet.) Wel hoe! wat koomt hier voor geluyt Ge re sen uyt het wout?
My dunekt hier sit een slimme guyt
Gedoken in het hout.
Het mocht wel zijn de liocx-voet Pan,
Die woont hier in het groen.
Dat is van outs de rechte man Om vrijsters leet te doen.
Wel lincker 1) wie ghy wesen meught,
lek bid u weest gerust,
Mijn bloem, mijn roem, mijn teere jeught
Is niet voor uwen lust.
lek wachte voor mijn beste pant,
Tot troost van mijn verdriet,
lek wachte vry een weerder hant,
Maer u en wacht ick niet.quot;
Terwijl liem dit gebeurt met wonder groot veruougen, Soo koomt de nachtegaal sigh by de vrijster vougen. En queelt daer uyte borst met soo een bly geschal, Dat haer vermenghde stem verheught het gansche dal. De ridder onderdies gevoelt syn geest beroeren,
Terwijl hy op de maeght alleen heeft sitten loeren. Wel of dit heydens tint (seyt hy met vollen mont) Eens op syn hoofs gekleet voor ons ten toone stont, Waer sou haer schoonheyt gaen? van soo een aerdigh wesen En is (gelijck ik meyn) in geenen tijt gelesen.
Hier op soo treet hij toe, en geeft hem by de maeght, Die hy na syn gevolgh en na de jagers vraeght. Sy, met een heus gelaet, seyt geensins yet te weten Waer syn geselschap is: maer daer te zijn geseten Ten einde sy een krans van groene kruyden vlocht, Die haer dan op het feest tot ciersel dienen mocht. I) Linker; geslepen gast.
37
Maiombe die alreeds den ridder had vernomen,
Begon van stonden aen voor hare nicht te schromen, En maekt haar daer ontrent, op datse mocht verstaen Wat liaer de ridder sejt, eu hoe de saken gaeu. Constance was begaeft met soo een aerdigh weseu Dat niemant haer gelaet genough en heeft gepresen, Daer vloeyt uyt haren mout soo aengenamen lagli. Dat sy de gnuste won van die haer maer eu sagli. Haer seden zijn beleeft, haer reden wel geboudeu,
Haer spraeck is euckel geest en niet als soete voudeu; In \'t korte, watse doet en watse neemt ter bant. Dat toont een goeden aert en ongemeen verstaut. De ridder ouderdies ontstelt door heete voncken,
Heeft op dien eygen stout liet soet vergif gedrouckeu; En daerom als by wist wie dat Maiombe was,
Soo is hy nevens haer gesegen in het gras:
Soo is hy met het wijf in veelderhaude reden,
Eu met Constance selfs in langh gespreek getreden; Ten lesten berst hy uyt: V schoonbeyt, geestigh dier, Verweckt in mijn gemoet een wonder selsaem vier. Ick wou, indien ick mocht, u trouwe dienaer weseu. En soo u dat beviel, soo waer ick haest geneseu,
Soo waer ick metter daet een gausch geluckigh mensch Eu had door uwe gunst mijn vollen herten-wcusch. Het woort is nau geseyt, de soete Pretiose Die kreegh hier op een blos gelijck een versche rose, Haer gramschap eu met een haer schaemte zijn vermenght Als haer beroert gemoet hem dus syn antwoort breught Heer ridder (naer ick hoor) ghy zijt vol boofsche treken En hebt (naer ik verraoe) meer vrijsters uyt-gestreken;
Ick weet (als ghy een maeglit om hare sclioonheyt vleyt) lek wetet, lieve vrient, al wattet is geseyt.
lek weet dat eens de vos bedroogh den slechten raven, Als hy na spijse socht om hem te mogen laven;
De rael\' had leeker aes en drongh het in den beek, Dit sagh de loose vos, en speeld\' hem desen treek; Hy seyt hem, Aerdigh dier, dat geestigh weet te singen, En zijt van onts geleert in alle soete dingen,
Ev schenekt ons nu een reys een deuntjen na de kunst, Dat sal ons heden zijn een teyken uwer gunst. De rael\', eylaes verlockt met dese troutel-reden. Die vought sigh om te doen gelijek hy was gebeden; En mits dat hy den beek tot singen open stelt, Soo viel het leeker aes te midden op het velt. Dat greep de slimme vos en sonder langh te beyden Begaf hy metten roof sigh midden opder heyden,
Daer at en lough het dier, en al met vollen mont, Terwijl de malle raef bedrouft en eensaem stont. lek keu (al ben iek jongh) den aert van \'tlistigh prijsen, Eu weet wat ongemaek hier uyt sou mogen rij sen, Ick weet het watje soeckt, als ghy my gunste biet; Maer schoon ghy zijt de vos, ick ben de rave niet. lek ben een heydens kint veracht van alle menschen, Hoe kan u hoogh gemoet om mijn geselschap weuschen, Als slechts op desen grond, ten eynd\' u geyle lust Tot oneer mijner jeught eens mochte zijn gebluste Maer neen, gelooftet vry, geen man sal my belesen. Dat ick in geyle lust hem sal ten dienste wesen.
Acht mij voor die ghy wilt, en dat ik wesen magh. lek ben een vyandin van alle vuyl bejagh.
â 39
Dat sal ick eemvigh zijn. AVel gaet clan elders jagen, Voov u en is geen kans mijn eere wecli te dragen; AV eet datter onder \'t volk dat gliy voor heydens groet Noch is een rejne ziel en onbevlekt gemoet. Ghy dan, nadien gliy zijt genegen om te jocken,
Gaet naer het dertel hof, en streelt de sijde rocken, Soeekt daer bequame stof voor u ongure vreught. En laet my \'t edel pant van mijne reyne jengt. Als quot;t wijf op desen toon de vrijster hoorde spreken, Heeft sy haer peck-swart hair een weynigh op-gestreken, Als bly van dit gespreek. Ey, seytse, lieve vrient. Hier is «â¢ec^n lichte koy die hoofsche linckers dient. De joncker als verbaest van soo gestrenge woorden. Die hem als door het oir tot in het herte boorden, Sagh op het fier gelaet van soo een jenghdigh dier. En voelt te meer de kracht van syn inwendigh vier. Eu naer liy sonder spraeck een weynigh heeft geseten, Soo laet hy syn besluyt de strenge vrijster weten. En dat op desen voet; hy treckt van syner bant Een ringh, een rijck juweel, een hellen diamant. En seyt haer: Schoone maeght, ick sweere by mijn leven, Eu by het ridderschap my van den prins gegeven, Ick sweere by het paut dat ghy voor oogen siet. Dat u mijn trouwe ziel oprechte liefde biet. \'K en wil u, schoone blom, niet als een by-sit houwen, Ick wil u na den aert van onse wetten trouwen.
En tot een vast gemerek, siet daer een eeuwigh pant, Draeght quot;dat tot mijnder eer aeu uwe rechterbant. Tc midden in het woort soo biet hy Pretiose Ecu schooneu diamant. Sy, na een lange pose
4,0
Het stuck in haer gemoet te hebben overdacht,
Heeft dus, met lieus gelaet, haer antwoort ingebracht: Wel joucker, na my dunckt, ghy schijnt het stuck te meenen, Maer ghy suit uwen staet in my te seer verkleenen; Ghy daerom letter op, eer dat ghy vorder gaet,
[lier dient niet in gegaen als met besetten raet.
Maer noch al boven dat, soo magh ick niet vergeten. Dat u in dit geval is dienstigh om te weten.
En dat ick noodigh acht voor al te zijn gedaen, Eer dat wy tot besluyt in desen handel gaen. Ghy moest twee jaren langh in ons geselschap leven, En u aen onse wet ten vollen over-geven;
Ghy moest beuevens ons gaen dolen achter lant. By wijlen sonder geldt en sonder eenigh pant: Ghy moest u machtigh goet en uwe groote staten, Ghy moest u prachtigh kleet geheelick achter laten, Ghy moest in volle daet, en niet in loosen schijn, Een spot, gelijck als wy, van al de werelt zijn; En dit al, goede vrient, om wel te mogen letter, Of nut en dienstig is u sin op my te setten.
En med1 aen d\'ander zy, of my oock dienen sou Met u dit vry gemoet te binden aen de trou.
Siet dit is ons gebruyck, ick spreke sonder veysen, Ghy, soo het u belieft, gaet op de sake peyseu; Uit moet de preuve zijn van uwe liefde, vrient. Of anders stelt liet vast, dat ghy my niet en dient. Soo haest de ridder hoort het slot van dese reden. Hem rilt een koude schrick door al de gansche leden. Dies seyt hy: Dit ontwerp dat ghy hebt voortgebracht, Gaet vercle, soete maeght, en dient te zijn bedacht.
41
ïck wil met rijp beraet liet stuck gaen overleggen. En u in ronde tael mijn antwoort komen seggen, En dat te deser plaets, en in dit eygen dal, Soo haest de gnlde son hier weder schijnen sal.
Uaer mede breeckt hy af; vermits hy had vernomen, Dat boven van den bergh syn jagers neder komen; Die wenckt hij metter hant; soo dat het gansche rot Met hem koomt af-gedaelt tot aen syn vaders slot. Hier treet de ridder in, en, schoon dat al de knechten Zijn besigh op een ry de schotels aen te rechten, Hy des al niet te-miu onthout hem van den dis, Vermits hy, soo het schijnt, geheel onlnstigh is. Hy slnyt syn kamer toe, en gaet een wijle treden, Hy spreeckt tot syn gemoet, en al in losse reden. En dus, en weder soo, al sonder vast besluyt, En berst noch op het lest in dese woorden uyt: Eylaes! wat gaet my aen aldus te liggen mallen.
En op soo lagen plaets mijn oogh te laten vallen.
Mijn oogh, mijn dertel oogh, mijn ongetoomde lust, Die niet aen dese kant en dient te zijn geblust? Sal ick mijn edel huys, mijn staet, en eere laten. En met soo vuylen hoop gaen loopen achter straten, Gaen loopen door het rijck, en menigh ander lant. Alleen maar uyt een tocht van geyle minne-brant ? Sal ick, een Christen mensch, tot heydens my liegeven. En leyden nevens haer (!en rou en beestigh lev(;n? Sal ick een macker zijn van desen vuylen hoop, Een smaet van onsen God, en van den reynen doop? Sal ick mijn naeste bloet tot mijnen haet verwecken. En door het gansche rijck mijn voorstel doen begecken?
Sal iek di; schande doen aen mijn vermaerde stam, Dat iek een lieydens wijf in mijn geselschap nam? Dat ick, als tot een spijt van alle Christen-vrouwen, Met soo een vuyl gebroet genegen ben te trouwen? Neen neen, u hoogh gemoet, en doetet nimmermeer. Let op uws vaders buys eu op u eygen eer. Gh v houft voor u geen wijf by dit gespuys te soeckeu, En maken dat het volck u trouwen sal vervloeckeu. Hier in dees rijeke stadt en in dit machtigh hof, Daer is tot u gerief al vry beqnamer stof.
Indien ghy zijt gepast met wel-gemaeckte leden, Koomt, als het u bevalt, maer nvt u huys getreden, Daer woont de schoonheyt selfs, eu dat in groot getal, Daer u naeu-keurigh hert veruougen vinden sal. Indien ghy zijt vermaeckt met wel en net te spreken. En dat ooek evenselfs en sal u niet ontbreken.
Indien ghy geit begeert, of anders machtigh goet, Ghy vint het even daer, en dan ooek edel bloet; Ghy vintet altemael, en watter is te wenschen,
Treckt maer u grilligh oogh van dees ongure menschen, Gaet kiest dat u betaemt, en trout met uws gelijck; Ghy vint tot u gerief het gansche koninghrijck,
Maer wat magh iek, oeli arm! mijn jonge sinnen (juellen, Eu mijn ellendigh hert in dese prangen stellen?
Ick sie het klaer genough wat dienstigh is gedaan, Maer wie kan in de jeught syn tochten wederstaen? Ick prijse reyne tucht en alle goede zeden,
Maer ick en kan de lust niet buygen na de reden: Al ben ick met de jeught gedurigh in geschil, Ick worde wech-geruckt ooek daer ick niet en wil.
Ick wordquot;, eylaes! vervoert, eu schoon iek wil liet weren, lek rake buyten spoor ooek tegeu mijn begeren.
Het vleeseh is wonder sterek, eu \'t is een deftigli man, Die hier het velt behont en meester blijven kan. lek gae dan wederom, ö schoone Pretiose,
Mijn hert vermagh het niet, dat ick een ander kose; lek beu in dat gepeys te verre wech geleyt.
Lek hael het weder in al wat ick heb geseyt. Soo haest u geestigh oogh, u soet en aerdigh wesen Ivoomt als een helle sou in mijnen geest geresen.
En dat ick sie den glans van u beleeft gelaet, Dan isset sonder kracht al wat u tegeu gaet.
Geen mensch kan immermeer in deseu my beschamen. Als of soo slechten maeght my niet eu soa betamen, En dat mijn grilligh liert hier sonder reden malt. Vermits mijn rouwe jeught hier in te lage valt. Ey draeyt doch eens het oogh, en siet na d\'onde jaren, Het stuck dat sal gewis sigh anders openbaren, \\\\ at isser doen ter tijt, wat isser al bedocht.
Om by een geestigh dier te vinden dat men socht? Inpijn, wel eer geseyt de grootste van de goden,
Is uyt syn hoogen troon tot in het wout gevloden, Eu heeft daer aen-gedaen het wesen van een stier, Of van een wilde swaen, of ander selsaem dier.
Heeft niet Alcmenaes soon, die monsters had verwonnen, Deu spiu-rock aen-geveert, en als een wijf gesponnen. En vry al meer gedaen dat uoyt een deftigh }uan, Bezijden dit geval, ter eeren duyden kan? Hoe menigh edel vorst, een kroon gewoon te dragen, Is inder haest verruckt door heete minne-vlagen,
44
?viet door een hoofsche maeght, of groote koningin. Maer, ick en weet niet hoe, een sloir, een liarderin ? Daer is, men weet niet wat, in onsen geest verholen. En doet al menighmael de wijste lieden dolen.
Het brenght hen in den geest een aengename pijn, En seyt: Dat Gode vonght wien kan het schande zijn Soo liaest het groote licht de sterren heeft verdreven, Soo gaet de jongelingh sigh op den wegh begeven, Hy vint het oude wijf, hy vint de jonge meyt Ter plaetse daerse l)leef en daer het M\'as geseyt. Hy viel, terwijl hy gaet, in veelderley gedachten. Die hem syns vaders huys vry hooger deden achten. Die hem van nieuwen aen gaen brengen in den sin, Syn vremde dweepery en noyt bekende min. ]3ies valt hy in beraet, of hy sal weder keeren,
Dan of hy syn gemoet sal laten overheeren;
En, siet, de reden wan, de vremde liefde weeck. En, soo liet schijnen mocht, syn eerste lust besweeck. Maer juyst in dit gepeys doen sagh hy Pretiose, En scheen in baer gelaet gelijck de versche rose,
Oock schoonder alssc plagh. Dies als hy nader quam. Sou wert van deseu roock terstont een helle vlam. Inyst soo gelijck een keers te voren eens ontsteken, Waer van dien eygen stont het leven is geweken, Indiense maer een reys genaeckt een hellen brant, Is op den staenden voet in haren eersten stant: Soo vaert de jongelingh. Hy koomt tot baer getreden, Hy seyt baer: Weerde maeght, ick scbenck u dese leder Ick ben bereyt te doen wat ghy bevelen suit, En watter komen magh te dragen met gedult.
45
lek beu van nu bereyt u wijsen aeu te vangen,
Laet my terstont een kleet van u geselschap langen; lek sal om uwen tVil met blijdschap onderstaen Dat nimmer edelman of ridder heeft gedaen.
Uit seyt hy, en terstont began hy nyt te trecken Al wat syn edel lyf voor desen plagh te decken; Soo dat hy eer een uyr daer op den velde staet In als l) soo toe-gerust gelijck een heyden gaet, Stracx koomt het ganselie rot den man bewellekomen, En hy wort onder hen als broeder aen-genomen;
Daer wort syn hooft gewiet te midden in de schaer, Maer al met naer geheym en wonder vremt gebaer. De naem die hem wel eer was iu den doop gegeven, Om als een Christen-mensch voortaen te mogen leven, \\\\rort by hem voor liet volck ten vollen af-geleyt, Soo dat hy im voortaen Andreas wort geseyt.
Een met een grijsen kop die quam tot hem getreden. En biet hem veel gelucx, en seyt hem dese reden:
Gliy, die als nieuwelingh in ons geselschap tr(?et, \'T is nut dat ghy den grout van onse rechten weet. lek dan, een opper-hooft van onse med\'gesellen, Wil voor n klonck verstant ons wetten open stellen. Voor eerst en heeft ons volck geen dingh voor hun alleen. Wat yder wint of vint, dat is voor ons gemeen. De vrouwen neem ick nyt; die mogen na de wette tl Haer bedde nimmermeer in eenigb deel besmetten.
Want als haer eenigh wijf hier in te buy ten gaet. Dat wort van stonden aen gelevert aan den Itaet, En die laet overluyt terstont het vonnis lesen,
1) Als: alles.
Dat sij onweercligh is op aerdeu meer te weseu.
Dies houft men beul, noch galgli, noch sweert, noch
engen strop,
De jonghste van den hoop die hreeckt haar Hu ex den kop. Men tijght ons dieften op, (;n wonder slimme streken, Maer \'t is niet wel geseyt, men moeste sachter spreken; Wy stellen overal gemeenschap in het goet,
En nemen ons behonf van rijcken overvloet.
A\\ y zijn gelijck oen spoor van haveloose menschen. En krijgen even soo al wat wj konnen wenscheu,
AVant die op syn bedrijf niet vlijtigh toe en siet, \\\\ anneer hij weder koomt, soo vint hy dickmael niet. Ons tnygh wordt noyt gerooft. \'t Is qualick yet te stelen, Wanneer den hnys-weert selfs die rolle weet te spelen; Al knaeght de grage slangh al vry een lange wijl Voor haer en is geen aes te krijgen van de vijl. Wy leeren alle daegh de gront om wel te leven,
En wat men aen den bnyck of rugh behoort te geven, Wy liebben inder daet nu menighmael beprouft, Hoe weynigh dat het lijf tot noodigh voedsel houft. liet is een groot gemack, bekent aen weynigh menschen, Tsiet in dit aerdsche dal te vreesen of te wenschen: Wy vinden dat men eerst dan onbekommert leeft, Wanneer men niet en soekt, oock als men niet en heeft. Dies zijn wy niet besorght om goet by een te rapen, Maer konnen onverlet en sonder vreese slapen.
Wy spitten nimmermeer, wy kennen geenen plough, Eu des al niet-te-min wy vinden broots genough. Wy preesen noyt een mensch die na den rijckdom snelde, Wy leven van den dan, als bloemen op den velde.
47
(Jus ziel is niet beducht om geit of maehtigli goet, Wy rapen onsen kost golijck een vogel doet. \\\\y plucken sonder geit de vruchten van de boomeu, Wy treeken sonder kost de vissen uyt de stroomen, \\\\ry krijgen wilts genough en vogels nvt liet wout, De keven geven vier, en al de bossen hout. üns huysraet meestendeel bestaet in snelle bogen. Wy koken daer het valt, wy slapen daer wy mogen; En schoon het niet en gaet gelijck het yder lust, Wy des al niet-te-min wy stellen ons gerust. Wy koniien noorden wint, en alle sure vlagen, Wy konnen harden vorst, oock sonder hinder dragen; Soo dat ons gansche lijf geen koud1 of hit en kent. Soo veel vermagh de tijt en daer men toe gewent. Schoon dat het gansche rijck wou krijgh en oorloogh voeren, quot;T en sal ons even-wel de siimen niet beroeren.
Want schoon of dese wint, en die verliest den slagh. Het gaet ons even-wel gelijck het eertijts plagh. Wy staen noyt vrouger op om eenigh heer t(! groeten. Of dat wy door de stadt een prins geleyden moeten, Wy streden niet een mensch, oock niet den grootsten vorst. Dat is maer voor het vole.k dat na den eer-sucht dorst. Ons geest is nimmermeer gequelt met hooge saken. Om ons door al het lant een grooten naem te maken. Of ons de werelt prijst, of ons de werelt laeckt, Wy zijn als buyten schoots en werden niet geraekt. Al is de gansche kust van roovers in-genomen,
Noch zijn wy niet beschroomt om daer ontrent te komen; Wy singen menighmael oock in het dichste wout, Daer sigh een vinnigh heir van felle moorders hout.
48
Wy zijn uiet eeus beducht, schoon al de winden blasen, AVy leven onbeschroomt hoe seer de baren ïas(!ii; Wy vreesen geenen brant of hoogen water-vleet. Die niet verliesen kan wat schaet hein tegenspoet? Schoon dat liet gansche rijck moet tol of schatting geven, Wy leyden even-wel een onbekommert leven.
Geen hooft-gelt op het volck, geen lasten op het lant En worden o\\7t geverglit aen onsen vrijen stant. Wat dienter meer geseyt? wy zijn geduchte lieden, Die geen verheven vorst, geen prins en kan gebieden. Al waer de guide son de werelt open doet Daer gaen wy souder schroom, als op ons eygen goet, Wy leven over-al als princen van den lande;
Niet hebben even-wel en is hier niemant schande. Wy treek en t\' onsen dienst geheel liet aertsche dal, Wy hebben niet een sier, en wy besitten \'t al.
lek heb u, edel helt, ons wijse nu beschreven,
Ghy let of ghy begeert met ons daer in te leven.
Dan of ons strengh gebruyek is tegen uwen aert; Want siet het staetje vry te blijven dat je waert. De grijse kop die sweegh. Andreas gaet beginnen, Spits-broeders, seyt de man, met al de gansche sinnen Word\' ick u bont-genoot, en tot een vaste peyl.
Hier is een volle beurs die ick u mede deyl.
Siet, als ick uytte stadt tot u ben af-gekomen,
Soo heb ick desen bucht in voorraet met-genomen; Ontfanght dit kleyn geschenck, en weester vrolick van, En hout my voor u vrient en voor een rustigh man. Een dingh wil ick alleen hier in bedencken brengen. En bidden, wat ick magh, dat ghy liet wilt geheugen;
49
lek treedt\' in dit verbont, alleen om dese maeglit, Laet die voor my alleen indien liet u beliaeght. Ick sal tot aller tijt, waer dat wy henen trecken,
llaer voor een trouwen vrient, en voor een hoeder strecken, Ick sal haer lev der zijn en hier en over-al,
Soo dat haer teere jeught geen hinder lijden sal. Een van den swarten hoop begon hier op te wrocken, Kn sevde; Lieve vrient, soo ghy begeert te jocken In eere sonder hoin 1), liet wert u toegestaen;
Maer, wat ick bidden magh, en \\\\ ilt niet hooger gaen. Weest heus in u gebaer, en wilter in volherden; Of anders, houtet vast, het sal u beurte werden; Wy lijden onder ons by wijlen soet gelach,
Maer ontucht nimmermeer, en geensins vuyl bejach. Dies soo de jonge maeght van u wert uyt-gestreken, Wy sullen u gewis den kop aen stucken breken;
Maer sooje trouwe meent, en niet als eerbaer zijt, De maeght sal uwe zijn, en dat te rechter tijt. Dit nam Andreas aen ten vollen na te komen,
En heeft op dit bespreek de vrijster aen-genomen; Een yder riep geluck en maeckte groot gebaer, Eu wederom geluck, geluck, geluekigh paer.
Maer hy versoeckt terstont, dat haer de gansche bende Vertreckt nyt dat gewest en elders henen wende, Wt vreese soo hy bleef of woonde daer ontrent. Dat hy van eenigh inensch eens mochtc zijn bekent. Daer gaet hy metten hoop in vreemde landen dwalen, En hy en mist niet eens syns vaders hooge zalen,
Hy acht geen ongeiuack, geen schande, geen verdriet, 1) Hoia : hoou.
UIT NEDERLANDSS LETTERSCHAT. 4
30
W anneer hy maer een reys syn Pretiose siet.
Hy voelt syn ingewant, hy voelt syn herte springen, Als sy maer uyt de liorst een deuntjen plagh te singen, Het bitter even-selfs dat is hem suycker soet.
Ey siet eens wat de jeught, en wat de liefde doet! Don Jan noch even-wel, ooek in dit woeste leven,
En wil hem tot bedrogh of diefte niet begeven;
Maer wat dit selsaem volck of hier of elders haelt. Dat wort al menighmael by hem alleen betaelt.
Hy wil geen vuylen jock in haren praet gehengen.
Maer pooghtse met beleyt op beter wegh te brengen; Soo dat hy metter tijt haer rouwe sinnen wint. En sigh by al den hoop in groeten aensien vint.
Maer t\'wijl dit selsaem volck op hare wijse leefde. En sonder vaste plaets in alle landen sweefde. Een maeght van Mureia die sagh den edelman.
En hoe hy al de jeught in schoonheyt overwan. En hoe syn heus gelaet en syn beleefde zeden,
Syn oogh, syn hoofsche tael, syn wel-gemaeckte leden Zijn anders in gestel als oyt een heyden plagh.
Of al se daer ontrent een heer of ridder sagh.
Haer geest die wort beroert, haer sinnen om-getogen, De loop van haer gepeys is buyten haer vermogen, Sy voelt \'k en weet niet wat ontrent haer grilligh hert, Sy voelt hoe dit gewoel allencxen grooter wert. Wat sal de jufter doen? Sy weet niet wat te maken, Sy voelt een selsaem vier door al de leden blaken;
Dies als sy op een tijt den ridder eensaem vont, Soo opent sy aldus tot hem een heuschen mout; Bevallick jongelingh, wat magh u doch bewegen,
51
Dat gliy tot deseu hoop soo bijster zijt genegeu? Dat ghy by dit gespuys u soete jeuglit verslijt, Ey geeft eens beter vreught aen uwen jongen tijt! Gebrayckt u geestigb lijf en desa sclioone leden,
Daer ghy, tot uwer eer, die nutter suit besteden,
En soo ghy zijt geneyght te gaen met goet beleyt, lek weet een beter staet voor u alleen bereyt.
Hier zijn veel cdel-lien die my tot trouwen vergen,
W ant iek heb over-al veel wijngaerts aen de bergen, En bossen in het wout, en boomgaerts in liet dal. En ossen op het velt, en peerden in den stal. En schapen op het schor 1), en geyten aender heyden, En hinden in het perek, en koeyen in de weyden. En knechten tot de jacht, en houden in het kot. En voor mijn eygen buys een schoon en lustigh slot. In \'t korte machtigh goet. Magh ick u maer genieten, lek sal in uwen schoot geheele schatten gieteu,
Dit wout, dit vruchtbaer lant, soo ver u oogeu sien, Dat sal u eygen zijn, en ick noch boven dien.
lek die een dochter ben van edel bloet geboren.
Heb u, door enckel gunst, voor alle mans verkoren.
Siet, dat de beste jeuglit voor deseu heeft gesocht. Wort u alleen gejont, en iu den schoot gebroeht. Ontfaught mijn rechter-hant, ontfanght mijn frissche leden, Die ick in u vermaeck ua desen wil besteden,
Ontfanght mijn herte selfs, eu stelt my buyteu pijn, En spreeckt een eenigh woort, en ick sal uwe zijn. Andreas hoordet aan, maer kou het geeusins prijsen. Dat uyt haer teeren mout soo vrije woorden rijsen. 1) Het schor: aangewouuou grond bij rivieroever».
O vrijsters, watje doet, siet datjet niet en vraeght; Want als een vrijster vrijt dat is te veel g-ewaeglit. Me-juffrcm, sevt de man, ick danck n duysent werven, Mijn liefd\' is eens geset, en daer in wil ick sterven; Weet oock dat onder ons geen menscli en wert gepaert. Als met ons eigen volck of een van onsen aert. V gunste, niet-te-min, die ghy mv komt betoonen, Die wensch ick dat u God ten vollen wil beloonen; Doch, wat my raken magli, set elders uwen sin,
Mijn hert is u outseyt, daer woont een ander in. Gohanna met den slagh van soo een drouve reden. Gevoelt een koude schrick haer rillen door de leden. Gevoelt een diep verdriet; sy gaet ter zijden af,
Daer sy haer drouf gemoet in dese klachten gaf; Wat ben ik voor een sloir? wat heb ick gaen beginnen? Kan ick geen heyden selfs bewegen om te minnen? Och ! God, wat hanght my uyt, dat ick geen schamel man Met al dat ick besit tot mywaerts trecken kan?
lien ick dan soo mismaeckt, soo leelick aen te schouwen. Dat my een slecht gesel ontseyt een wettigh trouwen? Beu ick soo vuyle slons, of wel een oude queen. Dat ick verstooten word\' en loop een blauwe scheen? Neen seker; quot;k heb terstont mijn lijf en gansche wesen. Mijn oogh, en rooden mont, mijn geestigh hair gepresen, Als ick ontrent den noen en midden op den dagh Mijn leden overslough, en in den spiegel sagh. Voorwaer een eerlick man die sou hem des vernougen. Indien ick maer en wou tot hem mijn leden vougen ; Ick ben wel kussens weert, en soo ick maer en wou, fck waer oock heden selfs versegelt in de trou.
53
Daer zijnder vrv genougli die my des komeu vragen, En die noch boven dat mijn vrienden wel beliageu: lek ben voor rijck, en schoon, en eerbaer hier bekent. En heb soo veel versoucx als yemant hier ontrent. Maer dat is niet genough. Men kan geen liefde setten. Ter plaetsen daer men wil; want die is buvten wetten, En gaet daer \'t haer bevalt. De sin die isset al; En gansch de werelt dwaelt in dit ellendigh mal. Ick ben soo dwaes geweest, dat ick heb uvt-verkoren Een die inv niet en acht, ach ! waer ick noyt geboren. O! \'t is een liart gelagh, wanneer een jonge maeght, Haer wil niet hebben magh, schoon sv\'t haer minder vraeght. Ach! dat quot;seen wrange spijt. Ach mocht ick heden sterven! Want ick en sal geen troost mijn leven oyt verwerven. Hy is een selsaem hooft, hy is een rouwe gast.
Die op geen schoone verw en op geen rijekdom past. Maer waerom dus ontset om niet te willen leven? En waerom doch den moet soo veerdigh op-gegeven? Het gaet noch als men vrijt gelijck het eertijds plagh, Daer wort noyt eyeken boom gevelt met eenen slagh. Ick wil eens wederom ick wil de saeck beprouven, Hy sal niet andermael mijn teere ziel bedrouven; Ick sal hem mijn cieraet, mijn schatten boren dien, Ick sal hem diamant en peerels laten sien.
Ick sal gelijck een klis hem aen de leden hangen, En met een soet gevley hem streelen aen de wangen, Ick sal hem. Maer, eylaes! hoe meer een vrijster vleyt, Hoe datse meer verveelt, en lichter wert ontseyt. Syn hert is niet aen haer; het wert, eylaes! beseten, Van eene die ick merek hy noyt en sal vergeten.
quot;ï is dan om uiet gepooght, al woel ick bijster scer; Want voor mijn trenrigli liert en is geen liope meer. Het lieven is een dingli van wonder groot vermaken, \'K en weet op aerden niet dat beter plagh te smaken; Jlaer liefde souder hoop van oyt gelieft te zijn,
üat is een boose plaegh, en meer als lielsclie pijn. Uan ick lx;n niet gesint dit quaet in my te voeden, Het geesselt mijn gemoet als met gestage roeden.
Gewis dit moeter nyt; en om hier wel te gaeu, Soo moeter in de plaets en haet, en wraeck-lnst staen. Wel, haet, ontsteeckt mijn hert, en stelt u om te wreken, Dat zijn van overlangh dat zijn de rechte streken Van een die qnalick mint, of ongeluckigh vrijt, Ontseyde gunst ontbrant in gal en enckel spijt. En dat knaeght aldermeest de sinnen van de vrouwen. Die zijn hier als verwoet, en konnen wonder brouwen. Een wijf is bijster ergh; en waer men lagen smeet, Daer is geen nicker selfs die slimmer gangen weet. Dit moet ick heden selfs dit moet ick gaen beprouven, Ick wil hem metter daet, ick sal hem gaen bedrouven. Die my de vreught ontseyt. Stae by nu, vrouwen-list, En stort in mijnen geest dat noyt verrader wist. Dat noyt een spoker dacht, of boose geesten vonden, Mijn breyn is op den loop, mijn sinnen ongebonden. Mijn kop die suysebolt, daer is geen houwen aen, Daer moet oock desen dagh wat selsaems omme-gaen. lek, ick, moet wrake doen en hy syn straffe dragen. Al sou het gansche rijck van desen handel wagen. Al soudquot; ick heden selfs my brengen in den noot; Stil leven kan ick niet, ick ware liever doot.
00
Hoort wat de jnffer doet. Sy laet liaer jongen letten, AV aer dat ]Jon Tan syn inael 1) gewoon is in te setten, Een mael die niet en sluyt, en slechts van ossen leir \\\\ ant koffers vint men noyt ontrent dit selsaem lieir. I lier van wel onderricht, soo laetse moye dingen.
Gout, peerels, hals-cieraet,\' daer in den huyse bringen, En binden in het kleet van onsen jongelingh.
Terwijl hy in het dorp of op den velde gingh. Andreas wel bewust hoe dat de vrouwen woeden, Wanneer men haer ontseyt haer lusten aen te voeden, Gebiet dat al het volck terstont in rassen spoet,
Oock op dien eygeu dagh, van daer vertrecken moet. Dit nam de juffer waer, en als hy meynt te reysen. Begon sy met beleyt op haer bedrogh te peysen; Sy stroyt door al het dorp dat sy uyt hare kist, Gout, peerels, eenigh geit, en veel juweelen mist. Stracx zijn op haer geklagh de boeren aen-gekomen. Die eysehen wederom al watter is genomen;
De rackers van de schout, zijn mede daer ontrent. Die na den vreemden roep de strenge rechters sent. Daer gaet men \'t heydens rot ten nausten ondersoecken. De vrouwen in haer keurs, de mannen in de broecken, Maer, siet, de loose maeght die wees den ridder aen. En seyt het slim bejagh by hem te zijn begaen. Als dit Andreas hoort, soo komt hy toe-getreden, Hy lough de juffer toe, en seyd haer dese reden:
Komt souckt, vriendinne, souckt, al wat gy soucken
meught;
.By my is anders niet als trou en ware deught. 1) Mael^ Valies, koffer.
56
Indien ik vau bedrogli hier schuldigli wort bevonden, Soo ben ick wel getroost om vast te; zijn gebonden, Eu soo te zijn gestraft gelijck men guyten doet, Die soecken liaer bejagh op ander luyden goet.
lek sal nog boven dat u seven-mael betalen,
Wat ghy van u cieraet liier\' uyt suit konnen halen; Doorsonck vrv dese mael, en watje vorder siet, Een peert dat niet en let en vreest den ros-kam niet. Hier op soo gaet de schout, en syne rappe gasten. De male van den vrient wel happigli ondertasten,
En, siet, van stonden aeu soo komt liet aen den dagh. Al wat voor aerdigh tuygh daer in verholen lagh. Don Tan op dit gesicht is wonderlick verslagen,
Noyt was by soo verbaest van al syn leven-dagen; Hy staet gelijck een steen met droufheit overstort, Eylaes! de jongelingh en weet niet waer liet schort. Stracx riep de juffer uyt: Koomt vanght ons dese bouven. Die met haer vuyl bejagh het gansche lant bedrouven. Maer grijpt eerst desen gast, die eerst soo moedigh
sprack.
Hy is de rechte gront van al het ongemack.
Hier vanght den rechter aen den ridder seer te schelden, Hy noemt het heydens volk een plage van de velden. Een peste van do stadt, een schroom van yder buys, Een schuym van bouve-jacht en alle vuyl gespuys. Daer stont een krijghs-man by die sigli des gingh be-
moeyen,
\\\\\' egh (seyt hy) met den bouf\', hy dient te loeren roeyeu. En even met het woort soo geeft hy hem een slagh, Soo dapper als hy kan. soo vinnigh als hy inagh.
57
Andreas suysebolt, syn hersens zijn l)e\\vogen,
Svn geesten al gelijck door gramschap op-getogen,
Hy donekt niet waer hy is, hy weet niet wat hy duet, Syn geest die speelt alleen ontrent syn edel blowt. Hy stelt hem dan te weer, en gaet den krijghs-man tegen, Hy valt hem op het lijf, en vat syn eygen degen, Hy treft hem in het hert met soo een diepen steeek, Dat hem de leven-kracht van stonden aen besweeck. Daer schreeut men overhoop. Andreas wort gebonden. En al het heydens rot na Mureia gesonden;
Daer is het hals-gerecht van dat geheele lant,
Soo dat men daer ontrent geen hooger rechter vant. Terwijlen dit gebeurt, Constante, gansch verslagen, Is van den bleycken angst als buyten haer gedragen, Daer is een killigh sweet dat uyt haer aders schiet, Vermits sy haren vrient aldus gebonden siet.
Maer desen onverlet soo wortse mé genomen.
En is met al het rot tot in de stadt gekomen;
Daer krielt men overhoop al waer do vrijster quam. Vermits een yder lust in haer gesichte nam.
De fame van de maeght aen alk; kant gevlogen.
Heeft oock de lant-vooghdin tot in het hert bewogen, Sy maeckt haer veerdigh op, sy gaet tot haren man, Daer seytse voor de maeght al watse seggen kan; Al met soo grooten ernst dat haer wort toe-gelaten, Het jongh, het geestigh dier te nemen van der straten. Te brengen op het slot. Maiombe wasser by,
En was om dit geval van ganscher herten bly. Sy meynt, soo maer de vrou hoort Pretiose spreken. Dat haer noch goet onthael noch gunste sal ontbreken.
58
En soo als sy liet gist soo wasset dattet viel,
Me-vrou ontfingh ile raaeglit als met een open ziel. Sy blijft gelijck verdwelmt in hare soete wangen, Sy blijft aen liaer gelaet met al de sinnen hangen, Sy neemtse byder hant, sy leytse door de zael,
Sy valt haer om den lials en kustse menighmael. Sv spreeckt Maiombc; toe, sy vraeght verscheyde sak en, Jlaer verre boven al die Pretiose raken,
Sy vraeght hoe ont sy was. Het wijf dat antwoort haer, Dat nu haer nichte qnam ontrent de vijftien jaer. Hier op is in de vron een drouve luym geresen; Dus oudt soud\' even nu mijn weerde dochter wesen. Indien de goede God dien uytgelesen schat (Dit sprack vrou Giomaer) aen ons gelaten had.
Maer, laes! nu is het kind in syne jonge dagen Met listen wech-geruckt, en uytet land gedragen. Constance waerjo zijt, of immer komen meught. God zy door synen geest ontrent u teerc! jeught. De maeght gingh onderdies me-vrou de handen kussen, En bid haer evenstaegh haer druck te willen blussen; En t\'wijl vrou Giomaer vast sit op haer en sagh, Ontsluyt het aerdigh dier aldus syn drouf geklagh; Indien ghy, weerde vrou, hebt eenigh welbehagen in mijne teere jeught, soo hoort mijn angstigh klagen. En mijn bedroufde stem. De goede jongelingh Dien in het naeste dorp de lant-drost heden vingh. Dat is mijn weerde vrient, in trou aen my gebonden, Daer wort geen beter mensch in al het laut gevonden; Al is de krijghsman doot het is syn eygen schuit, Hy bracht den vromen helt tot enckel onverduit.
Hy slough hein met een vuyst dat licin de tanden bloeden, Soo dat syn edel lieït hierom begon te woeden.
Hy is geen rouwe gast die oyt syn leven stal,
Gelijck men metter tijt wel ondervinden sal.
Hy is een edelman, laet alles overwegen, En ondersoeckt het stuek gelijck liet is gelegen, Ghy snit met oogen sien, en tasten metter hant. Dat nieinant oyt bedrogh in al syn handel vant. Soo dese jongelingh gedwongen is te sterven,
Soo moet ick van gelijck mijn jonge leven derven. Mijn hert is al te weeck, mijn wesen al te teer. Als hy syn leven laet, wil ick geen leven meer. Ick bid u, weerde vrou, met al de gansche leden, Om n verheven stam, om u beleefde zeden,
Indien oyt soete min, indien oyt reyne vlam In uwen geest oiitstack. in uwen boesem qnam; Soo slaet een gunstigh oogh op twee soo jonge menschen. Die geensins hoogen staet of machtigh geit en wenschen, Maer pogen een te zijn in vreught en ongeval. Tot dat de bleecke doot haer eenmael scheyden sal. Met dat de jonge maeght haer reden heeft gesproken, Zijn haer met groot verdriet veel tranen uyt-gebrokcn, Soo dat het siltigh nat een stroom, een gansche beeck, En aen vron Giomaer een stage vloet geleeck. Sy dan, mits dit geklagh, gevoelt haer gansch bewogen, Gt\'voelt haar innigh hert als nyt het lijf getogen;
Daer is, \'k en weet niet wat, dat haer de sinnen roert. En dat haer angstigh hert geweldigh omme-voert. Men siet in dit gepeys men siet haer oogen vlieten, Soo dat haer in den schoot de druppels henen schieten.
60
De lant-vooght onderclies koomt treden in de zael, Verwondert dat hy sagli den druck van syn gemael. En hier op koomt de maeglit hem vallen aen de voeten, En gaet hem insgelijcx met dronve woorden groeten; Sy weent, en bid, en smeeckt, met soo een heuschen
mont,
Dat hem de goede man al med\' ontsteken vont. Hy kan, met alle kracht, syn tranen niet bedwingen. Die hem, als tegen danck, op mont en wangen springen; Hy staet geheel verbaest, hy staet een wijle stil, Onseker wat hy doen, of wat hy laten wil.
Maiomb\' hout onderdies haer sinnen op-getogen. En wough haer drouven stant met al haer gansch vermogen.
Sy rijst ten lesten op, en seyt: Eerweerde vron. My dunekt iek weet behulp voor desen swaren rou. Wilt ghy een kleynen tijt hier iiytc zael vertrecken, lek sal u metter daet een wonder stuck ontdecken, Hoort my een woort alleen, hoort wat ick seggen sal, Ghy suit een eynde sien van dit bedrouft geval. Maiombe sonder meer begaf haer nyter zalen.
En gingh van stonden aen een aerdigh doosjen halen; En alse weder quam daer Giomara stont,
Soo knieltse veerdigh neer, en opent haren mout. Vergeeft my, seyt liet wijf, dat ick eens heb bedreven. En dat ick nu ter tijt u wil te kennen geven.
Of soo ick na de wet ben weerdigh harde straf, Soo geef my aen den beul, en sent my naer het graf. Ick sal (hoe dattet gaet) de rechte waerheyt spreken, Ghy mooght aen desen romp u leet en droufheyt wreken;
01
Ick sal tot aller stont verdragen met gedult Wat gliy my voor verdriet hierom doen lijden suit. Het is nu dertliien jaer of luttel min geleden,
Dat ick mijn reyse nam door al de Spaensche steden, En door het platte lant, iek sochte mijn bejagh, Tot dat ick in Madril een aerdigh meysjen sagh. Een kint nau twee jaer out behangen met juweelen. Daar ick, na mijn verstant, behoorde van te deelen, De voester, soo ick sagh, die stout daer op de straet, Met scker kamer-maeght verwerret in de praet. Ick greep het jonge schaep, en sonder lange dralen Soo reysd\' ick iuder haest in onbekende palen;
En als ick was ter plaets daer ick my seker vont. Doen leyd\' ick in beraet, wat my te plegen stout. Ick had eens vast gestelt (ick wil de waerheyt seggen) Het kint, van als 1) ontbloot, tot vondelingh te leggen. Om al syn rijck cieraet, en wattet vorder had. Te houden voor een roof, en als mijn eygen schat. IMaor als ick recht doorsagh syn geest en frissche leden. Doen vond1 ick mijn gepeys te strijden met de reden; En daer op nam ick voor het meysjen op te voen. Op hope dattet ons eens voordeel mochte doen. Ick hebbet dan besorght, ick hebbet laten leeren, Al wat te rechter tijt haer jonckheyt mocht vereeren, Soodat het geestigh dier veel schooue dingen kan. En is (mijns oordeel) weert den besten edelman.
Maer wat is quaet te doen! wat heb ick drouve slagen Om dit ondeugend werek in mijne ziel gedragen!
1
Als: Alles.
6-2
Hoe was ick evenstaegli gepijniglit in den geest! Wat heb ick niet gesorght! wat liob ick niet ge vreest! Wat heb ick menighmael miju herte voelen beven, En drillen als een riet van harden wint gedreven! Ick schroouur (oock in den slaep) van haest te zijn
beklapt,
Of door een snegen schout alree te zijn betrapt. Wel, ick ben des geleert, en hebbe voorgenomen,
Novt in soo hangen praem 1) mijn ziel te laten komen; lek wil aen al ons volck en wie my raken magh. Ontraden dit bedrijf en alle vuyl bejagh.
Wel doen is rechte vreught; maer alle slimme gangen Zijn doodelick vergif die ons de ziele prangen.
Hier is dan nu de tijt dat ick miju schuit beken. Vermits ick op den wegh van beter leven beu.
Mijn heer, siet dit juweel, en dese goude keten, Ghy suit van stonden aen den ganschen handel weten; Of wijst dit niet genough den grond van dit geval, Soo leest eens desen brief dien ick u geven sal. Soo haest als sy het schrift den lant-vooght had gegeven, Hv siet van stonden aen al datter is geschreven: Hy lasset overluyt en met eeu open mout.
En dit was inder daet dat hyder in bevont:
Het jongh dochterhen dat hy wuj is, en dat iele den naem ran Pretiose yegecen hebhe, hiet eygentlick Constante, en is een eenigh hint van Don Ferdinando d\' Assevedo Bidder van Cula-trava, ende ran vrouw Giomara di Menesez. Ich sta! het selre hint in de sfadt van Madril op Hemelvaerts-dagh, ton elf uren, in \'tjaer dui/sent vijf hondert vijf e)i tnegentigh. Het hint
1) Praem: Nood.
63
haddc doen der tijf aen dcse juiveeltjens die in dit kojferken leggen. Ick hehhe korts daer nae dit alsoo ver)ionien, en yoet gevonden, \'t selve hg memorie te stellen, misschien of het schier of morgen te passé mochte komen.
Met dat vrou Giomaer haer man dit hoorde; lesen,
Soo is in haer gemoet een nien gewoel gerescn,
Sy kent het klejn cieraet, sy kustet menighmael, En sijght ujt cnckel vreught in onmacht op de zael. De lant-vooght recht haer op, verbaest van dese sakeu, Eu staet een lange wijl^ onseker wat t(! maken.
Me-vrou, nu wat verquickt, hoewel noch tlau geuougli, Vraeght stracx: Waer is het kiut dat desen kutcn drough ? Het wijf seyt: Weerde vrou, die met u heeft gesproken, luyst doen u metter daet syn tranen uytgebroken,
Dat is het aerdigh dier in desen bri(;f vermeit.
En dat tot heden toe u drouve sinnen (|uelt.
Dat is u eygen kint, by my wel eer gestolen.
En door mijn slim beleyt tot heden toe verholen. Tck bidde twijlt\'elt niet, maer neemt u dochter aen, Eu laet na desen tijt u drouve klachten staen. Terstont vrou Giomaer, met yver aen-gesteken,
Is uyt het stil vertreck in aller ijl geweken,
Sy gaet met grooten ernst en uytermaten ras. En geeft haer na de zael daer Pretiose was.
Die sat daer vast omringht met al de kamer-maeghden. Die met een treurigh hert de jonge maeght beklaeghden, Soo om het drouf geval, als om haer soeteu aert, En dat haer teere jeught met heydens is gepaert. Me-vrou gaet sigh in ernst ua Pretiose strecken,
Gaet aan de jonge maeght den boesein open trecken.
04
En siet haer witte borst, men vont een kleyne vrat, Die sy ter slincker hant ontrent den tepel had. En als men haer den voet ter aerden dede setten. En met een vlijtigh oogh daer op bestont te letten, Soo bleeck het metter daet, dat twee van hare teen Zijn als een swane-poot gewassen tegen een.
Me-vron is buy ten haer. De teyckens hier gevonden, De vrat op hare borst, haer teenen dus gebonden. En quot;t gunt men nyt het schrift met klare woorden las, Yersekert haer genough wie Pretiose was.
Sy grijpt haer in den arm, sy knstse menigh-werven, Sy voelt een diepe vreught, en schijnter iu te sterven, Sy gaet tot haren man, die sy van herten mint. En seyt hem; Weerde vrient, siet hier u eenigh kint; Hier is u weerde vrucht, die ick u heb gedragen, Daerom ghy hebt getreurt soo veel bedroufde dagen; Hier is liet eenigh pant van onse soete jeught, Ontfanght het nu ter tijt, en dat in rechte vreught. De teyckens al gelijck, aen my terstout gebleken, En laten mijn gemoet niet meer in twijftel steken.
Sy is het even-selfs die ick u heb gebaert,
Haer lichaem wijstet nyt, en haar geheelen aert.
Yoor al soo komt my voor, hoe dat ick was bewogen, En ick en weet niet hoe, als buyten my getogen. Wanneer ick eerst het kint ontrent ons deure sagh. En hier noch onbewust in dese venster lagh.
De man (die even soo een wonder hart bewegen Had door syn gansche lijf en in de ziel gekregen,
luyst doen het aerdigh dier hem eerst voor oogen quam) Seyt dat hy dese maeght voor syne dochter nam.
G5
Scyt dat hy aen het wijf haer diefte wil vergeven, En haer oock bystant doen, om wel te mogen leven, Mits datse nu voortaan wil stillen haren loop, En haer geheel ontdoen van desen vreemden hoop. O Heere, scyt hy voorts, wie kan u wonder wercken. Wie kan, gelijek het dient, n hooge daden mercken! (ïhy hebt ons langen tijt gespijst DKit tranen-broot, Ghy hebt ons af-geleyt tot aen de bleeeke doot. Ghv hebt ons eenigh kint, nu soo veel drouve jaren Gedurig oin-gevo(!rt in veelderley gevaren:
Ghy hebtet niet-te-min, ghy hebtet noch gespaert, Ghy hebtet, lieve God, tot onse vreught bewaert. Het was ons sonden schuit, dat wy u felle slagen D us hebben uyt-gestaen, en lange moeten dragen. Wy hadden vry al meer tot onse straf verdient; Uaer ghy zijt onse God, ons heyl, en ware vrient. \'T is uwe gunst alleen, \'t is u genadigh wesen. Dat wy uyt dese doot ten lestc;n zijn geresen.
Dat ghy tot onsen troost dit wonder laet geschien, Dat wy ons weerde pant alhier in vreughde sien. Sy was, eylaes! gegaen, sy was gelijek verloren,
Maer sy is wederom als op een nieu geboren.
Ghy hebt ons eens gebracht tot aen het duyster graf, Nu wast ghy wederom ons dronve tranen af.
Wilt ons van lieden aen, wilt ons nu danckbaer maken. Opdat tot uwen dienst ons herte magh ontwaken. Op dat wy nu voortaen in daet en in de schijn, V dienaers, lieve God, n kinders mogen zijn. Constances hert ontloock terwijlen dit gebeurde,
Haer dacht \'t en was geen tijt dat sy nu langer treurde;
UIT NEDKHLANn\'s I.KTTERSOHAT. 5
66
Haer dacht sy vont behulp dat haren druck genas, \\ ermits haer vader selfs daer eerste lant-vooght was. Haer dacht in volle daet, het stuck was nu gewonnen, Yermits haer saken staen soo wel sy immer konueu. Maer t\'wijl sy in den geest hier mede besigh sit, Soo treet haer vader toe, en seyt haer weder dit: God heeft ons grooten troost en blijdschap toe-gesouden. Om dat ghy, weerde kint, ten lesten zijt gevonden. Om dat ghy noch gesont en in het leven zijt;
Maer daer is echter wat dat my in \'t herte snijt. Ick sie, eylaes! iek sie dat uwe domme sinuen Een heyden (wat een schand\'!) een rouwen heyden minnen Een heyden sonder doop, die niet en heeft geleert, Hoe dat men God den Soon met reyne sinnen eert. Met oorlof, seyt de maeght, hoort my eon weynigh spreken Ick weet van stonden aen u droufheyt af te breken. De vrient aen my vertrout en is geen heydens man, Maer die in volle daet de Christen leere kan.
Hy is noch boven dat van edel bloet geboren.
En heeft my, soo ick was, uyt enckel min gekoren. En wat na dit geval noch vorder is geschiet,
En seyd\' ick na den eysch den ganschen avond niet. Maiombe nam het woort, en gaet de man vertellen, Hoe dat de jongelingh quam onder haer gesellen, Hoe dat hy synen staet en vaders buys verliet. Vermits hem syn gemoet tot Pretiose riet.
Hoe dat hy nevens haer aireede lange dagen Had vorst, en heete sou, en alle leet gedragen;
En dat dit al gelijck maer was een kleyn begin. Een preuf, en ondersoeck van syn getrouwe min;
67
Dat hy geeu dertel spel de vrijster mochte vergen,
Nocli met ongure jock haer teere sinnen tergen,
En dat hy door de lust noyt op en was gevat,
Maer dat hy sigli in als met eer gequeten had. In \'t korte dese vrou verhaelt in lange reden Al wat de jongh gesel voor desen heeft geleden; Soo datse voor het lest ten vollen openbaert,
Hoe dat syn ridders kleet by haer noch is bewaert. Dit vat de lant-vooght op, en, sonder langh te dralen Laet stracx het rijck gewaet daer in de kamer halen. Het wijf dat gaeter om soo veerdigh alsse magh.
Siet dus koomt op het lest do waerheyt aen den dagh. De lant-vooght onderdies gaet Pretiose vragen Op al den omme-gangh van hare jonge dagen.
Op al des werelts loop, en hoe haer dit beviel. En wat sy des gevoelt ontrent haer jonge zied. Sy antwoort over-al met soo besette reden.
Met soo een goed bescheet en in soo volle leden. Dat (soo de jonge maeght syn dochter niet en waer) Hy streckte voor gewis de sinnen over haer.
Hy vont sigh in den geest van hare min bevangen. En bleef aen haer verstant en hare schoonheyt hangen. Maer nu het geestigh dier als dochter hem bestont, Soo is hy gansch verheught tot in syns herten gront. En t\'wijl de man aldus in blijdschap is geseten, Soo koomt het oude wijf en brenght een gouden keten, En brenght het hant-cieraet, en wat den jongelingh Te voren om den hals of aen de leden hingh.
Als dit de lant-vooght siet en hoort den ridder noemen, En weet van wat geslacht dat hy is afgekomen,
68
Gevoelt hy ander-mael dat syn beswaerden druck Is, door des Heeren gunst, verandert in gelnck. Hij danckt God ander-mael met al de gansclie sinnen, Dat soo een edelman syn dochter gingh beminnen,
En dat syn trouwe gunst noyt eens in hem verdween, Schoon dat de jonge maeght een heydens dochter scheen. Dit heeft terstont de Faam ten luytsten uyt-gekreten, Sy liet het vreemt geval aen alle meuschen weten;
üock aen de vrijster selfs die aen den jongelingh Yoor desen hare ziel en gansche sinnen hing.
Die gaet daer aen de wet ten vollen openbaren,
Dat sy, eylaes! vervoert van hare groene jaren,
Vermits de jongh gesel haer quale niet genas. Hem hadde na geseyt dat hy een roover was. En schoon het selsaem luyt dat by haer is bedreven, Het wort haer evenwel in volle daet vergeven;
Andreas spracker voor, de lant-vooght nam het aeu, Dies mochtse sonder straf en vreedsaem henen gaen. \'T was al te blijden dagh, geen mensch en mochte treuren, Daer magh niet als vermaeck en soete vreught gebeuren. De man-slagh wart versoent, da ridder vry gestelt, En alle die het raeckt ontfangen machtigh geit. De banden, die den helt benaeuden aeu de leden. Die worden los gemaeckt of veerdigh af-gesneden; En voor hat duyster hol, dat hem gevangen hout, Soo komt hy voor den dagh geciert met enckel gout. Syn vader Avert terstont daer in de stadt beschreven. En die heeft metter daet sigh op de reys begeven. Dia koomt in haestan aen, verheught en wel gesint. Vermits hy synen soon soo wel verselschapt vint.
69
I)aer is geen edel geest die oyt heeft leeren dichteu, Of In\' valt aeu het werck met alle svu gewrichten; Al wat of spits vernuf, of kunste geven magh, Dat koomt om desen tijt ten vollen aen den dagh. Men hoort door al de stadt, door alle groene velden, En door het gansclie rijck van desen handel melden. De snelle weder-klanck die roeptiït in het wout, Eu al de werelt juyght dat Pretiose tront.
IV.
PIETER CORNELISZ. HOOFT.
IC Maart 1581â21 Moi 1047.
Uit; Gedichten van P. Cz. Hooft. Eerste volledige uitgave
gedeeltelijk naar des dichters eigen handschrift, -met aanteekeninoex vax P. Leendertz Wz., Amsterdam, P. jV. van Kampen,
1871, le Deel.
â
1.
Wijze: De mey die ons de groente geeft.
Elclc prijs sijn lief waer hij se gis,
Sijn luck ick niet benije,
Die ick bemin geboren is Tot \'s werelts heerschappijo.
Mijn geest van een gemeen verstant Hem niet en laet becooren,
De gene die mijn harte brant ïïs een princes gebooren.
Haer cedel en haer hooch gemoet, Vertoont hem in haer wesen
ïgeen haer ontsachlijck minnen doet, Dat doet haer lieflijck vresen.
In heusheit isse nemmermeer Yan ymant t\' overwinnen;
Geen dinck eu achtse boven eer,
ïsijn princelijcke sinnen.
Haer goddelijck verstant dat blinckt. Wanneer haer reden vloeyen.
74
Haar hooge keel wanneer se singt, Leyt menige si el in boeyen.
Van verw den hemel soo gelijck Mijn Jofl\'romvs oogen licliten, Dat claer den setel van sijn rijck Cupid\' in heeft gaen stichten.
O Jupiter vergeeft het mijn
ÃSoo\'ck weenich van n honwe, U blixems niet soo crachtich sijn Als (Voogen van mijn vrouwe.
Haer aenschijn nevels dick verclaert, En t\' quae weer doet versehoonen Dat alsse buiten spelen vaert,
De son hem schaemt te toonen.
Son dreicht ons vrij met duisternis
Schuilt achter woleken bloode, Soolanck mijn Joffronw met ons is, Sijt gliij er niet van node.
Men sal daer om natuer geschent
Van niemant hooren noemen,
Waer dat mijn vrouw haer oogen went Daer grojen eruit en bloemen.
Daer leyt niet aen, Apollo blont.
Al ghingt ghij van ons scheyen. Als sij ons liaer gesichte jont, Tis tschoonste van de Meye.
75
Maer sonder t\' ooge dat mij quest,
En schoonlieit wtgelesen.
Al schijndij Plioebus al u best,
Tsal droeve winter wesen.
Dus heeft natuer liaer liefste kint,
Gaen bov(!n andren eieren,
De harten die haer sch oonheitwint Begeren haer manieren.
Indien een mensch verhopen dorst,
De liefd\' van een Godinne,
Misschien en branden noyt mijn borst
Van yemant anders minne.
1597â97. A- B-
Dido.
\'Z.
Wijze; Gister avond spade sloot ick mjn deur etc, IMINNAEll.
Galathea siet den dach comt aeu.
GALATHEA.
Neeu mijn lief wilt noch wat marren T sijn de starren.
Neen mijn lief wilt noch wat marren \'t is de maen.
MINNAEU.
Galathea t1 is geen maneschijn.
GALATHEA.
Hoe t\' is noch geen een geslagen Wat soud \'t] dagen ?
Hoe? t^ is nog geen een, t1 en can den dach niet sijn.
76
MINNAEE.
Galathea\' aenschout den hemel wel.
GALATHEA.
Laes! ick sie deu dagerade T1 onser schade,
Laes! ick sie den daegeraedt de tijt is snel. AIINNAER.
W aerom duirt de nacht tot t1 avont niet?
GALATHEA.
Vreest se dat wij met ons beyen Sonder seheyen Blijven souden tot dat ons de doot vernet? MINNAER.
Nu Adieu mijn troost en blijft gesont!
GALATHEA.
Wilt mij noch een kusgen geven Och mijn leven!
Jont mij noch een kusgen van u blije mout. MINNAER.
Galathea coom ick t\'avont weer?
GALATHEA.
Och mijn moeder mocht het hooren En haer stooren,
Och sij mocht het hooren maer comt even seer. MINNAEU.
Galathea hoe raeck ick van u hals?
GALATHEA.
Laes den dach en wil niet lij en T\' langer vrijen,
Danck hebt van u sachte kuskens en van als. 1602â1003. Galathea
J. C. B.
77
3.
REI UIÃ GRANIDA.
(KlO-ï yedicht â yedniht 1015.)
Het vinnich stralen van de Son Ontscluiil jck in \'t bossehagie;
Indien dit bosge clappen con,
Wat melden \'t al vryagie!
Vryagie? neen, vryagie? jae.
Vryagie sender menen-,
Van hondcrt harders (is \'t niet scliaePj Vindt ine\'r getrouw niet eenen.
Een wullepscli knaepgien altijt stuirt Nae nieuwe lust sijn sinnen,
Niet langer als het weygeren duirt,
jSfiet langer duirt het minnen.
Mijn hartgen treckt mij wel soo seer, Soo seer, dorst jok het wagen,
Maer neen, jck waeg\' het nemmermeer, Haer\' minnen sijn maer vlaegen.
Maer vlaegen, die t\'haus overgaen,
En op een ander vallen;
Nochtans jck sie mijn vryer aen.
Voor trouste van haer allen.
Maer of \'t u misten, domme maecht,
Ghij siet hem niet van binnen.
Dan \'t schijnt wel die geen rust en waecht, Kan qualijck lust gewinnen.
78
Of jck liem oock liohtvaerdich vou,
En \'t bleef in dit bosscliagie ?
Indien dit bosge clappen con, A\\ at meldent al boelagie!
4.
YELDÃDEUNÃJEN. (1611.)
Haesjen op het loopen stelde Bej haer voetjens vlug, soo gauw. Dat se met haer soolen, nauw Kreuckte \'t kruitjen van den velde. Dat gelaen was met den dauw. Denckt of \'t binnenst haerder sieleu Was, van vrees, in swaere smart: Gerart was liaer op liaer Melen, Welliem lach haer in haer hart.
5.
VELÃDEÃNTJEN. (1611.)
Eerrijckjen sat onbelaeden, Sluimerlog, in \'t grasjcn Ijol,
Daer haer schaepjens wit van wol Haeren honger graech versaeden. Bloemert wierp met roseblaeden In haer aensiclit, neck en crop.
Haer gelaet begost te strangen. Hij, gedienstich, van haer wangen, Lasse met sijn lippen op.
79
6.
L IE D E K E N.
Wijze,: Demophoön, hoeioel de son, etc.
Sclioon Nymplielijn,
Acli minclje mijn,
Wat soud\' iok al versieren Om nae mijn wenscli Dees ledetjens Soo wel gemaekt te eieren. Met blinekendt gout Of perlen, sout Ghij voelen ras belasten U lialsjen soet,
Soo erael als liloet Daerom niet beter pasten.
Ick soud\' u eleên Met keursgens reen Yan lichte verwen blijtgens Die souden staeu Gescbildert aen U breetaclitige sijtgens, U voetgens mit Haer scboentgens wit Daer bij geval in \'t boeken, Het incarnaet Soo wel bij laet Van hoosgens glad getrocken.
so
à armkens mee Soo wit, als snee,
Soiid ick corael om schicken. Dees vlechgens blondt Oj) uieuwe vondt Soud iek u leeren stricken Met snoertgens veel, Nu groen, nu geel. Bij lodderlij cke beurtgens,
Voor watrcn t haer Of cruivent daer En duisent soete leurtgens.
T perruickgen sou lek trecken nou Wat laechgens dan wat hoocligei En als liet claer Gefutselt waer Mij spieglen in u oocligens. Dan werpen liclit Nu mijn gesicht 0])t eene nu opt ander; Dan nemen raem Hoe t\' altesaem Sou voegen bij malcander.
Indien dat gliij U oocligens blij En lieff\'elijcke seden
Soo vreuclide-rijck
81
Soo vriendelijck Soo vol bevallijckheden En u aenschijn Vernoeclit, tot mijn Dan met een lachgen wenden Soo soud ick hiel In u, mijn siel Gaen metter woone senden.
En als ick wat Beloncket had Den brandt van alle knechgens U zedetgens U ledetgens U fraeij getoijde vlechgens, Soo soud1 ick streng Met armen eng U jente lijfgen prangen Tot jck daer wt Creech buit om buit U sieltgen weer gevangen.
De verwe van Mijn lippen, an U wanxgens soud1 ick plecken Door soentgens sacht En met haer cracht U siel te mond1 wt trecken, Charife, ick weet Ghij dan beleedt
i:rr NKDEIIT.AXD\'s LïTTEIiSCIIAT.
Dat niemant van u susgens,
Daer ghij (soo \'t schijut) Nu smaeck in vijndt Gaf oijt soo soete kusgens.
1605â1606. Ciiarife.
D. B.
7.
D E U N TI E jSt.
W ijze ; Si c est pour mon puceUage, etc.
Als Jan Sybrecli sou beleseu En haur sprack van Liefden an,
Seyse, jac, maer Janneman
Soud het reyne Liefde wezen Die ghij mij geeft te verstaen,
Eeine Liefd\' can niet vergaen.
Reine Liefd van d\' alderreinste Zeide\' hij, Sybrecli, bolle mejt. Wel, zej sij, dats goedt bescheit
T hijlijck is op quot;t alderheinste i)
Jan jck wilt inet u bestaen.
Reine Liefd can niet vergaen.
Vijftich builen in twee slagen Smeet hem laest de boze feex Met een wackre sleutelreex ;
Als hij doe begon te clagen,
Seyse, Jan, wat gaet u aen.
Reine Liefd can niet vergaen.
1) Alderheinste = allerspoedigste.
83
Sij heeft een sweep ontboon wt Polen, Diese bij haer cammen hangt. Als haer dan een lust bevangt,
Seit ze Jan licht op u zolen Hippelt luchtich onbelaen,
Eeine Liefd can niet vergaen.
Jan bestont sijn wijf te vraegen Was het u al reyne Lieft,
Sybrech seyde: Jaet, ontdieft, Daerom moet ghij mij verdraegen Als jek lust heb wat te slaen, Eeine Liefd eau niet vergaen.
Wel verdraecht dan oock mijn smijten, Seide Jan, en stelde doe Oock een bos met sleutels toe, Eu als zij begou te crijten,
Greet hij weer daer tegen aen. Reine Liefd can niet vergaen.
Wildij reine Liefd doen duiren ? Voechter Reine Liefde bij.
Want de Liefde aeu eeue zij Can in corte tijt verzuiren,
Hangtse beide zijden aen Reine Liefd can niet vergaen.
V.
GERBRAND ADRIAENSZ. BREDERO.
16 Maart 1585â23 Augustus 1618.
Uit: De Werken van G. A. Bredero. Volledige Uitgave
naar de beste oude drukken bezorgd en opgehelderd
door Prof. Dr. J. Ten Brink, Prof. Dr. H. E. Moltzer, Dr.G. Kalff, Dr. li. A. Kollewijn, J. H. W. TJnger en Dr. J. Te Winkel.
Amsterdam, Gehr. Binger, 1800.
1.
BOEEEN GES ELSCHAP.
Stemme; Waren twee Gebroeders stout, kc.
Arent Pietex Gysen, met Mieuwes, Jaap, en Leen, En Klaasjen, en Kloentjen, die trocken t1 samen heen
Na \'t Dorp van Vinckeveen:
Wangt ouwe Erahgs, die gaf sen Gangs,
Die worden ofereen.
Arent Pieter Gysen die was so reyn int bruyn. Sen hoedt mit bloem-fluwiel die sat hem vry wat knyn.
Wat scheefjes en wat schnyn,
Soo datse bloot, ter nauwer noot Stongt hallif o)) sim kruyn.
Maer Mieuwes, en Leentjen, en Janpje, Klaas en Kloen Die waren ekliedt noch op het ouwt titsoen,
In \'t root, in \'t wit, in quot;t groen,
In \'t grijs, in quot;t graeuw, in \'t paers, in \'t blaeuw, Gelijck de Huyslny doen.
SS
As uou dit volliokje te Vinckeveen anquam,
Daer vongdese Keesjen, Teunis, ca Jan Schram,
En Dirck vau Diemerdain,
Mit Symen Sloot, en Jan de Doot,
Met ïijs, en Barent Bam.
De Mejsjes vande Vecht en vande Vinckebiuu\'t Die hadden heur tuyclije te wongderlijck esclinnrt,
O se waren soo eguurt,
llaer denckt iens Fy, liad langhe Sy Heur Ongcr-riem ehunrt.
Sy gingen in \'t selsip: daar worden so esclmmgst, Gedroncken, gesongen, gedrcumelt en gedangsfc,
Gedobbelt en gekangst.
Men riep om wijn, het most soo sijn,
Elck Boerman was en Langst.
Maer Mienwes en Trijntje, die soete slechte sloy, Die liepen met menkander uytten hnys in \'t Hoy,
Met sulck geflickefloy.
En suck gewroet, och \'t was soo soet,
Mijn docht het was soo moy.
Aelwerige Arent, die trock het ierste mes,
Tuege Piete Kranck-hooft, cn Korsclige Kes,
Maer Brangt van Kaallenes,
Die nam een greep, hy kreegh een keep,
Mit noch en boer vijf ses.
De Meysjes die liepen, en lieten dat geschil, Kannen noch kandelaers, noch niet en stonger stil: Maar Kloens die stack, en hil
89
Soo dapper uyt, dat een Veeu-puyt *\' Daer doot ter aerden vil.
Symen nam de rooster, de beusem, en de tangh, En wurrepse Ebbert, en Krelis vuer de wangli,
Het goetjen ging sen gangli,
Het sy deur \'t glas, of waer \'t dan was,
Mijn blyven was niet langh.
Ghy lleeren, ghy Burgers, vroom eu wel gemoet, Mydt der Boeren Kens ten, sy zijn selden soo soet,
Of \'t kost yemant zijn bloet,
Eu drinekt met mijn, een roemer Wijn,
Dat is jou wel soo goet.
2.
VAN POBERT EN LOBBETJE.
Stem: \'t ScAaep dat voer naer Alleckmaer.
Ouse Lobbetjen is so blijt.
Ouse Lobbetjen, amp;e.
So datset over de buurt schier krijt,
1 toe zy-er vryer laet pracclien,
Maer sachje boe dat Eobert vrijt.
Je souwtje sticken laccbeu.
Eobert is lijn en wel bespraackt,
Fobert is, amp;c.
Daerom als by an \'t praten raackt.
Kan wongder by versieren,
O Lobbetje (seyt by) wie bet je maackt üeuse verweende klieren?
90
Noch l) se staanje om quot;tlijf soo juyst, Noch se, amp;c.
\'t Is tquot; ongenaertigh wel ekuyst,
Een mens die souwje scliaken,
Staet stil (seyt sy) bruer onbesuyst, Ie souwtmc smeerigh maken.
Fobert die raiend strick strackx al waers, Fobert, amp;c.
Sy lijekt so quaet dan as en baers,
En quot;t is maer klinck-klaer jocken :
Mar dit doet die door-trapte Flaers,
Om hum nocli mier te locken.
As Lobbetjen seyt, ay sus sit stil. As Lobbetjen, amp;c.
Dat is so veul, as \'t is mijn wil;
Maer moetet so wat decken.
En dat hy schoon zijn haagden bil, Sy souwter seer aentrecken.
Waugt as hy hum wat koeltjes hout, Wangt as, tkc.
So mient zy dat sen lieft verkouwt.
En kittelt hem in sen zijen:
Waer deur hum Fobert dan verstouwt. En raeckt dan dus an \'t vrijen.
O Lobbetjen! dien ik oyt verhief, O Lobbetjen, amp;c.
Ick hebje soo beseten lief,
1) Noch : Och.
91
lek kan ine uiet besturen;
Wecli, wech (seyd sy) je heht en brief, 1)
Wech mit je malle kuren.
quot;t Is mit Pobert al \'edaen,
quot;t Is mit Fobert, amp;c.
Wangt Lobb(;tjen hiet hem altoos gaen,
En dat ooek hiel ongwaerdigh,
In sy word (so ick heb verstaen)
Hiel spytigh en hovaerdigh.
Hoort nou alh; guyse-gaer,
Hoort nou alle, amp;c.
Fobert en vraeght ooek niet na haer,
Hoe seer hy haer ierst minde:
En ist gieji Lobbetjen, \'t is ien aer,
Hy sel sen diel wel vinden.
3.
VAN GIERIGHE GERRIT, EN MOUDE VAN GOMPEN.
Stem: Daer ick gister avont quam,
Daer sc/ieen de Maen so klaer, amp;c.
De Gierige Gerrit, die lebbige dief,
Die vrijt nu zijns ghelijck,
Die vrijt nu, amp;c.
Wanght hy het Modde van Gompen lief. Die leelijek is en rijek.
Die leelijek is en rijek.
Die leelijek is en rijek.
1
Je hebt eu brief: je bent te brutaal.
92
Sy het ien asingt ruyiu van vel,
Niet muys-vael, noch niet bongt,
Niet muys-vael, amp;c.
Nae \'t rotte-graen gelijeket wel,
Maer swart wast in de grongt,
Maer swart wast, amp;c.
Haer tangden zijn Kastangie bruyn,
Heur lippen pimpelpaers,
Henr lippen, amp;c.
Se het ien veurhooft tot heur kruyn.
En hier en daer wat haers.
En hier en daer, amp;c.
In haer vermaelde 1) wangen blieck.
En in heur moye kin,
En in heur moye kin,
Daer sietmen \'t leger vande Grieck En trotsche ïroyen in.
En trotsche, amp;c.
Se is geborst, gebuyekt, gebilt,
En louter in de vang, 2)
En louter in de vang,
Praet van Rosbaijer 3) soo ghy wilt.
Dees het ien ander gang.
Dees het ien, amp;c.
Dit monsterum oft ongediert
Dat voert soo hoogen pracht,
Dat voert, amp;c.
Vermaelde: heldere. 2) Louter ia de vaug: in haar vollen bloei.
Rosbaijer: het Kos Beyaert.
93
Daer wort ghien suof, gieu suee versiert, Of \'t is heur daeg\'lijcx dracht, Of \'t is heur, fee.
Gerrit is wat root, m wat blaeu, Wat paers, wat kakelbongt, Wat paers, wat, amp;c.
Sen tangden as ien vvouwe klaeu Staen averechts in sen mongt,
Staeu averechts, amp;c.
Hy sieter nou soo Jongetjes uyt,
Wangt hyr het corts ehaert l)
Wangt hy het, amp;c.
Na dat hy schoon was uyt eruyt,
Kreech hy sen twiede baert,
Kreech hy sen, amp;c.
Hy is soo anxstelijcke moy.
Men vreest datmen hum siet. Men vreest datmen hum siet,
Sijn Yaer het brieven van Octroy, Men macht na-drucken niet. Men macl it nae, amp;c.
So yemandt noch een stempel vindt. Die kaptse vry an twee.
Die kaptse vry, amp;c.
En drijftse met die woeste wint.
Diep in de Zuyer Zee,
Diep in de Zuyer Zee,
Diep in de Zuyer Zee.
1) Hy het corts ehaert: hij heeft onlangs van hairen gewisseld.
94
4.
VAN DIEUWEETJES VllYER. Stem: Meester Clement ghy vuyle vevt, etc Dieuwer is verlieft (by get!)
Op suklcen reynen vrijer:
Msr s\' better niet ieus op elet, Hoe slim dat hy sen bieneu set, Gbelijck een kreup\'le Snijer.
Wangt asse mar sen asingt siet,
Sy kancler nict uytkomeu;
Sy -weet clan van liacr selven nict, Sy staet wannier henr dat gbeschiet A1 waer sy op enomen.
Dan Diei\\wertje je liebt jon reen,
Die jon daer toe andrijven,
Je siet op zijn volmaeckte leen; Die ick van boven tot beneen Ka \'t leven sal beschrijven.
Sen hayr dat is as sulver grijs.
Sen asingt daer beneven Dat is so rongt, wijnt-hongts gewijs: 1st dat ick et nict gcnoech en prijs. Dat moetje myn vergeven.
Sen veur-hooft is ghebnlt seer hooch,
Gien schilder sonwt soo maken : Daer by het hy ien slinckcr oogh Dat is hiel leep, eu selden droogh. Gheboort met root scherlaken.
95
Daer toe het liy een groote Neus
Vol Parlen en Robynen,
Op liet fatsoen van Ileyntje Pens: Van veruw is sy hiel glorieus,
Miest uyt de karraosynen.
Sen kneveltjes staen hum so sohots,
Steyl boven sen propre monckje, Die hy ierst stijfden mit wat snots: Nou kijkt hy deur de hayrtjes trots llecht as en Ys-langs honckje.
Sen lippen sijn veur al niet svvack;
En zyn Trompetters wanghen, J)i(; staen soo stijf, soo straf, soo strack: Men souw met soo een Bulleback Wel jonge nickers vanghen,
Sen kinnetjen is so wel edaen:
En waer het niet vol puysten. Men souwer klauwen op of slaeu: Mar isser yemant om begaen.
Die slaetse plat met vuysten.
Het ongse Dieuwer dan gien recht.
Dat zy leyt al heur sinnen Op dees verweende moye knecht? ]\'ck liidje (vrienden) datjet seght. Wie souw hum niet beminnen?
Wangt (siet) hy liet mar ien gebreck An al sen lijf, en leden:
9G
Dat mier is, \'tis ien hoddebeek, !)
Een lompe loer, ien groote geck Van boven tot beneden.
Mar Dieuwer die is wijs en vroet,
Niet vleesschelijck noch biestigli;
Sy Heft sen vleys niet, noch sen bleet,
Mar s1 is genegen tot sen goet:
Bemintsquot; hum dan niet giestigli ?
5.
EEN OUDT BESTEVA KRTJE MET EEN JONG MEYS.TEN.
Stem: Fats hondert duysent slapperment, etc.
L. O Jannetje mijn soete beek!
Ey lieve blijft wat staen.
I. Wat schortje? seght, jy ouwe geek?
Ick raetje laetme gaen.
L. Al quot;t geit dat gy hier leggen siet,
Dat is voor u al ree.
I. Wegh kael-kop, ick en soeek u niet.
Dat jy soecJct, soeck ick mee.
L. Van landen, zanden, geit en goed,
Soo ben ick machtigh rijek.
I. Dat acht ick niet, o suffe bloed!
Ick wacht na mijns ghelijek.
L. Het goed is \'t daermen wel ofvaert.
Dus Meysjen weest ghedwee.
I. Ghy zijt mijn al te oudt bejaert,
J)at jij soeckt, soeck ick mee.
Li Hoddebeek: kakelaar.
97
L. Och kijntjen geelje mijn (\'enen som, lek geefje al dit geit.
I. Dat sal ick wel een jonger doen,
Al gaf hy niet en spelt.
L. Gelooft, Lief dat ick u versoeck Ter eeren en ter Ee,
T. Wegh, wegli, wegli Hansjen hangebroeck: Dat jy soecJct, soeck ick mee.
Ij. lek sel jon koopen watje lust,
En doen wat jy gebiedt.
I. Ey Lammert Vaertje hondtje rust.
Want jy en dientme niet:
Waer jy maer twintigli jaren oudt.
Misschien of icket dee;
Maar nou so zydy oudt en koudt;
Bat ju soeckt, soeck ick wee.
Dit is een Lansjeu na miju sin, Vol vrolijckheyd en vreught.
Die ick niet om sen goed bemin,
Maer om zijn jonge jeught:
U krachten die zijn oudt en af.
Dus laetmen in mijn vree;
En vrijd geen Vryster, maer een graf: Dat j/i soeckt, soeck ick mee.
L. Mijn dochter laet dees inellickmuyl. En neemt een deftigli man.
1. Och nam ick sulcken ouwen nyl.
Wat raed ging my dan an?
urr nedkri.and\'s i.kttekschat. 7
9S
\'k Sou immers by u levend1 lijf,
(Waer vintmen meerder wee?)
U Maegt zijn, en u Weeuw, jou Wijf: Dat jy soeckt, soeck icJc mee.
Vaertwel dan ouwe Roclielaer,
lek blijf by mijns gelijck:
Weet jy niet, salige Bestevaer,
Dat Wie genoecjht is rijck?
L. Ey staet tocli stil. God segen ongs, Verhoort doch dees mijn bee.
I. Ay Lammert-Vaer, jy soeckt wat jongs: Bat jy soeckt, soeck ick mee.
6.
EEN OUD BESJEN, MET EEN JONGMAN.
Stem; Pots hondert dujsent slapper ment, etc.
B. Nu Heereman, nu Jong-gesel,
Hoort toe, en houwt wat stal.
H. Nou laet mijn gaen jy ouwe vel. Wat schortje? sinje mal?
B. Hoe komt dat ghy u soo verhaest? Ay lieve houwt wat stee.
H. Wegh ouwe Totebel, ghy raest:
J)at jy soeckt, soeck ick mee.
B. Hoe valt u dit so euvel in,
Dat ghy my soo versmaed?
H. Wegh quijl-bab met u kevel-kin,
Wegh met u malle praet.
99
E. Ay Jonghmau geeft my wat gehoor, Het is mijn eerste bee.
H. Eu prevelt my niet meer au quot;t oor, Dat jy soeckt, soecJc icJc wee.
B. Uit sclienek ick u, o jonger Helt! Daer toe mijn lijf, en goed.
H. Nu Besje, laet mijn ongequelt, En soeokt eeu gierigh bloed.
B. Ick maeek u, Jongheling, soo rijck Als \'t water van de Zee.
H. Ghy zijt my al te ongelijck:
Bat jy soeckt, soeck ick mee.
B. Ick sal u houden als eeu Graef, In \'t gouwt, in \'t silver stijf.
H. Daer voor souw ick dau zijn eeu slaef Vau een verschrompelt wijf.
B. Dat kleuter is te wispeltuur.
Al is sy blank as snee
H. Eu ghy zijt my te goous en suur: Bat jy soeckt, soeck ick mee.
H. Wech taye tandeloose Best,
Wech druyp-ueus, wech root-oogh, Gaet haelt ieu kooltje in u test,
Eu settet vry wat hoogh,
Eu raest eu blaest daer leven in,
En laet mijn in mijn vree.
Dit is eeu Meysjeu na myn sin: Bat jy soeckt, soeck ick mee.
100
B. Den ouderdom is wijs van raet,
Daer toe suynigh en vroet,
H. Ghelijckhejdt in den Echten-staet Baerd vruntschap in \'t gemoet:
Wat is hier lieffelijcker dingh,
Of \'t alderdroefste wee,
Als goe, of geen vereenigingh ?
Dat. jy soecfct, soeck ick mee.
Al waer de Rijckdom van u schat
Als al de wereld groot:
En eer ickse met n besat,
lek was veel liever doot;
Wech Morssebel gy hebt een gongs: l)
Gaet door ghj ouwe quee,
Och Beste-moer ghy soeckt wat jongs,
Dat, jy soeckt, soeck ick mee.
7.
TWEE-SPEAECK VAN DE MOEDER EN DE DOCHTER.
Stem: Jlelaes! Amour wat gaet nij aen.
1). Kei-hart, iToertjen, heb ick lief.
En die selmen altoos minnen.
W arre-nar, die het en brief.
In hy is so stuers van sinnen.
M. Ast ien van beven wesen sal,
[st niet beter quaet as mal?
D. Moertjen \'t is ien mallen bloed.
En so haestigh daer beneven.
1) Gy hett een gongs; gij hebt een slag van den uioleu weg.
101
Dochter: deynckt om \'t groote goed, Dat sen Vaer mit hum wil geveu:
Ast icu van beven wesen sal,
1st niet beter quaet as mal?
Al was sen goet noch iens so groot, So mach ick de nar niet hooren:
Om myn bloet, noch om invn dood, Leltme niemeer an men ooren;
W as hv geclc, of quaet, \'t was frey, Maer nou is hy quot;t allebey.
Comt hy op myn camer weer.
Moer, ick seghtje van te veuren,
Lch schop de Kay van boven neer. Kijnt je moetje niet versteuren;
Ast ien van beyen wesen sal,
1st niet beter quaet as mal?
\'k Weet niet, moer! \'k wil om de keur Niet iens van de ballick vallen:
Het hy niet ien dolle breur?
En al \'t geslacht dat is vol mallen; Was hy geck of quaet, quot;t was frey, Maer nou is hy \'t allebey.
Moertjen, as de man is geck,
Broets en groots, en onbescheyeu.
De Vrouw die krygt oock dat gebreck, In die kyeren worden keyen:
Was hy geck, of quaet, \'t was frey, Maer nou is hy \'t alle bey.
102
Was liv krancksinnigh en quaet, Men moclit hem in \'t dolhuys slujten, Maer Moertje-lief, ick weet gien raet, So gaet War-nar lium te buyten; Was liv geek, of quaet, \'t was frey, Maer uou is hy \'t alle bey.
Geeft men Eel-hart die ick min,
Wilje Moertje? seg, ay lieve!
\'t Is ien langhs-knecht na men sin, In ick houw toch van gien brieven; t Is mit War-nar niemendal,
Wangt hy is korsel^ geek, en mal.
VL,
JOOST VAN DEN VONDEL.
27 November 1587â5 Februari 1G79.
Uit: De Werken van J. van dek Vondel. Uitgegeven door Me. J. van Lennep. Herzien en bijgewerkt door J. H. W. Unger. Leiden. A. W. Sijthoff.
Zonder Juavtal.
1.
DE WEEGSCHAEL TAX HOLLANDT.
OF DE HOLLANTSCHE TllANSFOllMATIE.
Gommer en Armijn te Hoof l^ongen om het recht Geloof.
Yflers ingebracht beseheyt In do weegschael wert geleyt:
Doctor Gommer, arme knecht,
Harldet met den eersten slecht;
Mits den schranderen Armijn,
Tegen Beza, en Calvijn,
Ley den Eock vau d\'Advocaet,
En de Kussens van den Kaet,
En het brevn dat geensins scheen Ydel van gesonde reen;
Brieven die vermelden plat \'t Hevlig Eecht van elcke Stadt. Gommer s.ich vast heen eu gins, Tot zoo langh mijn Heer de Prins Gommers zydquot;, die boven hing.
Troosten met zijn stale Kling,
106
Die zoo swaer was van gewicht, Dat al \'t auder viel te licht.
Doen aenbad elck Gommers Pop, En Armijn die kreeg de schop.
2.
GEUSE VESPEE, OF SIECKEN-TEOOST,
VOOJl DE VIE R-EN-TWINTIGH.
Op de wjse: Branch Partinice.
I.
lladt lij Hollandt dan ghedragen,
Ouder \'tliart,
Tot siju afgeleefde dagen.
Met veel smart,
Om \'t meynecdigh swaert te laven.
Met sijn bloet,
En te mesten kray en raven.
Op sijn goet?
IT.
Maer, waerom den hals ghekorven?
Want sijn bloet Was in dquot; aders schier verstorven;
In sijn goet Vontmen noyt de Pistoletten
Van quot;t verraet,
Wtghestroyt, om scharp te wetten \'s Vollecks haet.
107
III.
Gieriglievt en wreetlioyt beyde,
Die het swaert Grimmigh ruckteu uyt cler scheyde,
Nu bedaert,
Suchten: Wat kan ons vernoegen
Goct en bloot?
Och, hoe knaecbt een eeuwig wroegen Ons ghemoedt!
IV.
Weest te vrecn, haelt Predikanten,
quot;\\\\rest en Oost:
Gaet en soeckt by Dortsche santen
Heyl en troost:
quot;t Is vergeefs, de Heer koomt kloppen.
Met siju Woort. .
Tsiemant kan de wellen stoppen Van die Moort.
BESLUIT.
Spiegelt, spiegelt u dan echter,
W ie ghy zijt:
Vreest den worm, die desen rechter
\'t Hart afbijt.
Scheut uw handen aen geen Vaders,
Dol van haet.
Scheldt geen Vroomen voor verraders Van den staet.
108
3.
K O S K A M.
A EN Di:X HE Ell JIOOFD, DllOST VAN MuYDEN.
Hoe koomt, doorluclite Drost, dat elck van Godsdienst roemt, En onrecht en geweld met desen naem verbloemt ? Als waer dit; saeck in schijn en tongeklanck gelegen: Of sou \'t geen Godsdienst sijn, rechtvaerdigheyd te plegen ? Maer slinex en rechts te staen na allerhande goed!J God voeren in den mond, de valschheyd in \'t gemoed? De waerheyd greep wel eer die menschen by de slippen, En sprack: uw hart isverr\': ghy naecktme met de lippen. De waerheyd eyscht het hart, en niet soo seer quot;t gebaer. Dit laeste sonder \'t eerst, dat maeckt een huychelaer; Die by een cierlijck graf seer aerdigh word geleecken, Vol rottings binnen, en van buy Bi schoon bestreecken. Soo was uw vader niet, die burgervader, neen: Van binnen was hy jnyst, gelijck hy buyten scheen, \'k Geloof, men had geen gal in desen man gevonden. Indien, nadat de dood sijn leven had verslonden,
Sijn lijck waer opgesneen. Hoe was hy soo gelijck Dien burgermeestren, die wel eertijts \'t Roomsche rijck, Door hunne oprechtigheyd opbonden van der aerde Ten top, doen d1 ackerbon in achting was en waerde; Toen deege deeglijkheyd niet speelde, raep en schraep ; En \'s vyands gout min gold dan een gebrade raep. Hoe heeft hem Amsterdam ervaeren wijs en simpel: Een hoofd vol kreucken, een geweten sonder rimpel. O beste bestevaêr! wat waert ghy Holland nut.
Een styl des raeds, doen \'t lijf van \'t stocxken werd gestut.
109
Op dat ik ga voorbv ons Catilinaes tycn;
l)oen quot;t vaderland in last, door twist der burgeryen, Ghy quot;t leven waert getroost te heyligen den staet: En doen, uw hooft gedoemt, door quot;t hoofd van eigenbaet, Ghy geen gedachten had van wijeken of van wancken. De wees en weduwen, de ballingen n daueken; Hoewelghe noyt om danck hebt, sonder onderscheyd, Besclieenen met den glans van uw goedaerdigheyd,
Ondanekbre en danckbre, dienghe kont ten oorbaer streeken. U spiegel van de deughd! o voorbeelt sonder vlecken! Noyt sooptge \'t bloet en mergh der schamele gemeent; Nocht stopte d1 ooren voor haer rammelend gebeent.
Wat lietghe uw soonen na, doom \'s levens licht wou neygen? Indien \'t gemeen u roept, besorgt het als uw eygen. Soo was uw wterste aem slechs waere klaere deughd,
Daer ghy, vermaerde stad, uw kroon meed eieren meught. Soo \'t land uws vaders deughd soo wel had erven mogen. Als sijn gedachtenis, s\' had swaerder ruym gewogen Dan duysend tonnen schats, en duysend, en noch bet. En \'k sagh de swaerigheen van onzen staet gered.
Indien de Spanjaerd sagh het land van Hoofden bliucken, Hoe sou sijn fiere moet hem in de schoenen sinckeu: Hoe sou hy vader Ifey l) opwecken, door gebeên.
Om met sijn tong dees scheur te neyen hecht aen een. Geen Duynkerck sou de zee met vlooten overheeren: Maetroos die roovers ras sou acrsling klimmen leeren; En quot;t laege Waterland doen kijeken door een koord.
Dien, die nu blindeling ons slingert over boord,
L) Jan Neyeu, Generaal tier Franciskanen, onderhandelaar over het Bestand ia 1607.
110
En visschers vangt en spant, verwt zeelny doods van vreesen: Soo datter een geschrey van weduwen en weesen Ten lioogen liemel rijst, wt dorpen en wt steen.
Wat \'s d\' oorsaeck? vraegt men, wat? de gierigheyd alleen Die \'t algemeen versuymt, en vordert slechs haer eygen : En sprack ick klaerdre spraeck, ik sorg sy sonine dreygen, Met brenck (in boeten, of te levren aen den beul.
Want waerheyd (dat quot;s al oud) vind nergens heyl nocht heul; Dies roemtmen hem voor wijs, die vinger op den mond leyd, O kon ik oock die konst: imier wat op \'s harten grond leyd, Dat weltme na de keel; ick word te stijf geparst. En \'t werckt als nieuwe wijn, die tot de spon uytbarst. Soo \'t onvolmaecktheyd is, \'t magh tot volmaecktheyd dyen Van dees rampsalige en beroerelijcke tyen.
Waar in elck grabbelt, tot sijtis naesten achterdeel.
Schrijft andren toe, en schuyft op hen de schuit van \'t scheel. Waer Gato levend, die gestrenge Cato, trouwen, Hoe doncker sou hy, met een doncker paer winckbrouwen, Begrimmen oversijds de feylen onser eeu.
En ringelooren den geringeloorden leeu ;
Die sich soo schendigh nu van rekels laet verbafien! Hoe sou hy graeuwen! llux en past dit af te schaffen. Dat weder ingeset. Hier stuurman, waer het roer.
En let op \'t oud compas. Voort, voort met desen loer, Die noyt te water ging: hy sal ons \'t spel verbrodden. En ghy, hou oogh in \'t seyl. Waer heen met dese vodden, Ghy lompe plompe dief, die \'t scheepsvolck streckt tot last ? t\'Hans grijp ick u by \'t oor, en spijcker \'t aen den mast. Waer Cato levend, wis, daer zou geen haer aen feylen. Of \'t ging als \'t plagli te gaen. Wat soumen lands beseylen;
Ill
Daer uu de norsse uycl ons slapend seylt voorby,
De loef afsteeckt, terwijlwe leggen in do ly,
In vaer van sehipbreuck, schier aen laeg(!r\\val vervallen, Het roer den meester mist, en daerom is \'t aen \'t mallfti: En wilme op \'t dreygement niet letten van den nood, Soo bergli aen \'t naeste land uw leven in den boot.
Docli \'k hoop een beter, van die gaerne \'t beste saegen, En sucht tot \'t vaderland in vromen boesem dragen. De snlcke vindmen noch als parelen aen strand, De schaersheyd inaecktse dier. Indien raaer \'t onverstand Soo weynige alsser sijn erkende in hun waerdye. En wysere heeren liet begaen met heerschappye, Men vondter noch genoeg, di(! niet soo seer en staen Na heerschen, danse met \'s lands welstand sijn begaen. En wenschen tyd en sorg en moeyte hier in te schieten. En niet een penning voor hun diensten te genieten; Dat sijn niet snlcke, daer ick eerst van heb geseyd,
Wiens Godsdienst op de tong en op de lippen leyd,
Maer in een vroom gemoed ; waar uyt die deughden groeyen. Die Hollands welvaert eer soo heerlijck deeden bloeyen, In spijt des dwingelands. Wel, wilm\'er noch niet aen? Of rijm ick, dat een boer dit Duvtsch niet kan verstaen ? Neen seker, \'t is dat niet. \'t Sijn kostelijcke tyen. Het paerd vreet nacht en dagh. Tn een karos te ryen. Een Juffer met haer\' sleep. De kinders worden groot: Sy worden op bancket en bruyloften genood.
Ken nieuwe snof komt op met elcke nieuwe maene. De sluyers waeyen weyts, gelijck een rnytervaene. En eyschtmen meer bescheyds, men vraegh het Huygens zoon ] n \'t kostelijcke mal; die weet van top tot toon
112
De pracht en sotte prael tot op een hayr t\' ontleden. Hier schort het. Overdaed stojit d\' ooren voor de reden: En kromt des vromen reclit; deelt ampten wt om loon, En stiert den vyand \'t geen op halsstraf is verboon: Luyckt \'t oogh voor sluykerye, en onderkruypt de prachten: Besteeltliet land aen waere,aen scheepstuygh, en aen vrachten: Neemt giften voor octroy : of maeckt den geldsack tquot; soeck ; En eyschtmen rekening, men mist den sack en \'t boeck: Hoewel het menschlijck is dat sulcke saecken beuren: \'tHeeft dickmael ooksijn reen. Dick\' raeekt \'er meed te veuren, Die verr\' ten achtren was. Kort om, dit \'s onse plaegh. \'X Is, drijft den esel voort: gemeenteu-esel draegh:
Het land heeft meel gebrek P dus breng den sack te molen. Het drijven is ons ampt: het pack is u bevolen. Vernoegh u datghe sijt een vrygevochten beest;
Is \'t na het lichaem niet, soo is het na den geest.
Tot \'t lichaems lasten heeft de hemel u beschoren. Dit past u bet dan ons. Ghy sijt een slaef geboren.
Best doet ghy willighlijck van selven, dan door dwang. Dus raeekt het slaefsche dier, al hygende, op den gang. En sweet, en sucht, en kucht. De beenen hem begeven. Hy valt op beyde knien, als bad hy: laetme leven; En gigaeght heesch en schor. De drijvers stock is doof, En tout des esels huyd, en swetst vast van \'t geloof. Hoe kan een Christenhart dees1 tiranny verkroppen 1 Ik raes van ongeduld. Eu sijnder dan geen stroppen Voor geld te krijgen, datmen \'t quaed niet af en schaft? Eu dat landsdievery tot noch blijft ongestraft?
Of isser niet een beul in \'t gantsche land te vinden? Men vondter eer wel drie, toen bittre benlsgesinden.......
113
Eh vraeghtmen wat iek seg? dat scg ick, en \'tis waer:
]Ji(! \'t willens wederspreeekt, dat is een logenaer.
Dus klaeglit de galge, die lang ledigli lieeft staeu prijeken ;
Die lang geen krajen \'t oogh van groote dievenlijcken
Wtpicken sagh, en fel van raeven werdt begraeut,
Die heen en weer om aes wtvlogen lieel benaeut.
Of nu een snoode Ilarpy dit averechts wou day en:
Dat tegens d1 Overheen ick \'t volleck op wil ruyen,
Om tol en schot en lot te weygren aen den heer,
Soo locheu ick \'tplat wt. Neen seker, dat sy veer.
Gehoorsaemheyd die past een oprecht iugeseten;
Den heer tquot; ontfangen weer rechtvaerdigh wt te meeten;
Gelijck die Haeghsche ]3ie l) vereert is met dien lof,
Dat sy noyt honigh soogh wt ander lieden hof;
Maer na haer eygen beemd, op ojibesproken bloemen,
Om nectar vloogh, wiens geur oprechte tongen roemen.
Waer yeder soo van aerd, wat soumen metter tyd.
liet arrem eselkijn al lasten maecken quijt?
Hoe sou \'t aenwassend juck ontwassen met den jaeren?
Wat wordter nu gespilt? wat soumen dan bespaeren?
Men had, in tijd van nood, een schatkist sonder tal.
Maer nu is \'t Muysevreugd: de kat sit in de val.
quot;k Heb, ö doorluchtigh Hoofd der Hollandsche poëten,
Een kneppei onder een\' hoop hoenderen gesmeeten;
\'k Heb weetens niemand in quot;t bysonder aengerand.
Misschien wie \'k trof, tot nut van ons belegert land:
quot;k Heb aen uw\' vaders krans al mede een blad gevlochten,
En noch een siel geroemt, wiens deughden elck verknechten.
Dit nam sijn oirsprong niet wt vleylusts ydelheên,
1
Joris de Eie, opvolger van Reiugoud als thesaurier generaal. rit nederlaxd\'s lf.ttf.hschat. g
114
Der dichtren erfgebreck; inaer wt een rype rccu. Ik wcnselite myu copy niet scheelde van het leven. Soo sou, als \'t aenschijn u de schilder heeft gegeven, \'s Mans deughdige ommetreck hier sweven in de siel ⢠Die stand hiel ongebukt, doen \'t dor gebeente viel.
4.
HARPOEN AEN JONCKHEEE LANDESLOT, Heer van Vrybuiigil
Ik heb, heer Landeslot, doorreysend uw gebied,
Daer menighmael vernacht, en veel van Godefried, Den preker van uw vleck: de boeren hooren roemen; Wiens lof sy met geen kunst behoefden te verbloemen : Wie vond in deeghlijckheyd oyt sijns gelijken meer?
Gode offerde hy sijn\'\' dienst, sijn trou aen sijn landsheer. En bragt dat woeste volck tot deughdige bekeering.
Door voorgang eer dan door sijn ongetoyde leering.
Sijn woort was eveneens al een gesegent saed.
Hy was der sielen sont. Noyt moeyde hy sich met staet Of weerlijcke heerschappy. Het licht blonck wt sijn leven. Al wat de bybel leert stond in sijn hart geschreven: Ja sijn godvruchtigh hart dat was der deughden kerek. Wat drempel hy betrad, daer bleef een heyligh merck.
Sijn mond was troostelijck den aengevoehten bedde. Wat onlust reesser, dien hy niet met wijsheyd redde? Baldadigheyd nam af, soo ras hy tradt op stoel, Geregbtigheyd die groeide, en plcyters werden koel. De kroegen stonden leeg. Geen mes werd wtgetrocken. d1 Opreghtigheyd des mans klonck Inyder als de kloeken.
ll.J
Hy was vernoeglit iu \'t kleeu, ge wilt by arm eu rijck, Eu stondse bey ten dienst. Sy golden liem gelijck. Men sagh liem selden aen der rijeke lieden disschen: Wel moglit li^7 wit sien, maer vermyde d\'argernisseu. Soo lang sijn leven duurde hing \'s vollecx hart aen God, En \'t was gelioorsaem sijnen vrylieer Landeslot. Hoe wenschelijck sou \'t sijn voor landen ende steden, Indienmen nu quot;t geloof niet na spitsvondigheden,
Die luttel stichten, ging waerdeeren al te bot, (Verkeertheyd is \'t van \'t minst te maecken \'thooghste lot) Maer na \'t beleven; daer soo veel is aen gelegen. Dat niemand sonder dit kan erven Christus sagen.
Gewis had Godefried de waerheyd soo gevat,
En hierom woeckerde hy met yver om dien schat.
\'t Getal dat socht hy min, met bidden en met weuschen. Als \'t pit en merreg van ter deugdgesinde menschen. En drong op \'t weeten niet soo vierigh, als op \'t doen. Dat was de rechte melck om heylgen op te voên.
Waer sulcke voesters sijn, daer bloeyen d ondersaeten: Daer hoeft de grootste stad geen wachthuys vol soldaeten, Om huysbraeck, plondring, moord en stokebraudery Te blusschen binnen muurs, of sielentyranny:
Daer word de Godsdienst niet gevordert met luyd krijten, Om \'t arm eenvoudigh volck iu rotten te doen rijten;
Daer waecken om een tong soo vele spiessen niet;
Maer yeder burger wacht op \'t geen sijn heer gebied, Eu voor \'t gemeene best quijt sich een yeglijck Christen, Als in d1 Aposteleeu, die laegeu keut uocht listen. De kerek is als een koy vol lamreu, als een korf Vol tortelduyveu, daer d1 ounooselheyd om stort
116
Maer zeclert Wolfaercl sloeg sijn klacu in cl1 oeglist des Heeren, Veraarden de gemoên in baerelijcke bec-ren:
Dat heught heer Landeslot noch heden desen dagli. Wat dagh verlieper, dat liy niet sijn hartseer sagh? Dat landlie maeckten van hun heerschappen tyrannen, En tegens \'t overhoofd was quot;t lichaem ingespannen, l)e leden onderling te, jammerlijek verdeelt,
En wtgewischt in \'t hart, Gods heerlijck evenbeeld, Dat Godefried, met smart en arbcyd daer in drnckte.
Elck riep ; dat\'s n: dat \'s mijn. Elck grabbelde en elokpl nekte ; Dies oude Karsten, die hierom sijne handen wrong,
Kreet; wat al boos vergif verspreyt een paepetong! En \'twas waerachtigh waer. Wie kan de waerheyd laecken? Dat allerkleenste lidt beschickt wel groote saecken;
Gelijck de slimme slang in \'t heyligh Paradijs.
Wie \'t in den wind slaet, word het f sijner schade wijs: Dies loven wy met recht den wackren heer van Schagen,!) Die toomt den voerman, voor het hollen van den wagen, Eu maeckt hy \'t hem te grof, hy besight self de sweep, En graent eens; bengel hou! Ilus krijghje van de leep. Hy leert den leeraer wt een ceel sijn schuld bekennen, Soo word hy handelbaer, en kan de paerden mennen Op quot;t Euangelisch spoor. Wat schiet den man te kort, Die soo demoedigh, eu ten lesten saligh word?
Hy leert hem, na sijn staf is, springen, en niet verder; Dus is de Schager heer sijn eygen prekers harder. Rechtschapen edelman, hoe edel is uw siel! Hoe luySterscharp uw oor, op \'trollen van het wiel! Al wordmen wtgeluyd voor godeloosen schellem:
i) Voorstander van den Landsadvocaat.
117
Soo schold Datlieeu wel eer den wijzen lieldprins AYelliem. De lasterkunst valt licht: de botste kanse best.
Doen weeldrigh Vlaendren was beseteu van die pest, Ontsteecken door den stanck van weynigh boose prijen, Yerstorf de welvaert, en de staet geraeckte acn \'t giijen: Tot dat de graetlijckheyd sat deerelijck gestrand. Dit streckt een heldre baeck, gelijck een scliip op \'t sand. Dies laet, heer Landeslot, den breydel niet meer glippen: Maer muylband Wolfaerts al te lasterlijcke lippen.
Want soo by u niet vreest, soo ziddert ghy voor hem. Wanneer uw blixem suft, soo dondert sijne stem. En weckt een onweer, eer het plompe sinnen merckeu, Dat op het land een zee gaet boven alle kercken.
En ghy veriaeten en vermeestert sit aen \'t roer.
Dit wist de Stuurman, l) die met jonckheer Robert 3) voer, En met sijn meestren doen waer over boord gesprongen, Had hy niet ree geweest voor putger 3) en kocxjongen. Men berreght schip eu goed, door oeH\'ening van tucht: Want d\' ongebonclenheyd is wonder nau van lucht. En scharp van snot\' en reuck, als sommigh slagh van dieren, En weet haer moed hier na te stracken en te vieren.
Yeel dingen sijn wel nut, maer al en is \'tniet fraey. Een buys verciert is met een schoonen papegaey,
Maer snatert hy te veel, hy is gelijck een aecxster, Eu moeilijck voor \'tgesin, gelijck een vuyle kaecxtia\'. Een woord te sijn er tyd geuyt, in suyvre tael.
Een gulden appel is, in eene silvre schael.
De wijze weegtse als goud. Qua klap bederft goê seden. Dit treft vernaemelijck, die in H openbaer sal reden, 1) B\'iruevelt. 2) Leycester. 3) Kajuit wachter.
118
En rekent dat liy sal den reghter reekning doen Van elck ontuelitigh woord. Nu braecktmen rijp en groen, O wettige overheen, ja selfs op alle grooten. Op nabuurkoningen, \'s lands trouwe bondgenoot en : Een lastering soo dier den Christen mond verboon. Hoe gortigh \'t vareken sy, men roept; al sehoon, al schoon. Al suyver Christendom, met heyligheyd behangen: En \'t hart een stinckpoel is, vol padden en vol slangen. Men dringt sijn naesten van den oever, om een punt, En elek sijn medechrist de saligheyd misgunt.
\'t Geschil word groot geschat, \'tis menighmael eenkleentje. In \'t ydel beckeneel daer rammelt steentje beentje, En hierom sluytmen voor een andren \'s hemels poort. En die in eer wil staen, moet trecken aen die koord. De schemeringen sijn verlegen met de klaerheyd. Het minste stipken heet noodsaeckelijcke waerheyd. Geveynstheyd speelt haer rol op \'t geestelijck tooneel. Het weerlijck dooptmen met den naem van Gods krackeel Wat kan de lamrenrock al huychelaers verschuylen!
Maer datter wolven sijn, barst wt wanneer sy huylen. En janeken over krnys en misselijcke pijn.
Om dat tot \'s anderen rust sy wat geteugelt sijn. En volgens hunnen aerd geen wreedheyd kunnen plegen. De naemen van j);irty wt \'s levens boeck te veegen (Indien hun deese maght van boven is vertrout)
Waer billijck hun genoegh. Nu maeckt die waen hen stout. Om sulck een balling van den aerdboom noch te weeren. Dien \'t onvervalschte boeck de voetbanck noemt des Heeren. Wie schreyt niet die dit hoort, of lacht sich slap en moe? \'t Is seker, roept \'er een, quot;t behoort ons alles toe.
119
\'t Geloof is erfgenaem van weereldlijck en geestlijck.
En wie dit niet begijrpt, leeft Inttel min als beestlijek.
]k ken de Pausen l) wel, die Vrankrijck deelen wt,
l\'^n schatten \'s Konings eïf op predikantenbuit:
Maer \'t is Eochel in \'t end vrv bitter opgebroken.
j\\\'iet datwe met baer val de tanden willen stoken:
Maer toonen, boe; men door verblindheyd steig\'ren dar
In top, om bet vermaert te sijn als Lucifer,
Die, van des hemels trans, tot in den afgrond storte.
Doen God de dartellieyd van sijne wiecken korte.
Noch heeten \'t yveraers, en die \'t wel gade slaen,
Sien vorstendommen door dien yver oudergaen.
Al hun betrouwen is eeu hollende gemeente,
Wiens oproer sit in \'t bloed, iu \'t merregh van \'t gebeente.
Van haer was d\' oirsprong, en van haer beduchtmen \'t end.
\'t Eu sy een wijs geval de saeck ten besten wend:
\'t En sy dees barsse stof gemeugt werd met 3\'et smedighs,
Om die te vlyen tot wat dienstighs en wat vredigs.
5.
HET STOCKSKE VAN JOAN VAN OLD EN BARNEVELT,
VADER DEE. VADEllLANTS.
Myn wensch behoede u onverrot,
ü séock en stut, die, geen verrader,
Maer \'s vrydoms stut en Hollants Vader Gestut hebt, op dat wreed schavot:
Toen hy voor \'t bloedigh zwaert most knielen. Veroordeelt, als eeu Seneka,
1) De predikanten van La Rochelle.
1211
Door Jferoos haet en ongeua,
Tot droefenis der braefste zielen.
Grlij zult noch, jaeren achtereen,
Den uitgang-k van dien Helt getuigen: Eu hoe Gewelt het Recht dorf\' l)uigen. Tot smaet der onderdruckte steen. Hoe dickwjl streckt ghj ouder \'t stappen Naer quot;t hof der Staeten stadigh aen Hem voor een derden voet in quot;t gaeu, En klimmen op de hooge trappen;
Als hy, belast van ouderdom.
Papier en schriften, overleende,
En onder \'tlastigh lantspack steende! Wie ging, zoo krom gebuckt, noit krom! Ghj ruste van uw trouwe plichten,
INa \'t rusten van dien ouden stock.
Geknot door quot;s bloetraets bittren wrock ; Nu stut en styft ghj noch inyn dichten.
6.
DE BOEREN CATEGISMUS. Gespuek, tusschen Boer en Student.
li. Ik bid u, onderwijst mijn botheyt.
Wat is de faculteyt der godtheyt?
S. Vier esels sotter als de sotheyt; B. \\\\ el, sijnse aen de blaemve steen
Niet van de leuterkay gesueen? S. Al diese kennen, seggen neen. 15. Hoe maeckt de muts dan geen docktooreu?
121
S. Ja, somtijts wijsen, sorntijts dooren.
B. Hoe kentmen esels? S. Aen haer ooren. B. Wie siot liaer dan voor menschen aen?
S. Die, waent, lt;\'en lieest, voor mensch mach gaen.
Als\'t kan op aehterpooten staen.
B. Sijn dan dees esels zonder reden?
S. \'t Blijekt als sij \'t volok ontslaen van eeden,
Geswooren aen haer overheden.
B. Dat dient als onkmjt wtgewiedt. Ons salichmaeoker leert dit niet,
Die \'t volck gehoorsaemheyt gebiet.
Wie port haer aen tot sulcke rancken ? S. De boden van Synodns banken, l)
B. quot;t Is tijt die boeven af te dancken,
Sy grijpen na der Staeten staf.
Best maecktmer verckens-drijvers af Gemest met spoeling en met draf.
S. quot;t Sou Kloppenborch te byster passion, Stadtsbeedlaer, die, nu opgewassen, Zyn voesterheeren wil verbassen.
B. Al was \'t ondanckbaer kreng gestroopt.
Gebraden en met Smout 3) gedroopt,
\'k Wedt zich geen hont om \'t aes verloopt, Gcapprobeert in de consistori van de Pocetscie Facultej/l.
1) De Gedeputeerden van beide Synoden : Henrieus Arnoldus vander Linde, Petrus Nyenrode, Hugo Beijerus, Henrieus Swalmius, J. Kloppenburg, en Gishertus Voetius.
2) Kloppenburg, omdat die op kosten dtr stad Amsterdam had gestudeerd, \'tgeen hy zijne voedsterheeren slecht beloonde.
3) De Prekant Smoutius.
122 7.
HUIGH DE GROOTS VERLOSSING
af,n Mevrouw Maiue van Reigeesbergh.
Ge welt vfiu wallen, dubble gracht,
Ontruste honden, wacht by wacht,
Beslage poorten, ysre boomen.
Geknars van slotwerek, breede stroomen. En d\'onvermurwde kastelein Vcrsckerden, op Loevestein,
Den Grooten Huigen, buiten duchten Van in der eeuwigheit \'t ontvlughtenj: Ten waer sijn schrandre gemalin En druckgenoot en kruisheldin
Een eerlijcke uitkoomst had gevonden. En hem van \'tlang verdriet ontbonden. Sy sprack: mijn lief, mijn levens licht, (De tranen stonden in \'t gesicht)
Sal dees spelonck uw glans versmooren. En is uw deught dit graf beschoren? Helaes! maer \'t is vergeefs gesuft.
Hier helpt geen kermen maer vernuft.
Mijn geest die sal wat groots besoeekeu. Terstont verandert by in boecken: De schiltwacht draeght dien vetten buit Op hare beê voor boecken uit.
Ben vrouw belacht al die haer parssen, En laet hen op de tanden knarssen. Een vrouw is duisent mannen \'t ergh. O eeuwige eer van Reigerbergh,
123
De volgende eeuwen sullen spreken, Hoe ghy den liaet hebt uitgestreken. Nadatge op \'t droef gevangenlmis,
Gelijek Marye neft\'ens \'t kruis,
Uw bruigom, onder moordenaren Gerekent, trooste heele jaren.
Soo liet de trouwe Michol eer Haer\' liefsten schat met koorden neer;
ïoen Sauls zwaerden hem besetten,
Gelijek de jagers \'t hart met netten.
Aldus werd Ljnceus ooek geredt In siju belegert bruiloftsbedt.
Toen soo veel ledekanten smoorden In \'t gruwlick bloedt der mannemoorden. Vergun mijn luite datse speel Het bergen van ons lantjuweel,
In \'t onweer, dat het roer vermande.
Toen \'t groote schip vol stuurmans strande.
7.
EEN OTTER IN T BOLWEKCK.
Na de wyse: Betteken voer naer Mariemont. Wel hoe is Otjes i) hart so groen? Wel hoe is Otjes hart so groen?
Dat hy dus yvert in quot;t sermoen,
O jeeiny, ö jeemy.
Om Boogers dochter ist te doen,
Hy preeckt van d\'Acadeemy.
De predikant Ãtto Jiadius,
m
Ongs Otje is gien stomme liougt,
Ongs Otje is gien stomme hongt, Hy woeckert met sen Miesters pougt,
0 jeemy, ó jeemy,
Het quyl dat loopt hum uit seu mougt, So schelt hy d\'Acadeemy.
Dat piekeii klinckt tot Haerlem toe, Dat preken klinckt tot Haerlem toe,
Elck vreest ham as de Roode Eoe,
O jeemy, o jeemy,
Hy maket alle Speulers moê,
En hekelt d\'Acadeemy.
Wel Boogers dochter loopt hum na, Wel Boogers dochter loopt hum na. En segt nou tegens Otje ja.
O jeemy, ö jeemy.
Wangt kreechje\'m niet \'t was songt en scli So schrobt hy d\'Acadeemy,
En asje gaet naer \'t Brnylofts huys, En asje gaet naer \'t Brnylofts huys, Zoo laet vry dockter Koster thuys;
O jeemy, 6 jeemy,
Al is hy Bruytjes neef incluys,
Hy metste d\'Acadeemy.
Hy speulter nou sijn Iphigeen, Hy speulter nou sijn Iphigeen, Wel mannen broeders, zijn dat reen.
lüó
O jecmy, o jeemy,
quot;t Sijn Fieltensticken al met een,
God sclien deus Acadeemy.
Al baet dat speulen quot;t Weeshuys yet, Al baet dat speulen \'t Weeshuys yet. Dat geeft an Otjes vleeslmys niet,
O je(;my, ö jeemy.
Wat beurt ongs spijt en groot verdriet. Van deuse Acadeemy
Neen Otje, straf dit met Goods woort. Neen Otje, straf dit met Goods woort, Al souje mit de toclitschuyt voort,
O jeemy, ö jeémy,
Vry Otje schrey iens, datme \'t lioort, In Costers Acadeemy.
Wel is dit niet ien wongderwerck.
Wel is dit niet ien wongderwerck, Sy hieten ongs de plongderkerck,
O jeemy, o jeemy.
Och, broeders, scliuwt liet dongderperck Van Costers Acadeemy.
Mocht Smout nou op de preeckstoel staen Mocht Smout nou op de preeckstoel staen Hoe sou haer dan de hagel slaen,
O jeemy, 6 jeemy,
Janrap, in stee van Monckelbaen, Sou plongdren d1 Acadeemy.
12(5
Ik wouse saten in den Briel, Ik wouse saten in den Briel, Dit speulen raeckt mjn ongderziel.
O jeemy, o jeemy,
Ik lion mier van ien plongderfiel, As van deus Acadeemj.
YIT.
JAN JANSZ. STARTER.
1594â na 1626.
Uit: J. J. Starters Friesche Lusthof beplakt met Verscheyden Stioiitelyke Minneliedekens, Gedichten en boertiöhe Kluchten. Den Zesden druk. â Met Inleiding en Aanteekeningen van Dit. J. van Vloten.
Utrecht, L. E. Bosch lt;£⢠Zoon, 1S61.
1.
L I E D.
Stemme: PJtabus is langh over de Zee, enz.
leughdige Nimphen, die \'t bóerten bemind,
Vrolike herten! hoe mach het doch komen, ] Jat men, in plaetse van \'t singen, begind Stil, en hoe langer hoe meerder te droomen?
Is de genuchte dan so besnoeyd,
En uyt ii ieughdige harten geroeyd,
Dat die niet weder,en bloeyd ?
De tijd sal u vallen soo veel te lanck!
Laet ons wat lacehen, wat mallen, wat deunen, Singhen en springhen, ja maeeken een klanck. Datter de kamer begind van te dreunen;
Hey, wie weet wanneer het ghebenrd,
Datmen quot;t geselschap dus t1 samen bespeurd !
aer toe dan nu ghetreurd ?
D\'ouderdom komt ons doch op de hand,
En ons ontslippen de ieughdige jaren,
\'t Weilick de vreughden dan stelt aen een kant,
UIT XEDERLAND\'S LETTERSCHAT. t)
130
Voorts soo beginnen wy clan te bedaren. Dus wild doch, in u luchtige ieughd,
Niet laten te bruycken, in eeren en deughd, De blye bequame geneughd.
Suit ghy dan niet beginnen een reys?
Wacr na begeert ghy doch langer te beven? Naeste gebunrtje, voldoet ghy mijn eys;
Heft op een Liedtjen men sal u geleyen.
Zijt ghy beschaemd ? ey, houd doch u k\'leni-; Meught ghy wat wachten, ick sing n wel veur, Soo niet, ick geef u de keur.
3.
MINNELIED.
Stemme: Peckingtons pond.
Goddinne, wiens minne, mijn sinnen altijd, In kracht en gedachten, na trachten om strijd! O krone, der schonen, lof-throne des deughds! In dy leyd, de vryheyd, de blyheyd mijns jeughd U deftigh gebaer, u gond-dradigh hayr,
U leden, ii zeden, met reden voorwaer.
De Goden (als boden) doen noden tot min, Sy draven u gaven nae, brave Goddin!
U hayren, vergaeren, als baeren verguld Met kuyfjes, met kruyfjes, als druvfjes gekruld, II ooghjes, pas hooghjes, met booghjes beset, Bruyn-helder, sien snelder, en felder te met,
131
Als \'t tiickerigli licht, vau Jupiters schicht,
En ylen, by wylen, als pylen seer dicht,
In \'t harte, vol smarte, ja, marteren, dien Te spade, moet rade\' en genade geschien.
U mondtje, dat stond me in \'t ronde ten thoon. Dat fyne Eohynen, nan schynen soo schoon, U tanden, als randen kleyn van wit yvoor, Die pronckten, en bloncken, als vonckeu daer door; U halsjen in \'t rond, soo cierelijck stond,
Daer d\' aeren, soo klare, deur waren ghegrond. Dat het vast meer albaster scheen, als teêre vleys; O schoone persone! wat kroon is u eys ?
By posen, soo blosen, als rosen, in snee-Wit laecken, u kaecken, vermakende meê Diens ooghen, die poghen het hooge ongemieu Cieraet, van u staet en ghelaet, te besien. O lietlijcke kin ! ghesteld na mijn sin.
By de top, van u krop, met een dopje daer iu, Ghy soud me de oude, verkonde, seer haest Doen \'t minnen beginnen, met sinnen verbaest.
Lofwaerde, bedaerde, soetaerdighe beeld !
O vreugd van mijn jeugd, mijn genengt en mijn we.\'ld! Seght my nu, sijt ghy schu van die u, met vlijt, Sijn leven heeft even verheven altijd?
O schoone die my, beyd droevigh en bly,
Naer u haken, kond raken, te maken, laet dy Dees klagende, vlaghen, mishaghen, en send Mijn lijdende tijden, \'t verblijden in \'t end.
132
3.
DRINCK-LIEDEKEN.
Datmen eeus van clrinclceu spraeck, Son dat sijn soo vreemden saeck ? Ick denck wel neen, of quot;t soo gevil,
Want al de giasen staen hier stil.
Wel, dit neem ick er eerst by op: Ha! dat edele klare sop,
AA ist ick wie my besclieyd doen wou, Soo wist ick wien ick liet brengen sou.
Dit sijn de tranen die Bacchus schreyt, Als hy (door het parssen) scheydt Van de druyf, siju bolle moer.
Die in vaten herwaerts voer.
Als dese traen leyt daer sy hoort, Soo brengtse vreemde kluchten voort: Den een die praet, den ander springht, De derde soete deuntjes singht.
Men sal noch t\'avond een van drien (Acht ick) van my sien geschiên; Dus, wysheyd! duyckt, ick ben u moe, Adieu! tot morgen ochtend toe.
Wy willen doch tquot; avond, by de Wijn, Onbeveynsd en vrolick sijn;
Wie weet, of wy weer in een Jaer Dus vergaren by malkaer.
133
Buurman, weet gliy wat dit beduydt?
Maer, dit geldt u, schoontjes nvt,
Ey! setter u klevne vinger aen,
En siet eens wat ick lieb gelaên.
Euvmt wat op, mijn huysgesin!
Daer med\'1 komter een Fransman in; (clrwckt.) Ho, lio! hy leyt al in mijn liuyd,
Dies de kloek van vreughde luydt. [Jceerf om.)
Datmen het nu soo vol weer schonk.
Als het was eer ick het dronck,
Waer nodigh: want mijn med\' gesel.
Sou \'t hem anders helgen wel.
O, het is geen nobele geest.
Die voor sulcken Roemer vreest;
Ons Ouders over honderd jaer Maeckten sulcken geut wel klaer.
Dus, Buurman! tast het vrolyck aen.
Doet gelijck ick heb gedaen,
Hiet het glaesjen wellekom,
Drinckt het leêgh en keert het om.
4.
SOLDATEN MINNE- EN DETNCK-LIED.
Stemme; Maeyken, mijn Lief! wat sullen wy maken? enz.
SPANGIAEBTS.
Jiese los manos, mijn soete schelmtje!
Mijn lieve Lief ken, como Je va?
Het is nu tyd dat ick mijn helmtje.
Mijn kruyd, mijn lood weêr halen ga.
134
Alarm, alarm! tsa, Boeren, tsa 1 De kans is nn eens weer verkeerd, Bevamos Vino, laet druck verdwyne, Los Espagnoles sijn weer begeerd.
ITALIANEN,
O lella ftglia, o amor mia!
Mijn hoop, mijn troost, mijn Koningin! Wilt n met mijn, u Lief! verblyen; A poco, poco, recht naer mijn sin.
Neemt nu de krijgli weer een begin. Beviamo bene koele voclit,
Laet ons be dry ven, by Boere wyven. De oude Italiaensche noclit. i)
FRANCOISEN.
Tire le Vin â ! tsa, spoelt de glasen!
Faicfes (jrande diere, laet droeflieyd staen; En laet ons roepen, tieren, rasen :
Vive la guerre, de krijgli gaet aen, ïsa, lustigli, tsa! laet \'t glas omgaen, lek moet nn pooyen; want iek sal weer De Boeren plagen; \'t kan nn niet dragen. Of iek een daeldertje meer verteer.
ENGELSCHEN.
Ey, gby o Nobel English Souldiers, Die garen siet een pretty wench; O Gentelman! wiens stereke schouders Het Nederland diend voor een trench.
1) Nocht: Geueucht, Pret.
135
Set nou your sweethart uppon a hench. And kiss her, kiss her vry, clagh en naclit; Laet nu jou pijekeu niet slaplijek wijekeu, Want de krijgli is op de jacht.
hoogduytscke.
Meyn liebste Scliatseleyn, last ous nieli trauren,
Dan der krieg fangt wieder ohu,
Hael miclv ter Teubel, die loose Baureu
Wil icli ytsunder fexiereu thuu, l)
I3is ich bekom eyu guteu lolm,
JJau die Tried hat yts eiu loeli;
Xun last ous laufen, fresseu uud sauffeu,
Die Baureu musseus betzalen doch!
nederlandells.
Ghy, jSfederlandsche Bootsgesellen,
Geboren krijghs-luy te zee, te land!
Wilt u met ploegen uiet langer quelleu, Maer neemt de wapenen by der hand; Het vuyr des krijghs is inde brand.
Dies raed iek, dat ghy lustigh laet De Spaensche boelen u handen voelen, Eu weerd het heymelijck verraed.
flliesen.
Mijn leave Bauckje, mijn swiete Eamke, Het bruyt ons \'t jylt, as ick \'t fersin? Het l)eale! gabbe, 2) barstu dus jamke ? Is dy de holle heel op de rin?
1) Ytsunder fexieren thuu; thaus gaau kwelleu.
2) Hct Deale gabbe: Wat duivel, lachebek!
1 ofi
Ja, Bauckji; lirof! iuk sis, iek bin So bij, dat ick korts riuclit opsprong;
Het tusin kroone! de krieg gaet oone,
Dat mecket dat iek van freuglide sioiig.
latinisten.
l\'os studiosi genaemt Studenten,
Die u geld vast hebt verteerd Met danssèn, springen, met batementen,
Eu niet een kruym daer voor geleerd;
(lui per plateas des nachts grasseerd,
\\ erkoopt ii boecken, koopt goed geweer,
Eu wilt, met d\' andre, uae \'t oorlogh wandren. De boeren quellen van boven neer.
5.
M ENNISTE VRYAGIE.
Ick vrijden op een tijt een soet Menniste Susje,
Dien ick seer hoffelijk quam groeten met een kusje;
Maer, wat ick deed was wind, sy sej; quot;by jae en neen, Dit vrijen krenckt mijn eer, ick bidje, gaet doch heen! \'t Is onsc Susters niet geoorloft, te verkceren Als by het fijnste volck, by broeders inden Heere.quot;
Ick klaeghde van mijn brand, ick karmde van mijn smart, Ick swoer: haer liefde was gemetseld in mijn hart,
Maer wat ick deed of niet, ick kon haer niet bewegen; Ick sprack nauw, of sy wist daer een Schriftuer-plaets tegen, Eu daer meê dreef sy my ghelijck de wind de pluym, Want ick wist daer niet af; sy koud \'t al op haarduym; S had Moses in haer hoofd, s1 had David opgegeten, S1 had in haer breyn geboud een klooster voor Propheten,
1-37
Kn al d1 Apostelen die woonden in haer lijf.
lek docht: âSint Pelten speelt met dit geleerde Wijf\'. Sy sagh niet aen my, of het scheen haer te raishaghcn, Dan was mijn hajr te langh, dan al te wild mijn kragen, Ponjetten 1) al te weyts, het stijfsel al te blaeuw. Dan was mijn broeek te wijd, dan \'t wambas al te naeuw. Mek kousse-band te langh, \'k had roosen op mijn schoenen, In t kort, sy maeckten sond, so werltschen man te soenen. âWol, goeden avond dan, Juffrou!quot; seyd iek; en sy: âGraet in des Heereu naem, Sijn wijsheyd blijf u by!1\' t l\'iii was niet langh daer na, ick quam weer by haer treden. Verandert beyd in spraeck, in wesen en in kleden;
Mijn mantel was gantsch slechten swart, mijn hayr gekort, Mijn wit-gesteven kraegh soo plat gelijck een bort. Op al mijn kleêren sat niet een uytwendigh koordje. En daer ([nam uyt mijn mond niet een onheblijck woordje: âVrede zy desen huyse!quot; seyd iek, en iek sagh Gelijk Sint Steven deed, doen d Hemel open lagh.
\'t Wit van mijn oogh om hoog; ick noemd\' haer niet als Suster, Doe stelden sy (soo \'t scheen) haer hartje wat geruster. Ick las haer altemets een schoon Capittel voor.
En lelden haer niet als van Gods-dienst aen het oor; Dus kroop ick in haer gonst, sy toonden haer wat bi ver, Kn ick wierd metter tijdt wat stonter en wat vryer.
Eens nam icks\' inden arm, en sey: âick wil het doen By jae en neen V\' en gaf haer opsen Fries een soen; Doen bloosde sy qnansuys, en sey: âey laet dat wesen. Men moet het klappen van langh-tonghde menschen vresen!quot; lek swoer haer, dat ick wel soo heymlijck en secreet 1) Ponjetten: Manchetten.
138
Was als de nacht, (;n sey: âvoorseker, datje \'t weet lek wil de kaers uyt doen!quot; ,,o, sweert niet, seyse, trouwen Doet uyt de kaers, op dat gliy uwen ecdt mooglit houwen.quot;
Doen knofïeld\' ick rondom in \'t duyster, totter tijd
Dat ick een bedde vond; ick nam haer aen mijn zijd, En zey; âvoorwaer, mijn Lief! hier willen wy, met lusten En vrolijcke geneught, van avond t\' samen rusten.quot;
âSweert ghy, voorwaar, seyd sy, daer ick usoovermaen?
O Broeder! had ghy niet dien swaren eed ghedaen, Ick had om al de werld niet by u willen komen,
Maer uwe stoutheyd u ten quaetsten afghenomen.quot;
âSoo komtquot; ghy dan ?quot; seyd ick. âJae, seyse, al is \'t my leedt,
Ick kom, omdat ghy niet soud breken uwen ecdt.1\'
VIII.
CONSTANTIN HUYGENS.
4- September 1596â28 Maart 1687.
Uit: De Gedichten van Constastijn Huygess, naar zijn Handschrift üitoegevbn door Dk. J. A. Worp. T en IT deel. Groningen. B. Wolters.
1892-1893.
MUYDSCHE RE IS, Aen Juffrouw Tessblsciiade Vissoheu.
|
Voclitich Zuyen Scliortt u buyen Over Mujeu Eenen clach, Dien jck gaereii Sonder baren, Stil, en klaer, en Drooghe sagli; Noorder vlaglien Laet u draghen Daer de daghen Nachten zijn; Daer de nachten Noyt en lachten, jsr oyt en wachten Sonneschijn; Helder Oosten, Ã vertroosten Teghen \'t roosten Vierigh droogh |
Can jck missen, Naer mijn gissen Uijt het ])issen Van omhoogh ; U, voor \'t leste, U, voor \'t beste, Groeyig Weste Eoep jck aen; Leen u laenheyt, Dat gheen graenheyt, \'S hemels blaenheyt Mach1 beslaen. Ingevallen Gheen van allen Can bevallen Myn gehedt; Valt aen \'t blasen, V alt aen \'trasen. Als vier dwasen Zonder wet; |
143
|
Al u coclen, Al u croelen, Al u woelen Over \'t Tij. Al u buyeu Voert mij liujen 7 Hooft van Muyen Niet voorbij. Hooit beloert mij, Lust beroert mij, Liefde voert mij Over zee; Zijnder winden Die mij binden Van mijn vrinden Een, en twee? j33ol hoorden Dese woorden, Eu ontstoorden Sijnen sinn, Huygens ruste Waer \'t hem luste. Op de cust, te Muyen in. Maer hij naeckte, Maer hij raeckte, Daer hij haeckte, Niet zoo ras. Hij en leerde Wat de weerde Van de eerde-Vreuehden was. |
Soete uren (Ginck hij truren) Mocht ghij duren Sonder vaert; Wat begbeerde Onverseerde, Overweerde, Nntten waert! Maer, verblijden, Ghij sijt lijden, Nu ghij glijdt, en iStaende gaet: Can hij leven, Sonder beven Die beneven \'t Sterven staet. Langh verbevden, Schielijck scheyden. Een van beyden Waer te swaer; Waerom gaet ghij? Waerom laedt ghij Waerom slaet ghij Bei te ghaer? Moet jok suchten Nae genuchten En noch duchten Daer se zijn. En mju wijnen Sien verdwijnen In fenijn, en Schei-asijn ? |
143
|
Moet jck haecken Naer quot;t vermaecken En geraecken Taey daer jn, En \'t genieten Zien vergieten, Zien vervlieten, Eer jok \'t vinii ? Meer en conrlen Scheydens-wonden Niet verkonden Sonder pijn, Hoe \'t begoste, Suchten coste. Slichten moste, \'Tende zijn. 1621. |
Tesselscliaetgie, Cameraedtgie, Dii; dit praetgie Uyt mijn hert. En van binnen Uyt het spinnen Van mijn sinnen Hebt ontwert. Hebt het, hout het, SI uyt, ontvouwt liet, Siet, aenschouwt het Als belooft; Maer, bewooghen Uyt medooghen. Zonder de ooghen Van u Hooft. |
UIT HET âVOORHOUT VAN \'s GBAVKNHAGE, of Batave Tejipe.quot;
A u llü 11 A.
Hier js alle \'t dier ontslapen.
Hier js \'t Crekeltgien aen \'t gaen, Hier begint de Spreew te gapen. Hier js \'t quackeltgien aen \'tslaen. Hier de Nachtegael aen \'tneuren. Hier de Distelvinck ju swangh. Hier de Tortelduyft\' aen \'t treuren. Hier de lijster aen de sangh.
144
Hier js de kauw en craev aen \'treppen, Hier de reygher jnde lucht,
Hier den Oyevaer aen \'tcleppen,
Hier de Zwaluw1 jnde vluclit,
Hier de Coeckoeck aen het stuyten Over \'s anders ongeval,
Jsser uieinant die sjn lluyten Leeren moet, oft\' leeren sal?
Can u \'t Oore niet betrecken Gluuit het ooghe sa ti vermaeek;
Siet de Dach-bodinn\' haer recken,
Recht al schoot sij uyt de vaeck:
Cost haer grijse boel verjonghen, K weddquot; hy hadse noch te bedt Daer s\'hem nu js langh ontspronghcn, Cap e7i tuytt en all gesett.
Cap en tuytt als guide stralen, Ooghe-lichten als robijn,
Wangh en li])])en als coralen Is haer dagelycksche schijn;
Vryers, all ir jonghe leven Op het schoonste schoon verhitt,
Comt, en helpt het vonnis geven:
Jsser schoonder schoon als dit?
Comt, en helpt mij opwaerts kijcken Langs der Linde-toppen goudt,
Daer sy \'tnat gaet overstrijcken Dat haer Broeder strackx ontdouwt,
11-5
Hy als Bi\'uyclegom beliauglieu Met cieraten over hoop,
Hy als Prince vol verlaughen Nae de voor-eer vaude loop.
Op gesellen nae de Linden,
Op mijn mackers, op mijn mans.
Die hem reedtst te veld\' zal vinden Spaer jok noch een buytecans.
Laet ons oochghiens soo wat weyden, Moghelijck waer by de straet Deur off Venster, off van beyden Hier off ghiuder open gaet.
Snlck een Venster mochter clappen,
Sulck een Deurtgie mocht het zjn,
(Sonder ijemandt te besnappen),
\'T waer een tweede Sonne-scliijn.
(Hemel, laet u niet mishaghen,
AToert ghy schooner lichten twee.
Dieder duysent met hun draghen.
Hier beneden isser mé.)
Sulck een Venster mochter luycken,
Sulck een deurtgie gapen weer,
\'T waer wel voor een baeck te bruycken In het clippigh Minnen-meer:
Costelijcker minnen-balsem,
Quamper nummermeer jn \'t licht, Dan getempert met den alssem Van een nuchteren gesicht.
UIT NEPERLAND\'S I.KTTERSCHAT. 10
i4.,i
\'S merghens raeckt men aeude waerlievt, Wat het Meysgieu voor gestel, Wat voor haer, eu oll\' sy liaer heyt, Wat voor verw, voor vleesch, voor vel; \'S merghens eer de lippen kleven,
Eer de plaaster staet te pronck.
Eer de poeyer-doosen gheveu Dat den Hemel noyt en schonck.
Eer de lobben, eer den bouwen.
Eer de craghen, eer de cant.
Eer de wiecken, eer de mouwen.
Eer de ketingh, eer de want.
Eer de boorden, eer de banden,
Eer de reepen, eer den rock.
Eer de moft\'el, eer de randen,
Eer de vlechten, eer de lock,
Eer de tippen, eer de knoppen.
Eer de steenen, eer de veer,
Eer de wronghen, eer de doppen. Eer de slinger, eer de keer.
Eer de tuyten, eer de quicken,
Eer de crnllen, eer den bras Eer de linten, eer de stricken Gheven datter noyt en was.
G lunder salder een staen gee wen. Dit heen staeter een en niest,
Beyd\' behaughen als de Leeuwen Die men voor de schoonste kiest.
1-17
Beytl\' bedott, bedoeckt, befommelt, Beyd1 de mutseu over \'t oogli,
Beyd\' besweet, begroeyt, begrommelt, Bej, maer zedigh, ui et te lioogli.
Siet mijn Vrijers, siet miju quanten, Siet mijn liersseloose maets,
Dit zijn meniclimael de Dauten Die u costen zoo veel praets; Zoo veel prouckens, zoo veel cierens, Zoo veel vleyens, zoo veel doens. Zoo veel eereus, zoo veel vierens. Zoo veel stryckens, zooveel sehoeu.-?.
Oli! wat rijsen mij de Laren In \'t bedencken vauden dacli,
Alsser twee te bedt vergaren Daer noyt Hy de Zy en saeli;
Daer een sleclitaert js bevanglien Mette veren voor de huvt,
Mette verwen voor de waugheu, Mette kleereu voor de bruydt.
Hola Meysgiens, souder jockeii,
jNToode bouw jck op \'t geval, Decktmen zoo veel met de rocken Beter buy ten Hollandt mal,
Tu de warme Zuyder lauden,
Gaet het vrijen wel soo vast.
Op een anders oogli en handen, Op een anders trouwen tast.
14.8
M E K I D I E Si
Maer de vroegh-tijdt js verloopen Na er jek \'t aen mijn praten pejl, Ea de Sonne schier vercropen Opde cant van quot;t Zuyder-steyl. Daer begliint de straet te leghen Van liaer morgestontsgewoel,
Daer ontvolckeren de weghen, Daer js alle man jn \'t coel.
Mij en snit gliij niet verjaghen Eelle straalde]\' van om hoogh. Snelle meter van ons\' daghen, Jaren-passer, rondt-om-oogh, Dampen-trecker, Somer-brengher, Dach-verlenglier, Yrnchten-baet, Beesten-bijter, Vel-versengher, Blondt-bederver, Joff\'er-haet.
Woleken-dry ver, N acht-verj agher, Maen-verrasser, Sterren-dieff, Schadnw-splyter, Fackel-dragher, Dieff-beclapper, Bril-gerieft\', Linnen-bleycker, Tnyt en-croller, Al-bekycker, Nummer-blindt, Stoff-beroerder, Hemel-roller, Morghe-wecker, Eeyser-vrindt.
Laet n vlammen elders blaecken. Over \'t onbeboomde vlack,
Mij en sullen sij niet raecken Door \'t gesloten Linden-dack :
149
Hier beroep jck \'t bitste bijten Van u meer als dollen Hondt,
Maer hij zou syn tanden slijten Eer hij mij te vatten vondt:
Jae vergadert all de dompen Daer liet vochtigli Veen aft\' sweet, Laetse t\'samen neder plompen In een diclite droppel-speet,
jSTocli en ben jck niet verleghen. Noch en schrick jck niet voor \'tnatt, Coel jn hitte, droogh jn reghen, Sitmen onder \'t Lindeu-bladt.
Wat en hadd1 jck niet te spreken Van de soete zephijr-sucht.
Die door \'t loome looft\' comt breken Met een ruvsschende gerucht.
Met een üauwe Somer-soelte? Ah! wat hebb1 jck dick ghesevt!
Sitt jck jn een groene coelte,
Ott\' een coele groenicheyt ?
Coele Cloris, wreede Marmer {Hoord1 jck onlancx hier ontrent Suchten een door-schoten karmer In syn weelderigh ellendt)
Coele Cloris, all myn hopen,
Die mij mijn ghetrouwicheyt Soo veel hooghei- doet bekoopen Als sij boven d\' uwe leydt:
150
Heeft u \'tsweeteriglie bangheu Vande dofte Somer-brandt,
Nix zoo dickmael doen verlangheu Naer den dichten Linden-pandt, Hebt gliij syn gewenschte lommer Nu zoo menichmael gebruyckt, En de laft\'e Middacli-commer Hier zoo menicli-mael ontduyckt;
Sonder emmermeer te weglien In u over-aerts verstandt,
Hoe hem \'t harte-pack moet weghen Die ghestadelycken brandt:
Die de stralen niet moet draghen Eener Sonne verr\' om hoogli,
Maer van bydts de Ãicker-slaghen Van u een en ander oogli ?
£en en ander oogli, de tertsen Van mijn bliudt-gehockte jenght; Vonck en voetsel van mijn eortsen, Mijn verschricken en mijn vreught, Ooghen, die mij doet beswijoken Onder quot;t hitsigh strael-fenijn.
Snit ghy Cloris noyt doen kijeken Hoe jok smeltende verdwijn?
Sal sy nummermeer ontdecken Door u gittighe crystal,
Dat mij eenen sucht can trecken Uyt het bitter ongeval
151
Yan mijn altijcltversche wouden?
Cloris brandt al wat se siet, (Ondoorgrondelrcke gronden!)
Datsij brandt en siet sij niet.
T liep hoe langs lioe meer op \'t mallen Met den bloet sya minne-tael,
Dan den avondt js aen \'t vallen, T waer te langhen nacverhael;
Vryers wilt gliij dieper delven üaer jck willens blj\'ve stom,
Daeldt een yeder ju u selven,
Dat en erglier gaeter om.
V E SP E 11.
Dauw en doncker zyn aan \'t sackeu Sonn\' en hoenderen te koy.
Alle gevels, alle tacken.
Alle meysgiens even moy.
Alle caeckgiens even bloosigli.
Alle ooghiens even gauw.
Alle lippgiens even roosigh.
Alle mondtgieus even nauw.
Achter nn verkeerde wijsers.
Die de waerheyt ledebreeckt, Hart-gehoofde loghen-prijsers.
Die voor reden noyt en weeekt. Die soo werckelycke stralen.
Als de keersen vande nacht Over heel den mensch doen dalen. Al gevoelende veracht.
132
Comt de Minne-moer niet blinoken Even als de Dach verspaevi,
Even als de Wielen sincken,
Daer de Sonne-karr\' op draejt?
Sijn oick niet de avondt-stonden Altydt soeter als het licht,
Altydt handiglier bevonden Tot de vrije Vrijer-plicht ?
Menich slotgien ongeliavent Menich onbesneden Sloor Sal bekennen dat den Avendt Decksel js van alle goor;
Datse met die slimme ghevel, Met dat mutt\'e snot-verlaet,
Met die spitsche sneppe-snevel \'S avondts op haer schoonste staet.
Maer om lack by lack te stellen, Menich calver-jonghe maet,
Menich knechtgien sond\' jck tellen Dat den Avondt niet eu haet; Dat de duysterhejt doet breken Door het bloode schaem-verschiet, Dat den doncker meer doet spreken, Dan het licht hem dencken liet.
O! de malle mijmerijen Die een minnen-alver stort,
Moeten veel geladder glijen,
Daer hij niet ghesien en wordt:
J 33
Maer oick jn een jonglie scliroomei\' Heeft het reden en bediet,
Emmers js hij altydt vromer,
Die syn Vijandt niet en ziet.
Hier uyt groeyt het jeughdigh krielen Xaer de Linden-dnjsterlieyt,
Hier uyt kittelen de hielen Met als \'telockgie neglien sevt;
Hiev uyt is het niet te houwen Al wat op het vrijen gaet,
Hier uyt moeten broeck en bouwen Met de Vleer-muys opde straet.
Linde-blaedtgiens, luy ster-vin eken Van zoo menigh apen-clncht,
Van zoo menigh traen-verdrincken, Van zoo menigh sotte sucht,
Helpt my tuyghen wat een karmen, Wat een stommelend gelaet,
Wat een blindelingh om-armen Ouder u niet om en gaet.
Trijntgie, seydt daer somtydts eeuen, By men eer jek hebb je lietf\',
Vande cruyn aft\' tot de teeneu Staen jek onder jou belieft\';
Laet me draven, doet me loepen.
Heet me stappen als en tel.
Doet me scheneken, heet me coopen, Siet wat jek je weyghren sel.
154
Dirckgien (hoor jck weer een ander) Sel\'t dan nummer wese, kint? Smackje staech een oog-li op Sander, En mijn woordtgies jnde windt? Staet svn mutsgie zoo veul trotser. Zoo veul vlugger as het mijn.
Hangt mijn rockje zoo veul schotser, Soo veul loomer as het syn?
W eer een ander van ter sijen; Nou men Troosgie stoor je niet; Liever as jck Griet sou vrijen,
Liever as jck jou verliet.
Lach jck levendigh bedolven Daer jck jegenwoordigh tree,
Liever ju de groene golven Vande Schevelingher zee.
AV eer eeu ander: Wel Agnietgie, Wel myn hartgie, wel myn longh, Hoe beviel je \'t leste liedtgie Dat jck ghister avendt songh?
Heer wat stond jck nat bedropen Voor je deurtgien jn dat weer,
Daer jij dichgies laeght ecropen Inde lodderlijcke veer.
Noch een ander op een banckgie: Wel eseyt myn soete moer, louwenthalven jck bedanckje,
Maer hoe jst met vaer en moer?
155
Wat! se moelite zoo langli grollen, Iv sou ons raeye met ons tween Op eu waglientie t1 ontrollen Al dit moeyelicke, Neen.
eer een ander aen eeu boompgic : Dat\'s nou al men moertgies goet,
Maer clan hebb\' jck noch en Oompgie, O wat jst een rycken bloet!
Met sen bogert, met sen weuning, Met sen Coren, met sen ooft:
Claer, je Vrijer is en Keuningh,
Al dit hangt hem over H hooft.
Noch een ander van \'tgebroetsel Dat off Penn, off Deghen voert,
Mijn soulas, mijn vreuchden-voetsel. Ah! quitteert V.E. la Court.
Suit ghij eewich absenteeren ?
(quot;K sehatt de mejt naer Leyden voer) Wilt mijn Ãames obligeren Met een expedit retour.
En noch een van sulcke Veeren: Wel bizearre vaii humeur.
Suit gliij mij sans fin traineren. Met jdéeu van faveur?
Neen revesche, neen volage,
Dus en macht niet langer zijn. Mespriseert ghij mijn servage Aussi favje ton desdain.
156
üese zyu de soete vruchten Vaude vrve vrvdoins vreucht, Dese zya de puyk-genuchten Van een onghebonden jeuglit: All dit wondeiiyck vertellen Volgh jek met een vroolick oor; Eu wie souder derven stellen Tselver seggeu voor \'tgehoor?
3.
AAN TESSELSCHADE.
1621.
|
ïesselschade, Die uw Gade Niet te spade, Niet te vroesrh Hebt gevonden, En verbonden Van de wonden Die hij droeg; Weest te vreden Met de reden Die mij heden Seggen doet, Brnvlofts lusten, Laet mij rusten Daar ik rust, en Rusten moet. Stuursche buijen. Die zich ruijen Tegen quot;t Suijen, Tegen t West, |
Hoor ik schreeweu Door het Sneewen Somer-spreewen, Houdt uw nest. Swacke leden, Moö geleden, Moe gestreden Tegen \'t mess En de slagen Van de plagen, Doen mij klagen; Dit \'s mijn less. Had de Sonn en Lucht begonnen Weer te gonnen \'T soet gelach Van de hagen. En te tragen \'T wintrig jagen Van den daah. |
157
|
\'K waer geschapen Uw beslapen Te begapen, En uw Teest, En het proncken Van uw loncken, Tot ontfoncken Van mijn geest; Maar quot;t benijden Deser tijden Moet ick lijden Met geduld; \'T sijn geen treken Om te wreken, Woord te breken Sonder schuld. O, hoe vliegh ick, Hoe bedriegh ick, Hoe beliegh ick Mijn gemoedt! 1023. OP DE BRUILOFTS REISE Winterdagen, Die de slagen Vande vlagen, En de macht Van de winden Schijnt te binden. Daar men in den Haegh op wacht; 1) Oorspronkelijk luidde de titel: teyen den Oostenwindt. |
quot;K wilder wesen, Alle vreesen Zijn geresen Uvt mijn bloed; Swakheit, lijden, Winter-tijden, Die ick mijdden, Staet van kant; Wech vervaren Voor het baren Van de baren! Tv wil van land. Gae ick? stae ick? Neen ick, ja ick; Emmers gae ick; Neen ick noch; Ja ick, meen ick; Weer versteen ick; Gae ick? neen ick; Ja ick toch. v\'AN Mej. TESSKLSCHADK. 1gt; Sendt het rasen Van dit blasen Over Maes en Over Scheld\'; Laat de Veeren Van de Meeren Tquot; mijner eeren Ongequelt; rertreckende over Haerlem, op H ver treek; |
|
15S Lact de sell uren Onser bureu Wat besuren Van uw kouw; Laetse li pp en Tanden klippen Mette slippen Inde schouw. Onderwijlen Sal ick ijlen Als de pijlen Na den doel, Afgesondeu Na de gronden Van den Ponden-rijeken Poel. Daer mij \'t singen, Daer mij \'t springen Sal bedwingen Toe te staen Dat men gaereu Door de baren Na sijn Karen Hoort te gaen. Zijn uw ooren Niet te booren Tot verhooren Van mijn be? Soud\' ick sollen Tegen quot;t rollen Tegen \'t grollen Vande Zee? i(i2;3. |
\'K sal uw baron Eer ontvaren; Dauk hebb\' Sparen En liet pad Dat den wagen En de slagen Kan verdragen Van het rad. Van dat hooge Dicke drooge Sal mijn ooge Met geniieht Nedervloeyen En bevroeyen, En verfoeyen Uw gerucht. Blauwe straten, Sal ick praten. Die verlaten Best behaeght. Schudt de hielen Van de kielen Met de Zielen Die ghij draegt: Wel te vreden Ick met reden. Die mijn leden In den bann: En \'t verachten Van uw krachten Sonder wachten, Houden kan. |
159
o.
UIT DE âZEDE-PRINTENquot;.
Een Boer.
Hij is een Edelman, soo wel als d\' aller eerste,
Die in geen Stadt en woond1, en, oil\' liij\'t al beheerste, Beploegde\'s maer een deel; Een Hovenier in\'t wild; Een Soon die om den kost sijn Groote-Moeder vilt; Een menscli die niet en is dan om een menscli te wesen. En lielpen\'t andre zijn: een volle man in\'t wesen. In t spreken maer een lialf\', \'ten zij bv ongevall, Soo braeckt luj wel een woord dat wijsen wel gevall\'. Soo rispt hij wel een vra(!g, daer Letter-lnij uyt suypen Dat buytens-boeckx vernuft kan vliegen daer sij kruijpen, Hy leeft gelijckmen leeft daer \'t Leven leven is,
Daer voor noch achterdenek, daer geen ge-beef en is. Tot dat de Trommel komt, en Lonten die hem tergen Tot dat hy Daelders sweet1, oft wreken\'t op sijn\' bergen. Oft scheeren\'t van sijn vee, oft braken\'t uijt sijn vlass. Oft malen\'t uyt siju1 Terw, oft maeijen\'t van sijn gras. Die stormen duyekt hij door soo langh sij hem vermannen, Maer schept hij uyt den nood het hert van wederspannen Door Boeren-buren hulp. Soldaten kiest de wijck,
Elck vlegel wordt een Roer, en eloke pols een Pijek. De wraeck sitt in sijn hert, de Wanhoop in sijn1 handen. En elck1 in ijeder oogh; hij wenschten in sijn\' tanden Noch Room, noch Schapenkaes voor Menschen vleisch en bloed; Soo wreed is die het is omdat bij\'t wesen moet.
Kipt Trommel-tyden uyt, geen sijns gelijcke Koning;
Sijnt and1 re van een Ryck, hij is het van een Wooning,
100
Maer Vrvlieit sluyt liaar heek, en Vrede woonter in, En \'tkoiteliek Genoegh; dat hebben andre min. Den Sess-dagh sweet hy uyt, van dat de Son te karr klimt Tot dat de Nacht-bodin, de Minne-Moeder-Starr, glimt; Soo voedt hij met sijn\' hand sijn lustigh lijf in\'t groen. Trots die het binnens muers en met de herssens doen. De sevendaegsche Rust en wenscht hij niet verschenen Om werekens vrij te zijn (gewoonte doet hem meenen Dat sweeten Mensch zijn is, en arbeit Levens lot)
Maer om des yvers will ter Kenniss van sijn1 God, Den God der kinderen en kinderlijcke Zielen,
Die op de rouwe hand en ongekussent knielen Sijnquot; All-medoogentheit beweghelicker slaet.
Dan daer\'t geleerd Gebed door Amber-wanten gaet. Yerlenght de Somer-Sonn sijn achter-Middagh-uren, Hij schenckt het oversehott den naestgelegen\' buren. En hangter \'t Kroontgien uyt, den Avont blijfter bij:
Daer vindt hy mogelick sijn\' gadingh aen de Rij, En wringhter sich ontrent, en segt haar met een douw; //Trijn, //Trijn \'k weet gien langer raedt, me denekt je moet men
Vrouw zijn,
//Me denckt je seltse zijn, en inden Hemel benje\'t, //We staender lang te boeck: en, Troosje, noch onken je\'t, //Noch blijf j\'cn stickgien Ys, soo klaer, soo hard, soo koel, //Daer ick men aers noch aers van binnen en bevoel //Al waer men hart en haert, en Ambeeld of en Ove, //En slijpstien of en Pott, men suchjes doen him stove, /\'Men traentgjes lengen \'tsopp; en, offer vier ombrack, //Ion vienge versier ontsteeck de kole strack;
/\'Die kole zyn men Long, men Lever en men Niertgies,
161
quot;Soo veuklcrhangde vonck, soo veulderliaugde viertgies; quot;En ick wel eer de knecht groen licken as eu gras, //Ga dorre lick en hoj, ga stujve lick en ass:
//Wie wenst liem bij en aer sen Weuning te verwarme ? //En benje\'n Mevsgie, Trijn, en doe je\'t by sen darme? //Wat lettmen an men leen? kedare, dat\'s en tré, \'/\\\\ at denck je, kreuckte\'t gras wel minder van men tee «Al vloogh ick by de grongd? nouw weer en aere slinger, quot;Mick, mic.k,men hieltgie drilt all Avaer\'t de Speulmans vinger. quot;Hoe slofter Teunis by, hoe staetet Kees ter hand, quot;Hoe sleeptet logge goet de biendere door \'t sand! quot;De Waerheit wilder uyt, all stinct den aêm van \'tprijsen. quot;All dangst\' jck inde kley, \'ken mocht niet taeyer rij sen /A\\ at schort men an men goed ? Al ben ick ien van tien, quot;De neglien benne voort, ick stae. God danck, allien; quot;Van ginte Molen af tot achter om \'t Kadijckgie //Verbij de watering is all men eighe slijckje,
quot;Klinck klaere klaever. Kind: Ick weet van luier noch pacht, quot;Men erven hoore mijn, gelicken ick \'tgeslacht:
quot;Let op men Laen ereys, hoe roytse na men hecke; quot;O minnelick geboomt! Ik sie \'t sen armpgies strecke //Gelick sen Miester doet, om you, om you, om you, quot;Om you, men Hartegin, te vatte voor sen Vrouw.quot; Een soen, een lonck, een snick, een kneep, een tré, een
suclitgien,
Ecsluyten sijn gespreek: Trijn gloeyt gelijck een Luchtgieu Dat \'sanderdaegs moy weer, of water dreigt of wind: quot;En jong, en welbekleid, en goelick, ienigh kind?
quot;Wat lett him?segt haer hart, en \'tspringht gelijck haer1 kuyten. quot;Hoe stae je mit je Vaer? begint s\'hem op te fluyten; uit nederland\'s letterschat. 11
162
//Die pankoeek scliuyit, de.nckt hy, of \'tsell himliaestgedij\'u: //Men Vaer on ick syn ien, lick Druyve-sopp cn wijn, //Wilt sleeh, we selle you het klavre vrouwtgie makeu //Bin icker \'t Heertgien off.quot; Sy antwoord met de kaken. Met glijdt een silvre Trouw van sijn\' aen liareu duym; Sij voelt en voelt het niet; als waer\' de Eing te ruym, Of sij rnelaets van hand. \'T huys derfts1 hem sien en tooneu; De Vaertgiens raken t\'saem, de buren aen de kroonen.
Nu is hij dobbeld Man; en \'t leven van te voren Gelijckt hij bij een1 dood; soo kan hem Trijn bekoren, Soo reddert sij sijn\' stall, soo serpt sij vloer en Tinn, Soo klaert sij Mouw en Tonn, soo draeft sij naer sijn1 sinn Te knie toe door den dauw; soo past sij op de Kaeren, Soo op het stremmeless; soo suynioh int bewaren, Soo vlijtigh in \'t gewin. Nu rydt hy t\'Stéwaert aen, En heeft sijn liefste sohatt van achteren gelaên:
Den kaes, de melck, en\'t Ey beveelt hv\' haer vertieren. Het veulen met het kalf sijn mannelick bestieren;
Elck niaeyt soo veel hij saeyt, elck voordert sijn bedrijff, Des Avonds munt by munt, en bey de borsen stijf. 1623. (Fragment.)
6.
SCHEEPS-PRAET,
TEN OVERLIJDEN VAN P III NS MAUIUÃZ.
Mouring, die de vrije schepen
Van de Seven-landsche buert Veertigh jaren, onbegrepen,
Onbeknepen heeft gestuert;
163
Mouring, diese door de baeren
Van soo menigh tegen-tij Voor den wind heeft leeren varen, All en was \'t maer wind op zij;
Mouring, Schipper sonder weergae,
Die sijn onverwinlickheit W aer de Sonn op, waer sij neer gae,
T\' aller ooren heeft gespreit; Mouring, die de Zee te naw hiel Voor sijn zeilen en sijn wand, Die de voghelen te gau viel All bezeilden hij maer \'t saud.
Mouring was te koy ekiopen,
En den endeloose slaep Hadd sijn wacker oogh beslopen
En hem leew gemaeckt tot schaep, Reeërs en Matroosen riepen.
Och! de groote Schipper, och! Wat sou \'t schaen, of wij all sliepen, Waeckte Schipper Mouring noch!
Schipper Mouring, maer je leghter,
Maer je leghter platt evelt,
Stout verweerer, trotz bevechter,
Beij te Zeeword en te veld.
Kijck, de takels en de touwen,
Eu de vlaggen en het sehutt Staen en prujlen in den rouw, en Altemalen inden dutt.
164.
Dutten? sprack 11103\' Heintie, dutten?
Stille maets, een toontje min;
Dutten? wacht, dat most ick schutten,
Bin ick angders dien ick bin:
\'K hebb te langh om Noord en Suijen
By den baes te roer estaen,
\'K heb te venl gesnorr van buy en Over deuse mutz sien gaen.
\'K selt him lichtelick soo klaren
Dat ick vlaggen, schutt en touw. En de maets die met me varen,
Vrijen sel van dutt en rouw.
Eeeërs, fjouwerliefde mien ick.
Die van vers op \'t kusse vicht)
Wiljer an? kedaer you dien ick, You allienich by dit licht.
Weeran, riepen de matroosen,
\'T is een man oft Mouring waer. En de Eeeërs die hem kosen,
Weeran, \'t is de jonge vaer.
Heintgie peurde strack au \'t stuer, en
Haelde \'t ancker uyt de grond, \'T scheepje giugh door\'t zee-sopp schuren, Offer Mouring noch an stond. 1)
1) Er zijn nog drie coupletten â het eerst uitgegeveu door Dr. J. Worp, t. a. pl. â maar Huygens keurde alleen zeven geschikt ter uitgaaf.
IX.
JOHAN VAN HEEMSKERCK.
1597â1656.
Uit. Batavische Arcadia, door de E. Heee J. van Heemskerck, Raetsheer inden Hogen Raet vak Hollant, etc.
Ãquot; Amstelredam, By Joannes van Ravesteyn op H Water in \'t Schrijf Boech.
1663. Id.8*. {Vierdedruh.)
1.
VAN DEN HAAG NAAK T HUYS TEN DEYL.
Noch naeuwelijeks had de Roosen-verwige Morgenstond in \'t midden van de Somer, te voorschijn gebracht het eerste krieken van den uienw-geboren dagh; als de hopeloose Reynhert (die be-anghst met bedriegelijcke droomen, en bedoven in oiivruclitbare gepeinsen, sijn meeste onrust vondt in \'t midden van de algemeene rust) steegh van de logge veeren, en komende met een verhaeste tredt onder de groene Linden van het overschaduwde Voorhout, wierp een erber-melijck oogh na de geslote vensters van de noyt-genoegh-gepresene Rosemond. Het oogh wierd stracks gevolght van een sucht, en die sucht van dese woorden. Helaes! minne-lijcke, doch minneloose schoonheyt, indien \'t waer is, dat meest alles aert na de plaetse daer het is geteelt, hoe komt dan dat de soetigheyt van dit oversoete Voorhout u onver-biddclijck ghemoet te mywaerts noyt heeft konnen versoeten? hoe kan \'t wesen dat die vriendelijcke ooghjes (inachtigh om door de stralen van een gunstigh lonckje de vervrosenste ziel te doen branden) souden zijn de qualijck-voegende baeckens van een stuursch en onbewegelijck hert? u schoon-
168
hert, soo omnijdelijck in liefde te verweokeu; u verstant, soo vernuftigh in die te beleyden; en u welgemaeckt licliaem, soo bequaem om die te beloonen: hooren u niet sonder spreken als in \'t oor te lay storen, dat gelijck ghy in de natuur gehouden zijt, van dat sy u heeft laten worden \'t kint van een moeder, ghy haar oock alsoo weder schuldigh zijt te worden moeder van een kint? u lieve lipjes, u sachte hantjes, u soete ooghjes, en watter noch meer minnelijcks aen u gevonden wert, zijn aengenaemheytjes, waer van het aengenaem voor u sonder genut is, soo ghy die een ander niet laet genieten. En mach yemant verhopen, \'t geen nie-mant soude konnen verdienen; ach! Rosemond, onvergelijc-kelijcke Rosejlond, wie is daer naerder toe, dan die sijn hooghste heerschappye stelt in n slaef te mogen wesen? wiens ziele is daerse lieft, en niet daerse leeft? En die hem selven alleen daarom wei-wil, opdat hy u soude mogen wel-willen? Is t mogelijck (schoone) datmen met dienst ondanck hy u behaelt? dat wel-willen on wille in u voortbrenght ? en dat mijne liefde is moeder van uwen haet? Ts \'t mogelijck dat al mijn lijden u niet en kan bewegen tot het minste medelijden? is \'t mogelijck? is \'t mogelijck? en hier mede was \'t den armen Reynhert omnogelijck een enckel woort meer uyt te brengen, soo bedwelmt maeckte hem het overdencken van hare uytnementheyt, en van sijne onwaer-digheyt, die hy, wech-gaende, scheen in de menighte van duysent laeuwe traentjes te willen afwassen. En komende door de recht-gestreckte Ypen-plantinge tot in \'t dickste van \'t dick-getackte Bosch, soo dacht hem, dat de gevoelenloose boomen meer gevoelens van sijn ellende hadden dan de wreede dieder oorsaeck van was. Want elck blaetje, bynaest
169
met een traentje van versch-gevallen dauw besprenckelt zijnde, scheen sijn geween tc willen bewcenen. En liet medoogende windetje, dat al rujsschende door de groente heen sweefde, scheen sijn suchten met soo vele tegensuchjes te vergeselschappen, waer over een danckbaer oogh gebogen hebbende op de vermakelijckhejt van die lustige plaets: so quam liy allenghskens sacken uyt de hooge Ejcken na den hoeck daer Vrouw Jacoba vax Beyeren onder de koele schaduwe van ,taengenam(; Boeoken-loof, wel eer haar Vor-stelijcke maeltijt plach te houden, alwaer op een der witte schorssen, van die efl\'ene boomeu, (die nu noch na haren naem Vroim Jacobaes prieel genoemt werden) hy dese veersjes sneedt.
Behoudt, ó dunne gladde schil,
Dit teyeken van mijn goede wil;
En laet mijn Rosemondje lesen,
Wanneer sy hier sal komen in,
Hoe dat haer Eetnherts ziel, en sin,
Betoovert is door haer soet wescn.
Dit en was soo haest niet gedaen, of sijn hant begon te beven, e)i synen voet te aerselen, gelijck alsof hy gevreest hadde, dat de bloempjes hem bestraffen, en de blaetjes hem souden bekijven, over de vermetelheyt van sijn roeckeloos oogh, dat ghemeent hadde Rosemond te, konnen sien sonder op haer te verlieven, en op haar verheft te konnen sijn sonder ellendigh te worden. Dies schuwende do plaats die bewust was van sijn vermeende misdaet, soo kruyste hy de tegen-over-gelegen hoogte, en zijnde gaen sitten op een groen-bewassen heuveltje, haelde voor den dagh een handige Petrauca, die noyt sints het begin van sijn ongeluckige liefde uyt sijn sack verhuyst was geweest. Soo grooteu
170
kracht had de gelijckhejt van die stofie op de gelijckheyt van sijn lijden; hy vindende sijne sinnelijekheytjes snlcx nytgedruckt in die diepsinnige gedichten, dat hy hem schier liet voorstaen, dat dese geestige Rijmer, in sijn veelvuldige Minne-veersen, de pen als voor hem gevoert, en Reynherts liefde met Petraiicas soete invallen nytgebeelt hadde (een gemeen gebreck van een overheftige genegenheyt, die haer selven veeltijts gewent is toe te passen \'t geen haer minst toekomt) en ovenveldight door de nadrnck van die doordringende ghedachten, wel Reynheut! (riep hy uyt) soudet n verdrieten, de schoone Rosemond, twintigh jaren in haer leven, en thien jaeren na haer doodt te beminnen? gelijck Petkauca sijn lieve Lauea dede; als ghy versekert waert dat u min geen on-rain, en u lijden geen wan-lust in haor soude veroorsaken? jSTeen, neen, (vervolghde hy al suchtende) die tijt is eyndelijck, en mijn liefde is oneyndelijck; dat is op voorwaerde, en ick min haer sonder voorwaerde; waer over, sy maeckt\'het met my soose wil, sy kan \'t niet soo maecken, dat ick haer niet altijdt, en eenwighlijck, oock onbemint, sonde blijven beminnen.
Hy wilde voortgaen met dit gespreek, maer het gerammel van een aenkomende wagen, die dicht by hem zijnde stil hielt, dede hem syn hooft opbeuren, en soo sach hy daer op twee Herderinnen, en drie Herders: de Herders wiert hy straks kennende, dat liet waren de deftige Diedemck, de beleefde Woutheeu, en de geestige Waeumond. Maer om dat de schoonheden van de Herderinnen in een wnngun-stigh Masker opgesloten bleven, stont hy de voorste met soo een opgetogentheyt en besagh, als of sijn gesicht door het hare tot in haer hert hadde willen indringen. Doch sijn
171
oogh uiet machtigh zijnde soncler schemeren langli te ster-oogen op dat ziel-bewegend licht, ontmoete, neerdalende, tussclien \'t Masker en \'t kin-doeckje, een klein open, \'twelck soo een poeselachtige blosentheyt vertoonde, dat men daer op soude gesworen hebben datter een over-aengenaine schoon-heyt onder dat decksel verburgen most wesen. Wat lager sagh hy een gekrinckelden hals, wiens suyvere wittigheyt een siersel verstreckte aen de peerlen dieder tot cieraet omgehangen waren. Yan den hals glee sijn gesicht langhs de Marmer-gladde borst tot op den schoonen boesem, die met een nydige nensdoeck overdeckt zijnde, verschool twee wondertjes, waer \'t aengenaemste van alle aengenaemheyt niet by halen mocht. En doch niet soo geheel, of dat somtijts door een swellende beweginge een weynigh gapende, het oogh van Eeynhert niet al vry diep ingelaten wiert, oin door de vlugge nadruck van een krachtige inbeeldinge d\'overige verburgentheytjes van soo volmaeckten lichaem aen sijne grage sinnelijckheyt af te schilderen. Ondertusschen de schoone haer hantschoen nu en dan eens uyttreckende, om, â¢,lsquot;t waer, de haertjes die haer over d\'oogen vielen wat op strijcken, soo quam daer te voorschijn een soo witte en wel-gemaeckte hant, en door dien de mouw wijt en ruym was, somtijts een stuk van soo poeseligen schoonen arm, dat Rkynhekt, onverduldigh wordende, begon te roepen. Ach! Kosejiond, of dit zijt ghy, of daer most een ander Hosejiond nevens u in de werelt wesen: en dat houd1 ick ongeloove-lijcker, dan het ongeloovelijck is dat den Hemel twee Sonncn soude konnen besitten. Doet af, do(;t af, dat schoonheyt-steelend Masker; of vreest ghy, dat de bloemen van dit bosch en de bladeren van dese boomen, alsoo ongeluckelijck op u
172
sulleu verlieven als den on^eluckigen Reynhert doet? neen, \'tis Reynhert, alleen Reynhekt, die moet lieven en lijden; en die gaern lijdt, nadien hy om de schoone Rosejioxd lijdt.
Alle de Herders begonnen wel hertelijck te lacelien, siende met wat een vernuft hy dit seyde, en de tweede Herderiuue haer Masker afdoende, soo sagh Reynhert dat het was de bevallighlijck-wijse Radegond, de welcke hare waerdije stellende tot een grondvest van hare vriendelijckheyt, en hare vriendelijckheyt nytmetende met de mate van welvoegent-heyt, te gelijck gelooft en gelieft wiert, by alle de Jonckheyt van den gantschen Haegh. Ach 1 meewaerdige Radegonu (vervolghde hy) die door de kracht van uwe soete woorden alle herten kont verkrachten, en noyt yemant yet hebt gebeden die ghy niet alsoo haest en had verbeden, heeft oyt mijne gedienstigheyt u aengenaem geweest, of kont ghy noch yet verhopen van de geen die sonder hope is; soo laet de Son van uwe beleeftheyt, die elck een so gunstich-lijck beschijnt, alleen niet overwolckt blijven voor hem die ghy wel weet dat u soo wel wil: en die eer sich selven sal vergeten, dan hy sonde vergeten de weldaet daer ghy hem nu eeuwiglijck mee aen n kont verbinden. Daer mede sweegh hy; maer sijn oogen, die klaerder spraken dan sijn tongh, vertolckten genoegh dat sijn wensch was op dien wagen, en sijn hert by Rosemond. Die alsdoeu haer aen-sicht, en daer in het volkomenste van alle volmaektheyt ontblootende, Reynhert met een ontbloote van alle macht om sijns selfs meester te blijven.
Maer Radegond, die gewent was haer verstant moeder van wel-leventheyt te maken, e,n wel-leventheyt de school-vrouwe van beleeftheyt, half lacchende, gaf Diederick (die
173
nevens Rosemoxd gheseteu was, e7i door een langhdurigi; kennisse, en bevalligen ommegangli, onder alle die haer beminden hem voor die tijt wel de best-besinde gemaeckt hadde) een wenck; waer uyt lij7, die met een aerdige ge-voeghlijcklievt al de werelt wist te believen, haer sin vattende, en mogelijck niet ongaren hebbende dat de soetigheyt van sijn ghelnck door het by-zijn van den ongeluckigen te smakelijcker mocht worden, stracks daer op seyde. Schoone Roskmoxu, \'t waer aen den armen Reynheet al te grooten ongelijck ghedaen, indien sijn geluck hem soo onverwacht ons hier doende gemoeten, wy hem soo onmedoogentlijck van ons lieten scheyden: daer wy doch versekert zijn, dat wy sijn hert evenwel met ons souden moeten nemen. Rosemoxd, noch neen noch ja hier toe seggende, betoonde nochtans met haer gelaet, dat haer niet onaengenaem en was, \'t geen alle d\'andere scheen aengenaem te wesen. En dit gaf Reynheut (die hemselven gaern wijs maeckte dat die sweegh verwillighde) de stoutigheyt, dat na geen plaets-maken konnende vertoeven, hy achter tegen \'t A\\ iel opvloogh; en, sonder ander nytspraeck te verwachten, hem by Waeumond in-voeghde: en met eeu lichte de Voerman sijn sweep, en sloegh voort.
Het ras-rollende wagentje bracht haer in korter tijt tot aen quot;t eynde van \'t Bosch : en van daer, doch meer sleepende, door de sandige voordnynen tot aen \'t huys dat den Hoofschen Haegh, en \'t wijsheyt-lievende Leyden van malkanderen deylt; alwaer de Paerden, door een gewoonte van rusten, van selfs stil hielden. En terstont quam daer voor den dagh een onhebbelijck wijf: haer hayr, in plaets van poeijer, was doorsaeyt met een ontelbare menichte van schilferen. Haer
174
oogen, die als of sy haer volle slaep niet geliadt hadde, met een losse loomigheyt heen en weer draeyden, llotickerden van roodigheyt; en die roodigheyt, beset met een randt van gestremt was, maeckte dat alle oogen, niet anders dan van \'t hooft van Medüsa, haer daer van afkeerden. Haer gant-sche baek-huys was beleyt met een puystige purper-verw: en haer onbeschofte neus scheen haer uytstekende kin te dreygen van daer in te willen pieken. Waer boven de langh-gehayrde wijnbrauwen, door onachtsaemheyt in een gewassen, een dijck schenen te strecken tegen de golven van \'t dicht bi-rimpelde voorhooft, tusschen de kloven van hare grove lippen omgeslagen, lagen noch hier en daer de druppelen van \'t drab-bigh-dicke bier, daerse op \'t eerste ontwaken haer natgierige keelgat gulsichlijck mede gewent was te laven: en dat haer gantsche lijf, en voor al haren vadsigen boesem, door een onvermogen vettigheyt soo hadde doen swellen, dat het een, een dick-gebuyckte bier-ton, en \'t ander, een overladen koe-uyer geleeck. Dese aerdige Hof-meesterinne, met een ïabackpijp aen de mout, en een kan in de bant, trad al slingervoerende na den wagen, en begon met een schorre stem, en een pinckend oogh, dit soete geselschap te nooden, tot een pijpje smoocks, en een soopje soen-water (soo sy seyde) woorden, die de eerbaerheyt der Herderinnen, eu de bescheydenheyt der Herderen, soo terghden, dat sy de Voerman bevalen datelijck een eind van sijn driucken te maken, en souder uytstel van dat hol der onnuttigheden af te scheyden.
175
\'2.
ONTMOETING AAN HET STRAND TE KATWIJK.
Maer wejuigh weglis liaddun sy noch gegaen, alsse van verre langlis \'t strand sagen aenkomen een overdeekte wagen, met twee brnyne Kleppers daer voor; die met liet gansche gespan, daer toe behoorende, wel betoonden, dat het ejgen goet, en geen huur-tuygh moste wesen, \'t geen aen alle sijden soo handigh en soo net daer uvt sagh. De wagen op een kleynen draf vast naderende, bleef eyndelijck dicht by hun stil staen; en soo sagen Diedeuick en Eosemond daer ii3Tt treden twee Jongelingen; den eenen gekleet in\'t swert gebloemt Satijn, met de mantel van \'tselfde; de bef niet als te groot, maer omset met een aerdigh, lijn, net kantje; de schoenen, hosen, en hose-banden, beknopt; sijn gelaet weselijck, sijn gebaer zedigh, en in al sijn doen een sekere welvoegende besadigtheyt betoonende. Dese lichte met een eerbiedige gedienstigheyt uit den wagen een Jonckvrouwe, die niet min schoon van aensiclit, als welgemaeckt van leden was. \'t Is waer haer verw liep wat na den bruynen, maer \'t was een bruyn soo helder, en soo minsaem, datter nauw yet minnelijckers te bedencken is. Haer oogh was wonder wacker en vriendelijck, haer lacli uyttermaten bevalligh, haer zedigheyt soet; en al dit, soo aerdigh onder een ge-menght, maeckte op een aengenaemheyt in \'t oogh van de aenschouwers die de gunst van alle die haer sagen krach-telijck na sich trock. \'t Gewaet daer soo schoonen lichaem in omvangen was, vont Eosemond niet min aerdigh en welvoegende; zijnde een bleeck-groen Satijne hongerlijn, l) de
1) Hougerliju: overjapon.
170
verw van \'t wilge-bladt seer nakomende: gebeelt met gestri ckt loof-werck, en geboort met eeu kleyn net kantje van gout en silver. Den onder-rock (diemen, door dien de boven-roek opgespelt was, meest sag) was van witte nopjes; de Bef, met een nette neusdoeck daer over, quam slujckjes om de schouderen, en de neusdoeck voor op de borst met twee af-hangende tippen: waer aen een klein scheydsel, tus-schen beyden opi^n-gelatcm, vertoonde aen den boesem even \'t begin van een sekere poeselige rondigheyt, die het gantsche gestel van den hals, en \'t hals-gewaet, met sijn wemeleud op en neer gaen, een sonderlinge aengenaemheyt gaf. Een kleyn swert pleystertje, was keurighlijck geplaatst niet verre van quot;t welgemaeckt mondeken; dat, mits sijne properheyt, wel mocht gelooft werden, daer met eenigh ander insicht als om yet Zeers te genesen, opgeraekt te zijn. Om hals, en armen, hadse schoone Peerlen : een lloose van Diamanten op de borst; En op \'t hooft een swerten hoet, geciert met af-hangende witte en bleeck-groene pluymen, waer onder men soetelijck sagh verwaeijen \'t Castani-bruyne hayr, een weynigh gepoeijert, dat met sijn aerdigli gekrulde kronckeltjes een wonder welvoegende! schaduwe veroorsaeckte. Aen hare handen hadse witte doorsneden hantschoentjes, en in d\'eene van dien een waeijer, waer de verwen van silver en groen met verscheyden beelde-werck kunstigh onder een inspeelden.
Soo schoonen, en bevallighlijck gekleeden lonck-vrouwe, hielt het oogh van Rose mond een goede wijle in vollen ernst op haer, alsse van een ander kant zich hoorende aen-spreken schielijck het hoofd omdraeyde, en met eenen sagh, de gene die uyt d\'oversijde van de koets gekomen zijnde, haer met het doen van een groote eerbiedinge vraeghde ofse
177
oock gesien hadcle een opeu wagen, met twee appel-graeuwe Paerden daer voor, en twee Juffrouwen met twee Jonglimans daer op; die nvt den Hage over Leyden komende, hun geseyt hadden van haer omtrent Katwijck op\'t strande tegens die tijt te willen gemoeten; om t\'samen voort na Noortwijk toe te rijden. Dat de Juffrouwen waren in den rouw, en elck anderen (tot verwonderens toe) soo seer gelijckende, als twee druppelen waters konden doen. Soo datse, soo daerom, als door hare soete bevalligheyt, gemeenelijck alle oogen op haer deden vallen; en niet wel mogelijck koude zijn, of daer most (soose daer voorby gereden waren) op gelet zijn geweest. Eosemond dese tweede Jonckvrouwe onder dit gespreek seen- nauw doorsiende, en die niet min haers besiens waerdigh vindende dan d\'eerste, antwoorde haer seer beleefdelijck, datse geenen sulcken wagen, nocli soodanige Juffrouwen, hadde vernomen, maer in gevalle sy die qnamen te gemoeten, datse haer souden aenseggen, wat voor een wagen voor heen gereden, en wat voor geselschap na haer gevraeght hadde.
Dese tweede Juifrouwe, was in lanckte, en reehtgestreckte leden, d\'eerste niet seer ongelijck; hoewel die ruym soo rysich scheen. Haer hongerlijn was van een gebloemt bleek-blaeuw Satijn, omleyt met een groote silvere kant; den onder-rock mede wit; en den boet behangen met pluymen 0]) de verwen van den rock en \'t hongerlijn slaende. Maer sy selfs was soo blanck, en soo uytnemende blondt, dat men sich niet blanckers, noch blondters, konde inbeelden: uyt-genomen, dat de blaeuwe adertjes hier en daer seeraerdigh door quot;t witte vel heen speelden. En niet tegenstaende sulck sichtbaer schoon geen minder schoonheyt in d\'andere deelen
uit nederland\'s letterschat. 12
178
van soo welgemaeckten licliaem beloofde, soo was nochtans den boesem met een fijne vierkante Kamerijcksche neusdoeck, daer een kostelijcke dichte platwerksche kant aen stont, tot boven aen den hals toegespelt, sonder \'t minste straeltje van een nieuwsgierigh oogh in te laten; mogelijck om dat men door het sien van sulcke aentreckelijckheytjes, als ongetwijfelt onder dat wangunstigh lij waet verburgen lagen, niet en sonde verlockt werden om te haest af te scheyden van \'t aen-schonwen van dat overschoon aengesicht, dat sijns besiens soo wel waerd was. Peerlen, noch ander cieraet, en gebrack \'er mede niet, om soo schoonen lichaem, soo \'t mogelijck waer, noch meer te verderen. Maer als, haer wayer haer ontvallende, sy neder wilde bucken om die weer op te rapen, (waer Diedeeicks beleeftheyt haer echter in voorquam) soo stackse uyt de mouw soo poeseligen witten arm, dat selfs de gene, die met voor-oordeel voor \'t aerdigh bruyn ingenomen zijn, sulck suyver bekoorlijck wit siende, (dat door de swarte corale armbanden te meer aftoonde) souden hebben moeten bekennen, dat het blanck, oock over \'t aengenaemste bruyn, hier in sijn voordeel heeft. De gene die haer by der bant leyde, quam al singende, en half springende, derteltjes voort, zijnde sonder mantel, met een degen op \'t zy, een hoet met witte pluymen op, een wit Satijn Wambas, met een graeuwe. lakense broeck, en laersen en sporen aen, sijn bef was hem om den hals onachtsaemlijck toegeknoopt, en het hayr hongh hem tot verre op de schouderen, daer een gekruyfde lock, gestrickt met een blaeuw Satyne lint, ter sijden van afwaeyde.
Ãokejiond vond stofte om haer hier aan met verwonderingh te vergapen, maer was vry meer verwondert als d\'andere Jonckvrouwe, by dese laetste komende, die Suster noemde.
179
nauw konncude gelooven, dat twee soo oiigelijcke schoon heden een gelijcke voort-teelinge gehadt hadden. En ter-wijlse hier op stont eu mijmerde, seyde de bevallige Bruy-nette tegens haer, datse sich noyt en sonde beklagen, haer verwacht geselschap gemist te hebben, nadiense soo onverwacht snlcken ongemeenen schoonheyt hadde gemoet: wiens beleeftheyt haer hope gaf\' van \'t geluck om nader keimisse daer mede te mogen maken, waer toe sy wenschte van haerder sijde yet te konnen by brengen dat haer die eere niet t\'eenemael onwaerdigh moche doen wesen. En dese woorden gingen haer soo vriendelijck af, en waren met snlcken gunst-winnenden gelaet vergeselschapt, dat Eoseiiond, noch meer verwonderd blijvende als te voren, de begaeftheden van. dese bevallige Juftïouwe, die niet boven de twintigh jaren scheen te halen, onvergelijckelijck hielt. Dies sy haer, met de meeste beleeftheyt diese konde, begon te antwoorden; üat de schoonheyt, daerse van sprack, in andere te soecken, maer in haer te vinden was; en willende haer voort op quot;t vriendelij ckste nooden tot een nader kennisse, met versoeck datse haer soo verre aen haer geliefde te verbinden, van haer f haerder bester gelegentheyt in den Haegh te komen besoeeken. Soo hoorde sy, dat de geen die d\'ander Suster by de bant had, haer weghtrec-kende, seyde: voort, voort. Mallootjes, voort; want soo dese loome praet van lamme lijmery, onder dit praetsiecke goet eens aenvanght, soo is \'er in een half uur geen eynd van te verhopen. En daermede dwonght hy genoeghsaem sijn geselschap dese kout af te breken, en een verhaest af-scheyt van Diedemck en Eosioiond te nemen.
180
3.
ONTMOETING TE WASSENAAR.
Terwijl sy, aldus met dese praet bezigh zijnde, Waeiimond de woorden bynaest uyt de mont sagen, warense eer sj \'t wisten te Wassenaer gekomen, alvvaer, soo als de paerden pleysterden, sy langs een dichte laen, die van \'t dorp na een hof-stede toe liep, een seer soete stemme al singende hoorden naderen ; dies Woutheer, Waermond, en Diedeeick, uyt nieuwsgierigheyt van de wagen springende, sich soo stilletjes alsse konden, achter eenige ruyghte begaven, om ongesien te hooren, en ongehoort te sieu, \'t geen door \'t geluyt van sijn soeten sangh soo aenlockelijck was. Dus sagen sy voetje voor voetje door de Laen aenkomen een bevallige Herderinne, die vermits de Son, nu bynaest aen \'t ondergaen zijnde, een lieffelijcken avont-stont voorbracht, haer scheen te komen verlustigen in dat aengeuame overblijfsel van sulcken schoonen dagh, dat met soo veelder-hande verwen de heldere lucht op \'t aerdighste was afset-tende, als of de Sou in \'t nemen van een vriendelijck afscheyt van d\'aerde sijn Meestersse, haer met een kostelijcke keten van alderhande glinsterende gesteenten hadde willen beschencken.
Sy hoorden dan, soo alsse nu naby waren, dat de Herderinne, na wat stil-swijgens, met een sonderlinge soetluy-dentheyt op \'t nieuws weder aenhief dit volgende.
SANGH,
Op de wijse, De traentjes die sy weende, die deden den Ruijter wee.
I.
O wel vernoeghde sinnen!
Wat zijt ghy vol van heyl?
Die om geen mallend minnen Hebt uwe vryheyt veyl.
181
II.
Hoe vlieten uwe dagen In soete rust voorby?
Daer Minnaers druckigh klagen, En nimmer naeiuv zijn bly.
III.
Hoe gae ick onbekommert Langs dese lieve laen?
Die diek en dicht belommert, Mij liefkoost met haer blaen.
IV.
Ick slaep de nachjes over. En \'s morgens slapens moe;
Soo groet my lof en loover. En alles lacht my toe.
V.
Ick sie de Sonne-stralen Verrijsen met geneught:
lek sie die wedordalen Met even groote vreught.
VI.
Daer mijn gespelen suchten. En bang en byster sien,
Daer ben ick vol van kluchten. Doe alle droefheyt vlien.
VII.
Daer \'t haer verdriet te leven, Lust my mijn leven wel:
Daer Min haer wetten geven Komt, ick hem wetten stel.
VIII.
Ick haet gedienstigheden. Die onder ootmoets schijn
Gebieden door gebeden: En Meester daetlijck zijn.
18-2
IX.
Wegh met vergulde banden,
Die maer van buyten schoon,
Een vrijen staet verpanden.
Om sulcken slechten loon.
X.
Dies hoedt u mijn gedachten.
Dat niemant u die rooft:
Soo hoeft ghy niet te wachten.
Eens anders heerschend hooft.
Dit geestige Sanglistertje, was van eeu middelbare gestalte, eer echter aen de korte dan aen de lange kant. Met blaeuw-achtige, doch uyttermaten gaeuwe en vriendelijcke oogen; en niet te min de wijn-brauweu bruyn; \'t hayr daer en tegen uvt den blonden, en de verw1 nyt den blancken, waer op een aerdigh bloosjen in \'t midden van de ronde koontjes sicli ver-toonende, \'tbesit van een volkomen gesontheyt te kennen gaf: De verandering van soo veelderhande verwen, in soo kleynen omtreck, een wonderlijcke aengenaemheyt aen \'t aensicht van soo bevalligen schepsel veroorsakende. Den hals was poeseligh wit, daer een minnelijck krinckeltjen nu en dan scheen dertelijck in te komen spelen, en gelijck als vouwetjes in te maeken om de Minnaers in te vangen. Waer datse (ongetwijtfelt om het wit wel te doen afsteken) een aerdigh swert zijde snoertje om had, daer een kleyn goude ringetjen aen hingh, ingeset met Diamantjes; dalende even tot daer liet kleet aen den boesem uytgesneden zijnde, met sijn swellende verheventheyt dien lieven last voor verder val scheen als te willen stutten. Op \'t hooft hadse een spits hoedeken, met blaeuw armesijn overtrocken, waer dat een silver kantjen met looveren om lagh; de plnym was van
183
wit en bkeuw onder een gemengelt, wat over den hoet neerhangende; het masker, met een spelde aen de tuyten vast gespelt, daelde soetelijck ter sijden langhs het hooft af, de lockjes speelden luchjes onder den hoet heen, sonder seer door dwangh van krul-kunst ineen gekronckeltte zijn, die een te gemoet komend windeken by wijlen geestigh doende achter af waeijen, scheen als geneucht te nemen in soo soeten poeseligheyt tot een snoggerder omtreck te verscheppen : en alsoo dat aengename aensicht, door een aerdige veranderinge (die selfs de werelt haer schoonhejt geeft) noch aengenamer te maken. Den boesem was met een nette neus-doeck losjes om den hals toegedeckt: haer kleet van heel iijne witte mopjes, geboort met speldewercks kanten, en voor en achter vierkant uytgesneden tot aen de schouders toe. De mouwen waren rujra, en met een aerdige onacht-saemheijt vry hoogh aen \'t hemde omgeslagen. Op elcken arm lagen drie stricken van blaeuw satijne lint, en met negen van deselve strickjes was het kleet beset van den boesem af tot beneden toe. Aen de slincker hant hadse een geestigh arm-bandeken, netjes door een gevlochten, en dVyn-den daer van met een gouden slootjen aen den anderen gehecht ; waerop in quot;t midden van een groen Lantschapje, seer geestigh geschildert stondt een weselijck soet vrouwenbeeldeken, met een speer, en daer op een hoet, in de hant; leunende met den anderen elleboogh op een ancker, en haer oogh geslagen hebbende op een witte wint-hont die aen haer voeten lagh.
Dese Herderinne in \'t aenkomen beurde haer witten .rock een weynigh als \'t waer, op voor \'t stuy ven, waer door men quam te sien haer blaeuw satijne onder-keurs, die met een
184
groote silvere kant omlejt was; en soo als de wint die by wijlen in \'t voortgaen wat opwaeyde, wiert men daer onder gewaer een witte schoen, en daer op een roos van blaeuw sijde lint, met silvere loovert:es, die geweldigh afstaken. In haer wesen speurde men een vrijpostige onbekommertlieyt, en niet een enckel kreuckjen kon men vinden om een sorgli-uytbeeldend fronsjen op \'t voorhoofd te malen: haer gelaet aen haer sangh, en haer sangh aen al haer doen, gelijck als de behulpsame hant leenende, om de volkomen verge-noeginge van haer vrolijck gemoet ten vollen te vertoonen.
Naeuwelijcks had Diedeeick \'t gedult om haer liedeken nyt te hooren, en soo haest hielt sy niet op, of hy tradt tot haer in, seggende, my dunekt Herderinnetje, dat dit een-same buyten-weegsche Wassenaer, waer niemand komt dan dieder wesen wil, de gemoederen van sijne inwoonders buyig en bijster maeckt, immers soo \'t uytter herten komt \'tgeen ick u daer terstont hebbe hooren singen; want dat Meysjes, soo minne-soet als ghy zijt, dus minne-hatigh souden zijn, is de bijsterste buy, mijns oordeels, die oyt uyt de Noorder zee vau ongevoeligheyt soude konnen voort-komen. De min. Mallootje, is goet, de min is soet, de min is menschelijck, de min is wenschelijck, en heeft dat met de deught, de kostelijcke deught, gemeen, datse in haer waerde niet kan beloont werden dan door haer eygen waerdije.
De Herderinne haer dus in haer eensaemheyt beloopen siende, stoudt in \'t eerste een weynigh verset, raaer datelijck met een sonderlinge wel-voegentheyt haer t\'hunwaerts wendende, Herder, seyde sy, ick heb noyt hooren seggen dat de min met de deught veel gemeenschaps had; maar wel heb ick gehoort, en my dunckt datter al wat aen is, dat
185
dit boefje daar ghy vau spreeckt, vry wat gemeens heeft met de brandende toorts^ daer \'t de Dichters en Schilders mede afmalen; want gelijek dat gedeelte van \'t vyer, \'t welck afschijnt en licht geeft, seer aengenaem is, maer \'t geen dat brant niet anders bybrenght als smerte en verdriet voor de gene die \'t te na komen, alsoo gaet het oock met de liefde, dat een moy dingetjen schijnt om mede te spelen eer mender te deegh aen vast is: maer wanneerse eens \'t gemoet heeft bemachtight, so verdortse de jeught, verswackt het lichaem, verbijstert het verstant, verbeert de wil, en verhindert alle oefl\'eningan die tot deughde of tot wysheyt strecken, en dat ick voor \'t slimste van allen achtte, sonder dat men bynaest weet watse is, hoese komt, of watse hebben wil, soo geeftse een vergiftige beet in \'t hert, die ofschoon het beest dat ons gebeten heeft wegh is, haer vergif echter niet en verliest, maer de innerlijcke wonde vervuylt hout, en allenghskens doet inkanckeren.
Wat seghje! seyde Diedehick; daer is geen vreught ter werelt, die by de vrenghde en \'t vergenoegen dat in \'t minnen gelegen is te vergelijcken zy.
Die vreughde, vervolgde sy, is niet veel beter als die van malle menschen die in haer elende al lacchende haer ver-maeck nemen.
Dus raeckten dese jonge luyden vast in een praet die haer langer te Wassenaer ophielt dan sy gemeent hadden; en vonden soo grooten genenchte in de vry-postige gesprack-saemheyt van dese bevallige Herderinne, datse om haer Haeghs geselschap niet eens en dachten.
NICOLAAS HEINSIUS JUN.
1656â (?) 1736.
Uit; De tekmakelycke ayakturier ofte de wispelturige, en niet min wonderlycke LeYENS-LOOP yan mirandor, doorn. H.
De Sevende Druk. Van veele Dnickfauten yesuyveyd. t\' Amsterdam, By Antoni Schoonenhurg,
1733. 8°, 2 deelen.
1.
DE BEDEOGEN KLAPLOOPER.
(11 Deel, 1 Bock, p. 3â10.;
Het was omtrent deze tyd (zoo Mejuffrouw myn Memorie my geen parten speelt) dat de Granf van Asprejiont een zeer kostelycke maaltyd gaf, daar hy de voornaamste van het Hof op genodigt had. Zeker Fransman, die een van die geen was, die men Volontairs ofte vrywilligen (wel te ver-staen daar men gratis zyn kakebeenen oeffeneu kost) pleegt te noemen, hier van de lugt in de neus gekregen hebbende, liet niet na zich ter behoorlyker tyd nevens de andere Gasten in het huis van den Graaf te laten vinden. Syn nugter gewaat, en smagterig gesigt, was oorzaak, dat hem de Graaf wel haast uit de andere onderscheide, en dewyl hy niet bedenken kost, hem oit van zyn leven gesien te hebben, dagt hy eerst dat het een Dienaar, en daar na, dat het een goede Vriend van d\'een of d1 ander van zyn Gasten was, die per compagnie mede gekomen was. Wanneer men sig aan de tafel begost te zetten, ging dese een van de eerste en aan het midden van de tafel zitten, waar door hem de Graaf nog meer als te vooren aanzag, zonder nogtans te konnen ramen, wie deze quant zyn mogt. De begeerte om
190
zulx te weten, wierd merkelijck vermeerdert, wanneer liy bespeurde, dat niemant van de Gasten met hem sprak, of in liet geringste blvken liet, dat hj hem kende. Ondertns-schen begost men de kragt vau de goede Wyn uit het lachgeu, en de vrolykheid van de Gasten merkelyk te bespeuren, en d\'ongenode begost sig zo wel als de andere en train ofte verheugt aan te stellen, en alderlei loopjes en snakeiyen op het tapyt te brengen, waar door eenige Gasten begerig wierden om te weten, wie deze liefhebber zyn mogt, en zulx aan den Graaf, dieze dagten, dat hem ook te gast genodigd had, door hun knegts vragen lieten, die hen antwoorden liet, dat hy hem niet kende, en zyns wetens, hem ook noit gesien hadde, maar dewyl hy dagt, dat hem een van die geene, die aan het einde van de tafel en ver van hem zaten, mogt mede gebragt hebben, zond hy een van zyn knegts rondom de tafel, een ieder uit zyn Heers naam zagt in \'t oor vragende, of niemand onder hen dezen vreemden Heer kende, die de goetheit had, van sig boven alle de andere, niet alleen met het debiteren van duizenderlei quinkslagen, maar ook met het verslinden van een reeks zoppige peeren, te signaleren, die hem alle eenpaarlyk tot antwoord gaven, dat ze hem van hun leven niet gesien hadden. De Graaf over de onbeschaamtheit van deze quant, dat hy sig ongenodigt boven zeer voorname luiden aan de tafel had derven zetten, misnoegt zynde, besloot hem opent-lyk te beschimpen, en door zyn volk van de tafel en uit zyn huis te doen jagen. De vergramde oogen, daar hem de Graaf mede aanzag, en het vragen, dat zyn knegt aan al de Gasten, uitgezondert aan hem hedaan had, deden hem voor het geen vrezen, dat de Graaf by zig zeiven besloten
191
had. Derlialven willende dit affront voor-komen, stond liy overent, roepende, dat men hem een glas Wyn brengen zou, om de gezontlieid van de Graaf te mogen drinken. De Graaf, die zich zoo merkelyk niet aan een perzoon wilde verpligt zien, die hy zoo meende t\'aflronteren, antwoorde hem, dat dewyl hy de goedheid geliefde te hebben van zyn gezondheid te beginnen, het oock billyk was, dat hy, of een van de Gasten, hem zyn naem, en zyn qualiteit noemde, op dat hy weten kost, aan wien hy hier over verpligt was. De Gasten ziende, dat hy hier op stil sweeg, en merkende wel, wat de Graaf zyn voornemen was, riepen alle te gelyk, dat hy groot gevaar zou lopen, van sig zo gemakkelyk in den Hemel als op dese maaltyd in te drayen, indien hem St. Pieteu niet beter, als zy kenden. Zo zult gy dan de goedheid hebben, hervatte de Graaf tegens hem, van my te zeggen, wie gy zyt, en wie u geraden heeft hier ongenodigd, en zonder van iemand gekend te zyn, te komen. Den ander ziende, dat alle de oogen van de tafel op hem geslagen waren, en dat men een antwoord uit zyn mond verwagte, dat hy vreesde, hoe goed hy het ook voortbracht, slim genoeg te zullen zyn, om de maaltyd die hy gedaan had, van een banket van stok-slagen gevolgt te zien, zogt zich door een quink-slag, van het ongeval, dat zyn lenden dreigde, te bevryden. Derhalven doende, als of hy het geen hem de Graaf vroeg, niet regt verstaan had, gaf hy hem dit verkeert en ongerymt antwoord in \'t Frans; quot;blanc ou rouge. Monseigneur, ce m\'ét tont un; j\'en prendray de touts deux, pour rnontrer que je bois votre santé de tout mon ccel^r.,, Hetwelk zoo veel te zeggen is, als: Koode, of witte, inyn Heer, hot is my gelyk: ik zal van beide nemen, om te
192
tonen dat ik uw gezontheid van herten drink. Veinzende hiermede verstaen te hebben, dat hem de Graaf gevraagd had, of hy liever roode, of witte Wyn dronk? De aardige manier, daar hy deze woorden mede wist voort te brengen, veroorzaakte zo een vreeselyk gelach onder de Gasten, dat de Graaf vreesde, datze noit weer ophouden zouden, en deed\' hem genoeg bemerken, gelyk ook d\'andere van de Heeren, dat die kerel zoo zot niet was, als men hem genomen had. Derhalven veranderde de Graaf zyn besluit van het all routeren, in een voornemen, van het geselschap een weinig met hem te vermaken, en hem een weinig voor de louffon of de zot te houden, daar hy zig, gelyk al die geen, die hun Professie van het smarotsen en panlikken maken, zig getroosten moeten, zeer gewillig toe vinden liet, latende in al het geen hy zei, zo veel scharpsinnigheid en verstand blykeu, dat niemand, na hy hem beproeft bad, wederom met hem aan vangen wilde. Zekere voorname Graaf, die een groot Mignon of gunsteling van den Koning, schoon hy ver na de gauwste niet was, ziende dat hy met raheren niet tegen hem op kost; begost, als de plompe en onbeschaafde geesten gewoon zyn, van lachen ernst te maken, en zulke grove steken en schempen van zig te geven, dat den ander ongevoelig moest geweest zyn, om het niet te merken. Derhalven ziende, dat hem eenige van de Gasten, aan wien de plompheid van deze ongeslepen Graaf verdroot, winkten, dat hy den bal op dezelfde wyze wederom slaan zou, stelde hy hem deze navolgende vraag voor: Myn Heer, zei hy hem, dewyl ik de scherpzinnigheid van uw\' overvlugge geest genoegzaam uit uwe reden vermerkt heb, zoo wenschte ik wel, dat gy de goedheid geliefde te hebben, van my te
193
zeggen, dat indien wy ten tyden van Ovidius zyn veranderingen leefden, en Jüpiter u, tot straf van uw\' zonden, in een dier wilde veranderen, en n de keur gaf, of gv in een Paard, of in een Esel wilde verkeert zyn, wat gy van beiden liever zyn wilde ? Op deze vraag borsten al de Gasten van lachen uit, ziende allen met een open mond de Graaf aan, om te horen, wat hy hier op antwoorden wilde, die, hoe razend hy ook was, evenwel uit welstaans halven ook gedwongen was te glimlachen, en zyn gramschap aan de overige Gasten te verbergen, die, als het gemeenlyk geschied, nog dies te meer zouden gelachen hebben. Ondertusschen drong hem de onbekende gestadig, om op zyn vraag te antwoorden, die zich van de zot ontslaan willende, hem tot antwoord gaf, dat hy liever een Paard wilde zyn, dewyl hem een Esel een al te veragt dier scheen. En ik wilde liever een Esel zyn, berigte den ander, waar op de Gasten nog meer als te voren begosten te lachgen, hetwelk hy ziende, zei, zo ras men een weinig van lachen opgehouden had, tegens de Graaf, de oorzaak, waarom ik liever een Esel wil zyn, is, om dat men die hedendaags aan Konings tafelen zet, daar gy, myn Heer, indien gy een Paard waart, wel van zond blijven. Naauwelyks had hy deze woorden gesproken, of daar ontstond een schaterend gelach onder het geselschap, dewylze wel merkten, dat dit op den voornoemden Graaf sloeg, die dikmaals de eer had van met den Koning te eeten. Honderd diergelyke snakeryen bragt de onbekende gast, gedurende de maaltyd voort, waar door de Graaf van Asprejiont, dat een zeer vrolyk Heer was, een zonderling behagen in hem kreeg, en hem bad zomtyds bv hem te komen eeten, hetwelk hem den ander beloofde, als
UIT XEDEEJ.AND\'S LETTERSCHAT. 13
194
als een eerlvk man te zullen doen, en zyn woord ook zoo wel na quam, dat de Hof-meester van den Graaf alle middag zyn tafelbord deed opdekken, wel wetende, dat zyn Gast zoo conscentieus en zoo opregt vau gemoed was, dat hy hoe slim weder het ook zyn mogt, evenwel de belofte en den eed, die hy by zich zeiven gedaan had, niet breken zou. Dit zou den Graaf evenwel aangenaam geweest zyn, dewyl het een Heer, die zoo veel monden en dienaars, als hy voeden most, op een maaltyd eetens niet aanquam, indien de vermakelyke snakeryen van dezen quant zich ten laasten niet in een al te groote gemeensaamheid, en een onverdra-gelyke onbeschaamdheit verandert hadden, zo dat de Graaf den Hemel zou gedankt hebben, indien hy met eeren van dezen verdrietigen kostganger was ontslagen geweest; want daar quam niet op de tafel, dat hem lekker genoeg, en na zyn zin toebereid was, en daar hy niet wat op te zeggen wist, zelfs tot de Wynen toe, die hy zei in zyn mond smakeloos en vaats te zyn, hoewel men aan zyn onmatig zuipen gants anders zou geoordeelt hebben. Hy ontzag zich ook niet zomtyds eenige vederloze plewieren met zich te brengen, en de Lakeyen, ja zelfs des Graafs Pagiens aan de tafel, als zyn jongens te bevelen. Om kort te gaan, het was een panlikker, die in alles de Regelen van zyn Professie te buiten ging, dewelke willen, dat een van deze Order, ootmoedig, beleeft, gedienstig, vriendelyk, willig en met alles dat hem voorgezet werd, te vreden is, door de betrachting, die hy behoorde te doen, dat hoe slegt hy ook onthaalt word, zulx nogtans duizentmaal beter is, als hy verdient heeft, dewyl hy zulx niet dierder, als met Apen-munt, dat is te zeggen, met vriendelijke mynen en grimassen betaalt. T)e graaf, om
195
van hem ontslagen te zyn, gebood aan zyn knegts, dat wanneer liy hen aan de tafel winken ofte roepen zou, zy doen zouden, als of ze het niet zagen of hoorden; maar daar keerde hy zich niet veel aan; want doen hy zag, dat ze hem niet wilden te drinken geven, was hy onbeschaamt genoeg, om van de tafel op te staan, en een van de flessen voor zich te zetten. De Lakeien en Pagiens, die deze vent dodelyk haaten, en wel zagen, dat de Graaf geen behagen meer in zyn ommegang schepten, besloten onder malkander hem zo een goede pots te speelen, dat hy op een andermaal geen sugt zou hebben, om weder te keeren. Hy had voor een gewoonheid, om de onreinigheid van de straten Galos-sen, die men over de schoenen trekt, te dragen, die hy, wanneer hy tegens de maaltyd in het huis van den Graaf quam, op de trappen van de eetenszaal staan liet. Zoo ras hy dan aan de tafel gezeten was, spykerden cenigc van de Lakeyen een van de Galossen op de trap vast, na het welk hy zich wederom agter de Gasten aan de tafel stelden. Dien middag was juist een voornaam Heer by den Graaf ten eeten, die hy na de maaltyd, zyn Stal en Hof wilde zien laten. Wanneer derhalven de Graaf en dezen Heer te zamen de trappen van de eetens-zaal afgingen, wilden onzen Vriend hen vergezelschappen, en dewyl hy agter den Graaf, en voor eenige andere Heeren, die dien middag daar ook gegeten hadden, ging, en hen, tot hy zyn Galossen aangetrokken had, niet op de trappen dorst wagten laten, stiet hy met een groote geswintheid zyn voeten daarin, waar van hy den eenen, die los was, nauwelyks voort en op de naastvolgende trap gezet had, of hy gevoelde dat den ander gevangen en te rug gehouden wierd, en dewyl hy, als ik gezegd heb,
196
met den eersten vry wat ras, om die geen die agter hein waren niet op te houden, voortgegaan was, scheelde het niet veel, of liy liad niet alleen de. voet, die in de vast-gespykerde Galos was, maar ook den hals, door een swaare val, die hy van de trappen deed, gebroken, indien zyn geluk niet gewilt had, dat hy den Graaf, en den Heer die by hein ging, zoo swaar op het lyf gevallen was, dat ze beide ge-nootzaakt waren ter -aarde te vallen, en zich derhalven niet onthouden kosten, hem een handvol scheldwoorden na de kop te werpen, het welk by het affront, en den val, die hy uitgestaan had, gevoegt zijnde, hem zo dol en razend maakte, dat hy, na hy de vastgespijkerde, Galos met gewelt los getrokken, en aan zijn voet gedaan had, al vloekende, zonder den Graaf, of een van het gezelschap te groeten, met een booze kop ten huis uitging, zonder dat hy daar namaals ooit een voet wederom ingezet heeft.
DON EODRIGO Dl ERACCAMONTE.
(I Deel, II Boek, par/. 248â270J
Eens 0]) tyd, dat Belindor by zyn waarde Diana was, quam een jongen voor haar Slot, die met haar begeerde te spreken, en die zy zo ras niet by sig had doen koomeu, of overreikte haar een brief, waar van het opschrift aan haar luide, en daar nog een ander voor Eelindoe in was, na het welk hy vertrok, zonder dat hy wilde zeggen waar die geen was, die hem den zeiven gegeven had. Hun begeerte was beide even groot, om een ieder de zyne eerst te lezen; maar dewvl zv hein bad, zo lans met de zvne te vertoeven.
197
tot datze gesien hadden, wat den inhoud van de haare was, begost zy haar brief te lezen, die in liet Spaans geschreven was, en waar van de woorden in het Nederduits aldus luiden ;
Of den hemel heeft u, Madame, voor een tijd lang van dat Goddelyk verstand en oordeel, daar hy u boven zyn Inwoon-ders mede begaaft heeft, beroven willen, of de nydige faam, (wiens eeren basuin dagelijks de ooren der sterffelyke met de galm van myn dappere en nooit gehoorde feiten vervult) heeft die voor u zo lang verbergen willen, tot uw oogen zeiver door het aanschouwen der zelve van verwondering en verbaastheit geslagen wierden, dewyl gij dwaas genoeg geweest zyt, om aan die te twyfelen, en zo reukeloos om deselve te willen beproeven; maar verheugt u, ó gelukkige Diaxa, dat u den Hemel gunstiger is, als gy u mogelyk ingebeeld hebt, hoewel uw\' reukeloosheid u deze genade onwaerdig gemaakt heeft. Ja, dappere doch wanhopige Amazoon! den Hemel sorgt voor u. en indien de Goden u niet als haer liefste en waardste troetel-kind behoeden en bewaarden, soudense u juist niet op een dag in myn handen gesonden hebben, op dewelke ik, uit vreese van haar gramschap en straffe, door het breeken van myne belolte, op my te laaden, geen hand aan myn Turken moorder slaan wilde, al sag ik myn ziel naar d\' onderaardsche duisternisse voor eeuwig verhuisen. Evenwel ben ik den Hemel daar meer dank, als gy voor schuldig, dewyl hy hier door belet heeft, dat het misdadig bloed, van eenige van myn ontzielde beledigers van myn moord brakende en vernielende kling-die nog van het selve rookt, door het uwe niet afgewassen is, waar door (hoewel dquot; onwetentheid van uw geslagt my eenig-zins had kunnen ontschuldigen) een tot de wolken toe reikende stapel, en Pyramide van opgehoopte overwinningen was komen om te storten, en een oneindelyk woud van Laurier-kroonen te verdorven: maar hoe groot de goede voorsorgen der Goden, het zy tot uw\', of myn geluk, hier in geweest is, zal my zulks niet beletten, om u, voor myn vertrek, dat binnen twee dagen geschieden zal, in het bestryden van uw\' Minnaar, door een klein vonkje, van de verschrikkelyke moed mijns (tapperheids, daar gy, ó ongeloovige, zo dwazelyk aan hebt derven
198
twyffelen, te doen bekennen, dat ik uw\' besitting duiseudmaal meer, dan liy waardig is, eu dat geen water ryke Xyl, nog Tyber nats genoeg heeft, om u traanen te leenen, daar gy het ongelyk van aan myn moed getwyffelt te hebben, genoegzaam mede beweenen kond, indien u de liefde, die gy hem toedraagt, slegts niet verhindert, dit ingeleide Cartel aan hem t\'overreiken. Vaart wel.
Don Kodeigo di Bhaccamonte.
Deze ii;et Rodemontades gelardeerde brief, deed heu byna van lachen ter aarde vallen, en was oorzaak, datze in een langen wyl geen woord kosten voortbrengen. Na ze eindeljk hun hert met lachen opgehaalt, en de traanen, die hier door met grooter menigte, als of zy gehuilt hadden, uit hun oogen gevallen waren, zei Diana, hoewel het lachen dikmaals haar reden afbrak, verwondert te zyn, dat Don Hoduigo, die zy gedagt had, dat al lang weg geweest was, na zulke mer-kelyke tekenen van zyn blodigheid, nog zo onbeschaamt was, van zo vreeselyk van zyn dapperheid te snorken, daar hy doch de lafhartigste guit was, die ooit het leven van een Vrouw bekomen had, en dewyl zy begeerig was, om te sien wat in de brief van Belindok stond, wilde zy zeiver het vermaak hebben, van die te lezen, en na hy haar dan dezelve overreikt had, vond zy daar deze naarvolgende woorden in.
Hoewel het myn faam weinig vermeerderen kan, een overwinning te verkrygen, die myn al vernielende vuist met de eerste steek versekert is, en dat het u zo veel eer, onder het getal van die dappere, doch rampspoedige Helden gerekent te zyn, die myn arm door hun dood de treur geschiedenissen heeft doen vermeerderen, als het myn schande zyn zal, die dapperheid, daar my den Hemel boven alle andere sterlfelyke mede heeft willen begunstigen, op zo een ellendig schepsel, als u geoelïend, en gebruikt te hebben, wil ik u nogtans tot het rampspoedig voorwerp nemen, om uw\' Meesteresse uit den
199
twyffel te helpen, dat haar dwaasheid haar, aangaande myn dapperheid, tot uw verderf ingestort heeft. Bereid u dan, om morgen ten agt uuren voor do raiddag, met nog een Secunde, schoon iek alleen zyn zal, aan de Xoord-zyde van het bosch, het welck een half myl besuiden uw\' Slot gelegen is, te ver-sehynen, om een opening aan de doordringende punt van myn rappier te geven. Ik wil u door het woord van een Secunde niet verbieden, dat gy niet zo veel vrienden, als gy zeiver wild, moogt mede brengen. Want hoe meer daar zyn zullen, hoe meer handklapping, gelukwensching, en ontsachelyke ver-wonderingen myn arm te verwagten heeft. Komt dan honderd, ja duizend sterk, dewyl ik, om een Legioen van uws gelyken te vellen, maar vyf, of sesmaal myn arm behoef te bewegen, behalven dat ik al te medogend ben, om u de laatste traanen van uw\' vrienden te benyden, hetgeen ik u gaarn vergunnen wil, doch met beding, dat gy de schuld van uw\' dood meer de reukeloosheid van Diana, als myn bloeddorst vcrwyten zult.
Don Kodrigo di Braccamonte.
Meer als een uur bragten deze twee gelieven, met liet lezen van dezen vermakelyken brief door, dewyl hen liet lachen belette, dezelve zo ras, als zy wel gewilt hadden, voort te lezen. Zy bad hem, dat hy haar deze brief wilde behouden laten, oin zig zomtyds daar mede te vermaken, het welk hy haar toestond, hoewel hy haar liever een kos-telrk geschenk daar voor zou gegeven hebben, zo aangenaam en lief was hem deze brief. Wat besluit gy dan, Belindou, vroeg zy hem al lachende, hebt gy moets genoeg, om na het lezen van zulke verschrikkelyke en doodelyke termen, voor uw\' vyand te verschynen, daar hy u dog te vooren van uw\' dood verzekert? Wie zou niet gaarn zyn leven in een gevecht willen opofferen, antwoorde Belindou, daar gy, Mejuffrouw, zoo hy zegt, de oorzaak van zijt? Evenwel geloof ik niet, voer hy voort, dat hier zo veel gevaar te
200
verwagten is; want ik wil der myn hals op verwedden, vervolgde hy, dat hy deze Eodemontades niet in de brief gezet heeft, als om dat hy gemeent heeft, my hier door zo bang te maken, dat ik hem niet zou derven verschvnen, en sig dan zulks te beroemen: maar het moest een zot zyn, voer hy voort, die sig aan het opsnyden van een hovaardi-gen Spanjaard wilde keeren, die de luiden gaarn zouden doen geloven, dat hun kragten en dapperheid in de lengte van een paar knevels als die van Snrsox in zyn lange hairen bestond. Derhalven ben ik willens, morgen ter bestemden tyd en plaatze met Miuaxdou, als myn Seconde, te ver-sehynen, endien ik als dan de geringste wederstand in hem bespeur, zal ik my zeker inbeelden, dat wy in de eeuw van Oviüius zyn Herschepping en verandering leven .... Soud gy my dat ongelyk wel doen komen, viel hem Diana in zyn reden, van een ander, om dit vermaak te sien, my voor te trekken? Neen, Beun dor, indien gy my een teken van uw genegenheid geven wild, zo diend u van geen andere tweede als van my. Maar hoe wild gy uit uw1 Slot komen, dat uw1 Vader zulks niet merkt, vroeg haar Belindor, en op wat wys wilt gy u vermommen, dat u Don Bodbigo, die u al eenmaal in een mans gewaat gesien heeft, niet weder kennen zal? Dat zal my ligtelyk te doen zyn, au two orde Diana; want morgen vroeg heeft my myn Vader gezegt, dat hy met de uwe op de jagt wil, en als dan wil ik my in uw1 groen jagt-kleed, in het welk my Don Rodrigo niet kennen zal, en dat gy zeiven met het aanbreken van den dag hier brengen zult, verkleden, en den weg met u, agter door de deur van onzen Hof, naar de Eendevous of de bestemde plaats ieder op een goed paard nemen. Belindor
201
had al te veal eerbiedigheid voor zyn Meesteresse, om haar hier in tegen te spreekeu, hoewel het hem een weinig verdroot, dat zy iets van hem begeerde, hetwelk zo weinig met haer geslagt over een quam, en het geen niet weinig-tot nadeel van haar goede naam zou kunnen strekken, indien zulks bekend en rugtbaar wierd. Hr antwoorde haar dan, dat haar wil hem altyd een heilige wet zyn, en dat liy niet nalaten zou, des anderen daags vroeg aan haar Slot te komen, doch met beding, van hem te vergunnen, dat hy my mede mogt nemen, dewyl by my gaarn het vermaak van deze pots wilde deelachtig maken, en dat hy gewisselyk van myn verswygentheid verzekert was, waer op zy antwoorde, dat hy zulks na zyn welgevallen doen zou. Dit verzogt Belindo\'u van haar, dewyl hy wel wist, dat ik groote begeerte had, om Don K()diiic4o te sien, daar hy my zo veel van gezegt had, en die hy my nu toonen wilde.
Na deze afreden nam hy zyn afscheid, en begaf sig na ons slot, alwaar hy iny de brieven van Don Hodiugo, die hy van Diana zo lang geleent had, lezen liet, die my niet weinig vermaakten; en die ik aanstons uitschreef, om die aan myn goede vrienden te; laten zien. Hy verhaalde my ook het geen hy met Diana afgesproken, en hoe hy haar gebeden had, dat ik met hem gaan mogt, daar ik hem niet weinig over dankte. Des anderen daags zoo ras het ligt begost te worden, quam de Marquis en Clarimond, Belin-dou opwekken, die hem vroegen, of hy met hun op de jagt wilde, doch hy ontschuldigde zich op eenige smert, die hy in het hoofd gevoelde, waar op zy van hem scheiden, en uit het Slot reden. IVanwelyks waren deze vertrokken, of Belixdor, die al vreesde, dat hy sig verslapen had, begaf
203
sig uit het bed, en, hebbende sig metter haast aangekleed, trad juist in myn kamer, wanneer ik vaardig stond, om hem in de zyne te komen opwekken. Wy begaven ons aanstonds na de stal, alwaar wy ieder een goed Paard voor Diana en ons uitzogten, na het welk wy spoorslags naar haar Slot reden. Belindoh had het kleet, daar Diana van gezegt had, aan een van zyn knegts om te dragen gegeven, die zy zo ras wy aan haar Slot gekomen waren, en hem het kleed afgenomen hadden, wederom zond. Wy vonden haar in haar slaap-rok op en neer in haar kamer wandelen, en ons verwagten. Na wy haar op een eerbiedige wys gegroet hadden, gaf haar Belindoh zyn kleed, het welk zy, na sig in een klein Kabinet, dat aan haar kamer was, begeven had, aantrok, en in het zelve wel haast wederom by ons quam. Het is niet te geloven, wat een aardige swier sy in dit gewaat had, het welk haar, dewyl Belindoh zeer smal van lyf was, zo net paste, dat men zou gesworen hebben, dat het na haar lyf gemaakt was. Sy had haar hairen, die donker bruin waren, opgeknoopt; en met een geknoopte das, een schoone scherp, en een paar styve laarzen, die zy aan had, scheen zy d\'aardigste Cavallier des werelds te zyn. Na zy aldus in order, met alle stukken, gelyk men zegt, gewapent was, begaven wy ons na de poort van het Slot, zonder van een van het volk gesien te zyn, die om het afzyn van Clarijiond hun hert met slapen ophaalden, alwaar wy te paard sprongen, en de weg naar de plaats namen, daar Don Koüiiigo, Belindoh bescheiden had. Die Diana doen haar paard, dat een van de wel geoefendste en handigste van de gantsche stal van den Marquis Avas, had sien tuimelen en keeren, zoo gezegt hebben, indien hy sig op de
203
konst verstaan liad, dat zy de beste ruyter was, die ooit paard beschreden heeft. Gedurende den weg spraken wj niet, als van den vermakelyken brief van den Spaansohen Don, daar wy allerlei loopjes en spreekwoorden uit te pas bragten.
Wanneer wy omtrent op de helft van den weg gekomen waren, hield Diana stil met haar paard, zeggende tegens Belixdor, dat hy aanstonds wederom moest ryden, dewyl hy het voornaamste vergeten had. Wat is dat, vroeg Belin-doe, gants verwondert? Een Biegtvader, en uw\' doodshemd, antwoorde Diana, dewyl het zeker is, dat gy d\'al-doordringende punt van uw\' vyands swaart niet ontkomen zult. Belindou, die door het stemmig gelaat van Diana sig zekerlyk ingebeeld had, dat zy hem wat zonderlings had willen zeggen en erinneren, kost zig van lachen niet onthouden, wanneer hy de aardige zorge hoorde, die Diana voor hem had. Voorzeker, Mejuffrouw, antwoorde hy, ik behoef voor myn dood geen andere Biegt-Vader, als u, hoewel ik, het geen ik n biegten zou, u al voor lang, en meer dan duizendmaal gezegt heb. En wat is dat, vroeg Diana? Dat ik u totter dood toe beminnen zal, antwoorde Belindou. Soo moet gy my dan gewisselyk nog tegenwoordig beminnen, berigte Diana, dewyl uw1 dood niet ver van u is. Daar behoord gy niet aan te twyffelen, antwoorde Belindou, zelfs wanneer myn ziel (om Don Eodrigo zyn termen te gebruiken) door zyn vuist naar de onderaardsche duisternis voor eeuwig zal verhuist zyn.
Met deze en diergelyk vermakelyke redenen bragten wy den tyd, geduurende den weg, door, en quamen ten laatste ann den ingang van het bosch, aan welkers andere zyde
204
Don IIoüuigo Belixdür bescheiden had, en daar avv uau-welyks twee honderd sehreden in gekomen waren, of \\vy hoorden aan liet blaften van eenige honden, en het blaazen van een horen, dat \'er jagers in liet bosch waren. Terwyl Belindor nieuwsgierig was, om te weeten, wie deze zyn mogten, zag hj eenige honden na hein toekomen, die hy wel haast voor die van zyn Vader erkende, en daar uit wy ligtelyk afneemen kosten, dat hy eu Clarimond niet ver van daar zyn moesten. Diana was niet weinig hier over verbaast, vresende, dat zy van haar Vader mogt gesien en gekent werden, die het zeer qualyk zou genomen hebben, indien hy haar in dit gewaat aangetroffen had. Terwyl wy ons dan beraden wat weg wy nemen zouden, om de ontmoeting van den Marquis en Clarimond te missen, en evenwel ter plaatze te komen, daar wy dagten, dat Don Rodiugo ons al verbeidde, zagen wy hen alle beide regt op ons aan komen ryden. Het is niet te geloven, hoe -zeer sig Diana op het gesigt van haar Vader ontstelde, die sig al bereide om spoorslags wederom langs dezelve weg te keeren, die wy gekomen waren, indien Belindor haar niet gebeden had om te blyven, zeggende, dat hy een middel wist, om van geen mensch gekent te zyn. Hierop gaf hy haar twee glazen, die op groen zatyn vast gemaakt waren, en die hy, wanneer hy op de jagt of op reis was, gewoon was voor zyn oogen te binden, om het stof af te keeren, die hy bad dat zy voor doen wilde. Diana wist niet, of haar dit zoo zeer zou doen veranderen, dat haar Vader haar hierdoor niet kennen zou; maar Belindor wist haar zoo veel voor te praten, dat zy daar eindelyk in bewilligde. Ondertusschen was de Marquis en Clarimond by ons gekomen, die Be-
SOÃ
lindoii vroegen waar hy heen wilde, en waarom lij dezen morgen niet met hem nitgewild had, daar hy sig dog tegenwoordig zo verrquot; van quot;t Slot af begeven had ? Belindou die gauw van geest was, gaf hem geswint tot antwoord, dat deze Edelman (wyzende op Diana) dien hy voor dezen tot Leuven op de Academie gekent had, en sig nu eenige dagen tot Gent opgehouden had, hem dien morgen de eer had gelieven te doen, van hem te komen bezoeken: en dewyl hy ook voor dezen den Heer vau N. jST. (hier noemde hy zeker Edelman wiens Slot niet ver van daar gelegen was) gekend was, had hy hem gebeden, alzoo hy in dit laud vreemd, en den weg hem onbekend was, dat hy hem der-waards wilde geleiden, het welk hy hem, om hun oude vriendschap, niet had konnen weigeren. Op dit bericht quam de Marquis den vreemden Edelman omhelzen, hem voor de eer bedankende, die hy zyn Zoon had gelieven aan te doen, van hem nog onder het getal vau zyn vrienden te rekenen, hem biddende, dat wanneer hy van dien Edelman, daar hy ua toe reed1, weder zou keeren, hy zyn Slot niet verby wilde gaen, en eenige dagen zyn Zoon en hein geselschap houden, hem versekereude, dat hy hem soo goed, als een boeren keuken toelaten wilde, onthalen sou. Diana liet niet na op de beleeftheid van den Marquis zeer wel te antwoor-deu, na het welk wy ousen weg vervolgden, tot groote vreugde van Diana, die sig soo dankbaar over de goede uitvinding van Belindou betoonde, dat zy hem een paar snees l) kussen tot beloning, en duisend lof-redenen over zyn gauw verstand gaf, die hy alle met de grootste zedigheid des werelds beantwoorde.
1
Snees: twintigtal.
206
Eindeljk quamen wj tot de noodschrikkelyke en funeste plaats, daar Belindob (indien de, woorden van Don Rodiiigo een Euangelium geweest waren) zyn leven had moeten laten, en waren niet weinig verwonderd, dat wy nog onzen yzer-vreter, nog zyns gelijken zien kosten, hoewel wy aan de tijd wel rekenen kosten, dat liet al een half uur later was, als Don Rodrigo ons bescheiden had. My dunkt, dat onzen held sig verslapen heeft, zei Diana, en moet gy niet bekennen, Belindor, voer zy voort, dat wy meer, als zy te belachen zyn, dewyl wy op de uitdaging van de bloodste fielt des werelds gekomen zijn. Geduld, geduld. Mejuffrouw, autwoorde Belindor, men kan zig ligtelyk in de tyd vergissen; hy zal mogelyk vroeg genoeg komen, om my den doodsteek toe te brengen; laat ons slegts op het gras gaan nederzitten. Dit gezegt hebbende, gingen wy alle drie onder de laatste boomen van het bosch nederzitten. van waar wy den weg sien kosten, die van de Stad quam, en langs de welke onzen dapperen Campioen komen most. Een uur was al verscheenen, de tweede wilde ten einde lopen, wanneer wy, het geduld verliezende van langer te wachten, en vaardig zynde, om wederom te paard te klimmen, een gel uit in een dicht bewassen en hooge Eikenboom hoorden, als van een mensch, die niest, en die het geluit daar van met de hand of met een neusdoek zegt te beletten. De begeerte, om te weten, wat dit zyn mogt, deed1 ons te gelyk na den boom loopen, daar uit wy oordeelden, dat dit geluit gekomen was, en zagen tot onze groote verwondering, dat sig een mensch tusschen de takken sien liet, die wy nogtans, om de digte der bladeren niet regt kennen kosten. Derhalven begaven wy ons aan de andere zyde van den boom, die veel
207
ylder van loof was, eu daer wy naviweljks gekomen waren, of wy sagen, dat dit Don Ho dim go di Braccamonïe was, die uit vrees van gesien en ontdekt te zyn, een harde schreeuw gaf, en zo vreeselyk begon te sitteren en te beven, dat wy dagten, dat hy uit den boom zou gevallen, en hals en been gebroken hebben. Ondertusschen was1 er niemand van ons, die van verwondering een woord kost uiten, en zagen nu malkander, en dan wederom Don Rodeigo aan, die zo weinig, als wy sprak, hebbende zyn hoed in de hand, daar hij ons gestadig seer diepe reverentien ofte groetenissen mede maakte, zonder, dat hy nog in het geringste blykeu liet, dat hy uit den boom komen wilde; het welk Belindou siende, vroeg hem waarom hy niet eerder gesproken had, of van den boom gekomen was, dewyl hy wel gesien had, dat hy, met dese twee goede vrienden, wyzende op Diana en my, by de twee heele uuren na hem gewagt had? Om dat ik, goeden Heer, niets met u te spreken had, antwoorde de verschrokken Spanjaard. Hebt gy my niets te seggen, vroeg Belindou wederom, waarom hebt gy my dan in uw brief doen ontbieden, dat ik hier komen zou, om met u te vechten? Ik een brief aan u geschreven? Ik met u vechten? hervatte hy. Hemel, waar is uw\' macht! Goden waar is uw blixem, riep hy uit, dat gy die vyandeu, die sulks in myn naam gedaan hebben, en my met dezen waarden Vriend in ongeluk zoeken te brengen, niet aanstonds verplettert, om de vromen van de vervolging van dese haatstigters te verlossen, en de wereld van dit adderengebroedsel te zuiveren. Zo ontkent gy dan een brief aan Diana door een boeren jongen gezonden te hebben, alwaar nog een voor my inlag, daar meer Rodemontades in waren, als \'er dagen in een jaar
208
jaar zyn, en in de, welke gy my uitdaagt en bevolen hebt deze morgen ten acht nren hier op deze plaats te verschynen ? vroeg Belindor wederom. Ja, goeden Heer, antwoorde Don Eodrigo, ik sweer n, als een Cavallier van eeren, dat ik nog van brief, nog van eenig verschil weet, dat ik met u, myu vriend, zou hebben, en ik sweer u, vervolgde hy, per todes los Biases, dat indien ik den schender wist, die my dit verraad gebrouwen heeft, ik hem door duizend rappiersteken ter hellen zenden zou, sonder hem eens te vergunnen, van voor siju dood te biegten. Maar wat hebt gy dan, fyn man op deze plaats, en in deze boom te doen? vroeg hem Eelin\'Dür wederom. Dat zal u niet weinig verwonderen, antwoorde hy, wanneer ik u zulks zal verhaalt hebben. Gelieft dan te weten, edelmoedige Heer, vervolgde hy, dat de schoonheit van den dag my dezen morgen vroeg nodigde om een weinig buiten de Stadt te gaan wandelen, die ik nog geen musquet schoot achter my gelaten had, of my ontmoeten eenige Cavalliers, die so ras my niet by gekomen waren,quot; of ik herkende een van hen voor een van myu dodelyke vyanden, die ik eertijds, in een twee gevecht binnen Toledo met twee kogels voor dood ter aarde gevelt had. Ik was niet weinig verwondert van hem wederom genezen te sien, daer ik hem doch voor lang, onder het getal van myn ontzielde vyanden gerekend had. Hy had ook geen grote moeite om my te herkennen, en willende sig over de wonden wreken, die hy eertyds van my gekregen had, zei de anderen, die over do ses sterk waren, eenige woorden in \'t oor, die hierop met hem als verwoede leeuwen op my los vielen, en duizenden van stoten bragten. Hoewel een ander, als ik, door dit gevaar seer ontstelt sou geweest zyn.
309
deed\' my nogtans zulx in \'t geringste myn moed nog oordeel niet veiiiesen, en makende van de nood een deugd, sloeg myn hand aau myn rappier, dat ik naauwlijks ontbloot
en eenige malen om myn hoofd gesweukt had of.....
Wanneer hy verder met spreken wilde voortvaren, quain d.; tak, daar hy tot nog toe met de voeten op gestaan had, in stukken te breken, waar door den armen Don, byna uit den boom, die seer hoog was, gevallen, en den hals gebroken had, indien hy by geluk met de hand niet een tak gevat had daar hy langen tyd aan bleef hangen, dewyl hy met zyn voeten geen vastigheid vinden kost, zonder wat lager te komen, het welk hy niet zeker voor sig oordeelde, dewyl hem zulks te na aan Eelindok dagt, hoewel hy nog over de dertig voet van hem was. Na hy dan nog een tyd lang met handen en voeten gearbeid had, won hy de hoogte van een dikke tak, die hy sterk genoeg oordeelde, om hem te dragen, hoewel zulks zo hoog was, dat men hem met geen vuur-roer, (wel te verstaan met hagel geladen) had beschieten konnen. Wanneer hy dan wederom vastigheid onder zyn voeten gevoelde, en zyn adem, daar hy door het arrebeiden uit gekomen was, wederom gekregen had, vervolgde hy zyn gevegt aldus: So ras ik dan, bescheiden Jongeling, met myn rappier begost te spelen, en eenige herssen-pannen van myn vermete tegenstanders geopend had, nam de vrees zodanig hun gemoederen in, dat een ieder van hen door hun voeten, het gevaar van myn arm zogt t1 ontgaan, lopende d\'een hier, d\'andere daar, hoewel ik hen geen voetstap wyt vervolgde, dewyl ik altyd op die geen aandrong, daar ik van gezegt heb, die oorzaak van deze questie was, en die ik vastelyk voorgenomen had hellewaard te ure nedkri.and\'s letterschat. 14
210
zenden, het welk hy merkende door de vreesselyke slagen, die ik hem bragt, en van de welke hem de geringste tot aan de broeks-band zou gekloofd hebben, indien hy dezelve niet ontweken, en door deinsen ontgaan had, begost met zo een vreeselyke geswindheid met zijn beenen te schermen, dat ik my inbeelde, dat hem de snelle Ooste wind op zijn vleugels weg voerde. Het leet, dat by my aangedaan had, was al te groot, om het zelve ongewroken te laten. Der-halven vervolgde ik hem zo ras my mogelyk was tot aan dit bosch toe, in het welk hy my, door de dikte van de struiken, uit het gesigt gekomen is, en daarom heb ik mij o]) dezen boom begeven, om te sien, of ik hem nergens in het gesigt krygen kau, en daar ik gesworen heb geen voet af te setten, voor ik hem sie, dewyl hy noodwendig hier verby gaan moet, indien hy wederom naar de Stad wil keren. Derhalven bid ik u, vervolgde hy, dat gy te zamen aanstonds wild vertrekken; want indien hy u sag staan, en met my spreken, zou hy naderhand overal verhalen gaan, dat ik hem schelmscher wys had willen aanvallen, het welk my geen klein nadeel aan myn goede naam brengen zou.
Hoe zeer Belindok op Don Rodiugo verstoort was, kost hy sig evenwel niet onthouden over de leugens en de op-snyderye te lachen, die hem de angst deed\' uitvinden, en dewyl hy hem gaarn van den boom gehad had, om hem duizenden van stok-slagen voor zyn uitdaging te geven, bad hy hem, dat hy wilde afklimmen, dewyl hy hem een paard leeneu wilde, om die geen te volgen, daar hy op wagte, maar den ander antwoorde, dat hy gesworen had, niet eer van den boom te komen, voor hy zyn vyand had sien komen, en dat hy zyn eed niet om al het goed van de
211
wereld breken wilde. Belindob sieude, dat al de goede woorden, die liy liem gaf, vergeefs, en niet bequaam waren, om liem van den boom te doen komen, begost liem wederom van den brief te spreken, die hy liem geschreven, en de uitdaging, die by bem gedaan had, zeggende dat hy hem voor de argste schelm en bloodaard hield die ooit de Son beschenen heeft, indien hy hem niet aanstonds voldoening daar over deed. Sagt, sagt, goeden Heer, antwoorde hem den armen duivel, hoe is het mogelyk, daar gy n selfs, en my zo zeer vergeet, dat gy zoo met scheldwoorden tegens my uitvaart, daar gy myn qualiteit en myn verdiensten dog genoegzaam uit myn reden gehoort hebt, eu wel weet, dat my al zo weinig moed, als de zee water ontbreekt? Maar het is niet fraai, dat men aanstonds zo onbescheiden uitvaart, zulks doen de schuite-boeven, en geen luiden van onze afkomst. Daarom laat u genoeg zijn, vervolgde hy, dat ik u gezegt heb, en nogmaals zeg, dat ik niet weet, wat gy van brieven of van questie zeggen wild, eu daar mede holla. Neen, neen, antwoorde Belinuor, (die deze Comedie ten einde wilde spelen), daar ben ik niet mede voldaan, groot-spreker, ik begeer, dat gy aanstonds hier komt, en my quot;dat vonkje van de verschrikkelyke gloed uws dapperheidsquot;, als gy schryft, toont, dewyl ik besloten heb, niet een voet van hier te wyken, al zou ik hier drie dagen sitten, voor gy my voldoening gegeven, en met my uw\' rapier gemeten hebt. ü Hemel! ach al te wrede geboorte, ster! riep hy met een desperate stem uit, wauueer zult gy myn vermoeiden arm slegts eeuen dag tyds verleenen, dat hy sig eenmaal van de verschrikkelyke bloedstorting, die hy nu eenige jaren her-waards tegens zyn wil gepleegt heeft, uitrusten mag! Of
213
hebt gy my niet als tot het verderf en de uitroejing van het menschelyk geslagt, uw\' schepselen, laten geboren werden! en zal dan Don7 Rodkigo di Braccamonte, de kragten, die gij hem verleent hebt, zo qnalyk moeten gebruiken, en in al de Cronyken en treur-gesghiedenissen als de wreedste Tyran en bloedhond, afgeschilderd werden, daar ik n nog-tans, en al nw\' inwoonders tot getuigen neem, dat myn hert geen grooter vermaak scheppen kan, als in het aangenaam genieten van de zoete vrede en lieffelijke eenigheid. Daarom stuit eenmaal de grouwzame vloed der verschrikke-lyke bloed-plassen, die door myn vuist het groot Bond nws aardbodems dagelyks overstromen, en steld dezen onbezonnen jongeling het verderf voor oogen, daar hy sig zo moedwillig in wil storten, en het geen hem gewisselyk boven het hoofd hangt, indien gy hem door uw\' almogende en kragtige ingeving geen vreedzamer en zagter gemoed verleent.
Belindou, die sig veel vergramder aanstelde als hem in der daad om het hert was, wilde sig in het geringste aan de reden van zijn bedrukte tegen-party niet keren, die hy nogmaals gebood van den boom te komen, of dat hy aanstonds om eenige van zyn Boeren zenden zou, die dezelve zouden omhouwen. Don Hoinuoo siende, dat de goede woorden, en de onderdanigheid, daar hy zyn vyand mede bejegende, vrugteloos was, wilde het op een andere boeg wenden, en door het uitbraken van Rodomontades doen, dat hij met goedheid niet kost te weeg brengen. Na dat hy dan zyn knevels opgestreken, zyn gesigt in een versehrik-kelyke plooi gezet, en eenige malen over zyn schouders uit-gespuwt had, borst hy in dese dodelyke termen uit; Indien al dc heilige Martelaren, die om het ware geloof den dood
geleden hebben, benevens al de Apostelen, Patriarclien en Propheten wederom verrezen, en my alle op bun ziel en zaligheid swoeren, dat try zoo onnozel en eenvoudig waart, van niet te weten, wat uw loon zyn zal, indien ik zal genoodzaakt zyn den eed te breken, die ik gedaan heb, en van den boom te komen, om u te kastyden, zou ik zulks dog niet geloven, dewyl gy van een al te vernuftige ziel ter wereld gebragt zyt, om niet te weten, dat ik uw ledematen kleiner als kaf houwen zou, en zulks de vogels aan den hemel tot spys geven. Daarom vertrekt geswint met het onbeleeft gespuis, dat gy bij u hebt, en dat myn gemoed al lang door hun lachen tot gramschap verwekt heeft, eer ik u altemaal op deze plaats ontziel. Deze woorden hoopte hy, dat wat meerder, als de vorige zouden te weeg brengen, daar hy nogtans wel haast het tegendeel van bemerkte, dewyl Buundor hem al de scheid-woorden toewierp, die hem in de mond quamen, hem dreigende, dat indien hy niet aanstonds by hem quam, hy en zyn makkers hem in den boom stenigen zouden. Deze woorden gaven den armen hals genoegzaam te kennen, dat zyn zaken vry wat slecht stonden; daar hy weinig beterschap toe te hopen had, indien hy de laatste hulp-middel niet aanwende, die hy door deze woorden dagt te vinden; Ik kan niet weten wat razernye uw\' sirmen betovert heeft, dat gy uw1 dood zo zoekt te haasten, daar gy nogtans alle middelen behoorde aan te wenden, om uw\' leven te verlengen, dewyl gy van een eerlyk geslagt, ryk, jong, en van de schoonste vrouw des werelds bemind zyt, daar gy, indien gy ge wilt had, een gelukkig en vermakelyk leven mede had konnen voeren: maar nu is het te laat, voer hy voort, ik voel myn gram-
214
schap, door tnv\' ophitsing, aan het branden. Derhalven zo bereid u, rampzalige, om uw\' ziel op de punt van myn rappier na het Plntonisoh gebied te sien voeren. Dit gezegt liebbende, gaf hy een verschrikkeljke schreeuw, en liet sig een weinig nederdalen. Daar nu bleef hy wederom staan, om te sien of zyn tegen-party, gelyk hy gehoopt had, met zyn gezelschap, nog de vlugt niet nam, die hy so ras aan den voet van den boom met den degen in de hand niet gesien had, of hy begbst wederom om hoog te klimmen, stellende sig op dezelve plaats, daar hy te vooren geweest was, van waar hy deze voorsichtige en verstandige reden liet hooren; Jongen bloem, indien ik my, midden in myn gramschap, niet met een hertelyk medelyden t\'u waarts bewogen vond, zou het uurglas uws levens al lang ten einde gelopen zyn, en gy onder de svvarte banieren van den Stygischen God leven; maar wat Barbarisch gemoed zou uw1 blozende wangen, daar een zoete Lente de bloeiende jeugd van uw tedere jaren zo levendig op afgebeeld heeft, aanschouwen konnen, zonder niet een gruwel te hebben, om uw1 jeugdig herten-bloed af te tappen? Neen, neen, edelmoedig Jongeling, voer hy voort, schoon myn vuist de meeste doden-gravers van Europa dagelyks doet sweten door den arbeid, dieze aanwenden, om de graven van het gebeente der gener te ontledigen, die ik de wurmen tot spys gegeven heb, ben ik evenwel nog zo zeer niet van het gevoelen, daar een welgeboren ziel mede geciert is, berooft, dat ik den tederen stengel van uwe wassende levens-plant met myn scheursieke en bloeddorstige klauwen zou willen afbreken, het welk my den hemel zeiver schynt te verbieden, dewyl ik my nooit voor de dood van die geen, die ik heb doen sneuvelen, met zo een mede-
215
Ivden heb bewogen gevonflen, daar gy God, indien gy d\'alder-ondankbaai\'stc van alle menschen niet zyt, ter eeren barrevoets een Beevaart ofte Pelgrimagie naar de heilige Capelle van onze Lieve Vrouw van Loretto behoorde te doen, en eenige honderd duizend ponden waskaarsen aan al de Kerken van het Christendom geven. Daarom zeg ik nogmaals, dat gy van hier vertrekt, eer de Sonne-schyn van myn goedheid in eeu verschrikkelyke haagel, blixem en donder-vlaag verandert, die den tooren van uw welvaren omwerpt, en de dak-pannen van uw1 levens-huis verplettert en verbryzelt.
Na het uitten van deze verschrikkelyke woorden, die den onverzaagden Krygs-god zeiver broek en wambuis van angst zou hebben doen bevuilen, indien hy niet geweten had, dat hy de argste Poltron was, die tusschen de Leidsche vaart en den Euphraat, (een tamelyke distantie) te vinden was, hielt hy op van Gasconneren, blyvende in groote stilheid, om de uitwerking met geduld af te wachten, die hy verhoopte, dat de hertstekende redenen van zyn dood verkondigende harangue op het gemoed van zyn onverzaagde belediger zouden te weeg brengen, die evenwel zo weinig operatie deed\' als een purgatie by een mensch, die al vier-en-twintig uuren dood geweest\' is; want Belinüoii, die al te lang met deze hoogmoedige landaard verkeerd had, om hun snorken en pochen niet gewoon te zyn, ziende, dat Diana en ik het grootste vermaak des werelds in deze pots, en de opsnydery van Don Rodrigo namen, wilde de Comedie nog wat langer doen duuren. Derhalven gaf hy den ellendigen Dox zyn mening door deze duidelyke woorden te kennen: Ik most de grootste zot van de wereld zyn, indien ik in het geringste wilde twyffelen, dat gy de brieven, daar ik van gezegt heb.
216
niet zond geschreven, en my hier ter plaatze doen komen hebben, weshalven gy n ook in desen boom hebt verbergen willen, om te sien, of ik ook moeds genoeg had, om te verschynen, het welk indien ik niet gedaan had, gy naderhand uw roem daar van zond gedragen hebben. Dewyl ik dan hier van gantzelijk verzekerd ben, is \'er niets overig als alleenlyk te bedenken, wat straffe deze zoo sware misdaad verdiend heeft. Duizenden van stokslagen, millioenen van muilperen, mitsgaders zoo veel stooten voor de vleesachtige partyen uws lichaams, zyn inderdaad galanteryen, daar men uws gelykens mede pleeg t\'onthalen, en die de enormiteyt van uw\' delict dubbeld verdiend heeft, maar zulks is niet dienstig, om u het opsnyden en het pochen te verleeren, en n te doen bekennen, dat gy de lafhertigste en bloodste schurk zyt, wiens hoofd ooit van de Calot des hemels bedekt is, behalven dat ik myn handen te veel onteeren zou, indien ik die aan zoo een onwaardig en schandelyk voorwerp, als u, wilde leggen. Hoewel dan het schryven van een Cartel vol schimpelyke woorden, het weigeren van voldoening daar voor te geven, de leugens van uw\' dapperheid en duizenden van Rodemontades, verdient heeft onder een stok van een vrezelyk gewigt te sterven, wil ik my nogtans met deze genadisre sententie vergenoegen. Eerstelyk confisqueer ik uw\' beide knevels, dewyl deze de oorzaak van uw\' hoogmoed en trotsigheid, en de ingeveren van uw\' Rodemontades zyn, die gy zelve zult afsnyden, en my overleveren: ten t weden zult gy hier op uwe knien bekennen, dat gy de bloodste en de grootste leugenaar van alle menschen zyt, en ten derden zult gy deze eerlyke luiden en my om vergeving bidden, dat gy ons hebt derven schryven, en hier ter plaatse doen komen â
217
Deze definitieve woorden, deden onsen armen lials liet overige van zyn hoop verliesen, van door zyn gasconnades liet geringste te opereeren, zonder nogtans uit den boom te willen komen, om de heerljke Ceremonie van zyn sententie by te wonen, liet welk Belindoii siende, kreeg de pistolen, die aan zyn zadel liongen voor den dag, en stelde sig onder aan den boom, hem dreigende aanstonds uit den boom te ligten, indien hy niet goedwillig daar uit, en by hem quam. W at sou den bloed aanvangen ? Onder te komen, dagt hem niet heilzaam, en boven te blyven, nog veel ge-vaarlyker, dewyl Belindou het gespannen pistool op hem aanhield, dreigende alle oogenblik los te branden, indien hy niet goedwillig by hem quam. De beste raat dagt hem, Belindoii om genade te bidden, en dat hy hem niet mishandelen wilde, wanneer hy by hem zou gekomen zijn, het welk hy hem beloofd hebbende, begaf hy sig naar beneden. So ras hy dan op d1 aarde gekomen was, bleef hy met neergeslagen oogen staan, bevende, als een dief op de laatste sport van de ladder. Belindoii gebood hem aanstonds te gaan knielen, houdende gestadig het Pistool op hem aan, met het welk hy hem dreigde aanstonds neder te schieten, indien hy sig niet gewillig toonde, in al het geen hy hem gebieden zon. Wanneer hy dan neer geknield was, gaf hem Belindoii een klein knip-scheertje, met \'t welk hy hem gebood zyn knevels, die hem tot aan de ooren quamen, af te snyden. Dit scheen den vromen held een bitteren kelk om uit te drinken; maar \'t gevaar daar hy in was, gaf hem geen tyd, om sig lang te bedenken. Dcrhal ven gehoorzaamde hy het bevel van zyn vyand, aan wieu hy dese slag-zweerden, daar hy so menig menscli mede bedrogen had, overreikte.
218
Hier op dwong hy hem te bekennen, dat hy onwaardig was langer een rappier te voeren, dewyl liy \'t zelve tot bescherming van zyn eer niet dorst gebruiken, na het welke hy het zelve van zig leggen most. Hier op sprongen wy wederom te paard, latende den goeden Don Rüdiugo in de grootste wanhoop des werelds zyn ongeluk vervloeken. Ik laat een ieder oordeelen, of wy onderwegen stol\' hadden, om ons te vermaken; zoo veel is \'er van, dat ons den weg zoo kort viel, dat wy ons eer aan het Slot van Belindoe vonden, als wy snlks gewaar wierden, en dewyl Diana wel wist, dat haar Vader dien middag by den Marquis ten eeten was, bad zy ons, dat wy haar tot aan haar Slot vergeselschappeu wilden, alwaar sy sig aanstonds verklede. Het vermaak van dese pots was al te groot, om sulks verborgen te houden. Derhalven verhaalde Belindor alles, het geen sig tusschen hem en Don Eoduigo toegedragen had, aan den Marquis, zyn Vader, die sulks nooit zou gelooft hebben, indien de afgesneden knevels van den Spanjaard, hem sulx niet gewis-selyk verzekerd hadden.
INHOUD.
Biz.
I. Hendrick Laurensz. Spieghel.......1â7.
(Zes korte gedichten en een fragment nit Het Lof van Dansen.)
II. Roemer Pietersz. Vissciier........8â17.
(Vijftien korte geiliclitcn uit de Quicken en vijf uit het Rommelsoo.)
III. Jacob Cats..............18âG9.
{Het Spaansch Heidinnetje.)
IV. Pieter Cornei.isz. IIgoft......... 70â83.
(Zeven Minneliederen.)
V. Gerbrand Adriaessz. Bredero...... 84â102.
(Zeven boertige liederen.)
VI. Joost van den Vondel......... 103â125.
(Zeven hekeldichten.)
VII. Jan Jansz. Starter........... 127â138.
(Vier liederen en Menniste Vnjagie.)
VIII. Constantin Hüygens.......... 139â164.
(Uit zijne vroegste gedichten en zijn Voorhout.)
IX. Johan van Heemskerck.........165â185
(Drie fragmenten uit Batamsche Arcadia.)
X. Nicolaas Heinsius Jr..........185â218.
(Twee fragmenten uit De Vermakelijke Avonturier.)
\'0( -2 O
â â \'â¢â¢\'.⢠⢠â â ,ââ¢â¢. - \' â¢:⢠. â¢gt; â¢- ⢠:.._ . .. - V . â â -â¢â â -, â \'
â¢â \' .gt;\'. : â . â - â
â¢â¢ â¢;
% \\ .
-
⢠-
: .
\'
â
â
i
.
;
; ;v
â
â
â gt;
â : ;ria
y ii â
.
_
;\'V v
W-quot;\' p ; ,
ï-
V
â
quot;â
Bij de uitgevers dezes verscheen:
Br. JAN TEW BRINK.
De ouüe garde en de jongste school.
2 D e e 1 e n.
Prijs :
A
Gebrocheerd f 3.80. Gefanilen f 4.50.