ocr page 1

UIT

EDERLAND\'S

ETTERSCHAT.

___

AMSTERDAM,

JAN LEENDERTZ amp; ZOÜN.

E,

ocr page 2

De tyd en heeft noyt weghgenomen

O

n

g rc

UOSJJSAO ufiz Arl ;T3pEU ^UEAY

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

UIT NEDERLAND\'S LETTERSCHAT.

ocr page 6
ocr page 7

/t/ ^ (/£. /o

UIT NEDEBLAl\'S lEnWffliT.

COMISCHE EN HUMORISTISCHE FRAGMENTEN

VERZAMELD EN VAN EENE INLEIDING VOORZIEN

DOOK

Dr. JAN TEN BRINK.

TWEEDE DEEL,

ƒ•*■/ .H\'quot;-- gt; • «.

AMSTEEDAM, JAN LEENDERTZ amp; ZOON. 1893.

ocr page 8
ocr page 9

XI.

JUSTUS VAN EFFEN.

21 Februari 1684—18 September 1735.

Uit: De Hollaxdsche Spectator, Amsterdam, 11. van Tongerio en F. Houttuin. 12 deeltjes in zes handen.

1731-1735.

1

uit nedekland\'s letterschat ii.

ocr page 10
ocr page 11

1.

Den 26. October 1731.

Nemo ex hoc numero mihi 11011 douatus abibit.

Virg.

Niet een van dit getal zal onbeschouken gaan Van deze plaetse.

Voxdel.

Meu verbeelde zioli hier aan d1 eeue kant eeu Heer, wien ik Aiustus zal noemen, mommer l) van eene jonge Juffer van geboorte, en lioffelyk opgevoed, van welkers inborst en gedrag liy om redenen wel wensclite onderricht te zju; en aan de andere eeu Haags-kameniertje wel van de tongriem gesneden, en die haar Jnfl\'ers ziel zo wel kent als haar ligchaam. Tk zal haar de naam van Betje geven, \'t welk een recht Kameniers naampje is.

Aiustus : Hoor eens hier Eetje, ik heb eeuige gedachten om je Juffrouw uit te trouwen, en dan krjgje een Bruidstuk myn kind, maar ik wensclite haar wel eeu man na haar zin te geven, en dat kan niet wel wezen, zonder van haar aard,

1

Voogd.

ocr page 12

4

gedrag, ea neigingen net onderricht te wezen. ATiemand kan my daar beter in te recht helpen als jy, rayn zoete kind; maar je moest recht opbiegte, je ziet immers wel, dat ik niets anders hierin beoog, als Tsabelles welwezen.

Betje ; Och! heel graag Mynheer, denk niet, dat ik \'er doekjes om zal winden; in de waereld konde Mynheer zich niet beter adresseeren als aan my. Ik ken onze Juffrouw door en door, duizendmaal beter als zy haar zelve kent. Och! de Juffers moeten voor haar Kameniers niet mank gaan. Marr ik heb je duizend dingen daar\'omtrent te zeggen; de stof is zo ryk, zo overvloedig, dat ik nauwlyks weet waar ik het werk eerst aan zal tasten. Niet dat \'er op 111311 Juffrouw iets te zeggen zou vallen, dat zou te veel van ray gezeid zyn; ieder heeft zyn fouten, en onze Juffer ook, z\'is net als honderd andere fatzoenlyke Dames, behalven dat ze meer verstand en bevalligheid heeft. Tn een woord, Mynheer ze heeft niemand lief als haar eigen zelve, en ze wenschte wel dat al de mans de zelfde smaak voor haar hadden. Wat de vrouwen aangaat, zy is ver van derzelver genegentheid tot zich te trekken; niets bold haar zo, niets doet \'er zoo\'ti vermaak, als dat zquot; er van gehaat wordt als de pest.

Ar.: Zo zie ik wel dat Isabel onder\'t getal van die Dames is, die men tegenwoordig Coquetten noemt.

B.; Daar heb je \'t, Mynheer, je zult niet weer eerst raden; je hebt net de spijker op de kop geslagen. Mejuffrouw is coquet, dat is de spil daar \'t alles op draait. Zy spreekt, zy zwygt, z\' is vrolyk, z\' is melancholiek, ze lacht, ze zingt, ze wandeld, ze blyft t\'huis\' wat ze doet of niet eu doet, \'t komt alles uit het eenig inzicht van zich behaaglyk

ocr page 13

5

te maken. Ik twyfel zelfs niet of alle hare droomen draijen daar op uit, en dat zal de reden wezen, waarom zy dikwils zo ongerust slaapt; want de Coquet,ter// is al een onrustend handwerk, of je dat weet. Mynheer.

Au; Maar zeg me doch eens, hoe besteed ze den tyd, waar houd zy zich den ganschen dag mee bezig?

B: Och dat is goed. Mynheer, dat je me dat vraagd, nu hebben wy het draadtje, wy zullen \'t kluwtje nu wel vinden. Je moet dan weten, Mynheer, dat als het eens beurt, dat Mejuffer niet al te wel na haar zin geslapen heeft, dan is \'t aanstonds, Betje Ir eng me 7 spiegel eens hier. Heer wat zien ik \'er uit! watte leringen heb ik onder de oogen, myn vel is zo geel als een taan! Ondertusschen spiegelt men zich al vast, men schikt het bakkesje in hondert verscheidene ploijen, maar alles is vruchteloos, niets wil \'er lukken ; Og Betje, neem maar weg het spiegel, geef me maar een schoon nachtmutsje, en de geele sak. Jk ga van daag niet uit, ik meen me niet te kleden, \'k wil ook geen menschen zien. Menschen! den dag wil ze zelfs niet zien, en Betje moet de gordynen laten vallen. Daar komt evenwel gezelschap, dat familiaar, zonder zich te laten aandienen, binnen treed. Wat zullen die luiden denken van Mejuffers aangezicht? zy zullen zich inbeelden dat haar schoonheid vervalt. Hoe zouden haar goede Vrindinnen zich daar in kittelen; maar daar is overal raad toe, behalven tot de dood. Hoe is het met de Juffrouws gezondheid? Heel niet ivel Mynheer, ik weet niet wat me scheeld sedert eenige tyd, ik hel in geen tien nachten een oog kunnen toedoen, ik hen van daag niet zichtbaar. Dat is te zeggen, moet je weten, Mynheer, zie me niet aan, oordeel niet van me, wagt tot ik geslapen

ocr page 14

f)

lieb, ik ben het van daag niet, quot;t is tegenwoordig myn rechte Bakkesje niet. Oh dat begryp ik terstond, alsof ik het uit een boekje las. Wy Kameniers, dat mag je wel geloven, wy kennen onze Dames op een prik, als de myne maar een hand verroert, dan weet ik al waar ze heen wil.

Au.; Dat gaat wel, Beïje, dat schilderytje begint \'er al vry levendig uit te zien. Maar zeg my evenwel eens, wat de Heeren zo vroeg in de Juffers kamer doen, ik denk immers niet dat ze zich kleed in der . zeiver byzyn.

B.: Heden, Mynheer, hoe praatje nu zo? \'tis alreeds of je van de oude wet waart, en je ziet \'er noch zo jeugdig uit. Zeker, kleed zy zich daar de Heeren by zyn, van \'t hoofd tot de voeten. Och! dat weten wy zo knaphandigjes te doen, dat men niet een stipje van haar ligchaam zien kan. Xu, om weer tot de zaak te komen: Neem nu eens, dat onze Juffrouw wel gerust heeft, en dat de slaap haar bloed en vel verkoeld en verfrist heeft. Och! dat voelt ze aanstonds aan haar oogen; terstond is zy zelfs by \'t spiegel, en zo dra ziet zy zich niet, of ze ^word noch eens zo mooy, daar is zo\'n wazem van vergenoeging, die zich op haar heele wezen verspreid. Dan is \'t, waar blyfje Betje, kom, ik wil zo aanstonds gekleed zyn. Och! dat is dan een studie van een uur of twee, wat linten, wat muts, wat tabberd, Me-juft\'rouws bevalligheid best zal voor den dag doen komen. Eindelyk is zy volkomen in de wapenen, en vergenoegd over haar zelve; O dat zal eerst een heerlyke dag voor de Juffer wezen. Haar aanzichtje heeft niets te vrezen, \'t mag \'t licht wel zien, daar valt niet op te bedillen, \'t moet over al vertoond worden. De Juffer zal menschen zien wandelen, in de Comedie gaan. en van daar na d\'Assemblee, dat is

ocr page 15

7

eerst een pleisier, hoe willen al de mans op haar steroogen, en wat al Dames zal ze razende dol van spyt maken?

Au; Geen onaardig pleisier! Maar hoe springtze doch al om met de jonge Heertjes?

B: Daar zal ik je maar een staaltje van verhalen; hoor, ze was eens op een avond in \'t zalet met een jong Heer, die \'er zeer wel uitzag, en ze praatten zamen heel stilletjes en zachtjes, maar je zondt niet geloven hoe fijn van gehoor ik ben. Ik hoorde terstond wel, dat ze zonder de minste schyn van \'er eens op te denken, haar best deed, om hem \'t net over \'t hoofd te halen; zy spraken van een Dame, daar die Jonker veel by verkeerde; H is zeker een bevallige Vrouw, zei onze Juffer, ze heeft kleine oogen, maar zeer zacht en lieffelyk; ondertusschen sparde zy de hare op, zo veel als \'t doenlyk was, al of zy zeggen woude; icat denk je van zulke oogen, dat \'\'swat anders te zeggen; daar by gaf zy zich met mond, oogen, en gebaarden, hondert zoete airtjes, waar in een zekere vrypostigheid, met zedigheid en bloheid heel aardig gematigd en getemperd was. Ik kon my kwalyk honden van lagehen. Het deed evenwel de gewenschte uitwerking; ons Jonkertje wierd geknipt, hy droeg Mejuffrouw zyn hart en genegentheid op: Aan my. Mynheer? was \'t antwoord, als met een soort van verwondering; aan wie anders, Mejnffer, als aan U, aan \'t bemin-nelykste schepzel des waerelds. Ga maar zo voort, zeide zy daar op, V is w:y lief dat je je zo wel diverteert, ik heh een goede luim, en wil van daag het voonoerp van je raillery tvel eens ivezen. Dit zeggende, trok zy haar handschoenen uit, onder voorwendzel van my een paar schoone te eisschen; maar de Juffer, moetje weten, heeft alderliefste moije handen.

ocr page 16

8

Hy sloeg \'er zyn oog op, nam \'er een van tusschen de zynen, en kuste ze met verrukking; zie, Mynheer, dat gaf een nieuw vuur en leven aan zyn liefkozery, en dat waren de handschoenen, daar je Nichtje na zocht. Zie, zo handelt ze met meest al de Heeren, niemand gaat haast onvergenoegd van haar van daan.

Ar: Ik wil evenwel niet hoepen, Betje, dat de vry-heden die myn Nicht aan de Heeren toestaat, zomtyds te ver gaan.

B.: Neen zeker. Mynheer, dat hoefje van de Juffrouw niet te denken, daar is ze niet van t\'huis, al heel niet, de vryheden, die zy aan haar Galants accordeerd, wil ik wel op myn eigen Conscientie hebben. Dat moet ik nochtans zeggen, dat als de Heeren onze Jufter zo wel kenden als ik, en met liefkozery en koelheid, elk op haar tyd gebruikt, haar hart in een geduurige bezigheid wisten te houden, dat ze al vry ver zou te brengen zyn: maar daar een spelletje by gestoken. Ik moet je noch eens iets verhalen daar je voor vast om lagchen zult moeten. Op een zekere tyd, dat ik van haar met iemand sprak, deed ik, of ik verzekerd was dat ze ons niet kon horen spreken, hoewel ik wel wist dat ze ons beluisterde; men moet evenwel bekennen, zei ik, dat onze Juffer \'t schoonste mensch van de waereld is. Ik kan je niet zeggen, wat operatie dat woordtje deed; ze leefde met me. meer als acht dagen achter malkander, als met haar eigen Zuster, en daar by vereerde ze my een Engelsche Japon daar sleet noch breuk aan was. Dat gaat wel, dacht ik in me zelve, en ik nam korts daar na een diergelyke gelegentheid waar, om te zeggen, dat onze Jufter heel goedaardig en redelyk was.

ocr page 17

9

Ar: Toen kreeg je buiten twyfel noch wel een rok\'er bij.

B: Een Rok? Mynheer, een Rok? geen spel, niet zo veel als ik in rayn oog kan bergen, en waarachtig ik verdiende \'t ook niet, want heb ik van myn leven gejokt, \'t was doe.

Au: Ik had gehoopt dat die loftuiting wat meer vat op myn Nicht zou gehad hebben.

B: Ik moet je noch iets zeggen, eer ik het vergeet, van een koddig soort van hoofdpyn daar MejuHer zeer aan onderworpen is. Och, je zoud niet geloven, hoe dienstig het is voor een Dame van de groote waereld, altyd een hoofdpyntje in de zak te hebben. Als je Nicht zich bevind in een Gezelschap van bejaarde Vrouwen, of van Heeren, die zich met de Galantery niet bemoeijen, dan leunt-ze op \'er stoel, en maakt nu en dan een grimlachje, zonder een woord te spreken. Geen wonder, ze kan niet duuren van pyn in \'t hoofd. Komt \'er by geval een Galantje in, weg is de hoofdpyn, of ze weg geveegd was; de oogjens helderen zich op, de tong raakt los, haar gewonelyke bevalligheden schikken zich op haar tronitje in ryjen en gelederen; men zou zweeren dat ze in een oogenblik van top tot teen in een vorm vergooten was.

Ar; Wel, wel, myn Nichtje heeft meer gaven als ik wel gedacht had, zy zou, naar ik kan merken, een uitstekende Ay trice wezen.

B: Och! dat \'s nog maar copy van de zaak; je zoud je leven niet geloven. Mynheer, hoe dat onze J uffer met flauwtens gekweld is, voornamentlyk als de eene of d\'andere sterke reuk by of omtrent haar is. Maar tusschen ons. Mynheer, ik had eens op een avond een heele pot met bloemen achter haar Ledikant gezet; ik dacht dat ze flauw

ocr page 18

10

zou worden, maar ze sliep het deur, en de flauwte zal noch komen, \'s Anderen daags kwam\'er in een gezelschap een roos voor den dag, ze kreeg het op het Ivf of het \'er op gegoten was, en ze lag wel een half uur in katzwjm.

Ak : Maar wat mag ze doch met die malle kuuren voor hebben?

B; Bcgrypje dat niet. Mynheer? hoe is \'t mogelyk. Is Vr wel iets beminnelyker in de waereld als \'t postuurtje van een fraije jonge juffer die in een Canapé half leunt en half legt, die men de neusdoek afdoet, en een weinigje ontrygd? en reken je voor niemendal \'tmedelyden dat men de Heeren daar mee inboezemt? uit dat medelyden spruit dik wils de liefde eer men \'er eens om denkt.

Ar; Nu Betje, \'t is nu zo al wel; ik geloof dat ik nu al genoegzaam achter \'t karacter van Isabella beu; \'t is hoog tyd \'t meisje van een man te voorzien. Zond \'er ook iemand zyn daar ze eenige neiging voor heeft, en dat een redelyk portuur voor haar zou wezen; \'t zou ray leed wezen haar hart het minste geweld aan te doen.

B: Of ze neiging voor iemand heeft ? wat zal ik je daar van zeggen, somtyds denktze \'t zelfs wel, want ze is dikwijls jaloers, maar zelden blyft ze in die dwaling boven een dag-of twee. Ze bemint eigentlijk niemand als haar zelve; en tot nog toe, geloof ik dat het haar weinig scheelt of ze trouwt of niet. Ik weet maar eene reden die haar tot het huwelyk zou kunnen doen besluiten.

Ar: Ja, dat is een algemeene reden, die niet moeyelijk te raden is.

B : Ik weet wel waar Mynheer heen wil. Hee wat hebben de mans ook wondere gedachten van de vrouwen! foey.

ocr page 19

11

Mijnheer, je zoucl me wel rood doen worden. Maar neen, ik wou je heel iets anders zeggen. Zie Mynheer, onze juffer heeft wel een fatzoenlyk inkomen, en ze kan tegens de meeste van haar goede Vrindinnen op, dat staat de Juffrouw heel wel aan; maar Mynheer kan wel denken dat het haar noch vry aangenamer zou wezen, indien ze middelen had om boven alle de anderen uit te blinken. Hee wat wou ze in haar schik zyn, zo ze alle dag van kleeren kou veranderen, en ieder avond een Ducaatje of vijftig aan een Pharon tafeltje kon wagen? En daarom zou je \'er een grooten dienst doen, zo je \'er een man kon beschikken, wie \'t ook mocht wezen, dat \'s evenveel, als hy maar schat-ryk was, en van humeur om de Juffrouw met zyn geld, naar haar welgevallen om te laten springen.

Au; Wel ik zal my daar eens op bedenken, en daar na noch eens nader met je spreken. Nu goeden dag, Betje, ik heb nu eenige affaires; ik bedank je kind.

B : Je dienares, Mynheer, op een ander tyd zal ik Mynheer eens vertellen, hoe dat onze Juffer in een Logie van de Comedie haar intree doet, met wat een air en zwier, men zou zweeren dat het een Princes van haar hals was; daar is in haar wezen zo een koele en trotze onverschilligheid, t\'U dat, moetje weten, is \'t rechte teken van een hoofsche opvoeding. Wordtze uit de naaste Logie gegroet, ze neigd effentjes, met een vies mondtje en een opgeschort neusje; \'t schynen ook maar Burger Juffertjes, en Mejuffer kent ze niet eens. Nu moet je niet denken dat ze naar \'t geen gespeeld word hoort of ziet; foei, dat \'s goed voorgemeene luiden. Mejuffrouw is afgetrokken van gedachten, of daar moest de eene of d\'andere Galant by haar komen zitten, dan

ocr page 20

12

praat men, dau lacht men overluid; \'t is een tweede Comedie. Maar ik dacht er niet om, dat Mynheer affaires had, en ik verpraat zeker mjn tyd ook. Nu tot weerziens toe, Mynheer. Och! ik heb je noch zo veel te zeggen.

De Lezer ziet hier twee karacters; dat van \'t Kameniertje is mogelyk het slechtste niet, maar daar ontbreken noch al vry wat wezentlyke trekken aan, die ik \'er by gelegentheid eens by zal voegen. Dat soort van dienstbare geesten is al een gevaarlyk volkje, dat veel invloed op de hedendaagsche Zeden heeft, en wel waardig is van die geenen zelfs, die \'er zich van bedienen, recht gekend te worden.

Den 21. Maart 1732.

Vitium uxoris aut tollend um, aut ferendum est: qui tollit vitium, uxorum commodiorum praïstat, qui fert sese meliorem facit.

Varro.

Gebreken eener Huisvrouw moet men of verbeteren of verdragen: Hy, dieze weet te verbeteren maekt zyn Vrouw gemakkelyker dieze duit zich zeiven beter.

Heer Spectator.

Onlangs by een goed Vriend te gast genood zynde, raakte k, oer de deur my wierd opgedaan, in eene mymering die de Autheurs niet vreemd is, en die my in eene onagtzaam-heid dede vervallen, dewelke my daar na smerte; want naar binnen tredende stapte ik bezyden den dwyl, die op eene marmere helder geschrobde vloer digt by de stoep lag; dog

ocr page 21

13

ik Avierd myn misslag wel haast gewaar, aau m^yne vuile voetstappen, en ik keerde terstond wederom, om myn schoenen met de uiterste zorgvuldigheid schoon te maken. Ik was wegens deze myne onbescheidendheid vry misnoegt over my zclven, dewyl ik altyd een zoort van onbeleefdheid, en zelfs iets strydig tegens de goedaardigheid, gevonden heb in \'t werk van een ander te bederven, te meer, vermits zulks te myden zo weinig moeite kost. Ik bespeurde wel haast dat myne begane fout, by de Vrouw van het huis niet ongemerkt was doorgegaan. Ik was naauwlyks binnen getreeden, of ik hoorde haar, na in haar zelve wat gegromt te hebben, uitroepen, Katryn brengt hier terstond eens een dwjl, haast u wat. Mevrouw ontfong my egter met beleeftheid, hoewel wat keeltjes, en geleidde my nevens haar Man in de eetzaal, daar ik alles van de uiterste nettigheid vond, en wel inzonderheid de tafel, die gedekt met fyn en sneeuwit linnen, door haare aangename en keurige zinnelykheid my als toelachte. Xa dat wy een weinig gegeten hadden schonk my de Huisheer een glas witte wyn, dien hy my als uitmuntende Bergerac aanprees, en die my, hoewel hy my anderzins goed scheen, door zyne malle zoetigheid een weinig tegenstond. Myn beleefde Vriend scheen, hoe zeer ik myn walging zogt te bedekken, de zelve te merken, ten minste had ik naauwlyks myn glas geleegd, of hy riep tegens zyn knegt, brengt hier rooden wyn. Mynheer zal daar in mogelyk meer smaak vinden; \'t woordje roode wyn joeg Mevrouw een ontsteltenis op het lyf; en zonder my tyd te geeven, van myn gevoelen te uiten; Liefste sprak zy, Myvheer zal misschien ivel een Liefhebier weezen van een glaasje Moezel, of Rynsc/e wyn, luy hellen kostelyke oude Rynsche wyn.

ocr page 22

14

Mynheer, zeeker die moet je eens proeven. Ondertussclieu was \'er al Pontacq op tafel, en mjn Vriend had mj reeds een glas daar van geschonken, \'t welk van verscheidene andere gevolgt wierd. Ik weet niet ooit beter wjn, en met meer schroom gedronken, te hebben, \'t Was niet alleen myn eerste misslag, die my omzigtig maakte, maar ook de oogen van Mevrouw, t\'elkens als ik het glas opnam, op myn hand gevestigt, vermeerderden myne bedeestheid, en ik zette het nooit aan myn mond, zonder my naa ter zyde te wenden, om het keurig linnen met het minste drupje niet te besmetten. Myn vriend, die een verstandig Man is, en middelerwyle met my in een ernstig gesprek zig had ingewikkeld, was nergens na zo omzigtig niet, en in \'t schenken raakte nu en dan al een drupte op het tafellaaken, \'t welk t\'elkens Mevrouwtje deed schrikken, en de zelfde gebaarde maken, als of haar iemand onverhoeds gekneepen, of met een naald had gestooken; tot dus verre vergenoegde zy zig met op \'t spoedigste op ieder drupje wat zout te wry ven. Mynheer maakte het eindelyk zo bout, dat zyn liefste met een vriendelyke misnoegtheid hem verzogt wat agt te geeven op \'t geen hy deed, en zo niet te storten. Heel wel kind, was \'t antwoord, \'t is een ongelukje, ik zal \'er in het toekomende beeter zorg voor draagen. Dog dat zorg draagen ging zo slegt in zyn werk, dat Mynheer, met de Hes een vol geschonken glas eventjes aanrakende, een gansche gulp daar uit deed vliegen. Zulks deed \'t Vrouwtje al haar geduit eensslags verliezen, en in deeze woorden met half betraande oogen uitbarsten: \'t Is immers. Mynheer, of je het doet om my spyt aan te doen, \'t is \'t beste tafelgoed dat ik in de waereld heb; maar \'t is heel wel, je kunt gasten nooden zo

ocr page 23

15

dikwils als \'t u gelieft, maar ik beloof het u, ik zal \'er de tafel naar laaten dekken; de zelfde zin drukte zy verscheidene maaien uit met een onbegrjpelyke vloed van woorden, die, volgens der vertoornde Vrouwtjes welsprekendheid, op tien-derhande wjze \'t zelfde betekenden. Naa dat myn Vriend dit spits uitvaaren eenigen tyd met de koelste bedaardheid, en zyn Vrouw sterk in \'t gezigt ziende, had aangehoord, neemt hy de fles in de hand, en met de zelfde kalmte van gemoed, plengt hy den wyn \'t gansche tafellaaken over voor my, voor zyn Vrouw, voor zig zelf, en wanneer hy dagt het zelve aan alle zyden genoeg besproeit te hebben, zette hy de fles weer koeltjes neder. Gy kunt wel denken. Mynheer, dat zulks geen wynplenging in een Zoenoffer was, \'t was zo ver daar van daan, dat Mevrouw, die onder die wynstorting in eene gedwonge stilte zig had bevonden, als iemaud, die van den donder getroffen, of van eene schielyke beroerte overvallen is, eensklaps met brandende oogen van tafel oprees als een helsche furie, en als of zy haar man in \'t gezigt wilde vliegen; Wel iaat moet ik hier al voor mijn oogen zien, schreeuwde zy uit, wel hoe zal V hier nog langer gaan, ben je met de kop gebrtdt, Mynheer, of hen je met de drommel bezeten? Meer konze niet zeggen, zy viel in een leunstoel, alwaar ze een geruimen tyd, half versmoort in haar snikken en overstroomt van traanen bleef leggen. In \'t midden van dat gansche onweer bleef haar gemaal even onbeweeglyk; liy volharde maar in haar met een streng en stuursch gezigt geduuriglyk aan te kyken, zonder haar \'t minste woord toe te spreeken. Maar zo dra de storm eenigzius scheen te bedaaren, en Mevrouw opstond, om uit de kamer te gaaii, hield hy haar teegen, en verzogt haar, met de toon van

ocr page 24

16

iemand die \'t regt en de wil heeft van zig te doen gehoorzamen, zig naast hem te plaatsen; zulks gelukte naa een geringe teegenstribbeling, waar op mjn Vriend, zonder zjn stem te verheffen, met eene bezadigde ernst haar in deezer voege aansprak; \'t Is my niet leed, kind, nog om uwen \'t wil, nog om mynent wil dat \'t geen hier geschied is, in de tegenwoordigheid van Mynheer is voorgevallen; ik ken zyn redelykheid, en bescheidenheid, \'t Spyt my alleen om zynen \'t wil, vermids hy, voor de eerste reis, dat hy onze tnafel vereerd, in plaats van smakelyke wyn, de bitterste gal heeft moeten drinken. Hoewel wy eerst korteling getronwt zyn, heb ik al verscheidene reizen in beuzelingen gemerkt, dat gy tragtte allengskens myn behoorl yk gezag te onderkruipen. Dog ik heb zulks niet laaten blyken, om dat ik wou zien, hoe ver uwe oneerbiedigheid voor uw Man zig uit zoude strekken, en eene gewigtige geleegendheid afwagten, om u daar omtrent myn gevoelen bekend te maaken. Weet dan eens voor al, dat ik, hoe zinnelyk de Tafel ook gedekt zy, (en zo wil ik ze gedekt hebben) die wyn meen te drinken, en dat zonder schroom en een slaafagtige omzigtigheid, die my en myne vrienden het best smaakt, en dat, zo dikwils het u zal behaagen, my daar omtrent als een jongen te bedillen, ik van voorneemen ben het zelfde te doen, \'t geen in u zo eene onbetamelyke oplopendheid verwekt heeft, die beter een viswyf als een fatzoenlyke Vrouw past. Wanneer ik als vryer uw hart heb getragt te winnen, heb ik niet als eerlyke middelen daar toe aangewend, ik heb u alles opgeoftert, behalven myn redelykheid en opregtheid, en ik heb gekozen u liever op dien voet langzamer te behagen, als spoediger door een laffe en verderffelyke vleyery; Zo dat.

ocr page 25

17

hartje lief, indienje aan kuuren, en grillen onderheevig zyt, dezelve van myn maakzel niet zyn, en ik bygevolg daar onder niet wil, nog behoef te lyden. Graag wil ik u als eene teeder geliefde huisvrouw, met ingespanne poogingen in alles wat redelyk is zoeken te believen. Maar ik wil myn regt, dat voor God en de waereld my oubetwistelyk toekomt, niet door u met voeten getreeden zien. Weest volkomentlyk verzekert, dat ik wil en zal meester in myn huis zyn; dit heb ik u zelfs voor ons huwelyk durven zeggen. Staat u zulks niet aan. Mevrouw; zyt gy niet redelyk genoeg, om myn regt en uw pligt te kennen, of om u daar naar te schikken; wel aan daar is een middel op, \'t zal myne opregte en tedere liefde doodelyk kwetzen; maar quot;t is beter by tyds als te laat, en men kan geen middelen te bitter aanwenden, om zig van een ongelukkig leeven te bevryden; Gy kunt met uw bruidschat weeder naar uwe Ouders keeren, en bezien of die van humeur zyn om zig onder uw grillig hoofd te buigen. In \'t midden van deeze laatste woorden ontschooten mynen deftigen Vrind eenige mannelyke traanen, dog onder zyn geheel gesprek bemerkte ik in de oogen van zyne jonge Yrouw een geduurige aangroei van de tederste gemoeds-beweegingen. Ze wierden nllengskens vervuld met traanen, niet meer van razerny; maar van berouw en liefde; zonder een woord te spreeken, vliegt zy haar man om den hals, blyft als een klis aan zyne leeden hangen, en besproeyt zyn aanzigt met haare traanen, gemengd met de zynen. Zy laat hem eindelyk los om zig voor zyne voeten te werpen; Dog daar in door hem weerhouden, en weder in zijne gestrengelde armen gedrukt, barst zy uit in deeze tedere, dog door haare snikken geduurig

UIT NEDERLAND\'S LETTERSCHAT II. 3

ocr page 26

18

afgebrokene, woorden : Ik van u scheiden, myn Lief; ik van u scheiden ? duizendmaal liever wil ik de dood van uwe hand ontfangen. Ik beken het, ik ben uwe liefde niet waardig, maar, wat ik u bidden mag, schryf myn groove misslag aan myne kinderagtigheid en niet aan kwaadaardigheid toe. Jaa myn Engel, ik voel het, ge hebt in alles gelyk, gy moet meester in uw huis zyn, en voortaan zult gy het zyn, en ik neem vastelyk voor, myn eer, en gel uk te stellen in u met de gewilligste onderdanigheid te gehoorzamen en te believen; Ik ben niet alleen uw vrouw, maar ook een zottin, die zig zelf niet weet te regeeren; dog die voortaan hoopt wys genoeg te weezen, om graag van uwe redelykheid in alles af te hangen. Om Gods wil, myn Lief, maak \'er staat op, en laat de minste verontwaardiging in uw teder hart voor my niet overblyven, laaten myne opregte traanen van berouw, en een inschikkend mcdelyden voor myne bedroefde zwakheid al dien indruk volraaaktelyk wegnemen; ik bid en smeek u de goedheid te willen hebben van uog een andere weldaad hier by te voegen; gy doet kwalyk, myn tweede Leeven, geringe fouten in my over het hooft te zien, ik ben niet wys genoeg voor deeze uwe zagtzinnige verdraagzaamheid; Wat ik u bidden mag, laat dog geen de minste misslag in my voorby gaan, uit vrees, dat \'er grooter uit mogten spruiten. En, gy Mynheer, vervolgde zy, zig tot my wendende, ik durf myne oogen niet op u slaan; ik heb u onvergeeflyk beledigt? Vergeef my egter zulks uit enkele goedheid, en niet om mynent wille, die zulks niet verdien\'; maar uit vriendschap voor myn Man, die ik u verzekeren kan, dat de tederste agting voor u heeft. Gy hebt van daag my voor de veragtelykste zottin van den

ocr page 27

19

aardbodem moeten verslyten; doet iets, ik bid het u hart-grondiglyk, om die gedagten van my te verliezen, \'t Geen ik u te verzoeken heb kan myn man uiet mishagen. Yereer dog, zo dikwijls uwe bezigheden het zullen toelaten, ons huis en tafel met uwe tegenwoordigheid, en weiger niet getuige te willen zyn van deeze gelukkige verandering, die ik hoop, dat in myn gemoed bestendig zal zyn. Hier op naa haar man nogmaals teederlyk omhelst te hebben, vliegt zy de kamer uit en een oogenblik daar naa verschynt zy weder, met schoon lynwaat, en dekt de Tafel op nieuw met de vorige zuiverheid, werpende het afgenomene verag-telyk in een hoek. Over het dessert raakten zy in een nieuw geschil, maar zeer verscheiden van \'t eerste, myn Vriend zyn vrouwtjes fout verminderende, en zig zelve beschuldigende, van te ver gegaan te hebben, en zy in tegendeel, zyn zaak bepleitende, en met alle bedenkelyke redenen bewerende, dat hy wonderlyk wel had gedaan, vermids zy door een langer lydzaamheid berooft zoude zyn van de heilzaamste les, die haar ooit konde gegeven worden. Hier in waren ze het beiden eens, dat ze nooit gelukkiger en ongelukkiger dag beleefd hadden, en nooit sterker hunne onderlinge liefde hadden gevoeld. Dit bepaalde ons blyeindend treurspel. Zedert dien tyd heb ik daar dagelyks aan huis geweest, en met het grootste genoegen, des Vrouwtjes volharding in haar goed gedrag gezien; ze is by kans zo trots op haare eerbiedige onderdanigheid, als zommige wyven, op haare opperheerschappij, zy heeft zelve my aangeport, om u. Heer Spectator, dit geval meede te deelen, op dat, zegt zy, haare bekeering tot inkeer mag doen komen een hoop heerschzuchtige Malloten, die niet weeten, dat in

ocr page 28

30

de betragting van haar pligt haar geluk en rust opgesloten legt.

De zwakheid der Vrouwen, in het temmen van haare hartstogten, waar over my al overlang geschreeven is, is een stofte, die zig van zelf aan het voorige verbind, en vermids ik van myn wysgeerigen Correspondent, de beschei-denste en vriendelykste toelating omtrent zyn styl en behandeling hebt erlangt, zal ik het wezèulyke van zyn brief hier byvoegeu.

Na bondiglyk bewezen te hebben, door redenen, en voorbeelden, dat de hartstogten, in zig zelve niet kwaad, door \'t misbruik alleen van eigenschap veranderen, komt hy aldus tot de zaak. Men zegt gemeenlyk dat de Vrouwen teerder en min sterk van lighaams gestalte zyn als de Mans, eu daarom als zwakke vaatjes moeten behandelt worden; dog deeze reden schynt my niet voldoenend, verzekert zynde, dat de kwade hartstogten meer door een ziels, dan lighaams gebrek worden veroorzaakt. Ik meen dat het overwigt van de vroulyke zwakheid in dit geval voornamentljk moet afgeleid worden van eene verkeerde opvoeding, die niet alleen nalaat tydiglyk de kinderlyke dwingclandy te breeken, maar ook \'t geen zonder verwondering en droefheid niet kan aangemerkt worden, fouten van weinig belang in de tedere wigten, met strengheid, en die van gewigt en gevaarlyke gevolgen zyn, ilauwlyk of gansoh niet bestraft. Men handelt hen by voorbeeld hard zo ze door onagtzaamheid iets breeken, of hunne klederen besmetten, en om leugens en kwaadaardigheid, zo \'er maar de minste schyn van geest iu steekt, lacht men dikwils als om een aardigheid. Daar by

ocr page 29

SI

in plaats van hen, van jongs op, liun tred op het pad des deugds te wennen vast te zetten, en hen langs dien weg door \'t ligt der reden te bestieren, vnlt men hunne harssenen met beuzelingen, die op de tedere gemoederen eene diepe en langdurige indruk maaken, en die daar naa, in plaats van voor de kragt der reden te verdwynen, de zelve door een dikke nevel van vooroordeelen beletten in de ziel door te breeken. De Opvoeding der dochteren word nog vry meer als die der zoonen verwaarloost; de best opgetrokken e zelfs wordt niets ingeboezemt, als \'t geen op de uiterljke zinnen betrekkelyk is, waar in den opschik en studie om zig bevallig te maken wel het voornaamste zyn. Bied men wel iets aan haar aandagt als \'t geen haare imaginatie kan kittelen? Leid men zig wel toe om haar verstand eenig heilzaam voedsel te verschaften? Moet niet door zoo eene onverantwoordeljke verwaarloozing haare ongeoefende reeden, door een dikke roest overdekt, alle scherpte en glans verliezen, en van alle kragt en ligt, noodig om het hart te bestieren, berooft worden? Daar uit moet noodwendiglyk volgen, dat zj haar eenigste genoegen zoeken in voorwerpen ; dit! aan haar bykans uitgedooft verstand alleen bekend zyn; en dewyl naar maate dat de zinnen aangedaan worden de hartstogten gaande raaken, zo blykt het klaar, waarom de vrouwen haare driften zo weinig kunnen bedwingen; haare zinnen geen tegenstand vindende in de kragt van een verligte reeden, moeten noodzakelyk haar gansche ziel overheeren, en zig over de zelve eene onwederstaanbaare dwingelandy aanmatigen.

ocr page 30
ocr page 31

XII.

BARONES JULIANA CORNELIA DE LANNOY.

1738—1782.

Uit: Dichtkundige Werken.

1780.

ocr page 32
ocr page 33

HET GA STMA A.L.

Hoe nu! Zoo wel gezind! Wat wil dat lagchend wezen, En die blijmoedigheid die ge uit uw oog doet lezen? Mij dunkt dat ik sinds lang u zoo verheugd niet zag. Welk zonderling geluk weervoer u dezen dag?

Spreek, deed Melpomene naar wensch uw poging slagen? Hebt ge een vermaarde zege in \'t schaakspel weggedragen? Of heeft een regenvlaag, zoolang met smart verwacht. Uw rozen en jasmijns behoudnis aangebragt?

Ho! \'k bon uw dienares zoo ik alleen moet praten.

Ei! wil me een oogenblik in mijn verrukking laten: Vertoef! ik zeg u toe, ten prijs van uw geduld,

Dat gij niet inin dan ik uw geest vermaken zult. Ik woonde een gastmaal bij. Neen,\'k zweer u, van zijn leven Heeft nooit een sterveling een dergelijk zien geven: En nimmer heeft het lot gezelschap zaam gebragt.

Hetwelk in smaak en trant zoo fraai was uitgedacht.

Maar om u dan naar eisch dat sierlijk feest te ontvouwen. Gij kent, naar allen schijn, die puikbazin der vrouwen. Mevrouw van Langenstijl, die zonder einde of maat,

U van haar grootpapa\'s en overoudooms praat;

Die om haar kostlijkheên ter deeg ten toon te stellen.

ocr page 34

26

Zelfs van haar beddepan d\'historie zal vertellen :

U melden op wat wijs die spiegel haar gewierd,

En sinds wanneer die kas haar huis reeds heeft versierd : En om de laatste hand aan uw vermaak te leggen, Op \'t hedendaagsch gebruik altoos iets weet te zeggen, Het oude er mee gelijkt, en met gezag beslist.

Dat deez\' belachlijke eeuw verstand en rede mist.

Zij had mij reeds gezegd, omtrent een jaar geleden.

Dat zij familie wachtte uit een der naaste steden.

En dat het haar tot eer en blijdschap strekken zou.

Indien ik op dien dag haar gast wel wezen wou;

Zij zou het mij vooral dan tijds genoeg doen weten.

\'k Heb sedert al dien tijd als in de klem gezeten; Elk rijtuig dat ik hoorde, ontstelde mij, en \'k dacht;

Daar hebben wij misschien het Langenstijl\'s geslacht, \'k Dacht weinig dat het nu zoo euvel stond geschapen; Want daar ik nog gerust deez\' ochtend lag te slapen, Wordt aan de deur gescheld op zulk een forschen trant, Dat ik al siddrend dacht: daar staat de stad in brand. De klok, verbeeld u eens, had even zes geslagen!

\'k Rijs op, en durf bijkans gcene onderrigting vragen. Jk Verbeeld mij reeds vol angst, . . . maar op dat oogenblik, Verschijnt in mijn vertrek een dienstmaagd, bleek van schrik, En wie de slaap gewis ook schoorvoets was ontvloden. quot;Mevrouw van Langeustijl laat u ter maaltijd noodeu.quot; Mevrouw van Langenstijl ? neen zeker, ^k ben verzeid. //Gij kunt er niet meer af, \'t is eene onmooglijkheid; quot;Uw moeder heeft alreeds uw woord voor u gegeven.quot; Voor mij? quot;De knecht is heen l11 W at heeft haar toch gedreven....? Maar als ik \'t wel bedenk, de zeldzaamheid der zaak

ocr page 35

37

Zal ligt voor eeue reis, mij strekken tot vermaak.

Gekomen aan \'t ontbijt, begin ik rond te vragen Wat kleeding wel het best mijn dame zou behagen. Elk stemde voor een stof, daar ik met veel gemak.

Mij \'s winters van bediende als een fatigue-sak;

En \'t geen ik juist dien dag tot stoelen wou versnijen.

Daar zijn antiek gebloemt voortrefflijk toe zou vlijen: Dit kleed dan, dat zoolang mijn toevlugt was geweest. ]\\T ui li dus op \'t glorierijkst zijn afscheid op dit feest.

Maar \'k ben pas half gereed, of een gezant komt vragen : «Wij wachten; zal men haast uw juffer op zien dagen?quot; Ik roep verwonderd uit: Hoe! is de klok ontsteld ? quot;k Bedrieg mij zoo \'k daar straks geen twalef heb geteld. quot;Dat \'s waar; maar op dat uur gaan wij ten onzent eten.quot; \'k Heb toen in allerijl mijn goed maar aangesmeten, En quot;k word een wijl daarna met groote plechtigheid. Bij dame Langenstijl behoorlijk ingeleid.

Mevrouw komt aan de deur mij met een zoen ontvangen. Mejuffer, roept zij uit, men wacht u met verlangen. Wij eten hier wat vroeg: verschoon mijn ouden trant, \'k Ben van die mode niet die voet wint in ons land. Ik heb mijn grootpapa wel dikwijls hooren zeggen Dat hij vóór zeven uur zich plagt ter rust te leggen: En dat zijn vader zelf.... laat zien! neen, \'twas zijn oom..., quot;Mevrouw, het is mij lief dat ik nog tijdig koom.

quot;Mag ik u naar den naam van deze uw gasten vragen?quot; Die dames die gij ziet, zijn van mijn naaste magen:

Dat \'s jufvrouw van der Paal, die in een regten graad, Gestamd is uit dien oom die daar geschilderd staat.

Dat \'s nichtje Woordenrijk, ze sproot uit de edle staken.

ocr page 36

28

Van Praats, en.... quot;\'k Zal miju hof eens bij de dames maken.quot; Hervat ik in der ijl; met een ontsnap ik haar.

Maar op dat oogeublik liep ik geen klein gevaar.

De vloer was glad gerobd, en zóó met was bestreken, Dat ge op het glibbrigst ijs zoo ligt geen been zoudt breken, \'k Land echter heelhoofds nog aan \'t andre eind der zaal, En zet mij aan de rij van jufvrouw van der Paal. //Mejuft\'er, \'t was mij lief uwe aankomst hier te hooren: //Wat hebt ge een sehoonen dag tot uwe reis verkoren!quot; Ze buigt, maar antwoordt niet. /\'Behaagt u onze stadt?quot; Geen woord. //Gij hebt op reis misschien wat koud gehad?quot; Geen enkel woord. Ik kijk en weet niet wat te denken. Maar nichje Woordenrijk begint mij toe te wenken,

Haalt beide schouders op, rijst, glibbert ons voorbij. En plaatst uit derenis zich aan miju andre zij.

Geen ratel, die alom zijn meester moet verkonden,

Geen uurwerk, dat gestaag met zorg wordt opgewonden. Dat immer zoo gezwind, zoo onophoudelijk gong Als Jufvrouw Woordenrijk haar welbespraakte tong: Eer zoudt ge een hollend paard in zijnen voortgang stuiten, \'k Weet in een oogenblik haar gansch bedrijf van buiten. Haar maagschap, haar gezin, en merk, zoo \'t u belief, Dat zij van tijd tot tijd haar stem een toon verhief. De heeren, die terwijl eene kleine wandling deden. Verlosten mij iu \'t einde, en kwamen binnentreden. Ik overzie miju hcir, maar waar ik de oogen sla,

\'t Is alles vreemd voor mij op ééne kennis na:

Mijn stadgenoot Cleant, vermaagschapt aan die heeren. Kwam tot mijn groot geluk, den fraaijen troep vermeêren. Mevrouw neemt één voor één haar gasten bij de hand.

ocr page 37

Ï9

En presenteert ze mij op haar verheven trant.

De heer van Jagerstein komt mij het eerst begroeten, En buigt tot driemaal toe zich neder tot mijn voeten; Een eerlijk edelman, die voor \'t vermaak der stad.

Zijn honden en zijn slot dien dag verlaten had.

De heer Platoni volgt, uit wiens bezadigd wezen. Het gansche zamenstel van Newton was te lezen;

Zijn wijsheid scheen nogtans van de pedante soort.

Tot een verscheidenheid trad neef Spondeus voort.

Verbeeld u een kolos, met holle en schielijke oogen. Die als verwilderd steeds door \'t rimplig voorhoofd vlogen. Zijn houding kwam mij ook wat philosophisch voor;

Maar dame Langenstijl, beet zachtjes mij in \'t oor, quot;Die neef is een poëet, gij moet eens kennis maken,quot;

Neef Graaglust komt ons voorts in vollen ren genaken. Een stukje, dat voor quot;t minst drie honderd ponden woeg; Ik zag dat hij in haast mij naar mijn welstand vroeg. Met ijlt hij naar de deur, om door een reet te loeren, A\\ aardoor men middlerwijl het eten aan zag voeren. De laatste die verscheen, was jonker Elegant;

Een heertje vol van zwier en naar den laatsten trant. Die op zijn oogwenk zelf met aandacht scheen te letten. En veel verdiensten had in Brusselsche manchetten.

Reeds had men aangedischt, en na dit goed bescheid, Is ieder naar zijn rang ter feestzaal ingeleid.

Ik diende u van die zaal een korte schets te geven.

Hier kondt ge althans geen voet verzetten zonder beven. Stel een erfhuis voor, of wel een Jodenkraam, Die porselein bevat voor drie geslachten zaam.

Een soort van trapbuffet — - hoe zal ik het beschrijven ?

ocr page 38

30

Vermaande u bovenal om wat terug te blijven;

Daar zaagt ge een aarden schat van omvaardeerbren prijs,

Gestapeld op elkaar piramidaalsgewijs.

Een prachtig stel munt uit bij al deez\' kostlijkheden,

Dat LangenstijTs geslacht, driehonderd jaar geleden.

Vereerd was dóór een vorst, en dat zoo wagglend stond,

Alsof \'t elk oogenblik ging dansen na-.r den grond.

Ik y.al een groote reeks van spiegels, kabinetten

Etcetera thans niet op d\'inventaris zetten.

\'k Zwijg van een glazen kas met beelden opgevuld.

Van stoelen, wier gelijk gij nooit aanschouwen zult:

Genoeg is \'t, dat de plaats zóó wel was waargenomen.

Dat ge u verdringen moest woudt ge aan de tafel komen:

En dat dit groot gevaart bij \'t porselein-buffet

Zoo na als mooglijk waar, voorzigtig was gezet.

De gasten zijn in \'t eind gelukkig neergezeten;

quot;t Was veel dat in \'t gedrang geen ding werd omgesmeten ?

De heer van Jagerstein vervoegt zich nevens mij

En jonker Elegant zit aan mijne andre zij.

quot;Neef Graaglust wil in haast zich naast hem nederzetten:

De buurschap van een vrouw mogt hem wat veel verletten;

Maar hij ontsnapt het niet, want jufvrouw Woordenrijk

Zit neêr, en geeft hem praats voor zeven tegelijk.

Mijnheer de philosoof komt hare zij betrekken.

En moest aan \'t spraakloos beeld met een ten ridder strekkeu.

Mevrouw is ook geplaatst, en kipte tot besluit,

Cleantes en den heer Spondeus voor zich uit.

Men zag op tafel reeds twee zilvren schotels pronken,

Weleer mijn hospita ter pillegift geschonken.

En die ge ua verloop van twintig jaar misschien.

ocr page 39

3]

In eeuig kabinet van zeldzaamheeu zult zien.

De deksels, die de spijs nog voor ons oog verbergen,

Zijn naamvlijks van de kracht van éene hand te vergen. Men ligt ze al hijgende op: ik krijg van schrik een kleur. De ajuinsoep spreidt alom haar aangenamen geur.

Stel u een vijver voor tot aan zijn rand verheven.

Waarin de ajuinen juist als troepen eenden dreven;

En of dit niet genoeg mijn eetlust deed vergaan,

In de andre lachte mij een zee vol spiering aan: Yol spiering! mij! die graag een dag zou honger lijden. Om met welvoeglijkheid den reuk alleen te mijden. Wat raad ? Ik moest mijn keus tot een van beiden doen. Voor spiering kon ik nog bedanken met iatsoen.

Ze is koortsig, naar men zegt, en werd mij afgeraden; Maar \'k zie mij met een bord vol juinsoep overladen : Ik slik ze al grillend door, en \'t had nog al gegaan,

Maar dame Langenstijl spreekt ine ongelukkig aan: //Gij schijnt niet graag te zijn; kom, kom, gij moet wat eten, //Die soep is gansch niet kwaad. Gelief daar bij te weten, //Dat zij van champignons voortrefflijk is voorzien.

//Mijn vader at die nooit; hij had gelijk misschien; //Men hoeft zich aan geen spijs die schaden kan, te wagen; //Maar \'k maakte er kennis meê bij iemand van mijn magen, //En \'k hoor ze zijn alom getrokken in ons land.quot;

De lepel middlerwijl valt plotsling uit mijn hand:

Help! dacht ik, champignons! \'k ben mooglijk al vergeven; Mij dunkt dat ik \'t venijn al naar mijn hart voel streven; En wijl mevrouw zich wendde, en haar bevelen gaf.

Geef ik al bevende, mijn bord met juinsoep af.

\'k Begon weer van mijn schrik allengskens bij te komen.

ocr page 40

32

En mooglijk dat men reeds \'t geregt liad afgenomen, Zoo Graaglust niet op nieuw, ten proef van mijn geduld, Zijn bord tot aan den rand met spiering had gevuld : \'k Moest dan nog ruim een uur dien fraaijen reuk bezuren, En \'k dacht; het zal gewis tot aan den avond duren; Maar jufvrouw Woordenrijk, die ongeduldig wordt,

Slaat tot mijn groot vermaak, de handen aan zijn bord; Noemt twintig lieden op, vroegtijdig afgestorven,

Die door te veel gebruik der spiering zich bedorven; En welk een wederstand hij haar ook bieden mogt. Zij houdt gelukkig \'t veld en \'t bord werd weggebrogt. Tk dankte \'t gunstig lot, en zag met veel behagen,

Uit ons benaauwd vertrek de twee geregten dragen; En wijl men in hun plaats zoo ras geene andren bragt, Vraag ik den heer baron, mijn buurman, naar de jagt. l)e keus van dit gesprek deed alles aan hem leven. En heeft mij straks een plaats in zijne gunst gegeven: Ook had dit onderhoud nog wat geduurd misschien,

Toen, \'k weet niet welk geraas mij schielijk op deed zien. Een kalfskop stond aan \'t hoofd van \'t nieuw geregt te pronken. En schijnt ons beurt om beurt afgrijslijk toe te lonken. Elk schatert, daar \'k verbaasd een sprong teruggevlie,

Toen ik op \'t onverwachts dat ijslijk schouwspel zie. Men brengt aan de ééne zijde een schotel artisjokken. Die veel te gaar gekookt, niet zeer tot graagheid lokken, \'k Hoor voorts een klein bevel: quot;Hier moet de podding staan.quot; Ha! dacht ik, hier voor \'t minst komt mijne gading aan! Men brengt hem, maar helaas! welk schouwspel zien onze oogen. De podding komt van zelf ter kamer ingevlogen.

Wijl de ezel die \'em op \'t plat van bei zijn handen droeg,

ocr page 41

33

Hem met den schotel volgde en tuimlend nedersloeg. De podding ligt vernield, de vloer is ganscli bedorven; Neef Graaglust is zoo bleek als mijn servet bestorven; Mevrouw rijst toornig op en onderhoudt haar knecht, Wien, na een uur gekijfs, de huur wordt opgezegd. De goede philosoof wil vruchtloos haar bedaren;

Meldt haar wat rampen al aan Plato zijn weervaren; Bewijst uit Socrates, dat nooit de tegenspoed De ziel eens stervelings te veel ontzetten moet.

Tk weet niet of hij veel bewerkt had door zijn reden, Had neef Spondeus niet den kalfskop opgesneden. Op hoop dat hij \'t gesprek en de aandacht van mevrouw Van \'t ijslijk ongeluk een weinig trekken zou.

Deez1 vinding, die tot eer van zijn vernuft verstrekte, En groote kundigheid van \'t menschlijk hart ontdekte, Bragt in een oogenblik \'t bedoeld gevolg te weeg;

Reeds zag men, dat de vreugd weer nieuwe krachten kreeg Maar met wat handigheid mijn dichter voor mogt snijën, De kalfskop scheen niet wel der gasten smaak te vleijen. De kok had aan dit vleesch gewis het vuur bespaard, \'t Welk thans het ongeluk der artisjokken baart:

Deez1 kondt ge als een ragout wel met een lepel eten. De wijn was, naar ik merkte, ook in de saus vergeten: In \'t kort, de graagheid kwijnt; de Philosoof alleen Roept uit: Is alles goed V\' en eet door alles heen. Mevrouw, die middlerwijl \'t gezelschap wou vermaken. Doet een beknopt verhaal van honderd fraaije zaken : Haalt beurtlings al haar ooms en moeijen voor het licht, £n geeft ons bovenal een uitgebreid berigt Van hem die \'t kostlijk stel tot een geschenk erlangde. uit nederland\'s letterschat ir. 3

ocr page 42

34

Bedenk eens welk een angst onz1 armen Graaglust prangde, \'t Gebraad werd aangebragt; maar zulks deed niets ter zaak. //Ziet,quot; zegt ze, \'/ik had twee ooms van onderscheiden staak, //Eén van mijn vaders kant en één van moeders zijde; //De een was de heer Crayon, die al zijn achting wijdde //Aan do edle schilderkunst, en zeer vernoegd ontsliep, //Wijl zijn nalatenschap ruim eene ton beliep.

//Mijn oom van Kraakenburg is niet zoo rijk gestorven; //Zijn smaak voor porselein had schier zijn staat bedorven //Hij is \'t die aan mijn moei die kommen heeft vereerd, //Die uit haar erfenis mij weer zijn uitgekeerd.

//Beschouwt die piramide, en daadlijk zult gij weten, //Hoe ik van stuk tot stuk. . . Ei! Tante, laat ons eten! Roept Graaglust eindlijk uit, door ongeduld vermand; Met schuift hij een assiet voor jonker Elegant,

En schikt zich om in haast een ander stuk te ontleden. Maar ik vergat bijkans met al deez\' kostlijkheden,

U een verhaal te doen van dit galant geregt.

Waarop men zich, naar \'t schijnt, wel \'t meest had toegelegd. In \'t midden stond een zwaan, de roem van zijns gelijken, Met uitgerekten hals de gasten aan te kijken.

Hij was, naar ik vernam, gebraden in een pot,

En vrij wat uitgedroogd in zulk een naanw beslot.

Zijn houding was zoo vlug, dat ieder toe moest stemmen; \'t Schijnt dat hij vliegen wil of naar ons heen komt zwemmen. Een teeder varkentje, der moeder jongste spruit,

Breidt naast dit kostlijk beest, zijn magre pootjes uit. Een kallefsborst, omringd door vijf verbrande kippen.

Moest aan den overkant uwe aandacht niet ontglippen. Merk hier twee bakken bij met groene kropsalaad.

ocr page 43

Geplaatst ter wederzij van \'t sierlijk hoofdgebraad.

Een eijervla komt voorts de tafel overstroomeu.

Een groote amandeltaart is ook nog aangekomen;

Een stuk waaraan gewis ons halve garnizoen

Een maaltijd, of voor \'t minst een goed ontbijt zou doen.

Men heeft op dit gezigt eens helder rond geklonken,

En \'t welzijn van \'t geslacht van Langenstijl gedronken.

De zwaan wordt voorgediend, en toen men bij mij kwam.

Nam \'k uit nieuwsgierigheid er ook een stukje van;

Zulks, dacht ik, is wat raars, \'t kwam nimmer mij te voren.

Reeds voel ik dat de vork er naauwlijks door wil boren ;

Ik schuif het op mijn bord; maar denk, wat ik begon,

Toen ik geen enkel stuk er van gebruiken kon.

Ik zie de gasten aan die alle eenparig zwijgen:

Geen tanden zijn in staat om \'t dier van een te krijgen.

De stilte is algemeen, en \'t Langenstijls geslacht

Heeft vruchtloos ruim een uur met kauwen doorgebragt.

De heer van Jagerstein wordt eindelijk ongeduldig.

En roept: /\'Aan dat gebraad zijn wij een dronkje schuldig!quot;

Verzoekt daarop een knecht hem van zijn bord te ontslaan.

En drinkt met een bokaal \'t verteren van de zwaan.

Het was een glas dat ruim drie Üesschen wijn bevatte.

En \'twelk de vrouw van \'thuis op groote waarde schatte;

\'t Had reeds een eeuw of vier in haar geslacht geweest.

En sinds figuur gemaakt op elk geboortefeest.

Dit aardig glaasje dan gaat rond bij onze lieden.

En op de dames na, moest elk het hulde bieden.

De wijn heeft straks de tong der gasten los gemaakt.

En allen tegelijk zijn in gesprek geraakt.

De heer van Jagerstein, gewoon om in zijn weiden,

ocr page 44

36

Bij \'t volgen van zijn wild, zijn stem wat uit te breiden, Verkrijgt den boventoon, en stelt met veel gezag.

Zijn oordeel en verstand voortreffiijk aan den dag;

Gaat ons het groot vermaak en \'t nut der jagt betoogen. En monstert één voor één zijn brakken voor onze oogen. Reeds voert hij op hun beurt zyn stoet met winden aan. En had van elks verdienste ons wis verslag gedaan,

Toen onze heer poëet, wiens glas ook niet verschaalde. Volijverig uit zijn zak een rol met verzen haalde. //Zoo, neefje,quot; zegt mevrouw, met een beleefden lach, //Daar haalt ge ons van uw werk gewis iets voor den dag: //Daar heb ik naar verlangd; ik bid u, laat ons hooren. //\'t Weet iemand hier wie zulks niet minder zal bekoren. quot;quot;i Heb reeds een woord gezegd van uw verheven geest.quot; Met lacht ze mij eens toe, en neef Spondeus leest, \'t Gedicht was zoo vol vuur, zoo vol bekoorlijkheden. Dat niets er aan ontbrak dan vinding, rijm en reden; En quot;k waar gewis ten eind van mijn geduld geraakt. Had niet de fraaiste klucht inmiddels mij vermaakt. De schoone van der Paal, die mooglijk van dat jagen, — Een vreemd vermaak voor ons — hare aandacht had ontslagen, Vermoeid was van de reis, van quot;t wandlen door de stad. Of wel des nachts misschien niet veel geslapen had.

Glijdt zachtjes in haar stoel, en schijnt met veel genoegen, Voor quot;t ovrig van het feest zich tot de rust te voegen, Toen de ijsselijke galm van den poëet haar wekt,

En met een grooten schrik haar uit haar sluimring trekt. Misschien verbeeldt ze zich, dat waarlijk al de honden. De lijfstoet des barons, zich in \'t vertrek bevonden;

Dat al de brakken reeds haar huilden aan het oor :

ocr page 45

37

Althans zij geeft een schreeuw, kijkt wild de kamer door, En geen comedieklucht kan zoo vermaaklijk wezen. Als haar verwondering was toen ze enkel maar hoort lezen. Het algemeen gelach dat daadlijk is ontstaan,

Belet mijn dichter niet met lezen voort te gaan.

Onze aandacht wordt vernieuwd, en elk is opgetogen.

Neef Graaglust blijft alleen voor \'t kunststuk onbewogen, Maar toont integendeel, dat hem de kok behaagt,

En heeft intnsschen reeds zijn derde hoen gevraagd. De goede Woordenrijk, vermoeid van zoo te zwijgen. Had dikwijls al getracht hem aan de praat te krijgen. Hem aan den arm geschud, maar krijgt gehoor noch taal, En hij alleen voortaan blijft meester der bokaal.

Het lang en schoon gedicht is eindlijk uitgelezen, En \'s dichters groot vernuft wordt hemelhoog geprezen: Mevrouw beslist vooral, dat van zoo groot een geest, In meer dan honderd jaar geen weergade is geweest: Dat hij Dathenus zelf in \'t kort voorbij zal streven.

En dat men in gemoede den voorrang hem moest geven. Gij hadt dat oogenblik Cleantes moeten zien,

Die ijslijk had gegeeuwd, uit groot vermaak missclnen. En die door nood geperst, half lagchend ook verklaarde. Dat hem \'t bekoorlijk stuk al veel verwondring baarde. //Zoo, dat behaagt mij nog!quot; roept onze jager uit, //Men hoort nog hier en daar wat dit gedicht beduidt. //Waarom wordt altoos niet in zulk een trant geschreven? //\'tls alles nu zoo grootsch, zoo puntig, zoo verheven. //Yoor mij, \'k bedank mij zeer voor dat geleerd verstand. //De goede Vader Cats schreef op een andren trant: //Zoo rijmt men nu niet meer; ook wil ik wel bekennen,

ocr page 46

quot;Nooit kou ik me aan den stijl der nieuwe Psalmen wennen. //En \'k zie met grimmigheid al die geleerden aan,

//Wier hoogmoed altijd helt om naar wat nieuws te staan.1\' //Wel hoe, mijnheer baron! durft hem Platoni zeggen, //Moet zich des stervlings geest dan niet op wijsheid leggen? //Gelooft gij dat hij slechts het aanzijn hier ontving, //Opdat hij zich verslaafde aan \'s ligchaams oefening ?

quot;O Neen ! zoolang wij \'t licht op deez\' planeet zien rijzen.....

//Op deez1 planeet! parbleu, dat zult ge mij bewijzen!quot; Hervat de heer baron; //Hoor neef de philosoof,

\'/Gij zijt op uw manier heel schrander, zoo \'k geloof; //Maar al die werelden, ik weet niet waar gelegen, quot;En haar vermeend gedraai, staan mij geweldig tegen, //En zeer verbaast het mij, dat de overheid nog niet, quot;Tot heil van \'t algemeen, die zotternij verbiedt.

quot;Ik wou wel dat ik nooit tot straf van mijn gebreken, //Van \'twentien van die aarde een woord had hooren spreken; quot;Ik sliep weleer gerust, maar nu, als ik ontwaak, quot;Verbeeld ik mij terstond, dat ik aan \'t draai)en raak. //\'k Heb gistren in mijn droom mijn bedstijl aangegrepen, //En dacht dat ik mij reeds ten afgrond heen zag slepen. quot;Ik spreek gelijk ik \'t meen, maar euvel zal \'t vergaan, quot;Met d1 eersten die mij weer die dwaasheid voor durft staan.quot; //Hoe! zegt de philosoof, mijnheer, gj spreekt dan tegen quot;Dat de aardkloot om zijn as zich daaglijks moet bewegen? //Gij durft dit tegengaan, uit trotschheid, naar ik gis, quot;Daar \'t Leibnitz\'s, Newton\'s, Wolfs en mijn gevoelen is? //Ik durf,quot; zegt Jagerstein, quot;u voor een gek verklaren; //En zoo de dames niet hier tegenwoordig waren,

*Ik zweer.....quot; De philosoof verzet zich op dat woord,

ocr page 47

39

En \'k vreeze of hij \'t vervolg bedaard had aangehoord, Toen \'t noodlot, Jat voor de eer der wijsbegeerte waakte. Een einde aan \'t krakeel en \'t gansolie feestmaal maakte. Maar welk een eind! helaas! stel u dit oogeublik, quot;Verwoesting, tranen voor, bedeesdheid, angst en schrik, quot;k Maak geen gelijkenis, maar alles zaamgenomen Zou ïroje\'s ondergang er wel het best bij komen: En \'k had, om \'t wreed geval te schetsen met fatsoen Voor \'t minst Homerus1 pen, en Maro\'s stijl van doen. Mejufvrovw Woordenrijk, wie de ijsselijke blikken Des grammen heers barons geweldig deden schrikken. Vat Graaglnst bij den arm, die alles kijven laat.

En aan de laatste vlerk van \'t laatste kipje gaat. De goede man die nog haar meening niet bespeurde En jnist dat oogenblik zijn spriering nog betreurde. Verbeeldt zich dat zijn vlerk hem weer ontweldigd wordt Keert met een groote drift dien aanval van zijn bord: En gooit, daar hij \'tin haast wat van haar af wil zetten. Zijn glas met rooden wijn op Elegant\'s manchetten: Die lubben hem zoo waard en door wier droef geval Zijn aanzien, naar ik vrees, een derde mindren zal. Hij bloost, verbleekt, besterft, is woedend opgestegen.

Slaat in zijn eerste drift de handen aan zijn degen. En Graaglust, die vol schrik zijn wraak ontvlugten wou, Slaat om met stoel en al in \'t porselein gebouw. Dat pronkstuk, t welk alreeds zoo wagglend stond te voren Heeft al zijn evenwigt door zulk een schok verloren:

Trilt, waggelt, helt voor uit, werpt over Graaglust lieeu Serviezen, borden, glas, tot morzlen ondereen; \'t Driehonderdjarig stel verreist het eerst van allen.

ocr page 48

40

De kommen zijn tot gruis op de pokaal gevallen,

\'t Is of een berg van pnin de tafel overdekk1,

En een rivier van wijn vliet stroomen door \'t vertrek :

De een schreeuwt, de ander huilt, een derde staat te zuchten

Of zoekt zijn ondergang in \'t naast vertrek te ontvlugten.

De goede vrouw van \'t huis ligt eerst van spraak beroofd.

En trekt een wijl daarna de haren uit haar hoofd.

Voor mij, die taamlijk ook mijn beenen voelde beven,

\'k Verzoek mijn vriend Cleant om mij den arm te geven:

Denk of ik hartlijk dank aan \'t noodlot heb gezegd.

Dat ik dit fraai bezoek met eer heb afgelegd;

En of mijn leidsman ook zijn reuzel dacht te scheuren,

Toen hij zijn aandacht vestte op \'t geen hij zag gebeuren.

Ik heb mij zeer vermaakt, maar \'k zweer u, \'k denk voortaan

Bij dame Langenstijl niet ligt te gast te gaan:

En \'k stem met al mijn hart zoo \'k deez\' gelofte schende.

Dat ons noch Oost noch West mijn dierbre koflij zende,

Dat alles wat ik eet in champignons verkeer\'.

En dat de wesp alom mijn liefste fruit verteer\'.

ocr page 49

XIII.

ELISABETH WOLFF—BEKKER

24 Juli 1738—5 November 1804

en

AGATHA DEKEN

1741—14 November 1804.

Uit: Historie vak Mejuffrouw Sara Burgerhart, Zevende druk, Den Haag. 1886, en uit: Historie van den Heer illem Leevend. Nieuwe druk. Den Haag. 1886.

ocr page 50
ocr page 51

Uit:

HISTORIE VAN MEJ UmiOUW SAIIA BURGERHART

(1782).

Mejuffrouw Saua Buiigerhart aan Mejuffrouw Aleïta de Brunier.

Douce et tendre amie !

Je suis enragó op het oude wijf, op mijne tante; ik wil geen week langer blijven; \'t is of ik in de hel woon. Mijne tante heeft zeer veel van zijn satansche majesteits karakter, en Breeht verdient wel een schoonen dienst in zijn onderaardsch rijk. ... Ja, bons wat aan; ik zal niet antwoorden, ik zal ook niet opendoen. Zus! daar hompelt zij, al grommende, de trap weer af. Goede reis naar beneden. Ik moet, chire, u eens een some teekenen, die u niet zal uit de hand vallen.

Woensdagvoormiddag raasde zij als ecne bezetene, omdat ik eenige nieu wc aria\'s speelde. (Dat \'s een wijf, ook.) Zij werd geholpen door haar hottentot van een meid, die mij dorst zeggen, dat zij ook danig ontsticht was. Met wordt er gebeld. Breeht, die volmaakt een zog van een bollebuisjeswijf gelijkt, waggelde naar voor, en Tante gaf mij een verbruide oorvijg, omdat ik bleef spelen. — //Juffrouw,

ocr page 52

44

daar is sinjeur Benjamin.1\' — //Wel hede, laat Broeder maar achter komen.quot; — Daar kwam broeder, een luie zuipzak van een kerel, in een paarsclien japon; (men zou wel zeggen, wie of zoo een verloopen slagerskDeoht toch een japon heeft leeren dragen.) — //Welkom, Broertje, wel, hoe is het nu nog al met je?quot; — //quot;t Gaat nog al; maar men hoofd, men hoofd!quot; — //Wel, dat is droevig, maar je vergt je ook wat veel.quot; — //Ja, \'t is mijn ambtsbezigheid, — en hoe vaart Zuster? Je schijnt wel wat onthutst.quot;1 — //Ja, dat ben ik ook, \'t is niet altijd het effen wegje. Broertje.\'\'\' (Tegen Buecht.) //Ei, meid, is er niet wat? dan zou Broeder hier maar familiair blijven.quot; (Tegen mij.) //Toe, lieve Saaetje, (was dat uit te staan? — lieve Saautje, en mijn wang gloeide nog van den slag), bak jij nou ereis schielijkjes wat dunne pannekoekjes; broeder lust die zoo graag.quot; Ik sloot mijn klavier en zei; //\'t Is wel. Tantequot;. Ik ging naar de keuken en bakte helder door; maar ik at die al bakkende zelf op. Dit is de eerste trek, die ik haar speelde, hoe zelden ik mijn genoegen krijg.

Ik moet hier alles doen ; want Beecht is een lomp schepsel en snuift sterk. Toen ging ik, terwijl Brecht in huis klungende, de tafel dekken. Brecht eet met ons; want het is zuster Brechtje, moet je weten, Letje. Tartuff zou een goed woord spreken; maar de vent bad (zoo noemen ze dat gehuilebalk) wel een kwartier lang. Hetgeen hij jankte, geleek veel meer naar het morrend gegnor van ondankbaar vee, dan naar de zuchten van een bewogen hart, \'tgeen zijnen God looft.

Ik kreeg, a 1\'ordinaire, eten op mijn bord; twee schepjes groete met een tienter koud vleesch van \'s daags te voren.

ocr page 53

45

Ik spelde mijn servet voor: //als ik gelijk een kind eten krijg, moet ik ook zien, dat ik mij niet bemors.quot; — //Och, of gij een kind waart,quot; zei de smulpaap, die onderwijl met zijn duim en vinger de boter van de robe de chambre eener cottelette aflikte. — //Dat zou lieuchelijk zijnquot;, zei Tante.— //Ja, wel lieuclielijk,quot; zei zuster Bregitta. — Toen kreeg ik nog wat bijeengeschraapte spenage en een stuk cottelet* Zuster Zantjk en Broeder namen onderwijl eens in. Ik krijg nooit wijn. Tante zegt, dat het niet goed is voor mij, en dat kan wel zijn; want ik ben jong en gezond. — //Kom, Saauïje, neem nou maar af, Brechtje is wat vermoeid; de sloof wordt oud quot; — Ik deed zoo, zette het dessertje op. — //Waar benuen de flensjes, Saartje ?quot; — //Die bennen in mijn maag. Tante.quot; — Snap! mijn servet neergegooid (bij ongeluk tegen broeders palmhoute pruik) en het onweer op mijne kamer ontweken. Gij weet, ik ben tamelijk vlug, dat mij toen te pas kwam. Knap! de deur op \'t slot. \'s Avonds kwam de hottentot met een stuk brood en een glas zuur bier, er bij voegende, //dat ik het nooit kon verantwoorden, zooals ik een vroom mensch euvel plaagde/1 — //Scheer je van mijn kamer,quot; zei ik, en duwde haar de deur uit. Het brood (het was goed op de flensjes) at ik op. Het bier gooide ik weg en dronk eens helder uit mijne caraffe, ging vroeg te bed en sliep als een roos. Daar aanstonds kreeg ik een boterham, met een kom thee, die wel omspoelsel lijkt. Tante gaat uit en wil mij voor haar oogen niet zien. Zoo zitten nu de zaken. Hooglijk geef ik u dezen wel in eigen handen, mooglijk niet. Ik weet niet, hoe \'t zal uitkomen.

Vast kom ik: de brief der goede weduwe heeft mij in dit voornemen gesterkt. Ik zou al bij u geweest zijn; maar

ocr page 54

46

ik waolit op een brief; die brief komt niet. Ik zal, voor ik dit liuis verlaat, aan haar, die .ik bedoel, nog eens schrijven, .... doch dat kan ik bij u even goed doen.

Ja, lieve meid, gij hebt wel kostelijk gelijk! Men moet maar wel doen en vroolijk leven. He, wat? Op die; fijnen is toch geen staat te maken; echter zijn er (of jij \'t niet geloofde!) zulke vrome zielen onder, die, waren de hoofden dezer brave menschen zoo goed georganiseerd als hunne harten, wel zuiver en godsdienstig zijn. . . . enfin, kort gezeid, Letje, Salomon, de wijze koning Salomon, is mijn man: men moet het goede genieten van zijn leven ende van zijn arbeid; — daarmee is dat maar uit en afgedaan.

\'t Wordt donker, en ik krijg geen licht in mijne kamer; ik kan des niet langer schrijven. Hoe zal dat gaan, als ik beueden kom? Ik zal eerst Tante goeden avond zeggenen, als zij draaglijk is, bij haar gaan zitten breien; zoo niet, dan ga ik in de zijdkamer (de lantaarn brandt toch in het voorhuis) open mijn klavier en speel op \'t gevoel maar weg.

Maak mijn compliment aan mejuffrouw de weduwe Spilgoed en zeg haar zooveel gij noodig oordeelt, zoo gij deze nog voor ik u omhels in handen krijgt. Nacht, lieve ziel.

Tout a Toi, S. Burgerhart.

Mejuffrouw Sara Burgerhart aan den heer Abraham Blankaart.

Geëerde Heer, zeer waarde Voogd!

De steen is geworpen; ik ben quot;t ontvlucht en acht het plichtmatig u alles te melden. Gister-namiddag ben ik hier

ocr page 55

47

in mijn nieuw logement gearriveerd. Ik zal u alles vertellen.

Ik twijfel dikwijls, of Tante mij deze laatste weken niet zoo geplaagd heeft, om mij dezen stap te eerder te doen. Het volgende deed mij nog te eerder tot een besluit komen. Tk ontmoette in een ÏVansche winkel, daar ik een paar handschoenen kocht, een mijner schoolvriendinnetjes, zekere Letje Uruixikk,. Het lieve meisjes vader was de heer Philips Buinier, geen ongeacht commissionairs op Duitsch-land en Italiën. Ik leg haren brief aan mij, ook die der weduwe, daar zij bij logeert, hierin, opdat gij zoudt weten al wat er mij van bekend is. Nu de vertelling:

Gistermiddag ging Tante uit eten. Ik kleedde mij aan, stak wat linnen bij mij, ook mijne juweelen, die ik van u gekregen heb voor gij naar Frankrijk ging, doch die ik nooit heb aangehad, met een weinig gelds (want zij geeft mij niets, — geen duit). Brecht had de stoutheid om mij te vragen: //waar ga jij heen ?quot; — //Dat raakt jou niet.quot; — //Dan zei je ook in huis blijven.quot; — Heb jij \'t hart en belet mij dat eens. 1 — Ik kan wel boos worden, maar niet kijven, en, ziende dat Brecht haar talent te werk stelde, bedacht ik mij. //Brechtquot;, zei ik, //heeft Tante je die orders gegeven, dan moet ik haar de reden vragen, als zij t\'huis komt; wat zullen wij eten?\',\', — //iCliekjes1,, zei zij. -— //Goed, ik heb honger; maar wij zullen Tantes gezondheid eens drinken; toe, meid, haal eens een ilesch wijn; jij hebt zeker den sleutel.quot; — //.Ik doe niet, juffrouw Saartje11 (nu ik van putten sprak, kreeg ik aanstonds dezen titel). — //Jij jokt, Brecht ; als Tante er van spreekt, zal ik haaiden wijn betalen.\'quot; — //Je tante heeft altoos zelf den sleutel; maar als juffrouw mij niet beklappen zou, ik kan

ocr page 56

48

er toch wel bij.quot; — \'/Ik je beklappen! wel, dan moest ik wel gek zijn ; krijg maar, toe, schielijk.\'\' Zij ging. Ik had al lang gemerkt, dat zuster Beechtje aan de fep was; ik tastte haar des van de zwakke zijde aan. Doch pasjes was zij in den kelder, of ik flink de deur in slot en de grendels er op. Toen ging ik het huis uit en haalde de huisdeur achter mij toe. Hoe het verder met de zuster gegaan is, weet ik niet.

Ik heb op Tantes tafeltje een kaartje laten leggen, omdat zij niet ongerust zijn zoude. Zij heeft mij schrikkelijk geplaagd; mooglijk zal zij zich dit herinneren; en wat hoef ik haar te kwellen, nu ik uit haar macht ben; is \'t niet waar, mijnheer?

Wat verlang ik naar een brief van u! De muziek hel) ik ontfangen. O wat zijt gij een goed man! Kon ik u mondeling zeggen, hoe zeer ik u acht en hoe gelukkig ik mij reken van te zijn,

Mijnheer!

(Jive ootmoedige dienaresse en pupil: Sara Burgerhart.

Mejuffrouw Zuzanxa Hofland aan den Heer Abraham Blankaakï.

Mijnheer !

De Apostel zegt: //dat wij allen ommegang met zondaren niet kunnen vermijden, want dan zouwen wij buiten de wereld gaan moeten. En schoon ik mij zoo kan vinden in de woorden van dien heiligen sukkelaar, zooals broeder

ocr page 57

49

Benjamin koning David wel eens noemt, zoo kan vinden, zeg ik, ia de woorden daar hij zegt: //Ik korae niet op den weg der zondarenquot;, zoo vind ik het nu in mijnen weg noodzaaklijk, mijne oogen naar het afgodisch Frankrijk te slaan ende mij als te begeven onder heu, die het teeken des beestes aan hun voorhoofd dragen.

Je weet, mijn zusters man vond het zoo, om u tot eersten voogd voor zijne dochter te verkiezen, en hare moeder maakte mij mede-voogdesse, bevelende, wil ik spreken, haar aan mijne liefde en bescherming. Daarvoor kreeg ik \'s jaars een matig stuivertje van honderd halve rijertjes; och ja! Dit was weinig genoeg; want het meisje was weelderig)es opgevoed: ik moest om haar nog al meer omslag maken, dan ik zoo in mijn eigen gedoente gewoon ben, och ja. Maar wat is \'t? men doet veel uit liefde ende tot liefde. Had ik maar vruchten mogen zien, dan zou ik mij alles nog kunnen troosten. Doch al mijne moeite, al mijne zorg was tevergeefs. De meid heeft een keisteenen hart, geheel voor de wereld, en zoolang ik zoo met dat lastig zeeschip g\'etobd en gewroet hebbe, ben ik zoo van mijn hart af geweest, \'t Is, of de zegen uit mijn huis is. Ja, ik heb van haar kwaad humeur veel verdragen; maar ze is weggevlucht.

Voorleden A\'rijdag was ik bij eene heele vrome mevrouw ten eten met broeder Benjamin en nog ettelijke vromen, om een goed woord te spreken. Ik beval aan mijne meid, onze Brecht, op Saautje te passen. Wat gebeurt er? Ik kom \'s avonds met den broeder welletjes en vriendelijkjes thuis, ga naar \'t zaaltje, roep, krijg geen antwoord. Eindelijk, door mijn gang gaande, hoor ik iemand, die roept; //J uffrouw ! och juffrouw! ik zit in de kelder.quot; Ik doe de deur open;

uit N\'ederland\'s letterschat rr. ,i

ocr page 58

50

daar zat mijn meid in den donker opgesloten en was zoo ontsteld, dat zij mij pasjes kon zeggen, dat die ondeugende Sare haar in de kelder gesloten had en zelf de deur was uitgegaan. De meid was zoo bezet van den drank dat ik wel denken kan, dat zij haar die heeft ingeprent en toen in de kelder gebracht, opdat Buechtje haar niet in hare snoode vlucht zoude beletten.

Nu is zij in een godloos huis, daar gedanst en gespeeld wordt, daar de juffrouwen een el hoog gekapt gaan en met alle vromen den spot drijven. Ik zou haar wel laten weerhalen; ma.\'ir ik dank den Heere, dat zij maar weg is. Nu zal ik weer rust en stilte in mijn huisje hebben en mijn eigen wegje gaan. Maar jij moet haar straffen: dat is jou plicht. Ik eisch het volle geld, tot zij trouwt of vijfentwintig jaar is; zij is uit\'er zelf weggegaan; nou, dat spreekt van zelf. Ik geef u aan u zelf en haar den Duivel over, wiens livrei zij al aanheeft. Ik snij haar af. Zij zal geen duit van mijn goedje hebben. Non \'t geld wacht ik op den vervaldag. Hoe heuchelijk zou het zijn, indien gij ook in onzen wijngaard arbeidde; maar uwe vervreemding van het goede laat mij niet toe, u anders te noemen dan

Mijnheer!

Ik ben uwe beterschap en bekeering wenschende,

Zuzanna Hofland.

ocr page 59

51

De heer Abbaham Blankaaiiï aan mejuffrouw Zuzanna Hofland.

Mejuffrouw !

Wel zeit het Hollandscli spreekwoord: Hoe later op cleu dag, hoe schoonder volk.quot; Maar wat heb ik met uw geld en uw heilige sukkelaar te doen? Wat geef ik om uw broer Benjamin? Weet gij wat, juffrouw Hofland: uwe heele ouwe voddenwinkel van kwezelarij raakt mij niets, geen oogvol. Hou uwe brieven maar thuis, ik weet alles in \'t lang en in \'t breed. Het kind heeft deugdelijk gedaan. Zij moet meer gedulds hebben dan ik: anders had zij zoo lau? niet eens bij u gebleven ; dat \'s maar uit. Waar\' ik in Amsterdam geweest, ik zou haar zelf uit uwe klauwen gehaald hebben en in mijn huis gebracht; al hadt gij en uw volk mij braaf gelasterd: dat scheelt mij weinig. Hoe, wat hamer ! denkt gij, dat ik niet weet, hoe jij haar gedaan hebt, en dat jij haar als een zottin door de godgantsche stadt hebt laten loopen in ouwe konkelige kleêren. en dat voor een meisje, die geld heeft en altoos proper gekleed pleeg te zijn, iets dat ik ook bijster graag zien mag: wat wil je nu daarvan hebben, hé? Jij meugt waarachtig nog wel spreken van omslag! Wat heeft Saautje bij u gehad ? Overgeschoten klieken en niet half haar bekomst. Weet je wat? Jij hebt het geld van een wees met uw smulbroêrs en fekelkousen verteerd en het meisje nog gebruikt, om dat gespuis op te passen, dat heb je. Je meid is een dronken tobbe, hoor! Zij komt er genadig af. Laat zij nooit onder mijn oogen komen; want ik ben wat poestig: ik mag geen onrecht zien, dat om de hagel niet; er zullen konkels zwaaien.

ocr page 60

Wal leg jij ook te wauwelen over afgodisch Frankrijk, en van menschel), die het teeken des Beestes aan hare voorhoofden dragen? Ik weet niet veel van al die nieuwe snofjes en modes, noch hoe die duivelderage hiet, die de dames nu alweer opzetten; doch jij weet er ook niet veel van. Maar zoo zijt gij allemaal: dat gonst en dat bromt over zottigheden, en wezentlijke zaken laat men zooals zij zijn. Je slacht de dominé\'s, die, als zij haar studeertijd verkwanseld hebben, zulk tuig op den preekstoel brengen, daar het te pas komt als een oliekoek in een treurspel. En wat bruit het mij, al droegen de Franschjes het Zevengesternte op hun hoofd? Ik ben een oud Hollander, die hier niet kom om zulke grillen, maar om mijne affaire te doen, en bemoei mij niet met het teeken des Beestes, of waar zij dat opplakken; doe ook zoo en je zult weldoen.

Wel, ik denk, dat ik zoowel in den Bijbel lees als jij; maar wie duivel heeft daar ooit van heilige Sukkelaar gelezen? Broer Benjamin is een zotte vent, hoor! En ik zou mij dood schamen, dat zou ik op mijn eer, indien ik zoo met Gods woord omsprong en het zoo satansch gek toepaste, zooals jij Fijnen doet. Weet je wat? David was een held, die de oorlogen des Heeren voerde en een kerel als een boom aandorst; den reus Goliad van Gad, meen ik. Paf, daar lag hij, en David, ook niet lui, als de blis er op, flink maar zijn dikken kop afgeslagen : dat was zeker geen sukkelaarswerk, meen ik. Hij was een groot Generaal; dat klinkt je wat anders voor den snoet.

Paulüs ? van Paulus moet je afblijven. Paulus was de beste, de raisonnabelste man van de wereld; want hij zegt anet ronde Zeeuwsche woorden: //Gierigheid is afgoderij.quot;

ocr page 61

0 he! kwam die vrome Apostel eens hier, ik verzeker je (voor een kwart percent), dat hij uw huis een afgodisch huis zou noemen. Wat praat jij van een goddeloos huis? Mogen de jonge dames dan niet zingen, niet spelen, als zij maar wel oppassen en braaf zijn? En ik hou veel van de muziek, en Saauïje speelt kapitaal, en ik heb haar eenc heele scheepslading muziek gezonden; doch gij zult geen occasie hebben, om ze op \'t vuur te smijten. Wat zeg je, wat blief je, weet ik van de zaak?

Ik heb zooveel achting voor brave, vrome menschen als iemand in de wereld; maar al je gekwaak en al je geteem is geen snuifje waard; op mijn eer, dat is het niet. Ik weet meer van joului werk der duisternis dan je denkt; ik ken dat lieflijk oefeninghoudeu, de; goeien niet te na gesproken ; want ik wil allen niet met één kwast overstrijken. Maar gij en uwe Soci, daar heb ik de nijd op.

Wat weet zoo een luie zuipzak van Gods Woord? Had hij liever voor \'t lieve Vaderland (en alle zoete meisjes) ossen en schapen geslacht, hij zou een veel nutter werk gedaan hebben. Hoe! hebben wij in Amsterdam dan geen wijze dominé\'s, die werk van hunne studie maken, en kunnen wij daar niet Kokseaansche, Voetsiaansche en Lampiaansehe waarheden hooren ? Maar neen: die goeie menschen klagen over ijverloosheid, en velen preeken, God betert, ook voor stoelen en banken, en in jelui kamers zitten de vroompjes gepakt als haring in de ton; zoodat ik wil maar zeggen, dat ik een vijand van zulke oefeningen ben.

Hoor, als ik Burgemeester ï. of een ander braaf regent van onze stad was, ik zou Amsterdam eens terdeeg zuiveren van die onnutte broodeters. Ik zou door de stadsomroepers

ocr page 62

54

met liet wapen der stad op hunne bekkens gescliilderd, de les van Paxjlus laten opklinken : Hoort, gij brave burgers en ingezetenon, hoort; quot;Die niet werkt, zal niet eten.quot; En zulke kwanten als broer Benjamin kregen logement in \'t groote werkhuis, dat er zal gebouwd worden op \'t Wezeper Veld, wijl hij een van die borsten is, die, bij de huizen omgaande, de vrouwtjes gevangen nemen, die met zouden beladen zijn. Ik zou niet half zoo boos op jelui zijn, indien de stille zielen, die het zoowel met het goede voorhebben, om zulk volkje niet bespot of veracht wierden.

Jij Saautje aan den Duivel overgeven! Weet gij wel, dat hij een kwaje gek is en dat, als gij haar niet kunt leveren, het er wel eens heel benauwd voor u zou kunnen uitzien? Mooglijk neemt hij Tante, omdat hij quot;Nichtjetoch niet bekomen kan. Keu jij de weduwe, daar zij bij inwoont? Je mocht wat! — Puis! Tante! is het zoo goddeloos, een menu stje te dansen? Wel, dat mocht jij en Broeder en je dikke Brecilt ook wel eens ondernemen, om de kwade humeuren, door luiheid en lekker smullen opgegaard, uit te dampen. Zie, wij kennen malkander van voor dertig jaar; je placht zoo vies niet van een dansje te zijn. Hoor, ik ben eens door zoo een Tijnbaard schrikkelijk bedrogen, en sedert gaat er een kou over mijn lijf, als ik aan jelui denk. Ik spreek niet van vrome nauwgezette lieden, dat weet jij héél wel.

Ik kan \'t niet knoopen, dat uw\'\' lieve zuster besloot, u haar eenig kind toe te betrouwen, Mooglijk hebt gij zoolang aan haar zwak hoofd liggen gonzen en huilebalken, dat zij het moest opgeven. Alles is jelui ga-j-ing. En \'t was nog eene zoetigheid, honderd halve rijers voor haar kostgeld. En durf jij nog van geld kikken? Hoe, wat hamer! denk

ocr page 63

00

je, dat ik een schurk, of deuk je, dat ik razeude dol ben? Ik ben haar voogd; zij is met myne goedkeuring heengegaan. Jij hebt het haar moede gemaakt. Trekken zul je,— ja! aan een aschkar. Wel, je bent eene overheerlijke Tante! Je bent immers nu veels te oud en te leelijk om nog eens te trouwen; wat zul je met jou geld doen? Meenemen? Loop voor Joost; ontmaak het kind uw goed, zij heeft genoeg. Procedeeren ? Ei, spreek eerst den Advokaat naast den gouden ketting eens. Zoo die het n aanraadt, hier is je man.

Spreek niet van haar kwaad humeur. Zij is maar al te zoet vau aard en te toegeelljk. Zoo zeit de brave weduwe Willis en elk die het lief kind kent. Doch wie Satan kan met zoo een paar ouwe Meerkatten omgaan als jij en Brecht?

Ziedaar, zusje, nu heb ik óók eens gewerkt in uwen zondigen Wijngaard; ja, ja! ik heb de ranken zoo verbruid besnoeid, dat, zoo er nog iets goeds van zal komen, het volgende jaar goede vruchten zal leveren. Ik twijfel, of Broêr de Uitlegger u voor alle uwe smulpartijtjes wel zoovele heilzame waarheden geleverd heeft dan gij hier ontvangt voor ééne Fransche briefport.

Om u aan den drommel over te geven (in plaats van mijne pupil), denk ik, dat nu te laat is; en ook, hoe boos ik op u ben, ik wensch uit grond van mijn hart, dat gij n verbeterde. Gij zijl wel oud; doch men is nooit te oud om iets goeds te leeren: gij waart toch in uw jeugd nog al een rare schommel, hoe kom je zoo veranderd?

Ik wil geen kattesehrift meer van u ontvangen, zoo gij u niet bekeert; daarom wordt alles in eens afgedaan door

Abraham Blankaart.

ocr page 64

De heer Abkaham Blankaaet aax mejuffrouw Sara Burgerhart.

Liere hind!

Mijn boekhouder, de oude, goede Peïerszen, zal u het geld brengen, dat ik u toeschik: de wissel bedraagt duizend guldens. Koop er al van wat gij noodig hebt, om in ordent-lijke gezelschappen te gaan. Maak drie sakken, of hoe hieten die samaartjes, zooals uwe moeder en grootmoeder droegen. Koop alles wat er bij hoort, maar niet opzichtig of wild; nu, ik vertrouw alles goeds van u. En doet uu niets aan je lijf, dat je niet kunt blijven dragen: dit zou u al zoo gek staan als die klungels, die Tante u aandeed. Gij moet het eerste halfjaar in voorraad betalen; ik wil geen verplichting op dit stuk. Leg het wel aan, en als ik u zie, toon mij dan eens, hoe gij \'t besteed hebt. Hoor, meid: zoo je \'t wel aanlegt, heb jij gelds genoeg; zoo niet, dan is \'t gauw op.

Ik heb zakken met klachten over u in eenen zotten brief van je tante. Doe jij maar wel, en ik zal u altoos voorstaan. Ik had gemeend thuis te komen; maar H zal nog vooreerst niet lukken. Luistert toch altijd naar de brave en wijze juffrouw Willis, alsof het uwe moeder waar1; meer eisch ik niet vau u. Ga je wel in de kerk, kind? Dat moet je vooral en vooral doen. Daar zit ik nou weer iu een paapsch land; daar hoor je van God noch zijn gebod, wil ik spreken, en zoo ik mijn tijd niet wel had waargenomen, hoe zou \'t nu gaan met mij ? Als ik thuis kom, zal ik je alle Zondag afhalen om ter kerk te gaan; want ik ben nog zoo een oud Hollandschman, en je zou niet gelooven,

ocr page 65

57

kiud, hoe fraai de meisjes zijn, als zij daar, gelijk zoo een rij wasse poppetjes, wel gekapt en gekleed, aandachtig zitten toe te luisteren wat de leeraar zegt. Ik versta weinig Franseh; maar als je evel toch altemet eeus naar de i\'ransche kerk wilt, dan zal ik, uit pure inschikkelijkheid, met je gaan en denken; zij onderhoudt er haar Franseh door, en voor mij is de penitentie kort, want die coquette abbetjes maken het in een uur knaphandig af.

Zeg eens, SAAii-lief, staat er ergens in den bijbel van een teelcen des heest es ? Zij past dat toe op de menschen, daar ik nu bij ben. Ik heb de vier Evangeliën al eens doorge-loopen, doch vind er niks van. Doch dat fijne volk vindt zooveel in Gods woord, dat er geen christen mensch anders in kan vinden. Jij hebt niet veel anders te doen, lees zoo lang, tot je het vindt; maar \'t zal weer op niets uitkomen. Evenwel, staat het in den bijbel, dan spijt het mij, kind, dat ik het niet wist; want ik ben een vijand van spotten. Och lieer! ik dacht dat zij choqueerde op de kapsels. Zoo ik iets op u vermag, bederf u schoon bruin haar niet ten pleziere van eene ongevallige mode: anders moei ik mij er niet mee. JSTu, zoek er eens ter deeg naar, hoor? En schrijf mij, of gij \'t wel hebt. Vrees God, leef betaamlijk en denkt, dat je daar twee ouders in den Hemel hebt, die u ter zijner tijd hopen weer te zien.

Nacht, beste kind, ik ben

Uw loeyeneyene voogd

Abraham Blank aart.

ocr page 66

ÓS

De b hoede ii Benjamin aan den heer Abraham Blankaart.

Menheer !

Jij hebt ons, ons volk ende onzen weg beroerd, en, schoon de zusters zich alles zou wen getroosten in stille zuchten, zoo voel ik mij gedrongen om het voor haar, de goede zaak en mij zelf op te nemen, omdat ik haren stichter en huisbezorger ben. Al ben jij een groot heer, ik zal jou toonen, dat ik op de muren van ons huiselijk Sion geen stommen hond ben; mijn geblaf zal je doen zien, dat ik geen indringer, geen bemoeial ben, maar dat ik eene wettelijke roeping heb. !Nbu ja, men vader liet me de slagerij leeren; t was een werelds man, een schoenlapper; maar men moeder was evel in kerkelijke bediening; want zij was eene der kerke-schoonmaaksters, en, had men vader het niet belet, zij zou mij op de studie gedaan hebben; doch hij vroeg altoos: \'/of zij dan razende dol wasquot; ; de middelen ontbraken en ik had eene groote mate van ziels- en lichaamsvermogens en veel meer trek tot geestelijken dan tot slagerlijken arbeid. In mijnen onverwinbaren afkeer van allen lichaamsarbeid hoorde ik mijne roeping tot een ander ambt; ik was gehoorzaam, ik catechiseerde de kinderen en de vrouwtjes uit mijn buurt voor een mondvol eten; want de arbeider is zijns loons waardig. De reuk mijner gaven verspreidde zich ook spoedig; de grooten der aarde verruilden ook gaarn mijne toelichtingen voor hunne tijdelijke goederen; edoch, dit getal is echter niet groot. Dus raakte ik ook bekend met de vrome juffrouw Hofland, die gij als een andre Saulus vervolgt. Ik slijt vele opgewekte uurtjes met haar. Nu weet gij wie ik ben; maar jij bent een Atheïst, een Ar-

ocr page 67

59

miaau, een Sociniaan; ja, je bent, mag ik met ruimte zeggen, een Deïst. Jij bent een voorstander van alle godloos-beid, jij staat een dartel hellewicht voor, dat doe jij; ja, dat doe jij. Jij weet ook wel, dat jutt\'rouw Hofland als eene echte dochter van Gaaijus de nooden der heiligen vervult) en jij onthouwt haar heur geld, zoodat jij een kerkroover bent, ja, dat ben jij. Zoo, heeft Saaetje geen driehonderd guldens verteerd? Wel, nou toon je al weer jou wereldsch hart. \'t Is waar, wij hielden het meisje in eene christelijke soberheid, wij kleedden haar stemmig; ik weet ook beter dan jij, hoeveel zij \'s jaars aan voedsel en deksel noodig had; honderd rijksdaalders! — maar hqeveel heeft de goede juffrouw wel gezucht over dat baldadig kind der zonde, hoevele tranen heeft zij geschreid, hoeveel gebeden heeft zij voor haar arme ziel gedaan, hoe dikwijls is zij ziek geweest door al dat tobben; kost dat alles geen tijd en zorg? Of denk jij dat alles voor niets te hebben? Neen, jij zult, jij moet er voor betalen. Maar zoo ben jelui: in \'t aardsche kunt jijlui rekenen en cijferen; maar in \'t geestelijke ben jelui blind; maar juffrouw Hofland zal haar geld hebben; ik zal u dwingen, ik — vrees voor mij .... Wij hebben in deze godvergeten stad nog onze duizenden. Wee, wee die den vinger tegen ons opheft . . . . ! Wij ijveren voor de vromen, en onze haat is heilig; dit wee beteekent veel, als het wordt uitgeboezemd door een man als is

Uw ware vriend Benjamin.

ocr page 68

60

De Heer Abraham Br, an kaart aan den broeder Benjamin.

Verachtelijke Kerel!

Ik reken mijii knecht te goed om u te schrijven; daaraan zijt gij de eer, die ik u thans doe, schuldig. Zeg, fraaie kwant, dit aan uwe principale: quot;dat zij zich stil honde of dat ik haar alles, wat zij \'sjaars boven de honderd rijksdaalders ontvangen heeft zal afkorten.quot; Ik wacht haar voor den rechter. Laat zij daar haar leverantie van zuchten, tranen en gebeden inleveren, om te zien, hoeveel haar voor elke twintig dito\'s zal worden toegewezen.

Houd u stil, of \'t zal niet met u gaan. Ik meen u en nog eenigen uws gelijken, zoodra ik in Holland kom, voor mijne rekening aan vast werk te helpen, en dit dreigement zegt veel in de pen van eenen man als

Abraham Blankaaet.

Mejuffrouw Zuzanna Hofland aan Mejuffrouw Cornelia Slimpslamp.

Zusterlief!

Nog bedank ik je voor de zegeningen van de linkehand. Jou gebakjes zijn eêltjes, en de vrucht des wijnstoks was zeer veraangenamend. Broertje was ook recht spraakzaamtjes, en ik heb onze Brecht nooit zoo vrijmoedigjes hooren antwoorden. Arme meid, zij heeft ook al haar deeltje aan de verdrukkingen onzes volks, wil ik zeggen, even alsof zij zich in den drank te buiten ging. Het spijt mij zeer, dat ik den Satan niet maar met onze Sara heb laten begaan.

ocr page 69

61

Ik moest niet zooveel op mijn eigen krachtjes gesteund, maar wat meer vrome list gebruikt hebben. Broertje had er een dieper inzicht van; dat merk ik nu. Wat het hij daar gisteren weer kostelijke verlijkenissen gemaakt tusschen mijn buurman, den Sterrekunstenaar, en den Antichrist: zooals, dat hij zich juist als de Antichrist boven alles verhief, als hij boven op dat ding staat, dat hij op zijn huis heeft gezet; och ja! Maar ik kan quot;t zoo alles niet onthouwen of wèl begrijpen, en in de toepassing bracht hij alles zoo pratikaal op Sara thuis. Onze Biiecht huilde, zooveel indruk had zij er van, die sloof!

Nu kom ik eindelijk op de zaak, waarover ik u wilde schrijven. Daar het onze Buecutje Saha gezien met een jong, wild heer. Zij geloofde, dat het een uit de komedie was en zij was nog veel lichtvaardiger opgeschikt dan de pop van Pieternel, daar je men eens van schreef. Zij was een el hoog gekapt. Haar sak (ja, zoo een duivelskleed heb ik ook nog in mijn natuurstaat gedragen) was opgestrikt, je leven zoo niet. Ze had witte zijde kousen aan; denk, zusje, witte zijde kousen en kerjeusde schoenen! En an der orlosie bungelde een hoope nesten en vodden. Zij luisterde; Beechï zag het duidelijk, hem wat in, en toen keek hij de meid aan en lachte, dat het een schandewas. Hoor, Kee, ik ben somtijds nog al bezwaard over haar; maar Broertje weet mij zoo tot rust te brengen. quot;Moet jij niet ietewat hebben, Zaxxetjequot;, zeit hij, //om je klein te houwen? Is het niet beter, dat je jou bezwaard voelt om je zonden, dan dat je een Armiaansch slikgrondje hebt? of dat je ziel door eigen gerechtigheid den Duivel als een roofgoed wierd overgeleverd?quot; En dan wordt het mij alles zoo licht, zoo licht; och ja, zoo licht.

ocr page 70

63

Maar, zusje, je hebt mij zoo dikwijls iu gemoedsgevalletjes geraden en Salomon zeit: //twee zjn beter dan eenquot;. Eilieve, wat moet ik doen? Broeder Benjajiix wil. dat ik met Blan kaart procedeer, zoo hij mij niet tot een duit toe betaalt volgens de conditie met haar moeder gemaakt. Al haar goed is hier ook nog, al de kleeren en zoo voorts van hare moeder, die eene prachtige vrouw was, en al het gemaakt zilver; maar dat evenwel te verdonkeren, hoe zal dat gaan? Blankaaut is een droevig schepsel om mee te handelen ; hij zou mij, och ja ! schandaal aandoen. En evenwel het hellewicht verdient zooveel geld niet; zij zon het ook tot haar bederf gebruiken. Het alles over te geven is ook hard voor tvleesch: \'twas evenwel mijn zusters goedje, wil ik spreken. Eilieve, zend mij nog eens het Heilig Onrecht van Petrus Kwezelius. Ja, je hebt toch dierbare schotsche boekjes. Wees gegroet en antwoord mij eens; zul je?

Zuzanna Hofland.

Mejuffrouw Cornelia Slimpslamp aan Mejuffrouw Zuzanna Hofland.

Dierbare \'Zannetje !

Wel, hoe kom je nou toch weer aan zoo een zwakgeloovig buitje? Wel, quot;t is of je toch altoos nog zoo ietewat van je zusters werkheiligheid aankleeft. Wel, jij hebt die zwak-heedjes noodig, kind, om kleintjes te blijven. Komaau, waarom zou je recht doen? Is het niet om gerust te zijn? En als je nou eens gerust waart, omdat, je wel deedt, zocht je dan jou heil niet in jou eigen werken? O Zannetje, ik hou daar niet van, \'t is te gevaarlijk voor vleesch en bloed. Ja, Blankaart is wel een godloos man; maar je mot

ocr page 71

63

hem te vriend houden. Laat je trotsch hartje varen en vind het met hem; want prossedeeren, daar ben ik in dit geval tegen; je weet, hoe de wereldlijke rechter handelt, omdat liij alleen op liet nitwendisre ziet.

Wel, wat ben jij toch ook een geestlijk treuzeltje, een eenvoudig zieltje! Ontschiet het je waarlijk, dat Saka zoo opgeschikt gaat? Wel, mij niets ter wereld. De stalen en patronen lagen in haar gruwzaam hart gereed, en de Duivel zag maar naar gelegenheid uit, om die tot daadlijkheid te brengen.

Ik kreeg onlangs uit het llotterdamsche Sion een brief van eene heele vrome Mevrouw, bij gelegenheid dat men daar sprak van ook nog eens een tente des Satans op te bouwen. Die Mevrouw zond mij het afschrift van eene leerreden, door Broeder van der Kwast in de huisoefening uitgesproken. Je zult verbaasd staan over zijn geheiligd vernuft, over zijn diep en zalig inzien in de dieptens des Satans of des inenschelijken harten; want dat komt zoo al op een uit. Ja, die van der Kwasten zijn lichten in ons land. Hij luid tot stoll\'e: Ue zeven gelijkenissen tusschen de kleeding van een wereldsche vrouw en haar bedorven hart. Zie hier, zusje, zal ik de leerreden gedeeltelijk overschrijven.

quot;Het kapsel van eene on wedergeborene is nu eens allegaar in de hoogte, bestaande uit ettelijke boven elkander gelegde boucles; voorwaar een afbeedsel van haar hart, dat zich op zijn eigen droggronden zeer verheft, en de eene deugd, reeds door ij dien waan als een ronde bouclé opgezwollen, op de andere stapelt, waardoor de natuurlijke mismaaktheid nog gruwzamer wordt. Dan kapt zij zich eens allegaar in de breedte; maar een wcldoorziend geestlijk oog ontdekt wel ras dezelfde boosheden, \'t Zijn die heidensche deugden, die

ocr page 72

64

nu in rijen geschaard staan en waarop het hart zich niet weinig verhoovaardigt. Zoo eene vrouw bedient zich van vreemde haren, van watten^ van lange spelden, om zich fraaier te maken; evenzoo doet haar hart: nu versiert het zich met vreemde heidensche deugden eenes Socrates, of de zeden eens paapschen Eénélons, of met die van een Sociniaansch godloochenaar, of Armiaanschen deïst. En alle deze todden en vodden, al dit vreemd haar, wordt ook onder haar eigen gepropt, besmeerd met de pommade van valscheu troost en de poeier der ijdelheid, of laat ik liever zeggen de stof van de Hel, zoodat men haar eigen daden niet onderscheiden kan. Zoo eene vrouw versiert zich met fijne perlen en diamanten, met een goed horloge, om daarop de uren des vermaaks te kunnen zien. De sieraden, die aan de ketting slingeren, zijn allegaar afbeeldsels van hare zonden: haar zondig vernuft is als de paarlsnoer en het stel juweelen, schitterend, maar nergens goed toe. Zoo eene vrouw draagt zondige witte zijden kousen en Engelsche schoenen met smalle, hooge hielen, waardoor zij met moeite gaat en dikwijls struikelt, ja valt! zoo wil haar hart zich ook staande houden op de hooge, smalle hielen der Reden en des Oordeels, die veelal uit het Engelsche land ons gezonden worden. Zoo eene vrouw draagt breede Fransche gespen, een sprekend bewijs van hare zucht voor het Paapsche Frankrijk.quot;

Ziedaar, zusje, een proefje uit die dierbare leerreden. Nu, bemoedigt u wat op uw wegje, en denk, dat wij toch wat moeten hebben om ons nedrig te houden. Ik ben in de liefde

Uwe Zuster Cornelia Slimpslamp.

ocr page 73

G5

Mejuffrouw Sara Burgkehaiit aan Mejuffrouw Zuzanna Hofland.

Mejuffrouw en Tante!

De- waarde Heer Blankaarï, mijn geëerde voogd, heeft mij bevolen om van uw huis te laten halen mijn klavier, mijn guitar, al mijne muziek, nevens al het linuen enz., dat tot mijn lijf behoort. Zoo UWE. een dag, waarop dit ti best convenieert, gelieft te noemen, zal ik op dien dag lieden zenden, om het onder mijn handteekening te laten transporteeren. Ik weusch UWE. alles goeds en blijve

UWEd. toegenegene Nicht en Dienaresse.

Sara Burgerhart.

De Heer Abraham Blankaart aan Mejuffrouw zuzanna Hofland.

Mejuffrouw !

Wel, hoe hebben wij het toch met elkaar? rijd je de witkwast of maalt je de geest? Denk jij, dat ik zoo maar op een dag heen en weer zoo eens over kan komeu om u te zeggen, dat gij juffrouw Saartje haar linnen en muziek zendt? Was het briefje niet zoo beleefd, als er een in heel Amsterdam te vinden is ? Wie, hagel! hoort er van ? ^t Is immers het kind zijn eigen goed. De guitar heb ik zelf uit Londen meegebracht, toen zij tien jaar was: hij kost mij verscheide guinees; maar hij is ook al wat je hooren kunt, zeg ik je. Wat doe je toch met haar klavier; speelt Brecht met haar stijve, dikke stompen er somtijds eens

UIT NEDERLAND\'S LETTERSCHAT II. 5

ocr page 74

66

een deuntje op, als zij dronkeTi is, en dans jij dan met Broer Smulpaap, als er zoo een klein verheugmkje is? Wat praat gij toch van nog wat te rekenen of te verrekenen; zwijg er maar doodstil van, of ik zal je anders spreken. Weet je, wat je krijgen zult? Net twee nieten in een bodemloos mandje, en Beecht om een oortie raakwat voor een vervalletje: Broer kan zooveel knokkelolie krijgen, als hij thuis\'1 kan brengen. Dan zult gij wel voldaan willen teekenen? Wat zegt gij nu van Abraham Blankaabt?

Maar wat hoor ik, Zanneke: ga je trouwen met een heer, die alle daag in zijn japon bij u komt? ik kan wel denken, wie of er op u smoel heeft; wie anders dan de broeder? Nu, geluk, er is maar een paar bedorven. Evenwel, als ik zoo alle ouwe dingen overdenk, dan beklaag ik u toch. Wij hebben immers menigmaal eens een pretje gehad, en je hoorde me toen zoo graag zingen van; //Toen onze Pau in \'t leger kwam.\'quot; Waarachtig, Zanne, de fijnen loopen op uw zak, meid! ze zullen je zoo arm maken als een mier. De duivelsche gierigheid heeft u gefopt, en de kwezelarij zand m de oogen gestrooid. Neem dan dien drasbroek niet. Ik zal wel een ander opschommelen, als ik in de stad kom. Nu hebt gij order van mij, om Saakïje\'s goed te zenden.

Ik blijve

UWEd. dienaar, Abeaham Blankaart.

ocr page 75

Uit de :

HISTOEIE YA^T WILLEM LEE VEND.

Mejuiteou-vv Martha de Harde aax mejuffrouw Alida Leevend.

Waarde Ni fff!

Het is hier zo heet, dat de kraaijen gaapen; en ik heb het met myn dikke lyf kwaad genoeg; anders zon ik al eens hy n geweest zyn; Mant men ziet je weer niet. \'t Is met jon hollen of stil staan; dan kom je alh; daag, dan is \'t of wy wild vreemd zyn; en je weet, ik kan zo alle daag niet uit myn drukke huishouwing loopen! \'t is ook een heel eind, van Zeemansrust naar de Heeregragt, en het kleeden valt my regt zuur in deeze heete dagen; en ik zal nog al myn goed, zo benaanwd steek ik er in, moeten uitleggen ; nu, dan kan jy met Betje van hier naast my helpen. Maar, kind, ik heb een eitje met u te schillen. Ik moet zeggen, dat myn Broers Vrouw heel geheim is. Onze Geiiriï zyn Vrouw, jen Moeder, is goed en wel; maar zy zal denken, dat Zuster niet weet, zal Zuster niet klappen; nu, ik kan zo goed zwygen als de beste; al wat je 1113- zegt, legt hier begraven, Al had Moeder een moord gedaan, ik zou

ocr page 76

08

het zwygeu. Ik ben ook, God dank! niet nieuwsgierig naar eens andermans geheimen. Ik zeg altjd: die veel praat, liegt veel; en ook met zo een werkelyk huis, Nigt! Zie, meiden zjn meiden, en onze Preuyk heeft wel een zwarten jongen noodig, om hem zyn prullen en tabaksgoed na te draagen. Hy gooit het maar neer, en denkt, myn Wyf is toch een regte Martha. Zo dat ik weinig tyd heb, om my met praatjes op te houden. En:

Terwyl het Schaapje hl eet, verliest het een leetje.

Tenvyl V Vrouwtje klappeit, verliest het een steekje.

zo als myn oud Motje pleeg te zeggen. Ik zeg praaten en breiën. Ja, de Amsterdamsche waereld is wat veranderd in myn tyd! Zag de wijze Salomon ereis op, hy zou niet zeggen: dat er geen nieuws is onder de zonne. Wel, de Juffrouwen draagen Manlui hoeden op der hoofd. En ik zie my stom op al de nieuwe snofjes, die er weer uitkomen. Nu, het gaat er ons land ook na! want de Engelschen neemen immers al weg, wat los en vast is. Ik lees druk in den Nieuws-Vertelder; quot;t is jammer, dat er zo veel Stadhuiswoorden in staan; ik begryp het zo alles niet. Maar ik merk wel, dat de boel in Europa vlak op zy zit. Eu onze I\'reeyk zegt, dat wy aan laager wal gestuurd worden; en hy zou er wel zo eens een paar douzyn van die lelykerts wat balsemiek willen doen kielhaalen Ja, ja! hy weet wel van \'t Land, maar wil er nooit met my eens over spreeken. \'/Dat zyn geen Vrouwen zaaken,quot; zeit hy dan. En dan denk ik, \'t is ook waar. Ook schryft de krant zo veel leugens. Wel, Nigt, hebben zy daar onlangs my niet de dood op myn lyf gejaagd? toen zy vertelden, dat de Engel-

ocr page 77

(59

sohen te Vlissingen alles kort en kleiu sloegen; ja dat de Vloot al heel aan den Uithoorn was. En denk, ik zat evenwel moerziel alleen voor alle Engelsche baldaadigheid bloot; want myn Man is Sinjeur, zelden t\'huis. Zo dat, ik weet niet, hoe het zit met ons land; en Freeyk zegt my zo niets.

Maar nn zulje weer uit de Xagtschuit komen; en zefffjen: quot;Heden, wat voor een geheim!quot; Hon je maar niet van de mallen! wel, dat is de drnyf in myn mond, zei de Smit, en hv verkocht een treeft, \'t Is met jou ook zo. Denk je niet, dat ik weet, dat je geprittendeerd word? en zie daar, ik noem man en paard: van men Heer Ryzig; wel bekend, immers zyn \\ oorouders. Want zyn Grootmoeder Bregtje Gerrit.s (wist men toen van Mevrouw?) Bkegïje Gerrits, of in de wandeling Buegtje Kostelyk, want het was er in huis of je zo by de klinkklaare ryke Benisten kwam; zo kostelyk was het er. !Nou, als de maan vol is, schynt zv overal. Me dunkt, al ben ik maar jen Tante, en al heb ik zo veel verstand niet, als jen Moeder, als Mevrouw van Oldenburg, meen ik, zo had ik op dit stuk ook wel mossen geraadpleegd worden. Het is my waaragtig ook niet eender, wie er zo al maar in de familie komt. Niet dat ik wat tegen den Jongman heb; ik heb lang in zyn Moeders buurt gewoond; maar hy hield zich wel. En al droeg ik sreen sak, en al had ik een muts op myn hoofd, hy groette Buurvrouw altoos, of ik ook een Mevrouw was. Ik had dikwyls myn spikkel in hem. En hy schikt zich ook niet op als de Meisjes, drie treedjes op een tafelbord, daar myn kalf Mozes zo alle duivels om uit de hel kan vloeken, als hy een jong Karei zo ziet kwispelen, en op straat drillen. Maar

ocr page 78

70

toch, Aal, liet is jen slag niet. Je weet, ik ben een Aap-uit; en aan jou, IVigt, zeg ik het regt uit. Hy is veel te verstandig voor jou. Hy zou gaauw zien, dat jy een Huishoudster op schillen zyt. ISTou, ik zeg Huishoudster tegen jou! zo gaan er altoos dertig in een douzyn; en dan is \'t nog, hoe grooter hoop, hoe slimmer koop, zo als Jan Luiken in zyn Liefdevonken leert, meen ik, of het moest Kaïs weezen; nu, dat kan niet scheelen. Hy zou gaauw zien, dat hy bekogt was. Hy mogt wel een paardje-schytgeld op stal, en een koets op de stoep hebben. Neen, hy dient je als een vuist in jen oogen. Of\' Grootje Eyzig u ook agter de vodden zou zitten! Want het is een andre haaneveer als jen Moeder.

Ik ben er eens geweest om getuige van myn Werkmeid, die lange waar-gaaje, die u altyd het hek opendoet, weet je. met die morsmouwen, en die rooije stukjes op haar boezelaar: nu dat is al \'t zelfde, van onze Guiet, meen ik. Maar ik zag wel met een half oog, dat Grootje Ryzig een trant van een Vrouw is. En onze Griet zeit altyd, dat zy wel genoeg is; maar dat de meiden geen tyd hebben, om een haak aan een rok, of een onnozel Vader-Ons te bidden. Zy is van \'s ogtends vroeg in volle order: het kapje gezet, de sak aan. Zy zei my, dat zy al in de sestig was; maar \'tis nog een Vrouw als een sweep, en zy glimt tegen je aan. Zy breidde toen haar zeven-en-twintigste paar fijne kousseu voor haar Zoon, en \'t was kerjeus werk. Zy leest ook wel; nou, daar heb ik geen tyd toe; die er tyd toe heeft, is gelukkig. Zy leest alle morgen voor haar Zoon uit de Schrift, en ten agt uuren is de Kofl\'y-tafel al van de vloer. Nu kunje eens denken, of Grootje Eïzig en jy

ocr page 79

71

den mast zullen opkrijgen. Al klom je op de liaan van den Westertoorn. nog zon je jon verdriet niet kunnen overzien, dat zal daar zyn, hot en haar. Zy zou jon ten tienen nog te bed leggen! zy zou jou dat uitvliegen ver-leeren! Ja, ja! leer jy my Grootje Hyzig niet kennen. Alida Nigt zou poot aan moeten, en de handen uit de handschoenen. Wil ik het u eens op een graauwpapiertje uittekenen ? \'s avonds voor Man linnen gereed leggen, en de keuken ordonneeren; want anders weeten de meiden ten elf uuren nog niet, wat er ten tweën zal gegeeten worden. En Bhampje is het zo op zyn elf-en-dertigste gewoon. De overhemden en lubben, (of moet ik mansetten zeggen?) moeten nagezien, of er ook een steekje aan te doen is; en die een dag zyn aangeweest, vouwen, de kreuken uitwaa-zemen en in order leggen. Nigt zon ook niet te vies moeten zyn, om eens een maasje in een sehoone zydenkous te leggen; of te gemaklyk, als er eens een halfjaars wasch over huis is, om een strop of servet te rekken, of een Engelsch hembd te plooijen. Nigt zou des winters om agt uuren aan het Ontbyt moeten zyn; want ik denk, dat gy daar zult inwoonen, en uit den Bybel hooren leezen. Tfigt zou de meiden moeten binnen schellen, om het huiswerk te ordonneeren; terwyl Mama, om tog niet te verletten, nog een naadjen ombreidde; over de keuken, het uithaalen, en de stoffery moeten spreeken; alles na zien; op het tin en koper wazemen, om te zien of het schoon is; met de bloote vingers op stoelen en lysten stryken, om te zien of het wel schoon gevreven wordt. Nigt zon dan naar voor, dan naar agter, dan boven, dan beneden zyn moeten, dan in de provisiekelder, dan op de kleerzolder. Mama zou

ocr page 80

72

vraagen: staan er ook klieken te bederven ? zyn de kasten wel- zindlyk ? zyn er ook te veel half afgebrande kaersen in de laaden? is het bier wel gekurkt? wordt er niet te roekeloos met het vuur geleeft? zyn er wel kooien? is de plaat, zyn de fournuisen wel glad? ligt het vleesch, en de boter wel onder de pekel? eet het volk wel roggenbrood by de spys? maaken de meiden haare bedden? ziet het er op de knegts-kamer ordentelyk uit? is er wel een goed poeierkleed voor myn Zoon ? heeft hy wel schoone handdoeken? zyn er papiertjes op het secreet? is er water in de fonteintjes? enz. ÜSTigt zou, als Mama eens familie-dag heeft, de tafel moeten ordonneeren, het godgansche dissert in order brengen; alles krygen en weg bergen; het zilver sorteeren, en nazien. Nigt zou alle Zondag des winters met Mama naar de Kerk moeten, om lessen voor de geheele week; des zomers met Mama naar Buiten moeten; of als zy by Man bleef, nagegaan worden door een styf ouderwets burger Boekhouwer, die aan Grootje alles zou overbrieven.

Wel nu. Kind, hoe staat je dat al aan ? Je zult Grootje Ryzig zo niet naar jen hand kunnen zetten als jen Mama. Hoor, Aal, ik at liever met haar, als dat ik met haar keef. Het is een Vrouw! \'t is by haar: zwijg maar, en doe maar. En nu ben je nog in jen speeljaartje; nu zit de speulman nog op het dak, botertje tot den boom. Maar, maar! als je eens naar de Volewyk moet: (ja, 5t zyn mooije bloemetjes als zy geplukt zyn; ik hel) ook elfmaal met den Prins over de Maas, en met dat water by den Doctor geweest,) dan zul je jou wel zonder lachen kunnen houden. Als er eens wat jongs komt: help dan kyken. Ach, al woonde je niet Bram in een eigen huis op de Buitenkant; niks! alle

ocr page 81

73

daag mans moer over de vloer. Je zult geen vinger in den as kunnen steeken, je zult geen strootje in tween kunnen byten, of haar neus moet er by zyn. Je zult geen hempje, geen kantje aan een onnozel nagtmustje mogen zetten, of naaijen, dan met Mamas raadgeeving. Dan zul je dat niet mogen eten, dan zul je dat niet mogen drinken; dan zal dit te heet, en dat te koud zyn voor Dogter. Het zal in gèen boeken te beschryven zyn. Dan zal je het kind te veel, of te weinig geeven. Grootje zal alles bekyken; tot het wit broekje, dat het schaap aan heeft, zal beduffeld worden; en zo er eens een haakje, of een bandje aan los is, ó dan pas op: er worden oogen opgezet, en handen gevouwen over zulk een sloddervos. Mama zal den kryg winnen, al zwvgt zy. Jy zult Grootje IlyziG geen ooren aan naaien, (ze het er zelf twee, hoewel zy wat doofachtig is,) gelyk gy my göe klos doet. Die haar foppen wil, moet vroeg opstaan, en daar heeft myn Nigt een broer aan ver-looren. Zo dat, ik raad je die party af. Leer jy nog liefst wat huis houwen, voor jy om trouwen denkt. Leer jy eerst vroeg opstaan, en een steekje naaijen en te breijen; dat is wat nutter, dan dat malle beursjes knoopen, daar je lui al jen tyd mee vermorst. Jy bent nog veel te jong en te ydeltuitig, om een heilig houwlyk aan te gaan. Wagt jy. Kind, tot myn stuk vleesch mannen-deeg is. Je hebt immers, hoop ik, zulk een haast niet? Onze jongen het je in zyn hart en ziel lief; en ik dagt, dat jy hem ook heel wel zetten mogt. Als je hem bent opgeleid, zul je hem ook hebben; dat is by my maar paal vast. Je moet zo maar wat grappen voor hem maaken; je bent toch een snaak van een meid, en hy zal je wel antwoorden, al kykt hy zo wat jnttig, en

ocr page 82

74

\'t is een veugel als hy begint. Ik ben ook wat familie ziek. En het goed bleef clan onder ons. Gierig bennen wy niet; maar men sterft zo gerust, als men zo weet, dat je mooije kleertjes, die je zo zuinigjes bespaard hebt voor Paas pronk, niet na jen dood by Uitdraagers in kelders gestopt, of op sluizen en leuningen van bruggen hy het \'s Gravenlandsche Veer hangen te Avaaijen, en van onreine handen, ja van Smauw-zen betast, en verfonkfooid worden. Wel, dat kon ik in myn kist niet uitstaan. Je zond er ook geen zonde aandoen, al trouwde je met jen Neef; je lui bent immers niet te na in den bloede ? Laat eens zien, ik moet dat evel eerst regt weeten. Myn Jongen is de Zeun van jen Moeders tweeden Mans halve Zuster. Is het zo niet, kind ? want ik ben daanig tegen het trouwen van jSTeef en Nigt; en God de Heer geeft ook nooit zegen daar op; zo als jy wel begrypen kunt. Wel nou, 13aa, dan ben je myn Dogter: en je weet, al bestraf ik je zo eens, jy hebt nog vier witte voeten by Tante Martha. Zie, als je zo wat met my op en neer gingt, zou ik je ligt eens een ding uit de hand neemen. Zie, ik mag graag dat jonge lui eens pret hebben, en eens naar de Slaatuintjes of naar Amstelveen kruijen. Want een jong mensch is geen paneel-deur; hy wil ook wel eens uit. Nou moet ik ereis wat met je overleggen. Wy wouwen ereis een Vriendenmaal geeven. Haal maar wat volk te hoop. Ryzioj ook, en dat lieve Juffrouwtje ,Rknquot;ard verzoek ik vooral. Ach God! daar zal wel genoeg te eeten vallen. Ik zou Willem, als hy overkomt, ook wel verzoeken, maar om dat hy nu zo Sosiniaans is, kan dat niet: want ik moet Beïje van hier naast en den Baas uit onze Gortery ook hebben. Waarom schryfje niet over zyn Geloof? komt dat

ocr page 83

75

met de vryery ? Kom eens, clan zullen \\vy over de maaltyd spreeken. Jy moet my zo wat helpen. Groet Vader en Moeder.

Naii\'t Kind, van

Uwe Tante, M. de Harde.

P.S. Zwyg maar van deezen Brief.

Mejuffeoüw Aliüa Leevend aan jiejupprouw Petkonella IIenaud.

Neen, Renaru, dat had ik nooit van u gedagt! Ja, ik weet wel, dat gy veel meer van myne Mama houdt, (en dat doe ik ook,) dan van my, uwe Vriendin, die zo veel verloren reisjes op en door de Waereldzee der Saletten en Partyen met u gedaan heeft; maar evenwel niet by een mensch op het Commissaris-maal te komen, als een mensch de bruid wordt, dat is regt kwaadaartig van u. Wel lieve hemel, kunt gy, door uw verblyf, in een oudmans ziekenkamer, uw Oom wel voor een eenige neep van het adelyk Podagra bewaaren? Hoor, weet gy wat? ik denk, Kees Everards, als de Pastor Fido, veel meer schuld heeft aan uw wegblyven, dan de oude zieke sukkelaar, die er den schuld van krygt. Ach, hy is immers zo verliefd op u als een snoek. En jylui, gevoelige zielen, zyt zo naauwhartig, dat jelui ook, het geen je zelf niet genieten kunt, nog aan andren misgunt. Wie weet of hy it, oppcene van niet neemen, niet heeft doen belooven, dat gy Wim Leevend niet met uwe lieve mollige zagte hand, (dat is even zo veel. Piet; gy hebt toch lieve handen,) zond begunstigen, ook niet zo

ocr page 84

7«

lang, als de jongen noodig had om u op te leiden. ]Nu, ik wilde om geen honderd waeielden, alle zo mooi als de beste waereld van m vn Broêr deu Student, dat Êyzig die krulleu in den kop kreeg. Wel de snaak zou ondraaglyk voor my zyn; en ik kon er ook zo min aan beantwoorden als de steenen Roeland, die in onze jeugd, ten minsten nog een stuk daar van, op het hoekje van de Kolk stond; ö. Onze Huwlyks Muziek zal veel meer in den Oorlogstoon dan in het Menuetpasje vallen.

Miserabel nog toe, wat heeft uw Pastor Ficlo het ellendig voor zyn hart! De Buitenlanders mogen waaragtig wel praaten, dat wy, Hollanders, koudvogtige ongevoelige cren-tuuren zyn; (zie de Wilden van Europa enz.) Het zou er bedroefd uitzien, indien er geen IlyziG.s en Daatjes waren, om in deeze de eer onzer Natie op te houden: want ik zou gemaklyk een geheel kabinet van gevoelige zielen in den omtrek myner bekenden kunnen verzamelen, Ja zelf, heb ik gehoord, dat een onzer Zeehelden eene Proeve schryft over het Teedere; dat hy die Proeve zal uitgeeven, met plaatjes van Eisen en Gkavelot, en opdraagen aan Colardeau. Eyzig zegt, dat Eveuauds geene oogen heeft dan voor u. Waar bemoeit hy zich mee? Of wil hy my toch op alle wyzen verzeekeren, dat hy wél oogen heeft voor u, en voor alles, wat hem behaagt ? ö Die lieve oprechte man! Ik heb nog wat tegen uw aanstaanden; hy is my veel te mooi voor een man. Wel, hy is mooijer dan gy en ik. Mama zegt, dat ik praat of ik mal ben, en dat zy u meer dan daaglyks vindt. Nu in vredes naam, wees niet alleen beter — neen, wees ook mooijer dan ik. Noem my eens eene bruid, die dit ter goeder trouw kan zeggen, \'t Is waar, Eyzig maakt

ocr page 85

77

my niet zot, door my leugens te vertelleu. Hy heeft my nog geene enkelde keer over myne gevaarlyke schoonheid gesprook en. Knap slag is ook al genoeg, voor zo een verstandig wyshoofd.

Gy zyt genoeg gestraft, want Wim zou geheel voor u geweest zyn — immers, zo lang als de partyen duurden. Die eer hebje nu mooi verkeeken. Ik heb hem nu geplaatst by eene Nigt van Ryzig, daar de jongen doodelyk mee verlegen zit. Een akelig wezentje; een Dichtresje, dat in aartige Vaarsjes een allerliefst Treurspelletje sehryft, en een heel zoet Dramatje maakt, dat met veel verlangen verwagt wordt. Dit oudagtig jong Meisje piept hem den godgauschen dag aan zyn ooren van smaak, en van fynen smaak, en dat wy (geloof ik,) Hollanders, geen smaak hebben; en van het metrum, en van de rust, en van de Dactylus, en van Werken van smaak, en soortgelyk tuigagie. En onderwyl zit de armen jongen met een bakkes, daar het Martelaarsboek aan den eenen, en de Hoofdsche welgemanierdheid, aan den andreu kant, duidelyk (immers voor my,) op gedrukt staan. Myne zucht om Aliassen te geeven kwam weer boven. Ik noem haar des niet Betje Ryzig, maar om de gemaklykheid, Apollonia Phelia Hexameter. Het komt my voor, Piet, dat indien zy geen meer smaak heeft van Poëzy, dan van zich te kleeden, dat wy ons dan nog wel eens met Nigtjes Dichtwerken zullen amuseeren. Zy heeft my een Bruiloftsvaars beloofd; en dewyl het maar aan my stond om te zeggen, in welk een vorm ik het hebben wilde, heb ik dien van een Heldendicht gekoozen ; me dunkt, dat zal er nog zo een geurtje aan geeven. Het zal ysselyk lang zyn; dat heb ik al gemerkt. Nu, dat is haar zaak, en ook uw zaak.

ocr page 86

78

Pietje. //Myn zaak?quot; vraagt gj, me,t een gezichtje, als oi £Cy zo uit eene verliefde mymering onverwagt wierd t huis geroepen. Ja kind, uw zaak; want gy begrypt wel, hoop ik, dat ik het niet meen te leczen ? maar ik zal het u zenden, of gy, in de Lectuur daar van voor uwen Oom, iets vond, dat hem zyn opium konde doen missen. Magtig, wat spyt het my, dat ik geen Poëtès ben! Wel, dan maakte ik, als gy met Pastor Fido in de fuik stapte, een Herderszang; mie Elegante Iclille. Myn styt zou vloeijen, zo als Professor Nabuens zegt: quot;als melk ende als honing,quot; en ik zou er al de E.., en T., en soortgelyke harde letters uitlaaten, om die zagtheid te bevorderen. Krielen zou het er in van Sohaapen, witte Lammeren, van Bloemkransen en van Kroost. Nu, Nigt en ik zullen regt intime Vrienden worden. Wy hebben ook byzonder veel van elkander. En zo zy my, tegen dat gy trouwt, wat van haaren Poëtischen smaak wil overdoen, dan zal ik haar, een half jaar lang, alledaag, een uur in de kunst van zich wel te kleeden onderwyzen, ja haar zelf een groote pop present doen, om zich t\'huis daar aan te oeffenen. \'t Is waar, ik zou niet gaarn Nigt zeggen, by Jan en heel de waereld, tegen een wysnensje, dat noch weet te zitten, noch zich een fatsoenlyk uitwendig te geeven; het woord fatsoen verstaat gy.

Wim, die nooit kwaad van de Meisjes spreekt, (hy is myn Broer, moet gy denken,) zegt, dat zy veel weet, en dat zy alleen wat meer conversatie moest gehad hebben. Wel \'t is toch bedroefd, zeide ik, dat zulke menschen maar te veel moois vinden in anders te zyn dan wy, domme meiden. Hy had vry wat te zeggen op die benaaming; maar vertelde my (of ik het niet wist!) quot;dat Ridder Newton noch door

ocr page 87

79

eenige natuuiijke, nocli door eenige voorgewende hyzonder-hedm, zich nooit van zjne medemenschen had onderscheiden.quot; Maar ik zou iiK\'t Ridder Newton en myn Nigt Hexameter wel vergeeten, dat ik de Bruid ben, en bezig was om u van myne Fetes te schryven! Domine Heftig en zyne Vrouw waren feestig verzogt; dewjl ik zeer wel wist, dat zy hun woord by een ander kwyt waren. Zeg niet, kind, dat dit er niet door kan. Het kan wél —met ruimte zelf! Kon ik Heftig en zyne Vrouw verzoeken, daar hy zo den nyd op Willem heeft; en vry wat ingang by Mama krygt? Kon ik myn Broer geplaatst hebben by iemand, die hem zoude aanzien met een bakkes; frets mich nich! lin ook hy bidt altyd zo gruwlyk lang, dat, zo ik het niet beter hoorde, ik zou denken, dat hy de Tien Geboden en het Geloof bad (zo als onze Roomsche Tuinman.) Van zyn goed wyf spyt bet my magtig; als de ouwe menscb nog er eis op de proppen komt, is zy recht comicq; ja zy is nog wel voor de vreugd, en haar Vader heeft my gedoopt, dat meer is; maar om Willem kon dat niet.

De Man des huizes was ook knap aangedaan. Mama kan alles van hem krygen. \'t Is waarlyk een mooije vent, voor ecu Amsteldams maakzel. Willem had zich puur, om my te plaisieren, opgeschikt. Zyn witte rok met zilver stond hem zo wel, dat elk Meisje, al was zy geen Nicht Hexameter, op hem zoude hebben moeten ver lie ven; immers op zyn witten rok met zilver; en als zy zich bepaalde by zyn fraai kamisool, dan dunkt my, dat haar hart moest versmelten al was het van marmer, of zelf van best engelsch staal. Dit zeide ik bem ook; maar, die baldaadige jongen gaf my, in spyt van myn Bruidschap, een draai. Mevrouw Ryzig, precies

ocr page 88

80

een eerwaardig familie portret in een deftige zwarte lyst: kosteljk in \'t zwart, met keurljke kanten, maar zonder Juweelen, of eenig bywerkje. Onze Geruit zyn Arrouw was in \'t grisdeline, een weinig gekapt, en met weinige doch schoone Juweelen versierd. Nog een paar van de gasten; en dan, goeden dag, Hexard. — Wagt, om daar des te beter in te slagen, ga ik eerst eens eene nieuwe pen van het Kantoor steelen. De droes zou nu evenwel onzen Gerrit haaien, indien hy op eene Bruid grommen durfde. . . . \'k zeg grommen! Wel, de Man gaf er iny zes voor een paar: zo bly is hy, geloof ik, dat hy van my ontslagen wordt.

Wel zie daar dan voor u verschynen den Heer en Vrouw van Zeemansrust, alias onzen Preryk met zijne derdehalf-honderdpondige schoone wederhelft. Ik zeg u. Kind, dat zy in volle pracht en heerlykheid met een Huurkoets vroegjes aan rolden : want het was nog geen vier uuren. Tante gaf er goeden reden van. \'/Dan blijkt het zo, kind, zei ze, dat men van de familie is; en ik zie er altoos zo tegen aan, om met groote Lui zo gelyk in te komen; want zie, Nigt, ik wil het wel weeten, wy bennen maar Burgerlui; zó niet, wij kunnen het wel doen, en zo als het Liedje gaat:

Toen Vader Adam spitte, en Moeder Et:a span

Waar vond men toen den Heer en ook den Edelman?

Zy was maar kerjeus! de zwaare triomfanten zyden Japon aan, met huizen, kasteelen en zonnebloemen bemaald; heel mooi, dat moet ik bekennen. De kroon van Juweelen praalde weder op den dik bepoeijerden rand, en haar kostelyken kanten muts. \'t Is toch een aardig wyf. Heden, Tante, (zeide ik,) ivat is dat (en ik wees er op,) een mperhe speld! — Doet het, kind? ivel, ik zie er zo veel superhers niet aan;

ocr page 89

81

neem hem maar voor jou. Mama had daar veel tegen, en ik stond ook kapot; maar Oom haalde die er zeer onhandig uit, en zei : H el, hoe hagel hebben wj het langer. Zus! is myn Wyf langer geen meesier van het haare? Daa zal de speld hebben, ily gaf my die met een: — Baar, meid, h/j past 7021 beter dan myn oud testament. Ik stak die in myn toupet; maar toch, zo \'was het niet gemeend, Oom. Onze Feeiiyk was heel vrolyk, en zo proper of hy uit zyn Vrouws porce-leinkas kwam. Mama had hun beiden verzegt om in de stad te blyven. Toen Grootje Kyzig vertrokken was, stelde ik een Patertje langs den kant voor, om de goede Vrouw van Zeemansrust wat op te beuren. Zy heeft ook den laatsten Man zien gaan. Van de Dansparty des volgenden daags kwam niet veel. Mama danst zedert myn Vaders dood niet meer. Ryzig danst niet; Nicht Hexameter danst niet; Pietje had haar kat gestuurd. Wm zag zo zyn slag niet onder de meisjes. Evenwel, om my te voldoen, danste hy een Hornpipe; ah h.y het befje om heeft, zal dat uit zyn, zeide hy. Een oud hoofd, die dat beleeft. Hm; en ik kuipte hem op zyn wang. Hy is lief en vriendljk, maar niet vrolyk. Zo ik tyd heb, kom ik met Wm, voor hy vertrekt, nog eens wat by u praaten. Vaarwel.

Uwe Vriendin, A. L e e v e n d.

g

uit nedekland\'s letterschat ii.

ocr page 90
ocr page 91

XIV.

Mquot;. WILLEM BILDERDIJK.

9 September 175G—18 December 1831.

ocr page 92

IP H i

■Mé^^mis^mÈÊmÈÊmmMÊÊÊSSÊÊÊÊÊÊÊÊ

■ ■ H Sm ■ M M

•••\'araSaM\'gysgr-L-fli

$m ■«■ ÜBÜM quot;- SHMBMI \'*%£amp;lt;$ mÊm è \'■*• \' •

^mm

■8B

HH

^^K\'\' -i^W

!

mm , ^\'!•\'/$££

\'%*:\'■* *:■-§

mÊKÊmm

: - ^\',MMBl mBE^ mÊÊsBÊÊÊsÊBBm

1 liMiiiiii ■ |

ocr page 93

S E L I M A.

\'t Was op den gladden oeverkant

Van \'t porceleinen vat,

Waarin Klimeen lieur goudviscli lind, Door Jessoos meestbegaafde hand

Met sierlijk blauw beklad, Dat Selima, de fraaiste Kat,

Op gunst van beur Meestresse prat, Met fiere hals te prijken zat.

Bij \'t levenvoerend bad.

Heur schittrend esmaraudeu •) oog.

Waar uit een zachte vonk Der klimmende begeerte blonk. Die heimlijk hart eu staart bewooi\'.

Ontsloot zich met een lonk. Den sierlijk geschakeerden pronk, W aarmeê Natuur heur vacht beschonk, En echt Sineeschen knevelbaard. En fulpen ooren, waard.

1) Smaragden.

ocr page 94

86

Zij loerde, en zag in \'t stilstaand meir,

Dus schildrende op heur post, In oogverblindend goud gedosclit,

Twee vischjens, zwemmende op en neer.

De roem van \'t schubbig heir. Een purpren glans, zoo zacht en teer, Als \'t zilver van de Duivenveêr,

Verhief dien gulden zonnegloed

Op \'t blaauwen van den vloed.

Al dartiend op en onder \'t vocht,

Onwetend van gevaar.

Vermaakt zich \'t stom en weerloos paar, Gants buiten vrees en achterdocht,

En wordt nog niets gewaar.

Maar ijlings klieft een knevelhair. En flux een ruige klaauw, de baar. En tast, en zoekt een lekkren prooi In zulk een fraaien tooi.

Wat hart wordt door geen goud verlokt?

Wat huiskat door geen visch? Het dier grijpt zes- ja tienmaal mis.

Door graage lust en schroom geschokt:

In \'t eind heur greep gewis. Verlengt zy poot en nagelspits.

En rekt zich uit zoo lang zij is.

Doch glibbert van de gladde baan. En stort in d\' oceaan.

Wel tienwerf geeft zy \'t lijf weêr op. En maauwt met wijden strot,

ocr page 95

87

Tot elkeu dooven watergod, Al worstleud met liet ruime sop,

Tot ze eindlijk zwicht voor \'t lot. Geen Triton\') kwam van uit zijn grot. Geen Tlietis2) uit heur waterslot, En Jacqueline noch Magriet,

Vernam heur schreeuwen niet.

Alleen sloeg Lorre van zijn kruk

De droeve Selima Met oogen vol van wantrouw gaa. En zag heur schrikbaar ongeluk.

Doch merkte \'t niet zoo dra. Of riep haar straks al jouwend na, Jouw lelijkert, en ha, ha, ha! Een gunstling heeft, hoe onverdiend, In \'t onheil nooit een vriend.

Maar gy, die \'t minlijk poesjen derft.

Bevallige Klimeen!

Ai, matig uw bedrukt geween; De droefheid, die uw kaak misverft.

Behoort geen Katjen, neen, Hoe vol ook van aanminnigheên!

Maar wilt gy, richt een marmersteen Op \'t graf der arme drenkling op. Met roosjens aan zijn top.

En schrijf dan vrij op quot;t lijkgesticht. Met eigen rechterhand,

1) Zeegod. S) Zeegodin.

ocr page 96

88

Den naam van \'t u zoo dierbaar pand. En voeg er bj een denkgediclit,

Gesteld op dezen trant:

quot;Blijf, stervling, voor de lust bestand!

quot;Zij is aan \'t wis bederf verwant.

quot;Verlokking beeft een gladden rand; quot;Dus wacht u voor den kant!quot;

1795.

F ABE L.

Ik weet een kleene Fabel,

Die ik u zeggen zal;

Ik lieb baar eens gelezen.

Gelezen bj geval.

Eens ging, door een der beemden Van \'t zaugrig Leeuwendal,

Een Ezel zich vermeiden,

Vermeiden by geval.

De langoor vond een pijpzak.

Dien, by een schapenstal,

Een herder had vergeten.

Vergeten by geval.

Daar trapt hij op den doedel.

En \'t geeft een groot geschal.

Een largo op zijn Ezelsch,

Een largo by geval.

quot;Ai, hoor eens (zei de lompert),

Ce ei ne va pas mal!

ocr page 97

so

Wat praat men dan van Ezels? \'t Is overloop van gal.

Ja, kunst verwekt benijders:

Dat ziet men overal.

Een Ezel weet van spelen F\' —

Ja zeker, bij geval!

1807.

M I S B R ü I K.

Ziet men aan de dorenstruiken \'t Geurig roosjen niet ontluiken,

Lentes uitgezoclitsten roem?

Ook de distel, ook de netel.

Heeft haar plaats om Eloraas zetel,

Ieder braamsteng draagt haar bloem.

Ach, in alles is genieten;

Slechts het misbruik schept verdrieten.

Waarom grijpt ge woest in \'t rond?

Laat uwe oogen dankbaar weiden Waar de schoonheên zich verspreiden; \'t Is niet al voor hand of mond.

Ieder zintuig heeft zijn waarde;

Ieder heeft zijn deel op aarde:

Riek het bloemtjen; smaak de vrucht; Zie Natuur haar kleed schakeeren;

Hoor het boschchoor kwinkeleeren;

Yoel den zoelen kus der lucht!

ocr page 98

90

Waan niet, als een God der Goden, Alles onder uw geboden;

Dienstbaar aan uw grilligheên! Stervling, stel uw zwelgzucht palen; Waar Gods weldaan op u dalen.

Wees met wat ïïy schenkt te vreên.

ocr page 99

XV.

BRUNO DAALBERG (MK. P. DE WACKER VAN ZON.)

1758—1818.

Uit: Komische Vkrtoocex, gevolgd dook Nog wat lectuur bij ostuijt- en theetafel, Veil Had (J, K. Fuliri, 1861. {De eerste uitgaaf van Nog wat lectuur hij ostbut- en theetafel verscheen in 1S00.)

ocr page 100
ocr page 101

VEEHUISTAFEEEELTJES.

Leert, meuschen! dit van mij! eu houdt het voor gewis, Dat al \'t veranderen juist geen verbeetren is.

Cats.

//Ei, ei! gaat dau nu eindelijk de landing op Engeland eens voort?quot;

quot;Hoe zoo dat, mijnheer,quot; vroeg Jacob.

//Hoe zoo! wel, eilieve, zie dat aantal kanonneerbooteu eens! . . . en lioe zwaar bemand! . . zie! er is geen einde aan! en zij schijnen onder het gewigt der equipagie te zullen bezwijken

//Wel, mijnheer,quot; sprak Jacob, quot;als ik het zoo zeggen mag, dan heeft mijnheer vast weer een onrustigen nacht gehad, of mijnheers oogen begeven hem met den ouden dag. Hetgeen mijnheer voor kanonneerbooteu aanziet, zijn zolderschuiten, en wat gij denkelijk voor Eransche of Bataafsche troepen houdt, zijn eenvoudig ledekanten, laatafels, kapstokken, stommeknechten en raagbollen enz. \'t Is de eerste Mei: de menschen verhuizen van daag.1\'

Ofschoon ik nu in het gebrek van den vromen ridder Don Quichot zelden verval en niet ligt te zeer inet zaken of personen wegloop; windmolens slechts zeldzaam voor

ocr page 102

94

reuzen of herbergen voor kasteden aanzie; schoon ik nooit vau de eersten ben om een duodecimo-mannetje voor een foliant aan te zien en mij altoos voor het enthusiasmus zooveel mogelijk hoede; wijl ik eensdeels door eigene ondervinding, anderdeels door het voorbeeld van anderen geleerd heb, hoe verdrietig de ontwaking uit alle overdrevene vervoering is, en hoe nog verdrietiger zich andere ontwaakten van dien aard aanstellen, daar zij toch fatsoenshalve staande willen houden hetgeen hun thans ontvalt, — was ik gisteren ochtend toch volkomen in des ridders geval. Ik had den eersten Mei of November nooit in Amsterdam bijgewoond, en nu in den Doelen in de Doelenstraat ontwakende, zag ik voor het eerst het afwisselend tafereel dezer bezige menigte, dat ik voor niets anders dan wat zeer grootsch aanzag, en nu ziende dat het hierop neerkwam, was ik gemelijk op mij zeiven en misnoegd dat ik mijnen knecht reden gegeven had om mij in zijne vuist uit te lagchen.

Partij van alles te trekken, mits zulks de zedelijkheid of kuischheid niet kwetse, — dit past den wijze. Ik was de dupe van mijne overdrevene denkbeelden geworden: dit was ook anderen en wijzeren gebeurd, dit is de ziekte der eeuw. Ik besloot mij te vermaken met datgeen, wat die denkbeelden het aanwezen gegeven had; ik liet mijn ontbijt voor het venster zetten, schoof het raam op en haalde mijn hart eens helder op aan al de verschillende vertooningen die zich beurtelings opdeden, de gesprekken die ik hoorde en de gissingen waartoe alles wat ik hoorde, aanleiding gaf.

Aan Jacob\'s gezegde, dat het ledekanten, lautafels, stom-meknechten enz. waren, die men telkens voorbij zag varen, scheelde echter wat: ofschoon bij velen de voornaamste

ocr page 103

95

equipagie daaruit bestond, was er echter te veel verscheidenheid om alles onder zulke algemeene rangschikkingen te-plaatsen. Deze zelve waren in hare soort bovendien nog zoo verschillend, dat het onderscheid dadelijk bf den maatstaf van stand en vermogen; bf dien van smaak verried. Mijn oogen vestigde zich vooreerst op eene aanzienlijke, zwaar beladene schuit. De meubelen schenen mij echter toe noch te Brussel, noch te Parijs, ten minste niet in de laatste veertig jaren, gemaakt te zijn; alle waren zij echter stevig en nog vrij goed in hunne soort, ofschoon magtig bestoven en verwaarloosd; een boel (gelijk men zegt) die deerlijk overhoop lag. Kisten, opgepropt met hoeken, mathematische instrumenten van allerlei soort, boekenkasten, globes, eene tafel met opgezette vogels, flesschen met liqueur enz. schenen mij den boedel van een geleerde aan te toonen; in welk gevoelen ik bevestigd werd, toen ik een levendig spook, gestoken in een vuilen japon en met eene smerige slaapmuts op, tusschen al deze antiquiteiten, nog met twee oude meiden met schoudermantels om vermeerderd, zitten zag en beven, uit vrees der averij die zijn geleerde boedel lijden mogt, en den schuitenvoerder half in het grieksch half in plat Amster-damsch hoorde toeroepen; quot;hij zou toch wat voorzigtig de brug doorvaren, opdat zijne foetus of embrjons, met zooveel moeite te zaum vergaderd, toch niet mogten over boord raken, of, gelijk de man zich uitdrukte, niet aan Neptunus mogten opgeofferd worden.quot; Vrij aanzienlijker was de volgende equipagie. Alles was daar splinternieuw, alles even prachtig en kostbaar; doch ook alles zonder schijn van den minsten smaak. Men kon zien, het was den bezitter om goud en zilver te doen geweest: dit bespeurde men overal; doch ook

ocr page 104

96

anders niet. Men begrijpt ligt dat in deze schuit geen bezorgde eigenaar met een vuilen japon of slaapmuts te vinden was. Twee lakkeijen, proper uitgedoscht, doch op het oog een paar brutale ploerten, en eenige meiden van de ligtste soort, hadden het opzigt over dezen boedel, en naardien het gezelschap reeds zeer veel voor zich zeiven scheen te hebben gezorgd, was de zorg voor de schatten van hunnen nieuwen heer van niet veel beduidenis. Het viooltje ging er lustig, en wat niet dronk, dat kuste of danste. Hier en daar, nu en dan, raakte er wel eens een stuk over boord, maar niemand die zich daarover bekreunde; de eigenaar kon er tegen — het was een nieuwe rijke. De boedel die hierop volgde, vermaakte mij nog meer. De meubels waren noch van dien rijkdom, noch van die waarde als de vorige: ook niet zoo modern; maar echter vrij net en proper. Grooter collectie van toilettafels en spiegels heb ik, naar evenredigheid, in geen huishouden aangetroffen. Voorts lag de schuit als bezaaid van ledige pomadepotjes en odeurtleschjes. In \'t midden verhief zich een rozekleurig taft-ledekant: bovenop stond een goud Cupidotje niet pijl en boog, en op ieder der vier hoeken twee trekkebekkende tortelduifjes. Dit stuk was fraai, maar reeds wat verlept, ten minste zeer verschoten. Achter op de schuit meende ik de bezitster dezer schatten te ontwaren. Het was eene jonge jufvrouw van ongeveer zestig jaren, wier aangezigt, met moesjes bedekt, mij het laatst genuttigde paaschbrood van dit jaar herinnerde; zij zat omringd van een half dozijn honden en katten, met den elleboog achteloos rustende op een groote papegaais-kooi, een klein mopsje onder haar arm en een aapje op den schouder. Mij scheen het toe alsof deze Helena zich met deze onzondige wezens wilde

ocr page 105

97

vertroosten over de euveldaden, door liaar welligt voorheen met anderen, meer zondigen, bedreven, en zich dus over dat gedeelte van het geschapene, dat mannen heet, wreken; terwijl zij inmiddels haren sterk gespierden schuitenvoerder, die mij voorkwam een frissche kerel te zijn, somwijlen met een kwijnend en verteederend oog een kopje koflij met een dominésklontje overreikte. Achteraan volgde een inboedel, die op verre na den vorigen in uiterlijken schijn van welvarendheid niet kon evenaren; de meubelen evenwel droegen nog eenig bewijs van het vorige vermogen des bezitters; doch alles scheen bij hem deerlijk te zijn achteruitgegaan. De trijpen zittingen der stoelen leverden slechts staaltjes van huil vorig overtreksel op, en de best geconserveerden toonden, door een dubbel cirkelvormige uitkiemiug op dezelve, dat zij meer dan gebruikt waren. De ledekanten, schoon van fraaije stoffaadje, waren geheel ïi jour en konden met meer succes voor vischnetten dienen, dan oiu de koude of het licht daaruit te weren. Liassen met obligatien van te uiet gegane of verloop ene geld-negotiatieu vulden eenige baliemanden. De eigenaar zelf van dezen inboedel scheen mij in geenen meer welvarenden staat; de goede heer had een zwart fluweelen rok aan, doch voorzeker van het lichtste zwart dat men ooit gezien heeft; overal hing het kleed uit elkander nog maar één knoop was aanwezig, en om echter zijn fatsoen op te houden had de man zich voor dien dag een jabot en manchetten aangeschaft, die hij van quotisatiebiljetten geknipt had; — weinig kostten en heel netjes stonden! Zijne ijzeren kist, het nog aanwezig, maar thans, naar \'t scheen, geheel overtollig kenmerk zijner vroegere welvaart, had hij tot een kippehok geapproprieerd. Kortom,

UIT NEDERLAND\'S LETTERSCHAT II. 7

ocr page 106

98

lezers, het was een ongelukkige rentenier! Nog des te meer stak deze boedel af bij de deftige equipage, die nu volgde, want hier was alles volmaakt in orde, niets ontbrak er; niet alles echter was nieuw, maar alles was even deftig. Onder vele werken van prijs, die opeengestapeld in de schuit lagen, troffen mij de Stads Handvesten, zoo heerlijk gecon-ditionneerd als, naar het scheen, weinig gebruikt; het Plakkaatboek in dezelfde orde; de Verklaring van de regten van den mensoh en burger, met een aardig vrijheids-bonnetje er boven; benevens al onze constituties, in vergulde lijsten achter glazen, opdat zij toch vooral niet weg zouden loopen. Alles bevestigde mij in het begrip, dat deze boedel een regent toekwam, en hierin werd ik versterkt door twee ontzaggelijke quarrépruiken, die, op hooge pruikebollen vóór op de punt der schuit geplaatst, mij de mode der Zuidzee-eilanders herinnerde, wier pirogues of booten ook altoos, tot sieraad en aanzien, met eenige hoofdhulsels, op staken vastgehecht, pronken; of wel de paardenstaarten, die men voor do pachas der Turken draagt. Stiller, eenvoudiger en meer vreedzaam gezigt leverde eene volgende schuit op waarin zich een wol gezeten, en naar het mij toescheen, regt gelukkig huishouden bevond. De ouderwetsche en burgerlijke, maar zindelijke meubels staken niet af bij den uiterlijken schijn van de equipagie zelve. Man, vrouw en kinderen waren vrolijk gezeten rondom eene tafel, waarop eene blank geschuurde koftijkan van reusachtige gestalte den fleren kruin verhief. Alles scheen hier genoegen en welvaart. Het ware geluk dat, met versmading van hoogereu staat, in den middenstand zeiven welligt alleen te vinden is, scheen rondom deze koffijkan aanwezig. Niet evenveel

ocr page 107

99

kou ik van het volgende tafereel zeggen. i)it was voorz eker de kleinste en ook de geringste van al de voorbijvarende kanonneerbooten, en echter werd /.ij nog door twee huishoudens bemand en met twee iuboedels beladen. Het aanzienlijkste was dat van eenen armen dansmeester, gelijk ik aan zijne violen, zijn muziekpapier en de aanhoudende capriolen die hij maakte, genoeg bespeurde. Achterin, bij den tweeden boedel, zat een man met de handen in het haar, in diep gepeins weggezonken, een levendig tafercel van schamele armoede en nog overgeblevene Avoeste drn-kingskracht opleverende. Zijn beddejak dat, uit duizend lappen zamengesteld. Jozefs zondagspak vertoonde, was gelukkig nog lang genoeg om het gemis van zijne broek te vergoeden, ten minste te bedekken. Niemand twijfelde eraan of het was een auteur, welligt een dichter, een moralist, of misschien een ongelukkige weekbladschrijver, in welk vermoeden ik bevestigd werd, daar ik hem aanhoudend met een stokje, waaraan een haak gehecht was, al wat hem in het doorvaren der gracht voor oogen kwam, zorgvuldig opvisschen zag; welligt tot materialen van overweging in zijn werk. Dit droevige denkbeeld trof mij; welligt dacht ik, is het de goede Spiegel zelf, die om redenen van vliering verandert; en o hemel! wat is er, dan niet van den mensch! Vooral van den schrij venden mensch!

Dit maakte mij misnoegd en droefgeestig : ik was er verre af van mijnen ongelnkkigen ambtgenoot anders dan met deernis aan te zien, en keek met hetzelfde gevoel weder-keerig op mij zeiven neder. Uit was het nu met het vermaak, dat mij die verhuispartijen verschaft hadden! En waarlijk, ik had er mij mede vermaakt 1 op weinige uitzon-

ocr page 108

100

deringen na (want om uw niet geduld te rekken heb ik u niet al de equipagies geschetst), hoe de meeste dezer stille grachtreizigers genoegen in dit zonderlinge waterfeest namen; hoe de een meer, de ander minder verheugd scheen van zijne oude woning te verlaten en naar eene nieuwe te verreizen, alsof zij het daar juist zooveel beter stonden te vinden.

Dit trof mij het meest in twee equipagies, waarvan de hoofden onderling van woning verwisselden en ieder evenveel met vreugde naar diegene toog, welke zijn voorganger met even zooveel vreugde verliet. quot;Men zou toch denkeu, \'/dacht ik,quot; quot;dat deze de waardij van zijn huis wel kon kennen,quot; doch ook moest ik er dadelijk bevoegen : quot;de andere die van hetwelk hij verliet.quot; Dus gaat het in de wereld! maar ziet, dus ook moet het in de wereld gaan. Ongelukkig, voorwaar zoo wij alles vooruit wisten, zoo wij alle huizen kenden, zoo alle mensehen ons bekend waren, ja, zelfs u, lieve dames! zoo men u allen vooraf volmaakt had leeren kennen, weinigen maar zouden de gemakken des levens waarlijk smaken; weinigen zouden vriendschap aangaan; en hoe weinigen misschien zouden een echt welke daarna toch, door denzei ven vrolijk te dragen dragelijk wordt, begeeren. Het menschdom zou voor een groot gedeelte van zelf uitsterven, het andere zou van koude vergaan en alle banden der maatschappij sprongen los — omdat men alles vooraf te wel kende.

Zoo brengt de Amsterdamsche zolderschuit ons tot wijs-geerige overwegingen! Wat is er aan gelegen, hoe ons die aamvaaijen. Pluizen wij ook deze hunne aankomst evenmin als die der nieuwe rijken te ver uit! Gaudeantpossidentes! \'t is genoeg dat zij er zijn, en daarmee gedaan, \'t Is ook

ocr page 109

101

genoeg, zou diegene zeggen welke deze wijsgeerige bespiegelingen vervolgen wilde, dat er verscheidenheid van smaak door eene algoede natuur over het menschdom uitgestort is; want eilieve! wat zoude het toch zijn, zoo een ieder of dezelfde vrouw, of hetzelfde huis als als het schoonste, het beste, het voor hem geschiktste aanzag en begeerde. Geen huis toch dat door allen kan worden bewoond; geene vrouw toch, hoe ruim haar hart dan ook zij — en welke voorbeelden van ruime harten dan ook deze eeuw oplevere! — dat alle affecties in zich vereenigen kan. Hoe gelukkig voor den mensch, hoe schrander door de natuur is dan niet deze schikking uitgedacht en daargesteld, die wij echter als eene gansch eenvoudige en gemeene zaak — der dankbare bespiegeling naauwelijks waardig — beschouwen; dat namelijk der menscheuzinnen zoo verschillend zijn, zoo allerbijzonderst uit elkander loopen dat, bij voorbeeld, dezen alleen een hartsteenen huis op de Heerengracht en eene rijzige Diane met blond haar, blaauwe oogen en een blank poezel vel — genen daarentegen een dik brunetje met een wipneus en gitzwarte oogjes, en een huis op den Nieuwendijk, — en een derden wederom een kelder op het Rokin en de schele dochter van Jan I\'raxsjk het toppunt van onbeperkt geluk toeschijnt.

Ik was er in \'t begin van dit opstel voor, om deze verhuizingsliefhebberij — juist omdat ik niet van verhuizen houd — aan iets kwaads, aau lust tot verandering, aan onstandvastigheid toe te schrijven. Gij kunt dit reeds aan mijn motto zien. Zoo zijn wij geleerden. Alles is kwaad wat ons niet behaagt: waar wij geen lust in hebben, deugt niet. quot;Vooral geen snijboonen,quot; zegt de doctor aau zijne patiënten en hij denkt er bij; \'/want mij smaken ze niet: zij

ocr page 110

103

kuuuen anderen dus niet dan schaden. De zaak rechtvaardiger inziende, schrijf ik den lust om te verhuizen alleen aan deze verscheidenheid van smaak toe; en op zich zeiven genomen is deze in zijne verdeelingen en schakeringen zoo bijzonder uitgestrekt, en in zijne grilligheden zoo opmerkelijk, dat welligt menigeen met weinig smaak deze schets zit te lezen, met welk een smaak ik dan ook het zit zamen te krabbelen, en welk een smaak ik zelf in dit verhaal heb.

Om bij smaak te blijven : smaak in groote verhuizingen is er thans zooveel niet meer, als in oude tijden. En dit komt natuurlijker wijze hieruit voort, dat men het thans goed hebbende, dus ook begeert te blijven waar men is. Eisren haard is ereld waard! Herinneren zich de vrienden

O O

nog het eerste prentje van Wagenaar^s Vaderlandsche Historie, de aankomst der Batavieren hier te lande? Voorwaar een stukje van gevoel! Zulk eenen eersten Mei beleven wij in onze geciviliseerde tijden niet meer, dat geheele volken dooide andere uit hun vaderland als verdreven worden; ot het besluit nemen, om niet langer de geweldenarij der overwinnaren te dulden, en liever elders Gods vrije lucht te gaan inademen, en de weldaden eener zegenende natuur, wier zon voor een ieder opgaat, te genieten. Iets soortgelijks heeft, volgens Voltaire, toch nog eens bij ons plaats gehad, toen, namelijk, een heerschzuchtige Eodewijk X1 \\ het in \'t jaar 1673, den voorvaderen zoo bang maakte en \'t gevoel van zijn juk zoo ondragelijk scheen, dat, volgens dien schrijver, quot;al de schepen, bekwaam tot de reis naar Oost-lndiën, in gereedheid stonden gebragt te worden, om de meeste inwoners van dit land naar Batavia over te brengen, ten einde aldaar een nieuw Holland, een nieuw

ocr page 111

103

gemeenebest, een nieuw pronkjuweel der bewonderende wereld op te rigten, //aan Lode wijk/quot; vervolgt de schrijver, «niet anders overlatende dan de schande van het slechtste gedenkteeken van menschel ij la; nijverheid, onedelmoedig en ten gevolge alleen van het gevloekte regt des sterksten te hebben vernield.quot;

Zoo inderdaad al on/.e voorvaderen dit besluit hadden genomen en volvoerd, hunne nakomelingen zonden naast-denkelijk zich thans niet in Holland bevinden. Iets dat ten minste dit onderscheid ten gevolge zoude gehad hebben, dat wij meer bestendige warmte zouden ondervonden, en ook meer ananassen gegeten hebben, dan ons hier te lande te beurt valt.

ocr page 112
ocr page 113

XVI.

MR. ANTONI CHRISTIAAN WINAND STARING.

1767—1840.

Uit: Gedichten van A. C. W. Staring, met eene Inleiding uitgegeven dook Nicolaas Beets. Volksuitgave, Zutphen, W. J. Thieme amp;■ Cie, (1871).

ocr page 114
ocr page 115

1. JAEOMlü TE PRAAG.

Een Oud-Student, dien \'kJaromir zal noemen:

Een Theoloog; befaamd aan Kareis School te Praag, Voor twee paar eeuwen; mogt zich roemen Van een gezonde .maag ;

Maar, ach zijn bkuks lag ziek! De Wissel veertien daag Ontbrekend, was \'tcrediet verdwenen,

Bij Schagcher-Ephraïm, zijn welbeklanten buur; Het, anders lokkend, etensuur Dreef Jaromir \'t Bolieemsche Athenen

Als een verstootling uit; en bergwaart sloop hij voort; Op \'t eenzaam pad in de overlegging niet gestoord, Hoe met een platten buil een maaltijd te vereenen.

De reiszak, dien hij wandlend droeg.

Was ligt genoeg.

En kon1 hem weinig hinder baren:

Een Plautus en \'t Studenten-zangboek waren Het meest omslagtig deel van \'tpak.

Dat in \'t herbergzaam juchtleer stak.

Hij zweette niet te min! — de rommlende ingewanden. Schoon bol van enkel wind,

Bezwaarden onzen Vrind! . . .

In \'tlest tot liaauwens toe! als, over de akkerlanden.

ocr page 116

1C8

Zich \'t avondkoeltje, net van pas, vermeijen ging.

En hij \'t met open borst op dorre lippen ving.

Dus nieuwgesterkt, jaagt weer zijn blik den kring Rondom hem zoekend af.

Een dorp verheft zijn daken, Regts,tusschen ooftgeboomt\'. Links, breidt zich aan den weg, Een perk uit voor de leuze omsingeld met een heg; Die hier zijn handwerk drijft, vaart best, wanneer de zaken Der boeren slechter gaan, en droes of runderpest Haar zetel in hun stallen heeft gevest,

Dan is hij daaglijks hier als anatoom te vinden,

En pleegt de kraaijen aan zijn mildheid te verbinden.

Hier valt thans Jaromir, nabij de heg, in \'t oog Wat fluks het radertuig van zijnen geest bewoog. En zijn verbeelding spande: quot;O schat, waarmede een Heilig Mij redding biedt!

Gespijsd, gelaafd voor niet! voor niet Gekoesterd als een prins, rust ik, den nacht door, veilig, In gindsche herberg!quot; riep hij uit.

//Wat vond hij dan?quot; Iets wat, bij u of mij, de hebzucht niet zou1 tergen!

Twee Paardenvoeten en een Koestaart vond de Man, Hij spoedt ze bij zijn Plautus weg te bergen.

En stapt nu, trotscher dan een haan,

Op \'t uithangbord der //Zeven Slapersquot; aan.

//Heer waard, een goede schotel eten!

Maar geen getalm! ik val wat haastig, moet gij weten. De wijn — van \'t beste vat — begrijpt gij!quot;

ocr page 117

109

In dien toon

Houdt Jaromir, het vol: eet, drinkt, dat elk zich wondert; Schimpt, scheldt er tusschen, met een basstem of het dondert; En snaanwt nu; //Wijst me een bed.quot;\'

Het loon

quot;Van die, bij \'t na,ahitoilet, zich naar zijn laarzen bukte, Voorkwam het dienstbewijs: een treê,

Van klink! waarmee De ongure Gast, wiens zool zijn lenden drukte,

Te kooi sprong.

Magtwoord. //Grijp!quot; besloot hierop de klucht. Terwijl de laarzen, als twee zwaluwen, de lucht Doorscheerden; en \'tgordijn viel neder.

Den andren morgen rees het weder

Met d\'aangebroken dag. Een schrikkelijk rumoer Van trapplend klossen op den vloer;

En quot;Laarzen! laarzen!\'1 tot men aamloos komt geloopen.

//Gaan de ezelsooren hier te negen uur eerst open?quot; Die vraag gold d\'eigen hals van gistren. Wit als krijt. Staat hij, en gaapt, met mond en oogen even wijd. De laarzen laat hij slippen; uit de deken Van quot;t veldbed, waar de bulderbas.

Na zijn gemaakt alarm weer ingedoken was,

Zag Jochem een ontzettend voorwerp steken!

En keerde, in \'t volle zweet dat hij van angst vergoot. //Helpe ons Sint Nepomuk! wat is mij wedervaren!quot;

Berst hij in \'t einde los: quot;Ik kom .. daar kijkt een poot — Een paardenpoot, met lange, zwarte haren.

Kijkt uit het bed van onzen Gast!quot;

ocr page 118

110

ffquot;Loop naar de pomp, en drink u nuchtren kwast!

Voegt hem zijn Meester toe;; maar naadrend, om de kamer Van Belzebub op zijn beurt, in te gaan,

Vergeet hij niet, een kruis te slaan;

En, bleef hij op den drempel roerloos staan;

Begon hem bok het hart te kloppen als een hamer, \'t Had dubblen grond! Niet èèn, — twee hoeven staken t bed Thans uit! — Hij komt terug, onmagtig dat hij stamer1 Van \'t geen hij zag, en zwijgt geheel verplet.

Toch moest een Derde nog gaan kijken!

Een Invalied, naar \'t land in rust verzet.

Zijn knevels streek hij op; zijn kuif rees, zonder strijken, Vanzelve omhoog, zoodra hij binnenkwam,

En, bij twee hoeven, nog een langen staart vernam, Die kwisplend heen en weder speelde.

Weg liep ook nommer drie! en \'t scheelde

De Waard alleen, zoo liep het huis leeg. Voor\'t ontbijt Bezorgd, laat Jaromir aan hèm geen vlugtenstijd.

Met huivrende angst gediend, roert deze nu zijn kaken Van nieuws; tot hij beveelt, de reekning op te maken.

De Waard, bij dit gebod, voelt zijn bevrozen bloed Straks weder tintiend slaan in de aaren;

Daar \'t blijkt, dat, zonder hem, de Vijand heen zal varen.

Hij wil erkent! ijk zijn; ook valt hem in: \'t Was goed Zich daar beneden, voor den nood, wat gunst te sparen.

Dus antwoordt hij; quot;(renadig Heer!

Dat kost en drank alhier tot uw beschikking waren

Is pligt geweest; en \'t strekte mij tot eer.

Bleef deze kleinigheid de vriendschap onderhou\'en.quot;

ocr page 119

Ill

////Goed !quot;quot; spreekt de Gast ////liet zij.--Dit zal u eens niet

(rouwen,

Heer Waard! — Wij zien elkander weêr.quot;quot;

2. JAROMIE TE LOCHEM.

De kennis werd gemaakt; gij kondt een beetre maken Dan met Vriend Jaromir, maar, Lezer, \'t was voor mij De beste; ik kom daardoor van een Prefatie vrij.

En heb een naam, waaraan \'t geen volgt is vast te haken.

Of Jaromir zijn rol van Lucifer

Meer speelde, bleek mij niet; doch, na zijn Onheilster, Was Voorspoeds Daglicht op den horizon verschenen: Gehuld in Sint Franciscus dos,

Zat, die eens wandlen moest, parmantig op een ros. En spaarde dus, bij \'t Missiewerk, zijn beenen.

\'t Was reizen links en regts! noord; zuid en oost; — in \'t lest Ook west;

Dwars over \'t Munstersch heivlak henen;

Tot daar, op Gelders grond.

Thans nog de dubble stoel van Graaf en Hertog stond.

Hoe had een monnikspij den Prager Dorst herschapen! Wat kracht deed in den Man \'t aldwingend kwispelwapen. Sinds jaren, door zijn hand, ten schrik der hel gezwaaid ; De naam van Heilig, hem bij groot en klein geschonken; De Biechtstoel, die zijn heersch-gelijk zijn hebzucht paait! Doch, Onbeproefden, zoo gij soms hier zege kraait,

Ziet toe! ons zwaklijk hoofd wordt vaak van minder dronken.

ocr page 120

112

De Klucht, gespeeld in zijn studententijd, Met koeijenstaart en paardenpooten.

Was Jarorair voorlang uit zijn geheugen kwijt. 1)at ligt deze aperij den zwakten had verdroten, Zulks kwam hem nimmer in den zin!

Die angel zat er niet te min.

En werd steeds giftiger, als, bij \'t exorciseeren

Een Geest, van \'t nonnenplagend slag,

Zich onvoorwaardelijk moest verneêren.

Voor Jaromirs gezag.

Summa summarum: Heintje Fik lag op zijn luimen. Om, met acht vingers en twee duimen.

De kans hem vroeg of laat gehoon.

Krachtdadig bij haar vlecht te pakken.

En onzen driesten Muzenzoon Een kool te bakken.

Deze, onbewust van \'t hem bedreigend kwaad,

(Den os gelijk: quot;Weldra, voor apis, aangebedenquot;

Gelijk hij droomt! maar die aan \'t slagthuis staat!) Was Lochems poorten ingereden,

En blikt hoogwaardig van den zadel naar beneden.

Op eens ! de straat loopt vol! men joelt; de klokken gaan! /\'ïer eer van zulk een Gast!quot; vertelt hem de Eigenwaan, En \'t plooit zijn mond nog meer in \'t deftige; als een jongen, Van uit de herberg, naar den Ruiter komt gesprongen;

\'/Net afgepast. Heer Pater! Hoor Die nieuwe klokken eens! niet waar ? das trant! Zij hangen Daar veertien dagen lang doodstom: bij d\'ou\' Pastoor Van Lochem, mogt er zelfs geen pover kleppen door!

ocr page 121

113

////Waartoe ze omhoog geliijscht, voor \'t wij\'en ? Dat wordt alsnog vereischt, eer ik \'t geweld zal lij\'\'en.quot; quot; Zoo zei pastoor — en ging van lionk —

En — \'t jonge volk zijn gang ! Maar, nu \'t zoo deftig klonk, Moest dat de zondaars toch van penitentie vrij\'en ?quot;

//Hoe, deugniet! Welk schandaal! Is dit een Christenland P Neen, de Antichrist heeft hier zijn oproervaan geplant! — En de aarde splijt nog niet?! Nog valt geen zwavelregen ? !quot;

Dus stortte zich de galblaas van den Sant,

(Zijn ruin inmiddels afgestegen)

Op dit gekakel uit. \'s Mans hevig blaken is Min ijvergloed, meer ergernis.

Om dquot;;il te slinkschen trek, dien hem de hoogmoed speelde. Hij stapt, als of hij mee in \'t Erf van Petrus deelde,

En Schepterdragers zonen hiet.

Te midden van een schaar, die naar \'t gebombam luistert; En schreeuwt: quot;Heeft razernij hier ieders brein verduisterd !

Daar \'t Kerkwet en Pastoor verbiedt.

Met Ongedoopte Klokken benglen!

Bij Sint Michiel en zijn tienduizend englen.

Geen pkiestek zou\' hij zijn, die zoo iets glippen liet! Vloek treilquot; dat Klokkenpaar, dat onbevoegd durft klinken! Wat hoog steeg zal te lager zinken:

Ik geef ze beide in Satans magt!quot;

Daar had de Booze hem gewacht!

Zijn klokken nam hij beet: ten leidak uitgebroken,

Verschijnen ze in de lucht, met klagend nagebrom.

Maar — van de klepels had de Schenker niet gesproken. En Heintjen wil voortaan geen Kerkeneigendom

UIT NEDERLAND\'S LETTERSCHAT II. 8

ocr page 122

Ill

Dan met bewijslijk regt verkrijgen!

Hij rukt de Klepels, onder quot;t pijlsnel opwaart stijgen, De Klokken uit, en smakt ze naar beneên! — Op welk een lioofd ? — helaas, op een . . .

Geschoren kruin! — de tong des strafprofeets moet zwijge Dood! — of is \'t minder erg — dan schier Zoo goed als dood ligt Pater Jaromir!

De Klokken middlerwijl voltrekken Haar aangevangen reis. Twee Waterpoelen strekken (Een Kuijer ver van Lochems Veldgemeent\') Ten badplaats aan de snaatrende eend —

Ten spiegel aan de bonte wolken:

\'t Was derwaarts dat ons tweetal trok;

In elk der Kolken plompt een Klok —

En \'t zijn voortaan de duivelskolken.

Zoo vaak het jaar weer Kerstijd bragt.

Kwam, sedert, puncto middernacht.

De Heivoogd op zijn Klokken trommen;

Of hier een stoute vrijgeest lacht,

Wie scherp van oor is, hoort ze brommen.

3. JAROMIR TE ZÜTPHEN.

quot;Alweer van Jaromir?\'quot; Ik kan \'t niet helpen, Lezer!

Hij liep, ten derde maal, mij klakloos voor den voet; En of mijn Held aan Moldau of aan Wezer

Gefokt zij; of hij mij de derde reis ontmoet,

Of de eerste, en Monnik zij of Heiden;

Hij is mij onbekeken goed:

ocr page 123

115

Verstaat hij slechts, wanneer mijn rijmkoorts woedt, De ziektestof genezend af te leiden.

Laat Jaromir n dus zijn platgeschoren bol Nog eens zien, heb geduld ! het zal aan mij niet schorten. Dat hij uw leêgen tijd naar krachten poog te korten. Bij \'t spelen van zijn nieuwe rol.

Welaan dan, ik begin! Hou\' slechts uwe aandacht vol!

Heeft iemand van den Booze wat te vreezen.

Hij ga niet ver om hulp; zijn man is Sint Michiel.

Kort voor het tweetal Klepels viel,

Met Lochems Klokken eerst ten hoogen opgerezen.

Moest Jaromir hem juist indachtig wezen.

quot;Bij Sint Michiel!quot; roept met ontplooiden mond De pater, dat het kerkhof dreunt in \'t rond;

De Heilig hoort; kijkt uit; ziet slingrend zich verheffen Wat straks verradelijk hem die daar schreeuwt zal treffen ;

En staat reeds, maar verhuld voor \'t menschlijk oog, beneên. Het schild is aan zijn arm: niet voor den pronk alleen ; \'t Heeft, met een zwenk, op weg de vaart gebroken

Van \'t neergesmakt metaal —• des niet te min vrij zwaar üp \'s Monniks hoofd beland! Vriend Jaromir ligt daar, Als had de dood zijne oogen reeds geloken,

Zijn longen zijn van ademtogt verstoken.

Terwijl het bloed hem langs de slapen vliet.

Xogtans de levensvonk ontsnapt het lichaam niet ! Een arm — een been, dat aanvangt zich te rekken — Doen blijken, dat Michiel geen lijk heeft op te wekken,

ocr page 124

110

Het kost hem slechts een schrupeltjen bewijs Van Balsem uit het paradijs Om, binnen weeks verloop, wat gaapt weer dicht te kleven Eu Hij, wieu \'t in een droom is g\'openbaard.

Wat Heilig hem onzienlijk heeft bewaard,

Verspreekt, door plichtbesef gedreven,

//Een dingsdag van de twèè te vasten, hem ter eer. Tot zijn Getij de aanstaande herfstmaand keer1.quot; Hit woord was tusscheu hem eu zijn Patroon gebleven In petto gaf hij \'t, op quot;t bedaarde ros geheven,

Hat, als convalescent, hem aan verveliugspest Ontdraagt, en redt naar Zutphens grijze vest.

Baar wil hij bij de Wijsheid les gaau nemen,

Bie, in een Kerkgewelf, befaamder dan te Bremen Be Grafcel, eeuwen tijds aan boei gelegen heeft, Eu — Proteus wederga;! — geketend antwoord geeft.

Ziju ijver baarde gunst! men laat hem niet verlegen.

Schoon hij ter scheemring toe ziju drokke studies rekk\'; Een dubble Sleutel wordt van Kerk en Boekvertrek Hem toebetrouwd; de Koster hoeft ziju wegen

Slechts hulpzaam over dag, maar niet, bij \'t heuengaan, Bes avonds, gau te slaan.

Wat, ouder quot;t werk, \'s namiddags onzen Pater

Tot sterking dient, daar waakt een oud Begijntje voor. Pas opent hij de deur, of t hengelmandje staat er;

Be Custos komt er mee, hij zet het aan een schoor Vau \'t welf, eerbiedig groetend, neder.

En gaat.

Zoo kwam en giug, wie hem verzorgde, weder

ocr page 125

117

\'t Was de eerste keer, \'s Mans extra-vastendag ;

Doch had de Non, die iu zijn Vesperbrood voorzag1, Yan zijn Gelofte niets vernomen;

En toen zijn spijsuur was gekomen,

En \'t korfjen openging, bleek, wat liet bovenst lag Een hoen te zijn. \'t Vereischte geen ontleden;

Reeds was het, naar de kunst, den eter voorgesneden.

Zijn tanden waatren! Evenwel hij doet zijn plicht. En dwingt het afgewend gezigt Op Vader Augustijns Confessies neer te kijken.

Dit middel geeft allengskens baat!

Hij vat steeds meer en meer den zin van \'t geen er

staat —

Peinst op \'t geleezne — en voelt de kwaa begeerte wijken; Als... hoor! daar valt iets! quot;klink! — klinkklank!quot; Wat

(mag het zijn? — De Sleutels waren \'t der twee deuren. Augustijn Of de elleboog had schuld; ten minste naar den schijn. Snel bukt de Lezer, zonder zien, om ze op te rapen ;

Maar de open hand — dwaalt af — en vindt het Hoen ! —

En nu die hand niet toe te doen;

\'t [Gegrepen Boutje, plots, gelijk een schorpioen Te laten vallen, of druiloorig aan te gapen.

Als waar\' het uit een knol gesneên!

Het niet te proeven ! — Van die reepjes ook geen één — Geen twéé! tot ongemerkt het halve Hoen verdween! Hadt gij \'t gekund? Indien gij ja zegt, ik zeg néén! Ik had, helaas, met Jaromir gegeten;

Maar \'t had mij ook, met hèm, tot iu mijn hart gespeten.

ocr page 126

118

Daar zit hij nu, eu schudt het diepgebogen hoofd.

Ziju dinsdagsvasten was den Heilig duur beloofd, Ondankbare als hij is! «Waar zal ik uitkomst vinden! Wie kan mij van mijn schuld ontbinden!quot;

Zoo kermt hij; en te valscher smuilend loert Zijn oude vijand, die, wat hij een toeval waande.

Met schelmschen klaauw heeft uitgevoerd,

En door verzoeking hem den weg tot struiklen baande! Te meerder kittelt zich die Onverlaat, die daar De sleutels van den lessenaar Geworpen heeft, als korts de Klepels uit de wolken: De Klokkenist van Lochems Waterkolken;

Wiens keelgat thans het uiterst van ziju kracht In wondren doende werking bragt,

Om Jaromirs provisies op te slokken;

Waartusschen, als bedeesd, het halve Hoen nog schuilt! •—• Het masker van een hond is door hem aangetrokken. Dit voegt bij zijn exploot.

De pater hoort hem schrokken — Eu ziét hem nu! zijne oogen uitgepuild.

Door H langzaam glijden van de grof gekaauwde brokken; De haren piekregt langs den rug omhoog gezet! — Zoo ziet hij hem, en springt te been! een tred Terzij\'; doch onderwijl zich pogend te bezinnen Op \'t kwaad latijn, dat ieder Helspook kan verwinnen.

Zijn gast, die \'t argwaant, hapt, eer \'t hem de Ban belet. De sleutels weg; is door den wand gevlogen,

Dn staat, een mijl vandaar, aan elk gevaar onttogen.

quot;ilaar zijn die sleutels min dan klepels Kerkengoed?

ocr page 127

119

En waarom dït genaast, eu déze weggesmeten?quot; Zoo vraagt gij, Lucifer, gelieft gij des te weten,

Kweet met de Sleutels, op hun beurt, zijn teer gemoed: Hij bragt ze weder. Die de Boekcel kwam ontsluiten, Vond ze aan den ring der deur. Daar hingen zij, vanbuiten ;

En ach, vanbinnen, zat, tot aan de Vroege Mis, De Zondaar in \'t cachof.

Eerst meent hij nog te clroomen;

Alleen, uit deze Spijsben is —•

Zulks voelt hij al te zeer! — niets in zijn maag gekomen, Dan \'t halve Hoen; en leeg is zij!

\'t Verdwijnen van de Sleutels komt daar bij; En eindlijk spreekt te luid dat spoon van iiondensïappen. Waarmee de Arloer \'t gebeurde aan \'t nageslacht zal klappen.

In werkelooze wanhoop gaat Het licht voor hem te bed; en, eer van Walburgs toren De wachter driemaal zijn getoet geeft laten hooren,

Brengt hem de nacht geen goeden raad.

tCwam deze traag genoeg, \'t was toch niet al te spaad. Ook luistert hij daarna, met bei\' ziju hangende ooren

De Rozekrans wordt straks ziju toeverlaat. Het honderdste amen sluit het houderdst paternoster. Als zijn bevrijder komt — de Koster.

Thans is zijn eenigst wit, dat hij, door boete doen. Den Heilig weer verzoen\'.

Hoe streng kastijdt hij zich, om vrij te zijn van quot;t prangen Des zelfverwijts! Waar trekt hij, met gebeên En litanijen, niet al heen

ocr page 128

En biedt zijn holgevaste wangen

Te schouw, aan Sint Michiels, op doek ten toon gehangen — Aan Sint Michiels van hout en steen.

Hem na te reizen zult ge intusschen niet verlangen., Gij, die dit geeuwend leest, en geeuwend lezen hoort; Ik spoed mij daarom eindwaarts voort;

Laat Jaromir zijn schuld in zak en asch berouwen,

En zeg, tot slot, dit enkel woord:

Zich buiten vijands scheut te hou1 en

Is raadzaam; raadzaam ook, dat gij geen vriend verstoort

4. JAROMIR GEWROKEN.

\'t Werd geeuwen links en regts! en de arme Jaromir, Op dit signaal, moest, half gejaagd, gaan dwalen,

Om over d\'Apennijn, driehonderd mijl van hier. Pardon bij Sint Michiel te halen.

\'k Zeg over d\'Apennijn! van beê- tot bedehuis Laveerend; vaak in \'t scherpe kiezelgruis Een bloedig merk met naakte voetzool drukkend;

Vaak, afgemarteld, ouder \'t kruis Van honger, koude of hitte bukkend.

Dat zeg ik! en mijn vraag is nu:

Gesteld eens, Vrienden, dat ik n Niets meer van onzen Man berigtte?

Dat ik den Leelijkert, die zooveel onheil stichtte —-Den Klepelsmijter! —- den Verleider! — zonder iet Wat naar correctie leek victorie pauken liet? Kon\' dat misschien outknoopiug heeten?

ocr page 129

121

Was dat het Eegt bediend, naar \'t Wetboek der Poëten ? Gij stemt mij toe: dat kón — dat wüs het niet! En, praat ik weder, zulks aan keuvelzucht te wijten

Misbillijkt gij: van \'t geen mij dubble pligt gebiedt Moet ik mij, blijkbaar, pratend kwijten.

Daar, waar Garganus bergkruin ziet Naar \'t golvend zuid, geviel \'t, voor lange jaren,

Micliiel, (V Archangel, zich een Heilig te verklaren

■quot;t Luidt vreemd; maar voor dengeen, wien \'t aan geloof

(ontbreekt.

Bestaat de Grot, waaruit de Heilig spreekt —-Eeuïijds ten minste spkak! als nu, voor \'s Pelgrims ooren. De schuldvergiff\'nis; na de boete, zich liet hooren.

Zij galmde nog door \'t vreêverkondend Hol,

Toen, om \'t mirakel te voltooijen.

De fletse wang des Boetlings eenslags bol En rood werd, als voorheen, zijn buik weer uit de plooijen Ten statelijken ciikel zwol.

Hij keèiit dus, maar volhardt, uit demoed, in \'t voeteeren

En, stapt hij ook, om zijn herkregen vet Niet roekloos, weer door zweeten te verteren,

Met priesterlijk bedaarden wandeltred.

Toch daagt, ter zijner tijd, de stompgedakte toren Yan \'t Stadjen op, waar thans Een onverwelkbre lauwerkrans Zijn schedel toeft, die flaar tevoren Een bluts ontving.

Doch, eer hij verder stapt, is \'t noodig dat wij hooren, Wat, aan dien oord, sinds hij ter beevaart ging.

ocr page 130

122

Sjeur Tenterkwaad begon.

\'t Was straks na \'t medevieren Der Kersnacht, op zijn wijs, dat hij incognito.

Vermomd als katuil, boven Lochem rond kwam zwieren.

\'t Hoog spaandak naast de kerk doorborend, loerde zoo Zijn blik ten leste ook in een slaapstee. Die daar woelde —

De Kapellaan, gehuisd bij d\'ou\' Pastoor —

Smeet, of een mierenschaar hem over \'t lij f krioelde.

Zich, onder diep gezucht,\' van \'t een op \'t ander oor.

Wie had de schuld? De frissche Leonoor!

Doch zonder dat zij \'t Avist. De goê Begijntjes noemden Het Meisje Zuster, en beroemden.

Van afgunst vrij, zich op den kostbren schat.

Dien \'t arm Konvent in \'t vlijtig Kind bezat.

Maar, wat haar binnensmuurs een eerkroon had geschonken,

Stond op de cedel der verdiensten niet gemeld. Die onzen Kapellaan te klaar in de oogeu blonken.

Hij had de INTon, zelfs in verbeelding, nooit verzeld. Als haar de huisorde of de Mater riep tot pligten. Waarvoor straks eigen wil bij Leonoor moest zwichten;

Doch naarstig had hij ze, uit zijn vliering-cel, bespied, Wen ze in den moestuin zich somwijlen kwam vertreden.

Was elfen Grijs heur dragt, haau bleek een dragt te kleeden.

Die quot;t zachte van heur blos onoverschitterd liet. De zwarte Keuveltimp, zich op heur voorhoofd krullend. Verhief heur blank nog meer. Twee spelden (naar de wet, Door zuster Hill1 — van kuif wat hoog blond — ingezet), Heur bruine vlecht in lijnwaadplooisel hullend.

Verwekten spijt; maar \'t schoon van Nora\'s voetjes woN;

ocr page 131

123

Bij \'t streng gebod, dat hun den sclioepronk van die dagen

Ontberen liet. En op die voetjes werd de jNoii Zoo zwevend ligt daarheen gedragen,

Of ze, als \'t gewed was, vliegen kon.

Steeds koortsiger, nain uit zijn sterretoren

i)e Vriend dit alles waar; ook klonk, te middernacht, Hein weer, bij \'t Kersgezang, die tooveïstem in de ooren. Waarmee het lieve Kind elk hart in oproer bragt!

/\'Ach, had geen beulenhand mijn sohedel plat gesehoren! Eu stond mij \'t vrijen vrij! en dat ik uit de borst Haar wat mij pijnigt klagen dorst! —

Dat Zij, bewogen door mijn beden.

Mij kroonde met haar gunst!quot;

Hier was het jammrend quot;ach\'\'\' l)es aanhefs ook het slot; en, die naar onder zag.

Hoor \'t steile huisdak, schiet, ontkatuild, naar beneden! —

quot;Help, Heerom, help !quot;— Eilaas! al \'t helpen kwaam te laat: De Kapellaan blijft — overheerd door Tenterkwaad — Een voorwerp om in \'tgasthuis te besteden!

Hij kruipt te negen uur de dekens preevlend uit.

Geen vadehonze, waar zijn mond zich mede ontsluit; Half schijnt het de engelgroet ; doch, eer men \'t voluit hoore,

Is \'t beter doof te zijn! maria groet hij niet;

Maar quot;Ave, Ace, leonore T

Herhaalt hij, tot gebrek aau asem \'t heiu verbiedt. Geknield voor \'t veustertjen, dat iu deu Moestuin ziet. Ten laatste, hij kwam af; slof — • slof; het hoofd gebogen.

Als of hij langs den Berg naar Diamanten zocht.

Leuoor, met licht bekleed, stond voor zijn brein ; omtogen

ocr page 132

124

Met digten nevel stond al \'t andre voor zijne üogen.

Hoe luidt een straf preeek op zijn oorvlies trommlen mogt, Doof bleef hij! slechts vernam zijn geest het stadig weemlen Van \'t Kerstnachtlied, dat hem verrukt deed heemlen.

En \'t kluchtspel, dus vertoond, ■vvas niet met èèns gedaan: Zijn kwaal liet door reliek noch klysma zich verjagen!

Zelfs teelde \'t voorjaar nog bij de oude nieuwe plagen.

De buurten rond zwierf thans de Kapellaan —

Keek stijf in zijn brevier — en hief een deuntjen aan: //Leonoret, schoon rozekijnquot; begon het.

Wanneer \'t een jongenstroep, van ver hem nagegaan, Meê blaarde, zijn crescendo won het

En zong \'t alleen ten einde — - tot den dag. Dat Jaromir hem hoorde en zag.

Straks werd hij stom! en hukkende in de struiken Dacht hij de naadrende, als het hoen den wouw te ontduiken.

Bedrogen hoop! \'t instinet, gescherpt door wraaklust, had Den Pelgrim reeds gediend! Het leidt regtweegs zijn schreden Naar \'tboschje; en waarom hem, met sidderende leden. De Liedjeszanger tegentrad? —

Hij heeft den aanvang reeds vernomen Van d\'onweêrstaanbren Ban! den Ban, dien hij ontkwam, Toen hij zijn vlugt door Zutphens kerkmuur nam,

Doch, in dit uur, niet zou ontkomen!

Het magtig Eormulier werd des van woord tot woord. Al tandeknersend door den Booswicht aangehoord; En, uit den Kapellaan met huid en haar geweken.

Steeg hij (afschuwlijk in zijn helgestalt\'1) naar \'t hoog; Toen daar de Schildwacht Sint Michiel hem tegen vloog!

ocr page 133

125

Plots heeft de luchtreis uit; ziju spierkracht is bezweken ; Hij tuimelt neêr, en boort nu, \'t hoofd omlaag, in de aard Maar de Exorcist, die hier den pas bewaart Grijpt toe; houdt bij den slingerstaart Het halve lijf terug; en \'t koord, dat om \'s Mans lenden Geknoopt hangt, weet zijn vuist kastijdend aan te wenden, Met zulk een klem, als nimmer menschenvleesch Verduren moest, van knoet of bullepees

De Lijder slaat, ziju molgat in, aan \'t huilen,

Hat de antipodeu zich ontzetten! dat de zuilen Van \'t Pandemonium als zwakke rieten staan Te beven. Jaromir geeft weinig om dat piepen !

Vergeefs vangt klaauw en horen staag weer aan Met wroeten, om den weg naar \'t onderaardsch te diepen!

He pestkwalm, van den Schreeuwer uitgegaan.

Spreidt vruchtloos een bedrieglijk duister:

Geen slag die misvalt, van tweehonderd, wel geteld; Waarmee bediend, de Guit werd vrijgesteld.

Zóó stapt de Pater, overstraald van zegeluister.

Hoor Lochems Poort! Zóó lag voor onzen Held Zijn trotsclie quot;Weerpartij geveld!

He Strafplaats heet, van dien dag af tot dezen.

Naar dat gestaarte deel, waarop het gordeltouw He wraak van Jaromir in striemen gaf te lezen.

quot;En nu de Kapellaan? —quot; Die keek sinds naar geen Of \'t moest een bes van tachtig wezen. (Vrouw,

ocr page 134
ocr page 135

xvn.

MR. JACOB VAN LENNEP,

24 Maart 1802—25 Augustus 1868.

Mengel-poezy dooe Mk. J. van Lennep. Leiden, A. W. Sijthoff.

Zonder jaartal.

ocr page 136
ocr page 137

LENT E-MIJM ERINGEN.

21 Juni 1855.

]\\Ien kend(! — wie zou \'t uu vermoên In Nederland voordezen

Een lief on lachend jaarseizoen Door ieder luid geprezen.

Een jaarseizoen, waarvan de jeugd Al spottend lioort gewagen,

Maar dat gewis nog enklen hengt. Als ik, reeds oud van dagen.

Het kwam op Zefyrs zoelen aum Ons jaarlijks tegenzweven;

Men had van ouds den zoeten naam Van Lente er aan gegeven.

\'t Werd bij zijn nadering alom Door blijde vreugdezangen

Door \'t vroolijk, hartlijk wellekom Van oud en jong ontvangen.

«De Lieve Lente is weer in \'t land,quot; Zoo juichten blij de lieden:

uit nedf.rwnd\'s lktteiiscuat u.

ocr page 138

130

Want ieder wist, met milde hand Kwam ze ons haar weldaan bieden;

Want ieder wist, hoe ze over de aard

Haar rijke gaven strooide:

Hoe zij en weide en bosch en gaard Met frissche kleuren tooide.

Dan ging een jonge, een dart\'le schaar.

Vereend van alle kanten.

Ter eer der schoonste maand van \'t jaar Hen groenen Meiboom planten:

Hen Meiboom, wiens verheven kruin

Hun zorg om strijd bekranste Met (P eêlste keur uit veld en tuin. En waar de jeugd om danste:

Han liep, in sierlijk wit gewaad.

Met rozen in de haren, He Pinksterbloem langs gracht en straat Om giften op te garen:

Hau klonken Üuit en veldschalmei

En ruischten ze over d\' akker En riepen in de landvallei He slapende echo\'s wakker:

Han vlijde op malsch en mollig groen,

Ho veldmaagd, jong en blijde, In schaüw van \'t geurend bloemplantsoen Zich aan haar liefjes zijde:

ocr page 139

131

Dan strekte ze, over \'t gras gebukt,

De handjes om zich heueu, Eu bloem bij bloem werd afgeplukt Van \'t zonnetje beschenen;

Dan wist zij voor haar hartedief

Een tuilje saam te vlechten Van boterbloem en madelief

Om \'t aan zijn borst te hechten;

Dan blies, van balsemgeur bevrucht,

Uit plant en kruid gestegen, Een lauwe en zwoele voorjaarslucht Den wandlaar liellijk tegen;

Dan scheen uit veld en beek en bosch

U wellust toe te vlieten.

En \'t hart, van bauge zorgen los. Herboren tot genieten:

Dan was \'t, of Cypris en haar rei

Op aarde nederdaalden En \'t schepslenheir met zoet gevlei. Tot minnen overhaalden:

Dan paarden, in dien zoeten Mei,

De tortels in de boomen, De schaapjes in de groene wei. De vischjes in de stroomen.

Gelooft gij mijne woorden niet. En vraagt gij meer bewijzen.

ocr page 140

133

Lees Mosclms, Bion, Theokriet,

Hoe zij de Lente prijzen.

Of, zoo dit te moeilijk viel,

— Licht zijt ge uw Grieksch vergeten

Zoo lees dan Flakkns of Virgiel;

Zij doen u \'t zelfde weten.

Gij meent misschien, geen hunner, neen. Mag hier getuignis geven;

Zij zongen eeuwen reeds geleên In zachte zuiderdreven.

\'k Hoop niettemin, uw ongeloof Zal voor de waarheid buigen,

Yoor Cats noch Vondel zijt gij doof: Dat zij voor mij getuigen.

Poot, Wellekens en Bilderdijk,

En and\'ren kan ik noemen.

Zij allen geven mij gelijk Als zij de Lente roemen.

\'k Voeg nader blijk bij wat ik zei. Gij zult voorzeker weten,

Hoe, thans nog, naar die maand van Mei, De beste kersen heeten.

Dan Jk stal Her geen geleerdheid uit; Want — naar ik veilig reken —

Zoo hier de ervaring iets beduidt. Dan mag de mijne spreken.

ocr page 141

133

Mij heugt, toen ik een knaapje was, En Mei in \'t land gekomen,

Wij zaten \'s avonds op \'t terras In scliauw der lindeboomen.

Dan sprong ik als een jonge ree En plukte mij een ruiker.

De gouvernante schonk ons thee, Ik kreeg dien zonder suiker. I)

O! \'t blijkt uit alles zonneklaar, Men mocht in vroeger dagen

Op Lente reeknen ieder jaar; Wat kon haar toch verjagen?

Hoe meenge winter ging voorbij Dat wij begeerig smachtten

Naar \'t lieve Lentej aargetij En vruchtloos bleven wachten.

Met ieder jaar bleef \'t winterijs Wat langer in het water,

En bleef de lucht wat langer grijs En kwam de zomer later.

En nu — \'t is reeds de langste dag: Reeds moest de zomer komen

En \'k heb in Neerland, waar ik zag. Geen voorjaar nog vernomen.

1) Het was toen iu den heuglijken l\'ranscheu tijd.

ocr page 142

134

Van koude tril ik als een blad Terwijl ik zit te schrijven:

Zoo ik geen wollen dekens liad,

Ik zou in quot;t bed verstijven.

Vertoont zicb soms een zonnestraal,

Steek ik den neus eens buiten,

\'k Zorg, dat ik straks hem binnenhaal Om quot;t venster weer te sluiten.

Een gure, scherpe Noordenwind Is nimmer moe van blazen.

Hier helpt noch valgordijn noch blind,

Noch tochtlat voor de glazen.

Ik waag niet zonder overjas Mijn huisdeur uit te loopen

Eu haast mij, dien, of \'t winter was. Wel stevig dicht te knoopen.

\'k Grijp, onder \'t voortgaan, naar mijn hoed. Eer mij de wind betrekke.

En, zonder dat ik iemand groet.

Den schedel mij ontdekke.

De Dames — och! — zijn desperaat;

Niet eene durft het wagen.

Indien zij zich vertoont op straat,

Een nieuw toilet te dragen.

Weer komt versleten wintertooi De jaconnets vervangen.

ocr page 143

135

\'t Barege kleedje — ocli zoo mooi! —

Blijft aan den kapstok hangen.

Thans spreken bosch noch beemd noch veld Van zoete minnarijtjes;

Geen kastelein verdient er geld Aan buitenfeestpartijtjes.

Waar schuilt — ik vraag het nogmaals, och! l)e Lente — en in wat hoeken?

Waarin misdeden wij haar toch,

Dat ze ons niet wil bezoeken?

Nog wordt er van onze eeuw gepraat.

Alsof zij — wat verblinding

Alle andere in dc schaduw laat Door wonderen van vinding.

Haar hoogmoed stoft op gaslicht, stoom, — Of dit mijn leed zou stillen —

Electro-galvanieken stroom En Hollowajsche pillen.

Maar wat zij stoffen moge, neen.

Zij kan mij niet bekoren.

Die, zoekende naar nieuwigheên De Lente heeft verloren.

\'k Zon, lieve Lente, met vermaak.

Indien gij wildet keeren.

Elk nieuw gewrocht van kunst of smaak En, zonder klacht, ontberen.

ocr page 144

1-36

Ik zou mij troosten — mocht ik weer

Uw lief gelaat aanschouwen — Al werden geen congressen meer Noch cattle-shows gehouên.

\'k Neem aan, mag ik uw aangezicht

Weer zien gelijk voordezen,

Om nimmer proza of gedicht A an........meer te lezen.

Ja, lieve Lente, uw stomme taal

Waar mij nog aangenamer Dan \'t schoonst discours, dat ooit de zaal Doorklonk der Tweede Kamer.

AAN EEN MIJNER KLEINZOONS.

ïeeder en aanvallig wichtje.

Dat zoo geestig om u heen kijkt Uit uw (niet meer schomlend) wiegje; {Schomlende zijn uit de mode)!

Dat nog van de tegenspoeden,

Die ons hier beneden kwellen.

Geen ervaring hebt verkregen

— Dan door \'t steken van de muggen! —

Dat, nog zuiver van de driften.

Die op rijper leeftijd woelen,

Nimmer boos wordt — dan alleen maar Als men niet terstond uw zin doet.

ocr page 145

137

Dat, nog vrij van dwaze wenschen, Vrij van zondige aardsche lusten, Uw begeerten blijft beperken Tot een trek naar soep of bloemkool!

Dierbaar kind gij zijt onkundig Van uw lat\'re lotsbestemming.

Ik, in spijt van grijze ervaring.

Weet daarvan zooveel als gij weet.

Maar, zoo gij nog naar de toekomst Geen vermeetle blikken heenwendt Of althans niet verder uitziet Dan naar \'t heerlijk etens-uurtje,

Ik — eu \'k durf geenszins bepalen Of het dwaas is dan verstandig — Ik, ik kan mij niet weerhouden Naar die toekomst vaak te gissen.

Zult ge een pleitbezorger worden? In den handel u begeven?

Of,^uw ooms tot voorbeeld kiezend. Uw fortuin in de Oost gaan zoeken?

Zult gij in de koffiehuizen Aan \'t biljart uw dagen slijten,

Altijd wachtend op een postje.

Dat u nimmer wordt gegeven?

Of zult gij de krijgsdienst kiezen En u krijgstropeeën vormen

ocr page 146

138

Van sjakots, nog voor \'t verslijten Dooi\' een nieuw model vervangen ?

\'t Is mij in tien grond om \'t even;

AVant men kan in eiken werkkring Al naar \'t valt, carrière maken Of een bittre sukkel blijven.

Maar, lief kind, wat hier beneden,

Ooit bet doel zij van uw streven.

Tracht toch — wat ik u mag bidden — Nimmer naar den naam van dichter.

Of\', laat ge eenmaal — gij rampzaalge! —

ü verleiden door \'t gelluister

Van een spoorlooze eigenliefde,

Die dan — wee ons! — geldt voor roeping,

Knnt gij \'t maar volstrekt niet laten. In gebonden stijl te schrijven.

Neem dan voor het minst mijn raad in. Grijze les der droeve ervaring:

Jaag vooral niet naar verheffing:

Schoei u met geen purpre broozen:

Laat aan dwazen de ad1 laars vleugels ; Gij, kies die der poelpetaten.

Weet, de Alceën en Pindaren Acht ons koel positivisme Zoo niet daadlijk rijp voor \'t dolhuis.

Zeker gansch onbruikbre wezens.

ocr page 147

139

Zorg ook, zoo gij van nature Met wat schalkscli vernuft bedeeld y.ijt, Dat een gave, zoo noodlottig,

Uit uw verzen nimmer blijke.

Zie, de grofste liaatlijkheden In een dagblad neergeschreven,

Noemt de lezer juist en geestig — Mits die slechts hem zelf niet raken.

Maar een scherts, hoe dood onscbuldig. Die men zich op rijm veroorlooft. Brandmerkt in elks oog den rijmer Als een diep bedorven booswicht.

Wacht n bovenal zorgvuldig.

Ooit aan Neerlands roem te knagen, Neêrlands mannen, ÏJeêrlands vrouwen, Neer lands boter niet te aanbidden.

Schilder steeds in uw gedichten Ieder Spanjaard als een Alva:

Ieder Pranschman zij een smeerlap. Ieder Brit een warsche stijfkop.

Maar steek onze landgenooten (En met handgeklap en bravo\'s Zal u ons publiek beloonen)

Altijd dapper in de hoogte.

Maal hen steeds als wijzer, knapper. Mooier, braver, vlugger, vromer.

ocr page 148

140

Bovenal, als muzikaler

Dan elk ander ras van mensclieu.

Laat voorts niemand u verdenken Alsof gij aan \'t feit zondt t wij tien Dat, sinds zijn bestaan, ons Neerland Een aparten Lieven Heer heeft.

Dat aan ons in eiken zeeslag De overwinning is verbleven.

Dat zich Helmers nimmer schuldig-Heeft gemaakt aan overdrijving.

Dat de roode Leeuw van Holland \'t Puik is van de gansche diergaard.

En dat één Metalen kruiser Tien Zouaven kan verslinden.

DE VADER AAN ZIJN EENIG ZOONTJE.

(O D E).

TJ wijd ik heden mijn gezang,

Gelukkig kind! zoo mild bestraald met zegen! . . . Maar Iaat ik eerst van uw behuilde wang

JJie traantjes vegen.

Gij, op wiens pad, bij \'slevens lentegloor,

Slechts rozen zonder dorens groeien. .. Pas 02) wat, Jans! daar stopt hij ertvten in zijn oor. U, wien genot en zoetheên tegenvloeien,

Wien nog geen zonde drukt, geen bange smart beknelt!

ocr page 149

141

Wat heeft hij in zijn mond? Bewaar ons! 7 is een speld. Bevallig wicht! gij liev\'ling van ons allen. Zoo vlug en dartel als het vinkje in de lucht! De gangdeur toe, hij mocht nog van de trappen vallen. Aanminnig voorwerp van elks teerheid! — Wel geducht! Let op toch, Jans! hij zal zijn doek aan 7 vmir verzengen. Gij, wien wij onze zorgen brengen,

Uit wiens bestaan ons dierbaarst heil ontspruit! Gij hechtste schalm in onze huwlijksketen! . . . . Be drommel haal\' den stouten guit!

Hij heeft mijn inktpot omgesmeten.

Gij Cherub! die, wanneer de maan Deze aard verlicht met zilv\'ren glansen.

Bestemd schijnt, ora de blijde dansen Der luchtige Elven voor te gaan ....

Verbied dat kind, den poedel zoo te slaan!

Lief bijtje, dat den honig weet te puren Uit ieder bloempje, naar uw keus!

Wat ligt hij weer te plukken aan zijn neus! U, al mijn troost in droevige uren!

ü, vaders hoop en glorie bovendien ....

Wie leert dat kind, zoo scheel te zien?

Blijf steeds \'t geluk u frissche bloemen strooien. Fas op! hij zal zijn tol nog in den spiegel gooien.

Lief duifje van onze ark .... Daar stoot hij aan de kom;

Nog éénen duw, dan ligt zij om ... . In \'t huwlijksnest gekweekt met onverpoosde zorgen .... Writ drenst en jankt hij dezen morgen !

Bij wiens geboorte een heilgodes Ons huis betrad, die mild u wou gedenken ....

ocr page 150

U;2

Foei! wat hemoezelt hij zijn hes .... En kwistig met haar gaven n beschenken ....

Jans! Jans! hij heeft een mes!

Speel, dierbaar kind! met ongestoord genoegen. De zoete vreugd mag aan uw leeftijd voegen; Dat vrij uw lust voldoening zoek!

Ih zei hef wel, dat al die koek,

Dien Trui hem. gaf, hem misselijk zou maken, O ! dat de vreugd, die thans uw schuldloos hart doet blaken Bestendig, duurzaam, wezen kon!

Daar knipt hij, .Janslief! met een schaar in uw japon. Zoet rozenknopje! dat uw blaartjes gaat ontsluiten.... Ga naar Mama, en laat je neus reis smnten ! Zoo zacht zoo geurig en zoo frisch!

Hij maakt mij ziek, zoo vuil hij is.

Bekoorlijk als Aaroor, in \'t Oosten doorgeblonken----

Vc Wou dat dat raam. een tralie had! \'t Ontluikend brein verlicht met louter hemelvonken. . . Breng toch dien hengel weg, mijn schat!

Ik kan geen letter verder schrijven,

Indien hij langer hier moet blijreh.

ocr page 151

XVII]. „DE SCHOOLMEESTER.quot;

(GERRIT VAN DE LINDE),

1808—1858.

Uit: de Gediciitex den Schoolmeester, uitgegeven door M. J. van Itcnne]), Volksuitgaaf^ Amsterdam^ Gebroeders Kraag, 1878.

ocr page 152

Wêêêêêêê

ocr page 153

DE BOTERHAM EX DE GOUDZOEKER.

Een verhaal in den geest des tijds.

Auri sacra fames.

Te Wormerveer Woonde eeus een Heer,

En te Overschie Een juffrouw die Die Heer zijn hert En hand aanvaardde en mijn moeder werd.

En moeder liep Avat met haar eersteling lieen. En grootvader zei: //kijk! liy loopt haast alleen.quot;

Maar vader zei droogweg: //dat\'s nnmero een.^

En zoo leefden mijn ouders en ik alle drie Als fatsoenlijke lieden op Overschie,

En wy hadden er ieder zijn boterham Die ons alle drie smaakte en ons wel bekwam.

En toen er nu links — wat overdaad

1 n hun echten staat! — uit neêhland\'s letterschat ir.

10

ocr page 154

146

Gelijk het wel meer in het huwelijk gaat,

Een tweede kwam Om zijn boterham,

Toen sprak mijn vader: quot;ik ben niet rijk,

quot;Ofschoon ik reeds met een paar stamhouders prijk. quot;Tk heb geen post of geen landspensioen,

//Wat zal ik hier met die twee spruiten doen? //Hoe hou ik op Overschie mijn fatsoen?

quot;Is één niet genoeg voor een burgerman?

quot;Wat doe ik met twee? — Wat heb ik er au? quot;Zoo1]! tweede sieraad //Van mijn huwelijksstaat,

quot;Die in \'s levens ontlokenen dageraad //Zich reeds tweemaal alhier te verslikken staat, quot;Terwijl hj in toomloozen overdaad,

//Zijn buik als een pakschuit op marktdag laadt, //En zijn ouders vertroost met de hoop op zwart zaad,

quot;Pak jy, kameraad!

//Maar spoedig je biezen en poets me de plaat. //Jy klaplooper, voort! of wy krijgen \'t te kwaad. quot;Hy eet meer dan twee quot;En hy drinkt als de zee!

quot;Met zoo1)! tweede letter in \'t Echt-A-B-C quot;Mijns huwelijkslevens, wat doe ik er meê? quot;Is A niet genoeg! en wat heb ik aan B?quot;

Mijn moeder zei lachend: quot;op Wortnerveer //Sprak iemand heel anders: niet waar, mijn lieer? quot;Kom, geef vrouwlief een zoen, en zeg het niet meer, quot;Zoo\'n zeggen doet my en mijn kindtjen te zeer.quot;

ocr page 155

147

Maar toen er nu — weêr om zijn boterham — Op nieuw een produkt uit de bloemkool kwam,

Toen bromde mijn vader: «Wel Heerejee!

quot;Daar is numero vijf! wat doe ik er meê?

\'/Wat heb ik hier aan zoo\'n mntsebol?

quot;Mijn zak loopt leeg en mijn huis loopt vol,

quot;En de affaire gaat slecht en mijn kop is op hol. quot;Op het Hof in den Haag quot;Heb ik vrind noch maag,

quot;En op Oversehie heb ik maag noch vrind.

//Wat doe ik hier met zoo\'n vijfde kind ?

— \'t Heeft nu reeds van \'t zuigen een stuk in zijn kraag quot;Zoo\'n jeugdige haai met zijn volle maag,

quot;Zoo\'n zuigend zoogdier, zoo\'n lik-in-de-pan,

quot;Zoo\'n etende tering, wat maak ik er van?

quot;Zoo\'n vijfde kwaêjongen, wat heb ik er an!Jquot;

Ons kroost was maar drie, en geen sterveling meer; Maar \'t reek\'nen ging slecht op Wormerveer.

Mijn moeder zij niets voor \'t oogenblik;

Want mijn jongste broêrtjen had juist de hik.

l)och toen uit de kool nu een tweetal kwam En vroeg om een dubbelen boterham.

Toen riep mijn vader, geweldig boos:

//\'t Lijkt de postwagen wel van Van Gend en Loos. quot;Ben je daar alle drie? wel dat doet my plezier, /■En de baker er ook by en alles by nacht,

//Waarom kom je in eens toch maar niet alle vier? //Een meer of een minder zeit niets op zoo\'n vracht.

ocr page 156

148

//Haal het restjen nu ook maar, dan heb je net acht. //Goddeloos! wie had ooit zoo\'n famielje verwacht?quot; Vader dacht aan een drieling; doch \'t was er maar twee. En hy telde in der haast -onze baker nog mee;

Maar de man in zijn drift wist niet best wat hy deê.

Maar Moederlief zei: «wel heden mijn tijd!

//Hoe raak je nu, Vader! de klus zoo kwijt?

//Daar is er geen een die nog honger lijdt,

//En heb je dan geen Overleg en vlijt!quot;

//Ja welquot;, zei mijn vader; //maar acht is te veel,

//En daar kijken er zeven van honger al scheel.

— //Een ouderlijk dak en een huislijke haard

//En ons negental kind\'ren, en allen gespaard!

//Vier gespeend, vijf aan \'t zuigen, en een met een baard

//En die beeldfraaie brieven, als vader verjaart!

//Eu ons leven is waarlijk een hemel op aard! —

//Dat zijn allemaal praatjens, de moeite waard

//Voor een heer, dïe een koets houdt, een knecht en paard.

//Dan is \'t hemelsch aandoenlijk en machtig lijn; —

//Maar daar moet in zoo\'n hemel een boterham zijn.

//En voor boterhammen, in aantal zoo groot,

//(Want wy zijn met ons tienen en niemand nog dood)

//Heb ik in zoo\'n hongrigen hemel geen brood.

quot;Ik ben op dit punt licht zoo knap niet als Poot,

//En wat hebben wij hier aan een hongersnood?

quot;Zoo\'n hemel heeft veel van een ravennest.

//Maar eventjes elf. . . en ik schenk je de rest.quot;

Mijn vader was weer in zijn rekening mis; —

Doch wat zeit niet een man al, die driftig is,

ocr page 157

149

//Wel Vader!quot; zei Moederlief; //jy weet het best //Manr ik heb geen vrees voor ons ravennest.1\' —

«Hoort kindren!\'1 zei Vader op \'tlest; //weet je wat?

/\'Het eenige, dat er nog opzit, is dat

«Eerst je broer met zijn baard, en jjlui daarna,

//Dat elk uwer enjin eens uit reizen ga,

/\'En dat je maar, elk als je gaat en staat

//(Want veel plunje is op reis maar overdaad)

/\'Het ouderlijk huis bv provizie verlaat,

//Tot het kinder vertrek weer wat lediger staat.

/\'Want al ben jelui klein, jelui bent niet zoo mal

//Te denken, dat ik zoo\'n vervaarlijk getal

//Voor kost en voor inwoning vrijhouen zal.

//\'tls hier \'t leger, de vloot en de schutterv

/\'By mekaêr en je maakt den fonrier van my.

//Nommer één snij dus uit!

/\'Hier heb je mijn zegen en verder geen duit,

quot;En ik wou1,

quot;Dat, met jou,

quot;De rest van die bengels reeds zat in de schuit.quot;

\'t Was Vader die sprak en Vader alleen;

Want Moeder was ziek en sloop stilletjes heen.

En toen ik nu zag, dat ik d\'oudste was.

Toen ging ik aan \'t pakken en haalde mijn pas.

Als of het een reis naar Sebastopol was.

Mijn pakjen was licht, en mijn beurs woog nog min;

Doch Moederlief stak er een boterham in.

En toen eindelijk \'t uur van het afscheid sloeg,

En de schipper — of Jantjen haast klaar was — vroeg.

ocr page 158

150

En Moeder hem zond wat de vracht bedroeg,

Met een brief en een fooitjen, meer dan genoeg,

En voor \'t laatst op haar ziekbed in de armen my nam,

Terwijl er een beek langs mijn wangen kwam.

Toen zei zy: /\'hier is een zesfhalf of twee

quot;En een dubbeltjen, wees er maar zuinig mee.

//En daar komt uit mijn zak, jongelief! nog een duit;

//Maar Jantjen! och geef hem niet roekeloos uit.quot;

//Wat of toch dat snikken en snott\'ren beduidt,

//Dat heesch en dat krijtend hyeenengeluid ?

//Dat neusdoekverslindende neuzengesnuit ?quot;

Riep Vader omlaag met een stem als een Üuit;

/\'Zeg, is dat gezanik daar hoven haast uit,

//Met huilen verschietje maar nutloos je kruit,

quot;Zoo Jantjen niet oppast, mist Jantjen de schuit.

quot;En wy zijn nog twee uren langer gebruld

quot;Met onzen geknevelden huwelijksspruit;

//Want de bel heeft al tweemaal voor de afvaart geluid.quot;

Zoo sprak hy, en ik zei; quot;dag Vader, adieu!quot;

quot;Nou! niets van je Eransch hier,quot; zei Vader: quot;inosieu!

quot;Blijf my maar van \'t lijf met die uitlaudsche zeu

quot;En zeg op zijn Hollandsch eenvoudig: hadie!

quot;En kom je nog eens weer op Overschie,

quot;Dau hoop ik, dat ik je in je rijtuig er zie,

quot;Met een dubbelen, dikken boterham;

quot;Want anders waar quot;t best, dat je nooit hier weer kwam.

Ik had in de reis volstrekt geen zin;

Doch de Schipper riep luid: quot;kom, maak een begin.quot;

En zoo stapte ik de schuit en de waereld in.

ocr page 159

151

Maar eer ik nog was aan den Leydsclien Dam,

Toen dacht ik reeds meer aan dien boterham,

Dien ik, in de gedaante eener schatrijke vrouw. Aan mijn Vader, by \'tkeeren, eens brengen zou, Dan ach! aan de tranen van teederheid. By quot;t afscheidnemen door Moeder geschreid.

In de roef vond ik daadlijk een meisjen, dat.

Op liefde prat.

Zoo aardig en poezelig by my zat,

Dat ik Vader zijn boterham byna vergat,

TVanneer ik gelukkig een waarschuwend blad, Een naamloos brieljen, van Vader bekwam.

Waaruit ik de droevige tijding vernam.

Dat ze een weesdochter was zonder boterham.

Dat doofde zoo aanstonds mijn liefdevlam.

Zoodat ik subiet van haar afscheid nam En in quot;t ruim der schuit nog eens stilletjens dacht Aan de les in mijns Vaders postscriptum gebracht: quot;Hoe lieflijk de sexie u tegenlacht,

quot;Het schoonste product van het schooue geslacht, quot;Zonder boterham. Jan! is een weêrgAsche vracht. quot;Je twee broertjens zijn dood. Nu dag Jan, goede nacht.quot;

Doch toen ik nu reizende verder toog.

Toen viel al spoedig, op Schiermonnik-oog,

Mijn rechter zoo wel als mijn linker oog Op ecu keurlig sieraad vau een maagd, zoo fraai. Met zoo\'n Eransche toernour en zoo\'n smaakvollen draai, Zoo\'n zwierigen zwaai.

Dat elk een zei; quot;o Naj-

ocr page 160

152

wade! o Syreen !

quot;O Trojaansclie Heieen!

quot;O Penelopé! gooi dat korpetjen toch heen!

quot;En baad ons, Melpomeen!

quot;Niet langer in treurspel en dolk en geween. //Heb medelij toch met een blaauwe scheen,

//En leg ons wat zalf of wat kaarsvet op \'t been, //Of wind er wat Engelschen pleister om heen: //Ik meen,

//Lieve Leen!

Vil vous plait, permitteer,

//Dat ik over n thans fatsoenlijk verkeer,

quot;Dat ik vrij quot;Over u, en dat a\'y,

quot;Van nw zij,

/-Ook vrijt over my,

quot;En dat wy quot;Ons gelukkig bevinden in die vrijery,

quot;Tot ik ras n aanschouw quot;Aan dees borst als mijn vrouw,

quot;En dat niets ons dan schei in de gansche natuur quot;Tot de letste minuut van ons levensuur,

quot;Noch van u noch van my,

quot;Steeds voor wind en tij . . . ^

Doch niet steeds is de liefde bestendig van duur Want: quot;die bruid quot;Heeft geen duit.quot;

Riep eens op een wand\'ling een schoenpoetser uit. En die maar klonk me in de ooren als dondergeluid.

ocr page 161

153

■— En gebluscht was op eenmaal mijn liefdevuur;

quot;t Was basta hiermee en mijn vrijen was uit;

Want ik dacht by geluk Aan den boot\'ram van Vader, dat waarschuwend stuk. En op \'t slot van de zaak was mijn hiel zelfs niet blaauw

En genas heel gaauw,

Zonder kaarsvet of pleisters of zalf, en ik vloog,

Als een pijl uit een boog,

Van Penelopé weg en van Schiermonnik-oog.

Doch toen ik vervolgens de reis hernam En t1 Edam Op de kaasmarkt kwam,

ïoen vond ik zoo\'n tros Van een deern, met zoo\'n blos En zoo beelderig haar,

liet eenige kind van een kaas-makelaar In kazen, een schatrijk Edammenaar.

Dat ik daad\'lijk tot haar Zei: quot;ach dierbare Saar!

quot;Maak uw Zondagspak klaar //Om terstond met mekaêr quot;Naar liet huwlijksaltaar,

quot;En te zamen van daar quot;Hand aan hand naar \'t Edammer Stadhuis te gaan.quot; En den volgenden dag was ik vroeg op de baan En ik belde aan het huis van mijn schoonvader aan, Zoo netjes gekleed als een haan Pas gebraên.

Toen ik juist hallef acht op \'t stadhuis hoorde slaan.

ocr page 162

154

Doch hier zag ik een beer — met laarzen aan En zoo bleek als een roomkaas — in \'t voorbuis staan En die zei: //je moet nimmer die gekheid begaan: //Want de maaklaar in kaas is op reis naar de maan,

//En van middag nog slaan //Wy beeren Zijn Edeles boeltjen aan.quot;

I\'jn quot;k zei hierop: //dankje Chineesche schim!

quot;Geen maaklaar zegge ooit: hy was Jantjen te slim, //Lief Saartje, ik snij nit en ik laat je maar staan, //En \'t is met mijn vrijaadje te Edam gedaan.quot;

En toen quot;t met mijn trouwen dus over was. Zoo kwamen de bruidsuikers minder te pas En ik stopte ze dus, met mijn hypocras.

Maar stilletiens weg in mijn overjas En haastte my straks uit Edam van daan Nog zoo ongehuwd als een Kapellaan.

Maar nu kwam ik te Sneek

J.n de kermisweek En ik raakte er zoo bleek En dan weder zoo rood, zoo geheel van mijn streek, Eu ik voelde in mijn hart zoo\'n doorhorenden steek; Terwijl ik in Sneek Naar niets anders keek,

Dan alleen heel den dag naar een Sneeksehe apotheek. Want hier zag ik een lijn Van een rneisken, zoo fijn,

Met een hand als satijn,

En een kleur als een roos in de maneschijn;

ocr page 163

155

Eu dat maagdeliju Gaf m1 een zoeutjen als suiker of ambroziju

Of malaga-wijn,

En ik riep in vervoering: quot;O liefste mijn!

//Ik verkwijn //En verdwijn //Uit bet land van de levenden, lief Colombijn!

quot;Of gy moet pardoes de mijne zijn.

//Ach! zeg ja,

quot;Lieve j\\a!

//En niet spaê quot;Wees mijn gaê.quot; —

En bet meisken zei; quot;Ja,

quot;Met consent van mama;

//Want ik beb geen papaquot; —

Kn straks zijn wy de bruid En niet langer een buit Van het snood celibaat, dat een vrijgezel bruit,

Eu wy roeien te saam in de huwelijksscbuit;

En mijn Naatjeu die ziet er zoo snoeperig uit,

(Als je durfde, dan stal je baar weg van mijn zij Maar laat dat maar liever; want ik ben er by). En zoo gaan we in de wittebroodsweken vooruit En ik zeg tot besluit.

Dat mijn lief gezin Met zoo1)! Engelin Van een hartvriendin,

Eu een jeugdig paar tweelingen, tot een begin. Een tooneel is van trouw en van Sneeksche min . . ., . . . Maar haar moeder te Sneek zit er warmpjens in.

ocr page 164

156

Eu toeu ik nu over den Levdsclien Dam Met Na te Ovcrscliie bj mijn vader kwam,

Toeu zei ik: quot;hier heb ik mijn boterham.quot;

Doch Vader was, och! heelemaal van zijn streek

Eu zag doodelijk bleek,

Als of hem de dood uit zijn oogen keek,

Eu Na dacht: quot;Ik wou maar ik zat weer te Sueek.quot; Doch eindelijk sprak hv; //wel Jan! dat is goed; quot;Maar zie, in mijn huis is thands overvloed: quot;En \'k behoef my niet langer te kwellen om brood: quot;Want de kinders zijn weg en je moeder is dood.quot;

D E K A T.

Meu wil wel zeggen, dat, o Batavier! uw stam

Vau uit het strijdbaar volk der Katteu oorsproug uam.

Helmkrs Cadet.

Lavater,

In zijn physiologic van den kater.

Zegt, dat hy terstond aan zijn manieren ziet.

Of hy mijnheer of mevrouw biet:

En de dames onder de katteu Schijnen het even als Lavater te vatten.

Mijnheer zit op zijn uiterste gemak,

In de goot tegen een hellend dak.

Alwaar mijnheer Natuurlijk op mevronw wacht, die ook klautert als een leêr. En dan knijpt niet zelden onzen jonker By die gelegenheid de kat in \'t donker.

ocr page 165

157

Maar wat raeu schaars by verliefde winkeliers en andere

(menselien ziet,

Ook zelfs om zijn liefde verzuimt een kat zijn affaire niet. En \'t is aardig te zien, hoe gaauw onze jonggetrouwden

(verhuizen,

Als zy quot;t minste geritsel hooren van huisratten of muizen. Is echter dees nationale plicht Eenmaal door hen naar behooreu verricht.

Dan gaan ze weer terstond de pannen op, en dat wel zonder

(licht.

En het overige van de nachtelijke uren Brengen zy serenades aan al de buren.

En korten op die wijze den slapeloozen \'tijd Yan menigeen, die aan podagra of kiespijn lijdt.

Zoo weten die edele dieren, als Jenny Lind en Cecilia, hun muzykale gaven met philantropie te verbinden.

Wanneer een kat ons by nacht op zijn concerten tracteert. Dan zou men haast vraareu ; //waar heeft het beest het zingen

o O

(geleerd.

Daar hy over dag zich zoo zelden iu den zang excerceert ?quot; Over dag neemt dit dier Doorgaans op andere wijze zijn pleizier: Dan wandelt hy, by voorbeeld, wanneer het niet nat is, (Want niemand die zoo bang voor vochtigheid als een kat is;

Ofschoon er menige jeugdige kat of kater Om \'t zwemmen te leeren als zuigeling gaat te water,) Dan wandelt hy, zeg ik, den moes- en bloemtuin eens om, Mitsgaders het bleekveld, het kippenhok en de eendenkom. Om zich te verzekeren, dat er nergens eenige sorcles

ocr page 166

158

Of vuiligheid liggen, en dat alles behoorlijk in orde is.

Terwijl hij nu en dan, als een volleerd acrobaat, Voetjen voor voetjen over den rand van een schutting gaat En er op- en afspringt, zonder ooit te schroomen. Dat hy niet op zijn pooten weer te land zou komen. Immers als springer en equilibrist is hy een bol.

Die het kan te raaien geven aan den gunstig bekenden

(menheer Auriol. Ja, hy is nog vlugger dan nu wijlen Madame Saqui,

Al is zy als een zephyr gekleed, in een vleeschkleurdjakkie,

En hy altijd in een boute pels loopt, of winterpakkie. Somtijds zit hy ook uren lang te loeren naar \'t een of ander

(takkie.

Waar een nachtegaal zit te kwinkeleeren of groene sijs. En dan peinst liy; quot;had ik je hier maar, je waart spoedig

(prijs.quot;

Want een dergelijk vogeltjen, zelfs ongebraden, is een kat zijn

(delikaatste spijs.

Soms klautert hy ook zeif in een boom; maar wat men daarvan

(moog spreken.

Ik wil den knappen brilleslijper wel eens zien, die hem er uit

(heeft gekeken.

Soms weêr doet hy de ronde, en let of alles behoorlijk toegaat

(in huis.

En kuiert al de vertrekken rond, zolder en proviziekamer

(inkluis.

En vergewist zich op zijn tournee of al te met de keukenmeid. Als wel eens gebeurt, door nonchalance of onachtzaamheid. Terwijl zy met den brievebestelder, of slagersmof staat te

(praten.

ocr page 167

159

Een bord met room of gebakken vischjens, of een saacijsjen

(« Vabandon beeft gelaten: En, opdat Mevrouw hot verzuim niet merke en er zich over

(beklaag,

Ja misschien, na veel gekakels over en weer, in een driftige

(vlaag,

Aan de meid de dienst opzeg met Mei, of haar zelfs slanfe

[pede de deur uitjaag. Haast zich onze kat om de onbewaakte kliekjes te bergen,

(en wel in zijn maag. Te recht betoont gv u, o lieve jeugd! geheel verbaasd en In bewondering over zulk een zucht tot orde, gemultipliceerd met liefde tot den naasten. Waardoor dit edele dier zich boven zoo velen zijner natuur-

(genooten onderscheidt. Let voorts nog, o kinderen! op de bjzondere faciliteit Waarmede een kat zich, als \'t regent of er sneeuw in den

(tuin leit,

Enfin, als liy niet uit mag, zich in huis, met de geringste zaken, B. v, een afgerafeld end touw, een bal, ja een gescheurde

(Staats-Gourant weet te vermaken: Of wel het gezelschap veramuseert met menige grap B. v. hoe knap krapt een kat de krullen van de trap,) En een baas is ook in het spinnen,

(Voorheen zulk een geliefd occupatie by moeders van

huisgezinnen)

Terwijl gv, o jeugd! schoon nog door St. Nicolaas zoo

(rijkelijk bedeeld, Liever dan dat gj er op betamelijke wijze stilletjens mee

(speelt,

ocr page 168

ICO

Het huis op stelten breugt, of aau mamaas boezelaar hangt en haar benevens uw eigen verveelt.

Nog behoort onder de qualiteiten, die een kat vercieren

Boven vele andere menschen en dieren,

Speeiaal gelet te worden op zijn beschaafde manieren,

Waarom hy vooral wordt verestimeerd en hooggeschat, Ja, dikwyls tot groot avancement geraakt, als b. v. de

gelaarsde Kat.

Ook ruikt hy altijd vooraf (\'t geen als by zonder aardig. Ja, volgens Plinius en Richelieu, als hoogst merkwaardig Te beschouwen is) of men visite te wachten heeft op\'t salet; quot;Want dan maakt hy altijd vooruit zijn toilet,

Wascht zijn neus, zet zijn knevels op en kamt zijn hairen net. En dat alles, eer nog Mevrouw haar huismuts af- en haar

valsche krullen heeft opgezet.

Maar, o jeugd! indien gy nu komt te; vragen;

//Waarin schept eigentlijk een kat het meeste behagen?quot;

Ik antwoord: dat schrandere dier zijn liefde en zijn,lust Is, als hy, heel gemakkelijk, en zich zijner waarde bewust. Het aardsche gewoel vergetende: op een canapeekussen rust, Waar hy dan zoo op zijn eigen over \'t ondermaansche ligt

te mediteeren,

Met zijn oogen dicht, opdat hem heen distracties zouden

geneeren.

Ja, woont hy soms by een boer in of gepensioneerden

soldaat.

Of by een verloopen domenee op zwart zaad;

Enfin, in een huis waar geen canapee of easy-chair staat,

ocr page 169

lei

Geen nood: onze wijsgeerige maat Weet dadelijk op alle dingen raad, hn coutenteert zich des noods met op Domenees oude huisjas

(te liggen, of op de warme plaat. Welke laatste hv dan ook zelden, voor dat die koud wordt,

(weer verlaat.

Zoo weet onze maat in de moeilijkste levensoogenblikken /iich met wijs overleg naar de omstandigheden te schikken.

Heeft het een kat naar zijn zin.

Dan neemt zijn gespin Terstond een begin;

Maar gaat men hem plagen.

Dan zal hy juist niet bvzonder klagen.

Ja, er zieh veeltijds kalm onder gedragen.

Alleen zijn rug Wordt dan zoo rond als een ronde brug.

Niemand denke daarom: /\'hy is maar een sul;quot; Want als hy eens begint, is hy niet mak en dan wordt

(het wel quot;reis quot;katjens-spul Ook rekent men het onder de onvoorzichtigste zaken Om een slapende kat wakker te maken.

Of een, die dol is, zonder handschoenen aan te raken.

Een kat zijn eénig gebrek Bestaat, volgens Martinet, in een ongeneeslijken trek Naar zoetemelk en naar spek;

Maar vooral in den haat, dien hy voedt Tegen quot;t zwarte gebroed.

Daarom heeft terecht

UIT NEDHRLAND\'s LETTEHSC7IAT If. ) J

ocr page 170

Lacepède gezegd:

quot;\'t Paradijs van een rat is //Een huis waar geen kat is,

/\'Of de kat uit de stad is;

//Want om een val //Geeft een rat niemendal;

/\'Maar van zoo\'ii levend graf /\'Loopt hy weg op een draf.quot;

Iemand, die op de grammaire niet zoo byzonder gevat is, Zal niet liclit raden, dat poes de vocatief van kat is.

UE AAP.

Een aap.

Sclioou kleiner dan een schaap,

Is echter een veel verstandiger kuaap.

En zou zich zoo gemakkelijk niet laten scheren. Als een schaap doet, in zijn wollen kleêren.

Een aap is zeer amusant.

Vooral in zijn geboorteland.

En heeft in zijn jeugd veel grappiger manieren Dan de meeste jongelui onder de dieren. Het klimmen en klonteren doet hy net zoo vlug als een kat. En hy rijdt te paard op een hond, als iemand die er les

(in heeft gehad. Van amandelen houdt hy veel en van nooten, En wat een ander met zijn handen zou doen, doet hy

(met zijn pooten.

ocr page 171

163

Daar is altijd groot dispuut geweest Of een aap eigentlijk een mensch is of een beest;

En dat verwondert ons ook niet,

Daar men zooveel apen onder de mensclien ziet,

D E V O G E L S.

Een fiksche vogel Gaat byna zoo gaauw als een kogel;

Doch in zijn kooi Vliegt hy nooit zoo ver of zoo mooi.

Zijn jassen en japonnen, enjin al zijn kleêren, Noemt een vogel: /\'miju veêren;\'1 En een kanarie heeft heel veel Van een jonge juffrouw in \'t geel.

Om een vogel aan \'t spit te kunnen hangen.

Moet men hem maar eerst zien te krijgen of te vangen.

Vogels zitten dikwijls op hun uiterste gemak Met hun eene been op een hoogeu, dunnen tak; \'t Geen onder vette koeien en dieren van dien aart De grootste verwondering en afgunst baart.

Op zwart zaad Is een vogel ontzaclielijk kwaad,

En hy zou een vinkebaan.

Als hy naar zijn gemoed te werk ging, wel aan duigen

(willen slaa

ocr page 172

164

Docli onder ziju grootste ongelukken Eek ent liv den handel in broekjens en krukken.

Een vogel vliegt somtijds dag en nacht; Doch hy wordt er ook vroeg voor opgebracht.

ocr page 173

XIX.

NICOLAAS BEETS.

13 September 1814.

Uit: ue Gedichten, Volledige Uitgaaf. Leiden W. S ij t Ito ff.

1885.

ocr page 174
ocr page 175

NA.] AA KSM1 JilERT NG.

Wanneer de zon haar dwarse stralen Op lindetop en beukenkruin Doet lichten over rood en bruin,

Dan is \'t me een lust door \'t boscb te dwalen.

En, in den koelen najaarswind,

Eens ruim en zuiver aam te halen. Den herfsttijd heb ik steeds bemind!

Ik ben geen vreugdig lentekind.

Dat, in de blijde Mei geboren.

Het aardrijk in den bruidstooi vond. Mij geurden roos noch hagedoren,

I n quot;s levens eersten morgenstond ;

Geen schelle leeuwrik liet zich hooren; Der nachtegalen minnelied Klonk bij mijn eerste nachtrust niet.

Mijn wieg stond tusschen dorre blaren En afgevallen bloemen in;

Yan daar in mij die najaarsmin,

Die zachte weemoed, alle jaren,

Wanneer der winden euvelmoed Het loover afschudt voor mijn voet.

ocr page 176

168

\'t Is zoet, in quot;t blijdste der seizoenen, \'t Ontwakend landschap te bespiêu; Der beuken toppen te zien groenen,

De amandeltakken rood te zien.

\'t Is zoet op \'t rozenbed te staren.

Wanneer, door \'t haar omzwachtlend mos. De scheemring doorbreekt van den blos, Die schittren zal op duizend blaren.

\'t Is zoet des zomeravonds \'t haar Aan \'t lauwe windje bloot te geven.

Van weelderige geurstof zwaar.

Die uitwaait van de lindedreven;

Te dwalen tot het donker wordt.

En, achter \'t lommer van de boomen.

De maan weer vriendlijk op zal komen.

Die zilver op hun tojjpen stort.

En door hun takken goud doet stroomen.

Maar o! aan \'t Najaar haugt mijn hart; Dan is \'t me een lust door \'t bosch te dwalen

Verdiept in zoete, stille smart.

Waarbij geen Lentevreugd kan halen,

Eu die des Zomers weelde tart.

\'t Behaagt me dan aan \'t hart te dragen, Die ik mijn blauwe lievling noem. De nagebleven korenbloem,

Schaarsch purper in die gele dagen!

Dan zie ik gaarne \'t bloedrood licht De tinten hoogen van de bladen,

En glinstren op de najaarsdraden.

Die dwarlen voor mijn aangezicht.

ocr page 177

169

Door onnaspeurbre kunst gesponnen ; De gouden bloemen, die dien glaus Weerkaatsen op haar stralen krans. En schitteren als kleine zonnen;

Of staar den wondren nevel aan, Die grijzende oprijst in de verte

En voel de neiging tot een traan. Uit heel de volheid van mijn harte.

(Fragment.)

DE AALSMEERDER BOER.

Groote Plas, Groote Plas,

\'k Wou je leeggemalen was!

Want je knabbelt, alle jaren. Aan mijn weiland met je baren, Eu het kost me vrij wat a;eld Om je perk te zien gesteld,

Kijk, waar nu de schepen varen.

Heeft mijn vader mij verteld. Dat veel landerijen waren.

Meer dan zevenhonderd roe. Van het Oost naar \'t Westen toe. Die zijn allemaal gevallen.

Slokop! in je holle maag;

En nog helpt het niet met alleu, En nog ben je al even graag. Daarom, toen k heb hooren praten, Dat je in \'t oog liep bij de Staten, Ben ik iu de Nieuwe Zwaan Met een vroolijk hart gegaan,

ocr page 178

170

En ik heb het aan de vrinden, Die ik in quot;t gelag mocht vinden,

Voorgelezen uit de krant. En gedronken op de Heeren Die je kansen doen verkeeren Ten protijte van het land.

Groote Plas, Groote Plas, quot;k Wou je leeggemalen was, \'k Had veel liever duizend morgen

Van je vetste en puikste land. Dan hier steeds te zitten zorgen

Aan je natten waterkant.

\'k Snee veel liever garst en haver Kool- en raapzaad naar me toe; ^k Joeg veel liever kalf en koe In je diepte, op malsche klaver,

Dan ik \'t nu mijn schuitje doe. Jk Heb de Purmer eens bekeken, \'k Ben de Beemster rondgegaan, En het stond mij beter aan, Niets te zien dan groene streken, Overal in \'t rond bezet Met veel huisjes, knap en net. Dan op al die witte bellen.

Die er op je golven zwellen. Als de wind er onder spookt. Net als of je water kookt.

Groote Plas, Groote Plas, \'k Wou je leeggemalen was!

ocr page 179

171

\'k Zou miju hoed wel licliteu willen

Voor de molentjeus, wier vluclit quot;t Water op liet rad zal tillen En verheffen \'t in de lucht.

Ik zal lachen dat ik schater,

Als ik voor mijn oogen zie Dat er, in een maand twee drie. Al wat daling komt in \'t water;

En als eens de maaitijd komt En ik mag er koren snijden

Zal ik, hoe je nu ook bromt Op je bodem mij verblijden En ik vier een Boerenfeest Want je water is geweest

ocr page 180
ocr page 181

MARC PRAGER UNDO.

19 Februari 1819—9 Maart 1877.

Brieven en Uitboezemixgen door den ouden heek Smits. {4e druk, Guldens-Editie). Amhim, D. A. Thieme, 7867. [Thans fondsartikel van H. A. M. Roelants,

Schiedam.)

ocr page 182
ocr page 183

EENE LENTE-MIJMERING.

Quocumquc adspicias, nil nisi ponlus et ucr. Ovidius.

De lente is gekomen en de zachte noord-ooste-windeu en de warrelende stofwolken. De knoppen aan de boomen, die in den winter niet uitgekomen waren, blijven steeds nog vast gesloten; de bloemen (in de broeikassen) bloeijen even heerlijk als voor drie maanden, en de jonge groenten waarop oude, poëtische menschen, zoo als ik ben, zich verheugen, blijven steeds nog jong, zeer jong, — groen, zeer groen, — behalve daar waar ze stofjassen aangetrokken hebben, alsof ze de lange reis naar de eeuwigheid wilden ondernemen. De perzikenboomen hebben reeds lang geleden gebloeid en zijn al weer bevroren, en als men in zijn overjas digt toegestopt uit wandelen gaat, met eene dikke bouffante om den hals, en uit den wind blijft, en in de zon, dan gevoelt men door alle leden, dat de kostelijke lente gekomen is, en men verheugt zich in dat heerlijkste der jaargetijden van onze gezegende luchtstreek, en men kuijert verder en verder, en raakt eindelijk aan het mijmeren en aan het dweepen, tot een ijskoude neus of half bevrorene vingers den mensch weer naar huis jagen, naar de gloeijende kagchels en een warm glas punch.

ocr page 184

176

Zoodanig is de lente buiten \'s huis: — daar binnen is het anders gesteld! -— De vrouwen, zich spiegelende aan moeder Natuur, die de straatwegen nu eens met hare winden schoonveegt, en dan weder met hare stortregens afwascht, — de vrouwen, die in baleinen korsetten geregen kinderen dei-Natuur, worden plotseling met een edel vuur bezield; —-zij gaan, — behoef ik het te zeggen, — aan het schoonmaken !

Ik heb eerbied voor alles, wat met geestdrift, met een zeker vuur, gedaan wordt; — ik eerbiedig dus het schoon-m-ken, want al het water, hetwelk daarbij verspild wordt, kan het heilige vuur der bezielde vrouwen niet uitdooven; — de bacchantische woede kan men in zeepsop niet smoren, — men kan er geen doekjes (noch dweilen) om winden; de schoonmakende vrouw viert hare mysteriën in het hedendaagsche Nederland, even als de Eomeinsche matrone, in vroegere tijden, de mysteriën van Juno vierde, welke liet eene doodzonde in den man was, door zijne tegenwoordigheid te ontheiligen.

Het is na juist geene misdaad, die met den strop bedreigd wordt; als men onder het schoonmaken als Neder-landsch burger te huis blijft; maar het is toch eene levensgevaarlijke onderneming onder hetzelfde dak te blijven met eene schoonmakende vrouw en hare dienstbare geesten; — liet is ook, buiten het gevaar, een vernederend iets. — Het hoofd des huizes is in zulke oogenblikken in minder aanzien dan de ragebol, -— en hij gevoelt zich evenmin op zijne plaats als de omgekeerde tafels en stoelen. •— —

Gij zit met uwe vrouw alleen te huis; gij hebt geene kinderen, geene zorgen, geene ziekten; — het slaat vier

ocr page 185

177

uur; — gij houdt van geregeld, op de minuut, aan tafel te gaan. Gij neemt plaats tegenover uwe vrouw; — zij verdwijnt achter een reusachtig stuk vleesch, dat midden tusschen u en haar neergezet wordt.

//Mijn lieve! — wat een stuk vleesch! Wij kunnen er acht dagen van eten met ons beiden! — En gij weet toch, ik houd er niet van, om veertien dagen achter elkaar hetzelfde stuk vleesch op tafel te zien!quot;

Uwe vrouw houdt het schuldbewuste hoofd steeds nog achter den schotel verborgen, en antwoordt met bedeesde stem: //Dat weet ik wel; — ik neem ook anders nooit zulke groote stukken; -— maar — hm! — morgen moeten wij met schoonmaken beginnen!quot;

Uw oordeel is geveld; — het bloed verstijft in uwe aderen; — de heete aardappel blijft u in de keel steken. Als gij nog haar op het hoofd hebt, rijst het overeind; — maar als gij wijs zijt, zwijgt gij! Uw galgenmaal wordt in onheilspellende stilte verslonden.

]Ma het eten, gaat gij in uw gemakkelijken stoel zitten een dutje doen; — daar verrijst het spook van het schoonmaken voor uwe verbeelding, en grijst u aan en vraagt met spottende stem: //Waar zult gij morgen zitten, — waar ?quot; En de echo antwoordt: //Waar ?quot;

Als de mensch in het uur der spijsvertering gestoord wordt, loopt de gal over; — de ongelukken en rampen, die u boven het hoofd hangen, stellen zich in verschrikkelijke gestalte aan uw geest voor; — ontelbaar als de stofdeeltjes, die zoo als gij weet, onder het kleed zitten, waarop gij nu met wanhopigen voet stampt; onvermijdelijk als de verveling bij eene geleerde verhandeling ! Gij begint het voor

UIT NEDERLAND\'S LETTERSCHAT II. 12

ocr page 186

3 78

geene onmogelijklieid te houden, dat gij de vrouw uwer keuze zoudt leereu haten; — gij benijdt in uw bart uw vriend, den ouden jongenheer, met wien gij dagelijks iu de Societeit jm-het speelt, over wiens ongezelligen levensaard en vrouwenhaat gij anders zoo geestig kunt spotten! — Het uur der vergelding heeft geslagen; — de wrekende Nemesis nadert!

//Waarom wordt liet theewater zoo vroeg binnen gebragt ?quot;

//Gij gaat toch naar de Societeit?quot; — zegt ontwijkend uwe teedere wederhelft. .

//Maar niet vroeger dan gewoonlijk.quot;

//Ja — maar, gij zult toch wel een half uurtje vroeger te huis komen; — wij moeten vroeg naar bed; — morgen komen de stukadoors om vijf uur, en zij zullen met de slaapkamer beginnen!quot;

Gij hebt op het oogenblik, — de courant houdt gij nog in de hand, — van een man gelezen, die, door //misbruik van sterken drankquot; gedreven, in het water geloopen en jammerlijk verdronken is. — Geen honderd passen ver, — op weg van de Societeit naar huis, — vloeit de gracht; zes glazen punch, — één sprong in het donker, — en er is een einde aan uwe ellende, aan al uwe rampen, door //misbruik van waterquot; veroorzaakt! Maar och! plotseling herinnert gij u, dat ook de gracht wordt schoongemaakt; — men heeft het water er uit laten loopen; deze toevlugt is u benomen!

Gij gaat naar de Societeit; gij zijt stroef en onvriendelijk; — gij neemt plaats aan het speeltafeltje; — gij verliest alles; — gij weet, dat gij een zuur gezigt zet, en gij zijt overtuigd, dat men het aan uw verlies toeschrijft, hetwelk u niets schelen kan; — gij krijgt een paar maal goede

ocr page 187

179

kaarten, maar zijt zoo afgetrokken, dat gij liet spel vergooit; — liij, die met u speelt, liaalt de schouders op; de omstanders wisselen veelbeteekenende blikken; gij verbrandt ii de lippen met kokende punch, en geef uw hart lucht door, als dwingeland, den ougelukkigen knecht uit te, schelden. — Gij gevoelt echter dadelijk de verachtelijkheid van uwe handelwijze, en uw toorn gaat van anderen op u zeiven over.

Het is u eene verligting als het half tien is, en gij opstaat, en tot verwondering uwer vrienden, die u anders steeds tot tien uur zien quot;plakkeu,,\'\' henen gaat. Eer gij de deur bereikt, ontmoet gij uw lijfmedicus, die eveutjes het Handelsblad komt lezen, om nieuwstijdingen voor zijne morgeubezoeken op te doen. — /\'Zoo, — al naar huis? — Hoe gaat het? — gij ziet er een beetje betrokken uit; — voorjaarslucht; ja, ja, vriendje; het helpt u niet, — eene kleine uitstorting vau gal: — gij moet eens schoonmaken, eene kleine schoonmaak, anders niets; ik zal er u morgen een zenden. Bonsoir!

Dezen booswicht, die zoo als gij u verbeeldt, u zoo maar in het publiek voor den gek houdt, geeft gij geen antwoord ; — gij drukt den hoed in de oogen; gij vliegt naar huis; gij verlangt naar bed; in den slaap zult gij voor een paar uren ten minste uwe rampen vergeten.

De huisdeur staat open: — gelukkig! Een onderwerp waarover gij wettiglijk razen kunt! Gij wilt naar binnen vliegen, — en valt, zoo lang gij zijt, over eene ladder, welke de verwer, die nog in zoet gesnap met de keukenmeid achter de deur staat, er pas neergezet heeft.

Met geschaafde schenen, met gekneusden neu=, me.

ocr page 188

ISO

woedende blikken, staat gij voor uwe vrouw. — quot;Waarom brandt de lamp niet in den gang, mevrouw?\'\'\'

\'/Die is even uitgewaaid, terwijl Trijntje den verwer de ladder hielp naar binnen brengen!quot;

O beerlijk voorjaar! O zachte Zephyr, die de lente aankondigt !

Een rustelooze nacht volgt; — tegen den morgen raakt gij eerst in slaap; — daar wekt u uwe vrouw, met wreede handen de gordijnen ophalende; het grijze, kille morgenlicht vlak op uw gezigt latende vallen. -—- Mijn hemel! wat ziet zij er leelijk uit in papillotten! Het is u nog nooit zóó in het oog gevallen! ■— Gij staat zwijgend, half slapend, huiverig op; gij kleedt u zwijgend aan; gij scheert u met koud water; — gij snijdt u er bij in de kin. — Uwe pantoffels zijn niet te vinden; — uwe laarzen zijn reeds allen door elkander geworpen; — maar eindelijk zijt gij klaar: — gij wilt naar beneden gaan. — Zoodra gij de deur van de slaapkamer opent, waait u een felle wind te gemoet, die op eene speelsche wijze in de pijpen van uw broek u tegen het lijf oploopt, uw kamerjapon in bevallige plooijen doet fladderen, en u in de keel vaart, als om zich daar te verwarmen.

\'/Doe beneden de deur toe!quot; brult gij.

//De deur is toe, mijnheer!quot; antwoordt Trijntje.

quot;Hoe kan het dan zoo togten?quot;

quot;Mijnheer, toen de stukadoors met de emmers kwamen, mijnheer, is de deur toegewaaid, en de glazen zijn gebroken, mijnheer!quot;

Gij vliegt den trap af; — half weg staat er eene ladder; boven op de ladder een stukadoor: — de stukadoor fluit een

ocr page 189

181

deuntje, en houdt zich alsof hij u niet ziet; — in één oogenblik zijt gij van het hoofd tot de voeten met witsel bespat.

Gij begint te vloeken en de stukadoor houdt op met fluiten: — hij neemt de witte pluimmuts van het hoofd, en zich zeiven van de ladder af: — gij kruipt met levensgevaar tusschen de ladder en den hoek van den muur voorbij; — gij staat eindelijk beneden. — Is dit uw huis? zijn dit uwe dienstboded, die u nu hier, nu daar tegen het lijf loopen? — Is dit uwe vrouw, met een doek over het hoofd, met oude sloffen aan de voeten, met gebiedende gebaren over de demonen heerschende, die uwe vriendelijke huisgoden verdreven hebben?

//Het ontbijt staat al boven klaar!quot;

\'/Waar?quot;

quot;Op de achterkamer.quot;

quot;Maar daar rookt de schoorsteen!quot;

quot;Ja dat weet ik wel, daarom heb ik de kagchel niet laten aanleggen, — als gij echter verkiest, —quot;

O heerlijke keuze! in den rook te stikken, of in de koude te bevriezen!

Gij struikelt weer den witgepluimden man op de ladder voorbij. Hij is steeds aan het fluiten: altijd door hetzelfde deuntje. — Dat gefluit wordt ondragelijk.

Gij zit te rillen aan de koude ontbijttafel: uwe vrouw heeft geen tijd om er bij te zijn: zij zal maar zoo vliegend (die lieve engel!) iets gebruiken. — Het theewater is van de kook; het brood is oudbakken; de courant is zoek geraakt; — dat geloop in de schoonmaakdagen kan uwe echtgenoote niet hebben, en zij heeft den couranten-man voor

ocr page 190

182

eeue week afgezegd. — De messen zijn maar half schoon: er is meer stof dan suiker in den suikerpot; meer krijt dan melk in de melkkan. — De theelepeltjes zijn weg gesloten ; het zou niet voorzigtig zijn, zegt uwe vrouw, het zilver te laten rondslingeren, als er zoo vele vreemde menschen in huis zijn.

Zóó ontbijt gij, — of liever gij ontbijt niet, — en gij neemt den hoed eindelijk en gaat naar uw werk. — Het is eene verligting de deur uit te komen ! Geene vrouw volgt u als anders met liefderijke blikken naar de deur; — met geen hartelijk woord smeekt zij u bij tijds weer naar huis te komen! — Men slaat de huisdeur achter u digt! Gij hoort, in uwe verbeelding, hoe allen, tot aan den tluitenden misdadiger op de ladder toe, met vreugde uitroepen: — //Goddank, eindelijk is hij weg!quot; — En wat gebeurt erin uwe afwezigheid? De chaos is teruggekeerd! — Les extremes se touchent: uit duisternis wordt licht, uit stof en vaagdoeken en emmers met vuil water, wordt de zindelijkheid geboren!

ocr page 191

XXI.

JACOBUS JAN CREMER.

1 September 1827—5 Juni 1880.

Uit: J. J. Cremer, Romantische werken. Eerste Over-Betuwsche Novelles. Leiden, P. can Santen, 1877. Ie Deel.

(Thands fondsartikel van A. W. Sijthoff.)

ocr page 192
ocr page 193

DE EEIS VAN GERRIÏ MEEUWSEN EN ZIEN ZEUN NAOE DE AMSTERDAMSE KARMIS.

{Fragment.)

Stil — het begint aandoeulijk : \'t Is negen uur in den avond. Geueiï zit met z\'n Griet en z\'n zeun Gus bij quot;t vuur, en zeggen met hun drieën — niets.

Griet veegt met haar voorschot een traan weg.

quot;Moar bi\'j dan noa gek?quot; zegt Gerrit: \'/Zit j\'aweer te grienen ? \'t is dan krek of we de wereld uutgoan.quot;

quot;De wereld nee, de wereld,quot; zucht Griet, //moar \'t darp toch; en dan de lokkemetief — de lokkemetief! Meister zei lest nog dat ze zoo kolderig woaren, en tegenswoordig toezoers en altied nut den weg sprongen. Ik kan d\'r van iesden.quot;

//Meister is \'en gek en gij bint zoo wies as de rest;1\' hernam Gerrit : quot;Loaten z\'oe niks verdinksen.1\'

quot;En de kranten,quot; hernam Griet, quot;of \'t doar niet in steet; \'t is \'en ding! \'en mins is toch \'en mins!quot;

quot;Nou m\'n goeje ouwe Griet,quot; zei Gerrit, quot;loawwe ons niet veralteresieren; \'t is bepoald en we kunnen nou niet meer t\'huus blieven, Domenei he\'k \'t gezeid, de meister

ocr page 194

186

ook; op quot;t kastel he\'n ze, m\'allemoal \'eu goeje vies gewunst, dus, lig nou niet te lamentieren. Moak de wrungel monr verdig, went véur vieren mowwe al vort.quot;

Griet keek niet zeer vroolijk; dat woordje //ouwequot; had haar maar half bevallen; — vier en vieftig, op \'t best van \'t leven! — En dan die lokkemetief, en allerhande verzuukingen op de Amsterdamse karmis! Gus most ook al mee: en wat zouwen de wammissen en de boksen en de neije leerzen d\'r vertrampenierd uutzien as ze weer

t\' huus kwiemen, as....... ze weer f huns kwiemen !

Die lokkemetief! die lokkemetief! ! !

Gus had den heelen tijd in quot;t vuur zitten pinkoogen. \'t Was net alsof ie wat op de léver had, moar \'t kwiem d\'r niet toe. Eindelijk toen de wrungel met brood gereed stond, keek hij zijn vader vragend aan, en zei: //Ik zou wel is.....quot;

Geruit scheen het niet gehoord te hebben, althans er kwam geen antwoord.

Gus grinnikte; streek zich over \'t haar; beschouwde toen liet werktuig waarmee hij die daad had verricht, en zei wat harder : //\'k Zou wel is . . .

//Wat?quot; vroeg Gerrit.

//Muntje;1\' zei Gus, terwijl hij bukte om iets op te rapen, waardoor hem zeker \'t bloed zoo naar quot;t voorbood liep.

//Wat zou die, Guske ?quot; vroeg de moeder.

//Och! zie je, die weet \'r niks af.quot;

//Da quot;j mee goat ?quot; vraagde Gerrit.

//Nee;quot; antwoordde Gus.

//He\'k van mquot;n leven!quot; hernam Gerrit.

//Och! joa, zie, weetje voader .... \'k was zoo benauwd

ocr page 195

187

dat ze beduusd zou zin;quot; zei Gus weder, eu besloot; quot;\'k Zou wel is êfkes uoar \'t darp willen.quot;

quot;En de wrungel steet op toafel!quot; sprak Meeuwsen; //Ht-\'k ooit zoo\'n jong !quot;

//Za\'k moar?quot;\' zei Gus met een innemend gezicht.

quot;In \'en kertier weerum;quot; beval de vader.

quot;In \'en kertieke;quot; zei de zoon, en opstaande trok liij de klompen aan; sloeg de pet in den nek; verliet de woning, en liep — noar Mijntje.

Onder \'t loopen had Gus besloten om bij Mijn moar met de deur in huus te vallen; en toen liij dus bij oom Kiiesel de kamer binnentrad, spak hij tot het vereenigde gezin een: quot;G\'en oavend \\quot; en zich voor Mijntje plaatsende, vervolgde hij in éeneii adem:

quot;Mijn, \'k goai mergen met voader noar d\' Amsterdamse karmis, \'\'k kom oe g\'en dag zeggen, \'k zal wat veur oe meebrengen, heur ie.

Mijntje had hel duidelijk gehoord, en Kiiesel met de vrouw en de andere dochters, en de drie zoons, en de meiden en knechts allemaal, misschien ook de keeshond, die bij \'t vuur lag, went die brak \'t stilzwiegen af, en, begos te brommen.

quot;Noar de karmis!quot; zei de oom.

quot;Noar de Amsterdamse karmis?quot; zeiden ze allen.

//Joahernam Gus, eu dan op \'t zuiver harlozie ziende : \'/Negen zin d\'r al hum.

quot;Wutblief?quot; zei Kiiesel.

quot;\'k Heb moar \'en kertieke de tied,quot; zei Gus quot;n dus mo\'k oe g\'n dag zeggen; sloap wel!quot;

//Maar jong,quot; zei Mijntje, die wezenlijk beduusd was

ocr page 196

188

geworden: quot;ie noar de karmis! en \'t mot \'r zoo schuuns heergoan, zooas Jan Peter wel het gezeid.

quot;Dat duut \'t!quot; zei Jan Peter die knecht was, en \'en pik koolslaai zat te bekijken voor hij dien innam: quot;Schouw geet \'t \'r heer, dat versmeer ik oe.quot; — De spreker zweeg, de mond was gestopt.

quot;Voader is \'r bij,quot; zei Gus geruststellend: quot;Nou Mijn, atjuus, \'k mot vort!\'1

\'t Scheen wel of Mijn, die er voor een boerin lang niet slecht uitzag, van den slungel hield.

quot;d\' Amoer ziet schel;quot; had Jan Peter dukkels gezeid; — blind had ie altied zoo\'n averechts woord gevonden: quot;A\'j blind bint;quot; zei Jan Peter; quot;dan zie je niks, en ku\'j nooit geen sjeniejigheid in \'en ander kriegen.quot;

Of Mijn nu op dit punt schel zag, weten wij niet, moar, ze vond Gus wel \'en slungel en soms oakelik bleu, moar, \'t was hoar uêf, en hie meinde \'t zoo best, en ze vond \'m nog zoo min niet, en, — maar dit is nu niet bekend of ze \'t gedacht heeft — hij was de eenige zeun van eum Meeuwsen; \'en groote boerderij, en schijven! doar wist \'t heele darp van te proaten; wel vier moal zooveul as hoar voader, en — dat most nog m zessen.

Mijntje scheen dan van Gus te houden, want, ze dee krek as moeder Meeuwsen had gedoan: ze begost grienerig in de eugskes te worden, en er viel spoedig een zilte traan in de koolslaai, die ze, toen Gus binnen kwam, van zins was gewest te verorberen, en ze zei niks as: quot;Gus!quot;

En Gus werd ook aangedaan, en stelde haar gerust met de woorden; quot;\'t Is niks.quot;

En Muntje zei weer; quot;A\'j moar gezond blieft!quot;

ocr page 197

189

Gus hoopte dit ook en — keek op \'t harlozie.

//As je — me -— moar-—niet — vergct;quot; hikte Mijntje.

//Nee verechtig niet;11 betuigde Gus.

\'/D\'r zin d\'v doar zoo veul;quot; zei Mijnïjk, waarschijnlijk met liet oog op hare sekse.

\'/Joa;\'1 knikte Gus toestemmend; en nogmaals op H horloge ziende: //quot;k Mot vort! G^n oavend soam. — Nou Mijn, houd oe kerstand.1\'

Schuw keek de minnende jongeling in quot;t rond, en wilde reeds vertrekken, toen zijn uitverkorene opstond; naar hem toekwam, heel dicht — en — de aanwezigen hoorden een tamelijk hard, sjilpend, sissend of smakkend geluid, zoo bijna als waarop de lieve muschjes ons soms vergasten, waarna hij besloot: \'/Nou Mijn atjuus, overmergen zin we d\'er weer!11

\'t Horloge was weer in quot;t vest, en de eigenaar op weg, noar \'s voaders huue woar ie bek-af oankwiem.

Meeuwsen, met de vrouw, de meiden en de knechts, zaten al aan de wrungel met brood en koflie, toen Gus binnentrad.

Na den maaltijd was er nog al H een en ander te bepraten.

Kees, een der knechts, zou um vier uur met ^ kerreke kloar zin, um den boer en zien zeun noar \'t stoarsion op de Veluw te voaren.

Moeder Geietje pakte pruttelende den boerenreiszak met \'t zilveren slot, en Geruits laatste woorden waren voor dat hij insliep: //Nee, dat wfk d\'r ook is van hebben; \'k zie overal gewest — in Oarem, in Nimwegen, in Zutfen, overal! moar in Amsterdam — nee! dat spul wi\'k ook is zien.11

ocr page 198

190

Wat er \'s nachts gedreumd wier!? — We weten liet niet.

Den volgenden morgen, reeds om vier uren, zaten Gee,kit Meeuwsen en zien zeun, op \'t kerreke, woarmee Kees de knecht ze noar \'t stoarsion op de Vêluw zou voaren. \'t Groeng alles opperbest, en alschoon Meeuwsen erst wel wat stroef keek, umdat \'t toch roar was zoo van \'t vee en van \'t wief af te goan; — toen \'t zunneke opdook, toen stak ie zien piepke op en keek weer frisser.

Toen Gus zien voader \'t piepke zag opsteken en dampen, toen stak ie ook zien piepke op, en — dampte. Wóar de rook hleef, dat begreep ie niet recht.

Straks zonder ongelukken aan de overzij der rivier, en nog later aan het kleine spoorwegstation op den hoogen berg gekomen, was \'t Meeuwsen weer roar, en had ie wel

weerum willen keeren..... Moar, allo! kerrazie! En bij \'t

afstappen gaf ie Jt peerd heel monter \'en klap op den bil, en Kees \'en hand ten afscheid.

En Gus . . .? Gus dee krek as voader, eu \'en oogenblikske loater stapte Geruit met Gus — die den zak droeg — \'t stoarsion binnen.

quot;G\'en merrege,quot; klonk het duo van vader en zoon.

/\'Goeje morrege vrindjes,quot; was het bescheid van den stationsklerk, die aan een tafel zat te cijferen.

Meeuwsen trok de wanten uit; haalde het dubbeld gekaste uurwerk uit den zak, en zei:

//Zou \'t zoo um de tied zin, dat de spoorweg kommen mot ?quot;

//Da\' wee\'k niet\' antwoordde Gus, die meinde, dat voader \'t hum vroeg.

De klerk, \'en vriendelijk menscli, begreep, dat de vraag tot hem gericht was, en zei;

ocr page 199

191

!

//Ha vriudje, je wilt zegge de spoortrein; ja! dat zal zoo omme de tijd heenloope, Weet-je, nog een dertien, veertien, vijftien minuutjes. Waar gaat de reis lieen?quot;

//Noar Amsterdam;quot; antwoordde Meeuwsen.

quot;Amsterdam derde klasse?quot; vraagde de klerk.

//Darde klas, wat zou dat?quot; zei Geukit.

//Drie klassen vrindjehernam de klerk ; //Eerste, tweede en derde; de eerste is het duurst, de tweede middelmatig en de derde het goedkoopst.quot;

//Dan za\'k van de darde niet gediend wezen, en van de tweede ook niet,quot; hernam Geiirit : //\'k zit bie ons ieu de kark ook in de erste bank, went ik zie zooveul as kark-meister.quot;

//In de eerste klasse!!quot; zei de klerk verwonderd : //Maar. . . . weetje.....quot;

//Dat kan raien niet schelen! Ik wil \'t er nou van hebben) heur ie!quot;

//Nou \'t is mij wel;quot; zei de klerk, en hij stond op; ging naar \'t hok der kaartjes; stempelde er twee, en beurde het geld van den rijken boer.

//De spoor, Heere!quot; riep nu eensklaps de klerk, die met de vijftien minuutjes wat ruim gerekend had.

Gereit en Gus — de laatste met den reiszak — stormden, door den klerk gevolgd, naar buiten. De trein, die naderde, scheen den reizigers hoe langer zoo grooter te worden, en, toen hij hen genaderd was, deden vader en zoon onwillekeurig een schrede achterwaarts.

Geruit en Gus wisten niet recht wat er met hen voorviel; maar toen zij hun bezinning herkregen — want de wind sneed hen scherp in \'t aangezicht — zagen zij zich in een

|

|

ocr page 200

193

wagen geplaatst, die den wind aan alle kanten den vrijen doortocht liet, en waarin behalve zij, slechts twee passagiers gezeten waren.

//Slechte woar venr quot;t geld,quot; bromde Geruit.

\'/Non, kom dan hier zitten,quot; riep een der medereizigers die aan de overzijde der boeren achteruitreed: //Hier zit uwe op de eerste bank achteruit.quot;

Geruit zag zijn zoon aan, en beide strompelden door den schokkenden wagen naar de andere zij, en namen die eerste plaatsen in bezit.

quot;Da\' schelt \'en boel!quot; zei Gus, wiens huid naar \'tvel eener geplukte kip geleek.

\'/Da1 dunt \'t!quot; zei Meeuwsen ; /\'jSTee ien die darde klas doar is \'t um te krepieren.quot;

Na eenige minuten sporens verscheen er een conducteur; — vanwaar, begreep Gerrit noch Gus — en vroeg aan de boeren;

quot;Heeren waarheen?quot;

//Nou, Heeren,quot; zei Gerrit: //dat kan wel minder.quot;

//Boeren dan,quot; hernam de conducteur: //waarheen ?quot;

Meeuwsen vond de mins onwellevend, en zei:

//Ik en mien zeun noar Amsterdam.quot;

//Kaartjes zien:quot; hernam de conducteur.

Meeuwsen begon te zuuken, te zuuken .... //\'k Het ze toch zoo best geburgen;quot; zei hij, alle zakken doorzoekend.

//Nou laat maar zitten,quot; hernam de conducteur, — de man was erg koud en verlangde weer naar \'t warme hoekje in den dichten wagen : quot;Als je ze straks maar toonen kunt.quot;

quot;Best!quot; zei Gerrit, die den man nou nog al vrindelik vond.

ocr page 201

193

Do conducteur verdween weer op dezelfde geheimzinnige wijze, en Geeuit bedacht zicli eensklaps: dat ie de koart-jes......ien de tweede harloziekast geburgen had.

Bij ieder station, waar de locomotief haar iluitend signaal liet hooren, ontstelde Ci.th, die dacht dat er een kind of \'en ander lévend dier (!) overrêje was; maar spoedig gerust gesteld, kwam hij almee tot het besluit, dat \'t lang zoo gauw niet goeng as minster gezeid had, went: dat ie ook kloar alles zien kos.

Eindelijk dan had men het laatste tnsschenstation achter den rug, de conducteur verscheen weder; verzocht om de kaartjes, en Geruit, die ze zorgvuldig in zijn hand, dooide want bedekt, had bewaard, gaf ze aan hem die ze opeischte.

quot;Eerste klasse!quot; zei de conducteur: //Wel man, dan heb je \'t best gehad.quot;

//Hê?quot; zei Meeuwsen die de mins niet begreep.

quot;Stom volk!quot; bromde de conducteur, zacht genoeg, dat de Meeuwsens \'t niet konden hooren, en hij vertrok met een luid: quot;Amsterdam, Heeren !quot;

De trein hield nu voor goed stil. Alles stapte af, en \'t was een rumoer, dat Geruit en zien zeun d\'r niks van begrepen en verbiesterd rondkeken.

Menschen, wagens, vigelantes, omnibussen, koetsiers met gevelde zweepen, die riepen: //Hier Meheer, Hotel dit. Hotel dat!quot; alles woelde en krioelde dooreen; en onze reizigers herkregen eerst hunne bezinning, toen ze, als haringen in een omnibus gepakt, knie aan knie, tegenover elkander zaten te — droomen — althans dat meenden zij.

13

UIT XEDKRLAXD\'S I.KTTF.ESCHAT II.

ocr page 202

194

//Melieer naar. . . . ?quot; vroeg de omuibus-conducteur l) in een groenen jas met zwart zilver afgezet, aan den persoon die \'t dichtst bij \'t portier was gezeten:

//Den Dam;quot; was \'t antwoord.

//Botermarkt;quot; zei een ander.

//Eokin N0. 11;quot; klonk liet hier: /\'De Munt;quot; weder daar.

//Meheer. . .. zei de nieuwsgierige man, Gus aansprekende.

//Ik?quot; zei Gus vreemd opziende: /\'iioar de karmis; is \'t niet voader?quot;

Al de passagiers lachten, behalve drie of vier die op de beurs moesten zijn.

//Ziede gek jong,quot; grinnikte Geuuit ; //.Nee kammeroad;quot; vervolgde hij tot den conducteur; //Xoar \'en lozement.quot;

//Welk Hotel?quot; was de vraag: //Eerste, tweede, derde, vierde, vijfde klasse; Rondeel, Doelen, Munt, of mot je in de Nes . .. ?quot;

Of Geruit aan die derde dacht, waar hij eerst met Gus had gezeten, in tegenstelling met die eerste klasse zijner verbeelding, waar hij later een plaats heeft gehad; zeker is het dat hij huiverde op \'t denkbeeld van die vijfde klas, en \'t antwoord was dan ook terstond gereed:

#Erste klas, man, erste klas!quot;

De met menschen gevulde pijpenlade kwam in beweging, en onze boeren, die meister wel is van de radbroak-massinie hadden heuren spreken, meinden: dat zoo\'n eumnius \'en r adbroakm assin ie op roajen was.

1) Men gelieve te bedenken, dat deze Amsterdainsche reis omstreeks \'tjaar 50 moet hebben plaats gehad.

ocr page 203

195

//Vieux Doelen !quot; riep de livreikuecht van den ouderuemer der omnibussen, tegen den nevenman van \'t portier giimlaeliend knipoogend.

De kast hield stil; en Geruit en Gus werden gewenkt om uit te stappen.

Hoe ze door al die knieën heen raakten was haast onbegrijpelijk, en tweemaal kwamen de hakken der vetleeren leerzen van Gus in aanraking met omleerde eksteroogen, \'t welk den eigenaars een; /\'Ho! lompert!quot; en /\'Stommen ezel!quot; ontlokte.

quot;Hoeveul is \'t?quot; vroeg Gereit.

De conducteur keek eerst rond, en zei toen zacht; /\'Ieder maar tien stuivertjes meheer, omdat Uwees \'t is.quot;

Meeuwsen betaalde een gulden; en op de vraag; quot;Of er nog geen kleinigheidje voor hem kon overschiete?quot; beantwoordde de goede boer die vraag met den schelm een kwartje in de hand stoppen, die in \'t vuisje lachende wegreed.

Geurit, en Gus met den zak op den rug, beschouwden lang het mooie huis met de vergulde letters, en waagden het eindelijk de stoep op te stappen, maar, tot binnentreden kwam het niet.

//Wat mot je?quot; was de beleefde vraag van een mooien jongenheer, die met een hagelwit vest en een mooi zwart buisje aan, uit den breeden gang op de boeren toetrad.

quot;Lozies;quot; antwoordde Geruit.

//Jij ?quot; zei de jongeheer, die van naderbij bekeken ouder scheen dan \'t buisje had doen vermoeden.

//Ikke en mien zeun Gus;quot; hernam Gkerit.

//Jij ?quot; herhaalde de jonge heer.

ocr page 204

196

//Is dat dan zoo onbegriepelijk ?quot; sprak Geruit weder: quot;Is \'tliier dan geen iozemeut? Kan \'t, of kan \'t niet?quot;

De jongeheer liep weg; sprak met een anderen jongenheer, die hem in de gang tegen kwam; spoedig kwamen er nog twee andere jongeheeren bij, een met een servet over den arm; ze begonnen met hun vieren te lachen, totdat Geeeit dat gegoechel begos te vervelen, en hij, op de jongeheeren toetredende, vrij heftig zei: //jNbn, hoe zal \'t? Zal\'t, of zal\'t niet?quot;

üe jonge heeren bleven goeehelen, maar eensklaps stoven ze uiteen, want een deftig heer trad de vestibule in, en vernam op de vraag: quot;Wat is hier te doen?quot; van Ge het t ; dat ie kort en goed lozies wou hebben; dat ie niet wist wat of die jonkers mosten; dat ie met zien zeun kwam karmis houwen; dat ie niet van meines was om deur die jonkers verdingsierd te worden, en dat ie nóg ens vroeg of \'t kos of niet.

De deftige heer monsterde Geiuut en Gus, welke laatste nog steeds met den zak voor de deur was blijven staan; maar het open gelaat, en misschien het w o h 1 g e n a h r t e lichaam van den boer beschouwende, kwam hij toch tot het resultaat, dat het wel goede klanten konden zijn. Even legde hij den wijsvinger tegen den neus, en riep toen een der jongeheeren toe: wN0. 71 en 72, Karel — allons!quot;

Kae,el kwam. — Geeeit wenkte Gus binnen te komen. — Gus kwam.

quot;Neem de bagage van mijnheer;quot; zei de chef van \'t Hotel tot Kaeel, op den reiszak wijzende, die Gus over den schouder hing.

quot;Och, nee, dank oeiquot; zei Gus, toen de jongeheer Kakel

ocr page 205

197

lu;m wilde ontlasten. — Kakel echter liet niet af, — de chef was er bij — en hoewel Gus beweerde: dat \'t veuls te vriudelik was, pakte Kaufl den zak, en wipte als een springend konijn, de breede trappen op.

\'/Volg maar Heer en/\' zei de Hotelhouder: //de gar con zal ii den weg wijzen/\'

Geiuut die zich in vredesnaam den titel van heer maar liet welgevallen, volgde deu wippend en gar con, en Gus volgde zien voader.

//Woar geet dat heer?quot; riep de dikke boer, dien \'t trap-penklimmen een ongewone zaak was.

//Naar N°. 71 en 72;\'quot;\' riep de garcon.

//Joa, al was \'t honderd of duuzend !quot; zei Geruit, diep ademhalend: //da\'s mien geliek: moar denk ie da\'k noar den toren mot?quot;

//Wij zijn er dadelijkhernam Kaiiel steeds voort wippend.

//Veuruut dan moar!quot; zei Geiuut, moed vattend, en \'t ging weer trap op, trap op, zonder einde. //Zin we d\'r dan nog niet?quot; zuchtte Meeuwsen, toen Gus de 45ste trap had geteld en men op een portaal was gekomen.

//Rechts-om!quot; riep Kaiiel, en wipte alweer hooger.

//Nee, nou geef ik er de weerlich af!quot; riep Geruit, zich aan de leuning vastklemmend: quot;Doar zou \'en mins gek van worden, \'k goai nie wiejer.quot; j)

//Nog een paar;quot; overeedde Karel.

In \'t einde — Gus had 63 geteld — bereikte men dan hijgende en zwoegende de bedoelde Nos. 71 en 72.

/\'I c izei Kaiiel, beide deuren schier gelijktijdig openwerpend.

1) Verder.

ocr page 206

198

//Iesie of geen iesie,quot; bromde de boer; quot;ik zeg clan moar, dat \'t veur geen fasuunlijk mins te doen is.quot;

//Dit is uwe kamer;quot; hernam Kauel, op N0. 72 wijzende, daar Gus zijn vader in 71 wilde volgen.

//Ikke?quot; merkte Gus aan.

//S\'il vous plait;quot; zei de garcon; en den reiszak in !N0. 71 werpende, verliet hij de kamer; plaatste zich op den overloop tusschen de beide vertrekken in; en beurtelings vader en zoou aanziende,- vroeg hij rad: // N og iets van uwe orders? Zullen de heeren ook aan de table-d\'hote di-neeren, om half vijf?quot;

//Gus begreep er geen stom woord van; en Geruit ook het hjne van de zaak niet vattende, zei kort-af: //Nee!quot; doodsbenauwd, dat ie dan misschien nog hooger zou motte klimmen.

Kakel had genoeg vau \'t hooge gezelschap; vroeg of zeide niets meer; wierp de beide deuren dicht, gleed langs de leuning der trap naar beneden, en liet vader en zoon, ieder op eene kamer aan hunne gedachten over.

De goed gemeubileerde vertrekjes waren slechts door een houten beschot van elkander gescheiden, maar de ramen der beide kamers gaven hetzelfde verrukkelijke uitzicht, te-weten; op een rood pannendak, waaruit zich een lange zwarte schoorsteen verhief.

Gus keek rond als een kat in een vreemd pakhuis, eu vond Amsterdam toch zoo heel mooi niet.

//Jong! woar zit ie?,! riep Geeeit: //Wat zuwwe non doen ? Kom toch is hier!quot;

//Mag dat voader!!!!!?quot; schreeuwde Gus, zoo hard, dat ze \'t op straat best hooren konden.

ocr page 207

199

\'/Zeker!quot; riep Geiuut.

Gi.ts liep op de teenen naar de deur, ea sprong, alsof\' de dood hem op de hielen zat van N0. 72 in N0. 71.

■\'Zie jo7ig,quot; zei Geruit, toen Gus behouden binnen was: quot;dear zitten we nou, en \'k het \'en honger da\'k schêl zie.quot;

quot;Ik ook•.\', betuigde Gus.

\'/Dan mo\'j moar is roepen,quot; hernam de vader: \'/dan kuwwe wat kommendieren/\'

Gtjs pruttelde wel iets van ; quot;Zoo vrenul,quot; en : quot;as voader \'t moar dee,quot; doch als een gehoorzame zoon liep hij naar de trap, en riep — haast op de wijze als waarmee hij de kalveren t\'huus, bij den bak riep; quot;Hu up! huup! hu up!quot;

Er kwam niemand. — Eindelijk ging er een deur open, en een oud heer trad er uit en Gus voorbij.

quot;Och!quot; zei Gr.rs, zijn schroomvalligheid door den honger en \'s vaders bevel afleggende: quot;/.on j\'is zoo goed willen zin, um wat eten veur ons te bestellen?quot;

quot;Trek aan de schel, ezel!quot; was het lief bescheid.

De ezel droop af: en na eenig zoeken zag vader Mekuwsex in Nquot;. 71 een koord hangen, waaraan hij trok, en — ^t klingelde! Een minuut later stond Kar kt, weder voor hen.

quot;Ge most ons is wat eten brengen;quot; zei de boer die nu begreep dat die jongeheer tevens knecht was.

quot;Een d é j e u n er a la f o u r c h e 11 e ?quot; vroeg Ka hel.

quot;Die dinger keu ik niet;quot; antwoordde Geruit; quot;Deser-uees en vorzettes he\'k nooit gegeten. Schaft moar wat jnngske, dawwe wat in \'t lief kriegen.quot;

Hoep! was de deur weer dicht, en, vijf minuten later stond er op jMquot;0. 71 \'en vremdigheid, woar Geruit en Gus geen begrip van hadden; echter ze begonnen te pruuven

ocr page 208

200

en te smekken, en hoewel ze de dinger lioast niet deur de kêl kosten kriegen, — zoo zunt en roar was de boel deur mekoar geflanst, — ze kregen \'t lief toeh vol.

quot;\'k Het \'r genog van;quot; zei Geeuit eindelijk.

quot;Ik ook;quot; verzekerde Gus, en, ze stonden op om — noar de karmis te goan.

ocr page 209

XXII. GERARD KELLER.

13 Februari 1829. —

Uit: Novellen van Gerard Keller,

Gracenhaye Henri J. Sternberg — nu: Leiden, A. W. Sijthoff] {zonder jaartal).

ocr page 210
ocr page 211

EEN BAKERSPROOKJE.

{Fragment).

— Alles gaat uitmimtend, mijnlieer Blomme, uitmuntend, uitmuntend.

Maar mijnheer Blomjie gaf geen antwoord en, ondanks die. verzekering, dat alles uitmuntend was, bleef zijn gelaat zoo stroef en strak als of\' hij eene bezigheid onderhanden had, die de grootste inspanning vorderde. Toch bestond zij in niets anders dan in het vernietigen van een visite-kaartje, dat zijn pennemens in duizend stukjes sneed. Het kwam er dan ook op een enkel kaartje niet op aan; er lagen er wel vijftig, gedrukte, gclitogratieerde en geschrevene, van allerlei grootte, gehalte en gewigt, juist zoo als de vrienden en bekenden van wie zij afkomstig waren. Ernstige, ongeglansde kaartjes met drukletters, ernstige, ouderwetsche bekenden vertegenwoordigende, die van den druk der tijden en de toenemende pligten zouden gewagen; nuttige, naauwelijks leesbare, geglaceerde blaadjes, getuigende van eene belangstelling, evenredig aan het gehalte; degelijke, eigenhandig geschrevene, met een vouwtje aan den hoek, bewijzende, dat hij die ze, bragt, liever zelf een

ocr page 212

handdruk zou liebbeu gewisseld; kaartjes met lange titels, die liet op prijs moesten doen stellen, dat zulke groote mannen nog aan zulke onbeduidende maatschappelijke zaken dachten; kaartjes met een enkelen geslachtsnaam, vol van hoogmoedige nederigheid; kaartjes met rouwrandjes, van beproeving sprekende en verliezen.

Maar men neemt immers zijne kaartjes zoo als ... .

Juist, zoo als men ze zeiven verkiest en, is er over den smaak niet te twisten, zeer zeker is hij toch in nauw verband met het geheele\' karakter. Ik geef evenwel toe, dat er zijn — en in de eerste plaats behoort gij er onder, waarde lezer — wier dun geglaceerde kaartjes of wiens ongeglansde gedrukte kaarten een uitvloeisel zijn van gansch andere oorzaken als van het karakter.

Nu zijn wij weer in liet effen, hoop ik.

■— Van middag kan mevrouw een kalfsoepje gebruiken, vervolgde hij, wiens woorden wij het eerst aanhaalden, en hij stak zijne hand uit om van den gelukkigen vader afscheid te nemen.

l)e gelukkige vader nam de hand aan, nadat hij eerst nog een duchtigen steek aan het kaartje had toegebragt en bromde toen dat zijne schoonzuster daarvoor zorgen zou.

— Heb ik niet gehoord dat uwe schoonzuster de peet zal zijn?

— Dat is ze, en ik wou dat ze het kind meenam ook. — Klaau! een mooie naam voor een kind; Klaar! — \'t Had Willem moeten heeten; dat had het.

— Maar mijn beste mijnheer Blomme ....

— Och spreek er niet van! Dat is nu de vijfde dochter, \'t lijk hier waarachtig een jongejufvrouwen-school. Daar

ocr page 213

205

zij uu tieu vrouweu iu ééu huis! overal zie je mutsen en rokken.

De dokter haalde glimlachend de schouders op en zocht naar een troostgrond, maar Blomme vervolgde, bijna driftig : — En dat is alles nog niet; maar dat zoo\'n vermaledijde baker naar me toevliegt en zegt, dat ik een zoon heb, kijk, dat is onverdragelijk!

— Ja, dan is het zeker een dubbele teleurstelling^ maar vergeet niet dat ....

— Ja wel, ja wel; ieder lieeft er wat moois van te zeggen. De een vertelt dat het groot brengen van jongens zoo moeijelijk is; een ander troost je met het voor-uitzigt, dat ge niet voor de militie hebt te zorgen; een derde vindt het zoo gezellig voor mijne vrouw, maar ik, zie je, .... maar laten we er maar over zwijgen; de zaak ligt er nu toe. Dit zweer ik je evenwel, dat ik er al zoo lief geen meer had gehad dan een vijfde dochter.

— Zoo zijn er meer, dacht de dokter, maar hij vervolgde hard op, dat kinderen altijd een zegen des Hee-ren zijn, en Blomme zich gelukkig mogt achten, dat hij in staat was de zijnen op te voeden en hun te geven wat noodig was.

— Haar, verbeterde Blomme, — zeg haar als-je-blieft, en toen de dokter hem alleen had gelaten, bromde hij nog een poos lang bij zich zeiven over het noodlot dat hem voor de vijfde maal vader had doen worden van een meisje.

— Als je nu straks eens kunt, broer! klonk eene vrouwenstem door het reetje van de deur.

— Wat nu weer ?

ocr page 214

206

— Je hebt gezegd, dat je die kast eens zoudt helpen verzetten.

— Kunnen de meiden dat dan ook al niet! Ze gebruiken mij hier in huis als dommekracht, geloof ik. Daar ben ik goed genoeg toe; voor het overige kom ik niet in aanmerking.

— Zeg dat nu niet, broer; maar met die drukte gaat ons wel eens wat door het hoofd.

— Zoo als van ochtend mijn ontbijt, niet waar? en gisteren avond de kagchel en de boodschappen ?

— Ik hoop het niet — en in ieder geval er zijn in deze dagen zooveel dingen te doen en te onthouden, dat je het zoo naauw niet nemen kunt, antwoordde Klaha, dood kalm, want Klaha verloor hare kalmte nooit, een eigenschap die in deze dagen van onberekenbare waarde was.

Zoo\'n kraamvrouw toch en een baker, een zuigeling, vier kinderen, twee meiden en mijnheer, daar viel wat voor te zorgen! Klara stelde die zorg dan ook hooger dan de verloren boodschap en in plaats van eenige verdere verontschuldiging, bracht zij met ijskoude koelbloedig het gesprek op een ander onderwerp.

— Voor je nitgaat, broer, zal ik nog wat geld van je moeten hebben.

— Geld! Al weer geld. Mijn hemel, Klaha, wat doe je er dan mede?

— Maar Willem, meen je dan dat in deze dagen het huishonden geen geld kost? Eigenlijk had ik het gisteren al moeten hebben. Met een gulden of tien zal ik deze week wel uitkomen.

Blommk wierp knorrig vier rijksdaalders voor zijne zuster neer, zoo hard, dat zijne vierde dochter in hare wieg er

ocr page 215

207

wakker van werd, en voegde er nog een kleinen wensch voor zijne jongste bij, die niet juist van een gevoel van vaderweelde sprak.

— En nu de kast even, niet waar?

Het was Blomme\'s kleerkast, in deze dagen afgestaan aan zijne selioonzuster, even als zijne waschtafel en meer andere huiselijke nooddruften, ja, wat meer zeide, even als de kamer, waar hij de uren doorbragt, waarin hij niet op zijn ministerie moest zijn, even als zijne plaats bij den haard, en zoo vele regten en privilegiën, die men eerst op prijs stelt, als men ze derft. En dat alles om die vijfde dochter!

De kast werd verplaatst en toen nog even het ledikant en toen werd nog even de spiegel verhangen, want zuster kon waarlijk hare krullen niet opmaken, nu hij niet tusschen de ramen hing. Vrouwen, ijdele wezens! knorde Blomme, als die vijf groot zijn, zal \'t wat geven!

En geen enkele broer om haar die ijdelheid wat te ver-leeren, geen enkele jongen om den naam van Blomme op te houden! Al mijn getrouwde kollega\'s hebben jongens .... ik, ik alleen niet! En ze lagchen er mij nog om uit op den koop toe.

Het was waar; de wreede kollega\'s van Blomme hadden volstrekt geen mededoogen voor zijn ongeluk en ontzagen zich nooit van hunne jongens te verhalen, waarbij nog kwam, dat de zonen en zoontjes van genoemde kollega\'s de beste, de knapste en geestigste zonen en zoontjes waren, die men zich denken kon.

Dat was althans de overtuiging van genoemde kollega\'s.

Terwijl Blomme daarover mijmerde en zich voor den

ocr page 216

208

geest haalde hoe het Jantje van den een met al de eerste prijsjes wegging en het Pietje van den ander in zijne geestige uaïeveteit zulke alleraardigste profanaties zeggen kon — iets wat vele ouders bijzonder schijnt bij te blijven — en de Kees van den derde zulk eene ontzaggelijke carrière maakte of zou maken, kleedde hij zich aan in het naauwe vertrekje, dat zijne kamer voor hem verving en spoedde zich naar zijn bureau, waar hij althans buiten bereik was der huiselijke jammeren.

Daar heerschte als gewoonlijk die onaangename atmosfeer, aan alle bureaux eigen, ontstaan uit de vereenigde geuren van roet, turf, oud papier en oude kleeren. De kagchel gloeide, de zon scheen op de ruiten — aan de overzijde, en de kollega\'s wisselden hunne jassen en maakten met kalme bezadigdheid hunne lessenaars en laden open, en vroegen, toen Blomme binnentrad, belangstellend hoe quot;het vrouwtjequot; het maakte, of de kleine zoog, of hij het nog al getroffen had met de, baker, en of — bittere satire, al sproot zij voort uit onwetendheid — of het niet een jongen was?

— Neen, \'t is geen jongen, zei Blomme, \'t is een meisje ; ze zuigt; mijne vrouw maakt het goed en de baker is een baker. Toen verzonk hij in een diep stilzwijgen, waaruit de behandeling der meest belangrijke quaesties van den dag niet in staal was hem te wekken.

Het sloeg twaalf uur; de meeste kollega\'s wisselden weder hunne jassen om t\' huis koilij te drinken, de een uit gewoonte, een ander uit beginsel, gegrond op de verhouding tusschen loon en arbeid, een derde; om zijne gezondheid, een vierde om zich te verpoozen van het ingespannen werk —

ocr page 217

209

van twee uren; een vijfde uit geest van navolging, een zesde om zijne vrouw. Anderen haalden pakjes te voorschijn, van buiten bestaande uit een courant en van binnen uit een waterbroodje. Ook Blomme tastte in den zak van zijn overjas. . . . \'t is waar! hij had een kraamvrouw te huis en in deze dagen was er tijd noch gedachte voor zulke zaken.

— Ga je met mij mede, zeide van Maalbeug, de eenige, dien Blojoie nog niet met wangunstige oogen behoefde aan te zien, want Maalbeug had ook geen zoon, en dochters evenmin. Blomme nam dus zijne uitnoodiging aan en vergezelde zijn kollega naar diens woning, waar mevrouw vau Maalberg aan eene copieuse kofiijtafel zat, met een keurig toiletje, omringd door keurige meubelen en keurige sieraden. Alles was even fraai, kostbaar, netjes en smaakvol, en mevrouw stelde blijkbaar er prijs op om het zoo te houden, want naauwelijks waren de heeren binnen, of zij zeide tot haar echtgenoot;

— Och schat, nu heb je weer je voeten niet geveegd.

— Ik verzeker je, beste, dat ik het altijd doe. Maar. . ,

— Pas op. . . . och ! . . . . Die mannen zijn toch altijd even lomp.

— \'t Is maar een beetje asch.

— Je weet dat ik zoo\'n hekel heb aan asch. Dat rooken! ik begrijp niet wat de heeren er toch aan hebben! Is mevrouw Blomme er ook zoo tegen?

— Tegenwoordig is tabaksrook contrabande op hare kamer.

— O, dat moest hij altijd zijn; die verfoeielijke damp verpest het gansche huis.

— Je weet, lieve, als je die kamer voor mij inschikte, zou je er hier geen last van hebben.

UIT NEDERI.AXn\'s LETTERSCHAT II. 14

ocr page 218

210

— Kom, praat daar nu niet meer van. Wat zegt u, mijnheer Blojime ? Maalberg wil volstrekt een eigen kamer hebben en ik zeg, dat hij de uren die hij t\'huis is, waarlijk wel bij zijne vrouw mag doorbrengen.

— Vooral wanneer zij mij den ganschen dag beknort, zeide van Maalberg schertsend — ja zeker schertsend.

— Ik moet wel eens knorren, want die mannen! Zou ik u van middag weer voor niets moeten wachten?

— Wachten? lievë, \'t was gisteren geen weêr voor je.

— Och, hoe bezorgd; ik wist waarlijk niet, dat gij zoo bang voor mijne gezondheid waart.

Mevrouw van Maalberg scheen van scherts te houden.

— Banger dan gij voor de mijne, anders zoudt gij mij van nacht niet de ronde hebben doen maken. Is uw vrouw ook zoo bevreesd voor dieven, Blojime?

— Dieven? och daar valt bij mij niets te stelen en tegenwoordig althans zullen zij wel niet komen; zoo\'n schreeuwster in de wieg.

Van Maalberg zuchtte en zijne vrouw zag voor zich en vroeg toen of\' het nat was op straat, en toen zij vernomen had, dat de straten droog waren, drukte zij op vrij stellige wijze hare hoop uit, dat mijnheer van Maalberg eindelijk die visite eens met haar maken zou.

— Maar, schat, van avond wondt ge ook uit en gisteren avond zijn we ook al uit geweest en eergisteren ook en morgen avond misschien weêr. Denk toch dat ik werk heb.

— Ja wel, als ik uw zin deed, zou ik avond aan avond alleen kunnen zitten om die akelige stukken. Ik begrijp niet waar al die stukken voor dienen.

— Mijn lieve mevrouw, antwoordde Blojime, — die stukken

ocr page 219

211

zijn even noodzakelijk in den Staat als huiselijke bezigheden in een huisgezin, waarvan wij mannen op onze beurt geen verstand hebben.

— Hoor-je \'t, van Maalberg? Gij kunt u niet begrijpen, mijnheer Blommb, hoe mijn man zich in alle huiselijke zaken mengt, en er een verstand van heeft, of pretendeert te hebben — zeide mevrouw weder schertsende — waarvoor men eerbied voelt.

— Ja, ja, antwoordde van Maalberg, — als je er nu en dan de hand niet aan hieldt, zou het raar loopen in een huishouden. Denk je er ook zoo niet over, Blomme ?

— Als ik mij met mijn huishouden bemoei, is het met de levende waar, zeide de kraamheer, en hij gevoelde op dat oogenblik dat er zelfs in vijf dochters een zegen lag.

Zoo er in die smaakvolle, fraaie vertrekken van mevrouw van Maalberg eens een paar rondkropen, met kinderlijke onderzoekingsgeest en rusteloosheid alles aantastende, \'t zou er zeker minder netjes zijn. Maar misschien zou mevrouw hare geestige scherts verliezen; misschien zou aan mijnheer wel een kamer worden aangewezen, waar hij zich minder met de huiselijke zaken, en mevrouw zich minder met hem bemoeide, en misschien zouden de Maalbergen gelukkiger wezen.

Zoo dacht Blomme en hij dacht er bij, dat het dan nog beter was vijf dochters te hebben dan kinderloos te zijn.

ocr page 220
ocr page 221

XXIII.

PIETER AUGUSTUS DE GENESTET.

15 Augustus 1830—2 Juli 1861.

Uit: De Dichtwerken van P. A. (Ienestet. Verzameld en uitgegeven onder toezicht van c. P. tlele.

Zevende druk, Rotterdam, Uitgevers-Maatschappij Elsevier, 1886.

ocr page 222
ocr page 223

DAGELIJKSCH BROOD.

Mijn brood is \'t brood der bloeiende aarde;

Mijn brood is weelde en overvloed, De bloesems van mijn lentegaarde,

De frisscbe Incht, die sterkt en voedt; Een uitgelezen schat van zegen,

Die, als van-zelf, vloeit in mijn schoot.... Mijn hart, verwonderd en verlegen,

Och, stamel van uw daaglijksch brood !

Mijn brood... het regent in de dalan!

H Is mogendauw en ochtendgoud.

Het zijn Gods heldre zonnestralen.

Het is de lommer van het woud;

\'t Is de avondwind der blonde duinen,

De geur van \'\'t landschap aan mijn voet, Het koorgezang uit de eikekruinen, Het golfgeruisch bij d\' avondgloed!

\'t Is, Vmorgens, van het woord des Hoeren

Een dierbaar en een heilig blad,

\'t Zijn liedren, die mij spelend leeren. Die mij verzeilen op mijn pad.

ocr page 224

316

En zaclite tonen en verhalen,

Die uit de takken, uit de luclit,

In de open ziele nederdalen,

Des avonds op der winden zucht.

\'t Zijn, die mij wekken, blijde brieven.

De vriendelijke morgengroet.

De weuschen mijner verre lieven,

Die vragen: smaakt u \'t leven zoet? \'t Is vriendschap, zeegnend uit de verte,

\'t Is liefde, zeegnend en nabij.

Het is een droom van \'t dichterharte Of reeds het leven hemel zij ?

\'t Is dolen langs de heuvelklingen.

En droomen op het krakend mos, Eu dwepen met de erinneringen.

Die fluistren in het donker bosch; Het zijn de geuren dezer dreven.

De stemmen van het dierbaar oord,

Waar al de trouwe zuchten zweven Van \'t lieve hart, dat mij behoort.

Het is de glans van heldre blikken.

Die als de hemel, blauw en zacht.

Mijn mijmrend hoofd, mijn hart verkwikken.

Een zoete mond, die geeft en lacht; \'t Zijn frissche rozen, frissche wangen,

\'t Is dwaas gesnap, en druk gedruisch Van kinderspelen en gezangen,

De weelde van het vroolijk huis!

ocr page 225

217

\'t Zijn vruchten van beladen boomen,

Die, als wij schudden, rijp en rond, Ons, dwaze kindron, overstroomen En smelten in den open mond;

Het is de room der moederaarde.

Die door de dalen ruischt en vloeit,

\'t Is de uitgelezen vrucht der gaarde,

Die op des levens feestdisch bloeit...

O! \'k weet wel dat het brood der smarte

Ook mij, als ieder stervling, wacht;

Maar nu — vergeef mij, zoo mijn harte

Niet aan het oude vonis dacht:

Ik mag van \'t brood der weelde zingen.

Van zegen, dien mij God bereidt In \'t zweet... van verre wandelingen. Met tranen, ja... van dankbaarheid!

1850

JO NG-HOLLANDSG H BINNENHUISJE.

\'s Wintersavonds houd ik mij

In mijn bezig leven Graag, als \'t mag, een uurtje vrij;

Zoo van zes tot zeven,

Dan is \'t vroolijk woonvertrek

Vol gezelligheden;

Nieuwspapier en boekenrek Laat ik meest met vreden;

ocr page 226

318

En genietend staar ik om, Met mijn dank verlegen. In het dierbaar heiligdom Van mijns Heeren zegen.

Alles stemt er vroom eu blij,

Kleuren, tonen, beelden,

Al uw zoete poëzij

Kleine levensweelden!

Praalziek was ik nimmermeer,

\'t Rijmt niet met mijn zeden; Ik benijd geen mensch zijn eer,

Geld noch heerlijkheden;

Maar ik ben \'t gezelligst dier,

En zie! mij 7] vriendinnen Stichtten mij een kluisje hier. Stemmend ziel en zinnen.

\'t Leven is mij lief en waard

In dat hartlijk uurtje, Levenslustig in den haard

Knapt het knettrend vuurtje; Bij der vlammen heldren gloed

Schept men fantazietjes. Neuriet, stillekes en zoet.

Ras vergeten liedjes;

Aller vriendlij ks begeleid

Door het lief geluidje, \'t Liedje der gezelligheid,

Uit het stoomend tuitje.

ocr page 227

219

Poëzie schuilt overal,

Overal, mijn vrinden!

\'t Is de vraag maar, wie liaar al,

Wie ze niet kan vinden.

Menig schilder heeft geen oog

Voor een binnenhuisje;

\'k Weet poëten duf en droog,

In hun smaakloos kluisje.

Menig boezem blaakt alleen

Voor het hoogverheven,— Mij trekt alles, groot en kleen, In dit lieve leven!

Doch, mijn kleintjes! gij het meest.

Springende gedichtjes,

Tintelend van leest en geest.

Aangebeden wichtjes!

U ook moet deez1 avondstond

Allermeest behooren,

U, mijn oudste, zacht en blond.

Lieflijke eerstgeboren!

U, mijn jongste, dwaas en blijd.

Pittig donkerbruintje. Die voorwaar geen schaduw zijt In ons levenstuintje.

Haalt uw schatten voor den dag!

Zal ik u een toren Bouwen, dien we met één slag Schaatrend weer verstoren!

ocr page 228

220

Moet ik ook, al wederom,

\'t Beestenspel verklaren ? Leeuwgebrul en beergebrom

Pogen te evenaren ?

Wilt gij met de komenij

Of de zuurkraam spelen?

Wat zal \'t wezen //nu ereisquot;? Mij kan \'t, heusch, niet schelen.

Niets van alles! — Half tevreê

Komt men vleiend nader, \'t Liefste speelgoed van mijn twee,

Dat \'s haar jonge vader, Als zoodanig meer geliefd,

fk Zeg het zonder jokken,

Schoon \'t mijn eigenliefde grieft) Dan — de doos met blokken! Meer dan \'t wilde beestenspel

Zelfs, trots aap en beren !

Van uw kindren kunt gij wel Eenige ootmoed leeren!

\'t Speelgoed dan wordt nu met list,

Vleien, plagen, lokken, (Kinderliefde is egoïst!)

Naar den vloer getrokken. En daar vangt je \'t leven aan!

Lustige oogjes gloeien.

Mondjes, handjes, voetjes gaan, Bij het rustloos stoeien!

ocr page 229

221

\'k Geef mij aau uw armpjes prijs,

O miju krullebollen!

\'k Laat, naar koninklijke wijs, \'t Volkje met mij sollen.

Moeders oog staart, vroom eu zacht.

Op liet dwaas tooneeltje;

Ik geloof wel, daar ze laelit.

Dankt ze voor haar deeltje. Ik geloof wel, zij geniet

(Schoon haar de ooren tuiten!) Meer dan eens, bij \'t smachtend lied.

Dat ons streelde, buiten.

Als wij samen hand iu hand.

Aan zijn toon gekluisterd. Dwaalden door het droomenland,

Daar men dweept en fluistert.

Half gebluscht is \'t eerste vier,

Purpren koontjes blozen!

Op liet wild gegier, getier

Volgt een zoet verpoozen. Dan, bekomend van quot;t gejoel,

Onder duizend grappen.

Zitten we in den grooten stoel.

Alle drie te snappen.

\'k Word beloond soms met een keur

Geestige gedichtjes.

Al te maal van Goeverneur,

Liev\'ling onzer wichtjes.

ocr page 230

223

Zeven uren slaat de klok;

Weelde moet niet duren;

En mijn kippen gaan op stok

Klokke zeven uren!

Liefde wenkt en niemand dwingt

Om te blijven hangen;

De oudste noch de jongste zingt

\'t Liedje van verlangen.

Slechts mijn hart, vol zaligheid,

Stemt het voor de\' Algoede,

Die mij al dit heil bereidt.

Die ons huis behoede!

Om dees vroolijke avondrust In Zijn gunst te smaken.

Wil ik, al mijn dag met lust Werken, zorgen, waken; — (Is \'t niet voor het daaglijksch brood,

\'t Is om \'t brood des levens. Dat slechts de arbeid klein en groot

Schenkt, met vreugde tevens!) Wil ik onvermoed en trouw,

Kleine kruisjes dragen,

Die mij God óók schenken wou In Zijn welbehagen

Wat mij toch daar buiten grief

In \'t aandoenlijk harte.

Immer bij ons huislijk lief

Bloeit weer troost voor smarte.

ocr page 231

223

Wat me ook treurig tegenviel

In deze aardsche dreven,

Niet de reinste droom der ziel,

\'t Zoet van \'t huislijk leven!

Niet de weelde en \'t rijk genot

Dat uit kinderoo^eu Straalt — ten trooste in \'t meuselienlot.

Vrede, zegen, licht van God,

Glimlach uit den Hoogen!

1857.

ocr page 232
ocr page 233

XXIV.

HENDRIK DE VEER.

23 November 1829—11 December 1890.

Uit: Trou-ringh voor quot;t.Jonge Holland door H. de Veer. Nieuwe hunclel. Leiden, S. C. van Doeshurgh, 1S72.

uit nf.êrlajjd\'s letterschat ii.

ocr page 234
ocr page 235

ONS GROOT DINER.

(Fragment.)

De amusementen, die men diners neemt, zijn al zoo dikwijls beschreven dat er hoegenaamd geen verdienste in gelegen is ze nog weder te teekeneu. Ook zijn mijns inziens de lauweren, die een schrijver of teekenaar zich daarmee verwerft, al zeer gemakkelijk geplukt. Het recept voor een vervelend diner is als volgt;

Men neemt een paar gasten met sterk sprekende eigenaardigheden en laat al wat bestemd was de vroolijkheid gaande te maken in het water vallen. Men voert eenige alledaagsche discoursen over de meest alledaagsche dingen ten tooneele en amuseert zich met een paar soi-disant geestige gasten ten koste van de rest. De schrijver make zichzelven even laf als in den regel zoogenoemde aardige disch-ijenooten zijn en drukke op het eenvoudigste den stempel van het s:eforceerde. Daarbij vergete men niet een paar oude heeren met de rol van jeune amoureux te bedeelen, terwijl iedereen zich verveelt, bij een aardig paar jongelui van onderscheiden sekse de kiemen van een toekomstige genegenheid te strooien. Met den knecht of met den kok, die eerstdaags met de rekening zal komen, lache men den gastheer en al zijn gasten uit.

ocr page 236

Eerlijk gezegd had ik mij ook ons eerste groote diner in dier voege voorgesteld en was ik geprepareerd op de-grootst mogelijke teleurstelling bij mijne vrouw. Maar ik had buiten haar talent en buiten haar gelukkig gesternte gerekend, \'t Was tegen mijne verwachting een allergezelligst en allerprettigst feest. De eenige, die daarbij geheel op den achtergrond en in de schaduw trad, was ik zelf, ik de heer der schepping, die deze ossenhazen en vla\'s en noga\'s en compotten zat aan te kijken of ze uit den hemel gevallen waren en . . . die straks hun kostbaar leven met mijn eigen vleesch en bloed zou moeten betalen.

Ook schaamde ik mij, dat deze wonderen van den duizend en een nacht in mijn huis hadden plaats genomen, terwijl ik de singeltjes omwandelde en sigaren rookte in een koffiehuis. En toch heette ik de gastheer, toch nam ik met een stalen gezicht de vriendelijkste en warmste complimentjes over mijn charmante partij aan .... toch deed ik mijn best het deel dat mijne vrouw er aan genomen had zooveel mogelijk te verbergen. Ik nam de houding aan alsof een groot diner voor haar zoo min als voor mij eene buitengewone gebeurtenis was en zag met dezelfde onverschilligheid dat Kaatje een vol glas wijn over ons mooie tafelgoed gooide, als dat een knaap van zeventien jaar, die om zijn papa en mama meegevraagd was, mijn dure Margaux in zijn keel gooide alsof \'t pompwater was.

Daarbij deed ik, die toch nog maar vier maanden getrouwd was, al mijn best oin dit zoo weinig mogelijk te laten merken, maakte ik in mijn qualiteit van gastheer het hof aan mijne buurdames, terwijl ik glimlachend toekeek hoe de twee heeren die naast mijn jonge vrouw zaten \'t

ocr page 237

229

zelfde deden, \'t Was immers geen klein huiselijk dinertje, maar ons groote diner!

Dat mijn wijfje er zoo sterk op gestaan had geen knecht of, zooals zij zei, geen ouderling achter tafel te hebben, hinderde mij geweldig maar ik moet eerlijk erkennen dat de oude Ka haar post waardig vervulde en dat zeker nooit iemand zoo goed als zij de telegraafdienst zou hebben gekend. Mijne vrouw regeerde de minste barer bewegingen met de oogen en dat zonder zich een oogenblik te laten storen in het levendig en druk gesprek waarin zij onafgebroken gewikkeld was. Die beide vrouwen begrepen elkaar alsof er werkelijk een electrieke draad tusschen haar beiden liep. Ik hoorde onder \'t gejoel ed gelach mijner vroolijke gasten de meest huishoudelijke praatjes zooals ik die tusschen mijn jong wijfje en de oude getrouwe dikwijls genieten mocht ;

quot;Die ossenhaas is nu dikwijls genoeg rond geweestquot; hoorde ik Ka telegrafeer en. quot;Daar ginds in den hoek zit een slokop, die geloof ik in geen veertien dagen gegeten heeft. Wij zullen ze maar in den kelder in de vliegenkast zetten. We kunnen er nog wel drie dagen pleizier van hebben.1\'

quot;Laat die kippen maar \'t eerst aan den linkerkant pre-senteerenquot; ; seinde mijne vrouw, quot;als \'t schaaltje bij den dikken notaris komt, moet hij er niets dan de beentjes op vinden, uit straf voor zijn brutaliteit van wel eens blanker kalkoenevleesch gezien te hebben en presenteer gauw, terwijl ze met die aardigheid van den docter be/.ig zijn, de peertjes, die ge weet dat niet best zijn gelukt.11

quot;Als er straks een oogenblikje van plechtige stilte is, zal ik met de zalm voor den dag komen11 telegrafeerde

ocr page 238

230

Ka weer. quot;De zalm is zooals u Aveet onze kroonschotel. Daar zullen ze morgen nog over praten. Wil ik die quot;t eerst aan den rijken makelaar presenteeren? Ik weet dat hij een kenner is. Antwoord betaald.quot; quot;Goedquot; ! telegrafeerde mijne vrouw terug.

//Zorg dat ze de blanc manger wat gauw presenteerenquot; klonk de volgende telegram van mijne vrouw, //Je weet dat er niet te veel van is en laat ze liever heel langzaam met de gember en de morellen rondgaan. Ik heb er een kelder vol van.quot;

Daarop Ka weer: quot;Mijnheer animeert veel te sterk met dien wijn met goud étiquette. Hij heeft er maar een kwart ankertje van. Maar zoo zijn de mannen.quot;

Daarop mijne vrouw weer: quot;Die aap van een jongen zal zoolang ik groote diners geef hier nooit weer aan tafel zitten. Is dat me een gat in mijne mooie rumgelei!quot; . . .

Gevolgd van een dito van Ka over een deftige oude dame die twaalf kleinkinderen had en haar liefdadigheid-zak met mijn ulevellen vulde en een niet minder deftige oude heer die haar botweg vroeg of ze nog van die pistaches met knappertjes had waarmee hij de kinderen van zijn zuster altijd zoo\'n pleizier deed.

De hemel vergeve mij als ik mijne vrouw of onze trouwe gedienstige laster, maar ik heb het klingelen van de telegraaf en het suizen van deze en soortgelijke telegrammen duidelijk gehoord.

Toch waren wij beiden of liever wij alle drie, want Ka was voor dien dag in het verbond opgenomen, uiterst tevreden met den afloop van ons diner. Wij twijfelden er geen oogenblik aan of ieder had zich geamuseerd en was

ocr page 239

331

hoogst voldaan. quot;Vooral mijne vrouw en Ka meenden dat \'t schande zou wezen al ze niet voldaan waren.

//We hebben alles zoo lliuk en goed samen bedisseld,quot; zei mijn vrouwtje terwijl hare oogen blonken van zelfvoldoening. //\'t Was niet te deftig en \'t was niet stijf en niet duur ook. Als we een knecht met een witte das hadden gehad, zou \'t iets anders geweest zijn, maar nu was \'t burgerlijk goed, niet waar. Ka?quot;

/\'■Ja,quot; zei Kaatje. Xu was \'t precies zooals bij de ouders zaliger van mevrouw geweest, waar ze ook menig dinertje bestuurd had, behalve de pasteitjes. Dut deed men vroeger zoo niet. Maar wat mevrouw van den knecht zei, dat was waar.

Een paar dagen later zat ik rustig op mijn kamer te werken, toen mijne vrouw met het vriendelijkste gezichtje en (ik durf wel zeggen met geveinsde) schroomvalligheid binnenkwam. Zij bad eenige langwerpige papiertjes in de hand, die ik zou herkend hebben al had zij ze niet op de manier van een schild voor zich uit gehouden. //Als gij een oogenblikje tijd hebt,quot; zei ze op den toon van iemand, die een condoleantie zal beginnen.

Ja, ik had een oogenblikje tijd. Voor haar had ik altijd tijd, dat wist ze wel.

/Jk begreep, dat gij de rekeningetjes van ons groote diner zeker liefst zou gauw mogelijk zoudt willen afdoen,quot; zei ze met de uitdrukking van eene religieuse in hare oogen. \'/Alles is dan voorbij. We zullen toch in de eerstvolgende jaren wel niet weer aan zulke groote feesten kunnen denken.quot;

ocr page 240

232

quot;Is \'t veel?\'1 vroeg ik, want, zooals al mijue vrienden vreten, heb ik de vaste gewoonte den schrik te bezweren. quot;Mij dunkt \'t zal nog al heel wat wezen. Alleen de banketbakkerquot;.....

//En vooral de slager en de kokquot;. . . . zei ze haastig.

quot;De slager? nu ja, die heeft \'t vleesch geleverd — maaide kok ? Gij hebt immers alles zelf gedaan met Kaatje en onze meid en de noodhulp !quot;....

Zij keek mij medelijdend aan en glimlachte. quot;Onnoozele man,quot; zei ze .. . //En wie heeft dan voor de pasteitjes en de soep en al \'t geglaceerde en getruffeerde moeten zorgen ? Dacht je dan wezenlijk, dat onze oude Ka dat ook allemaal kon?quot;____

quot;Maar wat kan onze Ka dan?quot; vroeg ik reeds min of meer wanhopig. quot;Onze Ka zou immers voor alles zorgen en alles zou hier in huis worden klaar gemaakt en we zouden ons groote diner voor een prikje hebben — even goed, ja, nog veel beter dan anderen en toch voor een prikje.quot;

Zij lachte mij in mijn gezicht uit en herhaalde nog eens haar: //onnoozel mannetje.quot;

//\'t Beste zal wezen,quot; vervolgde zij, quot;dat gij, die u zoo heel verstandig gedragen hebt en alles aan mij overgelaten, nu ook verder verstandig blijft en eenvoudig zonder een zuur gezicht te trekken deze rekeningetjes betaalt. . . . Wezenlijk, ik kan niet velen, dat gij u leelijk maakt om zulke nester ij en, waarvan de mannen toch geen begrip hebben. Als gij de rekeningen van anderen zaagt zoudt ge nog heel anders schrikken.quot;

//Maar lieve meid, hebt hij dan die rekeningen van anderen gezien en weet je zeker, dat de slager en de kok en

ocr page 241

233

de pasteibakker eu de hemel weet wie al meer, die ge daar in uw handje hebt, ons niet bestolen en bedrogen hebben ?quot;

Ik voelde dat ik al bezig was mij aan stroohalmen vast te grijpen, want de wateren schenen hoog gezwollen te zijn.

Zij evenwel voelde zich geraakt. /\'Ik heb natuurlijk alles vooraf met hen afgesproken en nog heel wat afgedongen,\'quot; zei ze.

//Natuurlijk. En hebt gij ook de hoofdsom opgemaakt?1\'\'

Zij begon hoe langer hoe meer te pruilen. //]k vind dat natuurlijk heel onaardig. Wat de hoofdsom betreft, hier is ze.quot;

Zal ik voortgaan mijne hoorders! met de mededeeling van hetgeen er verder gebeurde? . . . Liever laat ik de gordijn vallen. Ieder getrouwd man weet, dat rekeningen en hoofdsommen hem nog nooit zijn meegevallen eu ieder kent ook den strijd tusschen onzen wrevel tegen de noodzakelijkheid van te beialen en en den onwil om zijn eigen goede vrouw iets te verwijten. De mijne toonde zieh in dit geval zoo standvastig in haar overtuiging, dat zij alles op een koopje gedaan had, dat ik wel eindigen moest met betalen en haar nog een complimentje, over haar zuinigheid maakte.

//We hebben niet eens een knecht met zwarten rok en witte das gehad/\' herhaalde ze nu en dan. Alles wasgoed, boel goed en heel royaal zelfs durf ik zaggen, maar burgerlijk eenvoudig. Ts dat waar of niet?quot;

\'t Was twee of\' drie dagen later. Mijne vrouw had een bezoek aan haar intiemste vriendin gebracht. Ze moest

ocr page 242

334

toch eens wat over haar diner hooren. Het wachten tot de digestie-visites, ging, geloof ik, hoven haar kracht.

Toen ze weer thuis kwam, zag ik dadelijk, dat er wat aan mankeerde. quot;Is er iets niet goed bij Louise?quot; vroeg ik. quot;Gij ziet er wezenlijk ontstemd uit. Ze zijn toch wel?quot;

quot;O jaquot;, antwoordde, zij, //en ze laten je heel vriendelijk groeten ook.quot; //Maar Louisequot; . . . zoo vervolgde ze na een oogenblik zwijgen, quot;Louise is ook al net als de rest. Een uur lang heeft ze wel over ons diner zitten praten. Ik geloof dat ze ons benijdt dat alles zoo keurig in orde was. Anders zou ze zeker nooit zooveel aan te merken gehad hebben.quot;

quot;Aan te merken?quot; zei ik met gemaakte verheffing, want \'t geval ging mij persoonlijk maar matig aan, ofschoon \'t mij toch hinderde, dat mijn vrouwtje niet de volle satisfactie van haar moeite scheen te hebben. quot;Aan te merken ? Maar ik bid u, wat dan? Heeft ze honger geleden? Heeft ze niet genoeg van de rhumgelei gehad? Hebben ze haar overgeslagen met de noga?quot;

quot;INTeeu, dat natuurlijk niet. Louise is anders altijd heel lief, zooals ge weet. Maar ze had \'t er, geloof ik, op gezet om van ons diner^e te praten. Ze gebruikte bij voorkeur allerlei verkleinwoordjes en trachtte mij tot de beteekenis te brengen, dat \'t maar heel familiaar, ofschoon dan een beetje uitvoerig geweest was. Ze zou \'t stellig heel prettig gevonden hebben als ik had willen erkennen dat \'t bij haar laatst veel grootscher geweest is.quot;

quot;En gij liebt u goed gehouden ?quot;

quot;Ja. Ik heb niets toegegeven. Ik heb haar \'t menu onder den neus gehouden. Ik heb haar heel in vertrouwen verteld wat \'t ons gekost heeft. Ik heb haar uitgetart iets

ocr page 243

235

te noemen wat we bij haar hadden en wat niet op onze tafel geweest is of door iets even kostbaars vervangen, \'t Was een groot diner en geen diner^\'e.quot;

quot;Raad eens,quot; vervolgde ze, //waarin zij toen op \'t laatst, toen ze niets anders vinden kon, haar kracht heeft gezocht?quot;

\'/Ja dat weet ik niet, lieve! Misschien in de merken van den wijn, waarover wij ons evenwel ook niet te schamen hebben gehad.quot;

\'/Neen,quot; zei mijn vrouwtje, en ze trok zoo\'n komiek boos gezichtje als ik nooit voor of na dien tijd gezien heb ....

quot;Er was geen knecht met een zwarten rok en een witte das bij geweest.quot;

ocr page 244
ocr page 245

XXV.

JUSTUS VAN MAURIK JR.

Uit: Uit het Volk.

Amsterdajische Novellen.

{Derde Druk), Amsterdam, Tj. ran Holkcma, 1883.

ocr page 246
ocr page 247

E EN VEI EN DEN DIENST.

(Fragment).

(Busman en Janssen, twee Amsterclamselie burgermannetjes gaan de honden van een voornaam lieer afhalen op de hondententoonstelling te li).

//Weg wijzen! — Schoenpoetsen! — Le Lion d\'or! — Hotel de Zon! — Ook bagage, heeren? — Vigilante, asjeblieft.quot; — klinkt \'t door elkaar aan \'t station, waar de twee vrienden zijn aangekomen en moeite hebben de verschillende aanbieders en opdringers van zich af te houden.

Eindelijk zijn ze er doorheen geworsteld en in de stationsstraat.

//\'t Waait letterlijk een orkaan,quot; roept Busman, die moeite heeft zijn parapluie in bedwang te houden, tot Janssen, die vóór hem loopt.

//\'t Is beestachtig weer,quot; mompelt Jeremias, met \'t hoofd vooruit onder de parapluie, en luider voegt hij er bij : //Weet jij den weg naar de tentoonstelling. Busman?quot;

Geen antwoordt volgt, want de wind overstemt zijn woorden en de regen klettert geweldig. //Weet jij, waar we heen moeten?\'1 herhaalt Janssen.

ocr page 248

24-0

Busman\' hoort niets, want al zijn opmerkzaamheid ïs op zijn parapuie gericht, die pogingen doet om zich aan zijn handen te ontwringen.

«Is die man doof?quot; denkt Jeeemias en keert zich om naar zijn vriend.

Helaas, die beweging is noodlottig voor zijn regenscherm, want plotseling komt de wind er onder, en voordat de ongelukkige eigenaar er iets aan doen kan, neemt de parapluie den vorm van een tulp aan, terwijl zijn hoed als dol over de natte straten voortrolt.

Stom van ontzetting, trekt Janssen met alle macht aan den parapluiestok, tracht zich om te keeren, om tegen den wind in te gaan, en stelt zich zoo te weer, dat Busman \'t niet langer uithouden kan, maar \'t eensklaps uitschatert.

quot;Lach met. Busman. Ts \'t niet miserabel genoeg? — Help me liever,quot; roept Jekemias half nijdig, half verdrietig.

//\'k Kan \'t niet helpen, waarachtig niet, — \'t is te komiek,schatert de pettenkoopman, terwijl hij zijn parapluie neerdoet en met haar in de hand zijn hoed vasthoudend, met de andere Janssens regenscherm van boven zoekt neer te drukken.

Het is alsof de parapluie \'t er op gezet heeft haar meester tot wanhoop te brengen, want ze blijft, niettegenstaande de aangewende pogingen, den tulpvorm behouden.

Gelukkig is in de onmiddellijke nabijheid een kofliiehuis, en Busman geeft den raad er binnen te gaan.

Met moeite brengt Jeremias het wonderlijk gefatsoeneerde voorwerp in de koffiekamer, tot groot vermaak van de aanwezige gasten.

ocr page 249

Ml

De ander heeft intusschen jacht gemaakt op den voort-vluchtigen hoed en treedt met den natten cylinder binnen.

Eenige gasten en de welwillende koffiehuishouder beginnen met Janssen de weerspannige baleinen in haar fatsoen te zetten en eindelijk wordt de tulp een platte schijf, maar verder brengen de vereende pogingen het niet.

Lachend merkt een gast op: //\'t Lijkt wel een panne-koek op een stok.quot;

Janssen krijgt hoe; langer hoe erger het land, want \'t lachen der aanwezigen maakt hem verlegen en inwendig boos. — Nog eens spant hij al zijn krachten in, rukt met geweld aan de schuif cn aan de baleinen, en -— met een krakend geluid valt de pannekoek ineen, en Janssen achterover tegen \'t buffet aan.

Busman raapt de overblijfselen van Adrtana\'s parapluie op en zegt:

quot;Totaal naar de maan.\'\'\'

Jeremias zegt niets, maar plukt nadenkend aan zijn vlas. Dank zij de overredingskracht en \'t vroolijk humeur van zijn reisgezel, helderde te gelijk met \'t weer het gelaat van Janssen eenigermate op, en verrijkt met de inlichtingen van den kastelein, omtrent de plaats der tentoonstelling, verliet het tweetal de gastvrije ruimte van \'t bierhuis, de ongelukkige parapluie zwaar verminkt en misvormd medenemend.

quot;\'k Ben eigenlijk gek, dat \'k dat hondenbaantje heb aangenomen,quot; zegt Janssen opnieuw knorrig gestemd.

quot;Kom! Kom! \'t is de moeite niet waard, met een minuut of vijf zijn wij er; \'tis nu bij twaalven, — om halfeen is alles in orde, — dan ga jij naar je tante en ik naar mijn neef,quot; antwoordt Busman.

uit nederi.and\'s letterschat u. 16

ocr page 250

243

//\'t Is ten minste gelukkig, dat \'t nu droog is, want mijn hoed is zoo zwaar als lood,quot; herneemt Jekeiiias.

//Wees maar blij, dat je\'m nog hebt. Laat het maar stil drogen, hoor! dan zal \'k er morgen even een warm ijzer op zetten; dat\'s voor mij een kleinigheid. Daar heb je den ingang van \'t terrein,quot; zegt Busman, met den vinger voor zich uit wijzend op een nauw poortje dat, met de noodige vlaggen en wimpels voorzien, tot opschrift heeft;

toegang tot de hondbntentoonstelling.

Onwillekeurig fronst Janssen het voorhoofd; hoe meer hij den ingang nadert, des te onpleizieriger wordt hij gestemd en hij krijgt kippenvel als vervolgens een oorver-doovend geblaf zijn gehoorzenuwen doet trillen.

quot;Hoor me dat goedje eens aangaan, Janssen,\'1 merkt Busman op, terwijl hij zijn makker verwonderd aanziet, want Jeiie-mias is bleek om zijn neus geworden en vertraagt zijn tred.

//Ik hoor \'t wel,quot; is \'t sombere antwoord.

//\'t Is een verbazend geweld.quot;

//Als ik in die buurt woonde, was ik gauw dood.quot;

Ze hebben den ingang bereikt Aarzelend gaat Jeke-mias binnen en vertoont zijn kaart aan den portier, die even met den voorvinger aan zijn pet tikt en zegt /\'in orde,quot; maar Busman, die volgen wil, tegenhoudt me de vraag: //En u mijnheer, ook inzender?quot;

//Neen!quot;

//Dan moet u een kwartje betalen.quot;

Busman ziet Janssen vragen aan, en deze wendt zich tot den portier met de woorden: //Die heer hoort bij mij; we komen twee honden terughalen voor meneer Bergkamp van Amsterdam.quot;

ocr page 251

243

quot;O zoo! dat\'s wat anders, gaat u dan maar binnen, aan \'t andere eind is \'t bureau. De hoeren van de commissie zijn er juist.quot;

Met looden schoenen gaat Janssen verder, gevolgd door Busman, die nu en dan verwonderd staan blijft, om de verschillende tentoongestelde honden te bewonderen.

quot;Kijk eens, Janssen, dat\'s aardig, die hond heeft geen haar; \'t is een Curacaosche, \'t staat er boven; — neen, maar kijk voor de grap eens, er zit geen haartje op.quot;

quot;Haar of geen haar, \'t kan me niet schelen; loop asjeblieft door, \'k word miserabel van de lucht hier!quot;

quot;Nu ja, \'t is geen eau de cologne, maar dat maakt niets uit. — Dat\'s een echte St.-Bernhard. Wat een prachtig dier, wat een mooie kop! Kijk dan toch eens, Janssen.quot;

Jeuemias waagt een schuwen blik ter zijde, maar blijft niet staan.

quot;Verduiveld, dat\'s een mooie poedel! — Zou dat beest kunnen opzitten?quot; zegt Busman weer, en tot groote ergernis van Jeremias gaat hij vlak voor den bewusten poedel staan en heft den rechtervoorvinger op, terwijl hij vleiend zegt:

quot;Toe dan! psst, mooi — op — toe dan.quot;

quot;Schei toch uit met dat gezanik; je weet niet eens, of die hond geen valsche streken heeft.quot;

Busman lacht hem uit en wandelt langzaam voort langs de hokken, die van voren open zijn en daardoor den bezoeker gelegenheid geven de honden goed te kunnen zien.

quot;Kom toch hier; je loopt zoo dicht bij die hokken, — zoo meteen krijg je nog een beet van den een of ander.quot;

quot;Ze zitten immers vast aan een ketting.quot;

quot;Ja, maar ze kunnen toch bij je komen. Ik hou me op een distantie; je kunt nooit weten.quot;

ocr page 252

244

//Je bent kinderachtig. Ziedaar, we zijn er; heb nu maar geen angst meer,quot; en Busman gaat met Janssen het kantoortje binnen.

Op de deur staat te lezen;

\'/Bureau der Commissie. — Binnen zonder kloppen.quot;

Beiden treden dus zonder meer in het kantoor.

Aan een tafel met een groen tafelkleed zit de secretaris der commissie, de Weledelgeboren Heer Scham van Puijnen, de eigenlijke ziel der hondententoonstelling en inzender dei-zeldzaamste en fraaiste exemplaren.

De heer Van Pkijnen is, zooals men \'t noemt, een lijn man, die \'t haar //a la capoulquot; draagt, altijd overheerlijk naar Jockejclub-essence ruikt en \'t steeds bejammert, dat zijn \'/teintquot; niet matter is. Onberispelijk gekleed, naar de laatste Parijsche en Londensche modes, is zijn toilet één harmonisch geheel met zijn secretarisschap, want zoowel op zijn overhemd als op zijn boordje en manchetten zijn talrijke hondenkoppen, in verschillende fletse kleuren, gedrukt.

Van niets heeft hij zooveel verstand als van die diersoort, staat aangeschreven als een kenner zonder weerga, en \'t is daarom met alle recht, dat hij door zijn medebestuurders als secretaris werd aangesteld, een betrekking die hij met hart en ziel vervult, vooral omdat hij een vice-secretaris heeft, die \'t schrijfwerk verricht.

Zoodra het tweetal is binnengekomen, zet de Weledelgeboren Heer zijn monocle in de rechteroogholte en neemt met een zeker air de bezoekers op.

Jeremias is ietwat verlegen, als hij zoo van \'t hoofd tot de voeten bekeken wordt en zet zijn hoed af.

Busman doet evenzoo, maar strijkt voor hij zijn hoofd-

ocr page 253

245

deksels op ecu stoel zet, een paar weerspannige haartjes met zijn mouw glad.

Na zicli overtuigd te hebben, dat de binnengekoinenen mensohen zijn, vraagt de secretaris met nederbuigende vriendelijkheid:

\'/Waarmee kan ik de heeren van dienst zijn?quot;

Janssen haalt het papiertje uit den zak en zegt: //Ik kom van mijnheer Beiigkajip uit Amsterdam, om twee honden te halen, Nquot;. 203 en JSTquot;. 110.quot;

//Ah zoo ! van meneer Beiigkajip ; connais pas,quot; — en zich tot den vice-secretaris wendend, die zonder een enkel woord te spreken, al dien tijd heeft zitten schrijven, of net gedaan heeft alsof hij schreef, vervolgt hij: quot;Ken jij dien meneer Beegkamp, Geumïsen ?quot;

De vice-secretaris schudt het hoofd, maar antwoordt ua eenige oogenblikken in een boekje te hebben gekeken: //\'t Is accoord. Bergkamp, Amsterdam, Keizersgracht, inzender.^

//Wat zijn \'t voor houden, vrindje ?quot; vraagt de heer van Frijnen, terwijl hij met een snelle beweging het glaasje uit zijn oogholte laat vallen.

janssen heeft de namen Asa, Dog en Eight, Bull-Terrier reeds lang weer vergeten en staart op \'t papiertje.

//N0. 203 en N\'. 110,quot; antwoordt hij, terwijl hij aan zijn vlas trekt.

//Ah, zoo! geen verstand er van, hè? Neen, dat dacht ik wel — waarschijnlijk nooit geen liefhebberij er in gehad!quot; — Enfin... . Gerritsen, zie de nommers der inzending eens na.quot;

De vice-secretaris neemt een lijst van de tafel, zoekt eenigen tijd en zegt eindelijk;

ocr page 254

• quot;Nquot;. 203 — Aflenpinsclier — N\'. 110 — Kleine patrijs.quot; — Jkremias spert de oogen 0])eii, als hij de laatste woordeu lioort, want van dien patrijs begrijpt hij niets.

Busman heeft intusschen op zijn gemak de verschillende afbeeldsels van honden, die de wanden van \'t kantoor versieren in oogenschonw genomen en daardoor niet bemerkt, dat de heer Van Pmjnen hem sterk lixeert. Eindelijk keert hij zich om bij de woorden, die de secretaris tot hem richt: quot;En wat wenschte n?quot;

wik hoor bij dezen heer,quot; antwoordt Busman, op Jeremias wijzend.

\'/Ah! zoo! Pardon! — Gerritsen schel eens.quot;

Gerritsen schelt en eenige oogenblikken daarna verschijnt een oppasser, die met de pet in de hand in de denr blijft staan.

quot;Antoine! haal eens even JNTquot;. 110 en 203, — is \'t niet, Gerritsen? — Haal die exemplaren eens hier,quot; — en zich tot de twee reisgezellen wendend, vervolgt de heer Van Frijnen;

quot;Een moment geduld, \'k zal je dadelijk laten helpen. — Heb je soms lust de expositie van dog-cakes, halsbanden, muilkorven enz. te zien, dan kun je dat wel even doen.quot;\'

Jeremias en Busman bedanken beleefd en bewaren met de twee commissieleden gedurende eenige minuten het stilzwijgen, alleen afgebroken door \'t krassen van de pen van den vice-secretaris en \'t knakken der vingers van den Weledelgeboren Heer, — die in die gymnastische vingeroefening een bijzondere vaardigheifl schijnt te bezitten, want zonder haperen laat hij, terwijl hij achterover in zijn stoel liggend naar buiten ziet, één voor één alle tien

ocr page 255

247

vingers in de knokkels knappen, een geluid, waar Jeremias zenuwachtig van wordt. — Nauwelijks heeft hij voor de derde maal den pink laten kraken, of Antoine treedt binnen met een fraaien patrijshond aan een ketting en een kleinen Afl\'cnpinscher aan een touw.

//Voila, Messieurs! — \'t Is goed, Antoine, je kunt gaan,quot; zegt de secretaris en vereert de twee vrienden met een genadig knikje.

Bosman met N0. 203 en Janskn met N0. 110 verlaten het kantoor, erg in hun schik, dat tot zoover alles gemakkelijk en goed is afgeloopen.

Zoodra ze buiten zijn, zegt Busman vrij luid : \'/Allemachtig! wat is die secretaris een chiek mensch. Heb je wel gezien, wat \'n mooie nagels hij heeft en wat een mechaniek in zijn vingers?quot; En lachend vervolgt hij: \'/En \'t is tocli maar een hondencommissaris.quot;

quot;Chut! hou je stil, hij kan \'t nog best liooren,quot; antwoordt Jeuemias, die, met den rechterarm vooruitgestoken, !N0. 110 in bedwang houdt, want de hond springt en trekt geweldig.

\'t Beest schijnt zijn herkregen vrijheid zeer te waardeeren, want vroolijk blaft hij en besnuffelt elk voorwerp dat bij tegenkomt, tot ergernis van Janssen, die daardoor genoodzaakt wordt telkens stil te staan.

De kleine hond iST0. 203 loopt bedaard met Busman mee en schijnt zich om niets te bekommeren.

Om naar den uitgang te komen, moeten de twee vrienden het terrein over en de tentoongestelde honden voorbij. Nauwelijks zijn zij de eerste; hokken genaderd, of al de aanwezige honden heffen in koor een verschrikkelijk geblaf en gehuil aan.

ocr page 256

248

Sommige springen als razend op en rukken verwoed aan hunne kettingen. Het heeft er iets van, alsof ze met jaloersche blikken de twee verloste natuurgenooten aankijken en grooten lust gevoelen, evenals zij, het hun tijdelijk aangewezen verblijf te verlaten.

JEitEHiAs voelt ten tweeden male al het bloed in zijne aderen stollen en werpt angstige blikken om zich heen, om te zien of de levenmakers wel terdeeg vastliggen.

quot;Goddank,quot; denkt hij, «nu is \'t gauw uit,quot; als hij den uitgang voor zich ziet, en onwillekeurig verhaast hij zijn stap.

Eenige passen vóór het portiershuisje komt hem een heer te gemoet, die plotseling verwonderd blijft stilstaan, en met een allesbehalve vriendelijk gezicht op \'t hondje, dat Busman geleidt, wijzend, vraagt:

//Was wollen Sie mit deen hoend?quot;

Verbaasd zegt Janssen: //Wablief?quot;

//Nein, nicht Sie, den anderen Herr meine ich, den dicken da.quot;

Nu vraagt Busman: //Wablief?quot; en trekt geweldig aan \'t touw, want \'t hondje, dat hij vasthoudt, springt blaffend tegen den vreemdeling op.

//Wo wollen Sie mit deen hoend hin?quot;

//quot;Natuurlijk naar huis.quot;

//Ei so! Haben Sie das beeschtje dan gekauft?quot;

//Neen, \'k heb het afgehaald van \'t kantoor.quot;

//Da haben Sie kein recht zoe.quot;

Busman wordt korzelig en vraagt kortaf: quot;Zoo, denk je dat?quot;

//Wol warachtieg, das ist ja mein hoend!quot;

quot;Dat kun je makkelijk zeggen.quot;

ocr page 257

249

//Was sagen Sie da? — Sehen sie deim nicht, das \'t beesclit gegen mij opschpringt P\'

De hoedenmaker is niet uit \'t veld geslagen en antwoordt kordaat:

quot;Dat\'s geen bewijs!quot;

//Nicht ?quot;

//Neen; weet ik, wat voor loo])jes er op zijn. Misschien heb je we] worst of pens in je zak, om de honden te lokken.quot;

quot;Was! Himmelsakkerment!quot; en de Germaan wordt rood van kwaadheid, \'/woerscht of pensch soil ich in mijn sack haben ! Meinherr ! Sie sind onbesjoft.quot;

//\'k Hou me aan \'t zelfde compliment,quot; is \'t antwoord, en Busman wil verder gaan.

//Bleiben sollen Sie, sage ich; oend wenn Sie nicht goet-willig mein hoend afschtaan, liole ich polizei,quot;

quot;Haal wien je wilt; ik ben verantwoord, \'k heb m\'n nommers aan \'t kantoor gekregen. N0. 203.quot;

//Zwei-hoendert-drei! T)onnerwetter, das ischt ja meine noemer!quot; en de Duitscher haalt een kaartje met \'t bewuste nummer te voorschijn.

quot;M\'n goeie man, vloek nu niet, maar wees bedaard; er moet een vergissing zijn. Ga met me mee naar \'t kantoor, dan zal \'t zich wel ophelderen,quot; antwoordt Busman op kalmen toon.

quot;Warten Sie mal \'nen augenblick, ich hab den catalogus in den sack — wir wollen gleich \'mal nachsehn,quot; — op eens begint de Duitscher hartelijk te lachen, en zegt:

quot;N0. 203 —• richtig, da schtaat het; Asa — danische dogge. Das ist \'ne curiose geschichte, die noemmern sind verwechselt.quot; Meteen grijpt hij naar \'t touw, waaraan Busman \'t hondje vasthoudt, terwijl hij vervolgt:

ocr page 258

350

quot;Geben Sic iioev hier. Sie kunnen sich gleich den anderen holen,quot;

Zóó gauw geeft de pettenkoopman echter niet toe, maar antwoordt:

quot;l)at gaat zóó niet, \'k heb volstrekt nog geen bewijs,quot; — en hij wijst op \'t lieve diertje naast zich, -— quot;dat deze dog van u is.quot;

De Duitscher lacht, dan hem tranen in de oogen komen, en vraagt eindelijk:

/\'Dass noemen zie \'ne dogge! -— Gottorie, jij hebt er verschtand van; dass ist ja cin Affenpinscher.quot;

//\'t Ts alles goed en wel, mijn beste heer, — dog of geen dog, — ik geef \'t beestje niet af. — Denk je wat te reclameeren te hebben, ga dan maar mee naar \'t bureau,quot; en zich omdraaiend, roept Busman; quot;Jeiiemias, we moeten even terug, — er is een abuis.quot;

Janssen hoort niet, want hij is door zijn patrijshond, die onophoudelijk snuffelde en zocht, een eind teruggetrokken en bij een van de laatste hokken slaags geraakt met een grooten keeshond, dien hij onvoorzichtig dicht was genaderd. Hij stond met den rug nafir het hok gekeerd en op \'t oogenblik, dat hij zich wilde omdraaien, deed .de keeshond, die t broodje met rookvleesch in zijn zak geroken had, een sprong zoover als zijn ketting toeliet.

Ongelukkig voor Jeuemias was die juist lang genoeg, en de kees beet met kracht in zijn jaspand, dat hij hardnekkig bleef vasthouden, niettegenstaande Janssen, bleek van schrik, zich met de overblijfselen van Adrian a\'s para-pluie wanhopig verdedigde, terwijl jM°. 110 een verwoed geblaf deed hooren.

ocr page 259

351

Zijn makker in gevaar ziende, aarzelt Busman geen oogen-blik om hem ter liulp te komen, en eindelijk gelukt liet hem Jeuejiias te verlossen, echter niet zonder dat deze een belangrijk hiaat in zijn jaspand als aandenken mede-neemt.

quot;De Duitscher amuseert zich bovenmate en roept herhaaldelijk ;

quot;1st es gelangen?quot;

In allesbehalve aangename stemming wandelt Janssen met de anderen naar \'t kantoor terug.

De secretaris, die nog steeds in dolce-far-niente in zijn stoel zit, kijkt vrij verwonderd, als hij liet drietal ziet binnentreden, verneemt glimlachend de kwestie, en mompelt;

quot;(Jela va sans dire, er is een abuis gemaakt. — Geuhit-sen, geef mij den catalogus eens.quot; — De monocle wordt met een behendige beweging in \'t rechteroog geplaatst, en de lijst der inzending met den catalogus vergelijkend, zegt de Heer Van Prijnen eensklapt:

\'/Ah ja! zóó is \'t; men heeft de heeren naar de volgorde der inzending de honden terugegeven; \'t zal dadelijk geredresseerd worden. Geuuitsen, schel eens om Antoine.quot;

Wa een paar minuten keert de oppasser terug met een ontzaglijk grooten Deenschen dog en een Bull-ïerrier, die er allerkwaadaardigst uitziet.

quot;Zietdaar, heeren,quot; zegt de heer Van Prijnen, en opstaande loorgneert, hij met bevallige nonchalance het hon-denpaar, terwijl hij er op laat volgen:

quot;Een paar kapitale exemplaren, vooral die Terrier, maar een kwaje rakkerd.quot;

Jeremias Janssen treedt verschrikt een paar stappen

ocr page 260

terug, als hij den Bull-Terrier ziet, maar neemt toch werktuigelijk den ketting aan van den kwajen rakkerd, — evenals Busman dien van den Deenschen dog.

//Neem meteen die verkeerde nummers weer mee, An\'-ïoine,quot; zegt de secretaris en voorziet zich ondertusschen uit een fijn juchtlederen kokertje van een Turksche cigarette, die hij aan een waslucifertje opsteekt.

//Wenn Sie erlauben, kan ich gleich den att\'enpinscher mitnemen; mein naam ischt Rudolf Kümpfer — van Dortmund — tijdelich hier. No. 203 van der einsendung, catalogus No. 223.quot;

//Is het accoord, Gerritsen ? Zie \'t goed na, want dergelijke vergissingen zijn onaangenaam,quot; zegt de Heer Van Frijnen, zijn lorgnet aan \'t koordje om den vinger draaiend, terwijl hij den rook der cigarette omhoogblaast.

De vice-secretaris antwoordt: //\'t Is in orde, mijnheer,quot; en de Duitscher neemt van Antoine \'t touw van zijn hondje over, met de woorden:

//Ich dank de Heeren voor de gefiilligkeit,quot; en tot Janssen en Busman zich wendend;

//Entschuldigen Sie, das is dachte, das sie, — noen wier wollen davon niet meer schpreeken; — maar ein glas bier mag ich de heeren wol off\'erieren ?quot;

Daar klinkt buiten een luid geblaf.

Asa antwoordt met een krachtig Wau! Wau! en trekt Busman, die met zijn korte beentjes de zonderlingste luchtsprongen maakt, tegen wil en dank de deur uit en op \'t terrein.

De Duitscher valt schaterend op een stoel neer. De secretaris lacht, dat de monocle uit zijn oogholte valt, zegt

ocr page 261

2Ó3

tot Jekemias die verbluft staat te kijken: //C\'est a se tordre,quot; en staat op om uit \'t venster de vluclitelingen na te zien.

Zonder recht te weten wat hij doet, verwijdert Janssen /i -h en gaat met den Bull-Terrier, die gluiperig achter him aanloopt, het terrein weer oj), waar Busman hijgend cu blazend bij den ingang staat te wachten en hem tegenroept;

quot;Dat\'s een toer geweest, die hond is verschrikkelijk sterk, m\'n handen doen zeer van \'ttrekken aan den ketting; — kijk, de schakels staan er in afgedrukt,quot; en hij toont J kremias de vleezige rechterhand.

Eensklaps doet de Deensche dog een sprong en rukt zich zoo plotseling los, dat Busman geen tijd meer heeft den ketting, die zijn linkerhand ontglipt met beide handen weer te grijpen,

Luid blaffend rent Asa den weg op, gevolgd door eenige jougens, die aan den ingang stonden te kijken en nu door hun gillen en schreeuwen het vluchtende dier tot immer grooter spoed aandrijven.

In minder dan geen tijd is de hond uit het gezicht, en met een verbluft gezicht krabt Busman zich achter \'t oor, terwijl hij de dikke wangen opblaast en met gespitste lippen een schel gefluit doet hooren, dat geen andere uitwerking heeft dan dat een jongen, die nog aan \'t hek staat te luieren, een ander toeroept;

quot;Kijk erijs, Dirk wat een Otje-blaas-op !quot;

\'/Goeie genadigheid, dat ziet er mooi uit! Hoe krijgen we quot;t beest weerom, en wat zal meneer Bergkamp zeggen ? quot;k Ben zijn klandizie totaal kwijt, als de hond weg is; \'k

ocr page 262

254

durf niet naar huis,quot; zegt Jeiiemias verward; — \'t schreien staat hem nader dan \'t lachen — en boos vervolgt hij; //\'t Lijkt wel of je gek bent, wie laat nu zoo\'n ketting los.quot;

quot;\'n Mooi ding, die hond is /,00 sterk als een paard. \' antwoordt Busman verlegen en wrijft zich de pijnlijke vingers, quot;\'k wou, dat je mij maar thuis gelaten had.11

quot;En ik wou, dat meneer Bergkamp dat baantje maar aan een ander had gegeven,\'1 pruttelt Janssen en werpt een zijde-lingschen biik op Fight, die onverschillig naast hem voortloopt en alleen nu en dan een steen of een stoep besnuffelt.

ocr page 263

XXVI.

ARNOLD WERUMÉUS BUNING.

21 Januari 1S4Ö. —

Uit: Mauine-Schetsen van A. Weeüméus Buking, Oud-Zee-oeficier. \'«Gravmhage, Henri J. Stemberg 1SS0, nu Botterdam, D. Bolle.

ocr page 264

mSsm

19 i *^^5?

\'

ocr page 265

DE ROOEE EN JAN MATTERS.

{Fragment.)

Wij kregen aan boord ook les in lezen, schrijven en rekenen, iets waarvan ik nooit veel gehouden had, doch waarvoor ik nu toch mijn best deed er wat van te leeren, want Willem had mij een kwartje beloofd, als ik in de eerstvolgende haven waar wij binnenliepen, een brief aan zijn //ouwe mensquot;, kon schrijven, terwijl ik iederen avond of nacht, als wij de wacht hadden, moest voorlezen uit een oud geel boek, waarin allerhande mooie histories beschreven werden van koninginnen met rood fluweelen mantels en ridders met stalen harnassen en sabels van vijf voet lang. Hier en daar ontbrak wol eens eene bladzijde of was er een stuk uitgescheurd, maar Willem wist dan het verhaal altoos aan te vullen, zooals hij zich voorstelde dat het gebeurd was, terwijl hij tevens over sommige punten zijn gevoelen zei.

Zoo herinner ik mij nog altoos mijn voorlezen op een keer, dat wij samen de hondewacht hadden (\'s nachts van twaalf tot vier).

Het boek lag voor mij op het dek, ik zat bij het licht van eene scheepsbollantaarn te lezen, terwijl //de rooiequot; met uit xeuerlan\'il\'s lettebschat u. 17

ocr page 266

258

een kort eindje pijp in zijn mond, op een hoop touwwerk, er naar zat te luisteren.

Ik was juist begonnen met de historie van eene prinses die geschaakt werd door een onbekenden ridder, die haar op een balkon had zien zitten eu toen dadelijk verbazend veel plezier in haar gekregen had.

Ik las ;

.... ofschoon zij geblinddoekt was, gevoelde de prinses, dat het rijtuig stilhield . . .

quot;Dat \'sgeen wonderquot;, zei quot;de rooiequot;, quot;verder maar!quot;

.... en men haar uit den wagen tilde en de marineren trappen van het paleis opdroeg ...

quot;Dat is een leugenquot;, kwam mijn zeevader nu tusschen-beide quot;of ze hebben haar laten vallen, anders kan je niet weten of hot marmer of hout is.quot;

.... men bracht haar nu in aan ruim vertrek, waaide prachtigste en kostbaarste rijkdommen uitgestald waren en waar men eenen heerlijken reuk rook, een reuk gelijk aan .. .

quot;Verder nu!quot; zei Willem, quot;een reuk als?quot;

quot;Het staat er niet verder, er ligt juist eene vlek op. Ik kan alleen de eerste letter zien, dat is eene j . . . .quot;

quot;Gelijk aan jeneverquot;, vulde quot;de rooiequot; dadelijk aan.

Ik was zoo nieuwsgierig naar het eind, dat ik permissie vroeg om nog even daarnaar te mogen kijken.

Het einde luidde aldus;

.... en voor het laatst sloeg zij hare oogleden op, sloeg eenen laatsten, treurigen, weemoedigen blik op zijne slanke gestalte en zeide half duisterend; in den hemel

ocr page 267

359

zullen wij elkander wederzien; waarop zij stierf en de onbekende ridder, ten prooi van zijnen liartstoclit en wanhoop, een met diamanten omzetten dolk uit zijn gordel trok, zich denzelven in zijne mannelijke borst stootte en daarna zielloos op den marmeren vloer ter neder stortte.quot;

Ik legde het boek neer. \'t Was mooi weer, we waren in den passaat: behalve de officier van de wacht, de man aan het roer en de uitkijken, waren wij de eenigen, die nog wakker waren. Alles om ons heen sliep, alles was stil.

Ik legde het boek neer, wachtte een oogenblik, keek quot;de rooiequot; nadenkend aan en vroeg hem of hij vooronderstelde, dat de prinses en de ridder in den hemel gekomen waren.

\'/Nou,quot; antwoordde hij, «wat zal ik daar al van zeggen. l)c prinses of de koningin, of zooals ze dat vrouwmensch noemen, dat is wel mogelijk, maar die andere daar heb ik niet veel vedutie op: dat is \'n lamlendig soort van een ridder, om zijn eigen zoo dadelijk maar als hij contrarie wind krijgt van kant te maken. A.ls een ieder dat deed, zouden er in \'t laatst niet veel meer overblijveu.quot;

quot;Ja, maar dat hoort er bij,quot; bracht ik in het midden.

quot;Dat is wel mogelijk,quot; zei Willem, quot;maar dat\'s dan toch \'n miserable gewoonte.quot;

quot;Hoe zou het daar wezen, Willem, daar in den hemel?quot;

Ik weet niet, hoe ik er toe kwam, in eens zoo\'n malle vraag te doen. Misschien wel omdat ik dien dag onzen derden stuurman over dat punt had hooren redeneeren, een jong onderofficier, die er Eau de Cologne op nahield en vet in zijne haren streek.

quot;De rooiequot; keek mij met groote oogen aan, zoodat ik,

ocr page 268

260

zonder te wachten op een antwoord op mijne vraag, er bij voegde:

\'/Of zou er heelemaal niets wezen ? De derde stuurman zei, dat er niks van aan was, en dat het maar domineesspul was, dat zei hij.quot;

quot;De stuurman? Wat weet die er van! Laat die kerel zijn mond houden, die weet er nu net zooveel van als jij en ik, en net zoo veel als niemendal. Wat heeft die gepolitoerde vlaggenkoopman daar zijn neus in te steken ? Als hij bezig is met zijn kromme en scheeve figuren met de zon te manoeuvreeren, kom ik dan bij hem om te vragen: wat doe je daar? Neen, want ik kan er toch geen touw aan vast maken, \'k begrijp er toch niks van, en daarom moet hij zijn spitsen neus ook buiten een ander zijn zaken houden, als hij er toch geen verstand van heeft. Men zou zeggen, wat zoo\'n aap. . . Kijk er eens hier jongen: als ik nou hier aan boord ben, en dat bennen we nou; en nu moet ik naar Batavia, en nu sta ik op den achtermiddag aan het roer. quot;Rooiequot;, zegt de kommandant tegen me; of neen, dat zegt hij niet. Van Hallum zegt hij: stuur ZO. half Zuid. Jawel, kommandant! zeg ik tegen hem, en ik stuur ZO. half Zuiden; maar ik vraag hem niet; waarom stuur je zoo en niet anders? Dat moet hij weten, daar is hij kommandant voor, en zoo is het in de heele wereld: een is er de baas, en die stuurt den heelen boel, en die weet het beste, op wat voor \'n manier het voor een mensch het beste is; en waar dat nou verder heen gaat. . . . dat zullen we wel zien als we er komen. Als je een goejen loods aan boord hebt, dan moet je hem zijn gang laten gaan; of je gaat naar den kelder.1\'

ocr page 269

261

Ik vertelde nu aan Willem, dat mijn stiefvader altoos zei, als ik het een of ander uitgevoerd liad, quot;dat ik in de hel kwam en dan levend zou verbranden.quot;

quot;Zoo, zei liij dat ? Nou, en ik zeg als dat, wanneer je je eigen koest houdt, omdat je bang bent voor de hel, dat je dan je tractement niet waard bent. Als ik een oud wijf in het water zie liggen en ik haal de ouwe hommel er uit, omdat ik hoop, dat ik dan in den hemel zal komen, of als ik ergens een gat open zie om een papiertje van tien gulden ouder de bank te steken en ik doe het niet, omdat ik bang ben voor de hel, dan ben ik niks anders als een ber. . . de laft\'e kerel, die bang is voor zijne inwendigheid als hij dood gaat. . . Als je het over je eigen met het een of ander niet eens kunt worden, dan moet je altoos maar denken, dat je voor een oogenblik een ander bent als je zelf en wat of je er van zeggen zou, als die ander zoo deed als het behoorde, of als hij den anderen kant uitging en voor zijn eigen het mooiste plaatsje uitzocht. Als je dat maar in de gaten houdt jongen.quot;

quot;Zou vader in den hemel wezen?quot;

quot;Ja, die is er, daar kunje op rekenen,quot; zei Willem, nam eene versche pruim tabak uit zijne doos, sloeg hem weer dicht en vertelde, quot;dat hij wel eens weten wou, wie er anders komen zou, als ze zoo iemand er buiten hielden.quot;

z/En nu kunje je oogen wel voor een poosje dicht maken,quot; zei hij, terwijl bij achter over ging liggen en hetzelfde deed, quot;Het lijkt wel verd . . d of ik hier voor domenie speel.quot;

ocr page 270
ocr page 271

INHOUD.

Biz.

XI. Justus van Effen...........1—21.

Twee Vertonnen uit den Hollandschen Spectator.

XII. Barones Juliana Cornelia de Lannoy . . . 21—40.

Het Gastmaal.

XIII. Elisabeth Wolff-Beckeu en Aoatiia Deken. 42—81.

Uit Sara Burg er hardt en uit Willem Leevemi.

XIV. Mr. Willem Bilderdijk........85—91.

Drie gedichten.

XV. Bruno Daalberg (Mr. P. de Wacker van Zon) 93—103.

Ver huistafereeltjes.

XVI. Mr. A. Ch. W. Staring.........107—125.

De Jaromirs.

XVII. Mr. J. van Lennep.......... 129—142.

Drie gedichten.

XVIII. „De Schoolmeesterquot; (Gerrit van de Linde). 145—1(54. Vier gedichten.

XIX. Nicolaas Beets............1(57—171.

Twee gedichten.

XX. Marc Praoer Lindo.......... 175—182.

Eene Lente-mijmering.

XXI. J. J. Cremer............. 185—200.

Gerrit Meeuwsen en zien zeun noar de Amster-damschc Karmis.

XXII. Gerard Keller............ 203—211.

Een Bakersprookje.

ocr page 272

Biz.

XXIII. P. A. de Gtenestet.......... 215—223.

Twee gedichten.

XXIV. H. de Veer............. 227—235.

Ons groot diner.

XXV. Justüs van Maurik Jr. ........ 239—254.

Ef.n Vriendendienst.

XXVI. Arnold Werüméus Bunino....... 257—261.

De Booie en Jan Matters.

Tt/. Z J amp; Cgt;

ocr page 273
ocr page 274

\'

\'-\'KH .■■ : • i

„V .

! Ï ■ I- \'

li

• V

_

ocr page 275

1

■ st ■ m

I

■ ^ %

:

nH

h -•:-v- ■

ïamp;:

. i I

■■•=; ■

__

I

ocr page 276

Bij de uitgevers dezes verscheenquot;

I)r. JAN TEJST liR IKK

Be oude gar\'e en d.e jongste school.

2 D e ol e n.

Phijs :

Gebrocheerd f 8.S0. Gebimdcn f 4.50.

•gt;

. . \' ie®