ocr page 1

OVER E E N ST E M MIN G,

Naar vomorde opgesteld door

JOHANNES POLY ANDER,

Theol. Doet. en Prof, ajd Universiteit te Leiden.

Uit het Peansch in onze taal overgebracht door

FRANCIS CUS NUTIUS,

Bedienaar des Qoddelyken Woords.

samp;ij. v(«hv«uugt;uvlt;} doot 9m owftonhttifhw schiijvtt\' nayiaun, vezZcUt3 «n vmX nwni^t icfaiftHwnplaat* vtttncctdtt3.

Qedrükt te Leiden,

bij

DAVID JANSZ. ILPENDAM. 1621.

ocr page 2
ocr page 3

PMSglf

mm

wmm

ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

ocr page 7

OVEREENSTEMMING,

benevens eene

KORTE VERKLARING

VAN ONDERSCHEIDENE PLAATSEN UIT DE ff. jScHRIFT. WELKE SCHIJNBAAR MET ELKANDER IN TEGENSPRAAK ZIJN.

Naar volgorde opgesteld door

JOHANNES POLYANDER,

Theol. Doet. en Prof. ujd Universiteit te Leiden.

üit het Fransch in onzk taal overgebracht door

FRANCISCUS NUTIUS,

Bedienaar des Goddelvjken Woords.

cBM-

* \'Z-ven,

DAVID JANSZ, ILPENDAM. 1621.

ocr page 8
ocr page 9

en C^axisidijÉev. /

De gedachte een boekske aaam te stellen gelijk wij thans het genoegen hebben U aan te bieden, is niet nieuw; in vroegere jaren toch, is het reeds door onderscheidene Leeraars in verschillende talen beproefd. En al moet dadelijk toegestemd, dat deze proeve niet in alle opzichten als geslaagd kan beschouwd worden, aangezien niet op alle Schriftuurplaatsen, welke zij zich voorgenomen hadden op te helderen, het juiste licht gevallen is, toch mag niet ontkend, dat zij een goed werk verricht hebben. Immers, al hadden zij niets anders gedaan dan de plaatsen uit de Heilige Schrift, welke schijnbaar met elkander in strijd zijn, bijeen te zoeken, dan nog ware hun arbeid niet te vergeefs geweest. Maar dit is niet het eenige; er schuilt nog meer verdienste in hunnen arbeid. Hun pogen heeft juist by andere Godgeleerden de begeerte opgewekt, hunne gaven en krachten aan de samenstelling van zulk een boekje te wijden. Nauwkeuriger den zin en de bedoeling der Schriftuurplaatsen overwegende, hebben zij zich beijverd van vele plaatsen uit Gods Woord eene meer duidelijke en juiste uitlegging te geven. Verre echter van ons, dat wij de eere daarvan aan deze mannen zouden toekennen; neen, die eere komt eenig en alleen toe aan God den Heere, die daartoe de oogen zijner dienaren geopend en hun verleend heeft den Geest der wijsheid en des verstands

ocr page 10

VI

tot onderrichting dergenen, die Hem vreezen en zijn Woord onderzoeken.

Hetzij dan, waarde Lezer, dat gij den arbeid van anderen leest, die hierover geschreven hebben, of dat gij genegen zijt eenig profijt uit dit werkje te trekken, in beide gevallen verzoeken wij u een matig en goedertieren oordeel te vellen en van harte hopen wij, ook al is het dat gij gelezen hebt den arbeid van anderen, die over deze dingen geschreven hebben, dat gij nochtans uwe aandacht ook aan onzen arbeid schenken wilt en dit werkje niet ongelezen ter zijde zult leggen alsof er niet het minste nut en voordeel in steekt.

Het zal u toch niet onbekend zijn, hoe men zich reeds In vroegere tjjden genoodzaakt zag de razernij van vele woelige dwaalgeesten te bedwingen; evenmin zal het aan uwe aandacht ontgaan Jzijn, hoe ook in onze dagen dergelijke geesten nog woelen en werken en oorzaak tot veel strijd geven, waar zij zich ter bevestiging van hunne valsche voorstellingen, zelfs niet ontzien den zin en de bedoeling der Heilige Schrift te verdraaien en omver te werpen. Met ons zult gij gevoelen van hoe groot gewicht het is dezulken te wederstaan, maar tevens dat het de zwaarste en moeielijkste strijd is die wij hebben te doorstaan, daar men ons bestrijdt met de Heilige Schrift, waaraan wij zeiven onze macht en bescherming moeten ontleenen. Vandaar dan ook, dat wij in dezen zeer voorzichtig moeten te werk gaan, willen wij de listen en looze vonden van onze wederpar-tyders niet alleen weerstaan maar ook kunnen aanwenden tot ons eigen voordeel; immers, door eene verkeerde opvatting van hunne uitspraken, zouden wij ons juist berooven van die wapenen, waarmede wij ons hadden kunnen verdedigen. Viel men ons nu maar niet aan met de Schrift, maar met eenig ander

ocr page 11

VII

wapen, hetzij dan met de filosofie of met eenig andere men» schelijke leering, dan ware de strijd nog wel uit te houden, dan zou het Woord des Heeren ons schild en borstwapen zijn, waarop al de pijlen der tegenstanders zouden afstuiten, want het Woord onzes Gods is sterker dan alle leeringen van men-schen en gaat deze zeer verre te boven. Maar dat is juist de groote moeielijkheid, die zich in dezen strijd voordoet: de eene uitspraak uit Gods Woord wordt als een wapen gebruikt tegen de andere en de eene Schriftuurplaats moet dienst doen om de andere te vernietigen.

Het Woord des Heeren wordt door velen, helaas, niet met die bedoeling gelezen, waartoe het van God gegeven is. Velen toch lezen de Schrift met geen ander doel dan om daardoor hunne menschelijke inzettingen en ordinantiën meerdere waarde bij te zetten en zoodoende een deksel te zoeken tot bedekking van hunne beuzelachtige ceremoniën.

Daarentegen zijn er weer anderen, die, geheel naar eigene fantasie, zich eene opvatting over de een of andere Schriftuurplaats gevormd hebben, en zij zijn er zoó zeker van dat deze opvatting de juiste is en houden de meening, die zij te dien opzichte zijn toegedaan, zoó hardnekkig vast, dat zij er zelfs niet voor terugdeinzen den zin der Schrift ganschelijk te verdraaien en omver te werpen, ziende meer op eigen eerzucht dan op de leering en onderwijzing der eenvoudigen.

Ook zijn er velen, die in het minst geen rekening houden met het Woord van God en zich over deszelfs uitspraken niet bekommeren, maar zich veeleer verheugen wanneer dat Woord tot schande gemaakt wordt en juist niets vuriger wenschen dan dat het in minachting geraakt. Opdat een ieder des te vrijer zou kunnen handelen naar het goeddunken zjjns

ocr page 12

YIII

harten, halen zij met boos opzet het een of ander woord der Heilige Schrift ganschelijk buiten zijn verband aan en nauw-lijks hebben zij daarin eenigen schijn van tegenstrijdigheid gevonden of zij beroepen zich daarop om hun gevoelen te doen zegevieren en doen alsof zij het pleit reeds gewonnen hebben, wat natuurlijk nergens anders toe strekt dan om Gods Woord veracht en gehaat te maken en het lezen der Schrift in verdenking te brengen.

O, wat zijn er vele van zulke Epicureërs en versmaders van Gods Woord! En wat zijn er weinigen, die bij het hooren of lezen der Heilige Schrift, het juiste doel voor oogen hebben waartoe zij gegeven is, namelijk: in haar Jezus Christus te vinden, en door haar versterkt te worden in het ware geloof, en zoodoende Gode heilige onderdanigheid te bewijzen, gelijk zij dat verschuldigd zijn ! Wanneer deze varkens en honden zich dan ook nog verwaardigen een enkelen blik in dat onfeilbaar Getuigenis des Heeren te slaan, dan is het met geen ander doel dan te trachten daarin eene ongerijmdheid te vinden door verschillende Schriftuurplaatsen met elkander in tegenspraak te brengen, teneinde alzoo een oorzaak tot lasteren te hebben.

Maar wij belijden — en deze belijdenis houdt ons staande te midden van alle dwaalgevoelens — dat de Heilige Schrift tot stand gekomen is onder de leiding des Heiligen Geestes; Hij ia er de Bron en Oorsprong van; Hij is de Geest, die van den Vader gezonden is om ons in alle waarheid te leiden; die, vast en onveranderlijk, zich zelve in alles gelijk blijft en dus nooit iets spreekt of voortbrengt dat tegenstrijdig zou zijn, dat aanleiding zou kunnen geven tot verwikkeling of den geest van den getrouwen lezer in verwarring of onrust, in twijfel of onzekerheid zou kunnen brengen; dat oorzaak zou kunnen zijn dat hij

ocr page 13

IX

niet wist welke uitspraak hij al dan niet voor de ware moest houden. En dat is gelukkig ook; want indien ook maar de minste tegenstrijdigheid in het Woord van God gevonden werd .hoe zou de lezer dan tot de wetenschap kunnen komen van datgene wat waar en zeker is? Hoe zou hij onderscheid kunnen maken tusschen de waarheid en de leugen, tusschen het goede en het kwade, tusschen het zekere en het onzekere, tusschen het licht en de duisternis? Neen, ziende op die leiding des Heiligen Geestes, behoeven wij niet te vreezen, dat het Woord des Heeren ons bedriegen zal door ons uitspraken voor te houden, die met elkander in strijd zijn, en zoo wij dat Woord naarstig en met een leergierigen geest onderzoeken, behoeven wij evenmin bevreesd te zijn dat deze valache Schriftuitleggers bij ons hun doel zullen bereiken; dat doende, zullen wij integendeel juist meer en meer ervaren, dat wij ons volkomen op dat Woord verlaten en daarop steunen kunnen.

Om ons echter tegen dezen strijd zooveel mogelijk te wapenen, heb ik dit werkje saamgesteld en wordt het u aangeboden, met de hoop dat alle degenen, die door den Geest der zachtmoedigheid geleid worden, zich van onzen arbeid zullen willen bedienen, welke nog maar een begin en eene proeve is. Mocht het evenwel zijn, dat door het lezen van dit boekske uwe kennis verrijkt wordt, laat het dan openbaar worden, opdat wij, daardoor bemoedigd, den arbeid, welke wij wederom ter hand genomen hebben, mogen voortzetten; wat wij u bij dezen beloven.

Leest en neemt toe in de vreeze Gods!

ocr page 14
ocr page 15

VERZAMELING

van

naak volgorde opgesteld, in het kort verklaard en met elkander in overeenstemming gebracht

door

JOHANNES POLTANDER,

Theol. Doet. en Prof. ajd Universiteit te Leiden.

Uitgave van het Gereformeerd Traktaatgenootschap ygt;Filippus.quot; 1899.

ocr page 16
ocr page 17

I.

„Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde.quot;

Gen. 1 : 28.

„Want ziet, er komen dagen, in welke men zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren, en de buiken die niet gebaard hebben, en de borsten die niet gezoogd hebben.quot;

Lücas 23 : 29.

^OEN God in den morgenstond der schepping man en vrouw als met eigen hand samen voegde en zoodoende den huwelyken staat instelde, sprak Hij ; .Weest vruchtbaar en vermenigvuldigtquot;; waaruit dus blijkt, dat Hij hen zegenen wil in de vermeerdering van hun geslacht. Uitgaande van den huwelijken staat, dien Hij zelf ingesteld en geheiligd had, komt Hij tot het geslacht; en •in dien zegen, ligt de oorsprong van het gansche menschelijke geslacht, dat uit dit eerste ouderenpaar is voortgesproten. En nu ligt het toch voor de hand, dat deze zegen niet slechts in het algemeen werd uitgesproken, maar van elk en een iegelijk in het bijzonder geldt: immers, wil men zijn geslacht doen voortleven, dan is het de vraag, of men vruchtbaar dan wel onvruchtbaar is; en dit hangt weer daarvan af, of God zijn zegen

ocr page 18

14

en kracht al dan niet over iemand uitstort, gelyk dat zoo terecht door Hanna, de moeder van Samuel, in haren lofzang erkend wordt, als zij zegt: „De onvruchtbare heeft zeven gebaard, en die vele kinderen had, is krachteloos geworden.quot; Vandaar dan ook, dat in Gods Woord de vruchtbaarheid in den huwelijken staat onder de gaven, en de onvruchtbaarheid onder de straffen des Heeren gerekend wordt. Zoo zegt David in Psalm 68, dat God het is, die de eenzamen zet in een huisgezin. In] Ps. 113 vraagt de dichter: „Wie is gelijk de Heere onze God, die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, eene blijde moeder van kinderen ?quot; „Ziequot;, zoo getuigt Salomo in Ps. 127, „de kinderen zijn een erfdeel des Heeren; des buiks vrucht is eene belooningquot;. En is er in Jes. 47 : 9 niet sprake van „berooving van kinderenquot; ?

Als dus in de aangehaalde plaats uit Lucas 23 gezegd wordt: „Zalig zijn de onvruchtbaren, en de buiken die niet gebaard hebben,quot;, dan kan dat natuurlyk niet zóó verstaan worden, dat eene vrouw zalig geprezen moet worden als zij geene kinderen voortbrengt, want juist door niet te baren, wordt zij beroofd van den zegen, dien God aan den huwelijken staat toegezegd heeft. Wij moeten dit woord dus in zijn verband nagaan en dan blijkt, dat onze Heere Jezus hier spreekt van het schrikkelijk oordeel dat over de Joden komen zal. Wanneer straks dat oordeel zal voltrokken worden, dan zullen de onvruchtbare vrouwen gelukkig kunnen genoemd worden boven de blijde moeders, daar deze het zullen moeten aanzien, dat de ellende niet slechts over hen, maar ook over hunne kinderen komt. De woorden bij den evangelist Lucas hebben dus ten doel: de groote mistroostigheid aan te geven, waarin alsdan de Joden zullen verkeeren, wat duidelijk blijkt uit het volgende vers,

ocr page 19

15

waar zij hun eigen geslacht vervloeken, zeggende, „tot de bergen : Valt op ona ; en tot de heuvelen : Bedekt onsquot; ; maar tevens toont de Heere Jezus aan, dat de Joden het dan zullen gewaar worden, dat zij niet met een sterfelijk mensch, maar met den levenden God te doen hebben.

II.

„Als nu God op den zevenden dag volbracht had zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op den zevenden dag van al zijn werk, dat Hij gemaakt had.quot;

Gen. 2 : 2.

„Mijn Vader werkt tot nu toe, en ik werk ook.quot;

Joh. 5 ; 17.

M deze beide plaatsen met elkander in overeenstemming te kunnen brengen, is het noodig dat men zich een juist denkbeeld vormt van de rust van God. Wanneer we lezen: „God heeft gerust op den zevenden dag van al zijn werk, dat Hij gemaakt hadquot;, dan is dat natuurlijk niet zóó te verstaan, alsof Hy zich ganschelijk aan dat werk had onttrokken om daarvoor niet meer te zorgen. Dat is wel het geval bij een timmerman en metselaar; wanneer deze een huis gebouwd en het kant en klaar aan den eigenaar afgeleverd hebben, gaan zij weer ergens elders aan het werk en bekommeren zich uit zichzelven niet meer om dat huis, of wilt

ocr page 20

16

gij een ander voorbeeld: wanneer een scheepstimmerman een schip gebouwd heeft, dan wordt het straks door den eigenaar in zee gezonden, en hij die het gemaakt heeft, heeft zich met de verdere lotgevallen voor dat schip niet in te laten. Maar zoo gaat het niet met het werk, dat uit des Heeren hand te voorschijn komt. De Sabbat of de rust van God bestaat niet in ledigheid en niets doen, maar geeft juist eene algeheele volkomenheid van het werk te kennen, en is oorzaak van een ge-rusten staat en eene vergenoegdheid des gemoeds. Wanneer wij dan ook lezen, dat God genist heeft van al zijne werken, dan wil dat zeggen, dat hij opgehouden heeft met scheppen, dat geen nieuwe dingen meer door Hem uit het niet in het aanzijn zijn geroepen. Alles wat in die zes dagen door Hem was tot stand gebracht, was zoo volkomen en zoo ganschelijk volmaakt, dat het niet mogelijk was er nog iets aan toe te voegen, waarom dan ook gezegd wordt, dat God de laatste hand aan zijn werk gelegd heeft, dat Hij rustte van zijn arbeid. Deze woorden, onder de leiding des Heiligen Geestes door Mozes opgeteekend, geven dus te kennen, dat door God in zes dagen al datgene volbracht is, wat Hij te voren in zijn raad besloten had. Dat Hij op den zevenden dag rustte, wordt er aan toegevoegd om de volkomenheid van al zijn arbeid uit te drukken. Ongerijmd is het dan ook, op grond van dit woord te meenen, dat God in dien zin van zijn werk gerust heeft, dat Hij er zich nu verder niet meer mede inliet, want juist in Hem leeft en beweegt zich alles, zonder Hem komt niets tót aanzijn en is alles van kracht beroofd.

En waar het nu boven allen twijfel vaststaat, dat God gedurig, ja zonder ophouden, werkt, doordat Hij de wereld door zijne almachtige kracht als met zijne hand nog onderhoudt, door

ocr page 21

17

zijne voorzienigheid regeert en alle schepselen in stand houdt en vermenigvuldigt, daar blijkt het ten duidelijkste, dat, evenals altijd, ook deze uitspraak van den Zone Gods waarachtig is, als Hij in Joh. 5 : 17 getuigt: „Mijn Vader werkt tot nu toe.quot; En, met eerbied zy het gezegd, het kan ook niet anders; indien God de Heere zijne hand ook maar in het minste terugtrekt, dan keert in een oogenblik tijds alles tot het niet terug, gelijk dat in Ps. 104 zoo krachtig door den dichter beleden wordt, als hjj in vs. 29 zegt: „Verbergt Gij uw aangezichte, zij worden verschrikt; neemt Gij hunnen adem weg, zij sterven, en zij keeren weder tot hun stof.quot; En bovendien, hoe zou men kunnen weten, dat God de Schepper des hemels eu der aarde is, indien ook aan Hem de macht niet wordt toegekend, dat Hij alle dingen kracht en leven geeft; dat Hij de wereld door zijne groote mogendheid en kracht onderhoudt; haar door zijn voorzienig bestuur regeert; en alle dingen, zoowel in den hemel als op de aarde, naar zjjn welbehagen ondersteunt!

Wij besluiten dus, dat de schepping der wereld in zes dagen is volbracht en dat God, om haar te onderhouden, voortgaat met arbeiden, gelijk de apostel Paulus dan ook in Hand. 27 verklaart: „In Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij; wij zijn zijn geslachte.quot; En voorts, dat God niet alleen alle geschapene dingen der wereld door eene algemeene voorzienigheid onderhoudt, maar dat Hij ook elk deel daarvan in het bijzonder regeert; voornamelijk geldt dit van de geloovigen, want die Hü eenmaal onder zijne bescherming en bewaring genomen heeft, zullen door Hem geleid en onderhouden worden, gelyk Paulus aan zijn zoon Timotheüs schrijft, dat, .God een behouder is aller menschen, maar allermeest der geloovigen.quot;

2

ocr page 22

18

m.

„In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert.quot;

Gen. 3 ; 19a,

„Geef ons heden ons dagelijksch brood.quot;

Matth. 6 : 11.

\'ET kan aan geen tegenspraak onderhevig zijn, dat, toen God tot Adam zeide: „In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten,quot; Hij toen niet als een Meester of Wetgever een gebod uitvaardigde; maar dat Hij als een vertoornd\' Rechter met zijne straffende hand kwam tot dien mensch, die zoo snood en moedwillig van Hem afgevallen was. Het ligt toch alleszins voor de hand, dat, indien deze uitspraak des Heeren een bepaald gebod inhield, alle menschen bebouwers van den grond moesten geworden zijn ; zoodat er geen handwerkslieden gevonden en geent,_ambachten beoefend werden, zoodat men in één woord, alle dingen die tot dit tijdelijke leven behooren, buiten deze wereld zoeken moest. Men gevoelt dan ook aanstonds, dat dit de bedoeling des Heeren niet kan geweest zijn, toen Hij dat woord sprak tot Adam, en in hem tot alle volgende geslachten. Maar wat wilde God dan met deze woorden te kennen geven? Immers dit. God verklaart van uit den hoogen hemel, dat het leven van de kinderen der menschen voortaan vol moeite en verdriet zal zyn, omdat de eerste mensch Adam, door zijne moedwillige ongehoorzaamheid, gevallen is uit dien heerlijken staat waarin God de Heere hem geplaatst had. Tevens wil de Heere door deze uitspraak te kennen geven.

ocr page 23

19

gt;dat alle ledigheid verre van den meusch moet zijn en dat de mensch nooit zoö ongelukkig in zijn arbeid zal zijn, of hij zal hem eenig voordeel aanbrengen. Bovendien ligt in dit woord ook nog de stilzwijgende belofte opgesloten, dat God zijn zegen ■niet zal onthouden aan hen, die arbeiden, terwijl het daarentegen den luiaard ernstig aanzegt, dat hij niet waard is gevoed te worden met het brood, hetwelk het aardrijk als voedsel voor den mensch voortbrengt. In Psalm 128 lezen wii toch, „want gij zult eten den arbeid uwer handenquot; ; en in het boek zijner Spreuken verklaart de wijze koning Salomo, dat hij, die zijn land bouwt, met brood zal verzadigd worden. Uit deze Schriftuurplaatsen blijkt dus voldoende, dat er gewerkt moet worden, wil men den zegen des Heeren ontvangen. Dat daarentegen de luiheid vervloekt is en met armoede gestraft wordt, leert ons dezelfde Spreukendichter, waar hij zegt: „Hoe lang zult gij luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uwen slaap opstaan? Die met eene bedriegelijke hand werkt, wordt arm ; maar de hand der vlijtigen maakt rijk. Gelijk edik den tanden en gelijk rook den oogen is, zoo is de luie dengene, die hem uitzenden.quot; Job getuigde reeds in zijne dagen : „Maar de mensch wordt tot moeite geboren,quot; en dat woord is alle eeuwen door bewaai\'heid, want de mensch is geschapen met het doel om te arbeiden en iets om handen te hebben. Niet alleen dat de Heilige Schrift ons dat zegt, maar zelfs de natuur heeft dit ook aan de heidenen geleerd. Het is dan ook alleszins billijk, dat zij, die zich aan deze algemeene wet onttrekken, beroofd worden van datgene, wat als loon op dien arbeid toegezegd is; waarom de apostel Paulus dan ook tot de gemeente der Thessalonicensen de vermaning richt: „Zoo iemand niet wil werken, hij zal ook niet eten.quot; Dat de arbeid die verricht wordt, zeer verschillend is,

ocr page 24

20

weet een ieder; ten eenemale ongerijmd zou het dan ook zijn, diegene onder de luiaards te rekenen, die, gebruik makende van het verstand, dat God hun verleend heeft, de maatschappij trouw dienen, hetzij door het huisgezin wèl te regeeren, hetzij door de belangen te behartigen van het algemeen of van bijzondere personen, zooals raadslieden en krijgsknechten, onderwijzer» en predikanten en allen, die in dergelijken arbeid werkzaam zijn.

Laat ons nu hooren, hoe wij door onzen Heere Jezus Christus in het allervolmaakste gebed vermaand worden te bidden ; „Geef ons heden ons dagelijksch broodquot;, terwijl het toch — gelijk wy gezien hebben — den mensch van \'s Heeren wege opgelegd is, dat brood in het zweet zijns aanschijns te verdienen. Deze beide uitspraken zijn gansch niet met elkander in strijd ; want, hoewel het naar den wille Gods is, dat wij zullen arbeiden om te kunnen leven, toch zijn onze arbeid en onze vlyt van zichzelven niet bij machte in onze nooddruft te voorzien, dat kunnen zij alleen indien de Heere er zijn zegen over gebiedt. En dan mogen wij hierbij vooral niet vergeten, dat hel de spijzen zelve niet zijn die ons voeden, al is het ook dat wij ze met graagte gebruiken, neen, het is alleen de goedheid Gods die deze spijzen als werktuigen of hulpmiddelen gebruiken wil, door er eene voedende kracht in te leggen. Immers, al lagen al de schatten dezer aarde binnen ons bereik, toch zouden wij er niet de minste nuttigheid van hebben, indien de Heere er zijn zegen aan onthield, want het is gelijk de Heere dreigt door den mond van zijn knecht Mozes: „Zoo gij mijne inzettingen smadelijk verwerpt, zal ik u den staf des broods breken, zij zullen uw brood met het gewicht wedergeven ; en gij zult eten maar niet verzadigd worden.quot; En voorzeker, deze uitspraak des Heeren zal altijd van kracht bleven ; als Jezus

ocr page 25

21

lt;dan ook door den duivel in de Woestijn verzocht wordt, haalt hij de plaata uit Deut. 8 aan : „De mensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat.quot; (Matth. 4 ; 4.) Groote dwaasheid is het dan ook, zich op het brood te verlaten, aangezien dit tot geen gezond voedsel kan verstrekken tenzij God de Heere zelf er de voedende kracht in legt; Hij heeft het brood dan ook niet van noode, want evenals het Hem nu behaagt het lichaam van den mensch door brood te onderhouden, zoo zou Hij het ook zonder brood in stand kunnen doen blijven, hetzij dan door in plaats van de gewone spijzen iets anders te geven (denkt slechts aan de kinderen Israels, die op hunne woestijnreize gevoed werden met het Manna, dat uit den hemel viel) of door de spijzen gansche-lijk te onthouden, gelijk wg dat zien in Mozes, Elia en in onzen Heere Jezus Christus, die veertig dagen en veertig nachten zijn gevoed geworden zonder eenige spijs of drank te gebruiken. Maar wij zijn van nature zoo hoogmoedig, dat wij dit niet gelooven, zelfs al hebben wij een voorbeeld in liet hemelsche Manna, dat ons hier voorgesteld wordt te gebruiken tot den einde toe. En hoewel onze ondankbaarheid groot is, zoo zal deze nochtans de waarheid niet te niete doen. Wij gelooven dan ook, dat wij alleen door de kracht van God onderhouden worden en dat, alleen omdat God eene voedende kracht in de spijzen legt, wij door dezelve in het leven blijven en krachten ontvangen, even zeker als wij van het tegendeel overtuigd zijn, namelijk, dat wij van honger zouden sterven, zelfs bij den grootsten overvloed van spijzen, en van alles, wat wij slechts konden verlangen, indien het den Heere niet behaagde zijn zegen daarover te gebieden ; gelijk Hij dat dan ook zelf getuigt bij monde van zijn profeet Ezechiël, als Hij zegt: „Menschenkind,

ocr page 26

22

ik breek den staf des broods in Jeruzalem, en zij zullen het brood met gewicht en met kommer eten, en het water met zekere maat en met verbaasdheid drinken ; opdat zü des broods en des waters gebrek hebben, en de een met den ander verbaasd worden en in hunne ongerechtigheid uitteren.quot; Waar niets Hem te wonderlijk is, kan de Heere, indien Hij dat wil,, de voedende kracht uit het brood wegnemen, zoodat degenen,, die daarvan eten, van honger sterven ; en eveneens staat het in Zijne macht het water van zijn kracht en wezen te berooven,. zoodat degenen, die daarvan drinken, van dorst omkomen.

Al is het dus, dat wij om der zonde wille, in het zweet onzes aanschijns ons brood moeten verdienen, toch moeten wij geduriglijk tot onzen Vader, die in de hemelen woont, de bede opzenden: „Geef ons heden ons dagelijksch brood.quot;

ocr page 27

23

IV.

„En Adam bekende Eva zijne huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kaïn, en zeide: „Ik heb eenen man van den Heere verkregen.quot;

Gen. 4 : 1.

„Dat wij malkanderen zouden liefhebben; niet gelijk Kaïn, die uit den booze was en zijnen broeder doodsloeg.quot;

1 Joh. 3 : 11 en 12a.

VER de beteekenis van dat woord, door Eva bij de geboorte van haren eersteling gesproken, zijn de meeningen zeer verschillend ; maar hoe men dit gezegde ook verklaren wil, steeds znl men moeten komen tot de gedachte : dat Kaïn van God gezegend was.

Sommigen vertalen deze woorden aldus: „Ik heb een man met den Heere gekregen,quot; als zou Eva daarmede dan te kennen willen geven, dat haar in dezen zoon eene bijzondere weldaad of genadegave van God verleend was, zoodat zij den zegen \'des Heeren dus ook erkende in haar geslacht, gelijk dat ook gezegd wordt in den 127sten der Psalmen : „Zie, de kinderen zijn een erfdeel des Heeren; des buiks vrucht is eene belooning.quot;

Door anderen daarentegen wordt dit gezegde van Eva aldus overgezet: „Ik heb een man van den Heere gekregen,quot; daarmede wijzende op de weldaad, die God haar verleend had ia het baren ^van dezen zoon ; zij zou dan in dit woord haren dank uitspreken [aan den Heere, Wien het behaagd had haar in dien zoon een nakomeling te schenken en dat wel, terwijl

ocr page 28

24

zij, vanwege haren snooden afval, nimmer verdiend had de moedervreugde te smaken, ja, waardig was van voor het aangezicht des Heeren te worden uitgeroeid.

Nog weer anderen vatten deze uitspraak op in den zin van: „Ik heb een man des Heeren gekregen,quot; alsof Eva van de gedachte zou zijn uitgegaan, dat zij in dien zoon reeds den beloofden Slangenvertreder ontvangen had; in dien zin opgevat, wordt dus het geloof van Eva geprezen als zou zij door het geloof reeds de belofte omhelsd hebben, die te voren gedaan was, n.1.: dat haar zaad de slang den kop zou vermorzelen.

Ten slotte kan men van de gedachte uitgaan, dat de bedoeling van Eva\'s woorden deze is — welke verklaring ook wij voor de beste houden — „Ik .heb een man tot mijne bezitting van den Heere gekregen ; waarmede zij dus niet alleen de blijdschap over de geboorte van dit kind wil te kennen, maar er tevens op wijst, hoe zij dien Zoon, als den eersteling van haar geslacht, Gode toewijden zal. Doch hoe men deze woorden ook verklaren wil, steeds ligt er deze gedachte in uitgedrukt: dat de geboorte van Kaïn- een oorzaak van vreugde voor Eva was, omdat zij hem van den Heere ontvangen had.

Eva dan, niet wetende wat er van Kaïn bij zijn opgroeien worden zou, looft en dankt den Heere voor de weldaad haar in dat kind geschonken; maar wat zij niet wist, heeft de uitkomst haar geleerd ; bij het opgroeien bleek het, dat Kaïn van den booze was. Hierop wordt dan ook door den apostelJohannes gewezen. Want als hij in het 3e hoofdstuk van zijn eersten brief spreekt over .de onderlinge liefde der broederenquot;, dan wil hij dat Kaïn, die zijn eigen broeder vermoord heeft, voor ons een afschrik* wekkend voorbeeld zijn zal; danquot;; wil hij dat wij ons Kaïn zullen voorstellen, als den vertegenwoordiger van alle booze

ocr page 29

25

menschen, die, omdat zij met wreedheid en geveinsdheid, kwaad* ■willigheid en afgunst vervuld zijn, het niet verborgen kunnen houden, dat zij van den booze zijn.

Deze beide plaatsen met elkander vergelijkende, komen wij dus tot deze slotsom: Toen Eva zwanger was, was het hare begeerte, dat het kind, hetwelk zij straks baren zou, door den Heere zou worden aangenomen ; maar toen het grooter werd, betoonde het metterdaad uit den booze, d. i. uit den duivel, te zijn, want het droeg een boos en verkeerd hart in zich om, terwijl de haat, die uit dat booze hart opwelde, hem levenslang overheerscht heeft. En waar hij, gelijk de apostel het in vs. 12 uitdrukt, zijnen broeder heeft doodgeslagen alleen uit oorzaak dat „zijne werken boos waren en die van zynen broeder rechtvaardigquot;, daar heeft hij getoond, dat hij stond onder de macht van den duivel, die door onzen Zaligmaker in Johannes 8 beschreven wordt, als de vader van alle moordenaars, als „een menschenmoorder van den beginne.quot;

ocr page 30

26

V.

Abraham heeft gelogen, en is niet gestraft.

Gen. 12 : 13 enz.

„Gij haat alle werkers der ongerechtigheid.quot;

Psalm 5\': 66,

AAR God op vele plaatsen in de Heilige Schrift de leugen verbiedt en betuigt, dat de leugenaars hem niet aangenaam zijn, daar bliikt het genoeg, dat Hij alle leugenaars straffen zal. En hoe kan dit ook anders? Immers, de waarheid is zoo zeer met zijne natuur in overeenstemming, dat Hij zeggen kan : „Ik ben de waarheid, zonder haar zou Hij geen God kunnen zyn, en vandaar dan ook, dat Hij de leugenaars, die toch niets minder doen dan lijnrecht ingaan tegen zijne gerechtigheid en waarheid, niet ongestraft laten kan. Dit geldt voor elke leugen, niet één is daarvan uitgezonderd, hoe schoon de gedaante ook moge wezen waaronder zij zich voordoet. Het is dan ook niet voldoende, dat men een afkeer heeft en zich onthoudt van de verfoeilijke leugen, die met meineed gepaard gaat; neen, men moet evenzeer op zijne hoede zijn tegen de kleinere leugens, tegen een „leugentje om bestwilquot;, al is het dan ook, dat het geschiedt uit liefde voor anderen, ja, al moest het zelfs dienen om iemands leven te behouden. Evenmin als het mogelijk is, dat de waarheid een anderen oorsprong kan hebben dan uit God, die de waarheid en de Bron van alle waarheid is, evenmin kan de leugen van iemand anders komen dan van den duivel, die „een

ocr page 31

27

leugenaar en de vader der leugen is,quot; die „in de waarheid niet is staande gebleven, want geen waarheid is in hem.quot;

De profetische zanger David gewaagt dan ook in den 5deu Psalm van het oordeel Gods, dat komen zal over al degenen, die hun toevlucht nemen tot leugen of bedrog, terwijl hij tegelijkertijd de geloovigen vertroost en hen aanmoedigt zich tot God te begeven, wanneer zij door de onrechtvaardigen verdrukt worden, want God kan geen lust hebben aan goddeloosheid, Hij haat alle werkers der ongerechtigheid, waaruit dan ook volgt, dat Hij de leugensprekers zal verdoen en dat Hij van den man des bedrogs een gruwel heeft.

Wanneer dus Abraham in Gen. 12 : 13 tot zijne huievrouw Saraï zegt: „Zeg toch, gij zijt mijne zusterquot; opdat het mij welga om u, en mijne ziel om uwentwille leven,quot; dan is hij in deze leugen niet te verontschuldigen ; door deze leugen toch stelt hij de eerbaarheid zijner vrouw in de waagschaal in steê van op God te vertrouwen, Wien alle middelen ten dienste stonden om hem in het leven te behouden. Abraham heeft dus gelogen en nergens lezen wij dat hij daarvoor gestraft is, terwijl, gelijk wij gezien hebben. God alle werkers der ongerechtigheid haat. Hoe is dat nu met elkander te rijmen? Om dat te doen, zullen wij Abraham\'s leugen niet vergoeilijken, gelijk hij dat zelf beproeft, als hij in het 30ste hoofdstuk zegt: „En ook is zij waarlijk mijne zuster; zij is mijns vaders dochter, maar niet mijner moeder dochterquot; ; want hoe waar dit op zichzelve ook is, tegenover Abimelech was het een leugen; zonder te weten dat Saraï gehuwd was,! nam hij haar nu tot zich en alleen de reddende hand des Heereu waakte er voor, dat deze vrouw niet aan overspel werd prijs gegeven. Dat Abraham met alle zorg voor zijn leven waakte, was natuurlijk recht en plicht; want al is het ook

ocr page 32

28

dat Gods voorzienigheid over alle dingen gaat, zoo ontslaat dit daarom de geloovigen niet van de roeping voorzorgsmaatregelen te nemen ; maar deze moeten altijd zoö genomen worden, dat men de perken, door God gesteld, niet te buiten gaat; waarom Abraham dan ook, in plaats van voor zijn leven te waken met een leugen, zijne zorgen in deze op den Heere had moeten wentelen, vertrouwende dat Hij het wèl maken zou. Maar, hoewel het, ook voor ons, buiten allen twijfel vaststaat, dat Abraham hierin verkeerd gehandeld heeft, dan vragen wij toch, of het aangaat dezen heiligen Patriarch daarom te rekenen onder het getal der onrechtvaardige menschen, wier hoogste vermaak en genoegen daarin bestaat, dat zij allerlei leugen en bedrog uitdenken tegen hunne naasten niet alleen, maar zelfs ook tegen den hoogen en heiligen God ? De leugen van Abraham, alsmede die van zijn zoon Izak, ja, die van alle geloovigen, moeten gelaakt en gestraft worden; maar laten wij dit niet vergeten: dezulken zijn hunne zonden een oorzaak van droefheid; zij hebben er berouw over; doen daarvan voor den Heere belijdenis ; smeeken om verzoening en, wij zien het in David, dien man naar Gods harte, die zoo menigmaal deed wat kwaad was in de oogen des Heeren, na zijne oprechte belijdenis, mocht hij uitbreken in den blijden jubel: „En gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde.quot; Neen, uit kracht van het verbond, dat God met de geloovigen gesloten heeft, geeft de Heere hen nooit zóó aan zich zeiven over en kan Hij het niet toelaten, dat zij zoo zeer door de goddeloosheid overstroomd worden, dat zij ten slotte ganschelük zouden afvallen.

Maar — zou dan die genade, welke God in de geloovigen verheerlijken wil, de waarheid van deze spreuk te niet doen, die door den H. Geest, bij monde van David in Psalm 5 gedaan

ocr page 33

29

wordt ? Dat zij verre! Hi], die te rein van oogen is, dan dat Hij het kwade ongestraft zou kunnen laten. Hij „haat alle werkers der ongerechtigheid.quot;

VI.

„En hij (Abraham) geloofde in den Heere en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.quot;

Gen. 15 : 6 vergeleken met Rom. 4 : 3.

„Abraham onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij Jzak zijnen zoon geofferd heeft op het altaar.quot;

Jac. 2 : 21.

1 LS de apostel in het 4C hoofdstuk van zijn brief aan de Eomeinen bewijzen wil, dat Abraham niet is gerechtvaardigd uit de werken, dan zegt hij in het 2e vers: „Indien Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, zoo heeft hij roem, maar niet bij God.quot; De apostel wil hiermede dus te kennen geven, dat Abraham niet gerechtvaardigd is uit de werken, maar dat, zoo hij roemen wil, zijn roem daarin zal bestaan, dat hij door het geloof de goedheid en de genade Gods heeft aangenomen. En waar het geloof nu de oorzaak is, dat de mensch, die overtuigd is geworden van eigen onwaardigheid, van zich zeiven afziet en de toevlucht tot God neemt, daar is Abraham\'s roem niet gelegen in de waardigheid van zijn eigen persoon, maar in de loutere goedheid en de genade Gods. Inderdaad, als de mensch op iets van zich zeiven zou willen roemen, dan zou dit op niets anders kunnen

ocr page 34

30

zijn dan op de kennis zijner ellende, welke hem er toebrengt de goedheid en de barmhartigheid Gods te zoeken. Want in waarheid, de gerechtigheid van onzen Zaligmaker Jezus Christus, die wij door het geloof aannemen, is de eenige hulp voor den armen zondaar, die uit en van zich zeiven niet bekwaam is iets voort te brengen. Zoo heeft dan ook Abraham in de belolte: dat in zijn zaad, d. i. in Jezus Christus, alle de volkeren gezegend zouden worden (Gen. 22 : 18, Gal. 3 : 8), de goedertierenheid, welke God hem wilde aanbieden, aangenomen, waardoor hij gevoelde dat hem de gerechtigheid van Christus was medegedeeld.

Maar — wanneer Abraham nu naar Paulus woord in Kom. 4 door het geloof gerechtvaardigd is, hoe kan de apostel Jacobus dan van hem getuigen, dat hij uit de werken gerechtvaardigd is ?

Wanneer men het betoog van den apostel Jacobus slechts met aandacht leest, dan zal een ieder dadelijk bemerken, dat door dezen apostel de vraag niet behandeld wordt: „Hoe kan de mensch zijne gerechtigheid voor God verwerven ?quot; Neen, bij aandachtige lezing zal men juist zien, dat door den apostel in het minst niet gehandeld wordt over den grond en de oorzaak van [de \'rechtvaardigmaking, maar dat hij alleenlijk bewijzen wil, wat de uitwendige belijdenis des geloofs zonder de werken vermag. Alle gronden, die hij aanvoert om dit bewijs te leveren, komen hierop neer en kunnen in dit ééne worden saamj gevat, dat „het geloof zonder de werken dood is,quot; en dat alzoo de goede werken steeds bij het geloof gevoegd zijn.

Om de tegenstrijdigheid, die er schijnbaar in deze uitspraken der beide apostelen schuilt, zoo spoedig mogelijk op te lossen, dienen wij de verschillende beteekenissen na te gaan,\' waarin het woord „gerechtvaardigdquot; voorkomt.

ocr page 35

31

Als Paulus in Eom. 5 schrijft: „Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloofquot;, dan wil hij daarmede niets anders te kennen geven, dan dat wij deze weldaad uit genade ontvangen en dat God ons de gerechtigheid van Christus als de onze toerekent. De apostel Jacobus doelt daarentegen op gansch iets anders; hij wil te kennen geven, dat een ieder, die zich voor een geloovige uitgeeft, de waarheid van zijn geloof toonen moet uit zijne goede werken. Duidelijk toch blijkt, dat het niet in de bedoeling van Jacobus ligt, te bewijzen waarop het vertrouwen der zaligheid rust, terwijl dit wel het doel is, dat de apostel Paulus zich voor oogen stelt. Wanneer Paulus over de recht vaardigmaking spreekt, dan verstaat hij daaronder: eene toerekening der gerechtigheid van Christus, die uit genade geschiedt en geldend is voor den Rechterstoel van God; bij Jacobus daarentegen beteekent de rechtvaardigmaking niets anders, dan eene [rechtvaardig verklaring, gelijk zich die voor de oogen der menschen uit de werken openbaart, wat men dan ook uit zijne eigene woorden kan afleiden, waar hij in het 18e vers zegt: „Toon mij uw geloof uit uwe werken en ik zal u uit mijne werken mijn geloof toonen.quot; Zonder vrees voor eenige tegenspraak, kan men dus in dien zin zeggen: dat [men voor de menschen gerechtvaardigd wordt uit de werken; gelijk men van iemand zegt dat hij rijk is, wanneer zich dit naar buiten openbaart, b. v. door het koopen van een groot landgoed, terwijl dit voor dien tijd voor anderen verborgen was.

Deze beide Schriftplaatsen met elkander vergelijkende, komen wij dus tot deze slotsom: Voor God wordt de mensch alleen gerechtvaardigd door het geloof, d. w. z. door zijn geloof wordt hij bij God voor rechtvaardig gerekend; voor de menschen daarentegen wordt men gerechtvaardigd uit de werken, d. w. z.

ocr page 36

32

voor de menschen wordt men rechtvaardig verklaard en daar-voor gehouden op grond van de werken en niet ter oorzake van -de uitwendige belijdenis der lippen, aangezien een geveinsde deze met een oprecht Christen kan gemeen hebben. Zoo alleen kan ook verstaan worden wat de apostel Johannes bedoelt, als hij in het laatste hoofdstuk van het boek zyner Openbaringen schrijft: „ Die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd wordewat dus, zooals uit het voorgaande blijkt, zeggen wil: „Die rechtvaardig is, moet zijne rechtvaardigheid verklaren door haar meer en meer naar buiten te openbarenquot;, wat natuurlijk evenzeer van de tegenstelling geldt: „Die onrechtvaardig is,dat hij onrechtvaardig worde.quot;

VII.

„En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht.quot;

Gen. 22 : lo.

„God verzoekt niemand.quot;

Jac. 1 : 13ft.

fET zal niet moeielijk zijn deze beide uitspraken met elkander in overeenstemming te brengen, indien men er maar op let, dat het woord ,verzoekenquot; hieronder verschillende beteekenis voorkomt. In Gen. 22 tochi had het verzoeken ten doel: te openbaren, wat er in het hart van Abraham verborgen was; terwijl het door Jacobus in dezen zin gebezigd wordt: het hart tot verkeerde neigingen en booze lusten te bewegen.

Als Jacobus schrijft: „God verzoekt niemandquot;, dan wil

ocr page 37

33

hij daarmede te kennen geven, dat niemand zijne zonden van zich op een ander laden en veel minder op God zeiven leggen mag. De reden waarom dit laatste niet geschieden mag, laat hij onmiddellijk voorafgaan, ale hij zegt: „God kan niet verzocht worden met het kwadequot;, „maarquot; — zoo laat hij op het woord onzer overdenking volgen, — „een iegelijk wordt verzocht, als hij van zijne eigene begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt.quot; Hieruit blijkt dus duidelijk, dat de apostel handelt over de inwendige verzoekingen, welke niets anders zijn dan booze lusten, die ons tot zonde verleiden. En nu spreekt het van zelve, dat God de oorzaak niet kan zijn van zulke verzoekingen, maar dat deze voortspruiten uit de verdor-vene neigingen en de booze natuur onzes harten. Het is echter niet zonder oorzaak, dat Jacobus hierover schrijft; immers, het is den mensch eigen, de schuld van het verkeerde dat hij deed op een ander te leggen, ja, men maakt er zelfs geen bezwaar van, de schuld aan God toe te schrijven ; en daarin toont men zoo duidelijk een kind te zijn van vader Adam, die na zijn val ook de schuld aan God gaf, toen hij zeide : „De vrouwe, die Gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij van dien boom gegeven, en ik heb gegeten.quot; Als de apostel dus zegt : „God verzoekt niemandquot;, dan wil hij ons daardoor tot de belijdenis brengen, dat het kwaad, hetwelk wij bedreven, onze eigene zonde is, opdat wij te dien opzichte God niet in onze plaats zouden stellen, alsof Hij ons tot zonde verleid heeft. Wij mogen en moeten onze zonden niet op iemand anders en veel min op God schuiven, waar wij den wortel, waaruit alle zonden voortkomen, in onze eigene verdorvene harten omdragen. Hoewel satan zijne vergiftige pijlen op ons afschiet en het vuur der booze lusten in onze harten sterk aanblaast, toch worden wij niet tot de

3

ocr page 38

34

zonde gedwongen, maar ons vleesch port ons daartoe aan en die aanlokkingen des vleesches volgen wij gewillig.

Dit alles verhindert ons echter niet, te zeggen dat God het soms noodig en goed acht iemand te verzoeken, gelijk wij dat in Gen. 22 met betrekking tot Abraham lezen; maar dan is dat natuurlijk in gansch anderen zin. Het wil dan zeggen dat God hem beproeft, teneinde daardoor een ernstig onderzoek in te stellen naar het geloof en de gehoorzaamheid van zijn knecht. Laten wij toch nimmer vergeten, dat er ook uitwendige verzoekingen zijn, en deze worden ons van God toegezonden om ons geduld te beproeven, ons geloof te onderzoeken en te openbaren wat er in ons hart omgaat. Van zulke verzoekingen spreekt ook Jacobus als hij zegt: „Acht het voor groote vreugde, mijne broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt; wetende dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt.quot;

ocr page 39

35

VIII.

„Toen stond Abraham op, en boog zich neder voor het volk des lands, voor de zonen Hethsquot;.

Gkn. 23 : 7.

„Den Heere uwen God zult gij aanbidden, en Hem alleen dienenquot;.

Deut. 6 : 13 v. m. Matth. 4 : 10.

ELE Schriftuurplaatsen zouden wij kunnen bijbrengen, waaruit het ten duidelijkste blijkt, dat God alleen waardig is, aangebeden te worden ; wij zullen dit echter niet doen, omdat dit te algemeen bekend is. Want al ia het waar, dat er in Deut. 6 : 18 (en 10 : 20) staat: „Gij zult den Heere uwen God vreezen, en Hem dienenquot;, zoodat hier het woordeke „alleenquot; ganschelijk gemist wordt, terwijl het in Matth. 4 :10 niet geplaatst wordt voor „aanbiddenquot;, maar wel voor „dienenquot;, toch zou het eene lichtvaardige en inderdaad kinderachtige bewering zijn, op grond daarvan te meenen, dat God wèl alleen gediend moet worden, maar dat de aanbidding niet uitsluitend aan Hem, doch ook aan anderen mag toegeschreven worden, b. v. aan gestorvene heiligen en beelden, aan beenderen of andere reliquieën. Immers, zoo dikwerf er in de Heilige Schrift over den dienst van God gesproken wordt, dan zijn deze uitspraken helder en duidelijk genoeg om te weten wat daaronder verstaan moet worden. Zoo ook wanneer er in Deut. 6 gezegd wordt: „Den Heere uwen God zult gij aanbidden, en Hem alleen dienenquot;, dan komt het niet aan op dat woordje „alleenquot;, maar op de verklaring, dio aan deze uitspraak in haar geheel moet gegeven worden. En te dien opzichte

ocr page 40

36

tasten wij niet in het duister rond. Niemand minder dan onze Heere Jezus zelf, geeft den waren zin dezer woorden aan, waar Hij ze in Matth. 4 : 10 aanhaalt om er den duivel mede te bestrijden, die den Zone Gods „alle ,de koninkrijken der wereld en hunne heerlijkheidquot; wilde geven, indien Hij voor hem nederval-len en hem aanbidden zou, waarop Jezus antwoordde : „Ga weg, satan, want er staat geschreven ; Den Heere uwen God zult gij aanbidden, en Hem alleen dienenquot;. Duideliik wordt hier dus door Jezus de verklaring gegeven van hetgeen ,er staat geschrevenquot;, in Deut. 6, n.1. dat men niemand anders mag aanbidden dan God alleen. Trouwens, in de gansche Schrift wordt het duidelijk en onomwonden uitgesproken, dat God uitsluitend en alleen de Eenige is, dien men mag aanbidden, vereeren en dienen. Dit ligt immers voor de hand. Indien de mensch dan ook maar het allergeringste aan de eere Gods ontneemt, teneinde dat op eenig schepsel over te dragen, dan schendt hij daardoor den dienst en de eere Gods op de meest snoode wijze. En zulks wordt gedaan, indien men de zegeningen en weldaden, die men ontvangt, aan eenig schepsel toeschrijft, terwijl ze hun oorsprong hebben ,in „den Schepper van hemel en aardequot;, en moeten toegekend worden aan „den Vader der lichten, van Wien alle goede gaven en volmaakte giften zijn afdalende.quot; Dan toch zouden wij kunnen zeggen, dat de dienst van God geestelijk is, en dat de uitwendige belijdenis tot het lichaam behoort, terwijl Gode niet alleen de inwendige dienst en de gehoorzaamheid moet worden toegebracht, neen, men moet daarbij ook de uitwendige belijdenis voegen.

Op verscheidene plaatsen in de Heilige Schrift wordt dit woord „aanbiddenquot; in gansch anderen zin gebezigd ; zoo ook in Gen. 23 ; 7, waar wij lezen, dat „Abraham zich nederhoog voor

ocr page 41

37

het volk des landsquot;, toen hij tot hen kwam om de spelonk van Machpela te koopen tot eéne erfbegrafenis. Dat Abraham zich voor de zonen Heths, „nederboogquot;, wil niets anders te kennen geven dan dat hij hen den gewonen groet bracht, die destijds geschiedde door het zich nederbuigeu ter aarde, hetzij dat men het aangezicht neigde of de knie boog. In dien zin buigt men zich dus zoowel voor den mensch als voor God, maar de bedoeling waarmede dit geschiedt, is In beide gevallen zeer verschillend. Wanneer men in het Oosten voor elkander boog, dan was dat niets anders, dan wat wij doen wanneer wij den hoed voor elkander afnemen, om daardoor elkander eene beleefdheid en de burgerlijke eere te bewijzen. Wanneer men zich echter voor iemand nederbuigt om hem daarmede Goddelijke eer te bewijzen of om hem te aanbidden, dan is dit natuurlijk „eene vervloekte afgoderijquot;. Maar daarvan is hier bij Abraham geen sprake ; zooals wij zeiden, deed hij niets anders dan wat men in het Oosten gewoon was te doen ; hij bracht den gewonen Oosterschen groet, die, gelijk ons de ongewijde geschiedschrijvers zoowel als de Heilige Schrift mededeelen, met vele uiterlijke plechtigheden gepaard ging, waarvan wij een treffend voorbeeld vinden in Jacob, die zich zeven malen ter aarde boog, totdat hij bij zijnen broeder Ezau kwam.

Wij moeten dus de eere, die Abraham aan de zonen Heths bewees in het licht van de gewoonte der Oostersche landen beschouwen en mogen niet vergeten, dat deze groet dezelfde beteekenis heeft als die der Westersche volken, al is het dan ook, dat onze groet met minder plechtigheden gepaard gaat. Wanneer het echter Goddelijke eere geldt, dan is het naar luid van de Heilige Schrift: „Den Heere uwen God zult gij aanbidden, en Hem alleen dienenquot;.

ocr page 42

38

IX.

„Ik heb God gezien (zeide Jacob) van aangezichte tot aangezichte, en mijne ziel is gered geweestquot;.

Gen. 32 : 30.

„Niemand heeft ooit God gezienquot;.

Joh. 1 : 18.

ANNEER Johannes in dit eerste hoofdstuk van zijn Evangelie schrijft dat niemand ooit God gezien heeft, dan moet dat niet alleen verstaan worden van het uitwendige gezicht, zoodat men God nooit met de lichamelijke oogen heeft aanschouwd; maar ook dat God in een licht woont, waar niemand komen kan, dat Hij, om met Paulus te spreken, „een ontoegankelijk licht bewoontquot;. God kan niet anders gekend worden dan in zijn Zoon Jezus Christus, die naar luid van Col. 1 : 15 „het beeld des onzienlijken Godsquot;, en volgens Hebr. 1 : 8 „het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheidquot; is. God, die te voren in den hemel zijner heerlijkheid verre van ons gescheiden en ganschelijk voor ons verborgen was, heeft zich, toen de volheid des tijds daar was, geopenbaard in den Zoon zijner liefde, in Christus Jezus. Inderdaad, het moet als eene bijzondere weldaad desNieu wen Testaments beschouwd worden, dat de Vader zich in den Zoon, als in een beeld heeft willen openbaren, gelijk Johannes dat in het vervolg van vs. 18 uitdrukt, als hij zegt: „De eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaardquot;. Johannes wijst dus op de openbaring Gods, welke in het Evangelie tot ons komt en toont tevens aan, dat de geloovigen des Nieuwen Testaments veel rijkere bedeeling hebben dan de vaderen des Ouden Verbonds.

ocr page 43

39

In 2 Cor. 3 wordt hierop eveneens door Paulus gewezen, als hij zegt, dat er nu geen deksel meer is, gelijk eertijds onder de wet, maar dat God thans openlijk wordt aangezien in het aangezicht van onzen Heere Jezus Christus. Dit wil natuurlijk niet zeggen, dat de Oud-Testamentische geloovigen beroofd zijn geweest van de kennisse Gods; neen, nog heden ten dage zijn het juist de woorden dier profeten, die (gelijk Petrus het uitdrukt) zeer vast zijn ; en wij doen wèl, indien wij daarop acht geven, als op een licht, schijnende in eene duistere plaats; maar in vergelijking van de geloovigen des Nieuwen Testaments, hadden zij slechts kleine stralen van dat groote licht, hetwelk voor ons schijnt in vollen glans.

Wanneer vader Jacob nu getuigt, dat hy God gezien heeft van aangezicht tot aangezicht, dan moeten wij dat zoo verstaan, dat door hem iets gesmaakt werd van de heerlijkheid Gods. En al is het nu niet zonder oorzaak, dat de heilige patriarch dit gezicht roemt boven alle andere, waarin God hem niet zoo duidelijk verschenen was, toch is ook dit gezicht, in vergelijking van den glans, die afstraalt juit het Evangelie, slechts eene kleine flikkering, een flauwe straal. Immers,in het Evangelie, kunnen wij, „met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in eenen spiegel aanschouwenquot;.

Jacob had dus den Heere op eene ongewone wijze gezien, wanneer hij het vergeleek met de vroegere openbaringen, die hij ontvangen had; maar toch kan dit gezicht nog niet vergeleken worden met de openbaring door het Evangelie, gelijk die aan ons is geschied.

Zoo er van eene uitnemende openbaring sprake is, dan zal er moeilijk èen kunnen gevonden worden dat het gezicht overtreft, waarmede de Heere Mozes verwaardigde op den berg

ocr page 44

40

(Exod. 33 : 11), toen de Heere tot Mozes sprak „aangezichte aan aangezichte, gelijk een man met zijnen vriend spreektquot;. En desniettegenstaande zegt de Heere duidelijk in het 20ste en 23ste vers: „Gij zoudt mijn aangezichte niet kunnen zien, want Mij zal geen mensch zien en leven, alleenlijk zult gij mijne achterste deelen zien, maar mijn aangezichte zal niet gezien wordenquot;. De Heere wil Mozes hiermede dus te kennen geven, dat de tijd der volkomene openbaring nog niet gekomen was. Wanneer ons het aangezicht van Christus ontnomen wierd, dan zou het ten eenenmale onmogelijk zijn een middel uit te denken, hoe heerlijk het overigens ook zijn mocht, waardoor men God zou kunnen leeren kennen. De teekenen, waaronder Hij zich van ouds heeft geopenbaard, toonden zoo duidelijk aan, dat het gezicht des menschen niet reiken kan tot de aanschouwing Gods, Wiens wezen onbegrijpelijk is, gelijk dat bleek, toen de Heere verscheen op den berg Sinaï in wolken, in vuur en in rook.

ocr page 45

41

X.

„Kn de Heere zeide tot Mozes : Ik zal Pharaö\'s hart verstokkenquot;.

Exod. 4 : 21.

„Toen nu Pharaö zag, dat er verademing was, verzwaarde hij zijn hartquot;.

Exod. 8 : 15.

|ELIJK het God, uit oorzake van zijn vrijmachtig welbehagen, behaagt barmhartigheid te bewijzen aan wien Hij wil, zoo ook verwerpt Hij wien Hij wil; wat eveneens alleen daaruit voortspruit, dat Hij handelt naar-dat het Hem goeddunkt. Wanneer Paulus in Eom. 9 over deze zaak handelt, dan haalt hij de plaats uit Exod. 33 :19, waar ^de Heere tot Mozes zegt; „Ik zal Mij ontfermen, wien Ik Mij ontferme, en zal barmhartig zijn, wien Ik barmhartig ben,quot; terwijl de apostel in vers 17 zegt: „Want de Schrift zegt tot Pharaö (in Exod. 9 16): Tot ditzelve heb Ik u verwekt, opdat Ik u mijne kracht bewijzen zoude, en opdat mijn naam verkondigd worde op de gansche aarde.quot; God de Heere verklaart dus, dat Hij Pharaö verwekt heeft, opdat deze overwonnen zou worden, als hij hardnekkig de kracht Gods zou weerstaan, en dat dit dienen moest om Pharaö te doen inzien, dat hij het tegen den Heere toch niet uithouden kon, daar Hij onoverwinnelijk is. Wanneer wij dan lezen, dat God het hart van Pharaö verstokte, dan mogen wij Gode niets ongerijmds toeschrijven, integendeel moeten wij dan juist zijne wijsheid en gerechtigheid bewonderen. Want wat wil het zeggen, als wij lezen dat God het hart van Pharaö verhardde ? Dit wil immers niet alleen te

ocr page 46

42

kennen geven, dat God zulks toeliet, maar ook dat zijn Goddelijke toorn ontstoken is als straf over de zonden, die te voren moedwillig bedreven waren, ja zelfs, dat de duivel, waar hij inwendig krachtig werkt door zijne booze inblazingen en verleidingen, Gods dienaar is. En dit kan satan natuurlijk niet anders zijn dan wanneer God het hem beveelt, en dat wel om op die wijze zijn rechtvaardig oordeel over iemand te brengen.

Het is echter niet minder waar, dat Pharaö zijn hart ver-zwaardde en verhardde. Wanneer van God gezegd wordt, dat Hij het hart verstokt, dan is ook daarin zijn doen gansch rechtvaardig; want die hardnekkig zijne goedertierenheid en lankmoedigheid veracht, geeft God ten slotte aan zijn eigen verkeerden zin over, gelijk Paulus dat ook schrijft, in Rom. 1 : 28. Als daarentegen van den mensch gezegd wordt, dat hij zijn hart verhardt, dan geschiedt dit met gansch andere bedoeling ; dit verharden is : een zich verzetten tegen den goeden wil van God, welke de mensch tot bekeering en zaligheid roept. Duidelijk blijkt dit uit den 95sten der Psalmen, waarin de Heilige Geest de ernstige vermaning laat hooren : „Heden, zoo gij zijne stemme hoort, verhardt uw hart niet*\'. Uit deze vermaning blijkt dus ten duidelijkste, dat de hardheid en wederspannigheid onzes harten tegenover God uit geen andere bron voortspruit dan uit onze eigenwillige boosheid, waardoor wij moedwillig de poorten onzer harten voor zijne genade toesluiten.

Van \'s moeders lijf dragen wij een steenen hart in ons om, en niemand anders dan God alleen kan dat steenen hart te morzel slaan. Naar het getuigenis des Geestes, bij monde van den profeet Ezechiël, is het de Heere, die het steenen hart uit het vleesch wegnemen kan om daarvoor een vleeschen hart te geven. Dat wij geen acht geven op de roepstemmen Gods,

ocr page 47

43

vindt daarin zijn oorzaak, dat wij vrijwillig onze harten verharden ; en het is niet gelegen, in de aanporring van anderen of van iets, dat van buiten tot ons komt. Wij behoeven daarover niet uit te weiden ; een ieder weet dat bij eigene ervaring. Daarom dan ook dat de Heilige Geest de ongeloovigen zoo ernstig bestraft, als Hij in Rom. 2 schrijft: „Naar uwe hardigheid en onbekeerlijk hart vergadert gij u zeiven toorn als eenen schat, in den dag des toorns en der openbaring van het quot;rechtvaardig oordeel Godsquot;. Dat het niemand anders is dan de mensch, die zich zelve de ongehoorzaamheid geleerd heeft, blijkt ons zoo helder en klaar uit het voorbeeld van Pharaö.

Wij besluiten dan ook: dat God billijk en rechtvaardig handelt wanneer Hij iemands hart verstokt, en dat de mensch, die zijn hart verhardt, naar recht zal gestraft worden.

ocr page 48

44

XI.

„Want Ik, de Heere uw God, ben een ijverig God, die de misdaad der vaderen bezoeke aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die mij hatenquot;.

Exod. 20 : 5.

„De ziele, die zondigt, die zal sterven; de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid des vaders, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid des zoons.quot;

Ezech. 18 : 20.

IJ eene oppervlakkige lezing van verscheidene plaatsen uit de Heilige Schrift, zou men allicht den Indruk krijgen, dat God somtijds de onschuldlgen straft. Dit zou echter ganschelljk met alle billijkheid in strijd zijn en kan daarom dan ook nooit gezegd worden van God, die juist , recht is in al zijn weg en werkquot;; het zou in lijnrechten strijd zijn met zijn Wezen, dat enkel rechtvaardigheid uitdrukt ; strafte God de onschuldlgen, dan ware Hij niet de rechtvaardige Rechter, van Wien wij lezen, dat Hij een iegelijk vergelden zal, naardat hij gedaan heeft. Dat door zulk een rechtvaardige Rechter een onrechtvaardig vonnis zou geveld worden, is dus ten eenenmale ondenkbaar; en toch — bij het lezen van dergelijke uitspraken, als bijv. in Exod. 20; 5, waar wij Uezen, dat God de misdaad der vaderen bezoeken zal aan de kinderen, tot in het derde en in het vierde lid, zou de gedachte aan onrechtvaardigheid \'gereedelijk bij ons kunnen opkomen. Is het niet onrechtvaardig — zoo zou men kunnen vragen — een kind

ocr page 49

45

te straffen, dat nog geboren moest worden, ten tijde dat zijn vader de misdaad beging ? Waaraan heeft dit kind dat verdiend ? Deze vragen zijn echter niet moeilijk te beantwoorden, indien men maar een juisten blik werpt op den toestand van het menschelijk geslacht. Sinds die ure, dat het verbondshoofd Adam, en in hem het gansche geslacht der menschheld, van God afviel, zucht het schepsel onder den vloek des Heeren, die op hem rust. En dit is gansch rechtvaardig; want de mensch, die den adel van Gods beeld op zijn voorhoofd droeg, de mensch, die goed en zonder zonde uit de handen van zijn Goddelijken Schepper was voortgekomen, heeft door moedwillige ongehoorzaamheid dat beeld verloren, hij Is eigenwillig van God af- en den satan toegevallen, hij is van nature een zondaar, of om met Paulus te spreken, een vijand en een hater Gods, een kind des toorns geworden. Door die bondsbreuk heeft de mensch het zich onwaardig gemaakt, dat God hem nog genade bewijst; en niets, niets kan hij dan ook Inbrengen als de Heere den mensch laat In den toestand, waarin hij van nature gekomen ia! Indien men dan ook zegt, dat de straf, die de kinderen lijden moeten, terwllle van de misdaden en zonden hunner vaderen, alleen van tijdelijken aard is, dan begrijpt men de bedoeling dezer uitspraak niet. Zij strekt zich veel verder uit. L)e straf, die hier bedreigd wordt, mag met uitsluitend tot het leven van den tegenwoordlgen tijd betrekkelijk gemaakt worden, want gelijk het een teeken zijner liefde is, dat Hij de kinderen van zijne knechten zegent, evenzoo is het een bewijs zijner wrake, dat Hij op het zaad der onrechtvaardigen zijn vloek laat rusten. En waar nu de mensch van nature niets anders dan de verdoemenis waardig is, zoo heeft hij, indien God hem geen genade bewijst, niets anders te verwachten dan het verderf, dat hem be-

ocr page 50

46

reid is. Wanneer God zijne bewarende hand intrekt en den mensch aan zich zeiven overlaat, dan kan het niet anders of hij zal een goddeloos leven leiden; hetzelfde zal natuurlijk gezien worden bij het kind, dat uit hem geboren wordt en zal zich voortzetten in al de geslachten, die na hem komen. Het is dan ook zoo naar waarheid gezegd : „Een iegelijk vergaat door zy/ne. ongerechtigheid en niet door een onrechtvaardigen toorn Godsquot;. Dat de kinderen gestraft worden om de overtredingen en mis daden van hunne ouders, komt doordat zij hen daarin navolgen en, trots alle vermaning, in dien zondigen weg blijven voort-wandelen, gelijk de Heere zelf dat zoo nadrukkelijk te kennen geeft, als Hij er, in het tweede gebod nog aan toevoegt: „die Mij hatenquot;; als een ijverig God zal Hij dus de misdaad der vaderen bezoeken aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Hem haten en diensvolgens zijne geboden niet onderhouden. Wanneer de kinderen daarentegen de voetstappen van hunne goddelooze vaderen niet drukken, zal God hen ook niet straffen ; wanneer de vaderen bijv. de afgoden dienden, maar daarin niet gevolgd werden door hunne kinderen, dan bezocht God deze misdaad der vaderen niet aan de kinderen ; immers, Hiskia werd niet gestraft om de goddeloosheid van zijn vader Achaz, evenmin als Josia wegens de afgoderij van zijn vader Amon ; integendeel juist, volgens hetgeen wij in 2 Koningen 18 — 21 lezen kunnen, werden deze godvruchtige zonen gezegend.

Nu wordt het getuigenis des Heiligen Geestes bij monde van den profeet Ezechiël (18 : 20) aangehaald, als zou dit in strijd zijn mst hetgeen de Heere in het tweede gebod (Exod. 20 : 5) gezegd had. Dit is echter zoo niet; deze uitspraak van den profeet is juist geheel in overeenstemming met hetgeen wij

ocr page 51

47

straks hebben opgemerkt. Als wij bij Ezechiël lezen, dat de zoon niet dragen zal de ongerechtigheid des vaders, dan zegt hij dit om een spreekwoord te weerleggen, dat bij de Israëlieten in zwang was, waar zij zeiden : „De vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn stomp gewordenquot;. Met, dit spreekwoord wilden zi] te kennen geven, dat hunne vaders de misdaad bedreven hadden en dat zi], zonder dit verdiend te hebben, daarvoor nu de straf moesten ondergaan. Daartegen komt de profeet op, en verklaart nadrukkelijk, dat het lijden hetwelk hen overkomt geen andere oorzaak heeft, dan hunne eigene overtreding aangezien het ganschelijk met de gerechtigheid Gods in strijd zou zijn, een rechtvaardige en onschuldige te straffen voor de gebreken en zonden van een ander.

Wanneer de Heere zijne stralfende hand uitstrekt over de kinderen, dan is dat niet ter wille van de misdaden hunner ouders, maar eenig en alleen omdat zij hen in dien zondigen weg gevolgd zvjn, omdat zij in hunne voetstappen gewandeld hebben. Dezelfde ziel die zondigt, zal ook sterven, maar niet de vader voor zijn kind en evenmin het kind voor zijn vader. En al is het waar, dat de kinderen in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren worden, zoo doet God hen nochtans daarin geen ongelijk aan en mogen zij Hem nooit van onrechtvaardigheid beschuldigen.

ocr page 52

48

XII.

„En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben en mijne geboden onderhoudenquot;.

Exod. 23 : 6.

„En Ezau heb Ik gehaat; en Ik heb zijne bergen gesteld tot eene verwoesting, en zijne erve voor de draken der woestijnquot;.

Mal. 1 : 3.

N de Heilige Schrift lezen wij niet alleen van de verwerping van Ismaël, maar even duidelijk staat het ons op-geteekend, dat ook Ezau verworpen was, (Rom. 9: 7 v.v. en Gal. 4 : 30.) Deze uitspraken moeten onze verwondering wekken, wanneer wij bedenken, dat zij beide nakomelingen waren van Abraham, voor wien, met alle andere beloften, toch ook die uit Exod. 20 : 6 geldend was. Ja, wij zouden kunnen zeggen : Zoo ooit voor iemand, dan gold deze belofte voor Abraham; want indien er sprake is van God lief te hebben en zijne geboden te onderhouden, dan voorzeker mag deze aartsvader wel in de eerste plaats genoemd worden, waar toch niemand minder dan de Heere zelf in Gen. 18 van hem getuigt: „Ik heb hem gekend, opdat hij zijnen kinderen en zijnen huize na zich zoude bevelen, en zij den weg des Heeren houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat de Heere over Abraham brenge, hetgene Hij over hem gesproken heeft.quot; En niettegenstaande deze belofte, werd Ismaël, zijn eerstgeborene, en Ezau, de oudste zoon van zijn zoon Izak, verworpen. Mag men nu hieruit besluiten, dat Gods beloften te vergeefs geschied zijn en hare vervulling missen ? Of, dat God niet denkt aan

ocr page 53

49

hetgeen hij beloofd heeft en zoodoende in strijd handelt met zyn eigen woord ? Het zaad der vromen belooft Hij toch zyne genade te zullen bewijzen, terwijl HO daarentegen de nakomelingen der goddeloozen met z^jne wrake bedreigt. Hoe is het dan te verklaren, dat uit een goddeloos geslacht somtijds goede nakomelingen spruiten, terwijl omgekeerd uit godvree^ende ouders goddelooze kinderen geboren worden ? De godvruchtige Jonathan is gesproten uit den goddeloozen Saul, terwijl de goddelooze Absalom uit den vromen David geboren werd; Ezau en Ismaël, die verworpen werden, waren voortgekomen uit de geloovige aartsvaders Izak en Abraham, terwijl de vrome koningen Hiskia en Josia gesproten waren uit hunne goddelooze vaderen Achaz en Amon. En zoo zouden wij kunnen voortgaan, de voorbeelden daarvan zijn menigvuldig.

Op de vraag, hoe dit verschijnsel verklaard moet worden, antwoorden wij het volgende : Wanneer God zegt, dat Hy barmhartigheid zal doen aan duizenden dergenen, die Hem liefhebben en zyne geboden onderhouden, dan wil Hij zich daardoor geen vasten regel stellen, die aan zijne verkiezing in den weg zou staan. Tot vertroosting der rechtvaardige en tot verschrikking der hoovaardige en booze menschen, zij het echter genoeg te weten, dat deze uitspraak niet tevergeefs ofijdelyk is gedaan. Gelijk God zich de vrijheid voorbehoudt, barmhartigheid, te bewijzen zoowel aan de kinderen der rechtvaardigen, als aan die der goddeloozen, zoo ook verblijft aan Hem de macht uit de geslachten der geloovigen te verwerpen of te verkiezen, wie Hij wil. Als Hij sommigen tuchtigt met tijdelijke straffen, dan zijn deze een bewijs van zijn toorn over de zonden en misdaden en voorproef van het oordeel, dat eenmaal komen zal. Bewjjst Hij daarentegen terwille van het geloof der ouders, zijne genade

4

ocr page 54

aan hunne kinderen, dan is dit een bewijs, dat zijne barmhartigheden jegens zijne knechten voortduren. Hierbij mag echter niet uit het oog worden verloren, wat door ons zooeven is opgemerkt, dat de Heere, hoewel Hij deze belofte doet en waar maakt, zich de vriitieid voorbehoudt iemand te verkiezen of te verwerpen.

XIII.

„Eer uwen vader en uwe moeder, opdat uwe dagen verlengd worden in het land, dat u de Heere uw God geeft.quot;

Exod. 20 : 12.

„En gij zult niemand uwen vader noemen op de aarde ; want eèn is uw vader, namelijk, die in de hemelen isquot;.

Matth. 23 : 9.

het voorgaande vers heeft de Heere Jezus aangetoond, dat de eer, „Meesterquot; genoemd te worden, niemand anders toekomt dan God alleen, waar Hij in vs. 8 van dit hoofdstuk uit het Evangelie naar Mattheüs zegt: „Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden, want één is uw Meester, namelijk Christusquot;. Dit kan ons vreemd toe schijnen, aangezien Christus zelf sommige menschen heeft aangesteld om meester over ons te zijn, gelijk men zien kon uit 1 Cor. 4 :15, waar Paulus schrijft: „Want al hadt gij tienduizend leermeesters in Christus, zoo hebt\'gij toch niet vele vaders.quot; Toch is dit niet meer dan schijn en ligt de oplossing van deze schijn-

ocr page 55

51

bare tegenstrijdigheid voor de hand. Het is volkomen waar, dat de Heere Jezus, toen Hij op aarde rondwandelde, zijne apostelen heeft uitverkoren en hen aanstelde om het ambt van leeraar te bedienen. Al heeft Hij hun dus zelf dien naam gegeven, toch ligt het geheel buiten de bedoeling van den apostel Paulus die eere aan Jezus Christus te ontnemen, als hij zich zelve noemt: een apostel, prediker of leeraar der heidenen. Met deze aanstelling zijner apostelen tot leeraars, heeft de Heere Jezus dan ook niets anders gewild, dan alle menschen, zoowel kleinen als groo-ten, door deze ordinantie onder zijne opperste regeering te brengen, terwijl Hij de hoogste macht over hen blijft behouden. Hij vraagt er dan ook niet naar, welke namen gedragen worden door hen, die het leeraarsambt bekleeden ; Hij wil alleen een iegelijk binnen de perken houden, opdat niemand onder de leeraars of predikers van het Heilige Evangelie eenige heerschappij voere over zijne broederen of over de kudde, die hem van den oversten Herder toebetrouwd is; maar dat een iegelijk de kudde regeert als een dienaar van Jezus Christus, terwijl hij, naar het voorschrift van den apostel Petrus, zelf een voorbeeld van de kudde moet zijn (1 Petr. 5 : 3.)

Welnu, evenzoo is het met de eer waarop een vader aanspraak maakt: zij hoort Gode toe ; de Heere heeft hem den eere-titel van vader verleend en niet de mensch, gelijk zoo duidelijk uit Exod. 20 : 12 blijkt. Het is dan ook niet genoeg, dat menschen die kinderen hebben, daarover vaders naar den, vleesche zijn en dat God alleen de geestelijke Vader is, al is het ook dat deze onderscheiding in Gods Woord zelf gemaakt wordt, gelijk wij zien kunnen uit Hebr. 12 ; 9 waar onderscheidenlijk gesproken wordt over „de vaders onzes vleeschesquot; en over „den Vader der geesten.quot; Maar wij moeten niet vergeten, dat dezelfde apostel

ocr page 56

52

zich menigmaal een „geestelijkequot; vader noemt, zoodat het dus van belang is te weten, hoe dit met het Woord van God overeenkomt. Wij kunnen dan ook gerust zeggen, dat de mensch zich den eerenaam van „vaderquot; ten onrechte heeft toegeëigend, indien hij daardoor te kort doet aan de eere Gods. En dit geschiedt wanneer een sterfelijk mensch zich van God afscheidt en toch als vader wil geacht worden, aangezien het, naar luid van Efeze 3, juist uit den Vader van onzen Heere Jezus Christus is, dat al het geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt. De trappen van maag- en bloedverwantschap zijn zoo nauw aan elkander verbonden, dat in den eigenlijken zin des woordsGode alleen den Vadernaam toekomt. Hij is Vader van allen, „want,quot; zoo getuigt Paulus staande op den Areopagus, „in Hem leven wij en bewegen ons, en zijn wij ; wij zijn ook zijn geslacht.quot;

Dit neemt echter niet weg, dat God ons gebiedt en van ons eischt onze ouders te eeren, lief te hebben, te gehoorzamen, en dit gebod versterkt Hij zoowel door eene bedreiging als door eene belofte. De bedreiging, welke uitgesproken wordt over alle kinderen, die wederstrevig en ongehoorzaam zijn jegens hunne ouders, houdt in : dat zulke kinderen met den dood moeten gestraft worden, gelijk ons dat beschreven wordt in Deut. 20 waar wij lezen : „Wanneer iemand eenen moedwilligen en wederspan-nigen zoon heeft, die de stem zijns vaders en zijner moeder niet gehoorzaam is, en zij hem gekastijd zullen hebben en hij naar hen niet hooren zal, zoo zullen zijn vader en zijne moeder hem grijpen en uitbrengen tot de oudsten der stad en tot hen zeggen : Deze onze zoon is afwijkende en wederspannig, hij is onze stem niet gehoorzaam, hij is een brasser en zuiper; dan zullen alle lieden zijner stad hem met steenen werpen, dat hij sterve.quot; De belofte daarentegen voor hen, die hunne ouders

ocr page 57

53

eeren en gehoorzaam zijn, luidt: „opdat uwe dagen verlengd worden in het land, dat u de Ueere uw God geeftquot;. Hierbij mogen wij echter niet vergeten, dat de kinderen nooit, zelfs niet ter wille van hunne ouders, in strijd mogen handelen met den wil van God. Dat de ouders als zoodanig over hunne kinderen zijn aangesteld, is eenig en alleen omdat zij daartoe van God verkozen zijn, omdat Hij de eere, die eigenlijk uitsluitend aan Hem toekomt, voor een deel aan hen afstaat. De onderdanigheid, die de kinderen aan hunne ouders verschuldigd zijn, is zooveel als een trap, welke hen voeren moet tot eerbied en gehoorzaamheid aan hunnen Vader, die in de hemelen woont. Vandaar dan ook, dat ouders, die iets van hunne kinderen eischen, wat in strijd is met den wille Gods, niet meer als zoodanig beschouwd moeten worden; zij ziju voor hen als vreemdelingen, die hen willen doen afwijken van de ware gehoorzaamheid, welke zij aan hunnen hemelschen Vader verschuldigd zijn.

ocr page 58

54

XIV.

„Eer uwen vader en uwe moeder opdat uwe dagen verlengd worden in het land, dat u de Heere uw God geeftquot; (Exod. 20 : 12.) En; „Een iegelijk die zijnen broeder haat, is een doodslagerquot;.

1 Joh. 3 : 15a.

Indien iemand tot mij komt, en niet haat zijnen vader, en moeder, en vrouwe, en kinderen, en broeders, en zusters, ja ook zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijnquot;.

Lucas 14 : 26.

\'ET zal wel niet noodig zijn die gansche reeks van getuigenissen aan te halen, teneinde daarmede te staven hoe redelijk en billijk het is, dat kinderen hunne ouders eeren. Immers, afgedacht nog van alle Goddelijke en menschelijke wetten en ordinantiën, vloeit het als van zelve uit de natuur voort; de meest onbeschaafde en wilde menschen hebben het dan ook altijd voor eene zeer onnatuurlijke zaak gehouden, indien een kind tegen zijn vader of moeder opstond. In het vijfde gebod wordt alleen gezegd : „Eer uwen vader en uwe moederquot;, maar hoewel hier alleen sprake is van eeren, zoo ligt in dit woordje ook opgesloten : het bewijzen van eerbied, gehoorzaamheid en liefde, want indien de eerbied, de gehoorzaamheid en voornamelijk de liefde gemist werd, dan zou het „eerenquot; niet veel anders zijn dan eene zekere geveinsdheid. En omgekeerd is het even onmogelijk voor een kind zijn vader lief te hebben zonder hem te eeren. Wanneer de Heere dus gebiedt: vader en moeder te eeren, dan wil Hij te-

ocr page 59

55

vens, dat het kind zijnen ouders onderdanig en gehoorzaam zal zijn, dat het hen zal eeren en helpen, en, overeenkomstig zijne roeping en plicht, hen gaarne van dienst zal zijn.

En als de apostel Johannes in zijnen eersten brief schrijft: „Een iegelijk die zijnen broeder haat, is een doodslagerquot;, dan zegt hij inderdaad niet te veel; want al spoedig komt het zoo ver met den mensch, dat hij naar den dood verlangt van hem, dien hij haat. Dat doodslaan behoeft nu nog niet altijd in de daad zelve te bestaan ; m. a. w. om een „doodslagerquot; te zijn, is het niet noodig dat men de hand aan iemands leven slaat, neen, ook dan wanneer men iemand moedwillig eenige overlast of schade berokkent, is men van God veroordeeld. De apostel toont dan ook in dezen zendbrief aan, dat de haat een vervloekt en verschrikkelijk kwaad is in de oogen des Heeren, teneinde ons daardoor tot meerdere liefde te brengen. Zou er wel èen mensch gevonden worden, die niet met schrik vervuld is voor een doodslager ? Een moord ! De naam alleen is reeds huiveringwekkend en gruwelijk ! Welnu, zulk een doodslager zijn wij, indien wij, al steken wij er zelf geen hand aan uit, en al komt de lust daartoe bij ons niet op, begeeren en oorzaak zijn, dat iemand door een ander kwaad wordt aangedaan. Vergeten wij daarom nimmer, dat wij schuldig staan voor het gerichte Gods, al is het ook dat de mensch ons vrijspreekt. Nadrukkelijk wordt dus bevolen : vader en moeder te eeren, wat, gelijk wij zagen, zeggen wil: eerbied, gehoorzaamheid en liefde te bewijzen ; het kind dat dit gebod niet ter harte neemt, maar zijn vader of moeder integendeel ongehoorzaam is, wordt niet alleen met eene zware straf bedreigd, maar is zelfs des doods schuldig, gelijk beschreven staat in Exod. 21 : 17, waar wij lezen: „Wie zijnen vader of zyne moeder vloekt, zal zekerlijk gedood wordenquot;.

ocr page 60

56

Maar — zoo werpt men tegen - als nu de haat jegens een broeder door God veroordeeld wordt als een moord, hoe kan er dan toch in Lucas 14 : 26 gezegd worden, dat niemand een discipel van Christus, den Zone Gods, kan zijn, of hij moet ha ten „zijnen vader, en moeder, en vrouwe, en kinderen, en broe ders en zusters, ja ook zelfs zijn eigen levenquot; ? Inderdaad, dit schijnt eene vreemde en harde uitspraak ; wij moeten hen haten, met wie wij door de hechtste banden zoo innig verbonden zijn, waartegen een recht geaarde natuur dan ook ten sterkste in verzet komt. Dat zulk een haat ganschelijk strijdt met het natuurlijke gevoel, blijkt zoo duidelijk uit het feit, dat er onder de heidenen sommige wetgevers van de gedachte uitgingen, dat het ten eenenmale onmogelijk was dat kinderen hunne ouders van het leven zouden berooven, zoodat zij het uit dien hoofde niet noodig achtten wetten uit te vaardigen en straffen voor te schrijven. En waar de heidenen zelfs gevoelden, dat zulk een haat in strijd zou zijn met alle menschelijk gevoel, zou Christus ons dan gebieden hen te haten, die wij zoo innig liefhebben? Neen, Christus gebiedt niet, dat wij ons menschelijk gevoel zouden afleggen, evenmin als Hy hebben wil dat wij nalaten zouden iemand de verschuldigde liefde, eere en achting te bewijzen ; Hij wil alleen, dat alle verhoudingen tusschen de men-schen onderling zoö gesteld worden, dat zij ondergeschikt zijn aan de vreeze en de liefde, welke Gode moet worden toegebracht, opdat wij daarin het eerste en het grootste gebod betrachten ; „God lief te hebben boven allesquot;. Zeker, het is naar den wil en het bevel Gods, dat een man zijne vrouw liefheeft en dat zg eveneens haren man alle liefde bewijst, en die liefde wordt ge-eischt met betrekking tot allen, die door banden des bloeds aan elkander verbonden zijn, ja, men moet zijn eigen leven liefheb-

ocr page 61

57

ben en zijn naaste als zichzelve, maar altijd moet deze liefde van dien aard zijn, dat zij nooit te kort doet of in den weg staat aan de hoogste liefde, aan die liefde, welke uitsluitend aan God den Heere toekomt. Gelijk het als van zelve uit de natuurlijke verhoudingen voortvloeit, dat wij de meeste liefde bewijzen aan hem, die ons het naast bestaan, zoo spreekt het ook van zeiven, dat wij den hoogsten graad van liefde moeten toekennen aan Hem, die zelfs staat boven vader en moeder, aan onzen Heere Jezus Christus. En inderdaad, het zou van groote ondankbaarheid getuigen, indien wij er niet alles voor over hadden om een discipel van Jezus te worden, indien wij dat niet beschouwen als het toppunt van de hoogste gelukzaligheid. Wat het in zijne diepste diepte zegt; een discipel van Jezus te z\\jn, zullen wij nooit verstaan, tenzij dat door den Heiligen Geest dat gevoel in onze harten gewerkt wordt, waardoor wij alle andere genegendtieden onder die hoogste liefde leeren gevangen leggen.

Wij besluiten dus, dat deze uitspraak in Luc. 14 : 26 ganschelijk niet in strijd is met de woorden uit Exod. 20 ; 12 en 1 Joh. 3 : 15 en dat, hoe hard zij ook schijnen moge, zij in werkelijkheid niets anders wil te kennen geven, dan dat, indien de liefde voor onze ouders aan het volgen van Jezus in den weg staat, wij daartegen met alle macht moeten strijden, opdat wij hen niet meerdere liefde bewijzen dan onzen Zaligmaker Jezus Christus. Trouwens, Jezus zelf heeft dit nadrukkelijk uitgesproken, toen Hij zeide: „Die vader of moeder liefheeft boven mij, is mijns niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven mij, is mijns niet waardigquot;. (Matth. 10 : 37.)

ocr page 62

58

XV.

„Wie ook zijnen vader of zijne moeder vloekt, die zal zekerlijk gedood wordenquot;.

Exod. 21 : 17.

Indien iemand tot mij komt, en niet haat zijnen vader, en moeder, en vrouwe, en kinderen, en broeders, en zusters, ja ook zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijnquot;.

Lucas 14 : 26.

\\ELIJK wij in onze voorgaande beschouwing hebben opgemerkt, heeft God de Heere in zijne wet bevolen, dat wij onzen vader en onze moeder moeten eeren. Wij zagen toen hoe in dit gebod geeischt wordt, dat de kinderen jegens hunne oudera zullen zijn onderdanig en gehoorzaam, dat zij hen, overeenkomstig hunne plicht en roeping, eeren en helpen zullen, dat zij steede bereid zijn hen te dienen; ja, wij zagen zelfs, hoe tot dit „eerenquot; ook de ware „liefdequot; behoort, aangezien het zonder deze liefde onmogelijk is, hen waarlijk gehoorzaam te zijn. Welnu, evenals er door den Heere eene belofte wordt bijgevoegd voor hen, die dit gebod nakomen, zoo dreigt Hij ook met straf indien zij hierin nalatig zijn, waar Hij, (niet alleen in Exod. 21 : 17, maar ook in Lev. 20 : 9 en Deut. 21 : 18) zegt, dat „wie zijnen vader of zijne moeder vloektquot;, hetzij dan door hen te lasteren of te vervloeken, hetzij door achter te klappen of wederspannig te zijn, „zekerlijk zal gedood wordenquot;. En deze straf zal voorzeker ten uitvoer worden gelegd, want, al is het ook dat men aan de handen van den aardschen rechter ontkomt, de Heere, de Rechter

ocr page 63

59

van hemel en aarde, zal over dit kwaad bezoeking doen. Hij zal zijne wrake niet inhouden trots allen tegenstand van menschen, maar haar gewisselijk doen komen op eene wijze, zooals het Hem behaagt. De dagelijksche ervaring toch leert het ons zoo duidelijk, dat wij te doen hebben met een Rechter, Wien alle middelen ten dienste staan om zijne wrake ten uitvoer te leggen, en wie zal ons zeggen waarom deze in den oorlog en gene in een twist, de een door beulshanden en een ander in den bloei der jaren, op gansch andere wijze, uit het leven werd weggenomen ? Moet men niet toe-stemmen dat in zulk een dood de hand des Heeren is op te merken ? Maar ook al blijft men daarvoor bewaard, ja, al is het zelfs, dat zoo iemand blijft leven tot in den grijzen ouderdom, de bedreigde straf komt zeker en gewis, en laat zich, wat dit tijdelijke leven aangaat, reeds daarin gevoelen, dat hij al dien tijd den zegen des Heeren heeft moeten missen.

Maar, waar nu het gebod : vader en moeder lief te hebben, zoo nadrukkelijk gegeven is ; en waar de overtreding van dat gebod, dus het vloeken van vader en moeder, zoö zwaar gestraft wordt, dat dezulken naar den Woorde Gods, zekerlijk gedood worden ; daar ligt de vraag toch voor de hand: Hoe is dit te rijmen met hetgeen wij lezen in Luc. 14 : 26 waar toch aan hen, die een discipel van Jezus willen worden, bevolen wordt vader en moeder te haten 1

Na al hetgene wij reeds in ons voorgaande betoog gezegd hebben, is deze vraag niet moeilijk. Immers, de Heere Jezus beveelt ons hier niet, dat wij alle menschelijke neigingen zouden afleggen; Hij verbiedt ons niet, te vergelden de liefde en de weldaden, die wij van ouders en vrienden ontvangen hebben ; maar — gelijk wij opmerkten — Hij stelt vaste regelen voor de

ocr page 64

60

onderlinge liefde der menachen, opdat er niet te kort zou gedaan worden aan de hoogste liefde, waarop Hij uitsluitend aanspraak maakt. Neen, de onderlinge liefde blijft gehandhaafd ; zij is door God in het hart gewerkt en gegrond op de schepping Gods; haar weg te denken, zou tegen de natuur en een gebrek in den mensch zijn. En dit is natuurlijk ten eenenmale onmogelijk, daar de mensch goed en zonder zonde uit de handen van zijnen God-delijken Schepper is voortgekomen. Naar de ordinantiën Gods zijn man en vrouw, vader en zoon, moeder en dochter, broeder en zuster, ja, zijn wij allen verschuldigd eikanderen lief te hebben, maar wij mogen nooit zoö in deze liefde opgaan, dat zij schade doen zou aan de hoogste liefde, aan die liefde dus, welke eenig en alleen toekomt aan onzen Vader die in de hemelen woont. Dit behoeft ons dan ook geenszins te bevreemden ; op natuurlek gebied is het evenzoo gesteld ; immers, hoe hooger de graad van bloedverwantschap en hoe nauwer de band van vriendschap is, des te hartelijker zal de liefde zijn. En zou dit nu anders zijn waar het den Heere onzen God geldt ? Zou Hij, in Wien wij leven en ons bewegen ; uit Wien, door Wien en tot Wien alle dingen zijn ; die een God is, te prijzen in alles en boven allen, dan ook niet het hoogste recht op onze liefde hebben ? Hij eischt dan ook niets minder, dan dat wij Hem zouden liefhebben van ganscher harte, van ganscher ziele, van ganschen gemoede en met alle krachten ! En dezen eisch, n.1. een waar discipel van Hem te zijn, door Hem onze eerste en onze hoogste liefde te schenken, zullen wij alleen, dan kunnen nakomen, wanneer wij stil staan bij de hooge waardigheid en heerlijkheid, bij de macht en den luister van Hem, die zulk eene liefde van ons vraagt. De beschouwing van dat hoogheerlijke Wezen, van den Drieëenigen God, Vader, Zoon en H. Geest, zal dan ook al-

ocr page 65

61

leen bij machte zijn de aardsche liefde zoö in toom te houden, dat er plaats in ons overblijft voor eene nog hoogere liefde.

Mocht het dus zijn, dat bij het lezen van de woorden uit Luc. J4 ; 26 de gedachte bij ons opkwam, dat deze uitspraak in strijd is met andere uitspraken uit Gods Woord ; of, dat het toch wel wat hard is zelfs vader en moeder te moeten haten, teneinde een discipel van Jezus te kunnen worden ; laten wij dan toch nimmer vergeten, dat de Heere Jezus met dit gezegde niets anders bedoelde dan dat wij den strijd moeten aanbinden tegen de vleeschelijke liefde, zoodra wij bemerken, dat deze ons in den weg staat om Hem te volgen.

XVI.

„Oog voor oog; tand voor tand; hand voor hand; voet voor voetquot;.

Exod. 21 : 24.

„Maar ik zeg u, dat gij den booze niet wederstaat r maar zoo wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toequot;.

Matth. 5 : 39.

^ER aangehaalder plaatse in Exodus, geeft God de Heere eene wet aan rechters en overheden, waarin Hij hun voorschrijft, dat, wanneer de een den ander ongelijk of overlast aandoet, dit met gelijke straffen moet vergolden worden. Evenals God in het eerste boek van Mo-zes had doen neerschrijven: „Wie des menschen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mensch vergoten wordenquot;, zoo wijst Hij

ocr page 66

62

er hier, in het tweede boek van Mozes op, dat het alleszins billijk is, dat hij, die zijn naaste het oog of een ander lichaamsdeel uittrekt, hetzelfde lot ondergaat. Deze uitspraak moet echter niet verkeerd worden opgevat. En dit deed men. Men wierp zich zelf tot rechter op en werd een wreker van het aangedane kwaad, door dit met gelijke munt te betalen. Hiertegen waarschuwt de Heere Jezus; want als Hij in Matth. 5 de genoemde plaats uit Exodus aangehaald heeft, dan laat Hij er onmiddellijk op volgen : „Maar ik zeg u, dat gij den booze niet wederstaat, maar zoo wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toequot;. Waar het de taak der rechters is, het kwaad der boosdoeners met geweld tegen te gaan en, wanneer het gepleegd is, te straffen, daar vermaant de Heere Jezus hier een iegelijk met geduld te verdragen het ongelijk, dat men aangedaan wordt, opdat men door het kwaad van een ander, zich niet door zijne eigene wraakgierigheid laat overmeesteren. Vandaar dan ook, dat de apostel Paulus aan zijne „bemindenquot; te Rome schrijft : „Wreekt uzelven niet, maar geeft den toorn plaats; want er is geschreven: „Mij komt de wrake toe. Ik zal het vergelden, zegt de Heerequot;. En zou Hij, die dit door zijn apostel liet schrijven, zijn woord niet waar maken? Immers ja; Hij zal het kwaad vergelden, hetzij dan dat Hij dit doet in het „hiernamaalsquot;, in de eeuwige straf; of wel, dat Hij de straf reeds zendt in dit leven door de wettige overheid, die door Paulus in Rom. 13 genoemd wordt: „Gods dienaresse, eene wreekster tot straffe dergene die kwaad doetquot;.

Meent nu echter niet, dat als de Heere Jezus zegt: „Zoo wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toequot;, dat Hij daarmede dan bedoelde de wet, door zijn Vader in Exod. 21 gegeven, omver te werpen; neen, zijne bedoeling is geen

ocr page 67

63

andere, dan om de harten der geloovigen tot lijdzaamheid en zachtmoedigheid op te wekken, zoodat zij den moed niet laten zinken, wanneer zij eens of meermalen verongelijkt worden. Het is waar, dat de Heere Jezus onze harten en handen van alle wraakgierigheid aftrekt; wanneer men dan ook zonder eenig geweld te plegen, zichzelven en zijne have beschermen kan, dan doet men daarmede geen kwaad, integendeel, het is juist naar de bedoeling des Heeren, dat men in vrede en stilheid het geweld van een ander ontwijkt. Het ligt toch voor de hand, dat Jezus met deze vermaning niet bedoelde de geloovigen tot zorgeloosheid op te wekken, immers, dat zou oorzaak zijn dat anderen daarvan partij gingen trekken en dat zij, die toch al branden van begeerte om hunne naasten kwaad te berokkenen, daardoor nog in hune kwade bedoelingen gestijfd werden. Trouwens, de woorden van onzen Heere Jezus zelf geven reeds te kennen, dat dit zijne bedoeling niet is ; want, wanneer wij deze uitdrukking in letterlijken zin opvatten en dien overeenkomstig handelen, dan is zij juist alleszins geschikt iemand nog meer boos te maken. Veronderstelt eens dat iemand zoo boos op u is, dat hij u een slag op de wang geeft; en gij handeldet dan eens in overeenstemming met dit bevel en keerdet hem ook uwe andere wang toe, zoudt gij hem daardoor dan nog niet des te meer tergen ? Immers ja; en dit kan toch de bedoeling van Christus niet zijn, die juist niet wil, dat het einde van den eenen strijd het begin van den andere zij ? Neen, deze uitdrukking moet dan ook in figuurlijken zin worden opgevat en geeft te kennen, dat wanneer den geloovigen ongelijk wordt aangedaan, zij dit geduldig moeten lijden, al was het zelfs, dat zij gedurende alle de dagen huns levens met geweld en onrecht werden achtervolgd.

Met deze onderwijzing uit Matth. 5 : 39 heeft de Heere

.

ocr page 68

64

Jezus dus op het oog de geloovigen aan het lijden en de verdrukking te wennen, opdat zij het met lijdzaamheid verdragen en leeren geduldig te zijn, gelijk ook Paulus in zijn brief aan de Romeinen vermaant: „ Word van het kwade niet overwonnen, maar overwin het kwade door het goedequot;, en ganschelijk overeenkomstig het voorbeeld van onzen Heere Jezus zelf, „die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed niet dreigde, maar gaf het over aan Dien, die rechtvaardiglijk oordeeltquot;.

XVII.

„Daarom zullen de goddeloozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaar in de vergadering der rechtvaardigenquot;.

Psalm 1 : 5.

„En gelijk het den menschen gezet is eenmaal te sterven, en daarna het oordeelquot;.

Hebr. 9 ; 27.

^IJ de beschouwing van deze beide uitspraken, mag niet uit het oog worden verloren, dat hier niet gesproken wordt over hetzelfde „gerichtquot;. In den eersten Psalm toch, wordt niet gedoeld op het laatste gericht dat eenmaal zal gehouden worden, wanneer de Zone Gods zal wederkomen op de wolken des hemels om te oordeelen de levenden en de dooden. De dichter wil meer in het algemeen doen uitkomen, dat de staat van een gelukzalig leven gegrond is in eene goede consciëntie; waarom zich dan ook niemand

ocr page 69

65

behoeft te verwonderen, als straks de goddelooze vallen zal uit dien staat van gelukzaligheid, waarin hij zich ingebeeld had geplaatst te zijn. Hij beeldt zich heel wat in en schept behagen in deze wereld, waar hij schijnbaar de overhand heeft, omdat de toestand op aarde, over het algemeen, zich zoo goddeloos laat aanzien. Dat zal evenwel zoo niet altijd blijven ; eenmaal, wanneer de tijd voor de nieuwe aarde, waarop gerechtigheid wonen zal, daar is, dan zal alles weer zijn gelijk het was in den morgenstond der schepping, toen de liefelijke harmonie, die er allerwegen heerschte, nog door geen zonde verstoord werd. Op die aarde zal er voor den goddelooze geen plaats zijn ; beroofd van alles, wat hier zijne vreugde uitmaakte, zal hij zich dan ellendig gevoelen ; dan eerst zal hij recht inzien, dat hij arm en dwaas was, toen hij meende rijk en verstandig te zijn. Daarom worden de goddeloozen en de zondaars in dezen psalm vergeleken bij het kaf, dat de wind henendrijft, en worden zij gezegd niet te zullen bestaan in het gericht, terwijl hij weigelukzalig wordt geprezen, wiens lust is in des Heeren wet, zoodat hij haar overdenkt dag en nacht, \'tls waar, het schijnt den goddeloozen hier op aarde goed te gaan en menigmaal komt de gedachte van Asaph bij ons op : „Zie, dezen zijn goddeloos ; noch-thans hebben zy rust in de wereld ; zy vermenigvuldigen het vermogenquot;; maar het is slechts schijn, want toen de vrome zanger, na zich moede gepeinsd te hebben, om dit voor hem vreemde verschijnsel te verklaren, „in Gods heiligdommen inging en op hun einde merktequot;, toen was zijne gedachte over den toestand der goddeloozen eene gansch andere, waaraan hij uiting geeft in deze woorden : „Hoe worden zij als in een oogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niete van verschrikkingen ! Als een droom na het ontwaken. Als gij opwaakt, o

e

ocr page 70

66

Heere, dan zult Gij hun beeld verachtenquot;. Van nature heeft echter niemand recht op deze gelukzaligheid, en zoo hij daarin roemen mag, dan is het alleen op grond daarvan, dat h\\j door een oprecht geloof Jezus Christus is ingelijfd ; menigmaal wordt hij dan nog beproefd en door het vuur gelouterd, maar dat geschiedt — gelijk de apostel Petrus het in zijn eersten brief uitdrukt — „opdat de beproeving van zijn geloof, die veel kostelijker is dan van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eere, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christusquot;. Worden daarentegen de goddeloozen en de zondaars door God beproefd, dan kunnen zij in het gericht niet bestaan, want wanneer Hy komt met de wan in zijne band om den dorschvloer te zuiveren, dan zijn zij als het kaf. dat de wind henendrijft. Hierop doelende, zegt de koninklijke profeet David, dat de goddeloozen niet zullen bestaan in het gericht, waarmede hij dus te kennen wil geven, dat zij, door het rechtvaardig oordeel Gods, onderzocht zijnde, niet staande zullen blijven.

Even onwrikbaar vast staat het echter, dat de goddeloozen, zoowel als de goeden, zullen opstaan ten jongsten dage, wanneer Christus zal wederkomen om te oordeelen ; maar die opstanding zal gansch verschillend wezen. Daniël wijst op dit verschil in het twaalfde hoofdstuk zijner profetie, als hij zegt; „En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadhe-den en tot eeuwige afgrijzingquot;; en evenzoo Johannes, waar hij in het vijfde hoofdstuk van zijn Evangelie schrijft: „Want de ure komt, in welke allen, die in de graven zijn, zijne stemme zullen hooren; en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die het kwade

ocr page 71

67

gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenisquot;. Het is waar, dat in de twaalf artikelen van ons algemeen, ongetwijfeld Christelijk geloof, geen melding wordt gemaakt van de opstanding der goddeloozen, evenmin als van den eeuwigen dood; maar laten wij niet vergeten, dat de 12 artikelen slechts een kort summier van ons Christelijk geloof zijn, waarin alleen gehandeld wordt over datgene, dat tot vertroosting der uitverkorenen en der oprecht geloovigen dient, waar zi) gewezen worden op de heerlijke goederen, welke God hun bereid heeft in dit en in het volgende leven. Dit geschiedt om hun geweten te stillen en hunne hope op de zaligheid levendig te houden en te versterken ; en hieraan hebben de goddeloozen geen deel. De opstanding der goddeloozen verschilt ten slotte ook nog van die der rechtvaardigen daarin, dat zij niet geschiedt om hen over te brengen in een beteren toestand. Zeker, God, de rechtvaardige Eechter, zal ook in hunne opstanding zijne macht ten toon spreiden ; want door de goddeloozen eeuwiglijk te straffen naar lichaam en ziel, zal zijne macht zoowel uitblinken als in het volkomen zaligmaken van zijn volk. Het doel hunner opstanding zal echter geheel verschillend zijn, want, zoo lezen wij in Matth. 25: „Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot zijne rechterhand zijn : Komt gij gezegenden mijns Vaders, beërft het koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld. En tot degenen die ter linkerhand zijn, zal Hij zeggen; Gaat weg van m\\i, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijnen engelen bereid isquot;.

ocr page 72

68

XVIII.

Gij zult ze verpletteren met eenen ijzeren schep-ter; gij zult ze in stukken slaan als een pottenbakkersvatquot;.

Psalm 2 : 9.

„Het gekrookte riet zal hij niet verbreken, en de rookende vlaswiek, die zal hij niet uitblusschenquot;-Jes. 42 : 3 ; Matth. 12 : 20.

n K P onderscheidene plaatsen in Gods Woord wordt ons de liefde en goedertierenheid van onzen Heere Jezus Christus beschreven. Zoo ook in de aangehaalde plaats uit de profetie van Jesaja en uit het Evangelie naar Mat-theüs, waar in beeldspraak gezegd wordt, dat Hij de zwakken en kranken onderhouden en degenen, die half gebroken zijn, niet verder breken zal; maar dat Bij hen zal troosten en sterken, ter hulpe komen in hunne zwakheid, en het goede, dat nog in hen gevonden wordt, onderhouden en vermeerderen. Immers, waar slechts een klein vonkske van den waren godsdienst gevonden wordt, daar wakkert Hij het aan, en waar het bijna uitgedoofd was, daar doet Hij het weer opflikkeren. Die bemoeienissen, die Hij nog met den mensch houdt, zijn gansche-lljk onverdiend, want wilde de Heere naar recht handelen, dan zou Hij niet alleen zijne hand van den mensch moeten aftrekken, maar Hem daarenboven strengelijk moeten straffen. De mensch is als het ware kreupel en doet anders niets dan struikelen ; door de zonde is hij, om zoo te spreken, in tweeën gebroken en van zijne plaats verstoeten; en toch verwerpt de Heere hem niet, maar in zijne groote lankmoedigheid verdraagt

ocr page 73

69

Hij hem langen tijd, teneinde hem volstandiger en vaster te maken. Die zachtmoedigheid en goedertierenheid, die Hij bij den voortduur aan het van Hem afgevallen menschenkind bewijst, ia bevestigd door een teeken uit den hemel, want toen de Zone Gods, tot bekwaammaking van het ambt, dat Hij bedienen zou, gedoopt en uit het water opgeklommen was, ziet, toen „werden de hemelen Hem geopend en Hij zag den Geest Gods nederdalen, gelijk eene duive, en op Hem komen.quot; (Matth. 3 : 16.) En is de duif niet het zinnebeeld van alles, wat zachtmoedig en liefelijk is ?

Nu moet men echter niet meenen, dat de uitspraak van den dichter in Ps 2 : „Gij zult ze verpletteren met eenen ijzeren schepter, gij zult ze in stukken slaan als een pottenbakkersvatquot;, in strijd is met de lankmoedigheid en goedertierenheid, waardoor de Heere Jezus zijne geloovigen onderhoudt. Maar evenals Hij de goede Herder is, die de schaapjes, welke naar zijne stem hooren, liefdevol en minzaam in zijne armen draagt; zoo ook tast Hij anderzijds hen, die zich als wilde dieren gedragen, hard aan, teneinde hen langs dien weg tot beterschap te brengen of tenminste hen in hunne woede en wreedheid te beteugelen en te bedwingen. Leest slechts Psalm 110 en gij zult zien, hoe, nadat de ware gehoorzaamheid der geloovigen geprezen is, aan den Heere Christus de macht en kracht wordt toegekend, in den dag zijns toorns te verslaan alle koningen en alle heirkrachten, die tegen Hem zullen opstaan.

* Neen, deze uitspraak van den dichter is volstrekt niet in strijd met hetgeen door den profeet en evangelistgezegd wordt. Zoowel hetgeen in Psalm 2, als ook wat in Jes. 42 en Matth. 12 gezegd wordt, moet den Zone Gods in den volsten zin des woords toegeschreven worden. De Vader toch heeft Hem naar de aarde

ocr page 74

70

gezonden om te lijden en te sterven voor de zonden der zijnen en alzoo voor hen eene oorzaak van vreugde te worden. Immers, op grond van die kruis- en zoen verdiensten noodlgt Hij armen en ellendlgen, verbindt Hij verbrokenen van harte, roept Hij den gevangenen vrijheid uiten den gebondenen opening der gevangenis, geneest Hij de kranken en troost de treurenden, brengt Hij eene blijde boodschap den zachtmoedigen en roept den zondaar uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht. Dat alles doet Hij; maar wanneer de mensch zijner stemme niet gehoorzaam is. Hem trotsch den nek toekeert, en Hem door zulk eene hardnekkigheid of snoode ondankbaarheid tot toorn verwekt; dan zal die mensch ondervinden, wat het zegt, den toorn op te wekken van Hem, die wel barmhartig en lankmoedig, maar toch ook rechtvaardig en gestreng is; die, hoewel Hij traag tot toorn is, toch het kwade niet ongestraft kan laten; want dan zal Hij komen en als de alleen-machtige zal Hij dien trots fnuiken en de harden van nek buigen ; Hij zal — gelijk de dichter in Ps. 2 het uitdrukt — ze verpletteren met eenen ijzeren schepter en ze als een pottenbakkersvat in stukken slaan. Voor de schapen zijner welde daarentegen is Hij — gelijk wij zelden — de goede Herder; hen bedwingt Hij niet met eenen ijzeren schepter, maar voert hen met zijnen herderstaf zachtkens aan zeer stille wateren en in grazige welden ; door dien staf verkwikt en versterkt, ondersteunt en troost Hij hen, doordat hunne droefheid in blijdschap veranderd wordt en zij het lied des geloofs op de lippen nemen : „Al ging ik ook in een dal der scha-duwe des doods, ik zoude geen kwaad vreezen ; want Gij zijt met mij ; uw stoken uw staf die vertroosten mijquot;. (Ps. 23 : 4.)

ocr page 75

71

XIX.

„Want Gij zijt geen God, die lust heeft aan goddeloosheid ; de booze zal bij u niet verkeerenquot;.

Psalm 5 : 5.

„Zoo ontfermt Hij zich dan, diens Hij wil, en verhardt, dien Hij wilquot;.

Rom. 9 : 18.

E liefelijke in psalmen Israels, de profetische harpzanger David, troost: in dezen vijfden der psalmen alle geloo-vigen en geeft hun raad, hoe zij zich moeten gedragen, wanneer zij door hunne vijanden wreed vervolgd en door geweld en bedrog onderdrukt worden. Is dit met hen het geval, dan moeten zij, zegt David, de toevlucht nemen onder de vleugelen van Gods bescherming, die niet toelaten zal, dat zijne heiligen de verderving zien, maar die hen, te zijner tijd, verlossen zal van al de wreedheden hunner vijanden. En hoe kan het anders, of Hij, van wiens troon juist de gerechtigheid en het gerichte de vastigheden zijn, moet wrake doen over alle booze en goddelooze menschen? Ten eenen-male onmogelijk is het dan ook, dat zij ongestraft zouden kunnen blijven, dat zij het oordeel zouden kunnen ontvlieden van Hem, die, naar luid van Rom. 3 : 6, de Rechter der wereld is. Evenals het de taak van lederen rechter is, het kwade tegen te gaan en de boosdoeners te straffen, zoo is ook deze Rechter een God, die geen lust heeft aan goddeloosheid en bij wien de booze niet verkeeren zal; alle werkers der ongerechtigheid haat Hij, zij zullen voor zijne oogen niet bestaan. Voor alle goddeloozen heeft Hij dan ook het loon weggelegd ; want al is het, dat Hij

ocr page 76

72

hier menigmaal zijne straffende hand nog inhoudt, eenmaal zal Hij openlijk van zijn Rechterstoel het vonnis doen hooren, wanneer Hij een iegelijk zal vergelden, naardat hij gedaan heeft; dan zal blijken, dat Hij een rechtvaardig Rechter ia ; een vijand van den zondaar en goddelooze, een vriend van den goede en rechtvaardige.

Om nu deze uitspraak uit Psalm 5 in overeenstemming te brengen met hetgeen de apostel Paulus aan zijne broederen te Rome schrijft, n.1. dat de Heere verhardt, dien Hij wil, moeten wij vasthouden aan hetgene wij hier boven met betrekking tot deze uitspraak gezegd hebben, t. w. dat God alle ongerechtigheid haat. Laten wij toch nimmer vergeten, dat God, al werkt Hij door den satan en al is het, dat Hij het kwade bestuurt en gebruikt om zijne oordeelen ten uitvoer te leggen, toch nimmer mag aangemerkt worden als de Bewerker van de zonde; immers, dan zou Hij zelf oorzaak zijn van iets, watHij haat met al wat in Hem is. Waar alle dingen uit Hem zijUj die heilig en gansch rechtvaardig is, daar kan het niet anders, of de bedoeling, waarmede, en het einde, waartoe Hij alle dingen geschapen heeft, moeten eveneens heilig en rechtvaardig zijn. Alles heeft Hij gewrocht om zijns zelfs wil, zoodat het niet alleen is uit Hem en door Hem, maar ook tot Hem zijn alle dingen. Met betrekking tot al het geschapene is het: Hem zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid! Vandaar dan ook dat Hij, als Schepper, het schepsel door zijne verborgene voorzienigheid regeert en bestuurt, naardat het Hem behaagt, en hem toch naar recht straft, indien hij doet, wat kwaad is in zijne oogen. Wanneer de apostel dus schrijft: „Hij verhardt, dien Hij wilquot;, dan mag de Heere niet van onrechtvaardigheid worden beschuldigd, want — nog eens zij het gezegd — dat zou in strijd zijn met

ocr page 77

73

zyn Wezen, dat loutere rechtvaardigheid is. Het is niet alleen, dat Hij den ondergang der goddeloozen heeft voorzien, neen, deze was reeds tevoren in zijn raad bepaald en door zijn wil verordineerd, gelijk de wijze koning Salomo in een zijner spreuken zegt, dat het verderf en de ondergang der onrechtvaardigen en goddeloozen niet alleen van tevoren hekend geweest zijn, maar dat zij tot het verderf gesteld waren. Gelijk God in zijne groote goedheid en barmhartigheid de geloovigen behoedt en niet toelaat, dat de duivel macht over hen heeft en zij door de zonde overheerscht worden, zoo onthoudt Hij ook zijne genade en trekt zich terug van degenen, die Hij wil straffen, ja meer nog: Hij verhardt en verblindt hen en geeft ze over, „in eenen verkeerden zin, om te doen dingen, die niet betamenquot;; Hij levert hen over in de macht van den satan en „in alle verleiding der onrechtvaardigheidquot;, tot straf hunner boosheid en ongehoorzaamheid. Maar, al is het volkomen waar, dat niemand in eenen verkeerden zin wordt overgegeven, tenzij God hem zijne genade onthoudt, mogen wij daarom die booze werken aan God toeschrijven, als zou Hij er de Bewerker van zijn? Immers neen ; al staat het boven allen twijfel vast, dat het niet alleen onder de toelating Gods, maar ook naar zijn rechtvaardig oordeel en wijze besturing geschiedt, wanneer een goddelooze wordt overgegeven „in eenen verkeerden zinquot;, toch ligt de schuld bij den zondaar zelf; eigenwillig laat hij zich door zijne booze razernij, door zijne verkeerde lusten en begeerten leiden, en moedwillig stelt hij zich onder het geweld des duivels. En juist, omdat de wortel van de zonde altijd bij den mensch gevonden wordt, is het ten eenenmale ongerijmd en ganschelijk verkeerd, de oorzaak van het kwaad bij iemand anders te zoeken, of — wat nog erger is — de schuld daarvan op God te leggen.

ocr page 78

74

Wanneer wij dus in de Heilige Schrift uitspraken vinden, die ons zeggen, dat God den mensch verblindt of zijn hart verhardt, laten wij er ons dan toch te allen tijde voor wachten, ooit de schuld van het kwaad op God te leggen ; dat wij toch nooit de kiem der zonde bij Hem zoeken of Hem als den auteur der zonde aanmerken. Als Paulus in het eerste hoofdstuk van zijn brief aan de Romeinen schrijft, dat God de goddeloozen overgeeft tot de begeerlijkheden hunner harten en oneerlijke bewegingen, tot allerlei booze lusten en zondige neigingen, dan wil hij daarmede volstrekt niet te kennen geven,\' dat God het hart van den zondaar daartoe verdorven heeft; neen, de apostel weet het maar al te goed, dat de oorzaak daarvan elders gezocht moet worden en in het hart zelve ligt, dat van nature verdorven en tot alle kwaad geneigd is. Daarom, wanneer wij in Rom. 9 : 18 lezen: „God verhardt, dien Hij wil,quot; dan mag zelfs de gedachte niet bij ons opkomen, als zou God de bewerker of een dienstknecht der zonde zijn ! Integendeel juist; God wil zich van zulk een middel bedienen om zich te wreken over de zonden der menschen en die te straffen, en dit doet Hij gansch rechtvaardig, zonder daardoor iemand eenig ongelyk aan te doen; aangezien zij er zelve de oorzaak van zijn, doordat zij zich niet hebben willen laten leiden en besturen door zijn Geest.

Wij besluiten derhalve : ten eerste, dat de oorsprong der zonde niet in God ligt en dat men niet de schuld op Hem mag werpen, als zou Hij, de vlekkeloos Heilige, behagen scheppen in het kwade; voorts dat nooit eenig mensch vrij zal uitgaan of er eenige bate bij zal vinden, zoo hij de schuld zijner zonde van zichzelven afschuift, om die op God te werpen ; en ten slotte, dat al het kwaad, dat in den mensch schuilt, niet

ocr page 79

75

uit God komt, maar voortspruit uit de zondige neigingen en booze overleggingen van zijne eigene, verdorvene natuur.

XX.

„De Heere was my tot een steunsel en Hij voerde mij uit in de ruimte; Hij rukte mij uit, want Hij had lust aan mij.quot;

Psalm 18 : 196 en 20.

„De Heere vergold mij naar mijne gerechtigheid ; Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.quot;

Psalm 18 : 21.

^DAT David betuigd heeft, dat het de Heere is, die hem door zijne machtige hand uit de diepe afgronden opgetrokken heeft, gaat hij er toe over, de oorzaak van die verlossing aan te geven, waar hij zegt, dat God daartoe bewogen werd, eenig en alleen omdat Hij lust aan hem had. Zoodoende schrijft David dus al de eer van zijne verlossing aan God toe. Wij moeten daarenboven niet vergeten, dat, waar de koninklijke profeet hier spreekt over het welbehagen, dat God in hem heeft, hij het oog heeft op zijne roeping. Dit wetende, dat al de strijd, die tegen hem gevoerd werd, zijne oorzaak nergens anders in had, dan dat hij de roeping Gods gehoorzaam geweest was, verlaat hij zich op dat welbehagen Gods en steunt hij op de hulp van Hem, die steeds bereid was hem te redden. Immers, hij had zichzelven niet tot Koning opgeworpen, maar van \'s Heeren wege was hij daartoe door Samuël gezalfd, welke zalving voor hem het teeken was, dat God in zijne groote genade hem daartoe verkoren had.

ocr page 80

76

En nu zegt David in het volgende vers f21): „De Heere vergold mij naar mijne gerechtigheid; Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handenquot; Bij den eersten oogopslag zou men denken, dat dit in strijd is met hetgeen door hem in de verzen 19 en 20 gezegd is ; daar heeft hij al de ontvangene weldaden uitsluitend aan het welbehagen Gods toegeschreven, hier doet hij het voorkomen, alsof zij eene vergelding zijn van zijne verdiensten.

Het is echter niet moeilijk, de overeenstemming dezer beide uitspraken aan te toonen.

Tevoren heeft David openlijk verklaard, dat. hij zich zeiven niet opgeworpen had tot hoofd van het rijk en het evenmin te danken had aan de stem des volks; maar dat hij door den raad en de leiding Gods tot die waardigheid verheven was. Het was eenig en alleen het welbehagen Gods, dat hem tot dit ambt gebracht had. Verder wijst David er op, dat hij in het waarnemen van zijn ambt getrouw en Gode gehoorzaam geweest was. Op deze beide feiten te wijzen, acht David noodig; hij wil zoowel aantoonen, dat hij zichzelven niet tot koning had opgeworpen, maar dat God, in den raad zijns welbehagens, hem, in wien Hij lust scheen te hebben, daartoe had uitverkoren; maar tevens wil hij er op wijzen, dat hij van zijne zijde met eene goede consciëntie Gode gehoorzaam geweest is en met allen ijver het ambt heeft waargenomen, waarin de Heere hem gesteld had. En al is het, dat zijne vijanden er steeds op uit waren, hem lagen en listen te spannen, teneinde hem in dat geloof te doen wankelen, toch heeft hij niet nagelaten, volstandig te loopen den weg, dien God hem in dezen voorschreef.

Uit deze korte toelichting blijkt dus ten duidelijkste, dat deze uitspraken niet met elkander strijden, maar zeer goed met

ocr page 81

77

elkander in overeenstemming te brengen zijn.

Wij voegen er nog deze opmerking aan toe. David stelt zich hier niet voor den Heere, alsof hij met eene gansch volkomene gerechtigheid bekleed ware ; evenmin gaat hij van de gedachte uit, dut, wanneer zijn leven en arbeid door God werd onderzocht, er niets op aan te merken zou zijn ; zoodat het niet anders kon, of hij moest voor rechtvaardig gehouden worden en Gode welbehagelijk zijn. Neen, daar het zijn doel is, tegenover de valsche lasteringen zijner vijanden, zijne onschuld te doen uitkomen, verklaart hij, zich in het waarnemen van zijn ambt oprecht te hebben gedragen. Hij heeft niets uit zichzel-ven genomen, maar op Goddelijk bevel is hij tot deze eere geroepen ; in eene goede consciëntie heeft hij voor God gewandeld, zich houdende binnen de perken, door God hem gesteld, ook te midden van het onrechtvaardig samenrotten ziiner vijanden.

ocr page 82

78

XXI.

„De wet des Heeren is volmaakt, bekeerende de ziele. De getuigenisse des Heeren is gewis, den onkundige wijsheid gevende. De bevelen des Heeren zijn recht, verblijdende het hart. Het gebod des Heeren is zuiver, verlichtende de oogenquot;.

Psalm 19 : 8, 9.

„De bediening des doods bestaat in letteren en (is) in steénen ingedruktquot;.

2 Cor. 3 : 7a.

E apostel doet in dit schrijven „aan de gemeente Gods, die te Corinthe isquot;, uitkomen, dat de wet een dienst des doods is; niet dat zij zulks in zich zelve is, want in haar is de gerechtigheid en dienvolgens ook het leven. Neen, zij is het met betrekking tot ons, zwakke kinderen der menschen, die niet bij machte zijn haar te volbrengen, maar integendeel, juist wel geneigd zijn haar gedurig te overtreden, zoodat wij niet anders dan den dood uit haar kunnen halen, gelijk dezelfde apostel dat schrijft, aan de gemeenten van Galatië; „Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgene geschreven is in het boek der wet, om dat te doenquot;.

Willen wij echter de beide, hierboven afgedrukte Schriftuurplaatsen met elkander in overeenstemming brengen, dan •dienen wij het verband na te gaan, waaruit Paulus in 2 Cor. 3 redeneert. Nadat Paulus er op gewezen heeft, dat de Heere een Geest is, zegt hij in vs. 6 : „De letter doodt, maar de Geest maakt levendquot;; terwijl hij er dan op volgen laat, dat de wet,

ocr page 83

79

■die in letteren bestond, dewelke in steenen waren ingedrukt, niet alleen dood is, maar zelts eene bediening is des doods, u.1. voor hen, die de wet alleen met hunne uitwendige ooren hooren. En — zoo gaat de apostel voort — als nu deze wet, alhoewel zij „eene bediening des doodsquot; was, „in heerlijkheid geweest is, zal dan niet veel meer de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn ?quot; Immers ja ; want door den Geest des Heeren wordt de hardnekkige mensch krachtig tot God bekeerd, en eerst dan, zoo zegt hij in de verzen 15 en 16 „wanneer hij tot den Heere zal bekeerd zijn, wordt het deksel weggenomen, dat op zijn hart lagquot;. Hiermede wil de apostel dus te kennen geven, dat de wet eerst dan levend en levendmakend zijn zal, wanneer zij door den Geest des Heeren, „niet in steenen tafelen, maar in vleeschen tafelen des harten\'\' geschreven wordt. „De letter wordt eerst dan levend en levendmakend, wanneer de Geest zich met haar verbindt, gelijk het — om een voorbeeld te noemen — noodzakelijk is, dat ziel en lichaam zich met elkander vereenigen, want eerst, wanneer deze beide deelen saamgevoegd worden, ontstaat een levend mensch, die, toegerust met gaven van verstand en wil. bekwaam is tot de taak des levens. Neemt men daarente-tegen de ziel van het lichaam weg, scheidt men die beide deelen, dan blijft er niets anders over dan een dood aas, dat van alle gevoel beroofd is.

Wanneer wij dit nu in het oog houden, dat de Geest van Jezus Christus met de wet moet vereenigd, gelijk de ziel met het lichaam, dan is het niet moeilijk om den lof, dien de koninklijke profeet David aan de wet toekent, waar hij in Ps. 19 zegt, dat zij „volmaaktquot; is, dat zij „den onkundige wijsheidquot; geeft, dat zij „de ziel bekeertquot;, „het hart verblijdtquot; en „de oogen ■verlichtquot;, in overeenstemming te brengen met het blijkbaar zoo

ocr page 84

80

gansch verschillend getuigenis, dat de apostel Paulus van haar aflegt, als hij zegt, dat zij „doodquot; is. Maar die samenvoeging van Geest en wet moet men dan ook in het oog houden, want scheidt men den Geest van Jezus Christus af van de wet inderdaad, dan zal zij dood blijven, dan kan de wet niets anders zijn dan eene bediening des doods en der verdoemenis. De Geest van Jezus Christus is dus het leven der wet.

Deze uitspraken van David en Paulus met elkander vergelijkende, schijnt het, alsof zij lijnrecht en op ieder punt met elkander in strijd zijn. Immers, volgens David zou de wet de ziel bekeeren, en — zij wordt door Paulus eene letter genoemd, die dood is en den dood medebrengt; zij zou het oog verlichten, en — van haar wordt gezegd, dat zij juist het licht van binnen belemmert, aangezien zij als een deksel op het hart ligt; zij zou het hart verblijden, en — aan haar wordt toegeschreven een geest van slavernij, die verslagenheid en verschrikking teweegbrengt.

Om deze schijnbare tegenspraak te kunnen verstaan, moeten wij niet uit het oog verliezen, dat Uavid hier niet alleen spreekt van de geboden Gods, maar uat hij onder den naam „Wetquot; saamvat het gansche verbond, waardoor God de Heere het zaad Abrahams tot zijn volk heeft aangenomen. En nu voegt de dichter-profeet bij den godzaligen levenswandel, dien Gods geboden eischen, ook de beloften der zaligheid, die uit zijn verbond voortvloeien ; ja, hij verbindt dien levenswandel zelfs met den persoon van Jezus Christus, in Wien toch alleen van eene „aanneming tot kinderenquot; sprake kan zijn. Dit lag echter niet in de bedoeling van Paulus\' schrijven. Laten wij niet vergeten, Paulus schreef aan de gemeente van Corinthe, in wier midden valsche leeraren waren opgestaan, die, door eene verkeerde

ocr page 85

81

uitlegging aan de wet te geven, steeds poogden haar te scheiden van de genade en den Geèst van Jezus Christus. En het is alleenlijk met het oog op die valsche uitleggers, dat de apostel zich beroept op den dienst van Mozes en dezen nader omschrijft.

Buiten allen twijfel staat het dan ook vast, dat de wet, indien zij niet levend gemaakt is door den Geest van Christus, niet alleen onnut is, maar ook, dat zij den dood medebrengt; buiten Jezus Christus is van de wet niets anders te verwachten dan eene onverbiddelijke gestrengheid, die het gansche men-schelijke geslacht onderwerpt aan den toorn en den vloek van God. En hierbij komt nog, dat er in ons overblijft eene we-derspannigheid des vleesches, die in ons ontsteekt een hardnek-kigen haat tegen God en tegen zijne wet, waaruit die harde en wreede slavernij voortvloeit.

ocr page 86

82

XXII.

„Ook wordt uw knecht daardoor klaarlijk vermaand ; in het houden van die is grnote loonquot;.

Ps. 19 : 12.

„Wanneer gij zult gedaan hebben al hetgene u bevolen is, zoo zegt: „Wij zijn onnutte dienstknechten, want wij hebben maar gedaan, hetgene wij schuldig waren te doenquot;.

Lucas 17 : 10.

1ANGEZIEN in den mensch niets gevonden wordt, dat God niet naar recht en reden het zijne zou kunnen noemen, omdat van Hem, den Vader der lichten, «Wes is afdalende, daar ligt het voor de hand, dat de Heere, welken dienst wij Hem ook bewijzen of trachten te bewijzen, zich daardoor nooit aan ons verbonden behoeft te gevoelen of de verplichting op zich laadt, ons daarvoor eenige vergelding te doen toekomen. Waar het naar waarheid is: uit Hem en door Hem zijn alle dingen, zouden wij daar mogen vergeten, dat alles ook tot Hem is ? Neen, dat mogen wij niet; alle dingen, die wii als zoovele onverdiende weldaden uit zijne milde Vaderhand hebben ontvangen, moeten wij met een dankbaar harte weer aan zijne voeten neerleggen. En daarom juist, omdat wij Hem ganschelijk toebehooren met alles, wat wij hebben en zijn, is het ten eenenmale onmogelijk, dat Hij ons iets schuldig zou zijn. Dit zal ons nog duidelijker worden, wanneer wij er slechts op letten, met welken sterken band van dienstbaarheid de mensch aan God verbonden is; een band, nog sterker dan die, waarmede een slaaf verbonden is aan zijn

ocr page 87

83

heer, die hem gekocht heeft. Uit kracht vaa deze kooping toch heeft hij zulk een onbeperkt recht op hem, dat deze slaaf als hst ware afstand van zich zeiven doet en tot zijn dood toe al zijne vermogens en krachten, arbeid en vlijt in den dienst zijns heeren moet besteden, zonder iets voor zich zeiven te mogen houden, zonder zelfs de minste aanspraak te mogen maken op eenige vergelding Indien nu zulk een onbeperkt gezag wordt toegekend aan een sterfelijk mensch en dat wel tegenover iemand, die, evenals hij, ook mensch is; hoe veel te meer zal het dan den Heere God geoorloofd zijn, den mensch geheel en al voor zich op te eischen, hoe veel meer heeft Hij dan recht op alles, wat binnen het bereik en de macht van een mensch ligt, zonder zich daardoor ook maar in het minst aan dien mensch te verbinden of zich te verplichten, hem daarvoor eenige vergelding te doen toekomen. Het is dan ook niets anders dan dwaze hoovaardij, als de mensch zich zeiven inbeeldt en wijs maakt, dat hij iets bij God zou verdienen, zoodat de Heere zich aan hem verbonden zou gevoelen. Als wij maar in het oog houden, dat ons gansche leven, van de eerste oogenblikken tot den laatsten ademtocht, Gode toebehoort en zijn eigendom is, dan zullen wij verstaan, dat het niet geoorloofd is, ook al hebben wij een deel van ons leven den Heere toegewijd, het andere deel voor ons zeiven te houden. Neen, waar het gansche leven Hem toebehoort, kan het niet anders, of gansch ons leven moet Hem gewijd zijn. Waar Hij dus volkomen recht op ons gansche leven heeft, daar mag Hij ook dat gansche leven voor zich opeischen ; en wanneer wij dan gedaan hebben al hetgene Hij ons bevolen heeft, dan is Hij zijnerzijds, krachtens het recht, dat Hij op ons heeft, niet gehouden, ons eenige vergelding te doen toekomen, terwijl wij onzerzijds nog maar onnutte dienst-

ocr page 88

84

knechten zijn, aangezien wij niets meer gedaan hebben dan hetgene wij schuldig waren te doen.

Op grond van deze uitspraak des Heeren zal een ieder onzer dus wèl doen, zich steeds voor oogen te stellen tot wat einde de Heere hem geschapen heeft, n.1. om getrouwelijk, met naarstigheid en vlijt in zijn Goddelijk beroep werkzaam te zijn, naar luid van het voorschrift: „Al wat uwe hand vindt te doen, doe dat met alle machtquot;,, en dat niet slechts nu en dan, of gedurende een zekeren tijd des levens, neen, maar tot het einde van zijn leven toe. Het woord van Paulus, in zijn eersten brief aan die van Corinthe, moet de grondtoon onzes harten tegenover den Heere zijn : ,Alles is uwe ; hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwequot;.

En toch — niettegenstaande dit alles — blijft het volkomen waar, wat de dichter in Psalm 19 getuigt, dat er eene overvloedige en rijke vergelding is weggelegd voor hen, die de wet Gods onderhouden ; zeker, „in het houden van die (wet) is groote loonquot;. Inderdaad, het is een zeer heerlijke lof, die aan de wet Gods wordt toegekend, waar gezegd wordt, dat God in haar een verbond met den mensch sluit en zich eenigszins aan ons verbindt, ons onze diensten te vergelden. Want hoewel de Heere recht heeft, van ons te vorderen, al wat de wet van ons eischt, belooft Hij nochtans een „groot loonquot; dengenen, die Hem dienen en dat — let wel! — terwijl Hij er in \'t minst niet toe verplicht is. Al is het eenerzijds volkomen waar, dat de mensch, door eigen schuld en door zwakheid des vleesches, zich de beloften Gods onnut maakt, zoodat de verst gevorderde nog oneindig ver van de volkomene gerechtigheid verwijderd blijft; en het anderzijds even vast en zeker staat, dat de

ocr page 89

85

mensch recht noch aanspraak heeft op eenig loon, tenzij dan dat hij de wet Gods volkomenlijk gehouden heeft, toch zijn deze dingen niet met elkander in strijd, maar kunnen, integendeel juist, zeer gemakkelijk met elkander in overeenstemming gebracht worden. Het eeuwige, gelukzalige leven is weggelegd voor hen, die de wet in alles vervullen, als een loon, als eene bezoldiging der werken ; terwijl niet minder de vloek der wet is uitgesproken over alle menschen ; immers, geheel de wereld ligt verdoemelijk voor God, allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden, elk en een iegelijk, zonder eenig onderscheid, is van de volkomene gerechtigheid der werken beroofd, gelijk dat door den apostel Paulus breedvoerig betoogd wordt in de eerste vier hoofdstukken van zijn brief aan de Eomeinen en in het derde hoofdstuk van dien aan de Galaten.

ocr page 90

86 XXIII.

„Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten ?quot;

Psalm 22 : 2a. Matth. 27 : 466.

„En nochtans ben ik niet alleen, want de Vader is met mijquot;.

Joh. 16 : 326.

LS wij onzen Heere Jezus Christus de roerende klacht hooren uiten; „Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten ?quot; dan is Hij gekomen aan de laatste ure van zijn bitter lijden. Zes uren lang heeft Hij, die nooit zonde gekend of gedaan heeft, als een groot misdadiger aan het vervloekte hout des kruises gehangen ; maar het is inzonderheid in de laatste drie uren, dat de smart het hevigst was ; toen toch werd de laatste bittere teug uit den bitteren lijdenskelk door den „Man van Smartenquot; gesmaakt. Door deze klacht te uiten, vraagt de groote Lijder niet om hulp of bijstand in zijne laatste benauwdheid ; neen. Hij geeft uiting aan hetgene er in zijne ziele omgaat, waar zijn Vader het aangezicht voor Hem verbergt en als een vertoornd Rechter tegenover Hem staat; thans neemt Hg den Facternaam niet op zijne lippen, maar spreekt Hem aan als zijn God. Ontzettend lijden! Een lijden niet alleen naar het lichaam, maar ook naar de ziel en dat nog wel een lijden, naar zijne volkomen heilige menschen-ziel; een lijden, waarvan wij, die door de zonden verduisterd en bezoedeld zijn, de diepte slechts bij benadering kunnen peilen ! En toch — met een minder lijden kon het geschonden recht niet hersteld worden ; wilde Hij „een God van volkomene

ocr page 91

87

zaligheidquot; zijn, dan moest Hij lijden naar lichaam en ziel, omdat de mensch, in wiens plaats Hij trad, naar beide gezondigd had. De straffen, die wij verdiend hadden, heeft Hij ook naar zijne vlekkeloos heilige ziel geleden ; aan Hem is het profetische woord vervuld : „Hij was veracht, en de onwaardigste onder de menschen, een man van smarten, en verzocht in krankheid ; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem ; Hij was veracht en wij hebben Hem niet geachtquot;. Stilstaande bij het lijden van den Zaligmaker van zondaren, mogen wij niet alleen met onze gedachten vertoeven bij de uitwendige lichaamssmarten ; inzonderheid moeten wij er aan denken, welk eene smart het voor Hem geweest is, te moeten verschijnen voor den rechterstoel van een vertoornd Rechter en dat wel, beladen met de zonden van het gansche menschelijke geslacht. En zou er voor iemand als onzen Heiland, wien alle zonden ten eenenmale vreemd waren, wel iets verschrikkelijkers kunnen uitgedacht worden, dan den toorn te gevoelen van een wrekend God ; een toorn — zóó hevig, dat hij in zijne zwaarte niet te omschrijven is en bij het verschrikkelijkste dezer aarde niet kan worden vergeleken ? God de Heere stond op dit oogenblik niet als Vader tegenover zijn Zoon ; maar als de hoogste Majesteit, die op het diepst beleedigd was stond Hij tegenover Hem, die, als Middelaar Gods en der menschen, tusschen beiden trad. Daarom verborg God zijn aangezicht voor Hem, liet Hem alleen, gaf Hem als het ware aan de verderving prijs, deed Hem met eene vreeze en schrik bevangen zijn, zoo groot, dat ieder menschen-kind er door verteerd zou geworden zijn; en toch — hoe hevig deze strijd ook was, gesteund door de wonderbaarlijke kracht des H. Geestes, is de Zone Gods niet bezweken, maar na drie bange uren als overwinnaar te voorschijn getreden; en

ocr page 92

88

toen heeft Hij der wereld bekend gemaakt, wat in die uren van volslagen duisternis geschied was, door uitte roepen „Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten ?quot; De inwendige smart, in die uren doorstaan, was zoo groot en hevig geweest, dat Hij er door deze klacht uiting aan geven moest.

Onze Heere Jezus heeft niet alleen den natuurlijken dood ondergaan, het is niet alleen geweest eene scheiding van ziel en lichaam; maar gelijk de apostel Petrus in Handelingen 2 doet uitkomen, heeft Hij ook „de smarten des doodsquot; gevoeld, door welke uitdrukking de apostel de alles te boven gaande angsten wil aanduiden, waardoor de Heiland geperst werd. Het ware veel lichter geweest, indien de Zone Gods alleen den natuurlijken dood had behoeven te ondergaan : maar dat kon niet; dan werd niet ten volle aan den eisch Gods voldaan. Wilde Hij inderdaad onze Voorbidder bij den Vader kunnen zijn ; wilde Hij zich als een Middelaar tusschen God en den menach kunnen stellen en den toorn Gods, die anders op ons zou komen, op zich laden, dan moest Hij, boven den natuurlijken dood, ook de strengheid van het gerichte Gods in al zijne kracht ondervinden ; dan moest Hij „triomfeeren over de overheden en de machtenquot; en over „de vreeze des doodaquot;, waarom dan ook in de artikelen van ons Christelijk geloof gezegd wordt, dat Hij „nedergedaald is ter hellequot;. Als wij bedenken dat Hij tallooze smaadheden, verongelijking en geweld heeft geleden; dat zijn zweet als droppelen bloeds op den grond viel; dat zijne ziel benauwd werd tot den dood toe; dat Hij als een groot misdadiger gehangen werd tusschen twee moordenaren, verlaten van God en de gansche wereld, zonder eenige hulp, gunst of vertroosting; dat Hij aan dat vervloekte hout des kruises zijn geest gegeven heeft, dragende den vloek van Gods

ocr page 93

89

oneindigen toorn, alsmede de straffen en pijnen, die wij door onze zonden verdiend hadden ; in het kort, dat Hij „een worm was en geen manquot;; als wij dat alles bedenken, dan mogen wij ge-rustelijk zeggen, dat Hij is „nedergedaald ter hellequot;, dat wij Hem door onze zonden bijna in den grond hebben doen verzinken. Onze zonden toch zijn zoo groot en zoo vele, dat wij voor Gods aangezichte niet kunnen bestaan, en verdiend hebben door zijn rechtvaardig oordeel te worden verslonden. Maar waar Hij, wien het geen roof was, Gode zijnen Vader even gelijk te zijn, vrijwillig de gestaltenis eens dienstkechts heeft aangenomen en zich in het gerichte Gods stelde, beladen met de zonden van al zijn volk, daar kon het niet anders, wilde er aan het recht voldaan worden, of Hij moest dien vollen last van Gods oneindigen toorn tegen de zonde dragen en dat niet alleen naar het lichaam, maar ook naar de ziel. Dat gerichte Gods was dan ook zoo verschrikkelijk, dat het was, alsof Hij van God verlaten was en dien vollen last des toorns op Hem persoonlijk rustte. Hoewel bij zijn doop eene stem uit den hemel van Hem getuigde: „Deze is mijn Zoon, mijn Geliefde, in denwelken Ik mijn welbehagen hebquot;; hoewel Hij zijn Vader nooit vertoornd heelt, daar alle verkeerde hartstochten Hem ten eenenmale vreemd waren en Hij de eenige is van Wien naar waarheid kan gezegd worden, dat Hij „geene zonde gekend heeftquot;, toch is Hij als de grootste der misdadigers gerekend. Immers, Barabbas is vrijgesproken, terwijl Hij veroordeeld werd en alle verzachting, die men anderen misdadigers toestond, is Hem geweigerd. Van dat gansche bittere lijden legde Hij getuigenis af, toen Hij van het hout des kruises met luider stemme riep : „Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten ?quot; Daarop ziende, behoeft het ons dan ook niet te verwonderen, dat er van Hem gezegd wordt.

ocr page 94

90

dat Hij is nedergedaald ter helle, d. w. z. dat Hij gekomen is in een afgrond van alle ellende en ongeluk. Hij heeft den dood moeten ondergaan en wat is deze anders dan de uitlating van Gods toorn, dan de bezoldiging der zonde\'? En stort men niet in een diepen afgrond, als men zich van God verlaten gevoelt; als men roept, maar geen bijstand of hulp ontvangt; als men niet anders verwacht, dan in het verderf te moeten neerzinken ?

Maar — zoo werpt men dan tegen — indien Jezus zelf nu aan het kruis met luider stemme heeft uitgeroepen, dat Hij verlaten was van zijn God en Vader; hoe kan Hij dan in Joh. 16 ; 32 getuigen, dat Hij niet alleen was, maar dat de Vader met Hem was ?

Waar het zeer ongerijmd schijnt, dat eene klacht, die van zoo groote mistroostigheid getuigt, uit den mond van den Zone Gods is uitgegaan, daar mogen wij niet vergeten, dat Hij, den dood en zijn verderf tegemoet gaande, naar het gevoelen des vleesches niet opgehouden heeft in zijn hart een vast geloof te hebben, waardoor Hij de tegenwoordigheid gevoelde van God, over wiens verlating Hij zich beklaagt. Voorzooverre het voor onze zaligheid van noode was, heeft zijne Godheid gedurende een tijd lang plaats gemaakt voor de zwakheid des vleesches, opdat, gelijk onze voorvaderen dat plachten uit te drukken, „Hij in alle deelen onze verlossing volbrengen zoudequot;. Waarbij nog komt, dat wij niet uit het oog mogen verliezen, dat er onderscheid moet gemaakt worden tusschen het gevoel der natuur en de kennis of het verstand des geloofs. Dit in het oog houdend, kunnen wij deze beide uitspraken gemakkelijk met elkander in overeenstemming brengen. Omdat Hij naar zijne men-schelijke natuur niet anders gevoelde, was Jezus Christus er in zijn gemoed van overtuigd, dat God zich van Hem vervreemd

ocr page 95

91

had, en toch hield Hij de vastigheid des geloofs, dat God Hem gunstig gezind was. Immers, dit blijkt tea duidelijkste uit het woordje „mijnquot;, waar Hij — en dat nog wel, vóór Hij gewag maakt van de verzoeking, die Hij door het schild des geloofs krachtig wederstaan heeft — roept: „Mijn God, mijn Godquot;, daarmede dus te kennen gevende, dat Hij zijne toevlucht neemt tot God, als tot zijn God. Zelfs in die hevigste benauwdheid, is het geloof Hem bijgebleven, zoodat Hij altijd, ook toen Hij klaagde van God verlaten te zijn, zijn betrouwen op den Heere stelde.

Om deze beide uitspraken met elkander in overeenstemming te brengen, zal het niet ondienstig zijn, ons zei ven af te vragen, met welke bedoeling de Heere Jezus zeide: „De Vader is met mijquot;. Laat ons nagaan, onder welke omstandigheden deze woorden door Hem gesproken zijn en in welk verband wy deze uitspraak hebben te beschouwen.

Even tevoren had Jezus tot zijne jongeren gezegd ; „Ziet, de ure komt, en is nu gekomen, dat gij zult verstrooid worden, een iegelijk naar het zijne, en gy mij alleen zult latenquot;, terwijl Hij er dan onmiddellijk op laat volgen: „En nochtans ben ik niet alleen, want de Vader is met mijquot;. Door deze bijvoeging wil Hij dus te kennen geven, dat zijn toestand in het minst niet verergeren zal, al is het ook dat de gansche wereld Hem verlaat. Zijne waarheid en zijne eer zijn gegrondvest in zijn eigen persoon en hangen dus daarvan niet af, of de wereld geloof aan Hem hecht, al dan niet; al verlaat ook de gansche wereld Hem, zoo zal Hij onveranderd dezelfde blijven ; immers. Hij is God en heeft dus niet van noode, dat eenig menschenkind Hem hulp verleenen zou. Al ware Hij dan ook van een ieder verlaten, dan nog zou God, zijn Vader, Hem bijblijven, zoodat Hij nooit iets behoefde te ontleenen aan eenig mensch.

ocr page 96

92

Die zich hiervan goed bewust ia, zal onwankelbaar vast staan in zijn geloof, al was het zelfs, dat „de aarde veranderd werd van hare plaats en de bergen verzet werden in het hart der zeequot;, ja, al was het zelfs — gelijk na de harde rede in de synagoge van Kapernaüm — dat er „velen teruggingen om niet meer met Hem te wandelenquot;. Wie niet met God alleen tevreden is, bewijst Hem de eere niet, die Hem toekomt. Want al is het waar, dat de Zone Gods, na het smaken van de bitterste teugen^ uit dien bitteren lijdenskelk, de roerende klacht geuit heeft: „Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten ?quot; m. a. w. dus, waarom heb ik uwe vertroosting moeten missen, toen ik gebogen ging onder den last van uw toorn tegen de zonde van het gansche menschelijke geslacht, evenzeer is het waar, dat zijn Vader met Hem was als een almachtig God. Ware dit zoo niet, dan zou Hij gebleven zijn onder den last des toorns tegen onze zonden en nooit zou Hij den dood hebben kunnen te niet doen. Steeds moet dan ook de gedachte verre van ons zijn, als zou de Vader ooit tegen of op Hem vertoornd zijn geweest ! Hoe zou de Vader toornig kunnen zijn op Hem, dien Hij zelf heeft uitgeroepen als zijn geliefden Zoon, in wien Hij zijn welbehagen heeft! Hoe zou Jezus Christus — indien Hij den toorn Gods om zijne eigene zonden had moeten dragen — dien toorn hebben kunnen stillen of uitblusschen ! Hoe zou Hij dan ooit bij machte geweest zijn God en mensch met elkander te verzoenen !

ocr page 97

98

XXIV.

„Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij de ooren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geëischtquot;.

Psalm 40 ; 7.

„Maar in den tweeden tabernakel ging alleen de hoogepriester, eenmaal des jaars, niet zonder bloed, hetwelk hij offerde voor zich zeiven en voor des volks misdadenquot;.

Hebe. 9 .• 7.

\'AAR luid van Psalm 40 heeft de Heere geen lust aan offeranden terwijl wij in Leviticus, in den brief aan de Hebreen en op vele andere plaatsen, zoowel des Ouden als des Nieuwen Verbonds, lezen, dat God zelve de offeranden heeft ingesteld. Laten wij trachten die-schijnbare tegenstrijdigheid op te lossen.

Geliik God den Joden de besnijdenis bevolen heeft „tot een zegel der rechtvaardigheid des geloofsquot;, teneinde hun daardoor te verzekeren en te versterken, dat God hun geloof, hetwelk zij hadden met betrekking tot het beloofde vrouwenzaad, aannam tot rechtvaardigheid; zoo had Hij hun ook verscheidene was-schingen en reinigmakingen voorgeschreven, teneinde hun daardoor hunne onreinheid en besmetting voor te stellen, terwijl Hij hun eene andere afwassching beloofde, die hen reinigen zou van alle onreinigheid en die alle besmettingen zou te niete doen. Deze andere wassching geschiedt niet. „door het bloed der bokken en kalverenquot;, maar door het bloed van Christus, Gods Zoon, die, als „de Hoogepries-

ocr page 98

94

ter der toekomende goederen, door den eeuwigen Geest, zich zeiven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, om het geweten te reinigen van doode werken en den levenden God te dienenquot;. Door zijne striemen is ons genezing geworden, want zijn bloed reinigt van alle zonden. Verder heeft de Heere onder het Joodsche volk de offeranden ingesteld, om hen voor hunne ongerechtigheid te straffen en hen te doen inzien, dat zij eene voldoening van noode hadden, die beantwoordde aan de gerechtigheid Gods; alsmede dat zij een Hoogepriester moesten hebben, die als Middelaar optrad tusschen God en den mensch en die door het offeren van zijn bloed verzoening zou teweegbrengen tusschen God en mensch. Deze Hoogepriester nu is niemand minder geweest dan de Zone Gods, onze Heere Jezus Christus, die zijn eigen bloed gestort en Gode opgeofferd heeft. Hij zelf is in eigen persoon de offerande geweest, want Hij heeft zich zeiven Gode zijnen Vader opgeofferd, door gehoorzaam te worden tot den dood, ja, tot den dood des kruises en door deze gehoorzaamheid heeft Hij de ongehoorzaamheid der menschen, waardoor zij den toorn Gods op zich geladen hadden, uitgewischt. En deze offeranden zijn niet alleen voorgeschreven in de Wet, want wij weten, dat lang eer de Wet gegeven was, de Oud-Testamen tische geloovigen offeranden geofferd hebben. „Door hetwelk zij getuigenis bekomen hebben, dat zy rechtvrardig warenquot;, gelijk dat in Hebr. 11 : 4 nadrukkelijk gezegd wordt van Abel. Zoo lezen wij ook van Abraham, Izak, Jakob, Noach, en anderen, dat zij offeranden geofferd hebben, die Gode aangenaam waren ; en dit zouden die heilige mannen natuurlijk niet gedaan hebben, zoo zij er niet verzekerd van geweest waren, dat dit Gode aangenaam was. Onomstootelljk vast staat dus, dat God de offeranden niet alleen heeft aangenomen als iets dat

ocr page 99

95

Hem welbehagelijk was; maar ook, dat zij door Hem zijn ingesteld.

Laten wij nu zien, wat David bedoelt, als hij in Ps. 40:7 zegt, dat de Heere de offeranden niet „geeischtquot;, ja, er zelfs „geen lustquot; in heeft. Door dit gezegde wil de dichter te kennen geven, dat de ware dienst van God eigenlijk niet bestaat in eenige uitwendige plechtigheden en evenmin in eene bloote onderhouding ; maar dat hij geestelijk is. De ware geloovigen komen niet, om voor het aangezicht Gods door een ijdelen en lichtvaardigen roem te offeren, overeenkomstig de ceremoniën daartoe zelve door God ingesteld ; maar zij moeten met zich brengen den zuiveren dienst des harten. In de harten van alle menschen is een gevoel van Godsdienst ingeplant, zoodat er niet één is, die zich ganschelijk en openlijk van de gehoorzaamheid aan God durft onttrekken; vandaar dan ook, dat wij gewoonlijk zien, dat het meerendeel zich langs allerlei omwegen van den Heere afwendt. Dit is de oorzaak, waarom God door hen zoo traag gediend wordt en zij als het ware den spot met Hem drijven. Het onderscheid tusschen de trouwe dienaars en deze huichelaars is dan ook hierin gelegen, dat laatstgenoemden God alleen genaken met den mond en Hem tevreden willen stellen met ijdele ceremoniën. Daaruit vloeit de klacht voort, die de Heere, bij monde van zijn knecht Jesaja, tot zijn volk richt: „Dit volk nadert tot Mij met zijn mond en zij eeren mij met hunne lippen, doch hun hart doen zij verre van mijquot;; of die, welke wij in den 50st6n Psalm vinden opgetee-kend: „Om uwe offeranden zal Ik u niet straffen, want uwe brand-offeren zijn steeds voor mij. Ik zal uit uw huis geen var nemen, noch bokken uit uwe kooienquot; ; uit welke plaatsen dus genoegzaam blijkt, dat de Heere meer eischt dan eene uitwendige

ocr page 100

96

offerande. Evenwel mag men op grond hiervan niet van de gedachte uitgaan, dat de Joden te vergeefs en zonder eenige vrucht geofferd hebben ; immers, dit ware ongerijmd en gansch bulten de waarheid, aangezien de offeranden zijn ingesteld door God zeiven, door Hem, die nooit iets onnuttelijk in het leven roept. Maar dit is de zaak : het uitwendige alleen kan den Hartenkenner niet behagen; het teeken geeft niets wanneer de zaak, die het afbeeld, gemist wordt; en al is het, dat de Heere sommige diensten bij de beoefening van den waren godsdienst volkomen goedkeurt, wanneer zij namelijk tot het goede doel en juiste oogmerk leiden, toch verwerpt Hij ze ten eenenmale wanneer men bij die teekenen zelve staan blijft. Door de teekenen heen moet men opklimmen tot de waarheid,, die er door afgemaald wordt. Zóó en niet anders is het gesteld met de ceremoniën ; wat toch is aan haar gelegen, indien wij ze aanmerken in zich zelve? Immers niets! En juist omdat zij ingesteld zijn als hulpmiddelen in den geestelijken dienst van God, betuigt de Heere openlijk, dat Hij ze niet begeert, wanneer ze tot een ander einde gebruikt worden en men uiterlijk aan haar hangen blijft. Leest slechts, hoe nadrukkelijk de Heere dit betuigt in Jer. 7, waar Hij in vs. 22 e. v. zegt, de offeranden niet te hebben geboden; of in Micha 6, waar de Heere duidelijk doet uitkomen, geen welgevallen te hebben „aan duizenden van rammen en tienduizenden van oliebekenquot;; maar dat dit het is, wat Hij van hen eischt: „recht te doen, weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met Godquot;; terwijl de Heere bij monde van den profeet Hosea getuigt: „Ik heb lust tot weldadigheid en niet tot offer, en tot de kennisse Gods,, meer dan tot brandofferenquot;. Meer nog. De Heere klaagt er niet alleen over, dat zijne offeranden door de ongeloovigen ver-

ocr page 101

97

dorven zijnde, vruchteloos zijn en dies door Hem verworpen worden; neen, Hij voegt er aan toe, dat zulke offeranden Hem een gruwel zijn en zijn toorn opwekken, gelijk dat in vele uitspraken der Heilige Schrift te zien is. Inzonderheid komt dit uit in hetgene de Heere zegt in Jes. 1 : 12 e. v. en in het 3e vers van hoofdstuk 66 : „Wie een os slacht, slaat een man; wie een lam offert, breekt een hond den hals; wie spijsoffer offert, is als die zwijnenbloed offert; wie wierook brandt ten gedenkoffer, is als die een afgod zegentquot;.

Uit alles blijkt dus voldoende, dat de offeranden door God zeiven zijn ingesteld ; maar ook, dat ze Hem alleen aangenaam zijn, wanneer ze voortkomen uit een rein hart en ware toewijding. En dit ligt ook voor de hand. Hij, de Heilige kan zich niet tevreden stellen, gelijk een mensch dat menigmaal doet, met ceremoniën en hare uitwendige onderhouding; Hij, de Alwetende, ziet niet slechts aan, wat voor oogen is, maar eischt den inwendigen, den geestelijken dienst des harten. Daarom dan ook roept de Opperste Wijsheid zoo ernstig waarschuwend: „Mijn zoon! geef mij uw hart, en laten uwe oogen mijne wegen bewarenquot;. Hij vraagt het hart, want „God is een geest en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheidquot;.

ocr page 102

98

XXV.

„Waak op, waarom zoudt Gij slapen, Heere?quot;

Ps. 44 : 24(i.

„Zie, de bewaarder Israels zal niet sluimeren, noch slapenquot;.

Ps. 121 : 4.

EZE spreuk uit een der liederen Hamaaloth is alleszins eene ernstige overweging waardig. Zij toch zegt ons, hoe God een bewaarder en beschermer van de geloo-vigea wil zijn en dat wel in die mate, dat er met betrekking tot hen in het slotvers getuigd wordt: „De Heere zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheidquot;. Nu gebeurt het echter menigmaal, dat zij, bij wie geen twijfel rijst aangaande de macht van God. en die vast staan in het geloof: „God kan, wat Hii wilquot;, juist geene zekerheid hebben en twijfel gevoelen inzake den wil van God. Uit dien hoofde is het zoo goed, dat er steeds met nadruk op gewezen worde, dat het niet voldoende is, God alleen macht toe te kennen, maar daarbenevens eene Vaderlijke zorg en eene voortdurende waakzaamheid. De geloovigen mogen zich God den Heere dan ook niet anders voorstellen, dan als hun eeuwigen Beschermer, die van oogenblik tot oogenblik voor hunne zaligheid waakt; met vaste zekerheid en stil vertrouwen moeten zij in zijne goddelijke voorzienigheid berusten. Nu moeten wij ons hierbij echter voor twee klippen wachten ; eenerzijds voor die, waarop de secte der Epicureën gestrand is, welke alle vreeze en eerbied jegens God uitbluscht door te leeren, dat Hij in het minst geene zorg voor de wereld draagt; maar ook dan, wanneer

ocr page 103

99

men vast staat in het geloof, dat God zijne zorg wèl over de wereld laat gaan, zij men op ziine hoede, zich daarvan geene verkeerde gedachte te maken, als zou dit eene bijzondere zorg met betrekking tot de geloovigen uitsluiten. Volgens de meening der Epicureën verkeert het menschelijke gemoed steeds in het onzekere en wordt het door een voortdurenden angst gedreven. Inderdaad, zoolang de zekerheid van deze goddelijke bewaring en vaderlijke zorg niet diep in het harte is ingedrukt, kan men God niet ernstig noch met eene oprechte en krachtige genegenheid des harten aanroepen.

En toch — hoe waar dit alles is — menigmaal wordt in •de Heilige Schrift, en voornamelijk in het Boek der Psalmen, de klacht geuit: „Waak op, waarom zoudt Gij slapen, Heere ?quot; lt;Ps. 44 : 24a) of, gelijk in Psalm 13: „Hoe lang Heere, zult Gij mij steeds vergeten ? Hoe lang zult Gij uw aangezichte vour mij verbergen ?quot; Deze klachten evenwel vloeien uit niets anders voort, dan uit ons vleeschelijk gevoel, dat ons alzoo spi\'e-ken doet en de gedachte in ons wekt dat God slaapt, wanneer Hij niet openlijk zijne gerichten ten uitvoer legt. Wanneer wij in druk verkeeren en ons gebed om verlichting niet aanstonds verhoord wordt, dan meenen wij, dat God in slaap gevallen is, en toch is dit zoo niet. En al is het volkomen waar, dat onze Vader, die in de hemelen woont, het in zijne ondoorgrondelijke goedheid toelaat, dat wij als kinderen in onze gebeden stamelen en zulke klachten voor Hem uitstorten, toch moeten wij er in onze harten steeds van verzekerd zijn, dat zijne Vaderlijke zorg gaat over alles, dat Hij, Wiens oogen de gansche aarde doorloo-pen en voor Wien niets verborgen of bedekt is, maar alles naakt en geopend ligt, waakt voor onze tijdelijke en eeuwige belangen. Maar juist de traagheid onzes harten is oorzaak, dat

ocr page 104

100

■wij zoo menigmaal geen oog hebben voor de goede zorgen, waarmede de Heere ons omringt. Den geloovige is niets aangenamer, dan dat de Heere door daden het bewijs levert, dat Hij slaapt noch sluimert en het steeds duidelijk blijkt, dat er niets aan zijn alziend oog ontgaat. Doch al worden deze daden niet gezien, ja, al schijnt het dat de Heere zich anders houdt, dan nog zij een ieder in zijn gemoed ten volle verzekerd, dat het goddelijke oog op de geloovigen rust. En juist omdat deze verzekerdheid niet uit den vleesche, maar uit het geloof is, komi hei zoo menigmaal voor, dat zij God van het tegendeel verdenken en van de gedachte uitgaan, dat zijn oog niet op hen rust. Alle nevelen van donkerheid moeten uit het harte worden weggevaagd, opdat de zonne des geloofs met des te meer helderheid en kracht hare stralen daarin kan nederzenden.

ocr page 105

101

XXVI.

„Gij zijt veel schooner dan de menschenkinderen; genade is uitgestort in uwe lippen ; daarom heeft u God gezegend in eeuwigheidquot;.

Psalm 45 : 3.

„Hij had geene gedaante noch heerlijkheid; als wij hem aanzagen, zoo was er geene gestalte, dat wij hem zouden begeerd hebbenquot;.

Jesaja 53 : 26.

den 45sten der PsalmeD is sprake van koning Salomo. De dichter bezingt datgene, wat met betrekking tot dezen vorst waard is, aangemerkt te worden. Hij blijft echter niet bij Salomo staan. Neen, achter Salomo staat Jezus Christus; de laatste is als het ware in den eerste verborgen ; langs den aardschen koning klimt hij op tot Hem, die de Koning der koningen is. De dichter bezingt de schoonheid des aangezichts van een koning en deze gedachte bezielt hem bij de vervaardiging van dit lied. Niet dat hij van deze gedachte uitgaat, omdat de schoonheid „op en voor haar zelvequot; zoo hoog geacht moet worden ; onder de rij der deugden is voor haar niet eens plaats; de oorzaak hiervan moet dan ook elders gezocht worden en ligt in het feit, dat het getuigenis van eene goede en edele natuur menigmaal gegeven wordt door de uitdrukking van het gelaat. Zoo heeft men voorzeker uit de uitdrukking .van Salomo\'s gelaat kunnen opmaken, dat hem heerlijke gaven toebedeeld waren. Het zou ons echter te ver voeren, indien wij alle andere deugden en gaven, waarvan in dezen Psalm sprake is, verklaren wilden; het is ook niet noodig, want

ocr page 106

102

-wat met betrekking tot de schoonheid moet getuigd worden, geldt voor elke vergelijking, die in dit lied gemaakt wordt tusschen Salomo en Christus : alles, wat in Salomo aanwezig is, wordt bij Jezus Christus overvloediger en volmaakt aangetroffen. De schoonheid, die afstraalde van het aangezicht van „den meerdere dan Salomoquot;, was veel overvloediger. Wij weten dan ook, hoe in dien on-zondigen en heiligen menschgeworden Zone Gods zich alle gaven vereenigden en hoe Hij daarmede vervuld was verre hoven alle andere kinderen der menschen.

En waar wij nu met betrekking tot dien meerdere dan Salomo in de rollen van den grooten profeet Jesaja lezen, dat Hij „geene gedaante noch heerlijkheidquot; had, is natuurlijk de gedachte ten eenenmale buitengesloten, als zou de profeet Hem de heerlijkheid willen ontnemen, die Hij had bij zijn Vader van vóór de grondlegging der wereld. Verre zij dezs gedachte\'. Neen, in dat 53ste hoofdstuk van zijne profetie beschrijft Jesaja ons den Zone Gods als den „lydenden Knecht des Heerenquot;, als „den Man van Smartenquot;, die vrijwillig deze heerlijkheid heeft afgelegd en op aarde omgewandeld heeft zonder gedaante of heerlijkheid, veracht en als de onwaardigste onder de menschen, zoodat een iegelijk voor Hem het aangezicht verborg. En dat Hij, die het zich geen roof achtte, Gode Zijn Vader in alles — en dus ook in heerlijkheid — even gelijk te zijn, zóó op aarde verscheen, was eenig en alleen ten behoeve van hen, die Hij, als de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, tot heerlijkheid brengen zou. O, wondere liefde! Als men Hem aanzag, was er geene gestalte, dat men Hem begeerd zou hebben ; Hij, wien alle zonde en dus ook alle gevolgen der zonde ganschelijk vreemd waren, werd verzocht in krankheden ; Hij, die rechtvaardig was, stond in het gerichte Gods, beladen met den vloek

ocr page 107

103

en de achuld van onrechtvaardigen; om hunne overtredingen werd Hij verwond; om hunne ongerechtigheden is Hij verbrijzeld ; de straf, die hun den vrede aanbrengt, was op Hem en door zijne striemen is hun genezing geworden. En juist om dat grootste aller wonderen te bewerken, is Hij in alles — uitgenomen de zonde — zijnen broederen gelijk geworden; daartoe juist heeft Hij vrijwillig zijne heerlijkheid afgelegd ; doch slechts voor een tijd, slechts gedurende de dagen zijner omwandeling op aarde. Immers, toen Hij alles volbracht had, is Hij uit eigen kracht opgevaren ten hemel en, gezeten aan de rechterhand van zijn God en Vader, geniet Hij daar eene heerlijkheid, gelijk nooit met een oog aanschouwd of met een oor gehoord is, waarvan de gedachte zelfs niet in het hart van eenig menschenkind ooit is opgeklommen. De glorie van Christus mag dan ook niet beoordeeld worden naar het uiterlijke aanzien van den mensch; met een geloovig harte moeten wij aannemen wat de Heilige Schrift ons van Hem leert.

En waar Jesaja zegt, dat Hij „geene gedaante noch heerlijkheidquot; had, daar mag dit niet alleen betrokken worden op den persoon van Christus, die in de wereld veracht is geweest en eindelijk overgegeven werd tot den smadelijken en schandelijken dood des kruises; neen, het geldt ook van zijn Koninkrijk. Zijn rijk, dat naar luid van zijne eigene getuigenis — niet van deze wereld was, had geene gedaante of heerlijkheid, noch eenigen schijn van schoonheid in de oogen der menschen, en, als zij het oog er op richtten, ontdekten zij geen enkel sieraad, waarom zij het begeerd zouden hebben. Immers, zelfs toen Jezus uit den dood was opgewekt, beschouwden de Joden Hem nog als iemand, die schandelijk gekruisigd was, wat de apostel Paulus zoo duidelijk uitspreekt, als hii in zijn eersten Corintherbrief schrijft :

ocr page 108

104

„Doch wij prediken Christus, den gekruisigde, den Joden wel eene ergernis, en den Grieken eene dwaasheidquot;. (1 Cor. 1 ; 23.)

XXVII.

„Ik heb wel gezegd: Gij zijt Goden; en gij zijt allen kinderen des Allerhoogstenquot;.

Ps. 82 : 6.

„En dit is het eeuwige leven, dat zij IJ kennen, den eenigen waarachtigen God, en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebtquot;.

Joh. 17 : 3.

1ANGEZIEN het ware geloof verre is van alle IJdele inbeeldingen en verkeerde meeningen, kent het zeer terecht niet anders dan „den eenigen waarachtigen Godquot;. Hierin onderscheidt zich juist het ware geloof; want al is het waar, dat alle menschen gedwongen ■worden te belijden, dat er eene hoogere macht is, toch zijn velen zoo zeer verbijsterd in hun verstand, dat zij de ijdele en lichtvaardige meening zijn toegedaan, als zou God de Heere aan hun •eigen goeddunken onderworpen zijn, zoodat zij datgene voor •eene godheid zouden kunnen houden, wat zij zelve wilden. Het geloof daarentegen, rustende op de waarheid Gods, kent ■God den Heere, gelijk Hij is, en is verzekerd van zijne gerechtigheid, wijsheid en goedheid, ja, van al zijne volmaaktheden. Dat geloof gaat niet buiten de perken, door God zei ven gesteld; het maakt den mensch niet vreesachtig, integendeel, het doet hem

ocr page 109

105

gerust en in stil vertrouwen op zijn Woord leven en stelt hem in staat, de sprake, die hem uit dat Woord tegenkomt, te onderscheiden van alle valsche, menschelijke meeningen. Zelfs de Turken belijden, dat er maar één eenig God is, Schepper van hemel en van aarde, en houden alle beelden voor een gruwel, voornamelijk die, welke gemaakt zijn met de bedoeling, God af te beelden ; te dien opzichte staan zij dus op veel hooger standpunt dan de Roomschen. Maar omdat de Turken zich van hun God eene opvatting gevormd hebben naar eigen goeddunken en niet naar de openbaring, waaronder het den Heere behaagd heeft, zich in zijn Woord aan de kinderen der menschen bekend te maken, dienen zij, in plaats van „den eenigen waarachtigen Godquot; een afgod. De Joden gaan nog verder. Zij belijden niet alleen, dat God de Schepper van hemel en van aarde is ; maar erkennen Hem ook als dengene, die zich door Mozes en de andere profeten aan zijn volk geopenbaard heeft. En toch — omdat zij zoozeer aan de ceremoniën en uiterlijke plichtplegingen blijven hangen, zonder door dat alles heen te zien op het doel, waartoe deze ingesteld zijn; omdat zij de geopenbaarde waarheid verwerpen door te blijven staan bij de uiterlijke plechtigheden, is God voor hen niets anders dan eene dwaze inbeelding en een ijdele droom. Nog weer verder gaan de Roomschen. Zij aanbidden dien God, die den hemel en de aarde geschapen heeft, die zich openbaart in zijn Woord en bij monde van zijne profeten gesproken heeft, die de Vader van den Heere Jezus Christus is. In deze hunne belijdenis ligt een schoone schijn van zuiverheid, te meer nog, daar zij zelfs gelooven aan de waarachtige Godheid en menschheid van den Christus. Toch is het slechts schijn; bij lange na staan de Roomschen niet zuiver in hunne belijdenis; integendeel, zij ontnemen er juist de

ocr page 110

106

kracht aan. Als wij bedenken, dat zij den vrijen wil en de verdienstelijkheid der goede werken voorstaan en valsche leeraars zijn met betrekking tot den dienst van God, de voldoening, de voorbidding, de gebeden van afgestorvene heiligen, dan vragen wij toch in allen ernst: Wat laten zij dan voor Christus over ? Inderdaad, zeer weinig.

„Dit is het eeuwige leven, dat zij ü kennenquot;, zoo getuigt Johannes, en juist omdat de kennis van Jezus Christus de hoofdsom van den waren godsdienst is, moet te allen tyde daarop het oog gericht zijn, zoo men veilig gaan en niet op de eene of andere klip stranden wil. Allen, die dat baken uit het oog verliezen, zullen stranden op de klip van afgoderij ; in plaats van God te beschouwen als den eenige en waarachtige, zullen zij met gans\'ch andere gedachten omtrent Hem bezield zijn.

Het getuigenis des Heiligen Geestes, bij monde van den evangelist Johannes, staat dan ook onwrikbaar vast: God is waarachtig; en alleen het geloof is bij machte, dien God te onderscheiden van alle ijdele verdichtselen der menschen. Wanneer men Hem door het geloof met eene vaste verzekerdheid omhelst, zal men te dien opzichte struikelen noch vallen; en in het vaste bewustzijn, dat er niets onvolkomen aan Hem is, zal men met Hem ganschelijk tevreden zijn.

Nu komen er in de Schrift verschillende personen voor, aan wie God zijn naam heeft medegedeeld, die dus ook „Crodewquot; genaamd worden, zooals dit in Psalm 82 b.v. het geval is met de rechters en koningen der aarde. Natuurlijk dragen zij dien naam niet, omdat er zich in hen iets van God ot het Goddelijke wezen afspiegelt, maar eenig en alleen, omdat God gewild heeft, dat in deze hunne waardigheid zich een teeken van zijne Majesteit zou openbaren, teneinde den mensch tot eene heilige gehoor-

ocr page 111

107

zaamheid te brengen; daardoor toch zou hij inzien, dat de rechters niet op hunne stoelen gezeten zijn in eigen naam en eigen macht, maar in den naam en de macht van God, die de opperste Rechter en Bestuurder van allen is en een Beschermer van zijne gerechtigheid. In en van zichzelven hebben zij dan ook niets, waarop zij zouden kunnen roemen : hunne waardigheid hebben zij niet van zichzelven; leven en dood staat niet in hunne macht; zij kunnen evenmin hun leven verlengen als zich vrij waren tegen den dood ; daarom staat er dan ook in het vers, dat onmiddellijk op het onze volgt: ,Nochtans zult gij sterven als een mensch; en als een van de vorsten zult gij vallenquot;. Duidelijk moeten de rechters der aarde inzien, dat hun roem ijdel is en zij bedrogen uitkomen, wanneer zij een schild maken van hunne waardigheid. Waar God hen in zijne plaats heeft aangesteld en zij als het ware zijne „Stedehoudersquot; zijn, daar heeft Hij nochtans de heerschappij niet overgegeven, die Hem toekomt. Zij moeten zich hunner zwakheid zóó bewust zijn, dat zij hun ambt met vrees en zorg ten uitvoer leggen. Hoewel zij met zulk eene macht gewapend zijn, dat zij de wereld regeeren, „nochtans zullen zij sterven als een menschquot;. (vs. 7)

Uit dien hoofde worden ook de engelen „Godenquot; genaamd, omdat door hen de menschen met de glorie Gods verlicht zijn. De koninkrijken, of welken anderen vorm van regeering men zou willen noemen, zijn niet bij geval ontstaan of door eenig mensche-lijk goedvinden tot stand gebracht; neen, hunne instelling berust op den wille Gods. Zijn wil was het, dat er over ons eene burgerlijke overheid gesteld zou zijn, teneinde ons naar recht en door wetten te leiden en te regeeren. Krachtig is dit door den apostel Paulus beleden, als hij in het 13e hoofdstuk van zijn brief aan de Romeinen verklaart: „Alle ziel zij den machten, over haar ge-

ocr page 112

108

steld, onderworpen ; want er is geene macht dan van God, en de machten, die er zijn, zijn van God verordineerd; alzoo dat die zich tegen de macht stelt, de ordinantie Gods wederstaat; en die ze wederstaan, zullen over zichzelven een oordeel halenquot;. Op eene andere plaats (in zijn brief aan de Colossensen) doet de apostel dit uitkomen met betrekking tot de engelen, waar hij ze „machtenquot;, „heerschappijenquot;, „overhedenquot; noemt ; wat natuurlijk niet zeggen wil, dat zij de bevoegdheid bezitten over eenig koninkrijk te heerschen of eene bijzondere macht uit te oefenen, maar dat zij dienaars zijn van de Goddelijke heerschappij en macht. Dat zij dus den naam van „Godenquot; dragen, vindt eenig en alleen zijn grond daarin, dat God de Heere hun iets heeft medegedeeld van de heerschappij en macht, die Hem toekomt. Hij alleen is de Heere en Vader van allea; en zij, aan wie Hij deze eer wil mededeelen, worden „Heerenquot; en „Vadersquot; genoemd.

Allea wat wij dus hierboven gezegd hebben, mag niet anders dan in dien zin genomen worden, dat daardoor aan de eere Gods niet in het minst te kort gedaan wordt; duidelijk moet het ons steeds voor oogen staan, dat de alvermogende kracht des Heeren niet het minste of geringste verkleind wordt, doordat Hij er iets van aan zij tie schepselen mededeelt; evenmin wordt zijne eer verduisterd, doordat er iets van in den mensch afstraalt.

De Heere, en Hij alleen, is de „eenige waarachtige Godquot;; er is maar één eenig Goddelijk wezen, welk wezen niet aan anderen kan worden medegedeeld, gelijk wij dat zoo duidelijk lezen kunnen in de rollen van den profeet Jesaja (42 : 8); „Ik ben de Heere, dat is mijn naam ; en mijne eere zal Ik geenen anderen geven, noch mijn lof den gesnedenen beelden.quot; Nochtans zijn er velen, die Goden genaamd worden, omdat zij van

ocr page 113

109

Godswege geroepen en aangesteld zijn, om zijne dienaren te zijn in de regeering der wereld, gelijk Paulus dat zoo nadrukkelijk verklaart, als hij in Rom. 4 :13 zegt, dat de macht, die over ons gesteld is, „ Gods dienaressequot; is.

XXVIIL

„Gij hebt voormaals de aarde gegrond en de hemelen zijn het werk uwer handen. Die zullen vergaan, maar Gij zult staande blijven, en zij alle zullen als een kleed verouden. Gij zult ze veranderen, als een gewaad, en zij zullen veranderd zijnquot;.

f\'s. 102 : 26, 27 verg. m. Hebr. 10 : ll, 12.

„Het eene geslacht gaat en het andere komt, maar de aarde staat in der eeuwigheidquot;.

Pred. 1 : 4.

LS in „de woorden van den Prediker, den zoon van David, den koning te Jeruzalemquot; gezegd wordt „de aarde staat in der eeuwigheidquot;, dan wordt dat gezegd met betrekking tot den mensch, opdat zijne ijdelheid bestraft en zijne hoovaardij vernederd zou worden. „Het eene geslacht gaat en het andere komtquot;, en als woonplaats voor die op elkander volgende geslachten zal de aarde blijven bestaan tot aan het einde der dagen, wanneer er geen tijd meer zijn zal. De tijden hebben hun geregelden omloop en in regelmatige orde volgen de nachten op de dagen; en al is het, dat er menigmaal wonderbaarlijke veranderingen in de natuur plaats

ocr page 114

no

grijpen, nochtans gaat daardoor de aarde niet onder noch verandert zij hare plaats. Laten „de rivieren haar bruisen en hare aanstooting verheffenquot;, laten „de groote wateren en de geweldige baren der zeequot; woeden, alsof zij alles zouden vernielen en verslinden, „de Heere in de hoogte is geweldigerquot; (Pa. 93) en Hij „heeft de aarde aan de menschenkinderen gegeven, (Ps. 115: 16) opdat zij daarop wonen zouden, en hun telken jare vruchten voortbrengen zou. Daarin schittert ons juist de heerlijkheid tegen van Hem, die den hemel heeft tot zijn troon en de aarde tot eene voetbank zijner voeten; daarin straalt ons juist de wondere goedheid tegen, die de hooge en heilige God betoenen wil aan het nietige en zondige geslacht der menschenkinderen. Waar wij toch belijden, dat zoowel de aarde als de zee uit zijne scheppende hand is voortgekomen, daar moet deze belijdenis ons toch de vraag op de lippen leggen, vanwaar het komt, dat de aarde zoo verre boven de zee uitmunt; en dan kan het antwoord niet anders zijn, dan dat dit eenig en alleen daaruit voortvloeit, dat God den mensch eene geschikte en genoegelijke woonplaats heeft willen bereiden. Zelfs de wijsgeeren moeten het toestemmen, dat, aangezien het water boven de aarde ia, het tegen alle ordeningen der natuur ingaat, dat er nog eenige plaats op aarde droog blijft en deze alzoo bewoond kan worden. Vanwaar dan dit wondere verschijnsel ? De vrome man uit het land van Uz zegt het ons zoo duidelijk (Job 28 ; 11): „De Heere bindt de rivieren toe, dat niet een traan uitkomtquot;, \'tls God de Heere, die de krachtige en geweldige golven tegenhoudt, zoodat door hare wateren de aarde niet overstroomd wordt; door zijne alvermogende kracht wordt het geweerd, dat de toestand van verwarring aanschouwd wordt, gelijk gezien ia ten dage van den zondvloed, toen „de wateren de overhand hadden boven de aardequot;.

ocr page 115

Ill

Even onwrikbaar staat echter vast, wat wij in Psalm 102 lezen, waar in vs. 27 gezegd wordt, dat hemel en aarde zullen vergaan.

Niet de minste tegenspraak is er, wanneer de woorden van den Prediker vergeleken worden met die van den dichter.

Gelijk wij aantoonden, beschouwde de eerste de aarde met betrekking tot den mensch, de laatste in verband met God, wat duidelijk blijkt uit hetgeen onmiddellijk op zijne uitspraak volgt, n.1. „Gij zult staande blijvenquot;, „Gij zijt dezelfde en uwe jaren zullen- niet veranderd wordenquot;. Wanneer wij de aarde uit dat oogpunt beschouwen en haar vergelijken met God, die van eeuwigheid tot eeuwigheid bestaat, dan is zij slechts voor een tijd en bestemd om te verdwijnen; immers, zoo schrijft Paulus aan de gemeente Gods, die te Corinthe was : „De gedaante dezer wereld gaat voorbij.quot; Wilden wij den duur van hemel en aarde met onzen leeftijd vergelijken, welk een ouderdom zouden wij hun dan niet moeten toeschrijven. Ons leven gaat, neen, het vliegt daarhenen ; wij brengen onze jaren door als eene gedachte ; zij zijn gelijk aan een stroom, aan een slaap, aan het gras, dat in den morgenstond nog sierlijk pronkt, maar des avonds reeds afgesneden en verdord is. Hoevele eeuwen zijn er reeds verloopen sinds de hemelen door dat woord van Goddelijke almacht in het aanzijn geroepen werden, en steeds zijn ze onveranderd dezelfde gebleven ! Hoevele geslachten der menschenkinderen zijn elkander reeds opgevolgd, sinds de aarde op hare grondvesten nederzonk, en steeds heeft ze nog haar vasten stand! Geen ouderdom, maar ook geen sieraad, hoe schoon het zijn moge, zullen bij machte zijn, den ondergang van hemel en aarde tegen te gaan ; hemel en aarde zullen vergaan, in dien zin namelijk, dat deze gedaante zal voorbijgaan ;

ocr page 116

112

zij zullen veranderd worden; al is het dan ook, dat zij niet te niete zullen gedaan worden, toch zal er eene groote verandering plaats grijpen, want naar het woord van Paulus zal het sterfelijke onsterfelijkheid en het verderfelijke onverderfelijkheid aandoen. In Rom. 8 drukt de apostel het nog anders uit; daar zegt hij : „Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar om diens wille, die het der ijdelheid onderworpen heeft; op hope, dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. Want wij weten, dat het gansche schepsel te zamen zucht en te zamen als in barensnood is tot nu toequot;. Van die ontzettende verandering gewaagt ook de apostel Petrus in zijn tweeden brief, als hij in hoofdstuk 3 schrijft: „De hemelen zullen met een gedruisch voorbijgaan, de elementen zullen branden en vergaan, en de aarde, en de werken die daarin zijn, zullen verbrandenquot;. De oorzaak van deze volkomene en groote verandering moet gezocht worden in den hof van Eden; daar viel de mensch van zijn God af, en sleepte in zijn val de gansche wereld met zich ten verderve.

ocr page 117

113

XXIX.

„Het heil is verre van de goddeloozen, want zij zoeken uwe inzettingen nietquot;.

Ps. 119 : 155.

„Want ik ben niet gekomen, om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekeeringquot;.

Matth. 9 ; 136.

ANNEER er in het Mattheüs-evangelie gesproken wordt van „rechtvaardigenquot;, en daar tevens door den Heiland verklaard wordt, dat Hij niet gekomen is, om hen te roepen, daar moeten wij ons eerst duidelijk voor oogen stellen, van welke „rechtvaardigenquot; hier sprake is. Men moet wel onderscheiden tusschen die rechtvaardigen, die, in goeder consciëntie, doen wat zij kunnen om, in gehoorzaamheid aan den Heere, overeenkomstig zijne gerechtigheid te leven, die daarom met den apostel „alle dingen schade achten te zijn, om de uitnemendheid der kennisse van Christus Jezus hunnen Heerequot;, en die hunne eigene gerechtigheid niet achten dan „schade en drekquot; te zijn. Gan-schelijk van dezen verschillend, zijn die rechtvaardigen, waarvan in Matth. 9 sprake is. De Heiland heeft hier het oog op diegenen, die ■ zoözeer tevreden zijn met hunne eigene gerechtigheid, dat zij daaraan genoeg hebben en geene begeerte in zich gevoelen tot de genade en de goedertierenheid Gods en evenmin tot meerdere gerechtigheid. Blijkens het verband, zegt Jezus deze woorden dan ook tot de Pharizeën, die zoo rechtvaardig waren in eigen oog en ook nu weer niet begrijpen konden, dat „in het huis van Mattheüs vele tollenaars en zon-

ocr page 118

114

daars kwamen en aanzaten met Jezus en zijne discipelenquot;. Hunne hoovaardij en geveinsdheid, hunne opgeblazenheid en trots wil de Heiland eene gevoelige les geven. Maar meer nog. De Heere Jezus wil hier tevens duidelijk doen uitkomen, dat de genade van den Zone Gods niet over den mensch komen zal, tenzij dan dat deze zich eerst van zijne zonden bewust wordt en onder den zwaren last als gebogen gaat, zoodat hij uitgedreven wordt tot Hem, die juist op aarde gekomen is, om te zoeken en zalig te maken, wat verloren is, tot Hem, die zoo liefelijk noodigt; „Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en ik zal u ruste gevenquot;. Voorts ligt er in deze uitspraak van den Heiland nog een woord van bemoediging voor de zwak geloovigen ; immers, als zij gebogen gaan onder het knellende juk der zonden en meenen mochten, dat hunne zonden te groot zouden zijn om vergeven te worden, dan klinkt hun dat woord van den Zaligmaker van zondaren zoo bemoedigend tegen: Ik ben gekomen om zondaars tot bekeering te roepen. Ja, dat was het doel van zijne komst in het vleesch; daartoe verliet Hij die heerlijkheid, die Hij bij zijn Vader had van voor de grondlegging der wereld; daartoe wandelde Hij, die Gods eenige en geliefde Zoon was, in de gestalte eens dienstknechts rond op deze lage en om der zonde wille vervloekte aarde.

Als — zoo schijnbaar ganschelijk in tegenspraak daarmede — de dichter van den 119en Psalm nu verklaart, dat het heil verre is van de goddeloozen, dan is deze tegenstrijdigheid ook weer niets dan schijn, wat duidelijk blijken zal, als wij slechts letten op de tweëerlei beteekenis van „zondaarquot;. In de Heilige Schrift, en voornamelijk in het boek der Psalmen, wordt het woord „zondaarquot; menigmaal in dien zin genomen, dat het iemand te ken-

ocr page 119

115

nen geeft, die door zijne hardnekkigheid zich in het kwade verhardt en door zijne hoovaardij al de weldaden Gods verwerpt; die — in één woord gezegd — in zyn roekeloos en goddeloos leven de teekenen van zijne verwerping draagt. Van zoo iemand kan dan ook terecht gezegd worden, dat de waarheid verre van hem is, omdat hij Jezus Christus verworpen heeft, die de Bron en oorzaak der zaligheid is. Niet alle menschen zullen zalig worden ; neen, van de goddeloozen, die zich verharden, is het heil verre, want Hij is gekomen om zondaren, d. w. z. dezulken, die gebogen gaan onder den last der zonden, wien de zonden van harte leed geworden zijn en die in Hem verzoening zoeken, te roepen tot bekeeiing. Wat daartoe noodig was, is door Hem volbracht; in zijn bloed is er verzoening voor de grootste der zondaren ; maar dit mag den mensch niet roekeloos en zorgeloos maken, zoodat hij in de zonde blijve; de gedachte, dat Jezus Christus alles en volkomen betaald heeft, mag geene oorzaak tot voeding en onderhouding der zonde zijn; integendeel, juist daardoor moet de mensch opgeleid worden tot een godzalig leven en vromen wandel. De Zoon verzoent ons met den Vader; maar, omdat Hij ons Gode kocht tegen den duren prijs van zijn dierbaar bloed, moeten wij ook, naar luid van Rom. 12 : 1, onze lichamen stellen „tot eene levende, heilige en Gode welbehagelijke offerandequot;, want — zoo schrijft Paulus aan zijn rechtgeaarden zoon Titus — „de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle menschen en onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereld-sche begeerlijkheden verzakende, matiglijk en rechtvaardiglijk en Godzaliglijk leven zouden in deze tegenwoordige wereldquot;. Maar — waar geene bekeering is, daar is ook geene zaligheid.

ocr page 120

116

XXX.

„Welgelukzalig is een iegelijk, die den Heere vreest, die in zijne wegen wandeltquot;.

Ps. 128 : 1.

„Er is in de liefde geenevreeze, maar de volmaakte liefde drijft de vreeze buiten, want de vreeze heeft pijn, en die vreest, is niet volmaakt in de liefdequot;.

1 Joh. 4 : 18.

R bestaat tweeërlei „vreezequot; ; de eerste is eene kinderlijke vreeze, welke gevonden wordt bij de uitverkorenen Gods; zij vloeit voort uit het geloof, dat ons de tegenwoordigheid Gods doet aannemen. En nu is het wel waar, dat deze aanneming steeds met vreeze gepaard gaat, maar deze vreeze is niet zonder vertroosting, gelijk dat zoo krachtig door den koninklijken harpzanger in Psalm 5 beleden wordt, als hij zegt: „Maar ik zal door de grootheid uwer goedertierenheid in uw huis ingaan ; ik zal mij buigen naar het paleis uwer heiligheid, in uwe vreeze.quot; De goddeloozen gevoelen ook vreeze en verschrikking voor de tegenwoordigheid Gods. Dit is de tweede soort van vreeze, maar het is de ware niet; zij drijft hen niet uit tot God, waarom David dan ook in dienzelfden Psalm getuigt: „De booze zal bij u niet verkeeren, de onzinnigen zullen voor uwe oogen niet bestaanquot;. Wilt gij een voorbeeld, waarin duidelijk het onderscheid wordt waargenomen tusschen de vreeze der vromen en die der goddeloozen, gaat dan met uwe gedachten terug naar het graf van Jozef van Arimathea, waarin het lichaam van den Heere Jezus gelegd was, en roept u dat oogen-blik voor den geest, waarop de Yorst des levens uit het graf

ocr page 121

117

verrijst. Freeze greep zoowel de soldaten aan, die de wacht moesten houden, als de vrouwen, die gekomen waren om het lichaam van den Geliefde te balsemen. En toch — welk een onderscheid moet er gemaakt worden tusschen beider vreeze. Die krijgsknechten, zoo verhard in den dienst van het Romein-sche leger, zoo gewend aan tooneelen van allerlei aard, zijn door dit buitengewone verschijnsel zóó door vreeze bevangen en van schrik overwonnen, dat zij „werden als doodenquot;. Evenzoo de vrouwen ; ook zij werden dermate met schrik bevangen, toen zij bij de ledige spelonk kwamen, dat zij „vloden van het graf, beving en ontzetting had haar bevangen, en niemand zeiden ze iets, want ... zij waren bevreesd.quot; Maar spoedig werd die „beving en ontzettingquot; gevolgd door eene liefelijke vertroosting, die alle vreeze buitensloot en haar betere dingen deden hopen. En inderdaad, het is niet zonder reden en alleszins betamelijk, dat de hooge Majesteit Gods het harte zoowel van goeden als van boozen met vreeze vervult. Voor den glans van zijn luister is niemand en niets bestand; in zijne tegenwoordigheid wordt alle tong tot zwijgen gebracht en moet alle vleesch belijden, dat Hij is de Koning der koningen en de Heere aller heeren. Maar wanneer Hij, de Hooge en de Heilige, die een ontoegankelijk licht bewoont, de geloovigen door den glans zijner heerlijkheid verschrikt, dan neemt Hij spoedig die vreeze weg, opdat zij onder het gewicht daarvan niet bezwijken; en dat niet alleen. Hij doet nog meer; Hij geeft er iets anders, veel beters, voor in de plaats: Hij schenkt den balsem van zijne Goddelijke vertroostingen en den rijkdom van zijne ontfermende genade. Bij de verworpenen en hoovaardigen daarentegen wordt de schrik, die hen bevangen heeft, niet weggenomen, maar slyjt langzamerhand ; wij kunnen hun toestand niet beter vergelijken dan met dien van

ocr page 122

118

een krankzinnige, die gedurende den tijd van zijn lijden aan allerlei vreeze en verschrikkingen onderhevig is, maar daarvan verlost is, zoodra de kwaal ganschelijk is weggenomen. Welnu, zoo gaat het ook met de vreeze der goddeloozen ; niet dut de gedachte aan dien toestand geheel in hen uitgewischt is, maar het gevoel daarvan gaat langzamerhand weg, aangezien zij de Goddelijke kracht misten, om in dien toestand van vreeze zijne sterkte aan te grijpen.

Wat nu de eerstgenoemde vreeze betreft, die uit het geloof voortvloeit, zij doet ons in vreeze en gehoorzaamheid in de wegen des Heeren wandelen, waarom de dichter van Psalm 128 over dezulken bet „Welgelukzaligquot; uitspreekt, want degenen, die in stille vreeze en nederige gehoorzaamheid voor Gods aangezicht wandelen, zullen door den Heere niet begeven noch verlaten worden ; zijn woord staat onwrikbaar vast, hebbende voor hen deze belofte: „Mijn oog zal op u zijn!quot; Nu is er bijna niets, wat schijnbaar zoö met de werkelijkheid in strijd is, als de uitspraak: „ Welgelukzalig is een iegelijk, die den Heere vreest, die in zijne wegen wandeltquot;. Het schijnt ons dikwerf toe, dat het den goddeloozen veel beter gaat: zij wandelen menigmaal in voorspoed, hebben rust en vrede, vermenigvuldigen het vermogen, terwijl de geloovigen vaak met den dichter klagen moeten, dat hunne tegenspoeden eiken morgen nieuw zijn. Gij weet het uit Psalm 73, hoe Asaf zich moede gepeinsd heeft, om dit voor hem vreemde verschijnsel te verklaren. Die gedachte kwelde hem slechts een oogenblik, slechts tot zoolang dat hij Gods heiligdom inging en daar op het einde der goddeloozen lette; maar hoevele Epicureïsche menschen zijn er niet, die waarlijk gelooven en daarom voortdurend de Godlasterlijke taal doen hooren : dat God werkelijk den goddeloozen gunstig gezind

ocr page 123

119

is, omdat zü in hun goddeloozen wandel zoo gelukkiglijk voortgaan. Daarbij komt nog, dat de zwak geloovige door den voorspoed der goddeloozen menigmaal aan het wankelen wordt gebracht, ja, wat erger is, soms onder den druk schier bezwijkt. Maar al gebeurt het zelfs, dat de goddeloozen het niet zoo goed hebben, en dat de omstandigheden, waarin de vromen verkeeren, dragelijk zijn, dan nog houden deze vaak hunne oogen gesloten en zijn blind, om daarin de voorzienigheid Gods op te merken. Of het evenwel begrepen wordt of niet, onom-stootelijk vast staat, dat zij welgelukzalig zijn, die den Heere vreezen.

Maar — als het nu vaststaat, dat de ware liefde (die er zonder geloof niet zijn kan, en die er niet is dan door de werking des Heiligen Geestes) ons te kennen geeft, dat wij in God zijn en Hij in ons blijft, hoe Uan de apostel Johannes dan in zijn eersten brief schrijven: „Er is in de liefde geene vreeze, maar de volmaakte liefde drijft de vreeze buitenquot; ?

Dat kan zeer goed, als wij hier de vreeze maar nemen in de tweede beteekenis, die door ons is aangegeven, en die niet anders dan schrik en ontzetting met zich brengt. Deze vreeze wordt genoemd de knechtelyjkt vreeze en staat tegenover de kinderlijke vreeze, die, gelijk wij gezien hebben, voortspruit uit eerbied en gehoorzaamheid. Als wij God „onzen Vaderquot; mogen noemen en Hem als zoodanig kinderlijk liefhebben, dan behoeven wij niet meer door vreeze gestraft te worden. De apostel Johannes wil dan ook vrij wat meer aantoonen; hij wil ons doen gevoelen, dat, als wij door het geloof de liefde hebben leeren kennen, die God aan ons bewijst, wij dan in onze zielen eene rust en een vrede smaken, die alle vrees buitensluit. Nu is het wel waar, dat wij die vreeze

ocr page 124

120

niet geheel kunnen uitdrijven, omdat wij hier nog maar een voorsmaak van de liefde Gods hebben ; maar toch staat dit vast; indien wij onze toevlucht nemen tot God, als tot eene veilige haven, die vrij is van alle stormen en vreeze om te vergaan, dan is de vreeze verdreven en heeft plaats gemaakt voor het geloof. De vreeze is in de liefde niet; niet, dat zij onze harten daartoe niet beweegt, maar zij hindert ons niet en kan ons de ruste niet rooven, die wij door het geloof bezitten.

Men kan dus wel van deze beide uitspraken zeggen, dat zij van elkander verschillen, maar niet, dat zij met elkander strijden.

XXXI.

„De Heere is aan allen goed; en zijne barmhartigheden zijn over al zijne werkenquot;.

„De Heere is rechtvaardig in alle zijne wegen en goedertieren in alle zijne werkenquot;.

Ps. 145 : 9, 17.

„Zoo ontfermt Hij zich dan, wiens Hij wil, en verhardt dien Hij wilquot;.

Eom. 9 : 18.

\'ET zal voorzeker geene nadere verklaring vereischen, als wij zeggen, dat God de Heere vrij is in al zijn doen en handelen. Aan niemand en niets is Hij gebonden ; in den rijken en vollen, in den eenigen zin van het woord is Hjj de Onafhankelijke ; niemand of niets heeft Hij van noode, maar geeft integendeel juist allen alles, wat zij

ocr page 125

121

noodig hebben. En waar Uy nu vrij is in zijn wil en in alle zijne werken; waar aller oogen op Hem wachten en Hij allen hunne spyze te zijner tijd geeft; waar Hij, naar zijn welbehagen, verzadigt al wat er leeft; daar ligt het voor de hand, dat niemand Hem ter verantwoording kan roepen, immers, niemand heeft Hem iets gegeven, wat Hem tot eenige vergelding zou kunnen bewegen. In vragenden zin doet de apostel dit zeer sterk uitkomen, als hij in Rom. 11 : 35 schrijft: „Wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem weder vergolden worden ?quot; Dat Hij sommigen in genade aanneemt en zalig maakt, geschiedt uit loutere genade, of, om met Paulus te spreken, tot prijs der heerlijkheid zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde. „Uit genadequot; — zoo schrijft dezelfde apostel in Epheze 2 — „zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gavequot;. Dat Hij anderen evenwel verwerpt, rust evenzeer op billijke gronden. Hij bewijst barmhartigheid, wien Hij wil, maar niet aan allen. Voorzeker biedt Hij allen menschen zijne genade aan, maar allen worden zijner zaligheid niet deelachtig; en niettegenstaande dit blijft het waar, dat zijne goedertierenheden en barmhartigheden zich uitstrekken over alle zijne werken. Dat wil nu niet zeggen, dat God, met eeuwige ontferming bewogen, in Vaderlijke goedheid de zonden vergeeft; neen, die milde goedheid doet Hij nederdalen op alle menschen zonder onderscheid, wat Jezus zelf zoo duidelijk uitspreekt in Mattheüs 5, waar Hij tot de schare zegt, dat de Vader, die in de hemelen is, zijne zon doet opgaan over boozen en goeden en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Ook zij, die aan het oordeel der verwerping zijn prijsgegeven, moeten onder de werken Gods gerekend geworden, aangezien ook zij, zoowel naar het lichaam als naar de ziel, uit zijne scheppende

ocr page 126

122

hand zijn voortgekomen. Hoewel de vergeving der zonde een schat is, die voor hen verborgen is, toch kan hunne zorgeloosheid geene oorzaak zijn, dat God zijne barmhartigheden niet over hen zou uitstorten. Zij van hunne zijde echter, leven onder die barmhartigheden, zonder daarvan iets te smaken of te gevoelen. De goedertierenheden Gods te proeven en te smaken, ziet daar een voorrecht, dat alleen voor de geloovigen weggelegd is. Zij alleen weten, wat het zegt: Gods genade en gunst te ondervinden. Bij het gezicht van die onverdiende weldaden roepen zij met den dichter van Psalm 34 menigmaal uit: „Maakt den Heere met mij groot, en laat ons zijnen naam samen verhoogen; smaakt en ziet, dat de Heere goed is; welgelukzalig is de man, die op Hem vertrouwtquot;. Daartoe hebben zij dan ook reden, want „zij hebben op Hem gezien, ja Hem als een waterstroom aangeloopen, en hunne aangezichten zijn niet schaamrood gewordenquot;. Immers, vanwege de zonden en overtredingen van de kinderen der menschen, is de gansche wereld voor God verdoemelijk ; om der zonde wille zucht niet alleen het schepsel, maar is het gansche aardrijk vervloekt; de straf op de zonde strekt zich uit over al het geschapene en nochtans breidt God zijne goedertierenheid uit tot over de redelooze schepselen: zelfs het dier, dat geen verstand heeft, komt Hy ter hulp; Hij hoort het gekir der duiven en het piepen der zwaluwen ; geen muschke zal er op de aarde vallen zonder den wil van den hemelschen Vader; zeer terecht kan de dichter van Psalm 36 dan ook getuigen : „Heere, Gij behoudt menschen en beestenquot;, en uitboezemen : „O Heere, uwe goedertierenheid is tot in de hemelenquot;.

ocr page 127

123

XXXII.

„Ook liefde, ook haat, weet de mensch niet uit al hetgene, dat voor zijn aangezicht isquot;.

Pkbd. 9 : 16.

„Ik weet, wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dagquot;.

1 Tim, 1 : 126.

ELFS de alleronkundigste mensch zal, zoo hij niet hardnekkig weigert, gemakkelijk kunnen verstaan, wat de Prediker, de wijze koning Salomo, hier zeggen wil. Immers, hij wil niets anders doen uitkomen dan dit^ dat wij tevergeefs onze krachten zullen inspannen, zoo wij uit den tegen woordigen toestand der wereld willen opmaken, wien God liefheeft en wien Hij haat. Wij hebben het bij eene vorige gelegenheid reeds opgemerkt, dat God degenen, die Hij liefheeft, niet altijd in voorspoed laat wandelen, evenmin als\'Hy zijn haat altijd openbaart aan degenen, die Hij met tegenspoeden bezoekt. Dit doet de Heere, om de ijdelheid van het men-schelijke verstand te doen uitkomen, dat zelfs in de zaken, die men behoorde te kennen, zeer stomp gevonden is.

Maar al is het volkomen waar, wat wij gezegd hebben van het oordeel van den mensch met betrekking tot uitwendige dingen, zoo neemt dit nochtans de zekerheid des geloofs niet weg; het verhindert den geloovige niet, verzekerd te zijn van de liefde Gods en van de krone des eeuwigen levens, die in de hemelen voor hem bewaard wordt. Hij weet, in wien hij geloofd heeft; Hij vertrouwt op Hem en is verzekerd van zijne macht;

ocr page 128

124

■dies twijfelt hij er niet aan, of het pand, dat bij Hem is weggelegd, wordt voor hem bewaard tot den dag zijner zalige verrijzenis. Maar zulk eene zekerheid maakt wel terdege onderscheid tusschen „geloovenquot; en „meenenquot;. Het geloof steunt niet op menschelijke inzichten; het geloof ziet niet aan, wat voor oogen is; neen, naar luid van Hebreen 11 is het juist „een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet zietquot;. Het geloof vindt zijn rustpunt in God; een rustpunt zóó vast, dat het voor twijfelen geene plaats overlaat, maar vergezeld gaat van een zeker weten. Indien wij dus de dingen, die ons overkomen, beoordeelen willen naar het gevoelen of den zin van menschen, zoo zal nimmer de zekerheid verkregen worden, dat God ons liefheeft; maar als wij in onze beschouwingen door het (;eZoo/geleid worden, dan zijn wij verzekerd, dat niets ons bij geval overkomt, maar dat alles ons toekomt, uit de trouwe hand van Hem, zonder wiens wil geen haar van ons hoofd vallen zal en die bij machte is, alles ons ten beste te doen keeren. Staande in dat geloof, heffen wij met Paulus den blijden jubbel aan : „In alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad; want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen Heerequot;.

ocr page 129

125

XXXIII.

„Hij (de goddelooze) ziet de hoogheid des Heereu niet aanquot;.

JES. 26 : 106.

„En de heerlijkheid des Heeren zal geopenbaard ■worden ; en alle vleesch tegelijk zal zien, dat het de mond des Heeren gesproken heeftquot;.

Jes. 40 ; 5.

LS de Profeet zegt, dat alle vleesch de heerlijkheid Gods-aanschouwen zal, dan wil hij daarmede te kennen geven, dat het werk van de verlossing der kerke Gods zóó heerlijk zijn zal, dat alle menschen het openlijk zullen zien en er van overtuigd zullen worden, dat God alleen van zulk eene verlossing de oorsprong kan zijn ; zij zullen daarin zijne majesteit en macht zich zien ten toon spreiden. Maar al is het, dat ook de ongeloovigen dat zien, zij hebben geene oogen, om daarin Gods luister en heerlijkheid te aanschouwen ; al is het, dat zij het opmerken, toch doen zij er geen voordeel mee voor hunne zaligheid. De Heere geeft op zeer verschillende wijzen blijk van zijne macht, gerechtigheid en goedheid; maar de ongeloovige en hoovaardige menschen hebben daar niet aan; het baat hun niet, omdat zij er hunne zinnen niet aan hechten.

Hoewel dus alle menschen wel eenigszins de heerlijkheid van Jezus Christus aanschouwen kunnen, doordat zij de uiterlijke teekenen van zijne alvermogende kracht zien; toch zijn er weinigen, die haar recht kennen, wat zijne oorzaak vindt in hunne verblindheid. Zeer weinigen zijn er, wier oogen zóó door den

ocr page 130

126

Heiligen Geest geopend werden, dat zij die heerlijkheid in Jezua Christus aanschouwen mochten.

XXXIV.

„Opdat men wete, van den opgang der zon en van den ondergang, dat er buiten Mij niets is; Ik ben de Heere, en niemand meer. Ik formeer het licht, en schep dé duisternis; Ik maak den vrede en schep het kwaad ; Ik, de Heere, doe alle deze dingenquot;.

Jes. 45 : 6, 7.

„Wanneer hij (de duivel) de leugen spreekt, zoo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader der leugenquot;.

Joh. 8 : 446.

_ N dit Schriftwoord uit de rollen van den Profeet Jesaja is sprake van de voorzienigheid Gods, waardoor Hij alle dingen, zoowel goede en kwade, als blijde en droeve regeert. Alle menschen worden hier vermaand, de macht en de kracht van God te erkennen ; zij moeten niet, gelijk zij tevoren deden, die toeschrijven aan de fortuin en de afgoden, maar de regeering en de eere moeten zij met betrekking tot alle dingen aan den Heere laten. Waar deze eerbiediging en erkenning zelfs van de heidenen gevorderd wordt, daar laat het geen twijfel over, of groote schande is het, indien zij, die Christenen genoemd worden. Hem zijne macht benemen of Hem van zijne kracht en eer berooven, om die toe te kennen aan personen, die zij daartoe naar eigen lust verkoren hebben.

ocr page 131

127

Want laten wij dit toch niet vergeten, men erkent den Heere niet als „Godquot;, als men Hem bloot dien naam geeft, neen, tevens moet men belijden, dat Hem toekomt alle macht en heer-schappy. Als de Heere dan ook, bij monde van zijn knecht Jesaja, zegt: „Ik schep het kwaadquot;, dan wil dat natuurlijk niet zeggen, dat Hij de bron is van eeaig kwaad, dat er iets uit zijne scheppende hand voortkomt, dat niet goed zou zijn ; immers, dat te denken van Hem, die reeds in den morgenstond der schepping het: „En ziet, het was zeer goedquot; als een Goddelijk waarmerk op alle zijne werken gedrukt heeft, is dan ook ten eenen-male onmogelijk en wordt ook in dit Schriftwoord gelogenstraft door hetgene er onmiddellijk aan voorafgaat: „Ik maak den vredequot;. Wanneer wij nu maar in het oog houden, dat hier met „vredequot; bedoeld wordt: allerlei voorspoed, en dat insgelijks het woordje „kwaadquot; moet opgevat worden — gelijk de geleerden het gewoonlijk noemen — als „het kwaad der strafquot;, dus in den zin van: allerlei tegenspoed, zooals oorlog, honger en zooveel als wij meer zouden kunnen noemen, dan ligt het voor de hand, dat in dit profetische woord de tegenstelling gemaakt wordt tus-schen voor- en tegenspoed. Dit goed in te zien, is van het hoogste belang, want indien deze tegenstelling niet gemaakt wordt en de uitspraak: „Ik schep het kwaadquot;, in letterlijken zin wordt opgevat, dan zou er voedsel zijn voor de straks genoemde dwaling, als zou God bron en oorzaak van het kwade zijn. Neemt men de uitdrukkingen „vredequot; en „kwaadquot; echter in de beteekenis, door ons aangegeven, dan blijkt het duidelijk, dat de Heere hiermede niets anders te kennen wil geven, dan dat voor- en tegenspoed, het goede en het kwade, den mensch niet bij geval overkomen maar dat alles hun uit zijne hand toekomt. Hij is dus niet de oorzaak van de schuld of van het

ocr page 132

128

kwaad als zonde, maar wel van het kwaad als straf. Menige plaats is er in de Heilige Schrift, waarin het duidelijk wordt uitgesproken, dat de Heere goddelooze menschen gebruiken zal om de zijnen te straffen ; maar dat lezende, moeten wij er ons wel voor wachten, van de gedachte uit te gaan, dat de Heere nu die boosheid in hen opwekt; neen, zij zijn slechts een middel in zijne hand, Hij gebruikt hen in zijnen dienst, om anderen te straffen en dat doet Hij als de rechtvaardige Rechter, die het kwade niet ongestraft laten kan, maar tevens als de Almachtige, wien alle middelen ten dienste staan, om die straf ten uitvoer te leggen.

Wij besluiten dus, dat God de Heere alleen de oorsprong en de bewerker van alle dingen is; dat, hoewel Hij daartoe soms den dienst van menschen gebruikt, alles, zoowel voor- als tegenspoed uit zijne Vaderhand ons toekomt, zoodat dus niets ter wereld aan de fortuin of aan eenige andere oorzaak mag worden toegeschreven.

Belijden wij met den apostel Jacobus, dat God niemand verzoekt tot het kwade en dat Hij zelf evenmin verzocht worden kan met het kwade; met den duivel is het evenwel gansch anders gesteld: als een brieschende leeuw gaat hij rond met ongetemde drift om het kwade te doen; het kwade is hem eigen geworden, ja, wat meer zegt, hij is er de vader, d. w. z. de oorsprong van. In die schoone schepping Gods, die rein en zonder smet uit de handen van den Goddelijken Schepper was voortgekomen, is hij met zijnen verpestenden adem binnengedrongen ; na eerst zelf gevallen te zijn, heeft hij den mensch ten val gebracht. Ook hij is een schepsel Gods en was dus oorspronkelijk goed, gelijk alles, wat door God in het aanzijn werd geroepen ; maar hij is — zoo zegt ons Johannes 8 - in

ocr page 133

129

de waarheid niet staande gebleven, hij is van het hooge standpunt, waarop God hem geplaatst had, moedwillig afgevallen, en sinds dien tijd is er geene waarheid meer in hem. Zijne gansche natuur is veranderd; leefde hij eerst in ongestoorde zalige gemeenschap met God, nu staat hij, als „de vader der leugenquot; lijnrecht tegenover Hem, die „de waarheidquot; is en in wien geene leugen gevonden wordt; en juist omdat hij de vader der leugen is, „spreekt hij de leugen „uit zijn eigenquot;. En hierop valt voor ons thans al de nadruk. Immers, wij hebben zoo straks gezegd, dat God ook goddelooze menschen gebruikt, om zijne straffen ten uitvoer te leggen, maar hen niet alleen. Hij bedient zich ook van den booze, d. i. van den duivel, om ons te beproeven en te onderzoeken. Ook de duivel is daartoe een middel in zijne hand, maar — en dat moeten wij niet uit het oog verliezen — die boosheid heeft God hem niet ingeschapen, neen, die heeft hij uit zich zeiven, zij wortelt in zijne eigene persoonlijkheid en hij doet haar „uit zijn eigenquot;. Na zijn val was er dan ook voor hem in den hemel geene plaats meer; hij is toen henengegaan naar zijne eigene woonstede en niet alleen in Joh. 8, maar steeds doet de Heere Jezus het duidelijk uitkomen, dat hij, als de werkmeester van alle leugen en bedrog, kwaad en verderf, van God onderscheiden eh als Hem vijandig moet aangemerkt worden.

Met betrekking dus tot alle goddeloozen en verworpenen, die hardnekkig in hun kwaad voortgaan, kan men gemakkelijk zeggen, dat het goddelooze en kwade, hetwelk in hen gevonden wordt, niet uit God is.

ocr page 134

180

XXXV.

„Ik heb u ook gegeven tot een licht der heidenen, om mijn heil te zijn tot aan het einde der wereldquot;.

Jes. 49 :66.

„Ik ben niet gezonden, dan tot de verlorene schapen van het huis Israëls.

M/vtth. 15 : 24.

N Eomeinen 15 : 8 lezen wjj, „dat Jezus Christus een dienaar geworden is der besnijdenisquot;, en in Matth. 15 : 24 getuigt de Heiland zelf: „Ik ben niet gezonden, dan tot de verlorene schapen van het huis Israëlsquot;, en trekt daaruit het besluit, dat Hij niet gekomen is, om aan vreemdelingen hulp en bijstand te verleenen, want zoo zegt Hij tot de Kananeesche vrouw, in antwoord op hare bede om ontferming over hare dochter, die deerlijk van den duivel bezeten is: „Het is niet betamelijk, het brood der kinderen te nemen en den hondekens voor te werpenquot;. Nu moeten wij deze uitspraak van Hem, die gekomen is, om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was, goed verstaan. En evenzoo die van den apostel Paulus. Als hij zegt, dat Jezus Christus een dienaar geworden is der besnijdenis, dan wil hij daarmede niet te kennen geven, dat de genade en de kracht van onzen Heere Jezus Christus altijd binnen zulke enge perken besloten zal blijven, maar dat de gelegenheid des tijds het medebracht, dat Hij beginnen moest met de Joden en zich het eerst tot hen moest wenden. Want de .middelmuur des afscheidselsquot;, die opgericht stond tusschen Joden en Heidenen, is met des Heilands opstanding gebroken ; de Heidenen, die vóór dien tijd waren „zonder Chris-

ocr page 135

131

tus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden der beloften, geene hope hebbende en zonder God in de wereldquot;, zijn „door het bloed van Christus nabij gewordenquot; ; Joden en Heidenen heeft hij „tot één gemaaktquot;,^zoodat hun, die gebannen waren uit het koninkrijk Gods, nu de vrede mocht verkondigd worden, die er te vinden is aan den voet van het kruis. Maar zoolang die ééne offerande niet gebracht was, met dewelke Hij, „in eeuwigheid volmaakt heeft degenen, die geheiligd wordenquot;, had Hii zijnen apostelen verboden, zijne leer buiten het Joodsche land te verkondigen. Daarom getuigt Christus dan ook, niet gezonden te zijn dan tot de verlorene schapen van het huis Israëls, totdat de volheid der tijden zou zijn ingegaan; was die tijd daar, dan zou de banier des kruises ook geplant worden in de wereld der heidenen. Na zijne opstanding toont Hij dan ook metterdaad, dat Hij niet alleen gekomen was, om vrede te verkondigen dengenen, „die nabij warenquot;, maar ook aan hen, die „eertijds verre warenquot; ; toen kreeg het woord der profetie zijne vervulling: „Ik heb u ook gegeven tot een licht der heidenen, om mijn heil te zijn tot aan het einde der aardequot;. Sinds dien tijd is de kracht, die er uitgaat van het offer van Christus en van den arbeid der kerk, niet alleen den Joden, maar ook den Heidenen ten goede gekomen. Ja, wat meer zegt: omdat een gekruiste Christus den Joden eene ergernis was en het woord des Evangelies hun geen nut deed, zoodat de zijnen, tot wie Hij gekomen was, Hem niet aannamen, maar Hem hardnekkig verwierpen, zoo is „door hunnen val de zaligheid den Heidenen gewordenquot;; zij traden in de plaats van het trouwelooze bondsvolk en evenals alles, wat met betrekking tot den komenden Christus volkomen vervuld is, zoo zien wij ook hier de waarheid van het woord, eeuwen te voren bij monde van den profeet

ocr page 136

132

Jesaja gesproken, dat Christus gegeven is tot een licht der heidenen en dat zijn heil zou zijn tot aan het einde der aarde.

XXXVI.

„Want mijn Huis zal een bedehuis genoemd worden voor alle volkerenquot;.

Jks. 56 : 76.

„Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uwe binnenkamer, en uwe deur gesloten hebbende, bid uwen Vader, die in het verborgen is; en uw Vader, die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergeldenquot;.

Matth. 6 : 6.

^ANGEZIEN God eertijds alleen door de Joden wilde aangebeden zijn, zoo heeft Hij hun bevolen, een tempel te bouwen. Als Paulus dan ook in Romeinen 9 over de Israëlieten spreekt, dan zegt hij in vs. 4, dat hunner „is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst Gods, en de beloftenissenquot;. Door eene bijzondere gave is dus die tempel in hun midden opgericht geworden. Als nu bij monde van den profeet Jesaja getuigd wordt, dat het Huis des Heeren een bedehuis, voor alle volkeren zijn zal, dan komt dit geheel overeen met de tijdsomstandigheden, waarin men toen verkeerde; immers,, als profeet gewaagt Jesaja hier reeds van de roeping der heidenen, die straks ook toegebracht zullen worden, want God de Heere zal er zorg voor dragen, dat de tempel niet alleen

ocr page 137

133

zijne eerste heerlijkheid herkrijgen zal, maar ook dat alle volkeren daar verzameld zullen worden. Ten tijde van onzen Heere Jezus Christus was de tempel, tenminste zoolang de wet met hare schaduwen duurde, de plaats des gebeds en hij begon ■een bedehuis voor alle volkeren te zijn, toen het liefelijk geluid van de bazuine des Evangeliums over de gansche aarde gehoord werd en alle volkeren in eenigheid des geloofs werden samen--gevoegd. Maar toen de middelmuur des afscheidsels tusschen Jood en Heiden werd weggenomen, werd de toegang tot het Huis des Heeren opengesteld voor alle volkeren der wereld; de •dienst van den tempel is zoozeer vermeerderd, dat hij zich uitgebreid heeft over alle landen der aarde; alle volkeren worden geroepen te aanbidden dien eenigen Naam, die daartoe onder ■den hemel gegeven is.

Als de Heere Jezus in Matth. 6 zegt, dat wij, om te bidden, in onze binnenkamer moeten gaan, dan wil dat niet zeggen, dat wij die plaatsen mijden moeten, waar de geloovigen samenkomen, om te bidden, maar dat wij het voorbeeld van de geveinsden niet moeten navolgen. Duidelijk wordt het door den Heiland gezegd in het vers, dat onmiddellijk aan het onze voorafgaat; daar toch lezen wij : „En wanneer gij bidt, zoo zult gij niet zijn gelijk de geveinsden; want die plegen gaarne in de synagogen, en op de hoeken der straten staande, te bidden, opdat zij van de menschen mogen gezien worden. Voorwaar, ik ■zeg u, dat zij hun loon weg hebbenquot;. Het is dan ook eene ontzettende ontheiliging van den naam des Heeren, wanneer men zóó bidt, of liever: wanneer men doet, alsof men bidt; inderdaad, het is geen bidden, als het geschiedt met de bedoeling: .gezien te worden van de menschen. Daarom zegt de Heere Jezus, dat men, om te bidden, in zijne binnenkamer gaan moet,

ocr page 138

134

om daar in de eenzaamheid met God te verkeeren en een ge bed op te zenden, dat als een welbehagelijk offer liefelijk riekt in zijne neusgaten.

Het is wel waar, dat ons op menige plaats in de Heilige Schrift geboden wordt, God te bidden in eene groote vergadering, en ten aanhooren van het gansche volk met dankzegging tot Hem te naderen en dat wel, om belijdenis van ons geloof af te leggen, om Hem de dankbare erkentenis onzes harten te brengen, en om anderen tot het bidden op te wekken. Nu zou het natuurlijk gansch tegenstrijdig zijn, indien Hij ons door deze uitspraak in Matth. 6 van zulk eene oefening en ijver des ge-beds wilde aftrekken. Dat is dan ook in het minst de bedoeling van dit Schriftwoord niet. De Heere Jezus wil ons alleen ernstig op het harte binden, dat wij te allen tijde God voor oogen moeten hebben, wanneer wij in den gebede tot Hem naderen. Ten eenenmale ongerijmd en in lijnrechten strijd met de bedoeling, waartoe het gezegd werd, zou het dan ook zijn, indien men uit dit Schriftwoord wilde afleiden, dat er niet recht kan gebeden worden, dan wanneer men alle gezelschap van menschen ontvloden is en zich in de eenzaamheid bevindt. Gelijk wij gezegd hebben, ligt de tegenstelling, waar het hier op aankomt, in het vorige vers: ons bidden mag nooit ten doel hebben, gezien te worden van de menschen; maar steeds moet ons bidden — hetzij dat wij voor ons zeiven bidden, of dat wij het gebed doen met en voor anderen — het kenmerk dragen van eene afzondering van alles, wat er om ons geschiedt; het moet een oogenblik zijn, waarin wij, onttrokken aan het gewoel der wereld, ons, als in eene binnenkamer, met God alleen bevinden.

ocr page 139

135

XXX VIL

„Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochtenquot;.

Jes. 65 ; la.

Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vindenquot;.

Matth. 7 : 7h.

\'ET geloof is eene gave Gods. Maar het is eene gave van groote waardij. Zeer terecht wordt het dan ook genoemd : de hand, waarmede wij zijne weldaden kunnen aannemen. Daarom moet steeds bij ons gebed het geloof gevoegd worden. Immers, wanneer wij onze bede opzenden tot den troon der genade in het vaste geloof, dat God is een Hoorder en een Verhoorder des gebeds, dan zal ons bidden niet tevergeefs zijn, maar steeds zullen wij ervaren, dat Hij is een Helper en een Redder in den nood. Op zijn tijd en naar dat het Hem behaagt, zal Hij ons gebed verhooren; indien wij langs dien verschen en levenden weg, dien Hij geopend heeft in den Zoon zyner liefde, onze nooden en behoeften met bidden en smeeken bij Hem bekend maken, dan zal Hij, om zijns lieven Zoons wille, ons gebed verhooren en ons uit de onuitputtelijke volheid van zijn rijkdom alles schenken, wat wij noodig hebben. Ja, wat meer zegt; in zijne ondoorgrondelijke liefde komt Hij ons menigmaal voor; dikwerf antwoordt Hij reeds, vóór wij nog roepen; Hij weet, wat de zijnen van noode hebben, en met een oog vol vaderlijke goedheid, waakt Hij over hunne belangen. Hoe straalt ons daarin zijne Goddelijke almacht en liefde tegen!

ocr page 140

136

Welk eene voorkomende goedheid! Hoe zouden wij bij machte zijn, al de nooden en behoeften, die wij naar lichaam en ziel, zoo ieder oogenblik van ons leven hebben, hem in orde te verhalen. Neen, ziende op onze diepe afhankelijkheid, en in gedachtenis houdend, dat wij door onze zonden alles verbeurd hebben, dat wij op niets recht of aanspraak kunnen doen gelden, dat wij van ons zei ven tot niets — zelfs niet tot denken — bekwaam zijn, zouden wij met betrekking tot alle onze nooden en behoeften, het woord van David tot het onze kunnen maken en zeggen : „Zoude ik ze tellen ? Harer is meer dan des zands !quot; In een toestand van de grootste ellende zouden wij dus voortdurend verkeeren, indien wij alles eerst aan God moesten bekend maken en dan op verhooring moesten wachten. Maar al is het, dat God ons menigmaal reeds voorkomt met zijne zegeningen en weldaden, toch wil de Heere er om gevraagd zijn. Dit doet de Heiland duidelijk aan zijne discipelen uitkomen, waar Hij zegt: „Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vindenquot;. Hoewel God al zijne gaven uit loutere genade en goedheid schenkt, toch wil Hij, dat wij Hem in den gebede zoeken, teneinde ons geloof te oefenen.

Hoe waar het ook is, dat wij God moeten zoeken in onze gebeden, toch ligt er niet de minste tegenspraak in, als bij monde van den profeet Jesaja getuigd wordt: „Ik ben gevonden van degenen, die mij niet zochtenquot;. Hij toch is de eerste geweest, die ons gezocht en gevonden heeft. Zoo krachtig wordt dit beleden door den apostel Johannes, als hij in zijn eersten brief schrijft: „Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehadquot;. In zijne ontfermende zondaarsliefde had Hij ons reeds gevonden, toen wij nog niet naar Hem vraagden; toen wij Hem nog niet kenden, had Hij ons reeds als leden in

ocr page 141

137

zijn hemelsch huisgezin opgenomen en stonden onze namen reeds geschreven in het boek des levens. Ook in dezen is Hij ons met zijne genade en goedertierenheid vóórgekomen, zonder dat wij van onze zijde daaraan eenige verdienste of waardigheid hebben toegebracht. Dat zal dan ook het eenparig getuigenis zijn van allen, die verwaardigd worden, aan te zitten aan de bruiloft des Lams; „Niet ons, o Heere, niet ons, maar uwen naam alleen geef eere, om uwer goedertierenheid, om uwer waarheid wille !quot; Alle roem van \'s menschen zijde is dan ook ten «enenmale afgesneden; het moet zijn, „gelijk geschreven is; quot;Wie roemt, roeme in den Heerequot;.

XXXVIII.

„Op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest, en die voor mijn woord beeftquot;.

Jes. 66 : 26.

„Want er is geene aanneming des persoons bij Godquot;,

rom. 2 : 11.

\'jLS Paulus in zijn brief aan de Eomeinen schrijft, dat er bij God geene aanneming des persoons is, dan wil hij daarmede natuurlijk niet zeggen, dat God niet naar den mensch omziet, als zou de Schepper geene zorg dragen voor zijne schepselen. Neen, door dit te zeggen, wil lt;ie apostel doen uitkomen, dat God niet aanziet; wat voor oogen is, maar dat Hij let op de zuiverheid des harten en de inwendige gestalte. De menschen blijven vaak aan het uiterlijke

ocr page 142

138

hangen en laten zich daardoor menigmaal de oogen verblinden. Niet alzoo bij den Heere, den Kenner der harten. Voor Hem, wiens oogen de gansche aarde doorloopen, ligt alles naakt en geopend, Hij doorgrondt en kent den mensch; Hü blikt tot in de diepste schuilhoeken van zijn hart en weet reeds van verre zyne gedachten. Daarom laat Hij zich niet, gelijk de mensch, verblinden door afkomst of waardigheid, door rijkdom of eer, door schoonheid of eenig ander ding; maar evenmin laat Hij zich afschrikken door een geringen stand, door armoede of ne derheid. Bij den mensch is dit maar al te dikwijls het gevaL Asaf geeft dien verkeerden toestand zoo duidelijk aan, als hij in den 82sten Psalm vraagt: „Hoe lang zult gijlieden onrecht oordeelen, en het aangezicht der goddeloozen aannemen?quot; En mag het verwijt, dat hij daarop volgen laat, ook nog niet in onze dagen gedaan worden : „Doet recht den arme en den wees ; rechtvaardigt den verdrukte en den arme; verlost den arme en behoeftige, rukt hen uit der goddeloozen handquot; ? Degenen, die in hoogheid zijn gezeten, laten zich menigmaal op hunne waardigheid voorstaan en vleien zich met de ijdele gedachte, als zou God uit dien hoofde verplicht zijn, hun zijne gunst te bewijzen ; aan hen, die arm zijn, is, naar hunne meening, zoo veel niet gelegen, hun staat is te neder, dan dat God zich met hen nog inlaten of hunne zaak nog voorstaan zou.

God de Heere oordeelt evenwel anders. Allen zonder eenig onderscheid, in welke levensomstandigheden zij zich ook bevinden, uit welk land of geslacht zij ook zijn mogen, allen, die Hem vreezen en gerechtigheid werken, zijn Hem aangenaam. Wanneer de Heere dus zegt: „Ik zal zien op den arme en ver-slagene van geest en die voor mijn woord beeftquot;, dan maakt Hij geen onderscheid in de personen, maar dan heeft Hij het

ocr page 143

139

oog op den inwendigen toestand des harten, die de personen niet van zich zeiven hebben, maar die door de goedertierenheden des Heeren in hen gewrocht zijn. De Heere ziet dus op datgene in den mensch, wat van Hem is ; en niet op hetgene, dat zij van zichzelven hebben.

In de aangehaalde plaats uit de profetie van Jesaja wordt de valsche meening weerlegd, die de menschen hadden aangenomen met betrekking tot den godsdienst. Velen toch gingen van de gedachte uit, dat de ceremoniën en uiterlijke plichtplegingen in zichzelve eene groote waardij bezaten. Maar zij bedrogen \'zich, wanneer zij meenden, dat God zich met zulk een uitwendigen schijn tevreden stelt; Hij acht juist die uiterlijke plechtigheden zonder meer, van zeer geringe waarde en laat met welgevallen zijn oog rusten „op den arme en verslagene van geest en die voor zijn woord beeftquot;. En door dit te verklaren, zegt de Heere dus klaar en duidelijk, welke gezindheden onze harten vervullen moeten, willen wij Hem aangenaam zijn ; alle onze \'gaven en krachten, ja, al wat in ons is, moeten wij aanwenden, om in gehoorzaamheid aan Hem te leven, en steeds moet het verre van ons zijn, in dwaze vermetelheid iets aan ons zeiven toe te schrijven. Immers, uit den aard van het geloof vloeit het voort, Gode gehoorzaamheid te bewijzen en met eerbied en aandacht op te merken, wat Hij tot ons te zeggen heeft.

ocr page 144

140 XXXIX.

„Ik zal hunne ongerechtigheid vergeven en hunne zonden niet meer gedenkenquot;.

Jbr. 31 : 346.

„Voorwaar ik zeg u, gij zult daar geenszins uitkomen, totdat gij den laatsten penning zult betaald hebbenquot;.

Matth. 5 : 26.

S^TAREND op dat profetische woord uit de rollen van Je-remia, straalt ons die wondere goedheid Gods tegen, die Hij op de meest schitterende wijze geopenbaard heeft, toen Hij in de volheid der tijden dien eenigen Zoon zijner liefde naar deze lage aarde zond, om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was, om de peilloos diepe klove te overbruggen, die de vorst der duisternis geslagen had tusschen het schepsel en den Schepper. Wat anders voor eeuwig onmogelijk geweest ware, is mogelijk geworden, doordat Hij, die eenswezens was met den Vader en voor wien het dus niet de minste roof was, Gode zijnen Vader even gelijk te zijn, dat woord sprak: „Zie, ik kom; ik heb lust, o mijn God, om uw welbehagen te doenquot;. En Hij is gekomen. Vrijwillig heeft Gods Zone den hemel der heerlijkheid verlaten, om in dienstknechtsgestalte te vertoeven op deze door de zonde bezoedelde aarde. Toen is het grootste aller wonderen geschiedt, de hoogste liefde geopenbaard. En ziende op dat offer, dat gebracht zou worden, kon God, niettegenstaande de mensch Hem door zijne zonden vertoornd had, dat woord van troost spreken : „Ik zal hunne ongerechtigheid vergeven en hunner zonden niet meer gedenkenquot;.

ocr page 145

UI

Uit kracht van dat offer mogen nu de kruisgezanten bidden, alsof God zelf door hen bade: „Ik bid u, laat u met God verzoenenquot;. Duidelijk toont de Heere dus, dat Hij geen lust heeft in den dood des zondaars, maar daarin, dat hij leve en zich bekeere; immers, de Heere is gaarn vergevend, ja, Hij is barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid ; Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn behouden; Hij doet den mensch niet naar zijne zonden en vergeldt hem niet naar zijne ongerechtigheden. Ware dat niet het geval, dat Hij de ongerechtigheid „vergeeftquot; en de „zonden niet meer gedenktquot;, dan zouden die zonden en ongerechtigheden den toegang sluiten tot den troon der genade.

Maar — en dit mogen wij niet voorbij zien — die grootste aller weldaden, n.1. vergeving voor den grootste der zondaren, wordt -niet verkregen door het-gansche geslacht der menschheid, maar komt zijne kerk ten goede: „Want zoo hoog de hemel is boven de aarde, is zijne goedertierenheid geweldig over degenen, die Hem vreezenquot;. Daarom zegt de Heere dan ook, in Deuterono-mium 5 : 9, dat Hij is een ijverig God, die de misdaad der vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Hem hatenquot;. Over hen, die in hunne ongeloovigheid en ongehoorzaamheid, in de hardigheid huns harten voortvaren, zal de toorn Gods nimmer gestild worden; in dien toorn heeft Hij gezworen, dat zij in zijne ruste niet zullen ingaan. „Voorwaarquot; — zoo getuigde de Heiland dan ook zelf in Matth. 5 : 26 — „voorwaar, ik zeg u, gij zult daar geenszins uitkomen, totdat gij den laatsten penning zult betaald hebbenquot;. Uit het voorgaande vers blijkt duidelijk, dat de Zaligmaker vermaant, ook vergevensgezind jegens elkander te zijn, aangezien twistgierige menschen zichzelven menigmaal door hunne booze

ocr page 146

142

lusten groote schade berokkenen. Vandaar dan ook de vermaning in vs. 25: „Wees haastelijk welgezind jegens uwe wederpartij, terwijl gij nog met hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u den rechter overlevere, en de rechter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordtquot;. Maar al is hier sprake van de wederpartij, zoo neemt dit niet weg, dat deze uitspraak ook met betrekking tot God den Heere waar is; want allen, die zich niet met hun broeder willen verzoenen en tot den einde toe in den twist volharden, zal hét oordeel Gods zonder barmhartigheid wedervaren.

XL.

„En het zal geschieden, al wie den naam des Hee-ren zal aanroepen, zal behouden wordenquot;.

Joel 2 : 32a.

„Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelsche gaven gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, en gesmaakt hebben het goede woord Gods, en de krachten der toekomende eeuw, en afvallig worden, wederom te vernieuwen tot bekeeringquot;.

Hebr. 6 : 4—6a.

^NDIEN God met zijne bedreigingen tot ons komt en ons daardoor verschrikken wil, dan drijft Hij ons voort als luie ezels, die traag zijn in het zoeken van de zaligheid. Evenzoo stelt de Heere ons zijne oordeelen onder de meest verschrikkelijke teekenen voor oogen, waar Hij zegt: „Ik zal wonderen geven in den hemel boven, en teekenen

ocr page 147

143

op de aarde beneden, bloed, en vuur, en rookdamp. De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de groote en doorluchtige dag des Heeren komt. En het zal zijn, dat een iegelijk, die den naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig wordenquot;. Uit deze woorden (Hand. 2 ; 20) blijkt ons dus genoegzaam het verschrikkelijke van dien dag; maar te midden van de beschrijving der ontzettende teekenen, die dan zullen plaats grijpen, wordt ook het middel aangegeven, om het heil te zien dagen; immers, door het aanroepen van den naam des Heeren zal een ieder zalig worden. Waar het reeds eene zaak van gansch zeer uitnemend gewicht geacht moest worden, indien God alleen de belofte van te zullen verlossen, gegeven had, hoe veel te meer springt de heerlijkheid hiervan in het oog, nu Hij deze verlossing belooft onder zulke teekenen. Als hemel en aarde met al hun heir ondereen vermengd zullen zijn en de vreeze des doods allen zal aangrijpen, dan zal een iegelijk, die den naam des Heeren aanroept, zalig worden. Niettegenstaande er dus een afgrond vol ellende is, om den armen zondaar te verslinden, zoo wordt hem nochtans een middel aan de hand gedaan, om dat alles te ontkomen. Dit is eene alge-meene waarheid, die voor elk en een iegelijk geldt, want God de Heere is goed, bij Hem is geene aanneming des persoons : alle menschen uit allerlei geslachten en talen, volken en natiën mogen tot Hem komen en zijn naam aanroepen, ja, dit is juist het middel hunner zaligheid, waardoor Hij noodigt en trekt. Geen mensch wordt dus, waar het de aanroeping van den naam des Heeren geldt, buitengesloten; door Hem aan te roepen, staat de poort des heils voor alle menschen open; maar het ia juist menigmaal ons eigen ongeloof, dat ons verhindert, door die poort in te gaan. Maar, hoewel dit gezegd wordt met betrek-

ocr page 148

144

king tot alle menschen, zoo moet men nochtans daaronder ver-i staan diegenen, aan wie God zichzelven geopenbaard heeft door zijn Evangelie, dat, naar luid van Rom. 1 : 16, „eene kracht Gods tot zaligheid is een iegelijk, die gelooft, eerst den Jood en ook den Griekquot;. Even zeker als het woord des Heeren staat, hebbende deze belofte : „ Al wie den naam des Heeren zal aanroepen, zal behouden wordenquot;, even onomstootelijk staat het vast, dat wij zonder deze aanroeping als de ellendigste der menschen-kinderen moeten verloren gaan. Dit moeten wü echter niet vergeten : de aanroeping is niet gescheiden van het geloof, maar vindt daarin juist eenig en alleen haren grond. Ten slotte merken wij nog op, dat het gebed van een geveinsde of van een verachter van God en zijn Woord den naam van „aanroepingquot; niet waardig is.

Opdat het nu niet schijne, alsof hetgene tot hiertoe gezegd is, in strijd zou zijn met hetgeen in de aangehaalde plaats uit den brief aan de Hebreen gezegd wordt, zoo moeten wij letten op de verschillende omstandigheden, die daar genoemd worden; wij moeten goed in het oog houden, dat de name Gods niet kan worden aangeroepen door degenen, die eens de hemelsche gave gesmaakt hebben en afvallig geworden zijn, maar evenzeer is het, tot het juiste inzicht van de bedoeling dezer uitspraak, van noode, een goed antwoord te geven op deze vraag: Over welken val wordt hier door den apostel gehandeld ? Deze vraag moet eerst beantwoord worden, opdat onze bevreemding worde weggenomen met betrekking tot des apostels gezegde, dat het onmogelijk is degenen, die afvallig worden, wederom te vernieuwen tot bekeering.

Er is van tweeërlei val sprake, te weten, van een particulieren of bijzonderen en van een algemeenen val. Wanneer iemand

ocr page 149

145

ééne of meerdere zonden begaan heeft, dan is hij gevallen van de voorwaarden, die aan een Christeliik mensch mogen gesteld worden. Elke zonde is een val; maar nu kan men door bekeering weer opgericht worden van dezen val, dank zij de genade en de goedheid Gods. Voorbeelden daarvan zien wij in zoovele bijbelheiligen, wier val ons ter waarschuwing staat opgeteekend. Toen David het volk telde of de zonde van overspel met Bathseba beging, viel hij, en bleef zoolang van Gods genade verstoken, als hy zijne zonden voor den Heere verborgen hield, om straks, toen hij belijdenis daarvan deed, te mogen roemen in de vergeving zijner zonden. Petrus viel, en zijn val was groot, waar hij niets minder deed, dan zijn Heere en Heiland verloochenen, en toch ... hij vond eene plaats des berouws. Nu is er echter ook een algemeene val en daarvan is sprake in den Hebreër-brief. De apostel heeft hier niet het oog op een bijzonderen val, op eene particuliere zonde, als: diefstal, echtbreuk, hoererij, meineed, doodslag, dronkenschap en diergelijke, neen, hij doelt hier op een algemeenen afval van de leer des evangeliums, gelijk dat geschiedt bij een hardnekkigen zondaar, die God niet alleen schrikkelijk vertoornt, maar ook volkomen en moedwillig diens genade loochent en die de gaven versmaadt, die hier door den apostel opgesomd worden. Wat toch te zeggen van diegenen, die afvallen van het Woord Gods, van de hemelsche gave, welke zij gesmaakt hebben, die den H. Geest verlaten, wiens gemeenschap zij deelachtig geworden waren ? Kan er van dezulken iets anders worden getuigd, dan dat zij God ten volle verzaakt hebben? Dat zij hun hart volkomen hebben toegesloten voor alle gaven Gods? Immers neen. Welnu, dan ligt het ook voor de hand, dat de oprechte bekeering — die toch voorzeker onder de hemelsche gaven gerekend moet worden — in

10

ocr page 150

146

zulk een harte niet kan ingestort worden. Dit echter kan een mensch niet overkomen dan door te zondigen tegen den H. Geest, en deze zonde — Jezus zelf zegt het ons in Matth. 12 — kan niet vergeven worden ; zij is de eenige zonde, waarvoor geene vergeving te vinden is, want, zoo lezen wij in vs. 31, „alle zonde en lastering zal den menschen vergeven worden; maar de lastering tegen den H. Geest zal den menschen niet vergeven wordenquot;. En in vs. 32: „Zoo wie tegen den H. Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomendequot;. Degenen, die de geboden der tweede tafel overtreden of uit onwetendheid of zwakheid zondigen tegen die van de eerste tafel, staan niet aan zulk een afval schuldig. God berooft niemand van zijne genade, dan alleen dezulken, die zichzelve moedwillig van zijne genade berooven ; dezulken verwerpt Hij, en dat wel op zoodanige wijze dat er hier noch hiernamaals, de minste hope op behoud overblijft. Door welke bekeering zouden zij in het harte kunnen worden gegrepen, die in opgeblazenheid en hardnekkige boosheid, in onver-zoenlijken haat tegen hunne eigene consciëntie en tegen beter weten in de genade Gods verworpen hebben ?

Neen, even zeker als het is, dat, „al wie den naam des Heeren zal aanroepen, behouden zal wordenquot;, even onmogelijk is het, dat „degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelsche gave gesmaakt hebben, en des H. Geestes deelachtig geworden zijn, en gesmaakt hebben het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw en afvallig wordenquot;, even onmogelijk is het dezulken „wederom te vernieuwen tot bekeeringquot;.

ocr page 151

147

XLI.

„Maar de rechtvaardige zal door zijn geloof levenquot;.

Hab. 2 : 46.

„En zie, een zeker Wetgeleerde stond op, hem verzoekende, en zeggende: Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven? . . . Jezus zeide tot hem: Ga henen, en doe gij desgelijksquot;.

Luc. 10 : 25—37.

dit tweede hoofdstuk van zijne profetie stelt Habakuk het opgeblazen vertrouwen des vleesches tegenover het geloof, door hetwelk de rechtvaardige leven zal. Na gewag gemaakt te hebben van het verderf des hoovaar-digen, „wiens ziele zich verheft en niet recht in hem isquot;, voegt hij er aan toe : „Maar de rechtvaardige zal door zijn geloof levenquot;. Trouwens, er is niets anders wat den mensch voor God kan doen leven, dan juist de gerechtigheid, die in het geloof bestaat. Het leven, dat wij door dit geloof hebben, duurt niet slechts voor een tijd, neen, door dat geloof leven wij eeuwiglijk, want indien wij in dat geloof volharden tot den einde toe, zullen wij zalig worden; dat geloof verruimt en verheldert onzen benevelden blik, zoodat wij van deze lage aarde kunnen opklimmen tot den hemel der heerlijkheid. „Dit is de overwinningquot; — zegt de apostel der liefde — „die de wereld overwint, n.1. ons geloofquot; en in de wapenrusting Gods, die Paulus zijne broeders te Epheze vermaant aan te doen, om te kunnen staan tegen de listige omleidingen des duivels, wordt „bovenalquot; genoemd, Jiet schild des geloofsquot;, met hetwelk zij al de vurige pijlen des boezen zouden kunnen uitblusschen. Door dat geloof zullen wij

ocr page 152

148

dan ook al het lijden dezes tegenwoordigen tijds te boven komen en overwinnaars blyven in den vaak hevigen strijd van moeite en verdriet, van kommer en druk, van jammer en ellende. Het geloof is het anker voor de ziel, het rustpunt voor het vaak onstuimig kloppende harte, de veilige haven te midden van de stormen des levens, in één woord, gelijk wij zoo even reeds met de woorden uit 1 Joh. 5 : 4 zeiden : door dat geloof, behalen wij de overwinning over de gansche wereld. Levende door dat geloof, roemen wij met den held des geloofs: „Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een ganseh zeer uitnemend gewicht der heerlijkheidquot;. (2 Cor. 4 : 17.)

Wij besluiten dus, dat degenen, die rechtvaardig voor God gerekend worden, niet anders dan door het geloof leven.

Nu zou het ons, op grond van hetgeen de Heiland in Lucas 10 tot dien Wetgeleerde zegt, kunnen toeschijnen, alsof daar eene gerechtigheid door de werken geleerd wordt. Gelyk wij daar ter plaatse lezen, was er een zeker Wetgeleerde, dier trachtende den Heiland te verzoeken, met de vraag tot Hem kwam: „Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven ?quot;■ Jezus verwijst hem naar de wet en vraagt, of hij weet wat daarin geschreven is. Ingevolge het goede antwoord, dat de Wetgeleerde op deze vraag geeft, n.1. dat de inhoud van de wet is: God lief te hebben boven alles en den naaste als zich-zelven, zegt Jezus: „Doe dat, en gij zult levenquot;. Maar hiermede is de Wetgeleerde niet tevreden. Hij wil zichzelven rechtvaardigen, en vraagt daarom: „Wie is mijn naaste? De Heiland an -woordt op deze vraag met de bekende gelijkenis van den barm-hartigen Samaritaan en vraagt ten slotte, wie de naaste geweest is desgenen, die onder de moordenaars gevallen is; de priester of de Leviet, die tegenover den ongelukkige voorbijgingen, dan

ocr page 153

149

wel de barmhartige Samaritaan, die met innerlijke ontferming bewogen werd. Het antwoord kan natuurlijk niet twijfelachtig zijn-, de Wetgeleerde antwoordt dan ook: „Die barmhartigheid aan hem gedaan heeftquot;. En daarop zegt Jezus: „Ga henen en doe gij desgelijksquot;. Te doen als die Samaritaan en werken van barmhartigheid te verrichten, was het antwoord, dat gegeven werd op de vraag: „Wat doende zal ik het eeuwige leven beërvenquot;.

De schijnbare tegenstrijdigheid, die hierin ligt opgesloten met het woord uit Habakuk\'s profetie, is echter niet moeilijk op te lossen.

Niemand, zoo zagen wij, kan gerechtvaardigd worden dan door het geloof; maar ook: niemand kan leven dan door het geloof, want het leven kan er niet zijn, of de gerechtigheid moet ■er wezen. De wet bevat eene volkomene gerechtigheid in zich-zelve, alzoo dat degene, die de wet volbracht, het leven verwerven zou, aangezien hij in de wet eene gerechtigheid zou vinden, voldoende om hem te doen leven. Die belofte is dan ook met betrekking tot de wet gedaan; immers, in Lev. 18 : 5 luidt het: „Mijne inzettingen en mijne rechten zult gij houden. Welk mensch die zal doen, die zal door dezelve levenquot;. Paulus haalt deze uitspraak, die ook nog in de rollen van den profeet Ezechiël lt;20 : 11) voorkomt, in Kom. 10 en Gal. 3 aan, als hij schrijft: „Mozes beschrijft de rechtvaardigheid, die uit de wet is, zeggende: De mensch, die deze dingen doet, zal door dezelve levenquot;. Nu is deze belofte niet in strijd met de leer van de rechtvaardig-making, die uit genade door het geloof geschiedt; integendeel, zij komt er volkomen mede overeen. Want laten wij dit toch nimmer vergeten: de oorzaak, waarom God ons uit genade rechtvaardigt, is niet daarin gelegen, dat de wet geene volkomene

ocr page 154

150

gerechtigheid aanwijst, maar vloeit eenig en alleen daaruit voort, dat wij van onze zyde er in tekort schieten, de wet volkomen-lijk te houden. Wanneer dan ook in al de desbetreffende uitspraken van Gods Woord het eenparig getuigenis gegeven wordt, dat geen mensch door de wet het leven verkrijgen kan, dan schuilt het gebrek daarvan niet in de wet, maar in de zwakheid van ons vleesch; wat in Eom. 8 : 3 zoo duidelijk door den apostel wordt aangetoond. Daar ter plaatse toch wijst hij er op, dat de wet vóór Christus\' komst onmachtig was en onmogelijk kon onderhouden worden, „dewijl zij door het vleesch krachteloos wasquot;.

Zonder vrees voor tegenspraak, kunnen wij dus geruste-lijk zeggen, dat de beide uitspraken over de rechtvaardigmaking (als zou zij door de werken en door het geloof geschieden) zeer wel met elkander overeenkomen. De wet leert den mensch, hoe hij zijne gerechtigheid door de werken verkrijgen kan, maar dat nu niemand door die werken kan gerechtvaardigd worden, vindt — gelijk wij zagen — zijne oorzaak niet in eenig gebrek, dat er in de wet zijn zou, maar in de zwakheid des vleesches, waardoor zij „krachteloosquot; geworden is. Daarbij komt ten slotte dit, en ook dat moeten wij niet over het hoofd zien, dat Christus zichzelven hier verantwoordt tegenover de valsche beschuldiging, die de Joden onder het volk verbreid hadden, als zou Hij de wet hebben te niete gedaan, voor zooverre zij een eeuwig geldende regel der gerechtigheid is.

ocr page 155

151

XLII.

Laat uw licht alzoo schijnen voor de menschen, dat zij uwe goede werken mogen zien, en uwen Vader, die in de hemelen is, verheerlijkenquot;.

Matth. 5 : 16.

„Hebt acht, dat gij uwe aalmoes niet doet voor de menschen, om van hen gezien te worden; anders zoo hebt geen loon bij uwen Vader, die in de hemelen isquot;.

Matth. 6:1.

ET deze woorden uit Matth. 6 vermaant de Heiland de geloovigen, dat zij hunne goede werken in alle eenvoudigheid, als voor het aangezichte Gods, zullen verrichten, en geenszins met de bedoeling, van de menschen gezien te worden. Met allen nadruk wordt deze vermaning gegeven, waar de Heere hierop in het volgende vers nogmaals wijst, als hij zegt: „Wanneer gij dan aalmoes doet, zoo laat voor u niet trompetten, gelijk de geveinsden in de synagogen en op de straten doen, opdat zij van de menschen geëerd mogen worden. Voorwaar zeg ik u, zij hebben hun loon wtgquot;. En deze ernstige waarschuwing is in het minst niet overbodig, maar juist alleszins zeer noodig. Want een droef, maar niettemin waar, feit is het, dat zich onder de goede werken der menschen gewoonlijk eergierigheid mengt en dikwerf wordt het meest loffelijke en prijzenswaardige werk juist daardoor ontsierd. De Heere Jezus spreekt nu eens van aalmoezen, dan weer van goede werken, en het een zoowel als het ander is een goed getuigenis voor den vromen zin der menschen. Waar

ocr page 156

152

men aalmoezen geeft of gebeden opzendt met geen ander doel, dan om van de menschen gezien te worden, daar spreekt het toch vanzelve, dat het zulk een gever of bidder om niets anders dan om de achting der menschen te doen is. De Heere echter wil het anders. Zoowel het geven als het bidden, mag niets anders beoogen dan zijne eere. Vandaar dan ook deze vermaning, waardoor Hij tegen alle eigene eere, die men door wél te doen bij de menschen zoekt te verwerven, ten ernstigste waarschuwt.

Nu is het volkomen waar, dat, wanneer er Christelijke deugden of goede werken in den mensch gevonden worden, deze zich ook moeten openbaren, zij moeten naar buiten uitstralen. Evenals het ten eenenmale onmogelijk is, dat een mensch, met zeer vele gebreken behept, bij machte is die alle voor het oog van anderen te verbergen en geen slecht voorbeeld aan anderen te geven, zoo is het evenzeer onmogelijk, dat er bij een deugdzaam mensch goede werken gevonden worden, zonder dat deze door anderen worden opgemerkt. De begeerte van den Christen echter is, dat zijne goede werken steeds zoo aangemerkt worden, als zij het meest dienstig kunnen zijn tot bevordering van de eere Gods.

Verre is het er vandaan, dat er tusschen de uitspraken in Matth. 5 en 6 eenige tegenstrijdigheid zou gelegen zijn; veeleer kunnen wij zeggen, dat zij elkander aanvullen, want de tweede dient tot verklaring van de eerste. Immers, in Matth. 6 : 1 worden de geloovigen vermaand, goede werken te doen, maar tevens wordt hun alle eerzucht en opgeblazenheid ontnomen en duidelijk aangetoond, dat zij alleen mogen geschieden tot eere en verheerlijking van God. Hoezeer wij er ook naar streven, ze te verbergen, toch zullen onze goede wer-

ocr page 157

153

leen steeds naar buiten openbaar worden, gelijk Paulus dan ook in zijn tweeden Corintherbrief schrijft; „Bezorgt hetgene eerzaam is, niet alleen voor den Heere, maar ook voor de men-schenquot;. Evenzoo heeft het gezegde van den Heiland : „ Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uwe binnenkamer, en uwe deur gesloten hebbende, bid uwen Vader, die in het verborgen isquot;, geen ander doel dan alle menschelijke eerzucht te verbieden en weg te nemen. Hier wordt echter een ander wit voorgehouden, •waarnaar gejaagd moet worden, n.l. de eere en de verheerlijking van onzen Vader, die in de hemelen is. Het is niet voldoende, dat wij goede werken doen, maar wij moeten ook weten, met welke bedoeling zij geschieden moeten. Komen zij voort uit verkeerde oogmerken, dan zal dit oorzaak zijn, dat de werken, die op zich zelve goed zijn, niet deugen; het verkeerde ligt dan niet in de werken zelve, maar in den persoon, die ze doet. Zoodanige werken waren de aalmoezen, de gebeden en het vasten der Schriftgeleerden en Farizeën, want met dat alles beoogden zij de eere niet, die alleen aan God toekomt, maar hunne eigene eere en die van eikanderen. Daarom lezen wij ook in Joh. 5 : 44 „Hoe kunt gij gelooven, gij die eere van malkanderen neemt, en de eere, die van God alleen is, niet aoekt ?quot;

ocr page 158

154

XLILL

„Doch ik zeg u - zoo wie ten onrechte op zijnen broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gerichtquot;.

Matth. 5 : 22a.

„Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uwe toornigheidquot;.

Epheze 4 ; 26.

\'ET dit; p„Doch ik zeg uquot;, handhaaft Jezus zijn gezag: , en aanzien, opdat men weten zou, dat hetgeen Hij zeide meerdere waarde bezat dan hetgeen door „de oudenquot; gezegd was. En om het algemeene gevoelen, dat de Schriftgeleerden in dezen hadden, te verwerpen, gaat Hij er vervolgens toe over, de drie trappen van schuld aan te geven, alsmede de straffen, die den schuldige treffen zouden, waar Hij zegt: „Wie ten onrechte op zijn broeder toornig is, zal strafbaar zijn door het gerichtquot;;, „wie tot zijnen broeder zegt: Raka, die zal strafbaar zijn door den grooten raadquot;; en ten slotte, „wie zegt: Gij dwaas, die zal strafbaar zijn door het helsche vuurquot;. De Heere Jezus wil hiermede dus te kennen geven, dat het gebod Gods, hetwelk tot de ouden gezegd was : „Gij zult niet doodenquot;, niet alleen de handeu bedwingt, dat zij geen moord begaan, maar ook de hartstochten breidelt, zoodat men niets doet, wat met de broederlijke liefde in strijd is. Onder dit gebod vallen niet alleen zij, die bepaald een ander van het leven berooven, maar allen, die zich op hun naaste vertoornen, hem bespotten of hem door lastertaal smaadheid aandoen; zij allen worden hier doodslagers

ocr page 159

155

genoemd. En hoewel alleen degenen, die tot openlijke lastering: komen, strafbaar zullen zijn „door het helsche vuurquot;, nochtans zullen ook zij, die „door het gerichtquot; of „door den grooten raadquot;\' gestraft worden, den toorn Gods niet ontgaan. Deze beide aard-sche straffen neemt de Heiland als voorbeeld, om daarmede te kennen te geven, dat God ook den heimelijken en verborgenen toorn als een rechtvaardig Rechter straffen zal.

Waar Paulus in Epheze 4 : 26 zegt; „Zijt toornig en zondigt nietquot;, daar zullen wij er ons thans niet in verdiepen of de apostel hier de woorden van David uit Psalm 4 : 5 aanhaalt, dan wel, of hij alleenlijk daarnaar verwijst en de Grieksche overzetting volgt. Dit is evenwel zeker, dat deze spreuk hier door den apostel zeer bekwamelijk wordt bijgebracht. Immers, in dit hoofdstuk laat Paulus uitkomen, hoe verkeerd het is, met toorn jegens elkander vervuld te zijn, aangezien een ieder in zich zeiven genoeg zal vinden, om daarover te toornen. Daarom vermaant hij af te leggen „den ouden mensch, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding, en aan te doen den nieuwen mensch, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheidquot;. En dan roept de apostel zijnen broederen te Epheze deze ernstige waarschuwing toe : „Legt af de leugen, en spreekt de waarheid een iegelijk met zijnen naaste; want .... wij zijn malkanders ledenquot;. Zij moeten beginnen, den toorn tegen zich zeiven te keeren, aangezien er zooveel in hen is, dat toorn verwekt. En wat de ongeloovigen aangaat, die geene vreeze Gods voor oogen hebben, noch het recht Gods gevoelen en zich dientengevolge geheel en al overgeven tot een ongebonden leven, zij worden vermaand — zoo er nog eenige hope op genezing in hen is — dat zij beven zouden en misbaar bedrijven. De trotsche moed van den hoo-

ocr page 160

156

Taardige vloeit voort uit de weinige vreeze, die hij voor God heeft, zoodat hij er geene zwarigheid in ziet, tegen God den Heere den strijd aan te binden. Hij is vervuld met een ijdel en dwaas vertrouwen; hij wordt verhard door zijn eigen wil en. God en zichzelven vergetende, volgt hij datgene na, waartoe hem zijne dwaze en verkeerde zinnelijkheid voert. Hij is, als het ware, in een diepen slaap weggezonken, die hem alle gevoel beneemt. Het medicijn, dat hem toegediend moet worden, moet van dien aard zijn, dat hij uit dien slaap opgewekt worde, en tot bewustheid kome; ontzetting en beving moet hem aangrijpen. Zoodra hij zich uit die verdooving, uit die ongevoeligheid heeft losgeschud, zal de begeerte om te zondigen in hem ophouden. Immers, dat de ongeloovigen zulke lasterlijke taal spreken tegen de eenvoudigen en oprechten , komt nergens anders door, dan dat zij te zeer steunen en vertrouwen op zichzelven.

Voldoende is dus gebleken, dat wij God door onzen toorn vergrammen. Vooreerst, omdat wij ons menigmaal om zeer geringe oorzaken boos maken, soms zelfs om niets, of zonder •daartoe aanleiding te vinden in eenigen laster, die onze eigene personen raakt. Dan, omdat het menigmaal gebeurt, dat wij, in toorn ontstoken zijnde, buiten alle perken gaan en voorthollen, gelijk een ongebreideld paard. Eindelijk, omdat wij onzen toorn botvieren tegenover onze naasten, terwijl wij hem op onze eigene hoofden moesten doen nederkomen, aangezien ^er in ons zei ven zooveel is, dat een billijken en rechtmatige n toorn verwekken kan.

Willen wij dus een rechtmatigen toorn uitoefenen, een toorn, die binnen de palen blijft, dan moeten wij de oorzaak niet in anderen, maar in ons zeiven zoeken; onze

ocr page 161

157

toorn moet gericht zi]n tegen onze eigene gebreken en feilen,, die wij zoo gedurig en zoo menigvuldiglijk bij ons zeiven ontdekken.

En waar ons door anderen leed wordt aangedaan, daar moeten wij ons meer vertoornen over de zonde, die daarin schuilt, dan dat wij boos zouden worden op de personen zelve, ons hart mag dienaangaande jegens hen niet met wrevel vervuld worden; maar de ijver voor de eere Gods, die daardoor aangerand wordt, moet de oorzaak van onzen toorn zijn.

Ten slotte: is er toorn in onze harten gerezen, dan be-hooren wij te allen tijde tot verzoening bereid te zijn, zoodat de toorn weer gestild worde en hij niet van kwaad tot erger voortgaat en zoodoende het leven vergalt, om eindelijk in wraakneming uit te barsten.

ocr page 162

158

XLIIL

„Maar ik zeg u, dat gij den booze niet wederstaat ; maar zoo wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toequot;.

Matth . 5 : 39.

„Een van de dienaren, die daarbij stond, gaf Jezus een kinnebakslag, zeggende: Antwoordt gij alzoo den Hopgepriester? Jezus antwoordde hem: Indien ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwade; en indien wel, waarom slaat gij mij ?quot;

Joh. 18 : 22, 23.

verklaring van eerstgenoemde uitspraak behoeft ons niet lang bezig te houden; zij komt in hoofdzaak overeen met hetgene wij in onze vorige beschouwing gezegd hebben. Het onderwijs, dat hier door den Heiland gegeven wordt, heeft ten doel de geloovigen aan te sporen tot matigheid en zachtmoedigheid. Wordt hun ongelijk aangedaan, dan moeten zij dat veel liever met geduld en lijdzaamheid dragen, en geen kwaad met kwaad vergelden, opdat hetgene aireede verkeerd is, niet nog erger gemaakt worde. Immers, wanneer het vuur iets heeft aangetast, zou het toch de grootste dwaasheid zijn, wanneer men, met het doel om te blusschen, andere brandbare stoffen in het vuur wierp. Evenzoo is het, wanneer men kwaad met kwaad vergeldt! Of zoudt gij meenen, dat gij b. v. de lastering kunt tegengaan door zelf te gaan lasteren ? Neen, gij zoudt daardoor het vuur der verbittering, dat reeds hoog opsteeg, nog feller doen branden. De Heere Jezus gebiedt dan ook, dat wij onze hartstochten zóó in

ocr page 163

159

toom zullen houden, dat wij liever opnieuw ongelyk lijden, dan -dat wij het kwaad, ons aangedaan, wreken zouden.

Maar nu zou het kunnen schijnen, alsof Jezus\' eigen voorbeeld daarmede in strjjd ware; alsof de Heiland zelf niet deed, wat Hii den geloovigen wél beveelt, te doen. Want toen Hij in de dagen zijns vleesches onder de talloos vele smaadheden ook deze moest ondergaan, dat een dienaar des Hoogepriesters Hem ■een slag in het aangezicht gaf, toen keerde Hij hem niet de andere wang toe. Het spreekt vanzelve, dat dat gezegde: „Zoo wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toequot;, niet in letterlijken zin moet opgevat worden. De Christelijke lijdzaamheid vordert niet, wanneer men geslagen wordt of overlast lijdt, dat men dit alles verdragen zal, zelfs zonder een woord daartegen in te brengen. Dit gezegde moet dan ook zóó verstaan worden, dat men niet alleen geduldig zijn moet in het ■ongelijk, dat men lijden moet; maar ook: dat men, alle wraakgierigheid afleggende, er ijverig naar streve, het kwade door het goede te overwinnen. De kwaaddoeners worden geleid door den geest van hunnen vader, den Satan, die de verpersoonlijking is van alles, wat niet goed is, en evenals hij zelf steeds omgaat als een brieschende leeuw, die op roof uit is, zoo ook zyn zij, die onder zijne macht staan, er steeds op uit, hun even-mensch schade te berokkenen. Dat is het doel, waarnaar de boosdoeners met alle macht jagen ; nauwelijks is het eene kwaad bedreven, of zij zinnen weer op een ander gruwelstuk ; uit en van zichzelve zijn zij zoozeer tot het kwade geneigd, dat zij waarlijk daartoe door anderen niet behoeven opgewekt en aangespoord te worden.

Wie dus uit deze woorden, door Jezus voor den Hooge-priesterlijken raad gesproken, zou willen afleiden, dat de mensch,

ocr page 164

160

die toch reeds door zijne booze lusten zoozeer tot kwaaddoen geneigd is, tot nieuwe boosheden wordt opgewekt, zou daardoor duidelijk te kennen geven, de woorden van den Heiland in het minst niet te verstaan. Nog eens zij het gezegd : de Heere Jezus beoogt met deze uitspraak niets anders, dan een ieder op te wekken, veel liever voor de tweede maal ongelijk te verdragen, dan zich over het eerste onrecht te wreken.

Dit alles verhindert natuurlijk een Christen niet-, die ten onrechte geslagen wordt of overlast lijdt, zich daarover bij de wettige overheid te beklagen, indien hij maar zorg draagt, dat zijn hart vrij is van allen heimelijken haat en zijne handen, zuiver zijn van alle wraakgierigheid.

ocr page 165

161

XLV.

„Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: „Gij zult uwen naaste liefhebben en uwen vijand zult gij hatenquot;.

Matth. 5 : 43.

„Maar ik zeg u: Hebt uwe vijanden lief; zegent ze, die \'u vervloeken; doet wel degenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en u vervolgenquot;.

Matth. 5 : 44.

AKNEERer in Gods Woord sprake is van onzen .naastequot;, dan lijdt het geen twijfel, of daaronder wordt verstaan het gansche geslacht der menschen. Uit het onloochenbare feit, dat ieder mensch het meest zich zeiven is toegedaan, vloeit het Voort, dat menigmaal ter oorzake van eenig gering profijt de een van den ander gescheiden wordt, ja, dat de onderlinge gemeenschap, gelijk de natuur ons die leert, verbroken wordt. Om ons nu in den band van broederlijke liefde te houden, betuigt God, dat alle menschen onze naasten zijn ; omdat zij allen dezelfde na tuur deelachtig zijn, behooren zij eikanders vrienden te wezen. Telkens wanneer de eene mensch den anderen ziet, moet hij zich zeiven als in een spiegel aanschouwen, want het is zijn vleesch en zijn been, gelijkerwijs de Heilige Schrift dat op vele plaatsen leert. Maar al is het nu, dat het tegendeel vaak waargenomen wordt en de eene mensch den anderen niet als zijn vriend beschouwt, geene gemeenschap met hem houdt en zich van hem afscheidt, dan nog wordt door deze verkeerde handelwijze de:

it

ocr page 166

162

natuurlijke band niet verbroken, gelijk die gelegd is door Hem, die uit eenen bloede het gansche menschelijk geslacht heeft doen voortkomen. God heeft dien band van vereeniging gelegd en bezit dus ook het recht van ons te eischen, dat wij alle leden van dat menschelijke geslacht, m. a. w. onze „naastenquot;, liefhebben.

Nu moet het onze verwondering wekken, als wij letten op de zonderlinge meening, die de Schriftgeleerden hadden met betrekking tot hunne „naastenquot;. Zij verstonden daaronder alleen diegenen, die wèl deden en door de weldaden en diensten, die zij bewezen, waardig waren, bemind te worden ; zij rekenden dus diegenen tot hunne „naastenquot;, die door de eene of andere daad getoond hadden, hun gunstig gezind te zijn. Vandaar dan ook, dat de Schriftgeleerden steeds de leer verkondigden, dat men slechts diegenen voor zijne naasten moest houden, die, terwille van hunne goede gezindheid waard waren, dat men hun vriendschap bewees, of in ieder geval verdienden, dat men hunne vriendschap vergelden zou. Deze leer der Schriftgeleerden met betrekking tot den „naastequot; wil er bij ieder mensch nog al in; daarom schamen zich de hoovaardige kinderen dezer wereld niet, hun haat openlijk te toonen en uit te spreken, als zij maar eene geschikte reden hebben; om zich te verantwoorden. De liefde echter, die God ons gebiedt en in zijne wet voorschrijft, vraagt niet, of men haar waardig is en verdient, maar strekt zich juist uit tot degenen, die haar niet waardig zijn, tot de boozen en ondankbaren.

Als dus de Heiland zegt: „Maar ik zeg u: hebt uwe vyanden lief\', dan geeft Hij geen nieuw bevel, geene nieuwe wet, maar dan heeft Hij het oog op de wet zijns Vaders in haar natuurlijken zin, teneinde daardoor op te komen tegen de valsche en verkeerde verklaring der Schriftgeleerden, die de zuiverheid

ocr page 167

163

van de wet Gods vervalscht hadden. Volkomen handhaaft Hij dus de uitspraak: „Gij zult uwen naaste liefhebben en uwen vjjand zult gij hatenquot;; tevens wil Hij aantoonen, hoe wij haar behooren na te komen, te weten, dat wy niet alleenlijk zouden liefhebben degenen, die ons goed doen, maar ook degenen, die ons kwaad berokkenen. Daartoe vermaant ook Paulus, als hij in Rom. 12 : 21 schrijft: „Word van het kwade niet overwonnen, maar overwin het kwade door het goedequot;.

XLVI.

„En als gij bidt, zoo gebruikt geen ijdel verhaal van woordenquot;.

Matth. 6 : 7a.

„Bidt zonder ophoudenquot;.

1 Thess. 5 : 17.

NZB Heere Jezus wijst er in Mattheüs 6 op, hoe men bidden moet, vóór Hij er toe overgaat te zeggen, wat men bidden moet. Als de geloovigen bidden, moeten zij zich — gelijk wij dat in eene vroegere beschouwing gezien hebben — onderscheiden van de geveinsden, die gaarne in de synagogen en op de hoeken der straten staan te bidden, opdat zij van de menschen mogen gezien worden. Met dat ernstige: „Voorwaar, ik zeg u, dat zij hun loon weg hebbenquot;, heeft Jezus daartegen gewaarschuwd en gezegd, dat zij in hunne binnenkamer zouden gaan. Maar ook moeten zij zich onderscheiden van de heidenen, die, wanneer zij bidden, een

ocr page 168

164

„ijdel verhaal van woordenquot; gebruiken, meenende, „dat zy door hunne veelheid van woorden verhgord zullen wordenquot;. „Wordt dan hun niet gelijkquot;, zoo roept Jezus ernstig waarschuwend. Neen, zij moeten geen ijdel verhaal van woorden gebruiken ; de Heere ziet niet aan, wat voor oogen is, maar Hij is een kenner der harten en weet dus, uit welke bron het bidden voortvloeit. De verhooring zal niet afhangen van de veelheid der woorden, want daarin bestaat de kracht des gebeds niet; de vraag zal het zijn, of de bede waarlijk oprijst uit het diepst van het harte. En als dit het geval is; als het gebed inderdaad voortkomt uit eene diep gevoelde behoefte des harten, dan is het hart de tong verre vooruit; dan is de bede al in het harte opgeweld, voor zij met den mond is uitgesproken. En zou Hij, van wien David getuigen moest: „Gij verstaat van verre mijne gedachten; als er nog geen woord op mijne tong is, zie, Heere, Gij weet het allesquot;, dan letten op eene ijdele woordenpraal? Immers neen. Duidelijk laat de Heiland dit uitkomen, waar Hij er onmiddellijk eene uitspraak op laat volgen, die de nietigheid van onze woorden in het helderste daglicht stelt, als Hij zegt; „Want uw Vader weet, wat gij van noode hebt, eer gij Hem bidtquot;. Het hooren en verhoeren van het gebed hangt niet af van een gioot verhaal van woorden. Hiskia „piepte als eene kraan of zwaluw en kirde als eene duifquot; en toch werd zijn gebed verhoord Een geioovig harte stort zijne oprechte en hartelijke begeerte in allen eenvoud voor het aangezicht des Heeren uit en zulk een gebed vermag veel, het is als een vliegende pijl, die zooveel kracht bezit, dat hij doordringt tot in den hemel.

Maar nu is er niet de minste tegenstrijdigheid, als Paulus aan de gemeente der Thessalonicensen schrijft: „Bidt zonder

ocr page 169

165

ophoudenquot;. Het ligt toch voor de hand, dat het ydele verhaal van woorden in het gebed, de gedurigheid van het gebed niet uitsluit. Dat bidden zonder ophouden wordt echter niet bevolen, als zou God zulks van noode hebben; want onze Vader, die in de hemelen woont, weet, wat wij van noode hebben, ook voor wij er Hem om vragen. Evenmin heeft Hij het van noode, dat wy gedurig onze behoeften voor Hem in den gebede uitstorten, want zijne oogen doorloopen de gansche aarde en niets van alles, wat den kinderen der menschen wedervaart, is Hem onbekend. Evenmin is Hij onwillig, zoodat, wanneer men het Hem eenmaal gevraagd heeft, men het gedurig zou moeten herhalen. Neen, de noodzakelijkheid van het gedurig bidden ligt bij den mensch. Levendig moet de mensch het van oogenblik tot oogen-blik gevoelen, in alles diep afhankelyk te zijn ; dat woord van den Heiland : „Zonder mij kunt gij niets doenquot;, moet hem steeds voor den geest staan ; zijne vele nooden en behoeften moeten hem gedurig doen inzien, dat hij van oogenblik tot oogenblik de hulpe des Heeren van noode heeft, en dat moet hem voortdurend uitdrijven tot den troon der genade. Nu is het wel waar, dat de Heere ons alles zou kunnen schenken, wat wij van noode hebben, ook zonder dat wij er Hem om vraagden. En inderdaad, door goedheid en barmhartigheid bewogen, komt Hij vele onzer gebeden reeds voor en vervult Hij menige begeerte, die nog niet uitgesproken is. Ware dat ook niet het geval, dan zag het er inderdaad diep treurig met ons uit, want wie onzer zou bij machte zijn, Hem alle behoeften ordelijk voor te dragen ? Maar al is het, dat de Heere ook zonder ons gebed, al onze nooddruft zou kunnen vervullen, toch wil Hij, dat wij gedurig onze gebeden tot Hem opzenden, en dat met geen ander doel, dan om ons in het geloof te oefenen.

ocr page 170

166

Immers, de kracht van het gebed zit juist in het geloof, dat Hij machtig en gewillig is, onze bede te verhooren. Met kinderlijk vertrouwen moeten wij onze zuchten en klachten neerleggen in den schoot van onzen hemelschen Vader, niet twijfelende, of Hij zal, om zijns lieven Zoons wille, ons gebed verhooren.

XL VIL

„TJw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aardequot;.

Matth. 6 : 106.

„Want het is des Vaders welbehagen geweest, dat in hem (n.1. den Zoon) al de volheid wonen zoude, en dat Hij door hem, vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, door hem, zeg ik, alle dingen verzoenen zoude tot zich zei ven, hetzij de dingen die op de aarde, hetzij de dingen, die in de hemelen zijnquot;.

Col. 1 : 19, 20.

,N deze derde bede uit het volmaakte gebed, hetwelk de Heere Jezus ons zelf heeft leeren bidden, begeeren wij, dat hier op aarde alle schepselen Gode eene ware en volkomene gehoorzaamheid mogen bewijzen, gelijk de engelen in den hemel, zonder eenig tegenspreken, steeds gereed staan, zijne geboden en bevelen ten uitvoer te leggen. Hem op geenerlei wijze te mishagen, maar in alles zijn wil te doen, is voortdurend hun hoogste streven ; zij weten, dat er geen wil is, zoo goed, zoo heilig en zoo wijs als

ocr page 171

167

die van God en daarom bewijzen zij Hem ook alle gehoorzaamheid. Die gehoorzaamheid is dan ook de oorzaak, dat zü staande gebleven zijn; zij stelt hen in staat, zijne troon-geesten te zijn, die Hem geduriglijk nacht en dag dienen; zij is oorzaak, dat zij aan geene verandering of verderving onderworpen zijn. Eenig en alleen omdat zij in alles den wille Gods gelijkvormig zijn, genieten zij eene eeuwigdurende rust en gelukzaligheid. En daarom juist, omdat er in hen niets is, dat strijd voert met den hemelschen en goeden wil van God ; niets, dat bij machte is, hen tekort te doen schieten in de volbrenging van de hemelsche ordonnantiën ; niets, dat hen ook maar in eenig opzicht eigene wenschen of begeerten zou doen stellen boven den goeden en welbehagelijken wil des Heeren ; daarom genieten zij de hoogste rust, smaken zij eene volkomene gelukzaligheid.

Waar het nu vaststaat, dat de engelen, van het oogen-blik hunner schepping aan, in alles Gode eene volkomene gehoorzaamheid hebben toegebracht en er dus niet de minste oorzaak van vijandschap tusschen God en hen kan bestaan, daar spreekt het van zelve, dat zij ook geene verzoening van noode hebben.

Maar hoe kan Paulus dan aan de Golossensen schriiven, dat het des Vaders welbehagen is, door het bloed des kruises, alle dingen tot zichzelven te verzoenen, „hetzij de dingen die op de aarde „hetzy de dingen die in de hemelen zijnquot;, dus ook : de engelen ?

Sommigen verstaan onder de uitdrukking: „de dingen die op de aarde zijnquot;, de menschen, en onder „de dingen die in de hemelen zijnquot;, de engelen. Zij verklaren deze uitspraak van den apostel zóo, dat de engelen met de menschen vereenigd zijn, en dat zoodoende de hemelsche en aardsche schepselen met

ocr page 172

168

elkander de unie of gemeenschap der heiligen vormen. Anderen daarentegen komen tegen dit gevoelen op. Zij zeggen, dat dit niet overeenstemt met hetgeen nadrukkelijk door den apostel ver klaard wordt, als hij zegt, dat God hen tot zichzelven ver zoend heeft. Doch laten wij — voor wij dit gevoelen verder nagaan — duidelijkheidshalve nog even de aandacht vestigen op het verschil, dat er bestaat in de verhouding tusschen God en den mensch, en God en de engelen.

Tusschen God en den mensc/i was er verzoening van noode. De mensch had God door zijn snooden en moedwilligen afval vertoornd. Door de zonde had het schepsel zich van zijn Schepper vervreemd. In steê van een liefdevollen Vader, was God een vertoornd Rechter geworden en in dat gerichte Gods zou de mensch niet hebben kunnen bestaan, maar had hij voorzeker eeuwig moeten omkomen, ware niet de genade van onzen Heere Jezus Christus en de liefde Gods tusschenbeide gekomen. Beladen met onze zonde, is Hij, die geene zonde gekend noch gedaan heeft, in onze plaats v oor het gerichte Gods verschenen; Hij is onze Borg en Middelaar, het Hoofd van het verbond der genade geworden, dat God nog met den mensch wilde oprichten en waarlangs Hij voor den gevallen mensch den weg weer ope nstelde, die hem voeren kon tot eene eeuwige gelukzaligheid. God en mensch verzoend! — Zietdaar den onna-speurlijken rijkdom van Gods liefde, die ons in het „Het is volbrachtquot; van Calvariëns heuvel tegenstraalt! Daar, aan het hout des kruises, heeft Christus de vijandschap in zijn vleesch te niete gedaan ; nu is God ons niet meer een vertoornd Rechter, maar in den Zoon Jezus Christus is Hij ons weer een liefdevol Vader geworden.

Tusschen God en de engelen stond het evenwel anders.

ocr page 173

169

tusschen hen was er geene verzoening van noode. De engelen waren niet, gelijk de mensch, van God afgevallen en dus was er tusschen God en hen geene scheiding of vervreemding ontstaan.

Nu zijn er echter, volgens de meening van de hierboven laatstgenoemde Schriftuitleggers twee oorzaken, waarom God ook met de engelen een verdrag moest sluiten, evenals Hij dat met de menschen gedaan heeft. Ten eerste toch, (zoo zeggen deze Schriftverklaarders) waren de engelen schepselen en dientengevolge blootgesteld aan de mogelijkheid van te vallen; maar Gods genade heeft hen staande gehouden. Dal is esn verdrag, dat God met hen gesloten heeft, en daardoor zijn zij bekwaam gemaakt, om den eeuwigen vrede met God deelachtig te worden. God heeft hen in dien staat der rechtheid bevestigd, zoodat zij nu zonder vreeze zijn van te zullen afvallen, of van iets te doen, waardoor zij zich van God zouden vervreemden. Als tweede oorzaak brengen zij dan nog dit bij, dat de gehoorzaamheid, welke de engelen aan God bewijzen, niet zóó uitnemend en zóó gansch volmaakt geweest is, dat zij God in alle opzichten zou hebben voldaan; en waar dit laatste nu niet het geval is, daar spreekt het vanzelve, dat zij ook vergeving van noode hebben. Zij beroepen zich op Job 4 : 18, waar de vrome lijder zegt: „Zie, op zijne knechten zou Hij niet vertrouwen, hoewel Hij in zijne engelen klaarheid gesteld heeftquot;. Volgens hem is ook bij de engelen zulk eene gehoorzaamheid te vinden, die in het licht van Gods gerechtigheid beschouwd, niet anders dan onvolkomen is. En hieruit besluiten zij dan, dat de engelen geene volkomene gerechtigheid hadden, welke voldoende was, om hen met God te vereenigen, zoodat zij ook iemand van noode hebben, om hun vrede bij God uit te werken en door wiens genade zij bekwaamd worden, om God volkomen te dienen.

ocr page 174

170

Wij kunnen ons echter met deze verklaring niet vereenigen ; zij mist allen grond, en het fondament, waarop deze redeneering gebouwd is, deugt niet. Het is niet waar, dat de apostel, schrijvende over „de dingen die in de hemelen zijnquot;, het oog heeft op de „engelenquot;; neen, onder die dingen verstaat hij : „de algemeens vergadering en de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en de geesten der volmaakt rechtvaardigenquot; (Hebr. 12 : 23), die met ons leden zijn van het lichaam van onzen Heere Jezus Christus en die, evenals wij, met God verzoend en tot vrede gebracht zijn, door „den Middelaar des Nieuwen Testaments, Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abelquot;, (vs. 24.)

XLVIII.

„Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordtquot;.

Matth. 7 : 1.

„Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt een rechtvaardig oordeelquot;.

Joh. 7 : 24.

\' LS onze Heere Jezus zegt: „Oordeelt nietquot;, dan wil Hij daarmee niet ganschelijk het oordeelen verbieden, maar eene ziekte genezen, die bijna allen menschen aangeboren is. Men ziet het maar al te vaak, dat de mensch met betrekking tot zichzelven zeer traag in het oordeelen is, terwijl men zich zoo gemakkelijk opwerpt, om over anderen scherpe oordeelvellingen lichtvaardig uit te spreken. In het na-

ocr page 175

171

speuren van de gebreken van anderen is de mensch menigmaal zeer bedreven, en dat kan hem zelfs zóó prikk len, dat hij er zich warm voor maakt. En nu zal toch een ieder toestemmen, dat een mensch, die blind is voor zijne eigene gebreken, die nog al\' met zichzelven opheeft, en gaarne zich zeiven vleit, terwijl hij in zijn naaste niets goeds opmerkt en steeds met de meeste nauwgezetheid de feilen van een ander opspoort, onverdragelijk is. Maar er is te dezen opzichte nog een kwaad onder de zou en dat is veel gevaarlijker. Velen zijn er, die anderen ganschelijk veroor-deelen en zelf een vrijbrief zouden willen hebben, om te zondigen.

Daartegen nu waarschuwt de Heiland, als Hij zegt: .Oordeelt nietquot;. Hij wil, dat de mensch, zijne booze en verkeerde lusten bedwingende, zich niet met betrekking tot zijn naaste zal schuldig maken aan „achterklappenquot;, „vuil sprekenquot; of het geven van „valsche getuigenisquot;. Maar overigens mogen de geloovigen natuurlijk ook hun oordeel over eene zaak zeggen; zij behoeven hunne oogen niet gesloten te houden, zoodat zij niets kunnen onderscheiden. Zoo iets gebiedt de Heere niet. Ernstig waarschuwt Hij hier, dat wij ons zelven in toom houden, opdat wij niet, door booze lusten, tot oordeelen gedreven worden. Wij moeten meer de hand in eigen boezem steken en strenge tuchtmeesters over ons zelven zijn, in plaatsvan altijd gereed te staan, om het oordeel over anderen uit te spreken.

Evenmin wil de Heiland, blijkens de uitspraak bij den evangelist Johannes, dat wij zonder oordeel zouden zijn, zoodat er voor ons geen onderscheid bestond tusschen goed en kwaad en wij niet bij machte zouden zijn, eenig oordeel te vellen over het al of niet rechtvaardige van eene zaak. Maar dan eischt

ocr page 176

172

Hij tevens een gematigd en voorzichtig oordeel; Hij wil, dat er een rechtvaardig oordeel geoordeeld wordt, en daartoe is noodig, dat men niet zoozeer op den persoon als wel op de daad let. Dat dit de bedoeling van \'s Heeren gezegde is, blijkt ons duidelijk, wanneer wij slechts op het verband letten, waarin het voorkomt. Jezus was op het Loofhuttenfeest in den tempel gegaan, om te leeren, over welke leer de Joden zich verwonderden, zeggende: „Hoe weet deze de Schriften, daar hij ze niet geleerd heeft ?quot; En evenzoo oordeelden zij over zijne werken ; want hoewel zij de overtuiging hadden, dat het goddelijke werken waren, toch stelden zij ze vanwege hunne booze gezindheid in een verkeerd daglicht, en deden het voorkomen, alsof de Heiland den Sabbath niet in eere hield. Dat valsche oordeel zal de Heiland weerleggen. Daartoe wijst Hij er de Joden op, hoe vroeger door Hem vele werken te Jeruzalem verricht zijn, die zij zelve verklaard hebben goed en een profeet waardig te zijn, terwijl zij over dat ééne werk, dat Hij sinds gedaan heeft; n.1. de genezing van den „achtendertigjarigen krankequot;, zich allen verwonderen. Daarover behoeven zij zich toch waarlijk niet te verwonderen ; evenmin betaamt het hun, deswege zulk een hard oordeel over Hem te vellen, als zou Hij den duivel hebben, want zij doen hetzelfde, waar zij ook werken verrichten op den Sabbath. Zii besnijden op den Sabbath, terwyl de Heere by monde van Mozes toch uitdrukkelijk bevolen heeft: „Dan zult gij geen werk doenquot;. Welnu, zoo gaat Jezus voort, waar gij dus zelf aan dat vermeende kwaad schuldig staat door een mensch op den Sabbath te besnijden, „zijt gij dan toornig op mij, dat ik een geheelen mensch gezond gemaakt heb op den Sabbath ?quot; Door de besnijdenis, die zij terecht zoozeer in hooge eere hielden, op den Sabbath te doen plaats hebben, spraken zij dus duidelijk uit, zeer goed te weten, dat de wet daardoor niet

ocr page 177

173

overtreden werd, aangezien de werken Gods niet tegenstrijdig, maar met elkander in overeenstemming zijn. Waar zij toonden, dit te weten, en desniettegenstaande voor den Heiland toch een anderen maatstaf aanlegden, blijkt het duidelijk, dat zij in hunne oordeelvelling zich niet hadden laten leiden door het verrichte werk, maar dat zij gezien hadden op den persoon, door wien het verricht werd. En omdat hunne harten met boosheid vervuld waren tegenover den persoon van Christus, was ook hun oordeel valsch en onwaar. En daarom is het, dat Jezus zegt: niet naar het aanzien, maar oordeelt een rechtvaardig oordeel. Hadden zij dat gedaan, dan voorzeker hadden zij, met het oog op zichzelven, een ander oordeel moeten vellen. Maargelyk altijd, lieten zy zich ook thans door hunne blinde woede tegen den persoon van Christus leiden, en als men zich den persoon voor oogen stelt en daarop de zinnen zet, dan ia het oordeel niet rechtvaardig ; de persoonlijke wraak wordt dan niet genoeg afgescheiden van de zaak, die men beoordeelen moet, en verkrijgt straks de overhand, zoodat de waarheid, die te allen tijde moet zegevieren, er onder lijdt en er door verkracht wordt.

ocr page 178

174

XLIX.

„Geeft het heilige den honden niet, en werpt uwe paarlen niet voor de zwijnenquot;.

Matth. 7 : 6a.

„En hij zeide tot hen : Gaat henen in de geheele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturenquot;.

Marc. 16 : 15.

LVORENS de Zaligmaker van zondaren zegenend van zijne jongeren afscheid nam, en voor hunne oogen opvoer ten hemel, gaf Hij hun den last, henen te gaan in de geheele wereld, om alle creaturen, die het Evangelie hooren en aannemen wilden, zonder aanzien des per-soons, de blijmare des heils te doen hooren. De Heiland was juist op aarde gekomen, om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was. Dat was het eenige doel van zijne komst in het vleesch. Daartoe had Hij den hemel der heerlijkheid verlaten en was naar deze, om der zonde wille vervloekte, aarde gekomen, teneinde door zijn lijden en sterven verzoening teweeg te brengen tusschen den heiligen en rechtvaardigen God en het diep gevallen schepsel. De werken der duisternis zou Hij verstoren. Jood en Heiden zouden door Hem onder één Hoofd gebracht worden. Alle onderscheid tusschen die beide volken moest worden weggenomen, opdat de Joden niet meenen zouden, dat met uitsluiting van alle anderen, de zaligheid alleen voor hen bestemd was, maar ook andererzijds de Heidenen niet vertwijfelen zouden, als waren zij uit het koninkrijk der hemelen gebannen en voor eeuwig buitengesloten. Waar dit des Heilands doel is, daar wil Hij ook, dat de bazuine des Evangeliums over het rond der aarde zal gehoord

ocr page 179

175

■worden, zoodat Joden en Heidenen gebracht worden tot de ware gehoorzaamheid; daar is]het zijn wil, dat dit Evangelium het zegel zij van alle trouwe Herders en Leeraars, om hunne leer te bezegelen.

Ten tijde van de wet was dit echter niet zoo. Toen waren aan ■de profeten zekere perken gesteld, n.1. de grenzen van het Joodsche land; daarbuiten mochten zij niet gaan. De Joden vormden eene natie, afgezonderd van alle andere volkeren; hun waren dan ook Gods rechten en inzettingen toebetrouwd. Maar toen „de Verwachting Israelsquot; en „het Licht der heidenenquot; gekomen was; toen „de volheid der tijdenquot; was ingegaan en de Heere toonen zou, niet alleen een God der Joden, maar ook der Heidenen te zijn; toen Jezus Christus, de Zone des levenden Gods, in het vleesch verschenen was, is de middelmuur des af-scheidsels tusschen Joden en Heidenen, bestaande in de inzet ■tingen van de ceremoniëele wet van Mozes, gebroken en mocht de vrede, die er in Christus Jezus is, verkondigd worden aan degenen, die nabij, maar ook aan hen, die verre zijn. Nu moeten de gezanten van dat kruis van Christus allerwegen henengaan ; de blijde boodschap, dat het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonden, moet overal gebracht worden ; als zaaiers moeten zij henengaan, om dat woord in alle landen der wereld te zaaien, want hun akker is de gansche wereld. Voorzeker, het eerst heeft de Heiland zich tot de Joden gewend, maar de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Toen heeft Hij zich tot de Heidenen gekeerd, opdat ook zij een erfdeel zouden hebben onder alle de geheiligden, en zoo verkreeg het profetische woord zijne vervulling: „Ik heb u ook gegeven tot een licht der heidenen, om mijn heil te zyn tot aan het einde der aardequot;. En waar de apostelen, van nu voortaan de reize zonder hun Meester zullen moeten voortzetten, geeft de Heiland, vóór Hij

ocr page 180

176

van hen scheidt, hun den uitdrukkelijken last; „Gaat henen in de geheele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturenquot;.

Hoewel deze last aan de apostelen, en in hen aan alle dienaars van Christus, gegeven is, nochtans hebben ze ook dit bevel des Heeren te onderhouden: „Geeft het heilige den honden niet, en werpt uwe paarlen niet voor de zwijnenquot;. De schat van hemelsche wijsheid is alleen weggelegd voor de kinderen Gods en mag niet worden toebedeeld aan de opgeblazene verachters van God en zijn Woord.

Deze uitspraak schijnt dus in strijd met de vorige, waarin de Heiland gebiedt, het Evangelie aan alle creaturen te prediken, en eveneens met die van Paul us, als hij, in zijn tweeden brief aan die van Corinthe, Gode daarvoor dank toebrengt, dat de reuk van diens kennis door de apostelen openbaar mag gemaakt worden „in alle plaatsenquot;, al is het dan ook, dat het voor dezen „eene reuk des doods ten doodequot;, en voor genen „eene reuk des levens ten levenquot; zal zijn. Niets staat dan ook zoo ontwijfelbaar vast, als dat het Evangelie, uit kracht van Gods bevel, voortdurend aan ongeloovigen en hardnekkigen moet gebracht worden, teneinde hun des te meer alle onschuld te benemen. Trouwens, hoe kan dit ook anders ? Niemand van hen, die geroepen zijn tot het leeraarsambt, is een hartenkenner ; zij kunnen niets anders dan naar het zichtbare oordeelen en mogen dus geen onderscheid maken tusschen geloovigen en ongeloovigen ; zij mogen de schapen niet van de bokken scheiden, dat is overgelaten aan Hem, wien het oordeel toekomt, aan den oppersten Herder der kudde. Al is het, dat er vele boozen, hardnekkigen en onwilligen gevonden worden, toch mag de leeraar hen niet buitensluiten of voor verworpenen houden; de Christelijke liefde verbiedt dat, en zijn ambt brengt mede,.

ocr page 181

177

de leer der zaligheid allen menschen aan te bieden.

Om dit Schriftwoord dus in zijne ware beteekenis en juisten zin te verstaan, komt het er op aan, ons goed rekenschap te geven van hetgeen Jezus met de woorden „hondenquot; en „zwijnenquot; zeggen wil. Als zoodanigen mogen wij maar niet aanstonds beschouwen alle booze en goddelooze menschen, die geene vreeze Gods voor oogen en met zijn dienst niets van doen willen hebben. Neen, de Heere Jezus wil, dat wij dezulken als honden en zwijnen zullen aanmerken, die door duidelijke en openbare kenteekenen eene hardnekkige en moedwillige verachting van God en zijn dienst aan den dag hebben gelegd ; die zóó door dit kwaad zijn aangegrepen, dat er geene hoop op herstel meer is. De Heiland zelf heeft hier, sprekende van honden en zwijnen, geene anderen op het oog dan dezulken, die in eene schandelijke en goddelooze verachting van de goedheid Gods als verdronken liggen en zich daarin om en omwentelen, gelijk een zwijn dit in het slijk doet; het zijn dezulken, die geen middel ter genezing willen aangrijpen.

Wij besluiten dus, dat het Evangelie moet gepredikt worden aan alle creaturen en dat eerst dan, wanneer die blijde boodschap herhaaldelijk gebracht is, maar met geen ander gevolg,, dan dat men in trotsche hoovaardij voortgaat haar te verwerpen, dezulken, die hieraan schuldig staan, mogen beschouwd worden als honden, aan welke men het heilige niet geeft, en als zwijnen, voor welke men geene paarlen werpt. Voor hen geldt het ernstige verwijt, dat Paulus en Barnabas tot de hardnekkige Joden richtten : „Nademaal gij het woord Gods verstoot, en uzelven des eeuwigen levens niet waardig oordeelt, ziet, wij keeren ons, van u af\'. (Hand. 13 : 46.)

ocr page 182

178 L.

„Want een iegelijk, die bidt, die ontvangtquot;.

Matth. 7 : 8a.

„Gij bidt, en gij ontvangt nietquot;.

Jac. 4 : 3a.

N deze uitspraak uit het Evangelie naar Mattheüs biedt de Heere Jezus aan de zondaars de genade zijns Vaders aan, waar Hij zegt, dat God, naar zijn ondoorgrondelijk wel behagen bereid is, ons te verhooren, zoo wij maar tot Hem bidden. Indien wij het van Hem begeeren, dan wil Hij, naar den rijkdom zijner genade, ons schenken, wat wij noodig hebben. Maar het gebed, dat wij tot Hem opzenden, moet geschieden in het geloof; zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen en ons gebed, dat buiten het geloof omgaat, ia niet aangenaam voor God. Indien zü, die verstoken zijn van datgene, wat zij noodig hebben, niet in den geloove bidden tot den Vader der lichten, van Wien alle goede gaven en volmaakte giften zijn afdalende, zoo zullen zij deswege hunne rechtvaardige straf moeten dragen, even zeker als dat hij, die waarlijk tot God bidt, in de verhooring de vrucht van zijn bidden smaken zal. Menigmaal geschiedt het zelfs, dat de geloovigen als in een diepen slaap gezonken zijn, maar Hij, de Wachter Israels, die niet slaapt of sluimert, waakt dan voor hunne zaligheid en komt alzoo dikwerf hunne gebeden reeds voor. Vanwege onze onbekwaamheid om tot God te naderen, zou het er al zeer ellendig met ons uitzien, indien de Heere met alles steeds wachtte, totdat wij onzen mond hebben opengedaan, om het Hem te vragen. Ja, wat meer is; door loutere goedheid wordt Hü bewogen, ons

ocr page 183

179

dat geloof te schenken, dat aan elk waar en oprecht bidden, zoowel ten aanzien van den tijd van ons gebed als van de volgorde onzer beden, moet voorafgaan. Als dus de Heiland zegt: „Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt, dan is dat eene belofte, die Hij alleen aan zijne geloovigen geeft en waarin Hij tevens kort en eenvoudig aantoont, op wat wijze de Hemelsche Vader hun zijn goeden wil deelachtig maken zal. Want al is het waar, dat zij met hun gebed niets kunnen verdienen, daar Hij alles uit loutere genade schenkt, nochtans gebiedt Hü, opdat zij hun geloof zouden oefenen, dat zij met bidden en smeeken hunne nooden en behoeften Hem bekend zullen maken; en wanneer Hij hun gebed verhoort, dan schenkt Hij hun in die verhoonng datgene, wat hun uit enkele goedheid en barmhartigheid toevloeit.

Wanneer wij dit nu goed in het oog houden, zal het ons niet vreemd voorkomen, dat de uitspraak in den zendbrief van Jacobus schijnbaar lijnrecht staat tegenover die in Mattheüs\' Evangelie. Daar was het: „die bidt, die ontvangtquot; ; hier luidt het: „gij bidt en gyj ontvangt nietquot;. Gelijk wij boven hebben aangetoond, is het geloof alleen het middel, waardoor wij deel kunnen krijgen aan de weldaden en zegeningen des Heeren. En juist het geloof doet den bidder berusten in den wille Gods, dien hij belijdt, altijd heilig, wijs en goed te zijn. Hij kent dien wil van God als zijnde geopenbaard in zijn Woord en buiten de palen daarin gesteld, gaat de bidder niet. Maar dit is niet het geval met den bidder, dien Jacobus op het oog heeft. Zijn gebed stijgt niet als eene liefelijke reuke tot den hemelschen Vader op, en erlangt dan ook geene verhooring. De bidder ontvangt niet, wat hij vraagt, en wel om deze reden — zoo voegt de apostel er aan toe — omdat hij kwalijk bidt en het in zijne wellusten zou doorbrengen. Hoe kan het ook anders ? Hoe durft een mensch, die in

ocr page 184

180

vergelijking van God minder is dan een stofje aan de weegschaal en een druppel aan den emmer, zich te verstouten Hem, die den hemel heeft tot zijn troon en een ontoegankelijk licht bewoont, tot een dienaar te maken van zijne booze lusten en zondige begeerten ! Immers, het is toch niet mogelijk, dat een mensch, die zijne begeerten verre uitstrekt boven hetgene God te dien opzichte bevolen heeft, en iets van God begeert, waarover hij zich jegens zijn evenmensch schamen zou, op zulk een gebed verhooring verwachten kan ! Met recht en reden zegt dan ook de apostel Jacobus: dat zulk een bidder niet ontvangt. Dit staat vast, dat er geene vreeze en geen eerbied woont in het harte van hen, die zoo stout en lichtvaardig zijn, dat zij van God zaken begeeren, die hun eigen geweten hun niet toelaten zou. Zulk een gebed kan niet voortkomen uit een hart, dat vervuld is met goede en heilige gedachten aangaande den Vader, die in de hemelen woont. Zal ons gebed Gode aangenaam kunnen zijn, dan behooren wij alle lusten en begeerten in toom te houden en hen gevangen te leggen onder den volmaakten wil van God.

Door vergelijking van deze beide Schriftuurplaatsen blijkt ons dus, dat zij volstrekt niet met elkander strijden en dat hij, die met een geloovig harte bidt en zijn eigenen wil onderwerpt aan den goeden en heiligen wil des Heeren, zekerlijk verhooring erlangen zal, gelijk de apostel Johannes dat ook in zijn eersten brief schrijtt: „Dit is de vrijmoedigheid, die wij tot Hem hebben, dat zoo wij iets bidden naar zijnen wil. Hij ons verhoortquot;. Maar daartegenover staat: zoo wij iets begeeren overeenkomstig onze eigene lusten, dan zullen wij niet ontvangen en inderdaad, het zou ons niet tot voordeel zijn, indien wij het op die wijze verkregen.

ocr page 185

181

LI.

„Velen zullen te dien dage tot mij zeggen ; Heere, Heere, hebben wij niet in uwen naam geprofeteerd, en in uwen naam duivelen uitgeworpen en in uwen naam vele krachten gedaan ? En dan zal ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van mij, gij die de ongerechtigheid werktquot;.

Matth. 7 : 22, 23.

„Een iegelijk dan, die mij belijden zal voor de menschen, dien zal ik ook belijden voor mijnen Vader, die in de hemelen isquot;.

Matth. 10 : 32.

^EN discipel van onzen Heere Jezus Christus moet steeds kracht en moed in zich gevoelen, om te allen tijde wanneer hij daartoe geroepen wordt, bereid te zijn diens naam te belijden. De meeste menschen evenwel schieten hierin zeer veel tekort. De vrijmoedigheid, om openlijk voor den naam en de zaak des Heeren uit te komen, wordt bij weinigen gevonden. Niettemin stelt de Heere Jezus het openlijk en vrijmoedig belijden van zijn naam tegenover de menschen, onder de voornaamste oefeningen van den waren godsdienst. En dat niet zonder reden ! Immers, waar de vorsten dezer aarde hunne onderdanen wel onder de wapenen roepen, om de eere van koning en vaderland tegenover de vijanden te handhaven, zouden dan de geloovigen hun tong niet gebruiken, om de eere en heerlijkheid van hun hemelschen Koning te verdedigen ? Is er wel één Christen, dien de Zone Gods niet als getuige van zijne waarheid zou willen hebben ? Neen, niemand is daarvan uitgezonderd, allen zijn geroepen, Hem

ocr page 186

182

te belijden. En om de geloovigen, als het ware, aan te sporen tot de belijdenis van zijn naam, voegt de Heere Jezus er eene heerlijke belofte aan toe, waar Hij zegt: „Een iegelijk dan, die mij belijden zal voor de menschen, dien zal ik ook belijden voor mijnen Vader, die in de hemelen isquot;. Welk eene goedheid straalt ons uit die belofte tegen ! Niemand minder dan Gods eigen en eenige Zoon zal ons belijden voor zijn Vader, die in de hemelen is, als wij Hem hier op aarde hebben beleden ! Elebben wij dat verdiend? Neen, dat gevoelen wij het diepst, als wij onszelven eens ernstig afvragen, wie Hij is en wat wij zijn. Hij, de Hooge en de Heilige, wien legioenen van engelen ten dienste staan, wien de Serafs het driewerf „heiligquot; toezingen, wien de lof en eere toekomt van alle gezaligden. Hij, die alles in allen vervult, wil ons, nietige en afhankelijke schepselen, die Hem naar kroon en troon stonden, belijden voor zijn Vader, die in de hemelen is. Zou het dan geen schandelijk stuk zijn, dat van snoode ondankbaarheid getuigde, indien wij weigerden. Hem te belijden ? Als wij die vergelijking maar in het oog houden tusschen ons, sterfelijke en doemwaardige menschen, die door de zonde alle heerlijkheid verloren hebben, en God, wiens wezen enkel majesteit en aanbiddelijke heerlijkheid is, dan beseffen wij eerst levendig, hoe ver zijn „belijdenquot; boven het onze gaat, dan eerst zien wij het uitnemende gewicht van deze belofte in en kunnen wij niet anders dan belijden, dat hetgene Hij ons belooft, verre gaat boven hetgene Hij van ons eischt. Hoe spreekt zich ook daarin zijne ontfermende zondaarsliefde uit, dat Hij nog bemoeienissen wil houden met de ongeloovigen, die niet alleen slechts menschen, maar bovendien nog goddelooze menschen zijn ! Hen wil Hij nog bearbeiden en dat wel door onzen dienst. Welk eene eere moest dat voor ons zijn, dat Hij ons daartoe ge-

ocr page 187

183

bruiken wil. Hoe moesten wij vol ijver zijn om tegenover dezulken zijn naam te belijden ! Te meer nog, omdat wanneer wij tegenover zulke ongeloovigen van Hem getuigen, als het ware God met zijne engelen tegenwoordig is, om dat getuigenis aan te hooren. Die heerlijke belofte, dat Hij ons belijden zal voor zijn Vader, die in de hemelen is, zij voor ons een ernstige prikkel om, zoo getrouw en ijverig mogelijk dien gestren-gen eisch in te willigen : hier op aarde zijn naam te belijden voor de menschen.

Hoe is dit nu te rijmen met hetgeen wij lezen in Matth. 10 : 37 ? Dit zal ons niet moeilijk vallen, indien wij er slechts op letten, tot wie Jezus dit woord spreekt. Hij wendt zich hier tot de huichelaars en daagt hen voor zijn Rechterstoel. Deze nemen wel eene plaats in de kerk in, maar daarmede vleien zij zich zeiven en bedriegen zij anderen. Laten zij echter zich-zelven en anderen misleiden, dit vermogen zij niet den Alwetende te doen, want Hij ziet niet aan wat voor oogen is, maar blikt tot in de diepste schuilhoeken van hun hart. Hij doorgrondt hen en kent alle hunne gedachten. Daarom waarschuwt Jezus zoo ernstig tegen hen, waar Hij zegt: „ Maar wacht u voor de valsche profeten, dewelke in schaapskleederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolvenquot;. Aan de vruchten zullen zij gekend worden, en als straks die dag aanbreekt, waarop Hij komen zal, wiens wan in zijne hand is, dan zal Hij zijn dorschvloer doorzuiveren ; zijne tarwe zal Hij in zijne schuur samenbrengen, maar het kaf zal met onuitblusschelijk vuur verbrand worden. En als zij dan te dien dage tot Hem zeggen zullen ; „Heere, Heere, hebben wy niet in uwen naam geprofeteerd?quot; als wilden zij daarmede te kennen geven, dat zij in zijn naam en in zijne kracht hun leeraarsambt bediend hadden, dan

ocr page 188

184

zullen zij ervaren, dat, hoe schoon hunne belijdenis uitwendig ook geweest zij, zij inderdaad niets anders was dan leugen en ijdelheid. Daarom zal JezUs het hun dan ook openlijk aanzeggen : „Ik heb u nooit gekend; gaat weg van mij, gij die de ongerechtigheid werktquot;.

Deze uitspraak van den Heiland komt dus in het kort hierop neer, dat Hij die valsche profeten nooit voor ware belijders van zijn naam heeft aangezien, zelfs toen niet, toen zij er zich op beroemden, de pilaren zijner kerk te zijn. Neen, „de Heere kent degenen die zijne zijn — zoo schrijft Paulus in 2 Tim. 2 ; 19 — en Een iegelijk die den naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid!quot;

Om dus deze beide uitspraken goed te verstaan, moeten wij onderscheid maken tusschen eene ware en eene valsche belijdenis; dat doende zullen wij tevens weten, wie door Christus bij zijn Vader beleden, maar ook, wie door Hem verworpen zal worden.

ocr page 189

185

LIL

En Jezus zeide tot hem (den melaatsche): Zie, dat gij dit niemand zegtquot;.

Matth. 8 : 4a.

„Maar Jezus liet hem (den bezetene) van zich gaan zeggende: Keer weder naar uw huis en vertel, wat groote dingen u God gedaan heeftquot;.

Luc. 8 : 39a.

ELIJK ons uit het verhaal van Mattheüs blijkt, verbiedt de Heere Jezus den melaatsche, dien Hij genezen had, anderen mede te deelen, wat hem wedervaren was. De reden hiervan is deze, dat toen de bekwamen tijd daartoe nog niet gekomen was. Dit wonder behoefde, wel is waar, niet verborgen te blijven, maar de Heiland had er zijne heilige en wijze redenen mede, waarom Hij niet wilde, dat het gerucht daarvan aanstonds verbreid zou worden, en evenmin dat dit door den melaatsche zeiven geschieden zou. De melaatsche kon echter niet zwijgen over dat groote wonder; en Lucas verhaalt ons, hoe het gerucht van den Heiland „te meer voortging,quot; zoodat vele scharen samenkwamen, om Hem te hooren en door Hem genezen te worden van hunne krankheden. Maar al sprak uit dit „niet kunnen zwijgenquot; de dankbaarheid van den melaatsche, toch was het ongehoorzaamheid inzake het gebod, dat God gegeven had, en verdient hij niet geprezen, maar veeleer bestraft te worden. Indien hij zijne erkentelijkheid over de wondervolle genezing had willen toonen, had hij niet beter kunnen doen, dan Gode in alle eenvoudigheid gehooizaamheid te bewijzen. Dit is voor God meer waard

ocr page 190

186

dan alle offeranden ; dit is het beginsel van den waren godsdienst-Tot den bezetene daarentegen zegt de Heiland: „ Vertelr wat groote dingen u God gedaan heeftquot;. Met dit gezegde heeft de Heere Jezus, evenals met alles, wat uit zijn mond uitgaat, •zijne heilige en wijze oogmerken. Wij moeten dus nagaan, om wat reden Hij den bezetene beveelt ie doen, wat Hij den melaatsche verboden heeft. Het was niet mogelijk, dat al de wonderen, die door Jezus verricht werden, verborgen bleven ; het ware ook niet billijk geweest, wanneer over al die teekenen zijner almacht het stilzwijgen bewaard was geworden, immers, niet alleen het woord, dat Jij sprak, maar ook de wonderen, die Hij verrichtte, waren eene kracht Gods tot zaligheid voor een ieder, die geloofde. Nu eens wilde de Heere, dat het wonder, hetwelk door Hem gedaan was, nog niet bekend gemaakt zou worden, en wel om deze reden, dat de tijd daartoe nog niet gekomen was. Dan weer gaf Hij het bevel, dat het gerucht van hetgene op het woord zijner almacht geschied was, alom verbreid zou worden, en dat wel met geen ander oogmerk dan dit: dat men Hem houden zou voor den beloofden Profeet, voor den Zone Gods. Daardoor toch zou Hij meerdere macht en aanzien bij het volk verwekken en wijzende op die wonderwerken, zou Hij zijne Godheid kunnen staven tegenover die valsche beschuldigingen, als zou Hij zich slechts Gods Zoon „noemenquot;. Meermalen beroept Jezus zich dan ook op de teekenen, die door Hem verricht zijn, teneinde daardoor de onwetende schare, die nog niet geloofde aan zijne Godheid, allengskens te onderwijzen. Hoewel Christus de weg is, langs welken men tot den Vader komt, begint Hij echter, zoolang Hij zelf nog niet geopenbaard is, met den Vader. Vandaar dat Hij de wonderen, die Hij doet, steeds verklaart als de werken van zijn Vader, die Hem gezonden

ocr page 191

187

heeft. Thans was de tijd nog niet gekomen, dat Hij vrijuit over zichzelven tot de schare spreken kon ; maar ook die tijd zou spoedig aanbreken.

Wanneer wij dus slechts letten op het wijze en Goddelijke oogmerk, dat Jezus er mede had, dan zal ons voldoende blijkenr dat ook in deze beide uitspraken, die bij het eerste lezen lijnrecht tegenover elkander schijnen te staan, niet de minste tegenstrijdigheid gevonden wordt.

LUI.

„Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven, zeggende: Gij zult niet henengaan op den weg der heidenen, en gij zult niet ingaan in eenige stad der Samaritanenquot;.

Matth. 10 : 5.

„En hij zeide tot hen: Gaat henen in de geheele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturenquot;.

Marc. 16 : 15.

^ET eerste bevel, door den Heiland aan „de twaalvenquot; gegeven, toen Hij hen uitzond om zijne getuigen te zijn, bepaalde zich tot het Joodsche land. Zij moesten niet gaan tot de heidenen en evenmin tot de Samaritanen, maar zij moesten veel meer henengaan „tot de verlorene schapen van het huis Israelsquot;. Eerst moest dus het Evangelie gebracht worden tot de zijnen, tot de Joden, welk volk Hij zich ten erfdeel uitverkoren had. Dat Evangelie van „den Beloofde aan de vaderenquot; moest hen bewegen tot de

ocr page 192

188

hope der zaligheid, die hen nu nader was dan toen. Later heeft Jezus aan zijne discipelen bevel gegeven, het Evangelie te prediken in de geheele wereld, aan alle creaturen; maar zoolang die tijd nog niet gekomen was, moest de verkondiging van die blijde boodschap beperkt blijven binnen de grenzen van het Joodsche land. De oorzaak hiervan wordt zoo duidelijk door Paulus aangegeven, als hij in Kom. 15 : 8 zegt, „dat Jezus Christus een Dienaar geworden is der besnijdenis vanwege de waarheid Gods, opdat hij bevestigen zoude de beloftenissen der vaderenquot;. En waar nu God reeds in oude dagen een verbond had aangegaan met Abraham, den vader der geloovigen, daar ligt het voor de hand, dat toen Gods Zoon in het vleesch verscheen, de weldaden en zegeningen van die menschwording in de eerste plaats dat uitverkoren volk ten goede kwamen.

Maar toen de Heere Jezus opgestaan was van de dooden, heeft Hij zijn zegen uitgestort over alle volkeren en daarom geeft Hij, voor Hij ten hemel opvaart, zijnen jongeren, in last van nu voortaan het Evangelie te verkondigen „aan alle creaturenquot;. Toen was het voorhangsel des Tempels in tweeën gescheurd, van boven tot beneden, en was de middelmuur des af-scheidsels gebroken. In beginsel was de waardigheid van de eerste geboorte gebleven onder de Joden, maar daarna is het erfdeel des levens ook den heidenen ten deel gevallen. En alzoo is Christus ook gesteld tot een licht den heidenen en is de blijmare des heils gebracht over den ganschen aardbodem. Nadat dus de vrede verkondigd was aan de huisgenooten, is de boodschap van dien vrede ook aan de vreemdelingen gebracht. Zie Efeze 2.

ocr page 193

189

LIV.

„Zijt voorzichtig gelijk de slangenquot;.

Matth. 10 : 166.

„Zoo iemand onder u dunkt, dat hij wijs is in. deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs moge wordenquot;.

1 Cor. 3 : 186.

OORDAT Jezus zijne twaalf discipelen uitzond, heeft Hij hen, gelijk ons in Mattheüs 10 wordt medegedeeld, tot zich geroepen, om hen zijne bevelen te geven. De Heiland wilde, dat zijne jongeren weten zouden, wat hun te wachten stond, als zij straks zouden henengaan om te prediken, „dat het koninkrijk der hemelenquot; nabij gekomen was. Van die wereld, waarin zij uitgezonden werden, hadden zij niet veel goeds te wachten; smaad en hoon, verguizing en vervolging zou hun deel zijn ; wat hun Meester ondervond, zouden ook zij ervaren, immers, een dienstknecht is niet meerder dan zijn meester. Dit heeft Jezus hun dan ook te allen tijde voor oogen gehouden. Spoedig nadat Hij in het vleesch verschenen was, heeft Hij de gevolgen van zijne komst op aarde weergegeven in dat woord: „Meent gij, dat ik gekomen ben, om vrede te geven op aarde ?quot; Neen, zeg ik u, maar veeleer verdeeldheid, ik ben niet gekomen, om vrede te brengen, maar het zwaardquot;. En dan weer luidde het: Om mijnentwille zullen u de menschen smaden, vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken; gij zult van allen gehaat worden om mijn naam, zij zullen u van de eene stad in de andere vervolgen. En ziet, juist omdat ik u zende als schapen, in het midden der wolven, hebt gij de voor-

ocr page 194

190

■zichtigheid te betrachten; daarom mijne discipelen, „zijt voorzichtig, gelijk de slangenquot;. Indien zij die voorzichtigheid niet in acht namen, zou de razernij van die wilde beesten hun de volvoering van hunne taak belet hebben of wel, zij zouden door die „wolvenquot; verslonden worden Maar andererzijds mocht hunne voorzichtigheid niet zóó ver gaan, dat zij bevreesd werden of traag in het uitoefenen van hun ambt. Dit gebeurt maar al te dikwerf, want degenen, die in alles zeer wijs en voorzichtig willen te werk gaan, vervallen daardoor menigmaal tot vreesachtigheid en traagheid. En al is het nu volkomen waar, dat de discipelen, ter oorzake van de gevaren, die hen van alle zijden dreigden, goed moesten toezien en steeds op hunne hoede moesten zijn, toch waarschuwt de Heere Jezus hen, zich niet al te zeer door vreeze te laten bevangen, opdat zij niet tot luiheid en traagheid zouden vervallen. Neen, zij zijn zyjne jongeren en dus is het hunne taak, mede te arbeiden aan de uitbreiding van zijn koninkrijk. Laten de gevaren dreigen, Hij zal voor hen zorgen. Zalig zijn zij, zoo zij vervolgd worden om der gerechtigheid wille, hunner is het koninkrijk der hemelen. Laat de wereld hun gram zijn, zij kunnen goeden moed houden, hun Meester heeft de wereld overwonnen. Vreeze mag geene oorzaak zijn, dat zij hunne roeping niet naar behooren zouden vervullen, daarom moeten zij in het midden der wolven wandelen met de voorzichtigheid der slangen en de oprechtheid der duiven.

De Heiland beveelt hier dus zijnen jongeren, en in hen allen geloovigen, dat zij te allen tijde zóó voor hun leven zullen waken, dat zij zich niet dwaselijk en moedwillig in gevaar begeven, noch door stoute vermetelheid in een ongeluk storten; maar andererzijds eischt de Heere ook van hen, dat zij, hoewel voorzichtig zynde, niet door vreeze verhinderd zullen worden

ocr page 195

191

in de getrouwe waarneming van datgene, waartoe God hen roept, en dat zij bij hunne voorzichtigheid de oprechtheid zullen voegen, opdat zij niets onbedachtzaams mogen verrichten. Dit is het bevel en de eisch des Heeren, zoowel gegeven aan zijne dienaren in het bijzonder, als aan alle geloovigen in het gemeen.

Als nu Paulus in 1 Cor. 3 zegt: „Zoo iemand onder u •dunkt, dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs moge wordenquot;, dan heeft hij het oog op de dwaze hoogmoedigheid van die menschen, die wijs willen zijn in zichzel-ven. Dezulken vermaant hii ernstig, dat zij zich niet door verkeerde inbeeldingen zullen laten misleiden, en evenmin zich zei ven eenige voorzichtigheid toeschrijven. En inderdaad, zij, die steunen op eigen wijsheid en voorzichtigheid, bedriegen zich grootelijks. Voornamelijk doelt de apostel hier op hen, die niet tevreden zijn met de eenvoudigheid des Evange liums. Dat Evangelie, of liever, Jezus Christus, gelijk Hij zich in dat Evangelie geopenbaard heeft, is het vaste en onwrikbare fundament van alle waarheid en niemand, die in de waarheid blijven wil, kan een ander fundament leggen, dan hetgene gelegd is. Daarom heeft een ieder toe te zien, hoe hij daarop bouwe, want een iegelijks werk zal openbaar worden en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven. De wijsheid, die ons van nature geschonken is, of die wij door langdurige ervaring en kennis van zaken hebben opgedaan, behoeven wy volstrekt niet te verzaken ; maar wij moeten haar altijd ondergeschikt maken aan de gehoorzaamheid, die wij aan God verschuldigd zijn. Wij mogen dus nooit wijs zijn boven de Schriften; al onze bekwaamheid moet steeds uit God zijn. Juist door dwaas te worden in deze wereld, d. w. z. door niet meer eigen zin en wil op te ■volgen, en niet meer te handelen naar eigen goeddunken of naar

ocr page 196

192

datgene, wat met ons verstand overeenkomt, zullen wij wijs worden. Dan zullen wij geneigd en bereid zijn, den wil desHeeren op te volgen. „Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal ?quot; dat zal dan steeds onze eerste vraag zijn; met vreeze en eerbied zullen wij nakomen, wat Hij van ons eischt.

Men gevoelt dus, dat deze beide plaatsen gemakkelijk in overeenstemming zijn te brengen, zoo men maar onderscheid maakt tusschen de ware en de valsche voorzichtigheid.

De valsche voorzichtigheid bedriegt ons. Zij doet ons met onszelven tevreden en vergenoegd ziin. Zij maakt, dat wij bij al ons doen en laten niemand anders van noode hebben. Zij regeert ons geheel en alleen Door haar beelden wij ons in, voor onszelven verstandig genoeg te zijn, zoodat wij ons door niemand behoeven te laten leiden.

De ware voorzichtigheid bestaat daarin, dat wij de wijsheid zoeken, die van boven is; dat wij dwaas worden in deze wereld, aangezien de wijsheid der wereld bij God toch niets anders is dan dwaasheid. Alle eigen wijsheid en voorzichtigheid moeten wij verzaken. Voor de dingen, die ons natuurlijk verstand te boven gaan, moeten wij de oogen als gesloten houden, vertrouwende op de wijsheid Gods. Van alle zelfregeering moeten wij afzien, en ons laten leiden en besturen door zijn Woord en Geest. In zijn doen moeten wij berusten ; alle wijsheid, die wij noodig hebben, steeds van Hem afsmeeken ; in alles moeten wij Hem onderdanig en gehoorzaam zijn ; te allen tijde moeten wij bereid zijn, van Hem te leeren. Alle eigene wijsheid moet dus als sneeuw voor de zon verdwijnen en als rook in het niet opgaan, opdat de wijsheid en de wil van God over ons heerschen ; van alle eigen vernuft ontbloot zijnde, moeten wij vervuld worden met de wijsheid, die uit God is.

ocr page 197

193 LV.

„Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vliedt in de anderequot;.

Matth. 10 : 23a.

„Ik ben de goede Herder; de goede Herder stelt zijn leven voor de schapen. Maar de huurling, en die geen herder is, wien de schapen niet eigen zijn» ziet den wolf komen, en verlaat de schapen, en vliedt; en de wolf grijpt ze, en verstrooit de schapenquot;.

Joh. 10 : 11, 12.

NZE Heere Jezus wil duidelijk doen uitkomen de groote liefde, die Hij den zijnen toedraagt. Gelijk Hij dat meermalen deed, spreekt Hij ook hier zinnebeeldig. Hij gebruikt het beeld van een herder en eene kudde. Een herder draagt zorg voor zijne kudde, laat over haar een wakend oog gaan, zoodat geen enkel schaap der kudde aan zijne oplettendheid ontgaat; zooveel mogelijk zal hij hen voor alles vrijwaren en met alle macht hen tegen het wild gedierte beschermen. Dit beeld nu past de Heiland op zich zeiven toe. In veel hoogeren zin nog geldt dat alles van Hem. Hij is de opperste Herder en de zijnen ziet Hij aan als zijne kudde, als „de schapen zijner weidequot;. Hij is de goede Herder, voor wien met betrekking tot hen niets te veel, geen offer te zwaar is. Imn ers, Hij stelt zyn leven voor zijne schapen. En wij weten, hoe de Zone Gods dat ook inderdaad aan het hout des kruises gedaan heeft. Hij is in hunne plaats gaan staan, zoodat de Herder, „als een lam ter slachting geleidquot; is, en dat wel met zulk eene onderwerping, zoo gehoorzaam en bereid-

13

ocr page 198

194

willig, dat Hij „als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, zijnen mond niet open deed\'\'. Die schapen dus, die zich moedwillig van de kudde verwijderen en hardnekkig weigeren onder de hoede en bewaring van dezen getrouwen Herder te staan, verdienen niet anders, dan aan zich zeiven te worden overgegeven en zoodoende om te komen.

Na het beeld van den goeden Herder geschetst te hebben, teekent de Heiland dat van den huurling, „die geen herder isquot; en „wien de schapen niet eigen zijnquot;. Indien er wilde beesten op de kudde aankomen, dan verlaat hij de schapen, en vliedt; .overmits hij een huurling is, heeft hij geene zorg voor de schapenquot;; het roofgedierte valt op de herderlooze kudde aan, verstrooit de schapen of grijpt en verslindt ze.

De Heiland heeft hier dus het oog op de trouweloozen, want zij, die ware instrumenten van Christus zijn, in wier harten Hij werkt met de invloeden van ziln Heiligen Geest, streven er naar, in den arbeid, waarin ze gesteld zijn, naar het voorbeeld van Christus zeiven, zoo getrouw mogelijk te zijn. De geschiedenis der kerk levert dan ook menig voorbeeld op van trouwe herders, die er niet voor terugdeinsden om, in navolging van dien goeden Herder, hun bloed te geven voor het leven der schapen. Ja, dezulken zijn er zelfs geweest vóór de komst van Christus in het vleesch, zoowel als daarna. Een volmaakt voorbeeld hiervan werd door niemand minder gegeven dan door Gods eigen en eenig geliefden Zoon, onzen Heere Jezus Christus, dien goeden Herder, die zijn leven stelde voor de schapen, toen Hij die veelbewogen en smartvolle omwandeling hier op aarde eindigde met den bitteren en smadelijken, schandelijken en vervloekten dood des kruises. Hij had ze gekocht en den losprijs tot den laatsten penning betaald; vandaar dan ook,

ocr page 199

195

dat Hij in het Hoogeprlesterlijke gebed zeggen kan: „Vader, zy waren uwe, en Gij hebt ze mij gegevenquot;. Maar de huurling meent, omdat de schapen hem niet eigen zijn, dat hij zich niet zoozeer over hen behoeft te bekommeren. Hij vraagt er dan ook niet naar, of ze verstrooid worden. In plaats van hen te beschermen, gaat hij op de vlucht, zoodra hij een wolf ziet naderen. Zulk een huurling heeft dus niets gemeen met den goeden Herder. Door te vluchten, toont hy maar al te zeer hoe hij op eigen voordeel en behoud uit is, zonder acht te slaan op de hem toebetrouwde kudde. Hij mag een schoon gelaat toonen, zoolang er vrede en voorspoed in de kerk is en het alles rustig toegaat, maar als er vervolgingen plaats hebben, dan vliedt hij, en kan de trouweloosheid, die in zijn hart is, niet langer verbergen.

Maar als nu de Heiland in Joh. 10 zijne hooge afkeuring te kennen geeft over zulk eene schandelijke vlucht, hoe kan Hij dan in Matth. 10 zijnen apostelen bevelen: „Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vliedt in de anderequot;?

Deze vraag ligt voor de hand, maar is niet moeilijk te beantwoorden.

Als de Heere Jezus zynen jongeren dit bevel geeft, dan wil HU daarmede niet te kennen geven, dat zy huurlingen moeten worden, dat zij alle zorg voor hunne schapen moeten afleggen, of dat zij hun ambt mogen verlaten, alsof zij zich gansche-lijk en getrouw gekweten hadden van de hun toebetrouwde taak. Dat zy verre ! Neen, als getrouwe belijders van zijn naam, als goede strijders voor zyne zaak, zullen zij „van allen gehaat wordenquot; ; ter wille van zijn naam zullen zij vervolgd worden en nu laat de Heiland hun toe, ja, beveelt hun, wanneer zy in de eene stad vervolgd worden, te vluchten naar eene andere.

ocr page 200

196

Natuurlijk niet, om daar den tijd in luiheid en ledigheid door te brengen, alsof zij nu ontslagen waren van den last, hun toebetrouwd. Neen, die vervolgingen moeten hen aanvuren en bezielen, zoodat zij in die „andere stadquot; met nieuwen lust en ijver hun arbeid voortzetten. Immers, menigmaal wordt het gezien, dat een dienstknecht van een aardschen koning, die in den strijd geweest is en nu afgedankt wordt, zjjn verdere leven met nietsdoen doorbrengt; maar zoo mag het niet zijn met de onderdanen van Koning Jezus. Hier is voor hen het land der ruste niet, zij moeten volharden tot den einde toe en mogen eerst dan rusten, wanneer zij den goeden strijd gestreden, den loop voleind en de taak volbracht hebben, die hun hier op aarde te doen gegeven was. Daarom gebiedt de Heiland dan ook niet — en laten wij dat goed in het oog houden — dat zijne discipelen, wanneer zij vervolgd worden naar eene verborgene plaats moeten vluchten ; integendeel juist; wanneer hun arbeid weinig voordeel oplevert in de eene stad, dan moeten zij gaan naar eene andere stad, waar zij een ander volk zullen vinden en voortgaande met arbeiden, moeten zij wederom aan dat volk de zaligheid verkondigen.

Na al hetgene wij, met betrekking tot deze beide Schriftuurplaatsen gezegd hebben, blijft ons niets anders over dan deze vraag te beantwoorden: Moeten allen, die vluchten, als huurlingen worden aangemerkt ?

Wij antwoorden: niet allen, die vluchten, mag men als „huurlingenquot; beschouwen, dat wil dus, gelijk wij boven aantoonden, zeggen : Niet over een ieder, die vlucht, mag een afkeurend oordeel worden uitgesproken ; hoewel andererzijds vast staat, dat niet alle vlucht geoorloofd is. Sommigen zijn er geweest, die voorzeker een al te gestreng oordeel over deze vlucht

ocr page 201

197

hebben uitgesproken ; zij lieten het voorkomen, alsof deze vlucht op ééne lijn stond met „verloocheningquot;. Indien dit zoo ware, dan zou de Heere Jezus zelf en zouden ook zijne apostelen zich aan verloochening hebben schuldig gemaakt, want de Evangelisten verhalen, dat zij meermalen gevlucht zijn van de eene plaats naar de andere, omdat hunne ure nog niet gekomen was. Maar indien het nu andererzijds geoorloofd was, in ieder voorkomend geval op de vlucht te gaan, welk onderscheid zou er dan in tijden van vervolging zijn tusschen den „huurlingquot; en den „goeden herderquot; ? Een goede herder verlaat zijne plaats niet door vreeze; door te vluchten, verraadt hij zijne kudde niet; hij geeft geen voorbeeld van traagheid en spreekt daardoor evenmin zijn wantrouwen uit met betrekking tot Gods bescherming; maar — en dit doet hü wel — zonder oorzaak begeeft hij zich niet in gevaar.

Indien er wolven op de schaapskooi van Christus aankwamen, die de gansche kerk of een deel daarvan buit wilden maken, zou het van den herder zeer verkeerd zijn, indien hij vluchtte van zijne kudde. Maar indien hij door naar eene andere plaats te vertrekken de onlusten zou kunnen stillen, dan deed hij goed, zoo hij voor korter of langer tijd zijne kudde verliet; middelerwijl kon hij elders de schapen weiden en zoodoende zou hij bevorderlijk zijn aan de welvaart van de gansche kudde.

ocr page 202

198

LVI.

„Hetgene ik u zeg in de duisternis, zegt het in het licht; en hetgene gij hoort in het oor, predikt dat op de dakenquot;.

Matth. 10 : 27.

„Jezus dan antwoordde hem (den hoogepriester): Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld ; ik heb allen tijd geleerd in de synagoge en in den tempel, waar de Joden van alle plaatsen samenkomen; en in het verborgen heb ik niets gesprokenquot;.

Joh. 18 : 20.

vOEN de Zaligmaker van zondaren het land doorging, goeddoende en onderwijzende, sprak Hij menigmaal voor eene groote schare volks. Maar de leer der zaligheid, die Hi) haar steeds verkondigde, had niet op allen dezelfde uitwerking. Er waren er, die zijn woord „gaarne aannamenquot;, terwijl anderen niet het minste geloof aan zijne woorden hechtten ; voor sommigen waren zij „de woorden des eeuwigen levensquot;, anderen beschouwden ze als ij del geklap; hier werd zijn woord met vreugde ontvangen, elders stopte men de ooren toe ; het „Waarlijk, deze is Gods Zoonquot;, werd afgewisseld met het „Hij beroert de scharequot;. Velen verstonden zijn woord niet; het klonk hun in de ooren als eene vreemde sprake, als eene taal der Barbaren. Dit vond echter zijne oorzaak niet in het gesprokene woord, want de woorden Gods zijn van zich zeiven klaar en duidelijk, maar het lag aan den mensch zeiven, die door de zonde verduisterd is geworden in zijn verstand. Van nature begrijpt de mensch niet de dingen, die des Geestes

ocr page 203

199

Gods zijn, ze zijn hem dwaasheid. Het verduisterde veratand moet door Gods Geest verlicht worden. Het is waar, de Wet is met een deksel bedekt geweest, nochtans niet zoo, of de waarheid Gods werd er openlijk in voorgesteld, want de bediening van Mozes is in klaarheid geweest. Even waar is het, dat dat deksel nog op sommiger hart ligt, maar dat komt, omdat „hunne zinnen zijn verhard gewordenquot;, het zijn hardnekkige Joden, en eerst dan, wanneer zij tot den Heere zullen bekeerd zgn, zal het deksel worden weggenomen, gelijk dat zeer breedvoerig door Paulus in zijn tweeden Corintherbrief ontwikkeld wordt. En wat het evangelie aangaat, in datzelfde schrijven verklaart de apostel, dat het niemand tot een deksel is, want zoo zegt hij (4:3): „Doch indien ook ons evangelie bedekt is, zoo is het bedekt in degenen, die verloren gaanquot;; alleen voor de verworpenen en on-geloovigen, wier oogen verblind zijn en wier verstand verduisterd is door den satan, is het evangelie een deksel.

Dit staat dus vast, en van die gedachte gaan wij in ons verder betoog uit, dat het woord Gods van zich zeiven niet duister is, maar dat de mensch het verduistert door zijne hardnekkige verblinding.

Niet allen echter is het gegeven, de verborgenheden van het koninkrijk Gods te verstaan; die genade verleent Jezus alleen aan zijne discipelen. Duidelijk wordt dit door den Heiland gezegd in Marcus 4. Daar toch verhaalt ons de evangelist, hoe Jezus, in een schip gegaan zijnde, eene groote schare volks leerde, die op het land aan de zee neergezeten was. Hij sprak tot haar in gelijkenissen en deed haar ditmaal „de gelijkenis van den zaaierquot; hooren. „En als hij nu alleen was, vraagden hem degenen, die omtrent hem waren, met de twaalven, naar de gelijkenis. En hij zeide tot hen : Het is u gegeven, te verstaan de

ocr page 204

200

verborgenheid van het koninkrijk Gods; maar dengenen, die buiten zün, geschieden alle deze dingen door gelijkenissenquot;. Nochtans wil Hij, dat hetgene Hij in de duisternis gezegd heeft, door hen aan het licht zal worden gebracht, dat hetgene zij met hunne ooren gehoord hebben, door hen op de daken zal gepredikt worden. Met andere woorden dus: Hij wil, al is het dan ook niet allen gegeven, de verborgenheid van het koninkrijk Gods te verstaan, dat zijne discipelen toch de leer van dat koninkrijk der hemelen naar buiten zullen uitdragen, dat zij openlijk die leer zullen verbreiden, trots alle hindernissen, die de mensch daaraan in den weg stelt. Dat er niets zóó verborgen is, of het zal openbaar worden, is eene uitspraak, die wij zóó menigvuldig in Gods Woord vinden, dat zij spreekwoordelijk geworden, is. In Lucas 8 : 17 zegt Jezus: „Want er is niets verborgen, dat niet openbaar zal worden, noch heimelijk, dat niet bekend zal worden, en in het openbaar zal komenquot;. Dezelfde gedachte vinden wij uitgesproken in Matth. 10 : 26, Mare. 4 : 22, Luc. 12 : 2 en ook Job getuigde het reeds in zijne dagen (12 ; 22). Maar dat heeft inzonderheid betrekking op de leer der zaligheid, die, naar luid van Jezus\' belofte, eenmaal de overwinning zal behalen, niettegenstaande de menschen alles uitdenken en alle pogingen in het werk stellen zullen, om haren loop te stuiten.

Een ieder, die maar eenigszins op de hoogte is met het verhaal, gelijk het ons door alle vier de evangelisten- gegeven wordt, weet, hoe Jezus meermalen in den tempel gepredikt heeft. Maar omdat zijne leer door Schriftgeleerden en Farizeërs als om strijd veracht en verworpen werd, kunnen wij geruste-lij k zeggen, dat zij als in een duisteren hoek verborgen was. Hij was evenwel het licht der wereld en komende in de wereld, zou Hij een iegelijk mensch verlichten. De tijd zou dan ook

ocr page 205

201

bomen, dat het licht helder zou branden en overal gezien worden. En wy weten, hoe dat alles vervuld is geworden. Nooit heeft men den donder in eenig deel der wereld zulk een duidelijk geluid hooren geven, als toen de bazuine des evangelies allerwegen geblazen en haar geluid gehoord werd over de lengte en breedte der aarde. Jezus Christus heeft als „in de duisternisquot; en „in het oorquot; gesproken, zoolang de glans en de luister van zijne heerlijkheid nog niet gezien werden.

Toch heeft de Heere Jezus nooit in het verborgene gesproken, gelijk Hij dan ook voor den hoogepriester Cajaphas nadrukkelijk verklaart, vrijuit gesproken te hebben tot de wereld. Openlijk, zoowel in de synagoge als in den tempel, heeft Hij geleerd voor de Joden, die daar van alle plaatsen samenkwamen. Dat wilde de Heiland duidelijk doen uitkomen, want Cajaphas beschouwde Hem als een oproermaker, die eenige discipelen om zich verzameld had en zoodoende scheuring en verdeeldheid in de kerk teweegbracht; hij behandelde den Heiland, alsof deze een valsch profeet ware, die het toegelegd had op den ondergang van het ware geloof en den zuiveren godsdienst. In zijne verantwoording houdt de Heere Jezus niets van de waarheid achter, maar toch weigert Hij in bijzonderheden af te dalen; zijn ambt als Leeraar behoeft Hij tegenover den hoogepriester niet te verdedigen. De vraag, waar alles op aankomt, is deze, of Hij werkelijk de schare onderwezen heeft, en daarop luidt het antwoord bevestigend ; maar op het verdere, of het geoorloofd is, in het verborgene te spreken dan wel in het openbaar te leeren, gaat de Heere Jezus niet in. Het antwoord, dat Hij geeft, moet alleen dienen, om de onbeschaamdheid van den hoogepriester tegen te gaan, die eene bekende zaak onderzoekt, alsof er dienaangaande de grootste twijfel bestond.

ocr page 206

202

Om dus deze beide uitspraken met elkander in overeen stemming te brengen, hebben wij slechts het volgende in het oog te houden.

Als de Heiland zegt: „In het verborgene heb ik niets gesprokenquot;, dan doelt Hij daarmede op het wezen en den aard van zijne leer; deze was altijd zich zelve gelijk, steeds helder en duidelijk voor een ieder, die haar verstaan kon, gelijk wij dat hierboven aantoonden. De wijze, waarop Hij leerde, was echter verschillend. Nu eens heeft Hij de zijnen afzonderlijk geleerd, wanneer zij met Hem alleen waren, zoodat het dus (bij wijze van spreken) was, alsof Hij „in de duisternisquot; tot hen sprak of het hun „in het oorquot; fluisterde. Dan weer trad Hij op „in de synagoge en in den tempelquot;, om in het openbaar te leeren. Dit nu was geen list van Hem, alsof Hij met voorbe dachten rade voor de groote schare wilde verzwijgen, wat Hij aan enkelen in het verborgene openbaar maakte ; neen, in goeder consciëntie kon Hij voor\' Cajaphas getuigen, vrijuit gesproken en niets anders dan den inhoud zijner leer verkondigd te hebben.

ocr page 207

203

LVI1.

„Meent niet, dat ik gekomen ben, om vrede te brengen op de aarde : ik ben niet gekomen, om vrede te brengen, maar het zwaardquot;.

Matth. 10 ; 34.

„Vrede laat ik u, mijnen vrede geef ik uquot;.

Joh. 14 : 27.

ANGEZIEN het meerendeel der menschen niet alleen voor zich zeiven geene behoefte aan het evangelie gevoelt, maar zoo vijandig gezind is, dat het openlijk den strijd er tegen aanbindt, zoo is het niet mogelijk, getrouw den naam van Jezus Christus te belijden, zonder door velen gehaat te worden. Dat wetende, kon Jezus getuigen, dat de gevolgen van zijne komst geen vrede, maar verdeeldheid en het zwaard zouden zijn. Het wordt den geloovigen dan ook gedurig voorgehouden, dat zij hier op aarde, terwille van hunne getuigenis voor de waarheid, veel strijd zullen ondervinden; hier is het land der ruste voor hen niet; vele wederwaardigheden zijn het deel van den getrouwen belyder en niet dan door vele verdrukkingen zal hij ingaan in het koninkrijk der hemelen.

Jezus zegt dus, dat Hij niet gekomen is, om vrede te brengen op de aarde, en reeds lang voor zijne komst hadden de pro-fetiën Hem voorspeld als den vredevorst, in wiens dagen men „de zwaarden tot spaden en de spiesen tot sikkelen zou slaan, zoodat het eene volk tegen het andere geen zwaard zou opheffen en geen oorlog meer geleerd zou wordenquot;. En de machtige Messiaskoning was nauwlijks geboren. Hij lag nog als een hulpbehoevend Kindeke in de kribbe neer, toen Bethlehems velden

ocr page 208

201

dien schoonen zang der engelen beluisteren mochten: , Vrede op aarde, in de menschen een welbehagenquot;. Zijn rijk zou een rijk van vrede zijn, want onder zijne regeering zouden alle volken worden tot ééne kudde. „Komende — zoo schrijft Pau-lus in zijn brief aan de heiligen, die te Epheze waren — heeft hij door het evangelie vrede verkondigd u, die verre waart, en dien, die nabij waren, want hij is onze vrede, die deze beiden één gemaakt heeftquot;. Dat alles was van Hem voorzegd, gejubeld en gezongen en ziet . . . nauwelijks treedt Hij zelf op, of Hij ontwikkelt de gevolgen van zijne komst en zegt, dat Hij niet gekomen is, om vrede, maar om het zwaard te brengen, geene eensgezindheid, maar verdeeldheid, geene liefde van de kinderen voor de ouders, maar tweedracht in de huisgezinnen.

Waar wij dit uit zijn eigen mond vernemen, daar schijnt het wel of dit ganschelijk in strijd is met hetgene de profeten voorspeld hadden. Toch is ook dit weer niets anders dan schijn. Neen, er is geene tegenstrijdigheid tusschen het lied der engelen en dit woord van den Gekomene zelf, wanneer wij maar in aanmerking nemen, dat de vrede, waarvan de menigte des hemel-schen heirlegers zong, een gansch andere is dan de vrede, waarvan Jezus hier spreekt. De vrede, waarvan de engelen zongen en de profeten melding maakten, ia het deel van de getrouwe en ware belijders en wordt slechts gevonden in de harten van hen, die in Christus Jezus door God ten eeuwigen leven zijn uitverkoren. Dat was juist het doel van Jezus\' komst op aarde, daartoe heeft Hij geleden en is Hij gestorven, om den waren vrede te schenken, die alle verstand te boven gaat. Hij, de Vredevorst, wil niets anders dan vrede, zijn persoon is vrede, zijne komst is vrede, zijn rijk is een rijk des vredes, en wat zegt Hij in zijne scheidende liefde tot zijne bedroefde jongeren

ocr page 209

205

anders dan dit onvergetelijke woord: „Uw hart worde niet ontroerd en zijt niet versaagd, want vrede laat ik u en mijnen vrede geef ik uquot;. Maar dan laat de Heiland er nog iets op volgen, en daarop valt voor ons al de nadruk: „Niet gelijker-wijs de wereld hem geeft, geef ik hem uquot;. Den valschen vrede, dien de wereld schenkt, kwam Hij juist verstoren, om den waren vrede te brengen, die met het geloof vereenigd is. De ongeloo-vigen en wederspannigen kennen dien vrede niet, hoewel ook hun Gods genade wordt aangeboden; zij verstaan echter niet, dat zij door de bediening van het evangelie met God in verzoende betrekking komen en alzoo dien waren vrede deelachtig worden kunnen. Die boodschap des vredes echter brengt ontroering bij hen teweeg, zoodat zij in veel grooter onrust leven, dan toen zij nimmer daarvan gehoord hadden. Want satan, onder wiens macht zij staan, begint te razen, zoodra hij den naam van Jezus Christus maar hoort. Daarbij komt nog, dat de goddeloosheid in den mensch geprikkeld wordt, wanneer hem de leer der zaligheid wordt voorgehouden. En daar vandaan komt het, dat Christus, die de eenige oorzaak van den waren vrede is, door eigen schuld van den hardnekkigen mensch verklaren moest, dat zijne komst geen vrede zou brengen. Voor den geloovige evenwel geldt het woord, gesproken tot zijne jongeren : „Vrede laat ik u en mijnen vrede geef ik uquot;. Toen Hij van de aarde opvoer ten hemel, heeft Hij de zijnen niet verlaten, want hij heeft hen achtergelaten de goede reuke van zijne geestelijke tegenwoordigheid. Wanneer die vrede onze harten vervult, dan jubelen wij met Paulus: ,Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christusquot;. Maar van dien vrede gevoelen wij niets, zoo wij niet leven in volko-

ocr page 210

206

mene gehoorzaamheid aan God en zijn Woord. En juist omdat dat Woord de vrijheid van den mensch aan banden legt en de goddelooze door dat Woord niet van zijne onreinheid gezuiverd en tot God gebracht wil worden, zoo is het niet zonder oorzaak, dat Christus zegt, het zwaard gebracht te hebben, dat hun geweten verwondt.

LVIII.

„Hij is Elias, die komen zouquot;.

Matth. 11 : 146.

„Ik ben Elias nietquot;.

Joh. 1 : 21amp;.

^IJ monde van den profeet Maleachi zegt de Heere: „Ziet, Ik zende ulieden den profeet Elia, eer dat die groote en die vreeselijke dag des Heeren komen zalquot;. Uit de verklaring, die de Heiland zelf van deze woorden geeft in Matth. 11, blijkt dat men hier onder Elias niemand anders verstaan moet dan Johannes den Dooper. Immers, in Matth. 11 : 13 en 14 lezen wij : „Want alle de profeten en de wet hebben tot Johannes toe geprofeteerd, en zoo gij het wilt aannemen, hij is Elias, die komen zouquot;. Jezus vraagt aan de schare: „Wat zijt gij uitgegaan te zien? Een profeet? Ja, ik zeg u, ook veel meer dan een profeet. Want deze fn.1. Johannes) is het, van denwelken geschreven staat: Ziet, Ik zende mynen engel voor uw aangezicht, die uwen weg bereiden zal voor u henenquot;. De Heiland wijst er dus op, dat Johannes begon te prediken over het koninkrijk Gods, omdat hij de Elias was.

ocr page 211

207

■die voor zijn aangezicht gezonden werd, en begeert, dat de Joden ■de komst des Heeren en het ambt, dat door Maleachi aan Elia was toegeschreven, zouden erkennen, aangezien die Elias, die ■door Maleachi beloofd was, toen ter tijde het ambt van deurwaarder in hun midden bediende.

Als Johannes de Dooper echter verklaart; ,Ik ben Eliaa nietquot;, dan spreekt hij evenzeer waarheid. De Joden hadden de profetie van Maleachi zóó verstaan, dat een Elias als eene morgenster zijn zou, die de komst van den Messias aankondigde. Daarenboven waren zij de valsche meening toegedaan, dat, wanneer de ziel van het lichaam scheidde, deze dan in het lichaam van een ander mensch ging. En op grond van hetgeen Maleachi geprofeteerd had, namelijk, dat Elias zou gevonden worden, meenden zij, dat die Elia komen zou, die ten tijde van den goddeloozen koning Achab leefde. Waar Johannes dus een antwoord geeft op de vraag, die voortkomt uit de verkeerde gedachte, die zij dienaangaande zijn toegedaan, antwoordt hij aeer terecht, dat hij niet is die, Elias, waarvoor zij hem houden.

ocr page 212

208

LIX.

„Want mijn juk is zacht, en mijn last is lichtquot;.

Matth. 11 : 30.

„Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van eene naald, dan dat een rijke in het koninkrijk Gods ingaquot;.

Marc. 10 : 25.

^KDERDAAD, het juk des Heeren is zacht, al is het ook,, dat het ons naar ons menschelijk gevoel, door de we-derspannigheid onzes harten, menigmaal zoo niet toeschijnt. quot;Wij beschouwen dat juk altijd als iets, dat hard en zwaar is; en toch, wanneer wii maar met zachtmoedigheid bekleed en den Zone Gods gelijkvormig gemaakt worden, dan zal dat juk ons liefelijk worden en gewillig zullen wij er onzen hals onder buigen. Als de Heere Jezus dan ook zegt: „Neemt mijn juk op uquot;, dan laat Hij er op volgen ; „En leert van mij, dat ik zachtmoedig ben en nederig van hartequot;. Hij eischt dus van ons, dat wij zijn juk zullen dragen ; maar opdat de zwaarte ons niet te zeer zou afschrikken, zegt hij : .Leert van mijquot;, daarmede te kennen gevend, dat dit juk ons niet zoo zwaar vallen zal, als wij zijn voorbeeld maar volgen en, even als Hij, zachtmoedig en nederig van harte zijn. Ter verdere bemoediging voegt de Heiland er nog aan toe: „En gij zult ruste vinden voor uwe zielenquot;. Die ruste is alleen te vinden, indien wij gewillig zijn juk op ons nemen, want zoolang wij de verzenen tegen de prikkelen slaan, zijn wij gelijk aan het woest en redeloos gedierte. Zij, die weigeren, het juk van Gods Zone op zich te nemen en naar een ander middel zoeken, waarmede zij God

ocr page 213

209

willen tevreden stellen, zullen tevergeefs trachten zich zelve te vergenoegen.

Maar al is het nu een feit, dat b. v. de gierigaards zich niet willen krommen onder dat juk, zal dat dan de uitspraak van onzen Heere Jezus te niet doen, dat het lichter is, dat een kemel ga door het oog van eene naald, dan dat een rijke inga in het koninkrijk Gods? Niet dat de rijkdommen als zoodanig ons verhinderen, God te volgen. Op zich zelve beschouwd, zijn ze goed en steeds worden ze in de Heilige Schrift genoemd onder de goede gaven, welke ons uit de hand des Heeren toekomen. Maar juist omdat de natuur der menschen zoo boos en verdorven is, ziet men het maar al te vaak, dat degenen, die rijk zijn en goederen in overvloed hebben, daaraan hart en zinnen hechten en er zeer moeilijk van scheiden kunnen, zelfs niet, wanneer zij er „het ééne noodigequot; voor in de plaats kunnen krijgen. Dit was even tevoren nog zoo treffend gebleken. Immers, toen de Heiland uitging op den weg, kwam er een overste tot Hem, die Hem vraagde : „Goede Meester, wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beërve?quot; Daarop hield Jezus hem de geboden der wet voor, waarop de overste ten antwoord gaf: „Meester, alle deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid af\'. En Jezus hem aanziende, beminde hem, en zeide tot hem : „Eén ding ontbreekt u: Ga henen, verkoop alles, wat gij hebt, en geef het den armen, en gij zult eenen schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op, en volg mijquot;. Maar.die eisch was te groot, dat offer te zwaar voor hem, die „vele goederenquot; had, want op het hooren van dat woord werd hij treurig en ging bedroefd weg. En als de overste bedroefd henengaat, het hoofd en het hart vervuld met de vele goederen, die hij hier bezit, zonder een oog te hebben voor dien „schat in den hemelquot;,

14

ocr page 214

210

voor dien parel van veel hoogere en blijvende waarde, dan wendt Jezus zich tot zijne discipelen en verklaart hun dit droeve feit, waar Hij zegt, dat het voor degenen, die op het goed hun betrouwen zetten, zwaar is, in te gaan in het koninkrijk Gods. De gierigheid, die ons verkleefd doet zijn aan de aardsche goederen, zoodat wij daarvan geen afstand kunnen en willen doen, wordt door den Heiland hier dus aangemerkt als een doodelijk venijn. Het bedenken van de dingen dezer aarde kan dan ook zoozeer aan het zoeken van de dingen, die boven zijn, in den weg staan, dat Jezus zelfs de stoute beeldspraak er op volgen laat: „Hetis lichter, dat een kemel ga door het oog van eene naald, dan dat een rijke in het koninkrijk Gods ingaquot;. Dat zoeken van de dingen, die boven zijn en niet die op de aarde zijn, wordt ook duidelijk door den apostel Paulus voorgehouden aan zijne geloo-vige broederen, die te Colosse zijn; en dezelfde apostel drukt zich in niet minder sterke bewoordingen uit, als hii de geldzucht noemt: .afgodendienstquot;.

De rijken worden dus ernstig vermaand, wél toe te zien, daar zij voor vele gevaren bloot staan; maar eveneens worden de armen opgewekt, tevreden te zijn met hun staat en niet te begeeren die goederen, die hun meer schade en verdriet, dan winst en vreugde kunnen aanbrengen. Want gewoonlijk wordt het toch gezien, dat degenen, die rijk met aardsche goederen bedeeld zijn, zóó onder de macht van den vorst der duisternis liggen, dat deze goederen als even zoovele banden zijn, die hen neertrekken naar deze aarde en in den weg staan aan het nauwgezet en ernstig bepeinzen van de hemelsche dingen. De apostel Paulus wijst hier dan ook op, als hij aan zijn zoon Timotheüs schrijft: „Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking en in den strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de

ocr page 215

211

menschen doen verzinken in verderf en ondergang. Want de geldzuchtigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelven met vele smarten doorstokenquot;. Ernstig waarschuwend, roept de apostel dan uit: „Maar gij, o mensch Gods, vlied deze dingen; en jaag na gerechtigheid. Godzaligheid, geloof, liefde, lijdzaamheid, zachtmoedigheidquot;; om te eindigen met deze vermaning : „Beveel den ryken in deze tegenwoordige wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hunne hope stellen op de ongestadigheid van den rijkdom, maar op den levenden God, die ons alle dingen rijkelijk verleent om te genieten ; dat zij weldadig zijn, riik worden in goede werken, gaarne mededeelende zijn, en gemeenzaam ; leggende voor zich zeiven weg tot eenen schat een goed fundament tegen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogenquot;.

Indien dus beiden, zoowel de ryken als de armen, hunne hope stellen op den levenden God, dan worden beiden zalig geprezen, dan zullen beiden ervaren de waarheid van des Heeren woord: „Neemt mijn juk op u en gij zult ruste vinden voor uw© zielen, want mijn juk is zacht, en mijn last is lichtquot;.

ocr page 216

212

LX.

„En Jezus zeide tot hen; Ziet toe, en wacht u voor den zuurdeesem der Pharizeën en Sadduceënquot;.

Matth. 16 : 6.

„De Schriftgeleerden en de Pharizeën zijn gezeten op den stoel van Mozes. Daarom, al wat zij u zeggen, dat gy houden zult, houdt dat en doet hetquot;.

Matth. 23 ; 2, 3a.

E eerste uitspraak vinden wij ook bij de evangelisten Marcus en Lucas. Laatstgenoemde voegt er echter nog iets ter verklaring aan toe, waar hij met betrekking tot den zuurdeesem der Pharizeën zegt, dat deze geveinsdheid is. Eveneens geeft Mattheüs de reden op, waarom men toe moet zien en zich wachten voordien zuurdeesem, als hij in hoofdstuk 23, aan het slot van vers 3, zegt: „Doet niet naar hunne werken; want zij zeggen het, en doen het nietquot;. Duidelijk blijkt dus, dat de Heere Jezus het oog heeft op de leer der Pharizeën. Waar de Heiland zijne discipelen vermaant, het leven en de zeden der Pharizeën te vlieden, daar wil Hij, dat zijne jongeren zich wachten zullen voor alles, wat aanleiding zou kunnen geven tot geveinsdheid, voor allen valschen schijn van wijsheid en heiligheid, voor alles, wat leiden kan tot uitwendige hoovaardij en zotte opgeblazenheid. Dit alles, is wel groot en toont veel in de oogen der menschenkinde-ren, maar is in geene waarde bij Hem, die harten kent en nieren proeft. Want gelijk — naar Jeremia\'s woord — de-oogen des Heeren naar waarheid zien, zoo onderwijst Hij ook de zijnen in alle waarheid en leert hun eene ware en stand-

ocr page 217

213

vastige heiligheid, opdat zij Hem met een zuiver en volkomen harte dienen en de gerechtigheid aanhangen zouden. Dit wordt echter niet verstaan noch betracht door hen, die het geestelijke uit den Godsdienst weglaten en, stipt in het naleven van alle ordinantiën en inzettingen, aan de uitwendige plechtigheden hangen blij ven; naar buiten vertoonen zij eene schoone gedaante, alsof zij den Heere daarmede zouden kunnen bedriegen. Hoewel die plechtigheden gepaard gaan met een uitwendig vertoon van schoone dingen, toch zyn ze voor den alwe-tenden God van zeer geringe waarde, daar Hij ze in zichzelven aanziet, en om nu deze ceremoniën in hare ware gedaante ten toon te stellen, vergelijkt Hij ze met den zuurdeesem, die wel hoog oprijst, maar in zich zeiven niet de minste vastigheid heeft.

Als nu de Heere Jezus in Matth. 23 zegt; „De Schriftgeleerden en de Pharizeën zijn gezeten op den stoel van Mozes; daarom, al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet hetquot;, dan wil Hij daarmede te kennen geven, dat wij de leer van God met eerbied behooren aan te nemen, dat wij, uit welken mond zij ook komt, met aandacht naar haar luisteren en alzoo Gode gehoorzaam zijn moeten. Want hoewel de Schriftgeleerden en Pharizeën zelve een verkeerd leven leidden, zoodat zij daarin geen voorbeelden ter navolging waren, zoo waren nochtans de Joden verplicht, hun leven in te richten naar den regel van de Mozaïsche wet, die zij hun voorhielden, als gezetenen op den stoel van Mozes. Niettegenstaande de Heere Jezus die Schriftgeleerden en Pharizeën in vele dingen bestraffen moest, teneinde alzoo te voorkomen, dat het gansche volk met hunne gebreken zou besmet worden, toch eischt Hij, omdat zij, gezeten op den stoel van Mozes, dienaars der wet zijn, dat de geloovigen naarstiglijk op hunne woorden zullen letten, maar

ocr page 218

214

vermaant H\\j tevens ernstig, niet te doen naar hunne werken.

Nu. behoort men evenwel te allen tijde nauwlettend toe te zien, of men zonder eenig bezwaar gehoorzamen kan, al het-gene door de kerkelijke dienaars bevolen wordt. Dit kon men niet zeggen met betrekking tot de leer der Schriftgeleerden uit die dagen. Want deze Schriftgeleerden, door Lucas „dienaars der wetquot; genoemd, hebben de wet zelve door valsche uitleggingen verdorven. Daarenboven hebben zij den armen zielen lasten opgelegd, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen. Door „gebod op gebod en regel op regelquot; hebben zij hen met onbeduidende en onrechtvaardige wetten bezwaard en door al die bij-geloovige toevoegselen werd de zuivere leer verdraaid en ver-valscht.

En toch eischt de Heere Jezus, dat men hunne leer navolgen en zich niet tegen hunne tyrannie verzetten zal. Hoe is dit dan te rijmen? Zeer gemakkelijk, als wij hier maar op letten, dat het oogmerk van den Heere Jezus geen ander is, dan duidelijk het onderscheid aan te geven tusschen de wet Gods en de booze werken der Schriftgeleerden. Op den stoel van Mozes gezeten te zijn, wil niets anders zeggen, dan door de wet Gods te leeren, hoe men leven moet. Zij, die op dien stoel gezeten zijn, geven dus niet hunne eigene bevelen, neen, zij doen niets anders dan datgene ten uitvoer leggen, wat God bevolen heeft.

Als men dus den zuurdeesem der Schriftgeleerden en Pharizeën slechts goed onderscheidt van de vastigheid en zuiverheid van den stoel van Mozes, die niets anders voorschrijft, dan hetgeen God de Heere beveelt, dan zal het een ieder klaar en duidelijk zijn, dat niet de minste tegenspraak in deze beide Schriftuurplaatsen gevonden wordt.

ocr page 219

215

LXI.

„En na zee dagen nam Jezus met zich Petrus, en Jacobus, en Johannes, zjjnen broeder, en bracht ze op eenen hoogen berg alleenquot;.

Matth. 17 : 1.

„En het geschiedde, omtrent acht dagen na deze woorden, dat hij medenam Petrus, en Johannes, en Jacobus, en klom op den berg om te biddenquot;.

Luc. 9 : 28.

E tegenstrijdigheid, die schijnbaar in deze beide uitspraken ligt opgesloten, betreft slechts den tijd. Mattheüs, en evenzoo Marcus in hoofdstuk 9 : 2, spreken van zes dagen terwijl Lucas melding maakt van omtrent acht dagen. Dit verschil is echter zoo gemakkelijk op te lossen, dat wij daarbij niet eens stil zouden staan, ware het niet, dat sommige Atheïsten, Libertijnen, en andere booze geesten, die er steeds op uit zijn, Gods Woord met zich zeiven in tegenspraak te brengen, zich tot dat doel ook van deze beide Schriftuurplaatsen bedienden. Doch nu zij aan zulk eene onbeduidende zaak hangen blijven, noodzaken zij ons de nietigheid van dit bezwaar aan te toonen. Hun ten believe zullen wij dit dan ook doen; mochten zij dan echter nog geen rede verstaan en in hunne valsche meening blijven volharden, dan zullen wij ons, van wege hunne hoovaardij, niet verder met hen inlaten.

Inderdaad, het verschil is niet van dien aard, dat iemand daardoor geërgerd of ook maar tot den minsten twijfel zou gebracht worden aangaande de waarachtigheid van Gods Woord. Wat is toch eenvoudiger dan de oplossing van dit tijds-

ocr page 220

216

verschil ? Als Mattheüs en Marcus van zes dagen spreken, dan bedoelen zij daarmede den tijd, die ligt tusschen den eersten en den laatsten dag, m. a. w. de zes volle dagen, die verloopen zijn sinds de laatste samenkomst van den Heiland met zijne jongeren en den dag, waarop Hij hen medenam „op eenen hoogen bergquot;. Lucas echter rekent er deze beide dagen bij : zoowel den dag, waarop de Heiland „deze woordenquot; gesproken had, als den dag, waarop Hij met hen „klom op den berg om te biddenquot;. Alle drie de evangelisten spreken over dezelfde gebeurtenis, zij hebben allen het oog op \'s Hollands verheerlijking op den berg Thabor. De beide dagen, die Lucas mede rekent, waren geen volle dagen en daarom spreekt hij ook van omtrent acht dagen.

In de onderscheidene landen worden de dagen op verschillende wijze geteld. Wij doen als Lucas, en spreken ook van „heden over acht dagenquot; ; wanneer men dit b. v. des Zondags zegt, dan zijn er maar zes volle dagen verloopen als de volgende Zondag aanbreekt. In Savoye en Dauphiné daarentegen ismen gewoon te zeggen : „heden over zeven dagenquot;. Maar genoeg ; duide ijk blijkt ons, dat hier niet de minste tegenstrijdigheid heerscht, maar dat beide uitspraken ten volle met elkander overeenstemmen.

ocr page 221

217

LXII.

„Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft; ga henen, en bestraf hem tuaschen u en hem alleenquot;.

Matth. 18 : 15a.

„Bestraf die zondigen, in tegenwoordigheid van allen, opdat ook de anderen vreeze mogen hebbenquot;.

1 Tim. 5 : 20.

N dit 5de hoofdstuk vaa zijn eerste schrijven aan Timo-theüs geeft Paulus voorschriften met betrekking tot verschillende personen. Zoo zegt hij in vers 19 aangaande de ouderlingen, dat zij, zoo ze wel regeeren, dubbele eere moeten waardig geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer. Daartoe beroept de apostel zich op vele uitspraken der Schrift, waar gezegd wordt, dat men een dorschenden os niet moet muilbanden, en dat de arbeider zijn loon waardig is. Om huns werks wille moeten zij in eere worden gehouden, en zoo er beschuldigingen tegen hen ingebracht worden, dan moeten die niet worden aangenomen, „anders dan onder twee of drie getuigenquot;. Op hunne schouderen rust de gewichtvolle en moeilijke taak, anderen te vermanen en te bestraffen, en zeer weinig nut zou hun woord doen, indien zij zelve gehaat wevden en steeds onder verdenking van eenig kwaad stonden door voortdurende beschuldigingen, die tegen hen zouden kunnen worden ingebracht. De laster moet worden tegengegaan en zij, die daartoe zoo gaarne en zoo gemakkelijk overgaan, ook waar het de opzieners der gemeente geldt, moeten in dat kwaad gestuit worden. Nochtans mag dit voor hen, die de kudde moeten weiden, geen re-

ocr page 222

218

den zijn, om boos en goddeloos te leven ; zij mogen daaruit geen oorzaak nemen, om aan de zonde toe te ge-ven, meenende, dat zij vrij zijn van alle bestraffing. Neen, indien zij een ongebonden en ergerlijk leven leiden, moeten zij openlijk bestraft worden, en dat wel, gelijk de apostel er onmiddellijk op volgen laat: „opdat ook de anderen vreeze mogen hebbenquot;. Zij zijn als voorbeelden gesteld, op hen wordt gezien. Indien zij dus tot de een» of andere zonde vervallen, en deswege niet bestraft worden, dan meenen anderen, ook gerust te mogen zondigen ; zij beschouwen dit een vrijbrief voor hunne zonden te zijn. Dit is echter gan-schelijk des apostels bedoeling niet en daarom, wat hij gezegd heeft van de valsche en onrechtvaardige beschuldigingen, matigt hij als het ware, door er aan te voegen, dat zij „in tegenwoordigheid van allen bestraft moeten worden, en dat met geen ander doel dan dit, „opdat ook de anderen vreeze mogen hebbenquot;, en daardoor de valsche meening moge worden tegengegaan, als zou hunne zonde aan anderen vrijheid verleenen, om kwaad te doen. Ziende, dat het kwaad gestraft wordt, moet de zonde bij hen vreeze verwekken.

De bedoeling van des apostels woord is dus, dat de kwaadsprekende tongen in toom worden gehouden, opdat de ouderlingen niet door valsche beschuldigingen onder verdenking komen. Maar andererzijds laat de apostel duidelijk uitkomen, dat, indien zij zich komen te misgaan, zij openlik en ernstig bestraft moeten worden. En dit laatste ligt geheel voor de hand. Als het gezien wordt, dat zij, die in de kerk tot eenige hoogheid en waardigheid gekomen zijn, bestraft worden, dan zullen ook anderen des te meer vreeze hebben en door hun voorbeeld vermaand worden, af te houden van het kwade. Waarom zouden degenen, die over de kudde gesteld zijn, een

ocr page 223

219

vrijbrief hebben, om te zondigen? Neen, zij moeten zich juist dubbel wachten; zij zijn voorbeelden, hunne zonde veroorzaakt grootere schade en verwekt veel meer ergernis. Laten wij dit ten slotte nog opmerken, dat de apostel hier het oog heeft op grove zonden, die eene algemeene ergernis geven; want zoo iemand van de ouderlingen of dienaren des Woords eene lichte zonde begaat, moet men hen veeleer afzonderlijk berispen dan hen bestraffen ten aanhooren van alle menschen.

Verre is het er dan ook vandaan, dat hetgene wij in Matth. 18 lezen hiermede in strijd zou zijn; integendeel, veeleer kan dit gezegde van den Heiland dienen, om het woord van Paulus nader te verklaren. Indien het ons uit het voorgaande duidelijk geworden is, hoe men zich te gedragen heeft in het bestraffen der openbare zonden, dan zal het ons, naar wij hopen, uit deze tweede spreuk wel duidelijk worden, hoe wij te handelen hebben, als wij geroepen worden, heimelijke en verborgene zonden te bestraffen.

Nadat de Heere Jezus aangetoond heeft, dat wij elkanders zwakheden moeten dragen, verklaart Hij verder, hoe en tot wat einde en in hoeverre zulks geschieden moet. Do Heere doet ons een middel aan de hand, dat dienen moet om-de zwakken niet al te zeer te vertoornen en te ergeren, en dat nochtans geschikt is, om de ziekte te genezen, waar Hij den zijnen beveelt, elkanders zwakheden te dragen, maar er tevens naar te streven die in elkander te verbeteren. En op dat bevel mogen wij wel eens goed acht geven, want het is niet zoo gemakkelijk op te volgen. Indien onze broeder tegen ons gezondigd heeft, moeten wij tot hem gaan en hem bestraffen „onder vier oogenquot;; wij moeten daarvan niet dadelijk eene publieke zaak maken ; na hem ernstig vermaand te hebben, moe-

ocr page 224

220

ten wij ons vergevensgezind betoonen. Maar dat gaat niet zoo gemakkelijk. Gewoonlijk glijden wij öf ter rechter- öf ter linkerzijde uit, daar het menigmaal gebeurt, dat wij elkander öf door vleitaal bedriegen öf tegenover elkander al te gestreng in het bestraffen zijn; daarom is het zoo goed, dat ons hier door den Heiland zeiven een middel aan de hand wordt gedaan. Drie verschillende wijzen, waarop men trachten moet, zich met den broeder te verzoenen, worden door den Heere Jezus aangegeven. Eerst moet het zijn : een bestraffen „tusschen u en hem alleenquot;; indien uw broeder naar u hoort, zoo hebt gij hem gewonnen, maar indien hij niet naar u hoort, dan moet gij verder gaan en nog één of twee andere personen met u nemen ; „opdat in den mond van twee of drie getuigen alle woord bestaquot;. En indien dat niet helpt, doordat hij ook dezen geen gehoor geeft, dan moet gij er eindelyk toe overgaan, het „der gemeentequot; te zeggen; en eerst dan, wanneer hij „ook der gemeente geen gehoor geeft, dan zij hij u als de heiden en de tollenaarquot;.

Dit blijkt dus: de zonden, die openbaar en aan allen bekend zijn, moeten in tegenwoordigheid van allen bestraft worden, ,opdat ook de anderen vreeze mogen hebbenquot;. Is de zonde echter particulier en voor anderen verborgen, dan moet men, naar het voorschrift van den Heiland, dat middel aanwenden, dat men dien broeder in het geheim bestraft; luistert hij daarnaar, dan heeft men hem gewonnen.

Houden wij dus het onderscheid tusschen openbare en verborgene zonden goed in het oog, dan vervalt alle zwarigheid, die zich bij het lezen dezer beide uitspraken der Schrift zou kunnen voordoen.

ocr page 225

221

LXIII.

„Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn u gevolgd, wat zal ons dan geworden?quot;

Matth. 19 ; 27.

„Wanneer gij zult gedaan hebben al hetgene u bevolen is, zoo zegt: Wij zyn onnutte dienstknechten, want wij hebben maar gedaan hetgene wij. schuldig waren te doenquot;.

Luc. 17 : 10.

5

IJ, met alles wat wij hebben en zijn, behooren aan God toe; Hij heeft recht op ona, want wij hebben niets,, dat wij niet eerst van Hem ontvangen hebben. Buiten zijn wil hebben wij niets en kunnen wij niets En waar wij Hem ganschelijk toebehooren, daar is het onmogelijk, dat Hij ons iets schuldig zou kunnen zijn; welken dienst wij Hem ook bewijzen, nooit wordt Hij daardoor de schuldige van ons of verplicht ons iets te geven, als zouden wij daarop aanspraak kunnen maken. Wij zijn aan Hem verbonden, gelijk eertijds de slaven aan hun meester waren; wat zij deden, bracht voor hen zeiven geene winste op, alles waren zijJ aan hun heer verplicht. Ai hun arbeid en inspanning, hun vernuft en vlijt, kwamen ten goede van hem, die hen gekocht had, en als het er op aankwam, dan moesten zij zelfs hun bloed voor hem over hebben. Indien nu zulk eene macht aan een sterfelijk mensch gegeven is, dat hij zjjn even-mensch dag en nacht kan laten werken, zonder hem daarvoor eenige vergelding schuldig te zijn, hoe veel te meer kan God . dan van ons eischen, dat wij ons gansche leven en al onzen

ocr page 226

222

arbeid in zijn dienst besteden, zonder daardoor ook maar in een enkel opzicht aan ons verplicht te zijn !

Hoewel de meening, dat God den mensch iets schuldig zou zijn, en deze recht of aanspraak op eenig ding zou kunnen doen gelden, gansch verkeerd is, toch is er geen gebrek zoo algemeen als de hoovaardij van den mensch, waardoor hij God als zijn schuldenaar beschouwt en Hem als het ware oproept, om met hem af te rekenen. Die hoovaardij is oorzaak, dat de mensch zich is gaan inbeelden, eenige verdienste te bezitten, en deze inbeelding is voortgeplant door alle tijden heen en heeft ook de apostelen geleid tot de vraag: „Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn u gevolgd, wat zal ons dan geworden ?quot; Nu moeten wij niet vergeten, dat het al den schijn heeft, alsof er eenige grond bestaat, om deze vraag te doen, aangezien -er in de Schrift sprake is van „loonquot; en „vergeldingquot;, zoodat het dus schijnt, alsof de mensch zich eenige waardigheid en verdienste mag toeëigenen. Dit is echter niets dan schijn, want het staat onomstootelijk vast, dat wij zóó onder de heerschappij Gods staan, dat wi] Hem alles schuldig zijn, en het loon, waarvan in de Schrift sprake is, spruit nergens anders uit voort dan uit het loutere welbehagen Gods. Zij, die de verdienste en het loon beschouwen als „correlataquot;, gelijk de geleerden dat noemen, d. w. z. als zulke dingen, die zóó met elkander overeenkomen, dat het eene noodwendig uit het andere voortvloeit, bedriegen zich zeer. Want nog eens zij het gezegd: het is niet door eenige waardigheid, die in de werken zelve gelegen is, dat God tot vergelding bewogen wordt; neen, die vergelding geschiedt eenig en alleen op grond van zijne genade en goedertierenheid. O zeker, het is volkomen waar, dat God zich door het geven van de Wet aan den mensch verbonden heeft, want „in het houden van die

ocr page 227

223

is groote loonquot;, maar laten wij de voorwaarde niet vergeten ; en lt;ieze luidt; dat de mensch volkomen houden moet al, wat in de Wet van hem geëiacht wordt. En daarbij komt nog, dat deze verbintenis voortvloeit uit den souvereinen wil, uit het vrijmach-tig welbehagen Gods, zoodat het dus, niettegenstaande dit alles, onwrikbaar vast blijft, dat de mensch niets van Hem begeeren kan, alsof hij er aanspraak op had. Alle grootheid des vleeschea moet dus wegvallen, want al was er iemand, die de gansche quot;Wet volkomen vervuld had, dan zou hij God nog niets in rekening kunnen brengen, als zou deze hem iets schuldig zijn, want dan heeft die mensch niet anders gedaan, dan Gode weergegeven, wat hij Hem schuldig was. In dien zin zegt Jezus dan ook : „Wanneer gij zult gedaan hebben al hetgene u bevolen is, zoo zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten, want wij hebben maar gedaan, hetgene wij schuldig waren te doenquot;. Alles wat de Heere van den mensch ontvangt, is niets anders dan de vruchten van ziin eigen leengoed.

De discipelen beroemen er zich op, dat zij alles hebben verlaten, om Jezus te volgen. Wat hadden ze dan verlaten ? Inderdaad niet veel. Zij waren visschers of handwerkslieden, en onder hen waren niet vele rijken en niet vele edelen, want het verachte had God uitverkoren en hetgeen niets was ; veel konden zij dus niet hebben achtergelaten. En toch hooren wy hen zeggen : „Wij hebben alles verlatenquot;, alsof zij heel wat hadden bezeten ; het was niets dan ij dele roem. Men ziet het dikwerf, dat de mensch geneigd is van de diensten, die hij aan God bewijst, hoog op te geven.

Neen, al ware het zelfs, dat wij koninkrijken en de heerlijkste goederen verlaten hadden, om den Heere Jezus te volgen, -dan zouden onze voortreffelijkste werken alle te zamen nog

ocr page 228

224

niet zooveel waard zijn, dat zij het geringste bewijs van Gods genade konden verdienen; al doen wij alles, wat wij maar eenigszins kunnen, toch zullen wij te allen tyde onnutte dienstknechten blijven.

LXIV.

„Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkorenquot;.

Matth. 20 : 16amp;.

„Die Hij tevoren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hy ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijktquot;.

Rom. 8 : 30.

\'ET zal ons niet moeilijk vallen, deze beide uitspraken met elkander in overeenstemming te brengen, als wij er maar aan denken, dat er van tweeërlei roeping sprake is in de Heilige Schrift en dat de eene door Paulus bedoeld wordt in Rom. 8, terwijl de Heere Jezus in Matth. 20 de andere op het oog heeft.

In Rom. 8 is er sprake van die krachtige roeping Gods, als openbaring van zijne eeuwige verkiezing, waardoor Hij ons door den dienst des Woords en de genade van zijn Heiligen Geest verklaart en krachtig te kennen geeft, dat Hij ons tot een Vader wil zijn. Paulus heeft hier dus het oog op de inwendige roeping; hij spreekt niet alleen over de uitwendige prediking, die het woord niet verder kan

ocr page 229

225

brengen dan tot aan het oor, maar hij handelt voornamelijk over de genadige werking des Heiligen Geestes, waardoor deze roeping kracht op ons uitoefent. Daarom voegt de apostel er dan ook aan toe, dat zij, die op deze wijze geroepen zijn, ook „gerechtvaardigdquot; en „verheerlijktquot; zijn, namelijk degenen, die naar zyn voornemen geroepen zijn. Overeenkomstig dat voornemen, dat naar de verkiezing is, heeft Hij, die alle dingen werkt naar den raad zijns willens, van eeuwigheid besloten, zijne zaligmakende genade en weldaden in hen voort te zetten van het begin hunner roeping aan tot den dood toe, wanneer zij uit het tegenwoordige leven overgaan in het toekomende. Van diezelfde roeping spreekt ook Jezus, als Hij in Joh. 6 zegt: „Niemand kan tot mij komen, tenzij dat de Vader, die mij gezonden heeft, hem trekke; want er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan, die het van den Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot mijquot;. De Heiland wil hier te kennen geven, dat diegene tot Hem komt, die van den Vader met de inwendige ooren des geloofs geleerd heeft te verstaan, hetgene hij door de prediking des evangeliums, dus met de uitwendige ooren des lichaams, gehoord heeft.

Nu is er echter nog eene andere roeping, waardoor God de menschen roept; zij is de uitwendige roeping en geschiedt door de prediking des Woords. Deze wordt bedoeld, wanneer de Heiland in Matth. 20 zegt: „Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkorenquot;.

Er zijn vele geveinsde Christenen, die niet standvastig door een waar, zaligmakend geloof in Hem geworteld en gegrond zijn; eenigszins zijn zij door den „Geest der kennisquot; verlicht in hun verstand, maar de Geest der heiligmaking heeft hen niet waarachtig tot God bekeerd; en daarom zyn zij in de oogen des

15

ocr page 230

226

Heeren als dezulken, wier harten nog niet gereinigd zijn van doode werken, om den levenden God te dienen. Wanneer zij dat Woord gehoord hebben, dan ontvangen zij het wel met vreugde, maar juist, omdat zij slechts voor een tijd gelooven, hebben z\\i geen wortel in zichzelven en als verdrukking of vervolging om des Woords wille komt, dan worden zij terstond geërgerd en wijken af. In Matth. 13 en Luc. 8 wordt dit zoo klaar door den Heiland aangetoond, evenzoo in Joh. 5, waar sprake is van „eene brandende en lichtende kaarsquot;, in wier licht men zich voor een korten tijd heeft willen verheugen. In de kerk van onzen Heere Jezus zitten dezulken gaarne vooraan; niets is hun liever, dan dat de oogen van allen op hen geslagen zijn; als alles stil en rustig is, hebben zij heel wat voor de kerk over, maar indien het eens anders wordt! Indien er eens om des Woords wille vervolgingen uitbreken, dan heeft de liefde tot de wereld en de vreeze van in hunne tijdelijke goederen benadeeld te zullen worden, de overhand; zij verloochenen de leer, die zij tevoren bekend hebben en . . . keeren tot de wereld terug. Weet gij, wat de apostel Petrus in zijn tweeden brief van dezulken schrijft? Dit: „Want indien zij, nadat zij, door de kennis van den Heere en Zaligmaker Jezus Christus, de besmettingen der wereld ontvloden zijn, en daarin wederom ingewikkeld zijnde van deze overwonnen worden, zoo is hun het laatste erger geworden dan het eerste. Want het ware hun beter, dat zü den weg der gerechtigheid niet gekend hadden, dan dat zij, dien gekend hebbende, weder afkoeren van het heilige gebod, dat hun overgegeven was, maar hun is overkomen het-gene met een waar spreekwoord gezegd wordt: De hond is wedergekeerd tot zijn eigen uitbraaksel, en de gewasschene zeug tot de wenteling in het slvjkquot;. Terecht worden dezulken dan ook

ocr page 231

227

„apostatenquot; d. w. z. .afvalligenquot; genoemd; zij vallen van God af tot hun eigen verderf, want zoo lezen wij in Hebr. 10: „Zoo iemand zich onttrekt, mijne ziele heeft in hem geen behagenquot;. De ware geloovigen worden duidelijk door den apostel onderscheiden, waar hij er aan toevoegt: „Maar wij zijn niet van degenen, die zich onttrekken ten verderve, maar van degenen, die gelooven tot behouding der zielquot;. En even tevoren had hij de spreuk van Habakuk reeds aangehaald ; „De rechtvaardige zal uit het geloof levenquot;.

Verre is het er dus vandaan, dat allen die uitwendig geroepen zijn en de vooraanzittingen in de kerk hebben, door een oprecht geloof het eeuwige leven deelachtig zyn zouden. Christus belooft, dat zij alleen het koninkrijk zijns Vaders erfelijk bezitten zullen, die het bruiloftskleed aan hebben, en wien het gegeven is, bekleed te worden met rein en blinkend fijn lijnwaad; want dit fijne lijnwaad zijn de rechtvaardigmakingen der heiligenquot;. (Openb. 19 ; 8;.

ocr page 232

228

LXV.

„En hij zal ze van malkanderen scheiden, gelyk de herder de schapen van de bokken scheidtquot;.

Matth. 25 : 326.

„Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn ; deze moet ik ook toebrengen; en zij zullen mijne stemme hooren, en het zal worden ééne kudde en één Herderquot;.

Joh. 10 : 16.

E schijnbare tegenstrijdigheid, die in deze beide uitspraken ligt opgesloten, is gemakkelijk op te lossen, als wij slechts daaraan denken, dat Johannes alleen het oog heeft op de geloovigen en uitverkorenen Gods, die allen tot „ééne kuddequot; moeten verzameld worden terwijl Mattheüs melding maakt van de scheiding, die eenmaal zal plaats grijpen tusschen de schapen en de bokken, welke nu nog onder „malkanderenquot; vermengd zijn.

Wat nu de eerste uitspraak betreft, zij is duidelijk genoeg van zichzelve. Waar wij belijden te gelooven „ééne heilige, algemeene Christelijke Kerkquot;, daar kan het niet anders, of er moet één lichaam zijn onder één hoofd. Daarom schrijft Paulus dan ook in Efeze 4: „Eén lichaam is het, en één Geest, gelij-kerwijs gij ook geroepen zijt tot ééne hope uwer beroeping; één Heere, één geloof, één doop; één God en Vader van allen, die daar is boven allen, en door allen en in u allenquot;. Hoewel deze ééne kudde over vele stallen verdeeld is, daar de geloovigen over den ganschen aardbodem verstrooid zijn, toch zijn zij allen door ééne omheining ingesloten; immers, het is één en hetzelfde

ocr page 233

229

Woord dat aan allen verkondigd wordt; zij gebruiken overal dezelfde Sacramenten ; zij bidden allen op dezelfde wijze tot denzelfden Vader, die in de hemelen woont; zij zijn één, in al het-gene vereischt wordt voor de belijdenis des geloofs. Het middel, waardoor de kudde bijeenverzameld wordt, is, dat er maar één Herder is en alleen zijne stem gehoord wordt. Welnu, zoo is het ook met de kerk van onzen Heere Jezus Christus. Als de kerk onderworpen is aan haar Hoofd en aan niemand anders, zoodat zij zijn bevel alleen gehoorzaamt en zijn woord alleen hoort, dan is het goed met haar gesteld. Maar, waar de Heere Jezus niet in eere is, zijne Majesteit met voeten getreden en zijne ordinantiën bespot en veracht worden, daar wordt van deze schoone eenheid niets bespeurd; daar is het eene synagoge des satans; daar heerscht een toestand, erger en meer vervloekt dan alle verwoesting! Er is geene kerk dan die, waarin Christus heerscht; geen Koninkrijk Gods, dan dat, waarin de hoogste eere wordt toegekend aan den oppersten Herder Jezus Christus!

En nu wordt juist in het Evangelie van Mattheüs gezegd, -dat er eenmaal een einde komen zal aan alle woelingen; alle verwarringen, die thans ia de wereld heerschen, zullen dan ophouden ; dan zal alles tot een goed einde gebracht worden; dan sullen de schapen van de bokken worden gescheiden. De huichelaars zijn met de kinderen Gods ondereen vermengd; naar het uiterlijke oordeelend, behooren zij tot de kudde, maar als de Zone Gods zal wederkomen, om te oordeelen, dan zal Hjj ze van malkanderen scheiden, gelijk de herder de schapen van ■de bokken scheidt; dan zullen de bokken aan de eene zijde gesteld en uitgestooten worden, terwijl de schapen aan de andere zijde worden geplaatst en binnen verzameld in het koninkrijk

ocr page 234

230

Gods. Dan zal Hij het koninkrijk overgeven aan zyn Vader; dan zal het in vollen zin zijn ééne kudde onder één Herder; niets zal er dan binnenkomen, wat gruwelijkheid bedrijft of onrecht doet; de rechtvaardigen zullen de kronen der heerlijkheid verwerven en den boozen zal vergolden worden, naardat zij in het lichaam gedaan hebben.

De scheiding dus, welke te dien dage zal plaats hebben tusschen de schapen en de bokken, geeft te kennen, dat nu de goeden en de boozen nog onder malkanderen vermengd en met elkander in ééne kudde verzameld zijn. Dat zal echter zoo niet blijven; het einde zal gansch verschillend zijn. En daarom behoeven de geloovigen dan ook niet verdrietig te zijn over hun staat, waar zij nu nog gedwongen worden met de ongeloo-vigen te verkeeren, ja, menigmaal vele listen en lagen van hen te verduren hebben; straks zullen zij van hen worden afgescheiden, om, bevrijd van alles, wat hun hier op aarde smartte, ongestoord en volkomen Hem te prijzen, die hen uit loutere; genade tot schaapkens zijner kudde gemaakt heeft.

ocr page 235

231 LXVI.

„Want de armen hebt gij altijd met u, maar mij hebt gij niet altijdquot;.

Matth. 26 : 11.

„En ziet, ik ben met ulieden alle de dagen, tot de voleinding der wereldquot;.

Matth. 28 : 20.

N deze beide plaatsen spreekt de Heere Jezus van zich zeiven. In het ü69te hoofdstuk van zijn Evangelie, verplaatst Mattheüs ons te Bethanië, ten huize van Simon, den melaatsche, waar Jezus zijn intrek genomen had. Na twee dagen zou het Pascha zijn en, naar luid van Jezus\' eigen woord tot zijne discipelen, zou de Zoon des menschen worden overgeleverd, om gekruisigd te worden. Toen Jezus bij Simon was, kwam er eene vrouw tot hem, hebbende eene albasten flesch met zeer kostelijke zalt, welke zij op zijn hoofd uitgoot. De discipelen namen dit zeer kwalijk; die kostelijke zalf zóó te gebruiken, vonden zij een verlies; zij meenden, dat Maria beter gedaan had, wanneer zij die zalf duur verkocht en de opbrengst daarvan den armen gegeven had. De Heiland daarentegen was van eene gansch andere gedachte. Openlijk spreekt Hij het uit, dat zij een goed werk aan Hem gedaan heeft en als reden daarvoor geeft Hij op : „Want de armen hebt gij altijd met u, maar mij hebt gij niet altyd; want als zij deze zalf op mijn lichaam gegoten heeft, zoo heeft zij het gedaan tot eene voorbereiding van mijne begrafenisquot;. Duidelijk toont de Heere Jezus dus aan, waarom de dienst. Hem door Maria bewezen, aangenaam was. Niet omdat de zalf, die zij over Hem uitgegoten had, zulk een

ocr page 236

232

heerlijken geur verspreidde, maar omdat zij het gedaan had tot eene voorbereiding van zyne begrafenis, als een teeken van de kracht, die daarvan zou uitgaan. En Inderdaad, zij is eene reuke des levens ten leven en ter zaligheld allen degenen, die In Hem gelooven en de vruchten van zyn lijden en sterven zich zelven toeëigenen mogen. Wat Maria deed ter voorbereiding van zijne begrafenis, is volkomen vervuld geworden, want toen Gods Zone na drie dagen uit het graf verrees, heeft Hij niet slechts een huls, maar de gansche wereld vervuld met die goede en levendmakende reuke zijns doods. Vóór zijne begrafenis mocht deze vrouw Hem dat offer harer liefde wel brengen; na zijne opstanding echter kon het met dat doel niet meer geschieden, immers Hij, die de opstanding en het leven was, zou den dood niet meer smaken, met ééne offerande heeft Hij In eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden. Maar toen de Heiland henen-ging, liet Hij ons de armen in zijne plaats achter. „De armen hebt gij altijd met uquot;; hun eene gave der liefde te schenken, blijft steeds elsch en plicht; nooit kunnen wij ons dan ook verontschuldigen met de gedachte, dat nu Hij heengegaan is, alle dienst der liefde heeft opgehouden ; neen, voor een korten tijd en omdat het eene voorbereiding was van de dingen, die komen zouden, heeft Hij dat liefdeblijk van Maria niet afgewezen, maar voor alle volgende tijden verwijst Hij naar den dienst der armen. In zijne plaats heeft Hij hen achtergelaten, toen Hij zelf is opgevaren naar den hemel, en waar Hij nu, aan de rechterhand zijns Vaders, na volbrachten arbeid, met eene onuitsprekelijke heerlijkheid toegerust is, daar is er niets ter wereld, dat wij Hem zouden kunnen aanbieden: goud noch zilver, de kostbaarste zalf noch het duurste kleinood, zouden Hem aangenaam kunnen zijn. En juist opdat dit duidelijk uitkomen en men niet meenen

ocr page 237

233

■zou, dat hetgene Maria gedaan had, Hem ook in lateren tijd welgevallig zijn zou, zegt Hij met vollen nadruk; .Mij hebt gij niet altijd met uquot;. Hij maakt dus onderscheid tusschen den gewonen dienst, die altijd door de geloovigen moet bewezen worden, en den huitengewonen dienst, die slechts van korten duur was en eindigde, toen Hij ten hemel opvoer. Willen wij dus ons geld tot eene Gode aangename en welbehagelijke offerande gebruiken, dan moeten wy het aanwenden tot leeniging van den nood der armen en behoeftigen. De Heere heeft ze ons in zijne plaats nagelaten ; en waar Hij niet meer op aarde onder ons verkeert, maar heengegaan is naar den hemel, daar wil Hij niet, dat wij Hem met eenige praal van uitwendig vertoon dienen zullen. Zichtbaar en lichamelijk vertoeft Hy niet meer in ons midden, zoodat Hij geene aardsche eere meer van ons kan ontvangen; thans is Hij in ons midden met zijne goddelijke .kracht en geestelijke genade.

In het slotvers van Matth. 28 zegt Jezus tot zijne disci-.pelen : „En ziet, ik ben met ulieden, alle de dagen tot de voleinding der wereldquot;. Van hoe groot belang dit was, wisten .zijne discipelen ; even tevoren had Hij er hen nog op gewezen, hoe Hem gegeven was „alle macht in hemel en op aardequot;. Die belofte van hulp en bijstand was voor hen nog des temeer van belang, aangezien de scheidende Meester hun een heerlijk, .maar gewichtvol en moeilyk werk had toebetrouwd; het bevel toch, dat Hy hun gegeven had. luidde: „Gaat dan henen, onderwijst alle de volkeren, hen doopende in den naam des Vaders, ^en des Zoons, en des Heiligen Geestes; leerende hen onderhouden alles, wat ik u geboden hebquot;. Met het oog op dien zwaar-wichtigen arbeid en bij de gedachte, die hen licht moedeloos kon .maken, dat zy nu zonder hun Meester de reize moesten voort-

ocr page 238

284

zetten, wijst Jezus zjjne jongeren er op, niet in eigene kracht, voort te trekken, maar te steunen op de onverwinbare macht van Hem, die van den Vader verordineerd is tot Koning over hemel en aarde, en die met hen zijn zou „alle de dagen tot aan de voleindiging der wereldquot;.

Die tegenwoordigheid, welke de Heere hier aan zijne discipelen belooft en die Hij ook aan alle geloovigen heeft toegezegd, moet natuurlijk in geestelijken zin verstaan worden. Gelijk wij zeiden, lichamelijk is Hij niet meer onder ons, en het is — met eerbied zij het gezegd ! — ook niet noodig, dat Hij van den hemel nederdaalt om ons zijne hulp en bijstand te ver-leenen; Hij helpt en ondersteunt ons door de genade zijns Geestes en steekt ons van den hemel der heerlijkheid zijne hand als ter hulpe toe. Voorzeker, naar zijne menschelijke natuur is de afstand tusschen Hem en ons oneindig groot; maar Hij stort de kracht zijns Geestes niet alleen over de geheele wereld uit, maar met zijn Vader woont Hij door de kracht des Heiligen Geestes waarachtig in ons, gelijk Johannes dat in de \' hoofdstukken 14 —16 van zijn Evangelie zoo duidelijk beschrijft» Deze heerlijke belofte van bijstand is niet beperkt tot zijne apostelen; neen, zij is van kracht, totdat „de voleinding der wereldquot; daar zal zijn, en geldt dus voor alle zijne dienaars, die uit en van zich zei ven tot niets bekwaam zijn en daarom zonder die goddelyke hulpe niet het minste of geringste deel van hun ambt zouden kunnen ten uitvoer leggen. Omdat de getrouwe, vervulling van hun ambt zoo moeilijk en zwaar is, hebben zij inzonderheid de hulpe des Heeren van noode, om staande te blijven te midden van den strijd en de verzoekingen dezer wereld. Zonder die hulpe zullen zij gewisselijk omkomen, maar-strijdend in de kracht van Hem, wien alle macht gegeven is ia

ocr page 239

235

hemel en op aarde, zullen zij in dien strijd de overwinning behalen. En is de geschiedenis van alle voorgaande eeuwen en van den tijd, dien wij beleven, niet daar, als een krachtig bew^s, dat Jezus Christus met zijne dienaren geweest is, dat Hij door eene verborgene kracht wonderbaarlijk gewerkt heeft, zoodat het evangelie zijn loop heeft gehad trots het woeden van den vorst der duisternis, die een feilen strijd heeft aangebonden tegen den Vorst des lichts, om, ware het mogelijk, het licht van dat evangelie uit te dooven en het rijk van den Christus te verstoren? Maar, en laat ons dit niet vergeten, al komt deze belofte inzonderheid aan zijne dienaren ten goede, zij geldt niet minder voor alle geloovigen in het gemeen, opdat ook zij niet den moed verliezen en wanen zouden, ganschelijk verlaten te zijn.

Wij besluiten dus, dat de Heere Jezus, hoewel Hü voor het oog zijner jongeren ten hemel is opgevaren, nochtans niet van ons gescheiden is, maar bij ons blijft „alle de dagen, tot de voleinding der wereldquot;. In lichamelijke gedaante verkeert Hy niet meer onder ons, maar daarom laat Hij niet na, den geloovigen, die een tijd lang hier op aarde moeten vertoeven, hulp en bijstand te verleenen en dat wel door eene alomtegenwoordige kracht, veel sterker dan zijne persoonlijke tegenwoordigheid. Die belofte van voortdurenden bijstand is door de hemelvaart vervuld geworden, want, gelijk het lichaam van den Zone Gods verheven werd boven alle hemelen, zoo heeft Hij ook zijne kracht uitgestort over de lengte en breedte der aarde, zoowelals in de hoogte der hemelen. Alles, zoowel in den hemel als op de aarde, staat onder zijne heerschappij, verre is Hy verheven boven alle overheden en machten, tronen en heerschappyen.

Ala wij dit dus goed in het oog houden, zullen wy aanstonds bemerken, dat er hier niet de minste tegenspraak

ocr page 240

236

heerscht: met het volste recht kan gezegd worden, dat de Zone öoda niet meer bij ons is, terwijl het even onwrikbaar vast -staat, dat Hij met ons zal zijn alle de dagen, tot de voleinding der wereld. Naar zijne menschelljke natuur is Hy niet meer tegenwoordig, maar naar de goddelijke kracht zijner Majesteit blijft Hij met ons tot den einde toe. „De dagen zijns vleeschesquot; ■duurden slechts kort, niet lang heeft de kerk zich in zijne lichamelijke tegenwoordigheid mogen verheugen; nu ziet zü haar Hoofd niet meer met het oog des lichaams, thans aanschouwt zij haar „Koning in zijne heerlijkheidquot; door het oog des geloofs. Daarom, het oog des geloofs naar boven gericht en met Paulus beleden: „Wij hebben dan altijd goeden moed en weten, dat wij, inwonende in het lichaam, uitwonen van den Heere. Want wij wandelen door het geloof, en niet door aanschouwen. Zoo dan, wy kennen van nu aan niemand naar het vleesch; en indien wij ook Christus naar het vleesch gekend hebben, nochtans kennen wij hem nu niet meer naar het vleeschquot;.

ocr page 241

237

LXVII.

„En ik zeg u, dat ik van nu aan niet zal drinken; van deze vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer ik met u die nieuw zal drinken in het koninkrijk mijns Vadersquot;.

Matth. 26 : 29.

„Wij hebben met hem gegeten en gedronken, nadat hij uit de dooden opgestaan wasquot;.

Hand. 10 : 416.

^OVEN allen twijfel staat het vast, dat onze Heere Jezus Christus, „nadat hij uit de dooden opgestaan wasquot;, geen eten of drinken meer van noode had ; wel heeft de Zone Gods na zijne opstanding weer een lichaam aangenomen, maar dat lichaam was niet meer onderhevig aan honger of dorst. Vreemd schijnt het dus. Petrus, ten huize van den hoofdman Cornelius, te hooren verklaren, dat Jezus van Nazareth openbaar geworden is, „niet al den volke, maar den getuigen, die van God tevoren verkoren waren, ons namelijk, die met hem gegeten en gedronken hebben, nadat hij uit de dooden opgestaan wasquot;. Als er evenwel van den Heere Jezus gezegd wordt, dat Hij na zijne opstanding gegeten en gedronken heeft,, dan geschiedt dit met geene andere bedoeling, dan om te doen uitkomen de zorg, die Hij aanwendde,om het onverstand der zijnen, tegen te gaan. Ook thans, na zijne overwinning over dood en graf, was die trouwe zorg onverminderd dezelfde gebleven, want al is Hij nu met eene hemelsche glorie versierd, toch heeft Hij, gegeten en gedronken, alsof Hij een sterfelijk mensch ware, en dat met geen ander oogmerk, dan om het duistere en twijfel-

ocr page 242

238

:achtige uit zijne verrijzenis voor de zijnen weg te nemen. Mochten soms waanwijze lieden vragen, waar die spijzen gebleven zijn, dan antwoorden wij hierop: Gelijk de spijzen uit het niet in het aanzijn zijn geroepen, zoo was ook de alvermogende kracht van Gods Zoon voldoende, om ze weer tot het niet terug te brengen. Wanneer wij voedsel gebruiken, dan geschiedt dit, om daardoor onze broze en vergankelijke lichamen te onderhouden en te versterken ; die spijzen worden verteerd en telkens hebben wij weer nieuw voedsel van noode.

Dat was niet het geval bij den Zone Gods. Hij had geene spijzen noodig, maar gebruikte ze alleen, teneinde daardoor ons geloof te voeden. Doch al was het uit een ander oogpunt, het feit staat niettemin vast, dat de Heere Jezus werkelijk gegeten en gedronken heeft, en de meening, dat dit slechts schijn was, is niets anders dan het onnoodig zoeken van uitvluchten. Neemt men aan, dat dit gebruiken van spijzen slechts schijn geweest is, dan rijst toch als vanzelve de vraag op: Waartoe zou zulk een schijn hebben moeten dienen ? Neen, van schijn is hier geene sprake; het getuigenis van Petrus moet in letterlijken zin worden opgevat, met dien verstande echter, dat de Zoon van God niet, gelijk de kinderen der menschen, door eigene behoefte gedrongen werd te eten en te drinken, maar dat Hij dit alleenlijk deed, teneinde de zwakheid zijner discipelen te hulpe te komen. Houden wij dit slechts in het oog, dan staan wij sterk in het bestrijden van alle dwalingen, die te dien opzichte geleeraard worden.

Hoe is met dit gezegde van Petrus in Hand. 10 de uitspraak te rijmen in Matth. 26, waar de Heiland, kort vóór zijn dood tot zijne discipelen zegt, niet meer met hen te zullen •drinken van de vrucht des wljnstoks tot op dien dag, wanneer

ocr page 243

239

Hij die met hen nieuw zal drinken in het koninkrijk zijns Vaders ?

Hier, in Matth. 26, spreekt de Heere Jezus door eene allegorische gelijkenis. De discipelen hadden op zyn bevel het Pascha bereid en toen het avond geworden was, zat Hij aan met de twaalven. Het was de laatste nacht van zyn veelbewogen leven hier op aarde. In dienzelfden nacht zouden allen aan Hem geërgerd worden. De Herder zou geslagen en de schapen der kudde zouden verstrooid worden. Eén uit dien geliefden ■en vertrouwden kring zou den Meester verraden. Dit alles deelt de Heiland aan dien laatsten disch zijnen jongeren mede ; voor aller oogen wijst Hij zelfs den verrader aan en spreekt het „weequot; ■over hem uit. Hoe kon het anders, of de gedachte, weldra te moeten scheiden van hun Meester, dien zij zoo hartelij k liefhadden, moest hen „zeer bedroefdquot; doen worden ? En om die droefheid zooveel mogelijk te temperen, stelde de Heiland zijn naderenden ■dood gewoonlijk voor onder een liefelijk beeld. Nu eens sprak Hij van het tarwegraan, dat in de aarde vallen en sterven moet; dan weer van de vrucht des wijnstoks, die Hij met hen drinken zou in het koninkrijk zijns Vaders. Hoe meer het uur van scheiden naderde, hoe meer de Meester zijne jongeren sterken wilde, opdat zij, na zijn heengaan, den moed niet zouden verliezen. Dit deed Hij ook nu weer, terwijl Hij met hen aanzat aan den disch, en dat niet zonder oorzaak, aangezien het zijn voornemen was, hen in het Heilige Avondmaal zijn dood als in een spiegel voor oogen te stellen. Om nu de sombere gedachte uit deze onaangename tijding weg te nemen, voegde de-Heiland er onmiddellijk deze vertroosting aan toe, dat de ge dachte des doods hen niet met schrik moest bevangen, want dat .zij na den dood een leven zouden hebben, hetwelk veel beter

ocr page 244

240

zou zijn. Voorzeker, zijn dood was aanstaande ; maar in die ure, waarin het schijnen zou, dat het voor goed met Hem gedaan was, zou Hij de grootste overwinning behalen. Na drie dagen zou Hij uit eigene kracht uit de dooden opstaan ; dan zou de dood verslonden worden tot overwinning; Hij zou uit het graf verrijzen, zonder ooit weer te kunnen sterven; eene zalige onsterfelijkheid zou Hij dan ingaan; alles volbracht hebbende, zou Hij in den hemel der heerlijkheid eene plaats innemen aan de rechterhand van zjjn God en Vader. Maar daar zou Hij niet alleen zijn; neen, in dat koninkrijk der hemelen zouden met Hem zijn alle degenen, die de Vader Hem gegeven had. Niets en niemand was bij machte, er één uit zijne hand te rukken niet één van allen, die Hij Gode gekocht had door zijn bloed, zou daar gemist worden; alle vrijgekochten des Heeren zouden daar eeuwig met Hem vereenigd zijn. Door deze vertroosting leidde Hij dus de geloovigen als met eigene hand tot het kruis,, om hen vandaar op te heffen tot de hope der verrijzenis.

Nu zou men gereedelijk de tegenwerping kunnen maken,, dat „eten en drinkenquot; niet in overeenstemming is met den aard van het koninkrijk Gods. Men zou zich zelfs tot staving van deze meening kunnen beroepen op eene uitspraak van den apostel Paulus, als hij in Rom. 14 zegt: „Want het koninkrijk Gods is niet spijze en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap door den Heiligen Geestquot;.

Deze tegenwerping is echter niet moeilijk te weerleggen. De Heere Jezus wil niets anders, dan zijnen discipelen te kennen geven, dat zij spoedig van zijne tegenwoordigheid zullen verstoken zijn en Hij niet meer met hen leven zal, totdat de dag aanbreekt, dat Hij met hen het eeuwige, gelukzalige leven zal genieten. Dan zal er eene andere wijze van eten en drinken

ocr page 245

241

zijn, gelijk Hij dat, ontdaan van alle beeldspraak, duidelijk te kennen geeft bij monde van den evangelist Lucas, waar wij in hoofdstuk 22 ; 16 lezen: „Want ik zeg u, dat ik niet meer daarvan eten zal, totdat het vervuld zal zijn in het koninkrijk Godsquot;. De vervulling van de weldaden, die gelegen zijn in de vereeniging met Jezus Christus, wordt op vele plaatsen in de Heilige Schrift beschreven, o. a. in Matth. 8 ; 11, waaide Heiland zegt: „Doch ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen, en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob aanzitten in het koninkrijk der hemelenquot;. Dit kan natuurlijk niet verstaan worden van den tijd, die er. verliep tus-schen zijne opstanding en zijne hemelvaart, want, gelijk wij boven opmerkten, heeft Hij in dien tijd werkelijk met zijne discipelen gegeten en gedronken. Toen ter tijde was het een middenstaat tusschen den loop van het sterfelijke leven en het einde van het hemelsche leven; toen was het koninkrijk Gods nog niet geopenbaard, waarom Jezus dan ook in Joh. 20 tot Maria zeide: „Ik ben nog niet opgevaren tot mijnen Vaderquot;;-evenmin waren de discipelen toen reeds ingegaan in het koninkrijk der hemelen, om met den Zone Gods te drinken van den nieuwen wijn en zijne glorie deelachtig te worden.

Om dus allen schijn van tegenstrijdigheid weg te nemen,, waar wij op de eene plaats lezen, dat Hij niet drinken zal en op de andere, dat Hij wel gedronken heeft, hebben wij niets anders te doen, dan steeds in het oog te houden, dat er niet in den eigenlijken zin van eten en drinken sprake is, maar dat deze woorden in figuurlijken zin gebezigd worden en doelen op den omgang en het verkeer, door de zijnen met Hem hier op aarde.\' geoefend.

16;

ocr page 246

242

LX VIII.

„Toen zeide Jezus tot hem ; Keer uw zwaard weder in zijne plaats; want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaanquot;.

Matth. 26 : 52.

„Hij zeide dan tot hen : Maar nu, wie eenen buiquot; del heeft, die neme hem, desgelijks ook eene male, en die geen heeft, die verkoope zijn kleed, en koope een zwaardquot;.

Luc. 22 : 36,

5

ANNEER de Heere Jezus in Matth. 26 zegt, dat allen, die het zwaard -nemen, door het zwaard zullen vergaan, dan bevestigt Hij het gebod van de wet, waarin het gebruik van het zwaard aan bijzondere personen verboden wordt. Door ons nadrukkelijk alle moorden en onrechtvaardige doodslagen te verbieden, heeft de Heere juist getoond, hoe lief Hij het menschelijk geslacht heeft. Gelijk wij reeds in een vroeger betoog hebben opgemerkt, was het de wil des Heeren niet, dat wij ons met geweld zouden verdedigen of beschermen, want in diezelfde wet verbiedt God iemand te slaan. Nu is het natuurlijk zeer dwaas en ongerijmd, indien men hieruit besluit, dat het den rechters en overheden verboden is, op wettige wijze het zwaard te gebruiken. Wij zeiden, en daarop valt al de nadruk, „op wettige wijzequot;; want niemand — dus ook der overheid niet — is het geoorloofd, het zwaard te nemen en dat onwettig te gebruiken. Waar het evenwel noodig is, daar mag en moet de overheid zich van het zwaard bedienen. Zy is — naar luid van Paulus\' woord in Rom. 13 — Gods die-

ocr page 247

243

naresse; die macht heeft zij van zichzelve niet, maar deze is haar van Godswege opgelegd, „want er is geene macht dan van God, en de machten die er zijn, die zijn van God geordineerdquot;. Het heeft God den Heere behaagd, zich van aardsche machten te bedienen, om door hen gerecht en gerichte te doen ; zij zijn „dienaars van Godquot; en mogen dus, ook wat het gebruiken van het zwaard aangaat, niet met particuliere personen op ééne lyn worden gesteld. Daarom verklaart Paulus met betrekking tot hen zoo nadrukkelijk, „dat die zich tegen de macht stelt, de ordinantie Gods wederstaat; en die ze wederstaan, zullen over zichzelven een oordeel halen. Want de oversten zijn niet tot eene vreeze den goeden werken, maar den kwaden. Wilt gij nu de macht niet vreezen, doe het goede en gij zult lof van haar hebben ; want zij is Gods dienaresse, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, zoo vrees; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienaresse, eene wreekster tot straffe dengene, die kwaad doet. Daarom is het noodig, onderworpen te zijn, niet alleen om der straffe, maar ook om der consciëntie willequot;. De macht en het aanzien van de aardsche rechters worden dus door deze uitspraak duidelijk omschreven. Waar de Heere Jezus zegt, dat de moordenaars ter dood moeten gebracht worden, en de macht van de rechters omschreven wordt, daar blijkt het dus alleszins, dat in hunne hand het zwaard gesteld is, om recht te doen met betrekking tot dien beganen moord. Het kan soms gebeuren, dat zulk een moordenaar op andere wijze gedood wordt, maar het gewone middel, door God daartoe verordend, is, dat de zoodanige valle door het zwaard van den rechter. De Heere wil niet, dat zulke snoode misdryven ongestraft blijven, daartoe juist heeft Hij rechters aangesteld; zij moeten waken voor de veiligheid der menschen.

ocr page 248

244

door alle wreedheid en geweld zooveel mogelijk tegen te gaan en het begane onrecht te straffen.

Meent nu echter niet, dat de Heere, die, gelijk wij zagen, het zwaard heeft toebetrouwd aan de overheid, nu met zichzel-ven in tegenspraak komt, waar Hij in Lucas 22 zijnen jongeren beveelt een zwaard te koopen. Neen, ook thans doet Hij duidelijk uitkomen, dat het hier een bijzonder geval geldt, en handhaaft Hij dus volkomen zijn wil, dat niet een iegelijk het zwaard nemen mag, om daarmede te slaan naar eigen goeddunken en zoo menigmaal het hem lust. Het geldt hier een geval van zeer bijzonderen aard; de Heere stelt zijnen jongeren voor oogen de schrikkelijke beroeringen, die op handen zijn. Hij doet hier, gelijk een goed krijgsoverste doen zou. Wanneer deze zijne soldaten in slagorde wil stellen, dan blaast hij alarm ; spreekt hun moed in ; wijst er hen op, hoe zij alle andere bekommernissen moeten afleggen, hoe zij in de ure des gevaars aan niets, zelfs niet aan eten cn drinken, moeten denken, maar al hunne krachten moeten saam-trekken op den strijd, dien zij te voeren hebben. Wanneer het gevaar er hen toe dringt, dan moeten zij, als goede krijgsknechten, alles veil hebben, om de eer van vorst en vaderland te redden. Welnu, zoo ook wil de Heiland, dat als straks de ure gekomen zal zijn, zijne jongeren toonen zullen, alles voor Hem over te hebben, zoodat zij zelfs hun buidel en hunne male ver-koopen zullen, teneinde zich van een zwaard te voorzien. Doch laten wij, om alle misverstand te voorkomen, er aanstonds mogen bijvoegen, dat de Heere hier niet doelt op een uitwendigen strijd. Zij moeten niet een werkelijk zwaard koopen, om Hem daarmede te beschermen ; neen, het is beeldspraak, waarvan hun Meester zich hier bedient. Onder het zinnebeeld van een uitwendigen stryd wil Hij hen wijzen op den inwendigen strijd.

ocr page 249

215

dien zij zullen te voeren hebben. Aan vele verzoekingen en groote verschrikkingen zullen zij straks, wanneer zij zonder Hem de reize moeten voortzetten, blootstaan. Nu spreekt Hij hun moed in. Hij wapent hen tegen dien strijd, opdat zij, als goede krijgsknechten, den strijd niet ontvluchten, maar dien dapperlijk strijden en de overwinning behalen.

Dit in het oog houdend, zien wij dus duidelijk, dat ook in deze beide Schriftuurplaatsen niet de minste tegenstrijdigheid gevonden wordt.

LXIX.

„Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloedquot;. „Deze dan heeft verworven eenen akker door het loon der ongerechtigheid, en voorwaarts over gevallen zijnde, is midden opgeborsten en al zijne ingewanden zijn uitgestortquot;.

Matth. 27 : 4o ei) Hand. 1 : 18.

„Indien vrij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheidquot;.

1 Joh. 1 : 9.

weinig, helaas, wordt er met ernst stilgestaan bij den ellendigen toestand, waarin zij zich bevinden, die ten prooi zijn aan eene verontruste consciëntie. En toch — het is met dezulken niet anders gesteld, dan alsof zij de hel in hun boezem besloten hadden. Inderdaad, dit is niet te stout gesproken; waar de vrede en de verzoening

ocr page 250

246

met God gemist worden, daar is de toestand diep rampzalig. Welk eene heerlijke belofte dus, dat de Heere getrouw en rechtvaardig is, dat Hij, indien wij onze zonden belijden, ons de zonden vergeven en ons van alle ongerechtigheid reinigen wil. Vergeving wordt er aangeboden door een getrouw en rechtvaardig God! Hij, die zelve de Ja en de Amen, de Waarachtige en Getrouwe is, zal ook waar maken, al wat Hij beloofd heeft; niet ééne van al zijne beloften zal hare vervulling missen. Tegenover onze ontrouw staat zijne trouw; indien wij gezondigd hebben en met David onze zonden niet bedekken, maar belijdenis van onze overtredingen doen, dan spreidt de Heere zijne zondaarsliefde ten toon en, gedreven door loutere goedheid, wil Hij verzoening doen over al onze misdaden. Heerlijk, daarvan het zalige bewustzijn te mogen omdragen! Maar verre is het er vandaan, dat die belijdenis van zonden op zichzelve oorzaak van de zaligheid zou kunnen zijn. De belofte van schuldvergiffenis vindt haar grond dan ook eenig en alleen in het geloof aan de waarheid en rechtvaardigheid Gods; God de Heere, die deze belofte gedaan heeft, is een Rechter, van wiens troon recht en gerechtigheid de vastigheden zijn, waarom de apostel Johannes dan ook zegt, dat Hij in het vergeven der zonden getrouw en rechtvaardig is. Hij heeft ons beloofd, ons onze zonden te zullen vergeven. Die belofte moet dus vervuld worden, maar zal alleen hare vervulling erlangen voor diegenen, die haar door het geloof hebben aangenomen. Waar wij recht noch aanspraak kunnen maken op eenige vergeving, zelfs niet van de geringste overtreding ; waar die vergiffenis voortvloeit uit loutere liefde en vrije ontferming, daar zou de Heere, ook zonder deze belofte, gansch rechtvaardig zijn geweest, en zou de mensch nooit kunnen klagen over onrecht, indien de Heere met zijne

ocr page 251

\' 247

straffende hand tot hem kwam. Maar nu Hij zich eenmaal door den wil van zijn vrijmachtig welbehagen in zijn Woord aan ons verbonden heeft, nu wil Hij niet voor rechtvaardig gehouden worden, tenzij dan dat Hij de zonden vergeeft. Als Hij de vergeving van zonden aanbiedt, dan laat Hij er eene voorwaarde aan voorafgaan, waar Hij zegt: „Indien wij onze zonden belijdenquot;. Hij wil dus, dat onze zonden ons zullen uitdrijven tot den troon der genade, dat wij daarvan belijdenis zullen doen voor den Heere; maar die belijdenis eischt van ons eene zuivere gesteldheid en oprechtheid des harten. Waar nu het hart tot God niet spreken kan zonder „nieuwigheid des levensquot;, daar blijkt ten duidelijkste, dat die belijdenis van zonden de ware bekeering in zich vervat. Want laten wij dit niet vergeten: al is het volkomen waar, dat God de zonden vergeeft uit loutere genade, alleen op grond van zijn vrijmachtig welbehagen en ontfermende zondaarsliefde, toch mogen zijne barmhartigheid en goedheid nooit beschouwd worden als aanlokselen tot de zonden.

Judas belijdt wel zijne zonden, waar hij zegt; „Ik heb gezondigdquot;; ja, hij gaat zelfs nog verder en betuigt de onschuld van den Heere Jezus, dien hij verraden en in de handen der vijanden overgeleverd heeft, waar hij er aan toevoegt: „verradende onschuldig bloedquot;, maar waartoe heeft deze belijdenis gediend ? Immers tot niets ; want al was het, dat de misdaad, die hij begaan had, hem mishaagde, nochtans heeft zij hem niet tot waarachtige bekeering geleid. Bij hem had het geene andere uitwerking, dan dat zijne oogen geopend werden, zoodat hij zijne ellende en misdaad gevoelde en daarover met schrik bevangen werd.

Judas heeft wel den schrik en het verdriet over zijne misdaad gevoeld, maar dit heeft hem niet tot God gebracht;

ocr page 252

248

neen, deze verrader staat voor ons als een toonbeeld van iemand, die ganschelijk van de genade Gods vervreemd is. Het is waar, er is eene droefheid naar God, welke eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid werkt; indien de mensch echter niet verder komt en slechts daarbij staan blijft, dat hij tegen God gezondigd heeft, dan zal die droefheid zeer ongeregeld zijn. Er is meer noodig. De waarachtige bekeering bestaat uit twee stukken : een mishagen van het kwade en eene liefde tot het goede; beide hebben hun oorsprong in de vreeze en den eerbied voor God en brengen ons zoover, dat wij ons vleesch kruisigen en door den Heiligen Geest geleid en bestuurd worden tot den dienst van God. De vreeze, waaruit deze ware bekeering voortgevloeid is, wordt door den wijzen koning Salomo zeer geprezen, waar hij zegt: „De vreeze des Heeren is het beginsel der wetenschapquot;. De droefheid, die met deze vreeze gemengd is, wanneer men tegen God gezondigd heett, wordt door den apostel Paulus in 2 Cor. 7 „eene droefheid naar Godquot; genoemd en van haar wordt gezegd, dat zij „eene onberouwelijke bekeering tot zaligheidquot; werkt, hetwelk hij bewijst, door de vruchten op te noemen, die uit haar voortspruiten, n.1. naarstigheid om zich tot God te bekeeren, verantwoording met betrekking tot de voorgaande zwakheden, onlust omdat men zijne vorige zonden verfoeit, vreeze, om God wederom te vertoornen, verlangen om Hem te dienen en zijne geboden te onderhouden, ijver om Hem door een nieuw leven te behagen, en wrake tegen zichzelven, waardoor men zijne eigene zonden bestraft en zich voor God veroordeelt, om hiernamaals niet door Hem veroordeeld te worden.

Bij de ongeloovigen is het er zeer verre vandaan, dat zij van dit alles iets zouden gevoelen; al hunne lusten en neigingen strekken zich juist daarheen uit, om onophoudelijk te zon-

ocr page 253

249

■digen en den Heere voortdurend te vertoornen; met al wat in hen is, jagen zij er naar, Hem zooveel mogelijk te bespotten. En toch — hoezeer zij zich er ook met alle macht tegen verzetten, toch gevoelen zij eene verschrikkelijke vreeze ; en hoewel zij de zonden niet haten, maar gaarne en van harte bedrijven, toch worden zij door angsten en pijnen gekweld, die hun zeer goed de zwaarte van hunne zonden doen gevoelen. Maar deze droefheid is hun niet nut, zij brengt hen niet tot God, zij doet hen niet vrijwillig tot God wederkeeren; zij is geene oorzaak, dat zij van nu voortaan betere dingen zoeken en bedenken ; en, waar zij hardnekkig in hunne booze lusten volharden, daar komen zij eindelijk om in de pijnen, die zij niet ontvlieden konden. Op zulk eene wyze laat God zijne wrake over de halsstarrigheid der goddeloozen komen, waarom de apostel Paul us deze droefheid dan

ook noemt eene „droefheid der wereldquot; en van haar getuigt, dat \\

.zij „den dood werktquot;.

Judas, Kaïn, en allen, die hun hierin gelijk zijn, hebben wel hunne zonden ea gebreken beleden, maar waren zoozeer door vreeze en verslagenheid bevangen, dat zij voor de tegenwoordigheid Gods op de vlucht gingen. Opmerkelijk is dan ook het feit, dat verworpenen en huichelaars geene maat houden ; „zoodra zij maar eenige verlichting hebben, slapen zij op hun gemak en zijn zonder zorgen; drukt hen daarentegen de toorn Gods, dan zijn zij verslagen en verbroken, dan zijn zij bang van hunne eigene schaduw; dan maakt de vreeze hen mistroostig, .zoodat zij nergens aan denken, dan aan het eeuwige verderf, dat Jien wachtende is.

Dit is ons dus duidelijk gebleken, dat er wel velen zijn, die hunne zonden belijden, maar omdat zij niet in oprechtheid des harten met die belijdenis komen tot den Schepper van

ocr page 254

250

hemel en aarde, zoo blijven zij in hunne zonden en zjjn derhalve ook niet begeerig, om door verbetering van hun leven de vergeving hunner zonden te ontvangen.

LXX.

„En hetzelfde verweten hem ook de moordenaars, die met hem gekruisigd warenquot;.

Matth. 27 : 44 v. m. Marc. 15 : 32.

„En één van de kwaaddoeners, die gehangen warren, lasterden hem, zeggende t Indien gij de Christus-zijt, verlos uzelven en onsquot;.

Luo. 23 : 39.

E geschiedenis van quot;den moordenaar aan het kruis, die zich in de laatste ure zijns levens nog heilbegeerig tot den Zaligmaker van zondaren wendde en door dezen aangenomen werd, wordt ons alleen door den evangelist Lucas medegedeeld, terwijl de beide andere evangelisten van deze wondere gebeurtenis gansch geene melding maken. Gelukkig voor ons, dat het den Heiligen Geest goed gedacht heeft, haar toch nog door één der heilige mannen te doen beschrijven, zoodat zij ons in geschrifte nagelaten is. Immers, in deze geschiedenis kunnen wij als in een spiegel den onuit-puttelijken rijkdom van Gods genade aanschouwen, gelijk Hij die in den Zoon zijner liefde openbaren wil aan arme en verlorene zondaars, en dat nog wel, wanneer het einde nabij en alle hoop op redding straks dus ten eenenmale afgesneden is. Het groote heil, dat aan dien moordenaar geschonken werd, kan lederen

ocr page 255

251

zondaar moed geven, hoe lang hij ook in zijne zonde moge volhard hebben, om met vertrouwen te naderen tot den troon der genade ; het kan hem sterken te midden van eiken twijfel en alle mistroostigheid, welke hem menigmaal diets maken, dat zijne zonden te groot zijn, dan dat zij vergeven zouden worden. In het aangezicht van den dood werd deze misdadiger, als het ware, uit de hel getrokken; toen hij gevoelde, weldra den laatsten adem te zullen uitblazen, werd hij door instorting van het nieuwe leven in „een gansch anderen manquot; veranderd. Straks zou hij deelen in de hemelsche glorie en een metgezel der engelen worden. Dan zou hij vereenigd zijn met den Zone Gods, die dat wonderzalige woord in zijne ooren had doen klinken : „Voorwaar zeg ik u, heden zult gij met mij in het paradijs zijnquot;.

Gelijk ons uit het verhaal blijkt, werden er met den Heere Jezus „twee anderen, zijnde kwaaddoenersquot;, aan het hout des kruises gehangen, de een ter rechter- en de ander ter linkerzijde. Met betrekking tot dien éénen nu, dien men gewoonlijk „den goeden moordenaarquot; noemt, wordt uitdrukkelijk gezegd, dat hij niet alleen zijne zonden beleden, maar daar benevens met roem en lof gesproken heeft over de gerechtigheid van den Heere Jezus Christus. Hoe kunnen nu de andere evangelisten in het meervoud spreken en zeggen, gelijk Mattheüs: „En hetzelfde verweten hem ook de moordenaars, die met hem gekruisigd warenquot;, of, gelijk Marcus: „Ook die met hem gekruisigd waren, smaadden hemquot; ?

Hoe zijn deze berichten van de evangelisten met elkander in overeenstemming te brengen, waar Lucas toch zoo met nadruk in het enkelvoud spreekt, als hij zegt: „En één van de kwaaddoeners, die gehangen waren, lasterde hem, zeggende : Indien gij de Christus zijt, verlos uzelven en ons; maar de andere ant-

ocr page 256

252

woordende, bestrafte hem, zeggende: Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt ? En wij toch rechtvaardiglijk ; want wij ontvangen straffe, waardig hetgene wij gedaan hebben, maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaanquot;.

Deze schijnbare tegenstrijdigheid is niet moeilijk op te lossen, als wij slechts bedenken, dat Mattheüs en Marcus gebruik maken van eene figuurlijke spreekwijze, waarbij het geheel voor een deel genomen wordt: zij schrijven aan beide moordenaars toe, wat slechts door éénen bedreven is. Deze manier van spreken moet ons niet hard toeschijnen; de vraag, die te dezen opzichte alles afdoet, is: Welke bedoeling hadden deze beide evangelisten met hunne mededeeling? En dan blijkt ons, dat het doel, hetwelk zij zich voorstelden, niet anders was, dan te bewijzen, hoe onze Heere Jezus van alle zijden bestormd en besprongen is geworden, zoodat elk en een iegelijk Hem smaadde en lasterde; ja, zelfs moordenaars, die den dood zoo nabij waren, gingen in hunne laatste uren nog voort, Hem te beschimpen en te bespotten. Dezelfde manier van spreken wordt door David aangewend, als hij in den 22sten Psalm om het geweld en de lastering, die hij te verdragen heeft, zóó zwaar mogelijk te doen uitkomen, zegt: „Maar ik ben een worm en geen man; een smaad van menschen en veracht van het volk; allen, die mij zien, bespotten mij ; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofdquot;.

Al is het dus, dat de evangelisten Mattheüs en Marcus de bekeering van den moordenaar niet mededeelen, toch ligt er in hunne uitspraken niets tegenstrijdigs met het verhaal van Lucas, die daarvan wel melding maakt. Gelijk wij zagen, bedoelen\' de beide eerstgenoemden niets anders dan duidelijk te doen uitkomen, dat onze Heere Jezus Christus, hangende aan het hout des kruises, het voorwerp van spot was voor allerlei

ocr page 257

253

raenschen, tot zelfs voor moordenaars toe. Zij schrijven dus. niet over één van deze beide moordenaars in het hijzonder, maar over de moordenaars in het algemeen.

LXXI.

„Eu zij (de vrouwen), tot hem (Jezus) komende,, grepen zijne voeten en aanbaden hemquot;.

Matth. 28 : 96.

„Jezus zeide tot haar: Raak mij niet aan, want ik ben nog niet opgevaren tot mijnen Vaderquot;.

Joh, 20 : 17a.

\'ET is inderdaad niet moeilijk deze beide uitspraken met elkander in overeenstemming te brengen. Uit het gansche optreden van Maria Magdalena en „de andere Mariaquot; blijkt zoo duidelijk hare blijdschap over de opstanding van haar Meester; zij knielden voor Hem neder, grepen zijne voeten en aanbaden Hem. Dit alles laat de Heiland toe; met geen enkel woord wijst Hij haar af. Hij wilde juist,-dat zij volkomen van zijne opstanding zouden overtuigd zijn ; daarom staat Hij het hier toe, dat zij hem aanraken. „Zij grepen zijne voetenquot; — zoo zegt Mattheüs, als om daarmede het overtuigende bewijs\' te leveren, dat zij van de verrijzenis haars-Meesters ten volle verzekerd waren. Om dezelfde reden heeft de Heere Jezus het ook toegestaan, dat zijne apostelen Hem aanraakten, gelijk Johannes ons dat uitvoerig mededeelt met betrekking tot Thomas, die nog in ongeloof en twijfel verkeerde aangaande de opstanding zijns Meesters, terwijl de andere disci-

ocr page 258

254

pelen zich reeds verheugden in den blijden Paaschjubel: „De Heere is waarlijk opgestaanquot;. Om nu dienaangaande bij zijn discipel allen twijfel weg te nemen, zeide de Heere tot Thomas : „Breng uwen vinger hier, en zie mijne handen, en breng uwe hand, en steek ze in mijne zijde; en wees niet ongeloovig, maar geloovigquot;.

Waar de Heere Jezus nu evenwel bemerkt, dat Maria al .te zeer aan zijne lichamelijke tegenwoordigheid blijft hangen, daar behoeft het ons in hét minst niet te verwonderen, dat Hij haren onbedachten ijver tegengaat en matigt. In het vuur harer liefde en blijdschap zou zij haar Meester wel altijd bij zich willen hebben. Maar zoodoende ziet zij over het hoofd, dat er nogeene andere wijze is, om zijne tegenwoordigheid te genieten, die, wel ia waar geestelijk, maar toch veel gelukzaliger zal zijn dan zijne lichamelijke nabijheid, waarin zij zich op aarde nog slechts een korten tijd zal kunnen verheugen.

Bij de beschouwing van deze beide Schriftuurplaatsen hebben wij dus goed in het oog te houden, dat de opgestane Heiland Maria niet verboden heeft. Hem aan te raken, vóór Hij bemerkte, dat zij te zeer aan het lichamelijke bleef hangen, waardoor zij Hem nog langer hier op aarde wilde houden. Onder de leiding des Heiligen Geestes heeft Johannes er dan ook duidelijk de reden bijgevoegd, waarom de Heiland niet wilde, dat zij Hem aanraken zou, welke daarin lag, dat Hij nog niet opgevaren was tot zijnen Vader. Door er deze woorden aan toe te voegen, wil Jezus te kennen geven, dat Maria zich niet meer gelijk tot hiertoe, in zijne lichamelijke tegenwoordigheid verheugen zal, maar dat zij Hem volkomen en op geestelijke wijze zal genieten, als Hij straks opgevaren zal zijn ten hemel, om 4aar aan de rechterhand zijns Vaders te deelen in de hemelsche

ocr page 259

255

heerlijkheid. Bovendien wil de Heiland het doel zvjner opstanding aantoonen en Maria doen zien, dat dit gansch anders is, ■dan zij zich voorstelt, waar zij vau de gedachte uitgaat, dat Hij hier op aarde zijne overwinning genieten en voortdurend bij haar wonen zal. En dat was zoo niet. Opgevaren zijnde ten hemel, zou hij het koninkrijk in bezit nemen, dat Hem beloofd was van vóór de grondlegging der wereld, en in den hemel heerlijkheid zou Hij, gezeten aan de rechterhand des Vaders, de glorie smaken, die Hij verworven had door zijn lijden en sterven. Daar zou Hij heerschen als Koning, totdat Hij alle vijanden zou gesteld hebben tot eene voetbank zijner voeten. Van daar zou Hij, door de kracht zijns Heiligen Geestes, de kerk besturen en regeeren, leiden en bewaren, ten spijt van alle machten, die zich daartegen verzetten zouden.

Maria deed dus verkeerd, toen zij zich tevreden toonde met de kleinste helft van het nut, dat uit de verrijzenis des Heeren voortsproot en duidelijk openbaarde, dat zij den Heiland hier op aarde wilde houden.

Daarom — voor zooveel ons aangaat — indien wij den Heere Jezus zoeken en willen vinden, dan moeten wij onze harten opwaarts heffen naar den hemel en ons losmaken van al datgene hier op aarde, wat ons daartoe zoozeer in den weg kan staan, gelijk Paulus in zijn brief aan de Colossensen vermaant, als hij schrijft: ,Indien gij met Christus zijt opgewekt, zoo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods; bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de .aarde zijnquot;.

ocr page 260

256

LXXII.

„Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde\'V

matth. 28 ; 186.

„Maar van dien dag en die ure weet niemand,, noch de engelen die in den hemel zijn, noch de-Zoon, dan de Vaderquot;.

Marc. 13 : 32.

IT het gezegde van den evangelist Mattheüs, dat aan den Heere Jezus alle macht gegeven is, zoowel inden hemel als op de aarde, vloeit voort, dat niets voor Hem verborgen, maar dat Hem alles bekend is, zelfs ook wat in den hemel geschiedt. Is hiermede dan niet in lijnrechten strijd hetgeen door Marcus in zijn evangelie geschreven wordt als hij, sprekende over den hemel en de aarde, die voorbij zullen gaan, zegt, dat van dien dag en die ure niemand iets weet dan de Vader? Hoe kunnen nu die dag en die ure onbekend zijn aan den Zoon, voor wien niets verborgen is?

Laat ons weer trachten deze schijnbare tegenstrijdigheid op te lossen.

Wanneer wij Matth. 28 opslaan, dan zien wij, dat de Heere Jezus gereed staat, zyne discipelen uit te zenden, want — zoo-luidt het in vs. 19 : „Gaat dan henen, onderwijst alle de volkeren, hen doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes, leerende hen onderhouden alles, wat ik u geboden hebquot;. Maar vóór Hij hen beveelt zijn evangelie te verkondigen, wil Hij hen eerst wijzen op zijne groote macht. Van die grootheid zijner macht móesten quot;zijne discipelen goed doordrongen zijn. Zij moesten inzien, dat eene middelmatige macht-

ocr page 261

257

voor zulk eene groote zaak, als de verkondiging van het evan-gelium, niet voldoende was. Immers, waar de Zaligmaker van zondaren begeerde, dat in zijn naam en in zijne macht niets minder dan het eeuwige leven zou beloofd worden, daar moest Hij eene volkomene en Goddelijke heerschappij hebben, waardoor Hij de gansche wereld wederom onder zijne gehoorzaamheid kon brengen en die aan zijne leer, welke nu openlijk verkondigd zou worden, de kracht schenken moest, om alle hoogheid te temmen en het gansche menschelijke geslacht te vernederen. Veel tegenstand zouden de discipelen op hun weg ontmoeten. De verkondiging van die blijde boodschap der zaligheid zou voor velen eene dwaasheid zijn. Menigmaal zouden zij het moeten ervaren, dat hunne woorden opgenomen werden als ijdel geklap. In één woord, de taak, die hun werd opgdragen, was zwaar en gewicht-vol ; en alleen het geloof, dat Hij, die hen uitzond, alle macht had in hemel en op aarde, en dus bij machte was, alle hoogte, die zich tegen hen stellen zou, ter neder te werpen, stelde hen in staat, hun last ten uitvoer te leggen. Naar waarheid kon de Heere Jezus dan ook getuigen. Koning van hemel en aarde te zijn ; zijn troon is gevestigd zoowel in den hemel als op de aarde. Op aarde heeft Hij zich een rijk gesticht en bevestigd, hetwelk bestaat uit onderdanen, die door de prediking des evangeliums tot de ware gehoorzaamheid gebracht zijn; en wanneer Hy door de krachtige werking van zijn Heiligen Geest de geloovigen wederbaart tot een nieuw leven en noodigt tot de hope der zaligheid, dan opent Hij hun den hemel, om hen daar met de engelen te doen deelen in eene stoorlooze en eeuwige gelukzaligheid. Daar, in den hemel, is dat onbeweeglijke en onvergankelijke koninkrijk, waar de gezaligden zullen zitten op tronen, om als

koningen met Hem te heerschen eeuwiglijk en altoos. Het be-

17

ocr page 262

258

hoeft ons dan ook niet te verwonderen, dat de Heere Jezus zegt: „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aardequot;, terwiil Hij die macht toch bezat van eeuwigheid aan. Het is volkomen waar, dat Christus die macht reeds bezat vóór de grondlegging der wereld, zijnde van eeuwigheid gezalfd over Sion, den berg zijner heiligheid; maar dat is voor den mensch verborgen gebleven, totdat Hij opgestaan was uitdedooden. De heerschappij over de gansche kerk rustte van zijne geboorte aan reeds op zijne schouders. Hij heeft haar verworven door zijn lijden en sterven en eerst aanvaard bij zijne hemelvaarten verhooging aan Gods rechterhand. Toen werd Hij door God, zijn Vader, versierd met de merkteekenen van den oppersten Koning, toen heeft Hij ontvangen een naam boven allen naam, „opdat in den naam van Jezus zich zoude buigen alle knie dergenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn, en alle tong zoude belijden, dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid Gods des Vadersquot;. Het koninkrijk, waarover Christus heerschappij voert, is bestemd, zich over de geheele aarde uit te breiden. God gaf aan zyn Zoon de heidenen tot een erfdeel en de einden der aarde tot eene bezitting. De middelmuur des afscheidsels verbroken en eene deur voor de Heidenen geopend zijnde, wordt Christus gesteld tot eece Banier der volkeren ; in Hem heeft de Vader „de uitnemende grootheid zijner krachtquot; geopenbaard en dat wel, gelijk Paulus het aan de gemeente van Epheze schrijft, toen de Vader Hem „uit de dooden heeft opgewekt en gezet aan zijne rechterhand in den hemel, verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende, en heeft alle dingen zijnen voeten onderworpen, en heeft Hem der gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingenquot;.

ocr page 263

259

Ala bil monde van den evangelist Marcus nu getuigd wordt, dat de Zoon den dag, ja, zelfs de ure niet weet, waarop hemel ■en aarde zullen voorbijgaan, dan wordt dit gezegd met betrekking tot zijne menschelijke natuur. Voor zooveel het vleesch aanging, kende de mensch geworden Zone Gods het tijdstip niet, waarop die doorluchtige dag aanbreken zou. Als God daarentegen was Hem de openbaring van dien schrikkelijken dag zijner toekomst met onbekend, want als zoodanig was Hy één met den Vader en was er dus voor Hem, evenmin als voor zijn Vader, iets verborgen.

Die goddelijke natuur is nooit van de menschelijke natuur .gescheiden geweest; ook in de dagen zijner omwandeling ■op aarde was en bleef Hij God ; de menschelijke natuur heeft nimmer zijne goddelijke natuur te niete gedaan, neen, in den lt;éénen persoon van Christus zijn die beide naturen ongescheiden vereenigd geweest, zoodat noch de eene noch de andere natuur hare eigenschappen verloren heeft. Somtijds rustte de goddelijke natuur en openbaarde zjj zich niet, dan om de menschelijke natuur te ondersteunen in het volvoeren van den last, die •Christus, als Middelaar tusschen God en den mensch, was opgedragen. Zeer sterk komt dit b. v. uit in den hof van Gethse-mané, waar Hij, naar zijne menschelijke natuur, onder de kracht van het lijden scheen te zullen bezwijken en ondersteund werd •door zijne goddelijke natuur.

Er ligt dus geenerlei ongerijmdheid in, dat de Zone ■Gods, die naar zijne goddelijke natuur alles wist, naar zijne ■menschelijke natuur niet met die dingen bekend was, die Hy niet behoefde te weten, om zijn ambt als Middelaar te kunnen volbrengen; naar zijne menschelijke natuur was Hy ons — uitgenomen de zonde — in alles gelijk. En waar nu in het on-

ocr page 264

260

feilbaar Gretuigenis des Heeren gezegd wordt, dat Hij in d\'e dagen zijns vleesches aan zwakheden en pijnen, aan droefheid en vreeze was onderworpen, waar Hij dus een volkomen en waarachtig mensch was, behoeft het ons daar te bevreemden, dat er naar zijne menschelijke natuur sprake is van toekomende\' zaken, welke Hem onbekend waren ? Immers neen!

Toch zou men hiertegen eene bedenking kunnen inbrengen en vragen: Hoe kan er bij den Zone Gods sprake zijn van onwetendheid, zelfs naar zijne menschelijke natuur? Onwetendheid is toch een gevolg van de zonde; en hoezeer ook in alles den mensch gelijk, was Hij Juist daarin van den mensch onderscheiden, dat de zonde Hem ten eenenmale vreemd was, zoodat Hij nooit zonde gekend of gedaan heeft en er nooit eenig onrecht bij Hem gevonden werd.

Wij antwoorden hierop in de eerste plaats met verwijzing naar ons Schriftwoord zelve, waarin Marcus zegt, dat die dagen die ure ook voor de engelen verborgen zijn; en vragen dan: Zou men nu met betrekking tot deze engelen, die hun beginsel niet verloochend hebben, maar staande gebleven zijn en dus ganschelijk zonder zonde waren, kunnen zeggen, dat hunne onwetendheid te dien opzichte een gevolg van hunne zonde was ?

Wat nu Christus, den Zone Gods, aangaat, zoo merken wij verder op, dat Hij ons vleesch en bloed niet alleen heeft aangenomen, maar dat ook onze zonden op Hem zijn gekomen,, zoodat Hij om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden verbrijzeld is en de straf, die ons den vrede aanbrengt, op Hem was. In het gerichte Gods heeft Hij, die zelf zonder zonde en volkomen heilig was, gestaan, beladen met onze zonden. De gevolgen der zonde werden dan ook naar zijne menschelijke natuur door Hem gevoeld, vandaar dat Hem hon-

ocr page 265

261

geren en dorsten, dat Hij weenen en vermoeid nederzitten, ja, dat Hij zelfs sterven kon. Dit alles was toch naar zijne goddelijke natuur ten eenenmale onmogelijk.

Welnu, als een gevolg van de zonden, die Hy voor anderen gedragen had, was Hem, naar zijne menschelijke natuur, de laatste dag dezer wereld, de ure van zijne tweede komst, ganschelijk onbekend.

LXXIII.

„Wie kan de zonden vergeven, dan alleen God?quot;

Marc. 2 : 76.

„Zoo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij vergeven; zoo gij iemands zonden houdt, dien ziin aij gehoudenquot;.

Joh. 20 : 23.

^OEN de Zaligmaker van zondaren het land doorging goeddoende en onderwijzende de schare, kwam Hij ook op zekeren tijd binnen Kapernaüm; en zijn intrek in een huis genomen hebbende, vergaderden daar zóóvelen, dat zelfs de toegang tot het huis versperd werd, zoodat •een geraakte, die van vier gedragen werd, vanwege de schare volks niet tot Hem komen kon. Zij, die den geraakte droegen, beproefden daarom een ander middel, om tot den Heiland te genaken ; zij braken het dak weg van het huis, waar Hij was, en dieten zoo het beddeken neder, waar de geraakte op lag. Het geloof van die menschen ziende, zeide Jezus tot den geraakte:

ocr page 266

262

„Zoon, uwe zonden zijn u vergevenquot;. Dit woord werd echter gehoord door sommige van de Schriftgeleerden, die zich aldaar bevonden; „zij overdachten deze woorden in hunne hartenquot; en kwamen tot de slotsom, dat de Heere Jezus , Godslasteringenquot; gesproken had, aan welke gedachte zij uiting gaven door de vraag; „Wie kan de zonden vergeven, dan alleen God?quot; Die vraag kwam natuurlijk uit niets anders voort dan uit den boozen lust, waardoor die farizeesche huichelaars steeds bezield werden, om den Zone Gods te lasteren. Maar al is deze vraag nu voortgekomen uit een boozen en verkeerden mond, zoo neemt dit toch niet weg, dat deze uitspraak volkomen waar is. Niemand dan God alleen kan de zonden vergeven. Evenals het alleen Hem vrijstaat te verdoemen, zoo berust ook bij Hem alleen de macht,, om vrij te spreken.

Schijnbaar in strijd hiermede is hetgeen wij lezen in Joh. 20, waar de Heere Jezus aan zijne apostelen bevel geeft, de zonden te vergeven. Door dit bevel geeft Hij1 echter hun niet over, wat Hem alleen toekomt; neen. Hij behoudt zijne eigene eere, welke, gelijk wij zagen, mede daarin gelegen is, dat Hij alleen de zonden kan vergeven. Door dit bevel geeft de Heere zijnen apostelen dan ook geene andere macht dan deze, dat zij, als bedienaars van het heilige evangelie in zyjn naam de vergeving van zonden mogen prediken, op grond van de kruis- en zoenverdiensten van Hem, wiens bloed reinigt van alle zonden. Hij is de Middelaar tusschen God en mensch en door zijne bloedstorting heeft Hij hen met elkander verzoend. In den vollen zin van het woord dus kan niemand anders de zonden vergeven dan Hjj alleen, maar nu wil Hij zijne dienaren,, als instrumenten in zijne hand, daartoe gebruiken..

Maar — zoo zou men kunnen vragen — als die dienaren

ocr page 267

263

nu slechts instrumenten zijn; als zij de vergeving der zonden niet bewerken kunnen, maar slechts verkondigers van dat heil zijn; vanwaar komt het dan, dat de Heere Jezus hun zulk eene hooge waardigheid toekent?

En ons antwoord hierop luidt: Dat doet de Heere teneinde ons geloof te versterken. Want inderdaad, er is niets heerlijkers denkbaar, dan de vaste verzekering, dat ons onze zonden verge -ven zijn; dat de Heere ze achter zich geworpen heeft in eene zee van eeuwige vergetelheid en harer niet meer gedenkt; dat Christus Jezus, Gods Zone, beladen met ónze zonden, in het gerichte Gods heeft gestaan, zoodat wij zonder verschrikking verschijnen mogen voor zijn rechterstoel. Die zekerheid van de volkomene uitdelging der zonden wordt door Zacharias de „kennis der zaligheidquot; genoemd (Luc. 1 : 77.) Hoe onbegrijpelijk het ook voor ons moge zijn, dat de Hooge en Verhevene, wien alle middelen ten dienste staan, zich voor het groote werk der zaligheid van nietige en zwakke menschenkinderen bedienen wil, toch is dat zijn wil. En waar Hij nu, naar zijn vrijmachtig welbehagen, zijne dienaren daartoe gebruiken wil, daar kunnen wij te dien opzichte gerust zijn en moeten wij onwankelbaar staan in het vaste geloof, dat het God de Heere zelf is, die in den persoon des dienaars tot ons spreekt. Hierop beroept de apostel Paulus zich dan ook, als hij in 2 Cor. 5 schrijft: „Zoo zijn wij dan gezanten van Christus\' wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus\' wege: laat u met God verzoenenquot;. De geloovige behoort hiervan dus verzekerd te zijn, dat de aanbieding van de vergiffenis der zonden vast en bondig is; en al is het, dat deze hem gebracht wordt door eene menschelijke stem, toch moet het voor hem zijn, alsof God zelf hem uit den hemel zijne hand toereikt. Dat al de eer van

ocr page 268

264

de uitdelging der zonden niettemin eenig en alleen aan God toekomt, laat Paulus in het vorige hoofdstuk van dien zelfden brief duidelijk uitkomen, als hij zegt: „Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij „van God en niet uit onsquot;. De apostel wil zijne broeders te Corinthe dus duidelijk doen gevoelen, dat hij hun dien schat, n.1. de vergeving der zonden, niet van zichzelven kan aanbieden alsof deze zijn eigendom ware, maar dat hij gezonden is uit naam van een ander, aan wien die schat toebehoort.

Ganschelijk verkeerd doen wij, indien wij dezen schat minder achten, omdat hij in een verachtelijk en zwak vat besloten is ; integendeel juist, wij hebben stoffe te over, om God te danken voor de groote weldaad, ons daarin geschonken, dat Hij zwakke menschenkrachten gebruiken wil, om ons bekend te maken met dien eenigen naam, die onder den hemel gegeven is, door welken wij kunnen zalig worden. Zij komen „van Christus\' wegequot; en door hen wil Hij den armen zondaar bekend maken met den onnaspeurlijken rijkdom van zijne eeuwige, ontfermende zondaarsliefde.

Wij besluiten dus, dat niemand anders dan God alleen de zonden kan vergeven; maar dat het Hem, naar zijn vrijmachtig welbehagen, heeft goed gedacht, zich daartoe te bedienen van zwakke menschenkinderen, die, als een middel in zijne hand, dit groote heil den volke verkondigen en aanbieden mogen.

ocr page 269

265

LXXIV.

„En hij gebood hun, dat zij niets zouden nemen tot den weg, dan alleenlijk eenen staf\'.

Marc. 6 : 8a.

„En hij zeide tot hen: Neemt niets mede tot den weg, noch staven, noch male, noch brood, noch geldquot;.

Luc. 9 : 3a.

ET verschil in deze beide uitspraken is hierin gelegen, dat Lucas (en zoo ook Mattheüs in hoofdstuk 10 : 9) zegt, dat Jezus zijnen discipelen verbood, een staf met zich te nemen, terwijl Marcus meededeelt, dat Jezus niet hebben wilde, dat zij iets zouden medenemen dan alleen hun staf.

Wanneer wij slechts letten op hetgene onze Heere Jezus met deze uitspraken beoogde, zal het ons niet moeilijk vallen, dit verschil uit den weg te ruimen.

Hij verlangde, dat zijne apostelen in weinig tijds het gansche Joodsche land zouden bezoeken, en dat zij dan tot Hem zouden wederkeeren. Teneinde dit des te gemakkelijker te kunnen doen, verbiedt Hij hun het medenemen van lasten en gereedschappen, aangezien deze hun tot een hinder zouden zijn op den weg en hen belemmeren zouden in het spoedige voortgaan. Dit bevel, om niets met zich te nemen,, gold alleen, zoolang zij op reis waren, en had geene andere bedoeling, dan hen vrij en ongehinderd op hun tocht te doen voortgaan, zonder door iets van dien aard bezwaard of vermoeid te worden. In hunne huizen evenwel mochten zij dat alles hebben; daar werd hun het be-

ocr page 270

266

zitten van brood of geld, male of staf, schoenen of kleederen, goud of zilver niet verboden.

Het eigenlijke punt in verschil schuilt echter in den staf, waarvan wij bij den eenen evangelist lezen, dat geboden wordt hem mede te nemen, terwijl het bij den anderen evangelist juist verboden wordt. De oplossing is niet moeilijk, als wij dit maar bedenken, dat Mattheüs en Lucas het oog hebben op staven, die den gebruiker tot last en hinder zijn, die hem in het snelle voortgaan bemoeilijken, Marcus daarentegen doelt meer op een staf, die den wandelaar aangenaam is, omdat hy daarop steunen kan en gemak heeft bij het doorwaden van een moeras of eene gracht. In oude tijden bediende men zich dan ook van een stok of staf, wanneer men eene verre reis ging doen. Zoo hooren wij in Gen. 32 Jakob getuigen: „Ik ben geringer dan alle deze weldadigheden en dan alle deze trouw, die Gij aan uwen knecht gedaan hebt; want ik ben met mynen staf over dezen Jordaan gegaan en nu ben ik tot twee heiren gewordenquot;. Hiermede wil deze aartsvader dus te kennen geven, dat hij, den Jordaan overgaande, met geene rijkdommen beladen was, daar hij niets ander» bezat, dan zijn staf, die hem op den weg en bij het oversteken, der rivier tot steun en hulp verstrekte.

ocr page 271

267 LXXV.

„En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij mij goed? Memand is goed, dan één, namelijk Godquot;.

Mahc. 10 : 18.

„De goede mensch brengt het goede voort uit den, goeden schat zijns hartenquot;.

Luc. 6 : 45a.

is geen menach, wie hij ook zijn moge, van wien naar waarheid kan getuigd worden, dat hij goed is. Dit kan zelfs niet gezegd worden met betrekking tot de engelen, want ook zij bezitten niet het minste vonkske goedheid uit en van zichzelven. De goedheid is, zoowel bij de engelen als bij den mensch, onvolkomen en slechts in beginsel aanwezig.

Wat kan dan de bedoeling van den Heiland geweest ziin, toen Hij aan den jongeling vroeg: „Wat noemt gij mij goed?quot;\' om daarop zoo beslist mogelijk te laten volgen; „Niemand is goed, dan één, namelijk God?quot;

Door deze uitspraak wilde de Heere Jezus niet het bewijs leveren, dat Hij waarlijk en waarachtig God was; neen, zij werd door Hem met geene andere bedoeling uitgesproken, dan om dien jongeling te bewegen, geloovig zijne leer aan te nemen.. De Heiland had hem op den weg ontmoet, want zoo lezen wij in het voorgaande vers: „En als hij uitging op den weg, liep één tot hem, en voor hem op de knieën vallende, vraagde hem; Goede Meester, wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige levert beërve ?quot; En uit het vervolg van het verhaal blijkt, hoe in dien jongeling reeds eenige begeerte aanwezig was, om den Heiland ge-

ocr page 272

268

hoorzaamheid te bewijzen, want op den eisch, dien de Heere Jezua stelde, luidde het antwoord : „Meester, alle deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid af\'. Maar dat antwoord was den Heiland niet genoeg; Hij gaat nog verder en klimt hooger met hem op; Hij wil hem de woorden des eeuwigen levens uit den mond van den levenden God en niet van een sterfelijk mensch doen hooren. Want gelijk men weieens van Christenen engelen pleegt te maken, zoo noemt men ook hen wel goede leeraars, die, wat hunne gedachte omtrent God aangaat, niet zuiver zij a ; vandaar dan ook, dat de gaven Gods zoo menigwerf ontheiligd worden. Het behoeft ons dus niet te verwonderen, dat de Heere Jezus dezen jongeling tot God zond, teneinde daardoor aan zijne leer kracht bij te zetten.

Als nu in Mattheüs 12 : 35 en Lucas 6 ; 45 gezegd wordt: „De goede mensch brengt het goede voort uit den goeden schat zijns hartenquot;, dan ligt hierin niet de minste ongerijmdheid. Hier is sprake van een mensch, wiens hart door God veranderd is; in dat hart, waarin van nature geen goed woont, omdat het juist integendeel tot alle kwaad geneigd is, heeft God iets van zijne eigene goedheid afgedrukt. Wanneer er in den mensch eenig goed gevonden wordt, dan heeft hij dit niet van zichzelven, maar moet hij het dank weten aan God, die hem alzoo gemaakt heeft. Nu wijst de Heere er in dit Schriftwoord op, dat zij, die zich uitgeven voor goede menschen, zich wel terdege mogen onderzoeken, of zij het waarlijk zijn ; het moet niet eene belijdenis met den mond zijn, maar het moet uit de vruchten die zij voortbrengen gezien worden. Een spreekwoord ten onzent zegt zoo naar waarheid: „Uit een zak kan niet komen, dan datgene, wat er in isquot;. Onder een schooner beeld zegt de Heiland hetzelfde, wanneer Hij getuigt, dat iedere

ocr page 273

269

boom uit zijne eigene vrucht gekend wordt. Men leest geene vijgen van doornen, en men plukt geene druiven van bramen. En zoo is het ook met den mensch. Het kwade hart legt van zichzelve getuigenis af door de booze en goddelooze woorden en daden, die er uit voortkomen; zoo zal ook het hart van hem, die God vreest, vruchten voortbrengen, welke een Christen betamen.

Maar — en dit moeten wij steeds voor oogen houden — het hart kan niet goed zijn, dan alleen, wanneer het daartoe bewerkt wordt door de goedheid en de genade Gods en uit dien zelfden wortel zullen ook de goede menschen voortkomen.

LXXVI.

„Die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd wordenquot;.

Marc. 16 ; 165.

„Want God heeft ze allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zoude barmhartig zijnquot;.

Eom. 11 : 32.

E apostel Paul us doet in dit Schriftwoord twee dingen duidelijk uitkomen. Eerstelijk, dat er in den mensch zeiven niets is, waarom hij boven anderen zou worden voorgetrokken. God heeft alle menschen, zonder eenige uitzondering, onder de ongehoorzaamheid besloten; te zamen zijn zij onnut geworden, er is niemand die goed doet, ja, zelfs niet één. Zij, die eenige hope der zaligheid hebben, moeten

ocr page 274

270

•den grond daarvan zoeken in het vrijmachtig welbehagen Gods, waarin hen uit loutere genade en met de koorden zijner liefde heeft opgezocht. Zij mogen dan ook niet aan de zaligheid van andere menschen vertwyfelen ; steeds moeten zij bedenken, -dat zij, hoe ver zjj nu ook gevorderd mogen zijn, van nature waren als de anderen: kinderen des toorns en der ongerechtigheid. Waar zij, zonder eenige verdiensten hunnerzijds, eenig en alleen door Gods goedheid en barmhartigheid van hunne onge-loovigheid zijn verlost, daar mogen zij deze weldaad niet tot hunne eigene personen alleen beperken, maar ligt het voor de hand, dat deze zich evenzeer tot andere personen uitstrekt. Verre zij natuurljjk de gedachte van ons, als zou God den mensch zóó verblinden, dat diens ongeloovigheid aan Hem moet worden toegeschreven ; neen, naar zijn voorzienig bestel heeft Hij het alzoo bestuurd, dat de mensch niet anders dan van zijne eigene ongehoorzaamheid te beschuldigen is. Vrijwillig en moedwillig heeft de mensch Hem de gehoorzaamheid opgezegd, en is daardoor onder zijn gericht gekomen. Wil Hij dus dien mensch de zaligheid schenken, dan vloeit dit alleen voort uit zyjne genade; alle roem van \'s menschen zijde is hier dan ook ten eenenmale buitengesloten. Het is eene onverdiende zaligheid, waartoe de Heere God door loutere ontferming werd bewogen. „Uit genadequot; — zoo schrijft Paulus dan ook — „zijt gij zalig, geworden en dat niet uit u, het is Gods gave, niet uit de werken, opdat niemand roemen zoudequot;.

In de tweede plaats wil de apostel in dit Schriftwoord ■doen uitkomen, dat God in het uitdeelen zijner genade gansche-lyk vry staat, zoodat Hij zich ontfermt, wiens Hij wil. Hij handelt hierin naar zijn vrijmachtig welbehagen en bewijst genade, naardat het Hem goeddunkt.

ocr page 275

271

Als Paulus dus in Rom. 11 schrijft: „Want God heeft ze allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zoude barmhartig zynquot;, dan wil hij daarmede te kennen geven, dat allen, die tot de zaligheid geroepen worden, wie zij ook zijn mogen, zonder onderscheid van taal of natie, hunne zaligheid niet anders verkrijgen dan alleen op grond van Gods barmhartigheid.

Laat ons echter niet vergeten, dat het tegengestelde evenzeer waar is. Wordt God in het uitdeelen zijner genade door niets en niemand beperkt, en staat het Hem vrij, haar te verleenen aan wien Hij wil; evenzeer geldt dit met betrekking tot zijne oordeelen, die Hij zendt, naardat het Hem goeddunkt. Het •evangelie van Christus is wel eene kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft, en — gelijk wij elders lezen — een ieder, ■die gelooft, zal zalig worden ; maar gelijk de belofte gedaan is, om het menschelijk geslacht tot het geloof te brengen, zoo is er ook eene verschrikkelijke boodschap voor degenen, die hardnekkig in hunne ongehoorzaamheid voortgaan. Zij toch, die de aangebodene zaligheid moedwillig verwerpen, halen zich een schrikkelijk oordeel op den hals. Zij zullen niet alleen vallen in •het algemeene verderf, waarin het gansche geslacht der mensch-heid gedompeld ligt, maar zij zullen ook de gevolgen hunner •eigene ondankbaarheid dragen. Immers, zoo lezen wij in het 363te vers van Joh. 3: „Die in den Zoon gelooft, die heeft het •eeuwige leven ; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hemquot;.

ocr page 276

272

LXX VIL

„Eu Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en zijns koninkrijks zal geen einde zijnquot;.

Luc. 1 : 33.

„Daarna zal het einde zijn, wanneer hij het koninkrijk Gode en den Vader zal overgegeven hebbenquot;\'

1 Cor. 15 : 24a.

y

ANNEER wij de rollen der Profeten opslaan, dan zien

wij, hoe door hen op vele plaatsen voorzegd is, dat het koninkrijk van David eeuwig zou zijn. Gaan wij daarentegen de geschiedenis na, dan blijkt onsf dat het slechts gebloeid heeft ten tijde van David en zijn zoon Salomo. Onder Salomo\'s zoon toch had reeds de scheuring des rijks plaats; Rehabeam, de tweede koning na David, regeerde niet meer over de twaalf stammen; slechts die van Juda en Benjamin waren hem getrouw gebleven, terwgl de overige tien Jerobeam tot koning verkozen. De macht en rijkdom van David\'s rijk was dus zeer verminderd en na die scheuring is het steeds achteruit gegaan en aan allerlei gevaren onderworpen geweest, totdat het eindeiyk gevallen is.

Waar nu de engel in Lucas 1 zegt, dat, ,zijns koninkrijks geen einde zijn zalquot;, daar mogen wij niet uit het oog verliezen, dat hij spreekt tot Maria en het oog heeft op den zoon, die uit haar geboren zal worden. „Gij zult zjjhen naam Jezus heetenquot; — zoo zegt hy, en voegt er nog aan toe: „Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God de

ocr page 277

273

Heere zal hem den troon van zijnen vader David gevenquot;. Onmiddellijk hierop laat de engel de woorden onzer beschouwing volgen, waarin hij duidelijk doet uitkomen, dat dit koninkrijk eeuwig zal zijn, maar niet anders dan in den persoon van Jezus Christus. Hij zal dat koninkrijk bevestigen, zoodat daaraan geen einde komen zal. Nu moeten wij echter hierbij opmerken,] dat, hoewel God de Heere, een eeuwig Beschermer zal zijn van het koninkrijk zijns Zoons en er zorg voor dragen zal, dat dit nimmermeer vergaat, zoolang zon en maan er zijn zullen, deze ware eeuwigheid toch eigenlijk behoort tot de toekomende glorie en gelukzaligheid. De geloovigen volgen in voortdurende orde elkander hier op aarde op; dit duurt zoolang, totdat allen, wier namen in het boek des levens staan opgeteekend, zijn binnen-verzameld ; dan zal het einde zijn ; Christus zal dan de gemeente aan zijn Vader voorstellen als eene bruid zonder vlek en rimpel; het koninklijk zal Hij Gode zijnen Vader overgeven ; aan het koninkrijk zal geen einde zijn, want de geloovigen zullen met Hem „als koningen heerschen in alle eeuwigheidquot;.

Tegen den eeuwigen duur van dat koninkrijk schijnt te strijden, hetgeen wij lezen in 1 Oor. 15, t. w. dat de Zoon eenmaal, het koninkrijk Gode en den Vader zal overgevenquot; en dat „de Zoon zelf zal worden onderworpen Dien, die hem alle dingen onderworpen heeftquot;. Hoe zijn deze beide uitspraken met elkander te rijmen? Eerst wordt toch gezegd, dat het koninkrijk van Christus geen einde zal hebben, en daarna lezen wij, dat Christus zelf den Vader zal onderworpen worden.

Willen wij deze beide uitspraken met elkander in overeenstemming kunnen brengen, dan mogen wij niet vergeten, dat onzen Heere Jezus alle macht is gegeven in hemel en op aarde, ook gedurende de dagen zijns vleesches. Zulk eene majesteit

18

ocr page 278

274

en luister zou natuurlijk geenszins toekomen aan een bloot mensch, maar de Vader heeft Hem verheerlijkt in dezelfde natuur, waarin Hij vernederd was en heeft Hem — naar luid van Philippensen 2 — dan „ook uitermate verhoogd, en hem eenen naam gegeven, welke boven allen naam is; opdat in den naam van Jezus zich zoude buigen alle knie dergenen die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijnquot;. En voorts moge het onze aandacht niet ontgaan, dat de Heere Jezus slechts in dien zin als opperste Koning over de wereld moet worden aangemerkt, dat Hij de Plaatsbekleeder, de Stedehouder Gods is. Dit wil natuurlijk niet zeggen, dat al de arbeid op Hem aankomt en dat de Vader niets doets; immers, de Zoon is de Wijsheid en de Raad des Vaders, Hij is eenswezens met den Vader en evenals Deze waarachtig God. Neen, waar de Schrift ons leert, dat de regeering der wereld voor een tijd bij den Zoou, als Middelaar en Stedehouder Gods berust, daar geschiedt dit met geene andere bedoeling, dan dat wij al onze zinnen op Hem zetten en niet meenen, dat er buiten Hem sprake kan zijn van een anderen Beschermer en Rechter van levenden en dooden. Wij schrijven de regeering der wereld wel aan God den Vader toe, maar weten tevens, dat Hij haar ten uitvoer legt door zijn Zoon Jezus Christus, die waarachtig God en waarachtig mensch ia. Welnu, dkt koninkrijk, hetwelk de Vader Hem gegeven heeft, zal de Zoon, wanneer alle de uitverkorenen ten hemel ziin ingegaan, den Vader overgeven, .opdat God zij alles in allenquot; en wij Hem volkomen zullen aanhangen. Maar door dit koninkrijk zijnen Vader over te geven, zal de Zoon er geen afstand van doen ; van zijne menschheid zal Hij het op z\\]ne verheerlijkte Godheid overdragen. Dan zal de toegang, die nu nog door de zwakheid onzes vleesches ge-

ocr page 279

275

sloten is, voor ons open staan. God de Heere zal dan alles in allen zijn. Dan wordt het deksel weggenomen ; de mensch-heid van den Zoon zal dan niet meer, gelijk hier op aarde, tusschenbeide treden. Dan zullen wij niet meer door een spiegel in eene duistere rede zien, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht.

LXXVIII.

„Groet niemand op den wegquot;.

Luc. 10 : 46.

„Groet malkanderen met eenen heiligen kusquot;.

I Cor. 16 : 206.

IT bevel, om niemand op den weg te groeten, gaf Jezus aan ziine zeventig discipelen, die Hij aangesteld en voor zijn aangezicht henengezonden had, „als lammeren in het midden der wolvenquot;. Terwille van den spoed, waarmede zij hunne taak volvoeren moesten, had Jezus hun verboden, iets mede te nemen, wat hun hinderlijk ^ou kunnen zijn. Zij moesten „geenen buidel, noch male, noch schoenenquot; dragen en ook, om zoo min mogelijk opgehouden te worden, niemand, dien zij op hun weg tegenkwamen, .groeten.quot; Van een gelijkluidend bevel is ook sprake in 2 Kon. 4, waar de geschiedenis verhaald wordt van de Sunamietische vrouw, wier eenig kind zoo plotseling gestorven was. Die droeve tijding brengt zij tot .den man Godsquot;, die op den berg Carmel vertoeft. Elisa, dit hoorende, zendt aanstonds Gehazi, zijn knecht, naar het huis dezer vrouw, maar geeft hem, naar

ocr page 280

276

luid van vers 29, dit bevel mede: „Zoo gij iemand vindt, groet hem niet; en zoo u iemand groet, antwoordt hem nietquot;. Gehazi mocht zich door niets onderweg laten ophouden. Zoo ook niet die zeventig discipelen. Niets mocht oorzaak van onnoodig oponthoud zijn. Zoolang zij op reis waren, moesten zij op kosten van anderen leven. Met het eten eo drinken, dat hun voorgezet werd, moesten zij genosgen nemen, opdat zij geen tijd zouden zoek brengen met het koopen van levensbehoeften. Daarom luidt het bevel in vers 8: „En in wat stad gij zult ingaan, en zij u ontvangen, eet hetgene ulieden voorgezet wordtquot;.

De Heere wilde dus niet, dat zijne discipelen uit onbeleefdheid degenen, die zij op den weg ontmoetten, zonder groet zouden voorbijloopen, maar dat zij dit zouden doen met het oog op den spoed, die van hen geëischt werd. Te beter zullen wij dit verstaan, wanneer wij letten op de vele plichtplegingen, waarmede destijds het groeten gepaard ging en waarover wij vroeger reeds handelden.

Als Paulus in 1 Cor. 16 zegt; „Groet malkanderen met eenen heiligen kusquot;, dan doelt hij op het algemeene gebruik, dat destijds onder de Joden bestond, om elkander te groeten met een kus. Dat dit gebruik zeer algemeen was, blijkt duidelijk uit vele Schriftuurplaatsen, o. a. uit Rom. 16 : 16, 1 Cor. 16 : 20, 2 Cor, 13:12, 1 Thess. 5 ; 26. Ook bij de Grieken werd deze gewoonte van elkander met een kus te groeten, menigvuldig gevonden.

Paulus heeft hier echter het oog op dien kus, waarmede men gewoon was, elkander in de godsdienstige samenkomsten te ontmoeten. Het laat zich zeer gevoegelijk denken, dat ook ten tijde der apostelen de kus nog gegeven werd bij de bediening van het Heilig Avondmaal. Langzamerhand is het evenwel in onbruik geraakt bij zulke gelegenheden, „malkanderenquot;

ocr page 281

277

te kussen; later werd het bij verschillende volkeren eene gewoonte, dien kus te drukken op een „plateelquot;. Doch hoe dit ook zij, voldoende blijkt, dat de kus een teeken en getuigenis was van onderlinge liefde. En tot het beoefenen van zulk eene -onderlinge liefde wekt de apostel, aan het slot van bovengenoemde brieven, voortdurend op.

LXXIX.

„Doch geeft tot aalmoes hetgene daarin is, en ziet, alles is u reinquot;.

Luc. 11 ; 41.

„En al ware het, dat ik alle mijne goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, en had de liefde niet, zoo zoude het mij geene nuttigheid gevenquot;.

I Cor. 13 : 13.

^LS Jezus deze woorden sprak, welke ons door den evangelist Lucas worden medegedeeld, zat Hij aan in het huis van „een zeker Phameërquot;, welke Hem gebeden had, tot hem te komen, teneinde bij hem het middagmaal te gebruiken. Toen zij waren aangezeten, verwonderde zich de Pharizeër, dat de Heere „niet eerst, vóór het middag -maal, zich gewasschen hadquot;. Dit ontgaat den alwetenden Har-tekenner niet en Hij bestraft aanstonds dezen Pharizeeschen huichelaar, waar Hij tot hem zegt: „Nu, gij Pharizeën, gij reinigt het buitenste des drinkbekers en des schotels, maar het binnenste van u is vol van roof en boosheid. Gij onverstandi-gen, die het buitenste heeft gemaakt, heeft Hij ook niet het

ocr page 282

278

binnenste gemaakt?quot; Evenals altijd, wil de Heere dus ook nu weer de gedachten van het uiterlijke, van de ceremoniën, aftrekken, om ze te vestigen op het innerlijke, op de ware liefde. Dit moesten de Pharizeön, die zoo zeer aan het uiterlijke bleven hangen, goed in het oog houden, dat het niet het water is, hetwelk den mensch rein en zuiver maakt, maar dat gelet wordt op de gesteldheid des harten, zoodat het de vraag is, of daarin weldadigheid gevonden wordt. Nu moeten wij echter deze uitspraak des Heeren goed verstaan. Door deze woorden wil Hij de genade Gods niet verminderen en evenmin de ceremoniën als een onnut ding verwerpen. Neen, Hij spreekt hier tot dezulken, die in den grond der zaak niet anders doen, dan met God spotten, en bloot bij het uiterlijke, bij de teekenen, blij ven staan ; en daarom wil de Heere hier aantoonen, dat de spijzen niet geheiligd worden door uiterlijke wasschingen, maar wel door een wettig gebruik.

Eene andere vraag is dus, hoe wij de spijzen wettig gebruiken. Dit doen wij o. a. dan, wanneer wij ook denken aan onzen evenmensch, wanneer wij van onzen overvloed iets afzonderen, teneinde daarmede den nood der armen te lenigen. Het is derhalve veel beter, en wij zullen veel meer in den geest Gods handelen, indien wij naar ons vermogen de armen bedee-len, dan wanneer wij stipt en nauwgezet zijn in het wasschen onzer handen vóór het eten en aan de armen niet denken. Als de Heere nu zegt: „Doch geeft tot aalmoes hetgene daarin isquot;, en er dan aan toevoegt: „En ziet, alles is u reinquot;, dan wil Hij daarmede niet te kennen geven, dat er in onze aalmoezen eenige verdienste schuilt, waardoor wij van onze misdaden kunnen gereinigd worden. Over de wijze, waarop wij de vergeving onzer zonden kunnen deelachtig worden, spreekt de Heere hier gan-

ocr page 283

279

schelijk niet. Met deze zijne uitspraak heeft Hg thans geene andere bedoeling, dan duidelijk te doen uitkomen, dat het niet op het uitwendige, maar op het inwendige aankomt. Niet zij, die hunne handen wasschen vóór het eten, zonder zich over de armen te bekommeren ; maar zij, die van hun overvloed mede-deelen, gebruiken hunne spijzen wettig.

Hoe kan Paulus nu zeggen, dat het hem toch geene nuttigheid zou geven, al was het zelfs, dat hij alle zijne goederen tot onderhoud der armen uitdeelde ? Zoo kan de apostel spreken, omdat hij er aan toevoegt: „En de liefde niet hadquot;. Onder deze beperkende bepaling, zonder die liefde, zou het uitdee-len zijner goederen hem inderdaad geene nuttigheid opleveren. Maar nu wel; nu deelt hij mede uit liefde; en wanneer de aalmoezen geschonken worden in den geest der liefde, dan zijn ze aangenaam in de oogen des Heeren. De liefde maakt de aalmoezen rein. Er worden zoo menigmaal aalmoezen uitgereikt, die niet uit liefde worden geschonken, maar waarin eene ganach andere drijfveer werkt. Zoo dikwerf vloeien zij voort uit eergierigheid en geschieden zij met geene andere bedoeling, dan om van de menschen geëerd en geprezen te worden. Zoo weinig wordt gevonden die echte milddadigheid, waardoor men geeft uit ware liefde tot zijn medemensch, met geen ander doel, dan om hem waarlijk in den nood ter hulpe te komen, en niet om van de menschen gezien te worden. Als men niet uit dat oogmerk gaf, al deelde men dan zelfs alle zijne goederen uit, zoo zou het niet de minste nuttigheid geven, aangezien de bron, waaruit deze milddadigheid opwelde, onzuiver was. Het komt dus op de gesteldheid des harten aan. Is die goed en zuiver, dan kunnen wij verzekerd zijn» een Gode welgevallig werk te verrichten ; dan kunnen wij staat

ocr page 284

280

maken op zijne zegeningen en gunstbewijzen. Hij heeft ons de armen in zijne plaats nagelaten en in zijn onfeilbaar Getuigenis er deze belofte aan toegevoegd: „Die zich des armen ontfermt, leent den Heere; en Hij zal hem zijne weldaad vergeldenquot;. Is de bron, waaruit het geven opwelt, echter onzuiver, al dragen wij dan lof en roem weg van vele menschen, dan zal het ons toch geene nuttigheid opleveren, omdat onze gaven niet aangenaam zullen zijn in de oogen van Hem, die harten kent en nieren proeft, voor Wien niets verborgen is, en die dus ook de drijfveeren kent, welke ons tot geven geleid hebben.

LXXX.

„En er zeide een tot hem: Heere, zijn er ook weinigen, die zalig -worden ? En hij zeide tot hen: Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen (zeg ik u) zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnenquot;.

Luc. 13 : 23, 24.

„Want dat is goed en aangenaam voor God onzen Zaligmaker, welke wil, dat alle menschen zalig worden, en tot kennis der waarheid komenquot;.

1 Tim. 2 : 3, 4. .

heid.

AAR, naar het woord van den apostel Paulus in Rom, 1 : 16, het evangelie „eene kracht Gods tot zaligheid is een iegelijk, die gelooftquot;, daar staat het vast en zeker, dat allen, wien het evangelie aangeboden wordt, geroepen worden tot de hope der eeuwige gelukzalig-Maar gelijkerwijs de roeping een bewijs is van de ver-

ocr page 285

281

borgene verkiezing, alzoo laat de Heere ook hen tot het bezit ■der eeuwige zaligheid toe, wien Hij zijn evangelie deelachtig maakt; immers, het evangelie verklaart ons de gerechtigheid Gods, welke •een vaste ingang is in het eeuwige leven.

Hoe is dit nu te rijmen, dat niet alle menschen zalig worden, terwijl het juist Gods wil is, „dat alle menschen zalig worden en tot de kennis der waarheid komenquot; ? Is er dan iemand, die den wil van God kan wederstaan, dien wil, ■ die niet alleen heilig, wijs en goed, maar ook waarachtig is?

Inderdaad, ziende op deze beide uitspraken, zouden wij kunnen meenen, dat Gods Woord hier met zichzelven in lijnrechte tegenspraak is ! Het is evenwel weer niets dan schijn ! De overeenstemming is zeer gemakkelijk te vinden, als wij slechts bedenken, dat Paulus hier niet het oog heeft op een ieder mensch in het bijzonder, maar op den mensch in het algemeen, van wat staat of conditie hij ook zijn moge. Maar al ware dit niet zoo, dan was de oplossing van deze zwarigheid nog niet moeilijk. Immers, wanneer men over den wil van God oordeelen zal, dan moet men niet letten op zijne heimelijke en verborgene uitingen ; maar waar Hij ons dezen door teekenen en een uitwendig getuigenis openbaart, daar kan men op dien grond besluiten, wat Hy van een ieder mensch gedaan wil hebben. Maar dit zou ons thans te ver voeren en dient ook niet tot verklaring van de uitspraak, die wij thans overwegen. Wij volstaan derhalve met de opmerking, dat Paulus hier aantoonen wil, dat er in de wereld geen staat of conditie gevonden wordt, die bij machte is, den mensch uit te sluiten van de zaligheid en het eeuwige leven; aangezien het „voor God onzen Zaligmaker goed en aangenaam is, dat alle menschen tot de kennis der waarheid komenquot;, waarom Hij ook allen het

ocr page 286

evangelie laat aanbieden. Houden wij in het oog, dat de verkondiging des evangeliuma levendig maakt, omdat zij ons de gerechtigheid Gods openbaart, welke, gelijk wij boven zeiden, een vaste ingang is in het eeuwige leven, dan zal ons het woord van Paulus niet bevreemden, waar hij zegt, dat God wil, dat alle menschen tot de zaligheid komen, omdat hij er bijvoegt, dat het eveneens de wil van God is, dat alle menschen tot de kennis der waarheid komen. Gelijk wij eveneens reeds opmerkten, mogen wij niet voorbijzien, want hierop valt al de nadruk, dat Paulus niet spreekt over den mensch in het bijzonder, maar over de menschen in het algemeen. Dit blijkt duidelijk uit den aanhef van dit hoofdstuk, waarin de apostel zegt: „ Ik vermaan dan vóór alle dingen, dat gedaan worden smeekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen voor alle menschenquot;. En als hij in het volgende vers tot bijzondere personen overgaat en spreekt van „koningen en allen, die in hoogheid zijnquot;, dan heeft hij niet het oog op die bepaalde koningen, die toen ter tijd regeerden, maar op de vorsten in het algemeen. Daarenboven, de apostel beschouwt hen niet uit het oogpunt van hetgeen zij werkelijk zijn, maar stelt hen zich voor, gelijk God wilde, dat zij zijn zouden. Waar wij met betrekking tot de zaligheid belijden: genade, genade en geen recht; waar wy het apostolische woord uit Epheze 2 onderschrijven : „Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roemequot;, daar belijden wij ook, dat het niemand anders dan God zelf is, die deze genade in onze harten moet uitstorten. Hij, die ons door zijne genade uit de duisternis trekken wil, is dezelfde, die ons ook over wil brengen tot zijn wonderbaar licht. Alles, wat de mensch tot zijne zaligheid van noode heeft, wordt in hem gewerkt door één en denzelfden God, den

ocr page 287

283

Vader van onzen Heere Jezus Christus, die door de krachtige werking van z\\jn Heiligen Geest onze harten vervullen kan met dien waren vrede, die alle verstand te boven gaat.

Maar hoevelen zijn er, helaas! die door de ondankbaarheid des harten, waarin zij blijven voortleven, zich de zaligheid onwaardig maken! Zij hebben het zichzelven te wijten, dat zij in hun goddeloos en ondankbaar leven blijven voortgaan! Kon God meer doen, dan Hij met het oog op de zaligheid van zondaren gedaan heeft? Komt niet als van zelve dat profetische woord voor onze aandacht: „Nu dan, gij inwoners van Jeruzalem, en gij mannen van Juda, oordeelt toch tusschen Mij en tusschen mijnen wijngaard. Wat is er meer te doen aan mijnen wijngaard, hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb ? Waarom heb Ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zoude, en hij heeft stinkende druiven voortgebracht?quot; Neen, geen offer is Hem te zwaar geweest; den eenigen Zoon zijner eeuwige liefde heeft Hy daartoe tot in den dood overgegeven ! En ziet, toch zijn er velen, die deze genade Gods stout en vermetel van zich werpen, die in hoogheid des harten uitroepen: „Wijk van ons, want aan de kennis uwer wegen hebben wij geen lustquot; ; zij wandelen liever naar het goeddunken van hunne eigene harten ; zij kennen geene hoogere vreugde dan zelf heer en meester te zijn, en willen niet, dat Hij koning over hen zijn zal. Betaamt het dan der gerechtigheid Gods niet, dat zij, die Hem niet willen kennen en erkennen als hun Heiland en Zaligmaker, Hem aanschouwen zullen als een gestreng en rechtvaardig Rechter? Zyne barmhartigheden zoowel als zijne roerende lankmoedigheid, waarmede Hij zondaars tot bekeering roept, zijn groot, maar zouden deze zijne rechtvaardigheid te niete doen ? Dat zij verre !

En wanneer men nu het klein getal der uitverkorenen

ocr page 288

284

•en geloovigen vergelijkt met het groote aantal dergenen, die Hem niet als hun Heiland en Zaligmaker willen aannemen, dan voorzeker springt de waarheid van het woord uit Lucas 13 in het oog : „Weinigen zijn er, die zalig wordenquot;. Hoevele Mohammedanen zijn er op deze aarde ! Hoe aanzienlijk is het getal der Joden! En dan — zijn het alle Christenen, die Christenen genoemd wor den? Of, wordt niet het bedroevende verschiinselwaargenomen, dat er onder de belijders van den Christus Gods zoovele huichelaars en mondbelijders gevonden worden ?quot; Zal het niet zóó zijn, dat, wanneer de Heere komt met de wan in zijne hand, om den dorsch-vloer te doorzuiveren, er veel kaf onder het koren zal zijn ?

Na al hetgene wij met betrekking tot deze beide uitspra-Teen gezegd hebben, mogen wij dan nu ook gerustelijk besluiten, dat hierin niet de minste tegenstrijdigheid gevonden wordt. Immers, God wil, dat alle menschen zalig worden, d. w. z. Hij sluit van zijne zijde, niemand buiten, waar de woorden des eeuwigen levens tot allen mogen gebracht worden; alle dorsti gen worden door Hem geroepen en alle vermoeiden noodigt Hij, tot Hem te komen, belovende hun ruste te zullen schenken. Maar het is de mensch, die van zijne zijde doet, alsof die noodi-ging niet tot hem kwam. Door de verharding des harten en de verblinding der oogen grijpen velen de aangebodene hand, die hen op den weg der zaligheid leiden wil, niet aan. In steê van Hem te volgen, die met geen ander doel op aarde gekomen is, dan juist om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was, kee-ren zij Hem den rug toe en wandelen liever naar de aanschouwing hunner eigene oogen. Met woorden en daden spreken zij het duidelijk uit, dat zij niet van doen willen hebben met God en zijn dienst; zij versmaden zijne barmhartigheid en goedheid, :zijne genade en zijn heil.

ocr page 289

285

LXXXI.

„En Jezus zeide : Vader vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doenquot;.

Luc. 23 : 34a.

„Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen,, die Gij mij gegeven hebt, want zij zijn uwequot;.

Joh. 17 : 96.

IT Matth. 5 : 44 weten wij, hoe het Goddelijke bevel tot ons komt; „Hebt uwe vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken ; doet wel degenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgenquot;. De Heere Jezus heeft ons dat bevel niet alleen gegeven, maar in de naleving daarvan is Hij zelf ons ten voorbeeld geweest. Hangende aan het vervloekte hout des kruises, heeft Hij tot zijn Vader gebeden voor hen, die Hem niet anders dan smaadheid en hoon hadden aangedaan. In plaats van Gods wrake over zijne vervolgers in te roepen, heeft Hij gebeden voor hen, die Hem valschelijk beschuldigd, zwaar gepijnigd en zonder oorzaak ter dood overgegeven hadden. Inderdaad, het is geene kleine zaak, onrechtvaardig tallooze smaadheden te moeten lijden, voortdurend op de laagste wijze gelasterd en gehoond te worden en niettemin den toorn geen enkel oogenblik plaats te geven, of zich ook maar in het minste te wreken, en dat nog wel, waar Hij bloot met den adem zijner lippen alle zijne vijanden van den aardbodem had kunnen verdelgen. Ja, het zegt veel, van Hem,, die geene zonde gedaan heeft en in wiens mond geen bedrog gevonden werd, in 1 Petri 2 het volgende getuigenis te lezen „Die, als hij gescholden werd, niet wederschold, en als hü leed,

ocr page 290

286

niet dreigde, maar gaf het over aan Dien, die rechtvaardiglyk oordeeltquot;; maar veel meer zegt het nog. Hem in de bangste ure zijns lljdens te hooren bidden : „Vader, vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doenquot;. In deze bede, die Hy met luider stemme riep van het hout des kruises, straalt zijne Goddelijke heerlijkheid in nog schitterender glans uit. Trouwens, niet alleen dat de Heiland zelf dit deed, maar Hij gebiedt het ook als een algemeenen regel, waar Hij, bij monde van zyn knecht Paulus, zegt: „Ik vermaan dan vóór alle dingen, dat gedaan worden smeekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen van

alle menschenquot;.

*

Onze Heere Jezus, die aan het kruis wèl voor zijne vijanden bad, schijnt dus met zichzelven in tegenspraak te zijn, als Hij in Joh. 17 zegt: „Ik bid niet voor de wereldquot;. Eveneens schijnt het ongerijmd, eenerzljds het bevel te lezen, dat wij de wrake aan God moeten overlaten, en andererzijds door het voorbeeld van „den lijdenden Knecht des Heerenquot; te worden opgewekt, voor onze vijanden te hidden.

Om deze zwarigheid op te lossen, moeten wij het volgende in het oog houden.

Hoewel wij vermaand worden, onze gebeden uit te storten voor alle menschen, toch komên zij slechts ten goede van de geloovigen, van de uitverkorenen Gods. Maar omdat wy niet weten, wie daartoe behooren, en wij niet bij machte zijn, het kaf van het koren te onderscheiden, moeten wij gebeden en smeekingen opzenden voor den welstand en de zaligheid van alle menschen. Wanneer wij evenwel bidden om de uitbreiding van Gods koninkrijk en de zaligheid van onzen medemensch, dan vragen wü tevens, of de Heere het ryk van den vorst der duisternis verstoren en zyne werken verbreken wil. Wy, menschen, kunnen

ocr page 291

287

slechts aanzien, wat voor oogen is, en moeten daarom bidden voor allen, die met ons „uit éénen bloedequot; gemaakt en „naar het beeld van Godquot; geschapen zijn, het oordeel overlatend aan Hem, die harten kent en nieren proeft en weet, voor wie het evangelie is „eene reuke des doods ten doodequot;. Waar echter ,de Opgang uit de hoogte, door de innerlijke bewegingen der barmhartigheidquot; bewogen, den Vader voor zijne vervolgers om •vergiffenis bad, daar verhinderde Hem dit niet, te berusten in het rechtvaardig oordeel Gods, wetende, dat dienovereenkomstig Gods wrake komen zou over allen, die verworpen waren. Ziende, dat de krijgsknechten, zoowel als het Joodsche volk, in razende woede tegen Hem ontstoken waren, heeft Hij toch, hoewel ze te dezen opzichte niet te verontschuldigen waren uit kracht van onwetendheid, medelijden met hen gehad en voor hen gebeden ; maar wetende, dat God de hardnekkigen en verworpenen rechtvaardiglgk straffen zou, heeft HU tevens het oordeel overgegeven aan Hem, wien het rechtvaardig toekomt. En ook hierin is Hij ons tot een voorbeeld geweest, opdat wij zijne voetstappen zouden drukken. Ook wij moeten, wanneer smaad en hoon ons deel zijn, en wij ter wille van onze vijanden verdrukkingen lijden of in wegen van tegenspoed wandelen, onzen toorn matigen ja, zelfs voor hen bidden, er niet aan twijfelend, of God de Heere zal zijne bewarende en beschermend» hand over ons uitstrekken, zoodat zij ons wel kunnen lasteren en smaadheid aandoen, maar niet bij machte zijn, ons ganschelijk te vernietigen. Steunende op deze vertroosting, zullen wij met David verze. kerd zijn, dat God de vijanden zal doen „nederdalen in den put des verderfsquot;; dat „de mannen des bloeds en des bedrogs hunne dagen niet ter helfte brengen zullenquot;, maar ook, dat de Heere „in eeuwigheid niet toelaten zal, dat de rechtvaardige wankelequot;, (zie Psalm 55).

ocr page 292

288

Maar juist omdat de Heere Jezus God en mensch in één persoon was, zag Hij niet — gelijk de mensch — slechts aan,, wat voor oogen was. Hij kon zeggen: „Ik bid niet voor de wereldquot;, want Hij was doorgedrongen in de schatkameren des hemels en ingewijd in de verborgenheden Gods, zoodat Hij wistr wie tot de hardnekkigen en verworpenen behoorden. En dat is met ons niet het geval. Zoolang wij hier op aarde zijn, leven wij door geloof en niet door aanschouwen en geldt voor ons het woord: „De verborgene diagen zijn voor den Heere onzen God en de geopenbaaarde voor ons en onze kinderenquot;.

LXXXII.

„Hij was het licht niet, maar was gezonden, opdat hij van het licht getuigen zoudequot;.

JOH. 1 : 8.

„Hij was eene brandende en lichtende kaars; en gij hebt ulieden voor eenen korten tijd in zijn licht willen verheugenquot;.

Joh. Ö : 35.

^ELIJK wij uit het verband kunnen nagaan, is in deze beide Schriftuurplaatsen sprake van Johannes den Dooper. Waar nu in het eerste hoofdstuk van dit evangelie met betrekking tot Johannes getuigd wordt: „Hij was het licht nietquot;, daar wordt hij vergeleken met Hem, die na hem komen zou, wiens voorlooper hij was.. Deze, n.1. het Woord, dat vleesóh geworden is, „was het waarachtige licht, hetwelk verlicht een iegelijk mensch, komende in

ocr page 293

289

de wereldquot;. Met Hem vergeleken, moet dus van Johannes gezegd worden, dat hü het licht niet was, maar slechts gezonden, „opdat hij van het licht getuigen zoudequot;. Jezus Christus alleen is het waarachtige licht. Dat licht ontleende Hij niet aan anderen, maar had het van eeuwigheid en van zichzelven, en de verwarmende en levenwekkende stralen van dat licht zendt Hij neer in de harten van allen, „die in zijnen naam geloovenquot;. Iets van den glans van dit licht wordt echter door ieder mensch waargenomen, waarom dan ook van dit licht getuigd wordt, dat het, .komende in de wereld, een iegelijk menschquot; verlicht. Dit komt daar vandaan, omdat de mensch, in onderscheiding van de dieren, door God met rede en verstand begaafd is. De mensch kent het onderscheid tusschen goed en kwaad door de wet der natuur, die hy in zijne leden draagt, gelyk dat door Paulus in Rom 2 uitvoerig betoogd wordt. Geen mensch leeft er, tot wien niet eenig gevoel van dat groote en eeuwige licht gekomen is Dit kan natuurlijk noch van Johannes den Dooper, noch van iemand anders getuigd \'worden. Opdat de glans, die van hem uitstraalde, het licht van den Zone Gods niet verduisteren zou, wordt hier nadrukkelijk gezegd, dat hy het licht niet was. Dat dit met zooveel nadruk op den voorgrond wordt gesteld, vindt zijne oorzaak daarin, dat sommigen zoozeer den blik op Johannes richtten, dat zij aan den Heere Jezus niet dachten; zg vestigden al hunne aandacht op die kleine ster, zonder te letten op de groote Zon, waaraan ook Johannes zgn licht ontleende.

Hoe waar echter dit alles is, nochtans is de andere uitspraak hiermede niet in strijd, waarin met betrekking tot Johannes den Dooper gezegd wordt, dat hg eene brandende en lichtende kaars was. Immers, dat kan van alle geloovigen en voornamelijk van de Dienaren des Woords gezegd worden. Aaa

19

ocr page 294

290

de „geloovigen in Christus Jezus, die te Epheze zijnquot;, schrijft de apostel: „Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere ; wandelt als kinderen des lichtsquot;. En in Matth. 5 : 14 zegt Jezus tot zijne discipelen: .Gij zijt het licht der wereldquot;. Dat de geloovigen zoo genoemd worden, komt, omdat zij door den Heiligen Geest verlicht zijn, die hun gegeven heeft „verlichte oogen des verstandsquot;, en dat niet alleen voor zichzelven, maar ook om anderen te leiden op den weg der zaligheid. Door den dienst zijner apostelen heeft het den Heere behaagd, het licht des evangeliums naar buiten uit te dragen en de duisternis te verdrijven. Zij hebben het licht op den kandelaar geplaatst en het onder de menschen doen schijnen, om, als een middel in Gods hand, velen uit de duisternis te trekken en over te brengen tot het wonderbaar licht van den Zone Gods. Zjj inzonderheid hebben dus recht op den eerenaam „het licht der wereldquot;. Waar alle menschen van nature blind zijn, daar heeft het Gode behaagd, in die duisternis licht te ontsteken door zijn dierbaar en eeuwigblijvend Getuigenis, dat Hij zijne dienaren van zijnentwege brengen laat. En waar dit nu van lederen getrouwen dienstknecht geldt, hoeveel te meer mag,het dan van Johannes den Dooper gezegd worden. Hij was inderdaad „eene brandende en lichtende kaarsquot;, want door zijn dienst heeft God zijne kerk veel heerlijker verlicht dan door dien van de Leeraars des Ouden Testaments, die slechts uit de verte konden wiizen op Hem, die liet waarachtige licht zijn zou.

ocr page 295

291

LXXXIII.

„Niemand heeft ooit God gezien; de eeniggeboren Zoon, die in den schootdes Vaders is, die heeft Hem ons verklaardquot;.

Joh. 1 : 18.

„En overmits gij kinderen zijt, zoo heeft God den Geest zyns Zoons uitgezonden in uwe harten, die roept: Abba, Vader!quot;

Gal. 4 : 6.

\'ET is niet alleen in het Evangelie naar Johannes, dat onze Heere Jezus gezegd wordt, de eeniggeboren Zoon des Vaders te zijn, op zeer vele plaatsen in de Heilige Schrift wordt hetzelfde getuigd. En in de twaalf artikelen van ons algemeen, ongetwijfeld Christelijk geloof belijden wij, te gelooven in Jezus Christus, den eeniggeboren Zoon van God.

Op vele andere plaatsen in Gods Woord worden evenwel allen, die door Gods Geest verlicht en wedergeboren zijn, kinderen Gods genoemd.

Hier schijnt dus eenige ongerijmdheid te schuilen ; eener-zijds wordt verklaard, dat er maar één Zone Gods is, terwijl andererzij ds even sterk wordt uitgesproken, dat er refó kinderen ■Gods zijn.

Het is echter zeer eenvoudig, dit bezwaar uit den weg te ruimen. Wanneer wij slechts letten op het verschil, dat er bestaat tusschen een eigen en een aangenomen kind, dan gevoelen wij aanstonds, dat er niets ongerijmds in ligt, onzen Heere Jezus Christus Gods eenigen Zoon te noemen en tevens alle

ocr page 296

292

geloovigen als kinderen Gods aan te merken. Hij alleen is de\' natuurlijke, de eigen Zoon van God en om Hem te onderscheiden van alle anderen, die dit niet zijo, wordt Hij „de eenigge-boren Zoonquot; genoemd. En al is het ook, dat God den mensch die eere wil aandoen, dat Hij allen, die door zijn Geest verlicht en wedergeboren zijn tot een nieuw leven, zijne kinderen noemt,, omdat Hy ze als zoodanig heeft aangenomen, toch schrijft Hij alleen onzen Heere Jezus Christus den naam toe van eenigen en eigen Zoon. Hoe zou Hij te midden van de gansche menigte der „broederenquot; de eigenlijke en eenige Zoon van God kunnen zijn, indien Hij het niet van nature ware ? Neen, Hij is de eenige, die van eeuwigheid was „in den schoot des Vadersquot;; de eenige, van wien de Vader verklaren kon; „Gij zijt mijn Zoon,, heden heb Ik u gegenereerdquot;. En dat niet alleen naar zijne Goddelijke natuur, neen, ook toen Hij met het kleed der mensch-heid omhangen was, toen Hij zijne heerlijkheid voor eene wijle tyd» had afgelegd, om de gestaltenis van een dienstknecht aan t» nemen, toen Hy in alles — uitgenomen de zonde — zijnen broederen gelijk geworden was, ook toen werd van den hemel de?e stem gehoord: „Deze is mijn geliefde Zoon, in denwelken Ik mün welbehagen hebquot;. Dit is bij de geloovigen gansch anders. Dat zjj met den eerenaam van „kinderen Godsquot; verwaardigd worden, hebben zij eenig en alleen dank te weten aan de genade Gods, geopenbaard ia Christus Jezus. Zij zijn het niet van nature, niet door afkomst en geboorte, maar uit loutere genade en vrye ontferming heeft er „eene aanneming tot kinderenquot; plaats. Ook op natuurlijk gebied komt zulk eene aanneming tot kinderen menigmaal voor. Dikwerf wordt door menschen (in de meeste gevallen, als zy zelve zonder kinderen zijn) een kind van een ander in huis genomen. Dit is en wordt natuurlijk

ocr page 297

293

nooit hun eigen kind, zij zijn er in de volle en r^jke beteekenia van het woord niet de vader en moeder van; zij hebben dat kind slechts aangenomen. Eenmaal echter in het huisgezin ■opgenomen, deelt dat kind in al de rechten en is onderworpen aan al de plichten, die het hoofd des huizes voor zijn gezin stelt. Hij handelt nu met dat kind, alsof het zijn natuurlijke zoon of dochter ware. Zoo ook is het met de geloovigen. Zij, die eertijds verre waren, zijn door het bloed van Christus nabij geworden. Omkleed met den mantel van Christus\' gerechtigheid, zyn de geloovigen voor God gerechtvaardigd ; nu kunnen zij in •Gods gerichte bestaan, ja, staan daar zelfs, als hadden zii nooit zonde gehad of gedaan. Door Christus verzoend met een vertoornd Rechter, mogen zü God weer beschouwen als een liefdevollen Vader en deze ziet hen niet meer aan als vreemdelingen, maar als „geliefde kinderenquot;, als leden van het hemelsche huisgezin, toegelaten tot Gods Vaderlijke gunst en gemeenschap. De band, die hen aan den Vader bindt, is de Heilige Geest, ,want zoovelen, als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Godsquot;, zoo schrijft Paulus in Rom. 8 : 14, en dan laat hij er onmiddellijk op volgen : „Want gij hebt niet ontvangen ■den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreeze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door welken wij roepen : Abba, Vader. Diezelfde Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijnquot;.

De eere van de natuurlijke Zoon Gods te zijn, komt ■dus alleen toe aan onzen Heere Jezus Christus; de geloovige is een kind van God geworden door aanneming. Deze aanneming geschiedt uit genade door Jezus Christus, door denwelken ■wij tot het erfdeel geroepen zijn, om erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus te worden, gelijk Paulus dat in het

ocr page 298

294

17® vers uitdrukt, als hij schrijft: „Indien wij kinderen zijn,-zoo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christusquot;.

Door de volkomene offerande van dien eenigen en natuurlijken Zoon van God is het mogelijk geworden, dat schepselen, die in hun verbondshoofd Adam zoo snood van hun Schepper zijn afgevallen, en die steeds hun zondelast zoo ontzettend vermeerderen, tot kinderen Gods kunnen worden aangenomen. Die weldaad hebben zij eenig en alleen dank te weten aan Hem, die genoemd wordt „de eerstgeborene aller broederenquot;.

LXXXIV.

„En niemand is opgevaren in den hemel, dan die uit den hemel wedergekomen is, namelijk de Zoon des menschen, die in den hemel isquot;.

JOH. 3 : 13.

„Vader, ik wil, dat waar ik ben, ook die bij mij zijn, die Gij mij gegeven hebt, opdat zij mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij mij gegeven hebt, want Gij hebt mij liefgehad vóór de grondlegging der wereldquot;.

Joh. 17 : 24.

\'LLE degenen, die meenen door de scherpzinnigheid van hun eigen verstand ten hemel op te klimmen, m, a. w. alle degenen, die van de gedachte uitgaan, met hun eigen vernuft de verborgenheden Gods te kunnen doorgronden en met geestelijk verstand te zullen worden verlicht, bedriegen zichzelven schromelijk. Paulus verklaart dat

ocr page 299

295

met zooveel nadruk, als hij in zijn eersten Corintherbrief schrijft: „De natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden wordenquot;. Door de zonde is de mensch verduisterd in zijn verstand. Toegerust met eene ware kennis omtrent God en Goddelijke zaken, stond de mensch in den morgenstond der schepping op een hoog standpunt, maar sinds die ure, dat hij aan God gelijk wilde zijn, is die kennis van hem geweken.

In Joh. 3 verklaart de Heere Jezus, dat Hvj alleen ten hemel is opgevaren ; want het woordje „niemandquot;, waarmede Hij dit zijn gezegde aanvangt, geeft zoo beslist mogelijk te kennen, dat de toegang daarheen voor ieder ander gesloten is. Het is ter vernedering van den mensch, als de Heere Jezus zegt, dat de toegang tot het koninkrijk der hemelen voor alle menschen gesloten is. Hetzelfde beoogt de apostel Paulus, als hij in 1 Cor. 3 zegt, dat wij dwaas moeten worden in onszelven, zoo wij wijs willen zijn bij God. Nu is er niets, wat de mensch zoo ongaarne doet; hij meent juist in zichzelven te hebben, wat noodig is, om tot God te komen. De ervaring leert hem echter, dat, indien hij tot God wil komen, hij op alles, wat van hem zei ven is, den dood moet schrij ven; hij moet geheel van zichzelven afzien en het in alles ganschelijk en alleen op den Heere werpen. En nu is dat juist zulk een onschatbare troost voor den geloovige, dat die toegang tot den hemel, welke voor allen gesloten is, open staat voor Hem, die de eenige weg is, langs welken wij kunnen zalig worden. Was ook Hem de toegang tot den hemel ontzegd, dan was het gansche menschelijke geslacht reddeloos verloren geweest, want juist in den Zoon zijner liefde heeft God voor den gevallen mensch den weg ontsloten, die hem weer

ocr page 300

296

voeren kon naar den hemel. Hij is dan ook niet voor zich-zelven ten hemel opgeklommen ; neen, daar was zijne plaats van vóór de grondlegging der wereld, dat was zijn troon reeds van eeuwigheid. Juist voor den gevallen mensch heeft Hij die plaats der heerlijkheid verlaten en is op aarde gekomen, om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was. Hij is de groote Hoogepriester, „die door de hemelen doorgegaan isquot;, en die .geheiligd zijnde, allen, die hem gehoorzaam zijn, eene oorzaak der eeuwige zaligheid geworden isquot;. Immers, „met ééne offerande heelt hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd wordenquot; en is alzoo geworden „de overste Leidsman en Voleinder des geloofsquot;. Om duidelijk te doen uitkomen, dat Hij dit alles niet voor zichzelven van noode had, maar dat die gansche vernedering geschiedde ten behoeve van de kinderen der menschen, wordt Hij dan ook „de Zoon des menschenquot; genoemd. Ons vleesch en bloed heeft Hy aangenomen, en dat om geene andere oorzaak, dan dat wij het deelgenootschap aan alle zijne goederen verwerven zouden. Hij alleen kende en wist de verborgenheden des quot;Vaders en hetgene wij weten met betrekking tot God en Goddelijke zaken, hebben wjj Hem te danken; zonder Hem zouden wij omdwalen in een stikdonkeren nacht van onwetendheid.

Houden wij dit goed in het oog, dan zal de verklaring van hetgene de Heere Jezus in Joh. 17 zegt ons niet zwaar vallen. Daar toch eischt de Zone Gods, dat, waar Hij is, ook zij zijn, die zijn Vader Hem gegeven heeft. Hier hebben wij te doen met eene wilsuiting, die Hij zoo krachtig mogelük te kennen geeft. Dat was zijn eisch, dat wilde Hg. En Hy kon zoo spreken uit kracht van het recht, dat Hij op de geloovigen heeft. Aan den eisch, door zijn Vader gesteld, n.1 de zaligheid voorde

ocr page 301

297

zijnen te verwerven, heeft Hy volkomen voldaan. De gansche losprijs is door Hem tot den laatsten penning betaald ; naar waarheid kan Hij getuigen: „Ik heb u verheerlijkt op de aarde; ik heb voleindigd het werk, dat Gij mij gegeven hebt om te doen; ik heb uwen naam geopenbaard den menschen, die Gij mij uit de wereld gegeven hebt, zij waren uwe en Gij hebt ze mij gegevenquot;. Uit kracht van dat eigendomsrecht kon Hij eischen: „Vader, ik wil, dat, waar ik ben, ook die bij my zijn, die Gij mij gegeven hebtquot;.

Het is volkomen waar, dat Hij, naar luid van zijn eigen woord, bij ons zijn zal tot aan het einde der wereld. Eveneens heeft Hij de belofte gedaan, ons reeds hier op aarde met zijne zalige tegenwoordigheid te willen verrijken, om haar ons eenmaal, in den hemel zijner heerlijkheid, ongestoord en volkomen te •doen smaken. Hier op aarde wordt die gelukzaligheid slechts onvolkomen en bij tusschenpoozen gesmaakt; hier zijn het niet dan de voorsmaken des hemels. Zijn eisch is niet ten volle ingewilligd, zoolang de geloovigen niet daar zijn, waar Hij is. Vandaar dan ook, dat, als zij hier op aarde zijn raad hebben uitgediend, Hij ze tot zich neemt in eeuwige heerlijkheid, om hen in zijne luisterrijke glorie te doen deelen.

Toen zijne discipelen nog met Hem op aarde omwandelden, zagen zij wel iets van die heerlijkheid, die de Zone Gods had, maar het was slechts een kleine straal in vergelijking van de majesteit en den luister, waarmede Hij in zijn koninkrijk is omgeven. Tot die hemelsche glorie kan geen mensch komen dan door den Zone Gods; zonder Hem is het voor iederen mensch — hoe groot zijn vernuft, hoe scherpzinnig zijn verstand ook moge zyn ! — ten eenenmale onmogelijk zich te verheffen boven het stof dezer aarde en ten hemel op te klimmen.

ocr page 302

298

LXXXV.

„Na dezen kwam Jezus en zijne discipelen in het land van Judea en onthield zich aldaar met hen, en doopte.quot;

JOH. 3 : 22.

„Hoewel Jezus zelf niet doopte, maar zijne discipelenquot;.

Joh. 4 : 2.

E feene uitspraak kan hier dienen tot nadere verklaring van de andere. De evangelist begint het vierde hoofd* stuk van zijn evangelie met de mededeeling, „dat de Pharizeën gehoord hadden, dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannesquot;, en voegt er dan in het volgende vers, ter nadere verklaring in een tusschenzin aan toe, dat .Jezus zelf niet doopte, maar zijne discipelenquot;.

Zijne discipelen doopten en deze doop wordt genoemd: „de doop des Zoons Godsquot;, en dat met geen ander oogmerk, dan om duidelijk te doen uitkomen, dat de beteekenis van den doop niet afhangt van den persoon, die hem bedient; maar dat zijne kracht en waarde eenig en alleen gelegen is in Hem, die het bevel tot den doop gegeven heeft en in wiens naam hij toegediend wordt. Nu de Zone Gods van deze aarde heengegaan en ten hemel opgevaren is, kan het ons dus tot troost verstrekken, te weten,, dat de doop, door een dienaar in \'s Heeren naam bediend, evenveel kracht heeft, alsof de Heere Jezus zelf hem toediende.

Vraagt men nu, waarom heeft de Heere Jezus er zich dan van onthouden, in eigen persoon den doop toe te dienen, dan antwoorden wij, dat dit juist geschiedde om bovengenoemde.

ocr page 303

299

reden, n.1. dat niemand meenen zou, dat die doop alleen wettig-was, welke door Hem zelf bediend was. Als wij het uitwendig teeken van den doop door de hand eens dienaars ontvangen, dan moet dat ons zijn, als strekte Jezus zelf zijne hand van den hemel uit, teneinde ons de zichtbare teekenen van het verbond der genade te verzegelen.

Beide is dus waar: Jezus doopte wel en Hij doopte niet. Hij doopte wel, aangezien de doop, door zijne dienaren bediend,, in zyn naam en op zijn bevel geschiedde, en beschouwd moest worden als een doop, door Hemzelven toebediend. Hij doopte niet, omdat Hij het uitwendige teeken niet bediende, maar dit, door zijne dienaren doen liet.

ocr page 304

300

LXXXVI.

„Indien ik van myzelven getuig, mijn getuigenis is niet waarachtigquot;.

Joh. 5 : 31.

„Jezus antwoordde en zeide tot hen: Hoewel ik van mij zei ven getuig, zoo is nochtans mijn getuigenis waarachtigquot;.

Joh. 8 : 14a.

1LS de Heere Jezus in Joh. 5 zegt, dat zijn getuigenis niet waarachtig is, dan schijnt dit in lijnrechte tegenspraak te zijn met hetgeen wij lezen in Joh. 8, waar Hy verklaart, dat zijn getuigenis wel waarachtig is.

Toch is dit zoo niet, wat ons duidelijk blijken zal, wanneer wij slechts het verband nagaan, waarin deze beide uitspraken voorkomen.

Verre is het er vandaan, dat de Heere Jezus het wil doen voorkomen, als zou zijne getuigenis niet voldoende zijn voor ons geloof; dit zou inderdaad in strijd zijn met die vele uitspraken, waarin Hij zijn getuigenis een vasten en zekeren grond voor ons geloof noemt. Neen, de Heiland plaatst zich hier op het standpunt van zyne vijanden; indien Hij van zichzelven getuigt, •dan is voor hen zijn getuigenis toch niet waarachtig. Daarom laat Hij er dan ook op volgen: „Er is een ander, die van mij ; getuigt, en ik weet, dat het getuigenis, hetwelk hij van mij getuigt, waarachtig is.quot; Zijne vijanden hielden het er voor, dat zijn getuigenis van geene waarde was. In vele gevallen is het ook zoo, dat het getuigenis, hetwelk iemand van zichzelven geeft, niet in alle deelen en volkomen waarheid bevat. Al is

ocr page 305

301

iemand waarheidlievend, toch treedt het eigen ik menigmaal\' te veel op den voorgrond en doet hem een onjuiaten maatstaf aanleggen ter beoordeeling van zijne handelingen. Wat echter van den mensch getuigd moet worden, geldt niet van Hem, die de waarheid was en in wiens mond nooit leugen of bedrog gevonden werd. Hij kon van zichzelven een getuigenis geven, dat volkomen en in alle deelen waarachtig was. Hoewel. Hij dus niet onder dien algemeenen regel van de kinderen der menschen valt, toch doet Hij liever afstand van zijn recht,, teneinde door de macht Gods zijne tegensprekers des te beter te overwinnen.

Het getuigenis van onzen Heere Jezus Christus is, gelijk men dat noemt „authentiekquot;; het is geloofwaardig uit en van zichzelven en behoeft geene nadere bevestiging van eenig men-schenkind. Vandaar dan ook, dat Hij er in Joh. 8 : 14 verder op volgen laat: „Want ik weet, van waar ik gekomen ben, en waar ik henenga; maar gijlieden weet niet, van waar ik kom, en waar ik henengaquot;. Duidelijk doet Hij hier dus het onderscheid tusschen zichzelven en de kinderen der menschen uitkomen.

Nog eens zij het gezegd: Kan men het getuigenis van een mensch niet altijd vertrouwen, omdat zijn persoonlijk ik en zijne eigene belangen in de beoordeeling vaak eene groote rol spelen, dit vindt niet plaats bij den Heere Jezus, die, verre verheven boven deze wereld, niet onder het gewone getal der menschenkinderen mag gerekend worden. Zijn Vader heeft Hem een bijzonder privelegie geschonken, hetwelk daarin bestaat, dat Hü, alleen door de kracht van zijn Woord, alle menschen onder zijne gehoorzaamheid gevangen legt.

ocr page 306

302

LXXXVIL „Onderzoekt de Schriftenquot;.

Joh. 5 : 39a.

„Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijnquot;.

Joh. 6 : 45a.

N het voorgaande vers uit Joh. 6 heeft de Heere Jezus gezegd: „Niemand kan tot mij komen, tenzii dat de Vader, die mij gezonden heeft, hem trekke.quot; Deze uitspraak wil de Heiland in het volgende vers nader bevestigen. Daartoe beroept Hij zich op hetgene geschreven is „in de profetenquot;, inzonderheid bij Jesaja, hoofdstuk 54 : 13: „En alle uwe kinderen zullen van den Heere geleerd zijn.quot; De profeet maakt hier gewag van de wederoprichting der Kerk, welke niet kan geschieden, tenzij God de Heere de geloovigen onderwijzen en tot zich brengen wil. Die onderwijzinge Gods gaat alle ander onderwijs verre te boven. Immers, een aardsche onderwijzer kan slechts de middelen aanwenden, om zijne leerlingen verstandig te maken; het verstand zelve kan hij hun niet geven. Nietalzoo bij de Opperste Wijsheid! Hij is de Almachtige, die maar te spreken heeft, en het is er. Hij zal door het woord zijner almacht het oog verlichten en het veratand verhelderen, zoodat zijne leerlingen alles zullen weten, wat de groote Leermeester noodig oordeelt. Want laten wij dit niet vergeten, God de Heere onderwijst niet alleen door eene uitwendige stem, maar ook door eene verborgene kracht en werking des Heiligen Geestes, door eene inwendige verlichting des harten. Vollen nadruk laat Jesaja er dan ook op vallen, dat de kerke Gods

ocr page 307

303

■eerst dan stevig gebouwd wordt, wanneer de kinderen der kerk van den Heere geleerd worden. Dan worden hunne oogen geopend, hun verstand verlicht; dan worden zü bekwaam gemaakt, om den weg des levens te aanschouwen, gelijk die voor een arm, verloren zondaar in Christus Jezus geopend is. Dit is ten eenen-male onmogelijk, zoolang God door zijn onderwijs, d. i. door ■de verlichting zijns Geestes, hunne oogen niet opent.

Maar al is het boven allen twijfel verheven, al staat het onwrikbaar vast, dat geene enkele prediking des Woords eenige -vrucht opleveren zal, indien de Heere door de werking van zijn Heiligen Geest het harte niet opent en bekwaam maakt, zoodat het gestrooide zaad des evangeliums daarin vallen kan, als in eene weltoebereide aarde, toch wil de Heere, dat wij den weg zullen bewandelen, door Hemzelven aangewezen, en dat wij het middel zullen gebruiken, door Hemzelven voorgeschreven, te weten : het lezen en het onderzoeken der Heilige Schrift. Dat ■dit de weg en de wil van God is, blijkt al zeer duidelijk uit hetgeen wij lezen in Rom. 10, waar de apostel, na gezegd te hebben, dat een iegelijk, die den naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden, deze vragen stelt: „Hoe zullen zij dan hem aanroepen, in welken zij niet geloofd hebben ? En hoe zullen zij in hem gelooven, van welken zij niet gehoord hebben ? En hoe zullen zy hooren, zonder die hun predikt ?quot; God den Heere, -wien alle middelen ten dienste staan, die als de Onafhankelijke in geen enkel opzicht van menschenhanden behoeft gediend te worden, heeft het behaagd, zich voor het groote werk der zaligheid van zwakke menschenkrachten te bedienen. Tegen de •door God gestelde ordonnantiën gaan dan ook allen in, die den uitwendigen dienst verwerpen en het alleen op de inwendige verlichting des Geestes of op eene stem van Boven laten aan-

ocr page 308

304

komen. Al is het volkomen waar, dat de Heere ons „onderwijzen en leerenquot; moet van den weg, dien wij te gaan hebben,, toch bljjft voor ons het Goddelijke bevel: „Onderzoekt de Schriften.quot;

Door dit in Joh. 5 te zeggen, bestraft Jezus den dwazen roem der huichelaars, die meenen, in de Schriften het eeuwige leven te hebben, terwijl zy niets anders hébben dan de doode letter. Daarom zegt Jezus, dat zij die Schriften moeten onderzoeken; zij moeten niet bij de letter blijven staan, maar dieper in die Schriften indringen, want — zoo verklaart Hij nadrukkelijk — „die zijn het, die van mij getuigenquot;. Hjj, de Harte-kenner, doorgrondt hen en laat dit duidelijk uitkomen, als Hij zegt: „Ik ken ulieden, dat gij de liefde Gods in uzelven niet hebt. Ik ben gekomen in den naam mijns Vaders, en gij neemt mij niet aan ; zoo een ander komt in zijnen eigenen naam, dien zult gij aannemen. Gy wilt tot mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebbenquot;. Dat „levenquot; moet gezocht worden in de^ Schriften; daartoe zijn zij juist gegeven. Maar wat baat het,, te meenen, in de Schriften het leven te hebben, terwijl men nochtans in den grond der zaak niets minder doet, dan afwijken van den natuurlijken zin, ja, het licht des levens uitbluscht door valsche en verkeerde uitleggingen ? Het is ten eenenmale onmogelijk, dat de wet zonder Jezus Christus levend maakt, dewijl Hij juist het leven is en de woorden des eeuwigen levens spreekt!: Daarom voegt Jezus dezen huichelaars dan ook in vers 45 e. v, toe: .Meent niet, dat ik u verklagen zal bij den Vader; die u verklaagt, is Mozes, op welken gij gehoopt hebt. Want indien gij Mozes geloofdet, zoo zoudt gy mij gelooven; want hij heeft van mij geschreven. Zoo gij zijne schriften niet gelooft, hoe zult gij mijne woorden gelooven

Uit deze beide Schriftuurplaatsen blijkt, dat een ieder, die

ocr page 309

305

eene ware kennis van God en zijn Zoon Jezus Christus hebben wil, deze putten moet uit de Heilige Schrift. Gaan wij buiten het geopenbaarde Woord van God om en vormen wij ons eenige voorstelling van God naar onze eigene wijze van zien, dan zullen wij, in plaats van den eenigen waren God, eene gedaante van een afgod hebben. Wij moeten dus de Schriften onderzoeken ; die zijn het, die van Hem getuigen; daarin is het eeuwige leven te vinden ; zij maken ons bekend met den eeoigen naam, die er onder den hemel tot zaligheid gegeven is; zjj openbaren ons de genade van onzen Heere Jezus Christus en de liefde Gods. Maar nu hebben wij te allen tijde wèl toe te zien, hoe wij die Schriften onderzoeken. Indien wij dat doen in eigene kracht, steunende op eigene wijsheid, vertrouwende op onze eigene inzichten, zonder de bede om „verlichte oogen des verstandsquot;, dan zullen wij uit die Schriften niets anders dan valsche en verkeerde meeningen putten. Wij moeten ons Gode overgeven, opdat Hy, die de auteur der Schrift is, ons onderwüze en leere. Naar )uid van zijne belofte heeft Hij den Geest gezonden, die in alle waarheid leidt, waarvan Jezus dan ook in Joh. 8 zegt tot de Joden, die in Hem geloofden : „Indien gijlieden in mijn woord blijft, zoo zijt gij waarlijk mijne discipelen, en zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmakenquot;. Aangezien wij zonder Hem niets kunnen, laat ons, ook bij het onderzoeken der Schrift, steeds met den dichter bidden ;

„Geef mij verstand, met godlijk licht bestraald;

„Dan zal mijn oog op uwe wetten staren;

„Dan houd ik die, hoe licht mijn ziel oak dwaalt j

„Dan zal zich \'t hurt met mijne daden parenquot;.

201

ocr page 310

306

LXXXVIII.

„Ik neem geene eer van menschenquot;.

Joh. 5 : 41.

„De Geest der waarheid, die van den Vader uitgaat, die zal van mij getuigen. En gij zult ook getuigen, want gij zijt van den beginne met my geweestquot;.

.Toh. 15 : 266, 27.

\'ADEMAAL de apostelen van onzen Heere Jezus Christus instrumenten des Heiligen Geeates zijn moesten, en Hij door hun mond getuigen wilde, wijst Hij hen op den aard van het getuigenis des Heiligen Geestes.

Dit getuigenis zal niet hun alleen ten goede komen, en evenmin mogen zij het voor zichzelven alleen behouden ; neen, dat getuigenis des Heiligen Geestes moet juist door hun dienst verbreid worden. Vandaar dat in de Schrift het geloof en de prediking bij elkander worden gevoegd. „Hoe zullen zij in Hem gelooven — zoo vraagt Paulus in Kom. 10 — van welken zij niet gehoord hebben ?quot; Maar andererzijds wordt er in de Heilige Schrift evenzeer nadruk op gelegd, dat men zich bedriegt, zoo men waant, dat dit geloof natuurlijkerwijze uit het gehoor voortkomt en niet een gewrocht des Heiligen Geestes is. De dienaar kan het geloof niet in het harte werken; hij kan, bij volkomen welslagen van zijne pogingen, het woord slechts brengen tot het oor; de Heere moet door de krachtige werking zijns Geestes het harte openen. De prediking des Woorda is en blijft slechts een middel; zal zij vrucht opleveren, dan moet zij gepaard gaan met de leiding en de werking des Geestes. Of een ij veraar voor de eere Gods als Paulus, een redenaar als Apollos, een

ocr page 311

307

■voortvarend dienstknecht als Petrus, of welke uitnemende dienaar gij maar zoudt kunnen noemen, prediken met al de liefde huns harten en al den ernst hunner zielen, zij kunnen niet ééne ziel tot bekeering brengen, zij kunnen niets meer dan planten en nat maken, terwijl God de eenige is, die den wasdom geven kan. Maar juist omdat het geloof is uit het gehoor en het gehoor door de prediking des Woords, mag dit door God verkoren middel niet op zijde gezet en veracht worden, gelijk dat door vele ■dwaalgeesten en dweepzieke secten geschiedt, bij wie de prediking des Woords in minachting is, omdat zij van eene onmiddellijke •werking des Geestes uitgaan en steeds den mond vol hebben -van hemelsche openbaringen en uitspraken. Het heil, dat er voor den armen zondaar in Christus gelegen is, moet door den ■dienaar verkondigd worden; en zal deze verkondiging eene reuke des levens ten leven zijn, dan moet zij door den Heiligen ■Geest aan het harte worden toegepast. In dien zin zegt Jezus in Joh. 15, dat de Trooster, namelijk de Geest der waar-\'heid, die van den Vader uitgaat, van Hem getuigen zal en ■dat wel door zijne dienaren, die Hij daartoe als instrumenten gebruiken wil. Vandaar dat Paulus, en met hem alle dienaren, zeggen kunnen : „Zoo zijn wij dan gezanten van Christus\' wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus\' wege : laat u met God verzoenenquot;. Omdat hun woord niet is het woord eens menschen, maar omdat het waarlijk Gods Woord is, zal het niet ledig wederkeeren. Naar luid van Gods eigene belofte zal het voorspoedig zijn in al hetgene, waartoe Hij het zenden zal. Tn en door zijne dienstknechten spreekt God de Heere zelf!

Maar waar iedere getrouwe dienstknecht met Paulus in niets anders wenscht te roemen dan in het kruis van Christus; -waar den lof te verkondigen van Hem, die zondaren trekt uit de

ocr page 312

308

macht der duisternis, om hen over te brengen tot zijn wonderbaar licht, het doel is, waarnaar zij jagen ; waar zij, in één woord,, strijders zyn voor de eere Gods en de uitbreiding van ziin koninkryk; hoe kan Jezus daar in Joh. 5 verklaren : „Ik neem geene eer van menschen ?quot;

Na al hetgene wij reeds in deze en in onze voorgaande beschouwing dienaangaande gezegd hebben, is dit niet moeilijk. Gelijk wij zagen, heeft het Hem in zijne ondoorgrondelijke wijsheid behaagd, zich voor de handhaving en uitbreiding van de eere zijns naams van zwakke menschenkrachten te bedienen. Niet dat Hij daartoe dien mensch van noode had, neen, alle andere middelen en wegen staan Hem ten dienste. Evenals in den morgenstond der schepping op het enkele woord zijner almacht de diepe duisternis moest plaats maken voor het heerlijke licht, zoo ook is Hij de Machtige, om louter op het woord zijner almacht, zonder eenige hulp van menschen, het licht in de ziele te doen opgaan. Zoowel op het terrein der schepping als op dat der herschepping is Hij de volstrekt Onafhankelijke, die niemand en niets van noode heeft. Uit dien hoofde kan Hij dus naar waarheid getuigen : „Ik neem geene eer van menschenquot;, want ook in de bekeering van een zondaar geldt het woord van den dichter: ,Zijn godlijk\'almacht spreekt,, en \'t is er; zijn wil gebiedt, en \'t wordt terstond.quot; Met de menschen is dit gansch anders gesteld; zij hebben het getuigenis van elkander noodig en zonder dat kunnen zij niets. Maar dit is niet het geval met God en zijn Zoon Jezus Christus. Men zou hiertegen kunnen inbrengen, dat een deugdzaam mensch geen getuigenis van anderen noodig heeft; maar dan vragen wij toch in allen ernst: Wat heeft de mensch van zichzelven,. waarmede hij de waarheid Gods kan onderhouden ? Nadrukke-

ocr page 313

309

lijk doet Jezus het dan ook uitkomen, dat Hij die eere. welke zijne dienstknechten Hem toebrengen, niet voor zichzelven behoeft, maar dat Hij hun getuigenis aanneemt ter wille van de zwakheid der menschenkinderen. Als de opperste Herder verzorgers over zijne kudde aanstelt, als Hij boodschappers van goede tijding verwekt, als Hij allerwegen herauten ■uitzendt, om de blij mare des evangeliums te doen hooren, zijn lof te verkondigen, zijne eer te verbreiden, zijne deugden te roemen, dan geschiedt dat niet, omdat Hij daaraan voor zichzelven behoefte heeft, neen, Hij heeft geene eer van menschen noodig. Hoe zou een sterfelijk Adamskind, een nietige stofbewoner. Hem naar waarde kunnen loven en prijzen, Hem, die de Eeuwige is en een ontoegankelijk licht bewoont ? JSTaar waarde kan dit hier op aarde door geen mensch geschieden ! Daartoe moet eerst het sterfelijke onsterfelijkheid en het verderfelijke onvei\'derfelijkheid hebben aangedaan. Daartoe moet de mensch, ontdaan van het lichaam der zonde, den hemel der heerlijkheid zijn ingegaan, waar de Serafs Hem onophoudelijk het driewerf „heiligquot; toezingen en waar alle de gezaligden Hem toebrengen den lof en de aanbidding, de eere en de dankzegging, door met verheerlijkte lichamen eeuwig te zingen van Gods goedertieren heen. Als dan ook aan God den Heere eere wordt toegebracht door het getuigenis, dat zijne dienstknechten van Hem geven, dan geschiedt dit eenig en alleen terwille van de kinderen der menschen, die zoo snood en trouweloos van Hem zijn afgevallen. Om der uitverkorenen wil moet zijne eer naar buiten ■worden uitgedragen, en die eere, welke Hem toekomt, straalt ons op de meest schitterende wijze tegen, als wij in verwondering en aanbidding wegzinken bij de beschouwing van den weg, •dien Hij ter verlossing heeft opengesteld. Daarbij stil staande,

ocr page 314

310

roepen wij met Paulus uit: „Uit Hem, en door Hem, en tot Hem-zijn alle dingen, Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheidquot;.

Wij besluiten dus, dat de Zone Gods geene eer aanneemt ten behoeve van Zichzelven, maar eenig en alleen ons ten nutte-

LXXXIX.

„Al wat mij de Vader geeft, zal tot mij komen;, en die tot mij komt, zal ik geenszins uitwerpenquot;.

Joh. 6 : 37.

„Zoo is het dan niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Godsquot;.

Rom. 9 : 16.

ELIJK wij zien, gaan aan de uitspraak: „Die tot mij; komt, zal ik geenszins uitwerpenquot;, deze woorden vooraf: „Al wat mij de Vader geeft, zal tot mij komen.quot; Als de Heere Jezus hier dus spreekt van een ,gevenquot;, dan wil Hij daarmede doen verstaan, dat het geloof niet afhangt van den wil eens menschen, alsof de mensch het in zijne macht heeft, te gelooven al dan niet. Evenmin komt het geloof bij toeval; neen. God de Heere verkiest de geloovigen en geeft ze aan zijn Zoon. En alle degenen, die de Vader Hem geeft, zullen tot Hem komen. Naar den wil zijn» welbehagens, gedreven door loutere en onverdiende goedheid,, werkt God, door de almachtige kracht van zijn Heiligen Geest,, zoo in de harten zijner uitverkorenen, dat er niet één afvalt,, maar dat zij allen komen. Heeft de Vader hen wedergeboren door de krachtige werking zijns Geestes, dan geeft Hij hen aan.

ocr page 315

311

den Zoon over, om hen aan het evangelie gehoorzaam te maken. Het geloof, hetwelk eene genadegave Gods is, voortvloeiende uit den rijkdom zjjner barmhartigheid, geeft den mensch opening, om tot den Heere Jezus te gaan, terwijl voor ongeloovigen en hardnekkigen de toegang gesloten blijft. Allen, die tot Hem kwamen, werden door beweegredenen buiten hen daartoe bewogen; niemand is uit eigen wil tot Hem gekomen. Maar al is het, dat de mensch zich van nature juist van God afwendt. Hem den rug toekeert, zoodat de Heere hem heeft moeten trekken met de koorden zijner liefde, toch zal niemand, die tot Hem komt, worden uitgeworpen. Integendeel, wanneer de mensch gansch hulpeloos tot Hem komt gevloden, om zich onder zijne leiding en hoede te stellen, wordt hij in liefde aangenomen.

Hetgene in Eom. 9 : 16 gezegd wordt, is hiermede in het minst niet in tegenspraak, veeleer dient de eene uitspraak, om de andere te bevestigen en nader te verklaren. Immers, als de apostel Paulus zegt: „Zoo is het dan niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Godsquot;, dan wil hij daarmede te kennen geven, dat de mensch noch met zijn willen, noch met zijn loopen en evenmin met inspanning van alle krachten en vermogens zichzelven den weg kan banen, om tot God te komen. Dat moet God doen ; de mensch kan van zijne zijde door geen enkel middel dien toegang ontsluiten. En, gelijk wij dat vroeger reeds uitvoeriger hebben aangetoond. God doet dat geheel naar zijn vrijmachtig welbehagen. Dat Hij den een aanneemt en den ander voorbijgaat, hangt niet van dien mensch zeiven af; die aangenomen wordt, heeft van zichzelven niets, wat hem daartoe waardiger maakt of meer recht geeft; neen, het vloeit eenig en alleen voort uit den goeden en welbehagelijken wil des ontfermenden Gods.

ocr page 316

312

Als Hij eenmaal met betrekking tot hunne zaligheid dit goede werk in hen begonnen heeft, dan zal Hij het ook voortzetten en voleinden, want God is getrouw, die het werk zijner handen niet laat varen. Voor alle degenen, die tot den Zoon komen, geldt, zonder eenige uitzondering, het woord van Paulus: „Zoo is het dan niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Godsquot;, die hen daartoe naar zijn eeuwig welbehagen en naar den rijkdom zijner genade verkiest, hen aan den Zoon overgeeft en hen zoo onwederstandelijk door de invloeden des Geestes bewerkt, dat Gods Zone van hen verklaart: „Al wat mij de Vader geeft, zal tot mij komen, en die tot mij komt, zal ik geenszins uitwerpen.quot;

XC.

„Want mijn vleesch is waarlijk spijzequot;.

Joh. 6 : 55a.

„De Geest is het, die levend maakt ; het vleesch is niet nutquot;.

Joh. 7 : 63a.

\'ET getuigenis van David in den 36sten Psalm ; „Want bij U is de fontein des levens; in uw licht zien wU het lichtquot;, is zoowel schoon gezegd als diep gedacht. Ja, God de Heere is de fontein des levens, H ij is het licht. Alles, wat waarlijk leven heeten mag, komt van Hem ; en alles, wat inderdaad licht genoemd mag worden, straalt van Hem, „den Vader der lichtenquot;, af. Niemand kan zich naar waarheid in eenig licht of leven verheugen, tenzij het ziin oor-

ocr page 317

313

sprong aan Hem ontleend heeft. Maar de zonde is oorzaak geweest, dat het gevallen Adamskind niet meer uit die fontein putten kon. Sinds de ure waarin het schepsel van zijn Schepper afviel en het kind des stofs in opstand kwam tegen zijn Formeerder, heeft de mensch zichzelven bakken uitgehouwen, gebroken bakken, die geen water kunnen houden. Toen Adam, en in hem het gansche geslacht der menschheid, den vorst der duisternis toeviel, werd de strijd aangebonden tegen den Vorst des lichts. Door de zonde verduisterd in zijn verstand, was de mensch blind voor het waarachtige licht en voelde hij niet meer zijne verkwikkende en levenwekkende stralen. In dien stikdon-keren nacht van duisternis had de mensch voor eeuwig moeten blijven, ware het niet, dat God nog gedachten des vredes met den mensch gemaakt en den Zoon zijner eeuwige liefde gezonden had, om in Hem de wereld met zichzelven te verzoenen. In dien Zoon zijner liefde heeft de Vader den toegang weer geopend tot den troon der genade; Jezus Christus is de versche en levende weg, die weer voert tot de fontein des levens en des lichts, waaruit de arme zondaar, ganschelijk om niet, weer putten mag genade voor genade. In dien Zoon schonk de Vader de grootste aller weldaden; in Hem gaf Hij zichzelven ; met Hem schonk Hij alle dingen, „want gelijk de Vader het leven heeft in zichzelven, alzoo heeft Hij ook den Zoon gegeven, het leven te hebben in zichzelven.quot; Vandaar dat onze Heere Jezus getuigen kon ; „Ik ben de weg, de waarheid en het leven; niemand komt tot den Vader dan •door mij.quot; Hij is dat brood des levens, dat levende brood, dat uit den hemel nedergedaald is, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Hij en de Vader zijn één; en daarom is Hij de eenige, maar

ocr page 318

314

algenoegzame fontein des levens, In Hem is eene volheid, die onuitputtelijk is, want de Vader heeft niet gewild, dat het leven verborgen zou blijden; maar dat het ons in en door den Zoon zijner liefde rijkelijk toevloeien zou. Uit die volheid, die Hij in zichzelven bezat, heeft Hij stroomen des levenden waters over de kinderen der menschen uitgestort. Immers, toen Hij op aarde kwam, om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was, heeft Hij uit niets anders dan uit die fontein geput; met roerende lankmoedigheid, trots alle verguizing en smaad, heeft Hij die woorden, die het eeuwige leven in zich dragen, die het leven wekken en dat leven voeden en onderhouden, van plaats tot plaats verkondigd; op den vriendelijksten toon, als het ware met de armen uitgebreid, klonk het van zijne gezegende lippen: „Ik ben het, die u leven en overvloed breng, de ure komt en is nu, dat de dooden zullen hooren de stem des Zoons van God, en die ze gehoord hebben, zullen leven.quot; Dat leven is, om zoo te spreken, in het vleesch van onzen Heere Jezus ingevloeid, zoodat een ieder, die het leven buiten Hem en ergens elders zoekt, niets .anders dan den dood vinden zal. Met dat dubbele en ernstige: „Voorwaar, voorwaar zeg ik uliedenquot;, heeft Jezus zelf dit duidelijk tegenover de Joden doen uitkomen, toen Hij. zeide: „Tenzij dat gij het vleesch des Zoons des menschen eet, en zijn bloed drinkt, zoo hebt gij geen leven in uzelvenquot;, om er dan bij tegenstelling op te laten volgen: „Die mijn vleesch eet, en mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige levenquot;. De zielen vinden de spijze, waarmede zjj ten eeuwigen leven moeten gevoed worden, nergens anders dan in zijn vleesch.

Het is een wondere weg Gods, waarvan wij de lengte en breedte niet kunnen meten, dat Hij dat leven juist gelegd heeft in het vleesch, terwijl toch het vleesch voor de komst van den Zone

ocr page 319

315

Gods niets anders dan den dood met zich bracht. Dit doet de-Heere,teneinde daardoor onze menschelijke zwakheid ter hulpe te komen. Om ons dat leven deelachtig te doen worden, roept Hij ons niet hoog boven de wolken, maar deelt het hier op de lage aarde uit, alsof Hij ons verhief tot de achatkameren van zijn koninkrijk. En opdat de vermetelheid en opgeblazenheid van ons gemoed zou ten onder gehouden worden, beproeft Hij de nederigheid en gehoorzaamheid van ons geloof, want om dat leven te vinden, moeten wij eten het vleesch zijns Zoons, dat waarlijk spijze is, hoewel het „geene gedaante noch heerlijkheidquot; had. Immers, zoo lezen wij bij Jesaja : „ Ala wij hem aanzagen, zoo was er geene gestalte, dat wij hem zouden begeerd hebbenquot;. Dit vleesch is het voedsel voor de ziel. Want evenals het lichaam zwak wordt en uitteert, wanneer het geen voedsel ontvangt, zoo ook moet de ziel van kommer en gebrek sterven, indien zij niet gespijzigd wordt met dat levende brood, hetwelk is het vleesch des Zoons Gods. Eerst dan, wanneer ons de oorzaak van onzen geestelijken honger en kommer weggenomen wordt en wij den oorsprong des levens in zijn vleesch zoeken, zullen wij het leven vinden in Christus Jezus. De roem en de waardigheid van Gods kinderen is in niets anders gelegen dan in het Woord van Christus. Zoodra zij zich van deze offerande afkeeren, zullen zij niets anders dan den dood ^ontmoeten. Indien wij begeeren, dat de Zone Gods zich ook aan ons openbare als Oorsprong en Vorst des levens, dan moeten wij Hem aannemen als een dienstknecht des Vaders. Om ons rijk te maken, is Hij zelf arm geworden; daartoe heeft Hij zich op het allerdiepst vernederd, want hoewel het Hem geen roof was, Gode even gelijk te zijn, heeft Hij vrijwillig de gestalte eens dienstknechts aangenomen. Door zijne nederdaling ter helle, heeft Hij ons ten

ocr page 320

316

hemel toe verheven. Hangend aan het vervloekte hout des kruises, heeft Hij eene volkomene zegepraal behaald. Stervend heeft Hij het lied der overwinning doen hooren, toen Hij met luider stemme riep: „Het is volbracht!quot; Met ééne offerande heeft Hg in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden, Naar waarheid kon Hy dus getuigen: „Mijn vleesch is waarlijk spijzequot;.

Maar als de Heere Jezus nu in vers 55 zegt, dat zijn vleesch waarlijk spijze is, hoe kan Hij dan in vers 63 verklaren, dat het vleesch niet nut is ?

De beantwoording dezer vraag is niet moeilijk, als wij deze woorden maar niet. uit hun verband rukken. De Heiland sluit niet alle nuttigheid zijns vleesches ten eenenmale en zonder eenig onderscheid buiten, alsof er niet het minste voordeel uit te bekomen ware. Wel zegt Hij, dat het vleesch niet nut is, wanneer het van den Geest gescheiden wordt. Dat het vleesch het leven geeft, uit wat oorzake vloeit dat anders voort, dan daaruit, dat het geestelijk is? Zij, die niet tot het geestelijke opklimmen, maar bij het aardsche blijven hangen, zullen niet het eeuwige leven, maar wel den dood vinden. Ook met betrekking tot den Zone Gods mogen wij niet aan het aardsche blijven hangen; met het oog des geloofs moeten wy blikken op de kracht des Geestes, die over dit vleesch is uitgestort. Dat doende, zullen wij de vruchten des geloofs t-maken en ervaren, dat het niet zonder reden is, dat zijn vleesch het levendmakende vleesch genoemd wordt.

Eenerzijds kunnen wij dus zeggen, dat zijn vleesch waarlijk spijze is en andererzijds moet getuigd, dat het vleesch niet nut is. Het vleesch van Jezus Christus, Gods Zoon, is waarlijk spijze, omdat het ons het eeuwige leven schenkt; door zijne gezanten

ocr page 321

317

worden wij van Christus\' ivege gebeden, alsof God door hen bade : „Laat u met God verzoenen.quot; Maar dat vleesch is ons niet nut, zoo wij bij het vleesch zelve blijven staan, zonder hooger op te klimmen Het zaad Abrahams, dat van zichzelven den dood is onderworpen, zal geen leven geven, maar het neemt van den Geest juist datgene, waarmede wij gevoed kunnen worden. Willen wij echter waarlijk gevoed en onderhouden worden, dan moeten wij dat vleesch eten met den geestelijken mond des geloofs, dewelke eene gave Gods is. Dit vleesch is niet onsterfelijk van zichzelven; het vloeit niet uit zijne natuur voort, dat het de ziel levend maakt, maar hoewel die levenwekkende kracht van elders komt, toch mag het zoo genoemd worden. Evenals het eeuwig blievend Woord van God de oorsprong en de fontein des levens is, zoo ontvangen wij ook door het vleesch van den Zone Gods het leven, dat in zijne Goddelijke natuur ligt opgesloten. Dat leven komt tot ons als door een kanaal. Gods Zoon is het instrument, daartoe verordineerd naar het welbehagen des Vaders. Dit zal ons nog duidelijker worden, als wij letten op de oorzaak van dit leven en aanmerken, dat deze gelegen is in de gerechtigheid. Hoewel de gerechtigheid van niemand anders komt, dan van God zeiven, toch zal Hij ons nimmer ten volle geopenbaard worden dan in het vleesch zijns Zoons. Hij heeft alle gerechtigheid\' vervuld, het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht. Daartoe is Hij in het vleesch gekomen. Door ons vleesch en ons bloed aan te nemen, kon Hij worden, wat Hij wezen moest, te weten, een Goël en Redder, een Verlosser en Zaligmaker van zondaren. De straf,, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem ; door zijne striemen is ons genezing geworden. Geboren uit eene vrouw, geworden onder de wet, heeft Hij onze zonden op zich geladen en is alzoo-

ocr page 322

318

-geworden eene oorzaak van eeuwige zaligheid voor allen, die zijne verschijning hebben liefgehad. Door dat vleesch te laten nagelen aan het vervloekte hout des kruises en zichzelven te geven tot eene offerande voor de zonde, heeft Hij het handschrift der zonde, dat tegen ons was, uitgewischt. Den Vader, die billijk op ons vertoornd was, en wiens rechtvaardigheid eene volko-mene voldoening eischte, heeft Hij door zijne gehoorzaamheid met ons verzoend. Datzelfde vleesch is ook vervuld geweest met den Geest der heiligmaking; en, om niet meer te noemen, na de overwinning over dood en graf is dat vleesch opgenomen ten hemel, om te deelen in de hemelsche glorie. In één woord, alles, wat noodig is om ons het eeuwige leven te schenken, was in dat vleesch vertegenwoordigd, zoodat niemand de klacht behoeft te slaken, dat het eeuwige leven voor hem verborgen is. Gelijker wijs Hem de levende Vader gezonden heeft, en Hij leeft door den Vader, alzoo die Hem met den geestelijken mond des ;geloofs eet, die zal leven door Hem.

ocr page 323

319

XCI.

„De wereld kan ulieden niet hatenquot;.

Joh. 7 : 7a.

„Doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereldquot;.

Joh. 15 : 19amp;.

nN het 7de hoofdstuk van zijn evangelie verplaatst ons Johannes in dien tijd van Jezus\' omwandeling op aarde, toen Hij in Galilea bleef en niet naar Judea wilde gaan, „omdat de Joden hem zochten te doodenquot;. Zijne vrienden, die nog aardschgezind waren, zeiden tot Hem; „Vertrek van hier, en ga henen in Judea, opdat ook uwe discipelen uwe werken mogen aanschouwen, die gij doet ; want niemand doet iets in het verborgen en zoekt zelf, dat men openlijk van hem sprekequot;. Kenschetsend is dan ook het getuigenis, dat van deze vrienden gegeven wordt, waar wij lezen : „Want ook zijne broeders geloofden niet in hemquot;. Maar de Kenner der harten doorgrondt hunne overleggingen, wat duidelijk blijkt uit hetgene Jezus tot hen zegt: „Mijn tijd is nog niet hier ; maar uw tijd is altijd bereidquot;, waarop Hij onmiddellijk dit gezegde laat volgen: De wereld kan ulieden niet haten, maar mij haat zij ; omdat ik van haar getuig, dat hare werken boos zijnquot;. Duidelijk toont de Heere Jezus dus het verschil aan, dat er tusschen Hem en „zijne broedersquot; bestond. Zij konden zich zonder eenig gevaar aan de wereld vertoonen. De wereld kon hen niet haten, maar was hun gunstig gezind, omdat zij hare vrienden waren. Maar -anders stond het met den Heere Jezus. Hem was de wereld

ocr page 324

320

niet genegen. Hij had van haar getuigd, dat hare werken boos-waren. Daarom haatte zij Hem. En om niet in handen te vallen van die doodvijanden, die het op zijn leven hadden toegelegd,, mocht Hij, wiens tijd nog niet vervuld was, niet openlijk met zijne broeders tot „tiet feest der Joden, namelijk de Loofhutten-zettingquot;, opgaan.

Onbewimpeld verklaarde Jezus hiermede dus, dat zijne broeders nog vleeschelijk en aardschgezind, nog vrienden der wereld waren. En die een vriend der wereld wil zijn, is een vyand van God, aangezien hij hare vriendschap niet anders verwerven kan, dan door het oor te leenen aan hare zonden en uitgietingen.

Wat nu de uitspraak in Joh. 15 aangaat, Jezus spreekt daar tot een ander soort van menschen, n.1. tot zijne apostelen, die van de wereld niet zijn, maar die Hij uit de wereld heeft uitverkoren. En juist omdat zij van de wereld niet zijn, haat de wereld hen.

De Heere maakt in deze beide uitspraken dus eene tegenstelling tusschen degenen, die niet wedergeboren zijn en de geloovigen. Hoewel ook de laatsten er naar streven, vrede te hebben met alle menschen, zoo geven zij zich toch, om de vriendschap der wereld te hebben, niet over aan haar verderf,, maar bepalen zich uitsluitend tot datgene, wat geoorloofd is.

Nu mogen wij evenwel hieruit niet besluiten, dat allen,, die door de wereld gehaat worden, daarom van God bemind zijn.. Neen, zoovelen worden- door de wereld gehaat, want tusschen hen, die tot de wereld behooren, bestaat onderling zooveel tweedracht ; de een haat den ander. En hoe kan het ook anders ? De wereld is vol van twist!

Onze Heere Jezus wil hier dan ook doen uitkomen, dat

ocr page 325

321

de wereld in de geloovigen niets anders haat, dan hetgene wat uit God is.

Duidelijk blijkt dus, dat er niet de minste tegenspraak in deze beide uitspraken heerscht en dat de schijnbare tegenstrijdigheid aanstonds wegvalt, als men bedenkt, dat hier sprake is van verschillende personen, van ongeloovigen en geloovigen. De eersten kunnen door de wereld niet gehaat worden, omdat zij hare vrienden zijn ; de laatsten moeten door de wereld gehaat worden, omdat zij van de wereld niet zijn en God de Heere hen uit die wereld heeft uitverkoren.

XCII

„Zouden nu wel de oversten waarlijk weten, dat deze waarlijk is de Christus? Doch van dezen weten wij, vanwaar hij is; maar de Christus, wanneer hij komen zal, zoo zal niemand weten, vanwaar hij isquot;.

Joh. 7 : 266 en 27.

„Welke (n.1. de wijsheid Gods) niemand van de oversten dezer wereld gekend heeft, want indien zij ze gekend hadden, zoo zouden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruisigd hebbenquot;.

I Cor. 2 : 8.

^OMMIGE van de Joden, wetende, welk een doodelijken haat

hunne oversten den Heere Jezus toedroegen, konden

niet begrijpen, dat niemand de hand aan Hem sloeg,

terwijl Hij toch openlijk predikte. Daarom doen zij deze

vraag: „Zouden nu wel de oversten waarlijk weten, dat

deze waarlijk is de Christus?quot; Die vraag moet onze opmerk-

21

ocr page 326

322

zaamheid trekken; want hoewel het de begeerte der Joden was, dat de Zaligmaker van zondaren sterven zou, zoo stelden zij daartoe toch geene poging in het werk.

Hoewel de Joden, die deze vraag deden, meenden, dat daarin een werk Gods gelegen was, konden zij toch niet blikken in de voorzienigheid Gods, die dit alzoo bestuurde. Evenzoo gaat het met de vleeschelijke en aardschgezinde menschen; nauwlijks doet zich een buitengewoon verschijnsel, een werk Gods, aan hunne oogen voor, of zij staan verbaasd. Verder komt het evenwel niet, bi] die verwondering blijft het. Het komt hun niet in den zin, ernstig na te denken over de macht van God, die hun daarin tegenkomt; neen, niet het minste voordeel doen zij er mede. Deze Joden evenwel zeggen nog, wèl te weten, -vanwaar de Christus is. Het is hun niet onbekend, wie zijne ouders waren, maar verder gaan zij niet; op te klimmen tot dien vollen rijkdom van Goddelijke kracht en eeuwige zondaarsliefde, geopenbaard in de zending van dien Christus naar deze aarde, dat is te hoog voor hen, daarvoor zijn zij te blind. Hieruit ziet men weer, hoe de mensch niet alleen volslagen blind is, als hij oordeelen moet over hemelsche dingen, maar hoe het zelfs een aangeboren gebrek van den mensch is, allerlei hindernissen op te werpen, welke hem beletten, tot de kennis van God te komen. Satan speelt daarin eene groote rol. Rondgaande als een brieschende leeuw en zoekende, wie hij zou mogen verslinden, is het voortdurend zijn streven, den mensch af te trekken van den levenden God, wat hem maar al te vaak gelukt. Hoewel de weg effen en gebaand is, toch zijn er velen, die struikelen. De ongeloovigheid van deze oversten was voldoende, om eene gansche schare te doen afwijken, en al is het ook, dat deze hindernis voor haar uit den weg wordt geruimd.

ocr page 327

323

•dan zal zij toch eene andere gelegenheid zoeken en vinden, die baar belet, te komen tot het geloof.

Het voorbeeld van de oversten moest de Joden er toe geleid hebben, den weg te volgen, die goed en recht is; maar het was er verre vandaan. En dat was niet alleen het geval met de Joden uit dien tijd; zoo gaat het ook nog heden ten ■dage met elk en een ieder. Als God den mensch niet aan zijne trouwe Vaderhand neemt en op den goeden weg brengt, hem leidt op al den weg, dien hij te gaan heeft, hem bestuurt en regeert, hem bijblijft tot den einde toe, dan zal de mensch niets anders doen \'dan struikelen en vallen, dan is hij tot hinken en zinken ieder oogenblik gereed, dan zal hij den moed verliezen. Aan Gods hand echter gaat hij moedig voort; door Hem geleid, gaat hij veilig en zeker.

In het 2lt;ie hoofdstuk van zijn eersten brief aan die van \'Corinthe, spreekt Paulus echter over eene andere kennis van ■Christus. Die kennis vloeit niet voort uit eenig vleeschelijk .aanschouwen, want dan kenden Hem ook Pilatus, Judas, de Schriftgeleerden en alle die vijanden, die het op zijn dood hadden toegelegd. Er was nog iets anders in Hem, waarin de wijsheid ■Gods op-het heerlijkst uitkwam, maar ziet — dat was voor de ■oogen der oversten verborgen. Te dien opzichte kenden zij den Christus niet; vandaar dan ook, dat zij, die bij het volk in hooge .achting waren en geroemd werden vanwege hunne kennis, niets vuriger verlangden, dan dien Nazarener te kruisigen. Hieruit Wijkt dus duidelijk, hoe verblind zij kunnen zijn, die slechts wijs .zijn naar deze wereld. Om dit nog beter te verstaan, merken wij op, dat er in tweeërlei zin van onwetendheid sprake kan zijn.

De eerste vloeit voort uit een onbedachtzamen ijver,

ocr page 328

324

waardoor men iets verwerpt, niet omdat het goed is, maar omdat men meent, dat het kwaad is. Men doet het dus met de beste bedoeling ; men gaat van de gedachte uit, in dezen goed te handelen. Een duidelijk voorbeeld zien wij daarvan in Paulus van Tarsen, vóór zijne krachtdadige omkeering op den weg naar Damascus. Toen was hij nog een ij veraar voor de vaderlijke wetten. De tempel, dat erfgoed der vaderen, moest tegen eiken prijs door hem verdedigd worden; ja, als hij naar Damascus reist, met brieven van volmacht, om de kudde des Heeren uiteen te jagen en belde mannen en vrouwen gebonden naar Jeruzalem te brengen, dan meent hij waarlijk nog, Gode een welbehagelijken dienst te bewijzen. Hij wordt door een blinden ijver gedreven en weet niet, wat hij doet. Vandaar dat hi] later aan Timotheüs schrijven kan: „Ik dank hem, die mij bekrachtigd heeft, namelijk Christus Jezus onzen Heere, dat hij mij getrouw geacht heeft, mij in de bediening gesteld hebbende ; mij, die tevoren een Godslasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker, maar mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetende gedaan heb in mijne ongeloovigheidquot;. Uit kracht van die onwetendheid stond hij niet onschuldig voor God; neen, dat alles werd hem toegerekend, maar door de koorden dier eeuwige zondaarsliefde werd deze vervolger, die zichzelven daarom den grootsten der zondaren noemt, uit de duisternis getrokken. „Mij is barmhartigheid geschiedquot;, zoo getuigt Paulus dan ook en voegt er nogmaals aan toe: „De genade onzes Heeren is zeer overvloedig geweest, met geloof en liefde, die in Christus Jezus isquot;.

De tweede soort onwetendheid gelijkt meer op dwaasheid. Zij, die eigenwillig en moedwillig tegen God opstaan, zijn niet anders dan dwazen, die wel oogen hebben, maar niet zien

ocr page 329

325

en ooren, zonder te hooren. Welnu, tot die tweede soort behoorden die oversten, zoodat het ons in het minst niet ■behoeft te verwonderen, dat Paulus van hen zegt: „Indien zij de wijsheid Gods gekend hadden, zoo zouden zij den Heere ■der heerlijkheid niet gekruisigd hebbenquot;. De Schriftgeleerden en de Pharizeën, hoe wijs zij ook waren in de oogen der menschen, kenden „de wijsheid Godsquot; niet; de leer, die door Jezus verkondigd werd, hielden zij niet voor waarachtig; zij waren verduisterd in hun verstand en vervreemd van de kennisse Gods.

XCIII.

„En Jezus zeide: Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomenquot;.

Joh. 9 : 39o.

„Ik ben niet gekomen, opdat ik de wereld oor-deele, maar opdat ik de wereld zalig makequot;.

Joh. 12 : 476.

IT het eenparig getuigenis van al de heilige mannen, die bij het schrijven van Gods Woord door den Heiligen Geest gedreven werden, staat het onomstootelijk vast, dat de Zone Gods met geen ander doel naar deze aarde gekomen is, dan om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was. „Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te makenquot;, zoo schrijft Paulus in het le hoofdstuk van zijn eersten brief aan Timotheüs. Het ligt toch voor de hand, dat de diepe vernedering, die de Zone Gods onderging.

ocr page 330

326

toen Hy den hemel der heerlijkheid verliet en op deze, om der zonde wille vervloekte aarde kwam, niet zonder eenige oorzaak geschiedde. En waar Hij evenmin gekomen is, om te verderven, daar spreekt het vanzelve, dat Hij op aarde verschenen is als. een Heiland, die heelen kwam, wat de vorst der duisternis verstoord had. Immers, waartoe zou. Hij nederdalen om ons te verderven ? Dat was niet meer noodig. Door de zonde was de mensch reeds zoo diep verdorven, dat er buiten Christus geene hope op herstel meer mogelijk was. Neen, de komst van onzen Heere Jezus Christus hier op aarde geschiedde met geene andere bedoeling dan, om naar den rijkdom zijner barmhartigheid, zalig te maken dezulken, die anders voor eeuwig waren verloren geweest. „Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbequot;, dat zij te allen tijde ons schild en borstwapen, als de last der zonde ons zwaar drukt en satan ons tot wanhoop of mistroostigheid tracht te brengen. Deze uitspraak sta er ons steeds borg voor, dat God geen lust heeft in onzen dood, maar daarin, dat wij leven en ons bekeeren, waarom Hij ook het zwaarste offer gegeven heeft, toen Hij den Zoon zijner liefde stelde tot een rantsoen voor velen. Vandaar dan ook, dat de Zoon in Joh. 12 getuigen kon : „Ik ben niet gekomen, opdat ik de wereld oordeele, maar opdat ik de wereld zalig makequot;. Natuurlijk, wanneer God den mensch, die moedwillig en snood van Hem afgevallen is, deed naar zijne zonden of vergold naar zijne ongerechtigheden, dan zou Hij gansch rechtvaardig zijn, indien Hij met zijne oordeelen kwam en den mensch van voor zijn aangezicht verdelgde. Maar de Heere is lankmoedig en groot van goedertierenheid; Hij is traag tot toorn ; zijne barmhartigheden roemen tegen het oordeel;

ocr page 331

327

en daarom houdt Hij zijn vonnis in, ja, wat meer zegt, zoekt hen nog in liefde op. En dat wel alle menschen zonder onderscheid. Tot allen laat Hij de blijde boodschap brengen, dat er vergeving te vinden is voor alle zonden in het bloed des kruises ; niemand zal dan ook te verontschuldigen zijn ; allen kunnen bekend worden met dien eenigen naam, die onder den hemel gegeven is, om zondaren zalig te maken. Hij reikt, als het ware, allen zijne hand toe en het komt voor hunne rekening, indien zij zich van Hem afkeeren. Die tot Hem komen, zal Hij geenszins uitwerpen; al was hun toestand nog zoo hachelijk, bij Hem is raad en genezing. Hij is de liefdevolle Heiland, die aan de deur van het hart klopt en roept, dat hem opengedaan worde. Met roerende lankmoedigheid noodigt Hij ; „Komt herwaarts tot Mij, gij afkeerige kinderen! en Ik zal uwe afkeeringen genezen. Wendt u naar Mij toe, alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meerquot;. En — die Hem zoekt, zal Hem vinden ; en die Hem vindt, vindt het leven en trekt een welgevallen van den Heere.

Maar, hoe kan Jezus zelf dan in Joh. 9 verklaren : „Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomenquot;?

Wel, Hij is tot een oordeel in deze wereld gekomen voor alle degenen, die zijne verschijning niet hebben liefgehad. Nu Hij in de wereld gekomen is, nu Hij dat rijke, volle evangelie van den onnaspeurlijken rijkdom der liefde Gods allerwegen heeft doen prediken, nu is niemand meer te verontschuldigen. Ja, zij die den weg geweten en dien niet bewandeld hebben, zij zullen, naar luid van Gods onfeilbaar Woord, met vele slagen geslagen worden. Dat ligt evenwel niet aan zijne komst, evenmin aan het evangelie, want dat alles had geen ander doel dan zalig te maken, wat verloren was; maar dat spruit voort uit

ocr page 332

328

hunne eigene onbekeerlijke harten. Dat Hij tot een oordeel in de wereld gekomen is, dat Hij voor velen een steen des aanstoots en eene rots der ergernis was, vloeide niet uit zijne persoonlijkheid voort, maar kwam daar vandaan, dat de duisternis het licht niet verdragen kon. Wat ligt er nu toch meer voor de hand, dan dat degenen, die de aangebodene hand der genade hardnekkig weigeren, Hem zullen ontmoeten als een vertoornd Rechter, wiens rechtvaardigheid niet door zijne barmhartigheid is te niete gedaan, en die als een jaloersch God, die ijverig is op zijne eere, een grimmig Wreker en een geducht Straffer van het kwade zal zijn? En datzelfde geldt met betrekking tot zijn evangelie. Of lezen wij niet, dat het „eene kracht Gods tot zaligheid is een iegelijk, die gelooftquot;, wat door Paulus in zijn Corintherbrief nog nader omschreven wordt, als hij zegt, dat het „dezen wel een reuk des doods, maar genen een reuk des levens ten levenquot; is. Met „het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woordquot; moeten de dienaren des evangeliums den krijg aanbinden tegen alles, wat zich tegen dat Woord verzet Daarop beroept de apostel zich dan ook, als hij in 2 Oor. 10 zegt, dat zijne wapenen niet vleeschelijk zijn, maar krachtig door God, tot nederwerping der sterkten ; dat hij daarmede de overleggingen terneder werpt, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennisse Gods, en alle gedachte gevangen leidt tot de gehoorzaamheid van Christus. Het evangelie is in de eerste plaats voor de geloovigen, opdat het hun tot zaligheid moge gedijen, maar de ongeloovigen en hardnekkigen zullen daarom niet ongestraft blijven. Zij, die hier, aan deze zijde des grafs, de genade van onzen Heere Jezus zullen veracht hebben, zullen in den dag der dagen gedaagd worden voor de vierschaar van een rechtvaardig Rechter, die hun vergelden zal, naardat zij in dit lichaam gedaan hebben.

ocr page 333

329

Zoo ziet men, hoe de Zone Gods niet gekomen is, om de wereld te oordeelen, maar om haar zalig te maken, en hoe Hij andererzijds toch getuigen kon : „Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomenquot;.

Ten slotte nog deze opmerking. Als de Heere Jezus zegt: „Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomenquot;, dan moet dat woord „oordeelquot; niet in zijne eigenlijke beteekenis worden opgevat, alsof daarmede de straf bedoeld wordt, die komen zal over de hardnekkigen en de verachters van Hem en zijn Woord. Neen, dat Hij tot een oordeel gekomen is, strekt ook tot „de genade der verlichtingquot;, waardoor Hij naar den wonderbaren raad van zijn wil, tegen alle wijsheid en vernuft der menschen in, de verwarde zaken weer op orde heeft gebracht.

XCIV.

„En ik weet, dat zijn gebod het eeuwige leven isquot;

Joh. 12 : 50a.

„De wet is de bediening des doods, in letteren bestaande en in steenen ingedruktquot;.

2 Cor. 3 : 7.

AULUS noemt de wet niet alleen eene bediening des doods, maar ook der verdoemenis. En dat zeer terecht. Want de mensch wordt ernstig vermaand, te doen het-gene in de wet bevolen is, onder bedreiging van straf indien hij het niet doet. , Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgene geschreven is in het boek der wet, om dat te doenquot;. Wanneer de mensch zich echter tegenover die

ocr page 334

330

wet plaatst en daarin zijne aangeborene gedaante bemerkt, dan wordt hij er als vanzelve toe gedwongen, te gevoelen, dat hij vanwege zijne zonden des doods schuldig is. De wet schrijft hem het vonnis der verdoemenis voor ; immers. God vordert, dat die wet volkomenlijk zal gehouden worden, en de mensch gevoelt vanfzijne zijde, dat hij daartoe de kracht mist; ja, dat hij dagelijks in velen struikelt. De wet is eene bediening des doods; zij zegt alleen, hoe het wezen moet, en geeft den regel aan, waarnaar geleefd moet worden, zonder evenwel het harte te veranderen tot ware gehoorzaamheid. De wet verkondigt den eeuwigen dood aan hare overtreders en daarom mag ze ook de bediening der verdoemenis genoemd worden. De wet is als het ware een arts, die wel de ziekte aanwijst, maar geene middelen ter genezing voorschrijft. Zoo ook wijst de wet den mensch wel op zijne zonden, maar laat hem dan verder, gelijk hij is. Zij is dus eene bediening des doods en der verdoemenis.

Willen wij nu deze uitspraak vergelijken met hetgene wij lezen in Joh. 12 : 50, dan dienen wij te letten op de tegenstelling, die er bestaat tusschen wet en evangelie.

In het voorgaande vers betuigt de Heere Jezus met allen ernst: „Ik heb uit mijzelven niet gesproken ; maar de Vader, die mij gezonden heeft, die heeft mij een gebod gegeven, wat ik zeggen zal, en wat ik spreken zalquot;, en laat daarop dan volgen : „En ik weet, dat zijn gebod het eeuwige leven isquot;.

En met betrekking tot de wet verklaart Paulus, gelijk wij zagen, dat zij in letteren bestaat en in steenen is ingedrukt. Zij was dus niets anders dan eene doode letter, eene uitwendige leer. Zoolang zij alleen in steenen tafelen was ingedrukt, moest zij zwak zijn. Dat gebrek der wet nu moest door het evangelie worden verbeterd, dat een heilig en onverbrekelijk

ocr page 335

331

gebod is, omdat het door den Heiligen Geest is vastgemaakt. Gelijk de wet eene bediening des doods en der verdoemenis, zoo is het evangelie de bediening der gerechtigheid en dienvolgens ook des levens. Door het evangelie worden nabij gebracht zij, die verre waren; en door de vergeving der zonde, die uit genade geschiedt, wordt de mensch wederom geboren en met God verzoend. Hebben wij zoo straks gezegd, dat de wet een arts is, die wel de ziekte aanwijst, maar geene middelen ter genezing voorschrijft, dat mag niet getuigd worden van het evangelie, dat het middel aanwijst zelfs jvoor hen, die meenden, dat het met hen buiten hope was. Doet de wet den mensch het vonnis des doods in de ooren klinken: „De ziel, die zondigt, zal stervenquot;, het evangelie brengt hem de blijde boodschap : „God was in Christus de wereld met zichzelven verzoenende, hun hunne zonde niet toerekenendquot;. Die blijmare des heils roept hem toe: „Dit is de weg, wandelt in denzelvenquot;, en opent hem de poort, die ten eeuwigen leven leidt.

Wij besluiten dus, dat het der wet eigen is, den mensch te dooden, omdat alle degenen, die onder haar blijven, den vloek zijn onderworpen. In het evangelie daarentegen wordt „de rechtvaardigheid Gods geopenbaard uit geloof tot geloof\' en daarom is het „eene kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooftquot;.

ocr page 336

332

XCV.

„Een nieuw gebod geef ik u, dat gij malkanderen liefhebt ; gelijk ik u liefgehad heb, dat ook gij malkanderen liefhebtquot;.

Joh. 13 : 34.

„Broeders ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een oud gebod, dat gij van den beginne gehad hebtquot;.

1 Joh, 2 : 7a.

deze beide Schriftuurplaatsen wordt over hetzelfde onderwerp gehandeld, n.1. over de liefde, die de geloovi-gen onder elkander moeten hebben. Des te grooter schijnt dus de tegenstrijdigheid te zijn, waar Johannes in zijn evangelie schryft: „Een nieuw gebod geef ik uquot;, en in zijn brief verklaart, dat het geen nieuw, maar een oud gébod is.

Wat wil de Heere Jezus daarmede te kennen geven, als Hij zegt: „Een nieuw gebod geef ik u, dat gij malkanderen liefhebtquot; ?

De wet der liefde heeft voor den mensch te allen tijde bestaan en alles, wat met de liefde in strijd is, is steeds verboden geweest. De hoofdinhoud van de wet der tien geboden is: liefde. Het eerste en groote gebod is; God lief te hebben boven alles; en het tweede, aan dit gelijk, is: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven. De Heere Jezus kon dus niet in dien zin tot zijne discipelen zeggen : „Een nieuw gebod geef ik uquot;, alsof het vroeger niet bestaan had en het thans voor het eerst was, dat Hij hun dit gebod gaf. Neen, Hij deelt het hun slechts bij vernieuwing mede; het bevel, dat reeds bestond, vaardigt Hij opnieuw uit. En dit behoeft ons niet te verwonderen. Hoe

ocr page 337

333

vaak geschiedt het, dat een bevel in den beginne naarstig onderhouden en stipt nageleefd wordt; langzamerhand vermindert dit echter, meer en meer verdwijnt het uit de gedachte en ten slotte wordt het ganschelijk vergeten en niet meer nageleefd. Uit dien hoofde nu brengt de Heere Jezus het gebod der liefde bij vernieuwing onder de aandacht, opdat het des te dieper in de harten ingeprent worde. Hij wil, dat dit gebod nimmer vergeten worde, maar dat men het steeds als „een nieuw gebodquot; voor oosjen houden zal. Hij vermaant de geloovigen, dat zjj malkanderen zullen liefhebben ; dat zij zich niet van dit gebod zullen laten aftrekken ; dat hetgene Hij bevolen heeft met betrekking tot de lielde, steeds door hen zal onderhouden worden.

Het schijnt wel, dat de apostel Johannes ook van deze gedachte uitgaat, want als hij gezegd heeft: „Broeders, ik schrijf u geen nieuw gebodquot;, dan laat hij er onmiddellijk op volgen ; „Wederom schrijf ik u een nieuw gebodquot;. Dat gebod noemt hij dus nieuw, waarmede hij te kennen wil geven, dat God het vernieuwt door hetzelve iederen dag te geven, opdat de geloovigen zich daarin oefenen alle de dagen huns levens. Er is niets, waarnaar de geloovige meer met inspanning van alle krachten jagen moetr dan naar de onderhouding van het gebod der liefde. Het onderwijs, gelijk een kind dat in zijne jeugd ontvangt, houdt op, als hij op rijperen leeftijd komt. Maar zoo is het niet met de leer der broederlijke liefde, deze blijft altijd hare kracht behouden. ,

In zijn eersten zendbrief schrijft Johannes echter : „Broeders, ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een oud gebod, dat gij van den beginne gehad hebtquot;. Dit doet de apostel voorzeker met het oog hierop, dat de mensch gewoonlijk liever bij het oude blijft en wars is van iets nieuws. En dit te meer nog, waar het de liefde tot zijne naasten geldt. Die liefde legt den

ocr page 338

334

mensch een last op, voor velen menigmaal te zwaar, om te dragen. Daarom zegt Johannes, dat dit gebod der liefde niet nieuw, maar oud is. Hij leert zijne broeders niets anders, dan hetgene zij al lang wisten ; het is een gebod, dat zij van den beginne gehoord hebben en dat reeds oud geworden is. Men kan het ook zóó verklaren en zeggen, dat Johannes het daarom een oud gebod noemt, omdat de Heere Jezus in het evangelie geen ander gebod geeft, dan dat hetwelk van ouds onder de wet gegeven was. Hij spreekt hier eigenlijk van de eerste beginse» len des evangeliums, om daarmede te kennen te geven, dat het geene ongewone of nieuwe zaak is. Hij noemt het een oud gebod, niet alsof hij daarmede zeggen wilde, dat het reeds van over langen tijd aan de vaderen gegeven was, maar omdat zij het reeds geleerd hadden van het eerste oogenblik, dat zij tot de kennis der waarheid gekomen waren. Welk eene heer lijke versterking voor ons geloof, te vernemen, dat hetzelfde gebod ons door denzelfden Heere Jezus gegeven is, van wien wij het evangelie hebben ontvangen.

ocr page 339

335

XCVI.

„Ik heb u vrienden genoemd; want al wat ik van mijnen Vader gehoord hel), dat heb ik u bekend gemaaktquot;.

Joh. 15 : 156.

„Nog vele dingen heb ik u te zeggen, doch gij kunt die nu niet dragenquot;.

Joh. 16 ; 12.

^LS onze Heere Jezus tot zijne discipelen zegt, dat Hij hun nog vele dingen heeft mede te deelen, maar dat zij die nu nog niet dragen kunnen, dan heeft Hij niet het oog op nieuwe dingen, waarvan zij te voren nog nooit gehoord hebben, maar ziet op hunne eenvoudigheid en zwakheid, waaraan niets veranderd kan worden, voordat de Heilige Geest zal gekomen zijn. Immers, Hij heeft zijnen discipelen dien Geest beloofd, die hen in al de waarheid leiden zal. De Heilige Geest zal geene nieuwe openbaringen doen, wat duidelijk blijkt, als Jezus zegt, dat de Geest het hun in gedachtenis brengen zal. Maar hierin is juist de zwakheid van den mensch gelegen, dat hij, zoolang de Heilige Geest zijn hart niet vernieuwt en hem inwendig leert, niet verstaat wat tot zijne zaligheid dienende is. Het was niet mogelijk, dat de apostelen, hun nood recht gevoelende, niet in grooten angst zouden verkeeren. Daartegen nu geeft de Heiland hun een goed middel. Hij troost hen met deze belofte, dat zij, wanneer zij den Heiligen Geest zullen ontvangen hebben, nieuwe schepselen zullen worden. Dit doet de Heere, om hun des te beteren moed in te spreken en meerdere hope te geven; zij zullen van kracht tot

ocr page 340

336

kracht steeds voortgaan; zij moeten zien op de genade, die hun toegezegd is, en niet blijven staan bij hun tegenwoordigen toestand, waarin door de uitstorting des Heiligen Geestes eene groote verandering zal plaats grijpen. In één woord: al zijn zij nu nog zwak, met het oog op de gegevene belofte wil de Heere, dat zijne jongeren moed zullen vatten. Wij besluiten dus, dat hier geene belofte gedaan wordt van eene nieuwe openbaring. Met betrekking tot godsdienstige zaken moeten geene mensche-lijke ordonnantiën of vonden gelden; dat zou zijn, alsof Jezus Christus de zijnen riep tot zulke verborgene dingen, die hooger waren dan de Schrift. Wie zal er, nadat onze Heere Jezus opgehouden heeft met zijn lichamelijken mond te spreken, opstaan en zeggen : Dit of dat is door den Zone Gods gezegd ? En zoo er al iemand dit stoute stuk durft bestaan, waarmede zal hij dan dit gezegde bewijzen ? Wie ter wereld zou zoo opgeblazen en lichtvaardig zijn, met betrekking tot zijne woorden te verklaren, ook al zijn zij de volle waarheid, dat zij dingen openbaren, die nooit tevoren door den Heiligen Geest zijn medegedeeld ? Daarbij komt, dat die Geest, welke aan de apostelen beloofd was, de Geest der waarheid en der wijsheid, des verstands en der kennisse genoemd wordt. Hij zou de apostelen in alle waarheid leiden. Hij zou hen meer en meer tot hunne taak bekwamen, hen besturen en regeeren, hen voortdurend in wijsheid doen toenemen. Onder de leiding van dien Geest hebben de apostelen dan ook hun ambt volvoerd, dat hun door Christus was opgedragen. Die Geest heeft hen vooral geleid, toen zij hunne leer in geschrifte hebben gebracht. Wanneer men dus deze hunne leer voor onvolkomen houdt, er iets aan toevoegt of er iets van afdoet, dan beschuldigt men de apostelen van ontrouw en, wat veel meer zegt, dan lastert men den Heiligen Geest. Voorzeker, was de

ocr page 341

337

leer, die ons in Gods Woord staat opgeteekend, gevloeid uit het brein van de jongeren of van lieden, die slecht onderwezen waren, dan gaf het niets, al deed men er iets bij of af, want dan was het de arbeid van een mensch, wiens werk altoos feilbaar is. Maar de Heilige Schrift is „niet voortgebracht door den wil eens menschen, maar de heilige naenschen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.quot; Die bijstand des Heiligen Geestes was dezen „heiligen menschen Godsquot; beloofd en is hun ook geworden, zoodat het dus ten eenenmale onmogelijk is, eenig woord dier Schrift in twijfel te trekken, zonder den Heiligen Geest groot ongelijk aan te doen.

Wanneer wij dit alles goed in het oog vatten, dan zal het ons, naar wij hopen, duidelijk zijn geworden, dat er tusschen deze beide Schriftuurplaatsen niet het minste verschil bestaat. Tevens zal ons bij vernieuwing gebleken zijn, hoe oneindig groot de ontfermende goedheid Gods is jegens de geloo-vigen. Niets heeft Hij hun verzwegen, van wat tot hunne zaligheid dienende was. Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat zij dan van stonde aan bekwaam zijn, om alles te begrijpen. Volstrekt niet. Als de Heere Jezus zegt: „Nog vele dingen heb ik u te zeggenquot;, dan is dat ganschelijk niet in strijd met hetgene Hij in het voorgaande hoofdstuk gezegd heeft: „Al wat ik van mijnen Vader gehoord heb, dat heb ik u bekend gemaaktquot;; immers, die „vele dingenquot;, die Hij nog te zeggen had, waren geene nieuwe zaken, die tot op dien tijd onbekend geweest waren. Neen, alles, wat Hij van zijn Vader gehoord had, had Hij Hun bekend gemaakt, maar zij verstonden alle dingen nog niet; er was nog zooveel, dat zij niet begrijpen konden, en daarom bleven er nog vele dingen te zeggen over, die zij nu toch niet dragen konden. Niets heeft Hy zijnen jongeren achter-

22

ocr page 342

388

gehouden; Hij heeft milder met hen gehandeld, dan eenig aard-sche meester met zijn knecht doet. Hij heeft met eene vriendelijke liefde en met taai geduld de verborgenheden der hemelsche wijsheid uitgelegd, gelijk Hij die van zijn Vader gehoord had.

Om echter alle misverstand te voorkomen, moeten wij hierbij aanstonds opmerken, dat in de uitdrukking: „Al, wat ik van mijnen Vader gehoord hebquot;, dat woordje „alquot; alleen betrekking heeft op den persoon en het ambt van den Middelaar. Overigens wisten natuurlijk de discipelen niet alles, wat den Zone Gods bekend was. Dat ware trouwens niet mogelijk geweest! Tot zulk een hoog standpunt konden zij niet opklimmen. De wijsheid Gods is onbegrijpelijk, nochtans heeft de Heere aan een iegelijk eene zekere mate van die wijsheid medegedeeld, naardat Hij wist, dat noodig en nuttig was. Ook te dien opzichte is Jezus Christus de Middelaar geworden tusschen God en mensch ; Hij is tusschen die beiden in gaan staan, aangezien het den natuurlijken mensch ten eenenmale onmogelijk was, regelrecht uit de hoofdbron te putten. Christus is ingegaan in de schat-kameren van Gods wijsheid. Uit dat heiligdom heeft Hij geput en datgene, wat voor den mensch goed en nuttig was, heeft Hij hem als uit zijne hand toebedeeld. En waar Hij gekomen was, om de zaligheid der zijnen teweeg te brengen, heeft Hij hun geschonken, wat tot hun eeuwig welzijn dienende was. Gekomen om God en mensch met elkander te verzoenen, heeft Hij den vollen raad Gods aangaande de zaligheid verkondigd ; niets heeft Hij achtergehouden van hetgene zijn Vader Hem te dien opzichte bevolen had. En al verstaan wij niet aanstonds alle dingen, al is het ook voor ons menigmaal; „Gij zult het eerst na dezen verstaan,quot; dat verhindert natuurlijk Christus niet, den vollen raad Gods met betrekking tot de zaligheid van zondaren

ocr page 343

339

•aan zijne gemeente te laten verkondigen ; voor haar blijft het steeds eene noodzakelijke bede, te mogen toenemen in de kennis en in de genade van onzen Heere Jezus Christus. Evenals met betrekking tot al het Goddelijke en hemelsche, geldt ook van de wijsheid Gods: hier op aarde is zij onvolmaakt en slechts ten deele. Indien die wijsheid voor ons een gesloten en verzegeld boek is, dan moet dat aan onze eigene onkunde en zwakheid worden toegeschreven en mag men nooit van de gedachte uitgaan, dat onze Heere Jezus in het volvoeren van zijn Middelaarsambt ook maar in eenig opzicht nalatig geweest is.

XGVII.

„Ik zeg u niet, dat ik den Vader voor u bidden zalquot;.

Joh. 16 ; 265.

„Christus is het, die ook voor ons bidtquot;.

Eom. 8 : 336.

Ei apostel Johannes begint het tweede hoofdstuk van zijn eersten brief aldus: „Mijne kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt; en indien iemand gezondigd heeft, wij hebben eenen Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den rechtvaardigequot;. De geloo-vige is nog verre verwijderd van de volkomene gerechtigheid, ja, wat meer is, hij maakt zijn schuldenlast iederen daggrooter. Dat beangstigt de geloovigen vaak, want de zonde smart hen. .Maar gelukkig, er bestaat een goed geneesmiddel en dat Js: de toevlucht te nemen tot Jezus Christus. Dat verschaft

ocr page 344

340

hem een rijken troost, temidden van de vaak hevige droefheid!\' Hij is die versche en levende weg, langs welken zij met vrijmoedigheid mogen naderen tot den troon der genade, om in zijn bloed verzoening af te smeeken over alle hunne zonden !: Dat God hen in den Zoon zijner liefde aanzien, hun gebed hooren en verhoeren wil, ziet — dat is de vaste grond, waarop hunne bezwaarde consciëntiën rusten en steunen ; in Hem kunnen zij voor God gerechtvaardigd worden ; op Hem is de hope hunner zaligheid gebouwd. Zonder Hem vermogen zy niets,, zelfs niet te bidden, gelijk het betaamt; zonder Hem ziin hunne monden onrein, hunne lippen bezoedeld, hunne gebeden zondig. Maar de Zone Gods is hun mond, en door Hem spreken zij dingen, welke Gode aangenaam zijn. Hij is hun altaar, waarop zij hunne gebeden offeren en waarvan de reuke liefelijk opstijgt tot hun Vader, die in de hemelen woont. Hij. is hun oog, waarmede zij, die door de zonden aan het stof zijn gekluisterd, weer vrij durven op zien tot God in den hemel, om, in het aangezicht van den Zoon zijner liefde, den onnaspeurlijken rijkdom zijner liefde en goedheid te aanschouwen. Hij is hun Voorspraak bij den Vader. Hij bidt voor hen. Nu moeten wij ons van deze voorbidding geen verkeerd denkbeeld vormen. Als de Zone Gods voor de zijnen bidt, dan ligt Hij niet op de knieën, dan vouwt Hij de handen niet en heft ze evenmin omhoog. Paulus laat dan ook aan deze woorden voorafgaan:. .Christus is het, die gestorven is, ja wat meer is, die ook opgewekt is; die ook ter rechterhand Gods is.quot; En hierop valt voor ons de nadruk. Zijn dood en zijne opstanding is ééne voortdurende bede ; zü hebben de kracht van een levendig gebed. Op grond van die volkomme offerande, waarvan het zitten „ter rechterhand Godsquot; het bewijs is, eischt Hij de zaligheid der zijnen.

ocr page 345

341

Zijn Vader heeft ze Hem gegeven; zij zijn de zijnen. Waar Hij voor hen volkomen betaald heeft, mogen z\\] zich van Gods gunat vergewissen en zich verzekerd houden, dat hun gebed, in Zijn naam opgezonden, verhooring erlangen zal.

Maar hoe kan de Heere Jezus dan in Joh. 16 zeggen: „Ik zeg u niet, dat ik den Vader voor u bidden zal ?quot; En ook, wat zal het ons baten, zoo wij onze gebeden opzenden, indien Christus niet ome Voorspraak bij den Vader ia ? Hoe is dit te rijmen met hetgeen Paulus in Rom. 8 zegt, dat Chriatus wel voor ons bidt, en met de uitspraak van Johannes in zijn eersten brief, dat Hij wel onze Voorspraak is ?

Deze uitspraken kan men gemakkelijk met elkander in overeenstemming brengen. De Heere Jezus zegt niet, dat Hij hun Voorspraak niet meer wezen wil. Hij wil hun juist te kennen geven, dat zijn Vader zoo bereid ia, om zijne discipelen wél te doen, dat Hij hun gansch vrijwillig geven zal, wat zij van noode hebben. Uit kracht van de groote liefde, die de Vader hun toedraagt, zal Hij hun doen toekomen, wat zij noodig hebben, ook zonder dat zijn Zoon hun Voorspraak geweest is. Daarom laat Johannes er onmiddellijk op volgen: „Want de Vader zelf heeft u lief, dewijl gij mij liefgehad hebt, en hebt geloofd, dat ik van God ben uitgegaan.quot;

Dit blijft evenwel waar, dat de Vader geen gebed verhoeren zal, dan wanneer het opgezonden wordt in den naam zijna Zoons. Maar eveneena staat het vast, dat wanneer God begint, ona lief te hebben, zijne liefde dan zoo groot is, dat Hij ona voorkomt met allea, wat ona noodig is, om ons tot Hem te hrengen.

ocr page 346

342

xcvm.

„Ik bid niet voor de wereldquot;.

Joh. 17 : 9a.

„En hij is eene verzoening voor onze zonden ; en, niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der geheele wereldquot;.

\' 1 Joh. 2 : 2.

E geloovigen\'moeten er zich te allen tijde van verzekerd en overtuigd houden, dat de reinigmaking, die door Jezus Christus verworven is, zich uitstrekt tot alle. degenen, die het evangelie door het geloof hebben aangenomen. Zij mogen nimmer van de gedachte uitgaan,, dat deze weldaad zich bepaalt tot enkele personen of bijzondere tijden.

Nu zou men de vraag kunnen stellen: Hoe kan het geschieden dat Hij eene verzoening is „voor de zonden der geheele wereldquot; ? Er zijn er geweest, die op grond van deze uitspraak van de gedachte uitgingen, dat cdle menschen zalig worden. Ja zelfs, dat de zaligheid ook den duivelen bereid was! Deze meening is echter te ongerijmd en mist te zeer allen grond, om er lang bij stil te staan. Wij zouden natuurlijk kunnen volstaan met de opmerking, dat de zoenverdiensten van onzen Heere Jezus voldoende waren tot behoud van alle menschen, maar dat zij slechts zijnen geloovigen ten goede komen. Bovendien wijzen wij er op, dat deze weldaad der verzoening door Johannes op de gansche gemeente in het algemeen wordt toegepast. In dien zin komt het woord „wereldquot; meermalen in de Schrift voor. Zoo o. a. in het Hoogepriesterlijke gebed, waar

ocr page 347

343

Jezus zegt: ,Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen, die door hun woord in mij gelooven zullen : opdat de wereld geloove en bekenne, dat Gij mij gezonden hebtquot;. Als hij spreekt van de geheele wereld, dan zijn daaronder de verworpenen niet begrepen, maar dan heeft hij het oog op de geloovigen, gelijk zij in de verschillende landschappen over de gansche wereld verspreid zijn. Johannes wijst hier in zijn brief juist op den grooten rijkdom van Gods genade. Hij laat duidelijk uitkomen dat deze niet weggelegd is voor enkele personen, of zich slechts openbaart op bijzondere tijden, dat zij zich niet uitstrekt tot een bijzonder volk, gelijk de Joden dat meenden; maar dat zij het deel is van alle uitverkorenen over de geheele wereld. Immers, zoowel uit het Oosten en Westen, als uit het Noorden en Zuiden zullen er komen en aanzitten met Abraham, Izak en Jakob! Christus heeft de zijnen Gode gekocht door zijn bloed uit alle geslachten en talen, natiën en volken!

Als Johannes in zijn evangelie met betrekking tot Christus verklaart, dat Hij niet voor de wereld bidt, dan neemt hij het woord „wereldquot; in een anderen zin. Hier verstaat hij onder de wereld de verworpenen. Waar Christus met betrekking tot hen verklaart, dat Hij niet voor hen bidt, daar betoont Hij klaar en duidelijk in alles, naar den wil en het welbehagen van zijn Vader, te handelen. Hij bidt alleen voor diegenen, die zijn Vader vrijwillig liefheeft. Hij bidt niet voor hen, die buitengesloten zijn uit het koninkrijk Gods, aangezien zijne zorg zich alleen uitstrekt tot de schapen, die Hij uit de hand des Vaders ontvangen heeft.

Nu zou men kunnen zeggen, dat hierin toch eene ongerijmdheid schuilt. Ons wordt bevolen, te bidden voor alle men-schen, terwijl Christus zelf niet voor allen bidt. Daarbij komt

ocr page 348

344

nog, dat wij ons gebed naar geen beter voorschrift kunnen regelen dan naar dat, hetwelk ons door den Heere Jezus zelf nagelaten is, en Hij heeft toch ook voor allen zonder onderscheid gebeden, want aan het hout des kruises bad Hij : „Vader vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doenquot;.

Hoe is dit nu te rijmen, dat Christus ons beveelt, voor allen te bidden, dat Hij zelf aan het hout des kruises voor allen bad, terwijl Hij daarentegen in Joh. 17 zegt, niet voor de wereld te bidden ?

O zeker, wij behooren voor een ieder te bidden, maar onze gebeden komen alleen den geloovigen ten goede. Wij moeten voor een ieder bidden, dat hij zalig worde, maar dat komt daar vandaan, dat wij de uitverkorenen en de verworpenen niet van elkander kunnen onderscheiden. Trouwens, als wij de bede opzenden „Uw Koninkrijk komequot;, dan bidden wij tevens, dat God den troon des satans ternederwerpen en zijne vijanden verpletteren zal. Wij moeten bidden om de zaligheid van alle degenen, die naar het beeld van God geschapen zijn en met ons dezelfde natuur omdragen ; maar tevens laten wij het oordeel over aan Hem, wien het rechtvaardig toekomt, die de zijnen kent, even goed als Hij weet, wie Hij tot vaten des toorns gesteld heeft.

Met den Zone Gods staat dit evenwel anders. Hij kan die onderscheiding maken. Hij weet, wie er behouden worden en wie er verloren gaan. Hij kent de schapen uit de bokken en het kaf onder het koren. Hij is ingegaan in het binnenste heiligdom en ingewijd in de Goddelijke geheimen zijns Vaders ; de boeken liggen voor Hem geopend; Hg is bekend met de verborgene oordeelen zijns Vaders. Hij weet, dus voor wie Hij bidden moet en voor wie niet. En waar Hij niets doet, wat in strijd is met den wil zijns Vaders, bidt Hy ook niet voor hen, die door zijn Vader verworpen zijn.

ocr page 349

345

f

Hij is dus eene verzoening voor alle uitverkorenen over ■de gansche wereld; voor hen allen is Hij een Voorspraak bij zijn Vader; Hij bidt voor hen, gelijk wij in onze vorige beschouwing zagen. Maar Hij bidt niet voor de wereld der verworpenen, aangezien dat in strijd zou zijn met den wil des Vaders, die hen uit het koninkrijk der hemelen heeft buitengesloten.

XCIX.

„Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en ooren, gij wederstaat, altijd den Heiligen Geest, gelijk uwe vaders, alzoo ook gijquot;.

Hand. 7 : 51.

„Gij zult dan tot mij zeggen: Wat klaagt Hij dan nog? Want wie heeft zijnen wil wederstaanquot;.

Eom. 9 : 19.

^LS Paulus in Rom. 9 de vraag stelt: „Wie heeft zijnen wil wederstaanquot;, dan plaatst hij zich op het standpunt dier booze en opgeblazene lieden, die zich niet onthouden kunnen, met vollen mond op te komen tegen Gods gerechtigheid. Door deze vraag wordt hunne gezindheid zeer juist weergegeven ; niet tevreden zijnde, met zichzelven te verdedigen, gaan zij nog verder en stellen God in hunne plaats. Zij werpen de schuld hunner verdoemenis op Hem ; zij verzetten .zich tegen Hem. Maar zijne macht is onoverwinnelijk en daarom worden zij ten slotte gedwongen te bekennen, dat Hij rechtvaardig is en zij allen te zamen zondaars zijn. Dit geschiedt echter niet zonder tegenspreken. Maar weerstaan kunnen zij Hem

ocr page 350

346

niet, en nu moet hunne tegenspraak den dienst doen van een protest. Gemelijk en morrend komen de vragen bij hen op: „Waarom vertoornt God zich zoo schrikkelijk over ons ? Wat kunnen wij het helpen, waar Hij toch met een ieder onzer doet, naardat het Hem behaagt ? Wat klaagt Hij dan nog ? Hij ontfermt zich, wiens Hij wil, en Hij verhardt dien Hij wil! Wie zou zijn wil kunnen wederstaan ? Immers niemand, want Hij heeft ons zóó geschapen, dat wil zijn wil en zijn welbehagen moeten doen ! Als Hij ons der verdoemenis prijs geeft, wat doet Hij dan anders dan zich wreken op ons, die het tegen Hem toch niet kunnen uithouden ? Waarom zouden wij zijn wil wederstaan, waar wij van te voren weten, dat Hij de overwinning behaalt? Deze gansche murmureering heeft geen ander doel, dan verzet aan te teekenen tegen de handelwijze Gods. Duidelijk spreken zij daarmede uit, dat zij het een onrechtvaardig vonnis achten, indien God hen veroordeelt.

Het feit op zichzelf is evenwel volkomen waar. Niemand is bij machte, weerstand te bieden aan den wille Gods, die altijd heilig, wijs en goed is en overeenkomstig welken Hij alle dingen werkt naar den raad zijns welbehagens. Maar nu gaat het niet aan, ja, het is door en door zondig en verkeerd, met God te twisten, als de oorzaken van den goeden en welbehagelijken wil voor ons verborgen zijn. Wij, nietige stofbewoners, die in vergelijking met den Heilige en Verhevene minder dan niet en ijdelheid zijn, mogen Hem niet vragen, waarom Hij het zóó en niet anders doet. Zonder eenig tegenspreken hebben wij te hooren, wat God de Heere tot ons te zeggen heeft. In stilheid moet onze sterkte zijn. Ook al begrijpen wij het niet, dan moeten wij nog gelooven, dat zijn doen enkel majesteit en aanbiddelijke heerlijkheid is. Al voert zijn wil ons in een weg, die

ocr page 351

347

tegen vleesch en bloed ingaat en waarvan wij het „waaromquot;\' niet verstaan, dan nog moeten wij in stille gehoorzaamheid des harten gelooven, dat Hij ons leidt naar zijn raad, dat Hij niet plaagt uit lust tot plagen, maar dat Hij alles zal doen medewerken ons ten goede. In allen weg, waarin zijne ondoorgrondelijke wijsheid ons brengt, stille te zijn en de hand op den mond te leggen, het is zoo heerlijk, maar vaak zoo moeilijk, er is zooveel genade toe noodigl En toch — zoo moest het altijd zijn, want wij mogen zijn wil niet wederstaan ! Of — is het geene verregaande opgeblazenheid, wanneer de mensch Gode niet meer wijsheid toekent dan zichzelven ? En dit toch doet de mensch, wanneer Hy den wille Gods niet goedkeurt, en dat om geene andere dan deze reden, dat hij hem niet begrijpt. En — is het niet door en door vermetel en goddeloos, als de mensch tegen God in opstand komt, omdat hetgene God gedaan heeft niet in overeenstemming is met den menschelijken wil ? Moeten wij tegenover dezulken niet met Paulus uitroepen: „Maar toch, o mensch, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengene, die het gemaakt heeft, zeggen : waarom hebt gij mij alzoo gemaakt ? Heeft de pottenbakker geene macht over het leem, om uit denzelfden klomp te maken het ééne een vat ter eere, en het andere ter oneere ?quot;

Maar nu is er nog een andere wil van God en daarvan spreekt Stephanus, als hij zich in Hand. 7 voor den Joodschen raad verantwoordt. God wil, gelijk wij in ons vorig betoog zagen, dat alle menschen zalig worden. Het evangelie der genade laat Hij allen aanbieden. Hij heeft zijne jongeren uitgezonden, om de blijmare des heils te doen hooren „aan alle creaturenquot;. Die wil van God kan den mensch dus alleen onbekend zijn door de boosheid en hardigheid zijns harten. Welnu, wanneer dezulken

ocr page 352

348

de genade, die God hun van zijnentwege laat aanbieden, verwerpen, dan wederstaan zij den Heiligen Geest. En immers dat deden de Joden! Wat was er aan het volk van Israël meer te doen, dat God aan hen niet gedaan had ? Mocht Stephanus, staande tegenover „allen, die in den Raad der Joden zatenquot;, niet vrijmoedig getuigen: „Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en ooren, gij wederstaat altijd den Heiligen Geest; gelijk uwe vaders, alzoo ook gijquot; ?

Hetgene wij dus bij de beschouwing van deze beide Schriftplaatsen wèl in het oog moeten houden, is, dat Paulus spreekt over de verborgene gedachte Gods, waardoor Hij „alle dingen werkt naar den raad zijns willensquot;, terwijl Stephanus doelt op den geopenbaarden wil van God, gelijk Hij ons dien uit zijn Woord laat bekend maken.

ocr page 353

349

C.

„Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen ?quot;

Hakd. 15 : 10.

„Want dat is de liefde Gods, dat wij zijne geboden bewaren; en zijne geboden zijn niet zwaarquot;.

I Joh. 5 : 3.

NZE eigene ervaring, zoowel als de gansche Heilige Schrift,-predikt het ons eenparig en luide, dat het juk der wet ondragelijk is. En dit ligt ook alleszins voor de hand. De ware onderhouding der wet eischt van ons, dat wij onszelven verloochenen, en wie durft zeggen, dat dit den mensch gemakkelijk valt? Daarbij komt nog, dat de wet geestelijk is en dat wij van nature vleeschelyjk zijn, verkocht onder de zonde. Het kan dus niet anders, of er moet een groot verschil zijn tusschen Gods wet en ons.

Waar nu Paulus met betrekking tot de wet in Hand. 15 getuigt, dat zij „een jukquot; is, dat zelfs de „vadersquot; niet dragen konden, daar spreekt hij niet alleen van hetgeen de menschen werkelijk gedaan hebben, maar hij legt den maatstaf aan naar datgene, wat zij bij uiterste inspanning van alle krachten zouden hebben kunnen doen. Waarbij nog komt, dat hij niet het oog heeft op deze of gene personen, maar op de heilige vaders. En waar het hun onmogelijk was, het juk der wet te dragen, daar was het ten eenenmale ondoenlijk voor andere menschen. Paulus ziet hier niet alleen op het werk zelf of op den wil van den mensch, om het te volbrengen, maar inzonderheid op de-

ocr page 354

350

kracht en de macht, die er toe vereischt wordt. Hetzelfde getuigenis geeft Paulus van de wet, als hij in het 89t9 hoofdstuk van zijn brief aan de Romeinen zegt, dat het „der wet onmogelijk was, ons het leven te geven, dewijl zij door het vleesch krachteloos was\'. Zoo wie de wet volkomen houden kan, zal ook gewis in haar het leven vinden, dat zij belooft. Maar als Paulus zegt, dat het der wet onmogelijk is, den mensch het leven te geven, zoo kunnen wij daaruit gerust besluiten, dat zij eene gerechtigheid vordert, zóó groot, dat niemand die volbrengen kan. Ziende op de weinige kracht, die de mensch van nature bezit, om te doen hetgene in de wet bevolen wordt, kunnen wij gerustelijk zeggen, dat hij niet sterk genoeg is, om het juk der wet te dragen, ja, dat hij het zelfs niet verroeren kan. Hoe zou het ook anders kunnen? In zonde wordt de mensch ontvangen en in ongerechtigheid geboren ; het gedichtsel zijns harten is boos van zjjne jeugd aan en dagelijks struikelt hij in velen. Op de eerste bladzijden des bijbels lezen wij reeds: „En de Heere zag, dat de boosheid des menschen menigvuldig was op de aarde, en dat al het gedichtsel der gedachten zijns hart en te allen dage alleenlijk boos wasquot;. Als God dan ook uit den hemel schouwt, om te zien, of er nog iemand gevonden wordt, die goed is, dan luidt het: „Allen zijn ze afgeweken, te zamen zijn ze onnut geworden, er is niemand, die goed doet, ja zelfs niet tot één toequot;. Het bedenken des vleesches is vijandschap tegen God en onderwerpt zich zijner wet niet; ja, zoo voegt de apostel er aan toe, het kan ook niet. Na den val geldt dat droeve woord voor eiken en een iegelijken mensch, dat hij van nature vleeschelijk verkocht is onder de zonde. Wij moeten dus op grond van deze •en vele andere uitspraken van Gods Woord besluiten, dat erin den mensch geene kracht is, om den eisch der wet naar behooren

ocr page 355

351

en volkomen te volbrengen; zij ia voor hem een juk, dat veel te zwaar is, om te dragen.

Maar hoe kan Johannes dan in zijn eersten brief schrijven, dat Gods geboden niet zwaar zijn?

Het antwoord op deze vraag ligt voor de hand. De zwaarte van de wet ligt niet in de wet zelve, maar in de zwakheid van den mensch. Vandaar dan ook, dat Paulus, als hij betoogd heeft, dat het der wet onmogelijk was, den mensch het leven te geven, er aanstonds bijvoegt : „dewijl zij door het vleesch krachteloos isquot;. Als Paulus in de boven aangehaalde uitspraken over de wet spreekt, dan neemt hij de verdorvene natuur van den mensch in aanmerking. David daarentegen spreekt menigmaal over de wet op eene wijze, die hiermede in lijnrechten strijd schijnt te zijn. Toch is dit zoo niet. Maar David spreekt dan over degenen, die wedergeboren zijn door den Heiligen Geest. Dezen staan gansch anders «tegenover de wet. Zij zijn haar gunstig gezind. Hun lust is in des Heeren wet en zij overdenken haar dag en nacht (Psalm 1). Dezulken roepen naar luid van Psalm 119 uit: „Hoe lief heb ik uwe wet! zij is mijne betrachting den ganschen dag. Indien uwe wet niet ware geweest al mijne vermaking, ik ware in mijnen druk al lang vergaanquot;. Welnu, op datzelfde standpunt plaatst de apostel Johannes zich hier met betrekking tot de wet. Ook hij heeft het oog op de kinderen Gods. Voor hen zijn de geboden Gods niet zwaar, omdat zij ze niet in eigen kracht volbrengen, maar al hunne kracht is uit God, die er hen door de werking zijns Geestes toe bekwaamt. Dit neemt evenwel niet weg, dat ook de geloovigen nog een zwaren strijd te voeren hebben tegen hun eigen vleesch. O zeker, al doen zij hun uiterste best, dan kunnen zij nog niet ter helfte volbrengen, wat zij schuldig zijn

ocr page 356

352

te doen. Ja, het komt menigmaal zoo ver, dat zij onder den\' last bezwijken. Wij zien het in Paulus, den apostel bij uitnemendheid. Hoort slechts, hoe die held des geloofs in Romeinen 7 klaagt: „Ik weet — zoo zucht hij — dat in mij, dat is, in mijn vleesch, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet. Want het goede, dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Zoo vind ik dan deze wet in mij, als ik het goede wil doen,, dat het kwade mij byiigtquot;. Voorzeker, naar den inwendigen mensch heeft Paulus een vermaak in de wet Gods, maar hij ziet eene andere wet in zijne leden, welke strijdt tegen de wet zijns gemoeds en hem gevangen neemt onder de wet der zonde. Dat doet hem zuchten! Dat doet hem de klacht slaken : „Ik ellendig mensch! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods ?quot; Neen, ook de geloovigen gevoelen vaak de zwaarte der wet. Maar zil noemen Gods geboden niet zwaar, omdat zij ze van harte en gaarne opvolgen, omdat zij door hemelsche kracht gesterkt worden tot den strijd tegen de booze lusten huns vleesches. En al stelt dan hun vleesch zich menigmaal vijandig tegenover die geboden Gods, toch gevoelen zij,, hoe het hun lust en begeerte is. God te dienen en Hem gehoorzaam te zijn. Zij zien op de Vaderlijke goedheid Gods,, waardoor de gestrengheid der wet verzacht wordt. Zij troosten zich met de wetenschap, dat, al kunnen zij door hunne werken de wet niet volbrengen. God hun goedertieren gezind Is, en dit doet hen volvaardiger het pad van Gods geboden loopen. Dit was ook de troost van den man naar Gods harte.. Hij wist het: als de Heere zijne ongerechtigheden wilde gadeslaan, dan kon hij niet voor het aangezichte Gods bestaan; „maarquot; — en dat was zijn troost — „bij den Heere is vergevingquot;..

ocr page 357

353

Voor de geloovigen zijn dus Gods geboden niet zwaar. Zij ontvangen kracht van boven, om den eisch der wet te volbrengen en struikelen zij, dan nog geven zij den moed niet verloren, maar zeggen met David; „Bij u is vergeving, opdat Gij gevreesd wordtquot;.

Cl.

„Want zoovelen als er zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaanquot;.

Bom. 2 : 12a.

„De Heere is lankmoedig over ons, niet willende dat eenigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekeering komenquot;.

2 Petri 3 : 96 v. m. 1 Joh. 2 : 2.

,

is geene onwetendheid, hoe groot ook,die voor het gerichte Gods zou te verontschuldigen zijn. Hoewel sommigen nog verstoken zijn van de prediking des Woords, zoo hebben toch ook dezen van nature de wet Gods in hunne harten, welke hen voldoende bekend maakt met het onderscheid tusschen goed en kwaad. Er is derhalve geen mensch, hoe wild of barbaarsch ook, die niet door zijn geweten gedwongen wordt, het kwade te veroordeelen en het goede voor te staan. Terecht konden wij daarom zeggen, dat nooit eenig mensch vanwege zijne onwetendheid in het gerichte Gods zal worden vrijgesproken. Er is geene onwetendheid, die niet vermengd is met opgeblazenheid. Niemand komt om, dan door zijne eigene schuld. Zou er eenig mensch zijn, die het zaad van

23

ocr page 358

354

den godsdienst niet in het hart heeft ? \'t Is waar, de heidenen hebben geen Mozes gehad, die hun gegeven was, om hun de wet, naar het bevel van God, te verkondigen; maar zij mogen zich verontschuldigen, zooveel als zij willen, omdat zij geene wet gehad hebben, nochtans zal dat niet verhinderen, dat zij, door te zondigen, zich een rechtvaardig oordeel op den hals halen. Zij behoeven niet de rechte kennis van de geschrevene wet te bezitten, om veroordeeld te kunnen worden. Maar als het nu zoo staat met de heidenen, wat zal dan het vonnis zijn van hen, die geleefd hebben onder de geschrevene wet en onder de verkondiging van het levende Woord ? Hun toestand is natuurlijk veel erger. Zij hebben het vonnis der wet gehoord : , Vervloekt is een iegelijk, die niet bliift in al hetgene geschreven is in het boek der wet om dat te doenquot;.

Maar waar het nu zóó staat, dat zelfs degenen, die zonder de wet zullen gezondigd hebben, verloren zullen gaan, hoe kan Johannes dan verklaren, dat Christus eene verzoening is voor de geheele wereld, en Petrus dat de Heere lankmoedig is niet willende, dateenigen verloren gaan, maar dat allen tot bekeering komen ?

Dit staat boven allen twijfel vast: de Heere doet, naardat het Hem behaagt, en wat Hem niet behaagt, geschiedt ook niet. Maar nu wilde de Heere eene verzoening zijn niet alleen voor som-miger zonde, maar zelfs voor die van de gansche wereld. Ja, de Heere wilde niet, dat iemand verloren zou gaan, maar dat zij allen tot bekeering zouden komen. De Heere wilde dus allen in genade aannemen, welnu, dan gaat er ook niemand verloren. En Paulus zegt in Rom. 2, dat zelfs zij, die zonder wet gezondigd hebben, verloren gaan. Hoe is dat nu te rijmen ? Zeer gemakkelijk, als wy dit maar in het oog houden, dat Petrus hier niet het

ocr page 359

355

oog heeft op den verborgen wil van God, waardoor de verworpenen vanwege hunne zonden de verdoemenis zijn prijsgegeven, maar op den geopenbaarden wille Gods in het evangelie. De goedheid Gods is zóó groot, dat Hij in het evangelie allen menschen als het ware de hand toesteekt, nochtans grijpt Hij niemand aan, om hem tot zich te brengen dan diegenen wier namen geschreven staan in het boek des levens en die Hij daartoe van vóór de grondlegging der wereld verordineerd heeft. Ziet, dat is juist eene liefde zonder wederga, eene goedheid die niet te peilen is, dat God alle menschen behouden wil, dat Hij eene stoorlooze gelukzaligheid schenken wil aan hen die zoo snood als trouweloos van Hem zijn afgevallen. Neemt men echter de toegestokene hand niet aan en verwerpt men de genade Gods — gelijk, helaas, zoovelen doen ! — dan gaat men door eigen schuld verloren. De verzoening, door onzen Heere Jezus teweeg gebracht, is voldoende voor allen ; zij is toereikend, om de geheele wereld zalig te maken. Maar daaruit mag men niet afleiden, dat de verworpenen en de duivelen zalig worden. Neen, wat wij vroeger i no. XCVIII) opgemerkt hebben met betrekking tot het woord „wereldquot;, geldt ook voor het woord „allenquot;, gelijk Petrus dat gebruikt, als hij zegt, dat de Heere wil, dat „allen tot bekeering komenquot;. Ook dit woord is in dien zin gebruikt, dat daarmede bedoeld worden alle geloovigen zonder eenig onderscheid van rang of stand, taal of natie. Er is onder den ganschen hemel geen andere naam gegeven, door welken men zalig kan worden, dan die van onzen Heere Jezus Christus. Hij is voor allen de weg, waarlangs zij tot den Vader kunnen komen, ■om in genade te worden aangenomen. Hij is de eenige bron en fontein van alle zaligheid. In de gansche wereld wordt ibuiten Hem geene gelukzaligheid gevonden.

ocr page 360

356

OIL

„Want wanneer de heidenen, die de wet niet hebben van nature de dingen doen, die der wet zijn, deze, de wet niet hebbende, zijn zichzel ven eene wetquot;.

Rom. 2 : 14.

„Daarom dat het bedenken des vleesches vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet, want het kan ook nietquot;.

Rom. 8 : 7.

jELIJK wij reeds in ons vorig betoog gezien hebben, wil de apostel in Rom. 2 den mensch alle verontschuldiging, die hij voor het gerichte Gods zou kunnen bijbrengen, ontnemen. Daarom doet de apostel dan ook meer dan het rechtvaardig oordeél Gods over den zondaar uitspreken ; hij tracht hem te bewegen tot het geloof in den Zone Gods, opdat hij Hem zoeke en liefhebbe. Een beroep op zijne onwetendheid zou den mensch niet baten. Zelfs dien mensch niet, die geleefd had zonder de wet. En dat geldt, gelijk wij bij de beschouwing van Rom. 2 : 12 gezien hebben, van de heidenen. Daarom zegt Paulus dan ook in het 14de vers, dat de heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen die der wet zijn ; de wet niet hebbende, zijn zij zichzelven eene wet. Van nature is er in het verstand van den mensch eenig begrip van gerechtigheid en billijkheid ingeplant. Dit blijkt uit de geschiedenis van alle volkeren. Vrijwillig, zonder daartoe door iemand gedwongen te zijn, hebben alle volkeren zichzelven eene wet voorgeschreven. Zij hebben eene wet zonder de wet. De wet, gelijk die door Mozes op Goddelyk bevel, den Joden

ocr page 361

357

werd overgeleverd, hebben zij niet; toch zijn zij daarom niet ganschelijk beroofd van het gevoel voor recht en billijkheid. Dit ligt toch in den aard der zaak. Hoe zouden zij anders onderscheid kunnen maken tusschen goed en kwaad, tusschen deugd «n ondeugd ? Hoe zouden zij dan het goede kunnen prijzen en beloonen en de misdaad verbieden en straffen ? Zij doen van nature de dingen, die der wet zijn.

Dit alles neemt echter niet weg, dat „het bedenken des vleesches vijandschap is tegen Godquot;. Het vleesch onderwerpt zich der wet Gods niet, en de wet is, met al hare gestrengheid, niet bij machte het vleesch tot onderwerping te brengen. Hoe zeer ook door de zonde verdorven, toch is in den mensch eene kiem van godsdienst over gebleven; van nature wordt de mensch gedreven tot eenige gerechtigheid. Maar de zonde heeft juist in den mensch alles verdorven. Toen het schepsel uit de handen van zijn Schepper voortkwam, gold van hem, evenals van alle de werken Gods, dat woord; „God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet! het was zeer goedquot;. „Dit heb ik gevondenquot; — zoo roept de Prediker uit — „dat God den mensch recht gemaakt heeftquot;. Maar de mensch week van zijn God af en werd een gansch ander mensch. Zijn hart werd verontreinigd, zijn wil wederstrevig, zijn verstand verduisterd. Alles ging vroeger naar God uit, en nu — nu keert zich alles van Hem af, verzet zich tegen Hem, ja, alles wat nu zijn vleesch bedenkt, is niets anders dan vijandschap tegen God. God de Heere heeft openlijk in zijne wet bekend gemaakt, wat Hij van den mensch eischt. De vleeschelijke gedachten des menschen zijn daarmede echter in liinrechten strijd en vandaar komt het, dat zij den strijd aan. binden tegen den allerhoogsten wil van God.

Die strijd vloeit dus niet voort uit den aard en de gezindheid

ocr page 362

358

van de wet zelve, maar uit de verdorvens natuur des menschen.. God heeft den naensch zóó geschapen, dat hij de gansche wet volkomen kon onderhouden.

CIII.

„Want de besnijdenis is wel nut, indien gij de wet doetquot;.

Hom, 2 ; 25a.

„Ziet, ik Paulus zeg u, zoo gij u laat besnijden, dat Christus u niet nut zal zijnquot;.

Gal. 5 : 2.

E besnijdenis is, gelijk wij weten, een teeken van het verbond, dat God de Heere met Abraham, den Vader der geloovigen, had opgericht en waardoor Hij hem en zijn zaad tot „een eigen volkquot; had afgezonderd. Uit dien hoofde gingen de Joden van de gedachte uit, dat zij reden hadden, om te roemen, indien zij besneden waren. Maar waar zij nu bij het teeken, de besnijdenis zelve,bleven staan, zonder op te klimmen tot de zaak, die er door afgebeeld werd, n.1. het verbond der genade, dat God met hen had opgericht, daar toont Paulus hun aan, dat dit bloote teeken geene oorzaak van roem voor hen mag zijn. Het nut der besnijdenis bestond in de belofte, die er aan toegevoegd was, dat de Heere hun tot een God wilde zijn. De besnijdenis moest dus met zich medebrengen een geloovig omhelzen van deze belofte Gods. Dat werd bij de Joden niet gevonden, zoolang zij aan het uitwendige teeken der besnijdenis bleven hangen. Zoolang zij niet op de beteeken.-

ocr page 363

359

de zaak zelve zagen, hadden zij geen oog voor Gods belofte, leefden niet in het geloof, maar hadden slechts een dwaas en ijdel betrouwen.

Paulus plaatst zich hier in Rom. 2 : 25 op het standpunt van de Joden, die van de gedachte uitgingen, dat de besnijdenis alleen reeds voldoende was, om de gerechtigheid deelachtig te worden. Zich plaatsend op het standpunt van deze hunne groote dwaling, laat Paulus dan ook na te spreken over de veel hoogere beteekenis der besnijdenis. „Wanneer gy bii het werk der besnijdenis zelve blijft staan, dan is het noodig — zoo betoogt de apostel — dat gij, die besneden zijt, toont volko-mene en oprechte dienaars van God te zijn. Wilt gij, dat de besnijdenis eenig nut zal doen, dan moet gij van uwe zijde volkomen Gods wet onderhoudenquot;. Datzelfde betoog geldt ook voor onze dagen met betrekking tot den Doop. Indien iemand steunt en vertrouwt op het water des doops en meent, dat hij gerechtvaardigd is, omdat hij het uitwendige teeken ontvangen heeft, dat hij nu verkregen heeft datgene, waartoe God den doop heeft ingesteld, waar zouden dan de belofte en de genade Gods blijven, welke hem door den doop beteekend en verzegeld worden ? Immers is dat dwaasheid. Dat is een tevreden zijn met het uitwendige teeken, met het water, dat op zichzelf niet het minste nut doet, zonder, door dat teeken heen, op te zien tot de gewisse belofte Gods, dat Hij ons en onzen zade tot een God zijn wil.

Paulus spreekt hier dus niet over de eigenlijke beteekenis van de besnijdenis, hij plaatst zich, gelijk wij zeiden, op het standpunt van hen, die bij het uitwendige teeken blijven staan en toont hun dan aan, dat de besnijdenis hun geen nut zal doen, indien zij niet volkomen de wet onderhouden.

ocr page 364

360

Als Paulus daarentegen in Galaten 5 : 2 schrijft: „Ziet, ik Paulus zeg u, zoo gij u Iaat besnijden, dat Christus u niet nut zal zijnquot;, dan spreekt hij in anderen zin over de besnijdenis dan in de boven aangehaalde plaats uit zijn brief aan de Romeinen. Hij heeft hier niet het oog op het uitwendige van de besnijdenis, maar weerlegt het gevoelen der valsche leeraars, die leerden, dat de godsdienst onmogelijk was zonder de besnijdenis, waarom zij ook geene geringe verdiensten aan haar toekenden en haar voor alle geloovigen noodzakelijk achtten. Daartegen nu komt Paulus op. Het streven van die valsche leeraars wordt door Paulus in het helderste daglicht gesteld. In de onderhouding van de uitwendige plechtigheden waren zij stipt en ijverig; daarvoor ijverden zij met al wat in hen was. Zij kenden geene grootere vreugde dan wanneer de heidenen zich lieten besnijden en zij alzoo den roem wegdroegen, dat veler vleesch door hun ij ver er toe gebracht was, de Mozaïsche wet te onderhouden. Naar luid van hoofdstuk 6 noodzaakten zij de Galaten, zich te laten besnijden, en dat met geen ander doel — zoo verklaart Paulus nadrukkelijk in het 13® vers — dan „opdat zij roemen zouden in uw vleeschquot;. Zij loochenden, wel is waar, den Christus niet; zij verwierpen Hem niet geheel en al, maar zij kenden Hem slechts de helft van het werk der zaligheid toe, aangezien zij dit voor een deel aan zijne genade en voor een ander deel aan de werken der wet toeschreven. Zou Christus dan gedeeld kunnen worden ? Dat zij verre ! Aan een halven Christus hebben de broeders in Galatië niets. Hij moet hun één-en hun al zijn ; buiten Hem moeten zij niets hebben ; zij mogen niet de genade van Christus en de werken der wet ondereen mengen.

Deze beide uitspraken met elkander vergelijkend, zien

ocr page 365

361

wij dus, dat zij ten volle met elkander overeenstemmen. De besnijdenis was wél nut, indien men niet bij de uiterlijke plechtigheid bleef staan, maar haar beschouwde gelijk zij werkelijk was, n.1. als een teeken en zegel van het verbond der genade, zoodat men door het teeken heen kwam tot de eigenlijke zaak, die er door beteekend werd. Wilde men echter — gelijk de valsche leeraars te Galatië dat voorstelden — de besnijdenis aan de genade Gods toevoegen, teneinde langs dien weg de zaligheid te verkrijgen, dan zou de besnijdenis hun niet alleen onnut zijn, maar zou zij zelfs de genade van Christus te niete doen. Indien zij zich uit dat oogpunt lieten besnijden, dan zou Christus hun niet nut zijn.

ocr page 366

362

CIV.

„Doen wij dan de wet te niete door het geloof? Dat zij verre; maar wij bevestigen de wetquot;.

Rom. 3 : 31.

„Want de vernietiging van het voorgaande gebod geschiedt om zijner zwakheid en onprofijtelijkheid wille; want de wet heeft geen ding volmaakt, maar de aanleiding van eene betere hope door welke wij tot God komenquot;.

Hebk. 7 : IS, 19.

LS de apostel aan de Hebreeuwsche Christenen schrijft, dat „de vernietiging van het voorgaande gebod geschiedt om zijner zwakheid en onprofijtelijkheid willequot;, en daarmede het oog heeft op de wet en het priesterschap, dan spreekt het van zelve, uit de bij voeging van het priesterschap, dat hij doelt op het ceremoniëele in wet en priesterschap. In het l-2d6 vers toch had de apostel gezegd „Want het priesterschap veranderd zijnde, zoo geschiedt er ook noodzakelijk verandering in de wetquot;. In en op zichzelven hadden de ceremoniën geene waarde ; alle te zamen waren zij nog niet bij machte, voor één enkel mensch de zaligheid uit te werken. Als Mozes op vele plaatsen getuigt dat God door de offeranden tevredengesteld en dat daardoor de zonden des volks uitgedelgd zouden worden, dan moeten wij die kracht niet aan de offeranden zelve toeschrijven, maar aan iets gansch anders. Immers, alle de ceremoniën waren verwijzingen naar den komenden Christus. Vandaar dan ook, dat zij uit en van zichzelve niets vermochten, en dat al hare kracht in Christus gelegen

ocr page 367

363

was. Van die gedachte gingen de Joden echter niet altijd uit. En op het standpunt van deze dwaze meening, waarin zij de schaduw van het lichaam afscheidden, plaatst zich ook de apostel. Worden de ceremoniën evenwel losgemaakt van Christus, naar wien zij verwezen, dan zijn zij natuurlijk zwak en onprofijtelijk. In de ceremoniën zelve zal men niets vinden, maar wel in Christus, dien zij afschaduwden. Hadden wet en priesterschap eene ceremonieële waarde en waren zij als zoodanig profijtelijk, zoodra zij afgescheiden werden van den waren Hoogepriester, die komen zou om de gansche wet te vervullen, verliezen zij alle waarde en alzoo heeft door dit laatste gebod, de vernietiging van het voorgaande gebod plaats en dat wel „om zijner zwakheid en onprofijtelijkheid willequot;.

Maar als nu het laatste gebod de vernietiging is van het voorgaande, dan zou men ook kunnen vragen: Doet dan het geloof, hetwelk volgt, de wet, die voorafgegaan is, te niete ? En daarop antwoordt Paulus in Rom. 3 zeer beslist ontkennend, waar hij zegt: „Dat zij verrequot; ; integendeel, juist door het geloof versterken en „bevestigen wij de wetquot;. Dat de apostel hierop met zooveel nadruk wijst, komt daar vandaan, dat men menigmaal wet en geloot tegenover elkander plaatst en dan tot de slotsom komt, dat deze beide met elkander in strijd zijn. Deze meening is door en door valsch en onwaar, en vloeit nergens anders uit voort, dan uit de verkeerde gedachte, die men zich met betrekking tot de wet vormt. Men zoekt in haar niets anders dan de gerechtigheid der werken, zonder zich te verlaten op de gewisse beloften Gods. Men heeft er zelfs den Heiland een verwijt van gemaakt, dat Hij door zijn onderwijs, dat Hij gaf, toen Hij het land doorging, steeds poogde de wet te niete te doen. Tegen die valsche beschuldiging komt Hij op en geeft

ocr page 368

364

openlijk dit getuigenis: ,Meent niet, dat ik gekomen ben, om de wet en de profeten te ontbinden; ik ben niet gekomen, om die te ontbinden maar te vervullenquot;. En onmiddellijk daarop laat Hij deze ernstige waarschuwing volgen ; „Want voorwaar zeg ik u, totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota noch één tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschiedquot;. Aangezien het evangelie van Christus een einde maakte aan de ceremoniën van Mozes, meende men, dat Hij gekomen was, om den dienst van Mozes te niete te doen. En omdat Hij alle gerechtigheid der wet vervuld had, meende men ook te meer, dat Hij inging tegen die vele getuigenissen bij monde van Mozes gedaan, waarin God de Heere verklaarde den Israëlieten den weg der gerechtigheid en zaligheid in de wet te hebben aangewezen. Hetgeen Paulus dus in Rom 3 zegt, slaat niet alleen op de wet der zeden, maar op de gansche wet.

Op de vraag dus, of het geloof de wet te niete doet, luidt het antwoord zoo beslist mogelijk: Neen, het versterkt en bevestigt de wet. De wet is juist gegeven met het oogmerk, om den mensch van zijne ongerechtigheid af te manen en hem zoodoende tot Christus te brengen, die de gansche wet vervuld en alle gerechtigheid volbracht heeft. De wet kan wel de zonde verwijten, maar niet de kracht der z-^nde breken. Zij heeft geen ding volmaakt, maar de aanleiding van eene betere hope, door welke men tot God genaakt. Komende tot Jezus Christus, vindt men in Hem eene volkomene gerechtigheid, welke Hij ook ons uit loutere genade op grond van zijne kruis- en zoen verdien sten wil toerekenen. Het harte wordt bereid gemaakt, zoodat men er naar streeft de wet te onderhouden. Het blijft altijd een jagen naar het wit, want eene volkomene onderhouding kan in

ocr page 369

365

het lichaam der zonde niet bereikt worden. En zoo is het nu met alle ceremoniën. Zij hebben alle opgehouden te bestaan bij de komst van Christus. Toen het lichaam kwam, moesten de schaduwen wijken. Ziet men haar dus aan in zichzelve, dan zijn ze niet anders dan onnutte schaduwen, en zij zullen eerst dan profijtelijk zijn, wanneer men den blik vestigt op het lichaam, dat zij afschaduwen.

CV.

„Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmakingquot;.

kom. 4 : 25.

„Die mij nu verblijde in mijn lijden voor u, en vervulle in mijn vleesch de overblijfselen van de verdrukking van Christus, voor zijn lichaam, hetwelk ie de gemeentequot;.

Coloss. 1 : 2-1,

ONDER eenige vrees voor tegenspraak kunnen wij zeggen, dat het door alle geloovigen voor waarachtig gehouden wordt, dat de dood van onzen Zaligmaker de eenige offerande is, waardoor volkomen aan Gods gerechtigheid voldaan, zijn toorn gestild en de vrede tusschen Hem en den gevallen mensch gesloten is. Door zijn bloed is de afwassching onzer zonden geschied, immers, het bloed van Jezus Christus, Gods Zone, reinigt van alle zonden. Het handschrift der zonde, dat tegen ons was, heeft Hij genageld aan het hout des kruises; tot den laatsten penning heeft Hij

ocr page 370

366

betaald; in en door Hem staan wij zóó rechtvaardig voor God, dat het is, alsof wij geene zonden gedaan hebben. Dat de dood van onzen Heere Jezus Christus eene volkomene vergeving van zonden en eene volledige betaling voor onze misdaden is, wordt allerwegen zoo duidelijk in de Heilige Schrift geleerd, dat te dien opzichte niet de minste twijfel bestaan kan. Welk eene heerlijke wetenschap voor de geloovigen ! Welk een rijke bron van troost en overvloedige stoffe tot dankbaarheid ! God en mensch weer met elkander verzoend ! De diepe klove door de zonde geslagen, overbrugd ! Zij, die van nature vijanden waren en kinderen des toorns, gelijk alle anderen, zijn door den dood des Zoons met God verzoend. De straf, die hun den vrede aanbrengt, was op Hem en door zijne striemen is hun genezing geworden. Om hunne zonden is Hij overgeleverd in de handen der vijanden, is Hij gekruisigd, gestorven en begraven. Maar dat alles was niet genoeg. Het wae niet voldoende, dat Hij den vloek der zonde op zich nam en Zich in het gerichte Gods stelde; neen. Hij moest de overwinning behalen over dien vloek der zonde en door zijne voorbidding den toorn Gods stillen. Daarom kón de dood Hem niet houden, maar werd Hij „opgewekt om onze rechtvaardigmakingquot;. De kracht om rechtvaardig te maken, moet aan de opstanding worden toegeschreven, want toen heeft Hij den dood verslonden tot overwinning. Ter dood overgeleverd om onze zonden, is Hij opgewekt om onze rechtvaardigmaking, en niets is dan ook verder bezijden de waarheid, dan dat de opstanding iets van de kracht van zijn dood benemen zou; veeleer moet getuigd, dat Hij juist door zijne opstanding de vrucht van zijn sterven bewezen heeft.

Als Paulus nu in zijn brief aan de Colossensen, met betrekking tot zichzelven zegt, dat hij in zijn vleesch de overblijf-

ocr page 371

367

selen van de verdrukking van Christus vervult, voor zijn lichaam, hetwelk is de gemeente, dan strijdt dit in het minst niet tegen hetgene wij hierboven gezegd hebben. Sprekend over „de overblijfselen van de verdrukking van Christusquot;, doelt Paulus niet op de kracht der verlossing, reinigmaking of voldoening, maar op de verdrukkingen, waaraan de Christenen blootstaan en waardoor zij geoefend worden, zoolang zij in het strijdperk van dit leven zijn. Christus zelf heeft éénmaal geleden, maar Hij lijdt dagelijks in zijne lidmaten. Hij doet ons die groote eer aan, dat Hij onze verdrukkingen beschouwt als de zijne. En als de apostel er nog aan toevoegt, dat hij lijdt voor de gemeente, dan heeft hij natuurlijk niet het oog op hare verlossing, betaling of verzoening, maar op hare stichting en haren wasdom. Vandaar dan ook, dat hij in het volgende vers verklaart: „Welker dienaar ik geworden ben, naar de bedeeling van God, die mij gegeven is aan u, om te vervullen het woord Godsquot;. In het eerste hoofdstuk van zijn tweeden Corintherbrief betoogt de apostel hetzelfde, als hij duidelijk doet uitkomen, dat hij wel gesteld is tot een dienaar der gemeente, doch niet om haar te verlossen ■of voor haar de zaligheid te verwerven, maar om haar het evangelie te prediken naar de vrijheid en het bevel, welke hem daartoe gegeven zijn. Welk eene oorzaak van vreugde ! Indien zij gemeenschap hebben aan het lijden, dan hebben zij „alzoo ook gemeenschap aan de vertroostingquot;; indien zij met Hem lijden, zullen zij ook met Hem heerschen ; indien zij met Hem sterven, zoo zullen zij ook met Hem leven. Immers, zoo roept Paulus in Kom. 8 uit, „wij weten dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar zijn voornemen geroepen zijn. Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd, den heelde zijns

ocr page 372

368

Zoons gelijkvormig te zijn, opdat hü de eerstgeborene zij onder vele broederenquot;.

Wij kunnen dus zeggen, dat zoowel de Heere Jezus als de martelaren geleden hebben voor de gemeente, maar met dien verstande, dat wij daarbij steeds in het oog houden, dat hun lijden zeer verschillend van aard was. In dien zin kan dus ook Paulus, de onversaagde strijder, die zooveel geleden heeft voor den naam en de zaak des Heeren, zeggen, dat hij zich verblijdt over het lijden, dat hij voor de gemeente ondergaan heeft. Maar zijn lijden is van gansch anderen aard dan dat van den Heiland., „Wij sterven wel voor onze broeders — zegt Augustinus — maar al het,, bloed der martelaren is niet bij machte voor één enkelen zondaar vergeving van zonden teweeg te brengen ; dat kan alleen het bloed van Jezus Christus. Zijn lijden heeft Hij ons dan ook niet ter navolging gesteld, maar wel eischt Hij, dat wij er Hem dankbaar voor zijn zullenquot;. En op eene andere plaats verklaart deze kerkvader: „Gods Zone is alleen daarom de Zoon des menschen geworden, om ons tot kinderen Gods te maken. Zelf zonder zonde zijnde, heeft Hij onze zonden op zich geladen, opdat wij zonder eenige verdienste onzerzijds de genade ontvangen zouden, die ons niet toekwamquot;. Dit is dus dezelfde gedachte, die door den apostel Paulus wordt uitgesproken, als hij in 2 Tim. 2 : 10 zegt; „Daarom verdraag ik alles om de uitverkorenen, opdat ook zij de zaligheid zouden verkrijgen, die in Christus Jezus is met eeuwige heerlijkheidquot;.

ocr page 373

369

CVI.

„Ik beu vleeschelijk, verkocht onder de zondequot;

Kom. 7 : 146.

„Zoo is- er dus nu geene verdoemenis voor degenen die in Christus zijnquot;.

Rom. 8 : la.

OOR allen, dle^het onderscheid verstaan, dat er bestaat fctusschen :denj natuurlijken mensch en den wederge-tLborene door den Heiligen Geest, zal het niet moeilijk zijn, deze beide uitspraken van Paulus met elkander in overeenstemming te brengen.

In de eerste uitspraak stelt de apostel zichzel ven voor als iemand, die aan zijne natuurlijke bewegingen is overgegeven en verklaart dan, dat de wet strijd voert met de natuur van den mensch. De wet is geestelijk en hij is vleeschelijk, verkocht onder de zonde. Daarna wijst de apostel op het voorbeeld van iemand, die wedergeboren is; de overblijfselen des vleesches strijden nog tegen de wet, maar de geest gehoorzaamt haar gaarne. In het vleesch woont geen goed en nu is het een voortdurende strijd, want al is nu het willen bij zon iemand, het goede te doen vindt hij nochtans niet. Als hij het goede doen wil, dan bemerkt hij, dat het kwade hem nabij ligt. Naar den inwendigen mensch heeft hij wel vermaak in de wet Gods, maar hij ziet eene andere wet in zijne leden, welke strijdt tegen de wet zijns]gemoeds en hem gevangen neemt onder de wet der zonde, die in zijne leden is. Strijd heerscht er alzoo tusschen het vleeach en den geest I Hoe zou er dan overeenkomst kunnen bestaan tusschen de natuur van den mensch, die vleeschelijk, en de wet, die geestelijk

24

ocr page 374

370

is ? Neen, dat is onmogelijk, evenmin als er overeenstemming is tusschen de duisternis en het licht. De wet is geestelijk, want zij eischt eene inwendige gesteldheid des harten. Ja nog meer. De wet vordert eene hemelsche gerechtigheid, waaraan niet gevonden wordt eenige vlek of eenige begeerlijkheid, welke in striid is met de volkomene liefde, die men God en den naaste behoort toe te dragen. De wet eischt dus eene volkomene gerechtigheid ; daaraan mag niets ontbreken. Maar dien eisch der wet kan de mensch niet volbrengen; zyne natuur is zóó verdorven, dat hij als verkocht is onder de zonde. De begeerten, welke uit die booze en verdorvene natuur opwellen zijn in lijnrechten strijd met het tiende gebod des Heeren en met de liefde, die wij Hem en onzen naasten verschuldigd zijn. Hieruit ziet men, hoeveel het vleesch vermag! De mensch is van nature niet anders dan een slaaf der zonde. Evenals een slaaf wordt hij „verkochtquot; en komt onder eene harde dienstbaarheid! De zonde is zulk een sterke vijand, dat Hij gansch en al over den mensch heerscht. Zij houdt hem in hare slavenketenen geboeid en gekluisterd. Zij trekt den mensch, die naar God geschapen is, ganschelijk van God af. Op alles heeft zij beslag gelegd ; verstand, hart en wil, ja den ganschen mensch heeft zij in hare macht. Geen wonder dus, dat Paulus aan het slot van dit 7de hoofdstuk uitroept: „Ik ellendig mensch! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods ? Ik dank God door Jezus Christus onzen Heere. Zoo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vleesch de wet der zondequot;.

In het begin van het volgende hoofdstuk breekt Paulus in den blijden jubel uit: „Zoo is er dan nu geene verdoemenis voor degenen, die in Christus zijn, die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den Geestquot;. Welk een troost voor het

ocr page 375

371

land van God. üe zonde smart hem ; hij haat haar met een volkomenen haat; hij strijdt en waakt en bidt, en toch . . . dagelijks ervaart hij de waarheid van Jacobus\' woord, dat het ■een struikelen in vele is; met David gevoelt hij, ieder oogen-blik tot hinken en zinken gereed te zijn; met Paulus belijdt hij : „Als ik het goede wildoen, dan ligt het kwade mij nabij.quot; Wat vreugde zou hem dus zijne wedergeboorte verschaffen, indien hij niet de zekerheid in zich omdroeg ; als ik gevallen ben, zal ik weder opstaan, want er is geene verdoemenis voor degenen, die in Christus zijn. Heerlijke troost! Al omsingelt de zonde hem als een sterk gewapende vijand, de geloovige staat in deze vaste wetenschap, dat het anker zijner hope onbewegelyk vast ligt in de onveranderlijke trouwe en weergalooze liefde Gods. De zonde moge hem kwellen en smart veroorzaken tot den avond van zijn leven toe ; zi] is niet bij machte, hem te scheiden van de liefde Gods, welke er is in Christus Jezus zijnen Heere. Straks bij zijn sterven zal hij de volkomene overwinning behalen over alle zonden en eiken vijand; ontdaan van het lichaam der zonde, zal hij eeuwig bij den Heere zijn. Zoolang hij echter op aarde is, moet hij steeds bedenken, dat hij niet naar het vleesch moet wandelen.

Hier wordt hij dus op drie zaken gewezen: ten eerste, op de onvolkomenheid, die nog in hem is; ten andere, op de goedertierenheid Gods, die hem deze onvolkomenheid vergeeft ; en ten slotte op de wedergeboorte door den Geest, waardoor zijn wandel zóó moet zijn, dat het duidelijk blijkt, dat hij de zonde verfoeit en de gerecht gheid liefheeft. De woorden: „die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den Geestquot;, zijn er daarom door den apostel aan toegevoegd, opdat niemand zich met de ijdele meening bedriegen zou, dat het er voor hen,

ocr page 376

372

„die in Christus Jezus zijnquot; niet op aankomt, hoe zij hun wandel inrichten. Neen, de geestelijke mensch moet zijn vleesch in toom houden; zich aan de leiding van den Heiligen Geest overgeven, en vruchten voortbrengen, welke Gode aangenaam zijn. De vleeachelijke mensch daarentegen bewandelt zijn eigen weg; hij is wars van alle hulp en eiken bijstand; hij jaagt niet naar verbetering van zijn leven en maakt zichzelven wys, ongestraft te zullen blijven onder het deksel van Gods genade. De geloo -vigen hebben, ook te midden van het vaak angstig kloppen hunner consciëntie, dezen heerlijken troost, dat zij, in Christus-Jezus zijnde, buiten de verdoemenis staan.

CVII.

„De Geest zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke-zuchtingenquot;.

Eom. 8 : 266.

„Want er is één God; er is ook één Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus Jezusquot;.

1 Tim. 2 : 5.

^ELIJKERWIJS er maar één God is, de Schepper van-hemel en aarde, zoo is er ook maar één Middelaar Gods en der menschen, n.1. de mensch Christus Jezusr die voor ons bidt en die de versche en levende weg is,, door welken ons de toegang ontsloten is tot den troon der genade. Deze Middelaar is niet gegeven voor enkelepersonen, maar voor alle natiën en volkeren, talen en tongen^ Zijne kruis- en zoen verdien sten, waardoor Hij de zonden heeft

ocr page 377

373

weggenomen en uitgedelgd, waren voldoende voor de zaligheid van alle menschen. De menschen mogen dan ook niet dien éénen Middelaar voorbij gaan, om zich naar eigen goeddunken andere middelaars te scheppen. God de Heere is als in ons midden tegenwoordig, waar het Hem behaagd heeft, in den Zoon zijner liefde tot ons af te dalen, zoodat wij niet behoeven op te klimmen, om Hem boven de wolken te zoeken. Zoo oneindig goed is de Heere, wiens naam Ontfermer is, dat Hij ons den Zoon zijner liefde schonk als een „eerstgeborene onder de broederenquot; en Hij, die één was met den Vader, boog zich zóó diep ter neder, dat Hij ons, nietige stofbewoners, de broederhand wilde ■reiken, om ons ten hemel op te voeren. O, welk eene weldaad ! Door dien Zoon zijner eeuwige liefde mogen wij vol vertrouwen naderen tot den Vader 1 En dat ware zonder Hem onmogelijk geweest. De macht en majesteit, de luister en heerlijkheid van ■God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, zou ons zóó verschrikt hebben, dat wij niet tot Hem zouden hebben kunnen naderen. Maar ziet, nu komt Jezus Christus, ■de Zone Gods, de Zaligmaker van zondaren, en Hij noodigt en roept ons op den vriendelijksten toon; Hij vat ons bij de hand, leidt en bestuurt ons, brengt ons tot zijn Vader, in Wien wij nu niet ontmoeten een vertoornd Rechter, maar een goedertieren Vader, die zijn aangezicht in gunste over ons lichten doet. O -diepte des rijkdoms, beide der goddelijke genade en eeuwige ontfermende zondaarsliefde ! Door eigen schuld, gansch moedwillig, heeft de mensch gemaakt, dat de toegang tot den hof van Eden achter hem gesloten is, dat hij verdreven werd van het aangezicht des Heeren, en waar alle hoop van \'s menschen zijde ten eenenmale afgesneden is, daar komt de Zone Gods om, gedreven door loutere liefde en enkele ontferming, den toegang

ocr page 378

374

tot den hemel te ontsluiten en een weg open te stellen, waarlangs de mensch weer met vrijmoedigheid en vertrouwen kan naderen voor het aangezichte Gods. Er is één God, maar er is ook slechts één Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus Jezus

Deze uitspraak van Paulus, die zoo helder is als het daglicht, werd echter door de Roomschen verkeerd uitgelegd. Zij durfden haar niet gansch verwerpen en daarom gaven zij aan deze woorden de onzinnige verklaring, dat Jezus Christus wel een Middelaar genoemd wordt, maar dat Hij niet de eenige is. Tal van heiligen en martelaren werden dan ook als zoodanig door hen vereerd. Gelijk er maar één God is, die uit éénen bloede het gansche geslacht der menschen heeft voortgebracht^ zoo is er ook maar één Middelaar, die alle menschen weer met God verzoenen kan. Paulus\' uitspraak mogen wij dan ook niet zóó opvatten, alsof hij zeggen wilde, dat er één God en daar benevens één Middelaar is, zondat hij dus van twee onderscheidene goden spreekt. Neen, de apostel spreekt van het ééne Goddelijke wezen, en zegt, dat gelijk er maar één God is, er alzoo ook maar één Middelaar is. Wie dus met betrekking tot het laatste lid van deze uitspraak dwaalt en Jezus Christus tot een Middelaar stelt ouder vele anderen, die moet natuurlijk ook ten aanzien van het eerste lid falen en zeggen, dat er meerdere goden zijn. De stellige uitspraak : „Ik ben God en niemand meer, behalve Mij is er geen Godquot;, moet dus door de zoodanigen geloochend worden. Tot welk eene blinde razernij moet de mensch dus vervoerd zijn, om zóó den roem van onzen Heere Jezus Christus te verduisteren !

Men zou ook nog deze tegenwerping kunnen maken en zeggen, dat de uitspraak: „Er is ook één Middelaar Gods en der

ocr page 379

375

menschen, de mensch Christus Jezusquot;, alleen verstaan moet worden ten opzichte van zijne verlossing en niet van zijne voorbidding, zoodat men de heiligen als middelaars voor de voorbidding zou kunnen beschouwen. Wij behoeven echter ons teksthoofdstuk maar in te zien, o\'m van het ongerijmde hiervan overtuigd te worden. Paulus handelt hier juist over de gebeden. Bij monde van den apostel vermaant de Heilige Geest hier juist, dat „vóór alle dingen gedaan worden smeekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen, voor alle menschenquot;, aangezien dat goed en aangenaam is voor God, onzen Zaligmaker, „welke wil, dat alle menschen zalig worden en tot kennis der waarheid komen.quot; En voor die „alle menschenquot; is er maar één Middelaar, zoo laat de apostel er dan op volgen, om aan te toonen, dat Jezus Christus voor allen de eenige weg is, om tot den Vader te komen. Er is maar één Middelaar en het stellen van meerdere is niets minder dan eene vermetele en goddelooze daad, waardoor men den Zone Gods de eere rooft, die Hem eenig en alleen toekomt. Onbegrijpelijk is het dan ook, dat zulke valsche leeraars nog voor oprechte Christenen en ware geloovigen willen gehouden worden.

Maar als nu Jezus Christus, de eenige Middelaar tusschen God en den mensch is en tevens de eenige Voorbidder voor den mensch bij God, omdat het één ambt is, dat God zijnen Zoon heeft toebetrouwd, hoe kan Paulus dan in Rom. 8 verklaren, dat de Heilige Geest voor ons bidt met onuitsprekelijke zuchtingen ? Op grond van deze beide uitspraken zouden wij toch zeggen, dat er twee Voorbidders zyn, n. 1. Jezus Christus en de Heilige Geest. Toch is dit zoo niet. Er is maar één Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus Jezus. Het gezegde in Rom. 8 moet dan ook niet zoo worden opgevat, alsof

ocr page 380

376

God de Heilige Geest op zich genomen had onze zaken bij God te verdedigen; immers, dit zou de grootste ongerijmdheid zijn, want dan zou God tot zichzelven spreken. Dit kan van niemand anders gezegd worden dan van den Zoon en wel om deze reden, dat Hij niet alleen God is, maar ook mensch geworden is. Hij werd, uitgenomen de zonde, in alles den broederen gelijk, en brengt ons nu — gelijk wij boven zeiden — aan die broederhand tot God zijn Vader. Als Paulus dan ook zegt, dat de Geest voor ons bidt, dan ligt de bedoeling van dit gezegde voor de hand. De apostel wil niets anders dan doen uitkomen, dat de Heilige Geest ons moet leeren bidden. Hij moet ons onderwijzen in de wijze, waarop wij God moeten aanroepen. „Wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort.quot; Dat vermogen wij van onszelven niet. Ook te dien opzichte zijn wij blind en verduisterd in het verstand. Van nature zoeken wij niet de dingen, die boven zijn, maar bedenken die, welke op aarde zijn. Maar nu „komt de Heilige Geest onze zwakheden mede te hulpequot; ; Hij „zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.quot; Niet in dien zin, dat Hij metterdaad bidt of zucht, neen, door zijne onderwijzing maakt Hij onze harten bekwaam, om onze gebeden voor den Heere uit te storten ; Hij brengt in ons die woorden en gedachten, die van nature niet in ons zouden opkomen, die wij zelfs niet begrijpen zouden. Het is — en dat wil Paulus hier duidelijk doen uitkomen — door de bewerking en onderwijzing, door de voorlichting en genade des Heiligen Geestes, dat onze harten, die van nature niet naar God vragen, bewogen worden en de gaven en genade ontvangen, om onze smeekbeden en dankzeggingen voor den Heere uit te storten.

ocr page 381

377

CVII1.

„Want de ongeloovige man is geheiligd door de vrouwe en de ongeloovige vrouwe is geheiligd door den man; want anders waren uwe kinderen onrein, maar nu zijn zij heiligquot;.

1 Coe. 7 : 14.

„Wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderenquot;.

Epheze 2 : 36.

;,AST en zeker staat, dat alle menschen zonder eenig onderscheid der verdoemenis waardig zijn. Deze kunnen zij alleen ontgaan, wanneer zij in Christus voor God gerechtvaardigd worden. Een andere weg van behoud is niet mogelijk. Buiten Christus is geene gerechtigheid of zaligheid le vinden. Als Paulus dan ook zegt, dat wij van nature kinderen des toorns waren, dan wil hij daarmede te kennen geven, dat wy verloren en den eeuwigen dood waardig waren. „Kinderen des toornsquot; wil niets anders zeggen, dan dat wy voor God verdoemd zijn. En dat waren wij „van naturequot;, dat wil zeggen van onze geboorte aan ; dat waren wij „gelijk ook de anderenquot;, want hoewel de Joden voor een tijd het gezegende erfdeel des Heoren geweest zijn, toch waren zij, wat hunne verdorvene natuur aanbelangt, aan de anderen gelijk. Duidelijk wordt hier dus uitgesproken, dat allen, hetzij Jood of Griek, van nature der verdoemenis onderworpen zijn. Hieruit volgt dus, dat ook wij allen in onze erfzonde liggen en van nature kinderen des toorns zijn, want er is niets, waarover God zich zoo schrikkelijk vertoornt als over de zonde.

ocr page 382

378

In 1 Cor. 7 heeft Paulus het oog op iets anders ; hij spreekt daar over de heiligheid van het huwelijk. De band des huwelijks behoort te allen tijde nauw en innig te zijn. De vrouw is „de andere helftquot; van den man. Beiden zijn zij één vleesch. De man is het hoofd der vrouw en de vrouw is de metgezellin van den man in alle dingen. Daarom mag dan ook een geloovige man wonen met eene ongeloovige vrouw, want zoo verklaart de apostel in de voorgaande verzen : „Indien eenige broeder eene ongeloovige vrouwe heeft, en deze tevreden is bij hem te wonen, dat hij ze niet van zich late. En eene vrouwe die eenen onge-loovigen man heeft, en hij tevreden is bij haar te wonen, dat zij hem niet late varen.quot; Al is het ook, dat dezulken samen wonen, daardoor houdt echter het huwelijk niet op, heilig te zijn, en behoeft men niet bang te zijn voor besmetting, als zou de geloovige man door de ongeloovige vrouw besmet worden of omgekeerd. Indien de huwelijke staat onrein ware, dan zouden ook de kinderen, die uit dat huwelijk geboren worden, onrein zijn. Dit is echter zoo niet. Juist omdat de huwelijke staat heilig is en de ongeloovige man geheiligd is door de vrouw, en de ongeloovige vrouw door den man, zijn ook de kinderen heilig. De ongeloovigheid van vader of moeder kan niet verhinderen, dat de kinderen heilig geboren worden en kan evenmin oorzaak zijn, dat het huwelijk niet heilig zou zijn.

Maar hoe is dit nu te rijmen met die vele uitspraken uit Gods Woord, welke ons alle even duidelijk zeggen, dat de kinderen niet heilig geboren worden ? Paulus zegt toch, dat wij van nature kinderen des toorns zijn; David betuigt, dat wij in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren worden ; Salomo verklaart, dat het gedichtsel van \'s menschen hart boos, is van zijne jeugd af aan.

ocr page 383

379

Gelijk wij begonnen zijn te zeggen, liggen alle nakomelingen van Adam van nature onder den vloek en den toorn Gods. Als de Heere uit den hemel schouwt op de menschen-kinderen om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht, dan luidt het: „Zij zijn allen afgeweken; te zamen zijn zij onnut geworden ; er is niemand, die goed doet, ook niet één. Alle kinderen der menschen niet één uitgesloten, hetzij voortgesproten uit geloovige dan wel uit ongeloovige ouders, zijn der verdoemenis onderworpen, allen liggen zij onder hetzelfde oordeel; zij zijn allen zoowel der zonde, als den eeuwigen dood onderworpen. Dat de Heilige Geest bij monde van Paulus in 1 Oor. 7 den geloovige een buitengewoon voorrecht schenkt, vloeit uit de weldaad van het verbond voort. Gods genade delgt den vloek uit, en zij, die van nature goddeloos en onrein waren, worden door Gods genade geheiligd en gereinigd.

ocr page 384

380 CIX.

„Zijt gij, een dienstknecht zijnde, geroepen, laatu dat niet bekommerenquot;.

1 Cor. 7 : 21a.

„Maar indien gij ook kunt vrij worden, gebruik dat lieverquot;.

1 Cor. 7 : 216.

^EN ieder behoort tevreden te zijn met de roeping, waarin God hem gesteld heeft, en die roeping naar vermogen op te volgen zonder gedurig begeerte tot een anderen staat des levens te hebben. Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat dit den mensch zulk een band oplegt, dat het hem ongeoorloofd is van beroep of ambacht te veranderen. Neen, Paulus wil in het aangehaalde Schriftwoord te kennen geven, dat de mensch zijne lusten en begeerten breidelen moet, zoodat hij er niet voortdurend toe geleid wordt, om in den staat zijns levens zonder wettige en geldige oorzaken verandering te brengen. Zoo kan men b. v. zijn beroep laten varen, om tot iets anders over te gaan, daartce gedreven zijnde door bijgeloof, door eene verkeerde ongerustheid of door andere dwaze beweegredenen. Dit is niet goed. De mensch moet bedenken, waartoe hij geroepen is. Is nu iemand tot dienstbaarheid geroepen, dan moet hij zich niet verontrusten, maar goeden moed houden. Hij moet zich niet kwellen met de gedachte, dat zijne dienstbaarheid een hinderpaal zou zijn, om God te dienen en Hem gehoorzaam te zijn.

In het tweede gedeelte van dit vers verzacht de apostel als het ware deze uitspraak, waar hij er aan toevoegt: „Maar

ocr page 385

381

indien gij ook kunt vrij worden, gebruik dat lieverquot;. Hij bewijst hiermede dus niet alleen, dat de vrijheid goed is, maar dat zij ons veel gemakkelijker is dan de dienstbaarheid.

Er ligt dus in de beide deelen van dit vers geene tegenstrijdigheid. Paulus gebiedt den dienstbaren niet, dat zy hunnen meesters iets ontstelen of eenig geweld tegen hen gebruiken zouden, om het juk der dienstbaarheid af te werpen, maar hij beveelt hun, dat zij zich niet kwellen met de gedachte als zou hunne dienstbaarheid aan de Christelijke vrijheid in den weg staan.

i

CX.

„Maar eene iegelijke vrouw, die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofdquot;.-

1 Cor. 11 : 5a.

„Dat uwe vrouwen in de gemeenten zwijgenquot;.

1 Cor. 14 : 34a.

LS de apostel den vrouwen gebiedt, in de gemeente te zwijgen, dan heeft hij het oog op het uitoefenen van een ambt in den dienst der kerk. De reden hiervan voegt Paulus er onmiddellijk bij, als hg op deze woorden laat volgen : „Want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen, onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegtquot;. De wet eischt dus van de vrouw, dat zij onderdanig zij. Nu is het ambt van leeraar en profeet eene voortreffelijke bediening en past dus niet voor eene vrouw, als zijnde in strijd met de onderdanigheid, die van haar geëischt wordt. Inderdaad,.

ocr page 386

382

liet zou kwalijk staan, dat eene vrouw, die een lidmaat is en den man onderworpen moet zijn, over het geheele lichaam re-geeren zou. Alleen in buitengewone omstandigheden, als de noodzakelijkheid het vordert, voegt het eene vrouw in de gemeente te spreken. Zoo b. v. was het ten tijde van Debora en van sommige andere vrouwen, die naar het bevel van God geroepen werden, een geheel volk te regeeren. Maar ook hier bevestigen de uitzonderingen den regel, dat het naar de ordonnantie Gods is, dat „de vrouwen in de gemeenten zwijgenquot;.

Op grond van deze uitspraak zou men van de gedachte kunnen uitgaan, dat hetgene in 1 Oor. 11 : 5 gezegd wordt, overbodig is. Als er nu geboden is, dat de vrouwen in de gemeenten moeten zwijgen, hoe kan er dan gezegd worden; „Maar eene iegelijke vrouw, die hidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofdquot; ? Als het nu, behoudens buitengewone omstandigheden van dringende noodzakelijkheid, aan de vrouwen verboden is te spreken of te profeteeren, in de vergadering der geloovigen, dan zal het haar toch ook wel verboden zijn, al is het, dat zij haar hoofd gedekt heeft.

Het antwoord hierop luidt, dat Paulus het eene verwerpt en het andere niet goedkeurt. Als hij de vrouwen er over bestraft, dat hy ze met ongedekten hoofde in de vergadering der geloovigen ziet, dan spreekt hij daarmede niet uit, dat zij met gedekten hoofde wèl pr. diken en profeteeren mogen. Ja, wij gaan nog verder en zeggen dat Paulus hier het oog heeft op de zedigheid, eene deugd, welke de vrouw zoo zeer siert. En die zedigheid wil hij, dat de vrouw zal aan den dag leggen, niet alleen wanneer zij met de gemeente samenkomt, maar te allen tijde, waar zij zich vertoont.

ocr page 387

383

CXI.

„En er is verscheidenheid der werkingen, doch het is dezelfde God, die alles in allen werkt.quot;

1 Coe. 12 : 6. „Indien dan iemand zichzelven van deze reinigt,

die zal een vat zijn ter eere, geheiligd en bekwaam tot gebruik des Heeren, tot alle goed werk toebereid.quot;

2 Tim. 2 : 21.

Eom. 9 verklaart Paulus, dat het niet is desgenen die wil, noch deagenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. Indien de mensch dus waant, dat het in z^ne macht staat, zichzelven te reinigen tot „een vat der eere, geheiligd en bekwaam tot gebruik des Heeren, tot alle goed werk toebereidquot;, dan misleidt hij zichzelven schromelijk. De apostel spreekt hier niet over de oorzaak van de verkiezing des menschen, gelijk hij dat wèl in Rom. 9 doet, en hij wil alleenlijk, dat wij den ongeloovigen niet gelijk zullen worden, van welke men ziet, dat zij geboren zijn, om verloren te gaan. Dwaas zou het zijn, uit deze woorden af te leiden, dat het in de macht van een mensch staat, om tot het getal der kinderen Gods te worden gerekend; dat de mensch het aan zichzelven heeft dank te weten, indien hij tot een kind van God wordt aangenomen. Zal de mensch God dan berooven van zijne eer, die hem uit loutere genade, met voorbijgaan van vele anderen, gesteld heeft tot een vat ter eere? Heeft God niet de macht over den mensch, gelijk de pottenbakker over het leem, die uit denzelfden klomp maakt het ééne een vat ter eere en het andere een vat ter oneere ? Stond het niet aan God, de vaten des toorns tot het ver-

ocr page 388

384

derf toe te bereiden en aan de vaten der barmhartigheid den rijkdom zijner heerlijkheid bekend te maken ? De „vaten des toornsquot;, hebben hunne schande in zichzelven besloten, en mogen de schuld daarvan niet aan God toeschrijven ; hunne schande mag niet geweten worden aan het huisgezin, waartoe zij be-hooren, en evenmin aan den vader des huizes. Paulus stelt dit duidelijk voor onder een zeer begrijpelijk beeld uit het dage-lijksche leven, waar hij zegt: „In een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren, maar ook houten en aarden vaten ; en sommige ter eere, maar sommige ter oneere.quot; Zoo ook heeft de vader des huizes een ieder lid gesteld tot het gebruik waartoe hij hem geordineerd had. Wij moeten doen, wat wij kunnen om „een vat ter eerequot; .te zijn, want in de verworpenen, in „de vaten ter oneerequot; kunnen wij als in een spiegel het ongelukkige beeld aanschouwen van hen, die de eere Gods niet van ganscher harte gezocht hebben.

Deze vermaning des apostels is dus juist een sterk wapen, om de aanvallen af te slaan van hen, die ons wijs willen maken, dat wij iets tot onze zaligheid kunnen toebrengen. Neen de gedachte den mensch een vrijen wil toe te schrijven of hem iets toe te kennen, waardoor hij van zichzelven Gode dankbaarheid zou kunnen bewezen, is den apostel ten eenenmale en volkomen vreemd; hij beveelt hier den geloovigen, dat zij zich reinigen zouden van de onreinigheden der ongeloovigen en zich Gode toeëigenen, die zichzelven voor hen gegeven heeft, opdat hij hen zoude verlossen van alle ongerechtigheid, en zichzelven een eigen volk zoude reinigen, ijverig in goede werken. De mensch is dus tot heiligheid geroepen, maar er is een groot onderscheid tusschen de roeping en de kracht, om haar op te volgen. Dit is zeker, dat van de geloovigen geëischt wordt, dat

ocr page 389

385

zij zichzelven reinigen. Maar duidelijk zegt de Heere, dat Hij daartoe zijne kracht in hunne zwakheid zal volbrengen, als Hij belooft, reine wateren te zullen zenden, opdat zij gereinigd worden. En die het belooft, is getrouw. Daarom doet de apostel dan ook in Hebreen 10 \'dit bemoedigend woord hooren: „Laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van de kwade consciëntie, en het lichaam gewasschen zijnde met rein water.quot; Van dien toegang moeten wij met vrijmoedigheid gebruikmaken, en veel eer den Heere bidden, dat Hij ons wassche en reinige van al onze zonden, dan dat wij op eigen krachten steunen en het zonder zijne hulp beproeven zouden.

Wij besluiten dus, dat er in den mensch gèen goed gevonden wordt, of het komt van God ; en gerustelijk mogen wij zeggen, dat God het is, die alles in allen werkt. Het is volkomen waar, dat Paulus dit gezegde niet laat slaan op de alge-meene voorzienigheid Gods ; neen, hij heeft hier alleen het oog op de groote goedheid, welke God ons bewijst, als Hjj aan een iegelijk onzer iets van zijne genade mededeelt. Dit neemt echter niet weg, dat er in den mensch niets kan gevonden worgden, dat waarlijk als goed mag worden aangemerkt, of het vloeit voort uit de goedheid Gods.

ocr page 390

386 CXII.

„Want wij kennen ten deele, en wij profeteeren ten deelequot;.

1 Cor. 13 : 9.

„Doch gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle dingenquot;.

1 Joh. 2 : 20j

NZE volkomenheid zal met zich brengen eene volledige kennis en profetie. Als dus Paulus verklaart, dat onze kennis en profetie nog slechts ten deele zijn, dan vloeit daaruit van zelve voort, dat wij die volkomenheid nog niet bereikt hebben. En zoo Is het ook inderdaad. Dat is de ervaring van elk en een ieder. Zoolang wij nog zijn in het zondige omhulsel, is alles onvolkomen, en een ieder die zich-zelven kent, zal moeten belijden, dat zelfs zijne beste werken nog de sporen van onvolkomenheid dragen, dat zelfs zijne heiligste verrichtingen nog met zonden bevlekt zijn. Zoolang wij nog aan deze zijde des grafs zijn en niet geschaard staan in de rijen der volmaakt geloovigen, zal die onvolkomenheid ons bij» blijven. Ook van haar zullen wij eerst verlost zijn, wanneer het verderfelijke onverderfelijkheid en het sterfelijke onsterfelijkheid zal hebben aangedaan. Alles, wat de geloovige hier op aarde heeft, is slechts een voorsmaak, een beginsel van hetgene hij in den hemel deelachtig zal worden. Dit neemt echter niet weg, dat hij er gedurende den tijd zijner inwoning in dit vleesch steeds naar streven moet, in die kennis toe te nemen. Hoe meer hij toeneemt in de kennis en wast in de genade van onzen Heere Jezus Christus, en hoe meer\'hij in de school van onzen Heere

ocr page 391

387

Jezus geoefend wordt, des te meer zal hij inzien en gevoelen, hoe verre hij nog van de volmaaktheid verwijderd is. De gaven, die God ons voor dit leven schenkt, zijn maar tijdelijk; hunne nuttigheid strekt zich dan ook niet verder uit dan tot dit leven; als wij den loop voleind zullen hebben, hebben wij die behulp-selen niet meer van noode. Paulus maakt dus de tegenstelling tusschen datgene wat volkomen en datgene wat slechts ten deele is en zegt, dat, als de toestand der volkomenheid zal zijn aangebroken, alles wat tot het onvolmaakte behoorde, zal hebben •opgehouden te bestaan. Die toestand zal aanvangen na den dood, wanneer al het onvolmaakte zal te niete gedaan worden, en zijne volle hoogte bereiken in den dag der toekomst van onzen Zaligmaker Jezus Christus.

Maar, waar God ons toch niets zonder oorzaak gegeven ■heeft en, gelijk wij dan ook zagen, die hulpmiddelen er slechts zijn terwille van onze onvolmaaktheid, hoe kan Johannes dan in zijn eersten brief met betrekking tot den geloovige verklaren : „Gij hebt de zalving van den Heilige en gij weet alle dingenquot; ? .Zooeven toch hoorden wij uit Paulus\' mond, dat de geloovigen slechts ten deele kennen ? Hoe kan dit nu met elkander in ■overeenstemming zijn ?

Zeer gemakkelijk, indien men de uitspraak uit Johannes\' brief niet in het algemeen op iederen geloovige laat slaan, maar ■de omstandigheden in aanmerking neemt, waaronder de apostel ■dit verklaart. Heel dit tweede hoofdstuk bevat niets anders dan vermaningen en raadgevingen, die hij in den toon der liefde, als een vader aan zijne „kinderkensquot;, doet toekomen. En opdat zij nu niet meenen zouden, dat hij zijne kinderkens voor zeer ■onkundige en onwetende menschen aanziet, wil hij duidelijk doen ■uitkomen, dat hij dat alles niet geschreven heeft, om hen iets te

ocr page 392

388

leeren, wat zij nog niet wisten, maar om hen ernstig te waarschuwen. Velen waren uit hun midden „uitgegaanquot;, velen waren „antichristen gewordenquot;, alles wees er heen, dat het „de laatste urequot; was, en met vaderlijke liefde en ernst ivaarschuwt hij nu zijne „kinderkensquot;, dat zij de wereld niet lief zouden hebben,, noch hetgene in de wereld is. Hij schreef hun dit alles nietr omdat zij het niet wisten, o neen, zij hadden de zalving van den Heilige en zij wisten alle dingen, die zij tot hunne zaligheid noodig hadden te weten. Vandaar dan ook, dat hij er onmiddellijk oplaat volgen : „Ik heb u niet geschreven, omdat gij de waarheid niet weet, maar omdat gij die weet, en omdat geene leugen uit de waarheid is.quot; Door duidelijk te doen uitkomen, dat hij schreef te hunner waarschuwing, tracht Johannes te voorkomen, dat zijne leer door iemand verworpen worde. Nu kan zijne leer doel treffen voor de pas beginnenden in de oefenschool van onzen Heere Jezus, maar ook voor de meer gevorderden, die te allen tijde nog de waarschuwing van noode hebben, voorzichtig-lijk te wandelen. De laatstgenoemden zouden bij de gedachte,, dat zij dit alles reeds wisten, zoo licht geneigd zijn te denken, dat deze woorden wel geschikt waren voor anderen, maar niet voor hen. En zelfs van den verstge vorderde moet deze gedachte steeds verre blijven. Een trouwe herder mag niets achterwege laten ; den last die hem toevertrouwd werd, moet hij ganschelijk ten uitvoer leggen. En wij moeten van onze zijde naarstig-hooren naar al hetgene hij van \'s Heeren wege tot ons te zeggen heeft en het in toepassing brengen op onze persoonlijke toestanden.

ocr page 393

389

CXIII.

„Want wij zien nu door eenen spiegel in eene duistere redequot;.

1 Cor. 13 : 12a.

„En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in eenen spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geestquot;.

2 Cor. 3 : 18.

^ELIJK wij weten, stelt Paulus in 2 Cor. 3 de bediening der wet tegenover de bediening des evangeliums en toont duidelijk aan, dat het licht van het evangelie een gansch ander is dan dat der wet. Door het licht der wet waren de oogen meer verblind dan verlicht, terwijl in het evangelie het heerlijke aangezicht van Jezus Christus aanschouwd wordt. Vandaar dan ook, dat de apostel er zijne groote vreugde over uitspreekt, dat de majesteit en luister, die uit liet evangelie den mensch tegenkomen, hem niet afschrikken en verblinden, maar hem als het ware vriendelijk tegenlachen. Het is den apostel eene stoffe van blijdschap, dat het evangelie niet bedekt, maar voor alle menschen ontsloten is. En dat dit zoo is, blijkt duidelijk, wanneer wet en evangelie met elkander vergeleken worden. De apostel maakt deze vergelijking om drie redenen. Ten eerste, opdat wij tot het evangelie zouden komen zonder vrees van door duisternis misleid te zullen worden. Zonder eenig bedeksel wendt de Heere ons daarin zijn vriendelijk aangezicht toe, zoodat wij „met ongedek-

ocr page 394

390

ten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in eenen spiegeL aanschouwenquot;. Ten tweede, opdat wij weten zouden, dat het niet eene aanschouwing moet zijn, die ledig en dood is, maar dat wij, de heerlijkheid des Heeren in het evangelie als in een spiegel aanschouwende, „naar hetzelfde beeld in gedaante moeten veranderd wordenquot;. Ten derde, opdat wij verstaan zouden, dat dit alles niet in eens in ons gewerkt wordt, maar dat het moet zijn een wassen en toenemen zoowel in de kennis als in de gelijkvormigheid van dit beeld. Het moet zijn, „van heerlijkheid tot heerliikheid, als van des Heeren Geestquot;.

Maar — laten wij er toe overgaan de schijnbare tegenstrijdigheid op te lossen, die er ligt tusschen deze uitspraak desapostels en die uit het 13e hoofdstuk van zijn eersten brief aan dezelfde gemeente. Op de eene plaats zegt Paulus, dat wij met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwen, en op de andere, dat wij door een spiegel in eene duistere rede zien.

Uitwonende in het lichaam, hebben wij van God eene zeer kleine en duistere kennis, vooral wanneer wij haar vergelijken bij het zien van aangezicht tot aangezicht, dat voor ons weggelegd is-tot den tijd, dat wij inwonen bij den Heere. God heeft zich op aarde zooverre aan ons geopenbaard, als tot onze zaligheid noodig is en wij het met onze zwakke en sterfelijke lichamen\' verdragen kunnen. Nu zouden wij het nog niet vermogen. Hem te aanschouwen in den vollen glans zijner majesteit en luister,, almacht en heerlijkheid. Daartoe moeten wij eerst van gedaante zijn veranderd en het zwakke en sterfelijke hebben afgelegd !: Hier op aarde kunnen wij God ook niet aanschouwen, want Hij is opgevaren ten hemel en zal vandaar eerst wederkomen ten jongsten dage. Hij openbaart zich nu dan ook op andere-

ocr page 395

391

wijze. God de Heere, die thans voor ons lichamelijk oog onzichtbaar is, heeft een ander middel verkoren, om zich aan ons te openbaren. Dat middel is zijn evangelie, waardoor Hij tot ons spreekt en waarin wij Hem als in een spiegel aanschouwen kunnen. God spreekt tot ons door middel van zijn Woord, dat Hij [in ons midden laat prediken en dat wij steeds zelf onderzoeken kunnen. Naar recht en reden kon God zijn aangezicht in toorne van ons wenden, maar uit kracht van loutere goedheid doet Hij dat niet en wil Hij zijn vriendelijk aangezicht nog in gunste over ons doen lichten. De engelen hebben zulk eene openbaring Gods niet van noode, zij hebben geene behoefte aan de prediking des Woords, aan het gebruik der Sacramenten of aan eenig ander middel. Neen, zij zijn Gods troongeesten en dienen Hem dag en nacht. Zij zien Hem niet door een spiegel, maar mogen zich steeds verlustigen in zijne onmiddellijke nabijheid. Maar de mensch is nog niet tot dat hooge standpunt opgeklommen ; hij kan het aaugezichte Gods niet anders aanschouwen dan in dien spiegel, welken God hem aanbiedt in zijn Woord en in den ganschen dienst zijner kerk. Zoolang het dus is een leven door het geloof, is er duisternis. Niet in dien zin, dat de aanschouwing in dien spiegel ook maar in het minst twijfelachtig of bedrieglijk is; neen, er is duisternis, vergeleken hij het volle licht, dat eenmaal zal opgaan, wanneer het geloof verwisseld zal worden met aanschouwen. Op aarde kunnen wij God zien door het oog des geloofs en moeten wij tevreden zijn met zijn beeld als in een spiegel te aanschouwen. Eenmaal opgenomen in heerlijkheid, zullen wij Hem zien, gelijk Hij is, van aangezicht tot aangezicht.

Om deze beide uitspraken goed te verstaan, moeten wij dus letten op het punt van vergelijking. Hoewel Gods Woord

ocr page 396

392

is eene lamp voor onzen voet en een licht op ons pad; hoewel het ons voldoende bekend maakt met alles, wat wij tot onze zaligheid van noode hebben, toch zien wij nu nog door een spiegel in eene duistere rede, vergeleken met de zichtbare openbaring, waarmede Hü eenmaal de zijnen verrijken zal. wanneer zij als overwinnaars met Hem zullen zitten op zijn troon en verzadigd zullen worden met zijn goddelijk beeld. Worden daarentegen wet en evangelie met elkander vergeleken, dan is het niet minder waar, dat wij in het evangelie met ongedekten aange-zichte de heerlijkheid des Heer en als in een spiegel aanschouwen.

CXIV.

„Doch dat zeg ik, broeders, dat vleesch en bloed het koninkrijk Gods niet beërven kunnenquot;.

1 Cor. 1 : 50a.

„Ik geloof de wederopstanding des vleeschesquot;.

Geloofsbelijdenis Art. 11.

N de twaalf artikelen van ons algemeen, ongetwijfeld Christelijk geloof komt ook een artikel voor, waarin wij belijden, te gelooven aan de wederopstanding onzes vleesches. En inderdaad, dat te gelooven, behoort mede tot onzen eenigen troost beide in leven en sterven. Indien wij niet gelooven, dat eenmaal onze lichamen uit het stof der aarde verrijzen zullen, zoo is de prediking des evangelies ijdel. Duidelijk en schoon wordt dit door Paulus in 1 Oor. 15 betoogd. Sommigen zeiden, dat er geene opstanding der dooden was, en daartegen verheft Paulus zijne waarschuwende stem.

ocr page 397

393

als hij zegt: „Indien er geene opstanding der dooden is, zoo ia •Christus ook niet opgewekt. En indien Christus niet opgewekt is, zoo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof, zoo zijt gij nog in uwe zonden. Zoo zijn dan ook verloren die in Christus ontslapen zijn. Maar nu, Christus is opgewekt uit de dooden, en is de eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijnquot;. Een ieder zal opstaan in zijn eigen lichaam, „maar een iegelijk in zijne orde; de eersteling, Christus, daarna die van Christus zijn. in zijne toekomstquot;. Het lichaam zal dan met de ziel vereenigd worden, om, ontdaan van alle zwakheid en verderf, gelijkvormig gemaakt te worden aan het verheerlijkte lichaam van Jezus Christus. God zal degenen, die ontslapen zijn in Jezus, wederbrengen met Hern. Die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan ; zij zullen onverderfelijk opgewekt worden. Daarna zij, die levend overgebleven zijn. Zij zullen niet ontslapen, maar in een punt des tijds, in een oogenblik, veranderd worden en opgenomen in de wolken, den Heere te gemoet, in de lucht, om altijd met den Heere te wezen.

Die wederopstanding des vleesches is natuurlijk onaannemelijk voor het ongeloof. Alleen het geloof is bij machte, dit te belijden. Voor hem, die gelooft, dat God, de Schepper van hemel en aarde, den mensch uit het niet in het aanzijn heeft geroepen, is het niet te wonderlijk, dat diezelfde God bij machte is^ dat lichaam terug te roepen uit het stof, waartoe het weder gekeerd is. Onder een schoon beeld stelt de Heilige Geest ons deze wondere gebeurtenis voor oogen. Op de vragen: „Hoe zullen de dooden opgewekt worden ? En met hoedanig een lichaam zullen zij komen ?quot; luidt het antwoord in 1 Cor. 15 : 36 — 38: „Gij dwaas, hetgene gij zaait, wordt niet levend, tenzij dat het gestorven zij ; en hetgene gij zaait, daarvan zaait

ocr page 398

394

gij het lichaam niet, dat worden zal, maar een bloot graan, naar het voorvalt van tarwe of van eenig der andere granen • maar God geeft daaraan een lichaam, gelijk Hij wil, en aan een iegelijk zaad zijn\' eigen lichaamquot;. Gelijk dus de graankorrel eerst in de aarde sterft, om daarna in veel schooner gedaante te voorschijn te komen, zoo zal ook de geloovige, die in Christus gestorven is, meteen veel heerlijker lichaam opgewekt worden. Was hij gezaaid in verderfelijkheid, in oneere en in zwakheid, hij zal opgewekt worden in onverderfelijkheid, in heerlijkheid en in kracht. Was er een natuurlijk lichaam gezaaid, een geestelijk lichaam zal er opgewekt worden. In dat geloof staat de geloovige belijder dan ook onwrikbaar vast; en in het voorbeeld van den Zoon des menschen, die waarlijk gestorven en na drie dagen opgewekt is, wordt het schijnbaar ongeloofelijke hem duidelijk voor oogen gesteld. Willen wij ons dus een juist begrip van de opstanding vormen, dan hebben wij slechts te zien op Jezus Christus, die het ons in zijne opstanding, als in een spiegel, duidelijk doet zien. Evenals Hij met hetzelfde lichaam is opgestaan, als waarin Hij geleden heeft, zoo zullen ook wij verrijzen met hetzelfde lichaam, dat wij nu omdragen. Maar evenals Hij na zijne verrijzenis eene andere heerlijkheid heeft dan die Hij tevoren bezat, zoo zullen ook onze lichamen na de opstanding uit de dooden gansch anders zijn.

En hiermede hebben wij tegelijk de andere uitspraak verklaard, n. I. dat vleesch en bloed het koninkrijk Gods niet beërven kunnen. In de gedaante, die zij nu hebben, kan dat niet; daartoe moet — gelijk wij zagen — het verderfelijke onverderfelijkheid en het sterfelijke onsterfelijkheid aandoen. Willen wij erfgenamen Gods kunnen zijn, dan moeten onze lichamen eerst vernieuwd worden. Hoe zou een verderfelijk en

ocr page 399

395

verwelkelijk lichaam kunnen inkomen in het onverderfelijke en onverwelkelijke koninkrijk Gods! Neen, daarin zullen de geloo-vigen niet inkomen, tenzij dan dat zij vernieuwd zijn naar het evenbeeld desgenen, die hen geschapen heeft. In dat koninkrijk zal niets binnenkomen, dat gruwelijkheid bedrijft of onrecht doet; daar zullen alleen aanzitten de gekochten door het bloed van Christus; die lichamen alleen zullen de hemelsche glorie deelachtig worden, die door den Heiligen Geest wedergeboren en uit den slaap des doods opgewekt zijn. Maar dan zullen zij ook voor eeuwig bij Hem zij a; verlost van alles, wat hier zoo vaak smart en moeite veroorzaakte, zullen zij eeuwig en ongestoord de goedertierenheden Gods bezingen ; uit het lichaam der zonde uitwonende, zullen zij eeuwig met een verheerlijkt lichaam bij den Heere inwonen. „Zoo dan, vertroost malkanderen met deze woorden.quot;

ocr page 400

396

CXV.

„Maar die van Christus zijn, hebben het vleesch gekruisigd met de bewegingen en begeerlijkhedenquot;.

GAL. 5 : 24.

„Want niemand heeft ooit zijn eigen vleesch gehaat, maar hij voedt het, en onderhoudt het, gelijker-wijs ook de Heere de gemeentequot;.

Eph. 5 : 29.

IT ziin twee uitspraken, die wèl zeer van elkander onderscheiden, maar in het minst niet met elkander in tegenspraak zijn.

Als de profeet Jesaja aantoonen wil, wat de eene mensch jegens den anderen verschuldigd is, dan redeneert hij als volgt: Veracht uw vleesch niet, wij zijn vleesch en been van malkanderen, wij zijn van eenerlei natuur en gedaante en kunnen dus een ander geen onrecht of geweld aandoen zonder onze eigene natuur en gedaante te schenden; indien wij een ander verachten, zoo komt de schande op ons eigen hoofd neer. Als Jesaja aldus redeneert, heeft hij echter het oog op de algemeene natuur van den mensch, terwijl Paulus ziet op de vereeniging, die er bestaat tusschen man en vrouw. De apostel klimt dus hooger op dan de profeet, en wil aantoonen, dat die verbintenis niet gegrond is op de gelijkheid van natuur, maar gelegen is in den band des huwelijks, welke maakt, dat die beide tot één vleesch zijn. „Alzoozijn de mannen schuldig, hunne eigene vrouwen lief te hebben, gelijk hunne eigene lichamen. Die zijne eigene vrouw liefheeft, die heeft zichzelven lief\'. En geen mensch is er, die zichzelven niet liefheeft. Memand heeft ooit zijn eigen vleesch

ocr page 401

397

gehaat; integendeel, hij draagt er zorg voor, door het te voeden en te onderhouden. Niemand kan dus zichzelven liefhebben, zoo hij zijne vrouw niet liefheeft, want zij is zijn eigen vleesch.

Zou hiermede nu in strijd zijn, wat Paulus in Gal. 5 zegt, als hij verklaart: „Maar die van Christus zijn, hebben het vleesch gekruisigdquot; quot;i Immers neen. Zijn vleesch te kruisigen, is gansch iets anders dan het te haten; het wil juist zeggen, zijn vleesch zóó te temmen en in toom te houden, dat het den mensch niet van zijne zaligheid aftrekt. Daartegen moet de Christen juist waken. Want het vleesch voert krijg tegen den geest. Het vleesch moet ten onder gebracht worden met al zijne bewegingen en begeerlijkheden, die den mensch zoo vaak van God en zijn dienst aftrekken. Dier oude natuur moet de mensch meer en meer afsterven, om in een nieuw godzalig leven te wandelen.. Om den mensch dat mogelijk te maken, heeft Christus geleden en is Hij gestorven. Dat wandelen in nieuwigheid des levens is eene vrucht van het kruis van Golgotha. Van zichzelven bedenkt de mensch niet de dingen, die des Geestes Gods zijn, want zij zijn hem dwaasheid. Van nature wandelt hij naar het goeddunken van zijn eigen boos hart en leeft in de aanschouwingen zijner oogen. Het is alleen Gods genade en liefde, die hem uit die duisternis trekt en hem geen vermaak meer scheppen doet in de bewegingen en begeerlijkheden des vleesches. Willen wij kinderen Gods kunnen worden, dan moeten wij den ouden mensch afsterven en den nieuwen mensch aandoen, die naar God geschapen is in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid. Men wane evenwel niet, dat men, zoolang mén in het lichaam der zonde is, het vleesch met zijne begeerlijkheden ganschelijk kruisigen zal. Neen, dat niet, maar men moet zorg

ocr page 402

398

dragen, dat het vleesch geene heerschappij voert. In den breede •wordt dit door Paulus in Rom. 6 betoogd, als hij vermaant: „Dat dan de zonde niet heersche in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden deszelven lichaams; en stelt uwe leden niet der zoude tot wapenen der ongerechtigheid, maar stelt uzelven Gode, als uit de dooden levend geworden zijnde, en stelt uwe leden Gode tot wapenen der gerechtigheid. Want de zonde zal over u niet heerschen ; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genadequot;.

CXVI.

„Draagt malkanders lasten, en vervult alzoo de wet van Christusquot;.

Gal. 6 : 2.

„Want een iegelijk zal zijn eigen pak dragenquot;.

Gal. 6 : ö.

\'ET is een alleszins gewoon verschijnsel, dat men iemand die onder het torsen van een zwaren last bijkans bezwijkt, ter hulpe snelt en hem zooveel mogelijk dien last verlicht. Zoo ook moeten wij ons steeds bereid toonen, de gebreken in onze broederen te verdragen. Dit heeft de apostel op het oog, als hij zegt; „Draagt malkanders lastenquot;, want die gebreken mogen inderdaad wel als een „lastquot; beschouwd worden. Maar als ons bevolen wordt, dat de een de zwakheden en gebreken van den ander dragen zal, dan wil dat niet zeggen, dat wij door toegevendheid of geveinsdheid de gebreken van onze naasten voeden moeten, maar dat wij trachten moeten, hen daarvan te verlossen. En dit moeten

ocr page 403

399

wij door zachtmoedige onderwijzing en liefderijke vermaning. Er zijn veie lieden, die een boos en ergerlijk leven leiden en die nochtans zouden willen, dat de Heere een beschermer van hun kwaad zou zijn of dat de geloovigen tot ontlasting hunner boosheid dienen zouden. Met die bedoeling wordt dit bevel echter niet gegeven. Als er bevolen wordt: „Draagt malkanders lasten en vervult alzoo de wet van Christusquot;, dan wil dat niets anders te kennen geven, dan dat wij elkanders zwakheden verdragen en er naar streven moeten, om elkander op den goeden weg te brengen. Wij moeten alle pogingen in het werk stellen, om elkander van de gebreken te verlossen.

Als nu de apostel in het 5de vers daaraan toevoegt: „Want een iegelijk zal zijn eigen pak dragenquot;, dan dient dat tot eene nadere verklaring van hetgene te voren gezegd is. Eerst dan zullen wij bereid zijn, een ander in het torsen van zijn last te verlichten, als wij de hand in eigen boesem steken en zien, wie en wat wijzelven zijn. Met andere woorden, wy zullen eerst dan gezind zijn in stilte de gebreken van een ander te dragen en er hem in alle vriendelijkheid op te wijzen, als wij de menigvuldige zwakheden, die wij in onszelven verdragen moeten, opmerken. Een iegelijk heeft te dien opzichte zijn eigen pak te dragen. Niemand bedriege zichzelven door te meenen, dat hij geen pak van zichzelven te dragen heeft. Indien wij dat goed inzien en voor oogen houden, dan zullen wij ons ongetwijfeld jegens onzen broeder meer vergevensgezind betoenen. Maar wanneer wij in ijdele zelfverheffing meenen, bevrijd te zijn van zwakheden en gebreken, dan zullen wij ze ook niet in onzen naaste dragen. Vanwaar komt die opgeblazenheid, waarin wy ons verheffen boven anderen Vanwaar die norsch-held en stuurschheid, dat weinig vriendelijke tegenover onzen

ocr page 404

400

evenmensch ? Komt dat niet juist daar vandaan, dat wij in eigen oog zoo groot zijn en daarom zoo laag op anderen neerzien ? Een iegelijk onderzoeke zichzelven! „Want zoo iemand meent, iets te zijn, waar hij niets is, die bedriegt zichzelven in zijn gemoed.quot; Daarom „een iegelijk beproeve zijn eigen werk; en alsdan zal hij aan zichzelven alleen roem hebben, en niet aan eenen anderen.quot; Inderdaad, alle roem is buitengesloten,, indien wij hem verkrijgen willen ten nadeele van den goeden naam van een ander. Zonder in vergelijking te komen met anderen, moeten wij roem verwerven. En waar dit nu geldt ten aanzien van den eenen mensch tegenover den anderen, hoe veel te meer zal dit gelden, als de mensch eenmaal staan zal tegenover den hoogen en heiligen God. in dat gerichte zal een ieder zijn eigen pak dragen. Hij zal ontvangen, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. Daar zal geene vergelijking gemaakt worden van den een met den ander. Een ieder zal daar voor eigene rekening staan. Een ieder staat of valt zichzelven. Op aarde is dit zoo niet. Daar wordt de maatstaf der beoordeeling menigmaal aan een ander aangelegd. Wilt gij dit opgehelderd zien met een voorbeeld uit het dagelijksche leven, brengt dan maar een mensch, die scheel ziet, in eene inrichting, waar enkel blinden zijn, en gij zult bemerken, hoe hij weldra in den waan verkeert, goed van gezicht te zijn. Zoo is het niet bij den Heere. Hij legt den maatstaf ter beoordeeling den mensch zeiven aan ; Hij rekent naar hetgene persoonlijk door dien mensch gedaan is. En daarom : „Dwaalt niet God laat zich niet bespotten; want zoo wat de mensch zaait, dat zal hij ook maaien. Want die in zijns zelfs vleesch zaait,, zal uit het vleesch verderfenis maaien ; maar die in den Geest. zaait, zal uit den Geest het eeuwige leven maaien.quot;

ocr page 405

401

CXVII.

„Christus heeft de gemeente liefgehad en zichzel-ven voor haar overgegeven, opdat hij haar heiligen zoude, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het woord.quot;

Eph. 5 : 256, 26.

„Het bloed van Jezus Christus, zijnen Zoon, reinigt ons van alle zonde.quot;

1 Joh. 1 : 76.

N de aangehaalde woorden uit Epheze 5 wijst de apostel eerst op de uitnemende liefde van Christus voor zijne gemeente, welke zich het luisterrijkst heeft geopenbaard, toen Hij zich voor haar overgaf, „opdat Hij haar heiligen zoudequot;. Daarna zegt de apostel, dat Christus zijne gemeente gereinigd heeft „met het bad des watersquot;, om er dan ten slotte nog aan toe te voegen ; „door het woordquot;. De Zone Gods heeft zich eene gemeente ten leven uitverkoren. Om haar eenmaal zijnen Vader te kunnen voorstellen als eene gemeente zonder vlek en zonder rimpel, heeft Hij haar gereinigd van allen smet, hetwelk geschiedt door vergeving der zonden en wederbaring des Geestes. De heiligmaking zelve is eene inwendige daad, maar de apostel voegt er hier het uitwendige teeken bij, waar hij spreekt van „het bad des watersquot;, hetwelk is de doop. Natuurlijk niet met de bedoeling, dat wy by het uitwendige teeken zouden blijven staan, om van het Sacrament zelve ons een afgod te maken. Neen, het sacrament blijft altijd slechts een teeken, om geestelijke zaken af te beelden, en is nooit iets anders dan een zegel, waarin en waardoor de Heere de ge-

se

ocr page 406

402

loovigen in hun geloof bevestigen wil. Zoo is by den doop het uitwendige „waterbadquot; niets anders dan het teeken van de afwassching der zonde door het bloed en den Geest van Christus en het zegel van het verbond der genade, waarin „God spreekt tot Abraham, den Vader van alle geloovigen, en over zulks mede tot ons en onze kinderen, zeggende: „Ik zal mijn verbond oprichten tusschen Mij en tusschen u, en tusschen uw zaad na u in hunne geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God en uwen zade na u.quot; Als dus Paulus getuigt, dat wij gewasschen en gereinigd zijn door den doop, dan wil hij daarmede te kennen geven, dat, evenals het uitwendig teeken, het water, de onreinheid des lichaams pleegt weg te nemen, zoo ook de beteekende zaak, het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, ons reinigt van al onze zonden. Eenig en alleen in dien zin kan en mag gezegd worden, dat het uitwendige waterbad de onreinheid der ziel afwascht. Hoe zou gewoon water bij machte zijn, om de vergeving der zonden teweeg te brengen ? Wanneer men niet hooger opklimt en bij het water alleen blijft staan, kan men nooit naar waarheid getuigen, dat de doop de afwassching der ziel is. De waarachtige en eenige afwassching der ziel van al hare onreinheid kan alleen geschieden door het dierbare bloed van het onbevlekkelijke en onbestraffelijke Lam, hetwelk voor onze zonden geslacht is, en dat ons toegeëigend wordt door de kracht en de genade des Heiligen Geestes. Laten wij ons dus te allen tijde er voor wachten, iets aan een uitwendig teeken of aan den dienaar, die het bedient, toe te schrijven, wat alleen Gode toekomt! Niet de bedienaar van den doop vergeeft ons onze zonden en evenmin zal ooit het water bij machte zijn, onze zielen te reinigen, aangezien alleen het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, het eenige middel is, waardoor

ocr page 407

403

■wij van onze zonden verlost en rechtvaardig voor God kunnen gesteld worden. Geen vertrouwen moeten wij dus stellen op ■een sterfelijk mensch of op een uitwendig teeken ; alleen dan, wanneer wij het sacrament gebruiken tot dat einde, waartoe \'God de Heere het heeft ingesteld, zal het ons tot Christus leiden.

Vandaar dan ook, dat Johannes in zijn eersten brief schrijven kon: „Het bloed van Jezus Christus, zijnen Zoon, reinigt ons van alle zonde.quot; De apostel noemt het middel, waardoor de verzoening tusschen God en mensch teweeggebracht is, zoo duidelijk mogelijk, opdat niemand ook maar het geringste deel der reiniging aan iets anders zou toeschrijven. Duidelijk wil hij doen uitkomen, dat alle onze zonden, tot de kleinstë toe, niet anders verzoend kunnen worden dan door het bloed van Christus. En dit doet Johannes, opdat het den geloovige te allen tijde ■duidelijk voor oogen zou staan, dat hij niet op grond van iets, dat in hem was, of ter oorzake van eenig ander ding, door God in genade is aangenomen, maar dat die aanneming eenig en alleen berust op het voldoende offer, dat door den Zone Gods gebracht is. Breedvoerig wordt dit in den brief aan de Hebreën ■aangetoond ; lees slechts hoofdstuk 9. Door zijne zelfofferande heeft Christus de zonde te niete gedaan.

Hoewel het dus vast staat, dat niemand anders dan God de reinigmaking onzer zonden teweeg brengt door het bloed zijns Zoons en het ongeoorloofd is, deze waardigheid op het teeken over te dragen, toch ligt er in beide bovengenoemde uitspraken niet de minste tegenstrijdigheid. Wij mogen daarom gerust zeggen, dat Christus zijne gemeente gereinigd heeft „met het bad des waters door het woordquot;, mits wij dan aan het teeken zelve geene kracht toeschrijven, maar het beschouwen als een bloot middel, waarvan God de Heere zich bedienen wil, teneinde onze men-

ocr page 408

404

schelijke zwakheid te hulpe te komen. Het uitwendige waterbad blijft steeds een teeken, het water is en blijft van zichzelve een ontoereikend middel; alle kracht en waardigheid vloeit eenig en alleen voort uit de zaak, die er door beteekend wordt,, „want alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigt ons van alle zondenquot;.

CXVIII.

„Die mij nu verblijde in mijn lichaam voor u, en vervulle in mijn vleesch de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus, voor zijn lichaam, hetwelk is de gemeentequot;.

Col. 1 : 24.

„Want met ééne offerande heeft hij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden.quot;

Hkbr. 10 : 14.

LLES, wat vereischt werd en voor onze zaligheid noodig was, is volkomenlijk teweeggebracht door ééne offerande van onzen Heere Jezus Christus. Dit staat zóó onwrikbaar vast en is zóó boven allen twijfel verheven, dat de geloovigen zich door geene tegenspraak behoeven te laten verontrusten, maar zich veilig daarop verlaten kunnen. Indien onze Heere Jezus waarlijk de Christus is, dan is Hij ook waarlijk onze Hoogepriester, en indien Hij de ware Hoogepriester isr dan kan het niet anders, of zijne offerande moet volmaakt zijn. Is dit niet het geval, dan is Hij niet onderscheiden van de Levie-tisclie hoogepriesters, die zelve zondaars waren, en dan is er

ocr page 409

405

ook geen verschil tusschen zijne zelfofferande en die van beesten. En dat onderscheid bestaat wel terdege. Duidelijk wordt het door den apostel in het voorgaande hoofdstuk aangegeven, als hij zegt, dat de hoogepriester naar de ordening van Aaron eenmaal des jaars het heiligdom inging, niet zonder bloed, hetwelk hii offerde voor zichzelven en voor des volks misdaden, terwijl Christus, de Hoogepriester naar de ordening van Melchizedek, niet door het bloed der bokken en kalveren, maar door zijn eigen bloed eenmaal in het heiligdom is ingegaan, eene eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende. Door zijn eigen bloed te stollen, heeft Hij eene eeuwige verlossing teweeggebracht. Zijne zelfofferande was voldoende^ om de zijnen volkomen met God te verzoenen; welnu, dan moet men ■ook niets meer aan die offerande willen toevoegen. God de Heere, die nooit van menschenhanden behoeft gediend te worden, als iets behoevende, heeft ook voor het werk der zaligheid de hulp der menschen niet van noode. Ten eenenmale ongegrond en dwaas is het, zoo de mensch waant, dat hij aan dit volmaakte werk Gods nog iets moet toevoegen. En hoe gelukkig is dit! Hoe goddelijk wijs ! Wat zou de arme mensch, die geen penningske heeft om te betalen, kunnen bijbrengen tot delging van die onmetelijk groote schuld? Immers niets. Neen, dat wonder van genade kon alleen tot stand gebracht worden door den Vader, die, hoe zwaar de mensch Hem ook beleedigd had en hoe diep hij ook van Hem afgevallen was, toch nog gedachten des vredes over den gevallen mensch had on daarom zijn eeniggeliefden Zoon schonk, om in Hem de wereld met zichzelven te verzoenen en uit te wisschen „het handschrift der zondequot;, dat tegen hem was. Hijwasde eenige, die „den prijs der zielequot; aan God kon voldoen. Dat wonder van genade konden

ocr page 410

406

zelfs de engelen niet tot stand brengep, laat staan dan een kind\' der menschen. Als de dichter van Psalm 116 verklaart: „Koste-lijk is in de oogen des Heeren de dood zijner gunstgenootenquot;, en als wij in de martelaarsboeken lezen van zoovele getrouwe getuigen des Heeren, die voor zijn naam en zaak hun leven veil hadden, dan is hun bloed niet kostelijk in dien zin, dat er eenige verdienste in lag, om anderen te verlossen. Neen, dat zou tekort doen aan de borgtochtelijke gerechtigheid van Christus, die volkomen en voldoende was

Maar hoe kan Paulus dan in Col. 1 ; 24 verklaren, dat hij voor de gemeente in zijn vleesch de overblijfselen vervult van de verdrukkingen van Christus ? Voorzeker, Paulus en zoovele anderen, hebben ter wille van hun vrijmoedig uitkomen voor en hun onversaagd belijden van den naam van Christus „veel leeds geleden en veel strijds gestredenquot;, maar niet in dien zin, waarin de overste Leidsman en Voleider des geloofs voor zijne gemeente geleden heeft. Het onderscheid in dit lijden is nog grooter dan de afstand tusschen een aardbewoner en een hemeling. Veel hebben die getrouwe strijders voor de zaak des-Heeren overgehad ; vele zijn menigmaal hunne verdrukkingen en bang is vaak hun lijden geweest; velen hebben zelfs in dien strijd hun leven gelaten; met bewondering vestigen wij den blik op hun vast geloof en onwankelbaar vertrouwen, op hunne lijdzaamheid en hun moed; maar dat alles neemt niet weg, dat vau allen, die de waarheid met hun bloed bezegeld hebben, er nooit één geweest is, die daardoor voor zichzelven of voor anderen-de eeuwige verlossing heeft teweeggebracht. Dat was geschied en behoefde dus niet meer gedaan te worden. Dat kon door niemand verricht worden, dan alleen door Jezus Christus, den Zone Gods, die Borg voor de zijnen geworden was en in zijne:

ocr page 411

407

zelfovergave met ééne offerande in eeuwigheid volmaakt had degenen, die geheiligd zouden worden. Hierin kan een mensch Hem niet navolgen ; daarin is Hij ons dan ook niet tot een voorbeeld gesteld, om zijne voetstappen te drukken; wel wordt ons zijn lijden voorgehouden, opdat wy Hem, die ons Grode kocht door [zijn bloed, zouden toebrengen den lof en den dank. En gelijk Hij met geen ander doel „Zoon des menscheuquot; geworden is, dan opdat wij „kinderen Godsquot; zouden worden, zoo ook heeft Hij onschuldig voor ons de straf gedragen, opdat wij, die schuldig waren, door zijne striemen genezing zouden ontvangen. Door God tot zijn kind te worden aangenomen, geschiedt zonder eenige verdienste onzerzijds; het heeft plaats op grond van het vrijmachtig welbehagen des Heeren, uit vrije, onverdiende genade. Alle roem van \'s menschen zijde is hier volkomen uitgesloten; zoo ooit, dan geldt hier het woord: „Die roemt, roeme in den Heerequot;. Met onze oude vaderen zeggen wij : De goede strijder ontvangt wel aan het einde van den strijd de kroon der overwinning, maar hij is niet bij machte, die krone zichzelven of anderen te geven; het \'gevolg van zijn strijd is wel, dat hij geprezen kan worden om zijne lijdzaamheid en overgegevenheid des harten, maar niet, dat hij gedankt kan worden vanwege de gaven der gerechtigheid, die er uit voortvloeiden.

Het is dus ten eenenmale onmogelijk, dat Paulus met deze uitspraak wil ! te kennen geven, dat er iets aan het lijden van onzen Heere Jezus zou ontbroken hebben en dat dit overblijfsel door hem zou vervuld zijn. Immers, dit ware schromelijke lastertaal. Eene gansch andere bedoeling heeft de apostel dan ook met deze woorden. Hij wil daardoor duidelijk doen uitkomen, dat de gemeente er te allen tijde naar staan moet, om haar Hoofd meer en meer gelijkvormig te worden, dat zij steeds

ocr page 412

408

tot de volmaaktheid moet voortvaren, en dat daaraan de stryd en het lijden der geloovigen moeten medewerken. Van dien aard was dan ook het lijden der martelaren. Zij hebben geleden voor den naam en de zaak des Heeren en wanneer zj), strijdende voor de uitbreiding van zijn koninkrijk, verdrukt werden, dan werd in hen ook het Hoofd der gemeente verdrukt. Tusschen het Hoofd en de leden bestaat een innige band van gemeenschap, zóó sterk, dat Paulus in Rom. 8 : 29 verklaart: „ Die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd, den heelde zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat hij de eerstgeborene zij onder vele broederenquot;. De naam „Christusquot; vervat dan ook menigmaal het geheele lichaam in zich, zoo b. v. in 1 Oor. 12 ; 12 waar de apostel verklaart: „Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft en alle de leden van dit ééne lichaam, vele zijnde, maar één lichaam zijn, alzoo ook Christusquot;. Maar waarom zouden wij de verklaring van Paulus\' woorden elders zoeken ? Hij geeft die zelf, als hij in het volgende vers zegt: „Welker bedienaar ik geworden ben, naar de bedeeling van God, die mij gegeven is aan u, om te vervullen het Woord Godsquot;. Hij heeft dus voor de gemeente geleden overeenkomstig de ordonnantie, welke God zelf Hem daartoe gegeven had. God heeft Hem niet aangesteld tot een dienaar der verlossing, evenmin bevolen, zijn bloed te storten, opdat anderen daardoor van den eeuwigen dood zouden verlost worden. De last, die hem als bedienaar, naar de bedeeling van God, was toebetrouwd, strekte zich daartoe uit, dat hij „het woord Gods vervullenquot; moest; hij moest dus de gemeente ophouwen in het geloof en niet haar wederom koopen door zijn bloed. Vandaar dan ook, dat Paulus in zijn tweeden brief aan Timotheüs schrijft; „Daarom verdraag ik alles om de uitver-

ocr page 413

409

korenen, opdat ook zij de zaligheid zouden verkrijgen, die in Christus Jezus is, met eeuwige heerlijkheidquot;; En in zijn tweeden brief aan die van Corinthe verklaart de apostel, dat hij gaarne alles verdraagt, indien het slechts dienen kan tot hunne vertroosting en zaligheid.

Wij besluiten dus, dat alleen Jezus Christus geleden heeft tot verwerving van de zaligheid der zijnen, terwijl het lijden van Paulus en andere martelaren strekte, om de gemeente te bevestigen en op te bouwen in haar geloof: dat Jezus Christus met ééne offerande in eeuwigheid volmaakt heeft degenen, die geheiligd worden.

ocr page 414

410

CXIX.

„En wij bidden u, broeders, door de toekomst van onzen Heere Jezus Christus, en onze toevergadering tot hem, dat gij niet haastelijk bewogen wordt van verstand of verschrikt noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief, als van ons geschreven, alsof de dag van Christus aanstaande warequot;.

2 ïhess. 2 : 1, 2.

„Kinderkens ! het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt dat de antichrist komt, zoo zijn ook nu vele antichristen geworden; waaruit wij kennen, dat het de laatste ure isquot;.

1 Joh. 2 ; 18.

n k NDER alle teekenen, die er op wijzen, dat „de laatste urequot; aanstaande is, moet voorzeker in de eerste plaats genoemd worden „de komst van den antichristquot;. Onder de uitdrukking „de laatste urequot; verstaan de apostelen het rijk van Jezus Christus, hetwelk is van zijne eerste komst tot den dag der wederopstanding. Petrus maakt in het 3e hoofdstuk van zijn tweeden brief uitvoerig melding van die ure, als hij zegt: „Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een ge-druisch zullen voorbijgaan en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde, en de werken die daarin zijn, zullen verbranden. Verwachtende en haastende tot de toekomst van den dag Gods, in welken de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten.quot; Paulus heeft ook het oog op dien dag, als hij in 1 Cor. 10 zegt, dat de voorgaande dingen beschreven zijn „tot waarschuwing

ocr page 415

411

van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn.quot; In 2 Tim. 3 zegt hij, dat er in de laatste dagen zware tijden ontstaan zullen, doordat het kwaad dan algemeen worden zal, en in zijn 2den brief aan de Thess. verklaart hij, dat dan\'zal geopenbaard worden „de mensch der zonde, de zoon des verderfs, die zich tegenstellen en verheffen zal boven al, wat God genaamd, of als God geëerd wordt, alzoo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertoonende, dat hij God is.quot; In die laatste ure nu zullen er vele antichristen zijn ; want sedert de komst van Christus zijn er vele ketters en allerlei secten geweest, die zich vijandig gesteld hebben tegenover het rijk van Christus. Nu staat het echter niet in onze macht, te bepalen, wanneer die laatste ure aanbreken zal. Daarom moeten wij ook niet haastelijk bewogen worden van verstand of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door andere voorzeggingen, opdat wij niet te vergeefs hopen op en gelooven aan eene spoedige verrijzenis, want daardoor zou het kruis van Christus, waarvan wij alsdan meenden verlost te zijn, ons zwaar worden. Er zijn vele plaatsen in de Heilige Schrift, welke ons duidelijk zeggen, dat de dag des Heeren nabij is. Maar dat wordt altijd gezegd ten aanzien van God, want — zoo getuigt Mozes in Psalm 90 — „duizend jaren zijn in uwe oogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als eene nachtwakequot;. De Heere wil ons echter hierdoor waarschuwen, dat wij altijd bereid zullen zijn. Die dag zal gewisselijk komen en niet achterblijven. Daarom, de lendenen omgord, de kaarsen brandende gehouden ! In de ure, in dewelke men het niet meent, zal de Zoon des menschen komen. Waakt dan, want gij weet niet, in welke ure uw Heere komen zal!

De valsche voorzeggers, die hier door Paulus berispt

ocr page 416

412

worden, wilden dus, dat de menschen, in stede van hun geest of gemoed in het onzekere te houden, opdat het toeven van die ure hun niet verdrieten zou, verzekerd zouden zijn, dat de Zone Gods haast komen zou.

CXX.

„Zij hebben door het geloof de beloftenissen verkregenquot;.

Hebr. 11 : 336.

„En deze allen, hebbende door het geloofgetuigenis gehad, hebben de belofte niet verkregenquot;.

Hebr. 11 : 39.

OOVELE beloften Gods als er zijn, die zijn in hem ja en zijn in hem amen, Gode tot heerlijkheid door onsquot;, zoo schrijft Paulus in zijn tweeden Corintherbrief. Die beloften liggen vast in Hem, bij wien geene schaduw van omkeering is. Hij, die gisteren en heden, ja tot in alle •eeuwigheid dezelfde is, is ook nu nog de Jehova des Ouden Testaments, de Ik-zal-zijn-die-Ik-zijn zal, die waar maken zal al hetgene door Hem beloofd is. „Zouden zijn beloftenissen verder haar vervulling missen, vruchtloos worden afgewacht, van geslachte tot geslacht?quot; Dat zij verre! Hij ia waarachtig en getrouw, en zal doen hetgeneHij beloofd heeft. Maar de mensch is vaak zoo ongeloovig, en dat is oorzaak ; dat zoovele beloften ijdel voor hem zijn. Staat hij echter in het geloof, dan zal hii bemerken, dat God waarachtig is ook in zijoe\'.beloftenissen. In ■dien zin wordt dan ook gezegd, dat de vaderen de beloftenissen

ocr page 417

413

verkregen hebben ; maar tevens moeten wij niet uit het oog verliezen, wat er dan Dader door den apostel aan wordt toegevoegd. Wij zullen dit met het voorbeeld van één dier vaderen ophelderen en kiezen daartoe Abraham, den vader der geloovi-gen. In het 17® vers lezen wij : „Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd, Izak geofferd, en hij, die de beloften ontvangen had, heeft zijnen eeniggeborene geofferdquot;. Het scheen, alsof met den dood van Izak alle beloften Gods zouden te niete gedaan worden. Immers, met betrekking tot dezen zoon was gezegd ; „In Izak zal u het zaad genoemd wordenquot;, en nu komt des Heeren woord tot Abraham : „Neem nu uwen zoon, uwen eenige, dien gij Uefhebt, Izak, en ga henen naar het land Moria, en offer hem aldaar tot een brandoffer op een van de bergen, dien Ik u zeggen zalquot;. En hoewel Abraham deze gewichtige belofte ontvangen had, dat uit Izak zoovelen in menigte zouden geboren worden als de sterren des hemels en als het zand, dat aan den oever der zee is, hetwelk ontelbaar is, toch heeft hij zich opgemaakt, om Izak te offeren, niet twijfelend aan de „beloftenquot; Gods en vaststaande in het geloof, „dat God machtig was, hem ook uit de dooden te verwekkenquot;. Hij verwerpt dus de belofte niet, die hij ontvangen had; neen, het geloof, dat God een Waarmaker is van zijn woord, geeft hem kracht, om over den dood zijns zoons heen te zien op Hem, den Almachtige en Getrouwe, die, om zijn woord gestand te doen, zijn zoon zelfs uit de dooden zou kunnen doen opstaan. Hij beperkt de goddelijke almacht en trouw niet binnen die palen, dat wanneer zijn zoon geofferd zou zijn, het tevens vast en zeker stond, dat de belofte Gods hare vervulling zoude missen. En zijn geloof is niet beschaamd geworden. De beloftenis, welke hij verkregen had, heeft hare vervulling erlangd, want dien zoon der

ocr page 418

414

\'belofte heeft hij bij gelijkenis uit de dooden wedergekregen.

Maar hoe kan diezelfde apostel dan van diezelfde „vaderenquot; getuigen, dat zij de beloften niet verkregen hebben ?

Gelijk uit het volgende vers blijkt, maakt de apostel hier eene vergelijking tusschen die „vaderenquot; en „onsquot;, waar hij zegt, dat God over ons wat beters voorzien had. In het aangezicht van Jezus Christus zijnen Zoon, heeft God zich aan ons in den vollen rijkdom van zijne majesteit en luister, liefde enquot; almacht vertoond, terwijl de vaderen steeds verlangend en reikhalzend naar den Silo uitzagen ; zij zagen Hem van verre en als in duisternis. Nochtans zijn zij stil en gerust geweest; zij hebben door het geloof geleefd en „zijn in het geloof gestorven, dej belofte niet verkregen hebbende, maar hebben die van verre gezien en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde warenquot;. Voor ons is er dus veel meer stof, om in het geloof te volharden. Indien wij afvallen van het geloof, zoo zijn wij dubbel te beschuldigen. Het geestelijk koninkrijk, dat toen nog verre was, is nu nabij gekomen. Zij hebben „de belofte slechts van verre gezienquot;, terwijl onder ons de Beloofde aan de vaderen verschenen is. En niettegenstaande zij „de belofte niet verkregen hebbenquot;, zijn zij in het geloof staande gebleven tot in den dood. Hoe ontrouw en flauwhartig zou het dus in ons moeten genoemd worden, indien wij twijfelden aan Gods beloften ! Daar er maar één naam onder den hemel gegeven is, door welken wij kunnen zalig worden, zijn ook de geloovige vaderen des Ouden Verbonds op geene andere wijze zalig geworden dan zij, die leefden onder de bedeeling des Nieuwen Testaments. Zij zijn zalig geworden en door God in genade aangenomen op grond van de toekomende zoen-verdiensten van den Zone Gods. Maar hoewel hun dezelfde

ocr page 419

415

zaligheid beloofd was als ons, nochtans hadden zij niet die klaarheid, die wij heden ten dage bezitten. En toch — zij zijn tevreden geweest en hebben volhard in het geloof tot den einde toe, hoewel zij de belofte van verre zagen.

CXXI.

„Indien wij zeggen dat wij geene zonde hebben, zoo vei\'leiden wij onszelven, en de waarheid is in ons nietquot;.

1 Joh. 1 ; 8.

„Een iegelijk die in Hem blijft (n.1. in Jezus Chrig-tus) die zondigt nietquot;.

„Een iegelijk die uit God geboren is, die doet de zonde nietquot;.

1 Joh. 3 : 6a, 9a.

iets onontbeerlijk en dringend noodzakelijk voor den mensch, dan is het ongetwijfeld jdit, dat hij zichzelven kent als een zondaar. Zoolang dit niet het geval is, zal hij niet de toevlucht nemen tot dien Eenige, die hem redden kan. Dan leeft hij voort, verblind en verhard, zonder in te zien of te gevoelen, hoe gevaarvol zijn toestand is. Hij pleit niet op Gods barmhartigheid en ontfermende zondaarsliefde, omdat hij waant, in zichzelven rijk en verrijkt te zijn en geens dings gebrek te hebben, en dus meent hij het wel zonder God en buiten Christus te kunnen stellen. Een ieder, die dat meent en daarin volhardt, zal voorzekeriyk verloren gaan. Geene zaligheid dan in den naam van Jezus Christus, den door God

ocr page 420

416

gezondene, om op aarde te zoeken en zalig te maken, wat verloren was. Alleen zijn bloed reinigt van alle zonden Hij alleen is de machtige, om ons, die van nature dood zijn in zonden en misdaden, weder levend te maken. En dat geldt niet voor dezen of genen, maar voor elk en een iegelijk, want sinds die ure, dat Adam, en in hem het gansche geslacht der menschheid, viel, luidt het: „Allen zijn zij afgeweken, te samen zijn zij onnut geworden ; er is niemand, die goed doet, ja, zelfs niet tot éénquot;. Dit wordt dan ook allerwegen zeer duidelijk in den Woorde Gods geleerd. En dat, geschiedt met ,geen ander doel, dan opdat men zichzelven zou leeren kennen als zondaar, gevoelen zou, hoe verfoeilijk en zwaar de slavenketenen der zonde zijn, verlangend zou uitzien naar hulp en redding, en deze zoeken zou, waar zij eenig en alleen te vinden zijn.

„Indien wij zeggen, dat wij geene zonde hebben, zoo verleiden wij onszelven en de waarheid is in ons nietquot;. De ervaring van ieder mensch is daar, om de waarheid van dit woord te bevestigen. Nooit is er eenig mensch geweest, hoe geloovig en godsdienstig hij ook ware, en zoolang de aarde staat, zal er nooit eenig mensch komen, die naar waarheid getuigen kan, geene zonde te hebben. In het volgende vers wekt de apostel dan ook op tot belijdenis der zonden; instede van onszelven te misleiden en te bedriegen, moeten wij onze zonden voor den Heere belijden, die gaarne vergeeft en niet verwijt, die traag tot toorn en groot van lankmoedigheid is. Wanneer wij Hem onze zonden belijden, zullen wij niet bedrogen uitkomen, want, „indien wij onze zonden belijden. Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheidquot;. Maar „indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, zoo maken wij Hem tot eenen leugenaar, en zijn woord Is niet

ocr page 421

417

in onsquot;. Welk eene gedachte ! Wij, zondige Adamskinderen, maken Hem, den Hooge en Heilige tot een leugenaar I Welke eene Godslastering! Welk eene schending van zyn Woord, dat ons op schier iedere bladzijde zegt, dat wij, gevallen in ons verbondshoofd Adam, van nature kinderen des toorns zijn en met de gansche wereld voor God verdoemelijk liggen. Te zeggen, dat wij zonder_zonden zijn, is dus evenveel als openljjk den strijd aan te binden tegen God, als zouden zijne straffen gansch onrechtvaardig zijn. Te zeggen, dat wij zonder zonden zijn, is : lijnrecht ingaan tegen het Woord van God, dat even getrouw en waarachtig is als God zelve. Neen, dan zal het woord Gods in ons zijn, wanneer wij den zwaren last onzer zonden gevoelen, het onder het gewicht van Gods toorn niet meer kunnen uithouden, zoodat wij als hulpbehoevenden de toevlucht nemen tot den troon zijner genade, om daar te pleiten op genade en geen recht, ons vastklemmend aan zijne Vaderlijke goedheid.

Hoe is het nu te rijmen, dat Johannes in het le hoofdstuk van dezen brief duidelijk aantoont, wat ons (gelijk wij zagen) allerwegen in de Schrift geleerd wordt, dat er niemand zonder zonden is, terwijl hij in het 3e hoofdstuk eene bepaalde menigte daarvan uitzondert, waar hij zegt, dat een iegelijk, die in Christus Jezus blij ft, niet zondigt? Is dit niet in tegenspraak met hetgene de apostel zelf ondervonden had? Hij was uit God geboren en nochtans belijdt hij een zondaar te zjjn, die mede Gods barmhartigheid van noode had !

Als Johannes zegt, dat degenen, die uit God geboren zijn niet zondigen, dun verklaart hij daarmede niet, dat de ge-loovigen vrij zijn van zonden. Ganschelijk verkeerd is het, indien wij meenen, dat de geloovigen hier op aarde heilig zijn. Met betrekking tot de gehoorzaamheid, die zij Gode verschuldigd

87

ocr page 422

418

zijn, geldt het zelfs van „de allerheiligstenquot;: „Zoolang ?lj in dit leven zijn, hebben zij maar een klein beginsel van deze gehoorzaamheidquot;. Neen, de apostel wil hiermede te kennen geven dat niemand er zich op beroemen mag, een kind van God te zijn, zoolang hij niet voornemens is, zich te benaarstigen, om zijn leven in te richten naar de geboden en de gerechtigheid Gods. De meening, dat er hier op aarde heiligen gevonden worden, is niets dan een ijdele droom, die door deze uitspraak van Johannes in het minst niet gevoed, maar wel gelogenstraft wordt. Die uit God géboren zijn — zoo zegt de apostel — zondigen niet. Laat ons deze uitspraak eens wat nader bezien. Heeft hij, die uit God geboren is, dadelijk zijn vollen wasdom bereikt ? Immers Lneen, dat goede werk is wel in hem aangevangen en hij kan gerust zijn, want God zal niet laten varen het werk zijner handen; God is getrouw, die het voortzetten en voleinden zal; maar tot aan zijn dood toe, kleeft hem de zonde aan, dooide overblijfselen van den ouden mensch, die nog in hem overgebleven zijn. En juist omdat die wedergeboorte hier op aarde nooit haren vollen wasdom bereikt, kan zij den mensch niet . volkomen verlossen van de zonde; zij kan haar alleen beteugelen en beperken. Zoolang de mensch uitwoont in het vleesch, zal hij het lichaam der zonde omdragen; daarvan is hij eerst ten volle verlost, als hij zal inwonen bij den Heere. Nochtans staat dit vast, dat het einde der wedergeboorte eene volkomene vernietiging is van alle zonden. Derhalve, die uit God geboren zijn, leven heilig in dien zin, dat de Geest Gods in hen beteugelt den boozen lust, om te zondigen. De Heilige Geest werkt zoodanig in de harten der geloovigen, dat zij bewogen worden tot een heiligen ijver, om het vleesch te kruisigen met al zijne begeerlijkheden en den nieuwen mensch aan te doen, die naar

ocr page 423

419

■God geschapen is in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid. Door de werking van dien Geest heeft de geloovige het vaste besluit genomen, om in Godes kracht den strijd aan te binden tegen alles, wat hem aftrekt van zijn God. De apostel toont hier dan ook niet alleen aan de uitnemende grootheid zijner kracht, waarmede God in den mensch werkt, maar doet tevens uitkomen, dat de Heilige Geest de genade in onze harten doet voortgaan tot den einde toe. Er is eene volstandige volharding in nieuwigheid des levens. En uit dien hoofde zegt hij, dat de kinderen Gods niet zondigen kunnen.

Men zou deze tegenwerping kunnen maken: hoe kan Johannes in het verdere van dezen brief zeggen, dat ook, nadat de mensch door den Heiligen Geest is wedergeboren, de vreeze voor en de liefde tot God soms kunnen worden verdoofd? Ons antwoord hierop luidt: het zaad, waardoor God de zijnen wederbaart, is onverderfelijk en houdt voortdurend zijne kracht. Evenwel gebeurt het soms, dat dit zaad als verstikt wordt, gelijk Davids geschiedenis ons zoo treilend leert; maar verloren gaat het niet; immers, toen het scheen, alsof de vreeze Gods in hem was uitgebluscht, toen was hij eene gloeiende kool gelijk, die onder de asch verborgen ligt. De duivel is er altijd op uit de harten der geloovigen af te trekken van God; maar al is het ook, dat hij zijne macht vaak nog verschrikkelijk kan doen gevoelen, toch blijft er altijd een verborgen wortel der wedergeboorte over, die daarna weer in berouw en boetvaardigheid uitspruit.

Blijkt dus voldoende, dat Johannes niet zeggen wil dat de wedergeborene bevrijd is van de zonde, maar dat hij er nadruk op leggen wil, dat de geloovige, staande onder de leiding des Heiligen Geestes, door de zonde niet meer overheerscht wordt; hij doet de zonde niet meer van harte ; hy haat haar

ocr page 424

420

met een doodelijken haat; hij waakt, bidt en strijdt tegen haar r, terwijl het zyn ernstig voornemen is, niet alleen naar sommige,, maar naar alle geboden van God te leven. In één woord! gezegd: Een ieder, die uit God geboren is, zondigt niet, omdat God door zijn Heiligen Geest de wet in zijn hart heeft ingedrukt.. Tegen zijn wil is er evenwel nog zonde in hem overgebleven, zoodat van hem, gelijk als van alle anderen, geldt: „Indien wyi zeggen, dat wij geene zonde hebben, zoo verleiden wij onszelven en de waarheid is in ons nietquot;.

CXXII.

„Broeders, ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een\' oud [gebod, dat gij van den beginne gehad hebtquot;»

1 Joh. 2 : 7a.

„Wederom schrijf ik u een nieuw gebodquot;.

1 Joh. 2 : 8a.

\'ET gebod, waarvan hier melding wordt gemaakt, handelt over de liefde. Het wordt een oud gebod genoemd,, omdat de geloovigen van den beginne aan daarover hebben hooren spreken. Als Johannes weer bij vernieuwing over dit gebod spreekt, dan noemt hij het een oud gebod, omdat hij weet, dat men met betrekking tot nieuwe dingen vaak een kwaad vermoeden heeft. De mensch neemt niet zoo gemakkelijk iets aan, waarvan hij tevoren nooit gehoord heeft. Opdat de „kinderkensquot;, aan wie Johannes schrijft, niet meenen zouden, dat dit een nieuw gebod is, of dat er aan het bekende gebod iets is toegevoegd, noemt damp;

ocr page 425

421

apostel het een oud gebod; dat zij van den beginne gehoord hebben. Het is een oud gebod niet alleen, omdat het reeds aan de geloovigen •onder het Oude Testament gegeven is, maar ook omdat er onder ■de bedeeling des Nieuwen Testaments niemand tot de kennis der waarheid gekomen is, of hij heeft van dit gebod gehoord. Men mag ■dan ook het evangelie niet beschouwen als eene nieuwe leer; ■evenals de schriften des Ouden Verbonds, zijn ook die des Nieuwen Testaments voortgevloeid uit den mond van denzelfden ■God; beide zijn zij de ééne volkomene en waarachtige leer der zaligheid. En die leer is oud, want wij mogen haar duur niet bepalen naar den tijd, waarop zij tot ons gekomen is, neen, de ■eeuwige wil en raad van God wordt ons in haar geopenbaard. Dat Woord van God is eene lamp voor onzen voet en een licht op ons pad, niet slechts zoo nu en dan, neen, het is een richtsnoer voor ons gansche leven en voor alle volgende tijden en geslachten en was, a!s openbaring van Gods raad en wil, reeds mn eeuwigheid.

Dat zulk een oud gebod geldend is voor alle volgende ■eeuwen, komt alleen daar vandaan, dat het zijn oorsprong heeft in den on veranderlijken God. Geene menschelijke uitvindingen •of versieringen zijn dan ook bij machte, dat gebod krachteloos te maken.

Datzelfde gebod wordt evenwel ook nieuw genoemd, omdat de Heere het voortdurend bij vernieuwing doet bekend maken, opdat de geloovigen nooit meenen zouden, dat het oud •en verouderd is, maar het zouden blijven beschouwen als een regel, waarnaar ook zij hun leven moeten inrichten. Als kinderen de eerste beginselen van iets geleerd hebben, dan laten zij die spoedig varen, om tot een hooger onderwijs in die zaak over te gaan. Maar toch blij ven die eerste beginselen steeds de

ocr page 426

422

grondslagen, waarop ^het verdere onderwijs rust. Die beginselen mogen niet vergeten worden, aangezien dit schade doen zou aan het verdere onderwijs. Welnu, zoo is het :ok met den geloo-vige. Als hij toeneemt in kennis, mag hij daarom dat oude gebod niet vergeten; te denken, dat de onderhouding daarvan alleen noodig was, toen hij nog met melk gevoed werd, maar nagelaten kan worden, zoodra hij tot het gebruik der vaste spijze is overgegaan, zou eene gansch verkeerde gedachte zijn! Neen, de leer der broederlijke liefde is niet van dien aard, dat zij na verloop van eenigen tijd hare kracht en waarde verliest. Maar omdat dit gebod gedurig weer bij vernieuwing in de harten wordt ingegrift, zegt Christus : „Ik geef u een nieuw gebod, dat gij malkanderen liefhebtquot;. Voor den zwakken mensch is dit noodig. Want als de wetten nieuw zijn, worden zij stipt nageleefd, maar op den langen duur slijt dit af en spoedig worden zij ganschelijk nagelaten. Opdat dus de wet der liefde des te dieper in de harten der menschenkinderen zou worden ingedrukt, heeft de Zone Gods dat oude, reeds lang bestaande gebod voortdurend als een nieuw gebod laten afkondigen.

In dien zin beschouwd, kunnen wij dus zeggen, dat het gebod der broederlijke liefde oud en toch nieuw is.

ocr page 427
ocr page 428
ocr page 429

R E Qp,;s TER

VAN DE

SCHIJNBAAR TEGENSTRIJDIGE SCBRIFTÜORPLAATSEN,

wetke met c{-kasndez- VMxj,Uefiamp;n cn vu. ovezczn-gt;UitvmvH(j. yetiuicfit wozdcn.

Bladz.

Paragraaf. Inleiding ,

I.

GENESIS

1:!

28

v. g. m.

Lucas 23 : 29.

13.

II.

V

2 :

2

n

Johannes 5 : 17.

15.

III.

ft

3 :

19a

n

Mattheüs 6 : 11,

18.

IV.

n

4 :

1

*

1 Johannes 3:11,

12a.

23.

V.

n

12

: 13 v.v.

ff

Psalm 5 : Qh.

26.

VI.

*

15

: 6

n

Jacobus 2 : 21.

29-

VIL

n

22

: la

it

Jacobus 1 ; 13amp;.

32.

VIII.

n

23

: 7

ff

Deuternomium 6

: 13.

35.

IX.

n

32

: 30

yt

Johannes 1 : 18.

38.

X.

EXODUS

4 :

: 21

n

Exodus 8 : 16.

41.

XI.

n

20

: 5

ff

Ezechiël 18 : 20.

44.

XII.

n

20

: 6

n

Maleachi 1 : 3.

48.

XIII.

n

20

: 12

n

Mattheüs 23 : 9.

50.

XIV.

n

20

: 12

j»

Lucas 14 : 26.

54.

XV.

n

21

: 17

»

Lucas 14 : 26.

58.

XVI.

n

21

: 24

ff

Mattheüs 5 : 39.

61.

XVII.

PSALM

1 :

5

»

Hebreën 9 : 27.

64.

ocr page 430

Paragraaf.

Bladz.

Pa

XVIII.

PSALM

2 : 9

v. g. m.

Jesaja 42 : 3.

68.

X]

XIX.

5 : 5

n

Romeinen 9 ; ,18.

71.

L.

XX.

11

18 : 19ö, 20

17

Psalm 18 ; 21.

75.

LI

XXI.

19 : 8, 9

11

2 Corinthe 3 : 7a.

78.

LI

XXII.

19 : 12

11

Lucas 17 : 10.

82.

LI

XXIII.

22 : 2a.

11

Johannes 16 : 32ö.

86.

LI

XXIV.

»

40 : 7

11

Hebreen 9 : 7.

93.

L\\

XXV.

11

44 : 24«

n

Psalm 121 : 4.

98.

LA

XXVI.

11

45 : 3

ii

Jesaja 58 : 2b.

101.

Lquot;*

XXVII.

82 : 6

ii

Johannes 17 : 3.

104.

L\\

XXVIII.

102 :26, 27

n

Prediker 1 ; 4.

109.

LI

XXIX.

11

119 : 155

ii

Maltheüs 9 : 13amp;.

113.

L3

XXX.

igt;

128 : 1

ii

1 Johannes 4 ; 18.

116.

L3

XXXI.

n

145 :9,17

ii

Romeinen 9 :18.

120.

L5

XXXII.

PEEDIKER 9 : 1b

ii

1 Timotheüs 1; 12amp;.

123.

LJ

XXXIII.

JESAJA

26 : 10Ö

ii

Jesaja 40 : 5.

125.

Li

XXXIV.

11

45 : 6, 7

ii

Johannes 8 : 445.

126.

Li

XXXV.

n

49 ; 6amp;

n

Mattheüs 15 : 24.

130.

L5

XXXVI.

ii

56 : 7amp;

ii

Mattheüs 6 ; 6.

132.

L2

XXXVII.

n

65 : la

rt

Mattheüs 7 : 7amp;

135.

LI

XXXVIII.

)1

66 ; 2b

n

Romeinen 2 : 11.

137.

L2

XXXIX.

JEREMIA

31 : 34amp;

ii

Mattheüs 5 : 26.

140.

LS

XL.

JOEL

2 : 32a.

n

Hebreen 6 : t —6a.

142.

L2

XLI.

HABAKUK

2;4amp;

»

Lucas 10 : 25 — 37.

147.

LI

XL II.

MATTHEUS

5:16^

ii

Mattheüs 6 : 1.

151.

L2

XLIII.

5 ; 22a

ii

Epheze 4 : 26.

154.

LE

XLIV.

5 : 39

ii

Johannes 18: 22, 23.158.

L2

XLV.

5 : 43

ii

Mattheüs 5 : 44.

161.

LX

XL VI.

6 : 7a

li

1 Thessal. 5 : 17.

163.

LX

XLVII.

11

6 : 10Ö

n

Col. 1 : 19, 20.

166.

LX

XL VUL

11

7 ; 1

n

Johannes 7 : 24.

170-

LX

ocr page 431

iz. gt;8. 1.

^5. 18. 52. 56. )3.

Paragraaf.

Bladz.

XLIX.

MATTHEUS

7 : 6a

v. g. m.

Marcus 16 ; 15.

174-

L.

n

7 : 8a

»

Jacobus 4 : 3a.

178.

LI.

n

7 : 22, 23

»

Mattheüs 10 : 32.

181.

LIL

n

8 : 4a

gt;f

Lucas 8 : 39a.

185.

LUI

10 : 5

;gt;

Marcus 16 ; 15.

187.

LIV.

10 :16amp;

n

1 Corinthe 3 :186.

189

LV.

n

10 : 23a

n

Johannes 10 :11,12

193.

38.

LVI.

n

10 ; 27

n

Johannes 18 : 20.

198.

31.

LVII.

»

10 : 34

n

Johannes 14 : 27.

203.

D4.

LVIII.

n

11 :14amp;

n

Johannes 1 : 216.

206.

39.

LIX.

11 : 30

n

Marcus 10 : 25.

20S.

13.

LX.

»

16 : 6

»gt;

Mattheüs 23 : 2, 3a.

212.

16.

LXI.

17 1

Lucas 9 : 28.

215.

20.

LXII.

gt;»

18 :15a

1 Timotheü3\'5: 20.

217-

23.

LXIII.

19 : 27

n

Lucas 17 : 10.

221.

25.

LXIV,

20 : 16ö

n

Romeinen 8 : 30.

224.

26.

LXV.

n

25 : 32b

n

Johannes 10 : 16.

228-

30.

LX VI.

n

26 : 11

n

Mattheüs 28 : 20.

231\'

32.

LX VII.

»

26 ; 29

n

Handelingen 10; 416.

237.

35.

LXVIII.

!)

26 : 52

n

Lucas 22 : 36.

242 _

37.

LXIX.

»

27 4a

n

1 Johannes 1 : 9.

245

40.

LXX.

n

27 : 44

»

Lucas 23 : 39.

250.

42.

LXXI.

n

28 : %

n

Johannes 20 ; 17a.

253.

47.

LXXII.

}J

28 ; 18ö

n

Marcus 13 : 32.

256.

51.

LXXI II.

MARCUS

2 : 7h

n

Johannes 20 ; 23.

261.

54.

LXXIV.

D

6 : 8a

V

Lucas 9 : 3a.

265.

58.

LXXV.

n

10 : 18

n

Lucas 6 : 45a.

267.

61.

LXX VI.

n

16 ; 166

Romeinen 11 : 32.

269.

63.

LXX VII.

LUCAS

1 : 33

n

1 Corinthe 15 : 24a.

272.

66.

LXXVIII

n

10 : 46

»

1 Corinthe 16: 206.

275.

L70.

LXXIX.

\'i

11 : 41

n

1 Corinthe 13 ; 13.

277.

ocr page 432

Paragraaf.

Bladz.

LXXX.

LUCAS

13 :

23, 24 v. g m.

1 Timotheüs;2 : 3,4.

, 280.

LXXXI.

n

231

: 34a

Johannes 17 : 9amp;.

285.

LXXXII.

JOHANNES

1 :

8

9

Johannes 5 : 35

288.

LXXXIII

1 :

18

»

Galaten 4 : 6.

291.

LXXXIV.

*

3 :

13

n

Johannes 17 : 24.

294.

LXXXV.

n

- 3 :

22

n

Johannes 4 : 2.

298.

LXXXVI.

n

5 :

31

n

Johannes 8 : 14a.

300.

LXXXVII.

*

5 :

39a

»

Johannes 6 : 45a.

302.

LXXX VIII.

5 ;

41

n

Johannes 15: 265,27. 306.

LXXXIX

6 :

37

n

Romeinen 9 : 16.

310.

xc.

»

6 :

55a

n

Johannes 6 : 63a.

312.

XCI.

rt

7 :

7a

ff

Johannes 15 ; 195.

319.

XCII.

n

7 :

26amp;, 27

n

1 Corinthe 2 : 8.

321.

XCIII

n

9 :

39a

n

Johannes 12 : 475.

325.

XCIV.

n

12

: 50a

gt;7

2 Corinthe 3 : 7.

329.

xcv.

n

18

: 34

n

1 Johannes 2 : 7a.

332.

XCVI.

n

15

: 155

jf

Johannes 16 : 12.

335.

XCVII.

V

16

: 26amp;

n

Romeinen 8 : 335.

339.

XCVIII.

n

17

: 9a

H

1 Johannes 2 : 2.

342.

XCIX. HANDELINGEN 7 :

51

n

Romeinen 9 : 19.

345.

C.

n

15

; 10

n

1 Johannes 5 : 3.

349.

CL

ROMEINEN

2 :

12a

n

2 Petrus 3 : 95.

353.

GIL

*

2 ;

; 14

n

Romeinen 8:7.

356.

cm.

n

2 :

: 25a

n

Galaten 5 : 2.

358.

CIV.

n

3

: 31

n

Hebreen 7 :18, 19.

362.

CV.

n

4 :

25

n

Colossensen 1 : 24.

365.

CVI.

»

7 :

14igt;

n

Romeinen 8 : la.

369.

CVII.

n

8 :

26amp;

n

1 Timotheüs 2 :5.

372.

■CVIII.

1 CORINTHE

7 :

14

n

Epheze 2 : 35.

377.

CIX.

n

7 :

; 21a

n

1 Corinthe 7 : 216.

380.

€X.

n

11

: 5a

n

1 Corinthe 14 :34a.

381.

ocr page 433

Paragraaf.

cxr.

1

CORINTHE

12

: 6

v. gm

CXII.

n

13

: 9

gt;»

CXIII.

»

13

: 12

ff

CXIV.

ff

15

: 50

ff

cxv.

GALATEN

5 :

24

ff

CXVI.

ff

6 :

2

n

CXVII.

EPHEZE

5 :

26

n

CXVIII.

COLLOSS.

1 :

24

ff

CXIX.

2 THESSA.L.

2 :

1, 2

ff

cxx.

HEBREEN

11

: 33

«

CXXI.

1

JOHANNES

1 :

8

ff

CXXII.

»

»

2 :

7

7)

Bladz.

2 Timotheüs 2 : 21. 383.

1 Johannes 2 : 20. 386.

2 Corinthe 3 : 18. 389. Art. 11 B. d. G. 392, Epheze 5 : 29. 396. Galaten 6 : 5. 398. 1 Johannes 1 ; 7. 401. Hebreen 10 : 14. 404. 1 Johannes 2 : 18. 410. Hebreen 11 : 39. 412. 1 Johannes 3 : 6. 415. 1 Johannes 2 : 8a. 420,


ocr page 434
ocr page 435

ERRATA.

Bladz.

Regel

staat:

16

4 v. b.

voor

27

14 v. b.

leven

33

4 v. o.

voortkomen

41

6 v. b.

de» plaats uit

42

9 v. b.

verzwaardde

48

Exodus 23 : 6

57

6 v. b.

hem

124

7 v. o.

jubbel

132

3 v. b.

Eangezien

140

5 v. o.

geschiedt

148

5 v. o.

an-

158

XLIII

183

11 v. b. •

tree

o r-h

191

10 v. o.

een

207

8 v. b.

een Elias

207

6 v. o.

gevonden

lees;

van leve voortkomt de plaats aan uit

verzwaarde Exodus 20 : 6. hen jubel Aangezien geschied ant XLIV 7 : 22, 23 eens Elias gezonden


ocr page 436

I

ocr page 437
ocr page 438
ocr page 439
ocr page 440