ocr page 1

FEESTREDE

bij de opening

in de Sinl-Servaaskerk vaij tyaastricht

UITGESPROKEN DOOIV

F; VAN DE LOOVEREN R. K. Pr.

8 JULI 1888.

Gevolgd, door een overzicht van de Relieken van den SINT-SERVAASSCHAT.

s- HERTOGENBOSCH.

CHAPPIJ DE KATHOLIEKE ILLUSTRATIE. 1 8 9 5.

Ij»

§ ■

319

J

38

ocr page 2

319

J 7 38

CENTRALE OUD-KATHOLIEKE BIBLIOTHEEK

Universiteits bibliotheek, Utrecht

ocr page 3
ocr page 4

c

J

1

iilillrtlgt;nilT1l^g^^ ■ -

■UBMMMMI

ocr page 5

^ \'f■ 3

2)e Zevenjarige Heiligdomsvaart.

FEESTREDE

bij de opening

in de Sint-Servaaskerk vaij Maastricht

UITGESPROKEN DOOR

F. VAN DE LOOVEREN R. K. Pr,

8 JULI 1888.

Gevolgd door een overzicht van de Relieken van den SINT-SERVAASSCHAT.

\'s- HERTOGENBOSCH.

MAATSCHAPPIJ DE KATHOLIEKE ILLUSTRATIE. 1 8 9 5.

ocr page 6

IMPRIMATUR

BtjscoditcIj 10 Jalii 1895.

J. J. VERSTERREN, Rector. ad hoc delegatus.

ocr page 7

VOORREDE.

Door \'welmeenende vrienden meermalen uitgenoodigd en aangezet, besloot ik, hoewel niet zonder schroom, de feestrede in het licht te geven, die ik ten jare 1888 bij gelegenheid van de opening der heiligdomsvaart in de Sint-Servaaskerk van Maastricht had uitgesprokes. Niet zonder schroom doe ik zulks, omdat ik maar al te goed weet, hoe groot een onderscheid er is tusschen het gesproken en geschreven ■woord; en waar het eerste veler goedkeuring wegdroeg, is zulks van het tweede nog niet gewaarborgd.

Nochtans besloot ik hiertoe, uit verlangen, om zoo het mogelijk was, iets bij te dragen tot algemeens stichting, te moer, wijl de zevenjarige Reliekententoonstelling, die dit jaar wederom gehouden wordt, mij daartoe een geschikte gelegenheid biedt.

Mocht deze eerste proeve slagen, \'t zou mogelijk mij een spoorslag zijn, om meerdere mijner preeken uit te geven. Ten minste op deze wijze in wat ruimer kring nuttig te kunnen wezen zou mij een ware voldoening zijn. Want al is mijn uiterlijke levenswijze om redenen, door eene destijds wankelende, schoon nu gelukkig herstelde, gezondheid en door den raad van de mij aangewezen raadslieden volkomen gebillijkt, veranderd, — mijn innerlijke toestand bleef, wat de hoofdzaak betreft, hetzelfde. Niets is mij dierbaarder, dan naar de mate van mijn zwak vermogen iets bij te dragen tot Gods meerdere glorie: A. M. D. G.

Ik heb de aanmatiging niet van te meenen, dat ik door dit werkje nieuw licht zal verspreiden over de vereering der relikwieën. De gedachten, die ik zoo goed mogelijk tot een geheel bijeenbracht, zullen aan de ontwikkelde Katholieken meestal bekend zijn. Toch kan het zijn nut hebben, ze eens in herinnering te brengan, vooral bij zulke feestelijke gelegenheid.

ocr page 8

VOORREDE.

De preek heb ik gelaten gelijk ik ze heb voorgedragen, ook de inleiding. Deze zal geen verdere verklaring behoeven, als men bedenkt, dat ik destijds slechts ruim twee jaren priester was, en zeker nog nooit was opgetreden voor een zoo talrijk en uitgelezen gehoor.

Ook den tekst heb ik behouden ; hij moet, ik erken het, in een toegepasten zin (in sensu accomodatitio allusivo) verstaan worden. Ik meende hem aldus te mogen bezigen, omdat ascetische schrijvers van naam mij hierin waren voorgegaan.

Het nauwkeurig aangeven der bronnen heb ik als een te omslachtig en voor mijn doel tamelijk onnuttig werk achterwege gelaten. Toch meen ik voor mij zeiven zeer nauwlettend te hebben toegezien, zoo dikwijls ik eenige aanhaling deed.

Wat de mirakelen betrelt, waarvan sprake is, het spreekt van zelf, lt;lat ik mij in dezen geheel en al onderwerp aan het gevoelen der H. Kerk, en ik op mijn eigen gezag geen uitspraak zou durven doen.

Ik heb de preek in nummers afgedeeld, niet alsof ieder nummer een afzonderlijk deel was, maar om den lezer, wiens aandacht anders gemakkelijker vermoeid zou worden, door eenige rustpunten wat te doen verademen.

Opdat het boekje in bruikbaarheid winnen zou, heb ik aan het «inde eene lijst toegevoegd, waarin een kort overzicht gegeven wordt van de relieken, die in de schatkamer der Sint-Servaaskerk worden bewaard Om eenigszins het geheugen te helpen en het opzoeken wat te vergemakkelijken heb ik getracht in de rangschikking eenige orde te hrengen. gelijk de opmerkzame lezer gemakkelijk bespeuren zal.

IY

En zoo ga dan dit nederig boekje de wereld in. Moge het onthaal, dat dit geschreven woord wacht, eenigszins beantwoorden aan dat, hetwelk het gesproken woord eenmaal gevonden heeft. Dat het in ieder geval de welwillendheid ondervinde, waarmede men zoo gaarne eerstelingen pleegt te onvangen. Moge het vooral eenig uut stichten, dit is de vurige wensch van den schrijver

F. VAN DE LOOVEREN,

R. K. Pr.

Juli 1895.

Mecjen, 8

ocr page 9

Laudate Dominum in Sanctis ejus.

Looft den Heer in zijne Heiligdommen, ps. i5o\'

eer eer w. Jdeeren, Geachte \'Gelooviqen !

Wanneer God aan den propheet Jeremias den last opdroeg, om in Zijnen naam het volk te onderwijzen, beklaagde zich de man Gods met de woorden: A. a, a, üomine Deus, ecce nescio loqui quia puer ego sum. (Jer. I 5) A, a, a Heer, mijn God, ik kan niet spreken, ^ want ik ben slechts een kind.

Voorzeker veel meer reden heb ik thans, Z. H. en G. G, om op dergelijke wijze mij te verontschuldigen, nu ik bij deze plechtige gelegenheid ben uitgenoodigd, om voor zulk een talrijk, zulk een achtenswaardig gehoor het Woord Gods te verkondigen.

Maar uwe godsvrucht, waarvan gij blijk geeft en de beminlijke edelmoedigheid der Maastrichtenaren, die mij bekend is, geven mij den moed, om met Gods hulp datgene te ondernemen waarvoor ik anders zoude zijn teruggedeinsd. Overeenkomstig mijn plicht dan zal ik naar mijn best vermogen eenige der voox-naamste redenen trachten te ontvouwen, die ons moeten aan-^ sporen, om met grooten eerbied onze hulde te brengen

A

ocr page 10

— O —

aan de heilige Relieken, welker zevenjarige tentoonstelling dezen avond wordt geopend.

Wilt mij, bid ik u, G. Ch. volgen met uwe welwillende en toegevende aandacht.

I.

De relikwieënvereering heeft haren grond in \'s men-schen redelijke natuur. Het is eene ons ingeboren neiging, die uit onze natuur zelve voortvloeit, die ons is ingeschapen, waarvan wij, al waren wij er niet toe opgeleid, gansch doordrongen zijn; te gevoelen dat het betamelijk is eerbied te hebben voor de overblijfsels van groote mannen en van degenen, aan wie wij vele weldaden hebben te danken of voor wie wij gedurende ons leven eene bijzondere liefde koesterden.

Vraagt het aan de moeder, die het lijk van haar kind met kussen overdekt en met bloemen versiert. Zeg haar dat het nutteloos is aldus te handelen. O, zal zij antwoorden, \'t is alles wat mij rest van mijn kind ; die mond heeft mij zoo dikwijls getroost, die oogen zagen mij zoo lieftallig aan, die handen wisten mij zoo minzaam te streelen, dat kostbaar overschot roept mij de zaligste oogenblikken mijns levens te binnen.

En wie zou het dan durven wraken, dat de H. Kerk, die teedere Moeder, de gedachtenissen eert, die haar hemelsche Bruidegom, die hare veelgeliefde kinderen

ö 7 O

hebben achtergelaten ?

Men oordeele echter niet, dat deze vereering meer een voortvloeisel is van het gevoel dan wel van het verstand. O neen, dit juist wilde ik aantoonen, dat de reliekenvereering steunt op de hechtste gronden, welke het gezond verstand zelf als zoodanig erkennen moet, hierom juist, omdat die vereering van zelf voortkomt uit \'s menschen natuur, die immers uit haar aard redelijk is, uit \'s menschen verstandelijken aanleg.

ocr page 11

— 7 —

Waarvan anders komt, het, dat de menschen in het algemeen, niet slechts de vrouwen, maar ook de mannen, niet enkel de eenvoudigen, maar evenzeer de geleerden, zooveel eer bewijzen aan het stoffelijk overschot van dierbare overledenen, van ouders en weldoeners, die in den Heer zijn ontslapen,zoodat Mij jaren lang nog na hun verscheiden met eerbied nederknielen op hun graf ? De voorwerpen, die zij gebruikten, de gedachtenissen, die zij nalieten, ze zijn ons dierbaar, ze blijven bij ons in eere!

Dat is heden ten dage zoo, dat was reeds voorheen, dat zal zoo blijven, zoolang de mensch mensch zijn zal, dat is, zoolang de mensch een verstand zal hebben, in staat om de waarde op prijs te stellen van groote verdiensten en een hart, dat vatbaar is om van dankbaarheid te kloppen voor ontvangen weldaden.

Dit wordt ons bevestigd door de geschiedenis van den ouden en den nieuwen tijd, door sprekende feiten, die wij aantreffen bij allerlei volken, geloovige en onge-loovige tevens.

11.

Wanneer de Israëlieten van het Oude Verbond de slavernij van Egypte hadden afgeworpen en heentrokken naar het H. Land, dan namen zij op dien moeilijken tocht, die veertig jaren lang duren zou, de gebeenten mede van den aartsvader Jozef en geen moeite spaarden zij, om aan die kostbare reliek al de eer te bewijzen, die zij meenden haar te zijn verschuldigd.

En wat leert ons de geschiedenis van het Nieuwe Verbond ?

Verplaatst u met uwe gedachten in den tijd van de bloedige vervolgingen der Kerk en gij zult zien, hoe de Christenen overal de lichamen gaan zoeken der Martelaren, en geen moeiten noch gevaren schromen om ze te vinden.

Ziet eens tegen welk een duren prijs zij van de beu-

ocr page 12

len en van de wachten het lichaam afkoopen, welks bloed getuigenis gegeven heeft van Jesus Christus ; wat al duizenden verzoekschriften bieden zij den tyrannen aan, wat al gevaren durven zij trotseeren, ten einde de heilige lichamen te ontrukken aan de onteering der ongeloovigen. Ziet eens, hoe zij de verschi\'oeide beenderen met moeite gaan halen uit het midden van den vuuroven! Ziet hoe zij hunne doeken doopen in het bloed der strijders van Jesus hristus, hoe zij kostbare vaten daarmede vullen en deze bewaren met heiligen eerbied, — hoe zij als een rijken schat niet slechts de beenderen, maar ook de ketenen en andere werktuigen der marteling onder elkander verdeelen en dat alles met de grootste inspanning en moeite, met, gevaar zelfs van het leven.

En denkt niet, M. G. dat slechts enkele Christenen zoover gingen in hun eerbied, neen, gansche scharen van lt;gt;eloovigen gaven en geven nog daarvan een niet minder treffend voorbeeld.

Waarom stroomden van de eerste tijden der Kerk af de geloovigen van alle oorden der wereld in heiligen bedetocht samen naar Jerusalem? Het was om de plaatsen te zien, waar de Godmensch geleefd had en gewerkt, om den grond te vereeren, die getuige geweest was van zooveel wonderen; ja overgelukkig achtten zij zich. als zij met eerbiedige lippen het stof konden kussen, waarin zich de voetstappen hadden afgedrukt Onzes Heeren.

De stad Smyrna, zoo vernemen wij van Eusebius, beroemde zich de beenderen te bezitten van den Martelaar Polycarpus en beschouwde ze als kostbaarder dan de duurste edelgesteenten en hooger in waarde dan het fijnste goud «gemmis pretiosissimis cariora et quovis auro pretiosiora».

Antiochië, die oude stad, waar voor het eerst de geloovigen den naam van Christenen ontvingen, verheugde zich, dat zij binnen hare muren het stoffelijk ovei^schot bezat van den H. Ignatius, die honderd

ocr page 13

jaren na Christus als Bloedgetuige stierf; en, zoo luiden de acten van dien Martelaar, die kostbare reliek werd gehouden voor een onschatbaren rijkdom aan de kerk achtergelaten «Thesaurus inaestimahilis Ecclesiae re-lictus.»

Constantinopel beschouwde zich als de eerste wereldstad, minder nog, zoo zegt een gevierd schrijver, om de wereldheerschappij, die zij aan hare moede handen voelde ontglippen, dan om het groot aantal kostbare relieken, die zij bewaarde in hare rijke heiligdommen; en wanneer die grootc wereldvorstin van haar vroe-geren luister ontdaan was, en vernederd, dan troostte zij zich, wanneer zii den vreemdeling kon rondleiden binnen hare vervallen muren, om hem de schatten te toonen, waarop zij nog altijd fier ging: het ware kruis onzes Heeren, de doornenkroon en andere werktuigen van zijn lijden.

En aan wie onzer is het onbekend, dat het zoo roemrijke Rome te allen tijde als een harer grootste voorrechten het bezit rekende der graven van de Heilige apostelen Petrus en Paul us?

Doch wat vraag ik het getuigenis van ver verwijderde steden ?

Gij zelf, Maastrichtenaren, legt gij zelf hier getuigenis af! Toont de geschiedenis niet aan deze om haar merkwaardig verleden zoo beroemde stad, dat hier de kostbare reliekenschat altijd in de hoogste eei\'e was ? Getuigt dit niet dit monumentale tempelgebouw, dat voor eeuwen uwe voorvaderen hebben opgetrokken en dat hunne waardige nakomelingen door milde offers nog immer meer verrijken ? O konden deze gewijde gewelven, die eeuwenoude pilaren eens spreken, wat zouden zij ons verhalen van den eerbied, dien de geloo-vigen ten allen tijde betoonden aan de heilige relikwieën, hoe zouden zij ons melden, dat vorsten en grooten zich niet ontzagen om hier nederig te komen nederknielen, ter vereering van de overblijfselen der heiligen.

ocr page 14

— 10 —

De plechtige processies, die reeds sinds den tijd van den H. Bisschop Hubertus in deze stad werden gehouden; de zevenjarige heiligdomsvaart, die voor eeuwen reeds plaats had onder een toeloop van ontelbare scharen van pelgrims en die, Gode zij dank, tegenwoordig herleeft met den luister van voorheen, getuigen zij niet, hoe diep bij de geloovigen de overtuiging was ingeworteld : eerbied moet bewezen aan de heilige Relikwieën. Eerbied moet bewezen worden en wordt ook bewezen aan de heilige Relieken, zoo was het in het Oude Verbond, zoo was en zoo is het nog onder de Nieuwe Wet.

Doch niet alleen bij het volk Gods, niet alleen in de Katholieke Kerk, ook daarbuiten, ook bij ongeloo-vige volken leert de geschiedenis ons de waarheiil, dat wij van natuurswege begrijpen en erkennen: eerbied moet bewezen aan de overblijfsels van groote mannen en weldoeners van het menschdom.

Wie heeft nooit gehoord van de trotsche pyramiden, die inderdaad vorstelijke paleizen, door het geweld van dertig eeuwen niet te sloopen, welke de Egyptenaren hebben opgericht op de plaatsen, waar de overblijfsels werden bijgezet hunner koningen ?

Doch wij behoeven zoover niet terug te keeren tot de oude geschiedenis. De eeuw, waarin wij leven, levert ons bewijzen genoeg en te over.

Wie heelt nooit gelezen van den luister en de praal, waarmede het gebeente van een Napoleon overgevoerd werd van het eiland St. Helena naar de hoofdstad van Frankrijk ? Wie niet van de schier buitensporige eer, bewezen aan de stoffelijke overblijfsels van den Engel-schen admiraal Nelson, die in de Sint-Pauluskerk van Londen met zooveel prachtvertoon werd bijgezet ?

Wie weet niet, dat soms op de grafsteden van eenvoudige soldaten eereteekenen worden opgericht ter herinnering aan hunne heldenfeiten ?

Hebben wij het misschien niet met eigen oogen aangebouwd, hoe onze andersdenkende broeders, de Pro-

ocr page 15

— 11 —

testanten, relikwieën in eere houden van den aartsketter, dien zij erkennen als het hootd hunner sekte4? De van ouds bekende boom, waaronder Luther bij eene merkwaardige gelegenheid had gerust, werd tot op onze dagen als heilig vereerd; en toen hij voor vijftig-jaar door den bliksem vernield werd, trachtten vele ketters, bij wie de redelijke natuur ging boven de leer, een stukje hout van dien boom te verkrijgen, dat zij als een heilig aandenken bewaarden.

Ja zelfs van de Turken, die zóó ver van de waarheid zijn afgedwaald, kunnen wij leeren, hoezeer de relieken-vereering in overeenstemming is met onze redelijke natuur. Met heiligen eerbied bewaren zij nog immer het onderkleed van Mohammed, dat zij in den «heiligen oorlog» gebruiken als een banier!

Ten alle tijde, bij alle volken was de reliekenver-eering gebruikelijk. Honderd andere voorbeelden konden nog ten bewijze worden bijgebracht.

Welnu, dan moet zij ook van zelve voortvloeien uit den aard van den mensch; dan moet zij in overeenstemming zijn met onze redelijke natuur: dus met andere woorden: de relikwieënvereering is redelijk, is billijk. Het is een uitgemaakte waarheid, bevestigd door de geschiedenis van het verleden en het heden, dat wij allen van natuurswege begrijpen en erkennen; eerbied moet bewezen aan de overblijfsels van groote mannen en van de weldoeners van het menschdom.

Zoo blijkt dan, dat de Katholieke godsdienst, die nooit iets leert, wat in strijd is met het gezonde verstand, ook hier geheel in overeenstemming is met onzen verstandelijken aanleg,zoodat het woord van Tertullianus hier wederom bewaarheid wordt : anima naturaliter Christiana. De menschelijke ziel is van nature Christen.

III.

Wanneer de hervormers eerbied bewijzen aan den

ocr page 16

— 12 —

Luthersboom, de Mohammedanen aan het gewaad van hun valschen profeet, wie zal het ons, katholieken, dan misduiden, dat wij hulde betoonen aan het altaar, waarop de groote Servatius het H. Offer heeft opgedragen, aan den sleutel, dien hij van Petrus\' opvolger ontving, aan het stoffelijk overschot, dat in dit heiligdom rust ?

Wie zal het niet ten hoogste prijzen, dat wij met teedere godsvrucht de overblijfsels vereeren van het Lijnwaad, waarin het Lichaam onzes Heerenwerd begraven, van de kolom, waaraan Hij werd gegeeseld, van de doornenkroon, waarmede Zijn goddelijk Hoofd werd gewond ?

Ja met duizendmaal meer recht vereeren wij, katholieken. onze heilige relikwieën, dan de wereld de gedachtenissen vereert van hare groote mannen.

Ach, hoe dikwijls is de eei\', bewezen aan de overblijfsels eener wereldsche grootheid, niets anders dan een valsche eer! Wanneer wij de hulde zien, die betoond wordt aan mannen, die groot geweest zijn voor het oog der wereld, dan denken wij wel eens met vreeze aan de woorden van den H. Augustinus: laudantur ubi non sunt, et ubi sunt cruciantur. Zij worden geprezen waar zij niet zijn, en waar zij zijn daar worden zij gefolterd. Ach, hoe dikwijls is het niet te vreezen, dat de luister, waarmede de wereld hare groote mannen, na hun dood, omgeeft, slechts een tegenstelling is met de eeuwige schande, die op hen rust, en waarvan zij al de zwaarte gevoelen in de plaats der straffen, waar zij zich nu bevinden ; dat de lofliederen, die bij hunne gedenkteekenen door hunne vereerders worden aangeheven, niets anders zijn, dan een droevige tegenstelling met den vloek des Aller-hoogsten, in wiens oog zij niet groot, maar schuldig zijn bevonden !

Dan, geliefde Christenen, hier is geen plaats voor zulk een vrees. Met zekerheid weten wij, dat de overblijfsels, die wij hier vereeren, toebehoord hebben aan per-

ocr page 17

— 43 —

soneii,dieèn in het oog der wereld, èn in het oog van God groot geweest zijn en groot zullen blijven in eeuwigheid.

Hier vereeren wij overkostbare en groote overblijfsels van het heilig Kruis, waarmede Christus, de Bewerker en Voltrekker van ons geloof, de wereld heeft overwonnen ; van dien gezegenden boom, waaraan Hij, uit gehoorzaamheid aan Zijn hemelschen Vader, den dood, den kruisdood is gestorven, waardoor Hij zich een naam verworven heeft, die boven alle namen is, waarvoor alle knieën zich buigen moeten van hen, die in den hemel, op de aarde of onder de aarde zich bevinden.

Hier vereeren wij het hoofdhaar en andere relieken van de allerzaligste Maagd Maria, de Onbevlekte Moeder van God, de machtige en nooit volpi-ezen Hemelkoningin, wier grootheid zoover alle beschrijving te boven gaat, dat het uitstekend vernuft van een H. Augustinus, de welsprekende godsvrucht van een H. Bernard us, zich onmachtig verklaren om op eenigszins waardige wijze hare verhevenheid te melden.

Hier mogen wij de lippen drukken op den mantel van den H. Jozef, haar kuischen bruidegom, op eene ribbe van de H. Anna, bare bevoorrechte moeder, op de relieken van de H. Elisabeth, hare gezegende nicht.

Hier kussen wij eerbiediglijk een groote relikwie uit het voorhoofd van den onvergelijkelijken Vooi\'looper des Verlossers, den H. Joannes den Dooper, die door Christus zelf als de grootste onder de menschenzonen werd geprezen.

Gaat Rome trotsch op het graf der heilige apostelen Petrus en Paulus, hier hebben wij ten minste kostbare relikwieën, aanzienlijke gebeenten van die groote heiligen, een gansche schakel van Petrus\' ketenen ; en behalve vele overblijfsels van de andere apostelen, nog den rechterbovenarm van den H. apostel Thomas.

In dezen tempel rusten de gebeenten van niet minder dan twintig heilige Bisschoppen van Maastricht, waaronder bijzonderlijk die van de heiligen Monulphus

ocr page 18

— 14 —

en Gondulphus en vooral die van uwen grooten Patriarch en Beschermer Servatius lederen Maastrichtenaar overdierbaar zijn.

Schier ontelbaar zijn de relieken van andere heilige Martelaren, Belijders en Maagden, die in den Sint-Servatiusschat worden bewaard.

Hoe grooter en edeler nu de ziel was van den persoon, aan wien die relieken eens toebehoorden, hoe grooter de eerbied moet zijn, waarmede wij haar huldigen.

Geett dan gerust, G. Ch., den vrijen teugel aan uwe godvruchtige vereering.

Het hoogste, wat de wereld in hare groote mannen pleegt te roemen, is grootheid van wetenschap, grootheid van vernuft, grootheid van heldendaden en wereldveroveringen.

IV.

De Heiligen, wier overblijfsels thans weder worden ten toon gesteld, hebben in veel verhevener grootheid uitgemunt, in de zedelijke grootheid, die eigenlijk alleen waarde heeft in Gods oog.

Het waren Martelaren, geloofshelden, die hun bloed en leven gaven in den strijd voor Christus. Eeren wij dan, zoo vermaant ons de H. Ambrosius, inhetstolle-lijk overschot van den Bloedgetuige, de wondteekenen, die hij voor Christus\' naam ontvangen heeft, «Honora in carne martyris exceptas pro Christi nomine cicatrices.quot; (Sermo. 93.)

Het waren Maagden, die in eenvleesch, niet minder zwak dan het onze, op de heldhaftigste wijze alle verleidingen van wereld en vleesch overwonnen. Eerbied dan voor de ledematen, door deugd en versterving geheiligd.

Het waren Belijders, die de versterving van Christus hebben rondgedragen in hunne ledematen en door

ocr page 19

— 45 —

hun voorbeeldigen wandel en hun machtigen ijver het heil waren van de wereld, die zij voor Christus veroverden. «Honora per confessionem Domini sacra-tos cineresquot;. (Ibid.) Eeren wij de assche gewijd door de belijdenis van Christus Onzen Heer. Gij vooral, roemrijke Bisschoppen van Maastricht, hebt recht op de dankbare hulde van de bewoners dezer gezegende landouwen, die aan uwen herderlijken arbeid en uwe nog voortdurende bescherming den onwaardeerbaren schat danken van het ware geloof.

In één woord, G. Ch., allen zonder uitzondering-waren Heiligen ; dat ééne woord zegt ons genoeg. De beenderen, die wij vereeren, maakten eens deel uit van heilige lichamen, die uitverkoren tempels geweest zijn van den H. Geest, van heilige lichamen, die tot de edelste van de levende ledematen behoorden van Christus\' geheimzinnig lichaam (conc. Frid.), van heilige lichamen, waarvan wTij met zekerheid weten, dat zij met bijzonderen luister en glans zullen schitteren na de verrijzenis.

Zouden wij dan de lichamen der heiligen niet vereeren, die Jesus Christus, uit erkentenis voor hunne verdiensten, met het kleed der heerlijkheid zal omgeven, kronen met onsterfelijkheid en huldigen voor het oog der gansche schepping? Zouden wij dan niet neder-knielen met eerbied en ons nederbuigen in het stof,, nu wij wederom het voorrecht gaan genieten van deze kostbare schatten te aanschouwen ? Wie onzer zal zich niet beijveren, om door uit- en inwendige vereering zooveel mogelijk datgene te huldigen wat onze hulde zoozeer waardig is ? Niets is meer overeenkomstig met onze natuur, niets is meer billijk onredelijk. Wij kwamen tot die overtuiging door hetgeen het gezond verstand zelf ons leerde, gesteund door de ondervinding van ons eigen leven en van de geschiedenis der eeuwen, voorgelicht door het geloof.

Nog dieper zal die overtuiging in ons Avorden bevestigd door het welspi\'ekend getuigenis van God zelf.

ocr page 20

— 16 —

V.

Reeds in het Oude, maar vooral in het Nieuwe Verbond, heeft God getoond, hoe aangenaam Hem de vereering der relikwieën is door het schitterend getuigenis van het wonder. Zoo verheerlijkte God de graven van de propheten Isaïas, .lerernias en Ezechiël. Door het gebeente van Elizeus gaf God aan een gestorvene het leven weer ; door den mantel van Elias verdeelde Hij de wateren en maakte een begaanbaren weg te midden van den vloed; om vele en velerlei wonderen uit te werken wilde Hij zich bedienen van den staf van Mozes.

De vrouw van het evangelie, die twaalf jaren aan bloedvloeiing leed, raakte den zoom aan van Christus\' kleed en genas. De schaduw van den H. Petrus, de zweetdoeken van den H. Paulus gïiven aan de zieken de gezondheid weer.

Een Heilige Joannes Chrysostomus, die gezagvolle Kerkvader der oudheid, aarzelt niet te verzekeren ; ik zou aan geen einde komen, wanneer ik al de bezetenen wilde opnoemen, die door de relikwieën der Heiligen werden bevrijd; al de blinden, die daardoor het gezicht, al de stommen, die daardoor de spraak, al de lammen, die daardoor het gebruik hunner ledematen berkregen, alle andere zieken, die daardoor genezing erlangden...quot; „Zulke wonderen geschieden dagelijksquot; Alleen de wonderen, die geschied zijn door middel van de overblijfselen van den H. Stephanus (van welken Heilige ook hier in den Servatius-schat relieken worden bewaard) zijn zoo talrijk, dat de H. Augustinus, na de verrijzenis van vijf dooden en andere wonderen te hebben vermeld, deze beteekenisvolle woorden schreef: „wilde ik alleen de wonderbare genezingen, die in den loop van nog geen twee jaren in den omtrek van Ka-lam en Hippo door den glorierijken martelaar Stephanus geschied zijn, breedvoerig beschrijven, vele boeken zou ik moeten samenstellen en dan nog

ocr page 21

- M —

zouden niet alle kunnen worden opgenomen, waar over schriftelijke berichten zijn gegeven om het volk te worden voorgelezen.

Telt, zoo gij kunt. de mirakelen, door Heiligen-reli-kwieën van God verkregen, wanrvan sprake is in de verschillende bullen en decreten, die de Pausen, na een langdurig en nauwlettend onderzoek, hebben uitgevaardigd bij gelegenheid van de zalig- en heiligverklaringen

Waar God door zulke bewijzen spreekt, daar hebben wij geen andere bewijzen meer noodig.

Dan, ook de Servatius-schat getuigt van wonderen.

Vereeren wij hier niet het wonderbare kruis, waardoor de hertog Hendrik van Beieren (1403) de genezing bekwam zijner ziekte? Heeft God niet door den staf van Servatius gelijk weleer door den staf van Mozes op wonderbare wijze een bron doen ontspringen, wier water aan vele zieken de genezing bracht1? Wordt hier niet de beker bewaard, dien, gelijk de overlevering meldt, de H. Servatius van een engel ontving, de beker, die, zooals door echte oorkonden bewezen wordt, meermalen genezing van koorts en krankheid bewerkte? Rust hier niet de sleutel van Sint-Servaas, welks wonderbare kracht ondervonden werd, als vijandelijke legers een inval deden in deze stad, de sleutel, die, na verloren geraakt te. zijn, op wonderbare wijze werd teruggevonden, die, daar hij gebroken was, door een wonder werd hersteld. Hebt gij nooit gehoord van den Pater Jezuïet, die miraculeus genezen werd, toen bij kwam bidden bij de relikwieën van den H. Servatius ? Waaraan dankt de Noodkist hare benaming? Is het niet, omdat God door haar den nood wist af te keeren, als de vijand de stad belegerde, als aanstekelijke ziekte, als ongunstig weder of andere rampen stad of akkers bedreigden?

God alleen weet, hoevele geestelijke en tijdelijke gunsten werden verkregen door hen, die met geloof en vertrouwen hunne toevlucht zochten bij den Ser-

2

ocr page 22

— 18 —

vatius-schat, vooral wanneer hij ten tijde van ramp en nood in plechtigen bedegang werd rondgedragen door de straten.

Onder die gunsten komen voorzeker de geestelijke op de eerste plaats. Hoevelen, die blind waren naar de ziel, herkregen hier het gezicht hunner oogen, wanneer zij kwamen bidden bij deze heilige Relieken, en door het gezicht van deze gedenkstukken der Christelijke Oudheid de waarheid wederom erkenden van het aloude geloof, dat zij door dwaling of schuldige twijfeling hadden verloren! Hoevelen, die dood waren naar de ziel. doordien zij de heiligmakende genade, die het bovennatuurlijk leven der ziel is, hadden verloren, kregen hier dat bovennatuurlijk leven weer, wanneer zij door de voorspraak der heiligen, wier overblijfsels zij vereerden, de gratie ontvingen van een waar berouw en eene oprechte bekeering\'? Ja, misschien heeft menigeen tier hier aanwezigen op gevoelige wijze Gods bijzonderen bijstand ondervonden, wanneer hij hier kwam bidden bij dezen heiligen re-liekenschat.

VI.

Doch al gebeurden heden geen wonderen meer, hetgeen zeker geen enkel waar geloovige zal durven beweren, degene die reeds geschied zijn in den vervlogen tijd, en wier echtheid door de onwraakbaarste bewijzen is verzekerd, zijn genoeg en meer dan genoeg om ons te overtuigen, hoezeer God de reliekenv«reering billijkt niet alleen, maar aanmoedigt, maar welgevallig vindt en beschouwt als een eer, zijn heiligen Naam zeiven aangedaan.

Vreest dan niet, G. Ch., dat gij te ver zult gaan in hel betoonen van uwen eerbied aan deze eerbiedwaardige relikwieën. God zelf immers leert het u op de welsprekendste wijze, dat hij die hulde beschouwt

ocr page 23

— 19 —

niet als een vermindering, maar als een verhooging van zijn eigen eer. De relikwieênvereering alzooiseene oefening van ware Godsvereering.

Neen\', het is geen bijgeloof, gelijk de vijanden van den katholieken godsdienst beweren, wanneer wij vol heilig ontzag het hoofd buigen voor die ziellooze asch en dat levenlooze stof. Of zouden wij, op onze wijze, niet durven navolgen, wat God zelf ons heeft voorgedaan ? Zouden wij ons wel ware vrienden van God, bezorgd voor alles wat zijne eer betreft, durven noemen, als wij zoo weinig achting toonen voor hetgeen dat Hij door wonderdaden bewijst Hem zeiven zoo dierbaar te zijn? Neen, twijfelen wij er niet aan, door de heiligen te vereeren in hunne relieken, doen wij een Gode zeer welgevallig werk en brengen wij hulde aan Hem, aan wien alleen alle eer en heerlijkheid toekomt. Of zou de Koning des hemels zich niet geëerd achten, als wij aldus te zijner eer naar ons best vermogende soldaten huldigen, die Hij zelf heeft gekroond ?

In dien zin meende ik, naar het voorbeeld van meerdere godvruchtige schrijvers, de woorden te mogen toepassen, welke de koninklijke profeet David in heilige geestvervoering gezongen heeft: Laudate Dominum in sanctis ejus, Looft den Heer in zijne heiligdommen, looft Hem daardoor in zijne Heiligen. Brengt door de ware vereering der relikwieën aan God, die in het groote heiligdom des hemels woont, de hulde der opperste eer !

O moge de uitwendige eerbetooning, die wij gaan brengen, inderdaad de tolk wezen van onze inwendige godsvrucht, de openlijke en oprechte belijdenis van ons innerlijk geloof, dat gelijk in alles, ook in de relikwieênvereering ons zoo redelijk is gebleken.

Wat blijft mij nu nog over, dan u, gezegende stad van Servatius, geluk te wenschen met de geestelijke rijkdommen, waarover gij u boven zoovele andere steden terecht moogt beroemen ?

Heil U, bevoorrecht Maastricht. Kinderen van Servatius, gij moogt fier gaan op uwe stad, niet zoozeer

ocr page 24

— 20 —

om de schilderachtige ligging, waarmede zij door den Schepper der natuur is bevoorrecht, maar veel meer om de eerbiedwaardige heiligdommen, waaraan zij zoo rijk is, en die op zoo welsprekende wijze getuigen van haar roemrijk verleden. Gaat lier op uw Servn-tiustempel met zijn schat, gaat fier op uw aloude kerk van Onze Lieve Vrouw met haar cingel van de H. Maagd en andere onschatbare relieken. Roemen ook moogt gij op het wonderkruis, waarover de kerk van Wijk zich verheugt. Zegent God met dankbaarheid voor zooveel gaven ! O hoe verblijdend is het te zien, hoezeer gij u beijvert om de zevenjarige heiligdomsvaart te herstellen in de pracht en praal, waarmede uw zoo gelcovig voorgeslacht gewoon was ze te houden in Maastricht\'s versierde tempelen en straten. Moge uw edele poging zóó door God gezegend worden, dat de reliekenvertooning, die dezen avond geopend wordt, strekken moge om duizenden en nogmaals duizenden met verlevendigd geloof God in Zijne heiligdommen te doen verheerlijken! Moge de wensch vervuld worden, die reeds voor eeuwen de priester placht uit te spreken, wanneer hij in dezen tempel de voornaamste relieken aan het volk vertoonde; Laat ons den Almachtigen God bidden, dat wij dit waardig heiligdom zoo mogen aanschouwen, dat daardoor Gods eere worde bewerkt en onzer zielen heil. Amen.

ocr page 25

KORT OVERZICHT

VAN DE

Relieken van den Sint-Servatiusschat.

i.

Van O. H, J. Cli., drie stukken van den linnen doek, waarin Christus hegraven werd, in een kistje van verzilverd hout.

Van de windselen en de doornenkroon in een verguld koperen monstrans.

Van het H. Graf in een verguld koperen bus.

Onderscheidene en merkwaardige relieken van het H. Kruis, o. a. in de reliekentafel van liet H. Kruis, die weleer niet onwaarschijnlijk tot altaar gediend heeft.

Van de II. Maagd Maria, (15 Aug.) van de kleederen in een uit ivoor gesneden kastje. Haren in een verguld zilveren monstrans, waarin ook haren van den H. Joannes Evansjelist.

(In de kerk van O. L. V. te Maastricht wordt de cingel bewaard der H. Maagd.)

Van den H. Jozef, (19 Maart) van den mantel in een zwarten hoorn met verguld koperen beslag.

Van den H. Joannes den Dooper, (21 Juni) een groot been uit het voorhoofd in een zilveren borstbeeld.

Van de H. Moeder Anna, (20 Juli) eene ribbe in een verguld zilveren monstrans.

Van de H. Elisabeth, (5 Nov.) de Niclit van Maria, in een zwarten hoorn met verguld koperen beslag.

Van de IIII. Petrus en Panlns, (29 Juni 07) groote gebeenten, een gansche schakel van Petrus\' ketenen en van den H. Steitha-niis, (f 20 Dec. 35) eerste Martelaar, in een verguld koperen monstrans.

ocr page 26

Van den H. Thomas, apostel, de rechlerbovenarm in een arm van gedreven zilver.

Van de HH. Simon eii Jndas Thadeus in een verguld koperen monstrans.

Van den arm van den H. Itartholomeus (f 2i Aug. 71) en van den H. Andreas (f 30 Nov. G3) in een verguld koperen monsirans.

Van den H. Andreas, apostel, van liet Kruis, waaraan hij stierf en van den H. Egidius, Abt (f 1 Aug. in de O\'1quot; eeuw) in twee zilveren harten.

Van het bloed der HH. Apostelen in een klein hart van vergald zilver.

J)e reliekentafel der H. Catliarina, waarin: fleschjes met olie, gevloeid uit de overblijfels der H. Maagd en Martelares Catha-rina, alsmede een stuk van het H. Kruis en van de gee-selkolom onzes Heeren en eene reliek van den H. Mathias, Apostel.

II.

Van den H. SERVATIUS, Bisschop (f 384), Patroon en Beschermer van Maastrieht: het hoofd in een borstbeeld. Het draagaltaar van groenen steen met zilveren randwerk. De reiskelk, (is gebroken geweest maar werd uit dezelfde stof hersteld).

De drinkbeker.

De sleutel, dien hij van den Paus ontving, en waarin ijzervijlsel of een stukje ijzer moet zijn van Petrus ketenen. Deze sleutel is na verloren te zijn geweest op wonderbare wijze wedergevonden, werd, gebroken zijnde, door een wonder hersteld. Vele mirakelen zijn er door geschied.

Het zegel, een lensvormige bloedsteen door een zilveren ring omgeven.

De pelgrimsstok, van riet met ivoren handvat, is gebroken geweest en wordt nu door zilveren hulsels aaneengehouden. Hiermede beeft de Heilige eens een bron doen ontspringen, welker water aan vele zieken de genezing gaf. De bisschopsstaf is van riet met ivoren krul en knop. Bij de verheffing van het gebeente van den H. Servatius door den H. Hubertus, laatsten Bisschop van Maastricht in het jaar 72G, werd deze staf ter rechterzijde van den Heilige liggend gevonden.

Het Bisschoppelijk Gewaad, waarmede in 726 zijn heilig lijk gevonden werd.

Het gouden borstkruis, vermoedelijk op de borst gevonden in 730.

ocr page 27

- 23 —

De NOODKIST (een -naar prachtstuk) welke een gedeelte bevat der gebeenten van den H. Servatius, overblijfsels van zijne kleederen en bijna al de gebeenten van den H. Marti mis. Bisschop van Tongeren. Deze kist is geplaatst achter het hoogaltaar in het hooge priesterkoor; zij rust met liet eene einde op het Relikwieënaltaar en met het andere op twee kolommen en is zoo hoog geplaatst dat de pelgrim er biddende onder door kan gaan.

De lichamen van de H.H. Valentiuus, Monnlphiis, Gondnlphns en Candidas, Bisschoppen in een prachtige vergulde houten kist.

Van het hoofd van den H. Martinus, Bisschop van Tongeren (f 21 Juli 376) in een verguld houten borstbeeld.

Van het hoofd van den If. Valentinns, Bisschop van Tongeren (f7 Juni begin der l:\',e eeuw) in een verguld houten borstbeeld.

Van hei hoofd van den H. («ondul|»liu«, Bisschop van Maastricht (f ]G Juli 007) in een vergald houten borstbeeld.

Van het hoofd van den H. Amandns, Bisschop van Maastricht (f 6 Febr. 484) in een verguld houten borstbeeld.

Van het hoofd van den H. Candidns, Bisschop (f7 Juni einde der 4do eeuw) in een verguld houten borstbeeld.

Van het hoofd van den II. Monnlphns, Bisschop van Maastricht (f 16 Juli 599) in een verguld houten borstbeeld. Van denzelfden Heilige de Dalmatica in een kist van ivoor.

Van den H. Domitianns, Bisschop van Maastricht (f 7 Mei 560) een vinger in een verguld koperen monstrans.

Van den H. Lambertns, Bisschop van Maastricht en Martelaar (f 17 Sept. 709) een reliek in een vergulde monstrans.

Ven den H. Remaclus, Bisschop van Maastricht (f 3 Sept. 668) en den H. Henrieus, Keizer (f 11 Juli 1024) in een ivoren horen met verguld beslag.

Van den H. Tlicodardns, Bisschop van Maastricht en Martelaar (f 10 Sept. 668.)

III.

Verder Relikwieën van vele heilige Martelaren en Martelaressen, als:

Van den arm van den H. Urbanus, Paus en Martelaar (f 25 Mei 230) in een vergulden houten arm.

Van de H. Cecilia, Maagd en Martelares (f 22 November 330) in een verguld beeldje van gedreven koper.

ocr page 28

— 24 —

Een ribbe van een der zeven Martelaren vun Kpliese, in de kerk vereerd onder den titel van Sepiem Dormienies (f 27 Juli 250) en gebeenten van nog andere Martelaren in een Arabisch kistje van ivoor.

Van den H. Laiirentins, Diaken en Martelaar (f 10 Aug. 258.)

Yan den H. Mauritius, overste van het Thebaansch legioen (f 22 Sept.

3S0) in een bus van verguld hout en Gebeenten van datzelfde legioen in een bruinen horen van een bnffelos.

Van de H.H. Georgius (f 23 April 303), Christophorns (35 Juli 3d,i eeuw) en .Mauritius, Martelaren.

Van den H. Mauritius, Martelaar, de voorarm in een houten verzilverden arm.

Het hoofd van een der gezellen van den H. (ieieou met nog andere relieken van dezelfde Martelarensohaar (f 10 Oct. 287) in een ivoren kistje uit Arabië.

Van de hoofden der HTI. Martelaressen: Anastia, Valentina, Feli-cissiina en Coustautia, in een merkwaardig ivoren doosje eveneens van Oostersohe herkomst.

\'t Armbeen van den H. Sebastiauus, Martelaar (f 20 Jan. 2SS.)

Van de H. Philomena, Maagd en Martelares (3d6 eeuw.)

Van de H.H, Juliana, Maagd en Martelares (f ]6 Febr. 299); Walburg-is, Maagd, Margaritha, Maagd en Martelares (f 20 Juli 273) en Petronella, Maagd (f 31 Mei Is\'\' eeuw) in een i .oren kistje met zilveren beslag.

Van de H.H. Euplicinin, Maagd en Martelares (f 1G Sept. 303), en Felicitas, Martelares (f 23 Nov. 16-1) in dito kistje.

Van de H. Prisea, Maagd en Martelares (f omtrent 18 Jan.,\'t jaar 54) en de H. Walburgis, Maagd (f 25 Febr. 778) in een struisvogelei .

Van de H. Lucia, (f 13 Dec. 303) in een kleine monstrans van zilver.

Van de H.H. Mareellinus en Petrus, Martelaren (2 Juni 301.)

Van de H. Airnes, Martelares (21 Jan. 305) in een monstrans van verguld zilver.

Van de H. Pautaleou, Martelaar, (f 305 27 Juli) geneesheer van Niooinedie, in een ivoren doosje.

Van de H.H. Adrianus en Vitalis, Martelaren (4 Maart 31G) ineen witten jachthoren.

Van dc H. Barbara, Maagd en Martelares (f 1 Dec. 316) in een verguld koperen beeldje.

ocr page 29

Van den H. Blasins, Bisschop en Martelaar, (f 3 Tebr. 316.)

Van de H.H. Victoria on Agatha.

Van do H. Enphemia.

Van de HH. Apollinaris, Bissoliop on Martelaar, Vincentins, Felix, Percfrianus en andere Bloedgetuigen.

Van don . Donatas, Martelaar (f 7 Aug. 362.)

Een ribbe, oon tand en andere relieken eeiior gezellin dor H. Ursula (f 21 Oct.) in oon ivoren horen.

Een tand met nog andere relieken van don H. Liriuus, Bisschop en Martelaar (f 12 Nov. 657.)

Van don H. Petrns, Martelaar dor Dominicanorordo (f 29 April 1352) en van nog andere hoiligon in een verguld koperen bus.

Van de H.H. Japansche Martelaren, (f 5 Juli 1597) in een ivoren doos.

IV.

Eindelijk nog de Relieken van de volgende heilige Belijders, Maagden en andere Heiligen.

Van den H. Antonius (f 4 April 397) een gebeente in een ivoren bus mot verguld beslag.

Van don H. Alexins (f 17 Juli 484), den H. Walericus (f 1 April in de 7\'lc eeuw), don II. Brandanus (16 Mei 577) Belijders, in oen ivoren kistje met zilveren beslag.

Van den . Reniiijriu, Bisschop (f 13 Jan. 533) in een kistje van ivoor.

Van den H. Benedictn , Abt (f 21 Maart 543).

Van don H. Medardu, Bisschop (8 Juni 545) in oon kistje van albast.

Van de B.B. Eligiu , Bisschop (f 1 Dcc. 659) en Monulplms, Abt (f 1 Mei 558) in een zilveren doos.

Van den arm van den H. Bertuinns, Bisschop (f 11 Nov. 698) in oen verguld houten arm.

Van de H.H. Swilbertn, (f 1 Maart 713) en Lndgerus, (f 26 Maart 809) Bisschoppen, in een ivoren doos.

Van don H. Anion. Belijder (f 8 Oct. 9quot;\' oouw) in oon houten kistje met verguld beslag.

Van de H.H. Severinus, Bisschop (f 23 Oct. 403) Bernardns, Abt en Kerkloeraar (f 20 Aug. 1153) en Gerlacus, Kluizenaar (f 5 Jan. 1170) in oen ivoren kistje.

ocr page 30

— \'26 —

Van den H. Germaiius, Bisschop van Parijs (2S Mei 379) en de H. Aldeg\'onda, Maagd, (f 30 Jan. 685) in een tafel van verguld koper.

Van den H. Antoiiins van Padua, Belijder (f 18 Juni 1331) in een ivoren busje.

Van den H. Hyuclntlms, Belijder (f 1G Aug. 1257) der Dominica aer orde, in een zilveren doos.

Van den H. Igfiiatius van Loyola, Belijder (f 31 Juli 155G) in een verzilverd houten kistje.

Een vingerlid van den H. Francisens Borgjas, (quot;l- 10 Oct. 1572) in een ivoren kistje met koperen beslag.

Van den H. Carolus Borromeus, Bisschop (f 4 Nov. 1584) in een ivoren kistje.

Van den H. Liborins, Bisschop (f 23 Juli 390) en van den zaligen Petrus Cauisius (f 21 Dec. 1597) in een Venetiaansch doosje.

Van den H. Franciscus van Sales, Bisschop en Kerkleeraar (f 28 Dec. 1622).

Van den H. Franciscus van Sales, den H. Donatns, Martelaar, (f 7 Aug. 362) de H. Francisca Itomaiiii, weduwe, (f 9 Maart 1440) in een ivoren kistje met zilveren beslag.

Van den H. Panlus van liet krnis, Belijder (f 28 April 1775) in een ivoren kistje.

Preek van den H. Alphonsns. Bisschop en kerkleeraar (f 1 Aug. 1787).

Van den II. .Magnus in een bruinen horen met verguld beslag.

Van de H. Isiburgis, Maagd, van den H. Mauritius en andere Heiligen, in een uitgesneden kokosnoot met zilver bekleedsel.

Van de H.H. Jacobus, Steplianns, Mart inns van Tours, en Marga-retha.

Van de H. Maria Magdalena, (f 22 Juli lste eeuw) in een zwarten horen.

Van do H. Amelberga. Weduwe (f 10 Juli 690) in een kasuaris-ei met zilveren beslag.

N. B. Men herinnere zich, dat Z. H. Phis IX z.g. bij rescript van den 8 Juni 1874 een eeuwigdurenden vollen aflaat heeft (oegestaan aan alle geloovigen, die godvruchtig biechten, communiceeren, gedurende de veertien dagen der Maastrichtsche Heiligdomsvaart vaiv 9 tot 23 Juli, de St. Servaaskerk bezoeken en aldaar bidden tot intentie van Zijne Heiligheid.

ocr page 31
ocr page 32
ocr page 33
ocr page 34

—

I

ocr page 35
ocr page 36