HET WEES GEGROET.
H E T
WEES GEGHOET.
UITGEBREID M OVERWOGEN
door
H. A. HORNING,
Pastoor te Medejublik.
e|5
AMSTERDAM, F. H. J. B E K K E R.
1897.
IMPRIMATUR.
H. F. J. RIKMENSPOEL, Rector.
Libr. Censor.
Amstelodami,
die 16 Martii 1897.
VOORBERICHT.
In 1833 schreef Cornelius Hazart, priester van de Sociëteit van Jesus, eene â Verklaring van het Wees-gegroet,quot; en in 1859 verscheen er te Arnhem een vrije vertolking der Unendliche Grass von Alban Stolz, bewerkt door N. V.
Het eerste, een zeer dun boekje van 58 bladz. duodecimo formaat, is reeds lang niet meer in den handel; het tweede, zooals alles van Alban Stolz, vol genialiteit, komt ook zeer zeldzaam meer voor, en is in ieder geval geen oorspronkelijk Hollandsch werk.
Wel zijn er naderhand, vooral in de laatste jaren, vele schoone en geleerde werken en werkjes over de H. Maagd in de moedertaal geschreven, maar geen afzonderlijke verhandeling over het Wees gegroet.
Daar ik mij nu reeds lang verplicht gevoelde, ter eere van Maria, aan wie ik zooveel te danken heb, en van wie ik nog zooveel verwacht, een werkje te schrijven, viel om vermelde redenen, mijne keus op het Wees gegroet.
Ik heb het, bij wijze van inleiding, laten voorafgaan door eenige lezingen of overwegingen over den oorsprong van het
VOORBERICHT.
Wees gegroet en zijn gebruik; zoodoende breidde ik het uit tot 32 lezingen of overwegingen, hetgeen dit voordeel geeft, dat het nu, al is het eenmaal gelezen, toch immer, naar mijn bescheiden meening, een zeer geschikt boekje blijft voor een dagelijksche lezing of overweging in de Mei- en Octobenuaand.
Moge de H. Moedor Gods dit geschrift van haar dankbaar kind zegenen, en over allen, die het lezen en overwegen, even ruimschoots als over mij, haar moederlijken zegen uitstorten, dit is de wensch van
VI
DEN SCHRIJVER.
Mkdembmk, 25 Februari 1897.
INHOUD.
Hoofdstuk. Bladz.
I. Hoe het Wees Gegroet ontstaan is......... 1
II Wat wonderen er gebeuren met het heilig huis
van Nazareth................ 8
III. Wat de Bedeklok zegt.............14
J V. Een en ander over den Rozekrans van Maria . . 20
V. Hoe het Rozekransfeest ontstaan is.......27
VI. Over het nut van den Levenden Rozekrans . . .35
VII. Hoe gaarne God het ziet, dat wij Maria groeten. , 40
VIII. Hoe dankbaarheid ons verplicht Maria te groeten . 46
IX. Maria, de Moeder der smarten..........51
X. Maria, onze Lieve Vrouwe............57
XI. Maria, Sterre dor zee...............63
XII. Hoe redelijk Maria\'s Onbevlekte Ontvangenis is . . 68
XIH. Eene herinnering aan 8 December 1854 ...... 74
XIV. Waarom Maria vol van genade genoemd wordt . . 81
XV. Hoe Maria ook voor ons vol van genade is . . .88
XVI. Hoe vol van genade Maria\'s uiterlijk was.....94
XVII. Waarom wij tot Maria zeggen: De Heer is met u . 102
XVIII. Hoe meer bijzonder nog de Heer met Maria was . 108
XFX. Hoe Maria nu met den Heer in den hemel is . . . 114
INHOUD.
Hoofdstuk. Bladz.
XX. De gezegendste der Maagden...........121
XXI. De gezegendste der Moeders...........129
XX-II. De gezegendste Moeder-Maagd..........136
XXIII. De gezegendste in den hemel..........144
XXIV. Jesus, de Bron van allen zegen..........154
XXV. Heilige Maria..................161
XXVI. Moeder Gods..................167
XXVII. Moeder der genade................178
XXVIII. Maria ook onze Moeder.............180
XXIX. Bid voor ons..................187
XXX. Bid voor ons, zondaren..............192
XXXI. Bid voor ons... nu...............199
XXXII. Bid voor ons in \'t uur van onzen dood. Amen . . 206
vin
I.
Koe het âWees gegroet1\' ontstaan is.
óór omstreeks negentien eeuwen woonde er in bet Oosten, in een stadje van Galilea, met name Nazareth, een zeer godvreezende maagd, en de naam der maagd was Maria.
Eens dat zij. in haar kamertje, in diepe godsvrucht, lag te bidden, verscheen haar plotseling een engel des Heeren. En de engel des Heeren, die tot haar binnen kwam, groette haar met deze woorden: Wcos gegroet, gij vol van genade! De Heer is met u: gezegend zijl gij boven alle vrouwen!
Sinds de engel die woorden sprak, zijn ze herhaald door duizendmaal duizend monden, en nog ieder oogenblik en lederen polsslag wordt er herhaald en gebeden; Wees gegroet. Reeds liet kind bidt, zoodra het begint te stamelen, op den schoot zijner moeder: Wees gegroet; en als dat kind blijft leven en christelijk opgroeit, herhaalt het dien groet ten minste eenige malen daags, zoodat het, op rijpere jaren gekomen, dien groet reeds eenige duizenden malen zal gezegd hebben.
En is die groetenis den Christen zoo dierbaar in zijn
1
leven, dubbel dierbaar is ze hom bij zijn sterven. Stervend herhalen zijne lippen: Wees geyrod; en kan hij zelf niet meer\' bidden, dan luistert zijn stervend oor nog met welgevallen hoe men vóór hem bidt: Wees gegroet. En wanneer hij gestorven is, dan verzamelen zich zijne verwanten en vrienden in het sterfhuis en daar dan, bij zijn stoffelijk overschot en bij zijn graf, weerklinkt nog de groet: Ave Maria.
Zoo zal men bidden, zoo zal men Maria groeten, zoolang de katholieke Kerk, dat is: zoolang de wereld staat.
De groetenis des engels wordt gewoonlijk na het Onze Vader gebeden. Bij dien groet des engels voegen wij nog den groet, dien de heilige Elisabeth aan hare nicht Maria bracht en sluiten met een smeekgebed, door de- Kerk er aan toege. voegd.
Hoor eens hoe schoon die groetenis des engels in de heilige Schriftuur beschreven wordt en welke wonderbare gebeurtenissen dezen groet vergezelden.
âDe engel Gabriel werd van God gezonden naar eene staó van Galilea, met name Nazareth, tot eene maagd, die ondertrouwd was aan een man, wiens naam was Josef, uit het huis van David; en de naam der maagd was Maria. En de engel kwam tot haar binnen en sprak: Wees gegroet, gij rol van genade! \'De Heer is met u; gezegend zijl gij boven alle vrouwen!
Toen Maria dien groet des engels hoorde, ontstelde zij over zijne woorden, en peinsde, wat dit voor een groet mocht zijn. En de engel sprak tot haar: Vrees niet, Maria! want gij hebt genade gevonden bij God: zie, gij zult ontvangen en een zoon baren, en zijn naam Jesus noemen. Deze zal groot zijn en de Zoon des Allerhoog sten genoemd \'worden. God de Heer zal Hem den troon zijns vaders David geven, en Hij zal heersdien over Jacobs huis in eeuwigheid, en zijns koninkrijks zal geen einde zijn.
3
Maria zeide tot den engel; Hoe zal dit geschieden, daar ik geen man beken ?
De engel antwoordde haar: De Heilige Geest zal over u konen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom zal ook het Heilige, dat uit u zal geboren worden, Gods Zoon genoemd worden. En zie, Elisabeth, uwe bloedvencante, ook zij heeft een zoon ontvangen in haar ouderdom, en deze maand is voor haar, die onvruchtbaar heet, reeds de zesde; icant niets zal onmogelijk zi/jn bij God.
Toen sprak Maria: Zie de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord! â En de engel ging weg van haar 1).quot;
En terwijl de engel haar verliet, geschiedde haar naar zijn woord. De Heilige Geest kwam over haar en de Zoon van God nam in haar de menschelijke natuur aan. Het Woord was vleesch geworden, en Maria was Moeder Gods. Hoe eerbiedwaardig, hoe eenvoudig en toch hoe verheven . is die groet des engels en alles, wat dien groet vergezelt!
âEen arme dochter van Nazareth, verborgen in de eenzaamheid, onbekend aan de wereld, schijnbaar van geringe afkomst, géboren uit behoeftige ouders, verloofd aan een timmerman, wordt op eens â wie kan dat wonder vatten? â door den Hemel zelf begroet; door een aartsengel vol van genade genoemd; door den Heiligen Geest tot bruid verkozen; dooide kracht van den Allerhoogste overschaduwd: moeder wordt zij van den Grooten God; verheven boven alle koren der engelen ; koningin van hemel en aarde! Sluit uwe oogen, o verstand! Gij kunt het bovennatuurlijk licht van dit geheim slechts aanschouwen onder den sluier des geloofs, evenals ons natuurlijk oog het zonlicht slechts dan aanschouwen kan, wanneer het met een wolkensluier is bedekt.quot; â H. Bern. Het tweede gedeelte van het Wees gegroet bestaat uit de
gt;) Luc. I, 26 -38.
4
woorden, waarmede de H. Elisabeth Maria groette. Zij herhaalde de laatste woorden van den groet des engels en voegde er, vervuld van den H. Geest, nog deze woorden bij: En ge- O»
segend is de vrucht üws lichaams.
De heilige Schriftuur verhaalt deze wonderbare geschiedenis op deze wijze;
âEn Maria, in die dagen, stond op, en reisde met haast naar het gebergte, naar eene stad van Juda. En zij kwam in het huis van Zacharias, en groette Elisabeth. En het geschiedde als Elisabeth den groet van Maria hoorde, dat â
Elisabeth vervuld werd met den H. Geest; en zij riep met luide stem en sprak: Gezegend zijt gij boven alle vrouwen, en gezegend is de vrucht mos lichaams \')!
De heilige Kerk heeft bi] den groet van den engel Gabriël en van de heilige Elisabeth nog dit kort smeekgebed gevoegd:
Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor ons, zondaren, nu en in _ ^
het uur van onzen dood. Amen.
Waarom en bij welke gelegenheid dit gebeurde, verhaalt de geschiedenis in de volgende woorden.
In het jaar 431, toen Paus Celestinus op den stoel van Petrus zat en keizer Theodosius ia Gonstantinopel de teugels van het Rorneinsche rijk in handen had, greep er in de Kerk een zeer gewichtige gebeurtenis plaats. Meer dan tweehonderd bisschoppen stroomden uit alle oorden der wereld naar Ephese om daar, in Concilie, vergaderd, onder voorzitterschap van den Paus, te beslissen over de leer van Nestorius, bisschop van Gonstantinopel.
â Wat had Nestorius dan geleerd ?
â Hij had op het Kerstfeest in het openbaar een valsche leer gepreekt en onder andere gezegd, dat men in den Zalig-
i
) Luc. I, 89-42.
5
maker twee personen onderscheiden moest, en dat men Maria wel moeder van Christus, maar geen Moeder Gods mocht noemen, vermits niet de Zoon Gods, maar de mensch Christus door haar was ter wereld gebracht.
Het volk, dat nooit zoo iets gehoord had, verliet vol afgrijzen de kerk; geheel Contanstinopel was bedroefd en verontwaardigd; ieder geloovige voelde de diepste smart over de ontzettende beleediging der Moeder des Heeren aangedaan. Men zag eerwaardige grijsaards, die hun leven lang in de woestijn met boetvaardigheid hadden doorgebracht, hunne eenzaamheid verlaten om overal op de publieke straat, waar maar volk vergaderd was, de eer van Maria te verdedigen en de dwaalleer van Kestorius te weerleggen. Immers, was Maria geen Moeder Gods, maar slechts moeder van den mensch Christus, in wien het Woord of de tweede Persoon van de H. Drievuldigheid zijne woning nam, dan was Christus, de Verlosser, die voor ons leed en stierf, ook geen Goddelijk persoon, maar slechts mensch, en dan kon hij God ook voor ons niet voldoen en waren wij dus niet verlost.
In de hoofdkerk te Ephese, die onder de bijzondere bescherming van de Moeder Gods stond, werd het Concilie, het derde algemeene, gehouden om te oordeelen over Nestorius\' leering. Bange verwachting vervulde de harten der geloovigen ; want men wist, dat Nestorius door de keizerlijke Regeering ondersteund werd en zijne aanhangers geen geweld ontzagen. Men zond warme gebeden hemelwaarts en smeekte vurig om den bijstand des Heiligen Geéstes, door Christus aan zijne Kerk beloofd.
Lang duurden de vergaderingen. Met smartvol ongeduld stonden de bewoners van Ephese voor de gesloten kerkdeuren te wachten. Eeeds ging de dag ten einde en brak de avond aan. Het was de avond van den twee en twintigsten Juni.
6
Daar werden eindelijk de deuren geopend, en aan liet hoofd van meer dan tweehonderd bisschoppen verschijnt de heilige Gyrillus om aan het volk te verkondigen, dat de vereenigde Vaders de leer van Nestorius als dwaalleer hebben verworpen; dat Nestorius zelf buiten de gemeenschap der Kerk gesloten en vervallen verklaard was van zijne waardigheid als bisschop en priester. Maria was en bleef de Moeder Gods, zooals de Christenen toen reeds meer dan vier eeuwen altijd eenparig hadden geloofd en beleden.-
Toen het volk deze uitspraak vernam, barstte het verheugd in jubelkreten los; luid en blij weergalmde de mare: De-vijand der heilige Maagd is overwonnen! Leve Maria, leve de G-roote, de Verheiene, de Glorievolle Moeder van God! Leve Maria!
Duizenden fakkels en toortsen werden ontstoken; de stad geleek eene zee van licht en vuur; lofliederen en vreugdezangen weergalmden; de kostbaarste reukwerken werden gebrand voor de beelden der heilige Maagd; de Vaders van het Concilie werden als in zegepraal door de dankbare geloo-vigen naar hunne woningen niet geleid, maar gedragen, en honderden en duizenden baden èn zongen èn riepen èn juichten in kerken en huizen, op straten en pleinen gedurende dien ganschen heerlijken nacht: Heilige Moeder Gods, bid voor ons!
Welnu, het was volgens sommigen bij deze gelegenheid, dat Paus Gelest,inus aan het Wees gegroet deze woorden toevoegde en het daarmede voltooide: Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor ons, zondaren, nu en in hel uur van onzeu dood. Amen \').
Het Wees gegroet is dus wel na het Onze Vader het eerbiedwaardigste gebed; want bidden wij het Onze Vader, dan
â i) Orsini. L^cen der H. MaarjiJ, 275.
7
bidden wij Gods Zoon na, en bidden wij het Wees gegroet, dan bidden wij God den Heiligen Geest na. Immers, het is de Heilige Geest, die het Wees gegroet aan den engel Gabriël, aan de heilige Elisabeth en aan de heilige Kerk heeft ingegeven.
Geen wonder dus, dat de Heiligen het Wees gegroet zoo dikwijls hebben gebeden, en de heilige Kerk ons dit gebed zoo dikwijls laat herhalen.
Maria tocli groet ons altijd met eene genade, als wij haar groeten mot een Wees gegroet; en de godvruchtige Thomas van Kempen schrijft: âAls ik zeg Wees gegroet, dan neemt de duivel de vlucht, de hel siddert, de vreugde herleeft, de traagheid verdwijnt, het hart smelt]van liefde, het vertrouwen vermeerdert, en ik gevoel een troost, dien ik niet beschrijven kan.quot;
Moge dus na het Onze Vader het Wees gegroet ook uw liefste gebed zijn, en ook gij zult ondervinden wat het u brengen zal.
11.
^at wonderen er gebeuren met \'t K. Kuis van Nazareth.
et huis te Nazareth, waarin Maria, op last van God, door den engel werd begroet en waarin Josus, Maria ^|J en Josef. na hun terugkeer uit Egypte, zooveel jaren | , een verborgen heilig leven geleid hebben, stond reeds \' bij de eerste Christenen, tijdens het leven der Apostelen, hoog in eere.
De heilige keizerin Helena liet reeds in do derde eeuw over dat heilig huis eene kerk bouwen, die den naam van Mar ia-Boodschap ontving, en reeds sinds dien tijd kwamen er vrome pelgrims uit alle oorden der wereld liet heiligdom bezoeken. De talrijke wonderen, die God daar, op voorspraak van Maria deed, maakten, dat die bedevaarten immer toenamen en bleven voortduren ook na de verovering van het H. Land door de Arabieren in 637; zelfs toen in 1073 de Turken Palestina hadden veroverd en hot den pelgrims op alle mogelijke wijzen moeilijk en duur maakten om de heilige plaatsen te bezoeken, hielden die bedevaarten niet op.
Do verdrukking, waaraan de Christenen bloot stonden en de ontheiliging der heilige plaatsen door de ongeloovigen, was de oorzaak der zeven kruistochten naar het H. Land ; deze duurden van 1096 tot 1254, en gedurende dien langen tijd werden de heilige plaatsen nu eens gewonnen door de Christenen en dan weer hernomen door de Turken. In het jaar 1291 kwam geheel Palestina onder de heerschappij der Turken, die op ongehoorde wijze de heilige plaatsen ontheiligden en de pelgrims lastig vielen.
God echter wilde niet toelaten, dat het heilig huis, waarin Zijn Zoon was mensch geworden, langer in de handen der ongeloovigen bleef, en Hij verrichtte een aantal wonderen, die ons toonen, hoe lief Hem dat heiligdom is, en hoe gaarne Hij ziet, dat pelgrims het bezoeken.
Op den zesden Mei van het jaar 1291 werd het heilig huis van Nazareth weggenomen en neergelaten op den top eens heuvels, dichtbij Tersatto, een stadje in Dalmatië, aan de Oostkust van de Adriatische zee.
Gij kunt u voorstellen, hoe verwonderd de bewoners van die streek opkeken, toen zij, bij het aanbreken van den dag, een huis zagen staan op eene plaats, waar daags te voren huis noch hut te zien was. Niemand kende dat huis, niemand wist van waar het kwam. niemand wat dit wonder beteekenen moest. Zij ijlden voort om het te bezoeken, ... maar een heilige vrees beving hen, toen zij bemerkten, dat het een kerkje was, welker muren zonder fundament op den oneffen bodem rustten. Een toren met twee klokjes stond op het dak; slechts één deur en één venster waren er aan het kerkje. Zij waagden het binnen te gaan, en nu zagen zij recht tegenover de deur een steenen altaar en aan de rechterzijde van het altaar een cederhouten beeld van de H. Maagd, twee ellen hoog, met het kind Jesus op den arm.
10
De wanden stelden in schilderwerk de menschwording van Jesus voor oogen.
Destijds was Alexander van Georgio pastoor van Tersatto. Hij was een heilig priester en ijverig vereerder van Maria. Aan hem nu verscheen de H. Maagd en openbaarde hem, dat dit wonderbare huis het huis was, waarin haar de aartsengel had begroet en geboodschapt, dat zij uitverkoren was tot Moeder van Gods Zoon. En tot bewijs van de waarheid dezer openbaring, werd Alexander, die zwaar en gevaarlijk ziek lag, plotseling gezond. Bovendien gebeurden er in dat heilig huis nog vele andere wonderen, waardoor onloochenbaar bevestigd werd, dat dit huis hetzelfde was, waarin de Zoon Gods was mensch geworden.
Om echter alle tegenspraak den mond te sluiten, zond Graaf Nicolaas Prangypani, destijds stadhouder van Dalmatië, Alexander met drie andere mannen naar Nazareth om daar ter plaatse een onderzoek in te stellen. Zij kwamen zonder ongeval te Nazareth en vernamen van de inwoners, dat het heilig huis verdwenen was; maar waarheen wisten zij niet. Daarop toonde men hun de fundamenten van het heilig huis in de ruïnen der kerk, die de H. Helena er over heen gebouwd had. De maat dier fundamenten kwam overeen met de maat van het heilig huis; de datum van het verdwijnen was ook de zesde Mei 1291.
Toen hunne zending aldus was afgeloopen, keerden zij vol vreugde terug en verhaalden al wat zij gezien en gehoord hadden. âZij konden er niet aan twijfelenquot; â zoo spraken zij â âof het huis, dat zich nu te Tersatto bevond, was hetzelfde als dat, wat vroeger te Nazareth gestaan had.quot;
Ontelbare pelgrims stroomden nu naar Tersatto om het heilig huis te zien, en zeer vele wonderen hadden er plaats. Dan slechts drie jaren en zeven maanden bleef het heilig
11
huis op die plaats staan. Op den 10 December 129-t was het eensklaps verdwenen. Het werd over de Adriatische zee, hoog in de lucht, weggedragen en te Recanati in Italië neergezet, in een bosch, dat aan een vrome en rijke dame toebehoorde. Deze dame had het heilig huis vroeger in Dalmatlë bezocht en erkende het aanstonds voor hetzelfde. Zij sierde het rijk op en bevorderde zooveel zij kon de bedevaarten. Deze dame heette Laureta, en naar deze dame werd het heilig huis het huis van Laureta en de H. Maagd de Onze Lieve Vrouw van Laureta of Loretto genoemd.
Daar het bosch eenzaam gelegen was, werden de pelgrims zeer dikwijls door roovers mishandeld en uitgeschud. Om dit kwaad te verhoeden, behaagde het God zijn heiligdom nogmaals te verplaatsen. Toen het acht maanden in het bosch van Laureta gestaan had, verplaatste het zich naar een heuvel, niet ver van de vorige plaats en niet ver verwijderd van den openbaren weg. Dan ook hier bleef het niet lang staan.
De heuvel behoorde aan twee broeders, die in het begin van harte samenwerkten om Gods geschenk te eeren. Later echter begonnen zij zware betalingen te vorderen voor het bezoek en kregen ten slotte met elkander nog twist over het afgeperste geld. Toen het derhalve twee maanden op dien heuvel gestaan had, werd het heilig huis ten vierden male verplaatst en wel midden op den openbaren weg, in de nabijheid van Ancona, ongeveer een kwartier uurs van de Adriatische zee, waar het tot op dezen dag nog staat.
Thans verheft zich boven en over het heilig huis een prachtige kathedraal, boven \'wier ingang op zwart marmer met gouden letters dit opschrift staat: Het huis der Moeder Gods, waarin het Woord is vleesch geicorden.
In de kerk staat het wondervolle beeld van de Moeder
Gods, overdekt met prachtige gewaden en boven een altaar, dat fonkelt van goud en edelsteenen, en omringd van een aantal gouden en zilveren lampen, die dag en nacht branden. Men verzekert, dat zelfs de nis, waar het beeld in staat, met gouden platen is bekleed. Rond de kerk is van lieverlede eene stad gebouwd, die den naam van Loreto of Loretto draagt.
Even ontelbaar als de pelgrims, die sinds zes eeuwen Loretto hebben bezocht, even ontelbaar bijna zijn de wonderen daar op Maria\'s voorspraak geschied. Immer zal Onze Lieve Vrouw van Loretto beroemd blijven.
Om deze overweging niet te lang te maken, moest ik, tot mijn split, vele wetenswaardige en schoone bijzonderheden achterwege laten; daarom herinner ik hier, dat in de Kalender der II. Familie van het jaar 1890, onder de mengelingen, twee schoone opstellen zijn gewijd aan het heilig huis van Loretto, waarin de belangstellende lezer een nog uitvoeriger verhaal met een groot aantal opwekkende bijzonderheden vinden kan.
Wat er in dat heiligdom werd gesmeekt en gebeden, hoe die Lieve Maagd daar werd gegroet en geëerd, geprezen en gedankt, daarvan is de Litanie van Onze Lieve Vrouw van Loretto, ook wel de Lauretaansche en Zaterdagsche Litanie genoemd, een sprekend bewijs. Want deze Litanie, de oudste en schoonste van alle, die er van de H. Maagd bestaan en uitdrukkelijk door de H. Kerk goedgekeurd, is samengesteld uit de zoetste namen en schoonste eeretitels, waarmede in dat heiligdom de H.\' Maagd door de pelgrims begroet en aangeroepen werd.
Na do overwinning door de Christenen op de Turken in den zeeslag van Lepante, eene overwinning, die aan Maria\'s hulp werd toegeschreven, voegde Pius V er den eerenaam
13
bij van Hulp der Christenen; Pius IX, die het dogma dei-Onbevlekte Ontvangenis van Maria afkondigde, stond toe er bij te voegen: Koningin zonder erfzonde ontvangen, en Leo Xlir, die zich als zulk een groot vereerder van het Roze-krans-gebed heeft doen kennen, heeft voorgeschreven, dat Maria in die Litanie onder de benaming van: Koningin van den allerheiligsten Bozekrans zal worden aangeroepen.
Dus is deze Litanie een voortdurende herinnering aan do wonderen, die er in en met het heilig huis van Nazareth zijn gebeurd; een kostbaar bewijs, hoe hoog God zelf haar vereert, die vleesch en bloed aan zijn Zoon geschonken heeft; een dankbaar, aandenken aan de weldaden door Maria\'s voorspraak van God verkregen; een sprekend gedenkteeken van de teedere godsvrucht onzer Vaderen voor Maria; en voor ons dus ook een immerd.urende aansporing om dagelijks niet alleen het Wees gegroet, maar ook met vertrouwen de Litanie van Lorctto te bidden.
in.
Wat de Bedeklok zegt.
ymsLéL fe-
P edert acht eeuwen wekt de zilveren stem der kloki iederen dag driemaal, do geloovigen op om in een stil gebed den groet en de boodschap des engels aan Maria, hare , toestemming en de menschwording van I Gods Zoon te vereeren. Dit klokje wordt zeer eigenaardig Engd des Heeren of Angelus en ook wel de Bedeklok genoemd; want zoodra het klokje den Angelus klept, hetzij in den vroegen morgen, in den laten avond, of op het volle middaguur, dan ontdekken zich aller hoofden en buigen zich aller knieën; de gesprekken, hoe levendig ook, worden afgebroken en, in stille godsvrucht, bidt ieders mond en ieders hart: De engel des Heeren heeft aan Maria geboodschapt; en zij heeft ontcangen van den Heiligen Geest. â Wees gegroet, Maria, enz.
Zie de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord. â⢠Wees gegroet, Maria, enz.
\'En het Woord is vleesch geworden; en het heeft onder ons gewoond. â Wees gegroet, Maria, enz.
15
Bid voor ons, Heilige Moeder Gods;
Opdat ivyj de beloften van Christus luaardig worden.
Laat ons bidden.
AVij bidden U, o Heer, stort uwe genade in onze harten, opdat wij, die door de boodschap des engels de mensch-wording van Christus, uwen Zoon, gekend hebben, door zijn lijden en kruis tot de heerlijkheid der verrijzenis mogen gebracht worden. Door denzelfden Christus, onzen Heer. Amen.
Is dit gebed geëindigd, dan wenscht men elkander een zaligen morgen, een zaligen middag, of een zaligen avondstond.
Ik twijfel niet, lie\'ve lezer of lezeres, of dit schoone gebed is u reeds van kindsbeen lief en dierbaar; duld daarom dat ik u hier van dit gebed een kleine overweging aanbiede.
De engel des Heer en heeft aan Maria geboodschapt; en zij heeft ontvangen van den Heiligen Geest. â Wees gegroet, Maria, enz.
Bedenk eens, welk een blijde, gelukkige en eervolle boodschap dit voor Maria was. Zij zou den Zoon van den Aller-hoogsten God, den zoo lang en zoo vurig verlangden Verlosser ontvangen: Hem haar kind, zoo eenig en innig haar kind noemen, zijne Moeder\'zijn.
Maar ook welk een gelukkige en blijde boodschap was dit voor u en voor mij en voor alle menschen! Immers wat zou er geworden zijn van ons, zonder die boodschap en zonder die menschwording?...
Innige, eeuwige dank dus zijn wij Jesus schuldig, omdat Hij zich verwaardigd heeft onze Verlosser, de zoon van Maria en onze broeder te worden; en wij wenschen ons zeiven en Maria geluk met haar verheven waardigheid van Moeder Gods.
Bedenk hier echter vooral, hoe ook u eens de blijde boodschap gebracht is, dat gij den Zoon Gods ontvangen zoudt.
16
Immers wanneer gLj ter communie gaat, dan ontvangt gij in uw mond en in uw hart denzelfden Jesus, Dien Maria in liaar zuiveren schoot ontvangen heeft. O indien wij alleen waren op de wereld en niet zoo doof en verstrooid en begoocheld door haar gedruisch, hoe zouden wij, gelijk Maria, ontsteld zijn over zulk eene boodschap, hoe verwonderd over zooveel eer, liefde en geluk, en hoe vurig zouden wi] naar Jesus\' komst verlangen! Maar ach; ons hart is dikwijls zoo onverschillig, zoo koud!____Daarom stel ik u voor: bid het eerste
Wees gegroet van den Angelus met de meening: de Lieve Moeder Gods moge, om der vreugde wille, die zij bij de boodschap des engels ondervond, u de genade afsmeeken, dat gij haar Goddelijken Zoon immer in een wel voorbereid hart onvangen moogt.
Zie de dienstmaagd des Heer en; mij geschiede naar uic icoord. Wees gegroet, Maria, enz.
Maria was een oogenblik te voren eene waardigheid en eene genade aangekondigd, die haar verheffen zou boven alle menschen en engelen: Zij zou Moeder Gods worden! Is zij daarom nu hoogmoedig of verheft zij zich daarom boven anderen? O neen, zij zegt: âIk ben slechts een geringe dienstmaagd des Heeren; alles, wat ik heb en wat ik ben, is mij onverdiend geschonken door de oneindige barmhartigheid van den Lieven God, en ik kan Hem mijn dank daarvoor niet beter betuigen, dan door mij geheel en al aan zijn heiligen wil te onderwerpen quot;
En zoo is het dan ook geschied. Want die schoone kernspreuk: Zie de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede vaar uw ivoord, of korter nog: Gods wil geschiede, weergalmt als een liefelijk klokgelui door heel het leven van Maria. In de zwaarste beproevingen en bij het bitterste leed; hoe pijnlijk ook een zevenvoudig zwaard haar hart doorboorde, toen zij,
17
staande onder liet kruis, den laatsten blik opving van haar gemartelden Zoon, haar kernspreuk bleef en was: Zie, de dienstmaagd des Heer en; mij geschiede naar uw woord.
Ook ons geeft God in de heilige communie een hooge waardigheid en een groote genade; ook wij kunnen God daarvoor geen beteren dank betuigen dan levenslang, in vreugde en in leed, in voor- en tegenspoed, in gezondheid en in ziekte, in rust en storm, bij bekoring en gevaar, in arbeid en lijden, in leven en sterven met mond en hart te zeggen: Zie ik ben een dienstknecht of eene dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar Gods woord!
Neem u dit voor, wanneer gij het tweede Wees gegroet van den Angelus bidt, en vraag door Maria\'s voorspraak van God de genade, dat gij u immer dankbaar en tevreden aan zijn heiligen wil moogt onderwerpen.
En het Woord is vleesch geworden; en het heeft onder ons (jeivoond. â Wees gegroet, Maria, enz.
Ik zal hier over dat wonderbaar geheim, over die genadevolle geboorte en over het leven van Jesus onder de menschen. zooals, bij voorbeeld, zijn wonen onder ons in het Hoogheilig Sacrament des Altaars, niet verder uitweiden, maar slechts op een enkel onderwerp uwe aandacht vestigen.
In het eerste deel van den Engel des Heeren zagen wij. wat God aan Maria boodschapte, wat zij ontving; in het tweede, wat Maria daarop antwoordde en deed; en in het derde zien wij als de vrucht van beide, dat uit Maria werd geboren de Zoon Gods, met Wien zij dertig jaren geleefd en gewoond heeft.
O! wat moet dit eene zaligheid geweest zijn, zoo immer in de onmiddellijke nabijheid van Jesus te leven, dagelijks met Hem om te gaan en alles met Hem samen te doen en te lijden!
18
Welnu, lieve lezer of lezeres, die zaligheid is ook weggelegd voor u; want ook aan u heeft God geboodschapt, dat Hij bij u zijn intrek nemen wil, en hoe grooter nu daarvoor uwe dankbaarheid is, hoe meer gij Hem daarvoor uwe wederliefde betoont door zijne geboden te onderhouden en u in alles tevreden aan zijn heiligen wil te onderwerpen; des te meer zal ook de heiligmakende genade u met Christus vereenigen, zal Hij in U en zult gij in Hem leven. Gij zult bij alles wat gij doet aan Jesus denken; Hem vragen, wat gij doen en laten moet om Hem niet te bedroeven; voor Hem uwe vreugde en uwe smart uitstorten, en gaarne werken en lijdon voor Hem, daar gij, weet, dat zijn oog met innig welgevallen op u rust. En Jesus\' zoete tegenwoordigheid, die het huis te Nazareth tot zulk een gelukkige woning maakte, zal ook uw hart met zulk een zoeten vrede vervullen, dat het alle zaligheid der wereld verre te boven gaat.
Bid dus het derde Wees gegroet van den Engel des Heeren om door Maria\'s voorspraak in de heiligmakende genade te volharden, in Gods liefde te leven en te sterven
Het is, althans in sommige oorden van ons land, de gewoonte om bij den Engel des Heeren ten minste nog een Onze Vader en een Wees gegroet te voegen voor de overledenen en te sluiten met de bede: Dat de zielen der geloovigen door Gods barmhartigheid rusten in vrede. Amen.
De Kerk verplicht niemand om den Engel des Heeren te bidden, maar dat zij het gaarne ziet, blijkt zeer duidelijk uit de vele geestelijke gunsten, die zij aan het bidden van dit gebed verbonden heeft.
Zelfs ook daar, waar, om welke reden dan ook, de Bede-klok niet geluid wordt, kan men de verleende aflaten ver-
1) Sendbote des göttlichen Ilerzens Jesu. 1Ã71 S. 72 en Dr. Jacob Schmit: Erkldrung des Beh. Katech. Dritter Band. S. 64G. â
19
dienen, mits men op de bepaalde uren godvruchtig den An-(jelus of in den Paaschtijd de Begina coeli bidt
De Angelus wordt altijd geknield gebeden, uitgenomen des Zaterdagavonds en des Zondags, wanneer men hem staande-bidt. Ook de Begina coeli, d. i. de lofzang, die met de woorden Koningin des hemels begint en, van den vooravond van Paschen tot het feest van de H. Drievuldigheid, in plaats van den Engel des Heeren treedt, wordt telkens staande gebeden.
Wanneer de Muzelman van den toren zijner moskee de aanmaning tot het gebed verneemt -- en hij hoort die niet slechts drie- maar vijfmaal daags â dan legt hij zijn arbeid ter zijde, werpt zich zelfs op de straat en openbare pleinen ter aarde neder en rekent het zich tot eer den Allerhoogste de schatting zijner aanbidding te mogen brengen. Laat u dus in liefde voor God door geen Turk overtreffen, maar bid getrouw, naar het aloude gebruik uwer vaderen, driemaal daags den Engel des Heeren, en wanneer gij dan daarbij nog het een of ander overweegt van hetgeen ik de eer had hier voor u neer te schrijven, dan zal dit gebed u met den dag aangenamer en voordeeliger worden, en zult gij het u tot een zoeten en heiligen plicht maken deze gewoonte ook aan uwe kinderen in te prenten. Dit geve God!
») Wie de Begina Coeli niet ran buiten kent, xoMootmet den Efyel des neereii.
IV.
Een en ander over den ^ozekrans van Maria.
fHl
en arm herderinnetje had een zoo vurige liefde voor \' Maria, dat het haar grootste genoegen was, terwijl zij de schapen weidde, zich in eene kapel van de | Moeder Gods met haar lieve Moeder te onderhouden en haar te vereeren. Van het weinige, dat zij verdiende, spaarde zij eenige penningen op om Maria te versieren, en als het veld met bloemen prijkte, vlocht zij daarvan een krans, klom op het altaar der kleine kapel en plaatste dien krans op het hoofd van het Maria-beeld, zeggende: Mijne Moeder, ik icenschte u een gouden kroon op het hoofd te kunnen zetten, maar daar ik arm ben, moet gij u met dezen eenvoudigen hloemenkram vergenoegen.
Dit herderinnetje nu werd ziek, doodelijk ziek, en het gebeurde, door een bijzondere beschikking der Goddelijke Voorzienigheid, dat twee geestelijken, die in die landstreek reisden, het armoedig hutje binnen traden, waar zij op een weinig stroo lag uitgestrekt. Toen zij haar hadden gegroet,
21
zeide het meisje tot hen: fjieve broeders, bidt God, opdat gij zien moogty welk gezelschap mij omringt.
Aanstonds vielen beiden op hunne knieën, en biddende zagen zij Maria, die naast het stervend meisje stond met eene kroon in de hand en het troostte. Daarop begon een maagdenschaar, die met Maria gekomen was, te zingen en onder dit gezang ontvlood die heilige ziel het lichaam. Maria plaatste de kroon op het hoofd van het meisje en voerde hare ziel met zich naar den hemel \').
Wanneer men den Rozenkrans van Maria bidt, dan doet men gelijk dit arme herderinnetje; wij vlechten als een krans van geestelijke rozen Maria ter eere en ook wij mogen vertrouwen Maria aan ons sterfbed te zien om ons te troosten en den hemel in te voeren.
Dit gebed, hetwelk wij den H. Rozenkrans noemen, wordt gewoonlijk op de volgende wijze gebeden:
Na zich in de tegenwoordigheid Gods gesteld te hebben, d. i.: na zich herinnerd te hebben, dat men met Jesus en zijn H. Moeder gaat spreken, begint men met het bidden van de \'twaalf Artikelen des geJoofs, bidt daarna het Onze Vader en driemaal het Wees gegroet, en voegt daar achter: Eere zij den Vader en den Zoon en dm H. Geest enz.
Vervolgens herhaalt men het Onze Vader, bidt tienmaal ,het Wees gegroet, en sluit weder met het Eere zijden Vader enz. Zulk een gedeelte wordt een tientje genoemd; vijftienmaal herhaald, maakt het een geheelen Rozenkrans uit. Gewoonlijk echter bidt men slechts vijf tientjes, die een derde gedeelte van een Rozenkrans uitmaken, dat doorgaans Rozenhoedje genoemd wordt.
Om de vele aflaten, aan het bidden van den Rozenkrans
n â¢) Heerlijkheden ran Maria door den H. Alpli. de Liguori I, iT,
22
verbonden, quot;to verdienen, moet men een gewijden Rozenkrans gebruiken, en bij het bidden van den Dominicaner -Rozenkrans behoort ook, dat bij elk tientje, op eene of andere wijze, eenig geheim onzer Verlossing, naar best vermogen, worde overwogen 1).
Daarom zijn ook de geheimen, evenals de tientjes, vijftien in getal en worden in drie klassen verdeeld, te weten: de blijde, de droevige en de verheerlijkte geheimen.
De blijde geheimen herinneren de vreugdevolle gebeurtenissen, die in betrekking staan met de menschwording en de geboorte van God den Zoon, namelijk: De Boodschap run den engel Gabriel aan Maria, â Het Bezoek van Maria bij hare nichl Elisabeth â De Geboorte van Christus â De Opdracht van het Goddelijk Kind in den tempel â De Wedervinding van het Kind Jesus te Jerusalem.
De droevige geheimen herinneren de voornaamste gebeurtenissen uit het lijden van .Tesus, te weten: De Benauwdheid van Christus in den hof te Olijven â De Geeseling van Christus â De Kroning van Christus met doornen â De Kruisdraging van CJmslus â De Kruisiging van Christus.
De verheerlijkte geheimen herinneren de glorie van Jesus en zijne H. Moeder: De Verrijzenis van Christus â De Hemelvaart van Christus â De Zending van den H. Geest over de Apostelen â De Hemelvaart van Maria â De Kro-i ning van Maria in den hemel.
De overweging dezer geheimen nu kan op verschillende manieren geschieden; maar do meest gebruikelijke manier is om vóór het Onze Vader van ieder tientje in korte woorden het geheim aan te geven, dat men overwegen wil.
\') Lehmkuhl 11, 395.
23
Dit gedaan zijnde, kunnen wij ons verbeelden ter plaatse te zijn, waar het geheim voltrokken wordt, ons de gebeurtenis, die overwogen moet worden, als tegenwoordig voorstellen, en dan onze gebeden zeggen, als waren ze tot Maria of tot Jesus zeiven gericht, of in gemeenschap met hen ten Hemel gezonden.
â Hoe nu zijn wij aan deze wijze van bidden gekomen?
â Het was voorheen reeds onder de Oosterlingen gebruikelijk voorname personen eene kroon van rozen aan te bieden, en reeds de eerste Christenen schepten er behagen in aldus de beelden van Maria en cle overblijfselen der martelaren te vereeren.
Do H. Gregorius van Nazianze kwam op het denkbeeld deze stoffelijke rozenkroon door een geestelijke kroon van â gebeden te vervangen, en maakte te dien einde eene reeks van gebeden, samengesteld uit lofspraken op de H. Maagd.
Tn de vijfde eeuw bracht de H. Brigitta, patronesse van Ierland, deze godvruchtige gedachte tot een hoogere volmaaktheid. Zij verving de gebeden van den H. Gregorius door nog schooners en daarbij geheel bekende gebeden: de tic aalf Artikelen des geloofs, het Onze Vader en het Wees gegroet.. En om het getal der gebeden gemakkelijker te onthouden, volgde zij het gebruik der kluizenaars van Egypte en reeg een zeker getal koralen samen bij wijze van kroon \').
Dat nu elk Rozenhoedje juist uit vijftig, en de geheele Hozen-krans uit honderd en vijftigmaal het Wees gegroet bestaat, wordt verklaart door de gewoonte der kluizenaars, die lederen dag de Psalmen van den Bijbel, die honderd en vijftig in getal zijn, lazen of, als zij dit niet konden, een gelijk getal Onzquot;. Vader\'s baden.
\') Januir, MariU) dc Moeder can Jcsus 548. Derde Uitgaaf.
24
De H. Dominicus echter is de insteller van den Rozenkrans gelijk wij dien thans bezitten en zooals die thans vrij algemeen gebeden wordt. Hij voerde die devotie in omstreeks het jaar 1208, ten einde de ketterij der Albigenzen, die de menschheid van Christus loochenden, te bestrijden, en, naar de legende wil, zou de H. Maagd zelve hem die manier van bidden geopenbaard hebben. Op zekeren dag namelijk, dat hij zijn hart in een vurige gebed voor de bekeering dier ongelukkige ketters uitstortte, zou de H. Maagd hem verschenen zijn en hem gezegd hebben: De geheimen van het leven en lij\'Jen van Christus ingesloten in het Wees gegroet en het Onze Vader, is mijn Bozen-krans; verkondig dezen aan de afvalligen; het zal het begin hunner bekeering zijn. Volgens het getuigenis van Paus Leo X, viel Dominicus het geluk ten deel meer dan honderd duizend ketters in den schoot der ware Kerk terug te voeren.
Met recht nu mag men eene aaneenschakeling van zulke schoone en treffende gebeden en overwegingen een Rozenkrans noemen. Het is waarlijk een krans, een geestelijke kroon uit gebeden samengevlochten, schooner en welriekender dan de rozen des velds, onzen aanbiddelijken Verlosser, den lieven Jesus en zijner nooit volprezen Moeder ter eere. En daar deze manier van bidden door de H. Maagd zelve is aanbevolen, zal het wel geen verwondering baren, dat Maria ook op bijzondere wijze den Rozenkrans begunstigt en bij voorkeur hen in leven en sterven bijstaat, die door dit gebed Jesus en haar vereeren.
Ook heeft de Rozenkrans nog dit voorrecht, dat een geheelc kerk met volk, een heel huisgezin dit gebed gezamenlijk bidden kan, en dat aller gebed zich in elkander strengelt, gelijk twee bloemtakken samengevlochten worden tot een krans. Dit nu behaagt bijzonder aan God, dat vele monschen te gelijk zóó eendrachtig bidden, alsof allen samen slechts een
25
enkel man waren; want het kan rekenen op eene belofte, die aan het gebed van een enkelen mensch niet gedaan Is: Waar er twee of drie in mijn naam vergaderd zijn â zegt Christus â daar ben ik in hnn midden, d. i. daar sluit ik mij als medebidder aan, en loat zij ook vragen, het zal hnn door den Vader in den hemel gegeven worden.
De vele en groote gansten door het gebed van den Hozen-krans verkregen, hebben dit gebed lief gemaakt aan alle rechtgeaarde Katholieken, niet slechts aan het ongeletterde en onontwikkelde volk, maar ook en bijzonder aan de meer ontwikkelden in geleerdheid en deugd. Heiligen, zooals een Franciscus Xaverius, Franciscus van Sales, Carolus Borromeus, Alphonsus,Vincentius, Teresiaenz.; keizers, zooals Ferdinand 11, keizer van Oostenrijk; koningen, zooals Hendrik IV en Lodewijk XIV (juist geen heiligen); ivereldberoemde kunstenaars, gelijk o. a. Havdn. Glück, Michel Angelo, Angelico van Fiesole enz.; beroemde veldheeren, zooals Tilly, Prins Eugen, Andreas Hofer, Eadetsky enz. en nog zooveel duizend andere mannen, wier namen in de wereld met eere genoemd worden, â baden dagelijks hun Rozenkrans; en niet licht zult gij heden ten dage eon oprecht Katholiek, hetzij een geleerde of ongeleerde, hetzij priester of leek, paus of bisschop vinden, die geen Rozenkrans bij zich draagt en niet iederen dag ten minste zijn Rozenhoedje of zijn tientje bidt.
Ik zal u iets voorslaan, lieve lezer of lezeres, het is gemakkelijk en \'t zal u niet berouwen, zoo gij het doet. Bid namelijk iederen dag ten minste een tientje van den Rozenkrans, en wel zooveel mogelijk samen met uw huisgezin. Zeer zeker zal dan ook de H, Maagd, die op de bruiloft te Kana, zonder dat zij daarom verzocht werd, met hare voorbede te hulp kwam, toen daar wijn ontbrak, - zeer zeker zal zij u niet vergeten en* vooral in het uur van uw dood u bijstaan. Heil
26
u, indien gij sterven moogt met den Rozenkrans in de gevouwen handen, het kruis op do bevende lippen, het oog ten hemel en vrede in het hart! Dat geeft moed, dat verzoet het sterven, dat opent den hemel.
V.
Koe \\ l^ozenkransfeest ontstaan is.
â y b
ÃJlkBJii n(Jer de opvolgers van Mahomed Tl. die Constanti-nopel veroverd cn tot zetel van zijn Rijk gemaakt bigjf\' had, breidde het Turksche Rijk zich sterk uit, zoowel -jG in Europa als in Azië.
| Soliman II verhief liet tot het toppunt van grootheid; deed zelfs een inval in Hongarije, cn drong tot in Oostenrijk, tot voor Weenen door, waar hij echter door den dapperen graaf van Salm werd teruggeslagen en genoodzaakt het beleg op te breken en af te trekken.
Selim II, Soliman\'s zoon, gaf echter den moed niet op, en Europa door godsdienstoorlogen verdeeld ziende, achtte hij het oogenblik gunstig om een laatste poging tegen het Westen te wagen en dit aan de wet van Mahomed te onderwerpen.
Hij rustte voor dit doel eene vloot uit, bestaande uit 100 galeien en 224 kleinere vaartuigen, met Ã5000 Turken bemand en geducht van geschut voorzien.
28
Op den bepaalden dag ontplooit die vloot hare zeilen en stevent naar de oevers, die zij denkt te bemachtigen.
Niets weerstaat haar aanvankelijk: reeds heeft zij het eiland Cyprus veroverd en geplunderd; weldra zal zij in \'t gezicht van Venetië zijn en van daar zich op de Italiaansche kusten werpen.
Verontrust door die snelle overwinningen en door de gevaren, welke de Christenheid bedreigen, doet Paus Pius V een beroep op de volken van Europa om den gemeenschappelijken vijand het hoofd te bieden. Maar Europa blijft doof en onverschillig; alleen Spanje, Genua en Venetië antwoorden op de stem van den Opperherder en stellen al de schepen, waarover zij beschikken kunnen, te zijnen dienste.
Het is er echter verre van af, dat zij met hun allen in getalsterkte bij de vloot der Halve Maan kunnen halen; en als God de zijnen niet te hulp komt, wie weet welke rampen dan de nederlaag na zich slepen zal!
Op den avond van den zesden October van het immer gedenkwaardige jaar 1571, was de Ottomansche vloot van Lepanto vertrokken; den volgenden morgen, bij het aanbreken van den dag bevond zij zich in volle zee, zeilde voor den wind en ontmoette al spoedig de Christenvloot, die in dezelfde wateren op haar toekwam.
Don Juan van Oostenrijk, wien de Paus het opperbevel had toevertrouwd, deed zoodra hij den vijand gewaar werd, den standaard in top hijschen, dien de Paus hem quot;gezonden had - het was een afbeeldsel der H. Maagd, met een kruis en een Rozenkrans er boven â en door dit heilig teeken voorafgegaan, doorliep hij zijn geheel eskader om de soldaten aan te sporen moedig hun plicht te doen.
Op het gezicht van die banier knielden de soldaten neder om het kruis en liet beeld van Maria te vereeren, en terwijl
zij zich als herkenningsteeken in het gevecht een Rozekrans om den hals hangen, zweren zij tot den laatsten druppel bloed voor de zaak van God en van zijne Kerk te vergieten. .,Zij hadden zich reeds als slachtoffers opgegeven,quot; â zegt een geschiedschrijver â âdoch zij stonden op als helden en bloeddorstige leeuwen gelijk.quot;
Intusschen kondigt een kanonschot het begin van den strijd aan, en beide vloten werpen zich met hevig geweld en onder ijselijke kreten, als twee onweerswolken, die in botsing komen, op elkander.
De Turksche schepen kwamen, in den vorm eener halve maan geschaard, stoutmoedig naar voren om het Christeneskader te omsingelen; en zoodra zij dit onder hun bereik hadden gekregen, deden zij de eerste laag van hun geschut tegen de vaan van Don Juan losbranden; doch geen enkele kogel, die ze raakte, zoo min op dat oogenblik als gedurende den geheelen dag.
De Turken hadden aanvankelijk alles in hun voordeel: de overmacht in getal, het vertrouwen door herhaalde zegepralen gewekt, en den wind; maar nauwelijks is het gevecht begonnen, of de wind keert zich tegen hen en jaagt hun het vuur en den rook van het Christen-geschut in het aangezicht, zoodat hun alle uitzicht wordt ontnomen, en te gelijkertijd vormt zich boven de hoofden der Christen-soldaten eene wolk, als om hen te beschutten tegen de zonnestralen, die hen een oogenblik te voren verblindden.
Don Juan beschouwde die voorteekenen als een eerste belooning van zijn geloof en zijn vertrouwen in Hem, die over de elementen zoowel als over de zegepraal gebiedt.
De overwinning moest nochtans bloedig bevochten worden en bleef langen tijd onbeslist; maar de dood van Ali Pacha, die de muzelmansche vloot aanvoerde en op de galei, waarop
30
hij zijne admiraalsvlag geheschen had, sneuvelde, deed zijnen soldaten den moed verliezen en was het sein tot hunne nederlaag.
Ontzettend waren hunne verliezen: 300 schepen genomen of in den grond geboord; 30.000 man gesneuveld; 18.000 gevangen genomen; 15.000 Christen-slaven bevrijd; 375 stukken geschut en een groot aantal vanen in de handen der overwinnaars achtergelaten: ziedaar de cijfers, ons door de geschiedschrijvers opgeteekend.
Maar deze overwinning had nog andere gevolgen van veel hooger gewicht: zij stiet den Islam naar Azië terug; zij behoedde de Christenheid voor altijd tegen zijne invallen; zij veegde de zeeën schoon, die tot dusver door zeeroof onveilig gemaakt waren, en deed den Christen-naam eerbiedigen door horden, die zich tot dan toe onoverwinnelijk gewaand hadden.
â, Welk aandeel nu had de Rozekrans in deze ongehoopte zege ?
Om de hulp des Hemels in dezen ongelijken strijd af te roepen, had Paus Pius V, een lid van de Orde der Dominicanen en als zoodanig een vurig vereerder van den Rozekrans, het Christen-volk allerwege opgewekt tot het bidden daarvan, en ook gewild, dat de Christen-soldaten onder die banier den strijd tegen de Turken zouden wagen.
En zoo geschiedde het! Onder die banier, hun door den Paus geschonken, streden zij met den Rozekrans om den hals; en terwijl de soldaten streden, werd er overal door de geheele wereld voor hen de Rozekrans gebeden; want het gevecht had plaats den zevenden October 1571, welke dag dat jaar op den eersten Zondag der maand viel, dus juist op den dag, waarop de broederschappen van den Rozekrans door de geheele wereld hun gebruikelijke processies hielden en, op aansporing van den Paus, de vurigste smeekgebeden ten behoeve van het Christen-leger ten Hemel zonden.
31
Zooveel vertrouwen, zooveel gebeden moesten verhoord worden; en alsof het de Koningin van den Rozekrans nog niet genoeg was daarop door een wonder te antwoorden, wilde zij er ook nog de profetie aan toevoegen, ten einde hare tusschenkomst nog duidelijker te doen uitkomen.
De slag duurde van zes uur \'s morgens tot tegen den avond. Welnu! tegen het vallen van den avond zat de Paus te Rome in zijn vertrek op het Vaticaan en arbeidde met de kardinalen. Eensklaps staat hij op, opent het venster en ziet daar als in een visioen de zegepraal der Christen-legerscharen; want na eenige oogenblikken daar gestaan te hebben, de oogen beurtelings ten hemel, beurtelings in de richting der zee gevestigd, knielt hij neder, bidt eenige oogenblikken en roept dan in verrukking uit: Staken wij allen arbeid; onze eerste jiïicht is God te bedanken voor de overwinning, die Hij zoo even aan onze wapenen heeft geschonken!
Deze voorzegging van den Paus verbreidde zich als een vuur door de stad Rome en verwekte daar een algemeene vreugde. Overal schrijft de bevolking als door een godvruchtige aandrift, aan de Moeder Gods de overwinning toe, die ze nog niet kent, maar die de Paus haar heeft bekend gemaakt en waarvan het geloof haar een voorgevoel geeft; overal bidt men den Rozekrans en zingt men de Litanie van Loretto met een geestdriftige dankbaarheid, die op het schitterendst gerechtvaardigd werd.
Want inderdaad! eenige dagen daarna werd de gelukkige tijding bevestigd, dat op den eigen stond, waarop de Paus de voorzegging gedaan had, de zegepraal aan de zijde der Christenen beslist was.
Met nieuwe vervoering werd deze tijding ontvangen, maar ook met een nog stelliger overtuiging, dat ze aan de alvermogende tusschenkomst der Koningin van den Rozekrans was te danken.
32
Van Rome ging die overtuiging naar Venetië over, en do Senaat dezer stad aarzelde niet zich in de brieven tot de Staten gericht, welke aan den kruistocht hadden deelgenomen, uit te drukken in de volgende bewoordingen vol geloof en godsvrucht: Niet de bevelhebbers, niet de soldaten, niet de legerscharen, maar de Koningin van den Rozekrans heeft ons de zege bezorgd.
âEindelijk, na Rome en Venetië â zegt een latere geschied schrijver â schreef de geheele Christenheid op hare beurt de overwinning van Lepanto aan de H. Maagd toe, te wier eere de geloovigen op het oogenblik, dat de slag geleverd werd, den Rozekrans badenquot;
Ten einde nu de gedachtenis eener zoo groote gebeurtenis te vereeuwigen, stelde Paus Pius V op den eersten Zondag van October een jaarlijksch feest in onder den titel van; Onze Lieve Vrouw van Overwinning, welk feest reeds twee jaar later de thans zoo geliefde en trouwens meer beteekenisvolle benaming kreeg van Rozekrans feest. Want om God en Maria te danken voor de zegepraal van Lepanto, waartoe, zooals godvruchtig geloofd werd, de gebeden van de Rozekrans-broederschappen zooveel hadden bijgedragen, stelde Gregorius VIII, de opvolger van Pius V, op den eersten Zondag van October het Feest van den Allerheiligsten Rozekrans in, dat aanvankelijk slechts toegestaan aan de kerken, waar de broederschap was opgericht, in 1716 over alle kerken dei-Katholieke wereld is uitgestrekt 2).
Zoo ontstond het Rozekransfeest, en zoo getuigt dus dit feest, evenals zooveel andere feesten en gedenkteekenen der Allerh. Maagd, hoe de Kerk, in gevaarvolle en moeilijke om-
â ) Cantu. Hist, univers. XV, 164.
Etude historique et Canotiique sur Vindulcjcnce Toties Qnoties de la fête Bosaire,\' door den kanunnik Girara: zie Huisgezin. October 1884.
33
standigheden, steeds met het beste gevolg, tot het Rozekrans-gebed hare toevlucht genomen heeft.
En dit is dan ook de reden, waarom Paus Leo XIII âom de dadelijke, zeer machtige hulp der Koningin des hemels in te roepen tegen de vijanden van den Christelijken naam; om de ongeschondenheid des geloofs in de kudde des Heeren te beschermen ; en om de zielen, door den prijs van \'t Goddelijk Bloed vrijgekocht, van den weg des eeuwigen verderfs af te trekken,quot; â⢠bij een decreet van 20 Augustus 1885, voor goed heeft vastgesteld, dat, evenals de beide voorgaande jaren, dat jaar en de volgende jaren â zoolang de droevige staat, waarin de Kerk en haar Opperhoofd zich bevindt, voortduurt â de geheele maand October tot den tweede der volgende maand, in alle kerken de Rozekrans der roemrijke Moeder Gods zal vereerd worden. Want hij voedt de zekere hoop, dat zij, die alleen alle ketterijen over de geheele wereld heeft verslagen, eindelijk, als wij volharden en ware vruchten van boetvaardigheid bijbrengen, de wrekende toorn der Goddelijke rechtvaardigheid verbidden en heil en vrede zal aanbrengen \'j.
âGeve God, â zoo schreef Paus Leo XIII in zijn eerste Encycliek over den Rozekrans â dat de Christen-volken, door onze vermaningen opgewekt en door ons beroep aangevuurd, dagelijks meer en meer de bescherming van Maria mogen zoeken; dat zij zich gewoon maken aan het bidden van den Rozekrans, aan de devotie, die onze voorvaders aanhoudend niet alleen als een middel tegen hunne onheilen, maar ook als een edele uiting hunner Christelijke godsvrucht beoefenden.
âDe hemelsche Beschermster van het menschelijk geslacht zal hunne gebeden genadiglijk verhoeren en zonder twijfel verwerven, dat de braven in deugd toenemen, de afgedwaalden
1) Maandschrift De Rozekrans, zevende jaargang, blz. 195 on 237.
34
op den goeden weg terugkeeren en zich verbeteren, en dat het aan God, den rechtvaardigen Rechter van braven en boozen, behagen moge volgens zijne goedgunstigheid en barmhartigheid opnieuw den vrede aan de Maatschappij cn aan de Kerk terug te geven.quot;
YT.
Over M nut van den Levenden Xozekrans.
®|M^ e godsvrucht tot Jesus en Maria heeft het denkbeeld â¢]l|i Jif\'
levendig gemaakt den Eozekrans onder eenige per-m sonen zoo te verdeelen, dat hij dagelijks in zijn geheel gebeden wordt.
Vijftien personen, door een wettig aangestelden Zelateur of Zelatrice vereenigd, verdeelen voor eene maand de vijftien geheimen van den Eozekrans onder elkander; en een ieder van hen bidt dagelijks eenmaal het Onze Vader en tienmaal het Wees gegroet, met de meening om het geheim te vereeren. hetwelk aan ieder voor de loopende maand is te beurt gevallen.
Alle maanden wordt dit geheim verwisseld en ontvangt een ieder een gedrukt briefje, waarop het door het lot aangewezen geheim gedrukt staat, benevens eene deugd, die als vrucht dier overweging bijzonder ter beoefening wordt aanbevolen.
Vijftien zulke personen vormen hetgeen men noemt den Zevenden Eozekrans; terwijl de vereeniging der verschillende
36
vijftientallen de Broederschap van den Levenden liozekrans uitmaakt.
Deze instelling dankt men aan de godsvrucht van Maria Jaricot, die ze in 1826 te Lyon invoerde: en zij werd niet slechts door den H. Stoel goedgekeurd, maar ook meermalen ten sterkste aanbevolen en met talrijke aflaten begunstigd.
De H. Kerk verplicht niemand om lid van den Levenden Liozekrans te worden. Zeer verkeerd en onwaar echter is de meening. dat dit slechts dienstig en nuttig zijn zou voor enkelen, daar het integendeel zeer dienstig en nuttig is voor allen.
Wie lid is van den Levenden Bozekrans vervult op een. gemakkelijke wijze drie voorwaarden, zonder welke een volwassen mensch niet kan zalig worden, namelijk: aan God denken, tot God bidden en voor God leven.
Zeker, men kan op verschillende wijze aan God denken; maar de gemakkelijkste, de bevattelijkste, de leerzaamste en meest geschikte wijze is ongetwijfeld deze, die tot voorwerp heeft, het leven, het lijden en de verheerlijking van Christus, onzen Heer en God.
Welnu, het zijn juist deze geheimen, die bij het bidden van den Bozekrans worden overwogen, geheimen, die de ziel immer tot dankbaarheid, liefde, berouw, hoop en vreugde zullen stemmen.
Overwegen wij de blijde geheimen, dan zien wij in den geest den engel Gabriël Maria, begroeten, en wij aanbidden den zoon Gods, mensch geworden in Maria\'s schoot; wij zien de H. Maagd in haast over het gebergte trekken om hare nicht Elisabeth te bezoeken; knielen met de herders en de Drie Koningen bij Jesus\' kribbe neer; zijn tegenwoordig bij de opdracht van Jesus in den tempel; verheugen ons met Maria, wanneer zij Jesus heeft weergevonden.
Overwegen wij de droevige geheimen, dan stellen wij ons
37
Jesus voor in doodsangst in den hof van Gethsemani; aanschouwen zijne geeseling; zijne kroning met doornen; zijne kruisdraging; zijne kruisiging.
Overwegen wij de verheerlijkte geheimen, dan zien wij Jesus heerlijk uit zijn graf opstaan; aanschouwen met de leerlingen zijn plechtige hemelvaart; wij zijn getuigen van de neder-daling des H. Geestes over de Apostelen; hooren het gezang der engelen, waarmede Maria in den hemel wordt opgenomen, en waar zij als koningin van alle engelen en Heiligen gekroond wordt.
Heeft men geen tijd daar uitvoerig over te denken; welnu ook slechts enkele oogenblikken zijn voldoende om zijn hart tot liefde voor Jesus en Maria op te wekken. Ook is hiervoor geen bijzondere kunde noch wetenschap noodig: een weinig geloof, een weinig liefde voor God en eenige belangstelling in zijne zaligheid is hiervoor voldoende.
De tweede verplichting, die men als Christen te vervullen heeft, is tot God te bidden. quot;Want zullen er velen verloren gaan, omdat zij niet overwegen, d. i. niet aan God denken, maar Hem vergeten; ook velen zullen verloren gaan, omdat zij niet bidden of althans niet goed en niet genoeg bidden.
Het is waar, men kan bidden en goed bidden, men kan zalig worden, al zou men ook nimmer den Rozekravs bidden; maar deze eenvoudige godsvrucht heeft dit voor, dat ze uit de meest verheven en beste gebeden is samengesteld, namelijk: uit de twaalf Artikelen des geloofs, die, naar de overlevering wil, door de Apostelen zeiven opgemaakt en een kort begrip zijn van hetgeen wij vooral moeten gelooven; uit het Onze Vader, het beste en waardigste gebed, dewijl het door Christus zelf gemaakt is en alles bevat wat wij mogen begeeren; en uit het TFees gegroet, aan welks eerbiedwaardige n oorsprong reeds vroeger herinnerd is.
38
Ook de herhaling dezer gebeden is niet zonder beteekenende kracht. Ook de engelen in den hemel herhalen in eeuwigheid denzelfden lofzang; ook Paulus bad tot driemaal toe om dezelfde genade met dezelfde woorden; ook Christus zelf herhaalde driemaal hetzelfde gebed in den hof van Gethsemani en leerde, dat men moet aanhouden met vragen om te verkrijgen hetgeen men begeert.
Dus den Bozekrans biddende, bidt men de beste gebeden en men bidt overeenkomstig de leer Sn de voorbeelden van Christus.
De derde verplichting is voor God te leven. Het zou toch weinig baten, indien men al in zijn leven aan God had gedacht en veel tot Hem gebeden, indien men ook niet zijne levenswijze naar Gods verlangen ingericht had. Ook dit voordeel nu verschaft de Levende Bozekrans, daar aan ieder lid alle maanden, als vrucht des geheims, een bepaalde deugd ter beoefening wordt voorgesteld.
Bij de blijde geheimen is het de nederigheid; de liefde tot de naa,sten; de armoede; de gehoorzaamheid; het zoeken naar Jesus.
Bij de droevige geheimen; het berouw; het verlangen naar boetedoening; de versterving der eigenliefde; het verdragen van de moeilijkheden des levens; de liefde tot Jesus en Maria.
Bij de verheerlijkte geheimen: de bekeering; het verlangen naar den hemel; de ingetogenheid en zuiverheid; de genade van een zaligen dood; het vertrouwen op Maria.
Ik weet wel, dat de enkele voorstelling der deugd iemand nog niet deugdzaam maakt, maar het is hier meer dan enkele voorstelling; die voorstelling is hier tevens de vrucht van gebed en overweging, en wel van eene overweging, die zeer sterk op het gemoed en den wil van den mensch inwerkt.
39
Wie de teedere geheimen van Jesus\' menschwording, geboorte en kindsheid overweegt, blijft niet zonder wederliefde ; wie Jesus\' lijden en dood overdenkt, niet zonder medelijden en berouw; en wie aan de heerlijkheid van Jesus en Maria in den hemel denkt, niet zonder verlangen ze te zien en te bezitten.
Welnu, die liefde, dat berouw, dat verlangen zal den Christen opwekken om, met verachting der zondige wereld, voor God en godsdienst te leven.
Dus is de Levende Eozekrans zeer nuttig voor allen, want hij helpt drie voorwaarden onzer zaligheid vervullen; aan God denken, tot God bidden en voor God leven.
Daarom verplichtte zich een H. Franciscus van Sales om dagelijks den Rozekrans te bidden, en zeide hij nog in zijn stervensuur, dat het immer zijn zoetste verpoozing geweest was zich te onderhouden met de Moeder des Heeren.
Ook de H. Vincentius a Paulo noemde den Rozekrans zijn \'liefste gebed; en toen de H. Stanislaus Kostka, door koortsen afgemat, den Rozekrans niet meer bidden kon, wilde hij hem ten minste zien, zeggende, dat alleen reeds het gezicht daarvan zijne ziel met een zoeten troost vervulde.
En zoo moge dan, lieve lezer of lezeres, deze overweging voor ons een kleine aansporing zijn om een getrouw lid van den Levenden Rozekrans te blijven of te worden, opdat ook aan ons vervuld worde, wat de priester in de H. Mis op liet Rozekransfeest bidt:
O God, wiens Eeniggeboren Zoon door zijn leven, dood en verrijzenis, het loon der eeuwige zedigheid voor ons verkregen heeft: ivi/j hidden U, verleen ons, dat icij deze geheimen door den allerheiligsten Rozekrans overdenkende, mogen navolgen, ivat zij behelzen, en bereiken hetgeen zij beloven.
t
VIT.
Koe gaarne Sod het ziet dat wij /Aaria groeten.
^yi/i: P zekeren avond van het jaar 1S48, dat jaar van zoogenaamde vrijheid, gelijkheid en broederschap,
zat er in een stadje van Bohemen een gezelschap van mannen bijeen, die het als eeu grooten vooruit-\\ gang prezen, dat zij C4od en zijn gebod konden bespotten, zonder vreeze, hiervoor door een wereldsche rechtbank te worden gestraft. Nadat zij dan op dienzelfden avond reeds ge-ruimen tijd met do heiligste zaken des geloofs hun spotlust hadden botgevierd, kwam een hunner op den duivelschen inval de Litanie der H. Maagd Maria op godslasterlijke wijze na te apen. Een boek met de Litanie was spoedig gevonden, en nu begon hij de heerlijke lofprijzingen en eeretitels, waarmede Maria daarin begroet wordt, achtereenvolgens in de laagste en gemeenste scheldwoorden om te zetten, waarop dan de overige deugnieten onder algemeen gelach in koor antwoordden ; bid voor ons.
Maar hoor wat er gebeurde!
De godslasterlijke voorzanger was nog niet vergevorderd.
w
41
toen hij eensklaps van een onzichtbare hand zulk een ciuch-tigen oorveeg kreeg, dat tegelijkertijd het licht in de kamer uitgingâ Aller stemmen verstomden! en het duurde ge-ruimen tijd, voordat iemand dezer helden ook maar een woord dorst spreken of het hart had om weer licht te maken. En toen eindelijk een hunner zich vermande en licht aanstak, lag â o vreeselijk oordeel Gods! â de goddelooze voorzanger dood voor de tafel____ Zijn aangezicht was geheel zwart geworden en alleen de kenteekenen van een hand daarop zichtbaar. â Sprakeloos aanschouwden zijne makkers dit misvormde lijk, en nauwelijks hadden zij nog den moed van hunne zetels op te staan en huiswaarts te keeren.
Zoo wreekte God de eer van de H. Maagd; want Hij wil niet dat zij onteerd, maar dat zij geëerd worde.
God de Vader zelf bewees haar eene eer, die nog nooit aan eenig ander schepsel bewezen is; want Hij liet haar door een der hoogste geesten; door den engel Gabriel, die voor Gods troon staat, groeten met denzelfden groet, waarmede wij haar groeten : Wees gegroet, gij vol van genade.
Een dusdanige eer is nimmer aan eene vrouw bewezen. Het is waar. God zond ook een engel tot Agar in de woestijn; maar niet om Agar zelve, maar om haar zoon Ismaël van den dood te redden; ook hoorde zij den engel wel, maar zij zag hem niet.
Zelfs aan een man is nooit dusdanige hooge eer te beurt gevallen. quot;Wel zond God een engel aan Abraham, Jacob, Gideon, aan de drie jongelingen in den vuuroven, aan Zacharias, den H. Josef en den Apostel Petrus, maar groeten liet God hen niet!
Maria echter werd door den engel op last van God gegroet, zoodat aan haar eene eer bewezen is, gelijk nog nimmer aan eenig schepsel ten deel viel.
Is nu Maria destijds in de achting van den Alwetende deze hooge eer waardig geweest, dan is zij dit thans nog: want zij heeft tot haar dood nooit de geringste zonde begaan.
Derhalve vraag ik: wat zouden wij voor menschen zijn, indien wij geen eer wilden bewijzen aan haar. die God zelf zooveel eer bewezen heeft ? â Wij zouden geen vrienden Gods, maar zijne tegenstanders zijn. Want gelijk wij diegenen gaarne geëerd zien, die wij hoogachten en liefhebben, zoo moet ook God het gaarne zien, dat wij Maria eeren, die Hij zelf zoo hoog vereert.
Ik weet wel, dat God niet is gelijk de mensch, en dat wij zoo onbepaald geen punten van vergelijking tusschen God en den mensch kunnen maken, maar ik weet toch ook, dat God ons menig gevoelen heeft ingestort gelijk dit in Hem zelf is; en hiermede nu komt zeker Gods gevoelen met ons gevoelen overeen, dat Hij wil, dat wij diegenen eeren, die Hij vereert.
Ook God de Zoon wil dat wij Maria eeren. Maria immers is de Moeder van Gods Zoon naar zijn menschelijke natuur. â Wat zou dat nu voor een zoon zijn, die niet zou willen dat men zijne moeder eerde? Zoo iets mogen wij van Christus zelfs niet denken. Integendeel, gelijk Hij de beste der zonen geweest is. zoo moet Hij ook op het beste zijne moeder bemind hebben ; en gelijk Hij alle geboden op het volmaaktste onderhouden heeft, zoo moet Hij ook het vierde gebod: Gvj zult uw vader en uwe moeder eeren op het volmaaktste vervuld en dus ook op het volmaaktste zijne Moeder geëerd hebben.
Het is waar, Christus is thans in den hemel, maar toen Hij ten hemel is opgeklommen, heeft Hij ook zijn mensche-lijk hart derwaarts meêgenomen en in dat hart ook de liefde en de vereering zijner Moeder. Het kan Hem dus ook nu niet
onverschillig zijn of gij zijne Moeder vereert of niet. Neen, ook thans nog, nu Hij ten hemel is opgeklommen en heerscht over hemel en aarde, behaagt hem de vereering zijner Moeder, en hoe oprechter gij haar vereert, des te meer behaagt gij aan Hem.
Bovendien zegt de Zaligmaker: Wie Mijn lieesch eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Indien gij derhalve in de PI. communie het lichaam en bloed des Heeren waardig ontvangen hebt, dan zijt gij één met Christus en is Christus\' Moeder ook de uwe geworden, en moet gij dus ook iets gevoelen van de liefde en vereering. die Christus voor zijne Moeder gevoelt. Ware het anders, ik zou haast vreezen, dat gij Christus niet waardig ontvangen hadt.
Wel verre dus, dat de vereering van Maria aan Christus\' eer te kort doet, straalt iedere vereering van Maria terug op Christus. En als men den Katholieken verwijt, dat zij Maria aanbidden, d. i.: als godin vereeren, dan weet ieder katholiek kind, dat dit vuige logen en laster is; en bewijst dit, hoe weinig Christendom dezulken moeten bezitten, dat zij zoo onbeschaamd durven liegen en lasteren.
Ook God de H. Geest wil, dat wij Maria vereeren. â De bloemen ontvangen haar groei en bloei, hare kleuren en geuren en hare schoonheid van de zon. Meent gij nu, dat de zon, verondersteld zij hadde verstand, er iets op tegen zou hebben, dat gij de bloemenpracht, die haar werk prijst en bewondert en gaarne ziet? Neen niet waar! Welnu, gelijk het is met de zon en de bloemen, zoo is het ook met Maria en den H. Geest.
Maria is de schoonste bloem in den tuin der Heiligen Gods op deze wereld; en die schoonheid en heiligheid ontving zij van den H. Geest. Gelijk het nu een schilder genoegen doet, dat gij zijn penseelwerk met welbehagen beschouwt, en het
44
een bouwmeester voldoening geeft, dat gij zijn schoonen tempelbouw bewondert, â zoo dus moet het ook den H. Geest behagen, dat gij zijn geestelijk werk, de gezegende en heilige Maagd Maria, met welbehagen aanschouwt, bewondert en vereert
Bovendien hebben alle Heiligen Maria vereerd, en daar nu alle heiligheid eene werking is van den H. Geest, zoo moet ook de vereering van Maria eene werking zijn van dienzelfden Geest.
Door de voreering der H. Maagd Maria geeft dus de Katholieke Kerk een bewijs te meer. dat zij de ware Kerk van Jesus Christus is. Immers, wat God de Vader wil, God de Zoon wil, en God de H. Geest wil, moet toch zeker ook in de ware Kerk te vinden zijn.
Opmerking verdient ook het feit, dat de bekeerlingen tot de Katholieke Kerk zich in den regel het eerst voelen aangetrokken door de vereering der H. Maagd, en slechte Katholieken het eerste beginnen met Maria te verwaar-loozen.
Toon ii dus altijd en overal een oprecht Christen en Katholiek door uwe liefde en eerbied voor Maria en laat u door geen menschelijk opzicht daarvan afhouden. Vereer hare beeltenis en houd ze in waarde als het portret uwer lieve moeder; versier ze op hare feestdagen met bloemen en licht en spreek haar naam nooit zonder eerbied uit, maar zeg dikwijls op straat en in de kerk, in rust en in arbeid, in vreugde en smart: Ave Maria: Wees gegroet, mijne lieve Hoeder, en laat myj ü navolgen in mee nederigheid, in uw geduld en reinheid en bijzonder in mee liefde voor Jesus Christus.
1) Der vnenclliclfc Gruss, von Alban Stolz. S. 11â15.
Laat er u ook veel aan gelegen liggen, liefde en eerbied voor Maria onder uwe huisgenooten, bijzonder in het hart uwer kinderen op te wekken. Het kinderhart is hiervoor zoo bijzonder geschikt, en de kinderen vinden Maria weldra zoo lief, dat die liefde levenslang voortduurt. Zulk eene gift aan uwe kinderen is meer waard dan de grootste erfenis, want zij bereidt den mensch een gelukkig leven en een zalig sterven.
VIII.
Koe dankbaarheid ons verplicht Maria te groeten.
Ãmf
m
: !:9 an de oudste tijden af was het in de Kerk een alge-meen gebruik Maria met het Wees gegroet te vereeren. In de aloude Liturgie, die gezegd wordt door den Apostel Jacobus gemaakt te zijn, zien wij Maria aldus begroeten: âLaat ons de gedachtenis vieren van onze allerheiligste, onbevlekte, roemwaardigste en gezegende Vrouwe Maria, opdat wij door hare voorspraak barmhartigheid verwerven.quot; Hierop volgen dan deze woorden van de groetenis des engels: Trees gegroet Maria, vol van genade. De Heer is met ii; gezegend zyjt gij boven alle vrouwen, en gezegend is cle vrucht uws lichaams, omdat gij den Zaligmaker onzer zielen gehaard hebt. âHet is betamelijkquot; â zoo heet het dan verder â âdat wij u zalig prijzen, u, boven alle smet verhevene. Moeder van onzen God!quot; enz.
De H. Chrysostomus, Patriarch van Constantinopel, die in de vierde eeuw leefde en om zijne heiligheid en geleerdheid als een Vader door de Kerk vereerd wordt, bidt in zijne Liturgie:
47
âHet is der waarheid betamelijk en billijk, dat wij u, de allerheiligste en onbevlekte Moeder van onzen God, verheerlijken; u, die eerwaardiger zijt dan de Cherubijnen en onvergelijkelijk heerlijker dan de Seraphijnen, u, die zonder verlies der maagdelijkheid, den Zoon Gods gebaard hebt! Wij prijzen u: Wees gegroet, Maria, rol van genade. De Heer is met v; gezegend zijt gij boven alle vrouwen, en gezegend is de vrucht vws lichaams, omdat gij den Zaligmaker onzer zielen hebt gehaard
Jesus alleen is de Verlosser.
Hij alleen kon ons verlossen, omdat Hij alleen, als God-Mensch, Gode een oneindige voldoening kon geven voor de oneindige beleediging der Goddelijke Majesteit aangedaan. En dat heeft Hij gedaan door voor ons te lijden en te sterven. Om echter vóór ons te kunnen lijden en sterven, moest Christus de menschelijke natuur aannemen; en die heeft Hij aangenomen uit een schepsel, en tot dat schepsel verkoos God Maria.
Is Christus dus de Zaligmaker en het Heil der wereld; Maria is het schepsel waardoor God dien Zaligmaker en dat Heil aan de wereld geschonken heeft; en dus vraag ik, of het niet betamelijk en plichtmatig is, dat wij ook Maria dankbaar groeten?
Wel komt de genade des Christendoms gelijk alle andere goede gave van God en is men aan Hem alle dankbaarheid daarvoor verschuldigd; maar het behaagt aan God en het is zijn wil, dat wij ook jegens diegenen dankbaar zijn, door wie Hij ons zooveel goeds gedaan heeft. Daarom is het ook ongetwijfeld billijk en rechtvaardig, dat Maria door de Christenen van alle eeuwen dankbaar wordt geëerd en geprezen.
\') Ludwig Mehlcr. Beispiéle I, 562.
â i8
Wanneer â zoo redeneert de godvruchtige en geleerde Alb. Stolz \') â een landman van zijn akker schoone vruchten trekt, houdt hij dien akker in eere. Wanneer een mijnwerker in de diepe en donkere kolenmijnen onder de aarde neerdaalt, heeft hij de grootste zorg voor zijne lamp, die hem licht geeft. En wanneer een Christen de boosheid zijner zonden heeft ingezien, en troost bekomen heeft door Jesus Christus, is hem het kruis, waaraan Jesus voor zijne zonden leed en stierf, zeer dierbaar en zeer lief.
Welnu dan. Indien wij het kruis vereeren, waaraan Jesus heeft gehangen, â moeten wij dan ook Maria niet vereeren, die Hem heeft gedragen? Zoo een mijnwerker zijne lamp in waarde houdt, omdat die lamp he\'m licht geeft, â moet ons dan ook Maria niet achtbaar zijn, waaruit het Ware Licht der wereld voortgekomen is? En indien een landman zijn akker dierbaar is, omdat die akker hem brood en wijn levert, â moet ons dan ook Maria niet dierbaar zijn, die ons het Levende Brood en het Ware Bloed geleverd heeft, dat wegneemt de zonde der wereld? â Ongetwijfeld! Derhalve is het betamelijk en billijk, dat Maria dagelijks door duizend monden met dankbaarheid, eerbied en liefde gegroet en geprezen wordt; want door hare vrijwillige medewerking kwam het Licht en het Heil in de wereld; zij is de Moeder van Christus onzen Zaligmaker.
Dan, er is nog meer waarvoor wij Maria dank verschuldigd zijn. Wat bewoog Maria om toe te stemmen de Moeder van onzen Zaligmaker te worden? Was het soms de gedachte aan wereldsch geluk of aardsche grootheid? â Neen! Zij was opgevoed onder de schaduw des tempels, bekend met de voorspellingen over den Messias; zij wist dat haar Kind
i) Der uneudl. Gruss, S. 8.
49
levenslang groote armoede en verdriet naar ziel en lichaam zou uitstaan, en dat het op den dag van zijn dood zóó groote pijnen lijden zou als nog nooit eenig mensch verdragen heeft. Zij wist dit... en toch stemde zij er in toe de Moeder te worden van dien lijdenden Zaligmaker; zij stemde toe, omdat zij God en ons liefhad! Daarom stond zyj â zooals de H. Joannes zegt â onder het kruis van haar Zoon. Zij wankelde niet, zij viel niet op den grond; maar gelijk een onbewegelijke rots, die de schuimende golven en bulderende stormen trotseert, bleef zij staan; en met meer heldenmoed nog dan eens Abraham zijn zoon wilde opofferen, offerde zij haar Kind.
Donk eens even na, lieve lezer of lezeres, over hetgeen zij daar om wille van dien Zoon geleden heeft. Indien gij, vader of moeder, bij het ziekbed staat van uw doodziek kind, dat ineenkrimpt van pijn en smart, en gij kunt dat kind niet helpen, zijne smarten niet verzachten, â wat zieleleed dan voor u, niet waar? Maar ach! wat moet Maria dan niet geleden hebben, toen zij haar Kind en Lieveling in beulshanden zag, die Hem sloegen en geeselden en aan den kruisbalk klonken! Wat moet zij niet geleden hebben, toen zij het zag en hoorde, hoe men scherpe spijkers sloeg door het levende vleesch en bloed van haar Kind! Toen voorzeker moeten ook die nagels heur hart doorboord hebben, en het ware haar dragelijker geweest zelve aan het kruis genageld te worden, dan dit te moeten zien en hooren van haar eenigsten Lieveling. En toen haar Zoon aan dat kruishout hing en zijne leden ineenkrompen van naamloos wee, en zij, de Moeder, onder dat kruis het bloed van haar Kind op zich voelde nederdrup-pelen, zonder dat het haar vergund was Hem, dien zij in stervensnood zag, eenige hulp te mogen bieden, â ach! wat moet zij toen geleden hebben !
Nu vraag ik; zijn wij Maria daarvoor geen dankbaarheid
4
50
schuldig? Zeker ik weet wel, dat niet haar lijden, maar alleen Jesus\' lijden ons verlost heeft; maar ik weet ook, dat zij om onzentwille heeft geleden; ik weet ook, dat wij door onze zonden schuld hebben aan het lijden en het Bloed van haar Zoon; en omdat wi] schuld hebben aan het lijden van haar Zoon, dragen wij het ook van het hare. Daarom zeg ik: betaamt het, dat wij het Bloed vereeren, dat Jesus tot vergiffenis onzer zonden gestort heeft; het betaamt ook, dat wij de smarten vereeren, die de ziel van Maria bij het vergieten van dat Bloed heeft uitgestaan. âClelijk wij verplichting hebben aan Jesus Christus om zijn dood, â zoo schreef reeds Albertus de G-roote â zoo hebben wij ook verplichting aan Maria, om de smart, welke zij leed, toen zij den dood van haar Zoon aan God opofferde voor onze zaligheid.quot;
Reeds het enkele menschelijk gevoel alzoo moet een ieder, die gelooft, dat Christus hem dooi\' zijn lijden en dood verlost heeft, met dankbaarheid en liefde vervullen jegens haar, die Christus niet slechts gebaard, maar ook op Golgotha zoo onuitsprekelijk veel om en met Hem geleden heeft. Daarom zeggen wij alle dagen en herhalen wij zoo dikwijls wat alle Christelijke eeuwen herhaald hebben en zullen blijven herhalen: Wees gegroet, Maria, en wees gedankt voor alles wat gij voor ons gedaan en geleden hebt.
IX.
Maria, de Moeder der smarten.
heeft dien er bijgevoegd;, immers zij bidden; Wees gegroet, Maria.
De Hebreeuwsche naam Maria beteekent bitterheid â der zee, en herinnert aan de onuitsprekelijke smarten van Maria; want gelijk de zee bitter is, zoo was ook het hart van Maria vol van bittere smarten, die als eene zee hare ziel overstroomd hebben.
De zuster van Mozes, den aanvoerder en verlosser van de Joden uit de slavernij van Egypte, was de eerste, die dezen naam gedragen heeft, omdat zij geboren werd in die bittere dagen, toen Pharao het wreede bevel gegeven had alle zonen, die bij de Israëlieten geboren werden, in de rivier te werpen.
Bittere smarten en een naamloos wee moet het hart dier moeders gevoeld hebben, wanneer zij zich, te midden hunner moedervreugde, haar pasgeboren zonen door beulshanden zagen ontrukken; maar wie zal de bittere smarten beschrij-
1^ en naam van Maria heeft de engel bij zijne groe-^ tenis niet genoemd, maar de liefde der Christenen
52
ven, die Maria\'s moederlijk hart gevoelde, toen zij haar God-delijken Zoon op Golgotha hoorde kruisigen, onder zijn kruis stond, Hem sterven zag en zijn ontzielde lichaam op haar moederschoot rustte! Wel mocht zij toen met die arme weduwe van het Oude \'Verbond uitroepen: Noem mij niet zoete, maar bittere, want met bitterheid heeft de Almachtige mij als overladen.
Bijna negentien eeuwen zijn henen; maar noch eindelooze vervolgingen, noch tallooze omwentelingen vermochten de voetstappen uit te wisschen van die Moeder, die daar over haar Zoon kwam weenen.
Op den Calvarieberg te Jerusalem verheft zich â zooals gij weet _ een groote en hooge kruiskerk met grooten koepel,, de kerk van het H. Graf of de Grafkerk genaamd. Zij omsluit het H. Graf, de plaats der kruisiging op den kruin van Calvarië, en tevens de plaats der kruisvinding.
De kruin van den kruisheuvel is in kapellen verdeeld. Een middenboog, die open is en op twee zware zuilen rust, vormt twee kapellen, een noordelijke en een zuidelijke.
De zuidelijke, waar de kruis-aanhechting heeft plaats gehad, wordt de kapel der kruisiging genoemd. Hier is het altaar der kruis-aanhechting. Een marmeren plaat in den grond herinnert u, dat de Verlosser op deze plek dat verschrikkelijk lijden ondergaan heeft. Het treffend geheim wordt bovendien in een schoon altaarstuk voorgesteld.
Van deze heilige plaats nu ziet men een weinig zuidwaarts-door een venster in een andere kapel, die aan de Moeder-der smarten is gewijd: daar immers moet Maria, met den H. Joannes en de vrouwen gebleven zijn, terwijl de kruisiging van Christus geschiedde quot;j.
i) Pelgrimsreize naar \'t IL Land, door P. M. S. enz., blz. 315â322.
53
Zij bleef daar rechtovereind; wit en kil als marmer. Van buiten trof haar een gebrom als van Engaddi\'s honigvliegen, wanneer Israels herder ze uit den hollen steeneik drijft; bijwijlen echter verhief zich plotseling, te midden van dit dof gegons, een woest getier en huiveringwekkend hoongelach, Het janhagel van alle natiën kon ten allen tijde beestachtig woest zijn, maar dat der Hebreërs spande hierin de kroon.
In eene tusschenpoos van diepe stilte, waarin men ongetwijfeld al zijne aandacht wijdde aan het gezicht eener nieuwe onmenschelijkheid,, hoorde men een hamerslag, die met een doffen klank op het hout en het verbrijzelüe vleesch plofte... Magdalena drukte zich sidderend tegen Maria, en de beminde Apostel zocht onwillekeurig een steun tegen de wanden dei-grot... Een tweede slag, nog doffer, nog gesmoorder, nog gruwzamer laat zich hcoren; er volgen, na een gelijk tijdsverloop, nog twee, drie andere slagen â en alles is gezegd! Daar spijkeren ze Hem rast, zeide losweg een Romeinsch soldaat. De H. Joannes en Magdalena wisselden onderling een wanhopigen blik; zij bezweken onder den indruk eener gewaarwording, gelijk men die gevoelt, wanneer te midden van een nachtelijken storm de angstkreten van schipbreukelingen, die gij niet bij machte zijt te helpen, door de baren tot u worden overgebracht, en de een voor en de andere na, in de golven der zee wordt versmoord.
Maar Maria?... Het klamme zweet breekt haar uit. Stuiptrekkingen schokken hare leden. Ook zij, die groote maar gevoelige vrouw, hing genageld aan het kruis; want nimmer leed eenig belijder op de folterbank uitgestrekt, nimmer een bloedgetuige in den schoot der vlammen, eene naar ziel en lichaam zoo geduchte, zoo gruwzame pijniging \').
M Oi-sini 21ö.
54
Toen Christus aan het kruis genageld was, werd het omhoog getrokken, in een daarnaast gegraven kuil neergelaten en vastgezet.
De noordelijke kapel omsluit die plek waar het kruis gestaan heeft en wordt daarom de kapel der kruisplanting genoemd. Hier hing Hij derhalve aan het schandhout, hier stierf Hij den smartelijksten dood tusschen moordenaars. Boven de plek, waar het heilig kruis stond, is een zilveren altaar gesteld, onder welks \'tafel de geloovigen zich komen neder-werpen om den heiligen grond te kussen.
Tusschen dit altaar der kruisplanting en dat der kruis-aanhechting is door de Latijnen nog een klein altaar gesteld ter gedachtenis van Maria, die hier als de tweede Eva, als de ware Moeder der levenden, onder het kruis gestaan heeft.
Ik wil ook hier zelf niet veel daarover zeggen, wat bittere smarten daar Maria moet geleden hebben, maar slechts afschrijven wat in een ander oud geschrift daarover te lezen staat. De H. Maagd wordt er aldus sprekende in voorgesteld :
âAlle harteleed, dat ooit een hart getroffen heeft, is als een druppel water tegen de zee, in vergelijking met het onbeschrijfelijk harteleed, dat mijn moederlijk hart doorgriefde. Hoe beminnenswaardiger en zoeter de geliefde is, des te onverdragelijker is zijn verlies en dood. Zijn schoone, aanminnige menschheid was mij een lust te beschouwen; zijn waardige Godheid was voor mij de zoetste bespiegeling; van Hem te spreken was mijne uitspanning; zijn minnelijke woorden aan te hooren, was de bekoorlijkste muziek voor mijne ziel. Hemel en aarde en alles wat er in is, had ik aan zijn zoete tegenwoordigheid. Toen ik dus den Geliefde alzoo voor mij zag, opgehangen in stervensnood, o wee, welk een
gezicht! Ik zag opwaarts, en kon mijn kind niet te hulp komen; ik zag nederwaarts en aanschouwde diegenen, die mijn kind zoo jammerlijk mishandelden. Te benauwd was mij de geheele aarde; en ik verhief mijn heesche stem en zeide op de klagendste wijze: O gij, begeerige dood, waarom draalt gij met mij ? Neem weg, neem weg tot mijn Kind de arme moeder, wier leven bitterder is dan sterven zijn kan. Ik strekte mijne handen en armen uit en had in mijne zielefol-tering den lijdenden Zoon willen omhelzen; doch dit werd mij niet gegund. En door harteleed overmeesterd, verloor ik de spraak, en wijl ik anders niet kon verkrijgen, zoo kuste ik het bloed, dat uit zijne wonden op de aarde vloeide, zoodat mijn verbleekte wangen en mijn mond met bloed gekleurd werdenquot; 1).
Wanneer men den kruisheuvel afdaalt, ligt daar aan zijn voet een steen, die dn steen der zalving genoemd wordt. Hier rustte nog het lichaam des Heeren, nadat het van het kruis was afgenomen en alvorens het in het Graf werd nedergelegd ; hier werd het met mirre en aloj gebalsemd; en hier dus zal ook, volgens de overlevering, Maria het ontzielde lichaam van Christus op haar schoot genomen hebben..
Pie la is een Italiaansch woord, hetwelk een innige, vrome gehechtheid aanduidt. In de beeldende kunst nu geeft men dien naam aan de voorstelling van Maria met het lichaam van Christus op haar schoot.
Ach! wat mag er wel in Maria\'s ziel zijn omgegaan, toen zij zoo van nabij dat met doornen doorwonde hoofd, die met nagelen doorboorde handen en voeten, dat met wond op wond doorkorven lichaam zag! Toen zij met hare vingers de diepte en breedte dier wonden peilen kon, de scherpe doornen uit
1
) Heinrich Suso\'s Lebcu und Schriften, Regensburg 1837.
56
zijn Goddelijk hoofd trok en zijne haarlokken zuiverde van het geronnen bloed!... Mei ivicn dan zal ik u rerydyjken of â aan wie u gelijk stellen, o dodder van Jerusalem? Uive droef-Jieid is groot als een zee; wie zal a genezen?
De legende verhaalt, dat Christus op zekeren dag aan de gelukzalige Veronica da Binasco verscheen en haar zeide: âMijne dochter, de tranen die om mijn lijden gestort worden, zrjn mij dierbaar; daar ik echter mijne Moeder met een oneindige liefde heb bemind, is de overweging van de smarten, die zij bij mijn dood heeft uitgestaan, mij nog aangenamer \').
Ook zou, naar het verhaal van Pelbartus. aan de H. Elisabeth van de Orde des H. Benedictus, geopenbaard zijn, dat God vier genaden heeft beloofd aan vereerders van de smarten van Maria: ten eerste, dat al wie haar aanroept om hare smarten, voor zijn dood boetvaardigheid doen zal over zijne zonden; ten tweede, dat Hij die vereerders zal troosten in hunne kwellingen en vooral bij den dood; ten derde, dat Hij hun zijn lijden zal doen gedenken en beminnen ; en ten vierde, dat Hij aan Maria de macht gegeven heeft alle genaden te verkrijgen, die zij verlangt ten gunste van de vereerders harer smarten \'-).
Maagd der maagden ! nooit volprezen,
Wil mij nu niet tegen wezen,
Laat mij treuren aan uw zij;
Maak, dat mij liet kruis beware,
Dat dan Christus\' dood mij spare,
Dat Hij mij gena bewijz\'
1) Apud. Bolland. 13 Januari. 2) Heerlijkheden II, 168. 3) V. d. Ploeg. Gezangen-
Maria, Onze Lieve Yrouwe.
oen de zuster van Mozes geboren werd, noemde men haar Mirjam, d. i. Bittere zee; nadat echter de Israëlieten droogvoets door de Eoode Zee waren T getrokken, en de hen achtervolgende Egyptenaren in de golven begraven, werd haar naam van Mirjam verandert in dien van Marjam, dat Vrouwe, Meesteres of Vorstin be-teekent. Zij toch ging bij het doortrekken der zee de vrouwen voorop, en terwijl Mozes zijn heerlijk triumflied zong en de koren hem antwoordden, voerde Maria, zijne zuster, de vrouwen onder het geluid der rinkelbommen ten rei.
Deze Maria â zegt de H. Ambrosius â is eene voorafbeelding der H. Maagd Maria, die inderdaad die Vrouwe of Meesteres van de zee dezer wereld is en daarom ook algemeen Onze Vrouwe (Notre Dame) of algemeener nog Onze Lieve Vrouwe genoemd wordt.
Vrouwe bij uitnemendheid, d. i. in de beteekenis van Meesteres of Vorstin, wordt zij reeds genoemd in de aloude Liturgieën, die aan de Apostelen worden toegeschreven;
58
Vrouwe, bij uitnemendheid, d. i. als eene Meesteres van hemel en aarde, als een overheerlijke, doorluchtige, machtige, lieftallige, zoete, goedertierene, beminnelijke Vrouwe, in één woord, als eene Vrouwe, die duizend namen draagt, wordt zij begroet door alle heilige. Vaders; Vrouwe bij uitnemendheid wordt zij genoemd door alle geloovigen der wereld, en inderdaad is er geen naam schooner en algemeener dan de naam Onze Lieve Vrouwe, waaronder Maria nog dagelijks door u en door mij, lieve lezer of lezeres, en door millioenen Christenen wordt begroet.
En deze naam, die haar, naar het schrijven van den H. Hieronymus, van den Hemel gegeven is en als eene voorzegging was harer toekomstige grootheid, heeft zij ook gerechtvaardigd.
Vrouwe, Meesteres is zij geioeest over de zonde en hare gevolgen. Door een bijzonder voorrecht Gods van de smet der erfzonde, waarin alle menschen worden ontvangen, bewaard gebleven, was zij reeds in het eerste oogenblik haars bestaans eindeloos ver boven alle andere menschen verheven, vol van genade en heiligheid: haar verstand was niet verduisterd, haar wil niet verzwakt, en hare zinnen waren onderworpen aan haar verstand.
Vrouwe is zij geweest over zich zelve: over haar hart, haar geest, hare zinnen en heel haar leven. Zij liet haar hart door geen verkeerde neigingen innemen; haar wil door geen ongeregelde begeerte in opstand brengen tegen haar verstand; al hare gedachten, gevoelens en wenschen waren op God en voor God; geen lijden kon haar neerslaan; geen gevaar haar vreesachtig, geen nood twijfelmoedig maken; zi] heeft Satan, die haar evenals haar Zoon kwam bekoren, naar Gods belofte, den kop verpletterd.
Vromve, d. i. Meesteres, is Maria geiceest over den Zoon
59
van God. Of heeft niet de Allerhoogste, toen zijn Zoon zou mensch worden, haar zijn eeuwige raadsbesluiten laten aankondigen en als het ware hare toestemming gevraagd ? En zie, niet zoodra heeft zij toegestemd, of de H. Geest komt over haar, en de Zoon Gods neemt in haar de menschelijke natuur aan: het Woord was vleesch geworden en Maria was Moeder Gods. En zoo dus wilde Hij, die de aarde in zijne handen draagt en al wat leeft voedt en beschermt, door Maria gedragen, gevoed en beschermd worden. Onder hare oogen neemt Jesus toe in wijsheid en welbehagen, en ofschoon de schatten der Godheid in Hem schuilen, zoodat Hij noch leering, noch leiding, noch onderricht behoeft, toch luistert Hij als Kind met welgevallen naar de stem zijner Moeder en gehoorzaamt hare bevelen.
Vrouwe of Meesteres is Maria ook over de menschen; want daar zij de lieve Moeder is van den zoeten Jesus, en een ieder, die Jesus liefheeft, ook diens Moeder moet beminnen, oefent haar Naam alleen reeds een onweerstaanbaren invloed uit op ieder Christenhart; en daar Jesus ook in den hemel zijne Moeder nog liefheeft, heeft Hij, om zich zeiven en zijne Moeder te eeren, aan Maria\'s naam, die uit zich zelve reeds zoo zoet is, nog zooveel zoetheid en genade verbonden, dat er na den hoogheiligen Naam van Jesus, geen andere Naam is zoo rijk aan genade als de naam van Maria.
Haar naam is vol zoetheid voor hare dienaars of, gelijk de H. Ambrosius zich uitdrukt: een welriekende balsem, die een reuk van Goddelijke genade verspreidt.
Hij bevat â zegt een zeker schrijver â iets, ik weet niet wat bewonderenswaardigs, iets zoets, iets Goddelijks en verbreidt in beminnende harten een liefelijken geur. En wonderlijk is het, dat deze heilige naam ofschoon duizendmaal door Maria\'s vereerders gehoord, hun toch altijd nieuw schijnt.
60
dewijl zij, zoo dikwijls zij dien naam hooren uitspreken, dezelfde zoetheid ondervinden.
Hoor, bij voorbeeld, liet getuigenis van den H. Bernardus: âMen kan u, o groote, o barmhartige, o beminnenswaardige Maagd niet noemen, zonder in nieuwen ijver ontstoken te worden; men kan aan u niet denken, zonder vervuld te worden met de innigste blijdschap. Allen, die u liefhebben, kunnen zich uw heiligen naam niet herinneren, of hunne harten smaken iets van die hemelsche zoetheid, waarmede God u vervuld heeft.
âHaar naam voert de afgedwaalden weder op den rechten weg en geeft den zondaars troost, opdat zij zich niet aan wanhoop overgeven.quot;
âMocht een hart ook nog zoo wanhopend zijn â dus roept de gelukzalige lordanus uit â indien hij u noemt, o goeder-tierene Maagd, dan kan het niet missen, of de kracht van uw naam zal zijn steenen hart week maken, en hem met nieuwe hoop bezielen, want gij boezemt hem hoop in op genade en vergiffenis zijner zonden.quot;
En inderdaad zoo leert ook de dagelijksche ondervinding; er is hier op aarde geen zondaar zoo koud voor God, die geen beter mensch wordt, wanneer hij Maria\'s naam met eerbied uitspreekt en met den wensch om zich te beteren.
Haar naam is bovenal èen sterk schild om de bekoringen des duivels te overwinnen, en in de rechtvaardigheid te volharden.
De duivelen â zegt Thomas van Kempen â vluchten bij het hooren van dien naam als voor een verslindend vuur.
Er is â schrijft Richardus van St. Laurentius â na den naam van Jesus geen naam, waarin men een zoo krachtige hulp vindt, en die aan de menschen zulk een machtigen bijstand verleent als de verheven naam van Maria.
61
Ook hier mag de ondervinding spreken; want er is geen waar dienaar van Maria, die niet weet, hoe krachtig het eerbiedig aanroepen van haar naam is om de bekoringen, bijzonder de onreine bekoringen, te overwinnen.
Er zou hier ter eere van Maria\'s naam nog zooveel bijgevoegd kunnen worden; maar het weinige, wat ik aange-teekend heb, zal wel reeds voldoende zijn ter overtuiging, dat Maria waarlijk eene Vrouicc is, en ook Onze Vrouwe, Onze Lieve Vrouwe zijn wil.
Zeer voordeelig en aanbevelenswaardig is het daarom zich geheel aan Maria over te geven en haar tot zijne Moeder en Meesieresse te kiezen.
Men doet dit wanneer men iederen morgen, na het bidden van het Wees yegroet, zich zelve met eenige woorden onder Maria\'s bijzondere bescherming stelt.
Dit kan natuurlijk op verschillende wijze geschieden, maar ik raad u aan hiervoor gebruik te maken van het volgende gebed, dat door pater Nicolaas Zucchi is uitgedacht, door de Kerk met aflaten verrijkt, en naar het getuigenis en de ondervinding van velen een allerkrachtigst middel is om slechte gewoonten, al zijn ze ook nog zoo ingeworteld, af te leggen en de bekoringen daartoe te overwinnen.
Dit gebed luidt:
O mijne Meesteres, o mijne Moeder: ik draag mij geheel aan u op; en om u mijne trouw en onderwerping te toonen, ivijd ik u heden mijne oogen, mijne ooren, mijn mond, mijn hart, geheel mij zeiven: daar ik aldus de uwe ben, o goede Moeder, zoo bewaar en bescherm mij, als uiv bezit en eigendom.
Herhaal dit gebed des avonds nogmaals vóór het slapen gaan; en zoo dikwijls u bij dag of nacht eene bekoring overvalt, verzucht dan aanstonds:
O mijne Meesteres, o mijne Moeder, denk, dat ik de
62
uwe hen, en dus verdedig mij als uw goed en eigendom
Doe echter niet alleen zelf zoo, maar leer deze godvruchtige oefening ook aan uwe kinderen. De gelukzalige Crispinus van Viterbo was nauwelijks vijf jaar oud, toen zijne moeder, met hem voor een beeld der H. Maagd neergeknield en het op de Moedermaagd wijzende, zeide: Zie, hef kind, deze is ook mee Moeder. Ik offer u aan haar op. Bemin haar uit heel mv hart en eer haar als uwe Meesteres.
En deze woorden maakten zooveel indruk op den jeugdigen Crispijn, dat hij levenslang Maria hartelijk vereerde, haar nooit anders dan zijn Lieve Vrouwe of Meesteres noemde, en in geur van heiligheid stierf onder het uitspreken van Maria\'s naam.
Wilt gij alzoo â dus besluit ik met Thomas van Kempen â in al uwe behoeften troost vinden, lieve broeders, neemt dan uwe toevlucht tot Maria; roept Maria aan, dient haai en beveelt u onophoudelijk aan die goede Moeder; weest blijde met Maria; wandelt met Maria; bidt met Maria; zoekt met Maria haar Jesus; maakt eindelijk het besluit met Jesus en Maria te leven en te sterven.
Indien gij zoo doet, dan zult gij altijd meer en meer vooruitgang maken op de wegen des Heeren; want Maria zal getrouw voor u bidden, en de Zoon zal voorzeker zijne Moedei verhoeren.
\') Haccolta 259.
XI.
schoonen hymnus, die op de feestdagen ter eere van ! de maagdelijke Moeder Gods gezongen wordt met de woorden Ave maris Stella, d. i. Wees gegroet, Sierre der zee.
Slechts weinige woorden wil ik tot u spreken en wel over dezen naam, dien men door zeester kan vertalen en op de Moedermaagd volkomen past.
Zeer te recht immers wordt zij bij de zeester vergeleken; want gelijk de zeester slechts kort, niet eerder dan drie of vier uren vóór den opgang der zon zichtbaar wordt, en door hare verschijning liet einde van den nacht en den blijden dageraad aankondigt; zoo ook â zegt de H. Ildephonsus â kondigde de geboorte van Maria het einde aan van onze geestelijke ellende en het begin van den zaligen dag dei-verlossing, waarnaar alle geslachten zoo vurig hadden verlangd. Want hare intrede in de wereld was een onmiskenbaar
Maria, ^terre der zee.
64
teeken van de naderende komst des Zaligmakers en de voorbode van den vrede, dien Jesus Christus tusschen de beleedigde Godheid en het zondige menschdom sluiten kwam.
Gelijk de zeester hare lichtstralen schiet, zonder dat zij daardoor eenig bederf ondergaat, evenzoo â zegt de H. Bernardus â- baarde deze Maagd haar Zoon, zonder dat haar maagdelijke reinheid in het minst werd geschonden. De straal neemt niets van den glans der ster weg, de Zoon neemt niets weg van den oorspronkelijken zuiveren staat der heilige Maagd.
Gelijk de zeester grooter is dan alle andere planeten en in helderheid den vonkelenden gloed der vaste sterren overtreft, zoo ook is Maria grooter dan alle engelen en Heiligen ; want daar deze slechts Gods vrienden en zijne dienaren zijn, overtreft zij hen allen door hare waardigheid van Moeder Gods, eene waardigheid boven welke geen waardigheid is. En omdat haar, als de hoogste in waardigheid, ook de hoogste heiligheid betaamt, overtreft zij ook door den glans harer heiligheid alle engelen en Heiligen; want tot geen engel of Heilige heeft God ooit gezegd, wat Hij tot Maria sprak; Gi/j zi/jt vol van genade.
Gelijk de zeester echter haar licht van de zon ontvangt en het licht van laatstgenoemde terugkaatst, daar zij van eigen licht verstoken is; zoo ook heeft en is Maria niets uit zich zelve, maar heeft zij alles van God ontvangen, en moet met den Apostel Faulus bekennen: Door de genade Gods hen ik, wat ik ben. Zij heeft echter van die genade, die haar zoo ruimschoots toevloeide, een goed gebruik gemaakt en dus kaatste zij, evenals de sterre der zee, Gods genade en zijn licht dankbaar terug door een allerheiligst en verdienstelijk-leven.
Gelijk de zeester des morgens allengs in de stralen der
65
opgaande zon verdwijnt, om eenigen tijd daarna des avonds weder als avondster aan den hemel te verschijnen; zoo ook trok Maria zich allengs meer terug, naarmate Jesus, de Zon der gerechtigheid, tijdens zijn openbaar leven, de stralen zijner Godheid door-zijne leer en zijne wonderen openbaarde; eerst toon do Zon der gerechtigheid op Golgotha onderging, zien wij haar weer terug, staande als eene avondster onder het kruis van haar stervenden Zoon. En zoo ook nu, nadat â¢Tesus ons zijn zichtbare tegenwoordigheid onttrokken heeft en opgeklommen is ten hemel, waar Hij zit aan de rechterhand zijns Vaders, schittert Maria als een vriendelijke ster in de Kerk Gods, waarin zij zal blijven schitteren tot het einde der dagen. Reeds het kind op moeders schoot weet wie Maria is en prijst haar met stamelende tong; alle ge-loovigen der aarde verkondigen haar lof en dagelijks vervult zich haar profetisch woord: Zie, van nu af zullen alle geslachten mij zalig prijzen.
Gelijk het bij de zeelieden eertijds een gebruik was, dat zij, wanneer zij eene zeereis aanvaardden, zich eene ster verkozen om, door haar licht geleid, den weg te kuivien onderscheiden, dien zij moesten volgen om tot de gewenschte plaats te komen; zoo ook bedient Maria het ambt van Sterre der zee en stuurt en wijst zij hen, die de zee dezer wereld bevaren, door het vriendelijk licht van haar voorbeeld den weg naar hot hemelsch vaderland.
Maria is derhalve â zoo besluit in heerlijke woorden de groote heilige Bernardus â die edele ster, die opgegaan is uit Jacob, wier stralen de geheele wereld verlichten. Tot in de hemelen schittert haar glans; zij dringt door tot in den afgrond der hel en beschijnt de aarde en verwarmt niet zoozeer de lichamen als wel de harten; haar licht doet do deugd veilig opgroeien en de ondeugden verdorren. Ja, zij
66
is die heldere en schitterende ster, die boven de groote en uitgestrekte zee dezer wereld opgaat, stralen schietende van verdiensten, en lichtende door voorbeelden.
O mensch, gij die u bewust zijt, dat gij op den stroom dezer wereld meer door stormen en onweer wordt rondgeslingerd dan gij op aarde wandelt, wilt gij in dien storm niet vergaan, wend dan uwe oogen niet af van het licht dezer ster!
Loeit de -wind der bekoring, stoot gij op de klippen dei-beproeving, zie naar die ster en roep Maria aan!
Zweepen u de golven der eerzucht en der hoovaardij omhoog, werpen u de baren van eerrooving of nijd in een hollen afgrond neder, zie naar de ster, en roep Maria aan!
Komen de schuimende golven van toorn, van gierigheid, of van onzuivere driften woedend tegen het scheepje uwer ziele slaan, zie dan naar Maria op!
Wanneer gij bij het herdenken uwer boosheden door haar getal en grootheid ontsteld, beschaamd en met schrik voor Gods oordeel bevangen, reeds begint neer te zinken in den poel der droefheid en der wanhoop, denk, denk dan aan de Moeder der barmhartigheid, denk aan Maria!
Denk aan Maria, roep Maria aan in alle gevaar, in allen twijfel, in allen angst, in alle kwelling. Zij ontvalle nooit aan uw mond, nooit aan uw hart!
Maar wilt gij op haar bijstand mogen rekenen, beijver u dan ook, het voorbeeld van haar heilig leven na te volgen.
Gij wordt het spoor niet bijster, indien gij hare voetstappen drukt; indien gij haar aanroept zult gij niet wanhopen; indien gij aan haar denkt, zult gij niet afdwalen.
Houdt zij u vast, dan zult gij niet vallen; beschermt zij u, dan zult gij niet vreezen; geleidt zij u, dan zult gij u niet vermoeien; is zij u goedgunstig, dan zult gij onverlet
67
en zeker de veilige haven der zaligheid binnenloopen en in u zeiven ondervinden, dat niet zonder reden van haar geschreven staat:
De naam der Maagd was Maria.
XII.
Koe redelijk Maria\'s Onbevlekte Ontvangenis is.
fllBamp;n een oud boek, dat vóór meer dan vierdehalf llpp# honderd jaar te Straatsburg gedrukt werd, staat, i\'.y over de Ontvangenis van Maria o. a. het volgende te lezen.
quot;i\'5 âVóór dat God hemel en aarde schiep, heeft Hij uit alle toekomende schepselen Maria tot zijne Moeder gekozen en alles er op voorbereid, dat zij in eeuwigheid de waardigste van alle schepselen zoude zijn. Ook hebben de profeten veel van haar voorspeld.
Na een lang tijdsverloop leefde er een godvruchtig man,, die van Nazareth was, en eene vrouw huwde, Anna genaamd.. Beiden waren rechtvaardig en dienden God dag en nacht naarstiglijk en deelden hun goed in drieën. Een gedeelte gaven zij aan den tempel, het tweede aan de armen, en het derde behielden zij voor hun eigen behoeften om met hun huisgezin daarvan te leven; en zij waren twintig jaar bij elkander zonder nog een kind gewonnen te hebben. Dit. bedroefde hen zeer en zij baden God vuriglijk hun een kind
69
te schenken, en beloofden het aan zijn dienst toe te wijden.
Eindelijk verscheen een engel Gods en zeide; âGod heeft mij tot u gezonden. Hij heeft uw gebed verhoord. Uwe vrouw Anna zal u eene dochter baren, die gij Maria moet noemen, en die geheiligd zal zijn in het lichaam harer moeder.quot;
Nu waren zij zeker, dat hun een kind zou geboren worden, verheugden zich deswege en dankten God voor zijne goedheid. Anna ontving dan het lieve kind Maria; haar schiep God eep zuivere ziel in, en zij werd geheiligd boven alle schepselen.quot;
De ontvangenis nu van dit lieve kind wordt de Onbevlekte Ontvangenis van Maria genoemd, en dus verstaan wij daaronder, niet dat zij bij hare geboorte vrij van zonde de wereld is binnengetreden; noch ook dat zij, gelijk de Voorlooper des Heeren in den schoot harer moeder van de erfzonde is gereinigd; maar wanneer wij Maria onbevlekt ontvangen noemen, dan beduiden wij daardoor, dat de smet der erfzonde nooit op haar heeft gekleefd; dat zij nooit, zelfs geen oogenblik, een kind van gramschap is geweest, maar dat zij, van het eerste oogenblik harer ontvangenis af, rein, vlekkeloos, schoon, heilig, vervuld van de hei-ligmakende genade en een voorwerp van Gods welbehagen was.
Voorzeker, ook op haar als kind van Adam, moest gelijk op alle andere menschen, Adams zonde overgaan, en de smet dier zonde, welke wij, als een treurig erfdeel van onzen eersten vader mede ter wereld brengen, zou ook hare ziel hebben bezoedeld, indien zij niet door een bijzondere genade Gods daarvan bevrijd gebleven was.
Dit voorrecht nu, dat wij in Maria prijzen, als wij haar met den engel des Heeren vol run genade noemen, vindt de
70
Christen, door het geloof onderwezen en verlicht, zóó billijk en redelijk, dat hij zich dit niet anders kan voorstellen.
Maria immers was bestemd om de geliefkoosde Dochter des Vaders, de Moeder van den Zoon, en de Bruid van den H. Geest te zijn; en dus betaamde het aan alle drie personen der allerheiligste Drievuldigheid Maria voor de erfzonde te bewaren.
Maria wordt de geliefkoosde Dochter des Vaders genoemd, omdat zij in de raadsbesluiten Gods van alle eeuwigheid was voorbeschikt om de Moeder te zijn van diens eenigge-boren Zoon. Maar nu vraag ik: is deze enkele gedachte goed begrepen, niet reeds voldoende om er deze gevolgtrekking uit af te leiden: dus moet zij zonder zonde ontvangen zijn?
Hoe! de Hemelsche Vader wilde, dat zij de Moeder zou zijn van zijn eeniggeboren Zoon, God gelijk Hij, en Hij zou zóó weinig voor de eer van zijn Zoon gezorgd hebben, dat diens Moeder, gelijk alle andere menschen, ooit onder den vloek der zonde had gezucht, ooit eene slavin des duivels geweest was?
Neen, dat laat zich niet denken, dat rijmt niet, noch met de oneindige wijsheid, noch met de oneindige heiligheid en majesteit Gods. Moet alles, wat met God ook maar uiterlijk in aanraking komt, heilig zijn en onbevlekt: hoeveel te meer dan zij, die met God in zulk een nauwe en innige betrekking kwam, dat Hij uit haar zijn menschelijke natuur, d. i. zijn vleesch en bloed aannam.
Het vleesch van Maria en het vleesch van Jesus is één, â zegt de H. Arnoldus van Chartres â en daarom ben ik van oordeel, dat de moeder niet alleen deelt in de eer van den zoon, maar dat die eer eene en dezelfde is. Maar was nu inderdaad de H. Maagd in zonde ontvangen, dan â zoo
71
schrijft de H. Liguori â ware het voor den Zoon, ofschoon Hij van do smet der zonde zou bevriid zijn, evenwel toch altijd een groote oneer geweest, dat Hij zich vereenigd zou hebben met een lichaam, dat ten eenigen dage met de schuld der zonde besmet, een onzuiver vat en aan den duivel onderworpen ware geweest.
Maria is de Moeder van den Zoon Gods naar zijn men-schelijke natuur, en ook hieruit trekken wij het besluit: dus moet zij zonder zonde ontvangen zijn.
Wanneer het ooit aan een zoon werd toegestaan zich eene moeder te kiezen gelijk het hem behaagde, zou deze dan, wanneer hij eene koningin tot moeder kiezen kon, daartoe eene slavin kiezen? Welnu, â zegt de H. Bernardus â kon de Zoon Gods alléén eene Moeder scheppen naar zijn welbehagen, dan kan men ook verzekerd zijn, dat Hij er eene geschapen heeft, gelijk betaamde aan een God. En paste het nu aan een Heiligen God eene moeder te hebben, die vrij was van alle schuld der zonde, dan â zegt de H. Bernardinus van Siëna â heeft Hij ook eene zoodanige geschapen.
Daarenboven, Hij die ons geboden heeft vader en moeder te eeren, heeft ook zelf toen Hij mensch werd, deze wet willen vervullen, en daarom schonk Hij aan zijne Moeder alle genaden en bewees Hij haar alle eer. Een zoon â zegt Thomas van Argentine â die zijne moedor van alle vlekken kon zuiveren en dit niet deed, zou zondigen; en zoo zou het ook niet aan den Zoon Gods betaamd hebben zijne Moeder niet van alle vlekken der zonde te hebben gereinigd, daar Hij dit gemakkelijk doen kon.
O neen! â roept Gerson uit â indien Gij, o Oppervorst, een Moeder wilt hebben, zijt Gij haar zeker alle eer verschuldigd, en dus hebt Gij haar ook ongetwijfeld geëerd door haar voor alle smet der erfzonde te bewaren!
72
Maria eindelijk wordt ook de Bruid, ook wel de Tempel des Heeren en liet Heiligdom van den H. Geest genoemd, omdat zij door de werking van den H. Geest de Moeder is geworden van het Vleesch geworden Woord.
Maar wie zal nu durven beweren, dat de ïï. Geest geen zorg gedragen heeft, dat zijn welbeminde Bruid vlekkeloos schoon en heilig bleef? Indien een uitmuntend schilder aan zijne bruid eene schoonheid geven kon, gelijk hij haar zelf schilderde, zou hij haar dan niet zoo schoon mogelijk maken ? En zou dan de H. Geest anders gehandeld hebben met Maria?
Neen, Hij heeft gedaan hetgeen betamelijk was en aan zijne Bruid eene schoonheid en reinheid gegeven, die paste aan haar, die een God tot Bruidegom hebben zou, en daarom heeft Hij zijne Bruid meer geheiligd dan ooit eenig ander mensch. Want terwijl Hij alle anderen slechts heiligt door hen van de zonde, die aan hunne ziel kleeft, te zuiveren, heeft Hij haar geheiligd door de zonde haar niet te laten genaken
Dus, zoo besluiten wij, moest de Hemelsche Vader zijn geliefkoosde Dochter, de Zoon zijn lieve Moeder en de lï. Geest zijn welbeminde Bruid niet slechts voor alle persoonlijke zonden, maar ook voor de erfzonde bewaren; het verstand, door het Christendom onderwezen en verlicht, houdt zulks voor billijk, en de Kerk leert, dat het inderdaad zoo is.
Daarom vieren wij den feestdag der Onbevlekte Ontvangenis van Maria met zooveel blijdschap, en wij danken God voor dezen dag, die de aanvang is van aller menschen geluk en eene herstelling van alles in den hemel en op aarde.
Er was een man van een zeer slecht leven, die evenwel aan O. L. Vrouw groote liefde toedroeg en haar dikwijls vereerde.
1) Heerlijkheden II, 49â62.
73
Op zekeren dag ging hij over een uitgestrekt veld en had grooten honger. Nu verscheen hem de H. Maagd, omringd van eene menigte helder blinkende maagden, die velerlei smakelijke spijzen droegen, maar op morsige schotels. En de Lieve Vrouw zeide tot hem: âEet van deze spijzen.\' Hij antwoordde: âDe spijzen zien er goed en smakelijk uit, maar het lust mij niet daarvan te eten, omdat de schotels zóó morsig zijn.quot;
Toen hernam de H. Maagd: âDe lof en het gebed, dat gij tot mij opzendt, is op zich zelf goed; maar dewijl uw hart zoo onzuiver is, vind ik er geen behagen in.quot; â Toen verdween de Lieve Vrouw en hare maagden insgelijks. Van nu af bekeerde zich de man en diende de Lieve Vrouw voortaan met grooten ijver, zoolang hij leefde.
Moge deze herinnering mij en u, lieve lezer of lezeres, eene aansporing zijn en blijven om Maria immer met een rein hart te vereeren; herhalen wij daarom dikwijls dit schoon schietgebed;
O Mario., zonder zonde ontvangen! bid voor ons, die onze toevlucht tot u nemen.
XIII.
Eene herinnering aan 8 december 1854.
Jf e achtste December van het jaar onzes Heeren 1854, de dag aan de feestviering der Onbevlekte Ontvan-genis van Maria toegewijd, zal ten eeuwigen dage in ft de jaarboeken der Kerk en in de dankbare harten der i geloovigen aangeteekend blijven.
De kardinalen, de uit alle werelddeelen saamgekomen bisschoppen, de generaals der kloosterorden en de magistraat van Rome waren in de groote Sint Pieterskerk vergaderd en rondom \'s Pausen troon geschaard, terwijl een onafzienbare menigte zich in de onmetelijke ruimte van dit kerkgebouw verdrong.
Zijne Heiligheid zelf droeg het heilig Misoffer op.
Nadat het heilig Evangelie eerst in het Latijn en daarna in het Grieksch gezongen was, naderde de deken van het college der kardinalen, vergezeld van de dekens der aanwezige aartsbisschoppen en bisschoppen, tot den troon des Pausen en verzocht zijne Heiligheid hemel en aarde te verblijden, dooide Onbevlekte Ontvangenis van Maria als geloofspunt uit te spreken.
75
Zijne Heiligheid willigde zijn verzoek in, doch wilde nogmaals, alvorens tot de uitspraak over te gaan, het licht des Heiligen Geestes afsmeeken; knielde op zijn troon neder en hief toen het eeuwenoude Veni Creator aan, dat door de geestelijkheid en het volk, door duizenden en duizenden monden werd meegezongen en als een ruischende zee onder de grijze gewelven van Sint Pieter weerklonk.
Toen de laatste tonen van dezen lofzang langzaam wegstierven, verhief Pius IX zijne stem en te midden eener â¢plechtige stilte, sprak hij uit, verklaarde en bepaalde hij, uit kracht des gezags van onzen Heer Jesus Christus, der heilige Apostelen Petrus en Paulus, en van zich zeiven:
âDat de leer, houdende, dat de allerheiligste Maagd Maria in het eerste oogenblik van hare ontvangenis door een bijzondere genade en voorrecht van den Almachtigen God, uit aanmerking der verdiensten van Christus Jesus, den Verlosser van het menschelijk geslacht, van alle smet der erfzonde werd gevrijwaard, â door God geopenbaard is, en diensvolgens door alle geloovigen vastelijk en standvastig moet geloofd worden.quot;
Zoodra Zijne Heiligheid liet decreet had afgelezen, bracht het kanongebulder van den Engelenburg die blijde mare aan Rome en aan geheel de Katholieke wereld over: alle klokken van Rome kwamen in vollen zwier en zonden hare jubelklanken over de Zeven Heuvelen, terwijl de huizen der Ro-meinsche burgers met prachtige tapijten en rijke behangsels Averden versierd.
Des avonds leverde Rome een buitengewoon schoon schouwspel op. Alle huizen, zoowel het nederig verblijf van den arme als de prachtige huizen der rijken waren schitterend verlicht. Geheel het Vaticaan stond als in vuur, en uit het Capitool hoorde men onophoudelijk de heerlijkste muziek weergalmen.
70
En gelijk eertijds de Vaders van het Concilie van Chalcedon, bij het hooren van den leerstelligen brief van den H. Leo. uitriepen: Petrus heeft door Leo gesproken: zoo denken, zoo gelooven ivvj! evenzoo dachten en spraken in hun binnenste de Vaders der Christenheid, toen zij \'s Pausen uitspraak over Maria\'s Onbevlekte Ontvangenis vernamen. En toen zij in hunne bisdommen waren teruggekeerd en op hunne beurt de uitspraak van Pius IX verkondigden, werd in de geheele Katholieke Kerk. van het Oosten tot het Westen en van het Noorden tot het Zuiden, slechts ééne stem gehoord; Credo! zoo gelooven ivij
Zoo gelooven wij, â en geen wonder! want wie zou niet gaarne gelooven, wat zoo duidelijk in den Bijbel te lezen staat voor een ieder, die hem maar met verstand en zonder vooroordeel lezen wil; wie zou niet gaarne gelooven wat, van de Apostolische tijden af, door de Kerkvaders, de Christelijke schrijvers en de leeraars der Kerk als van hand tot hand is overgeleverd.
Reeds op de eerste bladzijde van de H. Schrift wordt der wereld aangekondigd, dat er eenmaal uit Eva\'s geslacht eene vrouw zal optreden, die de vijandin van Satan, en dus nooit in zonde, nooit onder de macht des duivels zal wezen, â maar integendeel in en door haar Zoon, hem overwinnen en verpletteren zal.
Die vrouw nu, zonder vlek en vol van genade, wie is Zij en wie kan Zij anders ziin dan de H. Maagd van Nazareth, die op last van den alwetenden God door den engel Gabriel vol van genade geprezen en begroet werd!
Na den aartsengel hebben dan ook achttienhonderd jaren Maria als de genadevolle begroet en, bewust van hetgeen er
1) De Feest derende Kath. Kerk, 24, en Henckens, De Luister v. d. Godsdienst, 35.
77
in deze woorden ligt opgesloten, haar Onbevlekte Ontvangenis erkend, geprezen en geëerd.
Reeds in de aloude liturgie, die aan den H. Apostel Jacobus wordt toegeschreven, alsook in die van den H. Basilius en den H. Chrysostoraus, vinden wij in de gebeden van de Mis ter eere van Maria, het geloof in haar Onbevlekte Ontvangenis in klare en duidelijke woorden uitgedrukt \'j.
De Kerkvader Augustinus verklaarde reeds uitdrukkelijk, dat hij om wille der eer van Christus niet wilde, dat er van Maria gesproken werd, wanneer er spraak van zonde was.
Ook dat er reeds in de vijfde eeuw in Nicomedia en tijdens de zevende eeuw in de Grieksche Kerk algemeen een bijzonder feest der Onbevlekte Ontvangenis van Maria gevierd werd, levert hiervan een nieuw bewijs. Van geen enkelen Heilige toch viert de Kerk den dag der ontvangenis, om de eenvoudige reden, dat de Heiligen toen nog niet heilig waren. Van Maria echter heeft de Kerk dit van oudsher wel gedaan en dus het bewijs geleverd van haar geloof in de Onbevlekte Ontvangenis van Maria.
Dit geloof moet wel diepe wortelen hebben geschoten, wanneer wij zien, dat noch scheuring, noch volslagen verzaking van het Christendom het hebben uitgeroeid.
Luther verkeerde reeds in vollen opstand, toen hij nog schreef: âHet was passend en billijk dat de persoon van Maria bewaard werd voor de erfzonde, omdat de Zoon Gods van haar het vleesch zou aannemen, dat alle zonden moest overwinnen.quot;
Ketters en scheurmakers â zoo getuigt de bisschop van Xicopolis â belijden hier bijna eenparig, dat Ma.ria zonder zonde is ontvangen.
L. Mehler. Beispide I, 563.
78
De Turken zelfs, ofschoon zij Christus niet als Zoon van God erkennen, belijden dat God Maria heeft uitverkoren en haar beveiligd heeft voor alle smet l).
Zóó diep was in alle gemoederen deze waarheid geworteld, â dat de algemeene Kerkvergadering van Trente, na de leer der Kerk aangaande de erfzonde te hebben verkondigd, er behoefte aan had de verklaring af te leggen: dat het Concilie niet beoogde in zijn decreet over de erfzonde de Heilige en Onbevlekte Maagd Maria, de Moeder Gods te begrijpen.
Genoeg om ons te overtuigen, dat na den aartsengel achttien eeuwen Maria als de genadevolle cl. i. als de Onbevlekt Ontvangene hebben begroet en vereerd.
Echter hoe algemeen ook deze waarheid geloofd werd en hoe streng het ook sinds eeuwen verboden was het tegendeel te leeren, â de vraag kon geopperd worden, en zij is dan ook geopperd, of men om zalig te worden die waarheid gelooven moest, of m. a. w.: heeft God geopenbaard, dat Maria onbevlekt ontvangen is? want men is niet verplicht als Goddelijke leer te gelooven, wat niet allerzekerst door God ter onzer zaligheid is geopenbaard.
Hierop nu is den 8sten December 1854 door het onfeilbaar leergezag der Kerk toestemmend geantwoord, en dus het standvastig en eenparig geloof aller eeuwen tot een uitdrukkelijk geloofspunt verklaard.
Omdat Pius IX zulk een groot vereerder van Maria was en, als tolk van Christus, deze onbevlekte parel in haar kroon gezet heeft, wordt hij de Maria-Paus, ook wel de Paus der Onbedekte Ontvangenis, genoemd, en het is niet onopgemerkt
!) Nicolas. La Vier ge Marie X. 2. Aangehaald in Lips, Catech. 123; en Luister â v. cl. Godsd. 27.
79
gebleven, dat hij juist ouder het luiden van den Engel des Heer en gestorven is.
Het was op den 7 Februari 1878, dat reeds des morgens vroeg zijn doodsstrijd begon.
Wilt gij deze smarten voor de Kerk opofferen? â vroeg hem zijn biechtvader; en hij antwoordde: Van harte! Zeer gaarne!
Toen men hem voorlas: Ik heb mij verheugd in hetgeen mij gezegd is, wij zidlen ingaan in het huis des Heerev, â herhaalden zijn stervende lippen hoorbaar: Wij zullen ingaan in het huis des Heeren ...
Toen kardinaal Bilio het afscheidsgebed: Vertrek Christelijke ziel, begon, maar van aandoening daarin stokte, herhaalde Pius IX rustig en vast: Ja, vertrek mijne ziel....
Dit zijn zijn laatste verstaanbare woorden geweest; want daarna hield hij zijn stervenden blik eerst op het kruisbeeld, dat boven zijn bed hing, en toen strak en onbewegelijk ten hemel gericht.
Intusschen was het avond en omstreeks zes uur geworden. Op een gegeven oogenblik begon de Sint Pieter. en begonnen, zooals dit te Rome gebruikelijk is, alle driehonderd kerken van Rome den Engel des Heeren te luiden, en zie.... op het eigen oogenblik. bij het eerste gelui dezer klokken stierf de Heilige Vader; met den groet des engels op de stervende lippen trad hij de poorten des hemels binnen!
Indien gij, lieve lezer of lezeres, u met Pius IX z. g. en de Kerk verheugt over het schoone en groote voorrecht van Maria\'s Onbevlekte Ontvangenis en haar als zoodanig, als de Onbevlekt Ontvangene, gaarne aanroept en vereert en gebeden tot haar opzendt, zult ook gij levenslang, maar bijzonder in het uur des doods, haar bijstand ondervinden.
Herinner u dus dit voorrecht van Maria, zoo dikwijls gij
80
haar met den engel als de genadevolle, begroet en stuur dikwijls, bijzonder des morgens en des avonds en bij iedere bekoring, tot haar dit schoone schietgebed;
Boor uw Onbevlekte Ontvangenis en ongeschonden maagd,e-lijkheid bewaar mijne ziel, mijn hart en mijn lichaam zuirer en onbevlekt van alle zonden.
XIV.
Waarom Maria vol van genade genoemd wordt.
BX:
miJl\'p den 25. Maart 1858, juist den dag, waarop de Kerk het feest viert van Maria-Boodschap, openbaarde zich de H. Maagd in al haar licht en luister aan Bernadetta in de grot te Lourdes.
} Gulden stralen omgaven een hemelschoone vrouw met engelzoet gelaat; tusschen hare handen, die zij met eene uitdrukking van vurige godsvrucht voor de borst had samengevouwen, hing een Rozekrans van albasten koralen, geregen aan een snoer, in kleur gelijk aan die van rijpe korenaren ; en op hare voeten praalden twee rozen zachtgeel van kleur. Haar kleed en sluier waren schitterend wit als de versch gevallen sneeuw der bergen, en haar gordel was azuurblauw gelijk het uitspansel des hemels op een heerlijken zoraerschen dag.
Bernadetta was buiten zich zelve van verrukking.
â O mijne Dame! â riep zij â wil de goedheid hebben mij te zeggen, wie gij zijt en hoe gij heet ?
6
82
De verschijning glimlachte, maar antwoordde niet. En Bernadetta vroeg opnieuw:
â O mijne Dame! Wees zoo goed mij te zeggen, wie gij zijt en hoe gij heet?
De glans der dame werd nog heerlijker, maar geen antwoord. Nu vroeg Bernadetta voor de derde maal;
â O mijne Dame ! wees toch zoo goed mij te zeggen, wie-gij zijt en hoe gij heet ? \'
De H. Maagd scheen zich-altoos meer en meer in de glorie en zaligheid des hemels te verdiepen ; maar zij antwoordde niet. Bernadetta vroeg nu nogmaals en voor het laatst uit het diepste der ziel smeekend :
â O mijne Dame! ik smeek er u om, wees toch zoo goed mij te zeggen, wie gij zijt en hoe uw naam is.
Bij deze laatste vraag van het kind liet de verschijning haar Rozekrans over den arm glijden; strekte hare armen naar den grond uit, als om haar zegenrijke handen aan de aarde te toonen, hief ze vervolgens ten hemel, sloot ze daarna weder met innigheid op de borst te zamen, en terwijl hare oogen in zachte verrukking ten hemel staarden, sprak zij;
â Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis! â en hierop verdween zij.
Het is opvallend voor een ieder, dat de H. Maagd, zich bekend makende, niet zegt: Ik ben de Onbevlekt Onlrangene: maar Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis. HeHs alsof zij zeide: Ik ben niet slechts onbevlekt ontvangen ; maar de verpersoonlijkte Onbevlektheid in mijne Ontvangenis; de type, het grondmodel der menschheiu zonder vlek, zooals deze uit de scheppende hand Gods volmaakt te voorschijn trad.
Ja, dat is zij! en daarom groeten wij haar zoo gaarne met de woorden des engels: Gij zijt rol van genade: niet
83
alsof Maria dit niet wist: ook niet om haar te vieien, want daarvoor is zij te veel verheven en zijn wij veel te gering; maar wij zeggen het tot ons zei ven, om er ons aan te herinneren, dat alle heerlijkheid komt van de genade Gods, en zij die bevoorrechte vrouwe is, die meer genade van God ontvuiifjen heeft dan ooit cenig ander schepsel, en dat zij die rjenade nooit door eenige zonde verloren, maar altijd vermeerderd heeft.
Er is eene genade, die de heiligmakende genoemd wordt, omdat zij ons van zondaars rechtvaardigen, kinderen Gods en erfgenamen des hemels maakt.
O konde ik u, gelijk het behoorde, het geluk en de schoonheid beschrijven eerier ziel, die in staat van genade is, hoe zoudt gij verstomd staan! Zulk eene ziel straalt in hemel-schen luister, is eene- lievelinge Gods en geroepen om eens in het huis des Vaders genoegens en vreugde te smaken zonder eind!
God toonde eens aan de H. Catharina van Sienen de heerlijkheid eener ziel in staat van genade, en sinds kuste zij â¢de voetstappen dergenen, die zich beijverden om de zondaars te bekeeren, en vol verbazing zeide zij tot haar biechtvader: âO Vader! hadt gij de schoonheid eener met de genade bekleede ziel gezien, gaarne zoudt gij voor dezelve â duizendmaal willen sterven!
Die genade is echter in den eenen rechtvaardige nog volmaakter, sterker, standvastiger en wonderbaarder dan in den anderen; hetgeen de H. Paulus verklaart door deze gelijkenis: Anders is de klaarheid der zon, anders die van de maan, anders die van de sterren; tvant de eene ster verschilt in klaarheid van de andere \').
i) I Cor. XV. 41.
Maria echter heeft deze genade volmaakter en overvloediger van God ontvangen dan eenig ander schepsel, uitgezonderd alleen de menschelijke natuur van Christus.
Terwijl andere Heiligen die genade eerst ontvangen hebben, nadat zij eenigen tijd in de zonde geweest zijn, zij het clan ook alleen in de erfzonde, geliik de profeet Jeremias en de H. Joannes de Dooper; â ontving Maria, gelijk het geloof ons leert, de heiligmakende genade reeds in het eerste oogenblik van haar bestaan, zoodat zij dus altijd een kind van genade geweest is; een bijzonder voorrecht, dat aan geen enkel mensch dan aan haar te beurt viel.
Terwijl de [genade in andere Heiligen eerst groeit met den tijd en allengs volmaakt wordt, gelijk de Wijze zegt: De weg van den rechtvaardige is gelijk een blinkend licht, dat voortgaat en groeit tot een volmaakten dag 1); was zij in Maria, reeds in het eerste oogenblik van haar leven, sterker, grooter en volmaakter dan in alle andere Heiligen op het einde huns levens, ja voller dan in welken engel des. hemels ook!
Het is waar, wij kunnen het geheim van Gods genade niet doorgronden, maar wil weten toch, dat God in alles met de hoogste wijsheid te werk gaat, en dat Hij â gelijk de H. Thomas zegt â aan eiken mensch de genade geeft, overeenkomstig den staat, waartoe Hij hem roept; en daar nu Maria, door God uitverkoren was om de Moeder te zijn van zijn eeniggeboren Zoon, â eene waardigheid die de hoogstmoge-lijke is voor een geschapen persoon, â mogen wij ook aannemen, dat Hij haar, reeds in het eerste oogenblik van haar bestaan, meer genade gegeven heeft clan ooit aan eenig ander schepsel.
\') Spreuk. IV, 18.
Of gelijk de H. Laurentius Justinianus redeneert, zeggende: Het Eeuwig Woord heeft Maria, in het eerste öogenblik van haar bestaan, als zijn toekomstige Moeder, meer bemind dan eenig engel of mensch door Hem bemind wordt; de maat van genade nu komt nauwkeurig overeen met de maat der liefde; bij gevolg heeft Maria reeds toen meer genade van God ontvangen dan ooit eenig ander schepsel, hetzij engel, hetzij mensch.
Zoo schrijft ook de geleerde Suarez: âMaria ontving in het eerste oogenblik van hare Ontvangenis meer voorrechten en genaden dan alle zielen der Heiligen, ja meer, dan alle koren der engelen, wijl zij door God meer bemind werd dan alle Heiligen en engelen.quot;
En zij heeft deze genade ook nooit door eenlye zonden verloren.
Zij alleen ontving van God de geheel bijzondere genade, dat zij levenslang van alle dadelijke zonden, zelfs van de geringste dagelijksche zonde, bevrijd bleef. Trld. Sess. VI, Can. 23.
Wel zijn er Heiligen geweest, die God levenslang door geen zware dadelijke zonden hebben beleedigd, maar een Heilige, die levenslang zelfs geen half vrijwillige dagelijksche zonde gedaan heeft, is er niet; en zonder een bijzondere genade Gods is dit ook niet mogelijk; zoodat Maria ook onder dit opzicht meer genade van God ontvangen heeft dan ooit eenige andere Heilige.
Daarom leerde reeds de H. Augustinus in waarheid: âGesteld, men hadde eiken Heilige gedurende zijn sterfelijk leven gevraagd, of hij zich aan eenige zonde plichtig erkende, â allen zouden volmondig hebben verklaard: Indien icyj be-iceerden vrij te zijn van alle zonde, dan misleidde ons het zelfbedrog en deed ons van den iveg der icaarheid afdwalen.
Slechts de allerheiligste Maagd is vrij van deze schuldbe-
86
kentenis. Waar sprake is van zonde, zijn wij verplicht een bepaalde uitzondering te maken voor de eerbiedwaardige Moeder des Heeren. Trouwens, wij weten, dat zij dermate dooide genade werd begunstigd, dat zij geheel en al vreemd bleef aan de zonde 1)!
Fn die vlekkelooze luister werd nog voortdurend door den ylans der idtstekendste deugden verhoogd.
Maria is, gelijk men algemeen aanneemt, ongeveer twee en zeventig jaar oud geworden 2); gelijk echter ieder mensch, zoolang hij op aarde leeft, door de goede werken, die hij in staat van genade en ter liefde Gods verricht, krachtens Gods belofte, de vermeerdering der heiligmakende genade verdient3). en een zeker recht verkrijgt op overvloediger dadelijke genade, â zoo was dit ook liet geval met Maria.
Zij nam echter in genade veel meer toe, dan ooit een Heilige, en van haar geldt de lofspraak van den H. Geest: Vele vrouwen hebben schutten vergaderd, maar gij, gij overtreft ze allen 4).
Haar levenswandel was zoo heilig, dat zij meer een engel dan een mensch geleek; onvermoeid \\yas zij in de deugd, en te vergeefs zoeken wij een goed werk, dat zij niet beoe-.fend, eene deugd, waarin zij niet de hoogste volmaaktheid bereikt heeft.
Wie was liefdevoller, reiner, ootmoediger, gehoorzamer, voorzichtiger, geduldiger en dankbaarder dan zij?
Wie was zoo vast geworteld in het geloof en in de hoop als zij ?
Wie beminde God en den naaste vuriger dan zij dit gedaan heeft, en wie bracht uit liefde Gods ooit zoovele en zware offers?
J) Ja mar 466.Maria, de Moeder des Heeren, (\\oo\\ H. 1. Ruscheblatt 11,578; Jamar 415 z) Cone. Tricl. Ses. VI, Can. 34. 4) Spreuk. XXXI, 29.
87
En met de hulp der genade, die haar zoo overvloedig toevloeide, vermeerderde zij iederen dag. ieder uur, ja! ieder oogenblik hare verdiensten, en de menigte dier verdiensten waren op het einde haars levens zoo groot, dat ze evenmin telbaar zijn als de zandkorrels aan den oever der zee.
Met recht dus prijst haar de Kerk als het sieraad der men-schen, als de heerlijkste bloem in den tuin Gods, als de kroon der uitverkorenen, als een afgrond van heiligheid. En geen wonder: zij is immers vol van genade!
Ja, zij is vol van ^e«arfe; vol van de heiligmakende genade, vol van de dadelijke genade, vol van alle buitengewone en onverdiende genaden; en daarom, omdat het zulk een schoone deugd is zich te verheugen over de genade en het geluk van anderen, herhalen wij, herhalen millioenen Christenen met ons iederen dag meermalen dankbaar en blij: Wees gegroet Maria, vol van rjenade!
En terwijl wij dit zeggen, stijgt er uit ons hart als een stille bede tot haar ten hemel op:
O Maria, gij, die reeds van het eerste oogenblik uwer ontvangenis, zulk eene volheid, d. i. zulk een overvloed van genade hebt ontvangen, dat gij daarin reeds toen alle schepselen overtroft, en die genade nooit door de minste zonde verloren, maar altijd vermeerderd hebt; ach! verwerf mij, arm, zondig mensch, door uw machtige voorspraak, dat ook ik genade vinde bij God, die genade nimmermeer verlieze, maar daarin volharde tot den laatsten ademtocht mijns levens.
XY
Hos Maria ook voor ons vol van genade is.
|j oen de H. Bernardiis, op zijne rondreis door Duitsch-land, onder ontzaglijken toeloop van volk, Spiers binnentrok en zich aldaar rechtstreeks naar de kerk
/A
I der H. Maagd begaf, meenden de kanunniken dier kerk \' hem niet beter te kunnen ontvangen dan door het aanheffen van den lofzang Salve Regina:
Wees gegroet, o Koningin. Moeder van barmhartigheid, ons leven, onze zoetheid en onze hoop, icees gegroet; want de Heilige had een bijzondere liefde voor dien lofzang en in vele preeken eene uitlegging daarvan gegeven.
Bernardiis was geheel buiten zich zelf van aandoening, hij was als in verrukking bij het hooren van den lofzang, en nauwelijks was het laatste woord gezongen, of hij valt voor het Moeder-Gods-beeld, dat op het hoofdaltaar prijkte, op zijne knieën en zingt er in geestdrift bij: O clemens, d. i. O goedertierene; hij staat weer op, treedt eenige passen nader, valt wederom op zijne knieën en zingt O pial d. i. O meedoogende; en nogmaals opstaande zingt hij bij het hoofd-
â¢r
89
altaar neergeknield: O daleis Virgo Maria! d. i. O zoete Maajd Maria! â Hierop zal, zegt men, de H. Bernardus van Maria den groet vernomen hebben: Salve Bernarde! d. i.
Wees gegroet Bernardus.
Nog heden toont men de plaatsen, waar voor zevenhonderd jaar die woorden uit het vurige hart van den grooten Kerkleeraar opstegen; ze werden tot eeuwig aandenken in drie metalen platen gegrift, die thans nog te Spiers bewaard worden
Dagelijks wordt de Salve Regina na de H. Mis in de kerk gebeden; en de Kerk wil ook, dat wij, wanneer ze openbaar gebeden of gezongen wordt, op het einde daarvan de woorden van Bernardus herhalen: 0 goedertierene, o meedoogende, o zoete Maagd Maria!
En geen wonder! indien toch Maria, gelijk de Kerk haar noemt. Ons leven en onze hoop is, dan kunnen er ook geen woorden zoet en teeder genoeg uit ons hart opwellen om haar onzen eerbied, ons vertrouwen en onze liefde te betuigen.
â En waarom nu wordt zij zoo genoemd?
â Dit is in één woord te zeggen, namelijk: Omdat zij niet voor zich alleen, maar ook voor alle menschen vol van ge nade is.
Zij is voor ons vol van genade, niet slechts omdat wij door haar Jesus Christus ontvangen hebben, door Wiens verdiensten ons alle genade en de zaligheid toekomen â immers de genade en de waarheid zijn ons geworden door Jesus Christus2); maar ook daarom, omdat wij gelooven. dat Christus, om zijne Moeder te eeren, haar in den hemel geen bede ontzegt, die zij voor ons tot Hem richt; omdat Hij,
\') Essink. Meikrans 137. Jamar 480 en Mehler\'s Boispiéle I, 626. 3) Joann. I, 17.
90
gelijk Hij door haar tot ons gekomen is, zoo ook wil, dat wij door haar, d. i.: onder haar moederlijke beschermingen voorspraak, tot Hem komen, van Hem genade ontvangen en zalig worden.
Het is waar â zoo schrijft de H. Alphonsus ter verklaring-van eenige woorden van den H. Gregorius van Nicomedië â het is waar dat Maria aan haar Zoon oneindigen dank schuldig is, omdat Hij haar tot zijne Moeder gekozen heeft; maar men mag toch ook zeggen, dat de Zoon Gods verplicht is aan zijne Moeder, omdat zij Hem het menschelijke vleesch gegeven heeft; waarom dan ook Jesns, ter vergelding van hetgeen Hij aan Maria verschuldigd is, haar in zijne heerlijkheid bijzonder eert, door al hare gebeden te verhooren. â Alph. Lig. deel IV, blz. 19.
quot;Wijl Maria\'s moederlijke liefde â zegt Bossuet â zooveel toegebracht heeft tot onze zaligheid in het geheim der menschwording, welke de algemeene bron is van de genade ; daarom zal zij zonder ophouden, daartoe medewerken in alle werkingen der genade, welke niets anders dan afhankelijkheden van dezelve zijn 1).
God â zoo spreekt Pius IX z. g. in zijne Breve van 2 Februari 18-49, met den H. Bernardus â God heeft in Maria de volheid van alle goed gesteld, zoodat indien wij eenige hoop hebben, eenige genade, eenige zaligheid, wij moeten weten, dat deze van haar komt; want zoo is de wil van Hem, die gewild heeft, dat wij alles zouden hebben door Maria.
Maria â zegt de H. Thomas van Aquine â is niet voor zich alleen, maar ook voor alle menschen vol van genade.
Iedere Heilige heeft genaden ontvangen om het heil van
\') Heerlijkheden I, 19 en XVII van de voorrede.
91
cenige medemenschen te bevorderen, maar zij is daarmede zóó vervuld geworden, dat zij tot het heil der geheele wereld kan medewerken, wat haar, na Jesus Christus, alleen eigen is.
Daarom kunt gij, o Christen, in alle gevaren van alle ongeluk bevrijd worden en door de voorspraak dezer glorievolle Maagd de zaligheid verkrijgen, want zij is die geheimvolle Toren ran David, waaruit duizend schilden nederhan-gen, d. i.; zekere hulpmiddelen tegen alle gevaren.
Ook kunt gij in alle goede werken van haar hulp en bijstand verkrijgen, want zij zelve roept u toe: In mij is alle hoop des levens en der deugd.
Zeer schoon wordt dit beschreven in Het leven van den H. Bernurdus.
Vol droefheid klaagde eens een groot zondaar aan den H. Bernardus zijn menigvuldige en afschuwelijke zonden. âHet is niet mogelijk -- zoo riep hij in bittere tranen uit, â dat ik nog vergiffenis, nog genade bij God vinden kan!quot;
Vol medelijden antwoordde hem de H. Bernardus: âToch niet, mijn zoon. gij hebt geen reden om te wanhopen; want zie, indien gij ook\' al vreest geen genade meer bij God te vinden, vertrouw dan toch ze bij Maria te vinden, die toch niet te vergeefs door Gods engel vol van genade genoemd is.quot;
Hierop nam de H. Bernardus de H. Schrift, sloeg ze open bij den Evangelist Lucas en las de woorden, die de engel Gabriel tot Maria sprak: Vrees niet! want gij hebt genade gevonden.
âVerstaat gij die woorden wel, mijn Zoon?quot; vroeg Bernardus. ,Maria heeft genade gevonden. Hoe dat? Heeft zij ze dan ooit verloren, dat zij ze wedervinden moest? God beware! Men kan echter ook vinden wat anderen verloren hebben. Welnu zie, mijn arme zondaar! gij zijt het, die door de zonde de
92
genade Gods verloren hebt; en Maria heeft\'uw verloren genade gevonden.
Draal dus niet, wanhoop niet! spoed u naar de Moeder Gods, val haar te voet en zeg haar: Moeder der G-oddelijkegenade, ach! zie neer op mij armzalige; ik heb de G-oddelijke genade verloren en gij hebt ze gevonden. Moeder, Moeder! geef mij de verloren genade terug, verzoen mij met uw Goddelijken Zoon en wees voortaan mijn steun en mijn bijstand, opdat ik niet andermaal zoo lichtzinnig zondige en valle en niet zoo schandelijk met dó genade mijns Hemelschen Vaders omspringe.quot;1
Zoo sprak de begeesterde Kerkleeraar, en de diepbedroefde zondaar ademde vrijer op, en spoedde zich naar Maria, en bad en smeekte, zooals de Heilige hem aangeraden had; hij beweende zijne zonden, deed ernstige en strenge boetvaardigheid en stierf een zaligen dood. Nog op zijn sterfbed herhaalde en beleed hij; Maria, gij zyjl vol van genade, eene Moeder van barmhartigheid voor alle zondaars
Ja, zoo is het! Een waar vereerder van Maria â dat is hij, die zich voorneemt zijn leven te veranderen en God niet meer te beleedigen en zich zooveel mogelijk dagelijks aan haar aanbeveelt â zal niet verloren gaan; Maria neemt hem onder haar moederlijke bescherming en brengt hem veilig in de haven van het hemelsch Vaderland.
Broeder Leonardus â zoo leest men in de kronijken der Dominikanen â was gewoon zich dagelijks wel tweehonderd-maal aan Maria, de Moeder dér barmhartigheid, aan te bevelen. Op zekeren dag nu ontwaarde hij een schoone koningin, die hem zeide: âLeonardus, wilt gij sterven en tot mij en mijn zoon komen?quot; â âMaar wie zijt gij ?quot; vroeg Leonardus.
\') Dr. J. Schuster. Kat. Handbuch IV, 784.
93
âIk ben de moeder der barmhartigheidquot; â antwoordde de H. Maagd. âGij hebt u zoo dikwijls aan mij aanbevolen, zie nu kom ik om u te halen, laten wij nu naar den hemel gaan.\' â Op denzelfden dag â verhalen de kronijken â stierf broeder Leonardus, en wij mogen hopen, dat hij zijn lieve Moeder in den hemel gevolgd is.
Moge deze korte overweging, lieve lezer of lezeres, ook u aansporen een ware en getrouwe vereerder van Maria te zijn en te blijven; beveel u daarom hartelijk en vurig aan Maria\'s genade aan en bid tot dat einde dikwijls het volgende schoone gebed van den H. Thomas van Aquine :
O Maria, Koningin, mijne hoop en mijne moeder! ik bemin u, ik stel mijn betrouwen op u. Om de liefde van Jesus, om de vreugde die gij ondervondt, toen gij zijne Moeder geworden zijt, en om de smarten, die gij bij zijn dood hebt uitgestaan, bid ik u: verkrijg voor mij bij God een groote droefheid en de vergiffenis mijner zonden; de volharding om goed te leven, en een zuivere liefde tot God met een volmaakte overeenstemming met zijn heiligen wil. Gij zijt de toevlucht der zondaren en dus ook mijne redding. Aan u beveel ik mijn eeuwig heil; neem mij als uw dienaar aan, en bescherm mij altijd als zoodanig, voornamelijk in het uur van mijn dood. Gij moet mij zalig maken door uw machtige tusschenkomst, dit hoop ik, dat het geschiede!
XVI.
Hoe vol genade Maria\'s uiterlijk was.
iflt
Ãamp;Ms et woord genade heeft in de H. Schrift eentweevou-ëlMÃy** dige beteekenis; namelijk van inwendige heiligheid. ^ waarmede Cjod de ziel verrijkt en waardoor zij Hem t behagelijk is; en van uihvendige schoonheid, waardoor I iemand behagelijk is voor de menschen.
In de eerste beteekenis is het tot hiertoe door ons gebruikt, en gebruikt het ook de H. Joannes I, 17 schrijvende: De-genade is ons door Jesus Christus geworden; en in de tweede beteekenis gebruikt het de H. Lucas IV, 22, als hij van Jesus zegt: Allen icaren verwonderd over de ivoor den van genade, dat is in goed Hollandsch: over de aangename woorden, over de woorden vol bevalligheid, die uit zijn mond voortkivamen.
Op beide wijzen was Maria vol van genade; niet alleen overtrof zij alle schepselen in inwendige heiligheid, maar ook in uitwendige schoonheid: het laatste was als een gevolg van het eerste.
Dat immers het menschelijk lichaam, ofschoon het evenals andere lichamelijke w^ezens uit de aarde gevormd werd, toch
95
oorspronkelijk, gelijk het uit de hand des Scheppers te voorschijn kwam, alle andere zichtbare schepselen in schoonheid moet hebben overtroffen, blijkt uit het geheele scheppingsverhaal.
Alle andere schepselen toch riep God door het icoord zijner almacht tot het bestaan; maar \'s menschen lichaam vormde de Heere God zelf, blies in zijn aangezicht den adem des levens, en schonk het bovendien nog de gave der onsterfelijkheid, waardoor het in onvergankelijke jeugd en ongerepte schoonheid zou blijven schitteren tot zijne opneming in den hemel.
Het is dus wel zeker, dat het menschelijk lichaam oorspronkelijk schooner en volmaakter was dan wii het nu aanschouwen, nu het zijne onsterfelijkheid heeft verloren, en de erfzonde en persoonlijke zonden zijn eersten luister hebben verduisterd, nu, in één woord, dat lichaam een zondig vleesch geworden is.
Maar Maria, zooals wij weten, werd reeds in het eerste oogenblik harer ontvangenis door een bijzondere genade van den almachtigen God, van alle smet der erfzonde, en levenslang ook van alle persoonlijke zonden gevrijwaard.
Alzoo is ook haar lichaam altijd een volmaakt zuiver lichaam gebleven, en moet het dus ook, krachtens zijn volmaakte zuiverheid, van het eerste oogenblik zijner schepping af, gedeeld hebben in alle volmaaktheden der natuur en der genade aanvankelijk over het menschdom uitgestort, en het dus ook aan Maria zichtbaar zijn geweest, dat zij het pronkstuk en de kroon der zichtbare schepping, de koningin der aarde was.
Zoo, dunkt mij. moet haar in den geest de dichter-Jesuiet pater Poirters aanschouwd hebben, toen hij aan Maria, de minnelijke Moeder, den volgenden lofzang toewijdde:
96
O klare, scliooue Maget rein.
Veel zuiverder dan een Fontein!
Veel schooner dan de dageraad!
Veel zoeter dan de honiggraat!
De gulden zon, de zilvren maan Die moeten voor U ondergaan.
De blommen van den schoonsten hof Beroofdet Gij van haren lof\'.
Den diamant, saphier, robijn Verduistert Gij door uwen schijn.
Voor U moet wijken hot kristaal.
Gij bloost nog zoeter dan koraal.
De luister van het zuiverst goud.
Die wordt door uwen glans verflauwd. De cederboomen, U ter eer.
Die buigen al hun takken neer.
De lauwerkrans daalt op uw hand Eu zegt, dat Gij de krone spant.
De meeste roem van allen roem Dat is uw schoon\' Genadebloem;
Want Gij verbidt èn zwaard èn staal:
Dat is uw Kroon-imperiaal!
Zeker, in ieder menschelijk gelaat schemert, ook na de zonde nog, meer of minder, het natuurlijk beeld van God; de redelijke en onsterfelijke ziel; maar wat aan\'t gelaat zijn bijzondere schoonheid geeft, dat is de bovennatuurlijke gelvj-kenis met God: de heiligheid en rechtvaardigheid.
Zelfs een van natuur schoon gelaat wordt ontsierd door zondige driften en hartstochten; terwijl een van natuur minder schoon uiterlijk door een gestadige beoefening der deugd ik weet niet wat bevalligs en aantrekkelijks krijgt.
Is men echter van natuur reeds schoon, dan wordt deze schoonheid bevestigd en veredeld door de schoonheid dei-ziel ; en deze schoonheid straalt ook in hoogen ouderdom nog
97
uit het oog, en bij een fijner gevormd gelaat uit geheel de physionomie.
Maar hoe schoon, hoe hemelsch schoon moet dan Maria niet te aanschouwen zijn geweest, zij, die bij zulk een allerzuiverst lichaam nog zulk een allerheiligste ziel bezat?
Gelijk zich toch de zon het helderst afspiegelt en het diepst doordringt in zuiver water, zoo moet ook de weerglans van de bovennatuurlijke schoonheid harer ziel, heur lichaam als doordrongen, en bijzonder aan het gelaat â dat als de spiegel der ziel geroemd wordt â een bijzondere, hemelsche schoonheid hebben medegedeeld.
Zoo verstond het ook de. H. Ambrosius, schrijvende, dat Maria\'s bekoorlijk omhulsel als een fijn, doorschijnend weefsel was, waardoor men alle hare deugden zien kon, en dat haar edele en zuivere ziel zich geheel openbaarde in den opslag harer oogen. Zij was â zegt hij â de schoonste aller vrouwen, omdat zij de meest kuische en de heiligste van Eva\'s dochteren was
En om ons als te verklaren, hoe haar uiterlijk eene afbeel ding was van hare deugden, zegt de vrome Gerson: âDe Zedigheid schakeerde hare oogen; de Onschuld welfde haar voorhoofd; de Minzaamheid stortte zoetheid over hare lippen ; de Liefde tooide haar minnend hart, en de Kuischheid spreidde over geheel haar maagdelijk lichaam een waas van vlekke-looze reinheid 2).
En gelijk de zon, naarmate zij hooger uit de kimmen rijst, ook des te meer licht en warmte aan het aardrijk mededeelt, zoo deelde ook hare ziel, naarmate deze in heiligheid en rechtvaardigheid toenam, nog des te grooter bekoorlijkheid aan haar uiterlijk mede.
i) Orsiui 72. a) Jamar 81.
98
En evenals wij dat van zooveel andere Heiligen lezen, dat men hen niet kon aanzien zonder zich tot deugd te voelen opgewekt, zoo was dit ook, maar in veel hooger mate, het geval met Maria: âOver haar geheele wezen lag een waas gespreid van innemende vriendelijkheid, maar ook van stichtende vroomheid; zij boeide aller oogen, maar in haar wezen straalde eene afschaduwing der Cloddelijke Majesteit; het was zichtbaar, dat zij vol van genade en vol van den H. Geest was, zóódat allen die haar zagen, door den enkelen aanblik geheime genaden ontvingen, en zich voelden opgewekt om hun leven te verbeteren V\'
Zoo groot was, volgens den H. Bonaventura, de volmaaktheid van Maria, dat men op haar ten volle kan toepassen, wat de H. Schrift van Judith getuigde: Geene vrouw op de wereld evenaart haar in schoonheid, bevalligheid en toijsheid. Inderdaad, voegt de Seraphijnsche leeraar er bij, zulk eene vrouw zal nimmermeer op aarde verschijnen!
Dat nu de heilige Vaders en andere schrijvers in hun lof over Maria\'s uiterlijke schoonheid en bekoorlijkheid niet hebben overdreven, dat zal ons een ooggetuige, de H. Dionysius, een tijdgenoot der Apostelen, bevestigen.
Deze Heilige had het geluk de H. Maagd op aarde met zijne oogen te zien, en in een brief, dien hij korten tijd na zijne bekeering aan den H. Paulus schreef, deelt hij volgen-derwijze den indruk mede, dien het gezicht van Maria op hem gemaakt had:
âIk geloof niet, dat men â ik belijd het voor God â buiten God, den Allerhoogste en den oneindig Goede; zien, zelfs zich verbeelden kan, wat ik gezien en beschouwd heb, niet alleen met de oogen des geestes, maar ook met de oogen
!) Russchenbl. I, 36(5 en Jamar 134.
99
des lichaams, met mijne oogen, ik wil zeggen: de allerheiligste Moeder van onzen Heer Jesus Christus, die heilig is boven alle hemelsche geesten, en welke ik, door de goedheid van God, door de volmacht van het Hoofd der Apostelen en door de onuitsprekelijke goedertierenheid van die verhevene Maagd zelve, heb mogen zien.
âVoor den almachtigen God, voor den barmhartigen Zaligmaker en voor de glorierijke Maagd, zijne Moeder, beken en belijd ik, dat op het oogenblik, waarop de H. Joannes... mij in de tegenwoordigheid van de verhevene en zeer heilige Maagd bracht, dat toen een onmetelijk en hemelsch licht mij van buiten met zulk een glans omstraalde en met zulk eene volheid door mijn binnenste drong, en ik door de uitwaseming van alle liefelijke geuren in zulk een overvloed doortrokken werd, dat mijn armzalig lichaam, noch mijn geest tegen de uitstraling van die groote en eeuwige zaligheid bestand waren. Mijn hart zoowel als mijn geest bezweken onder het gewicht van zoo groote glorie en van zulk eene majesteit.
âIk verklaar het voor God: ware ik door uw heilig onderricht niet onderwezen geweest, ik had Maria voor een ware Godheid gehouden, want geene glorie der gelukzaligen, dunkt mij, kan het genot overtreffen, dat ik, nu zoo ongelukkig en toen zoo gelukkig, met volle teugen gesmaakt hebquot;
Zoo dan, wanneer gij, lieve lezer of lezeres, Maria, met den engel, vol van genade roemt, bedenk dan, hoe Maria\'s innerlijke heiligheid ook als de bron en de oorzaak was harer uiterlijke lieftalligheid, en hoe ook gij nimmer noch u zeiven, noch uwe omgeving zult kunnen gelukkig maken, tenzij gij er u vóór alles op toelegt om ook zedelijk schoon, dat is: schoon naar de ziel te zijn.
\') Russcheubl. II, 571.
100
Want behalve dat een uiterlijk, dat alleen maar natuurlijk schoon genoemd wordt, bij ons zondige stervelingen zoo weinig te beduiden heeft, zoo licht wordt verloren, zoo spoedig verwelkt en vergaat; wat waarde heeft ook zelfs het schoonste natuurlijke uiterlijk, wanneer dat niet gedragen wordt door godsdienst en christelijke deugden.
Schoonheid, zonder deugd, Verleent maar korle vreugd, zegt het spreekwoord, en te recht! Wat aangenaams in den omgang biedt eene vrouw, al waant zij zich schoon, als die vrouw niet zedig en eerbaar is, als zij twistziek en grillig is van humeur, nooit tevreden en aanstonds kwaad? Het is â zeggen de spreuken \') â beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtig wijf en in hetzelfde huis. Een kyjf-achiig wijf is een dak, dat gestadig lekt. Wie kan daaronder wonen ?
Wat mooi\'s is er aan een man, dien het nooit naar den zin is te maken, als die man altijd pruttelt, altijd knort en bij de minste tegenspraak in toorn opvliegt? Of als die man een fat of huistyran, een uitlooper of een drinker is?
Wat waarde heeft een mooie vriend, als deze niet eerlijk en trouw en openhartig is, of bij de minste aanmerking zich beleedigd waant?
Bedenk dus: moet gij iemand kiezen tot uw vriend of uwe vriendin, tot uw gezel of uwe gezellin des levens, laat u in uwe keuze niet leiden door een bedriegelijk en vergankelijk uiterlijk alleen, maar let vooral op zedelijk schoon, op godsvrucht en deugd; dat is het voornaamste, die. schoonheid blijft, al vergaat ook al het andere.
En wilt gij u zeiven en uwe omgeving gelukkig maken, vreugde rondom u verspreiden, tracht dan ook zelf naar ver-
\') Spreuken XXI, 9 en XIX, 13.
101
mogen uwe ziel in onschuld te bewaren en siert haar met christelijke deugden, zooals daar zijn: zedigheid, nederigheid, zachtmoedigheid, tevredenheid en dergelijke liefelijke deugden meer; zoodoende zult ook gij met de jaren toenemen in behagelijkheid voor Clod en bij de menschen en eens eeuwig het gezelschap mogen genieten van Haar, die bijzonder om haar zedelijk schoon, d. i. om de schoonheid harer heilige ziel, in hemel en aarde als de schoonste boven alle vrouwen geprezen wordt.
Zoet hart van Maria, ioees mijn heil.
xvn.
Waarom wij tot Maria zeggen: 2)e- Keer is met u 1
inRü
et was eertijds bij de Joden zeer gebruikelijk om elkander te begroeten met de woorden: De Heer ^ zyj met it, en dies komen ze ook veelvuldig in den ( Bijbel voor.
i De engel, die aan Gedeon verscheen, groette hem, zeggende: De Heer is met u, dappere held \')/
Toen Booz naai\' den arbeid zijner maaiers kwam zien, groette hij de werklieden met dezelfde woorden, die, men zoo dikwijls in de kerk hoort: Dominus vobiscum, d. i.: De Heer zij met ulieden! en zij antwoordden: De Heer zegenen 2).\'
David sprak tot zijn zoon Salomon : âDe Heer zij met u! wees gelukkig en bouw het huis voor den Heer uw God, gelijk Hij van u gezegd heeft 3).quot;
De jonge Tobias nam afscheid van zijne ouders, en zijn vader sprak den zegen over hem uit: Re.is gelukkig! God zij met u op uw weg en zijn engel begeleide u 4)!
4) Tobias V, 2
\') Jud. VI, 12. 2) Rutli II, 4. 3) I Chron. XXII, 1.
103
Toen David aan Saul verlof vroeg om tegen Goliath te strijden, sprak de koning: Ga, en Jehova zij met u ^!
Echter is er tnsschen deze gebruikelijke woorden, en de woorden, die de engel Gabriel tot Maria sprak, een aanmerkelijk verschil; want gene drukken een wensch, maar deze eene verzekering uit. Daarom moeten wij in het ivees gegroet niet zeggen: De Heer zij met u, even alsof wij dat wensch-ten, maar verzekerenderwijze: De Heer is met u.
En terwijl wij dit verzekeren, beteek-enen wij tevens, gelijk uit den geheelen samenhang der woorden blijkt, dat de Heer op een geheel bijzondere en eenige wijze met Maria is, meer dan Hij ooit met andere menschen was.
Nu, dat dit zoo is, blijkt allereerst hieruit, dat de Heer haar altijd op een geheel bijzondere wijze heeft bewaard en bijgestaan.
Zeker, de Heer is met ieder mensch door zijne genade, want Hij wil, dat alle menschen zalig worden; maar onder dit opzicht heeft Hij aan Maria twee genaden, twee voorrechten geschonken, die Hij nooit aan eenig ander mensch geschonken heeft.
Immers, terwijl wij allen in erfzonde ontvangen, en niet in staat zijn, gedurende langen tijd alle dagelijksche zonden, ten minste alle de half-vrijwillige te vermijden; heeft God haar â gelijk wij dit reeds overwogen hebben â door een bijzonder voorrecht voor alle smet der zonde bewaard; want zij werd onbevlekt ontvangen, en ontving zooveel genade, waaraan zij ook getrouw beantwoord heeft, dat zij levenslang nooit, noch doodzonde, noch dagelijksche zonde, zelfs geen half-vrij willige bedreven heeft.
Wij moeten dus de woorden: De Heer is met u, beschou-
â ) I Begum XVI r, 37.
104
wen als een gevolg en eene voortzetting van de woorden: Vol van genade; want omdat Maria altijd vol van genade en bevalligheid was van het eerste oogenblik harer schepping af, was de Heer ook altijd op bijzondere wijze met haar; en .hoe langer zij leefde, des te meer drukte Hij zijn Goddelijk beeld, zijne liefde en vlekkelooze schoonheid uit in hare ziel.
Indien het dan waar is, wat men van sommige Heiligen verhaalt, dat men hen niet kon aanzien, zonder zich tot de deugd te voelen aangetrokken; wat zouden wij dan gevoeld hebben, indien wij, met den engel, Maria aanschouwd en de schoonheid en de liefde gezien hadden, die er woont in hare ziel!
Wel mogen wij dus met een godvruchtig schrijver uitroepen: âO Maria, de Heer was met u, in uw hart, door de liefde, â welk geluk! De Heer was met u, in uw mond, door een onafgebroken gebed, â welk genot! De Heer was met u, in uwe werken, door een allerzuiverste meening, â welk een bron van verdiensten! De Heer was met u, in uw geheugen, door een aanhoudende herinnering aan zijn Goddelijke tegenwoordigheid; met u, in uw geest, door een voortdurende overweging der H. Schriften; met u, in uw wil, door een nooit verflauwde opwekking der heiligste gevoelens, â welke altijd zoekende en altijd vindende liefde!quot; ...
De Heer is ook -- wij mogen er niet aan twijfelen â met ieder mensch, bijzonder met diegenen, die Hem lief hebben, door de zorgen zijner Voorzienigheid; maar toch al wederom heeft zijne Voorzienigheid op geheel bijzondere wijze gezorgd voor Maria.
Volgens de Christelijke overlevering werd Maria, evenals weleer Samuel, in haar vroegste jeugd, toen zij drie jaren oud was, door hare moeder naar den tempel gebracht om in de schaduw des heiligdoms, als een aan God toegewijde
105
maagd te worden opgevoed; en volgens dezelfde overlevering, legde zij daar ook, om onverdeeld voor God te leven, de gelofte van eeuwige maagdelijke zuiverheid af.
Kort na hare meerderjarigheid, die met het twaalfde levensjaar intrad, keerde zij naar de ouderlijke woning terug, en werd zij, nog vóór de Boodschap des engels \'), uitgehuwelijkt aan Josef, den rechtvaardige, die evenals zijne bruid een afstammeling was uit het koninklijk geslacht van David.
Het lijdt geen twijfel, dat Josef kennis droeg van Maria\'s gelofte om in maagdelijke zuiverheid te leven, en dit bij hem vaststond, door zijn aanstaand huwelijk â gelijk de H. Hie-ronymus zegt â meer da beschermer dan de echtgenoot der Maagd te zijn.
In hare nederigheid verzweeg Maria voor haar echtgenoot het wonder der menschwording van Jesus; doch Josef werd door een engel hierover onderricht.
Wie staat hier niet verbaasd over des Heeren bijzondere zorg voor Maria, ook in haar tijdelijke aangelegenheden.
Hij kiest voor haar dien echtgenoot, die onder alle mannen de heiligste en als dusdanig haar het meest waardig is.
Hij redt haar eer in het oog van haar echtgenoot en zendt zijn engel van den hemel af om hem te boodschappen, dat Maria\'s kind Gods kind, de Messias, en hij daarvan de voedstervader of bewaarder wezen zou.
Hij redt ook door dit huwelijk de eer van Maria in het oog der wereld en zorgde tegelijkertijd, dat zij in haar bruidegom een bewaarder vinden zou voor haar maagdelijke zuiverheid, een trooster in hare droefheid, een helper in hare behoeften.
Het is hier de plaats niet er verder over uit te wijden en het is u, lieve lezer of lezeres, ook genoeg bekend, hoe zij
\') Theol. Boym. Cowp. J. de Bruijn II. 1U.
106
in den H. Josef, waarlijk oen steun en troost gevonden heeft op hare reis naar Bethlehem, op hare vlucht naar Egypte, en hoe hij gedurende meer dan dertig jaren door zijn zweet en zijn arbeid in de behoeften van het H. huisgezin voorzag. Het zij genoeg hier op ie merken, dat zijne opoffering, zijne toewijding en liefde zoo groot waren, dat de H. Geest Josef\'s ganschen lof in één woord samenvat en hem eenvoudig den man van Maria, en den vader van Jesus Christus noemt.
Hoe in \'t bijzonder Gods Voorzienigheid Maria omringde gedurende hare vlucht door de woestijn naar Egypte, hiervoor spreken vele oude legenden.
Nu eens b.v. zouden engelen haar hebben vergezeld en haar voorzien van brood en vruchten; dan weer zouden zich de boomen en struiken hebben opgericht en voorover gebogen om Moeder en Kind met hunne schaduw te overlommeren; dan weer zou er uit dorre zandaarde een bron ontsprongen zijn om haar dorst te lesschen, en dergelijke liefelijke overleveringen meer, alle getuigende van Gods bijzondere zorg voor Maria.
En als wij ons hierbij nu nog herinneren, hoe de Heer, hangende aan zijn kruis en in stervensnood, er nog aan denkt om haar aan de zorg van den meest beminden zijner Apostelen aan te bevelen en dezen den eervollen zoeten last opdraagt haar als zijne moeder te beminnen, en jegens haar al de plichten van een liefhebbend kind te vervullen, â dan zullen wij wel overtuigd zijn. dat Gods Voorzienigheid haar altijd met de teederste zorgen heeft omringd, en zij met meer recht dan ooit een Heilige de schoone spreuk tot de hare maken kon: Gij, o Heer! hebt mij steeds geleid, en mee. hand xuus met mij.
Lieve lezer of lezeres, misschien zijt gij nog jong en gij weet niet wat u op lateren leeftijd nog staat te wachten en
107
boven het hoofd hangt. Er kunnen ook over u, evenals over Maria, zware beproevingen en moeilijke tijden nederdalen, waarin gij uw ondergang vinden kunt, zoo ook gii niet op een bijzondere wijze door den Heer gesteund wordt; in ieder geval overkomt u eenmaal het vreeselijke uur des doods.
Nu kunt gij echter vooraf zorgen, dat alsdan ook de Heer met u zij, en zijn machtige hand u geleide op al uwe wegen, u bijsta in iederen nood en alles ten goede wende. Blijf steeds, evenals Maria, getrouw aan God den Heer en verlaat Hem niet; wacht u voor de zonde; verzuim het gebed en de heilige Sakramenten niet; en zoudt gij in een groote zonde gevallen zijn, verzoen u terstond weder met God door een ware boetvaardigheid.
Zóó kunt gij zeker zijn, dat de Heer in alle levensomstandigheden u nabij is, u beschermt, u leidt. Trouwens, duizendmaal gebeurt het, dat de mensch God verlaat; maar nooit, zoolang de wereld staat, is het gebeurd, dat God een mensch, die Hem getrouw was, het eerste heeft verlaten.
Lieve Moeder Maria, bid dan voor mij, opdat ik altijd met den Heer, en de Heer met mij zij.
XVIII.
Koe meer bijzonder nog de Keer met Maria is.
/3 \'li--^v/v!f^.i ^ f
ll IfM1? og 0P een andere, op-een geheel eenige, geheel uit-^ stekende wijze, was de Heer meer met Maria dan éVV ooit met eenig ander schepsel, omdat de //. Drievul-
digheid in haar het icerk van Christus\' menschicording heeft gewrocht.
Er is op aarde voorzeker geen band, die sterker, noodzakelijker en inniger is dan de band, waardoor eene moeder met haar kind verbonden is; die band ontstaat met den mensch en nooit, zelfs door den dood niet, wordt hi) verbroken.
Welnu, zulk een band, ja zelfs nog inniger en heiliger band bestaat er tusschen Maria en den Heer Jesus Christus.
Immers, meer dan ooit een andere moeder, mag zij den Zoon Gfods haar kind, zoo geheel en eenig haar kind noemen, daar zij niet op natuurlijke wijze, maar door een eenig en bijzonder voorrecht, op bovennatuurlijke wijze, door een wonderwerk der H. Drievuldigheid, zijne Moeder geworden en toch Maagd gebleven is.
O Maria! â zegt daarom de H. Bernardus â de Vader
â
109
is met u, want Hij heeft zijn Zoon den uwe gemaakt; de Zoon is met u, want Hij is mensch geworden in uw maagdelijken schoot; da H. Geesl is met u, want Hij heeft u tot zijne Bruid verkoren en uw lichaam geheiligd.
Stel u, lieve lezer of lezeres, het treffend oogenblik waarop zulks geschiedde, nog eens levendig voor den geest.
Toen de tijd gekomen was, waarop het groote werk dei-Verlossing, door de menschwording van het Eeuwig Woord des Vaders, in vervulling gaan moest, zond God den aartsengel Gabriël naar de aarde met den verhevensten last, die ooit aan een hemelgeest kon worden opgedragen.
En de engel kwam in de stad Nazareth, in het huis van de H. Maagd Maria en, met diepen eerbied het woord tot haar richtend, sprak hij: âWees gegroet, gij vol van genade! De Heer is met u; gezegend zijt gij boven alle vrouwen.\'
Toen Maria dit hoorde, ontstelde zij over zijne woorden, en peinsde, wat dit voor een groet mocht zijn.
En de engel sprak tot haar: âVrees niet, Maria! want gij hebt genade gevonden bij God. Zie, gij zult ontvangen en een Zoon baren, en zijn naam Jesus heeten. Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genoemd worden.quot;
Maria vroeg: âHoe zal dit geschieden, daar ik aan God de belofte van eeuwig maagd te zullen blijven gedaan heb ?quot;
De engel antwoordde: âDe H. Geest zal over u komen, en de kracht van den Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom zal ook het Heilige, dat uit u zal geboren worden, Zoon van God genoemd worden, d. i.: geen anderen Vader hebben dan God alleen.quot;
Toen sprak Maria: âZie de dienstmaagd des Heeren: mij geschiede naar uw woordquot;
\') Luc. I, 20â88.
110
En aanstonds na dit antwoord van Maria aan den engel, geschiedde haar naar zijn woord. De Zoon Gods nam, door een wonderwerk van de H. Drievuldigheid, in en uit de Maagd Maria de menschelijke natuur aan; en het Woord was vleesch, d. i.: rnensch geworden en heeft onder ons gewoond, en Maria was in den waren en eigenlijken zin de Moeder des Heeren.
Dit ontzettend geheim van een oneindige vernedering van een God, en van een alles overtreffende verheffing van Maria, kan geen menschelijk verstand begrijpen, maar alleen aanbidden.
Daarom buigt de priester telkenmale, als hij, op het einde van de Mis, het Evangelie van Sint Jan. bidt, bij de woorden : En is mensch geworden en heeft onder ons gewoond, vol geloof en aanbidding het hoofd en de knie; en op Maria Boodschap buigt de priester dieper nog dan op andere dagen, wanneer onder het Credo eener plechtige Mis. deze woorden worden gezongen: Et incnrnatus est de Spiritu Sancto ex Maria Virgine, et Home factus est: die het vleesch heeft aangenomen door den H. Geest uit de Maagd Maria, en Mensch geworden is.
Een zinnebeeld dezer wonderbare ontvangenis is, volgens den H. Ephrem, de Roede van Aaron, die op wonderdadige wijze bloesems en vruchten droeg.
Op Gods bevel moesten de twaalf stamhoofden ieder aan Mozes een staf brengen, waarop de naam van den stam, wiens hoofd zij waren, geschreven werd; ook Aaron moest hetzelfde doen, en op zijn staf schreef Mozes den naam van Levi.- Want God had gezegd: De staf ran hem, dien ik uitverkoren heb, zal bloeien
\') Numeri XVII, 1â12.
Ill
Mozes legde dan de dertien staven neder in het heilige dei-heiligen voor de Verbondsark. En den volgenden dag ging hij daar weer binnen om, ten aanschouwe van al het volk, de staven te voorschijn te brengen. En zie! twaalf waren doode stokken gebleven, gelijk ze den vorigen dag waren; maar Aaron\'s staf was in een levenden tak van een amandelboom veranderd; hij droeg knoppen, die zich in bloesems openden en amandelen voortbrachten.
Zie, dat was een groot wonder, dat al het volk zag. En gelijk nu Aaron\'s staf, door Gods almacht, zonder wortel en zonder aanraking met de aarde, knoppen en bloesems voortbracht, â zoo ook ontving Maria den Zoon Gods, niet op natuurlijke wijze, maar op bovennatuurlijke wijze, door een mirakel der H. Drievuldigheid.
Dit nu geschiedde â zoo verklaart uitdrukkelijk de H. Mattheus â opdat vervuld zou worden wat, acht eeuwen te voren, van den Heere gesproken is door den profeet Isaias. die zegt: âZie, de_ muugd zal bevrucht worden, en een zoon baren, en men zal zyjn naam heeten Emmanuel; \'t welk, overgezet zijnde, is; God, mei ons.quot;
En zoo dus blijkt al wederom hieruit, dat de Heer meer met Maria was dan ooit met eenig ander schepsel, en dat Hij voor haar dingen gedaan heeft, die Hij voor anderen niet gedaan heeft en niet doet; want Hij heeft haar uit zooveel duizenden dochters uitverkoren tot Moeder van Jesus Christus, en in haar, door een wonder zijner almacht, de eer van het moederschap vereenigd met het sieraad der maagdelijkheid. Neen, nader dan in dit geheim â zegt de H. Albertus de Groote â kon de Maagd met God niet vereenigd worden.
En van het oogenblik, dat de Heer aldus lichamelijk bij haar zijn intrek nam, is Hij ook altijd naar het lichaam bij haar gebleven.
112
De herders en de drie Koningen kwamen Hem aanbidden in den stal te Bethlehem, en de H. Schriftuur zegt, dal zij hel kind gevonden hebben met zijne Moeder.
Toen Hij vluchtte naar Egypte; toen Hi] in den tempel geofferd werd; toen de oude Simeon Hem op de armen nam; toen Hij in het midden der wetgeleerden zat; toen Hij gedurende achttien jaren te Nazareth woonde; op de bruiloft te Cana in G-alilea; toen Hij zijn kruis droeg; toen Hij daaraan genageld werd; toen Hij aan hetzelve zijn geest gaf; toen Hij verrees; toen Hij opklom ten hemel, â altijd vond men den Zoon met de moeder, en de moeder met den Zoon; of indien Hij soms naar het lichaam bij haar niet was, is het buiten twijfel, dat Hij met het hart en met de genegenheid bij haar was.
Hij dan, die met Jesus wil zijn, moet ook met Maria wezen, want Jesus wordt niet gescheiden van Maria, noch Maria van Jesus.
Ik kan dan ook, dunkt mij, deze overweging niet beter sluiten dan met de volgende schoone ontboezeming van den god-vruchtigen Thomas van Kempen: âO welk een geluk, en hoe zoet is het met Maria Jesus te aanbidden, liggende in de kribbe; met Maria Jesus te dragen op de armen; met Maria Jesus te zoeken; met Maria en Jesus te Nazareth te wonen; met Maria onder het kruis te staan; met Maria Jesus te be-weenen; met Maria Jesus te begraven; met Maria en Jesus te verrijzen; met Maria en Jesus ten hemel te klimmen; en met Maria en Jesus te leven en te sterven!
âGelukkige ziel, die Jesus en Maria tot vrienden heeft in dit leven; tot gezelschap aan tafel; tot geleiders op den weg; tot helpers in den nood; tot troosters in droefheid; tot toevlucht in de gevaren; tot raadslieden in twijfel, tot bijstand in het uur des doods!
118
âLeef dan zoo, dat Jesus altijd met u zij, gelijk Hij met Maria geweest is; en dat dit uw grootste troost zij in de ballingschap der wereld: Jesus en Maria in uw hart te herbergen 1).quot;
\') Hazart, 28.
XIX.
Hos Maria nu met den Keer in den hemel is.
oen eens eene vrouw de woorden van Goddelijke wij sheid hoorde, die van Jesus\' lippen vloeiden, ihf\'\' en de wonderen zag, die zijne almacht wrocht, werd zij zoodanig door de allesbeheerschende beminnelijkheid en waardigheid, die zijn persoon en zijne handelingen omgaven, getroffen, dat zij â misschien zelve eene moeder en het geluk berekenende wat het zeggen wil de moeder te zijn van zulk een zoon â als in verrukking hare stem verhief uit de schare en tot Hem zeide; Zaliff is de schoot, die u gedragen heeft, en de borsten, die Gij gezogen hebt! Waarop Jesus antwoordde: Ja, zalig zijn zij, die het icoord Gods hoeren én het bewaren
In dit antwoord, een der schoonste en heerlijkste lofprijzingen voor Maria, ligt tevens de reden harer hooge gelukzaligheid in den hemel opgesloten.
Want hoe waar het ook is, wat die goede vrouw hier
*) Luc. XI, 27. H. J. Ruschebl. II, 303.
115
zeide, dat Maria zalig was om haar Goddelijk moederschap, als zijnde dit de grondslag van al hare grootheid, het beginsel van alle hare voorrechten, zoo is dit nochtans de eenige reden harer hooge gelukzaligheid in den hemel niet; want al die voorrechten en buitengewone genaden zouden haar al weinig gebaat hebben, hadde zij niet zoo getrouw naar Gods woord, dat genade is, geluisterd en met de hulp der genade een allerheiligst en verdienstelijk leven geleid.
Immers, al is een mensch nog zoo heilig, zoo heilig zelfs als Maria, zoolang hij leeft behoeft hij de hulp Gods om die heiligheid te bewaren en iets verdienstelijks voor den hemel te doen; want de hemel is een bovennatuurlijk loon en kan dus slechts door een bovennatuurlijke kracht en hulp bereikt worden.
Die bovennatuurlijke hulp, zonder welke niemand noch in de liefde volharden, noch eene daad verrichten kan, die ter zaligheid verdienstelijk is, wordt in het algemeen Goddelijke genade of ook wel dadelijke genad.e en genade van bijstand genoemd.
Vraagt gij, wat die genade eigenlijk is en hoe ze werkt, dan antwoord ik in overeenstemming met de leer der Kerk, dat ze als een straal is van den H. Geest, die de ziel doordringt en treft in alle hare vermogens; ze verlicht ons verstand en beweegt onzen wil om het kwaad te laten en het goede te willen en te volbrengen.
Ze wordt ons om de verdiensten van Christus uit vrije goedwilligheid geschonken, en geeft aan alle onze daden, ook aan de geringste, die wij onder invloed dier genade verrichten, zulk een adel en verheffing, dat zij in de oogen Gods een bovennatuurlijken glans en waarde bezitten en een hemelsch loon waardig zijn.
God geeft die genade aan alle menschen, aan den een meer,
116
aan den anderen minder, maar aan allen voldoende ter zaligheid, icarü God tüil, dat cdle menschen zalig worden en tot d.e kennis der waarheid komen
Daar echter de genade, ondanks haar kracht, den mensch zijn volle vrijheid laat, zoo gebeurt het, dat wel allen die genade ontvangen, maar niet allen evenzeer met die genade meewerken ter zaligheid.
Maar nu bestaat juist hierin de onvergelijkelijke glorie en luister der H. Maagd, dat zij om haar Goddelijk moederschap meer genade ontvangen hebbende dan eenig ander schepsel en dus heiliger kunnende worden â ook inderdaad meer dan eenig andere Heilige naar die genade heeft geluisterd en zoo met die genade heeft medegewerkt, dat zi] niet slechts haar oorspronkelijke heiligheid en waardigheid bewaard, maar nog voortdurend, ieder uur en ieder oogenblik door de schoonste en edelste deugden vermeerderd heeft.
Er is geen Heilige in den hemel of hij had, indien hij getrouwer aan Gods genade had beantwoord, indien hij meer goed gedaan, de onschuld altijd bewaard en den tijd beter besteed had, nog heiliger kunnen worden; maar Maria heeft zich op alle deze punten niets te verwijten.
Onophoudelijk luisterende naar Gods genade en voortdurend doende, waartoe die genade haar opwekte, deed zij alles voor God en om God en met God; met God in haar hart en in hare gedachten stond zij op en ging zij naar bed, werkte en leed zij, en was zij tevreden en onderworpen bij alles, wat God haar liet overkomen.
Nooit deed zij een werk, dat geen verdienste had; nooit sprak zij een woord, nooit had zij eene gedachte, eene ademhaling, die niet strekten tot meerdere eer van God.
^ 1 Timoth. II, 4,
117
En zoo kwam het clan ook, dat Maria dooi deze zoo getrouwe beantwoording aan alle genade, niet slechts in één deugd, maar in alle deugden uitmuntte.
Bij de Heiligen â schrijft de Apostel â zijn de genaden verschillend. Er is verscheidenheid van genadegaven l). Vandaar dat iedere Heilige, naar gelang hij aan de ontvangen genade beantwoordde, in een bijzondere deugd heeft uitgemunt: de eene door zielenijver, de andere door boetvaardigheid; deze door grootmoedigheid in het lijden, gene door een stichtend leven, enz.; maar daar Maria vol van genade was en zoo getrouw mogelijk aan iedere genade beantwoordde, heeft zij niet slechts in één deugd, maar in alle deugden en in iedere deugd in het bijzonder op het volmaaktste uitgemunt.
In haar vereenigen zich de gelatenheid van Job, de zachtmoedigheid van Mozes, het geloof van Abraham, de kuisch-heid van Josef, de ijver van Elias; in haar schitteren de reinheid der Maagden, de sterkte der Martelaren, de vroomheid der Belijders, de wetenschap der Leeraars, de versterving der vaders in de woestijn -).
Daar nu, gelijk het geloof zóó bevredigend leert, door ieder goed werk, dat wij uit liefde tot God verrichten, door ieder kruis, dat wij met overgeving aan zijn heiligen wil geduldig dragen, de heiligmakende genade of de liefde Gods in ons vermeerderd wordt, zoo werd dus ook in Maria de heiligmakende genade of liefde Gods met ieder oogenblik nog sterker en grooter, en bereikte op het einde haars levens zulk een graad, dat â gelijk de H. Bernardus dit zegt â slechts een voortdurend wonder haar in het leven behouden kon.
En daar nu al wederom een ieder in den hemel dien graad van glorie en geluk ontvangt, die overeenkomt met den graad
2) Jamar 95.
\') 1 Cor. XII, 4.
118
van heiligmakende genade, waarin hij uit dit leven vertrekt, â zoo moet dus Maria ook thans in den hemel, in de glorie en het geluk des hemels, by God de naaste zijn, dat wil zeggen: alle Heiligen en engelen in zaligheid overtreffen, niet alleen om hare waardigheid van Moeder Gods, waardoor zij boven allen verheven is, maar ook om hare deugden en verdiensten, waardoor zij allen overtroffen heeft.
Dus munt de heerlijkheid van Maria â zegt de H. Petrus Damianus â uit boven de heerliikheid van alle engelen en Heiligen samen genomen, gelijk hare verdiensten ook al de verdiensten der hemellingen overtreffen.
Dus heeft God â zegt de H. Augustinus â Maria in den hemel zoo hoog verheven, niet zoozeer omdat het Eeuwig Woord in haar schoot is vleesch geworden, als wel omdat zij immer den wil van God heeft vervuld, omdat zij zich gewillig aan Gods raadsbesluiten onderworpen, omdat zij door haar ijver, hare medewerking met de genade en hare volharding, een zeer deugdzaam, zeer rein, en zeer heilig leven geleid heeft.
Wanneer dus Christus het hooren en bewaren van Gods woord als grondslag en bron der zaligheid verkondigt, dan vermindert Hij de glorie zijner Moeder niet, maar verkondigt Hij bij uitnemendheid de zaligheid van haar, die zoo bij uitnemendheid Gods woord gehoord en bewaard heeft.
En wanneer wij dus in het Wees gegroet tot Maria zeggen: De Heer is met u, dan doen wij dit ook om ons te verheugen over de hooge gelukzaligheid, die zij thans in den hemel bezit, en om er ons zeiven aan te herinneren, dat geen voorrechten of buitengewone genaden of waardigheden alleen ons zalig maken, maar dat wij, om werkelijk zalig te worden, moeten doen wat Maria gedaan heeft; naar Gods genade luisteren en doen -waartoe de genade opwekt.
119
Moge dit dan ook, lieve lezer of lezeres, de vrucht zijn dezer overweging: Altijd aandachtig luisteren naar de inspraken der genade en ze vlijtig opvolgen.
Nauwelijks immers gaat er een dag of een uur voorbij, waarop wij die inwendige stem der genade niet ontwaren; hetzij door invallende gedachten onder onze gewone bezigheden, hetzij bij het lezen van een goed boek, hetzij bij het hooren van het woord Gods in de preek, een plotseling sterfgeval, het ratelen van den donder, enz.
Maar overal waar en wanneer wij die stem Gods hooren, wekt ze ons immer en altijd op om vromer en beter te leven; nu eens om meer aan onzen dood te denken en ons beter tot sterven voor te bereiden, dan weer om niet zoo gehecht te zijn aan het aardsche en meer liefdewerken te doen; nu eens om meer en beter te bidden en geregelder en waardiger de heilige Sakramenten te ontvangen, dan weer om niet zoo ongeduldig te zijn bij arbeid en lijden, maar arbeid en lijden om Gods wil voor den hemel geduldiger en meer tevreden te verduren.
Zie, wanneer gij in die gevallen naar die inspraken luistert en dan doet, waartoe de genade u opwekt, zult gij niet slechts evenals Maria in de heiligmakende genade volharden, maar ze ook door allerlei sehoone deugden voortdurend vermeerderen en u met ieder goed werk een parel te meer hechten aan de kroon uwer hemelsche glorie en zaligheid.
Dat kost nu zeker wel eenige moeite en inspanning, maar bedenk, dat uwe levensjaren en daarmede ook alle uwe zorgen en moeiten, zoo spoedig eindigen en voorbijgaan; maar wat gij voor God gedaan, gewerkt, geleden en gestreden hebt, dat gaat nooit voorbij, dat staat opgeteekend in het Boek des levens en zal eens zijn volle vergelding vinden in den hemel.
120
Zoo luister dan lieden eens aandachtig naar de inspraken -der genade, en volg ze vlijtig op; bid eens hartelijk:
Maria, Moeder der Goddelijke genade! vraag voor mij, dal ik getrouw met de genade mag medewerken.
1
XX.
3e gezegendste der Maagden.
®l#aria was de gezegendste der Maagden, omdat zi] \'ff het eerst zich voor eeuwig met het sieraad der vriiwilhge maagdelijkheid heeft getooid.
Men vindt in het Oude Verbond heilige vrouwen.
11gt;
maar maagden, die de eeuwige zuiverheid met liefde omhelsden, die God uitsluitend tot haar deel begeerden, en slechts reine bruiden van den H. Geest wilden zijn. geen enkele; Maria was de eerste, en niemand vóór haar had aan zulk een offer ooit gedacht.
Dit kan ons niet verwonderen, wanneer wij bedenken, dat de maagdelijkheid en de ongehuwde staat bij de Joden in minachting stonden, vooral in de laatste jaren vóór Christus, toen iedere vrouw uit Jesse\'s stam zich met de hoop vleide de moeder te mogen worden van de Maagd, uit wie de Emmanuel zou geboren worden.
Maria was de eerste, die met dat vooroordeel brak; zii dacht te gering van zich zelve dan dat bij haar de gedachte opkwam, of God zich misschien van haar zou willen bedienen
om den Verlosser aan de wereld te schenken, en zonder eenig voorbeeld van dien aard in de geschiedenis van haar volk aan te treffen, wijdt zij haar vlekkelooze maagdelijke zuiverheid aan God tot een eeuwigdurend offer.
O hoe schoon, hoe treffend is het antwoord door Maria aan den engel gegeven! Zij zegt: tl oh zul dit geschieden, deivijl ik geen man heken? Zoo innig heeft zij de eeuwige zuiverheid omhelsd; zoo één is die deugd met Maria, dat het haar onmogelijk is ze voor eenigen prijs op te geven.
Let wel; Maria twijfelt geen oogenblik aan Gods almacht; zij is slechts bezorgd voor de maagdelijke zuiverheid; want zoodra zij hoort, dat de Heer een wonder zal doen, is zij gerustgesteld en zegt; Ziehier de dienstmaagd des Heeren.
â Maar indien niemand vóór haar ooit aan zulk een offer heeft gedacht, hoe kwam zij er dan toe zich door zulk een offer aan den Heer te verbinden?
â Reeds de H. Bernardus stelde zich dezelfde vraag en heeft er ook een afdoend antwoord op gegeven : âGeen gebod, â zoo antwoordt hij â geen raad, geen voorbeeld van dien aard was aan Maria gegeven; alleen de Goddelijke leering onderrichtte haar daarin; alleen het levende en het doordringende Woord van God, die haar Leermeester was, vóórdat Hij haar Zoon werd, heeft haar geest verlicht, vóórdat Hij het lichaam uit haar aannam.quot;
â En hoe nu beloonde God haar dit offer van zich zelve? Ook dit zal ons dezelfde H. Bernardus verklaren: âZij wijdt zich â zoo gaat hij voort â aan Christus om voor Hem als Maagd te leven, en zonder het te weten, wijst zij zich daardoor aan om zijne Moeder te worden. Zij kiest een in Israël verachten staat en. om aan den Heer te behagen, aanWien zij zich toeheiligt, laadt zij de vervloeking op zich, welke op cle on vruchtbaren rust; maar die vloek verkeert voor haar
123
in zegen, en de raenschelijke onvruchtbaarheid wordt beloond door het Moederschap van Gods Zoon \'j.
Evenzoo spreekt de H. Hieronymus: âDoor hare zuiverheid verdiende zij Moeder van den Christus te worden.quot;
âGod heeft â aldus de H. Chrysostonms â niet een rijke koningsdochter tot Moeder van zijn Zoon uitverkoren, maar geene andere dan Maria, omdat zij meer dan eenig ander mensch de kuischheid beminde.quot;
Aldus, lieve lezer of lezeres, openbaarde God zelf, wiens oordeel over de waarde der dingen onbedriegelijk is. allerduidelijkst zijne hoogschatting en voorliefde voor de deugd van zuiverheid; en sinds dan ook is het voorbeeld van eeuwige maagdelijke zuiverheid, door Maria het eerst gegeven, door God zóó hoog beloond, door Christus later zóó zeer geprezen en aanbevolen, door de Vaders zóó geroemd en waaraan zelfs de verdorvenste wereldling zijne bewondering niet onthouden kan, ten allen tijde tot op den huldigen dag door ontelbare Christenen van allerlei stand, ouderdom en geslacht nagevolgd.
De woestijnen van Egypte verspreidden den geur dier he-melsche bloem, en te midden der doornen van heidensche boosheid en bedorvenheid prijkte ze reeds, zoowel in de paleizen der koningen en keizers, als in de hutten der armen, duizendvoudig in vlekkelooze reinheid.
Hartverheffend is de geschiedenis van tallooze heilige maagden, die Jesus, haar Bruidegom, met on verbreekbare trouw waren toegedaan, de vereerendste huwelijken afsloegen en niet zelden met haar bloed den band hunner liefde bezegelden.
Zoo, bij voorbeeld, de H. Dorothea, die als maagdelijke
\') H. Ruscheblatt I, 354.
124
bruid van Christus te Caesarea, in Cappodocië leefde, toen de vervolging tegen de Christenen onder keizer Diocletianus uitbrak.
De landvoogd eischte van haar, dat zij met den schat van haar geloof ook tevens dien van haar maagdom zou prijsgeven ; zoo zij weigerde, zou hij haar onder de vreeselijkste smarten doen sterven.
â Ik vrees de smarten niet, tvaarmede fji/j dreigt â antwoordde zij â ik vrees God alleen; die smarten toch zijn licht en spoedig geleden; maar de pijnen der hel zijn zivaar en duren eeuwig.quot;
Nu werd zij op de pijnbank uitgestrekt, met roeden gegee-seld en geheel doorwond in de gevangenis geworpen. God echter genas zijne dienstmaagd in een oogenblik.
Nog eens werden haar de ledematen op de pijnbank uitgestrekt en in die houding met fakkels geblakerd; doch zij scheen niet de minste smart te gevoelen, want een wonderbaar zoete lach zweefde aanhoudend op haar gelaat.
Nu werd zij veroordeeld om te sterven door het zwaard en naar de strafplaats gevoerd.
âO hoe verheug ik mij - - sprak zij onderweg - weldra den lusthof van mijn Bruidegom in te gaan en er rozen en vruchten te plukken!quot;
Een heidensch jongeling, met name Theophilus, dit hoerende, riep haar al schertsende toe:
âNu, bruid van Christus, stuur n.ij eens wat appelen en rozen uit den lusthof van im Bruidegom, dan word ik ook Christen!quot;
En met heiligen ernst antwoordde Dorothea:
â Uw verlangen zal vervuld worden; gij zult ze ontvangen1\' - en eenige stonden later viel haar hoofd onder het scherpe zwaard van den beul.
125
Op den avond van denzelfden dag zat Theopliilus met zijne vrienden bijeen, vertelde hun wat hij aan Dorothea gevraagd en wat zij beloofd had en voegde er schertsend bij: âIk hen nieuiosgierirj of zhj haar woord zal houden!*
En zie! op het eigen oogenblik stond er een knaap, met den glans des hemels op het gelaat aan zijne zijde en bood hem drie appelen en diie rozen aan, zeggende: âDorothea zendt li deze vruchten en bloemen uit den lusthnf van haar Hemelschen Bruidegomquot; -- en verdween daarop.
Op het zien der rijpe vruchten en wonderschoone bloemen midden in den winter, riep de jongeling vol ontroering uit: âJa, waarlijk, er is cjeen andere God. dan de God der Christenen! Hem zal ik voortaan aanbidden. Hem wil ik dienen.1\' âKorten tijd daarna stierf ook hij den glorievollen dood der martelaren.
Zoodan, mijn lieve lezer of lezeres, indien gij tot hiertoe als jongeling of jongedochter in reinheid geleefd hebt en in waarheid zeggen kunt, dat gij nog onschuldig zijt, hoe gelukkig zijt gij dan! Al zoudt gij voor de oogen en in de achting der wereld voor weinig of niets geteld worden; al zoudt gij arm of ziek of gebrekkig zijn; al zoudt gij slecht gekleed gaan, en gekromd, verouderd en vergrijsd zijn door zwaren arbeid, gij zijt in uwe onschuld in de oogen Gods aanzienlijker en meer geacht en liever en beminnelijker dan een koning op zijn troon of een koningsdochter in plechtgewaad, wanneer dezen hunne onschuld verspeeld hebben.
Evenals des nachts bij een donkeren hemel de sterren zóó wonderbaar schoon en stil en helder en lief staan te schitteren en te flikkeren als eeuwige lichten voor den troon van God; â - zóó flikkeren en schitteren ook, van de benevelde aarde omhoog naar den Hemel, de zielen der onschuldige jongelingen en jongedochters, en op hen ziet de almachtige God met een bijzonder en innig welgevallen neer.
126
En wanneer zij zóó blijven en zóó sterven, zullen zij ook eens in den hemel in een bijzondere schoonheid uitschitteren en een grootere heerlijkheid genieten dan de andere Heiligen; want het is van hen dat er in het profetisch Boek des Nieuwen Verbonds geschreven staat:
âHet Lam stond op den berg Sion en met hem honderd vier en veertig duizend, die zijn naam en den naam zijns Vaders op hunne voorhoofden geschreven droegen.
En ik hoorde eene, stem uit den hemel als het gebruis van vele wateren en als het geluid van een zwaren donder; en de stem die ik hoorde was als van harpspelers, die harpten op hunne harpen.
Kn zij zongen als een nieuw lied voor den troon; en niemand kon dat lied zingen dan die honderd vier en veertig duizend, die gekocht waren van de aarde.
Dezen zijn het, die zich met vrouwen niet bevlekt hebben; want zij zijn maagden; dezen volgen het Lam, waar het ook henengaat; dezen zijn gekocht uit de menschen als eerstelingen voor God en het Lam, en in hun mond werd geen leugen bevonden; want zij zijn zonder vlek voor den troon van God 1).quot;
O hoe wensch ik clan, dat gij, wanneer gij soms als jongeling of jongedochter sterven mocht, ook eens tot die schare der uitverkorenen behooren moogt! Neen, ik verlang niet van u, zonder onderscheid, dat gij ongehuwd zult blijven of in een klooster gaan; maar wat ik van u verlang, dat is: dat gij, zoolang als gij ongehuwd zijt of om gewichtige reden ongehuwd moet blijven of omdat gij, wanneer gij een meisje zijt, niet gevraagd wordt tot geen prijs der wereld u die heerlijke parel der onschuld laat ontrukken en trouw
\') A poe. XIV. 1â5.
127
blijft aan Jesus Christus en aan Maria, gelijk gij dit zóó plechtig nog beloofd hebt op den dag uwer eerste heilige communie.
En opdat gij dit zoudt kunnen en doen, heeft Christus u den weg aangewezen, namelijk: wees waakzaam en bid.
Waak over uwe oogen en laat ze niet overal rondlladde ren; luister naar geen onbehoorlijke taal; jaag geen genoegens of uitspanningen na en lees geen boeken of feuilletons, die uwe verbeelding in vuur en vlam zetten; mijd den omgang met menschen, die de zonden niet tellen en slecht van taal en zeden zijn; begin geen kennismakingen zonder een behoorlijk vooruitzicht om spoedig te kunnen trouwen; en gelijk men een vuurvonk of een of ander leelijk insekt aanstonds van zijne kleederen schudt en doodtrapt uit vrees van brand of vergiftiging, â doe evenzoo met iedere onreine en leelijke gedachte, die uw geest in brand zetten, uwe ziel bederven wil: schud ze van u af, aanstonds en trap ze dood.
Maar bid ook veel tot Jesus, den Bruidegom uwer ziel, en vereenig u dikwijls met Hem in een waardige communie; want dit Sakrament bijzonder stelt den mensch in staat en spoort hem aan om rein en zuiver te leven: het wordt door de Kerk geprezen als Het Brood der uitverkorenen en De tvijn die maagden voortbrengt.
Vereer tot dat einde ook veel en hartelijk de reinste der maagden, de H. Maagd Maria;. zij is â. zegt Ambrosius â de eerste van haar geslacht, die de banier der maagdelijkheid ontplooide; zij is ook het schild voor hen die onder hare banier strijden.
Blijf derhalve getrouw aan het vroom gebruik van eiken morgen en avond driemaal het Wees gegroet te bidden ter eere harer zuiverheid, en zoo dikwijls gij u door een öf in-,of uitwendige bekoring voelt aangevochten, denk aan haar
128
opdat haar allerreinst beeld als een licht schijne in uwe ziel en al wat onrein is daaruit verdrijve.
Uw schietgebed zij: Sdtep, o God.\' in mij een. zuiver hart! of: Allerreinste-, allerzuiverste Maagd! bul voor mvj.
XXL
ÃDe gezegendste dar Moeders.
mév de plaats waar eenmaal het huis van Maria stond, j|iP^ vindt men nu eene kloosterkerk, waarin men langs \'quot;f.y trappen afdaalt naar de kapel van Maria-Boodschap, iJ welke eene grot is, ingehouwen in de rots, tegen welke \' Maria\'s woning was aangebracht.
In die grot staat een marmeren altaar met het opschrift: Hier is het Woord vleesch geworden.
Dit vleeschgeworden Woord is Jesus Christus, de Zoon van God, in alles gelijk ,aan zijn Hemelschen Vader en dus God, evenals zijn Hemelsche Vader God is.
Deze groote waarheid leert ons de Evangelist Joannes in het begin van zijn Evangelie, dat bijna dagelijks op het einde der Mis door den priester gelezen wordt.
St. Jan geeft daar aan God den Zoon den naam van het Woord en zegt: In den beginne loas het Woord en het Woord was bij God, en het Woord ivas God.
Verder doet hij ons het Woord kennen als den Schepper
9
130
van hemel en aarde, zeggende: Alles is dooi- hetzelve gemaakt geworden.
En eindelijk zegt hij, dat het Woord dezelfde Persoon is, die na mensch geworden te zijn, op aarde heeft geleefd, en Dien wij als onzen Zaligmaker aanbidden: Het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond.
En wij hebben zijne glorie gezien, â voegt St. Jan, die getuige was geweest van Christus\' leven op aarde, er bij â en die glorie was zóó als de glorie van den Zoon Gods wezen moest, zóó dat ze in Jesus Christus den Eengeborene des Vaders erkennen deed.
Dit bewijs voor Christus\' Godheid, uit St. Jan\'s Evangelie, is afdoende voor een ieder die aan den Bijbel gelooft, en zóó duidelijk, dat een kind het begrijpen en onthouden kan.
Het Woord was God; het Woord is vleesch geworden; dus: het vleesch geworden Woord is God. Dit vleeschgeworden Woord is onze Heer Jesus Christus; dus; onze Heer Jesus Christus is God.
Is Christus dus God en Maria zijne Moeder, dan is Maria ook waarlijk Moeder Gods, even waarachtig als Christus God is.
Onkatholieken meenen soms in dien verheven titel reden te vinden om ons spottend te vragen, of God dan eene moeder hebben kan. Meestal is het beter op dergelijke vragen te zwijgen, omdat ze geen antwoord waard zijn; maar wil men antwoorden, dan zegge men:
God. als God, kan zeker geen moeder hebben; maar Christus is, na zijne menschwording, God en mensch te gelijk, omdat de Goddelijke en de menschelijke natuur in één God-delijken Persoon vereenigd zijn; die Persoon is dus waarachtig God evenals Hij waarachtig mensch is; en daar Maria de Moeder is van dien Persoon naar zijn menschelijke natuur.
131
is zi] de Moedev van een Persoon, die God is, en dus waarlijk Moeder Gods \').
In dezen en geen anderen zin geeft de Katholieke Kerk aan Maria den naam van J/oe(Zer GocZs, en heeft zij denzelven, in het jaar 431, op de derden algemeene Kerkvergadering te Ephese, plechtig gehandhaafd tegenover de dwaalleer van den aartsketter Nestorius, die van God en de menschen verlaten een ellendigen dood stierf, terwijl ziine tong, waarmede hij de eer van Maria had aangerand, nog in zijn levend lichaam door de wormen werd weggevreten.
Maria is dus waarlijk Moeder Gods; niet bij wijze van toespeling of door aanneming van den Zaligmaker tot kind, zooals Josef de vader van Jesus genoemd wordt, maar werkelijk en natuurlijk, â in den eigenlijken zin.
Hij die mij schiep, kan zij spreken, heeft\' in mijne woon-lent r/eriisl. Jesus is waarlijk de vrucht van haar schoot, zijn rleesch Maria\'s vleesch; zoo schreef de H. Augustinus.
Dus is Maria, eenig in hare heiligheid, ook éénig in hare verhevenheid; God kon geen schepsel heiliger maken dan Maria was, maar ook geen vrouw kon Hij tot hoogere waardigheid verheffen dan haar tot Moeder van zijn Zoon te verkiezen 2).
Hoe inniger toch iemand met God verbonden is, des te meer eer straalt van God op dien persoon af; en daar er nu tusschen twee personen geen inniger, geen nauwer band denkbaar is dan die van moeder en kind, â is Maria ook waarlijk de allerhoogste in eer en de gezegendste boven alle vrouwen.
Daarom dan ook noemde de engel haar op last van God, daarom zeggen alle ware Christenen zoo dikwijls tot haar:
\') Muré. Handb. der Bijb. Geselt. II, 4: en Bijb. Gesch. III, 12 en 23. Eerste uitgave. a) Heerlijkheden II, 117.
132
Gezegend zyjt gij hoven alle vrouwen; en daarom sprak ook de H. Geest door Maria\'s eigen mond dien verheven lofzang en voorspelling uit: Mijne ziel maakt groot den Heer, en verheugd heeft zich mijn geest in God, mijn Zaligmaker. Omdat Hij nederzag op de geringheid zijner dienstmaagd; want zie, van nu af zullen alle geslachten mij zalig prijzen.
En daar nu dezelfde H. Geest, die aan Maria deze woorden in den mond gaf, ook de Kerk van Christus bestuurt, zoo zorgt Hij er ook voor, dat in zijne Kerk die voorspelling altijd vervuld en Maria door alle geslachten wordt zalig geprezen.
En dus kan bij hen, die zich Christenen noemen, maar Maria niet willen vereeren en niets van haar willen weten, ook blijkbaar de H. Geest niet zijn, en dus ook hun Christendom het ware Christendom, hunne kerk de ware Kerk van Christus niet wezen.
Want waar de H. Geest is, belijdt men ook de Godheid van Jesus Christus; en waar men de Godheid van Jesus Christus belijdt, is het eene onmogelijkheid Jesus te aanbidden zonder Maria zijne Moeder te vereeren; en wie zegt, dat hij in Christus\' Godheid gelooft en toch zijne Moeder niet vereert, bedriegt zich en is alreeds of blijkt al zeer spoedig een loochenaar te zijn van Christus\' Godheid.
Wie immers kan weigeren Maria te zegenen, als hij gelooft, dat het haar vergund was Jesus haar God en haar kind te noemen; Hem te dragen, door Wien zij zelve en hemel en aarde gedragen wordt; Hem te voeden die alles voedt, wat leeft en zich beweegt; en Hem te kussen, voor, Wien de serafijnen hun gelaat bedekken?
Zeker, in onze vereering onderscheiden wij de Moeder wel degelijk van den Zoon, wijl zij slechts een schepsel is; maar scheiden kunnen wij hen niet, wijl zij zijne Moeder is.
133
Wie aan Jesus denkt, moet ook denken aan haar; wie Hem liefheeft, ook haar liefhebben; wie den Zoon als God aanbidt, moet de Moeder eeren en zegenen als het Schepsel, dat het naast aan de Godheid verwant is.
Dus is de vereering van Maria, omdat zij op Maria\'s moederschap steunt, noodzakelijk en uit haar aard zelf\' eene vereering van Christus.
Wij vereeren zijne Moeder juist omdat zij zijne Moeder is, derhalve vereeren wij haar om haar Zoon, vereeren wij haar Zoon in haar, en geven wij dus de hoogste eer aan Christus, door Wien Maria is, al wat zij is.
Reeds bij haar leven zag men de Christenen, om haar \'te vereeren, in menigte naar Jeruzalem trekken, waar zij tot haar dood bij den Apostel Joannes haar verblijf hield. En aan dezen gelukkigen Apostel, die het benijdenswaardig voorrecht genoot de Moeder des Heeren te mogen herbergen, schreef in die dagen eens de H. Ignatius van Antiochie:
âWaar is de Christen die ons H. Geloof liefheeft en vereert en van haar hoort spreken, zonder te verlangen haar te mogen zien, haar te mogen begroeten, die waardig bevonden is om den waarachtigen God in haar lichaam te dragen.quot;
Reeds in de eerste Christelijke eeuwen klonk onder de H. Mis het vurig gezang: âWaarlijk billijk en rechtvaardig is het, u, o Moeder Gods, te loven; u, altijd heilige, geheel vlekkelooze Moeder van onzen God; u, heerlijker dan de serafijnen, u, die zonder op te houden Maagd te zijn, God gebaard hebt, â u, ware Moeder van God, u loven wij v)!quot;
Ook waren de H. Vaders en Leeraars der Kerk immer onuitputtelijk in hun lof over Maria, en geraakten als het
ï) Deharbe\'s verklaring der Kath. Geloofs- en Zedeleer II, 217.
13i
ware in verrukking als zij schreven over haar Goddelijk Moederschap.
Wie is grooter â zoo vraagt de H. Petrus Damianus â dan de H. Maagd, die de grootheid van den allerhoogste God in haar schoot gedragen heeft? Verhef vrij uwe beschouwing tot de uitstekende verhevenheid der serafijnen â en gij zult zien, dat die voortreffelijke geesten nog ver beneden de allerheiligste Maagd blijven, en dat zij slechts door haar Schepper overtroffen wordt.
God konde â zegt de\'H. Thomas â een voortreffelijker wereld scheppen, maar voortreffelijker moeder maken dan de Moeder van God kon Hij niet.
Neen, geen verstand kan bevroeden, geen tong vermag de voortreffelijkheid van Maria\'s Moederschap te melden; â aldus reeds de H. Augustinus.
Zij is de Moeder Gods! ziedaar â zegt de H. Anselmus â het verhevenste wat men van Maria zeggen kan; ziedaar de reden van onzen eerbied en de oorzaak van ons vertrouwen ; ziedaar het beginsel en de bron van onze godsvrucht jegens de gelukzalige Maagd.
En zoo was en zoo is Maria nog ieder uur en ieder oogen-blik het voorwerp der zegening, dat is: dei\' lofprijzing en verheerlijking van alle ware Christenen, en dit zal zóó blijven zoolang als de H. Geest de Kerk bestuurt; dat is dus tot aan de voleinding der eeuwen. En zelfs dan nog, wanneer de wereld in puin gevallen is, zullen alle Heiligen in den hemel met de engelen haar eeuwig prijzen en loven en zegenen als de Moeder van hun Heer Jesus Christus.
Wie dus Jesus liefheeft en aanbidt als zijn God, geeft ook aan Maria een eereplaats in zijn hart, en dus leert ook de geschiedenis, dat alle Heiligen de Moeder Gods bijzonder hartelijk vereerd en ook anderen daartoe opgewekt hebben.
135
Zoo o. a. blaakte een H. Franciscus Regis van een vurige liefde voor de Moeder Gods en hield hij in zijne preeken altijd met grooten aandrang op hare vereering aan, vooral door de navolging harer zuiverheid, nederigheid, lijdzaamheid en getrouwe onderwerping aan den wil Clods.
En deze vereering, welke Regis zijn leven lang, zoo door zijne gebeden als door zijne preeken aan den dag legde, heeft hem een groote wonderbare genade verworven.
Toen hij in den nacht van nieuwjaar den laatsten snik zou geven, ging voor de oogen zijns geestes de hemelopen: hij zag Jesus en Maria, die hem tot zich riepen.
Diep aangedaan wendde zich de stervende tot zijn medegezel en riep uit: âO broeder, wat een geluk, wat sterf ik vergenoegd: Ik zie Jesus en Maria, die zich verwaardigen mij te gemoet te komen om mij in het zalig verblijf der-Heiligen te begeleiden!quot; â en hierop gaf hij den geest.
Zoo dan, lieve lezer of lezeres, ons besluit zij te doen, waartoe de H. Bonaventura opwekt :
Laat ons voortdurend met hart en luoord den lof verkondigen van Maria, de Moeder Gods, opdat zij ons geleide tol de eeuwige vreugde.
XXII.
2)e gezegendste Moeder-Maagd.
haar Goddelijk kind.
âEen voorrecht waardoor Maria alle vrouwen over
$ mmM,tiria is de gezegendste Moeder-Maagd, omdat zij Moeder geworden en nochtans altijd Maagd geble-ven is, zoowel vóór, als bi] en na de geboorte van
treft _ schrijft de H. Bernardus â is de vereeniging dei-Moedervreugde met den luister der Maagdelijkheid. Gewis, dat is het uitsluitend voorrecht van Maria; nooit zal er een andere vrouw mede vereerd worden 1).quot;
Het Concilie van Laterane, onder Martinus I, in het jaar 649, sluit een ieder van de Kerkelijke gemeenschap uit, die niet volgens de leer der Vaders belijdt, dat Maria altijd Maagd is; en de Vaders van de zesde algemeene Kerkvergadering, in het jaar 680, kennen de Moeder Gods vóór, in en na de geboorte van Christus onbesmette Maagdelijkheid toe.
De H. Augustinus had reeds drie eeuwen te voren gezegd:
\') Jam ar 498.
137
Maria heeft als Maagd ontvangen, als Maagd gebaard, en is na de geboorte een onbezielde Maagd gebleven \').
En reeds vroeger nog schreef Epiphanius, dat de Christenen den naam van Maria nimmer uitspreken of in vroegere tijden uitgesproken hebben zonder het woord Maagd er bij te voegen, om daardoor te beteekenen, dat de Moeder des Hee-ren, als bij uitnemendheid de Maagd, ook altijd Maagd gebleven is 1).
Naar luid van een verhaal van Surius, door hem vermeld in de levensbeschri]ving van den zaligen Egidius, heeft het God eens. behaagd zelfs door een allertreffendst wonder deze waarheid te bevestigen.
Er ging namelijk bij den Zalige eens een godgeleerde te rade, die, bij de overweging van Maria\'s altijddurende Maagdelijkheid, door vele opkomende ongeloovige twijfelingen werd gekweld.
Toen nu Egidius \'s mans twijfelingen had aangehoord, nam hij zijn staf, stootte daarmede op den grond, zeggende: Broeder, twijfel niet; Maria is Maagd vóór de geboorte van Christus.\' en zie____ oogenblikkelijk schoot er uit de aarde een wonderbaar schoone lelie te voorschijn.
Andermaal stiet Egidius met zijn staf op den grond, zeggende: Broeder, tioyjfel niet; Maria is Maagd bij de geboorte van Christus! en wederom ontsproot er uit de aarde een-prachtvolle lelie.
Ten derden male stampte Egidius met zijn staf op den grond, zeggende: Broeder, twijfel niet; Maria is Maagd na de geboorte van Christus! en ook nu schoot er uit de aarde een heerlijke lelie op 2).
Maria was Maagd vóór de ontvangenis en de geboorte van Christus; immers er staat uitdrukkelijk in de H. Schrift,
1
i) Deharbe-Dankelman, II, 218. 2) Liebormann, Instit. Theol. II, 226.
2
) Surius, Leb ei i des Seligen A egidius.
138
dat de engel Gabriël door God gezonden werd eewe ;
en de naam der Maagd ivas Maria. Ware Maria dus geen Maagd geweest, dan zou de Schrift haar ook geen Maagd genoemd, en nog veel minder zou God haar tot Moeder van zijn Zoon verkoren hebben.
Maria was de gezegendste der Maagden, omdat zij het eerst zich voor eeuwig met het sieraad der vrijwillige Maagdelijkheid had getooid; ja, zoozeer had zij deze deugd lief, dat zij aan de waardigheid van Moeder Gods zou hebben vaarwel gezegd, zoo dezelve met hare Maagdelijkheid onbestaanbaar ware geweest-
Maagd was zij dan ook gebleven bi] de ontvangenis en de menschwording van Jesus Christus, daar zij niet op natuurlijke, maar op bovennatuurlijke wijze, door een wonder van den almachtigen God, Jesus in haar schoot ontving; niets redelijker, niets natuurlijker dan ook, dat zij door eenzelfde wonder van den Almachtige een reine, ongeschonden Maagd zou blijven bij en in de geboorte van haar Goddelijk Kind.
En zoo geschiedde het dan ook ; gelijk Christus, zoo lee-ren de heilige Vaders, bij zijne verrijzenis door den steen en de rotswanden, die zijn graf bedekten, is heengegaan zonder een enkel spoor van zijn doortocht na te laten; gelijk Hij, na zijne verrijzenis, met gesloten deuren bij zijne Apos-
j telen kwam, of om eene vergelijking uit het dagelijksch le-â gt;
ven te nemen: gelijk de zon hare stralen schiet door de glasruiten zonder ze te breken of in het minst te beschadigen, zoo is Christus, de Zon der Gerechtigheid, uit de Maagd Maria geboren zonder in liet minst de Maagdelijke zuiverheid zijner Moeder te hinderen of te beschadigen \').
Een zeer oud Kerstliedje,- dat onze Katholieke voorouders
0 T de Bruijn, Theol. Loym. II, 115.
139
reeds aan den schoot hunner moeder leerden, drukt dit eenvoudig en treffend uit, in deze woorden:
Maria was als rein kristal,
Van Hernelzon doorschenen;
Geen zonnestraal, diu \'t breken zal,
Als hij er blinkt doorhenen. \')
O waarlijk gezegende Maagd â roept bij de overweging van dit geheim de H. Petrus Chrysologus uit â o waarlijk gezegende Maagd, die het sieraad der Maagdelijkheid en tevens de waardigheid van het Moederschap bezit!
O gezegende boven alle vrouwen, â zegt de H. Chrysos-tomus â o wonder der schepping, o gezegende aarde, welke de bloem des levens, de lelie der dalen voortbracht! O gezegende, die de waardigheid van het Moederschap met de eer der Maagdelijkheid vereenigde, waar vind ik woorden om U naar behooren te prijzen?
Ik lees â aldus spreekt een ander lofredenaar van Maria â ik lees, dat de golven der zee zich deelden en terugweken en wederom samenstroomden om Pharao met zijne rossen en strijdwagens in de diepte te verzwelgen; ik lees dat het doornenbosch brandde en niet verteerde; dat de jongelingen in den vuuroven de vlammen yi een verkoelenden dauw voelden veranderen; in één woord; ik lees van wonderen na wonderen; maar wat is dat alles in vergelijking met datgene, wat met de H. Maagd op onbegrijpelijke wijze, tegen de wetten der natuur in, gebeurtquot;? In vergelijking met het wonder van het Maagdelijk Moederschap van Maria zijn al die wonderen niets meer dan wat de voorafbeelding tegenover de waarheid, de schaduw tegenover het lichaam, de droom tegenover de werkelijkheid is
i) Banning, Drie eeuwen geleden, II, 97. 3) H. Ruscheblatt, 11, 31
140
Nu, dat Maria, voor wie de Almachtige zoo vele wonderen wrochtte om in haar het sieraad der Maagdelijkheid met do waardigheid van Moeder Gods te vereenigen, ook na de geboorte van Christus altijd Maagd gebleven is, zal wel bij geen redelijk denkend Christen aan den minsten twijfel onderhevig zijn.
En Inderdaad! al zou dit punt niet zoo duidelijk door de Kerk uitgesproken worden en niet zoo eenstemmig door de Apostelen, de heilige Vaders en alle Christelijke eeuwen zijn overgeleverd, wie voélt niet, dat reeds de enkele gedachte van het tegendeel hem als een vreeselijke heiligschennis en als een gruwelijke godslastering in de ooren klinkt?
â Maar Maria was toch met Josef gehuwd?
â Zeker! volgens den H. Thomas was Maria reeds met Josef gehuwd vóór de Boodschap des engels; maar vóór ham-huwelijk wist zij, zoowel door Goddelijke ingeving als uit Josefs eigen mond, met zekerheid, dat ook deze zich voor God verbonden had om altijd maagdelijk te leven; en Josef â zegt de H. Hifronymus â wist hetzelfde van Maria. Bovendien hebben zij staande het huwelijk, beiden deze gelofte nogmaals hernieuwd \').
Het is op grond der Apostolische overlevering buiten allen twijfel zeker, dat Maria en Josef altijd in Maagdelijke zuivtr-heid hebben geleefd ; de Katholieke Kerk kent geen andere Maria dan Maria altijd Maagd.
â Maar waarom dan is Maria met Josef gehuwd?
De heilige Vaders geven bijzonder de volgende redenen op, waarom God wilde, dat Maria niet ongehuwd zou blijven, maar met Josef trouwen; en wel ten eerste, om door dit huwelijk de eer van Maria tegen de anders onvermijdelijke
!) Bouvy, De H. Josef. 215.
141
lasteringen der menschen, die van haar wonderbare Ontvangenis niets wisten, onbesmet te bewaren.
Ten andere, om door het huwelijk een openbaar bewijs te leveren, dat Christus was, wat de Profeten van Hem voorspeld hadden: een afstammeling uit de koninklijke familie van David. Immers, was Josef, gelijk men algemeen wist, een afstammeling van dien grooten koning, dan moest ook Maria en haar Cloddelijk Kind uit dien stam zijn, daar eene erfdochter zooals Maria was, volgens de joodsche wet alleen met een bruidegom uit denzelfden stam in het huwelijk treden mocht.
Eindelijk, opdat Maria en het Goddelijk Kind, bijzonder op hunne vlucht voor Hero les naar Egypte, in Josef een getrouwen leidsman, verzorger en beschermer vinden zouden.
Het huwelijk van Maria en Josef wordt door de Kerk jaarlijks den 23 Januari herdacht onder den naam van Verloving der 11. Maagd, omdat zij, ofschoon waarlijk gehuwd, altijd als Verloofden, d. i. als bruid en bruidegom in volmaakte onthouding en Maagdelijke zuiverheid geleefd hebben.
Gelijk nu Maria de gezegendste boven alle vrouwen is, zoo is ook Josef de gezegendste boven alle mannen, daar hij boven alle mannen de allerhoogste eer genoot de uitverkoren bruidegom van Maria, de voedstervader van Jesus Christus, en de verzorger en kostwinner te zijn van het allerheiligste huisgezin, dat er ooit op aarde bestond.
En waarom nu gaf God aan hem boven alle mannen de voorkeur? Was het soms, omdat hij zoo groot was in de oogen der wereld, of machtig of rijk of in aanzien stond? Neen, voor de wereld gold hij voor niets; hij was arm. nederig en gering en moest als de meest gewone werkman met timmeren den kost verdienen.
Maar waarom dan gaf God aan hem de voorkeur? Omdat
142
hij, zooals de H. Schrift en de Vaders van hem getuigen, rechtvaardig, dat is: heilig, of gelijk de H. Chrysostomus dat uitdrukt: zooveel als versierd was met alle deugden.
Zoo dan, lieve lezer of lezeres, indien gij, hoe arm en hoe nederig uw stand ook is, gaarne wilt, dat God ook op u met een bijzonder welbehagen neerziet, tracht dan ook naar een heilig en rechtvaardig leven voor God, dat is: volg niet in alles uw wil, maar vraag u dikwijls af, wat God van u wil en wat God behagelijk is, en doe dat.
Bijzonder doe uw best om, hetzij gij reeds gehuwd of nog ongehuwd zijt, overeenkomstig uw staat de zuiverheid te bewaren; want. de zuiverheid is de eerste en noodzakelijkste voorwaarde van een rechtvaardig en Gode behagelijk leven. Gij moogt de beste en de aanbevelenswaardigste werken verrichten; indien gij de kuischheid overeenkomstig uw staat niet bewaart, is al uw doen even weinig aangenaam aan God, als aan u dit de smakelijkste spijzen zijn, wanneer ze u voorgezet worden in een schotel, wiens morsigheid u walging baart.
Wees dus wijs en leef kuisch; dit is de eerste en nood-zakelijkste voorwaarde voor Gods welbehagen en ook voor een gelukkig en tevreden leven. En opdat gij dit des te gemakkelijker en zekerder zult kunnen, veroorloof ik mij bij alle middelen, die ik u reeds geschreven heb, ook nog dit middel aan te raden, namelijk: de vereering van den H. Josef, die om zijn verheven graad van kuischheid ook steeds als een bijzondere patroon dier heilige deugd wordt aangeroepen.
Dus spoor ik u aan, dezen machtigen naam niet te scheiden van de zoete namen van Jesus en Maria, maar gelijk gij bij het morgen- en avondgebed driemaal het Wees gegroet bidt ter eere van Maria\'s zuiverheid, daarbij telkens nog één
143
Wees gegroet te voegen ter eere van den H. Josef. Hij is zoo machtig! Ik herinner mij niet â zegt de H. Teresia â den heiligen Josef ooit tevergeefs om iets gevraagd te hebben.
Gelukkig hij, die zich dagelijks aanbeveelt aan hem, wien Jesus, de Zoon Gods, op aai de onderdanig was, en wien hij thans in den hemel niets weigeren kan!
âWij bidden U, o Heer, dat wij mogen geholpen worden door de verdiensten van den Bruidegom uwer allerheiligste Moeder; opdat ons door zijne voorspraak moge verleend worden, wat ons vermogen niet in staat is te verwerven 1).
1
Missale Som. Gebed uit de H. Mis, ter eere van den H. Josef\'.
XXIII.
2)ö gezegendste in den
eeds vroeger hebben wij overwogen, hoe Maria nu in den hemel bij God de naaste is, en dus niet slechts alle vrouwen, maar ook alle Heiligen en engelen M in glorie en zaligheid te boven gaat; hier echter gedenken wij nog een bijzonder voorrecht, een bijzonderen zegen aan Maria in den hemel geschonken, namelijk; dat nu reeds, lang vóór den algemeenen dag der opstanding, haar zuiver Maagdelijk lichaam met hare ziel vereenigd, in die glorie en zaligheid des hemels deelt.
Dat de allerheiligste Maagd op den derden dag na haar dood verrezen en haar lichaam met hare ziel vereenigd ten hemel is opgenomen, is een feit door tal van getuigenissen bevestigd; en reeds zóó vroeg en zóó algemeen werd dit feest tot zelfs in de verst afgelegen landen, zonder de minste tegenspraak gevierd, dat men vrij mag aannemen, dat de Apostelen dit feest overal hebben ingesteld
i) Jamar 425.
145
De Oostersche Kerk, meer doelende op Maria\'s kortstondige rust in het graf. geeft aan dit feest den naam van Slaap of Rnsl van Maria; de Westersche of Latijnsche Kerk, meer doelende op Maria\'s verheerlijking, noemt het Maria-hemelvaart of Maria\'s opneming in den hemel.
Beide benamingen zijn juist gekozen ; want overal viert de Kerk op den gedenkwaardigen dag van 15 Augustus hoofdzakelijk en gelijktijdig Maria\'s zaligen dood en verrijzenis, hare hemelvaart en kroning.
Toen dan de tijd, door de Goddelijke Voorzienigheid bepaald, gekomen was, bracht â zegt Nicephorus â een engel aan Maria, in hare woning op den berg Sion te Jeruzalem, de blijde tijding, dat zij binnen eenige dagen dit oord van balling-sduip verlaten, en met haar Goddelijken Zoon voor eeuwig in den hemel zou vereenigd worden; en evenals weleer bij do Boodschap van Gods menschwordiug, antwoordde zij ook nu onderworpen en nederig: Zie de dienstmaagd des Heertn, mij geschiede \'naar uw woord, en tot een ieder, die zij sprak, zeide zij: Ik ben verheugd in hetgeen mij gezegd is: Wij zullen ingaan in het huis des Heeren 1).
âOfschoon de H. Schrift â zegt Juvenalis â niet spreekt over Maria\'s sterven, verhaalt ons echter een zeer oude en geloofwaardige overlevering, dat de Apostelen, die op dat oogenblik op verschillende punten der wereld verspreid waren, door Goddelijke almacht als op eens naar Jeruzalem werden overgebracht om tegenwoordig te zijn bij den dood van Maria; en dat alleen de H. Thomas, die uit het diepst van Indië komen moest, daarbij afwezig was, en eerst den derden dag na hare begrafenis aankwam
1
Psalm 121, 1. a) Blot, De oudste Mar ia-Maan cl 114 en Jamar 425.
10
146
Als dan het oogenblik van haar sterven was aangebroken, nam Maria van de haar omringende Apostelen en leerlingen en heilige vrouwen een zielroerend afscheid; zij bedankte den H. Joannes voor de liefderijke zorgen, die hij haar voortdurend bewezen had, en, treffend voorbeeld van liefdadigheid! vermaakte zij twee harer kleedingstukken aan twee arme vrouwen; daarna, een zegenenden blik slaande op de Apostelen, stierf zij of, gelijk de Oosterlingen zeggen, sliep zij in aan de borst van Jesus, zoeter en zachter dan een kind insluimert aan de borst zijner liéve moeder, om in den hemel te ontwaken.
Jesus Christus â zoo zeggen Anselmus en Nicephorus â daalde vergezeld van een ontelbare menigte engelen van den hemel neer om zelf den laatsten snik en de ziel zijner welbeminde Moeder te ontvangen.
Men zag â verhaalt Juvenalis â bij den dood van Maria een menigte engelen, en hoorde een verrukkelijk gezang van hemelsche geesten, en gaarne omhels ik het gevoelen van den geleerden Suarez, dat de dood van Gods Moeder eene geestverrukking was, waaronder hare ziel in de hemelsche glorie werd opgenomen.
Zij stierf â schrijft Blot â zonder smart, want zi] stierf zonder ziekte, enkel en alleen uit kracht harer liefde. Zij stierf zonder droefheid, omdat zij aan geen enkel schepsel gehecht was, en reeds aan den voet des kruises den doodstrijd gestreden had. Zij stierf zonder angst, omdat zij geleefd had zonder zonde en zeker was van haar geluk
Volgens het meest algemeene en aannemeiijkste gevoelen, had de H. Maagd, toen zij stierf, op enkele dagen na, den leeftijd van twee en zeventig jaren bereikt; maar gelijk de geschiedenis van andere godgewijde maagden verhaalt.
i) Blot 119.
147
dat haar gelaat, om zoo te spreken, ongenaakbaar voor de vernielende werking des tijds, zijne frischheid tot in hoogen ouderdom bleef behouden, zoo is het ook ontwijfelbaar, dat noch de ouderdom, noch de dood in iets de Maagdelijke schoonheid van Maria heeft veranderd, want dit was een voorrecht harer Onbevlekte ontvangenis.
Ja, beschouw in den geest Maria; zij is dood of liever, zooals de Oosterlingen zeggen: zij is ingeslapen ! maar dat lichaam heeft noch zijne frischheid, noch zijne schoonheid verloren; geen spoor of schijn zelfs van ouderdom of afgeleefdheid is op haar hemelrein gelaat te bespeuren; het ziet er nog uit als van een jeugdige maagd in den bloei harer jaren; het geeft een zoeten geur van zich en boezemt aan allen eerbied en liefde in.
Wat zoete rust, wat hemelsche vrede, wat engelachtige kalmte /.weven er over de gelaatstrekken dier overheilige Moeder, weerspiegelen zich in dien liefelijken glimlach, die om hare lippen schijnt te spelen; het is alsof nu reeds de onverwelkbare schoonheid der hemelsche glorie haar Maagdelijk aangezicht beschijnt.
O zoet, zalig sterven! o Maria, verwerf mij toch door uw machtige voorspraak, dat ook ik eens den dood der rechtvaardigen sterven moge!
Zoodra het eerste morgenrood de Oosterkim begon t,e kleuren, werd alles in gereedheid gebracht om het lichaam van de Moeder des Heeren met allen mogelijken luister ter begraafplaats te voeren.
Uiterst plechtig zal de lijkstatie wezen. De geheele Kerk zal ze bijwonen: Paus, bisschoppen. Leeraars, priesters en geloovigen. Tallooze engelenscharen zullen er deel aan nemen. Wonderen zullen er gebeuren.
Omringd door een menigte Christenen en heilige vrouwen.
U8
werd het eerbiedwaardig lichaam door de handen der Apostelen, van den berg Sion en midden door Jeruzalem, naai\' den hof van G-ethsemani gedragen, omdat Maria daar wilde begraven worden.
Brandende fakkels spreidden heur licht over den stoet; welriekende wierookwolken stegen van onder de menigte op; de grond werd met bloemen bestrooid; heerlijke lofzangen weergalmden door de lucht, en de engelen, die deze plechtigheid bijwoonden, paarden hunne stemmen aan die der geloovigen.
Op het hooren van dit gezang stroomde het volk in menigte naar buiten en vroeg wat dit beduidde. Iemand antwoordde: âMaria is gestorven en Jesus\' leerlingen brengen haar ten grave onder het zingen der lofliederen, die gij hoort.quot;
Dit deed opnieuw den nijd en de afgunst dier hardnekkige Joden ontvlammen, en met de slechtste voornemens bezield gingen zij als in razernij op den lijkstoet af. Een hunner was vermetel genoeg zich op de lijkbaar te werpen om het lichaam op den grond te doen vallen; maar op het eigen oogenblik ontving hij van God zijn rechtvaardige straf: zijn beide handen werden als van de armen losgerukt en bleven aan de lijkbaar vastgehecht.
De H. Maagd evenwel, wier geboorte de wereld met vreugde had vervuld, moest bij haar dood niemand een reden tot droefheid zijn; en zoo kwam dan die ongelukkige, door dit wonder getroffen tot inkeer, smeekte onder overvloedige tranen om vergeving en verkreeg ze.
Op bevel van den H. Petrus stond de draagbaar een oogenblik stil; de ongelukkige werd er bij gebracht, de handen werden aan de verminkte armen gevoegd, en oogenblikkelijk waren ze weer aangewassen op haar vorige plaats lj.
J) Janiar 415. Blot 122. Henckens, Luister u. cl. Godsd. 232.
149
Toen de stoet den hof van Gethsemani, aan den voet des Olijfbergs, bereikt had, werd het lichaam in een kleine grafkamer, in de rots uitgehouwen, op het steenen bed neergelegd en de ingang van de \'grafspelonk met een grooten steen gesloten 1).
Hoe hemelsch schoon en goddelijk dit sterven en begraven van Gods Moeder ook was, toch weenden de Apostelen bitter, nu Jesse\'s spruit verdord en de Lelie der dalen verwelkt was; nu zij daar dood ter neder lag, van wie het leven was uitgegaan; maar hunne droefheid zou weldra wederkeeren in vreugde.
Twee graven slechts zullen op den algemeenen dag dei-opstanding niets hebben weer te geven: het graf van Jesus Christus, en dat zijner gelukzalige Moeder. Beiden zijn ten der-\' den dage verrezen, maar met dit onderscheid: Jesus is verrezen door zijn eigen macht, Maria door de macht van Jesus, krachtens een zegen en een voorrecht aan haar Goddelijk Moederschap verbonden.
Gelijkvormig geweest zijnde aan Jesus\' vernedering, lijden en sterven, moest de Moeder ook deelen in de verheerlijking der verrijzenis van haar Goddelijken Zoon; en dit te meer nog, wijl zij vrij was van alle smet der zonde, en dus volgens regel en recht ook haar lichaam niet onderworpen was aan het vonnis der vergankelijkheid.
En zoo dan verliet de ziel van Maria, die reeds in den hemel het geluk der zalige aanschouwing Gods genoot, op bevel van Jesus den hemel om zich met haar Maagdelijk lichaam te vereenigen; en zoodra de verheerlijkte ziel daarvan bezit had genomen, werd het, evenals Jesus\' lichaam bij
1
} J. J. Bourassé, Geschiedenis der cdlerh. Maagd, 242.
150
zijne verriizenis, geheel klaar, onlijdelijk, onbederfelijk, geestelijk en lijn; verrees uit den doode en hernam al de levensbewegingen.
En evenals een zonnestraal door een glasruit of een helder kristal dringt zonder ze te beschadigen, zoo drong ook Maria met haar verheerlijkt lichaam en haar engelreine ziel door den steen en de rotswanden, die haar graf bedekten, en steeg ten hemel op, begeleid door scharen van engelen en afgewacht door haar Goddelijken Zoon.
Men kent het juiste oogenblik niet, waarop het stoffelijk overschot van Maria tot het leven werd teruggeroepen en zegevierend ten hemel steeg.
Juvenalis verhaalt als een door de Oostersche Kerk algemeen aangenomen overlevering, dat de Apostelen, volgens Joodsch gebruik, drie dagen bij het graf van Maria bleven en onophoudelijk de zoetste gezangen vernamen; en dat, toen zij op den derden dag, op verzoek van den H. Thomas, â die bij Maria\'s sterven en begraven niet tegenwoordig geweest was en zoo gaarne Maria\'s stoffelijk overschot nog eens wilde zien, â het graf openden, in plaats van een koud lijk, niets dan frissche en welriekende rozen vonden met de doeken waarin hare ledematen waren gewikkeld geweest, en schooner nog dan te voren, maar nu voor het laatst, door engelenkoren een hemelsch gezang hoorden aanheffen ter eere hunner Koningin, die de kroon der onsterfelijkheid en eeuwige glorie ontvangen had \').
En wat zal ik schrijven over Maria\'s heerlijke ontvangst en kroning in den hemel? Al bezat ik â zoo schrijft ergens de H. Bernardus â de taal der engelen, ik zou het niet kun-
i) lamar 425; en Bourassé 244.
151
nen ; want Maria\'s Hemelvaart is een geheim even groot als het geheim van Gods menschwording in Haar schoot; en toch, hoe geraakt onze ziel reeds als in verrukking, als wij daarvan, hoe onvolmaakt dan ook, eene voorstelling maken met de oogen des geloofs.
De poorten des hemels openden zich, en het onbevlekte koor der reine maagden, in witte kleederen en met leliesin de hand, snelde haar te gemoet om haar als hunne Koningin te begroeten.
De Vader heette haar welkom als zijn welbeminde Dochter; de Zoon als zijn zeer beminde Moeder; en de H. Geest als ziin zeer geliefde Bruid.
Hoor, Dochter, en zie, en neig uw oor â zoo sprak haar de Vader toe â wan1; de Koning heeft lust gehad in vice schoonheid; en de Zoon, die zich herinnerde, wat die Moeder eens met Hem en voor Hem leed, zeide tot haar: Vit is het gure jaargetij voorhij-, de stormvlaag is afgedreven: Kom thans mijne vriendin, gij zult gekroond worden!
En aan de hand van haar Goddelijken Zoon steeg zij de koren der Zaligen, de rijen der Belijders, der Maagden en Martelaren voorbij; en allen, die haar zagen, riepen vol verbazing uit: Wie is zij, die daar opstijgt uit de woestijn, overvloeiende van geneugten en zachtkens op haar Welbeminde ge-, leund ?
En zij steeg al hooger en hooger, ook den Cherub en den Seraf voorbij, totdat de Koning der eeuwige glorie haar aan zijne zijde op een troon deed neerzitten, waar de engelen haar kroonden, en vanwaar zij, zooals de Kerk zingt, eeuwig heerschen zal met haar Zoon.
Lieve lezer of lezeres, ook wij zullen eens sterven, weliswaar niet zonder smart, want wij hebben niet zonder zonde geleefd; maar wij kunnen toch ook, wanneer wij in Gods
152
vriendschap leven en sterven, welgemoed en tevreden op reis gaan naar de eeuwigheid; want ook onze ziel zal alsdan door de Heiligen Gods en de engelen des Heeren ontvangen en gedragen worden voor den troon G-ods en zijn aangezicht, en wij zullen Hem zelf dan in zijn wezen en in zijne volmaaktheden aanschouwen en in die onuitputtelijke zee van schoonheid en zaligheid een eeuwig geluk genieten.
Ook ons stoffelijk overschot zal eens ons huis uitgedragen en in de kerk gebracht en vóór het altaar en voor Clod geplaatst en met licht en wierookwolken omringd en onder gezang ter aarde besteld worden; en al is ons lichaam ten gevolge der zonde niet onbederfelijk, toch zal zich ook in onze verdorde beenderen in den grafkuil de onsterfelijkheid ontwikkelen tot op den jongsten dag.
Ook onze ziel zal zich dan op dien algemeenen dag der opstanding, op bevel Gods, wederom met ons lichaam vereenigen; en zoodra zich onze ziel wederom met ons lichaam vereenigd heeft, zal ook ons lichaam uit den doode verrijzen, al de levensverrichtingen hernemen, en geheel klaar en fijn, onlijdelijk on onsterfelijk zijn, en des te heerlijker en des te schooner verrijzen, naarmate onze ziel des te schooner was, toen zij eens liet lichaam en deze aarde verliet.
Ook ons zal alsdan de Zoon des menschen in zijne majesteit te gemoet komen, en alle engelen met Hem, zittende op den troon zijner glorie; en na ons aan zijne rechterhand geplaatst te hebben, tot ons zeggen: Komt, gezegenden mijns Vaders! neemt bezit van het Rijk, dat voor u bereid is van de grondlegging der wereld af; en met den zegevierenden Jesus Christus aan het hoofd, en onder het gejuich en gezang der engelenkoren, zullen ook wij met ziel en lichaam ten hemel varen en ingaan in het eeuwig leven. O moge dit zoo zijn!
153
O heilige Maagd, zoete Koningin, Maria, sla van uw verheven troon, waarop gij reeds nu heerscht, uw barmhartige oogen op ons neer; heb -medelijden met ons en sta ons bij in de stormen en gevaren, waaraan onze ziel ieder oogenblik is blootgesteld.
Verwerf ons, door de verdiensten van uw zaligen dood, de genade der volharding in de vriendschap Gods, opdat wij eenmaal deze wereld in staat van genade verlaten en het geluk mogen genieten in den hemel uw heilige voeten te kussen en, met de zalige geesten vereenigd, daar uwe heerlijkheid te loven en te prijzen.
XXIV.
3esus, de Bron van allen Zegen.
« geworden, in het huis van Zacharias kwam en Elisabeth I groette, deze, toen zij den groet van Maria hoorde, vervuld werd met den H. Geest en met luide stem riep en zeide: Gezegend zvjt gij boven alle vrouwen, en gezegend is de vrucht uw lichaams!
Dus zijn wij gewoon, naar het voorbeeld van Elisabeth, op den groet des engels te laten volgen: En gezegend is de vrucht uws lichaams! en daarbij dan nog, op last van Paus Urbanus IV (1272), den naam Jesus te voegen, opdat het een ieder duidelijk zou zi]n, wie onder die gezegende vrucht moet verstaan worden.
Bedenk echter, lieve lezer of lezeres, dat alhoewel Jesus hier, evenals Maria, gezegend, genoemd wordt, dit echter in een geheel anderen en veel verhevener zin geschiedt.
Jesus zegenen, d. i. erkennen, aanbidden en loven .wij hier
et tweede gedeelte van het Wees gegroet bestaat uit de woorden, waarmee de H. Elisabeth Maria groette.
4j Immers het gebeurde, dat als Maria, Moeder Gods
met Elisabeth als den Heer onzen God, den Schepper en de Bron van allen zegen, en dus ook als de Bron van allen zegen, dien Maria ontvangen heeft.
Immers nooit zou_ Maria zoo gezegend zijn, hadde zij niet zulk een gezegende vrucht als Jesus, hooggeprezen in eeuwigheid. voortgebracht.
âIn u, o Maria, â zoo schrijft de H. Bernardus â in u verblijft de Zon, de Christus, en gij, Maria, verblijft in Hem. Gij bekleedt Hem met uw vleesch, Hij bekleedt u met de glorie zijner heerlijkheid. In u verbergt zich de Zon als achter eene wolk, maar de Zon verleent u daardoor glans en luister.quot;
Evenals dus de maan niet uit zich zelve schijnt, maar al haar licht en luister van de zon ontvangt; zoo heeft ook Maria al dat heerlijke en dat schoone, wat wij in haar bewonderd hebben, ontvangen van en te danken aan Jesus Christus.
En evenals wij een boom prijzen om zijne vrucht, â het is een goede boom, zoo plegen wij te zeggen, want hij draagt goede vrucht â zoo ook prijzen wij Maria om de vrucht haars lichaams: Jesus.
Dus verklaart ook Cornelius a Lapide:
âGij zijt, o Maria, de gezegendste boven alle vrouwen; maar, de oorzaak van dezen zegen is het kind, dat rust onder uw maagdelijk hart.
Niet deswege, omdat gij gezegend zijt, is de vrucht uws lichaams gezegend, maar omdat uw Goddelijke Zoon, dien gij in uw schoot draagt, die zelf de Schepper en de Bron van allen zegen is, de hooggezegende in hemel en op aarde, u met zegen vervuld heeft, â deswege zijt gij gezegend en gezegend boven alle vrouwen van uw geslacht. Gij zijt gezegend. omdat de vrucht uws lichaams gezegend is.quot;
En Maria zelve, was zij niet de eerste om dit voor hemel
156
en aarde te getuigen, toen zij op Elisabeth\'s groet antwoordde met dien heerlijken en nooit geëvenaarden lofzang: Magnificat?
Hoe jubelt en juicht hare ziel den levenden God toe, bij de herinnering aan de weldaden, die zij ontvangen heeft!
Hoe dankbaar en nederig erkent zij Gods grootheid en den oneindigen afstand, die er ligt tusschen Hem en haar!
Hoe prijst zij zijne genade, zijne liefde en zijne goedheid, die haar tot de gezegendste boven alle vrouwen verheven heeft!
O luister! en voel de heilige vervoering, die haar verrukt:
Mijne ziel maakt groot den Heer, en verheugd heeft zich mijn geest in God, mijn Zaligmaker.
Omdat Hij nederzag op de geringheid zijner dienstmaagd; want zie ran nu af zullen alle geslachten mij zalig prijzen;
Omdat Hij groote dingen aan mij heeft gedaan, Hij, die machtig is, en heilig is zijn naam.
En zijne barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over degenen. die Hem vreezen.
Ja, zijne barmhartigheid is van geslachte tot geslacht over degenen, die Hem vreezen; en dus moeten wij Jesus, met Elisabeth\'s woorden, niet alleen zegenen, d. i. aanbidden, danken en loven als den Zaligmaker van Maria, maar ook als den onze, als den Verlosser en Zaligmaker der wereld.
Daarom immers moest haar vrucht Jesus, d. i. Verlosser heeten, gelijk dit de engel op last van God, nog vóór de geboorte van haar Goddelijk kind, aan Josef verkondigde: Gij zult zijn naam heeten Jesus, want Hij zal zijn volk van hunne zonden verlossen 1).
Anderen hebben wel eens hun volk verlost, of van de slavernij, of van den oorlog, of van den hongerdood, of van
) Matth. I. 21.
157
andere tijdelijke rampen; maar Christus zal zijn volk, d. 1-het geheele menschelijke geslacht verlossen van hunne zonden.
Daarom riep ook de engel, bij de geboorte van dit Goddelijk kind, aan de herders en in hen aan ons allen toe: Zie, ik verkondig u een groote blijdschap, die al het volk ten deel zal vallen: want heden is u de Zaligmaker geboren, die Christus de Heer is 1).\'
En daarom ook. toen Jesus, kort vóór zijn offerdood, zijne intrede deed in Jerusalem, hoe jubelden toen de scharen, die Hem voor den- beloofden Messias erkenden ! En het meeste deel der scharen spreidden hunne kleederen op den weg; en anderen-sneden takken van de boomen en strooiden ze op den weg. En de scharen, die Hem vooruitgingen en die Hem volgden, riepen luid, zeggende: Hosanna den Zoon van David! Gezegend Hij, die komt in den naam des Heeren! Hosanna, in den hooye2)!
En nu, nu die biddende juichkreet van dat volk in vervulling is gegaan, hoe moet nu onze ziel niet juichen en jubelen en Hem zegenen, loven, danken en prijzen, die de vrucht van Maria\'s lichaam is!
Immers, wij zijn nu door Hem verlost; staande tusschen God en den mensch, beider natuur hebbende, heeft Hij beiden met elkander verzoend. Hij heeft onze zonder, op zich genomen en den losprijs betaald, niet alleen tot ons voordeel, maar in onze plaats, â niet alleen voor de erfzonde, maar voor alle zonden, die ooit door de menschen bedreven waren of zouden worden: Om onze ongerechtigheid is Hij verwond, om onze misdaden is Hij verbrijzeld; de kastijding, die ons vrede brengt, is op Hem en d\'jor zijne striemen zijn ivj genezen.
En niet slechts heeft Hij voor ons voldaan voor onze schuld en voor onze straf, en zoo Gods wrekenden arm ontwapend.
â i Luc. II, 10.
-) Matth. XXI, 8â9
158
maar Hij heeft ook, omdat Hij de Welbeminde, Zoon des Vaders was, voor zich en voor al zijne getrouwen den hemel verdiend.
Zoodat wij nu, hoe vaster wij ons door een levendig geloof, een vaste hoop, en een vurige liefde bij Jesus, den Welbeminde des Vaders, aansluiten, ook des te meer aan God behagen en van God, om Jesus en door Jesus, alles kunnen verkrijgen wat wij behoeven: vergiffenis van alle zonden, en overvloedige genaden om tevreden en gelukkig te leven en zalig te sterven.
Ik heb eens â zoo verhaalt een priester â in een zeer afgelegen oord eene vrouw bezocht, die zonder eenige kennis van het Christendom, wild en ruw was opgewassen, zwaar gezondigd had en nu in gevaar van sterven verkeerde.
Ik heb haar opmerkzaam gemaakt, hoe het met hare ziel gesteld was, welke straffen zij te duchten had, hoe zij thans nog door den dood kon overvallen worden, en dat er voor haar, wilde zij geen ongelukkigen dood sterven, slechts één uitweg was, namelijk: als een ander voor haar de straf harer zonden op zich nam. Ik vroeg haar, of zij niemand wist. die dat voor haar zou willen doen.
Het arme niensch heeft daarover eenige oogenblikken angstvallig nagedacht en toen gezegd, dat wellicht hare moeder, of hare broeders of zusters het voor haar zouden willen doen.
Maar ik heb haar daarop geantwoord, dat daarvoor de straf te groot en te zwaar was, en dat bovendien hare moeder en hare broeders en zusters met hun eigen zonden genoeg zouden te doen hebben.
Toen wist de ongelukkige geen raad meer, en dacht niet anders, dan in hare zonden te moeten sterven en verloren te gaan.
159
Maar toen heb ik haar de Blijde Boodschap van Jesus Christus gebracht: hoe deze voor haar was mensch geworden en gestorven; hoe Hij voor haar zijn dierbaar bloed aan het kruis vergoten, en wat Hij geleden had, en dat dit voldoende was voor de straf harer zonden, indien zij zich slechts met berouw, geloof en liefde tot Hem wilde wenden, evenals de goede moordenaar zich tot Hem gewend en genade gevonden had.
Zie, dat was eene verlichting voor het angstige hart dezer vrouw, en in den stikdonkeren nacht harer ziel brak er voor haar een heldere straal van hoop en liefde tot Jesus Christus door.
En toen zij na eenig onderricht, onder den invloed dei-genade, hare zonden betreurd, en door het Sakrament des geloofs, in het bad der wedergeboorte, zich met God door Jesus Christus verzoend had, â o hoe blij en dankbaar en gelukkig was zij toen 1 Als eene van den dood verloste heeft zij mijne handen gekust, en alsof zij een geheel ander en nieuw mensch geworden was, zoo heeft zij gejuicht en gejubeld, en in de hartelijkste woorden Hem gezegend, geloofd en geprezen en gedankt, die de bron van al ons heil en de vrucht van Maria\'s lichaam is.
Zóó heeft deze vrouw gedaan, die Christus nog maar zoo weinig kende! maar wat zullen wij dan doen, wij die reeds terstond na onze geboorte het Christendom ontvingen, en voor wie Jesus reeds zóó lang en zoovele jaren ,een bron van heil en zegen en troost en geluk geweest is en nog is?
Immers, bezitten wij niet alles in Jesus, en is Jesus niet alles voor ons?
,Wenscht gij de genezing uwer wonden. Hij is geneesheer; gloeit gij van de hitte der koorts, Hij is het verkwikkend water; wordt gij gekweld door den last uwer onge-
160
rechtigheden, Hij is de gerechtigheid; hebt gij hulp noodig, Hij is de kracht; vreest gii den dood, Hij is het leven; verlangt gij naar den hemel. Hij is de weg; vlucht gij de duisternis, Hij is het licht; zoekt gij de spijs, Hij is het voedsel; wat gij ook verlangt en wat gij ook noodig hebt, ^ alles vindt gij in Christus.quot; (H. Ambrosius.)
Wees dan, lieve lezer of lezeres, ten minste even dankbaar als die arme vrouw, van welke ik u zooeven verhaalde, en zoo dikwijls als gij Maria groet, zeg het dan met een waarlijk innig en hartelijk gevoel, zeg het dankend en lovend : \'En gezegend is de vrucht uws lichaams, Jesus!
XXV.
Heilige Maria.
i^li^elden zag de wereld een heerlijker en schooner schouw-
grfTâ¢-
cilie te Ephese, toen de H. Cyrillus aan het hoofd van meer dan tweehonderd bisschoppen, uit alle oorden der wereld bijeengekomen, den volke verkondigde, dat de beruchte Nestorius, die de vermetelheid had gehad aan Maria den titel van Moeder Gods te betwisten, door de ver-eenigde Vaders als aartsketter veroordeeld en buiten de Kerk was geworpen, en plechtig verklaard was, dat de titel van Moeder Gods, waaronder de H. Maagd reeds toen meer dan vier eeuwen eenparig door het Christen-volk was aangeroepen, haar met volle recht en in den eigenlijken en waren zin des woords toekwam.
Want nauwelijks had het volk deze uitspraak vernomen, of het barstte verheugd in de hoogste jubelkreten los; en, daar het reeds avond geworden was, werden er als door een tooverslag duizenden fakkels en toortsen ontstoken; voor de beelden der H. Maagd de kostbaarste reukwerken gebrand,
11
spel dan op het einde van het derde algemeene Con-
162
en geleek de geheele stad weldra eene zee van vuur en licht.
De Vaders van het Concilie, die uit de kerk kwamen, werden als in zegepraal door de dankbare geloovigen naar hunne woningen, niet geleid, maar gedragen, en honderden en duizenden baden en zongen, riepen en juichten, in kerken en huizen, op straten en pleinen gedurende dien ganschen heerlijken nacht: Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor ons!
En dit zoo schoon smeekgebed, dat tevens zulk een schoone belijdenis des geloofs is, werd van toen af, op ingeving en aansporing van den H. Geest, bij het Wees gegroet gevoegd en sinds algemeen door de geloovigen gebeden.
Reeds het eerste woord heilig, bij het begin van dit smeekgebed, met nadruk uitgesproken, is een woord vol diepen zin en beteekenis; want indien Maria heilig is, dan moet zij ook uit dien hoofde alleen reeds veel voor ons bij God in den hemel door hare voorbede vermogen.
Immers ik lees in de H. Schrift, dat God zelf de vrienden van Job vermaande hunne toevlucht te nemen tot Job\'s voorbede; Gaat tot mijn dienaar Job: dat hij voor u bidde; hem zal ik in gunst aannemen, opdat uw onverstand u niet tot schuld worde toegerekend 1).
Ik lees, hoe Mozes\' gebed tijdens zijn leven in staat was Gods ontvlamden toorn te stillen en zijne gerechtigheid te verbidden, toen Deze zijn volk wilde verdelgen.
Ik lees, hoe Abraham zelfs voor Sodom barmhartigheid zou verworven hebben, zoo hij slechts tien rechtvaardigen in de stad had kunnen vinden.
En zoo lees ik nog op vele andere plaatsen, hoe God met welgevallen heeft neergezien op het gebed der rechtvaardigen op aarde; en op hunne\'voorbede algemeene rampen heeft af-
1
Job 42, 8.
163
gewend, zieken genezen, ja zelfs dooden weer ten leven heeft opgewekt.
Maar nu vraag ik: wanneer het gebed van een rechtvaardige op aarde veel bij G-od vermag, zou dan ook het gebed der Heiligen, der vrienden Gods, nu met Hem verheerlijkt in den hemel, niet veel vermogen?
Zou God zijne Heiligen niet op aarde willen verheerlijken door op hunne voorspraak groote gunsten en genaden aan de menschen te schenken?
Of zou soms hun gebed nu zij in den hemel zijn. God minder aangenaam wezen dan vroeger, toen zij nog op aarde leefden? Dat kan toch geen verstandig mensch denken.
Of zou Maria, zouden de Heiligen, die tijdens hun sterfelijk leven, de menschen zoo teeder beminden, zoo veel en hartelijk voor de bekeering der zondaars baden, nu niets meer voor ons willen verrichten?
Zie, dit is even ondenkbaar, want hunne liefde voor ons is niet met het lichaam gestorven, maar met de ziel den hemel ingegaan, en dus zullen de Heiligen ook in den hemel nog aan ons denken en voor ons bidden; anders, trouwens, zouden zij thans minder heilig en minder liefderijk geworden zijn dan zij op aarde waren.
Judas de Machabeer zag in een visioen den hoogepriester Onias en den profeet Jeremias, die beiden reeds gestorven waren, bidden voor de Joden; en de H. Joannes in de Apoc. zegt, sprekende van de vier en twintig oudsten, âdat zij gouden schalen dragen, vol van reukwerk, welke daar zijn dc gebeden der Heiligen 1).quot;
âHet land der Heiligen â zegt dus zeer waar de H. Ber-nardus â het land der Heiligen is geen land der vergetel-
1
) Apoc. V, 8.
164
heid. In den hemel koelen de harten niet af, integendeel! zij worden daar liefderijker en medelijdender, en hunne gewaarwordingen zuiverder en inniger. Zij hebben de kroon der heerlijkheid niet ontvangen om hunne harten voor de deelneming in ons lijden te sluiten.quot;
Menig heilige ziel heeft daarvan als een zeker voorgevoel gehad, en wist zijn jammerende kinderen en vrienden, die rondom zijn sterfbed stonden, niet beter te troosten dan met de verzekering: Ik -zal in den hemel voor u bidden, en u dddr allicht meer van nut zijn dan op aarde.
Hoe dikwijls komt het niet voor, dat er als onmiddellijk, na den dood eens Heiligen, geheel in het oogloopende wonderbare hulp ten deel valt aan hen, die den overledene om zijne voorspraak aanroepen.
Dit gebeurt zóó dikwijls, zeg ik, en zóó in het oogvallend, dat bij het onderzoek, hetwelk de heiligverklaring van een dienaar Gods moet voorafgaan, bijzonder daarnaar gevorscht wordt, of er ook na zijn overlijden, door zijne voorbede, wonderbare hulp en genezingen verkregen zijn ; en reeds zoo dikwijls is de werkelijkheid daarvan bewezen, dat men de betuigde waarheid met opzet zou moeten bestrijden, indien men hier alles zou willen ontkennen
Veilig dus mogen wij aannemen,.dat de liefde der Heiligen in den hemel tot ons menschen op aarde, hen aandrijft om voor ons te bidden, bijzonder dan en zeer zeker dan, wanneer wij hen daarom vragen; trouwens ook geen vroom Christen op aarde antwoordt op uw verzoek om voor u te bidden met eene weigering.
Nu is Maria echter niet slechts heilig, maar zij is de heiligste der Heiligen, want zij is onder alle menschen op aarde
i) Zie o. a. Dekarbe-Dankelmans IF, 423.
165
de eenige geweest, die volmaakt heilig gebleven is van het begin haars levens tot aan haar dood. Zij is de onbevlekte en daarom ook de niet verteerde; zelfs haar lichaam werd ten hemel opgenomen, omdat zij van het begin haars levens tot aan het einde steeds heilig was; daarom roepen wij haar alle dagen aan als heilige Maria.
Is dus Maria onder alle Heiligen de heiligste, dan moet ook geen Heiligen-gebed voor ons in den hemel zoo een groot vermogen hebben als de voorbede der H. Maagd, en ook geen Heilige zoo gaarne voor ons bidden als de heilige Maria, bij zonder wanneer zij daarom verzocht wordt. Slechts hierop hebben wij nog te letten, dat wi] behoorlijk bidden, en dan zijn wij zeker van haar machtige hulp en bijstand.
En wat ik hier onder behoorlijk bidden versta, dat ligt eveneens in de eerste woorden van dit smeekgebed: Heilige Maria, voldoende opgesloten; want indien Maria 200\' heilig is, dan begrijpt toch wel een ieder, dat wij Maria\'s voorbede nooit mogen vragen in eene zaak of aangelegenheid, die on-heilig is; dit toch zou afschuwelijk en voor haar een ware beleediging zijn; en dat wij al biddende tot haar, zoo wij nog niet heilig zijn, ten minste eenig hartelijk verlangen moeten hebben om ook heilig te worden.
Immers alles wat God voor Maria, en alles wat Maria voor God gedaan heeft, het is alles geschied om de heiligheid; en zoo moet ook al ons streven en wenschen en bidden daarheen gericht zijn om heilig te worden; want door niets in de wereld verschaft zich de mensch een grootere weldaad dan door een heilig leven: hoe nauwkeuriger men de geboden Gods onderhoudt, des te gelukkiger leeft men, des te verdienstelijker sterft men.
Dus kunt gij, lieve lezer of lezeres, wanneer gij in de eene of andere aangelegenheid tot de heilige Maagd Maria uwe toe-
166
vlucht neemt, niet beter doen dan haar te verzoeken u in uwe omstandigheden die genade en hulp te willen verwerven, welke zij voor uwe heiligheid en zaligheid de meeste geschikte oordeelt, en zeker zal u dit nooit berouwen.
Dit moge o. a. blijken uit een kleine geschiedenis, die ons door den H. Alphonsus de Liguori wordt verhaald.
Een eerw. broeder, Rainout genaamd, was eens zwaar ziek en bad de heilige Maagd Maria, dat zij voor hem de gezondheid zou gelieven terug te verkrijgen; en zie! hem verscheen nu Maria, vergezeld van de H. Cecilia en de H. Catha-rina, en vroeg hem met groote vriendelijkheid: Wat verlangt gij, dat ik voor u doe?
De goede broeder geraakte door deze allervriendelijkste en goedgunstige vraag, geheel van zijn stuk, en wist niet, wat hij daarop antwoorden zou; maar eene der Heiligen, die Maria vergezelden, gaf hem dezen raad: Rainout, â zeide zij â weet gij, wat gij doen moet: gi] moet niets vragen, maallaat alles geheel aan Maria over: zij zal u grootere en betere genaden bezorgen dan gij vragen kunt.
De zieke deed het, en de H. Maagd verkreeg voor hem de gezondheid weer.
Wie dus heilig wil worden, hij bidde veel en hartelijk tot de heilige Maria, en hij kan verzekerd zijn door haar machtige voorspraak de heiligheid, en met de heiligheid ook alles te verkrijgen, wat noodig is voor een tevreden en gelukkig leven.
XXVI.
Moeder Sods.
^oen Paulus, de vrome en grijze bisschop van Emesa, op den Kerstdag van liet jaar 431, naar aanleiding der woorden van den profeet Isaias VII, 14. â Zie, de Maagd zal ontvangen en een zoon baren, en zijn naam zal wezen Emmanuel, God met ons â voor het volk van Alexandrië predikte tegen de ketterij van Nestorius, en in het raidden zijner rede gekomen, vol vuur uitriep: âAlzoo heeft ons de Moeder Gods op dezen dag den God met ons gebaard!\' onderbrak hem het volk en riep: Zie, dat is het ware geloof, dat juist wenschen ici) te hooren. Wie zoo niet spreekt, zij gedoemd!
âJa, â zoo ging de eerbiedwaardige grijsaard voort â wie zoo niet spreekt, wie zoo niet oordeelt en gelooft, moet uit de Kerk verstoeten worden. Maria, de Moeder Gods, heeft ons op dezen dag den Emmanuel gebaard, d. i. God met ons; want God, het Woord, dat van eeuwigheid van den Vader is voortgekomen, is in den tijd uit de H. Maagd geboren.quot;
En terwijl de bisschop verder het geheim der menschwor-
168 ,
ding van Gods Zoon, de vereeniging der Godheid en Mensch-heid in één Persoon, den Goddelijken Persoon namelijk, beleed en verklaarde, onderbrak hem het volk opnieuw en riep vol vreugde: Wees welkom in ons midden, gij rechlgeloovige bisschop! Gij zijl ivaardig tusschen de toaardigen om als verdediger der Moeder Gods voor de Koningin des hemels ie verschijnen l)!
Wanneer wij, lieve lezer of lezeres, met diezelfde gevoelens van levendig geloof Maria groeteh, en dan in het smeekgebed op dezQ hare waardigheid van ilfoeder G\'ods den vollen nadruk leggen, hoe buitengewoon groot moet dan ons vertrouwen niet worden op Maria\'s voorspraak.
Immers, vermag zij reeds zóóveel bij God in den hemel, omdat zij zóó heilig is, wat moet zij dan niet bij Hem vermogen, omdat zij zijne Moeder is.
De geschiedenis heeft ons in gewone menschenkinderen voorbeelden van moederliefde nagelaten, zóó groot, dat zij, die door niets ter wereld waren te bewegen, zich toch lieten bewegen door het gebed hunner moeder.
Neem b. v. den Patriciër Coriolanus, die, naar luid van een verhaal van Valerius Maximus, vóór twee duizend jaar, als veldheer met een ontzaglijk leger voor de poorten van Rome stond, vast besloten om zijn ondankbare vaderstad, die hem onrechtvaardig ter dood had veroordeeld, tot den grond toe te verdelgen.
Geen bidden noch smeeken om vrede kon zijn hart vermurwen; zooveel goud kon men hem niet bieden, dat hij zijn plan liet varen ; het eene gezantschap na het andere werd hooghartig afgewezen, ja, zelfs toen de gezamenlijke priesters der stad, versierd met hunne eereteekens en offerbanden,
2) L. Mehler I, 601; en St. Joseph\'s blad 1890, blz. 316.
169
zich in het vijandelijke leger, smeekend om vrede, voor zijne voeten nederwierpen, bleef hij onbeweeglijk bij zijn besluit: Rome zou en moest verwoestworden.
Dan zie! toen het angstige volk geen raad meer wist en niet anders dacht of het was met hen en hunne stad gedaan, kwam de gedachte aan Coriolanus\' moeder, de oude Veturia, die zich met hen in de stad bevond, nog eenige hoop in het hart storten; wellicht dat hij op haar smeeken èn stad en volk zou willen sparen.
En zoo geschiedde het! op het bidden en smeeken des volks ging moeder Veturia naar haar zoon en riep zijne erbarming in, en nauwelijks had zij uitgesproken of hij stond haar toe, wat hij aan ieder ander geweigerd had: hij brak het beleg ®p en Rome was gered, â gered op verzoek zijner moeder, maar ten koste van zijn leven; want weldra werd hij dooi\' zijn teleurgestelde krijgsbenden gedood.
Maar nu vraag ik: wat beteekent de moederliefde van een heiden, als Coriolanus was, vergeleken bij de moederliefde van Jesus Christus, den Zoon van God? Immers nog minder dan het glimmen van een stervend nachtpitje, vergeleken bii den vollen gloed der zon, wanneer zij schijnt op een helderen zomerschen dag!
En zoo dan toch deze woeste heiden niets aan zijne moeder weigeren kon, hoe zal dan â vraagt de H. Bernardus â de liefdevolle, de oneindig goede Zoon van God en van Maria aan zijn teergeliefde Moeder iets kunnen weigeren?
Inderdaad! indien reeds Veturia\'s gebed zóóveel bij haar zoon vermocht, hoeveel meer zullen dan niet de gebeden van Maria bij Jesus vermogen? Zóóveel meer â antwoordt hierop de H, Alphonsus de Lig. â als Jesus een dankbaarder Zoon is, en Zijn lieve Moeder meer bemint.
Geheel uit eigen beweging plaatste Hij zich, van zijne
170
kindsheid af, onder haar voedsterende zorg, en Hij wilde niet, dat zijn oneindig hoogere verhevenheid en onbegrijpelijke waardigheid als God, zijne afhankelijkheid van haar en biigevolg haar gezag over Hem zou verminderen.
Alhoewel Hij van een onzichtbare spijs had kunnen leven, evenals de engel, die Tobias geleidde, verkoos Hij toch zijn dagelijksch voedsel te nemen aan haar boezem; en alhoewel Hij met zijne handen het heelal in evenwicht houdt, toch gedragen te worden in hare armen.
Hij nam van hetgeen zij Hem gaf; Hij ging werwaarts zij Hem droeg; Hij kwam vanwaar zij Hem riep; Hij hield zich bezig met datgene, wat haar behaagde; Hij was onder ieder opzicht een kind voor haar, en zij, zij was nooit anders voor Hem, dan een allerteederste en liefdevolle Moeder.
Onder hare hoede leefde Hij gedurende een langeren tijd dan den gewonen leeftijd, zelfs totdat Hij dertig jaren oud was.
Zijn eerste wonder deed Hij op haar verzoek, hoewel zijn \' tijd nog niet gekomen was; en zijn laatste woorden waren ; eene erkenning van haar als zijne Moeder, toen Hij ons aan 1 haar vermaakte als hare kinderen.
Welken invloed kan men zich voorstellen, gedurende zijn leven, grooter geweest te zijn dan die van Maria, aan wie het gegeven was het gezag eener moeder over Hem te bezitten en uit te oefenen?
En zal Hij, nu Hij in zijne glorie is, weigeren haar nog als zijne Moeder te erkennen, Hij, die zijn lichaam, in haar schoot gevormd, nog bezit, vereenigd met zijne Godheid?
Noemt Hij haar nog niet steeds met den naam van JfoetZer; en spreekt zij Hem nog niet steeds aan met die veelvermogende woorden: Mijn Zoon?
En als zij met die woorden haar verzoek beginnen kan,
171
is er dan iets te groot voor haar om te vragen, of voor Hem om haar toe te staan l) ?
Neen, dan zal zij alles verkrijgen, wat zij vraagt; dan is het eenvoudig onmogelijk, dat God aan de voorbede zijner Moeder zou kunnen weerstaan; want juist daardoor, dat Hij aan zijn dierbare Moeder niets behoeft te weigeren en ook niets wil weigeren, schittert voor hemel en aarde èn zijne almacht als de ware Zoon van God, èn zijne Moederliefde als de waarachtige Zoon van Maria, op een alles overtreffend heerlijke en overtuigende wijze uit.
âWilde de Heer op aarde aan Maria onderdanig zijn â zoo merkt Deharbe op â het lijdt geen twijfel, dat Hij ook in den hemel gaarne hare wenschen vervullen zal, opdat allen, de macht harer voorspraak ondervindende, met den Zoon ook de Moeder eeren, die waarlijk alle eer waardig is.
Maria moge dus Jesus voor ons vragen, wat zij wil. Hij zal haar altijd verhoeren, omdat Hij â zooals de H. Germanus zegt â in haar zijn ware en Onbevlekte Moeder erkent, en er een groot vermaak in stelt hare wenschen te vervullen; omdat Hij â gelijk de H. Gregorius van Nicomedië schrijft â zich als verplicht rekent jegens haar, die Hem door hare toestemming de menschheid gegeven heeft; omdat zij â gelijk aan de H. Brigitta geopenbaard werd â ook aan Hem, terwijl Hij nog op aarde wandelde, niets geweigerd heeft; en eindelijk ook omdat â zooals de H. Augustinus aanduidt â Hij, die ons geboden heeft vader en moeder te eeren, ook op deze wijze de eer zijner Moeder op aarde wil in stand houden.
Daarom zegt de H. Ambrosius: âOnmogelijk, dat God de vereenigde gebeden zijner Heiligen niet verhoort; maar wer-
\') Wiseman. Meditaties 439.
172
den ze al onverhoord gelaten, zeker zal toch de Zoon zijne Moeder verhoerenen de H. Alphonsus Liguori vermeldt met Instemming wat een ander schrijft: âEén zucht van Maria vermag meer dan de voorbeden aller Heiligen samen.\'
âKortom, het is zeker, dat er geen schepsel is, dat voor ons zooveel genade kan verwerven als deze goede voorspreekster, die door God met dit voorrecht is vereerd; niet alleen als eene Hem dierbare dienstmaagd, maar bijzonder ook als Zijn waarachtige Moeder. Het is genoeg, dat Maria spreekt, en de Zoon doet alles l).
Terecht dus wordt zij door de Vaders de smeekende Al-macM genoemd, omdat zij door haar smeeken alles bij God vermag, en er alzoo geen nood is, waarin zij niet kan helpen, geen genade, die zij niet voor ons verkrijgen kan.
Reeds duizenden en nogmaals duizenden harer getrouwe vereerders hebben het bereids ondervonden en ondervinden nog iederen dag, hoe machtig de bijstand van Maria is, en belijden dankbaar en verheugd met den H. Ephrem: âGij, o Maagdelijke Moeder Gods, gij zijt waarlijk de voorspreekster en de helpster van zondaren en hulpeloozen, de veilige haven der schipbreukelingen, de troost der wereld, de moeder der weezen, de verlosseres der gevangenen, de vreugde der zieken, de troosteresse der bedroefden, het heil der menschen!quot;
En zoo mogen dan, lieve lezer of lezeres, deze weinige woorden ook u opwekken om, wanneer gij Maria groet, toch altijd met een innig en hartelijk vertrouwen te zeggen;
Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor ons.
\') Heerlijkheden I, 165.
XXVII.
Moeder der Senade.
\'mmMl e ET. Bernardus noemt haar zoo, en de Kerk leert «4vïr ons ^aar aan roePen: bloede)\' der Goddelijke genade, bid voor ons.
En zeer zeker mag Maria zoo genoemd worden, omdat wij door haar Christus ontvingen, die de bron en de volheid van alle genade is; maar ik zou vreezen te kort te doen aan Maria\'s grootheid en luister, zoo ik verzuimde melding te maken van een zeer waarschiinlljk en zeer godvruchtig gevoelen, volgens hetwelk Maria ook zoo genoemd mag worden, omdat zij de Uitdeelster of, zooals anderen dit uitdrukken, de Schalmeesleres der genade is, en dus hare tusschenkomst zedelykerwvjze noodzakelijk is, tot het verkrijgen der genade.
Dit gevoelen heeft zijn grond hierin, dat Maria met Christus heeft medegewerkt aan de Verlossing, zoodat het passend is, dat zij ook medewerke aan de jritdeeling der genade, die Jesus heeft vgrdiend.
174
Niet dus alsof wij op eene of andere wijze aan de Moeder Gods eigenlijk de Verlossing des menschdoms zouden willen toeschrijven: want Jesus alléén is de Verlosser, Hij alléén kon ons verlossen, omdat Hij alleen als God-Mensch Gode een oneindige voldoening geven kon voor de oneindige belee-diging der Goddelijke Majesteit aangedaan; maar evenals Eva door Adam tot zonde aan te zetten, werkelijk tot onzen ondergang heeft bijgedragen, ofschoon toch de overtreding van Adam de eigen daad van Adam bleef, zoo heeft ook Maria, de betere Eva, door hare toestemming medegewerkt aan onze Verlossing zonder de verdiensten van den Eenigen Verlosser te wijzigen of te verminderen.
Wanneer de H. Bernardus zich het plechtig oogenblik voorstelt, waarop de engel Gabriël, bij de aankondiging van Gods Menschwording in Maria\'s schoot, op haar vrije toestemming wacht, dan spreekt hij haar aldus toe:
âWelaan dan, o H. Maagd, waarom geaarzeld uwe toestemming te geven? Het Eeuwig Woord wacht daarop om het vleesch aan te nemen en uw Zoon te worden. Wij allen wachten daarop, wij, die helaas! tot den eeuwigen dood veroordeeld zijn. Indien gij toestemt om de Moeder van Jesus te worden, dan zullen wij allen verlost worden. Haast u dan, o mijne Koningin, geef uw antwoord en wees niet de oorzaak, dat de zaligheid der wereld die afhangt van uwe toestemming, langer worde uitgesteld M.quot;
En gelijk God, bij de menschwording van zijn Zoon, gewacht had op Maria\'s vrije toestemming, zoo vorderde Hij ook bij Jesus\' offerdood de toestemming zijner Moeder.\'
Immers door Jesus\' Moeder te worden in den volsten en meest eigenlijken zin des woords, had Maria moederlijke
1) Heerlijkheden II. 207; Jamar 159.
175
rechten op Hem verkregen. Heeft God de Vader haar deel gegeven in de glorie van zijn eeuwig vaderschap, dan heeft Hij haar ook deel gegeven in ziin vaderlijke rechten, omdat de Heer Jesus, van \'t oogenblik zijner menschwording af, even waarachtig Maria\'s Zoon is naar zijn menschelijke natuur, als Hij van eeuwigheid de Zoon des Hemelschen Vaders is naar zijn Goddelijke natuur.
Welnu! toen Jesus aan het kruis stierf, volbracht Hij den wil zijns Vaders, die Hem gemaakt had tot Zoenoffer in zijn bloed voor de zonden der wereld; maar mogen wij, al is het sidderend van eerbied, vragen: was hier niet nog een andere wil noodig? Was er nog niet iemand anders, die rechten kon doen gelden op het leven van Jesus Christus? Zou God, die bij de menschwording van zijn Zoon, gewacht had op de vrije toestemming, welke Maria gaf, toen zij zeide; Zin dv dienstmaagd des Heer en; mij geschiede naar uw tuoord, â zou Hij, bij den offerdood van dien Zoon, Maria\'s vrije toestemming ook niet gevorderd hebben? Zou Hij de moederrechten, die Hij bij Jesus\' geboorte haar schonk, haar bij Jesus\' sterven ontnomen hebben?
Neen, dat is onmogelijk! En als wij dit begrepen hebben, dan begrijpen wij ook, waarom Maria noodzakelijk op den kruisberg moest tegenwoordig zijn; dan staat zij daar voor onze oogen, niet alleen als de trouwe Moeder, die haar kind bijblijft in den dood, niet alleen als de Koningin der martelaren wier ziel met een zwaard van droefheid wordt doorstoken ; maar ook als de verheven priesteres des Nieuwen Verbonds, die mede het groote Offer opdraagt, als de medewerkster in het werk der Verlossing, die in gehoorzame vereeniging van haar wil met den wil van God, mede het vonnis onderschrijft, door Jesus\' Vader over Hem uitgesproken, en mede
176
Hem in den dood overgeeft, die niet alleen de Zoon van G-od, maar ook haar Zoon is 1).
Dus kan het ons niet verwonderen, dat de H. Bonaventura en de H. Antoninus leeren, dat van Maria gezegd mag worden, wat de H. Schrift van den Eeuwigen Vader getuigt: âMaria â zoo spreken zij â heeft zoodanig de wereld liefgehad, dat zij haar Eenigen Zoon heeft gegeven. Zij heeft haar eigen kind niet gespaard, maar het met haar hart en haar wil voor ons overgeleverd.\'
Geenszins dus, dat wij aan Maria, de Moeder des Heilands, eigenlijk de Verlossing van het menschdom zouden toeschrijven : maar om bovenvermelde redenen beschouwen wij haar, met alle Katholieken, zoowel van de eerste tijden als van de middeleeuwen en van den tegenwoordigen tijd, als mede-verlosseres, en omdat zij medeverlosseresse is, is het ook billijk â zoo leeraart de H. Alphonsus de Liguori â dat wij gelooven, dat do genaden Gods, die de vruchten zijn dei-verdiensten van Jesus Christus, en de middelen om het eeuwig leven te verwerven, ons alleen gegeven worden dooide bemiddeling van Maria 2).
Dat ook de Kerk dit gevoelen deelt, blijkt wel allerduidelijkst uit de door haar goedgekeurde en voorgeschreven gebeden, zooals b. v. uit de Getijden der 11. Maagd en de Litanie van Lorelto.
Heeft â zoo vraagt Mgr. Kard. Dechamps â heeft de Katholieke Kerk ooit aan een Heilige, een engel, een aartsengel, aan de groote vereeniging der Heiligen, aan de vereende koren der engelen gezegd, wat zij aan Maria zegt, en zóó als zij het haar zegt. wanneer zij haar in die algemeene
*) Muré. Meditaties VII, 61.
\') Heerlijkheden II, 153 en 332; J. de Brnijn. Theol. Dogm. Com.}). II, 420â421.
177
bewoordingen aanroept, waardoor zij alles voor allen vraagt: Heil der zieken, Toevlucht der zondaren, Troosteres der bedrukten, Hulp der Christenen?
Heeft zij ooit aan eenig schepsel op aarde of in den hemel gezegd; Help het Christenvolk, dat wankelt, en wees zijne kracht?
Heeft zij ooit aan iemand anders dan aan Maria gezegd: Gij zijt niet alleen de wortel van het goede, waaruit voor ons het licht is voortgekomen, maar gij blijft altijd voor ons de Deur des hemels? Hoe zou Maria voor ons allen de Deur des hemels blijven, indien al de genaden, welke ons daarheen geleiden, niet op haar gebed aan haar Moederhart werden toegestaan ?
Is het ook niet hetzelfde geloof aan de algemeenheid der tusschenkomst van Maria, dat de ziel is van het Salve Regina ?
Wij zijn kinderen van Eva, uit ons vaderland gebannen â zegt de Kerk aan de tweede Eva. aan de Moeder van Barmhartigheid â en tot u verheffen zich ons geroep en onze verzuchtingen, uit de diepte van dit tranendal, want gij zijt ons leven, onze troost en onze hoop! Sla dus uw medelijdende blikken op ons neer, en vertoon ons, wanneer wij dit ballingsoord verlaten hebben, Jesus, de gezegende Vrucht uws lichaams!
Nog eens, hebt gij ooit dergelijke woorden tot anderen dan tot Jesus Christus en zijne Moeder door de Kerk hooren richten : Gij zijt ons leven\'en onze hoop? Neen, en waarom niet? Omdat Jesus Christus alleen de Bron der genade is, en omdat Maria door haar gebed van Moeder Gods en der menschen, van ware Moeder van het nieuwe leven des menschelijken geslachts, het kanaal is, waardoor die genade tot ons komt
\') H. J. Russchenbl. II, 384.
12
178
Wij mogen het dus met de Kerk als een zeer godvruchtig en zeer waarschijnlijk gevoelen aannemen, dat Maria de Uitdeelster of de Schatmeester es der genade is, en dus hare tus-schenkomst of voorspraak ons niet alleen nuttig is, maar zelfs ⢠noodzakelijk; noodzakelijk, niet in volstrekten zin, want alleen de bemiddeling van Christus is ons volstrekt noodzakelijk; maar noodzakelijk in zedeli/jkeri zin, omdat de Kerk van gevoelen is dat zóó de wil is van God, die wil dat alle genaden, die Hij uitdeelt, door de handen van Maria gaan, of â om met Leo XIII te spreken -- âdat van den zoo over-vloedigen genadeschat, dien de Heer ons heeft verworven â immers de genade en de waarheid zyjn geworden door Jems Christus â door Gods beschikking ons niets wordt geschonken, tenzij door Maria; zoodat, gelijk niemand, tenzij dooiden Zoon, kan naderen tot den Hernelschen Vader, alzoo in zekeren zin niemand tot Christus komen kan, tenzij door zijne Moeder
Hieruit nu volgt niet, dat iemand, die, om welke reden dan ook, verzuimen mocht Maria\'s voorspraak in te roepen, van God geen enkele genade ontvangen zou; maar hieruit volgt, dat wij op Gods genade des te zekerder en overvloediger mogen rekenen, naarmate wij ons zeiven en ons gebed des te getrouwer aan Maria aanbevelen.
Want Maria â zooals wij dit reeds vroeger hebben overwogen en vooral hier niet mogen vergeten â bidt voor allen, ook voor die kinderen, die er niet aan denken of verzuimen haar aan te roepen; maar toch, zooals licht begrijpelijk en zeer natuurlijk is, meer en bijzonder voor die kinderen, die het haar vragen: die haar liefhebben en eeren, en in al hun nood tot haar hunne toevlucht nemen; voor dezen, zeg ik.
\') Encycl. Bozenkrans 1891.
179
bidt zij des te meer en voor dezen zal zij van God, door Jesus Christus ook des te meerdere en bijzondere gunsten en voorrechten afsmeeken.
Dus zij uw streven, lieve lezer of lezeres, om, hetzij gij tot God. de Bron van alle genade, hetzij tot de voorspraak dei-Heiligen uwe toevlucht neemt, â steeds ook uwe wenscheu en verlangens aan de Moeder der Goddelijke genade aan te bevelen, om des te zekerder verhoord te worden, en des te grootere gunsten van den Hemel te ontvangen.
Draag daarom u zelve n en uwe gebeden dagelijks aan die goede Moeder op, zeggende:
O heilige Maria, mijne Moeder, Moeder der Goddelijke genade, ik draag mij geheel aan u op; ik beveel mij in uw gezegende trouw, bijzondere bescherming en in den schoot uwer barmhartigheid, voor nu, voor alle dagen mijns levens, en voor het uur van mijn dood; ik beveel u mijn lichaam en mijne ziel, al mijne verwachtingen en vertroostingen, al mijne bekommeringen en ellenden, mijn leven en het einde van mijn leven; opdat door uw heilige voorspraak en verdiensten al mijne werken gericht en geregeld worden naar den wil van uw Goddelijken Zoon.
XXVIIL
Maria ook onze Moeder.
oen men eens aan den H. Stanislaus Kostka vroeg, of hij Maria, de Moeder Gods, beminde, schitterde zijn gelaat, tranen van aandoening kwamen in zijn onschuldige oogen, en hij gaf ten antwoord: âHoe! zou ik Maria niet beminnen? Zij is immers mijne Moeder.quot;
In de eigenlijke beteekenis des woords is Maria de Maagdelijke Moeder Gods; tevens is zij in een waren zin onze Moeder, moeder niet naar het lichaam, maar naar den geest, niet naar de vruchtbaarheid der natuur, maar naar de vruchtbaarheid der liefde: hare liefde tot ons maakt haar onze Moeder; want naast God danken wij het aan hare liefde, dat wij Jesus ontvingen die het ware leven is; met God den Vader offerde zij mede het leven van haar Zoon voor het leven der wereld op.
Dus werd zij reeds onze Moeder op het eigen oogenblik, dat zij hare toestemming gaf tot de voltrekking van het geheim van Gods menschwording in haar maagdelijken
181
schoot; want toen zij dit deed, wist zij zeer goed èn uit de H. Schrift èn meer nog door de verlichting des H. G-eestes, wat haar, de aanstaande Moeder van den Messias, den Verlosser der wereld, te wachten stond; dat namelijk haar Zoon, haar lieveling, om onze ongerechtigheden zou gewond, om onze misdaden zou verpletterd en aan het kruis voor de zonden der wereld ten doode toe zou gemarteld worden.
Maar niettegenstaande zij dit alles wist, of liever, juist omdat zij dit wist, gaf zij haar vrije en volle toestemming; want juist die kennis ontstak in haar minnend hart een brandend verlangen om zooveel mogelijk mede te werken aan de zaligheid van alle menschen; juist die wetenschap deed er haar naar haken, met eene liefde welke die der Serafijnen overtreft, de Moeder te worden van den toekomstigen Verlosser, opdat zij Hem alles kon geven, wat Hij als Mensch behoefde om zijn liefdevolle bedoelingen te kunnen volvoeren.
Dus werd zij met volle kennis en vrijen wil de Moeder van Jesus Christus! En âvan dat gezegend oogenblik af, was haar leven één met haar Jesus. Zij leefde voor Hem, zij dacht en verlangde, maar leed ook met Hem; geheel haar bestaan ging op in dat van haar Goddelijk Kind; zijne vreugden en zijne smarten waren ook hare vreugden en hare smarten; elk harer ademhalingen was een liefdezucht voor Jesus en voor den mensch. Reeds toen mocht zij tot alle menschen zeggen, zooals de H. Paulus later schreef: In Christus Jesus heb ik u geteeld. Moeder van Jesus naar zijn inenschelijke natuur, werd zij toen reeds Moeder van ons allen door de liefde 1).quot;
Toen de allerheiligste maagd â zoo leert ook de H. Ber-
*) Russchenbl. Lijden v. Jesus 11. 270.
182
nardinus van Siena â bij de Boodschap des engels de toestemming gaf, welke het Eeuwig Woord had afgewacht om haar Zoon te worden, begon zij op datzelfde oogenblik met een eindelooze groote innigheid te bidden voor onze redding en tevens een zóó groote zorg te koesteren voor onze zaligheid, dat zij ons waarliik van dat oogenblik af als een allerteederste Moeder onder haar hart droeg.
Ten tweedenmale werd zij onze Moeder, toen zij Hem, haar Eerst- en Eeniggeborene, volgens \'s Heeren wet, naar Jeruzalem bracht omi Hem den Heer voor te stellen en op te dragen.
Wie zal zeggen, wat er toen omging in haar eindeloos minnend Moederhart, toen zij haar Kind daar zag liggen op het altaar tusschen twee brandende kaarsen ?
Voor haar immers, was dat geen loutere plechtigheid, zooals voor andere moeders, die den kleine eerst den Heer toeheiligden en dan weer loskochten; want zij wist, dat zij haar Kind met geen vijf sikkels zou vrijkoopen, maar dat het offer van het leven haars Kinds werkelijk aangenomen en op het altaar des kruises zou voltrokken worden om ons het leven te geven en overvloediger te geven.
Gelijk zij op den dag der Boodschap des engels hare toestemming gaf tot de menschwording van Gods Zoon â zegt \' de H. Thomas â zoo geeft zij, bij zijne Opdracht in den 1 tempel haar volkomen toestemming in zijn dood; en in vooruitzicht van het deel, dat zij zal hebben in de smarten en het lijden van haar beminden Zoon, vereenigt zij haar lijden met het lijden van het Goddelijk slachtoffer.
Maar vooral onder het kruis bewees Maria haar Moederlijke liefde voor ons allen; want daar offerde zij met den Vader mede, het leven van haar Zoon voor het leven der wereld op, of liever nog: daar Jesus hare ziel, haar leven en al hare
183
liefde was, gaf zij â gelijk de H. Wilhelmus zegt â om vele zielen te verlossen, hare ziel ten beste aan den dood. â
Want wat Jesus leed in zijn lichaam, dat alles leed Maria in hare ziel, die al de schande en al de smart des kruises gevoelde, zoodat de H. Augustinus zeggen kon: Toen Christus gekruisigd was, iverd ook zijne Moeder met Hem gekruisigd.
Het is dus wel veel, onbegrijpeliik en oneindig veel, wat de wereld naast God aan Maria\'s goedheid en liefde verschuldigd is; want niet slechts heeft zij ons Jesus gegeven door Hem als Kind te baren, maar ook door Hem op te offeren aan het kruis, toen ook zij de wereld zóó liefhad, dat zij haar Eeniggeboren Zoon niet spaarde, maar Hem overleverde in den dood, opdat allen zouden leven in en door Hem.
Terecht dus mag Maria, de Maagdelijke Moeder Gods, ook in een waren zin onze moeder genoemd worden; want gelijk wij aan onze lichamelijke moeder het lichamelijk leven danken, zoo danken wij aan haar het bovennatuurlijk leven der ziel, in zooverre wij door haar den Verlosser hebben bekomen en zij door hare liefde heeft medegewerkt tot ons aller heil.
Of gelijk de H. Augustinus zegt: âMaria is naar het lichaam de Moeder van ons Hoofd Jesus Christus, en naar den geest de Moeder van al zijne ledematen, omdat zij door hare liefde heeft medegewerkt, dat (geestelijke) kinderen van God in de Kerk geboren worden.quot;
Om deze haar Moederlijke liefde dan ook, heeft de stervende Verlosser zelf haar tot onze Moeder uitgeroepen en als bij testament verklaard, dat zij, die ons bij zijne Ontvangenis zooveel goedheid betoonde en bij zijn Offerdood zooveel met Hem en voor ons leed, â ook in zijne glorie de Moeder blijven zou van die kinderen, die Hij door zijn Bloed, zij door hare liefde zich verworven had.
Want zooals Gods Kerk altijd geloofd heeft, was Joannes,.
184
toen hij met Maria onder het kruis stond, de vertegenwoordiger van alle menschen.
Toen dus de Verlosser, stervend aan het kruis op Joannes wijzend, tot zijne Moeder zeide: Vroinv, ziedaar ine zoon, was het alsof Hij zeide: Ziedaar uw zoon, dien gij in uwe liefde en smarten gebaard hebt; G-ods kinderen zijn ook uwe kinderen geworden.
En toen Hij daarna de aandacht van den leerling, dien Hij liefhad, op Maria richtend, tot hem sprak: Ziedaar uwe Moeder, toen heeft Hif ook aan ons allen de H. Maagd tot Moeder gegeven, opdat allen aan wie Hij geleerd heeft zijn Vader ook hun Vader te noemen, nu ook het recht zouden hebben zijne Moeder als hunne Moeder lief te hebben.
Gaarne verstaan wij het door Christus gesproken woord ook in dezen zin, en met dankbare liefde aanvaarden wij de kostbare erfenis, welke Hij stervend ons gelaten heeft; gaarne noemen wij de Moeder des Heeren ook onze Moeder, zeker als wij zijn, dat zij ook ons als hare kinderen erkennen zal.
Immers, het lijdt geen twijfel, of Maria heeft deze opdracht van haar stervend Kind, die ook haar hartewensch was, zeer gaarne vervuld en ons als hare kinderen aangenomen; geen twijfel of Gods scheppend woord schonk haar ook met deze opdracht opnieuw een meer dan moederlijke liefde voor de menschen, en met deze overvloeiende liefde ook de macht om als een goede moeder te kunnen doen en te blijven doen. wat zij tot hiertoe gedaan had, te leven namelijk voor het leven en het geluk harer aangenomen kinderen; bestond dit vóór de Verlossing van \'t menschdom in het medewerken aan onze Verlossing, die Jesus volbracht, het zal dan nu in diezelfde verhouding zoo blijven en dus nu bestaan in het medewerken aan de uitdeeling der genade, die Jesus heeft verdiend.
185
Dus ontvingen ook wij het onwaardeerbaar voorrecht Gods Moeder ook de onze te mogen noemen, en stortte Gods scheppend woord: Ziedaar uive Moeder, ook een allerteederste liefde voor zijne en onze Moeder in het hart der menschen; want al zou geen gedenkteeken, geen geschiedboek daaromtrent getuigenis afleggen, aan de borst van ieder waar Christen ontwelt een woord, dat krachtig boven alles, ten gunste van Maria\'s Moederschap spreekt; voelen wij, als ware het met overmachtigen drang, ons voortgedreven en met zoet geweld getrokken tot Maria.
Immers, evenals een kind in al zijn nood zijne toevlucht neemt tot zijn lieve en goede moeder, zoo ziet men ook overal en altijd, bij alle openbare rampen en huiselijk leed, de geestelijkheid en het volk, rijken en armen, eiken stand, ouderdom en kunne, steden en dorpen hunne toevlucht nemen tot Maria.
Tot haar blikt de zeeman op te midden der stormen, de soldaat in het barnen van den strijd, de reiziger op den doolweg, de kranke in zijn ziekte, de behoeftige in zijne armoede, de bedrukte in zijn nood.
De zondaar zelf erkent in Maria zijne Moeder: geen geloo-vige wordt er gevonden, hoe ontaard en verlaagd hij ook zij, die ondanks de ellende zijner zondige gewoonten en de buitensporigheid zijner driften, niet een overblijfsel van genegenheid tot Maria in \'t diepste zijns harten bewaart, die niet van tijd tot tijd een treurenden blik tot Maria verheft, die niet een geheim vertrouwen op haar moederlijke bescherming en tusschenkomst blijft behouden
Zoo laat ons dan, lieve lezer of lezeres, op het voetspoor onzer vrome vaderen, Maria, de Moeder van Christus, ook onze
\') Jamar 335.
186
Moeder noemen; haar die eer bewijzen, die eene moeder van hare kinderen verwachten kan; in allen nood tot haar als tot een beminde moeder onze toevlucht nemen, en ook vertrouwen, dat zi] ons als hare kinderen erkennen en als een goede moeder ons helpen zal in alles wat wij behoeven, â ons beschermen zal en bijstaan in het uur van onzen dood, en ons geleiden zal tot de eeuwige zaligheid.
Laat ons bidden.
O Moeder, dierbare Moeder van Jesus en ook mijne Moeder! ik wil uw dankbaar kind wezen, u altijd als mijne Moeder eeren, u met vertrouwen aanroepen; ik wil u beminnen, u navolgen. Ach bid voor mij, dat ik zelf u getrouw blijve en hoe onwaardig ook, vele harten in uwe liefde moge ontvonken. Toon, Maria! dat gij Moeder, mijne Moeder zijt.
XXIX.
Bid voor ons.
gebruikt, dat men daarvan blijken vindt zelfs bij de i oudste Kerkvaders, zoowel van de Grieksche als van de Latijnsche Kerk.
De H. Athanasius, bisschop van Alexandria t 373 zegt: âWees gegroet, vol van genade, de Heer is met U, Koningin en Moeder, bid voor ons.quot;
De H. Joannes Chrysostomus van Constantinopel t 407, sprekende van een inval, dien de vijand in het land gedaan had, zegt: âDebora en Jahel hebben eertijds den vijand verslagen, doch ons ontbreekt geen Jahel of Debora; want wij hebben de H. Moeder Gods, Maria, die voor ons bidt.quot; Dit herhaalt hij verscheidene malen en besluit dan met deze woorden: âLaat ons dan de H. Maagd en Moeder Maria bidden en aanroepen.quot;
Georgius, bisschop van Nicomedië, zegt: âVerkrijg voor ons.
? e gewoonte om de H. Maagd aan te roepen en hare
Jplp\'3 h111? te verzoeken met de woorden Bid voor ons, â \'Jjfe is zoo oud en in alle christelijke eeuwen zoo algemeen
188
o H. Maagd, door uwe gebeden, dat wij mogen gerekend worden onder de Heiligen om G-od eeuwig te loven.quot;
Photius, patriarch van Constantinopel, zegt: ,0 Maagd en Moeder Gods, mijne verzoening en mijne toevlucht, bid voor mij bij uw Zoon, wees mijne middelares en maak, dat degenen, die U loven, van alle vlekken gezuiverd zijnde, waardig mogen bevonden worden om te komen in de eeuwige rust.quot;
De H. Augustinus, t 430, zegt: âO zalige Maria, verhoor onze gebeden! sta de, ellendigen bij, help de kleinmoedigen, bid voor het volk, spreek voor de geestelijkheid, heb medelijden met de bedrukten, toon uwe genegenheid tot ons, offer onze tranen aan God en bid voor ons bij uwen Zoon!quot;
De H. Laurentius Justinianus, patriarch van Venetië 11454, zegt: âO H. Moeder Gods, poort des hemels, hoop der zondaren, bid voor ons.\'want gij zult ons niet verstoeten, die uit den geest willen geboren worden
Zoo hebben onze vaderen gebeden, zoo hebben zij het ons geleerd, en zoo doen ook wij, als wij in het Wees gegroet tot haar zeggen: H. Maria, Moeder Gods, bid, voor ons.
Maar nu vraag ik, wie zou dat niet gaarne zoo doen, met een groot vertrouwen zoo doen, wanneer hij zich herinnert, dat Maria, de allerheiligste Maagd, de Moeder Gods, de Uitdeelster der genade, ook zijne Moeder is?
Of waar ter wereld is er een kind, dat geen vertrouwen stelt in zijne moeder? Aan moeder denkt, op moeder hoopt het kind bij ieder gevaar en iederen nood; en al staan er ook nog zooveel andere menschen in zijne nabijheid, moeder! moeder! roept het kind, als het zich in gevaar bevindt.
En moeder hoort dit ook gaarne; moeder kan ook het beste helpen, moeder het best zijne smart verlichten, moeder
!) Hazart, Wees gegroet 43.
189
hem het beste troosten: Moederliefde is de beste van alle.
Welnu, wat gij als kind doet of gedaan hebt jegens uw aardsche moeder, zoudt gij dit dan ook niet doen jegens uw hemelsche Moeder, uwe Moeder bij uitnemendheid, de H. Maagd Maria?
Immers waarom stelt een kind zulk een groot vertrouwen op zijne moeder? Omdat het weet, zeker weet, nietwaar, dat niemand hem zoo lief heeft als zijne moeder.
Maar zeg nu eens: wie bemint u, na God, meer dan Maria? Welke aardsche moeder heeft er ooit voor het geluk van haar kind zooveel gebeden, zooveel geleden, zoovele en zware offers gebracht als Moeder Maria voor ons?
Herinner u nog maar eens de vurige verzuchtingen, die zij in het tempelklooster te Jeruzalem ten Hemel deed stijgen, en waardoor zij den tijd onzer verlossing, als het ware vervroegde.
Breng u nog eens de zelfopoftering te binnen, waarmede zij, in \'t vooruitzicht van haar toekomstig lijden, het altijd gedenkwaardig ,/ï\'a/ uitsprak, dat de herschepping der wereld ten gevolge had.
Denk nog eens aan de liefde van haar hart, toen zij haar welbeminden, zoo dierbaren Zoon, bij zijn morgenoffer in den tempel te Jeruzalem den Hemelschen Vader opdroeg.
Vooral, verbeeld u nogmaals het schouwtooneel op den Calvarieberg, waar Maria, staande in eene zée van smarten, met den Hemelschen Vader mede het leven van haar Eenigen Zoon voor- onze zaligheid ten beste gaf. âDe vloeden dei-smart mogen als een verbolgen zee op haar nederstorten; haar zielelijden moge allerhevigst zijn en geen grenzen kennen; den kelk, dien Jesus dronk, moge ook zij ledigen tot den laatsten druppel toe, â zij staat daar in onbezweken standvastigheid, vast en onwrikbaar als eene rots, en verlaat
190
den Calvarieberg niet eer, voor zij haar Zoon heeft hoeren zeggen; Het is volbracht; want eerst toen had ook Maria hare taak volbracht.quot;
Het is waar, Maria is thans in den hemel opgenomen, maar is het denkbaar, dat zulk eene Moeder, nu zij in den hemel is en dus nog veel meer voor ons doen kan, hare kinderen zou vergeten, ons geen belangstelling meer betoonen, en niet gaarne voor ons bidden zou, bijzonder dan wanneer zi] daarom gevraagd wordt?
Neen, dat is ondenkbaar, daartegen verzet zich ons kinderlijk gevoel; want waar ooit een kind een lieve en brave moeder door den dood verliest, koestert het, als ware het met onweerstaanbaren drang, den zaligen troost, dat de liefde zijner moeder niet met haar uitgestorven is, maar voortduurt in den hemel, waar zij aan hem denkt, en voor hem bidt, en over hem waakt. Zou, om een voorbeeld te noemen, eene H. Monica, die voor de bekeering van haar zoon zooveel gebeden, zooveel tranen gestort heeft, in den hemel ooit haar Augustinus hebben kunnen vergeten ?
En zou dan Maria, zulk eene Moeder boven duizenden, die ons beminde met eene liefde, die de liefde Gods het meest nabij komt, zou zij, vraag ik, nu zij in den hemel in eeuwige glorie naast haar Zoon troont, de kinderen harer smarten en tranen, die kinderen, aan wie zij door haar beminden Zoon zelf tot Moeder en voorspreekster gegeven is, kunnen vergeten ?
Neen, dat is ondenkbaar, dat is onmogelijk! en dus leert ons ook het H. geloof, geheel in overeenstemming met ons kinderlijk gevoel, dat, gelijk er op aarde noch in den hemel iemand is, die God meer bemint dan Maria, er zoo ook op aarde noch in den hemel eene moeder is, die met meer liefde aan ons denkt, en voor ons zorgt en spreekt dan Maria.
Derhalve, wanneer wij in het gebed tot Maria gaan, dan
191
is het â zoo schrijft Leo XIII â tot eene Moeder van barmhartigheid, dat wij onze toevlucht nemen, tot eene Moeder zoo liefdevol, dat welke ook onze behoeften mogen zijn, en vooral wanneer het belangen geldt van het eeuwig leven, zij dadelijk, zelfs voor dat zij aangeroepen wordt, ons ter hulpe komt, en ons overvloedig mededeelt uit den schat van genade, waarover haar door God de volle beschikking van af den beginne geschonken is, omdat zij waardig was zijne Moeder te zijn____
En heeft de natuur zelve, den moedernaam zoo zoet gemaakt en de moeder als het voorbeeld gesteld der teederste en meest zorgdragende liefde; de taal is ook onmachtig om voldoende uit te drukken, en de godvruchtige zielen kunnen het alleen gevoelen, wat die weldadige liefdevlam in Maria is, die voor ons eene Moeder is, niet in de orde der natuur, maar door Christus.
Zij kent alle omstandigheden; zij weet wat wij voor het leven noodig hebben; zij ziet de algemeene en bijzondere gevaren, die ons bedreigen; zij weet vooral aan welke machtige vijanden wij strijd te leveren hebben voor de zaligheid onzer ziel.
In al die moeilijkheden des levens en in vele andere, van welken aard ook, kan zij krachtdadig (en zij verlangt ook niets vuriger) aan haar dierbare kinderen troost, kracht en hulp brengen.
Daarom tot Maria gespoed, zonder vreeze of beschroomdheid en haar gesmeekt door de moederlijke banden, die haar met Jesus en ons zoo nauw verbinden, om ons haar bijstand te verleenen; roepen wij met godsvrucht haar hulp in door dat gebed, dat zij zelve ons heeft gegeven, en dat haar zoo aangenaam is, dan hebben wij het volste recht om met een gerust en blij gemoed te rekenen op de bescherming van de beste aller moeders.
XXX.
Bid voor ons, zondaren.
«n de Catacomben te Rome vindt men â naar luid |r% van een verhaal van Bourassé 1) â menigvuldige fjp\' ronde glazen, wier bodem bedekt is met een dun blaadje \'|l, goud, waarop allerlei figuren en opschriften met pun-
1\' tjes zijn geschilderd.
Een dezer kostbare glazen, waaraan zichtbaar nog bloed kleeft van een martelaar, stelt de H. Maagd voor met het kindje Jesus op hare armen; een ander den Goeden Herder, met het afgedwaalde schaap op zijne schouders, en daaronder de H. Maagd Maria in een biddende houding.
Hieruit ziet men, dat reeds de eerste Christenen, van de tijden der Apostelen af, gewoon waren zich de tusschenkomst van Maria voor te stellen, evenals wij. Katholieken van den tegenwoordigen tijd dat nog doen, namelijk als een machtige Voorspreekster of Middelaresse, die vol medelijden met den zondaar, voor hem aan Jesus de genade vraagt hem zijne
\') Bourassé 282.
193
zonden te vergeven, hem weer in zijn Vaderhart te sluiten en hem het uitzicht op den hemel te heropenen.
Ieder Katholiek immers weet en heeft ten allen tijde geweten, dat Maria ons niet kan helpen door haar eigen macht, maar alleen door hare voorspraak bij God, die alleen de opperste Meester is van alles, en de Gever van alle goed.
Daarom zeggen wij in het Onze Vader tot God; Geef ons, verlos ons\', maar in \'t Wees gegroet tot Maria: Bid voor ons, zondaren.
Wij noemen ons zondaars, en met recht! immers dat zijn wij, zondaars van moeders schoot af, zondaars door allerlei overtredingen. Wel is waar, de een meer, de andere minder, maar toch allen zondaars; want in vele dingen misdoen ivyj allen, en zoo wij zeggen, dal wij geen zonden hebben, bedriegen wij ons zeiven en de waarheid is niet in ons
Wij noemen ons zondaars voor Maria om haar medelijden op te wekken en haar moederhart te openen, omdat wij weten, dat zij, zoo machtig, zoo goed en zoo getrouw, ook zelfs voorden grootsten zondaar een zekere toevlucht is en het nog nooit is gehoord, dat iemand, die tot haar zijne toevlucht nam, door haar is verlaten.
En hoe zou zulks ook mogelijk zijn! Dit zou slechts dan mogelijk zijn, wanneer zij den zondaar niet zou kunnen of niet zou willen helpen; maar dat aan Maria noch het kunnen, noch het willen ontbreekt, dat zal u, lieve lezer of lezeres, uit het reeds overwogene nog wel duidelijk genoeg voor den geest staan.
Zij ka.n ons helpen, omdat zij de allerheiligste Maagd, de Moeder van den almachtigen God en de Uitdeelster der Goddelijke genade is; en, wat nog zoeter klinkt, zij wil ons ook
\') Jac. III, 2 en 1 Jo. I, 8.
13
194
helpen, omdat zij onze Moeder is, eene voor ieder toegankelijke, goedertierene, barmhartige Moeder, eene Moeder, wier hart slechts voor liefde en vergeving klopt, en naar onze zaligheid nog vuriger verlangt dan wij zeiven er naar verlangen.
En inderdaad, hoe zou zulks ook anders kunnen zijn! Vieren toch â zoo schrijft de godvruchtige Alb. Stolz â de engelen in den hemel, die nooit menschen zijn geweest, die met ons in geen bloedverwantschap staan, een groot vreugdefeest als zich een zondaar bekeert, â hoe zal dan niet Maria, de Moeder van Jesus en ook onze Moeder zich verheugen, en er gaarne door haar gebed aan behulpzaam zijn, als een zondaar zich bekeeren wil?
Denk zelf eens even na. Het bitter lijden en sterven van Jesus waren de barenssmarten, waarmede Hij voor de zondaars de wedergeboorte en de Verlossing gewonnen heeft, en ook Maria heeft die smarten mede geleden. Indien nu een zondaar zich niet bekeert, dan ligt daar zijne ziel als een doodgeboren kind: alle barenssmarten zijn voor hem tevergeefs en nutteloos geleden; maar als een zondaar zich wel bekeert, dan ontspruit er leven en vreugde uit datgene, wat de Heer Jesus aan het kruis en Maria zijne Moeder met Hem onder het kruis geleden heeft. Roept dus een zondaar de H. Maagd aan om hem behulpzaam te zijn uit zijne zonden op te staan, dan vraagt hij haar iets, dat haar zelve de grootste vreugde verschaffen moet.
Daarom dan ook legt de godvruchtige Thomas van Kempen Maria de volgende woorden in den mond: âIk noodig alle menschen uit tot mij hunne toevlucht te nemen, ik verwacht allen, verlang naar allen, nooit veracht ik een zondaar die mijne hulp inroept.quot;
Reeds de groote H. Augustinus sprak als zijne overtuiging
195
uit: âüoor u, o Maria, verkrijgen de ellendigsten bannhartig-heid, de ondankbaren genade, de zondaars vergiffenis, de armen verhevene-, de bewoners dezer aarde hemelsche zaken, de stervelingen het leven, de reizigers dezer aarde het hemelsch vaderland 1).quot;
En de Kerk zelve, erkent zij niet Maria, in de bekende Litanie van Loretto, als de Toevlucht der zondaren; en legt zij haar niet in \'t Epistel op den feestdag harer Onbevlekte Ontvangenis, deze woorden in den mond: Hij, die mij zul gevonden hebben, zal het leven vinden en heil putten van den Heer? wat kunnen deze woorden anders beteekenen dan: een zondaar aan de voeten van Maria Is gered?
De H. Benedictus zag eens een man door een woestaard geboeid; de Heilige zag op de boeien neer en oogenblikke-Ujk sprongen ze los. Zoo zal ook Maria doen, als haar zachte oogen vallen op de ketenen, waarmee de duivel den zondaar geketend houdt: dan zullen deze losspringen, en de zondaar is gered, is hersteld in de vrijheid der kinderen Gods, zooals de Kerk bidt in hare lofzangen: Solve vincla reis: Slaak des zondaars boeien!
Ja, Maria zal zelfs voor den zondaar verkrijgen, dat God hem in het oordeel genadig zij, zooals wederom de Kerk ons leert bidden in het Stabat Mater: Per te, virgo, sim defensns in die judicii: O Maria, verdedig mij nog, wanneer ik voor Gods rechterstoel sta!
O hoe moeten deze herinneringen des zondaars vertrouwen op Gods barmhartigheid versterken!
Stel u eens een zondaar voor, een diep gevallen zondaar, een gewoonte-zondaar, die jarenlang niet naar Gods vermanende stem heeft willen luisteren, dio aan alle genade
\') Heerlijkheden II, 104.
13*
196
en inspraken weerstaan, alle verwaarloosd heeft en zonde op zonde gestapeld, â moet hij niet duchten, dat eindelijk de maat zijner zonden vol, dat de bijl reeds aan den wortel zijns levens is geslagen en het vonnis boven zijn hoofd zweeft: hak dien onnutten boom om en werpt hem in het vuur ? Tot wien zal hij zich in zijn diepe ellende wenden?
Tot God? Ja, dat moet hij, want God alléén kan hem zalig maken; maar als hij aan Gods oneindige goedheid denkt, dan moet hij tevens ook denken aan en vreezen voor Gods oneindige rechtvaardigheid, aan het zwaard van Gods wrake, dat daar reeds zweeft boven zijn hoofd.
Tot Jesus Christus dan? Zeker, geen heil dan door Christus, den Eenigen Middelaar van rechtvaardigheid tusschen God en den mensch : Hem moet hij beminnen als zijn liefdevollen Verlosser, maar voor Hem ook moet hij sidderen als voor zijn onverbiddelijken Rechter! en ach God, wat heeft hij niet te duchten, hij die Christus\' kruisdood door zijne zonden zoo dikwijls heeft hernieuwd?
O, wat een troost dan te mogen denken, dat de heilige Maria met ons en voor ons tot Jesus bidden wil om genade en barmhartigheid, en dat wij, wat wij zeiven om onze onwaardigheid niet durven hopen, verkrijgen zullen door de voorspraak van haar, die altijd verhoord wordt, omdat zij Zijne Moeder is.
Ja, dat wekt des zondaars vertrouwen op Gods barmhartigheid wederom op, hij ademt weer vrijer als hij aan zijn lieve Moeder denkt, en hij,werpt zich vol vertrouwen voor Maria\'s voeten neder, haar vragende en smeekende toch voor hem en met hem te bidden tot Jesus Christus, om uitstel en genade en tijd om door ware boetvaardigheid de verloren onschuld on den verloren hemel te herwinnen.
Want wij mogen bij de stof, die wij thans overwegen, niet
197
vergeten, dat er geen vergiffenis mogelijk is zonder beromv en verbetering; dat Maria wel de Toevlucht der zondaren, maar geenszins de beschermvrouw der zonde is; en dat wij op Maria\'s hulp nooit mogen rekenen, als wij niet willen ophouden haar lieven Jesus te bedroeven.
Maar daarentegen ook; al waart gij nog zulk een zondaar, al waart gij met de grootste zonden der wereld beladen, als gij ten minste eenig leedwezen over uwe zonden in uw binnenste gevoelt, ten minste eenig verlangen hebt om beter te worden, ach, werp u dan met vertrouwen voor Maria\'s voeten neer, en bid met volharding de Groetenis des engels tot Maria, de Toevlucht der zondaren. Zij zal u redden, zij zal u uitstel en tijd en genade en licht verwerven om uit uw ongelukkigen staat op te staan, zij zal u verwerven hartgrondige droefheid over uwe zonden, volharding in het goede, en eindelijk een zaligen dood.
O, ik ben er zeker van, had de tollenaar van het Evangelie, die achter in den tempel stond, en het niet waagde zijne oogen ten Hemel op te heffen, maar op zijn borst klopte en zeide: God wees mij, zondaar, genadig! hadde hij den Verlosser en zijn lieve Moeder gekend, zeker zou hij zich ook tot Maria gewend en tot haar gesmeekt hebben: bid voor mij, armen zondaar! want in het gevoel zijner onwaardigheid God zelf aan te spreken, zou het hem een troost geweest zijn een liefdevolle voorspreekster bij God te kunnen aanroepen.
En alzoo ook is het voor ieder mensch, die heeft ingezien hoe verschrikkelijk zondig hij zelf is en hoe oneindig heilig God is, een groote troost te weten, dat hij bij zijn Eechter eene beschermster heeft, die oneindig dierbaar is aan Gods hart, en dat die beschermster hem als haar kind liefheeft, en hij bidt met hoop en vertrouwen: H. Maria, Moeder Gods, hid voor ons. zondaren!
198
Doe ook zoo, lieve lezer of lezeres, en bid tot dat einde ook dikwijls het schoone gebed Memorare, dat aldus luidt:
Gedenk, o goedertierenste Maagd Maria, hoe het nooit is gehoord, dat iemand, die tot u zijne toevlucht nam, uw bijstand verzocht, of uwe voorspraak inriep, door u verlaten is. Vol van dit vertrouwen kom ik tot u, o Maagd der maagden, en zuchtende onder het gewicht mijner zonden, werp ik mij rouwmoedig voor uwe voeten neer. O Moeder van het eeuwige Woord, versmaad mijne gebeden niet, maar neem die goedgunstig aan en gewaard u mij te verhooren.
XXXI.
Bid voor ons... nu.
dllliy\'i e menseh leeft eigenlijk slechts een enkel oogenblik, Jihlp\' het oogenblik nu; want de verleden oogenblikken \'w kan hij niet meer terughalen, en de toekomstige be-^ hooren hem nog niet toe.
En die oogenblikken, die hij beleeft, volgen elkander zóó snel op, dat hij, wanneer hij aan het einde zijns levens gekomen, de eeuwigheid ingaat, zal moeten bekennen; ik heb, als ware het, slechts één oogenblik geleefd en zie ik sterf.
En toch, aan wat ellende is een menseh gedurende dat kortstondig leven al niet blootgesteld! hoe waar is het woord van Job: De menseh leefl slechts een korten tijd en wordt met vele ellenden overladen: hyj komt op als eene bloem, en wordt vertreden en vlucht gelijk eene schaduw en blijft nooit in denzelfden toestand.
Ik weet niet, lieve lezer of lezeres, wat gij tot hiertoe gedaan hebt om de straffen van Gods rechtvaardigheid van u af te weren; noch wat gij doen wilt, wanneer God u met
200
tegenspoed en wederwaardigheden bezoekt; maar wel weet ik, dat gij in alle tijdelijke omstandigheden, die u bedroeven en die het niet in uwe macht staat van u af te weren, niets beter doen kunt dan u te wenden tot Maria, uw hemelsche Moeder, opdat zij voor u bidde en u hulp, troost of redding van God erlange.
Zeker, wij zijn ook kinderen van den Hemelschen Vader, en mogen, ja, moeten ook onmiddellijk tot Hem bidden; maar wij hebben reden genoeg om te vreezen, dat wij om onze zonden Hem niet behagen; en dus zal ons gebed des te zekerder doordringen, wanneer Maria, in wie God zulk een groot welbehagen heeft, haar gebed met het onze vereenigen en onze voorspreekster zijn wil.
Niet dus uit wantrouwen aan Gods barmhartigheid, maar uit vreeze voor onze eigen onwaardigheid bidden wij tot Maria: wij roepen haar aan, opdat de waardigheid van haar, die voor ons bidt, onze eigen ellende aanvulle.
En zoo gebeurt het dan ook dikwijls, dat men aan God iets vraagt en men verkrijgt het niet; men vraagt het door Maria\'s voorspraak en men verkrijgt het. Hoe komt dat nu? Dit komt omdat God aan zijne lieve Moeder niets weigeren wil, en aldus besloten heeft zijn lieve Moeder te eeren.
En inderdaad! Reeds zoo dikwijls is het volhardend aanroepen der H. Maagd verhoord, vaak zelfs zoo ontegensprekelijk wonderbaar verhoord geworden, dat men de betuigde waarheid met opzet zou moeten bestrijden, indien men hier alles zou willen ontkennen.
Wie zal ze tellen die kerken en kapellen, die beelden en zuilen, die men in alle Landen der wereld, in steden en dorpen, op straten en pleinen, op bergen en rotsen en langs den openbaren weg ter eere van Maria ziet opgericht ? En vraagt gij wanneer en waarom ze zijn gebouwd en opgericht, men
201
zal u antwoorden, dat ze als zoovele dankbare herinneringen zijn van bijzondere gunsten en genaden door Maria\'s bemiddeling van den Hemel ontvangen.
Bezoek de zeekust en bezie ze, die eenzame kapellen, waar zoo menig geredde schipbreukeling het offer zijner dankbaarheid kwam brengen : hoe vele geschenken en zegeteekens versieren er het altaar van de Sterre der zee!
Wie kent ze, al die zoete en treffende benamingen, die door een dankbaar voorgeslacht aan Maria ziin gegeven, en die zoo duidelijk uitspreken, wat het van Maria heeft ontvangen en wat ook wij van haar mogen verwachten, zooals daar zijn: Onze Lieve Vrouwe van Goede Hulp, â van Goeden Baad, â van Bijstand, â van Goede Hoop, â van Goede liust. â van Goede Tijding, â van Redding, â van Genaden, â van Troost, â van Vrede, en nog zoovele andere?
En waaraan hebben zoovele feesten, die wij in den loop des jaars ter eere van Maria vieren, hun oorsprong te danken ? Waaraan anders dan aan de vaste overtuiging der Christenheid, dat door Maria\'s machtige en wonderbare tusschenkomst, algemeene rampen zijn afgewend, stormen bezworen, vijandelijke legers overwonnen en geheele Rijken zijn behouden gebleven. Ik noem slechts: Het Feest van Maria\'s Naam, â van Onze Lieve Vrome van Overwinning, â van Maria\'s Bescherming â van den Allerheiligsten Rozekrans.
En wanneer de Kerk het goedkeurt en verlangt, zooals zij doet in de Litanie van Loretto, dat wij Maria zullen vereeren en aanroepen onder de titels van: Behoudenis der kranken, Troosteres der bedrukten. Hulp der Christenen, Sterre der zee, wat zijn dit anders dan zoovele openbare en merkwaardige getuigenissen, dat Maria in al die omstandigheden hare kinderen heeft geholpen, zeer dikwijls wonderbaar heeft geholpen en nog wil helpen?
202
Wie zal ze tellen, wat boeken zouden ze kunnen bevatten, wilde men eene verzameling maken van alle wonderdadige genezingen, door Maria\'s voorspraak van God verkregen ?
In sommige Maria-kerken, b. v. in die van Onze Lieve Vrome van Overwinningen te Parijs, zijn bijne al de pilaren der groote kerk bedekt met ontelbare ex-voio\'s, hier bestaande in wit marmeren plaatjes, waarop de gevers in gouden letters hun dank uitdrukken voor ontvangen weldaden, die zij aan Maria\'s tusschenkomst toeschrijven, b. v.: Dank aan Maria voor de genezing mijns vaders, â mijner moeder, van mijn kind, enz.
In de meeste bedevaartkerken ziet men bij het altaar of bij het beeld der H. Maagd ontelbare wassen, zilveren en gouden afbeeldsels van krukken en windsels, van allerlei ledematen en zintuigen prijken, als zoovele herinneringen van even zoovele genezingen door Maria verkregen.
De legenden der Heiligen zijn vol van wonderen, op Maria\'s voorbede, door God aan zieken en stervenden bewezen; en sommige Heiligen, zooals b. v. de H. Alphonsus de Liguori. die om zijne geleerdheid en heiligheid tot Kerkleeraar is verheven, verhalen ons, met aanwijzing van de meest vertrouwbare geschiedkundige bronnen, de treffendste feiten, die ieder onbevooroordeelde moeten overtuigen van Maria\'s wondermacht en moederlijke teederheid.
En wie weet niet, wat talrijke en wonderbare genezingen er ook nu nog in onze dagen, onder aanroeping van Maria, gebeurd zijn en nog gebeuren\'? Is het niet alsof God, naarmate zijne Moeder door een ongeloovige wereld meer ontkend wordt, haar ook des te meer voor heel de wereld door zijne wonderen wil eeren en verheffen?
Wat al plotselinge en duurzame genezingen van door de
203
wetenschap zelve ongeneeslijk verklaarde ziekten en kwalen en wonden worden ons verhaald in de zoo boeiende werken van Henri Lasserre over Onze Lieve Vrouw van Lourdes!
De schrijver zelf dier werken verkreeg door hare wondermacht het licht der oogen terug, want hij was blind; het licht der ziel, want hij had het geloof verloren; en tot dankzegging beschreef hij zijn eigen wonderbare genezing en bc-keering, met tal van andere wonderdadige genezingen, en hij daagt een ieder uit ook maar een enkel dier feiten, die hij aangeeft, te durven aanranden, en looft een groote som gelds uit aan een ieder, die er iets met degelijke gronden kan tegen opwerpen.
Hier is het een ongeneeslijk blinde man, die plotseling weer ziende; daar een doove vrouw, die op een oogenblik weer hoerende wordt.
Nu eens een kreupele, die wonderdadig genezen, de nutteloos geworden krukken wegwerpt; dan weer eene vrouw, die gedurende vijf en twintig jaren verlamd was en op het eigen oogenblik, dat zij, onder aanroeping van Maria, het water uit de wonderbron gebruikt, hare dochter toeroept: O ik drink het leven! ik voel mvj genezen, ik voel mij genezen! â en inderdaad volkomen hersteld was.
Hier is het eene zieke, die, lijdende aan longtering in het derde stadium, en door alle doctoren opgegeven, in een oogenblik herstelt en in het volle bezit harer gezondheid van het draagbed springt; elders zijn het ongelukkige men-schen, volwassenen en kinderen, met beenbreuken, beenzweren en beeneter belast, die plotseling hunne wonden en kwetsuren zien geheeld.
Hier een vader en moeder, die hun dood kind van vier jaren zien herleven; ginds een kind, dat vader of moeder van den rand des grafs zien gered.
204
Zie, dit ziju zoo slechts enkele grepen uit de vele wonderdadige genezingen, die door Henri Lasserre en ook door Dr. Boissarie, Chef van het medisch bureau te Lourdes, als goed geconstateerde en onwederlegbare feiten worden medegedeeld.
En zoo gaat dat nog immer voort; en zelfs die duizenden, die door Maria\'s voorspraak aan God om genezing bidden en ze niet verkrijgen, omdat het met hun eeuwige belangen niet strookt\', ondervinden toch nog Maria\'s wondermacht. Immers, veel lijden en hevig lijden, steeds bidden om verlossing en nooit verhoord worden, en dan toch tevreden en - gelaten zijn, waarachtig gelukkig zijn in het lijden â ook dat is een wonder! en ook dat wonder heeft Maria reeds voor duizenden barer getrouwe vereerders verkregen.
Zoo dan, lieve lezer of lezeres, wanneer gij in het Wees gegroet uwe hoop en vreeze, uwe blijdschap en droefheid voor Maria uitstort, doe het dan steeds met een kinderlijk vertrouwen en het zal nooit tevergeefs zijn gestort.
âWij althans â zoo schrijft Leo XIII \') â wij wenschen het openlijk te getuigen, dat onze verwachting op Gods bijstand door een kinderlijk vertrouwen op Maria, nooit, in welke omstandigheid des levens, en vooral niet in de uitoefening van het opperste herdersambt, tevergeefs of beschaamd is geweest.\'
En zoo dikwijls gij de H. Mis bijwoont, bid dan met den priester dat schoone gebed mede, dat hij na den Pater noster, eenige oogenblikken vóór de Nuttiging uitspreekt:
Verlos ons. Heer, van alle verleden, tegenwoordig en toekomstig kwaad, en op de voorspraak der zalige, glorievolle
1) Encycl. Eozekrans 1892.
i
205
en altijd reine Maagd Maria, de Moeder Gods,... schenk ons genadig vrede in onze dagen, opdat wij. door uwe barmhartigheid ondersteund, altijd vrij mogen wezen van zonde en tegen alle onheilen verzekerd.
XXXIT.
Bid voor ons... in het uur van onzen dood. ^raen.
ie ooit aan liet bed eens stervenden heeft gestaan, ^ en getuige geweest is van zijn bangen doodsstrijd, ^ van zijn pijnlijk stenen en zuchten, van het smartelijk snikken zijner benauwde borst, hij weet dat het uur U des doods verschrikkelijk is; en toch is alsdan het lichamelijk lijden, door de ziekte veroorzaakt, nog het ergste niet; het ergste is de angst en de nood der ziel; want zich voelende sterven, zal de zieke zich afvragen: waar ga ik heen, en hoedanig zal mijn lot zijn in de eeuwigheid?
Want met hoeveel liefdebanden wij ook aan God en Christus zijn verbonden; hoezeer wij ook verplicht zijn in die laatste ure alle onze overblijvende krachten te verzamelen om tot God te bidden en op Hem en Jesus Christus ons vertrouwen te stellen; wij weten toch ook, dat ons bij onze overkomst in de andere wereld geen welkomstgroet wacht, zooals den verloren zoon, toen hij bij zijn vader thuis kwam, maar dat God en Christus ons onmiddellijk na den dood zullen oor-deelen, zeer nauwgezet oordeelen tot zelfs over ieder ijdel
207
woord, over iedere onreine gedachte en over het verzuim der werken van barmhartigheid.
Dan zal reeds voorloopig in vervulling gaan, wat de priester in de zielemis der overledenen, vóór het Evangelie bidt:
Dan wordt het schuldboek aangebracht,
Waarin heel \'t menschelijk geslacht Zijn goed en kwaad zal zien geschreven.
Wie keert dan \'t vreeselijk oordeel af Der mij beschoren hellestraf,
Daar zelfs de Heiligen nog duchten.
En zoo zullen dan de gedachte aan de bedreven zonden, de angst voor het naderend oordeel, de onzekerheid der eeuwige zaligheid, en vooral ook de bekoringen des duivels, die zijn laatste krachten inspant om ons van den hemel te berooven, het hart des stervenden pijnigen, en hem, meer nog dan de ziekte zelve, het koude doodszweet uit het lichaam persen.
Ach, wanneer een Bernardus, die zoo heilig leefde, zich dien doodsstrijd voorstelde, dan vroeg hij zich zeiven af: âwat zult gij dan doen, mijne ziel, in dat verschrikkelijk uur, als gij uit deze wereld moet scheiden?quot;
Maar hoor nu, wat hij hierop antwoordde: Dan zal ik â zeide hij â tot u, o getrouwe Maagd Maria, mijne toevlucht nemen: gi/j zijt mijne hoop.
En inderdaad, lieve lezer of lezeres, in dien uitersten nood, als ons geen sterveling meer kan helpen, kan Maria ons nog helpen; want op dien grooten dag, waarop zij het geluk had en de smart tevens tegenwoordig te zijn bij den dood van Jesus haar Zoon, het Hoofd der uitverkorenen, verkreeg zij de genade voortaan alle uitverkorenen in hun doodsuur bij te staan *).
1) Heerlijkheden I, 78.
208
Daarom legt ook de Kerk in een harer lofgezangen ons het volgend gebed in den mond: Maria, Moeder der genade, zoete Moeder, bescherm ons tegen den vijand en sta ons bij in het uur des doods en heeft zij ons van kindsbeen af geleerd in het Wees gegroet aan Maria te vragen: Bid voor ons... in hel uur van onzen dood.
En als wij dit nu getrouw zoo gedaan, levenslang met Maria een hartelijke vriendschap hebben gesloten, dagelijks haar meermalen met aandacht en godsvrucht hebben gesmeekt en gebeden ons toch in het uur van ons sterven bi] te staan, dan mogen wij er ook op rekenen, dat zij het doen zal: dan zal zij ons tegen de aanvallen des duivels beschermen, de bekoringen van kleinmoedigheid van ons afweren, en haar goudzware gebeden bij den Rechter, die op ons wacht, in de weegschaal leggen.
Dat zij dit doen zal, dat zegt mij haar uit de H. Schrift bekende goedhartigheid.
Of zou zij, die ongevraagd op de bruiloft te Cana, haar Zoon om nog meer wijn bad voor vroolijke bruiloftsgasten, niet voor een armen stervende willen bidden, die het haar misschien meer dan honderd-duizendmaal in zijn leven heeft gevraagd ?
Dat zij het doen zal, dat zegt mij vooral de zoete naam van Moeder, dien ik haar zoo gaarne geef, en met recht ook mag geven.
Want ik vraag u: kan dan eene moeder haar stervend kind vergeten? Doet zij niet al het mogelijke om het te troosten, zijne smarten te verzachten, en zijn overgang naar de andere wereld te verlichten? Is zij niet de laatste die zijne stervenssponde verlaat?
i) Offic. parv. B. M. V.: Memento rerum Conditor.
209
En als het een oprecht christelijke moeder is, is zij dan vooral niet bezorgd haar kind een zaligen dood te doen sterven en het eeuwig gelukkig te maken in den hemel?
Hoe zou dan Maria, die allerteederste Moeder, door God zelf gevormd en ons gegeven om onze voorspreekster en helpster te zijn in allen nood, bijzonder in den nood der ziel, haar stervend kind kannen vergeten, haar stervend kind, dat haar levenslang, en nu nog met zijn stervende lippen, om hare hulp en haar bijstand smeekt!
âNeen, dat is onmogelijk; en reeds zoo dikwijls dan ook heeft zij die bede harer stervende kinderen verhoord, soms zóó overvloedig verhoord, dat zij hun zelfs zichtbaar is verschenen, en hun den anders gewoonlijk zoo pijnlijken doodsstrijd op wonderbare wijze heeft verzoet en verzacht.
Hoe zacht en kalm waren niet de laatste oogenblikken van een H. Stanislaüs Kostka. Weinige dagen vóór zijn dood had hij den wensch geuit op Maria-Hemelvaart te mogen sterven; en zie, Maria vervulde dien wensch en kwam op dien dag zijn zuivere ziel van de aarde afhalen en in de eeuwige heerlijkheid binnenleiden.
Reeds stond de ziel van den H. Nicolaas van Tolentino op het punt haar aardschen kerker te verlaten, toen hij nog eens met blijden lach zijne oogen opsloeg en eenigen tijd met onafgewende blikken naar boven bleef staren. Een zijner mede broeders vroeg hem, wat hij zag. Hij antwoordde; MijnJesus kwam tot my met zijn gezegende Moeder, en ik hoorde Hem tot mij zeggen: Goede en getrouwe dienstknecht, gri binnen in de vreugde uws Heer en.
Toen de H. Philippus Nerius lag te sterven, hoorde men hem in verrukking zeggen:. O allerheiligste Moeder Gods, wat heb ik verricht, dat gij ti verwaardigt tot mij te komen; en de H. Joannes Franciscus Regis op zijn uiterste liggende.
210
zeide tot den priester, die hem bijstond; 0 mijn broeder, welk fjeluk! Ik zie Jesus en Maria, die zich gewaardigen tot mij te komen om. mijne ziel in ontvangst te nemen.
Pater Suarez stierf met zoo groot eene blijdschap, ten gevolge zijner godsvrucht voor Maria, dat hij bij zijn sterven zeide: Ik had nooit gedaclit, dat het sterven zoo zoet kon zijn; en de groote en vermaarde letterkundige, Justus Lipsius, verzekerde aan den priester, die hem in zijn laatste oogen-blikken bijstond, dat hem thans, in de ure des doods, niets zooveel troost en vreugde verschafte, dan zich te hebben laten opnemen in de congregatie der H. Maagd.
En zoo hebben, vóór en na hen, nog ontelbare dienaars en dienaressen van Maria, hunne blijdschap uitgedrukt over den bijstand en den troost door Maria\'s voorspraak in de ure des doods ondervonden.
En wanneer gij, lieve lezer of lezeres, nu soms beducht mocht zijn, dat voor u zulk eene genade niet is weggelegd, omdat gij zulk een zondaar zijt, althans zulk een zondaar zijt geweest, dan moge u ter bemoediging dienen, wat Maria eens aan een barer stervende dienaren zeide: Ik hen niet gewoon mijne getrouwen te verlaten in dat uur; dan herinner ik u aan een zekeren Adolf, graaf van den Elzas, die, ofschoon hij vóór zijne bekeering zeer wereldsch had geleefd, toch op zijn sterfbed op zichtbare wijze door Maria werd bijgestaan, dan herinner ik u aan zoovele anderen, zondaars en zondaressen, die, omdat zij geen dag huns levens lieten voorbijgaan zonder haar aandachtig te groeten en te vereeren, in de ure des doods zóódanig door haar zijn geholpen, dat zij van God een groot berouw ontvingen over hunne zonden, en onder hare hoede vol geloof en vertrouwen, vol liefde en berouw een tevreden en zaligen dood zijn gestorven.
Laat het dan waar zijn, dat gij een zondaar zijt, â ach,
211
wie is het niet geweest! â doe slechts uw best om voortaan Jesus lief te hebben met een hartelijke liefde; en om dit des te gemakkelijker te kunnen doen, sluit daartoe voor nu en alle overige levensdagen een innige en hartelijke vriendschap met Maria, zijn lieve Moeder en ook de uwe; dien haar getrouw; laat geen dag meer voorbijgaan zonder haar meermalen te groeten, en herdenk ook dikwijls wat er in dien groet ligt opgesloten; â dan moogt ook gij er op rekenen, dat zij u zal bijstaan in het uur van uwen dood; dat zij voor u zal bidden bij den Rechter, die op u wacht; uwe smarten verlichten en u de volharding en een vreedzamen en zaligen dood zal verwerven.
Bid nu tot dat einde, en voortaan geregeld des morgens en des avonds, met aandacht de volgende schielgebeden: Jesus, Maria, Josef, ik geef ü mijn hart en mijne ziel. Jesus, Maria, Josef, sta mij hij in mijn doodsstrijd.
Jesus, Maria, Josef, laat mij in mc heilig gezelschap in vrede sterven. Amen.
EINDE.
^ . jH
^
i - f S ^ T ^ ^\'^r- S
I \\ »s gt;\' \'gt; â¢; LV-vr.
|/\' \' \'^yA \'. ^ys Ngt;v J r-gt;-_/w^\'! i«.Vc .--t.
n /â¢:
gt;/\' / yt ^ N.
% J1 v ^fevv i»
:£-ir .-
â ^/ f .-V-
, -\' ^W V- . â¢; ^-
V \\
quot;* * -y gt; »-quot;S.
J:. 0
y \\ - gt; r
^ Æ :a
r â ^ -K J v \' / -r v . -.
. , N. 7 ~lt;t Y-i^ --- v. I- / A.,\'J
k -. \' _ y,-\' ,v
tgt;i vC^?-:A\'\'\' ;V \'
) 7 ^ $L-J \'5^- \'V/y-
^ ^ V, VY^- Æ -^f^; ^ trïr.**\' quot;-IJ
\'«/ lt; -â¢*
. -3 V â¢â V ^ v.
lt;
- - _gt;
Wcv -
d * h.- ..
_ _ i __
/V /