^ic. 11)col\'. % f. pauüanton.
TER TNT.EI DIN
ÏOT
DE ENCYCLOPAEDIE DER THEOLOGIE.
Ter Inleiding tot da Encyclopaedie der Theologie.
Een ieder die oog en hart heeft voor de Theologie, voelt er zich steeds weêr toe aangetrokken om over de Encyclopaedie der Theologie na-te-denken. Dat komt doordat de mensch een geboren aesthetikns is. De wetenschappelijke mensch heeft bewustzijn van dezen adeldom zijner geboorte. De eenheid van een organisme boeit ons, verrukt ons. Onze geest dorst\'er naar. Ook is ons verstand niet tevreden voordat het forraeele eenheid aanschouwt. De mensch werd geschapen tot eenheid en niet tot strijd. Hij is monist in den heiligen zin des woords. Met de begeerte naar eenheid, orde, harmonie nadert de man van wetenschap ook de Theologie. Zal hij in haar vinden wat hij zoekt ? Is de Theologie een organisme en niet een „allegaêrtjenquot; uit dit en dat saamgelezen? Kunnen de onderscheidene theologische disciplinen, krachtens eene haar inhaerente eenheid als een architekto-nisch geheel voorgedragen worden? De Geschiedenis der Theologie, in \'t bijzonder die der Encyclopaediek, geeft op deze vraag een duidelijk, bevestigend andwoord. Ja, de Theologie is een Wetenschap, ééne wetenschap. Daarom is er eene Encyclopaedie der Theologie. Dit te beweren is reeds het nauwe verband tusschen de Theologie en hare Encyclopaedie vaststellen. Dit verband is zóó innig, dat uw gronddenkbeeld over de Theologie uwe Encyclopaedie bepaalt. De Encyclopaedie —- de formeele — is immers niets anders als het instituut waarvan de Theologie zélf het organisme
1
2
is? De Theologie is het leven. De Encyclopaedie is de tee-kening die de bewegingen van het leven weergeeft. Wring dus niet de Theologie in een keurslijf, in een te voren aangenomen schema. Observeer veeleer het leven der wetenschap. Speur haar gangen na. Zie hoe zij zich wendt en beweegt, vooruit beweegt naar haar einddoel. Verwonder u niet wanneer het nu en dan déze richting uitgaat, alhoewel gij meendet dat het génen kant op moest. Van waar toch die meening? Een vooruit opgesteld program deed haar geboren worden. Wat spot de levende wetenschap echter met üw program? Éérst de praktijk, dan de theorie! Éérst het organisme, dan het instituut! Éérst de wetenschap in haar frischheid en vrijheid, die gebondenheid is, dan de formeele Encyclopaedie, die de bewegingen der levende wetenschap kristalliseert en vervolgends in teekening brengt. Om welke reden zou men dezen weg niet volgen? Uit conservatisme? Op grond van zekere praktische belangen? Uit vreeze dat de Encyclopaedie er wat zonderling zou gaan uitzien, sterk afwijken zou van vroeger gegeven schemata, die door de autoriteit van beroemde namen gedekt zijn? Is dit alles niet in den grond der zaak ongeloof ten opzichte van het wetenschappelijk charakter der Theologie?
De aangegeven methode is in dit opstel gehuldigd. Daardoor zag de schrijver er van zich genoodzaakt om op meer dan één punt grootelijks te verschillen van wat geleerde mannen voorschreven. Dat vond hij niet aangenaam. Hij zocht het niet. Maar mocht hij, toen zulks bleek, zijne opinie verzaken ?
Ten einde de wetten waaraan de Encyclopaedie der Theologie te gehoorzamen, de eischen waaraan zij te voldoen, de idee die zij te verwezenlijken heeft, en de betrekking waarin zij staat tot de Theologie-zelf, de wetenschap in het algemeen en hare Encyclopaedie, met orde voor-te-dragen, geven wij déze opmerking, die de verdeeling van ons opstel bepaalt, ten beste. De Encyclopaedie der theologische wetenschap veronderstelt haar object: de Theologie, of wil men
3
liever, de theologische disciplinen. De Theologie van haar kant, is te midden van de eigenaardigheden, haar als Godgeleerdheid eigen, aan de algeraeene grondwetten, die de ontwikkeling van iedere wetenschap, als zoodanig, heheer-schen, gehouden. Derhalve, van het algemeene tot het bijzondere voortschrijdend, spreken wij over:
Wetenschap (I).
Theologie (II).
Encyclopaedic der Theologie (III).
Wetenschap.
Wat is wetenschap? Hoe ontstaat zij? Wat is haar wezen en charakter. Volgens welke wetten ontwikkelt zij zich? Die vraag moet in de eerste plaats kortelijks heandwoord en dan wel vóór alles het onderscheid tuschen kennis en wetenschap bepaald worden. Voorzeker, in de dagelijksche spreektaal worden de woorden „wetenschapquot; en „kennisquot; vaak \'t één voor het ander als waren het synoniemen, gebruikt. Toch is het voor een wetenschappelijk onderzoek van het hoogste gewicht om de begrippen „kennisquot; en „wetenschapquot; wél te bepalen, vast te stellen, en zorgvuldig uit elkander te houden. Beginnen wij dus met op de kenmerkende cha-raktertrekken van beiden het oog te vestigen.
A. Voorop ga de Kennis. Wij bespreken er de geboorte, het eigenaardige en dus ook de bestemming van. Daarna handelen wij over de wetenschap in \'t algemeen. Eerst de kennis want zij ontstaat vóór de wetenschap; dan deze laatste, want wetenschap veronderstelt kennis. Eene concrete wetenschap wordt uit verschillende kundigheden, die tot dezelfde sfeer behooren, opgebouwd.
Hoe ontstaat alle kennis, kennis op welk gebied ook? Wanneer een denkend subject door ervaring eu waarneming niet eenig object saam komt en zich van dat object meester
i*
4
maakt, is de geboorte-ure der kennis aangebroken. Het objectieve bestaan der dingen gaat dus het kennen dei-dingen vooraf. Waren er geen bestaande, er waren evenmin gekende dingen. Het bestaan, is de ééne, de objectieve voorwaarde van het kennen. Of nu het gekende object tot de stoffelijke of tot de geestelijke, tot de zichtbare of tot de onzichtbare waereld behoort, en al wat daaruit voortvloeit behoeft ons thands nog niet bezig te houden. Wij handelen over de kennis in het algemeen. Daarvan is te affirmeeren dat zij ontstaat, zooals wij daareven aanduidden, door het saamkomen van een denkend subject met eenig object. „Het objectief gegevene, het empirisch waarneembare is de grond van alle kennisquot; \'). Hieruit volgt dat alle kennis empirisch is, door empirie, door ervaring en waarneming, welke dan ook, verkregen. Kennis is het einde, de vrucht van empirie. Zoodra men de grenzen der empirie overschrijdt door het discursieve verstand te laten werken, zet men den voet buiten de palen der kennis om op de erve der wetenschap over te stappen. Kennis constateert wat er is en hoe het is. Zij brengt materialen aan, maar speurt geene verhoudingen noch betrekkingen na. Zij heeft geen oog voor bet geheel in het verband der saanistellende deelen. Nog minder is het hare roeping om naar de oorzaken der verschijnselen te delven. De kennis is atomistisch.
Kennis blijkt ons daardoor juist de conditio sine qua non, de presuppositie van wetenschap te zijn. Éérst kennis, dan wetenschap. Éérst het meer, dan het minder onvolmaakte. Verscheidene kundigheden zijn de materialen der wetenschap. Kundigheden moeten wetenschappen worden. Kennis is wetenschap in vorming.
B. Wetenschap. Hoe heeft nu de overgang van kennis tot wetenschap plaats? Wat dringt den mensch om zijne kennis tot wetenschap te ontwikkelen? Waarom worden de
1) De gebondenheid en de vrijheid der theologische wetenschap. Twee voorlezingen tot opening zijner theologische lessen aan de hoogeschool te Groningen, door Dr. D. Ghantepie de la Saussaye. 1873. p. 13.
steenen tot een gebouw saamgevoegd ? Hier speelt het subject den grooten rol. De geest is de vader der wetenschap. Het ordenend verstand des mensohen, door de wetten waaraan het naar het bestel des Scheppers onwillekeurig gehoorzaamt, geeft op onze vragen het andwoord. Wij denken namelijk volgens formeele, logische kate-goriën. Of die kategoriën ons al dan niet aangeboren zijn, is eene quaestie die ons thands niet behoeft bezig te bonden. Dat de ervaring haar doet geboren worden is om vele redenen moeielijk aantenemen. Aan den anderen kant staat dit vast dat, zoo zij ons aangeboren zijn, wij er, zonder ervaring, geen bewustzijn van zouden hebben. Van bet bestaan der kategoriën wordt de menscb zich bewust door de ervaring. Hij past echter die grondwetten zijns verstandslevens toe, nog voor dat hij haar namen kent. De menscb doet zulks door geestelijk instinct geleid. De natuurlijke praktijk gaat de theorie vooraf. De theorie maakt de wetenschappelijke, consciente praxis mogelijk. Van Aristoteles af, tot op Kant en Hegel toe — de Geschiedenis der Logika leert het ons — heeft men die kategoriën nü eens zus, dan eens zóó genoemd , opgesomd en ingedeeld. Dit verschil in benaming en indeeling der kategoriën is in zich zelf volstrekt niet onverklaarbaar. Tot de zaak zelf, tot het wezenlijk bestaan dezer kategoriën doet het noch toe noch af.
Op een dezer kategoriën moeten wij thands, om te verklaren hoe na en uit de kennis de wetenschap ontstaat onze aandacht vestigen. Er heersebt in het verstandsleven een wet, die ik bet liefst de „Kategorie der harmoniseeringquot; noem. Door deze wet gedreven brengt het verstand orde en eenheid in de verschillende kundigheden, die de mensch door ervaring en waarneming verkreeg. Wij rangschikken en groepeeren, brengen rondom een gemeenschappelijk middenpunt bijéén, die kundigheden welke volgends haar voorwerp, haren aard en haar soort bijéén hooren. De gelijkaardige en gelijksoortige kundigheden nu, bijééngehracht en gegroepeerd worden straks tot „wetenschappenquot; ontwikkeld.
Naar den aard van haar object wordt alle kennis natuur-
6
lijkervvijs in tweeën verdeeld, al naardat het gekende ding lot, de zichtbare of physische, of tot de onzichtbare, ethische, geestelijke waereld behoort.
Nu kan eene concrete wetenschap ontstaan. De denkende geest maakt zich meester van meerdere gelijksoortige kundigheden. Hij zoekt het verband dat ze de een met de ander verbindt, de onderlinge verhouding waarin zij tot elkaêr staan. De stof der wetenschap wordt alzoo behandeld, en dat wel naar vaste wetten, volgends de methode der wetenschap. Zoo blijkt ons uit het bereids aangevoerde:
1° dat eene wetenschap, een geheel is van welgeordende kundigheden betreffende gelijksoortige kennis-objecten;
2° dat in de wetenschap twee factoren wél te onderscheiden zijn: de objectieve factor, de stof namelijk, de inhoud der wetenschap, en de subjectieve factor die in den mensch inwoont: het discursieve verstand namelijk dat in de stof der wetenschap orde brengt, of liever, de verhoudingen dia er in het voorwerpelijke bestaan, opspeurt en tot haar recht doet komen. Natuurlijk kan de subjectieve factor zelf tot voorwerp van wetenschappelijk onderzoek gemnakt worden. Terecht verklaart Chantepie de la Saussaye Sr. van de wetenschap in \'t algemeen dat zij „de verklaring van het leven isquot;. Dit sluit in zich dat „de geest door de wetenschap de wetten kent waarnaar hij bestaatquot; !). Wordt de subjectieve factor zélf voorwerp van wetenschappelijk onderzoek dan ontstaat de theorie van het Kenvermogen en de Logika.
3° dat de wetenschap niets schept, maar alleen het gevondene ordent en verklaart. Alle menschelijk denken is indenken, nadenken, beschouwen, Hsxpsiv. Het veronderstelt geloof. Het bekende woord van Auselmus (Prosol. I de fide trin. 2), uit de gedachtenwaereld der Roomsch-Kathoheke scholastiek op het gebied der inenschelijke gedachte in \'t algemeen overgebracht, blijft gelden: Qui non crediderit, non experietur, qui non expertus fuerit, non intelligetquot;. De gedachte in ons zoekt de gedachte buiten ons, zooals zij
i) Ernst en Vrede VI; 197.
in ■ de openbaringsvormen van het geschapene uitgedrukt wordt. Wij rusten niet voordat wij die gedachte in orde, eenheid, harmonie gevonden hebben. Zien wij daar buiten ons strijd, verdeeldheid, antinomie dan zijn wij niet voldaan voordat wij de oorzaak daarvan waargenomen hebben. Juist hierdoor brengen wij hulde aan de gedachte buiten ons. Aan haar gelooven wij krachtens het ethisch charakter onzer natuur. „Het is dezelfde Logos buiten ons en in ons; zonder de identiteit van den Aóya irpoCpopixós en den Aóyo: ivHiahns is er geene wetenschap, geene erkenning der waarheid mogelijkquot; \'). „Wetenschapquot;, zegt dezelfde denker, wiens woorden wij daar net aanhaalden, „Wetenschap is derhalve, wezenlijk, nadenken van het voorgedachte: de rede in de wereld wordt erkend door de rede in den mensch en deze weder door gene gewektquot;3). Wij gelooven dat er eene vastgestelde harmonie is tusschen het kenvermogen in ous, en de te kennen stof buiten ons. Dit geloof beweegt ons tot nadenken. Door dit geloof komen wij tot wetenschap. Dit geloof aan ons zelf gaat de wetenschap vooraf, en wordt door de wetenschappelijke ervaring bevestigd. Ons denken is dus nadenken. Gods gedachte alleen is oorspronkelijk als inhoud, vorm en handeling. God schept, de mensch construeert. In de menschelijke gedachte onderscheiden wij ook temporeele, in de goddelijke alleen logische momenten. Al wat de menschelijke wetenschap bezit heeft zij dus ont-faugen, of liever bemachtigd.
Alle wetenschappen worden, even als de kennis, naar den aard van haar object in twee groote familiën ingedeeld:
a. Wetenschappen der zichtbare of physische waereld.
p. Wetenschappen der onzichthare, geestelijke of ethische waereld.
1) Het wezen der Theologie. Brief aan den Hoogleeraar P. Hofstede de Groot, door D. Chantepie de la Saussaye, Rotterdam, E. A. Tassemeyer. 1867. p. 41.
2) Ibid. p. 52.
8
Wat de methode in het algemeen betreft, hebben alle wetenschappen de wetten der Logika te eerbiedigen. Met het oog op de Encyclopaedia moet vooral déze wet vermeld worden: Leid uit het bekende het onbekende af. Tracht vooral niet het omgekeerde te doen. Dit is een dwaasheid. Wat haar bestaansvorm en ontwikkelingsgang aangaat, is de wetenschap aan den eenen kant volkomen vrij, aan den anderen volkomen gebonden. De wetenschap is vrij van alle uiterlijk gezach; zij is gebonden aan haar object. Dit laatste behoeven wij zeker niet te betoogen, daar het toch bij allen vaststaat dat de wetenschap met hare vrijheid haar waardij inboet en dat, wanneer zij niet gehouden is aan haar object, zij haar ernst verliest.
De taak der wetenschap is tweeledig. In de eerste plaats toch heeft zij te constateeren wat er is, en hoe, op welke, wijze het bestaat. Dit is de wetenschap door empirie verkregen, de empirische wetenschap. Deze is de grond, het uitgangspunt, de presuppositie der philosophische of speculatieve wetenschap. „Het beginsel van iedere wetenschap is realistisch d. i. wetenschap is beschrijving van het gegevene.quot; (Chantepie de la Sausaye)!). De philosophie dringt dieper in het wezen der dingen in. Zij speurt de bestaansreden er van op. Waarom, waardoor, bestaat datgeen wat is? De kennis ziet de hoornen den éen na den ander, eiken boom op zich zelf. De wetenschap merkt op hoe die hoornen alle te zaam, in hunne vereeniging, het statige woud vormen. De philosophie verklaart het ontstaan en het voortbestaan van liet woud naar de wetten van het plantenrijk.
Het groote, uitgestrekte gebied der empirische wetenschappen is wederom in tweeën verdeeld. Hoe nemen wij waar? Welke is de wijze van ons kennis-nemen der dingen? Alle empirie is direct (immediaat) of indirect (mediaat). In het eerste geval, bij de immediate empirie, is er tusschen den waarnemer en het waar-te-nemen voorwerp geen derde. Dit is de eigenlijke empirie. Het voorwerp onzer waarneming ligt
■1) Ibid. p. 52.
9
daar onder ons bereik. In hot tweede geval zijn er tusschen-personen tusschen ons en het voorwerp onzer studie. Dit is de Geschiedenis. Hier hebben wij met zegsmannen, met getuigen te doen, die den band vormen tusschen ons en wat wij waarnemen willen.
De juiste verhouding tusschen empirie en speculatie is voor de wetenschap in het algemeen en dus voor de Theologie in het bijzonder, van het hoogste gewicht. Wanneer de juiste, normale, oeconomie tusschen deze twee verbroken is, ziet het er droevig met de wetenschap, vooral met de philosophie, uit. Empirie en speculatie staan niet tegenover maar naast elkaêr. Of liever, daar er geene juxta-positic maar organisch verband is, de empirie gaat de speculatie vooraf, vindt er haar einddoel in. Wie alleen empirisch te werk gaat, zooveel mogelijk ervaringsfeiten verzamelend, en de bespiegeling veracht, is een Sisyphus in de wetenschappelijke waereld. Hij doet kinderwerk, zooals Baco van Verulam het zeide. Alle speculatie van haar kant is op empirie gebaseerd, gaat van empirische gegevens uit. Gelijk er kennis kan zijn zonder wetenschap, maar geen wetenschap zonder kennis , zoo kan er ook empirie zijn zonder speculatie. Maar speculatie zonder een empirisch gegeven uitgangspunt is niets als eene ijdele geestesgymnastiek. \'tls een gebouw zonder fundament: een onding. „Eerst in de eenheid van denken en ervaring zit het wezen der wetenschapquot; (Opzoomer) \'j.
Overigens is de empirie, evenals de kennis en de wetenschap in tweëen te splitsen naar gelang zij zich met de physische of met de ethische waereld bezig houdt. Het instrument der eerste, physische, empirie, zijn de zintuigen. De empirie op ethiscli terrein geschiedt door middel van het geweten. Op beider gebied generaliseeren wij — tot het vaststellen van wetten uit de verschijnselen afgeleid — door het verstand en de rede.
De grondwet der wetenschappelijke methode is dus in deze twee punten vervat: a. Constateer zoo juist, zoo volledig
1) Het Wezen dei* Kennis (1867). p. 175.
10
mogelijk het empirisch gegevene, de concrete dingen. Gebruik daartoe naar gelang van het levensgebied waar het waar te nemen ding toe behoort de bevoegde waarnemingsorganen, en b. Klim dan, door logisch onberispelijk door te denken, tot het algemeene op.
Gelijk de weg der wetenschap van empirie tot speculatie, van het bijzondere tot het algemeene geleidt, van de verschijnselen die wij waarnemen tot de wetten die wij daaruit induceeren — zoo klimmen wij steeds op van het uitwendige tot bet inwendige, van het vermengde tot het eenvoudige; van het verscheidene tot de eenheid, van het gevolg tot de oorzaak, van het bestaande tot de reden er van, van de creatio tot den Creator, van den mensch tot God. „Wahr-heit des Denkens wie des Seins ist des Menschen höohstes Streben; die Erkenntniss derselben wird seinem Geiste zuerst in Einzelheiten, welche er wahrnimmt und mannichfach com-binirt, dann durch Phantasie und Verstand zu verschiednen Einheiten, eudlich durch Vernunft mit Ineinsbildung der üegensatze oder durch Speculation zum Ganzen verbindet und zum Systeme erhebtquot; i). Wat zich aan de oppervlakte bevindt wordt het eerst waargenomen. Daarna dringt de onderzoeker dieper in het hart der dingen door. Wat het eerst is wordt door de wetenschap niel heteerstgekend, noch wat het voornaamste is door haar het eerst beschouwd. Wat in de hiërarchie des Heelals het hoogste staat wordt door den wetenschappelijken beschouwer het laatst gezien.
De wetenschap, evenals alle menschelijke werk, is steeds onvolmaakt. Wij kunnen nimmer door onzen geest het Heelal omvatten, beheerschen. Het einde vau alle wetenschap is, dat zij den mensch tot de erkentenis dringt: „Wat buiten mij is, is machtiger, is grooter, iian ik zelf ben.quot; Deze erkentenis wordt, normaal ontwikkeld in den Christen, eene nederige maar hoopvolle belijdenis: pAeTO/tei/ yup xpn S(\' koirTfov
1) Theologische Encyclopaedie als System iui Zusammeuhange mit, der Geschichte der theologischer Wissenschaft und ihrer einzeluer Zweige ent-wickelt von Dj\'. Aait. Friedr. Ludwig Pelt. 1^43. p. 3.
11
iv aivtypxri, tots Ss trp^cvzcv ttpotsutov afTi -/ii/utx.® ck
ftspovt;, tots Sf stiyvaaoi^xt xxqu: kxi iteyvcca^y (Paulus) \').
De wetenschap maakt den mensch beter of slechter, leidt tot God nader, of verder van Hem af. ïertium non datur.
II.
Theologie.
Het giinsche gebied der wetenschap kunnen wij natuurlijk en eenvoudig in tweeën splitsen. Wij letten daartoe niet op de methode der wetenschap. De methode inderdaad is niet een voldoend principinm divisionis. De wetenschappen in „empirischequot; en „speculatievequot; te onderscheiden gaat immers niet aan? Er is ook niet één wetenschap die bij uitsluiting de één of de andere methode vereischt. Alle wetenschappen eischen speculatie opdat de empirie waarlijk nuttig en vruchtbaar; alle wetenschappen steunen op empirie opdat de speculatie ernstig en van waarde zij. De medische wetenschap heeft men eene empirische genoemd, \'t Zij zoo. Een medicus die de empirie versmaadt, verdient als medicus geen achting. Maar is dit een voldoende reden om de Medicijnen als eene uitsluitend „empirischequot; wetenschap tegen andere wetenschappen, die „speculatievequot; zouden zijn , over te stellen ? Alsof de hypothese, de redeneering a priori, niet haar rol in de ontwikkeling van Hippocrates vak speelden en vervullen moesten.
Het in de wetenschap handelend optredend subject kan nimmer verdeelings-princiep zijn. Wanneer wij van wetenschap gewagen, bedoelen wij de door den mensch beoefende. Wetenschap is zuiver menschelijk. Zij is het voorrecht van het „animal sanctius, mentisque capacius altaequot; (Ovidius). Stellig; daar is eene wetenschap Gods, eene wetenschap in den hoogst heiligen zin des woords. Van deze
1) 1 Cor. XIII: 12.
12
wetenschap weten wij echter niets af, tenzij en in zooverre zij tot ons afdaalt, ons getoond, voorwerp onzer waarneming, en, als zoodanig menschelijke wetenschap wordt 1). In alle menschelijke wetenschap is
De Theologia xpxervxot; is de wetenschap die God zelf van Zich en het Zijne in Zicli heeft. Zij behoort tot het wezen Gods (ova-iuSti, esseu-tialis). Zij is dus niet geschapen («xt/o-to?, increata). Zij moet „voor-beeldelijkquot; genoemd worden (xpxervtros of ttpoototvttoi;) want zij is de „Theologia secundum sequot;, eenswezend met God (naturae Dei o/zoytvij;), evenals God vrrspova-ioi; en dus upspia-Tot; kxi avaAAo/wro?, sikxtxx^tttoq. Men kan haar niet definieeren, alleen het begrensde wordt gedefinieerd, wél bij benadering beschrijven. Wij onderzoeken haar niet, wij aanbidden haar. „Hanc vero adoramus ac non investigamasquot; zegt Franciscus Junius in een lezenswaardig stuk — „de Vera Theologiaquot; — waarin onder de koude vormen der school, een heerlijk lofgedicht ter eere van Gods onpeilbare wijsheid klinkt.
13
er éénzelfde ervarend, waarnemend, nadenkend subject: de mensch namelijk. Als zoodanig kan de mensch dus niet voor principium divisionis op het gebied der wetenschap gelden.
Een algemeen, al-beheerschend verdeelings-beginsel vinden wij in het object der wetenschappen. De mensch als wetenschaps-object biedt ons het principium divisionis. Eén groote demarcatielijn scheidt het gebied dei-wetenschappen in tweeën. Hier vinden wij de wetenschappen die zich op het wijd uitgestrekte terrein der natuur in al haar rijkdom bewegen, maar niet den mensch beschouwen. Daar de wetenschappen die den mensch in de volheid van zijn wezen, in de ontplooiing van al zijne krachten be-studeeren.
x. Wetenschappen der natuurwaereld.
/3. Wetenschappen der menschenwaereld.
Wij kunnen den mensch bestudeeren als:
kan komen: die der Engelen en der gezaligden. Deze aanschouwen God, en nemen naar de male van hun begrensd wezen van de volle heerlijkheid Gods in zich op. De engelen kennen alleen de Theologia visionis. De gezaligden hadden eerst hier op aard de Theologia revelationis. Al zijn alle gezaligden TSTeteiunevoi er is onder hen verschil van Kennisse Gods. Deze Theologia heatorum wordt ook „escelsaquot; geheeten.
c. De Theologia sktvtos is eindelijk Theologia revelationis. In tegenstelling met de voorgaande heet zij „humilisquot; „Theologia viatorumquot;. Zij is in zich zelf niet eeuwig blijvend (permanens). Wat haar object aangaat is zij „perfectissimaquot;. Dit object wordt den mensch door openbaring medegedeeld. Maar in den mensch is deze Theologia steeds onvolmaakt. „Per-fectio eius cum nostra tenuitate et impertectione contemperata esf\' zegt Junius. Wij spreken thands over de Theologia revelationis, wier handelend subject de mensch is. Hier behoort de Theologia Visionis tot de Angelo-logie en de Eschatologie, do Theologia Unionis tot de Christologie. — Zie overigens F. Junius, in de uitgave van Kuyper; Tractatus de Vera Theologia p. 4ü—101; Theses Leydenses: De Vera Theologia p. 404,105; Theses Heijdelbergenses: de Theologia Delinitione p. 280—201. A Marck „Het Merch der Cbr. Got-Geleertheitquot; 1° Hool\'dstnk. A Brakel Aoyixif Mtrfsiz: Capittel 1.
14
3. intelleotueel-aesthetiscli wezen;
4. ethisch-religieus wezen.
Zoo treden d;in achter-één-volgends aan het licht:
1. De geneeskundige wetenschappen;
2. de rechts- en staatkundige wetenschappen;
3. de litterarisch-philosophische wetenschappen (humaniora);
4. de godsdienstwetenschap.
Ieder dezer wetenschappen houdt zich in \'t bijzonder met dezen of genen openbaringsvorm van den mensch bezig. Men vergete niet dat de wetenschappelijke analyse afzonderlijk de verschillende kanten van een zelfde object beschouwt. Dit object blijft cchter steeds een en hetzelfde: de mensch, namelijk. Wie den mensch als godsdienstig wezen bestudeert maar er geen rekening meê houdt dat de mensch in de maatschappij leeft, dat hij een sociaal wezen is, gaat buiten de werkelijkheid om. \' Hij bestudeert niet den mensch. maar één mensch, den een na den ander, verscheidene individuen. Hij komt niet tot eene gezonde anthiopo-logie, maar tot eene magere, arme, kunstmatige kennis van menschelijke individuën. De medicus behandelt den mensch als somatisch-psychisch wezen. Vergeet hij dat de mensch tevens, ja bij uitnemendheid een zedelijk-godsdienstig wezen is, dan is die medicus uit naam der Wetenschap te ver-oordeelen. Hij degradeert het object van zijn onderzoek. Hij behandelt niet den werkelijken mensch maar een wezen dat hij zich zelf geknutseld heeft, mensch noemt, maar dat toch niet de mensch, immers niet de geheele mensch is. De essentieele eenheid van het voorwerp der wetenschap is de moeder van de organische eenheid der wetenschappen.
De Godsdienstwetenschap houdt zich bezig met het ont-zachlijk verschijnsel van den godsdienst, dit woord in den ruimsten, in den uitgebreidsten zin genomen. Niet slechts het godsdienstig subject trekt de aandacht van deze wetenschap tot zich, maar ook de objecten der godsdienstige ver-
eering. De gorlsdionstvormen, de concrete godsdiensten. waarin de godsdienstige mensch zijne betrekking tot de godheid uitdrukt worden door haar empirisch-historiscb nagegaan, philosophisch ontleed en gewaardeerd. Geen plaats of tijd stelt dezer uitgebreide wetenschap perk of paal. Zij beschouwt zoowel den onbeschaafden Papoea als den verfijnden Franschman, den bewoner van het Europeesche vasteland zoowel als den zoon der Amerikaansche wildernissen. De godsdienstige menschheid tot afgodendienst weggedwaald zoowel als de door de kennis van den waren God betrekkelijk normaal ontwikkelde menschheid behooren tot het gebied der godsdienstwetenschap. Deze is wetenschap van den afgodendienst en van den dienst des waren Gods. Het diepgaand verschil tusschen deze laatsten is principieel. Van daar dat feitelijk de godsdienstwetenschap in twee deelen verdeeld wordt:
«. Zij is wetenschap der heidensche godsdiensten, dat is wetenschap der afgodendiensten, en
/3. Wetenschap van den dienst des waren Gods, van den Godsdienst van Israël, en van den Christelijken Godsdienst.
Het gebied der eerste wetenschap is veel uitgebreider dan dat der tweede. Deze echter wint het verreweg wat innerlijke waarde en beteekenis betreft. De wetenschap welke zich bezig houdt met de godsdienstige menschheid voor zooverre zij zich ontwikkelt onder den invloed der Godsopenbaring noemen wij Theologie. Met welk recht wij dit doen zal nader blijken. Over de Theologie hebben wij thans te handelen. Daarbij houden wij steeds ons doel voor oogen: de Encyclopaedie der Theologie namelijk. Wij roeren dus alleen die punten aan die voor ons onderwerp van belang zijn.
De Theologie is eene wetenschap. Deze stelling behoeft in het verband waarin zij door ons geplaatst wordt, eigenlijk geen betoog. Kan de menschheid als godsdienstige menschheid voorwerp zijn van wetenschappelijk onderzoek —•
16
en wie zou dit ontkennen? — dan staat ook het goed recht der Godsdienstwetenschap onaangetast, Heeft een gedeelte der godsdienstige menschheid zich onder zekere bepaalde omstandigheden, die der bijzondere Godsopenbaring ontwikkeld —■ er zijn er die zulks loochenen, er zijn er anderen die zulks bevestigen — kunnen deze laatsten die ontwikkeling in haar oorsprong, verloop en resultaat nagaan, dan staat ook het goed recht van dit allerbelangrijkst onderdeel der Godsdienstwetenschap, als zelfstandige wetenschap vast. De hypothese der Theologie is dus die der bijzondere Godsopenbaring, d. i. te zeggen de appreciatie van eene serie van feiten die wij Godsdienst van Israël en Christelijke Godsdienst noemen. De Theologie is eene zelfstandige wetenschap. Als zoodanig gaat zij van eene — nader te adstrueeren — hypothese uit. Iedere wetenschap doet dat. Te mMden der wetenschappen vindt de Theologie hare plaats in die groote wetenschappen-familie die den Godsdienst in het algemeen behandelt. „In zekeren zin , zegt Prof. de la Saussaye Dz., „in zekeren zin is ongetwijfeld de theologie slechts een onderdeel der godsdienstwetenschap: doch zij kan er geen vrede bij hebben zich uitsluitend als zoodanig te beschouwen en dus van het bepaald karakter, dat de betrekking op het christendom haar geeft, afstand te doenquot; !). Dit „dusquot; begrijp ik niet. Ook wanneer de Theologie zich slechts als een onderdeel der godsdienstwetenschap beschouwt en juist wanneer zij dit doet, moet zij haar bepaald charakter op den voorgrond stellen, anders lostte zij zich op en bleef niet zelfstandig onderdeel. Zij kan en moet er dus vrede bij hebben als zoodanig beschouwd te worden. Door haar eigen wél-bepaald object, den Godsdienst der Heilsopenbaring, onderscheidt zich de Theologie van hare zuster-wetenschappen. Hoezeer ook de vakken die tot de Theologie gerekend worden uit elkaêr loopen, van elkaêr onderscheiden zijn, hoe menigvuldig en nauw de aan-
1) Hel ethische beginsel der Theologie, door J. H. Gunning Jr. en P. D, Chantepie de la Saussaye Dz. 1877. p. 47.
17
raking tusschen de Theologie en de andere wetenschappen moge zijn, één voorwerp van bestudeering bindt al de vakken der Theologie organisch saam, en bewijst dat onze wetenschap de overigen aanraakt, niet er uit saamgelezen is en dan, als formeel gevormde eenheid er tegenover wordt gesteld \'). Hieraan dus, aan dit feit, dat de Theologie een bepaald object heeft, van dat der overige wetenschappen wél onderscheiden, dankt zij haar recht, om als afzonderlijke, onafhankelijke, en toegepaste (positieve) wetenschap, in den kring der wetenschappen op te treden. Dit object, de Godsopenbaring, God uit Zijn openbaring gekend of hoe men het ook omschrijven wil, is de raison d\'etre der Godgeleerdheid. Wij dienen deze raison d\'etre in iets objectiefs aan te wijzen.
Prof. Dr. Gunning — zie zijne schoone studie: „Hoofd-vereischten voor de Dogmatiek der Hervormde Kerkquot;, p. 24 1) — zegt: „Verder hebben wij het karaktermerk der theologie, als afzonderlijke wetenschap, en haar bevoegdheid en recht om als zoodanig in den cyclus der algemeene wetenschap hare plaats te nemen, gevonden in het eigen levensbeginsel dat zij heeft in „het geloof der Gemeentequot;. Wordt hier onder „geloof der Gemeentequot; verstaan de fides quae creditur, dan zeg ik onder andere woorden hetzelfde als deze hooggeachte voorganger. Maar dan betreur ik dat hij het objectieve altezeer voorstelt als het gemeente-bewu stelijke, in plaats van het object, als zoodanig, met nadruk aan te geven. Het gemeente-bewustelijke staat niet tegenover het objectieve. Dit laatste moet in het bewustzijn der gemeente opgenomen worden, maar is er wél van onderscheiden. Wordt hier onder „geloof der Gemeentequot; de fides qua creditur verstaan — en dit is, met het oog op wat volgt, meer dan waarschijnlijk — dan heeft hier verwarring plaats, zoo ik goed zie. Dan wordt er iets van het subjectief-gemeentelijke op het object overgebracht en niet het goed recht der Theologie, om als afzonderlijke wetenschap op te treden, uit haar object be-
2
Het ethische beginsel der Theologie.
18
toogfl. Een eisch, den theologant gesteld, moet onderscheiden worden van de ■vvezenseigenschappen der Theologie.
Als wetenschap maakt de Theologie aanspraak op alle rechten, op alle waardij en beteekenis, op alle waardeering, waar elke wetenschap, als zoodanig, op boogt. Zij behoort vrij te zijn, vrij van ieder, van buiten af aangebracht, ge-zach. Geen vooroordeel hinde haar noch dat eeniger, tijdelijk den toon gevende, wetenschappelijke richting, noch dat der geloovige gemeente. Heeft eenige wetenschappelijke richting of school hare vooroordeelen — dit is zeer onwetenschappelijk. Leven er vooroordeelen in de gemeente, dit heeft plaats trots dat de gemeente geloovig, maar omdat zij nog onvolmaakt is. Ook make de Staat van de „reginaquot; geene „ancillaquot; door Kants voorschrift op te volgen: „Binden muss die Begierung die Lehrer der Theologiequot; •). Der wetenschap worde de mond niet gesnoerd! De wetenschap, ook de Theologie, moet, om niet te ontaarden, vrij zijn, d. i. absoluut gebonden aan haar object. Met andere woorden: „de wetenschap wil niet van buiten gebonden zijn, noch aan andore wet gehoorzamen dan aan die, welke hare eigene ontwikkeling beheerscht1).
Voor wie een blik heeft geslagen in het wezen der wetenschap is de uitdrukking „onvrije wetenschapquot; eene contradictio in adjecto. In de Theologie „is van geene andere gebondenheid sprake, dan van die, waarin do ware vrijheid wortelt, de gebondenheid van het denken aan het zijnquot; 2).
De Theologie is eene menschelijke wetenschap. Als zoodanig is zij in haar bestaanswijze aan de overige wetenschappen gelijk. Zij is menschelijk werk, ook al is haar object goddelijk. Zij is dus steeds onvolmaakt, steeds voor verbetering vatbaar en wisselend in den tijd.
De plaats der Theologische Wetenschap in de Encyclopaedie der Wetenschappen. Redevoering bij de aanvaarding van hel Hoogleeraars-ambt aan de Groningsche Hoogeschool, door Dr. D. Chantepie de Ia Saus-saye. 1872.
De gebondenheid en de vrijheid der Theologische Wetenschap, p. 45.
19
Als wetenschap heeft de Theologie aan zekere eischen te beandwoorden, aan zekere plichten te voldoen. De wetten die voor de wetenschap in het algemeen gelden, zija ook van kracht voor de Theologie in het bijzonder. Het is b. v. een grondwet van de wetenschap dat eenig empirisch gegeven de basis zij, waarop de theorie wordt gegrondvest. De Theologie is gehouden aan die wet hulde te doen. Theologische theoriën over welk onderwerp ook, die met historisch gegevene en voldoend geconstateerde feiten in strijd zijn, moeten daarom verworpen worden, \'t Zijn vruchten eener ongebreidelde phantazic. \'t Zijn curiosa. Een wél bekend voorschrift der Logika doet ons levendig beseffen dat het omgekeerde van deze wet niet doorgaat. Wat van de Theologie in \'t bijzonder waar is, geldt daarom nog niet voor de wetenschap in het algemeen. De Theologie stelt reeds dadelijk tot de erkenning van den wezenlijken aart van haar object, haren beoefenaar zekere eischen van geestelijk-ethisch charak-ter die den beoefenaar van andere wetenschappen niet mogen gesteld worden. Er zijn er die het object der Theologie niet zien (Johannes III; 3), die het in zijn beteekenis en waardij miskennen. De miskenning nu van het voorwerp der Wetenschap leidt noodzakelijk tot die van de methode dezer zelfde Wetenschap. Spreken zulke menscbeu over de dingen der Theologie, dan doen zij ons denken aan een blinden die over de schittering van zon en sterren redekavelt. De harmonie tusschen object en subject is verbroken, heeft nooit bestaan. De geslachte in den denker en de gedachte, door hem voorwerpelijk beschouwd zijn geene zuster-gedach-ten, zijn vreemd aan elkaêr, kunnen zich niet vereenigen. „Het levensbeginsel der kerkquot; — het geloof nl. — is ook dat der kerkelijke wetenschap, der theologie, en moet alzoo in hem, die haar beoefent, aanwezig zijnquot; \')• Wij stippen dit punt slechts aan. De beschouwing van de persoonlijkheid des Godgeleerden behoort onzes inziens in de Methodologie
1) Ch. de la Saussaye „Het Wezen der Theologiequot; p. 45.
2*
20
thuis. De Encyclopaedie bestudeert de Theologie op zich zelf, zoo objectief mogelijk.
Gaan wij thands over tot de bespreking van den naam onzer Wetenschap. Haar object gaven wij reeds aan. Zij is de wetenschap der godsdienstige menschheid, in zoo verre deze zich ontwikkelde en nog ontwikkelt onder den invloed der bijzondere Godsopenbaring. Deze algemeene opgave zullen wij weldra tot eene concrete welbegrensde definitie omwerken. Onze wetenschap noemen wij „Theologiequot;. Hoe over dien naam te oordeelen ? Is hij juist gekozen? Heeft onze Wetenschap wel het recht om dien naam, als den besten die haar past, te dragen?
Dit ga voorop: Nooit ofte nimmer kan men den naam „Theologiequot; door dien van Godsdienswetenschapquot; vervangen. Dit zou zijn: „partem pro toto darequot;. De Theologie is een onderdeel van die groote, de geheele godsdienstige menschheid omvattende wetenschap die wij „Godsdienstwetenschapquot; noemen. De ingeschreven cirkel worde van den omgeschre-venen onderscheiden. Ontkent men de realiteit eener bijzondere Godsopenbaring dan is er geen Theologie meer. er is slechts Godsdienstwetenschap, De verschillende godsdiensten , die van Israël en de Baaldienst van Tyrus en Sidon, de Christelijke Godsdienst en de Islaam zijn niet soortelijk, specifiek onderscheiden. „Indien de kerk zich kon oplossen in de maatschappij en het mocht blijken, dat de christelijke levensbeschouwing niet specifiek-verschillend is van de natuurlijke, dat de gemeente van Jezus Christus geen ander levensbeginsel heeft dan de wereld, dan zou daarmede de christelijke Theologie opgehouden hebben te bestaan en opgelost zijn in de philosophic, de algemeene wetenschap des geestes\' \'). Het is voor hen die aangeduid standpunt
1) Ch. de la Saussaye „Het Wezen der Theologiequot; p. 54.
21
innemen zeer natuurlijk dat de aloude Fiicultas Theologica in het universitaire instituut plaats make voor eene faculteit der Godsdienstwetenschap. Dit nu zijn twee verschillende zaken. Theologie en Godsdienstwetenschap, ook Christelijke Godsdienstwetenschap zijn niet hetzelfde. Zeer nauwkeurig en puntig geeft Prof. Doedes ons dit onderscheid te verstaan; „Terwijl in de Theologie of godgeleerdheid God op den voorgrond staat, is in de godsdienstwetenschap, de godsdienst hoofdzaak. God of godsdienst op den voorgrond, het verschil is te groot, om niet tegen de gelijkstelling van Theologie of godgeleerdheid en godsdienstwetenschap een bezwaar te doen ontstaanquot; \'). Die naam „Faculteit der Godsdienstwetenschapquot; waarvan men sprak, doet ons denken aan een vlag die de lading niet dekt. Immers verstaat men onder dien naam een faculteit, waarin gedeeltelijk de Theologie wordt gedoceerd. De Theologie zonder Dogmatiek en Practica! Een lichaam zonder hoofd, zonder handen en voeten — een romp! De studie der overige godsdiensten bekleedt een betrekkelijk zóó geringe plaats dat de naam „faculteit der Godsdienstwetenschapquot; wel een satyre schijnt te zijn. Zulk een faculteit zou behooren te heeten: Faculteit voor gedeeltelijke beoefening der Israëlitische en Christelijke Godsdiensten met, zooveel mogelijk volledige bestudeering der Heidensche en Mahomedaansche godsdiensten — of iets dergelijks. Een leelijke naam! Ja — maar voor een leelijk ding! Had men toch nimmer het wijze woord van de la Saussaye Sr. vergeten: „Ook van de theologische faculteit geldt het: Sit ut est aut non sitquot; \'1).
Het woord „Theologiequot; is van Griekschen oorsprong. Letten wij eerst op de etymologische beteekenis dan op het
Wezen der Theologie p. 62.
22
gebruik van het woord bij de Ouden, om eindelijk aan te toonen met welk recht de door ons bedoelde wetenschap den naam van Theologie draagt.
amp;sote?ix ontstaat door saamkoppeling der woorden en Aoyix. Op dezelfde wijs worden (puviohoyo: (Aristoteles), ^u-ös?.oyi!x. (classici) en anderen gevormd. ieoKoyia kan niets anders beteekenen als door overlevering (foyo:) verkregen kennis, wetenschap aangaande God; Godgeleerdheid. Wil men dit algemeen gebruikelijke Nederlandsche woord door een minder of niet gebruikt, dit welluidend woord door een slecht klinkend, vervangen ., . wie zal zulks beletten ? Maar ook: Wie zal het aanraden? Godkunde?... Godskunde? . .. Laat ons maar van „Godgeleerdheidquot; spreken. Dit woord heeft de oudste, de beste, de schoonste brieven. Prof. Ya-leton Sr. spreekt van „Godswetenschap.quot; „Theologie,quot; zegt hij, „is wetenschap aangaande God of (wil men hetzelfde door een met genetivus objectivus samengesteld woord uitdrukken) Godswetenschapquot; !) Euphonisch is dit woord niet maar als vertaling onberispelijk.
Wat het gebruik (de waarde) van het woord aangaat, dit heeft in den loop der tijden vele wijzigingen ondergaan. Bij de Ouden is Theologie de leer die zich met de goden, hun ontstaan, hunne natuur en de hun toetebrengen vereering bezig houdt. Bekend is de volgende plaats uit Platoos „Republiekquot; : \'n \'Atisiftxvre, ovx êtrftsv troiytxi èyco ts xxi lt;7u h tij) TTxpmi xkgt;.\' oly.tivrxt iroktuc. o\'ixthttxic sf rov; tujtou? irpojTyxsi c\'iiisvxi iv cU Ssi ftvSohoysiy rcua Taiyrx? irxp\' au; êxv tmxfi-j cix stitpstnsov, 0\'j tj-\'/jv xjtoi: yc ttoivitso\'j (j-uéouc. \'Op-Sa: JSsj- x/.a zure óy, tovto 01 tottci irepi Q sot.oyixc tivs: xv cUv; Ts/wSf irou tivss, qv S\' iya. 1)
Cicero spreekt van „theologiquot;: Dicamus igitur Balbe, oportet contra illos etiam, qui hos deos ex hominum genere in caelum translates, non re, sed opinione esse dicunt, quos
Platouis Respublica. recens. Immanuel liekkerus, Londini 4825. II. 379.
auguste omnes sancteque veneranmr, Priucipio Joves tres nutnerant ii, qui theologi nominantur.\')
Hagenbach en anderen zeggen dat het woord ook voorkomt bij Aristoteles Metaph. X : VI. \'k Heb de plaats opgeslagen maar bevonden dat het zoo niet is.
Homerus en Hesiodus „si ts-j; 6co-j: nis \'e/j.yji TroiyrxyTci;quot; waren „theologen.quot;
Bij de Nieuw-Testamentische schrijvers komt het woord ScoXoyix niet vooi\'. Wel vinden wij bij hen menigmaal de woorden /.57;- en ösc; door den Genetivus met elkaer verbonden. De schare volgt Jezus om te hooren tov ï.oyov tou 6eou.1) Zij die rm },oyiiv reu Oeou hooren en doen zijn des Heeien moeder en broeders.3) De Zaligmaker verklaart dat zij die tov \'/.oyo-j rou êsou hooren en bewaren zalig zijn. tx Xoytx tov Csou zijn den Joden toevertrouwd geworden. 2) De Zoon Gods wordt door Johannes als 0 \\oyo: aangeduid.6) Over de beteekenis van deze twee woorden, zooals zij in de aangehaalde plaatsen en nog elders in het N. T. voorkomen, hebben wij natuurlijk niet te spreken. Eerst in de tweede eeuw wordt het woord (ttohoyiz bij christelijke schrijvers gevonden. Zij hebben het niet naar aanleiding van de besproken uitdrukkingen in het N. T. gevormd, maar van de Grieken overgenomen. Het bijbelsch spraakgebruik maakte deze overname gemakkelijk, ho\'i-oyiz beeft bij de eerste christelijke Schrijvers niet de beteekenis .de het bij de classici heeft, theologie als onderdeel der ruimere Mythologie, noch ook die breeder beteekenis die wij er aan hechten, \'t wil zeggen leer der Triniteit. In dien zin werd het woord vooral gebruikt gedurende en kort na de Ariaansche twisten. Men
Luc. VIII: 21.
Joh. 1:1, 14.
24
stelde ,,theologiaquot;\' — leer van Christus Gorlheid — tegenover „Oeconomiaquot; — leer van den geïncarneerden Logos. — Euse-bius „de ordine Evangeliorumquot; sprekende zegt dat Johannes nalaat om over de afstamming van Christus naar het vleesch te spreken, daar Matthaeus en Lukas dit reeds deden. Johannes neemt zijn uitgangspunt in de Godheid des Heeren: T\'4~ Sf öëOAT/ta^ KTTap^xysvo: ü: xv X\'JZj: Trpo: reu Ssiou TTViuttaTo: vx xpsnTivi KxpxTrsQuXxyuwji:. \') In zijn inleiding zegt Eu-
sebius: ap^erxi ys pioi o foyog, xtto ry;.....óixovofiiac re xxi
Qsohoyiag.1) Liber I, cap. 2, handelt hij over de praeexi-stentie (rpcÜTrxp^ic) en de Godheid (QsoKoyix) van den Zaligmaker. 2) Die gedeelten der H. S. die ons Christus Godheid leeren zijn ftuTTiKxi êeo/.oyix: ypxCpxt. Vandaar dat zij die de leer der Omoousia handhaafden „êsofoyoiquot; genoemd werden. Die eernaam werd den Apostel Johannes gegeven. Een latere hand voegde aan den titel van het laatste bijbelboek de woorden „\'luxwou tou êeokoyoiiquot; toe. Dezelfde onderscheiding viel Gregorius Nazianzenus te beurt toen hij in vijf leerredenen het Nioeaansche dogma uit-één-gezet en verdedigd had. öes/.oyou: noemt Eusebius hen die anderen in de Christelijke leer voornamelijk in de Christologie inleiden. In zijne „Oratio de laudibus Constantiniquot; spreekt hij van „uuttbi ho^oym ai/Sfai/quot;3) De interpres zet dit over: ii qui sacrae Theologiae mysteriis initiati sunt.quot; Terecht teekent Valesius op deze minder nauwkeurige vertaling aan: non probo fMjtrxt sunt initiati, qui mysteria perceperunt. fiso/.oyci vero sunt qui alios initiant et mysteria iis tradunt.quot; 0) Bij Augustinus wordt het woord theologie reeds in uitgebreider
Ibid. p. \'2.
Ibid. p. 2.
Ibid. p. 521.
25
zin gebruikt: „Theologia quo verbo Graeco signifioari in-telligimus de Divinitate rationem sive sermonem (de civit. Dei, lib. 8, cap. I. !) Op voo/gang van dezen Westerschen Vader wordt zulks meer en meer het geval. Toch gebruikt Abaelardus het woord nog in den oud-christelijken zin. Zijne hoofdwerken over de Drieëenheid zijn immers betiteld: „In-troductio in theologiamquot; het één, en „Theologia Christianaquot; het ander. De Scholastici verstaan onder „Theologiaquot; de wetenschap die zich bezig houdt met God en de goddelijke dingen. Alexander Halesius schreef zijne „Summa theologica.quot; Evenzoo Albertus Magnus. Vinden wij in deze „Summaequot; veel en velerlei dat ons in „theologischequot; werken bevreemdt — wat wij thands onder „Theologiequot; verstaan is de hoofdinhoud er van. Die beteekenis bleef het woord sedert behouden.
Geschiedt dit te recht? Mogen wij onze wetenschap met het oog op de etymologische beteekenis van Otohoyix, „Theologiequot; noemen? Indien ik mij niet vergis valt er bij den strijd over deze vraag wel iets op te merken dat men „logomachiequot;\' pleegt te heeten. Theologie beteekent: Leer, medegedeelde wetenschap aangaande God. Niets meer, niets minder. De Godgeleerdheid echter is ook Anthropologic, Ecclesiologie, Bibliologie, wetenschap aangaande den gods-dienstigen raensch, de Kerk, de Heilige Schriften. De twee begrippen theologie (etymologisch) en „Theologiequot; (volgens den aangeduiden usus) zijn dus extensief verschillend. Het gebied van het eerste is veel enger begrensd, dan dat van het laatste. Hier kan geen twijfel over zijn.
„Die Theologiequot; — beweert Staudenmaier — „bat was schon ihr Name besagt, zu ihrem unmittelbaren und ewigen Gegenstande — Gottquot; 1). Pelt heeft natuurlijk gelijk wan-
Encyclopaedie der theologischen Wissenschaften als System der ge-saramten Theologie. Von Dr. F. A. Staudenmaier. Mainz 1834. p. 18 § 30.
26
neer hij, tegen Staulenraaier optredend zegt; „Als positive Wissenschaft erscheiut die Theologie mit einera fest ausge-pragten character, welcher ihr in der riclitigen Darstellung erhalten bleihcn muss; daher ist ihr Name auch nicht etymologisch zu deuten als Wisschenschaft von Gottquot;. Dit is evenzeer waar als wat hij daar terstond op volgen laat... „oder in historisch beschrankten Sinne (wie die Begründer und Verfechter der Logoslehre Theologen heissen)quot; 1\'). Twintig jaar later schreef Pelt evenzoo: „Theologie ist nicht etymologisch zu deuten als die Lehre von Gott, auch nicht historisch als die Trinitatslehrequot; 2). Natuurlijk! Wij staan voor eene concrete, bepaalde wetenschap. Het feit dat eenig onderdeel dier wetenschap in vroeger dagen „Theologiequot; heette, helpt ons al bitter weinig om te beslissen of die wetenschap in haar geheel, thands dien naam dragen kan. Met Pelt stemt Hagenbach — naar Schleyermacher § 4 verwijzend — ondubbelzinnig in. „Man geht sicher irre, wenn man die Theologie von der Etymologie des Worts aus construiren willquot; 3).
Tegen deze twee grootmeesters op het gebied der Ency-clopadiek verhief ten onzent Prof. J. J. P. Valeton Sr. zijn stem. De leerzame en zeer interessante stukken des Hoog-leeraars (in het tijdschrift; „Studiënquot;) zijn den lezers van dit opstel zeker bekend. „Ik meen mij niet aan woorden-zifterij schuldig te makenquot;, — zegt deze geleerde — „wanneer ik in deze letterlijke beteekenis des woords (Godswetenschap) nu ook tevens de definitie zie van het vak van wetenschap waarover ik handelquot; 3). Men lette wel. In het woord „theologiequot; naar zijne etymologische beteekenis, ziet de Hoogleeraar de „definitiequot; onzer wetenschap. Die „definitiequot; moet volledig zijn, en heel hot gebed der wetenschap be-
Pelt a. vv. p. 15,
Eucyclopaedie und Methodologie der theologischen Wissenschaften von Dr. K. R. Hagenbach. Leipsig 1857. p. 49, § 25.
i) Studiën. Theologisch Tijdschrift. VU: 4. p. 262.
27
grenzen. Anders is cr geen sprake van definitie. Wij wachten dus dit betoog dat het woord theologie in zijne etymologische beteekenis het geheele gebied onzer wetenschap, en dat gebied in al zijne deelen en onderdeden omvat. Wachten wij niet te vergeefs ?
Terecht aanvaart de Groningsche Hoogleeraar de aangehaalde woorden van Hagenbach niet maar zoo voetstoots, (ieen „Roma locuta estquot;. „Hagenbach breekt hierover in weinige woorden den staf.quot; Dr. Valeton eischt adstructie van het vonnis. Hij toont helder aan dat Hagenbach, in wat hij terstond op de geciteerde «oorden volgen laat eer eene concessie doet. „Sie (die Theologie) ist allerdings in ihrer höchsten Bedeutung Gottesgelahrtbeit, Lehre von Gott und göttlichen Dingen; und ohne Diesen Gesichtspunkt im Auge zu behalten, wird sie ein todtes Aggregat von den verschiedenartigsten Kenntnissenquot;. Dr. Valeton laat zich door Hagenbach niet uit bet veld slaan, wanneer deze, om zijn oordeel te staven nog al kinderachtig opmerkt: „Wer auf dem Wege des blossen Speculirens über Gott ein „Theologequot; werden wollte, würde sicb sehr tauschen.quot;\' Dit is eene onloochenbare waarheid. Maar \'t is tevens eene waarheid die bier niet behoefde herinnerd te worden. Met dit alles kan Hagenbach zijne bewering niet dekken. Toch beeft Dr. Valeton het zich eenigszins gemakkelijk gemaakt door uit het redebeleid v^n Hagenbach êéne clausuul weg te laten. Hagenbach verklaart, en zéér terecht, van „den verschiedenartigsten Kenntnissenquot; dat zij „nun einmal mit zum Lei lie der Theologie geboren, ohne den sicb auch ihr eigenthüm-licher, durch jede /eit wieder anders bedingter Geist nicht darstellen kannquot;. Dit is de reden waarom het woord Theologie in zijne etymologische beteekenis niet de definitie onzer wetenschap zijn kan.
Volgen wij nu het betoog van Prof. Valeton Sr. ..Wetenschap , grondige keunis aangaande God, dat is theologiequot;. Hoe hebben wij dit te verstaan? Wat direct verder komt zegt het ons: „De leer aangaande God, indien zij volledig behandeld wordt, omvat de geheele theologie in al bare
28
onderileelenquot;. Dit nu zie ik niet in. Hoe zou de leer aangaande God volledig behandeld de Hamartologie b. v. en de subjectieve Soteriologie kunnen „omvattenquot;. Lees ik daarna des Hoogleeraars verklaring: „Ik herhaal dus: de zelfopenbaring Gods is het voorwerp der Godswetenschapquot; dan brengt dit mij toch niet inderdaad verder. Ik blijf mij steeds bewegen in den locus „de Deoquot; maar omvat heel het gebied der Godgeleerdheid in geenen deele. Werd de stelling van Prof. Valeton aangenomen dan zou men evengoed alle wetenschap , heel de wetenschap onder het woord theologie kunnen aanduiden.
Wij hebben in dit alles met drie begrippen te doen die wél van elkaer onderscheiden zijn. Bewust of onbewust verliest men dit onderscheid vaak uit het oog. Daardoor ontstaat eene schromelijke verwarring. Deze drie begrippen zijn:
a. Godgeleerdheid ,
b. Dogmatiek,
c. Theologie.
a. De Godgeleerdheid is het onderdeel der algemeene Godsdienstwetenschap dat den Godsdienst zooals hij zich onder den invloed der bijzondere Godsopenbaring ontwikkelt, tot voorwerp heeft. Dit is de Theologie in den ruimeren zin, de wetenschap waarvan wij thands onderzoeken met welk recht zij zich Godgeleerdheid noemt.
b. De Dogmatiek is ééne discipline der Theologische Wetenschap. Zij is de discipline bij uitnemendheid die ons als het doel der overige disciplinen-groepen verschijnt.
c. Het middenpunt, het hart dgr Dogmatiek is de Theologie, dit woord in de streng etymologische beteekenis genomen; de leer van God. Deze leer van God kan cf als een locus, de locus der Dogmatiek bij uitnemendheid worden beschouwd, óf om haar cardinaal gewicht als „Leer van Godquot; afzonderlijk behandeld worden. Of „Theologiequot; in den laatsten zin des woords den naam van Wetenschap aangaande God verdient, is eene vraag die ons hier niet behoeft bezig te houden. Wij vragen slechts of onze Wetenschap
29
den naam van „Theologiequot; mag dragen, en met welk recht zij dit doet.
Onder Theologie, wij gaven het reeds te kennen, verstaan wij die wetenschap, welke zich bezig houdt met den godsdienst, zooals deze zich, inwendig en uitwendig, ontwikkeld heeft, en nog steeds ontwikkelt onder den invloed der bijzondere Godsopenbaring.
God heeft zich geopenbaard.
Met dit feit staat en valt het object der Theologie, dus ook de Theologie zelf.
Wij kunnen dit voorwerp der Theologie onder concreter vorm voorstellen. Wij kunnen de vrucht der Godsopenbaring, die — als in den tijd bestaande — voor allen zichtbaar, hoewel niet door allen in zijn aard en charakter naar waarde geschat wordt, aanwijzen.
De Godsopenbaring werd in de geschiedenis gegeven. Dit kon wel niet anders. De bijzondere Godsopenbaring werd niet gericht tot wezens die boven de bepaling van tijd en plaats verheven zijn Aan menschen die in den tijd leven en zich ontwikkelen werd zij geschonken. God, de goddelijke dingen in de waereld vooruitbrengend, brengt ze daardoor tevens in wat wij „den tijdquot; noemen. Is nu de openbaring niet op een oogenblik geheel en volledig gegeven dan kunnen wij van eene geschiedenis der openbaring spreken. Wij kunnen en moeten van eene ontwikkeling, van eenen voortgang van het mindere tot het meerdere, van licht tot meer licht gewagen. Er zijn perioden te onderscheiden. Toch blijft de Godsopenbaring een en dezelfde. Een gradueel onderscheid tusschen de verschillende openi aringsperioden moeten wij opmerken. Van een specifiek onderscheiden is geen sprake, aangezien er eenheid van oorsprong, ilus ook, van aard en natuur is. De eenheid der openbaring is gewaar-borgd in den eonigen God die zich openbaart. De vruchten, de resultaten, de historische vormen waarin zich de openbaring belichaamt, zijn — hoe ook op velerlei wijs onder-
30
scheiden — allen één in den grond. Er is slechts één godsdienst der Heilsopenbaring. Ten onrechte denkt en spreekt men menigmaal als ware er een klove tusschen Oud-Israël en Christendom, als wnren dit twee specifiek verschillende, godsdiensten. Het verdient opgemerkt en gegispt te worden hoe dit ook bij de openbare Evnngelie-verkondiging plaats heeft. Bewust of onbewust, gewoonlijk onder invloed van zekere luthersche zijde rukt men van-één, wat bij-één behoort. Zoo verstoort men het organisme der Godsopenbaring. Het beeld van den Christus wordt dan van het Israëlitisch piedestal genomen, en op een humanistisch voetstuk geplaatst. Daardoor lijdt de hoofdinhoud der Evangelieverkondiging — de Christus-prediking — noodzakelijk schade. Men verbreekt banden door God zélf gestrengeld. Het Evangelie staat temporeel verder van Mozes dan van den Talmud af. Maar niet essentieel! Tusschen het latere Jodendom en het Christendom, ja, is eene klove. Maar deze klove is dezelfde die het Judaïsme van het Israëlitisme scheidt, In het JoJen-dom is de lijn der openbaring afgebroken. Het Jodendom is eene verbastering en eene versteening beide. Zeer juist rekent A. Marck dan ook tot „de Valsche Gotgeleertheitquot; in de derde plaats de „Joodsche Gotgeleertheit, na de ver-werpinge van den in het vleesch geoopenbaarden Messiasquot; Op het organisch verband dat het instituut van Israël met dat der Kerk vereenigt legden Calvijn en de direct na hem gekomen go \'geleerden den klemtoon In dit opzicht staat de gereformeerde leertypus veel juister tegenover de werkelijkheid dan de luthersche.
Wat is nu het naaste gevolg, de eerste vrucht der Godsopenbaring in de geschiedenis der waereld ? De openbaring brengt eene scheiding te weeg. Ware de heilsopenbaring aan allen ter gelijker tijd gegeven, ware zij door allen, die haar kennen leerden, aangenomen, dan ware er geene krisis ont-
1) a. w. p. 3.
2) Calviju; Instit. Lib II. Cap. X; De Similitudine V. N. T. A Marck: a. w. p. 472. A Brakel: a. w. I: Van het verbond der genade.
31
st.aan. Maar wat zien wij? Dat in de oude dagen één wan. Abraham, uit allen uitgeroepen met bijzondere openbaring wordt begunstigd. Uit hem komen de twaalf stammen voort, het volk dat de motorische kracht zijner ontwikkeling in de steeds voortgaande Godsopenbaring vindt. In de oudheid vormt zich de mrr bnp: de Kerk in Israël. Als later, in de volheid der tijden, de Openbaring die in den Messias haar toppunt bereikt had, zich tot allen richt zonder onder-sc\'ieid, tot Jood en Griek, tot Scyth en Barbaar, ontstaat er alweer eene scheiding, eene splitsing in tweeën. Dit geschiedt juist omdat er eene groepeering op te merken valt rondom een gemeenschappelijk middenpunt den Christus. Een tijdsreden is de éérst zichtbare oorzaak van dit verschijnsel. Het Evangelie in den tijd gepredikt, wordt niet al dadelijk tot allen gebracht. De zuurdeesem verbreidt zich langzamerhand door dc koek. Zedelijk godsdienstige oorzaken vooral doen die splitsing in de menschheid ontstaan. Niet allen nemen het hun gebrachte Evangelie aan. Zoo openbaart zich in den xcgij-oc, de Kerk des Nieuwen Ver-bonds: ^ tou xvpuv ixx^aix. Die Kerk nu, die ééne Kerk naar den tijd onderscheiden als irifp bnp en ^ tou xupiou is het voorwerp der theologische Wetenschap.
Dat wij aldus het gebied onzer Wetenschap juist en volkomen bepalen. blijkt onder anderen hieruit. Ook zij die om wijsgeerige redenen vaii geene bijzondere Godsopenbaring meenen te mogen spreken, verstaan feitelijk onder „Theologiequot; niets anders als de Wetenschap die zich met den Godsdienst van Israël en het Christendom bezig houdt, \'t Verschil tus-schen hen en ons loopt niet over het „watquot;, maar over het „hoedanigquot;, niet over het object, maar over den aard en het ontstaan er van. Trouwens aan het openbaringsfeit, door ons ten grondslag aan de Theologie gelegd, wordt nog op eene andere wijze onwillekeurig hulde gedaan door hen . die dit openbaringsfeit als eene onhoudbare hypothese verwerpen. Niemand hunner immers ziet in de kennis van het later Jodendom, in de Talmudische Wetenschap een integreerend deel van wat men „Theologiequot; heet.
32
De Theologie is alzoo de Wetenschap die de Kerk tot haar voorwerp heeft.
Wij noemen als object der Theologische Wetenschap de Kerk en niet de Christelijke Kerk. Is de Kerk het voortgebrachte werkstuk der Openbaring, het instituut waarin deze zich als incarneert, dan kan men, dan moet men van eene Kerk des Ouden Verbonds gewagen. Al komt het woord „Kerkquot; in het Oude Verbond niet voor, de werkelijkheid door dat woord aangeduid, is er. Definieert men de Theologie als de wetenschap wier object de Christelijke Kerk is, dan zou er strikt genomen voor de O. Tische vakken geen plaats zijn in de Encyclopaedic der Theologie. Er is eene Kerk der Prophetie, en eene Kerk der Vervulling. Deze twee zijn één.
Waarom dan niet onze Wetenschap „Ecclesiologiequot; genoemd? Het andwoord op deze vraag is niet moeielijk te geven. Wij lichten daardoor tevens onze definitie nader toe.
De Theologie gelijk zij uit de Gemeente geboreij ia, heeft den vorm waarin de Gemeente zich openbaart, de Kerk tot voorwerp, de Kerk en al wat haar bestaan met zich brengt. De Theologie beschouwt de Kerk in haren tegenwoordigen toestand, zooals zij onder alle Christenvolken, in alle Christenlanden leeft. Niet slechts wordt er kennis genomen van de uiterlijke bestaansvormen der Kerk als instituut, maar ook van het organisme der Kerk, De onzichtbare kracht waardoor zij bestaat en voortbestaat, het leven dat haar tintelend doorgloeit, het leven des geloofs waardoor zij in Christus verzoend en vereenigd is met God die leeft, boeit onzen geest. Wij zien hoe dit geloof der Kerk zich uitdrukt in eeredienst en tucht, in „Kerkelijk levenquot; en in Belijdenis.
De Kerk is een historisch verschijnsel. Zij heeft eene geschiedenis achter zich. Haar tegenwoordig bestaan is het resultaat eener voorafgegane ontwikkeling. Daarom vraagt de Godgeleerdheid niet slechts „wat is de Kerk?quot; maar ook „hoe werd zij wat zij is?quot; De Geschiedenis der Kerk wordt bestudeerd. De Theologie is niet alleen onmiddelijke empirie, maar ook, ten einde aan de eischen, eiker wetenschap ge-
33
steld, te voldoen middelijke empirie: historie. De geschiedkundige nasporingen moeten zoo volledig, zoo juist en zoo diep mogelijk doorgevoerd worden. Het uitwendig kerkelijk maar ook het inwendig geestelijk leven moet gekend worden; niet slechts het verloop der ontwikkeling maar ook en vooral haar aanvangspunt. Beiden leeren wij uit tal van documenten kennen, uit bronnen wier aard en waarde natuurlijk zeer verschillend zijn. In één woord de Historische Theologie is zoowel Kerkgeschiedenis als Dogmengeschiedenie en Geschiedenis der Theologie. Zij is zoowel geschiedenis van de Kerk onder het Oude als onder het Nieuwe Verhoild met al wat daarbij behoort. Zij is zoowel geschiedenis van de gestichte Kerk, als van de stichting der Kerk. De Historische Theologie behandelt de stof in de geschiedkundige documenten vervat en daaruit geput, maar zij is ook de wetenschap dezer documenten zelf. Dan ... hierover later!
Wanneer de taak van den historicus vervuld is, ligt het eerste gedeelte onzer Wetenschap voltooid voor ons. Begint de Wetenschap met te constateeren wat er is, welnu de Theologie kent thands haar voorwerp. Zij heeft het leeren kennen zooals het is en zooals het werd, uitwendig en inwendig. Een nieuw gebied opent zich nu voor den Godgeleerde. De roeping aller wetenschap is dubbel. Zij beandwoorde de vraag: „Wat is er?quot; en dan de volgende: „waardoor en hoe bestaat het bestaande?quot; De Wetenschap zamelt niet slechts de vruchten. Zij wil ook den boom, die de vruchten draagt, kennen. Zij is zoowel beschrijving van een bestaand iets, als onderzoek naar de oorzaak, naar den bestaansgrond er van. Zij is wetenschap uit kennis opgebouwd. Zij is philo-sophie, die de dingen verklaart. Brengen wij dit over op de Godgeleerdheid! Deze beschouwt niet alleen het voortgebrachte werkstuk der Godsopenbaring, maar ook de bestaansreden er van. Zij beschrijft het leven en verklaart het uit den Levenwekker. Als empirie neemt de Theologie do zich in den tijd ontwikkelende Kerk waar. Als philosophic beschrijft zij de eeuwige krachten waardoor de Kerk leeft. Constateerde de Theologie alleen zekere concrete toestanden en feiten zij
34
verdiende den naam van wetenschap niet. Zij ware niets anders als beschrijving of liever opgave van een zeker aantal empirische gegevens: een wetenschap steeds in wording en nimmer wetenschap die, hoewel onvolmaakt, toch bestaat. Maar de empirische gegevens zijn der Theologie tot teekenen, die zij moet interpreteeren in de taal der eeuwige waarheid. „Daar is voorzeker eene speculatieve theologie, maar zij kan eerst ontstaan, wanneer het gebied der positieve is afgeloo-pen, of liever wanneer de vruchten van den arbeid, op dit gebied verricht, zijn geplukt en genotenquot;1). De roeping der Theologie is om door te dringen steeds hooger op van afgeleide oorzaken, die zelf veroorzaakt werden, tot den Werkmeester van het geheel, om leer van God te worden, om wetenschap van God te zijn, voor zooverre als, en op de wijze waarop het ons gegeven is God te kennen. De philo-sophische theologie is de verovering der hypothese, waar de Theologie, in haar geheel, op rust.
Eindelijk merken wij — ten einde tot eene volledige beschrijving der Godgeleerdheid te komen — op, dat de Theologie een positieve wetenschap is. Als wetenschap te midden der overige wetenschappen is de Theologie noodzakelijk in eene niet onderbroken aanraking met de philosophic. Als zoodanig is zij eene philosophie. Als Godgeleerdheid, als wetenschap der kerk, „c\'est une philosophie dont la base est donnée\' 2), is zij steeds in contact met de gemeente. Als wetenschap der kerk is zij bij uitnemendheid praktisch. De Theologie is aan de kerk organisch verbonden. Beiden hebben een gemeenschappelijk levensbeginsel. Als positieve aangewende — wetenschap heeft de Theologie een bepaald voorwerp. Dit voorwerp is niet eene abstractie, een „Ge-dankendingquot;. \'t Is eene .van leven bruischende werkelijkheid de Kerk. Die Kerk leeft. Zij heeft haar levensrijkdom die bewaard en verdedigd, haar toekomst die bereikt, hare belangen die behartigd moeten worden. Daartoe ook riep de
Ch. de la Saussaye: Dc gebondenheid en de vrijheid etc. p. 74.
Vinet.
35
kerk de wetenschap in het leven \'). De kerk over zich zelf nadenkend wordt moeder der Theologie. Door de Theologie leert de Kerk zich zelf eerst recht kennen. Do Theologie is de meeruerjarigheidsverklaring van de Kerk. Vóór de uitstorting des Heiligen Geestes was er dan ook geene Theologie. De Kerk leefde wel maar haar leven was niet voltooid als zelfbewust loven. De j-vaov; is het kroon-^^iT^a; der Kerk, wier leden door den Heiligen Geest koningen en priesters zijn. Do Theologie uit het leven der kerk — dat is: uit het geloof geboren — is de dienaresse der Kerk maar geroepen om haar voor te lichten. De Theologie is eene praktische wetenschap. In een zekeren zin is zij geheel en al praktisch. Is zij ook philosoplüe .... zij is het omdat de praktijk, omdat het gezonde leven, het volle leven philosophic eischt.
Wij verkrijgen ulzoo als volledige definitie onzer wetenschapquot;: De Theologie is de Wetenschap die, uit de Kerk geboren, de Kerk tot haar voorwerp heeft. Zij beschouwt:
I. den tegenwoordigen toestand en de geschiedenis dei-Kerk.
II. den bestaansgrond der Kerk.
III. het voortbestaan en de uitbreiding der Kerk.
Letten wij op de geleidelijke ontwikkeling, op den voortgang onzer wetenschap dan teekent zich deze gedachten-lijn af:
I. Uitgangspunt der Theologie is de Kerk — xvó/mttci;.
II. Haar verklarend middenpunt is Jezus de Christus — tsmöpuTllï.
III. Haar einddoel en rustpunt is de Drieëenige God, uit wien, door wien, tot wien alle dingen zijn, en die door het geloof wordt gekend — ó óeog.
Het Christocentrisch charakter der Theologie treedt hier
1) „Die Theologie bringt nicht das Christenthum hervor, soudern ist aus dem Christenthum erwachsenquot; Hofman, bij Raebiger; Zur theologischen Encyclopaedie. Kritische Betrachtungen von Dr. J. F. Rabiger, Prof. an der Universitat Breslau. 1882. p. G.
36
van zelf op den voorgrond. De afhankelijkheid der Godgeleerdheid ten opzichte van Gods raadsbesluit — dat in zich ïelf eeuwig zijnde in de Geschiedenis als Evangelie optreedt — blijkt duidelijk. Hoe inniger eene wetenschap gebonden is aan haar object, hoe duidelijker hare afhankelijkheid daarvan aan \'t licht komt, des te vaster is hare vrijheid verzekerd, des te meer komt zij haar ideaal nabij. Historisch middenpunt van het Evangelie is Jezus de Christus. In hem neemt een goddelijke persoon de menschelijke natuur aan. Daardoor werd de wederbrenging van den mensch tot God mogelijk. De vleeschvvording des Woords is de objectieve conditio sine qua non van onze verheerlijking tot kinderen Gods. Oeog yv iv XpifTa xofftcv y.HTaM,x77av ixuTbj (2 Cor. V : 19a). Christus is het centraalpunt ook der Theologie. De Theologie aan het eind van haar empirisch-historische taak rust in Christus, de hoogste in de geschiedenis gegeven, persoonlijke Godsopenbaring. Nu vangt de philosophische Theologie aan. De eeuwige waarheden ontsluieren zich nadat hij, die de waarheid is, gezien werd. In de praktische Theologie vertoont de eeuwige waarheid zich als hoogste wijsheid. Zij beheerscht de levensontwikkeling der Kerk.
Men heeft het wezen en het object onzer Wetenschap op velerlei wijze anders bepaald. Nemen wij eenige dier bepalingen nader in oogenschouw. \'„Theologie — zegt Zöckler — ist die Religion als Wissenschaft.quot; Hij vestigt vervolgends onze aandacht op de „Christliche, Evangelischequot; en „Kirch-liche Bestimmtheit der Theologiequot; !). Het doel met deze definitie beoogd is licht aan te wijzen. Zöckler zoekt eene definitie die toch vooral niet te nauw zij maar ruim genoeg om geheel het gebied der wetenschap te omvatten. Gelukkig was hij echter volstrekt niet in zijne formuleering. Wij kunnen in de aangehaalde woorden geene definitie zien. \'t Is een puntig, pittig gezegde. Naar wel bezien, kan het niet be-
1) Ilandbuch der tlicologischen Wissenschaften in encyclopadiscber Dar-slellung herausgegeben von Dr. Olto Zöckler. Erster Halbband. p. 3—15,
37
staan. Godsdienst en wetenschap zijn twee ongelijksoortige dingen. De godsdienst geeft aanleiding tot het ontstaan eener wetenschap, wijl de mensch een denkend wezen is. Godsdienst kan object van wetenschap zijn. Naar „Godsdienst als wetenschap ?quot;.... wat beteekent dat ?
Psychologie is de wetenschap wier voorwerp de ziel is. \'t Gaat echter niet aan om in nuchter proza te zeggen: Psychologie is de ziel als wetenschap.
„Die Theologie hatquot; zoo lezen wij in Staudenmaiers Encyclopaedic — was schon ihr Name besagt, zu ihrem un-mittelbaren und ewigen Gegenstande — Gott.1) Deze bepaling is de pure verwarring van het feitelijk object der Theologie met wat door de etymologische beteekenis van het woord wordt aangeduid: zij is te nauw. Zij is onvolledig. Staudenmaier doet dit zelf gevoelen wanneer hij terstond verder spreekt van „was auch immer in der Theologie vorkommen mag.quot; Kan men ook zeggen dat God het „onmid-delijk voorwerpquot; der wetenschap is, het „onmiddelijkequot; God onmiddelijk „secundum sequot; te kennen is de pretentie der Theosophen. Theologen dienen kalmer te oordeelen. Door wat God openbaart leeren wij God kennen. Men mag het betoog van den Apostel Paulus in den Romeiner brief 2) niet omkeeren.
Planck, na eerst gezegd te hebben dat de Theologie „Wissenschaft der Religion ist,3) verklaart: „das Objekt, mit dem sich die Theologie zu beschaftigen bat, machen nach diesem Begriff jene Wahrheiten aus, welche uns theils über die Verhaeltnisse in denen wir gegen Gott stehen, theils Pflichten welche uns diese Verhaeltnisse auflegen, theils ueber die Hofnungen, zu denen uns diese Verhaeltnisse berechti-gen, hinreichende Gewissheit gebenquot;
a. \\v. p. 18.
Cap. I.
Einleitung in die theologische Wisseuschaften von Dr. G. J. Planck. Leipzig. 1794. I p. 29.
38
Niemand zal na Planck beweeren dat in deze juxtapositie van wat men ongeveer Dogmatiek, Moraal en Eschatologie zou kunnen noemen, het object der Theologie beschreven is. Waar blijft Je Kerkgeschiedenis, waar de Exegese, waar de Praktische Theologie?
Meer dan twee eeuwen vóór dat Planck zoo schreef had Franciscus Junius ons reeds beter op den weg geholpen. In zijn „Tractatus de vera Theologiaquot; stelde hij deze vijfde thesis: „Theologia est sapientia rermn divinarumquot; \'). Het min of meer onbeholpene van Staudenmaiers definitie, die God als onmiddelijk voorwerp der Godgeleerdheid noemt wordt door Junius weggenomen. Wij kennen God uit zijne werken. Slechts door dat God zich openbaart, en in zooverre Hij zich openbaart hebben wij kennis van Hem. Onze Theologie is die der Eevelatio. Prof. Dr. J. Cramer noemt daarom ook met recht als object der Godgeleerdheid: Het door God geopenbaarde 1).
Wij komen hier nu als van zelf tot die definitiën die in den grond, bij alle verscheidenheid van formuleering, één zijn. Het door God geopenbaarde heeft in de Geschiedenis eene concrete gestalte verkregen. Het heeft zich als belichaamd in bepaalde historische vormen. Er is een werkstuk der Godsopenbaring. Hoe zullen wij dit werkstuk noemen? „De Christelijke Theologiequot;, zegt Prof. J. I. Doedes, „is de vereeniging van de op het Christendom betrekking hebbende, door den Godgeleerde beoefende wetenschappenquot;2). Wordt door deze bepaling, zoo vragen wij ten eerste, aan de voorbereidende Godsopenbaring in Israël wel recht gedaan ? Doen wij vervolgends, niet beter door in plaats van dat abstracte „Christendomquot; die levende realiteit de Kerk te stellen? „De Theologiequot;, zoo lezen wij in de boven aangehaalde Rede van Prof. Cramer, „wordt van zelf gedrongen
Kerk en Theologie. Redevoering bij tie aanvaarding van het hoog-leeraarsambt aan de Groninger Hoogeschool, door Dr. J. Cramer, 1876. p. 34.
Encyclopedie p. 13.
39
naar de Christelijke Kerk. Zonder de Kerk zou zij niets van het Christendom weten. Door de Kerk komt het woord der verlossing tot de menschheid. In de Kerk wordt de levenskracht van het Christendom openbaarquot; \'). Daarom gaven wij in het voorgaande de Kerk, als object der Theologie aan.
Mag deze Wetenschap nu den naam van Theologie loyoe ■trsfi tou Qscu dragen? Wij meenen van ja. Niet wijl dit woord in zijne etymologische beteekenis heel het gebied der bedoelde Wetenschap omvat. Van dit woord geldt in zekere opzichten wat Prof. Dr. Ch. de la Saussaye Sr. ergens van de woorden Universiteit en Encyclopaedie zegt: „Hoe weinig toereikend beide, èn etymologie èn historische oorsprong, ook in den regel zijn om de volheid der idee, die zich van lieverlede ontwikkelt, uit te drukken, even weinig als de breede en diepe stroom reeds aan de bronnen, waaruit hij zich vormt, kan worden gezien of vermoed, toch ligt in die taalkundige en historische oorsprongen reeds eene aanduiding der idee, die nog hare ontwikkeling wachtquot;1). Wij noemen inderdaad geheel onze wetenschap naar een harer onder-deelen. Maar dit onderdeel is het eêlste deel, het einddoel, het rustpunt des geheels. De Leer van God bindt de deelen der Theologie tot één organisch geheel saam. De Leer van God terugwerkend op ieder onderdeel der Theologie verspreidt daarover het eenig goede licht. De Theo-logie is het hart der Godgeleerdheid. Heel het lichaam der Wetenschap is daaraan dienstbaar. Het doel der Theologie is ten laatste om God, uit Zijne Openbaring te kennen. „A Deo docetur, Deum docet, et ad Deum ducitquot; zei Thomas Aquinas van de Godgeleerdheid. „ayr^ Sf jVt/v j) aimio: tuy, Ivx yivsocxwri trs tcv uovov )ta; ov xttsgtsO.x; \'V/itrsuy XpiGToy.quot;
(De Zaligmaker, hij Johannes XVH : 3.)
De Plaats etc. p. 0.
40
Onze Wetenschap wordt terecht, naar haar voornaamste onderdeel, waarin zij haar einddoel bereikt Theologie, Godgeleerdheid geheeten.
Veelal noemt men onze wetenschap de Christelijke Theologie. Dit bijvoegelijk naamwoord is overbodig. Er is slechts ééne Theologie: de Christelijke nl. De Theologie veronderstelt de bijzondere Godsopenbaring, gaat er van uit ontfangt er haar inhoud van. Waar geen bijzondere Godsopenbaring is, is evenmin Theologie. Heidensche godgeleerdheid is eene contradictio in terminis. De afgodendienst geeft ons poëtische en philosophisch mythen ten beste. In die mythen spelen de afgoden — d. i. de natuurkrachten als personen voorgesteld, of de mensch die zich in den afgod objectiveert — den hoofdrol. De wetenschap die zich hjer-meê bezig houdt is de Mythologie: een onderdeel der godsdienstwetenschap. Over dit punt gaf Prof. J. J. P. Valeton Sr. zeer behartenswaardige wenken. ZHGL. betoogt dat wij — aangezien er in het Heidendom „schepseldienstquot; in plaats van „Godsdienstquot; is — onmogelijk van „Godswetenschapquot; der Heidenen kunnen gewagen 1). Wel heeft het zin om, met Schleyermacher bv. van eene „Christliche Glaubequot; te spreken. Ook bij de Heidenen vinden wij geloof, religieus geloof, als is dit geloof ook doodelijk krank. Het is, wijl in de plaats van den eenigen, waren God de veelheid der fiS.ïAa; wordt gezet, bijgeloof, superstitie, een chronisch ziekteverschijnsel 2). Terecht aanvaardde Prof. Dr. Baviuck zijne leerstoel te Kampen met eene rede over „de wetenschap der Heilige Godgeleerdheidquot; zonder meer 3). Eene Israeliti-
Zie Studiën 11:4: 285; 111:4: 311—313.
„Er heerschte dus in \'t algemeen in de oudheid in plaats van godsdienst bijgeloof..... Bij de ouden verving de wijsbegeerte de heerschende godsdienst, maar zoo bereidde zij ook, als ware zij inderdaad eene hoogere godsdienst, het meer beschaafde menschdom tevens voor de zuiverste aller godsdiensten, de eenige ware godsdienst.quot; De Socratische School door Ph. W. van Heusde. 1860. 1—II. p. 201.
Rede ter aanvaarding van het Leeraarsambt aan de Theologische School te Kampen. Uitgesproken don 10 Jan. 1883. Kampen, G. Ph. Zalsman.
41
sche Theologie is er nooit geweest. Wij vinden voorzeker onder het Oude Verbond, dank zij der Heilsopenbaring, zuivere, progressieve, Godskennis, maar geen wetenschap; de Theologie. De opmerking dat „de Israelieten niet een ge-noegzaaam ontwikkeld wetensohappelijk-speculatief genie haddenquot; geeft de eerste oorzaak van dit verschijnsel niet aan. Juist die afwezigheid van eene genoegzaam ontwikkeld we-tenschappelijk-speculatieve gedachte in Israël, dient uit een dieper liggende reden verklaard te worden. Het voorbereidend charakter van het eerste Heilsverbond geeft het woord op beide vragen. De Theologie is alleen mogelijk geworden na en door de verschijning van den ésxvQpccTroc: \'Ot; 5 voijloc Six Mauirfiatf èicQq ij %apic xxi ■/] S/jü XptTTOu sysvsro.
amp;sov ouSsa; supxxe ttuttots. ó ^ovoysvin uioc, ó üv sU rov mXttov tod KXTpoc, êxsivoe sfyywKTO. (Joh. I: 17, 18). De Theoloog voorzeker houdt zich, qua talis, met Israels Godsdienst bezig. Israël zelf had echter geen theologische wetenschap.
Uit het bereids gezegde wordt tevens de betrekking tus-schen de Godgeleerdheid en de wetenschap der heidensche godsdiensten bepaald. De meeste Godgeleerden namen de Geschiedenis en de philosophische beschouwing der niet geopenbaarde godsdiensten in het kader der Encyclopaedic van de Theologie op. Over de plaats door deze vakken in te nemen, is men het lang niet eens. Ebrard rekent ze tot de Apologetiek. Prof. de la Saussauye Dz. verklaart dat het niet gemakkelijk is om te bepalen, welke plaats aan de geschiedenis dezer godsdiensten in de Encyclopaedic der Theologie toekomt \'). Prof. Doedes rekent ze tot de Historische Theologie 1). Anderen beschouwen dit studievak als buiten het gebied der Theologie liggend. In dien zin sprak zich ten onzent o. a. Prof. Valeton Jr. uit2). Naar wij meenen terecht Behandelt de Theologie den godsdienst der Openbaring, dan is haar gebied tc nauw bepaald om de toelating van de ge-
Encyclopedie 83—97.
Studiën 11:3: 237.
42
schiedenis der godsdiensten te dulden. Zulks is het kader onzer Wetenschap verbreken. De argumenten die men aanvoert om de geschiedenis der godsdiensten eene plaats in de huishouding der Godgeleerdheid te verzekeren, zijn volstrekt niet stringent. Dat dit vak van wetenschap zoo nuttig is voor den theoloog, dat het zijn blik verruimt, hem een zooveel juister oordeel over, een zooveel hooger waardeering van, het Christendom mogelijk maakt — \'t is alles onwederspre-kelijk waar. Ook de Algemeene Geschiedenis echter is den theoloog onmisbaar. Ook de kennis van het Attische Grieksch is hem nuttig. De vraag is niet of deze en gene wetenschap den theoloog nuttig, ja noodig is, maar wel of zij binnen den kring van het instituut der Theologie valt. Dit nu is met de geschiedenis der godsdiensten niet het geval. De theoloog zal dankbaar profiteeren van wat de beoefenaar der algemeene Godsdienstwetenschap ten beste geeft. Hij zelf, als theoloog, drijft deze studie niet. „Wij mogen nietquot;, merkt Prof. de la Saussaye Dz. op, „in die andere godsdiensten slechts verbasteringen zien, waaruit yoor ons niets te leeren zou zijnquot; \'). Verre van daar! Wij moeten er verbasteringen in zien, waaruit voor ons zeer veel te leeren is. Maar toch het zijn verbasteringen. Daarom vallen zij buiten den cirkel der Heilige Godgeleerdheid. Zij behooren te huis op het studie gebied der uitgebreide godsdienstwetenschap.
Een vraag die zich aan deze beschouwingen natuurlijk aanknoopt, is deze: Wordt dan de zoogenaamde Theologia Naturalis van het erf der godgeleerde Wetenschap verdreven? Heeft de theoloog dan niet bepaald rekenschap te houden met den natuurlijken mensch, wiens wezen op God werd aangelegd? Moet hij niet aantoonen hoe juist de Godsopenbaring de verlossing, de bevrijding, de wederoprichting is van dat natuurlijke in den mensch dat door de zonde sarkisch, beneden-natuurlijk werd? Sluit de Godsopenbaring zich niet aan het geestelijk leven der menschheid aan? Wij andwoorden dat de Theogia Naturalis zeer zeker in de Theologie
1) Studiën 11:3 : 284.
43
behouden blijft, \'t Was juist één der verdiensten onzer gereformeerde theologie dat zij dit vak met voorliefde behandelde. De Naturaal behoort tot de philosophische theologie. Deze beschouwt de christelijke persoonlijkheid. Het algemeen substraat dezer persoonlijkheid is de menschelijke natuur. De menschelijke natuur wordt met al de krachten en vermogens haar door den Schepper geschonken door de Godsopenbaring verlost, hersteld, geheiligd, en zoo tot hare verheerlijking voorbereid. Dan ... als van zelf raken wij punten aan die tot de encyclopaedische huishouding behooren. Haasten wij ons om tot ons derde deel over te gaan.
Hl.
De Encyclopaedie der Theologie.
A. Idee der Encyclopaedie.
Wij kregen het woord „encyclopaediequot; uit het Grieksch: syyaixMoc irxtèsiz = TrxiStta h xuxte. De beteekenis echter door ons aan het woord gehecht verschilt grootelijks van wat de Ouden er onder verstonden, èyxuxhix hxQwxtz, (Philo) zijn die leervakken waarin een jonge Griek, om eens een beschaafd man te zijn, onderwezen wordt. Hooger wetenschappelijk, philosophisch, onderwijs wordt er volstrekt niet onder begrepen. De Grieken waren geen volk van enkel wijsgeeren. Wél dienden de iyxuxXia w,yJr/,\'j.y~x — méde hen, die zich verder aan de beoefening der philosophic wijdden — tot propaedeuse. Door de kennis dezer itxfyiixTa wordt de Griek een xx\\cc. De ly/.vx\'mx uxA^uxtx zijn de artes ingenuae of liberales der Romeinen. Een slaaf houdt zich niet met deze vrije kunsten en wetenschappen op. Op zich zelf vormen de lyxvxXix itxQwxrx volstrekt niet een geheel wél-begrensd, en afgesloten gebied van gelijksoortige wetenschappen. Dit belet niet dat de opvoeding van den Griek die er in onderwezen wordt, bij Aristoteles, èyxwJ.ioq rxtècix of iyxux.?Mf xyccyy wordt genoemd. Quintilianus geeft dit
4*
44
woord weer door: orbis doctrinae ï). Ook deze naam doet ons aan eene eenheid denken. Die eenheid is echter geheel uitwendig. Zij is door optelling verkregen, volstrekt niet organisch geworden. Het compositum syKuxtoTraiïsix werd eerst later gevormd, \'t Komt bij de classici niet, wellicht voor het éérst bij Galenus, 200 na Christus, voor. Den historischen ontwikkelingsgang van de idee der Encyclopaedic willen wij niet hier schetsen. Wij gaan terstond tot onzen tijd over. Wanneer wij van Eucyclopaedie spreken treedt de (praktische) nxiSsix bepaald op den achtergrond.
Onder Encyclopaedie verstaan wij eene logische, samenhangende, organische beschrijving der menschelijke wetenschap of eener menschelijke wetenschap. Het materiaal der wetenschap vinden wij hier in een wel begrensden kreits {y.-M\'Ac:), die een afgesloten geheel vormt, bij-één. In dien kring liggen de materialen der wetenschap, niet chaotisch door-één-geward en vermengd, maar kosmisch geordend en geschikt. De logos in den mensch heeft den logos in de dingen herkend. De idee aan het object inhaerent heeft de plaats aan ieder stuk van den wetenschappelijken inboedel aangewezen. Het gelijksoortige, gelijkaardige ligt gegroepeerd rondom het gemeenschappelijk middenpunt dat het al be-heerscht. Er is dus eene algemeene Encyclopaedie die het geheele gebied der wetenschap omvat. In die Encyclopaedie worden, als zoovele ingeschreven cirkels in den omschreve-nen, de bijzondere encyclopaediën opgenomen. Zooveel zelfstandige wetenschappen, zooveel bijzondere encyclopaediën. De bijzondere encyclopaediën verschijnen ons dus als zoovele saamstellende deelen der algemeene Encyclopaedie. Ds idee encyclopaedie wordt zoowel in iedere bijzondere encyclopaedie als in de algemeene gevonden. Slechts is bij deze eersten het gebied waarop die idee zich ontplooit zooveel nauwer begrensd. Deze idee is dus hot gemeenschappelijk eigendom
1) „Nunc de ceteris artibus, quibus instituendos, priusqutim rhetori tra-dantur, pueros oxistimo, striclim subiungam, ut efficiatur orbis ille doc-triuae quem Graeci iynvxfaovi vraiSetxv vocant; M. T. Quintiliani Institut. Oratoriae Libri XII, recensuit C. Halm. I. 10,1. p. 55 , 56.
45
aller encyclopaediën (genus), \'t Verschillend wetenschappelijk gebied geeft het individueele, het bijzondere aan (species). Het substantief — encyclopaedie — is gemeengoed. Het adjectief — theologisch, juridisch — doet het eigenaardige van iedere encyclopaedie kenden. In iedere speciale encyclopaedic weéi-spiegelt zich de idee der Encyclopaedie, die wij ook in de algemeene bewonderen: den makrokosmos vinden wij in den mikrokosmos terug. „Die Encyklopaedie der theologischen Wissenschaften kann als Encyklopaedie, in ihrem nothwendigen organischen Charakter gedacht, nicht verschieden sein von der Encyklopaedie einer jeden andern Wissenschaft. Das Wesen und die Idee der Encyklopaedie muss sich in jedem Gebiete der Wissenschaft ungetrübt darstellenquot; i).
Na deze quantitatieve en qualitatieve verdeeling der encyclopaediën , hebben wij eene modale te vermelden. Men onderscheidt alle encyclopaediën in twee soorten: realen en formeelen. De eersten doen ons den inhoud der wetenschap, zoowel in het algemeen als in het bijzonder kennen. De in de wetenschap behandelde zaken zelf (res) worden ons medegedeeld. Wie de reaal-encyclopaedie van eenige wetenschap leest, maakt een volledigen cursus in die wetenschap door. Eene reaal-encyclopaedie kan op tweeërlei wijze aangelegd worden. Zij wordt alphabetisch (praktisch) ingericht. In dit geval is haar vorm niet wetenschappelijk, maar op gemak in het naslaan berekend. Ieder artikel op zich zelf is wetenschappelijk naar vorm en inhoud bewerkt, behoort het althands te zijn. Het geheel echter, als zoodanig, heeft wat den vorm aangaat met de wetenschap niets gemeen. „Zakelijk woordenboekquot; is de juiste naam voor zulk een werk. Op theologisch gebied verdient Herzog\'s Real-Encyclopaedie als model voor deze soort van boeken vermeld te worden. Eene reaal-encyclopaedie kan ook ten opzichte van den vorm wetenschappelijk bewerkt worden. Alsdan ontfangt zij haar schema van de formeele Encyclopaedie. Deze is het stramien waarop geborduurd wordt. Zulk een werk wordt thands onder leiding
1) Staudenmaier a. w. p. 47.
46
van Prof. Dr. Zöckler uitgegeven. In dit opstel hebben wij steeds de formeele Encyclopaedie op het oog.
Wat onderscheidt nu de formeele Encyclopaedie van de reale? Reeds de verschillende benamingen beider vakken geven ons het onderscheid aan. Letten wij slechts op beider objecten. De reale Encyclopaedie behandelt de „resquot; de dingen zelf der wetenschap, in hun onderling verband. De formeele Encyclopaedie bewerkt den vorm der wetenschap. Het positieve charakter eener wetenschap, het concrete object er van trekt in de reaal-Encyclopaedie onze aandacht vooral tot zich. De formeele Encyclopaedie beschouwt het instituut der Wetenschap. Haar object zijn de organische deelen, de vakken, de disciplinen zelf der wetenschap, niet haar inhoud maar die disciplinen als zoodanig. Zij houdt zich slechts in zooverre met den inhoud dier verschillende leervakken bezig, als noodig is om die vakken zelf in hun wezen te begrijpen. Zij vermeldt dus noodwendig het object der verschillende disciplinen wijl dit tot haar doel noodzakelijk is. De formeele Encyclopaedie veronderstelt geheel den inhoud der Theologie. Zij behandelt den completen cyclus der theologische, disciplinen. Zij is de wetenschap der wetenschap. Haar materiaal zijn de theologische disciplinen. Zij beschrijft den aard, belijnt het gebied, bepaalt de plaats er van. Of liever: zij constateert waar iedere discipline in het instituut der Theologie staan moet. De formeele Encyclopaedie is, indien wij eens een populair beeld mogen gebruiken, aan eene huisvrouw gelijk die in hare provisiekamer vaten en potten rangschikt. Zij doet dit wél lettend op den inhoud van dit huisraad maar den inhoud niet bewerkend. Zulks had reeds te voren plaats. De formeele Encyclopaedie is bij uitnemendheid eene logische, beschouwende wetenschap. Zij creëert absoluut niets. Zij constateert wat er is — naar de haar eigene roeping — den vorm nl. van de levende wetenschap.
Bepalen wij eenigszins nader die betrekking tusschen de Theologie en hare formeele Encyclopaedie.
47
De Encyclopaetlie onstaat na, dóór en óm de Theologie. Juister gezegd: niét de Theologie is hare formeele Encyclo-paedie gegeven. Deze laatste is de vorm van deze eerste. Wij kunnen ons geen lichaam denken zonder vorm. Er is geen lichaam zonder vorm. Er kan geen lichaam zonder vorm zijn. De vouc is een vreemdeling in den chaos, wijl er in den chaos geen werkzame, vormende, Logos is. Maar met en in het lichaam is de vorm gegeven. Terecht zegt Prof. Dr. P. Hofstede de Groot: „Jam nulla quidem est forma, nisi adsit materia, cnjus sit formaquot; \'). Zoo is ook met de Wetenschap haar instituut aanwezig. Wij hebben dit laatste maar te zien en, na analyse, vrij, voor-te-stellen. De Ency-clopaedie hangt dan ook geheel van de Theologie af. Naar mate de Theologie zich ontwikkelt, ontwikkelt zich haar Encyclopaedie. Deze laatste doet niet anders dan de ontwikkeling der Theologie constateeren. „Die Theologie ist ifi der Encyklopaedie die ruhige Darstehung ihrer selbst-für sich selbstquot; \'1). Hierom juist verdient het zulk eene groote dwaasheid genoemd te worden wanneer men de levende, vrije wetenschap tracht te prangen in een vooraf klaargemaakt kader, dat niet berekend is op de golvingen des vrijen levens. Wie zoo abstract-formeel te werk gaat toont geen besef te hebben van de taak en roeping der formeele Encyclopaedie. Hij verlaagt haar tot een soort van folterwerktuig op de koninklijke ledematen der wetenschap aan-te-schroeven. Zulk een werpt een dijk, uit zoden saamgevoegd, op om den oceaan te bedwingen. Men passé eens op de theologische wetenschap onzer dagen dit of dat schema van voor een paar honderd jaar toe! De formeele Encyclopaedie fiks en frisch opgevat, breidt zich uit naar mate de wetenschap zich ontplooit. Alles golft hier van leven en de formeele Encyclopaedie is de lijn die de golving beschrijft. „Der Inhalt is die Substanz, die sich dialektisch selbts bewegt und in dieser
Staudenmaier a. w. p. 31.
48
Selbstbewegung in jene Form sich einführt, die ihr eben so wesentlich als nothwemlig istquot; 1). Men kan de formeele Encyclopaedie de photographie van het organisme der Theologie noemen. Zij toont ons hoe dat organisme in zijn geheel en in zijne saamstellende deelen is. „Die Theologiequot;, zegt Dr. Raebiger, in zijn jongst geschrift over de Encyclopaedie, „muss den gegliederten Leib der Theologie vor das Augen entstehen lassenquot; 2). De weg door den beoefenaar der Theologie — ten einde haar te leeren kennen — volgends de wetten der wetenschap bewandeld en de rustpunten op dien weg, worden door de Encyclopaedie in kaart gebracht. Wij betonen hier sterk de woorden „volgends de wetten der wetenschap.quot; De Encyclopaedie heeft niet in de allereerste plaats te vragen welken weg men gewoonlijk bewandelt, en in welke richting men dit doet, noch welk punt men meestal om deze of gene reden tot uitgangspunt kiest. Zij heeft zich met déze vraag bezig te houden, welken weg men krachtens de eiscben eener gezonde wetenschappelijke methode gaan moet. Met andere woorden; de Theologie zelf maakt haar eigen encyclopaedie. Aan ons om het van haar af-te-zien. Brengt de formeele Encyclopaedie alzoo den organischen, innerlijken ontwikkelingsgang der Theologie in kaart, de verschillende rustpunten op dien weg worden door de theologische disciplinen aangegeven. Die disciplinen worden verder in hare onderlinge betrekking beschouwd. Deze betrekking bestaat in de werkelijkheid en wijst in dé Encyclopaedie den overgang van de ééne discipline tot de andere aan.
Op de vraag wélke disciplinen den Encyclopaedie te behandelen heeft dient geandwoord te worden: „alle vakken die, omdat zij tot den cyclus der theologische wetenschap behooren, beoefend moeten worden.quot; In de beandwoording dezer vraag wagen wij het Prof. Dr. Doedes te verschillen. „De Encyclopaedie der Christelijke Theologiequot; zegt deze hoogleeraar „heeft te doen met de werkelijk beoefend wordende studievakken. Al hetgeen daartoe niet behoort blijft buiten-
4) Staudenmaier 69, 70.
a. w. p. 6.
49
geslotenquot; \'). In deze woorden ligt voorzeker eene goede les voor hen wier „met eene goede bedoeling vervaardigde en openhaar gemaakte proevenquot; — eener encyclopaedie — „lijden aan dit groote gebrek dat zij vrij fantastisch zijn.quot; Toch komt Prof. Doedes\' uitspraak mij wat al te praktisch voor. Of zijn er geen tijden waarin de beoefenaars der Theologie, onder dezen of genen invloed de beoefening van dit of dat vak veronachtzamen? Hoe droevig zag het er b. v. in de dagen der Orthodoxistische Scholastiek in Duitschland met de beoefening der Exegese uit! J. G. Walch vergat toen in zijne „Einleitung in die Theologischen Wissenschaftenquot; (1753) de Exegese te vermelden 1). Zal dan de Encyclopaedie, in dorre dagen — gelijk er geweest zijn, gelijk er, misschien spoedig, komen kunnen — haar roeping uit het oog verliezen en zich inkrimpen, zich zelf mutileeren? Of zal zij niet veeleer, uit naam van het organisme der wetenschap haar stem verheffen tegen dat ziekteverschijnsel en op eene volledige behandeling der Theologie aandringen? Iedere Encyclopaedie is een kind van haar tijd. Maar de Encyclopaedie moet haren tijd tot wet strekken, haar het ideaal voorhouden.
„Ihr Endzweckquot;, zegt Hagenbach zoo uitnemend, „ist.....
auf dem geschichtlich gegebenen Grunde das weitere Ziel der Wissenschaft nach seiner principiellen und idealen Seite zu begreifenquot; 2). In gelijken geest liet zich een overkundig Godgeleerde in ons vaderland hooren: „Itemque in singulis doctrinae Theologicae partibus contemplandis non est sub-sistendum in his, quae hucusque reperta et expositia sunt; sed adscendendum at ad ea, quae e consilio Jesu Christi agi debeantquot; *). Zoo ik wel zie voert dit gezegde van Prof. Doedes ons per slot van rekening tot hen die de Encyclopaedie als encyclopaedie van den Christelijken god-
Zur theologischen Encyclopaedie (I) von Dr. Willibald Grimm in Jena, Zeitschrift für wissenschaftliche Theologie von A. Hilgenfeld. Erstes Heft 1882. p. 1.
a. w. p. 1.
50
geleerde behandeld hebben. Dién kant wil Prof. Doedes echter niet uit. Zij die eene „Encyclopaedia Theologi Chris-tianiquot; gaven bedoelen iets anders als Prof. Doedes zelf: „namelijk de uiteenzetting en het overzicht van het onderricht, inzonderheid het Akademisch onderwijs, waardoor de Godgeleerde voor den dienst der Christelijke Kerk bekwaam wordt gemaaktquot; !). Prof. Doedes doelt hier op de Encyclo-paedie der. Hoogll. Hofstede de Groot en Pareau. Deze godgeleerden drukten zich op dit punt zeer beslist en duidelijk uit. „Encyclopaedia Theologi Christiani est conspectus insti-tutionis qua informari debet Theologus sive ille homo, qui in Ecclesia Christiana maximi est ponderisquot; 1). \'t Is echter duidelijk dat de Encyclopaedic zóó opgevat, geheel iets anders is als de Encyclopaedic der Theologie. Verklaart men van de „Encyclopaedia Theologi Christianiquot;: „Nee tarnen hac voce intelligendus est orbis doctrinae quem percurrere de-beat Theologus, ut satis eruditus ad munus sacrum obeun-
dum accedat..... Sed hoc vocabulo intelligenda est institu-
tio hominis ipsius, doctrinarum ope absolvendaquot; 3): ea zegt men verder: „Exponendum igitur est in hac nostra Encyclopaedia, quomodo tota Theologia singulaeque ejus partes practice et theoretice a magistris Academicis et a discipulis sint tractandaequot; 2), dan is het helder als de dag, dat men niet de Encyclopaedic der Theologie behandelt. Waarom dan niet gesproken van een „programquot; voor het akademisch onderwijs in de Godgeleerdheid? De inhoud van dit „programquot; is natuurlijk minder rijk dan die der Encyclopaedic der Theologie. Aan eene theologische faculteit worden immers niet alle disciplinen gedoceerd?
Uit het reeds besprokene blijkt dat de Encyclopaedic der Theogie zelf niet eene theologische discipline is. Theologen beoefenen haar. Zij veronderstelt in haar beoefenaar de kennis der theologische wetenschap. Maar voor de Encyclopaedic
ibid § 24.
ibid § 25.
51
der Theologie zelf is in de Encyclopaedie der Theologie geen plaats. De Encyclopaedie is een philosophisoh vak. Iedere bijzondere encyclopaedie verbindt deze of gene concrete wetenschap met de Philosophic. De Philosophic nu is, naar Hegels diepe opvatting, niets als Encyclopaedie. \'t Is dus zeker verkeerd om van eene theologische formeele Encyclopaedie te spreken. De Encyclopaedie der Theologie is volstrekt niet theologisch, ook al zijn de materialen waarmêe zij werkt de disciplinen der Theologie. Zij is philosophisch.
De taak der Methodologie is van die der Encyclopaedie werkelijk onderscheiden. Deze laatste beschrijft de disciplinen op zich zelf en in haar onderling verband. Zij is bij uitnemendheid theoretisch. De Methodologie daar-en tegen moet ons zeggen hoe de studie der Theologie in het algemeen ingericht en volgens welke methode deze discipline en gene beoefend dient te worden. Daardoor brengt de Methodologie ons in een nauwer, veel intiemer contact met de stof, met den inhoud der leervakken. De Methodologie is bij uitstek praktisch. De Encyclopaedie daarentegen heeft met de leervakken als zoodanig te doen. Van het contentum neemt zij niet meer nota dan noodig is om de plaats van het continens in het instituut der wetenschappen te bepalen. Van het standpunt der philosophic — die de organisatie aller mensche-lijke wetenschappen is — bezien, vertoont zich het eerst en het verst af de Methodologie. Dan zien wij de Theologie zelf. Eindelijk de Encyclopaedie, die de photographic is van het instituut der Godgeleerdheid. Het is niet noodig te herinneren dat de Encyclopaedie zelf, met de Methodologie moet rekenen. Zij zal methodisch ingericht zijn. Dit is trouwens met ieder vak van wetenschap het geval. Intusschen is eene afzonderlijke behandeling der Methodologie en der Encyclopaedie wenschelijk, vooral met het oog op de belangen der Methodologie. Bij de vereenigde behandeling dezer twee krijgt de Encyclopaedie het leeuwendeel. De belangen der Methodologie worden verwaarloosd. De lijdensgeschiedenis der Methodologie is ongeveer aan die der Ethiek — der als „Moraalquot; in een hoekjen der Dogmatiek terugge-
52
drongene Ethiek — gelijk. Ter gunste der vereenigde behandeling van deze twee vakken sprak Prof. Dr. Doedes een woord. „De Methodologie der Christelijke Theologie, of de leer van de wijze, waarop de onderscheidene ohristelijk-theologische wetenschappen moeten beoefend worden, heeft eigenlijk voor de Godgeleerden geen afzonderlijke behandeling
noodigquot;..... Bij de Encyclopaedie „komt de Methodologie
van zelve ter spraakquot; \'). Ik wensch er ons theologisch publiek van harte geluk meê dat Prof. Doedes door eene herhaalde daad ten voordeele eener geseparegrde behandeling sprak. Van zijn uitnemend werk „De Theologische Studiën-gang geschetst. Methodologische Brieven aan een Student in de Godgeleerdheid, ter lezing aangeboden ook aan jonge predikantenquot; bezorgde de Hoogl. ons onlangs eene herziene uitgaaf 1).
Is de Encyclopaedie de photographie van het organisme der Theologie dan dient men, wél onderscheidend, haar niet met het werk der Historiographie te bezwaren. Veelal neemt men de geschiedenis der discipliuen in de Encyclopaedie op. Die geschiedenis kan dan slechts zeer rudimentair worden gegeven. Zij behoort in de Encyclopaedie niet te huis. Zij vindt hare natuurlijke plaats in de speciaal over de verschillende vakken handelende werken. — De boekenlijsten moeten eveneens uit de handleidingen der Encyclopaedie verwijderd worden, wijl de Encyclopaedie zich daar niet meê bezig houdt. Zij ontcieren die werken. Een algemeene systematisch-chronologisch-geordende katalogus der theologische litteratuur is hoogst nuttig, en zou tegenwoordig in eene erkende behoefte voorzien ).
B. IndeeUng der Encyclopaedie.
1. Hoe zullen wij onze Encyclopaedie inrichten? Met
Zie eene beoordeeling van dit werk, in dit Tijdschrift, Eerste jaargang, Aü. 3, p. 222—240.
53
welke disciplinen-groep dient begonnen, met welke voortgezet te worden? Welke wordt het laatst beschouwd? Een ieder beseft het gewicht dezer vraag. Eenheid, regelmaat, orde moeten ei\' in eene encyclopaedie zijn. Zonder orde geen Encyclopaedie. Deze laatste is niets anders als de teekening van de orde die op eenig gebied van wetenschap leeft en heerscht. Bij het ontwerpen van een schema der Encyclopaedie moet er vooral hierop gelet worden dat de Encyclopaedie van de Theologie afhangt. Wie dit uit het oog verliest zet de deur wagenwijd open voor ontheologisch knoeien. De Theologie als wetenschap moet met wetenschappelijke gestrengheid het schema der Encyclopaedie bepalen. Zij moet het principium divisionis aangeven. Zij moet de hoofd-indeelingen van het schema met hare volgorde voorschrijven en haar gebied afbakenen. Ook moet het organisme der wetenschap in iedere hoofd-indeeling de onderverdeelingen vaststellen, en de oekonomie dezer laatsten geheel beheer-schen — zóó dat én het punt van uitgang, én de af-te-leggen weg, én het punt van aankomst bepaald zijn. Is dit niet het geval dan hebben willekeur en wanorde vrij spel. Het conventioneele, het traditioneele wordt blindelings gehuldigd. Het zoogenaamd praktisch belang zetelt ten troon — ten koste van de wetenschap. Dit laatste versta men wél. De gezonde praktijk kan niet in strijd zijn met de gezonde wetenschap. Is er strijd ontstaan tusschen deze laatste en zekere praktische belangen? Voorzeker; de oorsprong van deze tweespalt ligt hierin dat men die belangen niet juist, niet goed interpreteert.
Er moet gedachte en dus orde zijn in de onderdeelen der Encyclopaedie, maar ook, maar vooral, maar in de allereerste plaats, in de hoofdindeelingen. Het kiezen van de principia divisionis mag niet aan den willekeur overgelaten worden, vooral niet de vaststelling der fundamenteele ver-deelings-principiën. Deze laatsten bepalen de hoofdindeelingen en haar rangorde. Veronderstel men bleef aan een eenmaal willekeurig aangenomen principium dividendi getrouw. De basis waarop men voortbouwde zélf, ware dan toch onweten-
54
schappelijk, niet streng methodisch, immers willekeurig gesteld. Het geheel was daardoor geoordeeld en — veroordeeld. Principiis ohsta!
Dat men in deze dingen vaak onwetenschappelijk te werk ging blijkt reeds uit de groote verscheidenheid der encyclo-paedische schemata, en is zeer te veroordeelen. Wanneer wij, de wijze van indeeling in net oog vattend, de encyclo-paedische handboeken schiften, vinden wij drie soorten. Deze drie klassen correspondeeren tamelijk wel met de chronologische ontwikkeling onzer wetenschap.
a. Er zijn enoyclopaediën waarin eigenlijk van geen ernstige indeeling sprake is: „encyclopaediënquot; zonder orde — niet-encyclopaediën.
b. Er zijn encyclopaediën die door een uitwendig princi-pium divisionis worden beheerscht. Hier is orde. Bloot formeele orde.
c. Andere encyclopaediën eindelijk zijn organisch geordend. Zij weerspiegelen het leven der wetenschap.
a. Tot de eerste soort van werken rekenen wij de meeste handboeken die eigenlijk een praktisch, paideutisch doel hebben. Zij dienen om den jongen godgeleerden zekere nuttige, inleidende, kundigheden te verschaffen. Men vestigt gijn aandacht op dit en op dat. Ieder oogenblik anticipeert nien op de toekomst. Allerlei dingen worden ter sprake gebracht. Dit is belangrijk in de wetenschap en dat is essentieel. Menigmaal is het „rapere in medias resquot; een ingrijpen in de materialen der Theologie. Het onderscheid tusschen formeele en materieele Encyclopaedic wordt gedurig uit het oog verloren. Het beoogde doel is eigenlijk niet om het organisme der wetenschap in zijne verrukkelijke eenheid en harmonie te doen schitteren, maar om den aanstaanden theoloog van dit en dat op de hoogte te brengen. In een zeker opzicht staan deze werken naast de Methodologie. Vandaar dat zij een mengsel zijn van encyclopaedische en methodologische gegevens. Dergelijke werken werden in de eerste ontwikkelingseeuwen der Theologie geschreven (Chrysostomus, Angus-
55
tinus, Cassiodorus). Men noeme zulke werken toch niet „Encyclopaediën.quot; „Handboek ter voorbereiding en ter inleiding op de Studie der Theologiequot; is de gepaste naam. Zoo betitelde G. J. Planck — die aan het begin van een nieuw tijdvak stond, of liever aan het eind van een weldra afgesloten — zijn handboek terecht: „Einleitung in die Theol. Wissenschaften.quot; Zulke werken kunnen nuttig zijn. Wie zou het ontkennen? Zeer nuttig zelfs! Wanneer de rijpe, rijke ervaring veel meedeelt, is er veel meê-te-dragen. Slechts zorge men dat de in ruime mate aangebrachte stof den leerling niet verbijstere, niet in de war brenge, in plaats van hem te dienen. Non multa sed multum! Slechts vergete men niet dat nuttige wenken, die een gesprek zeer leerzaam maken, onder zekere rubrieken bij-één gebracht en eene Encyclopaedie der Theologie twee zijn. De Encyclopaedie is de rustige, zich om niets buiten haar bekommerende ontplooiing van de Theologie. Haar doel is om het organisme der theologische wetenschap te teekenen. Van dat doel onderscheide men de diensten die door de Encyclopaedie bewezen kunnen worden. Al wat men den student ter inleiding in de wetenschap aan wenken en raadgevingen en opmerkingen ten beste aanbiedt mag niet Encyclopaedie der Theologie heeten. Wèl zal de Encyclopaedie in dit opzicht de beste diensten bewijzen. Daartoe juist blijve de Encyclopaedie wat zij krachtens haar idee moet zijn. Men bederve haar niet. Ter isagoge wende men haar aan. Men bespreke dan alleen de hoofdlijnen, de voornaamste verbindingspunten van de teekening. Zulk eene behandeling der Encyclopaedie is niet alleen nuttig maar zelfs noodig voor den novitius. Een Hoogleeraar voor studenten de Encyclopaedie ter inleiding ontvouwend zal veel ondergeschikts zwijgend voorbij gaan. Nimmer echter mag de docent voordeel trachten te doen met wat zijn wetenschappelijk geweten wraakt\').
4) Zie verder: Hagenbach a. w. § 3, en vooral de uitnemende wenken door Prof. Doedes gegeven in de Methodologische Brieven, passim, en in zijne Encyclopaedie p. 7—11.
56
b. Wij maken een goeden stap vóóruit, wanneer wij tot de werken van de tweede klasse overgaan. Hier vinden wij orde, eenheid. Een architektonisch geheel ligt daar voor ons. Maar het principium divisionis is van Imifen af aangebracht. De verdeeling is mechanisch, niet dynamisch. Men heeft het der wetenschap niet overgelaten om zélf hare Ency-clopaedie te maken. Het voornaamste acht men dat er verdeeling plaats hebben. Hoe zij geschiedt is een andere en een tweede vraag. Maar indien nu eens deze of gene verdeeling een versnijding bleek te zijn ? Indien zij een geweldige losrukking ware van wat organisch, naar de wetten des levens bij-één-behoort? Wat dan? Voelt men zich dan niet gedwongen om uit te roepen: een verdeelingsprinciep stellen ?
Goed! Aan het eenmaal aangenomen verdeelingsprinciep getrouw blijven? Best! Echter.... Corruptio optimi pessima!
Daarom zou ik het Prof. Dr. Doedes niet gaarne na-zeggen:
„groepeer, rubriceer, verdeel en rangschik zooals gij (
wilt1); maar heb; wat wij u bidden mogen, een beginsel en wees daarbij consequentquot; 2). Misschien hebben wij echter (
deze woorden van den Hoogleeraar als een paradox op te- i
vatten: Werk uw schema consequent naar uw verdeelings- 1
princiep uit (yui^jx^Tty.tj;). Blijkt het dat gij verkeerd ver- i
deeldet.... dit voordeel zult gij van uw arbeid hebben dat c
gij uw fout duidelijk inziet. Daarna zult gij het {hyy.zriy.a:) 1
Dat de grootste verscheidenheid van indeeling door deze z
uitwendige, abstract logische methode ontstaan meet is dui- v
delijk. Déze neemt dit, géne neemt dat principium aan. Er A
zijn chronologische indeelingen gegeven. Men lette op de e
historische ontwikkeling der vakken. Anderen gingen van \\\\
het betrekkelijk belang der onderscheiden disciplinen uit. A p
Jove principium! De Roomsch-Katholiek, naar dit beginsel g
te werk gaande richt de Encyclopaedie geheel anders in als o
de Lutheraan, en deze weêr eenigszins verschillend van den d
Wij spatiëeren.
a. w. p. 12.
57
fc Hervormden. Het subjectieve element speelt hier de groote
j rol. Past men zuik een uitwendig verdeelingsbeginsel toe,
r dan zal er nog de intiemste verbinding zijn met de te ver-
deelen stof, wanneer men, met Prof. Doedes \'), dit beginsel i volgt; het gelijksoortige bijeenvoegen, het gelijksoortige wat
den aard, of wat de roeping, of wat aard en roeping beide betreft.
i c. Hoe voortreffelijk ook uitgevoerd , zal de Encyclopaedie,
naar zulk een uitwendig verdeelingsbeginsel bewerkt, altijd 3 iets factisch hebben. Er is hier een scheiden en schiften
s dat de stof ondergaat. De verdeeling groeit niet natuurlijk,
t organisch, als van zelf uit de wetenschap uit. Wij zien niet
? hoe het organisme het instituut, vrij, d. i. door een inwendige
wet gedreven, vormt. De menschelijke geest modelleert, ! vormt de stof. Op deze wijze copieeren wij niet de aan het
: organisme inhaerente gedachte. Dit heeft alleen plaats bij
ij eene organische, dynamische verdeeling. Deze voert niet een
il verdeelingsbeginsel van buiten aan, maar diept het uit het
r organisme zelf op. Wij passen geen principium divisionis toe
i- | maar laten het der Theologie over om zich vrij te ontwik-kelen en haar eigen ontwikkelingsgang te teekenen. De ontwikkeling der Encyclopaedie moet genetisch zijn even als die it der Theologie en der wetenschap in het algemeen. Wij
:) hebben niet te vragen welk verdeelingsmethode zal ik volgen,
welk principium dividend! zal ik toepassen? De Theologie ;e zelf geeft het ons. Wij ontfangen het. Wij moeten het aan-
i- vaarden. De Theologie maakt haar eigen Encyclopaedie.
]v Aan Schleyermacher komt de eer toe van het eerst op zulk
le eene organische indeeling der Encyclopaedie te hebben ge
in wezen. Ook in dit opzicht werd deze machtige geest, pro-
A. pheet eener nieuwe toekomst. Na hem verdient vooral Pelt
el genoemd te worden. Ten onzent werd de Ecyclopaedie zóó
Is opgevat door de la Saussaye Sr. Zóó, op zijn voetspoor,
1
in door Prof. Dr. J. H. Gunning Jr. Volgens deze genetische
methode zullen wij ook daar straks een schema voordragen.
1) a. w. p. 14.
5
58
Voordat wij daartoe overgaan, bespreken wij eenige indeelingen der Encyclopaedie.
2 1). Wij nemen slechts zeer ter loops nota van een enkel schema vóór 1794 gegeven. In dat jaar verscheen Planck\'s „Einleitung.quot; Sedert dien tijd maakte onze wetenschap vroeger ongekende vorderingen. Wat baat het of wij al weten hoe Buddeus — die in zijne Isagoge (1727—1731) geen plaats voor de Practica heeft — de Theologie uit een encyclopaedisch oogpunt beschouwde ? Evenmin bespreken wij de onderitideelingen van de verschillende Encyclopaediën. Wij willen ons niet in de détails verliezen. Op de hoofd-indeelingen komt het trouwens voornamelijk aan. Wij rangschikken de Schemata naar het aantal hoofddeelen en beginnen dus met de
Vijfledige Schemata.
|
Pfaff 3) König 2) |
Exeg. Theol. Apol. Theol. |
Dogm. Theol. j Polem. Tlieol. Bister. Theol. Eieg. Theol. | Histor. Theol.; Sjsl. Theol. |
Prakt. Theol. Prakt. Theol. |
De indeeling van Pfaff draagt nog geheel het kenmerk vfin haar tijd. Duitschland heeft dagen gezien waarin men driemaal meer gewicht hechtte aan Polemiek dan aan Exegese. De Polemische Theologie, bij Pfaff een hoofddeel, moet natuurlijk onderdeel worden óf van de Praktische óf van de Dogmatische Theologie. Hetzelfde geldt van de Apologetische Theologie die bij König een hoofddeel vormt. Vervolgends mogen wij vragen: hoe kwam König er toe om de Apologetische Theologie voorop te stellen? Eer wij iets verdedigen dienen wij toch wel te weten wat er te verdedigen is. De vijfledige indeeling vond weinig bijval, \'t Is te begrijpen.
Zie: Doedes a. w. p. 28—41. Pelt p. 58—74. Hagenbach p. 85—101. Zöckler 87—108. Dr. W. Grimm in het Zeitschr. für Wissensch. Theol, von A. Hilgenfeld I. 1882. Raebiger; Zur Theol. Encycl. 1882.
Versuch einer kuizen Anleilung zum Studium der Theol. Bern 1830.
59
Men kan even goed de Encyclopaedie in vijftien, of ook wel — de gustibus non est disputandum — in vijf-en-twintig hoofd-deelen splitsen. Gaan wij maar terstond over tot de meest gevolgde, de vierledige indeeling.
Vierledige Schemata.
|
Planck \') (Einleitung) Planck 2) (Grundriss) K1 e u k e r 3) Schmidt (J. E. C.)\' Staüdlin B) Karg») C1 a r i s s e 7) H a r 1 e s s 8) liagenbach 8) Lange 10) Doedes 1) Zoek Ier quot;) R a e b i g e r quot;) |
Exeg. Theol. Exeg. Theoi. Fundamentnl-Theol. (Kriti sche, Exegetische, Apologetische). Histor. Theol. Exeg. Theol. Theol. Exeg. \'i heol. Exeg. Exeg. Discipl. Exeg. Theol. Hist. Exeget. Theol. Literar.Theol. Exeg. oder Schrift theol. Exeg. Theol. |
Histor. Theol. Syst. Theol. Syst.-Elencht Theol. Exeg. Theol. Syst. Theol. Theol. Histor. Theol. Histor. Dogm.Discipl, Histor. Theol, Bibl. Dogm. u. Moral. Histor. Theol, Histor. Theol, |
Syst. Theol. Histor. Theol. Au wendende oder applicative Theol. Kirchenhist. Syst. Theol. Theol. Syst. Theol. Histor. Theol. Theol. Syst. Theol. Syst. Kirchenhist. Discipl. |
Sysi. Theol. Wissensch. Dogm. Theol. Dogm. Theol. Dogm. Theol, (In een aanhangsel wordt de „ange wand-te Theologiequot; besproken.) Prakt. Theol. Histor. Theol. Prakt. Theol. Prakt. Theol. Theol. applic. Theol. Pract. Prakt.Discipl. Prakt. Theol. Prakt. Theol. Prakt. Theol. Prakt. Theol. Prakt. Theol. |
5*
a. w. 2° uit. 1883.
12) a. w.
13) Zur theol. Encycl. a. art. Zie vooral p. 73—82.
60
Op een punt is hier, zooals men ziet, bijna algemeene eenstemmigheid: over de plaats door de Praktische Theologie te bekleeden. Zij wordt het laatst behandeld. Natuurlijk. De theorie der wetenschappelijke praxis is eerst mogelijk wanneer heel het gebied der wetenschap behandeld is. Kleuker alleen wijkt van deze goede volgorde af. Hij wil de Practica vóór de historische Theologie behandeld hebben. Het is niet noodig breed aan te toonen hoe onverstandig zulks is. Men spant den wagen niet vóór maar achter het paard. Ten opzichte dezer discipline corrigeerde Planck zich zelf. Hij behandelt in zijne „Einleitnngquot; de Praktische Theologie echt stiefmoe-derlijk. In een „Anhang über diejenige theologische Wissenschaften die zu der angewandten Theologie gehörenquot; maakt hij er zich, met een woord of wat, over de Homiletiek, Katechetiek, en Pastoraal-Theologie, van af. Dertien bladzijden worden aan de Practica gewijd (p. 593—607). En dat in een werk waarvan het eerste deel vierhonderd acht-en-zeventig, het tweede vijfhonderd drie-en-negentig paginaas telt! In zijn „Grundrissquot; vormt de Practica de laatste aoofd-afdeeling. Wonderlijk genoeg rangschikt hij de Apologetiek onder de Exegetische Theologie. Zij wordt in deze afdeeling zelfs het eerst behandeld. Tempora mutantur! Wie zal thands nog met onzen auteur oordeelen dat: „die Apologetik sich am schicklichsten der exegetischen Theologie unterordnen lasstquot;? (Einleit. p. 271). Hierin vond Planck slechts één medestander, Kleuker nl., wiens eerste hoofdafdeeling (Fundamental Theologie) de Kritische, Exegetische en Apologetische Theologie omvat. Ik vind het ook niet juist om de Bijbelsche kritiek vóór de Exegese te plaatsen. De eerste eisch aan den kritikus te stellen is toch wel déze dat hij beginne met te exegetiseeren. Eerst Exegese, dan Kritiek. Anders wordt de Kritiek een ijdel spelen met onbekende grootheden. — Bij de vierledige schemata gaat gewoonlijk de Historische Theologie (II) voor de Systematische (Hl). Dit is verre boven het omgekeerde te verkiezen. Voor dat de dogmatische geduchte zich ontplooit late zij zich door de Geschiedenis beleeren. Alleen het apriorisme, in dienst van
6]
welke school, .van welke richting ook, is van het licht der Historie minder gediend.
Op nog een tweede punt stemmen, behoudens eene enkele uitzondering, deze verdeelingen overeen: over de rangorde der Exegetische Theologie. Deze wordt vooropgesteld, \'t Zij geheel alleen (Clarisse, Hagenbach), \'t zij in vereeniging met eenige andere discipline (Planck, Kleuker). Prof. Doedes, op voorgang van Prof. Tideman, betitelt het „Eerste Deelquot; zijner Encyclopaedic „Literarische Theologiequot;. In dit hoofddeel worden de „Kenbronnen des Christendomsquot; behandeld: „de Heilige Schriften en de Kerkelijke Belijdenisschriftenquot;. Lange daarentegen zet de Historische en de Exegetische Theologie, gecoördineerd, in zijne eerste hoofdafdeeling. Schmidt begint met de Historische Theologie.
Wanneer wij zoo veel theologen van beteekenis, de exegetische Theologie voorop zien plaatsen, dan rijst onwillekeurig de vraag bij ons: „Waarom doen zij dat?quot; Prof. Dr. Doedes zegge het ons! Nadat de Hoogleeraar aangetoond heeft dat er ten minste drie hoofddeelen moeten zijn: Historische, Systematische, Praktische Theologie, vervolgt hij aldus: „Het eenige, waaromtrent verschil van gevoelen zou kunnen blijven bestaan, is het antwoord op de vraag, of de wetenschappen, die wij hebben voorgesteld als in betrekking staande tot de kenbronnen des Christendoms, dat is tot de geschriften, die men behoort te raadplegen, om het kenmerkende vau het Christendom te leeren kennen, als eene afzonderlijke groep beschouwd moeten worden. Acht iemand verkieslijk) die wetenschappen óf tot de historische óf tot de dogmatische theologie te brengen, wij willen gaarne de redenen eerbiedigen, die hem daartoe bewegen. Wat ons betreft, wij meenen, dat die wetenschappen niet eene historische stof, immers niet geschiedenis in den eigenlijken zin des woords, behandelen, ook niet de leer tot voorwerp van onderzoek hebben, maar geschriften als zoodanig, de geschriften, die voor kenbronnen van het Christendom moeten gelden, en die wij alzpo voor een afzonderlijk vereenigings-punt kunnen houden van de wetenschappen, die er door ont-
62
staan zijnquot; Mogen wij in alle bescheidenheid zeggen dat wij onze vraag hierdoor niet voldoende beandwoord kunnen vinden? Dat wij „de geschriften, die voor kenbronnen van het Christendom moeten geldenquot;, „voor een afzonderlijk ver-eenigingspunt kunnen houden van de wetenschappen, die er door ontstaan zijnquot; — wie zal het tegenspreken? Maar dat vereenigingspunt moet toch een ondergeschikt vereenigings-punt wezen. De wetenschap van de kenbronnen des — his-torischen — Christendoms is eene afdeeling in de wetenschap der geschiedenis van het Christendom. En, toegegeven dat de „Literarische Theologiequot; gecoördineerd mag staan met de Historische Theologie, waarom dan nog aan haar de eerste plaats gegeven? Op deze vraag krijgen wij geen andwoord. Hagenbach tracht deze plaatsing te verdedigen door te beweren: „Mit Exegese soil der Theologe beginnen, vor Allem das Fundament kennen lernenquot; 1). Ik vraag het fundament waarvan? Voordat ik naar den grondslag van dit of dat onderzoek moet ik, wat op dit fundement steunt, kennen. Naar den onbekenden grond van iets dat men kent te vragen heeft reden. Maar wie onderzoekt de fundamenten van een gebouw, wie kan dat doen, voor dat hij van het bestaan des huizes zelf kennis nam ? Er is niets aan te veranderen!: De wetenschap begint met te constateeren wat er is, vraagt vervolgends hoe het zóó werd. De rivier wordt bevaren, daarna baar bron ontdekt. Wijst men op het belang op het gewicht der kenbronnen van het Christendom, ten einde de vooropzetting der Exegese te wettigen, dan ga men flink consequent naar dit beginsel te werk. De inhoud dezer geschriften is van meer belang dan die geschriften op zich zelf. De Bijbel-Theologie is gewichtiger dan de Exegetische Theologie — wier doel en resultaat de Biblica is.
Eigentlijk komt dit alles neer op de vraag naar het goed recht der vierledige indeeling. Voor zooverre ik tot nog toe Encyclo-paedische Handboeken naar vierledig schema ingericht bestu-
a. w. p. 105.
63
deerde, vond ik de werken van Hagenbach en Prof. Doedes verreweg de uitnemendste. Wat wordt nu door deze geleerden tot staving hunner indeeling aangevoerd? Prof. Doedes spreke! „Zeer gemakkelijk laten zich vier groepen van wetenschappen in de Christelijke Theologie onderscheiden. Hobhen zij allen betrekking op het Christendom, als de door Jezus Christus tot stand gebrachte Heilsinrichting, sommige hebben meer bepaald op de kenbronnen, andere meer op de geschiedenis, eenige meer bepaald op de leer, andere weder meer op de instandhouding des Christendoms betrekking. Vraagt men, waarom juist de kenbronnen, de geschiedenis, de leer, de instandhouding van het Christendom, en niet iets anders, genoemd wordt: het antwoord is: omdat de wetenschappen, die op het Christendom betrekking hebben, zich meer in het bizonder met het zooeven genoemde hebben bezig gehouden; omdat het werkelijk meer bepaald de kenbronnen, de geschiedenis, de leer en de instandhouding van het Christendom zijn, die het wetenschappelijk onderzoek hebben uitgelokt en alzoo onderscheidene wetenschappen in het leven hebben geroepenquot; 1). Is dit andwoord wel inderdaad een andwoord? Zie ik wél, dan wordt in het andwoord, zonder bewijs, als stelling gegeven, wat eerst in vraag werd gesteld. Hagenbach brengt ons niet verder. In zijn reeds meermalen aangehaald werk, waarin de geest van Schleier-macher gebonden wordt aan den vorm van Planck2), zegt hij: „Indem die positieve Theologie auf der gegebenen Thatsache der christlichen Religionsstiftung (Offenbarung) ruht, geht sie auf den geschichtlichen Ursprung, auf die Stiftungs- oder Ofïenbarungsurkunden selbst zurück, verfolgt dann, von der Quelle ausgehend, den Strom der geschichtlichen Entwickelung weiter hinab bis auf unsere Zeiten, sammelt sonac.h das duroh die Geschichte Gegebene und Fortgebildete in das geistige Bild der Gegenwart und leitet
a. w. p. 32, 33.
Hagenbach verklaart zelf van zijn boek: Er wollte dadurch eine Ver-mittlung einleiten zwischen der hxsher befolgten und der in Zukunft zu befolgenden weise. a. w. p. 97.
64
endlich aus dem klar gewordenen Zusaramenhange des Ganzen die Grundsatze für die Wirksamkeit, aus die Theorie die Praxis abquot;!). Dit alles kan men toegeven zonder tot de vierledige indeeling gedwongen te zijn. Het sterkst op dit punt is wellicht nog Dr. Eaebiger. Tegen Grimm optredend tracht hij hem aldus te weêrleggen: „Objectiv wissenschaft-lich lasst sich diesen Anfang (met de Exegese) nur hegrün-den durch das Object der Theologie; insofern sie Wissenschaft des Christenthums ist, muss sie vor Allem das ursprünglieh ihr gegebene Object, also das Urchristenthum, zu erkennen auchen. Nun konnte man wohl sagen, wenn nur der rechte Anfang geraacht sei so komme nichts darauf an, so man die exegetische Theologie für sich allein, oder in Verbindung mit der kirchenhistorischen auffasse. Indessen so gleichgültig ist die sache nicht. Das Urchristenthum als solches ist in seiner geschichtlichen Bedeutung dio Basis für das ganze christliche Kirchenthum; in seiner Ursprünglichkeit liegt die normative Bedeutung, die es für die Kirche überhaupt und somit auch für die Theologie hat, so dass es sich in dieser Beziehung von der von ihm ausgehenden kirchlichen Entwickelung characterisch unterscheidet, und darnach auch exegetische und kirchenhistorische Theologie characterisch von ein ander unterscheiden sind, wenn sie auch heide unter die Kategorie des historischen fallen. Daher is von objectiv geschichtlichen standpunkt aus zu fordern, dass die Theologie auch in ihrer Gliederung dies zum Ausdruck bringequot; 3). Toch ben ik door onzen auteur niet overtuigd. Dat de kennis van het „Urchristenthumquot; den theoloog onmisbaar is zal niemand ontkennen. Evenmin dat in de oorspronkelijkheid van het „Urchristenthumquot; zijne normatieve beteekenis ligt. De vraag is maar: hoe leeren wij dit „Urchristenthumquot; kennen? Langs historischen weg. Evenzoo de verschillende phases door het Christendom vervolgends doorloopen. Het „Urchristenthumquot; is de historisch gegevene norma normata.
1) a w. p. 101.
2) a. w. p. 74.
65
De uorma normans — de eeuwige waarheid in de geschiedenis van het oorspronkelijk Christendom geïncarneerd, wordt in de Philosophische Theologie beschouwd. Hoe zou er dan nog plaats zijn in de Encyclopaedie, voor eene afzonderlijke hoofdrubriek, de Exegetische Theologie? De vierledige indeeling wordt niet door het organisme der Theologie bevolen. Daardoor kan zij het verwijt van willekeurig te zijn niet ontgaan. Zij groeit niet uit de wetenschap uit. Zij is te uiterlijk. Door deze vierledige Encyclopaediën heen zien wij niet hoe het organisme der Theologie zich ontwikkelt. Wij voelen het hart der levende wetenschap niet kloppen. Wij staan daar bij de vier stukken waarin het lichaam gehouwen werd. Het lichaam is onder de operatie bezweken. Er is geen organisch verband tusschen de vier stukken. Zij vormen een geheel een ieder op zich zelf. Het één eischt ter volmaking het andere niet. De Encyclopaedie der Theologie ligt verdeeld in vier Encyclopaediën. De Encyclopaedie der Exegetische, der Historische, der Systematische, der Praktische Theologie \' j. Vandaar dat onze geest in ieder dezer deelen volkomen rust. Ieder stuk op zich zelf is eene eenheid. Maar juist die volkomen afronding van ieder der stukken bewijst tegen deze indeeling. Onze geest mag eerst rusten in de organische eenheid van het geheel. Vóór dien oogenldik moet er een gevoel van onvoldaanheid, een trachten naar wat volgen zal, zijn, totdat de beide uiteinde van den boog elkaar raken en de cirkel voltooid is. De Encyclopaedie hanteere niet het ontleedmes hoe vaardig, hoe fijn zij dit ook kunne. In haar hand past de stift van den teekenaar.
I) Zie o. a. de (linke Boekbespreking (eene aankondiging van Dr. Doe-des Encyclopaedie) door Prof. Valeton Jr. geleverd in de „Studiënquot; III, 3. p. 223—258.
66
|
Francke x) Berlholdt*) Schleyermacher1) Staudenmaier1\') Pelt2) R o s e n k r a ii z 6) Hofstede de Groot\') en Par eau Kienlen 0) v. Hoffmann (J.Th. R.) 3) R o t h e 4) Grimm quot;) |
Quellenstudium der Theologie. (Exeg. Theol.) Theol. Boethetik (Exeg. Theol.) Philosoph.Theol. (Apologetik und Polemik) Specul. Theol. Hist. Theol. Specul. Theol. (Dogm.amp; Ethiek) Hist. JesuChrh ti Cognitio. Hist. Theol. System. Theol. Specul. Theol. Hist. Theol. a. Exegese. b. Kirchenhist. Theol. |
Religionsgesch. Kirchegesch. des N. Testam. (Histor. Theol.) Theol. Paedeutik (Dogm. u. Hist. Theol.) Hist. Theol. (Exeg. Histor. Dogm.) Prakt. Theol. Syst. Theol. Hist. Theol. (Kanon., Exegese, Bijbelsche Dogm., Kerkgeschiedenis) Jesu Christi vita in theologo Ghristiano. Dogm. Theol. Hist. Theol. Hist. Theol. Lehrwissensch. Theologie (a. Glaubens-, u. b. Sittenlehre) |
Theologie lm en-geren sinn des Worts. a. System. b. Prakt. Theol. e. Kerkrecht. Theol. Pragmatik (Prakt. Theol.) Prakt. Theol. Histor. Theol. Prakt. Theol. Prakt. Theol. Totius rei Chris-tianae reeognitio. Prakt. Theol. Prakt. Theol. Prakt. Theol. Prakt. Theol. |
Hoewel al deze schemata trichotomisch zijn, hebben zij lang niet allen dezelfde beteekenis en waarde. Dit hier ont-
Kurze Darstellung des theol. Stud. 1811, 1830.
Encycl. der theolog. Wissensch. 1831, 1845.
Encycl. nach Vorlesungen und Manuskripten herausgegeben von Lie. G. J. Bestmann. 1879.
Theol. Encycl. herausgegeben von Pfarrer G. Rappelius 1880.
67
stond doordat men inderdaad het organisme der Theologie onbevooroordeeld beschouwde en nateekende. Dat daar mag den naam van logische indeeling niet dragen.
In de eerste plaats moeten wij de gemaskeerde vierledige schemata elimineeren. Francke en Bertholdt geven ons eigendlijk geen drie-ledige Encyclopaedie. Bij den eersten huizen Systematiek, Practica en Kerkrecht onder één dak. Dit gaat niet aan. De Systematiek beschouwt en denkt. Zóó maakt zij eene bewuste, rationeele, praxis mogelijk. De Practica vooronderstelt de Systematiek. De praktische theoloog heeft, als dogmaticus, gedacht en handelt nu. De vereeni-ging dezer twee hoofddeelen tot één vinden wij ook bij Chantepie de la Saussaye Sr. en Prof. Gunning. De ency-clopaedische ideeën dezer geleerden besprekend zullen wij hier nader over handelen. Den naam „Quellenstudium der Theologiequot; (Francke) voor „Exegetische Theologiequot; acht ik minder gepast. Het eerste woord omvat veel meer dan het tweede. De Exegese behandelt niet de bronnen voor geheel de Theologie. De gansche Kerkgeschiedenis is niet in de Heilige Schrift te vinden. Terecht rekent Prof. Doedes tot de „Kenbronnen des Christendomsquot; „de Heilige Schriftenquot; en de „Kerkelijke Belijdenis-schriftenquot; \'). Consequent in de hierdoor aangeduide richting doorgaande stelt Prof. Valeton Jr. — en daar heeft hij m. i. gelijk aan — voor, om ook de Christelijke literatuur, speciaal de Patristische en Reformatorische onder de „Kenbronnenquot; op-te-nemen 3).
De drieledige indeeling is eene vooruitgang op de vierledige. Maar — op ééne voorwaarde. Dat zij op het organisme der Theologie steune. Dat zij niet verkregen worde door bij-eenvoeging van wat gescheiden behoort te zijn. Zien wij bij Bertholdt onder den titel „Paedeutikquot; de Dogmatiek en de Historie, tot één Hoofddeel vereenigd dan nemen wij hiervan kennis als van een voorbeeld ter waarschuwing niet ter navolging. En dan wordt hier tot overmaat van ramp de
1. a. w. p. 43.
2) Studiën II, 3, 232—233.
68
Dogmatiek vóór-op geplaatst! Alsof men eerst over eenig ding nadenkt en daarna constateert dat het er is!
Komen wij tot Schleyermaohers „époquequot;-makend werk! Voorop staat de „Philosophische Theologie.quot; Zij bevat niet de Dogmatiek maar de Apologetiek en de Polemiek. In dit eerste gedeelte zijner „Knrze Darstellungquot; handelt Schleyer-macher over het wezen des Christendoms. Hij toont aan dat het een noodzakelijk moment in den ontwikkelingsgang van den godsdienstigen geest is. Voor dat ik het Christendom apprecieer dien ik het te kennen. Voor dat ik polemiseer moet ik kennis genomen hebben van de zaak in wier voordeel ik polemiseer. Hoe is dit mogelijk zonder historische studie? „Philosophic ohne Geschichtequot; zegt Hamann ergens, „sind Grillen und Wortkram.quot; De Wetenschap gezond ontwikkeld verbiedt de vooropzetting der Philosophie. Dit ver wijt treft niet alleen Schleyermacher maar ook Staudenmaier, Rosenkranz, Rotlie (Speculatieve ïheol.) en von Hofmann (Systemat. Theol.). Men staat inderdaad verwonderd bij het lezen van Staudenmaiers § 129. Hij bespreekt daarin zijne verdeeling. De Speculatieve Theologie dan het eerst! „Wir verstehen unter der Speculativen Theologie nicht jene Wissenschaft, die unabhangig von der Erscheinung des Wesens zu stande kommt, und die aus der reinen Idee und den blossen Begriffen sich entwickelt; sondern jene die sich an die Erscheinung halt, in die Geschichte, in der die Offenbarung auftritt, eingeht und sie zu begreifen sucht.quot; Maar wanneer dan de theologische speculatie aan een historisch verschijnsel gebonden is, moet dan de bestudeering van dit laatste niet vooropgaan? „Die speculative Theologiequot; — heet het verder — „entwickelt somit nach unserer Vorstellung die Idee der Christlichen Religion, wie sie durch Christus dar-stelt worden ist. Sie bat daher zum Historischen eine nothwendige und directe Beziehung. Niemand weiss von der Idee der christlichen Religion als nur durch Christus, der eine historische Erscheinung ist, wenn er auch gleichwohl seinem ewigen wesen nach in aller Zeit ist und eine ewige Gegenwart bat.quot; Zal Staudenmaier nu eerst die wetenschappen
69
behandelen die ons den historischen Christus doen kennen? Neen! „Den Anfang der Specnlativen Theologie machen wir mit der Theorie der Religion und Offenbarung im Allge-meinen.quot; Een protestantsoh mensch vindt dit alles — chaotisch.
Een tweede marquant punt bij Schleyermacher is dat hij de Dogmatiek met de Exegese en de Kerkgeschiedenis onder één hoofd „de Historische Theologiequot; brengt. Zijn rede beleid behoeft slechts even herinnerd te worden. De Dogmatiek beschrijft het christelijk princiep zooals het op een bepaald oogenblik in de vrome Gemeenschap zich openbaart. De gemeente ontwikkelt zich in den tijd, in de geschiedenis. Dus behoort de Dogmatiek tot de geschiedenis. Voor wie zoo de zaken beschouwt wordt per slot van rekening geheel de Theologie, historische Theologie, \'t Zij zoo. Maar in dit historisch verschijnsel is toch een moment waarin men geen geschiedenis oefent, immers niet vraagt hoe dit of dat was, werd en is, maar hoe het wezen moet. Men beschouwt eeuwige, onveranderlijke krachten, verhoudingen en realiteiten des geestelijken levens. Wie dat doet is niet historicus maar philosooph. Onze dogmatiek zal eens tot de Geschiedenis behooren, voorwerp zijn van historisch onderzoek. De dogmatiek s. v. v. der Apostelen, de Theologia Biblica moeten wij onder de historische vakken rangschikken. Voor óns is ónze dogmatiek, krachtens haar object, krachtens de geestelijke werkzaamheid die zij van ons eischt, krachtens hare plaats in het organisme der Wetenschap tot de Philosophic brengen. Eosenkranz verbetert Schleyermacher in dit opzicht. Dogmatiek en Ethiek (Speculatieve Theologie) staan bij hem onderscheiden van de historische Theologie.
In al deze schemata staat — een enkele uitzondering daar gelaten — de praktische theologie het laatst. Staudenmaier heeft de volgende, bizarre, rangschikking: Speculatieve, Praktische, eindelijk Historische Theologie.
Een enkel woord over het schema van Proff. H. de Groot en Pareau. De merkwaardige», oorspronkelijke Encyclopaedie dezer geleerden is zeker de meest subjectieve die er bestaat. Ik neem dit woord „subjectievequot; niet „malo sensuquot;. Haar
70
paedeutisch doel charakteriseert haar. Wat do Hoogleeraar de Groot in zijne „Toespraakquot; getiteld „De Groninger Godgeleerdenquot; etc., over deze Enoyclopaedie in het midden brengt verspreidt veel licht over dit werk en biedt ons oordeel een zekeren leiddraad. „Geheel dit boekje en de behandeling er van in onze lessen is er op ingerigt, om den student tot Christen, tot kundig en wetenschappelijk Christen en aldus tot voorganger en leidsman der Gemeente te vormen. Reeds de titel toont het. Het ware ons eene onmogelijkheid geweest eene Encyclopaedia Theologiae te schrijvenquot; \'). Dit laatste verwondert mij wél. Ik begrijp niet waarom, wat zoovelen deden, dezen waardigen mannen onmogelijk was. — Uit het geciteerde blijkt dat het groote belang in dit werk verzorgd, de paedeuse van den jongen godgeleerden is. Daaronder lijden de belangen der Wetenschap. Er zij verdeeling van arbeid tusschen de Enoyclopaedie en de Methodologie. In deze enoyclopaedie is geen rustige, onbekommerde ontplooiing der theologische wetenschap. Haar organisme wordt niet geteekend. De verhouding waarin de student tot de Godgeleerdheid staat bepaalt hier alles. De verdiensten van dit werk zijn vele en velerlei. Verre van ons om ze te miskennen! Maar wanneer wij ons op het standpunt der wetenschap stellen, die hier nolens volens verdeeld wordt, en die verdeeling objectief beoordeelen, dan kunnen wij er geen vrede meê hebben.
Voorop gaan Exegese en Historie. Wie wacht het anders van den helder zienden historicus Hofstede de Groot? \'t Is om de „Historia Jesu Cristu cognitioquot; te doen. „In Caput I wordt Christus objectief voor ons behandeldquot; 2). Maar gaat het aan om in het tweede hoofddeel de Zedekunde met de Praktica te vereenigen? Het opschrift dezer rubriek is te nauw bepaald. De Zedekunde heeft, zoo men wil, tot object: „Jesu Christi vitaquot;, niet „in Tbeologo Christianoquot;, maar in „homine Christiano.quot; Wat de derde rubriek betreft „totius rei Christianae recognitioquot;? „Dezequot;, verklaart de Hoogleeraar,
2) Toespraak p. 58.
1) Toespraak p. SOI.
71
„bevat een résumé van allesquot; i). Een résumé en een integreerend deel der wetenschap zijn twee. De Dogmatiek, het hart der Theologie, is toch in een „résuméquot; zeker niet op hare plaats.
Voor dat wij de dychotomische schemata opgeven, bespreken wij het Schema van Pelt. In zijn echt philosophische, heldere, soliede Encyclopaedie vinden wij in waarheid eene „Organische Construction der Theologie.quot; De grondwet van iedere wetenschap is in deze trilogie vervat: Zien — Denken — Doen. Kérst dus de Historische Theologie. Wie Historie schrijft heeft daartoe met „Kenbronnenquot; te maken. Eerste Hoofddeel alzoo: „Historische Theologiequot;:
a. Biblische Theologie.
b. Kirchenhistorische Theologie.
c. Kirchliche Statistik.
„Unpraktisch ware jedes Streben, welches nicht des Historisch-gegebne zu seiner Veraussetzung hattequot;2). Heeft men echter de Geschiedenis ondervraagd dan is de weg tot de „Systematische Theologiequot; gebaand. Pelt verdeelt zijn tweede hoofddeel in:
a. Fundamentallehre.
b. Thetische Theologie.
c. Philosophic des Christenthums.
De „Praktische Theologiequot; kroont het geheel.
a. Kirchenorganisationslehre.
b. Lehre vom Kirchenregiment.
c. Lehre vom Kirchendienst.
Dr. Grimm in zijne reeds vermelde studie volgt voor de hoofdver leelingen Pelt. Laat ik liever zeggen: hij volgt even als Pelt het organisme der Theologie. De Historische Theologie (I) splitst zich in tweeën:
a. Exegetische Theologie.
b. Kirchenhistorische Theologie.
Eene uitnemende opmerking verdedigt de plaatsing der Exegese onder het hoofddeel: Historische Theologie; „Nur
2) a. w. p. 78.
1) Toespraak p. 58.
72
nach (lem starren Inspirationsbegriffe würde die Viertheilung gerechtfertigt seinquot;1). De tweede Hoofdrubriek bevat de „Lehrwissenschaftliche Theologiequot; (II) 1):
De derde de: Praktische Theologie III 3).
Zou de toekomst niet aan de trichotomische indeeling zijn ?
|
Nosseltquot;) N iemeyer 2) D a ii z 0) Dr. Chantepie d la Saussaye Sr.3) (G u ii n i ii g) Dr. Vale ton Sr. 4) |
Die eigentliche Theologische Wissenschaften. a. Exegetische Theologie. h. Historische „ c. Systematische „ d. Symbolische „ Die Haupttheilen des theor. Stud, der Theologie. а. Exegetische Theologie. б. Systematische „ c. Historische „ Christliche Religions-Wis-senschaft. a. Heuristische od. Exeget. Theologie. J. Technische od. System. Theologie. c. Praktische Theologie. Historische Theologie. a. Exegetische Theologie. (Wet. v. de oorkonden der Christelijke Kerk) h. Historische Theol. (in en geren zin) (Geschiedenis der Kerk) Historische Theologie. a. fcohoyiK 5. öeoAoy/a (pvr/xif. c. Hist. Theologie (i. e. z.) i. Geschiedenis van bet Israëlitische volk. 2. Geschiedenis van Jezus van Nazareth. 3. Geschiedenis van de Christelijke Kerk. |
Anweisung zur rechten Führung des Christlichen Lehrambts. Praktische Theologie. Christliche senschaft. Philosophische Theologie. a. Dogmatiek. b. Apologetiek. c. Practica. Theoretische Theologie. a. QeoAoyia SoyizotriKt^. b. Qso^oyioc Trpaur/xif. (Ethiek) c. óeoAoyice cchótiTiKtf. Kirchen-Wis- |
1) a. w. p. 6. 2) a. w. p. 12. 3) a. w. p. 13.
Euc. u. Meth. der theol, Wisseusch. 1832.
Zie; Wezen der Theologie 54—62, en voor Prof. Gunning; Het Ethisch beginsel p. ITi—26.
Studiën. VU: 4 : 270—295.
Wij kuunnen deze tweeledige schemata gevoegelijk onder twee klassen brengen: die, welke berusten op een juist inzicht in het organisme der Theologie, en die welke — niet deugen. Beginnen wij met de laatsten.
De „verdeelingquot; van Nösselt is eigendlijk geen verdeeling. Zij berust op de miskenning van het wetenschappelijk cha-rakter der Practica. Deze is even goed eene „theologische Wissenschaftquot; als de Exegese. De wetenschap der praxis is eene wetenschap. — Feitelijk splitst Nösselt de Theologie in vijven. Dan groepeert hij, naar een willekeurige qualificatie, de vier eerste deelen ouder één hoofd. De Symbolische Theologie met de Exegetische te coördineeren gaat niet aan. Men rekene haar tot de Historische, of met anderen, tot de Systematische Theologie.
Hetzelfde kan van Niemeyer gezegd worden. Bij dezen geleerden bekleedt de Symbolische Theologie, en terecht, eene ondergeschikte plaats. Daarentegen gaat bij hem de Systematiek vóór de Historische theologie — wat niet te pas komt.
De verdeeling van Danz is verbazend — slecht. Het tweede deel van dit schema, zit in het eerste ingesloten. De Christelijke Kerk is een product van de. christelijke godsdienst. De tweede Hoofdrubriek behandelt disciplinen die onder de praktische grootendeels, en onder de Systematische Theologie te huis behooren.
De bipartitie van de la Saussaye Sr. (Gunning) en Dr. Valeton Sr. staat verre, zeer verre boven die van Nösselt en Niemeyer. Zij is inderdaad in het organisme der Theologie gegrond. Zij laat de eenheid, de harmonie onzer wetenschap heerlijk aan den dag treden en schitteren. Prof. Gunning vestigde in de „Studiënquot; wederom de aandacht op deze indeeling. Wij staan er daarom niet lang bij stil. Wie zich een heldere voorstelling begeert te vormen van de la Saus-sayes theologie leze toch vooral het geschrift: „Het wezen der Theologiequot;. Gunning wijdt eenige van sympathie tintelende woorden aan de la Saussayes constructie der theologische wetenschap. Ja, wat had deze denker een diepen,
6
74
waren, dus helderen blik in het wezen der Godgeleerdheid! „Bij mij althansquot;, zegt Gunning, „heeft deze indeeling, deze aanwijzing van de eenheid der Theologie een geestdrift voor haar gewekt die ik erkennen moet aan geene andere, meer in gewonen zin empirische, indeelingen te hebben kunnen ontleenen. Hier bij Ch. de la Saussaye vooral wanneer men baar bij hem zeiven leest, waartoe mijn mededeeling wil opwekken, blijkt bovenal het heilig en koninklijk karakter onzer wetenschap
Tusschen de indeeling van Chantepie de la Saussaye en de overige organische indeelingen is geen diepgaand verschil. Dit kan er niet zijn daar een ieder die eene organische constructie der Theologie geeft, door het organisme der wetenschap gebonden is. Tusschen la Saussaye en Pelt b.v. heerscht in den grond der zaak volkomen overeenstemming. Slechts over meer uitwendige dingen kan verschil bestaan. Verkrijgen Pelt en Grimm b.v. drie hoofdrubrieken, de la Saussaye twee, dit komt doordat de eerstgenoemden aan de Practica eene afzonderlijke plaats aanwijzen. Wij meenen terecht. De Practica mag niet onderdeel zijn der philosophi-sche Theologie. Het bevreemdt mij niet dat Dr. Gunning schrijft „Het zou vreemd kunnen schijnen dat de zoogenaamde praktische theologie tot het philosophisch deel gebracht wordt. Doch deze praktische Theologie is toch waarlijk niet maar mededeelen van eenige nuttige regelen of raadgevingen tot levenswijsheid die den herder en leeraar zouden kunnen te pas komenquot; 2). Dit geef ik dadelijk toe. Maar tusschen dit te erkennen en de Praktiek tot de philosophische Theologie te brengen ligt nog de geheele quaestie. De Geschieds-beschrijving kan het philosophisch element niet ontberen zonder op-te-houden Geschieds beschrijving te zijn. Toch rekent niemand de Historie onder de Philosophie. „Zijquot; — de Practica — „is de voorstelling van het geloofsbeginsel der gemeente als levenskracht.quot; Dit acht ik te algemeen gezegd. Ook de Ethiek beschrijft het geloofsbeginsel der ge-
i) a. w. p. 17. noot. 2) a. w. p. 26.
75
meente als levenskracht. Het geloofsbeginsel volledig te beschrijven is onmogelijk zonder het te beschrijven als levenskracht. Het is essentieel levensbeginsel, d.i. levenskracht. De Praktische Godgeleerdheid is de ontplooiing van het in de Ethiek beschreven beginsel, op zekere bepaalde levensterreinen. Subject in de Ethiek is de Christen. In de Practica is het de kerkelijke dienaar. Opmerkelijk is in dit opzicht de overeenstemming tusschen Proff. Hofstede de Groot en Gunning.
De organische opvatting der Theologie boude zich aan déze trilogie die alle wetenschap beheerscht; zien (leeren kennen) — denken -— doen.
3. Schematiseering. Mogen wij thands den beoefenaars der Encyclopaediek een nieuw schema voorstellen? Wat ons voor den geest staat is eene indeeling der theologische disci-plinen, die geheel en al door het organisme der wetenschap beheerscht is. Dit organisme moet door het schema weerkaatst worden. Ons schema zal wel in veel opzichten van het vierledige verschillen. Dank zij den invloed van Prof. Doedes, den hooggeachten praeceptor, is de tetratomie onder ons, populair. Hoe zal dan ons trichotomisch schema door hen die er wel kennis van willen nemen ontfangen worden? Eén ding durven wij van ons schema zeggen. Het zal ongekunsteld, eenvoudig, het zal waar zijn. Het zal licht verspreiden over het panorama der Theologie. Wie ons leest zij getuige bij de genesis onzer indeeling.
De trilogie aller wetenschap staat ons voor oogen. „Leeren kennen, denken, doen.quot;
Wij beginnen met te constateeren wat is.
De Empirische Theologie gaat dus voorop.
Zij is: directe empirie of empirie in den eigenlijken zin. Ten tweede is zij indirecte, mediate empirie: Geschiedenis.
De Geschiedenis-wetenschap veronderstelt de wetenschap der kenbronnen waaruit de geschiedenis geput wordt.
Die kenbronnen zijn voor verreweg het grootste gedeelte, van letterkundigen aard. Andere monumenten bekleeden hier een zeer geringe plaats.
G*
76
Wij hebben dus:
EERSTE HOOFDDEEL.
Empirische Theologie.
I. Statistiek.
II. Historische Theologie.
III. Litterarische Theologie.
Statistiek.
Wij beginnen met de Statistiek. Dat is het natuurlijke aanvangspunt. Zullen wij eenige wetenschap beoefenen clan dient het object dezer wetenschap, zooals het thands is gekend te worden. In de tweede plaats eerst vragen wij hoe het werd wat het thands is. Eerst Statistiek en dan Historie. De statistiek beschouwt aandachtig het product der Geschiedenis. Zij beschrijft den tegenwoordigen toestand van het historisch gewordene. Zij maakt aldus het werk van den toekomstigen Historiograaf mogelijk. Zij verspreidt aldus veel licht voor hem die de Kerk wil dienen. Deze discipline der stil-staande Geschiedenis wordt door velen ten onrechte geminacht. Hare afzonderlijke behandeling is van jonge dagteekening. En toch is zij noodig, ook ter waardeering van de Geschiedenis. Men wordt echter afgeschrikt door de cijfers die droog zijn. Beter zou men doen met zich op de interpretatie van het cijferschrift toe-te-leggen. De vraag „van waar komen wij?quot; prikkelt onzen geest. De vraag „waar gaan wij heen?quot; is gewichtig. De vraag: „wat zijn wij?quot; verspreidt over de voorgaande het gewenschte licht. Ook is zij ter zelf-kennis onmisbaar. Hierbij moet wel in het oog gehouden worden dat de Statistiek zoowel het uitwendige als het inwendige leven der Kerk beschouwt. Zij telt.... maar waardeert ook. Het zielen-tal interesseert
77
haar. Het zielen-leven boeit haar. Zij vraagt naar de steenen heiligdommen maar ook naar het heiligdom der harten. Het natuurlijke is éérst. Daarna is het geestelijke. De wetenschap bestudeert eerst bet uitwendige, dan het inwendige. De Statistische Theologie verdeelt zich dus in tweeën:
A. Statistiek van het uitwendige, zichtbare leven der Kerk.
B. Statistiek van bet inwendige, geestelijke leven der Kerk.
A. Wat zal de inhoudsopgave van de uitwendige statistiek ons bieden? Volgen wij maar den draad die ons van den omtrek steeds tot het middenpunt nader voert. Hoevelen bebooren er tot de zichtbare Kerk ? Hoe openbaart de Kerk zich thands in gewijde kunst en eere-dienst? Welke zijn de regeeringsvormen in de onderscheiden Kerken? Wat doet de Kerk tot bevestiging en tot uitbreiding van Gods Koninkrijk ?
1. Getal-Statistiek.
2. Cultus-Statistiek.
3. Jus Ecclesiasticum Constitutum.
4. Halieutische-Statistiek.
B. Reeds voelen wij den polsslag van het geestelijk leven kloppen. De statistiek van het geestelijk leven roept ons. De intensiteit van bet geloofsleven doet zicb kennen uit bet zedelijk leven. Wij letten op de vruchten om den boom te beoordeelen. Dat leerde de Zaligmaker ons zóó. Het geloof drukt zich ook met de meeste zuiverheid in de belijdenis uit, in de confessie der Kerk, d. i. der Kerken. Een Kerk die gelooft drukt haar geloof uit in hare confessie. Deze is baar eêlste schat. Eene Kerk die levend blijft gelooven zal gedurig baar confessie met een vernieuwd „Ja en Amenquot; bezegelen. Zij zal steeds begeerig zijn om baar geloofs-uitdruk-king zooveel mogelijk te verbeteren en te verrijken. Op dit telkens hernieuwd beamen en bevestigen, \'en doorzuiveren der confessie richt de Statistiek baar aandacht. Heeft deze geestelijke werkzaamheid niet plaats, behoort het herzien en hernieuwd beamen der confessie tot de „ongehoordequot; dingen
78
dan constateert de Statistiek dat de thermometer van het confessioneele leven gedaald is. Dit is steeds een veeg teeken, een ziekte-symtoom. Behalve in de Symbolen, openbaart zich het geloof eener Kerk in andere voortbrengselen van letterkundigen aard. De Statistiek houdt zich bezig met het uitgesproken geloof. Wat de confessioneele geschriften zélf, als zoodanig, en de andere documenten, betreft — de bronnen der Statistiek worden, even als die der Historische Theologie, in de Litterarische Theologie behandeld. Wij hebben hier dus twee onderdeelen:
1. Moraal Statistiek.
2. Confessioneele Statistiek.
II.
Historische Theologie.
Letten wij eerst op het te behandelen object. Wij verkrijgen dan twee deelen. De Geschiedenis der Kerk beschouwt zoowel het uitwendig als het inwendig leven der Kerk. Alzoo:
A. Kerkgeschiedenis.
B. Geschiedenis van het geloofsleven der Kerk zooals dat zich uitdrukt in de leer.
Een tweede, chronologisch, verdeehngsprinciep komt vervolgends in aanmerking. De Kerk ontwikkelt zich in den tijd. In twee groote perioden is haar ontwikkehngsgang in-te-deelen. Het punt van overgang van de eerste periode in de tweede wordt bepaald door Israels Messias die de Stichter der Christelijke Kerk is. Eerst ontwikkelt zich de Kerk des Ouden Verbonds, dan die van het Nieuwe Testament, \'t Is de Kerk der prophetie en die der Vervulling.
N. Geschiedenis der Kerk onder het Oude Verbond.
a. Geschiedenis der Kerk onder het Nieuwe Ver bond.
A. (Uitwendige) Kerkgeschiedenis.
79
n. Onder het oude Verbond ontwikkelt de Kerk ziet onder den vorm der Theokratie. Politiek en godsdienstig leven in Israël gaan steeds vereenigd. Tusschen deze twee is voortdurend wisselwerking. Slechts de wetenschappelijke analyse scheidt ze van één. De uitwendige geschiedenis dei-Kerk onder het Oude Verbond is de Geschiedenis van het Israëlitische Volk.
a. Nu komen wij tot de uitwendige Geschiedenis van de Kerk des Nieuwen Verbonds. De uitgebreidheid der stof en de natuur der dingen raden ons al dadelijk eene noodige en van zelf aangewezene verdeeling aan. Eerst beschouwen wij:
I. De disciplinen welke betrekking hebben op de geschiedenis van de Stichting der Christelijke Kerk. Eerst trekt het aardsche leven des Heeren onze aandacht tot zich , dan dat der Apostelen. Van het lichtgevend middenpunt uit zien wij vervolgends op den verlichten omtrek. Wij gaan de Geschiedenis der Apostolische Kerk na:
a. Leven van Jezus.
b. Leven der Apostelen.
c. Geschiedenis der Apostolische Kerk.
II. Ten tweede behandelen wij de uitwendige Geschiedenis der gestichte Kerk:
Kerkhistorie (in den nauwen zin).
Wij volgen den stroom der Geschiedenis. De Kerkhistorie bevat in zich de geschiedenis der Zending. De zending is die arbeid waardoor de gestichte Kerk voortplantend optreedt.
B. Geschiedenis van het inwendig leven der Kerk. (Geschiedenis der Leer).
t«. Inwendige Geschiedenis van de Kerk onder het Oude Verbond.
De Geschiedenis van het volk Israël is in den grond der zaak de geschiedenis van den Israëlitischen Godsdienst. De motorische kracht in deze geschiedenis werkzaam is de Gods-openbainng. Haar hoofdzakelijke inhoud vinden wij neergelegd
80
in de Boeken des Ouden Verbonds. Hier vindt in ons schema de discipline plaats, welke men betitelt:
Bijbel-Theologie van het Oude Verbond.
3. Inwendige Geschiedenis van de Kerk onder het Nieuwe Verbond.
I. Stichtingsperiode. Hoe innig ook het verband zij tusschen leven en leer, in de eerste plaats en vooral bij den Heiland, dan ook bij de Apostelen en in de Apostolische Kerk, toch zal men in het belang der wetenschap beiden afzonderlijk beschouwen. Welke Evangelieleer vinden wij in het Nieuwe Testament? De Bijbel-Theologie des Nieuwen Verbonds splitst zich natuurlijk in tweeën. „Wat leerde de Zaligmaker?quot; „Wat de Apostelen?quot; Hoe bewerkte de ontwakende Christelijke gedachte de door Christus en zijne Apostelen gepredikte Heils-waarheden? Hier zien wij de eerste aanvangen der Dogmengeschiedenis. Alzoo:
a. Leer van Jezus. .
b. Leer der Apostelen.
c. Eerste begin der Dogmengeschiedenis.
H. Leer-ontwikkeling in de gestichte Christelijke Kerk. Op het inwendig leven der gestichte Christelijke Kerk ons richtend, gaan wij de ontwikkeling der Christelijke gedachte na. Zoo ontstaat de Geschiedenis der Leer. Zij verdeelt zich in drieën. De Dogmengeschiedenis gaat voorop. Wij zien welke placita door de Christelijke Kerk officieel, als waar, zijn vastgesteld. De dogmata werden, veelal na perioden van strijd en krisis tot een harmonisch geheel bij-één-gevoegd. Zóó ontstonden de Symbolen. Hun geschiedenis, inhoud, historisch-dogmatische \'beteekenis en waarde gaat die discipline na welke wij Symboliek noemen. Eindelijk wordt de Geschiedenis der Theologie bestudeerd. Gewoonlijk wordt aan deze discipline geene onafhankelijke, hoewel ondergeschikte, plaats in de Encyclopaedic verzekerd. Men verdeelt haar inhoud zoo wat over Dogmen- en Kerkgeschiedenis. Dit behoort niet alzoo te zijn. De theologische gedachte ontwikkelt zich. Zij speelt een grooten rol in de
81
dogmenvorming. In de Oude Kerk zien wij haar samengaan met de Geschiedenis der Dogmata. Toch maakt die geschiedenis der Theologie, vrijer in hare beweging dan die der Dogmen, meer krommingen en wendingen. In de Dogmen-geschiedenis komen lang niet alle nuancen der theologische gedachte tot haar recht. Wat de nieuwere geschiedenis betreft — het onderscheid tusschen beide disciplinen valt hier duidelijk in het oog. De dogmata staan daar kerkelijk gesanctioneerd. Nieuwe dogmata worden er niet gearreteerd. Tenminste niet in de Kerken der Reformatie. Juist in deze Kerken leeft de Theologie. Dat de confessioneel-dogmatische vormeering stil staat is een gevolg van de krisis waarin het
Protestantisme verkeert. Geen dogmavorming..... Maar de
Theologie zet haren gang, hoe moeilijk ook, onophoudelijk voort. Wat weet nu de dogmengeschiedenis, de dogmen-geschiedenis van de Duitsche Scholastiek, van Voet en van A Marck, van Schleyermacher en Tholuck, van Strauss en van Baur? Voorzeker! Er bestaat eene afzonderlijke discipline; de Historia Theologiae. Men erkenne haar dan ook in de Encyclopaedie.
a. Dogmengeschiedenis.
b. Symboliek.
c. Geschiedenis der Theologie.
Litterarische Theologie.
Hebben de statistische en de historische Theologie haar taak volbracht dan wordt ter voltooiing van den cyclus der empirische Theologie, de litterarische encyclopaedisch ontvouwd. Het in de historische Theologie behandelde werd niet door de verbeelding geconstrueerd. Historie wordt uit kenbronnen geput. De Statistiek wordt door den tijdgenoot naar gegevens opgemaakt. Achter iedere discipline der statistische en historische Theologie bemerken wij de met haar correspondeerende
82
bronnen, die zelf ook historisch gegeven zijn. Israëls Geschiedenis en Godsleer kennen wij uit de boeken des Ouden Verbonds. De Stichtingsperiode der Kerk kennen wij uit het Nieuwe Testament. De geschiedenis der gestichte Kerk beeft haar oorkonden in chronieken en annalen en andere monumenten. Hadden wij geen patristische litteratuur dan konden wij, ja zeggen in dit jaar werd dit, en in dat jaar dat dogma vastgesteld. De genesis der dogmata, hunne ontwikkeling, hunne inwendig logische geschiedenis ontsnapte ons. Door devinatie zouden wij haar moeten opmaken! Wat wisten wij van de geschiedenis der Theologie indien de Scholastici ons geene „Summaequot; hadden nagelaten, indien de de Reformatoren thands door hunne werken niet tot ons spraken, indien er geen theologische litteratuur der laatste eeuwen was?
De litterarische Theologie is de wetenschap van de Ken-bronnen der Kerk. Ontsluieren wij hare schatten!
De Kerk van het Oude Verbond en de Stichtingsperiode der Christelijke Kerk leeren wij kennen uit de Heilige Schrift. Om echter de Heilige Schrift als kenbron te gebruiken dien ik haar als zoodanig te bestudeeren. Haar ontstaan, haar
inhoud, haar betrouwbaarheid..... naar dit alles moet ik
onderzoeken. Daartoe worden die wetenschappen beoefend welken wij onder den naam van Bibliologie saam vatten. Het doel der Bibliologie is om de Heilige Schrift wetenschappelijk als kenbron te gebruiken.
Daar ligt de Heilige Schrift voor ons. Wat ons al dadelijk treft is dat die Heilige Schrift uit twee groote deelen samengesteld is. De reden waarom wij die Heilige Schriften, de Heilige Schrift noemen, behoeft hier niet besproken te worden. In twee deelen (Kanones) is de Heilige Schrift verdeeld, \'t Eén is in het Hebreeuwsch, het andere is in \'t Grieksch geschreven. Maar die twee deelen zijn tot één geheel, die twee Kanones, tot éénen Kanon vereenigd. Wanneer ontstond die ééne Kanon dien wij „den Bijbelquot; noemen? En hoe ontstonden die twee Kanones, die des Ouden en die des Nieuwen Verbonds?
83
Het eerste hoofdstuk der Bibliologie is aan de Kanoniek gewijd. Deze discipline splitst zich in drieën:
a. Kanoniek des Bijbels.
b. „ „ O. Testaments.
c. „ „ N. Testaments.
Nu gaan wij uit de bronnen putten.
Die bronnen zijn litterarisohe oorkonden. De eeuwen leverden ze ons over. De tekst heeft eens geschiedenis gehad. Die geschiedenis boezemt ons belang in. Sloop er geen feil in den tekst? Maakten de overschrijvers nimmer een fout? A priori kan men zeggen: het is te verwachten dat zij dit zeer dikwijls deden. A posteriori moeten wij verklaren: Het blijkt helder als de dag dat de copisten zich zeer dikwijls verschreven. Wij moeten dus al doen wat wij kunnen om den oorspronkelijken tekst zoo dicht mogelijk nabij te komen. Wij oefenen Tekstkritiek. Dankbaar wanneer de vergelijking der Codices ons een kritisch voldoenden tekst geeft, maken wij, zoo dit niet het geval is, van de conjectuur gebruik. Het behoeft niet aangetoond te worden dat en waarom de conjecturaal-kritiek veel meer bij den tekst van het Oude, dan bij dien van het Nieuwe Testament te pas komt. — Tweede Hoofdstuk der Bibliologie: Tekst-disciplinen.
a. Geschiedenis van den tekst.
b. Tekst-Kritiek.
«. Diplomatische, oorkondelijke Kritiek.
/3. Conjecturaal Kritiek.
Hebben wij tekst-kritiek geoefend en ligt de goede, dat is de best mogelijke, tekst voor ons dan kan de Exegese plaats hebben.
Wat zegt ons de kenbron?
De Exegeet beoogt in zijn taal weer te geven en te verklaren wat hij in het Hebreeuwsch of in het Grieksch, in den kenbron, vindt. Om dat te doen dient hij zekere bepaalde kundigheden te bezitten. De Exegetische praxis, veronderstelt de Exegetische propaedeuse. Deze omvat de volgende disciplinen. Eene linguïstische: Philologia Sacra.
84
Eene logisch-philosophisohe: Rhetorica Sacra. Deze disci-plinen hebben betrekking op den vorm waarin de kenbron tot ons kwam. Wat den inhoud van den kenbron aangaat, om dezen te verstaan moet de exegeet archaeoloog zijn, dit woord in den ruimsten zin genomen. Eindelijk vermelden wij nog eene psyohologisch-divinatorische hulpwetenschap: de Hermeneutiek.
De exegeet aldus voorbereid heeft nu eene dubbele roeping te vervullen. Hij vertaalt. Om dit goed te doen heeft hij bij zich zelf reeds de te vertalen gedachte verklaard. Dan ten tweede geeft hij de verklaring van het door hem vertaalde aan anderen. Wij hebben aldus als derde Hoofdstuk der Bibliologie: De Exegetische Disciplinen. Dit Hoofdstuk verdeelt zich in tweeën:
1. Exegetische Propaedeuse.
a. Philologia Sacra.
b. Rhetorica „
c. Archaeologia „
d. Hermeneutica „
2. Exegetische Praxis.
a. Vertaling.
b. Verklaring.
Ten laatste kan de Historische Kritiek toegepast op de kenbronnen haar taak vervullen. Zijn de verschillende boeken in den Kanon vereenigd in lerdaad geschreven door hen wier namen zij dragen? Zijn deze geschriften wel authentiek? De discipline welke zich bezig houdt met dit onderzoek wordt door ons na de Exegese, aan het einde der Bibliologie geplaatst. Gewoonlijk rangschikt men haar vóór de Exegese. Ten onrechte! Om over de authenticiteit van een boek zijn oordeel uit te spreken dient men het grondig bestudeerd te hebben. De interne Kritiek, die bij dit onderzoek zulk eene machtige stem heeft is onmogelijk zonder Exegese. Eerst Exegese. Deze vereischt den voorgang der tekst-kritiek. Dan historische kritiek, die alleen na de Exegese, dank zij de Exegese, ernstig, echt wetenschap-
85
pelijk kan gedreven worden. Vierde Hoofdstuk der Biblio-logie: Historische Kritiek.
a. Interne Kritiek.
b. Externe Kritiek.
Gaan wij thands over tot de kenbronnen der Gestichte Kerk.
Met die welke op de uitwendige geschiedenis betrekking hebben beginnen wij. Naar hunnen aard verdeelen zij zich in ;
1. Officieele Geschiedbronnen.
2. Niet officieele „
Eene chronologische onderverdeeling wordt ons door de kerkgeschiedenis zélf geboden.
a. Kenbronnen voor de uitwendige Geschiedenis der ééne Katholieke Kerk.
b. Kenbronnen voor de uitw. Geschiedenis der Grieksch-Oostersche Kerk.
c. Kenbronnen voor de uitw. Geschiedenis der Westersch-Romeinsche Kerk.
d. Kenbronnen voor de uitw. Geschiedenis der Evang. Protestantsche Kerk.
Wat het inwendig-geestelijke leven der Kerk betreft ? De bronnen der Dogmengeschiedenis zijn:
1. Officieele.
2. Niet officieele.
1. Officieele kenbronnen der Dogmengeschiedenis zijn de Symbolen (Confessiën, Belijdenisschriften). Wij hebben hier niet direct met hunnen inhoud te doen. Die studie behoort tot de Historische Theologie, tot de Geschiedenis der Leer. Hier beschouwen wij de Symbolen als kenbronnen als zoodanig, als litterarisch-theologische producten. De Symboliek maakt de Symbolologie mogelijk. De kennis van den inhoud dezer geschriften vergunt ons om ze kritisch-litterarisch te beschouwen. Deze disciplinen noemen wij, op voorgang van Prof. Doedes: Symbolologie.
2. Niet officieele bronnen zijn de geschriften der kerke-
86
lijke Godgeleerden. Wij kunnen ze, chronologisch, in drie klassen indeelen:
a. Litteratuur der Patres.
b. „ „ Scholastici.
c. „ „ Reformatores.
Beschouwen wij de Kenbronnen voor de geschiedenis der Theologie. Behalve de bovengenoemde litteratuur, verkrijgen wij hier nog:
a. Litteratuur der Protestantsche Scholastiek.
b. „ „ latere Godgeleerdheid.
Met de litterarische Theologie der Statistiek sluit zich deze disciplinen-cyclus. Wij putten de Statistiek voor zoo verre zij niet door onmiddelijke empirie verkregen is, uit de litteratuur van den dag. Deze bronnen zijn:
1. Officieelen.
2. Niet officieelen.
Tot de eersten rekenen wij kerkelijke opgaven (kerkvisitatie).
Tot de tweeden:
Jaarboekjes.
Dagbladen.]
Didactisch-Stichtelijke Litteratuur.
Wetenschappelijke Tijdschriften en andere theologische werken.
TWEEDE HOOFDDEEL.
Philosophische Theologie.
Heeft de historische Theologie haar taak volbracht dan vangt die der Philosophische aan.
De Kerk heeft eene Geschiedenis achter zich, bestaat tegenwoordig, streeft haar toekomst tegemoet.
Hoe dit alles te verklaren? Welke is de werkende levenskracht dezer Geschiedenis?
Velen en velerlei verschijnselen en gebeurtenissen deden
87
zich aan ons voor. Waardoor ontstonden zij ? Door bijzondere, locale, temporeele omstandigheden werden die verschijnselen in hunne ontwikkeling en in hun verloop mede bepaald. Maar welke grondoorzaak deed ze mede geboren worden? Hoe heet de boom die deze vruchten draagt? Welke constante oorzaak baart die wisselende verschijnselen? Van welke bestaans-principiën getuigt de Geschiedenis? Welke is haar vis matrix?
Op deze vragen het andwoord te geven is de roeping der philosophische Theologie. Zij beschrijft voor zooverre dit den menschelijken geest mogelijk is, de eeuwige beginselen die de Geschiedenis der Kerk — dit woord in zijne ruimste beteekenis genomen — tot hare verklaring eischt. De waarheid waaruit en waardoor de Kerk leeft — ziedaar het object der Philosophische Theologie. De oeconomie dezer waarheid, de harmonie van haar bestaan wordt door de Philosophische Theologie aanschouwd en weergegeven.
Op de vraag welke ten laatste de bestaans-oorzaak der Kerk zij, dient geandwoord te worden: dat is God: ö ÜA-jöttg. God, die door zijne Heilsopenbaring, als Schepper en onderhouder zijner Kerk optreedt. De Heilsopenbaring bereikt in den tijd haar hoogtepunt in Christus Jezus. De Geschiedenis der Kerk onder het Oude Verbond leidt naar Jezus, die de Christus is, heen. De Geschiedenis der Kerk onder het Nieuwe Verbond ontwikkelt zich uit Hem. Christus het middenpunt der Geschiedenis is het vereenigingspunt dei-empirische en der philosophische theologie. Wie Hem ziet, ziet den Vader, den Schepper en Onderhouder. De Eeuwige openbaart zich in wat wij „den tijdquot; noemen. God, in Christus de waereld met zich zelf verzoenend brengt nieuwe levenskrachten in de geestelijk verstorven menschheid. Geestelijke levenskrachten nu, zijn waarheden.
Hier blijkt het diepgaand, principieel onderscheid tusschen de philosophische speculatie en de philosophische theologie. De eerste vergelijk ik bij een man die met stouten, schier overmoedigen blik in de diepten van het onmetelijk hemelruim wil doordringen. De tweede bij een man, die met
88
dankbaren, verrukten blik een gulden draad volgt, welke uit den hemel neergelaten aard en hemel verbindt. De philosophische speculatie zoekt het eeuwige. De philoso-phisohe theologie beschouwt het eeuwige in de Godsopenbaring gegeven. Zij is de philosophie van een historisch gegeven. „Das Christenthumquot; zegt Pelt zeer juist, „kann nicht a priori construirt, seine Idee kann nur in seiner Erscheinung begriffen werdenquot;!). Beide geesteswerkzaamheden berusten op een geloofsdaad. Maar de inhoud van het geloof verschilt. Het geloof van den philosooph is na-tuurlijk-humanistisch. Dat van den philosophischen theoloog is pneumatisch-christelijk.
De door God in Christus volledig geopenbaarde waarheden — welke haar inhoud ook zij — zijn de voortbrengende en motorische krachten der Kerkgeschiedenis dit woord in zijn ruimsten zin genomen.
De philosophische theoloog beschrijft deze waarheden. Maar hoe zal hij dit doen indien hij ze niet kent? En wat baat op geestelijk gebied uitwendige, van buiten geleerde, logische, puur verstandelijke kennis? Indien ergens dan is hier ervaring de weg der wetenschap. „Inlevenquot; is hier de „conditio sine qua nonquot; van „indenkenquot;. De philosophische theologie beschouwt de eeuwige waarheden dus, in de eerste plaats, zoo als zij zich in den persoon doen gelden, zoo als zij zich de persoonlijkheid-vormend laten kennen. De theologische discipline welke de geopenbaarde waarheden zóó beschouwt is de Ethiek. De Ethiek richt zich op het zijn, op het bestaan der persoonlijkheid, op de waarheid waardoor de persoonlijkheid verlost, vrij gemaakt, geheiligd, gevormd wordt.
Zij vindt haar wederga in de Moraal. Deze beschouwt de geopenbaarde waarheden in zooverre zij optreden als motieven en mobielen der handelende persoonlijkheid.
Op de Ethiek wordt de Dogmatiek gebouwd. Zij is de Systematische ontvouwing van het geheel der gekende
1) a. w. p. 376.
89
waarheden, déze op zich zelf, in zich zelf, en in haar onderling verband beschouwd.
Alzoo: Philosophische Theologie.
A. 1. Ethiek.
2. Moraal.
B. Dogmatiek.
Nog ééne opmerking voordat wij tot het Derde Hoofdstuk overgaan!
Over de verhouding tusschen de Ethiek en de Dogmatiek, — anderen zeggen tusschen de Dogmatiek en de Ethiek —heerscht onder de godgeleerden een belangrijk verschil. Wij wachten ons wel om thands met een paar woorden, oppervlakkig, \'t zij anderer zienswijze te beoordeelen, \'t zij de onze te verdedigen. \'t Is ons hier om de teekening der theologische Encyclopaedie te doen, zoo als deze door het organisme der wetenschap aangegeven wordt.
Nog een tweede vraag — eene question brülante — gaan wij stilzwijgend voorhij. Het is die naar de kenbronnen der philosophische theologie. M. a. w. Welke is de verhouding tusschen de Heilige Schrift en de Dogmatiek? Kenbron der Dogmatiek is de Kerk, de Kerk zoo als zij was en is, met al wat zij had en heeft. Dus ook is de Heilige Schrift kenbron, Want de Heilige Schrift behoort tot de eêlste schatten der Kerk. Andere kenbronnen uit te sluiten is zich zelf moedwillig van licht berooven. Op de waarde en .rangbepaling der kenbronnen komt het aan. Dan... deze gewichtige vragen vereischen om grondig behandeld te worden speciale studiën. Wij wenschen in dit opstel streng ons doel voor oogen te- houden, en de gestelde grenzen niet te overschrijden.
DERDE HOOFDDEEL.
Praktische Theologie.
In de philosophische theologie beschouwden wij den oorsprong en het wezen der Kerk. De Kerk is eene schepping
90
Gods. Heeft zij eene geschiedenis achter zich — zij bestaat in den tegenvvoordigen tijd en strekt zich naar haar toekomst uit. En tot hare instandhouding, én tot de voorbereiding harer toekomst bedient God zich van raenschen. De werkzaamheid dezer laatsten mag niet aan het toeval, aan een zeker afgaan op natuurlijken „slagquot; overgelaten worden. Zij dient naar het wezen, naar de waarheid der Kerk genormeerd te worden. Vandaar do innige band die de philoso-phische theologie met de praktische vereenigt. De philoso-phische is de praktische theologie als gedachte. De praktische theologie is de philosophische als praxis.
De Praktische theologie is de theorie van de werkzaamheid die door de Kerk, tot hare instandhouding en tot hare voortplanting, door middel van hare amptsdragers uitgeoefend wordt.
Vandaar de indeeling der praktische disciplinen. Zij behandelen de werkzaamheid:
A. Der instandhouding en
B. Der uitbreiding van de Christelijke Kerk.
A. Disciplinen welke op de instandhouding der Christelijke Kerk betrekking hebben.
Ter vaststelling onzer onderverdeelingen volgen wij steeds den draad die ons van het uitwendige tot het inwendige leidt.
Phantastisch spiritualisme alleen, bekommert zich niet om de steenen heiligdommen, om hunne inrichting, om de meubelen in het kerkgebouw — hoe gering hun aantal bij ons Protestanten ook zij. Een inderdaad praktisch beoefenaar der praktische theologie zal er zeer zeker oog voor hebben. Hij zal voor de Kerkelijke Techniek een bescheiden plaatsjen in het schema der Encyclopaedie inruimen. In de tweede plaats letten wij op de Kerk-regeering. Wij willen nu niet weten hoe deze of gene kerk thands geregeerd wordt. De Statistiek geeft op die vraag het andwoord. Dat andwoord bestaal menigmaal in eene „relatio morbi.quot; In de praktische theologie willen wij dit weten: hoe de Kerk krachtens bare idee geregeerd worden moet. \'t Is ons hier niet om het Jus Ecclesiasticun Constitutum, maar wel om het jus constituendum te doen.
91
Dan komen de disciplinen aan de orde die de werkzaamheid der Kerk ten opzichte harer leden voorlichten. Zij die in den schoot der Kerk leven hebben niet alleen geestelijke behoeften — ook materieele, tijdelijke nooden kwellen de armen, de hulpbehoevenden, de kranken. Het diakonaat — dit woord in den ruimsten zin genomen — is een der heerlijkste bedieningen der Kerk. De praktische theologie mag de Theorie van het Diakonaat niet stilzwijgend voorbij gaan.
De Poimeniek sluit zich nauw aan het voorgaande vak aan. — Door de Katecheze onderricht de Kerk hare leden in de Leer der Zaligheid. Met melk voedt zij haar kinder-kens, met vaste spijzen haar volwassenen. — De prediking des Woords, de bediening der heilige Sakramenten en de inrichting der godsdienstoefening in \'t algemeen doen de Homeletiek en de Liturgiek geboren worden. — De Kerk ontwikkelt zich te midden eener haar vijandige waereld. Haar wezen wordt door de waereld miskent. De waereld valt de waarheid der Kerk aan. De instandhouding der Kerk eischt dat die aanvallen afgeslagen worden. De Apologetiek leert ons hoe wij met het schild onze heiligheden dekkend, ze beschermen kunnen.
B. Disciplinen welke op de uitbreiding der Christelftke Kerk betrekking hebben.
De Kerk verdedigt niet alleen haar grondgebied. Aan het bevel des Heeren gehoorzaam tracht zij ook hare grenzen uit te breiden. Dit geeft tot strijd aanleiding. De Kerk werpt de afgoden ter neer. Zij bestrijdt alle dwaalleer en drogredenen die tegen de openbaring Gods ingaan. Zij draagt schild en lans. De Polemiek zegt ons welke taktiek in dezen geestelijken strijd te volgen zij. Negatief gaat de Kerk dus te-werk. Zij breekt af — maar om op te bouwen. Zij predikt het Evangelie aan hen die verre zijn. De Kerk moet Zendingskerk zijn. Het is haar plicht en roem om zending te drijven. Zij moet dit doen als Kerk, als zoodanig, Wanneer de Kerk den zendingsarbeid aan bijzondere genootschappen, vereenigingen, kransen enz., overlaat, be-
92
wijst zij daardoor dat zij krank is. — Het Zendingsbevel en de Zendingsbelofte besluiten onze Evangeliën. De Encyclo-paedie der Theologie wijdt haar laatste hoofdstuk aan de Halieutiek. Hiermede is de cyclus der theologische wetenschap doorloopen. Het geheel ligt daar afgeteekend voor ons.
Schema dér disciplinen van de Praktische Theologie.
A. 1. Kerkelijke Techniek.
2. Jus ecclesiasticum constituendum.
3. Theorie van het Diakonaat.
4. Poimeniek.
5. Katechetiek.
6. Homiletiek.
7. Liturgiek.
8. Apologetiek.
B. 1. Polemiek.
2. Halieutiek.
Voorwaar! Eene wetenschap wier organisme, bij rijke verscheidenheid door zulk eene onverbrekelijke, inwendige eenheid gedragen wordt, verdient in het pantheon barer zusteren eene eere-plaats. Wie op haar voorwerp let, wie den Schepper der Kerk door het geloof aanschouwt, eischt voor de Godgeleerdheid de eere-plaats. Have Kegina!
F. E. Daubanton.
Zwolle, Maart 1884.
|v -r P* : Wxv
v\'W; rgt;t5.4
öX\'\' / A • / \'4 L\' ■ Jt ■ tr
. - v r ,. s 4 ,„ r\\ K t,; Ó \' Y ■■ \'• -
A: i- ■■ \'. ^v; \'■ ^, f r*
; J r lt;:, ■quot;VV ■ XL/ M ■quot;.\' \\
(lt; r\'^V.quot; ^ - v^Vi- • , s-u /v-^v\' V ■ ■ jJ\'jU -,\'.;
. -\' -* v^i.^\'r-ü 1# v ,A ^\'A gt; quot; I- -.M
%-7^fzrv.lt; r-^h x
■.quot;S :* lt;W TXy* • A S - •gt; v
ïs,-y ■ .■£■; -^Cquot;-
\'#^v\' gt;ï.
■A / \' A lt;r ( .
l*v.
f - gt;■ JP v ^
^ gt;v* •■ jn \' . V r-
^ V c quot;gt;
, .r.\'v
•\' /4,. \' S .
\' * r\'U $-***■
r.Ac; ^KS* , \'lt; firr.srf-orr -^H- w-
^ gt;gt;-rj •\' V/- M j\' Y) J --■\'
^Y- / lt;^ Y-i V quot;A-.^
,^-^3 ,A L:0 v.\'Vv \'^
•:-i, ; j-f tr ^ V y ^ ^ Tn- -
-%:\'\' \'z/ H\'. •\' \'\'fVv\' ^ ^ i
rV.--V lt;Av, ^vc^-
, r- - 7W J
v f. • -O „
^ gt; V. \'j
\' V ■ r \' rt^ - v ( - . V V ^
\' gt;■\'\' *\'ï JtT\' y \\ ^\\A ■\'/ \' .■-\' ;i
, / ^- ^T\\l \' ^ ^ ^ ^ ^ S \' y.-quot; r
ï ^ i K ^ V.; ■\' ^ ^ V.U 17^
\' gt; , Tf ^. r.
s ^ f S * gt; h \' • ^ gt; ^\'A V V.
, --s. ^ 1 . /
7quot; \' -Tquot; J-\' r
■-gt;, ,4^* ■v^vFquot;,
t /*-- ^ V 1 - ■lt; \\ quot;
Tgt; * L
,1 i \'*. »^ *. ■ \' \\%gt;
/• v \' ^gt; \' ■\' **WC V J* \' ^ ■
-( \' /N -: / -.
1 ■ï~vxbgt;x:
■ -s ^•, w.: gt;quot;1
^ gt;-?{ 1 .. \'V\'- *«■
\' Vv \' \' \' \'\'^ k ^
Ik. ^ \'rw\' vC : ., \'•• \\. v. \\ •:;■. \'K^-i;
k % VV-.tr.\' , \\-v\'
-C- v lt;
.V\' ,
J a.r~Z , . ,,, v ( . *r* ■gt; ,
/ \'*quot; \\ /\' gt;y » * / 1 r \'gt;.
y . ^ gt;r: \\^V\\ --s. ^
v\' V a rgt;r cci J\\~x- r\'éxi, quot;
■■/ ■ y\\:MC%\'ilt;:lt;^\\\'h. -i\'quot; -ij -■\'- ■?■, .agt; s gt;= quot;■ - »0 £ /n \'.. \\ ,
■i - \'■■ ^\'\'i - Cf* i- X\'\\} X\'
K\' ^ v 4\' \'\'■••gt;. X v\' x v quot; \' V C* gt;■ .
! ■.;rT^«^-. gt;1 .f;/ -quot;i1 V
-v ••