JOANNES CLARISSE
ALS
HODEGEET EN ENCYKLOPAEDOLOOGr.
DOOK
Di\'. F, E. DAUBAXTON,
Predikant te Heemstede.
UTRECHT,
KEMINK amp; ZOON.
1 8 8 8.
éOi.
*
â h.
1
Joannes Clarisse als Hodegeet en Encyklopaedoloog.
Deze studie is aan Prof. J. Clarisse gewijd, bepaald en uitsluitend aan Prof. J. Clarisse als hodegeet en encyklopae-doloog. Een man zoo veelzijdig en harmoniesch ontwikkeld, als wiens naam wij boven dit opstel schreven, kan, moet, uit meer dan één oogpunt beschouwd worden. Hij blijkt en blijft steeds eene figuur van beteekenis. Op het gebied der zuster-disciplinen Methodologie en Encyklopaedie is de verschijning van J. Clarisse merkwaardig te heeten. Over wat zeldzaam rijke stof beschikt deze geleerde! Welk een véél-omvattende blik staat hem ten dienste! J. H. Schacht \') op duitschen grond geboren, van 1764 tot 1804 hoogleeraar aan de geldersche akademie, onderwees hier te lande, het eerst, Encyklopaedie der Theologie. De naam van J. Clarisse zal steeds vermeld worden als de naam van den Nederlander die het eerst een handboek over dit leervak schreef, de veel geprezene Encyolopaediae Theologicae Epitome. Dit werk doet den hoogleeraar kennen als vertegenwoordiger van een bepaalden type in de opvatting en de behandeling van de Encyklopaedie. Ik hoop niet alleen te staan wanneer ik beweer dat er onder de nederlandsche encyklopaedologen in
1) De tweede voornaam van J. H. Schacht wordt verschillend opgegeven. Bij Bouman âMemoria Joannis Clarisse Theologiquot; (1850), p. 50 âHenricusquot;; bij Clarisse âEncyclopaediae Theologicae epitomequot; (1835), p. xix; Glasius âGodgeleerd Nederlandquot; (1856), in voce; C. Sepp âProeve eener pragmatische geschiedenis der Theologie in Nederland etc.quot; (1869), p. 132: Her-mannus (Herman).
1
2
de negentiende eeuw drie typen te herkennen zijn: de litte-rariesch-analytische, de individualistiesoh-praktische, de phi-losophiesch-synthetische. Deze typen worden vertegenwoordigd: de eerste door Clarisse en Doedes â door elk van beiden op eigendommelijke wijze â⢠de tweede door Hofstede de Groot, de derde door Chantepie de la Saussaye, Sr. Rondom deze mannen groepeeren zich de overige beoefenaars van de for-meele Encyklopaedie.
Clarisse bestudeerde dit vak met voorliefde. Hij ontleende er zijn onderwerp aan zoo dikwijls hij tot het uitspreken van eene akademische oratie geroepen werd. Dit had den 13⢠Jnni 1804 voor de eerste maal plaats. Clarisse, die den 20⢠Maart een theologische katheder te Harderwijk aanvaard had, sprak op vermelden Juni-dag !): âOver de dogmatische en zedelijke leeringen van den christelijken godsdienst, die onderling zeer nauw verbonden, door den onderwijzer niet van elkaêr afgescheiden mogen worden.quot; 1) Het hoofddenkbeeld in deze rede ontwikkeld is charakteristiek. Clarisse huldigde \'t steeds: theorie en praktijk moeten saam gaan, zij hebben elkaêr noodig. Zij steunen de een de ander. De eerste licht de tweede voor en wordt door haar bezield. In de theorie komt de praktijk tot bewustzijn, in de praktijk draagt de theorie vruchten. Wij geven eerst een beknopt verslag van deze oratio inauguralis en vatten er dan uit saam wat ter kenschetsing van Clarisse als hodegeet en ency-klopaedoloog, dienen kan.
1
Oratio de arctissime inter se nexis, dogmaticis et moralibus Boligionis christianae praeceptis docenti non sejungendis. Publico habita, die XIIÃ Junii, A. MDCCCIV, quum ordinariam Theologiae prolessionem in Academia Batava, quae est Harderovici, solenni ritu auspicaretur. Harderovici, apud E. Tyhoir, Academiae Typographum.
3
J. A. Emeati\'s optreden strekt den redenaar tot uitgangspunt voor zijne beschouwingen. Ernesti is de vader van de nieuwere Kritiek en Hermeneutiek. Zijn invloed moest wel op het overleveren van heel de Godgeleerdheid merkbaar wezen. De methode van doceeren inderdaad werd vernieuwd. Splinterige, spitsvondige vraagstukken, den scholastieken aangenaam, werden ter zijde gelaten. De praktische kant van godsdienst en godgeleerdheid, in ons vaderland vooral, dooide gereformeerden verwaarloosd, trok de aandacht. Men vroeg wat onze hoogste leeraar Jezus Christus, wat de H. apostelen geleerd hadden over christelijk leven en christelijke zeden. Zóó in de scholen, zóó in de saamkomsten der gemeente. !) Niet allen echter verheugen zich om deze kentering. Dézen uit haat tegen, génen uit bezorgdheid voor het Christendom, slaan haar met ongunst gade. In de klachten dezer laatsten schuilt een bestanddeel van waarheid. Niet weinigen in onze dagen bannen, onder de bedriegelijke leuze van âden eenvoud des Evangelies,quot; zakelijke en zeer kenmerkende stukken der christelijke leer, en sturen door eene averechtsche schriftverklaring alles in den war. Zij hemelen de Moraal op, maar nemen den christelijken godsdienst weg, er niets van latend dan den naam en een ijdelen schijn. Anderen werpen zich op als beschermheeren van deugd, achtbaarheid en menschelijkheid, intusschen beweerend dat \'t er niet toe doet of gij, \'t zij aan alle stukken der leer hecht of ze verwerpt, ja, dat er niet weinig leerstukken zijn die ons belemmeren in het betrachten van de deugd, \'t Is te betreuren dat enkele beoefenaars van de Ethiek, door over dogmatische punten te veel te zwijgen, deze dwaling
1) Practicae imprimis Religionis et Theologiae parti, quae, nostra prae-sertim in patria, reformata sacra profitentibus, per longum tempus, inculta sordueral, juslum magis statui praetium incepit, et, quae summus noster Doctor Jesus Christus, eum secuti Apostoli, viri sancti, de moribus vitaque regundis praeceperant, in scholis Theologorum diligentius colligi, subtilius explicari, aptius disponi, et, quod summum est, pro concione Christiana frequentius et copiosius exponi, hominumque animis data opera inculcari coepta sunt. Or. de âArctissimequot; etc. p. 7.
1*
4
in de hand werken. Om haar tegen te gaan, en tevens de belangen der Moraal te bezorgen, houde de theoloog, noch ter rechter, noch ter linker zijde afwijkend, den zeer nauwen band, die de leerstukken des geloofs en de zedelijke voorschriften verbindt, steeds voor oogen. Doet hij dit zoo wordt de pas afgesneden aan waardelooze, onbeteekenende twistvragen. De waarheid zelf van het Evangelie blijft onaangetast. \'t Kan niet anders of de christelijke Ethiek ontfangt de haar verschuldigde eer en alle, inderdaad wezenlijke, leerstukken van den godsdienst worden met zorg en getrouwheid uitééngezet. !) De geheele inrichting van den christelijken godsdienst wordt in deze twee stukken saamgevat: âWat wil God dat wij van Hem weten?quot; en âWat wil God dat wij Hem betoenen?quot; Beiden, van het grootste gewicht, zijn der overweging ten volste waardig. Men heschouwe ze echter niet afzonderlijk maar als met onverbrekelijken band saam verbonden. 1). De machtigste aansporingen tot deugd inderdaad worden aan den godsdienst ontleend. Niet slechts de geschiedenis der Joden, ook die van alle andere volken leert het: veronachtzaming van den godsdienst is eene overvloedige bron van schandelijk en schadelijk zedenbederf. Blijkt hieruit reeds het innig verband tusschen godsdienst en zedelijkheid â alle wijfeling op dit punt wordt weggenomen voor wie roemt in de leer van Gods wege den mensch geopenbaard 2). Vooral
1
Revocatur igitur omnis de Religione Christiana institutie ad duo haec praecipua capita, ad ea nempe, quae Deus de se nos scire, ad eaque, quae sibi a nobis praestari voluit. Amplissimum utrumque et cujuslibet meditatione dignissimum. Neutrum tarnen per se et separatim spectandum sed tanquam alterum cum altero indivulso vinculo conjunctum o. 1. p. 18, 19.
2
Homini patefacta Divinitus doctrina, p. 21.
in den christelijken godsdienst zijn de leerstellige en de zedelijke voorschriften innig vereenigd. Gods openbaring beoogt dat wij God dienen overeenkomstig Zijne volmaaktheden. Derhalve: beschouw de dogmatische leer aangaande Gods weldaden â zij strekt tot het volbrengen van de voorschriften der deugd; beschouw de zedelijke voorschriften â zij steunen op de waarheden aangaande de verlossing en leiden daaruit alle kracht af. Neöta dus één van beide deelen wég â gij neemt den christelijken godsdienst uit den christelijken godsdienst !). \'t Eén leert wat men kennen moet, \'t ander tot wat einde; \'t één wat men doen moot, \'tander waarom en op wat wijze, \'t Is één en dezelfde godsdienstleer geenszins saamgebracht uit tegenstrijdige stukken, die niets met elkaêr te maken hebben, maar bestaande uit deelen, die naar hetzelfde strekken, saam werken, en op één doel, als \'tware, mikken. De Dogmatiek legt de grondslagen waar de Zede-kunde op steunt. Indien gij \'t fundament wegneemt, valt het heele gebouw; indien gij \'t gebouw wegneemt, heeft het fundament geen nut. Deze twee zijn derhalve door onverbrekelijk verband saamgehecht a). Daar dit zoo is moet de docent er meè rekenen. Hij scheide de dogmatische leerstof niet van de praktische. Wél mag hij naar eisch van omstandigheden, bij voorkeur dogmatische of ethische onderwerpen behandelen (Luther; Melanchthon en Calvijn). Calixtus onderscheidde Dogmatiek en Levensleer als studievakken, behandelde ieder op zich zelf, en dat tot beider profijt. Glarisse wil niet dat de theoloog de Dogmatiek op de Moraal bouwe, noch uit welke dogmatische kleinigheden ook, eenigen zede-
1) Utramlibet igitur Doctrinae partem demas, tollitur e Christiana Reli-gioiie, Religio Christiana, p. 23.
2) Una est adeo, eademque Religionis Doctrina, non ex discordibus, nihilque invicem commune habentibus, rebus composita et quasi consuta; sed partibus constans, eodem tendentibus, amice conspirantibus, in eun-dem quasi scopus collineantibus. Jacit fundamenta novi cultus pars dog-matica, his innititur morum doctrina. Sublato fundamento, totum corrueret aedificium: sublato aedificio nullius foret usus lundamentum. Utrumque igitur indissolubili jungitur necessitudine, p. 23, 24.
6
lijken zin trekke. Door de gewijde Hermeneutiek, de gezonde Dialektiek en de Geschiedenis der dogmata voorgelicht, ont-vouwe hij de Dogmatiek. Hij late zelfs niet één stuk weg om deu Deïsten te Ijelieven. Slechts banne hij scholastieke hairkloverijen die volkomen nutteloos zijn. Wanneer hij de Moraal voordraagt, wende hij al wat door de beste wijsgeeren en rechtsgeleerden op dit gebied verstrekt werd, tot zijn doel aan. Jezus en de Apostelen rekenden dit niet beneden zich. De christelijke leer inderdaad druist niet tegen de voorschriften der gezonde rede in. Slechts blijve de theoloog bij hare gegevens niet staan. De zedelijke voorschriften der godsmannen schikke hij ieder op zijn eigene plaats en hij besluite over de natuur, het einde, de wijze van den chris-telijken plicht. Wat de ïheologia moralis gemeen heeft met het Jus naturae en de philosophische Moraal put haren inhoud immers niet uit? Al wat ons bekend is van den wil Gods, dien oppersten Wetgever, die tevens in Christus genadig Vader is, moet door den theoloog geleeraard worden. De Dogmatiek worde eenvoudig, zonder omhaal van geleerdheid aan de gemeente en aan de leerlingen onderwezen. Glarisse herinnert ons dat door het indringen van wijsgeerige stellingen, de zuiverheid der Godgeleerdheid schade^leed. De bestudeering van de H. Schrift kwam er door in minachting. De onwetendheid nam toe zelfs onder de geestelijken. De doctor ecclesiasticus wake dat niet een vernieuwd heidendom aan Christendom en Godgeleerdheid beiden afbreuk doe. Daartoe ook verbinde de katecheet Dogmatiek en Moraal. Niet anders handele de prediker. Hij predike zóó dat de wijze van godsvereering, overgeleverd door Jezus Christus en zijne Apostelen, in overeenstemming met de gewijde schrijvers van het O. T. uitééngezet, verklaard, ingescherpt worde. Schoolsche termen, diepe philosophemeu, twisten over dogmatische geschillen behooren niet op den kanzel. Ook ver-mijde men al te moeilijke teksten, die tot splinterige exegetische verhandelingen aanleiding geven. De prediker haaste zich tot de dingen zelf, die, in de woorden uitgedrukt, aangewend moeten worden tot \'s menschen bekeering en vertroosting.
7
Het voorbeeld van den oppersten Leeraar navolgend schame hij zich niet door onbevoegden, hatelijk, âzedenpreêkerquot; genoemd te worden. Hij schame zich terecht indien hij niet zedenleeraar is. God zelf heeft getoond hoe men onderwijzen en prediken moet. Wie is zóózeer vreemdeling in de H. S. dat hij niet de trapsgewijze opklimming van de openharing ziet, niet opmerkt dat de positieve en bespiegelende waarheden met praktische voorschriften steeds saam gaan? Men merke de leerwijze van de propheten, van Christus, van de Apostelen, van Paulus in \'tbizonder, op. Zou de christelijke leeraar er niet naar streven om deze allen en Jezus, den oppersten leeraar, ja, God zelf, na te volgen? Bovendien wie erkent niet dat de Dogmatiek, gescheiden vau de zedelijke voorschriften, onvruchtbaar is en niets uitwerkt? Werpt men tegen: âdie gij veroordeelt prediken het geloof in Jezus Christusquot;, zoo vraagt Clarisse: âprediken ze een dood of een levend geloof? Een levend? Maar dit is niet gescheiden van deugdsbetrachting! Is het dan de roeping van den leeraar veel over \'t geloof te redekavelen, en de vruchten, die \'t geloof dragen moet, onder stilzwijgen te begraven?quot; â âMaar wij prediken ook de bekeering!quot; â âGoed! Hoedanig eene? Een ten deele aangevangene, die slechts voor een oogenblik is? Of de ware, vruchtdragende, standvastige? Op deze laatste dringt Jezus aan: âBrengt dan vruchten voort, der bekeering waardig.quot; Hoe dit echter mogelijk zij, indien niet bij de theorie van den godsdienst de praxis-zelf gevoegd wordt, kan men zich niet voorstellen \'). â Zullen we dan
1) Ziehier deze welsprekende passage in haar geheel: âAt, occurret mihi fortassis aliquis: âquos tu tantopere coudernnas Doctores, commendamus Fidem in Jesuin Ghristurn, unicarn salutis viani, in quarn propterea in-primis incumbendum esse homini Ghristiano, satis constat.quot; Sed, videte vos, boni viri, ne vobisrnet ipsi, aliisque misere fucum faciatis. Quamnarn enirn Fidem commendatis*? Mortuamne an vivam? II eccine viva tit Fides, quae a Virtutum praxi sit remota? Hoccine Doctoris officium, otiose mulla de Fide disputare, et, quos proferre debet, Iructus alto prernere silentio? âAt resipiscentiam commendamus quoque.quot; Audio. At qualem? Inchoa-tamne tantum et momentaneam? An veram, frugiferam, constanten!? Profecto, si non illam, sed hanc, uti par est, inculcare velitis, cum
8
alleen den zedelijken inhoud der leer ontvouwen, met veronachtzaming van de beschouwende dogmata? Dat zij verre! Het wezen van onzen zeer heiligen godsdienst wordt miskend door elke scheiding, welke ook, tusschen Moraal en Dogmatiek. Tegenover alle afwijkingen stelt Clarisse nog eens de juiste methode in het licht: âItaque arctissime juganda sunt, et Fides Dogmaticis habenda praeceptis, et Obedientia Mo-ralibus praestanda; ut et Fides reddatur fructuosa et vere pia, et impediatur, quominus Virtus Christiana aut in meram abeat honestatem civilem, aut in externam Legum Divinarum observationem, a qua ipsius Legislatoris amor absit et reve-
rentia..... Veram christianae Religionis indolem is demum
et ipse cognoscit et aliis tradit, qui profluentem ex grati pro beneficiis Divinis, per Jesum nobis partis, animi sensu, ad perfectissimum ipsius Jesu exemplum confirmatam, ad omnia vitae negotia, ad omnes nostras cum aliis necessitu-dines, ad omne id quod sumus, pertinentem, virtutem ho-minum animis instillare studet seduloquot; \'). â Ten laatste wijst de orator kortelijks aan dat de zedelijke en dogmatische leeringen van den godsdienst door den onderwijzer niet gescheiden mogen worden, omdat de scheiding beider zuiverheid aantast. De juiste vereeniging daarentegen werpt een dam op tegen allerlei misbruik. Het kan niet anders of wie zich alleen aan de Dogmatiek hecht zal de Moraal veronachtzamen en omgekeerd. Het eerste leidt tot groote gevaren; tot het ijdel najagen van verborgenheden, gevolgd door twistingen over zaken, die de menschelijke bevatting te bovengaan, tot waardelooze philosophemen, tot kinderachtige vindingen, tot valsche verklaring van de dogmata, tot verdraaiing van de uitspraken der H. S. Van hier weer haat, nijd, twisten, strijd; van hier ook het gedurig verketteren,
Joanne illo, Jesu praecursore, hoe praeceptum urgeatis, necesse est; âEdite fruetus, emendata vita dignos.quot; Quod quomodo fieri rite possit, nisi Theoriae Religionis Praxin ipsarn adjangendo equidem fateor, non intelligo, p. 51.
4) P. 56â58.
9
dat zich in onze kerk zelfs aan de grootste theologen vergreep, aan Coccejus, aan ïheelinck, aan Venema. Al deze rampen kan men niet beter voorkomen dan door de Moraal zoo nauw mogelijk met de Dogmatiek te verbinden.
Aan deze aditiale redevoering viel eene goede ontfangst ten deel. Dit verwondert ons niet. Het onderwerp, door den Hoogl. gekozen, zuiver belijnd, helder geformuleerd, wordt flink, grondig, behandeld. Er zit gang, er tintelt geestdrift in dit deftige stuk. Meer dan één moment is waarlijk welsprekend. Een kantiaansch tijdgenoot â ofschoon minder gesticht over de gereserveerde houding, door den redenaar tegenover het systeem van den grooten Koningsberger in acht genomen â merkte dit juist en waardeerend op.\') Tegen de latiniteit van Clarisse â die veel in \'t Nederlandsch stelde â hadden eenige critici bezwaar. Wie echter het welwillend oordeel van niemand minder dan van Prof. Bouman over dit Latijn leest, maakt zich verstandiglijk niet ongerust. âIn Latinitate autem si quae reprehenderunt (quid enim factu facilius?) dierum illorum Momi, plura laudarunt aequiores arbitri; qui potissimum Oratori, in vita occupatissima muitos vernacule scribenti libros, stili Latini excolendi tempus atque otium vix aut ne vix quidem adfuisse scirent ac perpenderent. Universe sane hoc asseverare non vereor, publicis privatisque multorum testimoniis edoctus, Clarissiani muneris Hardero-viceni tam felicia fuisse initia atque auspicia, ut faustiora nulla apprecari potuissent amici. Nam et de Scholis disci-puli, et de orations cum sacra, tum aditiali quotquot utram-que audiverant, uno omnes ore, afflrmabant, nihil illis doc-tiusque subtiliusque, nihil bis elegantius, facundius, gravius expeti potuisse ac desiderari.quot; 1) Tot de groote verdiensten der redevoering reken ik hare actualiteit. Door dit onderwerp bij eene plechtige gelegenheid in \'t openbaar te behandelen, toonde Clarisse dat hij een open oog had voor de behoeften van zijn tijd. Een streng oordeel velde Dr. C. Sepp
1
A. \\v. p. 54, 55.
10
over de beoefening van de Ethiek door Nederlanders. âNiets is minder behartigd, dan de wetenschappelijke behandeling der christelijke zedekunde en daar is geen vak, waarin wij een minder goed figuur gemaakt hebben, dan in het door ons genoemdequot;1). Ziedaar de krasse, weinig vleiende uitspraak van een uitnemend kenner onzer vaderlandsche Godgeleerdheid. Prof. Bouman kwam er tegen op. Hij vond dit judicium veel te pessimistiesch 2). In zijn âMemoria Clarissiiquot; erkent hij echter, na de vermelding van \'t onderwerp dezer oratie: âCnjus argumenti accurata expositio quantam habuerit utilitatem, quo potissimum tempore ab haud paucis nostrae 1\'atriae Dogmaticis negligebatur Ethica, ut quisque illorum dierum historiam attentius perpenderit, ita plenius intelligetquot; s). Laten wij het maar beamen: aan de Ethiek werden niet de krachten gewijd, die zij verdient en die tot haren bloei noodig zijn. Voorwaar: de Ethiek â Clarisse overdreef niet! â ânostra praesertim in patria, reformata sacra profitentibus, per longum tempus, inculta sordueratquot; *). De moed om hierop te wijzen waarborgt aan Clarisse de hulde van het nageslacht. Met voorzichtigheid koos hij zijn onderwerp. Hadde hij alleen op het verwaarloozen ^van de Ethiek gewezen, dan ware hij allicht tot eenzijdigheid vervallen: tot handhaving van de Ethiek ten koste der Dogmatiek. Maaibij verbindt beider belangen: veronachtzaming van het eene vak strekt het andere tot schade â \'t wordt op overtuigende wijs aangetoond. De redenaar behoeft niet kunstmatig een âjuste milieuquot; te zoeken, te fabriceeren, tusscheu strijdige belangen, maar het organisme der Theologie zelf wijst op eene wisselwerking tusschen dogmatische en ethische leerin-
1
Proeve eener pragmatische geschiedenis dei\' Theologie in Nederland, enz., (1869), p. 420.
2
De Godgeleerdheid en hare beoefenaars in Nederland, gedurende hel laatste gedeelte der vorige en in den loop der tegenwoordige eeuw. Gemengde, historische herinneringen van Hermannus Bouman, rustend hoogleeraar te Utrecht, (1862), p. 379
11
gen. De Theologie is niets anders dan het Christendom tot wetenschappelijk zelfbewustzijn gebracht. Welnu het Christendom is noch leer zonder leven, noch leven zonder leer. Niets dwingt ons tot het dilemma âdogmatisme of moralisme.quot; Alles roept ons toe dat het stellen van dit dilemma op eene miskenning van den aart des Christendoms berust. Het Christendom is door en door ethiesch. Maar dit ethische Christendom is een godsdienst. Hernieuwde geschiedkundige bestudeering van het ontstaan en de eerste ontwikkeling er van moest dit steeds duidelijker aantoonen. Vrije, onafhankelijke Exegese is de doodvijandin van alle scholastiek dogmatisme, maar ook van alle rationalistisch moralisme. Toen Clarisse optrad sloeg die onbevooroordeelde bestudeering van ile Schriften hare vleugelen uit. â De harderwijksche professor verheugt zich daarin. Hij begroet het welslagen van Ernesti\'s methode Maar hij waakt tegen de gevaren eener reactie. Het in eere herstellen van de praktische zijde des Christen-doms mag niet tot verachting van de leer leiden. Moralisme neme niet de plaats van dogmatisme in, noch verwatere het specifiek christelijke in het Christendom. De âmorale indé-pendantequot; kan zich niet op Clarisse beroepen. Deze godgeleerde legt veeleer den nadruk op het feit dat in den godsdienst de krachtigste aansporingen liggen tot ware zedelijkheid. Zijne Ethiek is zeer bepaald eene christelijke, die zich haren oorsprong niet schaamt. â De aangetoonde wisselwerking tusschen Dogmatiek en Ethiek eischt echter niet dat beide in één systeem voorgedragen worden. De oudere manier van doen, om de ethische stof bij wijze van praktische toepassing aan de loei der Dogmatiek aantehangen wordt door Clarisse zonder weifelen verworpen. De volledige, ongedwongen ontwikkeling van ieder dezer twee vakken zal het best slagen bij eene gesepareerde behandeling. Ter bepaling van wat tot de Dogmatiek en wat tot de Ethiek behoort, wendt Clarisse het oude principium divisionis van âcognoscendaquot; en âfaciendaquot; aan. â De uiteenzetting van de Dogmatiek veronderstelt de Hermeneutiek en de Dogmen-geschiedenis. De Hermeneutiek : want de Dogmatiek put in de H. S. de oorkonde
12
der heilsopenbaring. â De notie âopenbaringquot; wordt in deze redevoering naïef, onvermiddeld geponeerd en in rekening gebracht. â Bij de ontwikkeling van het dogmatiesch systeem dringt de hoogl. op eenvoud aan, terwijl hij waarschuwt tegen het inbrengen van wijsgeerige bestanddeelen, die niet aan de gedaohtenwaereld des Christendoms ontleend zijn. â Overeenkomstig heel de strekking zijner rede, biedt ons de orator belangrijke homiletische wenken, voor zijnen tijd, voor alle tijden, behartigingswaardig. Grondige eenvoud en praktische zin moeten de openbare prediking kenmerken.
Curatoren der geldersche hoogeschool beseften al spoedig welk een uitnemenden man zij in J. Clarisse aan hunne inrichting verbonden hadden. Zou Harderwijk zich lang in dit bezit verheugen? Nog in hetzelfde jaar 1804 werd Clarisse te Groningen als opvolger van Joannes Bosman, hoogl. in de Logika, Metaphysika, eu Philosophia moralis benoemd. Het onderwijs in de Wijsbegeerte lachte hem zeer toe. Maar van de theologische professuur afscheid te nemen kon hij niet van zich verkrijgen. Hij andwoordde derhalve aan de Groningers dat hij de benoeming aannam mits hem tevens het onderwijs in eenig theologiesch studievak, welk ook, opgedragen werd. Toen hiertegen bezwaar bleek te zijn bedankte Clarisse. Nu trachtten de Verzorgers van de friesche hoogeschool den hoogl. op een van hunne theologische leerstoelen te plaatsen, \'t Was te vergeefs. Clarisse, wien men te Harderwijk ook nog het onderwijs in de gewijde Hermeneutiek had toevertrouwd, bleef dus waar hij was. Daar werd hem in 1805 het rectoraat opgedragen. Bij de nederlegging van dit eere-ampt, den elfden Juni 1806, sprak hij zijne tweede akademiscbe redevoering uit 1). Wederom koos hij een onderwerp dat binnen het kader van dit opstel valt. Hij sprak âover de onbillijke verachting van de theo-
1
Cf. Bouman a. w. p. 55â59.
13
logische studie \'). Naar aanleiding van Cicero\'s opmerking: âomnes artes quae ad humanitatem pertineant, quoddam habere commune vinculum, et quasi cognatione quadam inter se contineriquot;, spreekt Clarissa eerst over het saamwerken van verschillende vakmannen. Ten allen tijde zag men den band der wetenschappen onderling. Specialisten vervielen echter spoedig tot eenzijdigheid. Zij beoefenden hiin vak. Zij wensch-ten niet slechts dat allen dit deden, maar verachtten tevens, indien niet alle andere, dan toch zeker de meeste andere wetenschappen. Zij raadden bij iedere gelegenheid de ijverige bestudeering van die vakken af, zagen op die ze beoefenden uit de hoogte neer en belachten hen. Geene wetenschap had echter meer berispers dan de Godgeleerdheid, alhoewel schier alle andere wetenschappen zeer veel aan haar verschuldigd zijn. Clarisse wil de gebreken der godgeleerden volstrekt niet goed praten, noch hen verdedigen, die door de onervaren menigte als âtheoloogquot; worden begroet. Zij, die van Wijsbegeerte nóch van Letteren wetend, allerlei kibbelerijen verhaspelen, zij, die zweren bij wat ze van hunne meesters hoorden, vallen buiten beschouwing. Men berispe vrij de stelselknechten tegelijk met hen, die door geen eerbied voor de H. S. bedwongen, ten koste van den godsdienst aan hun dartelen geest den vrijen teugel vieren. Men beoordeele streng de duistere spreekwijze van sommige nieuweren, voor geen Oedipus zelfs verstaanbaar. De echte theoloog heeft zich door bestudeering van talen, geschiedenis en wijsbegeerte tot de beoefening van zijne wetenschap voorbereid. Van de inderdaad wetenschappelijke Theologie zal nu verder alleen sprake zijn. â De waarde eener wetenschap wordt bepaald naar het gewicht der zaken die zij behandelt, naar het nut dat zij aanbrengt, naar het genot dat hare beoefening baart.
â 1) âDe iujusto theologie! studii contemtu. Oratio. A. 1). XI Junii -1800 in AcaJernia Harderovicena habita quum magistratuum academicum deponeret.quot; Deze rede verscheen eerst in 1815 te Leiden bij H. W. Hazenberg, tegelijk met de inaugureele oratie aldaar gehouden.
14
Welnu de redenaar gaat aantoonen dat er niets voortreffelijker, niets verhevener is dan de dingen waar de Godgeleerdheid zich mee bezig houdt (a);
dat geen wetenschap zoo overvloedig is aan heilzame vruchten (6);
dat er niets aangenamer en liefelijker is dan hare beoefening (c) 1).
a. De stof der godgeleerde wetenschap is voortreffelijk en van het hoogste belang. Wie niet erkent dat de dingen van den godsdienst boven alle anderen zoozeer uitblinken als God zelf boven al het geschapene staat, is een goddelooze; wie \'t niet ziet is een domoor 2). â Wat men de Natuurlijke Godgeleerdheid noemt is zeker niet het minst belangrijke gedeelte van de Wiisbegeerte. Hoe gebrekkig zou de Naturaal echter zijn, hoe onzeker in de meeste stukken indien zij van de hulpmiddelen der openbaring verstoken was! De andere wetenschappen zien zich zekere grenzen gesteld: de Godgeleerdheid onderzoekt op ieder gebied. Al wat tot het waarachtig geluk der menschen dient is van haar gading. De andere wetenschappen zijn tot ons kosmiesch systeem beperkt: de Godgeleerdheid verheft zich tot haar hemelsch vaderland 3). De andere wetenschappen verdiepen zich in de geschapen dingen of in den mensch: de Godgeleerdheid in het verheven Wezen Gods zelf, in zijne onuitsprekelijke vol-
1
Etenim sive artium doctrinarumque praestantiam et dignitatem ex rerum, quas pertractant, mom en to pendere dicamus, nihil lis, in quibus versatur Theologia, exeellentius est, nihil sublimius; sive ad utilitatem, quam afferant, respicere malumus, nihil eadem hac Theologia fructuosius est, nihil uberius; sive voluptatis adeo rationem habere placeat, nihil ea est jucundius, nihil suavius, p. 36.
2
Exellentissima atque gravissima est Theologicae disciplinae materies... quantum res ereatas omnes superet Numen Dei supremum, tantum omnibus aliis rebus res ad religionem spectantes antecellere, impius sit, necesse est, qui non agnoscat, stupidus, qui non perspiciat, p. 36.
3
Astrictae sunt aliae doctrinae hujus terrarum orbis, certe cosmici systematis, cancellis: haec repudiate tam exili quasi domicilio, in coelestam patriam transvolat, p. 37.
15
maaktheid, zijne oneindige werken, zijne aanbiddingswaardige verborgenheden.
b Wat kan der ontwikkeling van den geest meer nut zijn dan de ijverige overdenking van de zeer voortreffelijke dingen die God alleen openbaren kon? Zij strekt ter zedelijke verbetering , baart gemoedsrust, leidt tot waar geluk. De echte beoefenaar van de wetenschap nu tracht niet naar de ijdele glorie van geleerdheid, maar wil de menschheid dienen. En zie! De andere wetenschappen brengen veel voordeel aan in het tegenwoordige leven, maar begeven ons in den doodsdag die allen wacht. Wat de theoloog echter leerde van Gods genade in Christus troost de stervenden. De Godgeleerdheid vormt de leeraars, die de heilrijke voorschriften van geloof en leven in steden en huizen brengen, de ware vroomheid en deugd in de gemoederen der menschen inplanten en hun den weg wijzen zoowel tot standvastige gemoedsrust in dit leven, als tot eeuwige zaligheid. Men houde dus van de beoefening dezer zoo nuttige wetenschap geen jongelingen terug.
c. Vraagt men naar \'t genot dat de studie van de Theologie aanbrengt? Iedere geestenaanleg vindt bij haar het zijne! Boeit u wijze wetgeving? De theoloog bestudeert de mozaïsche instellingen. Stelt gij belang in de gebruiken van oude volken? De theoloog bestudeert de Antiquiteiten. Zijt gij een diepzinnige geest? De dogmata zullen u aantrekken. Wat schoone natuurbeschrijvingen in de H. S.! Wat welsprekendheid in Jezus\' woord, in Paulus\' prediking, in Chrysostomus\' kanzelwerk! De dichterlijke geest geniet van het boek Job, van David\'s psalmen. Men verwondere zich dus niet dat een Grotius en een Schulting, een Necker en een van Alphen, een Haller, een Leibnitz, een Newton de Theologie beoefenden. â Hoe is het dan te verklaren dat zoo menigeen, ook in onzen tijd, ongunstig over de Godgeleerdheid oordeelt? Clarisse vreest dat veler gemoed van den godsdienst, bovenal van het Christendom afkeerig, hier de groote rol speelt. Perk noch paal kent men in het loven van de dingen dei-Grieken en Romeinen, maar veracht de zaak des Christen-
16
doms, hem die haar verdedigt, en de Godgeleerdheid 1). Om zijn haat tegen 3en godsdienst te bedekken schroomt men niet misbruik te maken van de woorden en het gezach van groote mannen. Op heel de orde der theologen brengt men over wat van dezen of genen min lofwaardigen godgeleerde geldt. Men verwijt hun ruwen geest, onbeschaafde taal. Men klaagt over de menigte der dingen die zij leeren moeten.
Clarisse wil niet al deze lasteringen, maar slechts enkelen er van onderzoeken. Men klaagt dat de theologen twistgierig zijn. De hoogl. toont met voorbeelden, aan de geschiedenis ontleend, dat déze beschuldiging ook menig wijsgeer treft en dat de grootste theologen vredelievend waren. Niet minder ongegrond is de klacht over de barbaarsche taal der godgeleerden. Voorzeker! Er zijn theologen die meer acht gaven op de dingen zelf dan op den vorm. Deden andere geleerden nimmer evenzoo? De Scholastieken schreven dikwerf eene onzuivere taal. Maar wie zou durven volhouden dat de nieuwere wijsgeeren van barbarismen vrij zijn? Vele critici houden er eene barbaarsche taal op na, en hoevele theologen schreven zeer zuiver! Een anderen grief tegen de theologische studie meent men te wettigen door de veelheid der dingen die een godgeleerde kennen moet. Dat tragen van geest zóó morren vindt onze redenaar natuurlijk. Hij erkent het feit. Inderdaad eischt de bestudeering van de Theologie velerlei kundigheden. Dit feit echter ontzenuwt eene andere beschuldiging: dat de Theologie vijandinne zij der eruditie. Dwaze aanklacht! Uit de geschiedenis kau men de verdiensten van godgeleerden, ook jegens Wijsbegeerte en Letteren aanwijzen. En beweert men eindelijk â om jongelingen van de Godgeleerdheid af te schrikken â dat zij onbestaanbaar is met vrij wetenschappelijk onderzoek â Clarisse onderscheidt
1
Vereor profecto, ne animus multorum, a religione, imprimis Christiana, alienus in causa sit, cur et in rebus Graecorum ac Romanorum laudandis ac praedicandis modum vix servent, et rem Christian am, ejus Antistites omninoque Studium Tbeologicum habeant despicatuiquot;, p. 43, 44.
17
tusschen bandeloosheid eu vrijheid. Deze laatste vond in de beste theologen trouwe verdedigers.
Dit kort en droog verslag geeft de hoofdtrekken van de warme, bezielde redevoering weer. \'t Verbaast ons niet bij Prof. Bouman te lezen dat de hoorders de welsprekende woorden van den aftredenden rector toejuichten. Immers; âdiu post lectores applausisse constatquot; \'). Deze tweede rede is eene âOratio pro domoquot; van de eêlste soort, \'t Is waar: nieuwe gezichtspunten boeien ons niet hij het bestudeeren van dit stuk. Zoo gij wilt: hier worden alledaagsche dingen gezegd, argumenten bij-éen-gebracht die voor de hand liggen â en toch de redevoering is niet alledaagsch. Zij verraadt onmiskenbaar talent: het talent, om uit het alledaagsche leering te putten, en wat voor de hand ligt keurig en belangwekkend te groepeeren. Het bekende adagio: âpectus est quod disertum facitquot; wordt hier bewaarheid. Clarisse heeft de Sacro-Sancta Theologia hartelijk lief. Ziet hij haar miskend, aangevallen, veracht... zijne liefde maakt hem tot een even scherpzinnig als eerlijk causidicus. Zulke advocaten zijn de beste. In hunne pleidooien tintelt de bezielde, bezielende waarheid. Mogen wij enkele punten in dit flinke pleidooi releveeren ? Clarisse, zoo universeel ontwikkeld, waarschuwt terecht tegen eenzijdige speciaal-studie. Deze vergeet het woud om de boomen en leidt tot miskenning van de wijsbegeerte in de wetenschap. Stelt hij op den voorgrond dat de overige wetenschappen aan de Godgeleerdheid en hare beoefenaars veel te danken hebben â wie had meer recht hieraan te herinneren dan de man die in meer dan ééne faculteit waardiglijk een leerstoel had kunnen innemen ? Hij, de âomnis homoquot; mocht de tegensprekers in het aangezicht wederstaan wanneer zij uit de veelheid der kuudigheden van den theoloog geëischt, een bezwaar maakten tegen de Theologie. Hij zelf bewees in leven en werken, dat gelukkige aanleg en noeste vlijt uit geleerdheid en diepzinnigheid ware wetenschap bouwen. De theoloog Clarisse beschikte over
1) Boumau, Mem. Clarissii, p. 59.
18
buitengewone kennis van de z.g. klassieke en semitische talen; had de schatkameren der geschiedenis doorzocht, was een gelukkig beoefenaar van de Wijsbegeerte. Daarom hoort gij met eerbied zijne opwekking tot taalstudie; zijn protest tegen alle beunhazerij op godgeleerd gebied â hoe zou een in de bijbel talen onervarene het heiligdom der Dogmatiek betreden ? â zijn protest tegen systeem-slavernij; zijn protest tegen quasi diepzinnigen philosophischen bombast. En de man, die zóó ernstig eene breede propaedeuse voor den aanstaanden godgeleerde noodig achtte, een zóó kloeken grondslag voor de Theologie, beschaamt alle pedante kamergeleerdheid , alle muffe boekenwurmerij, door het praktische doeleinde der Godgeleerdheid te handhaven: âTheologia illos informat Religionis Doctores, qui saluberrima fidei morumque praecepta in urbes et domos indncantquot; \')⢠â Had Clarisse, de Hoogleeraar, \'t aan zijne praktijk als Evangeliedienaar te danken dat hij zijnen tegenstander zoo in het geweten greep met de zielkundige opmerking: âafkeer van den godsdienst, van het Christendom bovenal moet tot verachting van de ware Godgeleerdheid leidenquot;? â Hij laat in deze oratie zijn blik over een wijd uitgestrekt gebied gaan. Allerlei verschijnselen doen zich aan hem voor. Om ze te beheerschen moet hij ze groepeeren. Op de keuze van de principia divisionis komt hier veel aan. Zie, hoe Clarisse meesterschap voert over zijne stof I Hij brengt ons medias in res door aan de werkelijkheid drie toetssteenen voor alle wetenschappen, dus ook voor de Theologie, te ontleenen: vraag naar \'t gewicht van het wetenschappelijk object; naar het nut dat iedere wetenschap afwerpt; naar het geestes genot dat zij u verschaft. â Een der laatste âlaudesquot; die hij aan de Theologie toekent is deze: hare beoefening is onvereenigbaar met bandeloosheid, maar eischt vrijheid. Hoe ernstig Clarisse \'t met deze vrijheid nam zou zijne eerst volgende oratie: âde Theologo vere liberaliquot; duidelijk aan \'t licht brengen.
1) P. 39.
19
Of \'t verstandige vrienden van ons vaderland zijn en vereerders van de protestantsche traditiën onzes voiks, die nederlandsche hoogescholen willen opheffen is eene vraag waarop menigeen een ontkennend andwoord gereed heeft. Dat de fransche overweldiger Napoleon Buonaparte onze akademiën niet genegen was staat historiesch vast. Zijne âtyrannica dominatio ac voluntas inexorabilisquot; !) maakte ongeveer \'t midden van het jaar 1812 een einde aan de geldersche hoogeschool. Na ruim acht jaar zijne prosessorale plichten eervol waargenomen te hebben stond daar Clarisse, hoogleeraar-titulair zonder katheder, huisvader zonder inkomsten. \'t Strekt den wakkeren kerkeraad van de rotter-damsche gemeente tot lof dat hij den uitnemenden man op zijne kansels begeerde. Den 19en Juni 1812 sprak Clarisse te Rotterdam zijne intreê-predikatie uit, over 1 Job. 2 : 1 en 2. Geen volle drie jaren ââ gelukkige jaren echter! â woonde en werkte Clarisse in \'t roemruchtig Venetië aan den Maas. Buonaparte viel. Een Oranje beklom den tbroon der Nederlanden, \'t Jaar 1815 bracht Clarisse weer op de plaats waar hij hoorde: op den katheder. Hij aanvaarde den 12⢠Juni een prosessoraat te Leiden, als opvolger van Broers, met eene oratie âde Theologe vere liberali.quot; Deze redevoering werd tegelijk met die van 1806 uitgegeven. De gesamendlijke uitgaaf werd aan Z. M. Koning Willem den Eersten opgedragen 1).
Na een kort woord aan de rotterdamsche gemeente en over zijne droeve huiselijke omstandigheden â Clarisse had juist een zoontjen van negen maanden verloren â looft hij de verdiensten van Koning Willem den Eersten. âWij wenschen het vaderland geluk met zulk eeneu vorst, bidden van God
2*
1
Joannis Clarisse Orationes Duae, altera de Theologo vere Liberali, publice dicta A. D. XII Junii 1815, quum ordinariarn Theologiae Profes-sionem in Academia Lugduno-Batava solenni ritu capesseret: altera de injusto Theologici Studii contemtn, A. D. XI Junii 1806 in Academia Harderovicena habita, quum magistratum academicum deponeret. Lugdini-Batavorum. Apud H. W. Hazenberg, juniorem, 1815.
20
dat hij nog langeu tijd voorspoedig aan het hoofd van Neór-lands volk sta, en dat, wanneer hij eens in hoogen ouderdom naar den hemel zal zijn heengegaan, zonen en kleinzonen, hem gelijk, de voetstappen van zulk een vader steeds zullen drukken.quot; Nu komt Clarisse tot zijn thema. Hij zal spreken over den waarlijk âliberalenquot; godgeleerde. Ter verklaring van het woord âliberalisquot; â dat niet gemakkelijk te vertalen valt en thands inzonderheid verklaring behoeft, daar \'t voor óns een partij- of richtingnaam werd â verwijst Clarisse naar de oude Romeinen. âLiberalequot; noemden zij al wat tot den vrijen man behoort1). âLiberalitasquot; is eene deugd. Niemand twijfelt of zij is een vereischte in iedere levensomstandigheid, in elk studievak. Wanneer echter dit woord met de Godgeleerdheid in verband gebracht wordt, schrikken velen terug als zagen ze een giftigen slang, als vreesden zij den beet van een dollen hond. Hoe is dit te verklaren ? Clarisse vindt eene eerste aanleiding tot dit verschijnsel in het woord zelf, dat eenigzins vaag en onbepaald is. In de tweede plaats dient het misbruik, door neologen van dit woord gemaakt, opgemerkt te worden. Deze noemen zich âliberaalquot;, doen zich als zoodanig voor, maar brengen onder dit voorwendsel den godsdienst doodelijke wonden toe. En toch âliberaalquot; te zijn is eene deugd in de godgeleerden. Waarlijk âliberalisquot; is de theoloog die zich onderscheidt door meer dan gewone geleerdheid (a), door voorzichtige oprechtheid (6), door bescheiden vrijheid in gevoelen en oordeelen (c), eindelijk door zelfbeheersching en billijkheid (d) 2).
De redenaar vermeldt de âeruditioquot; in de eerste plaats, niet wijl al het andere ter vorming van den liberalis theolo-gus vereischt, haar noodzakelijk volgt maar omdat er zonder haar geen ware âliberalitasquot; wezen kan. Al aanstonds sta
1
Quidquiil ad liberum hominem pertinet, p. 6.
2
Hoe vei\'0 tanti norainis houorem non facile Theologe tribuit, nisi eruditione haud vulgari, prudenti candore, raodesta seuliendi libertate, denique moderatione et aequitate execllat. Ad haec igitur quatuor capita referre liceat quidquid ad formam liberalis Theologi depingendam pertinet, p. 9.
21
dit vast, dat de ..Tlieologus liberalisquot; in niots onwetend mag zijn wat betrekking heeft op, of den toegang geeft tot, de Godgeleerdheid, \'t zij de beschouwende, \'t zij de praktische. Dwaas doen zij, die zich reppen tot het beoefenen van de christelijke leer, met veronachtsaming vün taalstudie, van geschiedenis, van wijsbegeerte. Zij leveren wonderbaarlijke, monsterachtige uitleggingen van de H S. De echte godgeleerde vergeet nimmer den band die zijne wetenschap met de anderen vereenigt, en in den kring zijner wetenschap is hij niet enghartig specialist. Cicero reeds zei zoo juist: âEam demum ingenii indolem verae idoneam sapientiae, quae nullo doctrinarum genere spreto omnes facile amplec-tatur.quot; \')
Voorzichtige oprechtheid (prudens candor) onderscheidt den âTheologus liberalisquot; in do tweede plaats. Deze deugd past ieder man van wetenschap. Onvoorzichtigheid en onoprechtheid ontcieren den godgeleerden te meer, naarmate de dingen, waarmee hij zich bezighoudt, heiliger zijn. Wij zullen niemand met den eerenaam van âTheologus liberalisquot; begroeten, indien hij niet in het uitéénzetten, en bevestigen van de godsdienstleer én voorzichtig én oprecht te werk gaat. Te veroordeelen zijn zij die al wat hun maar voor den geest komt, rijp en groen, aan geleerd en ongeleerd, meêdeelen; zij, die onverstaanbaar in raadseltaal spreken, zoodat het zelfs aan geen Oedipus helder is, wat zij bevestigen, wat zij ontkennen; zij die van den kanzei andere dingen verkondigen dan welke zij aan vertrouwde leerlingen mededeelen, terwijl het één tegen het ander vloekt; de Deïsten, die zich christenmensohen noemen, maar de hoofdzaken van de leer, ja zelfs de geschiedenis van Jezus, óf tot de fabelen verwijzen , óf als niet geloofwaardig voorstellen; de philosophen (Schelling c. s.), die afwijkende meeningen onder rechtzinnige termen invoeren, pantheïsme en fatalisme aan de geesten inprentend.
De âtheologus liberalisquot;, oprecht, is ook voorzichtig. Hij
1) P. 12.
22
tracht niet door-te-dringen tot dingen, die wegens hunnen aart niet gekend kunnen worden. Hier laat hij zich door de goddelijke openbaring heleeren. Hij beaamt Scaliger\'s uitspraak; âEa, quae optimus Magister docere non vult, nescire veile, eruditam esse insoitiam.quot; Hadden de godgeleerden deze deugd meer in praktijk gebracht, er waren minder twisten, tweespalt en haat geweest, en de verbreiding van den waren godsdienst ware gelukkiger voortgegaan. â- Is voorzichtigheid den godgeleerden aan te raden â illiberaal zou hij handelen, zoo hij. de traditie slaafs volgend, van de vorderingen der wetenschap schroomde partij te trekken. Bij het licht door Kritiek en Hermeneutiek verspreid, mag hij niet meer, zooals Calvijn en Beza \'t deden, het dogma der Triniteit op den bekenden locus van de drie getuigen in den hemel laten rusten, noch op den meervoudsvorm van het woord Elohim. Illiberaal is de theoloog, die de wetten eener gezonde kritiek en exegese verkracht, opdat niet deze of gene bijbelsche uitspraak tegen zijne meening blijke in te druischen. De theoloog eindelijk hebbe den moed om eigen dwalingen, of die van geestverwanten, te erkennen. Hier vooral moet de oprechtheid met voorzichtigheid gepaard gaan. Men zondige niet tegen den eerbied aan de ouderen verschuldigd, noch lade, door terstond twijfel aan eigen inzichten te openbaren den schijn van lichtzinnigheid en onstandvastigheid op zich. Dit overkwam den beroemden Michaëlis wel eens. Ziet men echter na nauwgezette overweging zijne dwaling in , dan moet het voorbeeld van zoovele geleerde mannen nagevolgd worden. Men herroepe eerlijk en rond het vroeger gestelde. â Minder uitvoerig, toch zaakrijk, handelt Clarisse over het dercie kenmerk van den waarlijk liberalen theoloog, over de modesta libertas Zij past iederen mensch, den Christen bovenal. Zij is te vereenigen met liefde tot de rechtzinnigheid. De pro-pheten, Jezus, de Apostelen, zijn ons tot exempel. Wie weet niet dat deze allen in denken, spreken, schrijven, groote vrijheid gebruikten? Of wie zal beweeren dat de modesta libertas van Zwingli, Luther, Calvijn de zuiverheid hunner leer schaadde? De ware âliberalitasquot; is nauw ver-
23
bonden met de âlibertasquot;: het eerste woord komt dan ook van het tweede af. De vrijheid, kostbaar pand ons door de vaderen overgeleverd, verafschuwt alle cupiditas, temeritas en audacia. De nederlandsohe Geloofsbelijdenis waarborgt haar ons. De echte theoloog zal dan ook niet slaafs hechten aan wat de ouderen vaststelden, noch aan wat der meerderheid van zijne tijdgenoten zeker en wél doorzocht dunkt. Uit eigen oogen te zien, aan geene meening, hoe algemeen aangenomen ook, zijne toestemming te geven dan na voorafgegaan onderzoek, dat acht hij zijnen plicht. Laat de tijdgenoten lachen, wanneer ze hooren dat men den Godsgezanten werkelijke wonderen toeschrijft; laat hen heel de gewijde geschiedenis tot mythen, overleveringen en philosophernen herleiden â dit alles beweegt hém niet eene zienswijze aan te nemen of te laten varen. Hij wordt niet verleid door begeerte naar het nieuwe, noch door verachting van wat de ouderen goed zagen. Overal zoekt hij de waarheid. Heeft hij haar gevonden, zoo hangt hij haar aan, verdedigt haar voorzichtig en vrij. Onwaardig is het en zeer verderfelijk voor de zaak van den godsdienst wanneer de godgeleerden aan overgeleverde meeningen blijven hangen, en hunne oogen sluiten voor het doorbrekende licht. De theoloog vreeze niet âhet nieuwequot; voor te staan, indien hij het als âwaarquot; erkent. Geene verguizing jage hem schrik aan! Wat drukte veroorzaakten zij, die het eerst aan den stijl van het Nieuwe Testament hebraïsmen, latinismen, soloecismen toeschreven ! En toch! Indien nü iemand aan dit verschijnsel twijfelde zou Lij terstond door heel het choor der geleerden uitgefloten worden 1). â De aequitas en de moderatio, dig den theoloog steeds moeten onderscheiden, zijn steunpilaren van den vrede. De beste godgeleerden waren met deze eigenschappen gecierd. Van de Wijnpersse en Hinlopen worden in dit opzicht door Clarisse als voorbeelden geroemd.
1
âQuas lurbas dedere, qui primi hebraïsmos, laliuismos, soloecismos Novi Foederis stylo tribuebant; de quibus, si quis hodie dubitare sustiueat, continuo ab universe eruditorum horninum choro exsibiletur!quot; p. 21.
24
Het eigenrllijk methodologische bestanddeel treedt in deze oratie nog meer op den voorgrond dan in het tweede, waarvan men haar het pendant kan noemen. Daar wordt de goecte eere der Godgeleerdheid gehandhaafd, haar waarde in \'t licht gesteld, hier het beeld van den echten godgeleerden geschetst; geen wonder dus dat wij meer dan één voorschrift ter beoefening van de theologische wetenschap door Clarisse reeds vroeger gegeven, terug vinden. Let op het aanbevelen van een breeden propaedeutischen grondslag, en, wat hiermeê samenhangt, op die waarschuwing tegen beunhazerij zoowel als tegen eenzijdige, benepen, speciaal-studie, en tegen systeem-slavernij. In \'t hizonder wordt nadruk gelegd op de zelfstandigheid van den godgeleerde als man van wetenschap. Zelfstandig in zijn onderzoek, zweert hij niet bij wat de ouderen vaststelden of deden, noch bij hunne theoriën, noch li ij hunne praktijk. Hij is prat op zijne vrijheid. Maar in een tijd, die nu juist niet over zich zelf ontevreden was, had Clarisse de wijsheid en den moed, om tegen het dienen van den tijdgeest zijne stem te verheffen. Naar waarheid vraagt de zelfstandige theoloog, niet naar wat oud is of nieuw. Ja ook het vasthouden aan eigen, vroeger geuite meening, mag zijne vrijheid niet belemmeren. De ijdelheid om âsemper idemquot; te schijnen omstrikke hem niet. Met deze zelfstandigheid in het zoeken van de waarheid gaat de plicht gepaard om duidelijk en klaar te zeggen wat men meent. Niets stuit den eerlijken Clarisse zóó tegen de borst als onduidelijkheid van uitdrukking, dubbelzinnigheid en de praktijk der .,achterdeurtjens.quot; Wie een slag om den arm houdt viert den teugel niet ridderlijk en vrij. De onderscheiding tusschen esoterische en exoterische leer is onzen hodegeet een gruwel. Al de hoedanigheden nu, die den godgeleerden moeten kenmerken, vloeien natuurlijkerwijze voort uit de hoofdvereischen, door Clarisse hem gesteld; âeruditioquot;, âprudens candorquot;, âmodesfa libertasquot;, âaequitas et moderatio.quot; â âDe Theologo vero liberaliquot; luidt de titel dezer rede. Uit haren inhoud blijkt dat ons hier het beeld van den idealen godgeleerde geschetst wordt. Hoe kwam
25
Clarisse er toe om juist van den âliberalenquot; theoloog te spreken? Hij zelf erkent flat dit woord, op godgeleerd gebied, veler antipathie wekt, dat er iets vaags in is, dat het bovendien door de neologen misbruikt wordt. Zijne keuze is uit de tijdsomstandigheden te verklaren. In de jaren van Nederlands herstelling gold het den staatsman tot lof âliberaalquot; te zijn. Waarom zou Clarisse, de ijverige pleitbezorger van de Godgeleerdheid, dit woord âliberalisquot; niet in zijne schoonste beteekenis opvatten, de voornaamste kenmerken van de idee âliberalisquot; niet op den godgeleerde toepassen, om zóó tevens te toonen, dat waarachtige liberalitas en neologie twee zijn? Dit woord uitsprekend sprak Clarisse de taal van zijn tijd, handhaafde hij de eer zijner wetenschap, en toonde hij aan dat het ongeloof zijne lading niet kon dekken onder den vlag van formeel-juiste voorschriften. Wel verre van Clarisse, uit de keuze van dit woord een verwijt te maken, als heulde hij met den geest des tijds, moeten wij zijne wijsheid, waar allicht een ironiesch adertjen doorloopt, prijzen. Wij beamen Bouman\'s scherpzinnige opmerking: âSicuti autem sacris concionibus, majore nescio ingenio an sapieutia, argumenta tractanda sumere consueverat ad rerum praesentium oppor-tunitates cursumque mire attemperata; ita eandem nunc aca-demicam banc habiturus orationem, seoutus est prudentiam \').
Gedurende het akademiejaar 1821â1822 was Clarisse Rector magnificus der leidsche hoogeschool. Den 8el\' februari 1822 legde hij deze waardigheid neêr met het uitspreken van eene rede: âover de geschiedkundige en de wijsgeerige kennis, die in de beoefening van alle wetenschappen, de Godgeleerdheid niet uitgezonderd, vereenigd moeten wordenquot;.1)
1
Oratio de conjuugeuda, in quarumvis doctrinarum, etiam Theologiae studio, coguitione historica et philosopha. Habita Die VIII Februarii, Aimi MDCGCXXII, quum magistratum academicurn soleuui ritu deponeret. (In de âAnnales Academiae T.ugduno-Batavaequot; 1821â1822.)
26
Dit beknopte, aan gedachten rijke, stuk is een wèl doorclacht betoog van de noodzakelijkheid om historische en philosophische studie steeds innig te verbinden.
De aanhef, die ons aan de taal en den stijl van Salustius\' inleiding op den âCatilinaquot; herinnert, gaat van het feit uit dat in waarnemen en nadenken al de kracht van onzen geest gelegen is. Wij observeeren de dingen, die zich aan ons vóórdoen, en denken vervolgends na hoedanig zij zijn. De dingen zelf zijn óf buiten ons, door middel der zintuigen waar te nemen, óf binnen in ons, door intuïtie en bewustzijn te kennen \'). Alle menschelijke kennis, alle wetenschap in \'t bizonder, is dus óf geschiedkundig, óf wijsgeerig. Wat op voorwaar-houden steunt, of op anderer gezach, behoort tot de geschiedkundige kennis. De waarneming derhalve en de rede verschaffen ons wetenschap. Men scheide deze twee niet. Alleen door de waarneming wordt de rede als uit haar schuilhoek gelokt en tot werkzaamheid gebracht. De waarneming, op zich zelf gedacht, afgescheiden van de rede, zou nauwelijks van de gewaarwording der dieren verschillen 1). De rede hangt van de waarneming af en omgekeerd: de eene is niet voltooid zonder de andere. Evenzoo gaat de geschiedkundige wetenschap niet zonder de wijsgeerige en omgekeerd.
Daar nu de waarneming de rede wakker roept en de geschiedkundige wetenschap de wijsgeerige voorafgaat, handelt Clarisse eerste over de Letteren en de philologische studiën, als ook over de Geschiedenis en de Antiquiteiten, \'t Is duidelijk dat deze leervakken zich bezig houden met dingen die in
1
Etenim experientia valemus et ratione. Non ratione sola, quippe quae sine rerum, sibi oblatarum, usu et observatione e suis quasi latebris non clicitur, neque in actum ducitur. Non sola experientia, quippe quae, si a rationis usu sejuncta cogitetur, vix a brutorum animalium sensu possit diversa censeri, p. 7.
27
feiten bestaan. Een dwaas, die hier door beschouwing bepalen wil, wat waar is, waar kan, waar moet zijn. Bij deze studiën echter, ook bij de Philologie. moet het licht der Wijsbegeerte ontstoken worden. Hoe isouden Kritiek, Grammatiek, Hermeneutiek \'t zonder redelijke Wijsbegeerte stellen ? Neem uit de geschiedenis het âwaarom ?quot; het âop wat wijzequot; weg, vraag niet âter wille waarvanquot; iets geschiedde , of \'t een einde had overeenkomstig de rede â en de geschiedenis wordt eene oratio, is niet meer eene doctrina, naar Polybius\' uitspraak â¢). â Gaan wij tot de wijsgeerige studiën over, dan zien we aanstonds dat zij niet minder geschiedkundig dan wijsgeerig zijn. Hoe men haar ook ver-deele in een theoretiesch en een praktiesch gedeelte â met Aristoteles â \'tzij met Plato, in rationeele, physische en moraal-philosophie, \'t zij in Physika en Metaphysika â men vraagt steeds evenzeer âwat is er,quot; als âwaaromquot; en âhoequot; het is. 1) â Bij zijne verdere beschouwingen volgt Clarisse de indeeling in Metaphysika en Physika. De eerste houdt zich bezig met dingen, die niet onder het bereik der zintuigen vallen, en dus alleen door de rede gekend worden. Men denke aan de ontologische vraagstukken, aan de denkbeelden van vrijheid, onsterfelijkheid, deugd, godsdienst. Toch zou men niet redeneeren over het âzijnquot; indien men geen bestaande dingen waargenomen had, noch van een rationeele Psychologie spreken, indien de experimenteele niet voorafgegaan ware. Clarisse weet wel dat er waren en nóg zijn, die, zooals zij dit noemen, a priori, én zich-zelf, én het waereld-heelal, ja God âconstrueeren\'\' maar hij vraagt: âhos vero a sensus communis contubernio longissime remotos, in regionibus aëreis quasi et supralunaribus palantes, sermone
1
In ejus studio aeque quaeri, quid sit, ac quare sit aut quo mode, quis tandem inficias ire, ulio jure possit? p. 14.
28
aliis hominibus baud intelligibili usos et in ipso, quod animo intueantur. Absolute veluti mersos, quis, mentis adhuc compos, veros salutet Pbilosophos? Quis talia eorem philo-sopheraata non aegrae mentis somnia dicat ?quot; \') Waarneming gaat vóór bespiegeling op ieder gebied van wetenschap: op dat der l\'hysika, der Medicijnen, der Rechten 1). â De theologische wetenschap nu is ook dééls geschiedkundig, dééls wijsgeerig. Tot de historische vakken behooren: de Kerkgeschiedenis , die der Dogmen, de gewijde Philologie, de Kritiek, de Hermeneutiek. Al wat wij door de goddelijke buitengewone openbaring weten â daar \'t alleen gekend wordt uit het geloof aan Gods uitspraken en gezach gehecht, en dingen zijn, die in feiten bestaan, is historiesch van aart. Te veroordeelen is echter ieder theoloog, die, met deze historische kennis tevreden, de Wijsbegeerte veracht. Is niet reeds de Theologia naturalis, waarop de Theologia revelata als op haar grondslag rust, een deel der metaphysische Wijsbegeerte? Hoe zal de theoloog, bij \'t verdedigen van de geopenbaarde waarheid het buiten de Wijsbegeerte stellen, zonder tot mysticisme en fanatisme te vervallen. Zegt men, om de wijsbegeerte buiten spel te brengen, dat toch alles volgends de autoriteit der Schrift beslist moet worden â âhoe zijt gij, mijn waardequot;, vraagt Clarisse, âindien gij niet philosopheeren wilt, van dit gezach doordrongen? Of waaraan â indien niet aan de Wijsbegeerte â zult gij de voorschriften van Hermeneutiek en Kritiek ontleenen, die u toch moeten zeggen of de H. S. mannen Gods tot schrijvers hebben, en wat hare beteekenis zij?quot; Hoe zou men zonder Wijsbegeerte het (7U7tviij.x van Dogmatiek en Moraal opbouwen, tenzij de godgeleerde wijsgeerig denke over de dingen van den godsdienst 2).
1
1) P, 15. 2) P. 16â20.
2
Poslrerao, nam pluribus in medium afferendis nunc quidem super-sedeo, qui tandem fieri possit, ut vel Dogmaticae, quae dicitur Theologiae aptam owrjj/xa conciunetur, vel Moralis Theologiae probabiliter exponatur, vel de doctrinae veritate aut de officiorum hominis christiani necessitate, salubritate, praestantia interna, aliis persuadeatur, eorumque fides confir-
29
In deze oratie grijpt Clarisse de vraag naar de methode â zoowel op het gebied der wetenschap in \'t algemeen als op dat der Godgeleerdheid in \'t bizonder â flink aan. Ik acht deze rede de primam inter pares, \'t Is een tijdrede (s. v. v.). Eenzijdigheid dreigde empirie en speculatie van elkaêr te scheiden. Clarisse zag in zijne dagen denkbeelden opkomen die met logische noodwendigheid tot het moderne positivisme moesten leiden. Tot de vragen: âwat is er?quot; en âhoe is het?quot; gaat men het wetenschappelijk onderzoek beperken. Voor de vragen âwaarom is het?quot; en âvan waar is het?quot; wordt geen plaats gelaten. Aan den anderen kant doet een a prioristiesch speculeeren als kon de bespiegeling \'t wel buiten ervaring en waarneming stellen. Clarisse treedt voor het juiste evenwicht op. Helder wijst hij den weg der wetenschap aan. Deze heeft zijn uitgangspunt in de empirie. De wetenschap rust op empirische basis. De echt wetenschappelijke onderzoeker spilt zijne krachten niet aan Je luchtgymnastiek eener bloot logische speculatie maar vindt de stof voor de kategoriën van het denken in de hem omringende werkelijkheid. Als bloote empirie is de wetenschap echter niet voltooid. Veeleer roept de waarneming het nadenken wakker en vindt er haar einddoel in. Zoo ontstaat er dan tusschen de twee groote werkzaamheden van \'s menschen geest â tusschen waarneming en bespiegeling â eene wisselwerking. De Geschiedenis blijft zonder de Wijsbegeerte chroniek. Eerst door het wijsgeerig bestanddeel wordt zij tot Geschiedenis geadeld. De Wijsbegeerte van haar kant trekt nut uit de Geschiedenis.
Deze methodische beginselen aller wetenschap op de Godgeleerdheid in \'t bizonder toepassend, verklaart Clarisse terecht dat deze laatste dééls geschiedkundig, dééls wijsgeerig is. Tot de geschiedkundige vakken telt bij met name de Kerken de Dogmenhistorie, de gewijde Philologie, de Kritiek, de Hermeneutiek. Wat volgt hieruit? Dat het geheele organisme
metur et animi ad quodvis bonum alacriter sectaudum incitentur et quasi inflammautur, nisi Theologe philosopha sit rerum ad religiouem pertinen-tium cognitio, p. 26.
30
van de encyklopaedie der Godgeleerdheid in twee hoofddeelen gesplitst wordt: eene bipartitie. Eerst de empirische (of historische) theologie, dan de wijsgeerige of bespiegelende. Komt de praktische theologie hierbij zoo verkrijgen we de tripartitie.
Bleef Clarissa aan deze beginselen getrouw? Werkte hij volgends dit schema zijne encyklopadie uit? Zien we wat er van is!
Clarisse\'s verdiensten jegens ons studievak worden eerst volkomen en in al hare eigenaartigheden uit zijne encyklopaedie gekend. Dit boek verscheen in 1832 voor de eerste maal. Trots de groote oplage was deze editie weldra uitverkocht. In 1835 werd zij door de âeditio altera auctiorquot; gevolgd. De schrijver noemt zijn uitvoerig werk (le uitg. p. 709 pp.; 2C uitg. 807 pp. met eene voorrede van XXIX pp.) bescheidenlijk: âEncyclopaediae Theologicae Epitomequot; !) Ik meen aan de meerderheid mijner lezers een dienst te doen door hun een overzicht van dit massieve werk te geven, \'t Wordt immers in onze dagen meer geprezen dan gelezen ? \'t Beleefde immers geen derde uitgaaf?
De belangrijke voorrede vraagt eerst onze aandacht. Zij is tot aanstaande godgeleerden, âfuturis theologisquot;, gericht, zooals het heele boek voor hén geschreven werd. Bij de beoordeeling van het werk moeten we hiermede rekening houden. Clarisse wil zijne studenten orienteeren. âGij weet zonder twijfel, waarde vakgenoten!quot; â zoo luidt het cp eenigszins vaderlijken, altijd gemoedelijken toon, âdat men-schen, die van plan zijn eene buitenlandsche veis te ondernemen , vóór hun vertrek en ook dikwijls nog gedurende de
1) Encyclopaediae theologicae epitome, perpetua annotatione, literaria potissimum, illustrata. Futuris theologis scripsit Joannes Clarisse, A. L. M. Theol. et Phil. Doet. Theologiae in Academia Lugduno-Batava Professor. Lugd. Bat. apud S. et J. Luchtmans, Academiae typographos. Waar het tegendeel niet expres vermeld wordt zijn onze aanhalingen uit de editio altera.
31
reize ijverig naar alles iuformeeren wat betrekking heeft op het land zelf waar zij heengaan, of op den weg die er heen voert !). Hetzelfde nu wat bij reizigers in zwang kwam, plegen ook de beoefenaars van kunsten en wetenschappen te doen 1). En terecht! Slechts hij mag hopen in eenig vak van wetenschap te zullen uitmunten, die het wijde en uitgebreide gebied er van beschouwt, dan wijselijk uitziet op welke gedeelten hij zich vooral toeleggen, aan welke hij de meeste aandacht schenken moet, van welke hij de schoonste en nuttigste vruchten wachten mag 2). Hoe nuttig dit overzien van het studie-gebied is, toont Clarisse uitvoerig aan. \'t Is de eerste voorwaarde eener grondige, vruchtbare, methodische beoefening van de wetenschap. Vanwaar dat zoo menigeen geen profijt heeft van zijne akademie-jaren ? \'t Komt door eene averechtsche en verkeerde wijze van studeeren *). Derhalve: ieder jongeling, die naar hoogere wetenschap streeft, zal \'t â opdat hij vermijde wat vermeden, najage, wat verkregen moet worden, eu in zoo kort mogelijken tijd een zoo groot mogelijke ruimte doorloope â nuttig zijn, dat hij door eenigen voorsmaak van de uitnemendheid der te leeren dingen, in liefde er toe ontflamme en in de bestudeering er van stuur en richting verkrijge B). â â Wat nu
1
Idem vero, quod peregrinatoribus usu venit, Studiosis quoque disci-plinarum artiumque accidere solet, p, Vl.
2
In Literarum quoque studio, is demum excellere se posse speret, qui circumspecto spatiosissimo et late patente doctrinae campo, prudenter discernat, ad quaenam praesertim sibi sit animus adjungendus, quibusnam maxima debeatur attentio, ex quibusnam optimi sint et ubberrimi fructus expectandi. (p. VIII).
32
de beoefening van de wetenschap in \'t algemeen eischt, vraagt die van de Godgeleerdheid in \'t bizonder. âUit wat wij tot hiertoe bespraken, blijkt, meen ik, dat gij behoefte hebt aan een algemeen overzicht van de godgeleerde wetenschap zelve, en aan eene nauwkeurige beschrijving van den theolo-giscben studiëngangquot; \')⢠Tegen den eersten eisch eener degelijke bestudeering van de Godgeleerdheid zondigen zij âdie alle menschelijke wetenschap verachtend â de studie van talen, van de Geschiedenis, en bovenal van de Wijsbegeerte â die zij minachtend waereldsch noemen, veronachtzamen, en toch meenen dat zij het merg van de goddelijke en hemelsche leer zullen smaken.quot; Clarisse zegt met nadruk dat er, zonder Philologie en Philosophic, geene Theologie, dezen naam waardig, mogelijk is. Men ontwijke dus Scylla. Maar men vervalle niet op Charybdis. â\'t Kan gebeuren dat jonge lui van uitnementlen aanleg zich zoo geheel aan eenig deel der véél-omvattende propaedeuse geven, door bet genot er van zóózeer geboeid worden, dat zij er in opgaan, de andere deelen veronachtzamen, en eindelijk op de Godgeleerdheid zelve, om wier wille zij toch de voorbereidende studie ondernamen , uit de hoogte neerzienquot; 1). Hoe men beide gevaren ontkomt leert ons juist het studievak dat âtheologische en-cyklopaediequot; of âmethodologiequot;, of âinleiding tot de godgeleerde wetenschapquot; heet 2). De roeping van dit leervak bestaat hierin: om duidelijk aan te toonen wat de toekomstige godgeleerde moet laten en doen; op wat wijze, in welke orde, hij zijne studiën moet terhand-nemen en in \'t algemeen zijn geheelen akademischen loopbaan inrichten *).
Evenals het âfuturis theologisquot; zijn deze laatste woorden van groot gewicht tot de beoordeeling van Clarisse\'s boek. \'t Is voor studenten geschreven, om hen tot leiddraad te dienen, \'t Zal ons niet eene wijsgeerige beschouwing en ont-
1
3) Quae Encyclopaedia Theologica, vel Methodologia, vel Isagoge in
2
Theologicam disciplinam dicitur, p. XIX.
33
vouwing van het organisme der Theologie geven, \'t Beoogt een praktiesch en paedeutiesch doel. Vandaar de speling, die de hoogl. toelaat, bij de benaming van ons leervak. Spreek van âencyklopaediequot;, spreek van âmethodologiequot;, spreek van âinleiding tot de Godgeleerdheidquot; â \'t is onverschillig. Encyklopaedie en Methodologie gaan hier vereenigd. De âencyclopaedicae institutionesquot; zijn âmetholologicae institu-tiones.quot; Blijkt \'t niet zonneklaar uit déze woorden: âMon-strant tironi viam; indicant, quaenam potissimura adeundae sint scholae; quandonam et quo ordine et quamdiu, ut aliae alias commode excipere possint; porro, ad quaenam in Scholis prae caeteris attenrlendum, quid agendum, quo pacto ihi percepta domi retractanda sint; tum, quibusnam libris uten-dum; et quae sunt plura, his nou prorsus dissimiliaquot; \'). Schrijf aan de encyklopaedie het praktiesch doel vóór, dat Clarisse haar stelt, en gij móet verklaren dat de hodegetiek noodzakelijk met haar verbonden is 1). â Wat natuurlijker dan dat menige trek in deze voorrede ons aan de Orationes waarmeê wij reeds kennis maakten, herinnert? Ik wijs den lezer o. a. op de vele en moeilijk te verkrijgen kundighe len van den theoloog geeischt 2); op de waarschuwing dat men toch niet zonder eene soliede en uitgebreide propaedeuse de Theologie ter hand neme 3).
Prolegomena gaan het eigendlijke werk vooraf. In zeventien paragraphen zijn ze kort saamgevat (p. 1â19). Na elke § komt eene, gemeenlijk zéér rijke, keurig bijeen gelezene opgave van litteratuur, \'t Eigenaartig empiriesch-praktiscbe charakter van Clarisse\'s encyclopaedie komt al dadelijk uit in den titel van § 1: âHet ampt van den Godgeleerdequot; 4). Christelijk godgeleerde is hij die de leer vau den godsdienst.
1
ïpsi (s. 1. Encyclopaediae) necessario adjungitur methodologica, sive hodogelica, p. XXIII.
2
Multitude discendorum et difficultas, p. XIV.
3
P. XVI, XVII.
4
Theologi munus.
34
uit de heldere bronnen, der H. S. geput, voordraagt, rangschikt, verklaart, bevestigt, verdedigt1). Dit kan op twee wijzen geschieden: I volksdommelijk: a. bij de vergaderingen in de bedehuizen , b. in de hizondere onderrichting van de leerlingen; II op wetenschappelijke wijze; in de gehoorzalen ten bate van aanstaande geleerden 2). Zoo verkrijgen wij de onderscheiding tusschen den kerkelijken en den akademischen godgeleerde3). Zal dj godgeleerde zijn arapt goed vervullen, dan onderneme hij eerst de theologische studie (§ 2). Deze is dééls voorbereidend, dééls in engeren zin theologiesch. De âEncyclopaedi s (et Methodologia) theologicaquot; (§ 1) draagt alle leervakken tot deze studie beboerende vóór als in een kort begrip saamgovat, onder één gezichtspunt vereenigd, en hun verband: hoe zij \'t één van het ander afhangen3) Zij is zelf eene afdeeling der algemeene Encyklopaedie. Deze omvat alle mogelijke menschelijke wetenschap. Ziehier de inhoud van de Encyklopaedie der Theologie. Zij leert ons wat de toekomstige theoloog moet leeren, waarom, op wat wijze, met welke hulpmiddelen. Clarisse weet wel dat de Methodologie door sommigen van de Encyklopaedie onderscheiden wordt. âHij erkent: .,zij kan er inderdaad van onderscheiden wordenquot; 4). Maar hij meent dat de band tusschen deze twee te nauw is dan dat men hiertoe zou overgaan. â De Encyklopaedie splitst zich in algemeene en hizondere (§ 5). De eerste handelt over âde gaven die de theoloog hebben moetquot; (§ 7;; over het studieplan door den toekomstigen godgeleerde te volgen (§ 8); over de keuze van de dingen die hij leeren moet (§ 9); over de orde daarbij in acht te
1
Tlieologi vcro Christiaui (s. 1. nomen merito obtiuebit) tum potissi-mum, si religionis docliinam e limpidis S. S. fontibus haustam, ei\'uit, ilisponit, etc.
2
Theologus ecciesiastious â Theologus academicus.
3
In compendium quasi redactas et sub uno veluti adspectu collocatas, earumque nexum, et quomodo aliae ex aliis pendeant.
4
Potest omnino distingui.
35
nemen (§ 10); over den duur en de verdeeling van den studietijd (§ 11), over wat de student in de Godgeleerdheid moet betrachten en wat hij moet vermijden (§ 12, 13)
De oordeelkundige lezer maakt reeds de opmerking dat deze âEncyclopaedia Theologioa Generalisquot; niets anders dan eene methodologie, âin nucequot; is, aan de Encyklopaedie toegevoegd. â In § 14 âSchrijvers over de wijze der theologische studiequot; 1) vinden we eene uitgewerkte boekenlijst.
Heel het werk handelt nu verder over de bizondere Encyklopaedie. Deze heeft twee deelen. \'t Eerste is aan de voorbereidende studiën gewijd, het tweede nan de leervakken der Godgeleerdheid zelf.
Deze prolegomena â waartoe \'t ontveinsd? â komen ons armelijk voor. Hoe weinig diep dringt Glarisse, de â vir philosophiae amantissimusquot;, in het samenstel der Theologie, in de taak en de roeping der Encyklopaedie door. Reeds Tideman merkte dit gebrek op. âClarissequot; schreef hij âkon meenen dat de Encyclopaedia generalis was af te doen met weinige praecepta, datgene betreffende, dat de Theologische studie aan de zijde van haren beoefenaar vordertquot; 2). Voorzeker, wij mogen den tijd, waarin hij schreef niet uit het oog verliezen, noch vergeten dat allerlei vragen van methode zich voor óns stellen, die voor Clarisse niet bestonden. Toch hadden we hier eene grondige definitie van de Godgeleerdheid verwacht. Wat is haar object? Welke is hare methode? Hoe ontwikkelt zich de Theologie, die één is, in haar onderscheiden saamstellende deelen? Niets van dit al ontfangen we. De rustige, grondige beschouwing van het voorwerpelijk organisme wijkt op den achtergrond om plaats te maken voor praktische wenken betreffende den studiëngang. Met het âtheologi munusquot; vangt Clarisse aan. Maar in de En-
3*
1
Scriptores de rationc studii theologici.
2
Theologische Studiën (1863), p. 19.
3C
cyklopaedie is de Theologie, niet de theoloog N0 I. Dan .. . later meer hierover!
Zetten wij de ontleding van het werk voort, \'t Eerste gedeelte, de voorlicreuleiide studie behandelende1), raag ons uit den aart der zaak niet lang bezig houden, \'t Bevat drie hoofdstukken. Cap. I. Letterkunde (Philologia) Cap. II. Geschiedenis (Historia). Cap. III. Wijsbegeerte (Philosophia).
I. Letterkunde, (p. 18â77). Nadat Clarisse over de menigte, de overeenstemming, \'t gebruik, do bewaring van de talen gesproken heeft2), behandelt hij de talen die de theoloog kennen moet, \'t zij om de boeken daarin geschreven te lezen en te verstaan, \'t zij om zelf zich er van te bedienen in \'t spreken of in \'t schrijven. Volgends eene wél-bekende rubriceering onderscheidt Clarisse levende en iloode talen. Van de eersten bespreekt hij het Nederlandsch, het Duitsch, het Fransch, het Engelsch, en eenige andere (§ 20â24); van de tweeden \'t Latijn, \'t Grieksch, \'t Hebreeuwsch, de semi-tische dialecten, eindelijk het Koptiesch, Armeniesch, Persiesch Indiesch, Chineesch, Turksch (§ 2(3â30). Een laatste §, over de schoone Letteren, de Poëtiek en de Welsprekendheid, besluit dit hoofdstuk.
II. \'t Volgend Caput (p. 77â138) handelt even uitvoerig over de Geschiedenis. Wij worden gewezen op het nut van hare bestudeering, op hare verdeeling, op de methode, op de Antiquiteiten, op de Geographic, de Tijdrekenkunde, de Geslachtskunde, Diplomatiek en Heraldiek, op de Geschiedenis der letterkunde, op die der schoone kunsten. (§ 32â40).
III. De Wijsbegeerte neemt het derde hoofdstuk in beslag, (p. 139â202). Zij wordt eerst beschreven en geroemd, dan verdeeld, Tervolgends worden de Natuurphilosophie , de Mathesis , de Metaphysiek, haar nut, hare geschiedenis, eindelijk de wijze om haar te beoefenen en de hulpmiddelen daartoe, besproken (§ 41â48).
Zóó rijk, zóó veel omvattend is de eerste hoofdafdeeling
1
Sectio prior, propaedeutica, p. 18â202.
2
Linguarum in orbe teirarum multitudo, harraonia, usus, conservatio
37
van Clarisse\'s âEpitome.quot; Malta et multum! Hebt gij deze bladzijden aandachtig gelezen en herlezen dan staat gij verbaasd over de geheel buitengewone geleerdheid van den leidsohen hoogleeraar, over de meesterlijke gemakkelijkheid waarmede hij zulk ontzachlijke stof beheersoht. Na een rustig overwegen van de dingen voelt gij echter niet geringe bezwaren tegen zijn beleid opkomen en de reeds bestaande in gewicht toenemen. Ãérst neemt Clarisse de Methodologie in de Encyklopaedie op. Daarna stelt hij â \'t volgt er uit voort â niet de Theologie maar den theoloog en diens ampt op den voorgrond. Eindelijk vraagt hij niet alleen naar de leervakken door den futurus theologus, door den student, te beoefenen, maar ook nog naar die van den futurus studiosus, van den gymnasiast! L)e bizondere roeping van de Encyklopaedie der Godgeleerdheid wordt uit het oog verloren. Wat heeft ons leervak te maken b. v. met Fransch, Engelsch, Duitsch en Italiaansch? Ja, \'tis den godgeleerde nuttig deze talen te kennen. Maar dit is nog geen motief om over hare beoefening in de Encyklopaedie der Godgeleerdheid te handelen. Den zang zijner leerlingen met \'t orgel te begeleiden kan den katecheet van pas komen. Moet nu de Encyklopaedie over orgelspel spreken? Est modus in rebus, sunt certi denique fines, \'t Is te begrijpen dat een ongenoemd beoordeelaar vau Clarisse\'s handboek in de Godgeleerde Bijdragen1), verdrietig uitriep: âBij jongelieden van eene gewone, of zelfs meer dan gewone, mate van verstand en geheugen meenen wij, dat ook een labor improbus niet voldoende zoude zijn, om er lien voor vrij te waren, wanneer zij zich aan de Hoogeschool wilden oefenen in alle de vakken vau wetenschap, welke de Iloogl. aanbeveelt, dat het niet ten hoogste bij hen uitliep op het waarlijk niet zeer begeerlijk; âde omnibus aliquid, de toto nihilquot;, \'t Is even waar als leelijk gezegd.
1
Vil. 1. (1833), p. 99.
38
Wij zijn tot het tweede hoofddeel genaderd. Was de eerste Sectio âpropaedeuticaquot;, de tweede is âpraeceptiva.quot; Na al dat vóórwerk in het eerste hoofddeel te hebben doorgemaakt verlangen wij nu toch eindelijk tot het encyklopae-diesch instituut onzer wetenschap te komen. Caput primum (p. 203 â 234) echter eischt nog eenige geJuldsoefening van ons. Het handelt over âden godsdienst, hizonderlijk den christelijken en diens waarheidquot; 1). Wij geven kortelijks den inhoud van dit hoofdstuk aan. § 49 : de Godsdienst. § 50: de veelvormige godsdienst der heidenen. § 51: de joodsche godsdienst. § 52: de mohammedaansche godsdienst. § 53: de christelijke godsdienst. § 54: zijne waarheid. Hier wordt terstond aan toegevoegd, in § 55: de Apologetiek. Deze rangschikking verrast ons. Wij verwachten dat de Apologetiek haar plaats zou vinden in het encyklopaediesch schema. Zij staat hier zoo geïsoleerd. Clarisse zelf merkt het op. Hij zegt ons niet hoe hij tot deze schikking kwam. Wat baat ons déze verklaring: âWij hebben \'t beter geacht deze dingen vóór de andere, die besproken moeten worden, in een inleidend hoofdstuk te plaatsen, dan ze, met vele uitnemende mannen, aan de exegetische theologie, of, met meer anderen, bij de Polemiek te voegen?quot; 2) De inhoud van dit eerste hoofdstuk zal overigens bij menigeen bezwaar wekken. Men vraagt â en te recht! â: heeft de Encyklopaedie der Theologie, d. i. der christelijke Theologie, zich bezig te houden met den godsdienst in \'t algemeen, met de verschillende heidensche godsdiensten, met den mohammedaanschen in \'t bizonder? Worden hare grenzen op deze wijze niet overschreden? Wordt haar nauwer gebied niet verlaten voor het ruimere van de Encyklopaedie der godsdienst-wetenschap ? Dit is inderdaad het geval. En dit behoort niet te geschieden. Qui bene distinguit, bene docet. De Encyklopaedie der Godgeleerdheid
1
De Religione, eaque christiaua, hujusque veritate.
2
Alque haec praeliminari capite reliquis dicendis praemittere, quam^ vel ad Exegeticam Theologiam, cuin nonnullis viris eximiis, vel ad Polemicam, cum plerisque aliis, ablegare, satius duximus, p. 224.
39
vormt den ingeschreven cirkel, die der Godsdienstwetenschap den omgesohreveuen; wat hier behoort, vindt daar geen plaats. Dit is een axioma waar niet mee te mallen is. âMaar de wetenschap van de heidensche godsdienstenquot;, werpt men tegen, âis zoo nuttig, ja noodig voor den theoloog.quot; Volkomen waar! Ken dwaas die \'t ontkent. Alle wetenschap, den theoloog nuttig, behoort daarom echter nog niet tot de Theologie, moet daarom echter nog niet in hare Encyklo-paedie opgenomen worden. Kennis van wat de hoogst belangrijke Godsdienstwetenschap leert, zoo grondig mogelijke kennis daarvan, is den theoloog zeer nuttig, ja zelfs noodig ... ter inleiding tot de beoefening van de Theologie, maar het valt buiten den kring der Encyclopaedia Theologiae. \'t Is er meê als met de kennis van het Fransch en het Italiaansch. Hoe Clarisse er toe kwam de grenzen van de Encyklopaedie onzer wetenschap te overschrijden ziet men terstond. Hij schreef âfuturis Theologis.quot; Hij maakte voor hén een studieprogram. Een studie-program ten dienste van studenten in de Godgeleerdheid en een Encyklopaedie dezer wetenschap zijn twéé.
Post tantos labores naderen wij het eigenlijke gebouw der Encyklopaedie. Clarisse, die zooals we zagen, in zijne prolegomena geen grondig onderzoek instelde naar object en organisme der Godgeleerdheid, vermoeit zich thands evenmin met over de rangschikking van de leervakken, de indeeling en ordening van het schema te spreken Geen woord over eenig principium divisionis. Hij gaat bloot empiriesch te werk. Drie hoofdstukken in het voorbereidend gedeelte: Letterkunde, Geschiedenis, Wijsbegeerte. Hiermeé corres-pondeeren a. Exegetische Theologie (cap. \'J. p. 234â310)
b. Historische â (cap. 3. p. 311â399)
c. Systematische â (cap. 4. p. 400â554) terwijl het vijfde hoofdstuk, over de
cl. Pastoraal Theologie (p. 555â625) handelt. De geheele inrichting van dit voornaamste deel der Epitome voldoet ons niet. In vijf hoofdstukken is het verdeeld. Deze staan daar uitwendig gecoördineerd. Toch blijkt uit den
40
inhoud van elk der vier laatsten (die onderling wel gecoördineerd zijn) met dien van het eerste, dat hunne verhouding niet die der coördinatie, maar der subordinatie is. Het eerste hoofdstuk handelt over den godsdienst bizonderlijk over den christelijken en zijn waarheid, het tweede over .. . de exegetische Theologie. â- De inrichting der vier laatste hoofdstukken verrast ons bovendien. Op ;:rond van de Oratio âDe conjungendaquot; etc. hadden wij eene andere schematiseering verwacht. Daar stelde Clarisse zoo duidelijk in \'t licht dat iedere wetenschap, ook de Godgeleerdheid, deel geschiedkundig, deels wijsgeerig is. Hij zelf paste deze waarheid zeer juist op de Godgeleerdheid toe. Gewijde Phi-lologie, Kritiek, Hermeneutiek vielen â zoowel als de Kerken de Dogmengeschiedenis â onder de historische vakken. Dit verdeelingsbeginsel nu laat Clarisse in zijn hoofdwerk varen. Geene wijsgeerige teekening van het organisme onzer wetenschap: geschiedkundige Theologie, wijsgeerige Theologie, geen bipartitie, die door toevoeging van de Practica, tripartitie wordt, maar de conventioneele tetratornie. Naar het schema der âsectio propaedeuticaquot; â die in de Encyklopaedie dei-Godgeleerdheid niet thuis hoort â wordt de laatste ingedeeld. Pelt was zoo gelukkig zijne schoone encyklopaedie in hoofdzaken naar het juiste beginsel, in Clarrisse\'s Rede aangegeven, te bewerken.
Beschouwen wij nu die vier laatste hoofdstukken â Clarisse\'s eigendlijke âEncyclopaedia Theologiaequot;. âCaput Secundum. De Theologia Exegeticaquot;. Den naam âexegetische theologiequot; acht Clarisse op zich zelf minder geschiktquot; \'). Hij blijft hem gebruiken op gezach van mannen als Buddeus, Pfaff, Walch, Planck en anderen. Indien wij acht geven op het parallelisme tusschen de Sectio propaedeutica en de Sectio praeceptiva, blijkt ons dat Prof. Doedes, minder conservatief dan Clarisse, geheel in diens geest â op Tidemans
1) Per sc minus commoda denominatio, p. 234.
41
voorgang \') â van Literarische Theologie1) sprak 2). â Onder âExegesequot; dan, verstaan wij de vertolking van de Heilige Schriften. Clarisse bespreekt eerst âde deelec, eigenschappen en vertolking van de H. S.quot; (§ 56), \'t Gewicht van dit leervak slaat hij zeer hoog aan âwijl men licht begrijpt dat het de voornaamste, schier eenige roeping van den godgeleerde is de H. S. der beide Testamenten goed te vertolkenquot;. *). Naar Quintilianus\' voorschrift; âsnarrationem praecedit emendata lectioquot; en bedenkend dat de theoloog er op uit moet zijn de geschriften der gewijde schrijvers te onderscheiden van dezulken die ten onrechte hunnen naam dragen, handelt Clarisse: a. over de gewijde Kritiek, 6. over de Hermeneutiek. â De gewijde kritiek is niets anders dan de Kritiek op de H. S. toegepast. Zij is woorden- of zaken-kritiek (humilior; altior sive sublimior). \'t Is in onbruik geraakt van âkerkelijke kritiekquot;, die de werken der doctoren van de oude Kerk beschouwt, te gewagen. Wél onderscheidt men de Kritiek in tweeën, naar gelang zij op het O. of op het N. Testament toegepast wordt. Hoe de Kritiek ook onderscheiden worde, hare voorschriften, door de rede bepaald, zijn eeuwig en onveranderlijk 3). Over het nut en de vorderingen der Kritiek spreekt Clarisse in § 58, daarna, § 59, over de historieseh-kritische inleiding op de bijbelboeken. Zij is algemeene of bizondere inleiding. De eerste omvat alle boeken zoowel des O. als des N. T. en de Apokryphen
1
Encyclopedie der Christelijke Theologie, le Uitgave, 1876, p. 42.
2
In zijne âSchets der protestantsche Theologische Encyclopediequot; (Jaarb. voor Wetenschappelijke Theologie XIII Dl., 1856, p. 734â748) drukte Dr. Doedes alleen den inhoud van deze leervakken-groep uit. Aldus: âle Deel, de Heilige Schriften.quot; Hier had Tideman (a. w. p. 67) terecht bezwaar tegen. Hij charakteriseerde dit âEerste deelquot; als: Literarisch deel. âDe Schriftelijke oorkonden des Christendoms.quot;
3
Praecepta ipsa aeterna sunt et immutabilia, quin, ut vocant, a priori, quippe a recta ratione dicta laquot;, p. 238.
42
des O. De bizondere inleiding houdt zich met één bepaald boek bezig. De lagere Kritiek, § 60, behandelt afzonderlijke plaatsen uit de Bijbel-boeken. Zij onderzoekt naar de geschiedenis van den tekst, den toestand der apographa, de verschillende oorzaken, die tot varianten aanleiding gaven, etc. Vervolgends houdt zij zich bezig met de kritische hulpmiddelen, de codices, de vertalingen, de uitgaven van â en de citaten uit, de H. S. (volgorde van Ernesti). Laatste hulpmiddel is de kritische conjectuur. Bij de O. tische kritiek moet zij uit den aart der zaak een groote rol spelen. Ook komt zij bij die van het N. T. te pas. Zeer voorzichtig weivie men haar aan. âConjecturam Criticam.... etiam in N. ï\'. crisi admittendam esse, sed prudenter admodum et modeste , sine cupiditate aut mutandi textus recepti pruritu, usurpaudam, cuivis attendenti sponte patetquot; \'). â § 61 behelst eene geschiedenis der Kritiek. Dit historiesch overzicht munt, gelijk alle anderen die wij in de Epitomequot; vinden, uit door volledigheid , betrekkelijke beknoptheid en overvloedige opgave van litteratuur. Bij alle waardeering van deze hoedanigheden, meenen wij echter dat dergelijke historische schetsen in de Encyklopaedie niet te huis behooren. Zij vinden haar natuurlijke plaats in de handboeken van dit of dat leervak. In eene encyklopaedie onderbreken zij de teekening van het organisme der wetenschap. Ook raag de encyklopaedoloog de taak van den bibliograaf niet overnemen. Voert men tegen onze opmerking aan dat Clarisse, met paedeutiesch doel âfuturis theologisquot; schreef, zoo andwoorden wij: dau gaf hij te veel. De a. s. theoloog moet op enkele standaardwerken gewezen worden: in zoo rijke litteratuur, als Clarisse bij-één brengt, verliest hij zich 1). â Methodologiesch is § 62: âDiscendae artis ratioquot;. De theoloog doe zijn voordeel met de kritische resultaten zijner voorgangers, maar ruste niet
1
Cf. Doedes, Encyclopedie p. Vil, 10, 11 en ouze studie âTer Inleiding tot de Encyklopaedie der Theologiequot;, Theol. Stud. 1884, p. 74.
43
op anderer werk en studie als op zijne lauweren. De a. s. godgeleerde volge de colleges over de gewijde Kritiek en bestudeere de werken der critici. Bovenal leze bij de H. S. zelve en afzonderlijke boeken er van uno tenore.
Na de Kritiek komt de Hermeneutica Sacra, § 63. Zij is de Hermeneutiek toegepast op de H. S. Naar de betee-kenis van het woord is zij de kunst van bet vertolken. Zij verschilt dus niet van de âExegetice.quot; â De vertolker xxr\' samp;z-iv tracht het gevoelen van een schrijver zóó weer te geven dat zijn hoorder of lezer hetzelfde gevoele als de vertolkte auteur. Het eerste voorschrift voor alle juiste vertolking is dus dat men niet in de woorden des schrijvers eenige beteekenis in-legge, maar de ware beteekenis er uit hale. De interpreet moet daarom éérst verstaan, dan verklaren. Wat hem tot beide noodig is geeft Clarisse kortelijks aan. Zeer leerrijk is § 64. âArtis trxtaypacpix.quot; De geheele theorie der inter-pretatie zou Clarisse in drie hoofdstukken willen uit-één zetten: a. taalkundig; b. geschiedkundig; c. logiesch of dialek-tiesch hoofdstuk. Bij de bespreking van het nut der Hermeneutiek (§ 65) gaat Clarisse uit van Ernesti\'s woord : âdat de vertolking van de H. S. de hoogste maar ook de moeilijkste bezigheid van den godgeleerde is.quot; De moeilijkste: zij veronderstelt allerlei hoedanigheden in haren beoefenaar: oprechte waarheidsliefde, gelukkigen aanleg, fijnheid vau oordeel, grooten ijver, edele vrijheid in \'t denken en in \'t uitspreken van zijne gevoelen, steeds met voorzichtigheid en bescheidenheid verbonden. De schriftverklaarder moet tot zijn taak voorbereid wezen door nauwkeurige taalkennis, door velerlei, vooral historische, kundigheden en door dialektische bekwaamheid. Hooge eischen: overeenkomstig de hooge beteekenis van dit leervak! âIndien het immers vast staat dat in de boeken van O. en N. T. de goddelijke institutie der dingen tot den godsdienst behoorend en die men ter zaligheid kennen moet, vervat is; indien het bovendien vast staat dat de zin van de uitspraken der H. S. zeker is en wél bepaald, niet zwevend en veranderlijk, dan is het voor alle menschen zonder onderscheid van het hoogste gewicht de
44
bedoeling Gods juist te verstaanquot; \'). Uitvoerig en met bij-éénlirenging van zeer veel wetenschappelijk materiaal schetst Clarisse de geschiedenis der Interpretatie en der Hermeneutiek (§ 66), en spreekt hij als hodegeet en bibliograaf, in § 67, over de âDiscendae artis ratio et subsidia.quot;
Uit deze analyse blijken zoowel de bizondere verdiensten als de zwakheden van het âCaput Secundum.quot; De eruditie wint \'t hier van het wijsgeerig indenken. Gaarne hadde ik de rijke stoffe nauwkeuriger ingedeeld gezien. Clarisse beschouwt de litterarische studie van het O. T., m. i. te recht, niet als voorbereidend, als inleidend, tot de eigendlijke litterarische Theologie, zooals Tideman het doet.2) Neen, zij maakt er een saamstellend deel van uit. Maar een gewichtig principium divisionis hierdoor van zelf aan de hand gedaan komt niet tot zijn recht en dat ten koste van de helderheid. Daar Clarisse opzettelijk voor âfuturi theologiquot; schreef, had hij het âdivide et imperaquot; meer moeten toepassen. Vergelijk op dit Clarisse\'s handboek met dat van Doedes. Gij zu t erkennen dat deze laatste, juist door fijner te verdeelen, duidelijker doceert dan de eerste. Geef den student in de eerste plaats Doedes te lezen. Deze zal hem veel beter oriënteeren dan Clarisse: hij bereikt het paedeutiesch doei dat laatstgenoemde beoogde.
Hoewel wij ons naar Clarisse\'s juiste opvatting van alle wetenschap, ook van de Godgeleerdheid 3), tot dusver op het uitgebreid gebied der Geschiedenis bewogen, staan wij nu â als werd een nieuw terrein geopend â voor het derde hoofdstuk: âOver de geschiedkunkige Godgeleerdheid.quot; Dit caput is dan, naar de traditioneele indeeling in deze eucy-klopaedie gevolgd, met het voorgaande gecoördineerd. Zien we wat dit hoofdstuk (p. 311â400) ons biedt. Eerst een inleidende §. Zulk een âconspectusquot; zou ook bij het vorig caput niet misstaan hebben, gelijk hij het volgende, over de systematische godgeleerdheid, opent. â In de benaming
â¢1) P. 285. 2) A. w. p. 76.
3) Oratio, âde Conjungendaquot; etc. p. 24.
45
âhistorische theologiequot; berust Clarisse. Zij is wel âminder geschikt maar echter niet te verachten\' ) \'). Dit oordeel wordt niet gewettigd, iets wat m. i. wel noodig geweest ware. Met dezen naam dan beteekent men dat gedeelte der godgeleerde studie, dat eigendlijk en vóór allen van geschiedkundigen aart is 1). Zegt de hoogleeraar verder: âmet dezen naam zou men ook de Dogmatiek, ja zelfs de Moraal kunnen noemen, in zooverre zij beiden positief zijn en op uitspraken van Jezus en de overige Godsmannen gesteund, derhalve in historische gegevens bestaanquot;, zoo kunnen wij dit nóch van de Dogmatiek, nóch van de Ethiek zonder velerlei restricties toegeven. Bovendien gevoelen wij hier nog den invloed van de verwarring, of liever van het gebrek aan onderscheiding, tusschen de Dogmatiek en de bijbetsche Theologie. Verleden en toekomst ontmoeten elkaer echter in Clarisse\'s korte opmerking. Immers geeft hij de gronden aan die later tot de rangschikking van de Biblica onder de geschiedkundige vakken zullen nopen.
Het gebied der geschiedkundige godgeleerdheid zooals onze encyklopaedoloog het afbakent is nóg omvangrijk, \'t Bevat de Kerkgeschiedenis in den ruimsten zin van het woord. Deze is verdeeld in bijbelsche of gewijde geschiedenis, en in Kerkgeschiedenis in engeren zin. De Kerkgeschiedenis i. e. z. kan weer onderscheiden worden in algemeene en bizondere. âHet begrip en de deeleu der Kerkgeschiedenisquot; luidt het opschrift van § 69. Onder âdo- Kerkquot; verstaat men âde vereeniging der mensehen die den waren God vereeren.quot; Daar deze vereeniging reeds van den oorsprong des men-schelijken geslachts bestaat, en haar oudere toestand, evenals hare lotgevallen vóór en niet zoo lang na Jezus Christus heengaan van de aarde, alleen uit de gewijde boeken der beide Testamenten gekend worden, is het duidelijk waarom men hier ook aan de gewijde, d. i. bijbelsche geschiedenis eene plaats geeftquot; Deze is: a, gewijde of kerkelijke ge-
1
Ka pars, quae proprie et prae caeteris historici generis est.
4G
schiedenis des O., b. des N. T. Na deze laatste vangt de gewoonlijk zoogenaamde Kerkgeschiedenis aan. Zij is wederom gesplitst naarmate zij de uitwendige of de inwendige lotgevallen der Kerk beschouwt. De geleerde Clarisse is geheel in zijn âfortquot; wanneer hij, § 70, over de âBronnen der Kerkgeschiedenisquot; spreekt. Uitvoerig toont hij het nut van dit leervak aan (§ 74), terwijl hij (§ 72) methodologische wenken, en een breede, zeer breede lijst van werken over de Kerkgeschiedenis opsomt. De opmerking âin nullo fere studiorum genera fieri possunt egregii profectus sine librisquot; opent § 73: Hulpmiddelen 1° tot de gewijde geschiedenis. Wederom worden hier (en in § 74, 2° hulpmiddelen tot de Kerkgeschiedenis) de sluizen der eruditie opengezet. Dan worden de hulpvakken besproken. Eerst de Archaeologie, § 75; Antiquitas: a. Sacra; § 70, b. Ecclesiastica. Ten tweede de Geographia: a. Sacra; 1). Ecclesiastica. (§ 78). Ten derde de Chronologia sacra et ecclesiastica (§ 79) éérst ge-samendlijk, dan de eerste nog afzonderlijk. (§ 80.)
De treffendste verdienste van dit caput is wel in de betrekkelijk juiste afbakening van het gebied der geschiedkundige godgeleerdheid gelegen. Clarisse neemt de geschiedenis der afgodendiensten en van het Mohammedanisme hier niet op. Geen verwarring derhalve tusschen de begrippen âencyklo-paedie der godsdienstwetenschapquot; en âencyklopaedie der godgeleerdheidquot; verstoort het organisme dezer laatste. Het eerste hoofdstuk der Sectio praeceptiva â welke bezwaren men er ook tegen gevoele â redde in dit opzicht het derde. Dr. Doedes, die voor de geschiedenis der godsdiensten, in de encyklopaedie der Godgeleerdheid eene plaats letterlijk zoekt1), zegt terecht van Clarisse\'s werk: âDat de geschiedenis der godsdiensten alzoo niet als een bestanddeel van de Encyclopadie der christelijke theologie opgenomen en verwerkt is, ziat ieder terstond.quot; 2)
Gelukkig en juist, immers aan de werkelijkheid ontleend, en in het wezen der zaak gegrond, acht ik Clarisse\'s defi-
2) Ibid. p. 92.
1
A. w. p. 93, 94.
47
nitie van de âEcclesia.quot; Deze is ruim genoeg om heel de bijbelsche geschiedenis â ook die onder het Oude Verbond â in deze rubriek van studievakken op te nemen. De bij oudere gereformeerde theologen gewone opvatting van de notie âKerkquot;: âhominum, Deum verum colentium societasquot; (p. 312) verbindt de bijbelsche geschiedenis met die van de christelijke Kerk tot één schoon geheel. Deze opvatting alléén wettigt de opname van de O. T.ische studie in \'t algemeen , in den kring van de encyklopaedie der Theologie. Wie haar verwerpt kan op zijn best â met Tideman â deze studiën als voorbereidende in genoemde encyklopaedie rangschikken â¢).
In andere opzichten echter is de inrichting van dit hoofdstuk minder lofwaardig. Te groote plaats wordt afgestaan aan de hulpwetenschappen (§ 73â80). Overweegt men daarenboven dat § 71 en § 72 zuiver methodologiesch zijn, zoo houden wij drie paragraphen over, waarvan de eerste inleidend is, de tweede â de voornaamste â aan de inrichting van de leervakkengroep gewijd is, en de derde â die over de bronnen van de Kerkgeschiedenis handelt â met beide vorigen ten onrechte gecoördineerd staat. In de tweede § worden voorzeker de verschillende leervakken aangegeven maar zij bepalen de oekonomie van het hoofdstuk niet. Dit acht ik eene groote fout. Het organisme der geschiedkundige godgeleerdheid ligt niet helder, niet scherp belijnd, vóór ons. De proportie der saamstellende deelen teekeut zich niet duidelijk voor ons oog. En eindelijk! De Dogmengeschiedenis, die weldra zulk een stouten vlucht zou nemen, schuilt hier als in een hoek gedrongen. Zij wordt gesubsumeerd onder de Hist. Eccl. interna evenals de ritus, de disciplina ecclesias-tica, de cogitandi et vivendi ratio en het regimen Ecclesiae. Aan de Geographia sacra, aan de Geographia ecclesiastica is ieder een § gewijd. Te vergeefs zoekt gij naar den titel: âHistoria Dogmatum.quot; Voorwaar, men kan niet ontkennen dat het essentieele veronachtzaamd wordt, en het bijkomstige
1) A. w. p. 75.
48
in beteekenis overschat! \'t Treft u ook dat de kerkelijke Statistiek niet een afzonderlijke, zij \'t ook ondergeschikte plaats bekleedt.
Het derde hoofddeel, de Systematische Godgeleerdheid, wordt (§ 81) door eeue Inleiding en een Overzicht voorafgegaan. Clarisse bespreekt de namen door dit deel onzer wetenschap al zoo gedragen, \'quot;t Is duidelijk dat hij voorliefde heeft voor den naam âwijsgeerige godgeleerdheid.quot; Hij toont aan dat de Naturaal tot de philosophia pneumatologica behoort, dat de leerstof uit de H. S. bijééngebracht ârectae etiam Rationis consensu confirniandaquot; is, dat zij tegen anders gevoelenden, en tegen die haar ontkennen, verdedigd, en op het leven toegepast moet worden: derhalve âin hls omnibus Philosophiae Dialecticae, Anthropologicae, Practicae (sive Moralis), suas esse partes tribuendas, dubio caret.quot; \') Hij herinnert hoe de uitnemendste Kerkvaders en Hervormers â âlux luci non inimicaquot;! â de grondovereenstemming tusschen Rede en Openbaring betuigden. Hij spreekt P. H. Maron\'s kritiek: âThéologie systématique qui nous semble bien in-proprement dite philosophiquequot; 1) opzettelijk tegen. âIk blijf van meening dat de systematische godgeleerdheid niets anders is dan wijsbegeerte zoowel van den natuurlijken als van den geopenbaarden godsdienstquot; 2). Waarom gebruikt Clarisse deze benaming dan niet? âNe dictionis ambiguitas erroris ansam, aut pravae suspicionis esset praebituraquot;. Men voelt onder deze woorden Clarisse\'s conservatisme. Immers verklaart hij terstond daarop: âSystematicam propterea hanc Theologiae Disciplinae partem, ex usu magis vulgari, dicimus, quoniam diversa, quae ad res divinas spectant, capita idoneo modo connectet, et conjuucta pertractatquot; *). Als
of dit niet, mutatis mutandis, van ieder hoofddeel der Godgeleerdheid gold! â Naar de bronnen is de systematische
1
Le Protestant. Journal religieux, politique, philosophique et littéraire, 10 Juin 1832, p. 253h, 254».
2
P. 403. 4) P. 401.
49
godgeleerdheid: a. Theologia Naturalis of Rationalis; b. The-ologia Biblica, Revelata of Christiana. Dat gedeelte der Systematiek dat de âcognoscenda de Deo et rebus divinis, atque fide amplectendaquot; beschouwt is haar âpars theoretica.quot; De âpars practicaquot; of âmoralisquot; zet de âagendaquot; uitéén. Beiden worden soms vereenigd in één âTUTriffixTi theoretico-practicumquot; vooral bij populair onderwijs. Vandaar dat men van eens âTheologia popularis et practicaquot; spreekt. De âpars theoreticaquot; is â naar haren vorm â thetica of dog-matica; symbolica, elenchtica of polemica. Vroeger werden deze drie in de theologische leerboeken vereenigd. Naar de behoeften, in zijne dagen reeds gevoeld, zal Clarisse eene afzonderlijke behandeling voorstellen. Nu volgt (§ 82) de Theologia Naturalis1); § 83, de Theologia Biblica2). â Clarisse betoogt helder en met nadrnk dat de Bijbelsche Theologie haar stof gegeven vindt in de H. S. âDit alleen wordt in de B. Th. gevraagd wat en op wat wijze de gewijde schrijvers aangaande den godsdienst overgeleverd hebben. Na vermelding van J. Coccejus geeft hij in hoofdlijnen de geschiedenis van dit leervak aan. Hij behandelt de B. Th des O., en die des N. T. niet afzonderlijk, wat we terwille der duidelijkheid toch wenschelijk achten. De uitnemende definitie door Clarisse van dit leervak gegeven, wijst overigens helder uit dat het beter tot de geschiedkundige godgeleerdheid gerekend wordt. â § 84 is betiteld: âTheologia Practice popularis.quot; Gelijk de Bijbelsche Theologie naar hare bron, zoo wordt deze laatste naar hare methode genoemd. Beiden vermijden schoolsche vragen. De Th. practico-popularis put
4
1
4) Definitie: âComplexus eorum, quae, recta Ratione duce, de Deo et rebus divinis cognosci possunt, si accurate et subtiliter, ad scholae legem et scientiae severitatem tractatur, existit ilia Disciplina, quae Theologia Naturalis (aut, quod aliqui praeferunt, Rationalis) dudum vocari consuevitquot; (p. 405).
2
Definitie: âQuae stricto sensu et eximie Biblica hodie dicitur, Theologia complexus est Gapitum doctrinae de Deo rebusque divinis, ex soils Sacri Codicis, sive Veteris Testament!, sive Novi, sive utriusque eftatis erutae et apte digestaequot; (p. 415).
50
echter niet alleen uit de H. S. maar ook uit de Rede. âPopu-larisquot; wordt zij genoemd als âad vulgarem popularemque sen-sum accommodataquot;. Als zoodanig staat zij tegenover de âTh. scholastica sive acroamatica.quot; â De geschiedenis bewijst dat men Clarisse niet volgde in het aannemen van de âTheologia popularisquot; als afzonderlijk leervak. En terecht! De voornaamste stukken van Dogmatiek en Ethiek, op eenvoudige, bevattelijke, wijze voor niet-theologen uiteengezet, vormen nog geenszins een leervak, een saamstellend deel van het organisme onzer wetenschap. Met hetzelfde recht zou me.n populaire bijbelverklaring, populaire inleiding, enz.\'tot afzonderlijke leervakken kunnen verheffen. Wie dit niet doet, doet wijs. â § 85: Theologia Dogmatica. Zij is â vroeger veelal als âkxt\' sfyxivquot; Theologia begroet â de âexpositio Locorum Theologiae theoreticae, ad Scholae legem et seve-ritatem institutaquot; \'). Den naam âTheologia dogmaticaquot; wettigt Clarisse door de waarde van het woord doypx. Andere namen zijn; Th. thetica â tegenover polemica of elenchtica â Th. didactica of didascalia; systematica; acroamatica; academica; esoterica; scientifica; erudita; welke laatste benamingen tegenover Th. popularis of exoterica staan. â Aan het eind van deze § komt Clarisse op een zijner meest geliefde methodologische wenken terug. âMen begrijpt lichtelijk dat geen onervarene zich haasten moet tot de Theologia dogmatica, dat deze niet recht beoefend kan worden tenzij door hen die goed onderlegd zijn in de Philologie, inzonderheid de gewijde, de Kerkgeschiedenis en de Dogmenhistorie, als ook in de Wijsbegeerte.quot; â In § 86 âDisciplinae ratioquot; geeft de S. een overzicht van de stof der Dogmatiek. De leer van de wet Gods, van Zijnen dienst, van de bekeering, van de heiligmaking enz. bij a Marck in de Dogmatiek opgenomen, wordt door velen tot de Theologia Moralis gerekend. Deze schifting heeft de goedkeuring van den hoog leeraar. Anderen verrijken, of liever bezwaren, de Dogmatiek met z. g. prolegomena, waarin zij sommige beschouwingen.
1) P. 430.
51
die in de Apologetiek en Je hist, kritische inleiding op de Bijbelboeken thuis behooren, opnemen. Hunne wijze van doen lacht Clarisse minder aan. Hij voor zich deelt de stof der Dogmatiek onder do volgende hoofden in: theologie (i. e. z.) daemonologie, anthropologie, christologie, soteriologie (deze twee kan men ook saamvoegen) en eschatologie. Deze deelen blijven door een gemeenschappelijken band nauw verbonden1), Clarisse bespreekt vervolgends de onderscheidingen in âarti-culi fundamentales et non fundamentalesquot;, en in âartiouli puri et mixtiquot;. De âartiouli puriquot; worden door middel van exegese zuiver en alleen uit de H. S. ontwikkeld, de âmixtiquot; ook met hulp der rede saamgesteld. Naast de exegese en de philosophie, speelt â daar de christelijke leer zich ontwikkelde â⢠ook de historie een rol op het gebied der Dogmatiek. âHine consequitur, Theologiam Dogmaticam, trilms veluti elementis constare, hermeneutico, philosopho, historicoquot;.2) Deze § behoort m. i. tot de best uitgevoerden van heel de epitome. In de eerste plaats roem ik de juiste arbeidsver-deeling tusschen Dogmatiek en Ethiek. De leer van wedergeboorte, bekeering, heiligmaking en dergelijken, wat men in één woord zou kunnen noemen de leer van het christelijk subject, brengt Clarisse tot de Theologia Moralis. Wel had ik gaarne de lijn consequent doorgetrokken gezien, de An thropologie eveneens tot de Ethiek gebracht, en het gebied
4*
1
Nam, quae Dogmatica audit, Theologia, co quod Dograatica dicilur, non desinit Theologia esse, id est, doctrina de Deo et rebus divinis. Quantumvis igitur ex diversissimis partibus constet, una tarnen sciontia sit oportet, quae ad unam thesin primariam, tauquam principium (quod voeant), tota videatur baud incommode revocari posse. Hoc enim singulis proprium est Disciplinis (scientiis), ut doctrinarum systemate comprehen-dantur, suas habente evidentes ac perspicuas propositioues, sive plures illas, sive pauciores, aique adeo unam palmariam, ex qua et reliquae pendeant, et universum systema ita cohaereat, ut omnes ejus partes diversissimae possint ex ea deduci et ad rem reduci. Jam vero talis thesis primaria, praeeunte Ammono, ita fere constitui posse videatur: âDeus, qui homiuum, ut omnium rerum, conditor est et rector, idem felicitatis eorum peccato arnissae instauralor est per Jesum Christumquot; (p. 436, 437).
2
P. 438.
52
der Dogmatiek bepaald tot Theologie (i. e. z.). Daemonologie, Christologie (en Soterologie), Soteriologie (de objective) en Eschatologie â¢) â Al spreekt Clarisse zich met de grootste voorzichtigheid uit, men ziet dat hij, terecht, bezwaar heeft tegen de z. g. prolegomena, dat allegaêrtjen uit onderscheidene leervakken saamgelezen. â Minder gelukkig vind ik zijne verklaring dat de Dogmatiek uit drie deelen bestaat: één hermeneu-tiesch, één philosophiesch, één historiesch. Immers is het werk van den hermeneut en dat vau den historicus afgeloopen wanneer dat van den dogmaticus, het philosophische, aanvangt. Over de plaats en de beteekenis, door Clarisse aan de Dogmen-geschiedenis toegekend, spraken we reeds. Dit leervak treedt te veel op den achtergrond. â Eindelijk houdt Clarisse te weinig rekening met het kerkelijk, het symboliesch moment in de Dogmatiek. Dit is uit den geest van zijnen tijd, waarin het confessioneel bewustzijn nauwlijks sprak, en \'t best redden kon buiten de onderscheidingen: roomsche, luthersche, gereformeerde Dogmatiek, te verklaren. Deze onderscheidingen komen alleen bij de Theologia symbolica ter sprake1). Vandaar ook dat Clarisse ter bepaling van \'t begrip âdogmatiekquot;, dat van niet eerst nauwkeurig belijnt en gelden ()oet. â § 87 spreekt over het nut van dit leervak en is methodologiesch. Uitvoerig wordt in § 88: âDisciplinae origo et fataquot;, de geschiedenis der Dogmatiek geschetst. De volgende § âStudii ratio et subsidiaquot; is weêr methodologiesch.
De âTheologia symbolicaquot; rangschikt Clarisse â ofschoon hij ook de Symbolologie (naar Doedes\' benaming) er bij opneemt â zonder ook maar een enkel woord over deze in-deeling te verliezen, na de Dogmatiek § 90. Zij wordt gevolgd door de Theologia polemica (§ 91). Met reden werd latsr de vraag opgeworpen of de eerste niet tot de historische, de tweede niet tot de praktische vakken te brengen was.
Nu komt de Theologia Moralis. Clarisse wijst op de nauwe
1
Cf. p. 483.
53
betrekking die zij met de Dogmatiek onderlioudt. Zij wordt door sommigen âEthice Ci.ristianaquot; geheeten âquippe yiSixx Euangelii diïayy.xTx explicans.quot; Claiisse onderscheidt echter tusschen beirlen aldus: âIpsa Ethice, quae complexus est praeceptorum moralium, Christiano homini observandorum, divinae et originis est et auctoritatis, qnippe a Jesu ipso Ejusque Legatis , viris divinis, cum humano genere commuui-cata; Theologia vero moralis, sive theologica Morum doctrina, haud secus ac Dogmatica, humanae inventionis scieutia est, et, quatenus seorsum a Dogmatice sejuncta, exponi liodie solet, insuper novitia.quot; \') Zeer helder vind ik deze onderscheiding niet, en ik betwijfel of zij door het gebruik van de woorden gewettigd is. Voorts waarschuwt Clarisse tegen begripsverwarring tusschen dit leervak en de Moralis doctrina Biblica, het praktische deel der Bijbel-Theologie. â De bron der Theologia moralis is geen andere dan die der Ethice zelf, nl. de boeken der H. S. inzonderheid die des N. T. 2) Een secundaire bron is de recta ratio 1). In § 93 âLotgevallen der Chr. Ethiek en der Theologia Moralisquot; voert Clarisse zijne gestelde onderscheiding tusschen beiden door. Zij zijn menigmaal door de geleerden met elkaêr verward, maar deze âNotiones ideo distinguendae videntur, quod in priore posterior, tanquam in materia, systematice et scholastico mode tractanda elaboratquot; 4). De geschiedenis der Ethiek vangt ten tijde des Heeren aan. Die der Theologia Moralis dateert eerst van na de Hervorming. Velen hebben echter beider geschiedenis vereenigd. Dit kon te lichter gebeuren omdat de vijftien eerste eeuwen meer betrekking hebben op de Ethiek, de drie volgende meer op die der Theologia moralis. â Eene uitvoerige bibliographie vinden we in § 04 âMoralis Theologiae historia literariaquot; Zeer leerrijk voor de methode is § 95: âDoctrinae ratio et utilitas.quot; § 96, â evenzeer methodologiesch â âDiscendae doctrinae ratio et subsidiaquot;, besluit dit derde hoofddeel.
1
P. 515.
54
Ziehier ten laatste het vijfde caput, \'t vierde hoofddeel, van Clarisse\'s encyklopaediesch instituut, \'t Is het geringste in omvang (p. 555â625). \'t Behandelt, niet de praktische, maar alleen de pastoraal-theologie. Do theoloog, als herder en leeraar, zijne werkzaamheden als zoodanig, vormen het middenpunt van Clarisse\'s beschouwingen, en bepalen haar straalgebied. Op deze werkzaamheden wijst ons al dadelijk § 97: âOfficia Theologi Ecclesiastici.quot; Een enkel woord geeft Clarisse ten beste over de taak van den akademischen theoloog, den hoogleeraar, om dan terstond tot het werk van den .,ecclesiastesquot; over te gaan. Deze moet onderwijzen en besturen (docendi regendique munia). Het onderwijzen geschiedt door het houden van leerredenen en van katechi-satiën. Tot het besturen rekent Ciarisse de leiding van de godsdienstoefening, de zielszorg, het kerkbestuur. De kerkelijke theoloog is dus homileet, katecheet, liturg, pastor en guhernator. Tot zijn werk bereidt hij zich voor door de beoefening van de Homiletiek, de Katechetiek, de Liturgiek, de Pastoraal en de Politica et Jurisprudentia ecclesiastica. Deze vijf leervakken vat men saam onder den naam van âtheologia pastoralisquot;, eene âdenominatio non quidem admo-dum propria, sed et brevis, nee prorsus incommodaquot;\'). Dc beteekenis van dit gedeelte der Godgeleerdheid acht Clarisse zeer hoog. \'t Is als vernamen we Schleiermacher\'s stem in deze woorden: âhanc ultiuiam Theologie! studii partem eo, quod practica sit, gravissimam esse, et reliquas inter facile primas ferre et pretii culmen tenerequot; 1).
De Homiletiek neemt i; 98 in beslag, \'t Is de kunst ot de wetenschap die ons bekwaamt de leerredenen goed saam te stellen en uit te spreken ó). Haar nuttigheid behoeft niet uitvoerig aangetoond te worden. Zij leert hoe du gewijde redenaar zijn doel, de stichting der gemeente, bereikt. Haar voorschriften betreffen zoowel de stof als den vorrn de leer-
1
Ars, vel scientia, quae eonciones recto cornponere et redtare «locet,
55
redenen. De eerste wordt geput uit de natuurlijke openbaring, uit de dogmata, uit de bijbelsche geschiedenis, in \'t bizonder uit die van Jezus en van de apostelen; haar stof is in één woord de inhoud van de Evangelie leer. Wat den vorm aangaat: de kerkelijke redenaar houdo rekenschap met de voorschriften der ongewijde welsprekendheid. Hij moet zijne hoorders helder onderwijzen, overtuigen, bewegen, üe Homiletiek geeft hem de middelen daartoe aan; (inventie, compositie, elocutie, actie).
§ 99 is aan de âCatecheticaquot; gewijd, § 100 aan de âLitur-gicaquot;, § 101 aan de âCura pastoralisquot;. De Theologia pas-toralis i. e. z. beschouwt alle dingen die den âEcclesiastae, extra templa versanti obeunda et agenda sunt, ut homines, suae curae divinitus commissus, ad veram pietatem et felici-tatcm adducatquot; \'). Clarisse geeft ons een volledig en niet zonder warmte gesteld program van de herderlijke werkzaamheden, Ãe âPolitica et Jurisprudentia ecdesiastica\'\' worden in § 102 behandeld.
Zóó is de inrichting van het vierde deel dezer encyklo-paedie. Wat het niet bevat? De theologia practica. Het geeft niets dan wat de titel belooft: eene pastoraal-theologie. Clarisse beaamt wat Schleiermacher over de hooge waarde van deze disciplinen-groep zeide, maar hij volgt den genialeu Duitscher niet na in de ruime, flinke opvatting en uitwerking er van. Hij heeft uitsluitend den herder en leeraar op \'t oog. Hij beschrijft de âofficia tlieologi ecclesiasticiquot; (§ 97). Maar beweegt de Kerk ter barer instandhouding en uitbreiding zich niet op veel uitgebreider gebied dan dat waarop de herder en leeraar als zoodanig werkt? Niemand kan \'t ontkennen. Niemand kan evenzeer loochenen dat er leervakken zijn van praktischen aart, die beoefend moeten worden en ook inderdaad beoefend worden, maar die buiten den kring van Clarisse\'s theologia pastoralis liggen. Wij vinden hier geen enkel woord over de theorie van het diakonaat b. v.
1) P. 604.
56
noch over de Halieutiek. Wat wij reeds opmerkten bij het bespreken van de prolegomena heeft ook hier plaats. De âfuturus theulogusquot;, niet de Theologie was daar uitgangspunt. De herder en leeraar en zijne werkzaamheid, niet de kerk en hare ontwikkeling bepalen hier het straalgebied. Het standpunt, door Clarisse ingenomen, was in 1832 reeds verouderd. Do schrijver van de âKurze Darstellung des the-ologischen Studiumsquot; â Schleiermacher voor wiens beteekenis Clarisse geen oog, voor wiens optreden Clarisse geen sympathie had â was het voorbijgestreefd.
Een werk als Clarisse\'s Encyklopaedie moest natuurlijk aanstonds de opmerkzaamheid van deskundigen tot zich trekken. In âLe Protestantquot; van 10 Juni, 1832 \') kondigde P. H. M. â een oud leerling van David Rulmkenius â de eerste uitgave aan. Hij roemt de âinstructive allocution aux futurs théologiensquot;, en oordeelt over het geheele werk: âc\'est une histoire littéraire de la science, un vaste répertoire, une bibliographie immenséraent riche, c\'est le fruit d\'une vaste lecture et d\'un grand esprit d\'ordre et de méthodequot;, \'t Ts âune production classiquequot;, âune production a mérite tran-cendantquot;. Me dunkt de loftrompet wordt voldoende gestoken! De fransche schrijver levert niet eene met redenen omkleede kritiek. Hij exclameert. Zijne aanmerkingen betreffen alleen het niet vermelden van eenige fransche, zwitsersche en holland-sche godgeleerden. â Veel lager gestemd is de toon waarop Pelt 1) Clarisse\'s handboek beoordeelt, \'t Is zegt hij, ânach alter Weise geordnetquot;, en te duur. De uitgebreidheid der bijgebrachte litteratuur wint het nog van Danz âEncyklopadie. und Methodologiequot;. Hierom behoeft \'t echter den duitschen
1
Theologische Encyklopadie als System im Zusammenhauge mit der Geschichte der theologischen Wissenschaft und ihrer einzelnen Zweige entwickelt von Dr. A. F. L. Pelt, 1843, p. 08.
57
theologen niet aanbevolen te wor len: âhaben rliese doch Dr. G. B. Winers, in Leipzig, HanrUmch der theologischen Litteratr.r (3te A. IS 37â40) â ein auf diesem Gebiete vortreffliohes Hiilfsmittelquot;. De onjuistheid dezer laatste opmerking heeft Prof. Bouman voldoende aangetoond. âInepte (Peltius) Cla-rissianum librum cum Wineriano contendit. Ille enim Eu-cyclopaediam tradit, ac pulcberrimas praemittit et interspergit ejusmodi animadversiones, quae nunc fere inethodologicae audiunt. Hie brevissima titulorum notatione innumeros tibi cognoscendos dat, suis generibus concinne distinctos, libros theologicos, adjecto in fine gratissimo lectori scriptorum indice. Ille multis de libris raulta tradit docta, exquisita, vulgo ignota; quae hie nee habet, neo vero, nisi suum ipse consilium abjicere voluisset, habere debebat. Itaque, et bis et aliis de rebus, ex Amiei nostri libro et Germani et Angeli et nostrates permulta utiliter discere possunt, quae nee ex aliorum nee ex ipsius adeo Peltii Encyclopaediaquot; !). Blijkbaar door Pelt\'s nuchtere kritiek ontstemd, refuteert Bouman â wiens pieuse vereering den nimbus om het hoofd van vader-landschen godgeleerden niet kon zien verbleeken â nu vervolgends een oordeel dat ra. i. door Pelt niet uitgesproken werd. Deze schreef, na Rosenkranz vermeld te hebben: âAlle folgenden Eucyklopadien haben, wie vvenig sie auch den Standpunkt anerkennen mochten diese Schrift doch fleissig benutzt. So hat namentlich Danz in Jena daraus mancherlei Baume und BI urn en in den literaturreichen Irrgarten seiner verworrenen âFncyklopadie und Methodologiequot; verpflanzt. Recht geeiguet den, welcher ein Wegweiser sucht, zu ver-wirren, giht dies Buch doch manche gate Winke, selbst in raethodischer Hinsicht und eine Menge ohne Wahl und Kritik ausgesehütteter, doch aber oft willkomner litterarischer Nach-weisungen. â Noch reicher ist in dieser Hinsicht des ge-lehiten Hollanders J. Clarisse sehr ausführliche, nach alte Weise geordnete E. T. E., vvelche wenn sie auch nicht zu
1) Mem. Joaimis Clarissii, 1859, p. 223.
58
theuer ware, deutsehen Theologen doth nicht zum Gebraucbe empfohlen werden könute.quot; Op deze kalme woorden and-woordt Bonman bits: âPeltius sane, quod alia in re Cicero dixit, sirailitudines hie protulit dissimillimas. Cum paucis enim hoc in geuere scriptoribus Clarissio tarn pauca commuuia fuerunt, qnam cum Hosenkranzio, Philosopho in plerisquo Hcgeliaao; ex cujus libro, priore certe vice Encyclopaediam erliturus ille, vix aut ne vix quidem per ipsas temporum rationes quidquam baurire potuit; ac postea etiam perpauca, si ulla, bine eum profecisse, nemo est qui certiore jure, quam ego, possit affirmare\' \'). \'tis echter duidelijk dat Pelt volstrekt niet Clarisse\'s afhankelijkheid van Rosenkranz beweert. Met dat âAlle folgenden Eneyklopaediënquot; bedoelt 1\'elt werken door Duitscbers gesebreven. Hunne auteurs benuttigden ijverig Eosenkranz\' werk. Met name geldt dit van Danz. Door het leesteeken quot; geeft Pelt te kennen dat hij vervolgends tot een ander werk overgaat. De geleerde stof door Danz bijééngebracht doet hem deuken aan den geleerden Hollander Clarisse. Terwijl door Rosenkranz âeine neue Bahn gebrocheu wurde\'quot; (p. 67) is Clarisse\'s werk âuach alter Weise geordnetquot; (p. 68). ,
Bouman, de lofredenaar van Clarisse, looft de Epitome ten zeerste. In de eerste plaats acht bij haar aanbevelenswaardig van wege bare nieuwheid. âNovitatis igitur, ut hine ordiamur, si quae est in talibus gratia; hac eerte nou caret opus commendationequot; Door zijne buitengewone eruditie kan Clarisse den geleerdsten uog iets leeren. Geen Hollander schreef eene Encyklopaedie vóór Clarisse. Dat Clarisse in \'t Latijn schreef (eruditorum lingua) wordt hem ook al als eene verdienste aangeschreven. Tegen de voornaamste kritiek van Pelt dat de Epitome ânach alter Weise geordnetquot; is, komt Bouman met kracht op. âQuod vero antiquum, id est ni fallor, obsoletum illum ordinem vocat Peltius, uno certe verbo quid hie repreheridendum sit monuisset. Neque
2) P. 221.
â 1) A. w. p. 222, 223.
59
enim, in libri rliatributione juJio.anda, sitne usu trita an recens quaeritur, setl utrum apta atque idonea; cum prae-sertim antiquiores haud pauci libi\'i concinnius ordinati com-pareant, quam ejusdem argumenti recentioresquot; 1). Niemand, die onpartijdig oordeelt zal achten dat Pelt\'s kritiek door deze woorden ontzenuwd wordt. De beoefenaars van onze wetenschap gaven dan ook Pelt niet Bouman gelijk. Clarisse staat, met Planck, Tittmann en andere supranaturaliste», als eucyklopaedoloog, op het standpunt van Mursinna 2) â een standpunt dat sedert Schleiermacher bepaald gerepasseerd is. Men heeft de Epitome dan ook maar te bestudeeren om zich hiervan te overtuigen. Clarisse zélf zegt het ons bovendien in zijne praefatio. Nadat hij meer dan dertig jaar het hoogleeraarsampt waargenomen had, kwam het plan bij hem tot rijpheid om eene encyklopaedie uit te geven, Joannes Willmet, die te Harderwijk Clarissa\'s amptgenoot was, had hem in dit voornemen steeds gesterkt. Willmet placht hoog op te geven van het nut door hem en anderen uit J. H. Schacht\'s lessen over de encyklopaedie getrokken 3). Schacht volgde op zijn college het handboek van Mursinna. Daar Clarisse het voetspoor van zijn voorganger wenschte te drukken was hij zeer gelukkig dat de eenig overgebleven zoon van Schacht, predikant te Dordtrecht, later te Leiden, hem het autograaph gaf van zijns vaders âAnimadversiones in Samuelis Mursinnae compendium.quot;\' âTradiditquot; zegt Clarisse, âusurpandas, excerpendas, describendas, prouti animus ferretquot; ^). In de Aanteekeningen van Schacht vond Clarisse veel bibliographische gegevens. Hij ging nu ook zélf Mursinna commentarieeren, en vervolgends zegt hij: âdein... meo tanquam marte, Scholas Encyclopaedicas habere instituiquot; 3).
1
A. w. p. 224.
2
Praedicare solebat commoda, quae ex Decessoris nostri .lo. Herin. Schachlii, sumrni Viri, Scholis in Mursinnae Encyclopaediam Theologicam ad se aliosque pliuirna olim et maxima red un da rant, p. XIX.
60
De genesis van de Epitome is ons nu geen geheim meer! Op het stramien van Schacht, tl. i. van Mursinna, borduurt Clarisse voort. Hij verbetert Mursinna zonder quastie. Er komt orde in de plaats van de vervaarlijke wanorde welko de âPrirnae lineaequot; kenmerkt. Hiervoor komt de hoogleeraar lot toe. Maar hadde Clarisse de schematiseering van Schacht en Mursinna niet vóór zich gehad, ware hij zelfstandiger te werk gegaan, dan had zijn over-geleerd werk aan oorspronkelijkheid gewonnen, dan ware het ingericht geweest overeenkomstig den eisch der wetenschap. Op grond van wat Clarisse zelf in zijne redevoering âde Conjungendaquot; etc. aantoonde , beweer ik, dat hij de tripartitie verkozen zou hebben boven de altijd min of meer willekeurige tetratomie. E mente Clarissii zou een twintig jaar later een ander leidsch professor â \'k bedoel W. A. van Hengel â zeggen: âAlles wel overwogen zijnde schijnt het best geraden, op het voetspoor vau Pelt en andere hedendaagsche schrijvers, drieërlei vakken te onderscheiden en deze in die orde te plaatsen, dat zij allen den rang hebben, welke hun toekomt, zonder dat het ééne boven het andere uitsteekt. Diensvolgens is de Godgeleerdheid eene Historische, eene Systematische, en een Praktikale. Deze drie doen zich hier zoo voor, dat zij de drie tijden, den verledenen, den tegenwoordigen, en den toekomenden eenigermate voor den geest roepenquot; \').
Terecht wordt er op aangedrongen dat men toch bij eene eiiidbeoordeeling van Clarisse\'s Epitome niet uit het oog ver-lieze dat de hooglee\'raar voor studenten, voor .,futuri theologi\'\' schreef. Uit dit feit zijn inderdaad, zooals wij reeds zagen, vele eigenaartigheden â- ook minder gewenschten â- van dit werk te verklaren. Maar dit feit verhindert ons niet te betreuren dat Clarisse eigen en beter inzicht aan de traditie ten offer bracht. Is de tripartitie beter, immers grondiger, natuurlijker, dan de tetratomie, dan zal de inleidende
1) Over lt;le Godgeleerdheid in het algemeen en hare betrekking tot het onderwijs op \'s lands hoogesr.holen in het hijzonder door W. A. van Hengel, (1850), |». \'20, 27.
61
Encyklopaedie, naar drieledig schema ingericht, den jeugdigen beoefenaar van onze wetenschap beter orienteeren, dan indien dit niet het geval is. Intusschen staat dit vast; als isago-giesch handboek dient de Epitome beschouwd en beoordeeld te worden. En dan hebben we dadelijk bezwaar tegen wat de eigenaartige verdienste van het boek uitmaakt. Voor futuri theologi is het veel te geleerd. De student wordt overstelpt onder dien springvloed van boekentitels. Wie eene inleidende encyklopaedie schrijft, geve een paar standaardwerken aan, charakteriseere de voornaamste lichtingen in de vak-literatuur en bedenke het ânimium nocet.quot; Een student is nu eenmaal geen Pico de la Mirandola, en of hij goed uitkomt indien hij zich er op toelegt het te worden, betwijfel ik zeer. Het âcontrahere vires in unumquot; wordt door Clarisse te weinig betracht. Wie de Sectio propaedeutica leest en herleest, beaamt van Hengel\'s wijze opmerking: âZeker hebben dikwijls de Encyclopaedisten, ook onze vermaarde Clarisse, de Godgeleerdheid wel eens tot een berg gemaakt , veel te hoog en te steil, om door gewone menschen beklommen te worden. Somwijlen was het, als moest men een andere Mithridates zijn, om den naam van Godgeleerde te verdienen. Niet zelden vergat men de uitbreiding, welke de wetenschappen, vooral in deze negentiende eeuw, verkregen hebben, en die ook aan de uitstekendste vernuften de ver-pligting oplegt, om hunne studie binnen engere perken te houden, dan een Camerarius, een Melanchthon of een Kalvijn zich te stellen hadquot; !). De kracht van Clarisse gaf tot dit euvel aanleiding. âOn a les défauts de ses vertus.quot; Geleerd, erudiet is zijne encyklopaedie bij uitnemendheid. Wie erkende het niet? Ik zwijg nu van buitenlandsche geleerden en herinner alleen hoe landgenoten aan Clarisse\'s geleerdheid hulde brachten. âOp welk gebied van menschelijke kennisquot;, vraagt Prof. C. Muller, âheeft de afgestorvene zijnen voet niet gezet? Wij meenen het denkbeeld van een universeel genie in hem als verwezenlijkt te zien, voor zooveel wij hierdoor het mogen
1) A. \\v. p. 55, 56,
verstaan, om alle wetenscliappen met vrucht te beoefenen. Zijne Encyklopaedia Theologiae is het uitgedrukte beeld van den man die het schreef: het zegt u wat er in zijn hoofd stak en omging, en gij staat evenzeer verbaasd over de uitgebreidheid van kennis, als over hare grondigheid, zoodat gij geene vergelijking durft wagen, en den naam van Morhof onwillekeurig op de lippen neemtquot; \'). âKent gij dat boek (de epitome nl.) zegt C. Sepp âdan kent gij den man. Clarisse\'s kennis was waarlijk een encyklopaedische, dat zeggen u die fijn gedrukte bladzijden met noten; dat leert u vooral de inhoud der §§ van dat onsterfelijk boek. Daar is toch iets verhevens en eenigs in dat veel omvattende, wat Clarisse kenmerktequot; 1). Deze lof is de hoogste dien men den biblo-graaph geven kan. Maar de verdiensten van den methodoloog-encyklopaedoloog liggen elders. Van hém vragen we dat hij doordringe in het wezen onzer wetenschap, dat hij ons haar organisme teekene, onze opvatting er van in juistheid en grondigheid verder brenge. Dit nu wordt niet van Clarisse getuigd. En te recht! Clarisse blijft vreemd aan de organische, echt wijsgeerige opvatting van de Godgeleerdheid. In dit opzicht kan men quot;zeggen dat zijn boek reeds verouderd was toen \'t geboren werd. Levend in een nieuw tijdvak is Clarisse de vertegenwoordiger van eene periode die reeds afgesloten was.
F. E, Daubanton.
1
Proeve eener pragmatische gesch. d. Theol. in Nederland, (181)9), p. 190.
Heemstede, Oct. 1888.