ocr page 1
ocr page 2

MEDITATIËN OP HET LIJDEN EN DEN DOOD

TAM

ONZEN HEER JEZUS-CHRISTUS.

ocr page 3
ocr page 4

MEDITATIËJST

ONZEN HEER

JEZUS-CHRISTUS,

IN TWEE DEELEN en VIER JAARGANGEN

door

ANT. ROOVERS, Pastoor.

TWEEDE VERBETERDE UITGAVE.

TWEEDE DEEL

DERDE EN VIERDE JAARGANG.

ir-i—s--i)

J1*/2 éï

\\ x-V

ROERMOND,

HENRI VAN DEE MAECK, ÜEUKKER-UITGEVEE.

1889.

1 i\'j i .

ocr page 5

Eerwaarde Heer Pastoor,

Volgens het verslag dat ons is voorgelegd over Uwe „Meditatiën op het lijden en den dood van O. H. J. Cquot;, is uw werk alleszins waardig te worden aanbevolen. Wij stemmen dus toe dat het gedrukt worde, en wenschen U tevens geluk om de echt priesterlijke wijze, waarop gij uwe ledige uren hebt weten te benuttigen.

f VICT OE-JOSEPHT7S,

bisschop van luik.

Luik, den 6 October 1885.

ocr page 6

DERDE JAARGANG.

ocr page 7
ocr page 8

EERSTE MEDITATIE.

Ipse avulsus est ah eis quantum jactus est lapidis, et positis genibus orabat.

Jezus rukte zich van hen af, ging een steenworp verder en bad op de knieën.

Luc. xxn, 41.

INHOUD.

VOORREDE.

Oogslag op het lijden van Jezus. — Wie lijdt en hoe lijdt Jezus? — Wat heeft Jezus tot het lijden bewogen en wat beoogt Hij met zijn lijden ? — Droefheid en liefde. — Beide vragen door de voorspraak van Maria, die de Moeder der smarten, de Moeder der schoone liefde is. — Haar verzoeken van ons te vergezellen op den lijdensweg van haar goddelijken Zoon.

VERDEELING.

I. Droefheid van Jezus in den Olijfhof;

11. Gebed van Jezus tot zijn hemelschen Vader.

I.

Na de instelling van het aanbiddelijk Sacrament des Altaars gaat Jezus met zijne Apostelen over de beek Cedron naar den Olijfhof. — Droefheid van Jezus. —

ocr page 9

— 8 —

Woorden van Jezus tot drie zijner Apostelen. — Wat is de oorzaak van Jezus\' doodelijke droefheid? — De zonden der wereld, mijne zonden in het bijzonder, de pijnen die Hij moet lijden, de ondankbaarheid der menschen, de droefheid zijner moeder, de vervolgingen zijner leerlingen, der Christenen. — Wij moeten onze zonden ook beweenen.

II.

Jezus neemt zijne toevlucht tot het gebed, om ons een voorbeeld te geven, hoe wij moeten bidden.—Jezus bidt met eerbiedigheid, met ootmoedigheid, met betrouwen op de goedheid en almacht zijns Vaders, met overgeving aan diens goddelijken wil, en eindelijk met volharding. — Dat voorbeeld moeten wij in ons gebed navolgen.

SLUITREDE.

Wijl Jezus zoo bedroefd is en water en bloed zweet, onder anderen, over mijne zonden, daarom moet ik er ook bedroefd over zijn, ze beweenen, haten en verfoeien, ze nimmer meer bedrijven, en daartoe de middelen aanwenden. — Gebed tot Jezus en Maria.

ocr page 10

— 9 — EERSTE MEDITATIE.

Ipse avulsus est ah eis quantum jactus est lapidis, et positis genibus orabat.

Jezus rukte zich van hen af, ging een steenworp verder en bad op de knieën.

(Luc. xxii, 41.)

VOORREDE.

Alvorens in de bijzonderheden van het smartvol lijden van onzen goddelijken Zaligmaker te treden, zullen wij eerst tot voorbereiding eenige algemeene aanmerkingen maken.

De Olijfhof is juist de plaats niet geweest, waar Jezus zijn lijden begonnen heeft. Neen, M. Z., gansch zijn leven, van de kribbe van Bethleëm, waarin Hij, klein kind op eene handvol stroo neêrgelegd, bittere tranen stortte, tot den Calvarieberg, waarop Hij aan een schandelijk moordhout vastgeklonken, zijn goddelijk bloed tot den laatsten druppel vergoot; gansch zijn leven, zeg ik, is een aaneenschakeling, een onafgebrokene reeks van bittere smarten geweest. Nochtans, de bitterste dier smarten waren van dusdanigen aard, dat vele menschen ze volstrekt niet mede gevoelden.

Bij dat altijd klimmend inwendig lijden wilde Jezus op het einde zijns levens zoodanige uitwendige smarten voegen, die geheel de wereld in staat is mede te gevoelen en als bewijzen zijner groote liefde te beschouwen.

In de overweging van het lijden van onzen goddelijken Zaligmaker zullen wij zien, dat Hij naar de voorzegging van den Profeet Isaïas om onze zonden versmaad, bespuwd en gewond is; dat Hij als een lam, zonder den mond te openen, ter slachtbank is gevoerd.

ocr page 11

— 10 —•

Wanneer wij zulks overwegen, o, M. Z., overwegen wij het dan met aandacht, en prenten wij daarbij diep in ons hart;

iquot; Wie het is die lijdt. Die lijdt, is God de Zoon, de eenige Zoon des hemelschen Vaders, die in Hem zijn welbehagen schept; \'t is mijn God, mijn Schepper, mijn Heer en Meester; \'tis deGodmensch; \'t is Jezus van Nazareth.

2° En hoe lijdt Jezus? Hij lijdt, niet alleen met het grootste, met een voorbeeldeloos geduld, met volkomen onderwerping aan den wil van zijn hemelschen Vader, maar ook uit eigene vrije keus. Immers geen enkele pijn werd Hem aangedaan, geen enkele slag werd Hem toegebracht,- die Hij niet voorzag en kon vermijden, indien Hij het gewild had.

3° Wat heeft Jezus tot het lijden bewogen? De liefde tot zijn hemelschen Vader en tot de menschen, de liefde tot mij, ellendig schepsel.

4° Wat beoogt Jezus door zijn lijden? Hij beoogt de eer van zijn hemelschen Vader en de zaligheid der menschen; ja Hij beoogt het geluk, de zaligheid van uwe, van mijne ziel. Jezus leed voor allen, maar tevens voor mij, en voor ieder in het bijzonder, alsof Hij uitsluitend voor mij en voor ieder in het bijzonder leed.

Wie onzer nu zal met onverschilligheid het lijden van Jezus overwegen? Wie onzer zal niet doordrongen worden van de innigste gevoelens van droefheid en liefde ? Van gevoelens van droefheid, zeg ik, wijl wij door de zonden onzen goddelijken Zaligmaker al dat lijden, al die pijnen en smarten veroorzaakt hebben; van gevoelens van liefde, wijl Jezus uit loutere liefde voor ons geleden heeft: Dilexit me et tradidit semetipsumpro me! i) Hij heeft mij bemind en zich zeiven voor mij overgeleverd!

1) Gal. ii, 20.

ocr page 12

Doch helaas! M. Z., wij hebben geene droefheid groot genoeg, geene liefde brandend genoeg uit ons zeiven. Daarom, wenden wij ons tot Maria, die de Moeder der smarten, de Moeder der schoone liefde is. Smeeken wij Haar, dat zij zich gewaardige ons te vergezellen.

O Maria! Vergezel ons op den smart vollen weg van uw goddelijken Zoon: van de eetzaal van Jeruzalem naar den Olijfhof; van den Olijfhof naar die ondankbare stad; doorkruis met ons hare opgepropte straten; stel U met ons voor de rechtbanken van Annas en Caiphas, van Pilatus en Herodes; beklim met ons den Calvarieberg, en daar aan den voet des kruises, waar gij ons tot uwe kinderen hebt aangenomen, daar zullen wij onze zonden oprecht beweenen, daar zullen wij Jezus en U naar be-hooren beminnen; daar, aan de bron der smarten, aan de bron der liefde zullen wij tranen van ware droefheid en liefde plengen.

Van avond, M. Z., ga ik u spreken:

I. Over de droefheid van Jezus in den Olijfhof;

II. Over het gebed van Jezus tot zijn hemelschen Vader.

I.

Zoodra Jezus het aanbiddelijk Sacrament des Altaars ingesteld en zijn gebed voor zijne leerlingen en ons ge-eindigd heeft, begeeft Hij zich aan het hoofd zijner elf Apostelen over de beek Cedron. Hij gaat naar eene pachthoeve, Gethzemani genoemd, alwaar een hof lag en dien hof treedt Hij binnen: Ook aan Judas was die plaats wel bekend, want Jezus was gewoon met zijne Apostelen er meermalen heên te gaan om te bidden. Zoodra onze goddelijke Zaligmaker in den hof is aangekomen, zegt Hij tot zijne leerlingen: Blijft hier, terwijl ik ginds henen

ocr page 13

— 12

ga en bid. Hij vermaant hen ook tot het gebed. Bidt gij ook, zegt Jezus, opdat gij niet valt in bekoring. Hij neemt drie zijner leerlingen, Petrus, Jacobus en Joannes, die getuigen geweest waren van zijne glorie en heerlijkheid ^op den berg Thabor, en dus meer bestand dienden te wezen, om den strijd, dien Jezus te leveren staat, van nabij te beschouwen; die drie leerlingen neemt Hij een weinig verder mede. Zoodra Jezus zich met deze alleen bevindt, begint Hij te treuren, te sidderen en te beven, en Hij zegt: Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe; Tristis est anima mea usque ad mortem; i) blijft hier, waakt met mij en bidt. Vervolgens rukt Hij zich als met geweld van hen af, gaat een steenworp verder, valt op zijn aangezicht neder en zegt: Vader! zoo het mogelijk is, laat dan dezen kelk mij voorbijgaan, doch niet mijn, maar uw wil geschiede!

Na aldus gebeden te hebben, keert Jezus naar zijne leerlingen terug, doch helaas! Hij vindt hen slapende. Simon! zegt Jezus tot Petrus, slaapt gij ? Hebt gij dan geen uur met Mij kunnen waken? waakt en bidt, opdat gij niet valt in bekoring; de geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak.

Daarop gaat Jezus andermaal weg en bidt: Vader! kan deze kelk niet voorbijgaan, zonder dat ik hem drinke, dat dan uw wil geschiede! Hij keert op nieuw naar zijne leerlingen terug, doch vindt hen op nieuw slapende; zij zijn beschaamd en weten niet wat Hem te antwoorden. Jezus verlaat hen, verwijdert zich, en bidt voor de derde maal, gelijk te voren. Nu verschijnt er een Engel uit den hemel om Hem te sterken. Jezus in een doodelijken angst vervallende, volhardt langer in het gebed. Zijn

1) Matth. xxvi, 38.

ocr page 14

zweet wordt als druppelen bloeds, dat op de aarde nedervloeit.

Nu keert Jezus voor de laatste maal naar zijne leerlingen terug en zegt: Slaapt nu en rust — zoo gij kunt! — Ziet, het uur is gekomen, dat de Zoon des menschen in de handen der zondaren zal overgeleverd worden. Staat op! Laten wij gaan! ziet, mijn verrader is nabij.

Welk een schouwspel, M. Z., dat wij zoo even overwogen hebben! De Godmensch vervalt in doodsangsten; Hij siddert en beeft; Hij spreekt zijnen Apostelen eene taal toe, zooals Hij nog nooit gevoerd heeft: Mijne ziel, zegt Hij, is bedroefd tot den dood toe! Tristis est anima mea usque ad mortem! l) Doch wat mag wel de reden van die doodelijke droefheid zijn? O, M. Z., men zoude vele redenen van die droefheid kunnen opnoemen, doch ziehier de voornaamste. De redenen dier droefheid zijn: de zonden der wereld, de pijnen van Jezus en de ondankbaarheid der menschen.

Vooreerst de zonden der wereld, waarmede de hemel-sche Vader zijn Zoon beladen heeft. Al de zonden, van de eerste door Adam en Eva bedreven in het aardsch Paradijs, tot dc laatste, die er op aarde zal bedreven worden, zonden bedreven met gedachten en begeerten, met woorden en werken, bedreven tegen de geboden van God, tegen de geboden van de H. Kerk en tegen de plichten van eens ieders staat; al die zonden vertoonen zich met al hare boos- en afschuwelijkheid voor zijnen geest. Stroomen van goddeloosheid, zegt Jezus, hebben mij geschokt: Torrentes iniquitatis conturbaverunt me: 2) Zij zijn als water tot in het diepste mijner ziel doorgedrongen: In-

1) Matth. xxvi, 38. 2) Ps. xvn, 5.

ocr page 15

— 14 —

traverunt aqua usque ad animam meant, i) Jezus ziet al de doodslagen en heiligschennissen, al de onrechtvaardig- en onzuiverheden; in een woord, Hij ziet al de zonden van gansch het menschdora; Hij ziet ook al onze zonden, de mijne en de uwe, allen te zamen en elke in het bijzonder; ja. Hij onderscheidt ze allen, en elke zonde brengt Jezus de bitterste en pijnlijkste smarten toe.

Vervolgens de pijnen, die Jezus zal moeten lijden. Ja, Jezus voorziet de menigvuldige en felle folteringen, die Hij, om de zonden der wereld uit te boeten, zal moeten ondergaan. Tallooze rampen hebben mij omgeven, zegt Jezus door den mond van zijnen Profeet: Circumdederunt me mala, qiwrum non est numerus. 2) Het ziet in den geest de touwen en koorden, de geeselroeden en de doornenkroon, de nagels en het kruis; in een woord, Hij ziet gansch zijn lijden en \'t is, als of Hij er reeds de pijnen van gevoelt. Eindelijk de ondankbaarheid der menschen.

Jezus voorziet dat zoo vele menschen, voor welke Hij gaat lijden, geen voordeel zullen trekken uit zijn lijden. Wat zal hun mijn goddelijk bloed baten, denkt Jezus: Quce utihtas in sanguine meo f 3) Hij voorziet dat klein getal gelukzaligen, die overgroote menigte verdoemden. Hij voorziet het verraad en den zelfmoord van Judas, de vlucht der Apostelen, de verloochening van Petrus, de verwerping der Joden. Jezus voorziet nog de droefheid zijner dierbare Moeder, bijzonder aan den voet des kruises; de vervolging der Christenen, bijzonder van de Martelaren, Belijders en Maagden; ja. Hij ziet reeds het bloed van zoo vele duizenden Martelaren met stroomen vlieten. En Jezus, M. Z., ach! op dat akelig, op dat hartverscheurend

1) Ps. Lxvni, 2. 2) Pe. xxxdc, 13. 3) Ps. xxix, 10.

ocr page 16

schouwspel wordt Hij in zijne menschelijke natuur geschokt ; Hij verschrikt, vervalt in eene doodelijke droefheid, die Hem een bloedig zweet uit al zijne ledematen perst.

O Jezus! Gij beweent mijne zonden! Gij stort tranen! Gij zweet water en bloed om ze af te wasschen! En ik, ellendige zondaar! Ik zal er mij nog over verheugen? Gij betreurt en beweent den ondergang van zoovele menschen! En ik, ik zal door mijne ergernissen aan dien ondergang medewerken? Gij, het hoofd der Kerk, lijdt in al uwe leden! En ik, lid uwer Kerk, ik zal geen medelijden met U hebben ? Ja, lieve Jezus! geef tranen aan mijne oogen! Tranen, om mijne zonden te beweenen ! Tranen, om mijne ergernissen te herstellen! Tranen, om U, lieve Jezus, mijn medelijden te betoonen!

II.

Wij hebben overwogen, M. Z., de droefheid van Jezus in den Olijfhof en de voornaamste redenen er van. Overwegen wij nu ook nog een oogenblik, hoe Jezus zich tijdens de droefheid gedragen heeft.

Onze goddelijke Zaligmaker had tijdens zijn openbaar leven zijnen Apostelen meer dan eens geleerd, wat zij doen moesten, als zij zich in nood zouden bevinden. Hij had hun op het gebed als op een krachtig middel gewezen, waarvan zij zich moesten bedienen, om, zoo niet uit den nood verlost, althans daarin verlicht en getroost te worden. Die leering zal Jezus, terwijl Hij zelf in nood verkeert, in toepassing brengen; van dat middel zal Hij zich ook bedienen. En inderdaad. Ten prooi aan eene doodelijke droefheid in den Olijfhof, neemt Jezus zijn toevlucht tot het gebed. En waarom bidt onze goddelijke Zaligmaker ? Jezus bidt wel is waar om hulp en bijstand te bekomen; Hij vraagt zijn hemelschen Vader, gelijk

ocr page 17

— i6 —

blijkt uit zijn gebed, om zoo mogelijk uit den nood verlost te worden; doch daarom alleen bidt Jezus niet; Hij heeft nog andere redenen om te bidden: Hij bidt vooral om ons een voorbeeld te geven, zegt de H. Ambrosius, om ons te leeren hoe wij moeten bidden. En inderdaad, M. Z.; het gebed van onzen goddelijken Zaligmaker is het volmaaktste voorbeeld voor ons, wijl wij er in vinden al de voorwaarden, die er vereischt worden, opdat het gebed een krachtig, opdat het een onfeilbaar middel zij om verhoord te worden. Hoe bidt dus Jezus in den Olijf hof tijdens zijne droefheid ? Jezus, na zich een steenworp van zijne leerlingen verwijderd te hebben, bidt met eerbied en ootmoedigheid; Hij bidt met betrouwen en overgeving aan den wil van zijn hemelschen Vader; eindelijk bidt Hij met volharding.

Jezus bidt vooreerst met eerbied en ootmoedigheid. Welke eerbiedige, welke ootmoedige houding neemt Jezus niet aan! Hij zet zich op de knieën: Positis genibus. i) Waarom? Om mij te leeren, hoe ik mij eerbiedig moet gedragen tijdens het gebed. Hij valt op zijn aangezicht neder: Procidit in faciem suam. Waarom? Om mij te leeren, hoe ik, nietig schepsel, ellendige zondaar, mij tijdens het gebed voor God moet vernederen.

Jezus bidt met betrouwen; met betrouwen op de goedheid en almacht Gods, met betrouwen op de goedheid Gods, als blijkt uit den zoeten naam, dien Hij God geeft; Hij noemt God zijnen Vader: Pater mi! 2) Met betrouwen op de almacht Gods: Vader! zegt Jezus, alles is U mogelijk! Omnia Tibi possibilia sunt! En waarom bidt Jezus met zoo groot betrouwen ? Om mij te leeren bidden met betrouwen op de goedheid en almacht Gods. Bijal-

1) Luc. xxn. 41. 2) Matth. xxvi, 39.

ocr page 18

dien iemand wijsheid — en onder den naam van wijsheid mag elke bovennatuurlijke gave begrepen worden — bijaldien iemand wijsheid noodig heeft, zegt de H. Jacobus, hij vrage ze aan God, en zij zal hem gegeven worden : Posttilet a Deo et dabitur ei\\ l) doch hij vrage ze met betrouwen, zonder te aarzelen, zonder te twijfelen; hl fide nihil haesitans: want die twijfelt, zegt dezelfde Apostel, is gelijk aan eene golf der zee, die door den wind heen en weer geslingerd wordt.

Jezus bidt nog met overgeving aan den wil van zijn liemelschen Vader. Vader! zegt Jezus, bijaldien het mogelijk is: Si possible est.2) Bijaldien Gij Vader! het goed vindt; laat dan dezen kelk mij voorbijgaan, doch niet mijn, maar uw wil geschiede! Waarom bidt Jezus met overgeving aan den wil van zijn hemelschen Vader? Om mij te leeren van niet alleen nooit iets te vragen, dat in strijd is met den wil van God, maar ook van altijd en in alles aan den wil van God onderworpen te zijn, wel overtuigd, dat God alles tot mijn tijdelijk en eeuwig welzijn zal schikken.

Eindelijk bidt Jezus met volharding, waarin de kracht des gebeds vooral gelegen is. Hij bidt gedurende drie uren; Hij onderbreekt zijn gebed niet uit traag- of lichtzinnigheid, maar enkel uit noodzakelijkheid, om zijne Apostelen op te zoeken en te vermanen, en na hen opgezocht en vermaand te hebben, keert Hij terstond terug om zijn hemelschen Vader opnieuw te bidden.

Ziedaar, M. Z., waarom en hoe onze goddelijke Zaligmaker tijdens zijne droefheid in den Olijfhof gebeden, heeft. Hij heeft gebeden, onder anderen, om ons een voorbeeld te geven: Hij heeft gebeden met eerbied en

1) Jac. i, 5-6. 2) Matth. xxvi, 39.

II. 2.

ocr page 19

— l8 —

ootmoedigheid, met betrouwen op de goedheid en almacht Gods; Hij heeft gebeden met overgeving aan den wil van zijn hemelschen Vader, en eindelijk met volharding.

Voor dat schoon voorbeeld moeten wij onzen godde-lijken Zaligmaker dankbaar zijn; en om Hem onze dankbaarheid te betoonen, beijveren wij ons om het na te volgen.

Ja, dank, o goede Jezus! Duizendmaal dank voor het schoon voorbeeld, dat Gij mij gegeven hebt ! Ik zal trachten van het zoo goed mogelijk na te volgen. In al mijne noodwendigheden, zoo naar ziel als naar lichaam, zal ik mijne toevlucht nemen tot het gebed; ik zal God bidden met eerbied, met een bedroefd en ootmoedig hart, dat Hij niet kan versmaden; met een kinderlijk en vast betrouwen, met eene volkomen overgeving aan zijn godde-lijken wil, zal ik niet ophouden God mijnen Vader te bidden.

SLUITREDE.

Wij hebben onzen goddelijken Zaligmaker in den Olijfhof in zijne droefheid beschouwd en de voornaamste redenen dier droefheid overwogen. Wij hebben gezien, dat Jezus in die droefheid zijne toevlucht neemt tot het gebed en hoe Hij geleden heeft.

Ja, Jezus in den Olijfhof is bedroefd, bedroefd tot den dood toe.

De zonden der wereld, uwe, mijne zonden onder anderen, zijn de oorzaak geweest van die doodelijke droefheid. Jezus, de Zoon Gods, siddert en beeft; Hij roept uit: Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe! Tristis est anima mea usque ad mortem! l) Hij valt, terwijl Hij aan mijne zonden denkt, op zijn aanbiddelijk

1) Matth. xxvi, 38.

ocr page 20

— 19 —

aangezicht neder. Zijn aangezicht, gansch zijn lichaam is met zweet, met een bloedig zweet bedekt. Wanneer ik nu den Zoon Gods in dien pijnlijken toestand op den grond zie liggen, en terwijl ik er de oorzaak van overweeg, moet ik dan niet besluiten van mijne zonden te beweenen, van ze te haten en te verfoeien ? Moet ik dan niet besluiten van de zonden nooit meer te bedrijven en de daartoe noodige middelen aan te wenden? Ja, M. Z.,tot dat besluit moeten wij allen komen ; en vandaar dat ik in naam van allen, en van eenieder in het bijzonder, deze eerste overweging eindig met een kort gebed tot Jezus en Maria.

Mijn goddelijke Zaligmaker! In den geest zie ik U in den Olijfhof met een bloedig zweet bedekt, bedroefd tot den dood toe, ter aarde liggen. Ik ben bedroefd over mijne zonden, wijl zij de oorzaak geweest zijn van uw lijden; ik haat en ik verzaak al mijne zonden uit liefde tot U, en ik maak een vast voornemen van ze nimmer meer te bedrijven; ik maak een vast voornemen van in de bekoringen, als ik aangezet zal worden tot zonde, mijne toevlucht te nemen tot het gebed; van te bidden vooral met eerbied en ootmoedigheid, met betrouwen en volharding; ja, ik maak een vast voornemen van liever te sterven, dan U nog te vergrammen.

O Maria, Toevlucht der zondaren ! bid yoor mij, opdat ik mijne zonden oprecht beweene, er eene ware boetvaardigheid over doe en ze nimmer meer bedrijve. Amen.

ocr page 21

TWEEDE MEDITATIE.

Dixit iUi Jems: Amice! Ad quid ■venisti?

Jezus zeide hem: Yriend! Waartoe zijt gij gekomen? (Matth. xxvi. 50.)

INHOUD.

VOORREDE.

Jezus had zijn lijden en dood voorzegd. — Beraadslaging van den joodschen raad, om Jezus gevangen te nemen. — Besluit des hemelschen Vaders. —-De Joden veranderen van besluit. — Waarom? — Tijdens het laatste avondmaal sprak Jezus over het verraad. — Wat had er plaats tijdens het laatste avondmaal? — Judas stond op, verliet de zaal en begaf zich naar de Priesters.

I. Verraad door Judas gepleegd;

11. Zondaar, die Judas navolgt.\'

I.

Verraad van Judas. —De soldaten ter aarde geworpen. — Gevangenneming van Jezus. — Oorzaak der misdaad door Judas gepleegd. — Eene slechte neiging, waartegen Judas zich niet verzet heeft. — De. geldzucht. — Omstandigheden van het verraad. — Wie is de verrader? Wie wordt er verraden ? Hoe gedraagt zich Jezus tijdens het verraad?

ocr page 22

II.

Ondei1 de Christenen treft men personen aan, die Judas navolgen. —• Wie? — De heiligschenders. — De heiligschender is in zekeren zin een grooter booswicht dan Judas. — V\'ergelijking van den heiligschender met Judas. \'

SLUITREDE.

Vermaning tot bekeering. — Zijne toevlucht nemen tot Maria, de Moeder van Jezus. —- Gebed tot M^ria.

TWEEDE MEDITATIE.

Dixit illi Jesus: Amice! Ad quidveniatif Jezus zeide hem: Vriend! Waartoe zijt gij gekomen. (Matth. xxvi, 50.)

VOORREDE.

*

Tijdens zijn^ openbaar leven, M. Z., had onze goddelijke Zaligmaker zijnen leerlingen dikwijls over zijnen dood gesproken; doch zij wisten niet juist het tijdstip, wa«-neer, noch de wijze, waarop hun goddelijke Meester ter dood zoude gebracht\' worden.

Kórt voor zijne gevangenneming sprak Jezus klaar tot zijne Apostelen. Gij weet, zeide Hij, dat het na twee dagen Paschen is, en dat de Zoon des menschen overgeleverd zal worden om gekruist te worden.

Terzelfder tijd, }a wellicht denzelfden dag, dat Jezus zoo sprak, vergaderden de Priesters én Ouderlingen des volks in het voorhof van den Opperpriester Caïphas; zij

ocr page 23

beraadslaagden onder elkander, hoe zij zich van Jezus zouden meester maken om Hem daarna ter dood te brengen. Jezus\' dood, M. Z., hadden zij reeds over lang besloten; zij beraadslaagden dus enkel over de wijze, waarop zij zich van Hem zouden meester maken. Met openbaar geweld Jezus gevangen nemen durfden zij niet. Zij waren bang voor het volk, bij hetwelk onze goddelijke Zaligmaker nog in groot aanzien stond. Zij namen dus het besluit van Hem met list gevangen te nemen; doch niet op het Paaschfeest, zeiden zij, dat is, niet gedurende de Paaschweek, opdat er onder de menigte des volks, dat van alle zijden naar Jeruzalem gekomen was om het Paaschfeest te vieren, geen oproer uitbreke. Zij waren dus voornemens, Jezus gevangen te nemen, te veroordeelen en ter dood te brengen, zoodra het feest afgeloopen en Jeruzalem van vreemdelingen verlaten zoude zijn. Doch God, M. Z , had anders besloten. Ja, de hemelsche Vader had vastgesteld: zijn eenige Zoon zoude zich op het Paaschfeest zelve opofferen voor de zaligheid der menschen.

Eene schoone gelegenheid, om Jezus in stilte, zonder opschudding onder het volk, gevangen te nemen, door Judas, een der twaalf, den Priesters aangeboden, deed hen van besluit veranderen. Zij zouden hun moordplan zoo spoedig mogelijk ten uitvoer brengen.

Judas, over het zalven van Jezus\' voeten door Maria Magdalena geërgerd; Judas, die dat liefdewerk eene verkwisting durfde noemen, begaf zich naar de Priesters en zeide hun: Wat wilt gij mij geven en ik zal Hem u overleveren ? Zoodra de Priesters Judas hoorden spreken, verheugden zij zich zeer ; zij beloofden hem dertig zilverlingen. En ziet, de trouwelooze Apostel geeft hun zijn woord, hij is gereed. Van dat oogenblik af zocht Judas

ocr page 24

— 23 —

«ene geschikte gelegenheid om zijn goddelijken Meester over te leveren.

Tijdens het laatste avondmaal, toen Jezus met zijne Apostelen, onder welke ook Judas, aan tafel zat, sprak Hij over het verraad. Voorwaar, voorwaar, ik zeg het u, sprak Jezus: één onder u zal mij verraden.

Welk een treurig nieuws voor de elf Apostelen, die hun goddelijken Meester teeder beminden! Geen wonder dat zij bedroefd werden. Bevreesd zagen zij elkander aan, en zij vroegen Jezus, één voor één. Heer! ben ik het, die U verraden zal ? Jezus antwoordde: Die met mij de hand in den schotel doopt, die zal mij verraden. Daarmede nochtans bleef de verrader onbekend. En onze goddelijke Zaligmaker voegde erbij: De Zoon des menschen gaat wel is waar heen — namelijk van het leven in den dood — gelijk van Hem geschreven staat; maar wee toch den mensch, door wien de Zoon des menschen zal overgeleverd worden! Want \'t ware beter voor hem, dat hij niet geboren ware. Als wilde Jezus zeggen: \'t Ware beter voor hem, dat hij nooit bestaan hadde.

Wat ging er wel om in het hart van Judas, toen hij die woorden hoorde? Doch, helaas! Judas bleef ohgevoe-lig; ja, wat meer is, hij verstoutte zich zelfs, even als de andere Apostelen, doch vol liefde, gedaan hadden, Jezus te vragen: Heer! ben ik het ? En Jezus zeide hem rechtuit: Ja, gij zijt het; Tu dixisti. i)

Een weinig tijds daarna stond Judas van tafel op. De overige Apostelen meenden, dat hij het een of ander ging koopen, doch Judas begaf zich naar de Priesters, om htm zoo spoedig mogelijk Jezus over te leveren.

\'t Is over die snoode daad van Judas, over zijn af-

i) Matth. xxvi, 64.

ocr page 25

— 24 —

schuwelijk verraad en over de gevangenneming van Jezus, dat wij vandaag gaan spreken.

O Maria! wier hart ongetwijfeld met een zwaard van droefheid doorboord werd, bij het vernemen van de gevangenneming van Jezus uwen Zoon; door die pijnlijke droefheid bid ik U, o smartvolle Moeder! verkrijg voor ons de genade van deze overweging naar behooren te verrichten, ten einde er veel vrucht uit te trekken voor onze ziel en zaligheid.

Zie hier de twee punten die wij gaan overwegen.

I. De afschuwelijkheid der misdaad door Judas gepleegd;, II. Welke zondaar Judas vooral navolgt.

1.

Zoodra Jezus in den Olijfhof zijn gebed geëindigd heeft beveelt Hij zijnen Apostelen van op te staan. En ziet, nauwelijks heeft hij hen het dreigend gevaar doen opmerken, of daar komt Judas, de trouwelooze Apostel, aan. Hij staat aan het hoofd eener bende soldaten, van fakkels en lantaarnen voorzien en met zwaarden en stokken gewapend. Judas heeft den soldaten ook een teeken gegeven, waaraan zij Jezus erkennen zullen: Hij, dien ik kussen zal, die is het; grijpt Hem vast en leidt Hem voorzichtig.

Zoodra Judas bij het licht der fakkels en lantaarnen Jezus ziet aankomen, snelt hij vooruit, gaat naar Hem toe en zegt: Wees gegroet Meester! en hij kust Hem. Jezus zegt tot Judas: Vriend! Waartoe zijt gij gekomen? Verraadt gij den Zoon des menschen door eenen kus?\' Jezus gaat de soldaten te gemoet, en vraagt: Wien zoekt gij ? De soldaten antwoorden: Jezus van Nazareth. Daarop zegt Jezus; Ik ben het! Ego sum! i) en op die enkele

1) Joan, xviii, 5.

ocr page 26

woorden: Ik ben het: Ego sum, vallen de soldaten, als door den bliksem getroffen, achterover op den grond neder, en zij zullen niet opstaan, alvorens Jezus het toelaat. Jezus vraagt hun nogmaals: Wien zoekt gij? Zij geven hetzelfde antwoord: Jezus van Nazareth. Jezus antwoordt: Ik heb u reeds gezegd, dat ik het ben; indien gij mij dus zoekt, zoo laat deze — zijne leerlingen bedoelende — ongehinderd gaan. Daarop slaan zij de handen aan onzen goddelijken Zaligmaker en boeien Hem.

Wanneer men de snoode daad van Judas, waarover wij komen te spreken, nauwkeurig overweegt; wanneer men er de omstandigheden wel van nagaat, dan vraagt men zich onwillekeurig af: Hoe is het toch mogelijk, dat Judas zoo ver gegaan, dat hij zoo diep gevallen is ? Wilt gij er de reden van weten? Ziehier die reden.

De reden, M. Z., waarom Judas zoo ver gegaan, zoo diep gevallen is, dat hij zijn goddelijken Meester verraden en overgeleverd heeft, die reden is eene slechte neiging, die Judas in den beginne niet beteugeld, waartegen hij zich niet verzet heeft. Judas was een geldzuchtig mensch; van geldzuchtig wordt hij een onrechtvaardige, hij besteelt Jezus en de overige Apostelen; hij verstoutte zich zelfs, Jezus onwaardig te ontvangen in het laatste avondmaal, en eindelijk verraadt en levert hij Hem over voor dertig zilverlingen. Ziedaar, hoe ver de geldzucht den nensch brengen kan; ziedaar hoe eene slechte neiging den mensch, zoo hij er iri den beginne niet aan wederstaat, hoe langer hoe ongelukkiger maakt, hem van den eenen afgrond in den anderen stort, totdat zij hem eindelijk, gelijk wij later zullen zien, nederstort in den afgrond der hel, want de eene afgrond roept den anderen in: Abyssus abysszcm invocat. i)

1) Ps. XLI, 8.

ocr page 27

— 24 —

schuwelijk verraad en over de gevangenneming van Jezus, dat wij vandaag gaan spreken.

O Maria! wier hart ongetwijfeld met een zwaard van droefheid doorboord werd, bij het vernemen van de gevangenneming van Jezus uwen Zoon; door die pijnlijke droefheid bid ik U, o smartvolle Moeder! verkrijg voor ons de genade van deze overweging naar behooren te verrichten, ten einde er veel vrucht uit te trekken voor onze ziel en zaligheid.

Zie hier de twee punten die wij gaan overwegen.

I. De afschuwelijkheid der misdaad door Judas gepleegd;

II. Welke zondaar Judas vooral navolgt.

I.

Zoodra Jezus in den Olijfhof zijn gebed geëindigd heeft beveelt Hij zijnen Apostelen van op te staan. En ziet, nauwelijks heeft hij hen het dreigend gevaar doen opmerken, of daar komt Judas, de trouwelooze Apostel, aan. Hij staat aan het hoofd eener bende soldaten, van fakkels en lantaarnen voorzien en met zwaarden en stokken gewapend. Judas heeft den soldaten ook een teeken gegeven, waaraan zij Jezus erkennen zullen; Hij, dien ik kussen zal, die is het; grijpt Hem vast en leidt Hem voorzichtig.

Zoodra Judas bij het licht der fakkels en lantaarnen Jezus ziet aankomen, snelt hij vooruit, gaat naar Hem toe en zegt: Wees gegroet Meester! en hij kust Hem. Jezus zegt tot Judas: Vriend! Waartoe zijt gij gekomen? Verraadt gij den Zoon des menschen door eenen kus? Jezus gaat de soldaten te gemoet, en vraagt: Wien zoekt gij ? De soldaten antwoorden: Jezus van Nazareth. Daarop zegt Jezus: Ik ben het! Ego sum! i) en op die enkele

1) Joan, xvni, 5.

ocr page 28

woorden: Ik ben het: Ego sum, vallen de soldaten, als door den bliksem getroffen, achterover op den grond neder, en zij zullen niet opstaan, alvorens Jezus het toelaat. Jezus vraagt hun nogmaals: Wien zoekt gij ? Zij geven hetzelfde antwoord: Jezus van Nazareth. Jezus antwoordt: Ik heb u reeds gezegd, dat ik het ben; indien gij mij dus zoekt, zoo laat deze — zijne leerlingen bedoelende — ongehinderd gaan. Daarop slaan zij de handen aan onzen goddelijken Zaligmaker en boeien Hem.

Wanneer men de snoode daad van Judas, waarover wij komen te spreken, nauwkeurig overweegt; wanneer men er de omstandigheden wel van nagaat, dan vraagt men zich onwillekeurig af: Hoe is liet toch mogelijk, dat Judas zoo ver gegaan, dat hij zoo diep gevallen is ? Wilt gij er de reden van weten? Ziehier die reden.

De reden, M. Z., waarom Judas zoo ver gegaan, zoo diep gevallen is, dat hij zijn goddelijken Meester verraden en overgeleverd heeft, die reden is eene slechte neiging, die Judas in den beginne niet beteugeld, waartegen hij zich niet verzet heeft. Judas was een geldzuchtig mensch; van geldzuchtig wordt hij een onrechtvaardige, hij besteelt Jezus en de overige Apostelen; hij verstoutte zich zelfs, Jezus onwaardig te ontvangen in het laatste avondmaal, en eindelijk verraadt en levert hij Hem over voor dertig zilverlingen. Ziedaar, hoe ver de geldzucht den mensch brengen kan; ziedaar hoe eene slechte neiging den mensch, zoo hij er ih den beginne niet aan wederstaat, hoe langer hoe ongelukkiger maakt, hem van den eenen afgrond in den anderen stort, totdat zij hem eindelijk, gelijk wij later zullen zien, nederstort in den afgrond der hel, want de eene afgrond roept den anderen in: Abyssus abysstun invocat. i)

1) PS. XLl, 8.

ocr page 29

— 26 —

Doch zien wij een oogenblik eenige bijzonderheden van het verraad van Judas. Wie is de verrader ? Wie wordt er verraden en hoe wordt Jezus verraden?

Wie is de verrader? Judas is de verrader: Judas, zeg ik, door Jezus uit de geringe volksklasse tot de waardigheid van Apostel verheven; Judas, die dagelijks met Jezus omging; Judas, die dagelijks getuige was van het heilig leven en van de deugden van Jezus; die dagelijks uit den gezegenden mond van Jezus de zaligste lessen en onderwijzingen hoorde; ja, \'t is Judas, de vriend, de lieveling van Jezus.

Wie wordt er verraden? Jezus wordt verraden, Jezus van Nazareth, de zoo lang verwachte Messias, die zich geene moeite spaarde om zijn volk gelukkig te maken; die steden en dorpen rondreisde, om overal zijne zaligmakende leer te verkondigen; die de zieken genas; die aan de dooven het gehoor, aan de blinden het gezicht, aan de stommen de spraak, aan de kreupelen den gang, aan de dooden het leven wedergaf; die de hongerigen in de woestijn tot tweemaal toe met een wonderbrood spijsde; ja, \'t is Jezus, de weldoener van gansch het volk en van Judas in het bijzonder.

Hoe wordt Jezus verraden ?

Met moeite kan men zijne verontwaardiging bedwingen, M. Z., als men de valschheid, de huichelarij en de schijnheiligheid ziet, waarmede Judas te werk gaat. Neen, ware Judas er recht voor uit gekomen, hij zoude het minnend Hart van Jezus zoo diepe wond niet hebben ingeslagen. Doch ziet, Judas stelt zich uitwendig aan, alsof hij nog de Apostel, de leerling van Jezus is, en hij heeft reeds zijn gezelschap, zijne school verlaten. Hij stelt zich uitwendig aan, alsof hij nog de vriend van Jezus is, en inwendig is hij zijn gezworen vijand. Met een helschen

ocr page 30

— 27 —

grimlach om de lippen en een doodelijken haat tegen Jezus in het hart komt hij vooruit; hij groet Jezus: Wees gegroet Meester! zegt hij; Ave Rabbi! en hij kust of omhelst Hem. O geveinsde vriendschap! Verraderlijke kus! Heiligschendende omhelzing! Wat zal onze goddelijke Zaligmaker nu doen? Hij, die de schandelijke inzichten van Judas kent. Zal Hij hem zijne misdaad verwijten? Zal Hij hem op staanden voet naar verdienste met den dood straffen? Neen, neen! M. Z.; Jezus verwijt Judas niets; Jezus straft hem niet: integendeel, Jezus zal alle pogingen aanwenden om dien ongelukkige tot inkeer te brengen, om zijn versteend hart te vermurwen. Want ziet, Jezus laat alles toe; Hij aanschouwt Judas nog met minzaamheid en liefde; Hij noemt hem zijn vriend: Amice! Mijn vriend! zegt Jezus. Hij doet eerst, alsof Hij de inzichten van Judas niet kent: Ad quid venistif i) Waartoe zijt gij gekomen? Hij noemt Judas bij name en stelt hem daarop wel is waar, maar op de zachtste en minzaamste wijze, zijne misdaad voor oogen : Juda! Osculo Filium hominis tradis? Judas! levert gij den Zoon des menschen over door eenen kus? Welk hart, hoe verstokt, hoe versteend ook moest niet bewogen worden! Doch, helaas! alles is te vergeefs; neen, niets is in staat Judas te bewegen; noch het minzaam gelaat van Jezus, noch zijne woorden vol aandoening en liefde, noch de wonderen die Hij op het oogenblik verricht, door het omverwerpen der soldaten, door het genezen van het oor van Malchus; neen, niets, niets is in staat Judas te bewegen; hij volhardt in zijne boosheid, hij veracht alles. Ja, de goddelooze, wanneer hij zich eenmaal in den afgrond der zonden heeft nedergestort.

1) Matth. xxvi, 50.

ocr page 31

— 28 —

veracht alles: Impius, cum in profundum vener it, con-temnit. l)

Gij zijt verontwaardigd, M. Z. ; gij verfoeit de misdaad van Judas, en gij zegt: Hoe heeft Judas toch die ongehoorde, die afschuwelijke misdaad kunnen bedrijven ? Gij bewondert, gij begrijpt niet de goedheid, de lankmoedigheid van Jezus, en gij zegt: Hoe heeft onze goddelijke Zaligmaker Judas toch zoolang kunnen verdragen ? En te recht, M. Z. Doch vergeeft mij, zoo ik u zegge en tevens bewijze, dat de misdaad van Judas, die wij verfoeien, hedendaags nog bedreven; dat de goedheid, de lankmoedigheid van God, die wij bewonderen, hedendaags nog uitgeoefend wordt. Ja, en \'t is zelfs onder de Christenen, dat men Judassen aantreft, dat is, zondaren, die Judas gelijken; wat zeg ik, die hem gelijken? Ja, die hem in zekeren zin in boosheid te boven gaan. Die droevige waarheid ga ik u uitleggen in het tweede deel.

II.

Er zijn Christenen, M. Z., die den trouweloozen Judas gelijken, ja, die hem in zekeren zin in boosheid te boven gaan. Dusdanige Christenen zijn de heiligschenders, en men vindt er, helaas! maar al te veel.

Doch wie zijn heiligschenders?

Zijn heiligschenders, bijv., die met een hart vol haat en nijd, met een hoofd vol trotsch- en opgeblazenheid tot de H. H. Sacramenten naderen.

Zijn heiligschenders, die met de handen vol onrechtvaardig geld of goed, met eene tong als het ware nog zwart van de vloeken en godslasteringen durven te communie gaan.

1) Prov. xviii, 3.

ocr page 32

Zijn heiligschenders, die met eenen mond nog stinkende van de onzuivere woorden, met een lichaam als bedorven door de ontucht hunnen Heer en God ontvangen.

Zijn heiligschenders, in een woord, al degenen, die met een geweten, besmeurd met doodzonde, tot de H. Tafel naderen. Is dat niet den trouvveloozen Judas gelijken? Ja, \'t is zelfs in zekeren zin dien verrader te boven gaan, hetgeen ik bewijs door de vergelijking van Judas met den heiligschender; luistert.

Judas onderhandelt met de vijanden van Jezus om Hem over te leveren. Quid vultis mild dare ct ego vobis cum tradam? l) Wat wilt gij mij geven, en ik zal Hem u overleveren ? De vijanden van Jezus bieden hem dertig zilverlingen aan, en Judas is tevreden, hij neemt het aanbod aan. De heiligschender onderhandelt in zekeren zin ook eerst met de vijanden van Jezus, en wel met grootere vijanden dan de joodsche Priesters. Met welke vijanden ? Met den duivel, de wereld en het vleesch. Wat wilt gij mij geven? vraagt hun de heiligschender: Quid vultis mihi dare f De duivel biedt hem dertig zilverlingen aan, een weinig onrechtvaardig geld of goed; de wereld een zondig vermaak, dat vervliegt; het vleesch een schandelijken wellust van een oogenblik. De heiligschender is tevreden, hij neemt het aanbod aan: Ik zal Hem u overleveren, zegt hij: Ego vobis eian tradam.

De heiligschender is gelijk een andere Judas op weg naar de priesters. Volgen wij hem een oogenblik. Hij begeeft zich naar den biechtstoel; daar verzwijgt hij, bijv,, uit schaamte zijne zonden; ofwel hij biecht ze, maar zonder berouw; want hoe zoude hij een goed berouw hebben ? In plaats van zich tot de biecht voor te bereiden,

1) Matth. xxvi, 15.

ocr page 33

— SO —

door te bidden, door zijn geweten te onderzoeken, heeft hij aan den biechtstoel wat zitten lachen en praten; of wel, hij biecht zijne zonden, maar zonder voornemen van de kwade gewoonten af te leggen, zonder voornemen van de naaste gelegenheid van zonde te verlaten, zonder welk voornemen men nochtans geen goed berouw kan hebben.

De heiligschender, reeds onder de macht van den duivel, gaat immer voort. Hij voegt zich, niet gelijk Judas bij de openbare vijanden van Jezus; neen, zijne schijnheiligheid, zijne huichelarij gaat verder, hij voegt zich bij de brave, de godvruchtige Christenen; uitwendig wil hij zuiver van zonden en de vriend van Jezus zijn, maar inwendig is hij besmeurd met doodzonden en de vijand van Jezus.

De heiligschender geeft als het ware ook een teeken evenals Judas. Aan wien? Aan een romeinschen soldaat ? Neen, neen, maar aan den aartsvijand van Jezus, aan den duivel. Dien ik ontvangen zal, zegt hij als het ware tot Satan, die is het, grijpt Hem vast. En ziet, de heiligschender, die daar met gevouwen handen, met neêrgeslagen oogen tot de communiebank nadert; ja. Heer Jezus! die is het, die U verraden zal! Ecce appro-finquavit! i) En wat doet Jezus? Hij roept als het ware uit het Tabernakel tot dien heiligschender, gelijk eertijds tot Judas: Amice! Mijn vriend! Mijn kind! Wat gaat gij doen? Waartoe zijt gij gekomen? Ad quid vinisti? Wat misdaad gaat gij bedrijven ? Wat heb ik u toch misdaan, mijn kind! dat gij Mij gaat verraden, aan mijn grootsten vijand gaat overleveren, en dat onder den schijn van vriendschap? Osczilo F ilium hominis tradis? Niets te doen, M. Z., de heiligschender veracht die hartroerende,

1) Matth. xxvi, 46.

ocr page 34

— 31 —

die zoete woorden van Jezus; Hij komt vooruit, knielt en zet zich voor, of aan de H. Tafel neder. De priester neemt de ciborie in de hand, toont den minnelijken Zaligmaker onder de gedaante van brood, en zegt: Ecce Agnus Dei, ecce qui tollit peccata mundi i Ziedaar Jezus! Ziedaar het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt! De priester komt nader; hij legt, o gruwel der gruwelen! hij legt de H. Hostie op de tong van den heiligschender, terwijl hij zegt: Corpiis Domini Nostri Jesu Christi cusdodiat animatn tuam in vitam lt;z(erjiam, amen: Het Lichaam van O. H. J. C. beware uwe ziel ten eeuwigen leven, daar hij integendeel zoude kunnen zeggen, verdoeme uwe ziel in eeuwigheid.

Ziedaar, M. Z., hoe de heiligschender Jezus verkoopt en Hem groet. Ziedaar hoe de heiligschender Jezus verraadt en Hem als het ware aan den duivel overlevert. Kan er wel, ik vraag het, een afschuwelijkere misdaad dan eene heiligschendende Communie uitgedacht, een grooter monster van boosheid dan een heiligschender gevonden worden?

SLUITREDE.

Zouden er nog heiligschenders, zouden er nog Judassen kunnen zijn? Zijn er misschien hier tegenwoordig, die den ongelukkigen Apostel zijn nagevolgd, die zich tot op den dag van heden in dien ongelukkigen staat bevinden? O, M. Z., zoo er hier tegenwoordig zijn, ik bid en ik smeek hen door het bitter lijden van Jezus: Staat op uit uwen ongelukkigen staat en bekeert u! Wilt gij opstaan? Wilt gij u bekeeren? Ja, ik wil wel, zegt gij. maar ik durf niet tot Jezus gaan, wijl ik Hem zoo dikwijls en zoo grootelijks vergramd heb. O, gij wilt dan opstaan, gij wilt u bekeeren? Dan zijt gij gered.

ocr page 35

— 32 —

Gij durft niet tot Jezus gaan, zegt gij. Niets nochtans zoude u moeten wederhouden van tot Jezus te gaan, wijl Hij met open armen gereed staat om u in liefde te ontvangen; doch zoo gij, door een eerbiedwaardige vrees wederhouden, u niet rechtstreeks tot Jezus durft begeven, er is nog een middel; er is nog een andere persoon, die u volgaarne zal vergezellen, en wie is die persoon? Ha! die persoon is Maria, de Moeder van Jezus. Ja, wendt u tot Maria, en zegt Haar: O, Maria! Ik durf niet naar Jezus uw goddelijken Zoon gaan, en daarom neem ik tot u mijne toevlucht, tot u, die de Toevlucht der zondaren zijt. O Maria! O mijne Moeder! Spreek voor mij ten beste; verkrijg voor mij eene ware droefheid over mijne zonden; leid mij vervolgens naar den biechtstoel, om door cene trouwe en ootmoedige schuldbelijdenis vergiffenis van mijne zonden te bekomen, en eindelijk, o goede Moeder! Vergezel nog uw bevreesd kind tot Jezus uwen Zoon aan de Tafel des Heeren, opdat ik Hem met eerbied ontvange, van liefde en dankbaarheid doordrongen aan mijn hart drukke en vol vreugde moge uitroepen: O, nu behoort Jezus uw Zoon aan mij toe, en ik aan uwen Zoon Jezus! Dilectus ineus mi hi et ego Illi! l) Amen.

1) Cant, ii, 16.

\' quot; »■

ocr page 36

DERDE MEDITATIE.

ifisit Eum Annas ligatum ad Ca\'ipham Pontijicem.

Annas zond Hem geboeid naar den Opperpriester Caïphas.

(Joan, xvni, 24.)

INHOUD.

VOORREDE.

Verschil tusschen den optocht van Jezus uit Bethphage naar Jeruzalem en den optocht van Jezus uit den Olijfhof naar die ondankbare stad.

VERDEELING.

I. Mishandelingen van Jezus in het huis van Caïphas;

II. Droefheid van Jezus veroorzaakt door Petrus en Judas.

I.

Jezus wordt eerst naar Annas, vervolgens naar Caïphas geleid — Caïphas ondervraagt Hem over zijne leerlingen en zijne leering. —- Op de eerste vraag antwoordt Jezus niet, ons leerende het kwaad van onzen evenmensch te zwijgen, zoo wij geen goed van hem willen zeggen. — Jezus belijdt zijne leering kloekmoedig. — Een soldaat geeft Hem een kaakslag. — Zonderlinge rechtbank. —

II. 3.

ocr page 37

— 34 —

Jezus straft den schaamteloozen soldaat niet. — Door zijn gedrag veroordeelt Hij den oploopenden, den wraak-gierigen mensch. — Valsche getuigen treden op, doch spreken elkander tegen. ■— Jezus, door Caïphas ondervraagd, belijdt zijne zending, waarop Hij ter dood veroordeeld wordt. — Verschil tusschen de rechtbank van Caïphas en die van den Zoon Gods in den laatsten dag des oordeels. — De soldaten mishandelen Jezus. ■—■ Zij spuwen Hem in het aangezicht, slaan Hem met de vuist, met de platte hand. — Zij lasteren en blinddoeken Hem. — Toepassing. -— De hoovaardige bespot Jezus, de gierigaard slaat Hem met de vuist, de verkwister met de platte hand, de vloeker lastert, de onzuivere besmeurt Hem.

II,

Dubbele smart, Jezus\' minnend hart aangedaan door Petrus, die Hem verloochent, en door Judas die zich verhangt. — Oorzaak van den val van Petrus; de vermetelheid, de hoovaardigheid en de onvoorzichtigheid. — Oogslag van Jezus op Petrus. — Petrus gaat naar buiten en weent bitter. — Om dezelfde reden valt de mensch in zonde. — Judas, door den duivel vervolgd, werpt het geld in den tempel, dwaalt rond buiten Jeruzalem, en verhangt zich uit wanhoop.

SLUITREDE.

Wij allen zijn Petrus in den val nagevolgd; wij moeten hem ook navolgen in de bekeering, en vooral de gevaren en gelegenheden van zonde verlaten en vluchten.

ocr page 38

— 35 —

DERDE MEDITATIE.

ifisit Enm Annas ligafum ad Caipham Pontificem,

Annas zond Hem geboeid naar den Opperpriester Caïphas.

(Joan, xviii, 24.)

VOORREDE.

Hoezeer verschilt de plechtige optocht van Jezus uit Bethphage naar Jeruzalem van den droevigen optocht onzes Zaligmakers uit Gethzemani naar die ondankbare stad. Nog maar weinige dagen geleden, deed Jezus, gezeten op het veulen eener ezelin, in triomf zijne intrede in de stad van David. Eene juichende volksschaar, schier uit vreemdelingen van Galilea en Judea bestaande, wedijverde om alle krachten in te spannen, ten einde Jezus te vereeren, te prijzen en te verheerlijken. Zij verliet met palmtakken in de hand de stad en kwam Hem feestelijk te gemoet; zij spreidde hare mantels en overrokkcn over den weg, sneed groene looftakken van de boomen, om die voor de voeten van Jezus te strooien; haar vroom en onschuldig hart stortte zich uit in uitbun-dige vreugde j de lucht weergalmde van het daverend vreugdegeroep Hosanna den Zoon van David ! Gezegend die komt in den naam des Heeren! Hosanna. Filio David! Benedictus qui vcnit in nomine Domini! i) Welke triomf! Jezus gaat dan eindelijk den troon van David beklimmen? Maar helaas! Jezus wist, en maar al te wel, welke treurige optocht dien zegepralenden weldra volgen zou. \'t Is nacht. Judas heeft zijn snood plan reeds

1) Matth. xxi, 9.

ocr page 39

— 36 -

voltrokken, \'t Is het uur van de vijanden van Jezus, de macht der duisternissen. De soldaten slaan hunne onzuivere handen aan het vlekkelooze Lam en sleuren onzen goddelijken Zaligmaker triomfantelijk naar de stad. O, welke verandering! Het jonge lastdier, waarop Jezus gezeten was, is vervangen door zware ketenen en dikke touwen; die juichende menigte, door eene woelige bende soldaten; die palmtakken, kenteeken van vrede, door stokken en zwaarden; dat zonderling tapijt, uit kleederen en loover vervaardigd, door distelen, doornen en scherpe steenen, verspreid op den hobbeligen weg; in plaats van lofliederen hoort men de afschuwelijkste beschimpingen; in plaats van vreugdegeroep, een luidruchtigen schaterlach. O neen! O neen! De lucht weergalmt niet meer van \'t golvend Hosanna, van zoete jubeltonen; \'t is het getier eener woelzieke bende, \'t gekletter der wapenen, dat onze ooren treft, \'t zijn de afgrijselijkste vloeken en godslasteringen die ze doen tuiten. O welke verandering! Doch verlaten wij daarom onzen goddelijken Zaligmaker niet. Integendeel, als getrouwe vrienden, als verkleefde minnaars van Jezus volgen wij met zijne bedroefde Moeder de bebloede voetstappen van haar goddelijken Zoon; doorkruisen wij met Haar kloekmoedig de straten van Jeruzalem; stellen wij ons aandachtig voor de rechtbanken, om door de leering en het voorbeeld van onzen goddelijken Meester gesticht, door zijne mishandelingen en pijnen getroffen en bedroefd, door zijne liefde aangedaan en ontstoken te worden.

Wij zullen dus van daag overwegen:

I. De mishandelingen, Jezus aangedaan bij Caïphas;

II. De droefheid, die Jezus gevoelt over de verloochening van Petrus en den zelfmoord van Judas.

ocr page 40

— 37 —

I.

De woeste soldaten, M. Z., leiden onzen goddelijken Zaligmaker geboeid, eerst naar Annas, den schoonvader v^n den Opperpriester Caïphas, waarschijnlijk, om dien grijsaard het genoegen te geven van het zoo lang ge-wenschte slachtoffer in hunne handen te zien. Zoodra Annas zijne nijdige oogen in het aanschouwen van den diep vernederden Jezus voldaan, en zijn haat tegen Hem gekoeld heeft, zendt hij Hem naar den Opperpriester Caïphas. Die booze en onrechtvaardige rechter, die reeds een Apostel heeft doen omkoopen, heeft ook nog valsche getuigen aangesteld. Hij durft Jezus, niet om de waarheid te kennen, maar om Hem in zijne antwoorden te vangen, ondervragen over zijne leerlingen en zijne leering.

Wat de eerste vraag, namelijk, zijne leerlingen betreft, daarop antwoordt onze goddelijke Zaligmaker niet. Hij kan van zijne leerlingen weinig goeds zeggen. Judas heeft Hem verraden, de overige Apostelen hebben Hem verlaten, zijn schandelijk gevlucht, Petrus zal Hem weldra tot driemaal toe verloochenen. Wijl Jezus dus weinig goeds van hen kan zeggen, zegt Hij niets, Jezus zwijgt. Schoon voorbeeld, M. Z., waardoor onze goddelijke Zaligmaker leert, hoe wij ons ten opzichte van onzen evenmensch moeten gedragen, namelijk, dat wij, willen wij geen goed van hem zeggen, ten minste ook het kwaad moeten zwijgen. Doch wat de tweede vraag, d. i., zijne leering betreft, daarop antwoordt Jezus vrijmoedig: Ik heb in het openbaar gesproken, zegt Hij; Ik heb altijd geleerd in de Synagoge en in den tempel, waar de Joden samenkomen, en in het verborgen heb Ik niets gezegd. Waarom ondervraagt gij Mij ? Ondervraag hen, die gehoord hebben, wat Ik gezegd heb; zij, die weten, wat Ik tot hen ge-

ocr page 41

— 38 -

$

sproken heb. De Opperpriester, M. Z., wordt kwaad op dat bescheiden en vrijmoedig antwoord van Jezus. Waarom ? Omdat hij er niets in vindt om Hem te kunnen beschuldigen en veroordeelen. Een lage vleier, gelijk er altijd in dergelijke omstandigheden gevonden worden, zulks bemerkende, schaamt zich niet zijne vuist, met een ijzeren handschoen gewapend, tegen Jezus uit te brengen en zijn aanbiddelijk aangezicht ten bloede te slaan. En om zijnen meester eenige voldoening te geven, voegt hij er bij: Antwoordt Gij zoo den Opperpriester? Sic res-pondes Pontifici? i) Jezus, na die ongehoorde mishandeling ondergaan te hebben, vergramt zich niet; doch om te toonen, dat Hij den Opperpriester geenszins beleedigd heeft, antwoordt Hij met zachtheid: Indien Ik kwalijk gesproken heb, geef dan bewijs van het kwaad; doch zoo Ik wel gesproken heb, waarom slaat gij Mij ? Quid Me ctzdis? 2)

Wat zonderlinge rechtbank! M. Z. De Zoon Gods, de Rechter van levenden en dooden, verschijnt als een misdadiger voor den Opperpriester. De dienaar is gezeten om te vonnissen, en de Meester staat voor hem om gevonnist te worden. Men ondervraagt den aangeklaagde, en op een bescheiden antwoord geeft een woedende krijgsknecht uit al zijne kracht Hem een verschrikkelijken kaakslag. Wat droevig schouwspel, de aandacht van hemel en aarde waardig! Ja, hemel en aarde staan verwonderd. De Engelen des hemels weenen bitter, omdat zij tegengehouden worden van hunnen Heer en Meester te wreken. De Cherubijnen en Serafijnen bedekken zich met hunne vleugelen, op het zien van de beleediging, die hunnen God wordt aangedaan. O, Mijn God! roept de H. Ephrem uit, hoe

1) Joan, xvin, 22. 2) Joan, xvni, 23.

ocr page 42

— 39 —

is het heelal met zon, maan en sterren niet in de duisternissen verzonken, bij de ongehoorde mishandeling van zijnen Schepper! Wat heeft Jezus den Opperpriester dan toch wel geantwoord? Wat heeft Hij gezegd ? Caïphas vraagt Hem rekenschap van zijne leering, en Jezus, om zich te rechtvaardigen, beroept zich op zijne toehoorders; Hij verlangt dat men hen tot getuigen oproepe; is dat eene misdaad? Moet men Hem daarom dien verschrik-kelijken kaakslag geven, zijn aangezicht ten bloede slaan ? Wat recht heeft men daartoe ? O, M. Z., roepen wij hier het recht niet in; het bestaat niet meer in de gerechtszaal van Caïphas; \'t is de drift, de haat die er heerscht; \'t is de afgunst die er spreekt, de nijd die hare stem verheft; hetgeen wij voor de rechtbank van Caïphas moeten overwegen, moeten bewonderen en ons ter navolging voorstellen, is het onwrikbaar geduld, de voorbeelde-looze zachtmoedigheid van onzen goddelijken Zaligmaker. Luistert, M. Z., waarom:

Het geduld, de zachtmoedigheid van Jezus wordt op de hardste proef gesteld. Hij ontvangt eenen kaakslag in zijn aanbiddelijk aangezicht, en dat te midden eener talrijke vergadering; Hij wordt geslagen, en geslagen van een lagen vleier, zonder wettige machtiging, zonder reden, enkel onder voorwendsel van den Opperpriester niet geëerbiedigd te hebben. Antwoordt Gij zóó den Opperpriester? Sic respondes Pontificif Jezus, de Zoon Gods, de Schepper, de Heer en Regeerder van hemel en aarde, heeft slechts te spreken, en het vuur des hemels daalt terstond neder om dien stoutmoedige te verteren, .gelijk het eertijds op de stem van den Profeet Elias nederdaalde en den hoofdman met zijne soldaten verteerde. Jezus heeft enkel te spreken, en de aarde scheurt terstond ■open om dien schaamtelooze te verslinden, gelijk zij eer-

ocr page 43

— 40 —

tijds openscheurde en Core, Dathan en Abiron verslond. Ja, M. Z., wat meer is, \'t schijnt dat Jezus er toe verplicht is. Waarom? Om zijne eer op staanden voet te wreken; \'t schijnt dat zijne waardigheid het vordert. Welke waardigheid? De waardigheid van Zoon Gods. En ziet, Jezus straft niet; Hij vergramt zich niet eens; Hij vraagt enkel met zachtheid: Bijaldien Ik kwalijk gesproken heb, geef dan bewijs van het kwaad, doch zoo Ik wel gesproken heb, waarom slaat slaat gij Mij? Ziedaar, wat Jezus doet; ziedaar de eenige voldoening, die Hij vordert.

Welk een schoon voorbeeld voor ons, M. Z., voorbeeld van geduld en zachtmoedigheid! O oploopende, wraakzuchtige mensch! treed nader; kom hier voor de rechtbank van Caïphas van den Zoon Gods, van den Opper-wetgever van hemel en aarde leeren, hoe gij u moet gedragen. Gij kunt het geringste ongelijk van uwen evenmensch niet verdragen; bij den kleinsten aanstoot vliegt gij op; bij de minste beleediging valt gij uit in de schandelijkste verwijtingen; ja, wat meer en tevens erger is, gij gaat soms zoo ver, van de personen, voor welke gij den grootsten eerbied en de meeste achting moest hebben, zooals uwe ouders en oversten te beschimpen en te verwenschen. Onder een ijdel voorwendsel van gekwetste eer, van geweigerden eerbied draagt gij haat in het hart, tracht gij uwen evenmensch te benadeelen, vervolgt gij hem. O, M. Z., hoezeer verschilt ons gedrag van het gedrag van onzen goddelijken Meester. Jezus antwoordt met zachtheid. Hij vergeeft. Handelen wij, die Jezus\' leerlingen zijn, ook zoo, en onderhouden wij voortaan beter het gebod der broederliefde.

Caïphas en de overige leden van den raad verheugen zich over de mishandeling Jezus aangedaan; doch zij;

ocr page 44

— 41 —

zijn niet voldaan, zij hebben hun doel niet bereikt. Zij willen onzen goddelijken Zaligmaker ter dood veroor-deelen, en om ten minste een schijn van recht te bewaren, doen zij de valsche getuigen, die zij omgekocht hebben, te voorschijn komen. Nu moet de onschuldige Jezus allerlei hatelijke gezegden, allerlei ongerijmdheden tegen zich hooren inbrengen. Men legt Hem eene menigte misdaden ten laste; doch ziet, de getuigen komen niet overeen, zij spreken elkander tegen: Mentita est iniquitas sibi. l) Jezus zegt geen woord op al die beschuldigingen; Hij zwijgt. Caïphas, door de tegenspraak der getuigen in zijne verwachting te leur gesteld, en door het diep stilzwijgen van onzen goddelijken Zaligmaker verbitterd, ontvlamt in woede; hij wil volstrekt dat Jezus spreke. Daarom roept hij Hem toe; Gij antwoordt niet? Nihil respondes ? 2) Ik bezweer U bij den levenden God, van ons te zeggen, of Gij de Christus, de Zoon Gods zijt: Adjuro te per Deum vivum, ut die as nobis, si tu es Christus Filius Dei. Ha! M. Z., nu is de tijd van spreken gekomen. Jezus gaat antwoorden Hit eerbied voor den H. Naam van zijn hemelschen Vader, uit eerbied voor de waarheid en uit belang voor de zekerheid van ons geloof; en ofschoon Jezus voorziet, stellig weet, dat Hij gaat antwoorden ten koste van zijn leven. Hij belijdt niettemin zijne Godheid vrijmoedig, standvastig en klaar. Tu dixisti: Ego sum, antwoordt Jezus: Gij hebt het gezegd: Ik ben het. Daarenboven zeg Ik u: Gij zult den Zoon des menschen zien, gezeten ter rechter zijde van de kracht Gods en komende op de wolken des hemels. De schijnheilige Opperpriester Caïphas is voldaan, hij heeft een antwoord naar wensch gekregen; en

1) Ps. ïivi, 12. 2) Matth. xxvi, 62, etc.

ocr page 45

— 42 —

indruk willende maken op de overige leden van den raad, scheurt hij zich verontwaardigd de kleederen, en hij roept uit: Blasphemavit! Hij heeft God gelasterd! Wat hebben wij nog getuigen noodig? Ziet, nu hebt gij de godslastering gehoord; wat dunkt u ? En allen roepen als uit één mond: Hij is des doods schuldig! Reus est mortis!

Zonderlinge rechtbank als die van Caïphas, ik herhaal het. O, wat zal de rechtbank van den Zoon Gods in den laatsten dag des oordeels verschillen van de rechtbank van den Opperpriester Caïphas. Ja, M. Z., dan zal onze goddelijke Zaligmaker vol luister en heerlijkheid met het kruis op de wolken verschijnen. Jezus zal de rechter, Caïphas zal de aangeklaagde zijn. Ego sum ! Ik ben het, zal de goddelijke Rechter uitroepen. Ik ben die Jezus, die eertijds voor u gestaan heeft, Caïphas! Gij antwoordt niet? Nihilrespondes? Sta recht! Richt uw hoofd op! Nu is het mijne beurt om u te rechten en het vonnis over u uit te spreken. Ha! M. Z., hetgeen ik hier van Caïphas zeg, zoude ons ook wel in den laatsten dag des oordeels kunnen overkomen, wijl wij allen voor den rechtvaardigen Rechter der levenden en der dooden zullen moeten verschijnen. Doch vervolgen wij de geschiedenis van den lijdenden God-mensch.

Het doodvonnis is uitgesproken. Onze goddelijke Zaligmaker hoort het gelaten aan; Hij is zelfs tevreden, wijl Hij weldra het doodvonnis, tegen Adam en ons uitgesproken, zal kunnen vernietigen. Een onstuimige menigte werpt zich in volle woede op den onschuldigen Jezus. Zij slaat, stoot en sleurt Hem eindelijk naar een onderaardsch vertrek, onder de gerechtszaal van Caïphas gelegen. Daar wacht Jezus de afschuwelijkste mishandeling. Eerlooze booswichten spuwen Hem in het aan-

ocr page 46

— 43 —

gezicht; in het aangezicht van Hem, die de glans des Vaders is; in dat aangezicht, hetgeen de Engelen zoo zeer verlangen te aanschouwen, \'t Is gansch besmeurd, \'t heeft geene schoon-of behaaglijkheid meer. Wij hebben Hem gezien, zegt de Profeet, maar er was Hem geen aanschijn; als verborgen was zijn gelaat. Wij hebben Hem niet meer herkend, Hem den versmade, den laatsten der menschen.

Die booswichten slaan Jezus op de onmenschelijkste wijze; de eene met de platte hand, de andere met de vuist; op zijn hoofd, in zijn aangezicht, op zijne armen, overal waar zij Hem maar treffen kunnen. Zij wedijveren onder elkander, wie van hen Jezus de meeste en hardste slagen zal toebrengen ; zij gaan in hunne dolzinnigheid zelfs zoo ver, dat zij Hem met geweld het haar en den baard uitrukken. En Jezus, M. Z., neen, Jezus is niet achteruit geweken; Hij heeft zijn lichaam aangeboden aan hen, die Hem sloegen; zijne wangen aan hen, die Hem plukten; Hij heeft zijn goddelijk aangezicht niet afgewend van hen, die het besmeurden en bespuwden.

Bij al die onteeringen en mishandelingen voegen die onmenschen nog de verschrikkelijkste vloeken en godslasteringen. \'t Schijnt nochtans dat de beulen het minzaam gelaat van Jezus niet langer verdragen kunnen; daarom blinddoeken zij Hem, om Hem des te vrijer te kunnen mishandelen. Zij vragen Hem spottende: Profeteer ons, Christus! Wie is het, die U geslagen heeft? Prophetiza nobis Christel Quis est qui te percussii? l) O, mijn God! Gij zwijgt! Gij lijdt alles met het grootste geduld! Geen enkele klacht laat Gij hooren! O hoe duur komen U onze zonden te staan!

1) Matth. xxvi, 68.

ocr page 47

— 44 —

Ja, M. Z., te vergeefs vallen wij uit tegen die beulen; te vergeefs verontwaardigen wij ons over hunne snoodheid; te vergeefs wenschen wij hun de verdiende straf toe, zoo wij met het oog des geloofs niet verder doordringen, zoo wij namelijk niet opklimmen tot de oorzaak der onteeringen en mishandelingen. Ja, erkennen wij ons ongelijk, \'t Zijn de soldaten niet alleen, die Jezus ont-eerd en mishandeld hebben; wij, wij ook zijn zijne beulen geweest, wij ontdankbare Christenen. De goddelijke Rechtvaardigheid bedient zich van die soldaten als van werktuigen, om Jezus onze zonden te doen uitboeten. En inderdaad: Wie is het nog, die Jezus mishandeld heeft? O, M. Z., vragen wij het Jezus, maar met een ander inzicht, dan de soldaten het deden. Zeg Jezus: Wie is het, die U bespot en geslagen; wie is het, die U gelasterd en besmeurd heeft ? Luistert, Jezus gaat antwoorden: Die Mij bespot heeft, zegt Jezus, is de hoovaardige; die Mij geslagen heeft met de vuist, is de ongevoelige, de gierigaard; die Mij geslagen heeft met de platte hand, is de verkwister, de onmatige, de dronkaard; die Mij gelasterd heeft, is de vloeker; die Mij van het hoofd tot de voeten met vuiligheid besmeurd heeft, is de wellusteling; die trouwelooze man, die overspelige vrouw; die onzuivere jongeling, die onkuische jongedochter. O, M. Z., \'t is dus aan ons, dat wij rekenschap moeten vragen van de beleedigingen Jezus aangedaan; \'t is op ons, dat wij zijne mishandelingen moeten wreken ; \'t is onze plicht van onze zonden te beweenen en er boetvaardigheid over te doen.

II.

Bij al dat uitwendig lijden van Jezus komt zich weldra eene dubbele inwendige smart voegen, eene smart.

ocr page 48

— 45 —

Hem door twee zijner Apostelen aangedaan: door Petrus, die Hem verloochent, en door Judas, die zich in wanhoop verhangt. Trachten wij uit die twee voorbeelden ons nut te trekken, door bijtijds Petrus in de boetvaardigheid na te volgen, om niet te laat en te vergeefs met Judas ons ongeluk te moeten beweenen.

Petrus, ziende dat de bende Jezus gevangen mede voert, kan van zich niet verkrijgen, zijnen Meester geheel en al te verlaten. Na met de andere Apostelen een eindwegs gevlucht te zijn, komt Hij op zijne schreden terug, en hij volgt Jezus van verre: Sequebatur Euni a longe. i) Hij is door bemiddeling van den een of andere tot in het gerechtshof van Caïphas doorgedrongen; daar zet hij zich in het voorhof bij het vuur neder en warmt zich. Doch ziet, eene dienstmeid van den Opperpriester, dezelfde die de deur bewaarde, nadert Petrus en zegt hem: Gij waart ook bij Jezus den Galileër. Petrus, op het hooren dier woorden verschrikt, loochent het, zeggende; Ik ken Hem niet. Hij verlaat het voorhof en de haan kraaide. Terwijl hij naar buiten gaat, ziet hem een andere dienstmeid, die zegt tot de omstanders: Deze was ook bij Jezus van Nazareth. Petrus loochent het op nieuw en wel met eed, zeggende: Ik ken dien mensch niet. Omtrent een uur daarna zeiden degenen, die naast hem bij het vuur stonden: Gij zijt een Galileër, uwe spraak verraadt u. Een nabestaande van Malchus, dien Petrus bij de gevangenneming van Jezus het oor had afgehouwen, zegt: Heb ik u niet bij Hem in den hof gezien ? In het nauw gebracht, en bevreesd van door die onbeschofte lieden mishandeld te worden, begint Petrus te vloeken en te zweren, dat hij dien mensch volstrekt niet kent: Quia non navisset hominem. 2)

1) Matth. xxvi, 58. 2) Matth. xiti, 74.

ocr page 49

- 46 -

Welk eene droevige geschiedenis, als deze!

Petrus, M. Z., verlicht van hierboven; Petrus, de prins der Apostelen, op wien Jezus zijne Kerk moest bouwen; Petrus, die door Jezus ondervraagd, wat hem van den Zoon des menschen dacht, de Godheid van Christus beleden had, zeggende: Gij zijt de Christus, de Zoon van den levenden God: Tn es Christus Filius Dei vivi; i) Petrus, die zoo plechtig beloofd had, dat hij Jezus niet zoude verlaten, dat hij Hem in de boeien, ja zelfs in den dood getrouw zoude blijven, die zijn zwaard zoo kloekmoedig getrokken had om zijnen Meester te verdedigen; diezelfde Petrus durft nu Jezus niet eens erkennen; op de stem eener dienstmeid loochent hij Hem met eed, zelfs onder vloeken en zweren. O Petrus! O Prins der Apostelen! Hoe zijt gij toch zoo diep gevallen ? Zeg, leer ons: Wat is de oorzaak van uw drievoudigen val geweest? Ziehier, M. Z., de oorzaak van den drievoudigen val van Petrus; zij is ook drievoudig.

Vooreerst de vermetelheid. Jezus had Petrus zijnen val voorzegd; Petrus had het niet willen gelooven: Ik zal U niet verloochenen, had hij gezegd: Non te negabo. 2) Vervolgens de hoovaardigheid. Petrus had zich boven de andere Apostelen verheven. Al moesten ook allen aan U geërgerd worden, had hij gezegd, ik zal nimmer geërgerd worden: Ego nunqtiam scandalizabor. 3)

Eindelijk de onvoorzichtigheid. Petrus had zich aan het gevaar, aan de gelegenheid blootgesteld. Hij had zich onder de vijanden van Jezus begeven: Er at Petrus in medio eorum. 4)

Ziedaar, hoe Petrus zijn goddelijken Meester verloochend heeft, waarom hij gevallen is. Doch Jezus heeft mede-

1) Matth. xvi, 16. 2) Matth. xxvi, 35. 3) Matth. xxvi, 33. 4) Luc. xxii, 55.

ocr page 50

— 47 —

I

lijden met zijnen Apostel; neen, Hij verlaat hem niet. Wat gebeurt er dan ? Terwijl dat treurig voorval plaats heeft, wordt onze goddelijke Zaligmaker eensklaps door eene verwarde menigte onder hoon en smaad, onder de verschrikkelijkste mishandelingen voorbij gesleurd. Jezus werpt ;een oogslag op Petrus; Petrus ziet tegelijkertijd Jezus. O, M. Z., die oogslag van Jezus spreekt, \'t Is alsof Jezus Petrus toeroept: Mijn kind! Mijn arm kind! Mijn Leerling! Mijn Apostel! Wat hebt gij gedaan? Petrus wordt alles indachtig, zijn eigene woorden: Ik zal U niet verloochenen: Non te negabo; l) de woorden van Jezus: Alvorens de haan voor de tweede maal kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen: Ter\'me negabis. De deur gaat open; daar komt Petrus verstrooid en beschaamd aan, de handen voor zijn aangezicht; hij stort bittere tranen, loopt weg en begeeft zich in de eenzaamheid om zijnen val te beweenen.

Wat treurig schouwspel! M. Z. Hier, hier zien wij de zwakheid van den mensch. O wat was het tijd, dat Jezus een oogslag op Petrus wierp, dat Petrus aan dien oogslag beantwoordde, dat hij het gevaar, de gelegenheid verliet en zijnen misslag beweende! Zonder dat was hij wellicht den ongelukkigen Judas nagevolgd. Doch alvorens over het ongelukkig einde van dien verrader te spreken, staat mij toe eene vraag te doen. Treft men soms hedendaags ook nog Petrussen aan? dat wil zeggen, Christenen, welke dien ongelukkigen Apostel in den val navolgen? Ja, M. Z., en men vindt er velen. Wat is nu de oorzaak van hun dikwerf en betreurenswaardig vallen ? De oorzaak is dezelfde als die van den val van Petrus.

Vooreerst de vermetelheid. Men luistert niet naar den

1) Matth. xxvi, 35, etc.

ocr page 51

- 48 -

biechtvader of predikant, of wel men wil hem niet geloo-ven: Ik zal niet zondigen, zegt men.

Vervolgens de hoovaardigheid. Men beroept zich op zijn eigene krachten: Ik ben sterk genoeg om niet te zondigen, zegt men.

Eindelijk de onvoorzichtigheid. Men zoekt het gevaar, de gelegenheid van zonde, of men wil ze niet verlaten. Ziedaar de oorzaak, waarom men in die zonde valt. Maar, M. Z., zijn wij Petrus nagevolgd in den val, volgen wij hem dan ook na in de bekeering; beantwoorden wij ook aan de genade van Jezus, aan den oogslag dien Hij op ons werpt; aanschouwen wij Hem met aandacht in zijne mishandelingen, mistrouwen wij ons zeiven; vernederen wij ons voor God, en vooral verlaten wij de gevaren en gelegenheden van zonde, zoo niet, zullen wij eenmaal vroeg of laat het lot van den on-gelukkigen Judas moeten deelen. En welk is het lot van Judas geweest? Ziehier, M. Z., in weinige woorden.

Zoodra de dag is aangebroken, vergaderen de Priesters, de Schriftgeleerden en Ouderlingen des volks opnieuw, en zij houden samen raad, hoe zij Jezus ter dood zullen brengen. Zij vragen onzen goddelijken Zaligmaker andermaal; Zijt Gij de Zoon Gods? En Jezus antwoordt met dezelfde standvastigheid: Ik ben het: Ego sum. Nu staan zij op en leiden Hem geboeid naar den romeinschen landvoogd Pontius Pilatus.

Zoodra Judas verneemt, dat Jezus ter dood veroordeeld is, begint er een akelige strijd in zijn binnenste. De droefheid, het berouw, de wanhoop maakt zich van hem meester. De duivel zet hem aan van te vluchten. Judas, nog in \'t bezit van de dertig zilverlingen, waarvoor hij Jezus verkocht heeft, loopt met spoed, niet naar Jezus om zich voor diens voeten neder te werpen, om zijne

ocr page 52

— 49 —

schuld te belijden, om vergiffenis te vragen; neen, maar hij loopt naar den tempel, om zich van het bloedgeld te ontdoen. Daar gekomen zegt hij tot de Priesters: Ik heb gezondigd door onschuldig bloed over te leveren. De Priesters, zonder medelijden met den ongelukkigen Judas, geven tot antwoord: Wat gaat ons dat aan? Quid ad nosf l) Daarvoor zult gij verantwoorden: Tu vide ris. Op het hooren van die woorden bezit Judas zich niet meer; vol woede en wanhoop neemt hij de dertig zilverlingen, werpt ze in den tempel en vlucht buiten de stad.

Zien wij in den geest een oogenblik dien ongelukkige buiten Jeruzalem rondloopen, aan een krankzinnige gelijk. Mij dunkt, ik zie den duivel aan zijne zijde. Door Satan gedreven, komt Judas aan de beek Cedron; hij ziet den Olijfberg, hij meent de stem van Jezus nog te hooren: Vriend! Waartoe zijt gij gekomen ? Levert gij den Zoon des menschen over door eenen kus? Hoe akelig klinken hem die woprden in het oor. \'Judas, immer door den duivel vervolgd, vol van de akeligste en de verschrikkelijkste gedachten, komt aan het zuiden van Jeruzalem. Het gerucht der stad treft van tijd tot tijd duidelijker zijn oor. Nu, nu, denkt hij bij zich zeiven, wordt Jezus ter dood geleid, en ik, ik heb Hem verkocht en verraden. Ondankbare, trouwelooze Apostel! Wat heb ik gedaan? Ach! ellendeling die ik ben! Ik verdien niet van nog langer te leven, ik ga een einde maken aan mijn rampzalig bestaan. En inderdaad, M. Z., wat gebeurt er? De wanhoop stijgt bij Judas ten top; hij neemt eene koord of zijnen gordel, werpt hem om den tak van eenen boom en verhangt zich. En terwijl Judas

1) Matth. xivn, 4.

II. 4.

ocr page 53

— 5o —

daar tusschen hemel en aarde hangt, barst zijn lichaam open, zijne ingewanden storten op den grond ; maar zijne ziel, zijn onsterfelijke ziel, ach! mij dunkt dat wij reden hebben van te mogen zeggen, zij daalt met den duivel neder in den afgrond der hel.

SLUITREDE.

Ziedaar, M. Z., het uiteinde van eene slechte neiging-, ziedaar den zelfmoord van een rampzaligen Apostel. Wat dunkt er u van ? En wat dunkt er u van, u vooral, zondaar? Wien van beiden wilt gij navolgen. Judas of Petrus? Ha! gij antwoordt; Neen! neen! niet Judas, maar Petrus. Welnu, dan roep ik u ten slotte met den Profeet Isaïas toe: Consurge/ Sta op uit uw ellendigen zonden-staat, waarin gij gevallen zijt: Excutere de pulvere! i) Werp het stof, den modder der zonde af! Maak de strikken los, waarin de duivel u gewikkeld; verbreek de ketenen, waarmede hij u geboeid; schud de kluisters af, waarmede hij u beladen heeft, dat wil zeggen, verlaat de gevaren en gelegenheden van zonde, zooniet, o! denk dan aan het rampzalig uiteinde van Judas, hoe hij namelijk, door den duivel gevangen en veortgestuwd, in wanhoop vervalt en eindelijk zich zeiven om het leven brengt.

Maar neen, M. Z., wij allen zijn wel is waar Petrus in den val nagevolgd, wij willen hem ook navolgen in de bekeering.

Ziet, van het kruis werpt Jezus een beminnelijken oogslag op ons, gelijk Hij eertijds op Petrus wierp. Van het kruis roept Hij ons als het ware toe: Bekeer u tot God, want \'t is eene bittere ramp den Heer uwen God verla-

1) Isaïas lii, 2.

ocr page 54

— SI —

ten te hebben! Ja, vluchten wij ook naar buiten, gelijk Petrus deed, dat is, verlaten wij de gevaren en gelegenheden van zonde; zeggen wij vaarwel aan de slechte plaatsen en huizen, aan de slechte personen en gezelschappen; keeren wij nooit tot dezelve terug; beweenen wij, gelijk de Apostel Petrus, onze zonden, en dan, en dan alleen zullen wij ons evenals Petrus oprecht bekeeren, wij zullen vergiffenis van onze zonden bekomen en eenmaal zalig worden. Amen.

SjftiOTr—

ocr page 55

VIERDE MEDITATIE.

Regnum me.um non est de hoe mundo.

Mijn rijk is niet van deze wereld.

(J O AN. XVIII, 36.)

INHOUD.

VOORREDE.

De lang gewenschte dag is eindelijk aangebroken, de dag van Goeden Vrijdag, waarop Jezus het groote werk der verlossing gaat voltrekken. — Oogslag op Jezus in zijne gevangenis. — Hij offert zich op aan zijn hemel-schen Vader. — Maria voegt haar offer bij dat van haar goddelijken Zoon.

*

VERDEELING.

I. Jezus in verhoor bij Pontius-Pilatus;

II. De schijnheiligheid van Caïphas en der overige raads

leden en de onverschilligheid van Pilatus.

I.

Jezus wordt op nieuw in de vergadering gebracht en des doods schuldig verklaard; vervolgens naar Pilatus

ocr page 56

— S3 —

geleid. — Beschrijving van den optocht. — Caïphas, de Priesters, de Pharizeën en Schriftgeleerden gaan bij Pi-latus niet binnen, om niet ontreinigd te worden. —Jezus wordt de marmeren trappen opgesleurd. — Verhoor bij Pilatus. — Beschuldigingen der Joden. — Jezus wordt beschuldigd van oproer, dat Hij verbiedt de schatting te betalen aan den keizer en dat Hij zich voor Koning uitgeeft. — Jezus antwoordt niet op de twee eerste beschuldigingen, maar wel op de laatste. — Pilatus\'s verwondering over Jezus\' stilzwijgen. —Jezus is bewonderenswaardig op weg naar Pilatus en voor Pilatus. — Hij legt zijn rijk uit en stelt het tegenover het rijk van den duivel. — Wij moeten kiezen tusschen die twee rijken.

II,

De schijnheiligheid van Caïphas en der overige raadsleden. — Zij vreezen het huis van eenen heiden binnen te gaan, en zij vreezen niet, hunne handen te bezoedelen met het onschuldig bloed van Jezus. — Vele Christenen volgen die schijnheiligheid na. -— Zij maken zonde, waar geene zonde is, en zij stappen over groote zonden heen. — Wat zegt Jezus van de Pharizeën en Schriftgeleerden, en bijgevolg ook van de Christenen, die veinzen? — De onverschilligheid van Pilatus. — Hij vraagt naar de waarheid en wacht geen antwoord af. — Eveneens handelen de Christenen, die de waarheid niet willen hooren; ofwel, die, na de waarheid gehoord te hebben, zich gedragen alsof er niets gezegd was. — In plaats van naar Christus te luisteren, luisteren zij naar den duivel. — Zij volgen den doolweg, omhelzen de dwaling en komen eindelijk om. — Hoe is Pilatus gestorven.

ocr page 57

— 54 —

SLUITREDE.

Gebed tot Jezus, opdat ons verstand verlicht, ons hart getroffen worde. — Gebed tot de allerheiligste Maagd Maria, om door hare machtige voorspraak die dubbele genade te bekomen.

--

TWEEDE MEDITATIE.

Regnum meum non est de hoe mundo.

Mijn rijk is niet van deze wereld.

(Joan zviii, 36.)

VOORREDE.

De langgewenschte dag, M. Z., is eindelijk aangebroken ; de dag, dien onze goddelijke Zaligmaker van het begin zijns levens voor oogen hield gevestigd; de dag, waarop Hij zijn sterfelijk leven eindigen en zijn goddelijk bloed tot den laatsten druppel vergieten zal voor de zaligheid der menschen. De zon van Goeden Vrijdag, genoodzaakt de akeligste tafereelen te verlichten, rijst treurig op. Zij zendt hare eerste stralen door de luchtgaten des kelders, waarin Jezus opgesloten zit, en toont ons daar den Man der smarten.

Aanschouwen wij eerst een oogenblik onzen goddelijken Zaligmaker in zijne gevangenis. Overwegen wij met aandacht de liefdevolle gewaarwordingen zijns Harten. Ziet, daar heft Jezus de bebloede oogen en de geboeide handen het opkomende daglicht te gemoet. Het Hart ontroerd van de teederste aandoeningen, offert Jezus zich op aan zijn hemelschen Vader; Hij biedt zich opnieuw aan om

ocr page 58

voor ons te lijden, om ons van de slavernij des duivels en den eeuwigen dood te verlossen.

Dan, vergeten wij ook Maria, de Moeder van Jezus niet. Maria voegt haar offer bij dat van haar lieven Zoon, zij vereenigt haar lijden met dat van haren Jezus. Ja, M. Z., Maria zal wederom den droevigen optocht bijwonen, de woedende vijanden van Jezus volgen; zij zal hunne hartverscheurende moordkreten hooren, de mishandelingen Jezus aangedaan aanschouwen; in een woord, Maria, de Moeder der smarten zal met den Man der smarten, met haar goddelijken Zoon, den bitteren lijdenskelk deelen.

Van daag zullen wij in \'t kort overwegen:

I. Jezus in verhoor bij Pontius-Pilatus, en hoe Hij zich gedraagt.

II. De schijnheiligheid van Caïphas en der overige raadsleden en de onverschilligheid van Pilatus.

I.

Zoodra het dag geworden is, zenden de Priesters gerechtsdienaren naar de gevangenis, om onzen goddelijken Zaligmaker te voorschijn te brengen. Jezus is uitgeput door den doodstrijd in den Olijfhof, door het bloedverlies en door de mishandelingen, die hij op weg naar Jeruzalem en gedurende den nacht verdragen heeft. Hij is zoo zeer verzwakt, dat Hij ter nauwernood kan recht staan; en toch wordt Hij op de wreedste wijze gestooten en geslagen en voor de tweede maal naar de vergadering gebracht. Daar wordt Jezus op nieuw ondervraagd of Hij de Christus, de Zoon Gods is. Op het bevestigend antwoord: Ego sum! l) Ik ben het! wordt Hij wederom des doods schuldig verklaard.

1) Luc. xxii, 70.

ocr page 59

- 56 -

De vijanden van Jezus kunnen Hem nu wel is waar in \'t geheim om het leven brengen, doch, wijl zij besloten hebben, onzen goddelijken Zaligmaker een schande- en pijnlijken dood, namelijk, den dood des kruises, te doen sterven, daarom moeten zij eerst de bekrachtiging van het doodvonnis, tegen Jezus uitgesproken, van den romein-schen landvoogd bekomen ; zij leiden dus Jezus naar Pon-tius-Pilatus. Overwegen wij een oogenblik den optocht van de gerechtszaal van Caïphas naar het paleis van Pilatus.

Op het gerucht, dat Jezus aan den romeinschen landvoogd gaat overgeleverd worden, stroomt eene menigte nieuwsgierigen bijeen. Caïphas, vergezeld yan Priesters, Pharizeën en Schriftgeleerden, gaat majesteitvol voorop. Hoezeer verheugen zij zich over het smaadgeroep, dat zich van alle kanten tegen Jezus laat hooren! Daarna komen de valsche getuigen, en eindelijk on:;e goddelijke Zaligmaker, van soldaten omgeven. Uitgeput van krachten, en met zware boeien beladen, gaat Jezus met moeite vooruit. Hij is vreeselijk mismaakt; zijn goddelijk aangezicht is bleek, met wonden en bloedvlekken bedekt. Jezus gaat niet gauw genoeg naar hunnen zin vooruit, en daarom stooten en trekken Hem de soldaten, zoodat Hij gevaar loopt van telkens te bezwijken.

Eindelijk komt men aan het paleis van Pilatus. De schijnheilige Caïphas, de Priesters, de Pharizeën en Schriftgeleerden gaan het gerechtshof van den romeinschen landvoogd niet binnen. Zij vreezen ontreinigd, en alzoo belet te worden het Paaschlam te eten. Doch ziet, Jezus wordt door de gerechtsdienaren de marmeren trappen opgesleurd en op een opene galerij gebracht, van welke Pilatus de Joden zal toespreken. Pilatus is reeds aangaande de komst van Jezus verwittigd. Kwaad wellicht van zoo vroeg lastig te worden gevallen, werpt hij, zoodra

ocr page 60

onze goddelijke Zaligmaker voor hem staat, een verach-telijken blik op het mishandelde slachtoffer en begint terstond met het verhoor. Welke beschuldiging, vraagt Pilatus den Joden, hebt gij tegen dezen mensch in te brengen? Quam accmationem affertis adv er sus hominem hunc? i) Caïphas, de Priesters, de Pharizeën en Schriftgeleerden worden door die vraag in hunnen hoogmoed gestoord. Zij zouden willen, dat Pilatus Jezus zoo maar terstond op hun eerste gezegde ter dood veroordeelde. Bijaldien deze geen kwaaddoener ware, antwoorden zij, wij zouden ons wel wachten Hem aan u over te leveren. Door dat antwoord gevoelt zich Pilatus in zijne waardigheid van rechter door de Joden beleedigd, en te recht. Daarom roept hij hen met spijtige woorden toe: Neemt gij Hem dan, en vonnist Hem volgens uwe wet. Ha! Nu moet er bij die hoovaardigen het hooge woord uit komen; zij zijn genoodzaakt te bekennen, dat hun de macht daartoe ontnomen is. Ons is het niet geoorloofd, zeggen zij, iemand ter dood te brengen: Nobis non Heet interficere quemquam. 2) Zij bemerken dus, dat Pilatus niet genegen is, Jezus blindelings te veroordeelen; daarom zijn zij gedwongen hunne beschuldigingen tegen Jezus in te brengen. Ziehier die beschuldigingen;

Vooreerst beschuldigen zij onzen goddelijken Zaligmaker van oproer. Wij hebben van dezen mensch ondervonden, zeggen zij, dat Hij het volk verleidt. En Jezus, M. Z,, gelijk uit zijne leering blijkt, vermaande het volk altoos tot de stiptste gehoorzaamheid. Op den leerstoel van Mozes, zeide Hij, zullen Schriftgeleerden en Pharizeën zitten ; onderhoudt en doet al wat zij u zeggen.

Vervolgens beschuldigen zij onzen goddelijken Zalig-

1) Joan, xvin, 29. 2) Joan, xvm, 31.

ocr page 61

- 58 -

maker, dat Hij verbood den cijnspenning of de schatting aan den keizer te betalen. En Jezus nochtans leerde aan den keizer te geven, wat den keizer, en aan God, wat God toekomt; ja, wat meer is. Hij had de schatting voor zich en Petrus betaald.

Eindelijk beschuldigen zij onzen goddelijken Zaligmaker, dat Hij naar het koningschap stond. En Jezus, M. Z., had de vlucht genomen, gelijk wij weten, toen de scharen Hem tot Koning wilden uitroepen.

Op de twee eerste beschuldigingen geeft Pilatus geen acht. Bijaldien zij wezenlijk grond hadden, kon hij in hoedanigheid van landvoogd er niet vreemd aan zijn. Wat de laatste betreft, daarover verontrust zich Pilatus eenigszins; hij is bang dat zijn meester, keizer Tiberius, soms aangerand worde; daarom wil hij die zaak wat nauwkeuriger onderzoeken. Pilatus laat dus Jezus voor zich brengen en vraagt Hem : Zijt Gij de Koning der Joden? Tn est Rex Judaeorum f l) Jezus antwoordt; Mijn rijk is niet van deze wereld; bijaldien mijn rijk van deze wereld ware, zouden mijne dienaren wel strijden, dat ik aan de Joden niet werde overgeleverd; doch nu is mijn rijk niet van deze wereld: Regnum meum non est de hoe mundo. Pilatus vraagt Jezus nogmaals of Hij Koning is, en Jezus antwoordt: Ik ben Koning. En Hij voegt er bij: Daartoe ben ik geboren en in de wereld gekomen, om getuigenis van de waarheid te geven.

Pilatus bemerkt weldra, dat Tiberius van het koningschap van Jezus niets te vreezen heeft; doch op het hooren van het woord ^waarheidquot; vraagt hij onbedacht, wat is waarheid? Quid est Veritas? en hij gaat, zonder antwoord af te wachten, terstond uit. Buiten gekomen,

1) Joan, xvin, 33. etc.

ocr page 62

— 59 —

bekent Pilatus openlijk voor gansch het volk, dat hij geene schuld in Jezus vindt: Ego nullam in Eo invenio causam. l)

De vijanden van Jezus, bevreesd dat Pilatus onzen goddelijken Zaligmaker vrijspreke, waartoe hij natuurlijk verplicht was, omdat hij Hem onschuldig bevond, verdubbelen hunne klachten. Pilatus vraagt Jezus: Hoort Gij dan niet, wat zware klachten zij tegen U inbrengen? Doch onze goddelijke Zaligmaker sprak geen enkel woord, zoodat Pilatus daarover zeer verwonderd stond.

Bewonderen wij ook een oogenblik onzen goddelijken Zaligmaker. Jezus, M. Z., is in alles en alom bewonderenswaardig. Hij is bewonderenswaardig, vooreerst op weg naar Pilatus. Op weg naar Pilatus wordt Hij gestooten en geslagen. Hij wordt op de onmenschelijkste wijze 1 mishandeld; Hij lijdt de grootste pijnen en smarten, en

Hij lijdt alles met het grootste geduld. I, Jezus is bewonderenswaardig voor de rechtbank van

Pilatus. Voor de rechtbank van Pilatus wordt Hij van de grootste misdaden beschuldigd, en alhoewel Hij ze terstond kan wederleggen, door den romeinschen landvoogd er zelfs toe uitgenoodigd wordt, en door die wederlegging zich uit de handen zijner vijanden kan ver-— lossen, Jezus bewaart een diep stilzwijgen. Nochtans, wat

de vraag naar zijne zending aangaat, daarop antwoordt Jezus voor Pilatus vrijmoedig, evenals Hij voor Caïphas gedaan heeft, namelijk, dat Hij Koning is: Quia Rex sum Ego. 2) Hij zal er later nog bijvoegen, dat Pilatus geene macht over Hem zou hebben, bijaldien zij hem van boven niet gegeven ware. Om dus de waarheid te verdedigen, trotseert Jezus, zoowel de macht van den

1) Joan, xvin, 38. 2) Joan, xvin, 37.

ocr page 63

— 6o —

romeinschen landvoogd, als den haat en de woede van den joodschen Opperpriester. Ik ben Koning, zegt onze goddelijke Zaligmaker tot Pilatus: Quia Rex sum Ego.

Ja, M. Z., Jezus, die daar vernederd, geboeid en mismaakt voor Pilatus staat, is Koning. Hij is de Koning der koningen, de Heer der heeren: Rex regum et Dominus dominantium. i) \'t Is door Hem dat alle koningen regee-ren; doch zijn rijk, alhoewel in deze wereld, is niet van deze wereld. Regnum meum 11071 est de hoc mundo, 2) zegt Jezus, mijn rijk is niet van deze wereld. Welk mag dan wel het rijk van deze wereld zijn ? Het rijk van deze wereld is het rijk van Satan, het rijk der zonde; en het is tegenover het rijk van Satan en het rijk der zonde, dat Jezus zijn rijk, de H. Kerk en het rijk der deugd en der genade stelt. Het rijk van deze wereld is niets anders dan het rijk van de begeerlijkheid des vleesches, van de begeerlijkheid der oogen en van de hoovaardij des levens; en \'t is tegenover dat rijk, dat Jezus zijn rijk stelt, het rijk der versterving, der onthechting en der ootmoedigheid. Jezus is in de wereld gekomen, om den duivel te bevechten en hem van zijn rijk te berooven. De prins dezer wereld, dat is, de duivel, zoo sprak onze goddelijke Zaligmaker, zal buiten geworpen worden: Nuncprinceps hujus mundi ejicietur forks. Ja, Jezus zal door zijn lijden en zijnen dood het menschdom, dat onder de klauwen van Satan zuchtte, verlossen, en op die wijze zal de duivel van zijn rijk beroofd en buiten geworpen worden.

Ziedaar het verschil, dat er bestaat tusschen het rijk van Jezus-Christus en het rijk van den duivel. Er blijft ons nu te kiezen over, tot welk rijk wij willen behooren. O voorzeker, wij allen moeten onderdanen zijn van het

1) i Tim. vi, 15. 2) Joan, xvin, 36.

ocr page 64

— 6i —

rijk van Jezus-Christus, en niet van het rijk van den duivel. Jezus-Christus moet onze Koning zijn, de Koning onzer harten; Hij moet in onze harten heerschen met zijne genade; wij moeten noodzakelijk deel maken van het rijk zijner g;enade, willen wij eenmaal deel maken van het rijk zijner glorie, dat is, van den hemel. Geen midden dus; ofwel God heerscht over ons, of de duivel; ofwel dienaren, ja zelfs kinderen van God-Koning, ofwel slaven van den dwingeland Satan.

Zien wij nu ook nog een oogenblik de scheinheiligheid van den Opperpriester en der overige leden van den raad, en de onverschilligheid van Pilatus.

II.

Toen Caïphas, de Priesters, de Pharizeën en Schriftgeleerden aan het gerechtshuis van Pilatus gekomen waren, gingen zij daar niet binnen, gelijk wij gezien hebben. Neen, maar zij bleven buiten staan. Waarom? Omniet ontreinigd en belet te worden het Paaschlam te eten. Nergens nochtans, M. Z., leest men in de wet, dat de Joden, door de woning van eenen heiden binnen te gaan, ontreinigd worden of eenig beletsel inloopen. \'t Is dus niets anders dan een ijdele pharizëische overlevering. Die booswichten vreezen ontreinigd te worden, door het huis van een heidenschen rechter binnen te gaan, en zij vreezen niet den onschuldigen Jezus te mishandelen, aan Pilatus over te leveren, valsch te beschuldigen en zijnen dood te eischen.

Zij veinzen zuiver te zijn, die booswichten, wier handen vol bloed zijn, en wier hart de onrechtvaardigste plannen smeedt. Welk eene schijnheiligheid! Dat is zeker de schijnheiligheid ten uiterste gedreven.

Die schijnheiligheid van Caïphas en der overige leden

ocr page 65

62 —

van den raad, M. Z., wordt ook door zekere Christenen nagevolgd, en daarom worden zij schijnheiligen genoemd, dat wil zeggen, heiligen, maar enkel in schijn, niet inderdaad. Die schijnheilige Christenen maken dikwijls zonde waar geene zonde is, en waar wezenlijk zonde is zien zij niets, zoodat zij niet zelden zonder vrees, zonder nadenken, over doodzonden heenstappen. Zij meenen door zekere werken van godsvrucht te voldoen en aan God te behagen; maar wat de ware en zware plichten van christen mensch of staat aangaat, daarin zien zij zoo nauw niet. Zij zullen, bijv., met zorg hunnen mond spoelen, alvorens tot de H. Tafel te naderen, en zij zullen er zich weinig aan gelegen laten liggen, hunne ziel door een oprechte boetvaardigheid te zuiveren. Hoe dikwijls gebeurt het niet, M. Z., dat men den biechtvader kleinigheden komt vertellen, zooals onvrijwillige verstrooidheden, onvrijwillige slechte gedachten; maar dat men aan zijne plichten jegens God, jegens zich zeiven, jegens zijne kinderen en jegens zijnen evenmensch grootelijks te kort is gebleven, daarvan spreekt men niet. Is dat niet de schijnheiligheid van Caïphas, enz. navolgen ? En wat zeide eertijds onze goddelijke Zaligmaker van de Pharizeën — want ziedaar het belangrijkste der zaak; men moet ook zien, hoe ver men met huichelen komt. — Vee vobis Scriba: et Phariscei hypocritce! i) Wee u, Schriftgeleerden en Pharizeën! huichelaars, die gij zijt, zeide Jezus. Van anijs en komijn, dat is, van kleinigheden betaalt gij tienden, maar het voornaamste der wet veronachtzaamt gij. Eene mugge zijgt gij uit, en een kemel zwelgt gij door. Vee vobis... hypocritce! Wee u, huichelaars! die den drinkbeker van buiten schoon maakt, maar van

1) Matth. xxiii, 14.

ocr page 66

— 63 —

binnen zijt gij vol roofzucht en onreinheid; reinigt eerst het inwendige, opdat het uitwendige ook rein worde.

Jezus vergelijkt hen bij witgepleisterde grafsteden, die er van buiten schoon uitzien, maar die van binnen vol doodsbeenderen en vuiligheid zijn. Neen, M. Z., \'t is niet in ongegronde angstvalligheden, ook niet in kleinigheden alleen, dat de dienst van God bestaat. De dienst van God bestaat vooreerst in het onderhouden van zijne geboden en van de geboden der H. Kerk, in het volbrengen van de plichten van Christen en van de plichten van zijnen staat, waar men vervolgens andere werken van godsvrucht voordeelig bijvoegt; Hacc oportet facere et illa non emitter e: l) zonder dat zullen wij zoo min als de schijnheilige Caïphas, als de schijnheilige Priesters, de Pharizeën en Schriftgeleerden de straffen van het helsche vuur ontkomen.

Wat de onverschilligheid van den romeinschen landvoogd Pontius Pilatus betreft, zij is te groot om niet in \'t oog te springen, zij is tastbaar. Luistert nog tot uw welzijn.

Jezus spreekt Pilatus van de waarheid ; Hij is gereed hem de waarheid te leeren. Pilatus vraagt nog: Wat is waarheid? Quid est Veritas? 2) Doch Helaas! in plaats van antwoord af te wachten draait hij zich om en gaat heen. O, M. Z., \'t was het oogenblik der genade voor Pilatus, maar hij maakte er geen gebruik van. Bijaldien Pilatus ware blijven staan en hadde willen luisteren, Jezus zoude wellicht geantwoord hebben: Ego sum via, Veritas et vita: 3) Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Jezus zoude hem die groote en belangrijke waarheid hebben uitgelegd; maar Pilatus ver-

1) Matth. xxm, 23. 2) Joan, xvm, 38. 3) Joan, xiv, 6.

ocr page 67

— 64 -

wijderde zich. Waarom? Pilatus was niet van de waarheid, en daarom luisterde hij niet naar de stem Gods.

Wat ongelukkige onverschilligheid in Pilatus! En och of er hedendaags maar niet velen aangetroffen werden, die den romeinschen landvoogd daarin navolgen. Jezus-Christus zendt zijne dienaren uit; Hij beveelt hun de waarheid te verkondigen. Euntes docete omnes gentes\'. l) Gaat, zegt Jezus, onderwijst alle volkeren, leert hun onderhouden al wat ik u bevolen heb.

Roept, zegt God, en houdt niet op met roepen, verheft uwe stem: Clama, ne cesses, quasi tuba exalta vocem tuam. 2) Houdt mijn volk zijne misdaden voor oogen en het huis van Jacob deszelfs zonden. Verkondigt de deugd met hare aangenaam- en schoonheid; leert dat zij alleen den mensch reeds hier op aarde gelukkig maakt, dat de mensch ze moet oefenen, toont de middelen daartoe aan. Stelt de ondeugd, hare afschuwelijkheid en hare noodlottige gevolgen voor oogen; dringt er op aan, dat de mensch ze moet vluchten, dat hij de gevaren en gelegenheden van zonde moet vermijden of verlaten, doet hem de middelen daartoe bij de hand. Stelt hem mijne liefde, mijn lijden en mijnen dood, waardoor ik zijne zonden heb moeten uitboeten, voor oogen. Spreekt van dood, oordeel, hel en hemel, over de plichten van eensieders staat: Clama, ne cesses: Roept en houdt niet op met roepen. Welnu, men roept en houdt inderdaad niet op met roepen. Wat gebeurt er ? Men luistert niet, men stoort zich nergens aan;- men gaat zelfs verder dan Pilatus, men vraagt niet eens meer; ofwel, als men de stem Gods in zijne dienaren gehoord heeft, vraagt men met de grootste onverschilligheid der

1) Matth. xxvm, 28. 2) Isaïas lviii, 1.

ocr page 68

- 65 —

wereld : Quid est Veritas f Wat is waarheid ? Wat be-teekent dat? Men keert den rug en gaat heên, alsof er niets gezegd was. In plaats dus van naar God te luisteren, die de onfeilbare leermeester is, luistert men naar eenen leugenaar, den duivel. In plaats van Jezus-Christus, Koning te volgen, die de weg, de waarheid en het leven is, volgt men eenen dwingeland, Satan. Men stelt zich op den doolweg, op het pad der ondeugd; men kleeft de dwaling aan, de schijnvermaken der wereld, de schandelijke genuchten of wellusten des vleesches. Wat is ér het gevolg van? Men sterft, M. Z., vooreerst naar de ziel, dat is, men verliest de heiligmakende genade, die het leven der ziel is, en eindelijk sterft men den eeuwigen dood, men gaat verloren.

Wat is er van Pilatus geworden, die naar de Eeuwige Waarheid niet heeft willen luisteren? Hoe heeft hij zijn leven geëindigd ? De geschiedenis meldt het ons; hij valt bij den keizer Tiberius in ongenade, wordt in ballingschap gezonden, en gelijk een andere Judas brengt hij zich zeiven om het leven.

Wat zal er dus ook eenmaal geworden van hen, die niet willen luisteren ? Die hunne oogen voor het licht der waarheid sluiten? Die, na gehoord te hebben, niet willen doen wat zij gehoord hebben, misschien er den spot nog mede drijven ? \'t Is een afgevallen Apostel Judas, \'t is een onverschillige landvoogd Pontius-Pilatus, die het ons leeren, die — en merkt deze woorden wel op — die door hun rampzalig uiteinde de woorden van Jezus-Christus, die de Eeuwige Waarheid is, bevestigen. En wat zegt Jezus-Christus, de Eeuwige Waarheid ? Si non credideritis in peccato vestro moriemini: l) Zoo gij niet geloofd zult

1) Joan, vin, 21.

II. 5.

ocr page 69

— 66 —

hebben, zult gij in uwe zonden sterven. Ziedaar het onfeilbaar en rampzalig uiteinde, ziedaar wat er eenmaal van hen zal geworden.

SLUITREDE.

O lieve Jezus! wiens lijden en smarten ik moet verkondigen ; ik ben van het plan, mij voorgesteld, afgeweken. Doch lijdende Zaligmaker! ontvang, alvorens wij tot hetzelve wederkeeren, eene korte bede. Ik herinner mij de woorden van uwen Apostel Paulus. Niet die plant, noch die besproeit, is iets, zegt hij: Neque qui planta/, neque qui rigat est a liquid, i) maar God, die den wasdom geeft, sed qui incrementum dat, Deus.

Wij Priesters, wij dienaren, zijn niets anders, gelijk dezelfde Apostel zich uitdrukt, dan een klinkend metaal, een weluidend instrument;\'t komt U, Heer Jezus! toe den wasdom te geven, \'t is uw werk het beneveld verstand te verlichten, \'t is uwe zaak het versteend hart te vermurwen.

Laat dan, o goddelijke Zaligmaker! deze weinige woorden vruchten van zaligheid voortbrengen. Dat het woord der waarheid, dat ik verkondig en dat uw zaad is, niet valle op de steenrots, waarop het verdort; noch tusschen de doornen, die het verstikken; maar op eene goede, wel bereide aarde, opdat hei honderdvoudige vruchten voort-brenge. Verlicht te dien einde, Heer Jezus! door een straal van hierboven onzen verduisterden geest, vermorzel ons versteend hart met een slag uwer goddelijke liefde.

O Maria! Gij die het Eeuwig Licht, Jezus-Christus, Uwen Zoon aan de wereld geschonken hebt, Gij die de Moeder der goddelijke genade zijt; door uwe machtige voorspraak verkrijg ons bij God uwen Zoon die dubbele genade. Amen.

1) i Cor. in, 7.

ocr page 70

VIJFDE MEDITATIE.

Sprevit Ilhm Herodes cum exercitu suo.

Herodes met zijne lijfwacht verachtte

Jezus. (Lue. xxm, 11.)

INHOUD.

VOORREDE.

In onze voorgaande overwegingen hebben wij reeds vele smarten van Jezus verhandeld; doch in plaats van te verminderen, nemen in- en uitwendinge smarten toe. — Maria voegt hare smarten bij die van haar godde-lijken Zoon.

VERDEELING.

I. Jezus door Herodes beleedigd;

II. Welke Christenen door de wereldlingen beleedigd worden.

I.

Pilatus belijdt Jezus\' onschuld. — Vernemende datjezus een Galileër is, zendt hij Hem naar den viervorst Herodes. — Woede der Pharizeën en Schriftgeleerden, in hunne verwachting te leur gesteld. — Herodes is zeer tevreden en denkt, dat onze goddelijke Zaligmaker een wonder voor hem zal doen. — Hij ondervraagt Jezus, doch deze

ocr page 71

— 68 —

geeft geen antwoord. — Die slag is voor Herodes te hard; hij bespot en beschimpt Jezus. —- Die smaad ontbrak nog. — Smart van Jezus. — Vooruitzicht op de spotternijen in latere tijden. — Men spot hedendaags met God en godsdienst, met Kerk en Priesters, met sermonen en Sacramenten, met kloosters en kloosterlingen. — Wie zijn voor een groot gedeelte die spotters? Afgevallen kinderen der H. Kerk.

II.

De brave Christenen zullen ook bespot worden. — De knecht staat niet boven den heer, de leerling niet boven den meester. — Wij moeten onze oogen slaan, vooreerst op Jezus, ons voorbeeld, vervolgens op de belooning, eindelijk op het einde der spotternijen. — In den laat-sten dag des oordeels zal er een andere rol gespeeld worden. — De brave menschen moeten moed scheppen ; de kortstondige droefheid zal veranderen in eeuwige vreugde, de kortstondige spotlach der wereld in een eeuwig gehuil en tandengeknars. — God straft ook dikwijls de spotters reeds hier op aarde. — Herodes en Herodias.

\' SLUITREDE.

Gebed tot Jezus om te verkrijgen voor de braven de volharding, voor de spotters de bekeering. — Die dubbele genade vragen door de voorspraak van Maria.

ocr page 72

— 69 —

VIJFDE MEDITATIE.

Sprevit Ilium Herodes cum exercitu tuo.

Herodes met zijne lijfwacht verachtte Jezus. (Luc. xxm, 11.)

VOORREDE.

In de overweging van Jezus\' smartvol lijden hebben zich reeds akelige tafereelen voor onze oogen ontrold. Men heeft onzen goddelijken Zaligmaker op de wreedste wijze mishandeld, men heeft Hem van den eenen rechter naar den anderen gesleurd; ja, de Joden, vol haat en nijd, hebben Hem reeds ter dood veroordeeld.

Pilatus, alhoewel van de onschuld van Jezus overtuigd, durft Hem niet vrijspreken, hij is te zwak. Jezus\' lijden bijgevolg is nog niet geëindigd. Neen, M. Z., integendeel; in- en uitwendige smarten gaan vermeerderen, en zullen al zwaarder op het reeds afgefolterde slachtoffer nederkomen.

De woede van den Opperpriester Caïphas, van de Priesters, Pharizeën cn Schriftgeleerden groeit zichtbaar aan. In de stellige meening, dat Pilatus enkel op hun verzoek het doodvonnis, dat zij over Jezus reeds hadden uitgesproken, zoude bekrachtigen, vinden zij zich schandelijk bedrogen. Genoodzaakt bij een anderen rechter de kans te wagen, zullen zij intusschen hunne mislukking op den onschuldige wreken. Ja, zij zetten de krijgsknechten aan om onzen godddelijken Zaligmaker op allerlei wijzen te mishandelen.

Ziet! Daar stelt zich de verwarde menigte op nieuw in beweging. Op! Naar het paleis van Herodes! klinkt het van alle zijden, en de reeds afgesloofde Jezus van

ocr page 73

— 70 —

Nazareth wordt op nieuw onder hoon en laster, onder vloeken en tieren door de straten van Jeruzalem gesleurd, om voor de vierschaar van Herodes te verschijnen.

Welk een hartverscheurend schouwspel voor Maria, zijne Moeder! Doch die Moeder, M. Z., heeft reeds over lang haar offer gebracht. Vol moed dus, zal zij de bebloede voetstappen van haar geliefden Zoon volgen. Voegen wij ons bij haar gezelschap, om te overwegen, wat Jezus en Maria, beiden slachtoffers van liefde, voor ons schuldige menschen op nieuw gaan lijden.

Wij zullen dus zien:

I. De beleediging, Jezus door Herodes aangedaan;

II. Welke Christenen, en door wie zij beleedigd worden.

I.

Zoodra Pilatus onzen goddelijken Zaligmaker in een kort gesprek ondervraagd had, kwam hij terstond terug en verklaarde voor gansch het volk de onschuld van Jezus. Ik vind geene schuld in Hem, zegt Pilatus; Ego millam invenio in eo causam. (i) Op het hooren dier woorden bruist de woede der Priesters, der Pharizeën en Schriftgeleerden op. Bevreesd dat Jezus hun ontsnappe, verheffen zij heviger dan ooit hunne stem. Onder eene menigte valsche beschuldigingen hoort men hen roepen en schreeuwen: Hij verleidt het volk, leerende door geheel Judëa, van Galilëa, waar Hij begonnen is, tot hiertoe. Intusschen bewondert Pilatus de kalme en edele houding van den Godmensch; want niettegenstaande de mishandelingen op Jezus gepleegd, heeft Hij zulke uitdrukking van waardigheid behouden, dat de Romein er door getroffen wordt.

1) Joan, xviii, 38.

ocr page 74

— 7i —

Pilatus durft den onschuldige niet veroordeelen, om niet tegen zijn geweten te handelen; hij durft Hem niet vrijspreken, om den haat en de woede der Priesters, der Pharizeen en Schriftgeleerden niet in te loopen. Wat zal hij dan aanvangen? Van Galilëa hoerende spreken, glanst er den zwakken landvoogd een straal van hoop op uitkomst tegen. Hij vraagt of Jezus een Galileër is. Met genoegen verneemt hij, dat onze goddelijke Zaligmaker tot het gerechtsgebied van Herodes behoort. Ha! dat biedt hem onverwachts een uitweg aan, en tevens eene gunstige gelegenheid, om met Herodes op nieuw bevriend te worden, Welk een gelukkig toeval! denkt Pilatus bij zich zeiven.

Hetgeen Pilatus hier misschien voor een toeval aanziet, is volstrekt geen toeval. Neen, M. Z., in deze gebeurtenis ligt een groot geheim opgesloten. Jezus, gelijk wij weten, lijdt voor alle menschen, voor Joden en Heidenen. Hij wil dus door beide volkeren mishandeld, door beider vorsten veracht en bespot worden. Pilatus en Herodes hebben zich ook op dien dag met elkander verzoend, want vroeger leefden zij in groote vijandschap. Die verzoening van Pilatus met Herodes is een afbeeldsel van de groote verzoening, die onze goddelijke Zaligmaker tusschen de Joden en Heidenen zoude tot stand brengen, door beide volkeren in een en dezelfde Kerk op te nemen en met elkander te verbroederen. Ziedaar het groot geheim, in vermelde gebeurtenis opgesloten.

Doch vervolgen wij de lijdensgeschiedenis van onzen goddelijken Zaligmaker. Jezus wordt dus van de eene rechtbank naar de andere gebracht, van de rechtbank van Pilatus naar die van Herodes. Op weg van het paleis van Pilatus naar het paleis van Herodes wordt Jezus op de onmenschelijkste wijze mishandeld. Eindelijk

ocr page 75

— 72 —

dan komt men bij het paleis van den viervorst aan.

Beleefdheidshalve heeft Pilatus Herodes reeds door een bode aangaande de komst van Jezus verwittigd. Gezeten te midden zijner hovelingen en krijgsknechten, wacht Herodes den stoet af. Hij is ten uiterste tevreden over de verschijning van Jezus; hij heeft zooveel over Hem gehoord, en nu, zoo denkt Herodes, nu zal Hij voor mij wel eenige wonderen verrichten, om zijne vrijstelling te bekomen. Daarom ondervraagt Herodes Jezus veel; doch ziet, onze goddelijke Zaligmaker gewaardigt zich niet eens Herodes te antwoorden.

En geen wonder, M. Z. Immers, hoe zoude Jezus, die de inzichten van Herodes kende, die wist, dat de viervorst niets anders dan een genoeglijk schouwspel zocht, hoe zoude Hij zich gewaardigd hebben dien nieuwsgierige te antwoorden? Hoe zoude Jezus, de Heiligheid zelve, dien wellusteling, wiens schandelijk gedrag met Herodias het gansche volk tot ergernis verstrekte; dien wreedaard, die zijnen vooriooper, zijnen boetgezant, den H. Joannes den Dooper, had doen vermoorden; hoe zoude Jezus, ik vraag het u, dergelijken persoon hebben willen aanspreken? O, M. Z., bijaldien Herodes een goed inzicht hadde gehad, en zoo zijne begeerte om Jezus te zien en te hooren ontsproten ware geweest uit een waar verlangen naar Jezus\' leering, met een oprechte droefheid over zijne zonden; onze goddelijke Zaligmaker, die gekomen was om zelfs de zondaren te onderwijzen en zalig te maken. Hij zoude niet geweigerd hebben te antwoorden. Jezus, die de boetvaardige zondares Maria-Magdalena zoo minzaam toegesproken en hare zonden vergeven had; Jezus, die den rouwmoedigen moordenaar weldra den hemel zal beloven, diezelfde Jezus zoude Herodes ook minzaam hebben toegesproken; Hij zoude hem

ocr page 76

zijne zonden vergeven hebben; ja, Jezus zoude den duivel der ontucht uit zijn hart gedreven, Hij zoude zijne arme ziel aan de klauwen van Satan ontrukt hebben. Maar nu, nu onze goddelijke Zaligmaker weet, met wien Hij te doen heeft, wie Herodes is, welke zijne inzichten zijn, dat hij slecht gesteld is; neen, M. Z., Jezus heeft zijnen Apostelen het bevel gegeven van het heilige niet te geven aan de honden, van de parels niet te werpen voor de zwijnen; nu gaat Hij ook met zijn voorbeeld voor; Jezus zwijgt en antwoordt Herodes niet: Ipse nihil ei respondit. i)

Die slag valt den hoovaardigen en wulpschen vorst te hard. Gaat hij Jezus nu terstond ter dood veroordeelen? Neen, liever wil hij Hem bespotten en beschimpen. Sprevit Illum Herodes cum exercitu suo, 2) zegt het Evangelie ; Herodes met zijne lijfwacht bespotte en beschimpte Jezus. En inderdaad. Herodes deed Jezus een wit kleed aantrekken en zond hem in dien belachelijken toestand naar Pilatus terug. Ziedaar, M. Z., wat er voor de vierschaar van Herodes plaats heeft. Herodes bespot en beschimpt onzen goddelijken Zaligmaker, hij houdt, om zoo te zeggen, den zot met Hem. Hij ziet Jezus aan voor eenen onmachtige, die geen wonder kan verrichten ; voor eenen lafaard, die zich niet durft verdedigen; voor eenen zinnelooze, die niet weet te antwoorden. Die smaad ontbrak Jezus nog. De Almachtige, die eene menigte wonderen gedaan; de Onverschrokkene, die zich reeds zoo kloekmoedig verdedigd had; de Alwetende, wien niets verborgen was, moest nu ook nog op eene plechtige wijze voor een vorstelijk hof onmachtig, laf en zinneloos verklaard worden. Welk eene beleedigingï

1) Luc. xim, 9. 2) Luc. xxin, 11.

ocr page 77

— 74 —

Welk eene schande voor onzen goddelijken Zaligmaker! Hoe groot is niet de droefheid, hoe innig de smart, die Hij er over gevoelt? Denken wij toch niet, M. Z., dat Jezus daar ongevoelig aan is. Volstrekt niet. Hij roept zijn hemelschen Vader tot getuige van het leed, dat Hem door die bespotting en beschimping wordt aangedaan. Gij kent, roept Hij uit door den mond van zijnen Profeet David, Gij kent mijne versmaadheid, mijne schande en schaamte: Tu seis improperium meum et confusio-nem meam et reverentiam me am. i) Die droefheid en smart werden nog vermeerderd door een droevig vooruitzicht.

Immers, op dat oogenblik voorzag onze goddelijke Zaligmaker reeds al de spotternijen, waaraan Hij zelf, zijne leering en zijne leerlingen in latere tijden zullen blootgesteld zijn. Ja, Hij voorzag dat ontaarde kinderen, voor welke Hij zooveel gedaan en geleden heeft. Hem eenmaal zullen uitlachen. Ik heb kinderen opgevoed en verheven, zeide Hij, doch zij hebben mij versmaad: Filios enutrivi et exaltavi, if si autem spreverunt me. 2)

En inderdaad, M. Z., waarmede drijft men in onze dagen den spot niet? Men spot met al wat heilig is. Men spot met God en godsdienst, met Kerk en Priesters, met sermonen eiï Sacramenten, met kloosterlingen en geloften. En waarin spot men met al wat heilig is? Men spot in boeken en dagbladen, in gewone gezelschappen en openbare vergaderingen. En waar vindt men hedendaags die bespotters ? Ha! Men vindt ze niet alleen in de groote en volkrijke steden, maar ook hier en daar op \'t platte land in de eenvoudige dorpen. En wie zijn voor een groot gedeelte die bespotters? O, M. Z.,\'t zijn

1) Ps. Lxviii, 20. 2) Isaïaa 1, 2.

ocr page 78

— 75 —

niet alleen ongeloovigen en ketters, maar \'t zijn, helaas! ook Christenen, ondankbare kinderen der H. Kerk, ontaarde zonen, die, na door het H. Doopsel in den schoot der H. Kerk opgenomen, door hare dienaren de Priesters, onderwezen en in de hoogte gebeurd te zijn, tegen de H. Kerk opstaan en hare dienaren, dé Priesters, bespotten en vervolgen, ja, die de H. Kerk zouden vernietigen en hare dienaren, de Priesters, om het leven zouden brengen, zoo zij konden. O Heer Jezus! Nu begrijp ik toch eenigszins de weeklacht, die Gij laat hooren, als Gij door den mond van uwen Profeet zegt: Ik heb kinderen opgevoed en verheven, doch zij hebben mij veracht! Filios enutrivi et exaltavi, ipsi autem spreverunt me! Ver van mij, M. Z., van te veronderstellen, dat er hier zulke bespotters, zulke ontaarde kinderen tegenwoordig zijn; doch het zoude evenwel kunnen gebeuren, dat er zich onder ons bevonden, die wel is waar niet uit boosheid, niet uit haat tegen God of godsdienst, maar die uit lichtzinnigheid lachen met de brave en deugdzame men-schen en het goede dat zij verrichten. Laten wij daarover nog een woordje zeggen om er ons nut uit te trekken.

II.

Onze goddelijke Zaligmaker is in het paleis van Herodes, gelijk wij gezien hebben, bespot en beschimpt geweest; Hij alleen kent het hevige, het knijpende zijns harteleeds. Doch Jezus geeft ons, zijnen leerlingen, tevens een schoon voorbeeld, namelijk, hoe wij ons, ten opzichte van de spotternijen en beschimpingen der wereld, moeten gedragen.

Allen, M. Z., die godvruchtig willen leven, zullen vervolging, ten minste de vervolging der bespotting en be-

ocr page 79

schimping, te lijden hebben. Doch in die vervolging werpen wij een oogslag op Jezus, die ons is voorgegaan; vervolgens vestigen wij ook onze blikken op de belooning, die ons wacht, en eindelijk zijn wij wel overtuigd, dat de zaken eenmaal geheel en al van gedaante zullen veranderen.

Wij dragen den naam van Christenen, dat is, leerlingen van Christus; wij stellen er onzen roem in, en te recht. Welnu, wat leert ons Christus, onze goddelijke Meester? De leerling, zegt Hij, staat niet boven den meester, noch de dienaar boven den heer. Het moet den leerling en den dienaar genoeg zijn, behandeld te worden gelijk de meester en de heer. Zoo zij nu den huisvader Beëlzebub genoemd hebben, hoeveel te meer dan zijne huisgenooten ? Bijaldien ze mij vervolgd hebben, zij zullen u ook vervolgen: Si me persecutifuerini et vos fersequentur. l) Zij hebben Jezus onzen Heer en Meester bespot en beschimpt; niets te verwonderen dus, zoo zijne dienaren en leerlingen ook bespot en beschimpt worden. Trachten wij dus, naar het voorbeeld van Jezus, de spotternijen en beschimpingen der wereld met geduld te verdragen.

Maar, \'t is niet altijd zoo gemakkelijk, zult gij misschien denken, de spotternijen en beschimpingen der wereld met geduld te verdragen, \'t Is waar, en daarom moeten wij ook ons oog gevestigd houden op de belooning, die ons wacht. Zalig zijn zij, leert Jezus, die vervolging lijden om de gerechtigheid. Zalig zijn zij dus, die om hun deugdzaam, godvruchtig en onschuldig leven bespot en beschimpt worden. En waarom zalig? Het rijk der hemelen behoort hun toe; Quoniam ipsorum est regnum ctzlorum.

1) Matth. ii, 25.

ocr page 80

— 77 —

Verheugt en verblijdt u, zegt onze goddelijke Zaligmaker, uwe belooning zal groot wezen in den hemel: Quoniam merces vestra copiosa est in. ca lis. l)

Eindelijk, de spotternijen en beschimpingen der wereld zullen niet altoos blijven duren. Neen, M. Z., er is een tijd bepaald, waarop alles een andere wending zal nemen. Eenmaal zal er gansch een andere rol gespeeld worden, en die rol zal gespeeld worden voor denzelfden Jezus, die door Herodes en zijne lijfwacht bespot en beschimpt is geweest. Ja, in den laatsten dag des oordeels zullen alle menschen voor Jezus moeten verschijnen, allen zullen voor Hem staan; de bespotteden met de bespotters, de beschimpten met de beschimpers, genen opgeruimd en verheugd, dezen ter neêr geslagen en bedrukt. Ja, wat meer is; voor den rechterstoel van Jezus-Christus zullen de bespotters en beschimpers hun ongelijk moeten bekennen. Daar, in de tegenwoordigheid der gansche wereld, zullen zij vol wanhoop uitroepen: Ergo erravimus! Wij hebben gedwaald! Ziedaar in \'t algemeen. Doch treden wij liever in eenige bijzonderheden, om eene juiste toepassing te maken.

De dwaze jongeling, bijv., die den spot drijft met een anderen jongeling, omdat hij zich met nauwgezetheid van zijne plichten kwijt, omdat hij dikwijls naar de kerk gaat en zich daar eerbiedig en godvruchtig gedraagt, omdat hij deel maakt van het een of ander goed werk, van de een of andere broederschap, omdat hij zorgt van \'s avonds bijtijds t\'huis te zijn, omdat hij de gevaren en gelegenheden van zonde, de slechte plaatsen en gezelschappen vlucht; de dwaze jongeling, die met derge-lijken deugdzamen jongeling den spot drijft, zal eenmaal

I) Matth. v, 12.

ocr page 81

- 78 —

zijn ongelijk moeten bekennen en uitroepen: Ik heb gedwaald ! Ergo erravimus!

De ijdele, lichtzinnige, wereldsche jongedochter, die het een of ander braaf meisje uitlacht, om hare eenvoudigheid en godsvrucht, om hare zedig- en voorzichtigheid, omdat het, bijv., met de lichtzinnigen niet mede doet, omdat het zich niet belachelijk opschikt gelijk zoo veel anderen, omdat het zich niet ophoudt met ongelijke personen, zich niet begeeft naar gevaarlijke plaatsen, omdat het niet rondloopt gelijk andere losbollen, hetzij over dag, ja zelfs in den avond, tot in den nacht, daar, waar men eene jongedochter vooral nooit vinden moest; O, M. Z., die ijdele, lichtzinnige, wereldsche jonge dochter zal ook eenmaal haar ongelijk moeten bekennen en uitroepen; Ik heb gedwaald! Ergo erravimus!

Ja, de goddelooze en booze menschen, die met God en godsdienst, die met de braven en het goede dat zij verrichten, spotten, zullen eenmaal vol wanhoop deze verschrikkelijke waarheid van de H. Schrift doen hooren: Nos insensati! i) Wij uitzinnigen! Ziedaar met wie wij eenmaal den spot gedreven, wie wij uitgelachen hebben. Wij achtten het leven der braven, der deugdzamen eene dwaasheid en hun einde zonder roem. En ziet, nu worden zij onder de kinderen Gods gerekend, en hun lot is het lot der Heiligen T Compitati simt inter filios Dei et inter sanctos sors illornm est. Wij zijn dus van het pad der waarheid afgedwaald. Het licht der gerechtigheid heeft voor ons niet geschenen, de zon des verstands is voor ons niet opgegaan. Wij hebben ons afgetobd op den weg der ongerechtigheid en des verderfs; Lassati sumus in via iniquitatis et perditionis. Wij hebben

1) Sap. v.

ocr page 82

— 79 —

moeielijke wegen bewandeld, maar den weg des Heeren hebben wij niet gekend: Viam autem Domini ignora-vimns. Wat heeft ons de hoovaardij gebaat ? Quid nobis prof uit superbia f Wat heeft ons het najagen der vermaken en pleizieren, wat heeft ons het vergaderen van schatten en rijkdommen gebaat? Quid nobis prof uit? Alles is als eene schaduw voorbij gegaan, als een voorbij snellende renbode, als een schip dat de golven doorsnijdt, als een vogel die de lucht doorklieft, als een pijl die voorbij snort en geen spoor achter laat. Eveneens is het met ons vergaan. Nauwelijks waren wij geboren, of wij hielden op met leven, en wij hebben geen spoor van deugd achter gelaten; integendeel, wij zijn in onze zonden en boosheden omgekomen: In malignitatc autem nostra consumpti sumtis.

Ziedaar wat de goddeloozen tegen wil en dank zullen moeten bekennen. In den laatsten dag des oordeels nu zullen de braven en deugdzamen kloekmoedig tegenover hunne bespotters en beschimpers staan. Reden te meer om den moed niet te laten zinken. Neen, deugdzame mensch, en gij vooral brave jongeling, brave jonge dochter, op wie de wereld het grootendeels gemunt heeft; gij strekt der spotternij vooral tot mikpunt. Schept moed! Laat u nimmer afschrikken van de beoefening der deugd door het gelach, door de spotternijen der wereld. Stelt u voor oogen, hoe Jezus, wiens leerlingen gij zijt, bespot en beschimpt is geweest, en denkt aan de groote belooning, die u wacht. Ja, uwe kortstondige kwelling en droeiheid zullen weldra in een eeuwigdurende voldoening en vreugde veranderen, de vreugde en de spotlach der wereld in een eeuwigdurend gehuil en tandengeknars: Ibi crit fletus et stridor dentium. l)

1) Mutth. vin, 12.

ocr page 83

— 8o —

Doch, M. Z., God, die wel is waar lankmoedig is, stelt zijne bedreigingen niet altijd uit tot na den dood. Hij straft niet zelden reeds hier op aarde degenen, die met God of godsdienst, met deugd of deugdzame men-schen spotten. Vergeten wij die waarheid niet. Herodes is er een doorslaand bewijs van. Wat is er van hem geworden ? De geschiedenis meldt het ons. Gelijk Pilatus door keizer Tiberius, zoo wordt Herodes met Herodias door keizer Caligula in ballingschap gezonden, en beiden komen ellendig om. Wat hun eeuwig lot betreft, M. Z., \'t komt ons niet toe er uitspraak over te doen. Jezus-Christus, met wien zij gespot hebben, en die in het boek der spreuken van den goddelooze zegt: Ego quoquc in interitu vestro ndebo et subsannabo : i) Ik zal ook in uwen ondergang lachen en spotten, die Jezus heeft hen geoordeeld.

SLUITREDE.

Zijn er soms onder ons, die zich ooit bij Herodes, zijne hovelingen en lijfwacht gevoegd hebben? Die ooit den spot gedreven hebben met God of godsdienst, met deugd of deugdzame menschen? O, zij denken er eens wel over na, of zij in den laatsten dag des oordeels bij hen zouden willen staan, die dan hun ongelijk zullen moeten bekennen. Voorzeker, M. Z., niemand onzer zoude zoo ongelukkig willen zijn. Welnu, herroepen wij dan, nu het nog tijd is, onze dwaling, om ze naderhand, doch helaas! te laat niet te moeten bekennen.

En Gij, o mijn lieve Jezus! die de eerste van allen bespot en beschimpt zijt geweest; door uw smartvol lijden bidden en smeeken wij U, geef aan de brave en deugdzame menschen den moed, dien zij noodig hebben,

1) Prov. i, 26.

ocr page 84

— St

om met U en voor U met geduld de spotternijen der wereld te verdragen; geef aan de ongelukkigen, die zich aan de zijde uwer vijanden geschaard hebben, de genade van zich bijtijds te bekeeren.

O Maria! Moeder van Jezus, die zoo ruimschoots in de spotternijen en beschimpingen van uw goddelijken Zoon gedeeld hebt, verkrijg door uwe machtige voorspraak de bekeering der zondaren en de volharding der rechtvaardigen. Amen.

11. 6.

ocr page 85

ZESDE MEDITATIE.

Quem vultü vobis de duobus dimitlif Ai illi dixcrunt: Barahham.

Wien van beiden wilt gij dat ik a loslate? Zij zeiden: Barabbas.

(Matth. xxvn, 22.)

INHOUD.

VOORREDE.

Herodes, na zich in de spotternijen verzadigd te hebben, geeft Jezus aan de Joden over. — Deze leiden Hem naar Pilatus terug. — Beschrijving van hetgeen er op dat oogenblik gebeurde. — Maria ziet op nieuw hoe haar goddelijke Zoon mishandeld wordt.

VERDEELING.

I. Beleedigingen, Jezus bij Pilatus op nieuw aangedaan;

II. Wie de Joden in die beleedigingen navolgen.

I.

Aan het paleis van Pilatus terug gekomen, begint het volk met nog meer woede dan vroeger te schreeuwen. — Pilatus gaat een ander middel beproeven. — Jezus met Barabbas vergeleken. — Pilatus richt zich vooral tot het volk. — Het volk, denkt Pilatus, zal gevoeliger

ocr page 86

— 83 -

zijn; het kent én Barabbas én Jezus. — Wat heeft Ba-rabbas gedaan? Wat Jezus? \'t Is wel een vernederend middel voor Jezus, maar \'t schijnt toch een zeker middel te zijn om Hem los te laten. — Het volk moet en zal de voorkeur aan Jezus geven. — Alles bedrog. — Het tweede middel is niet krachtiger dan het eerste. — De hemelsche Vader heeft het Pilatus niet ingegeven. — Pilatus gebruikt het, omdat hij voor de waarheid niet durft uitkomen. — Gezicht op het plein voor het paleis van den romeinschen landvoogd. — Pilatus doet het voorstel. — Schouwspel na het voorstel. —- Pilatus wordt andermaal vermaand. — Hoe gedraagt zich het volk? Hoe gedragen zich de Priesters, de Pharizeën en Schriftgeleerden ? — Pilatus komt vooruit en vraagt: Wien wilt gij dat ik u loslate ? — Antwoord van het volk. — Smart van Jezus en Maria.

II.

Het schouwspel schijnt ongeloofelijk, de misdaad van het volk onbegrijpelijk. — Groote zonde in Pilatus, groo-tere in het volk, allergrootste in de Priesters, de Pharizeën en Schriftgeleerden. —Smart, die Jezus wordt aangedaan. •— De Christenen noodigen Jezus uit. — Antwoord van onzen goddelijken Zaligmaker. — Onze ondankbaarheid is grooter dan die der Joden. — De zondaar stelt den duivel voor Jezus. — Wat doet de onkuischaard, de gierigaard, de onrechtvaardige, de hoovaardige? —De zondaar roept niet met woorden, maar met werken.

SLUITREDE.

Beknopte geschiedenis van het vervolg van het lijden van Jezus. — Van zijne geeseling en kroning, van den

ocr page 87

- 84 —

kruisweg en kruisdood. — Gebed tot Jezus en Maria om de genade te bekomen van onze zonden te beweenen en Jezus en Maria, beiden slachtoffers van liefde, in eeuwigheid te beminnen.

ZESDE MEDITATIE.

Quem vullis vobü de duobus dimitti ? At illi dixerunt: Barahbam.

Wien van beiden wilt gij dat ik u loslate? Zij zeiden: Barabbas.

(Matth. xxvii, 22.)

VOORREDE.

In onze laatste overweging lieten wij onzen goddelijken Zaligmaker te midden der spotternijen, waarmede Herodes en zijne lijfwacht Hem verzadigden.

De Priesters, de Pharizeën en Schriftgeleerden deden ruimschoots, gelijk men gemakkelijk begrijpen kan, in die spotternijen mede. Mij dunkt, ik zie hen daar staan. Een helsche grimlach speelt om hunne lippen, en doet blijken dat zij er inwendig over voldaan zijn. Doch dat was hun niet genoeg, zij hadden hun doel niet bereikt. Zij wenschten niets zoo zeer, dan dat de viervorst Herodes het doodvonnis over onzen goddelijken Zaligmaker uitsprak; dan zouden zij eerst voor goed hun helschen boezem lucht geven en zich verheugen. Ook maakten zij gebruik van de gemoedsstemming van Herodes en beschuldigden Jezus met hardnekkigheid. Doch Herodes is niet op hunne zijde te krijgen, hoezeer zij hem ook vleien en smeeken, welke middelen zij ook aanwenden; Herodes heeft ook zijne inzichten.

ocr page 88

- 85 —

Toen de troep der lage vleiers het eindelijk moede werd onzen goddelijken Zaligmaker langer tot speelbal hunner goddeloosheid te gebruiken, leverde de ontuchtige viervorst Jezus wederom aan zijne vijanden over om naar Pilatus teruggezonden te worden. Herodes was ook inwendig bevreesd. De moord van Joannes den Dooper lag hem op het geweten. Daarenboven, hij wilde met Pilatus op nieuw bevriend worden, en om den romeinschen landvoogd op zijne beurt te erkennen en te behagen, zond hij Jezus naar Pilatus terug.

Verbeeldt u een oogenblik wat er toen plaats greep. Mij dunkt, de menigte groeit zichtbaar aan. Het geschreeuw, het getier neemt immer toe. De Priesters, de Pharizeën en Schriftgeleerden, om hunne nieuwe teleurstelling beschaamd en boos geworden, weten niet wat aanvangen, zij schuimbekken, ja, zij worden als razend van woede. Niemand wil dan Jezus ter dood veroor-deelen. Zij worden van den eenen rechter naar den anderen gezonden. De tijd gaat voorbij zonder te vorderen. Eensklaps stelt zich de volksdrom in beweging, en sleurt die bloed- en moordademende bende, onder wilde kreten en een beleedigend schaterlachen, onzen goddelijken Zaligmaker naar het gerechtshuis van Pilatus terug. Jezus, uitgeput van krachten door vermoeienis en bloedverlies, door gebrek aan eten en drinken, kan nauwelijks recht staan. En toch, men heeft geen medelijden met Hem. Onder een stroom van godslasteringen en eene hagelbui van slagen wordt Hij vooruit gestooten.

O Maria! Hoezeer verkrimpt uw moederhart bij het zien van de mishandelingen, uw lieven Zoon aangedaan! En niettemin, gij drukt zijne voetstappen. Wij willen ons bij U aansluiten, om getuigen te zijn van Jezus\' en uw lijden. Daarom zullen wij vandaag bijzonder overwegen;

ocr page 89

— 86 —

I. Welke beleedigingen Jezus bij Pilatus op nieuw worden aangedaan;

II. Hoe zekere Christenen de Joden in die beleedigingen navolgen.

I.

Nauwelijks is men aan het gerechtshuis van Pilatus teruggekomen, of het volk, door de Priesters, de Phari-zeën en Schriftgeleerden aangehitst, begint met nog meer woede te schreeuwen. Pilatus ondervraagt Jezus op nieuw, doch deze antwoordt niet meer.

De romeinsche landvoogd weet zeer goed dat Jezus onschuldig is. Hij geeft zelfs nog voor reden op, dat ook Herodes niets strafbaars in Hem gevonden heeft. Pilatus zoude dus Jezus wel willen loslaten, maar hij is te zwak en te lafhartig om de onschuld te verdedigen en voor het recht uit te komen. Bevreesd van den haat en de woede der Priesters, der Pharizeën en Schriftgeleerden in te loopen, gaat hij een ander middel beproeven, middel dat schijnt te zullen gelukken. Pilatus zal het volk op zijne zijde trachten te krijgen. Ziehier hoe hij daarmede te werk gaat.

\'t Was de gewoonte, dat de romeinsche landvoogd met het Paaschfeest den Joden toestond de vrijstelling van eenen gevangene te vragen. Er bevond zich toen juist een beruchte booswicht in de gevangenis, met name Barabbas, die onder andere misdaden bij een volksoploop een doodslag begaan had. Pilatus denkt dat het volk zeker de voorkeur aan Jezus boven Barabbas zal geven, zoodra hij voorstelt een van beiden te kiezen.

Schijnt het inderdaad geen schoon redmiddel voor Pilatus? En zoude men bijna niet zeggen dat de hemel-

ocr page 90

—r.—»

- 8/ —

sche Vader het hem ingegeven had, om zijn eenigen Zoon aan de woede zijner vijanden te ontrukken? \'t Is wel is waar eene groote beleediging, eene schande, met een booswicht, een moordenaar vergeleken te worden, maar die beleediging, die schande zal maar uitwendig zijn; Jezus zal er zich wel boven verheffen, er niets van gevoelen.

Pilatus daarenboven gaat zeer voorzichtig te werk, hij neemt de uiterste voorzorgen. Ditmaal zal hij zich niet tot de Priesters, de Pharizeën en Schriftgeleerden wenden; hij kent te goed hunnen haat tegen Jezus; hij weet hoe sterk zij tegen Hem ingenomen zijn, dat zij Hem enkel uit nijd en afgunst overgeleverd hebben, \'t Is dus tot het volk, dat gevoeliger is dan zijne oversten, dat Pilatus zich wendt. Het volk kent én Barabbas én Jezus; het kent Barabbas en huivert bij het hooren van dien naam. Immers, Barabbas heeft alom schrik en angst verspreid; hij heeft hen van hunne goederen beroofd, eene menigte schelmstukken bedreven; Barabbas staat hun zelfs naar het leven; nog maar weinige dagen geleden heeft hij een moord gepleegd.

Het volk kent ook Jezus; het weet, hoe Jezus overal vrede en eendracht predikte, hoe Hij hun alle goed bewees, tot tweemaal toe zelfs op eene wondere wijze met weinig brooden en visschen spijsde in de woestijn. Het volk weet, hoe Jezus overal weldoende rondreisde, om de bedrukten te troosten en hunne smarten te lenigen. Het weet, hoe Jezus hunne zieken genas; hoe Hij aan de dooven het gehoor, aan de stommen de spraak, aan de blinden het gezicht, aan de kreupelen den gang, aan de dooden zelfs het leven teruggaf; hoe Hij, die van den duivel bezeten en gefolterd werden, verloste; er zijn er onder die menigte wellicht tegenwoordig, die het voor-

ocr page 91

— 88 —

werp zijner goedheid geweest zijn, die Hij, of wier bloedverwanten Hij genezen heeft.

Het raiddel dus, dat Pilatus gaat aanwenden, is wel is waar een schandelijk, een vernederend middel voor Jezus, maar laten wij dat; het schijnt toch ook een krachtig middel te zijn om onzen goddelijken Zaligmaker op vrije voeten te stellen. Ha! Jezus gaat vrij gesproken worden ; het volk moet en zal de voorkeur aan Jezus boven Ba-rabbas geven.

M. Z., hebt gij nu den staat van zaken goed begrepen? Moesten wij nu, menschelijker wijze gesproken, niet zeggen: Alles zal ten voordeele van Jezus uitvallen? En niettemin, alles is bedrog. Neen! Neen! het middel, waarmede Pilatus zich hier vleit, is niet krachtiger dan het eerste, toen hij namelijk meende zich van die lastige zaak te ontdoen, door onzen goddelijken Zaligmaker aan Herodes over te leveren. Neen! Neen! \'t is de hemelsche Vader niet, die den romeinschen landvoogd dat middel ingegeven heeft. Die Vader voorziet de wond, die het Hart van zijn beminden Zoon gaat toegebracht worden, \'t Is de zwakheid van Pilatus, die er de oorzaak van is. Die laffe rechter durft voor het recht niet uitkomen, en daarom heeft hij dat schandelijk raiddel uitgezocht, maar alles te vergeefs. Stellen wij ons nu het plein vóór het paleis van Pilatus een oogenblik voor oogen. \'t Is opgepropt van volk. Jezus heeft opnieuw de marmeren trappen beklommen. Hij heeft ze opnieuw met zijn goddelijk bloed gekleurd. Daar staat onze goddelijke Zaligmaker wederom voor Pilatus, thans als een zinnelooze in het wit gekleed; Hij wordt aan het volk voorgesteld. Jezus ziet daar die beweging, het gewemel der menigte op het plein. Ja, M. Z., wat meer is, Jezus kent ook nog het inwendige, Hij ziet de wraak- en bloedzucht in het hart

ocr page 92

— 89 —

zijner vijanden. Eenige Joden komen vooruit en roepen Pilatus toe: Doe, gelijk gij altijd ter gelegenheid van het Paaschfeest gedaan hebt. Pilatus gaat spreken, \'tls de gewoonte, zoo vangt hij aan, dat ik u met Paschen eenen misdadiger loslate, tot aandenken aan de verlossing uit de slavernij van Egypte. Wilt gij nu dat ik den Koning der Joden in vrijheid stelle ? Wien wilt gij dat ik u loslate? Quem viiltis dimittam vobis? l) Barabbas of Jezus, die de Christus genoemd wordt ? Barrabbam an Jesum, qui dicitur Christus ? Op dat voorstel heeft er een akelig schouwspel plaats. Pilatus, wiens geweten aanhoudend vermaant, gaat nog op een andere wijze van wege God vermaand worden. Zijne vrouw zendt een bode om hem te zeggen, van dien rechtvaardige niet te veroordeelen; Want, zoo doet zij er bijvoegen, ik heb in eenen droom heden veel om Hem geleden.

Het volk, zoodra het den naam van Barabbas hoort noemen, denkt onwillekeurig aan al de misdaden van dien booswicht; eene siddering grijpt de menigte aan. Op het hooren van den naam Jezus, vertoonen zich eensklaps al de weldaden, die Hij hun bewezen heeft. Men draalt bij het voorstel; het volk durft niet beslissen; het zwijgt; er heerscht een oogenblik eene plechtige stilte. De Priesters, de Pharizeën en Schriftgeleerden bezitten zich niet meer van vrees en angst; \'t is het oogenblik der beslissing. Vraagt het volk Jezus, Hij wordt terstond losgelaten en al hunne hoop is verloren. Zij naderen de menigte, loopen overal rond ; zij beschuldigden Jezus rechts en links van al wat hun invalt en de duivel hun ingeeft; zij geven hunne bevelen en bedreigen het volk, zoo het Jezus boven Barabbas durft stellen. Wat gaat er gebeu-

1) Math, xxvii, 17.

ocr page 93

ren? Pilatus komt vooruit, hij vraagt het volk: Wien wilt gij dat ik u loslate, Barabbas of Jezus? Quem vultis dimittam vobis, Barabbant an Jesum ? En, o gruwel der gruwelen! de gansche menigte, weinigen uitgenomen, door de woede der hel en door de opstokingen van Jezus\' vijanden aangejaagd, vraagt met een oorverdoovend geschreeuw de verlossing van Barabbas! Non hunc, sed Barabbam! Niet dezen, maar Barabbas! roepen zij als uit één mond: Weg met dezen, en laat ons Barabbas los! Tolle Jmnc, et demitte nobis Barabbatn.\' l) Wat wilt gij dan, vraagt Pilatus geheel en al verwonderd, dat ik met Jezus doe? Dat men Hem kruise! is het antwoord. Maar wat kwaad heeft Hij dan gedaan? dat men Hem kruise! Dat men Hem kruise! roepen zij met nog meer woede: Crucifigatur! Crucifigatur! 2) En dat schrikwekkend geschreeuw blijft eenige oogenblikken als eene sombere onweerswolk boven die razende menigte drijven.

M. Z., hebt gij nu in den geest gezien die opgepropte menigte vóór het paleis van Pilatus ? De Priesters, de Phari-zeën en Schriftgeleerden, die als razenden en dolzinnigen te werk gaan? den duivel, die in zijne helsche razernij rondloopt, én volk én priesters aanzet? Hebt gij nu die kreten van voorkeur gehoord ? Non hunc, sed Barabbam ! Niet dezen, maar Barabbas! Die moordkreten? Kruis hem! Kruis Hem! Crucifige! Crucifige Eum! Wie beseft de wond, die Jezus\' Hart werd toegebracht; de wond, die Maria\'s Hart werd ingeslagen, terwijl zij de moordkreten tegen Jezus, haar beminden Zoon, hoorde weergalmen? O Maria! Waarom hebt gij u niet verwijderd? Jezus uw Zoon is gevangen, maar gij, gij zijt toch vrij! Waarom

1) Lue. xxni, 18. 2) Matth. xxvn, 23.

ocr page 94

— 91 —

wilt gij dan al den smaad, al de beleedigingen, uwen Zoon aangedaan, bijwonen? Uw Moederhart met een zwaard van droefheid laten doorboren? Ach! M. Z,, Maria kan zich niet van haren Jezus scheiden; zij kan niet van zich verkrijgen haren Jezus te verlaten ; neen, zij wil met Hem den lijdenskelk drinken en met Hem voor ons in het werk der verlossing deelen.

II.

Het akelig schouwspel, M. Z., dat zich zoo even voor onzen geest vertoond heeft, schijnt ongeloofelijk; en nochtans, \'t is maar al te waar; ja, het heeft plaats gehad. Ook zullen wij nooit begrijpen de afschuwelijkheid der misdaad, waaraan Pilatus, het joodsche volk, de Priesters, de Pharizeën en Schriftgeleerden zich hebben plichtig gemaakt.

Wat schandelijke vergelijking! Jezus, de gever des levens, wordt vergeleken met Barabbas, een moordenaar. Wien wilt gij dat ik u loslate, Barabbas of Jezus: Quem vullis dimitlam vobisf Barabbam an Jesum f

Schandelijkere voorkeur; Niet dezen, maar Barabbas! roepen zij: Non htinc, sed Barabbam!

Schandelijkste veroordeeling: Dat men Hem kruise! Dat men Hem kruise! Crucifigatur! Crucifigatur !

Jezus met Barabbas vergeleken is onvergeeflijk. Eenen moordenaar stellen voor den Zaligmaker is onverdraaglijk. Den Gever des levens tot den kruisdood veroordeelen is wraakroepend.

Pilatus bedrijft eene groote zonde, zonde uit zwakheid ■en lafheid.

Het volk bedrijft eene grootere zonde, zonde uit verblindheid en onwetendheid.

ocr page 95

— 92 —

De Priesters, de Pharizeën en Schriftgeleerden bedrijven een allergrootste zonde, zonde uit enkele boosheid en wreedheid.

Ook zullen wij nooit begrijpen de beleediging, die Jezus daardoor wordt aangedaan. Jezus herinnert zich op dat oogenblik al wat Hij ooit voor het joodsche volk gedaan heeft; hoe Hij het onder eene macht van wonderen uit de slavernij van Egypte verlost, hoe Hij het door de Roode zee geleid en er Pharao met zijn leger in begraven heeft; hoe Hij het in de woestijn vergezeld en eindelijk het beloofde land, van honig en melk overvloeiende, heeft binnen geleid. Ja, Jezus herinnert zich al wat Hij gedurende dertig jaren voor Israël gedaan en geleden heeft ; hoe Hij zich afgemat, hoe Hij steden en dorpen heeft rond gereisd om zijne zaligmakende leer te verkondigen, o m hunne zieken te genezen. En nu, nu verwerpen zij Hem; nu geven zij de voorkeur aan een baanstrooper, een moordenaar, Barabbas; zij willen zijn naam niet eens meer uitspreken. Niet dezen, maar Barabbas! schreeuwen zij; ja, den naam van Barabbas noemen zij.

O lieve Jezus! Welk een ondankbaarheid in de Joden! Zij willen niets meer van U weten. Verwerp dan ook dat halstarrig volk, dat U verwerpt. Verscheur het verbond, dat Gij met hunne voorouders hebt aangegaan, en maak een nieuw quot;verbond met ons, die geen anderen naam dan den uwen zullen dragen. Ja, Heer Jezus! Wij noodigen U uit; kom tot ons Christenen; Gij zult onze Koning zijn, de Koning onzer harten; kom tot ons, w\'j beloven U stellig, wij zullen U niet bedroeven door ondankbaarheid, U niet verloochenen, door boven U aan iemand anders, veel minder aan een booswicht, de voorkeur te geven.

Maar helaas! M. Z., wat antwoordt Jezus op onze

ocr page 96

— 93 —

uitnoodiging, op onze beloften? Houdt op met die uit-noodiging, roept Jezus ons als het ware toe; houdt op, ontaarde kinderen, met die schoone beloften, die gij toch niet zult nakomen. Gij zult de Joden, die mij verworpen hebben, in ondankbaarheid nog overtreffen ; gij zult mijn Hart nog meer en grootere wonden toebrengen, niet alleen, door boven Mij aan Barabbas, maar zelfs aan den duivel de voorkeur te geven. Christenen! Christenen! roept Jezus ons toe, die Mij aan de zonde slachtoffert; gij gaat de Joden in ondankbaarheid te boven.

En inderdaad, M. Z., zoo is het. Want wat doet de Christen als hij zondigt, ten minste als hij doodelijk zondigt, zoo niet in zekeren zin den duivel boven Christus stellen?

De onzuivere, bijv., heeft den God der zuiverheid en het voorwerp zijner wulpsche genegenheid voor zich. Wie van beiden zal zijn hart bezitten. Weg met den God der zuiverheid! roept de onkuischaard; ter dood de Verlosser! Mijn hart is voor het schepsel en het schandelijk vermaak.

De gierigaard of de onrechtvaardige heeft God en het geld of goed voor zich. Wien of wat zal hij kiezen? Weg met God! roept hij uit; ter dood de Verlosser! Ik houd meer van dat geld en goed dan van God en zijne genade.

De hoovaardige heeft te kiezen tusschen God en dat ellendig punt van eer. Wat zegt hij? Weg met God! roept hij uit; ter dood de Verlosser! Het scheelt mij weinig; ik stel de ijdele achting der menschen boven God en zijnen hemel.

En denkt of zegt niet, M. Z.: Overdrijving! Neen, neen, geen overdrijving, \'t is de zuivere waarheid. Onze ondankbaarheid gaat zelfs verder, dan men met woorden

ocr page 97

— 94 —

kan uitdrukken. Ja, wij zijn monsters van ondankbaarheid, zoo dikwijls wij ons aan doodzonde plichtig maken en alzoo aan den duivel de voorkeur geven boven Jezus. Want wat kwaad heeft Jezus ons gedaan? Hij heeft ons geschapen en zoo minzaam voor ons gezorgd. Hij heeft ons uit eene slavernij verlost, onverdraaglijker dan die van Egypte, namelijk, uit de slavernij des duivels. Hij heeft ons geleid door eene zee, en door welke zee! Door eene zee van bloed, dat Hij voor ons gestort heeft. Hij heeft ons van onze ziekten naar de ziel genezen in het H. Sacrament des Doopsels, en daarna nog zoo dikwijls in het H. Sacrament der Biecht. Hij heeft ons gespijsd, niet met een gewoon brood, maar met een levend brood, uit den hemel nedergedaald, en waarvan het Manna slechts een afbeeldsel is, met zijn eigen vleesch en bloed. Wat kwaad heeft Jezus ons dus gedaan? En de Christen, die doodelijk zondigt, roept, niet met woorden, maar met werken: Kwaad of geen kwaad, \'t komt er niet op aan! Weg met Hem! want Hij stelt zich tegen mijne driften; Hij verbiedt mij van ze in te volgen en er mij aan over te geven; Hij gebiedt mij, dat onrechtvaardig geld en goed terug te geven; Hij verbiedt mij van mij te verheffen; in een woord. Hij stelt zich tegen mij; weg met Hem! Tolle hutic! Dat men Hem kruise! Crucifigatur! Dwaze, verblinde menschen, die wij zijn. Wij zijn verontwaardigd tegen de Joden, omdat zij eens „Barabbasquot; geschreeuwd hebben, en wij zijn niet verontwaardigd over onze ongehoorde handelwijze, daar wij nochtans zoo dikwijls door onze zonden die ellendige keus vernieuwd, die moordkreten tegen Jezus herhaald hebben ? Welk een ongevoeligheid! Ach! M. Z., gevoelen wij onze ondankbaarheid niet, Jezus gevoelde ze des te beter. Onze zonden waren als zoovele stemmen, ge-

ocr page 98

— 95 —

voegd bij die der Joden, om tegen Jezus te roepen; zij waren als zoovele steken, zijn minnend Hart toegebracht. Ziedaar dus, wanneer en hoe wij de Joden navolgen, niet met woorden, maar met werken, namelijk, zoo dikwijls wij ons aan doodzonde plichtig maken.

SLUITREDE.

Hier, M. Z., eindig ik met de overwegingen van het smartvol lijden van O. H. J. C. Niet dat de geschiedenis der smarten en pijnen van den lijdenden Godmensch eindigt, neen, maar wijl het onmogelijk is, alles in éénen vastentijd breedvoerig te verhandelen.

Ik laat dus aan uwe godvruchtige overweging over dat groot werk te voltrekken.

Overweegt te dien einde deze laatste dagen de bloedige geeseling, die Jezus ondergaan heeft, om de schandelijke zonde tegen de schoone deugd van zuiverheid uit te boeten. Overweegt de pijnlijke kroning met doornen, die Hij ondergaan heeft, om voor de hoovaardigheid van zooveel wereldlingen te voldoen. Volgt Jezus, in gezelschap van Maria en de godvreezende vrouwen van Jeruzalem, naar den Calvarieberg, door deze laatste dagen zoo dikwijls mogelijk met aandacht den kruisweg te doen. Gij zult dan zien, met welke liefde Jezus zijn kruis opneemt en omhelst; met welk geduld Hij het draagt, om u te leeren, hoe gij met liefde de kruisen en wederwaardigheden moet aanvaarden en met geduld en overgeving aan den wil van God moet dragen.

Gij zult Jezus, uw goddelijken Zaligmaker, onder zijn kruis zien vallen en herhaalde malen zien vallen, om voor uw vallen en dat ongelukkig hervallen in de zonde te voldoen. Eindelijk zult gij op de kruin van den Calva-

ocr page 99

— 96 —

rieberg aankomen, en daar zult gij zien, hoe Jezus, de zondendelger, aan een schandelijk moordhout vastgeklonken, tot Middelaar van hemel en aarde verheven is, om den mensch met God te verzoenen.

Ja, lieve Jezus! Ik zie u hangen aan het kruis, en terwijl ik een vasten blik op u vestig, ben ik ten volle overtuigd, dat Gij mij ten uiterste bemind hebt, wijl Gij geen oogenblik geaarzeld hebt den dood des kruises te sterven, om mij tot het eeuwige leven op te wekken. Doch ik zie tevens, o lieve Jezus I hoe duur u mijne zonden zijn komen te staan, aan welke schromelijke misdaad ik mij heb plichtig gemaakt; dat ik, gelijk de Apostel Paulus leert, uw lijden en uwen kruisdood heb hernieuwd: Rursum crucifigentcs sibimetipsis Filimn Dei. i) Daarom bid en smeek ik u, om eene ware, een oprechte droefheid over mijne zonden, die de oorzaak geweest zijn van uw lijden. Daarom bid en smeek ik u, van u altoos te beminnen, wijl Gij mij eerst bemind hebt.

O Maria! O goede Moeder! Gij hebt mij onder het kruis tot uw kind aangenomen; uw kind, ik weet het, kunt gij niets weigeren. Gij zijt de Moeder der smarten, de Moeder der schoone liefde; daarom bid en smeek ik u ook, o goede Moeder! Verkrijg mij door uwe machtige voorspaaak de genade, van mijne zonden oprecht te beweenen, waardoor ik Jezus en u zoo zeer bedroefd heb; de genade van Jezus en u te beminnen gedurende mijn leven, om, na u beiden hier op aarde bemind te hebben gedurende den tijd, eenmaal het geluk te hebben, van u beiden te mogen beminnen in den hémel gedurende de eindelooze eeuwigheid. Amen.

1) Heb. Ti, 6.

ocr page 100

VIERDE JAARGANG.

II. 7.

ocr page 101
ocr page 102

EERSTE MEDITATIE.

Quern vullis dimittam vobis: Barabhamau Jesum, qui dicitur Christus f

Wien wilt gij dat ik u loslate: Barabbas of Jezus, die de Christus genoemd wordt?

(Matth. xxvii, 17.)

INHOUD.

VOORREDE.

Men moet het lijden van Jezus, vooral tijdens de vasten, overwegen. — Wonderen bij den dood van Jezus geestelijker wijze vernieuwd. — Oorzaak en beweegreden van Jezus\' lijden. — Haat tegen de zonde, liefde tot God. — Het lijden van Jezus overwegen met ootmoedigheid, betrouwen en aandachtigheid. — Aanroeping van Maria.

VERDEELING.

I. Gebed van Jezus en verraad van Judas;

11. Jezus voor Caïphas, Pilatus en Herodes.

I.

Jezus in den Olijfhof is bedroefd tot den dood toe, Hij neemt zijne toevlucht tot het gebed. — Hij bidt, onder anderen met volharding en overgeving aan den wil van

ocr page 103

- IOO -

zijn hemelschen Vader. — Zoo moeten wij ook bidden tijdens de bekoringen, kruisen en wederwaardigheden. — Judas, na Jezus verkocht en onwaardig ontvangen te hebben, levert Hem aan zijne vijanden over door eenen kus. — De zondaar, die in staat van doodzonde tot de H. Tafel nadert, volgt Judas na.

II. quot;

Jezus wordt door Caïphas ondervraagd over zijne leerlingen en zijne leering. — Hij zwijgt van zijne leerlingen, doch belijdt zijne leering. — Jezus des doods schuldig verklaard. — Petrus loochent tot driemaal toe Jezus te kennen. — Petrus is vermetel en stelt zich zonder reden aan het gevaar bloot. — Waarom valt de zondaar en hervalt hij? — Na Petrus in den val nagevolgd te zijn, moeten wij hem ook navolgen in de bekeering. — De Joden vragen Pilatus, van het doodvonnis, tegen Jezus uitgesproken, te willen bekrachtigen. — Jezus beschuldigd van oproer te maken, van te leeren den cijns niet te betalen, van zich voor Koning uit te geven. — Pilatus zendt Jezus naar Herodes, — Jezus gewaardigt zich niet. Herodes te antwoorden. — Na door Herodes en zijne lijfwacht bespot te zijn, wordt Jezus naar Pilatus terug gezonden. — Keus tusschen Barabbas en Jezus. — De Joden kiezen Barabbas.

SLUITREDE.

De misdaad, waaraan de Joden zich plichtig maken, door de voorkeur aan Barabbas te geven boven Jezus, wordt bedreven door den zondaar, zoo dikwijls hij in de bekoring bezwijkt en doodelijk zondigt. — Gebed tot Jezus om vergiffenis. — Gebed tot Maria.

ocr page 104

- IOI -

EERSTE MEDITATIE.

Quern vultis dimittam vobis: Barabham an Je.mm, qui dicitur Christus f

Wien wilt gij dat ik u loslate: Barabbas of Jezus, die de Christus genoemd wordt ?

(Matth. xx-vn, 17).

VOORREDE.

Alhoewel wij dikwijls in het jaar aan het lijden van onzen goddelijken Zaligmaker moeten denken, onze Moeder de H. Kerk nochtans verlangt, dat wij er ons gedurende den vastentijd bijzonder mede bezig houden. Ja, gedurende den vastentijd, M. Z., moeten de wonderen, die bij den dood van Jezus plaats grepen, geestelijker wijze vernieuwd worden.

Bij den dood van Jezus werd de aarde geschokt: Terra mota est. l) Bij de overweging van het smartvol lijden van Jezus moeten onze gemoederen geschokt worden.

Bij den dood van Jezus spleten de rotsen: Petra scissce sunt. Bij de overweging van den pijnlijken dood van onzen goddelijken Zaligmaker moeten onze harten als \'t ware scheuren van droefheid over onze zonden.

Bij den dood van Jezus gingen de grafsteden open, en de dooden stonden op: Monumenta apert a sunt. Bij de overweging van Jezus\' lijden en dood moeten de zondaren zich in zekeren zin openen, namelijk, door eene rouwmoedige belijdenis hunner zonden; zij moeten uit het graf der zonde opstaan.

In onze overwegingen moeten wij ook onderzoeken.

1) Matth. xxvii, 51 etc.

ocr page 105

- I02 -

wat de oorzaak geweest is van Jezus\' lijden en wat er Hem toe bewogen heeft.

De oorzaak van Jezus\' lijden zijn de zonden van het menschdom, \'t zijn mijne, \'t zijn uwe zonden. Ja, M. Z., wij zondaren, wij zijn Jezus\' beulen geweest, en onze zonden zijn als het ware de werktuigen geweest, waarmede wij Jezus gepijnigd, ter dood gefolterd hebben.

Wat heeft Jezus bewogen om zoo veel te lijden? Onder anderen, zijne liefde tot het menschdom, zijne liefde tot mij, zijne liefde tot u; ja, wijl Jezus ons bemind heeft. Eenieder onzer kan dus met den Apostel Paulus zeggen: Hij heeft mij bemind en zich zeiven voor mij overgeleverd! Dilexit me et tradidit semetifsum pro me! l)

Die oorzaak en die beweegreden wel ingezien, zullen wij ons dan niet aangezet gevoelen, om de zonden te haten en te verfoeien? Om Jezus wederkeerig te beminnen? Ziet, mijn God wordt gevangen en geboeid ; Hij wordt beleedigd en mishandeld; Hij wordt gegeeseld en met doornen gekroond; Hij wordt met een kruis beladen ter strafplaats gesleurd, en aan dat kruis genageld, sterft Hij den schande- en pijnlijksten dood; mijne zonden zijn de oorzaak van dat lijden en van dien dood, en ik zoude die zonden .niet haten en verfoeien ?

Jezus, de Zoon Gods, in eeuwigheid oneindig gelukkig in zich zeiven, wordt mensch; Hij lijdt en sterft uit loutere liefde tot mij, om mij ongelukkige voor eeuwig gelukkig te maken, en ik zoude dien God van liefde niet wederkeerig beminnen?

Ziedaar, wat wij in onze overwegingen van het lijden en den dood van Jezus moeten beoogen: haat tegen de zonden, die de oorzaak geweest zijn van Jezus\' lijden

1) Gal. ii, 20.

ocr page 106

eeSa

— 103 —

en dood; liefde tot Jezus, die ons eerst bemind heeft.\'

Te dien einde zullen wij ons beijveren van onze overwegingen te doen met ootmoedigheid, met betrouwen en met aandachtigheid.

1° Met ootmoedigheid, wijl wij zondaren zijn, dus Jezus\' beulen geweest zijn;

2° Met betrouwen, wijl Jezus sterft voor de zaligheid der zondaren, voor zijne beulen, dus den dood van den zondaar niet wil, maar dat hij zich bekeere en leve;

3° Met aandachtigheid, door goed toe te luisteren, door het lijden van Jezus goed te overwegen en de zedenlessen op ons toe te passen.

Er is wederom een jaar verloopen, M. Z., dat ik u over het lijden van Jezus gesproken heb. Ik heb de lijdensgeschiedenis toen slechts gedeeltelijk verhandeld; de stof is te uitgebreid om in eens, zij is te belangrijk om ter loops verhandeld te worden. Dezen vastentijd zullen wij dus het tweede deel van Jezus\' lijden overwegen. Vandaag zullen wij het eerste deel in weinige woorden herhalen en eenige korte toepassingen maken. In de andere overwegingen zullen wij de lijdensgeschiedenis voortzetten.

O Maria! Moeder der smarten! die zoo ruimschoots in het lijden van uw goddelijken Zoon gedeeld hebt: Moeder van Jezus, onder het kruis onze Moeder geworden, bid voor ons, opdat wij het lijden van Jezus uwen Zoon naar behooren en met vrucht overwegen mogen. Van daag zullen wij dus zien:

I. Het gebed van Jezus en het verraad van Judas;

II. Jezus voor Caïphas, Pilatus en Herodes.

I.

Zoodra onze goddelijke Zaligmaker het aanbiddelijk

ocr page 107

— 104 —

Sacrament des Altaars ingesteld heeft, gaat Hij, vergezeld van zijne leerlingen, over de beek Cedron. Hij begeeft zich naar eene pachthoeve, Gethzemani genaamd, alwaar een hof lag, en dien hof treedt Hij binnen. Jezus scheidt zich van zijne leerlingen af. Voortgaande neemt Hij er drie, Petrus, Jacobus en Joannes, een weinig verder mede.

Zoodra Jezus met deze alleen is, begint Hij te treuren, te sidderen en te beven, en Hij zegt: Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe; blijft hier, waakt met Mij en bidt. Daarop verwijderd onze goddelijke Zaligmaker zich een weinig. Alleen zijnde, valt Hij op zijn aangezicht ter aarde en bidt: Vader! zoo het mogelijk is, laat dan dezen kelk mij voorbijgaan, — Jezus bedoelt hier den lijdenskelk, — doch niet mijn, maar uw wil geschiede! Hij keert naar zijne drie leerlingen terug; doch ziet, zij slapen. Simon! zegt Jezus, zich tot Petrus wendende, die zoo veel beloofd had: Simon! slaapt gij? Hebt gij dan geen uur met Mij kunnen waken? Waakt en bidt, opdat gij niet valt in bekoring. Jezus verlaat de drie Apostelen en bidt voor de tweede maal: Vader! kan deze kelk niet voorbij gaan, zonder dat Ik hem drinke, uw wil geschiede. Jezus bezoekt voor de tweede maal zijne Apostelen, doch zij zijn wederom in slaap gevallen. Op nieuw wakker gemaakt, schamen zij zich, en zij weten niet wat antwoorden. Jezus verwijderd zich van zijne leerlingen en bidt voor de derde maal: Vader! zoo het mogelijk is, laat dan dezen kelk Mij voorbijgaan, doch niet mijn, maar uw wil geschiede. Daarop verschijnt een Engel uit den hemel, door zijn hemelschen Vader gezonden, om Hem te sterken.

Wat schoon voorbeeld geeft Jezus ons hier, namelijk, van te bidden met volharding en overgeving aan den wil van God, voorbeeld, M. Z., dat wij in de bekoringen.

ocr page 108

— 105 —

erae^ijwas»!

in de kruisen en wederwaardigheden moeten navolgen! Jezus bidt herhaalde malen en met volharding, om ons te toonen, dat wij, willen wij iets van God bekomen, niet eens, maar meermalen; niet voor een oogenblik, maar lang moeten bidden; dat wij moeten aanhouden met kloppen en vragen, totdat er voor ons geopend worde en wij verkrijgen hetgeen wij begeeren.

Jezus bidt met overgeving aan den wil van zijn hemel-schen Vader. Niet mijn, maar uw wil geschiede! Als wilde Jezus zeggen : Zoo Gij wilt. Vader I dat Ik niet lijde, het zij zoo; zoo Gij wilt dat Ik lijde, uw wil geschiede. Zoo moeten wij ook bidden. Zoo Gij wilt, o mijn God, dat ik niet bekoord worde, het zij zoo; zoo Gij wilt dat ik bekoord worde, dat de bekoring aanhoude, uw wil geschiede. Zoo Gij wilt dat ik bevrijd blijve of verlost worde van de kruisen en wederwaardigheden, het zij zoo; zoo Gij diarentegen wilt dat ik er door beproefd worde, ook goed. Uw heilige wil geschiede.

O, M. Z., bijaldien wij zoo bidden, wij kunnen zeker zijn. God zal ons verhooren. Immers, de hemelsche Vader verhoorde Jezus ook; Hij zond een Engel om Hem te sterken en te troosten. God zal ons verhooren; Hij zal of wel de bekoringen, de kruisen en wederwaardigheden van ons afweren, of wel Hij zal ons moed en sterkte geven om in de bekoringen niet te bezwijken, om met geduld en overgeving aan zijn goddelijken wil de kruisen en wederwaardigheden te dragen en op die wijze veel verdiensten te vergaderen voor den hemel.

Zoodra Jezus voor de derde maal bij zijne leerlingen komt, maakt Hij hen opmerkzaam, dat het uur gekomen is, waarop Hij aan zijne vijanden zal overgeleverd worden. Staat op! zegt Jezus: Laten wij gaan; ziet, mijn verrader is nabij. En nauwelijks heeft Jezus aldus gesproken, of

ocr page 109

— io6 —

Judas, aan \'t hoofd eener bende, komt aan. Die trouwe-looze Apostel had zijn goddelijken Meester reeds voor dertig zilverlingen verkocht. In het laatste avondmaal had hij Jezus nog onwaardig ontvangen; nu gaat hij Hem aan zijne vijanden overleveren.

Onze goddelijke Zaligmaker gaat met zijne Apostelen de bende te gemoet. Judas, die den soldaten een teeken gegeven had, waaraan zij Jezus erkennen zouden, snelt, zoodra hij Jezus ontwaart, vooruit, gaat naar Hem toe, en na Hem gegroet te hebben, kust hij Hem. Jezus zegt: Vriend! Waartoe zijt gij gekomen? Verraadt gij den Zoon des menschen door eenen kus? Daarop wendt Hij zich tot de soldaten en vraagt: Wien zoekt gij ? Zij antwoorden : Jezus van Nazareth. Ik ben het, zegt Jezus; en na duidelijk bewezen te hebben, dat zij geene macht op Hem hebben, zoo Hij het niet toestaat, geeft Hij zich aan hen over. De soldaten slaan hunne handen aan onzen goddelijken Zaligmaker en boeien Hem. Petrus wil zijnen Meester verdedigen, doch Jezus laat het niet toe; Hij gebiedt hem het zwaard in de schede te steken en geneest daarenboven nog den gewonden Malchus.

Welk een afschuwelijke misdaad, M. Z., waaraan Judas zich plichtig maakt! Hij verkoopt zijn goddelijken Meester voor dertig zilverlingen; hij ontvangt Jezus onwaardig in het laatste avondmaal; hij levert Hem onder den schijn van vriendschap over aan zijne grootste vijanden.

Geen wonder dus, zoo de naam van Judas alleen reeds verachtelijk, een schandnaam is. Immers, niemand onzer zoude een Judas willen genoemd worden. En nochtans, wanneer men de zaak wel nagaat, men treft er onder de Christenen aan, die verdienen van Judas genoemd te worden. Waarom? Omdat zij dien trouweloozen Apostel navolgen.

ocr page 110

— to; —

Is hij geen Judas, de Christen, bijv., die zich verstout met een doodelijken haat in het hart tot de H. Tafel te naderen?

Is hij geen Judas, de Christen, die het onrechtvaardig geld of goed niet terug geeft en te communie gaat ?

Is hij geen Judas in een woord, de Christen, die met een geweten, besmeurd met doodzonden, zijnen Heer en God ontvangt in het allerheiligste Sacrament des Altaars? Ja, M, Z., die Christen verkoopt zijnen Heer en God voor eene handvol onrechtvaardig geld of goed, voor een schandelijk vermaak van een oogenblik; die Christen ontvangt Jezus onwaardig, daar, aan de communiebank; ja, zoo ver het in zijne macht is, levert die Christen Hem over aan zijn grootsten vijand, namelijk, aan den duivel, die in zijn hart woont. Bijgevolg, de heiligschender is een andere Judas; en evenals Jezus van Judas zeide, dat het beter voor hem ware, van nooit geboren te zijn geweest, zoo kan men in zekeren zin ook van den heiligschender zeggen, dat het beter voor hem ware van het daglicht nooit aanschouwd te hebben.

II.

Terwijl de soldaten de handen aan Jezus slaan en Hem boeien, verlaten de Apostelen hun goddelijken Meester, en zij nemen laf de vlucht.

Eerst brengt men Jezus bij Annas, den schoonvader van Caïphas. Annas doet onzen goddelijken Zaligmaker gebonden naar den Opperpriester Caïphas leiden, bij wien de Priesters, de Schriftgeleerden en Ouderlingen des volks reeds vergaderd waren. De Opperpriester ondervraagt Jezus over zijne leerlingen en zijne leering. Van zijne leerlingen zegt Jezus niets. Wat zijne leering betreft,

ocr page 111

— io8 —

daarop antwoordt Hij; Ik heb altijd in het openbaar gesproken; ondervraag hen, die mij gehoord hebben, want zij weten wat ik gezegd heb. Op dat bescheiden antwoord verstout zich een bediende onzen goddelijken Zaligmaker een kaakslag te geven. Jezus vraagt reden van die mishandeling. Zoo ik kwalijk gesproken heb, zegt Hij, geef dan bewijs van het kwaad, doch heb Ik wel gesproken, waarom slaat gij Mij? Intusschen zoeken de Priesters en de gansche vergadering valsche getuigenissen tegen onzen goddelijken Zaligmaker, ten einde Hem ter dood te veroordeelen; doch alhoewel er verscheidene valsche getuigen optreden, zij vinden niet ééne getuigenis die toereikend is, om Hem met eenigen schijn van recht te veroordeelen. Intusschen bewaart Jezus een diep stilzwijgen. Dat kan de Opperpriester Caïphas niet langer verdragen, hij staat op en snauwt Jezus toe: Antwoordt Gij niets op hetgeen dezen tegen U getuigen ? Ik bezweer U bij den levenden God, van ons te zeggen, of Gij de Christus, de Zoon Gods zijt! Jezus antwoordt: Ik ben het. Caïphas beweert dat Jezus God gelasterd heeft, en de gansche vergadering roept uit: Hij is des doods schuldig! Reus est mortis! i)

Tijdens de zitting van den joodschen raad, waarin Jezus onrechtvaardig -ter dood veroordeeld wordt, zit Petrus, die, van de vlucht teruggekomen, de bende van verre gevolgd was, zich in het voorhof bij het vuur te warmen. Eene dienstmeid van den Opperpriester komt bij hem en zegt: Gij waart ook bij Jezus den Galileër. Petrus oochent het, zeggende: Ik ken Hem niet. Een oogenblik daarna ziet hem een andere dienstmeid en zegt tot de omstanders: Deze was ook bij Jezus van Nazareth.

1) Matth. xxvi, 66.

ocr page 112

— log —

Petrus loochent het opnieuw, en wel met eed. Omtrent een uur daarna zeggen degenen, die met hem bij het vuur staan: Inderdaad, gij zijt een zijner leerlingen, want gij zijt een Galileër, uwe taal verraadt u. Daarop begint Petrus te vloeken en te zweren, dat hij Jezus niet kent.

Welk eene droevige geschiedenis als die van den val van Petrus! Gelooft gij wel, M. Z., dat die droevige geschiedenis hedendaags bij vele Christenen nog plaats heeft, en juist om dezelfde reden? Waarom is Petrus gevallen? Om zijne vermetelheid, om het gevaar, waaraan hij zich in de gelegenheid blootstelt. Vooreerst, om zijne vermetelheid. Jezus had Petrus den val voorzegd. Petrus had Jezus niet willen gelooven: Non te negabo: l) Ik zal u niet verloochenen, had hij vermetel geantwoord. Vervolgens om het gevaar, waaraan hij hij zich in de gelegenheid blootstelt. Petrus begeeft zich onder de bedienden van Caïphas en onder de krijgsknechten, allen slechte menschen en vijanden van Jezus. Wat is er nu het gevolg van ? Petrus valt, hij valt herhaalde malen, en telkens dieper en dieper. Eerst loochent hij Jezus te kennen; vervolgens bevestigt hij met eed, en eindelijk begint hij te vloeken en te zweren dat hij Jezus niet kent.

Ziedaar, wat Petrus wedervaren is. Nu vraag ik u: Waarom zijt gij gevallen? waarom zijt gij herhaalde malen en telkens dieper gevallen in de zonde? Ook, omdat gij vermetel zijt geweest; omdat gij u aan het gevaar in de gelegenheid hebt bloot gesteld. Gij hebt den predikant, den biechtvader niet willen gelooven. Nochtans, hij heeft u den val duidelijk genoeg voorzegd; maar gij zijt vermetel geweest, en gij hebt durven zeggen:

1) Matth. xxvi, 35.

ocr page 113

— no -

Ik zal met dien persoon, op die plaats, in dat gezelschap, in een woord, ik zal in dat gevaar, in die gelegenheid niet meer zondigen. Wat is u wedervaren ? Juist hetgeen Petrus wedervaren is. Gij hebt gezondigd, gij hebt steeds meer en meer zonden bedreven, gij hebt telkens grooter en grooter kwaad gedaan, zoodat gij zelf er over verwonderd staat, dat gij beschaamd over u zeiven zijt en u afvraagt: Maar hoe is het toch mogelijk ? Hoe ben ik toch zoo dikwijls en zoo diep gevallen ? Gij ziet dus wel, hoe het den mensch gaat, die vermetel is; die zich zonder reden vrijwillig aan het gevaar blootstelt en zich in de gelegenheid van zonde begeeft. Doch zoo wij Petrus in den val nagevolgd zijn, laten wij hem dan ook navolgen in de bekeering. Wat doet Petrus? Nauwelijks heeft Jezus hem aanschouwd, of hij vernedert zich; hij verlaat het gevaar en de gelegenheid en bekeert zich. Zoo moet de zondaar ook handelen. Hij moet zich vernederen, stellig gelooven hetgeen de predikant, de biechtvader hem zegt; hij moet de gevaren en gelegenheden van zonde verlaten, bijv., dien persoon, dat gezelschap, dat huis, die plaats, en dan, en dan alleen zal hij door Gods genade, als door een oogslag van Jezus bekeerd, evenals Petrus zijne zonden beweenen en er eene ware boetvaardigheid over doen.

Jezus, gelijk wij gezien hebben, is reeds ter dood veroordeeld. Caïphas en de leden van den joodschen raad begeven zich met den geboeiden Zaligmaker naar den romeinschen landvoogd Pontius-Pilatus, om het doodvonnis te doen bekrachtigen.

Pilatus komt tot hen naar buiten en vraagt: Welke klacht hebt gij tegen dien mensch in te brengen? Zij antwoorden: Zoo Hij geen misdadiger ware, wij zouden ons wel wachten van Hem aan u over te leveren. Welnu,

ocr page 114

zegt Pilatus, neemt gij Hem dan, en vonnist Hem volgens uwe wet. Het staat ons niet vrij, zeggen zij, iemand te dooden; en daarop beginnen zij allerlei beschuldigingen tegen Jezus in te brengen. Ziehier die beschuldigingen;

Wij hebben van dezen ondervonden, zeggen zij, dat Hij het volk verleidt, dat Hij verbiedt den cijns aan den keizer te betalen, en dat Hij zich voor den Christus, den Koning uitgeeft.

Pilatus vraagt Jezus: Zijt Gij Koning ? Jezus antwoordt: Mijn rijk is niet van deze wereld; bijaldien mijn rijk van deze wereld ware, mijne dienaren zouden voor Mij strijden, dat Ik aan de Joden niet werde overgeleverd. Gij zijt dan toch Koning? vraagt Pilatus op nieuw. Ik ben Koning, antwoordt Jezus, daartoe ben Ik geboren en in de wereld gekomen, om getuigenis te geven van de waarheid. Pilatus vraagt; Wat is waarheid? Doch zonder antwoord af te wachten, gaat hij naar buiten en verklaart openlijk voor het volk, dat hij geene schuld in Jezus vindt.

De Joden nochtans gaan halstarrig voort met onzen goddelijken Zaligmaker te beschuldigen, en zij roepen: Hij ruit het volk op, met gansch het joodsche land door, van Galilëa af tot hiertoe, zijne leering te prediken. Zoodra Pilatus van Galilëa hoort spreken, vraagt hij of Jezus van Galilëa, het gebied van Herodes is; en daar hem zulks bevestigd wordt, zendt hij Jezus naar Herodes, die zich in die dagen juist te Jeruzalem ophield. Herodes is zeer verheugd van Jezus te kunnen zien. Reeds over lang heeft hij er naar verlangd, want hij heeft over onzen goddelijken Zaligmaker en zijne wonderen veel hooren vertellen; en nu, zoo denkt Herodes, nu zal Hij ook wel het een of ander wonder voor mij doen, om zijne vrijheid te bekomen. Doch hoe zeer vindt Herodes zich in zijne

ocr page 115

— 112 —

verwachting bedrogen! Van hovelingen en een grooten stoet omgeven, doet Herodes Jezus voor zich komen; hij ondervraagt Hem veel, doch Jezus, die Herodes beter kende dan iemand, niet alleen zijn gedrag, maar ook zijne inzichten, Jezus gewaardigt zich niet eens te antwoorden.

Intusschen staan de Priesters, de Pharizeën en Schriftgeleerden onzen goddelijken Zaligmaker te beschuldigen. Herodes nochtans wil Jezus niet veroordeelen, doch hij beschimpt en bespot Hem, doet Hem een wit kleed aantrekken en zendt Hem in dien belachelijken toestand, alsof Hij zinneloos ware, naar Pilatus terug.

Zoodra Jezus bij Pilatus teruggekomen is, roept Pilatus de Priesters, de Ouderlingen en het volk bijeen en zegt; Gij hebt dien mensch bij mij gebracht en beschuldigd. En ziet, ik heb Hem in uwe tegenwoordigheid ondervraagd en aan niets plichtig bevonden. Ook Herodes heeft Hem niet plichtig bevonden.

Zal Pilatus onzen goddelijken Zaligmaker nu vrijspreken? O, M. Z., Pilatus durft Jezus niet veroordeelen, want hij weet dat Hij onschuldig is; hij durft Hem niet vrijspreken, om den haat en de woede der Joden niet in te loepen; hij zal dus een middenweg kiezen om tot zijn doel te komen.

Het gebruik wilde, dat de romeinsche landvoogd bij het Paaschfeest aan eenen gevangene de vrijheid schonk naar de keus van het volk. Er bevond zich toen juist een beruchte booswicht, een moordenaar, in de gevangenis, met name Barabbas. Pilatus denkt: Ik zal het volk tusschen Barabbas en Jezus laten kiezen, en ongetwijfeld, het volk zal de voorkeur aan Jezus boven Barabbas geven. Wien, zoo spreekt Pilatus, wien wilt gij dat ik u loslate ? Quem vullis dimittam vobis ? Barabbas

ocr page 116

— 113 —

*.

of Jezus, die de Christus genoemd wordt ? Barabbam an Je sum, qui dicitur Christus? l) De Priesters en Ouderlingen maken de menigte op van te vragen dat Barabbas worde losgelaten. Zoodra nu Pilatus vraagt: Wien van beiden wilt gij dat ik u loslate! roept gansch het volk uit: Laat ons Barabbas los! Dimitte nobis Barabbam ! Wat zal ik dan met Jezus doen? vraagt Pilatus; en zij roepen: Weg met Hem! Tollet Dat men Hem kruise! Crucifigatur! 2) Welk een akelig schouwspel! Onwillekeurig vraagt men zich af: Maar hoe is het toch mogelijk, dat de Joden zoo ver zijn kunnen gaan, dat zij Barabbas voor Jezus gesteld hebben? En nochtans, \'t is zoo, ja wat meer is, men treft hedendaags nog van die Joden aan, en om ons daarvan te overtuigen, maken wij ten slotte nog eene kleine toepassing.

SLUITREDE.

Wanneer de mensch bekoord wordt, tot doodzonde wordt aangezet, dan wordt hem als het ware, evenals den Joden, de keus gelaten, de keus namelijk tusschen God en het schepsel; de keus, bijv., tusschen God en dezen of genen slechten persoon; tusschen God en het een of ander zondig vermaak. Wien of wat zal de mensch nu kiezen? Zijn geweten, zijne oversten zetten hem aan van God te kiezen, dat is, van niet te zondigen en door de doodzonde zijnen God niet te verwerpen. De duivel, de wereld en het vleesch doen ook hun best en zetten den mensch aan van het schepsel te kiezen, dat is, van te zondigen en door de doodzonde zijnen God te verwerpen. Quern vultis dimittam vobis? Wien of wat zal hij nu kiezen? Zal hij aan de slechte raadgevingen

1) Mattb. xxvii, 17. 2) Mattb. xxvn, 23.

II. 8.

ocr page 117

— ii4 —

van den duivel, de wereld en het vleesch wederstaan, zijnen God getrouw blijven en niet zondigen? Of zal hij daarentegen, niet luisterende naar de stem van zijn geweten en van zijne oversten, door den duivel, de wereld en het vleesch overgehaald, zijnen God ontrouw worden, de zonde bedrijven? In het eerste geval kiest hij God in plaats van het schepsel, hij volgt de Joden niet na. In het tweede geval kiest hij het schepsel in plaats van God, hij volgt de Joden wel na. Laat ons Barabbas los, roept hij dan als het ware met de Joden uit: Dimitte nobis Barabbam! en dat Jezus gekruist worde! Crucifigatur/ Maar wat kwaad heeft Jezus u gedaan ? \'t Komt er niet op aan, kwaad of geen kwaad; Weg met Hem! Tollel Dat men Hem kruise! Cruci-figatur! I)

Ziet gij nu, M. Z., hoe de Christenen de Joden navolgen, telkens als zij zich aan doodzonde plichtig maken ? En zijn wij soms van het getal dier Christenen ? O, M. Z., werpen wij ons dan op de knieën, en vragen wij Jezus ootmoedig vergiffenis van onze zonden.

O lieve Jezus! Wat hebt Gij voor mij niet gedaan en geleden! In den Olijfhof zie ik U water en bloed zweten van droefheid. De soldaten boeien en sleuren U gevankelijk naar Jeruzalem, zij beleedigen en mishandelen U. Onrechtvaardig wordt Gij ter dood veroordeeld, als een zinnelooze bespot en beschimpt. Gij wordt achter een booswicht, een moordenaar gesteld; dat alles lijdt Gij uit liefde tot mij, om mijne zonden uit te boeten.

Ja, ik beken het, mijne zonden zijn de oorzaak geweest van al uw lijden. Doch ziet, o lieve Jezus! die zonden zijn mij nu ook van harte leed, omdat ik er U door ver-

1) Luc. xxni, 21.

ocr page 118

— IIS —

gramd heb. Ik haat en verzaak ze uit liefde tot U, en ik maak het vast voornemen van ze nimmer meer te bedrijven. Neen! Nooit! In eeuwigheid geene zonden meer!

O Maria, die om mijnent wille ook zoo veel geleden hebt; bid voor mij, en door uwe machtige voorspraak verkrijg mij de genade van mijne zonden te beweenen, er boetvaardigheid over te doen en ze nooit meer te bedrijven. Amen.

ocr page 119

TWEEDE MEDITATIE.

Tunc ergo apprehendil Püaius Jemm et flagdlomt.

Toen nam Pilatus Jezus en deed Hem geeselen. (Joan, xix, 1.)

INHOUD.

VOORREDE.

Pilatus wordt gewaar dat zijn redmiddel mislukt. — De Joden geven de voorkeur aan Barabbas. — Daarop veroordeelt Pilatus Jezus om gegeeseld te worden. — Schaamte en pijn van Jezus tijdens de geeseling. — De zonde tegen de schoone deugd daardoor uitgeboet. — Gebed tot Maria.

VERDEELING.

I. De geeseling van Jezus;

II. Welke zonde door de geeseling is uitgeboet

I.

Jezus is veroordeeld om gegeeseld te worden. — De beulen maken zich tot de uitvoering van het vonnis gereed, zij bereiden hunne werktuigen. — Het schandelijke der geeseling. — Jezus wordt ontkleed in tegenwoordigheid van het volk en van de soldaten, die Hem uit-

ocr page 120

— li; —

lachen. — Waarover schaamt Jezus zich? Vooreerst, omdat Hij in dien ellendigen toestand ten toon gesteld wordt; vervolgens, om de zonden uit te boeten, die wij uit gebrek of uit overmaat van schaamte bedrijven. — Het pijnlijke der geeseling. — Wat beteekent het woord: Hij deed Hem geeselen. — \'t Is de romeinsche, niet de joodsche geeseling. — Omstandigheden der geeseling. — Wie wordt gegeeseld ? Op wiens bevel ? Door wien ? Waarmede ? Hoelang ? — Ellendige toestand van Jezus na de geeseling; Hij is de Man der smarten, van wien Isaïas spreekt.

II.

Jezus is om onze zonden, doch vooral om de zonden van onkuischheid, zoo onmenschelijk gegeeseld. — De onkuischaard is de wreedste beul van Jezus geweest, tijdens zijne geeseling. — Geschiedenis van den Aartsvader Jacob, van Jozeph en zijne overige kinderen, op God den hemelschen Vader, zijnen Zoon Jezus-Christus en de onkuischaards toegepast.

SLUITREDE.

Jezus, die onze zonden enkel op zich genomen heeft, heeft zoo veel geleden om er voor te voldoen; hoe zouden wij dan die zonden nog durven bedrijven ? — Vragen wij er Jezus liever vergiffenis van, om de schande en pijn, die wij Hem veroorzaakt hebben. — Maken wij een vast voornemen van boetvaardigheid te doen en de zonde nimmer meer te bedrijven. — Gebed tot Maria, de zuiverste der Maagden, om de schoone deugd van zuiverheid te bekomen en te bewaren.

ocr page 121

— 118 —

TWEEDE MEDITATIE.

Tunc ergo apprehendit Pïlatus Jcsum et flageUamt.

Toem nam Pilatus Jezus en deed Hem geeselen. (Joan, xix, 1.)

VOORREDE.

In onze eerste overweging van het lijden van Jezus hebben wij onder anderen gezien, M. Z., welk middel Pilatus beproefde, om onzen goddelijken Zaligmaker los te laten.

Overtuigd van Jezus\' onschuld, stelde Pilatus aan het volk voor te kiezen tusschen Barabbas en Jezus. Hij dacht, en met zonder reden, dat het volk de voorkeur zoude geven aan Jezus. Doch, helaas! hij vond zich in zijne verwachting bedrogen. Wien van beiden, vroeg Pilatus den Joden, wilt gij dat ik u loslate, Barabbas of Jezus, die de Christus genoemd wordt? En het volk, door de Schriftgeleerden en Oversten overgehaald, vroeg de vrijstelling van Barabbas; Niet dezen, maar Barabbas! riepen de Joden uit; Non hunc, sed Barabbam / i) Wat moet ik dan met Jezus doen? vroeg Pilatus. Dat men Hem kruise! Dat men Hem kruise! schreeuwden zij. Maar wat kwaad heeft Hij dan gedaan? Ik vind geene schuld in Hem, zeide Pilatus: Ik zal Hem derhalve kastijden en loslaten: Corripiam ergo ilhim et dimittam. 2) Doch de Joden schreeuwden steeds harder en harder: Dat men Hem kruise! Crucifigatur!

Pilatus, ziende dat hij niets vorderde, maar dat het getier nog aangroeide, wilde het volk toch eenigszins

1) Joan, xtiii, 40. 2) Luc. xxm, 22.

ocr page 122

— lig —

voldoen. Hij liet dus Barabbas los, maar Jezus deed hij geeselen; Tune ergo apprehendit Pilatus Jesum et fla-gellavit. i) \'t Is de schande- en pijnlijke geeseling van Jezus, die wij vandaag gaan overwegen. O, M. Z., doen wij ons best, om te beseffen wat schaamte en pijn Jezus tijdens die bloedige geeseling geleden heeft; doch leggen wij er ons ook op toe, om de oorzaak te kennen, waarom Jezus zoo verschrikkelijk heeft willen verscheurd worden; welke namelijk de zonde is, die Hij door zijne geeseling heeft moeten uitboeten.

O Maria! vlekkelooste der Maagden 1 Gij hebt, zoo niet lichamelijk, dan toch zeker in den geest de schande-en pijnlijke foltering, den schoonsten van de kinderen der menschen, uw goddelijken Zoon, aangedaan, bijgewoond. Wij bidden U door uwe machtige voorspraak, verkrijg ons de genade, om met vrucht die onmenschelijke geeseling te overwegen, om de oorzaak er van te kennen en de ongelukkige zonde, die er door uitgeboet is, op ons zeiven te wreken. Te dien einde zullen wij zien:

I. De geeseling van Jezus;

II. Welke zonde er bijzonder door uitgeboet is.

I.

Nauwelijks heeft Pilatus Jezus veroordeeld om gegeeseld te worden, M. Z., of ziet, een woeste troep soldaten sleurt onzen goddelijken Zaligmaker naar de plaats, waar Hij moet gegeeseld worden. Eene menigte van nieuwsgierigen verdringt zich als het ware, om dat onmenschelijk en bloedig schouwspel bij te wonen en toe te juichen. Bloeddorstige beulen springen toe, en werpen koorden, roeden, zwepen, in een woord, de werktuigen, die zij

1) Joan, xix, 1.

ocr page 123

— na

gaan gebruiken, aan den voet eener kolom neder, waaraan de verschrikkelijkste der euveldaden gaat voltrokken worden.

Jezus siddert en beeft bij het zien der beulen, bij het aanschouwen hunner werktuigen. Doch welk een purperrood kleurt het aanbiddelijk aangezicht van den Bruidegom der Maagden, bij de gedachte aan hetgeen er staat te gebeuren! Eensklaps grijpen de beulen op een gegeven teeken onzen goddelijken Zaligmaker aan, en dat Lam zonder vlekken geeft zich, zonder den mond te openen, zonder weêrstand te bieden, in hunne bezoedelde handen over. Mijn God! Mijn God! Wat gaat er nu toch gebeuren? Ja, beulen, \'t is uw uur! Hora vestra! \'t Is den duivelen van den afgrond gegeven hunne macht op Jezus uit te oefenen! Potestas tenebrariim ! De beulen rukken al razende en tierende Jezus met geweld de kleederen van het lichaam en stellen Hem in dien ellendigen toestand voor het volk ten toon. Een schaterlach gaat op onder die schaamtelooze menigte, die niets zoo zeer verlangt dan de foltering te zien aanvangen. Doch staan wij, de oogen neêrgeslagen, hier een oogenblik stil, en overwegen wij eerst het schandelijke van de geeseling.

Ach! M. Z., het schandelijke der geeseling overtreft ver, zoo niet voor ons, dan toch voor Jezus, het pijnlijke er van. Hoe u uitdrukken, wat Jezus in dien ellendigen toestand in de geeselingszaal geleden heeft! Dat maagdelijk lichaam, door God den H. Geest zeiven in den zuiveren schoot van Maria gevormd; die levende Tempel der Godheid wordt daar ter bespotting voor toomelooze soldaten en het schuim des volks ter bespotting ten toon gesteld. Jezus had het voorzegd. Door den mond van zijnen Profeet had Hij reeds jaren te voren aangekondigd: De schaamte heeft mijn aangezicht overdekt; Operuit

ocr page 124

121 —

confusio faciem meam. i) Zijn hemelschen Vader toesprekende, zeide Jezus: Voor U, Vader! heb ik dien smaad ondergaan. Gij, Vader! en Gij alleen kent mijne schande en schaamte en de reden er van: Tu seis im-properium meum et eonfusionem meant 2)

Welnu, M. Z., wat is de reden, waarom Jezus zoo beschaamd is? Is het, omdat Hij eene straf moet ondergaan, waartoe de slaven veroordeeld werden ? Doch door de gedaante van eenen slaaf aan te nemen, heeft Hij ook in die straf toegestemd. Is het, omdat Hij gegeeseld wordt als een misdadiger ? Maar Jezus getuigt dat Hij er toe bereid is. Hij biedt zich aan: Ego in Jlagella par at us sum. 3) Waarom is Jezus dan zoo beschaamd? Omdat Hij in dien ellendigen toestand door de soldaten en het volk uitgelachen wordt ? O voorzeker, M. Z., \'t is eene reden, waarom onze goddelijke Zaligmaker zich schaamt, maar \'t is de eenige niet. Ziehier, welke de voornaamste reden is.

Jezus, gelijk wij weten, heeft de zonden van het gan-sche menschdom op zich genomen. Welnu, in de oogen van zijn hemelschen Vader ziet Hij zich als bedekt, bezoedeld met al de misdaden, die wij uit gebrek of uit overmaat van schaamte bedreven hebben, en Hij heeft besloten die misdaden door het schandelijke zijner gee-seling uit te boeten. Leggen wij die waarheid een weinig verder uit.

Is het helaas! maar niet al te waar, M. Z., dat de mensch zich dikwijls schaamt, over hetgeen hij zich volstrekt niet behoeft te schamen, en dat hij zich niet schaamt, over hetgeen hij beschaamd moest zijn ? Hij schaamt zich niet van te zondigen, van zelfs in het open-

1) Ps. lxviii, 8. 2) Ps. Lxviii, 20. 3) Pa. iivn, 18.

ocr page 125

— 124 —

maker zoo verschrikkelijk mogelijk te mishandelen, om op die wijze zijn doel te bereiken.

Door wie wordt Jezus gegeeseld? Door beulen, M. Z., in welke alle menschelijk gevoel schijnt uitgedoofd en die dus voor geen medelijden vatbaar zijn; door beulen, wier bloeddorst bij het zien van bloed, in plaats van af te nemen, immer toeneemt; door beulen, die door Pilatus ingegeven, door de Pharizeën en Schriftgeleerden, ja, door den duivel zeiven aangehitst, onderling wedijveren, wie van hen den onschuldigen Jezus de hardste slagen zal toebrengen, wie van hen de diepste wonden zal openen, wie van hen de grootste stukken vleesch uit zijn maagdelijk lichaam zal losrukken.

Waarmede wordt Jezus gegeeseld? Luistert, M. Z., wat de H. Hieronymus daarvan zegt. Zes beulen, zoo spreekt die H. Vader, naderen; twee hunner met lederen riemen van knoopen voorzien, twee met doornen roeden, twee met ijzeren ketenen. Zij gebruiken dus de verschrikkelijkste werktuigen, om het lichaam van Jezus te verscheuren.

Hoelang wordt Jezus gegeeseld? De joodsche wet, M. Z., verbood, gelijk ik reeds gezegd heb, meer dan veertig slagen te geven, doch naar die wet wordt Jezus niet gegeeseld; neen, naar die wet gedraagt men zich niet, maar naar de romeinsche wet, en daarom geeselt men Jezus zonder de slagen te tellen. De beulen vermoeien zich van het slaan, zij rusten uit, doch voor Jezus is geene rust. In de plaats der beulen, die afgemat zijn van het geeselen, treden er nieuwe op, en op deze volgen wederom andere Zij slaan wond op wond. Het lichaam van Jezus, zoo smartelijk onder de folteringen samengetrokken, is maar ééne wond meer. Zijn maagdelijk vleesch, verhakkeld en verscheurd, vliegt in

ocr page 126

— 125 —

stukken op de omstanders rond. Zijn kostbaar bloed stroomt op den grond; de geeselroeden en de koiom zijn bloedrood geverfd; de muren zijn er van bespat; de vloer is beplast; de handen, armen en kleederen der beulen druipen er van; de geeselingszaal weergalmt van de slagen; de volksmenigte lacht; de hemel zucht; Maria weent, en Jezus, de Verlosser der wereld, lijdt en zwijgt. Ach! Wreede, mededogenlooze beulen ! Onmenschen die gij zijt! meent gij dan dat het lichaam van Jezus van ijzer of staal, van hout of marmer is? Houdt op, booswichten ! Houdt op! Doch neen; de beulen gaan immer voort met geeselen, totdat eindelijk een der omstanders, ziende dat Jezus onder de slagen gaat bezwijken, door medelijden bewogen wordt en de koorden, waarmede Jezus aan de kolom vast gebonden is, losmaakt; doch helaas! onze goddelijke Zaligmaker kan zich niet meer staande houden. Hij zinkt aan den voet der kolom in eenen bloedplas neder.

Daar ligt Hij nu machteloos op den grond neder, de Zoon Gods, wiens krachtige hand het heelal draagt! Daar ligt Hij nu te zieltoogen, de Zoon Gods, die leven, vreugde en verkwikking geeft aan al wat ademt op aarde! Daar ligt nu Jezus van Nazareth, die nog maar weinige dagen geleden de schoonste onder de kinderen der men-schen was, en nu verbrijzeld en verscheurd, nauwelijks aan een mensch meer gelijkt! O! M. Z., de woorden van den Profeet Isaïas worden letterlijk bewaarheid. Van het hoofd tot de voeten is er geene gezonde plek aan zijn lichaam: A planta pedis usque ad verticem non est sanitas in eo. l) Hij heeft nog gedaante, noch schoonheid. Wij hebben Hem gezien, en Hij was de

1) Isaïas 1, 6.

ocr page 127

meest verachte en de geringste onder de menschen; Hij was de Man der smarten; wij zagen Hem aan voor een melaatsche, voor iemand die van God geslagen en vernederd is. Voorwaar! Hij heeft onze krankheden op zich genomen en onze zonden gedragen.

Edoch, M. Z., vergeten wij niet, hetgeen de Profeet er bijvoegt. En wat voegt hij er bij? Dat zullen wij zien in ons tweede deel.

II.

Jezus, zoo voegt de Profeet Isaïas er bij, is om onze ongerechtigheden gewend: Vulneratus est propter ini-quitates nostras; Hij is om onze misdaden vermorzeld: Attritus est propter scelera nostra l)

En inderdaad, M. Z., wat zal het ons baten de schande-en pijnlijke geeseling van Jezus, zelfs in hare bijzonderheden te overwegen? Wat zal het ons baten, tegen een lafifen en onrechtvaardigen rechter, tegen bloeddorstige beulen, tegen schaamtelooze aanschouwers en losbandige soldaten uit te vallen, bijaldien wij met het oog des ge-loofs niet hooger opklimmen, zoo wij de reden niet opzoeken, waarom onze goddelijke Zaligmaker zoo on-menschelijk gegeeseld is geworden, en zoo wij, na de ware oorzaak in ons gevonden te hebben, die oorzaak op ons niet wreken ?

Ja, M. Z, in het algemeen is het om onze zonden, dat Jezus zoo zeer mishandeld is. De zondaren hebben op mijnen rug gesmeed, zegt onze goddelijke Zaligmaker door den mond van zijnen Profeet David: Supra dorsum meum fabricaverunt peccatores. 2) Of wel, gelijk de

1) Is. lui, 5. 2) Ps. üxxviii, 3.

ocr page 128

— 12/ —

hebreeuwsche tekst zich uitdrukt: Zij hebben op mijnen mg geploegd : Supra dorsum meum araverunt. En wijl de zondaren niet opgehouden hebben misdaden op misdaden, zonden op zonden te stapelen, daarom hebben zij mij slagen op slagen, wonden op wonden toegebracht; daarom hebben zij gansch mijn maagdelijk lichaam van \'t hoofd tot de voeten verscheurd.

Doch onder al de zonden die er bedreven worden, treft men er vooral ééne aan, om welke uit te boeten, onze goddelijke Zaligmaker in de geeselingszaal zooveel geleden heeft. Onder al de zondaren, die Jezus mishandeld hebben, treft men vooral één monster aan, dat zich met de grootste wreedheid op Hem heeft losgelaten. Die zonde, M. Z., is de zonde van onkuischheid, dat monster is de onkuischaard.

Gij kent de geschiedenis van den kuischen Jozeph. Zekeren dag, zoo lezen wij in de H. Schrift, zonden de onkuische zonen van Jacob, die hun jongsten broeder, den kuischen Jozeph, haatten, den bebloeden rok huns broeders naar hunnen vader en deden hem zeggen: Bezie dezen rok, of hij soms niet de rok van uwen zoon is. Jacob erkende het kleed en brak in weeklachten los. \'t Is de rok van mijnen zoon! riep hij uit; een wreed dier heeft hem verscheurd! Fera pessima comedit cuml) Een beest heeft mijnen Jozeph verslonden! Bestia devo-ravit Joseph! De Aartsvader Jacob, M. Z., bedroog zich. Zijn zoon Jozeph was niet verscheurd, noch verslonden. Zijn ontaarde kinderen hadden hunnen broeder aan Is-maëlietische kooplieden verkocht, namen daarop den veelkleurigen rok van Jozeph, doopten dien in \'t bloed van eenen bok en zonden hem vervolgens naar hunnen

1) Gen. xxxvii, 33 etc.

ocr page 129

128

vader, om hem te doen gelooven, dat zijn zoon door een wild dier verscheurd en verslonden was. Jacob, gelijk gij dus ziet, bedroog zich; doch de hemelsche Vader, van den onkuischaard sprekende, mag met recht zeggen en uitroepen: Een wreed wild dier heeft mijnen Zoon verscheurd! Fera pessima comedit Eum! Een beest heeft mijnen Jezus verslonden! Bestia devoravit Joseph!

En inderdaad, M. Z., wat is de onkuischaard? Gelijkt hij niet aan het redelooze dier? Met rede en verstand begaafd, moeten die verheven zielsvermogens zwichten en onderdoen voor zijne schandelijke, vleeschelijke lusten.

De onkuischaard is een wild dier. Slaaf van zijne schandelijke driften, wordt de onkuischaard immer voort-gezweept en wil toomeloos door de hechtste of heiligste banden niet wederhouden worden; noch door de banden der bloedverwantschap, en vandaar de bloedschender; noch door de banden der echtvereeniging, en vandaar de overspeler; noch door de banden der gelofte, en vandaar de heiligschender.

De onkuischaard is een wreed dier. Hij is ongevoelig voor al hetgeen God voor hem gedaan heeft, waaraan hij niet denkt; ongevoelig voor zijnen evenmensch, dien hij ergert; ongevoelig voor zijn eigene dierbaarste belangen, voor zijne ziel en zaligheid. De onkuischaard is een onverzaadbaar dier. Hij kan zijne lusten nimmer voldoen. Zijn kreet is: Aff er 1Aff er / I) Breng aan ! Breng aan! Hij is gelijk aan het vuur. Hoe meer hout men bijwerpt, des te heviger brandt het. Hoe meer hij zijne schandelijke lusten tracht te bevredigen door ze in te volgen, des te onstuimiger worden zij; hoe meer hij ze tracht te bedaren, door er aan toe te geven, des te

1) Prov. xxx, 15.

ocr page 130

129

sterker groeien zij aan; en dat wild, dat wreed, dat onverzaadbaar dier, dat is, die onkuischaard, heeft den Zoon Gods verscheurd, heeft Hem door het ophoopen van de zonden van ontucht en onzuiverheid slagen op slagen toegebracht, heeft zijn goddelijk bloed met stroomen doen vlieten, heeft zijn maagdelijk vleesch in flarden gerukt, ja, de onkuischaard, dat beest, heeft Jezus verslonden! Bestia devoravit Joseph l

SLUITREDE.

Ziedaar, M. Z., in welken ellendigen toestand wij zondaren onzen goddelijken Zaligmaker gebracht hebben, wijl Hij om onze zonden, en vooral om onze zonden tegen de schoone deugd van zuiverheid zoo schandelijk en wreed mishandeld is.

Ja, Jezus tijdens zijne geeseling is met schaamte overdekt om de zonden van het menschdom, die Hij niet bedreven, maar enkel op zich genomen heeft; en wij, M. Z., wij zouden niet beschaamd zijn, zelfs over de schandelijkste zonden, die wij persoonlijk bedreven hebben? Wij zouden er ons nog op durven beroemen?

Jezus tijdens zijne geeseling vergiet stroomen bloeds om ons van onze zonden te zuiveren; en wij, M. Z., wij zouden geen enkelen traan storten om onze misslagen te beweenen, om onze ongerechtigheden af te wasschen? Jezus tijdens zijne geeseling laat zijn teeder lichaam van het hoofd tot de voeten met scherpe geeselroeden verscheuren; en wij, M. Z., wij zouden onze slechte neigingen involgen, den wellust bot vieren?

Ach! na wel te hebben ingezien, hoe duur de zonde tegen de schoone deugd onzen goddelijken Zaligmaker is komen te staan, werpen wij ons op de knieën en vra-

II. 9.

ocr page 131

— 130 —

gen wij er Hem vergiffenis van met een bedroefd en ootmoedig hart.

Ja, minnelijke Jezus! \'t Is om onze zonden, wij bekennen het, dat Gij zoo onmenschelijk gegeeseld zijt. Wij zijn de barbaarsche beulen geweest, die wegens de zonden van onzuiverheid U de kleederen afgerukt en aan de kolom gebonden, die uw goddelijk bloed vergoten en uw maagdelijk lichaam verscheurd hebben. Doch thans, goddelijke Zaligmaker! beweenen wij die zonden. Wij haten en verzaken ze, wij maken het vast voornemen van ze nimmer meer te bedrijven, wij maken het vast voornemen van onze zinnen te versterven, van onze driften te beteugelen en ons lichaam te kastijden. Ja, lieve Jezus! \'t Is gedaan! Nooit geene zonde, noch door gedachte, noch door begeerte, noch door woorden, noch door werken; neen, nooit geene zonde van onzuiverheid meer.

O Maria! Maagd der Maagden! Door uwe vlekkelooze Ontvangenis bidden en smeeken wij U, bekom ons de genade van eene ware boetvaardigheid te doen over onze zonden en van in \'t vervolg altoos, tot den dood toe kuisch en zuiver te leven. Amen.

ocr page 132

DERDE MEDITATIE.

Plectentes coronam de epinis posuerunt super caput ejus.

Zij vlochten eene kroon uit doornen, en zetteden die op zijn hoofd.

(Matth. xxvii, 29.)

INHOUD.

VOORREDE.

Jezus, na gegeeseld te zijn, valt in eenen bloedplas aan den voet der kolom neder. — Niemand heeft medelijden met Hem. — Men maakt zich gereed om Hem nieuwe pijnen aan te doen. — Maria beweent haar goddelijken Zoon. — De Engelen des vredes weenen ook bitter; zij noodigen ons uit om den lijdenden Godmensch te aanschouwen. — Aanschouwen wij Jezus met aandacht tijdens de kroning; hoe hij de hoovaardigheid, de wederspannig-heid en de zinnelijkheid uitboet. — Gebed tot Maria.

VERDEELING.

I. Kroning van Jezus met doornen;

II. Welke zonden door de kroning zijn uitgeboet.

I.

Na de geeseling vangen de soldaten aan met de kroning. Zij roepen de gansche bende bijeen, om Jezus als een

ocr page 133

— 132 —

spotkoning te mishandelen — Alles is gereedgemaakt: purperen mantel, kroon, schepter, enz. — Het schandelijke der kroning; Jezus wordt op nieuw van zijne kleederen beroofd en uitgelachen. — Men werpt Hem een versleten purperen mantel om de schouders. —■ Het pijnlijke der kroning: de doornen kroon wordt Jezus op het hoofd geduwd, er op geslagen. —• De doornen dringen tot in de hersenen door. —- Een enkele doorn doet den mensch, een dier zelfs zooveel lijden; welke pijnen heeft dan die doornen kroon Jezus niet veroorzaakt ? — Schepter, dien Jezus in de handen krijgt, een rietstok. — Oogslag op Jezus. — Schande- en pijnlijke vereering. — Aanmerking van den H. Laurentius Justinianus.

II.

Waarom is onze goddelijke Zaligmaker gekroond ? — Antwoord van den hemelschen Vader. — Antwoord var. den purperen mantel, van de doornen kroon, van den rietstok, van de lichaamsfolteringen. — Om voor de hoovaardigheid, de wederspannigheid en de zinnelijkheid te voldoen. — Wij moeten de schuld niet alleen op anderen, maar ook op ons werpen.

SLUITREDE.

Ziedaar, hoe Jezus ons bemind heeft; wij moeten Hem dus ook beminnen. — Vervloekt de mensch, die Jezus niet bemint. — Vragen wij Jezus vergiffenis van de zonden, die de oorzaak geweest zijn van zijne schande-en pijnlijke kroning. — Zeggen wij vaarwel aan den drievoudigen geest der bedorvene wereld. — Gebed tot Maria om ootmoedig, onderdanig en zuiver te wezen.

ocr page 134

— 133 — DERDE MEDITATIE.

Plcctentcs coronam de spinis posuerunt super caput ejus.

Zij vlochten eene kroon uit doornen, eu ze:toden die op zijn hoofd,

(Matth. xxvii, 29).

VOORREDE.

In onze voorgaande overweging van het bitter lijden, M. Z,, zagen wij onzen goddelijken Zaligmaker met schaamte overdekt, van het hoofd tot de voeten verscheurd, druipende van bloed, in eenen bloedplas aan den voet der kolom nedervallen. En nochtans, niemand had medelijden met Jezus, niemand beklaagde Hem, niemand bood zich aan om Hem te helpen. Neen, Jezus\' wonden, gelijk de Profeet Isaïas zegt, werden niet verbonden ; zij werden met geene geneesmiddelen verzorgd, noch met olie verzacht. Integendeel, woeste vreugdekreten stegen op onder die ongevoelige krijgsknechten, een luidruchtige schaterlach weergalmde in de gerechtszaal, men heeft een nieuw middel uitgevonden, om met het reeds afgefolterde slachtoffer den spot te drijven, om Jezus nieuwe pijnen aan te doen.

Niemand had dus medelijden met Jezus. Maar neen, ik bedrieg mij. Treurig neêrgezeten en van weinige getrouwe zielen omringd, beweende Maria haar goddelijken Zoon. Zij sidderde en beefde op de gedachte aan de nieuwe beleedigingen, aan de nieuwe pijnen, haren Jezus bereid. De Engelen des vredes sloten zich aan bij hunne bedroefde Koningin, zij voegden zich bij de Moeder der Smarten, en weenden bitter met Haar over de vernedering en het lijden van hun mishandelden Koning.

ocr page 135

— 134 —

Mij dunkt,ik hoor hen met eene droevige stem roepen: Egre-dimini Jilioe Sion: Gaat uit, dochters van Sion, et videte regem Salomojiem in diadem ate, en aanschouwt den waren koning Salomon, met eene kroon versierd, kroon, waarmede zijne moeder, de ondankbare Synagoge, Hem gekroond heeft, quo coronavit illum mater sua! i)

Ja, M. Z., beantwoorden wij aan die uitnoodiging. Dringen wij door tot in het voorhof van het gerechtshuis van Pilatus, om een tweede hartverscheurend schouwspel bij te wonen. Aanschouwen wij daar in den geest onzen goddelijken Zaligmaker, met een versleten purperen mantel omhangen, om de hoovaardigheid der wereld uit te boeten; met eene doornenkroon op het hoofd en eenen rietstok in de hand, om voor hare wederspannigheid te voldoen; door de soldaten bespot en mishandeld, om voor hare zinnelijkheid te betalen.

De allerheiligste Maagd Maria sta ons bij. Ja, Maria, Moeder der smarten! Koningin der Martelaren gekroond! Wij bidden U, door uwe machtige voorspraak verkrijg ons de genade, om de schande- en pijnlijke krontng van Jezus uwen Zoon, den Man der smarten, den Koning der Martelaren, met aandacht te overwegen, en vooral om de zonden, die er de oorzaak van geweest zijn, oprecht te beweenen.

Wij zullen vandaag dus zien:

I. De kroning van Jezus met doornen;

II. Welke zonden door de kroning zijn uitgeboet.

I.

Zoodra de koorden, waarmede onze goddelijke Zaligmaker aan de kolom was vastgebonden, waren los gemaakt, 1) Cant, ui, 11.

ocr page 136

— I3S —

viel Hij, door de pijn overmeesterd, en door het bloedverlies uitgeput, machteloos op den grond neder. En toch, de beulen zijn nog niet verzadigd, zij stampen Jezus, zegt Tertulianus, en doen Hem, evenals een bol op den vloer, in zijn bloed voortrollen.

Jezus kruipt met moeite voort tot aan de plaats, waar zijne kleederen liggen, om er zijn verscheurd lichaam mede te dekken.

Doch ziet, de soldaten, die tot hiertoe een bevel van den romeinschen landvoogd, hoe onrechtvaardig en onmensche-lijk ook, uitgevoerd hebben, gaan verder. Zonder door Pila-tus gelast of door iemand gemachtigd te zijn, vangen zij met een andere schande- en pijnlijke foltering aan. Zij herinneren zich, dat de Joden Jezus beschuldigd hebben, dat Hij zich Koning had willen maken. Die beschuldiging geeft hun nieuwe stof tot verregaande spotternijen en mishandelingen. En nochtans, M. Z., wij weten het uit het Evangelie; Jezus wilde volstrekt geen aardsche koning zijn; want toen het volk Hem zekeren dag uit dankbaarheid Koning wilde uitroepen, toen het Hem wezenlijk aan hun hoofd wilde stellen, had Jezus de vlucht genomen om die waardigheid te ontwijken; maar hier, M. Z., wijl zij een spotkoning van Hem willen maken, hier biedt onze goddelijke Zaligmaker zich gewillig aan.

De soldaten roepen dus terstond al lachende en tierende hunne gansche bende bijeen, om met die schande-en pijnlijke kroning te beginnen. Men stoot Jezus vooruit. Op de plaats aangekomen, waar de kroning moet geschieden, omgeven Hem de woeste soldaten, zij vormen eenen kring rondom Hem. Alles is gereed gemaakt: purperen mantel, kroon, schepter, niets ontbreekt er.

Eenigen dier onmenschen komen vooruit en slaan opnieuw hunne bezoedelde handen aan het Lam zonder

ocr page 137

— 136 —

vlekken, dat zonder tegenstand te bieden, zonder den mond te openen, zich wederom aan hen overgeeft. Zij rukken Jezus vooreerst de kleederen, die Hij na de gee-seling aangedaan heeft, met geweld van zijn lichaam. Welk eene nieuwe schande en pijn voor onzen goddelijken Zaligmaker! Welk eene schande voor Jezus van daar op nieuw van zijne kleederen beroofd en uitgelachen te worden! Welk eene pijn! Immers, wijl de kleederen door het geronnen bloed overal aan de wonden vastkleven, trekken zij Jezus het vel met het kleed, de stukken vleesch met het vel van zijn gezegend lichaam, en zij doen nogmaals het bloed langs alle kanten stroomen.

Vervolgens werpen zij Hem een versleten purperen mantel om zijne vermorzelde schouders; Chlamidem coc-cineam circumdederunt ei. l) Het purper strekt den mensch tot eer; doch hier gebruiken de soldaten het om Jezus te bespotten. Nog niet lang geleden werd Jezus op bevel van Herodes met een wit kleed omhangen en als een zinnelooze bespot. Hier wordt Hij in \'t purper uitgedost om tot spotkoning te dienen en uitgelachen te worden. Het goddelijk bloed in dien purperen lap doorgedrongen, druipt weldra op den grond neder.

Doch, M. Z., het blijft niet alleen bij spotternijen; neen, neen, de folteringen komen er wederom bij en nemen immer toe; ja de wreedheid der soldaten gaat verder. Ziehier, hoe zij voortgaan met Jezus te mishandelen.

Zoo Jezus Koning is, zeggen zij, dan moet Hij ook eene kroon dragen. Koningen, triomfeerenden en goden dragen eene kroon. Welnu, Jezus heeft zich voor Koning uitgegeven; nog maar eenige dagen geleden is Hij in

1) Matth. Kxvn, 28.

ocr page 138

— 137 —

triomf Jeruzalem binnen getrokken; Hij heeft verklaard dat Hij de Zoon Gods is; bijgevolg, in hoedanigheid van Koning, van triomfeerende en van Zoon Gods moet Hij eene kroon dragen; doch wat voor eene kroon ? Eene kroon uit bloemen of lauweren gevlochten ? Eene kroon uit goud of zilver met edelgesteenten versierd ? Ach! M. Z., luistert wat het Evangelie zegt: Et plectcntes coronam de spinis, posuerunt super caput ejus: ï) De soldaten vlochten eene kroon uit doornen en zetteden Hem die op het hoofd ; ja, wat meer is, bang dat de doornenkroon soms afvalle, duwen, slaan zij ze Jezus op het hoofd vast. Welke foltering! Eene menigte scherpe doornen doorboren het hoofd van Jezus, en dringen door de aderen tot in de hersenen heên. Zoo vele doornen, zoo vele wonden; zoo vele wonden, zoo vele bronnen bloeds ontspringen er. Het bloed van Jezus stroomt van zijn voorhoofd in de oogen, uit de oogen op zijn aangezicht, van zijn aangezicht op de schouders, van de schouders langs zijn lichaam op den grond neder.

Welk een onverdraaglijke pijn moet die doornen kroon onzen goddelijken Zaligmaker niet veroorzaakt hebben! Een enkele doorn in de hand of in den voet veroorzaakt reeds zooveel pijn. Men is niet tevreden, alvorens er hem uitgehaald te hebben. Een enkele doorn in den poot van een dier, van een leeuw, bijv., doet hem zoo hevig lijden, dat hij er woedend, als razend van wordt en de bosschen door zijn gebrul doet weergalmen. En wat is dat alles vergeleken met de doornen kroon, die men Jezus opzet? Niet één, maar eene menigte lange scherpe doornen wonden niet eene hand of eenen voet.

1) Matth. xxvn, 29.

ocr page 139

- 138 -

maar dringen door tot in het aanbiddelijk hoofd van onzen goddelijken Zaligmaker. En wie weet niet, hoe gevoelig de minste pijn is aan dat zoo teeder deel des lichaams? Welk eene pijn! Ja, M. Z,, wij mogen het gerust zeggen, zonder ons te bedriegen, zonder de waarheid te overdrijven; de doornen kroon bracht Jezus verscheidene doodelijke wonden toe.

Jezus is dus reeds in koninklijk gewaad uitgedost, met een purperen mantel omhangen; Hij is reeds Koning gekroond. Doch een Koning zwaait ook een schepter. O neen, die mag hier niet ontbreken, hij zal overeenkomen met de overige eereteekens. Daarom geven de soldaten, immer in hunne baldadigheid voortgaande, onzen goddelijken Zaligmaker een rietstok voor schepter in zijne gezegende handen, om te toonen, dat zijn koningschap niets beteekent, dat het belachelijk is. Jezus neemt den rietstok met gelatenheid aan en houdt hem stevig in de handen.

Aanschouwen wij nu een oogenblik onzen goddelijken Zaligmaker, in zijn koninklijk gewaad uitgedost, met aandacht. Jezus draagt een versleten purperen mantel om de schouders, eene doornen kroon op het hoofd, eenen rietstok in de geboeide handen. Vestigen wij een strak-ken blik op den Koning der Martelaren. Ziet, Jezus kan het bebloed hoofd nauwelijks recht houden. Hij kan de oogen niet opslaan; uitgeput van krachten door de folteringen en pijnen, kan Hij telkens bezwijken en van zijnen troon op den grond neder vallen. O! nu zullen de soldaten toch wel voldaan en verzadigd zijn; te meer, daar zij zien, dat Jezus hen geheel en al laat begaan, dat Hij zich volstrekt niet verzet; ja, dat Hij zelfs nog een liefdeblik op hen werpt. Mij dunkt, eenigen hunner zijn reeds door medelijden bewogen en bewonderen Jezus\' voor-

ocr page 140

— 139 —

beeldeloos geduld. Ja, \'t heeft nu lang genoeg geduurd, zeggen zij; \'t moet een einde nemen, wij gaan Hem uit dien akeligen toestand verlossen.

M. Z., bijaldien wij er zoo over denken, bedriegen wij ons. Neen, niets van dat alles. Er komt nog geen einde aan Jezus\' lijden; integendeel, het neemt immer toe. Men lacht, men spot met onzen goddelijken Zaligmaker. Kom aan! roept een dier onmenschen uit; wij moeten onzen Koning gaan eeren, en op eens begint die hulde, die eerbewijzing, vangt die bespottelijke en pijnlijke aanbidding aan.

De soldaten naderen één voor één onzen goddelijken Zaligmaker. Al lachende en spottende knielen zij voor Hem als voor eenen Koning neder, zij groeten Hem, zeggende: Wees gegroet. Koning der Joden! Ave Rex Judceorum! l) Zij geven Hem kaakslagen, zij spuwen Jezus in het aangezicht, evenals zij bij Caïphas deden; zij rukken met geweld den rietstok uit zijne gezegende handen en slaan er mede op de doornen kroon, en zoo handelt ieder soldaat der gansche bende; zij hebben zich op rij geschaard, de eene volgt op den andere. Jezus\' hoofd is gansch opgezwollen van de kaakslagen; zijn aangezicht is met vuil speeksel bedekt; iedere slag op de kroon vergroot zijne wonden en doet de doornen steeds dieper en dieper in zijne hersenen doordringen; het bloed vloeit al meer en meer en stroomt steeds sneller op den grond neder. O, M. Z., bijaldien wij onzen goddelijken Zaligmaker in dien ellendigen toestand met aandacht aanschouwen, mogen wij dan met een H. Laurentius Justinianus niet vragen, of onze goddelijke Zaligmaker nog wel dezelfde is, die een weinig tijds geleden steden

1) Matth. xxTii, 29.

ocr page 141

— 140 —

en dorpen rondging, overal weldoende; die de zieken genas, de bezetenen van den duivel verloste? Of Hij nog dezelfde Jezus is, die op den berg Thabor, van luister en heerlijkheid omgeven, zijnen leerlingen dc macht zijner Godheid toonde? En bijaldien Hij nog dezelfde Jezus is, waarom is Hij dan zoo veranderd? Waarom heeft Hij dan zijne vorige schoonheid verloren? Koninklijke waardigheid, eervol uitzicht, fonkelende glans des aanschijns, schitterende blankheid des kleedsels. Waarom is dat alles zoo spoedig voorbij gegaan? Thans is Jezus de laatste der menschen, de man der smarten; Hij is zonder glans, zonder schoonheid, zonder een enkel gezond lidmaat aan zijn lichaam. Het afstroomend bloed heeft zijn schitterend aanschijn bedekt, het vuil speeksel heeft het gansch misvormd. O mijn goddelijke Zaligmaker! Hoe zijt Gij de smaad der menschen, de vreugde uwer vijanden geworden? Zeg, lieve Jezus! leer ons, wie is het, die u zoo zeer mishandeld heeft?

II.

M. Z., Gij die den moed hebt gehad van uw godde-lijken Zaligmaker tijdens zijne schande- en pijnlijke kroning te aanschouwen, leent ook uw oor en luistert om te vernemen, wat er dc oorzaak van geweest is.

Maar Jezus zwijgt, zegt gij. En inderdaad, Jezus zwijgt; doch de hemelsche Vader verheft zijne stem, en roept ons toe: Propter see lus populi mei pereussi eum: i) Ik heb Hem om de zonden van mijn volk geslagen. Maar \'t is de hemelsche Vader niet alleen, die mij zegt, waarom zijn Zoon zoo wreed gefolterd is. Die oude versleten purperen lap, die doornen kroon en schepter, die hevige

1) Is. lhi, 8.

ocr page 142

— I4i —

lichaamssmarten verheffen ook hunne stem; ja, ik versta hunne stomme taal. Zij spreken mij van den drievoudigen geest der bedorvene wereld, die in onze dagen schier alles heeft ingenomen; van den geest der hoovaardigheid, van den geest der wederspannigheid en van den geest der zinnelijkheid.

Van den geest der hoovaardigheid.

Wat bemerkt men hedendaags in de bedorvene wereld ? Men bemerkt een brandenden dorst naar immer toenemende pracht. Vandaar die aanhoudende verandering en nieuwigheid in de kleederdracht, de eene al zotter dan de andere, de eene al belachelijker dan de andere ; ja, en wat helaas! meer te betreuren is, de eene niet zelden al onzediger dan de andere.

Vandaar dat er zooveel geld verkwist wordt aan de ijdelheid en praal. Vandaar dat zoo menig huisgezin tot armoede komt en zijne schulden niet meer kan betalen. Men tooit en siert zich op, en Jezus zit daar vol smart, het hoofd voorover, onder het schandtooisel van een versleten purperen lap, en de arme, die uitgeput van krachten niet weet wat aanvangen, heeft nauwelijks eenige lompen om zijn van koude verkleumd lichaam te dekken.

En naast dien geest van hoovaardigheid rijst een andere geest op, die de oorzaak van Jezus\' lijden tijdens zijne kroning geweest is. Met behoeft slechts een weinig met de tijdsomstandigheden bekend te zijn, om dien geest te raden. Ha! \'tis de geest der wederspannigheid. Die geest ondermijnt onze ongelukkige tijden, hij doet de grondslagen daveren waarop én Kerk én Staat én huisgezin steunen. Overal schier opstand en omwenteling onder de schoon klinkende namen van vrijheid en onafhankelijkheid. Is het noodig, M. Z., van in bijzonderheden te treden? Welken eerbied heeft men nog voor

ocr page 143

142

God en zijne Priesters? Hoe gehoorzaamt men aan beider wetten? Men lacht met God en zijne Priesters en men stoort zich niet meer aan hunne geboden en vermaningen. Waar is de konings- of keizerstroon, die niet kraakt ? Waar is de vorst, die den schepter in de hand niet voelt sidderen ? En hoeveel ongelukkige ouders treft men niet aan, die bittere tranen storten over de wederspannigheid hunner kinderen? Hoeveel oversten, die klagen over de ongehoorzaamheid hunner dienstboden ? O! M Z., verstaat gij nu, wat die doornen kroon op het hoofd en wat die rietstok in de handen van Jezus beteekenen ? Maar waar is de derde geest, die zich nog een weinig verborgen houdt? Ha! ik erken dien geest, \'t Is de geest der zinnelijkheid, ja, der wulpsche zinnelijkheid. Doch houdt die geest zich nog verborgen? Neen, ik bedrieg mij De tijden zijn voorbij, toen hij zich nog in de duisternissen verborg en niet durfde te voorschijn komen; maar waarom zoude hij zich langer schamen van openlijk op te treden, wijl in onze dagen de wereld zoo bedorven is? Neen, M. Z., de onkuische steden Sodoma en Gomorrha, door God onder eenen stroom van solfer en vuur bedolven, behoeven zich niet meer te schamen, wijl zij door andere steden van onzen tijd in schanddaden, zoo niet overtroffen, dan toch zeker geëvenaard worden.

Ziedaar de bedorvene wereld met haren drievoudigen geest, wereld, van welke de Apostel Joannes zegt: Wilt de wereld niet liefhebben: Nolite dtligere mundiim, noch hetgeen in de wereld is, neque ea quce in mundo sunt: i) want wat vindt men in de wereld? De H. Joannes antwoordt: In de wereld vindt men niets anders, zegt hij, dan begeerlijkheid des vleesches, begeerlijkheid der oogen

1) i Joan, ii, 15 etc.

ocr page 144

-- 143 —

en hoovaardij des levens; Concupiscentia carnis, et con-cupiscentia oculorum et superbia vitos.

Doch nu tot ons, M. Z. Hebben wij altoos naar den Apostel geluisterd? Zijn wij zijne !es trouw nagekomen? namelijk, van de bedorvene wereld niet te beminnen, noch hetgeen men in die wereld vindt. O voorzeker, men is nog zoo diep niet gevallen, men is nog zoo ver niet van het pad der deugd afgeweken. Doch kan men zich geheel en al vrij spreken ? Zouden wij ons misschien kunnen vrijspreken en zeggen, dat wij Jezus niet mishandeld hebben, wijl wij ons nog niet in den afgrond der opgesomde ongeregeldheden hebben neêrgestort? Neen, M. Z., geene verblindheid, bedriegen wij ons niet. Gaan wij uit en aanschouwen wij ook onzen Koning Jezus-Christus, voor een spotkoning uitgelachen.

Egrcdimini et vide te / i) Gaat uit en ziet uwen Koning ! Zijne schouders zijn met een versleten purperen mantel bedekt. Wie heeft Hem dien mantel omgeworpen? Wij ook, M. Z,, wijl wij ons zoo dikwijls aan de ijdelheid in kleeding hebben overgegeven. Aanschouwt met aandacht uw goddelijken Zaligmaker, hoovaardige jongeling, pronkzieke jongedochter; voor uwe schoone kleederen draagt Jezus een versleten lap; voor uw opgetooide, welriekende haarlokken zijn Jezus\' haren verward en met bloed geverfd; voor uw glinsterend gelaat is Jezus\' aangezicht met vuil speeksel bedekt; voor uwe fiere, schaamtelooze oogslagen slaat Jezus zijne oogen neder; voor uw opgeheven, trot-schen hals laat Jezus zijn hoofd kwijnend ter aarde hangen.

Egredimini et videte! Gaat uit en ziet uwen Koning! Jezus\' hoofd is met doornen gekroond; in de geboeide handen houdt Hij een rietstok. Weet gij wel, wie Hem

1) Cant, in, U.

ocr page 145

— 144 —

die kroon op het hoofd gedrukt, dien schepter in de handen gegeven heeft? Wij ook, M. Z., wijl wij ons aan onze ouders en oversten niet hebben willen onderwerpen. De zoon, wijl hij tegen zijnen vader; de dochter, wijl zij tegen hare moeder; de kinderen, wijl zij tegen hunne ouders; de dienstboden, wijl zij tegen hunne oversten; de geloovigen, wijl zij tegen Paus, Bisschop en andere Priesters, over hen aangesteld, opgestaan zijn, wijl zij hun eerbied en gehoorzaamheid geweigerd hebben.

Egredimini et videte! Gaat uit en ziet uwen Koning! Gansch zijn lichaam, van het hoofd tot de voeten, is met wonden bedekt. Wie heeft Jezus in dien pijnlijken toestand gebracht? Wij ook, M. Z., wijl wij zoo dikwijls de voldoening der zinnen, de gemakken des lichaams, ce vermaken der bedorvene wereld gezocht, in een woord, wijl wij zoo dikwijls den wellust bot gevierd, tegen de schoone deugd van zuiverheid gezondigd hebben.

Wij hebben dus onzen goddelijken Zaligmaker ook met een oud versleten purperen mantel omhangen, met doornen, gekroond en met een rietstok geslagen, wij hebben Hem ook bespot en mishandeld. Ja, ja \'t is waarheid, als de hemelsche Vader ons zegt, dat Hij zijn eenigen Zoon om onze zonden geslagen heeft: Propter see lus populi mei percussi Eum. i)

En Jezus, M. Z., heeft alles verdragen, zonder zich op iemand te wreken, zonder zich over iemand te beklagen; ja, wat meer is. Hij heeft ons nog bemind. Hij biedt zich aan om nog meer voor ons te lijden. Hij geeft zich over om den dood des kruises voor ons te sterven; Dilexit ine et tradidit semetipsum pro me ! 2)

1) Isa lui, 8. 2gt; Gal. 11, 20.

ocr page 146

— I4S —

SLUITREDE.

O liefde van Jezus te midden der pijnen, die wij Hem hebben doen lijden! En wij, wij zouden Hem niet beminnen? Bijaldien er hier tegenwoordig zijn, die hun goddelijken Zaligmaker niet beminnen, zij sidderen en beven bij het liooren der verschrikkelijke woorden van den Apostel Paulus in zijnen brief aan de Corinthiërs. En wat zegt de Apostel in dien brief? Si guts non amat Dominum Nostrum Jesum Christum, zegt hij, zoo iemand onzen Heer Jezus Christus niet bemind, dat hij vervloekt weze ! Sit anathema! i)

Maar neen, lieve Jezus! wij beminnen U, en tot bewijs onzer liefde vragen wij U eerst ootmoedig vergiffenis van al onze zonden, waardoor wij de oorzaak geweest zijn van al het lijden, U door die schande- en pijnlijke kroning veroorzaakt. Vervolgens zeggen wij vaarwel aan den drievoudigen geest der bedorvene wereld; vaarwel aan de hoovaardigheid, wij zullen voortaan ootmoedig en nederig zijn; vaarwel aan de wederspannigheid, wij zullen voortaan aan ouders en oversten gehoorzamen; vaarwel aan de zinnelijkheid, wij zullen voortaan een kuisch en zuiver, een boetvaardig en verstorven leven leiden.

O Maria! Gij die zoo ruimschoots in het lijden van uw goddelijken Zoon gedeeld hebt, met den Koning der Martelaren tot hunne Koningin gekroond; wij bidden U ootmoedigste, onderdanigste en allerzuiverste Maagd, door uwe machtige voorspraak verkrijg ons de genade, van U na te volgen in die deugden, in de deugd van ootmoedigheid, in de deugd van gehoorzaamheid en in de deugd van zuiverheid. Verkrijg ons de genade van Jezus uw

1) i Cor. xvi, 22.

II. 10.

ocr page 147

— 146 —

goddelijken Zoon en U, o Moeder! beiden slachtoffers van liefde, hier op aarde te beminnen gedurende den tijd om u beiden hiernamaals te kunnen beminnen in den hemel, gedurende de eindelooze eeuwigheid. Amen.

ocr page 148

VIERDE MEDITATIE.

Ecce Homo!

Zie den Mensch! (Joan, xix, 5.),

INHOUD.

VOORREDE.

Akelig schouwspel dat zich op het plein voor het paleis van Pilatus opdoet. —Jezus wordt vertoond. — Beweging onder het volk. — Haat, nijd en woede der PharizeEn en Schriftgeleerden. — Moordkreten tegen Jezus. — Smart van Maria. — Wij zijn de Joden nagevolgd. — Gebed tot Maria.

VERDEELING.

1. Jezus aan het volk voorgesteld en verworpen;

II. Het volk stelt den keizer boven den Messias.

I.

Pilatus, na te vergeefs verschillende redmiddelen beproefd te hebben, tracht het volk tot medelijden te stemmen. — Na de geeseling en kroning vertoont hij onzen goddelijken Zaligmaker aan het volk. — Zie den Mensch! — De Joden roepen: Kruis Hem! Kruis Hem! — Pilatus wil Jezus aan de Joden overgeven. — Angst

ocr page 149

— 148 —

van Pilatus na vernomen te hebben, dat Jezus zich voor den Zoon Gods uitgeeft.—Pilatus valt tegen Jezus uit.— Pilatus is plichtig, de Joden zijn plichtiger. — Jezus vol medelijden laat zijne oogen over de menigte rond gaan, die roept: Kruis Hem! —Toevlucht tot den hemelschen Vader. — Uitnoodiging van Jezus\' vijanden te straffen. — De Christenen volgen de Joden na, zoo dikwijls zij doode-lijk zondigen.

H,

Pilatus verlangt nog meer Jezus los te laten. — De Joden roepen, dat hij de vriend van den keizer niet is, zoo hij Jezus loslaat. — Pilatus trekt Jezus\' koningschap, nu eens in het belachelijke, dan wederom schijnt hij het ernstig op te nemen. — Pilatus vraagt of hij hunnen koning mag kruisen. — De Joden antwoorden, dat zij niemand voor koning erkennen buiten den keizer. — Pilatus doet water brengen, wascht zich de handen en zegt dat hij onschuldig is aan het bloed van dezen rechtvaardige. — De Joden roepen de wraak Gods over zich af: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen! — Pilatus en het joodsche volk worden gestraft. — Den Christenen zal het eveneens vergaan, zoo zij de Joden blijven navolgen. — Niemand kan twee heeren dienen. — De zondaar wil God niet dienen; dus dient hij den duivel. — God zal toch eenmaal regeeren over de zondaren, die Hem nu niet willen dienen, in den laatsten dag des oordeels, als Hij zal komen oordeelen, de rechtvaardigen zal beloonen en de zondaren zal straffen. — Om de straffen der hel te ontkomen, moeten wij God dienen in plaats van den duivel.

ocr page 150

SLUITREDE.

Oogslag op Jezus. — Zie den mensch! — Jezus heeft een heeten strijd te strijden gehad, maar Hij heeft den duivel overwonnen en ons uit diens klauwen gered. — Van slaven des duivels zijn wij dienaren, kinderen Gods geworden.—Jezus is onze Koning, wij moeten Hem dus dienen. — Maria is onze Koningin, wij moeten Haar ook dienen. — Gebed tot Maria om Jezus en Haar getrouw te dienen.

VIERDE MEDITATIE.

Ecce Home!

Zie den mensch! (Joan, xix, 5.)

VOORREDE.

Laatstleden, M. Z., zagen wij onzen goddelijken Zaligmaker in het voorhof van het gerechtshuis van den ro-meinschen landvoogd Pontius-Pilatus op de onmensche-lijkste wijze mishandeld. De soldaten wierpen Jezus een versleten purperen mantel om zijne verscheurde schouders, zetteden Hem eene doornen kroon op het hoofd en gaven Hem een rietstok voor schepter in zijne geboeide handen. In dien ellendigen toestand op een stuk kolom, als op een troon, neergezeten, bespotteden en folterden de soldaten onzen goddelijken Zaligmaker. Akelig was het tafereel, dat zich in het voorhof van het gerechtshuis van den romeinschen landvoogd opdeed. Doch ziet, die tafereelen, in plaats van te eindigen, volgen elkander op.

ocr page 151

— i5o —

het een al akeliger dan het andere. En inderdaad, Jezus wordt door Pontius-Pilatus den Joden opnieuw voorgesteld. Verplaatsen wij ons een oogenblik, en stellen wij ons in den geest op het plein vóór het paleis van den romeinschen landvoogd. Dat plein is weldra voor een tweede maal opgepropt van volk. Wat woeste, afschuwelijke gezichten ziet men daar! De Pharizeën en Schriftgeleerden, altijd bevreesd dat Jezus hun ontsnappe, gelijken meer aan monsters dan aan menschen. Haat en nijd staan op hun misvormd gelaat te lezen, zij schuimbekken van woede. De overige samengescholen menigte raast en tiert. Door hunne Oversten opgewonden en aangehitst, gaan de Joden op nieuw den dood van hunnen Weldoener eischen. \'t Schijnt alsof de adem van den helschen afgrond over hen is heengegaan.

Ja, M. Z., hartverscheurende noodkreten gaan op onder die bloeddorstige menigte. Weg met Hem! roepen zij. Kruis Hem! Kruis Hem! schreeuwen zij met immer toenemende woede; en die noodkreten, tegen Jezus den Zoon gericht, treffen wellicht ook nog de ooren van Maria zijne gezegende Moeder, die, van weinige getrouwe zielen omringd, op korten afstand getuige is van hetgeen er plaats heeft.

Welke smart voor onzen goddelijken Zaligmaker! Welke droefheid voor Maria zijne Moeder! Dat bevoorrecht volk wil dan niets meer van Jezus haar goddelijken Zoon weten? De Joden verwerpen Hem, zij willen volstrekt, dat Hij den dood, en wel den schande- en pijn-lijksten dood, den dood des kruises sterve. En och of wij, M. Z., die verblinde en verstokte Joden nimmer waren nagevolgd! Want ziedaar ons gedrag, zoo dikwijls wij ons aan doodzonde hebben plichtig gemaakt.

Onderzoeken wij vandaag die waarheid. De allerheiligste

ocr page 152

— IJl —

Maagd Maria verkrijge ons door hare machtige voorspraak de genade van ze wel te begrijpen, onze misslagen te erkennen en ze oprecht te beweenen. Te dien einde zullen wij overwogen:

I. Hoe Jezus aan het volk voorgesteld en verworpen wordt;

II. Hoe het volk den keizer boven den Messias stelt.

I.

Pilatus, M. Z., had nog niet lang geleden, gelijk wij weten, een schandelijk middel beproefd, om Jezus los te laten. Hij had namelijk den Joden voorgesteld te kiezen tusschen Barabbas en Jezus; doch de Joden kozen Ba-rabbas en eischten van Pilatus, dat hij Jezus zou doen sterven. Het eerste redmiddel van den romeinschen landvoogd is dus mislukt. Nu tracht Pilatus het volk tot medelijden te stemmen, cn op die wijze Jezus los te laten.

Onze goddelijke Zaligmaker door de soldaten de marmeren trappen opgesleurd, komt op een balkon te voorschijn. Hij draagt een versleten purperen mantel om de schouders, eene doornen kroon op het hoofd, eenen rietstok in de geboeide handen; zijne oogen, ja, gansch zijn aangezicht is vol bloed; Hij laat bloedige stappen na, waar Hij treedt; blijft Hij een oogenblik stil staan, er druipt een bloedplas op den grond neder. In dien el-lendigen toestand zal de romeinsche landvoogd onzen goddelijken Zaligmaker aan het volk vertoonen.

Pilatus gaat dus uit en zegt tot de Joden: Ziet, ik breng Hem tot u buiten, opdat gij weten zoudt, dat ik geene schuld in Hem vind. Daarop verscheen onze goddelijke Zaligmaker.

Pilatus stelt Jezus voor aan het volk onder deze woor-

ocr page 153

— 152 —

den: Ecce Homo! i) Zie den Mensch! Als wilde hij zeggen; Ziedaar, al wat er van den mensch overblijft, dien gij aan uwe woede geslachtofferd hebt. Wat wilt gij nog meer? Heeft Hij nu nog niet genoeg geleden? Zijt gij nog niet voldaan, en moet Hij nog meer gepijnigd en mishandeld worden? Ziet toch eens met aandacht den mensch, die de gedaante van mensch bijna verloren heeft, en hebt eindelijk medelijden met Hem. Doch neen, M. Z., de Joden kennen geen medelijden, zij zijn er gansch vreemd aan. In plaats van medelijden te krijgen, dorsten zij immer meer naar bloed, zij vorderen al sterker van onzen goddelijken Zaligmaker den schande- en pijnlijksten dood, den dood des kruises te doen sterven; want luistert, M. Z., wat er plaats heeft.

Zoodra de Priesters en de dienaren Jezus zien, zegt de Evangelist Joannes, schreeuwen zij uit al hunne macht: Crucifige, crutifige Eum! 2) Kruis Hem! Kruis Hem! Pilatus is een lafaard, want hij durft Jezus niet vrijspreken; maar hij kan toch ook niet begrijpen, hoe de Joden nog langer op Jezus\' dood kunnen aandringen. Ongeduldig van niets te winnen, roept hij de Joden toe: Neemt gij Hem dan en kruist Hem, want ik vind geene schuld in Hem! Zonderlinge zaak! Pilatus verklaart openlijk, dat hij geene schuld in onzen goddelijken Zaligmaker vindt, en hij wil Hem aan de Joden, die Jezus\' grootste vijanden zijn, overgeven, om naar willekeur met Hem te handelen. De Joden antwoorden; Wij hebben eene wet, en volgens die wet moet Hij sterven, omdat Hij zich den Zoon Gods verklaard heeft.

Zoodra de romeinsche landvoogd die woorden hoorde, werd hij bang. Gij moet wel weten, M. Z., Pilatus is

1) Joan, xix, 5. 2) Joan, xix, 6.

ocr page 154

— 153 —

een heiden. Jezus, zoo denkt hij bij zich zeiven, moest eens de zoon van den een of anderen heidenschen god zijn; en wijl hij Hem zoo onrechtvaardig en onmenschelijk heeft doen mishandelen, is hij bang van door den een of anderen dier goden gestraft te worden. Pilatus gaat daarop het gerechtshuis binnen en vraagt Jezus: Van waar zijt gij? Unde es tu? Doch onze goddelijke Zaligmaker, wel wetende dat die heiden geene vrucht zal trekken uit de verklaring van zijn goddelijk Zoonschap, gewaardigt zich niet op die vraag te antwoorden. Pilatus is gestoord over het diep stilzwijgen van Jezus; hij meent datjezus hem in zijne waardigheid van rechter beleedigt. Vol trotschheid valt hij in gramschap tegen den zachtmoe-digen Zaligmaker uit en snauwt Hem toe: Mihi non loqueris? i) Spreekt Gij mij niet aan? Weet Gij dan niet, dat ik de macht heb van U te kruisen, en dat ik de macht heb van U los te laten ? Ha! M. Z., nu gaat Jezus antwoorden; Hij gaat Pilatus eene heilzame les geven. Gij zoudt geene macht tegen mij hebben, zegt Jezus, zoo zij u van boven niet gegeven ware: Non habere! potestatem adversus me ullam, nisi tibi daUim esset desuper. 2) Onze goddelijke Zaligmaker legt den vinger op de wond. Pilatus is vol trotschheid, — iets wat den grooten dezer wereld nog al eigen is, — en Jezus herinnert hem, wat hij is. Pilatus beroemt zich op zijne macht, en Jezus herinnert hem, dat hij ze aan God alleen te danken heeft; ja, wat meer is, Jezus zegt hem rechtuit, dat hij zich aan eene groote misdaad plichtig maakt; dat de Joden, die Hem overgeleverd hebben, wel is waar plichtiger zijn, maar dat hij toch ook niet vrij te pleiten is.

En inderdaad, de Joden zijn wel is waar plichtiger,

1) Joan, xix, 9. 2) Joan, xix, 10, 3) Joan. XIX, 11.

ocr page 155

— 154 —

doch Pilatus is ook plichtig. Immers, Pilatus had enkel naar de stem van zijn geweten te luisteren en rechtvaardig te werk te gaan. Bijgevolg had hij de onschuld moeten verdedigen, hij had geen gehoor moeten geven aan de valsche beschuldigingen, hij had Jezus moeten vrijspreken niettegenstaande de woede der Joden. Maar Pilatus is een heiden, hij kent onzen goddelijken Zaligmaker niet genoeg — laten wij hem dit ten minste toegeven. — Daarenboven, hij wordt door de Joden op allerlei wijzen gepraamd en bedreigd; ook heeft hij reeds middelen aangewend, om zich van die lastige zaak te ontdoen door Jezus naar Herodes te zenden; hij heeft middelen aangewend om Jezus te redden door de keus voor te stellen tusschen Barabbas en Jezus, door Hem te doen geeselen en alzoo het volk tot medelijden te stemmen en te voldoen. Pilatus is dus wel plichtig, maar hij kan misschien nog eenigszins verschoond worden; doch de Priesters, de Pharizeën en Schriftgeleerden, de Joden in een woord zijn veel plichtiger, zij kunnen geenszins verschoond worden. Waarom niet ? Wel, M. Z., zij kennen Jezus van Nazareth, zij weten dat Hij de langverwachte Messias, de Zoon Gods is; Jezus heeft het hun genoeg geleerd. Daarenboven, Jezus heeft hun nooit het geringste kwaad gedaan; integendeel. Hij heeft hun altijd alle goed bewezen; aan zoovele blinden heeft Hij het gezicht, aan zoovele dooven het gehoor, aan zoovele stommen de spraak, aan zoovele zieken de gezondheid weergegeven; Hij heeft al weldoende jaren en jaren onder hen verkeerd. En ziet, vol haat en nijd hebben zij hunnen Messias miskend, hebben zij den Zoon Gods verworpen, hebben zij hunnen Weldoener reeds afgefolterd. Blakende van woede en immer dorstende naar bloed, zijn zij nog niet verzadigd. Ziet, daar staat

ocr page 156

— ISS —

Jezus op het balkon in den akeligsten toestand ten toon gesteld. Ecce Homo! i) Ja, zie den mensch ! Vol liefde en medelijden met zijn volk, laat Jezus zijne met bloed overgoten oogen over die verblinde en verstokte menigte rondgaan. Mij dunkt, ik hoor Jezus den Joden toeroepen: Mijn volk! Mijn volk! Wat heb ik u misdaan? Waarin heb ik u bedroefd? Antwoord mij. Omdat ik u uit de slavernij van Egypte heb verlost; omdat ik u veertig jaren lang in de woestijn geleid en daar met Manna uit den hemel heb gevoed; omdat ik u in een land, overvloeiende van honig en melk, heb binnen geleid, eischt gij mij daarom ten dood? Moet Ik daarom gekruist worden? Wat had ik voor u nog moeten doen, dat ik niet gedaan heb ? En ziet, nauwelijks heeft het volk Jezus gezien, of de moordkreten weergalmen door de lucht: Weg met Hem! Tolle! Kruis Hem! Crucifige! roepen de Pharizeën en Schriftgeleerden, en de Joden door hunne Oversten voorgegaan, herhalen woedend: Weg! Weg met Hem! Tolle! Tolle! Kruis Hem! Kruis Hem! Crucifige, crucifige Eum ! 2)

\'t Is dus gedaan, M. Z.! Er is geen hoop op redding meer! Jezus moet sterven! Tot wien zal ik mij wenden? Tot wien zal ik mijne stem verheffen om medelijden te verwekken, om hulp en bijstand af te smeeken ? O hemel-sche Vader! Ja, \'t is tot u, dat ik mijne toevlucht neem voor Jezus! Ecce Homo! O Vader! Van uit het hoogste des hemels zie neder op dien mensch! Die mensch is uw eeniggeboren Zoon, die nog maar weinige dagen geleden al de kinderen der menschen in schoonheid overtrof; en nu is Hij zoo verschrikkelijk mishandeld, dat Hij schier geene gedaante meer heeft. Ecce Homo! Zie

1) Joan, xix, 6. 2) Joan, xix, 6.

ocr page 157

dien mensch, Vader! \'t Is uw welbeminde Zoon, in wien Gij uw welbehagen genomen hebt! Ach! Heb toch medelijden met Hem en verlos Hem uit dé handen zijner vijanden!

Wij zouden den hemelschen Vader ook kunnen vragen, van eenen blik, maar een vertoornden blik te werpen op die verwarde menigte, voor het paleis van Pilatus vergaderd. \'t Zijn Joden, die tegen Jezus roepen, immer met hardnekkigheid op den dood van zijnen Zoon aandringen. Waarom laat Hij die ondankbaren begaan? Waarom straft hij hen niet? Waarom zendt Hij zijne bliksems niet af om hen te treffen? Er is immers geen slach van straf, hoe groot, hoe verschrikkelijk ook, welke dat ontaard volk niet duizendmaal verdiend heeft. Ja, dat het vuur uit den hemel nederdale om die Joden te verteeren! Dat de aarde openscheure om hen te verslinden! Ja, dat zij even als Core, Dathan en Abiron in den afgrond verzinken.

Edoch ! Waar dool ik heen? Wat zeg ik? Ik roep de rechtvaardige wrake Gods enkel over de Joden af? Ach! M. Z., bedwingen wij een oogenblik onze verontwaardiging. Een ander volk is niet minder plichtig en strafwaardig dan het joodsche volk. Hoe dat? Zijn er buiten de Joden nog anderen, die tegen Jezus geroepen, die zijnen dood geëischt hebben? Ja, M. Z., zoo is het. Luistert, en gij zult begrijpen.

Op het plein van Pilatus zien wij enkel Joden; maar Jezus, wiens alziende oog door alle eeuwen heendringt, ziet van af het balkon, waarop Hij staat, iets meer dan wij. En wat ziet Hij dan? Ach! M. Z., achter die verblinde menigte van Joden ziet Jezus nog een andere groote menigte, die niemand tellen kan, uit alle geslacht, én volk, én taal. \'t Zijn de zondaren van de gansche

ocr page 158

— 157 —

wereld. Al die zondaren heffen moordkreten tegen Jezus aan. Ja, onder de menigte zondaren heeft Jezus ons ook gezien; Hij heeft ons ook gehoord, wijl wij ons bij de Joden gevoegd, wijl wij met hen geschreeuwd hebben: weg met Hem! Kruis Hem! Kruis Hem! Ziedaar wat er niet met woorden, maar met werken gebeurd is, zoo dikwijls wij grootelijks gezondigd hebben.

En wat kwaad heeft Jezus ons gedaan? Heeft Hij ons ook niet zoo wel als den Joden alle goed bewezen ? Kon Jezus ons ook niet toeroepen: Zegt, Christenen! Wat heb Ik u misdaan, of waarin heb Ik u bedroefd ? Antwoordt Mij. Omdat ik u geschapen heb en uit katholieke ouders heb doen geboren worden; omdat Ik u in het H. Doopsel tot mijne kinderen heb aangenomen; omdat Ik u gansch uw leven tot op den dag van heden met genaden en weldaden heb overladen, eischt gij Mij daarom ten dood, moet Ik daarom gekruist worden ? Wat had Ik nog meer voor u moeten doen dan ik gedaan heb? En gij. Christenen! gij hebt nochtans, zoo dikwijls gij gezondigd hebt, uitgeroepen met de Joden: Weg! Weg met Hem! Tollel Tolk! Kruis Hem! Kruis Hem! Crucifige Rum ! i) Gij hebt Mij zoo min als de Joden willen erkennen.

Zoo is het, M. Z., Jezus heeft gelijk. Dejoden hebben Jezus niet willen erkennen, zij hebben boven Hem de voorkeur gegeven aan den keizer, en wij, wij hebben de Joden dikwijls in hunne ondankbaarheid nagevolgd, hetgeen nog duidelijker zal worden in ons tweede deel.

II.

Nadat Pilatus eene korte samenspraak met onzen god-delijken Zaligmaker gehad, en Jezus hem over den oor-

1) Joan, xxix, 15.

ocr page 159

- I5S -

sprong zijner macht onderwezen had, werd de romeinschc landvoogd bang, en hij verlangde nog meer Jezus los te laten. Doch ziet, de Joden bemerken hot, en nu slaan zij tot andere middelen over. Zij bedreigen Pilatus van hem bij den keizer aan te klagen. Zij schreeuwen uit al hunne macht: Zoo gij dezen loslaat, zijt gij de vriend des keizers niet; want al wie zich voor koning uitgeeft, verklaart zich tegen den keizer. Pilatus trekt het koningschap van Jezus, nu eens in het belachelijke, dan wederom schijnt hij het ernstig op te nemen. Ziedaar uwen koning! zegt hij tot de Joden: Ecce rex vester! I) Als wilde hij zeggen: Een mooie koning, dien gij mij aangebracht hebt en dien gij zegt een mededinger, een onderkruiper van den keizer te zijn. Beziet Hem eens wel; aanschouwt zijne koningskroon, zij is uit scherpe doornen gevlochten ; zijn koninklijk gewaad, een versleten purperen lap, doortrokken van bloed; de schepter, dien hij zwaait, een rietstok. Bijaldien Hij koning is, waar is dan zijne lijfwacht? Waar zijn zijne soldaten, waar zijne onderdanen? Waar is zijn rijk? Waar zijn troon? \'t Zij nu genoeg. Het koningschap is dien ongelukkige duur genoeg komen te staan, men heeft Hem als koning gehuldigd. Hij heeft zijne koningsrol reeds gespeeld ; ziet eens, wat voor een koning men van Hem gemaakt heeft; zijt dus nu tevreden en hebt liever medelijden met Hem.

En wat doen de Joden? Zijn zij tevreden? Krijgen zij medelijden met Jezus? Volstrekt niet; zij roepen met nog meer woede dan te voren: Weg met Hem! Kruis Hem I Kruis Hem! Pilatus, over die ongevoeligheid gestoord, vraagt hun: Zal ik dan uwen koning kruisen? Regent vestrum crucifigam f En de Joden antwoorden: Wij heb-

1( Joan, xix, 14.

ocr page 160

— 159 —

ben geen koning buiten den keizer! Non hahrmus regvm nisi ccesaretn ! i)

De romeinsche landvoogd ziende, dat liij volstrekt niets vordert en dat de opschudding nog grooter wordt, doet water brengen, hij wascht zich in de tegenwoordigheid van het volk de handen en zegt: Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen Rechtvaardige; ziet wat u te doen staat. En het gansche volk roept uit: Zijn bloed kotne over ons en over onze kinderen! Sanguis ejus super nos et safer filios nostras! 2)

Pilatus, M Z., zegt dat hij onschuldig is, doch te vergeefs. Neen, Pilatus is niet onschuldig. Hij kan zich de handen wasschen zooveel hij wil, doch daardoor zal hij zijne ziel niet zuiveren van de vlek der ongehoorde misdaad, waarmede hij ze bezoedelt door Jezus, dien hij zegt rechtvaardig en bijgevolg onschuldig te zijn, te vei oordeelen. Weldra in ballingschap gezonden, zal hij voor zijne lafhartig- en onrechtvaardigheid moeten boeten.

De Joden willen Jezus niet voor hunnen koning erkennen, zij verwerpen Hem met hardnekkigheid ; zij geven de voorkeur aan een heidenschen keizer. Weldra zullen zij op hunne beurt ondervinden, wien zij gekozen hebben, namelijk, als de Romeinen hunne stad zullen omringen en insluiten; als zij haar zullen uithongeren en tot den grond toe zullen verwoesten. Zij hebben geroepen: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen! Van uit het hoogste des hemels heeft God den vloek gehoord, dien zij over zich en over hunne kinderen hebben afgeroepen ; Hij heeft hen met dien vloek getroffen, en tot op den dag van heden dwalen de Joden, op hun aangezicht er mede geteekend, den ganschen aardbodem rond.

1) Joan, xix, 15. 2) Miittli. xxvu, -H.

ocr page 161

— l6o —

Ziedaar, M. Z., hoe het den Joden, die hunnen koning-verworpen hebben, vergaan is. Eveneens, ja nog erger zal het ons eenmaal vergaan, zoo wij de Joden in hunne verblind- en hardnekkigheid navolgen. Maar hoe, de Joden navolgen, denkt gij misschien? Ja, M. Z., en men vindt er, helaas! maar al te veel, zelfs onder de Christenen, die de Joden navolgen.

Wat zegt onze goddelijke Zaligmaker in het Evangelie? Niemand kan twee heeren dienen, zegt Hij uitdrukkelijk: Nemo potest duobus dominis servire. i) En wie zijn die twee heeren? Wel, die twee heeren zijn onze Heer Jezus-Christus en de duivel; die twee heeren betwisten elkander het gebied over de menschen. De raenschen nu moeten tusschen hen kiezen. Natuurlijk, zij moesten geen oogenblik dralen in hunne keus. Zij moesten Jezus en zijn rijk stellen boven den duivel en zijne slavernij. Jezus is een beminnelijke koning, de duivel is een wreede dwingeland.

Jezus is gekomen om de zielen zalig te maken; de duivel loopt rond als een brieschende leeuw om ze te verslinden.

Jezus belooft een eeuwige belooning voor de kleinste diensten, die men Hem of de zijnen bewijst; de duivel beoogt niets anders dan de menschen te storten in eenen afgrond van ellenden en pijnen.

De wetten of geboden van Jezus zijn niet lastig. Mijn juk is zacht, en mijn last is licht, zegt Jezus; en het juk van den duivel is zwaarder dan het juk van den grootsten dwingeland der wereld.

En nochtans, M. Z., hoe vele verblinde en verstokte zondaren worden er niet gevonden, die niet willen dat

1) Matth. VI, 24.

ocr page 162

— i6i —

Jezus over hen regeere? Nolutnus hunc regnare super nos! i) Wij willen niet, dat deze over ons regeere; wij willen Hem niet dienen, zeggen zij: Non serviam! 2) Wie zal dan hun koning zijn? Wien zullen zij dan dienen ? want niemand kan twee heeren dienen. En die on-gelukkigen roepen, zoo niet met den mond, dan toch door hunne werken uit: Wij hebben geen anderen koning dan den duivel! In plaats dus van onzen Heer Je-zus-Christus te dienen, dienen zij den duivel. In plaats van vrije kinderen van God te zijn, verkiezen zij slaven te zijn van den helschen Satan. En zegt niet, overdrijving ! Neen, M. Z., zoo gaat het inderdaad met den zondaar; maken wij liever de toepassing.

Hoovaardige, ongehoorzame mensch! Hoe kromt gij uwen rug onder het juk van den helschen Lucifer, die om zijne hoovaardig- en ongehoorzaamheid van boven uit den hemel nedergeworpen is in den afgrond der hel !

Onrechtvaardige, gierigaard! Hoe kromt gij uwen rug onder het juk van den helschen Mammon, den afgod des gelds!

Haatdrager, wraakzuchtige mensch, vloeker en godslasteraar ! Hoe kromt gij uwen rug onder het juk van Satan, die, hij ook, God haat en verwenscht!

Wellusteling, onkuischaard! Hoe kromt gij uwen rug onder het juk van den onzuiveren geest, die in u is gekomen, en in u woont, want uw lichaam, onkuischaard ! is, gelijk de duivel zelf verklaart, zijne woonplaats geworden.

Ha! Zondaren! Gij wilt onzen Heer Jezus-Christus niet dienen ? Gij wilt de vrije kinderen van God niet zijn ? Het zij zoo. Dient dan den duivel, weest zijne slaven en

1) Luc. xix, 14. 2) Jer. n, 20,

II. 11.

ocr page 163

— 102 —

slavinnen; hij zal u wel onder zijn juk houden, zoo gij wilt; hij zal u wel met kluisters en ketenen beladen ; hij zal u wel als slaven en slavinnen behandelen, u voortstuwen en voortzweptn, van dag tot dag, van week tot week, van maand tot maand, van jaar tot jaar, ja, van den tijd naar de eindelooze eeuwigheid. De duivel zal u met geweld brengen tot voor de vierschaar van onzen Heer Jezus-Christus, den Koning der koningen, dien gij niet wilt dat over u regeere. Dan zal Hij in weerwil van u regeeren, wijl Hij regeeren zal over rechtvaardigen en zondaren. In den laatsten dag des oordeels zal Hij tot de rechtvaardigen, aan zijne rechterhand geschaard, zeggen: Komt, gezegenden mijns Vaders! neemt bezit van het rijk, dat voor u bereid is van de grondlegging der wereld af! Tot de zondaren, aan zijne linker hand geschaard, zal Hij met eene forsche stem zeggen; Gaat weg van mij, vervloekten, in het eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel en zijne engelen! Op den plech-tigen, majesteitvollen dag van het laatste oordeel, zal de Koning der koningen, Jezus-Christus, zijne bevelen geven, die de Engelen terstond zullen ten uitvoer brengen. Bindt de verdoemden aan handen en voeten, zal Jezus zeggen, en werpt ze in de uiterste duisternissen; en de Engelen zullen de verdoemden aan handen en voeten binden en werpen in de uiterste duisternissen: In tenebras exte-riores, waar geween en tandengeknars zal heerschen: Ibi erit fietus et stridor dentium. l)

Die waarheden nu wel ingezien, wat dunkt u, M. Z., ben ik te ver gegaan, als ik zeide, dat het den zondaren, zoo zij Jezus blijven verwerpen, zoo zij den duivel blijven aanhangen, eenmaal nog erger zal vergaan, dan

1) Matth. viii, 12,

ocr page 164

— 163 —

het den Joden vergaan is? Voorzeker neen. Wat blijft hun dus te doen over? Zij moeten het zwaar en onverdraaglijk juk van Satan afschudden en het zoet en zacht juk van Jezus-Christus opnemen; zij moeten het oproerig vaandel van den duivel verlaten en zich scharen onder den standaard van Jezus-Christus.

SLUITREDE.

Werpen wij allen nu ten slotte nog een oogslag op onzen goddelijken Zaligmaker. Ecce Homo! Zie den mensch! Zie den mensch, Jezus-Christus, M. Z., die zooveel voor ons gedaan en geleden heeft; die een hevigen strijd te strijden heeft gehad tegen den duivel, maar die hem overwonnen en ons uit de klauwen van Satan verlost heeft. Slaven van den duivel, heeft Hij ons op vrije voeten gesteld, heeft Hij van ons kinderen Gods gemaakt.

Jezus-Christus, gelijk gij ziet, M. Z., heeft dus alle recht van onze koning te zijn. Hij heeft het recht van over ons te regeeren. Wij moeten ook zijne trouwe dienaren zijn, wij allen moeten als uit één mond uitroepen: Wij willen volstrekt dat Jezus-Christus over ons regeere! Wij hebben geen anderen koning dan Jezus-Christus. Weg met den duivel en zijnen aanhang! Weg met den dwingeland Satan! Dat het kostbaar bloed, dat Jezus onze koning in den reuzenstrijd tegen den duivel voor ons vergoten heeft, over ons kome! Sanguis ejus super nos! Dat het over ons kome om ons te zuiveren van de zonde; dat het over ons kome om ons te teekenen met het teeken zijner soldaten, om ons aan te moedigen tot den strijd tegen de vijanden onzer zaligheid en om ons de overwinning te doen behalen!

Ja, lieve Jezus! Wees onze dierbare koning en regeer

ocr page 165

— 164 —

over ons! En Gij, Maria! Wees onze dierbare koningin en regeer ook over ons! Bid voor ons, opdat wij uw goddelijken Zoon en U altijd getrouw dienen, wantjezus en U dienen is reeds regeeren, is regeeren gedurende den tijd op aarde over den duivel, de wereld en het vleesch, om met uwen Zoon, den hemelschen Koning, en met U, o hemelsche Koningin! te mogen regeeren in den hemel gedurende de eindelooze eeuwigheid. Amen.

ocr page 166

VIJFDE MEDITATIE.

Bajulam sibi crucem exivit in eum, qui dicitur Calvarise locum.

Jezus ging, zijn kruis dragende, uit naar de plaats, die Calvarië genoemd wordt.

(Joan, iix, 17.)

INHOUD.

VOORREDE.

Pilatus heeft allerlei middelen aangewend om Jezus los te laten, doch te vergeefs. — De Joden willen zich niet laten bewegen. — Onze goddelijke Zaligmaker is voor geen lijden teruggeweken. — Met nieuwen moed vangt Hij aan om het werk der verlossing te voltrekken. — Maria zal haar goddelijken Zoon op den weg naar Calvarië vergezellen. — Gebed tot Maria, om den kruisweg naar behooren te doen; om tot droefheid over onze zonden en tot liefde jegens onzen goddelijken Zaligmaker aangezet te worden.

VERDEELING.

I. Jezus neemt het kruis op zijne schouders;

H. Waarom Jezus valt en hervalt onder het kruis.

ocr page 167

— 166 —

I.

Pilatus veroordeelt onzen goddelijken Zaligmaker tot den kruisdood en laat Barabbas los. — De Joden verheugen zich over de uitspraak van het doodvonnis. — Het lijden van Jezus neemt immer toe. — Jezus ziet, groet blijmoedig het kruis en neemt het op de schouders. — Jezus in gezelschap van twee moordenaars ter strafplaats geleid. — De stoet stelt zich in beweging. — Vreugde van de vijanden van Jezus; zij maken den optocht mede, om zich in den kruisdood van Jezus te verlustigen. — Eerste val van Jezus onder het kruis; hoe Hij mishandeld wordt. — Droefheid van Maria, zoodra zij verneemt dat haar Zoon ter dood veroordeeld

is; zij biedt zich aan om in Jezus\' plaats te sterven.--

Overgeving aan den wil van den hemelschen Vader. — Maria gaat in gezelschap van Joannes en eenige god-vreezende vrouwen haar goddelijken Zoon vergezellen en den kruisdood bijwonen. — Droevige ontmoeting van Jezus en Maria. — Beleediging, Maria aangedaan. — Maria aanschouwt haren Zoon; Jezus aanschouwt zijne Moeder; beiden kunnen van droefheid nauwelijks een woord uitbrengen. — Maria verlangt Jezus\' kruis te dragen. — Simon moet er toe gedwongen worden. — Veronica droogt Jezus\' aanschijn af en wordt voor die heldendaad beloond. — Woede van de vijanden van Jezus, — Mishandelingen, Jezus aangedaan. — Tweede val van Jezus onder het kruis. — De vrouwen van Jeruzalem beweenen Jezus ; zijne woorden tot de weenende vrouwen. — Derde val van Jezus onder het kruis.

II.

Hartverscheurend schouwspel van de kruisdraging van

ocr page 168

— 167 —

Jezus. — Doordringende blik op den onder het kruis diep gebukten Godmensch. — Wat is de oorzaak van Jezus\' vermoeienis? Van zijn vallen en hervallen onder het kruis? — De voornaamste oorzaak is het vallen en hervallen in de zonde. Men houdt God niet voor oogen, men bidt niet, men nadert niet tot de H. Sacramenten, men vlucht of verlaat de gevaren en gelegenheden van zonde niet. — Jezus vermaant ons van over onze zonden te weenen. — Wat den zondaar in den laatsten dag des oordeels wacht.

SLUITREDE.

Wij moeten, daar het nog tijd is, gebruik maken van de barmhartigheid Gods, onze zonden beweenen, boetvaardigheid doen en de kruisen, die ons overkomen, met geduld dragen. — Wij moeten Maria, die het eerst de voetstappen van Jezus gedrukt heeft, volgen. — Met het kruis moeten wij aan de deur des hemels aankloppen, waarop voor ons geopend en ons geantwoord zal worden:

Ga de vreugde van den Heer uwen God binnen! -----

VIJFDE MEDITATIE.

Bajulans sibi crucem exivit in eum, qui dicitur Calvarix locum,

Jezus ging, zijn kruis dragende, uit naar de plaats, die Calvarië genoemd wordt.

(Joan, xix, 17.)

VOORREDE.

Met rassche schreden naderen wij, M. Z., het einde der treurtooneelen, waarvan er zich reeds verschillende voor onze bedroefde blikken hebben afgewisseld.

ocr page 169

— 168 —

Pilatus, gelijk wij gezien hebben, heeft allerlei middelen aangewend om Jezus los te laten. Hij heeft de Joden trachten te overtuigen, maar te vergeefs; zij blijven doof en luisteren niet naar de stem der gezonde rede. Hij heeft hen tot medelijden trachten te stemmen, doch zonder beter gevolg; die ongevoelige en verstokte Joden zijn voor geen medelijden meer vatbaar.

Onze goddelijke Zaligmaker is voor geen lijden teruggeweken. Met onverschrokken moed, met voorbeeldeloos geduld, ja zelfs met liefde heeft Hij de schande- en pijnlijkste folteringen ondergaan. Thans, op het punt van het groot werk, het werk der verlossing van het menschdom, te voltrekken, waarom Hij uit den hemel op de aarde nedergedaald is, verzamelt Hij al zijne krachten en vangt met nieuwen moed, met een zwaar kruis beladen, den moeielijken en smartvollen weg aan, die naar den Calvarieberg leidt.

\'tls op dien weg, M. Z., dat wij vandaag Jezus zullen volgen. Gaan wij in gezelschap van Maria en van de godvreezende vrouwen het ondankbare Jeruzalem uit. Aanschouwen wij onzen goddelijken Zaligmaker met aandacht. Jezus gaat gebukt onder het kruis, om te betee-kenen, welken zwaren last de zondaren Hem op de schouders gelegd hebben. Hij valt en hervalt tot driemaal toe onder het kruis, om ons ongelukkig vallen en hervallen in de zonde uit te boeten. Hij leert ons, hoe wij onze zonden beweenen en ons kruis met geduld dragen moeten.

O Maria! die het eerst de bloedige voetstappen van Jezus uwen Zoon naar den Calvarieberg gedrukt hebt; wij bidden U, door uwe machtige voorspraak, verkrijg ons de genade van den kruisweg naar behooren te verrichten, om daardoor aangezet te worden tot droeiheid

ocr page 170

— 169 —

over onze zonden, die de oorzaak geweest zijn van Jezus\' lijden en tot liefde jegens Hem, die ons het eerst bemind heeft.

Te dien einde zullen wij overwegen:

I. De kruisdraging van Jezus; 1)

II. Waarom Jezus valt en hervalt onder het kruis.

I.

De romeinsche landvoogd Pontius-Pilatus bemerkt weldra, M. Z., dat de Joden niet tot bedaren te brengen zijn, zoolang hij Jezus niet veroordeelt; hij gaat dus aan hun verlangen voldoen.

Hij spreekt den booswicht Barabbas, die om oproer en moord in de gevangenis geworpen was, vrij en levert den onschuldigen Jezus aan den moedwil der Joden over, om gekruist te worden.

Eensklaps breekt de samengeschoolde menigte in vreugdekreten los. Het nieuws van de veroordeeling van Jezus tot den schandelijken kruisdood verspreidt zich terstond door de stad.

Intusschen omringen de soldaten onzen goddelijken Zaligmaker. Helaas! nu is Hij van alle bescherming verstoken, door niemand, zelfs niet eens meer door een onrechtvaardigen en lafifen rechter verdedigd. Wat heeft Jezus nu niet van die ongevoelige soldaten uit te staan? Zij beginnen ook weldra op nieuw hunne spotternijen en mishandelingen. Ja, M. Z., met den ongelukkige, die reeds zooveel geleden heeft, die zoo onrechtvaardig ter dood veroordeeld is, drijven zij nog den spot. Daarop

1

De kruisdraging en de kruisiging van Jezus worden verhandeld naar de wijie, waarop zij hier te lande op de statiën zijn afgebeeld.

ocr page 171

— i7o —

slaan zij op nieuw hunne handen aan zijn verscheurd lichaam. Jezus staat daar nog, met den versleten purperen mantel omhangen ; zij rukken Hem dien purperen lap van zijne vermorzelde schouders en doen Hem zijne kleederen wederom aantrekken.

Eensklaps brengt men met zegevierend gejoel het kruis, het werktuig onzer verlossing, te voorschijn. Het kruis, dat men met haast gereed gemaakt heeft, bestaat uit twee ruwe balken, waarvan de eene vijftien, de andere acht voet lang is.

Zoodra Jezus het kruis ziet, groet Hij het minzaam. Wees gegroet, o kostbaar kruis! zegt Jezus, ten minste inwendig; kruis, zoo lang gewenscht, zoo vurig begeerd en ten slotte voor mij bereid! Hij omhelst het met aandoening en liefde en legt het met vreugde op zijne doorwonde schouders. Ja, met vreugde neemt Jezus het kruis op, wijl Hij het aanziet voor het werktuig onzer verlossing, voor den sleutel, waarmede Hij voor ons den hemel moet openen; omdat Hij weet, dat, alhoewel door de Joden gemaakt, de hemelsche Vader het Hem oplegt, om er de verlossing van het menschdom mede te voltrekken.

Tot overmaat van schande voor Jezus, heeft men nog twee booswichten, die ook ter dood veroordeeld waren, uit de gevangenis gehaald, om met onzen goddelijken Zaligmaker ter strafplaats gevoerd en gekruist te worden. Die booswichten zullen vooropgaan, en Jezus, dien men voor den grootsten der booswichten houdt, zal volgen.

De kruisweg naar den Calvarieberg vangt dus aan. De trompet van de romeinsche ruiterij, die den optocht mede maakt, weerklinkt reeds door de stad. Terstond stroomt er een ontelbare menigte volks bijeen. Mannen, vrouwen, kinderen uit alle hoeken der stad, van alle

ocr page 172

— i7i —

gewesten des lands — • want wegens het Paaschfeest waren de Joden van alle oorden naar Jeruzalem gekomen — allen juichen en verheugen zich, den kruisdood te kunnen bijwonen van den zoo zeldzamen Profeet, die sedert eenigen tijd zooveel ophef gemaakt en hun land doorkruist heeft.

De Priesters en Ouderlingen, de Pharizeën en Schriftgeleerden wenschen elkander geluk van hun doel te hebben bereikt. Jezus, dien zij voor hun grootsten vijand aanzien en wiens dood zij reeds over lang besloten hadden, is dan eindelijk veroordeeld; zij zullen Hem vergezellen naar de strafplaats, naar den Calvarieberg, om in zijne folteringen hunne nijdige blikken te verlustigen en hunnen haat te koelen.

De gerechtsdienaren stappen reeds woelig vooruit; zij zijn met ladders, houweelen en andere werktuigen, die zij ter uitvoering van het doodvonnis noodig hebben, beladen.

Jezus, door beulen omgeven, volgt. Met de doornenkroon op het hoofd, gaat Hij, onder een zwaar kruis gebukt, wankelend vooruit. Hij is uitgeput van krachten door het bloedverlies, door honger en dorst, door al de pijnen, die Hij reeds geleden heeft. En nochtans. Hij wordt nog «Itoos door de beulen mishandeld.

Twee beulen, die voorop gaan, trekken Jezus met koorden, die zij aan zijn gordel vastgemaakt hebben, vooruit; anderen, die volgen, slaan en stooten Hem. Doch ziet, nauwelijks heeft Jezus een eind\' wegs afgelegd, of Hij valt afgemat onder den zwaren last des kruises op den grond neer. Daar ligt Hij voor de eerste maal plat ter aarde, in zijne volle lengte uitgestrekt, het moordtuig, het kruis, aan zijne zijde! De beulen rukken al vloekende en tierende Jezus terstond omhoog, en doen Hem zijn smartvollen weg vervolgen. Doch ziet thans

ocr page 173

- 1/2 -

een hartverscheurend schouwspel, dat zich voor onze oogen opdoet.

Zoodra Maria gehoord had, dat haar goddelijke Zoon veroordeeld was om gekruist te worden, brak zij in weeklachten los. \'t Is op die doorluchtige Moeder-Maagd, die haren Jezus zoo teeder bemint, dat wij met recht de woorden van David mogen toepassen.

Toen David vernomen had, dat zijn zoon Absalom vermoord was, weende hij bitter. Troosteloos liep hij rond en riep al jammerende uit; Absalom, mijn zoon! Mijn zoon Absalom! Wie vergunt mij voor u te mogen sterven!

\'t Is op Maria, M. Z., dat wij die woorden mogen toepassen. Zij ook weent bitter, zoodra zij verneemt, dat haar beminde, dat haar onschuldige Jezus veroordeeld is; zij ook biedt zich voor haren Zoon aan, zeggende: Jezus mijn Zoon! Mijn Zoon Jezus! Wie vergunt mij voor u te mogen sterven!

Bekend nochtans met den wil van den hemelschen Vader, die vordert, dat zijn eenige Zoon zich opoffère voor de zaligheid der menschen, onderwerpt Maria zich aan diens goddelijken wil. Geheel anders gesteld dan Agar, die in vertwijfeling uitriep: \'t Is mij onmogelijk mijn kind te zien sterven! zal Maria bij den schande- én pijnlijken dood van Haren Zoon tegenwoordig zijn. Ik zal gaan, zegt zij met den Aartsvader Mozes; ik zal dat groot schouwspel zien: Vadam et videbo visionem iianc magnam. l)

Vergezeld van Joannes en eenige godvreezende vrouwen, begeeft Maria zich op weg. Mij dunkt, ik zie haar den weg inslaan, dien Jezus met zijne verscheurde voeten bloedig heeft afgeteekend. O, wat gaat er op dat oogenblik niet om in het hart van die goede Moeder!

1) Ex. in, 3.

ocr page 174

— 173 —

Een weinig voortgegaan, hoort Maria het geschal der trompet; een koude rilling loopt Haar door de leden. Weldra ziet zij de woelige menigte, die haren Zoon omringt. O Maria! Keer toch terug op uwe schreden! Ja, ga u liever verbergen en beween uwen Zoon in de eenzaamheid ! Gij kunt Hem toch niet verlossen! Integendeel, Gij gaat door uwe tegenwoordigheid zijn lijden nog vermeerderen! Gij gaat zelve bespot, beschimpt en mishandeld worden!

M. Z., mag men zoo iets niet veronderstellen? Ja, zeker. Ook heeft Maria onderweg, hier en daar de voorbijgangers reeds over en tegen haren Zoon hooren spreken. Die personen keuren de veroordeeling goed, zij zeggen dat die Jezus van Nazareth het wel verdiend heeft.

Weldra komen de gerechtsdienaren, die de strafwerktuigen dragen. Maria ziet hen, begint te sidderen en te beven en wringt zich van smart de handen krampachtig te zamen.

Mij dunkt, ik hoor een dier onmenschen vragen: Maar wie is toch de vrouw, die daar zoo weent en zich zoo aanstelt ? En een ander antwoordt: Wel, dat is de Moeder van den Gjlileër. En zoodra de omstanders die woorden hooren, beginnen zij die bedroefde Moeder uit te lachen en te bespotten. Zij wijzen Maria met den vinger aan, terwijl zij al schimpende zeggen: Ziet! daar, daar is zijne Moeder. Een hunner gaat verder; hij neemt de lange nagels, waarmede Jezus aan het kruis moet vastgemaakt worden, en toont ze al lachende aan Maria.

Hoe zullen wij ooit beseffen, M. Z., wat die Moedermaagd alsdan geleden heeft? En nochtans, dat alles is niets in vergelijking van hetgeen daarna hare oogen aanschouwen. Ach I Daar erkent Maria haar lieven Zoon,

ocr page 175

haar teêrbeminden Jezus. Hij is vreeselijk mismaakt; onder een zwaar kruishout gebukt, gaat Hij wankelend vooruit; op zijn hoofd draagt Hij de doornenkroon; zijn aangezicht is bleek, met blauwe plekken, met bloed en vuiligheid bedekt. Ach! M. Z., slaat een nauwkeu-rigen blik op hetgeen er plaats heeft. Ziet, daar wrijft Jezus van voor de oogen het geronnen bloed weg, dat zijn aangezicht verduistert, en werpt van onder de doornen kroon een blik van droefheid en medelijden op zijne beminde Moeder. Maria werpt te gelijker tijd een blik op haar beminden Zoon. Wat smartelijke blikken, die als afgescherpte, als gloeiende pijlen wederzijds twee minnende harten doorboren ! Eene diepe ontroering schokt thans die ongelukkige Moeder; eene siddering grijpt haar aan en doorloopt hare ledematen. Van droefheid overstelpt,. als verslonden in hare smart, blijft Maria een oogenblik zonder beweging.... Jezus, mijn Zoon! . , . . Mijn Zoon Jezus ! . . . . zegt zij eensklaps .... Maria, mijne Moeder! . . . . Mijne Moeder Maria! . . . . antwoordt Jezus.... En Jezus en Maria willen verder spreken, doch hunne snikken smoren hunne stem.

Welk mensch, hoe hard, hoe ongevoelig ook, zoude niet bewogen worden op het gezicht van een zoo treurig schouwspel? En ziet, wat er gebeurt. Maria wordt door de beulen nog beleedigd. Vrouw, snauwt men haar toe; wat komt gij hier doen? Hadt gij Hem beter opgebracht, Hij zoude thans in onze handen niet te zien zijn. Barsch en mededoogenloos stooten zij Maria terug. Neen, geen sprankje medelijden bestaat er in die tijgerharten; zij blijven ongevoelig, zelfs voor, den eindeloozen rouw eener moeder.

Jezus wordt opnieuw voortgesleurd, doch Maria zal haren Zoon volgen tot op den Calvarieberg, waar de

ocr page 176

— 175 —

offerande moet voltooid worden. Onafgebroken heeft Maria de oogen in de richting van haren Zoon gevestigd. Zij ziet Jezus al meer en meer zijn slependen gang quot;vertragen, al dieper en dieper zich onder den last des kruises buigen.

O Maria! Gij zijt gereed, voor uwen Jezus te sterven! Ik weet het; doch ware het u nu maar vergund uw goddelijken Zoon bij te staan en te helpen, gelijk gij Hem zoo dikwijls, toen Hij klein en zwak was, bijgestaan en geholpen hebt! Mochtet gij nu het kruis in zijne plaats maar dragen !

Dan vol angst bemerken de Pharizeën en Schriftgeleerden, dat Jezus merkelijk verslapt; dat Hij, fel gebukt onder het kruis, met moeite voortgaat. Zij worden bewogen, door droefheid en medelijden? Neen, maar door woede en spijt. Jezus moest, uitgeput van krachten, onderweg eens komen te sterven; dan zouden de monsters het helsch genoegen niet smaken, van Hem levend aan het kruis te zien vastnagelen. Zij zien dus naar hulp en bijstand uit; zij grijpen eenen voorbijganger, Simon van Cyrene genaamd, vast, en dwingen hem het kruis achter Jezus te helpen dragen.

Door Simon geholpen kan Jezus, alhoewel met moeite, zijnen weg vervolgen. Doch ziet, nauwelijks is men eenige honderden schreden gevorderd, of een treffend voorval grijpt plaats.

Eene vrouw van aanzien komt te voorschijn; zij heeft een witten doek in de handen en biedt dien onzen goddelijken Zaligmaker aan, om zijn gezegend aanschijn af te drogen. Jezus, die zich nooit in edelmoedigheid laat overtreffen, gaat ook weldra die vrouw voor hare kloeke daad beloonen. Hij drukt het afbeeldsel van zijn goddelijk aanschijn in den doek, dien Veronica Hem aange-

ocr page 177

— 176 —

boden heeft, en geeft hem haar weder. Denkt gij, M. Z., dat de vijanden van Jezus, op het zien van dat wonder, beter gestemd zullen zijn? Integendeel, de Pharizeën en Schriftgeleerden zijn ontevreden over die korte vertraging; zij zijn nog meer verbitterd over de eer, die onzen god-delijken Zaligmaker door een edele vrouw wordt aangedaan. Daarom ook beginnen de beulen zich op Jezus te wreken; zij slaan Hem en willen Hem spoediger doen voortgaan; doch helaas! Jezus struikelt en valt voor de tweede maal onder het kruis neder.

De beulen houden een oogenblik stil. IJselijke vloeken en verwenschingen ontvallen hunnen mond. Zij slaan en schoppen onzen goddelijken Zaligmaker, mishandelen Hem zoo onmenschelijk, dat eenige vrouwen van Jeruzalem, die den droevigen stoet vergezellen, van medelijden worden aangedaan en luidkeels beginnen te weenen.

Jezus opgestaan zulks hoorende, keert zich om en spreekt tot de weenende vrouwen: Dochters van Jeruzalem, zegt Hij, weent niet over mij, maar weent over u zeiven en over uwe kinderen! Want bijaldien zij met het groene hout zoo handelen, wat zal er dan met het dorre geschieden ?

Na een kort oponthoud stelt men zich wederom in beweging. Jezus, onder het zwaar kruishout meer en meer gebukt, wankelt zuchtende vooruit; doch ziet, daar valt Hij voor de derde maal onder het kruis neder.

II.

Welk een treffend, welk een hartverscheurend schouwspel biedt ons de kruisdraging van Jezus aan! De God-mensch gaat gebukt onder het kruis; tot drie maal toe valt Hij onder dien moordbalk neder ; men beweent Hem, en Hij antwoordt: Weent niet over mij: Nolite fiere

ocr page 178

— 177 —

slip er me, maar weent over u zeiven en over uwe kinderen : Sed super vos ipsas flete et super jilios vestros! Want bijaldien zij met het groene hout zoo handelen, wat zal er dan met het dorre geschieden ? Si in viridi ligno hoec faeiunt, in arido quid flet? l)

Zien wij eens een weinig meer van nabij dat groot geheim; dus, niet enkel oppervlakkig, het uitwendige er van; neen, doch dringen wij tot in het binnenste er van door.

Waarom gaat Jezus gebukt onder het kruis? Waarom? Omdat dat houten kruis zoo zwaar is? O, M. Z., de natuurlijke zwaarte van dat kruis is de eenige reden niet; de voornaamste reden zijn de zonden van het mensch-dom, dus, de zonden, die onze goddelijke Zaligmaker niet bedreven, maar enkel op zich genomen heeft, om er voor te voldoen. Al onze zonden, de zonden der gansche wereld, waarmede Jezus\' kruis beladen is, drukken, vermoeien en putten dat Lam zonder vlekken uit. Wij allen waren afgedwaald, gelijk aan verdoolde schapen. Wij allen waren verkeerde wegen ingeslagen. En ziet, de hemelsche Vader belaadt zijn goddelijken Zoon met ons aller misdaden; Posuit Dominus in eo iniquitatem omnium nostrorztm. 2) Al die misdaden zijn als een zware last drukkend op Jezus neêrgekomen; ja, zij hebben Hem zelfs onder het kruis doen bezwijken.

En waarom is onze goddelijke Zaligmaker tot driemaal toe, en wellicht nog meermalen, en telkens met verdubbeling van mishandelingen en pijnen onder het kruis neérgevallen ? Om het dikwerf vallen, om het telkens dieper en dieper hervallen in de zonde, dat bij ons plaats heeft, uit te boeten.

1) Luc. ixm, 2S etc. 2) Is. Lm, 6.

II. 11\'.

ocr page 179

— 178 -

Ziedaar, M. Z., de reden. En wat mag nu wel de reden zijn van dat ongelukkig hervallen in de zonde? O, men wil zich nog verschoonen. De mensch is zoo zwak, zegt men, en \'t is tot dat ijdel uitvluchtsel, dat men te vergeefs zijne toevlucht neemt, terwijl men voor de ware reden, zoo menigmaal door de ondervinding gestaafd, oogen en ooren sluit. Voorzeker, de mensch is zwak, maar dat is eigenlijk de reden niet van het hervallen in de zonde; \'t is vooral, omdat men de middelen niet gebruikt om sterk te worden. Men verliest God uit het oog, en Gods tegenwoordigheid gedenken, ziedaar nochtans een krachtig middel om heilig te leven, want God zegt: Wandel in mijne tegenwoordigheid en gij zult volmaakt wezen.

Men bidt niet, en het gebed nochtans is het middel\' om te verkrijgen hetgeen wij noodig hebben om ons staande te houden, want God zegt: Vraagt en gij zult verkrijgen.

Men nadert niet dikwijls genoeg, of zonder de ver-eischte gesteltenis tot de H. Sacramenten, en ziedaar nochtans de bronnen, waaruit men moed en sterkte kan putten om aan de aanvallen van de vijanden zijner zaligheid te wederstaan.

Men valt en hervalt dikwijls in dezelfde zonde; waarom? \'t Is vooral, omdat men de gevaren en gelegenheden van zonde niet vlucht of verlaat, omdat- men er zich zonder reden aan blootstelt. Onderzoekt u zeiven, M. Z., en vraagt u eens oprecht af: Waarom ben ik na die biecht zoo spoedig in dezelfde zonden hervallen? En gij zult moeten bekennen, omdat gij naar den raad van den biechtvader niet geluisterd hebt. De biechtvader heeft u gezegd: Breekt af met dien persoon, of gij kunt u niet bekeeren, en gij hebt niet gewild. Gaat niet uit met

ocr page 180

— 179 —

dien slechten persoon, of gij zult in dezelfde zonde hervallen ; gij hebt den biechtvader niet willen gelooven. Blijft van die plaats, uit dat huis weg, of gij kunt u niet beteren; gij hebt het beter willen weten dan uw biechtvader, wijzer willen zijn dan hij, ja wijzer dan God zelf, die gezegd heeft, dat degene, die het gevaar bemint, er in vergaan zal: Qui amat periculum in Ulo peribit. i) Ziedaar de reden, .waarom gij na uwe bekeering, na vergiffenis van uwe zonden bekomen te hebben — als het maar waar is, dat gij u bekeerd, dat gij vergiffenis van uwe zonden bekomen hebt, want dat lijdt niet zelden grooten twijfel •— waarom gij zoo spoedig hervallen, steeds dieper en dieper hervallen zijt, en alzoo uw god-delijken Zaligmaker herhaalde malen onder het -kruis nedergeworpen en Hem telkens meer pijnen veroorzaakt hebt. Daarover vermaant Jezus ons van te weenen, als Hij zegt: Weent niet over mij: Nolite fiere super me: maar weent over u zeiven en over uwe kinderen, sed super vos ipsas fiete et super filios vestros. 2) Niet, M. Z., dat het verboden is, onzen goddelijken Zaligmaker te beweenen, tranen van medelijden over zijn bitter lijden te storten. Voorzeker, dat is niet verboden, \'t is zelfs prijsbaar; maar als Jezus zegt; Weent niet over mij, dan geeft Hij te kennen, dat de tranen, over Hem gestort, ons weinig zullen baten, dat zij Hem niet aangenaam zijn, zoo wij met het oog des geloofs niet hooger opklimmen, zoo wij ons zeiven en onze zonden niet beweenen, die de oorzaak van zijn lijden geweest zijn. Daartoe zet onze goddelijke Zaligmaker ons dus aan, als Hij zegt: Weent over u zeiven en over uwe kinderen. En Hij voegt er de reden bij. Want, zoo gaat Jezus

1) Eccl. m, 27. 2) Luc. xxiir, 8.

ocr page 181

voort, bijaldien zij met het groene hout zoo handelen, wat zal er dan met het dorre geschieden ? Als wilde Hij zeggen: Bijaldien ik, die de Zoon Gods, de Heilige der Heiligen, de Onschuld zelve ben, die de zonden van het schuldig menschdom uit gehoorzaamheid enkel op mij genomen heb om er voor te voldoen; bijaldien ik door toelating van mijn hemelschen Vader zoo verschrikkelijk gestraft word, wat zal er dan eenmaal geschieden met den zondaar, die persoonlijk zoo vele en zoo afschuwelijke zonden bedreven heeft? Wat zal er met dien zondaar geschieden, op het oogenblik dat de goddelijke Rechtvaardigheid, die de kleinste fout niet ongestraft kan laten, in gansch hare zwaarte op hem zal nederkomen, om zich te wreken over die menigte van zonden, die hij gedurende zijn leven als water heeft ingezwolgen en waarmede hij zijnen Heer en God getergd heeft? Wat zal er met den zondaar geschieden op den dag der wrake ? Dies im. Op den dag der wrake, zeg ik. Wie onzer siddert en beeft niet, als hij aan dien schrikverwekkenden dag denkt? O, de gedachte alleen: Eenmaal zal ik voor God moeten verschijnen om geoordeeld te worden! die gedachte alleen, moest zij den zondaar zijn bloed niet doen stol-ten in de aderen? En ziet, de dag der wrake, de dag des oordeels nadert voor hem met rassche schreden. Ja, zondaar! Weldra gaat gij uwen laatsten levensdag beginnen of hebt gij hem misschien reeds begonnen ? want ik vraag u: Kunt gij ook niet eensklaps van deze wereld, evenals zooveel anderen, worden weggerukt? Wellicht bereidt zich de goddelijke Rechter reeds, om u het „Redde rationemquot; l) geef rekenschap van uwe daden, donderend toe te roepen. Te vergeefs zult gij dan uit-

1) Luc. xvi, 2.

ocr page 182

— i8i —

roepen: Bergen, valt op ons! Heuvelen, overdekt ons tegen het bliksemend gelaat van den vertoornden Rechter! O neen, de tijd der vaderlijke barmhartigheid is dan voorbij, en de eeuwigheid der Diiverbiddelijke, der onverzoenbare wrake vangt aan.

SLUITREDE.

Daarom, M. Z., wijl het nog tijd is, dat wil zeggen, wijl wij nog leven, en de nacht, waarin niemand kan werken, dat is, de dood ons nog niet verrast heeft, arbeiden wij voor onze ziel en zaligheid.

Roepen wij de barmhartigheid Gods over ons af; en om ze te bekomen, werpen wij ons voor God neder, vragen wij Hem vergiffenis en beweenen wij onze zonden en misdaden. Ja, doen wij boetvaardigheid, want zonder boetvaardigheid zullen wij allen vergaan. En bijg^/olg nemen wij het kruis of de kruisen, in- of uitwendige, groote of kleine, lichte of zware, van welken aard ook, met overgeving aan den wil van God aan, wijl de kruisen, die ons overkomen, als zoovele- werktuigen zijn, waarmede wij in dit leven onze zonden kunnen uitboeten. Leggen wij het kruis op onze schouders, en slaan wij er met geduld den koninklijken weg mede in, die ten hemel leidt. Jezus is ons met het kruis voorgegaan, en Hij heeft er ons den hemel mede geopend; wij moeten ons kruis ook opnemen en dragen. Die zijn kruis niet opneemt en draagt en mij niet volgt, zegt onze goddelijke Zaligmaker, is mijner niet waardig; hij kan mijn leerling, mijn volgeling niet zijn. Doch, M. Z., zoo wij Jezus\' leerlingen, zijne volgelingen niet zijn, kunnen wij ook nooit onder het getal zijner uitverkorenen gerekend worden. Maria is de eerste der uitverkorenen; zij heeft ook de eerste den weg der uitverkor enen bewandeld;

ocr page 183

- i82 —

getrouw aan de stem van haar goddelijken Zoon, heeft zij de eerste na Hem het kruis opgenomen, en is zij Jezus naar den Golgotha gevolgd.

Die weg des kruises voorzeker is moeielijk en met doornen bezaaid. Hoe oneffen en woest lag hij daar, toen Jezus en Maria hem voor de eerste maal beklommen ? Doch zij hebben hem voor onze zwakke schreden gebaand en vereffend.

Scheppen wij dus moed, M. Z. Nemen wij mat overgeving aan den wil van God ons kruis op; dragen wij het met geduld; roepen wij Jezus en Maria aan; zij zullen ons helpen en bijstaan, en na gedurende eenigen tijd ons kruis gedragen, na de voetstappen van Jezus en Maria gedrukt, den Calvarieberg kloekmoedig beklommen te hebben, zullen wij daar boven aanlanden; ja, wij zullen met het kruis aan de deur des hemels mogen aankloppen, men zal terstond voor ons openen en tegelijkertijd ons toeroepen: Welaan, goede en getrouwe dienaar! Welaan, goede en getrouwe dienares! Enge serve bone et fide lis! Ga de vreugde van den Heer uwen God binnen! Intra ingaudium Domini Dei tui! l) Amen.

1) Matth. xxv, 21.

ocr page 184

ZESDE MEDITATIE.

• Comummatum est!

Het is volbracht! (Joan, xix, 30.)

INHOUD.

VOORREDE.

Wij zijn aan het droevigste van Jezus\' lijden gekomen. — Jezus heeft den kruisweg afgelegd, het toppunt van den Calvarieberg bereikt. — Op dien berg zijn de hoogwaardigste offers der voorwereld opgedragen en rusten de overblijfsels van den eersten Adam. — Op dien berg gaat de afschuwelijkste der misdaden gepleegd, het droevigste der treurtooneelen vertoond , het grootste der liefdewerken voltrokken worden. — Gebed tot Maria.

VERDEELING.

I. Kruisiging van Jezus;

II. Kruisdood van Jezus.

I.

Aankomst op den Calvarieberg. — Vreugde van de vijanden van Jezus. — Mishandelingen Jezus aangedaan, alvorens gekruist te worden. — Kruisiging van Jezus. — De Joden hebben Jezus gekruist. — De Christenen volgen

ocr page 185

— 184 —

de Joden na, zoo dikwijls zij doodelijk zondigen. — Kruisoprichting. — Smarten van Jezus. — Wonderen die er gebeuren. — Jezus hangt tusschen twee moordenaars. — Maria plaatst zich aan den voet des kruises.— Smart dier Moeder bij het aanschouwen van het lijden van haren Zoon.

II..

Jezus aan het kruis bespot en uitgelachen.—De Joden lachen met zijne goedheid en almacht, met zijn koningschap, zijn betrouwen op God en zijn goddelijk zoonschap. — De romeinsche soldaten voegen zich bij de Joden. — Een der moordenaars beschimpt Jezus ook. — De voorbijgangers, de onverschillige toeschouwers. — Voorzegging van den Profeet David volbracht. — Vele Christenen volgen in de kerk de Joden op den Calvarieberg na. — Wat is de H. Mis en hoe woont men ze bij? — Me\'n treft er aan, die enkel toeschouwers zijn; anderen, die rondzien; sommigen, die lachen; men treft er zelfs aan, die zedenkwetsende taal voeren. —Terwijl de Joden Jezus bespotten en uitlachen, vervolgt onze goddelijke Zaligmaker zijn liefdewerk. — Zeven woorden van Jezus. — Dood van onzen goddelijken Zaligmaker. — Wonderen die er gebeuren.

SLUITREDE.

\'t Is volbracht! — De afschuwelijkste der misdaden is gepleegd, het droevigste der treurtooneelen is vertoond, het grootste der liefdewerken is voltrokken. — Les van sterven. — Eenieder zal eenmaal moeten zeggen: \'t Is volbracht! — Beteekenis dier woorden in den mond van den zondaar, van den rechtvaardige. — Welke beteekenis

ocr page 186

— 185 -

zouden wij aan die woorden willen geven ? — Gebed tot Jezus van ons tot zich te trekken. — Gebed tot Maria van ons tot hare kinderen aan te nemen, van voor ons te bidden, nu en in het uur van onzen dood.

ZESDE MEDITATIE.

Consuminatum est!

\'tls volbracht! (Joan, xix, 30.)

VOORREDE.

Na reeds verscheidene en tevens droevige tafereelen van het lijden van onzen goddelijken Zaligmaker verhandeld te hebben, zijn wij eindelijk aan het laatste, doch helaas ! ook aan het droevigste van allen gekomen. Jezus, met zijn kruis beladen, heeft den stellen en moeielijken weg afgelegd, die naar de gerechtsplaats leidt; Hij heeft het toppunt van den Golgotha bereikt.

\'tls op dien berg, M. Z., dat de hoogwaardigste quot;offers der voorwereld zijn opgedragen, \'t Is op den Golgotha, naar de overlevering der Joden, dat God aanvaard heeft de offers van Abel en Noë, van Abraham en Melchise-dech, offers, die niets anders waren dan afbeeldsels van het alverzoenend offer, dat Jezus-Christus op het punt staat zijn hemelschen Vader op te dragen.

\'t Is op dien berg dat de overblijfsels van den eersten Adam rusten, door wiens ongehoorzaamheid de zonde, en door de zonde de dood in de wereld gekomen is. \'t Is op den Golgotha, dat Jezus-Christus, de tweede Adam, door zijne gehoorzaamheid de zonde gaat uitboeten, door

ocr page 187

— 186 —

zijnen dood het menschdom het eeuwige leven gaat bezorgen.

Wenden wij dus, M. Z., onze oogen naar den Calvarieberg. Zien wij hoe daar de afschuwelijkste der misdaden gepleegd, het droevigste der treurtooneelen vertoond, het grootste der liefdewerken gaat voltrokken worden.

Ja, het joodsche volk maakt zich plichtig aan eenen Godsmoord.

Maria ziet haar eenigen Zoon aan het kruis sterven. Jezus geeft zijn leven ten beste, vergeeft aan zijne moordenaars en bidt voor hen.

Dat de allerheiligste Maagd Maria, die zoo ruimschoots in het lijden van Jezus gedeeld heeft, ons de genade bekome, om den dood van haar goddelijken Zoon met vrucht te overwegen.

In de laatste overweging zullen wij zien:

I. De kruisiging van Jezus;

II. Den kruisdood van Jezus.

I.

Zoodra de stoet op den Calvarieberg aangekomen is, begeven zich de gerechtsdienaren aan het werk. Welke vreugde voor de beulen, voor de Pharizeën en Schriftgeleerden, in een woord, voor de vijanden van Jezus, die Hem naar de gerechtsplaats vergezeld hebben!

Vooreerst biedt men onzen goddelijken Zaligmaker-een drank aan, namelijk, wijn met gal gemengd; drank, die eene bedwelming kon te weeg brengen en alzoo het lijden van het slachtoffer verminderen; doch Jezus, die vol gevoel en met zelfbewustheid wil sterven, weigert, na er van geproefd te hebben, te drinken. Daarop slaan de beulen hunne handen aan Jezus; zij nemen Hem de

ocr page 188

— IS; -

doornenkroon van het hoofd en trekken Hem de kleederen uit. \'t Is als het ware eene nieuwe geeseling, die onze goddelijke Zaligmaker te ondergaan heeft. Zij trekken het kleed zonder naad, dat Maria voor haren Zoon vervaardigd heeft, over het hoofd uit. Dat kleed is overal aan zijn -gezegend lichaam vastgeplakt. De wonden, die Hij in de geeseling ontvangen heeft, worden dus opnieuw geopend en \'t bloed stroomt wederom van alle kanten op den grond neder. Bloedige stukken vel en vleesch hangen druipend langs Jezus\' misvormd lichaam. Men zet onzen goddelijken Zaligmaker opnieuw de doornenkroon op het hoofd, \'t Is als het ware eene nieuwe kroning. Vervolgens gebiedt men Hem van zich op het kruishout uit te strekken; of liever, de beulen stooten en werpen er Jezus achterover op neder en beginnen terstond met er Hem aan vast te nagelen.

Ziet eens die beulen aan\'t werk! Welke woede! Welke haast! Welke onstuimige drift! \'t Zijn geen menschen, \'t zijn razende monsters. Een hunner grijpt de rechter hand van Jezus vast, doet ze open, terwijl een tweede een langen dikken nagel neemt, door het vleesch heen-drijft en zijne hand aan het kruishout vastnagelt. Een bloedstraal springt er uit omhoog; het lichaam van Jezus wringt en trekt zich van pijn.

Na de rechterhand aan het kruis genageld te hebben, gaat men met de linker beginnen. Zij trekken aan den ingekrompen linker arm zoo lang, tot dat de hand de bestemde plaats bereikt, en jagen een tweeden nagel door de pezen en spieren heen, totdat ook de linkerhand aan het kruishout vast zit.. Een nieuwe bloedstraal springt omhoog. Het lichaam van Jezus krimpt in, zijne knieën trekken omhoog. De beulen, kwaad dat zij telkens onzen goddelijken Zaligmaker moeten uitrekken, grijpen

ocr page 189

Hem nogmaals aan. Zij trekken zoo geweldig aan zijne voeten, dat de ledematen zich ontwrichten, en dat men de beenderen hoort kraken.

Daar nemen zij de twee langste nagels, en slaan ze met herhaalde hamerslagen door de voeten in het kruishout vast: twee bloedstralen springen uit de wonden; het lichaam van Jezus siddert en trilt; zijne borst hijgt en zucht; zijne oogen sluiten zich en eene zonderlinge doodskleur verspreidt zich over zijne ledematen.

De voorzegging van den koninklijken Profeet is volbracht: Foderunt manus vieas et pedes meos; dinumeraverunt omnia ossa mca. l) Zij hebben mijne handen en voeten doorboord, al mijne beenderen geteld. Doch, o Heer! wat betee-kenen die wonden in het midden uwer handen ? Daarmede ben ik doorwond, antwoordt Jezus, in het huis van hen, die mij beminden; als wilde Jezus zeggen: \'t Is in de Synagoge, dat Ik zoo zeer mishandeld ben. \'t Zijn de Joden, die mij eertijds beminden en die mij nog moesten beminnen, die mij die wonden hebben toegebracht.

Doch helaas! hetgeen Jezus hier van de Synagoge en van de Joden zegt, kan eveneens van de Kerk en van veel ondankbare Christenen gezegd worden. Waarom ? Omdat die Christenen naar de leering van den Apostel Paulus door hunne zonden Jezus-Christus op nieuw kruisen: Rursum crucifigentes sibimetipsis F ilium Dei. 2)

Het goddeloos werk is dus voltrokken. Jezus is aan het kruis genageld. Terstond begint men met het oprichten van het kruis. Wie zal zich ooit een denkbeeld vormen van hetgeen onze goddelijke Zaligmaker in dat oogenblik geleden heeft? Ziet, daar verheft zich het kruis, met Jezus, het Lam zonder vlekken beladen, wan-

1) Ps. xxi, 17. 2) Hebr. vi, 6.

ocr page 190

— iSg —

kelend in de hoogte; het zwaait een oogenblik op zijn voetstuk en valt dan met een geweldigen schok neder in de holte, die men in de rots van den Golgotha gekapt heeft. Jezus slaakt een gil van pijn. Men maakt het kruis met herhaalde slagen en stampen in de holte vast, zoodat het eenigen tijd staat te daveren. Iedere stoot, iedere schok, dien men het kruis geeft, vergroot de wonden en vermeerdert de pijnen van den Godmensch.

En nauwelijks heeft men het kruis opgericht, of er ontstaat een oogenblik eene plechtige stilte. Mij dunkt, de schok van het kruis heeft hemel en aarde bewogen; hij heeft doorgedreund tot in de harten der beulen. Want ziet, de gansche schepping wordt ontroerd; het licht van den dag verflauwt; de zon verbleekt, en ofschoon in haar hoogste standpunt gerezen — want het was bijna middag — schiet zij slechts sombere stralen over het aardrijk; gansch de natuur kwijnt en ligt als in treurnis verzonken.

De beulen zeiven, hoe ongevoelig voor het overige, blijven niet vreemd aan de algemeene ontsteltenis; bevreesd zien zij op en slaan hunne verwilderde oogen op het onschuldig slachtoffer, dat daar voor hen aan het kruis hangt.

En naast het kruis van Jezus rijzen nog twee andere kruisen in de hoogte, waaraan men de twee moordenaars vastgemaakt heeft, het eene aan de rechter-, het andere aan de linkerzijde van Jezus, zoodat de H. Schrift vervuld wordt: Hij is onder de booswichten gerekend: Et cum sceleratis reputaties est. i)

Het kruis is dus opgericht. Jezus, die als middelaar tusschen den beleedigden Schepper en het misdadig

1) Is. lui, 12.

ocr page 191

— igo —

schepsel is opgetreden, hangt daar tusschen hemel en aarde, om de menschen met God te verzoenen. Intus-schen treedt Maria, de Moeder van Jezus, nader; zij komt zich plaatsen aan den voet des kruises. Der droefheid ten prooi, staat zij daar, de oogen vol tranen, terwijl haar Zoon aan het kruis hangt; Stabat Mater dolorosa juxta crucem lacrymosa, dum pendebat Filius. H. Eccl. Maria laat zich niet terug houden door de schande, die van den Zoon op de Moeder nederkomt; zij laat zich ook niet afschrikken door het folterend lijden, dat zij uit te staan zal hebben. Neen, maar Maria plaatst zich onder het kruis, en wel volgens de overlevering aan de rechterzijde van het kruis, want deze is de plaats van den offeraar bij het altaar, en bijgevolg de plaats van de Medeverlosseres bij de offerande van den Verlosser. De beulen, door eene bovennatuurlijke kracht wederhouden, zullen Maria niet durven verwijderen, zij moet daar tegenwoordig zijn; ja, Maria wil in het lijden en de spotternijen met haren Zoon deelen. Mijn God! Mijn God! Wat ziet, wat hoort Maria aan den voet des kruises! Welk een hartverscheurend schouwspel voor eene moeder ! Zij slaat hare oogen omhoog, en ziet haar eenig geboren Zoon, haar teêrge-liefden Jezus aan het kruis hangen. Zijn hoofd is met doornen gekroond; waar Hij het ook wende of niet, het wordt immer door die doornenkroon gefolterd. Het goddelijk bloed loopt over zijn aangezicht. Gansch zijn lichaam, van het hoofd tot de voeten, is met wonden bedekt. Stralen bloeds springen uit zijne doornagelde handen en voeten. Maria ziet haren Zoon sidderen, zich van pijn samentrekken. Jezus vindt geene rust, geene verlichting, welke houding Hij ook aanneme. Steunt Hij op zijne voeten, dan weegt zijn lichaam in gansch zijne zwaarte op twee pijnlijke wonden. Laat Hij zich aan

ocr page 192

— i9i —

de nagels hangen, die zijne handen doorboren, dan scheuren die wonden meer en meer open. IJselijke foltering! Onbegrijpelijke pijn, die onze goddelijke Zaligmaker gedurende drie uren te verdragen heeft! En Maria zijne Moeder staat daar te zien onder het kruis. Zij ziet haar beminden Zoon de verschrikkelijkste pijnen lijden en zij kan Hem niet helpen. Doch dat is niet alles. Bij die hevige folteringen komen zich nog voegen de spotternijen, waarin Maria ook met haren Zoon zal deelen. In plaats van wat troost te vinden bij de menschen, die Jezus zoo zeer bemint en voor welke Hij zijn leven ten beste geeft; in plaats van tot medelijden op te wekken, dat men niet zelden met den grootsten misdadiger heeft, als hij ter dood wordt gebracht, wordt onze goddelijke Zaligmaker nog op de hemeltergendste wijze uitgelachen en bespot. Overwegen wij ook nog die spotternijen, om er ons nut uit te trekken.

II.

Na de kruisiging van Jezus en de oprichting van het kruis verdeelen de soldaten onder elkander zijne kleederen, Zij zetten zich bij het kruis neder en bewaken het. Intusschen vangen de spotternijen aan.

Daar hangt Hij nu! roepen al lachende de Pharizeën en Schriftgeleerden. Zijne tooverkracht is ten einde! Anderen heeft Hij verlost, zich zeiven kan Hij niet verlossen ! Zij verwijten Jezus dus de weldaden, die Hij den Joden gedaan, de wonderen, die Hij onder hen verricht heeft; zij drijven den spot met zijne goedheid en almacht.

Indien Hij de Koning der Joden is, roepen zij, dat Hij dan afkome van het kruis, en wij zullen in Hem geloo-ven! Zoo drijven zij den spot met zijn koningschap.

ocr page 193

Dat Hij zich redde, roepen zij, indien Hij de Christus, de uitverkorene Gods is! Hij heeft op God betrouwd; \'t wordt tijd, dat God Hem voor zijnen Zoon erkenne en Hem verlosse! Hij heeft immers gezegd: Ik ben de Zoon Gods! En dus drijven zij den spot met Jezus\' betrouwen op God en met zijn goddelijk zoonschap.

De romeinsche soldaten voegen hunne spotternijen bij die der Joden. Al lachende lezen zij het opschrift van het kruis, dat Pilatus met groote letters in drie talen heeft laten vervaardigen en boven het hoofd van Jezus heeft doen vastmaken, opdat eenieder het zoude kunnen lezen; Jesus Nazarenus Rex Judaorum: i) Jezus van Nazareth, Koning der Joden. Zij roepen Jezus toe: Zoo Gij de Koning der Joden zijt, red u dan het leven! Ja, wat meer is, een der moordenaars, die met Jezus gekruist zijn, durft Hem lasteren en beleedigen te midden zijner eigene pijnen. Zoo Gij de Christus zijt, snauwt hij Jezus toe, verlos dan u zeiven en ons met u!

Buiten de Pharizeën en Schriftgeleerden, de soldaten en den moordenaar spreken de Evangelisten ook van voorbijgangers, die onzen goddelijken Zaligmaker beschimpen. Hun hoofd schuddende zeggen zij: Ha! Gij, die den tempel Gods afbreekt en in drie dagen weder opbouwt, verlos u zeiven! Zoo Gij de Zoon Gods zijt, kom dan af van het kruis!

De Evangelisten maken ook nog gewag van toeschouwers, dat is, van personen, die bij de kruisiging van Jezus tegenwoordig zijn, doch zonder gevoel; die een onverschilligen oogslag op onzen goddelijken Zaligmaker werpen; Stabat populus spectans: 2) Het volk stond daar te kijken; en die handelwijze ten opzichte van Jezus wordt

1) Joan, xix, 19. 2) Luc. xxm, 35,

ocr page 194

ook onder de spotternijen en beleedigingen gerekend. Te recht zegt dus de Profeet Jeremias, van onzen god-delijken Zaligmaker sprekende : Hij zal verzadigd worden van versmadingen : Saturabitur opprobriis. i) Ja, de voorzegging van den koninklijken Profeet David wordt hier volbracht, als hij reeds jaren te voren in den persoon van den Messias sprekende, zeide: Ik ben een worm en geen mensch: Ego autem sum vermis et non homo: 2) Ik ben de spot der menschen en de smaad des volks: Opprobrwm homimim et abjectio plebis: Al die mij zagen bespotteden mij: Omnes videntes me deriserunt me: Zij hebben hunne lippen geroerd en hun hoofd geschud: Locuti sunt labiis et moverunt caput. Welk een schouwspel ! Welk eene ondankbaarheid, waaraan de Joden zich plichtig maken! Jezus heeft hen met weldaden overladen, Hij offert zich nog uit liefde voor hen op, en zij, zij bespotten en beschimpen Hem.

Doch helaas! M. Z., de Joden zijn de eenigenniet; zij zijn slechts de eerstelingen van zooveel ondankbaren, die in den loop der tijden de liefde van onzen goddelijken Zaligmaker zullen versmaden. Ja, men zal zelfs Christenen aantreffen, die de Joden, de bespotters en beschimpers, de voorbijgangers en de onverschillige toeschouwers van den Golgotha zullen navolgen. Verstaat gij dat, M. Z.? Wilt gij er eene korte verklaring van? Maken wij dan de toepassing.

Wat is het H. Sacrificie der Mis en hoe woont men het bij ?

Het H. Sacrificie der Mis is niets anders dan de vernieuwing van het bloedig Sacrificie des kruises op een onbloedige wijze. Ja, dezelfde Jezus-Christus, die zich op den Calvarieberg opgeofferd heeft aan het kruis, zijn

1) Thr. 111, 30. 2) Pb. xxi, 7.

n. 13.

ocr page 195

goddelijk bloed tot den laatsten druppel vergoten heeft, voor de glorie van God en de zaligheid der menschen; diezelfde Jezus, zeg ik, offert zich thans nog op op het altaar in onze kerken, door de bediening des priesters, voor de glorie van God en de zaligheid der menschen. Ziedaar, wat het geloof ons leert.

En hoe woont men het H. Sacrificie der Mis bij? Luistert wat er plaats heeft.

Jezus, die op den Calvarieberg bespot en beschimpt werd door de Joden, wordt ook bespot en beschimpt door de slechte Christenen in onze kerken, \'t Is de ondervinding, welke die droevige waarheid bevestigt. Op den Calvarieberg waren er weinigen, die naar behooren het bloedig Sacrificie des kruises bijwoonden; velen, die Jezus bespotteden en beschimpten. In de kerk zijn er wel is waar velen, die met eerbiedigheid en aandachtigheid het onbloedig Sacrificie der Mis bijwonen; weinigen, die zich ontstichtend gedragen; doch wijl wij allen, zonder uitzondering, van godsdienstige gevoelens doordrongen, het H. Sacrificie der Mis moeten bijwonen, daarom zijn die weinigen nog te veel. Deze laststen volgen in zekeren zin de Joden op den Calvarieberg na.

Op den Calvarieberg waren er bij de kruisiging van Jezus tegenwoordig, die enkel toeschouwers waren, die stonden te kijken: Siabat fopulus spectans. l) In de kerk zijn er bij het H. Sacrificie der Mis tegenwoordig, zonder te weten wat zij doen, zonder acht te geven op hetgeen er plaats heeft; die lichamelijk tegenwoordig zijn, maar die zich met hunnen geest, hetzij te huis, hetzij elders, vrijwillig ophouden.

Op den Calvarieberg waren er bij de kruisiging van

1) Luc. xxiii, 35.

ocr page 196

— 195 —

Jezus tegenwoordig, die hun hoofd schuddeden; Moventcs capita sua. i) In de kerk zijn er bij het H. Sacrificie der Mis tegenwoordig, wier hoofd zelden of nooit stilstaat; die nu rechts, dan links; nu hier, dan daar rondzien.

Op den Calvarieberg waren er bij de kruisiging van Jezus tegenwoordig, die Hem bespotteden en uitlachten: Deridebant eum et illudebant. 2) Welnu, in de kerk zijn er bij het H. Sacrificie der Mis ook tegenwoordig, die lachen, die schier den ganschen tijd lachen, terwijl Jezus zich aan God zijn hemelschen Vader opoffert.

Op den Calvarieberg waren er bij de kruisiging van Jezus tegenwoordig, die Hem beschimpten: Anderen heeft hij verlost, zich zeiven kan Hij niet verlossen: Alios salvos fecit, seipsum non potest salvum facerc; 3) en dergelijken. In de kerk zijn er bij het H. Sacrificie der Mis tegenwoordig, die praten; die zelfs eene taal durven voeren, die door een Christen mensch nooit moest gevoerd worden en waardoor zij Jezus-Christus, het Lam zonder vlekken, zoozeer enteeren.

Er zijn dus Christenen, gelijk gij ziet, die de Joden op den Calvarieberg navolgen, en die Christenen zijn de ongodsdienstige, de ontstichtende Christenen in de kerk, de onteerders van Gods huis. Wee die ongelukkigen, zoo zij niet bijtijds tot inkeer komen! Voorwaar! Voorwaar! Het zal dien ongodsdienstigen, dien ontstichtenden Christenen niet beter vergaan, dan het den Joden, die Jezus aan het kruis bespotteden en uitlachten, vergaan is!

Terwijl de Joden onzen goddelijken Zaligmaker te midden der hevigste folteringen bespotten en uitlachen, zet Jezus zijn liefdewerk voort en zal het weldra voltrekken. Hij vergeeft aan zijne vijanden; Hij vraagt zijn hemelschen Vader

1) Mare. xv, 29. 2) Luc. xxra, 35-36. 3) Matth. xxvn, 42.

ocr page 197

zelfs vergiffenis voor hen en wil hen nog verschoonen: Vader! zegt Jezus, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen! Pater! Dimitte illis non enim scitcnt quid fa-ciunt! i) Jezus belooft den hemel aan eenen misdadiger, die aan zijne zijde gekruist is, en die, op het einde zijns levens tot inkeer gekomen, zijnen God verdedigt. Voorwaar, Ik zeg het u, zegt Jezus, heden zult gij met Mij zijn in het Paradijs: Hodie mecum eris in Paradiso. 2) Jezus heeft zich voor het menschdom ten beste gegeven. Wat blijft er Hem nog over? Van af het kruis ziet Hij Maria, zijne Moeder, en Joannes, zijnen leerling, die ons vertegenwoordigt. Die Moeder gaat Hij aan Joannes, en in den persoon van Joannes, aan ons allen schenken. Vrouw! Ziedaar uwen Zoon! zegt Jezus tot Maria: Muiier! Ecce Filius tuus! 3) En tot Joannes: Ziedaar uwe Moeder! Ecce Mater tua! O, M. Z., trachten wij het geschenk, dat Jezus ons hier doet, te waardeeren. Beminnen en dienen wij naar het voorbeeld van den H. Joannes die doorluchtige Moeder, de Moeder van Jezus, ook onze Moeder geworden.

Nu bezit Jezus niets meer; zijne schatten zijn uitgeput. Zijn Goddelijk bloed loopt nog, doch slechts bij druppels op de aarde neder; de laatste druppel zal ook weldra vergoten zijn.

Doch ziet, de duisternissen nemen toe; de zon verbleekt steeds meer en meer, als of zij uitgedoofd ging worden, \'t Is ongeveer het negende uur, dat is, drie uur namiddag. Jezus, van allen menschelijken troost verstoken, wordt ook nog als verlaten van de Godheid. Eli! Eli! Lamma Sabacthani? 4) roept Jezus met luider stemme ; dat wil

I) Luc. XXIII, 34. 2) Luc. xxm, 43. 3) Joan, xix, 20-27. i) Matth. xxvii, 46.

ocr page 198

— 197 —

zeggen; Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij mij verlaten ? Eenige omstanders, die Jezus hooren roepen; Eli! Eli! zeggen: Hij roept Elias, terwijl anderen al spottende er bijvoegen: Laten wij eens zien of Elias Hem zal komen verlossen.

Er moest nog eene voorzegging, door den koninklijken Profeet gedaan, vervuld worden; men moest Jezus nog met edik laven. Onze goddelijke Zaligmaker zeide dus: Sitio! i) Ik heb dorst! Er stond eene kruik met edik aan den voet des kruises. Een soldaat nadert, doopt er eene spons in, steekt ze op eenen rietstok en brengt ze onzen goddelijken Zaligmaker aan de lippen. Zoodra Jezus van den edik geproefd heeft, zegt Hij: Consum-matum est! Het is volbracht! Vader! roept Jezus met eene krachtige stem, om te toonen dat Hij uit vrije keus sterft: Vader! In uwe handen beveel ik mijnen geest! Pater! In manus tuas commendo spiritum meum! 2) En na zijn hoofd gebogen te hebben, gaf Hij den geest]: Et inclinato capite tradidit spiritum. 3)

En ziet, M. Z., welke schrikbarende wonderen er op dat oogenblik gebeuren. Gansch de schepping, hemel en aarde betreuren den dood van hunnen Schepper. De zon weigert haar licht. Eene verschrikkelijke aardbeving schokt den grond. De rotsen van den Golgotha scheuren met een ijselijk gekraak. Het voorhangsel van den tempel wordt van boven tot beneden in twee stukken gereten. De graven openen zich en werpen hunne dooden uit. Schrikverwekkende verschijnsels vertoonen zich in de stad. De hoofdman en de soldaten, getuigen van de wonderen, die er gebeuren, belijden de onschuld en de Godheid van Jezus. De menigte slaat zich rouwmoedig op de borst.

1) Joan, xix, 28. 2) Luc. xjcm, 46. 3) Joan, xix, 30.

ocr page 199

— 198 —

vlucht in alle haast naar de stad en laat de soldaten en eenige vrienden van Jezus alleen op het tooneel van den Godsmoord.

SLUITREDE.

Consummatum est! l) \'t Is volbracht! Ja, Jezus is dood! Daar hangt Hij nu aan het kruis, levenloos, onbeweeglijk, zoodanig misvormd, dat Hij nauwelijks meer te kennen is.

Consummatum est! \'t Is volbracht! De afschuwelijkste der misdaden is gepleegd. De schepselen hebben hunnen Schepper, de ondankbaren hunnen Weldoener, de Joden hunnen Messias, de zondaren hunnen Verlosser, hunnen God vermoord.

Consunimatuni est! \'t Is volbracht. Het droevigste der tafereelen is vertoond; Maria heeft haar eenigen Zoon op de hemeltergendste wijze bespot, op de onmensche-lijkste wijze gefolterd, aan het kruis zien sterven.

Consummatum est! \'t Is volbracht! Het grootste der liefdewerken is voltrokken. Hemel en aarde. God en de mensch zijn met elkander verzoend. De hemel is heropend en de hel is gesloten.

Ja, \'t is volbracht! lieve Jezus! Gij hebt de taak, door uw hemelschen Vader U opgelegd, hoe moeielijk ook, volbracht. Gij hebt het menschdom van de slavernij des duivels en van den eeuwigen dood verlost. Weldra zal men uw gezegend lichaam van het kruis afnemen en begraven; doch na drie dagen zult Gij, overwinnaar des doods, roemrijk uit het graf opstaan en nimmer meer sterven.

Wijl wij hier, M. Z., met den dood van Jezus eindigen, zoudt gij ook wel eene les van sterven willen hooren.

1) Joan, xix, 30.

ocr page 200

— 199 —

Welnu, aanschouwt dan uw goddelijken Zaligmaker dood hangende aan het kruis, en herinnert u zijne voorlaatste woorden. Die woorden zullen wij allen eenmaal moeten uitspreken, hetzij zondaren, hetzij rechtvaardigen.

\'t Is volbracht! zal eenieder onzer ten minste metterdaad moeten bekennen; doch hoe verschillend zal de beteekenis dier weinige woorden wezen.

O, de ongelukkige zondaar! Welk een bitter oogenblik voor hem, als hij op zijn sterfbed uitgestrekt, van vrees en angst bevangen, zal denken, Consummatum est! \'t Is volbracht.

\'t Is volbracht! Alles is voorbij ! Voorbij de wereld met hare schatten en rijkdommen, met hare grootheid en pracht, met hare vermaken en pleizieren! Voorbij mijn leven, waarvan de dagen sneller gevlucht zijn dan een renbode, en vergaan zonder eenige hoop! Voorbij de tijd, dien God mij gegeven heeft, om voor mijne ziel en zaligheid te besteden, en dien ik zoo schandelijk misbruikt heb tot mijne eeuwige verdoemenis! Voorbij de genaden en weldaden, die God mij zoo overvloedig geschonken heeft, en waarmede ik mij zoo gemakkelijk had kunnen zalig maken, doch die ik, helaas! in mijne dwaas-en verblindheid heb weg gesmeten! Alles is voorbij! En nu, nu moet ik sterven, en er blijft mij niets meer over dan het kille graf! O dat graf, waarin mijn lichaam de prooi der wormen zal worden! Dat graf, waaruit het in den laatsten dag des oordeels in een afschuwelijken staat zal opstaan, om, met de zondige ziel vereenigd, geoordeeld en veroordeeld te worden tot de hel! Wee mij ongelukkige! want alles is voorbij! Consummatum est!

Hoe gelukkig daarentegen is de rechtvaardige! Welk ■een zalig oogenblik^ voor hem, wijl hij met voldoening op het verledene kan terugzien, met blijdschap op de toekomst mag staren! Met vreugde mag hij op het einde

ocr page 201

200

zijns levens de woorden van onzen goddelijken Zaligmaker uitspreken: Consutntnatufn est! \'t Is volbracht! Ja, \'t is volbracht! Alles is voorbij! Voorbij de kruisen van dit tranendal! Voorbij de beproevingen van den strijd! Voorbij de vermoeienissen van den arbeid! Voorwaar, ik heb een goeden strijd gestreden: Bonum certamen certavi; ik heb mijne loopbaan afgelegd: cursum consummavi; ik heb het geloof bewaard: jidem servavi. i) En nu, nu ga ik sterven. Mijn lichaam zal wel is waar, begraven worden, doch ik weet dat mijn Verlosser leeft; dat ik ten jongsten dage zal verrijzen, en dat mij dan de belooning, voor de gerechtigheid weggelegd, zal gegeven worden. Die zoete hoop beurt mij op, daarmede troost ik mij.

Wie onzer, M. Z., ik vraag het u, zoude in het uur des doods het Consummatum est! \'t is volbracht! van den rechtvaardige niet willen uitspreken?

Daarom, volgen wij in ons leven den rechtvaardige na. Beminnen wij onzen goddelijken Zaligmaker; dienen wij Hem getrouw, want \'t is op die voorwaarde, en op die voorwaarde alleen, dat wij met den rechtvaardige die woorden zullen mogen uitspreken.

O lieve Jezus! terwijl wij U aan het kruis zien hangen, wenden wij ons tot U. Wij herinneren ons, dat Gij tijdens uw leven gezegd hebt: Wanneer ik eenmaal van de aarde zal verheven zijn, zal ik alles tot mij trekken: Ego si exaltatus fuero a terra omnia traham ad me ipsunt. 2) Nu, nu zijt gij van de aarde aan het kruis verheven; trek ons nu ook tot u; vereenig ons door de banden der liefde met U, en wel zoo vast, dat wij nooit, in eeuwigheid niet van U gescheiden worden.

O Maria! Moeder van Jezus 1 door uw goddelijken Zoon

1) II Tim. iv, 7. 2) Joan, xii, 32.

ocr page 202

201

onder het kAiis tot onze Moeder aangesteld, neem ons allen tot uwe kinderen aan. Bid voor ons, o goede Moeder! zoolang wij hier op aarde in dit tranendal nog moeten verblijven, en bid vooral voor ons in het uur van den dood, om met den rechtvaardige opgeruimd te mogen zeggen: \'t Is volbracht! En om vervolgens Jezus uw goddelijken Zoon en U, o goede Moeder! te mogen bedanken voor alles wat Gij voor ons gedaan hebt, en eindelijk, om in gezelschap van Engelen en Heiligen in den schoonen hemel Gods barmhartigheid te moge lof-zingen gedurende de eeuwen der eeuwen: Misericordias Domini in czternum cantabo. l) Amen.

1) Ps. Lxxxvm, 2.

ocr page 203

BLADWIJZER.

DERDE JAARGANG.

EERSTE MEDITATIE.

Bladz.

Van de instelling van het allerheiligste Sacrament des Altaars tot het verraad van Judas. 9

I. Droefheid van Jezus in den Olijfhof .... II Over de droefheid over de zonden.

II. Gebed van Jezus tot zijn hemelschen Vader. 15 Over het gebed en deszelfs voorwaarden.

TWEEDE MEDITATIE.

Van het verraad van Judas tot de gevangenneming van Jezus..........21

I. Verraad door Judas gepleegd.......24

Over het niet bedwingen eener slechte neiging.

II. Zondaar, die Judas navolgt.......28

Over de heiligschendende Communie.

DERDE MEDITATIE.

Van de gevangenneming van Jezus tot de rechtbank van Pilatus..........

35

ocr page 204

— 203 —

Bladz.

I. Mishandelingen van Jezus in het huis van Caïphas. 37 Over het vergeven van de beleedigingen zijner vijanden.

II. Droefheid van Jezus veroorzaakt door Petrus

en Judas.............44

Over het vluchten der gevaren en gelegenheden van zonde.

VIERDE MEDITATIE.

Jezus voor de rechtbank van Pontius-Pilatus. 54

I. Jezus in verhoor bij Pontius-Pilatus.....55

Over het rijk Gods.

II. De schijnheiligheid der Pharizeën en Schriftgeleerden en de onverschilligheid van Pontius-

Pilatus ..............61

Over de huichelarij en de onverschilligheid in het aanhooren van Gods woord.

VIJFDE MEDITATIE.

Jezus voor de rechtbank van Herodes ... 69

I. Jezus door Herodes beleedigd......70

Over de bespottingen der wereld.

II. Welke Christenen door de wereld beleedigd

worden..............75

Over het lot der bespotteden en der bespotters.

ZESDE MEDITATIE.

Jezus voor de tweede maal voor de rechtbank

van Pilatus.... ........84

I. Beleedigingen Jezus op nieuw bij Pilatus aangedaan..............86

ocr page 205

204 —

Blade.

De Joden geven de voorkeur aan Barabbas boven Jezus.

11. Wie de Joden navolgen.........91

De zondaren geven de voorkeur aan den duivel boven God.

VIERDE JAARGANG.

EERSTE MEDITATIE.

Korte geschiedenis van Jezus\' lijden van het begin tot de geeseling........loi

I. Gebed van Jezus en verraad van Judas. . . . 103 Over het gebed en de heiligschendende Communie.

II. Jezus voor Caïphas, Pilatus en Herodes . . . 107 Over de misdaad, waaraan de zondaar zich plich-

tig maakt.

TWEEDE MEDITATIE.

Jezus wordt gegeeseld.........118

I. De geeseling van Jezus.........119

Over het schande- en pijnlijke dier geeseling. 11. Welke zonde door de geeseling vooral is uitgeboet..............I26

Over de onkuischheid.

DERDE MEDITATIE.

Jezus wordt met doornen gekroond . . . . 133

I. De kroning van Jezus . . .......134

Over het schande- en pijnlijke dier kroning.

ocr page 206

— 205 —

Bladz,

11. Welke zonden door de kroning zijn uitgeboet. 140 Over de hoovaardigheid, de wederspannig- en zinnelijkheid.

VIERDE MEDITATIE.

Ecce Homo! Zie den Mensch!.....

I. Jezus wordt door de Joden verworpen. . .

De zondaren verwerpen Jezus ook.

II. De Joden stellen den keizer boven hunnen Messias De zondaren stellen den duivel boven God.

VIJFDE MEDITATIE.

De kruisdraging van Jezus.....

I. Jezus neemt het kruis op de schouders .

Geschiedenis van den kruisweg.

II. Jezus valt en hervalt onder het kruis . . De zondaren hebben Jezus doen vallen en vallen.

ZESDE MEDITATIE.

De kruisiging en de dood van Jezus . . . . 185

I. Jezus wordt aan het kruis gehecht.....186

De zondaren kruisen Jezus op nieuw.

II. Jezus, aan het kruis bespot, sterft.....191

De oneerbiedige Christenen volgen de bespotters na.

■ 149

• IJl

■ 157

. . 167

. . 169

. . 176 her-

ocr page 207

■■■ r

Reïmprimatur.

RuRjEMtJND^E, iS Decuinbris ïSSg.

P. J. H. Russel, Can. thcol., Librokum Censor.

ocr page 208
ocr page 209
ocr page 210

cBij- cVn^cfj-\'oe-vt. Detoofveneit:

Maria, toonbeeld aller deugden. Een volledig Gebeden Overvvegingboek, inzonderheid voor Katholieke jongc-dochters. Met kerkelijke goedkeuring, 418 bladzijden groot.

Dit werkje, geheel aan de vereering van Maria gewijd, is een uitmuntend gebedenboek voor het geheelc jaar en bijzonder voor de feestdagen van Maria en do Meimaand. De prijs is ingenaaid fr. 1,25, gebonden in een zeer net linnen bandje fr. 1,60.

St. Joseph. Patroon der Christenen en der H. Kath. Kerk, door een R. K. Priester, bevattende: Misoefe-ningen ter eere van den H. Joseph, oefeningen gedurende de maand Maart, noveen ter eere van den H. Joseph en verschillende Litaniën en gebeden ter zijner eere. Prijs gebrocheerd fr. 0,60; gebonden in net zwart linnen bandje fr. 0,95.

Onze Lieve Vr. van Lourdes, korte Schets, getrokken uit den Herderlijken brief van Mgr. Billère, Bisschop van Tarbes. Prijs fr. 0,30; bij 50tal fr. 0,35 ; bij loolal fr. 0,20.

Handboekje voor de Leden der Wereldlijke Derde Orde

van den H. Franciscus.

3e Gedeelte. Gezangen fr. 0,20.

Muziek fr. 0,50.

Sint-Franciscus. Maandschrift voor de Leden van dc Derde Orde. Verschijnt in afleveringen van 32 pag.; franco per post fr. 3,75 Per jaa1\'-

St. Josephsblad. Weekblad voor H. Familien, Katholieke Vereenigingen en huisgezinnen, onder de hooge bescherming van Z. D. H. den Bisschop van Roermond. Per jaargang fr. 2,10.

Diploma\'s voor de Aartsbroederschap de H. Familie, in zes kleuren fr. 0,30.

ocr page 211

ONDERRICHTINGEN

ix Dl-:

iP r L1 r

tJC\' l oo f o ~ c n c c n i ccz,

.NAAK IH \\

MECH1 •:J.SCHEN CATECHISMUS,

DOOR

ANT. ROOYERS, Pastoor.

Vijf boekdeclen van ruim 2oco blndz., goedgekeurd ea aanbevolen door HH. Doorl. IToog-\\\\-. de Bisschoppen van Luik, Roermond cn Breda. J\'rijs fr. io,—.