VERZAMELING
VAN
TWEEDE DEEL.
4
l\'jB
VERZAMELING
VAN
HOOFDZAKELIJK VOOR BESTUURDERS
jBROEDERSCHAP DER ji. j^AMILIE J
DOOK DEN
Eerw. Heer J. NUIJTS;
IMPRIMATUR.
P. MANNENS, S. Theol. Doct et Prof. Librorum Censor.
Rursemuudse, 2 Julii 1887.
TWEEDE DEEL.
Men w t pwe ïspgadermg,
I. DE DEUGDEN. GODDELIJKE DEUGDEN.
I.
Geloof.
Het doel onzer Broederschap, M. B., bestaat hierin: mensohen van eiken stand, geslacht en leeftijd in de gelegenheid te stellen, om een echt christelijk, dat wil zeggen : een godsdienstig en deugdzaam leven te kunnen leiden. Hen daarin onderrichten, hen daartoe opwekken, moet de eerste zorg van een Bestuurder der Broederschap zijn. Al den tijd dat ik aan het hoofd sta onzer Broederschap, heb ik naar dat doel gestreefd, daarvoor heb ik gewerkt, â en wel door
1
â 2 -
het houden van conferentiën die het christelijk leven ten doel hadden; â die stof, B. M., wil ik hervatten; ik heb mij namelijk voorgenomen, in eene reeks conferentiën, opgeluisterd door voorbeelden, u eens het gansche christelijk leven te ontvouwen en dat wel op eene eenvoudige en practisohe wijze. Vooreerst ga ik u spreken over den grondslag waarop het christelijk leven gevestigd moet zijn, namelijk op de drie Goddelijke Deugden: G-eloof, Hoop en Liefde.â Dezen avond iets over het Geloof.
Het Geloof de eerste der drie Goddelijke Deugden, is eene gave Gods en oen licht, waardoor wij vastelijk gelooven, al wat God geopenbaard heeft en de H. Kerk ons voorhoudt te gelooven.â Goeft wel acht op hetgeen ik zeg : âeene gave Gods en oen licht.quot; Nu die gave wordt niet aan iedereen goschotiken, en met dat licht wordt niet iedereen bestraald.â Werpt, om u daarvan te overtuigen, maar eens een blik op de wereld. Da-ir zijn miüioenen menschen, die in de scheuring, in de dwaling, in afgoderij, in ongeloof leven en sterven ; terwijl het getal der ware geloovigen zoo betrekkelijk gering is. Men schat de bevolking der aarde op ongeveer 1436 millioen menschen; daarvan zijn ongeveer 1036 millioen heidenen. Turken en ongeloovigen,â en slechts 400 millioen christenen; doch van die 400 millioen christenen moet men de protestanten, schismatieken en nog: verschillende andere sekten aftrekken ; zoodat het getal rechtzinnige geloovigen uiterst gering wordt.â Het Geloof is dus eene gave, â en wel eene onverdiende gave Gods.â Ten tijde van den Zaligmaker, waren er duizenden die getuigen waren der wonderen en mirakelen welke Hij verrichtte,â en toch zijne leer niet aannamen, niet wilden gelooven ; â terwyl anderen, zonder eenig
teeken gezien te hebben, geloofden.â De gave des Geloofa is een groot geheim. Aan sommigen, die met het geloof weinig of geen voordeel doen, verleent God niettemin het geloof, terwijl anderen die er wellicht hun voordeel mede gedaan wouden hebben, in de dwaling leven en sterven. Den 2 October 1853, stierf te Parijs, Frans Arago, een der beroemdste natuur- en sterre-kundigen van zijnen tijd, en daarenboven een rechtschapen man. Alle takken der natuurwetenschappen waren hem eigen, en hij wist ze met een onnavolgbaar talent, alsmede helder en sierlijk voor te dragen.â Hij vorschte de geheimen des hemelsch na, ontdekte nieuwe eigenschappen aan zon, sterren en planeten; maar die groote geleerde kende God niet, hij kende niet den Maker dier zon sterren en planeten.â De hemel, die de glorie Gods verkondigt, was voor hem een gesloten boek en zijn hart klopte nooit voor God, maar enkel voor diens werken. Eenige dagen vóór zijnen dood, sprak hij tot een oprechten vriend die hem opwekte zich te wenden tot God en te bidden : âIk weet niets,â volstrekt niets van God en van de leerstukken der openbaring. Het vraagstuk van den oneindigen God en van het andere leven is mij een ondoorgrondelijk geheim ; zijne diepte doet mij huiveren, ik durf er niet aan denken, mijn verstand zou zich verliezen in dien oceaan zonder strandenquot;.â En in die stemming stierf hij.â Hij was bedeeld met de grootste talenten en geestesgaven, doch miste de gave des Geloofs.â Het Geloot is niet alléén eene onverdiende, maar ook eene kostbare gave. Dat moet ons aanzetten den schat des Geloofs goed te bewaren; want wie dien schat heeft verloren bekomt hem zelden of niet meer terug. De geschiedenis en de ondervinding strekken daartoe ten bewijze.â Onder degenen
die afvallig zijn geworden van het geloof, vindt men er bijna geene die zich bekeerden. De gave des geloofs eenmaal verloren, blijft in den regel voor altijd verloren.â Do Belgische oud-minister Frère die algemeen bekend staat, als een der grootste vrijdenkers en ongsloovigen van onzen tijd, was in zijne jeugd ge-loovig. Men verhaalt, dat hij den godsdienst grondig bestudeerd heeft, â ja zeer goed op de hoogte is met de Summa Theologi^a van den H. Thomas ; die man nu verloor het geloof, dwaalde immer verder en verder af, en is zoo ver gekomen dat hij thans op hoogen leeftijd, van ongeloovige, tot bitteren godsdiensthater is overgegaan. â Het is dan ook te vreezen dat hij na als vrijdenker geleefd te hebben ook als vrijdenker zal sterven. â Philip Melanchton, verliet bij het ontstaan der hervorming de Moederkerk waarin hij gedoopt en opgevoed was,â hij werd zelfs Luthers boezemvriend en diens rechterhand in de verbreiding der nieuwe leer ; dat belette evenwel niet, dat Melanchton alles behalve gerust was over den stap dien hij gedaan had ; want toen zijne oude moeder die katholiek gebleven was, op haar sterfbed haren zoon smeekte haar te zeggen ; of zij bij het oude geloof moest blijven of wel het nieuwe aannemen, gaf hij ten antwoord : âMoeder, blijf bij hot oud geloof; wantin den nieuwen godsdienst ishet wel gemakkelijker leven, maar in den ouden, is het beter te sterven.quot; â Hij die zoo sprak tot zijne stervende moeder, was een afvallige van het geloof; als dusdanig leefde en stierf hij. Nog eens, â kostbaar is de gave des geloofs, wie haar verliest, bekomt haar zelden of niet terug.â Nu komt eene tweede vraag. Hoedanig moet ons geloof zijn ?â Het moet 1) vast wezen; dat wil zeggen ; onwrikbaar, met uitsluiting van eiken vrijwilligen twijfel. Zooda-
nig was het geloof der H. Theresia, die bereid was voor het geringste punt des geloofs, haar leven te geven. Dat neemt niet weg dat men soms onvrijwillige twijfels en bekoringen kan hebben tegen het geloof. Doch evenmin als een storm een goed gebouwd huis kan doen schokken; evenmin kan eene bekoring, iemand die een vast, een onwrikbaar geloof heeft, doen wankelen.-â In bekoringen tegen het geloof doet men het best, met eene akte vau Geloof te verwekken, en de bekoring op eene of andere wijze te verdrijven. Het voorbeeld van den grooten Origenes, moet ons dienen tot waarschuwing, om vast en onwrikbaar in het geloof te staan. Origenes was de zoon eens martelaars ; ja verlangde zoo vurig naar den marteldood, dat zijne moeder gedwongen was zijne kleederen te verbergen; opdat hij zich niet zou werpen in de handen der beulen. Om zijne zuiverheid mocht men hem een engel noemen, en om zijn geest van gebed geleek hij aan een bewoner der woestijn. Vele gewesten had hij door zijnen apostolischen ijver in het geloof versterkt; vele zielen voor Jesus gewonnen, vele boeken ter verdediging van den godsdienst geschreven, â en die groote geloofsheld viel in verschillende dwalingen, zoozeer zelfs dat volgens het beweren van velen, de grondslag des Geloofs in hem min of meer geschokt was geworden. â Ons geloof moet 2) levendig zijn, d. w. z. : het moet vergezeld gaan van de werken des geloofs; namelijk het kwaad mijden en het goede doen. Gelijk een boom zonder levenssap en een lichaam zonder ziel dood is, â zoo is ook het Geloof dood, als het niet door de Liefde bezield wordt. â En waaraan erkent men of een boom gestorven en of een lichaam dood is ? Zoodra de boom ophoudt bladeren, bloemen
en vruchten voort te brengen ; â en als het lichaam niet meer ademt noch zich beweegt; dan besluiten wij terecht, dat zij dood zijn. Datzelfde geldt voor het Geloof. Brengt het geen vruchten voort, spoort het ons niet aan het goed te doen en het kwaad te vluchten; dan is dit een teeken,, dat ons geloof zonder liefde, dat is zonder leven, â of dood is. De H. Ansolmus, nog kind zijnde, had een zoo levendig geloof dat hij soms tot zijne makkers zeide: âindien men mij van den eenen kant de hel, en van den anderen kant eene doodzonde toonde, en ik kiezen moest, â zou ik nog liever in de hel vallen, dan in de zonde.quot; â Krachtig bewijs van een levendig geloof. Ons geloof moet 3) standvastig zijn; namelijk wij moeten bereid zijn liever alles, zelfs ons leven op te offeren dan ons geloof te verzaken. â Luistert eens naar een voorbeeld, genomen uit den oorlog, dien de Franschen in 1836 in Afrika voerden. Alle Fransche soldaten die in handen der Turken vielen, moesten óf sterven óf hun geloof verzaken en den Koran omhelzen. â Nu, op zekeren dag werd een fransche militaire wachtpost, onverhoeds overrompeld en krijgsgevangen gemaakt. â Allen soldaten werd de keuze gelaten hun geloot te verzaken of te sterven. De luitenant die het bevel voerde over den post, sloeg peinzend zijn blik in de hoogte, als wilde hij zich bedenken, wat hem te doen stond,â wierp vervolgens een ondervragenden blik op den tamboer die naast hem stond, en zeide : âWat gedaan ?quot; â Luitenanti was het antwoord van den tamboer, doe zooals j;ij verkiest; wat mij betreft, nooit zal ik mijn God, noch mijn Doopsel verloochenen.quot;â Goed, brave jongeling ik ook niet, sprak de luitenant. Ik ook niet,â ik ook niet, â ik ook niet, riepen de anderen; uitgenomen
twee, die hun geloof verloochenden; en waarvan de een kort daarna stierf, terwijl de ander door de vlucht ontsnapte en naar Frankrijk terugkeerde. Alle anderen werden doodgeschoten om wille van het Geloof. Schoon voorbeeld van een standvastig geloof. â Leert uit het gezegde in deze Conferentie, M. B., God dikwijls en vurig te danken voor de groote gave des Geloofs. Verlevendigt dikwijls uw geloof, vooral in bekoringen en twijfels tegen het Geloof; maar vooral leeft volgens de grondstellingen van het Geloof; komt uit voor uw geloof, met den mond en metterdaad.â Openbaart uw geloof\' door de beoefening van Jiet gebed ; het veelvuldig bijwonen der H. Mis ; het aanhooren van Gods woord, en het dikwijls naderen tot de HH. Sacramenten. Daarenboven bevestigt en verlevendigt het Geloof in uwe onderhoorigen en kinderen; zegt niet zooals sommigen : voor het godsdienstig onderricht mijner kinderen behoef ik niet te zorgen.â Dat hoort te huis in de kerk, dat is de zaak van den pastoor. Neen, â verkeerd geoordeeld. Dat is eerst en vooral de zaak der ouders en vervolgens die van den pastoor. M. B., ieden der H. Familie, â weest gij vooral toonbeelden van geloof, â uwe roeping is het, te midden der hedendaagsche onverschilligheid, het geloof staande te houden onder de werkende klas,â door woord en voorbeeld anderen te leeren; met andere woorden mannen te zijn van geloof\'. In het geloof ligt voor u besloten, kracht en troost tijdens uw leven, en hoop en vertrouwen op uw sterfbed.â Amen.â
II.
Hoop.
De tweede der drie Goddelijke Deugden, de tweede hoeksteen waarop het christelijk leven moet steunen, is de Hoop.â Heeft het Geloof iets verhevens, de Hoop heeft iets troostends, iets bemoedigends in zich. Dat nu hebben wij juist het meest van noode in ons leven, te midden der beproevingen en ellenden, waardoor \'smen-schen leven vergald wordt. â Wat immers bemoedigt vooral dien man, die een hem dierbaar pand, naar het kerkhof draagt? De hoop, het eenmaal in den hemel weder te zien. â Wat steunt een zieke die daar op zijn bed van smarten, onverpoosd gefolterd wordt? De hoop, dat die pijnen eerlang in het ander leven, door vreugde en genot zullen vervangen worden. â Wat steunt dien arme en behoeftige die van honger en gebrek wegkwijnt? De hoop op de schatten en rijkdommen des hemels. Wat steunt den diep gevallen zondaar te midden der gewetensangsten, waarmede hij gekweld wordt? De hoop op de vergiffenis zijner zonden, door middel van het H. Sacrament der Biecht. Neemt de Hoop weg uit de wereld, het leven wordt ondragelijk; met de Hoop daarentegen wordt alles zoet. Wat is nu de deugd der
Hoop? Eene bovennatuurlijke genegenheid der ziel, waardoor wij met een -vast vertrouwen, van Gods goedheid verwachten het eeuwig leven en de middelen die daartoe noodig zijn. Het voorwerp dus onzer Hoop moet zijn: de eeuwige zaligheid, en de middelen die ons daar moeten heenleiden. M. B., het is niet genoeg dat wij eene sehoone toekomst hebben in \'t verschiet; namelijk den hemel, wij moeten ook de middelen hebben om daartoe te geraken. Die middelen zijn de stralen der genade, de noodige kennis tot onderscheiding van goed en kwaad, voldoende kracht om de zonde te mijden, de bekoringen te overwinnen, de wet Gods te vervullen, en op te staan zoo men het ongeluk mocht hebben te vallen, â eindelijk de kostbare gave der volharding. Al die middelen nu htieft God ons beloofd, en Hij zal zijn woord houden, mits wij ze Hem vragen en geen beletsel stellen. Bemerkt hier tevens M. B., dat wij niet slechts van God moeten hopen het eeuwig leven en de middelen die daarheen leiden; maar ook tijdelijke en lichamelijke zaken, in zooverre die voor onze eeuwige zaligheid dienstig en bevorderlijk kunnen zijn; als ons dagelijksch brood, gezondheid, voorspoed, enz.; doch heeft onze hoop enkel stoffelijke zaken tot voorwerp, dan draagt zij beter den naam van vertrouwen op God. Tot beter begrip van het gezegde, wil ik hier eens eenige voorbeelden laten volgen, van hoop en vertrouwen op God. Een schoon voorbeeld van Hoop vind ik in den heiligen man Job.â Job, zooals gij weet, had te lijden in zijn lichaam alle kwalen en ellenden, â hij was beroofd van zijne kinderen, zonder goederen en fortuin, â hij was versmaad van zijne vrienden, â en te midden dier beproevingen liet hij niet na op den Heer te hopen en uit te roepen: âDan zelfs als de Heer mij het leven
10 â
zou benemen, zou ik nog op Hem hopen.quot; â Niet minder groot was het vertrouwen van den Patriarch Joseph. Joseph door zijne broeders verkocht, werd naar Egypte gevoerd en als slaaf verkocht; dertien jaren lang moest hij in eenen akeligen kerker verzuchten, en al dien tijd werd zijne hoop geen oogenblik aan het wankelen gebracht. Hij hoopte van God verlossing, en zijne hoop werd verwezenlijkt; do kerker was voor hem zelfs de weg tot den troon. Onder de Heiligen van het Nieuw Verbond is er wellicht geen, in wiens leven ik zooveel treffende voorbeelden vind van een groot vertrouwen op God, als de H. Fran-cisous van Sales. â Op zekeren dag dat hij in een klein en broos vaartuig, het meer van Genéve overstak, smaakte hij een onbeschrijfelijk genot, bij de gedachte dat zijn leven zich geheel en al bevond in de hand der Goddelijke Voorzienigheid, en dat hij van den dood slechts verwijderd was door eeno plank van drie vingers dikte. â Werd de Heilige door hevige bekoringen gekweld, dan was het zijn vertrouwen op God, dat hem moed en kracht gaf. Soms gebeurde hot dat zijne gebeden langen tijd onverhoord bleven; maar ook dan verloor hij den moed niet. De Voorzienigheid, placht hij te zeggen, laat soms lang op zich wachten, om ons vertrouwen op de proef te stellen. â Bestierde hij zielen, die zwaar beproefd werden, dan hield hij niet op hen tot vertrouwen op. te wekken. âLaat stormen en onweders u overvallen zoo schreef hij aan eene zwaar beproefde ziel, gij zult niet vergaan; want Jesus is met u. Zoolang Petrus vertrouwt, wandelt hij op de baren, doch nauwelijks geeft hij toe aan de vrees, of hij begint te zinken.quot;â Een edelman, die door de vrees voor den dood en de oordeelen Gods hevig beangstigd
- 11 â
werd, kwam op zekeren dag den Heilige raadplegen. âMijn vriend, zeide hem de Heilige, de beproeving waaronder gij gebukt gaat is zwaar, is pijnlijk. Ik zelf heb haar ook zes weken lang verduurd, ik mag dus wel medelijden hebben met hen die ook beproevingen te lijden hebben; â laat mij van hart tot hart met u spreken, en u zeggen; dat al wie een oprecht verlangen heeft God te dienen en de zonde te vluchten, zich geenszins moet verontrusten bij de gedachte aan den dood en het oordeel. Zeker wij moeten beiden vreezen, niet met eene kleinmoedige vrees, maar met eene vrees vol vertrouwen ; en dewijl gij verlangt geheel aan God te zijn, zoo hoop op Hem,â wie op God hoopt zal niet beschaamd worden. Ziedaar, M. B. wat men verstaat door de deugd der Hoop en welke zaken wij van God moeten hopen.â Laat ons nu eens zien hoedanig onze hoop moet wezen. Onze hoop moet wezen \\)vast] met uitsluiting van allen twijfel, onzekerheid en aarzeling. De reden daarvan is deze: Een almachtige God doet ons eene belofte, geeft ons zijn woord, verbindt zich door eed, ja geeft ons tot onderpand van zijn woord zijn Eenigen Zoon; â dus gebrek aanvertrouwen zou eene dwaasheid zijn.âM B., hebt altoos een vast vertrouwen op God. Ja al hadt gij nog zoo zwaar gezondigd, al haddet gij een broedermoord op uw geweten, evenals Caïn; al haddet gij bedreven alle gruwelen van Sodoma en Gomorrha; heiligschennissen als die van Judas, nog zoudt gij in uwe hoop niet mogen wankelen;âeene enkele akte van berouw kan u tot verzoening leiden met God. âJJhi dbuuda. vit delictum, superabundauit gratiaquot;â (Rom. V. 20.) Ons vet trouwen moet 2) vergezeld gaan van vrees. Met vrees en angst, volgens het zeggen van den Apostel, moeten wij onze zaligheid bewerken. Redenen tot
â 12 â
â vrees vinden wij genoeg in ons zeiven;â onze zwakheid en bedorvenheid, de gevaren die ons omringen, de bekoringen en \'verleiding waaraan wij blootgesteld zijn, ziedaar even zoovele redenen, die ons met eeiie heilige vrees moeten vervullen. Timebis Dominum Deu.ni tuumquot;â (Levit. XIX. 14.) Timete Dominum, omnes sancli ejus.â (Ps. XXXIII. 10.) Zij is verder ook voordeelig en heilzaam voor ons. Zij maakt ons voorzichtig, oplettend en waakzaam,â Onze hoop moet 3.) vergezeld gaan van goede, werken. âSpera in Domino, et fac bonitatemquot;.â (Ps. XXXVI. 3.) Immers het eeuwig leven hopen en er niets voor doen is vermetel- en dwaasheid.â Help u zelf, zegt het spreekwoord, en God zal u helpen. Hebt gij ooit een landbouwer zien oogsten, die te voren niet gezaaid heeft ? Evenmin zullen wij den hemel oogsten zoo wij er niet voor gewerkt hebben. Bemerkt hier tevens, M. B., dat men tegen de Hoop kan zondigen, en wel op tweevoudige wijze. Onze hoop, heb ik gezegd, moet vast wezen en tevens vergezeld gaan van vrees.â Zal dus onze hoop christelijk wezen dan moet zij tusschen beiden besloten zijn ; want gaat zij de grenzen van beiden te buiten, dan is zij geen hoop meer. Dus vreest men te veel, dan slaat zij over tot wanhoop; hoopt men te veel, dan ontaardt zij in vermetel vertrouwen; twee zonden waaraan de H. Augustinus de verwerping van alle verdoemden toeschrijft. Door wanhoop verstaat men, eene vaste en vrijwillige overtuiging, van zijne eeuwige zaligheid niet te kunnen bewerken, en de middelen niet te kunnen erlangen die daartoe leiden. Een schrikkelijk voorbeeld van wanhoop vind ik in de geschiedenis der Fransche Revolutie. De goddelooze Mirabeau een der helden der revolutie, na een leven geleid te hebben vol gruwelen en boos-
â 13 â
heden; voelde zijne krachten verminderen, alsmede zijne ziel aangegrepen door al het ijselijke der wanhoop.â Te vergeefs trachtte hij door alle mogelijke middelen de angsten te bannen die zijne ziel verscheurden. Daags vjór zijn dood, liet hij bloemen en reukwerk in zijne kamer brengen,â de muziek zelfs werd gebezigd om de bange angsten te stillen die zijn binnenste folterden. Alles te vergeefs.â De ongelukkige had tijdens zijn leven het geloof in zijn hart uitgedoofd ; met het geloof was tevens verdwenen de hoop, â daar lag hij nu op zijn sterfbed, radeloos van wanhoop. Hij vroeg aan zijn geneesheer eene dosis vergif om zijn leven en tevens zijn lijden te verkorten, en toen deze weigerde riep hij woedend uit: Mijne pijnen zijn ondragelijk, ik heb nog kracht genoeg om eeuwen mijn bestaan te rekken, doch heb den moed niet meer nog een oogenblik langer te leven.â Toen zag men zijne oogen zich rechts en links bewegen, al zijne ledematen begonnen te sidderen en te beven; ten laatste vertoonden er zich stuiptrekkingen over geheel zijn lichaam, hij uit een gil en sterft.â Ik sprak zoo even nog van een ander uiterste, namelijk van het vermetel vertrouwen, dat veel meer voorkomt dan wanhoop, â en waaraan zij zich plichtig maken die te veel op hun zei ven vertrouwen; â die op Gods genade hopen, zonder er iets voor te doen om ze te verkrijgen,â of zij die zondigen op hoop van vergiffenis. De volgende legende getrokken uit het leven van den H. Bernardus, doet ons zien hoe dwaas degenen zijn, die enkel zich verlatende op de barmhartigheid Gods, zonde op zonde stapelen. Arsenius zag in een droom een houthakker, die een bundel hout tezamen bond om dien naar huis te dragen. Hij bevond evenwel dat de bundel te zwaar was. In
â 14 â
plaats nu van dien te verlichten, voegde hij er nog steeds hout bij, zoodat hij hem immer nog zwaarder maakte. Arsenius wist niet of hij zou lachen of medelijden moest hebben met dien onnoozelen man, toen hij op eens eene stem hoorde, die hem zeide: âZie, Arsenius, aan dien houthakker zijn zij gelijk, die, in plaats van den last hunner zonden te verlichten, dien steeds verzwaren, door bijvoeging van nieuwe zonden en zoodoende zich in de onmogelijkheid stellen den hemel in te gaan. M. B. laat ons mannen wezen van hoop; doch laat ons tevens zorgen dat onze hoop binnen de gegeven grenzen besloten blijve; anders zou zij kunnen overslaan tot wanhoop en vermetel vertrouwen. Laat ons te dien einde dikwijls een akte van Hoop verwekken, o. a. als wij door onrast en gewetensangsten gekweld worden ; als de fortuin ons den rug toekeert ; als valsohe vrienden ons verlaten; als ziekten ons bezoeken, als de dood ons een of ander dierbaar pand ontrukt; dan moeten wij ons vertrouwen op God verdubbelen, en ons over het verlies dat wij lijden troosten, met de gedachte aan de eeuwige en onvergankelijke goederen die ons wachten in den hemel. Amen.â
III.
Liefde.
De derde en laatste hoeksteen van het gebouw des christelijken levens is de Liefde. Meer nog dan het Geloof en de Hoop, draagt de Liefde den stempel der Godheid. De Liefde is als eene zon, als een vuur dat in het hart van den mensch eenen gloed verwekt, en waaruit eene tweevoudige vlam ontspringt; waarvan de eene zich verheft ten hemel; en dit is de Liefde Gods, â en de andere zich verspreidt over de aarde, en dat is de Liefde tot den evenmensoh De Liefde dus alhoewel één zijnde, heeft een tweevoudig voorwerp ; namelijk God beminnen om Hem zeiven ; â en den evenmensoh liefhebben om God.â Eerst zullen wij spreken over de Liefde tot God; die men de deugd bij uitnemendheid, het beginsel en het begrip van alle heiligheid mag noemen.â Wat is de liefde? De liefde is eene gave Gods , waardoor wij God beminnen.â Ik zeg eene gave Gods; want lang vóór hot gebruik onzer rede, namelijk in het H. Doopsel werd zij ons geschonken, tegelijk met het Geloof en de Hoop, en wel uit kracht der verdiensten van Jesus Christus.â quot;Wij kunnen God beminnen met eene tweevoudige liefde. Vooreerst met eene vol-
- 16 -
maakte liefde, â als wij Hem namelijk beminnen uit hoofde zijner beminnelijkheden; zijner oneindige goedheid als zijnde goed in zich zeiven; â zoozeer zelfs dat al bestond er geene belooning voor dengene die Hem bemint, en geene straf voor dengene die Hem niet bemint; wij Hem niettemin zouden liefhebben. Van die volmaakte liefde, geeft ons een schoon voorbeeld de H. Maria Magdalena. De Zaligmaker werd op zekeren dag ten eten gevraagd bij een rijken Phariseër, Simon genaamd. Onder den maaltijd trad Magdalena de eetzaal binnen; zij ging algemeen door in de stad voor eene groote zondares. Zij wierp zich neder aan de voeten van Jesus, besproeide die met hare tranen, droogde ze af met hare haren, kustte en zalfde ze met heerlijken balsem. Nu, gastheer en gasten ergerden zich daarover, omdat de Zaligmaker zulks toeliet van eene zoo groote zondares. Doch Jesus wees hem terecht en deed hem verstaan de buitengewoon groote liefde welke Magdalena aldus deed handelen. Hij scheen te zeggen: Hoe Simon! gij ergert u over de handelwijze dier vrouw V â en toch weet, dat zij mij meer bemint dan gij. En juist daarom zeg ik u, dat hare zonden, die groot zijn, haar vergeven zijn, â en zLh wendende tot haar: âVrouw, sprak Hij, uwe zonden zijn u vergeven.quot; Behalve de volmaakte, heeft men nog de onvolmaakte liefde tot God; als men namelijk God liefheeft om zijne weldaden. Van die Liefde vind ik een voorbeeld in den Verloren Zoon. Te midden zijner ellenden, dacht de Verloren Zoon aan de zoo gelukkige dagen van vroeger in het vaderlijk huis; en zeide bij zich zeiven: âHoeveel dienstknechten zijn er niet in het huis mijns vaders, die brood in overvloed hebben, terwijl ik van honger verga.â Ik zal opstaan en tot
â 17 â
mijn vader gaan.quot;â Het was dus niet uit belangelooze, uit zuivere liefde tot zijn vader, dat hij opstond en tot hem terugkeerde ; maar met het oog op de weldaden die hij weleer van hem genoten had. Zijne liefde was dus eene onvolmaakte eene belangzuchtige liefde. De volgende trek, zal u nog beter doen zien het verschil tusschen eene volmaakte en onvolmaakte liefde tot God. De H. Joannes Climacus verhaalt, dat hij eens drie kloosterlingen ééne en dezelfde beleedi-ging zag ontvangen. De eerste ontstelde, doch daar hij God vreesde matigde hij zich, hij hield zich in. De tweede verheugde zich over de ontvangen be-leediging met het oog op de belooning die hij daarvoor van God verwachtte. De derde gaf slechts acht op de beleediging die daaruit volgde voor God, en stortte tranen. In die drie kloosterlingen vindt gij eenen drievoudigen trap van Liefde tot God. De liefde van den eerste sproot voort uit vrees; die vau den tweede uit hoop, die van den derde uit zuivere en volmaakte liefde. Die van den eerste was goed, van den tweede beter, die van den derde was de volmaakste liefde. Misschien maakt een of ander onder u mij de opmerking : Tot die volmaakte liefde kunnen wij menschen in de wereld niet geraken; wij hebben uithoofde der tijdelijke zorgen en beslommeringen des levens, nauwelijks den tijd om aan God te denken; veel minder Hem volmaakt te beminnen. Grove vergissing; ik weet zeker dat er menschen in de wereld gevonden worden, die ondanks alle hinderpalen en beletselen, God volmaakter beminnen, dan menig priester en kloosterling. Een god-vrejzend kluizenaar werd eens gekweld door eene bekoring van hoogmoed, hij meende de deugdzaamste mensch der wereld te zijn. Maar ziet, op zekeren
2
dag werd hem in een droom geopenbaard, dat hij minder gevorderd was in do dviugd, dan eene eenvoudige dienstmaagd in zekere herberg. Aanstonds begeeft hij zich op weg, om die dienstmaagd te gaan zoeken, en van haar te vernemen, wat haar zoo welgevallig maakte in de oogen van God. â âIk weet zelf niet, sprak deze, wat God voor welgevalligs in mij kan vindon ; alles wat ik kan zeggen is, dat ik mijn best doe, om behoorlijk mijnen huisarbeid te verrichten ; en zoo b. v.; ala ik hout naar de keuken draag, herinner ik mij met liefde aan dengene, die uit liefde tot mij het Hout dea Kruises gedragen heeft. Ziedaar hoe de onbeduidendste onzer bezigheden ons kan herinneren aan de Liefde van God tot ons, en ons tot wederliefde opwekken. En daarom zeg ik, dat gij mannen en jonge lingen, achter de paarden op het veld; of in den oogsttijd met de zicht, en later met den dorschvlegel in de Land, even volmaakt, misschien nog volmxakter God kunt dienen dan een kloosterling of priester met eenmedi-tatieboek of rozenkrans in de hand. M. B., het is mij onmogelijk hier uit te weiden over de verschillende eigenschappen waarmede onze liefde tot God bekleed moet zijn. Ik wil alleen iets zeggen van éénc en wol van de voornaamste eigenschap der Liefde. Onze liefde moet zijn âbovenalquot;. Gij bemint Liod bovenal, als gij in uw hart aan Hem de voorkeur geeft boven elke andere zaak ter wereld, en voor niets ter wereld Hem door eene doodzonde zoudt willen beleedigen. Bovenal, in deze beteekenis moet onze liefde zijn, anders toch bevonden wij ons niet in de genade van God; â maar zij kan nog volmaakter bovenal zijn, namelijk als wij ons niet enkel tevreden stellen met de dood-maar zelfs ook de dagelijksche zonden te mijden,â ja wat meer is, zoo wij ons beijveren steeds te doen
â 19 â
wat het aangenaamst is aan God. Het volgend voorbeeld leert ons hoe men God bovenal bemint. Een godvreezend man, door eene zware ziekte overvallen, beklaagde zich bij zijnen biechtvader over zijne flauwe liefde tot God. Ik heb, zoo zeide hij, twee kinderen gehad, doch heb heide door den dood verloren; ik kan nooit denken aan die kinderen, zonder te weenen, zoozeer beminde ik hen ;â en als ik denk aan God, blijf ik koud en ongevoelig. Dat is een teeken, dat ik die kinderen meer dan God bemin. Om hem gerust te stellen, vroeg hem nu de priester: zoo gij ten koste van eene doodzonde uwe kinderen kondet terug-bekomen ; zoudt gij die dan willen bedrijven \'i Neen, mijn vader! neen, duizendmaal neen; voor niets ter wereld, zou ik God willen vergrammen ! Welnu, hernam de priester, daaruit kunt en moet gij besluiten, dat gij God boven alles bemint; daar gij liever alles op aarde zoudt willen derven, dan Gods heilige vriendschap verliezen.â M. B., oordeelt nu u zei ven, en vraagt u eens af, of gij voor iets ter wereld eene doodzonde zoudt willen bedrijven.â Zoo niet,â dan kunt gij overtuigd zijn dat gij Go l bovenal bemint.â M. B , na te hebben gezegd, wat de deugd der liefde is,â wat men verstaat door esne volmaakte, en wat door eene onvolmaakte liefde,â en wat het zeggen wil. God beminnen bovenal, moet ik ook een woordje zeggen over de verhevenheid en noodzakelijkheid dier deugd. De H. Vaders noemen de Liefde de koningin der deugden; omdat zij onder alle deugden den voorrang bekleedt; geene deugd toch heeft zoo volmaakt en zoo onmiddelijk God tot voorwerp als de Lielde ; alle andere deugden daarentegen ontleenen hare verdiensten aan de Liefde, tüj moogt bidden zooveel gij wilt, vasten, boete doen, enz.;â bezit gij de Liefde
â 20 â
niet, dan is dat alles zonder verdienste; zooals de H. Paulus zegt: âZoo ik de liefde niet heh, hen ik niets,quot;â (I Cor, XIII, 2.) Daaruit moeten wij besluiten^ ons best te doen, om de Liefde in ons te bewaren en te vermeerderen.â quot;Want M. B., weet het wel; de Liefde kan in ons hart verflauwen, ja geheel en al verloren gaan. Een treffend voorbeeld strekke ten bewijze daarvan. De H. Theresia was van hare eerste jeugd af een voorbeeld van deugd en vroomheid ; dank vooral aan de ijverige zorgen harer godvreezende ouders. Maar ziet,â twaalf jaren oud zijnde, verloor zij hare moeder, en van nu af nam haar leven eene geheel andere richting aan. De geest der wereld nam bezit van haar hart, zij werd ijdel, behaagziek, begeerig om te zien en gezien te worden; in één woord, de liefde tot God verflauwde dagelijks meer en meer in haar hart; ja het zou met haar zoo ver gekomen zijn, dat zij haar verderf ware ingeloopen; zoo God zich harer niet ontfermd had, en haar op den weg der deugd hadde teruggevoerd. M. B., zooals het ging met de H. Theresia, gaat het thans nog met menigeen in de wereld. Hoe menige knaap is in de jaren der jeugd een toonbeeld van deugd; zedig, matig, gehoorzaam zelfs lid van de H. Familie. Maar ziet die knaap is 17, 18 jaren oud geworden; de wereld is hem in het hoofd gevaren, hij luistert niet meer naar zijne ouders; gaat liever naar de herberg dan naar de kerk en naar de H. Familie; eenmaal op den dwaalweg wijkt hij meer en meer af, totdat hij valt in doodzonde en aldus de liefde in zijn hart wordt uitgedoofd. M. B., hoe moet gij vooral aan God uwe liefde betuigen? Door de heiliging van uwen handarbeid. Arbeidt ter liefde Gods,â niet uit dwang, niet onkel uh behoefte en noodzakelijkheid, maar eerst en vooral uit liefde
â 21 â
tot God. Dat wordt u ook op het hart gedrukt door de regels en verordeningen onzer Broederschap. Draagt eiken morgen uwe werkzaamheden aan God op en vernieuwt van tijd tot tijd die gedane opdracht. quot;Wat is dat anders als werken uit liefde tot God 1 Ziedaar voor u de weg der Liefde, de weg tot den hemel. De H. Ignatius van Loyola, had in zijn klooster een leekebroeder die jaar in jaar uit, met de grootste naarstigheid werkte in den tuin. Hem eens ontmoetende doornat van zweet; zeide hij tot hem: Werk maar broeder, de arbeid zal uw vagevuur op aarde zijn. Hetzelfde zeg ik ook tot u. âWerkt maar M. lJ.,met eene goede meening, en uit liefde tot God ; â en de veimoeinis van uw werk zal zooveel als uw vagevuur zijn op aarde, terwijl eene heerlijke belooning hiernamaals u wacht in den hemel. Gij ziet dus, dat het voor u volstrekt niet moeilijk is, de deugd der liefde volmaakt te beoefenen. Vlucht de zonde, en heiligt uwen arbeid ; dat is alles, wat God van u vraagt, â met een weinig oplettendheid en een goeden wil, zooals gij ziet, zijt gij in staat het groot gebod der Liefde te volbrengen,â en zeker en gemakkelijk, het doel waartoe gij geschapen zijt den hemel te bereiken. â
IV.
Liefde tot den Naaste.
Onafscheidelijk verbonden met de Goddelijke deugd der Liefde, is het gebod der Naastenliefde. Beide zijn zoo nauw met elkander vereenigd dat zij slechts ééne en dezelfde Liefde zijn,â en de eene zonder de andere niet bestaan kan, zooals de H. Joannes uitdrukkelijk zegt. (I Joan. IV. 20, 21.) Geen wonder dus dat do Zaligmaker, het gebod der Naastenliefde, Zijn gebod, of ook het âgroote gebodquot; noemt, daarmede te kennen gevende welk gewicht hij daaraan hecht. Van dat gewicht, M. B ; wenschte ik u heden eens te overtuigen en stel mij derhalve voor, u eens te doen zien, waarom en hoe wij onzen Naaste moeten liefhebben.â
Laat ons te voren eens zien wie men door even-mensch verstaan moet â Onze naasten zijn al degenen, die met ons deel kunnen hebben aan de hemelschc glorie. Het zijn vooreerst de Engelen en Heiligen die wij beminnen, met hen aan te roepenâ de zielen des viigevuuvs met hen te verlichten door onze gebeden en goede werken,â en eindelijk alle menschcn op aarde met hen te behandelen zooals wij zelf verlangen behandeld te worden. Over deze laatste klas
â 23 â
van naasten wil ik u slechts spreken ;â over de liefde namelijk die wij moeten hebben tot hen met wie wij hierop aarde leven,â en wel vooreerst gaan wij zien : waarom wij hen beminnen moeten ?â Omdat God het wil en uitdrukkelijk gebiedt.â Op zekeren dag vroeg mon aan Jesus: âMeester wat is het eerste en grootste onder alle geboden\'\' Vâ Het eerste en voornaamste gebod, zeide Hij, is dit: Gij zult den Heer uwen God beminnen uit geheel uw hart, uit geheel uwe ziel en uit al uwe krachten ; en voegde Hij er bij; het tweede gebod is gelijk aan het eerstej het is even groot en gewichtig als dat, namelijk ; gij znlt uwen naaste beminnen gelijk u zeiven.â Hebt gij het verstaan M. B., Jesus zegt : beide geboden verplichten op gelijke wijze, het eene kan niet bestaan zonder het andere ;â even noodzakelijk als het is dat gij God bemintâ even noodzakelijk ook is het dat gij uwen naaste liefhebt. Vandaar dan ook dat Jesus Christus uitdrukkelijk verklaard heeft; âAan de beoefening der naastenliefde zal men weten, of gij mijne leerlingen zijtquot;.â Het is alsof\'Hij had willen zeggen: daardoor alleen dat gij uwen naaste niet liefhebt; houdt gij in zekeren zin reeds op christen te zijn.â Terecht besluit dus de H. Joannes : dat al wie zijn evenmensch niet bemint dood is ; d. i. verstoken van het leven der genade, in staat van doodzonde. â (lui non diligit, mau.et in morfn.quot; (1 Joan. III. 14.)
Maar waarom heeft God ons het gebod der Naastenliefde gegeven ;â waarop steunt het ?â waarom moeten wij den evenmensch beminnen fâ De reden kent gij, gij noemt ze telkens, wanneer gij eene akte van Liefde verwekt en zegt : ik bemin mijnen naaste gelijk mij zeiven, om God. Ziedaar de reden, waarom gij uwen evenmensch moet beminnen: uit liefde tot
â 24 â
God. Soms is het moeilijk een of ander mensch te beminnen; omdat hij zoo weinig beminnelijk, zoo terugstootend is; omdat hij ons onrecht gedaan heeft, of ons doet lijden en ons vervolgt. Maar er wordt niet gezegd, dat gij uwen naaste moet beminnen, omdat hij beminnelijk, zacht, aangenaam van karakter is, of omdat hij u goed gedaan heeft. Neen, gij moet hem liefhebben om God; d.w. z. omdat hij het beeld van God is. Hoe kan men van iemand zeggen, dat hij een ander liefheeft, ala hij diens beeld veracht?â Om God... omdat hij een kind van God is. â Kan iemand wel uw vriend wezen als hij uwe kinderen mishandelt? Om God .. . omdat hij de tempel is van God. âProxi-mum esse fratrem Christi, ipsius sanguine redemplum, membrum Corporis mystici Christi, vel saltern ad hoe destinatum esse, ut fiat membrum Corporis hujiis mi/stici.\' Vandaar dat Jesus Christus zeide : â Quamdiu fecislis nni ex his fratribus me is minimis, mihi Jecistis.quot; (Matth. XXV : 40). Hoe zoet is het niet, deze gedachte steeds voor den geest te houden: Telkenmale dat ik mijnen even-menseh genoegen doe, doe ik genoegen aan Jesus Christus. â Gij moet vsrder uwen evenmenseh beminnen, omdat God zelf hom bemint, en oneindig bemint. Ziet eens wat Jesus Christus tor liefde van hem gedaan heeft. Voor hem is Hij mensch geworden, heeft Hij drie-en-dertig jaren lang in armoede en ontbering geleefd; in zijn lijden, de bitterste smarten voor hem verduurd, en is eindelijk aan een kruis voor hem gestorven. Hij heeft hem alles gegeven wat Hij had, zelfs Zijn bloed en leven. Zoudt gij dan durven weigeren uwen evenmenseh te beminnen, voor wien Jesus Christus zooveel gedi-an en geleden heeft! Helaas! zegt gij, het is mij onmogelijk; het is een slecht mensch, een bedrieger, een ondankbare, een
â 25 â
verrader. En toch, M. B., hoe verkeerd hij ook zij,â Jesus Christus niettemin heeft hem liefgehad. Zoudt gij dan zoo vermetel durven zijn u boven Jesus Christus te stellen ? Die man voor wien Jesus zoowel als voor u gestorven is, heeft evenveel waarde in Grods oog, als het bloed van Zijnen Eenigen Zoon. En Jesus, met Zijn bloed voor hom te storten tot den laatsten druppel, heeft niet gemeend te veel voor hem gedaan te hebben. En gij meent dat men te veel van u vraagt, met hem eenvoudig te beminnen! Neemt u iu acht, want bijaldien gij, al ware het ook slechts den geringste der menschen, veracht, veracht gij het kostbaar bloed van Jesus Christus. Ziedaar eenige beweegredenen die u moeten overhalen uwen naaste te beminnen. Laat ons nu zien in ons tweede punt, hoe gij de deugd der Naastenliefde moot beoefenen.
II. De liefde M. B., moet algeheel wezen; zij moet uwe ziel en al hare vermogens doordringen en bezielen. Gij moet bijgevolg liefdevol wezen in uwe gedachten, woorden en werken.
1) Gedachten. â In uwe gedachten en in uwen geest moet gij gunstig gezind zijn jegens den evenmensch, d. w. z.; hem liefdevol beoordeelen, geen kwaad van hem onderstellen, zoo gij daartoe geen grondige reden hebt, of\' onder een of ander opzicht daartoe niet verplicht zijt. â Ouders b.v. mogen, ja moeten soms hunne kinderen beoordeeLn, en meesters hunne onder-hoorigen. â En zoo mag een vader, eene moeder denken, â als ik toelaat dat mijn zoon \'s avonds laat uitblijft, zal hij slecht worden, â als ik mijne dochter alléén laat verkeeren met dien jongeling, â loopt zij gevaar hare onschuld te verliezen, â dat heet zijne kinderen gunstig beoordeelen, omdat het geschiedt voor hun welzijn. â Maar er zijn menschen die even-
â 28 -
als Lucifer doen; â zij willen zich stellen in de plaats van God, zij meenen iedereen te mogen bo oordeelen. â Leeft iemand braaf, dat is dat schijnheiligheid, â gaat iemand dikwijls biechten enz., dan is dat voor het oog der menschen, â gaat iemand vooruit in zijne zaken, dan is hij onrechtvaardig en bedriegelijk, â gaat dit of dat meisje trouwen, dan is het om hare eer te redden. â Men legt alles verkeerd uit, men ziet alles in \'t zwart; zelfs de beste, de heiligste handelingen. En wat wint men daarmede? Niets, â men maakt zich integendeel een leven vol onrust en kwelling. â Integendeel, beoordeelt men den evenmsnsch gunstig; dan mag men met grond hopen dat God ook ons gunstig zal oordeelen. âNolile judicare ut non judi cemini (Mattli. VII. 1.) Doorgaans stelt men zich als rechter aan over anderen, en men vergeet zieh zeiven te oordeelen. â Men moet verder den evenmensch welwillend beoordeelen, d. w. z., uit geest en hart bannen allo gedachten van nijd en afgunst,, van wrok en haat. Is er wel eeno drift treuriger dan de afgunst ?â \'t is eene droefheid die men voedt in zijn hart, wegens het goed van anderen. Er zijn mensehen die niet kunnen zien, dat anderen voorspoed hebben, gelukkig en rijk zijn, geacht en bemind worden. Men zal hen daarom in de achting van anderen pogen te doen dalen , hen bekladden en lasteren ; â in één woord hun alle onrecht aandoen, waartoe men in staat is. Die aldus handelen zijn verre van het voorbeeld na te volgen van den barmhartigen Verlosser. Het zijn navolgers van den duivel, die uit nijd de zonde en den dood, in do wereld hoeft gebracht. Zij doen gelijk de Phariseërs, die uit afgunst den onschuldigen Verlosser aan Pilatns overleverden. â Bant dus uit uwe harten alle gevoel van afgunst. â Bedenkt wat de
H. Chrysostomus zegt; dat de nijd de oorsprong is van alle rampen. quot;Wel verre dus van n te bedroeven over het goed van anderen, verheugt er u over en looft God; want dat is tevens een middel, om op gelijke wijze Gods gaven over u af te trekken.â Wacht u ook voor wrok en haat, voor gevoelens van wraakzucht. Doet niet evenals zij, die zich beleedigd achten, wanneer men hen onder een of ander opzicht te kort gebleven is, â die haat dragen op hen,â die immer op wraak belust zijn, en volstrekt niets kunnen vergeven. â Zijn dat ware Christenen die de lessen van bunnen Goddelijken Meester behartigen ?quot; â Vergeeft, zoo sprak Hij, niet slechts zevenmaal; maar zeventigmaal zevenmaal d. i. altijd ;âbemint uwe vijanden,â doet wel aan hen die u kwaad doen,âbidt voor hen, die u haten en vervolgenquot;. â Gij zijt dus in strijd met de lessen en voorschriften van Jesus, zoo gij weigert uwen evenrnensch te vergeven ; maar daarenboven nog met zijne goddelijke voorbeelden.â Hij toch heeft zich nooit gewroken, maar altijd vergeven. Niemand zal zich zoo zwaar aan u vergrijpen, u zoo wreed behandelen, als de beulen onzen Zaligmaker behandelden, met Hem zoo bitter te doen lijden, en Hem eindelijk te doen sterven aan het schandhout des kruises. â En toch, het eerste gebed van Jesus aan het kruis, was voor hen : â Vader vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.quot; â (Luc. XXIII, 34.) Met dezelfde gevoelens moet ook ieder christen bezield zijn ; anders begrijp ik niet hoe gij het âOnze vaderquot; durft bidden.â Gij vraagt namelijk aan God, als gij zegt: âvergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven aan onze schuldenaren,quot; â dat God jegens u gelieve te handelen, zooals gij handelt jegens anderen; â indien gij dus uwen naaste niet vergeeft, vraagt gij
aan God, dat Hij ook u niet vergeve.â En ziedaar zeker een treurig, een rampzalig gebed. Vergeeft dus den evenmenseh hot u aangedane onroclit, en gij moogt er op rekenen, dat God op zijne beurt, het door u hem aangedane onrecht, vergeven zal. â De liefde moet echter niet slechts besloten liggen in uwe gedachten en gevoelens, zij moet zich ook openbaren door uwe woorden. Het ware eigelijk niet noodig, onderscheid te maken tusschen gedachten en woorden ; want zegt het spreekwoord; âwaar het hart vol van is, loopt de mond van overquot;â. Zijn uwe gedachten en gevoelens liefdevol en minzaam, uwe woorden zullen het eveneens wezen. â
2) Woorden. Nu, drie soorten van woorden, kwetsen de Naastenliefde.â Woorden van gramschap en drift.â Wat is meer strijdig met den geest van Jesus Christus, wat bedroeft meer den evenmensch, dan harde, kwet sende, beleedigende woorden I Gij zijt voor den evenmensch een waarachtige geesel. Of is hij niet een geesel, die huisvader b. v., die voor zijne vrouw niets dan schimpen smaadwoorden overheeft. â Hij moest haar steun en troost wezen. Hij gaat wanneer hij zich verveelt, naar de herberg, en zijne arme vrouw wat moet er van geworden, als hij die haar moest bemoedigen, haar met hoon en schimp overlaadt.â Hij draagt den naam van vader, â uit zijnen mond moesten de kinderen niets hooren dan woorden van stichting en opwekking, terwijl hij van den morgen tot den avond hen ver-wenschingen en vloeken naar het hoofd werpt.â En gij, jongelingen, die alles aan uwe ouders verschuldigd zijt, en in plaats van hen daarvoor dankbaar te zijn. door uwe grofheden en uitvallen hun leven verbittert en vergalt, â waar is bij u de liefde ? M. B., wilt gij u zeiven en anderen gelukkig maken, verbant
â 29 â
dan uit uwe gesprekken alle woorden van drift en gramschap. Gij moet weten te zwijgen, als gij inwendig ontsteld zijt. â âSire! zoo sprak een heidenseh wijsgeer tot oen keizer; wanneer gij in toorn ontstoken zijt, spreek dan geen woord, vooraleer gij alle letters van het alphabet in den geest genoemd hebt.quot; En gij M. B. wanneer gij in drift zijt, zwijgt, en zegt geen woord zonder eerst uw hart tot God verheven, en gebeden te hebben. â Vermijdt ook woorden van twist en krakeel. â Men hoort niet zelden binnen \'s huis, man en vrouw met elkander twisten en krakeelen, soms nog wel in bijzijn der kinderen. Men hoort buurvrouwen schelden op straat, en\' elkander als \'t ware een woordenboek van grofheden naar het hoofd werpen. En wat is gewoonlijk het gevolg van zulke huis- of straattooneelen V Men maakt zich duchtig boos zonder iets te winnen, â man en vrouw brengen soms dagen achtereen door, zonder tot elkander te spreken; â vrienden en buren worden soms in vinnige vijanden herschapen. â Men verliest eindelijk de achting der menschen die het bespottelijk vinden, dat men zich om beuzelarijen zoo boos kan maken. â Wacht u eindelijk voor laster en kwaadspreken. Waaruit ontstaan laster en kwaadspreken ? Vooreerst uit gebrek aan verstand.â Men heeft geen verstand genoeg om een gesprek te onderhouden, â men weet niet meer wat te zeggen, â en wat dan V Men begint te spreken over den evenmensch, en dewijl men lichter zijne gebreken dan zijne verdiensten opmerkt, begint men over zijne gebreken te spreken. â Kwaadspreken en laster komen ook dikwijls voort uit eene bedekte schijnheiligheid; men wil de aandacht der menschen van zijne eigen gebreken afwenden, en deswege begint men die van anderen te bespreken;
â SO-
ja zelfs met zekere verontwaardiging. â Zij ontspruiten eindelijk nog uit hoogmoed; men is zeer ingenomen met zich zeiven, in anderen daarentegen ziet men niets dan gebreken, â daaraan denkt men, daar houdt men zich mede bozig, â daarover eindelijk spreekt men mot anderen. Zeer dikwijls ook zijn zij een gevolg van afgunst en jaloersohheid; men is afgunstig op iemand,â en die afgunst ontaardt in laster en kwaadspreken. En wat zijn nu de gevolgen van die ongebondenheid der tong? Vooreerst, door die lastertaal en dat kwaadspreken bevlekt men zijn eigen geweten; men ontsticht hen die er naar luisteren, - uwe woorden gaan vervolgens van mond tot mond, â wat gij onder geheim gezegd hebt, wordt weldra publiek, â gij ontneemt iemand zijne reputatie, â eene dienstmaagd verliest haren dienst, een handwerksman zijn dagwerk, een koopman zijne klandizie â een jongeling of jonge dochter een eervol huwelijk, â eene vriendschap wordt verbroken, â de goede verstandhouding tusschen man en vrouw houdt op. â En van dat alles draagt de lasteraar en kwaadspreker de schuld. En kondet gij nog dat kwaad herstellen, maar helaas ! het is onherstelbaar. M. B., legt dus af die afschuwelijke gewoonte van kwaadspreken, indien gij u zeiven niet ongelukkig wilt maken; â want er staat geschreven: âlasteraars en kwaadsprekers zullen het rijk der hemelen niet bezitten.quot;
3.) Eindelijk M. B., beoefent ook de naastenliefde door werken. En met betrekking tot dit punt stel ik mij niet tevreden, u te zeggen wat gij vermijden, maar ook wat gij doen moet. Ik zeg u niet .slechts; benadeelt den evenmensch niet in de goederen des lichaams, door onrechtvaardigheid, slechte behandelingen, enz. â krenkt hem ook niet in de belangen zijner ziel, door
- 31 â
ergernis en slecht voorbeeld, â maar ik zeg u tevens : helpt en ondersteunt hem zoowol in zijne tijdelijke als geestelijke behoeften. â Uwe liefde wende zich eerst en vooral tot do leden van uw g^zin; vrouw, kinderen en dienstboden. â Tracht hen door eenen minzamen omgang, vriendelijke behandeling en liefdevolle zorg tevreden te stellen en gelukkig to makon. En als u dat kost en hard valt, heiiunort u dan do belofte van Jesus: âWat gij voor den minste der mijnen fjedaan hebt, zal ik beschouwen als aan mij gedaan.quot; (Matth. XXV. 40.) â Welk geluk voor een minzaam en liefdevol hart, zich eenige moeite te kunnen geven ter wille van dien goeden Jesus, die voor u zijn bloed en leven ton beste gegeven heeft. â Ondersteunt ook do armen en bohoeftigon. \'t Is Jesus die in den persoon dor armen honger en dorst lijdt; â voedt dus Jesus; laaft Hom, kleedt Hem, bezoekt en troost Hem, en vreest niet dat gij door goede werken u zeiven te kort zult doen; want de H. Geest zegt uitdrukkelijk: âqui dat pauper!, non indigibit.quot; (Prov. XXVIII. 27),
Behartigt eindelijk ook zooveel mogelijk het zielenheil van den evenmensch. Dat kunt gij op tweeërlei wijzo; door uw goed voorbeeld en door gebed. â M. B., gij die als leden der H. Familie er naar streeft, eon bij uitstek deugdzaam en godvreezend leven te leiden, gij moogt u niet tevreden stellen met alleen naaiden hemel te gaan ; gij moet ook trachten anderen er heen te voeren, door middel van het goed voorbeeld, opwekkingen, vermaningen, enz. .. Voegt daarbij het gebed. âBroeders,\' zoo vermaant ons de apostel Jacobus, âbidt voor elkander opdat gij zalig wordt.quot; (Jac. V. 16), want, voegt hij erbij; âhet gebed van den rechtvaardige vermag veel.\'\' (Ibid). Inderdaad; want Jesus zegt: âVraagt en gij zult vet krijgen.1\'â (Joan. XVI. 24).
Bidt dus eiken dag voor uwe broeders, voor rechtvaardigen en zondaars, voor katholieken en andersdenkenden, voor heidenen en ongeloovigen; want gij zijt in staat door het gebed vele zielen te redden. Ik eindig M. B. met u de vermaning toe te voegen, die de H. Joannes de Apostel der Liefde, den eersten Greloovigen steeds op het hart drukte; Diligamus alterutrumquot;,â (II Joan. V.) Hebt elkander lief op aarde en gij zult elkander eenmaal mogen beminnen in den hemel! â Bij den dood van keizer Theodosius wilde de H. Ambrosins zijne bedroefde toehoorders aantoonen, dat zij alle redenen hadden te vertrouwen, dat Theodosius zalig was;â te dien einde schetste hij hun de groote naastenliefde van den ontslapen keizer. Hij voerde hem voor den\' rechterstoel van God, en liet hem door de Engelen ondervragen: âWat hebt gij gedaan tijdens uw leven?quot;â âQuid egisti in terris?quot;â De H. Ambrosius legt hem niets anders in den mond dan dit eene woord: âDilexiquot;. Dat was voldoende, laat hij er op volgen opdat de hemel hem geopend werd; want te zeggen; âik heb liefgehadquot;, beteekent; ik heb de gansohe wet volbracht.
Ook gij M. B., zult gelukkig zijn, als gij op het einde uws levens zult mogen zeggen: âDilexi.quot; â Ik heb mijnen evenmensch liefgehad, hem bemind, in gedachten, woorden en werken; â als gij zoo kunt spreken, dan zal ook de Hemelsche Rechter oordeelen dat gij de geheele wet volbracht hebt; en Hij zal tot u zeggen: âKomt gezegeyiden mijns Vaders, bezit het liijk, dat Ik voor u bereid heb van het begin der wereld.quot; â (Matth. XXV. 34).
or sn i;
3n
\'g V.
er
rt
bt
al Liefde tot den Naaste. (Aalmoes.)
in
e-
;n
â Heb ik u, M. B., verleden zondag gesproken over le de Liefde tot den Naaste in liet algemeen,â over de ;n voortreffelijkheid dier deugd,â en over de wijze waarop sn wij haar moeten beoefenen,â vandaag wil ik u eens iets e- zeggen van de voortreffelijkheid der goede werken,â is in het bijzonder van de Aalmoes, waardoor de liefde ie tot den evenmensch zoo heerlijk schoon in het dag-)p licht treedt.â Wat is de aalmoes? Een werk van te barmhartigheid en liefde, waardoor wij uit gevoel le van medelijden en ter liefde van God, iets van het
onze geven aan den evenmensch; teneinde hem in
et zijnen nood te helpen. De aalmoes besluit dus in zich
[k twee zaken: een medelijdend hart, en een gulle hand;
e- zij wordt gedaan met het hart en met de hand.â
at Hart en hand worden beiden gevorderd tot eene aal-
ai moes; en wel voornamelijk het hart; want wie enkel
ot geeft met de hand, en niet met het hart geeft geen
fc, aalmoes, of heeft tenminste niet de verdienste der
â aalmoes. De kluizenaar Serapion, ontmoette eens twee armen, die bijna geen kleederen aan het lijf hadden en gevaar liepen van koude te sterven.â Door medelijden bewogen, gaf hij den eene zijn mantel, en den
3
andere zijn kleed. Te huis gekomen droeg hij nog enkel zijn onderkleed.â âMaar vader, heeft men u uitgeschud, vroegen hem verwonderd zijne medebroeders?quot;â Neen, zeide hij met vreugde, ik heb niets anders dan dit gebod in beoefening gebracht: â Wie twee kleederen heeft, geve er een aan dengene die er geen heeft.quot; (Luc. III. 11.) Eene andere maal, ten tijde van een grooten hongersnood, verkocht hij het kostbaarste wat hij had; namelijk zijn evange\'ieboek, om de noodlijdenden te helpen. Zijne medebroeders maakten er hem een verwijt van, dat hij iets zóó kostbaars, als het boek des Evangelies verkocht had ; maar hij gaf hun ten antwoord: Ik heb niets anders gedaan, dan ten uitvoer gebracht, wat bevolen is : â Ga, verhoop wat gij hebt, en geef het den armen.quot; (Matth. XX. 14.) Hij begreep gelijk gij ziet, dat het niet genoeg is te geven met de hand; maar ook met een medelijdend hart en ter liefde van God. Maar nu eene andere vraag.â Is men ook gehouden tot het geven van aalmoezen ? Ja, men is volstrekt daartoe gehouden, ieder volgens zijn vermogen, en wel op straf van zonde. Zeer vele menschen meenen verkeerdelijk dat de aalmoes geen gebod, maar alleen een werk is van vrije keuze ; â vandaar komt het, dat hij die een aalmoes geeft meent, dat hij zich zeer verdienstelijk maakt, hoe gering zijne gift ook zij, â en hij die geen aalmoes geeft meent, dat hij daardoor zich niet schuldig maakt. Neen, de aalmoes is geen werk van vrije keuze; maar een gebod ons opgelegd door de wet der natuur, en daarenboven door de stellige wet van God; âIk beveel u, zegt God, dat gij uwe hand opent voor uwen hehoeftigen en noodlijdenden broeder.\'1 (Deut. XV. 11.) En op eene andere plaats: âPraecipe diviti-bus facile tribuere. Beveel den rijken, edelmoedig te geven.quot;
(I Tim. VI. 17.) God, M.B., toont niet zelden op duidelijke wijze reeds hier op aaide, hoezeer de aalmoes hem beha-gelijk, en de hardvochtigheid Hem grievend is.â Zegen en voorspoed verleent Hij den milden gever ; terwijl de hardvochtige geen zegen heeft te verwachten. Ten bewijze daarvan dienen de twee volgende voorbeelden. De H. Elisabeth van Thnringan, die zoo teeder-volle moeder voor de armen, werd bij haren man beschuldigd, dat zij ten tijde van duurte en gebrek, de granen ver beneden den prijs verkocht; ja zelfs kosteloos aan de armen had uitgereikt,â en door hare verkwistende vrijgevigheid het land in het verdert had gestort. Laat haar maar begaan, zeide Lodewijk haar gemaal, zoolang de milddadigheid onder mijn dak woont, zal het gebrek er niet binnen treden.â Het jaar daarna was de oogst dan ook zoo overvloedig, dat allo schuren vol waren. Nu nam de vrome landgraaf zijnen opzichter mede naar de graanschuren, en zeide tot hem: Nu ziet gij, wat gij toen niet wildet gelooven; dat de Heer diegenen zegent, die goed doen aan de armen. Maar van den anderen kant is het niet minder waar: daar waar geen liefde is voor den arme, daar is ook geen zegen.â In zeker klooster, zoo verhaalt Cesarius, was een overste die uitblonk door zijne liefde tot de armen; doch hij kwam te sterven en werd opgevolgd door een ander die minder die hoedanigheid bezat. Eens bood zich aan het klooster een vreemdeling aan om te overnachten. Het spijt mij, zeide de portier, ik kan u niet ontvangen; want sedert eenigen tijd lijdt het klooster groot gebrek en armoede. Ik ken er de reden van, zeide de vreemdeling. Uit onmeedoogendheid heeft de nieuwe overste twee broeders uit het klooster weggezonden j dat is de schuld van alles. Maar welke broe-
â 86 â
ders, vroeg de portier ? De een, antwoordde de vreemdeling, wordt genoemd: âGeeft,quot;âen de tweede; âu zal gegeven worden.quot;â Na het vertrek van den vreemdeling kon de portier niet zwijgen; bij gaat naar den overste, en verhaalt hem het gebeurde. De overste werd getroffen, en behartigde de hem gegeven les.â Liefdadigheid keerde terug in het klooster, en met haar Gods zegen en weldaden.â Welk is nu de al-gemeene regel of maatstaf in het geven van aalmoezen ? De algemeene regel is deze : Geeft van uwen overvloed; van het overtollige van hetgeen gij te veel hebt.â Door overvloed versta ik datgene wat men niet noodig heeft tot onderhoud des levens of tot instandhouding van zijnen staat. Ik ga u het gezegde een weinig nader verklaren. God wil M. B., dat gij u voedt en kleedt volgens uwen staat en de kosten maakt die daaraan verbonden zijn ; maar hij verbiedt u overdaad, weel\'le, verkwisting, ten aanzien van voeding en kleeding. Hij wil dat gij u van tijd tot tijd op eene behoorlijke wijze vermaakt; maar van het leven eene onafgebroken reeks maken van plezieren en genietingen, dat wil God niet. God wil dat gij spaart voor de toekomst, teneinde u bij voorkomende gebeurlijkheden te kunnen helpen; maar gedreven door de zucht naar geld en goed, altijd en immer maar br-eenrapen, en toch nooit genoeg hebben; dat is louter gierigheid die God veroordeelt. TJit hetgeen ik hier kom te zeggen, kunt gij genoegzaam opmaken, wat ik versta onder het woord; overtollig. Nu van dat overtollige is men gehouden, nu en dan al eens eene aalmoes te geven, of een goed werk te verrichten. In het leven van Paus Pius IX, vind ik de schoonste trekken van milddadigheid en liefde tot de armen. Nog bisschop van Imola zijnde, kwam eene
â 37 â
arme oude vrouw zijne kamer binnen, wierp zich aan zijne voeten, en bad hem haar te helpen. De beurs van den liefdadigen bisschop, was dien dag, gelijk dikwijls het geval was, volkomen ledig.â Hij had geen bajocco meer in zijne lade.â Wat gedaan? Hij kon het niet van zich verkrijgen, die arme vrouw onverhoord to laten heengaan. Hij staat op, gaat naar eene kast, haalt er een sti; k zilverwerk uit en geeft het aan de vrouw, zeggende; âZiedaar, neem dit en beleg het in de bank van leening; ik zelf zal, zoodra ik kan, het er wel uit nemen.â Eene andere maal was het een achtenswaardig inwoner van Imola die in eene geldelijke verlegenheid zich bevond, en zich tot hem wendde. Ook ditmaal was zijne beurs uitgeput. Welke som hebt gij van doen, vroeg hem de bisschop? Twee honderd franken, was het antwoord.â Ik heb geen enkelen bajocco, zeide hij hem; doch neem daar die zilveren kandelaars, verkoop ze. en misschien zult gij er van maken wat gij noodig hebt. â Hij was eerst sedert korten tijd paus, en ziet, een bewoner der wijk Monti, dicht bij het Quirinaal, verloor zijn paard, waarmede hij dagelijks zijne waren ter markt moest brengen. Ik heb gehoord zeide hij bij zich zeiven, dat de nieuwe paus zoo milddadig is,â waarom zou ik niet tot hem gaan, en hem verzoeken, mij een paard te willen afstaan uit zijne stallen. En aanstonds gaat hij naar het Vatioaan. Aan den voet van den trap, ontmoet hij den staatssecretaris van Zijne Heiligheid, die zich welwillend belastte, het verzoek van den man, aan Pius over te brengen. De paus, willigde het verzoek in, en schonk aan den irmcn man een paard, alsmede twee goudstukken om zijn verlies te herstellen. Deze opgetogen van vreugle, reed op zijn nieuw paard
â 38 â
gezeten, al jubelende naar buis terug; terwijl Mj niet ophield te roepen: Leve Pius IX!âTen laatsteM. B., wat behoort men in acht te nemen bij het geven van aalmoezen? l.)Men moet de aalmoes geven van zijn eigen goed. Daar zijn er, die onrechtvaardig goed in bezit hebben en zeggen; ik zal daar missen voor laten lezen, of aalmoezen daarvan geven aan de armen, dat is even goed. Neen dat is niet even goed ; want gij moogt geen goede werken doen ten nadeele van een derde. Kent gij den persoon, dien gij benadeeld hebt, dan moet gij hem, en niet een ander schadeloos stellen; kent gij hem niet, raadpleegt dan uwen biechtvader. 2.) de aalmoes moet wezen in evenredigheid van onzen staat. Een rijke moet natuurlijk meer doen dan iemand die minder rijk is, en toch die het meeat konden doen, doen in den regel het minst,â en van wie men het minst zou verwachten, ontvangt men. dikwijls het meest. 3.) De aalmoes moet geschieden met overleg en oordeel. Schenkt bij voorkeur eene aalmoes aan iemand die het verdient, liever dan iemand die het minder verdient,â aan familiebetrekkingen en verwanten, liever dan aan vreemden,â aan parochianen liever dan aan dezulken die van vrtemde parochiën zijn. 4.) De aalmoes moet geschieden ter gelegener tijd, dat wil zeggen te dien tijde waarop zij het meest van pas komt, b. v. in ziekte, in den win ter, bij eene of andere bijzondere gelegenheid, enz.â Een gewichtig en voornaam punt ia dit: voegt bij uwe aalmoezen steeds eene goede meening; zonder uiterlijk vertoon daarbij te maken, noch zijne milddadigheid uit te bazuinen. Men treft menschen aan die als ze al eens eene of andere maal, een goed werk verrichten ten opzichte van hunnen behoeftigen evenmensch. aanstonds hunne liefdadigheid op straat
â 39 â
brengen,â iedereen moet weten wat en hoeveel zij gegeven hebben;â die zoo doen, toonen dat zij niet de eer en glorie vaa God, maar hunne eigene glorie zoeken,â M. B., beoefent van tijd tot tijd het gebod der aalmoes. Het zal voor u wezen eene rijke bron van zegen en geluk. De aalmoes is een leen dat eene honderdvoudige rente afwerpt; zij is gelijk aan den olie der weduwe, die zich vermeerderde, naarmate men hem uitgoot, zij is die gehoiaizinnige zuurdeesem die het deeg doet rijzen,â zij is dat mostaardzaadje, dat, een boom geworden, zijne takken uitspreidt om uwe akkers en velden te beschutten, tegen de guurheid van het weder. Daarom noemt dan ook de H-Schrift de aalmoes een zaad,â dit immers in den grond geworpen gaat niet verloren, maar levert op zijnen tijd het honderdvoud op. Zoo ook de aalmoes, met dit verschil evenwel, dat de oogst voor den landman kan mislukken, maar de aalmoes niet. Laat het gezegde u opwekken, van tijd tot tijd hand en hart eens te openen voor den arme,â daardoor brengt gij in beoefening hot groot gebod der liefde, en trekt over u af den zegen Gods, voor den tijd en de eeuwigheid. Amen.â
CARDINALE- OF HOOFDDEUGDEN.
VI.
Sterkte.
Na de drie goddelijke deugden, komen de zoogenaamde Cardinale- of Hoofddeugden. Haar naam âCardinalequot; deugden komt van het Latijnsohe woord âCardo,quot; spil, â omdat zij als het ware de spil zijn, waarop alle andere zedelijke deugden draaien. Inderdaad alle andere zedelijke deugden, kunnen tot de cardinale deugden worden terug gebracht. Deze nu zijn vier in getal. De matigheid, voorzichtigheid, rechtvaardigheid en sterkte. Over die vier deugden nu gaan wij achtereenvolgens, in even zoo vele con-ferentiën handelen. â Dezen avond over de Sterkte. â Vooreerst moet ik trachten, u een goed begrip te geven van de deugd van sterkte. â De deugd van sterkte heett niets gemeens met de lichaamssterkte, met de lichaamskracht; men kan sterk zijn naar het lichaam en toch zwak naar de ziel, â en ook omgekeerd zwak naar het lichaam en sterk naar de ziel.
- 41 â
Van Samson, verhaalt ons de H. Schrift voorbeelden van eene ongemeene liohaamskraclit. Hij was zoo sterk dat hij eene leeuwin den muil openbrak en verscheurde ; eene ande re maal hief hij de poorten der stad Gaza uit hare hengsels, nam ze op zijne schouderen en ging er mede heen ; doch hoe sterk ook naar het lichaam, scheen hij zwak te zijn van hart en ziel. Hij was niet bestand tegen de vleierijen en aanzoekingen eener vrouw en stortte zich aldus in het verderf. Een Alexander de Groote, een Napoleon waren veldheeren, die de gansche wereld voor hun zwaard deden beven; maar tevens zoo zwak, dat zij zich zeiven, hunne hartstochten, niet konden bedwingen. Nog eens, de deugd van sterkte heeft niets gemeens met de kracht en sterkte des liohaams. Zij bestaat volgens den H. Augustinus hierin, dat men moedig weet te strijden, en geduldig weet te lijden,â strijden tegen de vijanden onzer zaligheid, kampen tegen alle hinderpalen en beletselen die ons in den weg staan, en geduldig lijden alles wat ons mocht treffen, eerder dan de wet van God, al ware het ook maar in één punt, te overtreden. Al wie dus moedig weet te strijden en geduldig weet te lijden, hem noem ik een sterk man. Eene menigte voorbeelden dienaangaande levert ons de H. Schrift. De kuische jongeling Joseph, in dienst van Putiphar, werd aanhoudend door diens huisvrouw aangezocht tot zonde. Op zekeren dag poogde zij geweld te gebruiken, doch Joseph laat zijn mantel achter in de handen der vrouw, en ontvlucht. Die moedige daad kostte hom het verlies van zijnen dienst en den kerker. Doch Joseph verkoos den kerker, ja den dood, boven het verlies zijner onschuld. Joseph was dus een sterk man. â De moeder der Machabeërs zocht men op alle mogelijke wijzen over
â 42 â
te halen tot overtreding der wet. Zij zag hare zeven zonen onder hare oogen gefolterd worden, ja verkoos zelve den smartelijksten marteldood te sterven, liever dan de wet Gods te overtreden. Dat was, zooals gij ziet, eene sterke vrouw. â Doch wij behoeven nog niet eens de H. Schrift open te slaan, om daar voorbeelden te vinden van moed en sterkte; â in de wereld ten huldigen dage, te midden van zoo vele laffe en zwakke christenen, vindt men toch ook nu en dan sterke en edelmoedige zielen In den Fransch-Duitschen oorlog in het jaar 1870 belegerden de Pruisen de vesting Straatsburg. Het regende als het ware kanonskogels en houwitsers op de vestingwerken der stad. Neven een fransch officier, wordt een soldaat door een houwitser doodelijk getroffen. Eene Zuster van Liefde schiet toe, zet zich op de knieën bij den stervenden soldaat, en wil zijne wonden verbinden. Maar op hetzelfde oogenblik komt een tweede vijandelijke koL-.el, en doodt de zuster op de plaats. En ziet eene tweeds Liefdezuster komt toegesneld. âVerwijder u zuster,quot; sprak de officier, met zekere gemaakte gestrengheid, âgij ziet wel dat het hier uwe plaats niet is.quot; â âVergeef mij, mijnheer,quot; antwoordde zij met een zoeten glimlach, âgij kent immers het spreekwoord; Als men eene vensterruit breekt, zet men aanstonds een andere in de plaats.quot; â Was dat niet moedig, om wille der naastenliefde zijn leven op het spel zetten. Nog een ander voorbeeld van denzelfden aard. Tijdens dienzelfden oorlog verliet eene schoolzuster het onderwijs eener dorpsschool, om de gekwetste soldaten te St. Cyr en te Versailles te gaan verplegen. De ambulance waar zij werkzaam was viel in handen van den vijand, zij ging evenwel voort de fransche geblesseerden op te passen. Eea
- 43 â
hunner geneest en poogt te vluchten. De zuster bezorgt hem kleederen en begunstigt zijne vlucht. Ãe toeleg wordt ontdekt en de zuster wordt in de gevangenis geworpen. De krijgsraad veroordeelt haar ter dood. Maar Von Bismarck verneemt de zaak, en dewijl zij ook menig Pruisisch soldaat bijgestaan en verzorgd had, schenkt de prins haar vergiffenis en reikt haar de hand toe. â âVergeef mij prins,quot; zoo spreekt zij op beleefden, maar vasten toon, âde liefde die ik mijn vaderland toedraag, verbiedt mij, mijne hand te leggen in die van een vijand van Frankrijk.quot; Die zuster was Maria Lucia, die in Januari 1882 zoo snood, door een goddeloozen vrijdenker op reis, aangerand en mishandeld werd. Ziedaar M. B., een paar voorbeelden van moed en sterkte, dio men nu en dan eens aantreft. Maar jammer dat die voorbeelden zoo zeldzaam zijn. Daar worden helaas veel meer zwakke, bange christenen, dan moedige en kloeke zielen gevonden. â Hoe komt dat ? Uit eene drievoudige oorzaak. Uit bevreesdheid, uit lafheid en uit roekeloosheid.â Uit bevreesdheid.â Men ducht te zeer de ongemakken en moeilijkheden van dit leven. Zulke laffe christenen stel ik tot voorbeeld den H. Hieronymus, die om zijnen moed en sterkte terecht een christenheld mag genoemd werden. De H. Hieronymus, ten einde zich te onttrekken aan het gewoel en de gevaren der wereld, verliet Rome om in het Oosten, in de woestijn van Chalcis te gaan leven.â Daar werd hij aangetast door verschillende ziekten, had te strijden met de hevigste bekoringen van onzuiverheid, alsmede met eene onweerstaanbare zucht naar de genietingen en gemakken des levens, waaraan hij met het oog op den hemel vi ij willig vaarwel had gezegd. Eerst trachtte hij door vasten^ waken
cn lijfkastijdingen, zijn bedorven vleesch te bedwingen en zijne weerspannige verbeelding te beteugelen. Het mocht niet veel baten. Nu ondernam hij, om zijnen goest meer van de wereld te kunnen afwenden, de .studie der Hebreeuwsche taal, waarin hij het door inspanning en studie zoover bracht, dat hij bijna de gcheele H. Schrift uit het Hebreeuwsch in het Latijn vertaalde. â Schoon voorbeeld voor hen, die zwak zijn uit angst en vrees voor moeilijkheden en ongemakken. Andere christenen worden er gevonden, die zwak zijn uit lafheid, â zij sidderen en beven voor bezwaren en hinderpalen die meestal enkel in hunne verbeelding bestaan. Zij zijn op reis, schamen zich v;r voor uit te komen dat zij christen zijn ; ja zullen z )]is op verboden dagen vleesch eten, uit vrees van uitgelachen eu bespot te worden. Dezulken mogen zioh wel eens spiegeleii aan de volgende voorbeelden. Een heer dineerde op vrijdag in een hotel, in gezel-Hchap van verschillende jonge heeren.â Daar hij goed katholiek was, onthield hij zich van vleesch, en werd deswege door gezegde jongeheeren terdege uitgelachen. Nu bestelde hij ook een portie vleesch en gaf dl« aan zijnen hond. Daar Turk, sprak hij, slok op, gij hebt geen ziel en hebt dus meer recht op uw part dan die heertjes. â Op zekeren dag kwam een fransch kolonel aan het klooster der Redemptoristen te St. Truiden het scapulier vragen. In weerwil der opmerkingen die men maakte, begaf hij zich met hot scapulier over zijne uniform naar het station Wat ik mij niet moet schamen te dragen, zeide hij,â acliroom ik ook niet te toonen ?â M. B., als ik eene keuze moest doen onder de deugden en er u eene toewenschen, dan koos ik zonder aarzelen de deugd v:iq sterkte. Iemand toch die sterk is, zal ook
â 45 â
alle andere zedelijke deugden bezitten; of die althans gemakkelijk verwerven. Jongelingen en man nen, zoo sterk gespierd naar het lichaam, toont dat gij ook sterk zijt van wil, sterk naar de ziel. Do deugd van sterkte bestaat vooral in weerstand to bieden aan onzen drievoudigen vijand: den duivel, de wereld het vleesch. Den duivel moet gij bestrijden door het gebed.â Een kort maar vurig gebed, een enkel kruisteeken, is soms reeds genoeg om den duivel op de vlucht te jagen. Soms kwam een gansdi leger duivelen den H. Antonius abt, in de woestijn bestormen. Dan begon de H. Antonius hartelijk te lachen, en zeide : âGij moet toch wel geducht bang1 zijn, dat gij met zoovelen te gelijk afkomt,â als gij zoo v! eeselijk waart als gij u aanstelt, dan was één van u genoeg.quot; â Daarop maakte de Heilige het teeken des kruises, en weg waren allen. â Strijden verder, moeten wij tegen de wereld, â en die strijd is lastiger. De wereld bestrijdt men het best door do vlucht.â Wilt gij zegevieren over de wereld, vlucht dan dezelve, door u niet vrijwillig bloot te stellen aan de gevaren en gelegenheden tot zonde, die men onnoemelijk veel in de wereld aan treft. Strijden eindelijk moeten wij tegen de driften, vooral tegen ons vleesch. Hoe moet dat geschieden ? Wij moeten trachten onze driften uit te roeien, te vernietigen. Neemt hieromtrent een voorbeeld aan Samson. Samson om den oogst der Philistijnen te vernietigen, bediende zich van liet volgend middel. Hij bond vossen paarsgewijze met de staarten aaneen, tussehen elk paar bond hij een brandende fakkel en joeg hen aldus de akkers der Philistijnen in. Datzelfde middel moeten ook vij bezigen, om den akker onzer ziel te zuiveren van driften en kwade begeerlijkheden. Wij moeten twee
- 46 -
vossen aaneenbinden. De een is een waker,â de ander een werker. Wij moeten waken en werken. En de fakkel tusschen beiden is esn kloeke vastberaden wil. â Wij moeten willen. Das waken, werken en willen. Vooreerst waken; om de gelegenheden van zonden te voorzien, onze gebreken te leeren kennen, de oorzaken onzer zonden op te sporen, en ze vervolgens uit den weg te ruimen. Verder werken, door de tegenovergestelde deugden te oefenen. De hoogmoedige oefene zich in den ootmoed, de driftige in de zachtmoedigheid, de oneerbare in de kuisch-heid. Eindelijk willen; maar wezenlijk vastberaden willen. De moader van den H. Petrus Celestinus Paus, zeide eens op zekeren avond tot hare kinderen. Lieve kinderen, welk een geluk zou het voor mij zijn, als iemand van u eens heilig werd.â Moeder, riep de kleine Petrus uit, ik wil en zal die heilige zijn. En hij hield woord.â Eindelijk bilden,â bidt dagelijks M. B., om de deugd van sterkte ;â geene deugd is u zoo noodzakelijk als de sterkte, \'s Men-schen leven toch is een voortdurende strijd ; dus altiid gewapend zijn met het gebed, dan zullen we ook altijd overwinnen, Amen.
VII
Matigheid.
De Matigheid, ziedaar de tweede der oardinale deugden. Om een juist begrip van deze deugd te hebben, moet ik noodzakelijk haar een weinig omschrijven. De matigheid is eene deugd die onze driften tempert en het gebruik regelt, dat wij maken moeten van de goederen en genietingen dezes levens. De matigheid b. v., leert den wraakzuchtige zich bedwingen, den wellusteling zich beheerschen; zij leert den wereldling die verzot is op vermaken en uitspanningen, die ongebonden lust wat te matigen en in te toornen.â Vandaar dat men de matigheid met niets beter vergelijken kan, dan met den regulateur eener stoommachine. Gij weet M. B. welke verbazende kracht de stoommachines bezitten;â ziet maar eens b. v. de locomotief van een spoortrein, die honderden men-schen tegelijk, met eene ontzaggelijke massa goederen en bagage voortsleept, en met eene ongeloofelijke snelheid van de eene naar de andere plaats vervoert;â Zulke locomotief gelijk elke andere machine heeft een regulateur of een werktuig, om hare krachtsontwikkeling, haren gang, hare snelheid te matigen en te regelen, â zoo niet dan hadde men voortdurend
â 48 â
ongelukken en rampen te duchten. Zoo is het ook met den mensoh. quot;Wij worden allen beheerseht door eene inwendige ons aangeboren stoomkracht; namelijk de zucht van te willen genieten, â en die zucht tot genot is zoo sti;rk en zoo krachtig ; dat zij noodzake. lijk eenen regulateur behoeft; anders zou zij ons voortdurend in de grootste ongebondenheden en uitspattingen storten. Die regulateur nu is de matigheid.â Wij kunnen dus zeer juist de cardinaie deugd der matigheid noemen ; den regulateur van alle handelingen en verrichtingen van den mensch. In die beteeke-nis. zooals gij ziet, heeft de matigheid eene uitgebreide grens, en oefent zij haren invloed uit op alle deugden, zoowel als op alle driften in het hart van den mensch. Dikwijls echter wordt zij genomen in eenen meer beperkten i;in voor de deugd, die den mensch voorlicht en bestiert in het gebruik van spijs en drank, en in alle zinnelijke genietingen des levens. De H. Schrift drukt op verschillende plaatsen, ons de matigheid op het hart, â terwijl onze goddelijke Zaligmaker, het toonbeeld van alle deugden van de matigheid ons menig schoon voorbeeld geeft in zijn levfn. Welk treffend verschil tusschen Hem en de Pharizeërs, die trotsche en opgeblazen men-schen, die niets anders zochten, dan door wat uitwendig vertoon de oogen der mensch en tot zich te trekken. Hij daarentegen maakte weinig uitwendig vertoon. Hij zocht niet de oogen tot zich te trekken, gelijk de Phariseërs, maar de harten der mensehen te winnen; â en dat geschiedde vooral door zijne buitengewoon grooto gematigdheid ; door zyne gematigdheid jegens de zondaren wekte hij hen op tot vertrouwen en moed. Nooit verstootte hij hen met harde en ruwe woorden ; maar bepaalde zich met tot
â 49 -
hen te zeggen: âGaat en zondigt niet meer.quot;â Hij verbood Petrus het zwaard te trekken ter zijner verdediging, en berispte de zonen van Zebedaeus, die in onbezonnen ijver het vuur des hemels wilden doen neerkomen over de Samaritanen, die hun de gastvrijheid geweigerd hadden. Hoe groot en verheven is niet de deugd van gematiglieid, dewijl onze goddelijke Verlosser haar zoozeer op prijs stelde! Zij was ook de lievelingsdeugd van alle Heiligen. De H. Fran-ciseus van Sales was van natuur vurig en hevig. Van jongs af aan echter legde hij er zich op toe, die drift te matigen, en hij slaagde daarin zóó goed, dat hij een voorbeeld werd van zachtmoedigheid , zooals het volgend voorbeeld ons doet zien. Een jeugdig edelman, die hem haatte kwam een vreeselijk gedruisoh maken onder de vensters zijner kamer. Doch daar bleef het nog niet bij.â Hij trad binnen, opende de kamer van den heiligen bisschop, en braakte de grofste beleedigingen en de gemeenste lasteringen tegen hem uit. Franciscus aanhoorde dat alles met geduld, en sprak geen woord.â De booswicht beschouwde die kalmte van den heiligen bisschop als eene verachting van zijnen persoon, en werd nog onstuimiger en woedender. Franciscus nochtans bleef altijd even stil en bedaard. Nadat die rampzalige vertrokken was, vroeg men den Heilige, hoe hij zich toch had kunnen inhouden.â âIk heb, was zijn antwoord, een verdrag gesloten met mijne tong, dat zoolang mijn gemoed ontsteld zou zijn, mijne tong geen woord zal spreken.quot; â Schoon voorbeeld, zooals gij ziet van gematigdheid. Zij maakt den menseh beminnelijk bij God en bij de menschen. De matigheid genomen in een meer engeren zin, is nog eene bron van lichamelijk en stoffelijk welzijn.â
4
â BO â
Zij bewaart de gezondheid, en houdt het lichaam als â werktuig der ziel in een goeden, volmaakten en geschik-ten staat om al zijn bedieningen naar behooren te verrichten. De H.Geest zelf verklaart het óns, zeggende ; âDe matigheid strekt tot welzijn voor ziel en lichaam.quot;â (Eccli. XXXI. 37.) quot;Welke menschen leven het langst ? Zijn het niet in den regel, degenen die sober leven in spijs en drank.â Eene goneeskundige Engelsohe Revue: âthe Lancet,quot; geeft daarvan het volgend voorbeeld. Te Bogota is, of was althans nog voor eenigen tijd een grijsaard van minstens 180 jaar oud, Michael Solio geheeten.â Doctor Hernandez beweert, dat hij zelf 10 jaren oud zijnde, van Solio heeft hooren spreken, als van een honderdjarigen grijsaard. Men bezit o. a. eene akte, geteekend door Solio in het jaar 1712. Laatst ging dokter Hermandez hem zien en vond hem bezig in den tuin aan het werk. Zijne huid is gelijk aan een vel perkament; zijne sneeuwwitte haren omringen zijn schedel, als een turkschen turban. Zijn hoogen leeftijd schrijft hij toe aan een eenvoudig en regelmatig leven. Hij eet maar ééns daags, en besteedt daartoe nooit langer dan een half uur. Den eersten en vijftienden van elke maand vast hij. en drinkt dan ongemeen veel water. Hij gebruikt overigens koud en voedzaam eten. â Maar een nog veel grooter voordeel dan een lang leven besluit de matigheid in zich. Zij is namelijk de bewaarster der kuisch-heid.â â Wacht u voor den drank, zegt God, bij monde van den apostel Paiulus, icant daarin zetelt de ongebondenheidquot;.â (Eph. VI, 18.) De lelie der zuiverheid bloeit alleen onder de doornen, en wordt niet gevonden in den tuin dergenen die een zinnelijk leven leiden. De steden Sodoma en Gomorrha, worden door het vuur des hemels vernield, ter oorzake van de
51 â-
zonde van ontuclit. En in dat schandelijk zedebederf waren die ongelukkige steden gevallen, volgens het getuigenis van God zeiven, ten gevolge van den hoogmoed, de ledigheid en onmatigheid. Jongelingen, het is voor u zedelijkerwijze onmogelijk zuiver te leven, zoo gij niet matig zijt. De H. Hieronymus, in de woestijn van Chalcis, werd bestormd door de hevigste bekoringen tegen dj zuiverheid, en hij had het grooten-deels aan zijne buitengewone soberheid en matigheid te danken, dat hij overwinnaar bleef.â De matigheid verder, is nog van het grootste belang voor de stoffelijke en tijdelijke welvaart van een land. Dat begrijpen ook eenigermate onze moderne wetgevers ; vandaar dat onmatigheid ook strafbaar is voor de wet. Die strafbaarheid heeft evenwel weinig te betee -kenen. Voor eenigen tijd las ik dat eene vrouw in Holland voor de 10le maal, wegens openbare dronkenschap veroordeeld werd. Wel een bewijs dat de straf niet veel te beteekenen heeft. â Eertijds was het anders; omdat men toen beter dan thans, het groot gewicht besefte der m itighoid. Bij de Atheners, onder Draco, stond op dronkenschap in zekere gevallen de doodsstraf. Lycurgus liet te Sparta alle wijnstokken uitroeien.â Te Rome was het gebruik van sterken drank den mannen eert geoorloofd op den leeftijd van 30 jaar,â en den vrouwen was hij volstrekt verboden. Frans I, koning van Frankrijk, stelde op de onmatigheid de straf der verbanning, vooral bij herval. Ook de Kerk heeft vroeger straffen tegen dat kwaad vastgesteld, zooals het vasten, de onthouding, en de berooving van de H. Communie. M. B. de matigheid, zooals wij gezien hebben, bestaat hierin, dat wij binnen de maat blijven. Nu op velerlei wijze kan men de maat overschrijden; hoofd-
â 52 â
zakelijk echter met toe te geven aan onze zinnen, en aan onze driften. Onder de zintuigen die wij vooral moeten matigen, komt de smaak, â en onder de driften die wij vooral moeten intoomen komt de gramschap en toorn. Legt u dus vooral toe op het matigen der gulzigheid en onmatigheid in spijs en drank, alsmede op het bedwingen van de gramschap. Vermijdt deswege in het gebruik van spijs en drank ; drie zaken : 1) onverstorvenheid,â dit raakt de hoeveelheid; â de maat nu, kan natuurlijk niet voor iedereen dezelfde zijn. Allen evenwel kunnen tot algemeenen regel nemen : ophouden zoodra men voldoende verzadigd is; 2) verslaafdheid,â op zulke wijze dat men daarin zijn geluk stelt, zoodat men schijnt te leven om te eten, terwijl men moet eten om te leven;â dat heet zooals de apostel Paalus zegt; âvan zijnen huik, eenen afgod makenquot;. (Philipp. III, 6); 3) zinnelijkheid,â vlucht deswege de al te groote voldoening in de aangename hoedanigheden van het voelsel, in uitgezochte spijzen, enz. Wat te zeggen b. b. vaneen Wenceslaus, koning van Boheme, die eenen kok levend aan hetspit deed braden, omdat hij een kieken een weinig had laten aanbranden. Matigt ook de ons allen aangeboren zucht tot toorn en gramschap. Die drift toch is hatelijk in hare oorzaken en ontstaat dikwijls uit 1) eigenliefde Een enkel woord ten hunnen nadeele gezegd, doet sommigen reeds als razenden opspringen; 2) uit gehechtheid aan het aardsche. Zoo was b. v. eene bagatelle van eenige honderden franken, onlangs de aanleiding van eenen drievoudigen moord te Maastricht; 3) eindelijk uit ontevredenheid met Gods wil. Daar zijn er die bij het geringste leed dat God hun overzendt een gezicht maken als een schoenborstel,â die bij een weinig hoofd- of tandpijn kermen en klagen als een kind.
Eene vrouw ging bij een heilig priester klagen, over de barschheid en ruwheid van haren man, ten haren opzichte. De priester zag al ras dat ook de vrouw niet op haar tong was gevallen, dat wil zeggen ; ook alles behalve gemakkelijk was. Hij neemt een flesch met water. Daar, vrouw zegt hij, een uitstekend middel om den man tot beterschap te brengen. Zoo vaak hij \'s avonds wat beschonken te huis komt, neem dan gauw eene teug van dat vocht en houdt het zoolang in den mond, totdat de man, zich rustig heeft neergezet. Het water deed zijn effect, de vrouw hield den mond en de man bleef rustig en stil.â Nog eens M. B., weet u in alles behoorlijk te matigen, â het strekt tot uw eeuwig heil. Amen.
VUL
Voorzichtigheid,â
Na u gesproken te hebben over de cardinale deugden van sterkte en matigheid; kom ik u vandaag iets zeggen over de Voorzichtigheid. â Ik had misschien beter gedaan, als ik u eerst gesproken had over de voorzichtigheid; omdat zij onder de zedelijke deugden den eersten rang bekleedt, evenals het geloof onder de goddelijke deugden. Die voorrang onder de deugden wordt haar toegekend, omdat zij als het ware is de geleidster, de bestierster, de wegwijzer van alle andere deugden. Vandaar dat de H. Basilius beweert, dat een mensch zonder voorzichtigheid gelijk is aan een schip zonder stuurman. Evenmin als zulk schip den rechten weg kan volgen die naar de haven leidt, maar tegen de rotsen zal verbrijzeld worden, zoo ook kan de ziel die de deugd van voorzichtigheid mist, onmogelijk den weg houden die ten hemel leidt, maar zal schipbreuk lijden en eindelijk verloren gaar.â Het is van groot belang, dat gij deze deucd eens goed leert kennen; omdat er ook eene valsche voorzichtigheid is, die met de deugd van voorzichtigheid niets gemeens heeft. Die valsche voorzichtigheid noemt de H. Geest: de voorzichtigheid
van de kinderen dezer wereld, de voorzichtigheid des vleesches; zij bestaat in eene zekere vaardigheid, die men noemen kan: de kunst om in tijdelijke zaken wel te slagen. Die wereldsche voorzichtigheid bedient zich van alle middelen zoo goede als kwade, en kan evengoed sluwheid, gevatheid, als voorzichtigheid genoemd worden. Gij hebt een nieuw huis gebouwd, doch gij zijt bang dat het eens door brand mocht vernield worden,â gij laat het verzekeren, en zijt voorzichtig,â doch deze voorzichtigheid alhoewel goed, is toch slechts eene menschelijke voorzichtigheid.â Gij hebt eene massa graan in de schuur liggen om te verkoopen,â doch oogenblikkelijk is de marktprijs te laag, gij wacht nog een tijd alvorens het te verkoopen, in de hoop dat de prijs moge stijgen,â gij zijt voorzichtig, â wel te verstaan van de menschelijke voorzichtigheid. Iemand heeft bankroet geslagen, en maakt zich uit de voeten, anders gaat hij achter slot, â hij is voorzichtig volgens den geest der wereld.â Deze soort van voorzichtigheid bedoelt de Zaligmaker, in de gelijkenis van den ontrouwen rentmeester en zegt: âde kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger in hunnen handel dan de kinderen des lichts.quot;â Doch die soort van voorzichtigheid bedoel ik hier niet. Ik wil u spreken over de christelijke voorzichtigheid, de eerste der vier cardinale deugden, die den mensch met het oog op zijne eeuwige bestemming leert, al wat hij doen en al wat hij laten moet; of zooals de H. Fran-ciscus van Sales zegt: âEene deugd die ons leert denken, zeggen, doen, wat noodig is,â en op die wijze en dien tijd zooals het noodig is. Een jongeling, een man keert \'s avonds op een behoorlijk uur uit de herberg naar huis, uit vrees van anders tot onmatigheid verleid te worden,â hij is voorzichtig in den waren zin
-Bö-
des woords. â Een ander laat zich opnemen in de Broederschap der H. Familie, ten einde den zondag namiddag en avond op eene behoorlijke, en zijner ziel voordeelige wijze door te brengen; hij is voorzichtig naar den geest Gods. Nu die voorzichtigheid is het, welke de Zaligmaker ons op het hart drukt, zeggende : âweest voorzichtig gelijk de slangen,quot; (Matth. X. 15.) Laat mij u de deugd van voorzichtigheid eens door eenige voorbeelden ophelderen. Noe was een deugdzaam, een godvreezend man, die te midden van het algemeen zedebederf, zuiver en vlekkeloos leefde. God maakte hem bekend, dat hij besloten had, alles wat op aarde zich bevond door den zondvloed te vernietigen ; hem echter en zijn huisgezin zon Hij sparen.â Hij schenkt hem te dien einde de noodige voorzichtigheid in het beramen van middelen om aan dien algemeenen ondergang te ontsnappen. Noë met de gave der voorzichtigheid verrijkt, bouwt eene ark of schip, in staat om op de wateren te drijven; waarin hij, en zijn huisgezin eene veilige schuilplaats zouden vinden voor het dreigend gevaar. â Honderd jaren lang werkte hij aan den bouw van de ark,â en hield tevens niet op de menschen te waarschuwen voor de ramp die hen boven het hoofd hing ; doch hij wordt niet gehoord. Alle menschen komen om in den zondvloed;â alléén Noë en zijn huisgezin ontsnappen.â Schoone les van voorzichtigheid die Noë u geeft; wilt ook gij ontsnappen aan de wraak Gods, die de wereld bedreigt om de zonden der menschen, trekt u dan zooveel mogelijk terug van den omgang met de zondige wereld â van hare verleiding, â hare gevaren en slechte voorbeelden, â en ook gij zult voorzichtig zijn. Gij weet allen hoe wijs en voorzichtig Salomon was in het beging zijner regeering. Nu Roboam zijn
â 57 ~
zoon was juist het tegendeel zijns vaders.â Kort na zijne troonsbestijging kwam het volk hem smeeken, hen te willen ontheffen van een gedeelte der drukkende belastingen, die zij moesten opbrengen.â Roboam ging deswege te rade bij oude en verstandige raadgevers van zijn rijk, die hem aanriedden toe te geven, teneinde de harten zijner onderdanen te winnen. â Die voorzichtige raad nu beviel hem niet, hij ging bij jeugdige, onervaren lieden te rade, en deze riedden hem aan, niet toe te geven, maar het volk nog meer te belasten. â De onvoorzichtige vorst volgde hunnen raad en het gevolg van dien roekeloozen stap was, dat het volk in verzet kwam ;â tien stammen scheurden zich los van zijn gebied, â twee slechts bleven hem trouw. Zijne onvoorzichtigheid was aldus oorzaak van de verbrokkeling van zijn rijk.â Jongelingen, er komen ook tijdstippen in uw leven dat gij raad moet vragen, â b. v. ten tijde der keuze van een levensstaat; weest dan voorzichtig ; doet dan niet als Salomon, â volgt dan niet den raad uwer driften, den raad der bedorven wereld, â maar den raad van uw geweten, van den priester, van uwen biechtvader, enz.â De voorzichtigheid verder maakt, dat men bescheiden zij in zijne woorden en gesprekken, â en dus nooit onbetamelijke zedekwetsende woorden bezige. Karei V koning van Frankrijk, joeg van het hof een edelman weg, die al te vrije taal gevoerd had in tegenwoordigheid van den jongen prins Karei, zijn oudsten zoon, en hij zeide tot de aanwezige hovelingen : Men moet den kinderen der koningen liefde inboezemen tot de deugd, opdat zij in goede werken diegenen overtreffen, welke zij in waardigheid te bovengaan.â Wijze en voorzichtige maatregel van een koning, waarmede ook gij mannen uw voordeel
â 58 â
kunt doen! Weest voorzichtig in tegenwoordigheid uwer kinderen nooit iets te zeggen, waardoor gij hen zoudt kunnen ontstichten en minder nog te dulden, dat anderen, vooral knechts of meiden uwe kinderen door hunne gesprekken ontstichten. Zoo ziet gij dan duidelijk waarin de deugd van voorzichtigheid bestaat, en van hoeveel belang het is, dat men die deugd goed beoefene.â Wie voorzichtig is, is veilig en behoeft niet te vreezen. â wie daarentegen onvoorzichtig is, loopt vroeg of laat in het verderf.â Ten bewijze daarvan diene het volgend voorbeeld. De grieksche keizer Theodosius, was dermate onvoorzichtig, dat hij blindelings alle stukben teekende, die men hem voorlegde, zonder er zich over te bekommeren wat zij inhielden.â Zijne zuster Pulcheria hem van die roekelooze zorgeloosheid willende genezen, bood hem op zekeren dag een papier ter onderteekening aan, behelzende dat hij zijne gemalin Eudoxia in hoedanigheid van slavin verla cht.â Theodosius, als naar gewoonte, teekende zonder inzage het stuk.â Pulcheria nam het papier met zich mede, en hield Eudoxia die met den ganschen toeleg bekend was gemaakt, bij zich.â Na verloop van eenigen tijd a!s de keizer zag dat zijne gemalin niet meer in zijne tegenwoordigheid verscheen, beval hij dat men haar voor zou brengen; maar de bediende kwam terug en zeide dat Pulcheria zulks niet toestond, omdat de keizerin hare slavin was geworden.â De jeugdige keizer zond eene tweede boodschap; maar in plaats van hem zijne gemalin terug te bezorgen, zond zijne zuster hem het stuk papier toe, door hem zeiven onderteekend, waarbij hij zijne vrouw als slavin verkocht.â De keizer bloosde van schaamte, bij het zien zijner handteekening, en was van dat oogenblik
â B9 â
af van zijne zorgeloosheid genezen.â M. B., de voorzichtigheid, zegt zeer schoon de H. Thomas, is het oog der ziel, want voorzichtig zijn beteekent: vóór zich zien. Nu wie vóór zich ziet, let op twee zaken,
1) op het einde, of het doel zijner reis, b. v. op den kerktoren eener plaats, die hij wil bereiken, 2) op den weg, â of die goed is, enz.â Nu de ware voorzichtigheid ziet ook voor zich uit naar het einde,â naar God, ten einde Hem in alles te behagen, â de leer volgende van den Apostel; âHet zij gij eet of drinkt, of iets anders doet; doet alles tot meerdere eer en glorie van God.quot; (ICor. X.31.) Deswege maakt hij bij al zijne werkzaamheden de goede meening, vernieuwt van tijd dezelve, cn maakt zoodoende al wat hij verricht verdienstelijk voor den hemel.â Bij ieder werk vraagt de voorzichtige zich af evenals de H. Aloisius: âQuid hoc ad aeternitatum ï.... De valsche voorzichtigheid, in plaats van te zien naar het einde, â ziet links en rechts, â en daardoor a) doet ze geen goed, wijl zij zich inlaat met beuzelarijen en niettigheden, b) doet veel kwaad; eerst begaat men kleine fouten, daarna groote, men schuwt niet de gevaarlijke ge-legenhed n, gevaarlijke personen, booze neigingen, enz â De ware voorzichtigheid ziet vóór zich uit;
2) naar den weg. Zij ziet toe of de weg wel goed is, â of die kameraad wel deugdzaam, â of die herberg wel fatsoenlijk, â of die verkeering wel raadzaam, wel geoorloofd is.â Zij ziet of er geen strui-kelsteenen op dien weg zijn.âAlvorens zich te verhuren behoort men te onderzoeken of die dienst wel goed is, of geene gevaarlijke personen dat huis bewonen of bezoeken, â of men daar zijne godsdienstige plichten kan houden, enz.â âAls het gevroren heeft, zegt de H. Ambrosius, moet men goed opletten van niet te
â 60 -
vallen,quot; â doet ook zoo op den weg der deugd; want hij is glibberig. M. B., weest voorzichtig, tegenwoordig meer dan ooit, want smal is de weg die ten hemel leidt.â Ware voorzichtigen worden er weinig gevonden, â voorzichtigen naar den geest der wereld vindt men bij hoopen. En toch waar komt de voorzichtigheid der wereld op uit ? Op hot welslagen in zijne ondernemingen, op het vergaderen van wat geld en goed, op het verwerven van wat eer en achting.â Ziedaar haar doel, haar einde, hare belooning. Een vorst was op eene jaarmarkt in zekere stad, en zag daar een eerbiedwaardig grijsaard die voorgaf voorzichtigheid te verkoopcn. âWel vriend zeide de vorst, geef mij wat voorzichtigheid, die zal mij te pas komen.quot; Ziedaar, zeide de grijsaard, en reikte hom een papier over waarop deze woorden stonden: âEer gij spreekt of handelt, let op de gevolgen.quot; â Hij ontving eene milde belooning, terwijl de vorst die spreuk in gouden letteren in zijn paleis liet plaatsen. Plaatst gij, M. B, dezelve diep in uw hart; want zij is de sleutel der hoogste wijsheid en voorzichtigheid. Amen.
IX.
Rechtvaardigheid.
Ziedaar de vierde en de laatste der cardinale deugden die, alhoewel zij op de laatste plaats komt, voor de andere oavdinale deugden toeh niet behoeft onder te doen ; zooals wij aanstonds zien zullen. Ook deze deugd moet ik u eens goed doen begrijpen ; want zij strekt zich verder uit dan gij wel meent. Rechtvaardigheid, krachtens de afleiding van het woord, beteekent eigenlijk: Vaardigheid voor het recht;â een rechtvaardig man, wil dus zooveel zeggen, als iemand die vaardig is voor het recht of die gereed, die bereid is aan iedereen recht te geven en te laten;â met andere woorden, het is eene deugd waardoor wij aan iedereen geven wat hem toekomt: â Unicui-que suum.quot;â Aan iedereen het zijne : aan iedereen,â dus aan Godâ, aan ons zeiven, â en aan den even-mensch. â Ongeloovigen, godsdiensthaters , slechte katholieken, zondaren zijn onrechtvaardigen; omdat zij aan God niet geven wat Hem toekomt; wijl zij Hem , de verschuldigde eer en liefde weigeren,â Zelfmoordenaars, die gelijk een Judas, de handen slaan aan hun zeiven, die zich zeiven het leven benemen, zijn onrechtvaardigen; omdat zij in plaats
- 62 â
van voor hun zelven behoorlijk zorg te dragen, zich zonder recht te kort doen.â quot;Wie anderen belasteren, haten, benijden, bestelen, dooden, zijn onreehtvaardigen ; omdat zij in plaats van den even-mensch te geven wat hem toekomt, hem krenken en benadeelen. Gij ziet M. B., welken breeden omvang de deugd van rochtvaardighoid heeft,â ja zich verder uitstrekt dan gij tot nu toe gemeend hebt.â Zij verdient, zegt de H. Ambrosius, veeleer de moeder, dan de zuster der andere deugden genoemd te worden; want zij baart de andere deugden, zij brengt haar voort, in plaats van zich aan de andere deugden eenvoudig aan te sluiten.â En zoo b. v. is zij de moeder der gehoorzaamheid, die ons leert ons te onderwerpen aan het gezag ;â van den kinderlijken eerbied, die ons leert ouders en oversten te achten ;â der dankbaarheid en vriendschap, waardoor wij liefde met liefde vergelden. Geen wonder dus dat de H. Schrift ons de rechtvaardigheid zoozeer op het hart drukt: âGeef iedereen wat hem toekomt, zegt de Apostel: schatting tuien schatting,â belasting wien belasting,â vrees aan wien vrees,â eer aan wien eer toeko1nt.,, (Rom. XIII. 7.) â Geef aan Cesar, xvat Cesar en aan God wat God toekomt.quot; (Luc. XX. 25.) De H. Geest, geeft in het boek der Spreuken den schoonsten lof, dien men uitdenken kan, aan de deugd van rechtvaardigheid : âZij is het, zegt Hij, die de volkeren verheft, zij is het, die de tronen steunt en bevestigt.â Weinig goederen en bezittingen in gerechtigheid is beter dan schatten en fortuin in ongerechtigheid l\'1 Zien wij nu eens door eenige voorbeelden de rechtvaardigheid in beoefening gebracht. Wie de rechtvaardigheid liefheeft, brengt om wille van den vrede dikwijls al iets van zijn eigen recht ten ofter.â Daar was
â 63 â
een geschil ontstaan tussolien de herdérs van Loth en die van Abraham, over grondeigendomsrecht. Abraham voorziende, dat die zaak droevige gevolgen kon hebben, doet aan zijn neef het volgend voorstel: Ik wil niet dat er geschil zij tusschen u en mij,â tusschen uwe herders en de mijnen ; zie, het geheele land ligt voor u,â scheid u van mij af bid ik u, gaat gij links dan zal ik rechts gaan en omgekeerd. Abraham, zooals gij ziet, laat de keus aan zijn neef Loth, ten einde alle verder geschil te voorkomen. Deze nu kiest het schoonste en het beste deel; terwijl Abraham zich tevredenstelt met datgene wat Loth hem overlaat!â O wisten de christenen om wille van den vrede, zich met elkander te verstaan, zoo noodig wat toe te geven; dan zouden er zooveel geschillen, vijandschappen en processen in de wereld niet zijn.â Wie de rechtvaardigheid liefheeft, kan niet zien dat een ander in zijne goederen gekrenkt wordt, â ja verkiest zelf gekrenkt te worden, liever dan dat men anderen onrecht doe.â In den oorlog van 1870, tusschen Frankrijk en Pruisen, kwam een officier der Uhlanen in eene Fransche pastorie en vroeg den pastoor, waar hij voeding voor de soldaten en fourage voor de paarden kon vinden.â Volg mij, antwoordde de pastoor. Na een paar honderd schreden gedaan te hebben, kwamen ze aan een stuk haverland. De Uhlanen-kapitein wil van het paard afstijgen en zijn paard alsmede de andere paarden van den troep in de haver jagen.â Hier niet kapitein, zeide de pastoorâ ik heb liever hier naast. De aangewezen akker werd weldra door de Pruisen vernield en verwoest. Op het punt van terug te keeren, zeide de Pruisische officier tot den pastoor : maar mij dunkt dat de haver van het eerste stuk land,â schooner en malscher is.â
- 64
Dat is waar Mijnheer ! Maar waarom hebt gij ons dan hier geleid ?â Omdat deze partij haver mij toebehoort, en de andere aan een mijner parochianen. Schoon voorbeeld, zooals gij ziet van onbaatzuchtigheid, dat men maar zelden in de wereld zal aantreffen. De rechtvaardigheid leert ons ook al wat gebrek te lijden, als het zijn moet, liever dan iets te nemen wat ons niet toekomt. Tobias, zooals de H. Schrift verhaalt, blind geworden zijnde, viel in armoede, zoodat Anna zijne vrouw zich genoodzaakt zag, eiken dag uit spinnen en weven te gaan ; ten einde den kost te kunnen verdienen. Nu gebeurde het op zekeren dag, dat zij een geitenbokje ten geschenke ontving, en dit naar huis medebracht. Tobias meenende dat zijne vrouw dat geitje niet door haren arbeid kon verdiend hebben, werd ongerust, â en het hoorende kermen, zeide hij: Ach als dat geitje maar niet gestolen is; geef het liever terug aan wien het toebehoort; want het is ons verboden iets te eten, of aan te raken wat gestolen is.â Zoo groot was zijne liefde tot de rechtvaardigheid, zoozeer vreesde hij onrecht te doen aan anderen.â O waren alle christenen zoo nauwgezet van geweten als Tobias; dan zou men zoo dikwijls niet hooren zeggen: Ik ben ge.voon in mijnen dienst nu eens dit, dan eens dat te nemen; maar ik ben een arme dienstknecht of dienstmaagd,â ik moet zoo hard werken,â ontvang zoo weinig loon,â de meester heeft het niet noodig, enz.â Laat dat ook al waar zijn ; toch moogt gij dat niet doen.â Gewone nood en gebrek is geen reden tot stelen, alleen in hoogen, in uitersten nood, mag men zich op eene of andere wijze behelpen.â De rechtvaardigheid leert ons ook onze schulden te voldoenâ te betalen wat men gekocht heeft,â dus niet
â 06 â
enkel aan iederen het zijne te laten; maar ook aan iedereen het zijne te geven.â O moesten alle gemaakte, en niet afgedane schulden eens op papier gebracht worden, de kerk zou zou te klein zijn om al de rekeningen te kunnen bevatten! Onder de regeering van Paus Sixtus V, placht de Romeinsche adel alles op krediet te koopen, zonder zinh erover te bekommeren om te betalen.â Meldden de schuldeischers zich nederig aan, en vroegen zij beleefdelijk om betaling ; zij werden afgewezen of aan de deur gezet. â Een dier schuldeischers begaf zich op zekeren dag tot den paus en beklaagde zich bij hem, dat een edelman die hem eene aanzienlijke som gelds schuldig was,â telkens als men ham maande tot betaling, ten antwoord gaf: Edelen betalen wanneer zij willen.â Die schreeuwende onrechtvaardigheid verontwaardigde den paus.â Aanstonds liet hij den edelman ontbieden, dwong hem zijne schuld te bekennen, en wierp hem in de gevangenis totdat hij alles betaald had.â Sixtus V liet daarenboven alle kooplieden voor zich verschijnen, en betaalde hun uit eigen zak de schulden der edelen.â Dezen werden op die wijze de schuldenaren van den paus, en waren voor niets zoo zeer bezorgd, als den paus hunne schulden te gaan betalen ; teneinde ziohzelven nieuwe onaangenaamheden te sparen.â Die paus legde overigens eene zoo groote gestrengheid aan den dag in de handhaving der rechtvaardigheid, dat wanneer de rechters, gelijk het wel eens gebeurde , door de partijen of advocaten waren omgekocht, en een vonnis wezen in strijd met de eischen der rechtvaardigheid, het genoeg was hun te zeggen: Past op, en weest voorzichtig, â want Sixtus V leeft nog. â De rechtvaardigheid wil ook dat men van eene vergissing geen voorwendsel
- 66 -
make, om te houden wat men te veel ontvangen heeft, â of niet bij te passen wat men te weinig gegeven heeft.â Vele menschen zien er geen bezwaar in dat te doen. Ben ik daarvan de schuld, zeggen zij, dat de winkelier zich vergist heeft ?â hij had maar beter moeten toezien zich niet te vergissen,â ik houd wat ik heb, en hij stelle zich tevreden met hetgeen hij heeft.â Zoo spreekt en zoo handelt niet iemand, die de rechtvaardigheid op prijs stelt. De H, Lodewijk IX, koning van Frankrijk, op het punt staande naar het H. Land te vertrekken, teneinde dit op de Saracenen te heroveren, liet door geheel Frankrijk bekend maken, dat hij bereid was te herstellen al de schade welke zijne offlcioren, onder welk voorwendsel ook mochten hebben aangericht. â Ongelukkigerwijze werd Lij door de Saracenen gevangen genomen; doch op voorwaarde van een losgeld te zullen betalen van 400.000 dukaten, in vrijheid gesteld. â Hij liet dan ook die som met de grootste nauwgezetheid betalen. De graaf van Mont-fort echter, dien hij met de betaling dier som belast had, kwam hem zeggen dat de Saracenen, bij het in ontvangst nemen van die som zich vergist hadden,â zij hadden zich namelijk 20.000 gouden dukaten te kort gedaan ; terwijl hij zich wel gewacht had, hen op hunne vergissing opmerkzaam to maken. â De koning dat hoorende werd boos, en zond den graaf van Montfort op gevaar van zijn leven naar de Saracenen terug, om die 29.000 dukaten nog te voldoen.â M. B. hebt de rechtvaardigheid lief; en deswege geeft aan iedereen het zijne, â en laat aan iedereen het zijne.â Stelt u echter niet tevreden persoonlijk rechtvaardig te zijn,â tracht ook die deugd uwen kinderen en onderhoorigen dikwijls voor te houden, en de
- 67 â
vergrijpen daartegen streng te straffen ;â geene deugd is van zoo groot belang als deze. Greene deugd wordt zo ) hooggeschat als deze, zelfs in de wereld. Als de wereld iemand wil prijzen, zegt zij niet: het is een godsdienstig man, â een nederig en zachtmoedig man ;â maar een eerlijk en rechtvaardig man.â Zij doet u winnen de achting en het vertrouwen uwer medemenschen; maar wat veel meer is, zij schenkt u den vrede dos harten, âJustitia et pax osculatae sunt,â rechtvaardigheid en vrede om,heizen elkander(Ps. LXXXIV. 11.) de eene is de vriendin, de gezellin der andere.ââ O begrepen dat eens goed de menschen, dan zouden er zoovele onrustige en knagende gewetens niet zijn,â ja, menigeen zou vrij wat rustiger sterven,â want niets beangstigt zoozeer het geweten van den stervende, als de onrechtvaardigheid. En geen wonder,â want de meesten moeten zich dan tevreden stellen mot een goeden wil bij gebrek aan iets meer.â Bemint de rechtvaardigheid, zij geeft vrede en geluk, voor tijd en eeuwigheid.â Amen.
II. CHRISTELIJKE VOLMAAKTHEID.
x.
Acht Zaligheden.
Elk boschaatd land tegenwoordig heeft zijne zoogenaamde grondwet; bevattende eene reeks van alge-mcene bepalingen en verordeningen, waarop alle andere meer bijzondere wetten en bepalingen geschoeid zijn,â en waaraan alle onderhoorigen van dat land zich moeten houden, willen zij ieder in zijn staat, een maatschappelijk gelukkig, en tevreden leven leiden.â De grondwet is dus in het burgerlijk leven, zooveel als de grondsteen waarop de burgerlijke maatschappij gegrondvest is.â Jesus Christus onze Goddelijke Verlosser, is op de wereld gekomen ook om een Rijk te stichten, â niet een stoffelijk maar een geestelijk Rijk; namelijk zijne Kerk, waarvan wij het geluk hebben de ledematen, de burgers te zijnâ En aan dat Rijk heeft hij ook eene grondwet gegeven, bevattende het kort begrip van al datgene, wat een christen doen moet om hier op aarde een christelijk en
â 69 -
volmaakt loven te leiden, en eenmaal te mogen binnengaan in zijn Hemelsch. Koninkrijk. Die grondwet van Jesus\' Rijk, zijn de zoogenaamde Acht Zaligheden in het Evangelie vervat, â welke in zich besluiten, acht algemeene grondstellingen van Onzen Heer Jesus Christus.â En die acht grondstellingen bevatten op hare beurt acht deugden, die men mag beschouwen als het kort begrip van de geheele christelijke volmaaktheid. Die Acht Zaligheden gaan wij achtereenvolgens beschouwen en dat wel op eene eenvoudige en bevattelijke wijze, â hier en daar opgeluisterd en aangevuld met verhalen en voorbeelden.â Zien wij vooreerst waar en wanneer Jesus zijne grondwet afgekondigd, de Acht Zaligheden gegeven heelt.â Hij gaf ze in het tweede jaar van zijn predikambt, on-middelijk na de keuze van zijne twaalf apostelen.â !s Avonds tevoren begaf zich Jesus geheel alléén op eenen berg om te bidden.â Die berg is waarschijnlijk de berg thans Hittin genaamd, niet ver verwijderd van bet meer van Genesareth, â vier uren noord-oostelyk van den berg Thabor.â Hij komt ook voor onder den naam van; âberg van Christus,quot; â omdat eene christelijke overlevering meldt dat de Zaligmaker dikwijls op dien berg ging bidden, â en van : âberg der Apostelen,quot;â omdat volgens dezelfde overlevering de apostelen aldaar zouden gekozen zijn.â Nadat Jesus nu den ganschen nacht op dien berg in gebed had doorgebracht, â stond Hij op bij het aanbreken van den dag. Zijne leerlingen inmiddels bevonden zich reeds aan den voet des bergs wachtend totdat hun Meester tot ben zou afdalen.â Hij echter riep eenigen uit hun midden tot zich,â en twaalf mannen beklommen den berg en naderden tot Jesus.â Die twaalf stelde hij aan, en wijdde hen tot Apostelen,
â 70 -
om zijne leer en zijne wet aan de wereld te verkondigen.â Met zijne nieuw gekozen apostelen daalde Jesus vervolgens van de kruin des bergs af, waar hij zijne overige leerlingen vond, benevens eene talrijke schaar die gekomen was, om zijne prediking te hooren, â ook waren er vele zieken en bezetenen, die om strijd hem zochten aan te raken; want er ging van hem eene kracht uit die allen genas.â Daar in de vlakte, aan den voet des bergs, genas Jesus eerst de zieken en verlostte de bezetenen; â en maakte zich vervolgens gereed om het volk te onderrichten.â Om beter door allen verstaan te worden, steeg Hij (wederom tot zekere hoogte) op den berg, en zette zich op eene geschikte plaats neder; zijne apostelen en leerlingen schaarden zich rondom hem, en de schare stond een weinig lager. Toen opende Hij zijnen mond en kondigde de Acht Zaligheden af.â Gaan wij nu eens verder, en laat ons eens zien, wat het woord : âzaligheid,quot; â in den zin waarin het hier genomen moet worden, wel beteekent.â Het woord: âzaligheid,quot; â beteekent vreugde, blijdschap, geluk.â Nu het geluk is één, en niet veelvoudig, â immers men is gelukkig of men is het niet.â Om gelukkig te zijn worden twee zaken vereischt; do afwezigheid van alle smart en lijden; â en het genot van alle goed.â De afwezigheid van alle smart en lijden. Inderdaad, zoolang men iets lijdt naar lichaam of ziel, hoe weinig ook van beteekenis, is men niet gelukkig. Daaruit ziet gij reeds dat er geen volkomen zaligheid, geen volmaakt geluk op aarde denkbaar is.â Maar om gelukkig te zijn, is het niet voldoende dat men niets te lijden hebbe. De rechtvaardigen der Oude Wet, die vóór de komst van den Zaligmaker gestorven waren en zich bevonden in het voorgebergte der
hel, â eveneens de kinderen die zonder Doopsel sterven, â hebben waarschijnlijk niets te lijden; maar zijn daarom nog niet gelukkig. Om gelukkig te zijn wordt nog vereisoht: het bezit van alle goed.â Zoo ziet gij dan dat het geluk één is, men is gelukkig of men is het niet.â Dat neemt toch niet weg dat het geluk trappen hebbe.â De Zaligmaker zegt dat er in het huis zijns vaders vele woningen zijn ; dat wil zeggen volgens de schriftaurveiklaarders: vele trappen van gelukzaligheid. Immers de Heiligen in den hemel zijn allen gelukkig, de een echter op eenen hoogeren, de ander op een lageren trap.â Vele personen hooren een muziekstuk.â Allen genieten, â die een fijner gehoor hebben meer, die dat niet hebben minder.â Maar als nu het geluk, de zaligheid maar één is, waarom noemt dan de H. Schrift acht of meer Zaligheden ? De H. Schrift noemt niet meer dan ééne gelukzaligheid, bestaande in de genieting van God, en in de vereeniging met Hem, door de liefde. Maar tot die ééne gelukzaligheid, leiden meer wegen of deugden, â en daaraan geeft de H. Schrift den naam van Zaligheden.â Volgens den H. Thomas, kunnen de acht Zaligheden in drie klassen gerangschikt worden,â welke drie klassen alle trappen der christelijke volmaaktheid in zich bevatten. De drie eerste zaligheden vormen de eerste klas.â Daarin leert de Zaligmaker ons kennen de hinderpalen, die het christelijk leven in den weg staan,â de zucht naar goederen, naar eer en vermaten.â De tweede klas bevat de vierde en de vijfde der acht zaligheden,â daarin leert Jesus ons kennen: al wat wij doen en laten moeten;â want honger en dorst hebben naar de rechtvaardigheid en werken oefenen van barmhartigheid besluit in zich, alle verplichtingen
â 72
die wij te vervullen hebben, ten opzichte van God, van ons zeiven en van den naaste ! De zesde en zevende der acht zaligheden, vormen de derde klas.â Zij drukken uit het genot zelf der gelukzaligheid. En nu de laatste der acht zaligheden, vormt eene afzonderlijke klas, of liever is eene samenvatting der zeven voorgaande, of het toppunt der volmaaktheid. Met die rangschikking der acht zaligheden in drie klassen, komt overeen eene rangschikking van belooningen ; die ons moeten opwekken de deugden te beoefenen, die er het voorwerp van zijn.â Recht hebben op het rijk der hemelen is de eerste stap, de eerste belooning, vervat in de eerste der acht zaligheden : Zalig de armen van geest want hunner is het rijk der hemelen.â Op het recht, volgt het bezit,â vervat in de tweede ; Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde bezitten.â Op het recht en het bezit des hemels, volgt troost; het genot des hemels: Zalig zij die treuren, want zij zullen vertroost worden ; â op genot volgt verzadiging: Zalig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. Na verzadiging komt barmhartigheid,â een goed dat alle verwachting te boven gaat: Zalig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verwerven. Na barmhartigheid komt: God zien,â waarin het wezen der gelukzaligheid gelegen is; Zalig de zuiveren van harte, want zij zullen God zien. Na God zien,â komt: kinderen Gods genoemd worden,â de hoogste onderscheiding, van het rijk der hemelen; Zalig de vreedzamen want zij zullen kinderen Gods genoemd worden. Eindelijk al die gelukzaligheden zijn begrepen in de glorie, welke beloofd is aan hen die vervolging lijden om de gerechtigheid; omdat hunner is
het rijk der hemelen,â de grootste onder alle belooningen.â Jesua Christus met ons de acht zaligheden voor te houden, heeft als met een enkelen slag, de verblindheid willen treffen der menschen, die hunnen dorst naar geluk zoeken te lesschen aan de rijkdommen, eer en plezieren dezes levens;â in plaats van dien te lesschen in God, door de beoefening der deugden. De H. Simeon, bijgenaamd de Stijliet of de zuilbewoner, hoorde op zekeren dag in de kerk de acht zaligheden voorlezen en verklaren,â en deze maakten op zijn hart zulken indruk, dat hij zijne kudde,â hij was veehoeder,â in den steek liet, en in een klooster trad ! Kort na zijne intrede, vestigde hij zijn verblijf boven op eene zuil of kolom. Dag en nacht, altijd staande, bijna zonder iets te eten bracht hij in dien toestand zevenenveertig jaren door; hij hield zich uitsluitend bezig met de overweging der hemel-sche zaken, teneinde te geraken in het bezit dier glorievolle zaligheden, die het eenig voorwerp waren zijner verlangens. Tweemaal daags sprak hij tot het volk, dat naar zijne kolom kwam samengestroomd; zijne prediking bestond in deze twee woorden : Veracht de goederen der aarde en bemint de goederen des hemels, die alléén u gelukkig kunnen maken. â M. B., denkt of zegt niet dat de acht zaligheden voor u, eenvoudige menschen in de wereld, niet bereikbaar zijn.â Christus hield dezelven op den berg, niet enkel aan zijne apostelen en leerlingen ; maar in het bijzonder aan het volk voor. Gij zijt geroepen tot de christelijke volmaaktheid welke voor alle christenen bereikbaar is; alhoewel niet in den zoogenaamden staat van volmaaktheid, tot welken niet alle christenen geroepen zijn te geraken.â Het volgend voorbeeld, uit het leven van bovengenoemden heiligen kluizenaar
â 74 â
Simeon Stijl, is een duidelijk bewijs, dat men ook in een eenvoudig, aan de wereld bijna onbekend leven, een hoogen trap van volmaaktheid kan bereiken. Ten tijde eener aanhoudende vreeselijke aardbeving, die verscheidene steden van Syrië in puinhoopen veranderde, stroomden duizenden menschen naar dien heiligen kluizenaar in de woestijn, om zijne voorspraak bij God te vragen. Simeon begaf zich voor de bedrukte menigte in het gebed, terwijl de aardschokken immer steeds voortduurden. Bij het toenemend gevaar gebood Simeon de aanwezige scharen âKyrie eleison,â Heer ontferm u onzer,quot;â te roepen. Na dit hartverscheurend geroep om ontferming, sprak de heilige kluizenaar met ootmoed : âBroeders een van ons is verhoord geworden,â en om u daarvan te overtuigen, wil ik u den man toonen.quot;â En hij riep een eenvoudig landman uit de menigte, en zeide tot hem : gij zijt het mijn broeder 1â maar zeg mij toch eens waardoor gij zoo behagelijk zijt bij God ? De man antwoordde verlegen: gij vergist u vader, want ik ben een zeer gewoon, een zondig mensch. Neen, neen, zeide Simeon, spreeklâ Ik ben, zoo ging de brave man voort, een daglooner, en mijne levenswijze is zoo, dat ik mijn loon in drie deelen verdeel; het eene geef ik aan de armen,â hot andere als schatting aan den staat, â en het derde gebruik ik om te leven Toen zagen allen vol eerbied op dien eenvoudigen man, die zoo welgevallig was bij God. En de aardbeving hield werkelijk op. Ook van u vordert God geene buitengewone maar gewone, eenvoudige zaken , daardoor maakt gij u bij Hem welgevallig, daarin is gelegen uwe volmaaktheid, uwe heiligheid, dat is voor u de ladder tot den hemel. Amen.â
XI.
1. Zalig zijn zij, die arm van geest zijn ; want hunner is het Rijk der Hemelen.â
De Zaligmaker prijst hier zalig degenen die arm van geest zijn.â Met te zeggen; arm van geest,â geeft Hij te verstaan dat er meer soorten van armoede zijn â doch maar ééne die tot de zaligheid leidt,â maar ééne die verdienstelijk is : de armoede van geest. De armoede van geest verschilt hemelsbreed van de eigenlijk gezegde, van de werkelijke armoede. â Want men kan volstrekt niets bezitten, zonder nog juist arm te zijn van geest; â neemt een armen bedelaar, die niets zoozeer verlangt dan rijk te zijn,â hij is wel is waar arm in goederen, maar rijk in verlangens.â Men kan arm zijn uit vrije keus, niet uit deugd maar uit ijdelheid, uit Iioo5moed gelijk sommige wijsgeeren der oudheid. Zoo wordt verhaald van Diogenes, dat hij zich tot verblijf koos eene ton, een vat, waarin hij woonde. Op zekeren dag ontving hij het bezoek van Alexander den Groot e, die begeerig was een wijsgeer te leeren kennen, van wien de gansche wereld sprak.â Het schijnt dat genoemde vorst opgetogen was van bewondering wegens het uiterlijk ver-
â 76 -
toon der armoede in den wijsgeer Diogenes,â althans hij zeide tot hem: Diogenes vraag van mij wat gij wilt; ik zal u niets weigeren. âSire was het antwoord van dien trotschen wijsgeer, van dien zonderlingen arme,â ik vraag u niets anders, dan dat gij de goedheid wilt hebben een weinig uit de zon te gaan.quot;â Neen de armoede van geest, welke Jesus Christus, zalig prijst bestaat hierin.â dat men, hetzij men niets of iets bezitte, â hetzij men arm of rijk zij, â geen verkleefdheid, geen gehechtheid hebbe aan de goederen dezer wereld ; â niet in dien zin dat men die moet verachten, want zij zijn het werk van God; maar dat men daarin zijn laatste doel en einde niet moet stellen. â Iedereen dus, men moge behoeftig of vermogend zijn, â men moge veel of niets hebben, kan arm zijn van geest;-â do behoeftige als hij zijn lot met onderwerping draagt, de rijke als hij niet te zeer gehecht of verkleefd is aan zijne rijkdommen. Ik zal u eens een begrip geven van de armoede van geest, door een voorbeeld genomen uit het dagelijksch leven. Een grijsaard en twee oude vrouwen te Mitry-en Brie, een plaatsje in Frankrijk, stonden met elkander te praten, zij keuvelden over het nieuws van den dag, en over de verwachting van den oogst, die zich ongemeen goed liet aanzien. Hun gesprek werd van tijd tot tijd onderbroken door het gebabbel van een klein kind, dat op een paar schreden afstands van hen speelde, â en al spelende herhaaldelijk tuimelde en weer opstond. Inmiddels nadert hen een man deftig gekleed,â het was een rijk grondeigenaar der plaats. Hij plaatst zich vóór den grijsaard en zeide tot hem: Martin, luister eens,â ik kom u\'een schoon voorstel doen. Zeker een aanbod van werk,â zeide de oude ?â in dat geval moot
â 77 -
gij u wenden tot mijn zoon, gij weet wel ik ben te oud om mij daarmede te bemoeien. Neen, dat is het niet vriend, ziehier wat ik verlang. Ik heb besloten den muur van mijnen tuin te voltooien, en nu wenschte ik dat stukje land van u, dat aan mijn tuin grenst er bij te voegen ; â ik zal het zoo noodig dubbel betalen. Neen, Mijnheer, was het antwoord,â ik wil mijn grond voor geen prija afslaan Ik houd er aa^ omdat hij mij juist genoeg opbrengt om van te kunnen leven. En wat het geld betreft dat gij mij aanbiedt; dat dient mij tot niets. Ik ben dikwijls in de gelegenheid geweest veel geld te kunnen verdienen ; maar ik heb er geen gebruik van gemaakt, omdat ik meen dat men tevreden moet zijn met het noodige om te leven, en dat men niet naar meer moet verlangen, tenzij om het uit te kunnen deelen aan behoeftigen. Ziedaar mijn regel, dien ik sedert lang volg,â Ik ben gelukkig in mijne armoede, en zoo ik op eens rijk mocht worden, zou ik mij haasten mij daarvan te ontdoen ten einde terug te keeren tot mijnen vorigen staat van geluk en vrede. Ziedaar M. B., een arme van geest, die tevreden ia met het weinige wat hij heeft â en zijne armoede niet voor rijkdom zou willen inruilen.â Maar M. B., waarom stelt onze Goddelijke Verlosser, de armoede van geest aan het hoofd van de acht zaligheden ? Omdat de armoede\' van geest, als de grondslag is der zaligheid, integenstelling van de begeerlijkheid en de hebzucht, die er den ondergang van zijn âInderdaad iemand die zich door de begeerlijkheid laat beheer-schen, wendt zijn geest en hart van God at, en keert zich tot het geld, tot het goed der aarde.âOnrechtvaardigheid, bedrog, list, alles in één woord bezigt hij, tot voeding zijner begeerlijkheid;â hij is hard
- 78 -
vochtig en onmeedoogend jegens den behoeftige, aast op niets anders dan op wellust en zinnelijke voldoeningen, â zoekt zich in één woord hier op aarde schadeloos te stellen, voor hot bezit des hemels waaraan hij vaarwel heeft gezegd. Daarvandaan zien wij dan ook in de wereld zoovele menschen zonder godsdienst en geloof, die op niets anders azen, dan op tijdelijk op stoffelijk welvaren, en voor alles onverschillig zijn, behalve voor den prikkel van het geld. â Bit zij gezegd met betrekking tot hen, die zich door de begeerlijkheid, en hebzucht laten beheersohen. â Terecht mag dus de apjstel Paulas zeggen : âDe wortd van alle kwaad is de hebzucht,â waarop sortvnigen belust zijnde, van het yeloo/ zijn afgedwaald en zich in vele smarten gewikkeld hebben;â (Tim. VI. 10.) met andere woorden, zich menig onheil berokkend hebben. Tot staving hiervan diene het volgende voorbeeld.
In 1453 werd Constantinopel door de Turken, onder aanvoering van Mahomet II stormenderharid genomen. Drie dagen lang was die groote stad ten prooi van plundering en moord. Onder de inwoners dier rampzalige stad bevond zich eon zekere Notaras, admiraal van de vloot, â een man zonder eer, â verrader van zijn vorst en keizer, â die op niets anders belust was dan op eer en geld. Notaras was er in geslaagd aanvankelijk aan de moordzucht der Turken te ontsnappen, met zich verborgen te houden.â Nadat die dagen van plundering en moord voorbij waren, ging hij vergezeld van zijne beide zonen zich aan den sultan voorstellen, â en bood hem ten geschenke eene aanzienlijke som gelds, die hij in zijn paleis verborgen had.â Hij hoopte daardoor de gunst van den overwinnaar te verwerven, en hooge staatsposten voor zijne beide zonen te erlangen. Mahomet staarde
â 79 -
hem aan met een vreeselijken blik, en zeide tot hem, met hoon en verachting : Hond die gij zijt 1 â Zoudt gij mij willen geven, wat ik enkel en alleen aan God te danken heb, die mij meesber heeft gemaakt van de stad, â en mij tevens in het bezit heeft gesteld van alles wat zij bevat. Grij hadt mij dat geld moeten aanbieden vooraleer hot mij toebehoorde; dan zou ik er u dankbaar voor geweest zijn, maar nu niet.â Verrader, die gij zijt 1 gij hadt dat geld uwen keizer moeten aanbieden, opdat hij zich daarvan hadde kunnen bedienen tijdens den oorlog, â ingeval gij hem de vredesvoorwaarden niet wildet aanprijzen die ik hem aanbood.â Ik neem dus dat geld dat mij toebehoort, â en ik wil noch van u noch van uwe zonen iets weten; want gij zult mij evenmin getrouw zijn, als gij het geweest zijt aan uwen meester, aan wien de eer toekomt dat hij gevallen is op de muren der stad, terwijl hij zich als een held verdedigde. Vervolgens liet Mahomet Notaras in de gevangenis werpen, â en \'s anderendaags werd hij, alsook zijne beide zonen op de markt van Constantinopel onthoofd. Ziedaar de rechtvaardige straf van iemand die van het geld dat hij bezat een slecht gebruik had gemaakt. Nog eens dus : âzalig zijn zij die arm van geest zijn,quot;â want, laat de Zaligmaker er op volgen, â âhet Kijk der Hemelen behoort hun toe.quot;â Ziedaar de belooning van de armoede van geest, die wij nu eens wat nader gaan beschouwen. De belooning toegezegd aan de armen van geest, is het Rijk der Hemelen. Nu dat Rijk kan volgens de H.H. Vaders, een drievoudig goed beteekenen, naar gelang men hetzelve beschouwt in de Kerk, â in onze harten, â en in den Hemel. Het rijk der hemelen in de Kerk, beteekent het Evangelie van Jesus Christus. Inderdaad, het is aan de armen
â 80 â
van geest, dat het Evangelie verkondigd is geworden, â zij hebben het ontvangen, en bewaren het in alle zuiverheid. De liefde tot de rijkdommen heeft eene menigte heidenen teruggehouden het Evangelie te omhezen, â heeft tal van ketters doen afzien om tot de Kerk terug te keeren, â en houdt tegenwoordig nog vele katholieken tegen om volgens de grondregels van het Evangelie, van het Geloof te leven.â Het rijk der hemelen beschouwd in onze harten, beteekent de heiligmakende genade; â nu de heilig-makende genade is bij uitnemendheid het aandeel van de armen van geest; zij toch beijveren zich, in de genade Gods staande te blijven, die in hunne harten te vermeerderen door de beoefening van goede werken en deugden, â en door het veelvuldig gebruik der H. H. Sacramenten; â terwijl de minnaars van de goederen dezer wereld, geheel bezig met hunne stoffelijke belangen, in de vergetelheid leven van God, met een geweten, beladen in den regel, met onrechtvaardigheden, soms met gruwelen. Eindelijk beschouwd in den hemel zeiven, â beteekent het rijk der hemelen : het bezit vau God, met al zijne glorie en heerlijkheid.â Op het bezit nu van God hebben de armen van geest een bijzonder recht, krachtens de uitdrukkelijke belofte van den Zaligmaker: âZalig zijn zij die arm van geest zijn, want het rijk der hemelen behoort hun toe.quot;â (Matth.V. 3.) De H. Bernardus beschrijft ons de belooning, welke toegezegd is aan de armen van geest, in de volgende schoone parobel: Een koning had twee dochters, van welke de eene zeer schoon en beminnelijk, de andere daarentegen leelijk en afstootend was. Zij die schoon was, werd door iedereen gezocht, â terwijl de andere door iedereen ontweken en verstoeten werd. Deze ten uiterste bedroefd
â 81 -
daarover, klaagde den vader haren nood.â Maak u niet bezorgd, mijn kind, zeide de vader, â want zie ik heb het volgend besluit genomen: Hij die uwe zuster ten huwelijk zal nemen, bekomt geen bruidschat,â hij moet zich tevrsden stellen met de schoonheid mijner dochter. Maar wie u tot bruid zal nemen, ontvangt mijn koninkrijk tot bruidschat.â l)ie koning is Grod,â de eene dochter, schoon en beminnelijk van gelaat is de rijkdom;â zij die de rijkdommen beminnen ontvangen niets anders, hebben geen ander loon hiernamaals meer te verwachten ;â de andere dochter leelijk en afzichtelijk van wezen is de armoede, die men vlucht en versmaadt; zij echter die haar beminnen, worden erfgenamen van het groot en heerlijk Rijk der Hemelen. O! M. B., werd de armoede van geest beoefend door hen die bezitten en die niet bezitten, door rijken en armen, â men zou weldra in de wereld de heerlijke vruchten daarvan zien. De rijke zou den arme niet verachten, hem niet uitkleeden, â hij zou hem het loon betalen dat hem toekomt,âja zelfs in zijne behoeften hem bijspringen. Van zijnen kant zou de arme zijnen staat als den beste beschouwen, â hij zou den rijke niet benijden niet verwenschen enz.â Op die wijze zouden uit de wereld verdwijnen, die werkstakingen en arbeiders-oproeren, die thans aan de orde van den dag zijn.â M. B., hetzij gij veel bezit of weinig, â weest arm van geest, â weest tevreden met hetgeen gij hebt,â en gij hebt den hemel in dit, en in het ander leven. Amen.â
XII.
2. Zalig zijn de Zachtmoedigen, want zij zullen de aarde bezitten.â
Do tweede der acht zaligheden heeft, zooals gij ziet, de zachtmoedigheid tot voorwerp. Zij komt op de tweede plaats, onmiddelijk na de armoede van geest; omdat men niet zachtmoedig kan zijn, zonder eerst onthecht te zijn van de goederen der wereld,â ja eer. natuurlijk gevolg van die mthechting is de zachtmoedigheid en nederigheid; evenals een noodzakelijk gevolg van de ongeregelde gehechtheid aan aardsche goederen, de hardvochtigheid en de hoogmoed is.â Wat is nu eigenlijk de deugd van zachtmoedigheid ?â Zij bestaat in de rust en kalmte des harten, vereenigd met eene zekere goedheid en liefde waardoor men te midden van alle voorkomende moeilijkheden van welken aard en oorsprong die ook zijn mogen, in- en uitwendig onverstoorbaar blijft. M. B., gij moet goed onderscheid maken tusschen de zachtmoedigheid als deugd en eene zekere goedaardigheid of zacht- en weekheid van karakter. Deze laatste is eene eigenschap, sommige menschen van natuur aangeboren,â dezulken wel is waar worden nimmer boos,â
- 83 â
kennen geen vlagen van toorn en gramschap ; laten zich alles gezeggen,â maar missen in den regel de noodige geest- en wilskracht, om iets goeds te verrichten, iets deugdelijks tot stand te brengen.â En van den anderen kant, de zachtmoedigheid als deugd, kan zeer goed gepaard gaan met eenen heiligen ijver en verontwaardiging, wanneer het de belangen geldt van God of het heil der zielen.â De Zaligmaker h.v. stelt zich aan ons tot voorbeeld der zachtmoedigheid, zeggende; âLeert van Mij dat Ik zachtmoedig en ootmoedig van harte benquot;,â (Matth. XI. 29.) en toch lezen wij, dat Hij op zekeren dag, in eenen heiligen toorn ontvlamd, wegens de ontheiliging van den tempel, eene geeselroede in de hand nam, en daarmede de koopers en verkoopers uit den tempel dreef.â Kortom, hij die altijd meester is van zich zeiven, zelfs dan wanneer hij tot toorn geprikkeld wordt, en daaraan niet toegeeft, tenzij om eene wettige reden,â en dan in- en uitwendig de grens niet overschrijdt, is een zachtmoedig mensch. De zachtmoedigheid straalt op eene bijzondere wijze door, in het leven van onzen Goddelijken Verlosser.â Het is uit hootde zijner zachtmoedigheid, dat de profeten hem voorspelden, onder het beeld van een lam.â Een schaap of lam wordt gewoonlijk genomen als het zinnebeeld der zachtmoedigheid ; rZend Heer, het Lamquot;; roept de profeet Isaias uit,â âdat de aarde zal heheerschen.\'\' (Isa. XVI. 1.) En op eene andere plaats, waar hij het lijden en den dood voorspelt van den Verlosser, roept de profeet uit: âAls een lam zal Hij ter slachtbank geleid worden. Hij zal zijn mond niet openen, gelijk een lam voor den scheerderquot;(Isa. LXII. 7.) Ook de apostel Paulus stelt den Verlosser voor, onder het beeld van een lam: â Christus zegt hij, is ons Paaschlam, dat voor
â 84 -
otis is opgeofferdquot;. (I. Cor. V. 7.) En de H. Joannes de Dooper, hei volk wijzende op den Verlosser, zegt; âZiedaar het Lam Gods, dat wegneemt de zonde der wereld.quot; (Joan. I. 29.) Niot slechts heeft Hij een lam willen geheeten worden, maar Hij wilde dat Zijne leerlingen Hem zouden celijken.â Zij moesten lammeren wezen evenals Hij, hun Meester: âZie, zeide Hij , ik zend u als lammeren in het midden der wolven.quot;â (Luc. X. 3.) En Hij vertrouwde den H. Petrus het bestuur der Kerk, met deze woorden: âiveid mijne lammeren, weid mijne schapen.quot; (Joan. XXI. 15, 17.) De Heiligen, in het voetspoor tredende van den Godde-lijken Verlosser, hebben allen zich toegelegd op de beoefening der zachtmoedigheid.â Een treffend voorbeeld vind ik in het leven van den H. Ubaldus.â Eens vergat een Moor, wien Ubaldus kort te voren een billijk verwijt had moeten doen, zich in zijne drift zoover, dat hij dan heiligen bisschop, die juist voorbijging aangreep, en hem in eenen put wierp.â De Heilige sprak geen woord, hielp zich met moeite weder uit den put en ging stil naar huis, alsof hem het ongeluk bij toeval ware overkomen. â Het volk echter was niet zoo geduldig, en meende het onrecht hunnen bisschop aangedaan, te moeten wreken.â Toen de bisschop dit bemerkte, ontbood hij onverwijld den Moor bij zich en hield hem in zijn huis, opdat hem geen kwaad zou overkomen. Daardoor nu was die man zoodanig getroffen, dat hij verklaarde bereid te zijn de misdaad waaraan hij zich had schuldig gemaakt, zelfs met den dood te willen boeten,â en werkelijk hij was op het punt zich aan het verbolgen volk over te geven. Maar Ubaldus belette hem dit, - omhelsde hem, â gat hem de verzekering van eene volkomen vergeving, â en beloofde hem zijn gebed en zijne
â 85 â
voorbede bij God. Zeer schoon vergelijkt de H. Fran-ciscus v. Sales, de zachtmoedigheid met honig. âMen vangt meer vliegen met een enkelen druppel honig, dan met eene geheele ton azijn.quot;â Evenzoo wint men veel meer harten door een enkel zacht woord, dan door een vloed van barsche en stuursche woorden.â Vele menschen zijn zachtmoedig, zoolang hen niets hindert; doch ontmoeten zij de geringste tegenkanting, dan werpen zij de zachtmoedigheid over boord en worden boos en driftig. Somtijds maken zij zich driftig, â en hoe dwaas, â op een levenloos voorwerp, op een steen waaraan zij zich gestooten,â of waarover zij gevallen zijn, of op een of ander werktuig dat niet behoorlijk zijn dienst doet.â Dwaas, dom is hunne handelwijze. â Luistert eens naar een trek uit het leven van den profeet Jonas. God beval Jonas bekend te maken, dat na veertig dagen, de stad Ninive zou vergaan; â doch ziende dat het volk tot inkeer kwam, trok God de aangekondigde straf in. Daarover nu werd Jonas verstoord, meenende dat men hem voor een valsch profeet zou houden.â God evenwel berispte hem ter deeg, en sprak tot htm : Meent gij dat uw toorn redelijk is? En Hij leerde hem tevens op eene tastbare wijze, het onrfchtmatige zijner klacht kennen. Jonas namelijk, Ninive verlaten hebbende, zette zich neder in de nabijheid der stad, op eene plaats waar hij het gezicht had op Ninive, om te zien wat er zou gebeuren;âhij maakte zich tevens eene beschutting van loof en groen om zich voor de hitte der zon te beveiligen.â God deed om hem nog meer voor de hitte beschutten, in den tijd van éénen nacht, eene soort van klimop dermate wassen, dat Jonas nu volkomen beschut en beschaduwd was;â uitermate nu was de profeet tevreden. Maar ziet,â
den volgenden nacht reeds, knaagde een worm den stengel van de plant door,â zij verdorde, en Jonas was weder evenals te voren aan de brandende hitte der zon blootgesteld. Op nieuw liet Jonas zich vervoeren tot ongeduld en toorn,â zoozeer zelfs dat hij wenschte te sterven. En nu zeide God tot hem; zijt gij terecht bedroefd over het verdorren van die schaduwrijke plant? Ja terecht, was het antwoord.â En God hernam : Gij zijt bedroefd over eene plant, waarvoor gij niets gedaan hebt; en die gij niet hebt doen groeien,â die in éénen nacht geboren en in éénen nacht vergaan is,â en zou ik Ninive niet sparen, die groote stad, waarin meer dan 120,000 kinderen zijn, die het onderscheid nog niet kennen tusschen goed en kwaad !â Hoevele menschen vindt men niet iederen dag, die zich boos en toornig maken voor zaken, die soms nog minder te beduiden hebben dan de beesterplant van Jonas.â Wat meer voorkomt is, dat men zich vertoornt op het vee,â op eene koe of een paard dat niet wil luisteren. Ook dat is dwaas.â Hen wijs ik op den profeet Balaam. De profeet Balaam, omgekocht door Balac koning der Moabieten, liet zich overhalen om tegen het bevel van God, hot legerkamp van Israël te vervloeken. Een engel plaatste zich vóór hem op den weg,â doch de profeet zag hem niet. De ezelin evenwel, waarop Balaam gezeten was, zag den engel met een blank zwaard in de hand,â het iier verschrok en was niet meer vooiuit te krijgen. Balaam begon nu den ezel te slaan, om hem tot zijn plicht terug te brengen. De engel niettemin hield het dier staande op een zeer smallen weg, tusschen twee muren, waartegen wijnstokken waren opgeleid. De ezelin drong zelfs den profeet tegen den muur, en hield zijnen voet geklemd,â die daardoor nog toor-
â 87 â
niger geworden, zijne slagen verdubbelde, De engel vatte nu post op eene nog veel engere plaats waar men zich rechts noch links kon keeren. Nu viel Balaams ezel op den grond. Balaam woedend van toorn, mishandelde immer wreedaardiger het dier. Nu deed God een wonder eenig in zijn soort. Hij opende den mond der ezelin, die tot haren meester zeide; Wat heb ik u gedaan ? Waarom slaat gij mij ?â Balaam was zoo buiten zich zeiven van woede ; dat hij volstrekt niet ontsteld werd bij dat wonder; maar het dier antwoordde evenals of een mensch tot hem gesproken had. Ten laatste nu zag Balaam den engel die hem den weg versperde en hem dreigde te dooden. Hij vernederde zich voor hem, en onderwierp zich aan zijne bevelen. Onrechtmatig, zooals gij ziet vertoornde zich Balaam op zijn ezel, en onrechtmatig handelen ook zij, die zich om welke reden ook op het vee vergrammen ; omdat niet het redelooze vee maar zij zeiven de schuld zijn. M. B. nu wij de zachtmoedigheid en hare voortreffelijkheid hebben leeren kennen, moeten wij ook eens zien, het loon dat God aan die deugd heeft toegezegd. âZalig zijn de zachtmoedig en, want zij zullen de aarde bezitten.quot; (Matth. V. 4.) Wat wordt hier verstaan door het woord aarde Vâ Daardoor verstaan de schriftuur-veridaarders drie zaken: â Terrain quara gerimus,quot;â de aarde die wij in ons dragen,â ons hart,âde aarde die wij betreden,â âterram quam terimus,quot;â of het bezit der harten van de anderen,â âterram quam quaerimus,quot;â de aarde die wij verwachten; den Hemel. De zachtmoedige vooreerst is meester van zich zelven, meester van zijn eigen hart. Hij weet bij alle gelegenheden, in alle omstandigheden, zich zelven te beheerschen; nimmer zal hij iets doen,
â 88 â
waarover hij zich later schamen of berouwen moet. Philips II, koning van Spanje had een hrief geschreven aan den Paus ; en gaf dien aan zijn secretaris om hem te zegelen,â deze stortte door onvoorzichtigheid den inktkoker over den brief, en beefde van vrees als hij zag, wat hij gedaan had. De koning bleef kalm en bedaard, en stelde zich tevreden tot den secretaris te zeggen: âWees niet bezorgd, geef mij maar een ander vel papier; ik zal den brief opnieuw schrijven.quot;â De zachtmoedige wint nog de harten van anderen. Niemand heeft zooveel vrienden als een zachtmoedig mensch. Voor de zachtmoedigheid moet alles wijken. De H. Franciscus Regis, hoorende dat op zekeren dag tal van personen in eene herberg zich aan allerlei buitensporigheden overgaven, begaf zich in persoon derwaarts, en bracht hen met zachtheid hun wangedrag onder het oog. Een uit het gezelschap staat op en geeft den Heilige een slag in het aangezicht.â Regis, zonder zich te ontstellen, bood den onverlaat de andere wang aan, en zeide : âIk dank u voor de wijze waarop gij mij behandelt; zoo gij mij kendet, zoudt gij zien dat ik nog veel meer verdien,quot;â Die trek van zacht, moedigheid verteederde alle aanwezigen. De schuldige-alsmede al zijne medeplichtigen vroegen den Heilige vergiffenis en allen gingen beschaamd heen. Het derde goed dat de zachtmoedigheid ons schenkt, is het bezit des hemels. De Zaligmaker in de tweede der acht zaligheden noemt den hemel: een land, een grond, eene aarde: âZalig zijn de zacbtmoedigen want zij zullen de aarde bezitten.quot; En terecht; want de hemel is een erfdeel dat de gelukzaligen genieten, gelijk men hier op aarde geniet van een grond, dien men erft; van daar dat Isaias dan ook zegt; âDe
â 89 â
zachtmoedigen zullen de aarde erven.quot;â M. Ã. legt u toe op de zachtmoedigheid; weest zachtmoedig jegens uwe huisgenooten, vrouw, kinderen en dienstboden,â in gezelschappen,â in ziekte en tegenspoed,â in één woord in alle voorkomende omstandigheden uws levens;â en gij zult meester zijn van uw eigen hart,â meester van de harten van anderen, en eenmaal uw aandeel krijgen in het land der levenden. âPortio mea in terra viventmm.quot;â (Ps. CXLI. 6.)
XIII.
3. Zalig zijn zij die weenen, want zij zullen vertroost worden.
Wat verstaat men in het algemeen door treuren, door weenen? â Weenen beteekent: tranen storten. En wat zijn tranen ? Tranon zijn water, dat van het hart naar de oogen stijgt, wanneer het door eene gewaarwording van vreugde of blijdschap, van dankbaarheid, van medelijden of van bewondering zich verwijdt, zich uitzet, â of door een gevoel van droefheid en smart zich vernauwt en inkrimpt.â Tranen zijn dus niet altijd : en bewijs van droetheid en smart, maar zijn veeleer eene verlichting; want voordat men geweend heeft is het hart beklemd, â maar als men eens goed geweend heeft is het hart verlicht, â zoodat men de tranen zeer juist mag noemen eene ontlasting des haiten.â Ziedaar, wat weenen beteekënt in den letterlijken zin des woords.âMaar als het Evangelie zegt: âZalig zijn zij die weenen,quot; â bedoelt het niet juist lichamelijke tranen,â maar het heeft veelmeer op het oog de oorzaak, de reden waarom men weent. Het Evangelie wil dus niet zeggen dat al degenen die weenen zalig zijn, â want dan zouden alle men-schen zalig wezen, omdat er niemand is of hij weent.
- 91 â
heeft geweend, of zal weenen.â Wat ia dus de zin der derde zaligprijzing: âZalig zij die weenen ?quot; De zin is deze : Zalig zij die weenen uit eene bovennatuurlijke beweegreden, getrokken uit het Geloof, â om het even of die tranen voortkomen uit vreugde of uit droefhei 1. Dus tranen, die men stort uit genot en voldoening die men smaakt in wereldsche plezieren en uitspanningen, zijn geene zalige, maar veeleer onzalige tranen. Tranen die men stort te midden van een uitbundig geschater en gelach zijn niet tranen van een christen, maar van een dwaas.â Dat onmatig lachen, alhoewel niet altijd, ontstaat toch somtijds uit een wellustig en zinnelijk genot. Daarvan vinden wij een voorbeeld in de Joden, die dronken van vreugde, dansten lachten en sprongen, rondom een afgodsbeeld, aan den voet van den berg Sinai; terwijl Moses op den berg zich met God onderhield. Daarvan nog een voorbeeld in Herodes, die aan een feestmaal, op zijn geboortedag, te midden der uitgelatenheid en het gelach der gasten, den dans zijner dochter beloont, met het hoofd van den H. Joannes den Dooper. Neen, zulke tranen, en zulk gelach worden door Christus niet zaliggeprezen. Hij spreekt er integendeel zijnen vloek over uit: âWee u die thans lacht, â xoant treuren zult gij en zveenen.\'1\'â (Luc. VI. 25.) Zalig daarentegen zijn de tranen van iemand die weent van vreugde, omdat hij in üods genade en vriendschap hersteld is, â omdat hij ziet dat God gediend en bemind wordt. Evenals nu tranen die men stort uit blijdschap en vreugde zalig of onzalig kunnen zijn, naar gelang de beweegreden waarom zij gestort worden; uit dienzelfden hoofde kunnen ook tranen van droefheid zalig of onzalig zijn.â Onzalig zijn de tranen die iemand stort uit spijt en afgunst, omdat
- 92 -
het een ander beter gaat dan hem, â tranen van gramschap en toorn, tranen van verdriet wijl men zich in zijnen hoogmoed of eerzucht teleurgesteld ziet, â verder ook tranen van wanhoop, zooals die van Caïn en Judas, â dat noem ik onzalige tranen, omdat zij uit eene natuurlijke, of liever uit eene schuldige beweegreden voortvloeien.-â Luistert eens naar eenige zinsneden uit eenen vertrouwelijken brief, dien eene Fransche tooneelspeelster schreef aan eene harer vriendinnen : âIk wil u niet spreken over datgene wat de wereld gewoon is te noemen, bijval, opgang, glorie, â ik kan daar niet aan denken, zonder eene groote bitterheid des harten te gevoel sn.â Ik word ja toegejuicht, bloemen worden mij toegeworpen, â maar teruggekeerd in mijn vertrek, heb ik eerder lust tot weenen dan tot lachen, als ik denk aan mijne eerste jeugd en aan dat zalig huis waarin ik opgevoed ben. Nooit was ik zoo gelukkig als toen.â Toejuichingen gaan voorbij, de bijval van het publiek is kortstondig, bloemen verwelken, liefde pijnigt en verscheurt het hart!â Spot met mij zooveel gij wilt, ik verzeker u dat ik niets vuriger verlang, dan het tooneel te verwisselen met het klooster; want ik voel dat alleen de liefde Gods mijn hart kan vullen en bevredigen.quot;â Dat noem ik zalige tranen, zalige droefheid, waardoor men tot de overtuiging komt, dat het ware geluk niet in de gunst der wereld, of in den bijval der menschen, maar in den dienst van God gelegen is. Nog een ander voorbeeld.â Een booswicht, die om zijne gruwelen door geheel Syrië berucht was geworden, werd op zekeren dag getroffen door de genade.â Jonathas, zoo heette hij, stond op, om evenals een Verloren Zoon tot zijnen vader, tot God terug te keeren. Maar waarheen zal hij zich
wenden ? Van alle zijden dreigden hem gevaren.â Hij begaf zich tot een heilig kluizenaar in de woestijn, â Simeon, bijgenaamd den zuilbewoner, â omdat hij zijn leven doorbracht staande op eene zuil, oog en hart steeds gericht naar den hemel.â Tot dien heiligen man, als tot het orakel der woestijn, stroomden aanhoudend duizenden menschen heen, voor de belangen hunner ziel.â Evenzoo deed Jonathas. Door leedwezen getroffen ging hij den Heilige opzoeken, hij omvatte de kolom waarop de Heilige leefde en begon bitter te weenen.â Wie zijt gij, â vroeg hem Simeon ? Ik ben Jonathas, een berucht booswicht, â ik heb afschuw van mij zeiven en van mijne gruwelen, â ik wil boete doen. En Simeon hernam: die aldus weenen zooals gij, hun behoort het Rijk der Hemelen.â Kort daarna kwamen gerechtsdienaren van Antiochië, om den misdadiger te grijpen. Doch Simeon zeide tot hen : Voorzichtig, mannen,â want hij die, dien mensch hierheen gevoerd heeft, is grooter en sterker dan wij, hij is die soort van menschen te hulp gekomen en het Rijk der Hemelen behoort hun toe.â De gerechtsdienaren keerden dan terug naar de stad, om nieuwe orders te gaan halen. Inmiddels bleef Jonathas daar zeven dagen staan aan den voet der kolom, en den zevenden dag zeide hij; Heer, zoo gij wilt, zal ik heengaan en mij verwijderen. Hoe ? heengaan, zeide Simeon,â wilt gij dan andermaal een misdadig leven gaan leiden? Neen Heer, sprak de boetvaardige zondaar, maar mijn tijd is gekomen. Hij bedoelde den tijd van sterven, want hij gevoelde zich den dood nabij. En inderdaad hij stierf.â Inmiddels kwamen de gerechtsdienaren uit Antiochië terug, en wilden zich van zijn lijk meester maken,â om het den wilden dieren ten prooi voor te werpen. Doch
â 94 -
Simeon verbood het hun, zeggende : Hij, die dien man hierheen gevoerd en in genade ontvangen heeft, is dezelfde als die de macht bezit uwe stad omver te halen.âHij heeft dien man opgenomen in zijne glorie,â want âzalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost wordenquot;.â Heilzame droefheid! Zalige tranen, voortkomende uit berouw en leedwezen over onze zonden.â Zalige doefheid die der Heiligen, welke al weenende verzuchtten naar het einde hunner ballingschap op aarde. âHoehedroéfd is mijne ziel, riep David uitj omdat mijne ballingschap zich voortdurend verlengt.quot; (Ps. CXIX. 5.) âifc verlang er naar, riep de H. Paulus uit, onthanden te worden en met Christus te zijn\'\'. (Phil. I. 23.) Ach Heer! zeide op zijne beurt de H. Augus-tinus,â dat ik toch sterve, om uwe aanschouwing te kunnen genieten! Men kan behalve de genoemde tweevoudige droefheid nog eene derde onderscheiden. Daar is eene zondige droefheid, zooals wij geaien hebben, namelijk die voortkomt uit nijd, afgunst en wanhoop, â daar is eene heilige droefheid ; namelijk die voortkomt uit leedwezen over de zonden, uit verlangen naar den hemel Daar is ook nog eene onverschillige droefheid, die goed of kwaad wordt naarmate zij ons tot Grod voert of ons van Hem verwijdert. Die droefheid is dezulke welke ons tranen doet storten in verschillende beproevingen van dit leven ; b. v. bij verlies van goederen of van gezondheid, bij den dood van hen die wij liefhebben. De tranen die men stort bij zulke gelegenheden^ zijn slecht als men uit die beproevingen aanleiding neemt, om tegen God te morren, tegen Hem te klagen.â De H. Monegundis was aanvankelijk eene zeer wereldsche en ijdele vrouw, die al haren tijd besteedde, om hare twee dochters voor de wereld op te voeden.â De dood echter ont-
â 95 -
rukte haar vroegtijdig die twee afgoden der moederliefde;â als zinneloos van droefheid verlangde zij niets vuriger dan hare kinderen in het graf te volgen. Eenigen tijd later echter, wat kalmer geworden, kwam zij tot betere gevoelens. Dwaas ben ik, zoo sprak zij, mijnen God zulke verwijtingen te doen! Wist ik dan niet dat mijne kinderen eens moeten sterven V O voorzeker de hemel heeft mij die twee panden ontnomen ; om ze aan het bederf der wereld te onttrekken, en om ook mij te beletten in vergetelheid van God te leven. Welnu van stonde af lan, wil ik God alleen toebehooren. Hij alleen zal de meester van mijn hart zijn. Zij hield woord, verliet de wereld en hare ijdelheden, en wijdde zich geheel en al aan den dienst des Heeren. Ziedaar een voorbeeld, ten bewijze hoe de droefheid ons tot God terugvoert.â M. B., gij hebt allen eene min of meerdere kennis van het leven van Napoleon I. Zoolang hij de machtige keizer van Frankrijk was, zoolang hij de man was, die volkeren en rijken voor zijn degen deed beven, zoolang hij zich bevond op het toppunt van glorie en grootheid, dacht Napoleon weinig of niet aan God en aan zijne zaligheid. Dat alles had echter later zijne keerzijde. God had hem niet uit het oog verloren. â Hij besloot hem te beproeven. Napoleon had God niet willen erkennen in zijne grootheid,â misschien zou hij Hem erkennen in zijne vernedering. Hij wierp hem neder van den keizerstroon en schonk hem tot verblijf, eene akelige rota te midden van den oceaan, namelijk het kleine eiland St. Helena. Die beproeving trof haar doel. De vernedering, de eenzaamheid, het lijden voerden hem terug tot God. âIk ben geen ongeloovige, noch wijsgeer, zeide hij, ik geloot aan het bestaan van God,quot;â en vervolgens de oogen ten gemcl slaande, zeide hij : âWie is Hij die
â 96 â
dat alles gemaakt heeft ? Immera God !â Een mijner grootste grieven,â zoo sprak bij, is dat ik de klokken niet hoor luiden, en verschimmeld brood moet eten.â In zijne laatste oogenblikken hield Napoleon zich met niets meer bezig, dan met zijne godsdienstige plichten.â Voortdurend was een priester aan zijne zijde 1 âIk ben geboren in den katholieken godsdienst, sprak hij, daarin wil ik ook sterven !â Zalig zooals gij ziet, is de droefheid die den mensch te midden der beproevingen tot God terugvoert. Bewaarheid alzoo worden de woorden: âZalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden.quot; Beproevingen M. B., zijn voor ons een leerboek van ware godsdienstigheid. Zij leeren ons de zonden verlaten,â vluchtenâ en uitboeten.â Zij doen ons zien of wij God waarlijk beminnen,â waarlijk zoeken,â waarlijk aankleven. Zij zijn eene fontein van zaligheid.â Een algemeene fontein waaruit alle Heiligen geput hebben.â Eene zekere fontein, uit kracht der belofte van Christus : zalig zij die treuren, want... Eene overvloedige bron: want dat kortstondig lijden dat wij verduren, â bereidt ons eene over-groote heerlijkheid. Amen.â
XIV.
4. Zalig zij, die hongeren en dorsten naar de Rechtvaardigheid, want zij zullen verzadigd worden,â
Tn de drie eerste dor acht zaligheden heeft onze Goddelijke Meester ons opgesomd de drie groote hinderpalen, die onze zaligheid in den weg staan, en Hij heeft zalig geprezen hen, die deze weten te overwinnen en uit den weg te ruimen. Die drie hinderpalen zijn, zooals gij weet, de zucht naar rijkdommen,â naar eer,â en vermaken. Over die drievoudige ongeregelde zucht zegeviert men, zooals gij weet, door eene drievoudige onthechting,â of liever door eene drievoudige tegenovergestelde zucht of liefde : liefde tot de armoede,â tot de zachtmoedigheid en nederigheid,â en liefde tot de heilige droefheid.â Wanneer wij dus trouw blijven aan die drie eerste grondstellingen van het Evangelie, dan zullen wij onthecht zijn aan de goederen dezer wereld zoowel in behoef te als in overvloed,â zachtmoedig en nederig in tegenspoed,â bescheiden in voorspoed,â gematigd in blijdschap,â gelaten in beproevingen ; d. w. z. wij zullen onze bedorven natuur overwonnen en opgehouden hebben kwaad te doen â Maar het is niet
1
â 98 â
genoeg geen kwaad te doen ; men moet ook het goede doen. Het is niet genoeg de grondslagen te leggen van een buis, maar men moet het huis ook optrekken het is niet genoeg, dat men van eene ziekte her.stelle,â maar men moet naderhand voedsel nomen ten einde zijne krachten terug te erlangen evenzoo is het niet genoeg dat men geen kwaad doet,â men moet ook het goed doen, om christelijk en deugdzaam te willen leven.â Ziedaar, waarom de Zaligmaker, na ons gezegd te hebben wat wij moeten vermijden om tot God te gaan,â in de vierde der acht zaligheden ons begint te leeren, niet wat wij moeten vermijden, maar wat wij moeten doen. En wel het eerste wat ons te doen staat is, hongeren en dorsten naar de rechtvaardigheid. Vandaar dat de Zaligmaker ons vermaant en zegt: âZalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de rechtvaardigheid, want zij zullen verzadigd wórdenquot;.â (Matth. V. 6.) Alvorens u te verklaren wat eigenlijk zeggen wil: hongeren en dorsten naar de rechtvaardigheid ; moet ik u eerst verklaren wat men hier door het woord âRechtvaardigheidquot; te verstaan heeft.â Daardoor verstaat hier de Zaligmaker, niet de bijzondere deugd van rechtvaardigheid, die ons door het zevende gebod word opgelegd en ons voorschrijft, iedereen het zijne te geven,â ook niet de Phariseesche rechtvaardigheid, die de deugd deden bestaan enkel in uitwendige werken,â neen, de rechtvaardigheid, welke de Zaligmaker hier bedoelt, bestaat in de vereeniging, in de samenvatting van alle deugden, in de vervulling van alle plichten. Rechtvaardigheid is dus hetzelfde hier als heiligheid en volmaaktheid.â Een rechtvaardig man wil dus hier zeggen: Een met alie deugden verrijkt, en onder alle opzichten volmaakt man.â Gij ziet, welke ruime
boteekenis hier het woord rechtvaardigheid heeft.â Ik vind van die volmaakte rechtvaardigheid een paar schoone voorbeelden in de H. Schrift: vooreerst in Zacharias en Anna, de ouders van den H. Johannes don Dooper, van wie het Evangelie zegt; âZij waren beide rechtvaardig voor God, en wandelden in al de geboden en voorschriften des Heeren onberispelijkquot;. Verder de heilige grijsaard Simeon, die liet geluk had den Verlosser der wereld op zijne armen te dragen; hij was, zegt het Evangelie, een man rechtvaardig en godvreezond, en de H. Geest was in hem;â vervolgens de H. Joseph, de bruidegom van Maria, die ook genoemd wordt oen rechtvaardig man,â verder de Allerzuiverste Maagd Maria, die vlekkeloos was niet slechts in hare kindsheid on in haar verder leven, maar reeds bij hare ontvangenis, â bovenal echter Jesus Christus zelf, de Zon van Rechtvaardigheid bij uitnemendheid.â Doch M. B., voorbeelden van rechtvaardigheid, van volmaakte dengd, behoeven wij niet onkel te zoeken in het Evangelie, wij vinden er ook in de wereld. Rechtvaardigen bij uitnemendheid zijn zoovele heilige martelaren, die niet geschroomd hebben de hevigste folteringen, den pijnlijksten dood te verduren uit godsdienst, plicht en geweten. Ja, de martelaren zijn rechtvaardigen bij uitnemendheid den marteldood sterven is het bewijs leveren der beoefening van alle deugden,â van Geloof Hoop en Liefde,â van kracht en sterkte,â van geduld, â van edelmoedigheid, enz. â Een enkel voorbeeld ten bewijze. Mgr. Dulau was aartsbisschop van Aries in Frankrijk, bij het uitbreken der revolutie op het einde der vorige eeuw. Het was een man uitstekend in deugd en geleerdheid, dien de goddeloozen zeiven achtten en hoogschatten. Hem trof evenals zoovele
â 100 â
anderen zijner ambtgenooten hetzelfde lot. Hij werd met nog 120 andere Geestelijken opgesloten in de kerk der Carmelieten, in afwachting dat hunne hoofden zouden vallen onder het mes van den beul. Dikwijls had men er bij hem op aangedrongen, dat hij zich zou bedienen van de voorspraak zijner vrienden, of wel zijn ziekelijken toestand zou doen gelden, om den kerker te mogen verwisselen voor zijn eigen huis.â Neen, neen, was zijn antwoord, ik ben hier wel, ik bevind mij hier in goed gezelschap. Hij, alhoewel ver in waardigheid boven de anderen verheven, was hun aller dienaar, hij ontdeed zich van het weinige waarover hij beschikken kon, om anderen te helpen. Van den kant der gevangenbewaarders en soldaten had hij voortdurend brutaliteiten en grofheden te verduren.â Nu eens waren het lage bespottingen en verguizingen, dan weder brutale plagerijen en grove ongemanierdheden. Een gendarme b. v. zette zich neven hem neder, stak zijne pijp aan, en blies hem voortdurend den rook in het aangezicht. De vrome aartsbischop liet zich alles welgevallen,â geen klacht kwam over zijne lippen, hij bleef steeds kalm en geduldig. Eindelijk was het uur geslagen van sterven. Ee.i rot gewapende bandieten drong den kerker binnen, terwijl de aartsbisschop van Arles , in gezelschap van een ander Geestelijke in den tuin der gevangenis wandelde.âMonseigneur, zeide deze, toen hij de sabels en bajonetten zag glinsteren, ik geloof dat onze hoofden dra zullen vallen.quot; Welnu, was het antwoord, onderwerpen wij ons dan, en danken wij God dat wij ons bloed mogen storten voor eene zoo heilige zaak. Het antwoord was nog niet over zijne lippen, of de moordenaars zijn daar en roepen; Waar is de aartsbisschop van Arles\'i\'
â 101 â
Zijt gij het ? â Ja, zeicle de prelaat, ik ben het.â Booswicht snauwde men hem toe, gij zijt het die te Arles zooveel bloed hebt doen vergieten ! â Heeren, antwoordde bedaard Mgr. Dulau, ik weet niet dat ik ooit iemand kwaad heb gedaan. En op hetzelfde oogenblik ontvangt hij een eersten sabelhouw op het hoofd. Do bisschop blijft onbewegelijk zonder een woord te spreken. Een tweede sabelhouw volgt, welke hem bijna het gansche hoofd openklieft. De bisschop houdt nog stand, en tracht met zijn handen zijn bloedend hoofd te ondersteunen. Er komt nog een derde slag, die hem ter aarde doet tuimelen. Nu trad een ander moordenaar toe, die zijne bajonet in het hart van het slachtoffer stootte met zooveel geweld, dat hij zijn voet op het lijk van den martelaar moest zetten, om de bajonet uit te trekken-Aldus stierf die groote bisschop, die in zijn leven slechts gehongerd en gedorst had naar de rechtvaardigheid, maar ook in den hemel rijkelijk is verzadigd geworden. M. B., wat wil nu eigenlijk zeggen hongeren en dorsten naar de rechtvaardigheid? «ielijk honger en dorst in het algemeen het verlangen aanduiden naar spijs en drank, zoo wordt hier door honger en dorst naar de rechtvaardigheid aangeduid, het geestelijk verlangen onzer ziel naar deugd en volmaaktheid ; met één woord het verlangen naar de christelijke rechtvaardigheid. Honger en dorst naar de rechtvaardigheid, is dus niets anders, dan de voortdurende wil, op den weg des Heeren steeds grooteren voortgang te maken.â Door dien honger en dorst werd David verteerd, als hij zeide: âO mijn God ! bron van alle vertroosting, mijne ziel smacht naar u ! Helaas, wanneer zal ik voor u mogen verschijnen!quot;â Dienzelfden honger en dorst vinden wij ook in den
- 102 â
apostel Paulus : âBroeders, zegt hij, ik meen niet mijn doel reeds bereikt te hebben, maar ééne zaak doe ik, ik vergeet wat achter mij is, en ik keer mij naar hetgeen voor mij ligt, namelijk naar de kroon der eeuwige zaligheid, lot welker bezit ik van den hemel door God geroepen ben.quot; (Philip. 111.13.) Van dien honger en dorst naar de rechtvaardigheid, dat wil zeggen naar de waarheid, vind ik een treffend voorbeeld in het leven van den H. Clemens, paus. Ten tijde dat hij nog leefde in het ongeloof, zoo getuigt hij in zijne schriften, smachtte hij naar niets vuriger dan naar het bezit der waarheid en der deugd.â Die honger en dorst naar de rechtvaardigheid werd ook verzadigd, want God zond tot hem den H. Barnabas apostel, die hem het licht des geloofs kwam brengen, en hem voerde tot de bron des levens; waar hij zijn dorst naar de rechtvaardigheid kon lesschen en den vrede vond der ziel.â Hoe weinigen worden er gevonden die waarlijk honger en dorst hebben naar de rechtvaardigheid. Men vindt in de wereld een grooten honger en dorst, â niet naar deugd en volmaaktheid, maar naar kwaad en ongerechtigheid, of ten minste naar zinnelijkheid en ijdelheid. Ongelukkig, beklagenswaardig zij, die door dien honger en dorst gekweld worden ; want nimmer zijn zij verzadigd. Nog nimmer heb ik iemand hooren zeggen; het is genoeg. Laat hen zooveel geld bezitten als zij willen, â laat hen door de gansche wereld geacht en geprezen worden,â laat hen alle amusementen genieten, alle kermissen bijwonen, iederen zondag van een festival of concert gebruik maken ; nimmer zijn zij verzadigd En waarom niet ? Omdat zich in die zaken geen voedsel bevindt, Ik wil u eens door een voorbeeld doen zien, hoe nietig, hoe onbeduidend zaken zijn waarop men in
â 103 -
de wereld zooveel prijs stelt, waar duizenden naar hongeren en dorsten.â Gij kent allen, ten minste bij naam don diamant, den kostbaarste der edelgesteenten, die niet zelden een gansch kapitaal vertegenwoordigt.â En waaruit bestaat de diamant? De wetenschap heeft uitgemaakt, dat diamant zuivere koolstof, â houtskool is, tot den kristalvorm teruggebracht. Een der grootste diamanten tot nu toe bekend, ia de vermaarde âKoh-e-Noorquot; of âLicht-berg,quot; â die aan de kroon der koningin van Engeland prijkt, en meer dan Ã\'/s niilliocn franken waard is,â die schat nu zou in weinige oogenblikken tijds, tot een weinig koolstof kunnen teruggebracht worden, die nauwelijks een vingerhoed zou vullen.â Wat zijn robijn, saphier, topaas, smaragd, en andere kostbare steenen ?â Niets dan wat gekristalliseerd poeder ui zand, â gemengd met eene kleine hoeveelheid metaal-roest, â die aan elk zijne eigenaardige kleur geeft.â Welnu, als de kostbaarste edelgesteenten op zich zeiven zoo nietig en onbeduidend zijn, wat dan gezegd van al het overige!â M. B., laat ons hongeren en dorsten niet naar onbeduidende en vergankelijke zaken, die ons niet kunnen verzadigen, maar naar de rechtvaardigheid ; want dan zullen wij verzadigd worden. Die verzadiging is gelegen in het verlangen zelf naar do rechtvaardigheid. Aardsche verlangens kwellen en pijnigen het hart. Het verlangen integendeel naar de rechtvaardigheid vervult de ziel met troost. Wie üod verlangt te beminnen en zich met Hem te vcr-eenigen, bemint Hem reeds, en is reeds één met Hem. Die verzadiging ligt vsrder in alle gebeurtenissen en voorvallen des levens. Indien wij ons zoeken te heiligen, dan zal alles wat ons overkomt ons daartoe behulpzaam zijn. Die verzadiging ligt nog in de leer
â 104 â
der Kerk. Daar vindt eene ziel het ware begrip der heiligheid, de regels en de middelen om haar te bereiken. Dio verzadiging ligt in het gebruik der Sacramenten, die alle bronnen zijn van genade en rechtvaardigheid ; â maar vooral in de H. Communie, waar de ziel verzadigd wordt door het lichaam en bloed van Jeaus Christus.â Die verzadiging eindelijk bevindt zich in den hemel, waar wij ons zullen ver zadigen ten eeuwigen dage, in het aanschouwen en bezitten van God.â
XV.
5. Zalig zijn de Barmhartigen, want zij zullen Barmhartigheid verwerven.â
Ontniddelijk na de Reohtvaardiglieid, stelt de Zalig maker de Barmhartigheid. En terecht. Beide staan tot elkander in nauwe betrekking. De Barmhartigheid toch moet het strenge, het harde der Rechtvaardigheid eenigermate temperen en verzachten.â Wat de honig is in een bitter drankje, is de Barmhartigheid ten opzichte der Rechtvaardigheid. Wat is Barmhartigheid? Barmhartigheid, volgens de afleiding van het woord, beteekent modelijden des harten,â met andere woorden, eene zekere deelneming of droefheid, die men in zijn hart gevoelt bij het zien der ellende van den evenmensch en die ons aanzet hem naar ons vermogen bij te staan. Wat volgt hieruit ? Daaruit volgt, dat men zijnen naaste bij kan staan en helpen zonder nochtans barmhartigheid tc oefenen ; als men b. v. eenen arme aan de deur een aalmoes zou reiken, niet uit medelij Jen met zijne ellende, maar eenvoudig om van hem af te zijn, of ook om zijne genegenheid tc winnen,â of om hem te verleiden en tot zonde te voeren,â dat laatste beet ik niet barmhartig maar
â 106 â
hardvochtig en wreed zijn. Een jaar of wat geleden, ging een jeugdig Amsterdammer scheep naar Batavia, om zich daar te plaatsen.â Vrouw en kind zouden hem na verloop van zes maanden volgen. Zes maanden,â een jaar,â veertien maanden gaan voorbij ;â geen nieuws van Batavia. De levensmiddelen waven middelerwijl uitgeput, de laatste stuiver was opgeteerd, armoede, bittere armoede stond voor de deur. Eerst komt de deurwaarder : âHuishuur betalen of op straat.quot; Dan komt de huisbaas in persoon, die overal voor een hardvochtige bekend stond. Hij was ditmaal zeer voorkomend, zeer minzaam,â hij toont haar de huis-huurkwitantie, hij wil haar helpen, zij mag niet treuren, hij is haar genegen. De vrouw begreep die taal, zij had met een verleider te doen. Neen, Mijnheer, liever van honger sterven, dan mijne eer verliezen. Hij reikt haar eenen gouden Willem toe. Zij weigert; hij werp er nog twee op tafel; zij blijft weigeren. De schaamtelooze vertrekt, \'s Anderen daags komt hij terug, wijst haar op het onaangeroerde geld op de tafel, en duwt haar daarenboven nog een bankbillet van 100 gulden in de hand. De vrouw blijft onbewegelijk en wijst den verleider de deur, zeggende: Voor geen 1000 rijksdaalders. Mijnheer.â Iedereen ziet duidelijk uit dit voorbeeld, dat de gulheid van dien geweten-loozen huisbaas, geen barmhartigheid was. Uit de bovenaangehaalde bepaling van het woord barmhartigheid, volgt ook nog, dat men toch barmhartig kan zijn zonder den evenmensch metterdaad bij te staan ; bijaldien men getroffen is bij het zien zijner ellende; maar in de onmogelijkheid verkeert hem te helpen. De barmhartigheid, genomen in deze laatste beteekenis is eene bloot menschelijke barmhartigheid, ons van natuur aangeboren. Zij is goed ongetwijfeld, maar
â 107 â
verdient den naam nog niet van christelijke deugd; omdat zij niet uit eene bovennatuurlijke, maar uit acne natuurlijke beweegreden voortspruit; â uit dien hoofde is zij doorgaans beperkt in haren omvang, zwak en onstandvastig. Een van natuur slechts medelijdend hart, zal barmhartigheid oefenen, niet jegens alle menschen, niet in alle omstandigheden, noch ten allen tijde, â hot zal niet barmhartig wezen jegens vijanden, noch jegens hen die men niet goed mag lijden, ook niet als het eigenbelang of eene andere drift zich er tegen verzet. De bloot natuurlijke barmhartigheid, als zijnde geene deugd is dus ook zonder verdienste. Opdat zij verdienstelijk, dus deugd worde, moet zij steunen op het (reloof, â dat is; men moet in het oefenen der barmhartigheid geen acht slaan op vriend of vijand, op de glorie der wereld, op het oog der menschen, op de hoop van aardsche belooning ; maar alleen op God en zijn gebod. Oefent men barmhartigheid op die wijze, dan doet men iets deugdelijks en verdienstelijks. Luistert eens hoe Jesus Christus in het Evangelie ons de deugd van barmhartigheid voorhoudt: âAls gij een maal aanricht, nuodig dan niet vrienden, broeders, bloedverwanten of rijke geburen, opdat zij u soms xoederkeerig ook noodigen en u vergelding geschiede; maar noodig armen, lammen, kreupelen en blinden, en zalig zult gij xcezen, omdat zij niet hebben om u te vergelden ; ivant het zal u vergolden worden in het oordeel.quot; (Luc. XIV. 12-14). Ziedaar de deugd van barmhartigheid in hare beoefening, door Jesus Christus in de vijfde der zaligheden, zalig geprezen. Onze Goddelijke Verlosser is het volmaaktste toonbeeld van barmhartigheid, dat wij ons ter navolging kunnen voorstellen. Uit medelijden tot ons, daalde Hij neder uit den hemel op aarde, uit medelijden onderwees Hij de onwetenden,
â 108 â
voedde de hongerigen, vergaf de zondaren, genas de zieken, wekte de dooden tot hot leven op en bad voor zijne vijanden. Maar M. B., dat voorbeeld van Jesus Christus is misschien voor u wat te verheven ! â Luistert eens naar een paar voorbeelden die gij beter kunt vatten. De hertog van Bourgondië, kleinzoon van Lodewijk XIV, was een bij uitstek modelijdend en goedhartig vorst. Op zekeren dag dat hij te Versailles wandelde, werd hij door zooveel noodlijdenden omringd, dat zijne beurs weldra ledig was en er nog velen overbleven, die naar brood hongerden. â Zijne beurs was ledig, wat gedaan? Hij nam de eereteskens van zijne borst, haalde er de juweelen uit, overhandigde die aan een edelman uit zijn gevolg, zeggende: Verkoop ze en maak dat die steenen brood worden. â Ziehier nog een ander voorbeeld. Paus Clemens VUT voedde eiken dag dertien armen in zijn paleis Vreemdelingen en behoeftigen vonden bij hem altijd eene gastvrije tafel.â Hij stond niet zelden van tafel op en bracht de beste gerechten naar de armen, terwijl hij zich zelf met de eenvoudigste vergenoegde. Grenserik, koning der Vandalen, had duizenden Romeinen in slavernij gebracht. Onmogelijk te zeggen wat die ongelukkige menschen vanwege die woeste Vandalen te verduren hadden. Velen onder hen zouden van gebrek en ellende gestorven zijn, indien do bisschop van Carthago, de H. Deogratias zich hunner niet erbarmd had. Die medelijdende bisschop ging zoo ver, dat hij de gewijde kerkvaten verkocht, om die ellen-digen vrij temaken. Doch laat ons nu eens zien welk loon God voor de barmhartigen heeft weggelegd.â âZalig, zegt Hijj zijn de barmhartigen, want zij zullen baimhartigheid cerwervm.quot; (Matth. V. 7.) Barmhartigheid met betrekking tot de goederen des lichaams,
â 109 â
en barmhartigheid met betrekking tot de goederen der ziel. De barmhartige op de eerste plaats wordt gezegend naar tie ziel. Nu eens door de vergiffenis zijner zonden, dan weder door de genade der bekeering, somtijds door de roeping tot het Geloof.â Ziehier een bewijs van het gezegde. In Rusland leefde een hooggeplaatst officier. Hij was een goed katholiek, en had een godvruchtig priester tot vriend. Op zekeren dag reed deze door het dorp, waar de overste woonde.â Eene inwendige stem zeide hem : stijg al en bezoek uwen vriend. Hij sloeg do gedachte in den wind om geen tijd te verliezen. Voor de tweede en derde maal liet zich de stem hooren : Bezoek den overste. â Hij gaf eindelijk toe, steeg af en trad in het huis van zijn vriend. Ach! gij komt juist van pas, zeide deze, toen hij den priester zag binnenkomen. Mijne vrouw, die zooals gij weet, protestant is, ligt op sterven; zij zal uwen bijstand niet van de hand wijzen, hoop ik! Het was inderdaad zoo. De zieke gaf gehoor aan de stem der genade. Zij zwoer de dwaling af, sprak eene biecht van geheel haar leven, ontving de heilige absolutie en stierf in den schoot der ware Kerk. Wat men na den dood dier edelmoedige dame vernam, geeft ons eenig licht waaruit men kan opmaken, hoe zij die buitengewone genade, in zekere mate had verdiend. Uit het dagboek der overledene bleek, dat zij zich tot regel had gesteld, geen dag van haar leven te laten voorbijgaan, zonder eenig werk van barmhartigheid tc verrichten, â en de dagelijksehe aan-teekeningen bewezen, dat zij aan dat voornemen altijd trouw was geweest. De edele vrouw was barmhartig geweest in haar leven,â en (rod was haar barmhartig bij haren dood, en liet haar door de poort van barmhartigheid ingaan in de eeuwige vreugde. Een
ander voorbeeld, ten bewijze dat God de werken van barmhartigheid beloont, vinden wij in de Handelingen der Apostelen, in den persoon van den hoofdman Cornelius. Cornelius, zoo verhaalt ons de H. Lucas, was een godsdienstig en godvreezend man, die zich vooral hierdoor onderscheidde, dat hij barmhartig en mild was jegens armen en behoeftigen. Eens had hij een visioen ;â oen engel verscheen hem, en zeidu tot hom; dat God met welgevallen op zijne aalmoezen had nedergezien, en hem beval een bode naar Joppe te zenden, ten einde een man te ontbieden, Petrus genaamd, die hem zeggen zou al wat God van hem verlangde. Tegelijkertijd ook had Petrus een visioen, waarin God hem te verstaan gaf, dat het oogenblik gekomen was om het Evangelie te prediken niet enkel aan de joden, maar aan alle volkeren der aarde. Middelerwijl waren de boden van Cornelius tot Petrus gekomen. â Petrus volgde hen, onderwees den hoofdman en doopte hem met geheel zijn huisgezin. Ziedaar M. B., twee bekeeringen als loon voor de beoefening der barmhartigheid. Barmhartigheid oefenen is zoo aangenaam in Gods oog, dat Hij daarvoor niet zelden een tijdelijk loon heeft weggelegd. Getuige Tobias, die van zijne blindheid genezen en in zijne goederen hersteld werd, omdat hij een barmhartig en weldoend man was,â hij gaf namelijk den armen aalmoezen en begroef de dooden. Getuige Tabitha, die door den H. Petrus van den dood werd opgewekt, en terug geschonken werd aan zoovele ongelukkigen, die zij gevoed, gekleed en getroost had. âZalig dus de barm-hartigen want zij zullen barmhartigheid verwervenquot;.â Die verzekering van den Zaligmaker moet u allen aanzetten, om iedei volgens uw vermogen, barmhartigheid te oefenen, Gij knnt dit op tweeërlei manier,â
â Ill â
1) geestelijker- en 2) lichamerlijker wijze ;â Ijverige leden der Broederschap, die hunne flauwe en zorge-looze medeleden tot ijver aanwakkeren, oefenen een werk van barmhartigheid, â zieke medeledan bezoeken en troosten, hen met raad of daad bijstaan, zijn allen werken van barmhartigheid, â evenzoo voor de levende en afgestorvene leden der Broederschap bidden. In één woord gij hebt gelegenheid genoeg, om èn in het algemeen, èn in het bijzonder jegens elkander barmhartigheid te oefenen. M. B., vooral moet ik u waarschuwen voor de zelfzucht. De groote kwaal van onzen tijd is, dat iedereen te veel zich zelf zoekt,â vandaar die valsche beginselen die men zoo vaak hoort verkondigen : âik trek mij een ander niet aan,â een ieder zorge maar voor zich zei ven,â laat iemand goed of slecht zijn dat is zijne zaak, daar heb ik mij niet mede te bemoeien.quot; â Ziedaar de taal der zelfzucht en van het eigenbelang, die door den H. Geest afgekeurd en veroordeeld wordt; als Hij zegt: âHet oordeel is onbarmhartig voor hem die geen barmhartigheid geoefend heeftquot; (Jac. II. 13.) Indien dus M. B., uwe eeuwige zaligheid u ter harte gaat, â roept u dan dikwijls voor den geest het gezegde van den Zaligmaker : ,;Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verwervenquot;,â doch weest tegelijkertijd bezield met eene heilige vrees, en vergeet deswege niet dat ander gezegde: âHet oordeel is onbarmhartig voor hem die geen barmhartigheid geoefend zal hebben.quot; Amen.â
XVI.
6. Zalig zijn zij, die zuiver van harte zijn, want zij zullen God zien.â
Ziedaar, M. B., ons thans gekomen tot de derde en laatste klas der acht zaligheden.â In de eerste klas hebben wij gezien de ondeugden, het kwaad, dat wij moeten schuwen, â in de tweede, de werken die wij moeten oefenen.â Nu gaan wij zien de intrede in het ware, in het volmaakte leven. De zesde dor acht zaligheden heeft tot onderwerp de Zuiverheid des harten.â Wilt moet men verstaan door zuiverheid in het algemeen V â Zuiver noem ik eene zaak, die geene bestanddeelen in zich bevat, strijdig met hare natuur. Wijn b. v. is zuiver, als er geen water bijgevoegd is.â Water is zuiver als het niets anders dan water bevat. Mengt water en wijn onderelkander; en gij krijgt een mengsel dat als dusdanig onzuiver is.â Pas ik nu het gezegde toe op de zuiverheid des harten, dan kom ik tot het volgend besluit. De zuiverheid des harten bestaat niet enkel in de afwezigheid van alle zonden, strijdig met de deugd van zuiverheid ; maar daarenboven in de afwezigheid van alle zonden welke dan ook; omdat elke zonde strijdig is
- 113 â
met de natuur onzer ziel. Eone ziel met zonden bevlekt, wordt als eene kom mot melk, waar men eene kom inkt zou bijdoen, â nu melk en inkt met elkander vereenigd, vormen een walgelijk afzichtelijk mengsel.â Een mengsel nu kan iiit zijnen aard min of meer onzuiver wezen; zoo ook kan een hart min of meer zuiver of onzuiver wezen.â De godgeleerden onderscheiden in het algemeen, een drievoudigen trap van zuiverheid des harten.â De eerste trap is de staat van genade.â In deze beteekenis is een zuiver hart, â een hart gewasschen van de smet der doodzonde, en ontdaan van alle gehechtheid aan de dage-lijksche zonde ; zuiver zijn van harte beteekent dus hier zooveel als gerecht zijn. De tweede trap is niet meer eenvoudig de staat van genade, maar de staat van ware en soliede deugd; in deze beteekenis is een zuiver hart zooveel als een hart, ontdaan van slechte gewoonten, â dat zijne driften verstorven en ten onder gebracht heeft; â zuiver zijn van harte beteekent dus hier zooveel als solied deugdzaam zijn.â De derde trap van zuiverheid des harten is de staat der heiligheid, eigen alleen aan die zielen, die gekomen zijn tot eene volmaakte vereeniging met God.â Hier beteekent een zuiver hart zooveel als een hart dat volkomen onthecht van de schepselen en innig vereenigd is met God.â Ziedaar de drievoudige trap van zuiverheid des harten, namelijk; rechtvaardig, deugdzaam, heilig zijn â M. B., allen moeten wij streven naar zuiverheid des harten, en wel naar eene zoo volmaakt mogelijke zuiverheid. Wij mogen ons dus niet met den eersten trap tevreden stellen, en zeggen: Bijaldien ik maar in den staat van genade volhard, dat is mij voldoende, â den staat van deugd en heiligheid laat ik anderen over. Wie zoo spreekt
8
- 114 -
loopt gevaar zelfs niet op den eersten trap te blijven; maar den staat van genade en met dezen, de zuiverheid des harten te verliezen.â M. B., geene deugd vordert tot hare instandhouding zooveel moed en kracht, zooveel inspanning en offers, zooveel beleid en voorzichtigheid, als de zuiverheid; maar ook geene straalt met zooveel glans en luister, als deze verhevene deugd. Ziehier oen voorbeeld, dat u leeren zal hoeveel moed het kost de zuiverheid des harten te bewaren. Te Fintlien, eone landelijke gemeente nabij de stad Maintz, werd in de vorige eeuw eene nieuwe zeer schoono parochiekerk gebouwd.â In het koorgewelf werd eene heerlijke schildering aangebracht, verbeeldende o. a. de patronen der kerk, alsmede een boerenmeisje in biddende houding.â Ziehier de be-teekenis dier voorstelling. Agnes Pfeifer was een eenvoudig boerenmeisje; maar uitstekend in deugd en reinheid van zeden.â Het ontbrak haar niet aan valstrikken en gevaren ; doch zij was waakzaam, en daarom waakte ook God over haar.â Op zekeren dag, het was de derde Paaschdag van het jaar 1754, had zij zich naar het naburige Oberolm begeven, om aan hare verwanten als naar gewoonte Paascheieren te brengen. Op haren terugkeer stak er een vreese-lijk onweder op, dat haar noodzaakte onder eenen dikken boom beschutting te zoeken. Met hetzelfde doel vervoegden zich bij haar een burger van Oberolm en een schaapherder, die in de nabijheid de schape-i hoedde. Nauwelijks begon het onweder wat te bedaren, of de burger van Oberolm zette zijn weg voort. Agues geen kwaad vermoedende, vertoefde nog wat, en wilde toen het opgehouden had met regenen vertrekken. Maar de schaapherder, een slecht en bedorven mensch, trachtte haar met zondige bedoelingen
â 115 -
terug te houden. Agnes dit bemerkende nam de vlucht.â De verleider achterhaalde haar. De kuische maagd verweerde zich onder het voortdurend aanroepen der zoete namen Jesus, Maria, Joseph, â en toen de goddelooze schaapherder dreigde, haar zoo zij nog langer wederstand bood te doorsteken, antwoordde zij met vastberadenheid: âLiever sterven dan mijne onschuld verliezen.quot;â Nu ontstak de schaapherder in gramschap, en daar hij haar niet kon overwinnen, beroofde hij haar door dertien messteken van het leven. Als spoedig daarna het verminkte lijk van Agnes werd gevonden, viel terstond, ten gevolge der verklaring van genoemden burger uit Oberolm, verdenking op den schaapherder, die voor het gerecht alles bekende en veroordeeld werd ter dood door het rad. De stoffelijke overblijfselen der martelares werden in het jaar 1854, uit hunne vroegere begraafplaats naar de nieuwe parochiekerk overgebracht, en in de kapel der moeder Gods, vóór het altaar bijgezet.â De steen die haar graf bedekt, draagt tot opschrift: âHier rust het gebeente van Agnes Pfeifer, de kroon der maagden van Finthen, vermoord in den strijd voor hare onschuld, den 16 April 1754, hier bijgezet, den 17 April 1754.\'\'â Ziedaar M. B., een voorbeeld ten bewijze hoeveel het soms kost, den schat der zuiverheid te bewaren.â Kost het eenerzijds veel dien schat te bewaren, groot is ook het loon voor de bewaring dier deugd weggelegd. Immers de Zaligmaker zegt ; âZalig zijn zij die zuiver van harte, zijn, want zij zullen God zien.quot; (Matth. V. 8.) Zij zullen God zien vooreerst in dit leven. Het is de zonde die den mensch belet, in dit leven God te zien,â immers de zonde benevelt, verduistert \'s mensehen verstand,â en als dat waar is
â 116 â
van de zonde in het algemeen, veel meer is dit waar van de zonde van onzuiverheid in het bijzonder. Een treffend voorbeeld daarvan levert de geschiedenis.â Keizer Justinus was dermate aan de wellust verslaafd. dat de vermogens van zijnen geest geheel en al waren verstompt, zoo niet uitgedoofd. De lievige smarten daarenboven die do jicht hem veroorzaakte, ontzegde hem volkomen het gebruik zijner voeten, zoodat hij zich gedwongen zag, weken lang achtereen zijne kamer te houden. Ongeschikt geworden zoo naar het lichaam als naar geest om iets te doen, betreurde hij het maar te laat,â zijne krachten door de wellust te hebben uitgeput. De smart die hij deswege gevoelde was zoo groot, dat hij dikwijls van zijne zinnen geraakte ; die toestand ging langzamerhand over, tot op bepaalde tijden geregeld terug-keerende zinsverbijstering, die eindelijk oversloeg tot razernij en woede, waarin hij stierf. Zoo zeer verduistert de onzuiverheid \'s menschen verstand, dat zij hem niet zelden zinneloos maakt. Daarentegen de zuiverheid des harten verlevendigt, verlicht het verstand. De zuiveren van harte zien God reeds eeniger-mate in dit leven, in zoover de mensch Hem hier beneden zien kan. Zij zien God in alles wat hem omringt, zij zien Hem in de schepselen, in de schoonheid en pracht der natuur, in de leiding zijner Voor zienigheid, enz. â Het Evangelie verhaalt ons, dat de Zaligmaker na zijne verrijzenis, aan zeven zijner leerlingen verscheen,â Hij liet hen eene wonderbare vischvangst doen, en niet één hunner herkende Hem, behalve de H. Joannes, die zeide ; âDominus est. \'t Is de Heer.\'\' En waarom herkende hij Hem, eerder dan de anderen ? Omdat hij boven de anderen uitmuntte in zuiverheid des harten, die tot uitwerksel heeft den
- 117 â
Schepper te herkennen in zijne werken. Maar \'t is vooral in don hemel dat zij die zuiver van harte zijn God zullen zien. â Wie, zoo vraagt David, zal den hery des 1 leuren hes\'.ijyen, en in zijn heiligdom, wonen ! \'Zij wier handen vlekkeloos en wier hart zuiver zal zijn.\' (Ps. XXIII. 4. et s(j(j_.) ü zalig gezicht, dat de zuiveren van harte daar zullen aanschouwen ! De herders, de Wijzen, Simeon en Anna waren als buiten hun zelven, toen zij Jesns als kind mochten aanschouwen.â Petrus mocht op den Thabor Jesus aanschouwen in gezelschap van Moses en Elias in zijne glorierijke gedaanteverandering, en hij ondervond daarbij zulk oen onbeschrijfelijk genot, dat hij wol altijd op den berg had willen blijven; zoo groot was de wellust die zijn hart daar smaakte.â Ook de H. ïheresia genoot het geluk, enkele malen Josus Christus in zijne glorie te aanschouwen en meende dan van verrukking te sterven. Hoc groot zal dan niet wezen het gonot dergenen die zuiver van harte zijn, wanneer zij eenmaal in den hemel God in volle glorie en in al zijne volmaaktheden zullen aanschouwen. M. B., verlangt gij eenmaal dat genot te smaken, streeft dan allen ieder in uwen staat naar de zuiverheid des harten. Gij vooral jongelingen, moei op uwe hoede wezen ; want op u heeft de duivel het bijzonder gemunt! De H. Carolus Borromaeus een knaap zijnde van IC jaar, Werd naar Pavia gezonden om daar de lessen te volgen der universiteit. Al aanstonds bemerkte hij dat er in de stad een groot zedeberf heerschte ; want van alle kanten werden strikken gespannen voor zijne deugd. De Heilige bewaarde de zuiverheid des harten, dank aan het gebed, den arbeid en de vlucht der gevaarlijke gelegenheden.â Bidden,werken,vluchten,â ziedaar ook voor u drie middelen ter bewaring van
â 118 -
de zuiverheid des harten. Ten laatste, waken,â vooral op uwe oogen. Zekere kloosterzuster, uit de orde van den gelukzaligen Robertus d\'Abriselles, trok de aandacht tot zich van zeker vorst, ter oorzake van de schoonheid harer oogen.â Geen gelegenheid willende stellen tot zonde, nam zij een mes, stak zich de oogen uit, legde die op een bord en liet ze vervolgens den vorst aanbieden.â Leert uit dat voorbeeld ten minste uwe oogen zorgvuldig te bewaken, want evenals een dief door het venster, zoo komt doorgaans de zonde door de oogen in het hart. Eindelijk prent diep in geest en hart de woorden ; âZalig zijn zij, die zuiver van harte zijn, want zij zullen God zieu.quot;â
XVII.
7. Zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.â
Do zevende en laatste der acht zaligheden, bevat zooals gij ziet, de lofprijzing der vreedzamen. Wie nu verstaat men door vreedzamen V Of liever wat verstaat men door vrede en vreedzaamheid ? Door vrede verstaat men eene zekere kalmte en rust des gemoeds, voortkomende uit een goed geregeld en deugdzaam leven. En daar een leven nu niet goed geregeld kan zijn, als het niet naar het ware goed, naar God gericht wordt, volgt daaruit dat de vrede alleen het aandeel kan zijn dergenen die God beminnen en Hem dienen.â Dat gaven de Engelen te verstaan toen zij bij de Geboorte van den Zaligmaker zongen Vrede zij den menschen, die van goeden wil zijn. (Luc. II. 14.) Dus de rechtvaardige alleen heeft vrede en wel een onverstoorbaren vrede; daar niets in staat is de kalmte en rust van zijn hart te storen. Een voorbeeld daarvan vind ik in het leven van den H. Franciscus van Assisië.â Op zekeren dag keerde de H. Franciscus met Broeder Leo, bij strenge koude van Perugia naar zijn klooster van O. L. Vrouw der Engelen terug
â 120 â
en onderhield zich met zijnen gezel op de volgende wijze : âBroeder Leo, als onze religieuzen de Minderbroeders, eens de gave hadden aan de blinden het gezicht en aan de stommen de spraak terug te schenken,â als zij de duivelen konden uitdrijven, en de dooden na vier dagen konden opwekken,â als zij alle talen cn wetenschappen kenden en alle ongeloo vigen tot het geloof bekeerden,â dan zou de vreugde die zij hierover smaakten, nog geene volmaakte vreugde zijn.quot;â Toen zeide Broeder Leo, met verbazing: Maar Vader! ik vraag u in den naam van God,â wat is dan volmaakte vreugde ? En Franciscus hervatte : âAls wij doornat van den regen,â van koude verkleumd en van honger uitgeput aan ons klooster kwamen, aan de poort klopten,â en do portier ons vroeg: wie zijt gij ?â en als wij antwoordden : twee medebroeders;â en als de portier ons toevoegde : gij liegt, gij zijt twee deugnieten, en landloopers, die op eens andermans beurst teert;â als hij ons vervolgens den ganschen nacht in de koude voor de poort liet staan,â en wij die behandeling geduldig en kalm verdroegen, dat zou volmaakte vreugde zijn. En als wij vervolgens immer voortgingen met kloppen, en de portier naar buiten komende ons op stokslagen onthaalde, zeggende : pakt u weg van hier, gij dagdieven ; gaat elders,â hier is niets voor u te halen ; â en als wij dat alles met geduld verdroegen . Broeder Leo,dat zou volmaakte vreugde zijn.quot;â Niets ter wereld zooals gij ziet, was in staat, de kalmte van Franciscus\' hart te storen. En waarom ?â Omdat hij in zijn hart den vrede bezat, en dc vrede alle lijden en ontbering zoet en aangenaam maakt. Integendeel, zij die zich niet wenden tot God ; maar tot de sohijngoeileren dezer aarde, leiden geen vreedzaam leven; maar een leven
â 121 â
vol onrust en kwelling, volgens het getuigenis van God zei ven die zegt; âNon est pax impiisquot;, (Isa. XLVIII, 22.) Als zij in oprechtheid des harten wilden spreken zouden zij moeten zeggen : âNon est pax ossibus meis, a facie peccatorum mcorum.quot; (Pa. XXVII 4). De ondervinding staaft dit gezegde door tal van voorbeelden. Anna van Gonzaga, de dochter van Karei van Gonzaga, hertog van Nevers en van Mantua, trad in het klooster en was daar eenigen tijd lang een toonbeeld van deugd. Zij zeide evenwel na verloop van tijd aan hare roeping vaarwel en huwde met den keurvorst Frederik V koning van Boheme. Die verbintenis duurde niet lang, haar gemaal stierf, haar nalatende drie dochters.â Anna bevond zich nu in het gevaarlijkste tijdperk haar levens. In plaats van zich in den weduwenstaat te heiligen, wierp zij zich in de lichtzinnigheden en ijdelheden der wereld. Ju, zij week zoozeer af van den goeden weg, dat zij bijna het geloof verloor. Als men over geloofszaken sprak, zoo verklaarde zij later zelve, had ik moeite cenen spotlach te onderdrukken.â Terwijl zij aldus de wereld en haar zelve zocht te bevredigen, verloor zij den vrede des harten. Bitter naberouw en wroeging folterden hare ziel, als zij dacht aan de dagen van vroeger en aan den vnde des harten die zij smaakte in het klooster. Zij bekeerde zich dan ook oprecht, en de verloren vrede keerde weder. Leert daaruit M. B., welk een kostbare schat de vrede des harten is. Ook onze beminnelijke Zaligmaker stelde den vrede bovenmate op prijs. Hij placht zijne leerlingen ge woonlijk te verwelkomen met dezen groet: âVrede zij met uquot;,â en Hij handelde aldus, omdat Hij hun niets grooters en kostbaarders kon toewenschen dan vrede. Hij wilde ook dat zij op hunne beurt allen die zij
â 122 â
bezochten, zoudon groeten met deze woorden ; âVrede zij dit huis.quot;â Jesus eindelijk schatte den vrede zoo boog, dat Hij niet aarzelde ons dien met zijn kostbaar bloed te koopen, zooals de H. Paulus ons verzekert : âmet zijn bloed te vergieten aan het kruis, schonk Hij den vrede aan den hemel en aan de aarde.quot; (Coloss. 1. 20). Een vreedzaam mensch streeft niet slechts naar vrede in zijn eigen hart, maar zoekt ook vrede te stichten in de harten van anderen; hij kent geen haat, nijd of wrok,â hij ergert zich niet over cene aangedane beleediging, is niet belust op wraak ; maar levert niet zelden het bewijs van de heldhaftigste vergevingsgezindheid. In het bisdom Brescia ontstond tusschen twee groote familiën eene hevige vijandschap, die zoo ver ging dat een jongeling der eene familie, door een jongeling der andere familie vermoord werd. De moeder van den vermoorde was op bloedige wraak bedacht. Terzelfder tijd gaf Pater Segncri een der beroemdste missionarissen van zijne eeuw, eene missie in eene parochie in de nabijheid der stad. God beschikte het zoo, dat genoemde dame de preek over de verzoening bijwoonde. Deze trof haar dermate, dat zij nog denzelfden dag zich naar het huis van den beleediger begaf, om hem vergiffenis aan te bieden. Deze was echter afwezig, en de dame keerde onverrichterzake, maar met den vrede in haar hart naar huis terug. Spoedig daarna kwam de moordenaar van haar zoon, vergezeld van zijn vader tot haar, om van zijnen kant vergiffenis af te smeeken. De vader wierp zijn zoon een koord om den hals, deed hem voor de moeder van den vermoorde nederknielen en sprak tot haar: Ziedaar aan uwe voeten, mijn schuldigen zoon,â doe met hem wat u goeddunkt. De edelmoedige vrouw naderde
â 123 â
minzaam den moordenaar van haar kind, deed hem het koord van den hals,â richtte hem op,â bood hem de hand aan ter verzoening, en sprak: Moge de vergiffenis die ik u schenk, strekken om mijn overleden zoon vergeving bij God te doen erlangen. Na dit roerend schouwspel begaven allen zich ter kerk, om voor het beeld van den gekruisten Verlosser de verzoening te bekrachtigen, terwijl het volk zijne vreugde toonde over deze edelmoedige daad, door bet luiden der klokken en het zingen van het Te JJeum.â Ziedaar M. B., hoe een vreedzaam hart zich zelf weet te verloochenen door eene acte der heldhaftigste vergevingsgezindheid. Een vreedzaam hart weet niet alleen te vergeven maar zoekt daarenboven ook anderen wel te doen en is dus tevens een tecder en edelmoedig hart.â De K-ansche veldmaarschalk Lefèbre, hertog van Danzig, was de zoon van een molenaar uit den Elzas, die door zijn he Idenmoed en dapperheid tot die hooge waardigheid gestegen was.â In 1789 was hij sergeant bij de garde,â in 1794 was hij divisie-generaalâ en in 1804 veldmaarschalk van Frankrijk.â Hij slond hoog aangeschreven bij Lodewijk XVIII, die hem dikwijls bij zich ontving en zich gaarne met hem onderhield. Op zekeren dag dat maarschalJi Lefèbre een bezoek bracht aan den koning, bemerkte hij in den hoek der voorkamer een grijsaard, die even als hij ter audiëntie ging. Zijn gelaat waarin iets edels doorstraalde, droeg de trekken van weemoed en droefheid. Ook zijne kli e ling verraadde zijn behoeftigen en schamclen staat.â Door medelijden getroffen staart de maarschalk den ongelukkige aan. De trekken van dien man komen hem niet vreemd voor,â en toch kan hij hem niet te huis wijzen. Op eenmaal verbleekt hij.
- 124 â
hij herkent hem,â tranen ontspringen aan zijne oogen, hij vliegt op Jen grijsaard aan en omhelst hem, zeggende : Gij hier kapitein ! hoe is het mogelijk,â bedrieg ik mij niet ?â Neen, gij zijt het! Pardon Mijnheer!â sprak al bevende de grijsaard,â raag ik weten wie u zijt die mij aldus toespreekt.â Ik,â ik ben Frans Lefèbre oud-sergeant bij de garde,â cn gij zijt de markies van Beleour mijne vroegere kapitein bij het corps.â De grijsaard bij het vernemen dier woorden aanschouwt een oogenblik stilzwijgend den maarschalk,â hij herkende hem weder-keerig, hij wil spreken, maar zijne stem smoort in üijne tranen, zijne knieën wankelen, zijne armen zoeken steun, een oogenblik daarna lag hij aan de lorst van den vroegeren onderofficier zijner compagnie, tlie thans veldmaarschalk was van Frankrijk. Van toen af zagen zij elkander herhaaldelijk,â terwijl Letèbre zich altijd voor zijnen vroegeren kapitein Voordeed, alsof hij nog sergeant was bij de garde. Na verloop van eenigen tijd ontving Belcour eene ïiitnoodiging van den maarschalk of h;j lust had eenige dagen met hem op het land door te brengen, Wat deze volgaarne aannam. Zij vertrokken dan op don bepaalden dag in de richti g van Orleans. Bijna aan het einddoel hunner reis gekomen, sloegen zij ilen grooten weg af en reden eene prachtige laan in, flie naar een kasteel leidde. Zij reden de slotpoort binnen en stegen uit op de binnenplaats van het kasteel.â âKapitein, zoo sprak maarschalk Lefèbre tot markies de Belcour,â ziehier het kasteel van Uw vader, hier zijt gij geboren,â hier moogt gij Voortaan uw hoofd ter ruste leggen en uwe overige levensdagen in vrede slijten.quot;â Vervolgeus nam de maarschalk eene patroontasch uit banden van een
- 125 -
zijner bediendenâ buod haar den grijsaard aan, en zeide : ziehier de patroontasch die ik droeg als sergeant bij de garde, ik heb haar altijd bewaard ter herinnering aan mijn vorigen staat. Ik schenk ze n, kapitein,â bewaar haar ten bewijze onzer .veder-keerige vriendschap ! Ik heb daarin gevonden mijnen staf van veld-naarschalk,â gij zult daarin vinden den eigendomstitel van dit knsteel, waar het gebeente rust uwer voorvaderen. Onmogelijk te zeggen wie zich gelukkiger gevoelde de edelmoedige schenker of de dankbare begiftigde.â Zulke edelmoedigheid, is niet denk- niet bestaanbaar tenzij in een edel en vreedzaam hart. Groot dan ook is het loon den vreed-zamen toegezegd. âZalig zijn de vreedzamen, ivant zij zullen hinderen Gods genoemd wordenquot; zegt de Zaligmaker (Matth. V. 9.) Ja kinderen Godsâ\' en evenals een kind recht krijgt op het erfdeel zijns vaders, zoo ontvangen de vreedzamen als kinderen Gods recht op het erfdeel van God hun Vader.â M. B., streeft allen naar den vrede des harten, zoekt vrede te hebben met uw eigen hart door de deugd te beoefenen, de zonde te vluchten en uwe driften en booze lusten te beteugelen. Bewaart den vrede in uw huisgezin, â want vrede in huis is meer waard dan schatten en rijkdommen ;â een huis waarin vrede is, daar woont God. Houdt vrede ten laatste met uwe medemenschen; want de vrede is een band die de harten verbindt! Zoo levende zal God met u zijn,â gij zult genoegelijk en tevreden leven in afwachting dat gij het loon zult ontvangen, dat u is toegezegd; want: zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden!quot; Amen.â
XVIII.
8. Zalig zijn zij die vervolging lijden om de Gerechtigheid, want hunner is het Rijk der Hemelen.â
Ziedaar M. B., de laatste der aeht Zaligheden, het laatste artikel van de wet der heiligheid, die door Jesus Christus op den berg werd afgekondigd. Het is geeno nieuwe zaligheid maar eerder de volmaaktheid zelve der zeven vorige zaligheden. Laat ons eerst eens zien wat het zeggen wil, vervolging lijden om de gerechtigheid. â Vervolging lijden, wil zeggen in het algemeen, gekweld, gepijnigd, verdrukt worden door eene schuldige oorzaak.â Is hij die u doet lijden niet schuldig in zijne handeling, â zoo kan er ook geen spraak van vervolging zijn. Een geneesheer b. v. die iemand een arm of been afzet,â zelfs tegen diens wil, kan niet gezegd worden, dat hij den zieke vervolgt, omdat hij niet schuldig is met dat te doen. Eene rechtbank die een boosdoener tot den kerker, tot den dood veroordeelt,â kan niet gezegd worden dat zij dien boosdoener vervolgt en verdrukt, omdat zij niet schuldig is met dat te doen,â maar handelt uit plicht. â Integendeel, iemand gaat daar stil en
â 127 â
vreedzaam over de straat en wordt onverwachts door eenige schurken aangevaren en geslagen,â zoo iemand lijdt vervolging, omdat zij die hem aanvallen zonder eenige reden, zich schuldig, zich plichtig maken met dat te doen. Gij ziet dus wat eigenlijk zeggen wil; vervolging lijden. Nu niet allen die eenvoudig vervolging lijden, prijst de Verlosser zalig, â want het is riet voldoende dat men lijde vanwege ééne schuldige oorzaak,â maar men moet daarenboven nog lijden voor de gerechtigheid. En zoo h. v. prijst de Zaligmaker niet zalig diegenen, die door hunne gierigheid, door hunne luiheid, door hunne onmatigheid, door hun wangedrag of dergel\'jke, zich allerlei onaangenaamheden, kwellingen, enz. op den hals halen! want alhoewel zij, die hun die kwellingen aandoen\' schuldig handelen, lijden zij niet voor de gerechtigheid. Alleen zij die vervolging lijden voor de gerechtigheid, dat is voor Jesus Christus en om Jesus Christus, prijst Hij zalig en belooft hun het rijk der hemelen.â In de levens der Heiligen vinden wij tal van voorbeelden, van vervolging lijden om de gerechtigheid. Onder de volgelingen van den H. Franoiscus was er één, die in zijn uiterlijk wel iets zonderlings had ; maar naar het hart een man was van deugd, en zich vooral onderscheidde door zijn vurig verlangen om voor Jesus Christus, door de menschen bespot en vervolgd te worden. Het was een eenvoudige broeder, Juniperus genaamd. Op zekeren dag ging hij in gezelschap van den H. Franoiscus over straat, en ontmoette een zijner vroegere kennissen, die hem duchtig begon te bespotten en te lasteren. Juniperus bleet kalm en bedaard, â raapte eenvoudig den boord van zijn kleed op, gelijk iemand doet die daarin iets wil ontvangen, en sprak: Bravo I mijn vriend. Bravo!
â 15J8 â
wees niet karig met die edelgesteenten, geef er mij hoe moer hoe liever.quot;â Zoo placht hij de beleedigin gen te noemen, die men hem naar het hoofd wierp. Franciscus die getuige was van dat schouwspel, kon zich niet onthouden van te zeggen: Gave God, dat wij, een bosch vol van die Junipers hadden.â (Juniper heteekent eigenlijk jeneverboom.) Ja, zoo besloot hij. God zal eenmaal die kostbare steenen bijeenverzamelen, om ze te voegen aan de kroon der belooning waarmede hij ons zal tooien in den hemel. Vervolging lijden om de gerechtigheid is eene groote en kostbare genade, die God alleen schenkt aan hen die Hij teeder bemint.â Wij moeten dus vervolging, druk en leed, ook als dusdanig beschouwen, en het dus niet alleen met geduld, maar zelfs met vreugde verduren.â Daar zijn mensehen die altoos morren en klagen. Er is altijd wat te kort of te lang, te dik of te dun, te vroeg of te laat. Dan is het dit, en dan ia het dat, altijd is het wat.â Leggen wij eens dat morren en klagen in de weegschaal van het gezond verstand,â en gij zult zien hoe verkeerd het is. Het gezond verstand zegt ons: 1) Het kan niet helpen. Mort eens acht dagen lang van den morgen tot den avond,â gij hebt op het einde der week er niets mede gewonnen. Hebt ge uw vrouw er meê verstandiger gemaakt ?â Zijn de paarden er vlugger en volgzamer door geworden ? Is het werk. de arbeid er spoediger door volbracht ? Is het brood of de vla er beter door gelukt ? Neen,â dus morren helpt niet. Iemand die mort, vermag even weinig als een hond die tegen de maan blaft â of die zijn beeld ziet in den spiegel en daartegen blaft. 2) Het verergert de kwelling.â- Hoe meer men zich met iets onaangenaams en pijnlijks bezig houdt, des te grooter wordt de kwelling. Wie
â 129 â
b. v. hoofdpijn heeft, en voortdurend daaraan denkt, verergert de kwaal.â Wie eene wond heeft aan arm of been, en voortdurend pleister of verband van de wond afneemt om ze te onderzoeken, verergert haar.â Zoo ook wie voortdurend mort en klaagt, verergert zijn lijden.â Hoe meer men zich krabt, des te erger wordt de jeuking.â 3) Het strekt tot last van anderen. Ik vraag u eens of gij anderen wel graag hoort morren en klagen? Kunt gij b. v. een kind een ganschen nacht hooren schreeuwen, of een hond een uur lang hooren blaffen,â kunt gij een krekel eenen ganschen avond hooren piepen ? Immers neen, dat is onuitstaanbaar en ondragelijk. Nu, iemand die altijd mort, is even on verdragelij k. Zulk een mensch is erger in huis dan een krekel in den schoorsteen. M. B., lijdt dus zonder morren en klagen, maar met geduld en met vreugde; indachtig wat de Zaligmaker zegt: âZah\'g zijt gij, als zij u beschimpt en vervolgd,- en al liegende van allerlei kwaad beschuldigd zullen hebben, om mijnentwil,â verheugt en verblijdt u, omdat uw loon groot is in den hemel.quot; (Matth. V. 11,12.) De gedachte aan den hemel, vergezeld van een levendig geloof en van een vast vertrouwen op de hulp Gods, stellen den christen in staat, de hardste beproevingen en gruwzaamste vervolgingen te verduren. Tijdens het schrikbewind der Parijsche Commune, werd het klooster der Paters van Picpus, door een troep gewapende communarden overrompeld en in bezit genomen. De Paters werden gevankelijk weggevoerd,â maar de broeders bleven in het klooster, ten dienste der bandieten. Men behandelde hen als slaven, men schimpte, ja mishandelde hen op de brutaalste wijze. â Op zekeren dag zette men de brooddronkenheid tot het uiterste door. De aanvoerder der bende, de burger
9
â 130 -
Clavier, belegt een zoogenaamden raad, samengesteld uit burgers, soLiaten en uit zijnen militairen staf.â Hij deed een der broeders verschijnen, Stanislaus genaamd, een man van 36 jaar. Hij stelde tal van vragen, maakte tal van opmerkingen aan dien ongelukkigen broeder, die daar bevend voor hem stond,â ten laatste haalt hij zijn revolver te voorschijn, plaatst het den broeder op de borst, en roept: âZweer dat er geen God bestaat, of ik schiet u oogenblikkelijk neder.quot;â De moedige geloofsbelijder antwoordt met koole onverschrokkenheid : âIk zweer te gelooven aan het bestaan van God, dien ik vereer en aanbid.quot;â De hoofdman der Commune stond over dat antwoord verslagen, keert zich tot zijne manschappen en vraagt hen vol toorn en woede : Moet ik schieten ? Ja, schiet,â riepen allen,â schiet! De booswicht echter was door de heldhaftige houding van den broeder als verslagen, hij trekt zijn revolver terug, en roept vol verbazing uit: âHij zou zich waarachtig hebben laten doodschieten, die schelm daar! Ziedaar een voorbeeld ten bewijze wai een onwrikbaar geloof vermag, om vervolging voor de gerechtigheid, ja den dood zeiven edelmoedig te trotseeren. M. B., aan zulke beproeving voorzeker zult gij niet blootgesteld worden. Niettemin een ijverig christen, en meer nog een voorbeeldig lid der H. Familie, zal dikwijls in onzen bedorven tijd blootstaan aan beproeving en vervolging van den kant der slechte wereld. De wereld kan niet zien dat een jongeling, een man geregeld zondags naar de kerk komt om de vergadering der Broederschap bij te wonen. âGij zijt wel dwaas, zegt de een, iederen zondag zoover te gaan, voor niets. Gij moet de gansche week werken, zegt een ander,â alleen des zondags namiddags en avonds, zijt gij vrij om u
wat te ontspannen, en ook die weinige uren geeft gi j er nog aan toe, â hoe kunt gij tooh zoo verstandig zijn?quot;â Zoo vervolgt de wereld een ijverig lid der Broederschap. Jammer maar dat zoo menigeen tegen die vervolging niet bestand is ; maar zich laat mede-sleepen en der Broederschap ontrouw wordt. â Ja, M. B., laat het mij eens ronduit zeggen: daar zijn, op het oogenblik vele zwakke en ontrouwe leden in de Broederschap. Droevig te moeten zien hoeveel plaatsen of liever banken iedercu zondag ledig staan, hoe weinigen er antwooidea bij het afroepen der patroonheiligen. Neen die traagheid strekt onze Broederschap niet tot eer, maar tot schande.â Helaas! opwekkingen, oproepingen, vermaningen helpen niet. â âVox clamantis in deserto.quot; â Ik roep, maar mijne stem klinkt in de woestijn, dat ia wordt niet gehoard. Het zij zoo.â Laten we die ontrouwe en trage leden der Broaderschap eenvoudig aan hun lot over,â en vormen wij hoe weinig ook in getal, eene uitgelezen kern van werkzame en ijverige leden. Laat anderen hunne plichten ook al verwaarloozen ; wat ons betreft, vervolgen wij onzen weg, laat ons niet vreezen voor moeilijkheden en zwarigheden. Eng is de weg die leidt tot het leven.â âB,egnum coelornm vim patitur,quot;â maar wij zijn ook geene huurlingen, wij werken niet voor een tijdelijk gewin, â maar voor eene onvergankelijke kroon, die ons waeht in het ander leven. Amen.â
XTX.
Het ware Geluk. â
De oppcrsle wensch des harten, hot doel al onzer verlangens en pogingen M. B., is het geluk. â Vraagt aan den arbeider die daar zwoegt, en aan den meester die hem gebiedt, â aan den bedelaar die u eene aalmoes vraagt, en aan den rijke die in genot en wellust baadt, â aan den soldaat die daar strijdt, en aan den kloosterling die bidt, â aan den ruwsten wilde van Amerika zoowel als aan don grootsten geleerde van Europa, â vraagt aan ieder mensch ter wereld, welk doel hij zich voorstelt, naar welk einde hij streeft; â allen zullen u antwoorden ; wij streven naar geluk. Ieder in zijn stand zal u zeggen: ik arbeid, ik hunker, ik zoek naar niets anders, dan naar geluk. Maar onder zooveel menschen die naar geluk streven, hoe weinige zijn er die het vinden! En waarom ? Omdat de meeste menschen het geluk zoeken, waar het niet te vinden is. Men laat. zich verblinden door den bedriegelijken glans dezer wereld, men hoopt dat zij ons geven zal wat men zoekt, â men zwoegt zijn gansch leven lang, en eindelijk sterft men zonder gevonden te hebben wat men zoekt. Om u te vrijwaren voor eene zoo algemeen ver-
â 133 â
spreide, doch niettemin noodluttige misleiding gaiku spreken ; over het ivaar geluk. â
De goederen dezer wereld kimncii u niet yelukkig ma ken. De dienst van God alleen is in staat u het waar geluk te bezorgen. â Ziedaar het kort begrip dezer conferentie.â Opdat eine ot\'andere zaak ons waarlijk gelukkig kunne maken, moet zij drie eigenschappen hebben zonder welke geen geluk bestaanbaar is ; zij moet bereikbaar, volmaakt en onvergankelijk zijn. â Het moet eene zaak zijn die wij ons verschaffen, die wij bereiken, waarvan wij genieten kunnen. Eene zaak moge nog zoo groot, zoo volmaakt zijn, zoo gij zo niet geniet, kan zij u ook niet gelukkig maken. Plaatst eens een hongerige aan eene welvoorziene tafel ; maar verbiedt hem de spijzen aan te raken die op tafel staan; het gezicht dier spijzen, waarvan hij niet genieten kan, is voor hein geen genot maar eene ware foltering. â De zaak moet verder in staat zijn onze verlangens te bevredigen, daar mag niets aan ontbroken, zij moet volmaakt zijn; want is zij niet volmaakt, dan bevredigt zij ook niet volkomen uwe verlangens, en kan u ook niet gelukkig maken. â l)ie zaak eindelijk moet onvergankelijk wezen, zoo niet, â dan wordt gij voortdurend gefolterd door de gedachte, (L\'.t weldra uw geluk zal ophouden Dus eene zaak bereikbaar onder alle opzichten, â volmaakt, â en onvergankelijk, ziedaar al wat er noo-dig is om den mensch gelukkig te maken. Laat ons eens zien of gezegde drie eigenschappen in de goederen dezer wereld te vinden zijn. Wat vindt men in de wereld ? â De H. Joannes zegt het ons in weinige woorden : â Omne quod est in mundo, concupiscentia car nis est ,concupiscentia ocidorum et superbia vitae.quot;â (I Joa. 11. 16.)
â 134 -
Plezieren, rijkdommen en glorie, â ziedaar de drie eoorten van goederen die de wereld ons aanbiedt. JsTu, ik zeg dat hot onmogelijk is dat de plezieren rij\' dommen en eer der wereld u gelukkig kunnen maken. En waarom \'i Omdat gij er niet van genieten kunt, wanneer gij wilt en zooveel gij wilt, â ja al stond het u vrij er van te genieten, gezegde goederen zijn niet in staat u to bevredigen, wijl zij niet volkomen, niet volmaakt genoog zijn. Eindelijk, omdat al voldeden zij ook al aan al uwe verlangens, zij vergankelijk en van korten duur zijn. â â
I Vooreerst hoe zou het mogelijk zijn zieh de goederen der wereld naar hartelust te kunnen verschaffen ! Toont mij een enkel menseh op aarde, in den vollen luister der glorie, met een ontzaggelijk fortuin, badende in plezieren en genoegens, en die ten slotte verklaart dat al zijne verlangens voldaan zijn. â Kunt gij er mij een enkelen opnoemen onder zoovele mensehen die op aarde geleefd hebben, van het begin der wereld at\', tot op den huidigen dag VâNeen, niet een enkel. Bijna ieder menseh arbeidt en werkt van den morgen tot den avond voor de goederen dezer we reld, â weinige zijn er die fortuin maken, â en zelfs onder die laatsten, is er niet een die bereikt wat hij zoekt. Men arbeidt en zwoegt, men steekt de zee over, men verspilt gezondheid, krachten en rust,â men stelt zijn leven bloot aan duizenden gevaren,â ec dat alles geschiedt om oen schijngeluk te bereiken, dat naarmate men het najaagt zich even snel verwijdert. Het is een droombeeld,â meer niet. Maar wat zoekt gij loeh ! vraagt de H. Augustinus aan al die men-schen, die zich op die wijze laten bedriegen V Wat, zoekt gij toch?-â Niets is u met zekerheid beloofd in deze wereld. Gij hoopt op geld, â het is onzeker
â 135 â
of gij het zult winnen. â Grij streeft naar de vriendschap van dezen of\' genen persoon, het is onzeker of gij znlt slagen. Is het derhalve geene dwaasheid zich zooveel moeite to geven voor eene zaak die men wellicht nimmer aal bereiken! Weet gij waaraan zij gelijk zijn, die het geluk zoeken in de schepselen ? Luistert, wat de profeet Isaias zegt: â Tolas araneae tejeuertmtquot; : âZij iveven spinneivehbenquot;; âOpéra eorum inu-tilia,quot; â âhun arbeid is vruchteloosquot;,â (Isai. LIX. B 6) De spin, zooals gij weet arbeidt en zwoegt, put zich uit om haar web te spinnen,â haakt met ongeduld naar de voltooiing van haar werk, bespiedt reeds het oogenblik waarop zich een vlieg in haar net zal laten vangen; maar ziet,â daar komt de dienstmaagd en vernietigt in een oogenblik het web, dat zooveel arbeid gekost beeft, tegelijk met de spin.â Zoo gaat ook in een oogenblik tijds, de arbeid van uren, ja dagen te niet.â Eveneens gaat het met hen, die hun geluk zoeken in de goederen dezer wereld. â Hoeveel tijd besteedt men niet om een weinig geld bijeen te verzamelen, â om een of ander ambt of bediening te verwerven,â de vriendschap van een persoon wien men genegen is te verkrijgen ?â Hoeveel dagen cn nachten brengt men niet rusteloos en slapeloos door ? Hoeveel heerlijke plannen vormt men niet voor do toekomst ? En wanneer men meent, dat eindelijk het tijdstip daar is, waarop men de vrucht gaat plukken van zijnen arbeid; dan doet zich cene of\' ander voorval op, dat alles in duigen slaat. Er overvalt ons eene ziekte die ons ongeschikt maakt dat ambt te vervullen,â de dood rukt ons dien vriend weg, die ons zijne voorspraak beloofd had,â daar treft ons een of ander treurig toeval, en de arbeid van meerdere jaren is op één dag
â 13G â
vernietigd.â Uwe eigen ondervinding kan het u beter getuigen, dan ik het u zeggen kan. Lte wereld verblindt, bedriegt, misleidt ons.â Hare goederen en pleizieren schijnen in onze onmiddelijke nabijheid te zijn, men meent ze te kunnen grijpen, en men grijpt niets meer dan een schaduw; â op duizend menschen die de goederen der wereld najagen, is er niet één die zijn doel bereikt. Daarenboven M. B , mag men wel goederen en plezieren heeten, zaken die niets als smart baren?âMag men wel goederen heeten, de rijkdom men en genoegens dezer wereld, die men zich niet kan versohaffen tenzij ten koste van veel offers,â die men niet kan bewaren tenzij met veel moeite â en die verloren gaande ons onbeschrijfelijk veel verdriet en leed berokkenen ! âWat gij overvloed noemt, zegt de H. Ambrosius, sprekende tot de gelukkigen dezer wereld,â is eenc waarachtige behoefte : Inanitas est, quam vocatis ubertatem.quot;â De goederen dezer aarde, zegt de M. Augustinus, bevatten in zich eene gevoelige bitterheid, eene schijnbare zoetheid, eene bedriege-lijke rust, eene zee van ellenden en eene ijdele hoop van geluk. Al had gij alle goederen der aarde, gij zoudt nog niet voldaan zijn. God heeft in uw hart eenen afgrond gegraven.â Hij lieeft in u opgewekt een dorst naar geluk, dien de aarde niet bij machte is te lesschen. â Uw hart voedt het verlangen naar een eindeloos goed. en slechts dat wat eindeloos is, is in staat u te bevredigen. Beschouwt eens koning Salomon, in al den luister zijn;r grootheid;â zijne rijkdommen waren onmetelijk, zijne wijsheid was zoo groot dat de vorsten van de verst verwijderde lan den hem kwamen hooron,â- hij kon baden in weelde en wellust, zooals hij zelf getuigt, â âIk heb niets geweigerd aan mijne oogen, zoo zegt hij, van al wat zij
â 137 â
verlangden te zien:â omnia quae desideraverunt oculi mei non neffaui eis ;â ik heb mijn hart opgesteld voor alle soorten van genoegens, omni nee prohibui cor meum quin volup-tale fruereiur.quot; (Eccle. 11. 10.) Wie zou niet meenein of Salomon moest gelukkig zijn! En toch luistert wat hij verder zegt; âcuncta vanitatem et afjiiclionem spiritus. In dat alles heb ik niets gevondtn dan IJdelheid cn droefheid des geestcs.quot; (Ibid. 17.) Wel verre van onze ver-langena te bevredigen en ons geluk te bezorgen, geven ons de goederen der wereld niets anders dan verveling en ten slotte walging. Hoe vaak hoort men niet eiken dag, uit den mond van zoovele wereldlingen, bittere klachten, dat zij geen smaak meer vinden in datgene wat hun vroeger zoo aanstond! Wat de menschen zeiden ten tijde van Salomon, hoort men nog ten huidigen dage zeggen ; â Lassati sumvs: het walgt ons.quot; (Sap. V. 7.) âEertijds hield ik van weelde en opschik, en tegenwoordig zou het mij eene ware penitentie zijn, mij naar haro eischen te voegen.quot; â Vroeger schepte ik zooveel behagen in soirees, feesten en bijeenkomsten,â en tegenwoordig gevoel ik er een at keer van. Geeft eens acht M. B.â op het gelaat van al degenen die hun geluk enkel zoeken in de aardsche goederen, staan deze woorden te lezen âlassati sumus; wij hebben er genoeg van.\'\' â Inderdaad alle geluk dat de wereld ons aanbiedt, wekt spcedig afkeer en tegenzin.â Maar ik neem eens aan M. 15, dat gij alle goederen der wereld kondt genieten, en daarenboven dat al uwe verlangens voldaan waren; toch nog zijn zijn zij ijdel en nietsbeduidend; zij zijn immers kortstondig en vergankelijk. â Hoelang toch is het u gegeven van het geschapene te geni ten? â Tot aan uwen dood, niet langer. Noch uwe eer en glorie, noch uwe waardighe -
â 138 â
den, nocli uwe vrienden en fortuin, noch de plezieren der wereld, niets van dat alles zal u vergezellen tot aan gene zijde des grafs.âBij den dood zal alles een einde nemen. Gelijk oen schip dat de golven doorklieft, en weldra goeu spoor van zicli meer achterlaat, zoo zal ook het schijngeluk dezer wereld voor u verdwijnen; âlamqmm navis quae pertransit jluciuantem aqxam.quot; â (Sap. V. 10.) Bij het licht der doodskaars, ontwaart men de ijdelheid der aardseho goederen ;âbij het ontwaken uit den doodsslaap erkent men dat de genietingen der wereld niets zijn dan een hedriegelijke droom. âWanneer gij mijn lichaam grafwaarts zult dragen, zoo sprak op zijn sterfbed, tot een zijner officieren, de groote veroveraar Saladijn,â laat dan een soldaat den lijkstoet voorafgaan, met eene lans in de hand, waaraan gij mijn doodskleed moet hangen, â en gelast hem van tijd tot tijd te roepen ; âZiedaar, alles wat Saladijn medeneemt naar het graf!quot;ââIk ben alles geweest, zeide Keizer Soverus op zijn sterfbed tot de omstanders, â en dat alles dient nu tot niets: Omnia tui et nihil mihi prodest.quot;â ..Mijn zoon, zoo zeide Philips 11 koning van Spanje, terwijl hij zijne borst ontblootte, die door de wormen verteerd werd, â ziedaar alles wat uw vader overhoudt van zijne aardsehe grootheid.quot;â âMijne vrienden, zoo sprak Hendrik VIII, tot hen dio zijn sterfbed omringden ; ik heb albs verloren ; Amici omnia perdidimus.quot;â M. B., wij gaan allen langzamerhand grafwaarts,â binnen weinige jaren of maanden, binnen weinige dagen of uren misschiem zal ons van al de goederen der aarde niets overblijven dan een lijkkleed, eene doodskist en een graf. â Ja, aan het graf, doet de mensch afstand van al wat hij bezit. En toch dat vergankelijk schijngeluk is het eenige wat dc menschen najagen,
daarvoor arbeiden en zwoegen zij, daarvoor brengen zij hot offer hunner gezondheid en hnns levens, â ja niet zelden ook dat hunner ziel en zaligheid. U kinderen der mensehen tot hoelang zal uw hart bezwaard wezen, tot hoelang zult gij de ijdelheid beminnen eu ii laten misleiden ! â Ziet gij niet dat God u niet kan geschapen hebben voor een geluk, dat de meeste men-schen loch niet kunnen bereiken ! Voelt gij niet dat de wereld te klein is om do onmetelijkheid uwer verlangens te bevredigen, â en dat een plezier dat voorbijgaat, het ware geluk niet kan wezen. â Dus de wereld bedriegt u wanneer zij zegt: ik bezorg u het ge. luk. Zij bezorgt liet aan niemand. Wilt gij gelukkig wezen, dan slaat uw oog omhoog. God alleen kan u gelukkig maken, â hij alleen vindt hot ware geluk die zijnen God met ijver dient. â âBcahts popnlus cujus Dominus Deus ejus.quot; (I\'s. CXL1JI. 15.) En waarom V omdat God zich laat vinden door al wie Hem zoekt,â Hij is voor allen toegankelijk. Hij kan al onze verlangens bevredigen en in al onze ellenden ons troostt n,--Hij zal blijven voortbestaan in eeuwigheid.â
11. God laat zich vinden door een ieder die Hem zoekt. Van het oogenblik at\'dat gij oprecht verlangt God te bezitten,is Hij aan u. ,.Praeoccupat, rjni se conaipisaint.quot; â (Sap. Vi. 14.) Indien gij het verlangt zal God uw schat, uwe glorie, uwe steun, uw genot, uw geluk wezen.â Luistert eens naar de belofte die Hij n doet door den mond van een zijner apostelen. âAhcie in de liefde blijft, d. w. z. al wie naar God verlangt, want wie naar God verlangt bemint Hem ook ;â altciein d* liefde Uij/t, blijft in God, en God. in Hem. Qui man et in chaiitatc, in Deo manet et Deus in co. (IJoan. IV. 10.) Luistert eens naar de belofte van .lesus Christus zeiven.quot; Si quis diligit me... Pater mens diliget eum, et ad enm ueniemus et mansionem apvd
â 140 â
eum faciemus. Indien iemand mij liefheeft zal hij door mijnen Vader bemind worden, en wij zullen tot hem komen, en ons verblijf in ham nemen.quot; (Joan. XIV. üo.1 Is er nu wul iets gemakkelijker ter wereld te vinden dan (rod! I Iet is voldoende naar Hem te verlangen, om Hem te bezitten. Wat meer is, evenals ot\' Goil behoefte had aan u, biedt Hij zich het eerst aan u aan Hij klopt aan de deur uws harten, opdat gij Hem openen zoudt. âSto ad ostium et pulso.quot; (Apoc. III. 20.) Hij noodigt u uit door zijne genade, om u tot Hem te wenden,â zoodra gij tot Hem zult roepen, zal hij ten antwoord geven : âzie daar ben Ik.quot; â Het is nog niet genoeg : om in u het verlangen naar Hem nog meer op te wekken, heeft Hij zich zichtbaar gemaakt,â Hij, dj Koning van hemelen aarde, hceit zich willen bekleedcn met ons monschelijk vleesch. Hij heelt opgeheven willen worden aan een kruis, om zoodoende ons tot zich te trekken en te toonen hoezeer Hij ons liefheeft; âeum exaltatus jtiero a terra, omnia traham ad meipsum.quot;â (Joan. XIF, 32) Nog niet genoeg. Om u in slaat te stellen Hem nog gemakkelijker te vinden geeft Hij zich zelven tot spijs aan u in de H. Communie,â en die goddelijke gift doet Hij vergezeld gaan van deze heerlijke belofte : â Qui mandu-cat meam camem. . . in me manet et ego in co. Wie mijn Vleesch eet en mijn Bloed drinkt blijft in mij, en ik in hem.\' (Joan. VI, 57.) Gij kunt dus God vinden, indien gij wilt, â gij kunt Hem vinden zoo gemakkelijk mogelijk, â gij kunt Hem vinden al zoudt gij ook de ellendigste der menschen, de grootste zondaar, het wegvaagsel van het menschdom wezen; want tot allen zonder onderscheid zegt hij ; â Venite ad me, omnes qui laboratis et onerati estis. Komt allen tot mij die belast en beladen zijt en ik zal u verkwikken.quot;
(Matth. XI. 28.) Gij kunt God vinden, al waart gij sedert jaren door allerlei gruwelen en ongerechtighe. den van Hem verwijderd. Luistert eens naar de geschiedenis eener ziel, die God zocht, na gedurende een geruimen tijd van Hem verwijderd geleefd te hebben, en zegt mij dan eens ot hot niet veel gemakkelijker ia God, dan dc aardsche goederen te vinden. De H. Margarcta van Cortone, leefde vóór bare bekeering zeven jaren lang in een ongeoorloofden omgang met een jongeling. Zij weigerde haar hart te geven aan God, om in plaats daarvan haar geluk te zoeken in ongebondenheid en zonde. Nu gebeurde het op zekeren dag, dat die jongeling, het voorwerp barer schandelijke driften, om het leven gebracht werd. Bij dat ontzielde lichaam, bij dien hoop slijk, waaraan zij haar hart gehecht had, werd Margareta door een bemelschon lichtstraal getroffen. Nu erkende en begreep zij, dat zij het geluk gezocht had daar waar het niet te vinden is ; en besloot het voortaan te gaan zoeken bij God. En meent gij dat het haar moeielijk viel God te vinden ? Maakte God veel moeilijkheden alvorens zich aan haar mede te deelen ? Luistert. Margareta overdacht in de bitterheid baars harten de jaren die zij in zonde had doorgebracht; zij sprak eene oprechte, rouwmoedige biecht, keerde vervolgens huiswaarts en zonderde zich af in eene kamer, om God te danken voor de genade die Hij haar verleend had.â Terwijl zij nu daar bad, hoort zij de stem van God, die haar toeroept: âFilia mea Margareta. \'â Margareta mijne dochter. âZij heft haar hoofd en hare rood betraande oogen omhoog, ziet dun hemel geopend, en te midden van de koren der Engelen, te midden der Cherubynen en Serafijnen, aanschouwt zij een troon, stralende van glorie en
â I l-J â
luister. Mijn (iod ! zoo vraagt zij, voor wieu is die zetel ?â En zij hoort de stom van God. die haar antwoordt: die troon mijne dochter, is voor u.
Ziedaar hoe men (iod vindt. Zoodra gij u tot Hem wendt zal Ifij zich ook tot u wenden. â Convertimini ad me, et convertar ad vosquot; (Zaeha. I. 3.) Hij zal zich aan u schenken tezamen met zijne oneindige barmhartigheid, teedérheid en mildheid, met al zijne gunsten, genaden en belooningen. â Hij zal voor u wezen gelijk een vader voor zijn kind â Hij zal in u wonen, en u met zijn eigen goddelijk leven bezielen,â Hij zelf zal uwe werken, uwe handelingen bestieren, om u te doen verdienen de glorie des hemels, en iedere handeling, die gij zult verrichten met de meening om Hem te behagen zal wezen als een zaad, dat vruchten afwerpt voor eene eeuwigheid van glorie : âActio-nes nostras, semina seternitatis.quot; Door ieder werk dat gij doet om God te behagen, zelfs door uwe meest onverschillige handelingen zult gij de kroon versieren die u wacht, gij zult u meer en meer met God ver-eenigen, en gij zult verdienen Hem meer en meer volmaakter te mogen genieten gedurende de gansche eeuwigheid. God nu die zich zoo gemakkelijk aan u geeft, is Hij ook in staat uwe wenschen tebevredigenr Beantwoordt Hij aan de onmetelijkheid uwer verlangens ? En hoe zou Hij daaraan niet beantwoorden ! Gij kunt geen enkel goed vei langen dat niet in oneindige mate in God besloten is. Verlangt gij naar schoonheid V Hij is de schoonheid zelve, en al de schoonheid der schepselen is slechts een flauwe weerschijn van de oneindige schoonheid Gods.â Bemint gij de goedheid? Hemel en aarde, het kruis, het tabernakel, al wat u omringt, en al wat gij zijt, zegt a, dat de goedheid Gods geene grenzen kent.â
Eer on glorie ? Hij is de Koning van hemel en aarde, Hem te dienen staat gelijk met te regeeren. ,.Cui servire, regnare esf,quot; Verlangt gij te weten of God in sta it is uw hart te bevredigen V Raadpleegt dan de ondervinding. Ondervraagt eens de Heiligen. Is er wel ooit een Heilige op aarde geweest, die zieh beklaagd heeft, dat hij ongelukkig geweest is in den dienst van God? Dikwijls hadden zij kruisjes te dragen, maar zij zogenden God te midden hunner-beproevingen. Ondervraagt eens zoovele brave en deugdzame tnensehen ?â- Zondaren die in vijandschap leeft met God, vraagt hen eens of zij u benijden. Integendeel zij beklagen u. Wanneer zij u zien, zeggen zij: âO si scires donum Bei.quot; (Joan. IX 10.) En gij rechtvaardigen ondervraagt eens op uwe beurt de zondaren. Ziet gij niet dat zij leven in onrust en vrees, sedert zij het pad der deugd verlaten, en den weg der zonde betreden hebben. âQuis restitit ei, et pacem hahuit.quot; (Job. IX 4.) David had hot ongeluk den Heer te vergrammen,â te vergeefs zocht hij na zijnen val het geluk in de pleizieren der jacht, in feesten on maaltijden, in allerlei uitspanningen van het hof,â het geluk dat hij zocht, vermocht hij niet te vinden: âmijne tranen, zoo getuigt hij zelf, zijn geworden mijn Jjrood, zoowel hij dag als hij nacht *. Fuerunt mihi lacvi-mae meae, panis, die ac node.quot; (Ps. XLI 4.) Zijn geweten zeide hem ; David ! waar is uw God ? Ubi est Deus tuus ? â En zoo gaat het met allen. Om u daarvan te overtuigen vraagt u zei ven eens af, bijaldien gij u bevindt in de ongenadu Gods: sedert wanneer heb ik den vrede des harten verloren \'? Was het niet toon ik den dienst van God verliet, om mijne booze lusten in te volgen ?â Legt eens de hand op het geweten, en vraagt u zei ven eens at;
- 141 -
Ben ik wel gelukkig f Gij zult bekennen dat in u bewaarheid wordt die spreuk der H. Schrift: âNon est pa.x impüs. Voor den goddelooze bestaat geen vrede.\'quot; (Isa. XLVIII. 22.) (rij zult instemmen met een groot zondaar, die later een uitstekend boeteling werd, met den H. Augustinus : âIrrequietum est cor nostrum donee requieseat in te.quot;â God is eindelijk een goed dat niemand ons kan doen verliezen zoo wij zelf er ons niet vrijwillig van ontdoen. â Wie toch, zoo riep de H. Paulus uit, kan ons scheiden van de liefde van Jesns Christus ?â Zijn het de beproevingen en wederwaardigheden ; is het de honger, of het gebrek ; zijn het gevaren en vervolgingen ; of eindelijk het zwaard ? Neen ik ben zeker dat noch dood, noch leven, noch engelen en heerschappijen noch eenig schepsel ter wereld ons scheiden kan van de liefde van Jems Christus /quot;â (Rom. VIII. 35.) Men scheidt zich niet van God tenzij door de doodzonde, en niemand kan ons dwingen eene doodzonde te bedrijven; daartoe immers wordt vereischt eene volmaakte instemming van den wil. Men kan ons bespotten en vervolgen, men kan ons dooden. maar ons dwingen eone doodzonde te bedrijven dat nooit. De dood zelf is niet bij machte u van God te scheiden. Zij kan u uwe goederen en bezittingen ontnemen, u scheiden van uwe bloedverwanten en van de wereld ; maar zij zal u in het bezit laten van God en van uwe verdiensten; âwant de liefde is sterker dan de dood.1\'â (Cant. VIII. 6.) Ziedaar M. B. u aangetoond hoe God alleen in staat is u gelukkig te maken. Ruiten Hem is al het geschapene bedriegelijk, ijdel en vergankelijk. Hecht u dus aan God, de bron van alle goed ; dan zult gij nimmer teleurgesteld worden. Gij allen zonder onderscheid zoekt en streeft naar geluk. Maar wilt gij dat geluk nog gaan zoeken
in schuldige vermalven en gevaarlijke gezelschappen in de ijdelheden der wereld, in de voldoening uwer, driften ? Neen duizendmaal neen, â gij waart te beklagen indien gij daar uw geluk zocht. Wilt gij gelukkig zijn\'? Treedt dan van nu af aan in den dienst van (rod. Doet dan van nu af aan uwe keuze tusschen den dienst van God en dien der zondige wereld; doch weet tevens dat dio keuze beslissend is.â Johanna, dochter van Alphonsus V koning van Portugal, was eens prinses die zoo naar geest, als naar hart, met de voortreffelijkste gaven bedeeld was. Tal van vorsten dongen naar hare hand, zij daarentegen van haren kant bleef besluiteloos; â toen op zekeren dag de koning haar vader, haar vroeg op wien zij hare kous gevestigd had ? Ik heb mij, zoo sprak zij , alle mededingers naar mijne hand voor den geest gesteld, en tot allen deze vraag gericht: Wat zult gij doen om mij gelukkig te maken f En ieder hunner gaf mij ten antwoord ; ik zal doen alles wat ik kan, om u het Teven zoet en aangenaam te maken ; zoolang gij leeft, zal niets aan nw geluk ontbroken. Nadat allen op die wijze gesproken hadden, deed zich een laatste mededinger op en zeide tot mij : âMijne dochter, wees voorzichtig en zie wel toe op wien gij uw oog laat vallen,â Ik ook verlang uw bruidegom te worden, en ik ben in staat u niet slechts een tijdelijk en kortstondig, maar een duurzaam en eeuwig galuk te bezorgen. Ik leef immer, en bezorg u een eeuwig geluk.quot;â De koning bewogen bij het hooren dezer woorden, sprak tot zijne dochter : gij hebt gelijk, kies tot bruidegom dengene, die immer leeft en u een eeuwig geluk beloofd heeft. Kort daarna verliet de jeugdige vorstin de wereld, trad in een klooster en werd de bruid van Jesus Chris-
10
- 14() â
tus. Ook gij M. B., moet kiezen, eenerzijds vraagt God, en anderzijds de wereld uw hart. Nu gij echter weet waar het. waarachtig geluk te vinden is, moogt gij niet weifelen.â Kiest God, die eeuwig leeft en u een eeuwig geluk heeft voorbereid. Amen.
-C\'
XX.
De Goede Meening.
âDe lamp van uw lichaam is uw oog. Indien uw oog zuiver is, dan zal geheel uw lichaam verlicht zijn; maar indien uw oog kwaad is, dan zal geheel uw lichaam duister wezen,quot; zegt de Zaligmaker. â (Matth. VI. 22, 23). Volgens den H. Auguatinus, moeten die woorden verstaan worden ran de meening of het inzicht waarmede wij onze werken verrichten. Het oog, zegt die H. Kerkvader, verbeeldt de meening. â Iemand die kwade oogen heett, ondervindt in geheel zijn lichaam hinder daarvan; hij wordt gehinderd in zijne bewegingen; heett geen vasten stap en loopt gevaar dikwijls te struikelen en zich te kwetsen,â Evenals nu het gezicht een zoo merkbaren invloed uitoefent op het welzijn van ons lichaam, gaat de H. Auguatinua voort, evenuoo heeft het inzicht waarmede wij handelen een zoo overwegenden invloed op onze handelingen zeiven. Is dat inzicht zuiver en goed, onze handeling ook zal deugdelijk wezen, â is daarentegen het inzicht verkeerd, de handeling zelve zal verdiensteloos wezen. Wat verstaat men door meening of inzicht? Niets anders dan het doel, hot einde dat men zich voorstelt,
â 148 â
wanneer men eene handeling verricht. Uwe meening is goed, zegt de H, Bernardus, indien gij u ten doel stelt de glorie van Grod, het welzijn van don even-mensch of de zaligheid uwer ziel. Uwe meening daarentegen is onverschillig of slecht, indien gij u uitsluitend een of ander tijdelijk belang ten doel stelt,â de vol doening eener begeerlijkheid, â de bevrediging uwer nieuwsgierigheid, ijdelheid, of\' van eene andere drift. Eene goede meening maken is niet moeilijk noch lastig. Men behoeft slechts \'s morgens de werkzaamheden van den dag aan God op te dragen, en nu en dan gedurende den dag die opdracht eens te hernieuwen. Dat kost inspanning noch moeite, en men trekt dubbele verdienste, voor den tijd er. de eeuwigheid. Maar hoe komt het dan dat zij door het meerendeel der christenen zoo weinig in praktijk wordt gebracht? Omdat men haar gewicht niet kent, omdat men onbewust is van de voordeelen die zij ons bezorgt, en omdat men niet inziet welk nadeel het gemis aan goede meening ons berokkent. â Ik wensch u M. B. dezen avond, van deze tweevoudige waarheid te overtuigen: I. Dat de. goede meening deugdelijk en verdienstelijk maakt onze kleinste en onbeduidendste handelingen. II. Dat het gemis der goede meening, onze heiligite en grootste handelingen verdiensteloos maakt voor den hemel.
I. Om nauwkeurig te zijn moet ik u doen opmerken dat ik met betrekking tot de goede meening alleen spreek van personen die in staat van genade, in de vriendschap Gods zijn. Als men in staat van doodzonde is, is men dood voor den hemel en kan men niets verdienen. Ik wil daarmede niet zeggen dat de goede meening alsdan volstrekt nutteloos is ; neen zij is dan een middel om de goddelijke barmhartigheid over zich af te trekken. Maar voor de rechtvaardigen, voor hen
â 149 â
die in staat van genade zijn, is de goede meening geheel iets anders;â zij is een middel om de kleinste en onbeduidendste zaken groot te maken in de oogen van Grod.â Zijt gij in staat van genade, dan is alles wat gij verricht met eene zuivere meening, hoe gering dan ook, verdienstelijk voor den hemel. In het Boek der Gezangen wordt gezegd dat eene rechtvaardige ziel het hart van God raakt, zijna liefde opwekt door oen enkel haar van haar hoofd. (Cant. IV. 9.) Door dat hoofdhaar, moet volgens de H. Vaders verstaan worden de geringste handeling die de mensch verricht, met het inzicht om aan God te behagen. Die handeling, zij moge onbeduidend zijn in haar zelve; dc goede meening maakt haar schoon, aangenaam, welgevallig in de oogen van God. Een handwerksman, een daglooner voegt \'s morgens bij zijn morgengebed de meening, alles wat hij gedurende den dag zal doen en lijden, te willen doen en lijden voor God, â dan is zijn arbeid hoe nietig dan ook, in Gods oog wel-gevalliger dan de zegepralen dér grootste veroveraars, de studiën der grootste geleerden, de sermoonen der beroemdste missionarissen, indien zij voor hun zeiven en niet voor God werken. God slaat geen acht op de uiterlijke grootheid, op den uitwendigen glans eener zaak, maar enkel op het hart, dat is op de meening des harten waarmede men handelt. âHomo videt ea quae parent, Dominus autem intuetur cor.quot; (I Heg. XVI. 7.) Wat is er onbeduidender dan een glas water te geven aan een dorstigen mensch! En toch die kleine gift, zoo zij geschiedt met eene zuivere meening, erlangt eene groote waarde in Gods oog. â Jesus Christus heeft gezegd, dat een glas koud water in zijnen naam gegeven, zijn loon niet missen zal. Gij geeft eene kleine aalmoes aan een arme ter liefde van God,
â 150 â
wiens beeld gij in dien arme beschouwt; die kleine aalmoes is welgevallige!- aan God, dan wanneer gij afstand deed van al uwe goederen en bezittingen uit ijdelheid, ot om de menschen van u te doen spreken.â Jesus Christus bevond zich op zekeren dag aan den ingang des tempels bij de otterbus, waarin iedereen zijne gift kwam storten tot onderhoud van den tempel. Velen stortten er goud en zilver in. Maar er kwam ook eene arme weduwe die er slechts twee penningen inwierp. Zeker eene kkine, onbeduidende gift. Maar zij stortte haar offer met eene goede en heilige mee-ning. Jesus had haar gezien. En zich wendende tot zijne leerlingen, sprak Hij :âDat offer dier arme weduwe heeft eene grootere waarde bij God, dan alle giften die tot dusverre in de offerbus gestort zijn.quot; Het is niet noodig om den hemel te verdienen, dat men buitengewone, groote zaken verrichte. â Neen, gij behoeft niets anders te doen, dan wat uw staat u oplegt; de hemel zal voor u de belooning zijn van eene reeks dagelijksche, kleine, eenvoudige, gewone zaken die gij verricht hebt, met de meening om aan God te behagen. Vandaar dat de H. Paulus aan de geloovigen van Corinthe schreef: âHetzij gij eet of drinkt, hetzij gij iets anders verricht, doet alles ter eere Gods.quot; (I. Cor. X. 31.) De eerste christenen begrepen die vermaning, zij vingen nimmer eene bezigheid aan. zegt Tertnlianus, zonder vooraf het teeken des krnises gemaakt te hebben. Zij maakten het bij het opstaan en slapen gaan,â wanneer zij aan tafel of aan den arbeid gingen, â bij het in- en uitgaan der kerk ,â bij den aanvang van ieder werk zeiden zij : âIn den naam des Vaders, enz..daaimede te kennen gevende dat zij niets wilden doen dan in den naam van God , en om Hem te behagen. Evenzoo deden de Heiligen van
- 151 -
alle tijden ; ook zij begrepen dat het groot geheim om zonder veel moeite, schatten van verdiensten te verzamelen, besloten lag in de goede meening. Vandaar die geliefkoosde verzuchting van den H. Ignatius, die hij voortdurend in den mond en op de lippen had ; âAlles tot meerdere eer en glorie van God terwijl de H. Alphonsus meer dan honderdmaal daags deze verzuchting herhaalde; âAlles uit liefde tot Jesus en Maria.quot;â Wat aan de Heiligen die groote glorie bezorgd heeft in den hemel, zijn niet die buitengewone boetwerken, die ontzaggelijke arbeid, die langdurige gebeden die zij verricht hebben,â neen, maar de meening, het inzicht, waarmede zij handelden. Ware uwe meening zoo zuiver zoo volmaakt als de hunne, ook gij zoudt door irwe dagelijksche bezigheden u eene gelijke glorie kunnen verwerven.â Een schoon bewijs voor die troostvolle waarheid vind ik in de Allerheiligste Maagd Maria. Zij is, gelijk gij weet, in den hemel verheven in glorie, boven alle Engelen en Heiligen. Vanwaar die hooge verheffing? Niet omdat Maria buitengewone, voor het oog der wereld glansrijke zaken verricht heeft. Neen, maar omdat zij God teeder bemind heeft, omdat zij alles deed met de meening om zijnen H. wil in alles te volbrengen. Maria verrichtte denzelfden arbeid als gij, zij droog zorg voor hare kleine huishouding, op haar kwam gedeeltelijk neer de zorg voor de dagelijksche levensbehoeften,â maar alles wat zij deed, hoe gering ook, deed zij voor God. Niets ging verloren voor den hemel; niet eene enkele handeling, geen enkel woord, geen oogslag, geene verzuchting,â alles in Maria\'s leven was verdienstelijk voor den hemel. Doet even als zij. Offert alle werken die gij verricht aan God op. Zegt tot Hem \'s morgens bij het ontwaken Mijn
â 152 â
God ! al wat ik vandaag doen zal, hetzij ik arbeid of\'rust,âeet of drink, alles oflfer ik U op.quot;â Herhaalt van tijd tot tijd gedurende den dag die opdracht, en wanneer gij eenmaal verschijnen zult voor den rechterstoel van God om geoordeeld te worden, zult gij verwonderd staan over de groote schatten van verdiensten die gij door uwe alledaagsche handelingen hebt opgedaan.Ik veronderstel dat gij eens de kunst verstond, om uit lood goud te maken. Wat zoudt gij de handen aan het werk slaan; binnen korten tijd zoudt gij schalrijk wezen. Nu dezen avond leer ik u de kunst om in korten tijd schatrijk te wezen in verdiensten voor (^en hemel, en wel op eene eenvoudige en gemakkelijke wijze. Uwe dagelijksehe verrichtingen als arbeiden en rusten, eten en drinken, hebben uit hun zeiven evenmin verdienste, als het lood waarde heeft in den handel. Maar voegt er de goede meening bij, gij verandert dan het lood in goud , en zijt in staat met elke uwer handelingen den hemel te koopen. Maar omgekeerd zeg ik: zonder de goede meening zijn uwe voortreffelijkste en grootste handelingen van nul en geener waarde voor den hemel.
11. âBijaldien uw oog niet klaar, niet helder is, zal geheel uxo lichaam duister roezen.quot; (Matth. VI. 23.) Da t wil zeggen: indien de meening waarmede gij eene of andere handeling verricht slecht is, dan zal de handeling zelve ook slecht wezen, zonder verdienste voor den hemel, en eerder straf dun belooning waardig zijn. Ik veronderstel echter M. B., dat uwe meening juist niet slecht is, d. i. dat gij in een of andere zaak u niets verkeerds, niets zondigs ten doel stelt,â niettemin zoo gij in uwe werken u niet ten doel stelt om aan God te behagen, dan zal reeds dat gemis aan goede meening voldoende wezen, om te maken dat
â 153 â
allea wat gij verricht zelfs uwe heiligste handelingen nutteloos ten minste en verdiensteloos voor den hemel zijn. God zelf verklaart dit bij monde van den profeet Aggeus. Uwe heiligste en voortreffelijkste werken, zegt Hij, worden bij gemis aan goede meening als in een zak geworpen, die van alle zijden gescheurd en open is: âmisit eas in sacculum pertusuvi.quot; (Agg. I. 6.J âd. i. zij zijn alle als verloren, en er blijft niet van over voor den hemel.quot; fleer! zoo riepen de joden uit ten tijde van den profeet Isaïas ; waarom hebt gij geen acht geslagen op onze boetwerken, en ons vasten Vquot; âIn die jejunü vestri invmitur voluntas vestra.â (Isa. LVIII. 3.) Omdat, zoo luidde Gods antwoord, gij bij al uw vasten niet mijnen, maar uwen wil gevolgd hebt. O ! hoevele mensehen zullen eenmaal verbaasd zijn, wanneer zij zien zullen, dat zij zoovele uitstekende en heilige werken verricht, en niettemin zoo weinig verdiend hebben. Verdiensteloos zal wezen die harde en zwoegende arbeid van zoovele werklieden en dienstboden, die uitsluitend gearbeid hebben met een tijdelijk inzicht.â Verdiensteloos, ouders 1 die vele offers die gij gebracht, die zorgen, inspanningen, bezuinigingen, die gij u getroost hebt mot het doel om aan uwe kinderen eene goede positie in de wereld te bezorgen , zonder u te bekommeren over het welzijn hunner ziel. Verdiensteloos zoovele sermoonen die gij hebt bijgewoond, zooveel stichtende lezingen, zoovwle Biechten en Communiën.â Genoemde zaken zijn voortreffelijk, uitmuntend in zich zeiven, het zijn schatten waarmede men den hemel kan koopen; maar wanneer men ze niet verricht met eene goede meening, dienen zij tot niets, â dan zijn het schatten die men in eer. gescheurden zak doet, zegt de profeet Aggeus,â en die even spoedig verloren gaan, als zij geborgen worden.â
â 154 â
Stelt eens een landbouwer, die gedurende een gansch jaar vlijtig gewerkt hoeft. Hij heeft zijn land bewerkt in het zweet zijns aanschijns ; hij heeft het met veel moeite bemest, beploegd en eindelijk bezaaid. Maar ziet in plaats van goede tarwe in den zaaitijd te bezigen, heeft hij kaf gebruikt. Vindt gij niet dat de oogsttijd voor hem een droeve tijd zal wezen V Terwijl anderen zich in een rijken oogst zullen verheugen, zal hij met ledige handen staan. Had hij even als anderen goede zaaitarwe gebruikt, de oogsttijd zou ook voor hem een tijd van vreugde geweest zijn. En nu helaas! ziet hij zijne akkers bedekt met distelen en onkruid. Welke teleurstelling !â Welnu, niet minder groot zal uwe teleurstelling wezen, indien gij arbeidt zonder goede meening. De tijd van den oogst is de eeuwigheid. Do zaaitijd is het tegenwoordig leven. Het zaad zijn uwe werken, uwe handelingen. âAetiones nostrae semina aeternitatis.quot; Gelijk het zaad in zieh reeds de toekomstige vruoht bevat; zoo ligt in uwe werken, mits zij met eene goede meening verricht worden, reeds de eeuwige belooning opgesloten. Indien gij uwe werken verricht met het inzicht om aan God te behagen, indien gij voor God arbeidt, â dan moogt gij zeggen, dat gij goed zaad strooit op den akker uwer ziel,â dan moogt gij u verwachten op oenen rijken en overvloedigen oogst in het ander leven,â dan zullen op u bewaarheid worden de woorden der H. Schrift: âEwites ihant et Jiehavt, mittentes semina sua.â /lj hebben al weenende hunnen akker bezaaid venientes nntem venient cnm exnltadone portantes manipidos suos;â maar zij zullen eenmaal al juichende en jubelende, komen, met eenen rijken oogst beladen.quot; (Ps. CXXV. 6.) Arbeidt gij daarentegen zonder goede meening, uwe werken mogen dan op zich zeiven nog zoo voortreffelijk en
- 155 â
heilig zijn, zij zullen echter niets opleveren voor de eeuwigheid; zij zijn gelijk aan verdroogd en dor zaad, aij zijn niets dan kaf in de oogen van God ; terwijl uwe ziel bedekt zal wezen met distelen en onkruid, en voor niets anders goed dan voor het vuur der helt ot\' ten minste voor dat des vagevuurs.â âGij verricht juist zooveel, zegt de H. Amhrosius, â als gij de meening hebt te doen. âQuantum intendis, tantum facis d. w. z. uwe werken ontleenen hunne waarde aan de meening waarmede zij vergezeld gaan. Ziedaar een koopman die zich ontzaggelijk veel moeite geeft om zijn fortuin te vei meerderen, hij zal misschien na verloop van tijd een groot kapitaal bijeengebracht hebben ; maar dat zal ook zijn eenig loon wezen. Een arbeider moet zwaar werken om zijn dagloon te verdienen, hij zal het verdienen, maar ook niets meer. Een rijke geeit milde aalmoezen aan de arn en, maar enkel om voor het oog der menschen voor een mensr.hlievend man door te gaan; hij zal dan ook geacht en ge-eerd worden ; maar daarin bestaat ook zijne eenige verdienste. âHeceperunt mercedem.quot;â (Matth. VI 5.) âGij hebt reeds uw loon ontvangen,quot;â zoo zal God eermaal tot zoovele zielen zeggen, die in al hunne werken een bloot natuurlijk, maar geen bovennatuurlijk inzicht gehad hebben. Keert eens in u zeiven en gaat eens na, hoe het met uwe geestelijke financiën gesteld is ;â gij houdt zoo dikwijls rekening, wanneer hot uwe tijdelijke belangen geldt; gaat euis na in welken slaat het fortuin uwer ziel zich bevindt. Hebt gij u schatten vergaderd van verdii nsten om den hemel te koopenV Leeft gij misschien in staat van doodzonde? Dan spreek ik u niet van fortuin ; â uwe ziel is dood en bijgevolg niet in staat om iets te verdienen. Gij hebt misschien jaren in dien staat geleefd, hoe langer
â 156 â
gij uitstelt u te bekeeren, des te grooter wordt uwe geestelijke behoefte. Zijt gij daarentegen in staat van genade, dan zijt gij niet arm, maar rijk genoeg om den hamel te koopen. Maar zijt gij wel zoo rijk als gij kondet wezen. Indien gij tot dusverre geleefd hebt zonder uwe werken aan God op te dragen, dan hebt gij een onberekenbaar verlies geleden. Beschouwt een koopman niet als verloren den dag, dien hij werkeloos en vadsig in zijn magazijn heelt doorgebracht, zonder iets te verkoopen?âEveneens zijn voor u zoo goed als verloren alle werken, die gij zonder goede meening verquot; richt hebt. Verloren,â zoovele dagen van vermoeienis en inspanning, die gij niet geheiligd hebt door de goede meening,â verloren zooveel rustelooze nachten waarin gij gezwoegd en gewerkt hebt, enkel en alleen om eene tijdelijke verdienste,â verloren al die zorgen die gij besteed hebt voor uwe kinderen, uit eene bloot natuurlijke liefde, â verloren zoovele werken, verricht met het inzicht om aan de menschen te behagen. Koevele werken gaan op die wijze verloren iederen dag, â hoevele ieder jaar, --hoevele in den loop uws levens! Ik zou u bitter beklagen, bijaldien gij voortgingt dermate uwe geestelijke belangen te verwaarloozen. Gij moet krachtens uwen staat veel zwoegen en arbeiden, en indien gij daarbij niets meer verdient, dan uw dagelij ksch brood, dan is uwe winst bitter klein. Zooveel arbeid is in staat u eene heerlijke belooning te bezorgen in den hemel, zoo gij dien maar aan God opdraagt.â Men verhaalt van een kloosterling, dat hij alvorens een werk te ondernemen, telkenmale een oogenblik stil hield en den hemel beschouwde. Ondervraagd waarom hij zulks deed, antwoordde hij : ik doe gelijk pen boogschutter die bet linkeroog sluit, en met het
rechteroog mikt om juist Let doel te treffen.â Zoo ook moet gij doen. Grij ook moet mikken naar het doel; te dien einde moet gij het linkeroog sluiten, d. i. elke aardsohe neiging, elk stoffelijk inzicht buitensluiten. Uw rechteroog daarentegen moet gij openen, opdat uw werk, uwe handeling, het hart van God rake en eene eeuwige belooning verdiene.â Handelt aldus ; â behalve eene tijdelijke verdienste wint gij daarenboven nog de onvergankelijke goederen des hemels. Elke uwer handelingen zal met gouden letters geschreven worden in het boek des levens, â en u eenmaal eene heerlijke kroon van glorie bezorgen in den hemel. Amen.â
XXT.
Het Gebed.
In een zeer behoeftig en arm land woonde een schatrijk en tevens weldadig koning. Bewogen bij het gezicht van zooveel ellende cn gebrek, dat in zijn land heerschte, besloot hij in den algeraeenen nood naar zijn vermogen te voorzien. Deswege liet hij boven den ingang van zijn paleis, iu groote en duidelijke la tters een opschrift plaatsen; namelijk ; âvraagt en gij zult verkrijgenquot;â, tegelijkertijd zond hij z jne hofbedienden uit, om alom bekend te maken dat de koninklijke schatten ten dienste stonden van iedereen. Gij kunt n ver beelden wat het gevolg was dier koninklijke vrijgevigheid. Van alle zijden stroomde men naar het paleis,â en iedereen die vroeg, ontving. Maar wie zou het ge-looven, in de nabijheid van het paleis woonden men-scb.en, die het opschrift lazen, die de bekendmaking der hofbedienden meermalen hoorden, die zelf dood arm waren, en niettemin in hunnen hoogmoed weigerden bij den koning ondersteuning te gaan vragen. De koning, zeiden zij, kent onzen nood, waarom zouden wij tot hem gaan?â indien hij ons wil helpen, dat hij in persoon tot ons kotne,â zoo niet, dan verkiezen wij ons leven in gebrek door te brengen, liever
- 15! I â
dan ons de moeite te geven tot hem te gaan, en ondersteuning te vragen. En wat was het gevolg daarvan? Zij ontvingen niets omdat zij niets vroegen,â zij leefden en stierven in armoede. Ziedaar eene parabel die u misschien ongeloofelijk toeschijnt, doch zooals de ondervinding leert, maar al te waar is. Het land immers waarvan ik spreek is de wereld, die een waarachtig ballingsoord, eene plaats van ellende, een dal van tranen is. Hare bewoners zijn arm en ellendig, machteloos, zonder de hulp van God niet in staat het leven hunner ziel te onderhouden. God hun Koning, die oneindig rijk en tevens grenzeloos goed is, biedt hun zijne hulp aan. Hij immers getuigt in zijn Evangelie, Hij laat door de priesters zijne dienaren alom verkondigen, dat men slechts behoeft te vragen om te verkrijgen;â en terwijl velen hieraan gevolg geven en werkelijk verkrijgen, zijn er anderen die verblind door hoogmoed, beheeraeht door onverschilligheid weigeren te vragen, en deswege in gebrek leven, ontbloot van deugden en verdiensten,â en eindelijk eenen eeuwig rampzaligen dood sterven. â Ik kom u waarschuwen M. B., voor die ongehoorde dwaasheid. quot;Wilt gij n verrijken met schatten van verdiensten en eenmaal den hemel binnentreden, dan moet gij ; 1) bidden ; veel bidden; â 3) met vertrouwen bidden. â Die drievoudige gedachte ga ik u ontwikkelen,â ik ga u den sleutel in handen stellen van de schatten des hemels, met u aan te toonon: dat gij gehouden zijt te hidden.â Altijd te hidden,â en eindelijk dat het gebed u alvermogend maakt.â
I. Gij moet hidden. â Ziedaar voor een ieder uwer, een zijner voornaamste verplichtingen. Ik noem het gebed eene verplichting, want God heeft daarvan oen volstrekt gebod gemaakt. âGij moet,
- 160 â
zegt Hij, altijd hidden : Oportet semper orare,quot; (Luc. XVIII. 1.) Bemerkt wel dat God niet zegt; Het voegt, het betaamt dat gij bidt. â Neen, â het is uw plicht, dat gij bidt. â Oportetquot;. â Bidden is dus voor u eene volstrekt noodzakelijke verplichtingâ een raiddel ter zaligheid dat gij niet straffeloos moogt nalaten. â Waakt, zoo gaat de Zaligmaker voort, maar terzelfder tijde, hidt. Vigilale et orate.quot; (Marc. XIV. 38.) âHoudt niet op met hidden, (Tjuo. XXL 36.) zegt Hij elders.â âIk wil, zoo spreekt Hij bij monde van den apostel Paulus, dat de menschen hidden op iedere plaats-Volo viros orare in omni loco.quot; (I Tim. II. 8.) Kon de Verlosser zich wel duidelijker uitdrukken, toen hij ons het gebod gaf van te bidden! Het gebod van to bidden is dus evenals elk ander gebod van God verplichtend op zonde.â
Maar waarom wil God dat wij bidden? Kent Hij dan niet onze behoeften ? Ziet Hij ons niet ? Doorgrondt Hij niet onze harten en nieren ? Zeer zeker. God ziet en kent ons, â geen haar valt van ons hoofd zonder dat Hij het weet. Maar waartoe heb ik dan noodig te bidden,â waartoe aan God mijne behoeften, bekoringen , zwakheden, ellenden bloot te leggen ?â Omdat God het wil, omdat Hij het gebiedt, en als God iets gebiedt, moet de mensch gehoorzamen. God wil dat wij bidden, â niet om Hem onze behoeften te leeren kennen; maar opdat wij zouden erkennen wie Hij is en wie wij zijn. Iemand die bidt erkent dat hij zwak, arm, machteloos en ellendig is, entevens dat God rijk, vermogend en goed genoeg is om hem te willen en kunnen helpen. Hij erkent, dat God zijn vader, en hij zijn kind is. Beschouwt gij het niet als eene eer te mogen spreken met eenen monarch der aarde ? Veel grootere eer is het te mogen spreken
â 161 -
met den monarch van hemel en aarde. God wil dat wij bidden, omdat Hij ons verheven heeft boven alle andere schepselen der aarde. Hij heeft ons gesteld tusschen Hem en de redelooze wezens, opdat wij Hem door ons gebed zouden huldigen in plaats en uit naam der redelooze natuur, die daartoe niet in staat is. Dit gaf een Fransch officier die later tot een der hoogste posten in het leger opklom, op zekeren dag aan eenige goddelooze spotters te verstaan. Aan tafel zijnde in een hotel te Lyon, deed hij zonder zich aan het tnenschelijk opzicht te storen, zijn gewoon gebed voor het eten. Aan tafel nu bevonden zich eenige goddeloozen, die dit ziende, begonnen te lachen en elkander aan te stoeten. De vrome officier eindigde bedaard zijn gebed, en sprak vervolgens tot hen: Wilt gij weten, waarom ik bid ?â Omdat ik een onderscheid zie tusschen mij en mijn paard ; dat wil zeggen dat de mensch die bidt zich ondersclieidt van het dier, doordien hij zijn Schepper erkent,â dat wil nog zeggen mijne Heeren, â dat gij die niet bidt, niet verschilt van een redeloos dier,â dat gij die niet beter zijt dan mijn paard.â Zij hadden het begrepen, waren beschaamd en zwegen.â Wij moeten verder bidden niet slechts omdat God het wil, maar nog omdat Jesus Christus ons het voorbeeld heeft gegeven van te bidden âJesus, zoo getuigt het Evangelie, bad voortdurend. Op den leeftijd van twaalf jaren, onttrekt hij zich aan het gezelschap zijner ouders en brengt drie dagen te Jerusalem door in den tempel in gebed. Hij bad gedurende40 dagen in de woestijn , alvorens zijn openbaar leven in te treden. Hij bad alvorens over te gaan tot de keus zijner apostelen. Niet zelden na den dag besteed te hebben aan de verkondiging zijner goddelijke leer , bracht Hij op een of anderen berg
11
- 162 â
(len nacht door in gebed. Hij bad altijd alvorens een of ander wonder te verrichten. Hij bad op het laatste avondmaal. â Hij bad drie uren lang in den Olijfhof alvorens zijn lijden te beginnen. Hij bad voor zijne moordenaars en beulen aan het kruis. Hij bad zijn gansoh leven lang,â en het laatste woord uit zijn mond, de laatste beweging zijner lippen, de laatste verzuchting van zijn hart was een gebed: âVader in uwe handen heveel ik mijnen geest.quot; (Luc. XXIII. 40.) Maar waarom heeft Jesus gebeden ? Was het voor Hem zeiven ? O neen, hij had niet noodig te bidden, hij behoefde geen genaden te vragen, Hij de volheid zelf der genaden,â Hij behoefde geen barmhartigheid af te smeeken, Hij de heiligheid en vlekkeloosheid in persoon,â hij behoefde geen deugden te vragen, Hij bezat ze alle in hare hoogste volmaaktheid. Maar waarom wilde Jesus dan bidden? âIk heb u, zoo luidt zijn antwoord, een voorbeeld ter navolging willen geven : Kxemplnm dedi vobis ut quemadmodum egofeci ita et vos facialis.quot; (Joan. XIII. 15.) Hij heeft ons willen toonen, dat het gebed een noodzakelijk vereischte is voor het christelijk leven, en dat wij zonder gebed geene ware christenen kunnen zijn. â Het gedrag van den Zaligmaker, is de regel voor het onze. Hij heeft gebeden ; dus ook wij moeten bidden,â en wee u! zoo gij zijn gebod in den wind slaat; uw oordeel zal verschrikkelijk wezen. â En toch men hoort sommige menschen zeggen : âik behoef niet te bidden, ik ben geen priester, noch kloosterling.quot;â Neen, maar gij zijt christen, en ieder christen moet bidden. â âJa maar ik heb geen tijd om te biddenquot;! Gij hebt geen tijd? â Maar een morgen- en avondgebed, een âonze Vaderquot; vóór en na het eten,â een kort schietgebed onder het werk, ontneemt u dat zooveel tijd? âNeen, maar vóór al het
â 163 â
overige moet ik leven.quot; Ongetwijfeld, maar moet uw lichaam dan alleen leven ?â Hebt gij geene ziel die veel kostbaarder is dan aw lichaam, dat eenmaal tot stof zal vergaan ? Zij die zoo spreken zij kennen niet de behoeften hunner ziel. â Deze nu zijn een ander bewijs voor de volstrekte noodzakelijkheid des gebeds. â Weet gij wel M. B., wie en wat gij zijt? Gij zijt oneindig groot en tevens opmerkelijk klein. Groot met betrekking tot uwe bestemming , den hemel; â maar nietig en klein wanneer het er op aankomt die bestemming te bereiken. Zonder Gods hulp kunt gij geen stap vorderen op den weg des hemels.â âZonder mij, zegt de Zaligmaker, kunt gij niets doen,quot; (Joan. XV, 5.) Niet slechts zijt gij onbekwaam een verdienstelijk werk te voltooien, maar gij zijt zelfs niet in staat zonder de hulp Gods een deugdelijk werk te beginnen.â Ons verstand is verduisterd,â vandaar dat wij van geestelijke zaken zoo weinig begrip hebben. Onze wil is verzwakt,â vandaar in ons die geneigdheid tot het kwaad, die afkeer van het goed. Wij zijn verder omringd van zoovele 011 zoo machtige vijanden, de duivel, de wereld en het vleesch, die rusteloos ons bestrijden. Ja, nog eens : zonder het gebed is geene zaligheid mogelijk. Zonder den bijstand Gods, zegt de H. Augnstinus, kunt gij uwe zaligheid niet bewerken. Die groote genade nu hoe zult gij die verkrijgen ?â Door het gebod en niet dan door het gebed. Zonder genade geene zaligheid, en geen genade zonder hot gebed. Zeer juist zegt dus de groote Kerkleeraar de H. Alphonsus : âWie bidt wordt zalig, en wie niet bidt gaat verloren.quot;â Hebt gij mij verstaan M. B. Vâ O ik wenschte dat die spreuk des Heiligen, onuitwisehbaar in uw geheugen gegrift bleef: âWie bidt wordt zalig
â 164 â
en wie niet bidt gaat verloren.quot;â Wanneer ik denk aan dat groot aantal zielen die zich verdoemen, wanneer ik denk aan dien sehoonen hemel dien God ons in gereedheid houdt, dan wensehte ik te kunnen doen wat de H. ïheresia verlangde. God toonde haar op zekeren dag de bel, en bezielde haar met oen overgroot verlangen om de zielen voor die afgrijselijke hel te vrijwaren,â waarna zij uitroep. Ach ! ik wensehte eene stem te hebben, gelijk den donder, dan beklom ik eenen hoogen berg waar ik door allen gezien cn gehoord kon worden,â en ik hield niet op te roepen : âAch! mensohen bidt,â bidt,â houdt niet op met bidden.quot; â Datzelfde zeg ik ook tot u M. B., en ik wensehte tot den laatsten oordeelsdag n te kunnen toeroepen; Bidt bidt; en houdt niet op met bidden.â II. Veeluuldiy gebvuik can hd gebed. Ja M. B., gij moogt niet ophouden te bidden, gij hebt het zooeven gehoord God wil het. God gebiedt het.â âOportet semper orarc. Gij moet altijd hidden,quot; zegt Hij. (Lue. XVIII. 1.) Maar wat beteokenon die woorden ? Dat gij zonder ophouden gebeden moet verrichten ? Neen, dat ia onmogelijk, dat is onvereenigbaar met uwe andere plichten, die gij te vervullen hebt. Neen. volgens den H. Augustinus beteekenen die woorden : âgij moet altijd bidden,quot;â \'lat gij bidden moet, wanneer voor een christen de tijd van bidden daar is. Zoo zeide b. v. David tot Miphiboseth, don zoon van zijn vriend Jonathas : âGij zult altijd bij mij aan tafel zijnquot; ;â hij wilde daarmede niet te kennen geven, dat Miphiboseth voortdurend bij hem aan tafel moest wezen ; maar dan alleen, wanneer de tijd van eten daar was. Zoo ook zal men van u kunnen zeggen dat gij altijd bidt,â wanneer gij bidt, als het een christen voegt te bidden, namelijk op gestelde
â 165 â
tijden; iederen dag, iedere week, ieder jaar, en in bijzondere omstandigheden. Een goed chris\'en bidt vooreerst iederen dag. Hij bidt \'s morgens bij \'t ontwaken, bij dankt (rod die hem gedurende den nacbt bewaard heeft, â hij offert Hem zijne gedachten, woorden, werken, zijne kruisjes op, â en bidt tevens om de genade dien dag vrij van zonde te mogen doorbrengen. Dat morgengebed moogt gij nimmer nalaten; hebt gij den tijd niet om een lang morgengebed te doen, maakt hot dan maar kort, â des noods onder hot aankleeden, of op weg naar het werk, â maar nooit moogt gij het geheel achterlaten. Een ijverig christen echter stelt zich niet tevreden met \'s morgens enkel te bidden, â hij offert tevens zijne werkzaamheden aan (iod op, en vernieuwt dat offer meermalen gedurende den dag door hot verwekken van een ot ander schietgebed; b. v.; âMijn (rod alles voor u!quot; â door het bidden van een Wees gegroet, â door het maliën van het teeken des kruises enz.â Hij bidt verder behoorlijk vóór en na het eten. Ues avonds gaat een goed christen niet slapen, zonder eerst zijn avondgebed gedaan te hebben. Hij dankt C-iod dat Hij hem gedurende den dag bewaard heeft, en bidt hem ook tijdens den nacht te bewaren ; hij verwekt eene acte van geloof, hoop, liefde en berouw, â en bijaldien hij het ongeluk gehad heeft eene doodzonde te bedrijven, tracht hij zich op te wekken tot een vol maakt berouw met het voornemen om zoodra mogelijk te gaan biechten; opdat de dood hem niet in dien staat treffe. Eindelijk bidt hij drie Wees gegroeten ter eere van de Zuiverheid van Maria, om de heilige deugd van knisohheid te mogen bewaren,â en legt zich ter ruste in de armen van Gods Voorzienigheid. Hoe gelukkig zij die aldus handelen, â zij vergaderen zieli
â 166 â
iederen dag een schat van verdiensten! Een goed christen stelt zicli niet tevreden met die gewone dage-lijksche gebeden; hij besteedt ook iedere week één dag op eene bijzondere wijze aan het gebed, namelijk den zondag. Dos zondags doet hij zijn voorraad van genaden op voor de geheele week,â Niet tevreden met Mis te hooren, woont hij tevens de Vespers of het Lof bij, â bidt den rozenkrans, leest een goed boek, enz.â Voorzeker, hij geeft aan geest en lichaam eenige uitspanning en rust; maar bovenal behartigt hij de belangen zijner ziel.â Helaas! niet alle christenen beschouwen dea zondag op die wijze. Voor velen is de zondag niet de dag des gebeds, maar een dag van verderf voor hunne ziel, â een dag van godslastering en oneerbare gesprekken, â van zondigen omgang, van verboden vermaken, â een dag van gruwelen en ongebondenheden ; voor velen is de zondag geen dag van lichamelijke rust, maar een dag waarop de krachten des lichaams, door onmatigheid en nachtbraken in herbergen en kroegen, verspild worden-M. B., er is misschien geen duidelijker teeken van eeuwige verwerping, dan de voortdurende ontheiliging van den zondag. Wie zich daaraan plichtig maakt, doet spoedig niets meer voor zijne ziel, en verliest allengskens het geloof.â Maar is het voldoende om goed christen te zijn dat men zijne dagelijksche gebeden verricht, en den zondag heiligt i\' Neen , een deugdzaam christen nadert nog tot de H.H. Sacramenten, en wel meermalen \'s jaars, overeenkomstig de behoeften zijner ziel en den raad des biechtvaders. En hoe nadert hij tot de HH. Sacramenten ? Niet gelijk zij, die hoogstens hun Paaschplicht volbrengen. Deze toch naderen tot de Sacramenten meestal voor den vorm, voor het oog der menschen. Zij biechten en communiceeren bijna zonder
de minste vourbureidiug. Zij treden den biechtstoel in zunder gewetensonderzoek, 011 zonder er zelfs aan gedacht te hebben om eene acte van berouw te verwekken ; en wanneer zij de H, Communie moeten ontvangen is het hun te voel eene kleine voorbereiding, â en na de H. Communie eene korte dankzegging te verrichten. Neen, zoo handelt niet een vroom christen; hij besteedt den noodigen tijd tot het onderzoek des gewetens, hij wekt zich op tot een waar leedwezen over zijne zonden, hij bereidt zich voor tot de H. Communie, door vurige aeten van geloof en liefde, â en na de H. Communie, hoe innig dankt hij Jesus die tot hom gekomen is; hij offert zich op zijne beurt aan Hem op, â en hij vraagt Hem met vertrouwen tal van genaden voor zich zeiven en anderen. O wat zal zoo iemand gelukkig zijn, wanneer men Hem eenmaal op zijn sterfbed de H. Teerspijze zal brengen ; met welke vreugde zal hij torugdenke.i aan alle H. H. Communiën die hij tijdens zijn leven heeft ontvangen.â
Eindelijk er komen in \'s menschen leven zekere omstandigheden voor, waarin een waar christen nooit verzuimen zal te bidden ; ik bedoel do bekoringen en liet lijden. Aan bekoringen M. B , zult gij onderhevig zijn tot het einde uws levens, â \'s menschen leven immers is een strijd. quot;Wilt gij echter altijd en onfeilbaar overwinnen, neemt dan in de bekoringen uwe toevlucht tot het gebed. Het g-jbed, zeggen de H. H. Vaders is eene roede voor den duivel. Met het gebed zult gij overwinnen, â zonder het gebed daarentegen zult gij overwonnen worden. Bidt dus in de bekoringen. Roept de zoete namen van Jesus en Maria aan, en de duivel zal vluchten. Hebt gij misschien met kruisjes, wederwaardigheden, ziekten en kwellingen te kampen V Dan behoort gij eveneens te bidden, âh iemand onder
â 168 â
u ziek, zegt de H. apostel Jacobus, dat hij hidde. (Jao. V. 14) Helaas ! hoe treurig is het soms christenen te zien die morren en vloeken, zoodra hen iets hindert. Is dat een middel om troost te vinden ? Integendeel een middel om den vloek (rods over ziuh en zijn gezin at\' te trekken. Noen, wilt gij troost vinden, gaat dan tot Jesus in zijn H. Sacrament,â tot Maria,â daar alleen vindt men waren troost.â Bidt dus M. fgt;., maar bidt met een groot vertrouwen, â door het gebed wordt gij alvermogend bij God.
III. Kracht des Gebeds. Wanneer ik zeg, dat het gebed 11 alvermogend maakt bij Grod, â dan zeg ik niets te veel. Wanneer de tnenseh bidt, verhoort hem God. Zeker wanneer gij aan God zaken vraagt die schadelijk zijn voor uvvo ziel, weigert God doorgaans uw gebed te verhooien, omdat Hij u al te zeer bemint; evenals eene moeder aan haar klein kind een mes weigert, uit vrees dat hot zich snijde.â God weigert u h. v. het herstel uwer gezondheid, rijkdommen en eer, omdat Hij voorziet dat deze zaken, u schadelijk zijn. Vraagt gij integendeel nuttige zaken, dan kunt gij er op rekenen dat uw gebed verhoord zal worden. M. B., rekent gij niet op het woord van een rechtschapen en eerlijk man V Belooft hij u iets uitdrukkelijk, rekent gij dan niet zeker op zijne belofte? Welnu ook God heelt u zijn woord gegeven; Hij heeft u uitdrukkelijk beloofd, dat Hij uw gebed zal verhoeren. Luistert eens. âVraagt, zoo zegt God, en gij zult verkrijgen ; klopt, en men zal v oi\'enen, zoekt en gij zult vindenquot; â (Matth. VII, 7.) En alsof Hij bang was dat wij Hom niet goed verstaan hadden, herhaalt Hij nog eens nagenoeg dezelfde woorden-âAlwie vraagt verkrijgt: ahvie klo/it. hem. zal, geopend woeden, \'jlinie, zoekt vinden..\'\'â t l.bid. ^.) Km \'/.i.\'Ii
â 169 â
⢠vervolgens tot zijne discipelen keerenile : Indien gij
tot dusverre niet verkregen hebt, zegt Hij, â komt dit, omdat gij niet gebeden, hebt.quot;-â En nu vraag ik u M. B. . kon God zich wel duidelijker uitdrukkeu dan hij gedaan
! heeft opzichtens het gebod V Immers neen. De Zalig-
makcr nu komt zoo dikwijls op diezelfde waarheid terug, dat ik niet begrijp hoe een christen nog twijfelen kan aan dc uitwerking des gebeds. âAl wat gij den Vnder in mijnen naam zult vragen, zegt Hij, zult gij verkrijgenquot; Gijquot; ziet, Jesus maakt goen uitzonde ring. ,.Al wat gij den Vader zult vragen.quot; Hij voegt er slechts cenc voorwaarde bij: âin mijnen naam\'\'] â d. w. z. zaken die Jesus uns verkregen heeft, die niet strijdig zijn met onze eeuwige taligheid. Al het overige aal Hij ons geven, mits w i Hem er om vragen. Jesus geeft ons zijn woord,â zijne belofte, â wat meer is, Hij bekrachtigt zijne belofte door eenen plechtigen eed. âIn waarheid, in waarheid, ik zeg het u, al wat gij vraagt, zal a gegeven worden.quot; Dienzelfden eed herhaalt Hij tot driemaal toe, om ons te overtuigen dat ons gebed zijne uitwerking niet zal missen.â Opent eens het Evangelie, â niet eene enkele maal zult gij lezen dat Jesus eene bede verstooten heeft. Van alls kanten bracht men tot Hem zieken,â en Hij genas allen. Zijne apostelen zijn met Hem in een scheepje ; een storm komt op, het scheepje loopt gevaarte zinken.â de apostelen roepen; âHeer! red ons wij vergaan \' â Rn Je nis staat op, - de zee bodaart. en het scheepje komt veilig aan wal. De Cananeescbc vrouw begeeft zich lot Hem, zij bidt Hem voor hare dochter; âHeer! zoo sprak zij, heb medelijden met mijne dochter,â zij wordt zoo hevig gekweld.quot;â Ga, zeide haar Jesus, n jTftschiede naar uwen wil.â l\' p op hetzelfde oogen-blik was hare dochter genezen. .la\'Vrns komt Hem het
â
â 170 â
leven zijner doclitei\' terug vragen, â en Jesus gaat met hem mede on wekt zijne dochter van den dood op. Het H. Evangelie is bijna niets anders dan een lang verhaal van mirakelen, bewerkt door het gobed. Ja zelfs vóór de komst van den Verlosser,â toen de wereld nog in vijandschap was met God, â kon God niet ongevoelig blijven voor de gebeden die men tot Hem opstierde. De profeet Elias, door medelijden bewogen voor het volk, dat met eene driejarige droogte gestraft werd, zet zich op de knieën en bad God de straf in te trokkenâ Hij had zijn gebed nog niet geëindigd, of de regen viel reeds neer uit den hemel. Josuë had van noode de verlenging van den dag, om de nederlaag van den vijand te voltooien.â Hij bad en de dag werd verlengd.â Neen! aan het gebed kan God niets weigeren.â God is almachtig, niem md kan Hem weerstaan ; alléén het gebed vermag aan zijne almacht weerstand te bieden.â De joden waren dikwijls opgestaan tegen God en telkenmale had Hij besloten hen te straffen,â doch telkens voorkwam het gebed van Moses de straf. â Eindelijk, na een nieuwen opstand van dat ondankbaar volk, stond God gereed om te straffen, en zeide tot Moses : âWil niet bidden, laat mij vrij, om den teugel te vieren aan mijne gramschap en wraak.quot;â Neen, Heer! sprak Moses, ik wil niet, dat gij straft,â ik wil bidden; Vergeef, ach Heer! vergeef uw scliul-dig volk. En wie behield de overhand ? Moses door zijn gebed bedaarde den toorn liods. Gij ziet daaruit hoe vermogend het gebed is. God laat zich overwinnen door een mensch die bidt. O ! M. B., bidt,â en houdt niet op met bidden; door het gebed verdwijnen uwe zwakheden en ellenden. â De rijkdommen Gods worden de uwe. de macht van God wordt uw eigen-
â 171 â
dom. God amp;telt zich ter beschikking vh\'i den mensch die bidi. Zendt uwe verzuchtingen hemelwaarts op, zegt de H.Augustinus, zij zullen mirakelen doen afdalen. âAscendunt suspiria, descendant miracula.quot; â Hebt gij te kampen met hevige bekoringen, â laten de vijanden uwer zaligheid u geen last,â schijnt het utoe, zonder mirakel geen weerstand te kunnen bieden : âAscendunt,quot; etc. Gij hebt geleefd in naaste gelegenheden tot zonde,â de duivelende wereld zullen trachten u er weder in te lokken. Gij hebt een mirakel noodig om uwen mosd staande te houden. â Bidt M. B. bidt. Hebt gij kruisjes en lijden, meent gij oen mirakel van noode te hebben om den moed niet te verliezen? Welaan, bidt en het zal geschieden.âBidt dus M. B., bidt veel,â bidt met vertrouwen. â Bidt \'s morgens en \'s avonds,â en eiken dag zal God n met zijne zegeningen overladen.â Bidt vurig des zondags, en God zal al uwj ondernemingen met goeden uitslag bekronen. Bidt in de bekoringen en elke aanval zal voor u eene zegepraal zijn Bidt te midden van kruisjes en lijden en al uw leed zal in vreugde veranderen. Bidt al de dagen uvvs levens, en uw leven zal deugdzaam,â uw dood kostbaar en uwe belooning zul overgroot wezen in den hemel. Amen.â
XXII.
Over het Veelvuldig Gebruik der H. H. Sacramenten.â
Om een voor den hemel verdienstelijk werk te kun nen verrichten, worden twee zaken gevorderd: de genade van God, en onze medewerking met die genade. Niet beide aizonderlijk, maar beide vereenigd, brengen een deugdelijk werk tot stand.â Het is met uwe ziel gesteld, evenals met den grond dien gij bebouwt. Zes duizend jaren geleden zegende (iod de aarde, opdat zij vruchten zou opleveren; âCrescife et multiplicamini,quot;â ((Jon. VIII. 17.) Van toen at leverde do aarde don menseh hare voortbrengselen ; maar de mensch moest de aarde bebouwen, om die vruchten te kunnen trekken.â Te vergeefs zoudt gij rekenen op oogst, bijaldien gij uwe akkers niet bebouwdet en bezaaidet. Eveneens is het gesteld, in een geestelijken zin met den akker uwer ziel. God heeft uwe ziel gezegend, â Hij heeft haar besproeid met het kostbaar bloed van Jesus Christus, â Hij heeft in haar neergelegd het goddelijk zaad zijner genade; en dat alles heeft Hij gedaan, opdat uwe ziel vruchten drage des «emvigen leven.--. Maar i-s dat voldoende? Neen. Gij
- 173 -
moet met Gods genade medewerken, â gij moet de middelen aanwenden die Hij ter uwer beschikking stelt, om uwe ziel met vruchten van verdiensten te kunnen verrijken.â Onder die middelen nu, is er geen zoo krachtig en vermogond als het veelvuldig gebruik der H. H. Sacramen-en, voornamelijk de Biecht en de H. Communie.â Ten einde u op te wekken van gezegde Sacramenten een veelvuldig en goed gebruik te maken, gaan wij eens onderzoeken:
I. hoe dikwijls gij moet naderen tot de H. H. Sacramenten.â
II. Verder willen wij de voornaamste opwerpingen aanvoeren, â die men tegen het veelvuldig gebruik der H. H. Sacramenten inbrengt.â
I. Men treft niet zelden menschen aan, die zich tot regel gesteld hebben niet meer dan ééns, hoogstens tweemaal \'sjaars tot de H. H. Sacramenten te naderen, â en die hun gedrag willen wettigen, met te zeggen dat Grod niet meer verlangt.â Laat ons eens zien op de eerste plaats wat God van ons verlangt. God beveelt ons dat wij Hem zouden beminnen uit geheel ons hart, â uit geheel onze ziel, â uit al onze krachten. En zeker. Hij verdient dat wij Hem lief hebben zooveel ons dit mogelijk is.â Wat heeft Hij toch voor ons niet gedaan V Al wat wij zijn en hebben komt van God â Hij heeft ons overladen met al de gaven zijner liefde. Wat zijn wij Hem niet verschuldigd in de orde der natuur en der genade ? Het is dus billijk, dat wij God beminnen uit geheel ons kart, â uit geheel onze ziel, â uit al onze krachten. God denkt aan ons ieder oogenblik van den dag, Ilij is immer met ons bezig, â Hij schijnt slechts te leven voor ons. Wij ook moesten voortdurend met God bezig zijn, â niet denken tenzij aan Hem, ââ slechts leven
- 174 â
voor Hem. Maai\' hoe kunt gij na zeggen dat gij Hem volmaakt bemint, bijaldien gij slechts één- of tweemaal \'sjaars tot de H.H. Sacramenten nadert?â Zeg mij eens, mijn vriend! gij die niet moer dan één- hoogstens tweemaal \'sjaars biecht; hoe leeft gij Vâ Na uwe biecht, â ;k wil aannemen dat zij nog goed geweest is, â volhardt gij gedurende acht of veertien dagen in dén staat der heiligmakende genade, â daarna keeit gij weer terug tot uw vorig zondig leven. Grij brengt dus ongeveer acht of veertien dagen \'sjaars door in de vriendschap met God.â Het overige gedeelte des jaars leeft gij in zonde. Moogt gij nu zeggen dat gij God bemint uit geheel uw hart, uit geheel uwe ziel, uit al uwe krachten ? â
Het is u verder bekend hoe vurig Jesus verlangt zich aan ons te geven, in de H. Communie. Hoe feeder noodigt Hij ons niet uit, â hoe dringend vermaant Hij ons niet Hem te komen ontvangen. Van uit het tabernakel roept hij een ieder uwer toe ; â Venite ad me. omnes qui laboratis et onerati estis et ego reficiam vosquot;â (Matth. XI. 28.) Kómt, zoo zegt Hij, eet hei hrood en drinkt den wijn, dien ik u bereid, hehquot;. (Prov. IX. 5.) Om ons over te halen Hem in de H. Communie te komen ontvangen, doet Hij ons de schoonste en heerlijkste beloften ; Hij belooft ons genaden, zijne vriendschap, den hemel. âQui inanducat meam cartiem ipse vivet propter me. â In me manet et ego in Ulo.â Qui manducat hunc panem vivet in aetirnumquot;. (Joan. VI. 62, i)8, 59.) â Hij doet verder de vreeselijkste bedreigingen aan al wie weigert tot Hem te naderen en Hem in de H. Communie te ontvangen. âNisi manducaveritis carnem jilii hominis. . . . non hahehilis vifam in vobis\'. â (Joan. VI. M.) Op allerlei wijzen dringt Hij er op aan. Hem in de H. Communie te komen ontvangen. Onop-
- 175 â
houdelijk roept Hij u toe ; Open mij uw hart opdat ik er in binnentrede. â En gij,â gii zegt: Gij zult er niet meer dan eens of tweemaal \'s jaars in binnentreden. Is dat ware vriendschap? Wat zoudt gij zeggen van iemand die tot u zeide ; Ik heb u lief, maar pas op dat gij mij niet te dikwijls komt bezoeken; â mijne deur staat niet meer dan eens of tweemaal \'sjaars voor u open. â Gij moet bekennen dat de liefde van dien persoon tot u niet zeer groot is. En toch, ziedaar waarin sommige menschen hunne liefde tot God doen bestaan. Gij begrijpt M. B., dat God, aangezien de liefde die Hij u toedraagt verlangt, dat gij meer dan eens of tweemaal \'sjaars tot de H.H. Sacramenten nadert.
Maar de Kerk, â hoe dikwijls verlangt zij dat gij nadert tot de H. H. Sacramenten ?â Gij zegt misschien : eenmaal \'sjaars; want zij beveelt mij slechts mijn Paaschplicht te houden. Ja, zij beveelt u eenmaal \'s jaars tot de H.H. Sacramenten te naderen,âen zij zegt dat zij u niet meer als hare kinderen erkent, zoo gij daaraan te kort blijft. â Maar er bestaat een groot verschil tusschen iets bevelen, en iets verlangen. Zij beveelt u dat gij ééns, â maar zij verlangt dat gij meermalen \'s jaars tot de H.H. Sacramenten nadert. Dit geeft zij u te verstaan bij monde van Paus Innocentius XI, die de dagelijksche Communie aanprijst, zelfs voor personen die in den handelsstand en in het huwelijk leven. â Dat geeft zij u nog te kennen bij monde van Paus Benedictus XIV, die de dagelijksche Communie der eerste Christenen wensch ⢠te te zien herleven, en verlangde dat de zielbestier-ders en biechtvaders zich zouden beijveren, om de ge loovigen op te wekken toch dikwijls te communie ceeren.âZij zegt u bij monde van het Concilie vau
â 176 â
Trente dat het wenschelijk ware, indien de geloovi-gen telken dage dat zij do H. Mis bijwoonden, ook naderden tot de H. Communie. Zij spreekt tot u bij monde van hare Heiligen en Leeraars. Zoo zegt o. a. de H. Augustinus. â âDo H. Comiaunie is ons dagelijksch noodzakelijk brood, dat hot leven onzer zielen onderhoudtquot;. Zij zegt u bij monde van den H. Alphonsus, van den H. Antoninus, van den H. Franoiseus van Sales; âcommunioeort ten minste alle acht dagen, bijaldien gij slechts vrij blijft van doodzonde, â al behoudt gij ook nog al genegenheid tot dagelijksche zonden.quot; â Ziedaar het verlangen dei-Kerk.â Durft gij nu nog voor goed katholiek doorgaan , gij die niet meer dan eens of tweemaal \'sjaars tot de H.H. Sacramenten nadert? Uw eigen belang maakt het u eindelijk raadzaam, om meerma len tot de H.H. Sacramenten te naderen. â 1) Wanneer gij het ongeluk mocht hebben in doodzonde te vallen. Ja M, B., onderstelt dat gij eens het ongeluk zoudi, hebben in doodzonde te vallen, â ik behoef u niet te zeggen in welken gevaarlijken toestand gij u alsdan bevindt. De dood kan u ieder oogenblik treffen en wordt gij in staat van doodzonde door den dooi verrast, dan zijt gij voor eeuwig verloren. Onttrekt u dus ten spoedigste aan dat gevaar door oene goede, en rouwmoedige biecht. â In eon dorp in Frankrijk, leefde een jongeling van een twintigtal jaren, die het voornemen gemaakt had, nooit naar bed te gaan mot eene doodzonde op het gewe ten. Op zekeren dag had hij het ongeluk in doodzonde te vallen. Zijn besluit komt hem voor den geest. Het was avond geworden, het weder was slecht,â en hij woonde tamelijk ver van de kerk. Hij wilde evenwel getrouw blijven aan zijn gemaakt voorne-
- 177 â
men; â en gaf zijne moeder te kennen dat hij verlangde te gaan biechten. Deze gal hem ten antwoord: wacht tot morgen, dan ga ik ook,â wij gaan dan te zamen. Neen moeder, ik wil nog dezen avond gaan,â en dit zeggende vertrekt hij, gaat biechten en keert \'s avonds Iaat naar huis.â Hij verzoekt zijne moeder hem \'s morgens vroeg te wekken, om tot de H. Communie te kunnen naderen en legt zich vervolgens te bed.â \'s Anderendaags vroeg komt zijne moeder hem wekken.â Geen antwoord.â O zegt zij, hij is vermoeid en slaapt gerust,â ik zal hem laten slapen. Een uur later klopt zij nogmaals. Geen antwoord.â En zij maakt dezelfde bedenking. Zij klopt eene derde maal.â En nog geen antwoord. Nu treedt zij de slaapkamer binnen en gaat naar het bed van haren zoon.â Hij was dood !... Gelukkige jongeling, die getrouw gebleven was aan zijn besluil, van niet naar bed te gaan met eene doodzonde op het geweten.â Doet evenals hij,â gaat aanstonds biechten, zoodra uw geweten met eene zware zonde belast is. â Maakt het besluit van nooit naar bed te gaan in staat van doodzonde. â Doet ten minste voor uwe ziel wat gij doen zoudt voor uw lichaam. Zijt gij ziek, ernstig ziek.â wacht gij dan ook zes maanden,â één jaar, alvorens den geneesheer te ontbieden V Hadt gij b v. eens het ongeluk een been te breken, zoudt gij dan wel tot Paschen wachten alvorens het te laten zetten ? Doet ten minste voor uwe ziel, wat gij doen zoudt voor uw vee. â Hebt gij een paard dat ziek wordt met Pinksteren,â wacht gij dan tot Allerheiligen alvorens den veearts te halen ? Doet ten minste voor uwe ziel wat gij doen zoudt voor uwe klee ⢠\'deren, voor uwe schoenen zijn uwe schoenen smerig en vuil, â wacht gij dan ook drie maanden alvorens ze te poetsen Vâ 1S.
â 178 -
2). Maar dat is niet voldoende, gij moet nog zorgen, u voor den val te behoeden ; gij moet u versterken tegen de vijanden uwer zaligheid,â tegen de gelegenheden van zonde, tegen uwe kwade driften. De noo-dige kracht daartoe put gij in het veelvuldig gebruik der HH. Sacramenten. En wel vooreerst in het H. Sacrament der Jiiccht. â Wanneer men tot zich zeiven zegt; binnen acht dagen moet ik gaan biechten, dan is men tijdens die acht dagen zeker op zijn hoede.â De gedachte; als ik die zonde bedrijf moet ik ze biechten,â die gedachte alleen zal u lemghouden. Verder in den biechtstoel zelf ontvangt men raadgevingen van den biechtvader, die ons de middelen aangeeft om niet te hervallen. Daarbij komt nog de bijzondere genade aan de Biecht als Sacrament verbonden,â eene genade die de kracht bezit ons voor val te bewaren. Dus dikwijls gaan biechten is een voortreffelijk middel tegen den val in de zonde. Maar nu de H. Communie.â O daarin vooral put men de noo-dige kracht om de zonde te vermijden,â daarin vindt men overvloedige genaden om zijne ziel te heiligen. Waar toch putteden de martelaars dien heldenmoed om alle gevaren te trotseeren, alle folteringen te verduren ? In de H. Communie. â âWij zijn sterk, zegt de H. Cyprianus, omdat het bloed van Jesus Christus in onze aderen stroomt.quot;â Wanneer wij onze soldaten ten strijde zenden, zegt Tertulianus, zenden wij hen niet weg zonder wapenen,â wij geven hen tot wapenen het Lichaam en Bloed van Jesus Christus. Ook gij M. B., zulf aan diezelfde bron de noodige kracht putten, om als deugdzame en ijverige christenen te leven. Daar zal uwe ziel vervuld worden met kracht en sterkte,â daar ontvangt gij den Gever zeiven dei-genade,â daar leert gij leveu niet meer voor u zei-
ven maar voor God. âQui manducat me, ipse vivet propter me.quot; (Joan. IV. 58.) Daar ontvangt gij den wijn die maagden voortbrengt. â Maar hoe dikwijls dan moet gij naderen tot de HH. Sacramenten ? Dat verschilt voor de verschillende klassen van personen en moet overgelaten worden aan het oordeel van een verstandigen biechtvader,â doch allen wie gij zijt of niet, zorgt zoo te leven dat gij tot de Sacramenten kunt naderen ten minste op de Hooge Feestdagen Onzes Heeren,â op de Feestdagen van Maria,â in de maand Maart ter eere van den H. Joseph,â op den eersten Vrijdag of Zondag der maand ter eere van het Goddelijk Hart van Jesus,â en nog meermalen daarenboven gedurende het jaar.â
11. Maar ik hoor u tegen het veelvuldig naderen tot de HH. Sacramenten allerlei bedenkingen en verontschuldigingen aanvoeren,â laat ons eens hooren of zij wel stand kunnen houden. Sommigen zeggen : âik ben nietwaardig, om zoo dikwijls te communiceeren 1quot;â Wat wilt gij daarmede zeggen ? Dat God te groot en gij te nietig zijt, om tot Hem te durven naderen f â Jesus Christus wist dat zeer goed, â en niettemin beveelt Hij ons, Hem in de H. Communie te ontvangen. â Hij wilde zich ter onzer liefde vernederen; dus ondanks onze ellende en onwaardigheid moeten wij niet vreezen tot Hemte gaan. Wilt gij misschien daarmede zeggen dat gij in staat van doodzonde zijt ? Ja, dan zijt gij niet waardig te communiceeren, maar het valt u niet moeilijk u waardig te maken; spreekt eene goede biecht, en gij zult de genade Gods terug bekomen, die noodzakelijk is, om Jesus Christus in de H. Communie waardig te ontvangen. Wilt gij misschien zeggen dat gij zoo lauw en koud zijt in de liefde tot God. Maar de H. Communie is een vuur dat de ziel in liefde
- 180 â
tot God ontvlamt. Gij wilt geen geneesheer omdat gij ziek zijt,â en juist omdat gij ziek zijt, moest gij tot den geneesheer gaan. Indien gij niet gaat dan met Paschen, zult gij dan waardig zijn\'? Integendeel gij zult dan meer zonden op het geweten hebben, â en dus minder waardig wezen.â
âIk zou wel meer gaan ; maar ik weet niet wat ik biechten moet ?quot; Is dat oprecht gesproken ?â Ik veronderstel dat gij geen doodzonden te biechten hebt,â maar bedrijft gij dan niet eiken dag tal van dage-lijksche zonden, vrijwillige leugens, kwaadspreken, verzuimenissen in het gebed, zoovele fouten tegen de liefde, enz.â ? En zoovele Heiligen dan, die dagelijks biechtten,â wat hadden zij te zeggen ? Kortom al had-det gij oogenblikkelijk geene zonden op het geweten,â gij hebt toch nog altijd zonden van het voorgaande leven waarvan gij u nogmaals kunt beschuldigen. En stelt dat gij volkomen vrij van zonde waart, des te heter,â de biecht is er des te gemakkelijker om.
âMaar, men zal mij uitlachenquot;.â Wie dan ? De Z. E. Heer Pastoor uwer parochie ? O neen, hij zal tevreden zijn u te mogen rangschikken onder de ijverige parochianen der gemeente.â Zijn het de deugdzame en brave menschen der parochie ? Ook niet, zij voelen zich gelukkig u te zien handelen evenals zij; zij beminnen God en verlangen dat Hij ook door anderen bemind worde. Wie dan? Zijn het misschien slechte christenen, lauwe katholieken? Neen, doorgaans zullen zij u niet bespotten,â in den grond van hun hart denken zij dat gij beter zijt dan zij,â dat gij meer moed hebt dan zij,â niet zelden zullen zij u deswege nog hooger achten. Weet gij van wien gij bespotting te wachten hebt.? Van een of anderen losbol, van een lichtzinnig jongeling, wiens bespotting volstrekt niets
â 181 -
te beteekenen heeft. â Laat hen maar lachen, wij zullen eens zien wie het laatst zal lachen ! Somtijds hoort men zeggen: ,,Ik heb geen tijd om . . . dat is goed voor kloosterlingen en nonnen; voor mij echter is het volstrekt onmogelijk.quot;â Gij hebt geen tijd? Gij hebt wel tijd om te eten, en gij zoudt geen tijd kunnen vinden om uwe ziel te voeden ! Gij vindt wel tijd om 2, 3, 4 uren per week in de herberg door te brengen. â De eerste christenen vonden wel tijd om iederen dag tot de H. Tafel te naderen ; en toch onder hon vond men menschen van alle standen ; er waren onder hen rechters als Nicodemus, advokaten als Gimaliël, geneesheeren zooals de H. Pantaleon , soldaten zooals Sebastianus en de hoofdman Cornelius, â handwerkslieden zooals Simon de leder-bereider. Neen, het zijn niet de bezigheden die u beletten, het is de goede wil die u ontbreekt. â O, indien men goud of zilver uitdeelde, zoudt gij wel tijd vinden om te komen,â en toch in de H. Communie ontvangt gij meer dan dat, â den Maker zeiven vau alle goed.
O M. B., bemindet gij Jesus! uw grootste geluk zou wezen. Hem van tijd tot tijd in de H. Communie te ontvangen. Bemint ten minste Jesus met het oog op u zeiven. Hebt gij geen kruisjes, geen leed en kommer V Zegt niet, ik heb niemand die mij troost; want hoort wat Jesus u toeroept: â Venite ad me omnes.quot; â Gij allen die kruisjes en lijden hebt, gaat tot Jesus en Hij zal u verlichten, â gaat tot Hem, gij die bedroefd zijt en Hij zal u troosten, â gij die arm en behoeftig zijt en Hij zal u verrijken, â die ziek zijt, en Hij zal u genezen. Gij allen die op een of andere wijze te lijden hebt, gaat tot Jesus, Hij kan en zal u helpen. De veelvuldige
â 182 â
H. Communie zal uw geluk uitmaken tijdens dit leven, maar vooral zal zij voor u wezen een waar genot in het uur des doods. Ja in dien laatsten stond zal Jesus tot u komen, â Hij zal u troosten en sterken in uwen doodsstrijd,â Hij zal het onderpand wezen uwer toekomstige verrijzenis en van het eeuwig leven. Amen.
XXIII.
Viering van den Zondag.
M. B.. vandaag wil ik u spreken over oen gewichtig onderwerp, of liever ovei een groot gebod, dat onder de (ien Geboden Grods zeker niet de laatste plaats bekleedt,â en dat dikwij s zoo weinig geacht, en helaas in onzen tijd op vele plaatsan zoo schandelijk ovsrtreden wordt. Ik bedoel het derde fcrebod .⢠Het vieren van den Zondag.â Het is eene schande voor de Katholieken in het algemeen, als men ziet hoe in vele katholieke landen de zondagsrust minder ge eerbiedigd wordt dan in vele protestansche landen,â en zoo b. v. kan men in België en Frankrijk, twee katholieke landen, ten minste in sommige gedeelten, niet zien of het daar zon- of werkdag is. In Engeland daarentegen een protestantsch land wordt de zondagswet met de grootste stipt- pn nauwgezetheid onderhouden. Dat is droevig M. B., te meer daar de ondervinding leert dat de verslapping in het onderbonden der zondagswet, tevens ecnc verslapping, eene verflauwing in het geloof te kennen geeft.â De zondagswet bevat eene tweevoudige verplichting : 1) ons van slafelijken arbeid onthouden 2) den zondag door werken van godsvrucht heiligen. Spreken wij
â 184 â
eerst over de eerste verplichting; zich onthouden van verboden werken. Den christen zijn op zondag alle slafelijke, of zooveel als slafelijke werken verboden.â Merken wij te voren op M. B., dat het verbod van te werken, dat God den Joden voorschreef op den Sabbatdag veel strenger was dan onze zondagswet. .,Non facielis omne optis in eoquot;â (Levit. XXIII. 3) God scheen den Joden, de meest noodzakelijke werkzaamheden van \'s menschen leven verboden te hebben. Het was hun verboden op den sabbatdag het vuur am te maken, het eten te bereiden,â vandaar dat de vrijdag genoemd werd âParasevequot;,â of dag van voorbereiding; omdat men op dien dag de spijzen bereidde die noodig waren voor den sabbat. Zij mochten koopen noch verkoopeu,â zij mochten zelfs niet reizen, of eenvoudig maar wandelen verder dan een uur. Zij mochten geen last dragen, evenmin mochten zij hunne slaven laten werken. God wilde dat de rust algemeen zou zijn, ja zelfs zich uitstrekte tot de dieren; zij mochten os noch paard voor den wagen spannen, en de voorname Joden wilden zij op den sabbatdag van huis gaan, moesten dat te voet doen. Hoe streng en lastig dat gebod ook was, het werd niet enkel met nauwgezetheid, maar zelfs met angstvalligheid onderhouden. Hoe beschamend voor vele christenen die de zondagswet welke oneindig lichter en gemakkelijker is dan de strenge sabbat wet der Joden, toch zoo slecht onderhouden! Inderdaad ons zijn alleen slafelijke en zooveel als slafelijke werken verboden â Slafelijke werken zijn dezulke waaraan het lichaam veel meer aandeel heeft dan ile geest, b. v. alle veldarbeid, alle ambachten, als dat van timmerman, metselaar, schoenmaker, enz.;â ook alle handenarbeid die door daglooners verricht
â 185 â
wordt om hun brood te verdienen: als weven, spinnen, naaien, breien, enz.â Zooveel als slalelijke werken zijn dezulke die wel niet geheel en al stoffelijk zijn, maar die bovenmate den geest bezighouden en verstrooien; dus alle soort van koophandel, rechtsgedingen en proeessen, enz. Onmogelijk hier in bijzonderheden te treden; wie nadere bijzonderheden verlangt te kennen, kan daarover met zijnen biechtvader spreken Men maakt zich dus schuldig aan zonde tegen het derde gebod, telkenmale als men zonder wettige reden, slafclijken arbeid verricht, â onverschillig of men het doet uit winst of bij wijze van tijdverdrijf en verzet;â en indien die arbeid geruimen tijd duurt, begaat men zelfs doodzonde. Iemand zal zeggen: ik had een kleedingstuk of eene andere zaak op tijd te leveren, en ik kon daarmede niet klaar zijn, zoo ik zondags daaraan niet wat werkte. Geene verontschuldiging.â Een ander zal zeggen ; ik heb zondags wat gewerkt, doch binnen \'s huis, â niet om te verdienen, maar uit tijdverdrijf en verzet. Geene verontschuldiging ; gij had een ander verzet moeten kiezen,â gij had anders den tijd moeten doorbrengen. Ik heb evenwel gezegd: bijaldien er geene wettige reden is, die u van het gebod ontslaat.â De joden namen het gebod van den Sabbat al te letterlijk op en meenden dat het hun op den Sabbatdag zelfs verboden was, zich tegen den vijand te verdedigen. Zoo lezen wij in de H. Schrift, in het boek der Machabeën, dat eene afdeeling Israëlieten onverhoeds omsingeld door den vijand, zich als vee liet slachten, om door het bieden van wederstand den eerbied aan den Sabbatdag verschuldigd niet te schenden. Maar hunne handelwijze werd door Mathathias, hua aanvoerder, streng afgekeurd,â hij verklaarde dat in dit geval de wet van
- 186 -
den Sabbat niet verplichtte. â Er zijn dus uitzonderingen op de zondagsrust, en wel drie, die doorJesus Christus in het Evangelie tamelijk duidelijk worden aangegeven : 1) Als het gêldt de eer van God ; 2) de liefde tot den Naaste; 3) eene ware noodzakelijkheid. Ik zeg; als het geldt de eer van God. Jesus Christus prijst de priesters die op feestdagen werkzaamheden verrichten, die betrekking hadden op den eeredienst van God. Daarom mag men ook zekere personen niet veroordeelen, die op zon- en feestdagen in de kerk werkzaamheden verrichten die met den dienst van God noodzakelijk zijn verbonden, zooals het oprichten van altaren, het versieren der kerk, het spelen van het orgel, het luiden der klok, enz. Verder ook als het geldt de liefde tot den Naaste.â Zoo liet Jesns Christus b. v. niet na op den Sabbatdag zieken te genezen en Hij berispte de Phariseërs die zich ergerden aan zijn gedrag, als ware het eene schennis der wet: âSchijnheiligen, zeide Hij tot hen ; indien iemand onder u een schaap had, en dat schaap viel bij ongeluk op den sabbatdag in het water, zoudt gij het er dan niet uithalen niettegenstaande het Sab bat is ? Nu, is een mensch dan niet meer waard dan een schaapquot; ? Het is dus geoorloofd op den zondag te werken in geval de naastenliefde dat vordert. Eindelijk ware noodzakelijkheid. Om die reden verontschuldigde Jesus zijne leerlingen, die door den honger gedwongen op den sabbatdag korenaren verzamelden. Deze reden bestaat ook voor doodarme menschen die geen ander middel hebben om in hunne behoeften en in die van huu huisgezin te voorzien, dan door zondags al eens wat te werken.â Eveneens als er spraak is om een ot ander dreigend onheil te voorkomen, of ook als het een of ander werk geldt
â 187 -
dat zonder gevaar of zonder groote schade en nadeel niet uitgesteld kan worden; zooals b. v. het geval kan zijn met het inhalen van den oogst ten tijde van den zomer.â Bij deze drie redenen kan men nog voegen eene wettig bestaande gewoonte, die door de kerkelijke overheid zoo niet goedgekeurd, ten minste geduld wordt. En zoo b. v. M. B., mag men niet veroordeelen de verkoopers van levensbehoeften, als: slachters, bakkers en anderen die des zondags hunne winkels voor het publiek toegankelijk stellen.â Niet te verontschuldigen echter zijn zij die op gezegde dagen allerlei handel drijven, â en dat wel in het openbaar op straten en publieke plaatsen, â tot zelfs onder de kerkelijke diensten, â dat moet als een misbruik, als eene ontheiliging van den zondag beschouwd worden. Luistert eens M. B., naar een staaltje van zondagsviering in Amerika. In de steden der Ver-eenigde Staten van Noord-Amerika zijn des zondags alle winkels en magazijnen gesloten, uitgenomen al leen de apotheken. Markten en plaatsen van uitstalling zijn verlaten. Het rollen der rijtuigen, het geroep der kooplieden, het gedruisch van het handwerk, alles heeft opgehouden; men hoort slechts het gelui der klokken, de tonen van het orgel en den zang van godsdienstige liederen. Tot vóór eenige jaren waren zelfs de straten afgesloten, om het verkeer der rijtuigen te beletten,â ten einde de kerkelijke diensten niet fe storen.â De omnibus-dienst is des zondags gestaakt, â op veel lijnen is zelfs de spoorwegdienst gestaakt, de stoombooten blijven ten anker liggen, â de theaters, billard-, concert- en speellokalen blijven gesloten, de kerken alleen zijn open,â van tien uren tot den middag zijn alle straten doodseh en verlaten,â elke gezindte is ter kerk, en wie in dien tusschentijd
â 188 â
in de straten zou wandelen, zou zeker eenon onguns-tigen indruk maken op die personen die te huis moeten blijven om het huis te bewaken. Even stipt als in Amerika wordt ook in Engeland en in sommige andere protestantsche landen de zondagsrust geëerbiedigd. De Kerk beveelt op zon- en feestdagen eene volstrekte rust, de staking van allen slafelijken arbeid, opdat de geloovigen do gelegenheid zouden hebben die dagen te heiligen door gebed en oefeningen van godsvrucht. Die rust is voor velen eene aanleiding tot een ander misbruik. Daar zijn er die het grootste gedeelte van den zondag in de herbergen doorbrengen, niet zelden met verzuim der kerkelijke diensten. Luistert eens naar de voorbeeldige straf, die op zekeren dag aan een troepje van die herLergsklanten werd toegediend. De hertog van Brunswijk, die op het einde der vorige eeuw leefde, stelde veel prijs op de viering van den zondag. Op zekeren dag hoort hij, dat een troepje mannen gewoon was des zondags zoodra de kerkelijke diensten begonnen, in eene herberg te vergaderen, en al den tijd dien zij in de kerk hadden moeren wezen, doorbrachten met drinken. De hertog, gekleed in eenen eenvoudigen overjas, die tot aan de kin was toegeknoopt, begeeft zich zondags naar de aangewezen herberg. Zoodra de klok geluid werd voor den aanvang van den Dienst, treedt ons troepje drinkers lustig de herberg binnen, voorafgegaan van een dikken zwaren kerel, die te oordeelen naar zijn paar-sche neus en vuurrood gezicht, de aanvoerder der bende moest zijn.â Allen zetten zich aan tafel rondom hun aanvoerder, die den hertog, welken hij niet kende, uitnoodigt aan zijne zijde plaats te nemen. De kastelein zet eene groote kruik brandewijn juist voor den chef op tafel. Deze grijpt haar vast met
â 189 â
beide handen, drinkt een stevigen slok, en geeft ze over aan den hertog, zeggende : âOvergeven aan uwen buurman.quot; â Driemaal doet de kruik de rondte, telkens met bijvoeging van : âovergeven aan den buurman.quot; Nu staat op eens de hertog woedend op, â ontknoopt zijn overjas,â toont wie hij is,â geeft eene geduchte oorvijg aan den aanvoerder, zeggende: âovergeven oan uwen buurman.quot; En daar deze aarzelde, grijpt de hertog zijn degen. âAanstonds gedaan wat ik bevolen heb, of gij zult afrekenen met mijnen degenquot;.â En nu gaan alle armen omhoog, het regent slagen eenige minuten lang,â met bebloede neus en kop doken allen weg, en den volgenden zondag waren allen in de kerk, in plaats van in de herberg. M. B. heiligt den zondag door het bijwonen der H. Mis, onderrichting, â vespers, â brengt verder den dag stichtend door,â want in do heiliging van den zondag hebt gij een onderpand van zegen voor de ganaehe week Ameu.â
III. ONDEUGDEN, GEVAREN, GELEGENHEDEN TOT ZONDE, ENZ.
XXTV.
Hoogrnoed.
Tn onze oonferentiën over de acht zaligheden hebben wij leeren kennen den geest van Jesus Christu^ die ook de geest moet zijn van iederen volgeling van Christus, van eiken geloovigen christen. De geest nu van Jesus Christus is een geest van nederigheid en zachtmoedigheid,â van heilige droefheid en dorst naar de rechtvaardigheid,â van vrede en lijdzaamheid. Met dien geest van Jesus Christus is lijnrecht in strijd de geest der wereld ; dat kunnen wij reeds opmaken uit de eerste der acht zaligheden. Daaiiu immers zegt de Zaligmaker: âzalig zijn zij, die arm
van geest zijn\'\',â dat is : de nederigen, want.....De
wereld daarentegen prijst den hoogmoed zalig en roemt hen die zich daardoor laten beheerschen. Wij willen in eene reeks oonferentiën, dien geest der wereld eens wat meer van nabij leeren kennen ; en beginnen
â lit I _
met den hoogmoed.â De hoogmoed is eene ongeregelde liefde onzer eigene voortreffelijkheid. De hoogmoedige weigert God te geven .vat Hem toekomt. Hij beschouwt al wat hij heeft on al wat hij is, als komende van hem zeiven, of ten minste als verschuldigd aan zijne verdiensten. âManv.s no.itra excelsa et non Dominus fecit haec omnia.quot; (Dent. XXX] 1. 27.) Aan ons zeiven aan onzen arbeid zijn wij dat alles verschuldigd.â In zeker stadje van België, leefde een kleine winkelier, die veel moeite had om van Januari tot December aan den kost te komen Op eens bekwam hij een rijk erfdeel van eenen oom, die bij testament hem zijn gansoh vermogen vermaakte.â Die onverwaohte begunstiging der fortuin sloeg hem in het hoofd. Hij kleedde zich als een rijken Mijnheer on zijne vrouw als eene groote dame. Hij kocht een schoon huis, â richtte het tot een groot lakenmagazijn in, en voorzag het van kostbare meubelen. Om zich nog meer te doen gelden, sloot hij zich aan bij eene liberale maatschappij,â liet zich opnemen in de vrijmetselaarsloge, en begon voortaan op paus, bisschoppen en priesters te schimpen. Ten laatste was hij met iedereen in onmin ;â vergat men hem te groeten dan werd hij boos,â durfde men hem tegenspreken dan werd hij woedend. Zelfs zijne klanten vonden bij hem geen genade ; hij geriefde hen alsof zij verplicht waren bij hem hun geld te besteden. Zijn hoogmoed steeg hoe langer hoe hooger; maar ook zijne klanten verminderden in dezelfde mate. Evenals hij niemand kon lijden,â zoo had ook ten laatste iedereen aan hem het land. Zijne zaken gingen hoe langer hoe slechter. Eindelijk was het vette erfdeel geheel en al op. Alles werd ver kocht voor de schuld.â En thans woont hij in een afgelegen dorp op een zolderkamertje. Om aan den
â 192 â
kost lt;e komen, gaat hij de huizen rond met garenen band, terwijl de Madame op daggeld gaat wasschen en strijken. De hoogmoed had hem gemaakt tot vijand van God en van de mensohen, en zoo werd hij zijn eigen vijand â Ja, de hoogmoedige is een vijand van God, van anderen en van zich zeiven. Hij is vijand van God ; want hij ontrooft God wat Gode toekomt, te weten: zijne Eer en Glorie. â Hij doet als zeker rentmeester die zich aanstelde alsof hij de heer was van het kasteel; hij was boos als men hem niet een diepen eerbied betoonde,â en hem niet prees over liet rijtuig en de paarden die hij tot zijn gebruik had. Zoo doet ook de hoovaardige, die geprezen wil worden om zijn verstand, om zijne bezittingen, om zijn vee, alhoewel dat eigenlijk niet aan hem, maar aan God toebehoort. En wat is het gevolg daarvan ? Dat God zich op den hoogmoedige vertoornt en vroeg of laat hem zijne geduchte wraak doet gevoelen. Keizer Diocletiaan was de hoogmoed in persoon. Na zijne zegepraal over de Perzen, wilde hij als God aanbeden, en gehouden worden voor een broeder van de zon en van de maan. Men moest zich voor hem ter aarde nederwerpen en zijne voeten kussen. Maar het duurde niet lang of zijn hoogmoed kwam ten val. Zijn gansch lichaam zwol op, zijne tong die zoo vaak God gelasterd had, begon te rotten, â en werd het aas der wormen. De zeven laatste jaren zijns levens leidde hij een vergeten leven, door iedereen veracht, zelfs mishandeldâ en liet zich den 3 December 312 van honger sterven. Hoogmoed komt in den regel tot val. De hoogmoedige is ook de vijand van anderen. Hij kan niet lijden dat anderen boven hem geplaatst zijn, en tracht hen door allerlei middelen, als kwaadspreken en lasteren te benadeelen. Hij brengt gewoon -
â 193 â
lijk door zijnen koppigon hoogmoed alles inde war,â b. v. in huis waar alles naar zijnen wil moet geschieden, of het goed is of niet,â in de bestiering van lands-en gemeentezaken, welke hij dwarsboomt. Ja, een eigenzinnige en hoogmoedige die daar zetelt in het raadhuis, is in staat eene gansohe gemeente in de war te brengen.â Weet de hoogmoedige anderen niet to ontzien, hij wordt op ziine beurt ook door hen niet ontzien,â zijne verwaandheid kost hem soms menige dure beschaming. â Een reiziger uit Parijs stapte voor zaken te Carcassonne af. Hij treedt een hotel binnen om het middagmaal te gebruiken. Het was een jong mensch, net van voorkomen, elegant en smaakvol gekleed. â Hij treedt de eetzaal binnen. Zonder iemand te groeten, plaatst hij zich voor den spiegel, neuriet een lustig deuntje, en neemt vervolgens met zekere minachting alle aanwezigen van kop tot teen op. Een jeugdig heer eenvoudig gekleed, zat in een hoek te lezen, en gaf in het minst geen acht op den verwaanden Parijzenaar. Deze, geraakt over die onverschilligheid, trad den lezer ter zijde, groet hem even en zegt: âMijnheer leestquot; ? â Ja, ik lees, zooals gij ziet.â Mag ik eens vragen welk boek Mijnheer leest?â O ja, ik lees een boek getiteld : âDe verwaande Nieuwsgierigequot; gaf de andere op minachten, den toon ten antwoord.De Parijzenaar begreep aanstonds de strekking van het antwoord, hij werd rood en vroeg al stamelende : âMag ik ook den naam weten van hem die mij met zooveel minachting toespreekt.quot; ?â O ja, ik ben ridder N. maak deel uit van het.... regiment, enz.â Gij moot ongetwijfeld mijn naam kennen,â Mr Gruil-laume uw vader die kleermaker is, is dikwijls met kleedingstoften bij mij geweest. Alle aanwezigen in de zaal begonnen lustig te lachen. De elegante kleer-
13
â 194 â
makerszoon werd bleek, en zorgde dat hij zoo spoedig mogelijk de zaal uitkwam; hij had anderen willen bespotten; doch werd op zijne beurt zelf bespot.â 3) De hoogmoedige eindelijk is vijand van zich zelven. Voortdurend martelt en tobt hij zich af om zijnen hoogmoed te kunnen stijven.â Hij doet monigen verkeerden stap waarover hij naderhand bittere spijt gevoelt; hij zal b. v. xiit hoogmoed een paard of eene koe veel te duur koopen, hij zal geprikkeld door eerzucht soms dwaze ondernemingen beginnen, zich in langdurige en kostbare processen wikkelen,â en dergelijke meer. Op die wijze kwelt en foltert hij zich zelven. â Hij doet als de wijsgeer Diogenes, die uit hoogmoed blootsvoets op het ijs ging staan en aldus vreesolijke koude leed, enkel en alleen om door de menschen bewonderd en geprezen te worden. Welk verschil tusschen dien trotschen wijsgeer en den z. lligen Johannes Berchmans dien nederigen Heilige, die in den winter schoenen droeg zonder zolen, om zijne versterving voor het oog der menschen te verbergen. Zoo doen de ware nederigen die groot willen zijn niet voor de menschen, maar voor God; terwijl de hoogmoedige alles doet enkel voor het oog der wereld. Het is bekend dat in China het ijdele vrouwengeslacht er prijs op stelt kleine voeten te hebben ;â wie de kleinste voeten heeft wordt voor de schoonste vrouw gehouden. Vandaar dat de chineesche vrouwen van jongs af door drukken en samenpersen hare voeten vtrminken; zij worden als het ware martelaressen van den hoogmoed. Menige hoovaardige hier te lande martelt en kwelt ook zich zelven tot voeding van zijn hoogmoed. Hij maakt schulden om te kunnen pronken, hij zal aimoede en gebrek, honger en dorst lijden, om wille van den hoogmoed. Arme verblinde
man, die zich zooveel ontberingen oplegt voor wat ijilele eer, die als een damp opstijgt en verdwijnt ! M. B., hoogmoedigen vindt men in onze dagen bij hoopen in alle klassen en standen der maatsoliappij-Tot welke klas de hoogmoedige ook behoort, hij is en hij blijft verachtelijk. Nochtans in uwen stand is de hoogmoed verachtelijker dan in eiken anderen.â Een koning, een edelman, een rijk bankier, een stedeling moge ook alwat hoovaardig zijn, het woidt huil nog al vergeven,â hoogmoed daarentegen in uwen stand vindt geon genade.â Men maakt zich niet allen verachtelijk, maar ook bespottelijk. Eenvoud en nederigheid maken het sieraad uit van uwen stand. Een handwerksman, een landbouwer die eenvoudig is, doet zijnen stand eer aan. Hij wordt door iedereen geacht en wint een ieders vertrouwen. Eon verwaand landbouwer daarentegen, die met minachting op zijne medemenschen neerziet, die alles afkeuit wat anderen doen, die meent dat hij alleen zijn vak kent, die in herbergen en gezelschappen voortdurend pocht op zich zeiven, die wil dat iedereen weet hoeveel stuks vee hij op stal heeft, hoeveel bunders hij bebouwt,â maakt zich zeiven belachelijk, en wee hem! als hij eens later achteruit mocht gaan, dan zal niemand hem beklagen, maar iedereen zal zeggen : hij heeft het verdiend. Een tamelijk verwaande grondeigenaar, snoefde op zekeren dag in een gezelschapskring over zijne bezittingen, hij telde o. a. snoevend zijn vee. Een der aanwezigen die hem beter kende dan hij zich zeiven, zeide fluisterend tot zijn buurman; ânu telt hij zelf zijn vee, het zal niet lang meer duren, of het zal hem gerechtelijk wor len voorgeteld. Hij sprak waarheid.â En geen wonder, want hoogmoed komt tot val. âWie zich verheft zal vernederd, en wie zich vernedert zal verheven worden.quot; Amen.â
XXV,
Trolschheid en IJdelheid.
Den vorigen zondag heb ik u gesproken over den hoogmoed in het algemeen, en u doen zien dat de hoogmoed den menseh vijand maakt van God, van anderen en van zich zeiven. Vandaag gaan wij den hoogmoed eens beschouwen in het bijzonder.â in de toepassing, of in het dagelijksch leven. Met andere woorden; vandaag gaan wij eens behandelen twee soorten van hoogmoed : de Trotschheid en de IJdel beid. Gij kent allen de pauw, Welnu de pauw is een sprekend beeld van den hoogmoed. Zij stelt zoo treffend en gelijkend de twee soorten der genoemde ondeugd voor. Do trotschheid vertoont zij in haren gekuifden kop en schoonen hals, dien zij fier opsteekt en verheft. De ijdelheid vertoont zij in haren prach-tigen eleganten staart, dien zij pronkend ter bewondering uitspreidt.â Trotschheid is eene overdreven zucht naar de hoogachting van anderen. Een trotsche vleit, prijst, verheft zich zeiven,â een ijdele wordt gaarne van anderen gevleid, geprezen en verheven Men kan trotsch zijn op zijne geboorte en afkomst. Geen grootere dwaasheid dan die! Dc zoon van een koning wordt even arm geboren als die van een bede-
â 197 â
laar, en bij den dood nomen beide even weinig mede naar het graf. Niet in de geboorte, maar in de deugd ligt de ware grootheid van don monseh. Veel eervoller is het van geringe afkomst to zijn en door oppassendheid groot te worden i;i de wereld, dan van hooge afkomst te zijn en door ondeugd zijn rang oneor aan te doen. Jacques Laftite, een rijk bankier, lid van de Kamer der Afgevaardigden, gewezen President van den ministerraad, gestorven te Parijs in 1844, was de zoon van een timmerman. Nooit verloor hij uit het oog zijne nederige afkomst. Zijne kleiu-doehter, een kind van den prins van Moskowa zijn schoonzoon, verhaalde hem op zekeren dag al spelende, dat hare gezellinnen in het pensionnaat, haar prinses plachten te noemen. Over eene moeilijkheid echter konden zij niet heenslappen, namelijk : âof u, grootvader! ook prins zijt.quot; i1â Het antwoord is eenvoudig, zeide Laftite, gij zult aan uwe vriendinnen zeggen dat ik prins ben, â prins van do schaaf,â en als zij die uitdrukking niet verstaan.â zog haar dan dat uw grootvader de zoon is van een timmerman. Hij ging er groot op, zooals gij ziet, niet dat hij van hooge maar van nederige afkomst was.â Sommigen zijn trotsuh op hun geld eu goed, evenals of daarin de grootheid van den mensch bestaat Niets toch is wisselvalliger dan geld en goed,â vandaag is men rijk, morgen kan men doodarm zijn. Job was een der rijkste grondbezitters van zijn land,â op ééns wordt hem alles ontnomen, geen stoel houdt hij over, hij moest zich neder zetton op een mesthoop. Anderen zijn trotseh op hun verstand of hunne begaafdheden. â Dezulken toonen in den regel, dat zij eenon oigenzinnigon en verwaanden, maar niet een verstandigen kop hebben. Een mensch die verstand heeft, loopt met ziju kennis en
â 198 â
begaafdheden niet te kijk. Daar zijn er ook die trotsoh zijn op hun hart. Zij beelden zich in dat zij heilig en volmaakt zijn, dat zij nimmer fouten begaan, goene gebreken hebben, enz.. . . Zulke zien sums mot minachting neder op anderen die veel beter zijn dan zij,â zij hebben nooit iets te biechten,â hebben ook niets te vragen in het gebed; ja gaan soms zoo ver zich te beschuldigen om geprezen te worden. Zoo deed eens eene zuster, die tot overste was gekozen ten opzichte van den H. Franciscus van Sales; âIk ben, zoo sprak zij, die verheffing niet waardig.quot; â âDat is waar, antwoordde de Heilige, en daarom keur ik de keus goed., nu zult gij verplicht zijn wat meer op uw gedrag te letten en u waardig te maken.quot;â Evenzoo viel eene kwezel voortdurend Pater Abraham a Sanota Clara lastig, met de betuiging dat zij de grootste zondares der wereld was. Op zekeren dag gaf de pater haar ten antwoord: .,.Tot nu toe geloofde ik dat niet; maar sedert dat ik zoo al wat wat van u heb hooren zoggenquot;... Toen viel zij uit: Hoe! wat heeft men van mij te zeggen?â Hoe kunt gij daar geloof aan hechten V Dat was de proef op de som van haren bedekten hoogmoed.â Ziedaar een woordje over de Trotsehheid of over de overdreven hoogachting van zich zeiven. Zeer verwant daarmede is de IJdelheid. Het ziju als zuster en broer. Immers, terwijl de trotsche zich zeiven prijst en vleit,â zoekt de ijdele door anderen geprezen en gevleid te worden. IJdel kan men ziju in kleederen en opschik. Die soort van ijdelheid is algemeen verspreid in onze dagen- Veronderstelt dat iemand die voor honderd jaar in onze streken leefde eens uit het graf opstond,â wat zou hij staan te zien als hij zondags b. v. de kerk eens binnentrad! O! zou hij uitroepen, wat zijn de tijden veranderd ! wat heerscht
â 199 -
er tegenwoordig voorspoed en welvaart in het land, te oordeelen ten minste naar de kleeding der men-schen. â En als men zou zeggen : gij vergist u ; hij zou hot niet kunnen gelooven. Uit alles evenwel kan mon opmaken tegenwoordig dat de tijden slecht zijn. Men maakt niet meer zooveel kosten bij kermissen en feesten, niet meer zooveel verteringen in herbergen als vroeger, het kan niet meer lijden: âBruintje, zegt men, kan het niet meer trekken.quot;â De heden-daagsehe kleeding en opschik daarentegen gaan hun gang; daaruit kan men afleiden den achteruitgang in het stof lelijke. Die zucht naar ijdelheid en opschik is eene groote kwaal van onzen tijd, zij geeft te kennen eene daling op het peil der zedelijkheid.â M. B. als zich schimmel op de kaas vertoont, is dat een teeken dat de kaas bedorven is; zoo is hot insgelijks te vreezen dat het hart bedorven is, als er te veel schimmel van ijdelheid op het hoofd of aan het lichaam hangt.â IJdel kan men zijn in zijne woorden. Daar zijn er die altijd van zich zei ven spreken ; zij doen gelijk de koekoek, die niets dan âkoekoekquot; roept. Zij willen u doen bewonderen, hoe slim zij gehandeld hebben, hoe fijn zij hunnen handel, hunnen akker, hun huishouden bestieren. Zij. vangen eiken volzin aan met het woord: Ik dit en ik dat,â ik zus en ik zoo.â Bij hen zetelt de ijdelheid meer bijzonder in den mond, en op de tong. Eindelijk nog kan men ijdel zijn in werken. Zij die ijdel zijn in hunne werken, doen soms de zonderlingste zaken, de vreemdste kuren, enkel en alleen om maar van zich te doen spreken. Zij zullen buitengewoon groote onkosten doen met bou wen, met tuinen aan te loggen, â groote reizen ondernemen, enz. â en dat alles doen zij louter uit ijdelheid, om van zich te doen spreken of de aan-
â 200 â
dacht, het oog der menschon tot zich te trekken. Ziet gij nu niet hoe laag, hoe verachtelijk de trotschheid en de ijdelheid is ?â Van geen kwaad dan ook hoeft God zulken afkeer als van den hoogmoed : âOdilibis est coram Deo stiperhia.quot; (Eceli. X 7.) Ja, Hij haat den hoogmoedige zoozeer dat Hij hem niet afwacht tot het ander leven, maar hem reeds straft hier beneden. En waarin bestaat doorgaans die straf?ââDaho vos in opprohrium et ignomimam.â Ik zal n overleveren aan vernedering 01 heschaming.quot; (Jerem. XXIII. 40.) Ja, eene gevoelige beschaming ontloopt hij niet. Ziehier een voorbeeld, dat wel wat zonderling is, maar tevens duidelijk bewijst, wat ik zoo even kom te zeggen. In het zuiden van Frankrijk woonde een landbouwer, een pachter, die in het dorp algemeen bekend stond als een verwaande, een ijdele boer. Bij die verwaandheid voegde hij daarenboven nog eene groote schraapzucht en gierigheid. Luistert eens wat hem op zekeren dag wedervoer. Hij moest voor zaken op reis naar Marseille ; maar 27 of 28 fr. betalen voor een kaartjeâ daartoe kon hij niet besluiten, dat was hem te veel. Hij liet dan aan het station vragen, hoeveel het vervoer moest kosten van eene kist tuingrond, wegende ongeveer 80 kilogr.â gewonen spoed.â Het verschil in prijs was groot. Onze boer neemt dan plaats in een houten kist, waarvan het deksel en de wanden voorzien waren van kleine luchtgaten. De kist bevatte ook provisie en was hoog genoeg dat hij zijne armen kon bewegen.â Zijn zoon vervoert de kist per kar naar liet station en plaatst haar in eenen goederen-waggon.â Onze boer lachtte reeds in do vuist cvelde poets die hij de Maatschappij gespeeld had.â Een weinig geduld. Te Lyon werd de goederenwaggon geopend, om nieuwe bagage en kisten op te nemen ;
â 201 â
o. a. eene groote mand met konijnen. Hut toeval wilde dat de mand, met konijnen geplaatst werd op de kist, waarin onze boer gezeten was. Na verloop van een uur voelde onze reiziger, dat er een vocht dat een zeer sterken reuk afgaf, door de luchtgaten heen in zijne kist druppelde. Eene beweging met het hoofd stelde hem voorloopig in veiligheid. Maar na verlooi) van een kwartier volgde er eene tweede besproeiing. l)e plaats van den armen man in do kist was nu niet meer houdbaar. Wat gedaan? Om hulp roepen? Dat durfde hij niet;â want dan was het boete betalen, en misschien nog een proces. Hij hield zich dus maar stil. Maar toen de trein te Valence arriveerde, stort regende het als het ware door de luchtgaten heen in de kist; zoodat onze arme man het niet langer meer kon uithouden. Hij rospt om hulp. De spoorwegbeambten komen toegesneld,â zonderlinge verrassing ! in plaats van eene kist met tuinaarde, vinden zij onzen boer in de kist. Tot overmaat van ramp, de zaak werd niet voor eene grap maar ernstig opgenomen, â er werd proces-verbaal opgemaakt, en de arme man werd voor het gerecht gedaagd wegens bcdriegelijke handeling tegenover de Spoorwegmaatschappij. Wij mogen wel veronderstellen dat hij van nu af genezen zal zijn geweest van zijne ijdelheid en gierigheid. M. B., willen wij ons voor beschaming on vernedering behoeden, zorgen wij dan altijd nederig van geest en van harte te zijn, te meer daar de hoovaardigheid ons allen door erfenis van onzen eersten vader Adam is overgegaan. Wij allen heb ben eene pit van den noodlottigen appel in het hart,â en zoo wij niet oppassen, dan ontwikkelt zich die pit tot een hoogen boom,â en aan dien boom schieten wederom kleine takken uit van jaloerschheid, ver-
â 202 â
metelheid, minachting, kwaadspreken, laster, enz.â âDe ootmoed is als een rozenkranssnoer aller deugden\' de hoogmoed daarentegen de sehakelketen aller on. deugdenquot;,â zeide de eerbiedwaardige pastoor van Ars. Weest dus nederig,â en gij trekt alle deugden tot u en vergadert u tevens een schat van verdiensten voor den hemel. Amen.â
XXVI.
Jaloezie cf Afgunst.
Innig verwant met den Hoogmoed, waarover ik u in een paar conferentiën gesproken heb, is de jaloezie of de afgunst, waarover ik u vandaag kom spreken. Hoe zal ik u de jaloezie hot bost leeren kennen ? Met u haar voor te stellen onder den vorm van een beeld, zooals ik dat met do trotsehheid en ijdel-heid gedaan heb. Ik wil u de jaloezie leeren kennen onder het beeld van eene slang, â ja van eene slang, â en gij zult zien hoe juist dat beeld gekozen is. Luistert maar eens. De duivel^ zooals gij weet, zondigde tegen God door hoogmoed ; hij wilde zich in den hemel verheffen boven God. En God wierp hom neder uit de hoogte de:: hemels in de diepte der hel ; de plaats die Lucifer weleer bekleedde in den hemel, stelde God beschikbaar voor deri mensch. Dientengevolge vatte hij een vinnigen haat op tegen God, die zijnen hoogmoed had gebroken,âen tevens een onver-zoenlijken wrok tegen den menseh, die bestemd was zijne plaats in te nemen in den hemel. De afgunst zette hem aan te beproeven of liij den mensch ten val kon brengen. En om beter in zijnen toeleg te slagen,
â 204 â
nam liij de gedaante aan van een serpent tegenover Adam en Eva in het aardsehe paradijs. â Ziedaar dan de afgunst onder de gedaante van een serpent. De jaloezie is eene droefheid des harten die men gevoelt over het goed, het geluk, het welzijn van ee;i ander ; omdat wij dat goed, dien voorspoed beschouwen als een kwaad voor ons, â als schadelijk voor ons eigen belang, enz. Nu do jaloezie is een kwaad algemeen verspreid in de wereld, â evenals het serpent dat in zekere landen ongemeen sterk verspreid is. â Zoo zegt men dat in Oost-lndië jaarlijks meer dan 20.000 menschen omkomen, door don beet van slangen. Zoo ook treft men onder alle klassen van men schen de afgnnst aan, zelfs bij deugdzame en vrome zielen. â De Ouden stelden de afgunst voor onder het beeld eener vrouw, die in plaats van haarvlechten, slangen op het hoofd had. En die afbeelding is juist; want de jaloezie treedt het meest op bij de vrouw. Dat wil niut zoggen dat enkel vrouwen, maar ook mannen met jaloezie behebt zijn. En wat mag men houden voor de algemeene oorzaak dier drift V De eigenliefde, of liever nog den hoogmoed. Tengevolge van den hoogmoed zal men doorgaans gemakkelijker de gebreken, de fouten, dan wel de goede hoedanigheden : den voorspoed, het geluk, enz. van anderen over hot hoofd zien. Men voelt zich als het ware door de voortreffelijkheid van anderen in de schaduw gesteld. Nemen wij eens een paar voorbeelden. Uw buurman heeft evenals gij winkel en herberg. Voortdurend ziet gij bij hem volk in- en uitgaan; iedereen gaat daar zijn waren koopen,â zondags is ook de herberg goed bezet, â in één woord uw buurman maakt zaken, gij daarentegen hebt moeite uwe waren aan den man te brengen; dat verwekl bij u
wrevel en wrok tegen uwen buurman, gij kunt hem niet meer zien, Let is te veel hem te groeten, enz.â Ziedaar de werking der jaloezie. â üw buurman heeft meer geld dan gij, on veel schooner vee op stal,â hij heeft een boteren oogst gehad dan gij, trekt meer boter dan gij, dat alles pijnigt uw hart, â en treft hem nu een of anderen dag een ongeluk, dan gaat uw hart open, gij voelt verlichting en gij zegt bij u zeiven: âdat is niets voor hem, hij mag wel eens iets hebben zoo goed als een ander.quot;â Ziedaar wederom de jaloezie in het spel. Uw buurman heeft plezier van zijn kinderen zij zijn net, beleefd, verstandig, braaf.â De pastoor prijst hen om hunne bekwaamheid in den Catechismus, â de meester om hunne vlijt in de school;â uwe kinderen daarentegen zijn ongemanierd, dom, ondeugend, de ⢠pastoor in de kerk en de meester in de school kunnen hen niet in toom houden, â en toch zijn uwe kinderen in uw oog alles, â en die van uwen buurman niets. Van waar die verblindheid? Van de jaloezie die u beheerscht. Ja M. B., de jaloezie beneemt den mensoh als het ware verstand en oordeel; zooals blijkt uit het volgend voorbeeld. De fl. Vin-centius Ferrerius verhaalt, dat zeker koning eens een nijdigaard en een gierigaard voor zich deed verschijnen, om beider ondeugd op de proef te stellen. Vraagt mij, sprak de koning tot hen, al wat gij wilt; ik zal het u geven, op voorwaarde evenwel dat ik aan den tweede zal geven het dubbele van hetgeen de eerste mij vraagt.â Dat voorstel bracht beiden zoo danig in verlegenheid, dat zij het niet eens konden worden, wie van beiden het eerst zou vragen; want dc gierigaard wilde het dubbele hebben van den nijdigaard, â en de nijdigaard kon niet uitstaan dat de gierigaard moer ontving dan hij. De koning was
- 206 -
zoodoende genoodzaakt zelf hun geschil uit te maken, en beval den nijdigaard dat hij het eeist zou vragen. Zich aldus gedwongen ziende , dacht hij een oogenblik na, wat hij zou vragen, en vroeg ten laatste, dat men hem één oog zou uitrukken, â opdat den andere beide oogen mochten ontnomen worden; toonende alzoo dat hij liever verlies wilde lijden dan winnen, in geval hij den andere maar eene grootere schade konde toevoegen dan hij zelf onderging;â hij wilde geen geld of goed vragen om te beletten dat de andere het dubbele ontving van hem.â Dit voorbeeld toont duidelijk hoezeer de afgunst den mensch veiblindt. Doch beter nog zal ik u do afgunst leeren kennen met u opmerkzaam te maken op hare gevolgen.â Vergelijken wij daartoe andermaal de afgunst met de slang. De slang houdt zich schuil onder groen en loover en bespiedt aldus hare prooi. Ook de nijdigaard houdt zich schuil, wetende hoe verachtelijk de jaloezie is, en bespiedt aldus elke gelegenheid om in anderen af te keuren en te hekelen wat de nijd hem ingeeft. Eenvoudigheid is bij den nijdigaard huichelarij. Iemand gaat rustig en bedaard zijnen gang.â Voor dien persoon moet gij u wachten, zegt de jaloerschquot;,â hij heeft het achter den mouw, men kan hem niet vertrouwen.â Spaarzaamheid heet bij hem gierigheid.â Gij leeft spaarzaam en zuinig, omdat de verdiensten tegenwoordig al niet groot zijn,â gij laat in huis niets verloren gaan, dan den rook van den schoorsteen.â Die is houvast zal de nijdigaard van u zeggen,â die zon eenen cent in vieren deelen, en eenen keisteen het vel willen afdoen. Deftigheid en fatsoen gaan door voor trotschheid en hoogmoed.â Gij hebt eene flinke vrouw die zich niet ophoudt om met buurvrouwen te praten
â 207 â
en te babbelen, zij laat ieder in zijn wezen, en let op niets dan op haar bnishonden. De vrouw van N.... zal de nijdigaard zeggen, is eene trotsohe pauw, een hoovaardig meubel.â De slang heeft geen pooten en kruipt dus over den grond. Ook de jaloezie kruipt om anderen te vernederen, en zelf in aanzien te stijgen. Catrien bemerkt dat Marianne een schoon nieuw kleed heeft gekregen. Nu zal ook zij, geen vleierij onbeproefd laten,â zij zal kruipen voormoeder en tante om een nog schooner kleed te bekomen.â Het serpent kronkelt zich als een touw. Ook de jaloezie bezigt allerlei sluwe middelen om tot haar doel te geraken.â De eene kwezel b. v. merkt dat de andere soms nog al lang in den biechtstoel blijft; de jaloezie zet haar aan, haar in verdenking te brengen.â De slang bijt en spuwt venijn. Insgelijks bijt de jaloezie door kwaadspreken,â het kwaad gretig voortvertel-lende, overdrijvende, uitvindende.âZij vergalt het huis gezin en de samenleving, zij hitst schoonmoeder op tegen schoondochter, stiefvader tegen stiefkind, de vrouw teg;n haren man, onierhoorigen tegen oversten en omgekeerd. De slang eindelijk put zich uit met venijn te spuwen. Evenz 10 de jaloezie en afgunst. Zij ondermijnt de gezondheid, zegt de H. Schrift. Zij doet dikwijls gal en leverziekten ontstaan, veroorzaakt niet zelden zelfs tering. Zij bederft het karakter van den menseh, maakt hem bitsig, knorrig, ontevreden, barsch, enz. âDe jaloezie is haar eL en vilmes,quot;âzegt. het spreekwoord. Ten bewijze hiervan diene het volgend voorbeeld. In een klein dorp in Frankrijk Chagnier geheeten, leefde voor eenige jaren een pachter, die zooals men pleegt te zeggen, er tamelijk goed bijzat. Zijn wijnberg leverde hem besten wijn op, zijne akkers een goeden oogst, zijne boomen heerlijke vruch-
â 208 â
ton, zijne koeien overvloed van melk en kaas. Zijne vrouw was goed en verstandig, zijne kindoren waren vI|J^d en werkzaam. En toch onze pachter vond zioli niot gelukkig en tevreden. De afgunst zetelde in zijn hart. Hij kon niot zien dat anderen ook gelukkig en tovredon waren. Daar hij geen vat had op hunne bezittingen, randde hij hen aan in hunne eer, en zocht door lasteren en kwaadspreken hen te bekladden. De afgunst voorde hem nog verder. Hij leende tegen zulken hoogen interest, dat hij menigen schuldenaar verarmde,â ja men betrapte hem eens toen hij bezig was den wijngaard van zijnen buurman te vernielen. Die laagheid bracht hem bij iedereen in minachting. Hij werd droefgeestig en somber, niet zoozeer omdat hij zich door iedereen veracht zag,â neen, maar tengevolge van de afgunst die zijn gemoed verteerde, hij berekende tot zelfs de hoeveelheid wijn die zijn buurman jaarlijks uit zijnen wijngaard trok, de schoven tarwe die zijn akker hem opleverde,â en dan weende hij als hij zijn toestand bij dien van anderen vergeleek. Ach 1 zeide hij al klagende, hadde ik toch dat stuk grond, dat perceel weiland ! Zijne gezondheid nam met den dag af,â en vernemende dat een zijner buren op zekeren dag een vette erfenis ontvangen had, overmeesterde hem dermate de afgunst dat hij van verdriet stierf. De nijdigaard is dus, zooals gij ziet, zijn eigen beul. M. B., laat u toch nooit door jaloezie behoerschen, gij kwelt en beult u af zonder profijt, gij vergalt daardoor uw leven en maakt u hatelijk bij (ïod en de menschen. Weest tevreden met hetgeen gij hebt, en benijdt anderen niet het hunne; want niet altijd zij die veel geld hebben, zijn rijk ; wie tevreden is mot hetgeen hij heeft, s rijker dan een jaloersehe rijke, hij is rijk in den tijd en verzamelt zich schatten van verdiensten voor den hemel.
XXVJT.
Kwaadsprekendheid.
Mij dunkt ik hoor u al vragen : âwaarover zal dezen avond de conferentie wezenquot; ?â M. B., dat zal ik u aanstonds zeggen,â luistert eerst eens naar eene geschiedenis uit de fabelleer. Daar was eens een kleine dwerg, die daarenboven nog misvormd was door een grooten bult. Hij heette Esopus en ontving op zekeren dag last een maal gereed te maken. â âWat moet ik opdienenquot;,â vroeg hij\'? Het beste wat gij vindt, was het antwoord. Hij gaat naar de markt, koopt een aantal tongen,â en brengt die op tafel, heerlijk en lekker toebereid. Wat is dat, vroeg de gastheer ? Dat zijn tongen, zei Esopus,â het beste wat men hebben kan.â Inderdaad, hij had gelijk; want de tong kan oneindig veel goed stichten, zij wekt op tot beoefening der deugd, zij geeft goeden raad, vermaningen en waarschuwingen,â door de tong stieren wij onze gebeden op tot God,â in één woord, de tong is het kostbaarste wat er is.â Goed, zei de gastheer, morgen brengt gij het slechtste op. \'s Anderendaags kwamen er weer tongen op tafel. Maar wat is dat, alweer tongen ? Ja, zei Esopus, gij hebt mij gelast het slechtste op te disschen wat ik
14
â 210 -
vinden kon. En dat ia ook de tong. Hij had weder gelijk; want de tong bezigt de menseh tot vloeken, verwensehen, kwaadspreken, lasteren, enz. Nog zoo dom niet gehandeld van Esopus, zooals gij ziet, die in zijnen tijd reeds begreep dat de tong het beste â en tevens het slechste is, wat de menseh bezit, naargelang hij er een goed of slecht gebruik van maakt. Gij hoort al dat het vandaag over de tong zal wezen dat ik spreek. Luistert eens wat ik u daarvan zeggen zal. M. B., wat verwijt men het meest aan de vrouwen ? Dat zij over het algemeen gaarne praten en snappen. En waarom wordt er in de maand Februari het minst gesnapt ? Omdat Februari onder alle maanden van het jaar de kortste is. M. B., ik wil vandaag eens iets zeggen over het snappen en kwaadspreken, eene ondeugd die zoo algemeen verspreid is, en waaruit de menschen doorgaans zoo weinig maken.â Door snappen versta ik eene zekere onmatigheid in het spreken, eene zekere bandeloosheid der tong, om zonder nadenken, zonder oordeel te spreken en alles te zeggen wat voor de lippen komt. Evenals er menschen zijn die geen maat kennen in het gebruik van spijs en drank, zoo vindt men er ook die geen maat kennen in het spreken. Daar zijn er wier tong gelijk is aan het vliegwiel eener stoommachine dat altijd in beweging is,â ja dat zelfs nog voortloopt al houdt de stoomkracht op te werken, daar zijn er wier mond gelijk is aan de kraan van een vat,â zoodra de kraan open is loopt het vocht met eene verbazende snelheid tot op den laatsten druppel er uit. M. B., dat snappen, dat onbezonnen spreken is een groot gebrek dat soms de verkeerdste gevolgen heeft.â Het maakt iemand belachelijk en bespottelijk in het oog der menschen.â In eene
â 211 â
kleine stad van Limburg die ik niet wil noemen, stonden eens twee jufvrouwen meer dan een uur lang druk te snappen ; een geestige snaak had haar in het oog en ziende dat aan haar gesnap geen einde kwam, haalt hij twee stoelen, plaatst die op straat, en zegt: âgaat er bij zitten jufvrouwenquot;.â Gelach der toeschouwers en beschaamdheid der snapsters! De snapper of veelprater moet dikwijls tot boete van zijn gesnap, menig bitter verwijt hooren, menige beschaming verkroppen.â Een verstandig man bezocht eens een zijner vrienden, die hem zijn nieuw gebouwd huis liet zien; maar die zeer praatziek scheen en onbezonnen over iedereen sprak. Alles is net en prachtig, zeide hem de bezoeker ; maar daar ontbreekt toch iets aan. En wat dan vroeg de ander? Een meubel dat voor u onmisbaar is.â Wat is dat meubel? Een kastje om de tong in te sluiten. Snapzucht wordt nog veel hatelijker, als men daarbij te gelijkertijd voor vroom en godvruchtig wil doorgaan. Eene snapzieke persoon die de fijne wilde uithangen, plaagde voortdurend haren biechtvader om de permissie van een boetekleed te mogen dragen. De priester opende den mond en toonde haar zijne tong, zeggende : âZiedaar het beste boetekleed voor uquot;.â M. B., God heeft ons twee oogen gegeven om te zien, twee ooren om te hooren en slechts éénen mond om te spreken; een bewijs dat wij den mond minder moeten gebruiken dan de andere zintuigen van ons lichaam. Oogen en ooren staan daarenboven los en vrij in het hoofd,â onze tong is echter door een dubbelen wal, door de lippen en de tanden in den mond besloten, om ons te leeren dat wij tweemaal moeten denken alvorens éénmaal te spreken. M. B., laat ons spaarzaam zijn met onze
â 212 -
woorden; want die veel spreken blijven niet vrij van zonde, zegt de H. Geest: âIn multiloquio non deerit peccatumquot;. (Prov. X. 19.) Dg gewone zonde waartoe het snappen en veelspreken leidt, is achterklap en kwaadspreken. Achterklap begaat hij die zonder noodzakelijkheid een of ander verborgen kwaad, of eene geheime fout van den evenmensoh openbaart. Sommigen schatten achterklap gering, zeggende: ik heb niets gezegd wat onwaar is; wat ik verteld heb is waarheid. Ja, maar wat waar is, mag altijd nog niet gezegd worden,â als het namelijk iets is wat een ander kan onteeren,â en de zaak nog geheim of zoo goed als geheim is. Achterklap geschiedt op verschillende manieren. 1) Door woorden... Daar zijn er die beginnen met iemand te prijzen en eindigen met hem te bekladden. Die man, zullen zij zeggen, is fatsoenlijk, rechtschapen, gaat goed ter kerk, hij heeft maar één gebrek, zijn vingers zijn te lang,â hij maakt niet genoeg onderscheid tusschen het zijne en dat van anderen. Anderen veinzen zeker medelijden, en nemen den schijn aan alsof zij tegen hunnen wil en gedwongen spreken. âAch wist gij eens, zeggen zij, hoe het er met die jonge dochter uitziet.â Welke ramp! welk een ongeluk, â ik ben er bedroefd over, want ik verlang niets vuriger dan haar welzijnquot;.â Anderen stellen de zaak als twijfelachtig voor : âHebt gij gehoord wat men van dezen of genen zegt ? Ik geloof het niet. Men zegt dat hij... Maar laten wij de zaak maar, zooals zij is,â en gelooft er van wat gij verkiestquot;.â Die zoo spreken doen zich voor alsof zij niet gelooven wat zij vertellen, en willen toch openbaren datgene, wat zij moesten zwijgen. Daar zijn er eindelijk die het middel vinden om door halve en bedekte woorden den ovenmensch te bekladden.
â 213 â
\\
âMen kan niet alles zeggen, zoo spreken zij; laat ons daar maar over zwijgen ;â ik weet van dezen of genen zaken, die als ik wilde spreken u verstomd zouden doen staan ; maar ik wil geen kwaad sprekenquot;.â Deze laatste is onder alle manieren de laagste. 2) Kwaadsprekendheid pleegt men in geschriften en brieven,â vooral door naamlooze brieven. Een naamlooze brief\' is dikwijls schuld dat een eerzaam huwelijk belet wordt, â dat een knecht of meid eenen dienst moet verlaten of geenen dienst kan vinden, â dat een winkelier of handelsman het vertrouwen van het publiek verliest, enz.â Achterklap bedrijft men eindelijk nog met te zwijgen, als men spreken moest. Het volgend voorbeeld zal u daarvan een denkbeeld geven. Eene jonge dochter had eene verkeering aangeknoopt met eenen jongeling die uit jaloezie of iets dergelijks, het plan maakte haar om het leven te brengen, en te dien einde haar naar buiten geleidde. Verborgen achter een struikgewas, begon hij haar te mishandelen om haar van kant te maken. Doch zij verdedigde zich zoo dapper dat de moordenaar zich gedwongen zag tot de vlucht. Kort daarna kwam de kapelaan eener naburige parochie langs de plaats, waar de jonge dochter in onmacht op den grond was gevallen. Nauwelijks echter hoorde zij den kapelaan aankomen, of\' meenende dat het haar moordenaar was, staat zij nog half bewusteloos op, en werpt zich op hem als dol van woede Deze echter wist zich los te rukken, en ijlt naar huis. De zaak werd ruchtbaar. De kapelaan) werd aangehouden, en voor de rechtbank gebracht. De rechters hielden de bloedvlekken die hij nog op zijne kleederen had, voor een onomstootbaar bewijs der misdaad waarvan hij beticht werd, en veroor deelden hem ter dood. De jonge dochter ontsteld
â 214 â
over het vonnis tegen een onschuldigen priester uitgesproken, ijlde naar de rechtbank en bracht do toedracht der zaak aan het licht. Het proces werd herzien, het vonnis vernietigd en de priester in zijne eer hersteld. De slechte gazetten die van deze zaak zooveel gerucht gemaakt hadden, en de priesters bij die gelegenheid zoo door Let slijk hadden gehaald, zwegen van het eerherstel van den priester en maakten zich zoodoende door hun stilzwijgen aan laster schuldig. M. B., onder alle raadgevingen die ik zou kunnen geven, is er geene van zoo groot belang als deze: âLet op uwe tong.quot;â Wie op zijne tong let, wie haar weet te breidelen en te toornen, is een rechtschapen man;â ja, de H. Jacobus aarzelt niet te zeggen, dat al wie niet zondigt met de tong volmaakt is. De wijsgeer Pythagoras legde zijne leerlingen een proeftijd op van vijf jaren stilzwijgendheid. En van den kluizenaar Agatho lees ik, dat hij driejaren lang een steen in den mond droeg, om te leeren zwijgen. Het ware wenschelijk, zegt de H. Franciscus van Sales, dat wij knoopen aan den mond hadden, en dat wij verplicht waren onzen mond te ontknoopen telkens als wij moesten spreken. Doch al die opgenoemde middelen zijn voor ons onbruikbaar. Wij moeten geweld aanwenden op onzen wil, wij moeten onzen wit weten te bedwingen ; want wie meester is van zijnen wil is ook meester van zijne tong. Wij moeten nooit spreken, zonder eerst te hebben nagedacht, wat wij zeggen gaan. Niet spreken, als de rede ons zegt, dat het beter is te zwijgen. âIk heb nooit spijt gehad van gezwegen, maar wel van gesproken te hebben, zegt een Heiligequot;.â Verder zoo min mogelijk spreken over anderen. En als het al eens mocht gebeuren dat gij achterklap moeV aanhooren, herinnert u dan de
vermaning van don H. Geest. âAudisli verbum adversus proximum tnuvi ; comrnoriatur in te.â Hoort gij iets tc:i kwade oan uwen broeder zeggen, leioaar het dan voor u quot; â (Eccli. XIX. 10.) Zoo handelt een reclitsehapen en verstandig man, die zooveel mogelijk de fouten van een ander met den mantel der liefde zoekt te bedekken. Gelijk de geneesheer aan de tong den toestand van zijn patient leert kennen, zoo leert men ook den mensoh kennen aan het spreken. Prent M. B., deze wenken diep in het geheugen en nog dieper ia uw hart; want zij zijn een onderpand van vrede en geluk voor uw stoffelijk, en eone bron van zegen voor uw geestelijk welzijn. Amen.
XXVJTI.
Leugentaal.
Eenigen tijd geleden las ik in de nieuwsbladen het volgend staaltje van moderne zedelijkheid. Een vreemdeling schelde aan de woning eener rijke adelijke dame in Belgie, op een uur dat deze afwezig was,â hij wendde voor bij de meid die de deur opende, dat hij door Mevrouw was afgezonden, om de piano die ontstemd was in orde te brengen. Hij werd binnengelaten, en zonder naar de piano om te zien neemt hij de kans waar, om verschillende zaken van waarde o. a. juweelen en andere kostbaarheden zich toe te eigenen, waarna hij weder even bedaard als hij gekomen was vertrok. De meid, zooals gij ziet, had met een leugenaar, een schelm, een bedrieger te doen gehad.â Dergelijke zaken komen bijna dagelijks in de nieuwsbladen voor, ja het spreekwoord dreigt waar te worden, dat zegt: âde wereld hangt tegenwoordig met liegen, bedriegen en stelen aaneenquot;\'.â M. B, gij gaat misschien denken: Waar ziet men ons voor aan ? â Ik zie u aan voor eerlijke en rechtschapene menschen, en daarom kom ik u ook niet spreken over diefstal en bedrog; maar over eene ondeugd die eeniger-mate daarmede in verband staat, â en die door
â 217 â
velen zoo gering geacht wordt: namelijk over de leugentaal. Leugentaal is zeer verspreid in de wereld; â liegen is bij vele menaohen iets alledaags, iets gewoons, bij sommigen is het gewoonte geworden,â enkelen liegen zoo onbeschaamd, alsof datgene wat zij zeggen gedrul.t of geschreven stond,â ja men zegt dat er zijn die zoo grof kunnen liegen, dat zij zeiven geloof\' slaan aan hetgeen zij zeggen. Leugentaal, zooals gij ziet, heeft evenals elk ander kwaad, zijne trappen van mindere of meerdere zwaarte. Laat ons alvorens verder te gaan eerst eens zien wat leugentaal is-Leugentaal is een woord dat men zegt, â een teeken dat men geeft, â of eene handeling die men stelt,â met het doel om anderen te bedriegen en hen het tegendeel te doen gelooven van hetgeen men denkt. Ue mensch bezit tal van middelen om zijne gedachte uit te drukken; hij kan zich uitdrukken door woorden, soms ook door te zwijgen, â door teekenen en gebaren, â door schrijven, enz. Nu op welke wijze men ook zijne gedachten uitdrukt,â als men anderen zoekt te doen gelooven het tegenovergestelde van hetgeen men zelf meent, â begaat men leugentaal. Ik vraag u of gij den vorigen zondag in de Vergadering zijt geweest, â gij zegt van ja, alhoewel gij er niet geweest zijt, â gij liegt met woorden. Men vraagt u of gij dit of dat gedaan hebt, en alhoewel gij het niet gedaan hebt, knikt gij met het hoofd van ja, â gij liegt door een teeken. Om niet behoeven te werken veinst gij ziek te zijn, om door anderen te worden bijgestaan, â gij liegt met u ziek te houden, daar gij het niet zijt. Een afwezig persoon vraagt u inlichtingen over dezen of genen, en gij antwoordt hem per brief het tegenovergestelde van hetgeen gij weet, â gij begaat leugentaal, â Kortom
â 218 â
liegen is anders spreken of zieh uitdrukken dan men denkt. Evenwel niet zoozeer in woorden en uitdrukkingen bestaat de leugen, dan wel in do mooning om aan anderen te doen geloovon het tegenovergestelde van hetgeen men zelf meent â Daaruit volgt, dat men aan de waarheid te kort kan doen zonder nog te liegenâ Ik vertel iets wat ik van een ander voor waarheid gehoord heb, alhoewel het valsch is; ik lieg niet, omdat mijne gedachte overeenkomt met hetgeen ik zeg. Daar volgt nog uit dat men waarheid kan spreken en toch liegjn, b, v. liet regent, maar ik meen dat het niet regent, en toch verzeker ik u dat het regent, dan lieg ik tegelijkertijd dat ik waarheid spreek, â omdat datgene wat ik zeg niet overeenkomt met hetgeen ik meen. Iets als zeker bevestigen wat men maar als twijfelachtig weet, is ook liegen, omdat men niet spreekt zooals men meent.â Gij ziet hoe men op verschillende manieren aan de waarheid te kort kan doen.â Is leugentaal ook zonde V Ja, dat weet het kleinste kind. Leugentaal is uit zijnen aard zonde.â De meerdere of mindere zwaarte dier zonde hangt af van de meening van hem die liegt, â van de omstandigheden en de ergernis die haar vergezellen,â van de noodlottige uitwerkselen die er uit volgen.â Liegen kan dus een oneindig groot ot een klein en onbeduidend kwaad zijn; maar hoe klein het ook zij, het is altoos zonde. De eerste leugenaar, de vader der leugen, is Satan.â Hij beloog in den hemel de Engelen, met hen te doen gelooven dat zij gelijk zouden wezen aan God Op aarde beloog hij onze eerste ouders in het paradijs, met hen te verzekeren dat zij niet zouden sterven. Vandaar dat de Zaligmaker van hem ook zegt: âdat de waarheid in hem niet is.quot;â De eerste leugenaar onder de menschan
â 219 â
was Caïn, â hij beluog zijnen broeder Abel, doordien hij veinsde hem te bemminnen, alhoewel hij hem inwendig een doodelijken haat en wrok toedroeg. Hij ging zelfs zoover te durven liegen tegen God, toon deze hem vroeg waar zijn broeder was, en hij daarop antwoordde: ik weet het niet. De grootte der leugentaal kan ik u het best doen zien door een voorbeeld uit de H. Schrift. Ananias en zijne vrouw Saphira, naijverig op het stichtend voorbeeld hunner mede-geloovigen, verkochten hunnen akker.â Toen zij echter hot geld in handen hadden, kondan zij er niet van scheiden,â en daar zij toch in het oog der apostelen en hunner medechristenen wilden doorgaan voor menschen onthecht aan het aardsche, kwamen zij overeen, om een gedeelte der ontvangen som achter te houden en de apostelen te beliegen door hun het ander gedeelte, als ware dit de geheele opbrengst aan te bieden. Gij kent het overige der geschiedenis. Beide, de een na den ander werden met een plotsc-lijken dood gestraft. Dat de straf van Ananias en Saphira ons allen waarschuwe voor de zonde van leugentaal. â Zeker zal die zonde meestal niet van zulke verzwarende omstandigheden vergezeld gaan, en daarom niet zoo zwaar zijn als de misdaad was van die twee leugenaars tegen den H. Geest,â maar toch van de zonde van leugentaal staat geschreven : âde mond die liegt, doodt de ziel,â en leugenachtige lippen, zijn den Heer oen gruwel.quot; Ziedaar dan ook de reden waarom er gevonden worden, zoo teergevoelig van geweten op dit punt, dat zij voor niets ter wereld, de kleinste leugen zouden willen begaan. â Ten bewijze daarvan het volgend voorbeeld. Een jong soldaat die vurig verlangde zijne moeder eens weer te zien vroeg verlof;
â 220 â
doch het werd hem geweigerd.â Op zekeren dag nu stond hij op post onder de muren der stad Arras, en nam het besluit van te deserteeren. Hij bond zich eene lange koord om het lijf, maakte die vast aan zijne bajonnet, stak deze in den muur, en beproefde op die wijze af te dalen tot aan den voet van den vestingmuur. Maar door de zwaarte van zijn lichaam brak de koord, â bij stortte naar beneden en brak een been. Den volgenden morgen kwam er eene vrouw voorbij, zij hoorde de smartkreten van den ongelukkige, beschouwde den erbarmelijken toestand van den armen soldaat, en verwittigde de manschappen der wacht van het gebeurde.â Aanstonds spoedde zich een sergeant daarheen, en vroeg aan den soldaat naar de oorzaak van hetgeen hem overkomen was. Deze zeide hem openhartig, dat hij aangedreven door een vurig ver. langen om zijne moeder te zien,het plan opgevat had van te deserteeren; doch in de uitvoering daarvan niet geslaagd was.â Wat zegt gij daar ongelukkige Vâ riep hem de sergeant toe, die hem liefhad, en hem wilde redden. â Pas op, dat gij aldus spreekt voor den krijgsraad, â als gij u voor deserteur uitgeeft, wordt gij tot den kogel veroordeeld. Ik zal het toch moeten bekennen, antwoordde de soldaat, want de pastoor en moeder hebben mij altijd gezegd dat ik nooit moest liegen. â Kort daarna verscheen hij voor den krijgsraad en legde daar openhartig dezelfde bekentenis af als voor den sergeant van de wacht-Ook hier bracht men hem onder het oog de noodlottige gevolgen, welke die bekentenis hebben kon. Doe met mij, sprak hij, wat gij wilt, ik moet de waarheid zeggen; want de pastoor en moeder hebben mij altijd gezegd dat hot beter is te sterven dan te liegen. De krijgsraad bewonderde zijne liefde tot de
waarheid, men had gaarne een middel willen vinden om hem te redden,â maar de wet lag daar;â allen teekenden alhoewel met weerzin het doodvonnis. Hij onderging zijne straf met dezelfde kalmte waarmede hij zijne schuld beleden had, â en zij die getuigen waren van zijnen moed en van zijne deugd, konden niet nalaten hem te beklagen en te bewonderen. Ziedaar om zoo te zeggen een martelaar der waarheid 1 Tijdens de groote fransche omwenteling op het einde der vorige eeuw, werd de pastoor van Clermont, te Autun door het volk gevangen genomen. De maire of burgemeester der plaats, hem het leven willende sparen, ried hem aan de verklaring af te leggen, dat hij den eed, dien de constitutie van de priesters vorderde, had afgelegd. Dat zou eene leugen zijn, antwoordde de eerbiedwaardige priester,â en ik mag mijn leven niet door eene leugen redden. De maire zweeg, en de pastoor beklom het schavot.â M. Bâ het zal wel niet gebeuren dat wij te kiezen hebben tusschen sterven of liegen, gewoonlijk spreekt men leugentaal om eene kleinigheid, soms enkel uit scherts ;â hoe het ook zij leugentaal is zonde en dat alleen moet ons van het kwaad afhouden; te meer daar men zoo spoedig eene gewoonte daarvan aanneemt, en de gewoonte van liegen den mensch soms in de grootste zonden doet vallen. Leugentaal leidt soms den mensch tot meineed en heiligschennis.â Daarenboven een-leugenaar haalt zich de verachting van het publiek op den hals ; hij overlaadt zich zeiven met schande en schaamte. De booze wereld zelve veracht den leugenaar. Iemand die als leugenaar bekend staat, wordt algemeen geschuwd en gewantrouwd ; ja al zou hij ook al waarheid spreken, men gelooft hem niet. M. B., duldt ook geene leugentaal
â 222 â
onder uwe dienstboden en kinderen. Een dienstbode die liegt is niet te vertrouwen. Want van leugenaar, een bedrieger en dief worden daartoe is niet veel noodig. Laat ook in uwe kinderen dat kwaad niet ongestraft ; want spaart gij hen als zij klein zijn, dan zult gij zeiven de gevolgen ervan ondervinden. Bemint de waarheid, want wie de waarheid bemint, bemint God, â en wie God bemint, bemint zich zelven op eene wijze die alleen de ware is. Amen.
XXIX.
Veinzerij, Huichelarij.
In onze vorige conferentie over de leugentaal heb ik u doen zien dat men liegen kan met den mond en met de daad,â of door woorden en werken. Liegen met werken noemt men gewoonlijk veinzen, huichelen,â en iemand die op die wijza anderen misleidt, is een veinzaard, een huichelaar. Over die ondeugd, helaas zoo algemeen in de wereld, wensohte ik u vandaag te spreken.â Veinzen is anderen misleiden, met voor beter te willen doorgaan of vromer te willen schijnen dan men werkelijk ia,âof duidelijker nog: een veinzaard is iemand die het uitwendige, het kleed der deugd aandoet om deugdzaam te schijnen, zonder het metterdaad te zijn, in de hoop van daardoor de achting der menschen te winnen. Zulke veinzaards worden er helaas! maar al te veel gevonden; zij spreken over deugd en gerechtigheid, â en zij zijn begraven in de zonde en ongerechtigheid,âhet zijn zooveel als christelijke Pharizeërs die altijd God op de lippen hebben, â maar den duivel in het hart dragen,â van wier lippen honig vloeit, â in wier hart- echter vergif schuilt. Tegen geene ondeugd vaart de Zaligmaker in het Evangelie zoo
â 224 â
hevig uit als tegen de huichelarij. â Luistert eens hoe hij de Schriftgeleerden en Pharizeërs toespreekt, die echte huichelaars waren, omdat zij uitwendig vroom en stichtend, inwendig goddeloos en bedorven waren, â die er hun werk van maakten de kleine en gemakkelijke geboden voor het oog der menschen te beoefenen, â maar die de groote geboden in het geheim overtraden: âWee u Schriftgeleerden en Pharizeërs, schijnheiligenquot; !â gij zijt gelijk aan witgepleisterde graven, die schoon schijnen van buiten, maar van binnen gevuld zijn met doodsbeenderen en verrotting.â Zoo ook schijnt gij uitwendig rechtvaardig voor het oog der menschen; maar inwendig zijt gij vol geveinsdheid en ongerechtighei 1.quot;â Ook de H.H. Vaders en geestelijke schrijvers bezigen naar het voorbeeld van den Zaligmaker allerlei vergelijkingen om die ondeugd te hekelen. Zeker schrijver verge, lijkt den huichelaar met de zwaan. De zwaan verbergt onder hare blanke sneeuwwitte vederen, eene zwarte of althans eene donkere huid. Evenzoo verbergt de huichelaar onder een schoon uiterlijk, eene zwarte ziel. De H. Gregorius vergelijkt hem met den struisvogel. De struisvogel heeft evenals andere vogels twee vleugelen; maar vliegt niet. De schijnheiligen, zegt de H. Gregorius , dragen voor zich uit het beeld der heiligheid, doch zijn het niet. â De H. Clemens van Alexandrië, vergelijkt den schijnheilige met eenen hoop drek die met sneeuw bedekt is, en die aldus zijne afzichtelijkheid verbergt. Ook kan men hem vergelijken met een stuk valsch geld dat echt schijnt te zijn op het oog, doch valsch is in werkelijkheid. M. B., uit de gestrengheid waarmede de Zaligmaker en de H.H. Vaders over die ondeugd spreken, kunt gij al licht opmaken dat veinzen en huichelen zonde is.
â 225 â
De meerdere of mindere zwaarte dier ondeugd is vrij moeilijk te bepalen. Ik wil n evenwel aangeven de voornaamste vormen waaronder die ondeugd zich vertoont, alsmede het meerder of minder kwaad aan elke soort verbonden. Daar worden er vooreerst gevonden die zich uiterlijk met den mantel der deugd beklee-den, om hunnen evenmensch niet te ontstichten. Het doel is goed, maar het beginsel is slecht. â De H. Thomas plaatst die soort van geveinsdheid op dezelfde lijn als de noodleugen,â zij is dus dagelijksche zonde. Tot die eerste klas kan men b. v. brengen een huisvader, een man, die in zijn hart weinig godsdienstig is, maar die toch de geboden van God en de wetten der Kerk naleeft,â die b. v. Mis hoort en de geboden vastendagen onderhoudt om vrouw en kinderen geen slecht voorbeeld te geven, hen niet te ontstichten. Anderen worden er gevonden, die den schijn der deugd aannemen, om hunne reputatie, hun goeden naam niet te verbeuren. Alhoewel hun doel minder goed is dan bij de eersten, zoo is hier evenwel ook nog maar spraak van dagelijksche zonde. Zoo heb ik een jongeling gekend van deftige en christelijke ouder?, die aan de universiteit studeerde, en daar evenals zoovele anderen in onze dagen totaal ongodsdienstig en bedorven werd. Kwam hij evenwel met vacantie te huis, dan was hij bescheiden in zijne woorden, stichtend en ingetogen van gedrag, godsdienstig, enz. Meer dan eens heb ik anderen verwonderd hooren zeggen : Wat houdt N. N. zich goed aan de universiteit! De uitkomst echter leerde dat men zich bedrogen had. Welk inzicht had de jongeling na met zijn veinzen-? Er was bij hem veel aan gelegen dat hij bij zijne ouders en kennissen zijne reputatie behield. Daar zijn er die uitwendig den schijn der deugd aannemen, om te ge-
15
â 226 â
makkelijker hunne ondeugdon te kunnen verbergen, en mat des te minder gevaar eene of andere schuldige drift te kunnen voeden. Die soort van veinzerij is zeker zware zonde, omdat het inzicht, de bedoeling waarmede men veinst, hoogst slecht en verkeerd is. Ecu jongeling b. v., die in eene zondige verkeering leeft, zal in de biecht den biechtvader beliegen, hij zal zelfs voor deugdzaam willen doorgaan, uit vreas dat hij anders die verkeering moet afbreken. Gij ziet M. B, uit het gezegde hoe velerlei de veinzerij is, â somtijds kan het zware, somtijds ook maar eane kleine zonde zijn; maar altijd blijft het waar dat veinzen iets laags en verachtelijks is. â Het volgend voorbeeld zal u doen zien welke beschaming den veinzaard soms wacht. Op zekeren dag meldde zich bij den H. abt Serapion een zeer ijverig kloosterling aan, om van hem eene of andere heilzama les te ontvangen. Serapion beval hem eenigen tijd bij hem te blijven, â en zich met het gebed en de overweging bezig te houden. De kluizenaar begon te zuchten en zeide, terwijl hij de oogen neergeslagen hield: âwie ben ik en voor wien houdt gij mij,â daar gij mij zalke verhevene zaken oplegt!â ik ben een groot zondaar, ik ben niet waardig het kloosterlijk habijt te dragen, ik verdien zelfs niet dat ik mijne oogen tot God verhef.quot; â Serapion door medelijden bewogen troostte hem, â hij wifc.sch hem volgens gewoonte de voeten en zette hem een sober maal voor. Na afloop daarvan zeida hij tot hem; mijn broeder! welken raad verlangt gij van mij, of liever wat zal ik u zeggen ? Waarlijk niets nieuws. Luister dan! Als uwe meening ernstig en oprecht is, neem dan eens het vast besluit van niet meor zoo verstrooid te zijn, â blijf wat meer in uwe cel, â loop niet nutteloos rechts en links, en houdt u meer
â 227 â
bezig met de zaak uwer eeuwige zaligheid. Bij die woorden kleurde zich liet aangezicht van den monnik, hij achtte zich diep beleedigd, kon zijn toorn niet meer inhouden, brak los in bitsige en spijtige woorden ; doch hij kwam weldra tot bedaren toen Serapion hem met een kalraen doch tevens strengen blik aanstaarde en zeide; âZiet gij nu niet mijn broeder! dat gij zeer goed de kunst verstaat u zeiven te vernederen, maar zoodra gij door een ander vernederd wordt, maakt gij u boos en kwaad. Nu eerst ken ik u, en ook nu eerst kent gij u zeiven. Leg af die geveinsde, die valsche en trotsche ingetogenheid en zedigheid, â en leg u uit al uw vermogen toe op de ware ingetogenheid en zedigheid. â Wees zoodanig als gij u vertoont, of wel toon u, zooals gij zijt.quot; Die laatste woorden mogen ook wij wel eens ernstig overwegen en diep in ons hart prenten. â âWeest zoodanig als gij u vertoontquot;, â gij toont u uiterlijk ingetogen en vroom, weest het ook inwendig, in het hart, â of wel toont u zooals gij zijt, komt er openlijk voor uit dat gij niet vroom, niet nederig, niet ingetogen zijt. Maar nu M. B., komt eene gewichtige praktische bemerking. Veinzen en huichelen is hetzelfde als kwezelen. Iemand die veinst en huichelt is een kwezel. Ongelukkigerwijze wordt veelal die benaming gegeven aan hen die het niet verdienen. Er zijn menschen die gelooven dat het dikwijls ontvangen der H.H. Sacramenten de kwezel maakt. Zij bedriegen zich volkomen. Die menschen kennen de kwezels niet;â zij heeten kwezels, godvreezende en brave personen.â Zij die zelden of niet te biechten en te communie gaan, zullen kwezels noemen hen die drie of viermaal per jaar tot de H. Tafel naderen. Anderen die drie of viermaal per jaar gaan, hebben het woord kwezel over voor hen die alle maanden te communie gaan.
â 228, â
Onder deze laatsten zijn er zelfs uog die durven zeggen: Hoo 1 zij commaniceert alle acht dagen, dat is toch een kwezel. Neen M. B., ware godsvrucht en vroomheid heeft niets met kwezelarij te maken, â alleen zij die vroom willen schijnen, maar in werkelijkheid het niet zijn, kunnen zich die benaming toeëigenen. M. B., hebt eenen afschuw van veinzerij en dubbelhartigheid. â Een veinzaard is een leugenaar metterdaad. Weest oprecht en openhartig, â vooreerst in gewetenszaken ten opzichte van uwen biechtvader. Veinzen in de biecht, dat wil zeggen zijne zonden verzwijgen ten einde voor deugdzaam door te gaan, is zooals gij weet, eene afschuwelijke zonde van heiligschennis. Doch daarover nog niet eens gesproken ; - -weest openhartig en oprecht in het dagelijksch leven ten opzichte van elkander.Spreekt en handelt altijd zoodanig, dat anderen van u zeggen: âDat is iemand op wien men vertrouwen kan, â die spreekt zooals hij denkt,â wiens hart op de lippen ligtquot; !â Een koning stelde eens aan zijne hovelingen de volgende vraag. âWie zou wel de beste vriend eens konings zijnquot;?â Sire! zeide de een : hij die zijn vorst stiptelijk gehoorzaamt en nauwgezet zijne orders uitvoert.â Neen, zeide een ander, hij bemint zijn vorst het meest, die zijne zienswijze en gevoelens steeds naar die van zijn vorst weet te regelen. Een derde gaf ten antwoord: wie geld en goed, ja zijn leven als het noodig is voor zijn koning over heeft. â Mij dunkt, zeide oen vierde, dat hij het het best met zijn koning meent, die tot hem spreekt zooals hij het meent, ja die niet aarzelt de waarheid te zeggen als plicht en geweten dat vorderen. Deze laatste, zooals gij ziet, gaf het verstandigste antwoord. Ja M. B., hebt gij een vriend die openlijk en oprecht voor zijne zaak uitkomt, â houdt hem in
â 229 â
eerc. Valsche vrienden, die veinzen en huichelen zijn bij den hoop te vinden,â een ware en oprechte vriend is een schat, dien men met den lantaarn moet zoeken.
-«O-S».
XXXI.
Eigenbelang en Oneerlijkheid,
Onder de gioote kwalen onder moderne maatsehappij M. 1{., reken ik de eigenbaat, de zelfzucht, waardoor ik versta die ongeregelde drift van den menseh om in alles uitsluitend zich zelf\' te zoeken en door allerlei middelen onverschillig welke, zijn eigenbelang te bevorderen.â Ieder menseh zoekt zooveel mogelijk zijn eigen belang. Nu, daarin is op zich zelf niets verkeerds gelegen. Maar de wijze waarop dat geschiedt,â de middelen die men daartoe gebruikt,â de praktijken die men veelal bezigt, bederven de zaak. Men wil vooruit komen in de wereld, fortuin maken, onverschillig hoe men er toe kome, â oer, fatsoen, rechtschapenheid, oprechtheid, dankbaarheid, alles moet wijken zoodra het belang der beurs in het spel komt.â Men vindt ze met duizenden tegenwoordig, die hun geweten en fatsoen voor eenen frank en nog minder verkoopen. Het eigenbelang, de baatzucht, leert den menseh verder huichelen, kruipen, zich verlagen, zich plooien als eene slang op den grond. Daar zijn menschen die u ten hunnen bate op alle mogelijke wijze exploitceren of bewerken, â die voor u kruipen zoolang zij u noodig hebben ; maar trotsch en ver-
- 231 â
waten zijn als zij u kunnen missen,â die opnieuw kruipen als zij daarin hun voordeel zien,â die altoos met beide handen openstaan om te ontvangen ; maar potdicht gesloten zijn als men hen iets vraagt,â die hunner onkiesehheid onbewust zijn, ja niet eens weten wat onkiesehheid is,â die goed zijn, bevallig, dienstvaardig, beleefd zelfs, als hun dit niets kost, tot niets verbindt, en vooral als hun dit nuttig kan zijn,â maar plolselijk en op eens, zonder overgang, onbe-sehofte lompe vlegels worden.â Bij hen is fatsoen als een kleed dat men aandoet of\'uittrekt naar gelang het in de kraam te pas komt. Het is dus niet overdreven wat men wel eens hoort zeggen : âDo wereld hangt met bedrog en geveinsdheid aan elkander.quot; â De eigenbaat en zelfzucht wordt vooral in onze dagen bij de hand genomen door de zoogenaamde socialisten, om het volk vooral de arbeidende klas tot hunne partij te trekken.â De arbeider, zoo zeggen zij, moet zich niet langer door zijn meester of patroon laten vertrappen, zich als slaaf laten behandelen,â immers hij staat gelijk met zijn meester, geniet dezelfde vrijheid, heeft dezelfde rechten als hij,â hij moet zich doen gelden,â door welke middelen dan ook zijne belangen bevorderen,â niet het belang van den patroon maar zijn eigenbelang zoeken,â minder arbeiden en meer loon ontvangen. Ziedaar M. B , de leer die de moderne socialisten het volk, de arbeidersklas voorhouden; het is, zooals gij ziet, de lee.\' van het eigenbelang. Die leer is aantrekkelijk en verlokkelijk voor den mensch, en vandaar dat de socialistische beginselen in weinig jaren tijd zulke ontzaggelijke vorderingen hebben gemaakt in de wereld. Een braaf Italiaansch werkman Valencini genaamd, was gehuwd met eene jonge dochter die al de vereischte hoedanig-
â 232 â
heden bezat, om eenen man gelukkig te maken. Beiden wonnen door oppassendheid en vlijt, door spaarzaamheid en zuinigheid ruimschoots hun brood, trod zegende hunnen echt met twee kinderen. Nergens wellicht was er een gelukkiger huisgezin te vinden. Middellerwijl kwamen eenige socialistische leiders naar de stad waar Valencini woonde, en belegden eene vergadering voor den volgenden zondag. Ook Valencini begaf zich nieuwsgierig daarheen. Men sprak over de noodzakelijkheid van tegen zijne patronen op te staan; men zeide dat de arbeider zijn lot moest zoeken te verbeteren, meer op zijn eigenbelang uit moest zijn, enz.â Die taal bracht Valencini\'s hoofd op hol, morrende ging hij \'s anderendaags al naar het werk, hij vervloekte den arbeid waarin hij tot nu toe zijn geluk gevonden had. Zijne kwade stemming nam met den dag toe, deed hem vrouw en kinderen vluchten, om zijne wanhoop in den drank te smoren. Valencini was verloren. Hij die eertijds zoo godvreezend, zoo voorbeeldig was, werd een dronkaard, een godslasteraar, een spotter met godsdienst en priesters, een verkwister, een losbandige, een beul van vrouw en kinderen. Zijn ongeregeld le yen haalde hem eene doodelijke ziekte op den hals. De pastoor der parochie komt toegesneld en tracht het verloren schaap tot den schaapstal terug te brengen ; doch te vergeefs,â vrouw en kinderen trachtten met tranen in de oogen haren ongelukkigen echtgenoot en vader tot inkeer te brengen. Alles is vruchteloos; hij jaagt ze al vloekende weg: âmaakt u weg! riep hij uit, laat mij gerust.quot; Dit zeggende gaf hij den geest. Hij stierf als een onboetvaardige en werd burgerlijk begraven. De eigenbaat, de zelfzucht, zooals gij ziet, stortte hem in het verderf. Nog dagelijks kan men de ongelukkige
â 233 â
gevolgen der zelfzucht gadeslaan. Daar üijn zoovele menschen die door zucht naar geld gedreven, zooals men zegt, de kans gaan wagen.â Zij zetten hun geld oj) het spel, de dobbelsteenen moeten beslissen. De fortuin is hun tegen, het spel is verloren, en uit wanhoop brengen zij zich om het leven.â Zelfzucht voert dus tot zelfmoord; voert ook tot schelmerij, diefstal en bedrog. Het zevende gebod M. B. : âgij zult niet stelen,quot;â wordt weinig of niet gekend en nog minder geacht in onze moderne maatschappij. De zelfzucht de eigenbaat is grootendeels daarvan de oorzaak. Men zoekt zijn profijt, zijn voordeel,â en bij vele menschen zijn alle middelen daartoe goed. Telt eens de handelshuizen en banken die met den dag bankroet gaan, kantoor- en staatsbeambten, wisselagenten en dergelijke die met de kas door de koord gaan,â dat zijn daadzaken waarvan dagelijks de bladen melding maken, en die tot evenzoovele bewijzen kunnen dienen van de schelmerij in de wereld. Helaas! dat kwaad bespeurt men tegenwoordig meer dan ooit in de jeugd, in het opkomend geslacht. De groote klacht van ouders en meesters, van Geestelijken is deze : wij bespeuren in de kinderen eene hooge mate van zelfzucht,â weinig begrip van rechtvaardigheid, en dientengevolge ook geen afschuw voor overtredingen tegen het zevende gebod. Ook bij menigen arbeider en werkman is het zevende gebod eene doode letter. Velen misdoen er tegen zonder er zelfs acht op to slaan,â⢠b.v. met niet genoeg te werken,â zijnen tijd te verbeuzelen en te verslenteren Men wordt per uur be taald, \'s morgens heeft men een half uur noodig om aan don gang te gaan, kwartier voor twaalven is het de moeite niet waard nog iets anders te beginnen,â zaterdags morgens zou men zijn werk kunnen afheb-
â 234 â
ben, maar het zal duren tot \'s avonds, om \'s maandags een nieuw stuk te beginnen. Op die wijze wordt menig uur nutteloos doorgebracht, waarvoor men niettemin betaald wordt. Men doet nog zij \\ en patroon of meester te kort, met geen zorg te dragen voor diens gereedschappen of benoodigdhi den, zeggende; Het komt er niet op een beitel, op cene schaaf of zaag op aan,â als dit of dat gereedschap niet meer deugt moet de meester maar zorgen dat er een ander komt. â Men misdoet ook bij aangenomen werk, met maar half of slecht werk te leveren ten einde spoedig zijn stuk af te hebben, â ook ziet men soms slecht werk leveren uit wrok tegen zijn meester, om hem klanten te doen verliezen en op die wijze zich te wreken. Sommigen maken er ook niets uit te werken voor hun zeiven, als zij daartoe in de gelegenheid zijn;b.v. bij afwezigheid, of drukke bezigheid van den moester. Al den tijd dien gij besteedt voor u zeiven, ontsteelt gij uwen meester. De afwezigheid van den moester is ook niet zelden oorzaak dat er slordig, weii\'ig of in het geheel niet gewerkt wordt.ââGetroffen vandaag! de meester is weg,â zeide eens een werkman tot zijnen medegezel, een braaf arbeider die lid was der Aartsbroederschap van den H. Francisus Xaverius; âVerstaat gij mij de meester is weg,â genoeg gewerkt van daag!quot;â De meester is niet weg, de meester is nog daar, was het antwoord van den andere, hij ziet van daarboven neer op ons wérk, â en beslist of hij ons moet loonen of straffen,â ziedaar de reden waarom ik verkies mijn werk voort te zetten. â Gij zijt een kwezel zei de andere. Goed, een kwezel als gij wilt, maar toch geen dief van mijn dagloon. â Zoo sprak een godsdienstig en gewetensvol arbeider, en in dien geest moet elk arbeider die lid is van de H.
â 235 â
Familie spreken en handelen. Verkeerd nog handelt een jongeling die weinig of niets van zijne winst mede naar huis neemt, maar in plaats van die aan vader en moeder te geven alles of bijna alles voor zich behoudt. Dat is strijdig motdo liefde, die oen zoon aan zij no ouders verschuldigd is. Ouders hebben recht, minstens op een gedeelte der verdiensten hunner kinderen, uithoofde van al wat zij voor hen gedaan hebben en nog doen. Ik zou hier nog vele andere gevallen kunnen aanhalen ten bewijze hoe een werkman tegen de rechtvaardigheid misdoet. Ik zou nog tot voorbeeld kunnen aanhalen een voerman die oen zak kolen,â een knecht die eene partij vruchten aflaadt aan eene herberg, in plaats var die op de plaats der bestemming te bezorgen,â van eenen stal- of paardenknecht, die aan de paarden een deel van de haver ontlrekt om die ten zijnen bate te verkoopen,â van keukenmeiden die de zuinigheid en spaarzaamheid te baat nemen om zich zelven te verrijken,â van zonen en dochters die buiten weten der ouders graan verkoopen, teneinde zich geld te bezorgen voor hunne uitgaven. Dat is stelen,â al geschiedt het ook door kinderen des huizes, en niet zelden zijn de ouders door al te groote toegeeflijkheid zeiven daarvan de schuld. Een pastoor verhaalde mij voor eenigen tijd het volgende. Hij bracht een bezoek bij een aanzienlijk pachter zijner parochie, die verscheidene volwassen zonen en dochters had: âMeester N.... zeide de pastoor, weet gij wel, dat er eene aanzienlijke partij graan uit uwe schuren naar de markt gaat, waarvan gij geen hnlven cent in de beurs steekt. Uwe kinderen, vooral uwe dochters trekken daarvan hot geld op voor klcederen en opschikquot;.â Och mijnheer do pastoor! was het kalme antwoord van den pachter,â laat ze maar begaan, des te min-
â \'236 -
der hebben zij later te deelen. Nog eens de zelfzucht, de eigenbaat is de oorzaak van alle bediog en schelmerij die in de wereld heerscht. M. B., de meeste menschen en vooral gij hebt een afhankelijk bestaan, gij moet van elkander leven door koop en verkoop. Nu deswege moet gij als christelijke menschen een richtsnoer hebben, namelijk: het geweten, den godsdienst ; doet nooit tegen de inspraken van uw geweten aan een ander al ware het ook voor een halven cent onrecht; want elk onrecht hoe klein ook, is een worm die voortdurend knaagt aan het hart;â stoort u niet aan het voorbeeld van anderen, die in plaats van het geweten, het eigenbelang tot richtsnoer nemen en zoo niet met den mond, ten minste met het hart zeggen : alle middelen zijn goed, als het er op aan komt zijne belangen te bevorderen. Neen, voor u staan geschreven deze woorden : âZoekt eerst het rijk Gods eii zijne gerechtigheid en al het overige zal u toegeworpen worden. â (Matth. VI. 33.)
xxxn.
Menschelijk Opzicht,
Ondftr het oneindig getal middelen die de duivel bezigt, om den menscb van het goed af te Irekken en tot het kwaad over te halen, is er geen dat hem beter gelukt dan het Menschelijk Opzicht.â Onder alle klassen van menschen treft men het menschelijk opzicht aan, â ook onder de werkende klas en niet het minst onder die klas; deswege moet ik dezen avond eens een woordje daarover zeggen. Vaarin bestaat het menschelijk opzicht ? In drie zaken. 1) Niet voor een christen gehouden durven worden. 2) Niet het goed durven doen, dat men in geweten doen wit, uit vrees van bespot of benadeeld te worden.â 3) Tegen zijnen wil kwaad doen, en dat wel om aan anderen niet te mishagen. Met andere woorden: Het goed verzuimen en het kwaad bedrijven, uit
â 238 â
vrees voor de menschen. Nemen wij eens een paar voorbeelden ter toepassing. Hoe menig jongeling en man, zou tijdens de mis behoorlijk willen bidden; maar hij durft geen gebedenboek of rozenkrans in de hand nemen, omdat anderen dat ook niet doen.â Hoe gaarne zou hij in de week al eens mis hooren, al eens eene maal dikwijler biechten en eommuniceeren; maar hij durft niet, zeggende ; wat zullen anderen daarvan zeggen ? hij zou wel vóór en na het eten gelijk het een christen betaamt met ingetogenheid en aandacht bidden ; â hij zou zich wel in de Broederschap der H. Familie laten opnemen maar hij is bang door kameraden en gezellen voor een kwezel of schijnheilige uitgekreten te worden!â Hoevelen verder die het kwaad bedrijven als zij met anderen zijn, en die alleen zijnde het niet doen zouden. Aan tafel, op het veld, in den schofttijd, in de herberg hooren zij onzedige taal spreken, zij keuren liet af in hun hart, maar evenwel kunnen zij zich niet onthouden er eens mede te lachen, en al eens een woord mede te spreken, omdat anderen dat ook doen, en zij anders misschien uitgelachen zouden worden. Die jongeling zou de H. Mis wel aandachtig bijwonen als hij alléén was in de kerk, maar een kameraadi die aan zijne zijde staat, haalt hem over tot praten en lachen, en hij durft hem niet wederstaan, uit vrees van door hem bespot te worden. Te huis zou hij voor geen geld op verbodene dagen vlees jh eten, maar bij gelegenheid van markt of kermis, â op reis, â in de stad, als hij in gezelschap van anderen is, die daar weinig of niets uit maken doet hij mede, om niet met een onnoozelen spotlach bejegend te worden.â Ziedaar M. B., het menschelijk opzicht in praktijk gebracht. Doeh luistert nu eens naar eene geschiedenis als
â 239 -
tegenstelling van het menschelijk opzicht. In een hotel in eene groote stad, kwamen dagelijks vele men-schen, doeh het meest oificieren van het garnizoen, het middagmaal nemen. Op zekeren dag kwam een jongeling binnen om te dineeren.â Alvorens zich neder te zetten, maakte hij het teeken des kruises en verrichtte een kort gebed. A.ller oogen waren op hem gevestigd. Aanvankelijk was men verwonderd, vervolgens begon men te fluisteren, â ten laatste begon men te lachen. De edelmoedige jongeling die inmiddels zich had neergezet, aanschouwde bedaard het spottend gezelschap.â âMijne Heeren, zoo sprak hij, waarom lacht gij zoo algemeen? Heb ik wellicht, aanleiding daartoe gegevenquot;?â En waarom zou men niet lachen, antwoordde een jeugdig offloier, als men u zulke grimassen ziet maken ? âO zoo ! ben ik de schuld daarvan, weet dan dat het volstrekt niet dapper is zich met veertig te vereenigen om met éénen den spot te drijven ; â maar in weerwil van zoovele spotters te doen wat plicht en geweten gebieden, is een man \\an karakter waardig. Ik ben katholiek en schaam mij niet voor mijn geloof\'.â Toen heerschte er eenige oogenblikken een diep stilzwijgen ; allen waren beschaamd, totdat de vreemdeling het gesprek opnemende, over een ander onderwerp begon te spreken, en allen de gelegenheid hadden in dien moedigen katholiek tevens een geleerd en verdienstelijk tnan te bewonderen.â Een weinig vroeger dan de anderen stond hij van tafel op, en verrichtte evenals bij het be;in van den maaltijd zijn gebed; doch nu was er niemand die nog lachtte,â de meesten zwegen en onderbraken uit beleefdheid zelfs een oogenblik hun maal.â Hij verliet vervolgens de zaal, na allen die aan tafel zaten gegroet te hebben,â en allen weder-
â 240 â
keerig groetten ook hem. JVL B., zoo handelde een verwinnaar van het menschelijk opzicht; menig ander die in zijne plaats geweest ware, zou uit vrees voor bespotting noch vótr, noch na den maaltijd gebeden hebben. Nu, al wie uit men. chelijk opzicht voor zijn plicht niet uit durft komen is een lafaard. Een soldaat gaat er groot op het kruis van verdienste of dat van langdurigen dienst te dragen, en gij, â zijt gij niet soldaten van Jesus Christus ? en gij zoudt u sch amen de kenteekenen te vertoonen van een christen!â Hij rekent het zich tot eer den koning, het vaderland te dienen, â en gij zoudt het u eene oneer rekenen den Heer uwen God te dienen. Gij schaamt u niet voor het bedrijf, voor het beroep dat gij uitoefent, hoe nederig het ook zij, en gij zoudt u schamen om openbare belijdenis te doen van uwen godsdienst? Welke lafheid! âWat zal men van mij zeggen!quot;âZiedaar de gewone verontschuldiging dier laffe en zwakke christenen. Maar wat is u daaraan gelegen wat anderen zeggen, als gij maar uwen plicht volbrengt. De ondeugd moet zich schamen, maar niet de deugd. Daarenboven wat wint gij door de toejuichingen der menschen, en wat verliest gij door hunne beknibbelingen ? Zijt gij wel verplicht hun rekenschap te geven van uwe handelingen V Zijn zij uwe rechters ? Verwacht gij loon van hen ! M. B., onthoudt eens het gezegde van een groot en verdienstelijk man, die zegt; âHet is een bewijs van laagheid van ziel, niet wijs te durven zijn, omdat de dwazen er mede spotten.quot; â Hunne spotredenen gaan voorbij, maar de oordeelea Gods gaan niet voorbij. Ik zeide zooeven dat gij door edelmoedig voor uwen plicht uit te komen, en u om het menschelijk opzicht niet te bekreunen, niets verliest: maar al zou dat het geval ook al wezen, een oprecht christen ziet
â 241 â
niet daarnaar. Een jeugdig luitenant in fransohen dienst, die sedert eenige dagen nog maar de officiers-epauletten droeg, werd met zijne oversten aan eenen maaltijd genoodigd. Op het einde van het maal kwam het gesprek op den godsdienst, en weldra veroorloofde zich een der hooggeplaatste gasten de grofste uitvallen te doen tegen de Moeder Gods. Die belee-digingen kalm aanhooren was den jeugdigen luitenant onmogelijk,â onbeschroomd en vrijmoedig, doch tevens beleefd en eerbiedig springt hij voor de moeder Gods in de bres, legt zijn veelvermogenden tegenstander het stilzwijgen op, en overtuigde het gansche gezelschap dat hij niet minder edelmoedig katholiek dan dapper krijgsman was. Ik wist zeer goed, zeide hij later, dat ik mijne toekomst daardoor op het spel zette, maar mijn hart behoort aan Maria, evenals mijn degen aan Frankrijk behoort.â Wie zich aan het menschelijk opzicht stoort, is niet alleen laf, maar ook belachelijk en dwaas. â Velen uwer zijn soldaat geweest of weten wat het is soldaat te zijn. Nu, wat zoudt gij zeggen van een soldaat, die door een korporaal of sergeant \'s nachts op wacht gesteld, â zou bidden en smeeken hem een kameraad te geven omdat hij bang is alleen te zijn?â Men zou hem uitlachen en voor den gek houden, zooals hij ook verdiende. Nu, wij allen zijn soldaten van Jesus Christus, en wij moeten allen, ieder voor zich wacht houden opdat de vijand ons en anderen niet aanrande â en wij zouden bang zijn wacht te houden, voor het goede te doen en het kwaad te beletten ? Is dat niet dwaas en belachelijk i*â Wat zoudt gij zeggen als gij eenen stevi-gen, gespierden man zaagt beven in de tegenwoordigheid van een kind, dat hem op eene of andere wijze schrik zoekt aan te jagen?â Gij zoudt zeggen:
16
â 242 â
die man verdient den naam van man niet, het is een kind. Nu, voor wien beeft iemand, die zich door het menschelijk opzicht laat beheersohen,â die tegen zijnen wil en overtuiging in, het goed laat en het kwaad bedrijft V Is het voor een koning of vorst die hem met kerker of dood bedreigt V Noen, hij heelt voor iemand, dien hij uit den grond zijns harten veracht,â dien hij in zaken van belang nooit zou raadplegen, aan wien hij hoegenaamd niet gelijk zou willen zijn ; voor iemand die niets anders wil dan hem zoover te brengen dat hij zeggen kan : âHij is zoo slecht als ik.quot;â De H. Augustinus noemt de slaven van het menschelijk opzicht nachtelijke aanbidders, die deugdzaam zijn in het verborgen en slecht in het openbaar,â katholiek in het hart en ketter metterdaad, â vroom met vromen, goddeloos met slechten,â chistenen met twee aangezichten, die hun gelaat, dat is : hun uiterlijk voorkomen, hunne gedragingen naar omstandigheden van plaats, persoon en tijd regelen,âdie tot (rod schijnen te zeggen: âHeer ik zou u in alles willen voldoen maar tevens zou ik niet gaarne aan de wereld willen mishagen ;â beveel mij al wat gij wilt, maar ik bid ik u stel mijne trouw niet te veel op de proef.\'\' Men kan die lafaards het best vergelijken bij dien veldheer, die eens tot zijn koning zeide : âSire! gij kent mijne verkleefdheid aan uwe Majesteit; mijn hart behoort u, nochtans moogt gij in het uur des gevaars op mijnen degen niet rekenen, â voor het overige kunt gij m alles staat op mij maken.quot; â M. B., onthoudt eens goed de behandelde stof, â zij is van dagelijksoho praktijk. Ik vorder niet van u dat gij te pas en te onpas met uwe deugd te koop loopt, gelijk zij die goede werken verrichten, alléén om door de menschen gezien en geacht te wordenneen dat niet, dat ware ver-
â 243 -
keerd, â maar wel dat gij kloekmoedig voor plicht en geweten uitkomt zoo de omstandigheden dat vor-eischen, met andere woorden ; dat gij weet te spreken en te handelen als do eer van God, het belang uwer ziel, en het nut van den evenmensch zulks vorderen.â U vooral jongelingen, druk ik deze wenken op het hart, gij meer dan anderen staat bloot aan den invloed van het mensehelijk opzicht.â Vlucht vooral slechte gezelschappen en bedorven kameraden. Ware Petrus het huis van den Hoogepriester niet binnen getreden, nooit ware hij bevreesd geweest voor eene eenvoudige dienstmaagd, â nimmer bijgevolg ware hij gevallen. Zoo gaat het ook met menig jongeling. Nooit zou hij zich uit zwakheid, uit mensehelijk opzicht hebben laten verleiden tot onmatigheid, tot deelneming aan slechte gesprekken, tot verzuim der H. Mis, enz. â hadde hij zich niet aangesloten aan dat gezelschap, aan dien vriend. Doch komt men ook al zonder zijne schuld in eene of andere gelegenheid, laat ons dan niettemin zonder vrees voor onzen plicht uitkomen, gedachtig de belofte van den Zaligmaker: â Wie mij zal helijdcn voor de, menschen^ dien zal ik ook belijden voor mijnen Vader die. in den hemel is.quot; (Matth. X. 22.) Amen.â
XXXIIT.
Godslastering.â
Daar zijn twee ondeugden, die ik dikwijls ter loops heb aangeduid, â waarvan ik nu en dan iets gezegd, dosh waarover ik nog niet in het bijzonder gesproken heb, namelijk: de godslastering en de oneerbare gesprekken. Over de eerste dier ondeugden helaas zoo algemeen verspreid, ga ik ter uwer waarschuwing eens spreken. Door godslastering verstaat men een woord of gezegde, smadend en onteerend voor God an zijne Heiligen, alsmede voor goddelijke en heilige zaken. En is datgene wat men zegt grootelijks smadend en onteerend voor God en de Heiligen, dan is de godslastering eene dood- anders eene dagelijksehe zonde. â De godslastering wordt ons in de H. Schrift aangeduid als een der vreeselijkste geesels, die de heerschappij van den Antichrist op aarde moet ontketenen. M. B., op het einde der wereld, zal de gods lastering het toppunt harer boosheid bereikt hebben; dan zal men godslasteringen hooren, die men tot hiertoe nog niet gehoord heeft, â dan zuUen niet enkele, maar millioenen monden zich vereenigen, om God en zijne Heiligen te lasteren ; met andere woorden op het einde der wereld zal de godslastering heer-
- 245 â
schappij voeren, den sehepter zwaaien op aarde. M. B., zou men in aanmerking genomen wat ik zoo even kwam te zeggen, bijna niet mogen gelooven dat wij in onze diig;n het einde der wereld genaderd zijn. Welke tijden waren getuigen van ijselijker godslasteringen dan de onze ? Is er wel, de dagen der Fransohe revolutie op het einde der vorige eeuw uitgezonderd, â een tijdperk in de geschiedenis der wereld, waarin de godslastering tot zulke hoogte gestegen, en zoo algemeen verspreid is als het tijdperk waarin wij leven ! Zij is het dagelijksch brood van den werkman zoowel ten platten lande als in de steden, â zij.is niet meer het afzonderlijk geschreeuw van een beschonkene, van een waanzinnige, die aldus aan zijne woede zoekt lucht te geven ; neen in onze dagen openen zich duizenden monden tegelijk, om God en den Godsdienst, Jesns Christus en zijne Kerk, de Heiligen in den hemel, de rechtvaardigen op aarde te vervloeken en te lasteren.â In Frankrijk, België en in andere landen ontziet men zich niet om in de Kamers, de ijselijkste godslasteringen tegen God en godsdienst uit te braken,â duizenden dagbladen disschen dagelijks aan hunne lezers godslastermgen op, â ja er bestaan ten huldigen dage bladen en geschrilten, daar zijn tegenwoordig vereenigingen, die in plaats van God, openlijk den satan huldigen en verheerlijken. M. B., zou men bijna niet mogen gelooven, dat de voorzegging der H. Schrift met betrekking tot het einde der wereld in vervulling treedt. M. B., juist omdat het vloeken in onzen tijd zoo algemeen is, en de afschuw voor dat kwaad meer en meer verloren gaat, voel ik mij gedrongen u van daag daar eens over te spreken. â Ik zal u niet zeggen wanneer do godslastering dood- of dagelijksche zonde is, dat laat
â 246 â
zich beter zeggen in den biecht- dan op den preekstoel, ik wil u enkel eenige bewijzen aangeven van de boosheid dier zonde, en eenige voorbeelden daaraan toevoegen. De godslastering is in zekeren zin eene heiligschennis. â Door heiligschennis immers verstaat men de ontecring van eene heilige zaak. Nu wat is er heiliger en aanbiddenswaardiger dan de naam van God, dien de Heiligen niet durven noemen, zonder het aangezicht met hunne vleugelen te bedekken: âHtilig! Heilig! Heilig, is de Heer, de God der heerscharen.quot; Alle HH.Vaders en godgeleerden bezigen de krachtigste uitdrukkingen, om de atschuwelijkheid der godslastering te brandmerken, Zelfs de heidenen spreken er over als van een gruwel. De wijsgeer Plato o. a. zegt: dat het niet kennen van God de grootste ramp der staten is. De godslastering, juist omdat zij onmiddellijk God aanrandt, blijft zelden of nooit ongestraft. â Niet vei van Luneville in Frankrijk, woonde een landbouwer, algemeen gekend als een zeer driftig en onstuimig man, die bij dc minste tegenspraak welke hij ondervond in de grofste godslasteringen losbarstte. Den vorigen zomer op het einde van den hooitijd, ontstond er een hevig onweder. â De vrees van binnen weinige oogenblikken zijn hooi door den stortregen bedorven te zien, ontsteekt zijne woede. â Hoe heviger het dondert, des te heviger wordt zijne woede. â Ten laatste aan een bezetene gelijk, raapt hij een handvol hooi op, en werpt dit schuimende van woede ten heme1., er deze godslastering bijvoegende: âGod, vertoon u nu, opdat mijne zeis u trelïe.quot; â De geburen getuigen zijner dolzinnige drift, roepen hem toe zich toch te bedaren; want het vuur des hemels kon hem troffen. Het onweder dreef af, geen enkele regendruppel bevochtigde de weide van den godslasteraar. Twee dagen
later laaddu hij, boven op den wagen staande, het hooi dat men hem toereikte. De kar was nauwelijks half geladen, toen het paard door wat voeder uitgelokt, eensklaps eene onverwachte beweging maakte. De godslasteraar valt achterover van de kar en komt juist terecht op de plaats waar hij een paar dagen tevoren, vloekende een handvol hooi ten hemel had geworpen. â Hij had den ruggegraat gebroken, en geheel zijn lichaam was op eene vrecselijke wijze gekneusd. Eene maand daarna stierf hij onder de hevigste smarten. M. B., men moet blind zijn om niet te zien, dat dio vreeselijke dood de rechtvaardige straf was zijner godslasteringen. De godslastering verder besluit in zich eene helsche, ja meer dan Lelsche boosheid. Ik hoor de vjrdoemden in de hel God vloeken en lasteren,â en vraag ik hen waarom zij dat doen ; dan toonen zij mij de vlammen die hen pijnigen, zij vervloeken God omdat Hij hen straft. Zij kunnen dus nog eenigermate hun gedrag verontschuldigen; â maar de godslasteraar op aarde niet. Ik kan geen reden vinden waarom de mensch God kan lasteren. Is het omdat Hij hem naar zijn beeld en gelijkenis heeft geschapen ? Is het omdat hij hem zijnen eenigen zoon heeft gegeven, die voor hem geleden heeft en gestorven is ? Is het omdat hij u naar ziel en lichaam zoo rijkelijk begiftigd heeft ? Neen. Hij vervloekt dns God zonder eenige reden, en toont dus eene hoosheid grooter dan die der duivelen.â Daar zijn menschen die vloeken uit drift, uit gewoonte, enz. â maar daar zijn er ook die vloeken uit koelen bloede, zonder de minste aanleiding, louter uit haat tegen God,â zulke menschen zijn duivelen in menschelijke gedaante, die niet zeidon ten voorbeelde van anderen door God geducht gestraft worden. Een schoolmeester van het
openbaar onderwijs in Frankrijk, was bezig de kinderen te onderwijzen. Hun willende toonen dat men zonder vrees mag lachen met het beeld van eenen gekruisigden God, nam hij eene wisch en begon daarmede te slaan op een kruisbeeld dat aan den wand hing : âziet gij wel, riep de booswicht uit, ziet gij wel kinderen, â Hij hoort mij niet, â Hij zegt niets, â Hij kan niets. Ware Hij God, Hij zoude zich zoo niet laten behandelenquot; ! En hij ging voort in zijn overmoed den Gekruiste te tergen. De schoolkinderen moesten dat zien, moesten dat hooren. Ook de vrouw van den onderwijzer was er bij tegenwoordig, zij was even goddeloos als haar man, en deed niets dan lachen en spotten met dien gruwel. En wat gebeurde er ? Op het oogenblik niets. Het kruisbeeld zweeg, maar de Gekruiste hoorde en zag den smaad, dien men Hem in zijn beeld aandeed. Niet lang daarna bracht de vrouw van den schoolmeester een tweeling ter wereld. Het eene kind was dood, â de buik opengereten en de ingewanden uitgestort,â het ander leeft nog, maar is gansch zwart, blind, doof en stom. De straf was daar, â de gansche bevolking ziet er de hand van God in.â De godslastering is verder nog eene ergernisgevende zonde. Een godslasteraar immers sleept anderen mede in zijne zonde, evenals hij zelf door het voorbeeld van anderen wordt meegesleept. Waarom vloekt reeds die jongeling van 15, 16 jare.i ? Hij heeft dat geleerd te huis of van kameraden, â en hij zal op zijne beurt de godslasteiing voortplanten in anderen. Welk een gruwel! M. B., verwondert u niet dat tegenwoordig de godslastering zoo algemeen is. De wereld heeft haar christelijk karakter verloren, wij leven in eene eeuw van bandeloosheid, waarin het een ieder vrij staat te doen wat hij wil. â in
â 249 -
geval men maar uit dc handen der politie blijft. Doch eertijds toen de maatschappij nog geloof bezat, was het niet zoo.â Toen viel de godslastering onder het gebied van den burgerlijken rechter en was strafbaar evenals elk burgerlijk misdrijf. Zoo beval de H. Lode-wijk IX, koning van Frankrijk door eene wet, dat de tong der godslasteraars met een gloeiend ijzer moest doorstoken worden; en toen een inwoner van Parijs tot die straf veroordeeld werd, zeide de heilige koning: O ! mocht ik door die straf zelf te ondergaan de godslastering uit mijn rijk kunnen bannen ! Die tijden zijn voorbij waarin de burgerlijke overheid de godslastering strafbaar stelde,â alleen in Amerika waar de uitersten van het goed en van het kwaad elkander raken, bestaet op sommige plaatsen eene verordening tegen de godslastering. Te New-York b. v. is het sedert 1 Juni 1882 door de Protestantsche overheid verboden, in het openbaar te vloeken, op straf van boete of gevangenis. Het decreet luidt aldus; âvloeken ; den naam van God, van Jesus Christus of van den H. Geest onteeren, is strafbaar;â geschiedt het in het bijzijn van een vrederechter alderman, mayor of griffier, dan mogen deze den plichtige onmiddelijk tot tien dagen gevangenis ver-oordeelenquot;.â M. B., voor u liggen in de verhandelde stof gewichtige wenken opgesloten. Ik geloof niet dat onder de leden der H. Familie eigenlijk gezegde godslasteraars worden aangetroffen ; dat wil zeggen, die de gewoonte hebben zich aan grove, zware vloeken plichtig tc maken; want iemand wien eene of andere maal al eens een woord ontvalt,dat minder een vloek dan een vloekwoord is, hem noem ik nog niet een vloeker. Voor vloeken behoef ik u dus niet zoozeer te waarschuwen. Maar wat gij doen moet is dit: gij moet
â a50 â
ieder voor u medewerken om in de wereld het vloekon te^en te gaan en zoo mogelijk uit te rooien,â Gij die gezag hebt, b. v. meesters over onderhoorigen, â ouders over kinderen, â bezigt dat gezag zonder vrees en schroom, als het er op aan komt een kwaad te weren dat een gruwel is in de maatschappij, en ccne schande voor het Christelijk huisgezin ;â christelijke herbergiers moeten niet schromen or publiek voor uit te komen dat zij niet dulden dat in hunne herberg gevloekt wordt, â de jongelingschap onder elkander moet tot regel stellen: in ons gezelschap wordt niet gevloekt;â zoudt gij eindelijk al eens een vloek of godslastering moeten hooren vreest dan niet den plichtige te beschamen ; of ten minste zegent inwendig den naam des Heeren, zeggende met het hart: âde Xaam des Hoeren zij gezogend, van nu af tot in eeuwigheid.quot; Daardoor M. B., verricht gij cenc handeling die verdienstelijk is bij God; â want evenals de vloek van een godslasteraar op hein zei ven neerkomt, zoo komt Gods zogon neder oj) hom die den naam dos Heeren looft en prijst. Amen.â
XXXIV.
De Herberg.
De vermaning die Moses weleer tot de Joden richtte, om hen te waarschuwen voor het gevaar van verleiding dat er bestaat in don omgang met goddeloozen ; diezelfde vermaning richt ik ooi; tot u: âRccedite a tahernaculis homimim impiorum.... ne involvamini in peccatis eorum. Houdt u verwijderd van de woontemten der goddeloozen, opdat gij niet verstrikt geraakt in hunne zonden.quot;â (Num. XVI. 26.) Waarschuwen kom ik u voor een gevaar zoo algemeen in de wereld,â een misbruik dat met den dag erger wordtâ en het hart van ra enig herder en biechtvader met bitterheid vervult,â- eene wanorde die zooveel kwaad sticht in de parochiën,â eenen struikelblok die doorgaans op den publiekeu weg ligt, waaraan zoovelen den voet stooten en vallen,â eene pest moorddadiger dan cholera en typhus, die alle geloof en zedelijkheid, alle schaamte en fatsoen ondermijnt,â waarschuwen kom ik u voor herbergen, kroegen, drinkhuizen, café\'s of hoe gij ze noemen wilt, die in onze dagen als molshoopen uit don grond verrijzen, en wier bestaan noch noodzakelijk noch nuttig maar veeleer verderfelijk en scha-
â 252 â
delijk is ; de ondervinding leert het genoeg, woorden en bewijzen zijn hier overbodig. Mensehen op jaren zegt mij eens, hoeveel herbergen trof men aan voor 30, 40 jaren in uwe gemeente ?â gij kondt ze op de vingers tellen,â en tegenwoordig kan men geen stap doen of men staat voor een herberg ; vandaa- komt er een huis leeg, morgen is het al betrokken,â een bord boven de deur, \'t is een herberg. Men is getrouwd, men moet zich vestigen,- hoe den kost te verdienen? Wel door herberg te houden. Ik ken eene gemeente van ongeveer 2500 zielen waar ge ondanks de nieuwe patentwet op den drank, 39 bordjes aantreft met het woord âvergunningquot;.â \'t Is een schande, eene oneer voor de moderne maatschappij, een bewijs van diep verval, van zedelijke verlaging die voort du rende toeneming van herbergen en kroegen in onze dagen. M. B.; laat mij u heden over dat n.isbruik eens een woordje zeggen en u eens bewijzen dat menige herberg tegenwoordig is :
1. Eene oneer voor den godsdienst.â
2. Eene pest voor de zeden.â
3. Eene ramp voor het huisgezin.â
Het licht niet in mijne bedoeling alle herbergen zonder onderscheid te veroordeelen. Neen, eene herberg die aan haar doel beantwoordt, die reden vindt tot haar bestaan,â eene herberg ton dienste van den vreemdeling om te overnachten,â voor den reiziger om te rusten,â waar men gelegenheid heeft in fatsoenlijk gezelschap een gezellig uurtje te slijten,â waar geloof en zeden geen gevaren ontmoeten,â zulke herbergen vallen buiten bespreking. Neon, ik heb het gemunt op dezulken waar men gemeenlijk alle leeg-loopers en befaamde drinkers eener gemeente ziet samea-komen,â waar het zuur verdiende dag- of weekloon
â 253 â
van den arbeider bijna in zijn geheel wordt heengedragen , â waar men bij zekere gelegenheden het walgelijk schouwspel voor oogen heeft van de verregaandste dronkenschap, van twist- en vechtpartijen,â waar men tijdens de kerkelijke diensten de menschen ophoudt,â waar men tot laat in den avond of in den nacht de deur openhoudt,â waar alle gemeen-en laagheden vrijheid genieten, bijaldien men zijn gelag maar betaalt,â ja zulke huizen noem ik een kanker, eene pest voor eene parochie. En gij zult met mij instemmen dat men tegenwoordig zulke eerlooze verblijven bijna in elke parochie kan vinden. Zulke herbergen strekken: I. Tot oneer van den Godsdienst.â Vraagt aan de bedienaren van den Godsdienst, aan ons priesters, welke nadeelige gevolgen dat schandelijk misbruik voor de)igodsdienst, voor het geloof heeft; zij zullen u allen eenparig zeggen ; verwaarloozing in het naderen tot de H. H. Sacramenten, verzuim van het gebed en der kerkelijke diensten, vergetelheid van de waarheden des Geloofs.â Terwijl de priesters op zon- en feestdagen aan het altaar het Lam zonder vlek offeren, gaat men naar een anderen tempel, den tempel van den drank en van de zinnelijkheid,â daar offert men op een ander altaar, dat der dronkenschap en onmatigheid,â daar viert men andere geheimen, geheimen onwaardig het daglicht te aanschouwen. Ziedaar het bedehuis, de tempel van menigen mensch, namelijk; de herberg,â ziedaar zijn godsdienst, zijn geloof: de drank en de losbandigheid. Mag men van zulke menschen met den H. Paulus niet zeggen : âdat zij van hunnen huik hunnen Gód hebben gemaakt.quot; â (Philipp. III. 17). Terwijl de priester op den preekstoel het woord Gods verkondigt, gaat men van een anderen leerstoel, dien der bespotting en goddeloosheid het
â 2M â
woord dor leugen aanhooren : Daar heeft de godslastering het gebed vervangen,âvuile zedelooze liedjes vervangen daar du gewijde gezangen der Kerk,â en men meent dat een liter bier of een glas jenever minder sma kelijk zal wezen, als het onder het drinken niet ingesui-kerd wordt met vuile sprookjes en gezegden,-â met laster en kwaadspreken.â Hoe wilt gij dat alle beginsel van geloof, alle godsdienstig gevoel, alle vreeze Goda niet worden uitgedoofd in die drankholen en kroegen, waar de heilige zaken zoovaak worden bespot, de gebruiken der Kerk zoo dikwijls belasterd,waar de priester zoo onkiesch zoo laag beoordeeld en besproken wordt,â onder de goedkeuring en het gelach van een gansch gezelschap drinkebroeders.â Ja M. B , die onverschilligheid in den godsdienst, die oneerbiedigheid jegens don priester, die verregaande onbeschaamdheid in woorden en manieren, die men tjgenwoordig zooveel vooral onder\' de jongelingschap aantreft, vindt hare oorzaak zoo niet alleen toch grootendeels in het druk herbergloopcn\' 11. Van de versmading van den godsdienst, die do grondslag is der zedewet, tot de versmading der zede-leer zelve, daar is maar een stap toe noodig en die is licht gedaan; vandaar dat ik gezegd heb, dat menige herborg eene pest is voor de zeden. Wilt gij jongelingen zien, zonder schaamte en zonder fatsoen, die in woorden en manieren genoeg toonen wat zij inwendig zijn, gij vindt ze in de herberg,â gehuwde mannen en huisvaders die voor hunne vrouwen een geosel, voor hunne kinderen en onderhoorigen een steen des aanstoots zijn,â gij vindt ze in de herberg,â daar vindt gij ongehoorzame weerbarstige zonen, ontrouwe en diefachtige dienstboden.â Vraagt nooit| als er in de parochie iets mocht voorgevallen zijn, een twist of krakeel, eene vechtpartij, een doodslag,â
â 25B â
vraagt niet: waar heeft dat plaats gehad ?â \'t is altijd, of bijna altijd in de herberg;â waar komen do meeste leugens en lasteringen die zoo dikwijls de rondte doen in eem parochie, vandaan? Uit de herberg. En geon wonder! Daar komt men in aanraking met dc bodorvenste en slechtste elementen eener parochie) die daar evenals het slijk, de modder der straten in eenen put vergaderen,â daar meent men vrijheid te hebben tot het spreken over, en het doen van zaken die men zich op andere plaatsen niet zou veroorloven; daar vindt men wezens die pochen, zich beroemen op he1: kwaad dat zij gedaan, en op dat wat zij niet gedaan hebben,â of om het gezegde te bezigen van een schrijver: âdie zich slechter voordoen dan zij zijn of kunnen wezenquot;.â (Montaigne.) In dc herberg vorder worden alle driften gevoed ; diefstal en roof, want de drank kost gold,â en dat weet men zich te verschaffen koste wat het wil ; verder oneenigheid, twist, vechtpartijen, enz.â Daar wordt uit het hart alle gevoel, jlke zedelijke gewaarwording, alle overtuiging van plicht gebannen en uitgedoofd.â Ach ongelukkige! in dat glas bier of jenever dat gij alvorens het aan de lippen te brengen in de hoogte heft, om te zien of het wel klaar en helder is ; daarin zoudt gij bij een nauwkeurig onderzoek tal van rampen en gruwelen vinden. Daarin zoudt gij vinden op den bodem, de tranen van eene vrouw, van eeue moeder, van kinderen, die treuren en wcenen over uw wangedrag.â Daarin zondt gij vinden het bloed van uwen broeder, van uwen vriend, dat gij bedwelmd door den drank vergoten hebt. Daarin zoudt gij zien weerspiegelen do vlammen uwer hartstochten, die u thans reeds zoo naar ziel als naar lichaam blakeren, in afwachting dat dat vuur plaats zal maken voor het eeuwig vuur der hel, dat u zal folteren in eeuwigheid.â
â 256 â
III. Ik zeg eindelijk dat menige herberg eene ramp, een geesel is voor het huisgezin. Gaat eens een gezin binnen van de werkende klas, waarvan het hoofd een drukke herbergsklant is. Daar vindt gij kinderen smachtend naar een stuk brood, â vuil, onzindelijk, maar half gekleed, â eene vrouw zuchtende en wee-nende over het lang uitblijven van haren man. Doch die tranen maken weldra plaats voor angst en vrees.â Luistert,â daar komt de man aan, hij is beschonken. Vloeken en godslasteripgen zijn het waarmede hij zijne vrouw begroet.â Zijne intrede in huis is als oen storm, een onweder van verwenschingen en scheldwoorden. Alles siddert in zijne tegenwoordigheid, â men vlucht en zoekt zich te onttrekken aan zijnen redeloozen toorn.â Verlaat nu dat huis, en treedt eene naburige woning binnen. Daar vindt ge een broed.er door den drank verhit, in twist met zijn broeder,â van woorden komt het niet zelden tot daden ; een ontaarde zoon die zijn ouden vader, zijne gebrekkelijke moeder durft bespotten en grof behandelen.â Herberg! ziedaar uwe vruchten !â Er is nog meer.â Het fortuin krimpt in, de eene bunder land verdwijnt na den andere, de eene hypotheek komt op de andere, de armoede staat aan de deur. Zoekt nu door handarbeid den kost te verdienen, gij die weleer dienstknechten ter uwer beschikking hadt. Neen, uw arm ontzenuwd en als verlamd, kan de spade niet meer hanteeren, bezit geen kracht genoeg meer om de ploeg te bestieren,â en zoo worden steden en dorpen bevolkt met leeg-loopers en zwervelingen, die vandaag of morgen kennis maken met het gerecht. Gaat eens naar onze groote steden. Daar wordt een man geboeid door de politie opgebracht. â Het is een herbergsklant, die op diefstal betrapt is. â Wat is dat voor eon luid
- 257 â
geschreeuw dat daar bij den avond in het dorp opgaat, en waarheen zoo menig nieuwsgierige zijne schreden richt ? Het komt uit eene herberg,â het zijn drinkers die met elkander aan het twisten, aan het vechten zijn. â Ik kan er nog bijvoegen dat vele herbergen niet slechts eene ramp, een geesel zijn voor het huisgezin; maar ook een geesel, eene schande voor do maatschappij.â En hiervoor spreken de feiten. De statistieken spreken van eene steeds toenemende bevolking in de gevangenissen, krankzinnigenhuizen en bedelaarsgestichten.â En daartoe levert de drank en de herberg ruimschoots haar aandeel. â Geen dag gaat er voorbij of de dagbladen maken melding van bankroeten,â van voortvluchtigen met de kas,â van gerechtelijke verkoopen.â En wie kan mij verzekeren dat zulke schandalen niet grootendeels, en in vele gevallen moeten geweten worden aan de herberg en aan den drank? Het is om te ijzen wanneer men in het begin des jaars in de dagbladen de opgave vindt van de verschillende gruwelen en misdaden die in het afgeloopen jaar gepleegd zijn; tweegevechten, zelfmoord, doodslag, vergiftiging, vergrijpen tegen de zedelijkheid, brandstichting, kerkroof, enz.â Ik wil al die gruwelen niet op rekening schuiven van de herbergen; maar dit is zeker dat zij een groot deel er aan heeft. Ziedaar M. B., eenige praktische beschouwingen over de herbergen.â God beware mij, het gezegde zonder onderscheid op alle herbergen te willen toepassen. Neen, er zijn er, waar geloof en zeden geen gevaar loopen, â waar dronkenschap en onmatigheid geen toegang vinden ; met een woord model-herbergen waar niets op te zeggen valt; maar ze zijn zeldzaam, men moet ze met de lantaarn gaan zoeken. Daar zijn er ook, waarop men alles wel is waar niet kan toe-
17
â 258 -
passen, wat ik boven gezegd heb, â waar men niet al dio grove misbruiken vindt; maar die er ook ver van verwijderd zijn van onschuldig en onberispelijk te wezen,â heibergen die niet bepaald slecht, maar ook niet onvoorwaardelijk goed mogen genoemd worden,â eindelijk zijn er die bepaald slecht zijn en voor menigeen eene gelegenheid tot zonde,â dat zijn zulke herbergen die het enkel op het geld, op de winst gemunt hebben, â en voor het overige zich om niets bekommeren ; tegenwoordig bij het groot aantal herbergen vindt men bijna in elke parochie eene of andere herberg van die soort.â
Mannen en jongelingen! meent niet dat ik u alle genot, alle uitspanning wil ontzeggen ; dat ware wreed en onredelijk.âNeen, ik gun u gaarne een fatsoen lijk verzet; ma; r de uitspanningen waaraan ik de voorkeur geef zijn die welke men smaakt in den schoot zijner familie, daar nemen allen gelijkelijk deel aan de vreugde en smaakt men veel meer voldoening, dan wanneer men zijn pleizier buiten \'s huis gaat zoeken. Gaat niet naar de herberg dan uit noodzakelijkheid, of om eene of andere gegronde reden,â en dan nog naar eene deftige herberg, waar niet al het uitschot der parochie bijeenkomt; gaat er niet te dikwijls heen, en vertoeft er niet te lang ; wantallengs-kens vormt zich eene gewoonte die later moeilijk af te leggen is.âVaders! ik bid en smeek u; houdt uwe zonen zoo lang mogelijk van de herberg verwijderd ; want hebben zij eenmaal den smaak cr van weg, dan is het gedaan met uw gezag, â en gij zijt niet langer meester over hen. Meesters ! weest streng op dat punt met uwe dienstboden. Neemt er geene in uwen dienst, die aan het herbergsleven verslaafd zijn,â en zendt dezulken weg, die meer aan de herberg dan
â 259 â
aan hnnnen dienst gehecht zijn. â Ik sluit met u de woorden aan te halen die de kardinaal Giraud in een zijn vastebrieven richtte tot de geestelijkheid van zijn biadom met betrekking tot de herbergen : âWaarschuwt de (Jeloovigen, zegt hij, zoowel in het openbaar als in het bijzonder; maakt de herbergiers opmerkzaam niets slechts op het verlies hunner zielen, maar ook op hot verlies van het weinige dat zij bezitten ; want er is bijna niet eene herberg, die goede zaken maakt, dis winst afwerpt. Raadt diegenen uwer parochianen die u raad komen vragen af, eene herberg op te richten.â Boezemt vroegtijdig den kinderen een afschuw in voor de onmatigheid, â en roept deswege eene strenge waakzaamheid van den kant der ouders te hulp. Dat alle herbergloopers uitgesloten zijn van de verschillende Broederschappen, â en plaatst nooit hunne namen op de lijsten der candidaten voor de kerkfabriek. Roept zoo noodig het wereldlijk gezag te hulp, in de uitvoering uwer ambtsplichten, â op die wijze zult gij medewerken tot uitroeiing van een groot misbruik, dat tegenwoordig tot in het hart der maatschappij is doorgedrongenquot;.â Zoo spreekt die kerkvoogd.â M. B., vooral gij jongelingen en mannen maakt u deze wenken ten nutte voor uw eigen stoffelijk en geestelijk welzijn, alsmede voor het welzijn van anderen, tot wie gij in betrekking staat; en gij zult in vrede en voorspoed, â wat meer is gij zult lang leven, â tevreden en gelaten sterven en uw naam zal bij God en bij de menaehen in zalig aandenken blijven, Amen.â
XXXV.
Kunst om oud te worden.
In een zijner harpzangen klaagt ie profeet David, over de kortheid van \'s mensehen leven. De krachtig ste, de gezondste mensch, zegt hij, leeft zelden meer dan 80 jaren,â overschrijdt hij die, dan resten hem toch niet meer dan tallooze ellenden en kwalen, die den dood verkieslijker maken dan het leven.â En waarlijk de SO jarige leeftijd, door David als eindpaal gesteld van het menschelijk leven, wordt zelden bereikt, en nog zeldzamer overschreden. Mensehen van 80 jaren in de parochie zijn spoedig opgeteld, en die de tachtig overschrijden,â kunt gij doorgaans op de vingers opnoemen. Een man van 60 jaren is in onze dagen zoo niet een grijsaard, ten minste een bejaard man. Zijn hoofd begint reeds voorover te buigen, zijne leden worden stijf, het bloed vloeit langzaam door de aderen, zijne geestelijke vermogens hebben reeds veel van hunne helderheid,zijno zintuigen veel van hunne scherpte verloren,â kortom op 60-jarigen leeftijd is de ouderdom zoo niet daarâ hij staat toch reeds aan de deur.â Gelijk in al het overige, zoo is ook hier het spreekwoord van toepassing: âGeen regel zonder uitzondering.quot;â Men vindt op 60-jarigen
â aei â
leeftijd monsohon, die onder elk opzicht nog f\'visch en gaat zijn; maar zij behooron eerder tot de nitzondo-ringeu dan tot den regel.â Op GO-jarigen leeftijd laat de menscli reeds één voor één de bandon los die hem aan het leven kluisteren. Hij laat de jeugd genieten en smaken; wat hem betreft, terugtrokken en afgezonderd van het gewoel en gewemel der werald schouwt hij kalm en gelaten, ja met onverschilligheid het getuimel der wereldzee toe.â Zijn geest en hart wenden zich aan den avond van het leven van lieverlede naar het onvergankelijke. De godsdienst met al hare oefeningen en troostmiddelen, worden voortaan zijn hoogst genot, zijn ware troost.â De lichtzinnigheid der jeugd doet den mensch wel eens (Jod vergeten, hoe ouder hij evenwel wordt, des te inniger sluit hij zich bij God en bij den Godsdienst aan. Hij aanschouwt niet meer gelijk \\voeger de dood onder de vervaarlijke gedaante van een spookachtig geraamte, met eene zeis gewapend; maar als een vriend die op hom wacht, om hem over te brengen naar het vaderland van rust en genot. M. B., daar zullen er misschien onder u zijn die zeggen : âOverdrijving is het te beweren dat op 60-jarigen leeftijd de oude dag al aan de deur staatquot;.â Neon, luistert.â De geleerde staathuishoudkundige Hoiïiuann beweert dat in ons klimaat, in onze streken, van de 100 menschen er maar 3 zestig jaren oud worden,â- en van de 10.000 is het zelden dat er één de honderd bereikt,â en dit voorrecht, voegt hij er bij, treffen wij alleen bij menschen aan van een welgevormd gestel, die sober en smetteloos geleefd hebben. Bewijzen ter staving van dit laatste gezegde ontbreken niet.â Een grijsaard van meer dan 100 jaren, de italiaansclie geneesheer Leoncini, schreef\' aan zijnen vriend Paul Jovius, dat hij de duurzaamheid der
â 262 -
vermogens van zijnen geest aan eene bestendige onschuld, en die zijner levenskrachten aan de soberheid zijner levenswijze te danken had.â Engeland beroemt zich als op een wonder van ouderdom op zekeren Thomas Partz, die geboren in 1483, tot den 15 November 1635 leefde, â en dus 152 jaar oud werd.â Ook Partz schreef zijnen hoogen ouderdom aan de matigheid toe.â Hij verklaarde aan den graaf van Arundel, in wiens huis hij oveileed, dat hij nooit wijn of andere verhittende dranken had gebruikt en dat zijn voornaamste voedsel uit een weinig vleesch, ongehopt bier en veel melkspijzen bestond. M. B., het getuigenis van die twee mannen is een onomstootbaar bewijs voor het gezegde: âWilt gij lang leven, leeft dan matig, sober en kuisch.quot;â Ja, wie dien regel volgt, zal zoo niet 100 jaren of daar boven, maar toch oud worden.â Ook onze provincie Limburg kan in hare geschiedenis met eer melding maken van een man, die den ouderdom bereikt heeft van 12B jaren. En over dien man wensch-teik dezen avond eens wat breedvoeriger te spreken. Die stokoude grijsaard is een (keulenaar van geboorte, Antoon Haeseck genaamd.â Hij voltooide met onderscheiding zijne studiën aan de hoogeschool van Leuven, â en werd volgens de meening der meeste schrijvers in 1486 pastoor in zijne geboorteplaats Geul aan de Maas.â Gedurende eene geheele eeuw, dus 100 jaren lang, bediende hij met voorbeeldigen ijver en ware godsvrucht de pastorale bediening van Geul, zonder ooit ernstig ziek te zijn geweest.â Van dien eerbiedwaardigen, heiligen priester vind ik de volgende geschiedenis verhaald. De prins-bisschop van Luik, eene ambtsreize doende door do Kempen, vond het de moeite waard den stokouden pastoor van Geul met een bezoek te vereeren. Do prins-bisschop
â 263 â
meende eenen afgoleefden, bedlegcrigen grijsaard te zullen zien, maar hoe groot was zijns verbazing, toon hij in den ouden herder een wakker stevig man ontwaarde, wiens uiterlijk vooi komen eene levenskracht en gezondheid verried, die men bij mensehen van 60 jaren te vergeefs zou zoeken. Om zich te overtuigen of de vermogens van zijnen geest met die des lichaams overeenstemden, trad de bisschop met Haeseck in een langdurig gesprek en stelde hem eene menigte vragen over den godsdienst en do plichten van het herdersambt; die de pastoor met eene bewonderenswaardige juistheid beantwoordde. De bisschop hem evenwel over het getal der H. H. Sacramenten ondervragende, ontving geen juist antwoord ; de pastoor namelijk verzuimde in de opsomming der zeven H. H. Sacramenten, het Vormsel er bij te voegen. Op eens onderbrak hem de bisschop, â maar goede vriend I zoo zeide hijâ wat is dat, gij slaat het H. Vormsel over; is dat geen Sacrament V Men zou baast zeggen van neen, Doorluchtige Heer! antwoordde de eerbiedwaardige grijsaard ; want in mijne parochie is in meer dan BO jaren niet meer gevormd,â er bestaat dus reden om te vermoeden dat dit Sacrament zou zijn verjaard of afgeschaft.â De bisschop nam hem dien zet niet kwalijk , â hij ging voort met spreken en vroeg hem welke middelen hij had gebezigd om tot zulken hoogcn en gezegenden ouderdom te geraken. Wel, was het eenvoudig antwoord van Haeseck, mijne levenswijze onderscheidt zich niet van die der andere mensehen; alleen van drie zaken die \'s mensehen leven bijzonder verkorten, heb ik mij weten te onthouden: âTribus abstinui, videlicet: Vino, Venere et Viudictaquot; : van ontucht, â van onmatigheid en dronkenschap, â en vau toorn of gramschap.quot;â Die woor-
â 264 â
den verdienen wel onze aandacht en overweging.â Haeseck stierf volgens de meeste schrijvers te Geul in 1580, in den ouderdom van 125 jaren.â Daar bestaan van pastoor Haeseck verschillende portretten of afbeeldingen. Een daarvan in olieverw vervaardigd, berustte in vroegere jaren op het kasteel der prinsen van Hohenzollern te Geul. Genoemd kasteel, een der sterkste en heerlijkste gebouwen van ons land, werd in het begin der 17c eeuw door Wolter Hoen van Hoensbroek, en diens huisvrouw Ursula Schets van Grobbendonk gebouwd; doch werd in 1847 op last van den graaf d\'Oultremont afgebroken en gesloopt.â Het houtwerk en de steenen werden publiek verkocht, en de grachten en vijvers gevuld. Bij die gelegenheid werd het portret van pastoor Haeseck naar de pastorie overgebracht, waar het thans nog berust.â Naar. dat portret te oordeelen schijnt pastoor Haeseck een man geweest te zijn van middelbare lengte, met een schraal door den ouderdom gerimpeld gelaat, dat evenwel door twee groote oogen vrij in het leven schouwt. Zijn gebogen neus is door een knevel, en zijne verslenste wangen en onderkin door een grijzen baard omschaduwd,â een dunne krans hoofdhaar aan de punten wat gekruld, bedekt de slapen van zijn hooggewelfd en rimpelig voorhoofd.â Hij is gekleed in roket met stool, en houdt zijn getijdenboek in de hand. Onder het portret leest men een latijnsch opschrift van zes tot zeven regelen, waardoor de man nader wordt aangeduid. L)e korte levensschets van Antoon Haeseck , Limburger, Geuleaaar van geboorte, is voor ons, zooals gij ziet, belangwekkend en leerzaam. Aan drie zaken, zooals hij zelf getuigt, schrijft hij zijnen hoogen ouderdom toe : aan de beoefening der matigheid, der kuischheid cn zachtmoedigheid.â Ja,
â 265 â
M. B. die drie deugden besluiten in zich het geheim, de kunst om lang te leven. â Gave God dat dat geheim, die kunst in de wereld wat beter bekend ware, en wij zouden kans hebben nu en dan een anderen Antoon Haeseck te ontmoeten.â Doch helaas! in onzen tijd, dien men mag noemen den tijd der buitensporigheden, is men reeds knaap als men nog kind,â jongeling als men nog knaap,â man als men nog jongeling,â grijsaard als men nog man moest zijn.â Zeldzaam zijn zij die in onzen tegenwoordigen tijd de tachtig bereiken; niet één op de honderd,â en die verhouding zal nog kleiner worden, naarmate onze hedendaagsche beschaving fijner, de opvoeding wee-kelijker, do genotzucht en zinnelijkheid grooter is geworden.â M. B., maken wij ons den raad van Geul\'s pastoor ten nutte; zijn wij matig, vooral in het gebruik van drank. âPlures occidit gula quam gladiusquot;,â zegt de H. Geest. Sterke drank in overmaat genomen is een langzaam vergif dat de gezondheid ondermijnt, het leven verkort.â Leeft verder kuisch, jongelingen en ongehv wden! dat zij vooral tot u gezegd,â de onkuischheid met al hare aanklevende buitensporigheden, brengt in onze dagen menig jongeling, menigen persoon in den bloei zijns levens naar het kerkhof;â tering, bloedspuwing, enz. zijn zeer dikwijls de gevolgen van dat kwaad. Eindelijk leeft zachtzinnig; vermijdt toorn en gramschap ; want ook die hartstocht vooral tot gewoonte geworden verkort het leven. Prent den stel- en levensregel van Geul\'s pastoor diep in uw geheugen,â en gij zult lang en gelukkig, ja eeuwig leven. Amen.^
XXXVI.
Over het Spel. (Kaartspel.)
Men hourt zou vaak zeggen door mensoUen in de wereld : âde boog kan niet altoos gespannen zijn,\'\'â wij kunnen niet immer werken en arbeiden, wij moeten van tijd tot tijd geest en lichaam eens ontspannen. Zeer zeker, dat geeft iedereen toe, mits die ontspanning blijve wat zij zijn moet, namelij; eene verkwikking van geest en lichaam, een fatsoenlijk verzet.â Nu alle amusementen , spelen en uitspanningen zijn op zich zeiven beschouwd onverschillig of onschuldig, â en worden eerst goed of\' slecht, naar gelang het goed of slecht gebruik dat de mensch er van maakt; â ik spreek hier natuurlijk niet van die spelen en uitspanningen, die slecht zijn uit haren aard of natuur, of slecht om de omstandigheden waarmede zij altijd of doorgaans veigezeld gaan.â Een spel dus is goed of kwaad naar gelang men er een goed of slecht gebruik van maakt. Dat beginsel nu wenschte ik toe te passen op een spel dat overal ter wereld, maar vooral hier zoozeer in zwang, in gebruik is, namelijk : het kaartspel.â Ik moet echter vooraf zeggen, dat ik noch een voor- noch een tegenstander van het kaarten ben, â dus niet betrokken maar
gansch onpartijdig in de zaak.â Ik ga trachten u zoowel het vóór als het tegen van het kaarten aan te toonen, â of liever het goed en het kwaad dat doorgaans in het kaartspel opgesloten ligt.â Verleent mij dus ijverig uwe aandacht. Om goed over eene zaak te sproken, moet men eerst weten waarin zij bestaat,â en als het een spel geldt zooals hier, dan dient men vooraf te zeggen wat aanleiding gegeven heeft tot deszelfs invoering en verspreiding. Nu wat het kaartspel is, dat behoef ik u niet te zeggen, dat weet iedereen, zelfs het kleinste kind ; maar wat iedereen niet weet, is de tijd wanneer,â en de gelegenheid waarbij het kaartspel in zwang gekomen is.â Van kaarten en kaartspel wordt reeds melding gemaikt door een oud Fransch dichter in 1328; ofschoon men algemeen de uitvinding der speelkaarten toeschrijft aan Jacquemin Gringonneur, een schilder op het einde der 14e eeuw. Vooral dienden de speelkaarten om koning Karei VI. tijdens zijne zinneloosheid te amuseeren,â zij werden van toen af eene uitspanning naar de mode. Onder Karei VII. werd het kaartspel merkelijk tot volmaaktheid gebracht, â en ontvingen de figuren en afbeeldingen de namen die zij thans nog dragen. Men wil dat schoppen heer, ook wel David genoemd, een zinnebeeld zou zijn van Karei VII, die veel te lijden had van zijnen weerspannigen zoon Lodewijk XI;âde vier vrouwen van het kaartspel zouden vier vrouwelijke personnages van het hof,âen de vier boeren, vier dappere veldheercn voorstellen. Het overige van het kaartspel is eveneens eene zinspeling op het krijgswezen : Harten duidt de dapperheid aan, schoppen en ruiten verbeelden de wapenen â klaveren, levensmiddelen en proviand â en het aas het geld, de spil van den oorlog,â Alleen in Frankrijk worden er jaarlijks voor 1.500,000 franken speelkaarten verkocht.
â 268 â
Zooals gij ziet, was het kaartspel oorspronkelijk een onschuldig amusement, een fatsoenlijk tijdverdrijf. Nu dat moet het nog wezen wil het geoorloofd en toegelaten zijn, namelijk:
1) Eene uitspanning of tijdverdrijf. Er is niets tegen, om wanneer men de gansche week gearbeid heeft des zondags, op feestdagen en andere tijden wat te kaarten, â \'t is verder een onschuldig middel om op eene genoegelijke wijze de lange winteravonden te korten,â ook is er niets tegen in fatsoenlijk gezelschap, op gepaste wijze, onder het drinken van een glas bier in de herberg, een uurtje te kaarten; in één woord, zoolang het een eenvoudig tijdverdrijf is en geen tijdverlies ten gevolge heeft, is het eene geoorloofde uitspanning. Maar het wordt niet zelden een tijdverlies door het te lang voort te zetten ; of door het te dikwijls te herhalen ;â ja er worden mensehen gevonden die gansche dagen of ten minste het grootste deel van den dag daarmede doorbrengen,â die daardoor niet zelden het werk verzuimen, en op zon- en feestdagen de Hoogmis met preek, de vespers en het avondgebed voor het kaartspel opoiïeren. De tafel \'s middags is nog niet afgedekt, of de kaarten komen al voor den dag; er zijn er die eten, drinken en slapen voor \'t kaarten prijs geven.â Dat is een misbruik; dat is den kostbaren tijd verkwisten,â de tijd dien gij op die wijze verspilt, heeft eene oneindige waarde, vandaar dan ook dat de H. Bonaventurazegt: âgeen verlies is zoo groot als dat van den verloren tijdquot;.â Het gevaar van tijdverlies had ook bijzonder de H. Alphonsus op het oog, toen hij zich zeiven alle spel ontzegde,â en aan zijne Congregatie niet alleen het kaartspel, maar alle spel verbood.â
2) Het kaartspel mag ook niet ontaardei: in een
â 269 â
kans â of waagspel,â (hasardspel) waarbij grof gewon â nen of verloren wordt. Wil dat zeggen dat men niet om geld spelen mag ? Neen, men mag wel om geld spelen, om het kaartspel wat aantrekkelijk te maken, om met meer oplettendheid en aandacht te spelen; doch niet om grof geld. Zich met het kaartspel te amuseeren moet op den voorgrond staan, en niet geld te winnen ;â kortom men moet spelen om zich te vermaken, en niet om geld te winnen. Vandaar zulke spelen vermijden die uitsluitend de winst op het oog hebben.â In dat geval is het kaarten geen spel, geene ontspanning, maar eene passie eene geldzaak geworden. Kiest dus bij voorkeur zulke spelen, die geen grove winst of verlies afwerpen. â Nu eene andere vraag. Mag men ook om drank, b. v. om bier kaarten ? Ja in zich is daar niets tegen, als het maar geen aanleiding geeft tot misbruik van drank ; dus laat er al een paar glazen bier mee gemoeid zijn, dat is niets ; maar zoodra dat getal wat stijgt, dan worden doorgaans de hoofden opgewonden, en de kaarten komen niet meer op de tafel maar onder de tafel te liggen.â 3) Van het kaartspel moeten verder uitgesloten zijn, alle oneerlijke middelen en bedriegerijen; men mag niet valsch spelen. Een valsch speler is een laag mensch, die geen vertrouwen verdient en uit het gezelschap verdient verwijderd te worden,â hij heeft bij het kaartspel niet ten doel zich te amuseerenâ maar zich te verrijken ten koste van anderen; hij stoort de vreugde en den vrede van het gezelschap. Onder valsch spel echter versta ik niet, wanneer de een of ander al eens eene vergissing eene onnauwkeurigheid begaat, eenen bok schiet,â het beste paard struikelt wel eens,â zooook de fijnste speler vergist wel eens,â valsch spelen gebeuk t met opzet,â slecht spelen bij ongeluk en toeval.
â 270 â
4) Het kaartspel mag ook geen aanleidende oorzaak wezen tot zonden. A) Van vloeken en zweren. Als men speelt uit passie of drift dan kan dat licht gebeuren. Men meent dat men door een of ander van het gezelschap bedrogen of benadeeld is, men wordt boos en begint te vloeken, terwijl de andere om zich te rechtvaardigen bij wijze van verwensching zulks ontkent : âde duivel moge mij halen, zegt hij, als ik dat zoo gemeend hebquot;.â B) Zonden van haat, wrok en nijd. Ik ken gevallen van personen, die van vrienden als zij waren, door het kaartspelen in onverzoenlijke vijanden herschapen zijn,â van personen die jaren naderhand nog aangesproken en aangevallen werden om zaken bij het kaartspel voorgevallen. Dat wordt nog al eens gevonden bij hen die ongelukkig zijn in het spelen, en daarbij lichtgeraakt van karakter, achterdochtig van aard, en die dan hun ongeluk op anderen willen verhalen.â
5) Het kaartspel mag ook geen gelegenheid zijn tot zonde van onkuischheid. In sommige streken zijn spelen in zwang die niet geduld mogen worden ; spelen gehouden tusschen de jeugd van beiderlei geslacht,â die aangezien den aard van het spel, de wijze waarop men speelt, de belooning waarom men speelt, en de benamingen die men aan de kaarten geeft, gelegenheden tot zonde zijn. Ouders en meesters let daarop met betrekking tot uwe kinderen en dienstboden.
6) De kaarten mogen ook niet dienen tot bijgeloof, namelijk tot waarzeggerij en kaartleggen.â Ik begrijp niet dat er menschen gevonden worden zoo onnoozel en dom, die aan het kaartleggen geloof hechten. M. B., hoe is het toch mogelijk uit de kaarten de toekomst te kunnen voorspellen,â verborgenheden en geheimen te willen ontdekken ? En toch door die domheid laten
zoovele raensohon zioh verleiden. Er is eene ziekte onder hot vee,â fluks naar eene waarzegster, die in ernst verklaart dat er eene kwade hand in het spel is,â en men goed toe moet zien wie in huis komt; men moet binnen kort loten en men is nieuwsgierig of men een hoog of laag nummer zal trekken, dat moet al wederom door de kaarten beslist worden,â een jongeling, nieuwsgierig om te weten of hij ooit zal trouwen of niet, gaat naar eene kaartlegster, en het antwoord is, ja,â en wil hij er nog een paar centen aan wagen dan zal men hem zelfs het portret toonen zijner toekomstige vrouw. Welke verregaande onnoozolheid en domheid, ziuh op die wijze het geld uit don zak te laten kloppen! Schandelijk bedrog, anders niet! Wilt gij een bewijs ? Luistert dan. Een jongeling die vorkeerde, maar groote tegenkanting ontmoette om te trouwen van den kant der ouders,â liet zich de kaart leggen om te weten, of de verkeering tot een huwelijk zou leiden of niet. Het antwoord was: âongetwijfeld, zeer zeker.quot;âDe jongeling ging opgeruimd naar huis. Nauwelijks te huis, of daar komt do briovenbesteller en overhandigt hem een brief;â hij leest het adres,â erkent het geschrift,â âdaar hebt gij de toestemmingquot;, zegt hij ; hij opent den brief en leest daarin dat de jonge dochter hom afschrijft. Welke teleurstelling na eene zo t plechtige verzekering,â hij had de reis verloren,â zijn geld verspeeld en zijn toekomst was vernietigd. Gelukkig als hem toen de oogen maar open zijn gegaan. Mot bijgeloof echter moeten niet verward worden zoogenaamde kunstjes met de kaart, die meerendeels aan vlugheid en behendigheid moeten toegeschreven worden, en waarin niets verkeerds gelegen is.âZiedaar M. B., eenige heilzame wenken
â 272 â
ter behartiging. â Dat het kaartspel voor u eene gepaste uitspanning zij, een genoegelijk tijdverdrijf, zonder gevaar voor tijdverlies, â het moge niet ontaarden in een kans â of waagspel â neemt u verder in acht voor valsch spel, â zorgt ook dat het geene gelegenheid zij tot zonde, â geen middel tot bijgeloof, dan zal hot onschi\'\'lt;]ig, deugdelijk, ja verdienstelijk wezen, als gij het doet met eene zuivere meening. â Hetzij gij eet of drinkt, hetzij gij arbeidt of u ontspant, zegt de Apostel; doet alles ter eere Gods, zoo wordt alles wat gij verricht verdienstelijk voor den hemel. Amen.â
IV, DE CHRISTELIJKE WERKMAN,
XXXVII.
Moderne maatschappelijke toestanden.
M. B., wij leven in de eeuw van âvooruitgang.quot;â Ziedaar eene maehtspreuk die men ons voortdurend in de ooren doet klinken, â een woord dat onder liet patronaat der nieuwere beschaving zulk een algemeen burgerrecht heeft verkregen, dat men ons voor dompers zou aanzien, als wij het tegendeel zouden durven beweren. Vandaar dan ook die vooruitgangskoorts, die op elk gebied dor maatschappij is doorgedrongen, vandaar die verachting voor het ou de en die zucht naar het nieuwe, die den mensch tegenwoordig zoo algemeen beheerscht. Maar M. B., is er dan werkelijk in de wereld geen vooruitgang zichtbaar?â Ongetwijfeld,â vooral op stoffelijk en wetenschappelijk gebied. Vooruitgang in de natuurwetenschappen, die tegenwoordig dank aan de studie en het rusteloos onderzoek der geleerden, tot eene verbazende hoogte zijn gestegen. Vooruitgang vooral in de werktuigkunde en hare practische toepassingen op
18
â 274 â
het gebied van nijverheid en industrie.â Vooruitgang in de staathuishoudkunde, door den geregelden en ordelijken gang van alle afdeelingen van het staatsbestuur.â Vooruitgang in de strategie of krijgswetenschap, waardoor het oorlogvoeren tegenwoordig eene wetenschap is geworden; zoodat men meer behoort om te zien naar kundige veldheeren dan naar groote troepensterkte.â Zeker, onder dit opzicht, namelijk op stoffelijk en wetenschappelijk gebied, heeft onze eeuw een onmiskenbaar recht op den titel van âeeuw van vooruitgang.quot; â Gave God dat men onze eeuw ook eene eeuw van vooruitgang mocht noemen onder andere gezichtspunten! En zoo b. v. onder een godsdienstig oogpunt,â door de menschen meer en meer te doordringen van de waarheden van den god-dienstâ hen meer en meer te onderrichten in de kennis der bovennatuurlijke openbaring. Doch helaas! onze verlichte 19e eeuw, met cijfers, driehoek en passer gewapend, houdt zich niet op met geheimen, die buiten de grenzen der wiskunstige berekeningen liggen.â Dus onder een godsdienstig oogpunt is zij geene eeuw van vooruitgang. â Evenmin onder een maatschappelijk oogpunt. Immers onder den invloed onzer eeuw, de ondervinding leert het ons dago-Hjks,â heeft hot welzijn der menscheid niet gewonnen maar verloren; er ligt tegenwoordig op de oppervlakte van het lichaam der maatschappij, eene overspanning, eene verzwakking, uitputting, die langzamerhand de levenssappen verdroogt en de samen, leving met eene naderende ontbinding bedreigt. Wij zijn tegenwoordig getuigen M. B., van een diep verval van den middelstand, waartoe ik reken den handwerksman, den meester in een of ander industrie vak en den boeren stand, met name pachters en kleine
â \'275
grondeigenaars. Nu, geene klas der maatschappij is gelukkiger dan de middelklas als zij cliristelijk is.â Zij staat in het midden tusschen overvloed en armoedeâ en gevoelt dus niet de pijnlijke bezorgheid van den rijke; dooh evenmin het nijpend gebrek van den behoeftige. Daarom bad ook Salomon, den Heer in dezer voege: âGeef mij noch rijkdommen noch armoede,â maar wat genoeg is om te leven; opdat ik overvloed hebbende u niet kome te verloochenen, en door nood gedrongen stele en Grods naam lastere,quot;â Do middelstand is verder de toongevende, de meest invloedrijke stand; hij zendt het meest afgevaardigden naar de volksvertegenwoordiging, â hij neemt het meest ambten en posten in bezit, enz.â De middelstand in één woord, is de voortreffelijkste, de benijdenswaardigste. Die gezegende middelstand nu waartoe de moesten uwer behooren, staat tegenwoordig bloot aan gevaar van verval. â Immers, wij zien tegen woordig het groot kapitaal het kleinere verdringen,â wij zien het rente-inkomen gestadig toenemen, en het arbeidsinkomen gestadig verminderen,â of duidelijker gesproken, wij zien het geld zich meer en meer ophoopen in de handen van weinigen; namelijk van groote grondeigenaars, kapitalisten en groote indu-strieelen, tengevolge waarvan de middelstand, ton koste van welken dat plaats heeft, meer en moer wegzinkt en verdwijnt. Dat streven van het grootere om het kleinere te verdringen zal hierop uitloopen, dat de middelstand meer en meer zal inkrimpen,â dat meesters loonarbeidersâ, pachters diensknechten zullen worden.â En als dan eenmaal de middelstand verdrongen en bij het proletariaat zal ingelijfd zijn, dan zullen er ook maar twee standen meer zijn in de maatschappij: de kapitalisten of\'mannenvan het geld,
â 276 -
en de proletariërs die van hun dagelijksoh loon moeten leven.â Ziedaar M. B., de toekomst die onze maatschappij te gemoet gaat; van den eenen kant rijkdom,â van den andere armoede; overvloed en behoefte en daartnssohen geen midden. Die stelling M. B., is niet overdreven; wie een weinig kennis heelt van moderne maatschappelijke toestanden zal met mij instemmen,â en het is overigens de meening van de grootste geleerden van onz en tijd. Zoo zegt o. a. een der grootste staatslieden van onzen tijd, Gladstone met betrekking tot Engeland, het rijkste land der wereld: âHet is, zegt hij, een droevig verschijnsel in den maatschappelijken toestand van het land, dat bij de toename dor ontberingen en ellenden van de arme klassen , tegelijkertijd eene voortdurende ophooping van rijkdom in de hoogere klassen, alsmede oen gestadige aanwas van kapitaal plaats heeftquot;. â De oorzaken uiteenzetten, welke tot dien droevigon ommekeer in de maatschappij medewerken, ligt niet in mijn plan,â ik wil n enkel bewijzen, dat het streven van het grootere kapitaal om het kleinere te verdrijven een werkelijk bestaand feit is. Dat bewijs ik u door do steeds toenemende vermeerdering der bankroeten onder de kapitalisten, â en de steeds stijgende verarming van den arbeidersstand. â Bankroeten zijn de gevolgen van mislukte pogingen tot vermeerdering van kapitaal. â Bankroeten nu zijn aan de orde van den dag. In de Vereenigde Staten van Noord-Amerika telde men in 1871, 2915 bankroeten,â in 1872,4009,â in 1873, 5183.â In de zes eerste maanden van 187S, telde men daar reeds 5825 bankroeten, met een passief van 130.832.766 dollars.âIn den loop van driejaren namelijk van 1873â1876, kwam volgens de statistiek, op 21 handelszaken of firma\'s 1 bankroet voor; dus !j0/0.
â \'277 -
In Frankrijk rokont men het aantal bankroeten\'s jaar lijks, gemiddeld op ruim 5000. â In Oostenrijk is het betrekkelijk minder, daar heeft men gemiddeld 1500 stakingen van betalingen \'sjaars. In Weonen alleen hadden in 1878, 75,607 gerechtelijke verkoopen plaals. Ook in Zwitserland is het cijfer der bankroeten betrekkelijk hoog. Alleen in het kanton Solothurn steeg het aantal faillissementen in de jaren 1876, 1877, en 1878; van B72 tot 746 en 1000. â In Pruisen ziet het er niet beter uit dan overal elders. Daar te lande, van 1875â77, stegen de onderhandsche verkoopen van 4613 tot 5945 en 7471,â de openbare verkoopen van 15000 op 18000 en 23000. â Een groot gedeelte der bankroeten komt op rekening vf.n den handwerksstand; want men heeft berekend dat te Berlijn in de laatste jaren meer dan 500/0 van de overledene handwerkslieden, nog na hunnen dood bankroet verklaard moesten worden. Die veelvuldige bankroeten zijn treurige bewijzen van het grenzeloos strevep in onzen tijd, naar vermeerdering van kapitaal. â Heeft er nu door gezegd streven eenerzijds eene ophooping plaats, dan moet er anderzijds noodzakelijk eene daling, vermindering, verarming ontstaan. â en die komt ten laste van don derden of middelstand, â en van den vierden of dagloonerstand.â De bevestiging daarvan vinden wij in do ongehoorde toename der armoede. â Engeland het land der millionnairen, is tevens het land der diepste armoede. Engeland heeft jaarlijks meer dan 1 millioen armen te ondersteunen, waarvoor zes mil-lioen pond sterling wordt opgebracht. De armenverquot; pleging geeft in Engeland aan meer dan 50.000 beambten werk. Men beeft berekend dat in de laatste 10 jaren, 4300 mensehen in Londen van honger gestorven zijn. â Dr. Lancaster, berekent het aantal
â 278 â
moeders die in den regel hare kinderen vermoorden, omdat zij ze niet ondorhouden kunnen op 12000.â In Frankrijk ziet het er niet beter uit met do armoede.â President Lette coastateert, dat in Frankrijk 34G.000 landelijke woningen gevonden worden, die volstrekt geen venster, doch onkel eeue deur hebben, â en 1.817.321 die niet meer dan één venster en ééne deur hebben: dus 2.163.328 woningen welker bewoners, die men ongeveer op 10.000.0 JO sobatten moet, in de grootste ellende leven. In do wereldstad Parijs, bevinden zich, ondanks de pogingen door Napoleon 111 aangewend tot verbetering van het lot der armen, 100.000 op de registers ingeschreven armen;â het dorde van do sterfgevallen te Pai\'ijs, komt op de hospitalen te neer. Ook in België maakt de armoede eene droeve figuur. â Daar komen op 100 menschen 9 rijker, of welhebbendcn,â42 onbemiddolden of min of meer bc-hoeftigen, â 49 volkomen bohoeftigen, â 25 die van ondersteuning moeten leven. â In 1871 telde men in België, 7 a 800,000 menschen die van het armonfonds mooston leven, âen dat in een land dat niet meer dan 4.009.000 inwoners telt.â Die moer en meer toenemen-do armoede nu, is een gevolg van hot streven der kapitalisten en groothandelaars tot vermeerdering van hun kapitaal. M. B., wij hebben gezien tot dusverre dat er tegenwoordig bij al dien vooruitgang in hot wetenschappelijke, een groote achteruitgang hoorscht in het maatschappelijke, â cn die achteruitgang kenmerkt zich door een meer toenemend pauperisme onder de werkende klas. Armoede is de afwezigheid van rijkdom , â de arme is genoodzaakt door dagelijksche zorg in zijn onderhoud te voorzien; slaagt hij daarin als hij werken wil, werk heeft en voldoend loon ontvangt, â dan is bij uiet behoeftig. â
- -\'79 â
Hij heeft wel niet de genietingen der rijken, maar als hij zijn lot met christelijk geduld draagt, en zijne begeerten bepaalt bij hetgeen zijnen staat voegt, dan is hij niet behoeftig, omdat hij niets meer verlangt dan hij heeft. Maar van den anderen kant velen uit den burger- en middelstand in onze dagen zijn arm; immers daar zijn de begeerten veel hooger gespannen dan de middelen het toelaten zij worden arm inden waren zin des woords, door de verregaande begeerlijkheid, ijdelheid en weelde. £u \'tis in dien zin dat de maatschappij verarmt. M. B., arbeidt vlijtig, met christelijk geduld, zonder begeerlijkheid en gij zult wellicht niet rijk worden, maar ook niet arm zijn. Amen.
XXXVIII.
Arbeid.
Wie aan den mensch een juist begrip van arbeid, van werk kon inprenten en hem overhalen om overeenkomstig die opvatting te arbeiden, â hij zou eene onwaardeerbare weldaad aan het menschdom door alle eeuwen heen bewezen hebben ; maar vooral aan hst opkomend geslacht, bij hetwelk de ware beteekenis van den arbeid meer en meer verloren gaat. JaM. B., werd de ware, de christelijke beteekenis van den arbeid goed begrepen, â het zou er vrij wat rustiger en vreedzamer toegaan in onze dagen in de wereld. Geen troon zou wankelen, geen revolutiën zouden staten en koningrijken beroeren zooals thans, nu de werkzaamste en krachtigste elementen van omwenteling en oproer in den arbeidersstand berusten, â dan wa ren er ook geen werkstakingen meer te vreezen, â dan zouden er geen meetings en arbeiderscongressen meer gehouden worden,â alles zon in orde, in rust zijn. Ik acht de oplossing der craag: â Wat is arbeidquot;2 â voor iedereen, maar bijzonder voor u mannen en jongelingen der H. Familie van het grootste belang,â voor u toch is de arbeid levenszaak, levenskwestie, gij
â 231 â
slijt het grootste deel uws levens in eigenlijk gezegden arbeid, â gij behoort dus van den arbeid een juist begrip te hebben. Dat begrip zal ik u traehten te geven in een drietal conterentiën. Wij zullen eerst zien de valsche begrippen die er bestaan over den arbeid, â en daarna zullen wij het juiste begrip van arbeid vaststellen. â
I. Wat was de arbeid hij de oude heidenen ?
II. Wat is de arbeid bij de socialkten of moderne heidenen.
III. Wat is de arbeid in het christendom}
Wat is arbeid in eene meer ruime beteekenisï Eene verplichte werkzaamheid des menschen, waardoor hij de hem geschonken krachten en vermogens aanwendt voor het doel waartoe zij hem gegeven zijn, â en tegelijkertijd een middel ter voldoening zijner beboetten ; onderhoud, voedsel en kleeding. Arbeid is alzoo voor iedereen plicht, maar ook middel ter bereiking van hot doel waarnaar hij streven moet. Zien wij nu eens hoe de oude heidenen over den arbeid dachten. â Voor hen was de arbeid niet slechts een last, â dat is hij ook eenigszins voor den christen; maar eene schande, eene verlaging, eene oneer den burger, den vrijen man onwaardig, â die overgelaten moest worden aan den slaaf. Nu de slaaf was bij de heidenen een wezen, zoo verachtelijk als iets ter wereld, ânon tam vilis quam nullusquot;. Een slaaf werd door zijnen meester voor minder aangezien dan eene koe of een paard. De arbeid nu overgelaten aan den ver-achtelijken slaaf deelde in diens verachting. En bemerkt hier M. H., dat de geleerdste wijsgeeren onder de heidenen; een Aristoteles, Cicero en anderen in hunne geschriften, eenparig met verachting van den arbeid spreken. Alle mechanische werkzaamheden,
â 282 -
zelfs de liunst was bij dc Romeinen een voorwerp van verachting, ook de koophandel werd als veriaquot; gend beschouwd, â de groothandel misschien uitgezonderd, omdat hij onmetelijke winsten afwierp. De akkerbouw die eenigen tijd bij de Romeinen in eere stond, onderging later bij de verbaste t ing der zeden hetzelfde lot. Alleen de beoefening der wetenschap als een middel tot eer en verheffing was den trot-schen Romein waardig. Arbeiden was dus de taak van den slaaf bij de Romeinen. â Rome had tijdens de regeering der koningen reeds 1000.000 slaven. Later rekende men het aantal slaven op de helft der bevolking â Onder keizer Augustus bezaten sommige rijke Romeinen tot 4000 slaven. Verder wat een meeste i was voor zijne slaven, dat was Rome voor do volkeren en provinciën die onder zijnen schepter stonden. Zij moesten voor Rome\'s bestaan werken,â Rome moest van den arbeid van anderen kunnen genieten. Toevoer van levensmiddelen, wapeningen, gebouwen en vermaken, alles moest onder den naam van belasting, den Romeinen worden opgebracht, door de ten onder gebrachte volkeren. Wel werden deze daardoor uitgeput, maar daarvoor was Rome ongevoelig, zoo het maar zijne genietingen en vermaken had. Die zucht naar genot deed langzamerhand een toestand geboren worden gelijk aan dien waarvan wij tegenwoordig getuigen zijn: het overbrengen van den nationalen rijkdom in handen van eenige weinigen. Middelstand bestond niet te Rome, ten minste niet in do laatste tijden der republiek. Woeker en afpersing hadden het geld gebracht in handen van eenige speculanten, cn wel dermate dat volgens een Romeinsch schrijver, ongeveer 100 jaren voor Christus\' Geboorte, er geen 2000 in den Romeinschen Staat waren, die
â 283 â
eenig vermogen bezaten ; ja volgens het zeggen van Plinius, was de helft van het uitgestrekt Afri-kaansch wingewest, in handen van niet meer dan 6 machtige heeren. De Romeinen waren niet de eenigen, die met minachting neerzagen op den arbeid. De Spartanen, de Grieken, de Galliërs en onze heidensche voorouders de Germanen, deelden in meerdere of mindere mate de begrippen en zienswijze der Romeinen. Den Spartanen was de ledigheid door eene wet voorgeschreven,â alle arbeid werd gelegd op de zwakke schouders van vrouwen of van slaven, die als verachtelijke koopwaar, ja als rede-looze dieren geschat werden. Strooptochten ondernemen en oorlog voeren,â ziedaar de geliefkoosde bezigheid van den vrijen Spartaan. Handwerkslieden werden van alle ambten en bedieningen, van alle deelname aan staatsaangelegenheden uitgesloten.â Niet alleen de handarbeid in zich beschouwd, maar ook het verdienen van loon, was reeds eene genoegzame reden voor die verachting. Do Atheners stonden hierin bij de Spartanen niet ten achter. Zij overtroffen hen misschien nog in de verachting van den arbeid. Ook bij hen was de ai\'beid aan den slaaf overgelaten. De vrije Athener leefde slechts om te genieten. Zoo hij slechts den ge-heelen dag op de markt kon ronddrentelen,âof in het theater zitten,âof naar dozen en genen redenaar kon luisteren,âdat was hem genoeg; maar werken dat was voor hem schandelijk. Het huis dat hij bezat, diende slechts tot rustplaats, en werd des morgens verlaten om eerst des avonds weder betrokken te worden. Het familieleven was hem vreemd. Handel en ambachten werden duor vreemdelingen gedreven, of door de rijken door middel hetzij van slaven, hetzij van daglooners, die bijna als slaven werden beschouwd,â Een middel-
- a84 â
stand bestond te Athene niet; de arme wilde vrij zijn, en het was voor hem cene oneer, zoo hij zich niet door den staat liet voeden, en niet aan de staatsaangelegen-heden deelnam. â InThebe heerschte daarenboven de wet, dat al wie aan de staatsregeering deel wilde nemen, bewijzen moest overleggen dat hij sedert tien jaren niet gewerkt had.â Overigens moet men weten dat bijna alle, zoo niet alle volkeren der oudheid met verachting neerzagen op den arSieid. De Gralliers hielden eiken arbeil, zelfs den akkerbouw voor verlagend,â Ook onze Germaansche voorouders beminden den lediggang ; wat zij zich door het zwaard verwerven konden, zich dat te verschaffen door handarbeid, hielden zij voor schandelijk, âhet verrichten van huis-en veldarbeid was de taak der vrouwen, grijsaards en zwakken ; hunne cenige bezigheid was het oorlogen, ja^en, spelen en drinken.â M. B., gij ziet welke begrippen de heidenen hadden van den arbeid 1 De arbeid was in hun oog eene onteering, eene verlaging, eene schande, eene zaak den vrijen mensch onwaardig.â Luistert eens hoe een beroemd Romeinsch wijsgeer en staatsman zich uitdrukt over den arbeid : âMen beschouwt als laag en schandelijk, het bedrijf der dag-looners, en van al diegenen wier werk, en niet wier talent men koopt;âuit een winkel of eene werkplaats kan niets edels komen.quot;â Maar M. B., welke gevolgen droeg bij de oude volkeren de minachting van den arbeid ? Wij zien dat het best in de geschiedenis dor Homeinen en Grieken. De minachting van den arbeid, leidde hen tot ledigheid, tot een vadsig, verwijfd en zinnelijk leven, âhet verzwakte de lichamelijke krachten en verstompte de vermogens des geestes. Van toen af moest men bij do Romeinen ook geen dapperheid, geen jnoed meer zoeken. Het uitgestrekte Romoinsehe Rijk
â 285 â
stond vannuafopan voorde invallen der barbaren,â le eene provincie werd na de andere van Let Rijk afgescheurd, totdat teu laatste het gansohe Rijk in duigen viel.â M. B., bij de heidenen, zooals gij ziet, moet men de ware beteekenis van den arbeid niet zoeken; evenmin bij onzo moderne liberalen, zooals wij aanstaanden zondag zien zullen, â maar in het christendom.
Gelukkig M. B., dat wij leven in een tijd waarin de arbeid niet meer als eene oneer, eene verlaging wordt aangezien,â ten minste niet algemeen; want dat een of ander pedante stedeling voor eenen arbeider of landman medelijdend de schouders ophaalt, dat is een bijzonder feit. ja nog eene zeldzaamheid. Neen, de arbeidersstand is tegenwoordig in zijne eer hersteld , een fatsoenlijk handwerksman, een eerzaam landman, kan tegenwoordig aanspraak maken op de eer en de achting zijner medeburgers. M. B., wie gij zijt of niet, zelfstandig of afhankelijk,â eigenaar of pachter,â meester of knecht,â allen moet gij toch in meerdere of mindere mate door arbeiden en werken uw dagelijksch brood verdienen. Welnu beschouwt uwen staat niet gelijk de heidenen, als iets verlagends, maar als verheven.â Inderdaad zou de arbeidersstand niet verheven zijn, als wij weten dat onze Goddelijke Verlosser Jesns Christus als kind en als jongeling gear-beidt heeft, in de werkplaats van zijn voedstervader,- -als wij weten dat de Verlosser zijne apostelen, de steunpilaren der Kerk, gekozen heeft uit den werkenden stand.â Ja, niet alleen eervol maar ook gelukkig is die stand. Terwijl de nietsdoende rijke dagen achtereen bij gemis aan bezigheid zit te kniezen en te peinzen, zich zit te vervelen,â arbeidt gij lustig en vroolijk van den morgen tot den avond,â gij moogt
â 286 â
met het volste recht zeggen; het brood dat ik eet, heb ik verdiend,â en leidt gij daarbij een godsdienstig en deugdzaam leven, dan bereidt gij u eenen dubbelen oogst,â gij zaait, maait, en oogst vruchten in dit,â en verdiensten in het ander leven. Amen.
xxxrx.
Arbeid. (Vervolg.)
Tusschen de zienswijze der oude heidenen en die onzer moderne liberalequot; met betrokliing tot den arbeid bestaat een groot verschil- Gene beschouwen den arbeid als een last, eene oneer, eene schande voor den vrijen man,â goed vo»1- slaven en menschen van de geringste klas,â Deze echter hebben eene geheel andere zienswijze die tfchter evenmin de ware is. Bij onze moderne heident?11 namelijk, is de arbeid geen last maar een middel om te genieten, geenszins iets onedels, maar iets aantrekkelijks.â Grroot verschil zooals gij ziet tussche? last en genot, tusschen oneer en aantrekkelijkheid. Maar M. B., hebben onze moderne waanwijzen, met hunne leer van het genot den arbeider gelukkiger gemaakt ? Is de toestand der arbeidende klas onder hv«i patronaat verbeterd? Wie iets kent van den arbeidersstand, van hetgeen er b. v. in mijndistricten of in groote fabrieksteden omgaat, zal mijne vraag met neen beantwoorden.â Arbeiden om te genieten,â ziedaar de leer onzer moderne socialisten.â M. B., geeft wel acht wat zij verstaan door het woord : âgenieten quot;â Want ook oen Christen kan genieten als hij de aarde in voren losscheurt, en
â 288 â
ze met het zweet zijns aatisohijns bevochtigt. En waarom? Omdat hij weet dat hij door te arbeiden, de hem door God opgelegde taak volbrengt; dat hij door te arbeiden boete doet en tevens verdient voor de eeuwigheid. Dit indachtig is, de arbeid voor hem hoe zwaar overigens,â vol genot en aantrekkelijkheid. Maar aldus verstaan onze socialisten het woord genieten niet. Neeint eens een arbeider, zooals zij hem gaarne zien zouden, zonder godsdienst of deugd,â die geen hemel kent dan op aarde,â geen dienst dan dien des gelds en van het vermaak,â wat verstaat hij door genieten ? Hij verstaat daardoor eenvoudig arbeiden, om in zijn levensonderhoud to voorzien. De arbeid is voor hem evenals voor een wild dier, niets anders dan eene poging om zijne prooi te ontvangen en zijn honger te stillen,â en als die gestild is, op middelen zinnen van genot, om de verdiende penningen te verteeren. Treedt eens eene herberg binnen, den hedendaagschen tempel van het genot,â en aanschouwt daar eens een arbeider zonder geloof en zonder God,â terwijl hij daar al bet loon van zijnen arbeid van gisteren inzwelgt. Zegt hem dat hij toch moest denken aan zijn vrouw, de gezellin zijns levens, de deelgenoote van zijn lot. Mijne vrouw, zegt hij, heeft ook armen, dat zij werke als ik, en verder leve zoo goed als zij kan. Maar dan uwe kinderen, uwe afstammelingen de erfgenamen van uw bloed en van uwen naam! Erfgenamen, zoo zegt hij ; maar mijn vader heeft mij ook niets nagelaten ; hij heeft gewerkt en geniet nu,â mijne kinderen zullen doen zooals ik, zij zullen werken, en dan ook genieten. quot;Weg met die predikers van spaarzaamheid, roept hij u toe,â komt vrienden ! genieten wij van hetgeen wij hebben,â gisteren hebben wij ge-
â 289 â
werkt, heden genieten wij, morgen zullen wij sterven! Ziedaar, M. B, do beteekenis der moderne theorie: âwerken om te genieten.quot;â Werken om te genieten is alzoo eene stelling die valscli is in haar beginsel; maar tevens ook hoogst verderfelijk in de gevolgen waartoe zij noodzakelijk voert. Zij maakt vooreerst den arbeider materialist ; want zij leert hem niet te arbeiden uit plicht, uit een bovennatuurlijk of godsdienstig inzicht; maar alleen uit zingenot.â Zij kc-nt geen ander doel dan het genot, het genot van het lichaam, het genot hier op aarde en dit in de grootste mate,â maar meer ook niet.â Zij richt zijn blik niet naar boven ; maar alleen naar het stof.â Genieten is haar eenige leus;â is die bevredigd en vervuld dan is haar dool bereikt. Zij kent geen plicht, geen godsdienst, goen geweten, geen deugdâ Wroeten in do aarde, verkwijnen in do fabrieken, langzaam wegsterven in mijnen en groeven, opdat de arbeider zijn dagelijks brood kunne genieten,â dat is de bestemming waartoe die stelling den arbeider veroor-doelt, het eenig geluk dat zij hem gunt. Verder nog, wie in den arbeid uitsluitend het genot zoekt, zal ook een baatzuchtig mensch, een eigonbolangzoeker zijn, of liever zooals Pater Felix zegt: âAls genot het doal van don arbeid is, zal ook baatzuchtige eigenliefde zijne drijfveer wezen.quot;â Het een is onafscheidbaar mot het ander verbonden.â Wie zich geen ander doel voorstelt dan genieten, zal zich ook niet om het lot van anderen bekommeren. Wie niets anders verlangt dan te eten en te drinken; hem zal liet ongeluk van anderen niet ter harte gaan.â Hij bemint niet, en daarom blijft hij koud voor hel welzijn van zijnen evenmensch. Zou ik, zoo zegt hij, den eik moeten planten waarvan na verloop van jaren
19
- 290 â
anderen zullen genieten ? Laat zorgen die leeft;â ik leef en werk voor het genot alleen,â wie na mij komt, hij doe zooals ik,â voor hen die na mij zijn zullen, behoef ik mij niet met kommer te overladen.â Ongevoeligheid, koudheid, hardvochtigheid,â ziedaar de natuurlijke gevolgen der moderne theorie van den arbeid: âwerken om te genieten.quot;â Doch M. B., die leer heeft nog een derde, zeer praktisch ge volg, dat wij in onze dagen niet zelden op groote en kleine schaal zien toegepast. â Zij voert namelijk in hare laatste gevolgen tot muiterij en opstand tegen de bevoorreohto standen.â Ik wil niet beweren dat onze moderne socialisten zulks bedoelen ; maar de verderfelijke kracht van hunne beginselen reikt verder dan hunne meening. Een enkel voorbeeld stelt ons die schromelijke uitkomst duidelijk voor oogen Een werkman die alleen arbeidt om te genieten, wordt altijd met schrik bevangen, als het werk waartoe hij zijne kracliten leende is gestaakt,â het eenig mogelijk middel om te genieten is hem dan ontnomen, en omdat hij alles mist zelfs zijn dierbaar genot,â wordt hij wrevelig, ontevreden op eene maatschappij waarin hij leeft en die hem, ten minste zoo meent hij,â een middel aan de hand moest geven om te kunnen genieten. Spaarzaamheid heeft hij nooit gekend, omdat hij moest genieten. Zelfbeheersching verstaat hij niet, omdat die deugd onvereenigbaar is met het genot.â Hij staat alzoo hulpeloos in het midden dei-zijnen, die zijne gevoelens deelen, die evenals hij in hoop en verlangens bedrogen, uit hun hart woorden van haat en bedreiging ophalen tegen eene maatschappij of ten minste togen de rijkeren, die wed zeiven genieten, maar aan anderen de gelegenheid om te genieten niet willen geven. â Waarom, zoo
â 291 â
besluiten zij, moeten wij dio evengoed mensclien zijn als anderen van elk genot verstoken blijven, terwijl de rijken het met volle teugen drinken? Waarom moeten wij in eene armoedige woning, zonder genoegzame dekking hjngeren en dorsten, terwijl zij in weelte en overvloed baden. â Of hebben wij niet evenveel recht als zij op genot en op voldoening onzer zinnen ? Verklaart hem M. B., dat zulk een verschil onder de mensclien gelogen is in de verschillende verhoudingen, die in elke maatschappij noodzakelijk bestaan. Die taal heeft geen vat op het gemoed van den genotzieken arbeider. Hij verstaat of liever hij wil u niet verstaan. Laat ons, zal hij besluiten, die verhoudingen omkeeren ; daarom geeft uw geld af, verlaat uwe huizen, wij zullen op onze beurt het ons zeer gemakkelijk maken,â en het genot smaken dat wij lang hebben moeten derven en gij reeds jaren lang geproefd hebt.â Slaat gij voortaan de handen aan het werk dat ons heeft bezig gehouden, en wij zullen voortaan uw deel, uw geluk tot het onze maken. En, zullen zij er bijvoegen,â helpt hier geen kracht van woorden, dan nemen wij onze toevlucht tot geweiden zullen wij ona met dwang verschaffen, wat de taal der overreding niet vermag. Zoo niet mot woorden, door daden zeker toch, zullen de arbeiders zonder geloof en godsdienst tot dat uiterste overslaan. Een ieder gevoelt den naderenden storm. De revolutionnaire beginselen verspreiden zich hoe langer hoe meer onder de arbeidende klassen, door middel van socialistische geschriften. In 1869 bestonden er in Duitschland slechts 6 socialistische bladen, thans 47. âDie illustrirte Neue Weltquot; telt thans 30,000
abonnementen. De gansche pers telt H--400,000 lezers.
De socialistische arbeiderspartij heeft verder hare
â 292 â
aanvoerders en leiders ; in 1875 had zij er reeds 340, waaronder vele mannen van talent en wetenschap.â Ook in den Duitsohen Rijksdag wordt de partij vertegenwoordigd door verschillende socialistische afgevaardigden. Ook beschikt zij ten laatste over veel geld. De socialistenbond, zoo schrijft de Berl. Freien Presse telt If0.000 man, met één miliioen kiezers en jonge arbeiders in het verschiet,â en een jaarlijksch budget van 800.000 mark.â Er bestaat dus reden genoeg tot bange bezorgdheid; want wee de wereld als eenmaal het vuur ontvlamt, dat thans reeds smeult.â De gevolgen zijn niet te overzien. Opstand en revolutie van den kant der werkende klassen is onvermijdelijk, vooral nu men den arbeider zijn geloof, zijn geweten, den hemel ontneemt; want wie aan het volk den hemel ontneemt, moet het de aarde geven. Wij staan hier alzoo voor een groot vraagstuk dat vooral in onze dagan dreigend is, en vreeselijke schokken voorspelt.â Wie is in staat het gevaar te keeren? Dat zal ik trachten op te lossen in de volgende Conferentie. M. B., arbeiden enkel en alleen om te genieten, dat mag de leus niet zijn van den christelijken werkman. Hij moet in zijnen arbeid streven naar een hooger doel dan genot en zinnelijke voldoening. Hij moet den arbeid beschouwen als zijn plicht, als eene taak door God hem opgelogd,â als eene boete waarmede hij tevens verdient voor de eeuwigheid. Zoo beschouwd, is hem de arbeid hoe zwaar overigens ook een genot. M, B., zegt mij eens is het geen genot als gij quot;s avonds vermoeid van dea arbeid nadenkt over de stoffelijke verdiensten van uwen arbeid! Men vroeg eens aan een boer na afloop van den oogsttijd, die dat jaar niet brillant geweest was, â of hij tevreden en voldaan was ? Ja was het antwoord, ik
â 293 -
heb van den akker afgelegd wat er door God was ingelegd,â wel niet veel maar toch iets,â hadde God er niets ingelegd dan hadde ik even content moeten zijn.â Zoo redeneert en zoo spreekt de arbeider, de werkman die geloof heeft,â hij beschouwt den arbeid met de oogen des geloofs, â en hij geniet tevens van zijnen arbeid. â Hij voelt zich gelukkig en tevreden in zijnen stand,â hij vergenoegt zich met het tegen woordige, is onbezorgd voor het toekomstige en houdt zijn oog gevestigd op het onvergankelijke, het hemelsche. Amen.
- 292 -
aanvoerders en leiders ; in 1875 had zij er reeds 340, waaronder vele mannen van talent en wetenschap.â Ook in den Duitsehen Rijksdag wordt de partij vertegenwoordigd door verschillende socialistische afgevaardigden. Ook beschikt zij ten laatste over veel geld. De socialistenbond, zoo schrijft de Berl. Freien Presse telt IfO.OOO man, met één miliioen kiezers en jonge arbeiders in het verschiet,â en een jaarlijksch budget van 800.000 mark.â Er bestaat dus reden genoeg tot bange bezorgdheid; want wee de wereld als eenmaal het vuur ontvlamt, dat thans reeds smeult.â De gevolgen zijn niet te overzien. Opstand en revolutie van den kant der werkende klassen is onvermijdelijk, vooral nu men den arbeider zijn geloof, zijn geweten, den hemel ontneemt; want wie aan het volk den hemel ontneemt, moet het de aarde geven. Wij staan hier alzoo voor een groot vraagstuk dat vooral in onze dagen dreigend is, en vreeselijke schokken voorspelt.â Wie is in staat het gevaar te keeren ? Dat zal ik trachten op te lossen in de volgende Conferentie. M. B., arbeiden enkel en alleen om te genieten, dat mag de leus niet zijn van den christelijken werkman. Hij moet in zijnen arbeid streven naar een hooger doel dan genot en zinnelijke voldoening. Hij moet den arbeid beschouwen als zijn plicht, als eene taak door God hem opgelegd,â als eene boete waarmede hij tevens verdient voor de eeuwigheid. Zoo besciouwd, is hem de arbeid hoe zwaar overigens ook een genot. M. B., zegt mij eens is het geen genot als gij \'s avonds vermoeid van den arbeid nadenkt over de stoffelijke verdiensten van uwen arbeid! Men vroeg eens aan een boer na afloop van den oogsttijd, die dat jaar niet brillant geweest was, â of hij tevreden en voldaan was ? Ja was het antwoord, ik
â 293 -
heb van den akker afgelegd wat er door God was ingelegd,â wol niet veel maar toch iets,â hadde God er niets ingelegd dan hadde ik oven content moeten zijn.â Zoo redeneert en zoo spreekt de arbeider, de werkman die geloof heeft,â hij beschouwt den arbeid met de oogen des geloofs,â en hij geniet tevens van zijnen arbeid. â Hij voelt zich gelukkig en tevreden in zijnen stand,â hij vergenoegt zich met het tegen woordige, is onbezorgd voor het toekomstige en houdt zijn oog gevestigd op het onvergankelijke, hot hemelsche. Amen.
XL.
Arbeid. (Slot.)
De heidenen beschouwden den arbeid als een last, als eene oneer,â en legden dien op de schouders van anderen, van slaven, die zij beschouwden als wezens bijna gelijk staande mot het redeloos dier.â De socialisten vatten den arbeid op als een middel om te genieten ; arbeiden zoolang het genot tegenlacht,â ophouden te arbeiden, zoodra het genot voorbij is,â en dan door andere fniddelen zich datgene trachten te verschaffen, waarnaar het zinnelijk hart verlangt,â Tusschen die twee uitersten neemt hot Christendom met zijn leer en met zijn dool, eene vaste plaats in.â Het ontkent niet dat de arbeid een last is; maar verkondigt tevens ook, dat de arbeid eene boete eene straf is, aan all^n zonder aanzien van personen opgelegd; het ontzegt niet alle genot aan den arbeid, maar het beschouwt dat genot alleen als loon en recht en niet als eenig en laatste doel.â
Ziedaar M. B., in het algemeen het standpunt aangegeven, dat elk christen in de kwestie over den arbeid moet innemen.â Laat ons liet gezegde eens wat nader toelichten. In den beginne schiep God Adam en plaatste hem in het Paradijs om dat te
â 295 â
bebouwen en te bewerken,â Derhalve moest de mensch ook vóór de zonde arbeiden. God immers werkt ook altijd,â en is in dat werken zalig.â In dien staat echter van schuldeloosheid en heiligheid, was de arbeid voor den mensch niet afmattend, maar integendeel vol genot, â hij was niet vermoeiend, maar veel meer eene aangename verpoozing,â want de aarde toen nog niet beladen met den vloek der zonde, was den mensch gehoorzaam. De zonde bracht in die gelukkige verhouding een volslagen omkeer: âüm uw-j zonde, sprak God, zij de aarde gevloekt. Onder zwaren arbeid zult gij uit haar uw voedsel trekken zoolang gij leeft; distelen en doornen zal zij u voortbrengen ; in het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten.quot;â Vreeselijke straf voor den eersten zondaar op aarde en voor allen die zijne zonde zouden erven !â De aarde eerst vruchtbaar, gemakkelijk te bebouwen, gehoorzaam aan den mensch, zal zich voortaan weerbarstig toonen; zij zal nog wel de voor het levens onderhoud van den mensch noodzakelijke vruchten opleveren, maar die vruchten zullen door zwaren arbeid gewonnen en met het zweet der inspanning moesten besproeid worden. Zoo is dan de arbeid vooreerst eene straf der zonde en omdat de zonde op allen is overgaan. â moeten ook allen de straf, die het gevolg der zonde is, dragen.â Dus allen, rijken zoowel als armen, zijn gehouden tot de wet van den arbeid. De arbeid is eene wet des levens een ieder opgelegd. Niemand kan dien last die op hem drukt van zijne schouders heffen, en hem geheel op die eens anderen leggen. âGelijk oen vogel, zegt de H. Schrift, geboien is om ts vliegen,â zoo ook is de mensch geboren om te werken.quot; Maar de arbeid is voor den christen nog iets anders dan eene straf.â \'t Is tevens
â 296 â
eene boete voor de beleediging waarvoor straf ia bepaald. Ziudaar een nieuw bewijs van Gods goed beid.â Zijne recbtvaardigbcid eiscbt voldoening voor de hem aangedane beleediging, en vindt die in de opgelegde straf,â en zijne goedheid neemt het volbrengen der straf aan als een gedeeltelijk eerherstel voor de bedreven misdaad.â Toen Adam dan na uit het Paradijs te zijn verdreven, de handen aan het werk sloeg, was elke zweetdruppel die van zijn aangezicht viel als een traan van boetvaardigheid, zijn arbeid was als een zoenoffer voor zijne zonde,â en zoo wisohte hij door te werken meer en meer zijne schuld bij God uit\'â De arbeid is verder een middel voor den christen om in zijne behoeften te voorzien,â en aldus een loon voor zijne inspanning.â Bij de straf voegde God tevens don troost, dat de mensch als loon op aarde voor zijnen arbeid te eten zou hebben:quot; In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood etenquot;, â zeide God ; met andere woorden: werken en tot loon zult gij eten. â De christen behoeft dus niet afkeerig te zijn van het loon door den arbeid verdiend. Want het loon maakt een deel uit van de door God gewilde orde. Hij moet echter weten te onderscheiden tusschen middel en doel.âDe tijdelijke verdienste is voor den christen eene door God aangeboden verzachting van te werken, die met dankbaarheid moet aangenomen worden ; maar dat onzeker en vergankelijk gewin, is en mag nooit voor hem hooid-zaak worden.â Is nu de verdienste van den arbeid volgens Gods wil een loon, dan heeft hij alleen die arbeidt rechtop dat loon,â en wie niet arbeidt, heeft geen recht daarop ; â wie dus niet werken wil zal ook niet eten; wie den arbeid schuwt, de luiaard, de leeglooper, moet niet ondersteund worden ;â eenieder
â 297 -
moet zijn eigen brood eten en daarom arbeiden om niemand tot last te zijn.â Zoo leert de apostel Paulus. Nog booger klimt do christen in zijne zienswijze over den arbeid. De arbeid is voor hem ook een liefdedienst. Werken moeten wij om iets te kunnen mededeelen aan hen die gebrek lijden. âBemin uwen naaste gelijk u zeiven,quot; zegt God,â dat wil zeggen: heb liefde jegens u zeiven maar ook gelijke lietde jegens uwen naaste. Liefde is derhalve plicht; maar die liefde heeft hare grenzen: bijaldien namelijk de uitoefening daarvan het recht eens anderen zou krenken houdt zij op,â zij heeft ook hare maat: in den plichtvan zelfbehjud.â Uit het gezegde begrijpen wij de wet, om aalmoezen te geven aan hen die behoefte hebben,â en door hen die overvloed bezitten,â maar ook daaruit wordt het ons duidelijk, hoe de arbeid volgens christelijke beginselen een liefdedienst is, een offer aan do naastenliefde gebracht.â Gelukkig de maatschappij, waarin die beginselen verspreid en don arbeiders ingeprent werden, â ja gelukkig de maatschappij die voor 900/0 uit zulke arbeiders bestond; want in die beginselen ligt de waarborg voor het geestelijk en tijdelijk welzijn van den arbeider opgesloten.â De architect Hübsch, had eens een onderhoud met den voormali-gen koning van Wurtenberg ; â van het een op het ander, kwam het gesprek op de gevaren die de maatschappij bedreigden van den kant van hot socialisme.â De koning vroeg den architect, of hij een middel voor die gevaren kende. Wel zeker! zeide Hübsch,â en wel een onfeilbaar.â De koning, nieuwsgierig dat middel te weten, drong er, op aan het hem te noemen.â âDe Capucyn,quot;â zeide Hübsch.â De koning het woord âCapucynquot; hoorende kon zich van lachen niet onthouden.â Doch Hübsch hield zich ern-
â 298 â
stig; âSire,â hernam hij , voor de gevaren die de maatschappij bedreigen kan alleen hulp gevonden worden, als men de arbeiders naar het voorbeeld der kloosterlingen, b. v. der Capueynen, de vrijwillige ehristelijke verloochening voorhoudt.â Ja, leer den arbeider de zelfbeheersching en zelfverloochening,â en de gevaren die de maatschappelijke orde bedreigen zijn afgewend.â Laat do drie machtigste vorsten ook al conferentiën houden, op welke wijze men zich het best tegen het monster der revolutie zou kunnen verzetten ; niets zal baten, zoolaag men de christelijke beginselen niet op den voorgrond stelt.â Ja M. B., dat is de eenige weg. De Kerk, en zij alleen, door hare leer en beginselen kan de wereld redden en den mensch tevreden en gelukkig maken.â Zij wijst den arbeider op den Goddelijken Verlosser, die dertig jaren lang vergeten van de mensohen, werkte en zwoegde in de werkplaats van een timmerman ; aldus den arbeid heiligde, en aan het gebod : âin het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten,quot;â eene heerlijke bevestiging gaf. â Heeft de Kerk niet den arbeid tot zijne ware beteekenis teruggebracht? Wat heeft zij verder niet gestreden tegen de slavernij en de verlaging der vrouw â Ziet daarenboven die overblijf selen der christelijke kunst uit vroegere eeuwen, onder-de leiding der Kerk, door christelijke arbeiJers tot stand gebracht;â zouden die arbeiders waren zij doortrokken geweest van de moderne beginselen over don arbeid, ons zulke kunststukken hebben nagelaten ? Ik geloof van neen ! Leest eens hoe de grootste godgeleerde der Kerk, de H. Thomas, spreekt over maatschappelijke kwestiën,â dat is heel wat andere, dan al die holle frasen van de ongeloovige geleerden van onzen tijd.â De Kerk alleen kan den arbeider geluk-
- 299 â
kig maken.â Buiten haar is dat onmogelijk.â Luistert eens hoe een volbloed modern socialist, de bekende Leroux, den arbeider laat spreken, wien men de christelijke beginselen ontnomen heeft; âVroeger was ik gelukkig, ik had mijn aandeel in de maatschappij.â Ik w as wel onderdaan, maar ik bezat ook het recht van onderdaan, â ik kon gehoorzamen zonder mij te verlagen. â Ongelijkheid op aarde, gelijkheid in den hemel, â met andere woorden: ongerechtigheid op aarde, gerechtigheid in den hemel; zoo sprak men vroeger.â Ik zag op naar den hemel, waarheen mijne verlangens, mijne hoop gericht waren.â In mijn lijden schepte ik moed bij de gedachte aan den hemel.â Ik was arm maar niet behoeftig,â want ik bezat den hemel in het verschiel.â Ik had het gebed, de Sacramenten, de H. Mis; ik had de Biecht, en de vergiftenis mijner zonden.â Dat alles heb ik verloren ! Ik heb geen paradijs meer te hopen. Er bestaat voor mij geen Kerk meer.â Ik heb mij zeiven geleerd dat Christus een droom is.â Of er een God bestaat weet ik niet!â Ik heb al mijne verlangens, al mijne hoop overgebracht op gold en goed.â Helaas! het paradijs, de hemel hebt gij mij ontroofd, ik wil het op aarde bezittenquot;. - M. B , de mensch wikt, maar God alleen beschikt oppermachtig over den gang der wereld. Ziedaar onze troost in de moeilijke tijden die wij beleven. Door de katholieke Kerk, kan God de hoofdvraag van onzen tijd, â de maatschappelijke kwestie oplossen. Zal dat gebeuren op vreedzame wijze of in storm en orkanen,â in bloed en in burgeroorlog ?â wie zal dat beslissen \'i\' Do voorteekenen zijn verre van gunstig genoemd te mogen worden.â Het tegenwoordig geslacht is diep gezonken in ongeloof en zedeloosheid. De droevige geschiedenis der laatste jaren geett uitzicht op eene bloedige ontknoo-
â 300 â
ping. De meeste Europeesohe Staten hebben met God, Godsdiensten Kerk gebroken.â Ontneemt men zooals thans, aan het volk den godsdienst, dan is de maatschappij haren val dicht nabij. Men denke slechts aan de groote fransohe revolutie, toen eene schaam-telooze deerne tot godin werd uitgeroepen; maar ook de beul in de plaats des konings trad â En de jaren 1830 en 1848 ; waren zij ook geen getuigen, van den geweldigsten schok tusschen de opgehitste arbeiders en de diagers van het gezag? Toen dreunde de grond onder de schokken der volksrevolutie.â Is Italië het land der revolutie welvarend en gelukkig ? Van Frankrijk behoet ik niet te spreken; de Tuileriën en het Louvre rooken altijd nog als fakkels des doods over het graf der commune. Wee de maatschappij als het vuur dat thans smeult tot ontbranding komt! M. B., ik heb u in de conferentie een denkbeeld trachten te geven van den arbeid, uit een christelijk gezichtspunt beschouwd. â Beschouwt den arbeid als een plicht, als eene taak u door God opgelegd, dan heeft hij niets verlagends; maar is eervol,â als boete u door God opgelegd tot voldoening uwer zonden ; aldus beschouwd, zal hij u minder hard en lastig vallen, wetende dat gij door den arbeid af boet en verdient.â Geniet ook eindelijk van uwen arbeid, niet als uw eenig doel, gelijk de socialisten willen, â maar als een middel tot bevrediging uwer behoeften.â Vergeet ook niet uwen arbeid terug te brengen tot God.â âOmnia ad majorem Dei gloriamquot;,â dan hecht gij aan uw werk, den waarborg tevens eener hemelsche verdienste. Zoo niet dan gaat er veel arbeid verloren ; want menigeen moet zeggen : âwij hebben der lt;;ansohen nacht gearbeid en niets gevangen;quot;â niets voor den hemel, die alleen geopend is voor hen die hem verdienen. Amen,â
XLI.
Boerenstand.
Wij hebben in den laatsten tijd eene reeks confe-rentiën gehouden over arbeid en werk, breedvoerig hebben wij gesproken over het wezen, de natuur van den arbeid,â doch M. B., wij hebben op verre na die stof niet uitgeput.â Wij hebben thans den arbeid het werk hoofdzakelijk bechouwd onder em maatschappelijk oogpunt, wij gaan het thans eens beschou wen onder een zedelijk oogpunt,â of duidelijker gezegd: eens spreken over de gevaren die de werk man in zijnen staat ontmoet,â over de vijanden die hij te bestrijden heeft,âDeze stof is van het grootste gewicht vooral in den zomer, den tijd van het werk en gevolgelijk ook van de meeste gevaren. Vandaag echter wend ik mij meer uitsluitend tot den landman, tot den landbouwer om hem eens te wijzen op eeni-ge gebreken, zonden en verkeerde gewoonten die men in dien stand veelal aantreft. De boerenstandi ik heb het reeds meer gezegd, heeft evenals elke andere stand zijn vtór en zijn tegen.â De akkerbouw is onder alle bedrijven zeker een der lastigste en wisselvalligste.â Jaar in jaar uit moet de landman arbeiden en de natuur om zoo te zeggen hare
â 302 â
voortbrengselen afpersen.â En na al dat zwoegen, blijft hij nog immer in gevaar de vrucht van zijnen arbeid door onweder en hagel,â en nog door zoovele andere oorzaken te verliezen.â TVgen die rampen en onheilen vermag de landman nietsâ hij is en blijft de man der Voorzienigheid.â Doch van den anderen kant, de boerenstand heeft oneindig veel vóór op andere bedrijven,â Eenvoud van zeden, gelijkvor. migheid van leven, arbeidzaamheid en godsdienst, moet men in den regel bij den boerenstand zoeken. De boerenstand is voorde samenleving en den Staat van het hoogste belang.â Daar liggen de behoudende elementen, de kracht en het leven van beide.â De landbouwer zoo goed als ieder ander heeft evenwel zijne gebreken.â Een eerste gebrek dat vooral in onzen tijd zich zoo duidelijk openbaart is dat de landbouwer zelf zijnen stand zoo weinig acht, zich soms schaamt voor zijnen staat,â ja om het woord te gebruiken, er niet voor durft uitkomen, dat hij boer is.â Zonderling! iedereen waardeert en acht zijn vak; men ziet zoo niet met minachting, toch met onverschilligheid neer, op mannsn van een ander vak. Menig landman echter maakt hierop eene uitzondering.â Vraagt eens aan een eenvoudig milicien die met verlof is : Vriend! wie zijt gij ?â Wat doet gij ?â Fier geeft hij ten antwoord : âsoldaat, Mijnheer! bij het 2e regiment, le batallon, 4« compagnie.quot;â Hij is trotsch op zijn stand.â Ook de ambachtsman is fier op zijn beroep ; hij komt er rondborstig voor uitik ben schoenmaker, schrijnwerker, metselaar, enz.â En menig landbouwer zou zich schamen er voor uit te komen wat hij is ! Als gij hem vraagt wat hij is, zal hij zeggen in plaats van boer: ik ben grondbezitter, eigenaar, rentenier, enz.â Hoe is het
â 303 â
mogelijk! Gij die het noodzakelijkste, het iiuttigste) het edelste beroep oefent ; gij zoekt u te verlagen en u minder achtbaar te maken! En wat heeft dat nu ten gevolde ? Een landman die zijn beroep niet liefheeft, bekommert er zich niet over het aan zijne kinderen over te dragen. Hij laat zijne kinderen iets anders aanleeren, zij verlaten het onderlijk huis, gaan naar de steden, verdienen wel is waar hoog loon, maar loopen ook veel meer gevaren zoo naar ziel als naar lichaam.â Op slot van rekening een landbouwerszoon die het boerenwerk verlaat, om in de stad fortuin te gaan zoeken, brengt het er niet zelden slecht af\'. Een boerenzoon uit eene kleine landbouwersfamilie geboren, toonde meer aanleg dan hem wel dienstig was. Onze jongen,â hadden vader en moeder gezegd, zal geen boer worden ; hij is voor wat grooters in de wieg gelegd.â Zij plaatsten hem bij eenen notaris.â Doch dat was hem ook weldra te gering. Hij moet naar Parijs. Daar neemt hij dienst bij eenen deurwaarder en trekt 600 franks. Om niet van honger te sterven had hij minstens 1200 franks moeten verdienen. Drie maanden daarna werd hij ziek en naar het gasthuis vervoerd. Na zes maanden is hij min of meer genezen, hij wil zijn post hernemen,â doch zijne plaats is ingenomen door een ander. Daar doolt hij nu rond door de straten va.n Parijs, zonder werk en zonder bestaan,â zonder geld of kleederen,â razend van honger, terwijl bij nog gevaar loopt om als vagabond door de politie opgebracht te worden.â Beter hadde hij gedaan het boerenwerk te hebben aangeleerd en niet buiten zijnen stand de fortuin beproefd te hebben.
Een ander gebrek, wat veelvuldig op het land wordt aangetroffen, is ruwheid en grofheid in woor-
â 304 â
den,â vooral vloeken en verwenschingen op menschen en vee. \'t Is werkelijk eene schande als men hoort hoe leden van het gezin elkander soms toespreken,â ouders tot kinderen, man tot vrouw en omgekeerd.â Veel algemeener echter is nog het vloeken en razen op paarden en ve3.â Gaat maar eens in het vroeg-jaar over akker en veld; en gij zult er u van overtuigen hoe waar het is wat ik zeg. Men meent door vloeken de paarden vooruit te krijgen of te doen luisteren. En juist het tegendeel heeft plaats. Men verschrikt ze wel, â maar onderwerpt ze niet. â Tijdens de groote Parijsche tentoonstelling voerde een landman op een zondag namiddag een zwaren wagen met steenen geladen door de straten der stad. Op de Invaliedenplaats gekomen, struikelt een der paarden en valt. De landman overlaadt het met zweepslagen en schoppen. Het arme dier doet wanhopige pogingen om op te staan. Het kan niet,â het zat met de pooten in de strengen verward.â De man verdubbelt zijne zweep- en stokslagen, hij vloekt en lastert als een bezetene. Het paard wilde wel, maar kon niet opstaan. Eindelijk deed de ellendige wat hij van het begin af had moeten doen.â Hij maakt het gareel los, het paard nu vrij, maar als razend ten gevolge der ondergane mishandelingen, springt op de achterpooten, valt op zijnen beul aan, slaat, bijt, scheurt hem het vleesch van het lichaam, werpt hem op den grond, en zou hem vertrapt hebben, waren de omstanders niet bijgesneld,â en hadden zij hem uit zijnen neteligen toestand niet gered.â Dat paard was het werktuig, waarvan God zich bediende om den vloeker te straffen.â
Een derde gebrek vooral heersohend op het land, is oneenigheid en processen. M. B. er heerscht op
â 305 â
het land betrekkelijk meer oneenigheid en verdeeldheid,â meer processen onder de menschen dan in de steden. En niet zelden geven beuzelarijen aanleiding daartoe. Hier liggen twee geburen met elkander overhoop over de afpaling van een stuk grond, waarvan do bewijsstukken niet meer te vinden zijn,â daar zijn er twee in geschil over eene sloot, die men uit onachtzaamheid heeft breeder laten worden, of om eene haag die tot scheiding dient van twee eigen -dommen,â om een voetpad op het veld, â om eenen boom die te ver geplant is of wiens takken zich te ver uitstrekken, â om een ouden middelmuur, eenen dwangplicht, eenen doorgang, â over het loon van dienstboden die vertrokken zijn,â somtijds ontstaat geschil door herbergspraatjes,â geschil om eene afgebroken schutting, â om koeien of zelfs kippen die het veld en de vruchten beschadigen. En wat volgt dan daaruit ? In plaats van inderminne de zaak te regelen, ergert en verbittert men zich,â men gaat aan het twisten, men loopt naar eenen advokaat, â er moet geprocedeerd worden en op slot van rekening, al wint men ook het proces, betaalt men aan proceskosten veel meer dan het ding waard is. Zoo heb ik eens gehoord van een proces waaraan 1800 franks kosten waren, en dat voor tien ellendige doornenstruiken die men elkander betwistte. â M. B,, de rechtvaardigste processen deugen nog niet. â Gij schiet er altijd uwe beurs bij in, terwijl de advokaten en de heeren van het gerecht met het geld gaan strijken. Dat wil nu niet zeggen, dat gij u alles maar moet laten welgevallen door eenen nabuur, die onrechtmatig uw recht betwist, â neen, dat ware de onrechtvaardigheid begunstigen en de schurken aanmoedigen. God zij dank! hier te lande beschermen
20
- 306 â
de gerechtshoven den arme zoowel als den rijke,â ja, daar zijn gevallen dat het plicht wordt hunne bescherming in te roepen. M. B.p tracht in gewone gevallen als gij eenig geschil hebt, het zooveel mogelijk onder elkander te vereffenen. En gaat dat niet,â roept dan de bemiddeling in van den Herder uwer parochie, die altijd gereed is u aan te hooren, die vrederechter is in den vollen zin des woords,â en zonder onkosten recht spreekt. Volgt zijnen wijzen raad en geeft geen geld uit voor gezegeld papier; want dat is eene zware belasting die men ontberen kan.â
Een laatste misbruik dat men veelvuldig op het land aantrett, zijn de buitensporigheden vooral in den oogsttijd.â Ik bedoel vooral de schaamtelooze, dubbelzinnige en gemeene gesprekken die men voert, en de vrijheden, laagheden en zonden die men zich jegens elkander veroorlooft. M. B., dat misbruik is in sommige streken, op sommige plaatsen ontzaggelijk groot. â Hoe het hier is, dat wil ik in het midden laten, dit alleen weet ik dat ik dikwijls daarover heb hooren klagen en dat ik eens eene dienstmaagd gesproken heb, die mij zeide dat zij ronduit geweigerd had in den oogsttijd op het veld te gaan werken, om de vuile taal, die zij van den morgen tot den avond moest horren. Ik beken M. B., dat de oogst een tijd is van vermoeienis en inspanning ; maar het is ook een tijd van blijdschap en vreugde. â De pachter verheugt zich als hij zijne schuren met vruchten ziet gevuld worden,â de arbeiders ook zij zijn blijde, telkens als zij eenen vollen wagen inbrengen,â juichend en jubelend wordt de laatste vracht ingehaald. En veelal denkt men nog niet eens aan Hem\', van wien men dat alles ten geschenke ontvangt. In plaats van
â 307 -
God te danken voor zijne milde giften, vertoornt en vergramt men Hem door vuilen praat en dartelheden. Men klaagt dat de veldarbeid niet meer gezoebt wordt, dat men in den oogst zoo weinig banden aan bet werk kan krijgen. En geen wonder! Welke eerbare ziel wil zieb leenen om te arbeiden in een gezel schap van gewetenlooze en bedorven arbeiders I Er zwerven in de steden arme buitenmensohen rond, die werk zoeken en gij zegt tot hen: âWaarom blijft gij niet op het land, daar is werk genoeg!quot;â En men antwoordt u terecht: âJa, maar ik heb kinderen die ik fatsoenlijk wil opbrengen,â en ik wil ze in den oogsttijd niet afstaan om te gaan werken. Nog liever zie ik ze van honger sterven, dan hen aan de verleiding blootstellen.quot;â Ik weet wel dat men in slechte gesprekken weinig kwaad ziet eh doorgaans allerlei verontschuldigingen weet in te brengen; dat kan alles niets helpen, en vermindert ook niet de grootte van bet kwaad. âIk heb die slechte woorden niet met slechte bedoeling , maar alleen om te lachen gesproken,quot;â zegt de een; doch is het niet hetzelfde of men al lachende of al weenende naar de hel gaat ? âIk ben niet begonnen, ik heb maar meegedaan in het gezelschap, zegt een ander.quot;â Hebben zij slechte taal gevoerd evenals gij,â evenals gij, zullen ook zij veroordeeld worden. âHet waren precies geen slechte, maar dubbelzinnige woorden.\'\'â Maar die zijn soms veel gevaarlijker dan oneerbare woorden; omdat men meestal lang onderzoekt wat die woorden beteekenen en zij zoodoende een dieperen indruk maken op de verbeelding. âEr waren geen kinderen bij.quot;â Dat kan het kwaad ietwat verminderen, maar ook voor volwassenen, voor getrouwden zijn zij gelegenheid tot zonde.
â 308 â
M, B., gij die voor het grootste gedeelte uw bestaan vindt in den land- of akkerbouw, behartigt eens goed de korte wenken, die ik u dezen avond gegeven heb,â trekt te velde tegen de gebreken en misbruiken die ik u voor oogen gesteld heb ; op die wijze houdt gij uw persoon, uwen stand en uw huis in eer. Weest zedig, vredelievend en godsdienstig, ziedaar in drie woorden alles samengevat. Vergeet niet dat de landman bij uitstek is, een man der Voorzienigheid, een schatplichtige, een leenman van God,â van wien hij geheel en al afhangt.â Huldigt dus God en betaalt hem cijns en schatting door de naleving zijner geboden en door de vlucht der zonde; op die wijze moogt gij hopen dat Hij uwe akkers zal besproeien en verwarmen,â uwe schuren zal vullen,â u vruchten zal doen oogsten in dit leven, en verdiensten in bet ander leven. Amen.
XLII.
Zucht naar den Vreemde.â
Vandaag kom ik u waarschuwen voor een gevaar dat ik in mijne vorige conferentie even heb aangestiptâ een gevaar dat tegenwoordig aan de orde van den dag is cn waarvan men vroeger niet hoorde,â een gevaar dat zoovele jongelingen en jonge dochters, ja geheele huisgezinnen ongelukkig heeft gemaakt,â namelijk de zuclit om naar den vreemde te ^aan vooral naai- groote steden van het buitenland, ten einde daar fortuin te maken en geld te verdienen.
Wat gij u inbeeldt van het buitenland,â de voordeden die men u voorspiegelt, dat alles is grooten-deels bedrog en de voordeelen hebben weinig te be-teekenen.â En niettemin laten zoovelen zich misleiden. Kleermakers en schrijnwerkersgezellen, naaisters, dienstmaagden,â enz. moeten tegenwoordig allemaal naar Brussel, naar Keulen, naar Parijs, enz. Daar, en daar alléén kan men zijn ambacht leeren. Als men daar niet geweest is, is men maar een knoeier en het werk dat men maakt is maar boerenwerk. Maar is men daar geweest dan hangt men boven de deur zijnen naam op een bordje, met het praedicaat van Meester er voor; b. v. Mr. timmerman, Mr. schrijnwerker enz,â M. B.; me3nt niet
â 310 â
dat men altijd beter werk maakt als men in de groote steden van het buitenland geweest is. Laat mij u eens eenige artikelen opnoemen die te Brussel te Parijs of\' elders gemaakt worden ; b. v. een paar smaakvolle damesschoenen of bottines,â wat zijn ze keurig, zoo zegt men !â Zij zijn vrij van nagels en zonder naad. Ja, de nagels zijn door houten pinnetjes vervangen; doch trekt niet te hard, of de pinnetjes springen er uit; gaat er niet mede in den regen, of de stijfsel-pap wordt week en gij kunt zonder zolen naar huis gaan. Een ander draagt een wit vest maar heeft geen hemd aan,â \'t is maar een half hemd, hij draagt verlakt leeren laarzen, maar heeft geen kousen,â en zijn fijn gestijfde cols of boorden, alsmede zijn das zijn van papier. Ik wil echter niet ontkennen dat de werkman in zijn ambacht zich volmaakt met op reis te gaan. Hij vindt daar knappe en ervaren meesters om hem te onderrichten ;â hij is in de gelegenheid de voornaamste producten der nijverheid gade te slaan, hij werkt mede aan voorwerpen en artikelen waarnaar elders geene navraag bestaat.â Doch deze en andere aanzienlijke voor-deelen, kunnen niet opwegen tegen ernstige nadeelen. De werkman gaat naar de steden om zijn brood te verdienen. Maar het brood op het land is veel beter en zuiverder dan in de stad, waar veel onder h?t brood geknoeid wordt. En wat ik hier zeg van het brood, is evenzeer waar van andere zaken en levensmiddelen , als vleesch , boter, winkelwaren, enz.â De knoeierij en vervalsching der levensmiddelen in de groote steden is thans zoo groot dat men van ambtswege in vele steden de voornaamste levensmiddelen onder toezicht of aan keuring onderwerpt, om alle bedrog en vervalsching te voorkomen. Wat
â 311 -
de workman doorgaans uit den vreemde meebrengt ia; Misschien veel geld\'? Neen. Maar verkeerde beginselen en een bedorven hart. Hij wordt do plaag van de gemeente, overtreft zijne kameraden in schaamteloozo taal en allerlei buitensporigheden,â gaat zelden of niet meer te biechten, scheldt en schimpt op godsdienst 3n priesters ; houdt veel van jenever en anderen sterken drank.â In sommige streken en op sommige plaatsen onzer provincie gaan gansche huisgezinnen een deel van het jaar in den vreemde, om handel te drijven,â anderen gaan werken in de fabrieken,â anderen gaan voor een seizoen in Pruisen en in België werken. â En hoevelen komen met centen te huis? Wat wordt er daarenboven van hunne ziel ? Luistert wat de ondervinding ons leert? Jongelingen en mannen komen terug na eeno afwezigheid van 5 of 6 jaar in den vreemde.â Dan maken zij gebruik van eene of andere godvruchtige oefening, van eene octaaf of missie in de parochie en gaan bij eenen vreemden priester biechten. Mijnheer, het is zes jaar geleden dat ik mijne Pasclien niet meer gehouden heb ;â gevloekt, gezworen.... de Mis verzuimd, â naar slechte huizen geweest, enz.â Maar vriend! Zes jaar....! Ja Mijnheer, ik was in den vreemde,â gij verstaat mij vvcl niet waar; in den vreemde.â Ziedaar de verschooning die zij aanvoeren tot verontschuldiging van hun gedrag. M. B., aan het gaan naar den vreemde zijn groote gevaren verbonden, zoowel naar ziel als naar lichaam.â Gevaren vooreerst voor den jongeling.â Ouders hebben de grootste bezwaren om hunne zonen bij de loting af te staan aan den krijgsdienst.â Wie maar eenigszins bemiddeld is, geeft zijn zoon eenen plaatsvervanger. En te recht de
â 312 â
kazerne stelt dikwijls jonge soldaten bloot aan gevaren die zij iu het ouderlijk huis niet kenden. De diensttijd evenwel heeft ondanks zijne gevaren toch ook zijne goede zijde ; hij gewent den jongeling aan orde en tucht,â leert hem luisteren en gehoorzamen,â en ten slotte, na korten tijd als de dienst om is keert de jongeling terug in het ouderlijk huis. Zoo is het echter niet met het reizen naar den vreemde. Ik houd dat voor veel gevaarlijker en zie in den regel een jongeling liever dienst nemen dan naar deu vreemde gaan.â Ja M. B., naar het lichaam, voor de gezondheid bevindt de soldaat zich op een gunstiger standpunt dan de jonge werkman in den vreemde. Vele soldaten sterven in het hospitaal en op het slagveld,â maar veel aanzienlijker volgens berekeningen is het getal van jeugdige werklieden, die men in de fabrieksfeden voortdurend naar het kerkhof draagt.â Vaders, zijt gij gedwongen uwe zonen naar den vreemde te zenden, zorgt dan: 1) Dat zij eenen goeden dienst of een goed kosthuis hebben. 2) Vertrouwt hun niet teveel geld toe 3) Zorgt dat zij lid worden van eene of andere godsdienstige Vereeniging.âGevaren nog inden vreemde voor jonge dochters. Tal van jonge dochters in deze streken reizen naar den vreemde en verhuren zich daar als dienstmaagd. Ingeval men dat zou afkeuren ontvangt men ten antwoord: ,..Mijn kind is in eenen goeden dienst, â veel beter dan ergens hier te lande.âquot; Nu, ik neem eens aan dat eene jonge dochter die naar den vreemde trekt in een goeden dienst terecht komt. Langzamerhand maakt zij kennis met andere dienstmaagden, men komt geregeld dagelijks met elkander in gesprek. En waarover wordt er gesproken V Over twee zaken.â Over verkeeren, â en over de
â 313 â
gebreken van meester en meesteres.â Luistert eens naar zulk een meidenpraatje : âHoe groot is uw loon?-Krijgt gij al den afval ?â Geelt men u ook fooien ? Kniest Madame niet te veel op de prijzen, als gij naar de markt gaat ?â Trekt zij zelf de percenten niet af van da nieuwjaarsrekeningen?â Houdt zij ook den sleutel van den kelder bij zich ? O 1 in zulk een dienst zou ik het geen 24 uren uithouden!quot;â Zij krijgt zoodoende tegenzin in haren dienst, ziende dat andere dienstmaagden meer verdienen, â zij kan en wil dus ook meer verdienen.â Zij zoekt en erlangt eenen anderen dienst, waar zij hoog loon en veel buitenkansjes heeft; doch dat alles ten koste vooreerst van hare rust, â ten tweede van bare godsvrucht,âten koste verder van de rechtvaardigheid, ten koste eindelijk van hare eer.â Vaders ! zend uwe dochters niet in den vreemde, tenzij uit hooge noodzakelijkheid cn om gewichtige redenen,â en dan nog neemt eerst behoorlijk inlichtingen opzichtens den dienst dien zij gaan betrekken. â duldt niet dat zij zonder uwe voorkennis van dienst veranderen, anders loopen zij gevaar in kwade handen te vallen, â en evenals zoovele andere jonge dochters in onze dagen, do slachtoffers te worden der zonde.â Gevaren eindelijk voor het gezin, voor de familie.â Ik neem eens een gehuwd werkman op het platteland. Hij trekt een klein dagloon dat hem evenwel brood verschaft voor vrouw en kinderen. Een zijner kennissen woont in den vreemde en verdient, zoo men zegt veel geld, â maakt goede zaken. Die vriend, zoo denkt onze man, was toch maar een sukkelaar een knoeier^ â wordt hij zoo rijkelijk betaald, wat zal ik dan niet kunnen verdienen? Aanstonds krijgt hij lust fot den vreemde.â Weldra is de zaak beslist 1 Ik kan, ik wil, ik zal... En zijne
â 314 -
vrouw en kinderen \'i1â Die gaan medej dat spreekt van zelfâ⢠En de meubels en hot huisraad dat bij inkoop zooveel kost, en het vervoeren niet waard is, wordt voor een s )otprijs verkocht.â Met wat kleeren en wat beddengoed op den rug, â met wat geld in den zak, â met wat gereedschappen onder den arm, gaat dat huisgezin bestaande uit man vrouw en kleine kinderen naar den vreemde, om fortuin te maken. Het is mogelijk dat zij slagen ; enkelen maken fortuin,â maar verreweg de meesten ondervinden bittere teleurstellingen, vervallen tot armoede en gebrek.â Dan denken zij bij hun zei ven: âAoh konden wij toch naar onze vroegere woon terug keeren, wij hadden daar wei niet veel, â maar toch genoeg om van te leven, en hier moeten wij van honger sterven! Die terugkeer is hun onmogelijk, zij hebben geen geld. M. B., men heeft te Parijs eene maatschappij moeten oprichten van liefdadigheid, ten behoeve van die duizenden ongelukkigen die geen middelen hebben om naar hun land terug te keeren. In 1856 heeft zij 1500 ellendigen geholpen, om zich naar huis te kunnen begeven. Ziet eens aan 1500 in één jaar, â en voor ééne stad alleen. Die armoede en dat gebrek voeren niet zelden tot een tweede uiterste: tot een misdadig en gruwzaam leven. Uit België, vooral uit de vlaamsche provinciën, trekken \'s jaarlijks honderden gelukzoekers naar Frankrijk vooral naar Parijs, waarvan de meesten op den langen duur hun geloof, hunne deugd, hun fatsoen en hunne eer verliezen en gewoonlijk vervallen tot het uitschot der maatschappij. In 1870 tijdens het schrikbewind der commune, telde men veel commune mannen en petro-leurs onder de Vlamingen, daar waren er die zich acht dagen lang in de atraatriolen van Parijs hadden
â 315 â
moeten verbergen ; want waren zij in handen gevallen der regeeringstroepen dan had men hen allen doodgeschoten.
M. B. ik heb dezen avond met u een gewichtig, praktisch punt besproken. Ik heb niet overdreven, leder verstandig en bezadigd man zal met mij instemmen. Ik keur in den regel af voor den landbouwer, voor den arbeider en den ambachtsman, het verhuizen naar den vreemde, hetzij naar Amerika of naar de groote steden van het buitenland.â En zegt mij niet.â âJa, maar hier is het ook slecht, er valt zoo bitter weinig te verdienen. Dat is waar, maar hier weet gij waar gij zyt en wat gij verdient, hier is nog nooit een arbeidzaam werkman van honger gestorven. In den vreemde weet gij niet waar gij komt, en wat gij verdient, â het kan meê- maar ook schromelijk tegenvallen. In allen gevalle het is en blijft een waagstuk. M. B., is het niet verkieselijker te hebben één frank in den zak, dan 10 in het verschiet, één morgen land in zijn bezit, â dan een bunder op het papier. En zegt het spreekwoord niet met recht: âOost, West, t\'huis best,quot;â Die zucht tot verhuizing wordt in onze dagen veel in de hand gewerkt, door de gemakkelijkheid van reizen en de snelheid van verkeer. Mannen en jongelingen, laat u niet verleiden, vaders, past op uwe zonen en dochters! Tracht hier zoo goed mogelijk uw brood te verdienen, zorgt hier te arbeiden, te leven, hier te trouwen, hier te sterven, van hieruit eenmaal naar den hemel te gaan. Amen.â
XLIII.
Een groot man.â
Gij kent allen het hollandsch spreekwoord : âSohoen-maker blijf bij uw leest.quot;-- Dat spreekwoord wordt in verschillende beteekenissen genomen. De eigenlijke zin van dit gezegde is deze: Verhef u niet boven uwen staat, maar blijf wat gij zijt,â blijf bij uw leest. Dit spreekwoord M. B., heeft eenen diepen zin en verdient in onzen tijd meer dan ooit overwogen en behartigd te worden.â Als iedereen tegenwoordig bij zijne leest bleef; met andere woorden : als iedereen bleef wat hij was en tevreden was met hetgeen hij heeft,â dan zou het er in de wereld thans vrij wat beter uitzien dan thans het geval is,â wij zouden niet van socialistische woelingen hooren spreken,â de advokaten zouden het zoo druk niet hebben met het voeren van processen, â daar zou zooveel jalouzie en afgunst, zooveel haat en nijd onder de menschen niet gevonden worden, als thans het geval is, enz.â Verheffing, stijging tot eer en grootheid, gaat ook niet zelden gepaard met vergetelheid van God, terwijl omgekeerd,â daling, vernedering, ramspoed, den mensch tot God terugvoeren.â Hoevelen worden er niet gevonden, die zoolang zij onwetend waren,
â 317 â
nederig, godsdienstig, deugdzaam waren,â maar die eenmaal geleerd en kundig geworden, door den hoogmoed werden verblind, hun geloof verzaakten, en booswichten werden. â Hoevelen, die zoolang zij gering en behoeftig waren, eerzaam en stichtend leefden; maar die door de fortuin begunstigd, rijk en vermogend geworden, zich volslagen omkeerden en ten kwade oversloegen. Waar das is en blijft het, dat verheffing voor menig mensoh een steen is, waaraan hij zich stoot, een struikelblok waarover hij valt.â Een spreekwoord echter staat altijd niet zoo vast, of het laat wel eens eene uitzondering toe,â want daar is geen regel zonder uitzondering.â Dit nu mag ook gezegd worden van het spreekwoord dat ik hierboven gebezigd heb. âSchoenmaker blijf bij uw leest.quot;â Daar zijn menschen die door eene of andere omstandigheid begunstigd, van den geringsten stand in de wereld tot de hoogste waardigheden in den Staat opklommen, en die in hunne verheffing even deugdzaam en christelijk bleven, als zij te voren waren.â Zulk een voorbeeld wil ik u dezen avond eens voor oogen stellen.â quot;Waar zullen wij dat gaan zoeken ?â In eene plaats onzer provincie, in het voormalig stadje Weert. â Gij staat verwonderd dat ik Weert een stadje noem. Ja,â want men zegt dat Weert vroeger 22.000 inwoners inwoners telde,â thans telt men binnen de kom der gemeente ongeveer 3000 zielen.â Tot de merkwaardigheden der plaats behoort vooral de parochiekerk, een groot en sterk gebouw, in eenvoudig gothischen stijl met negen altaren voorzien, onder welke dat van de Allerh. Drievuldigheid een meesterstuk is.â Zij is toegewijd aan den H. Martinus en werd gebouwd in het jaar 1500, zooals blijkt uit een opschrift dat men in zeer oude letters
â 318 -
aan de rechterzijde der kerk, aan den buitenkant op eenen steen gegrift vindt. In het koor ligt begraven Filips van Montmorency, Graaf van Horne, Heer van Weert, die den 5 Juni 1568, op last van den hertog van Alva, te Brussel onthoofd werd, â en wiens stoffelijk overschot herwaarts overgebracht, ö.en 23 Juni daar in het koor begraven werd.â Willem I verrijkte dat graf den 9 Juli 1841, met een prachtigen gedenksteen van zwart marmer, waarin de wapenen van den graaf van Horne, benevens andere sieraden, met de meeste juistheid in wit marmer zijn ingelegd.â In het midden van den steen bevindt zich het grafopschrift van den graaf in koperen letters. Als men nu het koor verlaat aan den epistelkant, komt men onder in de kerk aan de doopkapel, waarin zich eene heerlijk schoone doopvont bevindt, die een opschrift draagt, en waarop ik vooral uwe aandacht wil vestigen.â Uit dat opschrift leeren wij kennen den naam van den schenker, en tevens van den man, over wien ik u een en ander wil zeggen.â Het opschrift luidt als volgt: âGeschenk van den doorluchtigen Heer Johan Baron van der Croon, Heer van Sahorza en Tashof, ridder van H. Graf van onzen Verlosser, Raadsheer van Zijne Majesteit den Roomschen keizer, dapper veldheer, overste der lijfwacht, opperbevelhebber der infanterie, commandant der drie Praagsche steden en ondercommandant van het leger in Bohe me alsmede van zijne gemalin Margaretha Blantina, barones van der Croon, enz. uit het geslacht van Birnbrachsen, 1662,quot; Iedereen ziet dat genoemde persoon, een voornaam aanzienlijk man en tevens goed christen was. Ja, maar luistert eens van welke geri.ige afkomsf hij voortsproot. Jan van der Croon werd geboren in het jaar 1694 te Weert, uit nederige, ja
â 319 â
behoeftige ouders, â zijn vader namelijk was een eenvoudig sohoenmaker, die hard moest werken om voor zich en de zijnen den kost te verdienen. De overlevering wil, dat de familie van der Croon te Weert zou gewoond hebben, in een huisje op het zoogenaamde : âMorgat,quot;â dicht bij het klooster der zusters Recolloetinnen, bij de voormalige Beekpoort. Jan volgde, gelijk dat gewoonlijk het geval is, den stijl, het beroep van zijn vader. Hij wilde ook schoenmaker worden en ging in de leer bij een schoenmakersbaas te Weert.â De archieven van het opgeheven Recollectinnenklooster melden dat hij de schoenen of patijnen der zusters maakte, en dagelijks met tal van andere behoeftige menschen zijne portie eten kwam halen aan het klooster.â Het was een knaap van een vlug verstand en helder begrip, hij was vriendelijk en beleefd in den omgang met anderen, zoodat een ieder gaarne met hem te doen had.â Jan kreeg na eenigen tijd als gezel gewerkt te hebben geschil met zijnen baas ; de aanleiding daartoe kent men niet; sommigen zeggen, hij zou zelfs door zijnen baas geslagen zijn geworden.â In alle geval hij zeide het schoenmakersvak vaarwel, â en wilde gaan beproeven om op eene andere wijze in de wereld fortuin te maken. En welk beroep koos hij zich nu uit ?â Hij deed juist als zoo menig jongeling van onzen tijd, die na alles beproefd te hebben en nergens in geslaagd te zijn, ten laatste soldaat wordt.â Jan trad alzoo in dienst, vertrok naar Duitschland en werd oppasser bij eenen overste van het volk, â misschien wel bij den beroemden veldheer Piccolo mini.â Op de volgende wijze wist hij zich de genegenheid en het vertrouwen van zijnen overste te winnen.â Eens zat zijn heer zwaarmoedig en in diepe
â 320 â
gepeinzen verzonken aan zijne schrijftafel, â en Jan in het vooruitzicht van hem te troosten en op te beuren naderde hem, â Jan verstoutte zich zelfs naar de reden zijner bedruktheid te vragen. âAch ! was het antwoord van den overste, â gij kunt mij toch niet helpen, daarenboven dat zijn zaken waar gij niets van verstaat.quot;â Mijnheer 1 gaf Jan aanstonds ten antwoord, ik ken geen wonde, of er is zalf aan te strijken, â en twee man kunnen meer dan één; ik zou wel eens willen weten wat u deert. Nu verhaalde do overste aan zijnen oppasser den neteligen toestand waarin hij zich bevond ; van alle zijden omringd door den vijand, en ieder oogenblik in gevaar overrompeld en geslagen te worden.â Jan bedacht zich een oogenblik en stelde toen zijnen overste een plan van redding voor, wat deze zeer aannemelijk vond.â De overste legde het plan van zijnen oppasser als door hem zelf bedacht aan den krijgsraad voor, â het werd met algemeene stemmen aangenomen en tevens met den besten uitslag bekroond.â Zulke zaken hadden in het vervolg nog meermalen plaats en de overste maakte nu openlik bekend, dat het zijn geestige en schrandere oppasser was, die hem en de zijnen, door zijnen goeden raad en weldoordachte plannen, zoo dikwijls uit den nood gered had.â Jan werd bevorderd tot korporaal en gaf steeds meer en meer blijken van geest en bekwaamheid.â Zijne oversten schepten oneindig veel behagen in den jongen soldaat, â en wisten diens verdiensten naar waarde te schatten. Zoo klom Jan van den laagsten tot den hoogsten trap des legers op, tot dien van Opperbevelhebber van de infanterie, commandant der keizerlijke garde, enz.â Hij werd verheven in den adelstand, namelijk tot baron van het H. Roomsche Rijk, en benoemd tot landvoogd
â 321 â
van Boheme. Hij huwde met de prinses Margaretha Blantina van Birnbrachsen en steeg tot het hoogste aanzien en vermogen.â De schoenmaker was niet hij zijn leest gebleven ; maar tot zijn eer zii gezegd : Hij was christen, ijverig christen gebleven,â en ondanks zijne verheffing, nederig en erkentelijk.â Uit genegenheid tot zijne geboorteplaats schonk hij aan de keik van Weert, die heerlijke doopvont die thans nog de bewondering wekt van den bezoeker. Uit erkentelijkheid jegens de zusters van Weert, voor wie hij in zijne jeugd gewerkt, en van wie hij dagelijks zijne portie eten ontvangen had, vermaakte hij aan het klooster 8000 gulden en schonk daarenboven nog 3000 gulden aan de armen van Weert. In 1G67 reisde eene deputatie van drie Weertenaren naar Praag, om genoemde legaten te gaan halen. Voor de gemalin van wijlen Van der Croon verschijnende vroeg deze hen in het Duitsc!i: âWas war mein Mannineuerem Lande ?quot; Ein groszer Herr, Madame,â was het antwoord. Dat antwoord beviel aan de prinses, zij werden goed ontvangen en het geld werd hun tot den laatsten penning uitbetaald. Hadden zij geantwoord; Uw man. Mevrouw, was een arme schoenlapper, dan zou zij misschien daarover beleedigd zijn geweest, en de Heeren hadden wellicht onafgedaner zake moeten vertrekken. M. B., mochten de omstandigheden ook u begunstigen, neemt dan een voorbeeld aan Jan van der Croon, die van schoenmaker gouverneur van Boheme werd.â Wordt iemand van knecht meester, van pachter eigenaar, van arm rijk; hij blijve nederig van geest, geloovig en godsdienstig; want in eer en verheffing daarin is alleen de ware grootheid niet gelegen ; maar in verheffing gepaard aan deugd.â Dit laatste maakt ons groot bij God en de menschen. Amen-
21
XLIV.
De Werkman moet deugdzaam leven.â
De Zaligmaker vermaant ons in het Evangelie dat-wij altoos bereid, gereed moeten zijn om te sterven, want voegt hij er hij ; âop een uur waarop gij het minst er aan denkt, zal de Zoon des menschen komenquot;. Die vermaning is gericht tot ieder menseli zonder onderscheid; maar meer dan ieder ander mag een arbeider, een handwerksman, een landbouwer zich die waarschuwing ter harte nemen, dewijl zijn leven aan zooveel toevallen en gevaren blootstaat. Treden wij eens wat nader in het leven van den handwerksman en landbouwer. Gaat eens eene stoom- b. v. eene katoenfabriek binnen. Mannen en vrouwen bewegen zich daar onbezorgd en soms roekeloos tus-schen het raderwerk der machine,â kinderen kruipen al spelende onder de spinmolens door , â en toch een riem, de tand van een rad behoeft slechts hun kiel, hun voorschoot, hun mouw te grijpen, â en ze worden onverbiddelijk meegevoerd, rondgesleurd en doorgaans afgrijselijk verminkt en gemalen. Dergelijke voorvallen behooren tot de geschiedenis van den dag.â Treedt eens eene glasblazerij binnen. Daar staat
â 323 â
een jongeling, nauwelijks 28 jaar oud, maar die er vijftig uitziet, â naakt tot aan de lendenen den ganschen dag voor den gloeienden vuuroven.â Hij grijpt met de glasblazerspijp een klompje vuur uit het gloeiend fornuis, hij blaast, blaast met geweld, uit al zijne krachten, â het vuurbolletje vergroot zich, â het glas rekt gestadig onder het geweldig blazen van den werkman; maar ook in eiken cilinder glas laat hij een stuk zijner longen, een deel van zijnen adem, een deel van zijn leven achter.â Hij is afgebeuld en uitgemergeld, â en toch sedert vier jaar eerst oefent hij zijn beroep uit. En hoelang zal hij nog kunnen voortwerken ? Nog vier of vijf jaar, â en dan ? â O dan zal de dood die nu reeds op hem loert, hem vastgrijpen en hem verbrijzelen evenals een stuk glas dat hij thans bewerkt. â Hij moge dan ook al des zondags zich zoeken te verkoelen met brandewijn en jenever, het is vruchteloos ; de drank in plaats van zijne dagen te verlengen, bespoedigt nog zijnen dood. Verplaatst u in eene vitriool- in eene verffabriek, en ziet hoe de werkman aldaar voordurend zich beweegt in eenen vergiftigen dampkring en in plaats van frische levenslucht gestadig den dood inademt. Gaat als gij verkiest in eene fabriek waar buskruit of vuurwerk vervaardigd wordt, en ziet hoe mannen, vrouwen en kinderen daar onophoudelijk met hun leven spelen; â de minste onoplettendheid, de kleinste onvoorzichtigheid ia genoeg, om de gansche fabriek in de lucht te doen springen. Ziet eens aan hoevele gevaren de conducteurs en andere beambten der spoorwegen dagelijks zijn blootgesteld; de conducteur zij maar een oogen-blik verstrooid, hij doe maar eenen misstap, hij glij-de uit in den winter op de gladde en glibberige loop-
â 324 â
plank en hij wordt door den trein verpletterd, zonder dat iemand dikwijls het nog heeft bemerkt. Ziet verder eens die leidekkers, metselaars en timmerlieden, die op daken en kerktorens werken. Zij lachen en praten, zingen en vloeken, onbewust van het gevaar hunner positie. Zij loopen op hunne stellages even gerust als wij op den vasten grond,â en toch er behoeft zich slechts eene plank te bewegen en om te wippen of eene koord te breken, â en de ongelukki-gen storten zieltogend op den grond. Hoeveel slachtoffers maakt niet alle dagen het grauw vuur in de mijnen ? Hoeveel de stormwind op zee ? Hoeveel de vroegtijdige en zware arbeid ? Hoeveel de armoede en het gebrek? Men mag gerust zoggen dat de am-bachts- en beroepslieden aannhoudend de hand geven aan den dood. Maar ook de landbouwer, verkeert ook hij niet dikwijls in levensgevaar ? Hoevelen komen er om door den slag van een paard, onder het rad van een wagen, door den val van eene hoogte! Tengevolge van uwen arbeid staat gij bloot aan weer en wind, aan koude en hitte., waardoor zoo menigeen plotselijk ongesteld wordt en schielijk sterft. M. B. mag Sod dan niet bijzonder den werkman meer dan ieder ander de waarschuwing toevoegen: âweestbereid; want op een uur waarop gij er het minst aan denkt, zal de Zoon des menschen komenquot; (Matth. XXIV. 44.) Daaruit volgt voor een ieder uwer een gewichtige les, namelijk deze: Zorgt dat gij altoos in staat van genade leeft. Wia in staat van genade leeft, behoeft niet bang te wezen,â wat hem ook overkome, hij draagt immers zijn paspoort bij zich, hij heeft den sleutel in den zak van den hemel. Wie integendeel in zonde leeft, kome tot nadenken en zegge : ik draag bij mij mijn vonnis voor de hel. â Hoe gevaarlijk is die toe-
â 325 -
stand ; maar ook hoe verdiensteloos is zijn leven. i)e Jagen en uren die men lioorbrengt in zonde zijn dagen van verlet, verloren uren, waarop men niets wint voor den hemel. â Een werkman die een of twee dagen per week het werk verlet, ontvangt korting van zijn weekloon van den meester. â Zoo is het ook bij God. Grod zal eenmaal van ons eeuwig loon afkorten al die uren en dagen, maanden en jaren, die men buiten zijne genade heeft doorgebracht. â Mahomet II sultan van Turkije, was een der beroemdste veldheeren van zijnen tijd; meermalen had hij Europa voor zijnen degen doen sidderen, doch zijne dapperheid en zijn moed werden ontsierd door eene on-hoorde wreedheid. Hij spaarde niemand, zelfs niet zijn eigen kroost. Getuige hiervan hot volgend feit door de geschiedschrijvers geboekt. De keizer had zich eene zekere uitgebreidheid land voorbehouden, waarop niemand dan hij alleen mocht jagen. âDen dood zal hij sterven, die den voet durft zetten op mijn jachtgebied,quot; â had de keizer gezegd.â \'s Keizers zonen meenende dat huns vaders verbod hen niet trof, maakten geen zwarigheid het te overtreden. Maar helaas! die overtreding kwam Mahomet ter oore. In razernij en woede ontstoken, doet hij zijne twee zonen onmiddelijk, in de gevangenis werpen en veroordeelde beiden ter dood. Niemand durfde ten voordeele der twee ongelukkige prinsen spreken; alle hovelingen waren bedroefd en treurig, doch stom. Eindelijk waagden het eenige hooggeplaatste personen voor de twee prinsen ten beste te spreken. Het mocht niet baten,â âzij hebben mijn gebod overtreden, luidde het antwoord,dat zij sterven.quot;âNu stelde men den keizer voor, dat hij door de doodsstraf op zijne zonen te doen voltrekken, zijn rijk van een opvolger beroofde en dat dit tot groote vreugde zou
- 326 -
strekken der christen vorsten van Europa. Welnu 1 antwoordt Mahomet, om wille van de troonopvolging zal ik aan een van beiden het leven sparen,â de andere evenwel zal sterven. Op staanden voet liet hij in eene der zalen van het paleis drie tafels plaatsen,â op de eerste lag een kostbaar tapijt en daarop werd de keizerlijke kroon geplaatst met den sohepter,â op de tweede tafel legde men een zwart laken en daarop een ontzaggelijk groot slagzwaard,â en op de derde tafel die zich recht voor zijnen troon bevond lagen een paar dobbelsteenen. Nu nam Mahomet plaats op zijnen troon, door al zijne hovelingen omgeven en doet zijne beide zonen voor zich brengen. Met een ijzingwekkend gelaat sprak hij hun aldus toe: âDoor de overtreding van mijn gebod, heb gij u des doods plichtig gemaakt; doch opdat na mijn dood het rijk niet van een troonopvolger verstoken zij, zal ik aan een van beiden het leven sparen,â hij zal na mij de kroon van Turkije dragen, doch de andere zal aanstonds tot voorbeeld van allen met dit zwaard onthoofd worden.â Neemt die dobbelsteenen en werpt het lot, om te zien voor wien van u beiden de kroon met den schepter,â en voor wien het zwaard bestemd is.quot;â Vreeselijk oogenblik waarin die twee jongelingen zich bevonden;â hun dood of leven hangen af van het lot. Nu M. B., ook ons lot bier op aarde heeft veel overeenkomst met dat der zonen van Mahomet. Wij staan ook voor eene kroon en voor een zwaard, voor de kroon des hemels, en voor het zwaard der hel.â Voor ons, evenals voor die beide prinsen, staat een troon, de troon der gerechtigheid, de rechterstoel van God, en voor dien rechterstoel eene tafel, en daarop niet een teerling maar twee open briefjes; op het een staat hemel en
â 327 â
op het andere hel. Wij hebben te kiezen. Laat ons zorgen eene goede keus te doen. En deswege laat ons trachten altijd te leven in de genade van God, want dan zijn wij altoos bereid, wat óns overkome ot\' niet.â In staat van genade te leven is reeds veel, maar het is nog niet genoeg. Wie zich daarmede tevreden stelt zou gelijk wezen aan een arbeider, die niets verdient, maar ook niets verliest.â Nu, daarmede zoudt gij niet tevreden zijn ; het is immers niet genoeg niet te verliezen, men moet ook winnen. Nu, wij moeten allen den hemel verdienen, doch op verschillende wijzen. Gij moet den hemel verdienen hoofdzakelijk door dc heiliging van uwen handarbeid. De arbeid alléén is voor u reeds een uitstekend behoedmiddel tegen de zonde. Wie degelijk en vlijtig werkt, zal niet licht in zonde vallen.â Zoolang Samson zich bezig hield met do Philistijnen te bestrijden, behield hij zijne kracht en zijnen luister, maar nauwelijks liet hij zich bepraten door eene vrouw en staakt hij den strijd, of hij verliest sterkte, deugd en luister. Wat was de oorzaak van Davids val? De ledigheid.â-Is hij aan het hoofd van zijn leger, dan is hij zuiver en rechtvaardig,â maar ledig in zijn paleis, dan wordt hij overspeler en moordenaar. Terwijl Salomon zich bezig hield met den bouw van den tempel was tij de deugdzaamste der koningen, â nauwelijks geeft hij zich over aan ledigheid of hij wordt een wellusteling en afgodendienaar. â Arbeid dus behoedt den mensch voor de gevaren der ledigheid ; dat is voor den val in de zonde. Een jeudig kluizenaar bracht dikwijls zijn tijd door in ledigheid, en werd dan zooals de ondervinding leert, veel gekweld door oneerbare gedachten. Hij ging tot zijnen overste en zeide : âVader heb medelijden met mij, want ik word vreeselijk door
â 328 -
den duivel bekoord!quot;â Ik zal daarin voorzien, mijn broeder, zeide de overste en hij overlaadde hem mot zooveel bezigheden, dat hij nauwelijks den tijd had om adem te scheppen. Later vroeg hem zijn overste of hij nog veel bekoord werd. Helaas ! zeide de jongeling, ik heb zelfs den tijd niet om adem te halen.â Vlijtig arbeiden heeft dus zijne voordeelen, doch een christelijk arbeider moet het daaibij niet laten, hij moet nog zijn arbeid trachten te heiligen door het maken der goede meening.â Dit maken de regels en verordeningen onzer Broederschap den leden tot plicht. Art. 16 zegt: âzij moeten iederen morgen de werken van den dag aan Jesus, Maria, Joseph opofferen,â en die opoffering van tijd tot tijd door den dag hernieuwen.quot; \'t Is de goede meening die waarde geeft aan het werk en niet de meerdere of mindere voortreffelijkheid van het werk zelf. Jesus Christus bevond zich op zekeren dag aan den ingang des tempels bij den offerblok, waarin iedereen zijne gift kwam storten tot onderhoud van den tempel. Velen wierpen er goud en zilver in. Maar er kwam ook eene arme weduwe, die er slechts twee penningen inwierp,â voorzeker eene kleine, eene onbeduidende gift. Maar zij stortte haar offer met eene goede, met eene heilige meening.â Jesvs had haar gezien. En zich tot zijne discipelen koerende, zeide Hij : âDat offer dier arme weduwe heeft eene grootere waarde bij God, dan alle giften die tot dusverre in de offerbus gestort zijn.quot;â Stelt eens een landbouwer die een gansch jaar lang vlijtig gewerkt heeft; hij heeft zijn land bebouwd in het zweet zijns aanschijns, hij heeft het met veel moeite bemest, beploegd en bezaaid. Maar ziet in plaats van goede tarwe te bezigen in den zaaitijd, heeft hij kaf gebruikt. De oogsttijd zal voor hem
â 329 â
een treurige tijd zijn. Terwijl anderen zich in eenen rijken oogst zullen verheugen, zal hij met ledige handen staan. Zoo zal het ook met velen gaan voor den rechterstoel Grods, zij zullen veel gewerkt hebben voor den tijd, maar weinig hebben verdiend voor hunne ziel, omdat zij niet met eene zuivere meening, ter eere Gods gewerkt hebben. Welaan M. B ! doet met deze wenken uw voordeel; werkt altijd in staat van genade en ter eere Gods, dan kunt gij onbezorgd de toekomst te gemoet gaan; want wie deugdzaam leeft is altijd bereid, op welk uur de Zoon des menschen ook kome. Amen.â
XLV.
Werkstakingen.â
Dikwijls hoort men in onze dagen de Revolutie vergelijken bij den grooten draak met zeven koppen, waarvan do H. Joannes spreekt in het boek der Openbaringenâ. En waarlijk als men ziet hoe de revolutiegeest den raensoh, het huisgezin, den Staat aan randt, â boe hij geloof en zeden uit de harten verbant, â hoe hij alle macht zoowel goddelijke als mensohelijke miskent en omverwerpt,â alle stelsels en beginselen voorstaat, dan mag men vrij de revolutie vergelijken met een monster, met een draak. De revolutie toont zich in onze dagen onder allerlei vormen.â Openlijke revolutie tegen het burgerlijk en staatsgezag,â socialisme of opstand tegen het kapitaal en het geld,â Internationale of opstand tegen het eigendom ten behoeve van de arbeidende en werkende klas,â verzet tegen patronen en meesters door mid del van werkstakingen enz. Nu, over de werkstakingen in onzen tijd wil ik u eens spreken, niet zoozeer alsof voor den werkman hier te lande daarvoor gevaarbestond, maar omdat men tegenwoordig van hier uit veel gaat werken naar België, waar werkstakingen aan de orde van den dag zijn. Verbeeldt u eene kolenmijn, eene ijzergieterij, eene of andere fabriek waar honderden arbeiders werken. Geruimen tijd gaat het werk goed ; maar onder die arbeiders zijn er eenigen die toegetreden zijn tot den revolutionnairen werkmansbond ;
â 331 -
deze strooien onder de anderen het zaad der misnoegdheid, der ontevredenheid uit,â en zoodra de gemoederen genoegzaam voorbereid zijn, wordt het wachtwoord gegeven ; âVerhooging van loon of\' staking van het werk.quot;â s\' Anderendaags zijn allen op hun post, en den patroon ol den opzichter wordt de eisch gesteld.â Hij weigert en niemand slaat een hand aan het werk; â tierende en schreeuwende gaan allen uiteen om eenige dagen in brasaerijen en ongebondenheid door te brengen, totdat zij ten laatste door nood gedwongen of ten gevolge van eene schikking met den patroon, den arbeid hervatten. Ziedaar wat men dagelijks ziet in België, Frankrijk, Engeland en Amerika. En welke zijn doorgaans de oorzaken dier werkstakingen ? De oorzaak ligt gemeenlijk niet daar waar zij gezocht wordt. Men wil ze zoeken in deze of dergelijke klachten : âDe arbeider wint te weinig,â het leven is te duur,â de patroon zuigt ons uit, mest zich met ons zweet,â het kapitaal zet ons het mes op de keel, enz.â Die klachten duiden enkel de gelegenheid niet de oorzaak der werkstakingen aan. De oorzaak moet dieper gezocht worden. Zij ligt: In de verzwakking en het verval van den godsdienstigen geest onder de arbeidende klas.â In groote fabrieksteden vindt men ze bij honderden de werklieden) die van God en Godsdienst niet het minste begrip meer hebben, zij leven als heidenen of\' liever als dieren. De werkman verliest tegenwoordig meer en meer het geloof door het slecht voorbeeld der rijken, die leven alsof er noch God noch gebod bestond; door den omgang en het verkeer met ongodsdienstige makkers en kameraden ; door de tirannie van patronen en meesterknechts, die hunne onderhoorigen in de onmogelijkheid stellen des zondags hunne godsdienstige plichten te vervullen. Eindelijk door de verspreiding van
â 332 -
slechte boeken en dagbladen onder de arbeidende klas, Dit wordt vooral in praktijk gebracht in België en Frankrijk. Nu, een arbeider zonder godsdienst is een dwaas, als hij niet zoekt zijnen stoffelijken toestand hier op aarde te verbeteren. Inderdaad is het niet dwaas voor een werkman zonder godsdienst, die niet gelooft aan een toekomstig leven,âzich van den morgen tot den avond af te beulen, te zwoegen en te werken, en dan op slot van rekening zich tevreden te moeten stellen met eene ellendige hut of een donkeren kelder tot woning, een stuk roggebrood tot voedsel, een stuk grof doek tot kleeding, een stroozak tot legerstede ?â en hij zou goedschiks kunnen zien dat de rijken ten koste van zijn zweet prachtige paleizen bewonen, uitgezochte spijzen op hunne tafels, vele dienstboden in huis en groote schatten in hunne koffers hebben ? Alles voor de rijken en niets voor hem ! Een werkman zonder geloof die daarmede vrede zou hebben, zou een groote dwaas, een dom mensch wezen. Neen, ware ik een arbeider zonder geloof, ik bleef geene minuut arm, ik zou wel zorgen koste wat het koste, mijnen stoffelijken toestand te verbeteren. Ik zou mij niet bepalen met het maken van wat straatrumoer, noch mij vergenoegen met wat ruiten in te werpen bij Capucijnen en Jesuïeten,â neen daarmede is weinig gewonnen. Ik zou het breekijzer in de hand nemen niet om kloosterdeuren open te breken waar weinig te vinden is,â maar ik zou de sloten der brandkasten doen springen en de napoleons der rijken doen dansen. Ziedaar, M. B., hoe een werkman redeneert die geen geloof, geen godsdienst heeft. En die redeneering, van zijn standpunt beschouwd is juist en logisch. De werkstakingen nu waarvan wij digelijks in de dagbladen hooren gewagen, zijn de natuurlijke gevolgen van de aangehaalde theorie. In den regel
- 333 â
mag mon zeggen is niets goeds daarvan te verwachten noch voor den arbeider, noch voor den patroon.â Niet voor den arbeider. â Zij ontsteken zijne driften, verhoogen zijne eisohen, en maken doorgaans alle overeenstemming tusschen hem en zijn patroon onmogelijk. Hij moet leven van de verdienste van zijn werk. Staakt hij nu het werk, dan stelt hij zich bloot aan gebrek en ellende. De opruiers deelen wel een stuiver aan hunne medeplichtigen uit, maar dat is minder dan een dagloon ; het strekt om den arbeider op te hitsen maar is niet in staat hem te helpen. Werkstakingen verder ontaarden soms in strijdperken, waar gestreden en gevochten wordt,â en niet zelden de een of ander het met den dood moet bekoopen. Door den nood gedwongen hervat ten laatste de arbeider het werk. Doch wat heeft hij niet verloren gedurende al den tijd dat hij niet gewerkt heeft. Hij mo .t eerst beginnen met zijne verliezen te herstellen en zijne schulden te betalen.â Misschien moet hij zijn dwazen stap maanden lang uitzweeten En zal hij nu meer winnen ? Neen, hij heeft enkel met schade en schande geleerd dat werkstaking en oproer het middel niet is om vooruit te komen in de wereld. Lodewijk Dummer een rijk Duitsch grondeigenaar had drie zonen. Lodewijk, Fritz en Norbert.â Zij werden schatrijk na den dood van hun vader, die aan elk meer dan een millioen achterliet.â De oudste, Lodewijk bestuurde zijne goederen met wijsheid en verstand, hij was matig, werkzaam en godsdienstig. Hij huwde daarenboven eene schatrijke vrouw, zoodat zijn fortuin meer dan verdubbelde. Fritz was het tegendeel van zijn broeder, hij was lui, slordig en nalatig, hield van den drank en van het spel en was verzot op plezieren en uitspanningen. Na verloop van korten tijd had hij zijn ontzaggelijk vermogen verbrast. Hij was arm gewor-
â 334 -
den.â In zijne jeugd had hij de studie verwaarloosd, hij was maar half geleerd en zoekt te vergeefs naar een post te Berlijn, waar hij woonde. Tot den uitersten nood gebracht neemt hij een voetbankje, een borstel en smeer,âen plaatst zich in een hoek van eene der voornaamste straten der stad. Hij is schoenpoetser geworden.â De derde zoon, Norbertus omhelsde den geestelijken stand en werd een voorbeeldig priester. Hij besteedde zijn fortuin tot liefdadige doeleinden en aan goede werken,âen vergat tevens zijnen ongeluk-kigen broeder niet. Deze was inmiddels in de school van tegenspoed wijzer geworden, had Berlijn verlaten en was naar den Elzas vertrokken.â Hij werd werkzaam en oppassend en wist het vertrouwen te winnen van een rijk koopman, die hem in zijne zaak opnam. Ten laatste kreeg hij de hand zijner eenige dochter, en na den dood van zijn schoonvader erfde hij diens zaak en fortuin. De gewezen schoenpoetser is thans weer millionnair geworden.â M. B., w eest niet verwonderd dat er ten hui-digen dage vooral in de steden zooveel gebrek en ellende heerscht onder de arbeidende klas. De meesten laten zich misleiden en bedriegen door verkeerde beginselen, ijdele beloften en denkbeeldige vooruitzichten, die hun door valsche volksvrienden worden voorgehouden.â Weest tevreden met het weinige wat gij hebt,â en tracht het door arbeid en orde, door deugd en spaarzaamheid te verdubbelen, gestadig te vermeerderen. Gave God dat de arbeidende klas wat godsdienstiger en gelooviger ware, minder hebzuchtig en begeerig, meer tevreden en gelaten met zijn lot,â en het zou er in de wereld vrij wat rustiger en gezelliger toegaan. Doch helaas ! die toekomst ligt nog niet in het verschiet; meer en meer verbreidt zich het pauperisme of de staat van armoede, meer en meer kwijnt handel en nijverheid, meer en meer versterkt
- 335 â
zich de geest der revolutie en verdwijnt de eerbied voor het gezag;â en bemerkt wel M. B., bij alle voorvallen en gebeurtenissen staat de arbeidende klas in het voorste gelid.â Van 11 Mei 1878 tot 1 Dec. 1879, telde men 6 moordaanslagen op het leven van vorsten.â Hoedel en Nobiling randden den Duitschen keizer aan.â Moncasi den koning van Spanje,â Passanante den koning van Italië. Tweemaal muntte men het op het leven van den keizer van Rusland.â Koningen en keizers zullen weldra de jaren hunner regeering kunnen berekenen, naar het aantal moordaanslagen op hen gepleegd. Alexander II telde er vijf. Napoleon III zeven, de keizer van Duitschland telt er reeds vijf. En bijna al die aanslagen worden gepleegd door mannen des volks. En die schandelijke manifestatiën waarvan Brussel inden laatsten tijd het tooneel is geweest, door wie werden zij uitgevoerd ? Door werklieden die men door drank en geld had omgekocht. Hoe meer dus de arbeider bewerkten opgehitst wordt, des te weliger zal de revolutie in de wereld tieren; ja in sommige landen is men reeds zoo ver gevorderd, dat noch politie, rechtbank boete noch straf;â maar alleen het ruw geweld, soldaten met bajonetten en geweren bij machte zijn den stroom der revolutie te weren. De Kerk alleen beseft het gevaar en doet al wat zij kan om den arbeidenden stand op te beuren en te beveiligen. Te dieneinde heeft zij tal van Congregatiën opgericht ten behoeve van den werkenden stand ; zoo b. v. op de eerste plaats de Broederschap der H. Familie, die thans bijna over de gansche wereld verspreid is en onnoemelijk veel goeds sticht. Verder de zoogenaamde âGeselle-Vereine,quot;â of Patronages sedert een 30tal jaren opgericht, ten behoeve van jonge weikgasten en meisjes. Verder de Aartsbroederschap van den H. Franciscus Xaverius opgericht
â 336 â
in 1853 te Brussel door den E. P. Jesuit van Caloen, onder medewerking van een slotenmaker, van Lan-deghem genaamd. Dit Genootschap stelt zish ten doel ijverig te werken aan de bekeering der zondaren, onder de werkende klas. Enkel huisvaders en jongelingen maken deel uit van die vereeniging. Gij ziet,â daar zijn middelen genoeg in de wereld om d\'en werkman in de gelegenheid te stellen een godsdienstig en deugdzaam leven te leiden. M. B., leden der H. Familie wilt ook gij aan uwe roeping beantwoorden, dan moet gij u niet tevreden stellen enkel en alleen aan uwe eigen heiliging te arbeiden; maar ook volgens den geest onzer Broederschap, het goed in anderen zoeken te bevorderen. Dit kunt gij op verschillende manieren, b. v. door onze Broederschap meer en meer aan anderen te doen kennen, nieuwe leden aan te werven en medeleden die verslapt zijn tot ijver aan te wakkeren.â Met alle gelegenheden die zich aanbieden te baat te nemen, om een goed woord te zeggen en de deugd beminnelijk te maken in het oog van hen die ons omringen. Bij alle gelegenheden de zonde in onze aanwezigheid te beletten, vooral bij onderhoorigen. Een vader is missionaris in zijn huis, hij oefent gezag uit over vrouw, kinderen en dienstboden,â een meester bewaakt zijn volk, een meesterknecht zijne werklieden die onder hem dknen, enz.â Kortom gij vindt gelegenheden genoeg om uwen ijver aan den dag te leggen. M. B., uw aller leus moet W3zen ; âEigenheiliging en Heiliging van anderen.quot; Zoo beseft een man, een jongeling zijne verplichtingen als lid der H. Familie, hij verschaft zich schatten van verdiensten voor den hemel; want alwie arbeidt aan de zaligheid der zielen, zegt de H. Augustinus verzekert zich de zaligheid zijner eigene ziel.â
XLVI.
Rust na den Arbeid.
Zoet is het te mogen rusten, M. B., na eene week, ja zelfs na een dag gezwoegd en gewerkt te hebben. Dat gevoelt iedereen, â rusten na den arbeid, is eene noodzakelijke, eene ware behoefte den mensoh van natuur aangeboren, â ja zoo noodzakelijk dat arbeid zonder rust niet bestaanbaar, niet denkbaar is. Hoe zwaarder en harder de arbeid is, des te zoeter en genotvoller zal ook de rust wezen. Die aardsche en kortstondige rust, hoe zoet ook in haar zelve is euhter nog niets in vergelijking van die eeuwige en onverstoorbare rust, die naar ik hoop, ons aller aandeel zal wezen in het ander leven. Naar die rust smachtte de H. Paulus, toen hij uitriep: âDesiderium habens dmólvi et esse cum Christo.quot; (Phil. I. 23.) En hoe liomt het nu dat wij zoo weinig, zoo flauw naar die he-melsche rust verlangen ? Dat komt omdat wij geen duidelijk begrip genoeg hebben van de onuitsprekelijke zoetheid dier rust, â en meenen dat zij al te moeilijk te bereiken is.â Ten einde die verkeerde opvatting te verbeteren, ga ik u een flauw denkbeeld geven van den Hemel, â en u aantoonen dat het zoo moeilijk niet is den hemel te bereiken.â
Volgens de H. Schrift is de hemel vooreerst: eene allerzoetste rust na een leven van smart en lijden. âBeati mortui, qui in Domino moriuntur; â amodo jam dicit Spiritus ut requiescant a lahoribus suis.quot;â (Apoc. XIV. 13.) Daar rust men uit van allen strijd, vermoeinissen en inspanningen dezes levens, â daar is
â 338 â
geen droefheid, geen geween, geen kommer meer, geen zorg meer voor liet dagelijksch onderhoud, geen dienstbaarheid, geen armoede, geen gebrek meer. âPrima abiamp;runtyâ¢â (Ibid. XXI. 4.) Dat alles is voorbij, voor immer voorbij.â Daar wacht u verder ⢠eene luisterrijke zegepraal na zooveel kamp en strijd. Geene aardsohe glorie kan in vergelijking treden met de glorie die ons bereid is in den hemel.â Vereenigt als gij wilt op één hoofd alle eer en glorie die ooit op aarde is toegekend, vereenigt op één hoofd allen lof en onderscheiding die ooit aan deugd en wetenschap, aan dapperheid en moed is toegevoegd; en gij hebt nog geen schaduwbeeld van de glorie die den minsten Heilige wacht in den hemel.â Onze glorie in den hemel zal een weerschijn wezen van Gods majesteit. Hij zal ons plaatsen, zoo verklaart Hij zelf, op zijnen troon; âQui meerit, dabo ei sedere in throno meo.quot; â
(Ibid. III. 21.) Onbegrijpelijk groot is de belooning die u wacht in den hemel. \\^ilt gij een flauw denkbeeld hebben van dat hemelsch loon ? ⢠Werpt dan eens een blik op de schoonheid en pracht der aarde. God heeft haar met al haren glans en luister in handen gesteld der goddeloozen: âTerra data est in manus impii.quot;â [2 Par. IX. 24.) Wat zal Hij dan geven aan de rechtvaardigen die hem steeds bemind en gediend hebben ?â Brengt u verder eens voor den geest al wat Jesus Christus heeft moeten doen en lijden om ons die belooning te verdienen, en gij kimt u eenigermate een denkbeeld vormen van het loon dat God bereid heeft voor hen die Hem beminnen.â Waarin zal dan die belooning bestaan? Dit alleen weten wij, dat zij de prijs zal wezen van het Bloed van een God, dat zij een meesterstuk zal zijn van Gods almacht en goedheid,â âEgo ero merces vestra magna nimis; Ik zal, zegt God, uw overgroot loon wezen.quot;â (Gen.
â 339 â
XV. 1.) In den hemel zullen wij God aanschouwen, beminnen, bezitten.â In den hemel zullen wij deelt n in het geluk van God.â âIntra m gaudium Domini tui.quot;â (Matth, XXV. 21.) In den hemel zullen wij deelgenoot worden der goddelijke natuur. âDivinae consortes naturae.quot;â (\'2 Petr. I. 4.) Begrijpt dus wie God is, en gij zult tevens begrijpen de belooaing die voor u bereid is in den hemel. Dat kunt gij niet; doch weest hiervan zeker, dat zij al uwe wensehen en verlangens verre zal overtreffen.â Ik voeg ernog bij, dat het niet moeilijk is den hemel te bereiken.â Indien wij om den hemel te verdienen gelijk sommige Heiligen, ons zware offers moesten getroosten, gruwzame folteringen moesten verduren, dan nog moesten wij daartoe besluiten; want dat alies is niets in vergelijking met het loon dat ons wacht: ânon sunt con-dignae passiones hujus temporis, ad futuram gloriani, quae revelabitur in nobis.quot;â (Rom. VIII. 18.) Gelukkig dat God van ons zulke zware offers niet vraagt; Hij heeft ons den weg des hemels dermate gemakkelijk willen maken, dat alleen zij die niet willen, den hemel ook niet binnen zullen gaan.â Luistert, wat Hij van ons vraagt: âSi vis ad vitam ingredi, serva mandata.â Al wie den hemel wil binnengaan, onderwonde de geboden.\'\'â (Matth. XIX. 17.) Ziedaar wat God vraagt. Nu met de genade van God die ons nimmer ontbreekt, valt dat niet moeilijk.â Ik lees in de Kerkelijke Geschiedenis, dat in het jaar 813 de patriarch van Constantinopel een bode zond tot keizer Michael I, met eene gewichtige zending belast. Vermits het rijk het grootste gevaar liep van een langdurigen burgerkrijg, liet de patriarch den keizer verzoeken, om ter wille van den vrede, zijne keizerskioon neer te leggen, zijn troon te verlaten, en de plaats te ruimen voor Leo den Isauriër. â De bode verschijnt voor den
â 340 â
keizer en legt hem het verzoek bloot van den patriarch.â Wat gaf de keizer ten antwoord? Verwonderd over dusdanig voorstel, sprak hij ; weet de patriarch dan niet, dat het offer hetgeen hij van mij vraagt, zoo ontzaggelijk zwaar is ? Afstand doen van den troon, om in vergetelheid en in ballingschap te gaan leven! Welke belooning staat mij te wachten voor dusdanig een offer ? De hemel, antwoordde de bode! En door dat ééne woord, verkreeg hij wat hij vroeg.â Indien dat de belooning is, hernam de keizer, dan vind ik mijn offer niet te zwaar.â Hij deed afstand van kroon en schepter, en trad in een klooster.â M. B. wat heb ik van noode u aan te toonen dat, hetgeen Grod van ons vraagt om ons den hemel te schenken, weinig en gering is.â Zooveel Heiligen als er in den hemel zijn, zooveel stemmen zijn er om die troostvolle waarheid te bevestigen. Wat hebben zij niet gedaan om den Hemel te verdienen ? En toch ondanks dat alles, kan men van allen zeggen : âPro nihilo habuerunt terram desiderahilem.quot;â (Ps. CV. 24.) Wat hebben de apostelen, en naar hun voorbeeld zoovele missionarissen niet gedaan voor den hemel? Wat hebben niet gedaan zooveel millioenen martelaren, zooveel belijders, boetelingen en maagden om de kroon des hemels te erlangen ? En toch inag men zeggen : âPro nihilo habnerunt.\'\'â Durft gij nu nog zeggen, dat het moeilijk en lastig is den hemel te verdienen \'i Neen, de dienst van God die ons den hemel moet bezorgen is niet zwaar en lastig. Jesus Christus getuigt het zelf als hij zegt: âJugum meum suave est et onus meum leve.quot;â (Matth. XI. 30.) Maar hot is moeilijk voor u, omdat gij de middelen niet ter hand neemt die God heeft ingesteld ten einde u de kracht te geven, die u ontbreekt.Wat zoudt gij zeggen van iemand die weigert voedsel te nemen en die daarna zich zou
beklagen, dat hij uit zwakte niet gaan kan. Gij zoudt zeggen: Graan is op zich zelf niet moeilijk; valt het u echter moeilijk daar sta ik niet over verwonderd ; want het komt, dat gij niet eet, dat gij zoo zwak zijt.â Eet en versterkt u, en gij zult spoedig kunnen gaan.â Ziedaar wat ik ook ten antwoord geef aan al die christenen die zich beklagen, dat zij niet in staat zijn hunne plichten te vervullen, niet bij machte om kuisch en zuiver te leven. Uwe kracht is in het gebed, en gij bidt niet meer, â of ten minste gij bidt slecht.â Uwe kracht is gelegen in de vlucht der zondige gelegenheden, â en gij wilt alles zien, alles lezen, alles hooren, gij wilt overal bij tegenwoordig zijn. Uwe kracht bestaat in de heiliging van den zondag, en het is ter nauwernood dat gij op dien dag eene H. Mis bijwoont. Uwe kracht is gelegen in de H. Communie en gij nadert zoo zelden tot de H. Tafel.â Neen, ik sta niet verwonderd indien gij te machteloos, te zwak zijt om op den weg des hemels vooruit te gaan. Versterkt u door de middelen, die God u geeft, en weldra zal de dienst van God u gemakkelijk wezen; gij zult meer geluk smaken op den weg die ten hemel leidt, dan op dien die uitloopt op de hel, â en wanneer men u eens zal komen waarschuwen dat uw laatste iiur op komst is, dat gij gaat sterven ; dan zult gij uitroepen vol vreugde en hoop : âLaetatus sum in his, quae dicta simt mihi; in domum Domini ibimus.quot;â Ik verheug mij over de tijding die gij mij brengt, â ik ga het huis dos Heeren binnentreden. Amun.
EINDE van uet TWEEDE DEEL.
INHOUD.
iir.z.
I. Geloof............................1
II. Hoop. . .........................8
III. Liefde..............................l.r)
IV. Liefde tot den Naaste..................22
V. Liefde tot den Naaste. (Aalmoes.) .... 34
VI. Sterkte............................39
VII. Matigheid..........................48
Vlfl. Voorzichtigheid........................04
IX. Rechtvaardigheid....................G1
X. Acht Zaligheden......................68
XI. 1. Zalig zijn zij, die arm van geest zijn;
want hunner is het Rijk der hemelen.â . . 7quot;)
XII. 2. Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde bezitten.â. . . ... 82
XIII. 3. Zalig zijn zij die weenen, want zij zullen vertroost worden....................90
XIV. 4. Zalig zij, die hongeren en dorsten naar de Rechtvaardigheid, want zij zullen verzadigd worden............................97
XV. 5. Zalig zijn de Barmhartigen, want zij zullen
Barmhartigheid verwerven.â......105
j
BLZ.
XVI. 6. Zalig zijn zy, die zuiver van harte zijn,
want zij zullen God zien.â . . â 112
XVTI. 7. Zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen
kinderen Gods genoemd worden.â. . . 119 XVIII. 8. Zalig zijn zij die vervolging lijden om de Gerechtigheid, want hunner ia het Rijk
der Hemelen.â..........126
XIX. Het ware Geluk.-........132
XX. De Goede Meening........147
XXI. Het Gebed...........158
XXII. Over het Veelvuldig Gebruik der HH.
Sacramenten......................172
XXIII. Viering van den Zondag......183
XXIV. Hoogmoed............190
XXV. Trotsohheid en IJdelheid.......190
XXVI. Jaloezie eu Afgunst........203
XXVII. Kwaadsprekendheid.........209
XXVIII. Leugentaal...........216
XXIX. Veinzerij, Huichelarij........223
XXXI. Eigenbelang en Oneerlijkheid .... 230
XXXII. Menschelijk Opzicht........237
XXXIII. Godslastering.â.........244
XXXIV. De Herberg...........251
XXXV. Kunst om oud te worden......260
XXXVI. Over het Spel. (Kaartspel)......266
XXXVII. Moderne maatschappelijke toestanden . . 273
XXXVIII. Arbeid.............280
XXXIX. Arbeid. (Vervolg). ....... 287
XL. Arbeid. (Slot) â¢.........294
XLI. Boerenstand...........301
XLII. Zucht naar den vreemde......309
XLIII. Een groot man.â.........314
XLIV. De werkman moet deugdzaam leven . . 322
XLV. Werkstakingen..........330
XLVI. Rust na den arbeid........337