ocr page 1
ocr page 2

1 - s

sT

\'■ï-i

-

s -

V\'

-

•quot;■-■

\'

\'■

,

. -;

S:

T»

•y

n-;: •

_t

quot; , -

-

j ;

quot;I-\'

ï

■ ;

\'

;

!«•,- \'1

_..._

_

_

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6
ocr page 7

)\'i{

VERZAMELING nj

VAN

gelezei Freekei en GoÉrentiën,

HOOFDZAKELIJK VOOR BESTUURDERS

VAN DE

ROEDERSCHAP DER ji. j^AMILIEj

DOOR DEN

ocr page 8

IMPRIMATUR.

P. MANNENS, S. Theol. Doct. et Prof Librorum Censor.

Rurflemundi®, 10 Maji 1887.

ocr page 9

Voorwoord

VAN DEN SCHRIJVER.—

Troostvol en bemoedigend is het, iets te hunnen bijdragen tot vermeerdering van Gods eer en glorie, en tot bevordering van het heil der zielen.— Deze gedachte stond mij voor den geest, toen ik het plan van dit Kerk ontwierp; geleidde mij tijdens mijnen arbeid, en bezielt mij thans nog na de i oltooiing van mijn werk. Mocht ik door de uitgave dezer Conjerentiën ietwat hebbm kunnen bijdragen ter bereiking van gezegd doel, dan acht ik mijnen arbeid honderdvoudig beloond.— Met vertrouwen bied ik mijn werk de Ew. Geestelijkheid aan; niet in dien zin ahof ik overtuigd ware, een werk geleverd ie hebben dat alleszins volmaakt is en volkomen beantwoordt aan eiken gestelden eisch, O neen! die overtuiging zij verre van mij; zulke gedachte te koesteren zou roekeloos, zou vermetel zijn. „Nihil perfectum sub sole.\'\' Kr is niets volmaakts hier beneden. Dit is van toepassing op alle voorthrengsden van \'smen-

ocr page 10

schtn geest en hand, inzonderheid op hoeken en geschriften. Hier mag men, mits met eene kleine wijziging een ander spreekwoord bezigen en zeggen : „ Quot libri tot sensus.quot;— Zooveel boeken, zooveel zienswijzen. Ondanks dien stelregel hied ik toch met vertrouwen deze preeken en conferentiën den Eio. Heeren Geestelijken aan, inzonderheid aan Bestuurders van Congregatiën en HH. Familien.— Hunne taak, de ondervinding leert het, is zwaar, is moeilijk; — het host vrij wat inspanning en toeleg, door eigenaardige en tevens afwisselende stoffen zijn gehoor te boeien,— en dat is toch eene volstrekte behoefte, om eene Congregatie of Broederschap met vrucht te leiden.— Dat doel te bereiken heeft bij mij in de samenstelling van dit werk op den voorgrond gestaan.—

Ik heb zooveel mogelijk den „Prospectus\'\' getrouw gevolgd;— in het eerste deel vindt men eenige stoffen die bij gelegenheid eener Driedaagsche Oefening dienst kunnen doen ; maar tevens ook lij andere gelegenheden, eenigszins gewijzigd, gebruikt kunnen worden.— Verder eene geheele reeks toespraken en voordrachten, geeigend om tot stof te dienen voor de plechtige jaarlijksche Opdracht van de nieuwe leden der Broederschap. Eindelijk eene korte ver-Maring en uiteenzetting van de voornaamste feesten, godvruchtige oefeningen en kerkelijke instellingen, die in den loop des jaars gehouden en gevierd worden.— De feestreden op eenige Heiligen, die tot aanhangsel moesten dienen van het \'eerste deel, heb ik gepaster geoordeeld aan het slot te plaatsen van het tweede deel.—

Wat den stijl en de wijze van bewerking betreft, dienaangaande heb ik zooveel mogelijk naar eenvoudigheid gestreefd ;— om d,e belangstelling te wekken en de aandacht te boeien heb ik zorg gedragen, hier en daar voorbeelden aan te halen; — eindelijk om de conferentiën vrucht te doen dragen héb ik tilkens de noodige practische gevolgtrekkingen aangestipt, die uit elke stof konden genomen worden.—

ocr page 11

Daarmede heb ik mijne taak hclf voltooid, en koester de zoete hoop dat mijn werk hij de Geestelijkheid een gunstig onthaal moge vinden;— dat het moge bijdragen tot vermeerdering van Gods eer en glorie, en tot bevordering van het heil der zielen.— Ziedaar de vurige wensch van

Den Schrijvee.— Maastricht, den 10 April 1887.

ocr page 12
ocr page 13

EERSTE DEEL.

Gelegenheidspreeken.

Driedaagsche oefening, bij gelegenheid van een jubilé der Broederschap,

r.

Memor esto congregationis tuae, quam possedi.sti ab initio. Cïedenk uwe vergadering, die gij van den beginne af bezeten hebt. (Ps. I,XXIII. 2).

Deze woorden van den koninklijken profeet, drukken zoo juist, zoo treffend mogelijk den wensch uit, die op dit oogenblik mijn hart bezielt; geven zoo trouw weder de nederige bede die ik op dit oogenblik iu dit lieiligdom, voor u leden van de Broederschap der H. Familie van.....tot God opstier. „Memor esfn

1

ocr page 14

Congregaüonis tuce, quam possedisti ah initioquot;: Gedenk uwe vergadering, die gij van den beginne af bezeten hebt. (Ps.LXXIII, 2.) Ik twijfel niet of een ieder van u zal met mij in die bede instemmen. M. B. ik behoef u niet te zeggen wat mij aanleiding geeft in dezer voege tot u te spreken, \'t !s de herinnering aan eene gebeurtenis die voor . .. jaren heeft plaats gehad : de Oprichting van de Broederschap der H, Familie. Gelijk het mos-terzaad des evangelies, zoo ook werd uwe dierbare Brojdeischap als een kleine zaadkorrel op den bodem dezer parochie uitgestrooid; die zaadkorrel op goeden grond gezaaid, ontkiemde, wiesoh welig op en nu, na .. . jaren is het een boom geworden wiens wortelen zich over de gansche parochie verspreiden en onder wiens gebladerte op dit oogenblik meer dan.... mannen schuilen. Heil u! M. B. op dezen heugelijken dag, heil u veteranen, oudgedienden der Broederschap ... in getal, die getuigen waart van hare wording en ontwikkeling, gij de grondsteenen en zuilen, waarop de Broederschap der H. Familie gebouwd is, heil u bij gelegenheid van uw . . . jarig lidmaatschap onzer vcreeniging; heil ook u die in den loop der jaren tot de Broederschap zijt toegetreden ; heil u nieuwelingen die in deze dagen in de Broederschap gaat opgenomen worden door de plechtige opdracht, maar ik wensch ook mij zeiven geluk, ja duizendwerf geluk met de onderscheiding die mij te beurt valt; deze feestelijkheid te mogen leiden. Nu evenals Mozes, de leider van Gods volk, do kinderen Israel\'s vermaande, de herinnering aan het verledene in het geheugen te bewaren en terug te denken op de geslachten die hen waren voorgegaan, zoo ook noodig ik u uit M. B. u eens te herinneren tijdens deze driedaagsche Oefening aan de dagen van

ocr page 15

vroeger, en tot uwe leering en stichting in algemeene trekken de geschiedenis en het wezen onzer broederschap eens na te gaan ; „ Memento dierum antiquorum et cogita generatiónes singula*.quot; Te dien einde heb ik mij voorgenomen u dezen avond eens voor te houden :

I. de Wording, Roeping en het Doel onzer Broeder-derschap.

II. de Voordeelen cn iveldaden die zij afwerpt.

I.) Wording. — Het was op Pinkstermaandag van het jaar 1844 dat een 12-tal handwerkslieden te Luik in het hnis van een timmerman vergaderd waren. Een genie officier met name Belletable had hen bijeengeroepen en nam in dezer voege het woord op, om hun het doel der samenkomst te verklaren. „Mijne vrienden, zoo sprak hij, geplaatst als ik ben bij de geschutgieterij in deze stad, leef ik, zöoals gij weet, te midden van de arbeidende klas, maar ziet, reeds lang bloedt mij het hart, bij het gezicht van zooveel zedelijke ellende, die op de arbeidende klasse drukt. Gij zoudt goed doen en veel bijdragen tot verbetering van hun lot en dat hunner familiën, zoo gij uwe makkers en kameraden uitnoodigdet, tot het bijwonen uwer wekelijksche vrome vergadering.quot; In die vergaderingen nu sleet men den tijd met bidden, broederlijke vermaningen, opwekkingen en andere oefeningen. Ziedaar de zaadkorrel der H. Familie op aarde uitgestrooid.

Na verloop van korten tijd was het aantal leden dermate aangegroeid, dat de woning van den timmerman te klein was geworden en de jeugdige vergadering overgeplant werd in eene bidkapel van de kerk der Paters Redemptoristen te Luik. Belletable bezorgde verder aan de vereeniging eene inrichting

ocr page 16

— 4 —

en samenstelling. Hij nam tot model de inrichting van het leger en verdeelde de vergadering in secties of\' afdeelingen. Iedere afdeeling evenals elke compagnie van het leger ontving een overste en onderoverste, ot prefect en onderprefect. Alle afdeelingen eindelijk moesten staan onder een algemeenen overste, den Bestuurder der H. Familie. Rondom hem als commandant met het opperbevel belast, moesten de sectie-oversten of prefecten eenen zoogenaamden raad of staf vormen. Daarmede had Belletable zijne taak volbracht, hem door de Voorzienigheid opgelegd, hij haakte voortaan naar niets anders meer, dan zich zeiven te doen vergeten bij de jeugdige vergadering, die hij gesticht had. Tot dusverre echter was de Broederschap eene volstrekt burgerlijke vereeniging, toen Zijne D. H. Mgr. v. Bommel, bisschop van Luik, den 7 April 1845, haar een geestelijk karakter schonk, haar kerkelijk goedkeurde , onder den naam van Broederschap der H. Familie. Ja, wat meer is, ongeveer twee jaren later, den 23 April 1847 verhief Z. H. PausPius IX, haar tot Aartsbroederschap, keurde haar doel, regels en statuten goed, en verrijkte haar met tal van geestelijke gunsten. Van toen af verloor zij ook haar plaatselijk karakter en verbreidde zich met onge-gelooflijke snelheid in bijna alle landen der wereld. De nederige zaadkorrel is thans een boom geworden. Begonnen met 12 mannen in de woning van een timmerman, is de Broederschap na een tijdsverloop van ruim 40 jaren een leger geworden, bestaande uit ongeveer 1000 vertakkingen, met den hoofdzetel der Broederschap te Luik vereenigd en een gezamenlijk getal van ongeveer 500.000 leden. Wie uwer M. B. bij het gezicht van die ongeloofelijk snelle verspreiding der H. Familie, roept hier niet uit; „Digitus Dei esl

ocr page 17

hie: Gods vinger is hierquot;! (quot;Exod. VIII, 19.)JaM. B. Jo Broederschap der H. Familie is het werk, het maaksel van Grod en niet dat dor menschen, en een bewijs daarvoor vind ik in de overeenstemming van de Broederschap met de behoeften van onzen tijd.

2.) Hare bovennatudklijke uoeping. Een tweevoudige kanker knaagt in onzen tijd aan de ziel der maatschappij. Eenorzijds bespeurt men den geest van onversohilligheid en ongeloof, die den familiekring binnensluipt en anderszijds den geest van verzet, die zich ouder de arbeidende klas openbaart; — ongeloof\' en revolutie, ziedaar de twee groote kwalen van onzen tijd. Door woord en voorbeeld, door gezag, dwang en geld poogt men in onze dagen, zielen aan J. C. te ontrooven. De godsdienst wordt als vijand behandeld, door hen die plichtshalve hem moesten beschermen, zijne bedienaren worden door de pers gehoond en verguisd, — het zedebederf wordt oogluikend toegelaten, ja begunstigd, de rust van den zondag geschorden, oneerbare, godslasterende, goddelooze gesprokken zijn de gewone taal in fabrieken, herbergen en bijeenkomsten, de dronkenschap neemt op onrustbarende wijze toe, ontucht onder alle vormen is aan de orde van den dag. Ziedaar het treurig tafereel dat zich voor onze oogen ontrolt. Ia dat alles? Neen, ook de uiterlijke schijn van godsdienst en geloof moet aan het familiewezen ontnomen worden. Geen priester bij de geboorte van het kind, bij het aangaan van een huwelijk, bij het doodsbed van den stervende. Ziedaar op welks wijze men in onze dagen het christelijk karakter van het huisgezin zoekt weg te nemen. Eene andere si\'.menzwering in onze dagen heeft het gemunt op de arbeidende klas, op den werkman. Ook deze draagt bereids hare vruchten-

ocr page 18

Vanwaar anders die aanhoudende werkstakingen, die satnensubolingen, arbeiderscongressen, vanwaar die vermindering van den eerbied, die brutaliteit, die verregaande eischen, die de werkman aan den meester stelt! Gij ziet het M. B., ook de arbeidende klas wordt bedorven. Ziedaar de tweevoudige kwaal van onzen tijd. — Wie zal die kwaal verbeteren en genezen? Geen burgerlijke wetten en verordeningen, niet de gouvernementen; neen, geene mensohelijke macht is daartoe in staat. God heeft de Broederschap der H. Familie in het leven geroepen, om op het huisgezin en op den arbeider te werken en beiden voor den ondergang, waarmede zij bedreigd worden, te beveiligen. En inderdaad, de Broederschap der H. Familie, in tegenstelling van zoovele anderen, werkt niet uitsluitend op eene of andere bepaalde klas van personen, maar doet haren invloed gevoelen aan den ganschen familiekring, aan vader en zoon, aan moeder en dochter; zij leert allen een heilig, nederig, onthecht, werkzaam leven leiden^ zoo gelijkvormig mogelijk aan dat van het huisgezin van Nazareth. De Broederschap der H. Familie neemt alle leden van het gezin in haren schoot op en stelt hun ter vereering, ter navolging Jesus, Maria, Joseph voor, of liever bruidegom, moeder en kind; die den familiekring welke vóór het christendom gezonken was, ophieven en herstelden. Wie ziet niet, dat op die wijze onze Broederschiip aan de instandhouding, ja aan de volmaking van het christelijk huisgezin medewerkt! Dit neemt echter niet weg dat onze broederschap daarenboven, overeenkomstig de plannen der goddelijke Voorzienigheid, meer in het bijzonder zich het lot aantrekt der arbeidende klas. „Komt tot mij, zoo roept zij naar het voorbeeld van den Zaligmaker, den werkman toe, gij

ocr page 19

— 7 -

dio zwoegt on arbeidt en ik zal u verkwikken.quot; En zij doet wat zij belooft. Zij versobatt den werkman, die tot haar toetreedt, den grondslag van alle geluk; den vrede des gewetens. Zij maakt van hare leden, mannen van deugd, trouwe eohtgenooten, waakzame huisvaders, onderdanige zonen, modellen van arbeiders en werklieden, ijverige christenen met hart en ziel verknocht aan de Kerk ; zij bezorgt hun eindelijk na een verborgen en onopgemerkt leven, eenen kostbaren dood. De revolutie zoekt van iederen arbeider een werktuig te maken van vernieling en omverwerping van alle goddelijk en menschelijk gezag, terwijl de Broederschap der H. Familie van hen maakt verdedigers der orde, mannen van plicht en geweten. Hoe dikwijls toch M. B. vermaant zij u niet, bij monde van den priester u te ontdoen van eene al te groote gehechtheid aan het aardsehe ; u te onderwerpen in alles aan de orde door Gods voorzienigheid vastgesteld ; u te buigen voor het wettig gezag, en jegens allen het groot gebod der broederlijke liefde in beoefening te brengen. Hier in den schoot der Broederschap leert de meester zich opofferen voor zijne onderhoori-gen, terwijl de handwerksman en landbouwer de kunst leert zijnen arbeid te veredelen, met dien op te dragen aan God. De gegoede en rijke leert in de school der Broederschap van zijne goederen een goed gebruik maken, de arme daarentegen leert zijn lot met geduld en gelatenheid dragen. Ziedaar M. B. hoe de Broederschap der H. Familie overeenkomstig de plannen der goddelijke Voorzienigheid, aan hare roeping beantwoordt, hare taak volbrengt: de instandhouding van het christelijk huisgezin eu de behartiging der belangen van de arbeidende klas M. B. aan de verwezenlijking dier dubbele taak moeten wij allen met ver-

ocr page 20

eenigde krachten arbeiden, maar daarenboven ieder uwer afzonderlijk in die mate, en op die wijze als uw maatschappelijke toestand dit toelaat en eischt. Huisvaders ! het kost u inspanning en moeite den Christelijken geest in het huisgezin stipt te doen naleven, uw gezag te doen gelden tegenover kinderen en dienstboden: „In his onmilms labor.quot; (Ecol. I. 1quot;) Jongelingen het valt u drukkend en zwaar u in alles te moeten bedwingen ; tegen het slecht voorbeeld, de verleiding der wereld en de hevigheid uwer driften te strijden. Gij dienstknechten, daglooners, arbeiders ook gij ondervindt niet weinig tegenkantingen en moeilijkheden om christelijk te leven in uwen staat; —vergeet niet dat God door gansch bijzondere gunsten en genaden de inspanningen en den arbeid beloont, die het lidmaatschappij der H. Familie u oplegt.

II. quot;Weldaden en Zegekingen. De H. Familie is eene instelling die zich ten doel stalt: 1) persoonlijke heiliging en onderlinge stichting, maar tevens ook: 2j de uitoefening van een openbaar apostolaat; vandaar dat hare vruchten tweeërlei zijn. Sommigen zijn van bijzonderen aard en raken onmiddellijk de leden zeiven en hunne huisgezinnen. Anderen zijn van algemeenen aard en raken meer rechtstreeks de maatschappij zelve. De zegeningen die de Broederschap over hare leden uitstort, zijn vier in getal.

a) Zij maakt van hare leden ijverige christenen, voorbeeldige katholieken ; de middelen die zij daartoe bezigt zijn drie in getal: de prediking van Gods woord — het gebed — en het veelvuldig naderen tot de H. Sacrameuten. „Van de honderd arbeiders met wie ik werk, zeide een lid der H. Familie in eene groote stad, zijn er hoogstens twee of drie die godsdienstig zijn. Dank aan onze wekelijksche conferentien, zeide hij,

ocr page 21

dat ik niet ben zooals zij zijn.\'1 Dit eene bewijs is voldoende. — Niet minder krachtig is het gebed. Het gebed , zegt de H. Alphonsus, is volstrekt noodzakelijk voor volwassenen om zalig te worden. „Wie bidt wordt zalig en wie niet bidt gaat verloren.quot; De Broederschap der H. Familie, is de leerschool van het gebed ; vandaar dat een ijverig familielid een man is van gebed. Eindelijk niets werkt zoo krachtig op het christelijk leven, als het veelvuldig naderen tot de H. Sacramenten. „Ik was vroeger niet zooals ik thans bon, zeide eens een lid der H. Familie, maar ook vroeger ging ik niet zoo dikwijls tot de H. Sacramenten als thans, nu ik lid ben der Broederschap.quot;

b) Eene tweede zegening die de Broederschap haren leden meedeelt, is de geest eener teedere en vurige godsvrucht. Om dien geest in hare leden op te wekken, bedient zij zich van tal van middelen, o. a. van vrome liederen die telkens in onze vergadering gezongen worden ; verder het bidden van den rozenkrans en het dragen van het scapulier, waartoe alle leden gehouden zijn ; het verrichten van den H. Kruisweg die geregeld eenige malen per jaar gezamenlijk onder u plaats heeft; deu schat der aflaten die de Kerk tor uwer beschikking stelt; zoo b. v. kan ieder lid der H. Familie jaarlijks 40 volle en een onnoemelijk getal gedeeltelijke aflaten verdienen. Eindelijk verschillende devoties o. a. die van het Goddelijk Hart van Jesus, die in de Broederschap in zwang zijn ; nu al die devoties leggen in de harten van de leden der Broederschap den geest van godsvrucht en vroomheid neder.

c) Onder alle zegeningen echter waaraan gij deelachtig wordt is de kostbaarste van allen : de genade der volharding of eeu goede dood. De schoone formule der

ocr page 22

- 10 —

opdracht die wij ie dor jaar vernieuwen, is als het ware een verdrag dat wij aangaan met don Hemel, mot het oog op ons stervensuur. Eenmaal zalig sterven, ziedaar de vurigste wen-;cli van ieder lid der Broederschap ! Vandaar deze woorden die hij jaarlijks uitspreekt bij gelegenheid der opdracht. „Ik beloof u als goed christen te zullen leven, om eenmaal als uitverkorene te zullen sterven.quot; Welnu houdt woord, en wat gij vraagt, zal geschieden. M. B. wilt gij als uitverkorenen sterven, volhardt dan als ijverige leden der Broederschap te leven Tot borg hebt gij den H. Joseph, den Patroon van een goeden dood en tot getuigen zoovele medebroeders die zoo stichtend, zoo heilig gestorven zijn.

d) Eene laatste gunst, waaraan de Broederschap hare leden deelachtig maakt, is: een bijzondere zegen Gods over uwe tijdelijke belangen; overeenkom stig de belofte van den Zaligmaker: „ Quaerite, primmti regnum Dei et justitiam ejus et haec omnia adjicientur vobisquot; (Matth. VI. 33.) Die belofte wordt gestaafd door de ondervinding. Baar zijn er onder u, die spreken kunnen over welslagen en voorspoed in hunne ondernemingen, genezing van zware bedenkelijke ziekten, bevrijding van gevaren, enz;.... gunsten wellicht die gij te danken hebt aan de H. Familie Jesus. Maria, Joseph. Wie is verder instaat te beschrijven den heil-zamen invloed die de Broederschap uitoefent, niet slechts op hare leden, maar nog op het gansche huisgezin. Huisgezinnen gesteld onder de bescherming van Jesus, Maria, Joseph, zijn geworden modellen van deugd, eendracht en orde.Echtgenooten hebben geleerd van Joseph en Maria de naleving hunner wederzijdsehe plichten. Ouders hebben uit de verhouding die er bestaat tusschen Joseph en Maria mot het kindje Jesus, hunne verplichtin-

ocr page 23

gen leeren kennen ten opzichte hunner kinderen. Kimle ren eindelijk hebben van Jesus geleerd hunne ouders te eeren, te gehoorzamen en te beminnen. Huisvaders, familiehoofden, maar ook gij eenvoudige leden des huisgezins, treedt eens in mijne plaats en maakt eens luide bekend, welke vruchten gij getrokken hebt uit de Broederschap der H. Familie, sedert gij in ver-eeniging met uwe huisgenooten Jesus, Maria, Joseph tot Patronen gekozen hebt.

Behalve de heiliging harer leden en der huisgezinnen, houdt ook onze Broederschap zich bezig met de uitoefening van een openbaar Apostolaat; — vandaar eene nieuwe reeks van zegeningen van algemeenen aard. Zegeningen zoo verscheiden en talrijk, dat de tijd mij ontbreekt, om ze ook maar in het kort aan te stippen.

Ja M. B. de Broederschap der H. Familie maakt van hare leden apostelen en dat leekenapostolaat, getuige de ondervinding, wordt nog dagelijks met de heerlijkste vruchten bekroond. Dus nog eenmaal, de Broederschap der H. Familie is eene bron van stoffelijk en geestelijk welzijn voor hare leden en hunne huisgezinnen, ja, voor de gansche maatschappij. M. B. ik had dus wel reden tot tekst dezer Conferentie, de bede van den koninklijken profeet te nemen : „Memor esto congregations tuae, qr.am possedisti ah initio. Gedenk uwe vergadering die gij van den beginne af bezeten hebtquot;. (Ps. LXXIII, 2.) Ja M. B. God die haar heeft opgericht, zal haar niet vergeten; wat meer is, weest overtuigd dat Hij van uit den hemel deelneemt aan uw jubelfeest en uan uwe vreugde; ja, dat deze heugelijke dagen voor u eene bron zullen zijn van nieuwe zegeningen en genaden. Doch M. 13. laat ons ook niet verzuimen deze dagen eens vurig te bidden voor de

ocr page 24

— 12 —

Broederschap in het algemeen en voor elkander in het bijzonder. Vragen wij aan God, dat Hij haar beware en in stand houde : „üominus oonservet eamquot; haar vermenigvuldige, uitbreide en doe bloeien: „vi-vificet camquot; haar vruchtbaar make in verdiensten en goede werken hier op aarde, en haar eenmaal over-plante in den hemel, om daar voor eeuwig met Jesus, Maria en Joseph vereeaigd te mogen leven. Amen.

ocr page 25

II.

Apostolaat van de Broederschap der H. Familie.

ünicuique datur manifestalio spiritus ad utilitatem. Aan een iegelijk wordt de openbaring des Cleestes gegeven ten nutte. (I Cor. XII. 7.)

De mensch is niet geschapen voor zich zelf alleen, noch voor zijne naaste omgeving en voor zijn huisgezin ; hij is geschapen tot nut van eenieder, hij moet zijne krachten wijden aan het geluk en het welzijn zijner medemenschen. Die verplichting om aan het welzijn van anderen te werken, wordt nog dringender voor hem, die door het Doopsel leerling van Jesus Christus en kind der Kerk geworden is. Zielenijver is eene eigenschap dio iederen christen moet bezie-

ocr page 26

— 14 —

len. Dit geeft ons de H. Paulus te verstaan, als hij zegt: „Aan een iegelijk wurdt de openharing des Geesten gegeven ten nutte.quot; (1 Cor. XII, 7.) Door openbaring des Geestes wordt verstaan ; het christelijk onderricht, de leering der Kerk die wij ontvangen door middel van de prediking van Gods woord, stichtende lezingen en goddelijke ingevingen. Dat alles M. B. is u gegeven, niet slechts voor n alleen, maar ook tot nut van uwe tncdemenschen. Tertulianus zegt dienovereenkomstig zeer schoon ; „wanneer het vaderland in gevaar komt, is ieder man soldaat,quot; Evenzoo moet in den strijd tegen de Kerk en het geloof, ieder christen een apostel wezen. Dat nu ia hier het geval. De godsdienst, de Kerk met hare instellingen, de Paus, worden in onze dagen met eene tot dusverre ongehoorde verbittering aangevallen, het geloof, de zedeleer, het huisgezin, of de familie zijn in gevaar. Er bestaat eene verplichting voor iederen christen, maar vooral voor ieder lid der H. Familie, zich in het strijdperk te werpen, op gevaar af van eenmaal zoo wij dat verzuimden uit den mond des oppersten rechters deze vervloeking to hooren: „ Inutilem senium ejicite in tenebras exterior es. Werpt dien onnutten dienstknecht in de duisternis daarhuiten.quot; (Matth. XXV. 30) De leden van de Broederschap der H. Familie, vooral de ouderen hebben de zending begrepen, hun door de Voorzienigheid opgelegd. God heeft aan onze Broederschap toevertrouwd een Apostolaat, namelijk : aen het geestelijk welzijn niet slechts van zich zeiven of van zijn huisgezin, maar aan dat van zijne medemenschen in het algemeen te arbeiden. Vandaar dat alle leden der Broederschap apostelen moeten zijn, die ieder naar zijn vermogen met een deel van dat Apostolaat zich moeten belasten. Ziedaar M. B. eene gedachte, die ik u dezen avond

ocr page 27

eens wat nader wil toelicliten, tot voldoening en aanmoediging der ouderen en tot leering en behartiging van de jongere leden onzer Broederschap. Ik ga u aantoonen dat de Broederschap der H. Familie door God geroepen is tot de uitoefening van een Apostolaat ten algemeenen nutte :

1) Door middel van hot yued voorbeeld.

2) Door middel van goede werken.

I Goed vookbeeld. Bij alle belangrijke gelegenheden waarin goede christenen gewoon zijn hun geloof, hunne liefde en hunnen ijver aan den dag te leggen, moeten de leden der H. Familie de anderen door hun voorbeeld voorgaan. En zoo vooreerst moeten zij door hun voorbeeld stichten :

1) In alle ceremoniën, plechtigheden en oefeningen die plaats hebben binnen de muren der kerk. Woorden ter aanmoediging zijn hier overbodig ; hier spreken de feiten. Ja M. B. tot algemeene stichting dient het goed voorbeeld van een groot getal onder u met betrekking lot het dikwijls naderen tot de H. Sacramenten. Immers daar zijn er die wekelijks of maandelijks, ja bijna allen die minstens vijf tot zes maal \'s jaars naderen tot de H. Sacramenten. Verder hoe treffend, telken jare bij gelegenheid der plechtige opdracht, die honderden leden der H. Familie met den diepsten eerbied en do grootste ingetogenheid, tot de Tafel des Heeren te zien naderen ! Ja^ de ondervinding heeft geleerd, dat bij alle kerkelijke plechtigheden, de Broederschap der H. Familie het meest op den voorgrond treedt.

Ik spreek hier nog niet van dat schoon gebruik, dat men in sommige parochiën vindt, bij gelegenheid van het 40-uren gebed, namelijk : dat de mannen der H. Familie, bij afwisseling sectiesgowijze Jesus in

ocr page 28

— 18 —

zijn hoogwaardig Sacrament komen aanbidden; evenmin spreek ik hier van de viering der maanden Maart en Mei en van zoovele andere oefeningen, waarin de leden der H. Familie de anderen doorgaans voorgaan. M. B. ik ben er zeker van, dat ook gij voor uwe medebroeders van elders niet behoeft onder te doen. Volhardt, bid ik u, in dien goeden geest, uw voorbeeld zal vruchten dragen.

2) Is het reeds zoo schoon en loffelijk binnen de kerk zijn geloof aan den dag te leggen, veel schooner nog is het vooral in de tijden, waarin wij leven, zijn geloof te belijden in het openbaar : op straten en wegen, die zoo dikwijls stomme getuigen moeten zijn van ongodsdienstig- en losbandigheid. Onder dit opzicht ook onderscheidt zich de Broederschap der H. Familie.

Telken jare hoort men gewagen van vrome bede vaarten en processiën, door Broederschappen der H. Familie ondernomen, naar een of ander heiligdom van Maria, om daar te gaan bidden voor het welzijn dei-Kerk en voor den blcei der Broederschap.

3) Tot hiertoe heb ik nog slechts gesproken over gewone gevallen van christendeugd. Doch er zijn nog andere verplichtingen, den Katholieken opgelegd, ten gevolge van de gebeurtenissen der laatste tijden. En ook daarin hebben de leden der Broederschap dch onderscheiden door edelmoedige deelname en een stichtend voorbeeld. In onze ongelukkige dagen van verzet en strijd, tegen Kerk en Paus, — waar moet men de warmste deelneming gaan zoeken voor de zaak der Kerk en van den Paus, tenzij bij de Broederschap der H. Familie. Vraagt gij naar bewijzen, dan luistert. Nauwelijks had de Paus-Koning, onze onvergetelijke Pius IX zijn verlangen te kennen gegeven, tot vorming van een pauselijk zouaven-corps voor de verdediging

ocr page 29

van den Kerkelijken Staat, of wie gaven het eerst, gehoor aan de roepstem des Pausen? Het waren jongelingen uit Frankrijk, Holland en België, meerendeels behoorende tot de Broederschap der H. Familie, die tot gezegde keurbende toetraden, en hun bloed en leven voor de Kerk in de weegschaal legden. De Broederschap der H. Familie in Nederland, raag zich beroemen, tal harer zonen aan de Kerk gegeven te hebben. Nog sprekender bewijzen van verknochtheid en liefde, van de Broederschap der H. Familie, voor Kerk en Paus, vind ik in de milde geldelijke offers die zoo vaak gebracht worden voor den Paus. Ja als er giften worden ingezameld voor Kerk en Paus, is is er onder de leden der H. Familie niemand die ten achter wil staan. Ook daarin strekt zij wederom tot voorbeeld.

4) Het Apostolaat echter van het goed voorbeeld is daarmede nog niet uitgeput; het vordert nog van de leden der H. Familie, de beoefening der naastenliefde, niet slechts ten opzichte hunner medeleden, maar ook ten opzichto van den evenraensch in het aigemeen. De regels en verordeningen der Broederschap , maken het den prefecten ten plicht, do zieken hunner respectieve afdeelingen te bezoeken, ten einde hun een woordje van opwekking en moed toe te spreken. Het zieken-bezoek, ziedaar M. B. eene schoone gelegenheid tot uitoefening van uw apostolaat. Niets sticht zoo zeer de andere geloovigen, dan te zien dat de zieke leden der Broederschap door hunne prefecten en medebroe ders van tijd tot tijd bezocht worden. Ik spreek hier nog niet van het onberekenbaar goed dat gij daardoor aan de ziel van uwen medebroeder kunt bezorgen. Geve Uod, dat dit loffelijk gebruik tot dusverre in de Broederschap in zwang, nooit verslappe, maar

ocr page 30

— 18 —

steeds stipt onderhouden worde ! En gij M. B. die dat liefdewerk verricht; troost u met de woorden die de Zaligmaker u toevoegt: „ Wat gij voor den geringste der mijnen gedaan hebt, zal ik beschotcwen als aan mij gedaan. \' 5. Den evenmensch bijstaan in zijne lichamelijke noodwendigheden, is reeds een liefdewerk verrichten j maar dat liefdewerk overbrengen op de zielen is nog veel verdienstelijker. De kwalen des lichaams zijn niets, in vergelijking van die der ziel en onder deze laatsten zijn er twee, die alle overigen in zich besluiten ; de onwetendheid en de zonde. De onwetenden onderrichten on de zondaars bekeeren, ziedaar M. B. eene taak die, vooral door de leden der H. Familie zoo ijverig en met zooveel vrucht behartigd wordt; en die ook door u bij gelegenheid wel eens kan waargenomen worden. Immers overal vindt men onwetenden, die in zake van geloof en godsdienst dikwijls verkeerde begrippen hebben. Van waar toch die ongerijmdheden, die men in herbergen en gezelschappen zoowel hier als elders soms hoert verkondigen ? — M. B. mochten er onder uwe kennissen ot in uwe parochiën zulke onwetenden zich bevinden, of mocht gij soms zulke menschen in gezelschappen en herbergen aantreffen ; ziet dan hebt gij een schoone gelegenheid uw apostolaat in praktijk te brengen. Daartoe behoeft gij niet als leeraar of als meester op te treden; neen, een enkel woordje, eene kleine aanmerking, in het gesprek ongemerkt inge-lascht, bereikt doorgaans reeds zijn doel. Ik zal u eens door een klein voorbeeld bewijzen, hoe een enkel woordje, gepast aangebracht, in staat is somtijds een gunstigen invloed uit te oefenen. Eenige jaren geleden werd aan de Broederschap der H. Familie te Brussel eene retraite gegeven. Op een vroegen mor-

ocr page 31

— 1!» —

gen, omstreeks half zes uren, onder die retraite, traden drie mannen de kerk binnen, die den gan-schen nacht in ongebondenheid en liederlijkheid hadden doorgebracht. Zij stonden verbaasd \'s morgens reeds zoo vroeg, zooveel mensohen in de kerk aan aan te treffen. Een van de leden der H. Familie hen ziende en tevens den rampzaligen staat vermoedende waarin die ongelukkigen zich bevonJor., ging naar hen toe, en sprak hen op zachten toon toe: „Vrienden, gaat wat slapen, gij hebt er behoefte aan, maar komt dezen avond hier terug, dan znlt gij eene onderrichting hooren , waaraan uwe ziel nog veel meer behoefte heeft dan uw lichaam thans aan rust.quot; Zij gingen heen Twee hunner waren \'s avonds aanwezig, luisterden aandachtig naar het woord van den missionaris en woonden vervolgens ook alle andere oefeningen der retraite bij. Beiden bekeerden zich. Een zelfs liet zich opnemen in de H. Familie en werd een ijverig lid der broederschap. Ziedaar wat een enkel woordje soms vermag.

6. Eindelijk kom ik M. B. tot een laatste punt van ons Apostolaat, dat ook door de leden der Broederschap soms met vrucht kan waargenomen worden, namelijk: de bekeering der zondaars, \'t Is eene verkeerde opvatting van sommigen, die meenen, dat de arbeid aan de beksering dei\' zondaars, uitsluitend tot de bediening van den Priester behoort. Neen, er zijn omstandigheden en gevallen waarin leeken daarin veel beter slagen dan wij. M. B. arbeiden aan de Uekee-ring der zondaars, ziedaar eene taak die wel degelijk tot den werkkring onzer Broederschap behoort. Ja, ik zou met voorbeelden kunnen staven, hoe leden der Broederschap daarin verwonderlijk geslaagd zijn. Nn eens was het een dronkaard die door een der onzen

ocr page 32

— 20 —

van den drank genezen werd; een haatdrager die zich verzoende ; een stervende die in zijne laatste ziekte door de opwekkingen van een buurman, lid der H. Familie, eenen voorbeeldigen dood stierf. Gelukkig diegenen onder u, wie het voorrecht ten deel valt, op eene of andere wijze aan de ziel van zijnen evenmensch nuttig te kunnen zijn. Want „wie de ziel van zijnen evenmensch redt,quot; zegt een H. Vader, ver zekert zioh de zaligheid zijner eigene ziel. Wij hebben gezien hoe de Broederschap der H. Familie door het goed voorbeeld en door den persoonlijken invloed liarer leden, een verdienstelijk Apostolaat uitoefent.

Wij gaan in ons tweede punt datzelfde apostolaat op een ruimer veld zien optreden en door de schepping van andere vereenigingen, nieuwe krachten zien toevoegen aan den dienst van het goed.

II. Uit het behandelde volgt eene troostvolle waarheid, namelijk deze; dat in eene Broederschap als die der H. Familie, geen enkele gelegenheid om verdiensten te verzamelen, verloren gaat en geen enkele kracht on. gebruikt blijft.

Het minste lid der Broederschap dat deelneemt aan eene generale communie, een zieke bezoekt, eenen kameraad de vergadering binnenleidt, draagt reads bij tot de glorie van God en het heil van den evenmensch.

Het Evangelie spreekt van een dienstknecht, die van zijnen meester één talent ter bewaring ontving, ten einde dit in zijne afwezigheid uit te zetten. In plaats van dat geld te beleggen, verborg hij het in den grond, om het bij den terugkeer zijns meesters in denzelfden toestand hem te overhandigen. Twee andere dienstknechten van denzelfden meester, hadden de een, vijf en de ander twee talenten ontvangen ; gene verdub-delde het kapitaal, tijdens de afwezigheid van den

ocr page 33

— \'21

meester, — en deze, won er twee nieuwe talenten bij. Dc meester teruggekeerd zijnde, vroeg rekenschap. De twee laatstgenoemden werden mild beloond; zij traden in de vreugde des Heeren, d. i. in den hemel. Hij integendeel, die één talent ontvangen en het ongebruikt gelaten had, werd als een nuttelooze dienstknecht behandeld en in de duisternis daarbuiten geworpen. In eene talrijke vergadering, zooals de H. Familie is, zijn er noodzakelijk dienaren, die . meer, anderen die minder ontvangen hebben ; maar een ieder heeft toch wat ontvangen. En al heeft hij nog zoo weinig ontvangen, hij kan dat weinige door ijver en toeleg verdubbelen en nog meer; en zich daardoor onberekenbare schatten voor den hemel vergaderen. Tot hem zal J.-C. eens zeggen : „ Welaan goede en getrouwe dienstknecht, om dat gij over weinig getrouw zijt geweest,quot; d. i. omdat gij uwe verplichtingen als lid der Broederschap trouw hebt nageleefd, omdat gij een goede zoon, goed echtgenoot, goed vader geweest zijt. omdat gij u over mij niet geschaamd hebt bij de menschen, omdat gij aan uwe broeders een goed voorbeeld hebt gegeven, „zal ik u over veel aanstellen: „quia super pauca f uisti fidelis, super multa tt constituam.quot; (Matth. XXV, 21.) Maar M. B. daar worden er in de Broederschap der H. Familie ook gevonden, die meer dan anderen door God met natuurlijke talenten en bovennatuurlijke genaden bevoorrecht zijn, en ook deze zijn verplicht die te doen gelden. M. B. ik wil ter uwer stichting en aanmoediging u eens doen zien, hoe elders eenige leden van de Broederschap der H. Familie hunne talenten hebben doen gelden. Sommigen hebben gewerkt om de Broederschap der H. Familie in ts voe ren in plaatsen waar zij nog niet bestond ; anderen daarentegen hebben de H. Familie tot model geno-

ocr page 34

— 22 —

men, om nieuwe Vereenigingcn in het leven te roepen, die evenals de H. Familie oneindig veel nut sticliten.

Er bestaan in ons land ongeveer twee honderd vereenigingen van de Aartsbroederschap der H. Familie, en van dat getal zijn er verscheidenen, die hare oprichting te danken hebben aan de ijvervolle bemoeiingen van leden der Broederschap, die naar elders verhuisden en daar in hunne nieuwe woonplaats de Broederschap hielpen oprichten. Gelijk gij ziet, de liefde uit haren aard is mededeelzaam; zij is vindingrijk in hot zoeken naar middelen, om zooveel harten mogelijk aan hare vruchten deelachtig te maken. Doch, M. B. ik mag hierbij niet stilstaan; maar moet eindelijk nog opsommen de voornaamste Vereenigingen die aan de Broederschap der H. Familie haar ontstaan geheel of gedeeltelijk te danken hebben.

Onder die vereenigingen verdient op de eerste plaats vermeld te worden: de R. K. Militairen-Vereeniging in December 1856 opgericht, door toedoen van een lid der H. Familie. Deze vereeniging, oogenblikkelijk in tal van steden in Holland tot stand gebracht, dient om jongelingen die in den soldatenstand worden ingelijfd tegen de vele gevaren en verleidingen die zij loopen, te beveiligen.

Verder de R. K. Grezellenvereeniging die in April 1854 tot stand kwam, eveneens door de ijvervolle medewerking van een lid der H. Familie. Deze vereeniging stelt zich ten doel, de geestelijke belangen te behartigen van jeugdige werkgezellen en hun den weg te leeren kennen, dien zij moeten volgen, om later goede en fatsoenlijke werklieden te worden.

Eene instelling niet minder heilzaam dan de reeds vermelden, is de Congregatie van den H. Franciscus

ocr page 35

23 —

Xaverius, opgericht in Januari 1854, door een meester slotenmaker, ook lid der H. Familie. Deze vereeniging stelt zich ten doel, de arme zondaars op te zoeken en aan hunne bekeering te arbeiden. Van de zestien eerste leden dezer nieuwe vereeniging, die hunne eerste bijeenkomsten hielden in de werkplaats van den slotenmaker, waren allen op een paar na, leden van de Broederschap der H, Familie. Eindelijk de Congregatie van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria, die zich ten doelstelt, de moeder Gods in dit voor haar zoo eervol geheim te vereeren, vond bij hare oprichting in 1851, eene krachtige medewerking in twee ijverige leden der H. Familie.

Ziedaar M. B. het Apostolaat der H. Familie uitgeoefend door werken. Laat ons dikwijls ons herinneren aan deze heerlijke vrucliten van het Apostolaat onzer Broederschap ; niet om ons te verhoovaardigen, maar om ons op te wekken, om meer en meer onze krachten en onzen invloed aan den dienst van het goed te wijden. De geschiedenis van het verledene strekt ons ten bewijze, dat onze Broederschap geroepen is, niet uitsluitend om enkel het welzijn harer leden te bevorderen, maar ook, en wel vooral, om haren invloed te doen gelden in den huiselijken en maatschappelijke!! kring. M. B. welke verheven taak heeft God u opgelegd!— welke verheven roeping is u te beurt gevallen vooral in onze ongelukkige dagen van ongeloof en zedebederf! Laat ons God en de H. Familie vurig bedanken voor de eer en onderscheiding die ons te beurt is gevallen, leden te mogen zijn eener Broederschap die zooveel nut sticht in de wereld. Laat ons met nederigheid en geloof de taak vervullen, die God ons heeft toequot; vertrouwd, en laten wij geen enkele gelegenheid voorbijgaan om goed te doen. Zoodoende kunnen wij

ocr page 36

♦

— 24 —

talrijk als wij zijn, menige smart lenigen, menigen

afgedwaalde op den goeden weg tsrugbrengen, en

aanspraak maken op het loon, dat Grod voor de

arbeiders in zijnen wijnberg heeft weggelegd. Amen-

Het

I. 2 II. £

---------■

Zo

nerin

nog

reeds

men

herdlt;

doen

waai

had.

Davi

„Cog

ocr page 37

Het Jubelfeest van de Broederschap der H. Familie, levert ons:

I. Stof tot vreugde en blijdschap. II. Stof tot nadenken en behartiging.

Interroga generationem pristinam cl diligenter investiga patrum memoriam. ()ndevvraag het vroegere geslacht en raadpleeg zorgvuldig der vaderen gedachtenis. (J0^* VIII. 8.)

Zoet voor \'s mensohen hart is doorgaans dc herinnering aan vroegere dagen ; men denkt, men spreekt nog zoo gaarne over zaken en gebeurtenissen, die reeds lang tot het verleden behooren en waarvan men in persoon getuige of toeschouwer was. Zoo herdacht het volk van Israel met vreugde en voldoening de dagen van vroeger, alsmede de weldaden waarmede God eertijds hunne voorvaderen overladen had. Zoo ook herinnerde zich de koninklijke profeet David, met blijdschap aan de dagen van vroeger \'• „Cogitavi dies antiquosquot; (Ps. LXXVI. 6.) en aan de werken

ocr page 38

— 2fi —

die God vroegev ten zijnen dienste verricht had: „Manor fui opervm Deiquot; (il)id. 12.) Maar ook gij M. B. hebt reden tot vreugde en blijdschap ; ja gij moogt juichen en jubelen op dezen heugelijken dag, den

gedenkdag van.....Want M. B. de . . .. heengevlogen

jaren, zijn voor u geweest vruchtbare, zegenrijke jaren; jaren van overvloed in verdiensten en genaden. Te recht mogen wij onze Broederschap de gewijde woorden in den mond leggen, die eertijds in eene vervoering van vreugde en dankbaarheid, van de lippen vloeiden van Maria. Jesns\' moeder; fecit viihi magna qui poiens ext. Hij die machtig is heeft mij groote dingen gedaan.quot; Ja, in waarheid God heeft aan de Broederschap der H. Familie, gevestigd

te.....groote dingen gedaan. Ondervraagt eens hen,

die het geluk genieten, of liever het voorrecht hebben, getuigen geweest te zijn barer oprichting; ja, ondervraagt eens die eerstelingen der Broederschap

thans nog..... in getal, die haar geboren zagen

worden, die haar hebben zien aanwassen, die in al hare lotgevallen mochten dealen ; zij zullen u zeggen beter dan ik, wat al zegeningen en genaden zoowel stoffelijke als geestel jke. God in die . . . jaren over de Broederschap en hare leden heeft uitgestort.

M. B. gij die dezen avond hier vergaderd zijt om het.... jubelfeest uwer Broederschap te vieren , gij stelt er zeker belang in, de beteekenis van dit feest eens wat meer van nabij te leeren kennen. Wij zullen zien in ons eerste punt dat de gedenkdag van het.... jarig bestaan uwer Broederschap terecht een jubeldag is ; dewijl hij ons stof levert: tot vreugde en blijdschap, en in ons tweede punt, een beteekenisvolle dag, die ons stof levert ; tot ernstig nadenken.

Gij, veteranen der Broederschap, zult in deze feest-

ocr page 39

— 27 -

reden overvloedig stof vinden tot troost en voldoening, — en gij, jongeren van dagen, menige les, menig voorbeeld ter navolging en behartiging. Brengen wij eerst onze gewone hvilde aan bet H. Drietal Jesus, Maria, Joseph, ter wier eer wij vergaderd zijn, en smeeken wij hen, uit deze feestreden de noodige vrucht te mogen trekken.

I. Het was de ... . van het jaar .... dat.... in deze kerk den kansel beklom en eene toespraak hield, waarin hij de mannen en jongelingen van de parochie uitnoodigde, eens aandachtig toe te luisteren naar hetgeen hij zeggen ging. Onnoodig te zeggen dat aller aandacht gespannen was. En wat maakte hij hun dan bekend\'? Het plan, om in deze kerk eene nieuwe Broodeischap op te richten, ter eere van Jesus, Maria en Joseph, namelijk: de Broederschap der H. Familie; hij legde hun het doel, het karakter der Broederschap bloot, en spoorde iedereen aan, zich daarin te laten opnemen. En zoo werd den.... de Broederschap der H. Familie, in deze parochie kerkelijk opgericht. Het was in de orde van den tijd de .... die in ons land tot stand kwam; de .. . . in de provincie, ongeveer .... jaren nadat de Aartsbroederschap te Luik hot daglicht zag. Al aans\'onds toonde God, hoe aangenaam hein die nieuwe stichting was, door het groot aantal uitverkorenen, die Hij tot de eerste vergadering opriep. Omstreeks.... mannen en jongelingen, maakten de kern uit der nieuwe Broederschap, de de grondstoffen van een gebouw, waaraan in den loop der jaren, nog zoovele anderen ter opname zouden komen aankloppen, M. B. laat ons hier een oogen-blik stilstaan. Ik vini namelijk eene treffende overeenkomst tusschen de eerstelingen uwer Broederschap en tusschen het volk van Israel. God koos zich in

ocr page 40

het üud Verbond een volk, waardoor hij op eene bijzondere wijze wilde gediend en geëerd worden; dat volk moest ten voorbeelde strekken aan alle andere volkeren, terwijl bij dat volk de-begrippen van geloof en zedelijkheid, moesten bewaard blijven. Hetzelfde heeft God eenigermate gedaan ten opzichte van u. .. Te elegit Dominna Deus tuus, ut sis ei populvs peculiaris. (Deut. XV, 6.) De Heer heeft u uitverkoren, opdat gij Hem zoudt roezen een hijzonder volkquot; ; opdat gij te midden van het bederf en de goddeloosheid der wereld waarin gij leeft, G)d zoudt dienen en door woord en daad, anderen tot voorbeeld zoudt strekken ; „ Quia popuhis sanctus es, Domino Deo tuo.quot; (Ibid. XII, 6.) M. B. gij, die bij de oprichting der Broederschap tot haar zijt toegetreden, gij waart, zoo als gij ziet, vanaf het begin het uitverkoren volk Gods. Toen de Broederschap der H. Familie eenmaal gevestigd was, sprak God over haar zijn zegen uit; „Benedictus eris inter omnes popidos.quot; Wees gezegend onder alle volkeren der aarde; (Ibid. VII, 14.) Gezegend zoowel in uwe stoffelijke als geestelijke belangen; „henedicetque fructui terrae, frumento tuo atque vendemiae gezegend in de vruchten der aarde en in uw graan; „armentis et gregibus ; in uwe kudden en in uw vee. Ja M. B. zegt mij eens hebt gij dien zegen Gods niet dikwijls duidelijk waargenomen ? Welnu weet, dat die zegen Gods u te beurt valt, als zijnde zijne bevoorrechte kinderen, leden van de Broederschap der H. Familie. „Diliget te ac multiphcabit.quot; Hij zal u blijven beminnen en voortgaan zijne zegeningen over u uit te storten, Hij zal vooral u vermenigvuldigen. Nu, een talrijk kroost is altijd beschouwd geworden als een groote zegen van God, en dien zegen ook mogen wij ons toekennen. Luistert eens. Ongeveer .... leden tel-

ocr page 41

de de Broederschap reeds bij hare oprichting ; . .. . bij de eerste plechtige opdraoht.En als ik in dit tijdsverloop van .... jaren alle leden bijeentel, die in den schoot onzer vergadering zijn opgenomen, dan overschrijd ik het getal ....

Naarmate onze Broederschap toenam in getalsterkte, nam zij ook toe in aanzien voor het oog der wereld. Tal van deftige ingezetenen der parochie rekenden het zich tot eene eer het lidmaatschap dei-Broederschap te aanvaarden. M. B. passen hier niet de woorden der H. Schrift? „Exaltahitur et elevabitur et sublimis erit val.dequot; (Isai. Id. 13). Ja, God heeft uwe Broederschap verheerlijkt en verheven, zelfs voor het oog der wereld ; en die onderscheiding haar ten deel gevallen, is een bewijs dat men hare verdiensten op prijs stelt, Den 12 Juli 1869, werd te Luik het feest gevierd van het 25 jarig bestaan der Aartsbroederschap ; alle bestaande Broederschappen werden uit-genoodigd ter bijwoning der feestelijkheid. Dien dag waren 1500 mannen te Luik vereenigd, om het 25 jarig bestaan der Aartsbroederschap, daar ter stede te vieren. Van die 1500 man leverde Holland en België er G00; terwijl 26 Bestuurders der Broederschap het feest door hunne aanwezigheid opluisterden. M. B. ik wil over dien heugelijken gedenkdag niet verder uitweiden ; maar u enkel wijzen op eene tweevoudige onderscheiding, die de Broederschap in het algemeen, op dien dag te beurt viel ; eene onderscheiding waaraan ook

de H. Familie van.....haar deel heeft; vooreerst

den Pauselijken zegen, door den Generalen Overste der Congregatie van den Allerheiligsten Verlosser te Rome, bij die gelegenheid van Pius IX gevraagd en bekomen. Pius IX voldeed gaarne aan dat verzoek ; hij die in 1S71 bij monde van zijnen nuntius bij het

ocr page 42

— 30 —

Belgisch hof, deze gedenkwaardige woorden sprak; „Ik draag de Broederschap der H. Familie eene gansch bijzondere liefde toe.quot; Eene tweede onderscheiding is de lof, dien de toenmalige bisschop v. Luik Mgr. de Moatpellier, die genoemde plechtigheid voorzat, de congregatie toevoegde: „Ew. Paters, zoo sprak de bisschop, tot de Paters Redemptoristen van Luik, de H. Familie is het grootste werk dat uwe Orde in België tot stand gebracht heeft; houdt er zorgvuldig de hand aan.quot; M. B. ben ik na alles wat wij tot dusverre gezien hebben, niet gerechtigd, de woorden te herhalen die ik in het begin dezer feestreden u toesprak : dat het.....jubelfee.it van de broederschap

ons stof geeft tot vreugde en blijdschap. Er is echter nog eene andere beweegreden dit ons tot vreugde en blijdschap gerechtigt, namelijk ; het goed dat door de Broederschap der H. Familie, in de ... jaren van haar bestaan, geheel of gedeeltelijk tot stand is gekomen. Ik treed niet in eene geregelde opsomming, maar bepaal mij slechts tot enkele punten.

1. Het valt niet te ontkennen, dat door den invloed der H. Familie, het godsdienstig gevoel in de huisgezinnen en parochiën merkbaar is toegenomen; dit blijkt o. a. uit het veelvuldig naderen tot de H. Sacramenten, uit het vieren der kerkelijke feesten, uit de devotie tot de allerheiligste Maagd Maria. Ja M. B. de parochiale Geestelijkheid verklaart uitdrukkelijk,dat het goed voorbeeld van de leden der H. Familie, eenen gunstigen invloed uitoefent op den toestand der parochiën.

2. De Broederschap draagt verder niet weinig bij tot ontwikkeling en instandhouding van het christelijk familieleven. Koevele hoofden van huisgezinnen toch, hebben hier in de vvekelijksche conferentiëa licht en raad

ocr page 43

geput, om hun huisgezin in godsdienst en deugd te bestieren. Ook deze verklaring wordt meermalen uit den mond van huisvaders vernomen.

De Broederschap eindelijk is eens kweek-eene leerschool geweest voor alle klassen van menschen, voor alle stan-ien der maatschappij. Hier zijn gevormd, tal van brave huisvaders die de beginselen van gods-dienst en deugd, in do Broederschap opgedaan, later in den huiselijken kring hebben overgebracht; — hier hebben zoovele minderen en onderhoorigen, het middel, de kunst geleerd, om zich in hunnen staat te heiligen; — hier hebben zoovele jongelingen eene veilige schuilplaats gevonden tegen de verleiding der wereld ; — hier heeft men hun de wapenen gegeven om zegenrijk hunne driften en hartstochten te bestrijden. Hoe menig zondaar vond hier de genade der bekeering, hoe menig bedroefd hart, troost en opbeuring, hoe menige arme en noodlijdende, geduld en gelatenheid in zijn lot? En dat alles, ja nog veel meer is men verschuldigd aan de Broederschap der H. Familie.

Voor hoevelen ten laatste, is de broederschap der H. Familie geweest, eene leerschool voor eenen goeden dood I Ongeveer .... uwer medebroeders zijn in den loop van .... jaren door den dood u ontrukt. En welk een dood ? Door den dood der gelukzaligen. Ik roep u allen tot getuigen ter bevestiging van hetgeen ik zeg. M. B. zijt gij niet telkens gesticht geweest bij het sterfbed van een medebroeder, en zeidet gij heengaande niet bij u zeiven : O ! mocht ik eenmaal zoo kalm en zoo tevreden sterken ! Ik voor mij, ben telkens getroffen geweest als ik een zieken medebroeder der H Familie op zijn sterfbed bezocht, ja benijdde dikwijls zijn geluk. Nog eenmaal, de Broederschap der H. Familie is do leerschool voor eenen

ocr page 44

— 32 —

zaligen dood. M. B. verteugt en verblijdt u; die.....

overleden medebroeders zijn in den hemel uwe beschermers, die, zooals ik hoop bij God de belangen der Broederschap zullen voorstaan, en voor u en voor mij eenen zaligen dood zullen verwerven.

II. Levert het huidig feest ons stof tot vreugde en blijdschap, het levert tevens stof tot nadenken en behartiging. Uit het gezegde valt gemakkelijk af te leiden, dat het eeno groote eer, eene buitengewone onderscheiding is, lid te wezen van de Broederschap der H. Familie. Zorgt dan dat gij u die onderscheiding waardig maakt, door getrouwe plichtsbetrachting. De Broederschap der H. Familie is als een zware boom, rijkelijk voorzien van takken en bladeren.

Maar mag ik u eens iets vragen ? Zijn aan dien boom uwer Broederschap geene dorre takken, geen doode ^ bladeren ; d. w. z. geen gansche afdeelingen of\' enkele leden die hun lidmaatschap onwaardig zijn, zoogenaamde naanleden die zelden of nooit aanwezig zijn ? (rij kent de gelijkenis van het Evangelie. Zeker iemand bad een vijgeboom geplant, in zijnen wijngaard, en hij kwam vruchten daaraan zoeken, doch vond er geene. En hij zeide tot den wijngaardenier; Zie, het zijn nu reeds drie jaren dat ik vruchten verwachtte van dezen vijgeboom, en ik vind er geene. Houw hem dus om, waarom beslaat hij den grond ? Doch deze ant woordde en zeide tot hem : Heer, laat hem nog dit jaar staan, totdat ik rondom hem gespit en mest gelegd heb, en brengt hij vruchten voort, \'tis wel; zooniet, dan zult gij hem tegen het volgend jaar omhouwen. M. B. dpze gelijkenis vindt eenigermate hare toepassing in de Mroederschap. Aan den boom der Broederschap be vinden zich dorre takken en doode bladeren; — gij weet wat al moeite men zich gegeven heeft daarin de le-

ocr page 45

— 33 —

vensgeesten wederom op te wekken. Evenals de heer van den wijngaard heeft men jaren lang geduld gehad, doch de tijd zal komen dat men die dorre takken af zal houwen. Moge het huidig feest dat wij vieren, den verslapten ijver ia sommige afdeeliugen en leden weder opwekken ! — en moge genoemd feest voor allen tevens een punt van ernstig nadenken zijn.

Verder druk ik u allen op het hart de eensgezindheid en onderlinge liefde ; eene deugd, die de grondsteen is der Broederschap. God verhoede, dat de geest van onverdraagzaamheid in de Vergadering binnen sluipe, want geschiedde dat, dan ging zij haren ondergang onfeilbaar te gemoet. Moge die gulle hartelijkheid, die tot dusverre ia de Broederschap geheerscht heeft, tusschen de leden eener afdeeling onderling, alsmede tusschen leden en perfecten, blijven voortbestaan, dan bezit gij een waarborg voor de instandhouding, den bloei en aanwas uwer Vergadering; immers „eendracht maakt macht;quot; maar is tevens ook ei;n waarborg van vrede en geluk. „ Quam jucundum, habitare fratres in unum.quot; (Ps. CXXXII, 1.)

Eindelijk M. B. vinden wij nog stof tot nadenken, met betrekking tot de vervulling der plichten van onzen staat. E n lid der H. Familie is gehouden, de vervulling der plichten van zijnen staat, met eene bijzondere zorg te behartigen, en zich dikwijls dio plichten voor oogen te stellen. Welke schoone gelegenheid, heden op het jubelfeest onzer Broederschap, zich het H. Huisgezin van Nazareth voor te stellen, en aan dat H. Drietal een voorbeeld te nemen ! Mannen, leert van den H.Joseph, wat gij als echtgenooten en vaders te doen hebt. Jongelingen en kinderen, zij Jesus u een voorbeeld in de vervulling der plichten jegens uwe ouders. Eindelijk allen, wie gij zijt of niet, leert

3

ocr page 46

- 34 —

van Jesus, Maria en Joseph, de heiliging van uwen arbeid. 0 ! wat zou uw arbeid in verdienste winnen en wat zou hij van vele menschelijke zwakheden gezuiverd worden, indien gij in uwen arbeid aan Jesus, Maria en Joseph, een voorbeeld naamt; indien gij namelijk evenals zij arbeidet met eene goede meening, met geduld en onderwerping aan den wil Gods. M. B. deze en andere punten, stel ik bij gelegenheid van het huidig feest aan uwe overweging voor ; opdat het begin van een nieuw tijdperk, dat uwe Broederschap gaat intreden, voor allen het begin of de vernieuwing zij van een nieuw leven, als lid van de Broederschap der H Familie.

Nog een tweevoudig woordje alvorens te eindigen. Vooreerst een woordje van dank, aan de prefecten en onderprefecten der H. Familie. Dank voor alle moeiten en zorgen, die zij zich geven in het bestier hunner afdeelingen; dank ook aan de leden der Broederschap, voor hunne trouws opkomst en ijverige bijwoning dezer feestelijkheid ; dank eindelijk aan allen, voor het vertrouwen en de genegenheid, mij persoonlijk geschonken. — Ten slotte nog een wensch. Een wensch vooreerst voor de oudere leden. M, B. ouderlingen onzer Broederschap, die sedert.... jaren deel uitmaakt van de Broederschap der H. Familie, geve God u de genade, om nog jaren lang in de gelederen der Broederschap te dienen, en uwe jongere medebroeders door woord en voorbeeld aan te moedigen en te stichten. En gij, die meerdere of mindere dienstjaren telt, moge dit huidig jubelfeest meer en meer de banden vernauwen, die u aan de vereeniging binden, door vernieuwing of vermeerdering van ijver. En gij nieuwe leden, die na weinige oogenblikken door het uitspreken uwer opdracht, in ons midden gaat opgenomen worden, u

ocr page 47

- 35 —

wensoh ik toe, moed en Ijver bij het bejin uwer nieuwe loopbaan. Draagt toch zorg dat het slecht voorbeeld van sommigen voor u niet aanstootelijk zij; maar dat gij allen u beijvert door het goed bijwonen der wekelijksohe vergaderingen, uwe belangstelling voor de Broederschap aan den dag te leggen. Allen eindelijk wensoh ik toe, de genade der volbarding. Moget gij allen die aan dit feest hebt deelgenomen, volharden in uwe verheven roeping, moget gij allen onder de bescherming van Jesus, Mari i en Joseph leven, onder de aanroeping dier gezegende namen sterven, en eenmaal met die.....overleden medebroeders die u zijn voorgegaan, u voor eeuwig in het gezelschap van Jesus, Maria en Joseph verheugen. Amen.

ocr page 48

Generale Communie bij de sluiting der driedaagsche Oefening.

Jam non dicam vos servos, vos autem dixi amicos. Ik zal u niet meer dienstknechten heeten, maar ik heb u vrienden genoemd. (Joan. XV. 15.)

M. B. het is ongeveer .... jaren geleden, dat hier in deze kerk, de Broederschap werd opgericht der H. Familie; toen evenals thans, dezen morgen, ver-eenigden zich de leden der nieuwe Broederschap in deze kerk, tot het bijwonen eener generale Communie, Hoe treffend moet die eerste generale Communie der Broederschap geweest zijn ! — maar bovenal hoe beteekenisvol! \'t Was als het ware een plechtig verbond, dat de Broederschap der H. Familie, toen aanging metjesusin zijn H. Sacrament ; een verbond, bezegeld en bekrachtigd met Jesus\' bloed, om volgens de regels en statuten der Broederschap, ieder in uwen staat, christelijk en deugdzaam te leven; terwijl Jesus Zijnerzijds, u van toen af als zijne bevoorrechte vrienden beschouwde, en op eene gansch bijzondere wijze, u aan Zijnen liefdedienst verbond. Dat verbond tussehen Jesus en u, zooals gij ziet.

ocr page 49

- 37 —

is een waarachtig liefdeverhond. Bij elke generale Communie, wordt dat liefdeverhond nog eens bekrachtigd ; — eveneens nu, dezen morgen. Doch deze generale Communie heeft een eigenaardig karakter, zij is namelijk eene zoete en plechtige herinnering, aan het 25jarig verbond, tnsschen Jesus in zijn H. Sacrament, en de leden der H. Familie aangegaan. M. B. laat mij eens eenige oogenhlikken met u dat liefdeverhond bespreken.

Geen voortreffelijker middel had Christus kunnen bezigen, om met u een verbond aan te gaan, dan het H. Sacrament des Altaars. Het verbond immers dat Hij met een ieder uwer sloot, bij gelegenheid uwer intrede in de Broederschap, was een liefdeverhond, en waar kon dat beter gesloten worden dan in het Sacrament zelf zijner liefde. De andere Sacramenten zijn bewijzen dat God ons lief heeft, het zijn enkel gaven, geschenken van God. Maar in dit H. Sacrament, ontvangen wij den Gever, God zeiven. Eene ziel in staat van genade is met J. C. vereenigd, maar die vereeniging is niets, in vergelijking met die, welke er plaats heeft tusschen eene ziel en tusschen Jesus in zijn Sacrament van liefde. De ziel smelt als het ware weg in Jesus, evenals een druppel water zich verliest in den oceaan, en zich daarin oplost. Uw verbond met Jesus in zijn Sacrament van liefde, is dus zooals gij ziet, vooreerst een innig en nauw verbond. „Dilectvs meus mihi et ego UILquot; (Cant. II. 16)\'t Is nog een vertrouwelijk, een gemeenzaam verbond. Een der grootste bewijzen van vertrouwelijkheid en gemeenzaamheid in de wereld, is door iemand aan tafel te worden uitgenoodigd. En die vertrouwelijkheid is te grooter, naarmate het verschil grooter is tusschen gastheer en gast. Nu M. B. eene oneindig grootere ver

ocr page 50

_ 38 -

trouwelijkheid gaat Jesus u heden betoonen, Hij gaat het verbond dat Hij met u heeft aangegaan, door een maaltijd bekrachtigen en bezegelen; Hij gaat u zijn eigen goddelijk Vleesch en Bloed tot spijs en drank uwer zielen geven; ja zijne gemeenzaamheid is zóó groot, dat Hij zelf in persoon aan zijne tafel u uitnoodigt. „Venite ad mequot; ; — Zelf u bedient, ja uw gastheer en spijze tevens is. \'t Is om zoo vertrouwelijk mogelijk met u te zijn, dat Hij zijne waardigheid, zijn grootheid onder broodsgedaante verbergt; — Hij verbergt nog zijne glorie, zijn lichaam, zijne ziel, zijne Godheid ;— niets vertoont hij dan den sluier zijner goedheid. Hij verkleint, vernedert en vernietigt zich zeiven, opdat wij toch geen vrees noch angst voor hem zouden hebben. Vandaar dan ook, dat niemand bevreesd is in de kerk voor Jesus te verschijnen, zij staat voor allen open; men weet dat men zich tot een teederen vader begeeft, die ons afwacht om ons wel te doen en vertrouwelijk met ons te verkeeren. Met veel meer recht dan de joden mogen wij dus uitroepen: „Quctm bonus Israel Deus.quot; (Ps. LXXII. 1.) Het verbond tusschen Jesus en u, is niet slechts een innig en vertrouwelijk; — maar ook nog een bestendig, een onverbreekbaar verbond. Hij zelf toch heeft het gezegd, bij monde van den H. Mattheus; „Ecce ego vobiscum sum omnibus diebus, usque adfinem saeculi.quot; (Matth. XXVIII. 20) Neen, wij hebben niet meer van noode evenals weleer de leerlingen van Emmaüs, tot Jesus te zeggen; „Mane nohiscum JDomine.quot; Blijf bij ons Heer, (Luc. XXIV. 29) dewijl Hij met ons is en blijft, tot het einde der wereld. Jesus is hier ter onzer beschikking, zoowel bij dag als bij nacht immer is hij bereid ons te ontvangen, ons verzoek aan te hooren, ons met zijne genaden te verrijken. Het liefdeverbond,zooals wij gezien hebben, met Jesus aangegaan, is van de zijde

ocr page 51

— 39

van Jesus een innig vertrouwelijk en bestendig verbond. Welke eigenschappen nu moet dat verbond hebben van uwe zijde ? Ook van uwen kant moet het wezen, vooreerst een innig een teeder verbond. Liefde vraagt Jesus van allen, die Hem in zijn H. Sacrament komen oatvangen, maar van u vraagt Hij eene bijzondere liefde. U heeft hij onder duizenden uitgekozen en geroepen tot eene Broederschap, die Hem zoo dierbaar is; u noemt hij niet zooals anderen, zijne dienaren, maar zijne vrienden; met u heeft Hij een liefdeverbdnd aangegaan, — meer dus dan anderen moet gij Hem liefhebben en beminnen, veelvuldiger Hom bezoeken, dikwijler tot Hem verzuchten, maar vooral zóó leven dat gij u waardig maakt Hem dikwijls te kunnen ontvangen. Die liefde moet ten tweede nog vergezeld gaan van een groot vertrouiven en minzaamheid. In het O. V. wilde God gediend worden uit vrees. Hij had, op zijnen tempel geschreven : „Pavete ad sanctuarium meum.quot; Siddert hij de intrede van mijn huis.quot; (Levit. XXVI. 2.) In hel N. V. is het anders. De Nieuwe quot;Wet is de wet der liefde. Hij heeft, om ons tot vertrouwen op te wekken, op zijn tabernakel deze woorden geschreven : „Komt allen tot mij, en ik zal u verkwikken.quot; (Matth. XI. 28.) Komt; want ik ben zachtmoedig en ootmoedig van harte. Tijdens zijn leven had Hij zich den naam verworven van „goedenquot;; zijne leerlingen, ja zijne vijanden zei ven noemden Hem,, Goeden meesterquot;t „inagister Soraquot;.quot; quot;Waarom zoudt gij dan bang en bevreesd zijn, tot Hem te naderen ? Is een kind wel bevreesd zijn vader te naderen, — is een vriend wel bevreesd wanneer hij zijnen vriend moet ontvangen? quot;Welnu zijt gij dan niet de vrienden, de broeders, ja de kinderen van Jesus ! „Sentite de Domino in honitatequot;. (Sap. I. 1.) Nadert dus tot Hem, met een groot, een onbegrensd vertrouwen ;

ocr page 52

- 40 -

want hoe minzamer, hoe vertrouwelijker uw omgang met Jesus is, des te overvloediger zult gij aan zijne zegeningen deelachtig worden. Eindelijk M. B. weest getrouw aan het verbond, met Jesus aangegaan tot aan uwen dood. „Esto fidelis usque ad mortem.quot; (Apoe. II, 10.) Jesus zal Zijnerzijds het verbond niet verbreken ; „Jura-vit Doniinus, et non poenitebit eum(Ps. CIX, 4.) indien gij van uwe zijde daaraan maar niet ontrouw wordt. Hoe kan dat geschieden ? Door de zonde. Ja, door de zonde wordt gij ontrouw aan uwe beloften, verbreekt gij het liefdeverbond met Jesus en onteert gij uwe waardigheid van lid der H. Familie. M. B. gij, die bij gelegenheid uwer aanneming in de Broederschap, met Jesus in Zijn Sacrament van liefde, een verbond hebt aangegaan, gij gaat zoo aanstonds door de H. Communie dat verbond nog eens bekrachtigen en vernieuwen, — en gij nieuwe leden die dezen avond in de Broederschap gaat opgenomen worden, gij zult aanstonds Jesus beloven, dat gij onder de hoede van Jesus, Maria en Joseph, als deugdzame christenen, als voorbeeldige leden der Broederschap wilt leven, om eenmaal als uitverkorenen te mogen sterven. Knielt nu allen neder, om gezamenlijk met mij in den geest de dankzegging te doen-

UAIKHSBEeCillVCi.

Met meer recht nog dan zooeven mag ik u als gelukwensching, mijne tekstwoorden herhalen.- „Jam non dicam vos servos, vos autem dixi amzcos.quot;(Joan. XV,15) Nu, als vrienden van Jesus kunt gij op bijzondere genaden aanspraak maken.

1. Op eene bijzondere verlichting, om den weg, die naar den hemel leidt, te leeren kennen ; immers

ocr page 53

- 41 —

gij bezit in uw hart Hem die -zich noemt de weg: „Ego mm via.quot; (Luc. XIV. 6.)

2. Op kracht en sterkte, om alle hinderpalea op dien weg te overwinnen . . . „Omnia possum in eo qui me confortat.quot; (Philip. IV. 13.)

3. Op een bijzonderen bijstand iu gevaren en bekoringen .....

4. Op hulp, om de plichten van uwen levensstaat behoorlijk na te leven en te vervullen.....

6. Op een bijzonderen zegen Gods over uwe tijdelijke en stofielijke belangen.

M. B. ik verklaar uit naam van God, dat Hij het verbond, dat gij met Hem thans aangegaan of vernieuwd hebt, aanneemt, en dat Hij niets vuriger wenscht, dan u tot uwen dood in onze Broederschap te zien volharden.

Ook ik dank u persoonlijk, voor uwe ijverige deelname aan de generale Communie, en ik uit den wensch dat het huidig jubelfeest voor uwe Vereeniging moge wezen, eene nieuwe bron van zegen en geluk, en voor eenieder uwereen nieuwe spoorslag, ter behartiging uwer verplichtingen als leden der Broederschap.

Laat ons ten slotte gezamenlijk een Onze Vader en Wees Gegroet bidden, om God te danken voor alle zegeningen, gedurende deze .... jaren over de Broederschap der H. Familie uitgestort,

Verder een Onze Vader en Wees Gegroet vooralle overleden medebroeders.

Voor allen die deelgenomen hebben aan de generale Communie.

Voor alle zieken der Broederschap.

Voor de nieuwe leden.

Voor Paus Leo XIII, den beschermer der Broederschap.

Voor Kerk en Staat.

ocr page 54

Reeks van Preeken, bij gelegenheid van de plechtige Opdracht van de nieuwe leden der Broederschap

V.

(Jesus, Maria. Joseph uw toonbeeld, in het naleven der plichten van uwen staat.

Imitator es mei estote. Weest mijne navolgers. I Cor. XL 1.

Als in een huisgezin, in eene familie, het getal leden met één vermeerderd wordt, is men verheugd, men is blijde. Vaderen moeder danken God, die hunnen eeht op nieuw heeft gelieven te zegenen ; — ooiv de kinderen verwelkomen met vreugde hunnen nieuwen medebro -der of zuster, — in één woord, een geboortedag is voor het gansehe huisgezin een dag van vreugde, die ieder jaar in den kring der familie feestelijk herdacht wordt. Zouden dan ook wij niet met evenveel recht, feestelijk mogen herdenken, den dag, waarop zoo niet allen, ten minste de meesten uwer, lodon zijn geworden onzer Broederschap, b.ivoorreohte kinderen van Jesus, Maria en Joseph! De dag van heden

ocr page 55

- 43 —

mag voor n oude leden, terecht een feestdag heeten ;— feest ook is het heden voor u, nieuwelingen die dezen avond door de plechtige opdracht, in den schoot onzer Broederschap gaat opgenomen worden; — feest is het voor de Broederschap zelve die zich heden verheugt in de aanwinst van .... nieuwe leden; feest is het in den hemel, waar zoo vele onzer afgestorven medebroeders, zoo vele oud-leden der H. Familie zich dezen avond in den geest bij ons aansluiten en in onze vreugde deelen. Maar vooral wie zal ons zeggen wat er heden omgaat in de Harten van Jesus, Maria en Joseph, die doorluchtige patronen en beschermers onzer Vergadering. M. B., ik treed dezen avond op, als do tolk van Jesus, Maria en Joseph, en wensch u uit hunnen naam van harte geluk, op den verjaardag uwer B. Opdracht; terwijl ik hoop en vertrouw dat gij tot aan uwen dood, in den dienst van Jesus, Maria en Joseph, zult volharden. Doch ook u, nieuwelingen, wensch ik geluk bij gelegenheid uwer toetreding tot onze Broederschap; toont in de toekomst door een stichtend en voorbeeldig gedrag, dat gij het lidmaat schap onzer Broederschap waardig zijt. —■ Jesus, Maria en Joseph, ziedaar uw model, uw voorbeeld, dat gij immer voor oogen moet houden. Om u daaraan voortdurend te herinneren, is de beeltenis van Jesus, Maria, Joseph aangebracht op de gezegende medaille die gij gaat ontvangen — diezelfde beeltenis prijkt op het diploom dat u gaat uitgereikt worden, — in het handboekje waaruit wij onze oefeningen houden, eindelijk op het vaandel der Broederschap. „Imitatore.i estate:quot; „Weeat onze navolgers,quot; — ziedaar den kreet, dien zij u zoo dikwijls toeroepen. Ziedaar het doel waarnaar gij allen moet streven. Ziedaar den geest onzer Broederschap. Ziedaar eindelijk den korten inhoud dezer toespraak.

ocr page 56

— 44 —

Met andere woorden ik ga n aantoonen: „dat een waardig lid onzer Broederschap, in Jesus, Maria en Joseph, een stichtend voorbeeld vindt ter navolging.quot;

Het doel onzer Broederschap, zoo zeggen onze regels en verordeningen, is de vereering van de H. Famjlie: Jesus, Maria en Joseph, en tevens aan de geloovigen van eiken ouderdom, geslacht en stand, eene heilzame gelegenheid te verschaffen, om met zei erheid den weg van het goed en van de deugd te bewandelen.

Ziedaar, zooals gij ziet, een tweevoudig doel, ter bereiking waarvan als middelen worden voorgeschreven : het gebed, de prediking van Gods woord en het veelvuldig naderen tot de H. Sacramenten. Een doel, zooals gij ziet, waarnaar allen met dezelfde middelen moeten streven. Doch, wanneer onze regels elders spreken van de verplichtingen, die daarenboven ieder medelid moet nakomen, dan wordt er eenig onderscheid gemaakt; want anders zijn de verplichtingen die op jongelieden, anders die op huisvaders en getrouwden berusten : de twee standen waaruit onze Vergadering is samengesteld. Jongelingen, u stel ik voor, tot toonbeeld en ter navolging, Jesus. Hij leert u welke uwe verplichtingen zijn en hoe gij die moet naleven. De jeugd wordt genoemd, de lente des levens, omdat zij evenals de lente onder de jaargetijden, het schoonste tijdperk van \'s menschen leven is. De lente wekt de hoop op van den landman; \'tis in de lente dat alles ontkiemt en opschiet; doch hoe vaak gebeurt het niet dat na eenige heerlijke lentedagen, plotselijk ruw weder, langdurige koude en vochtigheid optreedt) waardoor de hoop des landmans vernietigd wordt. Kortom de lente is een gevaarlijke, een bedriegelijke tijd. Vier zaken ook maken dat de jeugd, de gevaarlijkste tijd van \'s menschen leven is. Een jongeling

ocr page 57

— 45 —

is vooreerst zeer geneigd tot kwaad; daar komt bij eene groote onwetendheid en onervarenheid, hij laat zich verder moeilijk verbeteren en is eindelijk zeer onstandvastig in het goed. De jeugd is het tijdperk der driften; met het ontluiken der lichaamskrachten vertoonen zich ook de eerste sporen der hartstochten; eene verhitte quot;verbeelding, een vurig hart, de bekoorlijkheid der wereld, do aantrekkelijkheid der vermaken, het bewustzijn der vrijheid, het voorbeeld en de verleiding van anderen ; alles in één woord spant samen om den jongeling zedelijkerwijze te bederven en hem neder te storten in het alijk der zonde. Ouderen van jaren zullen ongetwijfeld mijne woorden staven; zij zuchten en treuren misschien nog over de uitspattingen hunner jeugd en roepen uit in weemoed des harten, met den koninklijken profeet; .,Delicta juventuiis meae et ignorantias meets ne memineris,quot; (Ps. XXV, 7.)

1) Eene eerste verplichting derhalve voor u is : „de heldhaftige beteugeling uwer driftenquot; ; en daartoe is noo-dig van uwen kant eene uiterst strenge ön voortdurende waakzaamheid. Waken moet gij over uwe zintuigen ; want \'t is daardoor dat de zonde toegang vindt tot het hart. „Ik heb een verbond aangegaan mei mijne oogen, zeide de H. man Job, van zelfs aan geene maagd te denken.quot; (Job XXI, 1.) Voegt daarbij: eene naarstige beoefening van het gebed. Eene hoofdbezigheid van Jesus gedurende zijn verborgen leven, zoo getuigen ons deH. Vaders, was de beoefening van het gebed. Het gebed is het groote middel, om zich voor de zonde te vrijwaren, het krachtigste wapen ter beteugeling der driften. Ik heb nog niet één jongeling gekend, die het gebed beoefende, die op zijn tijd bad en de jaren der jeugd niet in kuischheid en onthouding doorbracht. Eindelijk een derde middel: is „de vlucht der gelegenheden.quot; Jesus

i

li i.

ocr page 58

— 46 —

bracht de jaren zijner jeugd door, ver verwijderd van de wereld, in de stille eenzaamheid van den huiselij-J:en kring, te Nazareth in het gezelschap van Joseph en Maria. Jongelingen, wilt gij de zuiverheid des harten, den vrede des gewetens bewaren ; vlucht dan alles wat voor u oene gelegenheid tot zonde kan zijn. Vlucht den omgang van andere jongelingen, wier gedrag als ongodsdienstig en lichtzinnig bekend staat, vlucht vooral dezulken die immer godslasteringen, dubbelzinnige en oneerbare woorden in den mond hebben; jongelingen verder die overgegeven zijn aan den drank; vlucht verder bijeenkomsten, vermakelijkheden, uitspanningen, die zoo niet altijd zondig, tenminste gevaarlijk zijn. Wat ik u vooral ontraad, is dat druk bezoek der herbergen; daaraan heeft menig jongeling zijn ongeluk te danken. Gaat hen eens na die her-bergsgasten, die al den tijd, dien zij beschikbaar hebben, in de herberg doorbrengen, die geregeld tot laat in den avond of in den nacht daar vertoeven; het zijn allen verkwisters, dronkaards, ledigloopi\'rs, ongodsdienstig en slecht van gedrag. Jongelingen, neemt u toch in acht voor die rampzalige neiging tot drinken, waaraan zoovele ongelukkigen verslaafd zijn; niets wordt spoediger gewoonte, geene gewoonte is moeilijker uit te roeien dan die van den drank, welke den mensch naar ziel en lichaam ongelukkig maakt. Vlucht eindelijk de ledigheid, of beter gezegd maakt een goed gebruik van die uren en dagen die u gegeven worden, om van den arbeid, van het werk uit te rusten. Voor hoevelen zijn de vrije uren, de schofttijd, de zondagnamiddag, gelegenheden tot zonde.

2) Eene tweede hoofdverplichting voor u, jongelingen is: „uwe ouders ie eersn, te gehoorzamen, uehulp-zaam te zijn.quot; Wederom strekt Jesus u hierin tot

ocr page 59

— 47 -

voorbeeld. Geen zoon begreep beter, en beoefende volmaakter het gebod van zijne ouders te eeren, dan Je-sus, ten opzichte van Joseph en Maria. Het Evangelie drukt dit uit in korte, doch beteekenisvolle woorden.„i?!/ was hun onderdanig(Luc. II. 51) — in alles, en zoo volmaakt mogelijk, zoolang hij leefde. Helaas! wat vindt het voorbeeld van Jesus weinig navolging in onze dagen! Wat al ouders klagen, treuren, weenen over het wangedrag hunner kinderen, ten hunnen opzichte. — Ontaarde kinderen! vreest den toorn, do wraak Gods. Hij schijnt wel is waar vele ongerechtigheden ongestraft te laten, ééne zaak echter blijft nimmer ongestraft; de oneerbiedigheid van kinderen jegens hunne ouders. Jongelingen, eert uwe ouders en weest hun onderdanig; vooreerst in tijdelijke zaken. Hunne verlangens, hunne wenken, moeten bij u als geboden gelden; nimmer moogt gij hen spijtig en grof toespreken, nimmer klagen over het werk dat u wordt opgelegd, nimmer buiten hun weten hun iets ontnemen, of iets achterhouden wat u niet toekomt. Maar vooral als vader en moeder oud, ziek en gebrekkelijk geworden zijn, dan moet gij voor hen wezen, wat zij voor u geweest zijn in uwe kinderjaren; gij moet hen verzorgen, verplegen, in één woord, in alles behulpzaam zijn. Maar meer nog met betrekking tot uwe geestelijke belangen, moet gij naar hen luisteren, hun gehoorzamen. Uwe ouders zijn in geweten verplicht, de belangen uwer zielen te behartigen, — vandaar dat zij u nu en dan uwe gebreken moeten voorhouden, u verbeteren, waarschuwen, berispen en bestraffen; terwijl gij gehouden zijt die terechtwijzing gewillig te aanvaarden. Ik ga kortheidshalve meerdere punten stilzwijgend voorbij; op één punt echter, jongelingen, moet ik u nog opmerkzaam maken; de gehoorzaamheid

ocr page 60

— 48 —

namelijk die gij aan uwe ouders verschuldigd zijt bij het aangaan eener verkeering. O wat al leed en verdriet brengt soms eene verkeering niet te weeg in een huisgezin! Gij moet in het aangaan eener verkeering uwe ouders raadplegen, eene geheime verkeering, buiten weten der ouders, is ongeoorloofd en verboden; eene verkeering nog waar uwe ouders redelijkerwijze op tegen zijn, is eveneens verboden. O jongelingen stelt u toch niet in gevaar, met dezen wenk in den wind te slaan, een verkeerden stap te doen, die u voor tijd en eeuwigheid misschien ongelukkig maakt! — Ziedaar in het kort uwe verplichtingen, die ik op dezen feestdag, u in het geheugen heb willen roepen, die gij als leden onzer Broederschap gehouden zijt na te leven, en waarvan zoowel uw tijdelijk als geestelijk geluk afhangt. — Jongelingen, gij zijt de hoop onzer Broederschap ; — gij, mannen, huisvaders, echtgenooten, gij zijt de steun, het fondament, de grondsteen derzelve; duldt dat ik ook u, uwe verplichtingen voorhoud. Groot, verheven zijt gij, in uwe waardigheid van „huisvaders,quot; hoofden des huis-gezins. Gij zijt de plaatsbekleeders van God, gij zijt koningen in den kring uwer familie. De H. Joseph was het hoofd der H. Familie, en uit hoofde dier waardigheid, alhoewel hij overigens ver beneden Jesus en Maria stond, had hij recht op hunne onderdanigheid. In uwe hoedanigheid van christelijk huisvader, rusten op u groote en uitgebreide verplichtingen. Gelijk ik den jongelingen, in de naleving hunner verplichtingen, Jesus tot voorbeeld gesteld heb, zoo stel ik tot voorbeeld aan u, den H.Joseph, dien huisvader bij uitnemendheid. Joseph, zoo zegt ons het Evangelie, was: „een rechtvaardig manquot; Ziedaar in korte woorden, den grootsten lof dien men iemand kan toevoegen.

ocr page 61

— 49 -

Rechtvaardig immers beteekent: versierd met alle deugden. Ook gij huisvaders moet uit hoofde uwer waardigheid, deugdzaam rechtvaardig zijn. Al wie gesteld is, zegt de H. Grregorius, om anderen te verbeteren, moet zelf vrij van gebreken zijn. „Mundus esse a vitiis debet, qui curat aliena corrigere.quot; En inderdaad, hoe kan een vader zijne kinderen liefde inboezemen tot de deugd, als hij zelf daarvan verstoken is ? Deugd en braafheid in een huisvader versterken zijn gezag, en bezorgen hem eerbied en ontzag van den kant zijner kinderen. Ziedaar uwe eerste verplichting, als hoofden des huisgezins. Gij zijt verder echtgenoot, door den band des huwelijks op het innigst vereenigd met uwe vrouw; vandaar nieuwe verplichtingen. Uwe vrcuw heeft recht op uwe liefde en trouw. Grij moet haar met liefde behandelen, haar steunen en sterken, haar behulpzaam zijn; gij zijt verplicht, zoowel vreugde als leed met elkander te deelen, elkanders fouten en gebreken met geduld te verdragen en immer, zoowel in het bestuur van het huishouden, als in de zorg en opvoeding der kinderen, met elkander overeen te stemmen; in één woord altijd en in alles eensgezind te zijn. Waar eensgozindbeid heersoht tusschen man en vrouw, daar is vrede, voorspoed en zegen; waar integendeel tweedracht heerscht, daar is ook wanorde en ellende; op zulk een echtpaar rust de vloek Gods. Mannen, uwe verhouding tot uwe vrouwen moet wezen, gelijk die van den H. Joseph ten opzichte van Maria, zijne onbevlekte bruid; geen huisgezin was gelukkiger dan dat van Nazareth, vermits Joseph en Maria beter dan iemand de verplichtingen kenden, welke aan christelijke echtgenooten zijn opgelegd.

M, B gij zijt behalve hoofden des huisgezins en echtgenooten, daarenboven nog vader. En ziedaar eigenlijk

i

ocr page 62

-BO-

de hoogste trap uwer waardigheid. O dat woord „vaderquot; besluit in zich iets groots, verhevens en eerbiedwaardigs. Uw titel van vader hebt gij gemeen met God. God is de vader van al het geschapene, omdat Hij aan alle wezens het leven en aanzijn gegeven heeft. God nu heeft ook u dien titel medegedeeld, omdat ook gij geroepen zijt eenigermate aan andere wezens, aan uwe kinderen, het leven mede te deelen. Is nu uwe waardigheid van vader zoo groot en verheven ; verheven zijn ook de verplichtingen, die daaraan moeten beantwoorden. Een eerste plicht van een vader is zijne kinderen een goed voorbeeld te geven, hen in alles voor tu gaan. De vader is het hoofd des huis-gezins, hij moet ook deszelfs model en voorbeeld zijn. Het zou immers onzin zijn, dat een vader van zijne kinderen zou vorderen, wat hij zelf niot ten uitvoer brengt. Welken indruk kunnen wijze lessen, goede raadgevingen maken van eenen vader, die immer Gods naam lastert, die grammoedig, dronken ; in één woord slecht van leven is ; hij is niet vader maar verleider, niet een zegen maar een vloek voor zijne kinderen. Gij moet verder zorgen voor de opvoeding uwer kinderen; hen volgens vermogen voeden en kleeden, hen een beroep laten aanleeren, hun behulpzaam zijn in de keuze van eenen levensstaat, en in die keuze niet buiten of boven uwen staat gaan. Voor velen is het raadzamer en zaliger in eenvoud te leven, dan later als groote geleerden te schitteren. Tot de opvoeding behoort vooral het Christelijk onderricht. Hebt gij kinderen, zoo zegt de H. Geest, zorgt dan dat gij hen onderricht of laat onderrichten in de waarheden des geloofs, in het gebed; in één woord, in alles wat voor hunne ziel en zaligheid bevorderlijk is.

ocr page 63

— 51 —

Gij behoort verder te waken over uwe kinderen, en die waakzaamheid bepaalt zich niet, zooals som\' migen verkeerd meenen, tot de eerste kimierjaren ; — neen hoe ouder de kindoren worden, des te grooter moet die waakzaamheid zijn. Waakzaamheid, vadi rs! verdubbelde waakzaamheid, tijdons de verkeering uwer kinderen. Een vader die tijdens de verkeering aan den plicht der waakzaamheid to kort mocht blijven, zou schuldig zijn aan de zonden zijner kinderen. Vele ouders en meesters mochten die verplichting wel wat beter begrijpen, in plaats van door hunne achteloosheid hun geweten te bezwaren, en het verderf hun ner kinderen in de hand te werken. Zulke ouders worden dojr den H. Geest genoemd : „de moordenaars hunner kinderenquot; : „Filiorum suoriun necatores, sine miserioordia.quot; Eindelijk eene laatste verplichting voor u, vaders, is uwe kinderen te verbeteren, te bestraffen. Ja een vader moet soms zijn kind bestraffen. „Die de roede spaart, zegt de H. Geest, haat zijn kind.quot; (Prov. XIII, 24.) Een vader zou zich laf en zwak toonen, bijaldien hij dir n plicht vergat; ja zich aan de gramschap, aan den toorn Gods blootstellen. De hoogepriester Holi toonde zich te toegevend en te zwak jegens zijne kinderen, en trok daardoor den vloek Gods op zijn huis. God zwoer, don zwakken vader, en zijne schuldige zonen geducht te straffen. Inderdaad, zijne beide zonen sneuvelden in den strijd. Heli zelf, bij het vernemen dezer treurmare, valt achterover van zijnen zetel op den grond neder, breekt den nek en sterft. Vaders, dat voorbeeld leere u, om u toch nooit te zwak jegens awe kinderen te gedragen. Straft hen als zij het verdienen, en in die mate dat zij het verdienen ; maar altoos zonder toorn, zonder drift; veel toch verliest daardoor de bestraffing van hare ver-

ocr page 64

— B2 —

dienste. Ziedaar, M. B. in het kort de verplichtingen van uwen stand. O verbeet ze nimmer uit het ge heugen! De trouwe naleving toch van de plichten van staat is eene bron van zegen en geluk hier be noden, en doet ons tal van verdiensten vergaderen voor den hemel. Wendt u dikwijls tot den H. Joseph, uwen doorluchtigen patroon, uw voorbeeld; vraagt hem, dat hij u ter zijde sta in de naleving der plichten van uwen staat en vooral dat hij u leere naar zijn voorbeeld, immer de belangen uwer ziel en zaligheid, vóór uwe tijdelijke belangen te stellen. Is do H. Joseph het model van u, huisvaders, en Jesus het toonbeeld van u, jongelingen; Maria leert u wat gij doen moet om behalve de verplichtingen van uwen staat, ook die van leden onzer Broederschap getrouw te vervullen. Do hoofdtrek van Maria\'s leven is eene buitengewone heiligheid en vroomheid van leven, waardoor zij zich haar gansch leven lang, vrij hield van de kleinste en geringste zonde. Een lid ouzer Broederschap moet zich ook onderscheiden door een deugdzaam en vroom leven; hij moet naar Maria\'s vooi beeld zich beijveren, om de schoonste der deugden, de H. deugd van zuiverheid volgens zijnen staat te beoefenen ; hij leere van haar nederig, geToorzaam, geduldig, zachtmoedig te zijn. Maria was gewoon, zoo zegt ons de overlevering, na de hemelvaart van Jesus, eiken dag te communieeeren» die goddelijke spijs hield haar staande, te midden van de beproevingen haars levens.— Ook gij M. B. moet als leden der H. Familie dikwijls naderen tot de HH. Sacramenten; de veelvuldige H. Communie zal ook u staande houden, te midden der verleidingen en gevaren eener bedorven wereld. Maria beoefende bovenal het gebed; de leden der H. Familie

ocr page 65

moeten ook mannen wezen van gebed, en zich daar door van de andere geloovigen onderscheiden. Kortom elk lid onzer Broederschap moet zich onderscheiden door eene tcedere liefde en vurige godsvrucht tot Maria. Wie daaraan te kort zou blijven, zou een onwaardig lid onzer Broederschap zijn. Jesus, Maria, Joseph, moeten in uw hart eene bijzondere plaats bekleeden, zij zijn uwe patronen, uw toonbeeld, uwe voorsprekers bij God. Hunne zoete namen moeten op uwe lippen zijn, \'s morgens bij uw ontwaken, \'s avonds als gij slapen gaat, vóór en na uwen arbeid, in bekoringen, lijden en wederwaardigheden. De zoete namen van Jesus, Maria, Joseph, mogen eenmaal in uwen doodstrijd de laatste woorden zijn, die uwe stervende lippen zullen uitspreken, om daarna voor eeuwig in den hemel u in hun zalig gezelschap te gaan verheugen.— Ik eindig M. B, met eene bede tot de H. Familie. „Jesus, Maria, Joseph, onder wier bescherming onze Broederschap gevestigd is! werpt dezen avond, op ons uwe kinderen en dienaren, een blik van welgevallen en liefde! Zegent op dit patroonfeest onzer Congregatie, ieder van ons in het bijzonder, zoowel in zijne tijdelijke als geestelijke belangen. Zegent de prefecten en onderprefecten, die door hunne veelzijdige diensten ; in het bestuur der Broederschap mij zoo ijverig ten dienste staan. Zegent de oude loden, die grootendeels hunne verplichtingen, ondanks zoo menig zwaar offer, getrouw naleven ; — zegent de nieuwelingen, opdat zij aan de verwachting die wij van hen hebben, ten volle mogen beantwoorden ;— zegent de H. Familie van.....opdat zij moge aangroeien en toenemen in tal van leden, maar ook in verdiensten en deugden tot meerdere eer en glorie van God, tot steun der Kerk en der maatschappij, en tot stichting van anderen. Amen.quot;

ocr page 66

VI.

Generale Communie.

De H. CommuniG, het grootste wonder van Jesus\' liefde.

Deliciae meae esse cum filiis hominum. Mijne wellust is te zijn, met de kinderen der menschen. (Prov. VIII. 31.)

Een der grootste, zoo niet het grootste van alle geheimen van ons H. Geloof, is dat van Jesus\'tegenwoordigheid in het H. Sacrament des Altaars. Ten allen tijde hebben de Kerkvaders en leeraars, de heiligen en godgeleerden, zich als om strijd beijverd) dat doorluchtig geheim te verheerlijken en te verheffen ; vandaar die duizende benamingen, waaronder het H. Sacrament des Altaars wordt voorgesteld en aan geduid. De koninklijke profeet David, noemde dit geheim reeds in de verre toekomst : „het gedenkstuJc van Gods wondtren. Memoriam mirahiliumsuorumquot;. (Ps. CX, 4.)

ocr page 67

- 56 -

Degroote Kerkleeraar de H.Augustinus : „Borium in quo sunt omnia bona.quot;De grootste onder de godgeleerden, de H. Thomas, aarzelt niet het H. Sacrament te heeten : „miraculorum maximum.quot;Doch onder alle benamingenis er geene zoo juist, als die waarvan de H. Alphonsns, die bij uitstek groote vereerder van Jesus in Zijn H. Sacrament zich bedient, om dit doorluchtig Geheim aan te duiden. Die groote Kerkleeraar noemt het H. Sacrament des Altaars: „het Sacrament van Jesus\' liefde, de troon zijner liefde.quot; Eene juistere uitdrukking is niet te vinden ; de Eucharistie M. B. is het Sacrament van Jesus\' liefde ; daar op het altaar rust Jesus, als op den troon zijner liefde. Die liefde van Jesus in zijn H. Sacrament, ga ik u in deze toespraak een weinig breedvoeriger ontwikkelen.

1) „Komtquot; zoo spreekt Jesus ons toe. Om tot Jesus te gaan, zijn twee zaken noodig; men moet uitge-noodigd en geholpen worden. Wie zou zonder uilnoo-diging tot Hem durven naderen ? Wie zou zonder hulp tot Hem kunnen komen ? Immers Hij is een God van eene oneindige majesteit, en wij zijn hulpelooze, ellendige aardwormen. Die tweevoudige genade nu biedt Jesus ons aan, zeggende; „Komt.quot; ... Wantter-zolfdertijd dat Hij ons roept, reikt Hij ons Zijne hand toe. Zoo worden de vreesachtigen bemoedigd en de zwakken gesteuad. Dat ondervond Petrus, toen hij op zee, van verre Jesus bespeurde; hij riep uit: „Heer zoo gij het zijt, laat mij dan op het water gaan, en tot ü komen 1quot; Kom, zeide Jesus, en Hij strekt zijne hand iiit, om Petrus in het scheepje op te nemen.

2) „Tot mij,quot; .... zoo vervolgt Hij, die alleen rijk ben ; „Mijn Vader heeft Mij alles in handen gegeven.quot; (Joa. XIII, 3.) „Tot mij,quot; die alleen waarlijk machtig ben; „Alle macht is Mij gegeven, in den hemel, en op

ocr page 68

— B6 —

aardequot;. (Matth. XXVIII, 18.) „ Tot Mif\', die alleen geleerd ben: „In Hem zijn alle schatten der wijsheid en wetenschapquot;. (Colos. II, 37.) „lot Mijquot;, die alleen milddadig ben : „Hij ging al weldoende rond, genezende de zieken.quot; (Act. X, 38.) „Komt tot Mij.quot; Maar misscliion beletten ziekten ot andere hinderpalen u soms, aan die teedereuitnoodiging gevolg te geven! Jesus kent een middel, om toeh \'aan uw en aan zijn verlangen te vol-dcen. Hij zal zelf den drempel uwer woning overschrijden, Hij zal, evenals Hij weleer deed in zijn sterfelijk leven, Hij zal in persoon uwe wegen en straten, akkers en velden betreden, overal Zijne zegeningen en genaden uitstortende. Als een liefdevolle geneesheer zal Eij den zieke gaan bezoeken op zijn bed van smarten, om hem de gezondheid weder te geven, of wel om hem zalig te leeren sterven. Hij zal zoowel de stroohut van den arme, als de woning van den rijke binnengaan. Als God is Hij geiioseht in het koninklijk purper, doch als mensch heeft Hij zich van al zijn glans en glorie ontdaan en zich verborgen onder nietige broodsgedaante, en dit enkel en alleen uit liefde tot ons. Hij is onze eenige en trouwe vriend, die bij ons zal blijven, ook dan wanneer allen ons mochten verlaten en zich niemand meer over ons bekommert.

3) „Komt tot Mij,quot; zegt Jesus; en hij voegt er bij: „allenquot;, zonder onderscheid van personen. Bij koningen en vorsten hier op aarde, krijgt men geen toegang, tenzij door middel van voorspraak en krediet, steunende op rijkdommen, afkomst en geboorte. Bij Jesus vind iedereen toegang, bij Hem bestaat geen onderscheid tussehen rang en stand, tusschen jood en heiden, tus-schen meester en dienstknecht. Komt allen, kinderen en grijsaards, maagden en gehuwden, priesters en ge-

ocr page 69

loovigen, armen en rijken, grooten en kleinen, geleerden en ongeleerden, komt volkeren, komt vorsten, komt rechtvaardigen, komt zondaars. „ Venite ad me omnes. „Komt tot Mij allen.\'\'; Ik, die in de woestijn met vijf brooden, duizenden gespijsd heb. Ik zal ook mij zeiven vermenigvuldigen, om u allen toegang tot mij te kunnen verleenen. En inderdaad, dat heeft Jesus gedaan. Over de gansche aarde vindt men tempels en kerken waar Jesus rust. Ieder uur van den dag wordt ergens ter wereld het H, Misoffer opgedragen. Op velden, in wildernissen en woestijnen, op bergen en rotsen, op zeëen, -in bosschen, overal waar zich slechts een steen bevindt, die tot altaar kan dienen, offert zicb Jesus door de handen des priesters op. Waarheen ook de reiziger zijne schreden moge richten, hij is zeker Jesus te ontmoeten. Nergens ter wereld is de Katholiek in den vreemde, overal is hij te huis, omdat hij overal het huis zijns vaders vindt. Elke stad, elk dorp heeft zijne kerk, elke kerk heelt haar altaar, haar tabernakel, waar Jesus rust. Verheugt u, gij nederigen en eenvoudigen, gij die dezen morgen hier vergadert zijt! de koningen en vorsten dezer wereld wonen in groote steden; onze Koning Jesus die de Koning is der koningen, heeft zijne residentie gekozen hier in onze kleine kerk, daar op het altaar, op eenige schreden af\'stands slechts van ons verwijderd.

4) , Komt tot Mij allen,quot; zoo luidt Jesus\' uitnoodiging; doch Hij voegt er nog bij, „die belast en heiaden zijt,quot; dat wil zeggen; die gebukt gaan onder den last van menschelijke rampen en lijden. Helaas! wie ter wereld is er, die niet zijn aandeel heeft aan kruisjes en lijden 1 Dus\' Jesus\' uitnoodiging is gericht tot het gansche menschdom . Wendt uwe oogen waarheen gij wilt, overal vindt gij ellenden en smarten. En zoo vooreerst in

ocr page 70

— 58 —

hei verkeer der wereld : wat al tegenkantingen, vervolgingen en afwijzingen heeft men niet te verduren ; wat al teleurstellingen, misrekeningen en miskenningen van de zijde der menschen, doen zich niet dagelijks op! In den huiselijken kring: wat al kommer en verdriet! wat al bange zorgen, wat al zwoegen en krachtsinspanning, om op een fatsoenlijken voet te kunnen leven. Van buiten: aan hoevele onvoorziene toevallen staat men niet bloot, hoe vaak wordt men niet door onrecht, tegenspoed, laster en kwaadspreken getroffen! Van binnen, namelijk; in ons eigen hart, wat een vreeselijken strijd moeten wij daar niet dikwijls leveren, tegen onze driften en hartstochten! Komt dus allen, die u op eene ut andere wijs belast en beladen gevoelt; komt tot Jesus, Hij zal u van den last die u drukt ontheffen. Maar op de eerste plaats, komt tot Jesus, gij ongelukkige zondaars, gij die gebukt gaat onder den druk der zonde ; de zonde ook zij is een last, een zware last die u afmat en verzwakt. Jesus is bereid n van dien last te onl heffen; gaat tot den troon van barmhartigheid, en gij zult daar tegelijk met de vergeving uwer zonden, een geneesmiddel vinden, een voedsel, dat u yoor herval in de zonde zal behoeden.

Maar ook de rechtvaardigen hebben oogenblikken van ontmoediging en zwakte.— Gaat ook gij tot Jesus, deugdzame , rechtvaardige zielen ; gaat tot de Bron der genaden, gaat uwe zielen verkwikken aan die fontein van liefde die altijd voor u openstaat. Gaat tot Jesus, allen die belast en beladen zijt, — en laat hij ten laatste in vervoering van liefde er op volgen ;

5) „Ego reficiam vos.quot; „Ik zal u verkwikken.quot; Bewondert M. B. in die laatste woorden, de overmaat van Jesus\' liefde. „Ik zal u verkwikkenzoo spreekt Hij. Hij

ocr page 71

- 69 —

wil daarmede zeggen: Ik zal u spijzen, u voeden met mijn eigen Vleescli en Bloed. Ziedaar Jesus op hot toppunt zijner liefde ; Hij heeft ons allen het aanzijn en het leven gegeven, ons lichaam en onze ziel zijn een geschenk zijner hand ; Hij stelt de wereld met al wat zij bevat ter onzer beschikking \'t Is nog weinig. Hij sterft voor ons aan een kruis, Hij legt zich voor ons op het altaar als slachtoffer, ten einde voortdurend aan Grod voldoening te kunnen bieden voor onze zonden. Is dat alles ? Neon. Er bleef nog over dat Jcsus in persoon, ons voedsel werd. Het was niet genoeg voor zijne liefde, te wonen in een tabernakel door menschenhanden gemaakt; neen Hij verkoos te wonen in onze harten, als in even zoovele levende tabernakels, Hij wilde zich vereenigen met ons vleesch en bloed, om zoodoende één met ons te worden, gelijk Hij één ia met Zijnen Vader. O ! zoekt mij eene tong, om die overmaat van Jesus liefde naar behooren uit te drukken. Ik wist reeds dat een stervende vriend aan zijn medevriend tot onderpand zijner liefde, hem zijn hart vermaakte. Ik wist, dat de mensch de edelmoedigheid zoo ver kon voeren, zijn leven op te offeren voor iemand die hem dierbaar is ; maar ik heb nooit hooren zeggen, dat een herder zijne schapen voedt met zijn eigen bloed. Dat was alleen aan Jesus voorbehouden. Nu Jesus, met zich zeiven aan ons tot spijs en drank te geven, heeft tevens daardoor zijne liefde uitgeput. Hij kon niets meer doen voor zijn schepsel hier op aarde ;— ja zelfs niet in den hemel; want het geluk, de zaliglieid der uitverkorenen in den hemel, bestaat in eene onafgebroken en eeuwige aanbidding van dienzelfden Jesus, dien wij hier op aarde aanbidden in zijn H. Sacrament. Te recht mag dus de H. Communie genoemd worden;

ocr page 72

— 60 —

de voorsmaak des hemels, het brood des hemels, de tarwe der uitverkorenen, waarmede wij allen ons eer.maal hopen te voeden in het Vaderland.

M. B. welk eene treffende gedachte, doet zich op dit oogenblik voor aan mijnen geest. Ik lees in het Evangelie, dat een rijk man, op zekeren dag, een groot maal aanrichtte en zijn knecht uitzond, om gasten te noodigen. Allen, onder een of ander voorwendsel, verontschuldigden zich. Ook Jesus heeft aan u, zijne gasten, dezen morgen eene dergelijde uitnoodiging gericht.

„ Venite ad me, omnes.quot; — Komt allen tot mij.quot; En hoe edelmoedig hebt gij aan die uitnoodiging beantwoord ! Noch ouderdom othooge jaren, noch ziekte en zwakte, noch bezigheden en vermoeinis, noch verre weg,— geen beletsel heeft u weerhouden, op dezen voor ons zoo heugelijken da?, aan het feestmaal van Jesus\' Goddelyk Vleesch en Bloed deel te nemen. Welaan ! mannen , de weinige oogenblikken, die Jesus\' komst in uw hart voorafgaan, eens goed besteed! Volgt mij in den geest, terwijl ik voor u de voorbereidende acten ga houden der H. Communie, dieniets anders zijn, dan de nederige hulde onzer harten, of liever korte verzuchtingen tot Jesus in zijn H. Sacrament. Priester Gods, vertoon ons dien Jesus waarnaar onze harten zoo vurig verlangen......

ocr page 73

VII.

Over de eensgezindheid en onderlinge liefde, die den geest der Broederschap uitmaken.

Multitudinis credentium erat corunum et anima una. De menigte der geloovi-gen was eensgezind van hart en ziel.

(Act. IV. 32.)

Iu die weinige woorden, M. B. drukt de H. Lucas ons den geest uit, die de geloovigen bezielde in de eerste tijden des Christendoms. Zij waren, zegt hij, „eensgezind van haii en zielquot;. Ziedaar het eervolste getuigenis, don hoogsten lof, dien men hun kan toekennen. \'t Is uit dien hoofde dat de eerste tijden des Christendoms, nog ten huidigen dage onze bewondering wekken en onzen eerbied afdwingen, \'t Is die eensgezindheid der eerste christenen, die zoovele heldhaftige deugden te voorschijn riep, zoovele martelaren aankweekte, zoovele bekeeringen bewerkte, en aan de Kerk een zoo hechten grondslag schonk.

ocr page 74

- 62 —

Die geest van eensgezindheid, die parel der eerste Kerk, is in den loop der eeuwen overgeplant in zoo-veie instellingen en genootschappen, zoowel op kerkelijk als maatschappelijk gebied; en het is dank aan dien geest van eendracht waarop zij gegrondvest en gebouwd zijn, dat zij de wisselvalligheden van den tijd getrotseerd en de aanvechtingen harer vijanden

wederstaan hebben. M. B. het is ongeveer.....jaren

geleden dat hier in de parochie de Broederschap der

H. Familie werd opgericht;..... jaren sedert haar

ontstaan zijn voorbij gevlogen, en nog even frisch en krachtig praalt zij daar, ondanks de vele beproevingen en wisselvalligheden die zij te verduren hoeft gehad. En waaraan hebben wij dat geluk te danken ? Wat is de reden der instandhouding en van den bloei der Broederschap ? Het is de geest van eendracht en onderlinge liefde, waarop de Broederschap gegrondvest en gebouwd is. „De leden der Vergadering, zoo luidt artikel 9. van onze regels en verordeningen, moeten zich wel overtuigen, dat zij allen kinderen zijn van de Congregatie der H. Familie, en bijgevolg broeders, onder wie de hartelijkste liefde moet heerschen.\'\' Overtuigd van het groot gewicht, dat in die woorden ligt opgesloten, heb ik gemeend, dezen avond bij gelegenheid van het feest der plechtige Opdracht uwer nieuwe medebroeders, n over de deugd van eensgezindheid en onderlinge liefde, die den geest der Broederschap uitmaakt, te moeten spreken. De ouderen zullen in die toespraak een prikkel vinden tot aanmoediging en behartiging; de jongere loden, een voorwerp van stichting en loering. Deze conferentie, goed begrepen en rijp overwogen, zal het bestaan der H. Familie bekrachtigen en haren bloei en luister ver hoogen. Ik ga u aantoonen:

ocr page 75

— 63 -

I. Hoo noodzakelijk de geest van eendracht voor de Brocderscliap der H. Familie is,

II. quot;Wanneer en hoe zij vooral beoefend moet worden.

III. Welke heilzame vruchten de eendracht voortbrengt.

Stellen wij, als naar gewoonte, onze toespraak onder de bescherming der H. Familie, door het bidden van een vurig „Wees gegroetquot;.....

I. De Broederschap der H. Familie, M. B. is een zedelijk lichaam, bestaande uit tal van leden, die allen, met vereenigde krachten, naar de bereiking van één en hetzelfde doel streven. Daaruit blijkt dus meer dan duidelijk, dat er onder u, leden der Broederschap, overeenstemming , eensgezindheid , samenwerking moet bestaan, dus eene volmaakte eenheid in gedachten, oordeel, gevoelens en handelingen. Evenals het cement of de kalk, eene onmisbare vereischte is, om de steenen van een gebouw bijeen te houden, zoo is de eensgezindheid eene vereischte, om de leden eener geestelijke vereeniging, in éénen band, in één lichaam vereenigd te houden. Evenals de stralen van een cirkel, in één middelpunt samenloopen; en bij gemis aan middelpunt geen cirkel denkbaar is, evenmin is bij gemis aan onderlinge overeenstemming en eendracht eene geestelijke Vereeniging of Broederschap denkbaar; de tweedracht immers richt alles ten gronde. Meer nog dan elders, M. B. is in de Broederschap der H. Familie de onderlinge eensgezindheid der leden, eene noodzakelijke vereischte; omdat de geest, het karakter der Broederschap, haar onderscheidend kenmerk, juist daarin gelegen is. „Wij immers zijn allen,quot; zoo spreken onze regels, „kinderen van de Congregatie der H, Familie, en bijgevolg broeders, onder wie de

ocr page 76

— 64 —

hartelijkste liefde moet heerschen.quot; Die woorden verdienen bijzonder onze aandacht, \'t Is niet zonder reden dat de regels der Broederschap, zoozeer op de onderlinge eendracht drukken en juist daarin den geest der Broederschap hebben neergelegd. De Broederschap immers dei\' H. Familie, vereenigt in haren schoot, alle klassen en standen, de arme zoowel als de rijke, de onwetende zoowel als de geletterde, kind en grijsaard worden door haar opgenomen. Hier zit zonder onderscheid en met dezelfde rechten, de meester neven zijn dienstknecht, een rechtvaardige neven een zondaar, een vriend niet zelden neven zijn vijand ; vandaar dat de instandhouding eener Vergadering, die uit zoovele vreemdsoortige bestanddeelen is samengesteld, eene hooge mate van eensgezindheid vordert. Eene andero reden eindelijk, die voor de noodzakelijkheid dér eensgezindheid pleit, is deze : dat de Broederschap der H. Familie onder de bescherming gesteld is van Jesus, Maria, Joseph. Aan dit H. Drietal heeft zij haren naam, haren geest, haar model en toonbeeld te danken-quot;Waardoor nu onderscheiden zich deze drie H. personen, tenzij door eene volmaakte overeenstemming en eensgezindheid. Nimmer is er op aarde geweest, en nimmer zal er wezen een drietal dat zoo volkomen onderling vereenzelvigd was. Zouden dan ook wij, die de dienaren, wat meer is die de kinderen der H. Familie zijn, niet met denzelfden geest als zij bezield moeten wezen ? Zoo niet,— dan dragen wij ten onrechte den naam van leden der H. Familie, dan zijn wij niels meer, dan indringers, onruststokers, die in plaats van de Broederschap tot eer te strekken, haar onteeren en ondermijnen. De noodzakelijkheid van den geest van eensgezindheid, vordert dat ik u opmerkzaam make

ocr page 77

op de wijze hoe en de gelegenheden waarin gij die deugd moet beoefenen.

II. M. B. wie gij zijt of niet, ik kan u met betrekking tot de beoefening van de de /gd van eensgezindheid onder een tweevoudig oogpunt beschouwen : 1) in uwe verhouding als lid van de Broederschap der H. Familie. 2) in uw dagelijksch leven. Als leden der H. Familie moet gij allen eenparig uitmunten, door eene onwrikbare trouw aan de zuivere leer van ons EL Geloof; door eene voorbeeldige gehechtheid aan de Kerk, haar opperhoofd den Paus en de Gves-telijkheid, en door een vlekkeloozen levenswandel. Met betrekking tot deze punten, moet onder u de grootste gelijkvormigheid bestaan, moet gij ultrakatholiek wezen; „Idem sapiatis, unanimes idipsum seulien-tes.quot;„ Weestailenuereenigd in dezelfdebegrippen en gevoelensquot;\', (Philip. II, 2.) zegt de H. Paulus ;— en deswege M. B. verre van u al die nieuwigheden, of liever, dombeden die men u soms zou willen voorhouden.—Verder moet er eene volmaakte eensgezindheid heerschen onder de leden, met betrekking tot alles wat bet bestuur der Broederschap betreft; — nimmer maatregelen afkeuren, verordeningen bevitten, ongepaste aanmerkingen makan nopens bepalingen, die voor de goede orde en het welzijn der Broederschap, noodig mochten geacht word.m. Ik, van mijne zijde, wensch niets vuriger, dan in alles, in overeenstemming met u te bandelen ; maar ook gij moet trachten zooveel mogelijk uwe gevoelens met de mijne te vereenigen. „Sumus inuicem membra.quot; (Eph. IV, 25.) Wij zijn allen onderling ledematen van hetzelfde lichaam, waarin eene volmaakte overeenstemming moet bestaan tusschen het hoofd en de leden. —- Eensgezindheid verder tusschen de leden, en hunne respectieve prefecten en onderprefecten. Ja,

ocr page 78

— 66 —

M. B. dat is een gewichtig punt, waarop ik met klem aandring, een pnnt dat soms wel wat te wensohen overlaat; — jaloezie, lichtgeraaktheid , persoonlijke veten en tal van andere driften willen zich soms doen gelden, en verwekken eene zekere koelheid en verwijdering, tussohen leden en prefecten. — Hoe moet ik hot anders verklaren, waarom sommigen er zooveel op tegen hebben, de betrekking van prefect, of onderprefect te aanvaarden, — en anderen op hunne beurt er zoozeer op aandringen van die betrekking ontheven te zijn? Diezelfde driften en zwakheden, die soms tusschen prefecten en leden zich voordoen, trachten vaak ook den vrede te storen tusschen da leden eener af deeling onderling, alsmede tusschen de eene afdeeling en de andere; en zoo b. v. in eene afdee-ling zijn twee leden, die elkander niet goed verstaan ; zij vreezen elkander in de Vergadering te ontmoeten en komen dientengevolge niet op. Ziedaar één voorbeeld onder honderden, doch dat u duidelijk toont, hoe nadeelig gemis aan eenstemmigheid op de Vergadering werkt. Wat ook de aanleiding daarvan zij en van welken aard ook uwe geschillen mogen zijn, hier voegen bij uitnemendheid de woorden van den Apostel Paulus. „Mm eslt; ./Mtteïis neque Graecus, non est serous neque liber, om nes enim vos unum estis in Christo Jesu.quot; „Er bestaat geen onderscheid tusschen jood en Griek, tusschen slaaf en vrijgeborene, gij maakt allen één lichaam uit in Christus Jesus\'\' (Galat. III. 28) Als leden der Broederschap bestaat er tusschen u geen verschil van personen en standen, allen zijn kinderen van de Congregatie der H. Familie ; dus broeders, die elkander onderling moeten beminnen. Er zijn ten slotte nog twee punten met betrekking tot welke, onder u eene groote gelijkvormigheid, moet heerschen. Ik bedoel

ocr page 79

vooreerst: het veelvuldig naderen tot de H. H. Sacramenten; — en ten tweede; het vlijtig bijwonen der wekelijksche vergaderingen. Gelet op tal van omstandigheden, die zich kunnen voordoen, heerscht ook ten opzichte van dit punt bij de meesten uwer overeenstemming; doch ik mag het niet verzwijgen, er zijn er ook onder u, die zelden ot nimmer de vergadering bijwonen; het zijn naamleden die evenals de dorre takken van een boom zich afscheiden en den geest der Broederschap afleggen: „Defecit spiritus.quot; (Ps. LXXVI. 4.)

Eensgezind moet gij ook zijn : in uw dagelijksch leven. — Eendracht moet er heerschen tusschen mannen en vrouwen; tusschen meesters en dienstboden, tusschen kinderen en ouders, tusschen ondergeschikten en overheden. O! droeg de Broederschap der H. Familie geen andere vrucht dan deze : in het maatschappelijk, in het burgerlijk leven den geest der Christelijke liefde en eendracht tusschen de verschillende standen aankweeken ; dan reeds beantwoordde zij ten volle aan haren roep 1

De nauwe band eindelijk, die u leden der H. Familie vereenigt, vordert dat gij in het maatschappelijke, ook zooveel mogelijk tot elkander in betrekking staat. O hoe schoon ! zo-) gij bij gelegenheid elkander al eens van dienst kondet zijn ; b. v. met een armen medebroeder in zijnen nood te hulp te komen; den een of anderen eenen dienst of betrekking te bezorgen ; in de keuze van dienstboden, de voorkeur te geven aan leden der H. Familie; bij inkoopen en dergelijke, aan medeleden der il. Familie de klandizie te gunnen. O ! hoe schoon, als zulks geschiedde ! — dan zou men op u kunnen toepassen wat van de eerste Christenen gezegd wordt: „Multitudinis credentium

ocr page 80

— 68 —

erat corunum et anima una;quot; (Act. IV, 32) endeJ\'egen Gods zou in ruime mate op de Broederschap en op elk barer kdcn rusten,— want de eensgezindheid is :

III. Eene rijke bron van zegeningen en genaden.

God, M. B. is niet karig met zijne giften ; Hij zoekt als het ware naar de gelegenheid, om ze uit te deelen. „Mandavit Dominus henedictionem.\'\' (Ps. CXXXII, 3.) Op deze wooiden der H. Schrift, stelt de H. Augustinus zich de volgende vraag. Waar, en tegen welken prijs, is God geneigd zijne zegeningen uit te deelen ? „Ubi mandavit henedictionemquot; ? En hij antwoordt: „In fratribus qui habitant in unum.qui habitant concorditer.quot; In een huisgezin, in eene Vereen iging, waar deleden als broeders onder elkander, in eensgezindheid leven. Te recht mocht dus de koninklijke profeet uitroepen ; „Quam honurn et quarn jucuuiLum, hahitai\'e fratres in unuvi ! „Hoe zoet en aangenaam is het ds broeders onder elkander te leoen, (Ps. CXXXII, 1) Eene eerste zegening, een eerste voorrecht der eendracht, is eene buitengewone kracht en sterkte tot instandhouding der Broederschap. De Broederschap, gij weet het, moet strijd voeren. De duivel, de vijand van alle goed, kwade tongen, het slecht voorbeeld en de verHauwde ijver van sommige leden,—ziedaar zoovele vijanden die haar belagen: „muliiplicati sunt, qui tribulant mequot;. (Ps. III, 2.) Onze sterkte nu berust in de eensgezindheid.— Een zekere Silurus, zoo verhaa.tdo geschiedenis, riep op zijn sterfbed zijne zonen bijeen en bood ieder afzonderlijk een bundel lansen aan, met verzoek dien te breken. Allen weigerden, als zijnde dat vol strekt onmogelijk. Toen nam Silurus elke lans afzonder lijk en brak ze, zeggende: „mijne zonen! bijaldien gij eensgezind en vereenigd blijft met elkander, zijt gij krachtig en sterk; zoo niet,— dan zijt gij zwak en machteloos, evenals deze lansen, die elke afzonderlijk, zoo

ocr page 81

gemakkèlijk kunnen gebroken worden.\'\' Datzelfde zeg ik ook tot u : blijtt eensgezind; — dan blijft gij sterk en verzekert aldus het bestaan en den bloei der Broederschap.

Zij maakt u ook vermogend bij God. „ Waai- twee of drie der mijnen, in mijnen naam vereenigd zijn, zegt de Zaligmaker, daar hen ik ook in het midden van hen,quot; (Matth. XVIII. 20). O wat sehoone belofte ! als het gebed van twee ot drie, een zoo groot vermogen heeft bij God, — wat zullen dan niet uwe gebeden vermogen, gij die zoo vaak bij honderdtallen bidt! Het joodsche volk ver-eenigt zich in gebed voor Judith, — en dat gobed werkte wonderen. De Ninivieten baden allen eenparig, — en God spaarde de stad. De Apostelen brachten tien dagen in een gemeenschappelijk gebed door, — en de H. Geest daalde over hen neder en vervulde hen met de volheid zijner gaven. Ziet gij nu, M. B, wat eensgezindheid uüwerkt. Zij maakt onze gebeden alvermogend bij God.

Eene andere vrucht, niet minder kostbaar dan de vorigen, is een onverstoorbare vrede des harten. Die vrede is het kostbaarste, wat de mensch hier op aarde verlangen of bezitten kan. Het eerste wat Jesus na zijne verrijzenis, zijne Apostelen toewenschte, was vrede: ,,Pax vóbis,quot;„ Vrede zij u.quot; (Joan. XX. 21). Hadde Hij hur. iets volmaakter kunnen toewenschen. Hijzouhetgedaan heben. „De vredequot;, zegt de H. Paulus, tot de geloovigen van Philippe, „is een goed dat alle goed « e hoven gaat.\'\' „Paz, quae exsnperat omnem sensum.quot; (Philip. IV. 7.) De vrede Gods, zegt do H. Ambrosius, is God zelf; zijn wezen, zijne natuur is vrede. De H. Bernardus, in eene vervoering van liefde en bewondering, die de gedachte aan den vrede, in zijne ziel te weeg bracht, riep uit: „Ik wil vrede, ik verlang, ik haak naar vrede; maar

ocr page 82

— 70 —

verder ook naar niets meer. Aan u, o Heer I zij lof en glorie ; wat mij betreft, ik heb al wat ik verlang, met het bezit van den vrede.quot; — Dien vrede nu zal God ook uitstorten over de Broederschap en over elk harer leden, zoo gij eensgezind blijft onder elkander; — die vrede zal u strekken tot genot hier op aarde, tot troost in droefheid en lijden, tot sterkte in de bekoringen ; — hij zal voor u een voorsmaak wezen van den hemel; want de hemel is het vaderland van een volmaakten en altoosdurenden vrede. —

Eindelijk, een laatste zegen aan de eendracht verbonden, is een buitengewone glans en luister, waarmede de Broederschap der H. Familie, zelfs voor het oog der wereld, zal .schitteren. Waaraan heeft het heelal zijnen luister, zijnen glans te danken? Aan die volmaakte orde, aan die bewonderenswaardige eenheid en overeenstemming, zegt de H. Gregorius van Na-zianzen, van deszelfs grondstoffen. Het grootste Geheim van onzen H. Godsdienst, het aanbiddelijk Geheim der H. Drievuldigheid, ontleent het niet zijn glans en luister, aan de eenheid die er bestaat tusschen de drie goddelijke personen : Vader, Zoon en H. Geest! Het H. huisgezin van Nazareth, wekt het niet de bewondering, den eerbied van alle geslachten en tijden! En waarom ? Om de innige verstandhouding, de voorbeeldige eendracht en overeenstemming, die er heerschte tusschen Jesus, Maria en Joseph. — Klimt op ten hemel, daalt af op aarde, overal waar men eendracht vindt, vindt men ook luister, glorie en grootheid. — Die luister heeft zich ook gehecht aan de Broederschap der H. Familie, van af het oogenblik harer geboorte. Paus Pius IX, wettigde haar bestaan, door eene plechtige goedkeuring harer regelen, en toonde haar zijne genegenheid, door het verleenen

ocr page 83

- 71 —

van tal van gunsten en aflatfn. Alle bisschoppen van Nederland namen haar onder hunne boseherming; de Geestelijkheid in het algemeen, toont haar warme belangstelling en beschouwt haar als een zegen voor de parochiën. Deugdzame christenen en brave katholieken, beschouwen haar als eene der heilzaamste instellingen van onzen tijd op godsdienstig gebied; tal van candidaten streven jaarlijks naar haar lidmaat schap. Is dat alles geen doorslaand bewijs, dat de Broederschap der H. Familie, voor het oog der wereld met glans en luister omstraald is! Nu, dien zegen heeft zij te danken aan den geest van eensgezindheid, die haar onderscheidend kenmerk is. O! M. B., droeg de Broederschap geen andere vrucht dan deze; den geest van eensgezindheid en liefde aan te kweeken ic het burgerlijk leven ; dan beantwoordde zij reeds ten volle aan haren roep. Ziedaar dan ook de reden, waarom ik heden, bij gelegenheid der plechtige opdracht, dat gewichtig punt tot onderwerp mijner conferentie koos. Gij, candidaten, die zoo aanstonds in den schoot der Broederschap gaat opgenomen worden, streeft van nu af aan er naar, uit a! uwe krachten den geest van eensgezindheid te beoefenen, niet slechts ten opzichte uwer medebroeders ; maar ook jegens allen, tot wie gij in betrekking komt; — en gij oudere leden die tot dusverre zoo krachtig de Broederschap gesteund hebt, waarborgt hare instandhouding en verhoogt haren bloei, door uwe onderlinge samenwerking en overeenstemming. Ziedaar mijn eenige wensch, mijn innigst verlimgen, mijne vurige bede.

Dezelfde bede, M. B. die weleer Jesus voor zijne Apostelen en voor de Kerk, tot Zijnen Vader stierde, alvorens deze wereld te verlaten; diezelfde bede, stier

ocr page 84

ook ik op mijne beurt, alvorens te eindigen, voor u allen ten hemel. „Vader in den hémel, zoo bad Jesus voor zijne Apostelen, heioaar hen in uwen naam, die gij mij gegeven hebt, opdat zij één zijn gelijk wijquot; (Joan. XVII. 11.) „H. Familie, Jesus, Maria, Joseph, onze iloorluohtige patronen en beschermers! werpt dezen avond een blik van welgevallen en liefde, op ons uwe dienaren en kinderen; ik vraag u voor hen geene aard-sche goederen of schatten, geen ijdele eer of grootheid, — neen, ik vraag u, dat zij één zijn evenals gij; één in geloof, hoop en liefde, één van hart en geest, één in onderlinge liefde, in geduld en verdraagzaamheid, één in ijver en gehechtheid aan de Broederschap der H. Familie. Verre van hen alle gevoel van algunst en nijd, van geschil en tweedracht; — maakt dat allen, als broeders onder elkander leven, elkander troosten, helpen en bijstaan; opdat zij na zoo innig vereenigd geweest te zijn in dit leven, ook hiernamaals onafscheidelijk verbonden mogen wezen. Amen.quot;

ocr page 85

VIII.

Over de grootte van het voorrecht; door God geroepen te zijn tot de Broederschap der H. Familie.

Ite et vos in vineam meam, et quod justum fuerit, dabo vobis.

Gaat ook gij in mijnen wijngaard, en wat billijk is, zal ik u geven. (Matth. XX. 4.)

Het rijk der Hemelen^ zegt de Zaligmaker, is gelijk aan een tuisvader, die \'s morgens vroeg uitging, om arbeiders voor zijnen wijngaard te huren. En nadat hij over het loon met hen overeengekomen was, zond hij hen in zijnen wijngaard. Hij ging andermaal uit, omtrent de derde, zesde, negende en elfde ure; en allen die hij aantrof op de markt, zond hij om zijnen wijngaard te bewerken, En toen het, nu avond geworden was, zeide de heer van den .wijngaard tot den opziener: Roep de arbeiders bijeen en betaal hun het loon, van den laatste tot den eerste. En allen, onverschillig op welk uur van den dag zij gehuurd wareu,

ocr page 86

— 74 —

ontvingen elk een denarie, of 75 centiemen. — Deze pa rabel, M. B. doelt eerst en vooral, zooals de Zaligmaker zelf zegt, op de belooning, die God in het andere leven heeft weggelegd voor hen, die hier op aarde in zijnen wijngaard gearbeid, dat is zijnen dienst geleefd hebben. — Doch ik vind in genoemde parabel nog eene andere beteekenis. De wijngaard, is de Broederschap der H. Familie; de arbeiders zijt gij, die op verschillende tijden tot onze Broederschap geroepen zijt. Gij ouden van dagen, die van vóór 25 jaren deel uitmaakt der Broederschap, gij zijt die arbeiders die door den huisvader, in don vroegen morgeu gehuurd zijt; — en gij, jongelingen en mannen, die min of meer dienstjaren telt, gij staat gelijk met de arbeiders die omtrent het 3e, 0« en 9e uur geroepen zijn, — gij, daarentegen nieuwelingen, die dezen avond in ons midden gaat opgenomen worden, gij staat gelijk met de arbeiders, tot wie de huisvader omjtreeks de lle ure sprak: „Ite et vos in vineam meam,quot;— Gij verlangt den wijngaard des fleeren te betreden ; d. i. gij wenscht als lid der H. Familie, u aan den dienst van God en aan het werk uwer heiliging toe te wijden. Goed; doch laat mij u te voren eens aantoonen ;

I. Welke groote genade het is, door God geroepen te worden tot de Broederschap der H Familie.

II. Wat gij doen moet om aanspraak te kunnen maken op het loon dat voor een lid der H. Familie in den hemel is weggelegd. — Verleent mij allen dezen avond eens uwe volle aandacht, om deze gewichtige stof goed te begrijpen, — en smeeken wij dienvolgens eerst gezamenlijk\' den zegen af der H. Familie, door het bidden van een hartelijk „Wees Gegroet.\'\'

I. God bewees u, M. B. eene groote genade, toen Hij tot een ieder van u in het binnenste des harten

ocr page 87

zeide: „Ite et vos in vineam meam,quot; — met andere woorden, toen Hij n riep tot onze Broederschap. Hij bewees u daarmede eene genade. Nu, elke genade, als zijnde eene bovennatuurlijke gave (rods, is op haar zelve reeds een groot geschenk Gods. De geringste genade heeft reeds meer waarde, zegt de H. Geest, dan het goud en zilver der aarde. „Super aurum et argentum gratia. (Prov. XXIII.)quot;

Nu, de roeping tot onze Broederschap, is geene kleine, maar eene groote genade. — Het is in de bovennatuurlijke orde met de genade, gelijk het is met alles in do orde der natuur. Men heeft hier trappen en rangschikking. Aanschouwt eens bij helderen avond deu hemel, eu gij ziet millioenen sterren flikkeren, en al die sterren verschillen in glans en luister de eene van de andere; terwijl op hare beurt de maan de schitterendste ster overschaduwt, en de maan ten slotte door het verblindende zonnelicht overtrofien wordt. — Zoo ook met de genaden. De eene overtreft de andere in glans en luister. Ontegenzeggelijk de roeping tot het ware geloof, het H. Doopsel, de H.H. Sacramenten, de volharding, zijn mede van de grootste genaden, die God den mensch hier op aarde kan schenken. Doch ik durf bij gezegde genaden gerust voegen: die der roeping tot onze Broederschap. Immers wat stelt de H. Familie zich ten doel ? Zij bezorgt u een gedrags- en levensregel; met u voortdurend te wijzen op zoo volmaakte toonbeelden, als Jesus Maria, Joseph; en verschaft u daarenboven onfeilbare middelen, om uwe eeuwige zaligheid te bewerken. Eenige jaren geleden stierf te Brussel, een schoenmaker van ambacht. Kort vóór zijne ziekte, werd hij opgenomen in de Broederschap der H. Familie. Die man verklaarde na zijne opdracht, aan een zijner vrienden : „quot;Wat ben ik toch

ocr page 88

- 76 -

veel verschuldigd aan de H. Familie! — vóór mijne opname was ik een godslasteraar, een ongeloovige. Aan haar heb ik mijne bekeering te danken.quot; Ja, de Broederschap der H. Familie, bezorgde hem de genade der bekeering en kort daarna een zaligen dood. Is het dus geene groote genade geroepen te worden tot eene Broederschap, die haren leden zulke uitstekende gunsten bezorgt?

Het is daarenboven: eene eervolle genade. Was het niet eervol voor Joseph, van verachtelijk slaaf als hij was, verheven te worden tot onderkoning van Egypte ;— voor David, van eenvoudig herdei\'op te klimmen tot koning v. Israël; — is het niet eervol voor een onderdaan, het eereteeken van verdienste op zijne borst te mogen dragen ? En toch, veel grooter is de onderscheiding, die u dezen avond te beurt valt. Gfij gaat leden der H. Familie worden ; d. w. z. broeders van Jesus, bevoorrechte kinderen van Maria, beschermelingen van den H. Joseph ; gij gaat in dienst treden, niet van eene koninklijke familie hier op aarde ; maar in den dienst van Jesus. Maria Joseph;— van Jesus, den Koning der koningen; van Maria de gezegendst e der moeders; van Joseph, den beste der vaders. Gij gaat door hen begiftigd worden met eene onderscheidend tee-ken, eigen aan uwen rang, waarop de beelden van Jesus, Maria en Joseph staan afgedrukt; met de ge zegende medaille onzer Broederschap ; gij gaat u scharen onder het vaandel der H. Familie, dat u ter overwinning zal voeren in den strijd tegen den duivel de wereld en het vleesch ; — gij gaat eindelijk ontvangen het diploom der Broederschap,—en dat diploom zal wezen uw paspoort voor den hemel, bij aldien gij aan uwe verbintenis getrouw blijft Is dat alles niet eervol en benijdenswaardig ï

ocr page 89

— 77 -

Ik noem het verder eene zeldzame genade. M. B. aan hoe weinigen betrekkelijk, valt het voorrecht te beurt, in onze Broederschap te worden opgenomen. Telt eens op hoe weinigen in de parochie, met betrekking tot het aantal zielen, leden der H. Familie zijn.— In de .... jaren dat de H. Familie bestaat, zijn er niet meer, dan ruim .. .. in onze Broederschap getreden. Gij, mannen en jongelingen hier vereenigd, gij hebt het geluk tot die weinige uitverkorenen te behooren. Welk een zeldzaam voorrecht! Gij hebt wel reden om in dankbaarheid des harten uit te roepen, met den koninklijken profeet: „Non fecit tahter omni nationi.quot; „God heeft niet aldus met anderen gehandeld.quot; (Ps. CXLVII, 20.) En, inderdaad M. B. Hij heeft u, evenals weleer het joodsche volk uitgekozen, opdat gij onder alle volkeren, der aarde een bijzonder volk zoudt uitraakjn : „Te elegit Dominns Ders (uus, ut sis ei populus peculiaris, de cunctis popidis quae sunt super terrain. fDeut. VII, 6.)

Eindelijk, uwe roeping tot de Broederschap der H. Familie, is eene troost-eene hoopvolle genade. Troostvol, tijdens uw leven, hoopvol op uw sterfbed. Ieder mensch op aarde heeft te lijden en beproevingen te doorstaan, zooals de fl. man Job zegt; ,.Militia est vita hominis super ter ram.quot; (Job. VII. 1.) — De god-vreezenden en vooral de leden der H. Familie, hebben meer dan anderen te lijden ; de H. Paulus verzekert het ons, wanneer hij zogt: „omnes qui pie voluut viiere in Christo Jesu, persecutionempatientur.quot; (II Tim. III, 12.) Vervolgd wordt gij door nijd en boosheid, door den duivel en de bedorven wereld. Men zal u overladen met beleedigingen, bespottingen, verguizingen en verachtingen. Men zA u vervolgen uit haat tegen de waarheid, uit haat tegen het goed voorbeeld, uit

ocr page 90

— 78 -

haat tegen geloof en godsdienst. Zoo vervolgde Caïn zijnen vromen broeder Abel, en Esaii, Jacob; zoo werd Joseph vervolgd door zijne broeders ; de profeet Daniël door Nabuchodonosor; de H. Joannes de Dooper door Herodes; onze Zaligmaker door de Joden; — want God, zegt de H. Gregorius, zendt zijne uitverkorenen, niet om te genieten, maar om te lijden. Dooli M. B. terwijl anderen onder den druk bezwijken, zult gij staande blijven ; gij immers moogt zeggen met den H. Joan. Chrysost: „Multi quidem fluctus et undae immanes, sed submergi non vereor, quia super petram sto.quot; Ik bevind mij te midden van de woedende baren en golven, doch ik ben niet bang van te zinken, want ik sta op de rots.quot; Ja, gij staat op de rots der H. Familie, die u steunen en bemoedigen zal, te midden der beproevingen, waaraan gij mocht worden blootgesteld.

Ik heb er nog bijgevoegd; dat uwe roeping tot de Broederschap der H. Familie, eene hoopvolle genade is, op uw sterfbed. Ja, M. B. op ééne voorwaarde ; zoo gij als voorbeeldig lid der Broederschap geleefd, en stipt hare statuten en verordeningen zijt nagekomen; ja, dan zal uw dood, een zoete, een hoopvolle dood zijn. Ten bewijze daarvan ; zoovelen onder ons, die gij gekend hebt en die gij misschien op hun sterfbed bezocht en bijgestaan hebt. Zegt mij eens, zijn zij niet allen een hoopvollen dood gestorven ? Eenige jaren geleden stierf een lid der H. Familie, zijne laatste ziekte was langdurig en smartvol geweest; maar immer was hij tevreden met, en onder vvorpen aan Gods H. wil geweest. Kort na het ontvangen der laatste HH. Sacramenten stierf hij. Eenige oogenblikken vóór zijnen dood, vroeg hij aan zijne vrouw: „Waar is toch mijne medaille van de H. Familie ?quot; Zijne vrouw reikte ze

ocr page 91

hem over, hij kustte met eerbied de beeltenis van Jesus, Maria, Joseph en stierf zacht eu kalm; alsot God wilde, dat hij niet vertrekken zon, vooraleer hij een laatst vaarwel gezegd had aan zijne H. Beschermers, die hij tijdens zijn leven zoo innig bemind had.—Die genade zal ook een ieder uwer ten deel vallen, zoo gij als ijverige leden der Broederschap leeft, en tot uwen dood daarin volhardt. Doch M. B. is hot eenerzijds eene groote, eene eervolle, eene zeldzame, eene troosten hoopvolle genade, geroepen te worden tot de Broederschap der H. Familie;— God vordert toch van uwen kant medewerking, om u het loon te kunnen geven, dat Hij voor ieder trouw lid der H. Familie, in het andere leven heeft weggelegd.

II. Wat vraagt God deswege van een ieder van u ? Zien wij nogmaals de parabel. Toen het avond geworden was, ontving elk der arbeiders, na volbrachten arbeid, zijn dagloon, namelijk: een denarie.— Een bewijs, dat de heer van den wijngaard over hen tevreden was;— dat zij goed gewerkt hadden. quot;Wat wil dat zeggen: goed gewerkt ? Dat wil zeggen: dat zij eendrachtig, trouw, vlijtig gearbeid hadden ; want hadde eene dezer voorwaarden ontbroken, dan kon de heer van den wijngaard niet tevreden over hen geweest zijn en zouden zij zeker hun loon niet ontvangen hebben.

M. B. wilt ook gij als arbeiders in den wijngaard der H Familie, aanspraak maken op een eeuwig loon ? zorgt dan dat ook gij arbeidt: eendrachtig, trouw, vlijtig.

Weest eensgezind onder elkander, als leden van ééne en dezelfde familie, strevende naar één en hetzelfde doel. Geve God, dat nimmer haat of nijd, jaloersch-heid en afgunst, in de Broederschap der H. Familie binnensluipe! maar dat allen onderling met elkander

ocr page 92

— 80 —

en met hunne prefecten en onderprefecten, door den band der eendracht en broederlijke liefde verbonden blijven. Van die eensgezindheid hangt grootendeels de instandhouding en den bloei onzer Broederschap af. Het is een geestelijke barometer, die aangeeft, of de H. Familie, in bloei stijgt of daalt. In die eendracht M B ligt verder nog onze kracht; „want broeders vereenigd met elkander\', zegt het boek der Spreuken, „zijn gelijk aan een versterkte s/ad\'\': Frater qui adjuvatur a fratre, quasi ckitas jinnaquot; (Prov. XVIII. 19.) Waar echter verdeeldheid en tweedracht binnensluipt, zegt Lactantius, daar zet de ondergang voet aan wal. „Quidquid enim capit divisionem, et interitum capiat necesse est.quot;

Uw arbeid kenmerke zich verder door eene onwankelbare trouw. Nieuwelingen, treedt in onze Broe-derseliap en blijft haar trouw,— niet voor het oog der menschen, of uit menschelijk opzicht, om zoodoende door uwe ouders, door uwen meester, door uwe vrouw, of door wien ook geacht te worden,— niet uit slaaf-sche vrees,— niet om mij, als Bestuurder, daarmede genoegen te doen; maar uit plichtgevoel, uit overtuiging, uit geweten. Zoudt gij uit een of ander bloot natuurlijk inzicht, u iu onze Broederschap laten opnemen, dan zoudt gij aan den avond uws levens, te vergeefs aan God uw loon vragen. Hij zou u zeggen ; „Receperunt mercedem mamquot;: „Zij hebben hun loon ontuar,, ^c)iquot;,(Matth.Vl,2.) namelijk: in dit leven, bij de menschen.

Wordt lid onzer Broederschap, en blijft haar trouw; uit liefde tot God, die u op eene bijzondere wijze liefheeft, die u reeds met zoovele weldaden overladen heeft en bereid is na uwe opname in de H. Familie, u nog met veel grootere te begiftigen,— verder ook uit liefde tot de Broederschap zelve, die u alle

ocr page 93

— 81 -

middelen aan de hand geeft om christelijk in uwen stand te leven en zalig te sterven.

Arbeidt ten slotte; met vlijt en volharding. Alle arbeiders in den wijngaard hadden vlijtig gearbeid kwamen \'s avonds hun loon vragen en ontvingen het. Gave God, dat ik deze woorden mocht toepassen, op alle leden van de Broederschap der H. Familie. Doch helaas 1 Neen. Daar zijn er niet v/einigen onder u, die zelden of nooit opkomen, die zonder de minste reden de vergaderingen verzuimen. Trage, luie arbeiders, dorre takken van een weelderigen boom,— hec ware beter voor u afgehouwen te worden, ten einde den boom zeiven niet te schaden; dat wil zeggen : gij verdiendet doorgehaald te worden op de naamlijst der Broederschap, om door uw slecht voorbeeld uwe medeleden niet te schaden. Gij, daarentegen trouwe leden, arbeidt vlijtig,— maar daarenboven nog met volharding. Velen hebben de hand aan den ploeg geslagen, zijn met ijver begonnen, hebben eenigen tijd lang zich als voorbeeldige trouwe leden der Broederschap gedragen;— doch helaas! zij hebben omgezien, zij hebben niet volhard, zij zijn als ontrouw aan hunne verbintenis, uit de Broederschap der H. Familie verwijderd geworden. Gave God M. B. dat wij voortaan de lijst van uittreding mochten sluiten, en dat de namen van allen die dezen avond hier aanwezig zijn, van de lijst der levenden, eenmaal op de lijst van de afgestorvenen der Broederschap mochten overgebracht worden 1

Neg een enkel woord, en ik ga sluiten. Gode zij dank, die heden onze Broederschap met.... nieuwe leden gaat vermeerderen, dank aan Jesus, Maria en Joseph, onze toonbeelden en beschermers, voor alle zegeningen die zij in den loop des jaars

ö

ocr page 94

— 82 —

over de Broederschap der H. Familie hebben uitgestort ;— verder mijn persoonlijke dank aan den Secretaris, prefecten en onderprefecten der afdeelingen voor de hulp, den dienst en den raad, mij in den loop des jaars verleend; dank aan deleden der Broederschap, voor de bewijzen van toegenegenheid en vertrouwen, die ik van hen mocht ontvangen ;— en ik bid Grod, dat Hij ons allen, die met den band der Broederschap hier op aarde vereenigd zijn geweest, ook eenmaal, en wel voor eeuwig moge vereenigen in den hemel. Amen.

ocr page 95

IX.

Over het Geloof, waarmede men bezield moet zijn, bij het naderen tot de H. Communie.

Accedamus cum vero corde, in ple-nitudine fidei. Laat ons toetreden met een oprecht hart, in volheid van geloof.

(Hebr. X 22.)

Alle mysteriën van onzen Godsdienst vorderen van onzen kant een levendig en blind geloof, omdat een mysterie, zooals het woord trouwens aangeeft, verre buiten het bereik ligt van ons bekrompen verstand. En als dit waar is, M. B. van elk mysterie van ons H. Geloof in het algemeen ; veel meer nog mag dit gezegd worden van het Hoogheilig Sacrament des Altaars. Ja, M. B om overtuigd te wezen, dat onder eene zoo nietige en onbeduidende, onder de zoo kleine gedaante van brood, J, C. met zijne God- en Menschheid, met ziel en lichaam schuilt;— en niet enkel hier in onze kerk, maar gelijktijdig in millioenen kerken over de

ocr page 96

- 84 -

gansche uitgestrektheid der aarde, — daar is zeker een buitengewoon levendig geloof toe noodig. Immers de H. Thomas, aarzelt niet het H. Sacrament des Altaars te noemen: „het grootste onder alle wonderwerken, door God verricht; „miraculorum ab ipso factorum maximum,quot; — en de H. Kerk noflmt het : „mysterium et sacrameatum fidei; het mysterie en het Sacrament des Geloofs.quot; En toch zoovelen, die naderen tot Jesus in zijn H. Sacrament, ontbreekt dat levendig geloot; zonder eerbied en ingetogenheid, zonder vrees, met verstrooiden geest en koud van harte, naderen zij tot de H. Communie. Ik heb daarom gemeend, M. B. in deze korte toespraak, dezen morgen, u eens te wijzen op het yleoendig geloof,\'quot; dat ons bezielen moet, zoo dikwijls wij naderen tot de H. Communie. — Het spreekwoord zegt: „het kleed maakt den man niet.quot; Inderdaad, hoe vele menschen uit den deftigen, voornamen stand die eenvoudig,— en hoevelen uit den minderen stand, die prachtvol en trotsch gekleed gaan. Zoudt gij altijd iemand willen beoordeelen naar het kleed, dat hij draagt, dan zult gij u zeiven dikwijls misleiden, fivenzoo, zoudt gij Jesus willen beoordeelen, naar het kleed dat Hij draagt in zijn H. Sacrament, dan misleidt gij u zeiven. Immers hoe vertoont zich Jesus in het H. Sacrament? Onder de nietige gedaante van brood. Noch het gezicht, noch de reuk, noch de smaak, noch het gevoel zeggen u, dat onder dat eenvoudig kleed, J. C. in persoon, God en Mensch tezamen, schuilt. Doch wat zegt u het Geloof? Dat onder die nederige broodsgedaante een God schuilt, dien hemel en aarde niet omvatten kunnen. „Mag-nitudinis ejus non est finisquot;. (Ps. CXLIV. 3.) „de Koning der koningen en de Heer der heerschai en : Rex regum et J^ominus doniinantiumquot;]— (Apoc. XIX. 16.) die door een

ocr page 97

- 85

enkelen blik, de aarde kan doen beven. „Respicit terram et facit earn trerncre.quot; (Ps. CIII. 32j ; die de sterren toeroept en zij antwoorden : „Adsumusquot;,— hier zijn wij. Chr. gelooft gij dat? Zoo ja; waarom dan uiterlijk dat geloof niet aan den dag gelegd ?

Leert van de engelen des hemels, hoe groot uw geloof moet wezen in tegenwoordigheid van Jesus in zijn H. Sacrament. De H. Basiliua en de H. Chrysostomus getuigen, dikwijls gezien te hebben, dat tijdens de fl. Mis, duizenden engelen in lichamelijke gedaante uit den hemel nederdaalden en met vrees en ontzag, met neergeslagen oogen, in gebogen houding, met gevouwen handen, hunnen Grod en Schepper, in zijn H. Sacrament hulde brachten. De engelen sidderen en beven, zooals gij ziet, in tegenwoordigheid van het H. Sacrament; en wij menschen zouden durven lachen en praten ? De engelen slaan hunne oogen neder,— en wij zouden onze oogen naar alle zijden in de kerk nieuwsgierig durven opslaan ?— de engelen buigen zich ter aarde, ter eere van het Allerheiligste; en wij zouden uit menschelijk opzicht ons schamen, enkel onze knieën te buigen ? de engelen vouwen hunne handen, en voor ons zou het te veel wezen met gevouwen handen ter Communie te gaan ? Doch zijn onze oogen niet zoo verlicht, als die van een H. Basilius, of van een H. Joannes Chrysostomus, dat wij in dit punt aan de engelen een voorbeeld kunnen nemen; dan kunnen wij ten minste een voorbeeld nemen aan menschen, aan onze gelijken,— en van hen leeren hoe groot ons geloof moet wezen ten opzichte van Jesus in zijn H. Sacrament. Men heeft koningen en keizers gezien, van wie men zulks het minst zou verwacht hebben; die op hunne knieën naar het altaar kropen, om de H. Communie te ont-

ocr page 98

vangen en op die wijze hulde brachten aan een koning die grooter ia dan zij.— Philips 11, koning van Spanje, vergezelde dikwijls blootshoofds en te voet, bij guur weder, door lange en beslijkte straten, Jesus, wanneer Hij als teerspijs naar een zieke gedragen werd; toen op zekeren dag de priester hem vroeg : Maar wordt uwe majesteit niet moede ? Wat, moede ?— antwoordde de koning, ik heb nooit ondervonden, dat mijne bedienden, die dag en nacht tot mijnen dienst gereed staan, zich beklaagd hebben dat zij moede waren,— en ik zou moede worden wanneer ik den Koning der koningen dien ? Een bewijs, M. B. hoe levendig het geloof was van dien monarch tot Jesus in zijn H. Sacrament. Maar wat ons M. B. nog meer moet verwonderen is, dat zelfs redelooze dieren onder dit opzicht den redelijken mensch onderwijzen, en soms door hun voorbeeld getoond hebben, welke eerbied het H. Sacrament des Altaars toekomt. Ziehier een voorbeeld.— Men heeft gezien dat een zwerm bijen zich verzamelde bij eene geconsacreerde H. Hostie, die op het veld was uitgestort, rondom haar eene monstrans uit was vervaardigden; en deze wederom insloten in een wassen huisje, dat den vorm had van een tempel. God bezigde, zooals gij ziet, redelooze dieren, bijen, om vele christenen te beschamen, die te kort blijven aan den eerbied, aan het H. Sacrament verschuldigd.

M. B., leden van de Broederschap der H. Familie, die dezen morgen gezamenlijk, in zoo grooten getale, Jesus gaat ontvangen; laat mij u toevoegen met don apostel Paulus: „Accedamus cum vero corde, in plenitudine Jidei: Nadert meteen oprecht hart, in volheid van geloof (Hebr. X, 22.) Neemt een voorbeeld aan de joden in het O V. ten opzichte van de Ark des Verbonds, die toch slechts een grof zinnebeeld was van het H. Sacrament des

ocr page 99

Altaars in het N. V. In de Ark des Verbonds werden bewaard: de twee tafelen der wet en wat manna, waarmede de joden in de woestijn door God op wonderdadige wijze gevoed waren. Nu, voor die Ark des Verbonds hadden de joden zulken eerbied, dat niemand zich dorst verstouten haar te naderen, of met den vinger aan te raken; ja als zij ontbloot was, haar niet eens te beschouwen. Aan u is het vergund, dezen morgen, niet de twee steenen tafelen der wet, niet het stoftelijk manna der woestijn ; maar God in persoon, niet slechts te zien, niet slechts tot Hem te naderen, maar Hem zelfs in uw hart te ontvangen. Doch M. B. toont dan ook een levendig geloof en diepen eerbied. Gij moet onder dit opzicht dezen morgen, aan de andere geloovigen, die in de kerk zijn, het voorbeeld geven en hen sticliten door eene eerbiedige houding, door uwe ingetogenheid, en uwen geest van geloof. Dan ben ik er zeker van, dat deze generale communie de gewenschte vruchten zal dragen,— zij zal uwe ziel verrijken met de grootste genaden en voor u het onderpand wezen eener toekomstige eeuwige gelukzaligheid.

Knielt nu allen neder, M. B, de priester gaat de H. Mis vervolgen, terwijl wij gezamenlijk de acten vbn voorbereiding gaan verrichten tot de H. Communie;— weest dus allen aandachtig en stil,— en zegt in den geest na, wat ik u met den mond ga voorzeggen.

Eerst een tiendje van den Rozenkrans, om den zegen Gods over deze generale communie al te trekken...

1. Acte van Geloof. De apostel Thomas. . . Jesus verscheen na zijne verrijzenis op zekeren dag aan zijne apostelen, bij afwezigheid van den H. Thomas. Deze later daarvan onderricht, wilde het niet geloo-ven. Tenzij ik mijne vingeren zal gelegd hebben. . .

ocr page 100

— 88 —

Kort daarop verscheen Jesus andermaal, en nu ook was Thomas aanwezig; die bij het zien van Jesus, uitriep : „Dominus meus, et Deus meus.quot; Heere Jesus, ook ik roep u toe met den H. Thomas, bij uwe verschijning op het altaar, onder broodsgedaante in ons midden: „Dominus meus et Deus meus.quot; Ik vraag niet, gelijk Thomas, u met mijne oogen te zien, met mijne handen te tasten. „ Tu es Deus absconditusquot;.— Gij hebt verborgen de majesteit uwer Godheid, den luister uwer glorie, al uwe goddelijke eigenschappen en volmaaktheden; zelfs de gedaante van mensch; — noch mijne oogen, mijn reuk, smaak en gevoel, geven mij uwe aanwezigheid te kennen , en toch geloof ik vastelijk dat Gij hier onder broodsgedaante, met uwe God- en Menschheid, met ziel en lichaam, wezenlijk tegenwoordig zijt. Gij immers, die de eeuwige waarheid zijt, geeft mij daarvan de stellige verzekering: „Hoe est enim corpus meumquot;,— terwijl de H. Kerk mij dit te gelooven voorhoudt. Ik aanbid u verder, o verborgen God! als mijn Schepper, Heer, Meester, Verlosser, Rechter, mijn opperste Goed, Koning des hemels, Gebieder der wereld. Wellust der engelen. — Ik vraag u vergiffenis voor den weinigen eerbied, waarmede ik u zoo dikwijls bejegend heb, in uwe heilige tegenwoordigheid; het was niet uit moedwil noch boosheid, maar uit gebrek aan een levendig geloof; weshalve ik u smeek, dat geloof thans in mij te vermeerderen. „Domine audauge nobis /idemquot;.— In en voor dat geloof wil ik leven en sterven.

2. Acte van hoop. Ik lees in het Evangelie van den H. Joannes, dat ten tijde van Jesus\' verblijf te Jerusalem, zich daar bij het schaapsbad, een lamme bevond van 38 jaren. Niemand was hem behulpzaam. Jesus geneest hem met een enkel woord. En gij, sedert hoe

ocr page 101

— gy —

lang ziek? ,.. Jesus zal u genezen door de H. Communie. Deswege eene acte van hoop en vertrouwen. — Heere Jesus! ik behoef u niet te zeggen wie ik bén, Gij kent maar al te goed mijne ellenden en zwakheden. Ik heb u zoo zwaar en zoo dikwijls beleedigd, door zonden van.... Ik heb zoo dikwijls mijne driften en hartstochten ingevolgd, — zoo vaak de plichten van mijnen staat verzuimd, zoo traag geweest in het gebed, zoo zorgeloos in uwen dienst; — in één woord, ik ben de nietigste en ellendigste onder de menschen. Doch het is juist daarom dat ik tot u kom. Gij hebt gezegd: „ Venite ad me, om n es qui lab oralis.\'\' Deze uwe belofte vervult mij met hoop en vertrouwen. Ik Loop dan van u dezen morgen te ontvangen, de genezing mijner ziel, ijver en standvastigheid in het goed, kracht tegen mijne driften, smaak ia het gebed ; — ik hoop door deze H. Communie in een nieuwen mensch herscLapen te worden, om voortaan in uwe vriendschap te leven en in uwe genade te sterven.

3. Acte van liefde en van verlangen. Petrus zoo vurig, die zich bereid verklaarde voor zijnen goddelijken Meesier te willen sterven, verloochende Hem tot drie maal toe. .. Maar hij kwam tot inkeer. „Flevitquot;.. .. en zijn berouw was zoo krachtdadig, dat hij later in waarheid mocht zeggen : „tu seis quia avio te.quot; M. B., ook gij hebt God verloochend ... geweend... gij verfoeit;... zegt ook: „iu seis quia amo te.quot; Heere Jesus ik bemin u, Gij zijt mijne eenige liefde, mijn opperste goed, mijn schat, mijn leven, mijn al. Ik bemin u, meer dan mij zeiven; ik bemin u bovenal,omdat Gij de beminnelijkheid zelve zijt, en uit liefde tot u, schenk ik mij zeiven geheel en al aan u. Ik offer u op mijne ziel met... . mijn lichaam met zijne zintuigen ; alles wat ik ben, wat ik heb of bezit staat ten uwen dienste. Ik ben,

ocr page 102

- 90 —

de uwe, Gij zijt de mijne. Anderen mogen de goederen der wereld verlangen, ik verlang niets dan ü. Schenk mij slechts uwe liefde met uwe genade, dan ben ik rijk genoeg, en vraag niets meer.

4. Acte van berouw. „ Domine non sum dignusquot; . . . „Pro-pitms esto mihi peccatori.quot; Vergiffenis, o Jesus !.. voor zoovele zondige gedachten, enz. .. . voor zoovele zonden in de jaren der jeugd en later,.....ergernissen ....

verzuimenissen. ... Ik dank u, dat gij mij niet in zonde hebt laten sterven ; maar mij tijd en gelegenheid geeft ter bekeering. Ondanks mijne onwaardigheid noodigt gij mij nog uit u te ontvangen !.... Zuiver dan tevoren nog eens mijn hart,., .. ik ben besloten, a nimmer meer te beleedigen, maar liever te sterven dan u nog ooit te vergrammen.

M. B. hei oogenblik is daar. . „Ecce sponsus venit, exite obviam ei.quot; Ziet, de Bruidegom komt, treedt Hem nader; gaat tot Hem met. een levendig geloof, een diepen eerbied, een vurig verlangen en eene brandende liefde. Het lichaam van onzen Heer J. C. beware uwe zielen ten eeuwigen leven. Amen.

Dankzegging. „Magnificat anima mea Dominumquot;.— „Respexit humilitatem ancillae suae\'\'\'.— „Fecit mihi magna quipotens estquot;.... Zoo sprak Maria,— zoo ook moeten wij thans spreken. Betuigen wij, evenals zij. God onze dankbaarheid door het bidden van.....

Onze dankbaarheid, moet verder vergezeld gaan van beloften en voornemens. „Juravi et statui...quot; Geene zonden meer,— geene onzuivere gedachten en begeerten, woorden en werken,— geen vloeken en kwaadspreken;— geen onmatigheid, ergernis op vrouw . . . ongehoorzaamheid jegens ouders . . . vermijden der gevaren en gelegenheden tot zonde; slechte kameraden, gezelschappen. Laat ons daartoe aan God de genade vragen, door het bidden van .\'. ..

ocr page 103

- 91 —

Geen gunstiger tijd tot het verkrijgen van genaden, dan het oogenblik na de H. Communie. Maken wij dus daarvan gebruik, om Jesus aan te bevelen de belangen der Kerk, der Broederschap en onze persoonlijke belangen. Laat ons gezamenlijk bidden ....

A. Voor het welzijn der Kerk en voor den bloei van de Broederschap der H. Familie... .

B. Voor allen die deel genomen hebben aan de plechtigheid der Generale Communie.

C. Voor de zieken en ouden, en voor allen die ver hinderd mochten geweest zijn.....

D. Voor de nieuwe leden, die dezen avond hunne opdracht doen

E. Voor de overleden lenen der Broederschap.

F. Voor de verwanten van do leden der Broederschap.

G. Voor de genade der volharding en een zaligen dood.

„Heere Jesus I wij danken u van ganscher harte, voor de groote genade waaraan gij ons dezen morgen deelachtig gemaakt hebt. Maak toch dat wij van nu af aan, u voortdurend in ons hart mogen bewaren; geef dat wij nimmermeer het ongeluk hebben, door de zonde van u gescheiden te worden.quot;

Jesus, Maria, Joseph, aan u schenken wij ons hart en onze zial.

Jesus, Maria, Joseph, staat ons bij in onzen doodsstrijd.

Jesus, Maria, Joseph, geeft dat wij in uw gezelschap in vrede sterven Amen.

M. B. Uit naam van Jesus, hier in zijn H. Sacrament tegenwoordig, zeg ik u dank voor de eer Hem dezen morgen bewezen; dank voor uwe talrijke op komst,dank eindelijk voor de ingetogenheid en stichting, die gij aan den dag hebt gelegd; terwijl ik hoop en vertrouw, dat allen zich zullen beijveren, ook dezen avond bij de plechtige opdracht tegenwoordig te zijn-

ocr page 104

X,

De plechtige Acte van Opdracht, is eene waarachtige, heilige, altijddurende verbintenis.

Dixitque Dominus ad Moysen: Scribe tibi verba haec, quibus ct tecum, et cum Israël pepigi foedus.— En God zeide tot Moses: Schrijf deze woorden op, waardoor ik met u en mei Israël een verbond heb aangegaan. (Exod. XXXIV. 27.)

Wij lezen in de H. Schrift, dat toen Moses zich met de Israëlieten aan den voet van den Sinaï bevond, God hem van af dien berg zijne stem deed hooren, en hem beval aan de Israëlieten in zijnen naam te verkondigen, dat Hij, indien zij beloofden in alles zijnen H. wil te doen, met hen een plechtig verbond zou sluiten Nauwelijks had Moses, dezen hem opgedragen last vervuld, en had het volk hierop geantwoord: alles wat de Heer gesproken heeft, zullen wij doen; of andermaal sprak God tot Moses: ga en

ocr page 105

- 93 -

zeg tot hen: „heiligt u vandaag en morgen, en den derden dag zult gij de heerlijkheid Gods zien.quot; Op dien dag moest Moses den Sinaï bestijgen, en nadat hij daar de wet Gods had ontvangen, en het volk andermaal beloofd had, die te zullen onderhouden ; deed Grod de plechtige belofte, dat Hij zijnen engel zou afzenden om hen vooruit te gaan, en hen op reis te begeleiden. „Ik zalquot; zoo sprak Hij, „de vijand zijn van uwe vijanden, en daan zal ik degenen die u slaan, en dan zal mijn engel u voeren in het land der Kanadnieten, die ik verdelgen zal\' (Exod. XXIII, 22.) En andermaal sprak het volk: „Al wat de Heer gezegd heeft, zullen wij doenquot;. En toen beval God, dat het verbond dat Hij met zijn volk had aangegaan, door een plechtig offer zou bezegeld en bekrachtigd worden. En opdat zij dat nooit zouden vergeten, sprak God tot Moses: „Scribe etcquot;.

Ziedaar de afbeelding van hetgeen vandaag, tus-schen n en God gaat gebeuren. Evenals God met Israël door de bemiddeling van Moses een verbond sloot, zoo is Hij ook voornemens, een plechtig verbond te sluiten met eenieder van u, in deze Broederschap der H. Familie. Gij hebt u bereids geheiligd door eene goede biecht,— en dezen morgen bij de generale Communie hebt gij zoo niet met den mond, ten minste met het hart gesproken: „alles wat God wil, zullen wij doen.\'\' Het is daarom dat God dan ook dezen avond zijn woord zal gestand doen, en met u een plechtig verbond sluiten. Naar aanleiding hiervan, wil ik dezen avond eenvoudig u de woorden verklaren van de acte der Opdracht; daar het verbond dat gij met God gaat sluiten, daarin volkomen is uitgedrukt.— Hebt gij die woorden goed begrepen, dan zult gij niet alleen veel duidelijker inzien, wat het zeggen wil zijne Opdracht in de H. Familie doen;

ocr page 106

_ 94 -

maar dan zal ik met meer vrucht tot u de woorden van God tot Moses kunnen herhalen: „Scribe etcquot;. Uit de acte van opdracht die gij dezen avond gaat verrichten, blijkt, dat gij m st Jeans, Maria, Joseph aangaat :

I Eene waarachtige verbintenis. Open ik het burgerlijk wetboek, of een handboek over godgeleerdheid, dan vind ik van het woord verbintenis, de volgende bepaling. „Eene overeenkomst van twee of meer personen, waarbij deze zich wederzijds verplichten, om iets te geven, of iets te doen, of niet te doenquot;. (B. quot;W. a. 1270.) Tot eene verbintenis wordt dus ver-eischt: 1) eene wezenlijke toestemming van den wil; dus het is niet genoeg om louter met den mond, met de lippen de formule der Opdracht op te zeggen of af te lezen, zonder met het hart in te stemmen met hetgeen men zegt, — neen, men moet inwendig met het hart willen, wat men uitwendig met den mond spreekt; zonder dat, kan er geen spraak zijn van eene verbintenis die men vrijwillig aangaat. 2) Doch de toestemming van den wil is alléén niet genoeg; zij moet uitwendig, op welke wijze dan ook hetzij door woorden, door teekenen, of door schrift geopenbaard worden. Zonder deze kenteekenen kunnen wij menschen, nooit de inwendige toestemming onzer medemenschen kennen, — en kan er dus geen spraak zijn van eene wezenlijke verbintenis. 3) Eindelijk, wordt nog vereischt de juiste bepaling der zaak, waartoe men zich verbindt. — Zijn deze drie voorwaarden aanwezig; dan bestaat er eene wezenlijke verbintenis, en men is in geweten gehouden, zijn woord gestand te doen. — Om u te overtuigen, dat gij met Jesus, Maria Joseph, een wezenlijk verbond aangaat, behoeven wij slechts woordelijk de acte der Opdracht na te gaan.

Wat gaat gij zoo aanstonds, na de conferentie

ocr page 107

— 95 —

verrichten ?— Enkel en alleen met den mond, de formule der opdracht uitspreken, zonder inwendig u tot iets te willen verplichten ? Ik geloof dat gij u beleedigd zoudt achten, als iemand dat van u zou durven onderstellen. Dat ware comedie spelen, huichelen, veinzen, en God die het binnenste uwer harten doorgrondt, zou van u kunnen zeggen: „Populus hic lahiis me honorat, cor autem eorumlonge est a 7«equot;. (Matth. XV. 8.j Neen,— gij wilt niet in schijn, maar in werke. lijkheid, in vollen ernst uwe opdracht doen. Dat verklaart gij ten aanhoore van allen, die hier staan als getuigen, — ten aanhoore van zoovele oudere medeleden, die jaren geleden die zelfde opdracht verricht hebben,— ten aanhoore van den Bestuurder der Broederschap, die uwe opdracht zal aanvaarden, en aan wien gij u hebt aangeboden om in de Broederschap te worden opgenomen, — ten aanhoore van J. C. in zijn H, Sacrament, — ten aanhoore van Maria die u voortaan als hare bevoorrechte kinderen zal beschouwen ;—gij verklaart dat met duidelijke woorden;— en opdat het niemand in den geest kome de waarheid uwer mondelingsche getuigenis in twijfel te trekken, verklaart gij die getuigenis at te leggen: „in tegenwoordigheid van geheel het hemelsch hof quot; Gij wilt dus die handeling verrichten, niet met lichtzinnigheid, maar in ernst en oprechtheid; —niet voor de menschen, maar voor God.— En gelijk Petrus op de vraag van Jesus : „Bemint gij mij V\' zich beriep op de alwetendheid van Jesus, zeggende : „Heer, gij weet dat ik u lief heb.quot; (Joa. XXI. 17); zoo ook verklaart gij, met te zeggen : „Ik, in de tegenwoordigheid van geheel het hemelsch hof, kies u op dezen dag tot mijne patronen en beschermers,quot;— deze daad te stellen in tegenwoordigheid van Jesus; van wien geschreven

ocr page 108

— 90 —

staat: „scrutans corda et renes.quot; (Ps. XVII. 10). Gij beroept u op Zijne alwetendheid ; dus onoprechtheid \' zou een gruwel wezen.

Duidelijk verklaart gij ten laatste waartoe gij u verplicht: „Ik offer u op, en heilig u plechtig in deze Congregatie toe, mijn lichaam en mijne ziel, alles wat ik heb, en alles wat ik ben.quot;— Grij sluit niets uit, maar brengt u zeiven geheel en al ten offer aan Jesus, Maria Joseph. Alles dus tot eene verbintenis vereischt, is aanwezig ; en ik mocht dus in het begin zeggen, dat gij mot uwe opdracht te dosn, eene wezenlijke verbintenis aangaat met Go 1,— en wel eene verbintpnis, die men schenking noemt:—en dus niet eene eenvoudige belofte. Ziehier het verschil dat er bestaat tusschen eene schenking en eene belofte. Eene belofte is verplichtend zoodra zij gedaan is;— maar opdat eene schenking geldig zij, moet de zaak door hem, aan wien ik die schenk, worden aangenomen. Door die aanneming eerst wordt de schenking voltrokken, en gaat het eigendomsrecht van den eenen op den anderen over. Passen wij dit toe op de acte uwer opdracht. Gij zegt: „ik offer u op en heilig u toe en niet: ik zal u opofferen, ik zal u toeheiligen.— Met te zeggen : „ik offer u op mijn lichaam en mijne ziel, geeft gij zooveel te kennen als: „ik schenk umijn lichaam en mijne ziel.quot; Gij doet dus niet eene belofte, maar eene schenking. Die schenking echter moet nog worden aangenomen. Ook dit heeft piaats. Na de opdracht immers zegt de H. E. Heer Pastoor, als voorzitter dezer plechtigheid: „En ik, in naam der A.llerh. Drievuldigheid, en door de mij verleende macht, neem u allen aan in de Broederschap der H. Familie.quot; Gij ziet dus, gij gaat eene wezenlijke verbintenis aan, bij name die van schenking, en gij zijt verplicht uw woord gestand te doen. Daarna behoort

ocr page 109

— 97 —

gij niet meer aan u zeiven, maar aan Jesus, Maria, Joseph. Die schenking door u gedaan, bestaat niet in schijn, maar in waarheid. —

II. Het is verder; cene heilige verbintenis die gij aangaat bij uwe opdracht. Heilig;

A:) In haren oorsprong. Want, dat gij u vandaag schenkt aan Jesus Maria, Joseph; dat moet gij nifit toeschrijven aan het toeval, aan een vriend die u onae Broederschap heeft leeren kennen, die u hierheen geleid heeft; — neen, uwe roeping tot onze Broederschap moet gij toeschrijven aan den H. Geest. Zoo er geen haar valt van ons hoofd, zonder toelating Gods ; met andere woorden, zoo alles wat op aarde geschiedt, door toedoen Gods geschiedt; dan is toch zeker eeno zaak van zoo groot gewicht, als uwe roeping tot de Broederschap der H. Familie, het werk van God. God voorzag, hoe heilzaam, hoe noodzakelijk het lidmaatschap van de H. Familie voor u wezen zou, en deed daarom alle omstandigheden samenloopen, — gebruikte dien vriend, om u in onze Broederschap in te leiden, en bereikte aldus zijn doel; „Suaviter et fortiter.quot; De H. Geest is dus de eerste Bewerker uwer roeping, en daarom is het eene heilige verbintenis.

B:) Heilig: in de wijze waarop gij die verbintenis aangaat. Gij gaat ze doen, na het licht des H. Gees-tes te hebben afgesmeekt, — in tegenwoordigheid van Jesus, in zijnH. Sacrament,—na Hem dezen morgen door de H. Communie in uw hart ontvangen te heb • ben, — eindelijk, te midden van de schoonste godsdienstige plechtigheden.....

C :) Heilig verder is die acte, om hare uitwerkingen. Van af het oogenblik, dat de priester uwe schenking heeft aangenomen, behoort gij niet meer aan u zeiven, maar aan Jesus, Maria, Joseph. Dat is nog niet alles. De

7

ocr page 110

— 98 —

priester verklaart u daarenboven nog deelachtig aan alle gunsten en aflaten, door Z. 11. Paus Pius IX, aan de Broederschap der H. Familie verleend. Gij wordt lid van dat groot zedelijk lichaam, welks leden over de gansohe wereld zijn verspreid: gij leeft door het leven van dat licliaa-n, gij zijt één met dat lichaam ; evenals mijne ledematen een zijn met mijn lichaam, en leven door het leven van mijn lichaam. Gij hebt dus deel aan alle goede werken, gebeden, communiën van al die duizenden leden der H. Familie, die over de geheele wereld verspreid zijn. —

j) ;) Zij is nog heilig in haar doel. Immers wat stelt gij u ten doel, bij uwe opname in onze Broederschap ? Gij zegt het in de acte uwer opdracht; „Ik maak het vast besluit als een goed christen te zullen leven , om als een uitverkoren te zullen sterven.quot; En om dat doel te bereiken, biedt de H. Familie u zoovele middelen aan; o, a. do verkondiging van Gods woord bij wijze van conferentie eenmaal per week; het gemeenschappelijk gebed, het veelvuldig naderen tot de H. H. Sacramenten, heilzame vermaningen, waarschuwingen, raadgevingen, aanmerkingen; en bovenal het stichtend voorbeeld van zooveele ijverige medeleden.

III. De verbintenis eindelijk die gij aangaat met God, door de schenking van u zeiven in de acte der opdracht, is eene altijddurende verbintenis, die moet blijven voortduren tot aan uwen dood. Dus met eene verbintenis voor een of meer jaren, niet voor een tijd, maar voor geheel uw leven, of liever voor de gansche eeuwigheid. Ook dat geeft gij te kennen in de acte uwer opdracht, als gij zegt: „welk gelui voor mij, eens uit de armen van Jesus, Maria, Joseph op deze aarde, overgebracht te worden in de armen van den Vader, den Zoon en den 11. Geest in den hemel;

ocr page 111

en dat voor eene eeuwigheid.quot; Grij gaat dus eene altijddurende verbintenis aan, met Jesus, Maria, Joseph. Nieuwelingen, die op het punt staat uwe opdracht te doen; overweegt wel die laatste woorden. —Zoo gij niet van plan zijt, tot het einde van uw leven als ijverig lid in de Broederschap der H. Familie te leven, treedt dan niet nader om uwe opdracht te doen. Als gij niet van plan zijt, om zooveel mogelijk onze wekelijksche vergaderingen bij te wonen, laat u dan ook niet opm-men in onze Broederschap, (rij hebt nog tijd, het staat u vrij, ii terug te trekken, liever dan later als woordbrekers uit de H. Familie verwijderd le moeten worden. Ach! ik bid u, in Gods naam! vermeerdert toch niet liet getal der afvalligen ; vergroot toch niet de lijst dier trouweloozen, die hun woord, hunne verbintenis met God gebroken hebben en uit don schoot onzer Broederschap verwijdeid zijn! Ik mag echter van u zoo iets niet verwachten ; gij zijt te goed ingelicht over den stap dien gij doen gaat. Gij gaat door uwe acte vau opdracht, met Goi eene wezenlijke eene heilige eene altijddurende verbintenis aan. Groot dus is die handeling; vol verdiensten voor God, zij zal u tot troost zijn in nw leven, maar vooral op uw sterfbed ; door die opdracht daarenboven, krijgt gij nog recht op eene bijzondere bescherming van Jesus, Maria, Joseph.

Wat kan ik dan beter doen op dit oogenblik, dan u allen, nieuwelingen en ouderen opwekken, dit offer, ol de vernieuwing van hetzelve met een edelmoedig en opgeruimd hart te doen. „Hilarurn enim daturem diligit Deus.quot; (II Cor. IX. 7.) Tot u allen herhaal ik de vvpor-den, die ik tot tekst dezer conferentie gekozen heb : „Scribe tibi verba haec, quibus tecum pe/iigi foedus.quot; (Exod. XXXIV. 27.) Schrijft de formule uwer opdracht, waardoor God met u een wezenlijk, een heilig, een altijd-

ocr page 112

— 100 —

durend verbond aangaat, in het diepste uwer harten; hangt het diploom uwer aanneming, waarop uwe opdracht te lezen staat in uw huis ; opdat zij u voortdurend herinnere aan uwe verbintenis, aan de groote bundeling die gij hier aan den voet van het tabernakel eaat verrichten; opdat zij daarenboven uwen ijver steeds onderhoudt, en voor u eene bron zij van zegen voor dit leven, het onderpand van een zaligen dood, en uw paspoort voor den hemel. Amen.

ocr page 113

XL

De Broederschap der H. Familie is eene geestelijke Ark van Noë.

Ingredere tu, et omnis domus tua in arcam. Treedt gij en geheel uw huisgezin de ark binnen. (Gen. VII. 1.)

De H. Alphonsus in zijn werk; „Heerlijkheden van Maria.quot; (II. 162) ; sprekende over het nut der Broe-derschappan in het algemeen, zegt; „De Broederschappen zijn als zoovele arken van Noë, waarin de menschen in de wereld eene veilige schuilplaats vinden, in den vloed der zonden en bekoringen, die de wereld overstroomen. Op onze missiën, zegt de H. Kerkleeraar, kunnen wij het best het nut der Broederschappen waarnemen. In den regel treft men meer zonden aan in een enkel persoon, die geen lid is eener Broederschap, dan in twintig anderen die tot eene Broederschap behooren.quot; Zoo spreekt de Heilige, over de Broederschappen in het algemeen. Zij zijn voor bare leden, wat de arkt was voor Noë

ocr page 114

— 102 -

en zijn huisgezin: een behoedmiddel voor den ondergang in den zondvloed der wereld. Is dit van toepassing op alle Broederschappen in het algemeen, mot veel meer recht nog mag dit gezegd worden van de Broederschap der H. Familie in het bijzonder. Ja, Mannen Broeders, zij is voor n, wat de ark was voor Noë en zijn huisgezin: een toevluchtsoord in den zondvloed ; zoodat gij even veilig en gerust uw geestelijk leven kunt toevertrouwen aan de ark der H. Familie, als Noë zijn stoffelijk leven toevertrouwde aan de ark. Dit ga ik u dezen avond eens duidelijk aantoonen.

Drie beweegredenen had Noë om zich met volkomen gerustheid aan de ark toetevertrouwen :

J. Zij was sterk en soiled gebouwd. God zelf had aan Noë het plan van de ark gegeven. Hij had hare hoogte, hare breedte, hare diepte, hare inrichting, haren vorm, in één woord. Hij had alles nauwkeurig aangegeven. Zij was 300 el lang, 50 al breed, en 30 hoog, eene verhouding volgens deskundigen, de vol-maakste die men d.,iken kan. Zij had de gedaante, niet van een gewoon schip, maar vee) meer van eene groote langwerpig vierkanten kist, die men wel is waar niet sturen kon, maar uitermate geschikt was om op het water te drijven. Zij was waarschijnlijk gemaakt van zeer duurzaam en tevens licht cypres-senhout, van binnen en van buiten met pek bestreken. Volgens eene aloude overlevering arbeidde Ncë 100 jaren aan den bouw der ark.

Gij ziet dus, M. B., er ontbrak volstrekt niets aan de ark; haar plan, haar bouw, hare inrichting, de stof waaruit zij gemaakt was, alles beantwoordde aan haar doel. Ziedaar eene eerste beweegreden waarom Noë zich met volkomen gerustheid aan de ark kon toevertrouwen.

ocr page 115

- 103 —

Ziedaar, M. B., de eerste reden waarom ook gij, veilig en gerust de belangen uwer ziel kunt toevertrouwen aan de Greestelijke ark der fl. Familie Ook zij is sterk en hecht gebouwd, volmaakt in hare inrichting ; zij stelt zich een verheven doel voor, en biedt overvloedige middelen aan om dit doel te bereiken. Ik zeg: Zij stelt zich een verheven doel voor. Het doel van de Broederschap der H. Familie, zegt Art. 1. van onze regels en verordi ningen, is : „aan menschen van allen leeftijd, geslacht, en betrekking, eene heilzame gelegenheid te verschaffen, om met zekerheid don weg van het goed en van de deugd te bewandelen;quot; met andere woorden, hen tot volmaakte christenen te vormen. En kan men daartoe wel geschikter middelen uitdenken, dan die welke de H. Familie aanbiedt! Om een goed Christen te worden zijn drie zaken noodig: 1° eene grondige kennis van den Godsdienst en van de plichten van zijnen staat; 2° de beoefening van het gebed; 3° het veelvuldig naderen tot de H. H. Sacramenten.

Die grondige kennis der waarheden van den godsdienst is de bron waaruit het Christelijk leven ontspringt, de grondslag waarop het rust. Waar die kennis ontbreekt, daar kan geen sprake zijn van christelijk leven, daar vindt men noodzakelijk onver schilligheid en pliclitverzuim. Die grondige kennis echter is alleen niet voldoende, men moet ook het gekende in beoefening brengen; de kracht daartoe krijgen wij door het gebed, en vooral door het dikmaals naderen tot de H.H. Sacramenten. Die drie groote middelen nu ter zaligheid vindt gij bij uitnemendheid in de Broederschap der H. Familie. Immers ontvangt gij niet in de wekelijksche conferentie, een grondig en degelijk onderricht in de voornaamste waarheden

ocr page 116

_ 104 —

der katholieke geloofs- en zedeleer, en dat wel op eeno bevaltelijlie onaantrekkelijke wijze? Besteden wij daarboven in onze bijeenkomsten niet een groot deel van den tijd, aan gemeensobappelijk gebed en wordt daardoor in u de zucht en de ijver niet opgewekt, om ook op andere tijden te hidden ? En wat het veelvuldig gebruik der H.H. Sacramenten betreft; wordt u dat in Art. 2. niet tot plicht gemaakt; — wordt gij bij gelegenheid van hooge feestdagen daarop door den Bestuurder niet opmerkzaam gemaakt, en wordt gij daartoe eindelijk niet opgewekt door het stichtend voorbeeld van zoovele medebroeders? Ik weet wel dat men die middelen ook vindt buiten de Broederschap, dat iader christen wie hij zij of niet dezelve in beoefening kan brengen.

Maar een lid der H. Familie zal ze met grooter volmaaktheid en getrouwheid beoefenen: 1) omdat hij zich daartoe verbonden heeft bij zijne opname in de Broederschap. 2) omdat hij door woord en voorbeeld voortdurend daartoe wordt aangezet. 3) omdat hij daattoe wordt uitgelokt door tal van aflaten, welke aan de oefeningen bij de Broederschap in gebruik, zijn verbonden. Ziedaar eene eerste beweegreden, waarom gij met volkomen gerustheid u aan de ark der H. Familie kunt toevertrouwen.

II. De ark van Noë was gebouwd op bevel van God zeiven. Wat Noë zoo gerust deed zijn, toen hij zich in de ark bevond, was niet slechts, omdat zij sterk en solied gebouwd was; neen, hij was een man van geloof, hij stolde meer vertrouwen op de hulp van God, dan op menschelijke middelen. Hij had de ark vervaardigd op hevel van God; — en dat bezielde hem met vertrouwen. God had tot hem gezegd: „Bouw u eene ark van geschaafd hout, maak afgeschoten vertrekken

ocr page 117

- 105 —

daarin. Zij moet zóó lang, zóó breed, zóó hoog zijn. Maak een venster in de ark, haar dak moet één el hoog, haar ingang moet op zijde zijn, en zij moet diie verdiepingen hebben.quot; God zelf gelijk gij ziet, maakte haar plan en gaf hare verhoudingen aan; zoodat zij meer Gods werk dan het zijne was. — Ziedaar ook voor n eene tweede reden, om u met volkomen gerustheid aan de ark der H. Familie toe te vertrouwen. Immers de Broederschap der H. Familie is ook op bevel, of ten minste op ingeving, onder medewerking van God, opgericht. De heer Belletable, als een andore !Noë, bouwde onder medewerking van Gods genade, de ark der H. Familie. Zij was veel meer Gods werk dan het zijne. God immers bezigt in al zijne ondernemingen, menschelijke middelen, stoffelijke krachten tot werktuigen in de uitvoering zijner plannen. Ziet maar eens, hoe God zijn volk verlostte uit de slavernij van Egypte. Hij bediende zich daartoe van Mozes, dien Hij tot dat doel africhtte en vormde. Hoe stichtte Hij zijne Kerk en bekeerde Hij de wereld? Door middel van 12 arme visschers, die Hij met zijnen geest bezielde en met zijne genade versterkte. Denzelfden weg volgde God in de stichting van de Broederschap der H. Familie. Een kapitein der genie was het werktuig door God gekozen, om eene Broederschap te slichten, die op den dag van heden hare leden bij honderdduizenden kan tellen, welke van hier uit, in Belgie, Frankrijk, Duitschland, Engeland, ja tot in Amerika, elkander de broederhand reiken. Wij mogen dus vrij zeggen: „Digitus Dei est hie.quot; (Exod. VIII. 19.)

Dat begreep de toenmalige bisschop van Luik, Mgr. van Bommel, reeds bij haar ontstaan, toen hij de vergaderingen goedkeurde: „Ik dank God, zoo zeide hij, dat Hij deze vergadering in het leven heeft

ocr page 118

geroepen; zij is eene ware behoefte voor onzen tijd, en ik geloof vast, dat God zich van haar, als van een krachtig middel zal bedienen, om den godsdienstzin en den geest van godsvrucht, die dagelijks meer en meer verloren gaat, onder de geloovigen te vernieuwen en te verlevendigen.quot; En wat Mgr. van Bommel toen reeds begreep, hebben na hem, 49 andore bisschoppen verklaard, namelijk; dat de Broederschap der fl. Familie Gods werk is. — En is zij Gods werk, dan doet mon ook met lid te worden dier Broederschap, een aan God aangenaam werk; en men mag dus met grond hopen, dat zij voor u wezen zal, wat de ark was voor Noë; een behoedmiddel in den algemeenen ondergang der zonde.

III. Noë had nog eene derde beweegreden om zich met volkomen gerustheid aan de ark toe te vertrouwen. Niet alleen was zij sterk gebouwd, naar het plan en op last van God gemaakt; maar hij wist ook met zekerheid, dat God haar zou leiden en besturen. God had tot hem gezegd: „Zie, ik zal een watervloed over de aarde brengen, en alles wat leafi of/ aarde zal sterven. Maar met u zal ik een verbond sluiten, gij zult in de ark gaan met uwe vrouw, uwe zonen en hunne vrouwen.quot; (Gen. VI, 17-19.) Dat verbond van God met Noë, wordt gewoonlijk opgevat als eene plechtige belofte, namelijk dat God hem en de zijnen redden zou van den algemeenen ondergang. Dus moest God tevens de ark bestieren en geleiden, om Noë en de zijnen aan den zondvloed te doen ontsnappen.

Noë had dus na zulke stellige belofte van God, niets te vreczen en kon zich met volkomen gerustheid aan de ark toevertrouwen. Maar kunnen ook wij, in zekeren zin niet met dezelfde gerustheid, het behoud onzer zielen toevertrouwen aan de H. Familie? Niet

ocr page 119

- 107 —

alleen is zij goed ingericht en op Gods ingeving ingesteld ; maar men behoeft ook slechts de oogen te openen; om zich te overtuigen dat Gods zegen op onze Broederschap rust, en dat zij op eens bijzondere wijze door God wordt bescbermd.

„Nooit heb ik den huilzamen invloed en de goede uitwerkselen der geestelijke Broederschappen zoo goed leeren kennen, zegt de H. Alphonsus, als bij gelegenheid der missiën. Luizende malen heb ik ondervonden dat personen die tot zulke Broederschappen behoorden, in het algemeen veel onschuldiger, veel godvreezender en godsdienstiger zijngt; dan anderen, — en daarom voeg ik er bij ; wanneer iemand die in de wereld leeft mij vraagt, wat hij doen moet om zijne zaligheid te verzekeren, raad ik hem immer aan, zich in eeno Broederschap te laten opnemen, enz.quot; En wat de H. Alphonsus hier van de Broederschappen in het algemeen zegt, namelijk: dat het stichtend leven harer leden wel een bewijs is, dat de zegen van God op de Broederschappen rust; dat mag zeker op uitnemende wijze gezegd worden van de Broederschap der H. Familie, in het bijzonder. — Op haar rust bij uitnemendheid de zegen Gods, en dat vinden wij duidelijk bewezen door al het goed, dat zij afwerpt. Zij maakt van hare leden, mannen van geloof en deugd, stichtende en voorbeeldige jongelingen, oppassende arbeiders» brave echtgenooten en vaders, ijverige christenen. Zij oefent daarenboven eenen zijdelingschen invloed uit op het huisgezin, waarvan vader of zoon lid is der Broederschap ; ja op geheele parochiën, die zooals de ondervinding geleerd heeft, volkomen van aanschija veranderden, zoodra de Broedersshap der H. Familie er werdt opgericht. En merkt wel op, daar kan hier

ocr page 120

— 108 —

alleen spraak zijn van het goed, dat voor iedereen zichtbaar is, en dat is zeker nog niet de helft, in vergelijking van al het goed dat ongemerkt, in het geheim, in het verborgen door de Broederschap en hare leden verricht wordt, — En dat moet ons niet verwonderen, daar het zeker is dat wij d-ior lid te worden der H Familie, recht krijgen, om op gehee\' bijzondere wijze beschermd te worden, door Jeans, Maria, Joseph, tijdens ons leven en vooral in het uur van onzen dood.

Ik zeg daarom tot u, nieuwelingen, die zoo aanstonds uwe opdracht gaat doen, wat God zeide tot Noe: „Ingredere tu et omnis domus tua in arcam.quot; (Gen. VII 1.) Treedt de ark binnen, de geestelijke ark der H. Familie; want evenals Noë met zijn huisgezin door de ark bewaard bleef voor den zondvloed, waarin alle anderen omkwamen ; zoo ook zult gij door deze geestelijke ark der H. Familie beschermd worden tegen de gevaren en verleiding der wereld, tegen den val in de zonde ; in één woord tegen den ondergang uwer ziel. In die geestelijke ark immers vindt gij alle middelen, om braaf te leven en eenen zaligen dood te sterven. En gij, ouderen, die reeds het geluk hebt lid te zijn, hebt de Broederschap lief, woont vooral ijverig hare vergaderingen bij en verlaat haar nooit; blijtt haar trouw tot aan uwen dood, want : „qui autem perseverave-rit usque in finem, hie salvus erit.quot; (Matth. X, 22.)quot; Ik geloof, zegt de H. Alphonsus, (oeuv. asc. t. 16. 3. 8. p. 269) dat een troostvolle dood voorbereid is, voor die medebroeders, die trouw de vergadering hebben bijgewoond. „Ingeschreven zijn in het register der Broederschap, zegt nog de H. Alphonsus, is hetzelfde, als ingeschreven zijn in het boek des levens, bijaldien men trouw volhardt de vergaderingen bij te wonen

ocr page 121

— lnlt;) —

en hare regels na te leven!quot; En mocht iemand onder u den ijver voor de H. Familie hebben verloren, ach dat hij dan bij gelegenheid dezer plechtige opdracht eens het vooraeinen make, om in het vervolg, door het trouw bijwonen der vergaderingen, dien vroegeren ijver in zich wederom op te wekken. Hierdoor zult gij u aangenaam maken aan uwe patronen, Jesus, Maria, Joseph ; en hun zegen over u aftrekken, die u zal begeleiden op al uwe wegen, totdat gij met hen vereenigd, gelukkig zult zijn in eeuwigheid. Amen.

ocr page 122

XII.

Maria, eene machtige beschermster en teedere Moeder, voor de leden der Broederschap.

Ego diligentes me diligo, et cui iriane vigilant ad me, invenient me. Die mij lief hebben, heb ik ook lief, en die mij ijverig opzoeken, zullen mij vinden.

(Prov. VUL 17.)

M. B. wij zijn dezen avond liier vergaderd, niet om als naar gewoonte, de gebruikelijke zondagsohe conferentie onzer Broederschap bij te wonen, — neen, een ander doel heeft u ter kerke gevoerd ; de plechtigheid namelijk der jaarlijksche opdracht van de leden der Broederschap; bij welke gelegenheid sommigen uwer, door het uitspreken van de formule der Opdracht, in den schoot onzer Broederschap gaan opgenomen worden, terwijl anderen door het vernieuwen dier zelfde Opdracht, zich steeds vaster aan de Broederschap der H. Familie gaan aansluiten. Be huidige feestviering echter is niet van gewonen, maar

ocr page 123

— Ill —

van buitengrowonen aard; liet is geene gewone opdracht evenals die vin vroegere jaren; zij heeft iets eigenaardigs dat haar onderscheidt, zij dient tot voorbereiding der plechtige processie, die wij aanstaanden

zondag naar Maria\'s bevoorrecht Heiligdom te.....

gaan ondernemen. Ter voorbereiding voor die processie, hubt gij allen dezen morgen deelgenomen aan de generale communie, ten einde in staat van genade aanstaanden zondag te verschijnen aan de voeten van Maria; dezen avond zijt gij hier gekomen om over de processie den zegen Gods af te sraeeken, en door de opdracht of door de vernieuwing derzelve, u inniger aan den dienst van God en van Maria te verbinden. Jongelingen en mannen, die dezen avond in ons midden gaat opgenomen worden ; ik wensohte u eens met korte woorden te doen begrijpen, wat gij als leden van de Broederschap der H. Familie, van Maria te vei wachten hebt; — en wederkeerig hoe gij als dusdanig u jegens haar hebt te gedragen. Een trouw lid onze Broederschap heeft van Maria te verwachten:

I. Eene voortdurende hescherming in alle omstandigheden zijns levens.

II. IJver en volharding in onze Broederschap.

III. Kenen zaligen dood. — Smeeken wij eerst als naar gewoonte, den zegen af der H. Familie over deze toespraak, door het bidden van een hartelijk „Wees Gegroet.quot; ....

I. Het is gewoonte, M. B. dat burgerlijke Corporatiën Vereenigingen enz. . . . bij hare oprichting en vorming, den steun inroepen van invloedrijke en hooggeplaatste personen, die men dan noemt de Bescherm heeren van deze of gene corporatie. Zoo is b. v. de Koning, Beschermheer van tal van instellingen en vereenigingen hier te lande, waarvan velen zelfs het

ocr page 124

- 112 -

praedicaat van „Koninklijke Vereenigingquot; mogen dragen. Iets dergelijks ziet men ook op kerkelijk gebied,— de meeste kloosterorden hebben een kardinaal of een ander hooggeplaatst kerkelijk persoon tot protector, tot bescliermlieer der orde. Nu onze Broederschap der H. Familie is ook eene corporatie, eene vereeniging op kerkelijk gebied ; en ook zij heeft tot hare instandhouding steuu gezocht, en dien ook verworven , zoowel bij de kerkelijke als burgerlijke overheid. Doch M. B. benevens die bescherming hoe eervol en machtig dau ook, kan onze Broederschap zich beroemen, op eene nog veel eervollere en machtigere bescherming, namelijk: die van de Koningin des hemels, van Maria. Maria is de hooge Beschermvrouw van de Broederschap der H. Familie ; door haar toedoen kwam de Broederschap tot stand. De eerste kerkelijke vergaderingen werden gehouden in een Heiligdom aan Maria toegewijd; de kerk van 0. L. V. Onbevlekt ontvangen, te Luik;— diezelfde kerk werd de hoofdzetel der Broederschap.— Maria verder is het, aan wie de Broederschap hare uitbreiding, haren bloei en luister te danken heeft; — \'t is door Maria dat zij alle tegenkantingen overwonnen, alle hinderpalen en moeilijkheden die zij in den loop der jaren ontmoet heeft, glansrijk doorworsteld heeft. De Broederschap heeft dan ook immer die hooge bescherming van Maria erkend en cp prijs gesteld. In elke vergadering worden gebeden tot haar gestierd, vrome liederen ter harer eer gezongen, haar lof en hare grootheid wordt zoo vaak verkondigd ; terwijl bij het naderen harer feesten, den leden der Broederschap op het hart wordt gedrukt, ter harer eer de H.H. Sacramenten te ontvangen. Het beeld van Maria prijkt verder op het vaandel onzer

ocr page 125

— 113 -

Broederschap, op de gezegende medaille, op het diploom uwer aanneming, op een der eerste bladzijden van het Landboekje, — wel een bewijs hoezeer de Broederschap hare hooge Beschermvrouw op prijs stelt.— Die hooge bescherming, die Maria verleent aan de Broederschap in het algemeen, daalt af op elk harer leden. Zoodra iemand lid wordt onzer Broederschap, zoodra zijn naam geschreven wordt in het register der Broederschap, wordt ook zijn naam geschreven in het hart van Maria,— en aldus dienaai en kind zijnde van die barmhartige Koningin, wordt hij door Haar op eene bijzondere wijze geholpen en beschermd tijdens het leven en bij den dood. De hertog van Pepoli, zoo verhaalt de ET. Alphonsus, verklaarde, op zijn sterfbed, dat hij alle genaden welke hij ontvangen had, verschuldigd was aan de Broederschap waarvan hij lid was. En na zijn zoon ontboden te hebben, zeide hij tot hem; „Mijn zoon, bid en smeek vurig om opgenomen te worden in de Broederschap ; ik heb u niets kostbaardere na te laten, en niets gewichtigers aan te bevelen, dan dit.quot; Hij achtte de onderscheiding van lid geweest te zijn eener Broederschap ter eere van Maria, veel hooger dan zijne waardigheid van hertog van Pepoli. J a men mag gerust zeggen met den H. Alphonsus, dat de leden eener Broederschap ter eere van Maria,— dus ook een lid van de H. Familie, zoodra hij in de Broederschap treedt, daar alle goederen en genaden vindt; „Venerunt mihi omnia bona, pariter cum ilia.\'quot; (Sap. VII, ll.J Ziedaar, jongelingen en mannen, een eerste zegen dien gij van Maria te verwachten hebt: „eene voortdurende bescherming in alle omstandigheden uws levens.—quot;

II) M. B, de titel alleen van lid eener Broeder

8

ocr page 126

- 114 -

schap heeft weinig te beteekenen, zoo daar niet bij- I d

komt, een groote ijver in het vervullen der verplioh- I v

tingen, die de Broederschap hare leden oplegt, en de 1 d

volharding daarin tot het einde toe. Nu, dien ijver I f

en die volharding hebt gij van Maria te verwachten.— I c

Zij, nis uitdeelster van alle genaden, als algemeene I 1

middelares tusschen God en de menschen ; zij is het | (

die op eene of andere wijze u tot onze Broederschap geroepen heeft, — gij behoeft er niet aan te twijfelen of uwe roeping tot de Broederschap der H. Familie, hebt gij aan Maria te danken ; immers, volgens de leer van den H. Alphonsus, vloeien alle genaden die wij van God ontvangen, ons toe door de handen van Maria. Nu, heeft Marian geroepen tot de H. Familie, dan moet zij ook het overige doen, namelijk : u de genade schenken van een vurigen ijver en van eene trouwe volharding in de Broederschap. Die tweevoudige genade zal zij u verleenen. Vooreerst ijver. Wat is ijver ? Door ijver versta ik hier, stipte naleving der regelen en voorschriften onzer Broederschap. ,..De leden der Vereeniging, zoo spreken onze regelen en voorschriften, moeten als goede christenen, als voortreffelijke jongelieden, of als uitmuntende huisvaders leven. Gevaarlijke gezelschappen en amusementen, — in één woord, alles wat hen tot zonde zou kunnen brengen, moeten zij zorgvuldig vermijden ; — zij moeten zich wel overtuigen, dat zij allen kinderen zijn van de Congregatie der H. Familie, en bijgevolg broederSj onder wie de hartelijkste liefde moet heerschen.— Zij zullen den dag heilig beginnen, voortzetten en eindigen, en vooral dikwijls naderen tot de H.H. Sacramenten.quot;— Wie deze voorschriften stipt nakomt, dien noem ik een ijverig lid der H. Familie; en altijd heb ik gezien dat zij, die zich onderscheidden door hunne

ocr page 127

- 115 -

devotie tot Maria, tevens ook het stipst waren in het vervullen hunner verplichtingen als lid onzer Broederschap. Ziedaar een regel zonder uitzondering. Wilt gij dus ijverige leden der H. Familie zijn, weest dan devoot tot Maria.— Met dien ijver is onafscheidelijk verbonden, de volharding in onze Broederschap tot aan den dood. 0 1 heilige volhardiug die allen wel verlangen, maar allen niet bereiken! „Hic homo coepit aedificare, sed non potuit consummarc.quot; (Luc. XIV, 30.) Die man heeft zich laten aannemen in onze Broederschap, maar na verloop van eenigen tijd, heeft hij zijne verbintenis, zijn woord gebroken ; hij is der Broederschap ontrouw geworden en heeft haar den rug gekeerd.— Die jongeling toonde aanvankelijk veel ijver, woonde trouw eiken zondag de Vergadering bij, maar hij heeft geen stand gehouden. Een jaar later zag men hem niet meer. Hij werd van de lijst der Broederschap geschrapt.— Datzelfde moet ik, helaas! zeggen van verschillenden onder u; er zijn in de verschillende afdeelingen onzer Broederschap niet weinige naam-leden, menige dorre tak, die vroeg of laat van den boom valt, of daarvan wordt afgehouwen. Nieuwe leden, die dezen avond uwe opdracht gaat doen, en gij oudere leden die uwe opdracht gaat vernieuwen, ik druk u allen de volharding op het hart — Wilt gij volharden in onze Broederschap, woont dan tronw onze vergaderingen bij, blijft nimmer tenzij uit volstrekte noodzakelijkheid achterwege; maar vooral weest devoot tot Maria, zij is de moeder der Vel. harding ; zoovele overleden medebroeders hebben aan haar hunne volharding te danken, zij zal ook u die genade bezorgen, zij zal u verleenen het noodige licht en de noodige kracht ter volharding. Maria immers is die toren van David, waarvan spraak is in het boek

ocr page 128

— 116 —

der Gezangen,— die toren omringd met wallen en voorzien van wapenen, welke Maria uitdeelt aan u hare kinderen, om de vijanden die uwe volharding belagen, te bestrijden en te overwinnen. Die wapenen zijn de veelvuldige H. Communie, het gebed, vooral het gemeenschappelijk gebed hier in den schoot onzer Vergadering en te huis in den kring uwer familie, het rozenkransgebed, de verkondiging van Gods woord in onze wekelijksche bijeenkomsten; enz... Ziedaar zoo vele middelen, die Maria u aanbiedt ter volharding. Bezigt die middelen, en bidt dagelijks Maria, om de genade der volharding in de Broederschap der JE. Familie.

III. Eindelijk M. B., zal Maria de kroon op het werk zetten, met u te verleenen eenen zaligen dood. De formule der opdracht zelve strekt daarvoor ten bewijze. — Gij gaat aanstonds zeggen: „ik maak het vast besluit als een goed christen te zullen leven, om als een uitverkoren te kunnen sterven.quot; Als uitverkoren te sterven, ziedaar de vurige wensch van elk lid onzer Broederschap. Nu, zijt gij trouw aan uwe verbintenis, aan uw voornemen, dan zal Maria ook getrouw zijn aan hare verbintenis; onder hare hoede znlt gij een zaligen dood sterven. Zij is immers de moeder van een goeden dood; dat belijden wij zoo vaak wij het Wees Gegroet bidden en zeggen: „Heilige Maria, moeder Gods, bid voor ons zondaars, nu en in het uur van onzen dood.quot; Maria komt de leden der Broederschap op hun sterfbed bezoeken, troosten, bemoedigen. Zij hebben haar zoo dikwijls bezocht tijdens hun leven, in hare beelden. Zij zal ook hen bezoeken op hun sterfbed\'. Dikwijls ben ik ge roffen geweest als ik een zieken medebroeder onzer Broederschap in zijn uiterste bezocht, als ik die gelatenheid en ovor-geving, die kalmte en rust aanschouwde, die op zijn

ocr page 129

wezen lag uitgedrukt; en ik zei de of dacht dan bij mij zeiven: De H. Alpbonsus mag wel zeggen, dat elk lid eener Broederschap ter eere van Maria, die in zijn leven trouw de vergaderingen heeft bijgewoond, door bemiddeling van Maria eenen zaligen dood verkrijgt. — Luistert eens wat een Bestuurder van eene Broederschap der H. Familie onlangs schreef: „Ik werd geroepen, zoo zegt hij, bij een stervende, hij was lid van de 16e afdeeling. Omringd door de zijnen, en in het genot van zijn volle bewustzijn, lag hij daar kalm en gelaten, dragende op zijne door het lijden vermagerde trekken, den indruk van vertrouwen en gerustheid. In ééne hand hield hij zijn rozenkrans, en in de andere zijn kruisbeeld, dat hij van tijd tot tijd met godsvrucht kustte. Hij kon niet meer spreken, maar zijne oogen reeds verduisterd door de schaduw des doods, gaven duidelijk te kennen de verzuchtingen van zijn hart. Zacht en rustig ontsliep hij in het heilig Gezelschap van Jesns, Maria en Joseph. Allen waren getroffen bij het zien van zulk een kostbaren dood. En ik, van verwondering als buiten mij zeiven, kon mij niet inhouden van te zeggen, dat eene Vergadering die aldus hare leden leert sterven, zooveel leden moest hebben als er christenen hier op aarde zijn.quot; — Ziedaar, M. B., hoe men sterft, na Maria in de Broederschap der H. Familie gediend te hebben. Groot dus, zooals gij ziet, zijn de genaden, die een trouw lid onzer Broederschap van Maria te verwachten heeft: eene voortdurende bescherming in alle omstandigheden zijns levens, ijver en volharding in onze Broederschap, en eindelijk eenen zaligen dood-Welaan dan, nieuwelingen, wij nemen u op in den schoot onzer Broederschap, onder deze voorwaarde: dat gij als ijverige leden der 2. Familie zult leven

ocr page 130

— 118 —

en haar trouw zult blijven tot uwen dood. Dat voornemen vandaag op den dag uwer opdracht gemaakt, gaat gij sederleggen aanstaanden zondag, aan den voet van het genadebeeld van Maria.— Ook gij oudere leden, gij gaat gezamenlijk aanstonds uwe opdracht vernieuwen; verricht die vernieuwing niet slechts met den mond, maar ook met het hart; belooft plechtig, als ijverige leden onzer Broederschap in het vervolg te willen leven, en onder haar vaandel te willen strijden en sterven. Vraagt daartoe de genade aan Maria, bij baar genadebeeld.— Ik mag evenwel niet eindigen, zonder een woordje van dank toe te voegen aan de prefecten en onderprefecten der verschillende afdeelingon, voor de veelzijdige diensten die zij in hunne bediening aan de Broederschap en aan mij bewezen hebben; en ik bid hen op dien weg voort te gaan; ik dank ook alle ijverige leden der Broederschap voor hunne trouwe opkomst in den loop des jaars, alsmede voor hun goed voorbeeld en voor het vertrouwen dat zij mij geschonken hebben. Er blijft nu niets meer over dan uwe opdracht te doen, en die aanstaanden zondag bij Maria\'s genadebeeld te bekrachtigen; — laat ons allen deze week eens vurig bidden, dat God door de voorbede van Maria, zijn zegen moge schenken aan onze processie, dat zij moge bijdragen tot meerderen bloei der Broederschap, tot grooteren ijver barer leden, en ons allen voor-deelig moge wezen naar ziel en naar lichaam, voor tijd en eeuwigheid. Amen.

ocr page 131

XIII.

Generale Communie

De H. Communie is het Brood des levens.

Surge, comede, grandis enim tibi restat via. Sta op en eet; want er blijft u nog een lange weg af te leggen.

(III. Reg. XIX. 7.)

De Profeet Elias, beducht voor de verbolgenheid der goddelooze koningin Jezabel, die het op zijn leven gemunt had, nam de vlucht; en om zich volkomen in veiligheid te stellen voor den snooden toeleg dier goddelooze koningin, ging hij geheel alleen de groote woestijn van Arabië in. Ééne dagreize had hij afgelegd, toen eene groote moedeloosheid hem overviel. Zich nederzettende onder een hoog heestergewas, riep hij al zuchtende uit; „Heer! laat mij sterven, ik ben immers niet beter dan mijne vaderen.quot; Vermoeid legde hij zich neder en viel in

ocr page 132

slaap. En ziet, eensklaps staat een engel des Heeren aan zijne zijde, die hem aanraakten zegt: „Sta op en eet.\' (Ill Reg. XIX, 7.) Hij ontwaakt en vindt aan zijn hoofdeinde een brood met eene kruik water. Hij eet en drinkt, en slaapt wederom in. Ten tweeden male raakte de engel hem aan en zeide : „Sta op en eet, want een lange weg hlijjt u nog aj te leggen.\'\' (Ibid.) Hij stond op, at en dronk wederom en reisde in de kracht dier spijs, veertig dagen en veertig nachten , tot aan Horeb, den berg Gods. Daar op den berg Hoieb, genoot de profeet het voorrecht God te mogen zien. M. B. ook gij staat evenals Elias voor eene reis, voor eene bedevaartsreis ; ook gij moet evenals hij voor die reis u versterken ; niet zoozeer naar het lichaam maar naar de ziel; en zoodoende zult gij komen op eene plaats, niet minder heilig als de berg Horeb, waar gij niet God in persoon, maar het wonderbeeld zult aanschouwen van Gods Moeder, de Allerheiligste Maagd Maria, die daar gezeten is op eenen troon, als op eenen borg, om zich voor all n aanschouwelijk te maken en allen met genaden te verrijken. Alvorens die bedevaartsreis te aanvaarden, moeten wij ons versterken ; en dat gaan wij dezen morgen doen door de generale communie ; wij gaan ons versterken met een brood dat genoemd wordt: het Broods des levens; omdat het in ons onderhoudt de heiligmakende genade, die het leven onzer zielen is.— „Jesus Christus, in zijn H. Sacrament is dat Brood des levens.quot;— ziedaar wat ik u dezen morgen met een paar woorden ga voorhouden.

1. „Ego sum panis vitae: Ik ben het brood des levensquot;,— (Joan. XLI, 52.) zoo noemt Jezus zich in persoon. Elders zegt Hij : „Ik ben de Heer uw God ; de Zoon van den levenden God, de Almachtige, Alziende,quot; enz.; —

ocr page 133

— 121 -

maar hier noemt hij zich het Brood des levens; en ziedaar de eigenlijke, de ware naam van Jezus. Hij quot; neemt in zijn H. Sacrament, de gedaante aan van brood, dat voor onze zielen dezelfde eigenschappen heeft als het stoffelijk, het natuurlijk brood voor ons lichaam.

Het stoffelijk brood, voedt en onderhoudt het leven. Brood is meer noodig voor ons lichaam, dan alle an dere spijzen; het is in zich voldoende tot onderhond des levens. Onze ziel alhoewel van natuur onsterfelijk, heeft behalve dat, nog een ander leven: het leven der genade, en dat leven vordert tot zijne instandhouding voedsel; en wel het Brood des levens, de H. Communie. „Wie niet van tijd tot tijd communiceert, zegt de H. Alphonaus, kan bezwaarlijk het leven der genade in zich onderhouden, omdat de H Communie ons zuivert van de gehechtheid aan de zonde, de gelegenheden tot zonde van ons verwijdert, onze dagelijksche fouten uitwischt, en ons kracht schenkt voor de toekomst.quot; Terecht dus wordt zij genoemd het Brood des levens. Jesus Christus mocht dus in waarheid zeggen: „ Wïe mijn vleesch eet, heeft het leven. Wie mijn vleesch eet, zal leven door Mijquot; want evenals het Brood één wordt met hem die het eet, zoo worden wij door de H. Communie één met Jesus, die zijn eigen leven aan ons mededeelt.

2. Men eet niet slechts om te leven, maar ook om krachten op te doen, om te kunnen arbeiden en werken. Nil onze ziel moet ook van tijd tot tijd zich voeden met het Brood des levens, niet slechts om het leven der genade in zich te onderhouden, maar ook om geestelijkerwijze te kunnen arbeiden en werken. Werken voor een christen, is zooveel als strijden. Immers geen soliede deugd zonder strijd, geen verdienste zonder strijd, geen overwinning over zijne

ocr page 134

— 122 —

driften en hartstochten zonder strijd. Tot dien strijd I g1

nu, kan alleen de H. Commuie ons voldoende krach- | 1c

ten schenken. Immers al het overige, zooals het ge- 1 b

bed, de versterving, de waakzaamheid, enz., hebben I g

weinig te beteekenen zonder de H. Communie. Raad- I 1

pleegt maar eens u zeiven. Ten tijde dat gij de fl. I I

CommunieJ verwaarloosdet, hoe volbracht gij toen I i

uwe plichten? Flauw en zorgeloos, slecht misschien. I c

Gij deed wel is waar uw morgen- en avondgebed, gij I lt;

baadt den rozRnkrans, woondet op zon- en feestdagen de kerkelijke diensten bij, en toch uw leven was flauw, uw ijver was zwak, uwe deugd was gering, en waarom? „Quia oblitus sum comedere panem meum.quot; (Ps. Cl. 5.) Omdat gij, evenals de koninklijke profeet David, vergaat uw brood te eten; d. w. z. omdat gij verzuimdet te commnnioeeren. De H. Communie als zijnde het Brood des levens, geeft ijver en moed, geeft kracht en sterkte. Als wij Jesus in de H. Communie ontvangen, dan staan wij niet meer alleen, maar wij zijn twee; de last aldus gedeeld, wordt licht. Daarom zeide ook de apostel Paulus : „Ik vermag alles in Hem, die mij versteiktquot;. (Philip. IV. 13.) \'t Is daarom ook dat de H. Communie genoemd wordt: „hetBrood der sterkenquot; : „Panis fortiumquot;. Doch de H. Communie of het Brood des levens heeft evenals het stoffelijk brood nog eene derde eigenschap.

3. Brood namelijk onderscheidt zich door zijnen aan-genamen smaak. Men wordt het nimmer moede, zelfs als alle ander voedsel ons tegenstaat, blijft men doorgaans toch lust en smaak tot brood behouden. Ook de H. Communie het Brood des levens heeft zijne zoetheden. Het geeft een zekeren smaak, het deelt eene zekere zoetheid mede, aan de beoefening van het christelijk even. Om solied christelijk te leven, wurdt zelfverloochening

ocr page 135

— 123 —

gevorderd; de deugden hebben hare strenge zijde, de naleving der plichten van onzen staat kost veel aan onze bedorven natuur, geduldig en tevreden te zijn in tegenspoed, in armoede, in vervolging, in ziekte en lijden, in droefheid; dat valt zwaar, dat valt hard. De H. Communie met hare zoetheden komt onts daarin te hulp, zij maakt ons dat alles zoet en licht. Wie dikwijls communiceert, gevoelt niet het strenge der deugd, niet het harde en tegenstrijdige zijner stands plichten, is gelaten en geduldig, zelfs vroolijk en opgeruimd te midden van alle wisselvalligheden dezes levens; — wat een ander zwaar valt, is hem licht, waar een ander voor terugschrikt, daar stapt hij zonder moeite over, wat een ander voor onmogelijk houdt, is voor hem mogelijk, ja gemakkelijk. En van waar die gelukkige toestand? Van de IJ. Communie, die genoemd wordt, „Een hemelsch brood, dat alle zoetheden in zich bevatquot;. Panem de coelo, omne delectamentum in se habentemquot;. (Sap. XVI. 20.)

M. B. het oogenblik der H. Communie gaat weldra naderen ; met het volste vertrouwen zeg ik dan ook tot u: „ Gustate et videte quoniam suavis est Dominus\'\' Smaakt en ziet hoe zoet de Heer is (Ps. XXXIII. 9.) Stemt dus uwe harten tot vertrouwen, ontsteekt daarin het vuur der liefde; J esus uw God en uw Koning gaat tot u komen ; Hij gaat u spijzen met Zijn goddelijk vleesch en bloed, dat u moet voeden op de reis dezes levens, u versterken in het uur des doods, u overbrengen naar den hemel, waar wij in de aanschouwing van dat oneindig goed zullen uitrusten, van de vermoeienissen en den strijd dezes levens, en in de genieting van dat oneindig wezen ons zullen verzadigen, in alle eeuwen der eeuwen Amen.

Acte van aanbidding. Jesus, op zijne rondreize doQr

ocr page 136

- 124 —

Samaria en Galilea, trad een zeker vlek binnen; en ziet 10 melaatschen verhieven hunne stem, en vroegen aan Jesus hunne genezing. Heengaande worden allen gereinigd en genezen. Een der tien keerde terug, viel neder aan de voeten van Jesus, aanbad en dankte Hem voor de ontvangen weldaad, üok wij zijn gezuiverd van de melaat.rchheid der zonde door eene rouwmoedige biecht, ja gaan daarenboven het voorrecht g jnieten den goddelijken geneesheer onzer zielen in ons hart te ontvangen. Laat ons echter tevoren dien goeden Jesus dankend aanbidden. . . .

Acte van verlangen. Een ander maal kwam tot Jesus een overste dor Synagoog, wiens dochter gestorven was. Hij wierp zich neder aan Jesus\' voeten, aanbad en smeekte Hem, zeggende : „Heer! zoo even stierf mijne dochter, doch ik bid u, kom met mij mede, leg uwe hand op haar en zij zal loven.quot; Jesus kon aan dat vurig verlangen van dien man niet weerstand bieden. Hij ging met hem mede en wekte zijne dochter op van den dood. Even vurig moet ons verlangen wezen naar Jesus\' komst in onze harten. Wekken wij

dienvolgens in ons op eene acte van verlangen.....

Acte van liefde. Na de wondervolle vischvangst op het meer van Tiberias, wendde Jesus zich tot Petrus, en vroeg hem : Simon, zoon van Joannes, bemint gij mij meer dan dezen? En Petrus antwoordde: Ja Heer! gij weet dat ik u liefheb. Tot driemaal toe richtte Jesus diezelfde vraag tot Petrus, of hij hem liefhad; zoodat Petrus bedroefd werdenzeide; Heer! gij weet alles, gij weet dat ik u liefheb. Laat ons diezelfde liefdebetuiging aan Jezus doen, door eene

acte van liefde.....

Acte van berouw. Te Capharnaüm kwam een hoofdman der soldaten tot Jesus en boodschapte Hem, dat zijn dienstknecht door eene verlamdheid was geslagen.

ocr page 137

- 125 —

en zware pijnen leed. Ik zal komen, zeide Jesus, en hem genezen. Doeli de hoofdman zeide : Heer ik ben niet waardig dat gij onder mijn dak komt, doch zeg het maar met een enkel woord, en mijn dienstknecht zal genezen worden,— Laat ons ook treden in die gevoelens van nederigheid, en berouwvol tot Jesus die woorden rioliten van den hoofdman ; H.eor, ik ben niet

waardig, enz.....

Dankzegging. Nadat de profeet Elias van dat won-derbrood had gegeten, stond hij op, dankte God, en reisde aldus 40 dagen en 40 nachten ; totdat hij k.vam aan den berg Horeb, waar God hem een straaltje zijner glorie vertoonde.— M. B. veel grootere onderscheiding is u dezen morgen te beurt gevallen. God heeft n gevoed, niet evenals de profeet Elias met een wonderdadig stoffelijk brood, maar met het Brood des levens, dat u zal versterken op de reis dezes levens en u veilig doen aanlanden op den heiligen Berg ; dat wil zeggen, in den hemel. Laat ons voor die groote genade Jesus eenige oogenblikken onzen dank betuigen. Mijn Jesus ik dank ü. . . . Niet enkel met den mond, maar door werken, wil ik u mijne erkentelijkheid betuigen; ik bemin U en wil U altijd beminnen. ... tot teeken mijner liefde draag ik mij geheel aan u op, ik offer u op. .. . En U, o Maria ! smeeken wij de tolk te willen wezen onzer erkentelijkheid bij God ; aan uwe bemiddeling hebbéu wij het geluk te danken dat wij dezen morgen genoten hebben; ook ü danken wij en ten bewijze onzer erkentelijkheid zijn wij besloten U te gaan bezoeken in uw gelief koosd heiligdom, waar wij u zullen bidden voor ons zeiven, voor de Broederschap, voor Kerk en Paus,— daar zullen wij ons op eene bijzondere wijze aan u toewijden; want onder uwe hoede willen wij leven, onder uwe hoede willen wij sterven. Amen.

ocr page 138

XIV.

Het trouw bijwonen der vergaderingen, is een eerste plicht voor de leden der Broederschap.

Roboramini et estote viri fortes. Maakt u sterk, en weest kloeke mannen.

(II. Reg. XIII. 28.)

M. B. luistert tevoren eens aandachtig naar de volgende geschiedenis, die ik in de H. Schrift, in het boek der Rechters beschreven vind. Israël was in oorlog raet zijne naburen, de Madianieten. Deze trokken een leger bijeen van 120,000 man en verwoestten het land van Israël. Gedeon, die als rechter het oppergezag voerde, deed een beroep op bet volk, en smeekte een ieder, die in staat was de wapenen te draden, zich aan zijne zijne zijde te scharen, om den vijand te bestrijden. Slechts 30,000 man toonden zich bereid de wapenen op te nemen.\'Het leger der Madianieten overtrof, zooals gij ziet, in getalsterkte verre

ocr page 139

— 127 —

dat der Joden. En toch wilde God op eene bijzonde. re wijze de macht van zijnen arm toonen. „Gij hebt nog te veel soldatenquot;, zeide Hij tot Gedeon ; „aan hen geef ik de overwinning nietquot;. Kondig at ten aanhoo-re van allen;quot; wie kleinmoedig of bevreesd is, keere terugquot;.— En ziet, 20,000 man gingen heen, en slechts 10,000 bleven over. En andermaal sprak God. „Gij hebt nog te veel volk. Leidt hen naar de bron en laat hen drinken. Wie uit beker of helm drinkt, is ongeschikt om te velde te trekken; maar al wie drinkt uit de holte der hand, hij zal tegen Madian strijden.quot; En van deze laatsten waren er slechts 300 man. Zoo stonden dan 300 man, tegenover een leger van 120,000 vijanden.— Doch God streed met hen, en Israël behaalde eene luisterrijke overwinning over zijne vijanden. M. B. in Gedeons leger zien wij tweeerlei soort van soldaten;— lafaards, die bang voor het zwaard huiswaarts keerden ;— echte soldaten, kloeke mannen, die, alhoewel gering in getal, eene luisterrijke zege bevochten over eenen honderdmaal sterkeren vijand. In het leger der H. Familie, vind ik ook tweeerlei soort van soldaten, van leden;— moedige soldaten, ijverige leden, die nadat zij door de opdracht in onze gelederen zijn getreden, trouw opkomen naar onze wekelijksche vergadering;— laffe, ontrouwe leden| die vroeg of laat der Broederschap ontrouw worden, en zelden of nooit zich in ons midden bevinden. Naar aanleiding daarvan wil ik u dezen avond een woordje zeggen over de verplichting die op u rust, zoo trouw mogelijk onze Vergadering bij te wonen.— Trouw opkomen is plicht.— Dat vordert; God,— dat vordert, de Broederschap,— dat vordert; uw eigen belang.— Slecht opkomen is eene ontrouw, jegens: de Broederschap, een slecht voorbeeld voor anderen en een verlies van veel ver-

ocr page 140

— 128 —

diensten voor de ziel. Nieuwelingen, gij vindt in deze conferentie stof tot leering,— trouwe leden, u diene zij tol aanmoediging, —- zwakke leden, u zij ze tot beschaming en opwekking

1. Trouw opkomen ter vergadering is plicht. Gij hebt u dien plicht opgelegd op den dag uwer Opdracht. Toen hebt gij ten aanhoore van hemel en aarde, plechtig trouw beloofd aan de regels en verordeningen der Broederschap; dus ook aan die verordeningen, die handelen over hot bijwonen der vergadering. Dien plicht vordert van u :

1) God. Hij toch, heeft een ieder uwer geroepen tot onze Broederschap: „Ego elegi vos.quot; — (Joan. XV. 16.) Hij is de insteller, de Heer, de algemeene Bestuurder der Broederschap; jegens Hem hebt gij u op de eerste plaats verplicht, op den dag uwer opdracht.— Juist daarom, omdat gij u jegens God verbonden hebt, en op eene zoo uitdrukkelijke cn plechtige wijze, moet die plicht u dierbaar zijn. Ik ontmoette vóór eenigen tijd een lid onzer Broederschap en betuigde hem mijne tevredenheid er over, dat hij zoo ijverig onze zondagsche vergadering bijwoonde. „Dan doe ik niets meer dan mijn plichtquot;\', was zijn antwoord.— Die man, zooals gij ziet, begreep zijnen plicht — Dien plicht, verstond ook de beroemde Justus Lipsius, hoogleeraar van Leuven. Hij was lid der Congregatie van Maria. Zelden of nooit was hij uit de vergadering afwezig. Meer dan eens zag men hem opstaan van tafel, vóór het einde van den maaltijd, om de vergadering niet te verzuimen. Het gebeurde nochtans, dat eene wreede ziekte het hem onmogelijk maakte naar de vergadering te gaan; ja hem zelfs al spoedig de hoop benam, die nog ooit te kunnen bijwonen. In dien toestand zag men het hem aan.

ocr page 141

— 129 —

hoezeer hij zijne hoedanigheid van eongreganist op prijs stelde. Toen hij op zijn uiterste lag, vroeg hem zijn vriend Lessius, welke handeling van zijn leven hom op dat oogenhlik het meest troostte; — en de vrome man antwoordde: „dat ik mij in de Congregatie heb doen opnemen.quot;

2. Niet alleen God, maar ook onze Broederschap zelve stelt het u ten plicht, ijverig onze wekelijksche vergadering bij te wonen. Onze vereeniging, zooals gij weet, stelt zich ten doel, jongelingen en mannen te vormen tot een solied en echt christelijk leven. Dat doel tracht zij te bereiken, grootendeels door hot godsdienstig onderricht, dat u wekelijks in eene conferentie, op eene bevattelijke en gezellige wijze gegeven wordt. Hier leert de jougeling zijne driften bestrijden en de gevaren der wereld vluchten,— hier leert hij zich voorbereiden tot de keuze van een levensstaat. — Hier leert de gehuwde zijnen staat verdienstelijk en heilig beleven,— hier put hij kracht en sterkte, om de kruisjes en wederwaardigheden des levens met geduld te dragen,— hier ontvangt hij licht in zijne twijfelachtigheden, troost en opbeuring in zijn lijden;— in één woord, hier vinden allen den waarborg van een godsdienstig, deugdzaam en gelukkig leven. Ziedaar het doel dat de Broederschap bij hare leden, in de wekelijksche vergaderingen zoekt te bereiken.— Nu is het duidelijk dat dit doel niet bereikt kan worden, zoo men niet trouw en ijverig de vergaderingen bijwoont; — vandaar dat de Regels en verordeningen der Broederschap het haren leden ten plicht stellen, zoo trouw mogelijk op te komen. En zij heeft ook het volste recht dit tot plicht te stellen. Heeft een koning niet het recht zijn onderdaan, een vader zijn zoon, een meester zijn dienaar iets ten

9

ocr page 142

— 130 —

plicht te stellen? Immers ja. Welnu, zijt gij niet leden en onderdanen, zijt gij niet zonen, dienaren van de Broederschap der H. Familie, hebt gij niet uit eigen beweging en eigen wil gevraagd, in haren schoot opgenomen te worden? — Hebt gij niet op den dag uwer opdracht, haar onderdanigheid en trouw beloofd? — Zij heeft dus recht u tot plicht te stellen, van u te vorderen, dat gij trouw de bijeenkomsten der Broederschap bijwoont.

3. Eindelijk uw eigen belang maakt het u ten plicht, trouw de vergadering bij te wonen. M. B. wat zijt gij in de Broederschap komen doen? Uw zielenheil bewerken, uwe zaligheid in verzekering stellen, niet waar? Zeker schrijver heeft dus recht, het genootschap der H. Familie te vergelijken met eene brandassurantie, eene verzekeringsmaatschappij tegen de hel. In eene assurantie vindt men twee zaken; Ondersteuning en geruststelling. Dezen tweevoudigen waarborg, geeft ook de Broederschap der H. Familie aan hare leden. Een trouw lid der H. Familie vindt ondersteuning, vanwege zijne medeleden; a) door gemeenschappelijk gebed. Gelijk in een gezin de leden elkander ondersteunen, en wat de eene wint, tevens tot voordeel strekt van den anderen, zoo is in de Broederschap der H. Familie ons gezamenlijk gebed, een gemeenschappelijk goed, dat gelijkelijk onder allen verdeeld wordt. — Ondersteuning, vanwege onze medeleden vinden wij nog; b) in voorbeelden van deugd. Men oefent gemakkelijker de deugd, in vereeniging met anderen, dan afzonderlijk. Dit vinden wij bewaarheid in onze Broederschap; de eene trekt, sticht den anderen; bidt voor den anderen,—en op die wijze biedt

onze Broederschap aan hare leden eene krachtige ondersteuning, voor hunne eeuwige zaligheid. — Zij

ocr page 143

— 13l —

bezorgt daarenboven evenals eene assurantie aan hare leden, eene zekere geruststelling, met betrekking tot het andere leven. De H. Alphonsus, doet die gerustheid steunen op een drievoudigen grondslag, die ook in onze Broederschap bestaat. Belangstellen in geestelijke zaken, dikwijls naderen tot de H.H. Sacramenten en eene teedere godsvrucht hebben tot Maria, zijn volgens den H. Alphonsus, drie waarborgen van geruststelling voor onze eeuwige zaligheid. Waar vindt men die ken-teekenen zoo duidelijk als in onze Broederschap?... Woont dus ijverig de vergaderingen bij, uw eigenbelang vordert dit, namelijk; uwe eeuwige zaligheid, die in onze Broederschap vergemakkelijkt, ja verzekerd wordt. — In de Congregatiën hebben een H. Franciseus van Sales, een gelukz. Petrus Fourrier, een Joannes Bergmans, den grondslag gelegd dier hooge volmaaktheid, waartoe zij later opgeklommen zijn. Men heeft koningen en vorsten gezien, die zich in de Congregatiën lieten opnemen, ten einde hunne zaligheid in zekerheid te stellen. Frans II, hertog van Lotharingen, liet zich een der eersten aannemen in de Congregatie te Nancy. Karei IV en Leopold, die de godsvrucht van hunnen vader geërfd hadden, traden ook beiden in de Congregatie, die zij door hunne deugden opluisterden. — Ijverig en trouw opkomen is dus, zooals wij gezien hebbfn, voor u een plicht, dien God, de Broederschap en uw eigenbelang van u vorderen. Dia plicht wordt. God zij dank, door een groot deel onder u, goed begrepen; hen zeg ik ook dezen avond, uit naam der Broederschap, mijnen oprechten dank en ik bid hen, op dien weg te willen blijven voortgaan, om zoodoende zich zeiven te heiligen en anderen te stichten. Maar daar zijn er ook, welke dien plicht niet begrijpen. En dat moet ons niet verwonderen. Daar is niet

ocr page 144

_ 132 -

één boom, die niet eene of andere slechte vrucht draagt; daar is bijna geen huis, waar niet een of ander aan zijn plicht te kort blijft. Hoe_ zou het wel mogelijk zijn, eene Broederschap te vinden en wel zoo talrijk als de onze, waarin niet een of ander aan zijn plicht te kort schiet. Nu tot die plichtvergetenen, zoo er dezen avond aanwezig mochten zijn, moet ik

ook iets zeggen.—

II. Slecht opkomen naar de Vergadering is eene

ontrouw. • , j

1. Jegens de Broederschap.— Ontrouw bestaat in het

tekort blijven aan zijn plicht, of aan zijn gegeven

woord. Een soldaat die zijn regiment verlaat, ia een

deserteur, een ontrouw soldaat;— een handelsman

die zijn schuldeischers niet betaalt is een bankroetier,— \'

een ontrouw koopman heeft geen vertrouwen meer

bij de menschen. Zoo ook een lid der H. Familie,

die bij gelegenheid zijner opdracht plechtig trouw

beloofd heeft aan de regels en verordeningen der

Broederschap, en die daarna die belofte vergeet; die

zelden of niet de vergaderingen meer bijwoont, hij is

een ontrouw lid, een deserteur der H. Familie. Hij

heeft misschien te huis nog het diploom zijner opdracht,

hij heeft nog de gezegende medaille, met de beeltenis

van Jesus, Maria, Joseph, hij _ werpt misschien van

tijd tot tijd nog een blik op die beeltenis, iraar zij

erkennen hem niet meer : „Neseio vos. Ik ken u niet\'

(Matth. XXV, 12.) zoo spreken zij hem toe ; gij zijt

niet meer onze bevoorrechte, onze gunsteling ; gij hebt

uwe belofte, ons gedaan vergeten, wij ook van onzen

kant, wij erkennen u niet meer.

2 Doch M. B., bleef het daar maar bij, dan be-naalde zich de schade tot hem zeiven, maar neen,- wie de vergadering niet bijwoont, geeft nog een slecht

ocr page 145

— 133 —

voorbeeld aan anderen, hij schaadt dus niet alleen zich zeiven, maar ook anderen. Hij brengt door zijn slecht voorbeeld een vriend, soms meer dan een, soms eene gansche afdteling tot verslapping; hij breekt steen voor steen af, wat ijverige medeleden met zooveel moeite tot stand gebracht hebben, en berokkent alzoo aan de geheele Broederschap, onberekenbaar veel schade. Hij belet ook nog dat de genaden Gods tot onze Broederschap rijkelijk toestroomen. Eene waterleiding die verstopt is, laat het water niet meer doorvloeien. Een flauw, zwak lid der H. Familie, verstopt, ja snijdt niet zelden af den toevoer van hemelsche genaden en zegeningen. Gij ziet dus M. B. welken verderfelijken invloed het slecht voorbeeld van sommige ontrouwe leden kan uitoefenen, op den ijver en geestelijken vooruitgang onzer Broederschap.

3. Eindelijk een ontrouw lid der H. Familie, onttrekt zich vele genaden en verdiensten, voor zijne ziel Do talrijke gunsten door de Kerk aan onze Broederschap verleend, vallen natuurlijk slechts ten deel aan hen die door plichtbesef en trouwe opkomst zich die waardig maken, en niet aan flauwe , plichtvergeten leden. Wie verzuimt de vergaderingen der H. Familie bij te wonen, onttrekt zich den bijzonderen zegen van Jesus, Maria, Joseph, aan elke van onze vergaderingen gehecht. Hij wordt beroofd van de vruchten van het godsdienstig onderricht, dat u in onze conferentien wordt gegeven, hij heeft geen deel aan de uitwerkselen van ons gemeenschappelijk gebed dat wij verrichten, hij onttrekt zich telkenmale de vrucht van. een aflaat van 100 dagen, door de Kerk aan iedere bijeenkomst der H. Familie verleend; eindelijk hij heeft ook geen aanspraak op de bijzondere besuher-ming door Jesus, Maria, Joseph aan ieder trouw lid

ocr page 146

- 134 -

der Broederschap in het uur des doods toegezegd. Grij ziet dus, van hoe groot belang het is, zoo trouw en naarstig mogelijk de wekelijksche vergaderingen hij te wonen: — dat is, zooals wij gezien hebben, voor u allen een plicht, dien God, de Broederschap en uw eigen belang van u vorderen; — maar tevens van den anderen kant, hoe trouweloos handelen zij die daaraan te kort blijven; — zij begaan eene ontrouw jegens de Broederschap, geven een slecht voorbeeld aan anderen, en onttrekken aan hunne ziel een schat van gunsten en verdiensten.

M. B. ik verwijs u bij het slot mijner toespraak naar de geschiedenis, waarmede ik mijne conferentie heb ingeleid. Dertig duizend man schaarden zich, zooals wij zagen, aanvankelijk onder het vaandel van (re-deon; maar 29,700 verlieten hetzelve en slechts 300 man bleven getrouw. M. B. ziedaar het vaandel onzer Broederschap, dat vaandel zal aanstonds getuige zijn van uwe opdracht, of van de vernieuwing derzelve ; het zal ook getuige zijn vroeg of laat van de ontrouw van menigeen uwer. Wie /uilen die ontrouwen zijn ? Wij weten het niet. Beware God ten minste hen, die dezen avond hier aanwezig zijn voor zulk eene ramp. M. B. het is niet noodig dat wij velen in getal zijn ; noch dat onze Broederschap, anderen in getalsterkte overtreffe. Gedeon overwon even glansrijk met zijne 300 man de Madianieten, als hij met 30,000 man zou gedaan hebben. Zoo ook zal onze Broederschap even goed haar doel bereiken, al is zij minder sterk, ingeval die weinigen maar trouw en ijverig zijn. Die trouw, nieuwelingen, gaat gij voor het eerst afleggen! die trouw ouderen gaat gij vernieuwen. „Rohoramini et estate viri fortes. Maakt u sterk en weest kloeke mannenquot;,— (II Reg. XIII. 28,) en God zal u eenmaal de kroon der eeuwige vergelding schenken. —

ocr page 147

XV.

Generale Communie.

Jesus, onze Vriend.—

Beatus qui invenit amicum vemm. Zalig hij, die een waven vriend gevonden heeft.

(Eccli. XXV. 12.)

Zoet en aangenaam voor den mensch is het bezit van een waren, oprechten vriend. De H. Geest noemt zulk een vriend; een schat. En terecht, een ware, oprechte vriend wordt zeldzaam in de wereld aangetroffen. De vriendschap der menschen berust doorgaans op het eigenbelang. Zij is baatzuchtig,— haar ontbreekt dus eene ware toegenegenheid ; — niet zelden is zij kortstondig, onstandvastig, zij mist dus duurzaamheid en getrouwheid; — de vriendschap eindelijk der menschen, deinst niet zelden terug als er een offer geeischt, een dienst gevraagd wordt, zij mist dus de edelmoedigheid.— Kortom, een ware vriend, dat ia : een toegenegen, trouw, edelmoedig vriend wordt zelden in de wereld aangetroffen. Wilt gij M. B. zulk een vriend bezitten ? Gij behoeft niet ver te zoeken. Gij vindt Hem, hier in de kerk, in het II. Tabernakel,

ocr page 148

- 13Ü —

waar Hij dag en nacht verblijtt, om als vriend ons de teederste blijken zijner liefde te geven. Ja, die beste aller vrienden is Jesus, die, o onbegrijpelijk wonder van goedheid! zich gewaardigt, ons zijne nietige schepselen, den naam van vrienden te geven : „Ik zal u nietquot; zoo zegt hij , ..mijne dienaren maar mijne vrienden noemen.quot; (Joan. XV, 15.) Welke eer welke onderscheiding voor ons, de vrienden van Jesus te zijn ! Beijveren wij ons ook van onzen kant, die onderscheiding op prijs te stellen. En hoe zullen wij dat het best doen ? Door Hem wederkeerig onze liefde te schenken, en wel eene (oegenegene, trouwe en edelmoedige liefde.— Deze drie eigenschappen eener ware liefde, eener oprechte vriendschap, wil ik u dezen morgen in het kort voorhouden.

Ware vriendschap eischt: Toegenegenheid. Waar vindt men die ? In de wereld ? Zelden.— In de wereld is de vriendschap doorgaans maar een valsch uithangbord ; waardoor een bloot tijdelijk voordeel wordt beoogd. Nauwelijks is er een postje open, eene betrekking vacant; of de vriendschap gaat naar alle zijden bedelen, om voorspraak en gunst.

multi.quot; (Prov. XIV, 20.) Rijke en invloedhebbende personen, zegt de H. Geest, hebben zooveel vrienden, als zij willen. Inderdaad, hun geld en invloed is als een lokaas, een magneetsteen, die menschen, niet altijd harten tot zich trekt. Dus in de wereld is de liefde niet zelden eene belangzuchtige liefde.— Bij Jesus daarentegen, is de vriendschap, ware liefde des harten. .. Van alle eeuwigheidquot; zegt Hij „heh Ik u bemindquot;. (Jerem. XXXI, 3.) Niet sedert gisteren of vandaag, zooals in de wereld, niet van af uwe geboorte; — maar sedert millioenen en millioenen jaren. Die liefde was niet enkel eene eeuwige, maar ook eene belanglooze liefde.

ocr page 149

— J 37 —

Immers, wat had God van ons aardwormen te verwachten? Hij heeft ons niet noodig. Hij kon zonder ons volkomen gelukkig, volkomen zalig zijn Maar Hij wilde in zekeren zin, zijn geluk afhankelijk maken van het onze. In die belanglooze liefde, die Hij ons toedroeg, bepaalde Hij, waar en wanneer wij zouden geboren worden; niet vóór zijne mensehwording, niet op een onbekend eiland van den grooten oceaan, noch onder de wilden, maar.. . fin wat hebt gij van uwe geboorte af tot op den dag van heden, van Grod al niet ontvangen! Eerder zoudt gij kunnen tellen de haren van uw hoofd, dan de liefdeblijken opsommen, welke gij in dien tijd, van God genoten hebt. En hoe moeten wij nu aan die liefde beantwoorden? Door wederliefde; — en wel met dikwijls aan Hem te denken. Waar onze schat is, daar zal ook ons hart wezen. Waaraan denkt gij het meest gedurende den dag? Misschien aan het werk, aan uw huishouden, aan uwe zaken? Waarom is uw hart altijd daar? Omdat gij daarin uw schat beschouwt. Zonder nu juist uwe tijdelijke belangen te vergeten, vordert de liefde dat gij van tijd tot tijd uw hart tot Jesus verheft, dat gij onder hst werk al eens aan Hem denkt, eene verzuchting of een schietgebed tot Hem opstiert. Dat vordert de plicht der vriendschap, dat eischt de liefde die gij Hem verschuldigd zijt. Onze vriendschap met Jesus moet zich nog kenmerken: Door getrouwheid. Een trouwe vriend, is in de wereld eene zeldzame vondst. In de wereld zijn de vrienden meestal gelijk de zwaluwen, die in de lente, zoodra het warm begint te worden herwaarts komen, maar bij de eerste koude weder vertrekken. Men houdt vriendschap zoolang er wat te halen of te winnen is; nauwelijks echter is die hoop vervlogen of men trekt af; — men doet gelijk

ocr page 150

_ 138 —

een kaartspeler die de kaarten in de hand houdt, zoo lang er kans is van te winnen, maar ze weg werpt, zoodra die kans verdwijnt. Datzelfde zegt de H. Geest met andere woorden; „Est autem amicus socivs mensae, et non permanehit in die necessitatis.quot; „Er zijn vrienden, die men tafelvrienden noemt, die geen stand houden ten tijde van den nood.quot; (Eccli. VI, 10). Zoo doet echter niet Jesus. Hij blijft ons trouw, zelfs dan wanneer wij Hem ontrouw mochten worden. Hij zoekt ons op gelijk de herder het verloren schaap. Hij verbeidt ons met open armen en drukt ons aan zijn hart, gelijk de vader van den Verloren Zoon. Ja, Hij doet nog meer. quot;Wij mogen Hem honderd-ja duizendmaal ontrouw zijn geworden, zijne trouw blijft onwrikbaar en pal. Telkens als wij ootmoedig en berouwvol ons voor Hem ver-ne\'.ieren, worden wij weder in zijne vriendschap her steld. Daar, in den biechtstoel worden wij met Jesus verzoend, hier aan de H. Tafel worden wij weer in zijne vriendschap opgenomen. Nooit is de deur van den biechtstoel gesloten, nooit is de weg tot do Communiebank belet;— nooit ook is de toegang tot Jesus\' Hart, de weg tot zijne liefde en vriendschap afgesloten voor den zondaar, die Hem nederig en berouwvol zoekt.— Hoe moeten wij aan die trouw van Jesus beantwoorden? Door bewijzin onzer we-derzijdsche trouw 1 Laat ons zorgvuldig alles vermijden, wat Jesus kan mishagen, alles vluchten wat onze trouw zou kunnen doen wankelen. Mijden wij vooreerst de zonde. Elke zonde groot oquot;£ klein, is eene ontrouw jegens Jesus ; mijden wij ook de gevaren en gelegenheden tot zonde,— ook dat zijn evenzoovele klippen en rotsen waaiop zoo vaak de vriendschap schipbreuk lijdt. Zeggen wij dikwijls met Petrus, tot Jesus ; „Heer al mochten alle anderen u verlaten, ik

ocr page 151

— 139 —

wil u niet ontrouw worden.quot; — Onze vriendschap met Jesus moet ten laatste zich nog kenmerken: Door edelmoedigheid. De edelmoedigheil is de toetssteen der oprechte vriendschap. — In de wereld is het meestal genoeg om zich van lastige en valsche vrienden te ontdoen, van hen eenen dienst te verzoeken dien zij kunnen bewijzen. Geeft een valschen vriend eens zijdelings te verstaan dat gij een paar honderd guldens zoudt willen leenen ; hij maakt zich uit de voeten, en gij ziet hem niet meer. Bij Jesus daarentegen wordt de vriendschap door de hoogste edelmoedigheid gekenmerkt. Hij schonk ons al wat Hij ons schenken kon. Hij bracht, met voor ons mensoh te worden, zijne glorie, zijn geluk, zijne rust, eindelijk zijn leven ten offer;— ja, om zijne edelmoedigheid te vereeuwigen, stelde hij het H. Sacrament des Altaais in. Wat kan een vriend meer doen? En hoe moeten wij nu ten zijnen opzichte handelen? Ook wij moeten jegens Hem edelmoedig, offervaardig zijn. Afstand doen van alle gehechtheid aan de zonde, edelmoedig strijden tegen onze bedorven lusten en hartstochten, geduldig zijn in onze wederwaardigheden, in huiselijk leed en ziekte, in tegenspoed, in verdrukking, in armoede.— Ziedaar evenzoovele toets-steenen, waaraan gij kunt erkennen ot uwe liefde tot Jesus edelmoedig is. M. B. gij zijt leden van de Broederschap der H. Familie, en zoo gij ware, ijverige leden zijt der Broederschap, dan moet gij dat gestadig toonen in den loop desjaars, vooral door eene nauwgezette bijwoning der vergaderingen.— Immers, wie nauwgezet opkomt, levert daardoor reeds een bewijs van toegenegenheid, trouw en edelmoedigheid. Dezen morgen echter, door uwe deelneming aan de generale communie, gaat uwe liefde tot Jesus nog meer uit-

ocr page 152

— 140 —

schijnen. Welaan dan M. B. dezen morgen uwe liefde tot Jesus nog eens vernieuwd, uwe vriendschap met Hem nog eens bekrachtigd; Hem uwe toegenegenheid trouw en edelmoedigheid nog eens betuigd ; dat vordert de plicht der vriendschap. Maar houdt u tevens ook overtuigd, dat Jesus zich door u in edelmoedigheid niet zal laten overtreffen. Wat gij Hem geeft, zal vergolden worden,— honderdvoudig in dit, duizendvoudig in het ander leven. Amen.

ocr page 153

Toespraken bij verschillende gelegenheden.

XVI.

Jaarlijksche Vernieuwing der Doopgeloften.

Vota mea Domino reddam coram omni populo ejus. Ik zal den Heer mijne geloften brengen, ten aanhoore van geheel zijn volk.

(Ps. CXV. 5.)

God wilde M. B. dat de joden, hunne verlossing uit de slavernij van Egypte steeds indachtig zouden wezen; die heugelijke gebeurtenis moest voor hen een gedenk- en feestdag zijn. En met recht; want hunne verlossing uit genoemde slavernij, was voor hen het begin hunner toekomstige verheffing en grootheid. Maar M. B. moeten wij christenen, niet met veel meer recht dan de joden, ons herinneren aan onze verlossing, niet uit de slavernij van menschen, maar

ocr page 154

— 142 -

uit die van den duivel. Moet de dag van ons H. Doopsel, de dag onzer geestelijke vrijwording, ook voor ons niet een gedenk- en feestdag zijn, waaraan wij ons van tijd tot tijd, met vreugde en dankbaarheid herinneren? Of is onze bevrijding uit de klauwen des duivels van minder belang, dan de bevrijding der joden uit de slavernij van Egypte ? Immers noen ; — want de dag van ons H. Doopsel, waarop wij ontrukt zijn aan de dwinglandij van den satan, was voor ons het begin onzer verheffing en grootheid hier op aarde, en het onderpand onzer glorie en gelukzaligheid in den hemel. — Ziedaar dan ook de reden, waarom onze Broederschap het haren leden ten plicht maakt, jaarlijks den dag van hun H. Doopsel feestelijk te gedenken, om ons zoodoende te vervullen met dankbaarheid jegens God, die de eigenlijke bewerker en grondlegger is onzer geestelijke vrijheid.

M. B. geen geschikter middel bestaat er, om ons met dankbaarheid te herinneren aan de groote gebeurtenis onzer geestelijke verlossing; dan dat wij vernieuwen en bekrachtigen de geloften van ons H. Doopsel; met andere woorden, dat wij op nieuw bezegelen het plechtig verbond, dat wij gesloten hebben met God op den dag van ons H. Doopsel.— Tevoren echter wil ik u doen zien:

I. De groote genade die gij hij uw II. Doopsel ontvangen heht.

II. U herinneren aan de verplichtingen die gij toen op u hebt genomen. Een en ander zal u opwekken, de plechtige vernieuwing dier geloften aanstonds met geloof en eerbied te doen.

I. De genade van het H. Doopsel is onder alle geschenken Gods, een der voortreffelijksten, zegt een H. Vader. „Baptisma omnium beneficiorum Dei, excel-

ocr page 155

— 143 -

lentissimum,quot; Bij het H. Doopsel heeft God in zijne goedheid:

1) TJ verlost uit de slavernij des duivels.

2) U aangenomen tot zijne kinderen.

3) U bevoorrecht boven duizenden anderen.

I. Gij hebt zeker wel ooit gehoord van het ongelukkig lot, waartoe de slaven in het heidendom gedoemd waren. Slaven waren menschen, die als koopwaren, voor geld gekocht en verkocht werden. In behandeling, huisvesting en voeding, stond de slaaf niet zelden beneden het redelooze dier. Het stond den meester vrij, zijnen slaaf te ketenen, hem te laten uithongeren, hem te geeselen, ja zelfs te doen sterven. Men bracht niet zelden een slaaf om het leven, alleen om zich het genot te verschaffen een mensoh te zien sterven. In dien staat van slaaf M. B. kwaamt gij allen ter wereld; slaven waart gij niet van een mensch, maar van den duivel, — en hadde God zich uwer niet erbarmd, dan waart gij des duivels slaven geweest en gebleven voor den tijd en de eeuwigheid. Maar wat is er gebeurd? God droeg u op de armen van peter en meter ter kerke; daar ontvingt gij het H. Doopsel en op die wijze werd gij uit de slavernij des duivels verlost. De priester des Heeren ontving u aan den ingang der kerk, en vroeg u wat gij ver-langdet ? „Ik vraag het geloof en het eeuwig leven,quot; was uw antwoord. En nu blies de priester zijnen adem over u, en sprak; „Vertrek uit dit kind, onzuivere geest en maak plaats voor den H. Geest.quot; Hij ging verder voort den duivel te bezweren en hem te doemen naar het diepst der hel. Haddet gij toen eens getuigen kunnen zijn, van hetgeen er alsdan in u omging, dan haddet gij gezien, wat al pogingen de duivel aanwendde, om u niet te verlaten ; en hoe hij

ocr page 156

- 144 —

ten laatste vol razernij en woede u verliet; — Ü! dan zoudt gij vol vreugde hebben uitgeroepen: „la-queus contritm est et nos liberati sumus. Onze handen zijn verbroken en ivij zijn verlost.quot; (Ps. CXXI1I, 7.)

Eenmaal verlost uit de slavernij des duivels, waart gij vrij geworden. Maar wat beteekende die vrijheid ? Wat is een vrij man, doch zonder goed, zonder geld? ïfu, gij waart vrij geworden bij uw H. Doopsel, maar dat was ook alles ; arm en behoeftig, van alles ontbloot, ellendig in één woord waart gij, ondanks uwe bekomen vrijheid. — En ziet, andermaal erbarmde God zich uwer. Hij nam u aan tot zijne kinderen. — Verbeeldt u, zegt de H. Augustinus, een armen bedelaar met lompen bedekt, hij gaat van deur lot deur een stuk brood bedelen en niemand geeft hem dat; — hij smacht van honger en verkleumt van koude. Uitgeput van vermoeidheid en gebrek, plaatst hij zich aan den openbaren weg en verlangt te sterven. Maar ziet, daar nadert een wagen, en in dien wagen is de koning gezeten, die dien armen bedelaar aanschouwt en in hem Irekken van overeenkomst bespeurt met zijnen eenigen onlangs overledenen zoon. Hij stijgt af.. . nadert.. . en biedt hem een onderkomen aan in zijn paleis ; neemt hem aan tot zijn zoon en behandelt hem als een prins. Zoo heeft God ook met u gedaan. Hij heeft u getrokken uit uwe ellende, u verrijkt met de heiligmakende genade, u aangenomen tot zijne kinderen en u tot erfgenamen bestemd van zijn hemelsch koninkrijk. Om zoovele wonderen van Gods goedheid aan te duiden, is uw Doopsel ook van zulke treffende plechtigheden vergezeld gegaan. Nadat de priester uit u den duivel had verdreven, maakte hij het teeken des kruises op uwe oogen, ooren en mond, opdat zij voor eeuwig zouden gewijd

ocr page 157

— 145 -

zijn aan den dienst van God, — op uw hart, opdat het God zou beminnen in den tijd en in de eeuwigheid. Vervolgens legde hij gezegend zout op uwe tong, opdat dit u zou bewaren voor het eeuwig leven. Daarna las hij over u het evangelie ; „Laat de kleinen tot mij komen ; want het rijk der hemelen behoort hun toe.\'\' (Matth. XIX, 14.) Vervolgens goot hij het gezegend water uit op uw hoofd, zeggende : „Ik doop u enz.— „Charissimi, nunc filii Dei sumusquot; ! (I Joan. Ill, 2.)M. B. nu zijn wij kinderen Gods geworden. Welk een schat! Welk geluk ! Welk eene genade ! En toch daar bléei het nog niet bij.Nauwe-Hjks had God u tot zijne kinderen aangenomen, of Hij vertrouwde u toe aan de zorg van een engel, om u te geleiden op den weg des levens, Hij beval u aan de Kerk, die dat goddelijk leven, in het doopsel u medegedeeld, moet onderhouden en voeden.— Op last van God onderwijst zij u door hare leer, geneest u van den beet der zonde door middel dei-Biecht, versterkt u door het H. Vormsel, voedt u door de H. Communie, zij verlaat u zelfs niet op uw sterfbed, zij is u nog indachtig na uwen dood.— M. B. begrijpt gij nu eenigermate de onschatbare genade, het kostbare voorrecht des H. Doopsels. Geeft acht wat ik zeg.— Ik noem de genade des doopsels: een voorrecht, ja:

3.) God heeft, door u het H. Doopsel te verleenen, u met eene bijzondere liefde bevoorrecht. „Non fecit taliter omni nationi.quot; (Ps. CXLVII, 20.) Hij heeft voor duizenden en millioenen andere menschen niet gedaan, wat Hij voor ii gedaan heeft. In Europa wonen millioenen Turken en Joden, dis het geluk niet hebben te behooren tot het gezelschap der kinderen Gods. In Azië, Afrika en Amerika vindt men millioenen heidenen, ongelukkige slaven des duivels, die in plaats van den éénen waren

10

ocr page 158

— i4r. —

(toiI, den satan aanbidden. Op tien menschen die geboren worden is er nauwelijks één, die de genade ontvangt van bet H. Doopsel. Er sterven gemiddeld dagelijks 84.000 menschen, en van dat getal sterven er 70.000 zonder doopsel en dus uitgesloten van den hemel. Waarom is uw lot beter dan het hunne? Waarom zijt gij niet gestorven zonder doopsel, gelijk zoovele duizenden kinderen?—Nog eens ; „Gratia Dei, sum id quod sum.quot;— (I Cor. XV. 10.) Aan de genade, aan eene bijzondere voorliefde Gods ten uwen opzichte, hebt gij het te danken, te zijn wat gij zijt: kinderen Gods, erfgenamen des hemels. Leert M. B. uit het voorbeeld van den H. Lodewijk, koning van Frankrijk, de genade waardeeren van uw H, Doopsel. Als die vrome koning eene kerk binnentrad, ging hij eerst knielen

voor de doopvont, om God te danken....... Hij

stelde de genade des doopsels zoozeer op prijs, dat hij in plaats van te teekenen : Lodewijk koning van Frankrijk, doorgaans teekende: Lodewijk van Poissy, omdat hij daar gedoopt was. Hij stelde, zooals gij ziet, zijn titel van christen boven dien van koning. Leert, M. B, naar het voorbeeld van dien vromen koning, de genade hoogschatten van uw H. Doopsel. En hoe zult gij dat naar waarde doen ? Door u dikwijls te herinneren aan de verplichtingen, die gij bij uw H. Doopsel op u hebt genomen, aan de plechtige beloften die gij toen voor God bezworen hebt, en die gij zoo aanstonds gaat vernieuwen.—

II. Alvorens het H. Doopsel te ontvangen, hebt gij in handen van den priester, aan God eene drievoudige belofte gedaan. De priester alvorens bet doopwater over uw hoofd uit te storten, vroeg u; Verzaakt gij aan den duivel? En gij antwoorddet; Ik verzaak. En de priester hernam; Verzaakt gij

ocr page 159

- 147 -

aan zijne werken? Ik verzaak. En aan zijne ijdel hedon f Ik verzaak. — Ziedaar dus eene drievoudige belofte waaraan gij trouw gezworen hebt. En wat behelst die belofte ?

1) Gij hebt verzaakt aan den duivel, dat is: gij hebt gezworen, dat gij niets gemeens met hem wildet hebben. Satan nu in de hel lastert voortdurend God; gij hebt beloofd nimmer den naam Gods te lasteren. Satan verafschuwt God en benijdt de menschen ; gij hebt.... God te beminnen bovenal, en uwen even-mensoh als u zeiven. Satan is vol list, leugen en bedrog ten opzichte der menschen ; gij .. . nimmer te liegen, te stelen en te bedriegen. Satan heeft eenen afschuw van alles wat deugdelijk is, vooral van een vroom leven, van het dikwijls naderen tot de HH. Sacramenten, van het gebed.— Gij ... te bidden ....

2) Gij hebt verzaakt, M. B. aan de werken des duivels.— Werken des duivels zijn: de zonden, want door den duivel is de zonde in de wereld gekomen, hij heeft de zonde op aarde gebracht, en daarom noemt men de zonden, werken des duivels. Werken des duivels zijn al die afschuwelijke zonden van on-kuischheid, die God zoozeer onteeren, den mensch zoo diep verlagen, en hem met ziel en lichaam ter helle doemen. Gij hebt beloofd bij uwen doop, die zonden te schuwen. Daarom heeft de priester toen ook het teeken des kruises gemaakt op al uwe ledematen, daarmede te kennen gevende: dat uw lichaam geheiligd was, en dat gij het nooit zoudt ontheiligen noch misbruiken, door zonden van onkuischheid.

3) Eindelijk nog, hebt gij verzaakt aan de ijdel-lieden en aanlokselen des duivels. Aanlokselen des duivels zijn: die tallooze middelen die aangewend worden om den mensch tot zonde te verleiden; al

ocr page 160

— 148 —

die strikken, gevaren en gelegenheden van zonde. Aan die aanlokselen des duivels hebt gij reeds bij uw doopsel verzaakt, gij hebt plechtig beloofd, die te schuwen en te vluchten. Ziedaar, de drievoudige belofte, die gij bij uwen doop aan God gedaan hebt, met te zeggen: „Ik verzaak aan den duivel, aan zijne werken, aan zijne ijdelheden.quot;— Door die beloften hebt gij u gebonden. Zijt gij ontrouw daaraan, dan zijt gij woordbrekers en meineedigen. Zij staan aan-geteekend die beloften in het boek des levens, en over het al dan niet onderhouden dier beloften, zult gij eenmaal geoordeeld worden. Tijdens eene der bloedige vervolgingen, in het begin der Kerk, werd een zeker diaken Murita van Karthago in den kerker geworpen. De rechter, voor wien hij verschijnen moest, Epiphodorus genaamd, was een afvallige van het geloof. De ongelukkige had weleer uit handen van Murita zeiven, het H. Doopsel ontvangen. Toen de H. Diaken voor zijne rechtbank verscheen, toonde hij dien rampzaligen apostaat het witte kleed, waarmede hij hem bij den H. Doop omhangen had en zeide : „Epiphodorus, kent gij nog dit kleed\'? het is het kleed uws doopsels. Toen beteekende het uwe Onschuld; thans verwijt het u uwen afval. Toen strekte het u tot glorie, thans dient het u ten ver-derve. In den dag des oordeels zal u dat kleed nog worden getoond, om u namelijk met schaamte te bedekken, en de herinnering aan hetzelve zal u bijblijven, tot in het diepst der hel; waar gij oneindig meer zult gefolterd worden dan de heidenen, die niet evenals gij, het geluk hadden gedoopt te worden.quot; Epiphodorus, bij het zien van dat kleed en het hooren dier verwijtingen verbleekt, uit een gil en valt in onmacht aan den voet van zijn zetel. M. B. hoe zult

ocr page 161

— 149 —

gij gesteld zijn, als de priester die u gedoopt heeft, voor den reohtorstoel Gods u zou toonen dat kleed der onsehuid, en tevens u zou verwijten alle zonden waarmede gij hetzelve besmeurd hebt.— Als peter en meter u zullen herinneren aan de beloften die zij in uwen naam gedaan hebben. en die gij zoo vaak gebroken hebt. Als uw engelbewaarder u zal toonen het boek waarin uwe beloften aangeteekend staan, en de gezegende kaars die u in handen werd gegeven, als een teeken der liefde tot God en als eene toespeling op die deugden, waardoor gij, uwen even-mensch moest verlichten en stichten ? Helaas! hoe beschaamd zoudt gij dan wezen; hoe wanhopigzoudt gij dan uitroepen : „Bergen valt op ons en verbergt ons!quot; Neon^ neen, zoo dunkt mij, hoor ik u allen zeggen, dat zal niet gebeuren. Peter en meter hebben voor ons gesproken, vóór ons beloofd, voor ons verzaakt ; thans is het onze beurt, thans gaan wij spreken : „ Vota mea Domino reddam coram omnipopido ejusquot;. (Ps. CXV, 5.) Wij gaan voor den Heer onze doopbeloften vernieuwen, ten aanhoore van al het volk.

M. B ik belast mij met die taak, ik ga uit uw aller naam die geloften vernieuwen. „O! mijn God, wat zal ik u wedergeven, voor alles wat Gij mij geschonken hebt? Zie in zonde werd ik ontvangen, in zonde ontving mij mijne moeder in haren schoot. Gij wildet evenwel niet dat ik verloren ging; Gij waehttet geduldig het oogenblik mijner geboorte af, om mij van mijne kluisters te bevrijden, van mijne smetten tc reinigen. Door de wateren des H. Doopsels ben ik van slaaf der hel, erfgenaam des hemels geworden. Welk een geluk voor mij, dat ik niet evenals duizenden anderen van dat groot voorrecht

ocr page 162

— 150 —

verstoken ben geweest! Voor die groote gunst, wenschte ik u andermaal mijne erkentelijkheid te te betuigen. En hoe kan ik dat beter doen, dan met nogmaals de beloften te vernieuwen, die peter en meter U, in mijnen naam, bij mijn H. Doopsel, hebben gedaan. Ja, ik verzaak edelmoedig den duivel, zijne ijdelheden, zijne werken,— vluchten wil ik voortaan de zonde, en niet alleen de zonde, maar ook alle gelegenheden en gevaren van zonde,— ik wil tsvens ijverig de middelen bezigen, die mij voor den val in de zonde moeten behoeden, namelijk het gebed en het veelvuldig gebruik der H.H. Sacramenten.— Kortom, ik wil mij de groote genade waardig toonen, die Gij mij, bij mijnen H. Doop verleend hebt.— De uwe wil ik zijn tijdens mijn leven — de uwe in den dood — de uwe. O mijn J esus! in de gansohe eeuwigheid!—quot;

Engelen des hemels ! gij hebt het gehoord. Crij hebt onze beloften, op den dag van ons H. Doopsel aangeschreven i — schrijft ze nogmaals aan j maakt dat wij er getrouw aan blijven, tot aan onzen dood.—

ocr page 163

XVII.

H. Kruisweg.

Er is in de Kerk eene devotie M. B.. eerbiedwaardig om hare oudheid, verheven om kaar karakter; eene devotie algemeen wegens hare verspreiding, — die dit eigen heeft, dat zij onder het bereik valt van iedereen, zoowel van geleerden als onwetenden, van het kind als van den grijsaard, van zondaren als van rechtvaardigen. — Het is de devotie van den H. Kruisweg. De H. Kruisweg is een schat die zich ook in onze kerk bevindt. Maar mag ik u eens eene vraag stellen ? Is de H. Kruisweg voor velen niet een verborgen schat? Zijn er niet velen, die zelden of nooit die klagende woorden van Jesus hooren : „ O vos omnea qui transitis per viojm, attendite et videte si est dolor^ simt dolor meun. O! gij allen, die langs den weg gaat, geejt acht en ziet, of er wel eene smart is, zoo groot als de mijnequot;; (Thren. I. 12.) omdat zij nimmer langs dien weg gaan; nimmer den Kruisweg verrichten. Die onverschilligheid mag ik evenwel van u, M. B. leden der H. Familie, niet onderstellen. Gij verricht ongetwijfeld van tijd tot tijd den Kruisweg;— om evenwel die devotie naar behooren en met vrucht te

ocr page 164

— 152 —

verrichten, is liet noodig dat gij ten opzichte van den Kruisweg, een weinig onderricht zijt. Dat wil ik beproeven, door onze huidige conferentie. Deze onderrichting is van groot gewicht en dus verzoek ik u allen eens goed toe te luisteren.—

1. Vooreerst; „wat is de Kruisweg ?quot;— De Kruisweg is eene godvruchtige afbeelding of voorstelling van den weg van lijden en smarten, dien onze goddelijke Verlosser, beladen met zijn kruis aflegde, van af het huis van Pilatus tot op den berg van Calvarie. Den Kruisweg verrichten, is dus in tien geest volgen en overwegen, allen hoon en smaad, alle pijnen en smarten, die Jesus wilde doorstaan uit liefde lot ons, op den weg naar Calvarie.—

De godvruchtige oefening van den Kruisweg ligt . besloten in 14 staties, die door even zóóvele schilderijen, of eenvoudig door kruisjes worden afgebeeld.— Elke statie komt overeen met eene der plaatsen, waar onze goddelijke Verlosser op zijnen lijdensweg gedwongen was , te blijven stil staan. Die plaatsen van rust, van oponthoud, worden „staties geheeten, van het Latijnsche woord; „Stare\'\' dat stilstaan beteekent. Eu dewijl nu onze goddelijke Verlosser, van af het huis van Pilatus tot aan het H. Graf, volgens de overlevering, veertien malen zou gerust hebben, namelijk : twaalf maal tijdens zijn leven en tweemaal na zijnen dood; daarom telt ook de Kruisweg in zijn geheel 14 staties.—

2. Oorspvoiig van den Kruisweg.— Maar op welk tijdstip van het Christendom is de devotie van den H. Kruisweg ontstaan ? Wie heeft hem ingevoerd ?— De oorsprong van den Kruisweg, dagteekent van de vroegste tijden, van de eerste jaren van het christendom ; want het was Maria zelve, de moeder van God, die hem instelde.

ocr page 165

— 153 -

Inderdaad , eene vrome , geloufwaardige en oude overlevering verhaalt, dat na den dood van J. C, Maria gewoon was van tijd tot tijd den weg van Calvarie te volgen, dienzelfden weg, dien weleer haar goddelijke Zoon met zijn bloed geteekend had. Ziedaar wat de overlevering ons verhaalt.— Hetzelfde heeft de allerheiligste Maagd medegedeeld aan de H. Brigitta, wier openbaringen door de Kerk goedgekeurd zijn en dus voor geloofwaardig gehouden mogen worden. Voortdurend , zoo zeide Maria , tot de H. Brigitta , ging ik na de Hemelvaart mijns Zoons, de plaatsen bezoeken die Hij door zijn lijden en zijne mirakelen geheiligd had.— Het was dus de moeder Gods, die het eerst den H. Kruisweg verrichtte. O hoe eerbiedwaardig! hoe verbeven is dus de oorsprong van den Kruisweg !— Laat ons ook die verheven devotie van den Kruisweg liefhebben!—Volgen wij hierin het voorbeeld van Maria, treden wij in hare voetstappen en maken wij het voornemen, van tijd tot tijd den Zaligmaker op zijnen droevigen lijdensweg te volgen; daardoor bezorgen wij aan het Hart van Jesus een onuitspreke-lijken troost.— Ja de oefening van den H. Kruisweg behaagt ongemeen aan het Hart van Jesus ; want wat kan Hem aangenamer zijn, dan dat wij van tijd tot tijd met dankbaarheid, droefheid en liefde ons herinneren aan de versmadingen, aan het lijden, dat Hij voor ons verduurd heeft. De Zaligmaker, zoo zegt de H. Leonardus a Porto Mauritio, gaf dit zelf te kennen op zekeren dag, aan een zijner trouwe dienaren. Deze verlangde vurig te weten, welke godvruchtige oefening, Gode he! aangenaamst was. Jesus verscheen hem, beladen met zijn kruis, en zeiJe : ,;Mijn zoon, gij kunt niets doen wat aangenamer is aan God, dan mij dit zware kruis te helpen dragen,quot; Doe dikwijls den

ocr page 166

— 154 -

Kruisweg, zoo ging Jesus voort, daardoor bezorgt gij grooten troost aan mijn goddelijk Hart. Maar M. B: indien die beweegreden te verheven is, laat u dau bewegen, door uwe eigen belangen.

3. De Kruisioeg is immers eene oefening, uiterst heilzaam en verdienstelijk voor den christen. Zij is heilzaam voor de rechtvaardigen en voor de zondaars, heilzaam voor levenden en dooden, heilzaam voor den tijd en voor de eeuwigheid. Zien wij eerst de geestelijke voordeelen die aan de oefening van den Kruisweg verbonden zijn. Iemand die de devotie tot den Kruis weg beoefent, maakt in korten tijd grooten voortgang in de liefde tot God en in de deugd. De H. Bona-vatura verzekert ons, dat de wonden van J. C. even zoovele vurige pijlen zijn, die de verstoktste harten treffen en de koudste zielen ontvlammen. En de H. Leonardus a Porto Mauritio zegt in een zijner werken het volgende: „dikwijls en met godsvrucht den Kruisweg verrichten, is terzelfder tijd met vlugge schreden den weg der deugd bewandelen.quot; Een Ew. Heer Pastoor, een zeer ijverig en verstandig man, voegt hij er bij, was gewoon te zeggen: „Sedert ik in mijne parochie den Kruisweg heb opgericht, zie ik mijn volk zich voortdurend beteren.quot; — Wat mij betreft, vervolgt de H. Leonardus, ik moest eens eene missie geven in eene streek, die midden in de bergen gelegen was, — en ik trof daar eene bevolking aan, ongemeen vroom en zedig; — dat voorrecht nu hadden zij te danken aan de oefening van dei: Kruisweg, dien zij dagelijks verrichtten. Des winters deden zij dien \'s morgens, voordat zij aan hun werk gingen, en des zomers eindigden zij daarmede hun arbeid. Bij elke statie vernieuwden zij het voornemen, nimmer eene doodzonde te bedrijven en zij bleven stipt aan

ocr page 167

— 165 —

dat voornemen trouw. Grelukkig das, duizendmaal gelukkig, zoo besluit de Heilige, hij, die dikwijls den Kruisweg verricht, hij zal in korten tijd zijn hart geheel veranderd vinden.quot; — Wie den Kruisweg verricht, verrijkt daarenboven zijne ziel met een schat van verdiensten voor den hemel; want de oefening van den Kruisweg is eene onuitputbare bron, waaruit men met volle handen de goederen der genade schept. l)e Gelukzalige Albertus de Groote beweert, dat men meer verdient met eene enkele gedachte aan het bitter lijden van Jesus, of wat hetzelfde is, met eene enkele maal godvruchtig den Kruisweg te verrichten, dan een jaar lang, alle vrijdagen op water en brood te vaston; — meer dan zich verschillende malen tot bloedens toe te geeselen; — meer dan het geheele Psalmboek door te bidden. — De H. Augustinus, zegt hetzelfde van een enkelen traan dien men stort, bij het overwegen van Jesus\' lijden. Die traan, zegt hij, is verdienstelijker dan de strengste boetplegingen. — De Kruisweg eindelijk M. B. stelt u in staat, om zoo gemakkelijk uit te wisschen, alle tijdelijke straffen, die gij door uwe zonden verdiend hebt, en die gij, in dit of in het ander leven zoudt moeten af boeten. Immers, door middel van den Kruisweg, kunt gij eene menigte volle aflaten verdienen. Het is zeker, dat gij door het bidden van den Kruisweg alle \\ olie aflaten verdient, die aan de staties van den Kruisweg, te Jerusalem verbonden zijn. Die aflaten nu zijn ontelbaar. — Gij kunt ze toepassen op u zeiven of op de overledenen, en aldus gemakkelijk en spoedig uit het vagevuur verlossen, de zielen uwer bloedverwanten en vrienden. — Wat een gemakkelijk middel dus, om de zielen dier dierbare overledenen van hunne pijnen te verlossen en in het verblijf der ge-: lukzaligen in te leiden.

ocr page 168

— 156 -

De oefening van den Kruisweg is dus eene bron van geestelijke gunsten; maar hij bezorgt ona daarenboven ook vele tijdelijke voordeelen. Men leest in het leven van de eerbiedwaardige kloosterzuster Maria v.Antigua, dat Jesus, op zekeren dag, haar deze woorden toevoegde: „Weet mijne dochter, dat ik ten believe eener enkele ziel, die godvruchtig den Kruisweg verricht, alle andere geloovigen, daar ter plaatse waar men op die wijze de gedachtenis van mijn lijden vereert; zal beschermen en zegenen. Ik zal hun kwijtschelden alle geestelijke en tijdelijke straffen, die zij om hunne zonden mochten verdiend hebben.

Die belofte van Jesus is dikwijls bewaarheid geworden. Een Ew. Heer Pastoor, een man van vertrouwen, schreef aan den H. Leonardus a Porto Mauritio, dat telkens wanneer hij regen verlangde voor de velden der parochie, hij te zamen met het volk den Kruisweg bad, en altijd verboord werd. Andere omliggende parochiën ontvingen in gelijke omstandigheden dezelfde gunst.

Iemand zal misschien zeggen: Ik ben overtuigd dat de Kruisweg eene devotie is, uiterst verheven en verdienstvol; maar hoe kunt gij verlangen dat ik den Kruisweg doe; ik kan niet lezen , veel minder mediteeren en daarenboven, ik heb geen tijd hem te doen? Gij zegt vooreerst, dat gij niet kunt lezen — Maar het is niet noodig om den Kruisweg te doen, dat gij u van een gebedenboek bedient.— Ik zeg nog mser. Juist omdat gij niet kunt lezen, moet gij den Kruisweg doen; want zegt de H. Joannes Damascenus, de vrome afbeeldingen en voorstellingen, zijn de gebedenboeken der min onderrichte geloovigen.

Gij zegt, dat gij niet kunt mediteeren;— maar om den Kruisweg te doen, is het niet noodig dat gij uwen

ocr page 169

— 157 —

geest inspant, uw hooid vermoeit; — bet is voldoende dat gij een paar oogen hebt. Het is genoeg, dat gij een oogenblik bij elke statie stil staat, en aandachtig beschouwt datgene, wat er op afgebeeld staat.— Zeg mij eens: Als gij in de stad voorbij winkels en magazijnen gaat, zijt gij dan niet in staat om de voorwerpen en artikelen te bezichtigon, die daar voor de glazin staan uitgestald? Helaas 1 men heeft wel oogen om zijne nieuwsgierigheid te voldoen, maar niet om het lijden van den Zaligmaker te beschouwen.

Gij zegt nog: Ik heb geen tijd om den Kruisweg te doen.— Maar hoeveel tijd hebt gij daartoe noodig? Moet gij daartoe een half uur, of zelfs een kwartier uurs besteden ? Neen, dat is niet noodig. Om met een weinig aandacht de 14 staties van den Kruisweg na te gaan, heeft men zelfs geen kwartier van noode; want om do aflaten te verdienen, is men niet verplicht eenig mondgebed te verrichten. Het is zeker goed, als men tijd heeft, bij elke statie één Onze Vader, één Wees Gegroet en eene acte van berouw te bidden, en bij het einde van den Kruisweg vijfmaal het Onze Vader, het Wees Gegroet en het Eere zij den Vader,— ter eere van de vijf wonden van den Zaligmaker; maar die gebeden zijn niet noodzakelijk, men kan ze inkorten, zelfs weglaten, om tijd te winnen. Oe kortste en beste manier om den Kruisweg te doen is deze; Men blijft een oogenblik bij elke statie stilstaan, men beschouwt wat Jesus op die statie geleden heeft en men zegt: het is om mijne zonden, dat Jesus dat alles heeft geleden ; — vergiffenis, o Jesus! vergiffenis! — men maakt eindelijk het vast voornemen, in het vervolg niet meer te zondigen. Met andere woorden, als men niet veel tijd heeft, volstaat men, met olke statie aandachtig te

ocr page 170

— 158 —

beschouwen en vervolgens oen acte van berouw te verwekken. Ik zeg nog eens, daartoe heeft men zelfs geen kwartier uurs noodig. En nu vraag ik? Wie uwer zou nu des zondags b. v. geen kwartier tijd kunnen vinden, om het lijden van Jesus te overwegen en zich met de verdiensten daaraan verbonden, te verrijken. Helaas! men heeft wel tijd om zondags uren en uren in herbergen te liggen, en men zou geen kwartier over hebben voor God! Ach M. B.! gij zult het u beklagen op uw sterfbed, zooveel tijd besteed te hebben aan beuzelarijen, en zoo weinig tijd aan den dienst van Grod.

Eindelijk, zult gij misschien nog zeggen ; Er zijn zoo weinig menschen in de parochie, die den Kruisweg doen, ik vrees te zeer in het oog te loopen. Maar M. B. laat ons niet vergeten dat wij om zalig te worden, niet het groot maar het klein getal menschen moeten navolgen. Weet dat de breede weg niet tot den hemel, maar tot de hel leidt. Herinnert u wat Jesus zegt; „ Wie zich over mij. . . geschaamd zal hebben, over hem zal de Zoon des menschen zich schamen als Hij komen zal in zijne glorie,quot;— (Luc. IX, 26.) Bedenkt dat het menschelijk opzicht een edel hart, een christenhart onwaardig is.

Om ii het menschelijk opzicht te helpen overwinnen, raad ik u aan, dikmaals de zesde statie van den Kruisweg te beschouwen, en het schoon voorbeeld te betrachten, dat u hier de H. Veronica geeft. Nauwelijks had zij Jesus, beladen met zijn kruis, door de straten van Jerusalem zien gaan, of zij vreest niet den Zaligmaker te naderen, die door de joden voor een booswicht, voor een misdadiger werd aangezien; die edelmoedige vrouw baant zich zonder schroom een weg, midden door de menigte, — treedt naar Hem toe en biedt Jesus haren

ocr page 171

sluier aan, opdat Hij zich daarvan zou bedienen, om het bloed en zweet van zijn aangezicht te vegen. En wat gebeurt er? Jesus doet een mirakel om den moed en de liefde van Veronica te beloonen, Hij laat namelijk op den sluier het afbeeldsel van zijn aangezicht achter.— Welaan! M. B. zoo ook gij naar het voorbeeld van Veronica het monschelijk opzicht versmaadt, om Jesus in zijn lijden te troosten, Hem te volgen naar den Calvarieberg, — indien gij met andere woorden, u niet schaamt, den Kruisweg te doen; — dan zal ook Jesus u evenals Veronica beloonen. Hij zal in uw hart drukken, eene teedere en onuitwisch-bare herinnering aan zijn lijden. Die herinnering zal u aanzetten om uwe bedreven zonden te verfoeien, zij zal u voor toekomende zonden vrijwaren, u de volharding in het goed, en eenmaal den hemel bezorgen. Welaan dan M. B., dat de oefening van den Kruisweg, voortaan eene uwer geliefkoosde oefeningen zij-

Verricht dus dikwijls den Kruisweg, nu gij zooals ik hoop, hom beter hebt leeren kennen. Verricht hem in het bijzonder, wanneer gij in eene of andere be hoefte zijt, — verricht hem gezamenlijk met uwen Hei der aan het hoofd, in bijzondere omstandigheden ; — verricht hom zoo mogelijk des vrijdags, of ten minste dos zondags; —• ten tijde van de 40 daagsche Vaste, maar vooral in de dagen der Goede Week.— M. B. als gij dat doet, als gij namelijk de devotie tot den Kruisweg beoefent, hem van tijd tot tijd verricht, dan zal eenmaal bij uwen dood de Kruisweg, die weg van droefheid en smarten, u leiden op den weg van blijdschap en vreugde, op den weg die leidt naar het hemelsch Jerusalem. Amen.

ocr page 172

XVIII.

Nieuwjaar.

Als iemand in dienst treedt van den Koning, of van den Staat; dan moet hij, alvorens gt;.ijne betrekking te aanvaarden, zooals men zegt: „beëedigd worden,quot;— dat wil zeggen : bij moet onder eed plechtig beloven, den Koning, den Staat, in zijne betrekking trouw en eerlijk te zullen dienen. Zoo zweert b. v. de Koning bij zijne troonbestijging, trouw aan de grondwet ; — eveneens leggen de ministers, de leden der Staten Generaal, de hooge ambtenaren van bet Rijk, den eed, van trouw af in handen van den Koning;— een luitenant bij zijne aanstelling, zweert trouw aan het vaandel van het regiment, voor het front van den troep.— En gij, M. B. wat hebt gij gedaan op den dag uwer plechtige opdracht, op den dag uwer inlijving in de Broederschap der H. Familie ? Gij hebt wel ib waar geenen eed gezworen ; maar gij hebt toch eene plechtige belofte gedaan van trouw, in de tegenwoordigheid van Jesus in zijn H. Sacrament,— voor het vaandel der Broederschap,— ten aanhoore van een zoo groot aantal uwer medebroeders, a!s getuigen. Gij hebt toen beloofd, trouw en gehoorzaamheid aan de regels en verordeningen dor Broederschap ; gij hebt beloofd als

ocr page 173

— 161 —

voorbeeldige en ijverige leden der Broederschap te willen leven ;— met andere woorden, gij hebt beloofd eeno „naxiwgezetteplichishetrachlingy—Daaraan wenschte ik u gaarne met een enkel woord te herinneren, vandaag, op den eersten zondag van het jaar.

Tot eene nauwgezette plichtsbetrachting, behooit op de eerste plaats: de trouwe opkomst der leden, naar de wekelijksche vergadering. Een soldaat zal zich wel wachten te ontbreken op het appèl, en dat uit vrees voor straf. Een lid der H. Familie moet zLh ook wachten, te ontbreken aan het appèl van God, die hem wekelijks eenmaal ter vergadering oproept,— en dat niet uit sla ifsche vrees, maar uit liefde. Alle verbintenissen immers, die de Broederschap hare leden oplegt, zijn verbintenissen van liefde. Aan dat appèl van God, is in den loop des jaars vrij goed gehoor gegeven door het grootste deel der leden.— Een ander deel had ijverig kunnen wezen, en zal dezen wenk dan ook, zooals ik hoop, dit jaar beter behartigen. Velen uwer, dunkt mij, kunnen als zij van goeden wil zijn, geregeld eiken zondag opkomen, behoudens een of ander beletsel, dat zich soms voor kan doen. Tot die eerste klas reken ik dezulken, die niet van verre behoeven te komen, die nog krachtig en sterk zijn en goeden weg hebben.— Ik neem gaarne aan, dat er ook zijn, die onmogelijk iedere week kunnen komen; maar die maken toch zeker het kleinste gedeelte uit; b. v. dezulken die van verre moeten komen, die oud en gebrekkig beginnen te worden, die door zaken, enz. verhinderd zijn,— deze moeten zorgen éénmaal in de veertien dagen te komen, vooral in den zomer, of minstens alle drie weken ; want ééns in de maand is niet genoeg.— Daar zijn er ook enkelen, die zelden of niet meer kunnen komen, die namelijk versle-

11

ocr page 174

— 162 —

ten zijn,zij blijven niettemin leden der Broederschap, indien zij vroeger trouw opgekomen zijn. Ziedaar, mijn oerste Nieuwjaarswenseh : trouwe opkomst der leden naar de wekelijksehe vergadering; terwijl ik de prefecten verzoek, zooveel zij kunnen, dit punt te helpen bevorderen.—

Van tijd tot tijd doet God behalve het gewoon, nog een buitengewoon appèl aan de leden der H. Familie. Hij roept hen eene of andere maal in het jaar, tot het bijwonen eener generale communie; aan dat appèl wordt goed gehoor gegeven. Dienaangaande wenseh ik u geene verbetering, maar volharding toe. Hij roept u op, om bij gelegenheid van het 40 uren-gebed Hem sectiesgewijze te komen aanbidden; ook bij die gelegenheid zijn de meesten op hun post. Hij roept u op tot deelname aan eene of andere bode vaart; ook aan dien roep wordt goed beantwoord. Eindelijk roept God u nog op, bij het afsterven van een lid der Broederschap, de H. Mis bij te wonen, die tot lafenis zijner ziel in deze kerk wordt opgedragen.— Ook dat wordt, zooals ik meen, vrij wel onderhouden.

Doch M. B. trouwe opkomst in gewone en buitengewone gevallen, daarin bestaat nog maar een deel uwer plichtsbetrachting. Daar zijn nog andere punten waarop ik heden uwe aandacht wil vestigen.—

Vooreerst herinner ik u, aan art. 18. en 20. van de regels en verordeningen der Broederschap. Beide deze artikelen, hebben betrekking op de viering der jaarpatronen van de leden der Broederschap. Daarin M. B. moet verandering komen, uwe patronen willen beter erkend worden, dan zij het tot dusverre geweest zijn. Velen, ik ben er zeker van, weten volstrekt niet, welke patroon hun, door het lot, voor het jaar is

ocr page 175

— 16B —

aangewezen. Ik wensch u dus toe eene grootere belangstelling in uwe patroonheiligen.— Maakt u gewoon uwen patroon, eiken dag het zij bij uw morgen, of avondgebed aan te roepen en te vereeren,— denzondag waarop uw patroon en uw naam worden afgeroepen aanwezig te zijn, en eindelijk op den dag zeiven, of den zondag daaropvolgende ter eere van uwen patroon tot de H. H. Sacramenten te naderen. De vereering uwer patroonheiligen M. B., is voor u van een drievoudig nut: zij vermanen u dat gij heilig moet zijn; dat doen zij als leeraren ;— zij overtuigen u dat gij heilig kunt zijn; dat doen zij als getuigen,— zij veroordeelen u, zoo gij niet heilig zijt; dat doen zij als rechters. — Wat ik ook M. B. bij den aanvang des jaars u allen dringend op het hart druk, is het bezoeken van de zieke leden der Broederschap. De leden der H. Familie moeten met elkander vereenigd zijn bij leven, bij ziekte en bij den dood. Een prefect of onderprefect, of ook een lid die een zieken medebroeder bezoekt, toont dat hij bezield is met den waren geest der Broederschap. Hij verricht een werk van barmhartigheid, dat God beschouwt, als aan Hem zeiven gedaan en waarvoor Hij eene eeuwige helooning heeft weggelegd ; „Voorwaar, ik zeg u, ivat gij aan den geringste mijner broeders gedaan hebt, hebt gij aan Mij gedaan.quot; (Matth. XXV, 20.) Beijvert u ook M. B. om nieuwe ijverige leden voor de Broederschap te winnen. Dat is een Gode aangenaam en tevens verdienstelijk werk. Wie maa\\t, dat ik door anderen gekend en gediend worde zegt God. zal het eeuwig leven hebben. „ Qui elucidauf me, vitam aeternam habebunt.quot;— (Eccli. XXIV, 31.) Gij bewijst daardoor tevens eenen grooten dienst aan de Broederschap, wier gelederen voortdurend gedund worden door den dood, door vertrek en door de

ocr page 176

— 104 —

ontrouw van sommige ledon. Maar, M. B. geeft wel ao{1tj — liever geene nieuwe leden dan llauwe leden. Eindelijk kom ik tot een punt dat ik veel beter voorop had kunnen plaatsen; want het is van het grootste gewicht: ik bedoel namelijk de onderlinge eensgezindheid en broederlijke lietde. Ik geef gaarne toe dat de beoefening der liefde in eene Vergadering als de onze, van hoogst teederen aard is. Het spreekwoord zegt; „zooveel hoofden zooveel zinnenquot;. Dit toepassende op onze Broederschap, zou ik moeten zeggen: De Broederschap der H. Familie telt ruim.....

hoofden ; ieder hoofd heeft zijn eigen zin; dus......

zinnen. Dat is ook zoo j — maar als al die hoofden zich bijeenleggen, zich vereenigen, dan heb ik maar één hoofd en één zin.— Zoo moet het wezen in eene Broederschap als de onze; een ieder moet zijn eigen zin, zijne eigen denkwijze trachten te voegen, naar die van het grootste gedeelte der Vergadering; dan bestaat er overeenstemming en vrede.— M. B. vergeten wij dus bij den aanvang des jaars, alle onze persoonlijke geschillen en grieven, elke veete en geheimen wrok, alle jalouzie en teergevoeligheid; reiken wij elkander de broederhand en wenschen wij elkander, zoo niet met den mond, dan toch ten minste met het hart, een zalig Nieuwjaar toe.— Ik herrinner mij een schoon voorbeeld van vergevingsgezindheid, voorgevallen tijdens de Parijsehe Commune. — De kok van den maarschalk de St. Arnaud, met name Grélier bracht het zoover, dat hij lid werd van het comité central, das een der hoofden van de Commnne. Hij was een aartsvijiind van de Kerk en de Priesters. Het woord Jesuit was genoeg, hem in woede te doen ontvlammen. Hij had dan ook ruim zijn deel aan den moord der Paters Jesuiten ■ de SE. PP. Olivaint^

ocr page 177

- 165 —

Clere en Ducoutlray, die op bevel der Cummune werden doodgeschoten.— Do Commune echter moest bukken voor do troepen van Versailles, die Parijs kwamen binnengerukt. Nu klonk het „Sauve qui peut.quot; loder zocht een heenkomen,— ook Grelier, de Priester- en Jesu tenhater. Hij komt aankloppen aan het klooster der paters Jesuiten, te Parijs. De Paters vergeten wat tegen hen misdaan was, en nemen den moordenaar hunner medebroeders, nadat hij zich bekend gemaakt had, op. De vingeren, die bevelen geschreven hadden van moord en brand, hielpen nu den kok des klooster in het bereiden van het eten. Ziedaar, de vergevingsgezindheid tot het uiterste gevoerd.— En nu M. B. voordat ik ga eindigen, wensch ik u allen toe, als leden der Broederschap, een trouwe plichtsbetrachting, bestaande in de verschillende punten, die ik in don loop dezer conferentie heb opgesomd. Ik wensch de prefecten en onderprefecten, in het bijzonder toe: ijver en nauwgezetheid in hun ambt,— van hen hangt veel af; de ondervinding heeft mij geleerd, dat indien de prefect goed is, in den regel ook zijne afdeeling goed zal zijn; doch zoo de prefect lauw en traag is, zal ook zijne afdeeling lauw wezen ;— allen wensch ik toe, een jaar rijk in verdiensten voor den hemel,— maar tevens ook zegen en voorspoed in het tijdelijke. Ik bid God, dat Hij moge zegenen uwe huisgezinnen, uw vee, uwe akkers en velden, uwe zaken en ondernemingen; in één woord, alles wat u betreft; ik hoop dat dit jaar moge wezen voor de Broederschap, voor u en voor mij, een jaar van zegen, zoo naar ziel als naar lichaam, voor den tijd on voor de eeuwigheid. Amen.

ocr page 178

XIX.

Vastenavonddagen.

Grij weet M. B. met welke hinderpalen en moei lijkheden de joden te kampen hadden, eer zij van Pharao vergunning kregen, om Egypte te verlaten en naar het beloofde land te trekken. Tal van wonderen moest God verrichten^ door middel van zijnen dienaar Moses, tal van straffen en plagen, moest God over Egypte uitzenden, eer die goddelooze koning zich liet bewegen het volk te laten vertrekken. Acht plagen had God reeds uitgezonden, om zijne almacht te toonen en zijnen wil te doen kennen, doch vruchteloos.— Hij had het water van den Nijl in bloed veranderd, gansch Egypte met allerlei ongedierte overstroomd, vreeselijke ziekten onder menschen en vee uitgezonden, door hagel en regen velden en akkers, huizen en boomen vernield, menschen en dieren gedood ; de koning echter liet zich niet bewegen, de joden te laten vertrekken. Toen sprak God tot Moses : „Steek uwe hand uit naar den hemel,en duisternis zal komen over Egypte, zoo dik, dat mm ze tasten kan.quot; (Exod. X, 21.) Moses deed het, en \'t was plotselijk stikdonkere nacht over het geheele land, met uitzondering van Gessen, waar de joden woonden ; en zoo groot was de duisternis, dat

ocr page 179

— 167 —

de een deu anderen niet zien kon; nooh durfde opstaan van zijne plaats. Die duisternis duurde drie dagen lang. M. B. ik zie in die driedaagsche duisternis, een beeld van de geestelijke duisternis of verblindheid der mensehen, tijdens de drie vas-tenavonddagen. Mot vastenavond is een deel der wereld in duisternis gehuld, een ander geniet het licht. — Opdat die dagen voor u dagen van licht mogen zijn, ga ik u eens aantoonen: hoe schandelijk het is die dagen te onteeren,— en op welke tvijze gij ze behoort te heiligen.—j

I. Vraag ik aan den wereldling, wat eigenlijk de vastenavonddagen zijn; dan ontvang ik ten antwoord; dagen van plezier en uitspanning, of liever van zonde en ongebondenheid. En inderdaad; zet eens den voet in de wereld, gaat eens met vastenavond naar onze steden, gij meent u verplaatst te zien in de dagen van het heidendom, — de herbergen gevuld met mensehen,— de straten wemelende van gemaskerden, die juist omdat zij zich onder een masker hebben weten te vermommen en onkenbaar te maken, soms alle fatsoen hebben afgelegd, en openlijk hunne laag- en gemeenheden ten toon spreiden; — vorder gecostu-meerde optochten, waarbij niet zelden de godsdienst schandelijk wordt bespot, — bals en danspartijen, tooneelvoorstellingen en concerten,— in één woord, alles wat de driften maar kan streelen, de genotzucht voldoen, wordt in die dagen ten toon gespreid. Om u van de vastenavonddagen en hare buitenspurigheden een denkbeeld te kunnen vormen,— moet gij weten, dat, zij haren oorsprong ontleenen aan het heidendom. Onze hedendaagsche vastenavonddagen, zijn eene herinnering, of liever eene voortzetting, eene vernieuwing van de heidensohe Bacchusdagen.— Bacchus nu.

ocr page 180

— 1G8 —

was bij de Romeinen, de god van den wijn, van den drank,— oordeelt daaruit, wat dut voor dagen moeten geweest zijn. Oude geschiedschrijvers treden dienaangaande in eenige bijzonderheden. Rome van haren oorsprong onder Romulus, later onder het bestuur harer consuls, onder de heerschappij van uitlandsche koningen, onder de republiek en het keizerrijk, hield steeds die feesten in eer, het volk was er verzot op; — de Bacchusdagen stonden zelfs met roodc letters, in den Romeinschen tijdwijzer of feestkalender aangeteekend. Een oud, beschonken vrouwspersoon, placht gewoonlijk het sein, het teeken te geven, tot dc algemeene dartelheid en uitgelatenheid. De anders zoo statige en deftige raadsheeren van den Romeinschen Senaat, waren mede van de eersten, die met terzijdestelling van alle fatsoen, belachelijk vermomd cn verkleed, als zotten, met groene takken in de hand, de straten der stad op- en afliepen; gevolgd door groot en klein, jong en oud, mannen en vrouwen, die juichten en joelden, tierden en sahreeuwden. — Daarna begaf men zich naar onzedige schouw- cn blijspelen; men verlustigde zich met drinken en dansen, waarbij allerlei zonden en gruwelen gepleegd werden. Van Rome uit, werden die feesten ingevoerd in Griekenland en Egypte, en eindelijk in alle landen, die tot het Romeinsch gebied behoorden.

M. B., dat het heidendom zijne Bacchusf\'eesten, zijne vastenavonddagen had, dat is natuurlijk, dat ligt in den aard der zaak;— dat die feesten duivelsfeesten waren, op ongebonde.iheid en zedeloosheid uitliepen, ook dat is natuurlijk; want het heidendom was do godsdienst van den duivel, en deszelfs zedeleer ver leende eene teugellooze vrijheid aan het kwaad. — Maar dat in eene christelijke maatschappij, die God

ocr page 181

— 160 —

tot stichter, het Evangelie tot zedelcer heeft, heiden-sohe feesten worden gevierd en geduld ; dat is onbegrijpelijk! „Kripuit nos de putestcite tenehrarum.quot; (Colos. 1, 13). Christus heeft ons vrijgemaakt van de macht dor duisternissen, en wij zouden door zondi- en ongebondenheid, ons weer onder het juk der duisternis willen bukken; — dat is onredelijk en onchristelijk. — Een christen, die op zulke wijze do vastetiavonddagen onteert, is volgens den H. Petrus Damianus, oen monseh, die katholiek gelooft, maar als heiden leeft: „Est qui catholice credit et gentiliter vivit.quot;

De K^ik heeft ten allen tijde de overblijfselen van het heidendom, dus ook de heidensohe vastenavondviering afgekeurd en bestreden, „Omnia ista speetaculorum genera damnavit, quando idolol.itriain sustulit.quot; Zij heeft al die schouwspelen, maskeraden en andere misbruiken gedoemd, zegt de H. Cyprianus, toigt;n zij de afgoderij vornietigde. Daar waren ook destijds christenen, evenals thans, die de heidensohe misbruiken navolgden; maar altijd deed de Kerk tegen dezulken, door den mond barer Kerkvaders, hare stem hooren. Zoo handelde de H. Ambrosius, bisschop van Milaan. Hij betrad op een der vastenavonddagen, in bisschoppelijk gewaad, den kansel en sprak: „Christenen, ik heb tegen velen onder u, eene allerbitterste klacht te uiten, tegen u, die de feesten der heidenen viert. — Ach! als wij de levende tempels van God zijn, waarom wordt dan in Gods tempel, het feest der afgoden gevierd !quot; Ook de H. Angustinus, vaart uit tegen do ongebondenheden der vastenavonddagen. In eene stad, zoo zegt hij, waar do pest gewoed heeit, draagt men zorg zoodra de ziekte geweken is, kleederen en lijnwaad te verbranden, opdat de kiem der ziekte wellicht

ocr page 182

170 _

niet blijve voortbestaan, en zoodoende de ziekte zelve later op nieuw mocht uitbreken. Zoo ook, zegt die H. Kerkvader, doet de Kerk. Zij verheft hare stem tegen al die verpestende overblijfselen van het heidendom; zij roept onophoudelijk: „aqua, aquaquot;: water, water;— om uit tu dooven en te blussehen, do kleinste vonkjes van dien lielsehen brand. De vasten-avonddagen mogen dus niet beschouwd worden als dagen van ongebondenheid en zonde, de Kerk toch verzet zich daartegen. Wat zijn het dan voor dagen in den geest der Kerk ?

II. Dagen van ingetogenheid en zedigheid, dagen van boetvaardigheid, van gebed en eerherstel. Ik zeg ; dagen van ingetogenheid en zedigheid. Ingetogen en zedig moet een Christen wezen, alle dagen desjaars; dit neemt niet weg, dat hij bij tijd en wijle, zich mag ontspannen; lichaam en geest al eens rust gunnen, christelijke en geoorloofde vermaken genieten; dat kan en zal niemand afkeuren; maar dat moet op zijn tijd geschieden. „Alle dingen hebben hunnen tijd, zegt de H. Geestquot;. (Ecclc. III. 1.) Daar is een tijd om geboren te worden en een tijd van sterven; een tijd om te weenen en een tijd van lachen ; een tijd om te zwijgen en een tijd van spreken ; een tijd van oorlog en een tijd van vrede ; in één woord alles op zijn tijd. — Wie dus op zon- en feestdagen, na behoorlijk zijne godsdienstige plichten vervuld te hebben, zich op eene fatsoenlijke wijze ontspant, doet goed,— wie bij gelegenheid der kermis zich vermaakt, deelneemt aan een maaltijd, aan eene feestelijkheid enz., hij doet goed ; want er is oen tijd van vreugde te smaken, en ook een tijd om zich van vreugde te onthouden.— Alles op zijn tijd. Nu de vastenavondda-gen, in den geest der Kerk, zijn geene uitspanning-

ocr page 183

(lagen; en hoewel zij in.\'sommige landen en gewesten, als zoodanig worden aangezien, is dat eene groote dwaling. Meer nog dan op andere dagen, verlangt de Kerk van hare kinderen alsdan ingetogenheid en zedigheid.

Immers de drie vastenavonddagen gaan onmid delijk de groote 40 daagsohe Vaste vooraf;— hot zijn dus dagen van voorbereiding, om ons te stemmen tot boetvaardigheid en versterving ; twee deugden die de Kerk hare kinderen, tijdens de 40 daagsohe Vaste, op het hart drukt, De Kerk heeft reeds zeventien dagen voor Asche-woensdag, namelijk op Sop-tuagesima-zondag , in haren uiterlijken eeredienst. met de boete een begin heeft gemaakt; van toen af immers heeft zij hare priesters het violette boetekleed aan het altaar voorgeschreven,— van toen af heeft zij ook het blijde Alleluja uit hare gezangen weggenomen. De Kerk dus, zooals gij ziet, beschouwt de vastenavonddagen reeds eenigermate a!s boetedagen.

Eindelijk nog, zijn het dagen van gebed en eerherstel.— Dagen van gebed. In een groot aantal parochiën houdt men tijdens de vastenavonddagen het 40-uren gebed, een gebruik, in het jaar 1556 te Ma-cerati door de Paters Jesuiten ingevoerd, dat sedert dien tijd zooveel navolging heeft gevonden, thans bijna over de gansche wereld verspreid is; en dat dermate de goedkeuring der Kerk heeft verworven, dat Paus Clemens XIII, den 23 Juli 1765, een vollen aflaat verleend heeft, aan alle geloovigen die minstens eenmaal, op een dier dagen voor het Allerheiquot; ligste komen bidden, en naderen tot de HH. Sacramenten. De vastenavonddagen zijn dus, zooals gij ziet aanbiddingsdagen,— en eindelijk nog dagen van eer-

ocr page 184

— 172 —

herstel, voor al het kwaad dat God op die dagen wordt aangedaan. Immers men mag Uier gerust de woorden bezigen van den evangelist Lucas : „Al wat door de profeten van den Zoon des menschen geschreven is, zal volbracht worden. Want Hij zal den heidenen over gulevurd, bespot, gegeeseld en bespogen worden, en na hem yegeeseld te hebben, zullen zij hem doodenquot;, (Luo. XVIII. Sl.sqq.) Wordt Christus immers met de vastenavond-dagen niet aan de heidenen overgeleverd, als de heidensche misbruiken en verlustigingen weder voor den dag gebracht worden! Wordt hij niet uit spot geblinddoekt, door de maskers en die belachelijke ja onbetamelijke verkleedingen, wanneer zooals soms geschiedt, mannen in vrouwen- en vrouwen ia mans-kleederen rondloopen!— Wordt hij niet gegeeseld en met doornen gekroond, door die vrijwillige dronkenschap, onkuische gesprekken en gezangen, en oneerbare werken!— Verder nog, hoezeer wordt het hart van dien goeden Verlosser niet gegriefd, door al die oneerbiedigheden en onteeringen, die Hij deze dagen zelfs van katholieken, in zijn H. Sacrament te verduren heeft!— Voor al die zonden en gruwelen verwacht Jesus in deze dagen eerherstel. Welaan dan M. B. toont deze dagen wie gij zijt. „Factae sunt tenebiae horribilej: in iini-versa terra Egypti, tribus diebusquot;. (Exod. X, 22.) Over Egypte, dat is over de zinnelijke en bedorven wereld, gaat eene driedaagsche duisternis neerkomen ; tal van christenen gaan die dagen van ingetogenheid, van gebod en eerherstel, herscheppen in dagen van plezier, van uitspatting en heidensche vermaken Welke duisternis, welke verblindheid! „Ubicumque autem habitahant jilü Israel, lux er at.quot; (Ibid. 23.) Een ander dee! der wereld echter zal verlicht zijn. Elders moge het duister, hier echter hoop ik, zal het licht zijn. Grij namelijk zult

ocr page 185

toonen, dat gij kinderen des lichts zijt. Onthoudt u dienvolgens tijdens de vastenavonddagen, van al te wereldsehe en zinnelijke vermakelijkheden, — blijft verwijderd, en houdt uwe onderhoorigen, vooral uwe kinderen gedurende die dagen verwijderd, van het bezoek der steden ;— in de steden toch ziet men tijdens de vastenavonddagen, zaken en dingen, waarover een fatsoenlijk man blozen zou ;— zoekt eenige afleiding, als gij wilt in den sehoot uwer familie ;— brengt van tijd tot tijd een bezoek aan het Allerh, Sacrament;— zoodoende zult gij de vastenavonddagen doorbrengen in den geest der Kerk, op echt christelijke wijze, tot profijt voor uwe ziel, tot stichting van anderen en met verdiensten voor den hemel. Amen.—

ocr page 186

XX.

Asche-Woensdag.

J)o woensdag na (iuinquagesima—zondag, die thans . de eerste dag is van de 40 daagsche Vaste, woidt ook Assche-woensdag genoemd, ter oorzake vsvn het vroom gebruik, dat sedert eeuwen in de Kerk bestaat, om de hoofden der geloovigon met assche te bestrooien, ten teeken van den geest van boetvaardigheid en versterving, waarmede men tijdens de 40 daagsche Vaste bezield moet zijn. De assche is ten allen tijde een teeken geweest van rouw en droefheid; een teeken van boetvaardigheid Bij de Joden, zooals gij kunt zien in de H. Sehrift, komi het gebruik der assche veelvuldig voor ; ook andore volkeren henden en volgden dat gebruik, zooals blijkt uit de geschiedenis van Job en uit die van den profeet Jonas.— Het gebruik der gezegende assche, ten teeken van boetvaardigheid is dus niets nieuws in de Kerk. Evenwel het gebruik, om aan alle geloovigen de assche uit te deelen, zooals dat thans in de Kerk geschiedt, dagteekent eerst van do elfde eeuw. Omstreeks dien tijd kwam het gebruik in zwang, om aan alle geloovigon zoo geestelijken als leeken, de gezegende assche uit te deelen, tenteeken

ocr page 187

- 175 -

van den geest van boetvaardigheid, waarmede zij tijdens de Vaste bezield moeten zijn. Daarom zegt de Kerk, als i\'.ij de assohe strooit op de hoofden der geloovigen : „Memento homo, quia pulvis es, et inpuluerem reverteris.quot; Door die woorden herinnert zij ons, aan de onvermijdelijke noodzakelijkheid van den dood; opdat die gedachte ons voere tot onthechting, en ons stemme tot boetvaardigheid en bekeering. Om die gevoelens van boetvaardigheid levendiger uit te drukken, placht men eertijds in verschillende kerken, de gezegende assche blootsvoets te ontvangen,— ja op sommige plaatsen, placht men blootsvoets de processie te vergezellen, die na de uitdeeling der assohe, vóór de Hoogmis gehouden weri.— Dat gebruik bestond o. a. te Rome, waar de Paus en de kardinalen, na de assche ontvangen te hebben in de kerk van de H. Anastasia, blootsvoets zich begaven nnar de kerk van de H.Sabina, waar vervolgens de Hoogmis gezongen werd.—Sedert de 13 eeuw is het gebruik om de assche blootsvoets te ontvangen, in verval gebracht; de Pausen nochtans hebben het gebruik bewaard, de assche te ontvangen, zoo goed als de overige geestelijkheid;— het eenig bewijs van eerbied dat men bij die gelegenheid den Paus betoont, is, dat men de assche op zijn hoofd strooit, zonder iets daarbij te zeggen. De plechtigheid der aschuitdeeling op Asche woensdag, die sedert de 13 eeuw algemeen is geworden in de Kerk, is een overblijfsel uit vroegere eeuwen der Kerk. De eerste eeuwen der Kerk namelijk, kenmerken zich door eene buitengewone gestrengheid, ten opzichte van sommige klassen van zondaars, en door de harde beproevingen die de Kerk hun oplegde, alvorens hen met God te verzoenen.—Zij, die in de vervolgingen het geloof verzaakt, of eene andere zware ergernisgevende zonde bedreven

ocr page 188

— 17(5 —

hadden, werden uilgesloten van de gemeenschap der geloovigcn, bijaldien zij zich niet onderwierpen aan de zoogenaamde canonieke of kerkelijke boetpleging. De Kerkelijke ban ontzegde dengenen, die daarmede getroffen weiden, het onvangen der HH. Sacramenten, den toegang tot de kerk eu alle verkeer met de overige geloovigen. Men at noch sprak met hen, men vluchtte hen in alle omstandigheden des burgerlijken levens, Enkel de bisschoppen en priesters mochten met hen spreken, om hen op te wekken tot bekeering. Het eenige dat men voor hen deed, was, voor hen te bidden. Zoo werden degenen behandeld die de kerkelijke boetpleging niet aanvroegen. Zij daarentegen, die vroegen om tot de kerkelijke boetpleging te worden toegelaten, werden met minzaamheid en liefde ontvangen. De bisschop in den regel, bepaalde den duur der penitentie, alsmede, of zij in het geheim of in het openbaar moest gehouden worden. Velen deden penitentie, zonder dat anderen wisten waarom,— anderen deden penitentie in het geheim, zelfs voor groote gruwelen, b. v. getrouwde vrouwen, wegens overspel, onbekend aan hare mannen,— of ook dezulken, die met in het openbaar penitentie te doen, te veel opzien zouden baren, of aanstoot geven, of ook zij die door de openbaring hunner misdaden, met den burgerlijken rechter in aanraking konden komen. Dezen en dergelijken deden boete in het geheim.— Nu de duur der penitentie werd geregeld naar de zwaarte en den aard van het misdrijf; — in het eerste begin dei- Kerk waren de straffen veel strenger dan later. De H. Basilius, b. v. spreekt in zijnen tijd van 2 jaren boete, voor roof ;— 7 jaar voor do zonde van ontucht;— 11 jaar voor meineed;— 15 jaar voor overspel;— 20 jaar voor moord en doodslag ;— en het gansche leven voor

ocr page 189

— 177 —

afval van het geloof. Zij die gehouden waren tot de kerkelijke boetedoening in het openbaar, vertoonden zich den eersten dag van de veertigdaagsche vasten aan den ingang der kerk, in oude en verscheurde kleederen ; met andere woorden, in boetgewaad. Zij traden vervolgens de kerk binnen, ontvingen uit handen van den bisschop de asch op het hoofd, alsmede een boetekleed dat zij dragen moesten, vervolgens legden zij zich plat ter aarde, terwijl de bisschop, de geestelijkheid en het volk geknield voor hen baden. Daarna hield de bisschop tot hen eene toespraak, waarin hij hun zeide, dat hij hen een tijd lang ging verbannen uit de kerk, evenals God Adam bande uit het paradijs, tot straf zijner zonde;— tegelijkertijd zette hij hen aan lot boetvaardigheid, in de hoop op de barmhartigheid van God. Vervolgens verwijderde hij hen uit de kerk, welker deuren aanstonds achter hen gesloten werden. De boetelingen, brachten den tijd hunner boete door in afzondering en drukken arbeid. Zij moesten dikwijls vasten op water en brood, veel bidden, geknield of uitgestrekt ter aarde, waken, op den harden grond slapen, aalmoezen uitdeelen ieder naar zijn vermogen, enz. De boetelingen werden in vier klassen onderscheiden. De klas der weenenden,— deze bleven op zon- en feestdagen staan, buiten aan de deur der kerk; daar bevalen zij zich nederig aan de gebeden der geloovigen, die de kerk binnentraden. Na verloop van tijd mochten zij overgaan tot de klas der hoorenden; dezen was het geoorloofd zich te plaatsen in het portaal, of achter aan de kerkdeur, maar niet verder; — daar mochten zij de preeken en onderrichtingen hooren, doch moesten uitgaan zoodra de gebeden en de Mis begonnen.— De derde klas, was die der liggenden , die bij de gebeden der Kerk mochten

12

ocr page 190

— 17« --

tégenwoordig zijn, ja zelfs bij de Mis, tot aan het evangelie ■; maar altijd geknield of dikwijls plat ter aarde. Na het evangelie werden zij uit de kerk verwijderd, als zijnde onwaardig de HH. treheimen bij te wonen. Eindelijk de vierde klas der boetelingen, was die der staanden; deze woonden evenals de andere geloovigen, staande de geheele Mis bij ; doch zonder deel te nemen aan de offerandu en aan de Communie, totdat hun boetetijd geëindigd was.— Als de bisschop het nu raadzaam oordeelde de penitentie te doen eindigen, dan deed hij dat gewoonlijk, aan het einde van de vasten en wel op Witten Donderdag. Die absolutie of ontbinding ging met vele plechtigheden vergezeld. Zoodra de boetelingen ontslagen waren, lieten zij den baard scheren, legden hun boetekleed af en begonnen te leven evenals de andere geloovigen. Somtijds geschiedde het, dat om eene buitengewone reden de boetetijd afgekort werd; b. v, zoo de boeteling een buitengewonen ijver toonde,— in eene doodelijke ziekte, of bij het uitbreken eener vervolging; want men droeg zorg, niemand zonder het ontvangen der HH. sacramenten te laten sterven. Die afkorting van den gewonen boetetijd noemde men aflaat; en deze is de. oorsprong der aflaten, tegenwoordig in gebruik in de Kerk. Daar waren ook christenen, die zonder daartoe gehouden te zijn, alle oefeningen der canonieke boetedoening volbrachten; enkel uit godsvrucht. Zij leefden gewoonlijk in groote afzondering, in onthouding en zuiverheid, en onderhielden eene strenge vasten, soms van twee, drie dagen achtereen en nog langer. Ziedaar, M. B., de tucht, die gedurende een geruimen tijd in de Kerk heerschte, namelijk: tot de 5e eeuw in de Grieksche, tot de 8e eeuw in de Latijn se tie Kerk.

ocr page 191

— 179 -

Sedert de 12lt;= eeuw, is die tucht geheel en al in onbruik geraakt inde Latijnsehe Kerk. Desniettegenstaande, hebben verschillende Bisdommen en Kerken tot op onze dagen, min of meer sporen bewaard van die oude tucht der Kerk. Paus Benedictus XIV ia van meening, dat zij in het begin der vorige eeuw nog bestond in verschillende bisdommen van Italië. Hetzelfde mag men zeggen van verschillende diocesen van Frankrijk; o. a. van Parijs, Eouaan, Orleans, Chartres, Vienne, enz., daar werden de boetelingen, als er waren, op Asclu-woensdag uit de kerk verwijderd en moesten de geheele vasten door, van alle kerkelijke diensten, of ten minste uit de parochiale Mis verwijderd blijven. In een gedenkschrift van den groot-penitentiaris van Rouaan, leest men ; dat deze in het jaar 1073, twee jongelieden van 20 tot 25 jaar, de openbare kerkelijke boete oplegde, omdat zij gevloekt hadden in tegenwoordigheid van meerdere personen uit de parochie, met wie zij werkten. M. B., gij ziet genoegzaam, dat de plechtigheid van Asche-woensdag evenals alle andere plechtigheden der Kerk vol be-teekenis is. Het is cene godsdienstige handeling, die ons eenerzijds herinnert aan het vonnis des doods, dat tegen ons allen is uitgesproken en tegelijkertijd ons aanmaant tot boetvaardigheid. De tucht der Kerk, met betrekking tot de uitwendige boetvaardigheid, is in den loop der eeuwen zeker merkelijk gewijzigd en verzacht; maar de geest der Kerk is altijd dezelfde gebleven. Ten allen tijde is het woord des Zalig makers waar geweest en waar gebleven: „Zoo gij (jeune hoetvaardigheid zult gedaan hebben, zult gij allen gelijkelijk omkomenquot;.— (Luc. XIII. 3, 5.) M. B. wij leven in een tijd ven zingenot, waarin het woord alleen van penitentie, menig christen doet sidderen en beven;

ocr page 192

— 180 -

wij leven in een tijd, waarin iedereen naar een middel zoekt, om de kerkelijke vastenwetten te ontduiken. En toch M. B., hoe zacht en mild is onze tegenwoordige vastenwet, in vergelijking met die, van vroegere tijden der Kerk,— toen gedurende de gansche vasten, het gebruik van vleesch en van zuivel verboden was, en het middagmaal eerst na de Vespers, dat is \'s avonds omstreeks zes uren mocht genuttigd worden. M. B., ik geef gaarne toe, dat velen uithoofde van zwaren arbsid, bezwaarlijk of niet de vastenwet kunnen onderhouden. Nu de Kerk vordert dat ook niet van u. Voor u heeft het woord „Vastenquot;,— de beteekenis van sober- cn matigheid. Weest tijdens de vasten sober, vooral in het gebruik van drank. Ziedaar, eene doelmatige penitentie, die gij allen zonder schade of gevaar voor uwe gezondheid kunt onderhouden. Daar zijn er die tijdens de vasten volstrekt geen sterken drank gebruiken.— Hebt gij den moed niet, dat ook te doen, weest dan ten minste sober en matig in het gebruik daarvan. Beoefent ook tijdens de vasten vooral, de inwendige boetvaardigheid, bestaande in de vlucht der zonde, de bestrijding der driften, en de oefening van het gebed.— Overweegt nu en dan het lijden van Jesus Christus,— verricht nu en dan den Kruisweg,— bidt geregeld in uw huisgezin den rozenkrans;— zoodoende zal de veertigdaagsche vasten voor c wezen, een tijd van vele verdiensten voor uwe ziel, zoowel in dit, als in het ander leven.—

ocr page 193

XXI.

Raadgevingen aan leden der H. Familie, bij hun vertrek nao,r den Dienst.

Binnen een paar weken is het oogenblik weder daar, dat een\'gen uwer, ons voor een tijd lang zullen verlaten, om aan don militieplicht te voldoen. Jongelingen, uwe namen gaan van het register onzer Broederschap overgebracht worden op de soldatenlijst,— gij gaat kiel en rok verwisselen met soldatenbuis en kapotjas,— gij gaat eenen staat aanvaarden die nieuw, die vreemd is voor u.— quot;Weet gij wel waaraan en nieuwbakken milicien gelijk is. Aan een eenvoudigen dorper, die zich op eenmaal verplaatst ziet in eene groote onbekende stad,— aan een onwetende, die voor de eerste maal een boek in de hand neemt,— aan iemand die een kunstmuseum binnentreedt, en genn kenner is van kunst. Voor dezulken is alles nieuw, vreemd en onbekend. Dat mag men ook zeggen van u , met betrekking tot den militairen staat, dien gij een tijd lang gaat aanvaarden.— Dat is dan ook de reden waarom ik mij gedrongen gevoel, vóór uw vertrek in den vreemde, u eenigermate op de hoogte te stellen, niet zoozeer van den staat zeiven, dan wel van de gevaren, die daaraan verbonden zijn.—

ocr page 194

— 182 —

Ik ga u dus eens voorhouden:

I. Welke gevaren, een jongeling in den soldatenstand ontmoet.

II. Welke middelen, hij moet aanwenden, om dia gevaren te ontloopen.

I. De militaire stand is evenals zoovele andere standen, een door God gewilde en erkende stand ; waarin de mensch, mits hij daartoe geroepen is, zijn tijdelijk en eeuwig geluk kan bewerken. Inderdaad duizenden hebben zich in dien stand geheiligd ; velen zelfs zijn waardig bevonden door de Kerk, om aan de openbare vereering der geloovigen te worden voorgesteld. Zoo vindt men o. a. in den militairen stand, een H. Cornelius, een H. Mauritius met zijne 6600 H. gezellen, een H. Victor, een H. Sebastianus, een H. Karei de Grroote, een H. Lodewijk, H. Stephanus, H. Hendrik en nog zoovele anderen ;— wel een bewijs, dat men in den militairen stand, zoo men wil, christelijk en deugdzaam kan leven, en heilig kan sterven.— \'t Is verder nog een eerestand, die ten doel heeft de verdediging van vorst en vaderland,— \'t is een der drie zuilen, zegt een schrijver, die de wereld schragen ;— en terecht;— want op de Kerk, op het recht en op het leger, rust de stoffelijke en zedelijke wereld de priester, rechter en soldaat, ziedaar de drie hoek-steenen van het wereldgebouw. Eervol nog is die stand, omdat God in de H. Schrift, zich zoo vaak onder het beeld van een krijgsman voordoet,— nu eens noemt hij zich: „Exercituum dominator: de Aanvoerder der legers,quot;— (Amos. V, 16.) dan weder treedt hij op als een „dapper krijgsman : tamquam bellator foitis, Dominus,— (Jerem. XX, 11.) die zijn zwaard zal scherpen als de bliksem: acuero ut fulgur gladium menm,— (Deut. XXXII, 41,) en zijne schichten in het hloed zal

ocr page 195

— 183 —

doopen : inebviabo sagittas meas sanguine.quot; (Deut. XXXII. 42.) \'t Is eindelijk nog een eervolle stand, omdat ieder vorst hem beschouwt als een der verhevensten in zijn rijk. De koniogen immers dragen doorgaans, of minstens bij zekere gelegenheden, het militair gewaad,— Dit zij gezegd van den militairen stand in het algemeen, om u te overtuigen dat de stand dien gij voor een tijd lang aanvaardt, een stand is waarin gij fatsoenlijk en christelijk kunt leven.

Anderzijds evenwel valt het niet te ontkennen, dat er ook geen stand is, waarin zooveel bederf schuilt, en waarin een jongeling zooveel gevaren loopt, als in den soldatenstand,— gevaren voor het geloof, en gevaren voor de zeden.— Gevaren voor het geloof; omdat evenals bij ons modern onderwijs, alle begrip van godsdienst, buiten spraak moet blijven bij de opvoeding, tijdens den diensttijd van den soldaat,— daarbij komt nog, dat men kameraden aantreft van allerlei gezindten; joden, protestanten,— ja eene massa die geen godsdienst hebben, die niets gelooven,— verder dat men soms korporaals en sergeants aantreft, die zelfs bij exercitiën en oefeningen zich niet ontzien, smakelooze kwinkslagen te bezigen tegen geloof en religie eindelijk omdat de soldaat in de uitoefening zijne christelijke plichten, zoo niet bepaald tegenkanting, ten minste, dikwijls moeilijkheden en bezwaren ondervindt.— Zijn de gevaren tegen het geloof in den soldatenstand zoo groot,— veel grooter mag men zeggen zijn nog de gevaren voor de zoden ; — vandaar dat het soldatenleven niet zelden genoemd wordt: eene leerschool van onzedigheid,— De omgang met bedorven kameraden, het slecht voorbeeld dat men steeds voor oogen heeft, de verleiding waaraan men blootstaat, het menschelijk opzicht waarvoor men

ocr page 196

— 184 —

zwicht, de al te grooote vrijheid die men geniet, de ledigheid, of althans de al te lange vrije tijd waarover men beschikt,— zijn oorzaak of gelegenheid geweest, dat menig milicien tot lal bedorven werd.—Die gevaren voor geloof en zeden wachten ook u jongelingen; ja zijn voor u des te meer te duchten, omdat gij in uwe eenvoudigheid, onbekend met de sluwe listen der verleiding, verstoken van alle opzicht, voor het eerst uws levens misschien u zeiven meester, meer dan anderen aan het gevaar zijt blootgesteld. — Treden wij met betrekking tot de gevaren, die u wachten, eens in eenige bijzonderheden.

Talrijke gevaren gaat gij loopen voor het geloof. Vooreerst, door het moeten aanhooren van ongodsdienstige gesprekken. Al licht zult gij in garnizoen een of ander oud soldaat, die de strepen draagt van langjarigen dienst,— soms een korporaal, sergeant of sergeant-majoor aantreffen, die er op uit is, de miliciens. vooral des avonds onder den vrijen tijd, in de kazerne te willen amuseeren, — die man weet van ondervinding te spreken, wil den wijsgeer uithangen en onthaalt dan niet zelden zijne jeugdige toehoorders, op allerlei sprookjes, leugens en lasteringen tegen het geloof. Jongelingen, gij meent te luisteren naar iemand die verstand heeft, kennis van zaken. Onnoozelen! die u door den schijn laat bedriegen, — gij zijt in zake van geloof, met uwen catechismus, duizendmaal geleerder dan hij,— gij ziet met uw klein verstand in den godsdienst, oneindig verder dan hij.— Een militair drietal, bestaande uit een sergeant en twee korporaals, bestogen op zekeren dag, voorzien van een verrekijker, eenen windmolen. Zich willende verlustigen met den ouden molenaar, zei\'len zij tot hem: „Zulk een instrument als wij, moest ook gij

ocr page 197

— 186 —

hebben, dat ware goed voor een ouden mulder als gij, die thans niet verder ziet, dan don top van uw neus.quot; — En toch, sprak de oude, ik op den leeftijd van 65 jaren, ik durf wedden, dat ik verder zie dan gij, niet uwen kijker. Onder luid gelach werd dat aangenomen. — En ze staken den kijker door het molenluik. „Ziet goed,quot; zeide de molenaar, „zet den kijker op zijn best, en zegt mij dan eens wat gij in de verste verte ziet?quot; „Den kerktoren van dat en dat dorp, op een afstand van 30 kilometers,quot; was het antwoord. Kunt gij niet verder zien ? Neen, onmogelijk. — Kortzichtigen, zei de oude molenaar, terwijl hij zijn hoofd buiten het luik stak, ik zie met het bloote oog, op een afstand van millioenen uren, de zon ondergaan. Zij stonden verbluft en dropen af. — Ook gij, met uwe weinige kennis, ziet in zake van godsdienst, evenals de molenaar, duizendmaal verder, dan die zwetser, die snoever van een kazerneheid, met al zijne waanwijsheid. — G-evaren tegen het geloof, loopt gij nog wegens het slecht voorbeeld en de ergernis uwer medesoldaten, waaronder gij er velen zult aantreffen, die totaal hunne godsdienstige plichten verzuimen, die zondags nooit ter kerk gaan, nooit biechten noch communiceeren, nooit bidden, en die, niet tevreden met zelf ongodsdienstig te zijn, ook u wenschten te zien, gelijk zij zijn.— Een ander gevaar, waaraan gij blootstaat, is: een vloeker, een godslasteraar te worden. Nergens staat men daar moer aan bloot dan in den dienst, \'t Is alsof men geen soldaat kan zijn, zonder tevens een vloeker, een godslasteraar te wezen. Het vloeken mag men noemen: do groote ondeugd van den soldaat. Inderdaad, jongelingen, geeft eens acht op hetgeen ik u zeg: honderd maal per dag zult gij hooien vloeken ;— vloeken bij hot

ocr page 198

— 186 -

exerceeren, vloeken bij de inspectie, vloeken bij uitbe taling van soldij, vloeken bij elke terechtwijzing en bestraffing, bij elk standje dat gij krijgt, vloeken bij elk geschil, bij lederen twist die ontstaat, ja gij zult kameraden aantreffen, die in hunne gewone gesprekken, zonder reden, kalm en koelbloedig den eenen vloek na den anderen uitbraken. Welk eene schande I Ik behoef u niet te zeggen, dat elke zware vloek, uit den mond van een soldaat,— en soldatenvloeken zijn meestal zware vloeken,— eene doodzonde is, evenzoo goed, als uit den mond van elk ander. Maar de ondervinding leert ook, dat die befaamde vloekers soms op eene gevoelige wijxe gestraft worden. Een oud Fransch soldaat van het 14quot; regiment artillerie, stond op post bij eene batterij, tijdens de belegering van Sebastopol en vloekte als een duivel. „Man, zoo sprak een kameraad hem toe, gij deed wel, een an deren tijd te kiezen en een ander liedje te zingen. Hoort gij daar ginder het vijandelijk geschut niet bulderen ?— daar kon ook wel eens een kogel aan uw adres worden afgezonden.quot; Doch hij ging voort met vloeken, totdat een russische kogel hem trof en hem het hoofd verpletterde. Ziedaar eene straf van •rod, die hij ten volle verdiend had. Vloeken is een gruwel in het oog van God, zoowel als in het oog van een rechtschapen mensch. De H. Lodewijk, koning van Frankrijk, deed de tong van den godslasteraar met een gloeiend ijzer doorboren.— Bij de jodin stond op de godslastering, de straf der steeniging,— en in vroegere eeuwen van geloot, was vloeken zelfs voor de burgerlijke rechtbank strafbaar.—

Een ander kwaad dat men veeltijds aantreft in dienst, is : de onmatigheid, het misbruik van drank. Opmerkelijk mag dat heeten, aangezien de soldij van

ocr page 199

— 187 -

den soldaat zoo mager is, en er na aftrek van het noodzakelijke zoo bitter weinig overschiet. Om het even, een soldaat die een drinker is, weet wel aan geld te komen,— door zijne kameraden te bestelen, een kleedingstuk of iets dergelijks te verkoopen, en vooral op de beurs van een kameraad te teeren.— Aan dat laatste staan vooral de miliciens bloot, die bij hunne indiensttreding daargaans op allerlei wijze gepolst en lastig worden gevallen; teneinde hen hun geld afhandig te maken. Jongelingen, weest op .uwe hoede voor de verleiding van den drank, en daarom vlucht zooveel mogelijk de herbergen, waar zoo menig milicien den grondslag legt voor eene ongelukkige toekomst.— Hoevelen toch worden er niet gevonden, die na volbrachten diensttijd huiswaarts keeren, geen lust meer hebben om te werken, hun leven slijten in de herbergen, een geesel zijn voor hunne ouders, een schandaal voor de gemeente, en niet zelden een vroeg-tijdigen dood sterven. En bijna altijd mag men zeggen: Die jongeling is bedorven in den dienst. Ja, de herberg is de pest voor een jong soldaat. De meesten die voor den krijgsraad terecht staan, moeten hun ongeluk wijten aan de herberg. Nu eens is het een soldaat die zich gold heeft toegeeigend van een kameraad in de chambrette, — \'twas de herberg die hem daartoe verlokte; een ander heeft gevochten, verhit door den drank ; een ander staat terecht wegens desertie, opgevat na een drinkgelag of eene plezierpartij; een ander heeft zijn post verlaten voor de herberg, een ander moet zich verantwoorden wegens verzet tegen de politic, insubordinatie, ja feitelijke rebellie tegen zijne oversten. Al die misdrijven vinden hunne aan-leidende oorzaak in de herberg. Nog eens jongelingen, weest op uwe hoede, de herberg is uw grootste

ocr page 200

— 188 —

vijand. Er zijn miliciens, die zich in het begin maar niet gewennen kunnen,— noch in noch buiten de kazerne rust vinden,— een grooten afkeer opvatten voor den dienst; —gedwongen om hun tijd uit te dienen, laten zij den moed zinken en zetten het soms op het drinken, om zoo hun leed te verdrijven. Jongelingen, daardoor maakt gij uw toestand nog erger ; maakt in zulk geval van den nood eene deugd, en zoekt uwen steun en kracht in de troostmiddelen van het geloof, alsmede in de raadgevingen van een goeden vriend.— Al de hier opgenoemde gevaren echter kunnen niet opwegen, tegen een gevaar, dat nergens zoozeer op den voorgrond treedt als in het militaire leven, — het gevaar dat gij loopt, uwe deugd te verliezen en meegesleept te woiden door dien stroom van bederf en zedeloosheid, waaraan zoo weinigen ontsnappen. De soldatenstand zoo hier als elders, is eene school van ongebondenheid, en dat is de reden waarom die stand zoo algemeen geminacht wordt, — en waarom ouders alle mogelijke middelen aanwenden om hunne zonen dienstvrij te maken.— Jongelingen, tijdens uw verblijf in het ouderlijk huis liept gij reeds gevaren voor uwe deugd, maar die gevaren hebben weinig of niets te beteekenen in vergelijking met die, welke gij zult aantreffen in den dienst. Daar zult gij kameraden aantreffen, geroutineerd, verouderd, volleerd in het kwaad; die van de zonde als het ware eene studie gemaakt hebben,— menschen die in woord en daad alle schaamte verloren hebben, en door alle middelen; door vleierijen, bespottingen, plagerijen, en bedreigingen, jonge miliciens zoeken te bederven. Zij zijn hot, die vooral bij avond in de kazerne, door vuile sprookjes en het aanleeren van gemeene liedjes, anderen zoeken te amuseeren.

ocr page 201

— 189 —

die zoowel in als buiten de kazerne, in als buiten dienst, hunne zedelooze taal gereed hebben. Wacht u dus voor het aanhooren van slechte taal en het aanleeren van gemeene liedjes. Weest ook waakzaam op uwe zintu:gen, vooral op uwe oogen ; een milicien die zijne oogen niet bewaakt, zal zoowel in, als buiten de kazerne menigen steen des aanstoots ontmoeten. Weest vooral waakzaam op wacht,— menige wachtpost bevindt zich in achterbuurten en min fatsoenlijke kringen,— somsin de nabijheid van publieke huizen,— op zulke posten loopt de schildwacht soms de grootste gevaren, ja niet zelden gebeurt gebeurt het, dat een soldaat op nachtpost aan verleiding, en schandelijke aanzoeken blootstaat, van den kant van personen, die van het kwaad eene broodwinning gemaakt hebben.— Eindelijk, zet nooit den voet in verdachte of publieke huizen, die men in alle garnizoenssteden onder den naam van speelhuizen, huizen van plezier, cafés chan-tants aantreft,— wie eenmaal den voet daarin gezet heeft, is verloren; daar in die krochten van ontucht teekent menigeen zijn vonnis, krijgt menigeen zijn paspoort voor den provoost, voor het hospitaal, voor het kerkhof,— ja, voor de hel.— Treedt eens de militaire gevangenis binnen en onderzoekt eens naar de oorzaak van ieders straf. De een is daar wegens desertie, een ander wegens vechtpartij en bloedver-gieting, een derde wegens diefstal. Maar vraagt eens,— waarom zijt gij gedeserteerd, waarom hebt gij gevochten en gestolen enz. ? En bijna altijd is er een vrouwspersoon in het spel. Vanwaar die schrikkelijke toename van zelfmoorden in het leger ? Grootendeels komen die op rekening van de wellust en ontucht. Jongelingen, ziedaar de voornaamste gevaren die u wachten in dienst,— doch het is niet genoeg de

ocr page 202

— 190 —

gevaren te kennen, gij moet ook de middelen kennen, om daaraan te ontsnappen. Nu krachtige middelen staan u ten dienste , zooals wij aanstaanden zondag zien zullen ; met behulp waarvan gij veilig zult ont snappen aan de strikken die u gespannen mochten worden,— op die wijze zult gij als een voorbeeldig christelijk soldaat leven, en na uwen diensttijd tot vreugde, troost en steun strekken van uwe familie.— II. Jongelingen, gaat gij bij uwe in diensttrcding, vele en groote gevaren te gemoet; dat mag toch geene reden wezen om den moed te laten zinken,— want vele en groote genaden van öod staan ten uwen dienste.— God verleent eene buitengewone hnlp aan hen, die in zedelijk gevaar verkeeren, waaraan men zelf geen schuld heeft. Ziedaar uw geval. Gij gaat den militairen staat aanvaarden en deszelfs gevaren trotseeren; niet uit eigen keuze, niet uit vrijen wil,— maar daartoe gedwongen door do noodzakelijkheid van het lot. God is dus uit dien hoofde eenigermate verplicht, u voor de gevaren die gij loopen mocht, op bijzondere wijze te vrijwaren. Iets anders zou het wezen, zoo gij als volontair, als remplacant: dat is uit vrije keuze, den militairen stand zoudt omhelzen.— Hier zij in het voorbijgaan gezegd dat ik het volontariaat ten zeerste afkeur, en u jongelingen daarvoor enstig waarschuw,— en u huisvaders, bid ik, uwe zonen daarvan zooveel mogelijk af te houden.— Men kan eene aardig.3 som verdienen, maar de verdienste kan niet opwegen tegen de gevaren die men loopt, en de verplichtingen waaraan men zich bindt. Jongelingen, gij die uit noodzakelijkheid in dienst treedt; weet dat behalve de buitengewone genaden van God die gij ontvangt, u daarenboven nog vele middelen ten dienste staan, om

ocr page 203

— 191 —

aan de gevaren van den diensttijd te ontsnappen — 1) Een eerste middel is : n te laten opnemen in de Vereeniging voor II. K. militairen. Die vereeniging is eene reddingsark voor den soldaat, te midden van den stroom vaa kwaad, die liera omringt. Zij is eene der edelste, der meest praotische instellingen van onzen tijd. Zij werd vóór een aantal jaren opgericht te Bergen-op-Zoom. met het doel, om in een daartoe ingericht lokaal, de jonge militairen in hunne vrije uren te vereenigen, en hen zoodoende te vrijwaren voor de gevaren die zij zoo in, als buiten de kazerne aantreffen. Daar wordt bij avond, gezamenlijk gebeden en gezongen, eene kleine toespraak gehouden,— en verder wordt de tijd op eene gezellige wijze met praten en verschillende amusementen doorgebracht. Die vereeniging door de plaatselijke (leestelijkheid bestuurd, is tegenwoordig overgeplant in de meeste garnizoensplaatsen van ons vaderland ; o. a. te Maastricht, Roermond, Venlo, \'s Bosch, enz.; en werpt overal de heerlijkste vruchten af. Zelfs de hooge militaire overheid is met die vereeniging ten zeerste ingenomen, zooals blijkt uit éen feit dat voor eenige jaren te \'s Bosch heeft plaats gehad. Het gold hier do plechtige inzegening van het nieuw vaandel der militaire vereeniging, in het lokaal der vereeniging zelve. Nu, dat feest werd opgeluisterd, door de tegenwoordigheid van de hooge militaire autoriteiten van het garnizoen; den generaal-majoor, den luitenantkolonel en nog verschillende andere hoofd officieren, meest allen protestanten,— allen betuigden hunne hooge tevredenheid over de militaire vereeniging,— ja de generaal-majoor Heitz, dankte den Bestuurder der vereeniging, voor den ijver, dien hij aan den dag legde voor het geestelijk welzijn der soldaten, en

ocr page 204

— 192 —

drukte tevens de leden der vereeniging op het hartj om door getrouwe plichtsbetrachting en een onbesproken gedrag, den militairen stand en de militaire vereeniging eer aan te doen. Jongelingen, tot die vereeniging moet gij toetreden, en ik verzeker u, gij keert even braaf huiswaarts ala gij gekomen zijt, misschien nog beter,— zoo niet,— dan durf ik voor uwe volharding niet instaan.

2) Weest verder godvreezend en godsdienstig. De regels der godvruchtigheid zijn niet voor allen dezelfde, maar verschillen, naar den staat en het beroep, dat men bekleedt,— die regels zijn anders voor de vorsten dan voor het volk, anders voor heeren dan voor dienstboden, anders voor menschen, die weinig bozigheden hebben dan voor hen, die daarmede overladen zijn, anders voor den soldaat dan voor den kloosterling.— Doch met eiken stand is zij vereenigbaar,— en het zou eene grove dwaling zijn, haar uit het leger te willen verbannen. Ziehier dienaangaande eenige voorschriften. Nadert alvorens naar den dienst te vertrekken, tot de HH. Sacramenten, teneinde u te versterken,— gaat verder ook gedurende uwen diensttijd van tijd tot tijd biechten en communiceeren,— het gaat wel bezwaarlijk, en gij zijt niet altijd daartoe in de gelegenheid; maar toch voor iemand die van goeden wil is, is het niet volstrekt onmogelijk.— Woont ook geregeld des zondags de Mis bij,— kunt gij de Hoogmis niet bijwonen, woont dan minstens eene stille Mis bij. Hebt gij zondags de wacht, hebt gij revue, zijt gij geconsigneerd is de kazerne, hebt gij eene of andere buitengewone en lastige corvee, die al uw tijd inneemt van den morgen tot den middag,— zeker dan bestaat er voor u geen mogelijkheid om Mis te hooren. Doch ik geloof dat dit zelden of nooit

ocr page 205

— 193 —

voorkomt.— Zorgt verder dat gij de zondagnamiddagen goed doorbrengt, door hot bijwonen der Vespers, te gaan wandelen met een deugdzaam kameraad of iets dergelijks, — en slijt verder den avond in het lokaal der Militaire Vereeniging. Verzuimt ook niet om geregeld uw morgen- en avondgebed te doen ; des noods onder het opstaan, het aankleeden, enz. Ziedaar eenige punten van het hoogste belang, die, mits gij ze onderhoudt, van u zullen maken een godsdienstig en godvreezend soldaat.

3) Weest ook behoedzaam en omzichtig in uwen omgang met anderen, en in dé keuze uwer vrienden.— Sluit u zooveel mogelijk aan bij uwe lotgenooten, bij uwe medemiliciens, en vooral bij hen die gij bijzonder kent. Waartoe noodig kennis aan te knoopen mot andere soldaten, gij, die toch na volbrachten diensttijd huiswaarts keert, en wellicht nooit elkander meer wederziet.—

4) Vertoeft ook zoo min mogelijk in de kazerne, wanneer gij niet noodig hebt daar te zijn.— De kazernelucht is altijd schadelijk voor uwe ziel; gaat liever naar het lokaal der Vereeniging.— daar ademt gij eene fiissche en gezonde lucht in voor uwe ziel.—

B) Alle tot dusverre opgenoemde verplichtingen en raadgevingen, hebben ten doel de eer van God en het heil uwer ziel,— en liggen opgesloten in deze woorden van het Evangelie : „Geeft aan God, iaat God toekomtquot;. (Matth. XXII, 21.) Maar daar wordt ook nog gezegd : „Geeft den keizer, ruat den keizer toekomt.quot; (Ibid) Door keizer, wordt hier verstaan: het wereldlijk gezag. Nu, verlangt gij ook aan dien plicht te vol. doen, behartigt dan nauwgezet uwe plichten,— en houdt u stipt aan de reglementen en voorschriften van den dienst. Toont vooral aan uwe oversten, aan uwe

13

ocr page 206

— 194 -

chefs, eene stipte en lijdelijke gehoorzaamheid,— Doet wat u gecommandeerd wordt,— zoodra het u gecommandeerd wordt,—en gelijk het u gecommandeerd wordt; niet meer en niet minder. Ziedaar de nauwgezette gehoorzaamheid. Gehoorzaamt zonder te redeneeren zonder zelfs te weten van waar,— waarom,— en van wien het commando uitgaat, hetzij van den korporaal of van den kapitein;— om het even, gij gehoorzaamt,— ziedaar de lijdelijke gehoor zaamheid. Een soldaat die aldus gehoorzaamt, is tot alles in staat. Bij het beleg van Praag, in 1741, riep de kolonel Chevert, een grenadier tot zich en zeide tot hem; „Manschap, ziet gij daar ginds die bres, in de flank van dat bastion?— Welnu, gij gaat langs die bres den wal bestijgen,— en wel oogenblikkelijk. Men zal u toeroepen: „Werdaquot; tot twee— driemaal toe. Doch gij zult niet antwoorden. De schildwacht zal aanleggen en vuren; doch het schot zal missen. Oogenblikkelijk zult gij hem neersabelen,—en middelerwijl zal ik met den troep bij u zijn. En nu, voorwaarts! marschquot; I— Zoo gezegd, zoo gedaan. De grenadier klautert naar boven,— men roept hem toe,— men vuurt op hem,— het schot mist,— de schildwacht wordt neergeveld ;—middelerwijl komt Chevert, roet zijn troep dapperen aangerukt, de poorten worden geopend en de stad is genomen.— Ziedaar wat de gehoorzaamheid vermag. Zulk commando zal u wellicht nooit gegeven worden. Het doet er niet toe, de gehoorzaamheid op mindere schaal beoefend, is even verdienstelijk,— en wie in het kleine getrouw is, zal zoo noodig ook in het groote getrouw wezen.—

6) Wordt gij op eene onbillijke of onwettige wijze gestraft; gedraagt u alsdan overeenkomstig de voorschriften ; ondergaat met geduld en lijdzaamheid de

ocr page 207

- 195 —

u opgelegde straf, en beklaagt u alsdan daarover, met die middelen die daarvoor zijn aangegeven.

7) quot;Weest steeds tevreden met het voedsel, door do reglementen voorgeschreven, en beklaagt u nooit daarover, als in hooge noodzakelijkheid, en ab er schijn of liever zekerheid van bedrog bestaat, en dat met bewijzen te staven is.—

8) Weest eindelijk spaarzaam en zindelijk op kleeding en soldij, zoodoende zult gij menigen penning knnnen overleggen, die u vroeg of laat te stade komt.

9) Menig milicien zou onder alle opzichten volmaakt zijn, hadde hij maar wat meer moed, durfde hij zich maar wat meer toonen ; met andere woorden: stoorde hij zich wat minder aan het menschelijk opzicht;— Hij wenschte wel zondags geregeld naar de Mis te gaan; maar hij vreest uitgelachen te worden,— op tijd te biechten en te communie te gaan; maar hij is beducht voor de spotternij zijner kameraden,— \'s morgens en \'s avonds te bidden ; doch hij is bang door anderen gezien te worden.— Onnoozele die hij is, hij beeldt zich iets in, dat alleen in zijne verbeelding bestaat! Hij is beducht voor anderen, die misschien op hunne beurt beducht zijn voor hem. Welke dwaas heid! Tijdens eene missie, aan soldaten gegeven, kondigde de missionaris van den predikstoel af, dat hij \'s avonds bij zich zou ontvangen, diegenen, die verlangden te biechten, zonder gekend te zijn. Naarmate zij kwamen, leidde men hen in eene zaal, zonder licht. Toen zij nu in tamelijk grooten getale aanwezig waren, treedt op eenmaal de priester binnen, met eene lamp in de hand.— Dank mijne vrienden, zeide hij; dank voor uw groot getal.— Ziet elkander nu eens goed in het aangezicht, en tegelijk deed hij met de lamp de rondte door de zaal. Ja, ziet elkander

ocr page 208

_ 196 —

goed aan— en legt vervolgens alle menschel ijk opzicht hier neder, aan de deur. Allen zagen elkander aan, erkenden elkander, begonnen hartelijk te lachen en de een zeide tot den ander: Hoe!— gij ook hier? En gij dan, ook al hier ?— Ik durfde niet komen om u. En ik wederkeerig niet om u.— En zij begonnen om elkanders onnoozelheid te lachen,— en alle menschelijk opzicht was uit den weg geruimd.—

Ziedaar, jongelingen in een enkele conferentie samengevat, alles wat gij dient te weten, bij uwe intreding in dienst; de gevaren die uw wachten, en do middelen.... Met deze wenken voor den geest, en de genade Gods in het hart, kunt gij onbeschroomd en kloekmoedig uwen diensttijd intreden,— houdt stand te midden der moeilijkheden, die gij mocht ontmoeten en komt na volbrachten diensttijd terug in het ouderlijk huis ; om daar de steun en de vreugde te zijn uwer ouders, alsmede een ijverig en werkzaam lid onzer Broederschap te wezen. Amen.—

ocr page 209

XXII.

Paschen, een tijd van geestelijke Vernieuwing.

Paschen. M. B. het feest van de Verrijzenis O. H. Jesns Chiistus, is volgens den geest der Kerk, een tijd van opstanding, van geestelijke vernieuwing, voor ieder christen.— Tot vernieuwing en opstanding, heeft zij u zoo vaak opgewekt in de 40daagsche vasten, door den mond van hare priesters,— en dat zij die vernieuwing niet louter verlangt, maar volstrekt wil; dat geett zij genoegzaam te verstaan met oen gebod te geven, waardoor zij de geloovigen, onder de zwaarste kerkelijke straffen verplicht, in den heiligen Paasehtijd waardig te naderen tot de HFL Sacramenten. Ieder geloovige nagenoeg, beijvert zich dan ook, aan de roepstem der Kerk gehoor te geven. Gij echter, M. B., die als loden van de Broeders.hap der H. Familie do keur der geloovigen vormt, gij moet meer dan ieder andei u beijveren, gedurende den heiligen Paasehtijd uwe harten te vernieuwen. Deswege voeg ik u toe, de vermaning van den H. Paulns, aan de geloovigen van Ephese: „Renovamini aufem spirif.u mentis vestrae, et indutte novum

ocr page 210

- 198 —

hominem, qui secundum Deum creatus est in justitia et sanctitate veritatis. Wordt vernieuwd ten aanzien van den geest mos yemoeds, en doet dim nieuwen mensch aan, die naar God geschapen is, in gerechtigheid en heiligheid der waarheid.\'\'— (Epli. IV, 23-24.) Allen wie gij zijt of niet, zondaars en rechtvaardigen gij moet in de dagen van den heiligen Paaschtijd u hernieuwen,— de zondaren moeten afleggen het kleed der zonde, on het kleed aantrekken der heiligmakende genade;— de lechtvaarcRgcn moeten van hun kleed verwijderen het stof der lauwheid en der geestelijke verslapping;— kortom,— allen moeten in den Paaschtijd den nieuwen mensch aandoen, „die tiaar God geschapen is, in gerechtigheid en heiligheid der waarheid.quot;— Naar aanlei ding nu van het gezegde, ga ik u doen zien:

I. Waarin die geestelijke hernieuwing bestaat.

II. Hoe noodzakelijk en heilzaam die hernieuwing is.—

III. Op welke wijze die hernieuwing tot stand moet komen.— Smecken wij eerst Gods zegen over deze gewichtige conferentie af, ons wendende tot de Allerheiligste Maagd Maria, en haar groetende met den Engel: „Wees Gegroetquot;....

I. Waarin bestaat de geestelijke hernieuwing des harten, die de vrucht moet wezen van den heiligen PaaschtijdV—Zij bestaat in eene algeheele of gedeeltelijke verandering of vervorming van geest en wil, van hart en ziel. De twee factoren van het zielelevcn, zijn: geest en hart.— \'t Is mot den geest, dat de rechtvaardige zich God en zijne oneindige volmaakt heden voorstelt,— dat hij zich een denkbeeld vormt van de belooningen des hemels en de straften der hel, — vuu de voorlreff\'elijkhfid der deugd en de afschuwelijkheid der zonde.— Daarna komt het hart, de wil; die den mensch overhaalt^ om overeenkomstig de overtuiging

ocr page 211

— 199 —

van zijnen geest te handelen, dat is : God te dienen en te beminnen, —voor den hemel te arbeiden,—de deugd te beoefenen,— de zonde te vluchten.— Wie aldus denkt en handelt, toont dat hij van goeden geest en goeden wil is. Velen echter zijn naar geest en hart niet aldus gesteld. De zondaar is verblind naar den geest, en gewond naar het hart. Hij denkt weinig of niet aan God, aan den hemel, aan liet werk zijner zaligheid, aan de beoefening der deugd,— en gewond als hij is naar het hart. Iaat hij zich zoo licht overhalen, tot het involgen zijner driften en booze lusten, tot. het bedrijven der zonde. M. Bv die onder u aldus gesteld zijn, die op het oogenblik in staat van doodzonde verkeeren, moeten in de dagen van Paschen, naar geest en hart volkomen vernieuwd worden. Zij moeten zich vernieuwen op de wijze van de slang, die elk jaar hare huid aflegt, en te dien einde eene kloof, eene spleet, eene smalle opening opzoekt, vervolgens daardoor kruipt, niet zonder pijn en smart hare huid aeliterlaat, en eindelijk schoon en glinsterend te voorschijn treedt. Zondaren, treedt deze dagen in de bloedige wonden van uwen Verlosser, overweegt wat Jezus voor u geleden heeft, bereidt op die wijze uw hart tot boetvaardigheid en leedwezen, treedt vervolgens binnen in die geestelijke kloof, namelijk : in den stoel van boetvaardigheid, waar gij door eene rouwmoedige biecht en de absolutie des priesters, het kleed der zonde aflegt, en omhangen met het kleed der heiligmakende genade, schoon en glansrijk te voorschijn treedt.— De lauwe en zorgelooze christen, zonder juist zoo verblind zijn naar den geest, en zoo gewond naar het hart; heeft toch ook eene vernieuwing noodig. Zijn geest is beneveld door de verstrooiingen der wereld, door de zorgen van het

ocr page 212

- 200 —

aardsche,— zija hart wordt getrokken door de zucht naar goederen en fortuin, gestreeld door de plezieren en vermaken der wereld, beheerscht door hoogmoed en zelfzucht. Ook hij moet naar geest en hart ver nieuwd worden.— Evenals metaal, door poetsen en wrijven van roest ontdaan, ja als het ware vernieuwd wordt; zoo moet ook zijn geest en hart worden ontdaan van den roest der aardsche genegenheden, van het stof der aarde, om op die wijze in God vernieuwd te worden. Niemand onder u, laat hem nog zoo heilig en volmaakt wezen, of hij heeft eene vernieuwing noodig naar geest en hart; want de H. Joannes zegt: „Die yerecht is oef ene nog gerechtigheid, en die heilig is, dat hij zich nog heilige!quot;— (Apoc. XXIL 11.) Ziedaar wat ik versta door eene geestelijke vernieuwing in deze dagen.

II. Ik zeg verder, dat die vernieuwing noodzakelijk is. rHensus enim et cogilatio humani cordis, in malum prona sunt.\'\'— (Gen. VIII. 21.) \'s Mensehen geest en hart hellen over tot het kwaad, tengevolge van de eramp;ondc, waardoor de menschelijke natuur gewond en bedorven werd.— Na eene of andere geestelijke oefening die men heeft bijgewoond, is men vurig en ijverig in het goed,— „omnia possum,\'\' men kan alles,— men staat nergens voor stil,— niets valt ons zwaar,— ja, zelfs eene enkele H. Communie, eene preek, een aandachtig gebed, bezorgt niet zelden dezelfde uitkomst. Doch helaas! het houdt gemeenlijk niet lang stand. Dj geest is wel gewillig, maar liet vleeseh is zwal;. Het duurt niet lang of men is weer gelijk men vroeger was. En daar nu de mensch voortdurend geneigd is tot verslapping, moet hij ook gestadig vernieuw I; liet verbroken evenwicht moet steeds hersteld worden. Ziet gij hier in het koor de Godslamp branden V

ocr page 213

— 201 —

Opdat zij steeds brande, moet men er van tijd tot tijd wat olie bijgieten,— niet waar? Opdat eene klok immer loope, moet zij van tijd tot tijd eens opgewonden worden.— Eveneens onzj ziel. Wilt gij dat uwe ziel, evenals eene lamp, immer brande van het vuur der goddelijke liefde, dan moet er van tijd tot tijd, de olie eener nieuwe genade bijgegoten worden. Onze ziel evenals de gewichtsteen eener klok, wil immer zakken en zakken, en indien gij wilt, dat zij in den staat van genade volharde; dan moet gij haar van tijd tot tijd eens opwinden en haar een krachtigen stoot geven opwaarts ten hemel. — Ja, M. B., eene geestelijke vernieuwing is voor u allen noodzakelijk. Wij vinden daarvoor bewijzen zoowel in de natuurlijke als bovennatuurlijke orde. Waarom bezocht onze Goddelijke Verlosser, van tijd tot tijd de steden en vlekken van Judea en Gralilea, waar hij te voren zijne leer gepredikt had ?— Om de menschen in het goed te vernieuwen en te versterken. Evenzoo deden de Apostelen: „Laat ons wederkeeren, zeiden zij en de broeders bezoeken in al de steden, in welke wij het woord des FTeeren hebben verkondigd, en zien hoo het mot hen gaat.quot;\'— Waarom begeven wiji priesters, ons op gezette tijden in de afzondering, tenzij uit gevoel van noodzakelijkheid om ons te vernieuwen naar geest en hart. En wat. heeft er plaats ia de orde der natuur ? Daar zien wij de afwisseling van dag en nacht, de afwisseling der jaargetijden,— van zomer en winter, warmte en koude, droogte en vochtigheid. En waartoe dient dat alles?— Opdat de natuur zich hernieuw;\', en verlevendige. Waartoe bij den mensch die afwisseling van arbeid en rust, van waken en slapen; tenzij tot instandhouding en tot vernieuwing van de krachten zijr.s lichaams. Als dus

ocr page 214

— 202 —

eeoe vernieuwing in de orde der natuur, zoo noodzakelijk is,— veel noodzakelijker nog is zij, in de orde der genade. „ Ontwaakt das, gij die slaapt en staat op van de dooden, en Christus zal a verlichten.quot; (Eph V. 14.) Staat op,— gij die in zonde leeft, uit den doodsslaap der üonde,— Christus gaat in de dagen van Pasclien uwen geest verlichten en uw hart treffen. Staat op lauwe en zorgelooze zielen, uit den slaap uwer geestelijke lauwheid, tot een ijverig en stichtend leven. Staat op zondaren, schudt af dat kleed, dat pak van ontucht, van godslastering, van dronkenschap, van onrechtvaardigheid, van haat en nijd.— „Wordt vernieuwd ten aanzien van den geest uws gemoeds, en doet den nieuwen mensch aan, die naar God geschapen is in gerechtighiil en heiligheid der waarheid.— (Eph. IV. 23-24.)

111. Maar hoe, op welke wijze moet die vernieuwing bewerkstelligd worden ? Vooreerst door op te houden met zondigen. Greene vernieuwing naar geest en liart, is m (gelijk voor ham, die niet breken wil met de zonde. De priester, de biechtvader, is een bode des vredes, hij biedt u uit naam van God vrede aan ; doch om dien vrede te erlangen, moet eerst de oorlog eindigen. Breekt dus van nu af aan met de zonde;— geene zonden van onkuischheid meer,— geen on eerbare gesprekken, geen zondige omgang, geen vloeken, geen onmatigheid in drank,— op die wijze, alleen kan in u de vernieuwing naar geest en hart tot stand komen.

M. B., diiar zijn er misschien onder u, die sedert de vorige Paschen nog grooter zondaar zijn geworden dan zij vroeger waren ; en die in hunne moedeloosheid zeggen: Waartoe die vernieuwing voor mij? — het helpt toch niet. Luistert eens naar eene ge-

ocr page 215

— 203 —

schiedenis, uit het leven van den H. Joannes den Evangelist.— De Heilige had voor (rod gewonnen, een jongeling van grooto verwachting, (iedwongen door keizer üomitiaan, om naar Rome te komen, belastte hij den bisschop van Ephese, tijdens zijne afwezigheid, met de zorg voor dien jongeling. Na jaren lang in ballingschap te hebben doorgebracht, keerde de H. grijsaard te Ephese terug, cn vroeg al aanstonds den bisschop, hoe de jongeling het maakte?... De bisschop begon te weenen.— Helaas! de jongeling is dood, klaagde hij, dood voor de genade, voor den hemel. Hij heeft zich aan mijne leiding onttrokken, zich overgegeven aan een zondig leven, en bevindt zich thans in het gebergte, als hoofdman ecner Htruikrooversbende.— Het koste wat het wil, sprak de H. grijsaard, ik zal dien verloren zoon terugvoeren. En aanstonds fnelt hij naar bet gebergte, valt in handen der struikroovers en wordt voor hun hoold-man gebracht. Deze ziet den grijsaard naderen, erkent hem,— maar door schaamte bevangen, neemt hij de vlucht. Do Heilige achtervolgt hem, roept hem, strekt zijne armen tot hem uit.— Overwonnen door zooveel goedheid, keert de ongelukkige zich om, werpt zich aan de voeten van zijnen vader, en barst los in tranen. Ook de H. Joannes was tot tranen toe bewogen, hij omhelst zijn verloren zoon en drukt hem aan het hart. Hij wil de hand grijpen van den rooier, om ze in de zijne te drukken.— „Laat af\', zeide deze, terwijl hij zijne hand met zijn mantel bedekte, „raak die hand niet aan, zij heeft zooveel menschenbloed vergotenquot;.— Mijn zoon, hernam de groote Apostel, groot is uwe zonde, maar grooter nog is de barmhartigheid vau God. En hij voerde hem mede naar Ephese, waar hij boetvaardig leefde en heilig stierf.

ocr page 216

— 204 —

Ook tot u die in den loop des jaars mocht hervallen zijn, zeg ik in dezen heiligen Paasohtijd: groot is uwe zonde, maar grooter nog is de barmhartigheid van God ;— keert u tjt Hem en Hij zal zich tot u keercn, u met vreugde ontvangen en aan zijn hart drukken, Hij zal u den kus des vredes geven, en u in zijne vorige vriendschap herstellen.—

2. Niet enkel ophouden met zondigen; gij moet o-jk u naarstig toeleggen op het gebed. Daar moet in den heiligen Paaschtijd veel gebeden worden, meer dan op gewone tijden.— Weest dus ijverig in het verrichten van uw morgen- en avondgebed; bidt dagelijks den Rozenkrans, woont eiken dag de H. Mis bij, verricht al eens den Kruisweg, vooral in de dagen der Goede Week. De overweging immers van het bitter lijden van onzen Verlosser, zal u stemmen tot berouw en leedwezen over uwe zonden, en aldus uwe geestelijke hernieuwing vergemakkelijken. Herhaalt verder dikwijls deze verzuchting: „Cor mundum crea in me Deus, et sjnritum rectum innova in visce-films meisquot;. „Schep in mij, o God een zuiver hart en vernieuw den rechten geest in mijn binnenstequot;. (Ps. L. 12.) Bidt eindelijk de een voor den andere om zoo met verdubbelde kracht, aan de deur van Gods hart te kloppen, en de volheid zijner genaden, in deze dagen over u af te trekken.—

Vervult eindelijk allen uwen Paaschplicht, door waardig te naderen tot de HH. Sacramenten,— en aldus voltooit gij het werk uwer hernieuwing.—

Welaan dan M. B , ik eindig met de woorden waarmede ik begonnen ben. „Renovamini autem ipiritu mentis vestrae, et induite novum hominem, qui secundum Deum cre.atus est in justiiia et sanctitate veritatisquot;.— „ Wordt vernieuwd naar den geest uws gemoeds, en trekt

ocr page 217

— aos -

den nieuwen mensch aan, die. naar God geschapen ia, in gerechtigheid en heiligheid der waarheidquot;.— (Epb. IV. 23—24.) Ja de vernieuwing van uwen geest en van uw hart, ziedaar het groote doel van den Paaschtijd. „Ecce nunc tempus ac eptabilc, ecce nunc dies salutisquot;. „Nti is hetquot;, zegt de Apostel, „de aangename tijd, nu is het de dag des heils.quot; (II. Cor. VI. 2.);— de ge-nadentijd door Isaias aangekondigd, is thans gekomen, maakt er gebruik van.— Ja gij zult er gebruik van maken, daar mag ik niet aan twijfelen. Gij gaat allen ernstig arbeiden aan hot werk uwer geestelijke vernieuwing, gij gaat den grondslag leggen van een nieuw leven, dat rijk zal wezen in verdiensten, voor dit en het ander leven. Am.\'n.—

ocr page 218

XXIII.

Maria-vereering. (Meimaand)

Het zou, dunkt mij, M. B., niet passend zijn van onze zijde, zoo wij ons niet aansloten bij die duizenden, ja millioenen christenen, die zich beijveren, de H. Moeder Gods in den loop der Meimaand, op eene bijzondere wijze te vereeren ;— te meer omdat wij leden zijn der H. Familie, die uit dien hoofde meer dan andere geloovigen haar moeten vereeren en beminnen. Ik wijd haar toe de stof mijner conferen-tiën in deze maand, terwijl ik vastelijk vertrouw, u allen daardoor aan te zetten, Maria in den loop dezer maand op eene bijzondere wijze te vereeren.— Vandaag M. B., wil ik u eens voorstellen de „algemeenheid van den eeredienst van Mariaquot;,— en u doen zien, met hoeveel recht de Kerk haar deze lofspraak toevoegt : „Ecce enim ex hoc, beatam me dicent omnes gene-rationes.quot;— (Luc. I, 48.) Ja alle geslachten, alle orden van wezens in den hemel en op aarde, vereenigen hunne stem, om den lof der nooit Volprezene te verkondigen,— Welke zijn die geslachten die Maria prijzen en toejuichen ?— God , de engelen en de menschen.—

ocr page 219

1. God.— God de Vader beschouwt Mariaals zijne veelgeliefde Dochter,— God de zoon eert haar als zijne beminde Moeder — God de H. Geest bemint haar als zijne geliefde Bruid.— De gansche H. Drievuldigheid, erkent in haar het meesterstuk harer handen, en beschouwt haar met welgevallen. „Tota pulchra es, et macula originalis non est in te.*\'—

2. Na God zijn het de Engelen, die Maria huldigen als hunne Koningin.— Eeuwen vóór hare geboorte, kondigden de engelen reeds de grootheid aan van Moeder en Zoon.— Doch alle lof haar door engelen bewezen, is weinig in vergelijking van dien, haar door den aartsengel Gabriël toegekend.— Op last van God, daalt hij neder uit den hemel op aarde, hij verschijnt aan Maria, en groet haar met den diepsten eerbied, zeggende: „ Wees gegroet, vol van genade, de Heer is met u,quot;— (Luc. I, 28.) Nooit heeft mon een engel zich zoo zien vernederen voor een schepsel, als de engel Gabriël hier voor Maria.— Verder, in de kerkelijke geschiedenis, treft men tal van voorbeelden aan, die ons doen zien, hoe de engelen zich vereenigden met de menschen, om Maria te prijzen. Zoo lees ik o. a., dat ten tijde van Paus Gregorius den Groote, Rome geteisterd werd door eene vreese-lijke pest. In dien nood, namen de geloovigen, vol vertrouwen op Maria, het beeld dier Hemelskoningin, en droegen het in processie, door de straten der stad. Tijdens die processie hoorde men op eens de engelen hunne stemmen vereenigen met die der menschen en Maria ter eere deze strophen zingen, die van toen af in het kerkelijk officie zijn ingevoegd: „Regina eoeli laetare. Allelujaquot; !... Op ingeving van God, voeg le Paus Gregorius er bijOra pro nobis, Deutn, Alleluja,quot;— Een zichtbaar gedenkteeken vereeuwigde het aan-

ocr page 220

— 208 -

denken aan dit wonder.— Een der engelen verscheen in menschelijke gedaante, en liet den indruk zijner voeten achter op een marmeren steen, die thans nog te Rome, in het klooster van „Ara Coeli\'\', bewaard wordt.

3. Na do engelen komen de Menschen hulde brengen aan Maria.— En wel vooreerst: A.) De kloosterorden. De militaire orden o. a. de ridders van Malta, de Tempeliers, de Duitsche orde, de ridders van het Gulden Vlies,— beschouwen allen Maria als hunne patrones of beschermster. — Bij hen sluiten zich aan alle andere kloosterorden. De orde van den Berg Carmel, die Maria\'s eeredienst bevordert, door het verspreiden van het H. Scapulier,— de orde van den H. Dominions, door de devotie van den rozenkrans, de Paters Jesuiten, die o. a. Maria vereeren, door dat onnoemelijk getal Congregatiën der Allerheiligste Maagd, die zij in alle deelen der wereld hebben opgericht en bestieren,— eindelijk telt men in de Kerk een onnoemelijk getal Congregatiën van vrouwen, en nonnenorden, die allen onder een of anderen titel Maria tot patrones hebben.— B.) Aan de kloosterorden sluiten zich de Pausen, van af den H. Petrus, die den naam van Maria in den canon der Mis plaatste,— tot zijnen 258sten opvolger, onzen tegen-woordigen Paus Leo XIII; allen hebben op eene of andere wijze hunnen eerbied voor Maria aan den dag gelegd; wij behoeven niet verder te gaan dan tot Pius IX, en Leo XIII, beiden, uitstekende vereerders van Maria,— gene o. a. maakte het voorrecht harer Onbevlekte Ontvangenis tot leerstuk des (jreloyfs,— deze op zijne beurt, poogt door de gesta dige aanbeveling van het rozenkransgebed, de devotie der geloovigen tot de Moeder Gods meer en meer aan te wakkeren.

ocr page 221

- 209 —

C) Op de Pausen, volgen de Kerkleeraars : de HH. Atlianasius, Ambrosius. Basilius, Chrysostomus, Augus-tinus, Barnardus,— en in de laatste tijden, de H.Alphon-sas,— en nog zoovele anderen, die Maria\'s grootheid en voorrechten, door woord en geschrift, meer en moer aan het licht hebben gebracht.— Bij de Kerkleeraars sluiten zich aan zoovele schrijvers en geleerden, die hunne talenten hebben gebezigd tot verbreiding van Maria\'s lof.— Zoovele universiteiten die onder eed zich verbinden, hare voorrechten te verdedigen,— en den graad van doctor slechts toekennen aan hen, die tot deze plechtige belofte zich verbinden. Dusdanig zijn de universiteiten van Rome, Bologne, Leuven, de oude universiteit van Parijs en anderen.—

D) Vorsten en koningen volgen het voorbeeld hunner onderdanen, om op eene hun waardige wijze, de Koningin des Hemels te huldigen.— Vanwaar die oude, eerbiedwaardige kerken uit de tijden der middeleeuwen ?- De Kerk van Maria de Meerdere te Rome, die van Loretto, van Antwerpen, Doornik, enz. ? Het zijn gedenkteekenen, door koningen en volkeren opgericht, ter eere van Maria.— Beroemde veldheeren zijn er geweest, die hunne soldaten moed gaven, met hun enkel den naam van Maria te noemen.— De groote Condé wierp zijnen maarschalksstaf over de muren van de stad Amiens, die hij belegerde. „Haalt hem, zoo roept hij zijne soldaten toe, in naam van Maria.quot;— De stad ging over, en uit dankbaarheid, plaatst hij te Amiens, het beeld van O. L. V. der Overwinning.— Een Jan Sobieski, voert zijne Polen aan, onder den kreet, van; „Voorwaarts, onder de almachtige bescherming der Moeder Gods.quot; De Turken werden geslagen,—duizenden blijven op het slagveld, of verdrinken in den Donau ; — voor-

li

ocr page 222

— 210 —

raad, geschut, de banier zelve van Mahomet, valt in handen des overwinnaars en prijkt als zegeteeken in de Basiliek van O. L. V. van Loretto.—

E) Bovenal echter zijn het de kinderen des volks, de eenvoudigen, die Maria het meest huldigen.— Hen zien wij het meest rondom haar altaar geschaard,— zij zijn hot, die processiën vormen, ter eere van Maria,— zij plaatsen Maria\'s beeld, op openbare wegi n, in den gevel hunner huizen, aan den liniselij-haard, op de graven hunner naastbestaanden.— Het zijn de eenvoudige kinderen des volks, die bij voorkeur haar kleed; het scapulier dragen ; haren rozenkrans bidden,— haar ter eere kransen vlechten en kaarsen offeren.— Zij zijn het, die de kern vormen van zoovele Congregatiën en Broederschappen, die onder een of anderen titel, haar ter eere zijn opgericht. — J.x, men mag zeggen, de meeste eer en hulde ontvangt Maria van het volk.—

F) Daar is eindelijk nog eene soort van menschen, die voor geene wil onderdoen in vereering van Maria,— het zijn namelijk zoovele ongelukkigen, die bij haar hulp en troost komen zoeken. Armen in nood, zieken in lijden, ballingen in kluisters, harten in benauwdheid, moeders in smarten, volkeren in droefheid, schipbreukelingen in storm,— ongelukkigen zonder tal, tot wie wenden zij hunne oogen ? Tot haar, die aller traan kan drogen, tot Maria, hunne eerste en laatste hoop. Gaat naar Scherpenheuvel, naar Keyo laar naar Sittard of naar andere bedevaartplaatsen ; — overal ziet ge Maria\'s wonderbeeld met duizenden exvoto\'s omhangen, als evenzoovele dankbare huldeblijken, door ongelukkigen van allerlei soort aan Maria vereerd.— (rij ziet dus, met hoeveel recht de Kerk, Maria deze woorden in den mond legt: „Ecce enim ex

ocr page 223

211 —

hoc, beatam me dicent omnes yenerationes\'\'.— (Luc. 1. 48.) Welaan dan M. B., sluiten ook wij ons aan, bij de geloovigen der gansche wereld, om Maria in de Meimaand te huldigen en te vereeren.— Beijvert u om minstens eenmaal in den loop der maand, te naderen tot de H. H. Sacramenten,— bidt geregeld iederen avond met uw huisgezin den rozenkrans voor een beeld van Maria, met bloemen en kaarsen versierd,— woont zoo mogelijk iederen dag, in de week, de H. Mis bij, en laat geen dag voorbij gaan, zonder op een of andere wijze die goede Moeder een bewijs uwer hulde te brengen.— Zij is zoo goed, zij verstoot niemand, zij verhoort iedereen, die haar aanroept en vereert.— Den 8 Dec. 1882 brandde te Weenen de groote schouwburg af.— Nauwelijks verspreidde zich de mare van die ramp in de stad, of men zag eene joodsche vrouw wier drie kinderen in het theater waren, radeloos van smart, derwaarts snellen, onophoudelijk roepende: ,.Maria hilf, Maria hilf.quot;— De ongelukkige moeder had zich herinnerd, dat de christenen in hunne noodwendigheden, de hulp van Maria afsmeekten, en haar voornamelijk onder den titel van O. L. V. van Bijstand, of „Maria hilfquot; aanriepen.— Zonder ophouden riep zij „Maria hilf.quot;— Zonderlinge bede niet waar, in den mond eener jodin! Zij komt aan den schouwburg, op het oogenblik zelf dat men een voor een, de ongelukkige slachtoffers uit dien vuuroven te voorschijn haalde.— Op het zien dier half verkoolde lijken, herhaalt de vrouw met nog meer kracht dan te voren, haren smeekenden nood kreet: „Maria hilf.quot; En ziet, op eens bevindt zij zich, zij weet niet hoe, van hare drie kinderen omringd.— Deze waren zonder te weten hoe, aan den dood ontsnapt. De gelukkige moeder, juichend van blijdschap

ocr page 224

- 212 —

en dankbaarheid, snelt aanstonds met hare kinderen naar „Maria hilfquot;, eene kerk van Weenen, om hare hemelsche weldoenster le loven en te danten.— Kan Maria zelfs aan on katholiek en, die in nood haar aanroepen, niets weigeren,— hoeveel te meer zal zij zich bereid loonen, Lare kinderen en nog wel hare bevoorrechte kinderen, die gij zijt, te helpen en bij te staan Welaan dan M. B., allen dezen avond het voornemen opgevat, de Allerh. Maagd Maria, gedurende de Meimaand eens teeder te vereeren en haar voor deze of gene aangelegenheid aan te roepen. Een of ander zondaar die wellicht onder ons mocht zijn, vrage haar de genade der bekeering,— een ander die hevig te strijden heeft, aan vele gevaren is blootgesteld; de genade van kracht en sterkte, de bevrijding van, huiselijk leed, het herstel der gezondheid, voorspoed in zijne zaken, zegen over het vee, welslagen van den oogst, enz.— Meent niet ooit te veel te vragen, maar vraagt steeds met vertrouwen; in de Meimaand wordt men veel lichter verhoord dan op andere tijden.— Maria. M. B., is gelukkiger, ons eene genade te kunnen aanbieden dan wij, van die te ontvangen. Zij is de deur des hemels ;— die baar heeft gevonden, heeft het eeuwig leven gevonden. Amen.—

ocr page 225

XXIV.

O L. Vrpuw van Kevelaar; Troosteres der Bedrukten.—

De Meimaand, M. B., is de maand der processien ; uit alle oorden des lands vormen zich bedevaarten, naar de voornaamste Heiligdommen van Maria. — Eene korte beschrijving van een paar beroemde bedevaartplaatsen in onze streken, zal, dunkt mij, niet van onpas wezen ; te meer daar wellicht menigeen uwer van plan is, in den loop der maand, een bezoek te brengen, aan een of ander Heiligdom van Maria!— Zoo willen wij heden, in den geest, eens een bezoek brengen aan O. L. V. van Kevelaar.—

I. Plaatselijke beschrijving van Kevelaar. — Kevelaar, gelegen in het koninkrijk Pruisen, regeerings-district Dusseldorp, kreits en dekanaat van Gelder, bisdom van Munster,— is thans alhoewel een eenvoudig, toch uitgestrekt en welvarend dorp. Vóór vier eeuwen ruim, was het slechts een gehucht, bestaande uit eenige weinige arme hutten ; het had wel eene eigen kapel toegewijd aan den H. Antonius Abt; doch behoorde overigens tot de parochie Wees. Eerst in 1472 werd Kevelaar tot parochie verheven, staande onder het aartsbisdom

ocr page 226

- 214 —

Keulen.— In 1559, bij de oprichting der nieuwe bisdommen in de Nederlanden, ging het, als behoorende tot het hertogdom Gelder, tot het bisdom van Roermond over. In 1801, werd het bisdom van Roermond, ten gevolge van het Concordaat opgeheven,— en werd Kevelaar gevoegd bij het nieuw opgerichte bisdom Aken,— en toen dit in 1821, op zijne beuit werd opgeheven, ging het in 1823 over tot het bisdom van Munster; waar het thans nog toe behoort.— Weinig weet de geschiedenis ons van Kevelaar te verhalen, voordat Maria die plaats tot hare woon gekozen had. Alleen maakt zij gewag van een inval der Croaten, die den 1 Augustus 1635, eene groote slachting onder de bevolking van Kevelaar aanrichtten.— Ongeveer 100 menschen werden toen op de zoogenaamde oude schans, niet ver van het dorp vermoord. Een steenen kruis met opschrift, op 5 minuten afstand van de parochiekerk, aan den landweg, herinnert nog den voorbijganger, aan dat onmenschelijk bloedbad. De bedevaartgangers kennen dat kruis, zij gaan er gewoonlijk voor de zielen der vermoorden eenige oogen-blikken bidden.—

II. Keodaar, als bedeoaartplaats.— De inwoners waren nog onder den indruk van bovengenoemde droevige gebeurtenis,— toen God deze plaats uitkoos , tot een Heiligdom, voor zijne gezegende Moader, waar hij op hare voorspraak buitengewone genaden zou uitdealen. — In dien tijd woonde te Gelder, een onbemiddeld, doch braaf huisvader, \'Tendri\'? Buschmami genaamd, die met een kleinen handel voor zich en zijne vrouw het brood moest verdienen. In 1641, eenige dagen vóór Kerstmis, voor zaken op reis zijnde, voerde hem zijn weg over de Kevelaarsche heide, langs eene plaats waar een zoogenaamd hagelkruis stond. Daar knielde

ocr page 227

— 215 -

hij eenige ougenblikken godvruchtig neder, en hoorde toen eene stem, die hem toeriep: „Uier zult gij mij een kapelletje bouwen.quot;— Na verloop van eenige da gen, toen hij weder langs denzelfden weg ging, hoorde hij terzelfder plaatse,— ten tweeden,— ja ten dorden male dezelfde stem, en btsloot toen, dagelijks iets af te zonderen van zijne verdiensten, voor den bouw van een kapelletje.— De winter was voorbij, Busehmann had reeds een sommetje bijeen, toen er eene gebeurtenis plaats had, die hem niet weinig in zijn voornemen versterkte. Zijne vrouw had \'s nachts eene verschijning gehad.— Hare kamer was helder verlicht geworden, en in dat licht had zij een heili-g. nhuisje gezien, waarin een Moeder Gods beeld stond, gelijk aan dat, hetgeen zij voor eenigen tijd in handen van een Hessischen soldaat gezien had.— Kort tevoren namelijk waren tivee soldaten bij haar geweest. Zij kwamen van Luxemburg, en haiden voor een luitenant die te Kempen gevan\'en zat, twee papieren prentjes meegebracht, voorstellende het Moeder Gods beeld, dat te Luxemburg, onder den titel van „Troosteres der Bedruktenquot; vereerd werd,— Uit g ddgebrek, boden zij een der twee prentjes aan vrouw Busehmann, voor een Blaumüser (omstreeks een dubbeltje) te koop aan;— een prijs die haar echter te hoog toescheen.— Nu durfde Busehmann niet langer meer dralen, hij zond zijne vrouw uit, om beide soldaten op te sporen,— doch deze hadden de prentjes reeds aan den luitenant ter hand gesteld.— Deze was aanvankelijk weinig geneigd aan het verzoek der vrouw te voldoen; doch gaf ten laatste toe, en stond haar één der prentjes af. Overgelukkig spoedde zij zich naar huis. Inmiddels was te Gelder een en ander bekend geworden.— Het volk stroomde naar do woning

ocr page 228

— 216 —

van Buschtnatm om het beeldje te zien, en uit zijtien mond de geschiedenis te vernemen. Dat hinderde £uschmann, en hij bracht het beeldje op een plankje bevestigd, naar de Paters Capucijnen te Gelder, - met veizoek het te bewaren, totdat het kapelletje te Kevelaar voltooid zon zijn.— Dit voltooid zijnde, haalde de toenmalige pastoor van Kevelaar, het beeldje uit het Capucijnerklooster te Gelder, en plaatste het, den 1 Juni 1642, in het te Kevelaar, door Buschmann gebouwd kapelletje.— Van toen af begon de openbare vereering van het beeldje,— er gebeurden al aanstonds wonderen, die tot op den dag vaa heden voortduren.— Kevelaar was een genadenoord geworden, ja,—het werd een der meest gezochte, een der beroemdste bedevaartplaatsen van Maria, in Beneden Duitschland.—

III. Vereering van het miraculeus bedd oan Kevelaar.— Van af het begin tot op den dag van heden, genoot Kevelaar de gunst en de bescherming van de hooge kerkelijke Overheid, nadat deze zich overtuigd had; dat God in zijne Voorzienigheid, door het verrichten van wonderen, deze plaats had uitgekozen, als een genadenoord voor zijne gezegende Moeder.— In het jaar 1662, zag men den bisschop van Roermond Mgr. d\'Allemont een bezoek brengen aan O. L. V. van Kevelaar, en haar vereeren met eene zilveren Monstrans. Ook de Prins-Bisschop van Keulen en Luik, Joseph Clemens van Beieren, bezocht in het eerste jaar der 18e eeuw, O. L. V. van Kevelaar. Vier en dertig jaren later mocht Kevelaar zich verheugen over de tegenwoordigheid van Z. D. H. Clemens August, eveneens Prins-Bisschop van Keulen. Vele andere hooge kerkelijke vvaardigheidsbekleeders, kwamen achtereenvolgens hulde brengen aan hot

ocr page 229

- 217 -

genadebeeld van Kevelaar.— Zelfs vorsten togen daarheen.— Op den 16 Juli 1714, verscheen daar onverwachts, koning Frederik Willem van Pruisen,— In 1738 bezocht hij andermaal Kevelaar, verge/.eld van zijue beide zonen, offerde er eene groote proces-siekaars, en kocht een aantal rozenkransen en gebedenboeken, voor zijne katholieke soldaten.— In 1833 verscheen daar ook, de toenmalige kroonprins van Pruisen, thans koning Fredeiik Willem IV, in gezelschap van prins Frederik der Nederlanden en een talrijk gevolg.— Niet minder, dan de bovenvermelde personen, hebben ook de adel en andere aanzienlijken vooral uit Duitschland, door menigvuldige bezoeken en rijke geschenken, hunne liefde tot O. L, V. van Kevelaar aan den dag gelegd. Voegt daarbij die honderden processiën en duizenden pelgrims, die jaarlijks naar Kevelaar togen,— en gij zult u overtuigen welke groote vereering de Moeder Gods in haar genadebeeld, daar ontvangt.— Luistert eens dienaangaande naar eenige bijzonderheden. Er zijn dagen in hét jaar, dat zich meer dan 10,000, soms wel 20,000 pelgrims te Kevelaar bevinden;— ja, daar is zelfs geen jaar voorbijgegaan, waarin het getal dergenen die te Kevelaar de HH. Sacramenten kwamen ontvangen, het cijfer van 100,000 niet te boven ging.— In 1842, het jaar der viering van het tweede eeuwfeest van O. L. V. van Kevelaar, rekent men, dat minstens 210,000 pelgrims Kevelaar bezocht hebben; zooveel is intusschen zeker, dat in gemeld jaar, 248 processiën aangeteekend staan — Zoo is dan Kevelaar gedurende Lijna twee en een halve eeuw, het geliefkoosd lustoord geweest der vereerders van Maria, en tot heden steeds in aanzien gestegen. Zal die toenemende bloei blijven voortduren ? Wij leven in

ocr page 230

— 218 —

een lijd van goddeloosheid on vervolging, van onrust en onzekerheid voor den dag van morgen, \'t Is waar, eene betere toekomst is in het verschiet;— der Kerk worden misschien hare ontnomen rechten weer terug geschonken ; maar al geschiedde dat ook niet,— harten kan men niet ketenen; in de harten kan men den ceredienst niet aan banden leggen, noch verzwakken;— Kevelaar zal blijven, wat het was : het lievelingsoord der vereerders van Maria.—

IV. Lotgevallen van het miraculus beeldje en van de kapel,— Het kapelletje in 1612 door Buschman gebouwd, bleef onveranderd zoo als het daar stond tot in 1654. In dat tijdsverloop van 12 jaren echter was de toeloop van pelgrims zoozeer toegenomen, en was de parochie Kevelaar dermate aangegroeid, dat de parochiekerk te klein was geworden, eu men in 1643 reeds den eersten steen legde eener nieuwe kerk, bekend onder de naam van de groote kapel.— Deze kapel werd in 1646, onder de leiding gesteld der Oratorianen van Mechelen, die er een oratorium of klooster, tot woning bijbouwden. Do groote kapel eenmaal voltooid zijnde, begon men aan de herstelling van Buschmann\'s kapelletje te denken; want dat moest voor de volgende eeuwen bewaard blijven. De Oratorianen bouwden derhalve in 1654, de tegenwoordige zeshoekige kleine kapel,— en wel in dier voege, dat het oude kapelletje met de opening naar buiten, in een der hoeken viel. Negen jaren later werd het beeldje, dat nog immer op het plankje was vastgehecht, in eene verguld zilveren lijst gezet.— Langen tijd genoot Kevelaar en zijn Heiligdom rust en vrede. Men mocht zelfs ongestoord, het 100- ja 150 jar ij; Jubelfeest van Kevelaar\'s Heiligdom vie.en,— maar ook onmiddelijk daarna, brak de storm los. In 1792

ocr page 231

— 219 —

drongen de horden der Fransehe revolutie, tot Keve-laar door,— het Oratorium werd gesloten, ja het zou er nog veel erger zijn toegegaan, hadde men niet door betaling van 7000 gulden, die woestelingen tot den aftocht weten te bewegen. De Fransohen echter keerden ii 1794 weer terug, en bleven in deze gewesten tot in 1814. Dat was een tijdperk van jammer en leed.— In 1802 werden bij decreet der Fransehe Republiek, in drie Departementen alle kloosters en congregatiën opgeheven. Ook Kevelaar trof dat lot; de kapellen werden verzegeld en gesloten ; terwijl het Oratorium met toebehooren tot domeingoed gemaakt werd. Doch dit decreet had nog al geen ongunstig verloop. Al aanstonds toch werden de kapellen weder ontsloten, en in 1807 bij besluit van Keizer Napoleon, werden de kapellen tot parochiaal eigendom verklaard,— en het Oratorium met aanhoorigheden, ter beschikking gesteld van den toenmaligen bisschop van Aken. In 1815 kwam Kevels ar weder onder de heerschappij van Pruisen, en genoot nu weder rust en vrede, tot het uitbreken van dien onzaligen „Cultuurkampquot;, die aan de Kerk in Dnitschland, zoo menigen gevoeligcn slag toebracht. Ondanks de plagerijen van regeering en politie, trokken nog voortdurend tal van processiën naar Kevelaar, waar zeker menig gebed gestort werd, voor het herstel van den godsdienstvrede in Duitschland.— Wie thans Kevelaar bezoekt, bewondere eens de nieuwe bedevaartskerk, waarvan de eerste ?teen gelegd werd in 18BH. Zij werd in 1864 plechtig ingewijd door den bisschop van Munster, omringd door zes andere bisschoppen, en niet minder dan 150 priesters.— Ziedaar M. B , de voornaamste bijzonderheden, betreffende het Heiligdom, bekend onder den naam van O. L. V. van Kevelaar. Geve

ocr page 232

— 220 -

God dat daar binnen weinige jaren, wederom met buitengewonen luister het halve eeuwfeest moge gevierd worden van het genadebeeld; O, L. V. Troosteres der Bedrukten. Amen.—

ocr page 233

XXV.

O. L. V. van Scherpenheuvel.

Scherpenheuvel! hoevelen uwer zijn daar niet heen geweest, om Maria, quot;in haar beroemd genadebeeld te vereeren,— of hebben ten minste dikwijls over dat Heiligdom hooien spreken.— Hoe het zij of niet, wij gaan dezen avond, in den geest, eene bedevaart doen naar O. L. V. van Scherpenheuvel.—

I. Plaatsbeschrijving van Scherpenheuvel.— Scherpenheuvel, een klein, doch mooi stadje in België, in de. provincie Brabant, twee uren ten Oosten van Diest, en acht uren ten N. W. van Leuven, trekt een ieders aandacht door zijne bekoorlijke ligging.— Immers van af de hoogte, waarop de eeuwenoude Norbertijner abdij Averbode gebouwd is, heeft men een der heer lijkste vergezichten van België.— Daar waart het oog over de groene Demervallei.— Vóór u, in het midden der vallei, ligt het oude Zichem, eens zoo bloeiend, later zoo geteisterd, thans zoo ouderwetsch en vervallen van uitzicht.— Een weinig westwaarts van Zichem, rijst weer de helling en vormt een tamelijk hoogen heuvel, waarop een grootsche schitterende dom ligt, en daar neven een groote vierkanten toren.— Hot is Maria\'s Heiligdom,— het is Scherpenheuvel.

ocr page 234

- 22a —

Lang heeft men gemeend, dat Scherpenhenvel zijn naam ontleende aan zijne ligging; namelijk op een scherpen, dat is onvruchtbaren dorren heavel; doch ten onrechte. Lodewijk van Velthem zanger en kapelaan van Zichem, heeft do geleerden het eerst op het spoor gebracht, om de naimafleiding van Scherpen-heuvel op te klaren. Hij spreekt in zijn werk, genaamd: „de Spiegel Historiael,quot; van een grooten toeloop bedevaartgangers tot een kruiswijs gewassen eik, waarvan hij zegt: „Daer menich quam overluat. Die daer ane hine scherpe en staf. Ende seide; dat hi genesen wer daer af.quot; Nu verstond Wichmans door „scherpe en staf,quot; zooveel als: kruk; zoodat volgens hem, Scherpenhenvel beteekende : heuvel der krukken; doch ook hij had hit mis: want het is thans een uitgewezen zaak, dat „scherp en stafquot;.— hier niets anders zijn dan reisbuidel en pelgrimsstok, van do middeleeuwsche bedevaartgangers; zoodat Scherpenhenvel zijn naam ontleent, aan den toeloop van pelgrims die daarheen stroomden, en niet aan zijn ligging —

II. Scherpenhenvel als bedevaartplaats.— De oorsprong dier thans zoo vermaarde bedevaart, is vrij onzeker, en wat ook daarvan verhaald wordt, berust enkel op gissingen of op weinig geloofwaardige volksoverleveringen.— quot;Wat er van zij, zooveel is zeker, dat er later op den Scherpenheuvel, aan eenen eik (of\' het dezelfde was waarvan ik zooeven sprak, namelijk: die \' kruisgewijs gewassen eik — is ook onzeker ,) een beeldje hing der Moeder Gods, waar tal van bedevaartgangers heensnelden.— Wie dat beeldje daar opgehangen had, en in welk jaar en waar gezegd beeldje van daim kwam, zal wel een geheim blijven. Het gebeurde met den schaapherder, die daar ter

ocr page 235

- 223 —

plaatse zijne scliapen weidende en een Moeder Gods beeldje vindende,— hetzelve mee naar huis wilde nemen ; dooh door de hand Gods getroffen, geen stap meer voorwaarts kon doen, tot zoolang het beeldje weder op zijne vorige plaats aan den eik hing; is niets meer dan cene legende.— Dat het Moeder Gods beeldje reeds in 1400 aan den eik hing, is evenmin met stellige bewijzen te staven. De eerste historische bewijzen dagteekenen van de 16e eeuw. In het midden der 16e eeuw had het Moeder Gods beeldje reeds eene groote vermaardheid verkregen, om de vele wonderen, die er geschiedden.— Zichem, Diest en Aarsehot snelden eerst in groote menigte toe om het te vereeren. In Zichem, zegt een schrijver van dien tijd, Numan, was haast geen huisgezin, waarvan niet een of ander bij het genadebeeld genezing had bekomen.— Dan ziet, in 1580 was eensklaps het genadebeeld verdwenen, men weet niet hoe wellicht door de Geuzen, die deze streken afplunderden, vernield of gestolen.— Zoo stonden de zaken tot in 1587; toen een oud man, schepen van Ziehem, bij zekere devote weduwe te Diest, met name Agnes Fredericx, een houten Moeder Gods beeldje vond, dat hij haar wist af te bedelen, met zich naar huis nam, en het aan voornoemden eik op den Scherpenheuvel, in plaats van het vroeger beeldje ophing. Nieuwe gunsten en weldaden aan den voet van dat beeld bekomen, sterkten het vermoeden, dat dit beeldje hetzelfde was, als het vroegere, dat aan den eik hing.— \'t Blijft echter een bloot vermoeden. In 1602 bouwde de toenmalige pastoor van Zichem, Godfried v. Thienwinkel, te Scherpenheuvel het eerste kapelletje, en wel naast den ouden eik,— het was een klein houten heiligen-huisje. Daar rustte het genadebeeld op een altaar.

ocr page 236

— 224 —

In het jaar 1603 werd de oude eik, die van ouderdom dreigde te vallen, afgehouwen, naar Zichem ge -voerd en in drieën verdeeld;— een deel werd aan de aartshertogen Albert en Isabella geschofiken,— uit de twee overige stukken werden Lieve-Vrouwebeeldjes gesneden, die in groote achting stonden, en waarvan er nog verschillende hier en daar vereerd worden. De houten kapel was niet lang van duur. In 1603 werd zij vervangen door eene steenen kapel, op last der aartshertogen Albert en Issabella, die destijds België bestuurden, gebouwd. Die kapel tamelijk groot en smaakvol, bevattende drie altaren en vier biechtstoelen, werd den 3 Juni 1604, door Hovius, aartsbisschop van Mechelen, plechtig- ingewijd. Geen drie maanden d iarna, of de nieuwe kerk onderstond eenen aanval der Geuzen,— het hoogaltaar werd aan het vuur overgeleverd,— en ook de schoone schilderij door Willem v. Nassau, heer van Diest, aan de kapel geschonken en die 1100 gulden had gekost, ging teniet; doch het miraculeus beeldje en andere kostbaarheden werden door de Paters Jesuïten, die hulpdienst in de parochie verrichtten, gered. Den 2 Juli 1609, legden Albertus en Isabella den eersten steen van den prachtigen tempel, dien men heden nog bewondert. De bouw werd onderbroken, bij gebrek aan geld. In 1617, deed Filips II denzelven hervatten, en besteedde er de inkomsten aan zijner Indische vloot. Eerst in 1627 mocht de aartsbisschop van Mechelen, Jacob Boonen, in tegenwoordigheid van Isabella, (Albert haar gemaal, was in 1621 gestorven) van den grooten veldoverste Spinola en van gansch het hof, dien heerlijken tempel inhuldigen; 300.000 gulden; aanzienlijke som voor die tijden, was er aan dien tempel besteed. Boven het tabernakel rust thans op

ocr page 237

- 225 —

een troontje van massief goud, het genadebeeld der moeder Gods met haar goddelijk Kind op den arm.— Het beeld is geen halven meter hoog, de tijd heeft het een weinig zwart gemaakt ; maar de uitdrukking der trekken is zacht gebleven en aanvallig; Maria\'s naam staat in diamanten letteren op een zilveren voetstuk.— Scherpenheuvel moest evenals zoovele andere Heiligdommen, op het einde der vorige eeuw, deelen in de rampen door de Fransche revolutie aangericht. De kerk alhoewel ontheiligd door den dienst, dien een beëedigde priester er in verrichtte, bleef voor den godsdienst bewaard; ook het genadebeeld werd intijds geborgen, maar de kostbare schat, bestaande uit de giften van pausen, vorsten en andere grooten, ging grootendeols te niet. De Oratorianen die het Heiligdom bedienden, hadden hem in veiligheid gebracht naar een hunner kloosters op het Deensche eiland Nordstrand; doch dat klooster werd door een brand in de asch gelegd,— en daarmede ging een der kostbaarste kerkelijke schatten grootendeels ten gronde.— In 1802 echter, brak met den terugkeer der vrijheid van godsdienst, voor Scherpenheuvel een nieuw tijdvak van bloei en luister aan, dat nog immer voorduurt.— Vermelding verdient nog de plechtige kroning der beelden, den 26 Augustus 1872, door den kardinaal-aaitsbisschop van Mechelen, Mgr. De-ohamps, die namens Paus Pius IX daartoe gelast v/as.— Sedert die gebeurtenis heeft de bedevaart naar Scherpenheuvel zoozeer toegenomen, dat, men het aantal pelgrims die jaarlijks het Heiligdom bezoeken, op 300,000 schat,— ongeveer 80,000 H. Hosties worden jaarlijks uitgereikt en meer dan 5000 Missen gecelebreerd.

III. Weinig beelden mogen met zooveel recht aan-

15

ocr page 238

— 226 -

spraak maken op den titel van genade- of wonderbeeld, als dat van Soherpenhouvel. Het ligt niet in mijn bestek die hier geregeld te vermelden ; nochtans wil ik er eenigen tot uwe stichting aanstippen. Pastoor en schepenen van Zichem, getuigen, dat de lersche soldaten, van het regiment Stanley, die in 1598 te Zichem in garnizoen lagen, bijna geene andere geneesmiddelen gebruikten in hunne ziekten, dan het gebed op Seherpenheuyel !— In 1603, in een tijdsverloop van vijf maanden, telde men daar 132 krukken, zonder nog te gewagen van de breukbanden door de genezenen achtergelaten. Numan, teekent voor datzelfde jaar J603, alleen 47 door bewijzen gestaafde wonderen aan. Opmerkelijk is het wonder, van den 3 Januari 1603, dat onder eede bevestigd is geworden. Er parelden namelijk bloeddruppels, beurtelings door verschillende aanwezigen afgewischt, en telkens weer verschijnende op de lippen van het beeld. Verf was er nimmer op geweest en vochtigheid kon er evenmin oorzaak van wezen.— Het zou te lang wezen om geregeld al de wonderen te willen opsommen, die in den loop der tijden bij het genadebeeld van O. L. V. van Scherpenheuvel hebben plaats gehad,— ja die er tot op den dag van heden nog geregeld plaats hebben, en die allen door het kerkelijk gezag onderzocht en vervolgens geboekt worden.— Geen wonder dus, dat Scherpenheuvel de eer heeft gehad, achtereenvolgens het bezoek te ontvangen van zoovele vorstelijke per soncn ;—onder dezen verdienen vooral vermelding; de aartshertogen Albert en Isabella, de grootste weldoeners van dat vermaard genadenoord,— verder nog de twee groote veldoversten Parma en Spinola, die bij Maria de zege kwamen afsmeeken over hunne wape nen,— zoovele kardinalen , bisschoppen , pauselijke

ocr page 239

nuntiussen, die daar ootmoedig Maria kwamen huldigen. En hoe niet bij name te spreken, van den Gelukzaligen Joannes Berehmans, die in de nabuurschap van Maria\'s Heiligdom quot;geboren en opgevoed ; bijna wekelijks de bedevaart ondernam, van Diest naar Soherpenheuvel,— en alvorens de wereld te verlaten om het klooster in te treden, eene laatste maal de volharding in zijne H. roeping, aan zijne lieve Moeder kwam aanbevelen.— M. B., moge deze korte schets voldoende wezen, om u eene groote gedachte te doen vormen van dat vermaard genadebeeld ; moge zij nog meer en meer uw geloof verlevendigen en uw vertrouwen vermeerderen tot Maria, om steeds onder Maria\'s hoede te leven, en onder hare hoede eenmaal zalig te sterven.—

ocr page 240

fio^k (8? I xxvi.

O. L. V. van het H, Hart, te Sittard.

Naast Kevelaar en Scherpenheuvel, de twee beroemdste genadenoorden in onze streken, verdient, dunkt mij, ook eene eervolle vermelding, het Heiligdom van O. L. V. van liet H. Hart, te Sittard. Hoewel velen onder u met genoemd heiligdom \'eenigermate bekend zijn, wil ik toch dezen avond u bedoeld genadenoord wat omslachtiger leeren kennen. De devotie tot Maria, onder den titel van O. L. V. v. h. H. Hart, is in zekeren zin nieuw. Geen eeuwoit eingen over haar heen; zij dagteekent van vóór ruim\'130 jaren. Zij is ontstaan in Frankrijk, te Issoudun. Twee vrome priesters oefenden, in 1854 te Issoudun de H. Bediening uit. Bitter griefde hen de verslapping van het geloof en de ellendige toestand der zielen in Frankrijk, en te Issoudun in het bijzonder. De kerken stonden leeg, de Sacramenten werden verwaarloosd, de kinderen droegen van hunne rampzalige ouders het oijgeloof als in het bloed. Erg begaan met het lot van zoovele ongelukkige zielen ; meenden zij in de godsvrucht tot het H. Hart van Jesus, het redmiddel te zullen vinden, ter verbetering van dien toestand. Eene vereeniging van priesters aan Jesus\' Hart gewijd, dachten zij, zou veel vermogen

ocr page 241

— 229 -

ter bereiking van dat groote doel.Maar wat kunnen twee arme priesters, in eene stad, aan zulke verregaande onverschilligheid overgeleverd? Negen dagen lang, wendden zij zich tot Maria; met de bede bunnen wensch te kunnen verwezenlijken! Zij voegden tevens de belofte er bij, van alle gelegenheden gebruik te zullen maken, om Maria te leeren kennen en liefhebbeu. Den laat-sten dag der noveen, den 8 December 1854, waarop juist Maria\'s Onbevlekte Ontvangenis, tot geloofspunt verheven werd, werd hun door eene milddadige hand de som ter beschikking gesteld, noodig tot het groote werk. Maria had hen verhoord. Zij verhoorde hen na eene andere noveen ook daarin, dat alle moeilijkheden vanwege de kerkelijke overheid uit den weg werden geruimd. Nu toog men aan het vverk. De kleine congregatie begunstigd door den zegen des hemels, groeide met den dag aan en zegevierde over alle zwarigheden. Maar er was eene plechtige belofte aan Maria gedaan. Men zou deze trouw en heilig houden. Weer werd het gebed ter hulp geroepen en men besloot Maria te vereeren onder den zoeten naam van O. L. V. v. h. H. Hart. Ziedaar de oorsprong der devotie tot O. L. V. v. h. H. Hart. Duizenden wonderen van eiken aard,— als genezingen, bekeeringen, enz. kwamen haar verheerlijken. De nederige kapel van Issoudun werd eene heerlijke kerk, waarheen den 6 September 1873, 80,000 pelgrims, uit alle oorden der wereld, ter bedevaart togen. Van middernacht tot acht uur, werden daar reeds 12,000 HH. Communiën uitgedeeld, \'s Namiddags werd het beeld van O. L. V. v. h. H. Hart in plechtige processie rondgedragen, vergezeld van eene keurbende officieren 50 in getal, met een generaal aan het hoofd,— die met getrokken degen het beeld der moeder Gods omgaven.

ocr page 242

- 230 —

Wt

Issoudun is op het oogenblik, een der meest gevierde Heiligdommen van Maria in Frankrijk. Maar hoe kwam de devotie tot onze O. L. V. v. h. H. Hart, hoe kwam het zaad van Issoudun\'s wonderboom te Sittard-, Op eene wijze geheel aan Gods voorzienigheid eigen. In het klooster der zusters Ursulinnen te Sittard, had eene pensionnaire het ongeluk eene naald in te slikken. De kunst der geneesheeren vermocht niet dezelve te verwijderen; toen eene der pensionnairen aan hare vriendin den raad gaf, hare toevlucht te nemen tot O. L. V. v. h. H. Hart,— welke devotie zij van hare moeder geleerd had. Men hing het arme kind eene medaille om van O. L. V. v. h. H. Hart, de eenige die men had,— en nu herhaalden zusters en pensionnairen met meer ijver dan ooit: „O. L. V. v. h. H. Hart, bid voor ons.1\'— En ziet het kind begint even te kuchen en de naald, die de kunst niet had te voorschijn kunnen brengen, kwam op het gebed te voorschijn, ter verbazing van allen die er getuigen van waren. Op die wijze leerde O. L. V. van het H. Hart, zich te Sittard kennen;— dat was tevens het begin harer vereering te dier plaatse. Maar van waar komt die Lieve Vrouw v. h. H Hart; vroeg men toen dikwijls elkander \'i Men had de vrucht geproefd, maar men wist niet van waar zij kwam. Op zekeren dag komt eene zuster Urselinne uit Engeland, in het klooster te Sittard over. Zij hoort wat daar gebeurd is en verhaalt aan hare medezusters, dat de devotie tot O. L. V. v. h. H. Harti eigenlijk te Issoudun bij de Paters v. h H. Hart, haar zetel had. Nu word Sittard met Issoudun verbonden) en verspreidde genoemde devotie zich met spoed, vooral nadat de bisschop van Roermond er zijne goedkeuring aan gehecht had. Sittard werd nu eene druk bezochte bedevaartplaats. Maria liet het vertrouwen

ocr page 243

der geloovigen op hare machtige hulp, niet lang onverhoord. Den 2 Augustus 1872, werd eene liefdezuster Chrysostoma genaamd, door de voorbede van O. L. Vr. v. h. H. Hart, genezen van eene ziekte, die bij monde van twee genoesheeren voor ongeneeslijk was verklaard. — Een paar jaren geleden, toog eene geheele familie naar Sittard, om O. L. Vr. v. h. H. Hart te danken, voor de genezing van een arm kind, dat tot eeuwige blindheid was veroordeeld geworden. Deze, en nog vele andere wonderen, droegen niet weinig bij, O. L. Vr. v. h. H. Hart nog meer te doen kennen, en het vertrouwen op haar nog meer te doen toenemen. Den 11 December 1873, werd het beeld van O. L Vr. van Sittard plechtig gekroond, door haren vurigsten vereerder den Bisschop van Roermond. De twee gouden kronen tot dat doel bestemd, waren een geschenk door Issoudun aan Sittard gedaan. — Om u een bewijs te geven, hoezeer de devotie tot O. L. Vr. v. h. H. Hart, toen reeds verspreid was, behoef ik maar te zeggen, dat de Broederschap van O. L. Vr. v. h. H. Hart van Sittard, destijds ongeveer 3,600,000 leden telde, wier namen ingesloten waren in een hart dat op een prachtigen standaard prijkte, die door Sittard den 8 September 1873, aan Issoudun ten geschenke was gebracht. Bij de plechtige kroning, en trouwens bij elke bijzondere gelegenheid, ondervond men dat de kapel veel te klein was. Daar moest een nieuwe kerk verrijzen. Onder de hooge bescherming van don Bisschop van Roermond, toog men aan het werk. Het moest een kunstwerk worden. En dat werd het ook. — Paus Pius IX, zond den eersten steen van Grieks oh marmer, die uit de Catacomben van den H. Callixtus te Rome was gebroken, om de grondveste te worden van het nieuwe Heiligdom. Jaren werdear er

ocr page 244

— 232 —

over gebouwd en het ongeduld der geloovigen op een harde proef gesteld. Thans is het groote werk voltrokken, de bouw der kerk is voltooid, en menigeen onder u die in den laatsten tijd Sittard bezocht heeft, zal met mij instemmen, dat de nieuwe Broederschaps-kerk van O. L. Vr. v. h. H. Hart, tot de schoonste moderne kerken van ons Limburg mag gerekend worden. Den 5 Juni 1879, vierde Sittard andermaal luisterrijk feest. De fraaie nieuwe kerk namelijk werd plechtig ingewijd door den grijzen Bisschop van Roermond. Het wemelde dien dag van vreemdelingen, uit Holland, België en Duitschland, om dat grootsch schouwspel bij te wonen. Niet slechts de kerk, geheel de stad was in feestdosch en verhoogde aldus den luister van het feest. De voltooiing der nieuwe kerk opent een nieuw tijdperk in de geschiedenis van O. L. Vr. v. Sittard. Tot dusverre wel is waar, had men aanhoudend vrome pelgrims, bij kleine en groote scharen, naar het Heiligdom zien trekken, — van nu af waren groote processiën, ware geloovige bedetochten op komst. Aken opende de rij der processiën. De hard beproefde Duitschers togen naar Sittard om te bidden voor hun arm vaderland, voor de zoo wreed vervolgde Duitsche Kerk, voor hun verbannen bisschoppen en priesters,; voor het zoo beklagenswaardige Duitschland in één woord. — Maar ook Nederland maakte zich gereed. Roermond en Maastricht vormen eene jaarlijksche processie naar Sittard. Noord-Neder-land is in aantocht. — Rotterdam voorop ; — Amsterdam, Utrecht, Schiedam, enz volgen het voorbeeld. Alom tegenwoordig in ons vaderland, wordt O. L. Vr. v. h. H. Hart gekend en vereerd. Troostvol verschijnsel in onzen tijd, M. B , te midden van zooveel godsdienstige onverschilligheid en bederf, de katho-

ocr page 245

— 233 —

lieken over het algemeen te zien toenemen in liefde en vereering van Maria. Dat is troostvol en bemoedigend ; want in eene teedere en volhardende devotie tot Maria, ligt de waarborg van een deugdzaam leven en van eenen zaligen dood; maar ook omgekeerd, wie Maria niet vereert, niet bemint, en wat nog erger is wie haar versmaadt, zijn leven zal zondig en misdadig, zijn dood rampzalig zijn. Een voorbeeld uit onze dagen, tot staving van het gezegde. De gebroeders Pelzer, die voor eenige jaren den advokaat Bernays, zoo lafhartig te Brussel vermoordden, waren van jongs af aan met een helschen baat tegen Maria bezield. Leo, de oudste der twee, schepte er behagen in, nog als knaap, in het collegie van Verviers, beeldjes van O. L. Vrouw, die hij medenam, te bespuwen en haar met de laagste spotnamen te belasteren. Armand, zijn broeder, plaatste na de verkiezingen van 1874, een beeld der Moeder Gods op het balkon van het hotel „De negen provinciënquot; en behandelde hetzelve op de laagste en gemeenste wijze. Nog knaap zijnde, placht hij reeds te zeggen: Ik wensohte dat ik mil-lioenrijk ware, om mijn for\'uin ter vernietiging van het christendom te kunnen gebruiken. En wat is er van die twee Mariehaters geworden ? Iedereen kent hun rampzalig lot. Wegens een overspeligen moord op den advocaat Bernays ter dood veroordeeld, ontvingen zij gratie van den doodstraf ; doch niettemin geschandvlekt door de gansche wereld, ondergaan zij in de gevangenis te Leuven levenslange kerkerstraf, tot boete van hun misdadig en goddeloos leven. M. B., beijveren wij ons, Maria uit al ons vermogen te beminnen en te vereeren ; die vereering zal ons zegen aanbrengen. Zij zal u zegenen in uw persoon, in uw huisgezin en kinderen, in uwe bezittingen en ondernemingen,

ocr page 246

— 234 —

zij zal u, als eone muuder hare kinduren geleiden op de reis van dit leven, en u eenmaal binnenleiden in uw hemelsch vaderland. Amen.

ocr page 247

XXVII.

Maria, de Moeder der Volharding.

(quot;Laatste Zondag der Meimaand.)

M. B., ziedaar den laatsten zondag der Meimaand. Nog een paar dagen, en de maand aan Maria toegewijd, is ten einde. Weldra zal die troon, waarop het beeld van Maria rust verdwijnen, de versieringen aan haar altaar, de bloemen en guirlandes gaan verwijderd worden,— de tijd immers voor de bijzondere vereering van Gods moeder, door de Kerk vastgesteld loopt ten einde. Eéne bede M. B. heb ik u nog te doen, éénen wenseh wil ik nog uiten, namelijk dezen: Moge de vereering van Maria in uwe harten niet verflauwen, maar moget gij tot het einde van uw leven in den dienst van Maria, in de vereering van die goede Moeder volharden.— Weet gij wel M. B., waarop deze mijn zoo vurige wenseh gegrond is.— Op deze onomstootbare waarheid, door het gezaghebbend getuigenis van ecu H. Bernardus, een H. Alphonsus en tal van godgeleerden bekrachtigd: „wie volharden wil in de liefde tot God, wie de heiligmakende genade wil bewaren tot aan zijnen dood, moet volharden in

ocr page 248

— 236 —

den dienst, in de vereering van Mariaquot;.— Gij ziet, dat met de volharding in den dienst van Maria, uwe eigene volharding is verbonden.— Graat dus voort met Maria te vereeren, te beminnen en aan te roepen,— en gij kunt van uwe volharding verzekerd zijn, immers: Maria is dé moeder der volharding; wijl zij het voorbeeld,— de steun,— en de belooning onzer volharding is; met andere woorden : Maria is de moeder der volharding, omdat zij ;

I. Door haar voorbeeld, de wegwijzer,

II. Door hare bescherming, de steun,

III. Door hare moederlijke goedheid, eene milde beloonster is dergenen, die volharden ; — drie punten die ik u dezen avond ga voorhouden, nadat wij tevoren gezamenlijk den zegen van de Moeder der volharding zullen hebben afgesmeekt.

I. Maria is het voorbeeld der volharding. — Het H. Evangelie levert ons weinig bijzonderheden uit hot leven van Maria; maar het weinige dat de evangelisten ons van haar zeggen, is voldoende om haar volkomen te leeren kennen.— Het leven van Maria was een leven van weinig glans voor het oog der wereld ; maar het was niettemin het deugdzaamste, het christelijkste, het volmaaktste, het heiligste leven, na dat van Jesus Christus haren Goddelijken Zoon. Maria\'s leven, zegt de H. Thomas, is een voorbeeld van alle deugden, Maar het zou ons weinig baten, alle deugden van Maria na te volgen, zoo wij haar niet navolgen in de deugd van volharding. Zonder volharding, geene zaligheid.— \'s Menschen leven is een strijd, en hij alleen die tot het einde toe dapper gestreden heeft, zal gekroond worden.— \'s Mensehon leven is een reis naar den hemel zijn vaderland, en dat vaderland zal hij alleen bereiken, die den weg daarheen,

ocr page 249

— 237 —

tot het einde toe zal gevolgd hebben. Onze reisgids op den weg naar den hemel, is de heiligmakende genade ; mocht men deze verliezen, dan loopt men gevaar van den weg af te dwalen, en het doel zijner reis nimmer te bereiken ; — de bewaring dus van den schat der heiligmakende genade tot aan den dood, is eene volstrekte vereisclite tot de volharding.—

Dien schat, gij weet het, verliest men door de doodzonde. Is mea dus in het uur des doods in staat van doodzonde, dan is de keten onzer volharding gebroken, en de deur des hemels blijft voor ons gesloten.— Ik heb u Maria voorgesteld, als voorbeeld der volharding. En te reolit.— Haar moeten wij navolgen, willen wij volharden. Overweegt, zegt de H. Ambrosius, het leven van Maria, daaruit zult gij leeren: 1) alles wat gij doen moet om te volharden, 2) alles wat gij daartoe te vermijden hebt.— Wat nu heeft Maria vermeden, wat heeft zij gedaan ?— Zij heeft vermeden al wat de zuiverheid harer ziel kon bevlekken, en gedaan al wat zij kon, om de genade Gods in haar te bewaren en te versterken, — zij heeft de wereld gevlucht met hare plezieren en vermaken, en haar leven gesleten in de beoefening des gebeds. Met het oog op de ge. varen en gelegenheden tot zonde, die zij op lateren leeftijd in de wereld mocht ontmoeten, trok zij zich terug van af hare prilste jeugd, in den tempel van Jerusalem. Om een bewijs te leveren harer waakzaamheid en voorzichtigheid, verhaalt ons de Evangelist, dat zij hare nicht Elisabeth ging bezoeken, maar dat zij die reis deed met den meesten spoed. „Cum festinatione.quot;— (Luc. I. 39.) Om diezelfde reden was Maria niet aanwezig, toen Jesus zijn zegevierenden intocht deed in Jerusalem ; maar wel vertoonde zij zich op den berg van Calvarie, onder den voet

ocr page 250

— 238 —

des kruises, om in de schande en het lijden van haren zoon te deelen. Verheven les voor ons! Het heiligste onder alle schepselen, de onbevlekte Moeder-Maagd waant zich niet veilig, zoolang zij niet volkomen buiten het bereik is der gelegenheden tot zonde,— en wij zwakke menschen, in zonde geboren, van alle zijden door gevaren van zonden omringd, wij die aanhoudend tot zonde worden getrokken,— wij zouden ons veilig durven wanen, te midden van zooveel gevaren en gelegenheden, die de wereld ons aanbiedt!— Het is evenwel niet voldoende dat wij naar het voorbesld van Maria vluchten, al wat onze volharding in gevaar kan brengen, wij moeten daarenboven nog pogingen in het werk stellen, om de genade der volharding te erlangen. Naar het voorbeeld van Maria, moeten wij bij de waakzaamheid voegen het gebed. Geheel het leven van Maria was eene oefening van gebed. Tijdens haar verblijf in den tempel, sleet zij het grootste deel van den dag in gebed, — toen de engel Grabriël haar het geheim der Menschwording kwam boodschappen, was zij verslonden in gebed; vervolgens, den tijd haars levens, dien zij doorbracht in gezelschap van Jesus, was een tijd van gebed; — eindelijk bij de nederdaling van den fl. Geest over de apostelen, was zij te zamen met hen vereenigd in gebed. — Had Maria minder gebeden, nimmer ware zij geworden wat zij geweest is. Wilt gij vol-harden in de genade, in de vriendschap met God tot aan uwen dood, dan moet gij evenals zij, de deugd betrachten en het gebed beoefenen.— Het gebed is de adem der ziel. Een mensch die niet meer ademt, is dood of op het punt van sterven; eveneens is eene ziel die niet meer bidt, geestelijkerwijze dood, of staat minstens op het punt, door de doodzonde het

ocr page 251

— 230 —

leven der genade te verliezen. De dag waarop gij het gebed vaarwel zult zeggen, zal tevens de dag wezen, waarop gij u van den weg des hemels zult verwijderen. Wilt gij dus uwe ziel zalig maken, be oefent dan het gebed ; bidt \'s morgens, \'s avonds, enz. — En opdat uw gebed, u de genade verwerve der volharding, verzuimt geen enkelen dag uws levens te bidden tot Haar, die met het volste recht den titel verdient van Moeder der volharding.— In Maria daarenboven vindt gij niet slechts een voorbeeld, maar:

II. Een krachtige steun ter volharding.— M. B., de genade der volharding kost van onze zijde een hard-nekkigen strijd, tegen geduchte vijanden. Aan de spits dier vijanden staat de duivel, die gezworen tegenstander van God, wien hij voortdurend zielen wil ontrukken,— een vijand vol afgunst eu nijd tegen ons, die geroepen zijn zijne plaats in den hemel in te nemen,— een vijand geducht om zijne sterkte schrander- eu listigheid, die voortdurend om ons lieensluipt, bet oogenblik bespiedend om ons in het verderf to storten.—■ Minder machtig dan de duivel, maar veel gevaarlijker dan hij, is de bedorven wereld, in wier midden wij leven en die ons poogt te verleiden door hare verkeerde beginselen, door hare plezieren en vermaken, door ontelbare gelegenheden tot zonde.— Bij den duivel en de wereld, voegt zich nog een derde vijand,— ons eigen wedorspannig vleesch. dat zooveel is als onze huiselijke vijand, die ons overal vergezelt en volgt, die ons onophoudelijk kwelt, dien wij niet kunnen ontvluchten,— een vijand die in den tijd van een oogenblik, eene ziel, schoon als een engel, in het slijk der zonde stort en haar afzichtelijk maakt als een duivel.— M. B., waar zullen

ocr page 252

— 240 —

wij voldoende kracht putten, om dien drievoudigen vijand zegevierend te wederstaan ?— Luistert M. B., naar de woorden, die de Kerk Maria in den mond legt: „Bij mij, zoo zegt zij, is raad, hij mij is sterkte

te vinden— Meurn est consilium,..... mea est fortitudo,quot;

(Prov. VIII. 14.) Ja M. B., in den bijstand van Maria is uwe kracht, uwe hoop, uwe zaligheid gelegen. Hare macht is eene eindelooze macht, zegt de H. An-selmus. Zij is moeder van God en uit hoofde dier waardigheid, vraagt en verkrijgt zij, al wat zij verlangt. Zij is de Koningin des hemels, wanneer zij zich nederwerpt voor den troon van God, vereenigt zich geheel de hemel met haar in gebed. Zij is de schatbewaarster des hemels, de uitdeelster der genaden, zij schenkt hare gusten aan wie zij wil, wanneer zij wil en gelijk zij wil. quot;Wie is dan in staat over ons te i-egevieren, als Maria met ons is ? Noch de wereld met hare verleidingen, noch het vleesch met zijne zinnelijke lusten, noch de duivel met zijne macht;— alles moet wijken voor de macht van Maria.— M. B., om dien bijstand van Maria te bekomen, behoeven wij slechts haar dien te vragen. Is Maria niet onze moeder ? Kan nu eene moeder wel zien, dat haar kind bedrukt is, zonder het te helpen ;— kan zij wel de noodkreten hooren van haar geliefd kind, zonder aanstonds te hulp te snellen ?— Eene moeder die haar kind verlaat, zich over hetzelve niet bekommert, is zij niet een monster in de natuur?— En toch eerder zouden alle moeders hare kinderen verlaten, dan dat Maria ons hare hulp zou ont trekken.— Hare liefde tot ons, gaat de liefde te boven van alle moeders te zamen tot hare kindereu. Wilt gij weten hoezeer Maria u bemint f— Bedenkt dan wat zij ter uwer liefde gedaan heeft. Zij heeft uit loutere

ocr page 253

— 241 —

liefde tot ons hare kinderen, het offer gebracht van Jesus haren Zoon, haren God, haar leven, haar al. En nu zij u kan helpen, ten koste van een enkel woord,— zou zij dat weigeren ? Onmogelijk. — Wilt gij dus volharden M. B., roept dan den bijstand in van de moeder der volharding. — Maria wordt genoemd de „deur des hemelsquot;; — allen die den hemel binnentreden, treden dien binnen door haar, en niemand wordt zalig zonder haar — Zij is de „ster der zeequot;. — omgeven door klippen, heen en weer geslingerd op de baren der onstuimige wereldzee, zouden wij onvermijdelijk schipbreuk lijden, bijaldien wij onze oogeu afwendden van Maria, — de ster der zee. Wee hem ! wee haar ! die de devotie tot Maria verwaarloost, die dezelve veracht, die de godsvrucht tot die goede moedor, van kleingeestigheid en onzin zou durven beschuldigen! In het uur des doods zullen zijne oogen opengaan, hij zal inzien, maar te laat misschien zijne dwaasheid ; hij zal misschien nog verlangen Maria tot voorspreekster te hebben voor den rechterstoel van (rod ; maar hij zal haar niet durven aanroepen, dewijl hij haar zijn leven lang veracht heeft. Op zoo iemand zal bewaarheid worden dat verschrikkelijk gezegde van den H. Bonaventura: „Qui Mariam neglexerit, in peccatis morietur. Die de godsvrucht tot Maria verwaarloost, zal in zijne zonden stervenquot;. — Geluk daarentegen en heil aan hen, die tijdens hun leven, die goede moeder vereerd en bemind zullen hebben! O welke zoete herinnering op het sterfbed zal voor een christen de gedachte zijn: ik heb wel is waar gezondigd, ik heb tijdstippen in mijn leven gehad van zwakheid en val, maar ik heb nimmer de devotie tot Maria verwaarloosd, ik heb haar aangeroepen toen ik gevallen was, en met

16

ocr page 254

— 242 -

behulp van haar ben ik weder opgestaan — ik ben zooveel mogelijk op hare feestdagen tot de H. H. Sacra menten genaderd, ik heb zooveel mogelijk dagelijks ter barer eer den rozenkrans gebeden, zoo dikwijls verzuchtingen en schietgebeden tot haar opgostierd, zoo vele sermoenen haar ter eere aangehoord, ik heb zoo dikwijls den lof der H. Moedermaagd hooren verkondigen, enz. — Dat alles zal u troosten op uw sterfbed, en ik voeg er bij, — dat alies is een zeker voorteeken uwer eeuwige zaligheid; want een dienaar, eene dienares van Maria gaat niet verloren, zegt de H. Alphon-sus. Eindelijk ;

III. Maria is eene milde beloonster dergenen, die volharden. Als beloonster vooral, treedt zij op bij den dood, — op het oogenblik dat het werk onzer volharding bekroond gaat worden. Hoe gaarne herinner ik mij den troostvollen dood der kinderen van Maria. — Ik stel mij voor eenen gelukzaligen Joannes Bercbmans, die op zijn sterfbed den rozenkrans tusschen zijne vingeren knelde, en opgetogen was van vreugde, omrat hij dien tijdens zijn leven zoo dikwijls gebeden had. — Hij stierf in een gloed van liefde tot Maria, onder het uitspreken van haren zoeten naam. — Ik denk ook zoo gaarne aan eenen H. Stanislas Kostka, die tijdens zijne korte loopbaan, eene zóó teedere liefde had tot die goede moeder, dat men hem dikwijls zag weenen, als hij den naam van Maria maar hoorde uitspreken; die engelachtige jongeling had het geluk te mogen sterven, daags vóór het feest der Hemelvaart van Maria; zeggende dat hij dat schoone feest zijner goede moeder in den hemel ging vieren. — Ik zie een H. 41phon-sus, op zijn sterfbed in verrukking treden van liefde, toen hij zag dat Maria hem verscheen, — en in die verrukking van liefde, gaf die groote dienaar van Maria

ocr page 255

— 243 —

den geest, onder het luiden van den „Engel des Hee-ren.quot; — Ik meen te liooren dien vreugdekreet, die opsteeg uit de borst van den geleerden en vromen Sal-meron op zijn sterfbed ; „Ik ga naar den hemel, ik ga naar den hemel, gezegend zij het uur, waarop ik heb aangevangen Maria te dienen en te vereeren, gezegend de sermoonen en preeken, die ik ter harer eer gehouden hebquot;.— Zoo sterven zij, M. B , die tijdens hun leven eene teedere godsvrucht gehad hebben tot Maria. Die dood zal ook de uwe wezen, als gij zulks verlangt. Ik roep tot getuigen hemel, aarde en hel, — niemand van hen, die eene teedere, oprechte en volhardende devotie tot Maria gehad hebben, sterft zonder hoop zonder vreugde. — Opent de hel in hare peillooze diepte;— onder die millioenen verdoemden is nief één ware dienaar van Maria. Een dienaar van Maria, zegt ue H. Alphonsus, gaat niet verloren. Van den anderen kant, mocht het u eens vergund wezen een blik te werpen in den hemel, dan zoudt gij zien, dat die ontelbare gelukzaligen die de eeuwige vreugde genieten, allen zonder uitzondering, uitstekende dienaren geweest zijn van Maria. En hier op aarde,— vindt gij daar niet onophoudelijk bewijzen harer moederlijke goedheid ! Telt eens op die duizenden genezingen, die ontelbare bekeeringen en gebedsverhooringen, door Maria bewerkt—- Geen enkel leed of het wordt gelenigd, bijaldien men slechts zijne toevlucht neemt tot haar. Maar vooral in het uur des doods, in dat gewichtig uur, houdt zij er van, hare diensten aan te bieden. — Indien er een tijdstip in ons leven is, waarop wij eene machtige bescherming noodig hebben, is hot ongetwijfeld, dat van onzen dood ; waarop wij oen laatst vaarwel moeten zeggen aan alles wat ons omringt;— pijnlijk tijdstip, waarop onder begeleiding van hevige pijnen, de ziel zich van het lichaam

ocr page 256

— 244 —

scheidt, — gevaarlijk tijdstip waarop de duivel zijne laatste krachten inspant, — beslissend tijdstip ; want het geldt hier eene eeuwigheid. Green moed verloren, M. B., de bijstand van Maria is ons alsdan verzekerd. quot;Wanneer in dien laatsten stond, uwe oogen zullen beginnen te verduisteren, gereed om zich voor immer te sluiten, en voor de laatste maal een zwakken blik zullen werpen op hare beeltenis,— wanneer uwe bevende kille handen ter nauwernood het kruisbeeld meer kunnen omknellen, wanneer uwe stervende lippen zich zullen bewegen om voor de laatste maal, den zoeten naam uwer goede moeder te stamelen; dan M. B., zal Maria in de nabijheid staan van uw doodsbed, en zich gereed houden uwe volharding te beloonen. — Zij zal zich herinneren, u tijdens uw leven zoo dikwijls te hebben hooren zeggen : „H. Maria, moeder Gods, bid voor ons zondaars, nu en in het uur van onzen dood.quot; Dan zal zij tot u zeggen; Hier ben ik mijn kind, nog een oogenblik, en uwe wenschen gaan vervuld worden.— Dat oogenblik is eindelijk daar, uwe ziel vol hoop en brandende van liefde tot Grod, verbreekt de laatste banden die haar aan het lichaam kluisteren, en staat onmiddelijk daarna voor den rechterstoel van Grod. M. B., is het verschrikkelijk zich te bevinden, alleen met God, — beladen met zonden, in de tegenwoordigheid te staan van den driewerf heiligen God, die in zijne engelen zelfs vlekken aantreft, — voor den rechterstoel van Hem die getuige is geweest onzer gedachten, begeerten, woorden en werken ; zeker die gedachte is verschrikkelijk ; maar M. B., gij, neen, gij zult daar niet alleen staan, gij zult Maria aan uwe zijde hebben als voorspreekster en middelaarster. O hoe zoet zal ons toeklinken die uitnoodiging van God : Kind van Maria, klim op ten hemel.— En daarboven in den hemel.

ocr page 257

— 245 -

welk geluk 1 welke vreugde zal daar ons deel zijn ! Daar zullen wij die teedere moeder bedanken, die onze zaligheid bewerkt heeft, daar zullen wij die hand kussen, die ons zoo dikmaals van de hel bevrijd heeft; daar zullen wij bewonderen die verrukkelijke schoonheid die meer dan achttien eeuwen reeds de Cherubs on Serafs verrukt heeft, cn hen de gansche eeuwigheid door verrukken zal.— Moget ook gij aan hun geluk eenmaal deelachtig worden, ziedaar een laatste wensch, dien ik u ton slotte toevoeg. Tc dien einde M. B., bid ik u, uit liefde voor uwe onsterfelijke zielen, laat geen enkelen dag voorbijgaan, zonder Maria te vereeren en aan te roepen ; bidt haar ten tijde der bekoring, — roept haar aan te midden van uw leed en kommer,— toont eindelijk door woord en daad dat gij hare waarachtige kinderen zijt; en gij zult in de genade volharden, en door bemiddeling van Maria den hemel binnengaan. M. B., een laatste plicht blijft ons te vervullen over. Wij moeten ons nog aan Maria toewijden, wij moeten ons nog aan haar opofferen en haar do verzekering geven, dat wij haar steeds als eene teedere moeder willen beminnen, in haren dienst verlangen te volharden cn onder haar geleide eenmaal den hemel hupcn binnen te gaan. Ik ga u, uit uw aller naam aan die goede moeder toewijden , ik ga haar zeggen, dat gij haar volkomen wilt toebehooren en alle overige dagen uws levens tot het getal harer kinderen wilt behooren. Knielt dus allen neder, en herhaalt met het hart de woorden die ik u met den mond ga voorzeggen: „Maria, moeder van God, maar tevens ook onze moeder. Koningin van hemel en aarde. Ziehier aan uwe voeten eeije zoo talrijke schaar van jongelingen en mannen, die verlangen hunne harten aan u ten offer te bren-

ocr page 258

— 246 —

gen. Wij zeggen n dank, voor alle gunsten en genaden, in den loop der Meimaand genoten. Indien wij ons niet bevirden in het diepst der hel, te midden der duivelen en verdoemden, om daar voor eeuwig te branden,— indien het ons vergnnd is, nog immer met vertrouwen onze blikken hemelwaarts te richten, en te mogen zeggen; eenmaal zal die schoone hemel mijn loon zijn,— dan zijn wij dat verschuldigd, aan uwe moederlijke goedheid. O moeder vol van liefde ! waarom hebben wij ons altijd niet als uwe kinderen getoond ! waarom zijn wij ondanks uwe goedheid, u zoo dikwerf ondankbaar geweest! O vergifienis, lieve moeder ! wij verafschuwen onze zonden, van dit oogenblik af behooren wij aan u,— Ontvang hot offer onzer harten. Zij zijn wel is waar uwer majesteit onwaardig; doeh wees niettemin onze moeder, wij willen uwe kinderen zijn. Al wat wij hebben en al wat wij zijn wijden wij u toe, voor den tijd en de eeuwigheid.— Lieve moeder, aanvaard van uit den hemel ons offer, en zegen ons. Geef, dat wij u iederen dag van ons leven aanroepen , sta ons bij in het uur van onzen dood, geef dat wij uwe barmhartigheid mogen bezingen gedurende de gansche eeuwigheid. Amen,quot;—

ocr page 259

XXVIII.

Kruisdagen.—

De Kerk, M. B., viert morgen en de twee volgende dagen, over de gansche aarde, de zoogenaamde Kruisdagen; in het latijn: „Rogationesquot;,— bid- of smeekdagen. Zij zijn eene instelling der Kerk, eerbiedwaardig om haren oorsprong, verheven om haar doel en hare be-teekenis ; — daarenboven passen de Kruisdagen zoo volkomen aan onzen tegenwoordigen tijd, dat ik mij gedrongen gevoel, u daarover dezen avond een woordje te zeggen.—

De instelling der Kruisdagen dagteekent van omstreeks het midden der 5e eeuw; zij mogen dus wegens haar 1500 jarig bestaan, terecht tot de oudste instellingen der Kerk gerekend worden. Zij werden ingesteld door den H. Mamertus, bisschop van Vienne in Dauphiné; bij gelegenheid van allerlei rampen, onheilen en plagen, die toen een gedeelte van Grallië, in het bijzonder het bisdom van Vienne teisterden.— Luistert eens hoe de zaak zich toedroeg.— Sedert dat de Bourgondiërs, in het jaar 413, zich hadden meester gemaakt van dat gedeelte van Gallië, werd Dauphiné voortdurend door allerlei rampen bezocht. Aardbevingen deden zich onophoudelijk gevoelen, en stortten

ocr page 260

— 248 —

de sterkste gebouwen ineen, — hevige branden waren aan de orde van den dag, — alle naobten hoorde men een onderaardsch gedruisch, dat den nabijzijnden ondergang der stad scheen te voorspellen.— De wilde dieren, verlieten op klaarlichten dag, van angst en schrik de bosschen, en vertoonden zich in de straten en op de pleinen dor stad.— De schrik steeg ten toppunt, bij gelegenheid van eenen vreeselijken brand in den nacht van Paschen, van het jaar 469, terwijl al het volk in de kerk was tot de viering der H.H. Geheimen. Dswijl een ieder beducht was voor zijn eigen huis, stroomde al het volk uit de kerk, om te redden wat te redden was; zoodat de H. bisschop alléén in de kerk achterbleef, en neergeknield voor het altaar al weenende tot God bad, om diens toorn en gramschap te bedaren.— \'t Was toen, dat hij het plan vormde tot bet instellen van bid- of smeekdagen, teneinde van Go;l te verwerven, dat Hij een einde mocht stellen aan de zware beproevingen, waaronder zijn bisdom gebukt ging. Zijn gebed werd verhoord ; bij het aanbreken van den dag, hield de brand eensklaps op. Het volk getroffen door die zichtbare tus-schenkomst Gods, keerde gezamenlijk naar de kerk terug, om den H. Dienst voort te zetten. De H. Mamertus, dankte na afloop der plechtigheden God, voor zijne zichtbare bescherming,—hield eene toespraak tot het volk, waarin hij zeide, dat bet gebed en de boetvaardigheid de eenige middelen waren om den toorn Gods te stillen, — en maakte hen tevens bekend met het plan dat hij had opgevat, tot het instellen van bid- en smeekdagen, ten einde de herhaling van soortgelijke onheilen te voorkomen.— Zij zouden bestaan in eenen driedaagschen omgang of processie, in vasten en openbare gebeden.— Al het volk stemde

ocr page 261

— 249 —

met het plan des bisschops in, en men koos daartoe nit, de drie dagen die het feest O. H. Hemelvaart voorafgaan. De H. bisschop bestemde tot statie der processie op den eersten dag, eene kerk niet ver buiten de stad gelegen.— De deelname aan die processie was zóó algemeen, en de ijver en godsvrucht der geloovigen zóó groot, dat de H. bisschop in de volgende jaren, den bidweg meer en meer verlengde. Die godvruchtige oefening verspreidde zich weldra buiten de stad en het bisdom van Vienne.— De H. Cesarius van Aries, die in 506 het Concilie van Arles voorzat, spreekt van die processiën op de Eruisdagen in dier voege, alsof zij destijds reeds in een groot gedeelte van Gallie ingevoerd waren.— Omstreeks het begin der 6e eeuw, werden zij ingevoerd in de overige provinciën van Gallië,— en van af dien tijd tot heden, worden de Kruisdagen onafgebroken gevierd in alle Kerken van Frankrijk.— Van uit Frankrijk gingen de Kruisdagen over naar Spanje, omstreeks het begin der 7e en naar Rome op het einde der 8e eeuw, onder Paus Leo III. De Kerk van Milaan, evenals alle anderen, voerde vroegtijdig de kruisdagen in ; maar uit eerbied voor een oud gebruik, waarbij tijdens den Paaschtijd het vasten verboden werd, verplaatste zij de Kruisdagen, op de drie eerste dagen der week na Hemelvaart. De plechtige omgangen of processiën, die op de Kruisdagen gehouden werden, verlevendigen in hooge mate onder de geloovigen, den geest des ge-beds en der boetvaardigheid. Het Concilie van Mainz in 813 gehouden, beval den geloovigen, de processiën der Kruisdagen bij te wonen in boetgewaad en blootsvoets,— tenzij zij door ziekte daarin verhinderd waren. En een oud Romeinsch Ritueel, dat minstens van de !0C eeuw dagteekent; na de instelling der Kruis-

ocr page 262

— 250 —

dagen door den H. Mamertus vermeld te hebben, drukt zich volgenderwijze uit: „Tijdens die dagen, moet niemand kostbare kleederen dragen, alle uitgelatenheid en zinnelijkheid moet vermeden, alle feestmalen moeten uitgesteld worden. Niemand mag te paard aan de processie deelnemen; maar allen moeten blootsvoets gaan. quot;Want de Kruisdagen zijn dagen van boete en versterving, en niet van vermaak en plezier. Tijdens die drie dagen, moeten dienstknechten en meiden vrij zijn van arbeid; opdat iedereen deel kunne nemen aan de openbare smeekgebeden der Kerk. Het zijn eindelijk dagen van vasten en onthouding van vleeschquot;. Ziedaar M. B., de viering der Kruisdagen in vroege-ren tijd. Ziedaar teveus een bewijs voor de tucht der Kerk in vroegoi e eeuwen. Om aan die processiën nog meer luister bij te zetten, was men gewoon om ook de beelden der Heiligen, vooral het beeld van de Moeder Gods en de beelden der patroonheiligen van iedere parochie, tijdens de processie, plechtig rond te dragen. Door het ronddragen van de beelden der heiligen, noodigen wij om zoo te zeggen de triomfeerende Kerk in den hemel uit, om hare gebeden liij de onzen te voegen. Ten einde de geloovigen op die drie dagen, tot boetvaardigheid en leedwezen over hunne zonden te stemmen, bestond eertijds in vele Kerken het gebruik, om op den eersten Kruisdag onmiddelijk vóór de Mis, de asch te zegenen en die aan de geloovigen uit te deelen, evenals thans op Aschwoens-dag, den eersten dag van de 40 daagsohe vasten. Dit gebruik bestond te Lyon, te Vienne, te Tours en nog in eenige andere Kerken van Frankrijk. Ook de Kerk van Milaan heeft tot in deze laatste tijden dat godsdienstig gebruik onderhouden, dank aan den ijver van haren heiligen bisschop den H. Carolus Borromaeus,

ocr page 263

— 251 —

die de proeessiën der Kruisdagen in persoon leidde, eiken morgen prookto, om het volk tot boetvaardigheid op te wekken, verder die dagen op water eu brood vastte, en wilde dat alle geestelijken evenals hij, de oefeningen der Kruisdagen vlijtig zouden bijwonen. In de eerste tijden na de instelling der Kruisdagen, waren alle slafelijke werken verboden, evenals op Zon- en Feestdagen; maar het schijnt dat dit verbod niet lang van kracht is geweest, en dat de verplichting om die dagen te heiligen, weldra beperkt werd tot het bijwonen der Mis en het deelnemen aan de processie. — Hetzelfde valt te zeggen van de verplichting van de vasten. — In de 6° eeuw, zooals blijkt uit het eerste concilie van Orleans, gehouden in 511, waren de Kruisdagen vastendagen; maar in het vervolg schafte ds Kerk de verplichting van te vasten af, uit hoofde van den Paaschtijd, die een tijd van vreugde is, en stelde zich tevreden met de onthouding van vleesch voor te schrijven, waarin ook in de laatste jaren in vele bisdommen gedispenseerd wordt. — Nog ééne omstandigheid. — De Kruisdagen worden ook nog genoemd de kleine Litanie, — in tegenstelling van de groote Litanie, den 25 April op het feest van St. Marcus. Het woord Litanie is een grieksch woord, dat beteekent gebed of smeeking. In hot begin der Kerk verstond men onder litaniën, zekere korte en vurige gebeden, die uit hoofde hunner kortheid door het volk gemakkelijk konden onthouden en gezongen worden, vooral het „Kyrie eleison.quot; Het Kyrie eleison was te Rome in de Mis ingevoerd reeds vóór de 6C eeuw. De H. (iregorius op het einde der 6c eeuw, voegde er het „Christe eleisonquot; bij. Sedert dien tijd werd het in alle kerken van het Westen ingevoerd, en voegde men er buiten den Mistijd nog de aanroeping bij van onderscheidene

ocr page 264

— 252 —

Heiligen, die in verschillende klassen onder het „Kyrie elcisonquot; gerangschikt werden. Zoo kwam de litanie van alle Heiligen tot stand; de oudste van alle litaniën der Kerk; vermits zij reeds te Rome; onder den H. Gregorius in gebruik was en waarschijnlijk nog veel hooger opklimt. Deze litanie, alsmede nog eenige andere werden vroeger gezongen op plechtige processiën, die de bisschoppen, bij sommige buitengewone gelegenheden voorschreven ; om aan God eene of andere gunst te vragen, of van eene of andere ramp bevrijd te worden. Daarom werden die processiëu zeiven, waarop die litaniën gezongen werden, dikwijls litaniën gehee-len. De Kerk wil, dat nog ten huidigen dage als eene herinnering aan dat oud gebruik, op het feest van den H. Marcus en de Kruisdagen, minstens door de priesters, de litanie van alle Heiligen gebtden worde. Ziedaar M. B, eene korte verhandeling over de Kruisdagen. Het eenvoudig verhaal dat ik u heb gedaan van de Kruisdagen, alsmede van het doel, dat de Kerk zich heeft voorgesteld met derzelver instelling, toont u genoegzaam, in welken geest wij die dagen moeten doorbrengen. Wij mouten ze boschouwen als dagen bijzonder bestemd, om door gebed en boetvaardigheid den toorn van God te bedaren, en de rampen af te wenden waarmede wij bedreigd worden, tot straf voor onze zonden. De gelegenheid, die aanleiding heeft gegeven tot de instelling der Kruisdagen, waren de buitengewone rampen, die destijds sommige gewesten teisterden. Maar M. B., geeft eens acht op al die rampen, plagen en onheilen, die tegenwoordig niet enkele gewesten, maar de gansche wereld treffen, — en gij zult met mij instemmen, dat de Kruisdagen tegenwoordig even goed als vroeger reden tot bestaan hebben. Aanschouwt eens de ram-

ocr page 265

— 253 —

pen der Kerk,— de vervolging die zij in haar hoofd, in hare leden, in haar gezag te lijden heeft,— de verzwakking van het geloof,— de toename van het zede-bederf en tal van andere geestelijke rampen, veel pijnlijker voor het hart van een christen, dan alle stoffelijke rampen ;— ziet verder eens die reeks van slechte oogstjaren, den duren tijd, ziekten onder menschen en onder het vee, overstroomingen, aatd-

bevingen, enz..... en gij zult tot de overtuiging komen,

dat de Kruisdagen ook thans nog noodzakelijk zijn. Welaan dan M. B., tracht die dagen zooveel mogelijk te vieren door het bijwonen der H. Mis, het deelnemen aan de processie, maar nog meer met uwe harten te stemmen tot berouw en boetvaardigheid; want dat is het groote middel om Gods toorn te bedaren, zijne gramschap te stillen; en zijne zegeningen af te trekken. Amen,—

ocr page 266

XXIX.

Feest van het, Goddelijk Hart van Jesus.—

Ik lees M. B,, in het leven der H. Gortrndis, dat zij op zekeren dag in geestverrukking vervoerd, eene verschijning had van den H. Evangelist Joannes, — en den Heilige hare verwondering te kennen gaf, dat hij, die tijdens zijn leven, de harte vriend van Jesus geweest was, die op het laatste avondmaal aan Jesus\' borst had mogen rusten, hij die onder alle apostelen de geheimen vaa dat Groddelijk Hart het diepst had mogen door .-ronden ;— waarom hij in zijne geschriften, ons zoo weinig van dat goddelijk Hart mededeelt. Ik had slechts last, g if de H. Joannes haar ten antwoord, voor do opkomende Kerk het geheim der Menschwording van het ongeschapen Woord neer te schrijven; maar wat de zoetheid van dat goddelijk Hart betreft; heeft God zich voorbehouden die eerst in latere tijden te openbaren, om do liefde die dan in de harten der menschen verkoeld zal zijn, op nieuw te ontvlammen. Die latere tij Jen, waarvan de apostel der liefde spreekt, zijn de tijden die wij beleven, waarin de harten der menschen koud en onverschillig zijn geworden voor het goed, afkeerig van de beoefening der deugd, geneigd tot al wat aardsch en stoffelijk

ocr page 267

— 2BB —

is, brandends en smachtende naar wellust en zinnelijkheid. — «Mij, roept God uit bij monde van den profeet, mij hebben zij verlaten, en hun hart; dat is hunne liefde, hebben zij overgebracht op het schepsel\'\'. Ziedaar M. B., het eerste gedeelte der boven vermelde voorspelling vervuld ; de verkoeling namelijk der harten, of de verflauwing der liefde tot God. Maar M. B , en dit moet ons troosten, ook het tweede deel der voorspelling zien wij, alhoewel nog in het verschiet in vervulling treden : de opwekking namelijk derzelfde harten, uit dien staat van koude en onverschilligheid, tot blakenden ijver, brandende liefde en offervaardigheid in den dienst van God, — en die verandering zal tot stand komen door de devotie tot het goddelijk Hart van Jesus. — Parochiën, waarin genoemde devotie is opgericht, zijn binnen weinige jaren gansch hervormd geworden ; — daar heerscht een levendig geloof, eene voorbeeLiige zedigheid, een veelvuldig gebruik der HH. Sacramenten, even zoovele heilzame vruchten van de devotie tot het goddelijk Hart van Jesus. — Ik voel mij gelukkig over die voortreffelijke devotie tot u, leden der H. Familie, te mogen spreken, en nog veel gelukkiger zou ik wezen, als ik in de harten van allen, de devotie tot Jesus\' goddelijk Hart mocht opwekken of nog vuriger ontvlammen. Te dien einde ga ik trachten, u Jesus\' goddelijk Hart te leeren kennen, ik wil beproeven u de eigenschappen en hoedanigheden voor te houden waarmede Jesus\' Hart is toegerust, opdat gij daaruit zoudt leeren, hoe bovenmate Jesus\' Hart, onze liefde waardig is. — „O goddelijk bart van van Jesus! bron van liefde, leerstoel der wijsheid, dat om uwe schoon- en voortreffelijkheid, alle aardsche schoonheid ver overtreft, voorwerp dat het geluk

ocr page 268

- 256 —

uitmaakt der rechtvaardigen hier op aarde, de zaligheid der heiligen, de bewondering der engelen, de wellust van geheel het hemelsch hof; — u o goddelijk Hart, wenschen wij heden, wat meer van nabij te leeren kennen, doch tevoren verlangen wij U, Jesus! en uw Goddelijk Hart te groeten, u onze hulde, onzen eerbied te bewijzen, en over onze harten den zegen van uw Goddelijk Hart af\' tesrnee-ken. door de bemiddeling van uwe en onze moeder Maria : „Wees Gegroet,quot; enz.

M. B,, ik moet u de eigenschappen, de hoedanigheden doen kennen van Jesus\' aanbiddelijk Hart. Wie is daartoe in staat\'? — Ik ? Noen, verre vandaan: — stoffelijke, natuurlijke zaken bespreken, daartoe zijn wij menschen in staat; in de geheimen echter van Gods Hart binnen te dringen, dat vermag geen sterling, geen schepsel. — Wij kunnen niettemin, voorgelicht door het geloof, en geholpen door do genade Gods. een flauwen blik werpen in het binnenste van dat goddelijk Hart, — wij kunnen de eigenschappen van Jesus\' Hart gevoegelijk tot ééne herleiden, namelijk ; tot de liefde, wijl in de liefde alles besloten is. Maar welke liefde V De liefde van Jesus\' Hart is eene ongeschapene, eene eeuwige, eene oneindige liefde. Een ieder onzer mag zeggen: Voordat ik bestond, vooraleer mijne ouders geboren waren, beminde mij God, — ja, op een tijdstip waarop buiten God niets bestond, waarop hemel en aarde, zon en maan, dieren en planten, nog in het niet verzonken lagen, was ik reeds in Gods scheppende Voorzienigheid, het voorwerp der liefde van Zijn minnend Hart, — Hij immers verklaart, bij monde van den profeet Jcremias : (XXXI, 3.) „Met eene een loige liefde heh ik u bemind.quot; — Hij had er nog bij kunnen voegen: met eene oneindige liefde. Oneindig

ocr page 269

— 257 —

inderdaad is de liefde van Jesus\' Hart. — Oneindig noemt men datgene, wat binnen geene grenzen besloten is. Dusdanig nu is de liefde van zijn goddelijk Hart. „Niemand,quot; zegt de apostel Paulus, „is bij machte de breedte te bepalen, de lengte te meten, de hoogte, aan te geven, de diepte te peilen der liefde van Jesus, die alle begrip te boven gaat.quot; — Doch ik vind in Jesus\' Hart behalve de reeds opgenoemde, nog andere eigenschappen zijner liefde. De liefde van zijn goddelijk Hart, is nog : eene ede.moedige, eene teedere en medelijdende, eene grootmoedige en standvastige liefde. — Ik zeg op de eerste plaats : eene edelmoedige liefde. — Met de grootste edelmoedigheid bracht Jesus het offer zijner rijkdommen, zijner glorie, zijner rust, en eindelijk het offer zijns levens. Hij bracht, zeg ik : het offer zijner rijkdommen. — Als Schepper immers des heelals, kon Hij naar willekeur als Heer en Meester over alle schatten en rijkdommen van hemel en aarde beschikken. Doch Hij bracht edelmoedig alles ten offer. In een armen, kouden, open stal komt Hij ter wereld, — arme versleten lompen dienen tot windselen van zijn teeder lichaam, — redelooze dieren maken zijne omgeving uit, — een handvol stroo is zijn bed, — eene ruwe krib zijn troon. — Het vervolg zijns levens beantwoordde aan het begin. — Jongeling geworden, trad Hij als werkgezel in den winkel vun zijn vader, en toen het uur geslagen was voor de verkondiging van zijn Evangelie, koos Hij zich twaalf arme visschers tot medehelpers, — talrijke scharen volgden Hem ; ja, — maar meerendeels arme menschen, die Hij niet zelden door een mirakel moest spijzen. — En toen het uur geslagen was van zijnen dood, ontdeed Hij zich nog van het weinige dat Hij bezat, van zijne kleederen, — Hij sterft van alles ontbloot, — het

17

ocr page 270

— 258 —

doodskleed zelfs waarin zijn lichaam gewikkeld, en het graf waarin Hij werd neergelegd, behoorden Hem niet in eigendom; maar waren Hem ten geschenke gegeven.

Het Hart van Jesus, bracht op de tweede plaats: het offer zijner glorie en grootheid. Gezeten in het hoogste der hemelen, in den schoot der H. Drievuldigheid, waar Hij de hulde en aanbidding ontving van millioenen engelen,— Hij, de Koning der koningen, en de Heer der heerscharen,— Hij, in vergelijking met Wien het gansche heelal minder is dan een niet,— Hij, die volgens den koninklijken profeet, gedragen wordt op de vleugelen der winden, Hij daalt af van den hemel. Hij vernedert zich en wordt mensch; — \'t is nog niet genoeg,— Hij vernietigt zich. Hij neemt de gedaante aan van een dienstknecht, ja wie zou het gelooven ; Hij wilde den schijn hebben, niet slechts van een mensch, van een dienstknecht, maar van een zondaar;—vandaar het kenteeken der besnijdenis, dat hij in zijn lichaam droeg, en de benamingen van godslasteraar, loor den duivel bezetene, god-delooze, en volksverleider,— die Hem door zijne vijanden werden toegevoegd. Edelmoedig was het Hart van Jesus, door het offer verder dat Hij bracht van zijne rust. Daarboven in den hemel, genoot het Woord in den schoot der H. Drievuldigheid, eene volmaakte rust, eene onverstoorbare kalmte, eene onuitsprekelijke gelukzaligheid.— Doch die rust, die kalmte bracht Hij ten offer uit liefde tot den mensch. Nauwelijks geboren, moest Hij reeds vluchten voor Herodes, en lange jaren in een vreemd land, als balling rondzwerven. Teruggekeerd te Nazareth, trad Hij als kind in de werkplaats zijns vaders, en bracht daar geruimen tijd door, in harden en zwaren arbeid,— rusteloos zwoegende van den morgen tot den avond, voor eene

ocr page 271

— 269 -

beete broods, voor eene schamele verdienste. En wie is in staat ona de vermoeienissen, ontberingen, de uitputtingen te beschrijven, die Hij drie jaren lang doorstond, tijdens zijn openbaar leven! Terecht passen in den mond van Jesuflt;, de woorden van den koninklijken profeet: Van mijne jeugd af, heb ik gezwoegd en gearbeidquot; (Ps. LXXXVI. 16.) De edelmoedigheid, vorderde eindelijk van Jesus\' Hart nog een laatste offer.— Het offer namelijk van zijn geluk. Jesus had, zoo hij wilde, gelukkig kunnen zijn tijdens zijn leven, — maar zijn goddelijk Hart verkoos in plaats van geluk, een leven van onafgebroken lijden, van de bitterste smarten ; een leven van marteling, in den volsteu zin des woords.— M.B., duldt dat ik het zegge; ik gevoel mij niet in staat, u het lijden, de pijnen te schetsen, die dat goddelijk Hart, uit liefde tot ons geleden heeft.— Het heeft geleden al de pijn van den honger en van den dorst, alle ontberingen der armoede,— dat goddelijk Hart heeft ter liefde van ons verguisd belasterd, bespot willen worden.— Maar wat betee-kent dat alles in vergelijking met datgene, wat Jesus leed in het droevig tijdperk van zijn bitter lijden! Maakt u een denkbeeld, als gij kunt, van den afgrijselijken doodsstrijd, dien Jesus leed in den Olijfhof.— Telt de vuist- en stokslagen, die Hem door de soldaten werden toegediend, telt de geeselslagen die zijn vleesch verscheurden, de spitsen die de doornenkroon bevatte, welke op zijn goddelijk hoofd was geplaatst,— telt de bloeddruppelen die uit zijne gapende wonden gutsten.— Van het hoofd tot de voeten, was Jesus\' lichaam ééne bloedige wond. De profeet Isaïas mocht derhalve met recht den Zaligmaker noemen : „den man van smartenquot;;— (Isai. LXII. 3.) daarmede te kennen gevende, dat lijden zijn aandeel

ocr page 272

— 260 —

was, dat alle smarten zich in Hem als vereenzelvigd hadden. En nu vraag ik u, M. B.,— was de liefde van Jesus\' Hart niet eene edelmoedige liefde, die Hem aanzette het offer fe brengen zijner rijkdommen, zijner glorie en rust, het offer van zijn geluk en van zijn leven ? Een edelmoedig hart is doorgaans ook een feeder, eén medelijdend hart.— Ziedaar wat wij bewaarheid zien in het Hart van Jesus. De onder vinding heeft u en mij geleerd, dat deze [aarde een ballingsoord, dat ons leven eene] afwisseling is van leed en kommer, van teleurstellingen en kruisen. En ondanks dat alles, streeft de mensch naar geluk; alhoewel hij vooruit weet, dat een volmaakt geluk hier op aarde niet te vinden is. Nochtans M. B., ik ken een toevluchtsoord in de slagen die ons treffen, ik ken een onfeilbaar troostmiddel in leed en kommer,— namelijk; het goddelijk Hart van Jesus.— Wanneer ik in het Evangelie de levensgeschiedenis van Jesus naga, dan vind ik geen enkele bladzijde, waarop de teederheid, het medelijden van dat aanbiddelijk Hart niet doorstraalt. Nu eens lees ik, dat Jesus diep getroffen was, bij het gezicht dier talrijke schare volks, die Hem volgde en die uitgeput van vermoeidheid op den grond lag, als eene kudde schapen zonder herder. Dan wederom bewogen met het lot van zooveel ongelukkigen, spreekt hij hun toe: „Komt allen tot mij, die heiast en heiaden zijt en ik zal u verkwikkenquot;.— (Matth. XI. 28.) Op zijne rondreizen door de steden en dorpen van Judea en Galilea, bracht men, zoodra men van zijne komst verwittigd was, aanstonds alle zieken en ellendigen der plaats aan zijne voeten ; het waren blinden en stommen, lammen en kreupelen, melaatschen en tal van andere zieken,— sa aan allen gaf Hij, tegelijk met de gezondheid des

ocr page 273

lichaams, ook de gezondheid der ziel weder. Onder alle voorbeelden echter, die het H. Evangelie ons geeft, nopens de teederheid van Jesns\' medelijdend Hart, ken ik geen treffender, dan dat der weduwe van Naïm. Jesus ging, zoo verhaalt de H. Lucas, op zekeren dag, vergezeld van zijne leerlingen, naar eene zekere stad, Naïm geheeten. En toen zij de poort der stad naderden, kwam een lijkstoet hun te gemoet. Het was de eenige zoon ecner weduwe, dien men grafwaarts droeg. Achter de doodskist ging de diep bedroefde, troostelooze weduwe. Jesus, bij dat gezicht werd diep bewogen. Hij wendt zich tot de moeder, en zegt: Ween niet!— Daarop treedt hij nader, raakt de doodskist aan, en zegt: „Jongeling, ik beveel u, sta op.quot; En aanstonds richtte de doode zich overeind, begon te spreken, en Jesus gaf hem weder aan zijne moeder.— Eéne klas van menschen geeft ons het H. Evangelie, voor wie de teederheid van Jesus\' medelijdend Hait geene grenzen kende. Het waren de arme zondaars. Die teederheid ging zoover, dat zijne vijanden hem verweten, dat Hij de vriend der zondaien was. En wat antwoordde Jesus daarop ? Het zijn niet de gezonden, d. i. de rechtvaardigen, maar wel de zieken, dat is de zondaren, die den geneesheer noodig hebben.— Wilt gij M. B., een bewijs van de teederheid van dat goddelijk Hart voor de zondaars ?— Het gebeurde op zekeren dag, dat Jesns zich in den tempel bevond, bezig met het volk te onderwijzen; toen op eenmaal de Schriftgeleerden en Phariseërs, eene vrouw tot Hem brachten, die op overspel betrapt was. „Meester, zeiden zij, tot Hem: ziedaar eene vrouw, plichtig aan overspel,— de wet van Moses gebiedt, zoodanigen te steenigen. Wat zegt gij daarvan?quot;— Al wie onder n

ocr page 274

— 262

zonder zonde is, zeide Jesus, werpe den eersten steen op haar.— Zulk een antwoord hadden zij niet verwacht, — allen verwijderden zich, de een na den ander, sprakeloos en beschaamd, zoodat Jesus ten laatste met de vrouw alleen overbleef. Toen sprak Jesus: „Vrouw waar zijn zij, die u zoo even beschuldigden? Heeft niemand u veroordeeld? Neen, Heer! niemand, zeide de vrouw. Ook ik, zeide Jesus, wil u niet ver-oordeelen. Ga heen, en zondig voortaan niet meer.quot;— Wie uwer kent verder niet de geschiedenis van Maria Magdalena, van die vrouw, die om haar ergerlijk en zondig leven, in Jerusalem als met den vinger werd nagewezen. Magdalena was diep gevallen, zij gevoelde al te zeer hare ellende, zij was bewust van den rampzaligen staat harer ziel. Zij wilde opstaan; maar waar zal zij redding, waar genezing vinden ? M. B., bij het teeder en medelijdend Hart van Jesus. Hoorende dat Jesus aau tafel was bij Simon den Phariseër; snelt zij er heen, en zonder acht te geven op de talrijke dischgenooten die met Jesus aan tafel zaten, valt zij neder aan Jesus\' voeten; —kust, omhelst en besproeit ze met hare tranen, en kan van ontroering geen woord spreken. Maar Magdalena behoefde niet te spreken; het medelijdend Hart van Jesus doorgrondde het geschokte hart der berouwvolle zondares. Hij richtte haar op; „Uwe zonden, sprak Hij, zijn u vergeven, uw groot geloof heeit u gered; ga in vrede.quot; M. B., ik zou niet eindigen, wilde ik u alle voorbeelden opsommen, die het Evangelie ons verhaalt, ten bewijze van de teederheid en het medelijden van Jesus\' goddelijk Hart, — evenmin zou ik eindigen, als ik u al do eigenschappen en hoedanigheden wilde mededeelen, waarmede dat goddelijk Hart ia toegerust. Ik heb u alleen willen spreken over de liefde,

ocr page 275

omdat de liefde in Jesus\' Hart, het meest op den voorgrond treedt, — omdat de liefde van Jesus\' Hart alle overige volmaaktheden in zich bevat.— Ik heb alvorens te eindigen nog één plicht te vervullen, ik moet optreden als de tolk van Jesns\' Hart, ik moet u de verlangens van zijn Hart openbaren.— Wat verlangt Jesns\'Hart van n V— Wederliefde,— doch geene gewone, maar eene buitengewone liefde. Van u, die grootendeels lid zijt van de Broederschap van zijn goddelijk Hart,—van u, die Hem door bijzondere oefeningen en gebeden zoo veelvuldig vereert,— die den feestdag van zijn goddelijk Hart, ieder jaar zoo ijverig viert,— die het voorrecht hebt in uwe kerk eene zoo schoone beeltenis van zijn goddelijk Hart te bezitten,— van u, M. B., vraagt Jesus meer dan van anderen. Tot anderen zegt Jesus, gebiedend; „Diliges Dominum Dewn iuum.— Gij zult den Heer uwen God beminnen.quot; (Deut. VI. 5.) En zoo gij mij niet bemint, schijnt Hij te willen zeggen, zijt gij gevloekt. Gevloekt hij, die den Heer Jesus niet bemint. Maar tot u, spreekt Jesus eene geheel andere taal, en zegt: „Praebe, jili mi, cor tuum mihi.quot; (Prov. XXIII. 26.) Mijn zoon, mijne dochter, schenkt mij uw hart. Jesus vraagt van u de liefde uws harten; dat is: eene liefde die niet enkel op de lippen besloten is; maar zetelt in het hart,— die zich toont in werken. Wilt gij M. B., met eene dusdanige liefde bezield zijn, dan zijt gij gehouden een deugdzaam leven te leiden, de zonde te vluchten, de gelegenheden tot zonde te vermijden, — personen, huizen, gezelschappen, verkeeringen, vermaken te vluchten; die zoo niet zondig, tenminste gevaarlijk zijn voor uwe ziel, — verder zijt gij gehouden, u toe te leggen op de beoefening des gebeds,— en op gezette tijden te naderen tot de H.H. Sacra-

ocr page 276

— 264 -

menten, — in al uwe behoeften en noodwendigheden, zoo geestelijke als tijdelijke, uwe toevlucht te nemen tot het goddelijk Hart van Jesus, — ten laatste de devotie tot dat goddelijk Hart ook in de harten van anderen op te wekken, en nieuwe leden voor de Broederschap aan te winnen.— Er bevinden zich mogelijk onder mijne hoorders, niet slechts rechtvaardigen, vrienden van Jesus\' Hart, — maar ook zondaren, vijanden van dat goddelijk Hart, die dagelijks Jesus\' Hart zoo bitter grieven en bedroeven. Ook u spreekt Jesus toe; u biedt hij aan de schatten zijner goedheid en barmhartigheid, de vergiflenis uwer zonden, de genade der bekeering.— Maar ik ben God zoo ontrouw ge. weest, ik heb mijne goede voornemens in de biecht, mijne beloften aan den biechtvader niet gehouden, ik leef sedert jaren in zonde, ik treed telkens met dezelfde zonden en hetzelfde aanlal den biechtstoel in.— Geen moed verloren !—„Fidelis Deus. God is gstrouio.quot;— (I Cor. I. 9.) „ Veritas Domini manet in aeternvm. Gods rooord blijft waar, in eeuwigheid.quot;—(Ps. CXVI. 2.) „Uhi ahun-davit delictum, superabundavit gratia. Waar de zonde heeft overgevloeid, daar is de genade nog overvloediger geworden—quot; (Rom. V. 20.) Eindelijk M. B , hoe gelukkig zullen wij zijn, als wij na verloop van eenige jaren, met elkander vereenigd zullen zijn in den hemel! Hier op aarde mochten wij Jesus\' Hart vereeren en huldigen, — in den hemel daarentegen mogen wij ons aan Jesus\' Hart ter ruste leggen, en in de omhelzingen van dat goddelijk Hart verzadigd, insluimeren: „In pace in idipsum dormiam et requiescam.quot;— (Ps IV. 9.)

ocr page 277

XXX.

H. Sacramentsdag.

Ik meen van daag den gewonen loop onzer confo-rentiën eens te mogen onderbreken, en u eens (e spreken over het feest van het H. Sacrament; het feest van \'s Heeren lichaam, zooals het in de taal der Kerk genoemd wordt, cn hetwelk wij velleden donderdag gevierd hebben. — Ik wil echtf r de leerstellige zijde, van dat doorluchtig geheim van onzen H. godsdienst liefst laten rusten, om uwe aandacht te vestigen op de gestadige vereering, waarvan dit H Sacrament, in de Kerk steeds het voorwerp is geweest. M. B., het H. Geloof leert ons, dat door de woorden der consecratie, die de priester in de Mis spreekt, het brood en de wijn veranderd worden in het goddelijk Vleesch en Bloed van Christus. Ziedaar het grootste wonder van Gods almacht, wijsheid en liefde. — Het Geloot zogt u ook, dat als gij communiceert onder de gedaante van brood, gij niet alleen het lichaam van Jeaus Christus, zijn goddelijk Vicesch,— maar tevens zijn goddelijk Bloed ontvangt; — want zijn goddelijk Vleesch en Bloed is zoowel onder de enkele gedaante van brood, als onder de enkele gedaante van wijn

ocr page 278

— 266 —

aanwezig. Langen tijd heeft in de Kerk het gebruik bestaan, aan de eenvoudige geloovigen de H. Communie uit te reiken onder beide gedaanten van brood en wijn, — dat gebruik bestond enkel bij wijze van vergunning; want nooit heeft de Kerk daarvan een gebod gemaakt. Daar waren echter ook gelegenheden waarop de geloovigen communiceerden alleen onder de gedaante van brood; bijv.: als men de H. Communie ontving niet in de kerk, maar te huis, — ten tijde van ziekte, van vervolging, enz. — Langzamerhand geraakte echter de Communie der eenvoudige geloovigen, onder beiderlei gedaante in onbruik; hoofdzakelijk wegens de herhaalde toevallen die er plaats hadden bij het uitreiken van den kelk, aan een groote menigte communicanten. Dat in onbruik geraken der H. Communie onder beiderlei gedaante, dagteekent van de 12= eeuw. —\' Men ging zelfs verder: het Concilie van Constans in het jaar 1415, beval dat men zich voortaan moest houden aan het toen gevestigde gebruik, om de eenvoudige geloovigen de H. Communie uit te reiken enkel onder de gedaante van brood. De Kerkvergadering van Trente, heeft later dat decreet van het Concilie van Constans bekrachtigd; doch liet niettemin aan de voorzichtigheid van den Paus, de bevoegdheid over, om aan de geloovigen in bijzondere gevallen het gebruik van den kelk toe te staan; met inachtneming van omstandigheden van plaats en personen, en mot het oog op het nut en het welzijn der Kerk. Evenwel bleef te midden van die wijzigingen der kerkelijke tucht, het ontvangen der H. Communie onder beiderlei gedaanten op sommige plaatsen in zwang. Te Rome communiceeren de diaken en subdiaken, die bij de pauselijke Mis assisteeren, onder beide gedaanten. — Hetzelfde gebruik bestond ook

ocr page 279

— 267 —

eertijds in Frankrijk, in de kloosters van Sint Denis en Cluny, onder de Hoogmis op zon- en hooge feestdagen. Ook de koningen van Frankrijk hebben steeds het voorrecht behouden onder beiderlei gedaante te communiceeren, tweemaal in hun leven: den dag hunner kroning, en in het uur van hunnen dood.

Het H. Sacrament des Altaars is van af het begin, van af het oogenblik zijner instelling door Jesus-Christus, op Witten Donderdag, het voorwerp geweest eener diepe en gestadige vereering. Dagelijks immers in de Mis houdt de Kerk de gedachtenis van het H. Sacrament; doch de instelling van een bijzonder feest ter eere van het Allerh. Sacrament dagteekent eerst van de 13e eeuw. — Ziehier wat daartoe aanleiding gaf. Er leefde destijds eene vrome kloosterzuster, met name Juliana, overste van het klooster Mont-Cornillon, bij Luik; die eene teedere godsvrucht had tot het H. Sacrament. Nauwelijks 16 jaren oud, in 1208, of zij kreeg een visioen, waarvan zij aanvankelijk de beteekenis niet verstond; doch waarvan zij later de verklaring ontving. — God namelijk gaf haar te verstaan, dat Hij in de Kerk een feest wenschte ingesteld te zien ter eere van het H. Sacrament, terwijl zij daarvoor al hare pogingen moest aanwenden. — De vrome Juliana deed wat zij kon, doch had met groote moeilijkheden te kampen. Een gedeelte der Geestelijkheid was haar genegen, een ander gedeelte kantte zich er tegen; niettemin werd in het jaar 1246, op last van den toenmaligen bisschop van Luik, het feest van hel H. Sacrament, voor het bisdom van Luik, op donderdag, na het octaaf van Pinksteren, vastgesteld. Een paar jaren daarna, werd het op bevel der hooge kerkelijke overheid, ook ingevoerd in Duitschland. — Juliana had echter niet

ocr page 280

— 268 —

het geluk, het feest van het H. Sacrament verplichtend te zien voor de gansche Katholieke Kerk,— zij stierf den 5eigt; April 1258; doch gelastte vóór haren dood eene harer vriendinnen, met name Eva, die te Luik in afzondering leefde te zorgen, dat het feest van het Allerh. Sacrament in de gansche Kerk mocht worden ingevoerd. — Hare pogingen waren niet vruchteloos; Faus Urbanus IV, vaardigde in 1264 eene bul uit, waarbij het feest van het Allerh. Sacrament voor de gansche Katholieke Kerk verplichtend werd gemaakt. Doch de dood van Urbanus IV, en de ongelukkige tijdsomstandigheden, belette grootendeels de uitvoering der bul. — De opvolgende pausen evenwel deden hun best, het feest van het H. Sacrament zooveel mogelijk over de gansche Katholieke wereld te verspreiden. Het gevolg daarvan was, dat allengskens het ééne bisdom na het ander, het feest invoerde van het H. Sacrament; zoodat men mag zeggen, dat ten tijde van Luther en Calvijn, namelijk bij het ontstaan der hervorming, het feest van het H. Sacrament in alle Kerken van het Westen was ingevoerd. — Wat dit feest onderscheidt van andere feesten, is de plechtige processie met het Allerheiligste, die sedert eeuwen en eeuwen op Sacramentsdag is gehouden; en nog ten huidigen dage in Katholieke landen plaats heeft. Oudtijds was men gewoon, vooral op Palmzondag, het boek des Evangelies plechtig in processie rond te dragen. Later maakte het boek des Evangelies plaats voor het H. Sacra ment, en terecht; itruners wat is er treffender, dan Grod zelf, ter vereering en aanbidding in processie rond te dragen. Als de Joden met zooveel luister vierden de overdraging van de ark des verbonds,— als de Kerk zelve het gebruik heeft gewettigd, het boek

ocr page 281

— 269 —

des Evangelies, het kruis, de beelden der heiligen,

plechtig in processie rond te dragen ; dan is het nog veel passender, die uitwendige teekenen van eerbied en liefde toe te kennen aan J. C. in zijn H. Sacrament,— te meer daar dit een waardig eerherstel is,

voor den hoon en smaad, dien Hij in zijn H. Sacrament, van ketters, ongeloovigen, en slechte christenen ontvangt. Geen wonder dus dat de Kerkvergadering van Trente, de processie van Sacramentsdag zoozeer aanprijst en verheft,— cn dat geene parochie hoe klein en onbeduidend dun ook, die processie zou willen missen.— Ik zou u voorb( elden kunnen aanhalen van ongeloovigen en vijanden van den godsdienst, die weenden van aandoening, bij het gezicht van een God onder broodsgedaante verborgen; die zich door zijne schepselen laat rondragen ;— van protestanten en andersdenkenden, voor wie de processie van Sacramentsdag eene aanleiding was tot bekeering.— Wat onzen eerbied voor het H. Sacrament nog moet ver-hoogen, dat zijn de vele en treffende wonderen die God ten allen tijde, ter eere van het H. Sacrament verricht heeft, en nog van tijd tot tijd verricht.— Herinnert u slechts het H. Sacrament van Mirakel te Amster dam ; het H. Sacrament van Mirakel te Meersen ; en nog zoovele anderen, te lang om op te noemen. Een dier mirakelen waarvan heden de plechtige herinnering gevierd wordt door eene luisterrijke processie,

wil ik evenwel tot uwe stichting mededeelen. Het is bekend onder den naam van het H. Bloed van Boks-^gt;

meer, eene aanzienlijke plaats in het bisdom \'sBosch,

niet ver van onze limburgsche grenzen. In het jaar ^ v 1400, las een priester de H. Mis, in de parochiekerk 4^ van Boksmeer. En ziet, na de consecratie begon hij ^ te twijfelen, aan de werkelijke tegenwoordigheid van ^ £ /, \'r1 ^ C, ft ^ \' *

iu! rf- ^—-5- 4: J

ocr page 282

— 270 —

J. C. in het H. Sacrament. God nu wilde in zijne goedheid den twijfelaar beschamen; want ziet het H. Bloed in den kelk verliet de schijnbare gedaante van wijn, bruischte op in den kelk, en stortte zich over den kelkdoek henen. Met schrik in\' den geest en rouw in \'t harte, bad de priester God vurig, het teeken te laten verdwijnen. En zijn gebed werd verhoord, het H. bloed inden kelk nam zijne vroegere gedaante weer aan; doch dat wat op den doek gestort was, bleef de gedaante van bloed behouden. Deze doek nu met het H. Bloed geteekend, is als kostbaar pand door alle eeuwen heen bewaard. Reeds dadelijk begon de vereering, zoo zelfs dat 30 jaar later, in 1430, de kerk vergroot moest worden, en er 5 altaren in geplaatst werden. In 1480 werd het H. Sacramentsgilde reeds in het H. Bloeds-gilie veranderd. Menige vrome stichting werd er gemaakt; doch dat alles is grootendeels in den loop der tijden door vervreemding te loor gegaan. In 1382 werd ter bewaring van den kelkdoek met het H. Bloed, een prachtig kistje geschonken, een waar kunstjuweel dat ten huldigen dage nog bestaat. De parochiekerk werd in den loop der 15e en 16e eeuw, nog herhaalde malen vergroot en versierd ; terwijl de vereering van het H. Bloed immer steeds toenam. In 1582 waren de tijden zoo woest, dat men het H. Bloed naar Gennip moest voeren, waar het 12 jaar berustte. Doch het grootste gevaar liep het H. Bloed, op het laatst der vorige eeuw, toen de Fransche revolutie alom den kop omhoog stak, en den katholieken godsdienst trachtte te vernietigen. Het H. Bloed moest andermaal verborgen worden. Het werd bij Jan van Oeffeit, metselaar, den 31 Juli 1794, onder vier getuigen ingemetseld; doch den 6 Juni 1795, weer teruggehaald. Dat inmetselen

ocr page 283

en terughalen hield aan tot het jaar 1800. Sedert dien tijd bleef het onafgebroken inde kerk der Paters Carmelieten bewaard; waar het heden nog berust en geloovig vereerd wordt. Ziedaar M. B., een dier tal-looze mirakelen, door God bewerkt ten opzichte van het H. Sacrament, om het geloof aan dit doorluchtig geheim in de harten der mensehen te verlevendigen, en hen tot eerbied en ontzag te stemmen voor zijne aanbiddelijke majesteit.

M. B., ik druk u allen op het hart eenen diepen eerbied en eene teedere liefde tot Jesus in zijn H. Sacrament. Dien eerbied moet gij Hem bewijzen, zoo vaak gij u bevindt in zijne H. tegenwoordigheid, en wel vooral onder de H. Mis. In vele kerken zou men bijna mogen twijfelen, of sommigen wel gelooven aan de werkelijke tegenwoordigheid van Jesus in het H. Sacrament,— te oordeelen namelijk naar hunne oneerbiedige houding en manieren, die zij onder de diensten aan den dag leggen. M. B., toont ook uwen eerbied tot Jesus, bij gelegenheid dat gij processiën bijwoont, waarin het ïï. Sacrament wordt rondgedragen. Woont gaarne zulke processiën bij ; het is eene openbare uiting van uw geloof. Sommigen komen er openlijk voor uit dat zij ongodsdienstig en slecht zijn i g\'j nioogt, ja, moet er voor uit komen, dat gij godsdienstig en geloovig zijt. Niet enkel eerbied, maar ook liefde vraagt Jesus van u in zijn H. Sacrament. En die liefde kunt gij Hem het best betoonen, door Hem dikwijls waardig te ontvangen in de H. Communie. Met vreugde en troost zie ik de maande]ijksche Communie door velen uwer gehouden worden. Toont eindelijk uwe liefde tot Jesus door allen,— oud en jong, deel te nemen aan de generale Communie; in één woord, neemt elke gelegenheid te baat om te toonen

ocr page 284

— 272 —

dat gij geloovige vereerders zijt van Jesus, in zijn H. Sacrament; dan zal Jesus op zijne beurt, u met zegeningen overladen; zijn Goddelijk Vleesch en Bloed, zal uwe kracht, uw steun zijn in dit leven, nw troost op hot sterfbed, en het onderpand uwer eeuwige zaligheid. Amen.

ocr page 285

XXXI.

Eerbied der Geloovigen ten allen tijde, tot het H. Sacrament,—

De wonderen, van tijd tot tijd door God verricht in liet ff. Sacrament des Altaars; zooals b. v. het H. Sacrament van Mirakel te Boksmeer, waarvan ik u in mijne vorige conferentie de geschiedenis heb medegedeeld,— ziedaar M. 13., een eerste middel, om ons geloof en onzen eerbied tot het H. Sacrament te verlevendigen.— Een ander middel ter verlevendiging van ons geloof, zijn de talrijke bewijzen van den diepsten eerbied en het grootste ontzag, waarmede het H. Sacrament ten allen tijde, door de Kerk en de geloovigen omringd is geweest. Die bewijzen zullen dezen avond, de stof nitmaken onzer conferentie.

Den eerbied, dien de Kerk het H. Sacrament toedraagt, kunnen wij vooreerst afleiden, uit tal van verordeningen en bepalingen, die zij gemaakt heeft, met betrekking tot het H. Sacrament. Zoo schrijft b. v. do Kerk voor; dat het H. Sacrament alleen mag bewaard worden in de kerk, op het altaar, in het tabernakel,— alleen mag rusten in gouden en zilveren of ten minste vergulde vaten; die daarenboven door den bisschop geconsacreerd, gewijd moeten worden.—

18

ocr page 286

— 274 -

Streng heeft do Kerk verboden, gezegde vaten, ook wanneer het H. Sacrament daar niet in rust, aan te raken,— geen leek of eenvoudig geloovige mag die aanraken; dat is alleen aan geordende bedienaren der Kerk toegestaan.— Voorts moet dag en nacht vóór het Allerheiligste licht branden. Minstens twee waskaarsen moeten branden op het altaar, onder de H. Mis. Licht moet het Allerheiligste vergezellen, als het gediagen wordt naar zieken. Ook verbiedt de Kerk de geloovigen, eene al te groote toenadering tot het altaar, waar het Allerheiligste rust,— uit dien hoofde is hot koor van het overige gedeelte der kerk gescheiden,— eertijds door eene balustrade of traliewerk,— thans door de Communiebank.— Het koor is ook alleen ten gebruike der geestelijkheid,— daarin mogen geene leeken plaatsnemen.— Uit dien hoofde beval de H. Ambrosius., den keizer Theodosius T, zich uit het koor te verwijderen fn plaats te nemen in de kerk onder de geloovigen. Aanstonds gaf die groote keizer aan dat bevel gehoor, en nooit waagde hij het nog het koor te betreden, ondanks de aanzoekingen van den patriarch van Constantinopel. zeggende; dat hij ten zijnen koste, het onderscheid had leeren kennen, tussehen het bisschoppelijk en keizerlijk purper. Dien eerbied tot het Allerheiligste en die ingetogenheid in Gods huis, liet Theodcsius, als een kostbaar erfgoed na aan zijne opvolgers op den keizerstroon. Al die voorschriften en bepalingen geven klaarblijkelijk te kennen den diepen eerbied, dien de Kerk het H. Sacrament des Altaars toedraagt. Laat ons. nu eens zien uit het voorbeeld der geloovigen, welke hulde en welk ontzag het H. Sacrament des Altaars verdient. Stichten kunnen wij ons vooreerst aan het voorbeeld van zoovele christenvorsten,

ocr page 287

— 275 —

keizers en koningen, die bezield met een levendig geloof, de nederigste hulde brachten aan, en met de vurigste liefde bezield waren tot het H. Sacrament. De eerste christen keizer Constantijn de Groote, telkens als hij, aan het hoofd zijner troepen te velde trok, liet eene tent medevoeren met alle benoodigdheden tot het opdragen van hot H. Sacrificie der Mis;— die tent werd opgeslagén op alle plaatsen, waar het leger kampeerde;— zijne opvolgers op den keizerstroon volgden het voorbeeld van hunnen voorganger; vandaar dat de geschiedenis ons verhaalt, dat elk legioen zijn afzonderlijke tent en zijn eigen priesters had. De H. Lodewijk, koning van Frankrijk, wilde op zijnen kruistocht naar het Heilig Land, vergezeld zijn van het H. Sacrament. Hij stelde hetzelve op de deftigste en eervolste plaats van de koninklijke galei en bracht zoowel des nachts als bij dag, verscheidene uren voor hetzelve in aanbidding door. Bijzondere melding wil ik hier maken van den Fransehen koning Lodewijk XIV, met betrekking tot een feit, dat in een dorp der provincie Limburg, namelijk in de parochie Eijs, onder het dekanaat Gulpen voorviel, en dat ten bewijze strekt van den diepen eerbied, waarmede die groote koning bezield was tot het H. Sacrament. De Franschen verklaarden in het jaar 1G72, den oorlog aan de Staten van Holland; trokken den 17 Mei bij Eijsden de Maas over en vielen in het land van Over-Maas.— Zij maakten zich meester van Valkenburg en vestigden zich blijvend in hot land; dat wil zeggen: zij lieten een staand garnizoen achter van 20.000 man om de stad Maastricht te blokkeeren. Lodewijk XIV herstelde bij die gelegenheid den godsdienst in deze streken, hij schonk den Katholieken hunne kerken terug, herstelde de kerkelijke goederen

ocr page 288

— 27(3 —

en vorderde van de inwoners schatting. Den 18 Mei hield do koning, aan het hoofd van een ontzaggelijk leger, een krijgsraad in de omstreken van Wijk ; waarop o. a. besloten werd, dat de prins van Condé aan het hoofd van oen leger van 60.000 man, zou oprukken naar den Rhijn, om zich van de vesting Wezel meester te maken.— In den naeht van den 24 Mei, bivakoerde eene afdeeling van dit leger in de omstreken van Eijs; want de prins van Condé was van Eijsden naar Gulpen en zoo naar Eijs getrokken, om vervolgens over Heerlen naar Neuss te rukken, waar hij den Rhijn moest oversteken. Den nacht nu van den 24 Mei, waarop eene legerafdeeling van Condé in de omstreken van Eijs bivakeerde; had een Fransoh soldaat de snoodheid, de toenmalige parochiekerk van Eijs, gelegen op den berg, waar thans nog eene kapel staat, door een venster binnen te dringen, en de zilveren ciborie uit het tabernakel te nemen, de HH. Hostiën op het altaar achterlatende. — Eerst te Heerlen, vernam de prins van Condé den heiligschennenden diefstal te Eijs gepleegd; ook de schuldige werd ontdekt; hij had namelijk zijn soldatenmuts, die met een nummer ge-teekend was, in de kerk achtergelaten. De prins van Condé gaf aanstonds kennis van het gebeurde aan den koning, die diep verontwaardigd over den gepleegden gruwel, denzei ven op eene, eenen koning waardige wijze wilde herstellen. — Hij vermaakte dientengevolge tot herstel der oneer, Jesus in zijn H. Sacrament aangedaan, aan de kerk van Eijs eene som van 1000 dukaten of GOGO franken, waarvoor gesticht moest worden eene gezongen H. Mis jaarlijks den 25 Mei, den verjaardag van den gruwel, — daarenboven eene gelezen H. Mis en een plechtig lof, eiken dag onder het octaaf

ocr page 289

— 277 —

van het feest van hut H. Sacrament. — Hij bepaalde voorts, dat er licht zou branden vóór het H. Sacrament, elk jaar in den nacht van den 24 op d n 25 Mei; waaruit men kan opmaken dat tevoren in de kerk van Eijs geen licht brandde voor het H. Sacrament.— Het aandenken aan dien heiligschennenden diefstal werd vereeuwigd door een zwart marmeren steen met opschrift, die in de tegenwoordige parochiekerk, in het koor aan de evangoliezijde, in den muur gemetseld is. — De Fransche koning gaf daarenboven aan de kerk van Eijs ten geschenke, eenc schoone zilveren monstrans, den vorm hebbende van eene stralende zon, en verrijkt met dc wapenen van Frankrijk. Dat vroom aandenken aan de edelmoedigheid van den 1\'ranschen koning is ongelukkigerwijze verdwenen, en berust thans te Duren in Pruisen Ziehier hoe het daar gekomen is.— Wijl de gemeente Fijs, sedert de Fransche revolutie, de interesten niet meer uitkeerde van het kapitaal aan de kerk van Eijs geschonken, zoo meende de toenmalige pastoor Henson, dat genoemd kapitaal voor altijd verloren was, — en was dientengevolge zoo onverstandig, van de monstrans te verruilen tegen (3 koperen kandelaars met een kruis, dat dienen moest om de H. Communie naar de zieken te brengen. De kooper was een zekere Reuter, uit Duren, die de monstrans bewaarde als een voorwerp van kunst. Na zijn dood verkocht haar de weduwe Reuter, ten voordeele van de kapel van het gymnasium van Duren, waar zij tlians dient, om eene relikwie te bewaren van den H. Aloïsius van tionzaga. Pastoor Deutz zaliger, voorganger van den tegen-woordigen pastoor, heeft /.ich veel moeite gegeven, om de gemeente Eijs te dwingen, voornoemd kapitaal weder uitte keeren;— hij is daarin geslaagd door de

ocr page 290

— 278 -

welwillende tusschcnkomst van Mgr. van Bommel zaliger, bisschop van Luik. Doch do monstrans laat altijd nog op zich wachten. — Deze geschiedenis, M. B., doet u zien het levendig geloof van ecncn koning, die zich niet ontzag groote geldelijke offers te brengen, tot herstel der oneer Jesus in zijn H, Sacrament aangedaan. M. B., laat het voorbeeld der Kerk, — dat van zooveel christen vorsten en koningen, — het voorbeeld der Heiligen, en van zoovele eenvoudige, vrome geloovigen ons aanzetten, alle gelegenheden te benutten, om onzen eerbied en hulde te betuigen aan het H. Sacrament. Verschijnt altijd voor het H. Sacrament, in eene eerbiedige houding. De cerbiedigste houding van allen is de knielende. Ik geef toe dat men niet altijd geknield kan zijn,— dat is ook niet noodig; men kan ook staande zijn eerbied-toonen tot het Allerheiligste; het betaamt evenwel eene kniebuiging te doen bij het in-en uitgaan der kerk; — geknield te zijn tijdens de consecratie onder de H. Mis, — geknield den zegen te ontvangen met het Allerheiligste, — te knielen als gij een priester ontmoet, de H. Communie naar een zieke dragende, enz. Draagt ook zorg, M. B., om op zon- en feestdagen, als onder de Hoogmis bij de consecratie, driemaal de klok geluid wordt, eenige oogenblikken uwe bezigheden te staken, en ten minste met het hart het Allerheiligste te aanbidden. Zoo lees ik o. a. van een Franciscaner broeder Bonaventura genaamd. Jat hij eens op een feestdag in de keuken aan zijn werk was, terwijl in de kerk eene plechtige Mis gezongen werd;— hij had wel liever in de kerk dan in de keuken willen zijn, maar de gehoorzaamheid ging bij hem voor alles; — daar hoort hij op eenmaal do klok, de consecratie luiden,— hij keert zich in de keuken naar

ocr page 291

— 270 —

de zijde der kerk, knielt neder en aanbidt eenige oogenblikken in den geest het H. Sacrament. God beloonde dat blijk van hulde,— hij zag alles wat er aan het altaar omging zoo goed alsof hij werkelijk daar tegenwoordig was. — Uwe hulde kunt gij verder nog bewijzen asm het H. Sacrament, met deel te nemen aan de jaarlijksche processie met het H. Sacrament in uwe parochie. — Doch M. B., dat alles is nog maar eene uiterlijke hulde aan het H. Sacrament; — voegt daarbij eene innerlijke hulde; deze kunt gij hel best toonen met dikwijls en waardig Jesus te ontvangen in de H. Communie; dat is het grootste huldebewijs dat gij Hem kunt geven, — daarvoor is zijn Goddelijk Hart gevoeliger dan voor al het overige: „Wie mijn Vleesch eet, .... blijft in mij en ik in hem... zal leven in eeuwigheid.quot; Amen,

ocr page 292

XXXII.

Het H. Sacrament van Mirakel. (Brussel.)

Wat zijn wij gelukkig, M. B., Jesus immer in ons midden te heljben! Zijne tegenwoordigheid in onze kerken, waar Hij schuilt in het tabernakel, onder\' nederige broodsgedaante, is het welke dien luister geeft aan onzen H. Godsdienst, dien gloed. dat leven, hetwelk onzen eeredienst bezielt,— vandaar dat het H. Sacrament des Altaars, met recht de ziel van onzen H. Godsdienst mag genoemd worden-Zoo levendig en bezielend als ons 11. Geloof is, zoo koud en gevoelloos is de eeredienst van andersden-kondon en nietgeloovigen,— hun eeredienst is als een dood, een zielloos lichaam, als een boom zonder sappen, als de schakels van eene keten, zonder verbinding, zonder samenhang,— en dat alles kemt bij gemis aan dat bezielend beginsel, hetgeen ons H. Geloof bezit in Jesus\' tegenwoordigheid in het H. Sacrament.— Geen wonder dan ook dat dit doorluchtig geheim, ten allen tijde het mikpunt is geweest der vervolgingen en aanvallen van de vijanden der Kerk, die tevens niet zelden aan God de gelegenheid boden, de waarachtigheid van Jesus: tegenwoordigheid in het H. Sacrament, door schitterende wonderen te staven.

ocr page 293

— 281 —

Een der beroemdste wonderen van die soort, is de geschiedenis van het H. Sacrament van Mirakel te Brussel, dat ik tot uwe stichting, u dezen avond ga verhalen.— In het jaar 1369, woonde te Enghien^ eene stad in het graafschap Henegouwen, ongeveer vijf mijlen van Brussel, een voorname en aanzienlijke jood, Jonathas geheeten, met zijne vrouw en zijn zoon Abraham. Hij was schatrijk en stond dienvolgens bij de joden in hoog aanzien, die hem voor hun overste of Rabbi hielden; dat is leeraar hunner synagoog.— Die man was bezield met een duivelschen haat tegen Christus, onzen aanbiddelijken Verlosser,— die haat sloeg somwijlen over tot woede en razernij, als hij zag met welken eerbied en ontzag, de christenen hunnen Zaligmaker en God aanbaden in het H. Sacrament des Altaars.— Langen tijd had hij in overleg met andere joden, zijne vrienden, op middelen gepeinsd om zijnen haat op het H. Sacrament des Altaars te koelen.— Ten slotte was zijn plan gemaakt,— hij zou zich eenige HH. Hostiën zoeken te verschaffen, om die op de laagste en snoodste wijze te onteeren.— Hij liet zijn oog vallen^ op zekeren Jan van Leuven, woonachtig te Brussel, die eerst kortelings het jodendom afgezworen en den katholieken godsdienst omhelsd had. — Jonathas kende zijn man,— vooral wist hij, dat hij zeer op geld belust was, en deswege hoopte hij door middel van geld, in genoemden persoon een handlanger te vinden, tot uitvoering van zijn goddeloos plan.— Hij ontbood dan per brief genoemden Jan van Leuven; hem verzoekende zoo spoedig mogelijk naar Enghien te komen; want hij had hem over eene gewichtige zaak te spreken. Die briet was geschreven in de maand October 1369, en werd door een vertrouwd persoon naar Brussel ge-

ocr page 294

— 282 -

bracht, en aan Jan van Leuven tor hand gesteld. Deze l;ad nauwelijks den brief gelezen, of hij spoedt zioh in allerijl naar Enghien en wordt bij Jonathas den jood toegelaten. Deze ontvangt hem met de meeste gul- en vriendelijkheid legt hem het geheim op en maakt hem eindelijk zijn verlangen bekend.— Hij moest op eene of andere wijze eenige geconsacreerde Hostiën zien machtig te worden en hem die vervolgens bezorgen; onder belofte hem 60 goudstukken als belooning te zullen toekennen. Zeven van die goudstukken (het waren Fransche moutons) hangen nog ten huidigen dage aan de monstrans, waarin het H. Sacrament van Mirakel bewaard wordt.— Jan van Leuven, die zooals ik hierboven gezegd heb, van jood christen was geworden, liet zich aanvankelijk niet gemakkelijk overhalen, tot uitvoering van dat goddeloos plan; hij liet zich eindelijk door het geld verblinden, slaat den heiligschennendeu koop toe, en vertrekt weer naar Brussel, om zijn gruwelijk schelmstuk uit te voeren.— Te huis gekomen, overlegt hij bij zich zeiven, hce en waar hij het best zijnen heiligschennenden roof zou plegen.— Hij bespiedt en doorsnuffelt zorgvuldig alle kerken, zoo van binnen als van buiten,— en kiest eindelijk de kerk van St. Catharina uit, die toen ten tijde eene kapel was, gelegen bij de oude vlaamsche poort.— De St. Catharina-kerk was eene bijkerk van de parochie van St. Jan Baptist te Molenbeke, eene voorstad van Brussel. - Genoemde St. Catharina-kapel werd weinig door menschen bezocht; doch er werden toch eenige geconsacreerde Hostiën in bewaard; in geval men soms bij nacht een of\' anderen zieke uit de buurt, de laatste H. H. Sacramenten moest toedienen.— De nieuwe Judas sluipt dan \'s nachts naar de St, Catharina-kapel,— klimt door een venster

ocr page 295

— 283 —

de kerk in,— breekt het tabernakel upon, en neemt de Ciborie weg, waarin zich bevonden 15 kleine geconsacreerde Hostiën en ééne groote.— Zonder door iemand gezien te worden, draagt hij dien heiligen schat weg. Bij het aanbreken van den dag, ijlt hij in alle stilte naar Enghien, stelt de Ciborie met de H. H. Hostiën in handen van Jonathas, en ontvangt als een andere Judas, den prijs die hem was toegezegd,— namelijk 60 gouden moutons.— Uiterst verblijd was de goddelooze Jonathas, nu hij zooals hij zeide, den God der christenen in zijne macht had. Aanstonds gaf hij kennis daarvan aan zijne vrouw en aan zijn zoon, alsmede aan eenige joden van zijne vrienden,— en noodigt hen uit tot eene bijeenkomst in zijn huis.— In hun aller bijzijn nam hij nu de Ciborie, en stortte allo daarin aanwezige H. H. Hostiën al spottende, op eene tafel uit. Aangezet door den duivel stelden die goddelooze joden, er hun vermaak in, het aanbiddelijk lichaam O. H. Jesus Christus op de laagste en gemeenste wijze te onteeren. Het schijnt zelfs, dat zij die ontheiliging herhaalde malen en op verschillende tijden vernieuwd hebben; totdat eindelijk God hunne snoodheid moede, zijn arm deed vallen op den goddeloozen Jonathas, den aanlegger en bewerker van dat heiligschennend gruwelstuk. Nog geen veertien dagen na den eersten gruwel, ging Jonathas vergezeld van zijn zoon Abraham naar buiten, om zich wat te verzetten, zich wat te ontspannen,—en ziet, daar werd hij door eenige straatroovers, die hem sedert lang bespied hadden, vastgegrepen en wreedaardig vermoord. Zijn zoon hevig ontsteld en beducht dat hom hetzelfde lot wedervaren zou, neemt ijlings de vlucht, en komt zijne moeder boodschappen wat er gebeurd is. Deze ziet in den moord van haren man, eene straf des

ocr page 296

— 284 —

hemels, wegens de gepleegde heiligschennis. Bevreesd voor eeno dergelijke straf, indien zij de Ciborie met de H.H. Hostiën nog langer bij zich behield; neemt zij het besluit zich van hiervan te ontdoen. Dientengevolge begeeft zij zich met haren zoon naar Brussel, en stelt de Ciborie met de geconsacreerde Hostiën aan de Brusselsche joden ter hand. Deze ontvingen gretig, den hun aangeboden schat, en plaatsten dien in hunne synagoog; teneinde ook op hunne beurt het H. Sacrament op de schandelijkste wijze te onteeren.—Ter plaatse waar toen genoemde synagoog stond, werd later eene kapel gebouwd, tot boete voor de onteeringcn, welke daar het H. Sacrament waren aangedaan. Do grootste onteering van het H. Sacrament in genoemde synagoog, had plaats op den 4 April 1370, juist Goeden Vrijdag van dat jaar. Nadat zij tevoren\' de HH. Hostiën bespot en gehoond hadden, gingen zij zoo ver die te bespuwen; ja ten laatsto met messen en dolken te doorsteken. En ziet, nu gebeurde het, dat de H. H. Hostiën op verschillende plaatsen overvloedig begonnen te bloeden, tot groote verbaaing en ontsteltenis der joden zeiven, die ondanks dit mi rakel, even verstokt en versteend bleven, als tevoren. De waarheid van dit mirakel wordt bevestigd, door het getuigenis van tal van schrijvers van vroegeren tijd; die allen het bloeden der H. H. Hostiën voor onloochenbaar bewezen honden.—Zoo zegt o. a. Miraeus, een doctor van Leuven, in zijn werk: „de Fastis Belgicisquot; : In de vorstelijke stad Brussel, worden met den diep-sten eerbied bewaard, drie bebloede HH. Hostiën, die in het jaar 1370 door de goddelooze joden onteerd werden.—Door dat mirakel M. B., wilde Christus der wereld een duidelijk bewijs geven, van zijne wezenlijke tegenwoordigheid in het H. Sacrament; om zoodoende

ocr page 297

het geloof der Christenen, aan dit aanbiddelijk geheim te verlevendigen en te bekrachtigen. Dergelijke wonderen als het bloeden van H. H. Hostiën en kruisbeelden, vinden wij op verschillende tijden en plaatsen, in de geschiedenis,en bij de schrijvers vermeld,—Zoo verhaalt ons o. a. de ET. Athanasins een wonder, dat het tweede Concilie van Nicenen, ook als feit erkent, en dat in het Roomsche Martelaarsboek vermeld staat, met de volgende woorden: „Te Beruti in Syrië, wordt den fi November de gedachtenis gevierd,van een mirakuleus beeld van onzen Verlosser, dat door de joden gekruist werd, en zooveel bloed stortte; dat de Kerken van het Oosten en Westen daarmede overvloedig bedeeld werden. Zoo viert de (irieksche kerk nog jaarlijks het feest van een ander beeld, dat ook door eenen jood doorstoken werd, en bloed stortte; waarna hij het in eenen put wierp.—De H, Gregorius van Tours verhaalt ons het volgende : Een jood, schoot op zekeren nacht een pijl af op het beeld van onzen Zaligmaker, en ziende dat daaruit bloed vloeide, nam hij het beeld heimelijk met zich naar huis, om dit wonder aan de kennis der christenen te onttrekken ; doch het bleef bloeden en teekende den ganschen weg met bloed; waardoor de geloovigen tot de ontdekking kwamen van dien heiligschender. Zoo verhaalt eindelijk Surius ons nog, dat in het jaar 1510, zekere Paulus Form, in een dorp van het markgraafschap Brandenbu) g, eenige HH. Hostiën roofde, die verkocht aan de joden, welke deze met messen doorstaken,—en dat daarop die geconsacreerde Hostiën wel drie uren gebloed hebben. De heiligschenders van dien gruwel, werden verbrand ; terwijl aan de andere joden op straffe des doods het verblijf in Brandenburg ontzegd werd. —Kortom, M. R,, Cod heeft herhaalde malen door mirakelen, de tegenwoordigheid

ocr page 298

— 286 —

van Christus in het H. Sacrament, alsmede den eerbied dien men aan het beeld van den gekruisten Zaligmaker verschuldigd is, willen staven. Doch keeren wij tot ons onderwerp terug.—De goddelooze joden van Brussel, bij het zien van het miraculeus bloed dat uit de HH. Hostiën vloeide, werden ontsteld en beraamden middelen, om zich van het H. Sacrament te ontdoen,— uit vrees dat hun gruwel aan het daglicht zou komen en zij streng gestraft zouden worden.—Leeren wij M. B. uit het verhandelde hoe gevoelig God is voor de oneer en den smaad, Hem in zijn H. Sacrament aangedaan; vooral als die smaad hem niet door ongeloovige joden, maar door geloovige christenen wordt aangedaan. Laat ons er op uit zijn, ten allen tijde en bij elke gelegenheid een diepen eerbied te betuigen aan het H. Sacrament.— Doen wij dat als wij in de kerk zijn,—die eerbied strale uit door onze oogen, .. . ooren,.. . tong,... houding van ons lichaam,.... onzen geest, enz.—Door dien eerbied eeren wij God, stichten wij anderen, en belijden wij ons geloof, aan de tegenwoordigheid van Hem die ons eenmaal zal oorieeleu.—

Het gebeurde met de HH. Hostiën op Góeden-Vrijdag van het jaar 1370, verwekte bij de joden de grootste ontsteltenis; zij waren beducht dat hun schelmstuk aan het daglicht zou komen ; weshalve zij naar middelen uitzagen, om zich er van te ontdoen.— Na rijp beraad kwamen zij tot het besluit, de HH. Hostiën, uit Brussel te verwijderen, naar Keulen te doen brengen, en ze daar in handen te stellen hunner geloofsgenooten; die daar ter plaatse vrij aanzienlijk in getal waren.— Te dien einde ontboden zij eene vrouw, Catharina genaamd, die van het Jodendom tot het Christendom was overgaan,— althans uiterlijk, christelijk leefde; doch altijd nog meer

ocr page 299

- 2S7 —

of min omgang hield met de joden.— Aan deze vrouw legden de Brnsselsche joden, onder het diepste geheim, hun voornemen bloot,— en verzochten haar, of zij zich wilde belasten, genoemde HH. Hostiën naar Keulen te brengen, en ze daar in handen testellen van de joden hunne geloofsgenooten, onder belofte van eene milde belooning.— Catharina was aanvankelijk niet te bewegen, tot de uitvoering van dien gruwel. En de stem van haar geweten, èn de vrees voor ontdekking, hielden haar terug. Van den anderen kant, beducht als zij was, dat hare weigering haar duur zou te staan komen ; durfde zij evenwel het verzoek niet ronduit afslaan.— De joden, hare besluiteloosheid ziende, geven haar eenige dagen tijd tot nadenken, en latlt; n haar vervolgens gaan. Ziende dat zij talmde om terug te keeren, laten zij haar andermaal ontbieden, bieden haar een voortreffelijken maaltijd aan,— on dringen na afloop van tafel, krachtiger nog dan tevoren, bij haar er op aan, zich met hun verzoek te willen belasten—Do daad bij het woord voegende, leggen zij haar 20 gouden dukaten voor, met belofte, na hare terugkomst, haar nog milder te zullen beloonen.— De glans van het goud haalde haar over.—Zij neemt de Ciborie met de HH. Hostiën, en begeeft zich daarmede naar huis ; met het voornemen, die naar Keulen te brengen.—Terwijl de joden van hunnen kant voldaan waren, verlost als zij waren van dien geheimzinnigen schat; werd Catharina van haren kant, bij hare tehuiskomst, met angst en vrees overvallen.—Het was alsof Godbaar deed zien en begrijpen, den gruwel waartoe zij zich had laten vei\'leiden. Geen rust vindende voor haar ontsteld gemoed, legt zij zich te bed ; — aan slapen echter viel niet te denken, haar geest bleef steeds onrustig, en haar hart steeds ontsteld.—Te midden van

ocr page 300

— 288 —

die onrust, waardoor zij gekweld werd, sprak (rod in het binnenste des harten tot haar.— Hij hield haar voor den gruwel, waartoe zij zich had laten verleiden, en vermaande haar, ondanks het geheim, waartoe zij zich verplicht had ; alles aan haren biechtvader, den pastour van O. L. V. ter Kapelle ; den Eerw. Heer Petrus van den Eede bekend te maken. Grchoor gevende aan die inwendige stem der genade, gaat zij in den vroegen morgen naar genoemden pastoor, en bekent hem ouder een vloed van tranen, alles wat er tusschen haar en de joden was voorgevallen,—in één woord de gansche toedracht der zaak.—Deze stond niet weinig verbaasd, bij het hooren van dien heiligschennenden gruwel. Hij wilde in deze zaak niet op eigen gezag handelen ; maar ging te rade bij den onderplebaan van St. Gudula, en bij den pastoor van St. Nicolaas,—twee mannen, bekend om hunne deugd en kennis.—Zij lieten Catharina voor hen verschijnen, die opnieuw bekentenis aflegde van de toedracht der zaak.—Daarna namen zij de Ciborie met de HH. Hostiën uit hare handen in ontvangst, en plaatsten die in het tabernakel van de kerk van O L. V. ter Kapelle.—Inmiddels werd ook de bisschoppelijke Vicaris, alsmede de kanunniken van het Kapittel, met de zaak in kennis gesteld.— Catharina werd in voorloopige bewaring genomen; terwijl intus-achen de gruwelijke heiligschennis aan de regeering der stad Brussel werd overgebracht.Nu duurde het niet lang meer, of de zaak werd door geheel Brussel ruchtbaar. Zoodra de hertog van Brabant, Wenceslas van Boheme, broeder van keizer Karei IV, den gruwel vernam, liet hij Catharina voor zich, en voor de leden van zijnen raad verschijnen; deed haar opnieuw bekentenis afleggen,—en na ten volle zich van de waarheid overtuigd te hebben ; gaf hij last dat alle joden, zoowel te

ocr page 301

— 289 —

Brussel, als te Leuven, gevangen zouden genomen worden ; opdat zij die plichtig bevonden werden, loon ontvingen naar werken. — Nauwelijks waren do joden gevangen genomen, of het proces werd ingeleid.— Catharina werd als getuige voorgebracht, en duidde nauwkeurig allen aan, die in de zaak betrokken waren. Allen, zooals gewoonlijk geschiedt, loochenden aanvankelijk het feit, ontkenden hunne schuld.— Langzamerhand evenwel, vooral toen de pijnbank werd toegepast, kwam de eene na den anderen tot bekentenis. Eenigen niettemin bleven, in weerwil van de folteringen die men hen deed verduren, hardnekkig hunne schuld ontkennen; waardoor men in groote moeilijkheid geraakte, aangaande de voortzetting van het proces en de uitspraak van het vonnis.— Een onbedacht gezegde, van een nieuw bekeerd christen,— die nog jood zijnde, aan de heiligschennis had deelgenomen ; bracht ten laatste de weinigen die hun schuld bleven ontkennen, tot bekentenis. Nu kon verder het proces worden opgemaakt, en liet vonnis gestreken,— Het vonnis luidde in hoofdzaak als volgt: Alle joden, die plichtig bevonden waren aan de heiligschennis, gepleegd tegen het H. Sacrament, werden veroordeeld, om aan handen en voeten gebonden, op wagens gevoerd te worden, van de gevangenis genaamd de „Steenpoort,quot; naar do groote markt, — en van daar naar de kapel van de H. Catharina, waar men het fl. Sacrament had gestolen; — vervolgens moesten zij op alle hoeken der straten met gloeiende tangen ge pijnigd, naar den Wollendriestoren gevoerd worden, om aldaar aan staken gebonden, levend verbrand te worden. Bovendien werden de joden voor altijd gebannen uit het hertogdom Brabant. — Dit decreet was nog eenigermate van kracht, in het begin der vorige

19

ocr page 302

_ 290 —

eeuw; toeimaala nog werden geene joden, uitgenomen de Porlugeesche, in het hertogdom Brabant geduld.— Het vonnis tegen de heiligschennende joden uitge-aprolien, werd op den avond van het feest van O. H. Hemelvaart voltrokken. Ondanks de vreeselijke folteringen, die men hen deed verduren, bleven velen hardnekkig volharden in het jodendom, ja sommigen hunner waren zoo verstokt, dat zij, beducht dat hunne kinderen na hunnen dood zich tot het Christendom zouden bekeeren, hen met de hand grepen en in hot vuur wilden trekken; —dit werd hun echter belet, gezegde kinderen werden door eenige gegoede burgers opgenomen, en in het katholiek geloof onderwezen en opgevoed. — De straf des doods had ook ten gevolge de inbeslagneming van alle hunne goederen, volgens de rechtspleging van die dagen.— Eindelijk Catharina, door wie de gansche zaak aan het licht was gekomen, ontving, als hebbende ook eenigermate schuld, wegens hare belofte den joden gedaar;, en het akkoord met hen gesloten eene lichte straf; zij werd tot negen weken gevangenisstraf veroordeeld en daarna weder in vrijheid gesteld. — Zoo liep dan deze heiligschennende gruwel af, met de geduchte en welverdiende straf der schuldigen. — Bemerkt M. B., hoe in vroegere eeuwen, toen de Kerk nog aan het hoofd stond der christelijke maatschappij, — toen beide. Kerk en Staat, zóó innig met elkander verbonden waren, dat beider rechtspleging en wetten dezelfde waren, zoodat een vergrijp tegen den godsdienst, tegen de Kerk, tevens een vergrijp was tegen den Staal, — bemerkt, zeg ik, hoe het burgerlijk gezag, het zich ten plicht rekende, een gruwel van heiligschennis te straffen. In onze tijden helaas gebeurt dat niet meer. Men heeft de Kerk haar opper-

ocr page 303

— 291 —

gezag over do maatschappij ontnomen, de Staat heeft zich van do Kerk gescheiden, los gerukt, — ja, wat meer ia, het burgerlijk gezag zoekt zooveel mogelijk in onzen tijd, zish boven hot kerkelijk gezag te verheffen, dit te dwarsboompri, te onderdrukken, enz. — Schoone tijden van weleer toon eune heiligschennis door joden bedreven, als heiligschennis door den burgerlijken rcchter met don dood gestraft werd, — terwijl daarentegen volgens onze moderne ongeloovige wetgeving zulk een gruwel eenvoudig beschouwd wordt, als diefstal met inbraak, in een onbewoond huis, — en in den regel mot gevangenisstraf van een maand of wat gestraft wordt. — Doch vervolgen wij onze geschiedenis. — Wat gebeurde er inmiddels mot de heilige Hostiën? — Zij werden, zooals wij gezien hebben, aanvankelijk ter bewaring gebracht in de kerk van O. L. V. ter Kapelle. — Kort daarna besloot het kapittel van St. Gudula dezelven te doen overbrengen naar hunne collegiale kerk, — doch zij ondervonden daarin tegenstand van don kant van het kerkbestuur der genoemde kapel. — Ten slotte kwam men tot het volgend akkoord: Drie H.H. Hostiën zouden van de andere afgenomen, en in St. Gudula bewaard worden, — do oveage zouden in de kerk van O. L. V. ter Kapelle blijven berusten. Ingevolge dit verdrag organiseerde het kapittel van St. Gudula op een bepaalden dag eene luisterrijke processie, waarbij tegenwoordig waren de Hertog en Hertogin van Bra bant, alsmede tal van edelen,—o. a. de liter van Wittem; en eene onafzienbare schare volks. In plechtigen optocht werden de drie mirakulenze H.H. Hostiën naar de collegiale kerk van Gt. Gudula overgebracht en aldaar in eene kapel, de Mirakel-kapel genaamd, geplaatst; waar zij tot op den dag van heden nog rusten. —

ocr page 304

— 292 —

M. R., de geschiedenis van het H. Sacrament van Mirakel moet voor ons allen eene opwekking zijn, om ons steeds met eerbied te vertoonen voor Jesus in zijn H. Sacrament. Dat joden in hunnen baat tegen het christendom, zoo ver gegaan zijn, het H. Sacrament op heiligschennende wijze te onteeren, dat is begrijpelijk, — dat men soms protestanten en andersdenkenden in onze kerken ziet wandelen met den hoed op het hoofd en een sigaar in den mond, ook dat is nog verklaarbaar; maar dat men katholieken vindt die aan de tegenwoordigheid van Jesus in zijn H. Sacrament gelooven, en niettemin in de kerken zich zoo oneerbiedig gedragen, is onverklaarbaar. — Met veel meer recht zou onze Zaligmaker, met geesel-koorden gewapend, de oneerbiedige christenen uit de kerken mogen drijven, dan hij weleer de koopers en verkoopers uit het voorportaal van Jerusalem\'s tempel dreef. — Laat anderen ook al oneerbiedig wezen, toonen wij, dat wij mannen zijn van geloof; leggen wij er ons op toe, Jesus dikwijls en waardig in ons hart te ontvangen. Hem vurig en ootmoedig te aanbidden onder de H. Mis en onder het Lof, en Hem dikwijls te bezoeken in zijn H. Sacrament, — dan zullen van uit het H. Sacrament, rijke zegeningen ons toevloeien. — Amen.

ocr page 305

xxxm.

Iets over den Portiuncula—Aflaat.—

Do Kerk, zooals gij weet, M. B., heeft van God de macht ontvangen, atlatun te verleenen, waardoor ons kwijtschelding geschonken wordt van de tijdelijke straffen, die wij om onze zonden verdiend hebben, en die wij anders, in dit of in het ander leven zouden moeten afboeten.— De Kerk heeft ten allen tijde van die, haar door God verleende macht gebruik gemaakti door het verleenen van tal van volle en gedeeltelijke afiiiton; zoodat wij voortdurend in de gelegenheid zijn, mot volle handen uit die kostbare geestelijke bron, rijke verdiensten voor onze ziel te putten.— Under dat onnoemelijk getal door de Kerk verleende aflaten, verdient de beroemde Portiuncula-Aflaat, zoowel om zijnen oorsprong en beteekenis, als om zijne uitgestrekt- en volheid eene bijzondere vermelding.— Laat mij tot uwe onderrichting en stichting, u dezen avond over dien beroemden aflaat, eens een en ander mede-deelen.—

Door den Aflaat van Portiuncula, verstaat men dien beroemden vollen aflaat, dien O. H. Jesus Christus zelf zijnen dienaar den H. Franeiseus van Assisië verleende, in het jaar 1221, terwijl deze op zekeren nacht, in de kapel van O. L. V. der Engelen, ook

ocr page 306

— 294 -

Portiuncnla-kapel geheeten, in gebed lag neergeknield. Hij wurdt Puitiunciüa-Aflaat goheeten, omdat hij aan den H. Franeiscus, in genoemde kerk verleend werd. Oorspronkelijk moest meu om dien aflaat te willen verdienen naar Assisië gaan, de kerk bezoeken van O. L. V. der Engelen, en daar bidden tot intentie van Z. H. den Paus.— De pausen hebben na verloop van tijd, dien aflaat uitgestrekt tot alle kerken der drie Orden van don H. Pranciseus. Het merk waardige van dien aflaat, behalve zijn oorsprong is, dat des-zelfs duur zich bepaalt tot eencn natuurlijken dag, namelijk: van de eerste vespers van het teest van Petrus Banden, tot zonsondergang van den volgenden dag. Merkwaardig verder is hij, om do gemakkelijkheid dei vereischten ; — er wordt niets anders gevorderd dan dat. men zich bevindende in staat van genade, eene kerk bezoeke, waar men dien aflaat verdienen kan, en daar bidde tot intentie van Z. H. den Paus. Merkwaardig eindelijk om zijne volheid en uitgestrektheid, men kan hem immers verdienen niet slechts eene enkele maal; maar zoo dikwijls men op den bepaalden lijd de kerk bezoekt en daar bidt.— Terecht heeft die aflaat eene wereldvermaardheid verkregen, en wordt hij gerekend tot de grootste gunsten die ooit verleend zijn of verleend zullen worden.—

M. B. wilt gij nog eenige bijzonderheden weten, opziebtens de beroemde Portin culakapel; laistert (lHn.— Die kapel, op een haH uur afstand van de stad Assisië gelegen, was reeds en tijde van den H. Fianciscus in verval geraakt; .Innh werd door hem uit dat verval opgeheven, en tot bakermat gekozen zijner Orde. Zij was tijdens het leven van den Heilige aan O. L. V. gewijd, onder den titel van Maria Hemelvaart; vandaar de naam, van O. L. Vr. der Engelen.-

ocr page 307

- 295 -

Boven het altaar bevund zioh eene sahilderij, voor-stelleude de H. Maagd, door do Engelen ten hemol gedragen JJie schilderij werd later overgebracht naar hot hoogaltaar der nieuwe kerk, die nog ten huidige!) dage den titel voert van : „Assumptioquot; of Hemelvaart van Maria. Doch in 1293, werd het hoofdaltaar der kapel verrijkt met eene nieuwe altaarschildering, voorstellende de Boodschap des Engels,— en vervaardigd door Fr. Hilarius van Viterbo. Dit stuk wordt uit hoofde zijner waarde, of om zijne eerbiedwaardige oudheid voortdurend bedekt met een zilveren voorhangsel ; twee openingen laten het gezicht der H. Maagd en den Engel zien. Het beeld der Moeder Gods op dit schilderstuk, is het wijd beroemde wonderbeeld van U. L. Vr. der Engelen; het werd als wonderbeeld op last Jes Pausen gekroond. De kroon en het ornament, beiden van het zuiverste goud, zijn aan het schilderstuk vastgehecht.— lu 1856 verscheen van deze schilderij een afdruk in kopergravure, vervaardigd door P. Serafini, een ervaren schilder dor Orde van den H. Eranciscus. De oude kapel van O. L. Vr. der Engelen, die vroeger op haar zelve stond, is thans evenals het Heilig Huisje van Loretto ingesloten in eene prachtige kerk,— en wel onder de hooge en breede gewelven van den koepel. Die nederige kapel, waar de H. Eranciscus zich zoo gaarne met zijnen God kwam onderhouden, staat daar vrij in het ruime kerkgebouw ; zij beschrijft een langwerpig vierkant, vargt; 50 romeinsche palmen, bij 30 breedte en 38 hoogte.— De rijke versiering uitwendig aan de kapel aangebracht, hult haar als in een koninklijken mantel. De voorgevel der kapel prijkt mot een wit marmeren tempeltje waarin een Moeder-Gods beeld staat, met het Kindje op den arm;— het is eene herinnering aan

ocr page 308

— 296 —

eene verschijning die daar in het jaar 1303 plaats had.— In den nauht vóór het feest van Portiuncula, hoorden de pelgrims die er den aflaat kwamen verdienen op eenmaal een hemelseh gezang, en zagen terzelfder tijd Maria, met het goddelijk Kind op de armen verschijnen, en het volk zegenen. Tevens zagen zij eene duif vijfmaal rondom het gebouw vliegen, als tot goedkeuring van het vroom gebruik der pelgrims, die vijfmaal biddend om de kapel trekken, ten einde den aflaat te verdienen. Dit marmeren tempeltje werd na do aardbeving van het jaar 1832, bijna geheel vernieuwd. De voorgevel der kapel moet heerlijk schoon zijn. Boven de deur der H. kapel leest men het volgende, door den H. Franciscus vervaardigde opschrift: „Haee porta vitao aeternae.— Dit is de deur van het eenwig leven.quot;— De voorgevel werd driemaal mét fresco-schilderingen versierd, en wel de laatste maal in 1829, door den vermaarden Friedrich Overbeck, die tot onderwerp koos voor zijn penseel, de verschijning van den Zaligmaker en van zijne Moeder aaa de H. Franciscus. De kerk, waarin zooals ik zeide, de Por-tiuncula-kapel zich bevindt, wordt bediend door Paters Minderbroeders Observanten, die daar ter plaatse een groot klooster hebben, door meer dan 100 kloosterlingen bewoond, zonder de vreemden er bij te tellen, die daar voortdurend komen om het Heiligdom te bezoeken.— Ongeloofelijk groot M. B., is de jaarlijksche toeloop van menschen, niet alleen van de omliggende plaatsen, maar ook uit ver afgelegen landen, die op de plaats zelve den aflaat komen verdienen en somtijds het getal van 100,000 te boven gaan. Het is onmogelijk op Portiuncula-dag in het kapelletje den H. Dienst te doen; maar de Dienst geschiedt in de groote kerk, waar men omstreeks middernacht begint

ocr page 309

— 297 —

Mis te lezen en de H. Communie uit te reiken. In deze l\\erk en in de andere kerken van Assisië, ja zelfs op akkers en velden, zitten meer dan COO biechtvaders van allo Orden, om de pelgrims te helpen, üp den tweeden Augustus wordt er te Assisië, eene onafzienbare indrukwekkende processie gehouden naar de kerk van Portiuncnla. Alle kloosterlingen der Orde van den H. Franciscus die te Assisië en in de omstreken wonen, ongeveer 1600 in getal, vergaderen in de groote kerk der Paters Conventueelen te Assisië, en na het graf van den H. Franciscus vereerd te hebben, beginnen zij de processie,— zij worden gevolgd door de hoogo beambten der stad,— daarachter komt het volk. Zoodra de processie Portiuncula bereikt heeft, wordt de groote kerk geopend, waarin zich het kapelletje van O. L. V. der Engelen bevindt. I)e kloosterlingen gaan allen twee en twee, door het kerkje van Portiuncula, langs eene deur die in het oosten staat, en verlaten hot wederom langs eene deur in het zuiden. Na de kloosterlingen komt bet volk, met de armen omhoog om minder gedrongen te worden,— niettemin is het gedrang zoo groot, dat er jaarlijks eenigen dood gedrongen of vertreden worden. Niemand mag in het kerkje stil blijven staan of neerknielen om te bidden; maar dat wordt ook niet ver-eischt tot het verdienen van den aflaat; daartoe is enkel noodig dat men gebiecht hebbende, met godsvrucht het kerkje bezoekt of\'binnengaat. Ziedaar M. B., eenige bijzonderheden opzichtens dien beroemden Portiuncula-Aflaat, die vanaf zijn begin, zonder pauselijke bullen of brieven ; maar enkel door de bestiering en voorzienigheid Gods, over de gansche wereld verbreid is geworden,— een aüaat die zelfs nooit is gesehorst, in de jaren dat te Rome het groot Jubile te verdie-

ocr page 310

- 298 —

nen is. Daarvan vindon wij een voorbeeld in het jaar 1700. Dat jaar was het ja tr van het Jubile. Paus Inn \'centius XIII, do grootte en de waarde van den aflaat aan het Jubile verbonden, beter willende doen uitkomen, schorste alle aflaten die in eene of andere kurkte verdienen waren, ook in de kerken van Rome. — behalve in ue vier voornaamste ; alleen do Portiun-eula-AÜaat zonderde hij uit, en vergunde dat all j geloovigen, die vaa de eerste vespers op den lst(;n Augustus tot zonsondergang van den 2lt;iün, eene kerk der Orde van den H. Franeiseus te Rome zouden bezoeken, het groot Ju\' ile konden verdienen, met al de voordeelen daaraan verbonden;— wel een bewijs hoezeer de Kerk genoemden aflaat op prijs stelt.— Behalve Loretto is er dan ook in Italië,— Rome natuurlijk uitgezonderd,— geen plaats, die zooveel pelgrims lokt als het Heiligdom van Portiuneula. Ten slotte valt te zeggen dat het kerkje van Portiuneula, omstreeks een half uur gaans verwijderd is van de stad Assisië, de geboorteplaats van H. Franeiseus.— De stad heeft eene bekoorlijke ligging, namelijk aan den voet van eenen berg. Tot hare merkwaardigheden behoort vooral het klooster en de drievoudige kerk van den H. Franeiseus, op den top des bergs. Fier en trotseh als een oude bureht verheft het eerbiedwaardig kloostergebouw zich op steile muren en bogen, die boven den scherpen bergwand uitsteken en deszelfs grondslagen vormen. Bij dat klooster behoort eene drievoudige kerk; de crypte of onder-aardsohe kerk, die de graftombe bevat van den heiligen Franeiseus en waarin zijne vereerde overblijfselen bewaard worden, — daarboven de kloosterkerk, — en eindelijk boven deze laatste, de kathedrale kerk van Assisiï. Verder bevindt zich in de stad, de heer

ocr page 311

lijke kerk van de H. Clara; alsmede het in eene kerk veranderde huis, waarin de H. Franeiscus door zijn vader werd opgesloten. — M. B., danken wij vooreerst God, die aan zijne Kerk verleend heeft den schat der aüaten, vooral den AUaat van Portiun-oula, waarin wij een zoo krachtig en gemakkelijk middel vinden, om de straffen d )or onze zonden verdiend af te koopen ;— maar maken wij ook een goed en veelvuldig gebruik van dien schat. Wij zijn ook zoo vaak in do gelegenheid aüaten te verdienen b. v. met godvruchtig den H. Kruisweg te verrichten, aan welke oefening tal van aflaten verbonden zijn,— verder zoovele bevoorrechte litaniën, schietgebeden en dergelijke, waaraan de Kerk aflaten gehecht heeft; zoodat het ons niet aan middelen ontbreekt om do straffen voor onze zonden verdiend, af te boeten. Woont ook ijverig de wekelijksche bijeenkomsten der Broederschap bij, daarmede verdient gij telkens een aflaat van 100 dagen. Even zooveel verdient gij met eiken morgen de werken van den dag, aan Jesus, Maria en Joseph op te dragen ; door elke geestelijke communie die gij verricht, door elke Mis die gij bijwoont, kunt gij eencn aflaat verdienen.— Onze Broederschap is, zooals gij ziet, cene geestelijke goudmijn, waaruit men met volle handen lian putten. M. B., laat het gezegde voor u eene opwekking zijn, om van den schat der aflaten een veelvuldig gebruik te maken, hut is zuivere winst voor dit en voor het ander leven. Amen.-—

ocr page 312

XXX [V.

Maria-Hemelvaart.

De Kerk M. B., viert eerstdaags den feestdag der glorievolle tenhemelopneming van Maria, liet grootste en voornaamste van allo feesten der Moeder Gods. \'t Is daarom dan ook dat de gansche Kerk zich ver-eenigt, die heugelijke gebeurtenis op eene bijzondere en meer plechtige wijze te gedenken. Teneinde ook u te stommen, dat verheven voorrecht der Moeder Gods op haren naderenden feestdag, godvruchtig en waardig te herdenken, wil ik u heden eens eene nadere verklaring ot uiteenzetting geven van dien heugelijken gedenkdag.— De H. Schrift spreekt, na den dood en de verrijzenis van den Zaligmaker vermeld te hebben, weinig of\' niet meer over het verder leven, do laatste levensjaren en den zaligen dood van Maria!— Alles wat ons daarvan bekend is berust op het gezag der overlevering, en op het getuigenis van oude kerkelijke schrijvers.— Vooreerst een woord over den dood van Maria.— De H. Epiphanius, een Kerkvader uit de 5e eeuw, schrijvende tegen de vijanden van de Moeder Gods, zegt: „Zij mogen de H. Schrift raadplegen ; maar zullen daarin den dood van Maria niet vermeld vinden; namelijk of zij gestorven, of niet

ocr page 313

— 301 —

gestorven is. Ook ik wil \'lat niet beslissen, en zog niet dat Maria niet gestorven ; maar beweer ook niet dat zij wel gestorven is.quot; De H. Epiphanius dus, zooals gij ziet, doet geen uitspraak, of Maria gestor ven of niet gestorvon is. Daar zijn er zelfs die aannemen j dat Maria evenals Enoch en Elias niet gestorven zou zijn; maar de bewijzen die zij daarvoor aanhalen rusten op zwakke gronden. Neen, eene oude overlevering, waarvan de H. Andreas van Creta melding maakt, zegt: dat Maria een zeer hoogen ouderdom bereikte; dat is te zeggen, volgens het waarschijnlijkst gevoelen, dat zij stierf op den leeftijd van omstreeks 72 jaren;— 23 jaren na de Hemelvaart van haren Goddelijken Zoon.— Dat Maria werkelijk gestorven is, wordt duidelijk bevestigd door de kerkelijke liturgie,— het officie van den feestdag,— en door het algemeen gevoelen der Godgeleerden.— Doch welken dood nu is zij gestorven ?— Daar zijn er die meenen, dat Maria eenen smartvollen, eenen pijnlijken dood zou gestorven zijn ; teneinde ook in den dood, aan haren Groddelijken Zoon gelijkvormig te zijn, die den wreeden dood stierf des kruises. Enkelen zelfs meenen, dat zij den marteldood zou gestorven zijn door het zwaard, volgens de voorzegging van den H. Simeon : „Een zwaard zal moe ziel doorhoren.quot; (Luc. II. 35.) Doch beide deze meeningen, zijn van genoegzamen grond ontbloot.— Volgens het algemeen gevoelen, zou Maria zonder pijn of smart, zonder voorafgaande ziekte of doodsstrijd gestorven zijn. Zoo zegt o. a. de H. Joannes Damascenus : „zij gevoelde niet de pijn der baring, evenmin de pijnen van den dood.quot; En de H. Vincon-tius Ferrerius, in oene preek op Maria Hemelvaart, zegt: „Hot is vandaag Maria\'s bruiloftsdag, daar zij zonder smart en zonder pijn hare ziel overgaf in

ocr page 314

— 302 —

handen van haren Groddelijken Zoon.\'\' Ziehier oenige bijzonderheden aangaande den dood van Maria.— Nicephorus Oallistus verhaalt in zijne kerkelijke geschiedenis, dat Juvenalis, bisschop van Jerusalem, die met de andere bisschoppen van Palestina zich op de synode van Chalcedonië bevond, in liet jaar 451 ; alsmede zijne ambtgenooten, van keizer Mareianns den last ontvingen naar Constantinopel te komen; — de keizer immers verlangde te weten, of het lichaam der H. Maagd zich nog te Palestina in liet graf bevond, waarin men het had neergelegd ; zoo ja, dan wenschte hij het lichaam van Maria te zien overbrengen naar Constantinopel, en het te plaatsen in de nieuwe kerk, die zijne gemalin Pulcheria te Constantinopel, ter eere van Maria gebouwd had. Juvenalis gaf den keizer het volgende antwoord: „In de H. Schrift wordt wel is waar van Maria\'s dood geen melding gemaakt; maar volgens eene zeer oude en vertrouwbare overlevering, zouden de apostelen bij het naderen van Maria\'s dood, uit de verschillende landen waar zij het Evangelie predikten, naar Jerusalem gekomen zijn; ook Jesus haar zoon zou uit den hemel op aarde zijn afgedaald, om zijne Moeder in hare laatste stonde bij to staan en haren laatsten snik op te vangen ;— gestorven werd haar lichaam te Gethsemani, onder het gezang der Engelenon Apostelen begraven doch toen men drie dagen na haren dood liet graf opende, bevond zich het heilig lichaam van Maria niet meer daarin; maar slechts de lijkdoeken die een heerlijken geur verspreidden, alsmede eene menigte frissche welriekende bloemen, f gt;o apostelen nu ziende, dat het lichaam van Maria zich niet meer in het graf bevond, sloten hetzelve, in de vaste overtuiging, dat God het maagdelijk lichaam zijner Moeder reeds vóór

ocr page 315

— ;i03 —

de algemoene verrijzenis had willen verheerlijken, en het door de engelen ten hemel had laten opvoeren.quot;— Nadat Juvenalis aldna gesproken had, baden de keizer en de keizerin hem, datzelfde grat met de daarin aanwezige lijkdoeken, verzegeld naar Constantinopel te zenden.— De bisschop voldeed aan dat verzoek en het H. graf werd in de Maria kerk te Constantinopel, neven de H. Tafel geplaatst.— Het doodskleed werd echter eerst later, onder keizer Leo naar Coustan-tinopel gevoerd, en in de ronde kerk, door genoemden keizer gebouwd, bewaard.— In de Oostersche Kerk vindt men getuigenissen uit de zevende en achtste eeuw, ten bewijze voor de meening, dat de H. Maagd gestorven en begraven, maar ten derden dage van de dooden opgewekt, en met lichaam en ziel te zaïnen in den hemel opgenomen word. In de Westersche Kerk is de H. Gregorius van Tours de eerste, die gewag maakt van de oude overlevering, nopens de opneming van Maria met lichaam en ziel ten hemel.— Van af dien tijd echter tot op den huidigen dag, hebben alle eeuwen door, de grootste Godgeleerden in de Kerk de meening verdedigd, dat de Moeder Gods, niet slechtsnaar de ziel, maar ook met het lichaam ten hemel is opgenomen.— En hoewel het nu geen geloofsartikel is, dat Maria niet alleen met ziel, maar ook met lichaam ten hemel is opgenomen ; is het evenwel eene vrome en gegronde meening, van welke af te wijken niet alleen gewaagd en vermetel; maar ook dwaas en onverstandig zijn zou.— Wat het jaar en den dag van Maria\'s dood, alsmede den dag harer Hemelvaart betreft, daaromtrent bestaan verschillende meeningen, of liever daarvan is niels met zekerheid bekend. De feestdag van Maria Hemelvaart is een der oudste in de Kerk, zijn oorsprong kan men niet achterhalen.

ocr page 316

- 304 —

Uit een oud martelaarsboek laat zich opmaken, dat oorspronkelijk de sterfdag van Maria, endedagharer Hemelvaart, afzonderlijk gevierd werden ; — de eerste op den 18 Januari; — de laatste den 15 Augustus.— Sedert de 6= eeuw evenwel, viert de Kerk die beide gebeurtenissen gelijktijdig; namelijk den 15 Augustus.— Volgens sommigen, dankt het feest van Maria-Hemelvaart zijne instelling, aan Paus Damasus, die van 366—384 op den Stoel van den H. Petrus gezeten was. Onder de regeering van Paus Sergius I, scheen het te Rome reeds onder de hooge kerkelijke feesten gerekend te worden; het ging vergezeld van eene processie, die uit de kerk van den H. Adrianus uittrok, en waar de geloovigen deel aan plachten te nemen; het werd daarenboven voorafgegaan door eonen vigilie- en vastendag.— In Frankrijk en Duitsch-land, werd het in de 6e eeuw reeds l.ot de hooge kerkelijke feesten gerekend. Het plechtigst werd het feest van Maria-Hemelvaart gevierd in Engeland. Op voorschrift van koning Alfred, moest niet alleen de dag zelf, maar de geheele week feestelijk herdacht worden. Eene octaaf is aan het feest van Maria-Hemelvaart toegevoegd, door Paus Leo IV, in het jaar 847, bij gelegenheid dat de stad Rome door eenec vreeselijken geesel geteisterd werd; het waren giftige slangen, die destijds de stad en de omstreken onveilig maakten, welker beet doodelijk was, en tal van menschen het leven kostte. De paus beval bij die gelegenheid eene plechtige processie, op Maria-Hemelvaart; men droeg het beeld van Maria, in zegepraal rond door de stad; en van toen af waren de giftige slangen spoorloos verdwenen. — Het feest van Maria-Hemelvaart, sedert zoovele eeuwen in Frankrijk met groote plechtigheid gevierd; ontving een nieuwen luister onder de regeering

ocr page 317

- 305 —

van Lode wijk XUI. Deze vorst, gehuwd met Anna van Oostenrijk, was kinderloos. Meer dan twintig jaren bestond hunne echtvereeniging, zoodat zij vreesden te zullen sterven, zonder eenen troonopvolger aan Frankrijk gosohonken te hebben. Zij doden door hunne gebeden den hemel geweld aan, en werden verhoord. De koningin baarde eenen zoon, later bekend onder den naam van Lodewijk XIV; terwijl de koning uit dankbaarheid voor de ontvangen genade, zich zeiven en zijn koninkrijk aan de H. Maagd toewijdde; — hij beval tevens dat telken jare op het feest van Maria-Hemelvaart, in alle kerken van het koninkrijk, eene plechtige processie zou gehouden worden, — een gebruik dat tot in de laatste tijden stipt is volbracht. Eene eigenaardigheid kenmerkt het feest van Maria-Hemelvaart, namelijk deze: in sommige streken \\an Duitschland, alsmede hier in ons bisdom, pleegt men op Maria-Hemelvaart, bloemen en kruiden te wijden, die men vervolgons met zich naar huis neemt, en tot verschillende doeleinden aanwendt,— \'t is daarom dat genoemd feest dan ook wel Maria-Kruid wijding, of kortweg „Kruidwijdingquot; genoemd wordt. De wijding van kruiden op genoemd feest, geschiedt waarschijnlijk ter herinnering aan de bloemen en welriekende kruiden, die men volgens de overlevering vond bij de opening van Maria\'s graf; en door middel waarvan, tal van wonderen en genezingen zouden bewerkt zijn. De gezegende kruiden, M. B., herinneren ons aan Gods wonderbare macht en goedheid; daar Hij die kruiden geschapen heeft ten dienste der menschen, en ge neeskracht daarin heeft neergelegd. Door den zegen nu, dien de Kerk over de kruiden uitspreekt, wordt daaraan, behalve de natuurlijke kracht die zij reeds hebben, eano bovennatuurlijke kracht toegevoegd. Zij dienen tot behoedmiddel tegen stoffelijke en geestelijke onheilen,—

20

ocr page 318

— 306 —

en zoo, b. v. tegen inslaan van den bliksem, tegen brand, tegen kwellingen en lagen van den duivel, tegen ziekten van menschen en vee, enz. Nu, M. B., ik kan niet anders dan u prijzen, gij die te huis gewijde zaken bewaart, en bij zekere gelegenheden die aanwendt; dat strekt ten bewijze uwer echt christelijke vroomheid en van uw levendig geloof. Vergeet echter niet, dat gewijde zaken soms ook worden misbruikt tot bijgeloof. Om u daarvoor te behoeden, moet gij zorg dragen die alleen te bezigen tot die doeleinden waartoe zij door de Kerk gezegend zijn, en tot geene andere, — verder moot gij de kracht en de uitwerking niet vei-wachten van die zaken zeiven, maar van den zegen dei-

Kerk die daarop rust, — immers dan, en dan alleen w

moogt gij vertrouwen deelachtig te worden aan de as

uitwerkingen die door den zegen der Kerk aan stof- ei

felijke zaken zijn toegevoegd. si

Maria\'s glorievolle Hemelvaart M. B. is voor ons een vi

voorwerp van troost en vertrouwen; maar tevens eeno gi

aanmoediging tot ijver en vurigheid. Maria, onze Moe- ei

der is opgenomen ten hemel, om voor ons hare kin- sc

deren eene plaats te bereiden, en ons den weg tot den X

hemel gemakkelijk te maken. Weni(in wij dus dikwijls d

oog en hart ten hemel, zeggende: „H. Maria, Moeder v

(rods, bid voor ons zondaars, nu, en in het uur van a

onzen dood.quot; Doch weet ook tevens, dat Maria ten A

hemel is opgenomen, uit kracht van hare verdiensten, — u

hare verdiensten waren de vleugelen waarmede zij ten il

hemel voer, — dus verdiensten, ziedaar de prijs, waar- ei

mede ook wij den hemel moeten koopen dus arbeiden, Z(

lijden, strijden, — want niemand zal gekroond worden, w

tenzij hij moedig gestreden hebbe. Amen.— o

w

ocr page 319

XXXV.

Allerheiligen.—

Heerlijk feest, M. B, vandaag in den hemel ! Ja, waarlijk geen wereldaoho pracht en staatsie geen aardsche praal en luister kan opwegen tegen de glorie en heerlijkheid die heden hot Hemelsch Hof ten toon spreidt, op den gedenkdag der zegepraal en dor kroning van die millioenen en millioenen Heiligen die daar geschaard staan rondom het Lam, en vol dankbaarheid en erkentelijkheid, hunnen Grod toezingen : „Alleluja ! salus et r/loria et oirtus, Deo nostra estquot;!— (Apoc. XIX. 1.) Daar in den hemel M. B., is de geringste de minste onder de Gelukzaligen, oneindig ver verheven boven den maohtigsten en grootsten monarch dezer aarde,— daar zijn alle burgers koningen,— zegt de H. Augustinus. Die glorie der Heiligen, M. B., bevreemdt u niet, maar wel zal het u misschien bevreemden als ik tot u zeg: ook gij moet heilig worden, zoo gij eenmaal aan de zijde uwe broeders in den hemel wilt zetelen.— Dan ontvang ik wellicht tot antwoord : van waar komt u eene zoo vreemde gedachte, namelijk ons aan te sporen om heilig te worden,— wij die onze werkzaamheden, die een huishonden en kinderen, die duizenden verstrooiingen en beslommeringen hebben.

ocr page 320

Mijn God, wij hebben ter nauwernood den tijd, om nu en dan eens aan onze zaligheid te denken.— En toch M. B., de Heiligheid is verplichtend voor ieder christen. Gij zijt immers kinderen van een God van oneindige Heiligheid; — nu kinderen moeten hunnen Vader waardig wezen, en dus naar heiligheid streven,— gij zijt de levende tempels des H. Geestes,— nu een tempel waarin God woont, past heiligheid,— gij zijt de ledematen van Jesus Christus,— dus gij moet bezield wezen met den geest van Jesus Christus, die een geest van heiligheid is.— Waarom klinkt dat woord „Heiligheidquot; dan zoo vreemd in uwe ooren ?— Waarom boezemt u de heiligheid een zoo grooten weerzin in? Laat het mij u eens gemoedelijk zeggen. Gij kent de natuur der heiligheid niet. Gij stelt u de heiligheid voor, als eene buitengewone, ontoegankelijke zaak. Indien gij haar kendet, zoudt gij zien, dat zij even goed voor u bereikbaar is, als voor een kloosterling van de strengste orde; — dan zoudt gij begrijpen dat zij kan en moet wezen, het doel en einde, waarnaar ieder christen moet streven, zelfs te midden van de beslommeringen der wereld, — te midden van de verstrooiingen waarin men voortdurend zich beweegt en leett. Trachten wij:

I. De heiligheid eens ie heren kennen.

II. Eens na te gaan, wat wij doen moeten, om haar te hereiken,

I. Stellen wij een beginsel voorop, dat ons helpen moet in ous onderzoek naar de heiligheid. — Laat ons namelijk, ons degelijk overtuigen van deze onbetwistbare waarheid: dat God wil, dat alle menschen zalig worden. De waardigheid alleen van christen, besluit in zich de verplichting, om naar heiligheid te streven. — Vandaar dat de H. Paulus den naam van

ocr page 321

— 309 -

heiligen gaf aan alle christenen: „aan alle heiligen, die te Ephese zijn.quot; — (Eph. I. 1). „Het is Gods wil, zoo zegt hij, in een zijner brieven, dat gij heilig wordt.quot; (I Thess. IV. 3). En op eene andere plaats: „God heeft ons uitverkoren vóór de schepping der wereld, dat xoij heilig zouden wezen.quot; (Eph. I. 4.) Waartoe nog meer bewijzenV „Sancti eritisquot;, zegt God.— (I Petr. 1.16.) Dit woord alleen was reeds voldoende. Gij ziet, God heeft zoo duidelijk mogelijk gesproken, wanneer Hij zegt: „Ik wil dat alle men-schen heilig worden.quot; — Laat ons nu eens zien, geholpen door het beginsel, dat wij voorop gesteld hebben, of onze opvatting met betrekking tot de heiligheid, tot nu toe wel juist geweest is. — Hoe hebt gij tot dusverre over de heiligheid gedacht? — Gij hebt van sommige Heiligen buitengewone zaken gelezen, als: visioenen, geestvervoeringen, voorzeggingen en mirakelen, — en gij hebt daaruit besloten: De heiligheid is nist voor mij; ik ben niet geroepen om zulke wonderbare zaken te verrichten. — Maar ik vraag u? — Bestaat daarin wel de heiligheid? — Bedient u van het beginsel dat ik voorop gesteld heb. God wil, dat alle menschen heilig worden. En toch zijn er zoo weinig menschen, aan wie God genoemde gaven verleent, waarop niemand aanspraak kan maken;— niemand toch doet mirakelen wanneer hij wil. Dus daarin bestaat niet de heiligheid. En inderdaad, er zijn Heiligen, door de Kerk op onze altaren geplaatst, wier leven zich door niets buitengewoons, niets wonderbaars kenmerkt — Leest eens het leven van den Gelukzaligen Joannes Berchmans voor eenige jaren door de Kerk gelukzalig verklaard; daarin zult gij niet een enkel buitengewoon feit, niet een enkel mirakel aantreffen.

ocr page 322

310

Waarin bestaat dan de heiligheid? Gij hebt in het Evangelie gelezen, dat op zekeren dag een jongeling aan den Zaligmaker vroeg, wat hij doen moest om volmaakt te wezen?— Jesus gaf hem ten antwoord; Ga, en verkoop al wat gij hebt, en geef den prijs daarvan aan de armen.— Daaruit hebt gij misschien besloten: om heilig te wezen moet ik mij ontdoen van alles wat ik bezit, en dat is mij onmogelijk.— Maar ziet gij niet in, dat gij u bedriegt? Wat zegt u het bovenaangehaald beginsel ?— God wil dat alle mensohen heilig wezen — Maar als nu alle menschen afstand moesten doen van hunne bezittingen; welk onderscheid zou er dan nog bestaan tussch\'jn meesters en dienstboden ; tusschen vorsten en onderdanen wat zou er dan geworden van de verschillende standen, die de goddelijke Voorzienigheid hier in de wereld geplaatst heeft! De heiligheid bestaat dus niet in afstand te doen van zijne goederen,— Ook telt men onder de Heiligen, keizers en keizerinnen, koningen en koninginnen, die goederen en rijkdommen in overvloed bezaten.—

Maar waarin is dan de heiligheid \'\'.elcgen ? Gij verkeert misschien in de meening, dat zij bestaat in het verrichten van groote en schitterende handelingen. Maar ziet gij niet dat ook dit eene dwaling is ? God wil, dat alle menschen heilig worden,- en indien men om heilig te worden, groote aalmoezen moest geven, wat zouden dan de armen doen ? Indien men groote verstervingen moest verrichten,— wat zouden dan de zwakken en zieken doen ?— Vele en lange gebeden verrichten;— hoe zouden dan b, v. reizigers en kooplieden, dienstboden, huisvaders en huismoeders, heilig kunnen worden? Neen, om heilig te worden, worden er geen groote en schitterende handelingen vereischt.—

ocr page 323

— 311 —

Wat dan ? M. B., ik ben gelukkig u te kunnen heihalen, wat weleer Moses, uitnaam van God zeide tot de Joden : „Wat God u beveelt, is niet boven uwe krachten, alsmede niet ver v m u verwijderd. Het bevindt zieh niet in den hemel, zoodat gij niet behoeft te zeggen : Wie onzer zal ten hemel stijgen, om van daar uit, ons Gods gebod over te brengen ? Het bevindt zich niet aan gene zijde der zee; dus gij behoeft evenmin te zoggen: wie onzer zal de zee oversteken, om te vernemen wat God van ons wil ? Dat gebod ligt voor de hand ; het staat geschreven in uw hart, op uwe tong, opdat gij het, gemakkelijk zoudt kunnen volbrengen. En hoe luidt dat gebod ? Wat vraagt God van u zeggende : ik wil dat gij allen heilig wordt ?— Een enkele zaak. De vervulling van zijnen H. Wil; die de regel is van alle goedheid, gerechtigheid en heiligheid ; van dien Wil, dien gij volbrengen kunt, vermits het onmogelijk is dat God van u iets vraagt, wat uwe krachten te boven gaat,—

Gods wil volbrengen, daarin bestaat de heiligheid; daarin moet gij haar zoeken, en niet elders. Al zoudt gij ook de schitterendste en grootste handelingen verrichten, de verhevenste deugden beoefenen; indien dat alles niet gelijkvormig is aan den wil van God ; tlan zijn het geene deugden, dan is het geen heiligheid. En God, wel verre van ze met welgevallen te aanvaarden, verfoeit ze.— Gij kent misschien de geschiedenis van Saül. God had hem gelast de Ama-lecieten te gaan bestrijden; Hij had hem de overwinning beloofd ; maar tevens hem bevolen na de overwinning alle dieren, al het vee om te brengen! Saiil trok op tegen Amalec en overwon. Maar in plaats van al het vee te dooden, zooals God hem bevolen had, spaarde hij aan een groot aantal runderen het

ocr page 324

— 312 —

lnven, om ze aan God ten offer te brengen.— Gode offers brengen is op zich zelf een deugdelijk, Hem hoogst aangenaam werk ; maar bier was dat strijdig met den wil van God. Vandaar luistert eens, wat God door den profeet Samuel aan koning Saül liet zeggen : „Ik heb niets te maken met uwe offers ; wat ik van u verlangde vóór al het overige, was gehoorzaamheid aan mijne bevelen. Met niet te willen gehoorzamen, hebt gij een gruwel bedreven, gelijk aan afgoderij. Gij hebt Gods bevelen verworpen; maar God op zijne beurt verwerpt ook uquot;.— Hebt gij het gehoord M. B., al wat strijdig is met den wil van God, hoe verdienstelijk ook op zich zeiven, kan ons niets baten ter heiligheid. Bijaldien gij tegen den wil van God naar het uiteinde der wereld vertrekt, om do volkeren te bekeeren ; elke schrede die gij doen zoudt, in plaals van u de heiligheid te doen naderen, zou er u integendeel van verwijderen. Maar omgekeerd ; do meest gewone, alledaagsohe handelingen, de nietigste cn geringste zaken, die gij verricht, zijn in staat u tot den hoogsten trap van heiligheid te voeren ; indien zij maar gelijkvormig zijn aan den wil van God. Een troostvol en f reilend bewijs daarvan vindt gij in Onzen Heer Jesus Christus, dat goddelijk voorbeeld aller Heiligheid.— Wat toch was de hoofdbezigheid van zijn leven?— Wat deed Hij in het H. Huisje van Nazareth waarin Hij tot den ouderdom van dertig jaren leefde? Verrichtte hij daar schitterende, en in het oog vallende handelingen?— Ik vind er niet eene enkele in het Evangelie opgeteekend.— Wat deed hij daar ? De Evangelist zegt het ons: „Et erat subditus ülis. Hij was hun onderdanig.quot;— (Luc. II. 51.) Aan wie? Aan Joseph en Maria; aan zijne schepselen,— en wel dermate, dat Hij tot in de klein-

ocr page 325

— 313 -

ste bijzonderheden volbracht, al wat zij Hem oplegden. Nu, wat waren Joseph en Maria in staat Hem op te leggen, tenzij wat ouders van dien stand gewoon zijn hunne kinderen te gebieden.— Mijn God ! welk een geheim 1 Wie is in staat het te beschrijven ?— Ziedaar de Zoon van God, Mensch geworden, die niet meer dan drie en dertig jaren op aarde moet vertoeven, en die dertig jaren lang, niets anders doet, dan zijne arme moeder ter zijde staan, in de zorgen van het huishouden, en een be-hoeftigen timmerman helpen in zijn handwerk.— Zijne bezigheden zijn zoo nederig, dat toen, de joden Hem later hoorden prediken, zij vol verwondering uitriepen: Maar hoe ! is dat niet de zoon van een timmerman ? „Nonne hic cstfalri filius ?quot; (Matlh. XIII. 55.) En toch. Hij is de Messias ; Hij is gekomen om hot aanschijn der aai\'de te vernieuwen, om onder de mcnschen het Rijk van God te stichten, om de hel te overwinnen, en de zielen zalig te maken. En waartoe dan die nederige onbeduidende arbeid?—Waarom vertoont Hij zich niet vroeger aan de wereld ? Waarom wachtte Hij zoolang, alvorens Hij zich aan de menschen openbaarde, door de faam van zijn predikambt, den glans zijner wonderen, en het voorbeeld zijner deugden. JDe reden daarvan is deze: Eéne zaak ging vóór alle andere, namelijk : den wil volbrengen van zijnen Vader. „Ik hen gekomen ; zeide hij, om den wil te volbrengen van Hem, die mij gezonden ftce/i.quot;—(Joan. IV. 34.) „Ik doe altijd, zegt hij elders, wat hehagelijk is aan mijnen Vader. Quae placiia sunt ei, fado semper.quot;— (Joan. VIII. 20.)Zijn Vader nu wil, dat Hij tot den leeftijd van dertig jaren, een nederig en verborgen leven leidde.—Jesus doet wat zijn Vader verlangt, maar Hij doet hot met de meest mogelijke volmaaktheid. En ziedaar, waarom zijn leven in het Huisje van Nazareth, alhoewel het niets schitte-

ocr page 326

— 314 —

rends, niets buitengewoons, niets groots vertoont; nuohtans het heiligste leven was dat de hemel moeht aanschouwen,—en het volmaakste dat aan do mensehen ter navolging kon worden voorgesteld.—(rij hebt mij dus begrepen M. B een heilig leven is niets anders dan een leven, dat gelijkvormig is aan den wil van God; hoe grooter nu die gelijkvormigheid is, des te heiliger zal dat leven wezen.—

II. M. B., ik heb u tot hiertoe in het algemeen gezegd waarin de Heiligheid bestaat,— laat ons nu ook oens zien, waarin zij voor n in het bijzonder gelegen is. Wanneer zal men van u kunnen zeggen, ziedaar een heilig mensch. Het antwoord op die vraag heb ik reeds hierboven aangestipt, namelijk : als gij volmaakt den wil God.s zult volbrengen. Er blijft nog over te weten, waarin voor u de wil Gods bestaat,— en of datgene wat Hij van u vraagt wel zoo buitengewoon is. Wat vraagt God dan van u ? Dat zal ik u eens zeggen, en dan zult gij weten, waarin voor u do heiligheid gelegen is.— Gods wil wordt ons geopenbaard op drieërlei wijze:

1. Door de geboden die Hij ugeeft.—

2. Door den stand waarin Hij u geplaatst heeft,—

3. Door de gcheurtenissen die u overkomen. Doet wat Hij van u vraagt — blijft waar Hij u geplaatst heeft,— en neemt aan al wat Hij u overzendt, en gij zult Gods wil volbrengen en heilig wezen.— Vooreerst, doet wat God u oplegt— En wat legt God u op?— Waar is dat te vinden?— Is dat zoo raoeielijk te weten?— Maar M. B., sedert lang weet gij wat God van u wil. Het wetboek van God is niet zoo groot als ons burgerlijk wetboek. Het wetboek van God kent gij allen van buiten.— Wat God u gebiedt, staat uitgedrukt in de tien geboden van God;

ocr page 327

— 315 —

en in de geboden der H. Kerk. (rij ziet nu, dat toen ik u zeide : tracht heilig te worden, ik niet bedoelde; doet buitengewone, zonderlinge zakon,— noen ik bedoelde geheel iets anders, namelijk: ik vorderde van u alle-daagsehe, gewone dingen. Indien Grod uw Schepper is, en gij zijne schepselen aijt: wat is er dan redelijker dan tot u te zeggen; Aanbidt en bemint God,— eerbiedigt zijnen H. Naam en besteedt iedere week één dag tot zijnen dienst.— [ndien uw evenmensch denzelfden oorsprong en natuur heeft als gij,— tot hetzelfde doel als gij geschapen is,— wat is er dan billijker dan van u tc vragen, dat gij hem behandelt, evenals gij wenscht dat men u behandele.— Indien gij Gods beeld en gelijkenis zijt, is het dan niet rechtmatig tot u te zeggen: eerbiedigt u zeiven, en besmeurt niet uwe ziel, om de lusten uws lichaams te kunnen bevredigen.— Welnu M. B., ziedaar alles wat God u beveelt in zijne tien geboden. En wat de geboden der H. Kerk betreft; zij dienen alleen- om nog juister te bepalen, wat men doen moet, ten einde de geheele wet van God te vervullen.—

Gods wil wordt u daarenboven nog geopenbaard, zooals ik hierboven zeide: door den stand waarin hij u geplaatst heeft; gij moet namelijk blijven in dien stand, waarin God u gesteld heefL,— en uit liefde tot Hem vervullen alle plichten aan dien staat verbonden. In de trouwe naleving dier plichten is uwe volmaaktheid, uwe heiligheid gelegen. Gij zijt misschien vervvonderd over hetgeen ik hier zeg ; want ik beweer juist het tegendeel van u, die zoo vaak allerlei voorwendsels aanhaalt welke volgens u, uwe heiligheid in don weg staan. Hoe vermogen wij aan deugd en heiligheid te denken, zoo zegt gij,— spreek daarover tot kloosterlingen en nonnen! wij zijn getrouwde men-

ocr page 328

— 316 —

schen, handelslieden, wij hebben ambten te bedienen, zaken te verzorgen, kinderen tot stand te brengen. Maar zijn al die opgenoemde zaken een beletsel om heilig te worden? Wanneer ik uzeg;quot;Weest heilig,— zeg ik u dan iets anders dan: weest goed echtgenoot, goed huisvader en huismoeder, goed koopman, goed burger, behartigt zorgvuldig uwe zaken, kwijt u naar behooren van uwe bediening, en brengt uwe kinderen eervol tot stand. Daarin bestaat voor u de Heiligheid. Er zijn vóór u christenen geweest, die zich geheiligd hebben in den stand waarin gij geplaast zijt. Wilt gij dat ik er u eenige opnoeme ? Ziet eens den H. Lodewijk, koning van Frankrijk,— de H. Elisabeth, koningin van Portugal,— den H. Elzear, de H. Delphina, de H. Monica,— dat waren allen gehuwde personen, die in de wereld leefden even als gij, en misschien nog meer dan gij. Onder de Heiligen verder, vind ik kooplieden, als een H. Maximus,— advocaten als een H. Ivo,—- geneesheeren als een H. Sebastianus, — soldaten als een H. Maurits,— dienstboden als eene H. Dula,— ja zelfs herbergiers als een H. Albanus en een H. Theodotus.— Hun stand en betrekking waren geen beletsel om heilig te worden. Integendeel, zij zijn heilig geworden met te leven volgens hunnen staat, en de plichten daaraan verbonden naar behooren te vervullen. Zij deden juist hetzelfde wat gij doet; maar zij deden het voor God, en met de meest mogelijke volmaaktheid waartoe zij in staat waren. Op dezelfde manier kunt en moet ook gij u heiligen. Zoekt gij elders de deugd, dan zijt gij den weg mis.— Elke handeling, elke godvruchtige oefening die u zou aftrekken van de behartiging der plichten van uwen staat, zou u tevens verwijderen van de heiligheid. Zijt gij b. v. koopman, — dan bestaat voor u de heiligheid niet

ocr page 329

- 317 -

met eiken dag verschillende Missen bij te wonen, in alle preeken en godvruchtige oefeningen tegenwoordig te zijn,— neen, vóór alles bestaat zij voor u, in het behartigen uwer zaken. Zijt gij dienstbode, dan voegt het u niet, uren en uren door te brengen in bet lezen van goede boeken,— maar trouw en eerlijk uwen meester te dienen. Zijt gij echtgenoote en huisvrouw, dan moogt gij niet voortdurend in de kerk blijven, en al het overige verzuimen; gij moet uwen man tevreden stellen, en al uwe zorg besteden aan uwe kinderen.— Klaagt dus niet M. B. en zegt niet,— ik kan niet naar de heiligheid streven, mijn beroep, mijn staat is een beletsel daartoe. Neen, de plichten van uwen staat, wel verre van een beletsel te zijn voor de heiligheid, zijn even zoovele krachtige middelen om daartoe te geraken. Wanneer gij ze verzuimt doet gij verkeerd; wanneer gij ze vervult doet gij goed; en zoo gij getrouw zijt, ze dagelijks te vervullen met het oog op God, kunt gij met Jesus Christus, die de Heiligheid zelve is zeggen; „Quae placita sunt ei, fado semperquot;. „Ik doe immer wat he-hagelijk is aan Godquot;.— (Joan. VIII. 29.) Maar ziehier wat de kroont stelt op uwe heiligheid. Goedschiks aannemen al wat God u overzendt. Kruisjes en wederwaardigheden zullen wij altijd hebben. De wereld is een oord van beproeving, en vandaar is zij tevens eene plaats van lijden. Gelukkig echter voor ons; al die kruisjes worden ons overgezonden door God onzen Vader; want niets heelt hier op aarde plaats, zonder dat God het wil, of ten minste toelaat. Olwatgrooten voortgang zoudt gij maken in de heiligheid, indien gij goed wist te benutten, al het leed dat u overkomt; met u namelijk te vereenigen met den wil van God.— Hoe gelukkig bijaldien in uwe wederwaardig-

ocr page 330

- 31« —

hedon, uw hart. van tijd tot tijd die woorden herhaalde, die uwe tong dagelijks uitspreekt: uw wil ge-schiedde-. Fiat voluntas tuaquot;.— (Matth. VI. 10.) Handelt gij ook zoo M. B.?— Helaas! ook betrekkelijk dit punt hoor ik u ijdele verontschuldigingen maken. Hoe zou ik heilig kunnen worden?— Ik die zoo zwak en met arbeid overladen ben.— Ik kan niet vasten, noch verstervingen verrichten,— ik heb te kampen met tegenspoed, en ben bijgevolg niet in staat om aalmoezen te geven,— ik ben ziek, en kan dus onmogelijk naar de kerk gaan.— Maar ziet gij dan nog niet, na alles wat gij komt te hooren, hoe onredelijk het is zoo te spreken! Zijt gij ziek, dan vraagt God van u niet dat gij naar de kerk gaat,— Hij vraagt dat gij met geduld uwe ziekte draagt. Hebt gij weinig vermogen, dan vraagt Hij van u geene aalmoezen, maar dat gij in uwen tegenspoed, de liand zegent, die u treft.— Zijt gij zwak, of overladen met werk, dan vraagt Hij van u geene strenge vasten; Hij is tevreden over u, zoo gij goed arbeidt, in den geest van boetvaardigheid of om eene andere goede meening. Doet wat God van u vraagt,— dat is voldoende.— Bijaldien gij Grod looft te midden van uw lijden, zult gij meer verdienen , dan wanneer gij de voortreffelijkste liefdewerken zoudt verrichten , ten tijde van voorspoed. M. B. ik ga eindigen, en ik hoop dat gij na al het gezegde, een juister denkbeeld zult opvatten van de heiligheid; dat dit woord voortaan zoo vreemd niet meer zal klinken in uwe ooren.

Ik vat deze goheele onderrichting tezamen, in deze woorden van Jesus Christus; „Qui facit volun-Uitent Patris mei qui in coelis est, ipse inirabit quot;11 regnum coeloruvi. Wie den toil volbrengt mijns hemelschen Vaders, zal ingaan in het rijk der hemelen.\'\' (Matth. VII, 21.)

ocr page 331

— 319 —

Voor ieder munsch op aarde bestaat do heiligheid in de volbrenging van Gods wil.— Voor u in het bijzonder ligt de wil van God besloten in de geboden die Hij u gegeven,— in den stand waarin hij u geplaatst heeft, — en in de gebeurtenissen die u over komen. Leeft dus Gods geboden na, vervult getrouw de plichten van uwen staat, neemt met gelatenheid aan de kruisjes van dit leven, en gij zult zonder visioenen en mirakelen heilig wezen in dit leven en eene schoone kroon verdienen voor het ander leven-Amen.—

ocr page 332

XXXVI.

Advent.—

Heden, M. B., vangt de H, Adventtijd aan. of liever gezegd, begint de voorbereiding tot het Hoogfeest van Kerstmis.— Hebt gij wel ooit eens nagedacht over de beteekenis van dat woord „Advent,quot;—Welnu ik ga u dezen avond daarvan eens een duideliik begrip geven.— Het woord „Advent,quot; Adventus, -- is een latijnseh woord ; dat „komst,quot; aankomst beteekent, en werd oorspronkelijk gebezigd om bet feest van Kerstmis of het feest der Geboorte, der Komst van Onzen Heer Jesus Christus aan le duiden; doch later is men begonnen door Advent te verstaan, den tijd door de Kerk vastgesteld, om zich voor te bereiden tot het Feest O. H. Geboorte. Die tijd van voorbereiding duurt tegenwoordig, in de geheele Katholieke Kerk vier weken,— en dat wel sedert de 13e eeuw.— Doch in in de 12 eerste eeuwen der Kerk, was de duur van den Advent korter of\' langer met betrekking tot deze of gene Kerk, dit of dat land.— In Frankrijk en Spanje duurde de Advent in de 9e eeuw zes weken.— Van de 9e eeuw af echter nam het grootste gedeelte der latijnsche Kerk het gebruik over van de Kerk van Rome; die het aantal weken van den Advent

ocr page 333

— 321 —

tot vier had teruggebracht,— uitgenomen de Kerk van Milaan, die thans nog zes weken Advent heeft. Ook ten opzichte van de vasten en de onthouding tijdens den Advent, is er langen tijd verschil geweest in de Latijnsche Kerk.— Ondanks het verschil van van duur van den Advent is hij toch over het algemeen steeds beschouwd geworden, als een tijd, bijzonder bestemd tot boetvaardigheid, onthouding en vasten,— evenals de 40 daagsche Vasten. Daarom noemde men hem d;kwijls Vasten van den Advent, soms ook Vasten van St. Martinus; omdat hij op vele plaatsen duurde, van het feest van St. Martinus tot Kerstnrs.— In de eerste eeuwen der Kerk. waren de geloovigen gewoon, twee dagen in do weck te vasten het geheele japr door uitgenomen in den Paaachtijd,— en wel des woensdags ter herinnering aan in Raad der Joden, die den dood van Jesus besliste,— en des vrijdags, ter herinnering aan het lijden en den dood van den Zaligmaker.— Ja de Kerk van Rome en nog eene andere Kerken vasten daarenboven nog eenen derden dag der week des zaterdags ; ter herinnering aan de begrafenis van Jesus, en a1s voorbereiding tot de viering van den zondag. Die drie dagen van vasten door het jaar, noemde men halve vastendagen, omdat op die dagen de onthouding zoo streng niet was als in de 40 daagsche Vasten; men mocht immers het middagmaal nemen na de Nonen, omstreeks 3 uren na den middag.— In de 40 daagsche Vasten daarentegen, mocht men het middagmaal eerst nemen na de Vespers, of tegen den avond. Na den tijd der vervolgingen, verslapte eenigermate de ijver dor geloovigen, en geraakte het vasten op woensdag, vrijdag, en zaterdag in verval; zoozeer zelfs dat omstreeks de vijfde eeuw slechts weinig christenen

21

ocr page 334

— 322 —

die nog onderhielden. Om dat verval tegen te gaan, en om eenigszins de traditiën 3er oorspronkelijke Kerk te bewaren, stelde men in de Bde eeuw achtereenvolgens in verschillende Kerken de vasten in van den Advent,— zoo niet bij wijze van gebod ten minste bij wijze van devotie. Het schijnt dat van dien tijd af de vasten en de onthouding van vleesch, gedurende een geruimen tijd uit devotie onderhouden werd niet slechts in de kloosters, maar door oen groot gedeelte der wereldlijke Geestelijkheid;— ja door tal van leeken ; maar daar het geen kerkelijk gebod of voorschrift was, viel het ten laatste in onbruik. Sedert de 13e eeuw ziet men dan ook geen spoor meer van de vasten en do onthouding van vleesch, tijdens den Advent tenzij in de kloosters en kloostergemeenten\'. Paus Urbanus V, die in 1632 op den Pauselijken troon verheven werd, wilde dat zijne omgeving zich onderscheidde door eene bijzondere godsvrucht en een stichtend voorbeeld,— en beval deswege dat alle geestelijken en leeken van zijn hof, de onthouding van vleesch zouden onderhouden gedurende den Advent. Zelfs ten tijde van den H. Bernardus, onderhield de orde van Cluny zelfs niet meer de vasten van den Advent; maar hield eene ietwat strengere onthouding dan het overige van het jaar. De meeste jongere kloosterorden onthouden zich van vleesch in den Advent ; enkele slechts vasten alle woeigt;süagen en vrijdagen, van Allerheiligen tot Kerstmis.— Alhoewel de vasten sedert lang in de Westersche Kerk in onbruik is geraakt; heeft zij toch immer nog den Advent beschouwd, als een tijd van boetvaardigheid. Daarom hield men eertijds in sommige Kerken en in sommige Kloosterorden het Officie van den Advent in zwarte gewaden,— men bedekte de beelden der

ocr page 335

— 323 —

Heiligen ten teeken van rouw, evenals men dit tegenwoordig doet in de 40daagsclie Vasten. Om diezelfde reden bezigt tegenwoordig de Kerk, violette gewaden op de zondagen tijdens den Advent,— zij laat het „Te Deumquot; weg in de Metten,— en het „Gloria in excelsisquot; in de Mis.— Om dezelfde reden ook, is in den Advent de inzegening van huwelijken geschorst,— ja, op sommige plaatsen zelfs wordt de jacht, het voeren van processen, het houden van tooneelvoor-stellingen en andere openbare vermakelijkheden geschorst. Een groot ijveraar voor de viering van den Advent, was de H. Carolua Borromeus, kardinaalaartsbisschop van Milaan.— Hij spoorde met nadruk de geloovigen van zijn diocees aan, den Advent te heiligen door eenen grooteren ijver voor het gebed, door het veelvuldig naderen tot de HH. Sacramenten,— zelfs door de onderhouding van de vasten, ten minste drie dagen der week, \'s woensdags, vrijdags en zaterdags. Ja, die heilige bisschop verplichtte daarenboven alle geestelijken van zijn huis, gedurende den gan-schen Advent zich van vleesch te onthouden, volgens het oud gebruik der Kerk. Gij hebt gezien welk groot verschil er geheerscht heelt in de Westersche Kerk, opzichtens de onthouding en het vasten tijdens den Advent; datzelfde verschil vindt ook in de Oostersche of Grieksche Kerk. Het schijnt dat de instelling van den Advent daar niet hooger dagtee-kent dan do 12dlt; eeuw;— vóór dien tijd werd de vasten en de onthouding van den Adventtijd alleen onderhouden door de kloosterlingen, en nog maar enkele dagen vóór Kerstmis.— Sedert de 12e eeuw zelfs, is er bij de Grieken nooit eenheid en gelijkvormigheid geweest; zoo min met betrekking tot den duur van den Advent, als met betrekking tot het

ocr page 336

— 324 —

aantal vastendagen die men moest onderhouden.— Sommigen deden den Advent duren 40 dagen,— anderen drie of vier weken,— eenigen maar ééne week.— Dat laatste gebruik heeft tegenwoordig de overhand gekregen bij do Grieken ; bij wie de vasten tegenwoordig alleen voorgeschreven is gedurende de zeven dagen, die Kerstmis voorafgaan.— Alles wat ik kom te zeggen, over de natuur en den oorsprong van den Advent, geeft ons duidelijk te kennen, den geest der Kerk tijdens dien heiligen tijd, en de gesteltenissen die ons moeten bezielen.— De Kerk stelt ons tijdens den Advent in hare liturgie, eene drievoudige komst van Jesus ter overweging voor. Zijne eerste komst, of zijne Geboorte in de grot van Betlehem.— De tweede, is zijne geestelijke Geboorte in onze harten,— en eindelijk zijne derde komst als Rechter op het einde der wereld, om het menschdom to oordeelen.— Zijne eerste komst nu, of zijne Geboorte in den stal van Betlehem, moet ons bezieien met eene innige dankbaarheid voor de groote weldaad der Menschwording.— Dankbaar zijn is niet moeilijk, als wij bedenken, wat wij waren vóór de Komst van den Zaligmaker, en wat wij thans zijn na zijne Komst.— Thans echter zijn de rollen omgekeerd ; wij die vroeger zwak, arm en klein waren zijn thans sterk, rijk en groot geworden,— en Jesus die vroeger sterk, rijk en groot was, is zwak, arm en klein geworden.— Doch hoe kleiner en nietiger Hij geworden is, zegt de H. Bernardus, des te dierbaarder is Hij mij : „Quanto pro me vilior, tanto mihi carior.quot;— Zijne tweede Komst of zijne Geboorte in onze harten, moet ons bezielen met een vurig verlangen naar zijne Komst. Deswege moeten wij ons hart inrichten tot eene krib, en die krib van ons hart zuiveren van alle vlekken

ocr page 337

der zonde door eene goede biecht; opdat Jesus met Kerstmis, daarin met welgevallen door de H. Communie geboren worde. Zijne derde Komst als Eechter op het einde der wereld, moet ons stemmen tot berouw en boetvaardigheid. En dat zullen wij het best doen, met zorgvuldig elke, zelfs de kleinste zonde te vluchten, met vurig en hartelijk te bidden, enz.... Eene innige dankbaarheid, een vurig verlangen, en een boetvaardig hart,— ziedaar, wat de Kerk van ons vraagt tijdens den Advent. Welaan, M. B., bereidt u voor om uwen Koning, uwen Schepper, uwen Verlosser te ontvangen,— gij zijt leden der H. Familie, en Kerstmis is bij uitnemendheid het feest der H. Familie ; stelt gij dus prijs op uwe waardigheid van lid der Broederschap, bereidt u dan voor. Hem deze dagen in een zuiver hart te ontvangen. Ja, Jesus wenscht met Kerstmis, in uwe harten herboren te worden, en u overvloedig aan de vruchten zijner Menschwording deelachtig te maken, Amen.—

ocr page 338

XXXVII.

De laatste zondag des Jaars.—

Nog een paar dagen M. E., nog een klein getal uren,— en het jaar 18.. is weder voorbij,— het heeft zieh aangesloten bij die menigte vervlogen jaren en eeuwen die voorbij zijn gesneld en nimmer meer terugkeeren.— En wat blijft er nu nog over van het jaar 18 . dat wij op het punt staan te eindigen ? Niets anders dan eene flauwe herinnering van gebeurtenissen en feiten, die in den loop des jaars zijn voorgevallen; maar die op hare beurt, evenals het vervlogen jaar zelf, na verloop van eenigen tijd in het boek der vergetelheid zullen worden opgeteebend.— Die feiten alhoewel vervlogen, behouden evenwel hare betoekenis,—- die gebeurtenissen bevatten voor ons mensehen, menige leering, menigen wonk.— Naar aanleiding daarvan stel ik dezen avond deze drievoudige vraag. Wat is het afgeloopen jaar geweest voor de wereld, — voor de Kerk,— voor de Broederschap dei- H. Familie\'}—

1. Voor de wereld is dit jaar geweest: vooreerst een geheimzinnig jaar.— Wij zijn getuigen geweest van bezoeken die keizers en koningen elkander gebracht hebben, bijeenkomsten van ministers van vor-schillende hoven, politieke besprekingen, diplomatieke

ocr page 339

— 327 —

onderhandelingen, conferentiën,— in één woord zaken, die de pers en hut publiek overvloedig stof geleverd hebben ter bespreking en overweging.— Wat werd er op die bezoeken verhandeld,— wat werd er op die bijeenkomsten besproken,— op die conterentiën uitgemaakt? Dat alles is een geheim en zal wel een geheim blijven.— Dit echter staat vast, of mogen wij minstens met grond veronderstellen; dat het alles behalve minzame en hartelijke ontmoetingen geweest zijn ; in schijn ja, mogen ze eene tint van vriendschappelijkheid gehad hebben,— metterdaad waren ze het niet.— De eene vorst, vertrouwt tegenwoordig den anderen niet meer; men geeft elkander vriendschappelijk de eene hand; doch de andere hand houdt men gewapend.— Het vervlogen jaar is dus geweest, een geheimzinnig jaar.— \'t Is nog geweest een jaar van betrekkelijke rust, maar ook van groote spanning. Eigenlijke oorlogen hebben wel is waar dit jaar den Europeeschen vrede niet gestoord; maar toch heeft er groote spanning bestaan tusschen de groote mogendheden.— \'t Is nog geweest een jaar van inwendige en geheime woelingen.— Woelingen der nihilisten in Eusland, woelingen der verdrukte Ieren tegen de Engelsche dwingelandij,— woelingen in Frankrijk en Duitsehland van den kant der socialisten; woelingen dor revolutie en der vrijmetselarij in bijna alle landen van Europa.— \'t Is nog geweest een jaar van ijdele praal en hoogmoed. Ja dat was het onder meer dan één opzicht. Wat was die wereldtentoonstelling, b. v. van.... waar alle volkeren der aarde hunne produelen heenvoerden en hunne waren uitstalden? Niets anders dan de ijdele luim van een land, van een Staat, die duizelig van hoogmoed van zich wenscht te doen hooren, zich

ocr page 340

— 328 —

zoekt te doen gelden.— De vergoding van het stof; ziedaar de strekking onzer eeuw, terwijl het onstoffelijke en eeuwige,— de ziel, God, het ander leven meer en meer vergeten worden.— De wereld moge God ook al vergeten; God echter toont van tijd tot tijd dat Hij nog leeft. Daarvoor levert het afgeloopen jaar ons menig bewijs. Zijn wij in het afgeloopen jaar niet getuigen geweest van menig treffend sterfgeval ;— mannen die de gansche wereld van zich deden spreken, die door huiuien hoogmoed verblind, zich om God niet bekommerden ; werden op eenmaal van het toppunt hunner glorie en grootheid afgeworpen, en ter afrekening door God opgeroepen voor zijnen rechterstoel.— Die vreeselijke aardbevingen en vulkanische uitbarstingen die gansche gewesten en landen hebben doen sidderen en beven,— die ijselijke mijnrampen die duizenden menschen het leven hebben gekost,— die felle overstroomingen,— die epidemische ziekten als de cholera, die telken jare van uit het Oosten Europa bezoekt,— zouden dat allen toevallige zaken, bloot natuurlijke gebeurtenissen geweest zijn ?— Neen, maar rechtvaardige straffen voor de zonden der wereld.— Ziedaar M. B. een kort overzicht van het jaar 18.. met betrekking tot de wereld. Voor de wereld is het jaar 18.. geweest een geheimzinnig jaar— een jaar van betrekkelijke rust en tevens van groote spanning^- een jaar verder van woeling,— een jaar van ijdele praal en hoogmoed, maar tevens ook een jaar van rechtvaardige bestraffing.—

II. Maar wat is dit jaar geweest voor de Kerk ? Een jaar van vreugde en leed, van troost en beproeving. Ja, M. B., het gaat met de Kerk, gelijk het gaat met het leven van iederen mensch. \'s Menschen leven is eene gesta lige afwisseling van vreugde en

ocr page 341

— 320 —

droefheid, — van genieting en ontbering, — van hoop en teleurstelling.— Hetzelfde is van toepassing op de Kerk.— Tusschen Duitschland en den H. Stoel is zeker eene groote toenadering tot stand gekomen, veel is de kerkelijke toestand daar te lande verbeterd; maar zoolang de Kerk niet al hare ontnomen rechten herkregen heeft, blijft haar standpunt steeds bedenkelijk en zorgwekkend.— Zwaar beproefd is de Kerk geworden in den loop dos jaars, van de zijde van Frankrijk, van Italië, en van andere staten.— Bemoeilijking der bisschoppen in hunne ambtsbedieningen, — vervolging van religieuzen en priesters, — stelselmatig bederf der jeugd door een onchristelijk onderwijs, — ontneming van het geloof aan een groot gedeelte der bevolking.— Ziedaar de treurige gevolgen eener goddelooze regeeringspolitiek, waaronder Frankrijk sinds jaren reeds gebukt gaat.— Welke zware beproevingen verder, lijdt de Kerk niet van de zijde van Italië! Laster, hoon en spot van den kant eener ongeloovige pers; — tiatelijke uitvallen tegen het Pausdom en de Kerk in de Kamers, — heilig-schennenden roof en verkoop der kerkelijke goederen, antikatholieke demonstratiën zelfs in de straten van Rome ; — ziedaar M. B., de toestand der Kerk, in het weleer zoo geloovig Italië. Doch God zij dank ! die beproevingen worden ook afgewisseld door vertroostingen. Ja de Kerk heeft in het afgeloopen jaar ook troost genoten.— Troost van de zijde van sommige Europeesche regeeringen, die in minzaam overleg schijnen te willen treden met den H. Stoel; teneinde bestaande grieven te verbeteren en uit den weg te ruimen; — o. a. Engeland dat meer dan ooit bewijzen heeft gegeven van toenadering en vredelievende gezindheid.— Troost van de zijde der bisschoppen en

ocr page 342

- 330 -

verdere Geestelijkheid, door hunne onwankelbare trouw aan den H. Stoel, en hunnen ijver in het vervullen hunner ambtsplichten, — troost van de zijde der ge-loovigen, die thans meer dan ooit bewijzen leveren van hun geloof en van geheehtheid aan de Kerk; — waartoe anders die talrijke bedevaarten, die milde bijdragen voor goede werken; o. a. voor de St. Pieterspenning, voor het Genootschap tot voortplanting des Geloofs, enz., — troost wegens de bekeering van zoovele ongeloovigen en heidenen, — den terugkeer van zoovele protestanten tot de Kerk, — troost wegens het sehoone vooruitzicht der Kerk in het Oosten, — den bloei der Missiën, enz. — Is dus het jaar 18.... voor de Kerk een jaar geweest van beproeving; het heeft haar toch ook niet aan troost ontbroken. En eindelijk:

III. Wat is het vervlogen jaar geweest voor de Broederschap der H. Familie? Voor onze Broederschap is dit jaar ook niet zonder beteekenis geweest. De getalsterkte der Broederschap bedraagt.... leden, doch waaronder er niet weinigen zijn, die slap en flauw opkomen; van dezulken zou ik er wel.... kunnen optellen; en daaronder zijn nog niet begrepen de ouden, ziekelijken, gebrekkigen, evenmin zij die om een of andere reden belet zijn, of die weinig opkomen,— maar ... die zelden of niet opkomen.— M. B., is dat niet treurig V Verdienen hunne namen niet verwijderd te worden van de lijst der Broederschap, omdat zij zich der Broederschap onwaardig hebben gemaakt?—

____zijn in den loop des jaars uitgetreden, — ....zijn

overleden, — ... hebben hunne opdracht gedaan, en .... staan bereids aangeschreven, voor de eerstvolgende opdracht.— Overigens moet ik zeggen Jat verreweg het grootste gedeelte dit jaar goed zijn plicht

ocr page 343

gedaan heeft, en daarin zie ik een bewijs, dat Gods zegen op onze Broederschap rust. — \'t Is nog van beteekenis geweest met het oog op die heugelijke bedevaart die wij in het afgeloopen jaar ondernomen hebben naar..... Ja die bedevaart is van veel beteekenis geweest, zij heeft den geest der Broederschap in hare leden meer en meer aangewakkerd; menig nieuw lid voor de Broederschap gewonnen, zij heeft do Broederschap in het oog der wereld verheven, en heeft over elk barer leden menige tijdelijke en geestelijke zegening doen afdalen. - Welaan dan M. B., sluiten wij dit jaar, met een paar ernstige gedachten! Even snel als dit jaar voorbijgevlogen is, even snel vervliegt ook ons leven, — maken wij dus een goed gebruik van den tijd; want de verloren tijd keert nimmer meer terug.— Voor sommigen is hot vervlogen jaar het laatste huns levens geweest; voor hoevelen, en voor wie zal het volgend jaar het laatste wezen V Dat is nog een geheim dat de toekomst zal ontslui eren. Laat ons das zoo leven, alsof het volgend jaar werkelijk het laatste onzes levens ware.— Verder M. B., danken wij God voor de genoten weldaden; — dankbaarheid is het beste middel om nieuwe weldaden te erlangen. En terwijl gij God dankt voor het genotene ; dank ik u, ijverige leden der Broederschap voor het vertrouwen mij geschonken in den loop des jaars ; — ik dank do prefecten en onderprefecten voor alle diensten dio zij mij in het bestuur der Broederschap verleend hebben; — ik dank de ijverige leden voor hunne trouwe opkomst, hun stichtend voorbeeld en hunne diepe aandacht, die zij mij verleend hebben, — en ik bid God dat Hij u moge zegenen in dit en in het ander leven.— Amen.

Einok vax het Eekstk Deel.

ocr page 344

0pAc£9cfcinc[/en.

Om alle misverstand te voorkomen, en allo onduidelijkheid te vermijden, heb ik het noodig geoordeeld, na eene aandachtige herlezing van het werk, hier en daar eene kleine wijziging of verandering te moeten aanbrengen.—

Op bl. 31, regel 14; staat: zegenrijk ;— dit woord hier verkeerd gebezigd, moet veranderd worden in: glansrijk.— Op bl. 83, regel 9; staat blind,— juister en duidelijker zou men hier lezen: vast.— Op bl. 200, regel 21; staat f/eze/owfZ htdormn,— theologisch juister leest men : van de hovenna-tuurlijke voorrechten beroofd en gewond.— Op bl. 237, reg. 3; staat: loopt men gevaar van den weg af te dwalen en,— duidelijker zou het zijn hier te lozen: dwaalt men van den weg af en loopt men gevaar;— Op bl. 294, regel 16; staat: zich bevindende in staat van genade;— deze woorden moeten vervangen worden door: na gebiecht en de H. Communie ontvangen te hebben;—

De goedgunstige lezer gelieve aan deze wijzigingen zijne opmerkzaamheid te wijden, alsmede nog eenige andere voorkomende drukfouten en onnauwkeurigheden in den geest te verbeteren.

ocr page 345

IN HOU D-

Bladz.

Voorwoord.

I. Driedaagsohe Oefening, bij gelegfinlieid van een

jnbile der Broederschap......... 1

II. Apostolaat van de Broederschap der H. Familie. . 13

III. Het Jubelfeest van de Broederschap der H. Fami

lie, levert ons; I. Stof tot vreugde en blijdschap, II. Stof tot nadenken en behartiging. . 25

IV. Generale Communie bij de sluiting der Di\'ie-

daagsche Oefening..........30

V. Reeks van preeken, bij gelegenheid van de

plechtige opdracht, van dc nieuwe leden dei-Broederschap ............42

VI. Generale Communie..........54

VII. Over de eensgezindheid en onderlinge liefde, die

den geest der Broederschap uitmaken ... 59 VIII. Over de grootte van het voorrecht, door God geroepen te zijn tot de Broederschap der

H. Familie.............73

IX. Over het Geloof, waarmede men bezield moet

zijn, bij het naderen tot de H. Communie. . 83 X. De plechtige Akte van Opdracht, is eene waarachtige, heilige, altijddurende verbintenis . . lt;)2 XI. De Broederschap der H. Familie is eene geestelijke Ark van Noë.........101

XII. Maria, eene machtige beschermster en teedere

Moeder, voor de leden der Broederschap , . 110

XIII. Generale Communie..........1X7

ocr page 346

Bladz

XIV. Het trouw bijwonen der vergaderingen, is

een eerste plicht voor de leden der Broederschap..........126

XV. Generale Communie........135

XVI. Jaarlijksche Vernieuwing der Doopgeloften 141

XVII. H. Kruisweg...........151

XVIII. Nieuwjaar............160

XIX. Vastenavouddagen.........166

XX. Asche-Wccnsdag..........174

XXI. Raadgevingen aan leden der H. Familie, bij

hun vertrek naar den Dienst .... 181

XXII. Paschen,een üjd van geestelijke vernieuwing. 197

XXIII. Maria-vereering. (Meimaand).....206

XXIV. O. L. Vrouw van Kevelaar; Troosteres

der Bedrukten.........213

XXV. O. L. V. van Scherpenheuvel.....221

XXVI. O. L. V. van het H. Hart. (Sittard) . . 22S

XXVII. Maria, de Moeder der Volharding . . . 235

XXVIII. Kruisdagen....................247

XXIX. Feest van het Goddelijk Hart van Jesus . 2fi4

XXX. H. Sacramentsdag........265

XXXI. Eerbied der Geloovigen ten allen tijde, tot

het H. Sacrament........273

XXXII. Het H. Sacrament van Mirakel. (Brussel) . 280

XXXIII. Iets over den Portiuncula—Aflaat . . . 293

XXXIV. Maria-Hemelvaart.........300

XXXV. Allerheiligen...........306

XXXVI. Advent.............320

XXXVII, De laatste zondag des jaars......326

ocr page 347

Jjij denz elfden uiig ever venei) enen.

Aertntjs. (C. S. S. R.) ïheologia moralis. Juxta doctrinam Alphonsi Mariae De Liguorio. 2 gr. vol- 8 dubh. kolom f 5.— Idem. Fasciculus Theologiae moralis, tractans ; le de occa-sionariis et recidivis, 2« de Usu Matrimonii, juxta doctrinam S. Alphonsi De Liguorio. Editio secunda .... 75 ets.

Idem. Caeremoniale solemnium functionum Juxta Liturgiam Romanam expedita forma Digestum. 1 vol. in 4to . f 1.50 Clement. (Can. Reg.) Compendium qui synodi provinciales Ultrajectensis et diocaesanae Buscoducensis necnon. Ultra-jectensis puncta disciplinaria in unum collecta et conserta

sunt..................60 ets.

Jamar. Eigenaardige Conferentiën voor Congregatiën en andere geestelijke oefeningen. 2 gr. dln. in 8° . . . f3.— Idem. Maria, Moeder van Jezus. Geschiedenis der allerh. Maagd en Moeder Gods. Volgens de H. Schriften, de Kerkvaders, de Godgeleerden, de Gedenkteekenen der oudheid enz. enz. Met plaat, kaart- en stamlijst. Vereerd met breve

van Z. H. Derde uitgaaf . .........f2.—

Jansen. Alph (C. S. S. R.) De Facilitate docendi seu de

Scholis institutiones juridicae.........fl.50

Lambrechts. (p. Fr. Julianus) Minderbr. De Eerste Communie of Verzameling van Sermonen over de Eerste Communie .......... ......75 ets.

Summa Theologiae mysticae R. P. Philippia S. S. Trinitate Carmelitarum Discalceatorum, provinciae S. Theresiae in Gallia provinciales, in qua demonstratur via montis perfec-tionis et in tres partes opte devisa secure et feliciter decur-ritur, manifestatio opportune, quae passim occurrere solent, per-

ocr page 348

oiculis nunc denuo in lucem prodit cura Ji. P. Bertholdi. Ignatii a sancta Anna ejusdera ordinis. 3 magnifiques vol. gr. 8° f 10.— Vendrtckx, (Archangelus) Sermonen over de waarheden van den Katholieken godsdienst. 10 deeltjes in 18° . f7.50 Wee. (F. v. d.) pastoor. Het leven O. H. J. Chr, en zijne Maagdelijke Moeder Maria, volgens de voorafbeeldingen van het oude verbond, de voorzeggingen der Oudvaders en Profeten, de verhalen der H. Evangelisten en de overleveringen dor Katholieke Kerk, tot onderricht en stichting voor alle Katholieke huisgezinnen, in den geest van den eerw. Pater van Cochem, uit het hoogduitsch van L. Busing er. Gebonden in een prachtvollen hand van rood engelsch linnen met echt marocco lederen rug en rijk verguld......f15.—

Dit werk is gedrukt op fijn wit papier met twee platen in kleurendruk, zeven platen op getint papier en 400 a .000 illustration en houtsneeplaten in den tekst allen naar teekeningen van de voornaamste Kunstenaars.

Debiteert met succes :

Bosmans. Praktische leerwijze om de kinderen te onderrichten in den kleinen- en grooten catechismus. Nieuwe

uitgaaf.................f 1.50

Manning. (Mgr.) Het eeuwigdurend Priesterschap, uitliet

engelsch vertaald door Kerkhofs........ f 1.25

Kerkuofs. (R. K. P.) Sermoonen van vijf minuten of vroeg-preken voor al de Zondagen van het jaar, door de priesters der Congregatie van den H. Paulus, mèt de Epistels en

Evangeliën voor eiken Zondag ........f 1.25

Rodriguez. (Alph. s. J.) De oefening der christelijke volmaaktheid. In het Nederlandsch bewerkt door II. Mulder

s. J. 6 dn................f 9.—

Schaap. (Mgr.) Homeliën óf verklaring der Evangeliën op

al de Zondagen van het Kerkelijk jaar.....f2 75

Schmidt. Leerwijze om de kinderen tot de eerste H.

Communie voortebereiden......... . f 1.50

Vercruysse. (s. J.) Nieuwe practische overwegingen voor alle dagen des jaars, over het leven O. H. J. Chr. voornamelijk ingericht ten gebruike van religieuzen. Derde uitgaaf lamp;n. f3.—

ocr page 349
ocr page 350
ocr page 351
ocr page 352