ocr page 1

HET KATHOLIEK KERKELIJK VOLKSLIED

1« ONZE MOEDERTAAL.

I\'

VOORDRACHT

gehouden in eene vergadering van het St. Bernnlphus-Gilde te Utrecht

Fr. EPPINK, Pr.

U T E E C H T ,

WED. J. R. VAN ROSSUM. 1892.

ocr page 2

C

ocr page 3

.

■

■

I .

_

v \' W

,

_

ocr page 4
ocr page 5

HET KATHOLIEK KERKELIJK VOLKSLIED

IN ONZE MOEDERTAAL,

VOORDRACHT

gehoiulou in eeue vergaderiug vau het St. Beruulphus-Gilde te Utrecht

Fr. EP PINK, Pr.

U T R E C H T ,

WED. J. lï. VAM ROSSUM. 1892.

ocr page 6

|l mprimatur J. G. H. C. ESSINK,

J,ihr. Censor.

Ultrajecti is Maji 1892.

ocr page 7

dJXijne /Seeren !

Niet zonder aarzelen waag ik hot in deze vergadering voor don eersten keer op te treden mot eon onderwerp, zoo veel omvattend en nog zoo weinig behandeld, als: Iht katholiek, kerkelijk volkslied in onze moedertaal, waarover ik wenscli te spreken. Dit onderwerp koos ik of liever, het drong zich aan mij op; want men spreekt gaarne over iets, waarmede men zich dagelyks onledig houdt.

Intusschen meen ik, dat het de aandacht en belangstelling dezer vergadering verdient en ik vlei mij met de hoop, dat de krachtige steun der St Bernulphus- Vereeniging, waaruit reeds zoo dikwerf een scheppende en herscheppende, oen kunst- en levenwekkende guest over onze kerkelijke provincie, ja verder zelfs is uitgegaan, ook aan dozen schoenen, thans echter nog weinig bloeienden tak der christelijke kunst ten goede mag komen. Want M. H., het katholiek, kerkelijk volkslied in Nederland leidt een deerniswaardig bestaan. Het doet my leed, dit te moeten zoggen; het tegendeel te kunnen getuigen en bewijzen zou veel aangenamer wezen. Docli waarom do waarheid verzwegen, ook al is zo onze schande. Zij dingt immors niets af op do goede bedoelingen onzer nieuwere dichters en zangers, op de ernstige pogingen, die in de laatste jaren worden aangewend, om ook hierin nieuw loven te brengen. Nu er kans schijnt te bestaan, om tot een algemeen katholiek zangboek te komen, is het plicht op dien treurigon toestand te wijzen en naar do oorzaak daarvan te vragen.

Mocht het my gelukken de aandacht van bevoegde mannen op dit onderwerp to vestigen en eene openbare bespreking

ocr page 8

4

daarvan uit te lokken, dan ben ik reeds overvoldaan en zal het welhaast blijken, of de weg, dien ik zal aangeven om tot een goed kerkelijk volkslied te geraken, de ware is.

Het katholiek kerkelijk volkslied dan verkeert in een deernis, waardigen toestand. Om dit aan tetoonon, zou ik mij kunnen beroepen op uitdrukkingen hier en daar opgevangen, op hetgeen men b.v. te Kevelaar jaarlyks hooren kan. Ook zon ik zonder veel moeite eene reeks uitspraken kunnen bijeenbrengen, waarin mannen van naam zich zeer ongunstig over ons hedendaagsch lied in do kerk uitlaten. Ik acht het echter wenschelyker mijne bewijzen aan do zaak zelve te ontleenen. Daarom wil ik u aantoonen, welke eischen men aan een kerkelijk volkslied moet stellen en daaraan onze liederen toetsen. Blijken ze dan, over hot geheel genomen, die proef niet te kunnen doorstaan, dan acht ik mijne stelling bewezen.

Wat is dan een kerkelijk volkslied? 1)

Een lied, dat geschikt is, om overeenkomstig de kerkelijke voorschriften door hot volk in de kerk te worden gezongen.

Wanneer deze omschrijving juist is, dan valt het gemakke-lyk de eischen voor zulk een lied in het algemeen aan te geven; dan moet het in do eerste plaats een lied, in de I weede een volkslied en eindelijk een kerkelijk volkslied zijn d. w. z. geschikt, om vóór en na kerkelijke verrichtingen in de kerk te worden gezongen, ik geloof niet, dat iemand hiertegen iets zal kunnen inbrengen. Wanneer wij ons derhalve een juist donkbeeld willen vormen van een kerkelijk volkslied , dan behooren wij drie vragen te stellen :

Wat is een lied:\'

Wat is een volkslied\'{

Wat is een kerkelijk volkslied?

Dit aantal vragen echter verdubbelt zich, wanneer wü de twee bestanddeelen van zulk een lied afzonderlijk in het oog-vatten. Want een lied bestaat uit poözie en melodie, uit gedicht en wijze.

U Hot tyjvoegeUjk naamwoord //katholiek* moon ik voortaan to mogon woglaton

ocr page 9

Beide hooron noodzakelijk bijeen, zuoai.s liet lichaam en de ziel lot liet wezen van den inonsch. Zij moeten elkander aan vullen, om samen een goed lied te vormen, Zuo aan oen van beide een fout kleeft, gaan beide mank; gaan ze niet in elkander op, dan verliezen zo van hun eigen leven en kracht. Vooral is dit nadeelig, wanneer de fout ligt in de rnelodio. Want het gevoel voor rhythm us en evenwicht in de melodie is by don menscli sterker, dan het begrip van poëzie en haro wetten. Een lied met eeno gebrekkige melodie, hoe schoon do tekst ook zij, heeft nimmer kans een volkslied te worden.

Gaan wy dan over tot oone afzonderlijke bespreking der twee bestanddeelon van een lied: tekst en melodie.

DE TEKST.

Ken kerkelijk volkslied moet, zooals wij boven zeiden, in de eerste plaats zijn: een lied.

Dit betwijfelt zeker niemand, ofschoon or wellicht gevonden worden, die niet zoo juist begrijpen, wat hiermede wordt toegestemd.

Wat is een lied?

J. H. van Dale antwoordt: „een klein gedicht, waarin do dichter een enkel bepaald gevoelen in regelmatige strophon uitdrukt en dat geschikt is om gezongen te wordenquot;, liet lied behoort tot de lyrische dichtsoort. „Das ürundgesotz der heiligen Poësie, zegt Lüft 1), ist dass sio durchweg lyrischer Natur sein mussquot;.

De dichter van een lied wordt zanger genoemd, omdat hij moet zingen, niet schilderen. „Das Wesen des Liedcs, zegt Herder 2), ist Gesang, nicht Gemaldequot;. In een lied moet de dichter de verschillende gevoelens en aandoeningen zijns

1) Litmgik Mmiz, Uogensburg 1847 II IO;i. By do .sliulio van dil ondoi\'worp heb ik, bij ontsfcentoni» van oen liollandsch gosclirift, dc verhandeling van P. Droves ; ,/ Kin Wurt sur Ocsanybitch-I\'ragequot; (Hordei, Freiburg) als handleiding gebruikt. Ik acht Jeze mededeoling noodig, om do duitsche aanhalingen te verklaren en te rechtvaardigen.

2) Stlmmen dor Völkor. Vorwort.

ocr page 10

6

harten op melodieuze wijze uiklmkken. „Die Sphare der heiligen Poösie, zogl, Lüft, isl das Gefühl , das miichLig ei\'grilTenequot;.

Wil de dicliter het hart truiren, dan moet hij zelf hartotaal spreken; hy moot don componist voorzingon , zal deze zijn gedicht met oon schoon klood kunnen sieren. Do tonen van een lied moeten uit do volle borstader stroomen, zal hot de heilzame uitmorking niet missen, waarvan do dichter spreekt 1):

Hot lied dat uit hot harte vlooit,

Is als de lieve zon :

Hetzij de zoete lento bloeit,

Of \'s winters adem stroomen boeit,

Het is een laafnisbron.

Het lied dat is \'t gevleugeld woord ,

He tolk van jong on oud,

Hot lied is \'t volk; ja, \'t stemaccoord

Wordt meest in \'t burgerhuis gehoord, Hot lied is moor dan goud.

Niets is daarom onnatuurlijker in oen lied dan de loer- en preektoon. ,,Dor Hauptfeind, dor Würgongol aller Nyrik ist der Docirton, der Katheder — oder richtiger dor Kansolton, der aus einom didaktischen und einem rhetorischon Elemente sich zusammensetztquot; 2). En waarom? Omdat zulk oen lied in de oorsto plaats tot het vorstand spreekt en niet tot het hart. De dichter van een lied wil immers, dat liet worde gezongen en de volksdichter legt zyn woorden in don mond des volks. Levert hij nu oen leerdicht of houdt hij oono zedopreck, dan maakt hij het volk tot leeraar of zedemoestor van zijn eigen ik. Doet hij dit in oon kerkelijk lied, waarin do zanger zijn gevoel voor God uitstort, wion laat hy dan onderrichten en torochtwijzon? God zelf. Zulke dichters vatton hun taak zoor gomakkolijk op. Zy kiezen

1) Prudens va» Duyso. Nagelaten godicliton Vo JJl. lu Stuk bl. 81.

13) P. Droves, «•Ein Wort zur Gesangbucli-Frago.quot; Herder Freiburg bl. 18.

ocr page 11

een of anrior geloofspunt, eon verhaal uit. du II. Schrift, of vrome legende, deelen het onderwerp hunner keuze in be-rijmd proza mede, voegen er hier en daar eene opmerking by en eindigen hun gedicht met eene praktische toepassing. Dat is echter do taak van den lierdichter niet. Wie dit doet mag oen voortreffelijk catecheet of zedemeestor wezen, hy is geen zanger, geen lyrisch dichter. Deze moet zyn hart, door de overweging van een of ander onderwerp getroHen, uitstorten en anderen op hunne wjjzo zyn gevoel doen doelen ; hy moot zingen, zullen anderen met hom meezingen.

Men mag b.v.aan oen lied op „de Geboorte van don Godmonschquot; geen lagere eischen stellen, dan P. van Hoogstraten aan een odo op dit feest. Het „moet in de eerste plaats gloeien van een poözie, die uit het aanbiddend hart van don monsch, als een heilig offervuur tot God opstygtquot;. Zijn „hoogste schoonheid moet de verrukking eener liefde zijn, die ziolon kan doen ontvlammen, omdat zy zelve blaakt van een hemel-sche vlamquot; 1).

Wanneer wij nu de litteratuur van ons tegenwoordig kerkelijk volkslied slechts vluchtig doorloopen, dan vinden wy eene menigte liederen, die aan liet gewraakte euvel mank gaan. Nemen wy b. v. den aanhef van oen lied, met het opschrift: „Betrouwen op de voorspraak van Mariaquot;.

1.

Vergeet een moedor ooit haar kind In ramp of ongeluk?

Onttrekt zij \'tooit haar moederhart By \'t nijpen van den druk?

2

O noen! zij snelt met liefde toe.

Niets wat haar wederhoudl,

/ij rust niet voor zij \'t dierbaar pand Gelukkig weer aanschouwt.

1) Studlön on krifciokoii door P. V. Th. viin lloogslraloii Ord. PraeM. Nijmegen Malmborg 1891. Tweede Deel pag. 205,

ocr page 12

8

En zou dan zy, die Moeder was

Van haren lieer en God Die ons van Hein aan \'L kruis ontving,

NieL deelen in ons lot.

Dit lied, 20 strofen lang, verliet in 1888 de snoiporsdruk van W. Bergmans te Tilburg 1). Maakt het niet don indruk, alsof de zanger zich zelf nog van hot vertrouwen op Maria moest overtuigen on by anderen dat vertrouwen wil wekken ? Kan men dit noemen taal des gevoels, „des machtig ergriff\'ene?quot;

In een boekje met den titel: Gezangen onzer /iroederschup-pen 2) vind ik n0. 10 volgend lied;

Gaat allen tot Josei\'-i.

Gaat allen tot Josef den vader der armen Hy troost u in droefheid, hij lenigt uw smart. Zyn vaderhart gloeit steeds vau liefde en erbarmen Uw bode zij vurig en komo uit hot hart.

9

Geen Engel werd ooit als St. Josef verhoven. Tot Vader van Jesus kiest God zelf hem uit; Tot Bruidegom wordt hy Maria gegeven Maria de vruchtbare maagd\'lyke Bruid.

3.

Maria en .losof en \'t Kind in hun midden. Wat heerlijk, wat hemelsch verruk\'ljjk gezicht Als Josef het goddelijk Kind nu komt bidden. Verkrijgt hij zoo zeker, zoo spoedig, zoo licht.

1) Handboekje vuor (ie leden van do O. L. V, Broederschap der bedevaar! van Tilburg naai\' Kevelaar en Handel.

J) Verzameld door oen Pater Rodomptorist. O. Boij;, Amsterdam.

ocr page 13

9

I.

Hy heelt, voor ona allen genade gevonden ,

Vlucht daarom lot .loscf zoo goed en zoo rijk; Verbreekt dan de onzalige koot\'aen der zouden Kn weest den Gerechte den Ueil\'go gelyk.

5.

Na hevigen strijd in dit aardsche gewemel,

Is vrede en ook eeuwig geluk u bereid;

Met Jesus. Maria en Josef ten hemel,

Van strijden en aardsche bekomm\'rlng bevrijd.

Men hoort het dnidelyk, de dichtor hoeft wol eens eene preek op den H. Josof gehoord of gehouden, maar, zoo zou ik willen vragen, moest dan ter wille van deze in mat proza verstrekte raadgoviugon, verinaningon en ondorrichtingon de sohoone melodie van hot oude: „Mariae, dam sjgt;lro, amorem requiroquot; op het Procrustos-bed wordon uitgestrekt en half onkenbaar gemaakt! Zou iemand in dozo vijf strofen eene aanleiding en opwekking kunnen vindon, om tot Josef te gaan! Uit toch schijnt de dichter vooral op het oog te hebben goliad.

Het volgende voorbeeld vind ik in het voel verspreide „Handboekje der II. Familiequot;.

Acte van Geloof

i.

Broeders, welk geloof hebt gü?

Zegt uw Credo; antwoordt mij.

Credo \'t Evangelie Cods Met de vastheid van de rots.

Credo! credo!

O

Zeg mij dan op welk gezag Zulk een vastheid steunen mag?

Op inyn Gods waarachtigheid ,

Die niet faalt en niet misleidt.

Credo! credo!

ocr page 14

10

Maar van waar, uit weikeu uioud Weel, gy wal God hoel\'L verkond?

Uit, dou inoud vau Josus\' Bruid,

Die zich mild voor mij ontsluit.

Credo! credo!

Dit catedietisch onderricht wordt in vragen cn antwoorden zeven strofen lang voortgezet.

Nu volge eono berijmde zodepreek gomaakt op de woorden Ecclus. V, 8 cn 0:

1.

Morgen , morgen , altijd morgen Is de zang der zondaars al.

Morgen of wel overmorgen Wil ik voor wat anders zorgen;

Morgen \'k mij bekeeren zal.

2.

Nu laat ik nog \'t radje loopen,

Morgen adieu, goede nacht.

Morgen wil \'kop nieuw beginnen,

Heilig leven na Gods zinnen;

Morgen is het al volbracht.

6.

Morgen kan de hand des lleeren Stooten u in \'tvuur der hel,

Morgen is misschien uw woning,

Hij den duivel zonder schooning,

In den afgrond van de hol.

8.

Denkt dan zondaars! wat is morgen? Hoe onzeker morgen is?

iloeden, hecdon, dat is boter,

lleoden, nu, terstond is zeeker,

Zonder uitstel, dat is wis.

i

.

ocr page 15

It

De rtiidoi\'e slrofeii zijn vuor dun licliUiiniigen zondaar even opwekkend en dringend tot, bekooring. Wie na deze preek in zonden blijft loven on nog „\'t radje loopon\' laai, moet wol oon verstokt zondaar wezen. Het lied schijnt aene oorspronkelijke gediclit to zijn uit hot midden der vorige eeuw; mode de slechtste periode der religieuze poëzie. Men kan dit ter vergoelijking aanvoeren, maar daarmede is het niet verdedigd. Het werpt eon eigenaardig licht op dien tijd. Ik vond het in Mcssis copiosa, oen zangboekje 17H1 te Amsterdam gedrukt, maar begrijp niet, hoe de verzamelaar doze bootprodicatie eeno plaats kon aanwijzen naast zoo menig schoon lied. Want zooals we later zien zullen, is dil beokjo voor ons van hoogo waarde.

Laat ik nu hieraan nog oen paar liederen toevoegen, die een schriftuurlijk verhaal tot grondslag hebben, maar waarin do leer- en preektoon te zeer uitkomt. Om geen slechtere te nemen, wil ik ze ontleenen aan: „Oude cn nieuwe Kerstliederen der Gcbr. Thijm. No. 85 begint aldus:

1.

Neemt, al die Jesus wilt gaan zoskon.

Neemt ijvervol hot voorbeeld aan Der Drie, die ver uit \'s waerelds hoeken Naar hunnen Heer zijn opgegaan.

2.

Drie mannen vroom en wys van rade.

Drie Koningen van \'t Oosten-land,

Zij sloegen \'t Licht des Hemels gade.

En aller sterren loop en stand.

Do vijl\' volgende strofen geven oen beknopt verhaal van de geschiedenis der Drie Koningen en het geheel eindigt mot deze opwekking;

8.

Wilt broeders, wilt u dan bereiden Gods Licht t\'aanvaarden met uw hert;

\'t Zal als oen stor u henonleiden,

Waar dat uw Heer geboren werd,

ocr page 16

Komt vrij uit \'s Waerelds duistre hoeken En geeft Herodes geen gehoor,

Gy zult Ood vinden, wilt maar zoeken,

Hij stolt zijn dienaars niet te loor.

Het twoudo lied op het Feest der 11. Driovuldighoid No. 1 Ifi heft aldus aan:

1.

„My is volkomen macht gegeven ,,Als in don hemel ook op aard;

,,Gaat hoon, en leert aan al die leven „Wat ik u heb veropenbaard.

2.

..Hon doopend in don naam des Vaders,

.,l)es Zones en des Heiligen Geest!

„Wekt heel het inenschenkroost tot daders „Van myn geboden — minst en meest!

3.

„ I k zal gestadig met u wezen

„Van nu zoo lang de waereld staatquot;.

Uw goedheid, Heere, zy geprezen;

Uw macht, o Heere, heeft geen maat.

Is dat de aanhef van een lied, zal menigeen verwonderd vragen. En terecht. Ongetwijfeld zou het beter geweest zyn, zoo de dichter de stof zyner overweging niet had medegedeeld en het lied was begonnen met do volgende strofe:

4.

ü rykdom, o verborgen schatten

Van \'t Wezen Gods! wie reikt er aan!

Geen schepsel kan zijn Wezen vatten.

Geen maaksel kan zyn zin verstaan

ocr page 17

IS

5

lieer, Heilig, Heilig, Heilig klinkt \'et,

Want heilig zijt Gij zonder end!

Het menschdom als de Seraf zingt \'et,

De blikken needrig afgewend.

Ook zou ik de volgende strofe willen sdirappen.

8.

Bnigt uw verstand en al uw krachten,

O Mensch, voor zulke Majesteit,

Opdat de grootheid dier gedachten Niet op de winden u verspreid\'.

De strofen 4, 5, 6, 7, 9, 10, 11 zouden de stof kunnen leveren voor een goed lied. Omdat de verzen echter een voet te veel hebben, zal men er moeielijk eeno geschikte volksmelodie op kunnen vinden.

Do aangehaalde voorbeelden acht ik voldoende om te doen zien, wat er met den leer- en preektoon in een lied bedoeld wordt. Liederen, waarin deze zich op don voorgrond dringt, kan men met Lüft 1) noemen „dürre durchsichtige, gereimte Predigten und darum ungereimte Lieder.quot;

Bedenkelijker echter wordt de zaak, zoo do dichter in een lied zelfs de leer dor Kerk togen andersdenkenden verdedigt, geopperde bezwaren gaat weerleggen, bestaanden of vermeenden twijfel uit het hart des zangers wil wegnemen.

Zulke liederen worden door de uitspraak van Gekvinus 2) in het hart getroffen: „Der Ausdruck einos nio angefochtenen Glaubens wirkt auf die Andacht weit bosser, als die schönsten Grimde der Ueberzeugungquot;. Gelukkig echter zijn zulke polemische producten in onze dagen zeldzaam. J. Stalpekt van deu Wielh geeft er ons een voorbeeld van in zyn „Guide-

m

1) t. a. p.

Ü) Gesch. »lor poöt. Nat. Lit, IV. 17f.

r

ocr page 18

14

■Taers Feestdaghanquot;. Zijn lied op St. Pieters-Stoel (18 Jan.) begint aldus;

Die niet en willen dolen,

Maar salich willen syn ,

Die wachten zioh te scholen Met Luther en Calvijn.

Het is bekend, dat Luther ook het lied gebruikte als middel, ont zijne leer bij het volk ingang te doen vinden en daaraan is het wellicht toe te schrijven, dat ook van katholieke zijde in deze word gezondigd.

Volgt hieruit nu, dat een lied geen dogma mag behandelen, geen verhaal raag bevatten en den zondaar van geen bedreiginu\' of straf mag spreken ? tn geenen deele, zoo de dichter slechts den juisten toon weet te troffen; \'tis ook hier „le ton, i|ui fait la musiquequot;. Het komt er maar op aan, hoe de dichter zijn geloofspunt in het lied verwerkt. Een lyrisch dichter mag leeren, maar moet niet willen leeren; hij mag een dogma, behandelen, maar hot lyrisch element moet het dogmatische beheerschen. Uit de overweging van het geheim moet het lied aan de borst des zangers ontwellen, zooals de machtige Sequenlia:

Lauda Sion Salvatorem Lauda Ducem et Pastorein Tn hymnis et canticis

aan het hart van den engelachtigen leeraar ontwelde, toen hij in overweging de diepte van Gods liefde in het Heilig Geheim had gepeild, zoover een mensch die peilen kan. In volle accoorden laat hij ons hooren, wat er in zijn hart omgaat; hoe hij dankt, juicht, jubelt, aanbidt. En wanneer hij daarna op een schijnbaren leertoon dat geheim in geheel zijn omvang ontwikkelt, dan geschiedt dit enkel, om in de strofen „Ecce panisquot; en „Bone Pastorquot; andermaal hot gevoel zijns harten in al zijn volheid uit te storten. Dit hemelsch gezang, wat men lezende reeds zingt, is een voorbeeld en bewijs

ocr page 19

15

tevens, hoe oen dogma in eon lied kan en moet behandeld worden,

Op gelijke wijze mag een lierdichter verhalen, doch men moet het hom afluisteren, dat het verhaal geen hoofdzaak is. Een lied mag geen oratorisch verhaal wezen; de dichter mag mededeelen, wat hij overwogen heeft, maar de gevoelens, door die overweging gewekt, moeten den toon aan het lied geven. Het verhaal moet don achtergrond vormen van het beeld des harten, dat hy in zijn lied uitstort. Hiervan vinden wij eene reeks schoone voorbeelden. Ik wil or slechts op een paar wijzen. In de eerste plaats op het albekende, overoude:

1.

Het \'viel eens hemels douwe

Al in een maechdekyn.

Ten was nye beter vrouwe

Dat dede een kindekyn Dat van haer wort gheboren Ende zi bleef maghet fijn.

O maghet wtuercoren Lof\' moet v altoos sijn.

2,

Die maget ghinc mit kindo,

üheen swaerheyt en ghinc haer an Als Joseph dat versindo

Die goede rechtuoordige man Hi dacht ick wilso laten

ick en ben die vader niet Ende trecken mijnder straten Eer mi meer scanden geschiet.

Op denzelfden toon wordt ons in de vijf volgende strofen verhaald, hoe de Engel den H. Josef kwam geruststellen, den tocht naar Bethlehem, hot zooken naar een verblijf, de

ocr page 20

16

geboorte, de blijdschap van Maria, toen zö het Kind aan haai\' harte drukte. De laatste strofe luidt dan :

8

Maria zuyuer fonteyne Daar God syn ruste aen nam,

Bidt voer ons al ghemeyne Ende versoent dat godlijck lam So dat wij moeten gheraken Met hem int soete dal Daer vruechd is bouen maten Die eewelijck dueren sal 1).

Het tweede verhaalt ons de ontmoeting van Jesus en Maria op den kruisweg en het lyden der Moeder onder het kruis van haren Zoon. Men gevoelt reeds bij den aanhef, hoe de dichter zyn onderwerp heeft overwogen en in de groote liefde van Maria tot haren eenigen Zoon de bron en de oorzaak ziet van haar mateloos lyden. Ik geef slechts de eerste twee strofen, omdat ik deze voor mijn doel voldoende acht. Het geheele lied heeft 16 strofen, bij Thijm slechts 12.

1.

Van liefden comt groot liden

Ende onder wilen groot leyt

Het minde die maget Maria

Den Gods Soon wel ghemeyt.

Si minde hem seer, si hadde hem lief

Als si hem sach in liden

Si en conde gherusten nyet.

1) Dit, en het volgende lied ontleen ik aan: iiEen deuooi ende profilelljck Boecxkenquot; 1539 pag. 31 en T4, nieuw uitgegeven door D. F. Scheurleer, Nu hort\' \'sGravenhage 1889. Men vind zo ook, maar gewijzigd, in: t()iide en nieuwe Kerstliederenquot; van Aib. Thym nquot;. XI en XCV. Thijm zegt, dat ze beide van omstreeks 1600 /yli Hot eerste is echter geen oor-spronkolgk liod, maar eene vertaling of vrtfe omwerking van het latUn-sche: HEM virgo coeli vore repleta desuperquot;, (Zie ook W. Bilumkei //Dan Kath, Deutsche Kirchenliedquot; Bd. I n0. 100). Of dit van liet tweede soms ook mag gezegd worden, zal lator moeten blijken.

ocr page 21

17

2.

Maria was in liden Si ghinc oonen droeuen ganc.

Tot Hierusalem voer die poorte Die si ontsloten vant Daer sauh si comen haers herken lief Met eeuen oruce gheladen Als een verbannen dief.

Wanneer men deze liederen leest, dan hoort men liet verhaal, maar liet boeit onze aandacht niet. Wij worden slechts herinnerd aan hetgeen wij reeds wisten, maar deelen nn in de gevoelens, die de overweging dezer gebeurtenissen in den dichter heeft gewekt.

/oo mag dus de lierdichter een dogma, een verhaal der H. Schrift, zelfs eene legende tot onderwerp kiezen, indien liij slechts den juisten toon weet te treffen. Ook mag hij snaren aanroeren, wier trillingen in het hart des zondaais wroeging wekken en hem tot bekeering roepen, ja dringen. Hij mag dit doen even goed als Johannes Brugman In een lied, wat ik hier ton slotte in zyn geheel wensch mede te deelen.

1.

Met vrnechden willen wi slngen Ende louen die Triniteyt Dat sy ons wil bringhen Ter hoochster salicheit Die eewelyck sal dueren Och eewelijck sonder vergane Och mocht ons dat ghebueren Och eewelyck is soe lanck.

2.

Leefden wi na die gheboden Also wi ieuen souwen Ende dienden altoos gode Ende onser lieue vrouwen Ende lieten ouer lijden Die werelt in haren ganck Wy souden hier na verbliden Och eewelyck Is soe lanck.

ocr page 22

18

3.

Die bliscap is sonder eynde Hier boueu int hemolryck Die wi daer sullen vinden En heuet gheen ghelijok Dat is dat godlijck wesen Het schenct ons bliden drand; Alsu wi liooren lesen Och eewelijok is soe lam k.

4.

Die engelen van lüer bouen Sij maken so groeten chier Laet ons hem allen lonen Hot glielt ons euen dier. Ho moghen wij verbliden Ende singhen der engelen sane Tot eewelijcken tiden Och eewelyck is soo lanck.

6.

Die lieyligen alle gader 8ij maken groote feest Sij loven Qod den vader, Den sone, den lieyligen gheost Als wij die sonden laten Sij wetent ons groten danck Hij verbliden bouen maten Och eewelyck is soe lanck.

6.

Maria die moeder ons heeren Si is van ons verblyt Wanneer Wij ons bekeeren In dezer allendigher tijt Maria maghet reyne O edel wijngaert ranck Bidt voer ons al ghemeyne Och eewelyck is soe lanck.

ocr page 23

19

7

Nu laet ons dienen godc Dut rade ick jonck ende out Ende lioudon sijn gliebode Ende louen hem menichfout,

Dat lii ons wil beschenneu Al van der liellen stanck 1)

Ende van dat eewioh kennen Ooh eewelijck is soe lanck 2).

En liiermede acht ik de eerste hoedanigheid van een kerkelijk volkslied voldoende verklaard en toegelicht. Het moet een lied wezen. Wie een goed vers maakt, is niet altijd in staat een goed lied te leveren. Gebruikt een dichter het, uit gebrek aan iets beters of uit verkeerd inzicht, om te leeren of den zedemeester te spelen, dan is hij op den dwaalweg. Zoo iemand mag een goed gedicht maken, geen lied; het mag zich leenen tot declameeren, tot zingen nimmer. Een lyrisch dichter heeft hoogere roeping. Hij moet het edele, reine gevoel zijns harten aan anderen mededeelen. Het lied moet stroomen uit de volle borstader; wat niet uit het hart komt, kan onmogolljk hot hart treffen,

De tweede vraag, hierboven gesteld, brengt ons op een gebied, waar geen juistequot; omschrijving meer mogelijk Is, Wat is een volkslied?

Het antwoord laat zich beter gevoelen, dan In woorden uitdrukken. Zou de smaak des volks misschien de maatstaf zijn, waarnaar dat lied moet beoordeeld worden? Zoo dit waar kon wezen, dan was hot met alle kunst gedaan. Of

1) Deze en soortgelijke uitdrukkingen, ;iie in vruegore tgdou geen aan-sU)ot wekten , moeten voor ons oor door andere worden vervangen.

2) //Een devoot ende profitehjclc Boecskenquot; p. 24. Zie Thym nn. 180. Hol behoeft niet gezegd, dat deze en soortgelijke liederen eene omwerking moeten ondergaan, zullen zo in een gezangboek voor ons volk worden opgenomon. ITet was mü onkol om de zaak l.o doen, niet om den vorm.

ocr page 24

20

is het niet waar, dat aan het volk ilikwijls juist datgene het meest behaagt, wat. in de oogen van don kunstenaar de minste waarde hoeft; tonvyl het aan menig kunststuk den rug koert? En waar is do kunstenaar, trouw genoeg aan ziju beginsel, die aan done volksliefhebberij van tyd tot tijd geen offertje bracht? L)e smaak des volks kan onmogelijk hoogste kunstrechter wezen.

Maar wat maakt dan het lied tot een volkslied? Trachten wij dit althans uit do verte aan te duiden. „Nelimen wir die Sacho, zegt P. Droves 1), wie sic liegt. DasKirchen-liod ist bestimmt nicht für oinzelue bevorzugte Lieblingo der Muse, os ist goschrieben für \'s Volk. Jene Kirche, angefüllt mit Individuen aller Alter und Stiindo, mit Arm und Reich, Gelehrt und Ungebildot, sie allo, wie sie du knieion. Bank an Bank, und Kopf an Kopf, sie sollen es denken, im Herzen mitbeton und mitfühlen. Dioser ümstand allein gibt uns das nüthige Correctiv, dio nöthige Fessol, die wir nicht der Subjectivitat, wohl abor dom Subjoctivismus im Kirchenliede anlegen mussenquot;. In doze woorden vinden wy hot juiste gezichtspunt aangegeven. Hot liod, waarvan wij spreken, is bestemd voor hot volk, dat uit alle rangen on standen in het huis Gods samenstroomt. Zal hot volk met den dichter moezingon, dan moet deze den gezonden zin dos volks kennen on gevoelen, wat er in hot volk leeft. Do volksdichter moot een dichter zijn uit hot volk, niet enkel voor het volk; hij moet denken, gevoelen en spreken als hot volk, zal hy begrepen worden. Hooge bospiegelingon en hoogdravende uitdrukkingen zijn in een volkslied misplaatst. Wat een dichter gevoelen en zoggon kan, maar misschien goon tion uit het volk met hom, moot hij in zyn hart besloten houden. Hij moot over de verhevendste waarheden in eenvoudige taal kunnen sproken.

Nu zou iemand tot de verkeerde gevolgtrekking kunnen komen, dat namelijk de andere uitorsten in oen volkslied geen fouten zijn : dat voor het volk alles goed is. Niets is echter minder waar. Dorheid, gebrek aan gevoel, aan leven en

1) »Kin Wort zur Gosangbuch-Pragu.quot; p. 39.

ocr page 25

beweging, armoode 011 platheid zijn in oen volksiiud evun/.eor gebreken, als heogo bespiegelingen, stoute beelden en hoogdravende woorden. Men mag het volk niet onderschatten. Al kan hot den dichter in zijn liooge vlucht niet volgen, toch lacht het met platte, alledaagsche uitdrukkingen: hot gevoelt moer, dan hot zegt.

Üe dichter van oen volkslied moot dus een man uit het volk zijn, liet volk konnen en gevoelen, wat er in het hart des volks omgaat en dat gevoel in gezonde, voor hot volk verstaanbare en tevens waardige taal weten weer te geven. Voegen wij hierbij nog, vermits er van een korkelü\'k lied sprake is, dat do dichter een goed Christen moet wezen, wiens hart by\' de overwoging van Gods liefde, in de schepping en verlossing getoond, van dankbaarheid klopt en van wederliefde blaakt, dan hebben wij een vrij goed denkbeeld van een kerkelyk volksdichter en een vry juisten maatstaf, waarnaar wy zulk een lied voor hot volk mogen, ja moeten beoordeelen. Zulk oen lied moet objectief, maar tevens subjectief zijn. Übjcctiof, in zoovorro de dichter niet zijn eigen persoonlijk gevoel weergeeft, maar slechts dat, wat onder het christenvolk leeft. Subjectief, wijl dit slechts dan mogelijk is, wanneer hij in het leven des volks is doorgedrongen, met het volk leeft en \'gevoelt. „Wer als Christ das Tiefste seines Innern am rcinsten ausspricht, zegt Lango 1), spricht aller Christen Tiefstes ansquot;. Wie dit doet, en aan de gods-gave van dichter, kennis dos volks, vorming en gezonden smaak paart, zal een lied kunnen schoppen, wat loven en warmte hooft, voor ongeletierden verstaanbaar, voor geletterden aantrekkelijk is en door het volk gaarne gezongen wordt.

Laat ons nu door voorbeelden hot gezegde nog een weinig nader verklaren. Ik kies daartoe oen boekje, getiteld: „ Gezangen onzer 1 iroedcrschappcn.quot;2) Toen het verschoen, schroef mij oen vriend: „Hobt gij het nieuwe bundeltje: „Gezangen

1) i)ic kirchllohe Hymnologie p. 2n.

2) Vovzamold door oon Pater Ilcdcmpturist, Amslenlaiu G. Boi\'g. BUikons liot „Voorwoordquot; is dit oono vermoordordo «Itgavo van een ander bimdoiye, dat twoo Jaren vroeger verscheen onder den titel: „G-.zongeyi vootdeBroeder\' schappen van O. I.. V. van Altijdd. Bij stand cn den 11. Alphonsus.quot;

ocr page 26

onzar Broederschappenquot; van euii l\'ator Hedeinptorist al gezien? Mij dunkt, dit boekje brengt ons een Hinken stap achteruit op don goeden wog. Overdreven sontimontaliteit in don tekst en muzikale nonsens zijn op menige bladzijde to vindenquot;. l)o schrijver dezer ontboezeming kon mooielijk denken, dat ze ooit in druk zou verschijnen, anders waren zjjno uitdrukkingen allicht minder sterk geweest. Overig ons ben ik het volkomen met mijn vriend eens. Na hetgeen Mgr. van der Ploeg, Mgr. Lans, Jansen, Wüst, Hens, Ponten en anderen in de goede richting hebben gewerkt, had dit boekje niet moer moeten verschijnen. Daarom verwonderde liet mij zeer, in de Januari- Februari-Afl. (1892) van het St. Gregorius-Blad ook dit bundeltje te zien geprezen on aanbevolen.

intusschon lovert het mij ruime stof, om hetgeen ik in een volkslied afkeurde met voorbeelden aan te toonen. No. 61 heeft tot opschrift:

Liefdeontboezeming tot Maria.

i.

Mijn leven is vurig Maria beminnen

Maria, wier hart zoo van liefdegloed blaakt,

Dat iedere sterv\'ling haar gunsten kan winnen,

Hoe zondig hij ook tot haar zetel genaakt,

Wel troont zij in \'t hoogste der hemelen bogen ,

Als aller gebiedster, bekleed mot Gods macht;

Toch rusten op ieder haar liefelyke oogen,

Die hier naar de hemelsche schoonheid versmacht.

2.

/iij ininlijke Maged, zoo zuiver, zoo edel!

Zij dochter van God, aan Gods liefde verloofd.

Do kroon van Gods Moeder omstraalt haren schedel.

Zij heeft ook mijn hart door haar .schoonheid geroofd. O mocht dan haar name vol zoetheid en leven

Weerklinken langs berg on langs heuvel on dal! O mocht heel de wereld door liefde gedreven,

Haar goedheid verkonden met daavrend geschal!

ocr page 27

9Q

uO

0 roofsbor dor hartou, vol liuftlo, vul nuetliciil,

Maria, o strek uwo hand naar mij uit,

Eti werp om myn hart den strik uwer goedheid,

Ontruk liet myn boezem, uw liefde ten buit!

Doortintel mijn hart met dien vuurgloed der minne. Die u, o mijn Moeder voor Jesus verteert!

En maak, dat myn liefde, o gij Liefdevorstinne,

Mijn liefde voor Jesus en U steeds vermeert.

De titel belooft de dichterlyko ontboezeming van oen hart, dat Maria vurig mint. Wy worden echter teleurgesteld on herinnerd aan den onberaden zoon van Daedalus uit do grieksche mythologie. De twee laatste verzen kunnen in goed hollandsch niets anders beteekenen, dan dat de liefde zich zelve moge vormeerderen. Kon men nog zeggen, wat P. Dreves ergens van zeker soort liederen getuigt, dat „die saumnachschleppende Eloquentiaquot; wel zoo vriendelyk is, hare zuster, de nuda Veritas, met een rhotorisch vygeblad by to springen; want vriendelijk mag deze welsprekendheid wezen, schoon is ze niet en de sloep ontbreekt haar geheel. Ongelukkig de componist, die zulk een lied met een melodieus kleed moot uitdossen. De melodie, waarop de verzamelaar ze laat zingen, is bonoden kritiek.

Wat nu volgt is de aanhef en de slotstrofe van oen: „Zegezang op het goddelijk Hart.quot;1 No. 31.

Welk oen schouwspel! \'t Hart dor harten \'s Eeuwgen Vaders eeuwge Zoon ,

In oen zee van smaad en smarten Op liet schandlyk kruis ten loon.

Waar zijn haat\'ren Hein oinschaat\'ren Mot een storm van spot en hoon.

Ik verlang het, ik begeer het.

Ja, ik wil, ik moet het Heerï Sterk dat wenschen en vermeer het,

ocr page 28

Maar ik bid hot en bezweer. Moet ik loven, laat mij govon Hart voor hart en immermoor. Moet ik lijden, laat my strijden, Altoos moedig, altoos moer;

Moet ik sterven, doo mü erven, \'t Hart, dat ik alleen begeer.

De vier andere strofen on de melodie noen voor de aangehaalde in kunstwaarde niet onder. Eon heerlijk zegelied!

Nummer 32 is meer mystiek. Die ziel klaagt over het verlies van haar Beminde en verlangt naar horecniging niet Jesus. Het herinnert aan zoo menig schoon lied der „minnendequot; en „boetvaenligo zielequot; uit vroegere tycleu.

1.

Somber woud, dat door uw zwijgen Schijnt te treuren om myn smart;

Luister naar mijn boozeinhygen Naar don klaagtoon van mijn hart.

Hoor toch naar mijn zielsgofluister. Breng mijn bang gemoed tot rust. Laat iny in uw eenzaam duister Droevig zyn naar hartelust.

3.

Ja, myn tranen zullen vlieten, Tolken van mijn diepe smart;

Tot ik u, o ziolsgenieten Weer mag drukken aan mijn hart.

4.

Ach, waar hebt gij u versdiolon, Jesus, die mijn hart verwondt?

Moet ik hulpeloos dan dolen , Ver van u, op vreemden grond ?

bis.

ocr page 29

Op ilozen toon zingt de dichter zevoutien strofen lang. liet oornpronkelijk liod van den II. Alfonsus, want wij liol)l)on liier mot oene vertaling to doen, mag oen schoon goostelijk liod wezen, in dit boekje is hot niet op zijn plaats.

De verzamelaar schijnt hot verschil tusschen oen geestelijk on oen kerkelijk volkslied uit hot oog te hebben verloren. Niemand zal lots willen afdingen op do schoonheid van het lied, wat ons Zuster Bortken zong: .,ik was in mijn hofkon om kruid gegaanquot;, maar wie zal hot ooit als eon volkslied gaan uitgeven en zelfs in de kerk laten zingen.

Laai- mij nu nog een paar andere liederen uit hetzelfde zang-bundeltje mogen mededeolen, die om andere redenen voor hot volk te hoog en daarom geen volksliodoron zijn.

Mquot;. 20. 1.

O God, wat is do mensch gelukkig!

Die sterven mag van liefdesmart

Voor Jesus, die in liefde en schoonheid Elk andro liefde en schoonheid tart.

O

Uit liefde voor zijn anno schops\'len Noemt Jesus allo vormen (!) aan.

Om zo aan zijn godd\'lijk Hart te boeien.

En in oen liefdeband to slaan.

Wolko „vormenquot; Jesus voor ons aanneemt; melden de vier volgende coupletten. Zy zeggen ons hoe „hot goddelijk Woord als kind hot levenslicht zietquot;; hoo Jesus „alseen arm en schoono jongeling in eono lago werkmanswoning, hard zwoegend zijn gering bestaan vindtquot;; hoo Hü „als oen oproerling geboeid en gesard zijn loven eindigt in een zee van smartquot;; hoe Hij „onder schijn van brood verborgen, zijn armen uitbreidt naar iedere ziel, die als ceno bruid Hom volgen wilquot;. Dan verzucht de dichter;

7.

O zwy\'g d»111! zwijg, gij valscho wereld.

Verwacht geen liefde meer van mij;

Een ander heeft mijn hart veroverd.

Meer min\'lijk, meer getrouw dan gij

ocr page 30

UiLdnikkingou als: „kwijnun, doon kwijnen, inogon BlervBii viin liefdésmtu tquot;, die inun onder andere in dit on liet volgende liod (nquot;. 01) aantreft, mogen in don mond van oen Heilige natuurlijk zijn, door den gewonen sterveling worden ze niet gebezigd. Met zulko uitdrukkingen moet mon in oen volkslied uiterst spaarzaam zjjn, vooral wanneer een lied naar inhoud en vorm het predikaat „middelmatigquot; niet halen kan.

1.

Kont gij den wensch mijns harten Maria zoet! Ik wensch voor u te branden van liofdoglood.

Ik wensch aan uwe zjjde als kind te staan,

Noem schoone Koninginno mij zondaar aan

O

En gij, o geur\'ge roze, zeg nu ook gij,

Al wat uw Moeder harte verlangt van my.

Aan schatten, lieve Moedor, ben ik niet rijk.

Maar zie, hier is myn harte als liefdeblük,

8.

Doch gij, o hartenroofster, naamt reeds dit hart; Uw liefde deed dit kwynen van liefdesmart.

Bescherm mij, goede Moeder, in allen nood.

Tot \'k eeuwig u kom prijzen na münen dood.

Zulko volksliederen zijn niet goed te keuren, tenzü men de moening deele, dat het slechtste voor het volk nog goed is.

Er is echter nog een bezwaar, waarop ik hierboven reeds met een enkel woord wees; een bezwaar, dat niet zoozeer de taal en den versbouw, dan wel den inhoud van menig lied raakt en mij gewichtig genoeg schijnt, om er nog oven op terug te komen Bij hot voorloopig plan voor Looft den lieer!quot; Katholiek gebeden- en gezangboek voor Nederland, voegde iemand deze opmerking: „zoo ik u botrelTondedogobedon oen wenk mag geven, dan zou hot dezo zyn ; neem toch geen gobedon op, die Ileillgen, in hoogo, hoiligo geestdrift hebben gesproken en neergeschreven, die echter geen gewoon sterveling kan nazeggen zonder zlch-zelf te misleiden. Wat deze hoog begenadigden voelden en zeggen konden, gevoelt on zegt geen tiende uit het volkquot;. Deze juiste opmerking schoot

ocr page 31

27

mij up ineiiigu blad/ijdu v;iii gonoeiud wulk,ie Le Ijinnen; ouk hcriuiiort hot to voel oa te «l-ork aan de wansmakelijke rransche prentjes met harten en duiven aan linten en strikkou. Wanneer ik liiorbij nu nog voeg, dat do melodieün met de liederen vrij gelijken tred houden, dan meen ik te mogen beweren, dat dit bundeltje in 1890 niet meer had moeten verschynen.

Doch ik lover geen kritiek op dit zangboekje en daarom wensch ik nog te wyzen op een paar liederen, voorkomende in: „Oude en Nieuwere Kerstliederenquot;, dio door de Oebr. Thijm zelf met een bijvoegelijk naamwoord als: onaangenaam, ijskoud, wrevel wekkend, /.edekundig, stroef enz. zyn vereerd. Daartoe behooren onder andere: „Aangenaam en lieflijk duisterquot;; „Juicht, o menschenquot;; „O mensch, loof God, wil u verblijdenquot;; „De schaduwen verdwijnen.quot; Hiervan slechts een voorbeeld.

1

Juicht, o menschen! Hij die do aarde Mot do vruchten, die zij baarde,

Uit het niot te voorschijn bracht,

En den hemel, zoo vol luister.

Voor u opriep uit het duistjr,

Is geboren deze nacht.

4.

Uit de Moedermaagd geboren,

Door de Godheid-zelf vorkoren

Voor het groot verzoeningswerk,

Komt do Vorst der Cherubijnen In het sterflijk vleesch verschijnen,

Tut don opbouw van zijn Kerk-

6.

Juicht en komt dan stervelingen,

Godo lof on glorie zingen

Eert den Godmensch in dit Kind Voor uw heil in \'t vleesch verschenen Om u weder te vereenen Met den Vader, die u mint.

ocr page 32

28

Ldiit ons hieraan nu nog\' een paar liederen toevoegen, waarin de ware volkstoon is getroffen. Ik ontleen ze aan twee handschriften uit do XV eeuw, uitgegeven door W. Baumker 1), Nemen wij het eerste hot boste.

1.

.Thesus cristus, marien soon,

Verlient die lenen wol te doen;

2.

Die syn versceideu van eei\'triic Kust vruechd bi v in hommelriie;

3

End vree do heilich kerc ghomeen End al die kersten onder oen;

4.

End als ons tiit hier is gedaen

Die ewich croeu van v tonfaen, Amen.

Uit dit lied, wat „vollstilndig nach Text und Melodie den Cliarakter eines eehton Kirchonliedos an siuli hatquot;, wil Baumker het bowys putton, dat ook de Nederlanders reeds in do 15do eeuw hollandsche liederen in do kerk zongen.

liet volgende plaatst hij onder de kerstliederen.

1.

iThosus is een kyndokyn cleyn,

Hom mynnon allo horten reyn;

Laet v die werrelt niet bedriegen,

Geloefd! hoer, si sal v liegen.

.Thesus is oen kyndokyn scoen,

In reinon herten spant hi oioen.

Deser werrelt moet ghi sternen.

Wil ghi ihesus mynne verweruen.

1) Viorteljalirsclirift lür Musikwissonschaft 1888. 3. Vier te Ij. Leipzig.

ocr page 33

29

3.

.Iliesus is soe ouer soet,

Dat ic hem ymmer mynnen moet.

Cleynen arbeit mit groet gewyn Vynt men in ihesus zuete myn.

4.

Jliesus is mynre hertkyn troost,

Ic word van allen liden verloest.

Nu laot ons mit herten blide Jhesum louen in alle tiden.

5.

Lort\', glory, eer end weerdicheit Moet ihesu syn (in) ewicheit Want hi syn dienres heeft bereit Die croen der ewigher salicheit. Amen.

Eindigen wy onze aanhalingen mot een lied, waarin men onder meer zien kan, hoe de dichter van oen volkslied een ornstigen toon kan aanslaan, zonder nog den zedeineester te spelen.

1.

Siet, wy moeten veruaren Van tiit ter ewicheit,

Verby gaen onse laren.

Och, waer wy wel bereit!

O

Seer cort is onse leuen Die doet wil comen schier.

Al dinck moet wy begheuen Gheen merren is ons hier.

. 3.

Pawes, coninc, jonc en ont Moeten ymmer sternen,

Noch macht, noch cracht, noch gout Mach respiit verweruen.

ocr page 34

30

i.

Waer syn si nv gebleuen,

Die voir ons waren groot?

Niet is van liem hiir bleuen,

Acli, sy syn leider doet!

5.

Al tottor seinen straten Soe moeten wy alle gaen,

Const wy ons besaten Üie doet wil ons benaen.

G.

Hier om laet ons bereiden

Mit naerst al onse lenen

üp dat als wy hier sceyden

öod syn riik ons moet glieuen. Amen.

En liiermede zyn wy gekomen tot de derde hoedanigheid van een kerkelijk volkslied. Daar wy echter dit pnnt hierboven reeds meermalen ter loops moesten aanstippen, mogen wij vrij kort wezen.

Wat is een kerkelijk volkslied?

Ook hier is eene juiste omschrijving onmogelijk. Tot hoeveel twist heeft liet woord „kerkelijkquot; op het gebied der kunst al geen aanleiding gegeven. Wij doen dns beter naar geen bepaling te zoeken, maar do zaak andermaal te nemen, zooals ze voor ons ligt en daaruit de kracht en beteekenis van het woord af te leiden.

Volgens de Provinciale Synode van Utrecht mogen in de kerk slechts „vóór en na kerkelyke verrichtingenquot; holland-sche liederen worden gezongen 1). In deze bepaling ligt reeds eene duidelyke vingerwijzing. De Kerk toch is de woonplaats van God onder de monschen — tabernaculum Del cnm hominibus — een lied dus, dat daar zal gezongen worden, moet Gods heiligdom waardig zijn. Nu is echter voor Gods huis

l) De algemeone kerkolUke wet is liiunn niet zoo strong; zij vorliiedt ze slechts bij plucbtlge liturgisclw godsdionstoofeningon.

ocr page 35

liet beste niet te goed en daarom moet zulk een lied als kunstuiting aan do strenge eischeu der kunst beantwoorden, eene strenge letterkundige beoordeeling kunnen doorstaan. Dit is echter niet genoeg. Omdat het vóór en na de viering der Liturgie mag worden aangeheven, moet liet, hare gevoelens deelend, zich on waardige wijze aan de taal der Liturgie aansluiten, de soberheid en kracht bezitten, die de liturgische gezangen kenmerkt.

Het moot ernstig, waardig, mannelijk van toon zün en niet aan de wereld herinneren door speelsche vormen en ijdel vertoon. Allo halfslachtigheid en meegaandheid met den modernen tijdgeest is liet kerkelijk lied vyandig. „Das Lied der streitende Kirche muss ein streitbares Lied sein, es dart\' nicht mit der Welt liebaugeln, nicht um Weltloh bulilen, sondern muss es sich mit dein Gottcslob genügen lassen\'\' 1). Niet alles, wat vroom en stichtend is, mag den drempel van Gods huis overschrijden. Een kerkelijk lied moet een kerkelijk gebed zijn. In de kerk mag ieder op zijne wUze bidden en daarbuiten ook naar hartelust zingen; maar wil iemand een lied voor de kerk maken, dan is zyn subjectief gevoel door het objectieve, wat in do Liturgie heerscht, aanbanden gelegd. Buiten do kerk mag iemand zoo dichterlijk hoog en verheven zingen als maar mogelyk is; een kerkelyk lied moei in reine, waardige, mannelijke taal de gevoolens vertolken, die de Liturgie en het goloovig christenvolk by de viering en overweging der Heilige Geheimen bezielen. Onze litteratuur is ryk aan do schoonste geestelijke liederen, die eene aangename en nuttige lectuur bieden en als lied in den huiselijken kring zeer geschikt zijn. Doch zoo min als de verhevene gebeden van sommige Heiligen kerkelijke gebeden zyn, evenmin zyn deze liederen „der minnende en boet-vaerdige zielequot;, hoe groot hun dichterlijke waarde ook zij, kerkelyk. Er bestaat een groot verschil tusschen oen geestelijk en een kerkelyk lied en dit onderscheid hoeft men, helaas! dikwijls uit het oog verloren. Onder deze zoogenaamde geestelijke liederen zyn er, waarin enkel het bestaan van

I) P. Dreven. Kin Wort uur Gigt;saiigtiiich-Prage.

ocr page 36

32

eon God wordt beleden, waarin God als Schepper en Onderhouder der wereld wordt bezongen. Zulke liederen kunnen by alle gezindten dienst doen; wie nog in God gelooft kan ze zingen. In do woonplaats van onzen Vorlossor en Zaligmaker vormen zij echter oen wanklank. Zy laten daar liet hart koud. Daar immers wordt niet zoo zeer de eerste, dan wel de tweede en nieuwe schepping, de Verlosser dankbaar herdacht. Het lied wat in de gewelven onzer Godshuizen weerklinkt moet een geheel eigen karakter dragen: hot moet de gevoelens der kerk op hare feesten don geloovigen vertolken, met do kerk danken en pryzen, treuren en jubelen, bidden en verzuchten.

Vatton wij nu alles samen, dan meen ik te mogen zeggen: het scheppen van een kerkelijk volkslied is zelfs voor den hoogst begaafden dichter geen alledaagsch werk. Dat lied is eene gave Gods; en aan die gaven, waarmede Christus zyne kerk ton allen tyde begiftigde, is ook de kerk van Nederland niet misdeeld. Wy bezitten een rijkdom van schoone gezangen, zooals ik nog hoop aan te toonen, maar dat heerlijk erfdeel onzer vaderen hebben wij, als de verleren zoon, verkwist en weggeworpen, om ons lang naar wij hopen, lang genoeg — met mindere spijzen te voeden.

DE MELODIE.

Tot een lied behoort de melodie; een gelezen lied is slechts een half lied. Beide moeten elkander aanvullen, versterken, één geheel vormen. Staan zij als doode of tegenstrijdige elementen naast elkander, dan zal alle leven en warmte ontbreken en beider kracht gebroken worden. Daarom moet men aan de melodie van een kerkelyk volkslied dezelfde voorwaarden stollen, als aan de poëzie: zij moet eene melodie, eene volksmelodie en eene kerkelijke volksmelodie wezen. De melodie moet uit het lied geboren worden en op hare wijze uitdrukken, wat de dichter in zijn lied heeft neergelegd.

Wat is dan eene melodie\'.\'

Eene melodie is de opeenvolging van tonen, die een zeker

ocr page 37

Ba

zelfstandig geheel uitmaken en liet gehoor aangenaam aandoen; of zooals Bellermann 1) 7,ogt: „Die Vereinigung von Rhythmus und Harmoniequot;, d. w. z. de vereeniglng van harmonische toonafstanden in aangename rhythmische bowoging. Hoe aangenamer de rhythmische gang en do verscheidenheid der harmonische beweging voor ons oor is, des te schooner en bevalliger zal de melodie wezen Eeno melodie kan groot en klein wezen, zy kan uit verschillende melodieën zyn samengesteld. De kortste melodie staat gelijk met een vers in eene strofe en zoo kan eene melodie uit vier, zes, acht of meer kleine melodieën bestaan. Ieder melodietje vormt eene cadens en hoe grooter de verscheidenheid der cadenzen is, des te schooner en rijker zal het geheel wezen. Ook kan men niet vaststellen met welken toon zü moeten beginnen, zoo ze met de voorafgaande cadens slechts een harmonisch interval vormen. Alleen by den aanhef en dci slotcadens moet men op de toonsoort letton. Als voorbeeld wys ik op het heerlijk lied: „Ein Hans voll Glorie schauetquot;, wat ik om andere redenen hierachter wensch mee te deelen. Iedere strofe heeft acht verzen, do melodie acht melodietjes. Twee aan twee vormen zij een zolfstandig onderdeel; voegt men er vier samen, dan krygt men een meer afgerond geheel. Het eene viertal weegt volmaakt tegen het andere op; men zou er zelfs twee liederen van kunnen maken. Er heerscht dus een natuurlijk evenwicht in het geheel en daarom bevredigt het ons oor volkomen.

Naast rhythmus en harmonie verlangen wij derhalve voor de melodie van een lied een zeker natuurlyk evenwicht in do verschillende onderdeelon; vooral in een volksmelodie is dit van hoog belang. Wanneer Dr. Acquoy klaagt over de verslapping en het verval van ons geestelijk lied na het jaar 1500, dan geeft hy daarvoor onder andere deze reden op: „de vieren achtregelige strofen kregen mededingsters in coupletten van minder eenvoudige soort\'\'. In deze opmerking, schoon ze enkel den tekst schijnt te gelden, ligt do wet van het natuurlyk evenwicht uitgesproken; zij wijst op de grens

1) Dor Contrapunkt. Bcrlgn,

ocr page 38

34

tusschen het kunstlied en het ongekunsteld, eenvoudig volkslied. Uit dien tyd dagteekent dan ook de misvatting, die zoo nadeelig op ons volkslied moest werken. Men verwarde het kunstlied met het volkslied, men miskende het volk. Leggen wij: ,,Fen devoot ende profitelijck Boecxkenquot; (1539) naast de verzameling van Thijm, dan vinden wij in de eerste overal een zeer eenvoudigen, natuurlijken rliythmus, meestaj regelmatige strofen van twee, vier, zes, acht verzen, terwijl de rhythmus in de laatste veelal zeer ingewikkeld en kunstmatig is.

Wie ooit eene poging aanwendde , om de „Oude en nieuwe Kerstliedérenquot; aan het volk te leeren, zal bevonden hebben, dat de rhythmisch eenvoudige liederen het moest voldeden en het liefst werden gezongen. Kunstliederen wordt het volk nimmer machtig. Slaan wy een blik in de beste duit-sche zangboeken, onder andere in hot Psalterlein van J. Mohr, dat men de vrucht eener levensstudie mag noemen, dan zien wy de wet van evenwicht en proportie op merkwaardige wyze gehandhaafd. Ten onzent schijnt men ze niet te hebben gekend, zelfs niet eens te hebben gevoeld 1), anders had niemand den euvelen moed kunnen hebben om stukken

1) Toen If. Bdumker ons in „ Viertcljahrschrift fur Mn sikwissenschaft quot;87 middelnodcrlandscho goostolüko lloderen met noton, uit twee handschriften der XVdo eeuw, mededeelde, schreef Bob. Eitner In zyn .,Monatsheftequot; (blz. 170 en 177 n0. 11 1888) naar aanleiding daarvan hot volgende: „De uitgave (dezer liederen) bewust andermaal, dat de Nederlanders geen zin hadden voor den symmetrischen en periodischen bouw eener melodie. Ieder vers is voorzien van eene reeks noten, nu oens minder, dan eens meer melodisch, overigens weet het eene vers niets van het andere. Toen de Nederlanders in hot midden der ICe eeuw vasten voet kregen in Duitschland, maakten zg zich ook meester van het duitsche lied en ruineerden het: zü waren niet eens instaat de schoonheid daarvan te erkennen en te begrepen.quot; Dit oordeel is hard voor een Nederlander mot zyn roornrijk verleden op het gebied der toonkunst; het laatste is zelfs vernederend. Ik kan echter niet zeggen,, dat de uitspraak allen grond mist. Do laatste zinsnede komt mg wel zeer overdreven voor, maar de opmerking betrell\'endo „den symmetrischen en periodischen bouw eener melodiequot; zou ik wel willen onderschrijven, zoo ze door Kitner was gemaakt op latere zangboeken. Hier schijnt ze mg geheel misplaatst, omdat de melodiën dezer handschriften oen volkomen gregoriaansch karakter dragen.

ocr page 39

35

uit aria\'s en koren, uit oratoriums en opera\'s als liederen uit te geven zonder met deze wet te rekenen.

Behalve dezen rhythmus, steunende op den tekst, heeft eene melodie echter nog haar eigen rhythmische beweging en ook hierin moet met den natuurlijken aanleg des volks worden gerekend. quot;Wie liet volk eene melodie in handen geeft, welke slechts een geoefend zanger zingen kan, begaat eone dwaasheid. Een lied b. v. met gebreken rhythmen kan een meesterstuk zyn in zyn soort, voor hot volk is het onbruikbaar. Het volk heeft een natuurlijk rhythmisch gevoel, het laat zich geen kunstmatige bandon aanleggen, het zingt ongedwongen , vrij.

Ook bij de intervallen moet men met den natuurlijken aanleg des menschen rekening houden, zal eene melodie door het volk goed en zuiver gezongen worden. De wetten, door de palestrynsche school voor den bouw eener melodie vastgesteld, moeten in eene volksmelodie worden onderhouden, wyi ze op den natuurlijken aanlog des menschen berusten 1).

Dit alles moet de componist dus wel in het oog houden, wanneer hy een lied voor hot volk schrijft.

Wat al feilen niet mogelijk zyn geweest, wyl men dit over het hoofd zag, vermag nauwelijks eene pen te beschrijven. Daarom zal ik er maar geen poging toe wagen. Ik stel my tevreden met enkel te verwijzen naar: „Melodieën op de gezangen voorkomende in het Handboekje- der Congregatie van 0. L. Vr. 2) Dit kleine boekje levert nagenoeg op iedere bladzijde bewijzen, dat de verzamelaar niet begreep voor wie hij zijne liederen bestemde, om van smaak en kunst niet eens te spreken. Gelukkig echter heeft men gevoeld, dat het met dit boekje niet langer ging. \'t Is nu maar te hopen, dat de melodieën niet meer worden herdrukt.

Er is echter nog iets anders, waarop iedere melodie aanspraak mag maken en waaraan ook hier dient herinnerd te worden. De melodie moet uit het lied gegroeid zijn en heeft

1) By eeno kerkoiyko volksmolodio mooten ze met des te moor zorg worden gehandhaafd, omdat zo uiet enkel voor hot volk moeilüko Inter vallen uitsluiten, maar ook alle sentimentalitoit woren.

2) Tilburg, Jongens-Weeshuis (zesde druk).

ocr page 40

36

daardoor een zeker reclit op liaron oorspronkelyken tekst. Daarmede is echter niet gezegd, dat men onder eene melodie geen andere woorden mag plaatsen. Een reeks schoone duitsche liederen zyn vertalingen of omwerkingen van oudere latynsche lofzangen en een sprekend bewijs, dat men de oorspronkelijke woorden door andere kan vervangen zonder aan de melodie onrecht te plegen. Men kan er zelfs woorden met geheel anderen inhoud onder plaatsen; ook daarvan zyn goede voorbeelden genoeg aan te voeren. Maar niet iedere melodie is geschikt voor ieder ander lied van geleken rhythmus; zoo vaag en algemeen is de muziek niet in do uitdrukking van het gevoel. Men moet daarin met smaak en tact, met groote nauwgezetheid en omzichtigheid te werk gaan. Om dit duideltjk te maken, wil ik een paar voorbeelden geven, waarin dit niet is geschied.

M. Hallee heeft in zijn Maien-grüsseeen heerlijk vierstemmig lied op de woorden van F. A. Muth „O Stern lm Meere, Fürstin der Lieboquot; In meergenoemde; „Gezangen onzer Broederschappen\'\' vinden wij n0. 38 op de bovenste stem deze woorden; „ Waar hen ik! in wat heerlijk Eden? Voor de duidelijkheid laat ik hiernaast beide teksten onder de melodie plaatsen.

Wat heeft dit hollandsche lied met het duitsche gemeen? Ik vind geen enkele overeenkomst, zelfs geen rhythmische gelykheid. Zing eerst de melodie met den duitschon, daarna met den hollandschen tekst; doe goed u best om het lied zoo schoon mogelijk te zingen en zeg dan, of aan de melodie geen groot onrecht is wedervaren. Hebt gij het ooit vierstemmig in het duitsch hoeren zingen, laat het u dan ook eens in het hollandsch voordragen en, ik ben er zeker van, gü zult verbaasd staan. Heeft dan de verzamelaar niets gevoeld van dat schoone; „Wire mein Flehenquot;! Wat zou de goedmoedige Hallei; „diesen Lumpenquot; met verontwaardiging van zich werpen.

Iets dergelijks, al is het ook in zeer geringe mate, vindt men bij Pastoor Hens; „Voor de Meimaandquot;. Op het duitsche lied; „Ein Haus voll Glorie schauetquot; zingt Pastoor Hens; „U Rozenkrans bemin ikquot;.

ocr page 41

quot;5

ocr page 42
ocr page 43

30

Pastoor Hens heeft geen refrein, doch dit is minder; maar hy heeft geen rekening gehouden met den componist, die, om met kracht te zingen: „Gott, wir lohen dich; GottI ivir preisen dich!quot; deze twee melodietjes zonder opslag en in halve noten begint. Deze schoonheid hoeft de melodie door den hollandschon tekst voor een goed deol, in sommige strofen nagenoeg geheel verloren. Ongetwijfeld zou het schoone lied veel winnen, zoo do dichter een schoon en krachtig refrein wist te vindon. Daardoor zou het lied misschien wat te lang worden; doch wat zou er tegen wezen eon paar minder gelukkige strofen weg te laten.

Deze twee voorbeelden zijn voldoende bowys, dat niet ieder lied door een ander van dezelfde versmaat kan vervangen worden. Men moet hierin omzichtig, met tact en smaak te werk gaan, wil men aan de melodie of den tekst geen onrecht plegen en geen gevaar loopen, op een jubelende paaschhymne een lied voor de goloovige zielen te plaatsen.

Staan wij nu ten slotte nog een oogenblik stil by het bijvoegelijk naamwoord „kerkelijkquot;. Do Kerk toonde het hart des menschen te kennen en den invloed der muziek, toen zij ook het volkslied in haren dienst nam. Hot volk heeft behoefte, om op do verschillende tijden en feesten van het kerkelijk jaar de gevoelens van zijn hart in gezang voor God uit te storten. Aan dit verlangen kwam de Kerk te gemoet; zij maakte daarbij echter hare wijze bepalingen. Zij wilde niet, dat het volk naar de kerk zou gaan enkel om te zingen, zij weerde den zang bij do plechtige viering-der Liturgie en de droevige ervaringen in Duitschlaud bewijzen weer het juiste inzicht der Kerk.

Uit het dubbele feit nu, dat do Kerk het lied in de moedertaal toegang verleende, maar buiten de plechtige Liturgie sloot, kunnen wij tot de juiste opvatting van het karakter eener kerkelijke volksmelodie komen. Zij moet niet slechts een strenge toonkunstige beoordeelingkunnen doorstaan, omdat zij optreedt in dienst des Allerhoogsten; maar zich ook aan den liturgischen zang, waarmede zij zoo nauw verbonden is, in toon en beweging waardig aansluiten. Daaruit volgt nu in geene deele, dat iedere melodie het strenge karakter van het

ocr page 44

40

gregoriaansch moet dragen, en liederen in moderne toon soort zyn uitgesloten. Zij mogen geen wanklank vormen met de gezangen van den H. Gregorius, niet herinneren aan wereldsche feesten en vermaken, aan concerten en opera\'s; niet uitgelaten zyn in vreugde, niet week in smart, niet hartstochtelijk in liefde; maar van den anderen kant moeten zy ook het eigenaardige eener volksmelodie bezitten. Van beide moeten zulke gezangen iets in zich vereenigen; zij moeten echte volksmelodieën zijn, maar geadeld door den toon der Kerk; zü moeten zijn frisch, gezond, mannelijk en krachtig, zooals de Kerk zelve in al hare liturgische gezangen.

Wie in de Kerk Maria ter eere een lied zingt op de melodie van een drinklied of hartstochtelijke aria, schendt de heilige woonstede Gods. „Ein Mann, zegt P. Dreves 1) mit dem Liede: „Christ ist erstandenquot;, oder „Ein Kindelein so löbelich.\'\' (\'t Is nu een dag van vroolykheid) auf den Lippen, macht eine imposante Figur; aber ein Mann, der im Standchentone den Himmel angirrt, ist ein Hercules am Spinnrockenquot;. Wat eene volksmelodie in toon of beweging aan dartelheid, weekheid of hartstocht aankleeft, mag den drempel van Gods heiligdom niet overschrijden. „Wie Landmadchen die in der Frühe des Sontagsmorgens zur Kirche gehen, wenn sie nog eben fröhlich kicherten, so wie sie die heilige Schwelle ueberschreiten, sich segnon und zu stiller Andacht versammeln, so soli das Volkslied, wenn es zum Dienste des Heiligen zugelassen wird, alles Weltliche abstreifen nnd eine frömmere Haltung annehmenquot;. 2)

Zoo moet dan de melodie van een kerkelijk lied eene echte volksmelodie zijn, eenvoudig, gemakkelijk, ongekunsteld en welluidend, maar tevens rein en waardig in toon en beweging. Was het noodig over dit punt verder uit te weiden, dan zou ik nog mogen herinneren aan het Concilie van Trente 3), dat

1) en 2) »Ein Wort zur Gresanglmoh-Frage.quot; bladz. Gi.

3) Ab ecclesiis vero musicas eas, ubi sivo orgaiiü sive cantu lascivum aut impurum aliquid misoetur .... arceant (Episcopi) Soss 32 Deer. do abs. et vit. in cel. Missae (Zie ook Ben. XIV) Litt. Encyd 19 Febr. 1749.

ocr page 45

41

aan de Bisschoppen voorschrüft alle muziek, die onreine of hartstochtolyke neventonen heeft, uit de kerk te verwyderen; alsmede aan Je Provinciale Synode van Utrecht 1), die de rectoren dor vkerk gelast te zorgen, dat geen wereldsche muziek in de kerk worde gezongen. Deze verordeningen van het kerkelyk gezag zien wel in de eerste plaats op den liturgischen zang, maar leveren toch ook het bewijs voor de juistheid onzer zienswijze.

Mocht iemand zich nu nog willen overtuigen, hoeveel er ook tegen deze eenvoudige waarheid en strenge kerkelyke voorschriften werd misdreven, dan raadplege hy ditmaal het „Handboekje der H. Familiequot;, boven reeds genoemd. Het zal mij echter niet verwonderen, zoo men daarin geen enkele melodie vinden kan, die, zelfs by eene niet te strenge beoordeeling, volmaakt bevredigt.

En hiermede meen ik voldoende te hebben uiteengezet, welke hoedanigheden een kerkelyk volkslied moet hebben hoe zulk een lied er naar tekst en melodie moet uitzien. Tevens echter hoop ik — want daarom was het voornamelyk to doen — voldoende bowyzen te hebben geleverd voor de stelling: „ons kerkelijk volkslied verkeert in een deernisivaar-digen toestandquot;.

■^) Invigilont Koctores ooolosiaruin studiosissime.... no ullao introdu-centur in ecclesia modulationes, vel levitatem redolentes, vel scenicos modes imitantes vel profanes animi metus concitantes, vel denique tales, quae nimio vocum conclamantium petius quam concinentium strepitu pietatis affectus in fldelibus turbent ac dissipent potius quam excitent ac nutriant. Tit. V cap. VI.

ocr page 46

42

Wat moet or nu gedaan worden om dezen treurigen toestand te doen ophouden en tot een goed volkslied voor de kerk te geraken?

Om op deze vraag tot een afdoend antwoord to komen, zij het mij vergund vooraf een kort overzicht te geven van de geschiedenis, die ons geestelijk lied heeft doorloopen.

In de middeleeuwen bezat de wosterscho Kerk oen rijken schat latynsche lofzangen of hymnen. Hoe groot, deze was kan men nagaan in de werken van Mom, Daniel en Dreves. Mone geeft er ons in zijn „Lateinische Hymnen des Mittclal-Iersquot; (3 dln.) 1216; de ^Thesaurus hymnologicusquot; van Daniel bevat er ongeveer J500; terwijl P. Dreves in zijne „Analecta hi/mnicaquot; niet minder dan 2194 latijnsche hymnen mededeelt; en wie zal ons zeggen, hoeveel er tot dusver aan het vorschend oog ontsnapten. Wanneer men bedenkt, dat Wackernagel alleen met de „Kirchenliederquot;, die door het duitsche volk gedurende twee eeuwen zijn gezongen, vier lijvige boekdoelen vulde, dan schijnt doze veronderstelling niet gewaagd. „Die christliche Hymnologie dos Mittelalters, zegt Mone 1), hat eine grosse Literatur, denn sie roicht von Armonion bis Portugal und begreift einon langen Zeitraumquot;. Hoeveel hymnen er sedert den H. Ambrosius gedurende een tiental eeuwen door heel de westersche kerk ter eere van God en zyne Heiligen werden gezongen, zal eerst dan blijken, wanneer de laatste Bibliotheek ,• het laatste archief van Europa tot in den meest verlaten hoek met zorg is doorzocht.

Uit en naast deze lofgezangen ontwikkelde zich het lied in de volkstaal. Sommige werden eenvoudig vertaald, andere vrij bewerkt, wederom andere gaven den dichter stof voor een nieuw lied. Het groote werk van W. Baumker: „Das katholische, dentsche Kirchenliedquot; (Freiburg Herder) levert daarvoor bewijzen in overvloed. Ook in onze zangboeken vinden wij daarvan menig voorbeeld. Ik noem slechts; „Dies est laetitiaequot;, „H Is nu een dag van vroolijkheidquot;, „Nabis est natus hodiequot;, „Ons is geboren nu ter tydquot;; „Est vixjo coeli

1) Lateinische Hymnen des Mittelalters. Voorrede und Kinleituug XIV.

ocr page 47

43

rore repleta demperquot;, „Het viel een hemelsdauwequot; 1), Dat er echter ook oorspronkoiyke liederen werden gezongen, lydt evenmin twijfel.

Zoo bestaat er das eene innige betrekking tusschon do oude hymnen der latijnsche Kerk en de latere gezangen in de moedertaal. Beide zijn de vervulling van het woord der psalmen; „Laudate Dominum omnes gentes, laudate eum omnes populiquot;, „Looft den Heer alle heidenen, looft hem alle volkerenquot;. „Der Hymnengosang, zegt l/owe, ist die welthistorische Ergan-zung der Psalmodie, und hiingt dalier mit dieser weaentlich zusammenquot;. Datzelfde geldt zeker in nog hoogere mate van het goestel\\jke lied in verhouding tot de latynsohe hymnen. Zij zyn daarvan niet enkel de voortzetting, zij zijn er, om zoo te zeggen, uit ontstaan.

Tegen het einde dor 15de eeuw bezat Nederland reeds een schat van heeiiyke liederen in de volkstaal. „Een devoot ende profitelyck Boecxkenquot; uit hot jaar 1539, opnieuw uitgegeven door D. F. Scheukt,eer \'s Qravenhngo; alsmede de twee handschriften der XVe eeuw door W. Büumker in „ Vierteljahrschrift /ur Musikwissenschaftquot; 1888 gepubliceerd zijn daarvoor voldoend bewijs.

„Na het jaar 1500, om een algemeen jaartal te noemen, zegt Dr. Acquoy, kwam er een tyd van verslapping en vervalquot;. Als eerste oorzaak daarvan noemt hij de opkomst en den invloed der rederijkers, die „zelfbehagelyk geknutselquot; boven „de argelooze kunstquot; stelden. „De vier-en achtregelige strofen, zegt hy, kregen mededingsters in coupletten van minder eenvoudige soort. Opeenhooping van rymen moest vergoeden, wat er aan innigheid van gevoel ontbrak. Waar men geen genoegzaam aantal gelijkluidende woorden in het Dietsch kon vinden, daar nam men allerlei Fransche te baat.quot; Deze invloed deed zich duidelijk gevoelen en verdrong van

1) Ook meen ik te mogen aannemen, dat het duitsche lied; .,Es ist ein Ros\' entsprungenquot;, aan het lat\\jnsche: „Flos de rad ice Jessequot;, niet vreemd is. W. Bdumker on P. Dreus getuigen beidon, dat het lied ouder is, dan de oudste bron, waaruit men hot .tot dusver putto; van hot latijnsche vind ik echter by geen van beidou gewag gemaakt.

ocr page 48

44

lieverlee menig volkslied. Het onderscheid tusschen kunsten volkslied scheen men niet te begrepen.

By deze reods ver reikende oorzaak, zou ik echter, althans voor het kerkelijk lied, nog andere willen noemen en wel in de eerste plaats de verslapping van het godsdienstig, kerkelijk leven. Wanneer het volkslied een volk kenmerkt en den tijd teekent, waarin het ontstond, dan moest zich deze verslapping in het kerkelyk lied noodzakelijk afspiegelen. Een lied moet stroomen uit het hart en een kerkelijk lied uit een hart vol van godsdienstzin, vol heilige geestdrift en vurige liefde.

Doch er was nog iets anders, wat tot dit verval medewerkte. Gedurende twee eeuwen, te rekenen ongeveer van 1350—15B0, had de Nederlandsche Muziekschool een zeker overwicht in hoel Europa. Do grondlegger dezer school Wilhelmus Düfay en zijne voornaamste volgelingen: Johan Okeghem , Jacob Obkecht de Utrechtsche kapelmeester, Jasquin de Pres, Adriaan Willaebt do grondlegger der Venetiaamche School, Claude Goudimel do leermeester van Palestrina, en Orlandus de Lassus de „Frinceps Musicaequot; of „Palestrina van het Noordonquot; waren allen Nederlanders. Nergens werd de polyphonie met zooveel goed gevolg beoefend, dan in deze school. Zij ontwikkelde de kunst dor meerstemmige toonzetting tot een systeem, rijk aan verscheidenheid on legdo den grondslag der moderne toonkunst. „Solche Meister, zegt W. Büumkek, konnten aber nur aus einem musikalisch sohr gut beanlagten Volke hervorgehen. Die in Handschriften und spiiteren Drucken noch vorhandenen Lioder legen denn audi Zeugniss ab, dass im XV Jahrhundert der Volksgesang in grosser Blüthe stand. Trink- und Liebeslieder! Qesange ven des Lebens Lust und Leid waren in grosser Anzahl verhanden. Noch bis um die Mitte des XVI Jahr. hunderts blieben diese in üebung, wie der Italiener Guicciardini bezeugt. Die singweisen dieser Lieder waren so beliebt, dass die Tonsetzer der damaligen Zeit dieselbe nicht nur mehr-stimmig bearbeiteten, sondern auch ihron geistlichen Komposi-tienen als „cantus firmusquot; im Tenor zu Grimde legten-Niemand fand darin etwas Anstössigesquot; 1).

1) Vierteljahrschrift für Musikwissenschaft. 1888. p. 185. Leipzig.

ocr page 49

Wanneor wy na deze lofspraak op onze voorvaderen de lioderenverzamelingen uit dien bloeitijd inzien, dan vinden wy boven de meeste gezangen, die ook voor een doel in de kerk gebruikt werden, de mulodie van een wereldlijk lied aangegeven. Zoolang echter het karakter der kerkelijke gezangen ook in het woreldlyk lied bleef gehandhaafd, kon dit zonder aanstoot geschieden. Zoolang het wereldlijk volkslied in toon en beweging van het grogoriaansch niet wezenlijk verschilde en „das Alltagleben einen poötischen Zug hatte, zegt Amhros 2), büsste das ideale Leben der Kunst und From-migheit nichts oin, wenn es jenes andere abspiogelte und zugleich verkliirte: das Heilige wurde dadurch dem Nieder-liinder nicht entwoiht, wolil aber das Alltiiglicho geheiligt\'^ Toen echter later, vooral sedert het begin der XVId\'eeuw dat volkslied een ander karakter aannam, zich meer en meer van de kerkelyke toonsoorten losmaakte en allengskens zyn vroeger karakter geheel verloor, beging men een fout, die voor het kerkelyke volkslied onheilspellend was. Deze wereldsche melodieën vielen in den smaak dos volks, werden met liefde gezongen en, om hot volk te believen, naar de kerk overgebracht, waar zij met het grogoriaansch noodzakelijk een dissonant moesten vormen. Langzamerhand gingen de meest vreemdsoortige gezangen, zelfs die, welke buiten de kerk door hun inhoud ergernis wekten, met andere woorden over in zangboeken, die voor de kerk bestemd waren. Het korkelyk lied der IGquot;16 en IV3quot; eeuw vertoont dan ook een hemelsbreed verschil mot dat der 14(le en lB,le. Wanneer wij „Het Paradysquot; van Theodotus 1631 met Een devoot ende projitehjck Boecxkenquot; 1539; of „Den sing ende Zwaanquot; l(i54 vergelijken met do door W. BauMKER medegedeelde handschriften dor XVde eeuw, dan springt dit onderscheid duidelijk in liet oog. Er heerscht in deze liederen een geheel andere toon, niet enkel wat de melodie, maar ook wat den tekst betreft. Men vind er kunstliederen onder ; liederen, die duidelijk een meerstemmig origineel verraden, terwijl het gregoriaanscho karakter nagenoeg geheel verdwenen is. Het aantal bruikbare

2) Geschichto der Musik. III. 25.

ocr page 50

4ö

volkstnolodieën in „Het Paradijsquot; is betrekkolijk gering, en goede kerkeiyke volksliederen behooren byna tot de uitzonderingen.

Wanneer wy de melodiöen onzer zangboeken uit zestienen zeventienhonderd vergelijken met die, welke door BauMKER aan duitsohe zangboeken uit dien tijd werden ortleend, dan zyn wij in moderne richting do Duitschers ver vooruit gestreefd. Daar echter, gelijk wij zeiden, deze vooruitgang eer achteruitgang mag heeten, zou men kunnen wenschen, dat wij met hen op dit gebied gelyken tred hadden gehouden.

Kekent men nu bij dit alles nog de verwoesting, die de Hervorming ook in deze heeft aangericht; die jaren van plakkaten en vervolging, waarin het kerkelyk lied werd gesmoord, omdat geen katholiek zyn hart voor God in gezang mocht uitstorten zonder gevaar voor straf, dan zyn wel de voornaamste oorzaken genoemd, die ons van het heerlijke erfgoed onzer vrome vaderen hebben beroofd.

Toch bleef er altijd nog een zekere band bestaan, al reikte hy misschien niet tot de gulden ecuwen van ons kerkelijk volksgezang. Het zangboekje b. v. der Utrechtsche Processie naar Kevelaar, die verleden jaar haar honderdvyftig-jarig bestaan vierde, toont dit duidelijk. De uitgave van 1841 bevat byna uitsluitend oude zangwyzen, als: „Diei solemniaquot;, „o cjloriosa Dorninaquot;, „Alhier le Nijmegenquot;, ,,0, heilig zalig Bethlehemquot;, en andere. De melodieën bestonden niet in noten 1), zy leefden door de traditie onder het volk voort. Dat men echter de herkomst niet eens meer kende, bewyzen sommige opschriften; b. v. „Stem; Van Dormie Filiequot;, in plaats van: „Domi Filiquot;. „Stem: Odene Ego Amatequot; in plaats van: „O Deus, ego amo tequot;. Jammer genoeg moest ook dit boekje by eene latere uitgave enkele liederen prysgeven, die als verouderd of vergeten, door andere van mindere soort werden vervangen.

Toen nu na veel en langen strijd de Kerk in Nederland

1) Met behulp van oen bejaard organist, die de wijzen van kindsbeen uf heeft gespeeld en gezongen, heb ik do inolodloiSn opgeteekend. Sommige üiin zoor goed.

ocr page 51

47

weer vry mocht ademen en het volk God ook in gezangen wilde loven en danken, waren de liederen uit beteren tjjd byna vergeten en die der middeleeuwen nagenoeg spoorloos verdwenen. Het vrome lied onzer vaderen was als eeno ruine uit vroegere eeuwen. Men zetto zich aan het werk, men wilde voor Kerk en huisgezin weer een liederenschat bijeenbrengen. Maar het lied van vroeger kon men niet meer genieten, het oor was aan iets anders gewoon geworden. Mot Haydn, Mozart, en Beethoven, brak er in de muziek een nieuw tydperk aan, dat, hoe schoon en schitterend ook, voor de Kerk wrange vruchten afwierp en ook op het kerkelijk lied zeer nadeelig werkte.

Zy braken volkomen met de traditie dor roemrijke nederland-sche school, zy maakten zich los van de kerkelyke toonsoorten en ontwikkelden het moderne muzieksysteem op meesterlijke wyze. Tegen het eerste valt niets te zoggen, het laatste is hunne onsterfelijke eer en glorie; maar zy hadden, na met de muziek der kerk gebroken te hebben, moeten gevoelen, dat hun liederen en composities in de kerk misplaatst waren. Dan wy weten, hoe ze voor de kerk bleven werken, hoe hunne composities in de kerk werden gezongen, hoeveel onheil ze stichtten; hoe ze hot gregoriaansch verdrongen en de kerk soms het aanzien eener concertzaal gaven. Met dat alles moet rekening worden gehouden, wil men oen rechtvaardig oordeel over onze hedendaagsche liedeboekjes afgeven. Daarbij ontstonden er Congregaties en Broederschappen , waarvoor men eigen, soms vreemdsoortige liederen verlangde.

Men ging dan aan het werk, maar hoe? Men dacht niet aan het lied in vroegere eeuwen met geestdrift gezongen. Zoo iemand eene poging had aangewend, om die liederen te doen herleven, zou hij zich aan bespotting hebben blootgesteld. Ging men dan zelfstandig te werk? Zoo dit het geval geweest ware, dan zou men althans van het standpunt der moderne toonkunst met die verzamelingen vrede kunnen hebben. Neen, men ging op roof uit in duitsche, fransche, Italiaansche en andere liederen-albums, in toonscheppingen voor concerten en opera\'s. Stukken uit aria\'s en koren, weroldsche liede*

ocr page 52

48

ren 1) en eigen gezangen, waarin men groote meesters wilde nastamelen, vinden wy er in bonte mengeling dooreen. Hot mag ons inderdaad niet verwonderen, dat de een den ander afbrak, dat niet enkel ieder diocees en iedere parochie) maar zelfs iedere Congregatie of Broederschap in dezelfde parochie verschillende liederen had. Een algemeen zangboek was zoodoende onmogelijk en tot een volksgezang kon men niet komen. Wat dit jaar werd aangeprezen en gezongen, werd door een nieuwen directeur het volgende jaar veroordeeld. Wat deze rector eener kerk had ingeoefend, moest by een opvolger voor nieuwe liefhebberyen wyken. Alles hing af van persoonlijke opvatting en smaak, omdat een betere grondslag ontbrak. Zoo verrees er dan naast eene grootsche, machtige ruine, waarvan de fundamentendoorden H. Ambrosius waren gelegd, een gebouw in modernen stijl van de minst gunstige soort. Het wereldlijk lied mot zijn theatralen toon had zijn intrede in de kerk gedaan. Wie \'s avonds naar een feestje ging, naar een concert of schouwburg, kon hetzelfde hooren, wat hij kort te voren in eene kerk had gezongen.

Gelukkig echter gevoelde mun weldra, hoe onwaardig deze liederen in de kerk klonken, hoe ongeschikt ze voor hot volk waren. Van verschillende zyde werden er pogingen aangewend, om verbetering in deze te brengen. Daar echter hot gebouwtje op geen hechten grondslag rustte, moest iedere poging tot zekere hoogte mislukken.

De eerste, die eene krachtige hand aan het werk sloeg, was Mor. P. van dek Ploeg. Als dichter en man van fijnen smaak zotte hy er zich toe den tekst voor de kerk geschikt of althans dragelijk te maken. Hy werkte met onverdroten ijver en veel talent, maar hy was geen musicus. Had hij in onze dagen zyn werk ondernomen en aan zijne dichter-

1) Het Duitsche liod; «In einem Thale friedlich stille, sah eine Rose ich emtehnquot;, vindon wy in bovengenoemd Handboekje der Cong, van O. L. V. op llemelmart van Maria met deze treffende poBsio: „Triomf! hare oogen zijn geloken, Triomf! de goddelüke min Heeft haro kluisters losgebroken. Daalt engelenquot;, enz.

ocr page 53

4!)

lyke gaven muzikaal talent gepaard, dan zou hij zeker geweigerd hebben aan menig lied de hand te slaan, alleen om de melodie, waarop het werd gezongen. Niemand heeft dit zeker meer betreurd dan Pastoor Lans en Professor Jansen, die zich later uit piöteit voelden gedrongen zyne gedichten van nieuwe melodiöen te voorzien 1). De drie lijvige deelon van W. BauMKER, gevuld met melodiëen uit den besten tyd, bloken ontoereikend. En waarom? Omdat de liederen waren gemaakt naar melodiöen, die geen volks- en nog minder kerkelijke melodiëen mochten heeten, die zelfs den naam van volksmelodie niet verdienden. Men moest het ontbrekende door eigen vinding aanvullen, terwijl de schoon\' ste en meest geschikte melodiöen moesten gewijzigd of weggelaten worden.

Pastoor Hens sloeg een anderen weg in, hy werkte meer zelfstandig. Hy koos voor zyn thema eene melodie en dichtte dan zijn lied. Tegen deze handelwijze is weinig te zeggen en het gelukte hem dan ook menig geschikt lied onder het volk te verspreiden. Pator g. wüst en anderen deden min of meer hetzelfde. Aan het goed recht onzer oude gezangen werd misschien wol gedacht, door niemand werd het gehandhaafd.

Of het voorbeeld der Gebr. Albebdincik Tju.tm afschrikkend had gowerkt! Deze toch hadden eone eerste poging gewaagd om de ruine te herbouwen. „Ik kan niet zeggen, getuigt Dr. Ac-Qouy 2), dat deze bewerking (Oude en Nieuwe Kerstliederen) m\\, letterkundig en toonkunstig oogpunt bijzonder geslaagd mag heeton, want by de gewelddadige verjongingskuur, die de liederen hebben ondergaan, is aan de poözie schier alle naïviteit ontnomen en aan de melodie eene harmoniseering opgedrongen, die al zeer weinig liet karakter der oude kerktonen, waarin de zangwijzen gedacht(?) zyn, weergeeftquot;. Al onderschrijft men dit vonnis, waardoor de ondernoming tot eeno mislukto wordt gemaakt, toch blijft de gedachte, waardoor do verzamelaars werden geleid, eene gelukkige, zelfs eene benijdenswaardige

1) Maria-Liodoron; Jubileums I en II. (van Leeuwen, Lolden).

2) „Hot goestoiyk lied In do Nedorlandon vóór do Hervorming.quot; bladz. 7*

ocr page 54

Al doelt men het gevoelen van D. F. Scheubleer , dat deze poging niet geschikt was om „de oude beroemde liederenquot; te doen „herlevenquot;, dat het slechts was een „gebrekkig nastamelen In eene andere taalquot;, niemand zal aan de Gebr. Thijm do eer willen betwisten, dat zij hun tijd veertig jaren vooruit waren, goed en verder dan gewone menschen zagen, toen zü voor ons geestelijk lied uit oude bronnen gingen putten.

Eerst in 186G kwam Fe. Witt met zijn goed doordacht plan voor den dag, om de kerkelijke toonkunst uit haren staat van verval op te beuren. Zoo de kunstminnende broeders in onze dagen, na al hetgeen er sedert dien tyd over de „Musica sacraquot; en het kerkelijk lied is geschreven, hun werk hadden begonnen, dan waren eone reeks misvattingen onmogelijk geweest. Zij zouden dan zeker menig lied als ongeschikt voor het volk hebben weggelaten en ook aan de kerktonen in do begeleiding recht hebben laten wedervaren.

Doch keeren wij terug tot ons onderwerp. Het ligt niet op myn weg de verzameling dor Gebr. Thijm te beoordeelen of te verdedigen. De eer komt hun toe, dat zij in ons land onder de Katholieken de eersten waren, die eone poging waagden, om het geestelijk lied onzer vaderen voor ons geslacht te doen herleven.

Later werden er van katholieke zyde ten onzent, althans voor zoover mij bekend is, geen noemenswaardige pogingen meer in het werk gesteld, om het oude lied weer onder het volk te brengen en wat er elders, met name in België en ook in ons land van protestantsche zijde word gedaan, had hoofdzakelijk eene andere strekking; men had meer het wereldlijk en geestelijk, dan het kerkelijk lied op het oog. Eerst in 1887 ging er uit het Katholiek Nederland weer eene 8te;ii op, om geestdrift te wekken „voor do schoone, treffende en hartverheffende liederen onzer voorvaderenquot; 1). Het was do stem van Deken J. .T. Graaf in de Februari-aflevering van het St. Gregorius-Blad, naar aanleiding der voortreffelijke studio van Dr. Acquoy over: „Het geestelijk lied in de Neder-

1) Oude en Nieuwere Kerstliederen. Voorreden biz. XIV.

ocr page 55

landen vóór de, Hervorminr)quot; 1). Hij was begaan ,,met het lot van vele dier wonderlieve dichtbloemen, wolke onze ouderen plachten op te kweeken ter eere Gods en die thans in eenen staat van verworpenheid, der algeheele verwelking nabij zijnquot; 2)u en sprak een warm woord, om met dat „armzalig tijdvak — het laatste vierde der 18de en het eeiste vierde der 19de eeuw — boven alle beschryving droog, nuchter, vervelend, waterig, oppervlakkig, zonder poPziequot; 3) voor goed te breken. Door deze taal liet ik mij, blijkens mijn art. in de November-aflevering van het St. Grcgorius-Blad 1887, verleiden eeno poging te gaan wagen en voegde als Aanhangsel bij mijn St. Gregorius Magnus 4) zeven geestelijke liederen. Wil men ook deze poging minder geslaagd noemen, ik zal er niet tegen in verzet komen; sedert dien tijd heb ik veel geleerd.

Zoo nu stonden de zaken, toon liet plan voor een „Katholiek Gebeden- en Gezangboek voor Nederlandquot; by mij opkwam en allengskens vastere vormen kreeg 5). In myne twee eerste bundeltjes: „Looit den Heer!quot; 6) volgde ik vrij wel den weg, dien mijn voorgangers: Lans, Jansen, Hens, Wüst en anderen hadden betreden. Toen het tweede verscheen schroef Deken J. J. Graaf aan het einde zijner gunstige resensie in De Tijd het volgende: „wanneer er derhalve, gelijk de verzamelaar reeds aanstonds in het vooruitzicht stelde „nog een derde bundeltje vóór het boek zelf verschijnt, dan zij mij de wensch geoorloofd, dat deze derde veldontdekker iets meer dan zijn twee voorgangers ook op het veld onzer middeleeuwsche letteren verkenning make, opdat hot toekomstig geslacht niet slechts zingen, maar ook spreken moge mot de zinrijkheid, de innigheid en den gloed van ons katholiek voorgeslachtquot;.

Ik gevoelde al de billijkheid van dezen wensch, maar ook al het moeielijke en gevaarlijke om daaraan te voldoen. Daar ik

1) Archief voor Ned, Kerkgosoli. 2 dlu. All. I.

2) Ou do en Nieuwere Kerstliederen. Voorreden XIV.

!i) Oude en Nieuwere Kerstliederen. Voorreden XVI.

i) Wed. van Rossum, Utrecht.

5) Zie do Mei-Afl. van hot „Si. Oregorius-Bladquot; 1891.

0) Dekker en van do Vegt. Utrecht,

ocr page 56

mij echter moeielyk kon torugtrokken, begon ik do Oude en nieuwere Kerstliederen dor Gebr. Thijm met hunne kostelijke aanteekeningen zorgvuldig door te studeeren en kennis te maken met de bronnen, waaruit zij hebben geput. Dat was voor my een aangenaam en allernuttigst werk.

Daarna viel mijn oog op oen bundeltje „Zcmg\'ew ew JDiederewquot;, door P. StoK\'Vis S.,T. uit het latijn in hollandsche versmaat overgebracht 1). In zijn voorbericht zegt de verdienstelijke vertaler onzer kerkelijke hymnen, dat welwillende vrienden hem do vertaling van eenige kerstliederen verzochten of aanbevalen en gelukkig voegen wij er b\\j, dat hy zich ook voor dit werk liet vinden. Ik vond daarin het lied „Gor meum tihi dedoquot;, wat vertaald aldus luidt: „Mijn hart kom ik u gevenquot;. Dit deed m\\j denken aan hot bekende duitsche: „Mein Herz will ich dir schenkenquot;.

Daarbij herinnerde ik mij, dat volgens het gevoelen van W. BauMKEE 2) monig duitsch lied slechts eeno vertaling of omwerking is van een oud latynsch gezang, en zoo rees in my het vermoeden, dat ook hier het latynsche wellicht het oudste kon zijn. Was dit het geval, dan zouden wy op het lied, zoo schoon vertaald door P. Stokvis, voor ons land hetzelfde recht kunnen voorgeven, wat tot dusver de Duit-schers alleen schenen te bezitten. Want waar en aan wien menig latijnsch lied der middeleeuwen zyn ontstaan dankt, valt onmogelijk uit te maken.

Ik zocht dan of de geleerde BausiKER myn gevoelen soms deelde, maar werd teleurgesteld, wijl hij het latynsche lied niet noemt. Intusschen volgde daaruit nog in geenen deele, dat mijn vermoeden ongegrond was; en toen ik later niet enkel den tekst, maar ook dezelfde melodie in „iWmiscopiosaquot; aantrof, werd ik daarin niet weinig gesterkt 3).

Door dezelfde gedachte geleid zette ik er mij toe, omtrent de andere door Pater Stokvis vertaalde latynsche gezangen,

1) Uitgave Stokvis amp; Zn. \'s Bosch 1881.

2) Das kalholischo, deutsche Kirchenlied.

3) Hieraclitor (blz. 62) deel Ik de melodie mede en de eerste strofe van het lied in het Latyn, Hollandsch en Duitsch.

ocr page 57

53

oenzelfde onderzoek in te stellen. En hier was ik gelukkiger. Ik slaagde er in van verschillende liederen de oorspronkelijko zangwyze te vindon, zoodat het mij wellicht mogolijk zal zijn in den eerstvolgenden bundel eenigo liedoren op te nemen, die behooren tot het erfgoed onzer vaderen. Ik was inderdaad gelukkig met deze vondst, vooral toon hij later tot eene nieuwe ontdekking leidde.

Nadat ik naraelük het werkje van Pater Stokvis had doorgestudeerd, kwam ik tot oen liedeboekje, getiteld: „Messis copiosa, dat is: Overvloedige oogst der geestelijke gezangenquot;. (Cbajensohot Amsterdam 17()1), wat mij Pastoor Le Blano in bruikleen afstond.

Deze verzameling was roods goruimon tijd in mijn bezit, maar scheen mij weinig waarde te hebben, omdat de tekst laty n was en de melodiöen, in gregoriaansche noten naar maten verdeeld, duidelijke sporen van vervalsching droegen; ook de vertaling van sommige liederen, achter in oen aanhangsel opgenomen, kon ik niet gelukkig vinden. Thans echter lijkt ze mij eene onschatbare bron. Do 215 liederen zijn als volgt verdeeld: 47 gezangen voor den Advent en Kersttijd; 20 voor de Vasten; 32 voor Paschen en Pinksteren: 30 ter eere van hot Allerh. Sacrament en den Zoeten Naam; 30 ter eere van Maria; 5 ter eer der H.H. Engelen; 14 ter eere van verscheidene Heiligen ; en eindelijk 34 van verscheidene stolfen.

Wie deze rijko verzameling bijeenbracht, is ons met name niet bekend; zijne initialen zyn J. B. S. en de letters R. P. doen vermoeden, dat de verzamelaar priester was.

„Aan de minnaars van den zangquot; zegt hy onder meer:

„Bemerkt ten Eersten, dat ik zelfs niet ondernomen heb, deze gezangen, hetzij in woorden, hetzij in Nooten of Zang te componeeren. Maar dat ik die al sedert Anno 1707 gezien, gehoord en geleerd heb en tot heden toe onderhouden hebquot;.

„Ten Tweeden, dat ik maar alleen de Hoogduitsche Sleutels, Nooten en ook eenige Hoogduitsche woorden vertaald en tot ons gebruik overgezet heb.quot;

Hieruit zou men kunnen afleiden, dat hij oenige duitsche liede-rnn vertaald hoeft. Met sleutels en nooten „bedoelt hij wol de

ocr page 58

54

moderne notatic op vyf lijnen met heele, halve, kwart, achtste en zestiende noten.

„Ton Derden, opdat ook niet alleen de muziekant; maar ook de G-regoriaansche Zanger daarin zijn vermaak zou scheppen ; daarom heb ik die in onze Gregoriaansche Nooten gezet,quot;

Na eenige verdere aanduidingen, vooral betreffende do voordracht, waarin hij een echt kind van zyn tijd toont te wezen, sluit de verzamelaar zijn bericht met deze woorden: „Hier zullen meer als 200 gezangen voorkomen, en als die U, E. zugt en ijver nog niet mogten voldoen, heb ik nog een Appendix overig, die dezen Overvloedig en oogst in getal ruym kan evenaarenquot; Of hij later, om aan den „zugtquot; en „ijverquot; der „minnaars van den zangquot; te voldoen, dit Appendix heeft uitgegeven, is mij onbekend gebleven. Het zou, zooals blijken zal, van groot gewicht wezen, zoo dit geschied ware en het werkje gevonden werd.

In een „ Tocgilt aan de minnaars van den zangquot; lezen wij nog; „Men vindt somtyds, dat eenige zangers genegen zijn voor Latijnsche gezangen, andere voor Nederduytse. Daarom: om beide deze eenig genoegen te geven, heb ik er uit do voorgaande Latynse gezangen in dezelve voetmaat en op dezelve nooten en Voysen in hot Nederduyts overgezet en hier bij-gevoegt; alhoewel ik m\\j niet zeer aan de Latynse woorden heb verbonden, om zoo veel te meer (sine flich; sine flack;) de gebrekkelyke Nederduytse rijmen te vermijden; maar voornamelijk den zin der woorden en gezangen beoogt. Ook zelf heb eenige, die door andere minnaars van den zang in vorige tijden al in het Nederduyts overgezet waren, maar dewelke zeer gebrekkelijk tot heden gezongen zyn, oen weinig in de woorden verandert zijnde, op dezelve nooten en voysen gesteld, zoo dat zo ook, gelijk in het Latyn, nu kunnen gezongen worden.quot;

Dit boekje dan nam ik onder handen, maar met een zekeren tegenzin, zooals ik zeide, omdat ik vreesde er voor ons doel niets in te zullen vinden. Gelukkig echter hadden do Zangen cn Liederen van Pater Stokvis mij gewezen op den band, die er bestaat tusschen de kerkelyke liederen in de lovende talon en het latijnsche lied der middeleeuwen, Ik üetto

ocr page 59

daarom myn onderzoek, waartoe hot lied; „Mijn hart kom ik U gevenquot; aanleiding was, bij dezen bundel voort en vond enkel in hot werk van Büumker: ,,Das katholische doutsche Kirchen-Uedquot; reeds by na honderd van deze latijnsche liederen vermeld en voor een goed deel met dezelfde melodie, ofschoon de lezing hier en daar nogal verschilt. Eeno voortgezette studie met behulp van andore bronnen zal ongetwyfeld nog tot menige gelukkige uitkomst leiden. Bovendien vond ik in het boven reeds genoemde „Psdlterleinquot; van J, Mohr een twintig tot dertig gezangen, die niet alleen mot die van Messis capiosa overeenkomst vertoonen, maar soms dezelfde melodie en denzelfde tekst hebben.

Om het gewicht dezer ontdekking te vatten, bedenke men, dat het boekje to Amsterdam in 1761 word gedrukt en, zooals de verzamelaar zegt, niets behelst, wat sedert 1707 niet reeds geleerd en gezongen word; terwijl Büumkeu en Mohk in zyn „Einleitung nnd Quellennachweis sum Psdlterlein\' van eeno reeks liederen getuigen, dat de latynsche tekst de oudste, de oorspronkolyke is. Hieruit nu meen ik terecht te mogen afleiden, dat er onder dozo 215 lofzangen liederen schuilen, die in de vrome Middelouwen zyn ontstaan en toon reeds op dezelfde melodie worden gezongen. Voor het eerste vindt men bewijzen bij Büumkeu, Mone, Daniel en Bkeves, terwijl tegen het tweede mooielijk iets valt aan te voeren. Nu waren deze middeleeuwsche latynsche gezangen het gemeen goed der westersche kerk, waarop do kerk dei-Nederlanden met andere gelijk recht bezat, terwijl er, zoo wy den verzamelaar van Messis copiosa mogen gelooven, door onze voorouders by het begin dor XV1I1 eeuw reeds meer dan 400 werden gezongen.

Maar, zoo zou ik willen vragen, wanneer de echo van het middeleeuwsche latynsche lied zoo vaak in het duitsche „Kirchenliedquot; wordt gehoord, indien daarin zoo menig lied naar tekst en melodie is overgegaan, mag, ja moet men dan niet aannemen, dat dit ook met liet lied onzer voorouders het geval was? Dit vermoeden is eigenlijk geen vermoeden meer, omdat wy boven reeds bewijzen voor do waarheid daarvan mededeelden; ik noem het nog slechts

ocr page 60

56

een vermoeden, in zooverre oen voortgezet onderzoek, naar myne overtuiging, in deze nog eene reeks schitterende bewijzen zal leveren.

Door deze ontdekking werd de opvatting, die ik mij van ons ondernomen werk; „Een Katholiek gebeden en gezangboek voor Nederlandquot; had gevormd aanmerkelijk gewijzigd. Er ging mij oen licht op uit vroegere eeuwen; ik zag do ruino van ons voorvaderlijk geestelijk lied duidelijk voor mij staan, maar was daarbij geheel anders te moede. Ik zag ze voor my staan in haren grootschen, machtigen eenvoud, maar terwijl ik vroeger huiverde eene poging tot herstel te wagen, omdat ik het grondplan niet kende en niets wist van de wijze, waarop onze voorouders dit heerlijk gebouw God en zijnen Heiligen tor eere hadden opgetrokken, meende ik nu do grondslagen te zien en do verdere constructie van het geheel. Do moderne bouw, daarnaast in latere eeuwen go-plaatst, verloor in mijn schatting steeds meer van zyn waarde en de gedachte, om met behulp van bekwame werklieden, do restauratie te beginnen werd steeds levendiger.

Zoo blijkt dan ook reeds, wat het antwoord zal wezen op do boven gestelde vraag; wat er gedaan moet worden, om tot een goed kerkelijk volkslied te geraken. Wij moeten terug naar vroegere eeuwen, waarin de christelijke kunsten met elkander in den dienst des Hoeren wedijverden; wy moeten weer leeren zingen „met de zinrijkheid, innigheid en den gloed van ons Katholiek voorgeslachtquot;.

Maar hoe moet dit werk worden aangevat?

Wy mogen er niot tegen opzien bibliotheken en handschriften te doorzoeken. De archeologische studiön zijn in onze dagen in vollen gang; zoo wij het nu reeds wagen den inhoud van een algemeen zangboek vast te stellen, loepen wij gevaar over ettelijke jaren het billijke verwijt te moeten hooron : „het boekje is goed bedoeld en goed uitgevoerd, het is echter jammer, dat de samenstellers zich de moeite niet gaven de oude bronnen te bestudeeren, daardoor zou hun werk aan historische en letterkundige waarde, aan innigheid van godsvrucht, aan kracht van uitdrukking hebben gewonnenquot;. Dit verwijt mag men ons nimmer kunnen

ocr page 61

maken. Nu zijn echter do zangbundels, die tot dusverre werden geraadpleegd, onvoldoende, wijl ze bijna uitsluitend uit de 17e eeuw, uit den tyd van verval, dagteokenen. Wy moeten dus vorder terug. De uitgave van „Een devoot endeprofitelyck Boecxkenquot; en de handschriften der XVde eeuw, door B;u;.viker ons aangeboden, hebben geleerd, dat er heel wat beters bestaat, dan „Hel Paradijs,quot; „Den zingende Zwaan,quot; „Oude cn Nieuwe Lofzangen,quot; Stalport en soortgelijke bronnen. Nog nooit zyn onze boekenverzamelingen met het oog op een katholiek zangboek doorzocht. De studie van het goestelylc lied onzer voorvaderen, vooral van het kerkelyk lied, is van katholieke zijde nog weinig beoefend. Wat wy bezitten, is, behalve den bundel van Tiiijm, uit het buitenland of van protestanten afkomstig. Maar de werken van Willems „Oude Vlaemsche liederenquot;, uitgegeven door F. A. Snellaebï; van üe Coussemakeh: „Chants populair es des Flamands de Francequot;; van Lootens en Feus: „Chants populair es Flamands avec les airs notrsquot;; SneIiLAEEt „Oude en nieuwe liedjesquot; en anderen hadden een geheel andere strekking en bevatten betrekkolyk weinig voor onsdoel. G-.Kalfe behandelt in zijn „Hel lied in de Middeleeuwenquot; (Brill Leiden) uitsluitend het wereldlijk lied; ook Dit Acquoy had met de uitgaven zijner schoone verzameling „Middel-eouwsche geestelijke liederenquot; een geheel ander oogmerk en de titel: „Oude en nieuwe Kerstliederenquot;, dien Tiiijm aan zijn bundel gaf, toont duidelyk, wat hy vooral beoogde. Voor verschillende feesten van hot kerkelyk jaar vinden wy daarin zeer weinig, voor sommige gelegenheden niets. Zonder overdrijving mag men zeggen, dat het veld voor onzen arbeid neg braak ligt.

Gelukkig echter is het niet onbekend. Na Hoffmann van Falleesleben word het ons door Mone in zyn ; Uebersirht der Niederlandischen Volks-Literalnrquot; aangewezen. Van bladzijde 148 — 194 geeft hy ons daarin niet minder dan 115 bronnen aan, deels verzamelingen, deels handschriften. Deze opgave — al zijn er ook liederen onder,.„gelijk Mone zegt, die niet in de kerk gezongen werden, ofschoon ze zich overigens van de kerkelyko liederen niet onderscheiden — deze opgave is voor ons van onschatbare waarde.

ocr page 62

58

Ten bewijze deel ik den inhoud mede van eene der schoonste en rijkste verzamelingen uit het begin der 17de eeuw, die in handschrift berust in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel. Zy bevat 338 liederen in onze moedertaal, waarvan „de meeste wel oud zijnquot; zooals Prof. Du. Acquoy zegt, maar ook andere door hun inhoud wyzen naar onzen oorlog met Spanje en de beeldstormerij. De melodie, by menig lied aangegeven, verhoogt do waarde der verzameling. Ziehier het register.

1.

Van

de geborte Christi of Kermisse.

65

liederen

2.

Van

de besnydenisse Christi.

10

1.

3.

Van

den H. Naam Jesus.

3

1.

4.

Van

de dry Coninghen.

8

1.

5.

Van

de onnosele Kinderen.

1

1.

6.

Van

de passi ons heren.

40

1.

7.

Van

\'theil. Cruys.

2

1.

8.

Van

de verryssenisse Christi

8

1.

9.

Van

de hemelvaart Christi.

1

1.

10.

Van

Sinxen.

2

1.

11.

Van

de H. Dryvuldicheit.

2

1.

12.

Van

het H. Sacrament des autaers.

22

1.

13.

Van

de H. Maget Maria.

46

1.

14.

Van

diverscho Heiligen.

36

1.

15.

Van

do sleltjons in \'tvagevier.

39

1.

16.

Diversche liedekens.

70

1.

Wat een schat van liederen! \'t Is de inhoud van oen boek, gelijk wij wenschen. Zou het geen grove fout zyn, zoo wy dit handschrift niet eens terdege gingen bestudeeren? En al is dit nu ook misschien do rykste verzameling, die van Antwerpen, Gent en andere moeten evenzeer onderzocht worden.

Zoo liggen er dus schatten in het buitenland, en op vader-landschen grond .... aan Prof. Dk. Acquoy komt de eer toe, ons Mor den weg te hebben gewezen. Wy genieten hot voorrecht door dezen degelijkon historicus in do Bibliotheken van ons land to worden rondgeleid. In zyne reeds boven geprezen studie van: „Het geestelijk lied in de Nederlanden vóór de Hervormingquot; wyst hy ons den weg in de Koninklijke Bibliotheek te \'s Gravenhage in de Bibliotheek van de Maat-

ocr page 63

59

schappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden in de Ver-eenigde Boekerijen der Maatschappij tot bevordering der toonkunst en der vereeniging der Noord-Nederlandsche Muziekgeschiedenis en in do „steeds aangroeiendequot; Muziekbibliotheek te \'s Gra-venhage.

Wy hebben zijne aanwijzingen slechts te volgen, wij kunnen niet dwalen en zullen ongetwijfeld veel vinden, wat anderen niet aantrok, omdat wij met een geheel eigen oog\' merk zoeken,

En wanneer wy dan gevonden hebben .... dan trachten wij een anderen van der Ploegj te vinden, die met evenveel ijver, tact en talent deze gezangen vertaalt of in eene nieuwe kleedü steekt. Intusschon mag ik hier niet onver\' meld laten, dat Pater Stokvis mij zijn medewerking heeft toegezegd en reeds enkele latijnsche liederen in hollandsche versmaat overbracht. Drukken wy dan ook by de behandeling der melodiön de voetstappen van J. Mohr en Pater Dheves, dan zullen, dan moeten wy wederom in het bezit komen van een kerkelyk volkslied, dat niet aan duitsche of andere buitenlandsche zangboeken is ontleend, maar op eigen vaderlandschen bodem gegroeid; dat door onze voorouders met geestdrift gezongen en naar omstandigheden slechts gewijzigd, ons christenvolk weer met geestdrift zal vervullen.

Nu weet ik wel dat er bezwaren zyn en moeielykheden zullen gemaakt worden. Men zal ons herinneren aan hot spreekwoord: „het betere is de vijand van het goedequot; en bedenkolyk vragen: waarom toch altyd dat oude, alsof er in onze dagen niets goed was gedaan ? Waarom vijanden gemaakt? Eén vyand immers doet meer kwaad, dan negen vrienden goed doen. En hoeveel tijd zal or voor zulk eene omvattende studie niet gevorderd worden! Voorts zullen er zyn, zelfs onder onze vrienden, die vreezen, dat wy het volk harde, onbeholpen en voor een modern gevormd oor onwelluidende melodiöen zullen opdringen,

Zelfs zullen er zijn, die ons tegenwerken en bestryden. Tegen do nieuwe bouworde voor kerken heeft men krachtigen strijd gevoerd en wie durft dien strijd op het oogenblik nog

ocr page 64

60

aanbinden! De St. Gregorius- Vereeniging heeft in groote en kleine plaatsen met ontzaglyke moeielükheden moeten worstelen en welk een onberekenbaar nut heeft ze in weinig jaren niet gesticht! Er zijn altyd monschen geweest en /,y zullen er wel blijven, die de Liturgie naar eigen inzicht wyzigen en niet vragen, wat de kerk wenscht en voorschrift, maar alleen wat hun bevalt en het volk belieft. Onder dezen schuilen onze tegenstanders, op hunne medewerking mag voorshands niet gerekend worden. Daarom ook acht ik het on-noodig naar hunne bezwaren te gissen en hunne moeielyk-heden te bespreken; met dezulken is mooil\\jk redeneeren.

Op de andere bedenkingen wenscli ik nog kort te antwoorden.

Vooreerst dan moet ik met nadruk verklaren, dat het volstrekt de bedoeling niet is, het werk van tijdgenooten, „omdat het niet oud isquot; te verwerpen. Niets zou dwazer en onmenschkundiger zyn. Wat daarin goed is, moet behouden bly ven, ofschoon hot oordeel allicht strenger zal worden, naarmate zich meer bronnen ontsluiten, naarmate wij meer degelijke studiën hebben gemaakt. Ten anderen echter vroeze men evenmin, dat wij oude liederen zullen opnemen, alleen „omdat ze oud zyn;quot; het zou zelfs verkeerd wezen, ze daarom de voorkeur te geven. Ook moet er met den smaak en de ontwikkeling van ons volk worden gerekend. Veel kon er vroeger door en zou zelfs nu geen aanstoot wekken, zoo w;i niet volmaakt met de overlevering hadden gebroken.

Op de tweede moeielykheid meen ik te moeten antwoorden, dat het betere, de vyand van het goede, in deze moet worden nagestreefd. Hiervoor meen ik voldoende gronden te hebben aangevoerd. Zeker zal er veel tijd en inspanning noodig zijn; daarvoor echter mogen \\vy niet terugschrikken. Wij hebben ons reeds zoolang beholpen, op éen of een paar jaren mag niet gezien worden. Wij moeten werken zonder overhaasting. Het ongerief, door de vertraging veroorzaakt, kan immers licht worden weggenomen door do voorloopigf uitgave van een klein zang- en gebedenboekje (als b.v. Cantate van Muur), dat klein, maar betrekkelijk volle, dig moot wezen en tevens als inleiding dienen tot het ver-

ocr page 65

(il

hoopte: Katholieke Gebeden- en Gezangboek voor Nederland:

„Looit den Heer!quot;

Om oindelyk nog oen weinig de vroos to temperen van hen, die mochten meonen, dat onze keuzo op onmogolyko molodiëen zal vallen, wil ik er ton slotte een vyftal mede-deelen. Ieder kan dan oordeelen en zien, of zijn vrees gegrond was Nu zal men wel zeggen, de beste vrnchton liggon ook hier wel boven. Dit is echter hot geval niet. Om niet to misleiden en lator niet teleur te stellen, behoefde ik wel niet de minste in waarde te kiezen, maar mocht ik evenmin do meest moderne van toon nemen.

Met een paar aantoekeningen op de volgende liederen, wil ik deze verhandeling besluiten, in de hoop, dat ze voor de studie van ons geestolük lied oenig nut moge stichten.

Hot eerste lied is, uit hetgeen ik boven pag. 52 zoide, genoeg bekend. Den tekst van nquot;. 2 vond ik in : „Oude en Nieuive lofzangenquot;) de melodie is die van: „O quam uwabilis.quot; (Zie Büumkek Band I nquot;. 129.) Dit lied vindt men met donzolfden tekst en dezelfde melodie in de meeste duitsche zangboeken. De melodie en den tekst van het volgende lied; „Popule mi, quid mendquot; (vertaald door Pator Stokvis) vindt men in Messis copiosa. Volgens Büumker (Band I nquot;. 224) is dit latynsche lied eene omschrijving der improperiën en later bij deze melodie gevoegd. Men vindt de melodie met don tekst: „O Traurigkeit, o Herzcnsleidquot; in de meeste duitsche zangboeken. Het volgende lied : Jem, dulcissime (door P. Stokvis vertaald) is geheel aan Messis copiosa ontleend. Do melodie en de latynsche tekst „Puer natus in Bethlehemquot; (vertaald door Pater Stokvis) is genomen uit het Paradijs van Theodotus en komt ook in de meeste duitsche liede-boeken voor.

ocr page 66
ocr page 67
ocr page 68

ct.r/ sc.

ocr page 69
ocr page 70
ocr page 71

\'(T • -■ ■ : .......

■

■ ■

\'\' ,quot;quot;ï „ quot; \'■ i .-(ns^v*4

■

t.s-M

\'

• ■ .-V

:V:r ...

■

■B

\' ü^.

M

■

{0.

...

......

énW\') ••■•........ ■

..... • - ■ ■ • •

■

•- ■ •

\'■.ij -■

■ :

ocr page 72

Ynleiiei ei voorlaiei bij M J. R. 7AN BOSSÜM,

Boek- en Muziekhandel te UTKECIIT.

Quinque Laudes diversae Negen-en-twintig ge. zangen ten gebruike onder het lof voor gemengd koor; verzameld en gearrangeerd door Fr. Eppink Pr.

Part.......f 3.—

Stel stemmen . . . „ 1.50

St. Gregorius Magnus. Kerkelijke gezangen met en zonder orgel, voor gelijke stemmen, bewerkt en verzameld door Pr. Eppink Pr. (Derde druk).

Partituur in één deel . . / 3.60 Stel stemmen . . . . „4 — Afzonderlek;

Deel I (2 en 3 st. gezangen) Partituur./\'2. — Stel stemmen A 1.50

„ II (4 st. gezangen) „ - 2-50 „ „ • 2,60

Vijf gezangen voor kinderen op den dag der eerste H. Communie. Oude melodieën, twee-Stemmig gezet mot begeleiding van orgel of harmonium door Pr, Eppink Pr. (Tweede druk).

Part......f 0.45

Melodieen . . . „ 0.03

„Looft den Heer!quot; 16 gezangen ter eere van het Allerh. Saorament, van het Allerh. Hart, van den Zoeten Naam en van de H. Maagd, verzameld en van eene eenvoudige begeleiding voorzien door Pr. Eppink Pr. (Tweede tienduizendtal).

Part. . .... f 0.75 Melodieën. . . . „ 0.10

-ê

,,Looft den Heer!quot; (Tweede stukje). 16 gezangen voor de verschillende tijden en voornaamste feesten van het Kerkelijk jaar, verzameld on van eene eenvoudige begeleiding voorzien door Pr. Eppink Pr.

Part......f 0.75

Melodieën.... » 010