i.
_5ï_____
EDICHTE^ â
1 «P\'
\'1#
\' :i
:{. V-B^SPf rfprti-
\'lil
quot;
f. F TH, VAN HOOGSTRATEN
ORD. PRAED.
Â¥
r%^
,N
quot; liPJ^e................stëgt;
^5quot;
\' Si
NU MEG EN
C. ü, MALMBE.R6S 1893
«
U
;V gt;\'
Z oef.
§520
GEDICHTEN
3 â â s
..
â
.ârf â i-.-
w
XTjct: 3tgt;tö
E J) 15 K TE K
y, ~ ïamp;ÃS\'SPf
VAN HOOGSTRATEN
(3RD. PRAED.
X IJ M [â¢: GEN
1893
S
*
HWlTwJfT WiflWifflltfWw
â
AON DEN liEZER.
UD EN NIEUW zou de titel dezer gedichten mogen zijn, in een dubbelen zin. Het oude wen! zoo dikwerf â u veranderd en gewijzigd, dat liet, althans wat de dik tie bel relt, vooral in de onderdeeleii geheel nieuw ol\', wil men, vernieuwd is geworden. Hu daarenboven zijn er niet zelden nieuwe dichtstukjos bij de oude gevoegd.
Du aangebrachte wijzigingen golden doorgaans den verin, alleen bij zeldzame uitzonderingen de gedachten.
Een voor meer dan twintig jaren geschreven vers kan niet met een geheel nieuw leven worden bezield, zonder dat het ophoudt te zijn wat het geweest is. Maar het kan een andere houding aannemen; het kan, naar de uitdrukking van oen dichter, met meer lierheid de borst verbroeden, kloeker voortschrijden en tikscher uit de oogen staren.
De welwillende lezer moge oordeelen ol\' mijn gedichten door hun gewijzigden vorm iets hebben aangewonnen.
lluisEN, Mei 189:3.
INHOUD
VA
/â -. ULAUZ.
Ãï ,! od on do Moiisoh........................................1
i
Aai\'tlwclio lust......................................35
\' / Liefde...........................se
Do Hoop.........................
Plato. (Naar Mnrotus)...................:jW
JJo Qoilmonscli..........................:ji)
Nog meer............................40
Aan do Oouoslot.........................4\'J
Alvoi\'goding..........................40
SI:. Dominicns.........................OK
-Moilioil..............................7(1
Lovon..............................73
St. Tlionias van Aqnino.....................74
Mood..............................70
Gods grootheid. (Naar St. Augiislinus)...............77
Gtoothe.............................80
Eone vraag............................tsi
Aan oen Kritikus........................82
Ito/.on..............................83
J)k\'lilervliic)it....................................................84
V
HLADZ.
Waan.............................1UT
Wetenschap...........................1U8
Aan.................................109
Eigen Wil............................110
Genieön.............................111
Een Idealist...........................112
Christus vincot........................113
Naar Bovon...........................117
Gebed.............................118
Aan do Poëzie.........................119
De Kerk............................12o
Aan de Genostot........................127
Levenszueht...........................128
Een lo/.or van Huygons.....................120
Een Egoïst...........................180
Kritiek.............................131
Geestdrift............................132
Aan Kinker...........................133
Een Materialist.........................134
Tollens nagezongen.......................185
Govool en gevoeligheid.....................130
Aan oon Apon-telg.......................137
Uo kunst............................188
Eon filosoof in nr-stof....................â¢. 189
Woldoen............................140
Genade.............................141
Dwalen............................142
Op hot graf van Oootlio.....................143
Op het graf van VoUuiro...................144
Parijs (in 1873)........................â 145
Aan Da Cesta..........................148
Ua Costa\'s dicht gloed......................149
INHOUD. XI
BLAIJZ.
Jezus Christus..........................150
Godbetrouwer................ .........153
Cebed.............................154
Opstand tegen God.....................150
Reden en Geloof........................159
Liefdekraclit..........................161
Op een zoogenaamd dichtstuk..................163
Vrjjheid............................164
Do Tijd.............................165
De Toonkunst..........................167
Gebed tot de Moedermaagd...................168
Do dood............................170
Eoom..............................171
Een droom..........................172
Enthusiasme.........................173
Lezen..............................174
Aan een dichter.......................
Godsaanschouwing........................176
Natuur.............................177
Wijsheid......................â¢.....170
Gezach............................180
Bewondering..........................181
Vroomheid..........................18\'J
Valschheid...........................183
Gehuichelde Vriendschap....................184
Het rijm............................185
Denken.............................186
Romantisch...........................187
Erg...............................188
Ood...............................190
Verheffing............................193
Dankgebed...........................196
Xll INHOUD.
IÃL.VDX.
Geduld.............................197
Aan eon vriend, na do lezing zijner hymne: Jezus Christus .... 198
Stervonsvreugd.........................201
Aan een vriend, bij zijne bevordering tot Doctor Phiiosophia1 . . . 203
Logisch.............................206
Wijsheid............................207
Potgieters Florence.......................208
idealen.............................209
De Poëzie............................210
Do vlucht der Wetenschap....................230
Op het Gouden Priesterfeest van Z. H. Paus Leo XIII.......2-17
Op hetzelfde Jubelfeest ....................252
Aan Leo XIII, den Paus der Wetenschap en van het Rozenkransgebed. 258
Aanteekeningen.........................259
GOD EN DE WENSCH.
i ij worden niet voor de aard. Verlagend stofdoorwroeten Jlggpy? Is middel in Gods hand, om \'t schnldvergrijp te boeten, \'jkM In Edens hof gepleegd met roekelooze hand.
/1VY?\'\'
Rechtvaardig strafgericht, maar in het schoonst verband Met heilzoen en genade in \'t goddelijk vergeven; Met hemelzaligheid en stroomend Englenleven.
Volheerlijk is uw lot, o stervling. Schoon gedoemd Tot slavernij en dood, is \'t leven waar ge op roomt. Een leven, dat uw ziel, uw borst doorvloeit en aaren; Een leven, dat geen taal der Serafs kan verklaren;
Een leven door den God, die met uw vleesch omkleed Zich \'s Vaders wederbeeld en zoon des menschen heet. Uw dood werd een triomf, een goddelijk veroveren Van \'t eeuwig Paradijs. Onsterfelijke iooveren Omvlochten reeds uw kruin, voor \'s levens morgenstond
1
2
Uw aanzijn aan deze aard, aan \'b plekje gronds verbond,
Waarop gij ademhaalt. Des hemels Heerschappijen
Zijn brandend u een plaats te bieden in hun rijen,
U, stervling, voorgetrêen door \'t ongeschapen Woord,
Als menschgeworden God door \'t eeuwig juichakkoord
Der Geesten aangebeên. Dit wrocht uw overtreden
Van \'t dreigend proefgebod; voor \'t aardsch oen hemelsch Eden,
Gewonnen door Gods Zoon voor stroomen godlijk bloed.
Gods Engel overtreedt, en \'s afgronds solfergloed
Verzwelgt hom. Geen gena, geen boete voor \'t vergrijpen.
Maar eindloos zelfverwijt en foltrend boezemnijpen,
Maar eeuwge wanhoop, door geon straal van hoop verpoosd.
De stervling overtreedt, en God zelf schenkt hom troost.
Schenkt troost? neen biedt zich aan als offer voor zijn zonden.
Wordt zijn natuurgenoot en vangt de wreedste wonden,
Ons toegedacht, in \'t rein en smetloos lichaam op.
Ja, voert den schuldige ten hoogsten glorietop.
Dit is des Christens leer, zijn hoop, zijn schoonst vertrouwen,
Zijn adel boven al wat do aarde mocht aanschouwen,
Een Engel denken kan. Dit is zijn kracht in \'t leed.
Het uitzicht, waar hij al wat foltert door vergeet.
Zich zeiven machtig voelt naar \'t eenig doel te streven.
Waarvoor hij wiord: voor God, met God, in God te leven.
Te leven in uw God, dit, sterveling, is \'t doel
Uws wordens, dit roept u uw innig zelfgevoel.
Geheel uw wezen toe. Uw zucht, uw ademhalen
Getuigen uur aan uur, dat zij hun tol betalen
Aan Hem, door wien gij leeft; die in en om u heen
Zich God en Schepper toont. Hij, Eeuwig, Eindloos, Eén,
Hij, ondoorschouwbaar in zijn hoogst volkomen wezen.
Niet als dit wereld-al den baaierdnacht ontrezen
Noch door een machtiger mot levensgloed bezield.
Maar eigen daad en kracht; voor wien de schepping knielt.
Van \'t kruipend mijtje, dat zijn nauwlijks zichtbaar wemelen
Aan \'s menschen danktoon huwt, tot d\' in der heemlen hemelen
Verheven Geestenstoet, die Hallelujah\'s bruist;
Wiens Naam het koeltje door het zwaatlend loover suist.
Het buldrend noodgetij, de sferen tegenloeiend
Of langs het knallend zwerk in bliksemflitsen gloeiend,
Den dwingelanden door den stalen boezem jaagt;
Wiens handpalm werelden, als \'t nietigst stofje, schraagt;
Die in verbolgenheid de volken uit laat pionderen
En tot vertrapping stelt, om andren af te zonderen
Ter glorie van zijn rijk: die Godheid is ons doel,
Dit roept geheel ons hart, geheel ons zelfgevoel.
Wat spelt uw enkle naam een reeks van zaligheden,
Geluk, zoo vaak we in \'t spoor van uw betoovring treden! Maar wie omhelsde u ooit voor \'t eindperk van zijn baan. Gewaande heilgodes? Wie staarde uw schoonheid aan Dan als een toovergloor, verzwindend in de nevelen.
Die voor \'t verbijsterd oog uw schittering omhevelen?
Geen flikkring yelfs van \'t kleed, waarin uw luister scheen. Blonk in de omwolking door, zoo vaak uw glans verdween. Wat staal omschanst uw borst, o wreede, die de harten.
Eens door uw pijl gewond, verkrimpen ziet van smarten. Maar steeds gevoelloos spot, geen klacht, geen zuchten hoort.
4
Maar immer meer verrukt, maar immer meer bekoort En feller wonden slaat, â en \'t offer, neergezegen. Der wanhoop laat ten prooi? Is uwe kracht gelegen In \'t foltren van ons hart, verga dan, wangedrocht, Verwatener dan wat de helsche gruwelkrocht Verwatenst denken kan; verga en maak ons leven Niet wreeder dan de dood.
Doch \'t hart moet naar u streven, U volgen, schoon gij vliedt, en allerwreedst misleid U minnen boven al wat ziel of zintuig vleit.
Dit is des menschen lot. Heeft God het ons beschoren Of zijn we ons zelf ten doem op \'t vlak der aard geboren? Steeds haken naar ons heil, steeds smachten naar geluk En steeds rampzalig zijn! Zwelg, afgrond, zwelg en ruk In \'t grondloos onbestaan wie reedlijk mensch moet heeten. Hot leven is een vloek, zoo de onverbreekbre keten Des noodlots ons aan de aard en aardsche jamren boeit. Nooit zaligheid den trek, die eindloos in ons groeit, Verzaden mag, maar \'t hart in \'t rusteloos begeeren Zijn eigen geesel heft. Een martlend zelfverteren Is \'t hijgen van de hoop naar \'t lokkend nevelbeeld. Dat eerst in hooger lucht met kleurgetoover speelt, Dan her- en derwaart zwiert, om na \'t bekoorlijkst blinken In nacht en duisternis ontglanzend weg te zinken.
Toch is de hoop der ziel uw liefdegift, o God! Een bovenaardsche kracht in \'t pijnlijk levenslot.
Neen, \'t leven is geen vloek; het ademt in uw zegen. Wij vliegen door den nacht uw morgenluister tegen;
Reeds straalt Ge ons in \'t gemoed, der wezens eenig doal; Uw zaligheid is \'t eind van al ons leedgevoel.
5
Zie om u, sterveling. Wat treft uw oor, uw oogcn Of ander zintuig? Wat bezit het alvermogen,
Om, met geheel uw ziel en wezen saamgevloeid.
Dat heil te schenken, waar \'t begeerig hart voor gloeit? \'t Is stof wat u omringt en mensch- en dierlijk leven.
Maar niets wat u \'t genot, waarnaar gij smacht, kan geven. Wees koning van \'t heelal, vereerd en aangebeên Tot \'s aardrijks uitersten, \'t heelal is \'t hart te kleen. Het hart, dat meerder eischt, hoe meer gij \'t wilt verzaden. En zich steeds armer voelt, hoe meer \'t wordt overladen Met schatten dezer aard, wier ongenoegzaamheid Zich luider heeft verklaard, zoo vaak het werd misleid, \'t Beperkte werd uw deel, en perkloos moet het wezen Wat \'s menschen hart voldoet. Wat uw begrip mocht lezen Daar \'t stofiijk beeld te ontkleên van stof en stoflijkheid. Wordt door uw wil begeerd, die om bezitting schreit En geen bespiegling zoekt, maar door zijn heil te derven Een wreeder leven leidt dan \'t allerwreedste sterven.
Geen lichaam, voor uw oog gebonden aan dit stof.
Was \'t wat uw edelst deel, uw ziel, uw denkkracht trof; Ze eischt hooger dan dit slijk, verwijdt haar levenskringen. Stijgt boven \'t wolkgevaarte, om \'t lichtmeir in te dringen. Dat hier zijn stralen schiet, maar duister; \'t eeuwig waar (Geen schijn, geen schaduwspel) vervult, bevredigt haar.
Daar vliegt zij juichend heen, om in die zee te baden.
Wier volle levensstroom wat ademt kan verzaden; Ja, Godheid, Gij alleen zijt \'s menschen hoogste doei, Dit roept geheel zijn hart, geheel zijn zelfgevoel.
6
Gij, Geesten, waart het eerst dier hoogste zaligheid Verrukte aanschouwers, \'t eerst ter heirbaan opgeleid Des Eeuwgen, \'t eerst doorstraald van \'t ongeworden Leven. Gij voelde uw boezemgloed in vlammen opwaart streven, Versmolt van naamloos heil, in \'t aldoorgloeiend vuur Der Godheid weggestroomd in \'t eerste scheppingsuur. Gij zaagt op \'s Hoogsten wenk den eersten morgen gloeien. Het eerste tooverkleed van \'s aardrijks lente bloeien. De waatren om onze aard heur reuzenarmen slaan;
Maar Edens lusthof bood u \'t roerendst schouwspel aan. Daar werd uw broeder, werd de wereldvorst geboren, Die heerschen moest op aard en juublen met uw choren, De mensch met heerlijkheid en schoonheidspracht gekroond, Zooals geen morgenlicht in \'t flonkrend Oost vertoont. Hij staat daar, toegerust met bovenaardsche krachten, En slaat een koningsblik, dien niets nog durft verachten, üp \'t leven, rond hem heen, en steigrend vaart zijn oog Ten hemel. Aardmonarch, voor wien de schepping boog. Wat woelde er in uw borst dat oogenblik vol zegen? Wat straalde u uit die zon, die u daar aanblonk, tegen? Vrijmachtige adelaar, \'t is meer dan middaggloed \'t Geen \'t onverblikkend oog daar in dien glans ontmoet; \'t Is \'t albezielend licht van \'t ongeworden Wezen,
In al wat adem schept en leven derft te lezen.
Maar in uw boezem meest gevoelbaar uitgestraald;
\'t Is in dien stroom van licht, dat gij thans ademhaalt. Waarop uw adem zweeft en, zwijmend rondgedreven. Uw leven zich verliest, om in zijn God te leven.
Hetzij ge uw God omhoog om hemelgaven smeekt,
Hetzij uws harten vlam door haar omperking breekt
7
En gloeit in \'t schoonst akkoord der uitgestorte psalmen,
Die voor des Hoogston troon door \'t lied, der heêmlen galmen;
\'t Zij \'t licht des daags u wekt met Oosterzonnepracht
En roept: uw Schepper leeft; \'t zij, vonkelend, de nacht
De starren boden maakt des Eeuwig-ongezienen
En glanzend hulde biedt wien stof en onstof dienen;
Gij voelt u hemelzoon en geestenaanverwant,
lOn d\' afstand, die u van der Englen zetel bant,
Doorvliegt gij op den snellen wiekslag der gedachten.
Die liefde en rein gevoel in \'t hart to voorschijn brachten,
In samenstemming met uw onbewolkt verstand.
De rede toont uw ziel heel do eenheid en \'t verband
Der wezens, dio \'t heelal op duizend paan doorwemelen;
\'t Geloof rent naar Gods troon door de eindloosheid der hemelen
En voelt, aanbiddend, zich een toon van \'t levenslied,
Waarin het lofgeruisch der sferen samenvliet.
Was \'t aan het Geestendom, bij \'t eerste morgengloeien
Der schepping, reeds vergund hun Oorsprong toe te vloeien,
In Liefdes vollen stroom te baden en, verzaad
Van zaligend genot, den eersten dageraad
Te groeten van \'t heelal, uit de eigen liefdevonken
Geboren als do gloed, waarvan hun schedels blonken.
Hun borsten blaakten, - u kroont hier onsterflijkheid.
Terwijl daarboven u het godlijk leven beidt.
Dat ile Engel reeds geniet. Zoo hemelsch straalt de luister
Der Godheid op u af. Uw ziel ompn.ngt geen kluister.
Uw lichaam voelt zich vrij; de schepping bidt u aan;
\'t Eert alles uw bevel beneên \'t gebied der maan;
Uw wenk is hoogste wet. Hoe kost ge uw heil verraden.
Bevoorrecht hemelkind, en \'s Hoogston gunst versmaden.
8
Door dwazen waan vervoerd? Gods liefde blonk zoo schoon Voor aard en hemel in \'t geflonker van uw kroon! Eén oogwenk zweeg omhoog het lied der Serafschoren,
Toen in uw Paradijs de zonde werd geboren.
,,\'k Zal God zijn,quot; spreekt uw hart; âeen enkele appelbeet. En \'k zie mij voor dit stof met godlijkheid omkleed!quot;
Maar vreeslijk snerpt de roê van \'t folterend geweten.
Hoor (plettrende ironie!), âhij mag een Godheid heeten,quot; (Spreekt de Almacht), âAdam werd ons door zijn val gelijk.quot; Daar staat gij met u zelf, onmachtig kind van \'t slijk, Onmachtig ziel of zin een hooger kracht te schenken. Uw tochten bruisen op, eerst zwijgend op uw wenken, Beheerschen, zweepen u, als stormen \'t vallend blad,
Naar alle zijden om. Gij, die gesproken hadt:
â\'k Zal God zijn,quot; zijt u zelf thans Godheid. Wanhoopskreten Verkonden \'t: âHa, de mensch mag zich een Godheid heeten.quot;
Gods doemspraak eischte uw dood. Maar \'t ongeschapen quot;Woord, Des Vaders Evenbeeld door eeuwige geboort\'.
Verscheen in \'t sterflijk vleesch, om, tredend in ons midden Als broeder van den mensch, dat vonnis te verbidden. Geklonken aan een kruis, verwon Hij hel en dood Door \'t leventelend bloed, dat uit zijn wonden vloot.
O deernis van genii zooals geen hemelzalen Aanschouwden in het licht van \'t eeuwig gloriestralen
Der Liefde! God in \'fc vleesch uw broeder, o geslacht Der aarde! \'s Vaders Zoon als stervling voortgebracht Door de uitverkoren Maagd, die de eeuwen zalig prijzen! Zie God uit God met ons den Vader eer bewijzen En boeten voor hetgeen ons schuldvergrijp misdeed.
Maar zie dien God ons ook verheffen. Neen, Hij leed Niet enkel om de schuld der menschheid uit te delgen Door alverzoenend bloed. Gevallen Adamstelgen,
Ziet uw natuur in God door de Englen aangebeên; Der heêmlen glorie uit het stof van dit beneên Een nieuwen zonneglans voor \'t oog der Geesten telen. Verblindend door zijn gloed. AVat wondre stralen spelen, Getooverd uit dit slijk, der sferen perkloosheid Verrukkend, koestrend, door, op nieuw een eeuwiglieid Van naamloos lustgenot. De hemelmachten staren Aanbiddend naar dio Zon, geteeld uit sterflijke aaren. Het woord der Almacht, in die plettrende ironie Voor \'t schuldig oudrenpaar, wordt heiige profetie; Ja, \'t woord van Satan zelf, godslasterlijk gesproken, Is goddelijk vervuld. â De mensch heeft zich gewroken. En ja, die mensch is God, in de eindlooze eeuwigheên Des Vaders Evenbeeld en met dien Vader één En eenig. Zie hem daar in heerlijkheid verheven En machtig \'t Englendom op wieken vóór te streven Van gloed en godlijk licht, vergodlijkt, neen, vergood En meer dan Engel, meer dan hemelengenoot.
Genoot der Godheid zelf. Eerst kon hij zich verderven En doemen tot den dood ; thans kan hij niet meer sterven Eén is hij met dien God, die met den Vader één Als God den dood verwon, toen Hij als mensch verscheen.
10
Uw God in \'t vlcesch, mijn ziel! Gelooft gij \'t zonder blozen ?
Ja, bloos, maar zij uw blos de gloed der lenterozen.
Door d\'eersten stralenkrans van \'t morgenlicht omspeeld
En van een goud omvloeid, in \'t blaakrend Oost geteeld.
Staar moedig naar omhoog; de hemel is herkregen.
Zie, door der wolken kloof stroomt heilgena en zegen;
Verbroederd reiken u Gods Englen arm en hand;
Gij vondt uw doelwit weêr, uw God, uw vaderland.
i
Zoo heerlijk, zoon der kerk, in Jezus\' bloed herboren.
Zoo heerlijk is uw staat. Wie voelt zijn hart niet gloren
Van hemelsch geestgenot bij \'t denkbeeld van dat heil,
Slechts voor de oneindigheid van Christus\' offer veil ?
Dat offer schonk u God, schonk u den hemel weder.
God is uw Vader en bemint u dubbel feeder.
Daar Jezus u erkent als broeder. Naar omhoog,
Gij burger, niet van de aard, maar van den etherboog.
Waar de ongeworden Zon haar stralen schiet! Daarboven
Moet ge eens do Oneindigheid aanbidden, danken, loven.
Genieten; in haar glans de aanbidbre waarheid zien.
Haar lezen in het hart en smeltend hulde biên.
Doch eer dat beil genaakt, eer daar uw hemelsche oogen
In \'t ongeschapen Licht het licht aanschouwen mogen;
Eer gij het oord betreedt, waar ééne morgengloor
Eén dag des levens schept; waar \'t juublond Geestenchoor
Eén hymne wordt, één toon, één stroomend vlammenschieten
Van liefde en zaligheid in God; één lustgenieten.
Dat, door geen enge grens omsloten in den tijd.
Een eeuwigheid omvaamt, aan \'t eeuwig Zijn gewijd;
11
â Eer daar uw ziel zich baadt in vollen gloed, omstralen U hier de glansen reeds, waarbij geen zon kan halen, De glansen van den dag der waarheid. Jezus\' kerk. Die, schittrend van zijn licht, het hernolsch zegelmerk Der waarheid als een star op \'t godlijk voorhoofd dragend, Vrijmachtig de aard gebiedt, geen wijsgeer ondervragend Wat weg ten leven voert, maar op de kracht gerust.
Die in haar binnenst woont; haar grootheid zich bewust In Die haar teugels houdt en \'s aardrijks reuzenzonen De kracht der spieren rooft, eer zij zijn Bruid onttronen; Zij hoogste schepping van den Godmensch, \'t zij in bloed Gedompeld, \'t zij alom als heerscheres begroet Der zielen, Koningin, in \'t foltrendst martellijden Verwinnares gekroond; in \'t zegevierendst strijden Geen hoogeren triomf beoogend dan haar God Vereerd te zien door wie zijn glorie had bespot;
Zij staat, terwijl op aard in duizend worstelingen Der menschen scheppingen elkander woest bespringen, Vernietigen als rook. Zij heeft de waarheid, zij Verkondigt haar aan de aard en voelt in God zich vrij. Zij buigt voor diadeem noch zwaard van dwingelanden. Eén koning is haar lieer. In vrijheid en in banden Verovert zij voor \'t licht der waarheid, waar ze in leeft, De harten, hoe aan de aard en d\' aardschen lust verkleefd. Zij draagt geen stelsels voor, die met den dag verzwinden. Maar eeuwig is haar leer. Geen uiterlijk bevinden.
Geen schijn, geen schitterpracht van filosofen waan,
(Slechts schimmen, voor den dag, voor \'t morgenlicht vergaan) Maar \'t Woord, het Eeuwig Woord, dat in hot vleesch verschenen Dit stof ten hemel wrocht, kon haar die kracht verleenen,
12
Die, al wat weerstand bood verwinnend, aan onze aard Het leven in den God der waarheid heeft herbaard.
Wat rots in d\' Oceaan! Reeds achttien eeuwen loeiden De stormen in verbond met golfgebruis en roeiden Ãntelbre scheppingen langs \'t daavrend aardrijk uit.
Maar Jezus\' rots houdt stand en maakt de orkanen buit.
Toch hoort men dag aan dag een vreeslijk onweerklateren. De spotlach schept vermaak door \'t woest geloei te schateren Des afgronds en hij schijnt, van Heines dartlen mond Gerooid en op uw boom steeds helscher sinds dien stond, O Duitschland, \'t vloekgespan te willen evenaren Des hellepoels, dat met Gods wet en Heiige Blaarcn Tot eigen foltring spot. Zie Gods gezalfden Zoon Door vuige goön des stofs gestoken naar de kroon Of als aan \'t kruis beschimpt. Zie \'s aardrijks hechtste banden, Door de Almacht zelf gesmeed, niet strafloos aan te randen, Europa, langs uw grond gestrooid als spinrag. Vaart Geen wilde tuimelzee verwoestend langs deae aard, Nu \'t eene werelddeel, dan \'t ander dreigend? Baren Als nooit uw oog aanschouwde en nauwlijks aan durft staren: Van dartiend ongeloof, van vrijheid, maar door bloed; Van wetenschap, die de aard gebièn en richten moet.
Maar met haar God in kamp; van valsche volkshistorie, Die Christus\' naam verguist, en Venusdienst, uw glorie, Doorbruisen eiken staat en dreigen tot den grond Te slechten wat uw aam, omwentlingspest, weerstond.
En bij dat golfgewoel, hoor \'t wulpsche lied der volken
13
De ontketening der drift in \'t bruisend hart vertolken:
âEen lustslavin en goud!quot; De vorsten ploffen neer
En biên in \'t walmend zand den hiel geen tegenweer,
Die hun de borst verplet. Ha, Frankrijks idealen,
Thans gaat uw gloriezon \'t verrukt Euroop doorstralen!
Jean-Jacques, Diderots, Voltaires op den troon!
Wat schitterend verschiet, te lang verguisde zoon
Des volks! Wat kromt ge uw rug en nek, zoo vrij geboren
Als Ruslands heerscher? Op! uw recht is onverloren.
Het staal in de öéne vuist klooft kroon en scepterstaf
En de andre bonst die goon van do oude zetels af.
En \'t is of door dien drom zelfs hellemachten zwieren
In woesten dwarreldans en doemelingen gieren
Door \'t siddrend hemelzwerk, â en aard en afgrond loeit:
âDes Heeren kerk vergruisd, vermorzeld, uitgeroeid!quot;
Des Heeren kerk vergruisd\'? Ziet gij dat woord des Heeren In eeuwig diamant: âIk zal die kerk regeeren;
Geen aard- of hellemacht maakt ooit mijn kracht ten spot; Ik ben der rotse Kots, Ik uw en \'saardrijks God?quot; Des Heeren kerk vergruisd? die rots, uit staal geklonken, Voor woedend zeegebruis noch stormgeloei verzonken.
Maar eeuwig in de kracht, die haar te voorschijn riep?
Neen, haar omzweeft nog de aüm der Almacht, die haar schiep, Den damp verdrijvend, die, uit \'safgronds poel gebroken. Den dag verwoesten wil en \'t hemellicht bestoken.
De kerk leeft door het Woord, dat uit don chaosnacht De zon deed rijzen in haar eerste morgenpracht.
14
Des Heeren kerk vergruisd ? Liet God zich ooit braveeren Door wormen van dit stof? Hij die den trots verneêren, Den moedwil temmen kon der helsche morgenster? Uw woede, uw razernij is machtloos tandgekner.
Wij staan! De Christusrots acht stormen noch orkanen; De Godmensch is haar kracht. Zoudt ge u verwinnaar wanen Van die den dood verwon? Verwinnaar van het kruis, Waarlangs des Hollands bloed gestroomd heeft ? Zal\'t gespuis Des afgronds, eens vertrapt, op nieuw den kop verheffen. Om Jezus in het hart, het bloedend hart te treffen.
Nu Hij, verheerlijkt naast zijns Vaders glorietroon.
Met Hem \'t heelal beheerscht als Eéngeboren Zoon?
Neen \'t godlijk \'t is volbracht, door Jezus uitgesproken Aan \'t helverwinnond kruis, wordt door geen kracht verbroken Van machten zonder God. van wijzen slechts in waan. Van snoodaards, die Natuur voor \'t bleekend voorhoofd slaan; Van dwergen, in deze eeuw slechts Titans. Jezus sprak. Hij, \'t Woord van God on God, die \'smenschen juk verbrak.
Het leem in \'s potters hand is machtiger zijn maker To morzelen dan gij, onzinnig godverzaker.
Uw God te trotsen of de gronden te doorzien,
Waarom Hij \'t monschdom zóó, niet anders laat gebiên; Waarom Hij door de kerk zijn wet heeft voorgeschreven Aan \'t aardrijk en in haar een zeekre gids gegeven Ten hemel. Buig het hoofd deemoedig voor uw God!
Geen weerstand baat u; Hij verordent \'s menschen lot.
Maar weerstand? Trotschaard, neen, gij gaat u zelf bestrijden. Zoo vaak ge uw arm verheft, om Christus\' kerk in lijden.
15
Vervolging, martelbloed te domplen. Heel do hel Verbindt zich tot uw val, zoo vaak op uw bevol Eén dienaar van het kruis voor Jezus\' naam moet snoven. Hem beidt een gloriekroon in \'t onvergankiijk leven; U \'t vonnis van den dood. Een eeuwigheid van straf Dwingt ieder druppel bloed voor die \'t vergoten af; Een eeuwigheid van vloek en helsche wanhoopskreten, Een eeuwigheid van wraak in \'t folterend geweten.
Gij spot: âeen eeuwigheid, verleidend tooverwoord Voor \'t dwepend maagdenhart, geschreven op den boord Van \'t priesterlijk gewaad, om vrijgeboren zielen Voor \'t glinstrend stoolgezach aanbiddend te doen knielen; Verga wie in deze eeuw niet om dien waanzin lacht Of \'t kinderlijk gedeun zijn aandacht waardig acht.quot;
Zoo spreekt in \'t muitziek hart de hoogmoed. Nauw geboren Gevoelt het krijtend wicht reeds \'t prikkien van zijn sporen; De jongling snelt voor hem gevaren te gemoet;
Voor hem vergiet de man met drift zijn kokend bloed En rent den dood in d\' arm met onverschrokken harte.
Zelfs de Engel, die zijn God in \'t vlammend aanschijn tartte. Alsof geschapen gloed den ongeworden glans Te niet kon stralen aan der hoonden morgentrans,
Vloog op zijn eersten wenk ten trotschen oorlogswagen. Hij wekt langs \'t ruim der aard die woeste orkanenvlagen, quot;Wier adem pest en dood ter alverdelging voert,
Hetzij een dol gemeen, dat kerk en staat beroert.
Zijn wilden vrijheidskreet laat daavren door do wolken.
Hetzij de wreede krijg meêdoogenloos de volken
1(5
Als veldkruid nederslaat en vaag en bloei verslindt,
Waar hij zijn stappen zet; of \'t koninklijk bewind,
Mot \'s heerschers hoofd en kroon in \'t bloedig zand geklonken,
Ten roof valt aan een beul, van helschen moordlust dronken.
Die hoogmoed waant zich meer dan Engel, meer dan God,
Wil meester zijn des tijds, der schepping en van \'t lot,
Groept eigen werelden en richt den loop des hemels
Van \'t nietig plekje gronds des aardschen stofgewemels,
Ja drijft de Godheid toe: â\'k erken uw wetten niet,
Mijn gril en wil en lust, geen almacht is \'t gebied!
Maar God belacht dien waan, blijft Koning, Wreker, Rechter;
Zijn wil der hêemlen wet en aller pleitbeslechter;
Zijn kennis eenig â waar, die oorzaak, middel, doel
Doorschouwt, neen, ordent, richt, bij \'t onbeperktst gevoel
Van alvermogen, dat in \'t eeuwig godlijk Wezen
Wat worden kan doorziet, \'t gewordene blijft lezen
In \'t ongeschapen Licht, dat, flonkrend uit zijn kroon,
De Geesten zaligt, dio aanbidden voor zijn troon.
Geen kracht in \'t groot heelal dan door die kracht bewogen.
Die, zelfbewegend, met onwrikbaar alvermogen
Aan \'t ijdel niet gebood te ontspringen in gevoel
En zelfbesef en wil, gedreven naar een dool.
Boots\' \'t walend brein z\'ich goón naar eigen grilligheden.
Vergeefs! geen reuzenkracht wordt door oen worm vertreden.
Doch wat is reuzenkracht? Geen Algenoegzaamheid,
Door al wat aanzijn heeft in weldaan uitgebreid;
Geen Wezen, in zich zelf door tijd noch ruimte omschreven,
Dat aan het schepslendom een schaduw heeft gegeven
17
Van eigen krachtgevoel en grootheid, maar zich zelf Niet in de vormen sloot van aard of stargewelf;
Geen Godheid, die, omkleed met morgonliehtgewaden,
Haar tent uit heèmlen spant, met zonnevuur beladen,
Zich zelf met licht omwolkt, haar eeuwgen glorietroon Op vlammen sticht en gloed, is, nietige aardezoon.
Uw oog genaakbaar, dat verblindt van d\' aardschen luister Des middags om u heen. Die glans is nacht en duister Voor \'t stoffelijk gezicht, dat hier in neèvlen wroet,
Geen ongeboren dag in \'t vlammend aanschijn groet;
Geen leven met het licht de schepping door ziet vloeien. Ons blijven in dit stof steeds schijn en schaduw boeien. En \'t hooger hemellicht, dat heel ons hart doorstraalt, Weerstaan we, roekeloos van God en plicht verdwaald.
Die hoogmoed is een slang, die door uw boezem kronkelend, In purpergloed voor \'t oog van \'t zwellend harte vonkelend, Uw ziel en zin vervoert, maar moordend aspisgift In eiken bloeddrup stort. Met onbesuisde drift Verzwelgt ge dat venijn, alsof een bloeiend leven Zich in uw binnenst goot. Dan voelt ge u aangedreven Tot daden, van wier kracht een vrijgemaakt heelal Gewagen moet, maar ach! slechts kwijning, dood, verval Met heel het jamrenheir, uit d\' afgrond opgedonderd.
Breidt zich door \'t aardrijk uit. Van do Almacht afgezonderd Waant ge uit u zeiven deugd met waarheid, recht en plicht Te delven, gij die niet uw minste streven richt Naar \'t voorgestelde doel, dan door oen macht bewogen, Die zelf haar wezen is? Gij, uit het niet getogen
18
Door \'s Hoogsten scheppingskracht en schaduwzweem van \'t Zijn, Dat door zich zelt\' bestaat; gij, ijdle schemerschijn Van \'tgeen waarachtig is, liet wijd gebied der starren Bespieden als een God? \'t Geheimnisboek ontwarren, Geschreven, voor een oog door d\' aardschen nevel drong En zich der duisternis eens stalen nachts ontwrong? Gij, raadsel voor u zelf, Gods hoogste schepping wraken,
Zijn kerk, in \'t bloed gevest des Heilands? O verzaken We een trots, zoo tergend voor d\' Almachte. \'tWas om niet Dat eeuw aan eeuw bestond het godlijk rijksgebied Te trotsen van een God, die eens aan \'t kruis verheven Voor de eeuwigheid dier Kerk den doodsnik heeft gegeven.
Uw waan, o sterveling, is machtloosheid, uw trots De broeder van het niet. Gij, door den adem Gods Met levensgloed bezield, om Hem dat hart te wijden.
Waarin Hij liefde schiep, ge omgordt u om te strijden.
Niet voor uw Koning, wien gij eenig toebehoort.
Maar voor zijn vijand, die vernielt, verdelgt en moordt. Zoolang geen hooger macht hem breidelt, \'t Rijk der logen Is \'t steunsel van uw voet, uw hoogste kracht vermogen. Al wie zijn God verzaakt, roept voor zich zelf den dood Als opperheerscher aan en stort zich in zijn schoot,
Alsof de hemel hem daar toeblonk. Zal het leven Dan bloeien als de vrucht van een dolzinnig sneven?
Verleidend heigedrocht, gij hoogmoed, die uw leen,
Afzichtlijk voor het oog, met gouddos weet te omkleên.
19
Vol lichtgloorflikkring, en uw slavendrom in stralen Van valschen toovergloed op wolkgedwalm laat dwalen, â Bekoorlijk kleurenspel voor \'t lichtbegoocheld hart â
Maar eens uw gruwbren muil verdelgend openspart Eu als uw prooi verzwelgt die in uw pestdamp zwieren; Oij, die den mensch verdwaast en hem den toom leert vieren Aan \'t woeste driftgebruis, wat heft ge uw helschen kop Ook tot verdelging van des Heeren rotssteen op?
Hoor dien Sirenenzang den God der waarheid honen: âGij, heeracher op deze aard, geworden, om te tronen Zoolang gij adem schept ; gij, van een godlijk licht Doorstraald, waar alle nacht en duisterheid voor zwicht; Gij, schepper zoo gij wenkt, wien \'their der idealen Omzweeft, om in uw ziel het schoonheidsbeeld te malen. Dat ééne hymne omruischt, de hymne van \'tgenot; Wat tuurt uw starziend oog een menschgeworden God In \'s hemels ruimten na, een God, aan \'t kruis geslagen. Omdat hij in het vleesch uw zondelast gedragen En de aard gelouterd heeft door ander liefdevuur. Dan \'theiligdom doorvlamt der eeuwige natuur?
Daar jubelt in uw borst een liefde! Geef haar klanken In duizend beelden weer, doortinteld van de sprajikcn Der zielenweelde, waar de levenskracht in speelt. Die \'tgodlijke in den mensch steeds goddelijk herteelt En stralend om zich spreidt.
Wat hebt gij voor een logen,
De knie niet, maar den geest, den fleren geest gebogen? Uw Christus is geen God, die over de aard regeert;
Geen God. die zich als mensch aan\'t kruishout heeft verneerd. Hij leefde en stierf als mensch en was slechts mensch geboren.
20
Hij wordt niet aangebeên door juichende Englenchoren;
Hij is de Logos niet, dien \'t priesterdom verkondt.
Die Logos werd gebootst door Griekschen fabelvond;
De ware Logos is in \'t menschlijk brein gezeteld,
Geen luchtverschijnsel, dat omnevelde oogen ketelt.
Maar geest- en redekracht, die in heur hemelvaart Op eigen vleuglen zweeft, de zon in \'t aanschijn staart, De wetenschap gebiedt en, om haar schat te gaderen. Der starren topgewelf tot de aarde dwingt te naderen. De Logos van den mensch is de eeuwge wereldgeest,
Die door de omsluiring heen de scheppingraadsels leest.\'\'
Die zang weerklinkt in \'t hart en duizend stemmen rijzen Ten antwoord op dat lied: âwij hulde en eer bewijzen Aan \'t geen den mensch verlaagt, wiens blikken dóórzien is, Die licht en dag ontmoet, zelfs in de duisternis Des afgronds; wien omhoog de ontelbre zonnesferen In \'t eeuwig vlammenlied als God der aard vereeren; Wij \'tstralend redelicht omhullen met een nacht,
Die duizend nevels broedt en nooit een morgen wacht? De kennis van het kruis? Vervoer haar naar het Westen! Neen, steigren we, om door \'t zwerk den vasten blik te vesten Op \'t schittrend heemlenheir; neen, splijte en barste de aard, En schatten voor den geest in rook en damp vergaard! De starren in heur vlucht bespied en \'t licht gegrepen Waar zij door \'t perkloos ruim heur gloênde rossen zweepen; Verzonken in den buik des aardrijks om een straal In \'trijk der wetenschap!quot;
En gloeiend is die taal
21
En grijpt in \'t hart der jeugd en, tuimlend als de baren Der onbedwingbre zee, ziet men ze Euroop doorvaren Op vleugelen der pers en, als een Noordorkaan,
Wat ze op haar weg ontmoet verbrijzlen en verslaan.\' Zij spoort den waanzin, die den hemel wil bestormen En eigen wetgebod ten hoon der Godheid vormen;
Die alles wat niet met zijn hersenbeelding strookt Beschimpt als priesterlist en, daar het outer rookt Voor afgoón, dwazer dan ooit heiden zich verbeeldde. Het onding God noemt, dat een ijlend brein zich teelde. Zoo wordt de mensch, verlaagd, een toomloos driftenspel Ten buit geleverd en gepijnigd in de knel Der boeien, die zijn ziel zich zelf heeft aangeklonken.
O God, wat is de geest, uit hooger kring gezonken,
Waar hem uw licht doorstraalde en de afschijn van \'t gelaat Der waarheid hem omblonk ! Geen droombegoochling baat In d\' ijzren kerkernacht. Slechts de ongeschapen Luister Gebiedt den morgenglans en jaagt het nevelduister Ten afgrond. Eén, o mensch, één is uw licht omhoog. God voert der zonnen toom in eiken starrenboog.
Wat roemt men voor \'tgezach der rede neêr te knielen. Terwijl men rustloos zwoegt met reen begaafde zielen Het straaltje hemelsch licht te ontrooven, dat haar rest? Die waanzin rukt steeds voort, verdelgend als de pest. Die, in één dag den bloei van duizend koninkrijken In \'t moordend ingewand verzwelgend, enkel lijken Als haar tropeeën telt en alles doet vergaan.
Tenzij een hooger macht haar woede neêr komt slaan.
O wrange levensvrucht des hoogmoeds! \'t Stofaanbidden
Als waardige eeredienst gehuldigd in ons midden!
De Zoon verloochend, die door \'t offer van zijn dood
Bij \'themolsch juichgeschal zijns Vaders rijk ontsloot!
Het Eeuwig Woord verguisd in naam van \'s menschen reden!
Europa, moest gij dan aan \'t hoofd der volken treden,
Om monsters in uw schoot te koestren, die hun God
Verwerpen voor hun lust; verguizing, hoon en spot,
Zelfs foltering en dood opvloeken voor de scharen.
Die zich der Kerk getrouw en God nog God verklaren ?
Gij roemt op \'tredelicht, vermeetlen? \'t Is zijn schijn.
Zijn flauwste flikkring niet. Die leert u mensch te zijn;
Te erkennen, dat wie nooit zich zeiven mocht doorschouwen
Zijn eigen dwaasheid kroont door op zich zelf te bouwen;
Die leert u, dat ge op God geen vrijen blik kunt slaan.
Gij, voor u zelf omwolkt in \'t worden en vergaan.
Die leert u, dat wie zelf zijn levensdoel wil wezen
Zijn waan als God aanbidt. Die leert uw oogen lezen
In heel \'t geschapendom, dat een Oneindigheid
Moet heerschen, op wier wenk het loven zich verspreidt
In alles wat zich zelf door zee en lucht bewegen.
Of, door een vrijen wil tot hooger doel gedreven.
Zijn Schepper en zijn Heer beminnen mag in \'t stof.
Die leert u, dat uw ziel haar wit nog nimmer trof,
Zoo vaak ze in droomgeneugte een zinlijk lustgevoelen
Voor God en hemel koos. O mocht ge dat bedoelen
De reden op haar spoor te volgen, sterveling!
Hoe spoedig zoudt ge uw oog naar hooger levenskring
Verheffen en uw hart van liefdegloed doen blaken
Voor de Almacht, die n schiep! Gij zoudt den waan verzaken,
23
Die u tot hoogmoed drijft, ii zeiven voor uw God
Verneêdren, ja, gij zoudt Hem danken voor uw lot.
Ofschoon gij slaaf moest zijn en eeuwig boeien dragen.
Het redelicht, o raensch, leert dit, u zelf te vragen.
Wat God vermag, wat niet? Leert dit n, God zijn recht
Betwisten waar Hij u zijn wet heeft opgelegd\'?
Leert dit uw dwazen mond met trotsche taal beweren.
Dat God op geene wijs zijn schepping kan regeeren
Dan die gij gansch doorziet? Neen, \'t roept u telkens toe:
â\'kBen slechts een wederschijn der waarheid. Stervling, hoe?
Gij roemt mij boven \'t Licht, waaraan mijn vonkelstralen
Ontleenden \'t geen zij zijn? Wat lust het n te pralen
Met bleoken schemerglans en waarheids vollen dag
Te ontduiken, alsof \'t oog in mij de Godheid zag?
Neen, bid de Waarheid aan, wie ge alles zijfc verschuldigd
Wat gij door mij vermoogt. Haar recht en wet gehuldigd!
Dan zal ook ik uw ziel met telkens heller gloed
Doorstralen in haar naam en uit haar overvloed.quot;
Zoo spreekt der rede stem. Mocht gij haar inspraak hooren.
Wat heil waar dan Euroop, waar heel onze aard beschoren!
Hoe vloeiden Zuid en West met Morgenlicht en Noord
In één aanbidding saam, één gloeiend dankakkoord
Voor Hem, die \'t monschdom met ontelbre hemelgaven
Verrijkt heeft; die alleen ons dorstend hart kan laven
Met \'s levens volheid, zoo \'t in ootmoed nederbuigt!
Hoe werden we allen van de waarheid overtuigd.
Dat in het Hoogste Goed de zaligheid te smaken
Het heil des levens is en \'t eenig zelfvolmaken.
Ja. mensch, blonk in uw ziel de zuivre lichtglans door
Der reden, ach! hoe dra zou hooger morgengloor
2i
Zijn koesterenden straal in \'t smachtend harte schieten,
Gij \'s hemels voorsmaak in des Heilands Kerk genieten In \'t zaligend gevoel, dat aard- en Englenrijk Vereenigt en uw geest bij \'t zwoegen in dit slijk De vrucht des levens biedt. Verhelder dan uw oogen En lees bij \'t redelicht: âof God heeft ons bedrogen En \'t menschdom in een nacht van tastbre duisternis Gedompeld, of de kerk is van bet woord gewis Des Eeuwigen. Op aard mag ons geen waarheid dagen Of hier verschijnt haar glans en jaagt door nevelvlagen En woeste stormen beun, ons stralende in \'t gelaat, En \'t heilbegeerig hart een hemeldageraad In \'t duister.quot;
Toon me een werk, door menschenkracht voltogen. Dat zooveel blijken draagt van godlijk alvermogen. Dat zooveel eeuwen tart en, onveranderd één.
Nooit met den tijdgeest heulde of met dien geest verdween. Geen wonder! \'t Was geen trots van held of wereldkoning. Belichaamd in robijn en ijdle praalvertooning;
Do God der heêmlen zelf, (historie, doop uw blafm In vlammend zonnegoud!) des Vaders Zoon, belaan Met onze zonde en vloek, schonk voor de schuld voldoening Van \'t machtloos Adamskind. Zijn bloed werd ons verzoening En levend heil. Die God bracht door zijn scheppend woord Dit wonderwerk tot stand, dat door geen kracht verstoord. Geen trots verbroken wordt, maar de aarde moet beheeren. Zoolang door \'t wereldruim de hooge hemelsferen Heur vuurgloed slingeren in \'t vliegen van den wenk Der Godheid. Dit \'s op aard het hoogste Godsgeschenk.
Bevoorrecht sterveling, mocht ge uw geluk beseffen,
Gevoelen wat gij zijt en juichend u verheffen Op \'t geen uw God u schonk. Het vlekloos Englenrijk Kent u als broeder, schoon veroordeeld in dit slijk Te zwoegen, om aan de aard een mondvol broods te ontwringen. En smachtend zien zij uit u in hun lichtgloedkringen Te kronen. Staar omhoog en lees daar wie gij zijt.
Gij, die geheel uw hart aan aardsche dwaasheên wijdt. Aanschouw het werk van God! Geniet de hemelgaven,
Die u in Jezus\' kerk zijn hoogste liefde staven.
De lusthof der gena, waarin hot leven bloeit,
Is op deze aard geplant. Eén liefdebron besproeit De rozen, die den troon van \'t vlekloos Lam omgeuren En die, van d\'eersten gloed der morgenzon aan \'t kleuren. Hier \'t heilig oog van God onthalen op beur schoon.
De kerk is \'t eeuwig rijk van d\' Eéngeboren Zoon!
Maar wee hem, die opnieuw zich zeiven doel wil wezen; Wien \'t eerste strafgericht de ziel niet heeft genezen.
En wien genas het? Ach, Gij wilt U steeds erbarmen. Algoedheid, maar de mensch ontrukt zich aan uw armen En wil zich zelf weèr doel, weer God en almacht zijn! Van hooger waarheid wars, betooverd door den schijn. Weerstaat hij \'t hemellicht, hoe schittrend om hem stralend. Met opgeblazen waan het duivlenwoord herhalend:
âWat is mij \'t godlijk licht? Neon, \'t is mij luttel waard. Zoo \'k zelf zijn zon niet ben!quot;
Zie met der stormen vaart Wil zich een dwergenkroost, in waan ontzachbre reuzen.
20
Verheffen, om Jupijn het bekkeneel te kneuzen,
\'t Onschokbre firmament te knakken in \'t gewricht En \'t oppergodendom met \'s dondruars bliksemschicht Te jagen naar het hart des afgronds. â Donders knallen! Zij tuimlen naar beneên met rotsgevaart en wallen Vergruizekl, door hun vuist gestapeld op olkaar.
Een flauwe schemer is \'t van \'s Christens hoogmoed; maar Nog flauwer van de kracht van \'t wrekend Alvermogen, In woede en grimmigheid ton laatsten krijg gevlogen, Ter alverdelging met hot godlijk bliksemlicht De heup gegordeld in het schrikbaar eindgericht.
Do mensch heeft God versmaad, zich zeiven \'t licht ontstoken. Welaan dan, \'t licht\' hem voor; maar de Almacht moet gewroken. Zij wenkt! Daar staat op eens de ontzachbre Geestenschaar Gewapend met Gods kracht; daar vliegt de schrikbre maar Al verder verder voort: de almachte wreker nadert!
\'tSpreidt alles schrik en dood: het ritslen van \'tgebladert, Het loeien van den storm. Jehovah\'s dag genaakt,
Hij komt als een verwoesting. Al wat ademt raakt In wanorde en verwarring. Angst en barensweeën Doorbruisen \'t gillend land als bulderende zeeën En aller aangezichten staan in vlammen. Dood,
U schreit m\' om redding aan in \'t foltren van dien nood. Hij komt, Jehovah\'s dag in blakerenden tooren;
Verdelging treft het al, geboren, niet geboren.
Dan zijn een droom gelijk, een ijdel nachtgezicht
27
Dor volken duizenden! Zij hadden \'t hoofd gericht Ten hemel, door hun trots reeds als een prooi verslonden; Daar zijn ze als vlottend zand, als stuivend kaf verzwonden! Geen spoor meer van dat heir, dat met bloeddronken vuist Het moordtuig hield omklemd. Zij liggen daar vergruisd, Verstrooid als dwarlend stof, de beenderen dier drommen. Die \'taardrijk onder \'tjuk des Satans wilden krommen; Ze zijn der winden spel. Verdwenen is de waan Dier Godvergeten goön ! Een ijselijk v e r g a a n Krijscht over \'t vlak der aard uit duizenden ruïnen,
Eens tempels van \'t Genie, tot hoon des Ongezienen Gerezen starrenhoog. Vergaan der volken trots,
Hun gloriën vernield!
Maar keurelingen Gods,
U naakt uw Goël, Hij, wiens naam is; God der aarde. Wat ijslijkheên \'t geweld der machtigen u baarde, Wat wreede foltering uw heerscheresse scheen.
Uw eeuwge morgen daagt; de sombre nacht verdween. âMet eeuwgen liefdegloed zal \'k me over u erbarmen,quot; (Zoo spreekt uw God u toe,) âu klemmen in mijn armen Als \'t wichtje wordt geklemd aan \'t moederharte. Ziet, Verdreven is de wolk van onrust, angst, verdriet;
Nu zweer ik, o mijn volk, op u niet meer te toornen,
\'k Ben eeuwig aan uw zij, gij zijt mijn uitverkoornen.
Hier om mijn troon geschaard. Uw hemelsch aangezicht Weerspiegelt, hemelschoon, mijn ongeschapen Licht.
Schokk\' hemel, aarde en lucht! Do bergen mogen wijken, De heuvels wankelen; ik zal u nooit bezwijken,
Ik blijf uw schuts, uw rots in eeuwigheid. Uw stad Doorstraal ik met mijn glans; mijn handepalm omvat
28
Haar grondslag, dien ik leg van jaspis en saffieren,
Robijnen en smaragd. Het eeuwig bruiloftvieren Gaat in. Ik ben nw deel, uw algenoegzaam Loon.
Juicht eeuwig in mijn Rijk; ge ontvingt het van mijn Zoon.quot;
SLOTZANG.
Ja, Godheid, van uw aam doorvloten,
Schoon wreemlend met den worm in \'t slijk. Erkent Ge ons als uw gunstgenooten. Bestemd voor hooger Geestenrijk.
Eens zult Ge ons met uw Englenscharen Als wachters om uw troon vergailren,
Eens juichen we in uw zaligheên.
Eens zult Gij ons bestaan doorvloeien. Wij, juublend in uw liefdeboeien.
Voor ü van zielsverrukking gloeien.
Waar Ge in üw licht wordt aangebeên.
Geluk, slechts droombeeld in dit leven. Dan stroomt gij al onze aadren door, Dan mogen we in uw volheid zweven En bloeien in uw zonnegloor.
Gij zijt de Godheid, Alvolmaakte!
Wee, wee den mensch, die u verzaakte. Hij stort zich redloos in den dood.
Hij heeft de Godheid afgezworen, Vervloeking tot zijn deel verkoren. Die \'tgeen gij \'t menschdom hebt beschoren Voor schijngenot ten offer bood.
30
Wat woelt gij, dwaze stervelingen, En grijpt naar \'t geen uw arm ontschiet ? Al kondt gij \'t scheppingsal doordringen, Gij vondt de rust uws boezems niet. Begoocheling van ziel en zinnen Troont ge in uw zwoegend harte binnen En juicht alsof ge uw heil omsluit. Een oogwenk is voorbijgevaren,
Gij voelt de wreedste zielsbezwaren Weer tergend door uw bloedstroom waren En zijt der wanhoop spel en buit.
Weg flonkering van kroonrobijnen! Gij broedt een eeuwig jamrenheir.
Wiens hoofd uw luister mag omschijnen, Zinkt onder druk en zorgen neer. Weg schatten, speeltuig dezer aarde, Gij hebt voor \'t menschenhart geen waarde. Waar hooger levensvlam in blaakt. De Oneindigheid moet in ons dalen,
Zich niet in beeld of vormen malen,
Maar godlijk in de zielen stralen,
Dio \'t godlijk kennen zalig maakt.
31
Dat heil heeft ons uw mond gezworen, Verlosser, Redder uit den dood.
Gij hebt er ons voor uitverkoren,
Toen Ge ons uws Vaders rijk ontsloot. Voor wien uw godlijk bloed mocht vloeien, Wiens ziel \'t genadig mocht besproeien, Diens eeuwigheid is lustgenot.
Diens lustgenot een eeuwig heden. Een onverstoorbaar â zalig Eden,
Nooit door een schepsel afgebeden. En eeuwig blaken voor zijn God.
Een voorsmaak van dat heilgenieten Is hier reeds meester van ons hart. Wen uw genade ons mag doorvlieten. Verdwijnt do felste boezemsmart.
Hetzij Gij troont op onze altaren.
Waar de Englen op een wonder staren. Dat nooit hun oog doorschouwen mocht; Waar Ge uw getrouwen op komt beuren. Verkwikking strooit vol hemelgeuren, Vertroosting schenkt aan al die treuren. En \'t leven, door uw bloed gekocht;
32
Hetzij Ge, als offer voor de zonden,
U zeiven aan uw Vader biedt,
Die ons, van schuld en vloek ontbonden.
Met wellust voor zich knielen ziet;
Hetzij Ge in \'s menschen hart komt dalen,
Vergodlijkt door uw liefdestralen,
Mot u één aam, één levensstroom,
Eén onuitspreeklijk heilgenieten,
Eén onbesefbaar samenvlieten,
Eén wederkeerig vlammenschieten,
Eén liefde zonder maat of toom.
Gij, Godheid, ons tot spijs geworden. Wij, van uw godlijkheid doorstraald. Aanbiddend met uw Geestenorden, Omsluierd tot U neergedaald!
Gij, Bron van Liefde, Lust en Leven, Gij, Licht waarin de heêmlen zweven. Met sidderende tong omklemd!
Zwijgt, machtelooze schepslenklanken. Hier kan alleen een God voldanken. De Seraf schetst slechts liefdespranken. Geen vuurgloed, waar \'theelal in zwemt!
Is \'tmooglijk? Kunnen \'s aanlrijks zonon Dat lieil verachton voor liet slijk?
O God, Gij wilt hun zielen kronen Met glansen van uw Englenrijk;
Maar zij, zij willen uit zich zeiven,
Niet uit uw gift, hun grootheid delven; Ze aanbidden \'tWoord des Vaders niet! Een heir van godvergeten snooden Wil in zijn hoogmoed \'tstof vergoden, Spot met uw zoen en heilgeboden En wat uit uw Genade vliet.
Hoelang zult Gij hun trots geheugen. Die U in \'tvlekloos aanschijn slaat? Hoelang der vromen bloed zien plengen Uit nooit verzaadbren godsdiensthaat? Moet heel uw Kerk in \'t bloed versmoren. Eer Gij voor \'t vlammen van uw tooren Dat vloekgespan verstuiven doet? Almachte, zie, zie op ons neder,
Gij mint uw volk zoo eindloos teeder. Verstrooi zijn wreede haters weder. Die plassen in het martlaarsbloed.
34
Waar is uw teeder mededoogen,
Waar uw ontferming, God en Heer?
Slaat Gij uw liefdestralende oogen Op \'tU geheiligd volk niet meer? Uw eigendom wordt snood vertreden! Toon, Godheid, toon uw mogendheden, Toon dat Gij nog uw volk behoedt. Doe allen voor uw zetel knielen,
Die in des afgronds strik vervielen;
\'t Zijn door uw Zoon verloste zielen;
Voor haar vloot eens zijn godlijk bloed.
Dan zult Ge uw grootheid doen gevoelen, Almachte, wen heel \'t wereldrond Met één vereenigd heilbedoelen Uw goddelijken Naam verkondt.
Dan blijkt Gij waarlijk God der goden, Won alles buigt voor uw geboden En alles slechts uw wil vereert.
Daag\', Almacht, daag\' die dag der dagen. Dien Isrels zieners reeds voorzagen. En moog\' zijn glans den nacht verjagen Zoover uw scepter \'t Al regeert.
1872. 1893.
RflRDSCHE UUST.
,_l
Uw hoogste genot is geen wezen, maar schijn, Een straal die met neveldamp paarde.
Vaak droomt gij u zalig, aan \'t aardrijk ontvoerd, En schept u een wereld vol zonnen;
Uw geest waant zich zelf van het lichaam ontsnoerd,
\'t Etherische leven begonnen.
Maar wee! als die droom is verzwonden, dan boet
Ge in \'t stof voor uw geest-idealen.
Een kilte als des grafkuils doorrijdt u het bloed Voor \'t koestren der hemelgloedstralen.
Gevolgd.
ij klaagt dat uw hart niet bevredigd mag zijn.
Mû zoon) kent ge uw lot op deze aarde?
*
lt;1»^«fv^f,tM.? * *\' quot;â¢X1\'\'\' x quot;⢠gt;â â¦â ⦠\'â â¢:«\' \'â ⢠â¢: â¦â¢â \'(â¦â¦ »\'quot;®te« *;â¢â¢lt; «â â¢â ⢠* â¦â ⢠^wit«
LIEFDE.
|iet in het koude brein, in \'t hart wordt gij geboren, tj. Daar is uw zetel, ddar uw vrije heerschappij.
Daar doet ge een tinteling van de Eeuwge Liefde gloren En maakt des menschen geest van lage driften vrij. Dan troont ge ook in dien geest, die, trotsch op uw bevelen. Zich boven de aard gevoelt zoo vaak hij voor u buigt. Uw stroomende\' ademtocht herscheppend mee mag deelen En van uw hemelkracht in ieder woord getuigt.
1
L
DE HOOP.
yMt ij geleidt ons door dit leven,
J». strookster van \'t bedrukte hart!
Voor uw zachte hemelblikken
zwicht de wreedste levenssmart. ^ Hopen, God, wie mag niet hopen?
Hij slechts die U eeuwig haat; Hij slechts wien uw godlijk toornen
met den vloek der wanhoop slaat. Hopen, God, wie mag niet hopen?
Hij slechts die uw Zoon verguist En geen Redder aan wil bidden
in den God, voor ons gekruist. Wij, o God, wij blijven hopen!
Levensengel van omhoog Staat de Hoop aan onze zijde,
wijzend naar den hemelboog. Uit haar oogstraal blikt de liefde
van het vleeschgeworden Woord, En haar kroon schiet morgenglansen,
waar de Dag des Hells in gloort.
PLATO.
(NAAR MUHETUS.)
DE GODIVIENSCH-
b Aanbidt in zijn Broeder des Eeuwigen Zoon. \' Doorschouwen? Wie kan dat der Liefde genade? De liefde der Almacht wat kan zij ons zijn Dan leven, waar \'t hart met verrukking in bade. De rede, als verduizeld, in \'t niet voor verdwijn\'?
Mijn God en mijn Broeder! Volzalig gelooven, Hoe hemelsch doorstraalt gij ons smeekend gemoed! Hoe vlammen de beden des harten naar Boven, Als offers der ziel, die ge ontsteekt door uw gloed!
ijn God en mijn Broeder! Mysterie van namen,
| ||pp^ Geen\' Engel doorschouwbaar in \'t licht van Gods troon! sK^S. Maar \'t hart mag gelooven en jubelt zijn Amen;
NOG IWEER.
Ui\'
quot;^lt;4 En lustig dooi- de aadren mag vloeion;
Dat vrij blijft van krankten en knagend verdriet
En nooit zich door zorgen laat boeien:
quot; Ik bad om zoo zalig een leven, o Heer!
Gij schonkt het; toen smeekte ik: âo schenk mij nog meer.quot;
\'k Moest held zijn en krijger in \'t Heilige Land;
\'k Moest Mahomeds mane doen sidderen.
Mijn staal was do bliksem, als \'t blonk in mijn hand,
Ik koning der dapperste ridderen.
Wat glorie omstraalde mijn schedel, o Heer!
Toch bad ik: âmijn Vader, o schenk mij nog meer.quot;
Ik wenschte te heerschen in \'t hart van de zee. Haar golven ten voetpad te banen.
Op eens rukt een dwarling mij loeiende mee En klieft naar mijn wenk de Oceanen.
leven, dat stoorloos zich zelve geniet
41
Wat wereld vol wondren! Toch bad ik: âo lieer,
\'k Wensch meer nog te kennen! O schenk mij nog moer.quot;
Daar vloog ik, als de aadlaar, de zon te gemoet
En rende door \'t rijk van de starren.
\'k Verblikte niet voor haar verterenden gloed.
Maar scheen dien vol koenheid te sarren.
Mijn trotschheid moest duiken. Gij weet het, o Heer,
Ook dailr bad ik weder: âo schenk mij nog meer.quot;
\'k Moest minnen, zoo dacht ik. âDe liefde, mijn God,
(Dus riep ik) kan zaligheid schonken!
O! geef tot mijn dood mij der liefde genot,
Dan vliegt het geluk van mijn wenken!quot;
Ik minde, ach! niet U, maar uw schepsel, o Heer!
Mijn hart riep: \'k ben ledig, o schenk mij nog mee r.
Toon vloot uwe volheid mijn aderen door
En doed mij het levensheil smaken.
Hoe zalig wiens hart in uw hemelschen gloor
Van hemelsche liefde mag blaken!
Uw liefde is mijn leven en zaligheid, Heer!
Met haar heb ik alles en wensch ik niet m e e r.
Gevolgd.
flflN DE GE^ESTET.
wWk el waren \'t eclite dichtvuurspranken,
ïja Die vonkten in uw zacht gemoed;
quot;Wel schiep uw zang zich eigen klanken,
Van reine poëzie doorvoed.
Hij is onvatbaar \'t schoon te smaken.
Wiens hart gij niet voor \'t schoon deedt blaken; Hij kent de ware dichtkunst niet.
Die koel bleef waar gij \'t frissche leven In frissche kleuren weer mocht geven En dartiend langs de schepping zweven In \'t volle en vrije lichtgebied.
Uw kunstkracht was u aangeboren En met geen valschen dos getooid.
Gij kondt de stem van \'t hart niet smoren,
Maar huicheldet haar weerklank nooit.
Wij voelen wat uw hart gevoeldej Wat de inspraak uwer ziel bedoelde,
4;5
Wanneer zij u tot zingen drong.
Wij voelen dat geen laf verlangen Om wierookgeuren op te vangen Ooit de adem was dier schoone zangen,
Wier toon aan \'t reinst gevoel ontsprong.
Maar mocht go ook boven de aarde zweven
En rennen.door een hooger lucht?
Schiept ge ooit een beeld van hemelsch leven
Of bovenaardsche liefdezucht?
Hebt ge ooit uw boezem voelen blaken
Om boven licht en starrendaken
Te smelten in de Levensbron?
Hebt ge ooit uw geestdrift voelen gloeien
Om, los van de aardsche folterboeien.
Do zonnegolving door te roeien
Naar de ongeworden Hemelzen?
De mensch wordt voor geen aard geboren Noch door een aardschen lust verzaad. Hem werd dat eeuwig heil beschoren,
Waarin het heir der Geesten baadt.
Geen dichter die slechts de aard beminnen, Slechts zingen kan van lust der zinnen En nooit door lucht en wolken staart!
Geen dichter, die in \'t stofdoorwoelen Slechts stofgenieting blijft bedoelen En nooit, met hooger krachtgevoelen. Den dampkring van dit slijk ontvaart!
44
Ook gij droogt reiner levensvonken In \'t hart dan die deze aarde teelt. Uw geest heeft hooger licht omblonken Dan hier door de aardsche nevels speelt. Gij zaagt van ver de waarheid stralen, Waarin uw geest moest ademhalen, Om louter dichtgloedstroom te zijn. O God! zie ik u dankend knielen?
Rijs, dichter, en beheersch de zielen, Die voor don eeuwgeest nedervielen.
Door waarheids vollen wederschijn!
Gij zingt. Maar zijn dat hemelzangen? Is dat der waarheid zegelied?
Zijn dat de tonen, opgevangen Waar \'t Englendom zijn God geniet? Gij blijft verbaasd ten hemel staren. Hoe moet de waarheid zich verklaren, O dichter, voor ze uw hart bekoort? Zij schittert tot des aardrijks palen Met meer dan middagzonnestralen; Zij wordt in alle wereldtalen Met zielsverrukking aangehoord.
Gij zingt haar niet! In twijfelingen Verwart uw geest zich meer en meer. Wat zoudt gij hooger leven zingen? Uw boezem smoort het keer op keer.
45
De waarheid moet geheel beleden,
Moet met geheel het hart aanbeden; Zij eischt de hulde van \'t gemoed. Mot geen onvruchtbaar wenschenslaken Moogt gij heur hemeltroon genaken;
Geheel uw ziel moet voor haar blaken Met bovenaardschen liefdegloed.
Gij, dichter van zoo eedle gaven.
Gij hebt te veel van de aard verbeid.
Mocht zij uw dorstend harte laven?
Heeft zij u \'t hoogst geluk bereid? Ach, ook uw boezem heeft bevonden Wat eeuw â aan eeuwenreeks verkondden âHier bloeit het volle leven niet.quot;
Een stille smart spreekt uit uw zangen. Een onlusttelend harteprangen Van \'t steigerende zielsverlangen. Dat zuchten naar den hemel schiet.
Rukt met die reuzenkracht, waarmeê ge vorstentronen Ten buit wierpt aan het volk, de schepping in het niet.
Waar is uw oppermacht, zoolang een God gebiedt?
Een God! Wat sombre galm, wat schrikgeluid in de ooren Van wie zijn geesel ducht, zijn wet en recht wil smoren In gruwelen en bloed; wat huivringwekkend beeld,
Dat in de duisternis voor \'s wijsgeers blikken speelt Als tergend spooksel, door geen tooverkracht te ontvlieden! Wie bant dien naam van de aard of waagt hem trots te bieden? Wie dooft den zonnegloed? Wie dompelt in den nacht Des onzijns \'t hemelruim inet \'s hemels starrenpracht ?
flUVEROODINO.
i.
47
Eén zijt Ge, Algoedheid, één. Geen onvolkomenlieden, Uw wezen splitsend, maar vereenigd aangebeden En door vereende zucht gevormd tot één geheel;
Geen heerschen van een kracht op \'t onderworpen deel;
Geen meer- of\' minderheid van werkend geestvermogen,
Hier volgend, daar den drang gebiedend van zijn pogen.
Maakt U tot Godheid, in wier wezen wat bestaat Zijns wezens spiegel vindt, geen uiterlijk gelaat.
Maar \'t hart des aanzijns in dat eeuwig liefdestralen Weerkaatsend, waar de grond van elk bestaan uit dalen, Waarheen hij streven moet. Eén zijt Ge, ondeelbaar één; Verdeelbaarheid geeft blijk van onvolkomenheên.
Die eenheid toont U God. Ze is aller wezens ader.
Wat voor ons oog verdwijn\' of \'s levens zetel nader\'
In \'t rijk van vrede en rust; de grove stoflijkheid Van \'t logste klompgevaart en wat een weerglans spreidt Des luisters van uw troon, de vleklooze Englenscharen; \'t Zijn vonken aan die zee van louter licht ontvaren. En \'t mijtje roept in \'t stof des hemels Cherub toe: âWij wellen uit één bron.quot; Wat hooger Geest bevroê Van \'t perkloos scheppingswerk, hoe diep hij neer moog dalen In \'t geen ons oog ontschuilt; hoe vrij liij in de stralen Moog blikken van uw Zon, o Godheid, Gij alleen Doorschouwt uw wezen; van uw schepselen niet één.
\'t Zijn stralen van uw Zon, niet uit die Zon gevloten Noch spranklend in haar licht, maar aan het niet ontschoten Als door haar stovinggloed; geen licht uit eigen licht, Weêrstraling slechts van \'t uwe, en voor ons zwak gezicht Verblindend vaak van glans, maar bij uw hemelluister Geen stargewemel zelfs, maar nevel, nacht en duister.
48
Zoo neemt uw godlijk oog geheel de schepping waar.
Slechts rustende in uw kracht, is ze als een dankaltaar En offer, groote God, aan uw volkomenheden.
Zij doet uw grootheid kond en stort heur hartebeden In \'t zwaatlen van \'t blad, in \'t buldren van d\' orkaan, In \'t gloeiend zonnevuur; in zuchten, die er slaan En woelen in de borst van slaaf of wereldkoning.
Zij strekt haar handen naar den lichtglans uwer woning. En \'t strekken van haar hand moet door uw arm gestut. Zoo neemt Ge uw schepping waar; tenzij Gij haar beschut, AVeêr prooi van \'t zwijgend niet, weer in den nacht verzwolgen. Die uw bevel slechts hoort.
Maar als de zee verbolgen En als de storm verwoed; maar als de lava vuur En vlammen spuwend tot verwoesting der natuur.
Zoo vaart de geest der hel, zijn kluisters uitgebroken En dampen blazend, die langs berg en vlakten rooken En pesten slingren met vergiftiging en moord, Wraakbliksemend in \'t hart van duizenden en spoort Zo in brandend tochtgebruis tot heilloos godverzaken. Een rosse vlammengloed, waarin de vonken blaken Van zijn ontembren trots, te dartel in het licht Gesteigerd, toen zijn borst des hemels bliksemschicht Doorkliefde, geeft aan \'t oog een tooverwoord te lezen i âWie wil er zijn als God?quot; En mocht de hand nog vreezen Te grijpen naar den toom der Almacht, zie, daar zweept Een windvlaag \'t letterspel, waar \'t muitziek hart meê dweept. Voor duizend glansen weg, waardoor de kleuren vloeien Van Iris\' praalgewaad, om \'t starend oog te boeien.
49
Een wereld, nieuw en grootsch, een eindeloos gebied Van wereldstelsels! Een vernieuwde hemel schiet Zijn stralen op onze aard, die in hun lichtspel dartelt En welig, tierig bloeit. In versche ranken spartelt De lente, jong en blij, en opent ziel en zin Voor nieuwe levenskracht. Zij stort bezieling in Aan eiken ademtocht en strooit haar schat van geuren Door \'t ruim der lucht, om \'t hart des konings op te beuren. Het hart des monschen. Zie, deze ademt in een vloed Van bloemenwaassems, die met d\' eersten morgengloed Door heel de schepping tot des aardrijks einden zwieren, Als hemelrozendauw op balsemluchten tieren En geuren, frisch en zacht. Daar dartlen in hun vlucht De zangers van het woud door \'t geurig rijk der lucht. En tonen, malsch en week, in weelderige akkoorden, Van minnevier doorvonkt, herscheppen \'s werelds oorden In paradijzen, waar het oude droombericht Van Edens lusthof\' en zijn schaamteblos voor zwicht. Wat leeft geniet\' en speel\'! Geen einddoel in \'t genieten Dan \'t juichen, naar \'t vermaak met voller stroom mag vlieten. Ons voor die eeuwigheid, den droom van \'i voorgeslacht. Des levens lustgenot en dan des levens nacht!
Des levens nacht? \'t Zij ver! Daar staat een woord geschreven in \'t diepst van \'s menschen ziel, met d\' aam haar ingedreven, Neen, eigen scheppingswoord, dat vuist en armen spiert: âDe geest, do geest is God !quot; Een wonderwereld zwiert Wel door \'t verbeeldingsveld van kinderen en maagden. Een wereld en een God; maar wie te laat \'t beklaagden
4
50
Van \'b hoogst bewustzijn van des inenschen godlijkheid Verstoken op deze aard te zwerven, weggeleid Voor ons bleek toch de schat, in al zijn glans en waarde. De schat der zekerheid: de mensch is God op aarde! De mensch, de mensch is God! Wat machtloos schemerbeeld. Ginds boven \'t zwerk gedroomd met d\' uitroep God! En speelt In \'t onbegrepen woord, dat go uit uw mond laat vloeien Tot eerbetoon, geen kracht, die met de slavenboeien, U aangeklonken, spot? En is dat niet de stem Der Godheid in uw borst, die schimpt: aanbidt gij hem? Aanbidt gij hem ? Wat God ! Of dartlen hier do slaven Met majesteit en kroon ? Moet dat de rechten staven Des albeheerschers: God ? Moet in de worsteling Der eeuwen \'t Godsgericht voltrokken? Ga, bezing De toppen van het woud, waarom de winden gieren, Als godheèn, die onze aard in \'t wentelen bestieren En mennen om de zon ! Maak u der eeuwen spot,
Maar bid geen droombeeld aan als \'s werelds oppergod ! Doorvorsch uw eigen borst en voel daar krachten stoeien lt;Jm macht en heerschappij ! Voel daar het leven gloeien. Het leven, dat geen droom, geen laffe waanzin stoort!
Voor gloênde poëzie geen doodend prozawoord.
Dan treedt de wijsgeer op en giet in strenge vormen Wat dwaze hoogmoed schiep, \'t Moge in de hoofden stormen. Wier denkkracht in haar vlucht geen breidel is gewoon.
Zijn ziel is heerscheres en geeft van uit haar troon Bevelen. Alles hoort en leert eerbiedig zwijgen,
Waar hij zijn stem verheft, en duizend boezems hijgen
51
Het woord toe, dat een leer belichaamt, die \'t heelal, Aan tijd en ruimte ontschaakt, tot God herscheppen zal.
â¢
âWij zijn. Een wondre kracht, een wil, een moedig streven Naar hooger, ja, een drang, die \'t nimmer op wil geven. Schoon duizendmaal op nieuw verstoken van zijn doel ; Een heerschend zelfbesef, een onbegrensd gevoel Van grootheid, uitgedrukt in al ons werk en pogen ;
Wat is dat alles? Slechts betooverende logen Of grootsche werklijkheid ? Waar vinden wij den grond Van \'t geen wij doen en zijn ? den eersten morgenstond Eens aanzijns, immer voort â en nimmer rugwaart vloeiend ?
Die grond is God. ⢠is God? Ach, op de wieken roeiend Van uw verbeeldingskracht, wat kondt ge dan dit woord Mij uiten ? Maar wat bracht dat zinloos denkbeeld voort ? Wat is die Godheid dan? â Oneindigheid. â Wat spotten! En buiten God zijn gij en ik, een wereld ! Knotten Wij dan de kroon van \'t hoofd dier Godheid of is \'t één: Gij, ik, een wereld, God?quot;
En of er licht verscheen Op deze trotsche vraag en of de hemelluister Een heir van stralen schoot in \'s aardrijks tastbaar duister; En of een Godheid nu in \'t binnenst onzer ziel Met Godheidskracht gebood, en of de kroon ontviel Aan Die in vuurvlam woont, en oneer, smaad en schande Zijn glans bezwalkte en hem, onttroond, ontgloried, bande Uit eeuwigheid en tijd, zoo luide stijgt hot lied:
De mensch, de mensch is God!
Zie hoe het vonken schiet.
52
Het oog des wijzen ; zie wat gloed vol hooge weelde,
Die bij dien zegetoon daar in zijn blikken speelde,
Verfied, dat weêr zijn geest een schepping had aanschouwd,
Zijn heerlijk spiegelbeeld. Nu spreekt hij en ontvouwt
Wat voor des zieners oog, des zieners in zijn boezem
Zich ras ontsluierd heeft. Een vruchtsap na den bloezem!
(reen geurig morgenland biedt in den felsten dorst
Ken vocht, zoo lavend voor de heet-verschroeide borst.
âGod is oneindigheid. Wie stelt het Alzijn perken,
Wie wezens buiten God? Wie roeit met forsche vlerken
De wereldruimten door en roept: hier ben ik los
Van \'t geen mij hield geboeid aan \'t Al? Men \'t zonneros
En slinger u als \'t licht door al de hemelsferen;
Vlieg naar heur topgewelf, om fluks naar de aard te keeren;
Grijp pool en evenaar met brijzlende armen vast,
Verstrooi onze aard door \'t ruim! Verplettere u de last
Van bergen, starrenhoog! Poog in het niet te zinken,
In \'t eeuwig onbestaan; gij kunt geen deel verminken
Van deze oneindigheid, ge ontwringt niet aan uw God
Wat in zijn wezen rust. Een noodzaak, eeuwig lot
Van alles wat bestaat, sloot aan \'t oneindig wezen
ü onverwrikbaar vast. In eigen hart te lezen,
In \'t grootsch bewustzijn van uw eeuwige natuur
ü vlam te voelen van het aldoorgloeiend vuur.
Licht in een zee van licht, ziedaar uw eindbestemming
En wording! Beeft uw hart? Gevoelt ge een zielsbeklemming
Bij \'t denkbeeld: \'kben een God? Wat kindsche onnoozelheid!
Noem u een straal, een gloed, een zon; geen onderscheid!
Gij straalt, gij gloeit, gij licht in de eenig alvohnaakte
En ongeworden zon des aanzijns. Nooit verzaakte
53
Zich des bewust en vrij een wezen, om het niet Te omarmen. Noem u God of kies in \'t rijk gebied Der talen u een naam, die \'t voller weer kan geven, \'t Verwerklijkt ideaal, der tallooze eeuwen streven:
\'t Heelal, \'t heelal is God!
Gegroet dan, eeuwig zijn, Waarvan ik deel ben! Vaag van voor mijn oog den schijn. Die \'t nog omnevelt, weg! Voor schemering uw glansen, O zon, waaruit ik straal!
Wat beelden mij daar dansen. Verwilderd, woest en bleek? Wat bloedzee, waar de dood Haar krijgstriomf op viert! Wat velden, wit en rood Bezaaid, bespat, beplast! Wat tallelooze scharen. Als slaclitvee neergehakt, die daar ten afgrond varen En waren nacht en dag langs \'t walmend doodenveld? Wat Babel rijst daar op? Zie op haar voorhoofd spelt Ge een naam: âverleideres der aardquot; ! Maar: âkroon der dronkene, Ik ruk u van dat hoofdquot;, en: âvan den luwt beschonkene, Gij smoort in eigen bloedquot;, dreigt hooger daar een schrift In bliksemflikkering. En zie, een luchtgeest grift Een merk op \'t trotsch gelaat, en met verwelkte kleuren Treedt zij opnieuw voor \'t oog, vorstin niet, in wier geuren Een wereld zich verdrong; â heur flonkerende kroon Ligt ginds in \'t slijk vertrapt â maar eene, door den hoon In \'t aangezicht gestriemd, wie de opgehoopte schande Als regen overstortte en uit haar rijkspaal bande,
Onteerde lustslavin. â Een hagelvlaag stort neer; En alverterend vuur, een onbetoombaar heir Van stormen voeren krijg met woeste donderwolken,
Stout dreigend aangerukt. Het vuur verslindt de volken,
54
De stormwind vaagt ze weg, de bliksem speelt met schicht En vlammen, \'t Is de dood, \'t is \'t wrekend eindgericht, Of is \'t een wilde kreet, een kreet der elementen:
Is hier \'t heelal nog God? Hoe menschheidtergend prenten Zich hier zijn stappen dan in eigen brein en bloed!
Is hier \'t heelal nog God? Parijs in laaien gloed Geeft zijn waanzinnigheid in golven vuurs te lezen Aan \'t oog der wereld. Hier \'t heelal nog God? Bewezen Die knallen in de lucht, die viannnen, wolkenhoog Gesteigerd, spottend niet, hoe dwaas de trotschheid loog Des menschen? Alles God? Ziet, eenzaam zijn de straten. Verwoest de velden, leeg en somber en verlaten De hoven, \'s aardrijks lust. Geen vreemdling in dit oord. De vloek des hemels heeft in vlam en asch gesmoord Wat hoog ten hemel trad; hij heeft de kracht gebroken, Die voor het onfecht streed. Zóó heeft zich God gewroken, De God, verloochend maar toch heerschend door \'t heelal. Die \'t dwergenkroost belacht, dat, met triomfgeschal Ten hemel opgerend, reeds prooi wordt van de winden.
Die \'t veel te machtig zijn. Hoe duizenden verzwinden Als nooit geweest! Die goón! Zij vallen, trots hun trots Voor éénen geeselslag des lang onttroonden Gods Afduizlend naar beneên. Neen, God kent geen verschoonen. Hij acht geen menschenbloed, geen glans van koningskronen, Wanneer zijn wraak ontvlamt, \'t Verwoesten is voltooid; Nu wordt gij zelf verwoest, en in den wind gestrooid Uw assche! Vlogen voor uw wapenkreet de volken En stoven voor u weg de legers; zie de wolken.
Reeds van den walm gekleurd, die uit uw bloedstroom rijst. Verkonden hun den doem, die u ten val verwijst.
Ten val, ten eeuwigen val. Gewaande wereldgoden,
Is hier \'t heelal nog God? Ziet die gezwinde boden Daar boven u met bloed getuigen, dat de kroon Der wereldstad ontviel, en noemt heur zonen goön!
Noemt goden, die daar, spel der wanhoop, krijschen, kermen Noemt goden, die berooid zich storten in uw armen En smeeken om den dood! Is hier \'t heelal nog God ? Eén gillend vloekgeschrei, dat met uw waanzin spot.
11.
tK^ïs f io zijn wij, machtig God? Uw grootheid lof te zingen, |||i|j|s 0 0 \'
â¢iSwf^Vat roekeloos bestaan, wat poging! En toch dwingen
Ji!\\s5gt; Uw liefdegaven ons te staamlen van uw eer \'Jjvffi
/|v2J En grootheid. God, o God, zie op een stofklomp neer t 1
Des aardrijks! Vlam ons aan en zing uw eigen glorie In eigen Godheidskracht! Blaakt schittrend in historie En menschheid ook uw naam; wie zag uw wezen door. Dat hij het melde aan de aard en \'t opgetogen ooi-Der heemlen Hemel schepp\'? Wie zag uw Godheid stralen Kn leefde? Wat omhoog de hemelen verhalen In eeuwig vlammen schrift, is hortend wangeluid,
En do aarde zingt u lof?
Ja, stroom in zangen uit.
Stroom uit, stroom uit, mijn hart; de hemel stroomt u tegen! Do Seraf vangt uw toon en stort u mannaregen In eiken bloeddrop; stroom de hoogste Liefde toe En jubel haar een lied, dat de aard aanbidden doe.
Geen hemel nog omhoog, geen aardbol hier beneden, Omgordeld van de zee; geen wenteling van \'t heden Naar \'t morgen, tijd noch lot; geeu aardverwisseling. Het merk des schepsels, en uw Wezen, God, omving
57
Zich zelf geheel, in eens. In u geen strijd van machten, quot;Waar deze heerscht, die bukt; in u geen zucht of trachten Naar hooger; geen genot, geboren uit de hoop.
De ziel van \'s menschen ziel; in u geen samenloop Van zwakheid en van kracht: een zelfgenoegzaam leven Was de eeuwigheid uws zijns. â Wij worstelen en streven. Wij zonen niet der kracht, maar van der machtloosheên Meest machtelooze: \'t niet. â Wat voor uw blik verscheen Waart Gij, Gij zelf, uw blik waart Gij. Uw eeuwig Wezen Was uw bestaan; uw zijn uw kennis. Niet gerezen Uit hooger bronaar, waart Gij der volkomenheên Uws Wezens eenge grond; Gij waart u zelf alleen.
Geen wezens buiten u. Wat kon uw liefde boeien Dan Gij, Gij zelf? Wat u ooit buiten u ontgloeien,
U, Eenig in bestaan en alzijn ? Dwong het niet U liefde of eerbied af, of werd het iioogst gebied Van wat volmaaktheid heet dan door U zelf omschreven, Dat Ge n gedrongen voelde aan schepselen te geven Wat u geen ander schonk: \'t besef des aanzijns? Was Vereeniging u lust, behoefte\'? Maar wat las In die vereeniging uw oog, nog niet gevonden In uw oneindigheid? AVat zaligheden konden \'t Zij werelden van stof, \'t zij werelden van geest Beloven aan een God ?
Neen, waart gij nooit geweest. Oneindig heémlental, in \'t gloeien van wier sferen De God wordt aangobeên, wiens invloed u beheeren En richten moet; neen, had geen hemel ooit ;t akkoord Der zaligen, zijn troon omkringend, aangehoord;
Neen, vlogen van zijn wenk geen duizend legioenen
Als vlammen, om den mensch, na \'t goddelijk verzoenen, Te voeren naar omhoog en Englenlustgenoot Te kronen in het licht; Hij vond in eigen schoot Oneindigheid. Hoe werd, hoe werd ze dan geboren.
Die wereld buiten God? Die jubelende choren.
Die baden in zijn licht, waar roofden zij den glans.
Waarvoor de gloed verdwijnt van d\' Oosterhemeltrans, De middagzon verbleekt ? Wie strooide daar die hemelen Met vonken, vlam en vuur? Wie, in dit stofdoorwemelen, Wie hi.of ons \'t hoofd omhoog, om \'t zalig Geestendom Te moet te treden ? Wie sloeg de aard dat kleedsel om. Dat om haar leden golft en al de hemelkleuren Met nieuwe schittring maalt? Wie schiep de rozengeuren En dreef ze als morgendauw door etherstroom en lucht? Een Godheid boven God? Of bloeit alom do vrucht Van \'t dwingend wereldlot of van toevalligheden.
Door dwazen met den naam van orden aangebeden?
Gij kent u zelf, mijn God ! Een onbegrijplijkheid
Zijt Gij voor \'t schepsel slechts, maar voor uw oogblik spreidt
Uw wezen zich met heel zijn volheid, kracht en leven,
Met heel zijn Godheid uit en in zijn glansen zweven
De werelden, wier zijn aan uw bevelen hangt.
(Jij, God, doorschouwt U zelf en met dien blik omvangt
(Hj alles wat er (als uws wezens spiegelingen)
Door \'t machtig scheppingswoord aan \'t niet-zijn kan ontspringen
En schitteren in \'t rijk des aanzijns, na dat woord
(reen mooglijkheden meer, maar werelden. Niets stoort
Uw goddelijk bevel, want Gij alleen zijt machtig
59
Te heerschen over \'t niet. Uw stem roept even krachtig Wat niet is als wat is, en beiden vliegen door De ruimten waar Gij wenkt! De vlucht der morgengloor AVat is zij dan uw bode\'? En sneller nog ontspringen Uw scheppingen. En u, u rukken stervelingen De krone van het hoofd en doemen dit heelal Te tuigen tegen u, en noodlot of geval Te aanbidden als zijn God ?
Wat is aan \'t niet ontrukken Dan onbeperkte kracht ? Voor uw bevelen bukken O stervling, duizendtal van schepslen, \'t zij uw hand Met licht en stralen speelt en een betoovrend land Voor \'t glanzend oog penseelt; hetzij ge in marmerbeelden De zielsbewegingen, die in uw blikken speelden,
Als grootsche vormen drijft; hetzij in u Natuur Haar hoogst vermogen toont en, met bezielend vuur In oogen en gelaat, waar kracht en liefde in vonken. Een zoon, een dierbre zoon, aan \'t vaderhart geklonken. Uw frissche jeugd herschept; voor uw bevelen buigt Zich \'t schepsel willig neer, waar gij uw kracht betuigt Door werking, en uw God, wiens, eindeloos vermogen Geen perken kent als gij, zou bij een ijdel pogen Berusten waar zijn wil met klem bevelen spreekt En zwichten voor het niet? Wat hooger Godheid breekt Zijn eeuwgen heerschersstaf, die alles kan bezweren, Den Engel en den worm ? Leer hier uw trots verneêren. Zoo gij gebieden moogt aan de eindigheid, uw God Roept werelden, en geen die met zijn roepstem spot. Zij stuiven uit het niet en hebben tal en namen Naar \'s Hoogsten dwangbevel. Hij voegt zo als legers samen
(il)
En stelt zich aan haar hoofd ; Hij drijft ze fluks uiteen; Zij rennen als de wind, of orde en tucht verdween.
Hij kleedt ze in lichtgewaad en voert ze in morgenluister Ten reidans om zijn troon, of slingert haar in \'t duister.
Slechts eigen daad en kracht, kent God geen hooger grond. Waarin Hij buiten zich zijns wezens oorsprong vond. \'t Is eeuwig wat Hij is, \'t is eeuwig en noodwendig En in zichzelf gegrond; niet wagglend, onbestendig, Afhankiijk, onbestemd: \'t is onveranderbaar.
\'t Geschapene hangt af, vindt in zichzelf niet, maar In de oorzaak zijns bestaans den grond van zijn en worden: \'t Hangt aan een hooger macht. Zijn eenheid, luister, orden En wat voortreflijkheên \'t aan oogen en begrip Vertoonen mag, zijn zelfs geen schaduwzweem of stip Dier alvolkomenheèn, die God ons God verklaren.
Vergankbre stralen zijn \'t der Godheid wat we ontwaren. Zoo sluit de Godheid geen geschapen wereld in, \'t Qeschapendom geen God. Dit laatste nam begin Gedagvaard door Gods stem, en kan zichzelf niet schoren. Zoo \'s Hoogsten meesterhand \'t weer loslaat als te voren.
Neen, sterveling, geen God wordt in zijn macht beperkt
Noch schendt zijn Godheidskroon, wanneer Hij scheppend werkt
En wezensvormen beeldt naar zijn volkomenheden.
Maar de aard aanbidt geen God waar dit niet wordt beleden.
Geen God meer in \'t heelal, zoo zijn oneindigheid
Slechts samenvoegsel is van deelen, die, verspreid
61
In krachten, zich te zaam tot hoogste wezen vormen.
Geen God meer in \'t heelal, zoo machtelooze wormen, Zichzelven onbewust, de godlijke natuur.
Huns wezens eigendom sinds \'t eerste wordingsuur. Vertrappen laten; zoo, in eeuwig-rustloos kampen Gods eigenschappen ons bestoken, legers rampen En jammeren door de aard verspreiden; zoo de moord In Gods banieren zweeft! Neen, zegt het juublend voort, Gij, morgen aan den dag, gij, dagen aan de nachten. Gij, hemel aan onze aard, geslachten aan geslachten:
God is oneindigheid. Zijn handpalm overschaauwt Zijn schepping en een stroom van hemelzegen dauwt.
Waar zijne liefde drupt. Oneindig, nooit volprezen. Vrijmachtig is zijn Naam. Wat zou het schepsel vreezen. Waar ons zijn liefde dekt met almacht? Stort u neèr, Gij, hemelen, en, aard, bied woedend tegenweer!
Wij drijven op zijn wiek en schuilen in zijn hoede,
Wiens last uw krijg volvoert; Die ademt in uw woede.
God is oneindigheid. Weg, zintuig, ruimte, tijd.
Die ons geboeid houdt, zwicht! Splijt, hemeltenten, splijt;
Eén oogslag op uw zon! Eén sprankje van uw luister,
Eén straal slechts van uw licht! Val neer, gij, logge kluister
Eens lichaams, niet bestand dien ongeworden glans
Te ontvangen in uw blik, waar hooger morgentrans
Dan \'t vonkelend azuur de schitterende wieken
Der Geesten overstraalt; waar \'t flonkrend uchtendkrieken
De wereldzonnen dooft; één oeverlooze zee
In eeuwge hymnen golft; voert me in uw steigren meè,
Gij, hemelboden, die hier \'t menschdom moet beschermen; Roikt mij uw handen en omknelt mij met die armen.
Die ge ons ter hulpe strekt; ontsluit mijn oog den dag, Die voor geen avond zwicht, maar éénen morgenlach Aan zijn aanschouwers biedt. Laat me in de Godheid lezen En staren in haar gloed! Laat me in \'t volmaakte Wezen De gansche schepping met het rijk der mooglijkheên Doortuimlen in een wenk! Schouwe in quot;t ondeelbaar Eén Mijn ziel die bronaar door, waar hier verscheidenheden Uit vloeien! Laat, met u die heêmlen doorgegleden.
Mijn borst in liefdevlam versmelten voor het Licht!
Splijt, hemeltenten, splijt, en aardsche nevels, zwicht!
Wat ongemeten beê! Neen, God, zoolang wij wroeten in d\' aardschen slijkpoel en voor \'t eerste misdrijf boeten. Dat naar uw scepter greep; zoolang des lichaams last De vrije ziel nog drukt, aan stof en stofdienst vast,
Is \'t zelfs geen Geest vergund ons in uw licht te voeren. Toch straalt Ge ons toe, mijn God! Met zachte liefdesnoeren Verbindt Ge ons aan uw dienst en wetten. Wie n smaadt Roept Ge eerst met teedre stem, totdat uw wrake slaat. Door terging afgemat. De moedwil des vermetelen.
Die met uw weklaan spot, moet hun, die zullen zetelen Waar Ge in uw volheid troont, steeds dienstbaar worden door Een wenk dier almacht, die nooit plek of stip verloor Uit haar gebiedend oog, zoover er wereldkringen Met heur bewoners zijn. Ja, God, wij stervelingen, In \'t aardsche stofgewoel nog zwoegend, mogen U Aanschouwen, schoon van ver, en van den dag nog schuw
68
Geniet ons zwak gezicht de tinteling dier glansen,
Waarin uw hemel vlamt, do burgers van uw transen Zich laven, nooit verzaad, aan \'t volle leven. Hier Is \'t schemering, geen nacht. Het leventelend vier Dor Godheid, schoon omhuld, kon zich niet gansch verbergen. Ja, moogt ge, o mensch, geen blik in \'t volle daglicht vergen, \'t Breekt vonkend door den nacht der wereld, en uw oog Wordt door een wederschijn van \'s hemels etherboog Verrast. Ge ontvingt een licht, waarin uw God weerspiegelt; Dat licht bestraalt uw spoor. Hoe \'t op do winden wiegelt En dwarrelt, \'t blijft een licht en stelt geen oog te loor. Dat naar zijn flikkring staart. Ge ontvingt een licht en voor Zijn straal verzwindt de nacht der aarde, door \'t vermeten Geschapen van den geest, die de onverbreekbre keten Der wezens, waaraan God bestaan en leven gaf.
Vaneen wil rijten, schoon hij \'t werktuig wordt der straf. Die eeuwig foltren moet. Ge ontvingt het licht der reden. Zij is uw leidster door dos levens duisterheden.
Zij moet in U gebiên. Zij waarschuwt waar gij faalt.
Bestraft uw roekloosheên en voert u, zoo gij dwaalt, In \'t lichtend waarheidsspoor.
Maar ach! hoe diep vervallen, Hoe snood verbasterd is die kracht der ziele. Brallen Met namen, tergend trotsch, de schepselen als goón Des aardrijks; buigt hun nek met weerwil voor geboon En wetten; dreigen zij ten hemel op te stormen In \'t pantser van hun waan; zien onder duizend vormen Zich dagelijks opnieuw de dwalingen herhaald Der eeuwen; is het hart des stervelings verstaald En hoort het naar geen stem, die uit den hemel fluistert
04
Met zachte en milde beê, en keert het, eens gekluisterd
Aan de ijdelheên des slijks, zoo traag ten leven weer;
Wat biedt dit alles ons dan blijken keer op keer
Van \'t waggelend gebied der hoogste koninginne,
Die over \'smenschen geest moet heerschen? AVulpsehe minne
Verbindt haar aan een drift, die ras haar scepter rooft
En in \'t slijk vertrapt, de schoonste kleuren dooft,
Die vonklen in haar kroon, met hemelgloed dooraderd,
Met stralen overglansd. Haar zwevende oogslag gadert
Geen licht van Boven; wild en krijschend klinkt haar stem,
Die eerst gebieden mocht; hour woorden missen klem
En overredingskracht. Zij is zich zelf ontzonken
Als lage vleieres der tochten, die haar klonken
Aan zegeteekenen, heur adeldom tot schand.
Zij dient die tochten. Zie, hoe fel het oog haar brandt.
Wat woedend driftenspel! Ze is koningin geboren.
Ze heeft heur krone maar verwisseld! Ja, versmoren
Zal ze in zijn eigen bloed wie trots biedt aan haar kracht,
Mij zij dan mensch of God, Zij koningin, wier macht
Geen hooger heerscher kent! De trotsche, haar vervoeren
Heur eigen trekken haar! Zij zal \'t heelal beroeren
in opstand tegen God, want schaamrood ziet ze omhoog.
Gedachtig wie zij was, toen zij haar schedel boog.
Maar \'t is geen schaamte, waar \'t berouw om redding smeekend
Bij God genade in vindt; \'t is woede, die zich teekent
In machteloozen gloed en ondergang en dood
In eigen wraaklust spelt. Mot dartlen oogblik noodt
Zij krijgers, dio verrukt haar trouw en hulde zweren
Kn grijpen naar het staal, om \'t onrecht te verweren
Der schoone rijksvorstin. Wat toomelooze vaart!
65
Zij jagen naar den strijd en bliksemen met zwaard En moordtuig door een wal van dichte legerdrommen, Die, van den schrik verplet, voor \'t stalen dwangjuk krommen Of, worstlend met den dood, in \'t stroomen van hun bloed \'t Verdelgingsoffer zien van dollen overmoed.
Maar de aard, wat is ze als prooi van zooveel strijdgenooten Neen, hooger zwelt de borst dier dapperen! Zij stooten Haar schimpend met den voet en met der pijlen vlucht. Die snorren van den boog, geronnen door de lucht,
Krijscht wilder steeds hun kreet, hun wapenkreet naar boven âDe Godheid aangerand! Wat schuilt daar in zijn hoven De dwingeland der aard? Verdelgt die Englenwacht, Die vleiers van zijn trots!quot; Wat helsche vreugde lacht In \'t oog iler koningin! Ha, dat\'s den strijd gewonnen! De hemel barst en kraakt! Hoe tuimelen die zonnen In woeste wieling rond! Daar stort de troon des Gods,
Dien ze eeuwig haat zwoer! Ha, verwonnen heeft haar trots
Ze ontwaakt. Wat wreede schok in \'t rillen van haar leden! \'t Spookt alles in het rond. âWie hebben daar gestreden?quot; Vraagt schemerend haar blik. Het droomgezicht verdween. En \'t rookend oorlogsveld toont van haar krijgers geen. Die niet gevallen is!
Ja, Godheid, in uw toeren Verdelgt Gij wat Gij treft, en reddeloos verloren Wat strijd voert tegen U. Gelijk \'t verdorde gras Verteerd wordt door de vlam, zoo barrenen tot asch Voor d\' adem van uw mond de machtigen. Uw wegen Zijn raadsels en vergeefs druischt men uw almacht tegen.
66
O stervling, ken uw God! Kan uw beperkt verstand Zijn wijsheid wraken? Kan uw machteiooze hand De sluiers lichten, die liet ongeworden Wezen Omhullen? Kan uw oog dé oneindigheid doorlezen,
Die slechts zich zelf doorziet? \'t Is met verblinden waan In \'t honen van uw God de hand aan \'t leven slaan.
Dat Hij u meêdeelt; \'t is bij \'t worstion met liet lijdon Der aarcische ballingschap uw eigen zijn bestrijden.
God is oneindigheid. Het wereld-al ontsprong En is der Godheid beeld en spiegel, want Hij dwong Het altijd en alom getuigenis te geven Van Die het worden deed. Niet slechts het hooger leven. Waarop de stervling trotst; het kloenste stofje spreekt Van do Almacht, die het wrocht. Haar schittering doorbreekt Den ijzren nacht in \'t hart der aarde, \'t diepst der wateren. Hot bliksemslingrend zwerk wat is hot dan het klateren Eens zegetoons voor Hem, die lucht en wolken schraagt? De rede spreekt van Hem, hoezeer go uw lot beklaagt, Ondankbare aardeling, voor \'t eeuwig licht geboren.
De rede spreekt van Hem. Haar poging is verloren.
Zoo vaak zij tegen God haar flauwe stralen schiet.
Geen lichtsprank tart de zon der zonnen. â Wat geniet Geniet Gods hoogste gunst, aan tijd noch maat gebonden, Maar stroomend uitgestort door aard- en hemelronden. Wie dooft den zonnegloed? Wie dompelt in den nacht Des onzyns \'t hemelruim met \'s hemels starrenpracht ? Wie daagt zijn God ten kamp? Zal die den staf mag zwaaien Neêrtuimlen voor zijn slag ? De hemelbollen draaien.
67
Geslingerd door oen wenk zijns vingers, en onze aard Gordt zi( li in dwarrelvluclfll ter trotsclie hemelvaart En dondert: âKrijg aan God?quot; Mag dan liet duister gloeien In :t blindend zonnevuur, of hart en oogen boeien Door tonvelglansen? Neon, het sarren van Gods wraak Wordt dienstbaar, op zijn wenk, aan der gerechten zaak. Volvoert het wereldplan, in \'s Hoogsten raad besloten. Gij plast in menschenbloed, tirannen? \'t Wordt vergoten. Omdat (iods wraakgericht verbolgen nedervaart En offers eischt; maar gij, die lauwerkronen gaart, Bedruppeld met dat bloed, ziet gij den schicht niet blinken. Die op uw harte doelt en :t in dat stof zal klinken. Dat walmend schreit om wraak? Ze zijn des mensclien niet Gods wegen ;⢠schepsel beef. waar Hij zijn wit beschiet!
God is oneindigheid. Hem aller eeuwen glorie. Hem grootheid, eer en kracht! Do veder der historie Verkondig\' Hem aan de aard als Koning, op wiens stem De macht der vorsten zweeft. Love en verkondig\' Hem De wereldharp als (iod, die toekomst en verleden. Het vluchtig thans en \'t meir der stoorloozo eeuwigheden Met éénen blik omsluit, de teugels van \'t heelal Met wissen zwenk bestuurt on \'t doelwit treffen zal, Waarvoor Hij schiep. En mensch, leer gij uw schedel buigen Wees koning; maar uw kroon moet van een God getuigen. Gij dooft geen zonnegloed, gij dompelt in geen nacht Die \'t stargeflonker schiep met de Oosterzonnepracht.
â 1872.
1893.
Wat moet uw glorie stralen, Zich /.(innende aan liet licht, Dal in nw ziel weêrschittert Uit Jezus\' aangezicht!
ST. DO|VIINiCUS.
Wat moet uw ziel beminnen Mot goddelijke vlam, Nu, keurling van Gods liefde, Gij neerknielt voor het Lam.
De Hemelkoninginne Blikt op haar lievling neêr,
69
Den Ridder van haar krone, Den Strijder voor haar eer.
Zij strooit u hemel rozen,
Zich strenylend Lot een kroon. Vol lielelijke geuren En onverwelkbaar schoon.
Gij deedt haar rozen bloeien Kn geuren langs deze aard; Xu llonkren ze in de zonne Van \'s hemels lentegaard.
O schenk ons van die rozen Uit \'s hemels rozenhof; Dan huwen wij haar geuren Aan geuren uit dit stof;
Dan leggen we onze kransen, Doorvonkeld van den gloed Dier eeuwge hemelrozen,
Maria, aan uw voet.
1V1EIÃIED.
«Lw Maand is \'t, reine Magcd,
c)fejr.--a br\\v Maand, tlo Maand dor bloeme \'-)o «choone, blijde Mei.
Uw Maand is \'t, Koninginne!
Onze aarde strooit n rozen,
En wij, wij strooien rozen Als otters onzer liefde.
Uw Maand is \'t, Koninginne, De schoone, blijde Mei.
Onze aarde schiet u loovers Vol friscli, verjeugdigd leven; Der Lente zonnestralen Herscheppen n ter eere Met zachte lichtschakeering Des hemels schoone transen, Betreden door uw voet. Wij staren blij ten hoogen En smeeken: âo Maria,
Blik neder op onze aarde, In \'t kleed tier Mei gedost.
Blik neder op onze aarde; Zij bloeit in de eigen stralen, Dio voor uw voeten glanzen In \'s hemels topgewelf;
ZIJ bloeit in de eigen stralen Kn zendt haar Meimaand-geuren Als boden naar uw troon.quot;
Wij Juichen nu de bloemen Uw Naam ter eere geuren; Wij Juichen nu de wouden Ons frissche loovers bieden, Maria tot (gt;011 krans;
Wij Juichen nu do zonne De blijmaar van de Lente In levensstralen kleedt.
De Lente dezer aarde, De schoone, blijde Mei Is \'t beeld van hooger leven, Is \'t beeld der heilgenade, Die ons uw voorbeó schenkt, \'t Is Lento in onze harten, Wen uwer liefde glansen Die koesterend doorstralen; \'t Is Lente in alle harten,
O
Maria, die u minnen; \'t Is Lente in alle harten, Maria, die (lij mint.
lt;) zie Gij op ons neder. Verheven Koningiime,
Bescherm ons door n\\v kracht. O zie Gij op ons neder,
Heine, uitverkoren Maged, Maak onze harten rein.
O zie Gij op ons neder,
Maria onze Moeder, Met moedertfigderheid.
t
Uw Maand is \'t, reine Maged, Uw Maand, de Maand dor bloemen, De schoone, blijde Mei;
Uw Maand is quot;t, Koningiime!
Onze aarde strooit u rozen,
lm wij, wij strooien rozen Als offers onzer liefde;
Uw Maand is \'t, Koningiime, De schoone, blijde Mei.
UEVEjl
^.....a-
srai
-i. J5ns leven is uiL (iod. Ilij hooft hel ons Kcsohonk» éR^SS O wijden wij \'t Hom weri\' in elkon adonitoclit.
quot;Vlarnme iedre hartezucht van rcino liefdovoiiken, Jr En dankoii wij voor \'t hart, dat. ilij tot danken wrochl. Zij \'t leven onzer borst een beeld des hoogstens levens, Dat Jezus\' liefde schonk aan wie die liefde aanbidt;
Vereene \'t in zijn aam het stof en stofloos tevens. Het eerste als weg naar \'t doei, liet laatste als lovenswit.
(h\'colfjd.
ST. THOMAS VAN AQUINO.
postel dezer eeuw! Hij \'t stralen van uw glorie, Woèrkaatscnd over do aard,
\'SW Js de/e naam voor ons een leidstar ter viktoric,
P *
ijfe Verzekerd aan uw zwaard.
Dat zwaard met kracht omklemd en \'t oog ten heraelbo
(Jj) uwe star gericht.
Verwinnen we in uw schuts de heerschappij der logen Door \'t godlijk waarheidslicht.
Apostel dezer eeuw! Wat zal zij zegevieren,
Des Heilands schoone Bruid,
Nu gij den strijd aanvaardt bij Jezus\' kruisbanieren En \'t heir der dwaling stuit.
Ik zie voor Jezus\' Kerk een nieuwen morgen dagen In vollen waarheidsglans,
lt;â¢)
Een morgen als nog nooit (ioils lieilliorauten zagen Aan d\' aardöehen hemeltrans.
( ieloof on wetenschap zijn smeekend neergebogen,
Geslagen hand in hand.
Voor \'t helverwinnend kruis en vesten zalige oogen Op dit genadepand.
De wetenschap aanbidt en voelt een hooger leven;
\'t (Ieloof bestraalt haar oog.
Voor beide één liefde, één kracht, één aardvorlieéndend streven Naar \'t Eenig Licht omhoog.
IV10ED.
^fspsfflr
;sly®§i i,(,ii dolle waanzin, die, het blinkend staal geheven. Zichzelf den dood zweert, is een blijk van waren moed. \'t Js lafheid, die, geen heul meer vindend in dit leven,
vj.
i Der wanhoop otters ])lcngt in \'t uitgestroomde bloed. Ne;1!), moed i.s kracht der ziel, vaak schittrender in \'t lijden Dan in de zegepraal op \'t walmend oorlogsveld. De lafaard kan uit vrees voor de overwinning strijden; De martelaar is meer dan zegevierend held.
GODS GROOTHEID.
(NAAK ST. Aunusmxs.)
\' tc V
^00^\' »\'.1 wat llw doiikbochl
,unt go uw nietiglioid gevoelen?
Kind dor aarde, kimt gij dat?
in zijn hoogste vlucht omvat?
Waant go in \'t rijk der zonnestarren
God in \'t aangezicht\' te zien?
Waant go in \'t worden van een wereld
\'t godlijk Wezen te hespión?
Zie. doorvloogt gij al de clioren
van het perkloos firmament;
Kondt gij \'t morgenlicht begroeten,
voor hot door do schepping rent;
Kondt gij op de zonne tronen
als een Seraf en uw liand N\'rij gebiedend doen beslissen
wat zij met haar kracht omspant;
Bruisten duizend wereldhymnen
albetoovrend door \'t heelal,
Door uw stemme saamgeschakeld
tot één juichend maatgoschal;
Kon uw woord d\' orkaan bezweren
in zijn woeste wnrvelvaart Uf\' uw wenk den hliksem keêtnen,
eer zijn flits verdelging baart;
Nergens zoudt ge uw God doorschouwen
in zijn grootheid, in zijn macht; Nergens zaagt go een wedergade
van zijn onuitspreekbro kracht.
Hoogste quot;Wijsheid is zijn Wezen,
hoogste Leven door zich zelf, Onafhanklijk van do sferen
van het maatloos stargewelf;
Ãnafhanklijk van do Geesten,
wie zijn hemelsch aangezicht In den vollen luister zaligt
van zijn ongeschapen Licht.
7«
\'t Godlijk Wezen is \'t Mysterie,
door geen schepsel ooit verklaard;
In geen werelden van zonnen
aan onze oogen geopenbaard.
Maar die zonnen zijn de boden
van het eeuwig scheppingswoord,
Dat, in werking alvermogend,
door geen weerstand wordt verstoord.
In heur stralen, in heur flonkren
eeren ze aller wezens Bron
En verkonden aan deze aarde:
God is aller zonnen Zon.
GOETHE.
l. De wetenschap zijns tijds had hij ten spot gedoomd.
Wat dichtgenie als hij? Maar nooit had honger leven Zijn hart geroerd, ontzet, ontkhiisterd van het stof. Een wilden diiivlenlach zaagt ge om zijn lippen zweven, Wanneer zijns harten diepst de stem der Almacht trof.
Wat dichtgenie als hij? Maar voor het woord des Hoeren Droeg hij in \'t aardsch gemoed verachting, haat en hoon. Geen hooger levenswit, geen honger heilbegeeron!
Geen knie gebogen ooit voor Gods gezalfden Zoon!
ie ligt hier omlor \'t stof dor zwelgende aard bedolven? p \'1quot; ]s Duitsclilands grootste geest, op aard een god
genoemd!
Hij sloeg met forschc vuist in \'t woên der wereldgolven;
E E N E VRAAO.
^iSãV^.K
|WfJ at zijt go? Een denker of eon mode-filosoof\'?
Mon kan hot laatste zijn en nooit het eerste wezen. Kent gij dat fronsend hoofd, welks blinkend lauwerloof II toeroept: âdeze held heeft Goethes Faust gelezen?\'1
O
vr®®» , lt;1 : tl ,\'il .Hl ,\' lt;1 , K . tl «.⢠« â¢iiT9 ⢠1 â¢\'â¢â ); â¢\'⢠(\'»â¢\'lt; *!tf*f* \' â¢Â»lt;lt;\'â¢lt; r â¢
^jVv ^\'J JV-gt;VJquot; ^ ; JVa: gt;VJ â 4 - »Vv JVj4^V^Vj\'\'gt;V^
^VaV/»v«;gt;V/»V^VVA/V\\r-\\NVVgt; /N\'^ /»%r-s/V-s »Vgt;^
ssP^SlSsjisCia^afeiW â¦.#j«a«s â¦â »â â¦â¦ gt;!.ilt;amp;0A0
AflN EEN KRIT1KUS.
^â¢chrijft gij reeds lang recensies, vriend?quot; â.Sinds jaren.quot; pP^ Zoo lieb ik goed gezien.
Dien onzin kan m\' in maanden niet vergaaren; Dat. eischt een jaar of tien.
ROZEN-
fae rozen dor aarde doorgeuren den hof\'.
Maar vallen, verwelkend, verbloeid in het stof\'. De rozen der aarde, omspeeld van den gloed, ^ Waar \'t licht van den morgen haar kwistend meó groet,
Ontplooien een schoonheid, die de oogen bekoort.
Maar straks zweept een stormwind heur bladeren voort.
JJe rozen des hemels doorgeuren den hof;
Nooit vallen ze ontluisterd, verflenst in het stof.
De rozen des hemels, omspeeld van den gloed.
Waar \'t licht van de Liefde haar stralend meê groet, Ontplooien een schoonheid, die de Englen bekoort.
En nooit zweept een stormwind heur bladeren voort.
Gerolf/d.
\'.9 a)
DICHTERVliUCHT.
m are zangers, die de Godheid
imgsMa in uw bruisend lied vereert,
\'Is^p Is er nog een plekje op aarde
-jcy» waar gij ziel on zin beheert?
* \'l
Waar men, door uw toon verhemeld,
boven d\' aardschen mistdamp drijft En langs hooger zonnebanen
starrelichte kringen schrijft?
Of is \'t stofrijk \'s menschen hemel
en alleen zijn aandacht waard? Is men blind voor de Englenglansen,
waar uw steigrend oog op staart? Blind voor \'t licht des Ongezienen,
dat zijn levensstralen schiet.
Waar uw hart, deze aard onttogen,
zijn bestemming tegenvliet? Dichters, doet de zielen vlammen,
doet ze ontbranden in dien gloed,
85
Waar de reinste liefde in ademt,
door de Godheid aangevoed.
Doet ze ontvlammen in de aanbidding
van het ongeworden Schoon,
Dat slechts flauwe vonkelstralen
neerschiet op den zonnetroon.
De aard en \'t aardsche schoon verzinken;
\'t aldoorflonkrend licht breek\' door!
Treedt gij op de zonnegolving
in het hoogste wereldchoor.
EEUWVERSCHIET.
|^|5 og eens, nog eens een lied! Nog eens een blik geslagen Op \'t woest getuimel van de golven, die er jagen Door wilde zee aan zee, liet schokkend wereldrond
j;\'1
!V
A Bestokend wijd en zijd, met stormen in verbond
I,
En krijgsorkanen, die in grauwe kruitdampwolken De toekomst hullen voor \'t verbijsterd oog der volken.
De here Tijdgeest heerscht! Zijn dreigende aadlaarsvaart Wordt met bewondring of ontzetting nagestaard Van onderen. Zijn oog, in \'t volle licht der zonnen Geheimen lezend en heur wondren loop, begonnen Voor duizend-duizenden van eeuwen, in zijn kring Bespiedend, weidt naar lust, en kent geen huivering Voor d\' Alregeerder meer: want Hij werd niet gevonden In al die werelden, die eigen glans verkonden En eigen wordingskracht. De wondren der natuur Onthullen zich den blik des vorschers, uur aan uur
87
Gespannon. \'t Schijnt een strijd van duizend wereldmachten, Den wenk eerbiedigend haars konings en heur krachten Vertoonend in een spel van scheppingen, wier lot In \'t bloeiend zelfbestaan geen wording meldt nit God !
De fiere Tijdgeest heerscht! Verwinnaar opgetreden, Verdelgend wat weerstond, heeft hij het rijk der Reden Voor do eeuwigheid gevest. Haar grootheid voer ten top Der glorie! Voor haar oog lost zich het raadsel op Der eeuwigheid, des tijds, der Godheid, eens aanbeden Als heerschend boven de aard, maar voor den glans van \'t heden Verzwonden als een schim voor d\' eersten morgengloed. De mensch gevoelt zich-/,elf! Iets godlijks drijft zijn bloed Tot voller polsslag, vaart zijn adem door en spieren En kiest zijn geest ten troon! Hij voelt zijn borst doorzwieren Van krachten, nooit gekend, van krachten, bandloos lier En dreigend, als de stroom van \'t golvend lavavier,
Dat naar verwoesting hijgt!
Van \'t puin der wereldtronen Klinkt deze jubelzang der jongste vrijheidszonen.
Wat wacht gij van den moed dier krijgers, juichende aard, En gij vooral, Euroop? Do volken staan geschaard Ten doodelijken kamp! De Godheid is verbannen!
Haar priesters waren de aard verleiders of tirannen En vloden voor \'t geweld! â Gij, vrijen, heerschers thans, In vrijheids gulden naam op martlaarsbloed ten dans. Ten dans op \'t stuivend puin der omgewroete altaren! Ha! \'t staat n schoon, Euroop, op dat tooneel te staren! \'t Is op uw ondergang een zegedans! Welaan!
88
Gedarteld met uw val, uw glorierijk bestaan
Van vroeger eeuwen der verwoesting prijs gegeven!
Uws Heilands naam vervloekt! â Dan moogt ge in vrijheid leven.
Dan spot geen priester met uw grootheid meer! Dan de aard
In één woestijn verkeerd, den baaierdnacht herbaard
Der eerste duisternis!
Ja, helden onzer dagen, Dat moest uw wereld zijn, een wildernis! Wat zagen Uw blikken lustig op die schepping! \'t Woudgedrocht Uw broeder! Hebt ge meer in \'t rijk gebied gezocht Der jongste wetenschap? Moet dat van al uw streven De hoogste kroon niet zijn: als toomloos dier te leven?
.it»\'» it gt;â gt; i \'â iï:,i);ff 11 t gt;.,gt;â : ,iâ¢Â«. «».â¢â¢â¢ 11 ï n Æ i fjfet v«. v â¢â¦.â¦â¢Â«â¢.. lt;
^ -âºS\'a/»Vgt; ^V,*\'^vvgt; /V\'gt; ^vâ¦;^VV^V-V^VV^VV^^^^â¦Æ^VV^\'\'⢠â¦
KÃamp;\'M; ff .W â ».!«â â _â¦â¢â¦ »\'«,⢠»â¢Â» .»â¢*, â¦â «,. »\'»; »t â¦â *. »â¢Â»/â Jgt;A«/ !â¦â¢*gt; â¦\'*.. â â¦â¢â¦ »».â
Â¥
J].
quot;Snk-v gt;
en eindpaal spoedt onze eeuw. Do twintigste in de rij Der zusteren is dra haar wordingsuur nabij. T De menschheid, in \'t genot van harer droomeu weelde, Ziet driftig op \'t verschiet : want welk een glorie speelde Reeds voor der zien\'ren blik, betooverd door het licht Der toekomst! Wondereeuw, treedt gij hier voor \'t gezicht Des zangers, met uw pracht van gloeiende Oosterglansen? Ontmoet ons aardrijk hier de blijde hemeltransen,
En speelt het kindeken met zonnestralen? Is De sluier thans gelicht van wat geheimenis Het zijn moog in Natuur en Menschheid? Is het leven Een grootscher lot bestemd dan voor \'t vergaan te beven? De vrijheid meer dan spel met zwaard en moordtuig? Dood, Zijt gij verwonnen, die don dolk in \'t harte stoot.
Dat nog zoo vurig vlamt naar daden ?
Op die vragen Een daverend gejuich, de wereld rondgedragen,
En daverend herhaald, ten antwoord: Immer voort!
Geen hooger wereld meer die onze ontwerpen stoort!
Geen geesten boven lucht en ether! Geen verbonden
90
Dan met de goón der aard en wat die goden vonden :
De krachten, die \'t heelal beheerschen! Ken n-zelf\',
(U), vorst der wereld! Wat verkondt u \'t lichtgewelf
Der heeralen, \'t hart der aard, de tuimelende wateren.
Dan heerlijkheid en kracht? Ha! laat den priester schateren
En spotten: â\'t is om niet, dat heel dit dwergenkroost
D\'Almachtige bestookt! Des hemels bliksem roost
En blakert eens dat rot oproerigen!quot; Wij steigeren
Voor do oogen van \'t heelal; geen hemelkreitsen weigeren
Ons door- of toegang in hun heiligdom. Door \'t lied
Der schepping rnischt de naam des menschen ! âHem\'t gebied
Zoover er schepslen zijn! Hem over de aard viktorie;
Zij is zijn dienares! Hem aller eeuwen glorie;
Hij is haar heerscher, snoert haar rijen! Hem de kroon,
(â een doornen als den God der Christnen, maar Adoon
Geheiligd en zijn bloed!quot;
Door \'t loeien van die tonen Gutst bloed, gutst menschenbloed !
En nieuwe vrijheidszonen Staan op en heften aan: âgeen stof, de vrije geest Beheerscht de wereld, hij, die in zich-zelven leest En door dat lezen schept; zich-zelf verduizendvuldigd Weêr aan zich-zelven geeft en eigen schepping huldigt Als eigen wereldkring, totdat eer. nieuw gezicht Hem wijder ruimten biedt bij eigen zonnelicht In eigen boezem, en dat nieuwe heir van stralen In letteren van geest het scheppingswoord doet pralen: âIk ben het groot Heelal!quot;
Maar \'t leven treedt in kamp Met die begoocheling, en als een neveldamp
Verzwindt ze voor éon straal der ongekrenkte Reden. Hoe\'? uit de oneindigheid ontspringen eindigheden? De oneindigheid zijt gij en de eindigheid meteen?
Eén woeste mengelklomp van tegenstrijdigheên Is heel de schepping? Hoe? de waarheid en de logen, De snoodheid en het recht zijn van uw denkvermogen De spruiten t\'eener dracht geboren en ontstaan ?
Der rede zekerheid en \'t droombeeld van den waan Twee godentelgen, goón, als gij, uit wion zij worden? En arme godheid, gij, die eeuwenlang die orden Van eigen scheppingen erkend hebt noch bevroed,
Hoe bruist in u op eens dat toomloos godenbloed?
Nog andre stemmen, schoon min dreigend, min vermetel. Verheffen zich. Geniet\' de Godheid op haar zetel Zich zelve! Aan ons zij de aard met wat die aard omgeeft! Ons \'t vrij gebied vooral, waardoor de Rede zweeft!
Aan ons wat waarheid heet bij \'t licht, in ons geboren! De Godheid daar omhoog beheersch\' de hemelchoren Naar lust, en zij het licht, dat in zijn hemel straalt: Op aard een ander licht, door \'t wereld-al bepaald;
Maar zoover ook zijn glans voor \'t vorschend oog verspreidend
Triomf, volzalige eeuw! Uw gloriën verbeidend.
Neen, zwelgend in zijn waan, grijpt volk bij volk verwoed Naar kroon en scepter, trapt de wetten met den voet. En plast in stroomen bloeds, van dollen wraaklust dronken En dartel. Dat \'s een spel! Triomf! gij hebt de vonken
Niet vruchteloos gestrooid! De driften staan in vlam, Een krijgslied, filosoof! Dat is eene nieuwe stam.
Van \'t oud vooroordeel vrij, ontslagen van \'t gelooven! Geen God of Hemel meer, geen Eeuwigheid daarboven! Dan voorwaart! dan ton strijd! De laatste slechts bestaat Als heerscher, wen \'t heelal in éenen bloedstroom baadt.
III.
aar re^ner reiner sferen ! In uw kringen
Veraadming voor mijn borst, geliefde Hemelingen, quot;Mipquot; Mijn broeders in mijn God! u Jubelende rij
Van zaligen, dien God in \'t vlekloos licht nabij,
\'l
1 En ademend in Hem de volle levenstogen Van Liefdes zaligheid en godlijk alvermogen,
0 Leent me uw vuurgloed, om het ongeloof der aard Verpletterd neer te slaan, van uit mijn hemelvaart. Met godlijk waarheidslicht! Gij moogt het daar genieten. Gij, in zijn vollen stroom uw levensvlammen schieten;
Gij in zijn eindloosheid verloren, Jubelt daar Green naam dan van dat licht, oneindig, wonderbaar. En alverrukkend! ö Van uit uw starrenbogen Neerblikkend op dit stof en stoflijk onvermogen.
Wat zuizelt ge, als ontzet? Ja, Geesten, in dit slijk Ontkent de mensch \'t bestaan van \'t schittrend waarheidsrijl Den dag, waarin gij zweeft, de zonnen, die daar gloeien. Hier in de duisternis, met ijzren slavenboeien Gekluisterd aan het stof, ontkent men \'t smetloos licht Van God en Hemel, van liet Godsrijk, daar gesticht.
94
Waar uwe tronen door de wereldruimten zwieren.
Ais vlammen, voortgestroomd uit \'s hemels flonkervieren,
Als zonnen waar onze aard geen naam voor heeft! En gij,
Gij staat dat menschdom nog als wachteren ter zij\'?
Gewis, gij staat hen bij. De duizend-duizendtallen,
Wier jubel eeuwigheên door d\' uwen heên moet schallen,
Het vlekloos Lam ter eer\' en zijn vergoten bloed.
Zijn nog uw zorg en lust, volzaalge hemelstoet!
Ja, één is \'t Waarheidsrijk! \'t Is de Almacht en haar wezen,
Zich-zelve slechts bewust, slechts door zich-zelf te lezen.
Maar schepsien meegedeeld door hooger Godheidskracht,
Aan \'t Geestendom het eerst, toén aan het aanlach geslacht.
De plaats vervullend van \'t afvallig heir, wiens zetel
Uit \'s hemels trans verdween, wen, muitziek en vermetel.
De Morgenstar een vonk naar \'t licht der lichten schoot.
Dat is de Kerk van God, hier \'t eerste morgenrood
Genietend, maar hierna in uwe waarheidsstralen,
o Godheid, slechts één gloed, één liefde, in alle talen
Eén hymne van uw naam! Dat zal de volle dag
Van alle waarheid zijn! Hier de eerste morgenlach
Haars luisters voor ons oog, daar \'t volle middaggloeien!
Die Waarheid heerscht op aard. Gij poogt haar uit te roeien,
ü zonen onzer eeuw? Dat is een worstelstrijd
Met God! Alom waar gij op aard nog heerschers zijt,
In \'t wijde stofgebied, moogt gij misschien de banden.
Door menschenkracht geknoopt, verwaten aan gaan randen
Uw eigen trots ten hoon; hier dreigt u \'t verder niet
En slaat bedwelmd ter aard wat woedend weerstand biedt.
Do Kerk is \'t rijk van God, een weerschijn van zijn Hemel!
Wat drijft u, aardeling, in \'t vlottend stofgewemel
95
Met duisternis omhuld, den goddelijken glans,
Die de Almacht-zelf weerkaatst van uit den hoogsten trans,
ïe tarten in uw waan, als kondt ge ()en licht verdooven.
Waarvoor gij wegkrimpt? Neen! de kracht van\'t reingeloovon
Is meer dan aardsche kracht. Ze is God, in \'t hart gedaald.
Zo is Gods genadelicht, gevoelbaar uitgestraald
In reine boezems; ze is het voorgenot dier weelde.
Waarin de Hemel goll\'t; die in uw blikken speelde.
Oneindig Geestental, de tallooze eeuwen door.
Dat gij uw God genoot en \'t ruischend starrenchoor
Deedt reien door het ruim, om van uw jubelzangen
Den weerslag, in zijn dans ten hemel, op te vangen.
â Maar dan de Reden en haar luister? Maar de geest, Die met een oogopslag het scheppingsal doorleest?
Moet hij tot slaafsch geloof\', verguizing van zich-zelven En eigen licht gedoemd? â
Neen! waarheen op te delven Blijft eigen aan den geest. Maar dwaas is \'t, hem alléén, Waar \'t Gods geheimen geldt en zijn volkoinenheon. De hoogste Godsspraak (en geen Almacht) toe te kennen. Mocht hij de oneindigheid van \'t godlijk Zijn doorrennen.
Zijn God bespiegelen, met meer dan Englenvlucht Den ether doorgevoerd, tot in een hooger lucht.
Die duizend zonnen door, die \'s Hoogsten troon onihullen Met vlammend wolkgevaart? Ziet hij zijn wenk vervullen. Wanneer hij wezens denkt, en vliegt een nieuw Heelal De wereldkreitsen door, met luid triomfgeschal Hem schepper kronend, wen zijn hoogmoed durft gebieden?
96
Of kan hij eigen hart, wanneer zijn driften zieden Wel temmen, naar \'t hem Inst? â Neen, sterveling, uw geest, (Verban dien waanzin toch!) is nooit een God geweest. Zal nooit oen Godheid zijn! Een raadsel zijt ge u-zelven! Wat waagt ge een arendsvlucht naar hooger stargewelven? Doorzoek uw boezem eerst en zijn geheimenis.
En vraag u-zelf dan af, of \'t waarlijk kennen is,
Zich-zelven vreemd te zijn? Uw eigen ziel, uw tochten. Waardoor gij nacht en dag verwoed wordt aangevochten. Uw wil, uw denkkracht zelf moogt gij niet gansch doorzien, En wat vermeet ge u dan d\' Almachte trots te biên. Uw scheèmrend redelicht beslissend recht te geven. De Godheid in uw trots verdwaasd te wederstreven, Uw eigen God te zijn? Of, trotschaard, voelt uw hart Geen leed, geen jamren meer, geen folterende smart. Wanneer ge als Wijsgeer boogt op uw voortreflijkheden, Uw naam verheven wordt, vergood en aangebeden. En \'t halve wereldrond zich voor uw uitspraak buigt?
is dat der Rede kracht?
Onnoozlen, die getuigt Haar liclit te erkennen en te huldigen, ontslagen Van dwoepzuchts slavenjuk, dat vroeger eeuw moest dragen; Aanbidders, zoo ge u roemt, dier Godheid, wie Natuur Haar diepst geheim vertrouwde en \'t godlijk albestuur Van \'t porkeloos heelal; treedt haar niet onder de oogen! Beschamend is haar blik. Ze ontdekt uw dwaze logen. Versmaadt uw hulde, doemt den onzin, dien uw mond Godlasterend en snood der wereld heeft verkond.
Do Rede erkent zich-zelf als uit een bron gevloten,
Die eigen Waarheid is, niet in een perk besloten
97
Van eindigheid en stof, maar zelfbestaand in \'t Zijn
Van haar oneindigheid. Een flauwe wederschijn
Dier Lichtzee mocht, o mensch, uw stofloos deel doorstralen.
Een plekjen is \'t gebied, waarop gij aam moogt halen;
Een plekjen is \'t gebied, waarop het Redelicht
Zijn flikkerstralen schiet voor \'t menschelijk gezicht.
Verdwaasd wie zich vermeet dat plekjen to overschrijden!
Zijn voet ontglipt de grond, waarop zijn schreên zich vlijden;
Zijn oogen spannen zich, maar vinden in dat oord
Geen voorwerp, dat hun blik verhelderd tegengloort.
Ken nacht omschanst hen, en geen vonkjen mag er glimmen.
Bij eiken nieuwen tred schijnt do aakligheid te klimmen
Dier woeste duisternis, oneindig, grenzenloos
En ondoorstijgbaar. Wat de hoogmoed zich daar koos
Ten koningszetel, is een neveldamp, verdwijnend
Voor d\' eersten morgenstraal.
Dan, als zichzelf verpijnend Van wrevelmoed en spijt, noemt men de Godheid wreed. En roept de Reden op, om \'t onrecht, dat men leed Te wreken. âHij een God, die \'t menschdom in het duister Van \'s aardrijks kerkernacht geen sprankjen van zijn luister Durft toonen! Hij een God, die in zich-zelf alleen Zijn Godlijkheid geniet en zijn volkomenheên ?
Die dwingeland een God, die wil, dat wij gelooven.
Ook waar de Rede roept: âIk laat mijn glans niet dooven, Ik ben een hemelsch licht, en wijs u \'t rechte pad Ter waarheid? Hij een God? Neen, wat uw hart aanbad. Verdoolde sterveling, als bron van zaligheden,
Blijkt öf een ^wangedrocht bij \'t hemelsch licht dor Roden, üf is het ijdel spel eens drooins.quot;
Dan op dien God Uw vloek en hoon gehoopt, dan luider steeds gespot; Dan op den dwaas uw vloek, die voor dien God wil knielen Dan voor Gods eeuwigheid den laag bedrogen zielen Een hemel op deze aard gesticht, niet voor gebeên Of boetedoening veil en slaafsche plechtigheèn.
Maar voor tien wellust van den dartele! Nog heden Genoten wat gij moogt! Do dood telt al uw treden,
En treft eer gij \'t vermoedt!
Een heerlijk goochelspel, Godloochnaar, uitgedacht tot blussching van die hol.
Die in uw binnenst woedt; wier ijsbre folteringen Tot op uw legerkoets uw hart en brein bespringen En martelen!
Maar hoor, hoe hier de Rede spreekt:
âIk ben een eindig licht; mijn llikkering verbleekt Voor Waarheids vollen dag! Leer zwijgen en aanbidden. Wanneer de Waarheidszon een straal schiet in uw midden, Die mijn besef ontduikt.quot;
Ja, wijsgeer, in de Kerk Van Christus heerscht een licht, der Reden blik te sterk. Maar voor \'t geloovig hart genaakbaar! Dat \'s een leven, Niet door Natuur verleend, maai- boven haar verheven; Dat \'s \'t leven in dien God, die \'s menschen Rede schiep, Maar hem tot hooger licht, als zijn bestemming, riep.
I
S L O T Z A N (i.
?j oorglocit mij met uw liefdespranken,
a%^4-k ö Geesten, die uw God geniet!
W-Y
\' «vie Laat me eens slechts met een lofpsalm danken
^ Als eeuwig uit uw boezems schiet!
Laat eens de volheid van uw leven Mijn borst uw stroomende\' adem geven, En \'k vlieg, voor de oogen van \'t heelal, Door de ondoorpeilbre wereldchoren.
Om, met u in uw God verloren,
Dei\' eeuwen juichakkoord te hooren Met aller heêmlen maatgeschal.
ó Zalig, die het mocht genieten
Wat daar uw levensaam doorstraalt; Wat daar uw borsten door mag \\ lieten, Dat heil, dat zelfs geen hemel maalt! ó Zalig wien dit aardsche woelen Slechts eens de volheid deed gevoelen
Dier zaligheden zonder peil!
Hij kon des levens jammer dragen En spotten met al de onweervlagen,
Die \'t noodlot om zijn hoofd deed jagen. Na \'t eens genoten godlijk heil!
100
Do Waarheid in haar eigen luister
Te aanschouwen in het godlijk Licht, Ontslagen van des lichaams kluister;
Het oog der ziel op Hem gericht,
Dio in zijn Eenig, Eeuwig Wezen Zich-zelven en \'t heelal raag lezen, Wat afgrond, Geesten, van gena! Wat leven in het Eenig Leven,
Uw wezen in- en uitgedreven.
Zelfs door den stroom niet weêr te geven Van \'t eeuwige Hallélujah!
Wat zou het schepsel zich vermeten.
Dat rondwoelt door dit aardsche stof.
Zich wringend in zijn slavenketen.
Te rennen naar uw hemelhof?
Neen, Geesten, voor geen stoflijke oogen Vertoont zich Waarheids alvermogen.
Geen aardworm wordt in \'t Licht gevoerd. Wij mogen zuchten, smachten, hijgen.
Geen stervling mag ten hemel stijgen. Om daar volzalig neer te zijgen In \'t Leven, dat geen adem roert!
10]
En toch, wij zijn aan u verbonden, Wij zijn uw broeders, Englenrij! Ons, met dit stofkleed nog omwonden,
Staat gij als trouwe wachters bij. Wij zijn uw broeders, uitverkoren Om met des Vaders Eengeboren\'
Voor ons gekruisten eeuwgen Zoon Ook eeuwig in dat licht te zweven. Dat de adem werd van \'t Geestenleven, En met dien lichtstroom opgeheven. Te Jnublen voor des Hoogsten troon!
Ja, machtelooze stervelingen,
Verheft U op een hooger kracht!
Eens mogen we om den zetel dringen
Van \'t vlekloos Lam, voor ons geslac\' Eens mogen wij met de Englenscharen Op Waarheids vollen middag staren.
Ons-zelf aanschouwen in haar glans; Haar Schoonheid in ons hart geniéten Bij \'t immer uit- en wedervlieten Van \'t alverrukkend lustgenieten Door d\' onbewolkten hemeltrans.
Daar zal geen duister ons omhullen Als in decs aardschen neveldamp;
Geen hoogmoed ons met waan vervullen;
Daar eindigt aller driften kamp!
Verbeid die hoogste zaligheden,
ö Stervling, wen een dwaze Reden,
Zich wil verheffen tegen God;
Blijf gij steeds hopen en gelooven;
Geen Rede kan den luister dooven Van \'t vlekloos Waarheidslicht daarboven; Gelooven is het zaligst lot!
Gelooven en op de uitkomst hopen
Van wat de Waarheid heeft verklaard! Wat hemel ging den stervling open,
Wat zonlicht in den nacht der aard! ö Danken wij voor dezen zegen!
Ons hart vliegt hier den hemel tegen.
En roept: âik ben van \'t heil gewis, Dat eens in hooger levenskringen Mijn innigst wezen zal doordringen; Ik voel het in mijn borst ontspringen, 0 God, op uw beloftenis!quot;
108
Wat waanzin heeft u aangegrepen,
Vermeetlen, die dat lieil versmaadt, En daaglijks offers meê wilt sleepen
In d\' afgrond van uw waarheidshaat ? Onzaalgen, die in naam der Reden,
Haar laatste vonk in \'t slijk vertreden.
Haar laatsten glinster hebt geblusclit; Gaat mot het dier in ondierholen. Met woudgehroed om voedsel dolen, Maar met geen Christnen samenscholen, Ci ij roovers van hun zielerust!
Uw glorie is: de waarheid haten.
De waarheid, die uw hart ontzet; De waarheid, vloekbare onverlaten.
Die eens uw helschen kop verplet.
Wat roemt ge op vrijheid en verlichting. Op weêrgalooze statenstichting,
Waardoor de mensch weêr mensch mag zijn? Do Hel, uw boezems ingevaren.
Loeit brullend door uw hart en aaren: âHerschept de menschheid in barbaren.
Maar doet n voor in Englenschijn!quot;
104
Niet vruchtloos is \'t bevel vernomen.
Gij roept; âde Reden eischt, gebiedt,quot; Als waar geen gruwelstuk volkomen,
Dat niet in Redens naam geschiedt! Die Reden leert u God verzaken,
\'t Heelal, u-zelven God te maken;
Die Reden leert: âgeen God bestaat!quot; Die Reden leert: âslechts stoflijk leven Heeft aan den mensch den geest gegeven. Die alle ruimten door mag zweven.
Maar met zijn laatsten snik vergaat!quot;
Die Rede leert: âde geest blijft leven.
Hij is zijn schepper in zich-zelf. Dat scheppen is zijn eeuwig streven.
Wat noemt gij aard of luchtgewelf? De geest is \'t die zich uit mag breiden, Zijn eigen stralen om zich spreiden.
En in dien glans zich-zelf aanschouwt. Geen stoflijk aanzijn op onze aarde! De geest is \'t die zich-zelven baarde. En scheppend zich zich-zelf verklaarde. Die geest is eeuwig jong en oud!quot;
105
Die wartaal zou de Christen hoeren, De Christen, juichend in zijn God? De Christen voor \'t bezit geboren Van \'t allerhoogste lustgenot?
Keen, snoodaards, in liet slijk verzonken. Van \'t bloed der Christenhelden dronken
En woede snuivend en verderf\'; De Christen kan uw wraak verachten; Gij moogt hem op uw outers slachten, De hemel schenkt hom moed en krachten; Hij jubelt: â\'t is voor God dat \'k sterf!quot;
Geen bloeddorst van geweldenaren Ontzet des vromen rein gemoed.
Hij blijft op \'t zaalgend kruishout staren;
Daarlangs vloot eens zijns Hollands bloed Dat bloed schenkt troost in lijdensuren, Dat doet hem alle smart verduren,
Als lichtte een hemel voor zijn oog; Dat bloed, uit Liefde daar vergoten,
Heeft reeds het Paradijs ontsloten Aroor al des Heilands keurgenooten; Dat bloed voert ook zijn ziel omhoog!
i on
Verdubbelt dan uw schrikbre woede,
Als slaven van het diüvlenheir! Wij schuilen in des Heilands hoede,
En bieden moedig tegenweer.
Wij blijven u den God verkonden Die zich belaadde met de zonden
Van Adams diep gevallen kroost. Wij blijven hopen on gelooven.
Geen Licht als \'t Waarheidslicht daarboven! (leen ander heil in \'t aardsche sloven; («een ander heil schenkt zieletroost.
Geen ander heil dan door uw wonden,
Verlosser, Heer en Godlijk Lam! Gij hebt ons van den vlook ontbonden.
Die ons ons eenig heil ontnam.
Wees, Heiland, wees geloofd, geprezen, Wij zullen eeuwig de uwen wezen!
Wij sterven voor uw hemelleer!
Laat d\' afgrond dan zijn vloeken braken En duizenden uw naam verzaken; Gij kunt alleen ons heil volmaken! Gij zijt der wereld God on Heer!
1873.
1893.
W A AN.
föMt\'
waan is een nevel in \'t menschelijk hoofd, Een nevel, van lichtglans doorflonkerd.
W Die mist wordt door stijgende dampen vergroofd Zk En \'t licht door die wasems verdonkerd.
Maar de oogen der ziel zien de omheveling niet; Zij staren, begoocheld, ten hoogen.
De zon is zoo schoon waar haar Inister gebiedt; Die luister doorstraalt \'s hemels bogen.
Zoo droomt men. De geest vliegt het licht te gemoet. Maar duizelt weer af naar deze aarde.
Nu is hij verzwonden, die schittrende gloed,
Dien \'t brein in zijn wolkendrift baarde.
WETENSCHAP-
e^e11\' we^en\' 11\'c^ gelooven !
v Neen, wij zijn geen dompers meer. -*^o
Uit het starrenveld daarboven Daalt de vrije kennis neer.
Zoek haar, jongiing, in de boeken En wees fier op \'tgeen gij ziet. Leer het dom geloof vervloeken; God toch schreef die boeken niet.
AA^l.
â fltóff ij hebt (dit blijkt me) meer dan heilzaam is gelezen iplllt En waant u thans geleerd.
Maar ach! mijn vriend, uw hart, zoo kinderlijk voor dezen, T Is gansch verspinozeerd.
EIGEN W 1 ü.
»at koninkjen in ieders borst Wil als despoot regeeren;
Speelt altijd oppermachtig vorst
X
f En duldt geen reklameeren.
O Joeg men \'t ding de wereld uit, Dan ware in eens al \'t kwaad gestuit.
G
GENIEÃN-
et krielt thans overal van wondren en genieën â A En \'t aardrijk wordt te kleen.
O smeeken wij tot God op neêrgebogen knieën: âGeef hun een bol alleen.quot;
EEN IDEfiUlST.
quot; |fS| chcfl mijn zijn is in mijn peinzend hoofd gelegen.quot;
âDan is uw zijn niet véél. \'t Is best dus maar
1
4 vC ^ s/V ^ v/V ^ s/V* ^ «iv 4 vC i Cv ^ v-C I vV ^ v-C i ^ v-C ^ v-V 4 ^V ^ V-\'C ^ s/W I vC ^ Cv 4 V-C t v-^V 4 C^\'^/v-
W*$-* â¦-â¦â¦â¢â â¦\'\'⢠â¢â¦â¢â â¢â¢â â¦â¦ â¦â¦.\'â¢â¦â¢ â¦â¢# ⦠⦠. ⦠⢠⦠⦠â ⦠⦠â¦â â¦,â¦â¦ « « «:« â¦\'⢠* * , itóf,
è v é \'v1\' è \'A\' ^ \'*quot; é é \'*\' é \'*\' A * é x {*lt;quot; A * A *\' A x ^ \'J: k x A x A quot;â *â A x A \'*\' A \'x A \'x- A \'$$ \'i Pl^w.v \'.VV*:{.V :,t \'.V v»\\\'t v\'»\'^\'«v \'ft.\'# -v- - v^ -^vf
CHRISTUS VINCET.
|g|jai\' c^en quot;,\'or der Heeren een lied, lt;?J Kg/3su_e^ Aan den Christus een lied !
fi) W-ijf
w
it ,6
â¢i Men heeft Hem verstoeten, verworpen; Toch heerscht Hij als Clod,
Toch heerscht de Gezalfde !
Hij heerscht in do heêmlen daarboven.
Waar \'t heir der verlosten Hem zingt. Hij heerscht als de Koning der glorie. Het licht is zijn golvend gewaad, \'t Omstraalt hem met schoonheid en kracht, \'t Omflonkert zijn hoofd als een krone,
Waar do Serafs aanbiddend op staren; Een kroon, waar het leven der liefde Als hemelsche vuurvlam in blaakt.
8
11-1:
Men heeft Hem verstoeten, verworpen ; Toch heerseht Hij als God,
Toch heerseht de Gezalfde.
Op de volken stort zijn gramschap neêr. Op de legers zijn blakende toorn.
Hij heeft ze ter slachting gewijd, Hun lijken daarheen geworpen.
Verbolgen geeselt Hij do aard.
Ontwaakt, laat u redden,
Laat u redden, o volken!
Aanbidt den Gezalfde.
Hij redt wie zijn tooren verbidt.
Laat u redden, o volken!
Wee den weèrbarstigen, wee!
Ontwerpen smeden ze als goden. Verbonden, als ware er geen Koning; Maar Gods wrake genaakt als een stortvloed,
Zijn bloedige wrake genaakt.
Dan roeit een hagelvlaag de steden dor logen
Als distelen uit.
Dan vernietigt Hij de verbonden;
Dan komt aloverstroomende verwoesting.
En de volken worden verpletterd. Dan zal Hij woeden des daags.
Geweldig woeden des nachts;
Dan grijpt op \'t geritsel des blads ons siddering aan.
Gij hebt Hem getergd, o volken,
Gij hebt den Gezalfde getergd.
Hij kocht u vrij met zijn bloed;
Zijn laatsten druppel vergoot Hij voor u.
Gij hebt gespot met dat bloed, gespot mot zijn prijs!
Hij zal een leger om u slaan.
Uw steden benauwen.
Uw sterkten verpletten;
Want gij hebt gespot,met zijn bloed. Dan wordt gij als stof\'.
Als wegstuivend kaf.
Uw eind is verdelging,
Verdelging en dood;
Want gij hebt gespot met zijn bloed. Vernietigt uw trots!
Aanbidt den Gezalfde.
Zijn tooren ontbrandt!
Aanbidt den Gezalfde,
Eer zijn gramschap u velt.
Aanbidt Hem als Koning,
Aanbidt den Gezalfde,
Aanbidt Hem als Redder en lieer.
116
Uw bloei zal herrijzen, Uw grootheid en kracht.
Aanbidt den Gezalfde,
Aanbidt Hem als God!
Dan zal Hij spreken: âIk ben weer hun Heer Hun Vader, vol liefde ben ik.
Mijn volk, mijn kindren zijn zij.
Ik werd hun Redder,
In hun angsten was ik zelf beangst;
Ik zond mijn Engel; die maakte hen vrij. Zij stonden wel op,
Zij vertoornden mij wel.
Maar ik dacht aan de dagen van weleer. Aan dat heir, mij geheiligd.
Mij gewijd door zijn bloed,
Die nu glanzen, met starren gekroond. Ik dacht aan dat schitterend heir.
Nu vergeet ik de zonden mijns volks.
\'t Is gewasschen en blank, \'t Is blanker dan sneeuw.
Mijn volk, ik kroon u met kracht.
Verwinnend keert ge weer uit den strijd. Hef uw oogen ten hemel.
Blik neder op de aard. Die hemelen verzwinden als rook;
Deze aarde verdwijnt als een damp.
Haar bewoners als nietige wormen,
Die de wandelaar ziet en vertrapt.
Maar het rijk van mijn glorie is eeuwig;
Mijn Godheid is \'t licht van mijn kroon.quot;
NflflR BOVEN-
\'.VA.
/« y r^WrM
mm ^ar Boven! Naar Boven! Gevleugeld omhoog!
Wien kon liier dit stof ooit verzaden? Jvp\' O dat nu mijn geest door die hemelen vloog, j!\' Waar Serafs in lichtstroomen baden!
mocht ik mij spieglen in \'t glanzen uws troons, Versmeltend in hemelsche weelde,
Me erkennen, o Liefde, in den weerschijn uws schoons, Waar eeuwig uw aanblik mij streelde!
Dan rende ik, dan vloog ik, in min dan een zucht. Zoo ver als er werelden draaien;
Dan dwong ik de starren in tuimlende vlucht. Als vlammen, uw troonstoel te omzwaaien.
Dan zong ik, dat de aarde, verrukt door mijn toon. Aanbiddend omhoog steeg en vlamde;
Dan zongen de sferen slechts \'t eeuwige schoon: Het Licht waar heur straalglans uit stamde.
Dan knielde ook voor u de Godloochenaar neer.
Luid juublend: âó Liefde, ik aanbid en verteer.quot;
if
GEBED.
V^v,v-V:\'%
oe mij uwe liefde kennen, diei\'bre Heiland, naar uw
i»#
\'quot;mli woord.
â¢/jfryfly
\'asj\' Doe mijn ziel vol wellust voelen, dat ze U eenig toe-
Jlt;J
t
behoort.
\' Moog mij niets voldoening schenken dan de volheid uwer
vreê ;
Zij vervul mijn zielsbehoeften met mijn teerste hartebeê.
f1
flAH DE POÃZIE.
g^prscliijnt gij mij in do uchtendglansen 4 En stijgt ge met de zon ten troon? Of strooit gij \'t ruim der morgentransen Met stralen van uw hemelkroon ? Volschoone, daal op aarde neder;
Verhef ons door uw aanblik weder; Wat zwiert gij langs do starrenbaan ? Hier moogt ge ziel en zin regeeron, Hier harten naar uw wenk beboeren. Hier bidt m\' u in verrukking aan.
Doorgloei ons, ja, en leer ons zingen ! Laat, in verheêmiend zielsgevoel, De schoonheid ons Instaan doordringen Mn maak haar tot ons levensdoel. Zij strale en vlamme voor onze oogen. Doorstroome ons met hour alvermogen
120
Eu leero ons, aan dit stof ontschaakt,
Door hemelen en wereldchoren,
Tot voor des Eeuwgen lichttroon boren, A Va ar zij alleen de harten blaakt.
Maar neen! gij heerlijke, in wier stralen Gods weerschijn schitterde over de aard. Wat zoudt gij tot ons nederdalen, Als waren wij uw aanblik waard? Wat zoudt ge uw vlekkeloozen luister Bezwalken in dit dampend duister.
Waarin \'t verdierlijkt menschdom wroet ? Ga \'s hemels Serafijnen kronen.
Die in het licht der Godheid tronen.
Geen morgenschuwend nachtgebroed.
Een heir van woedende aartstirannen Blinkt met de koningskroon om \'t hoofd. Wil de Almacht van deze aard verbannen, Terwijl het plondert, blaakt en rooft. Wat Christus\' naam vereert, moet sneven Do Satan schikt van aller leven.
De Satan, die zich kronen smeedt.
En ze op de hoofden werpt der slaven, Die in zijn vloekgareelen draven.
Tot aller vromen moord gereed.
Zie \'fc bloed der scliuldeloozen stroomen, Zie duizenden versmoord in \'t bloed,
Dat tot behoud der wereldtoomen Het siddrend aardrijk baden moet. Wat monsters grijnzen, dartlen, springen Als losgelaten doemelingen En juilen; âChristus ziet dit aan!
Ha! mocht hij aard- en hemelsferen Als algebiedend God regeeren,
Wat zou hij ons te pletter slaan!quot;
Hun woede bruist, hun aders koken!
âMoord,quot; brullen ze, âimmer, immer moord; Wij blijven van ons wit verstoken.
Zoolang er hooger leven gloort.
Des Heilands naam moot afgezworen, De helgeest in zijn tempelchoren Zich outers stichten, Hem ten hoon! Wat zegt het, dat wij Christus haten.
Zoo wij Hem nog vereeren laten Als Heer en Gods gezalfden Zoon?quot;
Neen, bemeldochter, schuw deze aarde!
Heur bloedwalm stijgt tot \'s hemels boog; Schuw, schuw de met Gods vloek bezwaarde. En heersch in \'t lichtgebied omhoog.
Of neen, doe reine boezems branden.
Nooit siddrend voor de dwingelanden.
Al bliksemt reeds hun moordend staal; Maar, met het oog tot God geheven, Reeds aamend in een hooger leven, Weorschittrend in hun heldentaai.
Ja, hemeltelge, doe ons blaken Van \'t vuur, dat om Gods zetel vlamt. Waaruit de gloed der starrendaken. En ?t licht van duizend zonnen stamt. Laat dat van onze hoofden blinken, Den booswicht in hot niet verzinken. Die \'t door zijn duivlenblik ontwijdt. Beziel het hart der kunstenaren, Die Jezus nog hun God verklaren. En toon, dat ge alvermogend zijt.
DE KERK-
I.
06 droevig omknnglen de stralen, Do stralen der hemelsche zonne, Die zoo fier eens uw voorhoofd omblonken,
TV
gt; Hoe droevig omkringlen die stralen i Uw kroon, die, ontzet van heur luister. Een doodfloers vertoont als des grafs!
Gij, schoone, in uw godlijken morgen,
Een dag als nooit scheen voor deze aarde, Gekroond mot de glansen des levens,
Gedost in \'t gewaad der viktorie,
Door uw Bruigom op d\'afgrond bevochten; Gij, schoone, wat treurt gij in \'t duister. Wat zucht gij, wat steunt gij zoo somber? Wie sloeg aan uw krone de handen?
Wie rukte ze onteerd van uw slapen.
124
En trapte ze aan flarden in \'t slijk?
Is uw Bruigom verwonnen, wiens Liefde U met schoonheid omkroond had en kracht ? Verstiet hij zijn eenig - beminde?
AVat treurt gij, ö schoone, in het duister? Wat zucht gij, wat steunt gij zoo somber?
âAch, \'k heb kindren gekweekt en verheven.
Tot koningen maakte ik hen allen;
Ik drukte ze, als Moeder, de kronen
Oji ;t geheiligd en vorstelijk hoofd!
Zij heerschten zoo ver de Oceanen
I)e majesteit Gods ons verkonden;
Zij heerschten en werden aanbeden.
Als een hemelsch geslacht op deze aarde,
Wat trots bood verzwond voor hun kracht.
Maai- zij wilden gebieden als goden.
Geen kroon meer te leen van hun God.
Zij hoonden onzinnig hun Moeder,
En zwoeren haar woedend den dood.
\'k Omarmde nog smeekend hun voeten.
En bad: âzijt mijn ziel niet tot schande.
Mijn zonen, ik min u zoo teer!quot;
Maar zij stieten mij woedend ter neder,
En brulden waanzinnig: âter dood!quot;
Jl.
er dood! Ha! vermoorden de trotsche, Die wil heerschen op \'t vrije gemoed! Ter dood! Dat geen blad der historie Meer melde, dat /e ooit heeft bestaan! Ter dood! Dat een vloek op heur lippen Voor het laatst nog haar schepping vergui/,\'!\'; Dat woord klooft de transen des hemels! De Godmensch, gehoond op zijn zetel, Gehoond in de smaad zijner Bruid,
Vraagt: âschept gij op morgen nog adem. Gij, goón, die geen God meer vereert? Gij, helden, rukt aan met uw benden, Ompantsert uw schedels met trots! \'k Verpletter uw woedende drommen; Al strijden ze, als vlammen, zij zwinden Voor d\' adem mijns toorens in \'t niet.
Mijn Bruid ga ik kronen met starren. Als vonklen in \'t kleed van mijn troon;
Haar schoonheid verhemelt heel de aarde.
jgft
126
DoorHonkcrt de banen des hemels;
Golft stralend langs \'t voorhoofd der zon; Maar u slaat ze bliksmend ter aarde; Heur glansen verblinden uw oog. Uw lippen, van schuimende woede Aan \'t huivren, vervloeken de Hoop. Dat\'s \'t eind van uw woelen, gij dwazen, Die \'t kleed van mijn glorie versmaadt.quot;
AAfJ DE GÃHESTET.
|.\' mocht er oen vonk van een hooger genieten l)an de aard hcur bewoner als zaligheid biedt
fl Uw hart en verstand in hun wensdion ontschieten, A Vat had ik u lief om uw heerelijk lied!
^ Het is aan uw boezem zoo kunstloos ontsprongen. Het geurt ons zoo welig, zoo zacht te gemoet; Het kan als do lont\' heel de schepping verjongen. Het stroomt ons zoo frisch door het hupplende bloed. O hadt ge in die aard ook een weerglans zien leven Van Hem die voor haar zich omkleedde met stol\', Wat zou zo in uw zang door de hemelen zweven, Vol geuren en kleuren, tot \'s Eeuwigen lot.
LiEVEfJSZUCHT.
yTr--\'A\'rWtf
\'k ob \'t loven van uw hand ontvangen,
2jlsl| Dat door mijn aders woelt, #â Maar, God, vervul mijn zielsverlangen, T Dat hier geen rust gevoelt. \' Wat heeft het leven op deze aarde
Voor \'t hart, dat U begeert;
Wat beeft bet voor een borst van waarde,
Die Gij geheel beheert?
Ue wereld moog zich schatten gaaren.
Ik acht geen blinkend slijk.
Laat mij op uwe schoonheid staren.
Dan bon ik eeuwig rijk.
De wereld minn\' \'t genot der zinnen.
Ik wil uw Liefde alleen.
Zoo \'k U mag loven en beminnen,
Is mij heel de aard te kleên.
Uw liefde, o Jezus, is mijn leven.
Mijn eenigst heil op aard.
En niets kan mij de wereld geven Wat met haar evenaart.
Gevolgd.
EEN liEZER VAN HUYOENS.
1%ie Huygens dacht gezond. Dat voelt men onder
\'t lezen.
f Maar toch zijn zinrijkheid moest min diepgrondig wezen.
\'k Zeg gaarne, wen ik timr op verzon: â\'k heb den zin Nn door en door gevat; er bliJCt geen oort nicer in,quot;
li
EEN EGOÃST.
Js of een ieder wenscht, dat ik voor andron zwoeg, â * En, zoo \'k mij mild betoon, \'k ben nimmer mild
L\'cnoeL\'.quot;
kritiek.
houd niet van kritiek,quot; zoo dacht een jong poëet Zij spreekt me veel te boud, alsof zij alles weet.\'
GEESTDRIFT.
lIMM ij heerscht in \'s kunstnaars hart, wanneer hij \'t schoon
Gij vlamt zijn kunstkracht aan en voert haar boven de
aarde.
Uw adem was do ziel van \'t hoogste jubellied Zoo vaak Gods schoonheid zich als godlijk openbaarde.
ABN KINKER.
wijsgeer heeft in u don kunstenaar gedood.
C
De wijsgeer? Neen, de dwaas, zijn eigen hersenbeelden Aanbiddend als zijn goên. Wat dacht ge u zeiven groot,
*4°
s Toen in uw dwarlend brein slechts neveldampen speelden!
EEN IVIflTERlALiIST.
Wmns leven is een damp in blinden cirkelloop.quot;
âVoortrellijk, boodt ge ons slechts dien cirkeldamp
te koop.quot;
MÃamp;MÃMMMÃMIÃWMiÃ
TOUUENS NflOEZONGEN.
quot; »wl-Ciriekenland had zeven wijzen, vl l\'iii ik, ik heb maar zes patrijzen.quot;
Zoo zong een schoolknaap, die van \'t ras Der echte muzenzonen was.
Zijn Meester sprak: âzwijg, mailo jongen ; Dat hebt gij Tollens nagezongen.quot;
GEVOEh EN GEVOELIGHEID.
M: cvoel bclioersc lit do ziel en doet haar \'t schoone
smaken;
I \\4iquot;
\'fc Bezielt do schepiiingskradit van d\' echten
kunstnaarsgeest. liet mocht als hemelgloed in Dantes boezem blaken En is in \'t rijk der doOn zijn hoogste gids geweest. Gevoeligheid verwijlt. Ze is vijandin geboren Van alles wat de kunst als grootseh en edel roemt .
Zij voert geen zienorsgeest naar \'t licht der starrenchoren, Maar wijst het vonnis waar men kracht en geestdrift doemt.
i
AAN EEN APEN-TEliG.
Illl ij stamt uit aponbrood? Dat \'s waarlijk reciit verheven!
Maar spijt uw denkkracht en verstand. Mé\'S â¢\\Yaar il0t(.r toch voor \'t vaderland,
VT
i Waart ge in uw eigen stam gebleven.
DE KUNST.
ÃmL kunst is den mensch, toen hij Eden verloor,
mMAT
Ten lichtschijn in \'t duister gegeven.
Ze omstraalt hem, den balling, mot hemelsehen gloor ^ En loutert en adelt zijn leven.
Benijdbaar wiens hart zij bezielend doorgloeit!
Zijn geest staart de schoonheid in de oogen.
Hij voelt bij dien aanblik zijn zielskracht ontboeid En toovert niet scheppend vermogen.
EEN FILOSOOF IN UR-STOF.
â\'k ^arië gezocht, maar eindlijk ook gevonden.
Ij^pü God schiep geen wereld, neen!
Een ur-stof werd, in hard en week ontbonden,
/1*
( Hier zee, ginds marmersteen;
\' Hier geurig roosje en ginds der dieren koning; Hier renzenboom in \'t woud.quot;
âEn ginds een wonderding, der wijsheid woning, üat ur-systemen bouwt.quot;
WELDOEN.
1«? enk l)ii uw weldoen nooit, dat gij weldadig zijt.
i § pyi
Maar dat uw liefde zich naar Jezus\' voorschrift kwijt.
...............................................................................................................................................................................................
GENADE.
imamp;it den hemel daalt gij neder,
Gods volheerlijk spiegelbeeld. \'W ^^ra\'cri^ gij de zielen,
i? die uw levensgloed herteelt.
\' Stralend heiligt gij den Seraf,
die, aanbiddend in Gods licht,
In de zaligste verrukking
op uw schoonheid do oogon richt Godlijk zijt ge, o krachtverraogen,
dat in lontrend hemelvunr Engelen en menschen opvoert
boven d\' omvang der natuur. God, maak Gij uw werk volkomen!
Ons is uw genadevloed
\'t Onuitsprekelijk mysterie
van uw eeuwgen liefdegloed.
Gevolgd.
DWALEN.
jq\'-\'-
wft-^^euk, dat gij dwalen kunt en dat gij dikwerf dwaalt.
§â # Zoo go anders oordeelt, zijt ge in \'t dwalen reedsâ # Zoo go anders oordeelt, zijt ge in \'t dwalen reeds
verstaald.
X
4 1
öcliiet niet zijn oog een sprank van godlijk hemelvier? \'t Is Goethe die hier rust! Hij die zijn godlijk wezen In zangen hoeft verbreid, die tijd- noch eemvstroom sloopt; Die u uw godlijkheid in lichtmuziek deed lezen.
En gansch Europa niet dien lichtvloed heeft gedoopt.
Buig neder, kind der eeuw! Verzaak do zoenaltaren.
Waarop de bloedgnts drupt uws iieilands van omhoog!
Zwelg levensstroomen in met op dien god te staren,
Wiens hier vermolmend rif slechts d\' afschuw wekt van \'I oog
OP HET GRAF VAN GOETHE.
OP HET GRAF VflN VOUTAIRE.
ie, Frankrijk, hier uw God! Hem hebt ge uw eed
gezworen!
Mem hebt ge voor het oog van \'t razend volk vertoond,
Als Heiland van zijn eeuw, als Redder, u beschoren! Zoo helsch heeft nooit de hel des hemels God gehoond. Zweer hier dat monster af en werp u weer in de armen Diens Heilands, die zijn bloed voor \'s aardrijks iieil vergoot. Vernederd Frankrijk, ja. Hij biedt u zijn erbarmen!
Kies Jezus\' heerlijkheid of god Voltaire\'s dood!
PARIJS (IN 1873).
â fRI\' ermetele, is uw trots verbroken?
Ligt gij beschaamd in \'t stof geknield,
cy Met de armen tot Hem uitgestoken,
V
Door wiens ontzachbre wraak gij vieit? Gij, wereldkoningin, in !t schittren van wier kronen
De middagzonne blonk;
quot;Waar is uw heldendrom, waar zijn uw fiere zonen, Wier vuist u scepters schonk?
Gij hoordet \'s hemels donders knallen.
Maar spottend hieft gij \'t hoofd omhoog. En spraakt: âwie telt do duizendtallen. Voor d\' opslag vliegend van mijn oog? Ik deel de kronen uit aan die deze aard beheeren,
Ik stoot de tronen om!
Ik zie de koningen zich voor mijn wenk verneèren. Ik teel hun heldendrom!quot;
10
146
En zie, een stem klonk uit den hoogen En sprak: âIk werp haar hoogmoed neer!
Zij spotte met mijn Alvermogen;
Ik ben haar God noch Heerscher meer!
Verbrijzeld wordt haar kroon, haar trots, haan dartle weelde
Het wereld-al ten spot!
Ik schiep den stralengloed, die door haar kroongoud speelde; Ik eisch hem weór, als God!quot;
Verwoed grijpt gij het staal! De glorie Speelt bliksmend langs uw heldenzwaard! âEén Godheid slechts, de krljgsviktorie (Dus roept ge) is mijn aanbidding waard!quot;
Gij vliegt naar \'t oorlogsperk. Opnieuw een oogst van kronen
Door \'t moordend zwaard gemaaid?
Opnieuw een puinlioopklomp geschapen uit de tronen,
Waar gij uw klingen zwaait?
\'tVerdelgend vuur ontbrandt! Uw helden Verstikken in zijn sulfergloed!
En gij, vorstin der oorlogsvelden.
Gij plast in uwer zonen bloed?
âNeen, (roept ge woedend,) neen! nog schieten kroneglansen
Heur stralen om mijn hoofd!
Nog tarten zij omhoog de fiere hemeltransen!
Nooit wordt heur glans verdoofd!quot;
147
Dat woord hoort de Almacht! Zie, verdelgend vaart zij neder, En slaat uw kroon ter aard.
Maar gij, nog dronken van uw glorie, grijpt haar weder. En heft ze hemelwaart!
Nu barst de wrake los! Nu treft de Gruwel wreker Door elke heldenvuist.
Die, telken feilen slag van uw vernieling zeker.
Haar diamant vergruist!
Verstoven is uw kroon, verzwonden zijn uw zonen,
En de aarde jubelt vrij:
âDe dwinglandesse viel, die speelde met de tronen.
Haar glorie is voorbij!quot;
AflfJ Dfl COSTA.
|| erhevenst kunstgewrocht des eengen BildercUjks!
Gij, Dichter, veel te groot voor \'t jammerdal des slijksr fy Die vuurgloed om u strooit en bliksems uit uw aaren Op Godverzakcrs schiet, uws Heilands lasteraren Verstomt door \'t harpakkoord, uw grooten Meester waard ; Gij hebt ons Davids lied in Vondels taal herbaard!
DA COSTfl\'S DICHTGliOED.
Ml-erheven krijger, nooit door d\' eeuwtrots neêrgebogen. ^4 Steeds aadlaar in uw vaart!
Da Costa, in wiens lied der waarheid alvermogen â¢
Den nacht doorklieft der aard!
Wiens adem dichtgloed was, ontzettend, schokkend,
blakend;
Wiens liefde Poëzie!
Wie smelt niet op uw toon, zich-zelf en de aard verzakend,
In Englenmelodie ?
O zalig die gevoelt wat gij in \'t hart gevoelde.
Dat voor zijn Heiland boog;
Oeen gunst, geen lustgenot, geen hooger heil bedoelde
Dan zijn ontfermend Oog.
Wat, zoo u \'t volle licht diens Heilands waar verschenen,
Hadt ge in uw hemelsch lied Gezongen voor onze aard? Gij waart in \'t licht verdwenen. Dat om Gods zetel vliet!
i
JEZUS CHRISTUS.
4m^ Göd van eeuwigheden, \'s Vaders Eengeboren Zoon, 4fe^i£ Wien de Hemelchoren loven
In het vlekloos licht daarboven, Uit hun starrelichten troon!
Jezus, in het licht gezeten.
Aan uws Vaders Rechterhand,
Waar Gij de onafzienbre keten Van het lot der schepping spant; God uit God, in \'t vleesch verschenen, \'s Menschen lot- en leedgenoot! Gij kwaamt met ons zuchten, weenen. Ons met uwen God vereenen;
Heil! Verwinnaar van den dood.
Jezus, God van eeuwigheden, \'s menschen broeder in dit stofl Stijgen u de zegepsalmen.
Dank- en lof- en liefdegalmen!
151
De aarde werd uw hemelhof.
Juicht ons tegen, hemelingen!
Drukt ons vlammend aan uw hart!
Voert ons in uw starrenkringen!
Jezus heeft de hel getart!
\'t Slanggebroed is plat getreden !
Jezus spant de scheppingskroon!
Hij herschiep ons \'t schuldloos Eden!
Paart nu met uw jubelbeden \'s Menschen dank- en liefdetoon!
Jezus, God van eeuwigheden. God uit God, met ons vereend! Juicht, verheft u, sfcofgenooten.
Eens in band en boei gesloten!
Juicht, uw hart heeft uitgeweend!
Toon u glansrijk, bloeiende aarde!
Zie het licht der eeuwen daagt,
\'tls Gods volheid, die het baarde.
En den nachtdamp voor zich jaagt!
Aarde, grijp u hemelstralen!
Vlieg in lichtglans naar omhoog;
Alle volken, allo talen Moeten \'t eeuwig lied herhalen.
Galmend door den etherboog.
Jezus, God van eeuwigheden, de aarde werd uw troongesticht! Vorsten komen tot do glansen Van uw nieuwe glorietransen,
152
Ãchittren in uw hemelsch licht!
Majesteit en macht en luister Flonkren aard eu zeeën door,
En het heilloos uevelduister Wijkt voor \'slovens morgengloor!
Treedt, uw feestdos aangetogen,
Schittrend in \'t genadekleed.
Voor uws Hollands minlljke oogen,
Glinsterend van alvermogen,
Volken, tot zijn dienst gereed!
Jezus, God van eeuwigheden. Gij beheerscht de juichende aard. Alles jubelt van uw glorie.
Alles viert uw krijgsviktorie,
Onder uw banier geschaard!
Zeeën bruisen lofakkoorden,
Aard en Hemel smelt tot één!
Harten, die in wanhoop smoorden.
Huppelen van zaligheên!
Lof en dank aan d\' Eengeboren!
Liefde is Jezus\' praalgewaad!
Boven alle wereldchoren Zullen we in Zijn liefde gloren!
De aard werd \'s Hemels dageraad.
OODBETROUWEN-
rrm i
pljt ooft den Heer, zijn dienst gewijden! Hij is schepslen
eindloos goed, Waar Hij zich aan \'t lijdend harte naar zijn
heilwoord kennen doet.
Hij is de eenige, die redden, die uw heil volmaken zal,
Hij die \'t eerst uw boeien slaakte, na uw gruwbren zondeval! Zou die God u ooit verlaten, die op \'t zaalgend Golgotha Uit zijn wonden ons het leven stroomen deed der zoengenA ? Neen, mijn Jezus, uw verlosten blikt Gij steeds meedoogend aan: \'t Is uw wellust hen te redden en ten hemel voor te gaan. quot;Wentel op dien God uw zorgen. Christen in zijn naam gedoopt! Ken geen heil, geen levensvreugde, die gij niet van Jezus hoopt. Laat de wereld om u woelen, spotten met uw heilgeloof! Blijf\' gij voor der eeuw verguizing, voor haar spot en
lofspraak doof.
Heerlijk zult gij zegepralen, als de glans der aard vergaat. En de dwaze Godverzaker voor uws Hollands vierschaar staat. Lijd; uw Jezus heeft geleden! \'t Lijden is uw zegepraal.
Ieder zucht van \'t Christenharte wordt een hemelgloriestraal.
GEBED.
igffijH Jezus, ik gevoel in \'t hart uw liefdestroomen,
Vol zaligend genot en loutrend hemelvier.
Wat machtige adem, uit uw Godheid voortgekomen,
T\' Hergeeft mij \'t leven thans, in \'t leed bezweken schier? \'l
O blijve uw volheid mij door hart en aadren vloeien; Wees in mijn binnenst God en Vader te gelijk!
Beheersch mij! \'k Werp mijn ziel in uwe liefdeboeien, En voel geen kluisters meer van stofgewaad of slijk. Uw Hemel is mijn deel, met U me in \'t hart gevloten, Met U mijn zaligheid en bovenmenschlijk heil.
Wat is dees wereld mij met wat ik heb genoten?
\'k Heb alles voor één blik van uwe liefde veil.
\'k Zocht schatten, \'k zocht genot; \'k zocht wetenschap te garen, \'t Was alles slavernij of logen voor \'t gemoed.
Ach, waarom mij niet eer in \'t godlijk Oog doen staren. En smeeken voor mijn hart om uw genadevloed?
Mijn Jezus, waarom niet mijn hart tot U verheven.
Mijn ziel het heil getoond, dat Gij uw dienaars schenkt?
155
Ach, waarom werdt Gij-zelf mijn hart geen zielc-leven,
Zoo hemelsch als omhoog de hemelseraf denkt?
Niet, niet aan U de schuld, Verlosser, maar mij-zelven!
Gij rlept mij, maar mijn hart weerstond uw liefdestem;
Ik wilde mij \'t geluk uit eigen boezem delven.
En voor mijn aardsch gemoed had Jezus\' woord geen klem.
Thans heb ik me U verpand, mij gansch aan U gegeven;
\'k Heb de aardschheid van mijn hart verwonnen door uw kracht.
Nu voel ik, dat mijn ziel genieten mag en leven.
En stijgen boven \'t leed van d\' aardschen jammernacht.
Dat leven is uit U, uw heilgeschenk, van Boven
Met goddelijk geweld mijn boezem doorgestroomd!
Mijn Jezus, \'k zal uw naam in dood en leven loven!
Gij hebt des afgronds macht gebreideld en getoomd.
Gevolgd.
OPSTAND TEGEN GOD.
Ã? flere menners der beschaving, vrije zonen
mm \' J
Jlllsii?. Van \'t nieuwgeschapen licht!
Hoe lang nog eer uw kracht zich eigen godentronen,
4.
I Voor Gods altaren, sticht?
\' Hoe lang nog eer gij heerscht en God, van de aard
verbannen,
Om uw bescherming smeekt?
Waarom de almachte Vuist niet in een boei gespannen,
Die zelfs geen Godskracht breekt? âDo volken zijn te vroeg in \'t zwelgend graf verzonken,
De volken van weleer!
Hun heeft geen vrijheidszon in \'t fier gelaat geblonken.
Zij voelden zich geen heer!
Geen heer, die boven zich geen Machtiger vereeren.
Geen Godheid wil ontzien!
Zij moesten zich voor God, als kinderen, verneêren,
Voor God, dien wij gebien!quot;
157
Voor God, dien gij gebiedt? Gij heerscht op God, vermetenen?
Gij, slaven van uw trots?
(.iij, die u in de boei des afgronds vast laat ketenen?
Gij schokt tie tronen Gods ?
Gij, wie éen bliksemslag tot vormloos stof kan pletten.
Roeit Gods altaren uit?
Gij gaat uw bloedig staal tot moord en slachting wetten ?
Geen Almacht die het stuit?
âEen eeuw nog (tiert ge) en de aard knielt vóórhaar nieuwe goden,
De tochten van \'t gemoed!
Een eeuw nog, en de mensch voert eigen wetgeboden
In eigen godenbloed!quot;
Vermeetlen, is dat woord geen opgedrongen logen.
Waardoor ge \'t volk misleidt?
Geen dolle wanhoopskreet, na \'t steeds mislukte pogen,
Van uw onmenschlijkheid?
Gelooft gij \'t, dat de mensch d\'Almachtige kan trotsen ?
Spot aarde en hemel niet Met de onmacht van zijn teelt? â Hier weigren harde rotsen,
Daar \'t breede lichtgebied.
Ginds de Oceanen hem den toegang! â \'t Dierlijk loven
Doorschouwt geen vorschend oog.
Wat zal den worm der aard dan vrijen doortocht geven
Tot de Almacht daar omhoog?
âMaar neen! daar is geen God! Wij werden niet geschapen;
Het toeval bracht ons voort!
Die godheid schenkt den een, hier enkel lust te rapen,
AVijdt anderen ten moord.
Die godheid wierp langs de aard den glans der diademen Den koningen op \'t hoofd.
158
Maar bood aan ons het zwaard, om hun die kroon te ontnemen,
Het zwaard, dat scepters klooft!quot;
Wat durft gij dan een bloei voorspellen aan onze aarde,
Als nimmer werd gekend?
Dat monster trapt tot puin wat ge in uw grootheid baarde.
Zooals het kronen schendt.
Of zal ook na deze eeuw dat gruwelspook verzinken,
Gij heerschen in zijn naam?
Of zal één godenkroon, met godlijke almacht, blinken
Om aller hoofden saam ?
Och, stervling, word toch wijs! Wat wilt ge uw God braveeren?
Op morgen zinkt ge in \'t graf!
Met al uw godentrots kunt gij den dood niet keeren;
Hij breekt uw heerschersstaf!
HEDE^l EN GEliOOF-
«few reden eischt, dat gij zult weten, niet gelooven? j{!||pp3 \'t Geloovon doemt uw geest tot vuige slavernij?
Gij laat uw dcnkingskracht niet van haar recht berooven, IV Maar vonnist, naar \'t u lust, en, als de Godheid, vrij? \' Maar, wijsgeer, uw begrip, in \'t zoo verheven denken, Is zelf\' afhanklijk van het voorwerp waar \'t op staart. . Uw geest kan aan zich-zelf niet ééne waarheid schenken, Door eigen scheppingskracht in \'t fier verstand gebaard. Hij ziet wat is, maar vormt het aanzijn niet der dingen. Die buiten hem bestaan en die zijn oog beschouwt. Wat poogt gij dan verdwaasd het godlijke in te dringen.
Alsof de Oneindigheid uw\' aanblik waar vertrouwd? De Waarheid hangt slechts af van \'t ongeworden Wezen, Wiens denken scheppen is, maar van geen sterveling. Gij moogt in \'t scheppingsboek slechts enkle letters lezen. Maar bootst uw\' trots om niet een eigen scheppingskring. Doorschouwt uw oog de zon in \'t flauwe schemerstralen, Wanneer heur morgenglans het andre rond verguldt?
160
Of is het middaglicht aan andre wereldpalen
Een droombeeld, dat ons brein met ijdlen waan vervult\'?
Uw God spreidt ook zijn glans door andre kreitsgewelven,
Dan die ge op \'t plekje gronds der nietige aard beoogt.
Van waar die waanzin dan, o wijsgeer, dat ge u-zelven
Als eenige uiting van de Waarheid eeren moogf?
Neen, welk een denkingskracht uw trotsche geest ontzwadelt.
Het licht der Godheid is zijn aardschen blik te hoog.
Hij is tot koning, ja, maar niet tot God geadeld;
Hij ziet een stralenspel; de zon ontschuilt zijn oog.
uiefdekRacht.
CMi* aar \'\'roon^ (\'0Z(\' aarlt;^ volhoorlijke, aangebedon,
Door \'shemels Englenstoct?
fïP Ciij, ilio den tijd verheft tot stoorlooze eeuwigheden, Waar woont uw hemelgloed?ïP Ciij, ilio den tijd verheft tot stoorlooze eeuwigheden, Waar woont uw hemelgloed?
Waar is de zaalge borst, die gij ten troon verkoren En, met uw vuur heziold,
Der aarde onttogen hebt, om door liet licht te boren.
Waarvoor de Seraf knielt?
Waar snoert gij harten saam in \'t onverdeeld genieten
Van leed en zaligheid?
Waar doet gij uit de traan die zachte deernis vlieten,
Waarin de wellust schreit?
ö Zalig die u kent; wien gij uw wet verklaren.
Uw hemel oopnen moogt!
Zijn boezem kent geen prang van nijpend zielsbezwaren.
Waar gij hom tegenoogt.
Hij kent geen eigenbaat, dio drift van lage zielen.
Die huichelend vermoordt.
En veinzend voor een hart aanbiddend neer te knielen,
liet in zijn stikdamp smoort;
11
162
Die koningen onttroont en volken doet verzinken
In vuige slavernij,
Om zelve met de kroon om \'t eerloos hoofd te blinken
In de opperheerschappij.
Haar kent de Liefde niet! Hour wellust is te vloeien
In \'t aangebeden hart,
Kn met dat hart vereend, belacht zij folterboeien
En wreede stervenssmart!
Zoo troont zij in het hart des Christens, die zijn waarde
Niet voor dit slijk veracht.
Maar, in haar zaalgen band, bij \'t zinken dezer aarde. Zijn eindbestemming wacht.
OP EEN ZOOGENAA1VID DICHTSTUK-
«Kk las uw werk, poëet! maar \'k heb het niet herlnzci
16
Eisch denkbeeld in een vers, geen bloote woorden
praal.
Een Dichtstuk moet mijn hart tot zielsverkwikking wezen r
Zoodat ik in zijn lucht een vrijer adem haal.
Mijn geest moet opgevoerd en aan deze aard onttogen! \'k Moet voelen, dat mijn God zich scheppend mededeelt, \'k Moet Waarheids vollen glans zien stralen in mijn oogen! Mijn hart wordt door geen zoet der nietige aard gestreeld.
VRIJHEID.
\'!|iS£^si3
WtWêi a^, \'s vrij\'ie^^\'? Bandeloos, en eer- en godvergeten MmL De tronen dezer aard te trappen niet den voet? AgP De stem te smoren van hot folterend geweten, 4^ Toi\'wijl men woedend plast in schuldloos martlaarsbloed? L \'t Verwoesten van Gods troon en tempels en altaren\'? Zijn eigen God te zijn en eigen levensdoel?
Op zulk een vrijheid mag de godverzaker staren!
Dp Christen gruwt er van met schokkend smartgevoel. Hij iieoft te lang beschreid wat deze vrijheid baarde! Dat monster, uit de hel verwoestend opgedoemd,
Is Satans vloekverwant, verwoest den bloei dor aarde.
Terwijl \'t elk gruwelstuk met dezen naam verbloemt. De Christen slechts is vrij, die in zijn God mag leven,
Geen slaaf is van de hel en \'t woedendst helgespuis.
Hij mag met vrije ziel naar \'t eenig einddoel streven. Herwonnen door zijn God aan \'t zegevierend kruis.
DE TIJD.
z\'-\'n W\'\' ^00\'1\' W\'J stervelingen,
Dan wormen van een dag, in heel de schepping blind? Waar mogen wij den nacht doordringen,
Die alles overhuift en voor ons oog omwindt?
\'t 1
j Het gister is den arm ontvlogen,
Geen kracht die \'t ooit herroept op \'t wentelend beneên;
Het n u ontglipt den starende\' oogen,
Wordt nooit genoten, maar vliegt, voor het stand houdt, heèn.
De t o e k o m s t is geheel verborgen,
Hoe valsch haar nevelkleed van goud en purper gloort.
En baart een leger wreede zorgen Voor \'t hart, welks siddrende angst door haar omheining boort.
Zoo woelen we in dit wereldduister,
En juichen, of een zon uit hooger morgentrans
Haar goddelijken heinelluister Hier uitgoot, en ons oog mocht baden in dien glans!
Maar ach! waar wilde wissclkringen Ronddwarlen voor ons oog, beschouwen wij verband Noch eenheid in den loop der dingen.
166
Eu \'t schepsel, Tijd genoemd, is spruit van ons verstand.
Geen eenheid heeft zijn wanklond wezen,
\'t Bestaat niet dan in \'t zijn, dat beurtlings wordt en sneeft,
En, voor des geestes oog gerezen.
Een indruk van het thans, maar ook niets meerder, geeft.
Toch moogt gij door dien nevel boren.
Verheven menschengoest, en \'t onvervreemdbaar Eén
In \'t wisselziek bestaan zien gloren;
liet Eén, dat blijven zou, schoon \'t wereld-al verdween.
« ^llllllllllllllllllllllllll.............................................................................................................................................................................111.^ I
DE TOONKUNST.
gevoel van bovuiiaanlsche weelde elt ons do borst bij \'b heiliir loon^elnid!
vjï) Heb dartiend zingenot, dat vnigo slaven streelde, à f? \' \' v Roeit Toonkunst met één slag ten vlammende\'
aadren uit
Onstottelijk gevoel en hemelsch zelfgenieten Vergeestlijkt ons bestaan bij eiken snaartoonval ;
Een zee van glansen sehijnt de boezems door te vlieten, En \'t hart schiet stralen uil in bruisend dankgeschal. Ja, Godheid, dat \'s uw stem! (iij spreekt ons door die tonen We ontsteigren \'t aardsche niet op d\' adem van uw kracht O ij vloeit onze aadren door, komt in ons binnenst tronen. Wij schoeien wieken aan van heiige lietdemacht.
Geen perk begrenst de vlucht dier goddelijke vleugelen!
Ze is d\' adelaar te hoog, die lucht on zwerk beheert.
Geen stormend wolkgeraas vermag hun vaart te teugelen; Zij rennen, fier en vrij, zoover Gij \'t Al regeert.
\'â¢,1 -MiuiJUBjHWj\'
ikWA
GEBED TOT DE 1VIOEDEHIV1AAGD.
â gt;v_
c\'ll\'Wli aast des Eeuwigen troon is uw zetel,
Li^4\',r In het vleklooze on hemelsche licht,
(,j ^ ^
\'r^ Waar de Serafs in aaclmen en glanzen. P Daar troont Gij, volschoone; de heémlen â Doorilonkren met starren uw kleed. O luister van \'t stof dezer aarde, Dat schittert als goddelijk licht In den heiligen gloed van uw oogen,
Twee heémlen in \'t hemelsche hof; O heerlijke Dochter des levens.
Die den Godmensch gebaard hebt, en ons Den heilstaat, door Eva verdarteld, Hergeven in \'t Eeuwige Woord!
Zie Gij op uw broederen neder.
De heigeest beproeft wéér zijn kracht! Zie duizenden verward in zijn strikken. Voor wie eens uw Zoon heeft geleén. Hij sleurt zo ten afgrond, Maria;
169
Toon deernis en blik op hen neer. O nader uw Jezus en smeek Hem Vergeving voor \'t zondige volk, Waarvoor toch zijn bloed heeft gevloeid! O zalige, in uw minnelijke oogen Leest nooit de Verlosser een bede. Die niet door zijn liefde verhoord wordt In teeder, vergevend erbarmen.
DE DOOD.
m ij, straf der zonde, maar des Heilands zegepraal,
tlijkuntdes christcns hart niet door uw schicht vervaren. X Gij zijt voor zijn gemoed een lieflijke ochtendstraal | En doet het oog der hoop op Jezus\' zoenbloed staren.
V ,4/v-^/y 4 I v^y\\i v1* 4 vC 4 yC 4 yC 4 ^v\\i/yv 4 vC 4 Cv 4 Cquot;v 4 vv 4 »i.C 4 vC 4 vC 4 v*v 4 wv 4 v
/«S\'rVVr â¢VVyv*rV-\'%/\\ A\'-vVV\'S /\'v*\'V^Vv|^V\'gt; \'\'vâ¦\'^l/âºvâ¢/^ /âºv«/a /vâ¦/^ ^v«\'r \'Vâ¦/^ \'Nâ¦/^ ⦠t «I Jt, â¦* «(*««% â¦t it ⦠t ^ â¦* M *4 ) 4 â¢â¬ â¦* â¦â¦
ROEM.
at \'s roem? Op duizend aderns zweven, -ju^p;j? Ja. zelfs tot na den dood!
jkSP Heel Iraai! Maar \'k wensch eon liooger loven
if
Als Englenheilgenoot.
EEN DROOM-
^^p.chceM, de aarde verzwond en mijn geest steeg omhoog, pp# Een wereld, vol luister, ontsprong voor mijn oog; ^ Een schepping, zoo schoon als \'t eerste ouderenpaar
In reine verrukking bezong met elkaar.
De zon scheen zoo zacht als de zilveren maan. Ik blikte in vervoering de hemelen aan;
Hun glans was zoo streelend; hij deed mij zoo goed En vloot me als een balsem in \'t hupplende bloed.
Ik rende in mijn vlucht door den ethervloed heen, Tot daar waar geen zon aan den hemel meer scheen. Maar alles één licht was dat alles doorvloot.
Geen zang, die u meldt wat mijn ziel daar genoot!
Gevolgd.
EJJTHUSIASWE.
ijn vriend is enthusiast. Bij \'t lozen van poëten nimm. Stampt liij met d\' éénen voet;
En als hij eens ter deeg van Oden heeft gegeten, Dan krult zijn neus van moed.
LEZEN.
;:|a,lt;a, lezen is mijn lust. \'k Lees dikwerf twintig boeken
1» eénen adem uit,
â 0 En (dank
;\' ons schrijversgild!) ik lioef liaast nooit te
zoeken,
Wat dit of dat beduidt.
AAN EEN DICHTER.
M b at zingt ge mij? Van âNoordorkan en, \'â esiingerd door iiot bruisend ruim?quot;
.â Av^gt; Gij maakt van zon- on starronbanon 1 Eén springfontein van watersclmim.
Gij zult liet menschdom zóó vervaren,
Dat niemand meer naar zon of maan Dan door zijn vensterglas durft staren,
Noch naar zijn Imurmans woning gaan.
Door \'t bruisend ruim? Mijn hoofd, mijn oogen
De golven slaan n doof en blind. Ã aibeheerscheud zangvennogen.
Betoom uw woesten wervelwind!
GODSfifl^SCHOUWlNO.
411
gt;P,v®.r|r een aard, schoon gedost in de kleuren der lent\';
Tpunrx Geen hemel, van glansen en stralen doorrend.
Doorvloeid van zijn geuren, vol balsmende kracht; Geen lieflijke spranken in \'t kleed van don nacht;
Maar Gij, die de lont\' in haar feestgewaad kleedt. Wiens hand al do banen der hemelen meet;
Wiens luister oen vonk op den zonnetroon schoot, üie stralend en schittrend de sferen doorvloot;
Gij, glans aller glansen. Gij leven en gloed, Gij moet eens mijn licht zijn in \'t zalig gemoed ; Gij moet mij doorstroomen, on ik door uw glans De tallelooze eeuwen aanschouwen in \'t Thans.
NATUUR.
WjjÃlFij verkondt den Ongeworden, JMi glansen van de morgenzon;
Gij verkondt Hem, op wiens wenken
\'t licht zijn eersten loop begon. Gij verkondt Hem, dio uw stralen,
met verkwikkend levensvuur, Door den baaierd heen deed stroomen
in het eerste wordingsuur.
Orde en eenheid golfden stralend
met uw schittring door \'t heelal, En de hemel zong Gods wijsheid
in der sferen maatgeschal. Hoe verrukkend blonkt go, o Schepping!
Aarde en hemel schenen één!
178
Edens hof schoot vonkolstralen
door het licht der starren heen.
O mocht u mijn oog aanschouwen
in uw eerste lente-schoon,
Toen der Godheid hemeliuister
flonkerde in uws konings kroon!
WIJSHEID.
een menschemvaan, mijn God, maar wijsheid uit den pr hoogen,
Die niet ons trotsch gemoed en eigen zelfheid streelt, Vloeie uit uw liefde ons toe, vernietig \'t rijk der logen En delg\' den hoogmoed uit, dien \'t hart des dwazen teelt.
GE Z ACH-
elooven op gezach? Voor Roraes Kerkhoofd buigen? \'k Ontving het redelicht; dat zegt me: âdenkalleen!quot; fïPS \'k \'Wii echter (onder ons) met dankbaarheid getuigen, Dat Strauss mijn meester was; maar anders toch ook geen. Voortreüijk, goede man! Dat noem ik k r ach t i g d e n k e n. Zag Strauss een hooger licht dan uit uw rede straalt? Of, zou het peinzen (licht) uw hersenvezels krenken,
Hoe zijt ge des gewis, dat niet uw meester dwaalt?
BEWONDERING.
cv^
IS
I ewondert gij het schoon van grootsche meesterstukken, f* Men leze \'t in uw oog, hoe zij uw geest verrukken. Geen uitroep maalt aan \'t oor, hoe \'t godlijk schoonheidsbeeld
Met hemelmajesteit zich in uw ziel herteelt.
VROOMHEID.
ees vroom, maar roem uw vroomheid niet. Haar roeme wie haar vruchten ziet.
I ^ V-V I V\'C ,f\' v-v I «iv ^ S/V ^ V\'\'v ^ v^v ^ s
«pspep
VflüSCHHEIO.
i(;oog flakkert de vuurvlam, die blakert en woedt.
De leeuw brult van moordlust in \'t dorsten naar bloed. De slang schuilt in \'t duister mot glinstrende huid En moordt in haar wrongen heur argloozen buit.
OEHUICHEUDE VRIENDSCHAP.
yiMüfet lisPei\'ld stemgeluid begooclielt ze u het oor.
is Belangloos, naar het schijnt, staat ze uw belangen voor. ze is teer, aanhanklijk, zacht, geheel aan u verknocht, Alsof ze op aarde niets dan uwe liefde zocht. Zij zucht en weent met u en in haar meegevoel Is zij voor eigen leed in \'t minnend harte koel.
Doch eindlijk ziet gij haar ontmaskerd voor u staan En grijnst haar eigenbaat u als een spooksel aan.
HET RUW.
Ijit rijm is een dienstmaagd,quot; zoo sprak een poëet. âMaar meiden zijn koppig, als iedereen weet.quot;
DENKEN-
ir,-
ie denkt leest in zijn geest,quot; zei Plato. Maar wat dan Zoo iemand in zijn geest geen letters vinden kan?
w
ROIVIflNTISCH-
BLOEMEN UIT EENIGE âMODE-ROMANS.quot;
|fj| omantiseh is... wat niet\'? â Een liairlok en een kuif; Een paard, dat strompelt voor een vrachtkar met
een huif;
l\'c Een geit, die netelblaan verorbert, en een kat.
Die \'t dartiend muisje grijpt, waar ze op te loeren zat; Een haan, die niet meer kraait, âmet wreed verweerden kamquot;; Een ezel, âietwat loensch,quot; een âhalf verlamde ramquot;; Een turfschuur, die aan elk den vrijen toegang biedt Door bres aan bres in haar âomrandingen van rietquot;; Een hooischelf, waar m\' in schuilt, terwijl het onweer woedt; Een wolbaal, âdie parmant op kippeneiers broedtquot;; Een spinde, âwaar de ma met kalme rust in huistquot; ; Een mengsel, âwaar de koek, die worden moet, in bruist;\' Een storm, âdie \'t zolderraam durft geeslen met zijn roequot;; Een tochtreet in een deur, âvan \'t zwelgen nimmer moêquot;; âEen schaars, die \'t aangezicht durft schendenquot;, en een hoed. Die, vaal en tanig, voor zijn vroeger pralen boet.
mnnflnrmmmntHninHmnminn
ERG.
ilt ge weten, lieve vrinden,
wquot;
Spelemeien op \'t papier;
Leest dan, om niet lang te zoeken Jn de nieuwste âmode-boeken.quot; \'t Woordjen erg, een schamel ding.
Toen \'t zijn eerst bestaan ontving, (Ja, het blijkt weêr, in \'t verleden Ligt niet kant en klaar het heden,) Vindt nu in de gulle taal Meer dan feestelijk onthaal.
Weet ge een graad niet juist te noemen. Dien ge als ongewoon wilt roemen, \'t Zinrijk erg (wat eischt ge meer?)
Doet uw werk dan keer op keer.
Mooie meubels, mooie kleêren,
Overmooie pauwenveèren;
Hoe men woorden kan verbinden,
feT Die met ongemeenen zwier, f
189
Mooie huizen met een stoep En een mooie beeldengroep;
Mooie krullen in de boogjes Van de mooie flikkeroogjes,
Die gij in uw jongste kind Mooier dan de sterren vindt;
Lieve geitjes, lieve schaapjes,
Lieve, âheele lieve aapjes Lieve kleinen, blij en frisch Zittende aan een âlieven disch;quot; Lekkere oesters, lekkre wijnen; Lekkre krenten en rozijnen!
Dit en nog een duizendtal.
Zoo \'t niet e r g is bij geval.
Heeft zijn waarde gansch verloren; Slechts wat erg is kan bekoren.
GOD.
at wilt ge, onzalig wangeslacht, ,111.11 yi\'wiyiii Uw God in banden slaan? \'Wamp;P Wat bidt ge uw eigen roekloosheid Als oppergodheid aan?
Zijt gij geworden door uw kracht? Onttogen aan het niet,
Door eigen schepping en bevel.
Door eigen machtgebied ? Gij, trotsaard, zijt gij, voor gij waart.
Van eeuwigheid geweest?
En is niet ieder levenssprank Een letter van Gods geest? De hemel tuigt zijn wonderkracht
Aan \'t flonkrend firmament;
Zijn Naam straalt in het morgenlicht,
Dat door de schepping rent. In \'t woedend bruisen van de zee Leest gij zijn majesteit.
191
In \'t aardontzettend bliksemlicht Zijn sclirikbre heerlijkheid.
De vorsten velt Hij op hun troon; Hij roeit de volken uit;
Geen macht in aard- of\' hemelkreits, Die zijn verdelging stuit.
Op \'t ruischen diens ontzachbren Naams Beeft aarde en zee en lucht!
De bergen rocken als van schrik, En \'t woudgebroedsel vlucht!
De mensch alleen, uit klei gebootst. De mensch biedt de Almacht trots,
En spottend heft hij \'t hoofd omhoog. Als mededinger Gods.
Verdwaasde, \'t flitsend bliksemvuur Wankt blikkrend in zijn vuist!
Zijn wil! uw schedel ligt in \'t stof. Uw trotsche kop vergruisd.
Vergeefs gebouwd op menschenkracht. Op legers, dicht geschaard!
Hij vaagt in zijn verbolgenheid De steunsels weg der aard.
Zijn\' oog zijn honderd duizend jaar, Als ééne morgenstond;
Zijn arm een aardverdelgend heir,
Als \'t plantje van den grond.
Waar zijt gij, vorsten, zoo vermaard. Waar \'t wereld-al voor boog;
Die volken, als uw kudden, dreef\'t Naar \'t wenken van uw oog?
192
Gij, heerschers van het morgenland,
Van Rome, van Atheen?
Gods adem blies uw grootheid weg.
Haar flikkering verdween!
Gij hadt, in hooggczwollen trots.
Zijn mogendheid veracht.
Hij sprak: âkeert weder tot het niet,quot;
En uit was \'t met uw kracht! Ja, vorsten, wie op God niet bouwt.
Bouwt op verstuivend zand, En wandelt, hoe zijn krone bralt.
Op \'s afgronds zwavelrand.
Geen kracht, geen luister dan uit Hem,
Die \'s hemels starren zaait.
En door het perkloos scheppingsal Zijn wereldscepter zwaait.
VEHHEFfING.
,ijn God, \'k erken uw Alvermogen
\'n \'t tilinl, dut o]» de winden zwiert, In \'t schuimen van de waterwogon, In \'t loeien van liet veldgediert!
Ik voel het door mijn binnenst bruizen, In \'t leven van mijn adersluizen,
\'k Aanbid het op zijn Oostertroon quot;Wiens straaltapeet de morgentransen Voor mijn verrukten blik doen glansen. Als weêrschijn van uw schepperskroon.
Het gloeit mij met don middagluister In vuurgloed tegen van \'t lazuur;
Zijn stem doordringt hij \'t avondduister Geheel den omvang der natuur! Het schokt mij in het donderklateren; \'t Loeit brullend door de woeste wateren,
194
Die vlieden voor uw gramme vuist, Wanneer uw alontzettend belgen De wereldsteden uit gaat delgen, En koningen in \'t stof vergruist!
Maar lieflijk straalt zijn glans mij tegen In \'t sprankelende starrenkleed.
Waar, als een breede vonkenregen. Uw heerlijkheid in nedergleed.
Die zachte lichten zijn ons de oogen Van \'t albehoedend mededoogen.
Waarmee Ge op \'t lijdend menschdom blikt. En doen een straal in \'t harte vloeien. Waarlangs do beden opwaart spoelen,
Door siddering noch angst verwrikt.
Zij stijgen tot uw troongewelven;
Uw Seraf biedt ze U smeekend aan.
En Gij, Volmaakte, erkent u-zelven. Uw Liefde kan geen zucht weerstaan! Dan stroomen uwe zegeningen.
Zoo wijd des hemels wentelkringen Zich wolven om het vlak der aard; Dan voelen we onze boezems blaken Voor die ons aanzijn kan volmaken En \'t scheppend in zich-zelf herbaart.
ó God, hoe machtig is het leven.
Dat uit uw volheid ons doorvliet,
195
Waar in de ziel, zich-zelf ontheven,
Uw zaligende vree geniet!
lioe nietig wordt haar \'t schoon der aarde,
Waar ze op uw eigen luister staarde,
Die uit uw heilgenade blinkt;
Hoe blaakt ze, om in dat Licht te wonen.
Waar voor de glans der zonnetronen,
Als nacht en duister, nederzinkt!
O Liefde, doe de zielen vlammen, En bruisen in uw levensgloed!
Den hemel kan hij open rammen,
Wien ge op uw almacht steigren doet! Wijkt, hemelen! wijkt starrenbogen! Ik draag een vlammend krachtvermogen In d\' adem van mijn volle borst;
Ik vlieg door lucht â en ethersferen, En tuimel om den troon des Heeren Tot lessching van mijn liefdedorst!
DANKGEBED.
JPMir ij, die de raven spijst, barmhartig God en Vader, Gij hebt ook ons gevoed met moederteederheid. Ontvang het dankgevoel, uit aller hart te gader Als offer voor uw troon vol ootmoed neergeleid. ^ Vol ootmoed? Groote God! ons hart broedt trots en wrevel. Ten zij Gij \'t loutert door uw heilgeriadelicht!
O Zend zijn stralen af, en doem\' geen smettend evcl Ons bij den weerschijn van uw vlekloos aangezicht. Wij knielen voor U neèr, aanbiddend, dankend, hopend. Wij hebben \'t woord uws Woords tot heilig onderpand. Uw Hemel wordt het hart, dat tot ü zucht, geopend! Wij zijn door \'t bloed uws Zoons den heêmlen aanverwant. O Goddelijk verschiet waar we in dit stof op staren! Doorstraal ons, vloei ons door, aanbidlijk Morgenlicht! Kom, Heiland, kom op aard uw hemeloogst vergaaren;
Voer allen in het Rijk, ons door uw bloed gesticht.
Gevolgd.
G E D U U D.
Wmen stille, groote deugd, die de Englen u benijden, De vrucht van \'t rijk geloof, een sieraad van den geest; Een reine lelie in de doornenkroon van \'t lijden;
V \'t Geheimnisvolle kruid, dat iedre wond geneest!quot;
}
4;
Ja, dichter, eindloos meer! De band, die reine zielen Aan de eenge Liefde boeit, wier hoofd de doornenkrans Ter Godheidskroon verhief, waarvoor haar Englen knielen; Het godlijkst tegenbeeld van d\' eeuwgen levensglans!
AAN EEN VRIEND, Nfl DE LEZING ZIJNER HYIVINE: JEZUS CHRISTUS.
® od lof! de zaalge Geestenscharen quot;4 Zien weêr verrukt op \'t aardrijk néér.
v? gt; Zij wenschen in het hart te staren,
t*
| Dat psalmzong voor hun God en Heer! Uw lied doorklonk hun gloriezalen,
Zich menglend met de liefdestralen, Die ruischen om den Godheidstroon; Gij hebt het scheppingslied gezongen.
4 amp;
Voor myriaden Englentongen Een eeuwge jubel, eeuwig schoon!
Dat is, als meer dan vorst regeeren! Dat \'s dichter, hemelzanger zijn; Dat \'s koningen in \'t stof verneéren, En tronen in Gods wederschijn! Erkent uw onmacht hier, vermetelen, Die u op Jezus\' troon wilt zetelen;
199
Zijn majesteit schiet bliksems uit! Het knalt van glansen voor uw oogen: Uw hart, in raadloos onvermogen,
Werpt gillend zich der hel ten buit!
Doch neen! geen vuur of donderslagen Verkonden hier zijn heerlijkheid. Om siddering in \'t hart te jagen;
Zijn Liefde is \'t die heur glansen spreidt! Erken, ó stervling, hier uw Broeder, Uw Vriend, uw oenigen Behoeder; Uw God, maar met uw vleesch omkleed! Hij heeft voor u aan \'t kruis geleden, Voor u den zondestrijd volstreden, En u zijn hemel toegereed.
Erken Hem! Zie zijn oogen stralen Van heilgenade en liefdegloed!
Hij vlamt om in uw ziel te dalen Tot heil\'ging van uw aardsch gemoed! Hij wil aan u zijn godlijk leven Als offer zijner liefde geven,
En wonen in uw zalig hart!
Wie eens zijn volheid heeft doorvloten, Gevoelen zich zijn keurgenooten, En kennen leed noch stervenssmart.
200
Gelukkig dichter, die uw gaven Aldus aan uw Verlosser wijdt,
Vaar voort zijn liefclekracht te staven, Eu toon, dat gij zijn keurling zijt! Doe harten voor uw Heiland branden. En bliksem \'saardrijks dwingelanden Ter neder voor zijn vlannnentroon! Doe tot do verste wereldpalen Eén Juichakkoord den Naam herhalen Van Jezus, Gods gezalfden Zoon!
Do hymnen, uit uw hart gebroken Als godlijk vier cn ethervlam.
Gaan \'s afgronds outerdienst bestoken. Door lof\'gebruis voor \'t Godlijk Lam! \'k Zie duizenden voor \'t Licht herboren Waar \'t oog in leest der hemelchoren. En in aanbidding neergeknield.
o Zalig die aldus mag zingen!
Hij doet den Hemel open springen.
Dien \'sHoogsten wraak gesloten hield!
STERVENSVREUOD.
quot; m \' \'z\'0\'veri\'u^\'\'C0n(\' morgenrood, Doorstroom mijn zalige oogen;
t {
Ontvang mij in uw levensscnoot f Van licht cn alvermogen!
\'k Jieb nooit het slijk der aard bemind Mijn Jezus was mijn leven;
Thans stervend, mag ik me, als zijn kind, In \'s Heilands handen geven.
Mijn Jezus, ja, ik zie uw kroon!
Zij vlamt van zonneglansen!
AVat blinkt uw Godlijk aanschijn schoon Van reine lichtgloedkransen!
\'t Is alles licht en melodie Wat oog verrukt en ooren!
Verlosser, ja, ik hoor, ik zie Uw jubelende choren!
\'k Aanschouw een zetel in uw glans;
Daar ga ik eeuwig tronen!
202
Wat zonnen aan dien hoogen trans!
AVat gloed van hemelkronen!
\'k Heb nooit liet slijk der aard bemind;
Gij, Jezus, waart mijn leven.
Thans stervend, mag ik me, als uw kind,
In uwe handen geven.quot;
Zoo sprak voor zesmaal vijftig jaar, in d\' eersten bloei van \'t
leven,
Een knaapjen op zijn stervensspond\', van Engelen omgeven. Zijn ziel vloog als een heldre vlam door lucht en ether henen, En de Englen vlogen met haar op, tot waar ze in \'t licht verdwenen.
flAf) EEN VRIEND, BIJ ZIJNE BEVORDERING TOT DOCTOR PHlliOSOPHIS.
^pCÃ-a, meer dan forschen heldenmoed In \'t onverschrokken ridderbloed Ji\'y Behoeft ge, om moedig op te streven Langs \'t pad, dat tot de waarheid leidt, Die hovenaardsche glansen spreidt Voor \'t hart, dat haar alleen wil loven. Onze eenwtrots wil geen waarheid meer. En ziet verguizend op hem neer.
Die haar zijn jeugd en kracht gaat wijden. Maar \'t onverwrikbaar christenhart Heeft nooit vergeefs de hel getart, En durft haar slavenbroed bestrijden.
AVat zou een Christen hulde bièn Aan snoodaards, die geen glorie zien Dan in een schaamtloos plichtvertreden ? Wien waarheids straal een bliksemflits
204
Op \'t eereloos geweten is,
Dat baadt in vuige dartelheden?
Mijn vriend, gij boogt voor d\' eeuwtrots niet. Gij zaagt der waarheid lichtgebied Uw fiere blikken tegenstralen;
Gij vloogt haar moedig in \'t gemoet,
En hebt den reinsten glans begroet.
Waarin ooit geest mocht adem halen.
Gij zaagt haar luister juichend aan.
Triomf ! gij mocht uw borst verzaan Van wat zij edelst had te geven!
Thans gaat gij strijden voor haar eer En kent geen hooger wellust meer.
Dan voor haar zegepraal te sneven.
Geen Wijsbegeerte van een dag,
Die nooit een tweeden groeten mag,
Kon u het vlammend hart genoegen;
Neen haar slechts schonkt ge uw blijde hand.
Die, in een nooit verbroken band,
Den mensch en God mag samenvoegen.
Ja, God, als eerste wordingsbron, En ongeschapen levenszon;
Den mensch, afhanklijk van dat wezen, Dat door het schittrend firmament
205
Op duizend zonnetronen rent
En in het licht zijn naam laat lezen.
Dat is de ware wijsheid, ja!
Dat zij met u door \'t leven ga!
Wat heil is dan uw ziel beschoren. Gij voert Gods hemel in \'t gemoed,
Die u op aard reeds smaken doet Wat u verbeidt in de Englenchoren!
Gord moedig \'t zwaard des ijvers aan!
Geen eeuwgeest kan uw kracht weerstaan; De waarheid doet u zegevieren!
Gods Geest, die u het harte blaakt. Zal, waar des afgronds macht genaakt. Het wapen in uw hand bestieren.
Ik zie den eeuwgod neergeveld.
Zijn slaven in uw boei gekneld;
Maar gij, met de overwinningskransen Geslingerd om uw schedeltop.
Vaart juublend tot de waarheid op.
Om in haar vlekloos licht te glansen!
»â¢lt;«⢠gt;\'â¢â¢ :quot;\'lt; quot;M* â quot; f â¢â¢;\'.« it. , fi f fff lt;gt; â â¦â¢Ã¯Â«fp«-\'( ««fas» /â¢#â¢â â rfmimi\'f i\'i\'lt
LOGISCH-
VA»
|i®l^ ij voelt niet,quot; sprak een vrek, âwat konsequentie is.
ijIï^k Het geven voert wie geeft zeer logisch tot gemis.quot; *§S~
vr*
!
C ^ vv;^ f vv ^ v-v 4 v-v 4 v\'v 4 4 vv 4 wv 4 C-C 4 s/v 4 s/C 4 4 ^Ai, 4 4 vv 4 .^v 4 vv 4 ^V 4 ^v 4 ^quot;y 4 vquot; ⦠, ⦠» gt; ⦠\'öm*. ii ⦠⢠, â¦\'⦠/!\' â¦=⢠. ⦠⦠\'ü â¦â¦;â¢â¦â¢â â¦â ⦠â¦!⦠. M ifCi\'» â¢:â¦,â¦â¦ rlt; * « gt; M ,. â¢:â¢â¢gt; â¦)⦠. â¦!⦠ü â¢)
A gt; »1V» â A;1» » » ».\'» »: »:» » » AY.V^AKA;1 Vé
W IJ S H E I D.
)1L e wijsheid is de ziel der ware wetenscl
Geleerdheid, zonder haar, ontaardt in woordgesnap.
4®
POTGIETERS FliORENCE.
it edel meesterstuk, waar Nederland op boogt,
Schonk ons uw fiere geest, door Dantes geest ver-
hoogd.
ik \\
IDEALER.
e vormen der schoonheid zijn boven deze aard;
| ziJ stralen van goddelijk licht.
Hij kent ze, wiens geest door de hemelen vaart, ft Het oog steeds naar hooger gericht.
Ze omzweven den troon van het goddelijk Lam,
Doorademd van hemelschen gloed;
Zij dalen naar de aarde, gehuld in de vlam,
Die \'t hart van den kunstenaar voedt.
Die vlam kweekt de liefde voor \'t eeuwige Schoon,
Doortintelt en adelt de ziel.
Zij vonkt van een weerglans der schittrende kroon, Die \'t menschdom in Eden ontviel.
U
DE POÃZIE.
i.
Len nietig schaduwspel is heel ons menschlijk leven?
De inensch wordt, als het dier, door blinde kracht
gedreven,
quot;Waarin Natuur gebiedt, en kan haar met weerstaan? Zijn aanzijn op deze aard is worden en vergaan, Genieten, lijden, naar het lot hem mocht bedeelen? Verwonling zijn van \'t geen zijn zinnedrift kan streelen. En \'t heerschen is hem vreemd? De waarheid is een droom, Die nu eens \'t hart verrukt, en dan met angst en schroom Dc ziele teistert en haar rust dreigt aan te randen Met al het woest geweld der wanhoop? Dwingelanden, Gezeteld in ons hart, beschikken van ons lot En tarten hemel, aard, het Englendom en God?
Vervloekt hot aanzijn dan des stervlings op deze aarde! Vervloekt do wreedo macht, die hem tot jamren baarde
211
En eigen foltering; vervloekt de gruwbre dag,
Waarop hij \'t morgenlicht zich \'t eerst bestralen zag, Als scheen \'t hem met zijn glans verkwiklijk toe te lonken. De hel geest wierp een gif, in \'t flikkren van zijn vonken. Door bloed en aderstroom en moordde reeds de rust Van \'t schuldloos wichtje, zich des levens nauw bewust.
Doch \'t schuldloos wichtje niet, maar gij, ten troon verheven, Om stof- en dierenrijk de hoogste wet te geven;
Gij, koning dezer aard, vertrapt uw heerschersstaf En werpt de krone weg, die u de Godheid gaf.
Gij kiest een slavenkleed voor \'t schittren van den luister In \'t vorstlijk plechtgewaad, de prang van band en kluister Voor vrije heerschappij, en wat u eer moest bièn Aanbidt gij in het stof met neergebogen knièn En smeekend handgebaar, als konden zegeningen En hemelgaven uit dees aardschen klomp ontspringen, U waardig en den geest, die in uw binnenst troont.
Verbreek uw boeienknel, gij, door uw God gekroond Om \'t aardrijk te gebiên! Gevoel dat hemelsch loven,
Dat ge in uw slavendienst vergeefs wilt wederstreven; Dat door uw aders gloeit en \'t driftenspel ontmomt.
Waarin ge uw lust vergoodt, wen ge, onder \'t juk gekromd Der laagste dierlijkheid, niet langer mensch wilt wezen. Nog moogt gij in zijn stroom uw eindbestemming lezen, Uw grootheid boven al wat zee en lucht doorzwiert; Den God, die in uw kracht dit aardsch heelal bestiert En voor uw koningswoord de werelden doet buigen, Die juichend aan uw geest beur hulde en eer betuigen.
212
Zoo hij zicli niet verlaagt noch de opperheerschappij,
Zijn wettig eigendom, met vuige slavernij Verwisselt, maar dien God, voor wien hij werd geboren.
Zijn iiefde- en dankcijns biedt voor \'t voorrecht hem beschoren.
Nog zijt gij heerschers, stervelingen;
Door zee- en aard- en luchtgebied Moogt ge alles naar uw wenken dwingen En \'t woudgedrocht weerstaat u niet.
Nog zijt gij heerschers, aardsche goden,
Gewapend met een hemelkracht.
Dit stof eerbiedigt uw geboden En eert uw godlijke oppermacht.
De geest, uit God u ingedreven,
Gevoelt zich boven stof en slijk,
De schaduwen, die om hem zweven.
Zijn beelden van het waarheidsrijk.
Tot de Almacht uit dit stof te stijgen Is \'t eenigst wat zijn dorst verzaadt;
Hier moog\' hij naar voldoening hijgen.
Geen lust, die niet zijn zucht verraadt.
213
In U slechts, Bron van zijn en leven, Gevoelt hij vrede en zielsgenot;
In U zich zeiven weêr te geven Zijn aardverheêmlend levenslot.
Algoedheid, doe de liefde ontbranden. Die U aanbidt in \'t juichend hart; Verbreek do wreede slavenbanden, Waarmee de mensch gekluisterd werd.
Eén hymne alleen moog\' \'t Uwaart jagen Door neêvlen, lucht en ether heen; Eén hymne tot het eind der dagen: Uw glorie. Heilig, Eenig Eén!
II.
elukkigen, wier borst, van hooger vuur aan \'t blaken, ^warlen(l stofgewoel een lustgenot mag smaken, Waarin een levenssprank der heêmlen trilt; wier bloed 1 De loutrende aandrift voelt van d\' ongeschapen gloed,
^ Waarin de Seraf zweeft; ..... wier lijden en genieten
In vlammen zich verbreidt en alles dóór wil vlieten Wat voor uw oog verschijnt; gij, boven \'t wentlend lot Vorhoven in de schuts en hoede van uw God,
Die \'t stofrijk moogt gebiên of met uw kracht bezielen En alles dwingen voor die Almacht neer te knielen.
Wier adem u doorbruist en door uw aders vloeit; â
Die door profetentaal den godverzaker boeit Aan de uitspraak van Gods mond en voor den vloek doet
sidderen.
Die door zijn ooren loeit; â gij, immer dooi- aanbidderen Omgeven en begroet; wat hief u boven de aard.
Die ge uit een hooger kring uw stouten wil verklaart, Wen ge onderwerping eischt aan wenschen en bevelen? Mocht ge in uw uchtendstond met \'s hemels Englen spelen En werdt gij opgevoerd voor \'s Alierhoogsten troon?
Greep daar uw hand een vonk van \'t ongeworden schoon,
215
En wordt die in de ziel geslingerd, die uw zangen
Met zaligend genot of siddring op moet vangen ?
Die met u juicht en weent of wanhoopskreten slaakt?
Op \'t ruischen van uw toon in liefdogloeiing blaakt,
quot;Deze aard als met den voet durft treden en, de sferen
Doorrennend, in het licht der Godheid wil verkeeren
Met haar genooten? Of doorschouwt gij met het oog
Des geestes op uw wenk den glans van d\' etherboog
Der heêmlen? Stort gij dien in bloedstroom, hart en aaron
En dwingt gij wat u hoort üw hemel door te varen.
Te staren in üw licht, te smelten in \'t genot
Waarin gij ademhaalt, to buigen voor den God
Van waar- en schoonheid, die zich zeiven doet gevoelen,
Waar gij uw stem verheft, de heetste drift moogt koelen.
Of \'t hart in vlam zet en het flonkerend gelaat
Ten tolk maakt van den gloed, waaraan geen kracht weerstaat;
Die alles met zich voert, van \'t aardrijk opgetogen
En klepperend door \'t ruim van zon- en starrenbogen,
Als de aadlaar langs de baan van \'t vonkelend gewelf?
Gij, hemelzonen, spreekt, kent ge in uw hart u zelf?
Gevoelt gij wat u drijft, wanneer uw grootsche tonen
Ons grijpen in \'t gemoed? Wanneer gij lauwerkronen
Met eeuwge glansen strooit? Gij weet dat in uw lied
De hemel met onze aard gezaligd samenvliet.
De geest het stof verhoogt en \'t bovenzinlijk leven
Met vrijen ademtocht de omperking mag ontzweven,
Die \'t in haar kring omsloot; dat gij den sombren nacht
Der aard verdrijft en als in weeldrige Oosterpracht
Uw zon ten troon voert, om het menschdom te bestralen.
Waar glanst het schoonheidsbeeld, dat ons uw zangen malen,
21()
Wanneer gij \'t aardsche leed verkeert in hemellust, In \'t wederbarstig hart de wreedste zorgen sust, Do wanhoop en \'t genot als heerschers moogt bevelen? Wat stoftelooze kracht mag door uw aders spelen En gloeien in uw blik en bruisen uit uw mond?
\'t Is al orakeltaal wat gij aan de aard verkondt,
Eu \'t leven van uw ziel schijnt in uw zangakkoorden Een godheid, die gebiedt van uwer lippen boorden En door \'t geheiligd woord haar bovenaardsch gczach In \'t diepst der harten voert, die zij genaken mag.
Maar \'t schepsel niet alleen; het rijk der mooglijkheden Erkent uw oppermacht. O ij denkt u \'t Oostersch Eden, En \'t steigert, met de pracht van d\' eersten morgenstond Der schepping, in uw lied, en \'t gansche wereldrond Aanschouwt uw paradijs. Gij toovert wereldrijken Uit d\' afgrond van het niet, die worden en bezwijken En weer herrijzen als op goddelijk bevel.
Het scheppen is voor u een golvend tonenspel.
De zeeën zwalpen in uw klanken, bruisen wild,
Of ruischen \'t beekje na waar gij heur woeden stilt. Wat wondre hemelkracht, wat gadeloos vermogen Bezielt u? Of is \'t slechts betoovering der logen Wat in uw lied verrukt en \'t menschdom opwaart voert Waar \'t stof geen stoflijk deel in zijn omgrenzing roert, Maar omvang, ruimte en tijd voor \'t godlijk oog verzwinden Als neevlen voor den dag? Is \'t ijdel zelfverblinden Wat ons een hemel schept van weelde en wellust? Spot Het heerlijkst zangakkoord met wanhoop en genot?
Neen, zonen van dit stof, wanneer ge, in \'t hart bewogen Door \'t dichterlijke lied, als met ontsluierde oogen Uw eigen ziel doorleest of met den zanger zweeft Waar \'t vormbeeld van het schoon zich afgespiegeld heeft. En hemelzonnen, in heur lichtgareel geslagen,
U naar het topgewelf der hoogste schepping dragen Tot waar \'t onpeilbaar niet de werelden omvangt;
Wanneer gij, dooi\' geen druk van \'t aardsche leed geprangd En boven \'t wolkgedwalm van lager lucht verheven,
U zelf door d\'ademtocht van \'s dichters kunst voelt leven, Dan houdt geen goochelschijn uw fleren geest geboeid.
Maar waarheids volle glans, die uit de Godheid vloeit.
Ja, dichters, in uw lied is waarheid. Uitverkoren
Om \'t menschdom hier beneên haar uitspraak te doen hooren.
Haar rechten en haar wet, heeft do Almacht u bedeeld
Met schoonheids toovergioor, die van uw lier beveelt
En in de harten vloeit waar ze, aan uw zang gekluisterd,
Zich buigen voor het woord, dat zacht en streelend fluistert
Of dondert met de kracht der Godheid; hemelwaart
Den loggen stofklomp voert; het uit een ziellooze aard
Getooverd leven als in stroomen kan verspreiden
Door \'t diepste van haar schoot, het licht en duister scheiden
Met scheppende\' adem en der heèmlen harmonie
Aan de aardsche huwen in één teedre melodie,
Eén hymne van geluk. Uw heerschappij is leven,
Is leven dos toivoels. naar \'t vlekloos Schoon tredreven.
218
Dat uit dc Waarheid stroomt, die in den vollen dag
Der heemlen \'t Geestenrijk geheel doorstralen mag
En \'t wondervol heelal in \'t goddelijk Zijn doet lezen.
Dat leven blaakt uw borst, wanneer gij \'t perkloos Wezen,
Dat al wat is vervult, voor \'t sterflijk oog vertoont.
Den trotsehen waan beschaamt, wiens logen de Almacht hoont.
Den godverloochnaar dwingt voor\'sHoogsten troon te knielen;
Het leveniooze stof met leven moogt bezielen
En werelden herroept, verzonken in het niet.
Dat leven blaakt uw borst, wen gij het hart gebiedt.
Zijn tochten toomt en temt of vreeslijk op doet bruisen
En woeden. Wen uw lied door \'t lied der sferen ruischen
En hemeisch golven mag door \'t eeuwig lichtakkoord
Der zonnen van Gods troon, drijft u dat leven voort,
Dat leven des gevoels. Gij kunt geen waarheid smaken
Of dat gevoel geniet, als in aanbiddend blaken.
De schoonheid van dien God, uit wien het leven vloeit.
Waarin uw ziele golft; dat in uw bloedstroom gloeit,
Uittintelt door uw oog en, stralende uitgevloten.
De harten overheert van uw natuurgenooten.
Hetzij ge in d\' afgrond daalt, of in uw steilste vlucht
Den top der heemlen grijpt en reiner geestenlucht
Wilt ademen, \'t Gevoel der waarheid doet u zingen
En kroont u koningen der aardsche scheppingskringen.
Bewaart uw krone rein, beheerschers van ons hart!
Geen macht der aarde die uw alvermogen tart,
Zoolang haar luister straalt. Des afgronds doemelingen Ontzinkt hun helsche moed wanneer zij n bespringen.
219
Zoolang dat hemelsch licht uw schoono ziel omspeelt, Waar hooger Godheidskracht uit schittert en beveelt, Of over \'t lot beschikt van alle wereldchoren. De schepping is uw buit zoolang die kroon mag gloren. Zij flonkert als de zon en in haar stralenglans Gaan de idealen voor uw scheppend oog ten dans In vollen schoonheidsdos.
Veracht dan die verwaten Uw kroon beschimpen en het licht der schoonheid haten ; Wien waarheids zonnestraal een felle bliksemslag Op \'t eerloos hart is, zich verschuilend voor den dag. De krijg, aan u verklaard, is de Almacht zelf bekrijgen. Verwoed, zien zij u kuin ten hoogsten hemel stijgen. Om voor den troon van God bevelen uit zijn mond Te ontvangen, die aan de aard in psahnrmvuur verkond De zielen schokken en der hel beur buit ontjagen. De geest des afgronds striemt met woeste geeselslagen Het siddrend luchtruim en een vloekkreet, die \'t heelal Doordavert, zweert uw dood met loeiend wraakgeschal. Is \'t wonder, in deze eeuw van razende ondogisten. Dat m\' u verdelging zwoer? De Godgetrouwe christen Wordt aangeschonnen door het woedendst helgespuis.
Voor Jezus\' heiligdom weergalmt het hoongedruiscb Der logen. Onder de aard, voor \'s hemels licht verscholen. Staan legeren geschaard, wie de afgrond heeft bevolen Wat aan een God gelooft of voor zijn wetten buigt Te smoren in bun bloed. Gij die voor \'t recht getuigt Dier Godheid en haar woord bezegelt met de stralen Der scboonbeidsglansen, die met middagluister pralen. Waarvoor de nacht verzwindt en \'t haatlijk nachtgebroed
220
Gij moet van de eersten zijn, die badend in hun bloed Ais offer vallen voor liet raoordzwaard. â- Maar het sneven Is wellust voor ecu hart, dat in zijn God wil leven.
Neen, wreeder is de krijg en dreigender, die \'t zwaard Niet ter verdelging wet, maar helsche listen paart Aan honigzoete taal en, in uw boezem dringend, Uws harten tempeltroon op \'t ongezieust bespringend, U aan \'t belang verbindt van \'t godverwaten heir.
Dat de Almacht zelf bekampt. Uw hart is zacht en teer En wenscht zich in \'t gevoel van andren uit te breiden, Te leven om zich heen en \'t leven te verspreiden,
AVaarin \'t zijn God geniet. Maar ach, die teederheid Belaagt uw schoono ziel, en wordt te vaak misleid. Te schandelijk misbruikt! O dichters, kent u-zelven !
Geen aard behoort gij toe; den hoogsten stargewelven Zijt ge in uw hart verwant. Maar \'t Geestendom verloor Zijn leven en zijn God in \'s hemels morgengloor.
En zonk in dood en nacht. â Gij kunt uw God verzaken, U-zelf en wie u hoort op \'t diepst rampzalig maken. Het vlekloos hemelschoon verwoesten in uw ziel. En, Godheid, welk een val zoo vaak een dichter viel!
Geen opstand togen God; â verloochning van zijn Wezen, Vergoding van het stof, als waar de geest gerezen Uit aarde en slijk, die geest, vereerd en aangebeên Als koning des heelals, die uit zijn oogblik scheen Te heerschen als een God: vergoding van zijn tochten. Godlasterlijk gebroed, zoo \'t niet meer wordt bevochten, Verwonnen en getemd door hooger heerschappij;
221
Vergruizing van den band, die aan de Geestenrij Zijn hart verknocht hield, en aanbidding van zich-zelven, Als mocht hij \'t smetloos schoon uit eigen grootheid delven, Beheerscht zijn boezem, maakt hem slaaf van \'s afgronds poel En moordt zijn geestdriftgloed. O hemolsch zielsgevoel Van Waar- en Schoonheid, dat de harten door uw zangen Tot stille aanbidding dwongt, van \'t diepst ontzach bevangen Voor de Almacht; levenskracht der heêmlen, uit zijn toon De ziel doorstroomend en betoovrend door uw schoon, C4ij wordt der hel verpand, en de adem die zijn snaren Bezielde, is, bij zijn val, ton hemel opgevaren.
Van waar hij d\'oorsprong nam. â Nog zingt hij, maar zijn lied Is niet eens heerschers meer, die geest en stof gebiedt. Die boven \'t aardrijk zweeft in \'t licht der idealen.
Voor wie Natuur bezwijkt, en de aardsche zonnestralen Verdonkeren: hij ziet geen hooger wereld meer Door \'t oog der vrije ziel, maar knielt voor de afgoön neer Der tochten, â kent geen schoon, dan dat uit stof komt rijzen : Dat maalt hij voor het oor, dat moet hij oer bewijzen En eeuwge hulde biên. Maar Dichtkunst kent geen band Dan van Gods almacht. Neen, geen ijskil waanverstand, (Al wroet het door Natuur en haar verborgenheden)
Herschept u \'t Godsgevoel van \'t onverbasterd Eden,
Gevallen kunstnaarsgeest. â Uw leidstar is Natuur?
Zij die Gods vloek gevoelt in \'t haar doorblaakrend vuur. Dat tot verdelging van heel de aard dreigt uit te spatten. De zon besteigren wil, planeten samenvatten Tot éénen mengelklomp van damp en sulfergloed.
En pest en moordend gif rondjagen door uw bloed?
Natuur, sinds d\' eersten dag waarop onze oudren violen.
222
\'t Afgrijslijkt bloedtooiieol van moorden en ontzielen,
Zij is de godheid thans, die in uw schepping speelt.
Die in uw nieuwen zang verrukte harten streelt;
Uit wie gij leven schept en adem, lust en weelde?
Zoo spreekt een dichter die met \'s hemels Englen kweelde.
Ook waar hij \'t stof bezong? Der Geesten speelgenoot
Zweert God en Hemel af, opdat hij haar vergood\' ?
Hij is geen dichter meer! Hoe fier onze eeuw moog staren Op duizend wonderen, die telkens zich herbaren In \'saardrijks ingewand, aan \'t blauwend firmament,
En in dor baren schoot; wie de Almacht niet erkent In de albezieling; wie aan blinde werkingkrachten En scheppingen gelooft van zelfbestaande machten.
Door hooger wet beheer,scht in wording noch bestaan, Wat is dien \'t aanzijn dan een folterend vergaan?
Wat kan zijn ledig hart beminnen of genieten?
Hoe kan zijn zielloos lied nog echte vonken schieten Van (lichtgloed, of een hart verrukken? Wroet in \'t slijk. Gevallen koningszoon, maar eisch geen wereldrijk,
Geen kroon of scepterstaf! Gij zijt u-zelf ontzonken! De glansen, die zoo fier om uwen schedel blonken. Verdoofden! Arme slaaf! gij sleept uw boeien voort, En waant een vorst te zijn, wiens oogstraal \'t al bekoort!
Neen, dichters, wilt gij do aard gebieden door uw tonen, Gij moet Natuur voor \'t oor en voor het hart verschoonen; Uw kracht moet scheppend zijn, hetzij een nieuw heelal
Op uw bevel ontspringt, \'t zij \'t aardsche jammerdal
Uw adem in zich voelt, en door \'t vernieuwde leven.
Gevloten uit uw borst, veredeld en verheven,
In al de glorie straalt van d\' eersten scheppingsdag.
Natuur moet buigen, en met nederig ontzach
Uw wet erkennen, gij, bevelen, nimmer dienen!
Ge ontvingt uw koningskroon van d\'Eeuwig âOngezicnen;
Erken Hem als uw Heer, wiens kracht door u gebiedt,
Maar buig uw knieën voor zijn laagste schepping niet.
Natuur te aanbidden zij het deel der vuige slaven!
Het uwe, lier en vrij ten hemel op te draven,
Te spieglen in het licht, dat uit Gods volheid vlamt,
Te blaken in dien gloed, waaruit uw adem stamt.
En aard en hemel in een eeuwgen band te snoeren.
Uw reine geest laat zich door aardsche drift vervoeren
Noch lage zinlijkheid. Voor u geen zielsgenot
Dan dat Gods Engel smaakt in d\' aanblik van zijn God!
Daar vindt go een schoonheid, niet geworden, niet vergaandi
Niet voor een oogwenk slechts verschijnende en bestaande,
Niet in een stralenspel zich spreidend om zich heên.
Maar eeuwig vlekkeloos en onveranderd één.
Een Schoonheid, die geen hand, geen vingren tasten mogen;
Niet vonklend voor \'t gezicht van onze stoflijke oogen,
Niet suizend in liet oor, â maar waar de vrije geest
Zijn eigen stofloosheid en eeuwigheid in leest!
Die schoonheid blikt gij aan, verheven kunstenaren.
Wanneer ge in \'t zielloos beeld uw eigen ziel doet varen.
Uw leven meedeelt aan uw schepping, en Natuur
Met al do pracht bekleedt van \'t eerste wordingsuur.
Onstollijk is de vlam, waaruit uw licht moet vloeien.
224
Het stof omspant uw geest met ijzren slavenboeien,
Tenzij gij \'t stout beheerscht en naar uw wetten dwingt. Leef, dichter, boven \'t stof, wanneer gij \'t stof bezingt! Begeer, geniet, en juich daar in die hooger wereld,
(In deze niet, van al haar heerlijkheid ontpereld!)
Vereen den hemel weer met de aardsche stoflijkheid. En toon u \'t leven waard, dat boven \'t stof\' u beidt. Veracht het handgeklap der aan dit slijk verslaafden! Do lof dor met Gods geest en scheppingskracht begaafden Zij slechts de glorie, die u \'t zwellend hart doe slaan. Bid de Almacht in \'t genot van Waar- en Schoonheid aan, Geen nietig schaduwbeeld! Zweef boven stof\' en aarde. En zing dan hoe uw God zich aan uw ziel verklaarde.
Verschijnt hier voor mijn oog een nieuwe morgenstond? Een nieuwe heerlijkheid door \'t schittrend wereldrond? Is alles door \'t gevoel der Godheid opgetogen In Liefdes zaligheid en godlijk alvermogen?
Zijn ziel en oog en oor één leven, één gevoel.
Door één genot bekoord, één wellust, en één doel?
Werd weèr onze aard verzoend met stofloosheid en hemel ? Genaakt ons \'t Geestenchoor in \'t vlottend stofgewemel. En wordt des stervlings lied door hunne harp gesteund? Is alles één akkoord â wat door den luchtstroom dreunt, Wat uit ons binnenst schiet, wat vonkelt uit onze oogen. En dwars door \'t etherruim naar \'s hemels zonnebogen Uit Geestenboezems vlamt â één liefde- en lustakkoord, Dat hooger, hooger zwelt, en door de lichtwolk boort.
Die \'s Hoogsten troon omvloeit? Is allen wereldvolken
22.\')
Hun redder opgedaagd, gezeteld op de wolken ?
Ja, alle volken zien bij \'t licht van Golgotha!
Geen hart dat nog weerstaat aan Jezus\' zoengena !
\'t Buigt alles voor uw troon. Verlosser, ons verschenen! De harten smelten, en hun wellust is te weenen,
Te weenen van genot! Geen stofboei knelt hen meer Aan de aarde! \'t Jubelt al: U, Heiland, dank en eer, En eeuwge liefdegloed! Wij zijn door u herboren ! Verbroederd, o mijn God, met \'s hemels zaalge choren. Verbeiden wij uw licht, dat eens geheel ons Zijn Doorstralen zal, gelijk des hemels uchtendschijn.
Den zilvron dauwdrop met zijn eersten gloed doorspelend. Des wandlaars oog verrukt! â Daar liefde uit liefde telend. Versmelt ons minnend hart in Liefdes eeuwigheid!
Stijgt, jubelklanken, stijgt, die daar uw God verbeidt!
S L O \'I\' /. A X (
Daar zal het voor onze oogen dagen, Des hemels volle middaggloed Het sehimgeschemer voor zich jagen En schittren in ons rein gemoed!
Daar zullen we om uw zetel dringen, Uw vlekkelooze glansen zingen, ó Schoonheid, aller schoonheên Bron! Daar zullen onze zangen vloeien!
Daar mag de liefde vlammen, gloeien ; Daar knellen haar geen stofklompboeicn In \'t stoigren naar uw Hemelzon !
ö Schoonheid, daar met \'t Eeuwig Wezen Oneindig, alverrnkkond één !
Daar mogen wij ons-zelven lezen In \'t licht van uw volkomenheên.
Daar zullen ziel en oog en ooren,
In hun verrukkingen verloren,
Eén hymne van uw glorie zijn !
Daar zal ons hart zich-zelf verzaken, Om eeuwig voor dat Schoon te blaken, Waarvoor de gloed der starrendaken Verbleekt als de avondschemerschijn.
Daarheen geschouwd, o harpenaren,
Voor wie dit aardrijk nederknielt!
Daarheen om \'t reine schoon te gaaren.
Dat alles met Gods aam bezielt!
Daarheen om nieuwe koningskronen.
Gij, heerschers, in wier hemeltonen
Gods wetten daavren door \'t heelal;
Daarheen, om woeste stervelingen
Naar do inspraak van Gods wet te dwingen.
En met der heêmlen Geestenkringen
Te snoeren aan uw dankgeschal!
Zoudt gij u smeekend nederbuigen
Voor goden, uit dit slijk geteeld?
Uw zang van de Almacht niet getuigen.
Die door uw ademstroom beveelt?
Zoudt ge eigen boezemgloed verzaken
Om voor dit aardsche schoon te blaken.
Dat met dit aardrijk eens vergaat ?
Met spieglen in de zonneglansen,
En \'t hoofd gekroond met lichtgloedkransen.
Als Geesten door den ether dansen,
Met zonnestralen in \'t gelaat?
228
Zoudt ge in uw zang Natuur vergoden, Die gij naar lust beheerschen moogt? Die neêdrig buigt voor uw geboden, En op die onderwerping boogt?
Neen, Dichters, voor geen stof gebogen t Des hemels steilten doorgevlogen. Uw ziel gelouterd in het Licht,
Dat, bij het Hallelu-jah-zingen Der Jubelende Hemelingen,
Ver boven zon- en starrenkringen Zijn onverwrikbren zetel sticht.
Dan moogt gij ook het stof bezingen, Dan moogt gij uit een nietige aard Een nieuwe wereld doen ontspringen, Waar alles met ontzach op staart. Dan moogt gij vrijgeboren zielen Aanbiddend in het stof doen knielen, En de ongeschapen Heerlijkheid In heel de schepping aan doen staren. Doen bruisen door ons bloed en aaren. En \'t schepsel juublend op doen varen Waar \'t Eeuwig Schoon zijn zangen beidt.
229
Daar is liet rijk der Idealen,
Waarvan Natuur haar schoon ontleent. Daar worden alle wereldtalen Tot één verrukkend lied vereend.
Daar is gevoel en denkvermogen Met eiken opslag van onze oogen Vervoering, wellust, Poëzie.
Daar zijn der schepslen jubelklanken In \'t bidden, smeeken, juichen, danken Der reinste liefde reinste spranken, Dei- Eeuwigheden melodie.
1873.
1893.
DE VUUCHT DER WETENSCHAP.
daden,
\'pS Hetzij ze u met den vloek des nageslachts beladen, â , Hetzij ze, uw naam ter eer, met daavrend lofgejuich
* Verkondigd worden, dat den nazaat nog gei nig\' Hoe go eens uw lotgenoot uw weldaan toe deedt vloeien, Of gansche rijken door uw lichtverbreiding bloeien ; Uw daan taeheerschen \'t rijk dei\' stoflijkheid. Uw geest, Door d\' omvang der natuur verwinnaar steeds geweest, Gebiedt haar krachten, die, in uw gareel gespannen. Ton hemel rennen, of, in \'s afgronds nacht gebannen,
Zolfs in beur slavendienst, nog parels voor uw kroon Verzaamlen als om strijd. Gij sticht uw koningstroon In \'t hart des Oceaans en dwingt hem uw bevelen Als overheerschor op. Hij moet u schatten telen Voor die hij eens verslond. â Uw vrije heerschappij Rent aard en dampkring, rent den zonnetroon voorbij, En zetelt zich op \'t licht der duizend wereldchoren,
«f root zijt go, ontzettend groot, gij hoofd der aard! Uw
281
Die schijnbaar in liet ruim als schittervonken gloren,
Maar voor mv koningsblik een golvende\' Oceaan Ontsluiten, die een heir van zonnen kan omslaan In zijn omgording. Daar ontvangt gij op uw vragen Naar de eerste wording van de rij der scheppingsdagen Ken antwoord, en verkondt het juichend aan deze aard, Die haar bevestiging aan \'t woord des hemels paart.
Dat lied doorgalmt tönroop! Dij hun vergruisde tronen Mag \'t heul en laafhis bièn aan ttere koningszonen.
Die bogen voor \'t geweld,.maar \'t adelende bloed Nog bruisen voelen door hun boezems! \'t Is zoo zoet.
Voor \'t rijk dor wetenschap uw kronen prijs te geven, () vorstentelgen! Thans begint gij eerst te leven!
Dat lied doorgalmt Ihiroop! De hemel heeft een woord Gesproken, wijd en zijd geestdriftig aangehoord :
âHier in mijn glansen staat goen naam van God geschreven! Hier klonk geen scheppingswoord, om mij\'t bestaa,n te geven! Hier is de ontwikkling vrij! Hier heeft geen zoenverbond. Vol tegenstrijdigheèn, een valsche leer verkond!
Geen Englen ziet gij hier door deze liclity.ee zwieren !
Hier mag des menschen geest den toom dor kennis vieren En weiden naar \'t hem lust!quot;
Mn door dat licht bolhaard. Heeft zich do vrije geest zijn wording reeds verklaard ;
Op do eerste kiemen van die krachten mogen staren. Die voor het menschenoog eerst nacht en duister waren;
232
De ontwikkeling doorschouwd zijns lichaams sinds een keen Van menschenvonn ontsprong on weêr in \'t niet verdween, Om na een eeuwenreeks in jonglingsbloei te ontspruiten,
Dien niets meer smoren kon noch in zijn wasdom stuiten.
Welaan, een oogenblik ook onzen geest gewijd
Aan \'t licht dor wetenschap! Te midden van den strijd
Der meeningen, die vaak elkaar beoorelogen,
De Waarheid aangeblikt, zoo wij ze ontdekken mogen.
Een oogenblik geleefd in \'t breede kennisveld,
Dat licht aan \'t starend oog en rust aan \'t harte spelt.
Wat zaagt ge, o vorschers, aan den trans daarboven? Bleven U geen geheimen in de zonnen, die daar zweven?
Hebt ge al heur ruimten, heel hour schitterpracht doorzien, En kunt ge ons dorstend hart do wisse blijken bièn Van uw ervaring? Heeft uw oog zich nooit bedrogen?
Jleeft nooit uw Hoogmoed na d\'ontdekkingstocht gelogen, En meer verkondigd dan uw oogblik had aanschouwd ?
Hebt go op geen schijnbaarheèn ooit wetenschap gebouwd ? Ach! \'t is zoo weinig nog hetgeen do nietige aarde,
Die toch uw voet betreedt, uw weetlust openbaarde; Wat kan dat perkloos ruim u hebben meêgedoold,
Dat volle zekerheid, geen onderstelling teelt?
Wat ziet uw steigrend oog in de eindloosheid der hemelen. Dan dat daar zonnen in een grenslooze\' ether wemelen. Bij elke aanschouwing weêr verduizendvuldigd ? Kent Gij d\'afstand, die heur heir als bliksemlicht doorrent,
En al de krachten, die heur tallelooze bollen
Bedwingen in haar looj) van buiten \'t spoor te hollen ?
Kent gij de stelsels, die zij vormen, of\' de stof,
Die achter \'t lichtend kleed nog nooit uw aanblik trof?
Hier in dees aardklomp toont Natuur en krachtver mogen,
Dat in zijn werking nog geen vorscher na mocht oogen.
Des levens oorsprong heeft geen denker ooit verklaard ;
Veel minder wat zich in het zintuig openbaart,
Wanneer niet bloot het oog in de afgescheiden stralen
Een beeltnis in zich-zelf van \'t voorwerp af mag malen,
Maar werktuig is der ziel, die \'t lichaam onderscheidt
Door zijn hoedanigheên. â Een starrennevel spreidt
Een matte glinstering; uw oog doorvliegt de sferen.
Om met heur hemelglans naar de aarde weer te keeren?
Uw Kepplers hadden reeds die nevelen verklaard
Als wereldstelsels, waar een dubble kracht in paart,
Die ook in lager ruim de drijvende planeten
Om \'t vlammend zonlicht inent. â Thans waant gij meer te weten.
Omdat u blijken mocht, dat meer dan zwaartekracht
Hier wondren baarde, waar nooit vorscher aan gedacht
Noch in don omloopskreits dor wentelende starren
Iets toegeschreven had. Maar is \'t geen nieuw verwarren
Van stelsels, keer aan keer op nietigheên gebouwd.
Ten toeken, dat uw oog nooit waarheid heeft aanschouwd?
Wat is die licht!toog, die, als helder glansgewemel.
Zoo vaak onze oogen boeit aan d\' avondstarrenhomol,
En als een cirkelstreep zijn ruimten overspant.
Dan legers zonnen, bij millioenen door de hand
Des Eeuwgen uitgestrooid\'? Wie meldt, wat heir kometen Elk dezer medevoert met duizenden planeten?
Deze ééne nevelvlek doorschouwt gij nooit geheel;
Toch is zij van \'t hoelaI een nietig onderdeel!
Neen, sterveling, niets dan een stipje mocht ge ontwaren Aan \'t eeuwig firmament. Zijn wording te verklaren,
Zijn wisselingen, sinds na iedren scheppingsdag De Godheid op haar werk tevreden nederzag;
Zijn krachten te bespirn en met uw hand te mennen, Eischt, aadlaarswieken niet, maar gloènde Serafspennen.
Mijn geest, schoei vleuglen aan van liefdegloed en licht En ren de heèmlen door! quot;Wat ziet gij daar gesticht In die onmeetbaarheid? Een nieuwe wereldorden,
Als \'t nietigst stofgrein door liet scheppend woord geworde Betoovert ziel en zin, in d\' aanblik nooit verzaad.
(ieon zonnen rijzon hier in gloeiend vuurgewaad, Verblindend voor het oog door \'t schittren van heur stralen Maar golvend lichtmuziek, in duizend nieuwe talen, Op aarde nooit gehoord, doch hemclsch voor liet oor,
Dat ze als een nektar drinkt in frisschen morgengloor. (â¢ij tuimelt door die zee van reine lichtakkoorden,
En waant u keer op keer genaderd tot haar boorden,
Maar nieuwe werelden, vol goddelijk en glans,
Ontspringen weder, en een nieuwe morgentrans Voert nieuwe zonnen op heur tronen. âMag ik zweven In \'t ongeworden licht en in zijn glansen leven?quot;
Roept ge in uw heilgenot. âNeen hooger is mijn troon,quot; Klinkt boven u oen stem, âen van mijn vlekloos schoon
235
Genoot gij daar nog niets dan flauwe vonkolstralen,
Die voor nw stoflijk oog als nieuwe heêmlen pralen.quot;
Gij allen, die onze aard den hemel nader waant,
Zoo vaak uw wetenschap zich nieuwe paden baant, Of schijnt te banen door de transen, leert u kennen.
Eer gij het wereld-al gevleugeld door wilt rennen.
Bloost om uw onmacht, die met ongewapend oog Slechts lichtgevonkel groet aan \'shemels wijden boog; Wie, ja, uw werktuigkunde een oogenblik mag schoren. Maar niet, om door \'t heelal der schepping heen te boren, En meer dan zonnen te begroeten in een oord.
Waaruit nooit starrenglans door de aardscho nevels gloort, itet zichtbaar starrendak houdt wonderen besloten; Verborgen krachten, uit een andre bron gevloten Dan lager wereld kent. Uoe luttel nog doorgrondt Het oog der JSTewtons zelfs! â Wat hebt gij al verkond Als zoekre wetenschap en weder opgegeven!
Doorleest de starren, eer gij haar voorbij wilt streven!
Doch weinig waar \'t uw waan, hoe waard ook vaak belacht Te roemen als ten top van zekerheid gebracht.
Poogde uw vermetelheid niet alles aan to randen Wat Christnon heilig is. â Wij eeren Vaster banden, Waardoor de zielen aan beur God geketend zijn, Dan melkwegglinstring of der starren avondschijn.
Maar \'t rijk van Gods natuur is ééne van zijn gaven, Uit liefde voortgevloeid. Zij kan die liefde ons staven!
286
Zij schept in \'b christenhart een nieuwen levenstoon, Die vaak verrukkingvol mag vlammen tot Gods troon Eu aan \'t gejubel mengt der onbevlekte choren.
Wij zien in \'t zonnelicht den glans der Godheid gloren! We aanbidden haar in \'t zacht geschitter van den nacht, En jubelen haar naam bij de eerste morgenpracht! De werelden, die aan \'t gewapend oog ontzinken,
Doen haar oneindigheid ons hemelsch tegenblinken. quot;Wij danken haar, wanneer des menschen fiere geest Een nieuwe schepping aan den hoogen hemel leest.
Maar wie op valschen waan hun Godverzaking gronden. En reevlen: âdaar omhoog werd de Almacht niet gevonden, Zijn dwazen in ons oog, of snoodaards, die do hol Als slaven uitlas voor haar laatst beguichlingsspel.
Ik zie een trotsch gebouw tot aan de wolken steigeren. Waarin de kunst gebiedt, en zal hardnekkig weigeren Te erkennen, dat dit werk een kunstenaar verkondt.
Die \'t naar de onwraakbre wet der eenheid heeft gegrond, De deelen van \'t geheel getuigenis deed geven,
En in het topgewelf\' zijn grootsche schepping leven?
Natuur alleen is door een bloot geval ontstaan.
En, eens geworden, kan geen macht haar doen vergaan! Een vrije ontwikkeling doorspeelt do ontelbre deelen Van \'t levenvol heelal, en vaart steeds voort te telen \'Wat hier \'t gemis vervult, daar de eischen van het schoon, Ginds neiging, trek of lust. Zij spreidt haar kracht ten toon In leven, gloed en licht. Zij deed den hemel worden,
Schiep do aard, en toen den mensch als hoofd der scheppings
orden.
Zoo is \'t heelal verklaard, en wee den duisterling,
237
Die andre lessen van zijns Meesters lippen ving,
Of wien zijn reden-zelf een andre wijsheid leerde! Den zonen dezer eeuw is wat hun hart begeerde,
Is heel hun zelfheid uit ontwikklend stof gebaard.
Meer eischt hun grootheid niet, en zijn zij meerder waard\'
Uw\' geest, ontwikklend stof, dat, dwarlend rondgedreven. Hier in het plantje bloeit, daar in het dierlijk leven Een hooger werktuig bootst, en ginds zijn glorietroon In \'t peinzend brein bestijgt der ondermaansche goón? Ha! koning dezer aard! gij hebt uw kroon gewonnen! Wat trotsche majesteit er schittere uit de zonnen Daar boven u, heur glans duikt voor de hemelpracht, Die om uw schedel vlamt. Heur Oostergloed wordt nacht! Geen glansenzee mocht daar een éénig denkbeeld baren! Hier slingron door een klomp van spiergestel en aaren Nat, droogte, week en hard; hun botsing teelt verstand. Wiens troon in \'t vorstlijk hoofd des menschen is geplant Triomf! uw God ten hoon, dat hoofd omhoog geheven! Verpletter door uw kracht die voor uw kroon niet beven! Gij werdt des aardrijks God! Zing luid het Evoë, Waardoor \'t Bacchantendom den aardboöm daavren deê, En zwier verwoed hun thyrs met de opgestoken lansen. Om bliksmend neêr te slaan die u geen zege dansen !
Maar neen! wat gruwlen .ooit een dolle Bacchusstoet Bij \'t heidendom bedreef, wen, razend en verwoed Van \'t dwolmziek feestgetier, zelfs moederlijke handen
238
In harer zonen bloed en lillende ingewanden
Zich dompelden; â geen zweem was \'t van dat helsch venijn,
J\'at in deze eeuw de lust van half Euroop moet zijn,
En niet het lichaam slechts, maar Godgewijde zielen
Door meer dan aspisgift wil moorden en vernielen !
O werelddeel, vol glans, waar zijt gij toe geraakt!
Ciij hebt nw God niet, neen, gij hebt n-zelf verzaakt.
En, door verwaten trots zijn schepper afgevallen,
Gaat \'smenschen groote geest op stofverwantschap brallen,
.la, trotst, slechts stofte zijn! â De hemelgeesten staan
Ais van den schrik verplet, en zien dit wonder aan
Van waanzin, met van angst tot (lod geheven handen !
Die geest, die in dit stof van starronvonkling branden.
Neen, die zijn Maker-zelf erkennen mocht in \'t schoon.
Dat in zijn binnenst blonk, vertrapt zijn hemelkroon,
Om dan, zijn God gelijk, Natuur in band te klemmen!
Die geest, geworden om in \'t eeuwig licht te zwemmen,
Te golven door de zee van Gods oneindigheid,
To lezen in don glans, die \'t oog der Godheid spreidt.
En. badend in dat licht, der waarheid idealen
Te omarmen in \'t genot der volle liefdestralen
Van de eengo Liefdozon; wil liever, vastgeboeid
Aan \'t walglijk slijkgevaarte, en weer tot slijk vervloeid.
Waaruit zijn lichaam werd, van aard- tot aardklomp zwieren
Als stofatoom dan \'t feest van zijn verheêmling vieren!
o had een bliksempijl \'t verwaten brein gekloofd.
Dat zich het eerst een god en meerder heeft geloofd,
Omdat het, in den schoot der duistere aard gezonken.
En telken stap opnieuw van eigen glorie dronken,
Uit \'safgronds vloekbare erts en schittrend rotskristal
Zich kronen had gésmeed, verbreidstiirs van zijn val!
O had oen vuurorkaan dat vloektuig weggeslagen,
Dat naar een torenspits door \'s menschon liand gedragen
Zijn geest, al tuiinlond door de hermlen, prooi der hel
En werktuig heeft gemaakt van \'fc dartelst duivlenspel!
O zalig, zalig de eeuw, toen \'s hemels starrenkringen
Als kristallijnen stolp de schijf der aard omvingen;
De zon, bij d\' uchlendglans, don Oceaan ontsteeg,
Door \'s hemels veste rende, en dan naar \'t Westen neeg.
Om in een gouden boot naar \'t Oost terug te varen.
En daar opnieuw den dag in morgenpracht te baren!
Toen werd Godloochening geen wetenschap geacht.
Geen stofvergoding had den geest ten val gebracht.
Wiens hoogste roem het was in do oorzaak van do dingen,
In de eerste kiemen van hun wording door te dringen.
En oji te stijgen tot hun oorsprong; wieu \'t bestaan
In eigen volheid rust, en nimmer kan vergaan.
O keerdet gij op aard, te ras vervloten dagen!
Gelukkigen, die u en uwe wijzen zagen!
Die wijzen, door geen waan of dwelmdroom ooit vervoerd,
Maar door hun wetenschap steeds hechter vastgesnoerd
Aan godsdienst, deugd en plicht; voor Jezus\' troon gebogen,
En eerend in zijn werk zijn liefde en alvermogen,
Die, beide grenzenloos, mot broederlijke hand,
Het menschdom kweekten voor een beter Vaderland.
Wat wijsheid, die ons van hun geelgetinto bladen
Verrukkend tegendauwt en nimmer kan verzaden!
Wat diepte en geestkracht in hun blikken! Trotsche stoet
Van leeraars onzes tijds, hebt go ooit uw geest gevoed
Met zelfbespiegeling? uw onbegrijpbre reden
240
In \'t godlijk oog gestaard? O durft hier nader treden! Verzaakt één oogenblik uw hoogmoed, en geniet Uw stofloos deel in al zijn schoonheid! Heel \'t gebied Der stoflijke natuur zal voor zijn glans verzinken!
Gij ziet geen stofglans meer in \'s menschen oogen blinken, Maar in uw boezem glanst uw grootheid, en â uw God ! Aanbiddend knielt gij neer en dankt voor uw genot!
Dan, wie durft in deze eeuw der Waarheid hemelluister
In \'t vlekloos aanzicht zien? Met meer dan stalen kluister
Is alles aan deze aard geketend; haar alleen
Vereert m\' als hoogste doel van \'s menschen vatbaarheên ;
Haar rooken de outers, haar wordt zweet en bloed geotterd.
Millioenen schatten, door het voorgeslacht geketterd.
Bevloeren haar met goud, of telen weelde en lust
Bij zwermen, maar helaas! niets minder dan de rust
Van zaalger eeuwen! Ja! Gods hoogheid is gewroken!
De menschheid, van hetgeen haar adelt gansch verstoken.
Zwiert dartiend over de aard, of jubelt in haar val
Een krijschend zegelied bij \'t dronken feestgeschal!
Mijn oogen, wendt u af! Geen zeedlijkheid, geen banden
Van schaamte of schuchterheid, die gij niet aan ziet randen!
O helsche nachten! O afgrijslijk Satansspel
Met zielen, hier als kaf geslingerd naar de hel!
Europa, schrei, ó schrei! Gij hebt uw God verloren!
Zijn Englen vlieden voor uw dartle Venuschoren !
Kon \'t anders, groote God? Dat volk, dat u verstiet.
241
Uw tempels voor den dienst van Astaroths verliet.
Uw Zoon, zijn redder en behouder, dorst versmaden.
Kon \'t anders, of\' dat volk, met \'s Hemels vloek beladen,
Dien \'t uittartte op zijn hoofd, moest meer dan Sodomsschand En gruwlen plegen, die geen Oodswraak meer verbant,
Tenzij zij in een wolk van vuur en zwavelvlagen Neêrvarend, \'t vloekgespuis in \'t hart der aard komt jagen, Of onder de asch bestelpt der nieuwe gruwelsteén\'?
Maar neen! mijn God, Gij hoort de zuchten en \'t geween Der schaar getrouwen, die voor uw altaren waken;
Wier boezems nog voor u en uw Gezalfde blaken. Zij smeeken, on Gij hoort: âGenade, o Heer, geen recht! Uw Zoon, uw eenge Zoon heeft eens het pleit besleclit Des menschdoms en zijn bloed verzoenend uitgegoten!
Voor zondaars heeft dat bloed, en zelfs voor hen gevloten. Die zijner handen palm doorpriemden aan het hout Des vloeks! Zijn doodsnik bad, dat Gij vergeven zoudt! Vergeef, genadig God! Verdelg ze niet van de aarde.
Die eens de liefdebed van uw Gezalfde spaarde!
Verdelg zo niet, maar tref ze in hun versteend gemoed. En toon uw almacht door uw heiigenadevloed!quot;
Mijn broeders, deze bed zij de onze steeds! Wat gaven. Ons daaglijks toegevloeid, die ons Gods liefde staven Voor zondaars, die Hem eens verguisden! Neen geen wraak Smeekt ooit de Christen af. Zijn liefde schept vermaak In schuldvergeving en mag heerlijkst zegepralen.
Zoo vaak zij haat en vloek met zegen mag betalon.
Hij weet. Gerechtigheid is eindloos in zijn God;
16
242
Doch hem werd niet de wraak, maar Jezus\' nieuw gebod Bevolen. Snoodaards, neen! geen christen is ooit wreker D;in door der liefde kracht, die in den wetverbreker Een broeder kent in God, verlost door \'t eigen bloed,
Dat voor des Hoogsten troon verzoenend pleiten moet.
Maar liefde, christen, is geen lafheid, geen verzaken Van eigen plicht ; geen rust, waar God gebiedt te waken En arbeid van ons eischt, hetzij door woord of daad. De christen koestert niet, maar overwint het kwaad.
Althans bestrijdt het naar de krachten, hem gegeven. Hij moet voor zich niet slechts, hij moot voor allen leven; En wee hem, zoo hem ooit de ware moed begeeft.
Die in geen foltring zelfs in \'t hart des braven sneeft, De moed, om voor heel de aard zijn Heiland te verkonden! Tot in zijn doodssnik wordt de christen trouw bevonden. Of heeft zijn naam verbeurd. â Mijn broeders, tot den kamp Uw zwaarden aangegord! Geen helsche solferdamp.
Die om uw hoofden walmt, doe u den moed ontzinken! Uw zwaard zal door den nacht, door meer dan heinacht blinken, En schittren van een licht, uit bovenaardschen trans Neerstralend, en heel de aard doen knielen voor zijn glans. De Godmensch kampt voor u; Zijn kracht doorgloeit uw aderen. Geen vijand, die u trotst of in don strijd durft naderen. De Godmensch kampt voor u! Geen ijdle kracht des mans. Geen staal beslist voor Hem de weiflende oorlogskans.
Maar van zijn voorhoofd straalt Zijns Vaders Alvermogen! De duivlen vlieden voor de bliksems Van Zijn oogen!
Kamp moedig, christen, kamp! Geen vrede met deze aard. Eer dat zij voor het Rijk uws Heilands is herbaard!
243
Geen vrede met deze aard! Met deze gruweltijden
Van hoogmoed, ongeloof, en zoenverbondbestrijden
Geen vrede! Christen, neen! geen vrede met den trots
Der Wetenschap des Tijds, die, mededingster Gods,
Uw Christus heeft gesmaad! Die valsche lichtbestraling
Is geen begoochlingszucht van menschelijke dwaling;
Ze is hemelterging, meer dan Babels torenbouw
A7ormetel! Ze is geen vlucht door \'s hemels weêmlend blauw
Geen dolle reuzenkrijg of hemeltroonbestorming,
Zooals de fabel schiep, maar (grootsche geesthervorming
In naam en schijn) verraad en wreede zielemnoord
Uit haat, uit trots, uit wraak, die duizenden versmoort
In poelen van ellend. Ze is moeder van die plagen.
Die \'s aardrijks geesel zijn, onnoozelen belagen
En vorsten moorden, om hun kronen aan het volk
Ten buit te werpen tot een moordspel voor hun dolk.
Zij plast met helsch genot in \'t bloed der martelaren.
Vertrapt des Heilands kruis op \'s christens zoenaltaren.
Verwoest zijn tempels, sleurt zijn priesters naar \'t schavot.
En schimpt: âWaar is uw arm, gewaande wereld-God?
Zo is uit geen licht, ze is uit des afgronds nacht geboren!
Haar glans is rosse gloed, waarvan de blikken gloren
Des alverdelgers, dien des hemels bliksemvonk
Door lucht en aardkorst in den poel des duisters klonk.
De Satan heerscht door haar, en wil zijn God bekrijgen
Door menschenhoogmoed, en weer kuin ten hemel stijgen.
Neen, christnen, in uw hart geen vrede met de hel!
Gij weet, wat u verbeidt, en kent het hoog bevel
Uws Heeren. Dreigt de dood? Gij durft haar moedig trotsen.
In \'t woedenst golfgebruis staat ge, als onwrikbre rotsen,
244
Op \'t woord uws Meesters pal! Gij kent het Eenig Licht Der wereld! Op die Zon houdt gij uw oog gericht!
Europa, weet gij \'t nog, wat duizenden barbaren Eens stormden langs uw grond? Zij wisten van geen sparen Der onschuld; driest geweld was reden en gezach, Verplettring, zegepraal! Wie toen een vrijheidsdag Gespeld had aan dat heir van wreed vertrapte slaven.
Die in het dwanggareel dier woestaards moesten draven Of sterven, waar een dwaas gescholden, door de ellend\' Van Redens licht beroofd! Toch is het u bekend,
Europa, wie hun \'t eerst de gulden vrijheid spelde. Die vrijheid werd gebaard. Wie was \'t die hen herstelde In d\' eedlen rang van mensch, die duizenden, ontbloot Van wat elk diergeslacht in veld en woud genoot?
Wie was \'t, Euroop? Wie was \'t? Diezelfde, dien de handen Van lage roovers thans vermetel aan gaan randen,
Terwijl gij \'t ziet en duldt! Die koning in zijn boei Zoo vrij als op den troon! Bij \'t daverend geloei Der stormen om zijn kruin nog hemelleerverkonder!
Bij \'t schokken dezer aard van \'t knallend schutgedonder. Dat ook zijn schedel dreigt, onwrikbaar, edel, groot!
De Paus, Euroop, de Paus! Wat vrijheid gij genoot.
Wat rein beschavingslicht er om uw kroonglans speelde Door zooveel eeuwen, \'t was die Koning die het teelde. En door uw Rijken goot bij stroomen! Weet gij \'t niet Wat ge eens geweest zijt in \'t haast perkeloos gebied Van Charlemagne, toen het kruis werd aangebeden,
In kroon en scepter blonk, en vruchtloos werd bestreden?
245
Wat Jicht en glansen langs uw bodem sinds dat uur!
Doorvorsching, breed en diep, der levende natuur;
Bespiegling, hoog en rein, van Gods gewijde bladen;
Beschouwingen, die nooit een edel hart verzaden.
Van God en Geesten; Kunst, mot vrije heerschappij
Des geestes over \'t stof, in de onafzienbre rij
Van tempels, reuzig trotsch ten wolken opgesteigerd.
Der Englen wellust, die onze Eeuwtrots zelfs niet weigert
Te huldigen als schoon; de reinste poëzie
In beeld- en schilderkunst, als glansen van \'t Genie
Ons tegenschittrend uit die eeuwen, wier barbaarschheid
(Wat eer die schempnaam!) ons mag troosten van de schaarschheii 1
Van scheppingen, waaruit een hooger leven stroomt.
Dan waar de slaaf des gouds in onzen tijd van droomt!
5 Hadt gij voortgebouwd op \'t geen toen was geworden;
Den broederband erkend, die aard- en hemelorden
Vereende; God in \'t v lees ch als \'t Eenig Ideaal
Aanbeden in het schoon; gij hadt do zegepraal
Van Wetenschap en Kunst tot aan uw verste stranden
Begroet, en niet uw kroon balddadig aan zien randen.
Uit Rome stroomt uw licht! Trots d\'Eeuwgeest en zijn trots
Daar is, daar blijft, Euroop, de zichtbre zetel Gods,
Het nieuw Jeruzalem, en uw geheiligd Oosten !
Daar vloeien, om langs de aard de needrigeu to troosten.
Nog woorden van gena en heiliging! Daar woont
Een mensch, wiens geest in \'t licht der hoogste Waarheid troont.
Uit Rome stroomt uw licht! Geen christen kan bezwijken Bij \'t dreunen dezer aard, bij quot;t schudden van haar Rijken;
246
Bij \'t brallend helgeloei van \'t Godvervloekend woord Der bandelooze Pers. Hij heeft zijn God gehoord In \'t woord des Martelaars, van Oost- tot avondstranden, Van Noord tot middagzon nog Koning in zijn banden ! Dat woord drupt lafenis, drupt leven, zegen, hoop.
Wekt kracht en stervensmoed, hoe hel en wereld loop\' !
Uit Rome stroomt uw licht! Ik zie een morgen dagen Als, sinds de wereld wierd, geen deinzende eeuwen zagen ; Een dag van glorie voor het helverwinnend Kruis,
Waarvoor heel \'t aardrijk knielt! Hoe vliedt het nachtgespuis Des afgronds! Heiland, ja! dat is uw eindviktorie!
De zeeën glanzen, 0 mijn Koning, van uw glorie.
En de aarde looft uw naam! Hozanna, God uit God! Gij zegepraalt, ó Held! de wieken zijn geknot Van uw bestrijder! Looft zijn Naam, ö Morgentransen, Verbreidt Hem met uw licht, en Avond, doe Hem glansen Vol staatlijkheid en pracht! Hozanna! Hij regeert! De helvorst knarsetandt, voor Jezus\' Kroon verneerd! ó Hemelsch Licht, spoed aan, en Godmensch, laat het dagen! Met U daagt kennislicht als nimmer eeuwen zagen!
1874.
1893.
OP HET GOUDEN PRIESTERFEEST VAN Z. H- PAUS UEO XIII.
oelt do ziel de prang der boeien,
die de omknelling van hot stof ^ Haar in \'t aardsch bestaan bleef\' smeden,
sinds Gods vloek het aardrijk trof;
Grijnzen vaak bij vreugdoraalon
beelden der verschrikking rond, Ook al doen de feestgezangen
voor het oor de weelde kond; Is \'t den mensch zoo schaars gegeven
heilgenieting zonder smart Op deze aarde te zien vloeien
in zijn heilbegeerig hart;
De aarde kent ook hemelweelde!
Uit de milde hand van God Vloeit nog, rein en onboiieveld,
onnitspreeklijk ziolsgonot.
248
Molden \'t aan do morgenkimraen
ginds die schitterglansen niet? \'t Is het feest des Priesterkonings,
die in Christus\' naam gebiedt! \'t Is het feest des Priesterkonings!
Nooit mocht onbewolkter dag De aard tot jubelzangen nooden
met zoo milden vredelach.
\'t Feest des Pausen is zijn zonen
\'t Godgeheiligd Liefdefeest!
Alles ademt liefde en vrede
in do volheid van Gods Geest. Liefde en vrede, hemelboden,
met uw God op de aard gedaald, Hoe gij heden, vlekloos hemelsch,
in de Kerk van Christus straalt!
Liefde jubelt zegezangen,
steigerend naar Jezus\' troon, Zegezangen voor den Koning
met de Gouden Priesterkroon; Vrede daalt uit \'s Hemels choren
zegenend op do aarde neer.
Vrede, als in de herdersvelden
afgebeên door \'t Englenheer.
Wat mag zij heerlijk stralen Uw Gouden Priesterkroon; O onze Paus en Koning, Wat is uw feestdag schoon!
240
Wat i.s liet zoet te leven In schuts van Jezus\' Kerk; O groote Paus van Rome, Wat is uw liefde sterk!
Wat hebt Ge al smaad geleden Voor die uw kindren zijn; Wat felle harteslagen, Wat wreede zielepijn.
De kroon, door U gedragen, Was steeds een doornen kroon ; Maar bovenaardsche luister Omblonk uw koningstroon.
De Wetenschappen staren. Met fier geheven hoofd,
Naar Rome, naar den Koning, Die haar zoo luide looft.
Zij scheppen nieuwe banen. Door \'s Pausen oog bewaakt. Tot waar de hoogste zonne Van middagglansen blaakt.
250
Zij scheppen nieuwe banen In d\' onderaardschen nacht En troonen uit het duister Natuurs verborgen kracht.
Zij knielen biddend neder Waar \'t redelicht bezwijkt En \'t Goddelijk Mysterie Haar ondoorschouwbaar blijkt.
Wat is het zoet te leven In schuts van Jezus\' Kerk; U groote Paus van Rome, Wat is uw liefde sterk!
Hoe sloot Gij reeds de banden Der Wetenschappen saam! Reeds zien wij haar viktorie Jn Jezus\' grooten Naam.
Reeds zien wij haar Viktorie, Trots d\'Eeuwgeest en zijn trots. En \'t stralen van haar luister Om Petrus\' hooge Rots.
\'t Geloof reikt haar de handen En voert ze in hemelvaart Door \'t rijk der reine Geesten, Beschermers dezer aard.
Wat is het zoet te leven In schuts van Jezus\' Kerk; O groote Paus van Rome, Wat is uw liefde sterk!
\'t Ruischt alles liefde en vrede Om uw verheven troon; De vrede schiep de stralen Van uwe Priesterkroon.
OP HETZELFDE JUBEUFEEST.
HET LICHT DHR WAARHEID.
â¢:-\'4
ijst daar een licht in het Oosten,
C\'JjU] /^nly)- lt;\'
Eon schittoreiid, lieerelijk licht, En schept het een dag voor onze aarde, f Met hemelschen luister gekroond ?
Hoor den jubel der zangen,
In grootsche, steigrende vaart!
De volken verkonden den dag.
Die zijn schittering strooit aan de transen. Wiens adem do schepping doorstroomt.
Dat\'s hot licht niet der zon! Neen geen morgen In de pracht van hot Oosten zich badend, Het voorhoofd oragolfd van de stralen.
Waar de gloed van het leven in vonkt;
Neen, geen morgen, voor de aarde herrezen,
253
Hoe schoon voor liet sterfelijk oog,
Dost een kleed aan, zoo goddelijk stralend Als de dag, die onze aard nu beschijnt. De weerschijn der Eeuwige Waarheid Is heden de Zon onzer aard.
\'t Feest van \'s werelds Priesterkoning! Schouwt uw oog dien
grijsaard aan ?
Zie hem krachtig, ongebogen op de rots der eeuwen staan! \'t Woord des Vaders, d\' Eéngeboren, door Zijn Liefde men-
schenzoon,
Hoogepriester door Zijn zoenbloed voor des Hoogsten glorietroon. Schonk hem de opperpriesterkrone, wijdde hom tot waarheids-
tolk
Als een Herder, Hoofd en Leeraar van Zijn uitverkoren volk. \'t Feest van \'s werelds Priesterkoning is voor de aard een
hemelfeest;
\'t Is de aanbidding van Gods waarheid in Zijn Heiligenden
Geest;
In den Geest der Pinkstervlammen, op de Apostlen neergedaald. En wiens licht door eeuw aan eeuwen in de Kerk van Christus
straalt.
Stormen woedden over de aarde, rukten marmer en arduin In den afgrond der vernieling, van der wereldsteden krnin; Maar de rots van Christus wankelt voor \'t geweld der stormen
niet;
\'t Loeien zelfs der heiorkanen zwijgt voor \'t godlijk machtgcbied. Schooner dan de middagglansen in beur grootsdie majesteit Straalt der waarheid vlammend wapen van een hooger heer-
254
Zie, Euroop, uw Priesterkoning draagt dat wapen in zijn hand! Biiksemschittrend, waar de heimacht met de wereld samenspant,
Om den rotssteen te vergruizen, die de Kerk van Christus
draagt.
Straalt dat wapen zacht en hemelsch, wen \'t als licht der
waarheid daagt. Zie het schittren, zie het flonkren, luister spreiden wijd en zijd; Zie de harmonie daar glanzen tusschen Eeuwigheid en Tijd: Daar \'t mysterie, voor onze oogen ondoorschouwbaar, eindloos diep,
Volle klaarheid voor de Godheid, die den Tijd in \'t aanzijn riep: Hier do schepping, in haar perkon naar een juiste maat bepaald, Eindig beeld des Ongezienen, maar waarin Zijn Godsmacht
straalt.
Zonnen in de woestenijen van het perkloos niet gestrooid Vonken voor ons oog, wier glinstring \'t kleed der aardsche
nachten tooit â Zijn der heemlen vuurgloedpsalmen, roepende op heur wereldbaan God, den eeuwig-ongeworden, aller lichten Schepper, aan. De aard verkondigt in het leven, dat heur oppervlak door-
zwiert,
\'t Eeuwig, ongeschapen Leven, waardoor alle leven wierd. Zelfs \'t nauw merkbaar stofje wemelt in de Bron van al \'t
bestaan,
Die, wat ze aanzijn gaf en leven, blijft behoeden voor \'t vergaan, \'s Menschen geest doorvorsch\' do heemlen, dring\' in \'s aardrijks
diepten door;
Smelte in d\' avond de eerste glansen van don blijden morgen-
gloor;
255
Voer\' zijn denkkracht waar geen perken haar meer stuiten in
hour vaart
En zij, boven \'t stof\' verheven, op een hooger wereld staart; Doch hij waan\' zijn denkvermogen geen gebieder, naar wiens
woord
Wat bestaat in aard- of\' luchtkring zonder wederstreven hoort. God alleen is Scheppend Denker! Hij gebiedt, wanneer Hij
denkt,
Hij wiens denken aan \'t gedachte buiten zich het aanzijn
schenkt.
Eindelooze Kracht en Wijsheid is het goddelijk Bestaan, Aan geen perk des tijds gebonden, boven wording en vergaan; Eindelooze Kracht en Wijsheid, die geen geestenoog doorziet; Eeuwge volheid van een Leven, dat alleen zich zelf geniet.
Zoo leest hier ons oog bij den luister.
Die het vlammende wapen verspreidt.
Waar de waarheid uit vonkelt en straalt.
Zie daar spelen weer schittrende glansen En schieten zich uit tot een kroon!
Die kroon gloeit, als had ze in den hemel Het voorhoofd omgloried eens Serafs,
Als waar\' ze nog fier dat te omstralen. Een grootsche gestalte, in wier oogen Do stralen der denkende ziel Een hymne vol liefdegloed zingen.
Zweeft neder, omspant met de handen Die hemelsche, flonkrende kroon En drukt haar op \'t hoofd van den Paus.
25G
\'t Is de Engel der School, die den Priester, Den Koning der volkeren kroont!
De hemelen zien het en zingen Door al hunne sferen een Lied:
Eeuwig, eeuwig is de waarheid, één in de ongeschapen Bron Van het stof en \'t stoffelooze, Leven, Kracht en Liefdezon. Uit Gods volheid, op Zijn wenken, scliiet zij in een stralengloed Door geheel do schepping henen, met den mildsten overvloed. Ieder schepsel draagt haar zegel op het voorhoofd, in het hart: \'t Mijtje, dat in de aarde wemelt en des wandlaars voet niet
tart;
Geesten scharen in den luister, die het vlekloos Licht omzweeft. Bloeiende van \'t hoogste loven, dat God uitgeademd heeft, \'t Leven Gods is louter waarheid, met haar innigst wezen één; Hij omvat haar, Hij geniet haar; ze is Zijn eigendom alleen. Maar Hij roept de hemelgeesten en don mensch. Zijn beeld op
aard,
Om het Waarheidslicht te aanschouwen, waar Hij in zich zelf
op staart;
Hij bestemt hen, om te leven in het Leven van hun God En Gods liefde toe te stroomen in der Waarheid heilgenot. God uit God, in \'t vleesch verschenen, heeft op aard Zijn Kerk
gesticht,
Die Hij godlijk blijft bestralen met Zijn Liefde en Waarheids-
licht.
Zij is leeraros der wereld. Jezus\' plaatsbekleeder staat Of» haar rots, als gids der volken, spijt des afgronds vloek en
haat.
257
Boven trotsche Babelsticliting, steigrend naar den zonnetrans, \'t Oog verblindend, datquot;, haar nastaart, door heur valschen
flikkerglans;
Door den baaierdnacht dei- zonde, dien de stofvergoding baart, Klinkt de hemelstem des Pausen, tolk der Godheid, over
de aard.
Leo is door God verkoren, om der rode logenbeeld \'t Schandlijk masker af te rukken, waar do mom dor hel in
speelt.
Zie, zijn hand wijst op don Leeraar, d\' Hngel van de School
genoemd.
Dien hij als den grootsten wijsgeer in de Kerk van Christus
roemt.
â\'t Licht der rede schiet\' zijn stralen,quot; roept hij, âimmer
breeder uit;
âMaar des menschen denkkracht buige, waar ze op Gods
geheimen stuit.quot;
17
AAN U E O XIII,
den Paus dhr Wetenschap en van het Rozenkkansgebeü.
^oe staart op \'t Gouden Feest van \'s aard rijks Priester
i;ö|» Koning
(glpgsquot;quot;*
^ De blijde Hoop ons aan met zachten vredelach! f Haar wijkt der wereld trots en bonte praalvertooning I Jn stille majesteit eischt zij van de aard ontzach. Zij draagt in de eene hand, ten hemel opgeheven,
Den Naam der Moedermaagd, omschitterd van een Kroon Der schoonste rozen, waar een gloed van hemelsch leven
Uit vonkelt als er vloeit om Jezus\' liefdetroon.
In de andre toont zij \'t beeld der Zonne. âZie de glorie
Des Pausenquot;, (spreekt haar oog.) De heil\'ge Rozenkrans Is \'t wapen in zijn hand hem voerend ter viktorie.
En om zijn krone straalt dor wetenschappen glans.
flflNTEEKENINGEN-
Daar de meer uitgebreide gediehteii van dit biuuleltje allen in alexandrijnen geschreven zyn, is liet misschien niet gel||el overbodig met een enkel woord op do eigenaardigheid dezer versmaat te wijzen. Bilderdijk, de generalissimus van ons leger, zooals Ten Kate hem noemde, bewonderde in dit âheroisch maatgeluidquot; do verscheidenheid van rijzing en daling, de roering en ontzetting, de pijlsnelle verheffing en zwevende vlucht, do zachtheid en gestevenheid, de majesteit en pracht, in één woord, den vollen, bruisenden overvloed.
Daar zijn dichterlijke denkbeelden, (vooral reeksen van dichterlijke denkbeelden), die niet in hun volle schoonheid kunnen schitteren, zoo ze niet in alexandrijnen worden belichaamd. Elke beschaafde taal heeft in de versiflkatio één grootschon vorm voor het groote, overweldigende, met onweerstaanbare kracht vervoerende; een gebiedenden vorm voor een gebiedende gedachte. Die vorm is in onze taal de zoogenaamde alexandrijnsche voetmaat. Biiderdijks G e e sten w a r e 1 d. Da Costa\'s H a g a r, öchaepmans P h o t i u s moesten in alexandrijnen worden gedacht, om te zijn wat zo zijn d. i. om door een overheerschende kracht en koninklijke
260
majesteit den lezer te boeien en in de ziel te grijpen. Da Costa vooral zou geen Da Costa zijn, zoo onze taal geen alexandrijnen kende. Voor de denkbeelden zijner Tijdzangen was maar één vorm bestaanbaar. Die breede, forsche gedachten moesten worden vertolkt in verzen, ,,dio als de gelederen van een optrekkend heir elkander opvolgen in de linie ten strijd, maar weldra de slagorde verbreken, en warrelend en wriemelend en wiegend en deinend, op elkander storten en hotsen en botsen, nu gebogen en dan zich verheffend, hier kruipend, ginds springend en buitelend, de batterijen des vijands bestormen en er de zege vinden of den dood.quot;
In vele leerboeken over onzen âversbouwquot; kan men nog altijd lezen, dat alexandrijnsche verzen doorgaans bestaan uit zes jambische voeten. Het kan niet ontkend worden, dat er vele alexandrijnen kunnen worden aangewezen, die uit louter jamben bestaan. Doch het is tevens zeker, dat onze grootste dichters in hun meesterstukken geen twintig achtereenvolgende verzen in een zoo eentonige voetmaat hebben geschreven. Kinker, een uitstekend meester in de techniek der poëzie, heeft meermalen doen opmerken, dat niets zoo slaperig is als die alexandrijnsche verzen, waarin do eerste syllabe een korte voorslag voor den eersten trochaeus is; waar de middenrust met een geklemde eindgroep het halfvers eindigt en het staande of slepende rijm het vers tegelijk met een zinsnede der zegging doet afloopen. Nog onaangenamer acht hij het, wanneer men naar een andere voetmaat ingerichte of geordende verzen in den senarischo n dreun leest of voordraagt. Hij wijst daarbij op de volgende naar de dubbele voetmaat van den trimeter verdeelde verzen van Bilderdijk:
De sleep â en kwijning â en niet eindigende plagen.
Die van haar eeuwigheid den naam van D u u r z a a m dragen, In \'t doode en stilstaand, maar inwendig woelend, meir. Dat gruwzaamst opbarst met een vreeslijk jamrenheir.
2dl
In deze en vele andere dergelijke verzen wordt volgens Kinker de melodie beter door dubbele trochaeën (of liever een t r o-e h ii e u s en een volgenden s p o n d e u s) in het skandeeren uitgedrukt dan door een anderen vorm. De eerste lettergreep moet dan beschouwd worden als een voorslag en kan, zonder dat de klankmaat daardoor veranderd wordt, zoowel kort als lang zijn.
De schoonheid van Bilderdijks alexandrijnen bestaat naar liet oordeel van Kinker vooral in het niet klemmen der zesde syllabe; in het leggen van de meeste kracht op den tweeden en vierden trochaeus, (welke laatste ook een spondeus zijn mag); in liet verzwakken van den eersten en derden trochaeus, âdie daardoor naar een p y r r i c h i u s zweemt of inderdaad uit twee korte syllaben bestaat, van tijd tot tijd afgewisseld met son a-r i s c h e kadansen en een zwaren klemtoon op den vijfden t r o-c h a e u s.quot; Bij voorbeeld :
Als dan de zeeman van zijn aangegrepen boord De rug der baren, tot zijn ondergang vereenigd.
Mot gulle stroomen van een lichter vloeistof lenigt. En Pallas olie of het bolsterkaf van \'t graan Bij kuipen uitgiet, die heur gramschap nederslaan. Do golving breken en mot effen pad bevloeren,
âNa deze zes, geheel naar liet trimetrische schema ingerichte verzen, doet nu het volgende meer senarische, maar niet te min makkelijk rollende, en in één adem uit te spreken vers meer cn krachtiger uitwerking, dan wanneer zij allen dit laatste r y t h-mus deden hooren; dit namelijk:
Om de afgebeukte kiel ten haven in te voeren.quot;
Bladz. 1.
Onsterfelijke looveren Omvlochten reeds uw kruin, voor \'s levens morgenstond
262
Uw aanzijn aan deze aard, aan \'t plekje gronds verbond, Waarop gij ademhaalt.
Gelijk Hij (God) ons voor de grondvesting der wereld in hem (Christus) verkoren heeft, opdat wij heilig en onbesmet zouden zijn voor zijn aangezicht in liefde; die ons heeft voorbeschikt ter aanneming tot kinderen voor zich door Jezus Christus, naar het besluit van zijn wil, tot lof der heerlijkheid van zijn genade, waarâ door Hij ons aangenaam gemaakt heeft in zijn geliefden Zoon enz.
h. 1\'au lus.
Bladz. I).
Gij zaagt op \'s Hoogsten wenk den eersten morgen gloeien, liet eerste tooverkleed van \'s aardrijkw lente bloeien, De waatren om onze aard heur reuzenarmen slaan.
Do lezer begrijpt, dat hij hier met een constructie ad s y n e s i m te doen heeft en dat bij het voornaamw. li c u r aan zeeën gedacht is of liever aan wateren in de beteekenis van zeeën. In dergelijke spelingen kan soms iets dichterlijks zijn. Gok moet een ieder gevoelen, dat h e u r op deze plaats meer schildert voor het oor dan h u n zou kunnen deen. De trillende r, die altijd beweging uitdrukt en die hier met de volgende r min of meer samensmelt, verlengt voor het gehoor, als ware \'t, de zich uitstrekkende reuzen a r m e n. Deze uitwerking wordt nog vermeerderd door een zekere klankspeling. Iets anders is (bladz. 62).
Zoover er wereldkringen Met heur bewoners zijn.
Heur ziet hier op het eerste deel van het woord wereld-kringen Zoo zingt Bilderdijk in De Ziekte der Geleerden:
Een weemlend maanlicht schijnt dees hemel rond te loepen,
En licht en flikkert op een meir van ziedend bloed,
Dat, naar h a a r wending, ebt of opzet van den vloed.
Een nog sterker voorbeeld vindt men in zijn Buitenleven:
Wordt met den aart bekend van jaarkrings wisselstondcn, \'t Heeft ook een dageraad als de enger hemelronden.
In \'t voorbijgaan z\\i gezegd, dat dage r a a d hier de lente voorstelt en dat hemelronden dagen beteekent. Het (\'t) ziet op het eerste deel van j a a r k r i n g.
Bladz. 9.
Wat wondre stralen spelen, Getooverd uit dit slijk enz.
In do volgende twintig verzen heb ik een oogenblik willen jubelen met de gelukkige Kerk, die haar felix Adae culpa zoo aandoenlijk het onuitsprekelijk voorrecht der Verlossing laat vertolken.
Dat de woorden:
âEerst kon hij zich verderven En doemen tot den dood;quot;
op den eersten Adam zien,
âthands kan hij niet meer sterven.quot;
op den tweeden, namelijk, Christus, zal wel geen nadere verklaring behoeven. Ook zal niemand, die gevoel bezit, mij vragen, waarom ik (bl. 9) âperkloosh e i dquot; op âeeuwigheidquot; gerijmd heb.
Bladz. 22.
Het Eeuwig Woord verguisd in naam van \'smenschen reden!
Dat rode, wat de beteekenis betreft, geheel willekeurig van reden onderschelden wordt, mag ik onderstellen bekend te zijn.
264
Zoo kan ook orden voor orde gebruikt worden. Doch hot eerste is dan toch eigenlijk een meervoud on beteekent een reeks.
Bladz. 191.
Mijn God, \'k erken uw Alvermogen
In \'t blad, dat op de winden zwiert,
In \'t schuimen van de waterwogen,
In \'t loeien van het veldgediert.
De lezer moge beslissen of w a t e r w ogen een germanisme dan wel een archaïsme moet genoemd worden.
IW il\'ji\' .-^«Büy-ny
- \'
| ⢠â â - â
â¢â¢
â n*
- â
*»
.
\'
â gt;⢠â ,....-. V .,-, .â .... \' ,r .\',./ .-. â . ..;r - â . â . -â :.â â â¢â â quot;; .â . â , â â â -; Vr\'|/^i â \'â - â â :â â â â â â , -,â ..\'. V-. â .- -â \' .\'y \' - . - - :
. H , -w MU~. s. ^ -1, .
â â¢â \' â â \'â¢. â 1 â \' ::\' â \'^ . \' â â¢. \'â â \' :\' â : - â . v\'-..»
â â â¢ââ â¢â â ...... ........... . ;. ,
.... ., ;... â ,â
â V -⢠-â ^ - â¢â V. â , â â .. ,. ... ........... r. ,:... ,: . . .â ..,â . . ,. , ...: â -:.⢠%
. . . .
\' M\'v\'. \' â ^ »^quot;\'-^â¢*\'3^\'\'\'\'^quot; 1 iA#nr « * r, 4 ⢠i .il-1\'f\' ^ â 1 V#,^,,
- - .^ \'⢠-.....â \': ............ . ..,\',.. . . ....,,,... ...... ..... -,.. .,.. .. , ..... .. ,.; ,;... , ...... . : ,,.,.. ... . ..:, , . , ...;.: . . . . . , .. .
\'-â¢v; ⢠⢠- - â ................. .. ... . , .. ... . .
â Ã!!« â â â â ....... . â . . ........ ..... ^- .. .-. â .â â .,...
⢠\' .............â . ...â â \' â .................... ..... .. ...... ....... . ...... L ..... .......
â . â¢â ......... ..... ........... . .. : .. , , . 1» â â â â â . ........... ., |
.lt; - â . ......
.............. .... â ...
................. ... .â ..;,.....â ., ,. - .. . .: ., ;..â ...; ,
...... .......... ...... ...... ....
â : ... ..... .. ..... ........... ,. .... ..... ... ....... .... , ..... .. ..
â â ^quot;.\' â ⢠lt;V. ............................ fe\'i
. ,1 rt%équot; \' \'rM\' « \' A .t » ,é-- H- \' 1 «\'Tquot;- ^ lt; - - -^
J \' HKw --- ~ â â¢*\' rVM-iquot; ^fll- W\' -r* . -,( «\'tï . .«â ! « pÃmp 1 » -« \'-Hvgt; ^ ,i .
*M \'- gt;, . . . . ...... .w . ... ,-:\'...--.;1,
......................â â - â ..............â ................. I^dp.
...... â â â â â â â ⢠â â â
............................................-........-............................................â â ........ - â ^.....- â¢â - ..............- â â â -................ â -- ..........
v ..â â¢Ai^??..\', â .v: - - |......\' â ⢠.. .. ... ⢠. ,â :â â ;-⢠â
â â â - â¢â ...... ,..,.. ... ...
â â \'â â â â¢â â ...... ....... .... .......... : .
... . .
.. ... f»,... . -T- ...gt;. :^w«gt;: â -.}-.â â¢!â \'/â \':/. â \'\'â /â \':.-\'i.\'-:i- ..v:,,,. ^.-.,ââ,.,.-.,-..1.,^..;..:...,,.::. . ^ ..,. ..... .
^V\' â â ........... ⢠â â â¢â¢ - ....... . Ui.,
â â i ⢠â¢..... m i......â ⢠â ⢠â ......... I ⢠⢠⢠⢠.........m^mmi
mWamp;e^ .t*1 -N^.f ^ mWÃ^m^\'
â V\'^ gt; \'J ............... ... â . ... ..... . , ....... . .,..:: . ;»p
f\'lt;\'- , gt;v^1§M§M?h \' quot;â
.... . . ...
â¢â - â â â - f-quot; ..........................................,...............,.,.s...., ............ ................. ,. .. ...... ....... :,....... ,-.,. .;
rfamp;fü 0#^ Sw^yt* ~\'i\'lr\' vquot; 1 .^ . gt; â¢
A â¢â gt; ⢠......... .................. .... ........
......... «â¢:
quot;â â â â¢â . : -. . .....
v . .. . ..... ^W^v;
^\'igt;f v.^s^--», ,v i^,4-!
...,. .... --------- . . ..,. .:..
:ïv.V: ..........â â ⢠â â â
. . . ... . . ..... . . . . . . .......
..... ...... . ............
.......
â â¢â â - â â¢- â \'..........,il\'T
â â
*gt;M *-â *gt;.» ,--v * (li* v** m*\'
v.-\'-iamp;e., i - Af\'t-\' â¢^\'-^ *â -*⢠^^hm^-1\'\'
â ⢠\' quot;â â ....... ⢠â ⢠â ⢠- ⢠⢠-
â â â â :â¢â â¢â â -â â -â â - -- - ......... - -
.. .. ..â â. . . ... ... ,.; . . . â . .. g^if|
.... ..... ... . . .-. .... ..... .. . . ^.VV
- â â . \' - â â ⢠-..........
quot; ...................... \' â quot; .......A............
.;...... ... ....... ....... .....,..â ... ...... ........ ....... ^miÂ¥i
......... :. ... .... .. ...
..... .â â .
....... ..... ...... ... ...
............â â â â - â \' ...:.. . .......
. , , . â .... .................................... , ... .................... . jj.
-m\'; \'-V quot;\' ^
â â â¢â ⢠..... ...... m
....... ....
.
-f.;^
â - â \' ...... â¢-â â . .......... ...
\'\'$m â â â¢â ⢠â â â ⢠--⢠â â â â - â â¢â¢ ............................................. . ....,.. ...
â ⢠â â¢â¢â â â â â \' ⢠â â â -:- â â â â ⢠- ......â \' â â¢-â¢â .â .â .â â . â â â -. ....... - â
Mm â â ...................
.........
â â â¢............... â \'. ............ --â -â â -
w», \'v4«wiilt;K4t^v- H
...... .......
\' a» -..
â \'⢠â â â ⢠- â â â â â â - â â¢â -â -â â â¢â - -1 -â â¢â â - â - ...... â ⢠â ........ . . ........... â.
. â . .
.....- â â â ⢠â .â ⢠- â .......... ........ â â â â â â¢â â â â ............ â â â - â â â â .......
⢠â .............. .......... . ....... ... . . ......... ...... .......... .... . . \'quot;\'\'\'\'\'
.....
.........
...
â ⢠.....\' - â \'
.. ,.,.. . . .,\'.., . , ...
\'â \' \'...... ^ \' â â¢
â gt;.H:
..... . .....
H||IBW||pB|||||[Biiiii|iljj|jjiiHl^ Shp
. -^w»^ «-.«â \' -a-v-$ â«O
HBBIj^Bj^^BMBWBHBHBIIilÃH^Bii^^BBlHi^BBI^HBHHHBHBHHBHBB^HHlHiW^^M^^w^quot; quot;ikÃfa-.
mf amp;rtlMm* ^ fVX\',^1\' Jft.
(\'Js.pj-Ji s^s^i»- \'f â¢\' ?quot; ir^Wis^t- t-, Mc * -igt;vn^^ i-Vi \'â¢Â» ^1\'\'quot; t-)t.r!
Msif. ....
;#$ 1 ......... . . .............. ........... . .
⢠⢠â ......â ...........
, â â . â â ......... .- .......... . â ..
.. ,,. ââ ., ... . , ..\' . .. .,:.,. .- .... ., .
⢠â â \'...................
â â â - - â â -â â . â \' \' - - â \' - â â¢: ⢠quot; -;
................ - , ... ......... .... ,,.. .. . .
... , ..... â â - \'..... :\' â â . â
â â â â â â ......:- â - â â â ⢠â â