ocr page 1

Tquot; •

M--i----

H. P. BOSSCHA.

PRIMAIRE, SECUNDAIRE EN TERTIAIRE

NETVLIES BEELDEN

NA MOMENTANE LICHTSINDBUKKEN.

ft______S

Typ. J. van Bofkhoven, Utrecht.

ocr page 2

—---T—

—— .-

r

A. qu 192

gt;

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

PRIMAIRE, SECUNDAIRE EN TERTIAIRE

NETVLIES BEELDEN

NA MOMENTANE L1CHTS1NDRUKKEN.

ocr page 6

l\'yp. J. van Boekhoven , Ulreclil.

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

2448 916 7

ocr page 7

PRIMAIRE, SECUNDAIRE EN TERTIAIRE

NETVLIESBEELDEN

NA MOMENTANE LICHTSINDRUKKEN.

PROEFSCHRIFT

TUK VEniCniJGING VAN DEN GRAAI) VAN

Doctor in de Geneeskunde,

AAN DE JKS-|JNIVERSi r EIT te [JtRECMT, NA MACHTIGING VAN DEN HECTOU-MAGNIFICUS

TDr. 3. OU AM BPl,

Iloo^Ieeraar in de FACiiKcit der Godgeleerdheid

MET TOESTEM MING VAN DEN SENAAT DEK UNIVERSITEIT

tegen de bedenkingen van de faculteit dek geneeskunde TE VERDEDIGEN

op Donderdag den 20s,en April 1893, des namiddags ten 3 ure,

DOCH

HERMAN PIETER BOSSCHA,

.A. H T S,

goboren to CULEMBORG.

1893.

UruKCiiï. — J. VAN UOEKllOVEN. —

ocr page 8

- •

ocr page 9

/tAN M.10NE PUDEI-^S.

ocr page 10

......

MHMIMPH

I

ocr page 11

VOORWOORD.

Gaarne \'jryp ik deze gelegenheid aan om U, Professoren en Lectoren der Medische en Fhilosophische Faculteit, zuier onderwijs ik mocht ontvangen, mijn hartelijken dank te betuigen.

In het bijzonder IJ, hooggeachte Promotor, hooggeleerde Snellen, die steeds bereid waart mij met raad en daad bij te staan, voel ik mij ten zeerste verplicht.

Ik had het voorrecht onder leiding van onzen hooggeschatten leermeester Salzeu werkzaam te mogen zijn. Diep betreuren wij zijn verlies.

En gij mijne vrienden wilt de toezending van dit boekje beschouwen als een bewijs dat ik U niet vergeet, evenals ik hoop ook in de toekomst op een plaats in Uwe herinnering te mogen rekenen.

ocr page 12

■PViilPPWMpWM

-......• • ■ : ■ ■ .....

amp;SUUn^JtWU9ULlilKlIKinnR«r,\'rgt; 3 lt; - \'■ ....

ocr page 13

Historisch overzicht.

De verschijnselen, die het onderwerp mijner onderzoekingen uitmaakten, behooren toe de groep der nabeelden.

Het vraagstuk der nabeelden is zóó uitgebreid.

v-\' cj 7

het staat in nauw verband met zóó vele physiolo-gische problemen, dat ik, mij in mijn onderzoek tot een zeer klein onderdeel bepalende, mij ook in de uiteenzetting van het door vroegere onderzoekers verrichte, strikt zal beperken tot dat hetwelk rechtstreeks niet dit onderdeel in verband staat.

Ter bevordering van een overzicht van de «gt;-e-

CJ O

schiedenis onzer kennis van de nabeelden, komt het mij nuttig voor, daaiin drie tijdperken te onderscheiden: dat der algemeene opnemingen, dat der metingen en dat der meer uitvoerige studiën dezer verschijnselen. Het ligt voor de hand, dat eene

meer nauwkeurige studie eigenlijk aan de metingen

i

ocr page 14

had dienen vooraf te gaan, en uit het volgende zal dan ook genoegzaam blijken dat de arbeid van vele onderzoekers meer vruchten zou hebben afgeworpen, indien zulks werkelijk het geval ware geweest.

Reeds zeer vroegtijdig merkte men op, dat onder sommige omstandigheden (b. v. bij snelle beweging van een lichtgevend voorwerp) eigenaardige gezichtsindrukken ontstaan, die als nabeelden te duiden zijn (Ptolemaeus), en trachtte men zich rekenschap te geven van de voorwaarden, waaronder het ontstaan van deze nabeelden bevorderd wordt. Hierbij bediende men zich van de ronddraaiende gloeiende kool, den tol, den voortschuivenden kam enz. Voor de kennis der bijzonderheden van dit eerste tijdperk verwijs ik naar den reuzenarbeid van Plateau \'). Alléén wil ik er op wijzen dat men reeds vroegtijdig den duur der nabeelden begon te schatten.

Zoo zegt bijv. Newton (Opties): „and do not the „motions once excited continue about a second of „time before they cease?quot;

Met Segner, die \'teerst eenigszins nauwkeurige waarnemingen over den duur der nabeelden ver-

\') liibliogi\'fiphie mialytique dos principaux phonomcnos nubjectifs do In vision ctc. Mémoires dc 1\'Acndémie t. 42, 43, 45.

ocr page 15

3

richtte, begint het tweede tijdperk. Hij vond de methode, die nog in onze dagen gebruikt wordt, waarbij men een lichtgevend voorwerp in een cirkel rondbeweegt met zoodanige snelheid, dat men, een punt van den cirkel fixeerende, het nabeeld van het lichtgevende voorwerp nog ziet, als dit zelf weder op die plaats terug keert. Die omwentelingssnelheid, waarbij dit nog juist plaats heeft, geeft dan den ge-zochten duur van het nabeeld aan. Segner vond hiervoor Vs seconde.

Nauwkeuriger waren de onderzoekingen van d\'Arcy \'), die evenals Segner als lichtgevend voorwerp een gloeiende kool gebruikte en daarmede voor den duur van het nabeeld vond 0.13 sec. Hij stelde zich voor den invloed na te gaan, dien lichtsterkte en kleur op den duur van het nabeeld hebben en wilde onderzoeken of deze dezelfde is bij verschillende personen. Hoewel d\'Arcy zelf niet aan dit voornemen gevolg gaf, waren hiermede toch verschillende nog op te lossen vraagstukken aangewezen, terwijl ook de te volgen methode niet ver te zoeken was. Er verliep evenwel een halve eeuw, voordat er iets nieuws op dit gebied geleverd werd.

In 1829 promoveerde te Luik tot Doctor in de

\') Mémoire sur lu iluréo do In sensation do In vno (Mémoiros do rAcadómio dos Scioncos do Piiris 1765).

ocr page 16

4

Philosophic J. A. F. Plateau, met een proefschrift getiteld: „Dissertation sur quelqucs propriétés des „impressions produites par la lumière sur l\'organe de „la vue.quot; Het behelst de beschrijving van een reeks van proeven volgens de methode van Segner en op dezelfde wijze ingericht als door d\'Arcy was aangegeven. Plateau wijst op de volgende bezwaren aan deze inrichting der proeven verbonden:

1° „L\'extrémité postérieure de l\'image allongée au „lieu d\'etre nettement terminée, comme cela arrive-„rait si l\'impression s evanouissait brusquement, se „confond au contraire graduellement avec le fond „sur lequel elle se projette. 11 suit de la qu\'on „doit renoncer a l\'espoir d\'obtenir des mesures pré-„cises.quot;

2° „Chacun des points de l\'anneau apparent pré-„sente une succession continuelle de teintes vives et „faibles; de la un papillotage qui fatigue l\'oeil, et „rend a peu pres impossible la determination de la „vitesse a donner a robjet.quot;

3° L\'objet en mouvement ne peut produire qu\'une „impression iinparfaite et dans ce cas la durée de „cette impression déduite de celle d\'une revolution „est probablement moindre que la durée de l\'im-„pression complete du même objet.quot;

Wel verre van wegens deze bezwaren de methode veroordeeld te achten (hoewel het sub 2 genoemde

ocr page 17

het principe der methode betreft), trachtte Plateau ze te neutraliseeren en wel het eerste door achter den wijzer een stuk zwart fluweel te bevestigen, het tweede door van talrijke resultaten de gemiddelde te nemen, het derde door aan het waar te nemen voorwerp een voldoende breedte te geven. In plaats van een gloeiende kool gebruikte hij boogvormige strooken van verschillend gekleurd papier. Hij vond zoodoende als duur van het nabeeld voor wit 0.35, geel 0.35, rood 0.34 en blauw 0.32 sec. Een tweede reeks van proeven nam hij om te bepalen, gedurende welken tijd de nabeelden zonder merkbare verzwakking blijven bestaan en wel door een in witte (of gekleurde) en zwarte sectoren verdeelde schijf met toenemende snelheid te doen ronddraaien, tot dat het flikkeren ophield. Hij vond hiermede als duur van het onverzwakte nabeeld voor wit 0.0079, geel 0.0083, rood 0.0096, blauw 0.0123 sec. De resultaten zijner waarnemingen vat hij ten slotte in de volgende stellingen samen :

O o

le „Une impression quelconque exige un temps „appreciable pour sa formation complete, de même „que pour son enticre disparition.quot;

2C „Lorsqu\'une impression s\'efface, la marche de „son décroissement est d\'autant inoins rapide que „1\'impression est plus prés de sa fin.quot;

3P „La durée totale des impressions depuis l\'in-

ocr page 18

6

„stant on ellcs ont acquis toute leur force jusqu\'a „celui oü elles ne sont plus qu\'iï peine sensibles, est „a peu pres egale a 0.34 (un tiers de seconde a tres „peu pres).quot;

Ziehier de vruchten van Plateaus eersten arbeid op het gebied der nabeelden. In zijn laatste werk van eenigen omvang over dit onderwerp, de in 1878 verschenen verhandeling „Sur une loi de la persis-„tance des impressions dans Toeil,quot; waarin hij zijne gedurende nagenoeg een halve eeuw vergaderde kennis op het gebied der nabeelden ordent en overziet, bespreekt hij nogeens uitvoerig zijne vroegere proeven en maakt hij verschillende opmerkingen over een aantal vragen, die zich daarbij voordoen. Zoo overweegt hij opnieuw de vraag, of\' de duur van iederen indruk bij zijne proeven wel voldoende was, om een „impression complétequot; teweeg te brengen. Brücke vond voor den tijd, dien een gezichtsindruk noodig heeft om het maximum te bereiken 0.186 sec. (voor wit papier bij zwak daglicht); E x n e r vond hiervoor 0.166 sec. (voor wit papier bij gaslicht), terwijl de tijd, dien met zijne papierstrooken bij Plateau\'s proeven vereischt werd, 0.177 sec. bedroeg. Hieruit leidt hij af, dat, de sterkere verlichting in aanmerking genomen, dit ongeveer voldoende zal zijn voor een volkomen indruk, hoewel hij toegeeft, dat misschien de door hem gevonden cijfers iels te klein

ocr page 19

7

zijn. Hij laat hierop volgen: „du veste, la cluree „de l\'iinpression n\'a rien d\'absolu, elle varie avec „leclat de I\'objet et avec la durée de la conternpla-„tion, et elle doit varier, en outre, avec les différents yeux ; la valeur 0.35 nest done relative qu\'a „léclaireraent produit par la lumière dujour,aune „contemplation de 0.177 et ti mes yeux.quot;. Ook komt hij terug op de bepaling van den tijd, gedurende welken de nabeelden onverzwakt blijven bestaan. Uit proeven in 1878 onder zijne leiding door zijn zoon Felix en zijn zwager van M ensbr uggh e genomen \'), bleek, dat de verlichting op dezen „temps „de constance apparentequot; slechts zeer geringen invloed heeft, terwijl die invloed boven een zekere intensiteit geheel ophoudt. Dit andere waarnemingen door zijne medewerkers verricht, leidde Plateau af: „il n\'y a que les impressions incompletes qui „montrent un temps mesurable de constance appa-„rente, et ce temps est d\'autant plus long que I\'im-„pression est plus loin d\'etre compléte.\'\' Van groot

\') Niettegcnstamulo Platenu in 1S4I werd nangctnst dooi\' oen chorioiditis (door hem toegeschreven aan een in ls2iJ voor zijne dissertatie verrichte waarneming, waarbij hij gedurende \'25 sec. in de zon zag), die hem in 1841) geheel blind deed worden, heeft bij mot behulp van eenigo vrienden, later van zijn zoon en zijn zwager, zijne onderzoekingen met onvermoeibaren ijver, tot zijn dood in lss:i, voortgezet

ocr page 20

8

belang ten slotte is de volgende uitspraak, die geheel op zich zelve staat: „si le maximum a éte de „beaucoup dépassé, le déeroissement de 1\'impression „est tellement rapide qu\'il nest plus possible d\'en „saisir la trace; alors apparait, soit immédiatement, „soit après un petit intervalle d\'obscuritc, l\'iinage „accidentelle on negative, qui, si lobjet comtemplé „était coloré, offre la teinte opposée.quot;

De laatste vertegenwoordiger van het tweede tijdperk is Charpentier\'), die, gebruik makende van zeer nauwkeurige instrumenten, (waarbij als beweegkracht de electriciteit hem groote diensten bewees), een aantal waarnemingen verrichtte op hetzelfde gebied als zijne voorgangers, voornamelijk met het doel om na te gaan welken invloed verschillende factoren op den duur der nabeelden hebben. Meer en meer toch, zooals ook blijkt uit de boven aangehaalde zinsnede uit het laatste werk van Plateau, begon men in te zien, dat liet verschijnsel der nabeelden meer samengesteld is en dat de duur van een aantal omstandigheden afhangt. Charpentier hield zich niet op met den totalen duur van het nabeeld, doch

1 Hecliei\'elies sur la persistance de» impressions rctiniennos ot sur les excitntions luminouses de courte duivo. Areliives (ruphthalinologlo X.

ocr page 21

9

alloen met den „temps de constance apparentequot; \').

quot;ij ging na welken invloed lichtsterkte, duur van inwerking en kleur van het waargenomen licht op den „teinps de constance apparentequot; hebhen, en droeg daarbij zorg deze factoren ieder voor zich te kunnen veranderen. Jfij vond dat de kleur geen invloed heeft, terwijl de „teinps de constance apparentequot; omgekeerd evenredig is aan den vierkantswortel uit de lichtsterkte en zich evenzoo verhoudt ten opzichte van den duur van inwerking

Voor de bepaling van den invloed van de lichtsterkte waren zijne proeven veel beter ingericht dan die van Plateau.

Deze toch bepaalde eerst de omwentelingssnelheid, waarbij voor een bepaalde lichtsterkte zijn schijf niet meer flikkerde, veranderde dan de lichtsterkte en zocht opnieuw de snelheid waarbij het. flikkeren ophield. Hierbij veranderde echter ook de duur van inwerking, daar de sectoren even groot bleven, maar de snelheid vermeerderde of verminderde. Charpen-tier daarentegen vond in de electrische beweegkracht

o CJ

een hulpmiddel, waardoor het hem mogelijk was steeds denzelfden duur van inwerking te gebruiken.

„Jc n»! suis restrcint 11 1\'étude du In périodo pendnnt laquollt\' I im-„prossion luniinouso survit li la causc cxcitatvico on consci\'vanl on „appnmice la ihÖiik! intcnsin\'\'quot; (Cliai\'pcntii\'r I. c i.

ocr page 22

10

terwijl de tusschenpoozen van duisternis naar willekeur verlengd of verkort konden worden. Vooral voor den invloed van den duur van inwerking wijken zijne resultaten belangrijk af van die van Plateau, doch ook wat den invloed van de lichtsterkte betreft, vond hij andere feiten. Hetn bleek o. a. dat de „teinps de constance apparentequot; niet afhangt van de absolute intensiteit van de verlichting, maar van de relative, nam. ten opzichte van de adaptatie van de retina. Wat betreft den duur van den „teinps de constance apparentequot;, vond Charp entier deze onder verschillende omstandigheden zeer verschillend, doch gew. nrooter dan 0.01 en kleiner dan 0.3 sec.

Hervatten wij in het kort een overzicht van de waarnemingen der onderzoekers uit bet tweede tijdperk, dan zien wij, dat zij allen, om den duur van het nabeeld te meten, gebruik maakten van inter-mitteerende verlichting, en dat de latere waarnemers er van af zagen den duur van het geheele nabeeld te meten en zich er toe bepaalden den tijd te zoeken, gedurende welken het nabeeld even sterk schijnt als het waargenomen licht. Hierin ligt opgesloten, dat zij er van overtuigd waren, dat het verloop der nabeelden een samengesteld verschijnsel is en dat het voor hen vaststond, dat in de eerste plaats een lichtverschijnsel van korten duur een indruk veroorzaakt,

ocr page 23

11

die eenigeii tijd na het ophouden van het waargenomen licht onverzwakt blijft voortbestaan , om eerst daarna langzamerhand at\' te nemen.

Au bert is de eerste geweest, die op het denkbeeld kwam te onderzoeken, of deze opvatting met de werkelijkheid overeen komt, en het is daarom, dat ik met hein het derde tijdperk reken te beginnen. Hadden de vroegere onderzoekers allen hunne waarnemingen verricht met intermitteerend licht \'), Au bert zag terecht in, dat men eerst het effect van één enkelen lichtsindruk dient te kennen, voor dat men uit de verschijnselen verkregen bij opeenvolgende indrukken conclusies mag trekken. Om

O o

alle omstandigheden zoo eenvoudig mogelijk te maken is het daarom wenschelijk, dat het waar te nemen licht zoo kort mogelijk duurt. Au bert kwam op het gelukkige denkbeeld hiervoor de electrische vonk te gebruiken en bestudeerde nu de nabeelden, die ontstaan, zoowel bij het aanschouwen van de vonk zelve met het bloote oog en met gekleurde glazen, als bij het aanschouwen van voorwerpen (verschillend gekleurde papierstukken op verschillend gekleurden

\') Uitvoerig wordt (lezo methodo gokritisccrd door Kxnor in non opntcl getiteld: ,,l\'.inige Benicrkungen über interniittiromlc Xetzlmutrei-„zungquot; l\'Hüger\'s Arc hi v 1870.)

ocr page 24

12

grond) die door de electrische vonk verlicht worden. Over de verschijnselen bij het aanschouwen van de electrische vonk zelve zegt hij \'): „Das Nachbild, „welches durch directe Betraclstung des electrischen „Funkens entsteht ist zuerst eiu positives2), welches „verhaltnissmÊlssig am langsten dauert und dann ein „negatives (dunkles) von kürzerer Dauer wird.quot; De waarnemingen met gekleurde glazen gaven zeer uit-eenloopende resultaten: rood glas gaf eerst een groen, dan een kleurloos nabeeld, blauw glas een blauw nabeeld door een blauwen krans met gelen rand omgeven , groen glas een groen nabeeld met geelrooden rand. Over eenige bijzonderheden, die hem hierbij troffen, zegt Au bert het volgende: „Immer ist das „Nachbild positiv und wird erst im letzten Momente „negativ, „d. h. dunkel in einem hellen Nebel. Merk-

\') „Uober die (lurch don olcctribclien Fuiikon crzougton Kaehbildoi\'quot; (Molciischott\'s l\'ntci\'sucliungeii 1858).

\') Aubort jfobniikt do meest nlgcmoen nnngewende noineiiclntuui\', die door Brüoko nldus geformuleerd wordt: ,,leli lintie in meinon l\'nter-„suchungon übor Bubjoctivo I\'tirben die Nacbbilder, die siebtbaren „Symptonio dor sceundiiren Zustihide, in drei Arton gotboilt: in posi-„tivo gloiobgefiirbto, in positivo eom]gt;lementiirgel\'iirbte und in negativo „complementiirgofilrbto, wobei ieb mit den Ausdrilcken positiv und „negativ ganz densolbon Siun verband, woleben man in der l\'liotograpbie „damit verbindot, indem man positiv das Bild nonnt, in wolebein heil „ist, was im Objocte heil war; wiihrond man negativ das Bild nonnt, „in wolehom das dunkel ist, was im Objeete heil war und umgokehrt.quot; (Uebor don Xutzeffeot intormittirendor Notzhautreizungon).

ocr page 25

13

„wüi\'dig ist das Auftreten eines positiven coinplc-„raentaren Nachbikles boi clem rothen Glase. Die .,Variationen der vollstandigsten Beobachtungen be-„ziehen sich zuntichst aut\' einen Zwischenraum „zwischen dem Erscheinen des Funkens und dein „Auftreten des Nachbikles, in welchem das ganze „Gesichtsfeld dunkel ist. Mitunter erscheint das „Nachbild indess unmittelbar nach dem Funken und „untrennbar von ihm.quot;

In vele opzichten zijn deze uitkomsten gewichtig, want hierbij werd het verschijnsel opgemerkt, dat het aanschouwen van de electrische vonk door een rood glas een groen nabeeld geeft, hetgeen in strijd is met de proeven van Segner en d\'Avcy die toch ook met roodachtig licht genomen zijn. Deze waarneming van Au bert van een groen nabeeld na een kortdurend rood licht stond evenwel toen reeds niet alleen. Hetzelfde was onder verschillende omstandigheden door verscheidene onderzoekers reeds gezien, het eerst door Purkinje \') en is daarom naar hem genoemd. Purkinje nam het waar bij liet ronddraaien van een gloeiende sigaar, evenals later Exner, die in hoofdzaak zag een opeenvolging van rood, groen en grijs, het laatste „iihnlich der

\') J3eitragc zur Kenntniss «les Sohcus in subjocHvor 11 insichr. Berlin 1825.

ocr page 26

14

„Farbe des Eigenlichtes der Netzhaut.\'quot; liriieke wendde een minder primitieve methode aan om dit verschijnsel waar te nemen \').

Bij liet aanschouwen van door de electrische vonk verlichte voorwerpen nam Au bert verschijnselen waar, die hij als volgt resumeert:

„Die Nachbilder der durch den Funken beleuch-„teten Objecte, sind bald compleinentiir, bald gleich-„farbijr. Dies ist abhangio- von dem Grimde, auf

O O O

„dem die farbige Flache liegt, von der Farbe an „sich, und, wie es scheint, auch von der Grosse „der farbigen Flache.quot;

„Auch bei der momentanen Beleuchtung durch „den electrischen Funken wird der Erregungs-Zustand „der ganzen iibrigen Retina verandert und zwar „theils sympathisch, theils antagonistisch.quot;

Dit alles levert een aantal nieuwe gezichtspunten op, en het mag verwondering wekken, dat niet terstond andere onderzoekers de waarnemingen van

\') „In oiiiQi\' Scheibe von starker Pnppe sind entsprochond zwoien „gegonüberliogendon Qnadranton rotlie Oliisor eingesotzt; bliokt iiiiin „durch eine dersolbon naoli der Flainme und fiingt an zu drohon, so „gowiilirt man in den Intervallen zwisclien don objeetivon Lichteindrückoii ,,das nieergrüne PtirkinJe\'scbe Naehbild.quot; Exner „Ueber den Krre-„gnngBvorgang im Sehnervenapparate.quot; (Sitzungsberichto der Kaisorl. „Akad. der AVissensch. Wien 1ST2).

ocr page 27

J 5

Au bert hebben herhaald oin zijne resultaten, die in zoovele opzichten van de toen bestaande opvatting verschilden, te controleeren en te trachten langs dezen weg de verdere vraagstukken op te lossen. Deze arbeid bleef evenwel rusten tot 1892, toen Hess het vraagstuk op nieuw aan de orde heeft gesteld. \')

Aanleiding hiertoe vond Hess in onderzoekingen

CT O

van Hering, die het waarschijnlijk maakten, dat de gangbare opvatting van het positieve nabeeld als een „Abklingenquot; van den indruk onjuist is. 2)

Hess verrichtte zijne waarnemingen gedeeltelijk door middel van met electrische vonken verlichte papierschijven, doch verving weldra de electrische vonk door eene momentsontsluiting, zooals door de photographen wordt gebezigd. Hij nam bij deze wijze

\') „Uiiternucliungon ttbw die naoh kurzdiiueriuler Koizung dos Sohor-„ifiins auftreteiulen NnclibiIdcr.quot; (l\'fl ü^or\'s Aroliiv 4!)i.

2) „Hoit l\'rofGBBoi\' Hoi\'ing wur solion vor liingeror Zoit nuf Grund ,,(3igüiioi\' Uoobachtuiiffon zu der Uoborzeugung gekommoii, dnss lt;lic\' cr-,,\\vilbnto Auffasuung dos positiven Xacbbildcs mif don Thatsnoliou in „Widorepruob stoho, und dnus insbesondero imcdi l)ei der van llolm-„boltz angogobenon Jlothode ziir Beobacbtung positivor Naobbildcn\'boi ,,|)a88end gowtthltor Stiirko und Dauor dor IJolouolitung dom von Holm-„boltz boobaclitoton positivon Naolibildo uiitor UnistSndon cin deutliobus „negatives Naobbild vorausgeben kiinno. Aul\'soino Anrognng unternalim „icli os die Frago oinor ornonton systematisclien Dnrcbprüfung zu unler-„ziebon.quot;

ocr page 28

1(5

van verlichting in hoofdzaak dezelfde verschijnselen waar, als bij de zooveel kortere verlichting met de electrische vonken. De door hem gebezigde moraents-ontsluiting gaf ëen verlichting, die van \'/-ioo Vioo Sec. duurde. Hij beschrijft aldus hetgeen hij waarnam:

„Wird eine sonst weisse Scheibe auf lichtlosein „Grunde mit farbigem Lichte momentan beleuchtet, „so erscheint unmittelbar nach der Wahrnehrnung der „farbijïen Scheibe zuniichst ein dunkles deutlich com-

// O

„plementar gefarbtes Nachbild von iiusserst kurzer „Dauer. An dieses schliesst sich das positive Hellig-„keitsnachbild an, welches in der Regel nur eine „sehr schwache Farbung zeigt. Diese stimmt mit „der Fiirbe der Scheibe im Augenblicke der Belich-„tung Uberein. War das Auge durch liingeren Aufent-„halt im Finstern genügend für farbloses Licht „empfindlich geinacht, so sieht man das positive „Nachbild wohl auch ganz oder nahezu-ganz farblos.quot;

Aan het slot van zijn arbeid resumeert Hess de uitkomsten van zijne onderzoekingen in eenige para-graphen, waarvan ik de volgende wil vermelden :

„Wirkt auf das Sehorgan ein kurzdauernder Licht-„reiz ein, so wird durch denselben zuniichst eine „Lichtempfindung hervorgerufen, welche nach dein „Aufhören des Reizes in fast unmessbar kurzer Zeit „abklingt. Nach diesem primaren Lichteindrucke „wird bei giinstigen Versuchsbedingungen ein nega-

ocr page 29

17

„tives Nachbild wahrgenotnmcn, dessen Dauer durch-„schnittlich et was weniger als V, Secunde betragt.quot;

„Auf dieses negative Nachbild folgt dann rasch „ein positives Nachbild, dessen Dauer von der Starke „des prhnaren Reizes und dem jeweiligen Znstande „des Auges abhangt und welches in der Regel durch „mehrere Secunden in alltnahlich abnehmender Starke „wahrgenoinmen werden kann. Nicht selten nimmt „man nach diesem positiven noch ein zweites nega-„tives Nachbild wai1.quot;

De verwachting waarmede Hess zijne onderzoekingen aanving werd dus ten volle bevestigd, de tot nu toe algemeen gehuldigde opvatting van het nabeeld bleek geheel onjuist te zijn. Hess drukt dit aldus uit :

„Was bisher in der Regel (von Helmholtz, „l ick u. Anderen) als das Abklingen der durch „den Lichtreiz gesetzten Erregung beschrieben wor-„den ist, entspricht unter den beschriebenen Umstiin-„den nicht diesem, sondern dem Abklingen des „positiven Nachbildes. Dieses positive Nachbild durf „nicht, wie es bisher meist geschah, einfach aus der „Fortdauer und dem allmahlichen Abklingen der „durch dem Lichtreiz im Sehorgane hervorgcrufenen

O ~

„Erregung erkliirt werden; denn dasselbe ist von „dieser letzteren regelmiissig durch eine negative „Phase getrennt.quot;

ocr page 30

IS

Uit deze woorden, die ik opzettelijk in extenso wedergegeven heb, schijnt te blijken, dat Hess zijn positief nabeeld en dat der vroegere onderzoekers voor dezelfde phase van het verschijnsel houdt. Deze laatste zouden dan de door Hess het eerst waar-genomene negatieve phase eenvoudig over het hoofd gezien en zoo het positieve nabeeld als een voortzetting van den primairen indruk beschouwd hebben.

Op deze wijze tracht Hess de scherpe tegenspraak tusschen zijne opvatting en de tot nu toe algemeen gangbare op te heften of ten minste te verklaren. Het onhoudbare van deze verklaring springt echter terstond in het oog, als men bedenkt dat de door de ouderen verwaarloosde phase \'/.i sec. duurt, dus juist even lang als hun „positief nabeeldquot; dat derhalve moeilijk hetzelfde kan zijn als het 6 sec. durende „positieve nabeeldquot; van Hess. Veel waarschijnlijker is het aan te nemen, dat de ouderen de negatieve phase van Hess wel gezien hebben, doch zonder zich van de complementaire kleuring rekenschap te geven, terwijl het „positieve nabeeldquot; van Hess, tengevolge van de gebreken hunner methode (inter-mitteerend licht), aan hunne waarneming ontsnapt is.

Laten wij echter voorloopig alle pogingen tot verklaring der verschillen in de opvatting der nabeelden tusschen Hess en zijne voorgangers rusten.

ocr page 31

1!)

tlan blijft als het principleele verschil bestaan de wederzijdsche opvatting omtrent den duur van den oorspronkelijken lichtsindruk , volgens Hess: „eine „Lichtempfindung welche nach dein Aufhören des „lleizes in fast unraessbar kurzer Zeit abklingtquot;, terwijl de ouderen eenparig vasthouden aan wat Plateau noemde „la persistance de l\'impressionquot;, een voortbestaan gedurende meetbaren tijd.

Onze dagelijksche ervaring pleit krachtig voor de opvatting van Plateau c. s.; de zoo veelvuldig gevarieerde proef van Segner, waarop de pyro-technische kunst grootendeels gebaseerd is, komt onder tallooze vormen bij bijna ieder ronddraaiend of snel voortbewegend voorwerp onder onze oogen als een welsprekend argument tegen de opvatting van Hess.

Evenwel zal uit het volgende blijken, dat defmt eerder schuilt in de verklaring, die Hess van het door hem waargenomene geeft, dan in de waarneming zelve.

Van groot gewicht blijft zijne ontdekking, dat de oorspronkelijke lichtsindruk gevolgd wordt door een complementair- en dit weder door een gelijknamig nabeeld. Dit complementaire nabeeld was wel is waar reeds door vroegere onderzoekers (Purkinje, Au bert e a.) gezien, maar Hess is de eerste geweest, die het als een constant verschijnsel na

ocr page 32

20

momentane lichtsindrukken heeft doen kennen. Ook uit een praktisch oogpunt is deze ontdekking van groot belang, want het complementaire nabeeld vormt een belangrijke factor ter verklaring der fouten, die de tot nu toe algemeen gevolgde methoden ter meting van den duur van het voortbestaan der indrukken aankleven.

Dit was dan ook een der redenen , die mij reeds spoedig deden afzien van het oorspronkelijk door mij opgevatte plan : het zoeken van een eenvoudige methode om den duur van dit voortbestaan te meten, ten einde met behulp van zoodanige methode na te gaan of in dit opzicht belangrijke individueele verschillen bestaan.

Voorloopige proeven met eenvoudige toestellen leerden mij, dat deze verschillen werkelijk voorkomen (zelfs bij dezelfde persoon ten opzichte der beide oogen), maar deden mij tevens inzien, dat het verschijnsel te samengesteld is om daaruit op deze wijze praktische uitkomsten af te leiden.

Reductie van het waar te nemen verschijnsel tot zijn eenvoudigsten vorm moet de eerste eisch zijn, om een vruchtdragend onderzoek voor te bereiden. Daartoe is het in de eerste plaats noodig het effect van een enkelvoudigen lichtsindruk te bestudeeren, dat is, een lichtsinwerking van den

ocr page 33

•2\\

kortstmogelijken duur, opdat de subjectieve verschijnselen , die door het begin der inwerking zijn opgewekt niet coïncideeren met de waarneming van verder opjectief licht. Tevens worde zooveel mogelijk buitengesloten de invloed der omgeving en de inwerking van ander licht. Aan deze voorwaarden trachtten zoowel Aubert als Hess te voldoen. De inrichting hunner proeven verschilt echter in vele belangrijke punten, waarin het verschil in hunne resultaten moet worden gezocht. Om dit te kunnen beoordeelen is het noodig den invloed der verschillende factoren te onderzoeken.

Ik stelde mij daarom voor na te gaan :

le den invloed van den duur der verlichting,

2® den invloed van de om£gt;• e v i n }gt;•,

o O *

3e den invloed van objectief licht op de consecutieve netvliesbeeld en.

ocr page 34

Proeven omtrent den invloed van den duur der verlichting.

Aan Au bert komt de verdienste toe bij de studie der nabeelden het eerst de electrische vonk of daardoor verlichte voorwerpen te hebben gebruikt. Hess, die zijne waarnemingen gedeeltelijk met de electrische vonk, gedeeltelijk met de momentsontsluiting verrichtte, meende beide methoden op één lijn te mogen stellen. Reeds a priori schijnt echter de electrische vonk hier de voorkeur te verdienen. Immers geeft deze een werkelijk momentane lichtsbron, waarbij de duur van het licht verwaarloosd kan worden tegenover den duur der nawerkingen, terwijl de momcntsontsluiting der photographen, een merkelijk langeren tijd duurt. Bovendien zijn hieraan gebreken verbonden (ook door Hess vermeld), die het gevolg zijn van het mechanisme, nam. ongelijkheid van verlichting voor verschillende deelen van het verlichte veld en van den verlichtingsduur. De momentsontsluiting is echter van groote waarde voor het verkrijgen

ocr page 35

van verlichtingstijden, die hoewel langer clan bij de electrische vonk toch te kort zijn om op andere wijze even gemakkelijk te kunnen worden teweeggebracht. De gemakkelijkheid om den duur der verlichting te veranderen maakt de momentsontsluiting tot een zeer geschikt hulpmiddel voor het bestudeeren vau den invloed van den duur der lichtsinwerking.

Bij de toepassing is mij gebleken, dat de electrische vonk vooral te verkiezen is voor de studie van de twee eerste phasen van het nabeeld, terwijl de momentsontsluiting voor het onderzoek der laatste phase bijzondere voordeden oplevert, zooals uit de beschrijving der proeven zal blijken. Reeds enkele waarnemingen zijn voldoende om aan te toonen, dat de duidelijkheid van het verschijnsel (in zijn geheele samenstelling beschouwd) afneemt met het langer worden van den verlichtingstijd. Uit meer nauwkeurige waarneming blijkt, dat dit berust op een verandering in den duur van het complementaire nabeeld van Hess, dat des te langer duurt, naarmate de lichtbron korter inwerkt.

De korte duur der verlichting heeft bovendien het voordeel, dat het gemakkelijker wordt om te beoor-deelen of de indruk nog blijft voortbestaan na het staken van de verlichting, dan wel of zij, zooals Hess meent, daarna „in fast unmessbar kurzer Zeit abklingtquot;. De waarnemers, die dit voortbestaan

ocr page 36

24

hebben trachten te meten (Plateau, Charpon-tier) vonden het des te langer, naarmate de verlichting korter duurt; ook uit dit gezichtspunt verdient dus de kortst mogelijke verlichting de voorkeur.

Bij de thans te beschrijven proeven wordt in een geheel donker vertrek een klein scherm door het overspringen van een electrische vonk verlicht, terwijl de vonk zeli\' aan het oog van den waarnemer is onttrokken.

Is het scherm geel gekleurd, dan ziet men een geel licht, dat plotseling, zonder t u ssc hen-komen de duisternis in een bijna even intensief blauw licht met emenaardigen metallieken

O O

glans overgaat. Dit blauwe licht duurt iets langer dan het gele, eindigt eensklaps en wordt gevolgd door een veel minder intensief licht, dat als het ware uit de duisternis opkomt, gedurende eenigen tijd sterker wordt en daarna langzamerhand afneemt.

Om in de nomenclatuur zoo objectief mogelijk te blijven, wensch ik niet van positieve en negatieve nabeelden te spreken, maar geef ik er de voorkeur aan de drie phasen van het waargenomen verschijnsel als het primaire, het secundaire en het tertiaire beeld te omschrijven.

ocr page 37

De gezamenlijke duur van het primaire en van het secundaire beeld bedraagt minder dan 1 sec., het tertiaire duurt eenige seconden. Als men de lichtsterkte van het primaire beeld 100 noemt, zou ik die van het secundaire op 80, die van het tertiaire op 10 schatten.

Het secundaire beeld heeft de complementaire kleur van het primaire, het tertiaire beeld heeft steeds een eigenaardige, roodachtige, moeilijk omschrijfbare kleur. Zooals men ziet, komt deze waarneming der verlichting door de electrische vonk niet in allen deele overeen met hetgeen Hess met zijne moments-ontsluiting vond. Bij mij toch is het secundaire beeld steeds helder, terwijl Hess spreekt van een donker complementair gekleurd beeld. Evenmin zag ik ooit het tertiaire beeld van dezelfde kleur als het primaire, zooals Hess meermalen aangeeft.

O

Het geheele verschijnsel is bijzonder schoon en zoo buitengewoon duidelijk, dat het ook door personen , voor wie dergelijke waarnemingen geheel ongewoon zijn, terstond in al zijne phasen gezien en beschreven wordt. Juist bij ongeoefenden blijkt duidelijk de superioriteit van de verlichting door de electrische vonk boven de momentsontsluiting. Bij het gebruik van de laatste wordt door ongeoefenden slechts zelden het geheele verschijnsel in al zijne phasen juist weergegeven.

ocr page 38

26

Na aldus het waar te nemen verschijnsel goed te hebben leeren kennen, ging ik meer in bijzonderheden na welken invloed de duur van de verlichting op de drie phasen heeft.

a. Invloed van den duur der verlichting op het primaire beeld.

Boven wees ik er reeds op, dat het verschil in duur van lichtbron en van primair beeld de „per-sistance de rimpressionquot; des te gemakkelijker moet waar te nemen zijn, naarmate de verlichting korter duurt. Ook hierbij springt het verschil tusschen momentsontsluiting en electrische vonk in het oog. Bij de eerste maakt het wel den indruk alsof men het primaire beeld nog een oogenblik ziet, nadat men de afsluiting heeft hooren dichtvallen, maar bepaald overtuigend is het niet. Mess spreekt dan ook van het „in fast unmessbar kurzer Zeit abklingenquot; na het ophouden van de verlichting.

Bij de electrische vonk daarentegen is het zoo duidelijk dat het primaire beeld een meetbaren tijd aanhoudt, dat alle twijfel onmogelijk is.

Volgens een ruwe methode trachtte ik bij benadering den duur van het primaire beeld te vinden, nam. uit het verschil in duur van het secundaire beeld alleen en primair en secundair beeld tezamen, welke tijden ik door vergelijking met een metronoom

ocr page 39

bepaalde. De gezochte tijd is te kort om op deze wijze direct te worden bepaald. Ik vond bij een groot aantal bepalingen Itij verschillende kleuren en bij verschillende intensiteiten van verlichting, dat de duur van het primaire beeld ongeveer 0.1 a 0.2 sec. bedraagt.

Al hecht ik ook aan deze cijfers slechts een zeer betrekkelijke waarde, zoo blijkt er toch in allen geval uit, dat het primaire beeld veel langer duurt dan de electrische vonk.

Er bestaat dus wel degelijk eene „persistence de „rirapressionquot; in den zin van Plateau. Wat deze echter als zoodanig gemeten heeft, moet iets anders geweest zijn, en wel waarschijnlijk de gezamenlijke duur van het primaire en het secundaire beeld, terwijl de werkelijke „persistancequot; beantwoordt aan den „temps de constance apparentequot; van Plateau. Is dit inderdaad het geval, en er is alle grond om het aan te nemen, dan bevestigen mijne waarnemingen de uitspaaak van Plateau: „ce temps est d\'autant „plus long que l\'impression est plus loin d\'etre complete.\'\'

b. Invloed van den duur der verlichting op het secundaire beeld.

Bij vergelijking van verschillende verlichtingstijden blijkt dat de duur van het secundaire beeld toe-

ocr page 40

neemt, naarmate de verlichting korter duurt. Bij een momentsontsluiting met een openingstijd van 1 sec. is alleen onder zeer gunstige conclities iets van de complementaire kleur te zien; verkort men den openingstijd, dan wordt deze gaandeweg duidelijker; bij het gebruik van de electrische vonk eindelijk bereikt zij haar maximum van duidelijkheid.

Bij een groot aantal waarnemingen vond ik voor den duur van het secundaire beeld 0.35—0.5 sec. dus een weinig meer dan Hess. De door dezen gevonden duur (iets minder dan l/3 sec.) is weder een weinis grooter dan wat Plateau vond voor

O cj

zijn nabeeld.

c. Invloed van dm duur der verlichting op het tertiaire beeld.

Het tertiaire beeld is zoowel bij verlichting met de electrische vonk als met de momentsontsluiting zeer duidelijk, het wordt evenwel des te intensiever en langduriger, naarmate de verlichting langer duurt.

Bij het gebruik van de electrische vonk wisselt de duur van het tertiaire beeld af tusschen 2.5 en en 4 sec., waarschijnlijk afhankelijk van verschillen in kleur en lichtsterkte van de lichtbron.

Dat deze factoren invloed hebben blijkt uit de volgende tijden voor het tertiaire beeld, gevonden

ocr page 41

29

door middel van oen momentsontsluiting voor 2 lichtsterkten :

•

lilnmv

rood

groen violet

gcc

Lichtsterkte 1

3

4

4 4

5

16

4

5

5 5

6

Dat de invloed van deze factoren evenwel verre overtroffen wordt door dien van den duur van de verlichting blijkt uit de volgende cijfers :

duur van de verlichting: 0.02 0.25 0.5 1 2 3 4 sec. duur van het tertiaire beeld : 5 (3 7 9 11 12 14 „

In het bovenstaande vermeldde ik de voornaamste gevolgen van vertchillen in den verlichtingsduur, wanneer deze blijft binnen de grenzen van wat men gewoonlijk momentane verlichting noemt. Verlenging van dien duur maakt het proces meer gecompliceerd. Het zou mij op een nieuw gebied voeren, wilde ik hier nader up deze verschijnselen ingaan; slechts zij hier vermeld, dat de voornaamste bijzonderheid bij langeren verlichtingsduur bestaat in het optreden van een subjectieven indruk, dien ik ter onderscheiding van de beschreven phasen „samengesteld nabeeldquot; wil noemen. Het is hetzelfde wat Plateau „1 image accidentelle ou negativequot; noemt (zie pag. 8). Op de eigenschappen van dit „samen-,,gesteld nabeeldquot; hoop ik later terug te komen.

É

ocr page 42

Proeven omtrent den invloed van de omgeving.

Deze proeven geschiedden volgens de boven beschreven eenvoudige inrichting, die in hoofdzaak hierop neerkomt, dat het verlichte scherm het eenige is, wat in een donkere kamer door de vonk verlicht wordt. Komt het op de grootte van het waar te nemen voorwerp niet aan, dan doet men goed tus-schen waarnemer en object een zwart scherm met ronde opening te plaatsen. De eerste inrichting heeft echter het voordeel, dat men het verschijnsel aan meerdere personen tegelijk kan vertoonen.

Om na te gaan, welken invloed de kleur van de omgeving op liet verschijnsel uitoefent bevestigde ik verschillend gekleurde papierschijven op grootere schijven van andere kleuren. Zoowel op het primaire als op het secundaire beeld blijkt de kleur van de omlt;^;evino■ quot;rooten invloed te hebben. In het algemeen

O O O O

komt deze invloed hierop neer, dat zoowel het primaire

ocr page 43

31

als het secundaire beeld duidelijker worden op een grond van complementaire kleur. Iedere andere kleur verandert de nuance van primair en secundair beeld, terwijl door sommige kleuren het secundaire beeld onzichtbaar ja soms zwart wordt. Dit laatste is echter alleen het geval als de kleine schijf\' oranje of rood is.

Ziehier meer in bijzonderheden de resultaten van eenige waarnemingen:

o o

j

te

Kleur vtin

lo schijf:

Klour vim hot

seci

nd. beeld

blauw op

oranje,

rood

op

blauw

blauw „

rood,

rose

ff

groen,

blauw „

violet,

geel

geel.

blauw „

groen ,

rood

V

violet,

blauw „

geel,

rood

V

blauw.

geel „

blauw,

blauw

V

geel,

geel „

groen,

(afwezig)

V

rood,

geel „

violet,

blau w

ff

geel,

geel

oranje,

(afwezig)

ff

blauw

geel „

rood,

(afwezig)

ff

groen,

oranje „

blauw,

blauw

ff

geel ,

oranje „

violet,

blauw

fi

geel,

oranje „

groen,

zwart

ff

rood ,

oranje „

geel,

zwart

ff

blauw

oranje „

rood,

zwart

V

groen.

rood „

blauw,

zwart

ff

geel,

ocr page 44

Kleur van do Bcliijt\':

rood op violet,

rood „ groen,

rood „ geel,

rood „ oranje.

Kleur van het secuncl. becld:

zwart op geel,

zwart „ rood,

zwart „ blauw,

zwart „ groen.


Deze waarnemingen bevestigen dus ten volle de opmerking, die reeds Aubert maakte: „Interessant is die bedeutende Wirkung des Contrastesquot;, al heeft deze waarnemer ook dien invloed meer vermoed dan door zijne experimenten bewezen.

ocr page 45

Proeven omtrent den invloed van objectief licht op de consecutieve beelden.

Om na te gaan welken invloed het gelijktijdig waarnemen van zwak licht op het verschijnsel heeft, verlichtte ik het object (een scherm van dun wit papier) aan de achterzijde door middel van een met mat glas bedekte zwak brnndende lamp. Tusschen vonk en object plaatste ik onder een hoek van ± 45° een plaat van gekleurd glas.

Na eenige proeven gelukt het weldra het constante licht op de juiste sterkte te brengen om een zeer eigenaardig verschijnsel te zien. Laat men nam. de vonk overspringen dan ziet men achtereenvolgens: het primaire beeld onveranderd, het secundaire beeld iets minder duidelijk dan zonder het constante licht en daarna een periode van geheele duisternis, die eenige seconden duurt, waarna het constante licht weder zichtbaar wordt.

Deze duisternis-periode komt klaarblijkelijk overeen

ocr page 46

34

met hot tertiaire beeld er» he t m e r k waardige v e r s c h ij Ti s e 1 doet zie h hiervoor, dat li c h t door licht donker w o r d t.

Om het verschijnsel goed waar te nemen is het noodie het veld voortdurend te fixeeren , want een

O y

geringe oogbeweging, die het beeld op een andere plaats van het netvlies doet vallen is voldoende om het constante licht weder te doen verschijnen. Na eenige oefening gelukt het echter ook dan nog het constante licht opnieuw te doen verdwijnen door weder de oorspronkelijke plaats te fixeeren.

Dit eisrenaardige verschijnsel komt overeen met een aantal bekende verschijnselen, die men steeds opgevat heeft als berustende op vermindering der perceptibiliteit, maar die, door vergelijking met het hier waargenomene, een eenigszins verder reikende beteekenis schijnen te vertegenwoordigen.

Op hetzelfde beginsel berust de volgende eenvoudige proef: Zet men bij een gaslamp met kleine porseleinen kap en veiligheidskraan , de gewone kraan wijd open, terwijl de veiligheidskraan zooveel mogelijk gesloten is, dan kan men door de laatste snel te openen en weder te sluiten een kortdurend helder licht verkrijgen, terwijl men daarna weder het oorspronkelijke zwakke licht heeft. Hierbij neemt men hetzelfde waar, als het boven vermelde: gedurende eenige oogenblikken na de sterke verlichting

ocr page 47

35

schijnt de lamp in het geheel niet meer te branden en eerst na eenige seconden keert het zwakke constante licht terug.

Dit verschijnsel wordt gewoonlijk geduid als een vermindering der perceptibiliteit. Zonder twijfel speelt deze vermindering hierbij een rol, maar naast dezen passieven factor is een actieve aanwezig, zooals bleek bij het verdwijnen van den subjectleven indruk, wanneer deze coïncideert met de werking van zwak objectief licht.

Prof. Snellen maakte mij opmerkzaam op een analoog verschijnsel, dat door zeer zwakke verlichting wordt verkregen. Hij bezigt daartoe de bekende lichtende verf. Ziet men in een absoluut donkere kamer zoodanige lichtverf (bijv. een zelllichtende luciferstandaard) aan, dan schijnt deze tegenover de algemeene duisternis helder verlicht. Blijft men onbeweeglijk fixeeren dan verdwijnt het beeld allengs geheel, maar, terwijl men blijft fixeeren, begint het licht zich langzamerhand te herstellen om, na eenigen tijd de oorspronkelijke helderheid te hebben behouden, weder te gaan afnemen en zoo afwisselend licht en donker te worden.

Dit verschijnsel is zoo opvallend, dat aanvankelijk de vraag werd gesteld, of wellicht dit phosphores-ceerend licht bij uitnemendheid die eigenschap bezit. Intusschen leerden verdere proeven weldra dat elke

ocr page 48

36

soort van uitermate zwakke en gelijkmatige verlichting in het donker dezelfde verschijnselen te zien geeft.

Deze waarneming komt mij van belang voor, als een duidelijk sprekend voorbeeld van de zelfregene-rcerende werking van het netvlies (Hering), terwijl ze tevens uiterst geschikt is als methode ter bepaling van den invloed, dien druk en beweging van den oogbol op do processen in de retina uitoefenen.

Nog behooren tot deze rubriek van verschijnselen de bekende nabeelden, die optreden als men gedurende eenige seconden een verlichte of gekleurde omschrevene vlakte fixeert en daarna op ecu anders gekleurd of verlicht veld gaat zien.

Men verkrijgt dan eeu samengesteld nabeeld, waaraan de primaire en secundaire phasen niet zijn op te merken, maar waarbij alleen de derde phase zich doet gelden, en wel door het optreden van de complementaire kleur van de oorspronkelijk gefixeerde vlakte, gewijzigd door de kleur van liet secundair gefixeerde veld.

Onder gunstige omstandigheden kan men daarbij ook opmerken dezelfde afwisseling van complementaire kleuren en van licht en donker als bij de bovenvermelde proeven met zwakke verlichting.

De verschijnselen, die het gevolg zijn van directe

ocr page 49

37

inwerking van sterk licht (het aanzien der zonneschijf bijv.), welke verschijnselen volgens de letterlijke beteekenis van het woord het meeste recht op den naam „nabeeldenquot; zouden kunnen doen gelden, zijn wel te beschouwen als pathologische processen, die van de door mij behandelde physiologische verschijnselen streng moeten worden onderscheiden.

ocr page 50

Recapitulatie.

1. De eenvoudigste vorm van waarneming der consecutieve netvliesbeclden wordt verkregen door do kortst mogelijke verlichting van een omschreven gedeelte van het netvlies onder buitensluiting van alle andere liehtsinwerking.

2. Ook bij verlichting door de electrische vonk ontstaat in de omgeving van liet netvliesbeeld simultane contrastwerking.

3. De perceptie-verschijnselen treden te duidelijker op, als gelijktijdig op de omgeving van het netvlies-beeld de contrastkleur inwerkt.

4. Het perceptie-beeld in zijn eenvoudigsten vorm bestaat uit drie opeenvolgende phasen: het primaire beeld, dat langer duurt dan de verlichting; het secundaire beeld, dat de complementaire kleur van het primaire heeft en des te duidelijker is naarmate de verlichting korter heeft geduurd; het tertiaire beeld, dat -geen kenmerkende kleur heeft en welks duur evenredig; is aan dien der verlichtin^.

n o

ocr page 51

39

5. Do derde phase van het netvliesbeeld kenmerkt zich door verminderde sensibiliteit voor gelijknamig zwak objectief\' licht, maar wordt bovendien door zwak objectief licht uitgedoofd.

6. Het nabeeld van langduriger gelijkmatige lichts-inwerking is te beschouwen als een gecompliceerd proces , gevormd uit de accumulatie der werkingen van een reeks van achtereenvolgende momentane lichtsindrukken.

ocr page 52

■

. ■

• ■ S***

■

*

•■ ■ ....... \'1 .■■ ■ ...

■ .................

■• ■ ■••■ •■■ ■■ . ■\'........ ....... ■ ■ •

...... ■

-..... ■■ ■ quot; ■ ........ ,.U... iiV

pt^MjflPIT! \' 1 \' -\'«MM»

.... , ..- .... .

: ......

I

i

■

.

ocr page 53

STELLINGEN.

Men kan niet volstaan met voor alle gevallen van diabetes dezelfde aetiologie aan te nemen.

II.

n

Bij diphtheritt# verdient intubatie de voorkeur boven tracheotomie.

lil.

Symphyseotomie kan in vele gevallen sectio cesarea vervangen.

IV.

Rabies kan in beschaafde landen door strenge verordeningen tegen losloopende honden uitgeroeifl worden.

ocr page 54

42

V.

Men legge bij racliusfracturen geen gijjsverband aan.

Yl.

Radicale operatie van tumoren der schedelbasis verrichte men volgens de methode van Koon ei?.

VIL

l^klampsic is geen infectie-ziekte.

VIII

Injecties in liet heupgewricht verrichte men volgens de methode van ICüstek.

IX.

Het is irrationeel febris puerperalis te willen genezen door zoogen. fixeerende abscessen.

X.

Het lichaamsvet ontstaat grootendeels uit de koolhydraten van het voedsel.

ocr page 55

43

XI.

Bij afwezigheid van hijzondere indicaties bchandele men primaire pheuritis met salicyl-verbindiugen.

XIJ.

Sulfbiml is een onschadelijk slaapmiddel.

XIII.

\' Cataracta zonularis ontstaat gedurende het foetale leven.

XIV.

Ten onrechte heeft de Xederl. Pharmacopee bet nng. Elemi behonden.

XV.

Sympathische ophthalinie is liet gevolg van een specifieke infectie.

XVI.

Thiosinamine bezit niet de eigenschappen door von Heb li a daaraan toegeschreven.

XVII.

Streptococcus erysipelatis en pyogenes zijn identisch.

ocr page 56
ocr page 57
ocr page 58
ocr page 59
ocr page 60