BiBLJOIHÊEK NED. HtRY. iC£»5?
■c
OF
ALLE BOEKEN DES NIEUWEN VERBONDS ONZES I1EEREN
UIT UK OKIEKSCUK TAAL IN ONZK NKHKHLANUSCliE TAAL GKTIIOU WELIJH OVKKGK/.KT ;
OP LAST VAN DE I100G-M0G. HEEREN
KN VOLGENS HET UESLUIT VAN DE
IN II K .1 A K E N 1018 K N Ifil\'J.
I N O K K I G T OVEREENKOMSTIG UK T II A N 3 MEEST G E U K U I K E L IJ K E
B IJ DE NEUEKL ANDSCUE B IJ U E I.-C O M F A O N IR
TB HA A K L E M ,
JOHANNES Enschedé EN ZONEN. 18 84.
Je Alj*emcene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk, in hare zitting van 9 Julij 11. de besluiten van 1818 en 1836, betreffende de authentisatie van Bijbels, Testamenten en Psalmboeken naar de Staten-Overzetting, ingetrokken hebbende, is het der Nederlandsche Böbel-Compagnie gepast voorgekomen, te verklaren, dat zg bü voortduring zal zorg draden, hare uitgaven, hetzij geheel onveranderd, hetzij naar de thans meest gebruikelijke taal en spelling ingerigt, altijd overeenkomstig de Statenoverzetting het licht te doen zien, — en heeft zij besloten om, ten einde te doen blijken van de echtheid en uaauw-keurigheid der door haar uitgegeven Kerkboeken, deze te voorzien van de nevens of onder de wapens der steden Amsterdam en Haarlem geplaatste handteekeningen der
Gedaan in onze vergadering van den vierden September 1867.
De Nederlandüche Bijbel-Compagnie,
CO*..
.Allen den penen die desen sullen sien ofte hooren lesen Saluyt, DOEN TE quot;WETEN: dat wy van den aenbeginnt der Reformatie af in dese Landen ter herten genomen ende met alle vlijt ende sorphvuldifrheyt getracht hebben te besorgen alles wat tot eoeden welstant ende voortplan-tinjre van de Oprechte, Ware, Christelicke TGereforineerdt Religie, ende den suyveren Godtsdienst heeft mogen streelt en ende noodigh was: ende onder anderen mede dat Godtt Heyligh Woort, na den rechten sin, ooghmerek ende verstant van den gront-text ende sprake daer inne Godt de Heere Almachtigh genadelick gelieft heeft sijne Leere ende Godtsdienst, door ingeven des Heyligen Geests te openbaren, mochte worden uytgeleyt, geleert, ende gepredickt, op dat daer door dc saligheyt der zielen, ende het eeuwi^h welvaren meer ende meer gevoordert soude worden. Doch aengemerekt zijnde dat noyt eenige Over*ettinge van de Heylige Schrifture uyt don originelen Text in de Neder-lantsche sprake en was gedaen, hadden wy al over lange versocht ende gecommitteert eenige voorname geleerde Mannen, Theologanten ende Dienaren van de Gereformeerde Kercken, om een nieuwe Nederlantsche Oversettinge dei Heylige Schrifture \' uyt de oorspronckelicke talen te voorschijn te brengen, by dewelcke dit werek van tijt tot tijt loffelicken begonnen wesende, is de voortgangh daervan nochtans door haerlieder ontijdigh afsterven tot noch toe verhindert geworden. Waeromme, op dat dit soo noodigh ende Goddelick werek eyndelick eens ten effecte gebracht, ende dese onse Christelicke yver ende voornemen voldaen mochte worden, hebben wy volgens het exempel der eerster Kercken by de tyden der Oudtvaderen, als oock op het exempel der nabuerige ende andere Gereformeerde Rijc-ken, Furstendonunen, ende Republieken, goet gevonden gehadt, die van de Synode Nationael in den jare 1618 ende 1619, tot Dordrecht vergadert te versoecken, autho-riseeren ende lasten, de voorseyde Oversettinge by der hant te nemen, ende daar toe, als oock tot de Revisie van dien, eenige geleerde ende ervarene Theologanten te deputeeren. Ende de Oversettinge door den genadigen zegen van Godt Almachtigh by do voorsz. voortreffelu ke Mannen in de Hebreeusche ende Griecksche talen ervaren, ten eynde gebracht, ende door andere geleerde Theologanten naerder oversien zijnde, hebben het bedencken ende goet vinden der selver doen hooren, ende daer uyt bevonden hebbende, dat in dese Oversettinge alles was by gebracht, dat dc waerheyt, de eygenschap van de woorden, ende de sin dertelvey, kan vereysschen. SOO IS \'T, dat wij na rijpe deliberatie, ende hier op gehadt hebbende het advijs van den Rade van State deser Vereenigh-de Nederlanden, de meergemelte Oversettinge hebben ge-approbeert ende geauthoriseert, gelijk wy deselve authori-seeren ende approbeeren mits dezen: ten eynde dat deserve in de Kercken ende publijcke Scholen der Vereenighde Nederlanden, ende andere Rijcken ende Lantschappen onder onse gehoorsaemheyt resorteerende, moge worden aengenomen ende gebruyekt, ende dat dien volgens alle Kerckelicke Vergaderingen, Kerckendienaren, Profeasoren
emte Poctort-n in de Heylige Theologie, Re^enten van Cluilti^ieu, ende voorts allen eude een yegeiicken, die dit eonierhsins acnpraeu inasfh, in \'t exerceeren van der-selvcv diensten cmle bedieningen hacr daer na mo^en resrulecren, ounnc alsoo de eeni^heyt, welsiant eude dienst der ^eineltc Noderlantsche Gereformeerde Kerckcn ende Scholen meer ende meer te vorderen. Daer toe Godt Al-inairhti^U genadelick Relieve sünen EeRen te verleeBi\'n. Gcdaen ter Verjjaderinyo van do lloo^hgenielte Staten Gc-nerael.
In den Ha^e den 23 July 1637.
)l\'at f/rjjnrnp/éecil,
A. Ploos v a s A m s t k i. , vt.
Oitdrr stout,
Ter Ordonnantie van dezelve.
Grleeckeut,
C o u n k i, i e M u s r u.
Dladz.
Het Euanffelium van Mattheüs............................. 1.
Het Euan^eliuiii van Markus...............................S9(
Het Euan^elium van Lukaa................................ 01.
Het Euansrelium van Johannes.............................1()6.
De Handelingen der Apostelen, beschreven door Lukas ...1S7.
Zendbrief van Paulus aan de Romeinen....................177.
I. Zendbrief van Paulus aan die van Korinthe.............19t.
If. Zendbrief van Paulus aan die van Korinthe...........210.
Zendbrief van Paulus aan die van Galatië.................320.
Zendbrief van Paulu» aan die van Efeze...................225.
Zendbrief van Paulus aan de Philippensen................231.
Zendbrief van Paulus aan de Kolossensen.................235,
I. Zendbri\'.\'f van Paulus aau de Thesnalonieensen..........238.
II. Zendbrief van Paulus aan de Thessalonicensen.........2t2.
I. Zendbrief van Paulus aan Tiinotheus....................2lt.
II. Zendbiief van Paulus aan TimotbeiU...................248.
Zendbrief vnn Paulus aan Titus............................25l.
Zendbrief van Paulus aan Philemon........................253.
Zendbrief van Paulus aan de Hebreen...................,.254.
Alpemeece Zendbrief van .Tacobus..........................266.
I. Algenieene Zendbrief van Petrus........................2\'T0.
II. Algemeene Zendbrief van Petrus.......................274.
I. Alireineene Zendbrief van Juhannea......................277.
II. Zendbrief van Johannes.................................281,
III. Zendbrief van Johannes..............................,.282,
Algemcene Zendbrief van Juda»............................282.
De Openbaring van Johannes..............................281,
|
H HOOFDSTUK 1. et Boek de» Reslarhts ran HOOFDSTUK 1. et Boek de» Reslarhts ran Jezus Christcs , den zoon Davidi, den zoon Abra-bnmi. 2 Abrabam ppwon Izaük; en Izaak:gewon Jakob ; en Jakob (fewon Juda en zijne broeders ; 3 En Juda powon Pares en Zara bij Thamar; en Fares gewon Esrom ; en Esrom gewon Aram ; 4 En Aram gewon Aminadab; en Aminadab gewon Naasson ; en Naasson gawon Salmon!; 5 En Salmon gewon Boöz, bij Rarbab ; en Boöz gewon Obïd, bij Rulb ; en Obed gewon Jesse; 6 En Jesse gewon David den Koning; en David de Koning gewon Salomon, bg degene die Uria\'s [rrouu; tem geirfnl], 7 En Salomon gewon Robo-am ; en Roboain gewon Abia ; en Abia gewon Asa ; 8 En Asa gewon Josafat , en Josafat gewon Jorain ; en Jo-ram gewon Ozias ; 9 En Ozias gewon Jonatbam ; en Jonathan! gewon Achaz; en Acbaz gewon Ezekias ; 10 En Ezekias gewon Manas-se ; cn Manasse gewon Anion ; en Amon gewon Josias; 11 En Josias gewon Jechoniat en zijne broeders, omtrent de Babylonische overvoering. 12 En na de Babylonische overvoering gewon .fechonias Salathiël; en Salathiël gewon Zorobabel. 13 En Zorobabel gewon Abiud; en Abiud gewon Eljakim; en Eljakim gewon Azor; 14 En Azor gewon Zadok ; en Zadok gewon Achim ; en Achlm gewon Eliud; 15 En Eliud gewon Eleazar ; en Eleazar gewon Matthan; en Matthan gewon Jakob ; 16 En Jakob gewon Jozef, den man van Maria, uit welke geboren is Jkzus , gezegd Christus. |
17 Al de geslachten dan van Abraham tot David (rijn] veertien geslachten ; en van David tot de Babylonische overvoering [tijnl veertien geslachten ; en van de Babylonische overvoering tot Chnstüs (ïijn) veertien geslachten. 18 De geboorte van Jezus Christus was nu aldus: want als Maria zijne moeder met Jozef ondertrouwd was, eer zij te zamen gekomen waren, werd zij zwanger bevonden uit den Heiligen Geest. 19 Jozef nu haar man , alzoo hij regtvaardig was, en haar niet wilde openbaar te schande maken , was van wil haar heimelijk te verlaten. 20 En alzoo hij deze dingen in den zin had, zie, de Engel des Heeren verscheen hem in den droom , zeggende : Jozef, (lt;pjl zoon Davids, zijt niet bevreesd , Maria uwe vrouw tot u te nemen. Want hetgeen in haar ontvanger, is, dat is uit den Heiligen Geest. 21 En zij zal een\'en zoon baren , en gij zult zijnen naam heeten Jezus. Want hij zal zijn volk zalig maken van hunne zonden. 22 En dit alles is \'geschied, opdat vervuld zou worden \'t geen van den Heer gesproken is door den Profeet, zeggende : 23 Zie, de maagd zal zwanger worden, cn eenen zoon baren , en gij zult zijnen naam heeten Emmanuel, \'t welk ie, overgezet zijnde. God met ons. 24 Jozef dan, opgewekt zijnde van den slaap, deed gelijk de Engel des Heeren hem bevolen had, en heeft zyne vrouw tot zich genomen. 25 En bekende haar niet, totdat zij dezen haren eerstgeborenen .zoon gebaard had; en heette zijnen naam Jezus. A HOOFD- |
|
T HOOFDSTUK 2. oen nu Jezus geboren was te Bethlehem, HOOFDSTUK 2. oen nu Jezus geboren was te Bethlehem, [gelegen] in Judea, in de dagen van den Koning Herodes , rie , [eenige] Wijzen van het Oosten rijn te Jeruzalem aangekomen , 2 Zeggende : waar is de geborene Koning der Joden ? Want wij hebben gezien zijne ster in \'t Oosten, en zijn gekomen om hem te aanbidden. 3 De Koning Herndes nu [rfitj gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem met hem. 4 En bijeen vergaderd hebbende nl de Overpricsters en Schriftgeleerden des volks, vraagde van hen, waar de Christus zoude geboren worden. 5 En rij zeiden tot hem: te Bethlehem in Judea [gelegen]. Want alzoo is geschreven door den Profeet: 6 En gij Bethlehem , [jij] land van Juda, rijt geenszins de minste onder de Vorsten van Juda , want uit u zal de Leidsman voortkomen, die mijn volk Israël weiden zal. 7 Toen heeft Herodes de Wij-ren heimelijk geroepen, en vernam nr.arstiglijk van hen den tijd, wanneer de ster versche- 8 En hen nair Bethlehem zendende , zeide : reist heen , en onderzoekt naarstiglijk naar het kindeken, en als gy het zult gevonden hebben , boodschapt het mij , opdat ik ook kome, en hetzelve aanbidde. 9 En zy den Koning gehoord hebbende zijn heengereisd ; en rie, de ster, die rij in \'t Oosten gezien hadden , ging hen vóór , totdat zij kwam en stond boven de [pfnot») waar het kindeken was. 10 Als zij nu de ster zagen , verheugden zij zich met reer groote vreugde. 11 En in het huis gekomen rijnde, vonden rij het kindeken met Maria rjjne moeder; en nedervallende hebben rij het-relve aangebeden. En hunne schatten opengedaan hebbende, brachten rij hem ftescheu-ken : goud , en wierook, en myrrhe. 12 En door goddelijke openbaring vermaand zijnde in den droom , dat rij niet zouden we-^GELIUM Hoofdst. 3. |
derkeeren tot Herodes, vertrokken rü door eenen anderen weg weder naar hun land. 13 Toen zij nu vertrokken waren , zie, de Engel des Heeren verschijnt Joref in den droom, reggende : sta op, en neem tot u het kindeken en zijne moeder, en vlied in Egypte, en wees aldaar, totdat ik het u zeggen zal. Want Herodes zal het kindeken zoeken , om hetzelve te dooden. 14 Hij dan opgestaan zijnde nam het kindeken en zijne moeder tot rich in den nacht, en vertrok naar Egypte, 15 En was aldaar tot den dood van Herodes, opdat vervuld zoude worden hetgeen van den Heer gesproken is door den Profeet, zeggende : uit Egypte heb ik mijnen Zoon geroepen. 16 Als Herodes zag dat hjj van de Wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig , en [rrni^en] afgezonden hebbende, heeft omgebragt al d» kinderen die binnen Bethlehem en in al deszelfs landpalen [tonrrn], van twee jaren (ourf) en daaronder , naar den tgd dien hy van de Wijzen naarstiglijk onderzocht had. 17 Toen is vervuld geworden hetgeen gesproken is door den Profeet Jeremias , reggende : 18 Eene stem is in Rama gehoord, geklag , geween, en veel gekerm ; Rachel beweende hare kinderen, en wilde niet vertroost wezen, omdat rg niet zijn. 19 Toen Herodes nu gestorven was , zie , de Engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom , in Egypte , 20 Zeggende : sta op, neem het kindeken en zijne moeder tot u, en trek in het land Israels; want zij zijn gestorven die de ziel van het kindeken zochten. 21 Hij dan opgestaan rijnde heeft tot rich genomen het kindeken en rijne moeder, en is gekomen in het land Israëls. 22 Maar als hij hoorde dat Archelaüs in Judea Koning was, in de plaats van zijnen vader Herodes, vreesde hjj daarheen te gaan ; maar door goddelijke openbaring vermaand in den droom, is hij vertrokken in de deelen van Galilea. 23 En [daar] gekomen rijnde nam hij zijne woonplaats in de stad genaamd Narareth; opdat |
Hoofdst. 2.3,4.\' VAN MATTHEUS.
|
dat vervuld rou worden wat door de Profeten gezegd is, dat hjj Nazarener zal geheeten worden. Johannes de Dooper, predikende in de woestijn van Judea, 2 En zegffende: bekeert u; want het Koningrijk der hemelen is nabij gekomen. 3 Want deze is het van welken gesproken ia door Jesajas den Profeet, zeggende : de stem des roependen in de woestijn: bereidt den weg des Heeren, maakt zijne paden regt. 4 En dezelve Johannes had zijne kleeding van kemelshaar, en eenen lederen gordel om zijne lendenen ; en zyn voedsel was sprinkhanen en wilde honig. 5 Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judea en het geheele land rondom den Jordaan ; 6 En werden van hem gedoopt in den Jordaan, belijdende hunne zonden. 7 Hij dan ziende velen van de Parizeen en Sadduceën tot zijnen doop komen, sprak tot hen: gÜ adderen-gebroedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn ? 8 Brengt dan vruchten voort der bekeering waardig. 9 En meent niet bij u zeiven te zeggen: wylhebben Abraham tot eenen vader. Want ik zegu, dat God zelfs uit deze steenen kan Abraham kinderen verwekken. 10 En is ook alreeds de bgl aati den wortel der boomen gelegd ; alle boom dan die geene goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. 11 Ik doop u wel met water tot bekeering ; maar die na injj komt is sterker dan ik , wiens schoenen ik niet waardig ben [tem no] te dragen ; die zal u met den Heiligen Geest en met vuur doopen. 12 Wiens wan in zyne hand is, en zal zynen dorschvloer doorzuiveren , en zyne tarwe in zÜne schuur te zamen brengen, en zal het kif met onuitblus-schelijk vuur verbranden. 13 Toen kwam Jezus van Ga-lilea naar den Jordaan tot Johannes , om van hem gedoopt te worden. |
14 Doch Johannes weigerdn hem zeer, zeggende: mij i.4 noodig van u gedoopt te worden , en komt gg tot mg ? 15 Maar Jezus antwoordende zeide tot hem : laat nu af; want aldus betaamt ons alle geregtigheid te vervullen. Toea liet nü van hem af. 16 En Jezus gedoopt zyndn is terstond opgeklonunen uit het water; en zie, de hemelen werden hem geopend, en hij zag den Geest Gods nederdalen gelijk eene duif, en op hem komen. 17 En zie, eene stem uit de hemelen , zeggende ; deze is mjjn Zoon , mijn geliefde , in welken ik mijn welbehagen heb. 1 ______________ Geest weggeleid in de woestijn , om verzocht te worden van den duivel. 2 En als hij veertig dagen én veertig nachten gevast had, hongerde hem ten laatste. 3 En de verzoeker tot hem gekomen zijnde, zeide : indien gij Gods Zoon zijt, zeg dat deze steenen brooden worden. 4 Doch hij antwoordende zeide: er is geschreven : de mensch zal bij brood alleen niet leven , maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat. 5 Toen nam hem de duivel mede naar de heilige stad , en stelde hem op de tinne des Tempels, 6 En zeide tot hem: indien gij Gods Zoon zijt, werp u zeiven nederwaarts; want er is geschreven, dat hij zijne Engelen van u bevelen zal , en [rfnt] zij u op de handen zullen nemen , opdat gy niet t* eeni-ger tyd uwen voet aan eenen steen aanstoot. 7 Jezus zeide tot hem: er is wederom geschreven: gij zult den Heer uwen God niet verzoeken. 8 Wederom nam hem de duivel mede op eenen zeer hoo-gen berg, en toonde hem al de Koningrijken der wereld, en hunne heerlijkheid; 9 Hij zeide tot hem : al deze dingen zal ik u geven , indien gü nedervallende mij ruit aanbidden. 10 Toen zeide Jezus tot hem: . A 2 ga |
|
ffn wepr. *at.an ; want cr stant fjenrhreven; den Heer uwen God zult grü aanbidden, en hem alleen dienen. 11 Toen liet de duivel van hein af; en zie, de Engelen zijn toegekomen , en dienden hein. 12 Als nu Jezus ftchoord had dat Johannes «versreleverd was, is hij wedergekeerd naar Ga-Ulea; 13 En Nazareth verlaten hebbende is komen wonen te Ka-pernaüm , trlt;*le?en aan de zee , in de landpalen van Zabulon en Nefthalim ; 14 Opdat vervuld zou worden hetgeen sresproken is door Je-sajas den Proleet, zejrifende : 13 Het land Zabulon en het land Nefthalim, [»/«n ilm] weg der zee, over deu Jordaan, Galilea der volken; 16 Het volk dat in duisternis zat, heeft een groot lieht gezien ; en degenen die zaten in het land en schaduw des doods, denzelven is een licht opgegaan. 17 Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken, en te zersren : bekeert u , want het Koningrgk der hemelen is nabij gekomen. 18 En Jezus wandelende aan de zee van Galilea, zag twee broeders, [nnmrlijk] Simon, gezegd Petrus, en Andreas zijnen broeder, \'t net in de zee werpende; (want zij waren vis-schers). 19 En hij zeide tot hen : volgt mij na, en ik zal u visschers der mensehen maken. 20 Zij Iran terstond de netten verlatende zijn hem nagevolgd. 21 En hij van daar voortgegaan zijnde zag twee andere broeders, [nnmrlijk] Jacobus den (roiin] van Zebedeüs, en Johannes zijnen broeder, in het schip met hunnen vader Zebedeüs, hunne netten vermakende , en heeft hen geroepen. 22 Zij dan terstond verlatende \'t schip en hunnen vader, zyn hem nagevolgd. 23 En Jezus omcring geheel Galilea , leerende in hunne Synagogen , en predikende het Euangelium des Koningrijks, en genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk. 24 En zijn gerucht ging [r/m rfonrj uit in geheel Syrië; en bragten tot betn allen die |
NGELtÜftl Hoofdst. 4, 5. kwalijk gesteld waren, met vcr-scheidene ziekten en pijnen bevangen zijnde, en van den duivel bezeten, en maanzieken, en geraakten; en hij genas dezelve. 25 En vele scharen volgden hem na , van Galilea en (e/rnj Dekapolis, en [rnn] Jeruzalem, en [rml Judca, en [rnml over den Jordaan. EHOOFWSTUK 5. nHOOFWSTUK 5. n [Jexvt] de scharen ziende is geklommen op eenen berg, en als hij nedergezeten was, kwamen zijne discipelen tot hem. 2 En zijnen mond geopend hebbende leerde hij hen , zeggende ; 3 Zalig (rijn] de armen van geest; want hunner is het Koningrijk der hemelen. 4 Zalig [rijn] die Jtreurcn; want zij zullen vertroost worden. 5 Zalig [*ijnl de zachtwoedi-ïreu ; want zij zullen het aardrijk beërven. 6 Zalig [tijn] die hongeren en dorsten (nnnr) de geregtiffheid; want zij zullen verzadigd worden. 7 Zalig [lijn] de barmh: rti-gen; want hun zal barm\'.iar-tijrheid geschieden. 8 Zalig [*ijn] de reinen van harte ; want zij zullen God zien. 9 Zalig (tijnl de vreedzamen ; want zij zullen Gods kinderen genoemd worden. 10 Zalig [sijn] die vervolgd worden om der geregtipheid wil ; want hunner is het Koningrijk der hemelen. 11 Zalig zijt gö als u [rfr rmn-«efcrn] smaden en vervolgen, en lierrende alle kwaad tegen u spreken, om mynentwil. 12 Verblijdt en verheugt [v]; want uw loon (!*] groot in de hemelen ; want alzoo hebben zij vervolgd de Profeten, die vóór u [tieirretl ïijn]. 13 Gij zijt het zout der\'aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal gezouten worden ? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en van de menschen vertreden te worden. 14 Gy zijt bet licht der wereld ; eene stad boven op eenen berg liggende kan niet verborgen z\\jn. 15 Noch \'men steekt gcene |
Hoofdst. 5.
kaars aan\', en zet die onder eene korenmaat; maar op een kandelaar, en zij schijnt allen , die in liet huis (rijn).
16 Laat uw licht alzoo schijnen voor de menschen, dat zij uwe goede werken mo^en zien, en uwen Vader, die in de hemelen is, verheerlijken.
17 Meent niet dat ik gekomen ben om de wet of de Profeten te ontbinden ; ik ben niet {rekomen om [c/ifj te ontbinden , maar te vervullen.
18 Want voorwaar zeg ik u ; totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota, noch één tittel wet voorbygaan, totdat het alles zal zijn geschied.
19 Zoo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de menschen alzoo zal geleerd hebben, [iJir] zal de ste genoemd worden in Koningrijk der hemelen ; maar zoo wie [drzflre] zal gedaan en geleerd hebben , die zal groot genoemd worden in het Ko-uuiL\'ajk der hemelen.
20 Want ik zeg u : tenzij uwe geregtigheid overvloediger zij dan der Schrift!»eleerden en dei Farizeën , dat gij hel Koningrijk der hemeleu geenszins zult ingaan.
21 Gg hebt gehoord dat Uot] de Ouden gezegd is: gij zult niet dooden; maar zoo wie doodt, [dir] zal strafbaar zijn door het gerigt.
22 Doch ik zeg u : zoo wie ten onregte op zijnen broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gerigt; en wie tot zijnen broeder zegt: Kak a ! die zal strafbaar zijn door den grooten Raad. Maar wie zegt: gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helsche vuur.
23 Zoo gij dan uwe gave zult op het altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft,
21 Laat daar uwe gave \\ het altaar, en ga heen , • zoen u eerst met uwen broeder, en kom dan, en offer uwe gave. 25 Wees haastiglijk welgezind [(egrn] uwe wederuartij , terwijl gij nog met hem op den weg zijt, opdat de wederpartij niet misschien u den Ilegter overlevere , en de Ilegter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis getvorpcu ivordt.
26 Voorwaar ik zeg u : gij zult daar geenszins uitkomen , totdat gij den laatsten punning zult betaald hebben.
27 Gij hebt gehoord dat [tinn] de Ouden gezegd is: gij zult »een overspel doen.
28 Maar ik zeg u , dat zoo wie ïene vrouw [nnii]ziet om de-tel ve quot;te begeer en, die heeft alreeds overspel in zijn hart net haar gedaan.
29 Indien dan uw regter oog u ergert, trek het uit, en werp het van u; want het is u nut dat één uwer leden verga , en niet uw geheele ligchaam in de hel geworpen worde.
30 En indien uwe regter hand u ergert, houw die af, en werp [fcnaii van u; want het is u nut dat één uwer leden verga, en niet uw geheele ligchaam in de hel geworpen worde.
31 Er is ook gezegd: zoo wie zijne vrouw verlaten zal, die geve haar eenen scheidbrief.
33 Maar ik zeg u, dat zoo wie zijne vrouw verlaten zal, an~ ders dan uit oorzaak van hoererij , die mankt dat zij overspel doet; en zoo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel.
33 Wederom hebt gij gehoord, dat [fin] de Ouden gezegd is: gij zult den eed niet breken, maar gij zult den lleere uwe eeden houden.
34 Maar ik zeg u : zweer gan-schelijk niet: noch bij den hemel , omdat hij is de troon Gods;
35 Noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank zijner voeten; noch bij Jeruzalem , omdat zij is de stad de» groo\'.en Konings;
36 Noch bg uw hoofd zult trij niet zwereu, omdat gij niet één haar kunt wit of zwart maken.
37 Maar laat zijn uw woord : ja, ja; neen, neen ; wat boven deze is, dat is uit den boozen.
38 Gij hebt gehoord dat gezegd is : oog om oog, en tand om tand.
39 Maar ik zeg u, dat gij den boozen niet wederstaat; maar zoo wie u op de regter wang slaat, keer hem ook de andere toe ;
40 En zoo iemand met u reg-ten wil, en uwen rok nemen , laat hem ook den mantel ;
41 En zoo wie u zal dwingen ééne mijl te gaan, ga met hem
Itwee [miitenj.
A 3 42 Ceel
|
42 Geef dengenen die [»(«] van u bidt, en keer u niet af van dengenen die van u leenen wil. 43 Gij hebt gehoord dat er gezegd is : «rij zult uwen naasten liefhebben, en uwen vyund zult ?ij haten. 4t Maar ik zeg u ; hebt uwe vijanden lief; zegent hen die u vervloeken ; doet wel dengenen die u haten; en bidt voorde-genen die u geweld doen , en die u vervolgen. 45 Opdat gij inoogt kinderen zijn uw8 Vaders die in de hemelen is. Want hy doet zijne zon opgaan over boozen en goeden, en regent over regtvaar-diffen en onregtvaardigen. 46 Want indien gij lief hebt, die u liefhebben, wat loon hebt gij ? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde ? 47 En indien gij uwe broeders alleen groet, wat doet gij boven anderen ? Doen ook niet de tollenaars alzoo ? 48 Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, die in de hemelen is, volmaakt is. H HOOFDSTUK 6. ebt acht, dat gij uwe aalmoes niet doet voor de men-echen, om ivan hen gezien te worden ; ander» hebt gij geen loon bij uwen Vader, die in de hemelen is. HOOFDSTUK 6. ebt acht, dat gij uwe aalmoes niet doet voor de men-echen, om ivan hen gezien te worden ; ander» hebt gij geen loon bij uwen Vader, die in de hemelen is. 2 Wanneer gij dan aalmoes doet, zoo laat voor u niet trompetten, gelijk de geveinsden in de Synagogen en op de straten doen, opdat zij van de men-schen geëerd mogen worden^; voorwaar zeg ik u : zij hebben hun loon weg. 3 Maar als gij aalmoes doet, zoo laat uwe linker(fcanlt;t] niet weten, wat uwe regter «loet; 4 Opdat uwe aalmoes in het verborgene zy ; en uw Vader, die in \'t verborgene ziet, die zal \'t u ;in \'t openbaar vergelden. 5 En wanneer gö bidt, zoo zult gij niet zijn gelijk de geveinsden; want die plegen gaarne in de Synagogen, en op de hoeken der straten staande te bidden, opdat zij van de men-schen mogen gezien worden. Voorwaar ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben. 6 Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uwe binnenkmuer, en uwe deur hebbende |
NGELIUM Hoofdat. S, 0. bid uwen Vader die in het verborgene is; en uw Vader die in het verborgene ziet, zal het u in het openbaar vergelden. 7 En als gij bidt, zoo gebruikt geen üdel verhaal van jwoor-den, gelgk de Heidenen ; want zü meenen dat zij door hunne veelheid van woorden zullen verhoord worden. 8 Wordt dan hun niet gelyk ; want uw Vader weet wat gij noodig hebt, eer gij hem bidt. 9 Gij dan bidt aldus : Onze Vader, die in de hemelen Uw naam worde geheiligd. 10 Uw Koningrijk kome. Uw wil geschiede, gelgk in den hemel, [nfoou] ook op de aarde. 11 Ons dagelijksch brood geef ons heden. 12 En vergeef ons onze schulden , gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. 13 En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van d in boozen. Want uw\' is het Koningrijk , en de kracht, en le heerlijkheid, in de eeuwigheid, Amen ! 14 Want indien gij den men-schen hunne misdaden vertreeft, zoo zal uw hemelsche Vad;r ook u vergeven ; 15 Maar indien gij den men-schen hunne misdaden niet vergeeft , zoo zal ook uw Vader uwe misdaden niet vergeven. 16 En wanneer gij vast, toont peen droevig gezigt, gelyk d»; se veinsden; want zij mismaken hunne aangezigten , opdat zy van de menschen mogen gezien worden, als zij vasten. Voorwaar ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben. 17 Maar gij , als frji vast, zalf uw hoofd, en wasch uw aange-ziirt, 18 Opdat het van de menschen niet gezien worde, als gy vast, maar van uwen Vader, die in het verborgene is ; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u in \'t openbaar vergelden. 19 Vergadert u geene schatten op de aarde, waar ze de mot en roest verderven , en waav de dieven doorgraven en stelen. 20 Maar vergadert u schatten in den hemel, waar ze noi h mot noch roest verderft, t-n waar de dieven niet doorgra-vcD, noch «telen. |
|
Hoofdst. 6. 7. VAN MA 21 Want ^«ar uw schat is , daar zal ook uw hart zijn. 22 De kaars des ligchanms is het oor; indien dan uw oog eenvoudig is , zoo zal uw ge-heele ligchaam verlicht wezen. 23 Maar indien uw oog boos is, zoo zal geheel uw ligchaam duister zijn. Indien dan het licht dat in u is, duisternis is, hoe groot [mi] de duisternis [xrlve lijn] ? 24 Niemand kan twee heeren dienen ; want, of hij zal den eenen haten en den anderen liefhebben, of hü zal den eencn aanhangen en den anderen verachten. Gij kunt niet God dienen en den Mammon. 25 Daarom zeg ik u : , zijt niet bezorgd voor uw leven,_ wat gy Jeten, en wat gij {drinken zult, noch voor uw ligchaam , waarmede gij u kleeden zult. Is het leven niet meer dan het voedsel, en het ligchaam dan de kleeding ? 26 Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaijen, noch maaijen, noch verzamelen in de schuren, en uw hemelsche Vader voedt [nogtim] dezelve ; gaat gij dezelve quot;niet [\'ter] veel tej boven ? 27 Wie toch van u kan met bezorgd te zijn ééne el tot zijne lengte toedoen ? 2S En wat zijt gij bezorgd voor de kleeding ? Aanmerkt de leliën des velds, hoe zii wassen ; zij arbeiden niet, noch spinnen niet; 29 En ik zeg u dat ook Salomon in al zijne heerlijkheid niet is bekleed geweest gelyk een van deze. 30 Indien nu God het gras des velds, dat heden is en morgen in .den oven geworpen wordt, alzoo bekleedt, zal h\\j u niet veel meer [1dttdtn\\, gij klein-geloovigen ? 31 Daarom zijt niet bezorgd , zeggende ; wat zullen wij eten \' of: wat\'/ zullen wij drinken ? of: waarmede zullen w\\j ons kleeden ? 32 Want al deze dingen zoeken de Heidenen. Want uw hemelsche Vader weet dat gij al deze dingen behoeft. 33 Maar zoekt eerst het Koningrijk Gods, en zyne gereg-tigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden. 31 Zgt dan niet bezorgd tegen |
TTHEoS. . ? den morgen ; want de morgen zal voor het zyne zorgen ; [rlke\\ dag heeft genoeg aan zijn zelfi; kwaad. O HOOFDSTUK 7. ordcelt niet, opdat gg niet geoordeeld wordt. HOOFDSTUK 7. ordcelt niet, opdat gg niet geoordeeld wordt. 2 Want met welk oordeel gn oordeelt, zult gij geoordeeld worden; oa met welke maat gij meet, zal u weder gemeten worden. 3 En wat ziet gij den sp,gt;nter die in het oog uws broeders is; maar den balk die in uw oog is merkt gy niet ? 4 Of, hoe zult gij tot uwen broeder zeggen : laat toe dat ik den splinter uit uw oog uitdoe; en zie , er is een balk in uw oog. 5 Gy geveinsde, werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien , om den splinter uit uws broeders oog uit te doen. 6 Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uwe paar-len niet voor de zwijnen , opdat zij niet t\' eeniger tijd dezelve met hunne voeten vertreden, en (ticAl omkeerende u verscheuren. 7 Bidt, en u zal gegeven worden ; zoekt, en gij zult vinden ; klopt, en u zal opengedaan worden. 8 Want een iegelijk die bidt, die ontvangt ; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden. 9 Of welk mensch is er onder u , zoo zyn zoon hem zou bidden om brood , die hem eenen steen zal geven ? 10 En zoo hij hem om eenen visch zou bidden, die hem eene slang zal geven ? 11 Indien dan gij, \'die boos zijt, weet uwen kinderen goede gaven te geven, hoe veel te meer zal uw Vader, die in de hemelen is , goede [pnrrn] geven dengenen, die ze van hem bidden. 12 Alle (dinr^n] dan die gjj wilt dat u de menschen zouden doen, doet gij hun ook alzoo ; want dat is de wet en de Profeten. 13 Gaat in door de enge poort want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zgn er die door denzelven ingaan. A h 14 Want |
|
14 Waquot;4 de poort is enj, . de weg is naauw die tot het leven leidt, en .weinigen zyn er die denzelven vinden. 15 Maar wacht (ti) van de valsrhe Profeten , welke in schaapsklcederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven. 16 Aan hunne \'vruchten zult gij hen kennen. Leest men ook eene druif van doornen, of vijtren van distelen ? 17 Alzoo een ieder goede boom brengt voort goede vruchten , en een kwade boom brengt voort kwade vruchten. . 18 Een goede boom kan geene kwade vruchten voortbrengen, noch eene kwade boom goede vruchten voortbrengen. 19 Een ieder boom die geene goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in \'t vuur geworpen. 20 Zoo zult gij dan dezelve aan hunne vruchten kennen. 21 Niet een iegelijk die tol mij zept: lleere, lleere ! zal ingaan in het Koningrijk der hemelen ; maar die daar doet den wil mijns Vaders, die in de hemelen is. 22 Velen zullen ten dien dage tot mij zeggen : Heere, Heere, hebben wij niet in uwen naam geprofeteerd, en in uwen naam duivelen uitgeworpen, en in uwen naam vele krachten gedaan ? 23 En dan zal ik hun openlijk aanzeggen : ik heb u nooit gekend. Gaat wejf van mij , gij die de onseregtigheid werkt. i H Een iegelijk dan die deze mijne woorden hoort, en dezelve doet, dien zal ik vergelijken bij een voonigtig die zyn huis O] gebouwd heeft. 25 En er is slagregen nederge-vallen, en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangevallen, en het is niet gevallen , want het was op de steenrots gegrond. 26 En een iegelijk die \'deze mijne woorden hoort, en dezelve niet doet, die zal bij eenen dwazen man vergeleken worden , die zijn huis op het zand gebouwd heeft. 27 En de slagregen is nederge-vallen, en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zün tegen hetzelve i: steenrots |
Hoofdst. 7, 8. huis aangeslagen, en het is gevallen, en zgn val was groot. 28 En het is geschied, als Jezus deze woorden geëindigd had , [dut] de scharen zich ontzetten over zijne leer. 29 Want hij leerde hen al* magt hebbende, en niet als de Schriftgeleerden. T HOOFDSTUK 8. oen hij nu van den berg afgeklommen was, zijn hem vele scharen gevolgd. HOOFDSTUK 8. oen hij nu van den berg afgeklommen was, zijn hem vele scharen gevolgd. 2 En zie, een melaatsche kwam, en aanbad hem , zeggende ; Heer, indien gij wilt, gij kunt mij reinigen. 3 En Jezus de hand uitstrekkende heeft hem aangeraakt, zeggende : ik wil, word gereinigd. En terstond werd (Wj ron) zijne melaatschheid gereinigd. 4 En Jezus zeide tot hem : zie dat gij (rfitj niemand zegt; maar ga_ heen, toon u zei ven den Priester, en offer de gave, die Moees geboden heeft, hun tot eene getuigenis. _5 Als nu Jezus te Kapemaüm ingegaan was, kwam tot hem een Hoofdman over honderd , biddende hem , 6 En zeggende: Heer, mijn knecht ligt t\' huis geraakt, en lijdt zware pijnen. 7 En Jezus zeide tot hem : ik zal komen en hem genezen. 8 En de Hoofdman over honderd antwoordende zeide: Heer, ik ben niet waardig dat gij onder mijn dak zoudt inkomen ; maar spreek alleenlijk één woord, en mijn knecht zal genezen worden. 9 Want ik ben ook een mensch onder de magt (r/i« anderen] , hebbende onder mij krijgsknechten ; en ik zeg tot dezen ; en hij gaat; en tot den anderen : kom, en hy komt; en tot mijnen dienstknecht ; doe dat, en hij doet het. 10 Jezus nu [rfit) hoorende heeft zich verwonderd, en zeide degenen die (A*ml volgden : voorwaar zeg ik u, ik heb zelfs Israël zoo groot geloof niet gevanden. 11 Doch ik zeg u , dat velen zullen komen van Oosten en Westen , en zullen met Abraham , en Izaak , en Jakob aanzitten in het Koningrijk der hemelen. .12^Enidc kinderen des Koning-rijks HET EUANGELIUM |
|
Hoofdst. 8 , 9. VAN MA rijks lullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis ; aldaar zal weening zijn, en knersing der tanden. 13 En Jezus zeide tot den Hoofdman over honderd: ga heen, en u geschiede gelijk gij geloofd hebt. En zyn knecht is gezond geworden te dier zelf-der ure. 14 En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag zijner vrouws moeder [te herf) liggen , hebbende de koorts. 15 En hij raakte hare hand aan, en de koorts verliet haar; en zij stond op, en diende hen. 16 En als het laat geworden was, hebben zg velen van den duivel bezeten tot hem gebrast , en hij wierp de (hooz^J geesten uit met het woord, en hy genas allen die kwalijk gesteld waren ; 17 Opdat vervuld zou worden wat gesproken was -door Jesa-ias den Profeet, zeggende: hg heeft onze krankheden [op ric/i) genomen , en [onze] ziekten ge-dragen. 18 En Jezus vele scharen ziende rondom zich, jbeval aan de andere zijde over te varen. 19 En er kwam een zeker Schriftgeleerde tot hein , en zeide tot hem : Meester, ik zal\'u volgen, waar pij ook heengaat. 20 En Jezus zeide tot hem : de vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des menschen heeft niet waar hg het hoofd nederlegge. 21 En een ander uit zyne discipelen zeide tot hem: Heer, laat mij toe, dat ik eerst heenga , en mijnen vader begrave. 22 Doch Jezus zeide tot hem : volg mö, en laat de dooden hunne dooden bejrraven. 23 En als hij in het schip gegaan was , zijn hem zjjne discipelen gevolgd. En zie, er ontstond eene groote onstuimigheid in de zee , alzoo dat het schip van de pol-ven bedekt werd; doch hij sliep. 25 En zyne discipelen by [ftrmj komende hebben hem opgewekt, zegpende: Heer, behoed ons, wy vergaan. 26 En hij zeide tot hen : wat zijt gü vreesachtig, pij klein-geloovigen ? Toen stond hij op, en bestrafte de winden en de zee; en er werd groot.! atilte. |
TTHEÜS. » 27 En de menschen verwonderden zich , zeggende :ioedanig een is deze , dat ook dfe winden en de zee hem gehoorzaam zyn ? 23 En als hij over aan dc andere zyde was gekomen in het land der Gergesenen, zijn hem twee van den duivel bezeten ontmoet, komende uit de graven , die zeer wreed waren, alzoo dat niemand door dien weg konde voorbijgaan. 29 En zie , zy riepen , zeggende ; Jezus, gij Zoon Gods, wat hebben wij met u (lt;e dom] ? Zijt gij hier pekomen om ons te pijnigen vóór den tijd ? 30 En verre van hen was eene kudde van vele zwijnen weidende. 31 En de duivelen baden hem, zeggende: indien gy ons uitwerpt , laat ons toe, dat wy in die kudde zwijnen varen. 32 En hij zeide tot hen : gaat heen. En zij uitgaande voeren heen in dc kudde zwijnen ; en zie, de geheele kudde zwijnen stortte van de steilte af in de zee , en stierven in \'t water. 33 En die ze weidden zyn ge» vlugt; en als zij in de stad gekomen waren, boodschapten zij al [deze] dinpen , en wat den bezetenen [gnr/iied trut]. 3i En zie, dc geheele stad ping uit Jezus te gemoet; en als zij hem zagen , baden zij, dat hy uit hunne landpalen wilde vertrekken. E HOOFDSTUK 9. n in \'t schip gegaan zijnde voer hij over , en kwam in zijne stad. En zie , zij brag-ten tot hem eenen geraakten , op een bed liggende. HOOFDSTUK 9. n in \'t schip gegaan zijnde voer hij over , en kwam in zijne stad. En zie , zij brag-ten tot hem eenen geraakten , op een bed liggende. 2 En Jezus hun geloof ziende, zeide tot den peraakten : zoon, zijt welgemoed, uwe zonden zijn u verpeven. 3 En zie, sommigen der Schriftgeleerden zeiden in zich zeiven : deze lastert [God). 4 En Jezus tziende hunne gedachten , zeide : waarom overdenkt gij kwaad in uwe harten ? 5 Want wat is ligter, te zeggen : de zonden zijn u vergeven ; of te zeggen ; sta op en wandel ? 6 Doch opdat gij moogt weten , dat de Zoon des mer-schen magt heeft op de aarde de zonden te vergeven, (toen zeide hij tot den geraakten\'\'; A 5 sta |
10 HET EUA
•ta op, neem uw bed op, en gra henen naar uw huis.
7 En hij opgestaan zijnde ging henen naar zijn huis.
8 De Bcharen nu [dit] ziende, hebben zich verwonderd, en God verheerlgkt, die zoodanige magt den nienschen gegeven had.
9 En Jezus van daar voort-nande, zag eenen mensrh in Bet tolhuis zitten, genaamd Mattheüs , en zeide tot hem : volg mij. En hij opstaande volgde hem.
10 En het geschiedde, als hjj in het huis [tinn Mnll/trüt] aanzat , zie, vele tollenaars en zondaars kwamen, en zaten mede aan met Jezus en zijne discipelen.
11 En de Parizeen ziende, zeiden tot zijne discipelen: waarom eet uw Meester met de tollenaren en zondaren ?
12 Maar Jezus [tui*»] hoo-rende, zeide tot hen : die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet noodig, maar die ziek zijn.
13 Doch gaat heen en leert, wat het\'zg : ik wil barmhartigheid . en niet olTerande. Want ik ben niet gekomen om te roepen regtvaardigen, maar zondaars tot bekeering.
14 Toen kwamen de discipelen van Johannes tot hem, leggende: waarom vasten wij en de Farizeën veel, en uwe discipelen vasten niet ?
15 En Jezus zeide tot hen: kunnen ook de bruilofstkinde-ren treuren , zoo lang de bruidegom by hen is ? Maar de dagen zullen komen , wanneer de bruidegom van hen zal weggenomen zjjn , en dan zullen zij vasten.
16 Ook zet niemand eenen lap ongevold laken op een oud kleed ; want deszelfs aangezette lap scheurt af van het kleed , en er wordt eene ergere scheur.
17 Noch men doet geenen nieuwen wijn in oude [UJer-zakken ; anders zoo bersten de ({ecfer]zakken , en de wijn wordt uitgestort, en de [(crfrrjzakken verderven; maar men doet nieuwen wijn in nieuwe [flt;dfr]zak-ken , en beide te zamen worden behouden.
18 Als hij deze dingen tot hen ■prak, zie, een Overste kwam, en aanbad hem, zeggende: myne
^GELIUM Hoofdst. 9,
dochter is nn terstond gestorven; doch kom en leg uwe hand op haar, en zij zal leven.
19 En Jezus opgestaan zynde volgde hem, en zijne discipelen.
20 En zie, eene vrouw, die twaalf jaren het bloedvloeijen gehad had, komende tot hem van achteren, raakte den zoom van zijn kleed aan ;
21 Want zij zeide in rich zelve: indien ik alleenlijk zgn kleed aanraak , zoo zal ik gezond worden.
22 En Jezus zich omkeerende en haar ziende, zeide: zijt welgemoed, dochter, uw geloof heeft u behouden. En de vrouw werd gezond van die zelfde ure af.
23 En als Jezus in het huis van d«n Oversten kwam, en zag de pijpers en de woelende schare ,
2t Zeide hij tot hen : vertrekt, want het dochtertje is niet dood, maar slaapt. En zij belachten hem.
25 Als nu de schare uitgedreven was, ging hij in , en greep hare hand , en het dochtertje stond op.
26 En dit gerucht ging uit door dat geheele land.
27 En als Jezus van daar voortging, zijn hem twee blinden gevolgd , roepende en zeggende : [gij] Zoon Davids, ontferm u onzer.
28 En als hij in huis gekomen was, kwamen de blinden tot hem. En Jezus zeide tot hen : gelooft gij, dat ik dat doen kan ? Zij zeiden tot hem : Ja Heer.
29 Toen raakte hij hunne oogen aan , zeggende : u geschiede naar uw geloof.
30 En hunne oogen zijn geopend geworden. En Jezus heeft hun zeer strengelijk verboden, zeggende : ziet, dat het niemand wete.
31 Maar zij uitgegaan zijnde, hebben hem ruchtbaar gemaakt door dat geheele land.
32 Als deze nu uitgingen, zie, zoo bragten zij tot hem eenen mensch , die stom en van den duivel bezeten was.
33 En als de duivel uitgeworpen was, sprak de stomme. En de scharen verwonderden zich, zeggende: er is nooit desgelijks in Israël gezien.
3i Maar de Farizeën zeiden : hij werpt de duivelen uit door den Oversten der duivelen. 85 En Jezus omging al de ste-der
|
Hoofdit. 9, 10. VAN MA den en vlekken, leerende in hunne Syna^of^en, en predikende het Euangelium des Koningrijke , en genezende alle ziekte cn alle kwalc onder het volk. 36 En hij de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over haar, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, gelijk schapen, die geenen herder hebben. 37 Toen zeide hij tot züne discipelen : de oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige. 38 Bidt dan den Heer des oogstes, dat hij arbeiders in zijnen oogst uitstoote. E HOOFDSTUK 10. n zijne twaalf discipelen tot zich geroepen hebbende, heeft hun magt gegeven over de onreine geesten, oui dezelve uit te werpen, en om alle ziekte en alle kwale te genezen. HOOFDSTUK 10. n zijne twaalf discipelen tot zich geroepen hebbende, heeft hun magt gegeven over de onreine geesten, oui dezelve uit te werpen, en om alle ziekte en alle kwale te genezen. 2 De namen nu der twaalf Apostelen zijn deze : de eerste, Simon gezegd Petrus , en Andreas zyn broeder; Jacobus de [toon] van Zebedeüs, en Johannes zijn broeder; 3 Philippus en Bartholomeüs ; Thomas en Mattheüs de tollenaar; Jacobus de (xoon] van Alpheus, en Lebbeüs toege-naamd Thaddeüs; 4 Simon Kananites en Judas Iskarioth, die hem ook verraden heeft. 5 Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden , en hun bevel gegeven , zeggende : gij zult niet heengaan op den weg der Heidenen, noch gö zult niet ingaan in [ren\\tjr] stad der Samaritanen. 6 Maar gaat veel meer heen tot de verlorene schapen van het huis Israëls. 7 En heengaande predikt, zeggende : het Koningrijk der hemelen is naby gekomen. 8 Geneest de kranken, reinigt de melaatschen, wekt de doo-den op, werpt de duivelen uit. Gij hebt het om niet ontvangen , geeft het om niet. 9 Verkrijgt u noch goud, noch zilver, noch koper Igeld] in uwe gordels, 10 Noch male tot den weg, noch twee rekken, noch schoenen, noch staf. Want de arbeider is cijn voedsel waardig. 11 En in welke stad of vlek gij xult inkgmen , oaderzoekt wie |
daarin waardig is; en blijft aj-daar totdat gij [rfanr] uitgaat. 12 En als gij in het huis gaav, zoo groet hetzelve. 13 En indien dat huis waardig is, zoo kome uw vrede over hetzelve; maar indien het niet waardig is, zoo keere uw vrede weder tot u. 14 En zoo iemand u niet zal ontvangen, noch uwe woorden hooren, uitgaande uit dat huis of uit dezelve stad, schudt het stof van uwe voeten af. 15 Voorwaar zeg ik u; hef zal den lande van Sodom en Go-morra verdragelijker zijn in den dag des oordeels, dan dezelve stad. 16 Zie , ik zend u als schapen in \'t midden der wolven ; zijt dan voorzigtig gelijk de slangen, en opregt gelijk de duiven. 17 Maar wacht u voor de menscllen; want zij zullen u overleveren in de Raadsvergaderingen , en in hunne Synagogen zullen zij u geeselen. 18 En gü zult ook voor Stadhouders en Koningen geleid wordeu om mijnentwil, hun en den Heidenen tot getuigenis. 19 Doch wanneer zij u overleveren , zoo zult gij niet bezorgd zijn , hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in dezelve ure gegeven worden, wat gij spreken zult. 20 Want gö zijt niet die spreekt, maar (/ift ii) de Geest uws Vaders, die in u spreekt. 21 Eu de [eenr] broeder zal den (onderen] broeder overleveren tot den dood, en de vader het kind , en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, cn zullen hen dooden. 22 En gij zult van allen go-haat worden om mijnen naam ; maar die volstandig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden. 23 Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vliedt in de andere ; want voorwaar zeg ik u; gg zult [wire rei» door] de steden Israëls niet geëindigd hebben, of de Zoon des men-schen zal gekomen z|jn. 21 De discipel is niet boven den meester, noch de dienstknecht boven zijnen heer. 25 Het (*«] den discipel genoeg , dat hij worde gelijk zijn meester, en de dlenstknecnt gelijk zgu heer. Indien sy clen A 6 hwi |
|
12 HET EÜA lieer des huizes Beëlzebul hebben geheeten, hoeveel te meer zijne huisgenooten ? 26 Vreest dan hen niet; want er is niets bedekt, \'t welk niet zal ontdekt worden, en verborgen , \'t welk niet zal geweten worden. 27 \'t Geen ik u zeg in de duisternis, zegt in \'t licht; en \'t geen gij hoort in het oor, predikt dat op de daken. 28 En vreest u niet voor degenen die \'t ligchaain doodun, en de ziel niet kunnen doo-den; maar vreest veel meer hem, die beide ziel en ligchaam kan verderven in de hel. 29 Worden niet twee musrhjes om een penningje verkocht ? En niet één van deze zal op de aarde vallen zonder uwen Vader. 30 En ook uwe haten des hoofda zijn alle 31 Vreest dan niet, gij gaat vele muschjes te boven. 32 Een iegelijk dan die mij belijden zal voor de menschen, dien zal ik ook belijden voor mijnen Vader, die in de hemelen [if], 33 Maar zoo wie mij verloochend zal hebben voor de menschen, dien zal ik ook verloochenen voor mijnen Vader, die in de hemelen [ii], 31 Meent niet dat ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. 35 Want ik ben gekomen om den mensch tweedragtig te maken tegen zijnen vader, en de dochter tegen hare moeder, en de schoondochter tegen hare schoonmoeder. 36 Eu zij des menschen vijanden [u-ordrn] die zijne huisgenooten Uijn], 37 Die vader of moeder lief heeft boven mij , is mijns niet waarditr; en die zoon of dochter lief heeft boven mij, is mijns niet waardig. 38 En die zijn kruis niet [op xic/i] neemt, en mij navolgt, is mijns niet waardiir. 39 Die zijne ziel vindt, zal [rfe]zelve verliezen ; en die zijne ziel zal verloren hebben om mijnentwil, zal dezelve vinden. 40 Die u ontvangt, ontvangt mij ; en wie mij ontvangt, pnt-vanc^t hem, die mij gezonden beeft. |
SGELITJM Hoofdst. 10, 11. 41 Die eenen Profeet ontvangt in den naam eenes Profeten, zal het loon eenes Profeten ont-vangen; en die eenen regtvaar-digen ontvanjrt in den naam eens regtvaardigen, zal het loon eens regtvaardigen ontvangen. 42 En zoo wie eenen van deze kleinen te drinken geeft, alleenlijk eenen beker koud [wtgt;-ters], in den naam eens discipels, voorwaar zeg ik u; hij zal zijn loon geenszins verliezen. E HOOFDSTUK 11. n het is geschied , toen Jezus geëindigd had zijne twaalf discipelen bevelen te geven , dat hij van daar voort-jring, om te leeren en te prediken in hunne steden. HOOFDSTUK 11. n het is geschied , toen Jezus geëindigd had zijne twaalf discipelen bevelen te geven , dat hij van daar voort-jring, om te leeren en te prediken in hunne steden. 2 En Johannes in de gevangenis gehoord hebbende de werken van Christus, zond twee van zijne discipelen, 3 En zeiden tot hem: zijt gij degene\'die komen zoude, of verwachten wij eenen anderen ? 4 En Jezus antwoordde en zeide tot hen : gaat heen en boodschapt Johannes weder, \'t peen jrij hoort en ziet: 5 De blinden worden zieude, en de kreupelen wandelen, de melaatMrhen worden gereinigd , en de dooven hooren, de doo-den worden opgewekt, en den armen wordt \'t Euangelium verkondigd. 6 En zalig is hij, die aan mij niet zal geërgerd worden. 7 Als nu deze heengingen, heeft Jezus tot de scharen beginnen te zeggen van Johannes : wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschouwen ? Een riet dat van den wind ginds en weder bewogen wordt ? 8 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien ? Eenen mensch met zachte kleederen bekleed ? Zie, die zachte [klredrren] dragen zijn in der Koningen huizen. 9 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien ? Eenen Profeet ? Ja ik zeg u : ook veel meer dan eenen Profeet. 10 Want deze is \'t, van wien geschreven staat: zie, ik zend mijnen Engel voor uw aange-zigt, die uwen weg bereiden zal voor u heen. 11 Voorwaar zeg ik u: ondet degenen die van vrouwen geboren zijn, is niemand opgestaan, meerder dan Johauaes de Doc- per; |
|
Hoofdst. U, 12. VAN MA per ; doch die de minate is in net Koninffrijk der hemelen, is meerder dan hij. 12 En van de dagen van Johannes den Dooper tot nu toe, wordt hot Koningrijk der hemelen fjeweld aangedaan, en de geweldigere nemen hetzelve met geweld. 13 Want al de Profeten en de wet hebben tot Johannes toe geprofeteerd. 14 En zoo gij het wilt aannemen, hij is Elias die komen ■oude. 15 Wie ooren heeft om te hoo-ren, die hoore. 16 Doch waarbij zal ik dit geslacht vergelijken ? Het is gelijk de kinderkens, die op du markten zitten, en hunneu gezellen toeroepen , 17 En zeggen : wij hebben u op de fluit gespeeld, en gy hebt niet gedanst. Wij hebben u klaagliederen gezongen, en gij hebt niet geweend. 18 Want Johannes is gekomen noch etende noch drinkende, en zij zeggen : hij heeft den duivel. 19 Dc Zoon des mcnachen is gekomen, etende en drinkende, en zij zeggen : ziedaar een niensch, [t/irj een vraat en wijnzuiper [ui, een vriend van tollenaren en zondaren. Doch de wijsheid is geregtvaardigd geworden van hare kinderen. 20 Toen begon hij de steden, in welke zijne krachten meest geschied waren, te verwijten, omdat zij zich niet bekeerd hadden. 21 Wee u, Chorazin ! wee u, Bethsaïda ! want zoo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak eu asch bekeerd hebben. 22 Doch ik zeg u : het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in den dag des oordeels , dan nlieden. 23 En gij Kapernaüm, die tot den hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de hel toe neder-gestooten worden. Want zoo in Sodom die krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zou tot op den huldigen dag gebleven zijn. 24 Doch ik zeg u , dat het den lande van Sodom verdragelij-ker zal zijn in den dag des oordeel*, dan u. |
TTIIEÜS. 13 1 25 In dien zelfden tijd antwoordde Jezus, en zeide: ik dank u. Vader, Heer des hemels en der aarde, dat gij deze dingen voor de wijzen en ver-standigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard. 26 Ja Vader, want alzoo is geweest het welbehagen voor u. 27 Alle dingen zijn mij overgegeven van mijnen Vader; en niemand kent den Zoon dan de Vader; noch iemand kent den Vader dan de Zoon, en^wien het de Zoon wil openbaren. 28 Komt herwaarts tot mij, allen die vermoeid en belast zyt, en ik zal u rust geven. 29 Neemt mijn juk op u, en leert van mij, dat ik zachtmoedig ben, en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uwe zielen. ftO Waut mijn juk is zacht, en i.ijn last is ligt. |
HOOFDSTUK 12. n dien tijd ging Jezus op eenen Sabbatdag door \'t gezaaide ; en zijne discipelen hadden honger en begonnen aren te plukken en te eten.
|
14 HET ELM gende: is het ook geoorloofd op de Sabbatdagen te genezen ? (opdat zij hem mogten beschuldigen.) 11 En hij zeide tot hen : welk niensch zal er zijn onder n, die één schaap heelt, en zoo dat-zelve op ecnen Sabbatdag in eene gracht valt, [lt;Jie] hetzelve niet zal aaugrijpen en uithetfen\' 12 Hoeveel gaat nu een uiensch een schaap te boven ? Zoo is het dan op de Sabbatdagen geoorloofd wel te doen. 13 Toen zeide hij tot dien uiensch : strek uwe hand uit; en hij strekte ze uit, en zij werd hersteld, gezond gelijk de andere. 14 En de Farueên uitgegaan zijnde hielden te zamen raad tegen hein, hoe zij hem doodeu mogten. 15 Maar Jezus [dnt] Iwetende vertrok van daar, en vele scharen volgden hem, en hij genas hen allen, 16 En gebood hun scherpclijk, dat zij hem niet openbaar maken zouden; 17 Opdat vervuld zoude worden hetgeen gesproken is door Jesajas den Profeet, zeggende: 18 Zie mijnen knecht, welken ik verkoren heb, mijnen beminden, in welken mijne ziel eeu welbehagen heeft. Ik zal mijnen Geest op hem leggen, eu hij zal het oordeel den Heidenen verkondigen. 19 Hij zal niet twisten, noch roepen, noch er zal niemand zijne stem op de straten hooren. 20 Het gekrookte riet zal hij niet verbreken, en het rookende lemmet zal hij niet uilblus-schen, totdat hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning. 21 En in zijnen naam zullen de Heidenen hopen. 22 Toen werd tot hem gebragt een van den duivel bezeten, Wie] blind cn stom [uos]; en hij genas hem, alzoo dat de blinde en stomme beide sprak en zag. 23 En al de scharen ontzetten zich, en zeiden: is niet deze de Zoon Davids? 24 Maar de Farizeën [dif] gehoord hebbende zeiden : deze werpt de duivelen niet uit, dan door Beëlzebul, den Oversten der duivelen. 25 Doch Jezus kennende hun-De gedAcbtea, zeide tot htu -. |
een ieder Koningrük, dat tegen zich zeiven verdeeld is, wordt verwoest; en een iedere stad of huis, dat tegen zich zeiven verdeeld is, zal niet bestaan. 26 En indien de satan den satan uitwr»pt, zoo is hij tegen zich zeiven verdeeld; hoe zal dan zijn Rijk bestaan ? 27 En indien ik door Beëlzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze dan uwe zonen uit ? Daarom zullen die uwe 28 Maar indien ik door den Geest Gods de duivelen uitwerp, zoo is dan het Koningrijk Gods tot u gekomen. 29 Of hoe kan iemand in het huis eens sterken inkomen, en zijne vaten ontrooven, tenzij dat hij eerst den sterken gebonden hebbe , en alsdan Eal hij zijn huis berooven. 30 Wie met mij niet is, die is tegen mij, en wie met mij niet vergadert, die verstrooit. 31 Daarom zeg ik u : alle zonde en lastering zal den menschen vergeven worden ; maar de lis-tering tegen den Geest zal den menschen niet vergeven worden. 32 En zoo wie (eenij] woord gesproken zal hebben tegen den Zoon des menschen, het zal hem vergeven worden ; maar zoo w ie tegen den Heiligen Geest zal gesproken hebben, \'t zal hem niet vergeven werden, noch in deze eeuw noch in de toekomende. 33 Of maakt den boom goel en zijne vrucht goed ; of maakt den boom kwaad en zijae vrucht kwaad. Want uit de vruch; wordt de boom gekend. 31 Gij adderen-gebroedsels hoe kunt gij goede dingen spreken, daar gij boos zijt? Want uit den overvloed des harten spreekt de mond. 35 De goede mensch brengt goede dingen voort uit den goe-dej schat des harten; en de booze mensch brengt booze dingen voort uit den boozen schat. 36 Maar ik zeg u, dat van elk ijdel woord, hetwelk de menschen zullen gesproken hebben, zg van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels. 37 Want uit uwe woorden zult gij geregtvaardigd worden, en uit uwe woorden zult gy veroordeeld wordes, |
|
Hoofdst. 1«, 13, VAN MA 38 Toen antwoordden sommigen der Schriftgeleerden en Farizeën, zeggende: Meester, wij wilden van u [tfW] een tee-ken zien. 39 Maar hg antwoordde en xeide tot hen : het boos en overspelig geslacht verzoekt een teeken, en hun zal geen teeken gegeven worden dan .het teeken van Jonas den Profeet. 40 Want gelijk Jonas drie dagen cn drie nachten was in den buik van den walvisch, al-zoo zal de Zoon des menschen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde. 41 De mannen van Nineve zullen opstaan in *t oordeel met dit geslacht, cn zullen hetzelve veroordeelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas. En zie, meer dan Jonas is hier. 42 De Koningin van \'t Zuiden zal opstaan in \'t oordeel met dit geslacht, en hetzelve veroordeelen ; want zij is gekomen van de einden der aarde, om te hooren .de wysheid Salomons. En zie, meer dan Salomon is hier. 43 En wanneer de onreine geest van den mensch uitbegaan is, zoo gaat hü door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt haar niet. 4t Dan zegt hij: ik zal we-derkeeren in mijn huis, van waar ik uitgegaan ben ; en komende vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd, en versierd. 45 Dan gaat hg heen cn neemt met zich zeven andere geesten, boozer dan hij zelf; en ingegaan zijnde wonen zij aldaar, en het laatste van dien mensch wordt erger |dan het eerste. Alzoo zal \'t ook met dit.boos geslacht zijn. 46 En als hg no? tot de scharen sprak, zie, zijne moeder-en broeders stonden buiten, zoekende hem te spreken. 47 En iemand zeide tot hem : zie, uwe moeder en uwe broeders staan (rfnnr] buiten, zoekende u te spreken. 48 Maar hij antwoordende zeide tot dengenen die hem [do(] zeide : wie is mijne moeder, en wie zijn mijne broeders ? 49 En zgne hand uitstrekkende over zgne discipelen, zeide hg : zie mgne moeder en mijne broeders. |
TTITEL\'S. 15 50. Want zoo wie den wil mijns Vaders doet die in de homelen is, die is mgn broeder, en zuster, en moeder. E HOOFDSTUK 13. n te dien dage Jezus uit het huis gegaan zgnde, zat HOOFDSTUK 13. n te dien dage Jezus uit het huis gegaan zgnde, zat bij de zee. 2 En tot hem vergaderden vele scharen, zoodat hij in een schip ging en nederzat, en al de schare stond op den oever. 3 En hij sprak tot jhen vele dingen door gelgkenissen, zeggende : zie, een zaager ging uit om te zaaijen ; 4 En ;als hij zaaide viel een deel (roo//»] bij den weg; en de vogelen kwamen en aten datzelve op. 5 En een ander [drr{] viel op steenachtige [plnrthrn], waar het .niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het gcene diepte van aarde had. 6 Maar als de zon opgegaan was, zoo is \'t verbrand geworden ; en omdat het preenen wortel had, is \'t verdord. 7 En een ander [drel] viel in do doornen ; ;en de doornen ;wies-sen op, en verstikten hetzelve. 8 En een ander [dffi) viel in de goede aarde, en gaf vrucht; het eene honderd-, het andere zestig-, en het andere dertig-[voud). 9 Wie ooren heeft om te hooren, die hoore. 10 En de discipelen tot hem komende zeiden tot hem: waarom spreekt gg tot hen door gelijkenissen ? 11 En hij antwoordende zeide tot hen: omdat het u gegeven is, de verborgenheden des Ko-* ningrgks der hemelen te weten , maar dien is het niet gegeven : 12 Want fwie heeft, dien zal gegeven worden, en hg zal overvloed i ul ijk hebben ; maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij heeft. 13 Daarom spreek ik tot hen door gelijkenissen, omdat zg ziende niet zien, en hoorende niet hooren, noch ook verstaan. 14 En in hen wordt de profetie jvan Jesajas vervuld, die zegt; met het gehoor zult gg hooren, en geenszins verstaan ; en ziende zult gg zien, en geenszins bemerken. 15 Want |
|
16 HET EU^ 15 Want het hart dezes volks is dik geworden, en zij hebben met de ooren zwaarlgk pe-hoord; en hunne oogen hebben zij toegedaan, opdat zij niet t\' eeniper tijd met de oogen zouden zien, en met de ooren hoo-ren, en met het hart verstaan, en zich bekeeren, en ik hen ge- 16 Doch uwe oogen zijt» zalig, omdat zij zien, en uwe ooren, omdat zij hooren. 17 Want voorwaar ik zeg u, dat vele Profeten en regtvaar-d igen hebben begeerd te zien dn dingen die gij ziet, en hebben [se] niet gezien, en te hooren die dingen die gij hoort, en hebben [se] niet gehoord. J18 «iij dan hoort de gelijkenis van den zaaijer. 19 Als iemand dat woord des Koningrijks hoort, en niet verstaat, zoo komt de booze, en rukt weg hetgeen in zijn hart gezaaid was. Deze is degene die bij den weg bezaaid is. 20 Maar die in steenachtige IplnnlienJ (bezaaid is, deze is degene die het woord hoort, en dat terstond met vreugde ontvangt. 21 Doch hij heeft geenen wortel in zich zeiven, maar is voor eenen tijd ; en als verdrukking o£ vervolging komt om des woords wil, zoo wordt hij terstond geërgerd. 22 En die in de doornen bezaaid is, dese is degene die het woord hoort; en de zorgvuldigheid dezer wereld , en de verleiding \'des rijkdoms verstikken het woord, en het wordt onvruchtbaar. 23 Die nu in de goede aarde bezaaid is, deze is degene die het woord hoort en verstaat, die ook vrucht draairt, en voortbrengt, de een hond \'rd-, de ander zestig-, en de ander dertig[roult;i]. 2t Eene andere gelijkenis heeft hij hun voorgesteld, zeggende : het Koningrijk der hemelen is gelijk een mensch, die goed zaad zaaide in zijnen akker. 25 En als de menschen sliepen, kwam zijn vijand, en zaaide onkruid midden in de tarwe, en ging weg. 26 Toen het nu [lt;olt;] kruid opgeschoten was, en vrucht voortbraRt, toen openbaarde Bich ook het onkruid. |
NGEL1UM Hoofdst. 13. 27 En de dienstknechten van den heer des huizes gingen, en zeiden tot hem : heer, hebt gij niet goed zaad in uwen akker gezaaid ; van waar heeft hg dan dit onkruid ? 28 En hij zeide tot hen : een vijandig mensch heeft dat gedaan. En de dienstknechten zeiden tot hem : wilt gij dan dat wij heengaan, en datzelve vergaderen ? 29 Maar hij zeide: neen, opdat gij\' het onkruid vergaderende, ook mogelijk met hetzelve de tarwe niet uittrekt. 30 Laat ze beide te zamen opwassen tot den oogst, en in den tijd des oogstes zal ik tot de maaijers zeggen ^vergadert eerst dat onkru d, en bindt het in bossen], om hetzelve te verbranden ; maar de tarwe brengt te zamen in mijne schuur. 31 Eene andere gelijkenis heeft hij hun voorgesteld, zeggende : het Koningrijk der hemelen is gelijk het mostaardzaad, hetwelk een mensch heeft genD-men, en in zijnen akker gezaaid ; 32 Hetwelk wel het minste is onder al de zaden, maar wanneer het opgewassen is, dan ia \'t het meeste van de moeskruiden, en het wordt een boom, alzco dat de vogelen des hemels kernen en nestelen in zijne takket. 33 Eene andere gelijkenis spra.t hij tot hen, [zrgr/enite] : jhet Koningrijk der hemelen is gelijk een zuurdeesem, hetwelfe eene vrouw nam, en verborg in drie maten meels, totdat het geheel gezuurd was. 3t Al deze dingen heeft Jezus tot de scharen gesproken door gelijkenissen ; en zonder gelijkenis sprak hij tot hen niet; 35 Opdat vervuld zou worden wat gesproken is door den Profeet, zeggende; ik zal mijnen mond opendoen door gelijkenissen ; _ ik zal voortbrengen dingen die verborgen waren van de grondlegging der wereld. 36 Toen nu Jezus de scharen [fnn zie/»] gelaten had, ging hij naar huis; en zijne discipelen kwamen tot hem, zeggende : verklaar ons de gelijkenis van het onkruid des akkers. 37 En hij antwoordende zeide tot hen ; die het goede zar.d zaait, is de Zoon des menscheu ; 38 En de akker is de wereld ; en het goede zaad zijn de kinderen |
|
noofd«t.:i3, 14. VAN MA des\'Koninfjrijks ; en het onkruid ïgn\' de kinderen des boozen ; 39 En de vijand die hetzelve gezaaid heeft, is de duivel; en de oogst is de voleinding der wereld; en de maayers zyn de Engelen. 40 Gelijkerwijs dan het onkruid vergaderd, en met vuur verbrand wordt, alzoo zal het [oofe] zijn in de voleinding dezer wereld. 41 De Zoon des menschen zal zijne Engelen uitzenden, en zij zullen uit zijn Koningrijk vergaderen al de ergernissen, en degenen die de ongeregtigheid doen ; 42 En zullen dezelve in den vurigen oven werpen, daar zal weening zijn en knersing der tanden. 43 Dan zullen de regtvaardi-gen Tblinken gelijk de zon, in het Koningrijk huns Vaders. Wie ooren heeft om te hoo-ren, die hoore. 41 Wederom is het Koningrijk der hemelen gelijk een schat in den akker verborgen, welken een mensch gevonden hebbende, verborg (\'iirnj, en van blijdschap over denzelven gaat hij heen , en vtrkoopt al wat hij heeft, en koopt dienzelven akker. 45 Wederom is het Koningrijk der hemelen gelyk een koopman, die schoone paarlen zoekt. 46 Welke, hebbende eene pnarl van groote wanrde gevonden, ging heen, en verkocht als wat hij had, en kocht dezelve. 47 Wederom is het Koningrijk der hemelen gelijk een net geworpen in de zee, en dat allerlei soorten [twin vi»-tchrn] te zamen brengt; 48 Hetwelk, waaneer het vol geworden is, (rf* vinchtr$] aan den oever optrekken, en ne-derzittende lezen het goede uit in (fcunnlt;l vaten ; maar het kwade werpen zij weg. 49 Alzoo zal het in de voleinding der eeuwen wezen : de Engelen zullen uitgaan, en de boozen uit het midden der regtvaardigen afscheiden ; 50 En zullen dezelve in den vurigen oven wrrpen ; daar zal zijn weening en knersing der tanden. 51 Jezus zeide tot hen: hebt gij dit alles verstaan ? Zij zeiden tot hem : ja Heer. |
52 En h\\j zeide tot hen : daarom, een iegelijk Schriftgeleerde in *t Koningrijk der hemelen onderwezen , is gelijk een heer des huizes , die uit zijnen schat nieuwe en oude dingen voortbrengt. 53 En het is geschied, als Te-zus deze gelijkenissen geëindigd had , vertrok hij van daar. 51\' En gekomen zijnde in zjjn vaderland leerde hy hen in hunne Synagoge, zoodat zy zich ontzetten , en zeiden : van waar [fcomt] dezen ^ie wijsheid en die krachten ? 55 Is de^e niet de zoon (des timmermans? En is zijne moeder niet genaamd Maria, en zijne broeders. Jacobus en Jo-zes , en Simon , en Judas ? 56 En zijne zusters, zijn zij niet allen bij ons ? Van waar [A;um(] dan dezen dit alles. 57 En zij werden aan hem geërgerd. Maar Jezus zeide tot hen : |een Profeet iis niet ongeëerd dan in zijn vaderland en in zijn huis. 58- En hij heeft aldaar niet vele krachten gedaan, van wege hun ongeloof. T HOOFDSTUK 14. e dier zelfder tijd hoorde Herodes de Viervorst |het gerucht van Jezus, HOOFDSTUK 14. e dier zelfder tijd hoorde Herodes de Viervorst |het gerucht van Jezus, 2 En zeide tot zijne knechten : deze ti8 Johannes de Dooper; hij is opgewekt van de doo-den , en daarom werken die krachten in hem. 3 Want Herodes had Johan-nesj gevangen genomen, en hem gebonden, en in den kerker gezet, om Herodias wil, de huisvrouw ; van Philippus zijnen broeder. 4 Want Johannes zeide tot hem : het is u niet geoorloofd haar te hebben. 5 En willende hem dooden, vreesde hij het volk, omdat zij hem hielden voor een Profeet. 6 Maar als de dag der geboorte van Herodes gehouden werd, danste de dochter van Herodias in het midden (rmi A*n], en zij behaagde aan Herodes; 9 Waarom hij haar met eede beloofde te geven, wat zij ook eischen zoude. 8 En zij te voren onderrigt zijnde van hare moeder, zeide : geef mij hier in eencn schotel het |
|
18 HET EUA het hoofd van Johannea den Dooper. 9 En de Koning werd bedroefd, doch om de eeden, en depenen die [mlt;/ hrm] aanzaten , gebood hij, dat het [fcnar] cuude peffeven worden, 10 En zond henen , en onthoofdde Johannes in den kerker. 11 En zijn hoofd werd pebrafft in eenen schotel, en het dochtertje gegeven; en zü droeg het hare moeder. 12 En zijne discipelen kwamen , en namen het ligchaam weg, en begroeven hetzelve; en gingen en boodschapten het Jezus. 13 En [nlt;»] Jezus [fW] hoorde, vertrok hij van daar te scheep naar (eene woeste plaats alleen ; en de scharen (dnt] hoerende , zijn hem te voet gevolgd uit de steden. 14 En Jezus uitgaande zag crae grooote schare, en werd innerlijk met ontferming over hen bewogen , en genas hunne kranken. 15 En als het nu avond werd, kwamen zijne discipelen tot hem , zeggende : deze plaats is woest, en de tijd is nu voorbijgegaan ; laat de scharen vau u, opdat zij heengaan in de vlekken, en zich zeiven spijs koopen. 16 Maar Jezus zeide tot hen : het is hun niet noodigi heen te gaan ; geeft gij hun te eten. 17 Doch zü zeidt-n tot hem: wij hebben hier niet dan vyf biuoden en twee visschen. 18 En hy zeide; brengt mij dezelve hier. 19 En hij beval de scharen neder ,te zitten op het gras, cn nam de vijf brooden en de twee visschen, cn opwaarts ziende naar den hemel, zegende dezelve; en als hij ze gebroken had , gaf hij de brooden den discipelen, en de discipelen de scharen. 20 En zij aten allen en werden verzadigd , en zij namen op, het overschot der brok-kquot;n , twaalf volle korven. 21 Die nu gegeten hadden, waren omtrent vijf duizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen. 22 En terstond dwong Jezus zijne discipelen, in het schip te gaan, en voor hem af te varen naar de andere zijdo. |
NGELIUM Hoofdrt. 14, 15, terwijl hy de scharen van zich zoude laten. 23 En als hg nu de scharen van zich gelaten had , klom hjj op den berg alleen, om te bidden. En als het nu avond was geworden , zoo was. hij daar alleen. 24 En het schip was nu midden in de zee, zijnde in nood van de baren ; want de wind was (A«ii) tegen. 25 Maar ter vierder wake^des nachts kwam Jezus af tot hen, wandelende op de zee. 26 En de discipelen ziende hem op de zee wandelen, werden ontroerd , zeggende : het is een spooksel! en zy schreeuwden van vrees. 27 Maar terstond sprak hen Jezus aan, zeggende : zijt goeds moeds ; ik ben het, vreest niet. 28 En Petrus antwoordde hem, en zeide: Heer, indien gö \'t zijt, zoo gebied my tot |U te komen op *t water. 29 En hg zeide : kom. En Petrus klom neder van \'t schi;?, en wandelde op \'t water, oia tot Jezus te komen ; 30 Maar ziende den sterken wind , werd hij bevreesd , en als hij begon neder te zinken, riep hy , zeggende : Heer, behoud mij. 31 En Jezus terstond de hand uitstekende, greep hem aan en zeide tot hem : gg klein-geloovige, waarom hebt gij gewankeld ? 32 En als zg in het schip geklommen waren, stilde de wind. 33 Die nu in het ^schip [tra-r«n], kwamen en aanbaden hem, zeggende: waarlijk;, gg zijt Gods Zoon. 34 En overgevaren zgnde, kwamen zij in het land Gennesaret. 35 En als de mannen van die plaats hem werden kennende, zonden zg in dat geheele omliggende land, en bragten tot hem allen die kwalgk gesteld waren , 36 En baden hem, fdat zg al-leenlgk den zoom van zijn kleed zouden mogen aanraken; en zoo velen als aanraakten werden gezond. T HOOFDSTUK 15. oen kwamen tot Jezus («fitijfe] Schriftgeleerden ea Parizeen , die van Jeruzalem [ipnren], zeggende : HOOFDSTUK 15. oen kwamen tot Jezus («fitijfe] Schriftgeleerden ea Parizeen , die van Jeruzalem [ipnren], zeggende : |
|
Hoofdat. 15. VAN 2 Waarom overtreden uwe discipelen de inzetting der Ouden T Want «g wasschen hunne handen niet, wanneer zy brood zullen eten. 3 Maar hij antwoordende zeide tot hen : waarom overtreedt ook RU het gebod Gods door uwe inzetting? 4 Want God heeft geboden , zeggende : eer uwen vader en moeder; en; wie vader of moeder vloekt, die zul den dood sterven. 5 Maar gij zegt: zoo wie tot vader of moeder zal zeggen: Ihft i«) eene gave, zoo wat u van mij zoude kunnen ten nutte komen, en zijnen vader of zijne moeder geenszius zal eeren, [JU voldort.] 6 En gij hebt [nlioo] Gods gebod krachteloos gemaakt door uwe inzetting. 7 Gy geveinsden, wel heeft Jesajas van u geprofeteerd, zeggende; 8 Dit volk genaakt mij met hunnen mond, en eert m|i met de lippen , maar hun hart houdt zich ver van mij. 9 Doch te vergeefs eeren zij mij , leerende leeringen , («iti-J geboden van uienschen [*tjn]. 1U En als hij de schare tot zich geroepen had, zeide hü tot hen : hoort en verstaat. 11 Hetgeen ten monde ingaat, ontreinigt |den mensch niet, maar hetgeen ten monde uitgaat, dat ontreinigt den menxch. 12 Toen kwamen zijne discipelen tot hem, en zeiden tot hem : weet \'g|j (ult;I], dat de Parizeen deze rede hoorende, geërgerd zyn geweest? 13 Maar hij antwoordende zeide: alle plant, die mijn he-melsche Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden. 14 Laat hen vr.ren; zij zijn blinde leidslieden dnr blinden; indien nu de blinde\' den blinden leidt, zoo zullen zjj beiden in de gracht vallen. 15 En Petrus antwoordende zeide tot hem: verklaar ons deze gelijkenis. 16 Maar Jezus zeide: zgt ook gijlieden als nog onwetend ? 17 Verstaat rü nog niet, dat al wat ten monde ingaat, in den buik komt, en in de heimelijkheid wordt uitgeworpen ? 18 Maai: die dinyes, die tea |
monde uitgaan, komen voort uit het hart, en dezelve ontreinigen den mensch. 19 Want uit het hart komen voort booze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valsche getuigenissen, lasteringen. 20 Deze dingen zyn het die den mensch ontreinigen ; maar het eten met ongewasschen handen ontreinigt den mensch niet. 21 En Jezus van daar gaande vertrok naar de deelen vaa Tyrus en Sidon. 22 En zie , eene Kananeesche vrouw uit die landpalen komende , riep tot hem, zeggende : Heer, («jij] zoon Davids, ontferm u mijner; mijne dochter is deerlijk van den duivel bezeten. 23 Doch hij antwoordde haar niet één woord. En zijne discipelen tot hem komende baden hem, zeggende : laat haar van u . want zij roept ons Jna. 24 Maar hij antwoordende zeide: ik ben niet gezonden dan tot de verlorene schapen v.m het hui» Israëls. 23 En zij kwam, en aanbad hem, zeggende : Heer, help mij. 26 Doch hy antwoordde en zeide: het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en den hondekens [uoo»} te werpen. 27 En zij zeide ; ja. Heer, doch de hondekens eten ook van de brokjes, die daar vallen van de tafel hunner heeren. 28 Toen antwoordde Jezus, en zeide tot haar : o vrouw, groot is uw geloof; u geschiedde g.-l^jk gij wilt. En hare dochter werd gezond van die zelfde ure. 29 En Jezus van daar vertrekkende , kwam aan de zee van Galilea, enklom op den.berg, en zat daar neder. 30 En vele scharen zijn\'tot hem gekomen, hebbende bg zich kreupelen , blinden , stommen, lammen , en vele anderen , en wierpen hen voor de voeten van Jezus ; en hij genas dezelve, 31 Alzoo dat de scharen zich verwonderden , ziende de stommen sprekende, de lammen gezond , de kreupelen wandelende , en de blinden ziende;, en zü verheerlijkten den God Is-rnëls. 32 Eu Jcxiu zijue ^ discipelen |
|
tot ïich geroepen hebbende, ïei-de : ik word innerlijk met ont-fenning bewogen over de schare, omdat zij nu drie da-een bij mij gebleven zijn , en nebben niet wat zij eten zouden ; en ik wil heu niet nuch-tercu van mij laten, opdat zij op den weg niet bezwijken. 33 En zijne discipelen zeiden tot hem : van waar [tuiten] wij zoo vele brooden in de woestijn [Ijrkomen] , dat wij zulk eene groote schare zouden verzadigen ? 34 En Jezus zeide tot hen : hoe veel brooden hebt gij ? Zij zeiden: zeven , en weinige vischjes. 35 En hij gebood de scharen neder te zitten op de aarde. 36 En hij nam de zeven brooden en de visschen , en als hij gedankt had , brak hij ze, en gaf ze zijnen discipelen, en de discipelen [gavrn zr] de schare. 37 En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op, het {overschot der brokken, zeven volle manden. 38 En die daar gegeten hadden , waren vier duizend mannen , zonder de vrouwen en kinderen. 39 En de scharen van zich gelaten hebbende , ging hij in \'t schip, en kwam iu de landpalen van Magdala. I7i HOOFDSTUK 16. ■in de Parizeen en Saddu-ceën tot hem gekomen zijnde, en Iftem] verzoekende, begeerden van hem, dat hij hun een tee-ken uit den hemel zou tooncn.7i HOOFDSTUK 16. ■in de Parizeen en Saddu-ceën tot hem gekomen zijnde, en Iftem] verzoekende, begeerden van hem, dat hij hun een tee-ken uit den hemel zou tooncn. 2 Maar hij antwoordde en zei-de tot hen : als het avond geworden is, zegt gü : schoon weder, want de hemel is rood. 3 En des morgens: heden on-weder, want de hemel is droevig rood. Gij geveinsden , het aanschijn des hemels weet gij wel te onderscheiden, en kunt gij de teekenen der tijden niet tonff\'rtclwirfen] ? ■4 Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teeken; en hetzelve zal f,een teeken gegeven worden dan \'t teeken van Jonas den Profeet. En hen verlatende ging hij weg. 5 En als zijne discipelen op de andere zijde gekomen waren , hadden zij vergeten brooden Imtde] te uemen. |
6 En Jezus zeide tot hen : ziet toe, en wacht u van den zuur-deesem der Fiirizeën en Sad-dueeën. 7 En zij ovcrleiden bij zich zeiven , zeggende : (\'lt; ü] omdat wij geene brooden [merfe] genomen hebben. 8 En Jezus (dnt] wetende zeide tot hen : wat overlegt gij bij u zeiven, gij kleingeloovi-gen, dat gij geene brooden [j/iedr] genomen hebt? 9 Verstaat gij nog niet? Noch gedenkt gg niet. aan de vijf brooden der vijfduizend [mnu-nen], en hoe veel korven gij opnaamt; 10 Noch aan de zeven brooden der vier duizend (mannen], en hoe veel manden gij opnaamt ? 11 Hoe ? Verstaat gij niet, dat ik u van geen brood gesproken heb, [n/i ik zf\'ulf] dat gij u wachten zoudt van den zuurdeesem der Farizeën en Sadduceën ? 12 Toen verstonden zij, dat hij niet gezegd had, dat zij zich wachten zouden van den zuurdeesem des broods, maar van\'de leer der Farizeën en Sadduceën. 13 Als nu Jezus gekomen was in de deelen van Cesarea Phi-lippi, vraagde hy z^nen discipelen, zeggende : wie zeggen de menschen, dat ik, de Zoon des ■nenschen, ben ? 14 En zij zeiden ; sommigen , Johannes de Dooper ; en anderen , Elias; en anderen , Jere-mias, of een van de Profeten. 15 Hg zeide tot hen : maar gij , wie zegt gij dat ik ben ? 16 En Simon Petrus antwoordende zeide: gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. 17 En Jezus antwoordende zeide tot hem : zalig zijt gy gt; Simon Bar-Jona; want vleesch en bloed heeft u (rfiif) niet geopenbaard , maar mijn Vader, die in de hemelen is. 18 En ik zeg u ook, dat gü zijt Petrus, en op deze Petra zal ik mijne gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen. 19 En ik zal u geven de sleutelen van \'t Koningrijk der hemelen; en zoo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn ; en zoo wat gij ontbinden zult op de aarde , zal in de hemelen ontbonden Toen verbood hij zijnen «iis-„ti- |
wilt, laat ons hier drie tabernakelen maken, voor u (S4nen, en voor Mozes dénen, en éénen voor Elias.
5 Terwijl hg nog sprak , zie, eene luchtige wolk heeft hen overschaduwd. En zie, eene stem uit de wolk, zeggende : deze is mijn geliefde Zoon, in welken ik mijn welbehagen heb; hoort hem.
6 En de discipelen [Jtf] hoo-rende vielen op hun anngezigt, en werden zeer bevreesd.
7 En Jezus bij hen komende raakte hen aan. en zeide : staat op en vreest niet.
8 En hunne oogen opheffende zatren zij niemand dan Jezus alleen.
9 En als zij van den berg afkwamen , gebood hun Jezus, zeggende: zegt niemand dit gezigt, totdat de Zoon des menschen zal opgestaan zgn uit de dooden.
10 En zgne .\'discipelen vraagden hem, zeggende : ■ wat \'zeggen dan de Schriftgeleerden, dat Elias eerst moet komen ?;
11 Doch Jezus antwoordende zeide tot hen : Elias zal wel eerst komen , en alles weder oprigten ;
12 Maar ik zeg u, dat Elias nu gekomen is, en zij hebben hem niet gekend ; doch zg hebben aan hem gedaan al wat zij hebben (gewild; alzoo zal ook de Zoon des menschen van hen lijden.
13 Toen verstonden de discipelen dat hij hen van Johannes den Dooper gesproken had.
14 En als zij bij de schare gekomen waren , kwam tot hem een mensch, vallende voor hem op de knieën , en zeggende :
15 Heer, ontferm u over mijnen zoon, want hij is maanziek ; en is in zwaar lijden; want inenigmaal valt hg in \'t vuur, en menigmaal in \'t water.
16 En ik heb hem tot uwe discipelen gebragt, en zij hebben hem niet kunnen genezen.)
17 En Jezus antwoordende zeide : o ongeloovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog met ulieden zijn ? Hoe lang zal ik u nog verdragen ? Brengt hem mij hier.
18 En Jezus bestrafte hem, cn de duivel ging van hem uit, en het kind werd genezen van die ure af,
19 Toen
Hoofdst 16, It. VAN cipelen , dat zg niemand zeg-ffen zouden , dat hjj was Jezus de Christus.
31 Van toen aan he^on Jezus aijnen discipelen te vertoonen, dat hij moest heenfraan naar Jeruzalem, en veel lijden van de Ouderlingen en Overpries-ters en Schriftgeleerden, en po-dood worden, en ten derden dasre opgewekt worden.
22 En Petrus hem tot zich Re-nomen hebbende, bepon hem te bestraffen , zegpendc : Heer, («ijt) u penadiff; dit zal u geenszins geschieden.
23 Maar hij zich omkeerende teide tot Petrus: ga weg achter mij. satanas; gij zijt mij een aanstoot; want gy verzint niet de dingen die Gods zyn , maar die der menwhen zijn.
21 Toen zeide Jezus tot zijne discipelen : zoo iemand achter mij wil komen, die verloochene zich zeiven, en neme zyn kruis op, en volge mg.
25 Want zoo wie zijn leven zal willen behouden, die zal \'t zelve verliezen ; maar zoo wie zijn leven verliezen zal om mijnentwil, die zal hetzelve vinden.
26 Want wat baat het eenen tnensch, zoo hg de geheele wereld gewint, en lijdt schade\'zy-ner ziel ? Of wat zal een mensch geven tot lossing van zijne ziel ?
27 Want de Zoon dos menschen zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders met zijne Engelen ; en alsdan zal hij een iegc-Igk vergelden naar zijn doen.
28 Voorwaar zeg ik u: er zijn sommigen van die hier staan , welke den dood niet smaken zullen, totdat zg den Zoon des menschen zullen hebben zien komen in zijn Koningrgk.
E HOOFD STUK 17. n na zes dagen nam Jezus met zich Petrus en Jacobus, en Johannes zijnen broeder, en bragt hen op eenen hoogen berg alleen. HOOFD STUK 17. n na zes dagen nam Jezus met zich Petrus en Jacobus, en Johannes zijnen broeder, en bragt hen op eenen hoogen berg alleen.
2 En hij werd voor hen veranderd van gedaante ; en zijn aangezigt blonk gelijk de zon, en zijne kleederen werden wit, gelijk het licht.
3 En zie, van hen werden ge-zien Mozes en Elias met hem te zamen sprekende.
4 En Petrus antwoordende *eide tot Jezus ; Heer, het i» goed dat wg hier zgn ; zoo gij
|
M HET EU/ 19 Toen kwamen de discipelen tot Jezus alleen, en zeiden : waarom hebben wy hem niet kunnen uitwerpen ? 20 En .Tezua zeidc tot hen : om UW8 onpeloofs wil; want voorwaar zei? ik u, zoo gij een geloof hadt als een mostaardzaad, pij zoudt tot dezen berg zepf-pen ; ga heen van hier derwaarts , en hy zal heengaan ; en niets zal u onmogelyk zyn. 21 Maar dit Freslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten. 22 En als zii in Galilea verkeerden , zeide Jezus tot hen : de Zoon des menschen zal overgeleverd worden in de banden der menschen, 23 En zg zullen hem dooden , en ten derde daf.e zal hij opgewekt worden. En zij werden «eer bedroefd, 24 En als zij te Kapernaüm ingekomen waren, gingen tot Petrus die de Didrachmen ontvingen, en zeiden : uw Meester , betaalt hij de Didrachmen niet ? 25 Hij zeide ; ja. En toen hij in huis .gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende: wat dunkt u Simon, de Koningen der aarde, van wie nemen rij tollen of schatting ? Van hunne zonen of van de vreemden \' 26 Petrus zeide tot hem : van de vreemden. Jezus zeide tot hem : zoo zijn dan de zonen vry. 27 Maar opdat wij hun geenen aanstoot geven, ga henen naar de zee, werp den angel [uit], en den eersten visch die opkomt, neem, en zijnen mond geopend hebbende, zult gij eenen stater vinden; neem dien, en g^eef hem aan hen voor mij en u. T HOOFDSTUK 18. e dier zelfder ure kwamen de discipelen tot Jezus , zeggende : wie is toch de meeste in het Koningrijk der hemelen ? HOOFDSTUK 18. e dier zelfder ure kwamen de discipelen tot Jezus , zeggende : wie is toch de meeste in het Koningrijk der hemelen ? 2 En Jezus een kindeken tot zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden van hen , 3 En zeide : voorwaar zeg ik u, indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zoo zult gij in het Koningrijk der hemelen geenszins ingaan. 4 Zoo wie dan zich zeiven zal vernederen gelyk dit kindeken, deze is de meests in \'t Koningrijk der hemelen. 5 En zoo wie zoodanig een |
NGELIUM Hoofdst 17. 18. kindeken ontvangt in mijnen naam, die ontvangt mg. B Maar zoo wie eenen van deze kleinen, die in mij gelooven, ergert, het ware hem nuttiger dat een molensteen aan zijnen hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee. 7 Wee der wereld van de ergernissen; want het is noodzakelijk dat de ergernissen komen; doch wee dien mensch. door welken de ergernis komt. 8 Indien dan uwe hand of ut»\' voet u ergert, houw ze af, en werp ze van u. \'t Is u beter tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt (ttjnrf*), dan twee handen of twee voeten hebbende in \'t eeuwige vuur geworpen te worden. 9 En indien uw oog u ergert, trek het uit, en werp het van u. \'t Is u beter maar één oog* hebbende tot het leven in te gaan. dan twee oogen hebbende in \'t helsche vuur geworpen te worden. 10 Ziet toe dat gij niet éénen van deze kleinen veracht; want ik zeg ulieden, dat hunne Engelen in de hemelen altijd zien het aangezigt mijns Vaders, die in de hemelen is. 11 Want de Zoon des menschen is gekomen om zalig te maken wat verloren was. 12 Wat dunkt u : indien eenig mensch honderd schapen had. en één uit dezelve afgedwaald was, zal hij niet de negen en negentig laten, en op de bergen heengaande het afgedwaalde zoeken ? 13 En indien het geschiedt\', dat hij hetzelve vindt. voorwaar ik zeg u, dat hij zich meer verblijdt over hetzelve, dan over de negen en negentig , die niet afgedwaald zijn geweest. 14 Alzou is de wil niet uws Vaders die in de hemelen is. dat één van deze kleinen verloren ga. 15 Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft. ga heen en bestraf hem tusschen u en hem alleen ; indien hij u hoort, zoo hebt gg uwen broeder gewonnen. 16 Maar indien hg («) niet hoort. zoo neem nog een of twee met u. opdat in den mond van twee of drie getuigen alle woord besta. 17 En indien hg dezelve geen |
|
Hoofdrt. 1». 13. VAN MA gehoor geeft, 100 zeg het der gemeente; en indien hg ook der gemeente geen gehoor geeft, zoo zg hij u als de heiden en de tollenïuir. 18 Voorwaar zeg ik u : al wat gij op de aarde hinden zult, zal in den hemel gebonden wezen ; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen. 19 Wederom zeg ik u : indien er twee van u te zamen stemmen op_ de aarde over eenige znak , die zij zouden mogen be-geeren, dat die hun zal geschieden van mijnen Vader die in de hemelen is. 20 Want waar twee of drie vergaderd zyn in mijnen|naam, daar ben ik in het midden van hen. 21 Toen kwam Petrus tot hem, en zeide : Heer, hoe menigmaal zal myn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven? Tot zevenmaal ? 22 Jezus zeide tot hem ; ik zeg u niet tot zevenmaal, maar tot zeventig maal zeven [ma«i). 23 Daarom wordt het Koningrijk der hemelen vergeleken bg een zeker Koning, die rekening met zijne dienstknechten houden wilde. 21 Als hij nu begon te rekenen, werd tot hem gebragt een die hem schuldig was tien duizend talenten. 25 En als hij niets had om te betalen, beval zgn heer, dat men hem zoude verkoopen, en zijne vrouw en kinderen, en al wat hg had, en dat [dc tchuld] zoude betaald worden. 26 De dienstknecht dan neder-vallende aanhad hem, zeggende : heer, wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen. 27 En de heer dezes dienstknechts met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagen, en de schuld hem kwgtgescholden. 28 Maar dezelve dienstknecht uitgaande heeft gevonden eenen zijner mededienstknechten, die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende, greep (fc«n] by de keel, zeggende : betaal mg wat gg schuldig zgt. 29 Zijn mededienstknecht dan nedervallende aan zijne voeten bad hem, zeggende: ertt lankmoedig over mg, en ik zal u alles betalen. |
30 Doch hg wilde niet; maar ging heen, en wierp hem in de gevangenis, totdat hg de schuld zoude betaald hebben. 31 Als nu zijne mededienst-knechten zagen hetgeen geschied was, zijn zg zeer bedroefd geworden, en komende verklaarden zij hunnen heer al wat er geschied was. 32 Toen heeft hem zijn heer tot zich geroepen, en zeide tot hem; gij booze dienstknecht, al die schuld heb ik u kwijtgescholden , dewijl gg mij gebeden hebt; 33 Behoordet gg ook niet u over uwen mededienstknecht te ontfermen, gelgk ik ook mij over u ontfermd heb ? 31 En zijn heer vertoornd zijnde, leverde hem den pijnders over, totdat hii zoude betaald hebben al wat hij hem schuldig 35 Alzoo zal ook mijn hemel-sche Vader u doen , indien gg niet van harte vergeeft een iegelijk zgnen broeder zijne misdaden. E HOOFDSTUK 19. n het geschiedde, toen Jezus deze woorden geëindigd had, dat hij vertrok van Gali-lea, en kwam over den Jordaan, in de landpalen van Judea. HOOFDSTUK 19. n het geschiedde, toen Jezus deze woorden geëindigd had, dat hij vertrok van Gali-lea, en kwam over den Jordaan, in de landpalen van Judea. 2 En vele scharen volgden hem, en hij genas ze aldaar. 3 Ende Parizeen kwamen tot hem, verzoekende hem, en zeggende tot hem ; is het eenen mensch geoorloofd zijne vrouw te.verlaten om allerlei oorzaak ? 1 Doch hij antwoordende zeide tot hen : hebt gg niet gelezen, die van den beginne (d^n mrnirA) gemaakt heeft, dat hij hen gemaakt heeft man en vrouw ? 5 En gezegd heeft.- daarom zal een mensch vader en moeder verlaten, en zal zgne vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vleesch zijn ; 6 Alzoo dat zg niet meer twee zijn, maar één vleesch. Hetgeen dan God te zamen gevoegd heeft scheide de mensch niet. 7 Zij zeiden tot hem ; waarom heeft dan Mozes geboden eenen scheidbrief te geven en haar te verlaten ? 8 Hg zeide tot hen: Mozes heeft van wege de hardigheid uwer harten u toegelaten uwe |
|
Si HET EUA vrouwen te verlaten ; maar van den .beginne is het alzoo niet geweent. 9 Maar ik zeg u, dat zoo wie zijné vrouw verlaat anders dan om hoererij, en eene andere tiouwt, (dtlt;) doet overspel; en die de verlatene trouwt, doet (ooft) overspel. 10 Zgne discipelen zeiden tot hem ; indien de zaak des men-schen met de vrouw al zoo\'staat, zoo is het niet oorbaar te trouwen. 11 Doch hy zeide tot hen; allen vatten dit woord niet, maar dien het gegeven is. 12 Want er zijn gesnedenen , die uit moeders lyf alzoo geboren zijn ; en er zijn gesnedenen, die van de menschen gesneden zijn ; en er zijn gesnedenen, die zich zei ven gesneden hebben om het Koningrijk der hemelen. Die [lt;iilt;| vatten kan, vatte Ci\'\')- 13 Toen werden kinderkens tot hem gebragt, opdat hg de handen hun zou opleggen , en bidden ; en de discipelen bestraften dezelve. 14 Maar Jezus zeide: laat af van de kinderkens, en verhindert hen niet tot mij te komen ; want derzulken is het Koningrijk der hemelen. 15 En aN hij hun de handen opgelegd had , vertrok hg van daar. 16 En zie, er kwam een tol hem , en zeide tot hem : goede quot;Meester, wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe ? 17 En hg zeide tot hem : wat noemt gg mg goed ? Niemand is goed dan één, [nnmelijk] God. Doch wilt pij in \'t leven ingaan, onderhoud de geboden. 18 Hij zeide tot hem : welke ? En Jezus zeide, [Wfïr.] gg zult niet dooden ; gg zult geen overspel doen; gij zult niet stelen; gij zult geen valsche getuigenis geven ; 19 Eer uwen vader en uwe moeder ; en; gij zult uwen naasten liefhebben als uzelven. 20 De jongeling zeide tot hem : al deze dingen heb ik onderhouden van mgne jonkheid af; wat ontbreekt mg nog ? 21 Jezus zeide tot hem : zoo gg wilt volmaakt zijn , ga henen , verkoop wat gg hebt, en geef het den armen, en gg zult eenen schat hebben in den |
NGELIUM Hoofdst. 19, 20. hemel; en kom herwaarts , volg mij. 22 Als nu de jongeling dit woord hoorde, ging hij bedroefd weg; want hg had vele goederen. 23 En Jezus zeide tot zgne discipelen : voorwaar ik zeg u. dat een rgke bezwaarlijk in het Ko-ningrgkder hemelen zal ingann. 2^ En wederom zeg ik u; het is ligter dat een kemel ga door het oog van een naald, (dan dat eene rijke inga in het Ko-ningrgk Gods. 25 Zgne discipelen nu (rftf] hoorende, werden zeer verslagen , zeggende; wie kan dan zalig worden ? ZR En Jezus [/irn] aanziende zeide tot hen : bij de menschen is dat onmogelijk, maar bg God zijn alle dingen mogelgk. 27 Toen antwoordde Petrus, en zeide tot hem : zie, wij hebben alles verlaten, en zgn u gevolgd; wat zal ong dan geworden ? 28 En Jezus zeide tot hen: voorwaar ik zeg u, dat gij, die mij gevolgd zgt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des menschen zal gezeten zijn op den troon zijner heerlgkheid , [(int) gg ook zult zitten op twaalf troonen, oordeelende de twaalf geslachten Israels. 29 En zoo wie zal verlaten hebben huizen, of broeders, o» zusters, of vader, of moeder of vrouw , of kinderen , of akkers, om mijn^ naams wil, (di*! zal honderdvoud ontvangen, en het eeuwige leven beërven. 30 Maar vele eersten zullen de laatsten zgn , en [vrle] luat- W HOOFDSTUK 20. ant het Koninp-ijk der hemelen is gelgk een heer des huizes, die met den morgenstond uitging om arbeiders te huren in ziinen wijngaard. HOOFDSTUK 20. ant het Koninp-ijk der hemelen is gelgk een heer des huizes, die met den morgenstond uitging om arbeiders te huren in ziinen wijngaard. 2 En als nij met de arbeiders eens geworden was voor eenen Eenning des daags, zond hg henenning des daags, zond hg hen enen in zgnen wgngaard. 3 En uitgegaan zijnde omtrent de derde ure, zag hg anderen ledig staande op de markt. 4 En hg zeide tot dezelve: gaat gij ook henen in den wijngaard , en zoo wat regt is zal ik u geven. En zij gingen. 5 Wederom uitgegaan rgndc om- |
|
jon^elinp dit \' Kinp hg be- \' t hg had vele \' tot zgne diii-ik zeg u. dat ijk «n het Koen zal ingann. \'■eg ik u: het .emel {*a door naald, jdan a in het Koen nu frfi/] zeer vemla-fie kan dan 1 aanzipnde tic mensrhen naar hg God •uc rifirug, *ie, wij heb-. en zgn u ons dnn ge- i tot hen: •^t pg, die i de weder-de Zoon des ten ziin op eerlgkheid , zitten op deelende de iraëls. *1 verlaten iroedors, o, 3f moeder •en , oiquot; ak-■ wil, [d,,] eërven.\' ten zullen [vele] luat- WK 20. infrrijk der i heer des i morgcn-beiders te faard. arbeiders oor eenen nd hg hen aard. e omtrent Ü anderen narkt. dezelve: den wijn-egt is zal in gen. »n zijnde om-omtrent de zesde en negende ure , deed hij desgelijks. |
6 En uitgegaan zgede omtrent de elfde ure, vond hij andereu ledig staande, eu zeide tot hen : wat staat gij hier den geheelen dag ledig? 7 Zij zeiden tot hem : omdat ons niemand gehuurd heeft. Hij zeide tot hen ; gaat ook gij heneu in den wijngaard, en zoo wat rept is zult gij ontvangen. 8 Als het nu avond geworden was, zeide de heer des wijn-gaards tot zijnen rentmeester : roep de arbeiders, en geef hun het loon, beginnende van de laatsten tot de eersten. 9 En als zij kwamen, die ter elfder ure (j/rAumvJ tooren], ontvingen zij ieder eenen penning. 10 En de eersten komende meenden dat zij meer ontvangen zouden ; en zij zeiven ontvingen ook elk eenen penning. 11 En [lt;ii«n] ontvanjren hebbende murmureerden zij tegen den heer des huizes, 12 Zeggende ; deze laatsten hebben [mnor] één uur gearbeid, en gij hebt hen ons gelijk gemaakt, die wij den last des daags en de hitte gedragen hebben. 13 Doch hg antwoordende zeide tot eenen van hen: vriend, ik doe u geen onregt ; zijt gij niet met mij eens geworden voor é.-nen penning ? II Neem het uwe en ga henen. Ik wil dezen laatsten ook geven gelijk als u. 15 Of is het mij niet geoorloofd te doen met het mijne wat ik wil ? Of is uw oog boos, omdat ik goed ben ? 16 Alzoo zullen de laatsten de eersten zijn, en de eersten de laatsten ; want velen zijn geroepen , maar weinigen uitverkoren. 17 En Jezus opgaande naar Jeruzalem, nam tot zich de twaalf discipelen alleen op den weg, en zeide tot hen : 18 Zie, wij paan op naar Jeruzalem, en de Zoon des men-trhen zal den Overpriesteren en Schriftgeleerden overgeleverd worden , en zij zullen hem ter dood veroordeelen. liJ En zij zullen hem den Heidenen overleveren, om hem te beskotten , en te geeselen , en te kruisigen; en ten derden dage zal hij weder opstaan. |
SS 20 Toen kwam de moeder van de zonen van Zebedeüs tot hem met hare zonen , [fcem] aanbiddende, en begeerende wat van hem. 21 En hij zeide tot haar : wat wilt gij ? Zij zeide tot hem : zeg dat deze mijne twee zonen zitten mogen de een tot uwe reg-ter, en de ander tot uwe linker [hmd] in uw Koningrijk. 22 Maar Jezus antwoordde «n zeide : gijlieden weet niet wat gij begeert ; kunt gij den drinkbeker drinken dien ik drinken zal, en met den doop gedoopt worden waarmede ik gedoopt word ? Zij zeiden tot hem : wij kunnen. 23 En hij zeide tot hen: mgnen drinkbeker zult gij wel drinken, en met den doop waarmede ik gedoopt word, zult gij gedoopt worden; maar het zitten tot mijne regter, en tot mijne linker [hnml] \'staat bij mij niet te geven ; maar [hrl znl gegeten worden] wien het bereid is van mijnen vader. 21 En als de [antfcrf] tien [dot] hoorden , namen zij het zeer kwalijk van de twee broeders. 25 En als hen Jezus tot zich geroepen had , zeide hij • gij weet dat de Oversten der volken heerschappij voeren over hen , en de Grooten gebruiken magt over hen. 26 Doch alzoo zal \'t onder u niet zijn; maar zoo wie ouder u zal willen groot worden, [rfir] zij uw dienaar; 27 En zoo wie ouder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht; 28 Gelijk de Zoon des men-schen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en zijne ziel te geven (tot) een rantsoen voor velen. 29 Eu als zij van Jericho uitgingen , is hem eene groote schare gevolgd. 30 En zie, twee blinden zittende aan den weg, als zij hoorden dat Jezus voorbijging, riepen, zeggende ; Heer, gij Zoon Davids, ontferm u onzer. 31 En de schare bestrafte hen, opdat zij zwijgen zouden; maar zij riepen te meer, zeggende: ontferm u onzer. Heer, gij Zoon Davids. 32 En Jezus [stil] staande, riep hen en zeide : wat wilt gij dat ik u doe? B 33 Zy Moofdst. 20. VAN MATTHEÜS. |
|
33 Zij zeiden tot hem ; Heer , «lat onze oogen geopend worden. 34 Eu Jezus innerlijk bewogen zijnde met barmnartiffheid , raakte hunue oo?en aan; en terstond werden hunne oogen ziende , en zij volgden hem. E HOOFDSTUK 21. n als zij nu Jeruzalem genaakten, en gekomen waren te Bethphage, aan den olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen, zeggende tot hen ; HOOFDSTUK 21. n als zij nu Jeruzalem genaakten, en gekomen waren te Bethphage, aan den olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen, zeggende tot hen ; 2 Gaat heen in het vlek, dat tegen u over [HfjM, en trij zult terstond eene ezelin gebonden vinden, en een veulen niet haar; ontbindt ze en brenjrt ze tot mij. 3 En indien u iemand iets zejrt, zoo zult pij zegrpen, dat de Heer deze noodip heeft; en hij zal ze terstond zenden. 4 Dit alles nu is geschied opdat vervuld worde het peen pe-sproken is door den Profeet, zegpende; 5 Zept der dochter Sions : zie, uw Koninp komt [(ii() u, zacht-moedip en pezeten op eene ezelin , en een veulen, zijnde een jonp eener jukdrapende («•tr/iw]. 6 En de discipelen heenpe-paan zijnde, en pedaan hebbende gelijk Jezus hun bevolen had , 7 Brapten de ezelin en het veulen, en leiden hunne kleederen op dezelve, en zetten [Aem] daar op. 8 En de meeste schare spreidden hunne kleederen op den wep, en anderen hieuwen takken van de boomen, cn spreidden ze op den wep. 9 En de scharen, die voorpingen en die volgden , riepen , ceppende: Hozanna den zoon Davids ! Gezegend (i»] hij, die komt in den naam des Hee-ren! Hozanna in de hoogste [Arnirtrn) ! 10 En als hij te Jeruzalem inkwam, werd de peheele stad beroerd , zeppende ; wie is deze ? 11 En de scharen zeiden : deze is Jezus, de Profeet van Nazareth in Galilea. 12 En Jezus ging in den Tem- Sel Gods, en dreef uit allenel Gods, en dreef uit allen ie verkochten en kochten in den Tempel, en keerde om de tafelen der wisselaars, en de zitstoelen derpenen die de duiven verkochten. |
13 En hij zeide tot hen: er is peschreven : mijn Huis zal een huis des gebeds penoemd worden, maar py hebt dat tot eenen moordenaarskuil gemaakt. 14 En er kwamen blinden en kreupelen tot hem in den Tempel, en hij genas dezelve. 15 Als nu de Overpriesters en Sc-hriftpeleerden zapen de wonderheden, die hij deed, en de kinderen, roepende in den Tempel, en zeppende: Hozanna den Zoon Davids, namen zg dat zeer kwalijk , 16 En zeiden tot hem: hoort pij (tefij wat deze zegpen ? En Jezus zeide tot hen : ja. Hebt pij nooit pelezen : uit den mond der jonpe kinderen en der zui-pelinpen hebt gij [u] lof toebereid ? 17 En hen verlatende pinp hij van daar uit de stad naar Betha-nië, en overnachtte aldaar. 18 En des morgens vroeg, als hij wederkeerde naar de slad, honperde hem. 19 En ziende eenen vijgeboom aan den weg, ginp hij natr den-zelven toe , en vond niets aan denzelven dan alleenlijk bladeren. En zeide tot denzelven: uit u worde peene vrucht meer in eeuwipheid! En de vijgeboom verdorde terstond. 20 En de discipelen ziende , verwonderden zich , zeppende : hoe is de vijgeboom (roo) terstond verdord I 21 Doch Jezus antwoordende zeide tot hen; voorwaar zeg ik u, indien gij geloof hadt, en niet twijfeldet, pij zoudt niet alleenlijk doen hetpeen den vy-peboom (gt;t geich\'ted] ; maar indien pij ook tot dezen berp zei-det; word opgeheven en in do zee peworpen ; het zoude geschieden. 22 En al wat gij zult begeeren in \'t pebed, geloovende, zult gij ontvanpen. 23 En als hij in den Tempel\'ge-komen was, kwamen tot hem , terwijl hij leerde , de Overpriesters en de Ouderlinpen des volks, zeggende : door wat mapt doet gij deze dingen ? En wie heeft u deze mapt gegeven ? 24 En Jezus antwoordende zeide tot hen ; ik zal u ook een woord vragen, hetwelk indien gij mij zult zeggen, zoo zal ik u ook zeggen door wat magt ik deze dingen doe, 25 De |
|
25 De doop van Johannes, van waar was [dir] ? Uit den hemel of uit de menschen ? En zg over-leiden bij lich zeiven en zeiden : indien wij zeKffen: uit den hemel, zoo zal hij ons zeg-Ken; waarom hobt gij hem dan niet geloofd? 26 En indien wij zeggen : quot;it de menschen, zoo vreezen wij de schare ; want zij houden allen Johannes voor een Profeet. 27 En zij Jezus antwoordende, zeiden : wij weten \'t niet. En hij zeide tot hen: zoo zeg ik u ook niet, door wat urngt ik dit doe. 28 Maar wat dunkt u? Een mensch had twee zonen, en gaande tot den eersten zeide : zoon, ga heen, werk heden in mijnen wijngaard. 29 Doch hij antwoordde, en zeide: ik wil niet; en daarna berouw hebbende ging hij henen. 30 En gaande tot den tweeden, zeide desgelijks. En deze antwoordde , en zeide; ik [gt;;»] , heer, en hjj ging niet. 31 Wie van deze twee heeft den wil des vaders gedaan ? Zij zeiden tot hem. de eerste. Jezus zeide tot hen ; voorwaar ik zeg u, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het Koningrijk Gods. 32 Want Johannes is tot u gekomen in den weg der geregtig-heid, cn gij hebt hem niet geloofd; maar de tollenaars en hoeren hebben hem geloofd; doch gij, [tult;A:«l ziende, hebt daarna geen berouw gehad, om hem te gelooven. 33 Hoort eene andere gelijkenis. Er was een heer des huizes, die eenen wijngaard plantte en zette eenen tuin daar om, en groef eenen wijnpersbak daarin, en bouwde eenen toren, en verhuurde dien den landlieden, en reisde buiten[/lt;inrf*). 3t Toen nu de tijd der vruchten genaakte, zond hij zijne dienstknechten tot de landlieden, om zijne vruchten te ontvangen. 35 En de landlieden, nemende zijne dienstknechten , hebben den eenen geslagen, en den anderen gedood, en den derden gesteenigd. 36 Wederom zond hij andere dienstknechten, meer [•nartnl] dan de eersten, en zij deden hun desirelijks. |
37 En ten laatste zond hij tot hen zynen zoon , zeggende : zij zullen mynen zoon ontzien. 38 Maar de landlieden, den zoon ziende, zeiden onder elkander : deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem dooden, en zijne erfenis [nnn out] behouden. 39 En hem nemende wierpen zij [/urm] uit, buiten den wijngaard, en doodden [Atm], 40 Wanneer dan de heer des wijngaards komen zal, wat zal hij die landlieden doen ? 41 Zij zeiden tot hem : hij zsl de kwaden eenen kwaden dood aandoen, en zal den wijngaard anderen landlieden verhuren, die hem de vruchten op hare tijden zullen geven. 42 Jezus zeide tot hen ; hebt gij nooit gelezen in de Schriften; de steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden lot een hoofd des hoeks. Van den Heer is dit geschied, en het ia wonderlijk in onze oogen. 43 Daarom zeg ik ulieden, dit het Koningrijk Gods van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijne vruchten voortbrenge. 41 En wie op dezen steen valt, die zal verpletterd worde.r, en op wien hij valt, dien zal hij vermorselen. 45 En als de Overpriesters en Farizeën deze zijne gelijkenissen hoorden, verstonden zij dat hij van hen sprak. 4G En zoekende hem te vanjfen vreesden zij de scharen, dewijl deze hem hielden voor een Profeet. E HOOFDSTUK 22. n Jezus antwoordende sprak tot hen wederom door geliikenissen, zeggende: HOOFDSTUK 22. n Jezus antwoordende sprak tot hen wederom door geliikenissen, zeggende: 2 Hut Koningrijk der hemelen is gelijk een zeker Konin?, die zijnen zoon eene bruiloft bereid had. 3 En zond zijne dienstknechten uit om de genoodigden ter bruiloft te roepen; en zij wilden niet komen. 4 Wederom zond hij andere dienstknechten uit, zeggende: zegt den genoodigden : zie , ik heb mijn midd gmaal bereid , mijne ossen en de gemeste [6««-ten] zijn geslagt, en alle dingen zijn gereed ; komt tot da bruiloft. B 2 5 Maar |
88 HET £(JA
5 Maar zij [tuifc*] niet achtende zgn hfcnfcepaan, deze tot zijnen akker, gene tot zijne koopmanschap.
6 Én de anderen pfrcpen zijne dienstknechten, deden (/««n) smaadheid \'aan , en doodden hen.
7 Als nu do Konin? (»Inlt;) hoorde, werd hij toornijr, en zijne krijpsheiren zendende heeft die doodslagers vernield, en hunne stad in brand gestoken.
8 Toen zeide hij tot zjjne dienstknechten : de bruiloft is wel bereid, doch de genoodig-den waren \'t niet waardig.
9 Daarom gaat op de uitgangen der wegen, en zoo velen als gij er zult vinden, roept hen tot de bruiloft.
10 En dezelve dienstknechten uitgaande op de wegen, vergaderden allen die zij vonden, beide kwaden en goeden; en de bruiloft werd vervuld met aanzittende (jjnifen].
11 En als de Koning ingegaan was oin de aanzittende [gnutrn] te overzien, zag hij aldaar eenen inensch niet gekleed [zijnde] met een bruiloftskleed ;
12 En zeide tot hem; vriend, hoe zijt gij hier ingekomt-n, geen bruiloftskleed [on/i] hebbende ? En hij verstomde.
13 Toen zeide de Koning tot de dienaars: bindt zijne handen en voeten, neemt hem weg, en werpt [hrm] uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn weening, en knersing der tanden.
14 Want velen zijn geroepen , maar weinigen uitverkoren.
15 Toen gingen de Parizeen henen en hielden te zamenraad, hoe zij hem verstrikken zouden in [rijn?) rede.
16 En zij zonden uit tot hem hunne discipelen met de He-rodianen, zeggende ; Meester, wij weten dat pij waarachtig zijt, en den weg Gods in waarheid leert, en naar niemand vraagt; want gn ziet den persoon der mensclien niet aan.
17 Zeg ons dan: wat dunkt u ? Is het geoorloofd den Keizer schatting te geven of niet ?
18 Maar Jezus, bekennende hunne boosheid, zeide :
19 Gij geveinsdeu, wat verzoekt gij mij ? Toont mij den snhattinppenning. En zg brag-ten hem eenen penning.
30 En hg zeide , tot hen :
NGEL1UM Hoofdst. tf2.
wiens is dit beeld en het opschrift ?
21 Zij zeiden tot hem; des Keizers. Toen zeide hij tot hen : geeft dan den Keizer wat des Keizers is, en Gode wat Gods is.
22 En zij dit hoorende verwonderden zich; en hem verlatende, zijn zij weggegaan.
23 Te dien zelfden dage kwamen tot hem de Sadduceën, die zeggen dat er geene opstanding is, en vraagden hem,
21 Zeggende : Meester, Mozes beeft gezegd: indien iemand sterft, geene kinderen hebbende, zoo zal zijn broeder deszelfs vrouw trouwen, en zijnen broeder zaad verwekken.
25 Xu waren er bij ons zeven broeders; en de eerste [erne trouw] getrouwd hebbende, stierf; en dewijl hij geen zaad had, zoo liet hij zijne vrouw voor zijnen broeder.
26 Desgelijks ook de tweede, en de derde, tot den zevenden ton.
27 Ten laatste na allen is ook de vrouw gestorven.
28 In de opstanding dan, wiens vrouw zal zij wezen van die zeven ? Want zij hebben haar allen gehad.
29 Maar Jezus antwoordde en zeide tot hen: gij dwaalt, niet wetende de Schriften, noch de kracht Gods.
30 Want in de opstanding nemen zij niet ten huwelijk, noch worden ten huwelijk uitgegeven; maar zii zijn als Engelen Gods in den nemei.
31 En wat aangaat de opstanding der dooden, hebt gij niet gelezen hetgeen vim God tot ulieden gesproken is, die daar zegt:
32 Ik ben de God Abrahams, en de God Izaaks, en de God Jakobs ? God is niet een God der dooden, maar der levenden.
33 En de scharen [Jit] hoorende werden verslagen over zijne leer.
3t En de Farizeën gehoord hebbende dat hij den Sadduceën den mond gestopt had, zijn te zamen bijeen vergaderd.
35 En een uit hen, [zijnde] een Wetgeleerde, heeft gevraagd, hem verzoekende, en zeggende:
36 Meester, welk is het groote gebod in de wet?
37 En Jezus zeide tot hem : gij
zult
|
Hoofdst. 22, 23. VAN MA suit liefhebben den Heer uwen God met geheel uw hart, en met geheel uwe ziel, en met geheel uw veratand. 38 Dit is het eerste, en het groote gebod. ^ 39 En het tweede dezen pe-lijk, (•»]: gij zult uwen naasten liefhebben als u zeiven. 40 Aan deze twee geboden hanjrt de gansche wet en de Profeten. 41 Als nu de Farizeën te za-men vergaderd waren, vraagde hen Jezus, 42 En zeide ; wat dunkt u van den Christus? Wiens zoon is hij? Zij zeiden tot hem: Davids [zoon]. 43 Hü zeide tot hen : hoe noemt hem dan David in den Geest [fijnen] Heer, zesgende : 4t De Heer heeft gezegd tot mijnen Heer: zit aan mijne reg-ter[/innrf) , tot dat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot eene voetbank uwer voeten. 45 Indien hem dan David [*ij-nm] Heer noemt, hoe is hij zijn Zoon? 46 En niemand konde hem een woord antwoorden ; noch niemand durfde hem van dien dag aan [«lt;lt;«] meer vragen. T HOOFDSTUK 23. oen sprak Jezus tot de scharen en tot HOOFDSTUK 23. oen sprak Jezus tot de scharen en tot zijne discipelen, 2 Zeggende ; de Schriftgeleerden en de Farizeën zjjn gezeten op den stoel van Mozes ; 3 Daarom , al wat zij u zeggen dat gij houden zult, houdt [rfot] en doet [M] ; maar doet niet naar hunne werken. Want zij zcffgen het, en doen het niet. 4 Want zij binden lasten die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouders der menschen; maar zy willen die met hunnen vinger niet verroeren. 5 En al hunne werken doen zij om v.in de menschen gezien te worden ; want zij maken hunne gedenkcedels breed , en maken de zoomen van hunne kleederen groot. 6 En zij beminnen de vooraanzitting in de maaltijden, en de voorgestoelten in de Synagogen; 7 Ook de begroetingen op de markten, en van de menschen genoemd te worden : Rabbi, Rabbi. 8 Doch gij zult niet Rabbi ge- |
TTHEUS. 29 noemd worden : want één is uw Meester , (na»nlt;/tjfc| Christus; en gij zijt allen broeders. 9 En zult niemand uwen vader noemen op de aarde; want één is uw Vader, [nnmeJijfc] die in de hemelen is. 10 Noch gij zult niat meestera genoemd worden ; want één is uw Meester, [nnmrlijk] Christus. 11 Maar «Ie meeste van u zal uw dienaar zijn. 12 En wie zich zeiven verhoo-gen zal, (fii»\'] zal vernederd worden; en wie zich zeiven zal vernederen , [die] zal verhoogd worden. 13 Maar wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeën, gij pe-veinsden; want gij sluit het Koningrijk der hemelen voor de menschen, overmits gij [rfnnr] niet ingaat, noch dejenen die in?aan zouden, laat ingaan. 14 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeën , gij geveinsden; want gü eet de huizen der weduwen op, en [dnlt;] onder den schijn van lang te bidden. Daarom zult gij te zwaarder oordeel ontvangen. 15 Wee u , gg Schriftgeleerden en Farizeën, gij geveinsden; want gij omreist zee en land om éénen «Todengenoot te maken; en als hij het geworden is, zoo maakt gij hem eet kind der hel , tweemaal meer dan gij 16 Wee u, gij blinde leidslieden, die zept; zoo wie gezworen zal hebben by den Tempel, dat is niets; maar zoo wie gezworen zal hebben bij het goud des Tempels, die is schuldig. 17 Gij dwazen en blinden; want wat is meerder, het goud, of de Tempel die het goud heilipt ? 18 En zoo wie gezworen zal hebben bij het altaar, dat is niets; maar zoo wie Rezworen zal hebben bij de gave, die daar op is, die is schuldig. 19 Gij dwazen en blinden ; want wat is meerder, de gave, of het altaar dat de gave heili.et ? 20 Daarom, wie zweert bij het altaar, die zweert bij hetzelve, en bij al wat daar op is. 21 Éu wie zweert bij den Tempel, die zweert bij denzelven , en bij dien die daar in woont. 22 En wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods, en bij dien die daar op zit. B 3 23 Wee |
|
23 Woo u, ffij Schriftgeleerden en Farizeön , pij geveinsden ; want ffü vertient de munt, en de dille, en het komijn, en Rij laat na het zwaarste der wet, [nnmelijk] het oordeel, en de barnihartigheid, en het geloof. Deze diii?cii moest men doen, en dc andere niet. nalaten. VA Gij blinde leidslieden, die grij de inuff uitzijgt, en den kemel doorzwelgt. 25 Wee u, frij Schriftgeleerden en Farizeën, pij geveinsden; want gij reinigt het buitenste des drinkbekers en des schotels, maar van binnen zijn zij vol van roof en onmatigheid. 26 Gij blinde Parizeer, reinig eerst .wat binnen in den drinkbeker en den schotel is, opdat ook het buitenste derzelverein worde. 27 Wee u, gy Schriftgeleerden en Farizeën, gij geveinsden; want gij zijt de witgepleisterde graven gelijk, die van buiten wel schoon schenen, maar van binnen zijn zü vol doodsbeenderen en alle onreinheid. 23 Alzoo ook schgnt gij wel den menscheu van buiten regt-vaardig, maar van binnen zijt gij vol geveinsdheid en onge-regtigheid. 29 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeën , gij geveinsden; want gij bouwt de graven der Profeten op, cn versiert de grafteekenen derregtvaardigen; 30 En zckV. indien wij ten tijde onzer vaderen waren geweest, wij zouden met hen seene gemeenschap gehad hebben aan bet bloed der Profeten. 31 Aldus getuigt gij liegen] u zeiven, dat gij kinderen zyt dergenen die de Profeten gedood hebben. 32 Gij ; (c/nn) ook vervult dc maat uwer vaderen. 33 Gij slangen, gij adderen ge-broedaels, hoe zoudt gij de hel-sche verdoemenis ontvlieden ? 31 Daarom zie, ik zend tot u Profeten, en Wijzen, en Schriftgeleerden, cn uit dezelve zult gij [lonDnipen] dooden en kruisigen , en \'[(ummir/rn] uit dezelve zult gü geeselen in uwe Synagogen, en zult hen vervolgen van stad tot stad ; 35 Opdat op u kome al het regtvaardige bloed , dat vergo-ti.\'n is op de aarde, van het bloed van den regtvaardigen .NGELIUM Hoofdst. 23, 24. Abel af, tot op het bloed van Zacharia den zoon van Bara-chia, welken gij gedood hebt tusschen den Tempel en het altaar. |
36 Voorwaar zeg ik u; al deze dingen zullen komen over dit geslacht. 37 Jeruzalem , Jeruzalem, gy die de Profeten doodt, cn stee-nigt die tot u gezonden rün ; hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bijeen vergaderen, gelijkerwijs eene hen hare kiekens bijeen vergadert onder de vleugelen ; en gijlieden hebt niet gewild. 38 Zie, uw huis wordt u woest gelaten. 39 Want ik zeg u : gü zult mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: gezetrend [i»J hij die komt in den naam des Hecren. 1^ HOOFDSTUK 2t. 1 Xun Jezus ging uit en vertrok van den Tempel; en zijne discipelen kwamen by hem, om hem de gebouwen des Tempels te toonen. 2 En Jezus reide tot hen: ziet gij niet al deze dingen ? Voorwaar zeg ik; hiir zal niet léén] steen op den [«nd«Tgt;i] steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden. 3 En als hij op den olijfberg gezeten was, giigen de discipelen tot hem alleen, zeggende : zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn ? En volk (rot] het teeken («iju] van uwe toekomst en van de voleinding der wereld? 4 En Jezus antwoordende zei-de tot hen : ziet toe, dat u niemand verleide ; 5 Want velen zullen komen onder mijnen naam , zeggende: ik ben de Christus; en zü zullen velen verleiden. 6 En gij zult hooren van oorlogen, en geruchten van oorlogen. Ziet toe, wordt niet verschrikt; want al [i/ir] dingen moeten geschieden ; maar nog ix het einde niet. 7 Want het [eene] volk zal tegen het [nnd^r^J volk opstaan , en hst [erne] Koningrijk tegen het. [nnJe r] Koningrijk ; en er zullen zyn hongersnooden, en pestilentiën, er aardbevingen in verscheidene plaatsen. 8 Doch al deze dingen manr] ecu beginsel der smarten. |
|
Hoofdst. S*. VAN JU/ 9 Aladnn tullen rij u overleveren in verdrukking, en zullen u dooden, en zult gehaat worden van alle volken, om mijns naama wil. 10 En dan zullen er velen fje-ergerd worden, en zullen elkander overleveren, en elkander haten. 11 En vele valsche Profeten zullen opstaan, en zullen er velen verleiden. 12 En omdat de onperegtiff-heid vermenigvuldigd zal worden, zoo zal de liefde van velen verkouden. 13 Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden. 14 En dit Euangelium des Ko-ningrijks zal in de geheele wereld gepredikt worden tot eene getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen. 15 Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël den Profeet, staande in de heilige plaats, (die [hlt;(] leest die merlce daarop); 16 Dat alsdan die in Juden zijn, vlieden op de bergen. 17 Die op het dak is, kome niet af, om iets uit zyn huig weg te nemen ; 18 En die op den akker is, keere niet weder terug, om zijne klee-dercn weg te nemen. 19 Maar wee de bevruchte en zogende [proutprn] in die dairen. 20 Doch bidt, dat uwe vlugt niet geschiede des winters, noch op eenen Sabbat. 21 Want alsdan zal groote verdrukking wezen, hoedanigeniet ia geweest van het begin derwe-reld tot nu toe, en ook niet fijn zal. 22 En zoo die dagen niet verkort werden, geen vlecsch zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden. 23 Alsdan , zoo iemand tot ulieden zal zeggen: ziet hier is de Chriatua, of daar, gelooft het niet. 24 Want er zullen valsche Christussen en valsche Profeten opstaan, en zullen groote teekenen en wonderheden doen , alzoo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden. 25 Ziet, ik heb (MJ u voorzegd. 26 Zoo zij dan tot u zullen zeggen ; ziet, hg is in de woestijn. |
TTHEUS. SI gaat niet uit; zie, [Mj it] in de binnenkameren ; gelooft het niet. 27 Want gelijk de bliksem uitgaat van het Oosten, en schijnt tot het Westen, alzoo zal ook de toekomst van den Zoon de» menschcn wezen. 28 Want alwaar het doode lig-chaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden. 29 En terstond na de verdrukking van die dagen zal de zoo verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen wor- 30 En alsdan zal in den hemel verschijnen het teeken van den Zoon des menschen ; en dan zullen al de geslachten der aarde weenen, en zullen den Zoon des menschen zien, komende op de wolken des hemels. met groote kracht en heerlijkheid. 31 En hij zal zijne Engelen uitzenden met eene bazuin van groot geluid, en zij zullen zijne uitverkorenen byeen vergaderen uit de vier winden, van [/iet rrnr] uiterste der hemelen tot het (nnt/rrrj uiterste derzelve. 32 En leert van den vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teeder wordt, en de bladeren uitspruiten , zoo weet gij dat de zomer nabij is. 33 Alzoo ook gijlieden, wanneer gij al deze dingen zultzien, zoo weet dat nabij is voor de deur. 34 Voorwaar ik zeg u: dit ga-slacht zal ereenszins voorbijgaan, tot dat al deze dingen zullen geschied zijn. 35 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan. 36 Doch van dien dag en ure weet niemand, ook niet de Engelen der hemelen , dan mijn Vader alleen. 37 En gelijk de dagen van No-ach (irnrrnj, alzoo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des menschen. 38 Want gelijk zij waren in de dagen vóór den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelgk uitgevende, tot den dag toe, in -velken No-ach in de ark gin? ; 39 En bekenden \'t niet, tot B 4 dut |
|
S3 HET EÜA dat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam; alzoo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des menschen. 40 Alsdan zullen er twee op den akker zijn; de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden. 41 Er zullen twee [tiroutom] malen in den molen; de eene zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden. 42 Waakt dan; want (rij weet niet in welke ure uw Heer komen zal. 43 Maar weet dit, dat zoo de heer des huizes geweten had in welke nachtwake de dief komen zou, hij zoude gewaakt hebben, en zoude zgn huis niet hebben laten doorgraven. 44 Daarom zijt ook gij bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des menschen komen. 45 Wie is dan de getrouwe en voorzigtige dienstknecht; welken zijn heer over zijne dienstboden gesteld heeft, om hunlieden [Aun) voedsel te geven ter regter tijd ? 46 Zalig is die dienstknecht, welken zijn heer komende zal vinden alzoo doende. 47 Voorwaar ik zeg u, dat hij hem zal zetten over al z|jne goederen. 48 Maar zoo die kwade dienstknecht in zijn hart zoude zeggen: mijn heer vertoeft te komen ; 49 En zoude beginnen, [t\'jn\'l mededienstknechten te slaan , en te eten en te drinken met de dronkaards : 50 Zoo zal ds heer dezes dienstknechts komen ten dage, in welken hij [/icm) niet verwacht , en ter ure die hij niet weet; 51 En zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de geveinsden ; daar zal weening zijn, en knersing der tanden. |
NGELIUM \'Hoofdat. 24. 25. hare vaten met hare lampen. 5 Als nu de bruidegom vertoefde, werden zij alle sluimerig. en vielen in slaap. 6 En te middernacht geschiedde een geroep : zie, de bruidegom komt; gaat uit hem te gemoet ! 7 Toen stonden al die maagden op, en bereidden hare lampen. 8 En de dwaze zeiden tot de wijze : geeft ons van uwe olie, want onze lampen gaan uit. 9 Doch de wijze antwoordden, zeggende : (r/rrntzins), opdat er misschien voor ons en voor u niet genoeg zij ; maar gaat liever tot de verkoopers, en koopt voor u zeiven. 10 Als zij nu heengingen om te koopen, kwam de bruidegom , en die gereed [waren] gingen met hem in tot de bruiloft; en de deur werd gesloten. 11 Daarna kwamen ook de andere maagden, zeggende; heer. heer. doe ons open. 12 En hij antwoordende zei-de; voorwaar zig ik u. ik ken u niet. 13 Zoo waakt dan . want gy weet den dag niet. noch de ure, in welke de Zooi1, des munschen komen zal. 14 Want (fcrf «») gelijk een mensch, die tuiten \'s lands reizende zijne oienstknechten riep, en gaf hun zyne goederen over. 15 En de eenen gaf hjj vijf talenten, en de aideren twee, en den derden één, een iegelijk naar zijn vermogen, en verreisde terstond. 16 Die nu de vijf talenten ontvangen had ging l\'een en handelde daarmede, en won andere vijf talenten. 17 Desgelijks ook die de twee [ontvangen had] , die won ook 18 Maar die het ééne ontvangen had, ging heen en groef in de aarde, en verborg het geld zijns heeren. 19 En na eenen langen tijd kwam de heer van dezelve dienstknechten, en hield rekening met hen. 20 En die de vijf talenten ontvangen had , kwam, en bragt tot hem andere vijf talenten, zeg{ -nde : heer, vijf talenten hebt gy mij gegeven , zie, andere ijf talenten heb ik boven dezel ■ gewonnen. «1 En |
.A.lsdnn zal het Koningrijk der hemelen geliik zijn tien maagden , welke hare lampen namen, en gingen uit, den bruidegom te gemoet.
|
21 En tijn heer zeide tot hem : wel, gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinige «O1 ffÖ getrouw geweest, over vele :al ik u zetten ; ga in in de vreuede uws heeren. 22 En die de twee talenten ontvangen had, kwam ook tot hem, en zeide; heer, twee talenten hebt gij mij gegeven ; zie, twee andere talenten heb ik boven dezelve gewonnen. 23 Zijn heer reide tot hem; wel, g\\j goede en getrouwe dienstknecht, over weinige \'ijt gij getrouw geweest, over vele zal ik u zetten ; ga in in de vreugde uws heeren. 21 Maar die het ééne talent ontvangen had, kwmu ook, en zeide: heer, ik kende u dat gij een hard mensch zijt, maaijende waar gij niet gezaaid hebt, en vergaderende van daar [waar] gy niet gestrooid hebt; 35 En bevreesd zijnde ben ik heengegaan, en heb uw talent verborgen in de aarde ; zie, gij hebt het uwe. 26 Maar zijn heer antwoordende zeide tot hem : gij booze en luge dienstknecht, gij wist dat ik maai waar ik niet gezaaid heb, en van daar vergader waar ik niet gestrooid heb. 27 Zoo moest gij dan mijn geld den wisselaren gedaan hebben, en ik komende zou het mijne wedergenomen hebben met woeker. 23 Neemt dan van hem het talent weg, en geeft het dengenen die de tien talenten heeft. 29 Want een iegelyk die heeft [dirn] zal gegeven worden, en hy zal overvloedig hebben; maar van dengenen die niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hjj heeft. 30 En den onnutten dienstknecht werpt uit in de buitenste duisternis; daar zal weening tijn, en knersing der tanden. 31 En wanneer de Zoon des menschen komen zal in zijne heerlijkheid , en al de heilige Engelen met hem, dan zal hij zitten op den troon zijner heer-lijkheid. 32 En voor hem zullen al de volken vergaderd worden, enhü zal hen van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken acheidt.i 33 En hy zal de schapen tot fjjne regter[fcan(lt;] zetten, maar |
[Annrf]. 34 Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen die tot zijne regter[hnnrf tijn] : komt gij ge-z^srenden mijns Vaders, beërft dat Koningrijk, hstwelk u bereid is van de grondlegging der wereld. 35 Want ik ben hongerig geweest, en gij hebt mij te eten gegeven; ik ben dorstig geweest, en gij hebt mij te drinken gegeven; ik was een vreemdeling , en gij hebt mij geherbergd ; 30 [Jk ivn$] naakt, en gij hebt mij gekleed ; ik ben krank geweest, en gg hebt mij bezocht; ik was in de gevangenis, en gy zijt tot my gekomen. 37 Dan zullen de regtvaardi-gen hem antwoorden, zeggende : Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien , en gespy-zigd; of dorstig, en te drinken gegeven ? 38 En wanneer hebben wij u een vreemdeling gezien, en geherbergd; of naakt, eu gekleed ? 30 En wanneer hebben wy u krank gezien, of in de gevangenis, en zijn tot u gekomen ? 40 En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen ; voorwaar zsg ik u. voor zoo veel gy ld.t] éénen van deze mijne minste broeders gedaan hebt, zoo hebt gij [rfot] mij gedaan. 41 Dan zal hij zeggen ook tot degenen die ter linker[hnii\'l xijnj . gaat weg van my , gy vervloekten, in het eeuwige vuur, \'t wslk den duivel en zijnen engelen bereid is. 42 Want ik ben hongerig geweest, en gij hebt mij niet te eten gegeven; ik ben dorstig geweest, eu gij hebt my niet te drinken gegeven ; 43 Ik was een vreemdeling, en gij hebt mij niet geherbergd ; naakt, en gy hebt mij niet gekleed; krank, en in de gevangenis, en gij hebt mij niet bezocht. 44 Dan zullen ook deze hem antwoorden, zeggende Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien, of dorstig, ot een vreemdeling, of naakt, of krank, of in de gevangenis, en hebben u niet gediend ? 45 Dan zal hij hen antwoorden en zeggen : voorwaar zeg ik v , voor zoo veel gy frfif] ééneo van deze minsten niet ge- B 5 daan VAN MATTHEÜS.\' |
|
31 HET EU. daan hebt, *oo hebt gij het mü ook niet gedaan. 46 En deze zullen ffaan in de eeuwige piin; maar de regtvaar-digen in dat eeuwige leven. Ipp HOOFDSTUK 26. Lm het is geschied, als Jezus al deze woorden geëindigd had, dat hij tot zijne discipelen zeide : 2 Gij weet dat na twee dagen het Pascha is , en de Zoon des mcuschcn zal overgeleverd worden om gekruisigd te worden. 3 Toen vergaderden de Over-prieater.quot;, eu de Schriftgeleerden , en de Ouderlingen des volks, in de zaal van den Hoo-gopriester, die geuaamd was Kajafas ; 4 En beraadslaagden te zanten, dat zij Jezus met listigheid vangen en dooden zouden. 5 Doch zij zeiden : niet in \'t feest, opdat er geen oproer worde onder het volk. 6 Als nu Jezus te Bcthanië was, ton huize van Simon den melaatschen, 7 Kwam tot hem eene vrouw, hebbende eene albasteren flesch met zeer kostelijke zalf, en goot ze uit op zijn hoofd, daar hü aan [lt;«ƒ,/] zat. 8 En zyne discipelen [rlntl ziende, namen het zeer kwalijk, scg^ende ; waartoe dit verlies? 9 Want deze zalf h.td kunnen duur verkocht, en [Je penningen] den armen gegeven worden. 10 Maar Jezus [ttWfct] verstaande zeide tot hen : waarom doet hij deze vrouw moeite aan ? Want zy heeft een goed werk aan mij gewrocht. 11 Want de armen hebt gij altyd met u, maar mg hebt gÜ niet nltyd. 12 Want als zij deze zalf op mgn ligchaam gegoten heeft, zoo heeft zij het gedaan tot [«•ne voor bereiding tinnj mijne begrafenis. 13 Voorwaar zeg ik u; alwaar dit Euangelium gepredikt zal worden in de geheele wereld , [dinr] zal ook tot hare gedachtenis gesproken worden van \'t geen zij gedaan heeft. 14 Toen ging een van de twaalven , genaamd Judas Iskarioth, tot de Overpriesters , 15 En zeide : wat wilt gy mg geven, en ik zal hem u overleveren ? En zg hebben hem tae- |
LNGELIUM Hoofdst. SS , M. gelegd dertig zilveren [pennin- pen).\' 16 En van toen af zocht hij gelegenheid, opdat h\\j hem overleveren mogt. 17 En op den eersten [dog]\'der ongehevelde ;\'[hrood«n] kwamou de discipelen tot Jezus, zeggende tot hem : waar wilt gij dat wij u bereiden het Pascha te eten ? 18 En hij zeide : gaat henen in de stad tot zulk eenen, en zegt hem: de Meester zegt: mijn tgd is naby, ik zal by u het Pascha houden met inyne discipelen. 19 En de discipelen deden ga-lijk Jezus hun bevolen had, en bereidden het Pascha. 20 En als het avond geworden was, zat hy aan met de twaal- 21 En toen zy aten zeide hij : voorwaar ik zeg u, dat een van u my zal verraden. 22 En zij zeer bedroefd geworden zijnde, begon een iegelijk van hen tot hem te zeggen ; hen ik het Heer ? 23 En hij antwoordende reide: die de hand met my in den schotel indoopt, die zal my verraden. 24 De Zoon des inenschen gaat wel heen , gelyk van hem geschreven is ; maar wee dien mensch, door wien de Zoon des menschen verraden wordt; het ware hem goed, zoo die mensch niet geboren was ?eweest. 25 En Judas, die hem verried, antwoordde en zeide : ben ik het Rabbi ? Hij zeile tot hem: gij hebt het gezegd. 26 En als zij aten, nam Jezus het brood, en gezegend hebbende brak hij het, en gaf het den discipelen, en zeid.; : neemt, eet, dat is mijn ligchaam. 27 En hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende gaf hun [dim], zeggende : drinkt allen 28 Want dat is mijn bloed, het [hiofd] des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt tot vergeving der zonden. 29 En ik zeg u, dat ik van nu aan niet zal drinken van deze vrucht des wijnstoks, tot op dien dag wanneer ik met u de-zelva nieuw zal drinken in \'t Koningryk mijns Vaders. 30 Eu «Is zy den lofzang r*p- xon- |
|
Hoofdst. 26. VAN MA tonden hadden, gingen zij uit nanr den olijfberg. 31 Toen zeidc Jezus tot Len : Bij zult allen aan mij geërtrerd worden in dezen nacht; want er is geschreven : ik zal den herder slaan , en de schapen der kudde zullen verstrooid worden. 32 Maar nadat ik zal opgestaan zijn, zal ik u voorgaan naar Galilea. 33 Doch Petrus antwoordende zeide tot hem: al werden zij ook allen aan u geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden. 31 Jezus zeide tot hem : voorwaar ik zeg u, dat gij in dezen zelfden nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, mij driemaal zult verloochenen. 35 Petrus zeide tot hem : al moest ik ook met u sterven, zoo zal ik u geenszins verloochenen. Desgelijks zeiden ook al de dis- 36 Toen ging Jezus met hen in eene plaats, genaamd Gethse-mané, en zeide tot de discipelen : zit hier neder totdat ik heenga, en aldaar zal gebeden hebben. 37 En met zich nemende Petrus en de twee zonen van Zebe-deüs, begon hij droevig en zeer beangst te worden. 38 Toen zeide hij tot hen; mijne ziel is geheel bedroefd tot den dood toe ; blijft hier en waakt met my. \'39 En een weinig voortgegaan zijnde , viel hij op zijn aange-zigt, biddende en zeggende : mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van mg voorbijgaan ; doch niet gelijk ik wil, maar gelijk gij [wiH). 40 En hij kwam tot de discipelen, en vond hen slapende, en zeide tot Petrus: kunt gij dan niet dén uur met mij waken \' 41 WanVt en bidt, opdat pij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vleesrh is zwak. 42 Wederom ten tweed enmaal heengaande bad hij , zeggende : mijn Vader, indien deze drinkbeker van mij niet voorbij kan gaan , tenzij dat ik hem drinke, uw wil geschiede. 43 Eu komende (fty vond hij hen wederom slapende; want hu^ne oogen waren bezwaard. 44 En hen latende ging hij |
TTREÜ8. S5 wederom henen en bad ten der-denmaal, zeggende dezelfde woorden. 45 Toen kwam hij tot zijne discipelen, en zeide tot hen: slaapt [nul voort, en rust. Zie, de ure is nabij gekomen, en de Zoon des menschen wordt overgeleverd in de handen der zondaren. 46 Staat op, laat ons gaan. Zie, hy is nabij die mg verraadt. 47 En als hg nog sprak , zie, Judas, een van de twaalven, kwam, en met hem eene groote schare, met zwaarden cn stokken, [firtondrn] van de Over-priestérs en Ouderlingen des volks.\' 48 En die hem verried, had hun een teeken gegeven, z-g-gende : dien ik zal kussen, dezelve is *t, grijpt hem. 49 En terstond komende tot Jezus, zeide hg : wees gegroet Rabbi. En hij kii\'te hem. 50 Maar Jezus zeide tot hem : vriend, waartoe zijt gij hier? Toen kwamen zij toe , en sloegen de handen aan Jezus , en trrrpen hem. 51 En zie , een van degenen die met Jezus waren, de hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande den dienstknecht des Hoogepricsters, hieuw zijn oor af. 52 Toen zeidc Jezus tot hem : keer uw zwaard weder in ziine plaats; want aller, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan. 53 Of meent gij dat ik mijnen Vader nu niet kan bidden, en hij zal mij meer dan twaalf legioenen Engelen bijzetten \' 54 Hoe zouden dnn de Schriften vervuld worden, [iiie xrrr-grn] dat het alzoo geschieden 55 Ter zelfder nre sprak Jezus lot de scharen : gij zijt uitgedaan als tegen eenea moordenaar, met zwaarden en stokken, om mij te vangen; dagelijks zat ik bij u, loerende in den Tempel, en gij hebt mij niet gegrepen. 56 Doch dit alles is geschied, opdat de Schriften der Profeten zouden vervuld worden. Toen vlugtten al de discipelen, hem verlatende. 57 Die nu Jezus gevangen hadden, leidden hem henen tot Ka-jafas den Hoogepriester, al- |
|
36 HET EUA waar lt;le Sohriftffeleerden en Ouderlingen vergaderd waren. 58 En Petrus volgde hem van verre tot aan de zaal de» Hoofjcpriestcrs , en binnen gegaan zijnde zat hij by de dienaren , om het einde te zien. 59 En de Ovcrpriesters, en de Ouderlingen, en de geheele groote Raad zochten valsehe getuigenis tegen Jezus , opdat zij hem dooden mogten, en vonden niets. 60 En hoewel er vele valsehe getuigen toegekomen waren , zoo vonden zij (tocA) niets. 61 Maar ten laatste kwamen twee valsehe getuigen , en zeiden : deze heeft gezegd : ik kan den Tempel Gods afbreken , en in drie dagen denzclven opbouwen. 62 En de Hoogepricster opstaande zeide tot hem. antwoord gij niets ? Wat getuigen deze tegen u ? 63 Doeh Jezus zweeg stil. en de Hoogepriester antwoordende zeide tot hem : ik bezweer u bij den levenden God, dat gij ons zegt, of gij zijt de Christus , de Zoon Gods ? 64 Jezus zeide tot hem : gij hebt het gezegd. Doeh ik zeg ulieden ; van nu aan zult gij zien den Zoon des mensehen, zittende ter regter(Arnrf) der kracht (Gorfi], en komende op de wol-kun des hemels. 65 Toen verscheurde de Hoogepriester zijne kleederen, zeggende: hij heeft [God] gelasterd; wat hebben wij nog getuigen noodig? Zie, nu hebt gij zijne (Goi/jllastering gehoord. 66 Wat dunkt ulieden ? En zij antwoordende zeiden : hg is des doods schuldig. 67 Toen spogen zij in zijn aan-gezigt, en sloegen hem met vuisten. 68 En anderen gaven hem kinnebakslagen, zeggende: profeteer ons Christus, wie is \'t die u geslagen heeft ? 69 En Petrus zat buiten in de zaal;en eene dienstmaagd kwam tot hem zeggende: gij waart ook met Jezus den Galileër. 70 Maar hij loochende het voor allen, zeggende: ik weet niet wat gij zegt. 71 En als hij naar de voorpoort uitging, zag hem eene andere [Hirnsfmnngdl, en zeide tot degenen die aldaar [uwen] : deze |
NGELIUM Hoofdst. 26 . 27. was ook met Jezus den Naza- 72 En hij loochende het wederom met eenen eed, (.twjm-rf*.-] ik ken den nienschniét. 73 En een weinig daarna, die er stonden bijkomende zeiden tot Petrus : waarlijk, gij zijt ook van die, want ook uwe spraak maakt u openbaar. 74 Toen begon hij [ticA] te vervloeken, en te zweren : ik ken den mensch niet. 75 En terstond kraaide de haan ; en Petrus werd indachtig des woords van Jezus, die tot hem gezegd had; eer de haan gekraaid zal hebben, zult gy mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande weende hjj bitterlijk. A HOOFDSTUK 27. 1 -TXls het nu morgenstond geworden was. hebben al de Overpriestersende Ouderlingen des volks te zanen raad genomen tegen Jez as, dat zij hem dooden zouden. 2 En hem gebonden hebbende, leidden zg [hem] weg, en gaven hem over aan Pontius Pila-tus den Stadhoi.der. 3 Toen heeft Jadas, die hem verraden had, ziende dat hij veroordeeld was-, berouw gehad, en heeft de dertig zilveren [penningrn) den Overpriesters en den Ouderlingen wederge-bragt, 4 Zeggende : ik heb gezondigd, verradende het onschuldige bloed. Muur zij zeiden : wat gaat ons [dot] aan ? Gij inoogt 5 En als hij de zi, veren [pen-ninf/en] in den Tempel geworpen bad, vertrok hg; eu heeng^a»-de verworgde [ticA xrlvenj. 6 En de Overpriesters de zilveren [penningen] nemende zeiden : het is niet geoorloofd dezelve in de offerkist te leggen, dewijl het een prijs des blocds is. 7 En te zamen raad genomen hebbende, kochten aij daarmede den akker des pottebakkers, tot eene begrafenis voor de vreemdelingen. 8 Daarom is die akker ee-noemd: de akker des bloeds, tot op den huidigen dag. 9 Toen is vervuld geworden \'t geen gesproken is door den Profeet Jeremias, zeggende: en zg hebben de dertig zilveren Ijitn- |
|
lioofdat. 27. VAN MA (pranin^fn) genomen , de waarde des gewaardeerden van de kinderen laraëls, welken «ij gewaardeerd hebben ; 10 En hebben dezelve gegeven voor den akker des pottebak-kers, volgens hetgeen mij de Heer bevolen heeft. 11 En Jezus stond voor den Stadhouder; en de Stadhouder vraagde hem, zeggende: zijt gy de Koning der Joden ? En Jezus zeide hem : gij zegt het. 12 En als hij van ile Overpries-ters en de Ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde hij niets. 13 Toen zeide Pilatus tot hem; hoort gij niet hoe vele [zaken] zij tegen u getuigen f 14 Maar hij antwoordde hem niet op één eenig woord, alzoo dat de Stadhouder zich zeer verwonderde. 15 En op het feest was de Stadhouder gewoon het volk eenen gevangenen los te laten, welken zij wilden. 16 En zij hadden toen eenen welbekenden gevangenen , genaamd Bar-abbas. 17 Als zij dan vergaderd waren, zeide Pilatus tot hen: ivien wilt gij dat ik u zal loslaten, Bar-abbas of Jezus, die genaamd wordt Christus ? 18 Want hn wist dat zij hem door nijdigheid overgeleverd hadden. 19 En als hij op denregterstoel zat, zoo heeft zijne huisvrouw tot hem gezonden , zeggende : heb [toch] niet te doen met dien regtvaardigen ; want ik heb heden veel geleden in den droom om zijnentwil. 20 Maar de Overpriesters en de Ouderlingen hebben de scharen aangeraden dat zij zouden Bar-abbas begeeren, en Jezus dooden. 21 En de Stadhouder antwoordende zeide tot hen; welken van deze twee wilt gij dat ik u zal loslaten ? En zij zeiden ; Bar-abbas. 23 Pilatus zeide tot hen ; wat zal ik dan doen [mrlt;] Jezus, die genaamd wordt Christus ? Zij zeiden allen tot hem ; laat hem gekruisigd worden. 23 Doch de Stadhouder zeide ; wat heeft hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer, zeggende : laat aem gekruisigd |
FTHEÜS. 37 2i Als nu Pilatas zag, dat h\\j niet vorderde, n aar veel meer [dot er] oproer -verd, nam hij water, en wiesch de handen voor de schare , \'.eggende : ik ben onschuldig van het bloed dezes regtvaardigen ; gijlieden moogt toezien. 25 En al het volk antwoordende zeide; zijn bloed «ver ons en over onze kinderen. 26 Toen liet hij hun Bar-abbas los ; maar Jezus gegeeseld hebbende, gaf hij hem over om gekruisigd te worden. 27 Toen namen de krijgsknechten des Stadhouders Jezus met zich in het regthuis , en vergaderden over hem de gan-sche bende. 28 En als zij hem ontkleed hadden , deden zij hem eenen purperen mantel om. 29 En eene kroon van doornen eevlochten hebbende, zetten [\'ii*] op zijn hoofd , en eenen rietstok in zijne regterlfcnndi ; en vallende op hunne knieën voor hem , bespotten zij hem , zeggende : wees gegroet, gij Ko ning der Joden ! 30 En op hem gespogen hebbende , namen zy den rietstok en sloegen op zijn hoofd. 31 En toen zij hem bespot hadden, deden zij hem den mantel af, en deden hem zijne kleederen aan, en leidden hem henen om te kruisigen. 32 En uitgaande vonden zij eenen man van Cyrene, met name Simon ; dezen dwongen zij dat hij zijn kruis droeg. 33 En gekomen zijnde tot de plaats genaamd Golgotha, welke is gezegd hoofdscheël-plaats, 34 Gaven zij hem te drinken edik met gal gemengd ; en als hij [(iirnl gesmaakt had, wilde hij niet drinken. 35 Toen zij nu hem gekruisigd hadden, verdeelden zijzijneklee-deren , het lot werpende ; opdat vervuld zoude worden hetgeen gezegd is door den Profeet; zij hebben mijne kleederen onder zich verdeeld , en hebben het lot over mijne kleeding geworpen. 36 En zij nederzittende bewaarden hem aldaar. 37 En zij stelden boven zijn hoofd zijne beschuldiging geschreven ; deze is Jezus , de Koning her Joden. |
38 Toen werden met hem twee moordenaars gekniiei^d.ecu ter recrter, en een ter linker [lydr].
39 En die voorbijgingen lasterden hem schuddende hunne hoofden,
40 En zegende : pij die den Tempel afbreekt, en in drie da-pen opbouwt, verlos u zeiven. Indien pij de Zoon Gods gt; zoo kom af van het kruis.
41 En despelijks ook de Over-pri esters met de Schriftee-leerden en Ouderlinpen en Parizeen (Arm] bespottende, zeiden :
42 Anderen heeft hij verlost , hy kan zich zeiven niet verlossen. Indien hij de Koninp Is-raëls is, dat hij nu afkome van het kruis, en wij zullen hem pelooven.
43 Hy heeft op God betrouwd ; dat hij hem nu verlosse , indien hg hem (kW) wil. quot;Want hij heeft pezepd : ik ben Gods Zoon.
4t En hetzelfde verweten hem ook de moordenaars, die met hem pekruisipd waren.
45 En van de zesde ure aan werd er duisternis over de pe-heele aarde, tot de negende ure toe.
46 En omtrent de nepende ure riep Jezus met eene srroote stem, zeppende ; Ei.1, Eli, Lama 8abacuthan1T dat is; inyn God, mjjn God, waarom hebt pij mij verlaten ?
47 En sommipen van die daar stonden , [s Wfc») hoorende , zeiden : deze roept Elias.
4S En terstond een van hen [torjloopende nam eene spons, en (rfie) met edik pevuld hebbende , stak ze op eenen riet-stok, en paf hem te drinken.
49 Doch de anderen zeiden : houd op , laat ons zien of Elias komt, om hem te verlossen.
50 En Jezus wederom met eene eroote stem roepende , paf den Keest.
51 En zie, het voorhanpsel des Tempels scheurde in twee-en, van boven tot beneden ; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden.
52 En de praven werden pe-opend, en vele lipchamen der heilipen, die ontslapen waren, werden oppewekt.
53 En uit de praven uitpepaan zijnde na aijne opstandinp, kwamen ze in de heilipe stad,
zijn velen verschenen.
NGEL1UM HooMst. 27. 28.
51 En de Hoofdman over honderd, en die met hem Jezus bewaarden, ziende de aardbevinp. en de dinpen die pcschied waren, werden zeer bevreesd, zeppende : waarlijk, deze was Gods Zoon.
55 En aldaar waren vele vrouwen van verre aanschouwende, die Jezus pevolpd waren van Galilea, om hem te dienen ;
56 Onder welke was Maria Mapdalena, en Maria de moeder van Jacobus en Jozes, en de moeder der zonen van Zebedeüs.
57 En als het avond peworden was, kwam een rijk man van Arimathea , met name Jozef, die ook zelf een discipel van Jezus was.
58 Deze kwam tot Pilatus. en bepeerde het licrchaam van Jezus. Toen beval Pilatus . dat [hrm] het ligchaam gegeven sou worden.
59 En Jozef het lipchaam nemende. wond hetzelve in een zuiver fijn lijnwaad ;
60 En leide dat in zyn nieuw praf, hetwelk hij in eene steenrots uitpehouwen had; en eenen prooten steen r*«K»«l de deur van het praf pewenteldhebb en-de pinp hij wep
61 En aldaar was Maria Mapdalena, en de andere Maria . zittende tepenover het praf.
62 Des anderen claaps nu, welke is na de voorberïidinp, vergaderden de Overpriesters en de Parizeen tot Pilatus ,
63 Zeptrende : heer. wij zijn indachtip. dat deze verleider nop levende pezepd heeft: na drie dapen zal ik opstaan.
6t Beveel dan dat het praf verzekerd worde tot den derden dap toe. opdat z\\)ne discipelen misschien niet komen bij nacht, en stelen hem, en zeppen tot het volk : hij is opses\'aan van de dooden ; en (too] zal de laatste dwalinp erper zijn dan deeerste.
65 En Pilatus zeide tot henlieden : gij hebt eene wacht, gaat henen, verzekert het gelijk gg het. verstaat.
66 En zij heengaande verzekerden het praf met de wacht, den steen verzepeld hebbende.
HOOFDSTUK 28. Jn laat (nn] den Sabbat, als het bepon te lichten tepen den eersten [dag] der week . kwam Maria Magdalena. en de ft!»-
|
Hoofdit. iS. VAN MA andere Maria, on» het graf te bezien. 2 En zie, er geschiedde eene fproote aardbeving; want een Engel de» Heeren, nederdalende uit den hemel, kwam toe, en wentelde den steen af van de deur, en zat op denzelveu. S En zijne gedaante was gelijk een bliksem, en rgne kleeding wit gelyk sneeuw. 4 En uit vrees van hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden, en werden als dooden. 5 Maar de Engel antwoordende, zeide tot de vrouwen: vreest gijlieden niet; want ik weet dat gij zoekt Jezus, die gekruisigd was. 6 Hij is hier niet; want hij is opgestaan, gelijk hij gezegd heeft. Komt herwaarts, ziet de plaats waar de Heer gelegen heeft. 7 En gaat haastiglgk heen, en zegt zjjnen discipelen, dat hij opgestaan is van de dooden; en zie, hij gaat u voor naar Ga-lilea; daar zult gij hem zien. Zie, ik heb het ulieden gezegd. 8 En haastiglijk uitgaande vau het graf, met vrees en groote blijdschap, liepen zij henen om [krtzelve] zijnen discipelen te boodschappen. 9 En als zij heengingen om zijnen discipelen te boodschappen, zie, Jezus is haar ontmoet, zeggende; weest gegroet. En zij tot (Afm] komende, grepen zijne voeten, en aanbaden hem. 10 Toen zeide Jezus tot haar : vreest niet; gaat heen, boodschapt mijnen broeders, dat zij heengaan naar Galilea, en aldaar zullen zy mij zien. 11 En als zij heengingen, zie, eenigen van de wacht kwamen in de Mtad, en boodschapten den Overpriestcrs al de dingen die geschied waren. 12 En zij vergaderd zijnde met ue Ouderlingen , en te za-men raad genomen hebbende , gaven zij den krijgsknechten veel gelds, 13 En zeiden ; zegt: zijne discipelen zijn des nachts gekomen, en hebben hem gestolen, als wij sliepen. 14 En indien zulks komt gehoord te worden van den Stadhouder , wij zullen hem tevreden stellen , en maken dat gij zonder zorg zijt. |
fTHEÜS. 99 15 En zij het geld genomen hebbende deden gelijk zij geleerd waren. Eu dit woord ia verbreid geworden bij de Joden tot op den huidigen dag. 16 En de elf discipelen zijn heengegaan naar Galilea, n;»ar den berg waar Jezus hen bescheiden had. 17 En als zij hem zagen, baden zü hem aan; doch sommigen twijfelden. 18 En Jezus bij hen komende sprak tot hen , zeggende : mij is gegeven alle magt in hemel en op aarde.] 19 Gaat dan heen , onderwijst al de volken, dezelve doopende in den naam des Vaders, en des Zoons , en des Heiligen Gees-tes; leerende hen ond erhouden alles wat ik u geboden heb. 20 En zie. ik ben met ulieden al de dageu, tot de voleinding der wereld. Amen. naak [DE BESCHRIJVINO VAN] H HOOFDSTUK 1. et begin des Euangeli-ums van HOOFDSTUK 1. et begin des Euangeli-ums van Jrzu.s Chkisius den Zoon Gods. 2 Gelijk geschreven is in de Profeten : zie, ik zend mijneu Engel voor uw aan^ezigt, die uwen weg voor u henen bereiden zal. 3 De stem des roependen in de woestijn : bereidt den weg des Heeren, maakt zijne paden regt. 4 Johannes was doopende in de woestijn , en predikende den Doop der bekeering tot vergeving der zonden. 5 En al het Joodsche land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem, en werden allen van hem gedoopt in de rivier den Jor-daan, belijdende hunne zonden. C En Johannes was gekleed inet kemelshaar, en met eeneu lederen gordel om zgne lendenen , en at sprinkhanen en wilden honig.l 7 En hij predikte, zeggende: na my komt die sterker is dan ik , wien ik niet waardig ben nederbukkende den riem zijner schoenen te ontbinden. 8 Ik heb ulieden wel gedoopt met |
|
V) HET EÜA met water, maar hij zal u doo-pi-n met den Heiligen Geest. 9 En het geschiedde in die zelfde dagen, dat Jezus kwam van Nazareth, Igtlrgm] in Ga-lilea, en werd van Johanues gedoopt in den Jordaan. lü Eu terstond aio hij uit het water opkloiii, mg hij de hemelen opengaau, en den Geest gelijk eene duif op hem nederdalen. 11 En er geschiedde eene stem uit de hemelen - gij zijt mijn geliefde Zoon, in welken ik mijn welbehagen heb. 12 Eu terstond dreef hem de Geest uit in de woestijn. 13 En bij was aldaar in de woeatijn veertig dagen, verzocht van den satan ; en waH bij de wilde gedierten; en de Engelen dienden hem. It En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Ga-lilea, predikende het Euange-11 um des Koningrijks Gods, 15 En zeggende: de tgd is vervuld, en het Koningrijk Gods nabij gekomen ; bekeert u, en gelooft het Euangelium. 16 En wandelende bij de Gali-leesche zee, zag hij Simon en Andreas zynen broeder, werpende het net in de zee (want zij waren visschers). 17 En Jezus zeide tot hen : volgt mij ua. en ik zal maken dat gij visschers der inenachen zult worden. 18 En zij terstond hunne netten verlatende zijn hem gevolgd. 19 En van daar een weinig voortgegaan zijnde, rag hij Jacobus den (toonl van Zebedeüs, en Johannes zijnen broeder, en dezelve in het schip hunne netten vermakende. 20 Eu terstond riep hij hen; en zij latende hunnen vader Zebedeüs in het schip met de huurlingen , zijn hem nagevolgd. 21 En zij kwamen binnen Ka-pernaüm ; en terstond op den Sabbatdag in de Synagoge gegaan zijnde, leerde hij. 22 En zij versloegen zich over zyne leer ; want hjj leerde hen als magt hebbende, en niet als de Schriftgeleerden. 23 En er was ia hunne Synagoge een mensch met eenen onrei-nen geest, en hij riep uit, SM Zeggende ; laat af, wat |
NGELIUM Hoofdst. 1. hebben wij met u [te doen], gij Jezus, Nazarener ? Zijt gij gekomen om ons te verderven ? Ik ken u , wie gij zyt ,lt;(namr(ijft] de Heilige Gods. 25 En Jezus bestrafte hem, zeggende : zwyg stil, en ga uit van hem. 26 En de onreine geest hem scheurende, en roepende met eene groote stem, giug uit van hem. 27 En zij werden allen verbaasd , zoodat zij onder elkander vraaeden, zeggende : wat is dit ? quot;Wat nieuwe leer is deze, dat hij met magt ook de onreine geesten gebiedt, en zij hem gehoorzaam zyn ? 28 En zijn gerucht ging terstond uit in het geheele omliggende land van Galilea. 29 En van stonden aan uit de Synagoge gegaan zijnde, kwamen zij in het huis van Simon en Andreas m^t Jacobus en Johannes. 30 En Simons vrouws moeder lag met de k jo rts; en terstond zeiden zy hem van haar. 31 En hy tot haar gaande vatte hare hand, en rigtte haar op ; en terstond verliet haar de koorts, en zij diende henlieden. 32 Als het nu avond geworden was, toen de zon onderging, bragten zij tot 1 fin allen «lie kwalijk gesteld ei vAn den duivel bezeten warea. 33 En de geheel i stad was bijeen vergaderd omtrent de deur. 34 En hij genas er velen, die door verucheidene ziekten kwalijk gesteld waren,;en wierp vele duivelen uit, eu liet de duivelen niet toe te opreken, omdat. zij hem kendei. 35 En des morgens vroeg, als het nog diep in den nacht was, opgestaan zijnde g:ng hij uit, en ging henen in eene woeste plaats, en bad aldaar. 36 En Simon, en die met hem [uinrrn], zijn hem nagevolgd. 37 En zij hem gevonden hebbende zeiden tot hem : zy zoeken u allen. 38 En hij zeide tot hen ; laat ons in de bijliggende vlekken gaan, opdat ik ook daar predi-ke ; want daartoe ben ik uitgegaan. 39 En hy predikke in hunne Synagogen door gtheel Galilea, en wierp de duivden uit. 40 En tot hem kivatn een mc- laat- |
|
Hoofdst. 1. 2. VAN M. laatsche, biddende hem, en vallende voor hem op de knieën, en tot hen zegffende: indien gij wilt, gij kunt mij reinigen. ■tl En Jezus met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, strekte de hand uit, en raakte hem aan, en zeide tot hem: ik wil, word gereinigd. 42 En als hij (\'ftt) gezegd had, ging de melaatschheid terstond van hem, en hij werd gereinigd. 43 En als hij hem strengelijk verboden had, deed hij hem terstond van zich gaan, 44 En zeide tot hem: zie, dat gij niemand iets zegt; maar ga henen en vertoon u zeiven den Priester, en offer voor uwe reiniging hetgeen Mozes geboden heeft, hun tot eene getuigenis. 45 Maar hjj uitgegaan zijnde begon vele dingen te verkondigen, en dat woord te verbreiden , alzoo dat hij niet meer konde openbaarlijk in de stad komen, maar was buiten in de woeste plaatsen; en zij kwamen tot hem van alle kanten. Ip HOOFDSTUK 3. [in na [lt;ommi;;r] dagen is hg wederom binnen Kapernaüm gekomen ; en het werd gehoord dat hij in huis was.p HOOFDSTUK 3. [in na [lt;ommi;;r] dagen is hg wederom binnen Kapernaüm gekomen ; en het werd gehoord dat hij in huis was. 2 En terstond vergaderden (tinnr] velen, alzoo dat ook zelis de Iplantien] omtrent de deur (/if/t) niet meer konden bevatten ; en hij sprak het woord tot hen. 3 En er kwamen [«ommij/m) tot hem, brengende tenen geraakten, die van vier gedragen werd. 4 En niet kunnende tot hem genaken overmits de schtre , ontdekten zij het dak waar hij was; en [\'fntj opgebroken hebbende, lieten zij het beddeken neder daar de geraakte op lag. 5 En Jezus hun geloof ziende, zeide tot den geraakten : zoon, uwe zonden zijn u vergeven. 6 En sommigen van de Schriftgeleerden zaten aldaar, en overdachten in hunne harten : 7 Wat spreekt deze aldus [Golt;i(]la8teringen ? Wie kan de zonden vergeven dan alleen God? 8 En Jezus terstond in zijnen geest bekennende dat zij alzoo in zich zeiven overdachten, zeide tot hen : wat overdenkt gij deze dingen in uwe harten ? |
VRKUS. 41 9 Wat is ligter, te zeggen tot den geraakten ds zonden zijn u vergeven ; of t; zeggen : sta op, en neem uw beddeken op, en wandel ? 10 Doch opdat gij moogt weten, datlt;de Zoon des menschen inagt heeft om de zonden op de aarde te vergeven (zeide hij tot den geraakten): 11 Ik zeg u: stsi op, en neem uw beddeken op, en ga henen naar uw huis. 12 En terstond stond hij op en het beddeken opgenomen hebbende, ging hij uit in aller tegenwoordigheid ; zoodat zij zich allen ontzetten, en verheerlijkten God, zeggende : wij hebben nooit zulks gezien. 13 En hij ging wederom uit naar de zee; en de geheele schare kwam tot hem, en hij leerde hen. 14 En voorbijgaande zag hij Levi [den toon) van Alpheus zitten in het tolhuis, en zeide tot hem : volg mij. En hij opstaande volgde heui. 15 En het geschiedde als hij aanzat in deszelfs huis, dat ook vele tollenaren en zondaren aanzaten met Jezus en zijne discipelen; want zij waren velen, en waren hem gevolgd. 16 En de Schriftgeleerden en de Farizeën, ziende hem eten met de tollenaren en zondaren, zeiden tot zijne discipelen: wat (t* \'lt;) , dat hij met de tollenaren en zondaren eet en drinkt ? 17 En Jezus hoorende zeide tot hen : die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet noodig, maar die ziek zijn; ik ben niet gekomen om te roepen regtvaardigen, maar zondaars tot bekeering. 18 En de discipelen van Johannes en van de Farizeën vastten ; en zg kwamen en zeiden tot hen: waarom vasten de discipelen van Johannes en van de Farizeën, en uwe discipelen vasten niet ? 19 En Jezus zeide tot hen : kunnen ook de bruiloftskinderen vasten , terwijl de bruidegom bij hen is ? Zoo langen tijd zij den bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten. 20 Maar de dagen zullen komen, wanneer de brv.idegom van hen zal weggenomen zijn , en alsdan zullen zij vasten in dezelve dagen. 21 £n |
43
|
pen xij uit om hem vast te houden; want rij zeiden - bij is buiten zijne zinnen. 22 En de Schriftgeleerden, die van Jeruzalem afeekomen waren, zeiden : hij heeft Beëlze-bul, en door den Oversten der duivelen werpt hij de duivelen uit. 23 En hen tot zich geroepen hebbende, zeide hij tot hen in Kelykenissen : hoe kan de satan den satan uitwerpen ? 21 En indien een konin^rük tegen zich zeiven verdeeld is, zoo kan dat koningrijk niet bc- 23 En indien een huis tesren zich zeiven verdeeld is, zoo kan dat huis niet bestaan. En indien de satan tegen zich zeiven opstaat, en verdeeld is. zoo kan hij niet bestaan, maar heeft een einde. 27 Er kan niemand in het huis van eenen sterken ingaan en zijne vaten ontrooven , indien hij niet eerst den sterken bindt; en alsdan zal hij zyn huis be- 28 Voorwaar ik zeg u , dat al de zonden den kinderen der menscben zullen vergeven worden , en allerlei lasteringen waarmede zij zullen gelasterd hebben. 29 Maar zoo wie gelasterd zal hebben tegen den Heiligen Geest, die heeft ceene vergeving in der eeuwigheid, maar bij is schuldig des eeuwigen oor- 30 Want zij zeiden : hij heeft eenen onreinen geest. 31 Zoo kwamen dan zijne broeders en zijne moeder; en buiten staande zonden zij tot hem, en riepen hem. 32 En de schare zat rondom hem; en zij zeiden tot hem: zie, uwe mot-der en uwe broeders daar buiten zoeken u. 33 En hij antwoordde hen , zeegande : wie is myne moeder, of mijne broeders ? 31 En rondom overzien hebbende die om hem zaten , zei-de hij : zie, myne moeder en mijne broeders. 35 Want zoo wie den wil Gods doet, die is miju broeder, en mijne zuster, en moeder. |
vn hij begon wederom t« letren omtrent de zee; en er vergaderde eene groote schare bü hem, alzoo dat hg in het schip gegaan z^\'nde nederzat op de zee ; en de peheele schare was op het land aan de zee. 2 En bü leerde ben vele dingen door gelijkenissen, en hg zeide in zijne leering tot 3 Hoort toe ; zie, een zaaijer ging uit om te zaaijen. 4 En bet geschiedde in \'t zaaijen, dat het eene [drtl ztinds] viel bij den weg; en de vogelen des hemels Jcwamen , en 5 En bet andere viel op het steenachtige, waar \'t niet veel aarde bail; en bet ging terstond op, omdat bet geene diepte van aarde bad. 6 Maar als de zon opgegaan was, zoo is bet verbrand geworden, en omdat het geenen woiquot; tel bad zoo is het verdord. 7 En het andere viel in de dooi» nen ; en de doornen wiessen op, en verstikten hetzelve; en bet sraf geene vrucht. 8 En bet andere viel in de (roede aarde, en gaf vrucht, die opging en wies; en bet eene droeg dertig, en bet andere zestig , en het andere honderd [t\'OU-i). 9 En hij zeide tot ben: wie ooren beeft om te booren , die boore. 10 En als bü nu alleen was, degenen die omtrent hem (tcn-rca), met de twaalven, vraagden hem naar de gelijkenis. 11 En bij zeide tot, ben ; het is u gegeven te verstaan de verborgenheid des Koningrijks Gods; maar degenen die buiten zijn geschieden al deze dingen door gelijkenissen ; 12 Opdat zij ziende zien , en niet bemerken; en boorende booren, en niet verstaan; opdat zg zich niet t\' eeniger tijd be-keeren, en hun de zonden vergeven worden. 13 En bij zeide tot ben; .weet gij deze gelijkenis niet? En hoe zult gij al de gelijkenissen verstaan ? 14 De zaaijer [i», die] het woord zaait. 15 En deze zijn, die bij den weg [hexnnid worden] , waarin het woord gezaaid wordt; en als zij bet gehoord hebben, zoo komt de satan terstonil, en neemt het woord weg, hetwelk in hunne harten gezaaid mus. |
|
44 HET EU/ 16 En deze zijn desRelyks , die op de gteenarhtige [pinnijm] bezaaid worden ; welke als zij het woord gehoord hebben, terstond hetzelve met vreugde ontvangen, 17 En hebben geenen wortel in zich zelveu, maar zijn voor eenen tijd. Daarna als verdrukking of vervolging komt om de* woords wil, zoo worden zij terstond geërgerd. 18 En deze zijn, die in de doornen bezaaid worden, [nnmrlijfc] detrenen, die het woord hooren. 19 En de zorgvuldigheden dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms, en de begeerlijkheden omtrent de andere dingen inkomende, verstikken het woord, en \'t wordt onvruchtbaar. 20 En deze zijn, die in de goede aarde bezaaid zijn; welke het woord hooren en aannemen,en dragen vruchten , het eene dertig, en het andere zestig, en het andere honderd [roud]. 21 En hij zeide tot hen: komt ook de kaars, opdat zii onder de korenmaat of onder net bed gezet worde? (J* \'tj niet opdat zij op den kandelaar gezet worde ? 22 Want er is niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden; en er i» niets geschied (om) verborgen (te rijn], maar opdat het in \'t openbaar zoude komen. 23 Zoo iemand ooren heeft om te hooren, die hoore. 2t En hij zeide tot hen : ziet wat gij hoort. Met wat maat gij meet zal u gemeten worden, en ti die hoort zal [mlt;er] toegelegd worden. 23 Want zoo wie heeft, dien zal gegeven worden; en wie niet heeft, van dien zal genomtn worden ook wat hij heeft. 26 En hij zeide : alzoo is het Koninsfrijk Gods, gelijk of een mensc.h het zaad in de aarde 27* En (roorlfl sliep en opstond nacht en dap. en het zaad uitsproot, en T»^.g werd, dat hij zelf niet wist hoe. 28 Want de aarde brengt van zelve vrucht voort; eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar. 29 En als de vrucht (ziefcj voordoet, terstond zendt hij de sikkel er in, omdat de oogst daar is. 30 En hy zeide: waarbij zullen |
NGELIUM Hoofdst. 4, 5. wij het Koningrijk Gods vergelijken ? Of met wat gelijkenis zullen wij hetzelve gelijken ? 31 [ATnmrtijfcl bij een mostaardzaad , hetwelk, wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het minste is van al de zaden die op de aarde [zijn]. 32 En wanneer \'t ffezaaid is, gaat het op en wordt het meeste van al de moeskruiden , en maakt groote takken, alzoo dat de vogelen des hemels onder zijne schaduw kunnen nestelen. 33 En door zulke gelijkenissen vele sprak hij tot hen het woord, naar dat zij het hooren konden. 34 En zonder gelükenis sprak hij tot hen niet; maar hij verklaarde alles zynendiscipelen in \'t bijzonder. 35 En op denzelfden dag, als \'t nu avond geworden was, zeide h(j tot hen ; laat ons overvaren aan de andere zijde. 36 En zij de schare gelaten hebbende namen henrmede, gelijk hij in \'t schip was ; en er waren nog andere scheepjes 37 En er werd e2n groote storm van wind, en de baren sloegen over in \'t schip, alzoo dat het nu vol werd. 38 En hij was in \'t achterschip, slapende op een oorkussen ; en zij wekte n hem op , en zeiden tot hem : Meester , bekommert het u niet dat wij vergaan? 39 En hij opsrowekt zijnde bestrafte den wind, en zeide tot de zee : zwijg, wees stil. En de wind gin et liggen, en er werd groote stilte. •M) En hij zeide to-; hen : wat zijt gij zoo vreesachtig ? Hoe , hebt gij eeen geloof? 41 En zij vreesden met eroote vrees, en zeiden to*, elkander : wie is toch deze, dat ook de wind en de zee hem gehoorzaam zijn ? E HOOFDSTUK 5. n zö kwamen over op de andere zijde der zee, in \'t land der Gadarenen. HOOFDSTUK 5. n zö kwamen over op de andere zijde der zee, in \'t land der Gadarenen. 2 En zoo hij uit het \'chip gedaan was, terstond ontmoette hem uit de graven een mensch met eenen onreinen geest; 3 Welke [zijne] woning in de graven had, en nitmand konde |
|
Hoofdat. 5. VAN M. hem hinden, ook zelfs niet met ketenen. 4 Want hij wns menitrma.il met boegen en ketenen gebonden pe-weest, en de ketenen waren van hem in stukken getrokken en de boeijen verbrijzeld, en niemand was magtig om hem te temmen ; 5 En hij was altijd nacht en da;? op de bergen en in de graven, roepende en slaande zich zeiven met steenen. 6 Als hij nu Jezus van verre zag, liep hij [tor] en aanbad hem. 7 En met eene groote stem roepende , zeide hij : wat heb ik met u [te dom], Jezus, gij Zoon Gods des Allerhoogsten ? Ik bezweer u by God, dat gij mij niet pijnigt. 8 (Want nij zeide tot hem : gij onreine geest, ga uit van den mensch.) 9 Eu hij vraagde hem : welke is uw naam? En hij antwoordde, zeggende ; mijn naam is Legio, want wij zijn velen. 10 En hij bad hem zeer, dat hü hen buiten dat land niet wegzond. 11 En aldaar aan de bergen was eene groote kudde zwijnen weidende ; 12 En al de duivelen baden hem, zeggende ; zend ons in die zwynen, opdat wij in dezelve mogen varen. 13 En Jezus liet het hun terstond toe; en de onreine geesten uitgevaren zijnde, voeren in de zwgnen ; en de kudde stortte van de steilte af in de zee, (er waren er nu omtrent twee duizend) en versmoorden in de zee. 14 En die de zwijnen weidden zijn gevlugt, en boodschapten [xult;fc(] in de stad en op aet land ; en zy gingen uit om te zien wat het was, dat er geschied was. 15 En zij kwamen tot Jezus en zagen den bezetenen zittende, en gekleed, cn wel bij zijn verstand, Inamrlijk] die het legioen gehad had; en zy werden bevreesd. 16 En die het gezien hadden vertelden hun wat den bezetenen geschied was, en [ook] van de zwijnen. 17 En zy begonnen hem te bidden, dat hij van hunne landpalen wegging. 18 En als hij in \'t schip ging, |
VRKUS. 43 bad hem degene die bezeten wns geweest, dat hij met hem mogt zijn. 19 Doch Jezus l\'et hem [rfofj niet toe , maar zeide tot hem : ga henen nanr uw huis tot de uwen , en boodschap hun wat groote dingen u de lieer gedaan heeft, en [Ao^) hy zich uwer ontfermd heeft. 20 En hg ging henen, en begon te verkondigen in het [tnnd] van Dekapolis wat groote dingen hem Jezus gedaan had ; en zij verwonderden zich allen. 21 En als Jezus wederom in \'t schip overgevaren was aan de\'andere zijde, vergaderde eene groote schare bij Lem; en hij was by de zee. 22 En zie, er kwam een van de Oversten der Synagoge, met name Jaïrus, en hem ziende viel hij aan zijne voeten, 23 En bad hem zeer, zeggende: mijn dochtertje is in baar uiterste ; (ifc fiirf w] dat gij komt en de handen op haar legt, opdat zij behouden worde, en zij zal leven. 2t En hij ging met hem, en eene groote schare volgde hem , en zij verdrongen hem. 25 En eene zekere vrouw, die twaalf jaren den vloed des bloeds gehad had, 26 En veel geleden had van vele medicijnmeesters, en al het hare [ilnarnnn] te koste gelegd , en geen baat gevonden had, maar met welke het veeleer erger geworden was ; 27 llietc] van Jezus hoerende, kwam onder de schare van achteren , en raakte zijn kleed 28 Want zij zeide: indien ik maar zijne kleederen mag aanraken, ik\' zal gezond worden. 29 En terstond is de fontein haars bloeds opgedroogd; en zij gevoelde aan haar ligchaam, dat zij van die kwaal genezen 30 En terstond Jezus bekennende in zich zeiven de kracht, die van hem uitgegaan was, keerde zich om in de schare, en zeide: wie heeft mync kleederen aangeraakt f 31 En zijne discipelen zeiden tot hem : gij ziet dal de schare u verdringt, en zegt gy : wie heeft mij aangeraakt; 32 En hij zag rondom, om haar te zien, die dat gedaan had. 33 En |
|
33 En de vrouw vreercnde en bevende, wetende wat aan haar geschied was, kwam en viel voor hem neder, en eeide hem al de waarheid. 34 En hy zeide tot haar- dochter , uw geloof heeft u behouden-, ga henen in vrede, en zijt genezen van deze uwe kwaal. 35 Terwijl hy nog sprak kwamen (lt;rnif/fn) van des Oversten der Synagoge »1, zeggende : «we dochter is gestorven ; wat zijt gij den Meester nop moeijelijk ? 36 En Jezus terstond gehoord hebbende \'t woord dat er gesproken werd, zeide tot den Oversten der Synntroge : vrees niet, geloof alleenlijk. 37 En hy liet niemand toe hem te volgen dan Petrus, en Jacobus, en Johannes den broeder van Jacobus; 38 En kwam in \'t huis van den Oversten der Synafjoge, en zag de beroerte len dromen] die zeer weenden en huilden. 39 En ingegaan zijnde , zeide hij tot heu : wat maakt gij beroerte, en (icntj weent gij ? Het kind is niet gestorven , maar het slaapt. 40 En zij belivhten hem; maar hij, als hij hen allen had uitgedreven, nam bij zich den vader en de moeder des kinds, en degenen die met hem [tenrm\', , en ping binnen waar het kind tag. 41 En hij vatte de hand Ües kinds, en zeide tot haar ; Talitha kümi! hetwelk is zijn-Ie overgezet; gij dochtertje , ik zeg u :) sta op. 42 En terstond stond het dochtertje op, en wandelde; want het was twaalf jaren [ouj] ; en zij ontzetten zich met groote ontzetting. 43 En hij gebood hun zeer, dat niemand zou datzelve weten , en zeide dat men haar zoude te eten geven. •T7« HOOFDSTUK C. 1 iin hij ging van daar weg, cn kwam in zijn vaderland, en zijne discipelen volgden hem. 2 En als net Sabbat geworden was, begon hg in de Svnagoge te leeren; en velen die (A«n] hoorden ontzetten zich, zeggende: van waar (Aiomra] dezen deze dingen ? En wat wijsheid is dit die hem gegeven is, dat |
NÖELIüM Hoofdst S, ook zulke krachten door zijne handen geschieden ? 3 Is deze niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broeder van Jacobus en Jozea, en van Judas en Simon? En zgn *g-ne zusters niet hier bg ons ? En zij werden aan hem geërgerd. 4 En Jezus zeide tot hen ; een Profeet is niet ongeëerd dan in zijn vaderland, en onder («ijnr] magen, en in zijn huis. 5 En hij konde aldaar gcene kracht doen; dan hij leide weinige zieken de handen op, en genas hen. 6 En hij verwonderde zich over hun ongeloof, cn omging de vlekken [dnar] rondom , lee-rende. 7 En hij riep tot zich de twaalven , en begon hen uit te zenden twee aan twee, en gaf hun magt over de onreine geesten. 8 Eu hg gebood hun, dat zij niets zouden nemün tot den weg, dan alleenlijk een en staf ; geene male , geen brood , geen geld in den gordel; 9 Maar dat zij schoenzolen zouden aanbinden, en met geen twee rokken gekleed zijn. 10 En hij ztide tot hen : zoo waar gij in een huis zult ingaan, blijft daar totdav. gij van daar uitgaat. 11 En zoo wie u niet zullen ontvangen, noch u hooren, vertrekkende van daar, schudt het stof af, dat onder aan uwe voeten is, hun tot eene getuigenis. Voorwaar zrg ik u : het zal Sodom of Gomorra verdra-gelijker zijn in den iag des oordeels, dan dezelve stad. 12 En uitgegaan zijnde predikten zg, dat zij aich zouden bekeeren. 13 En zg wierpen vele duivelen uit, en zalfden vele kranken niet olie, cn maakten hen gezond. 14 En de Koning Herodes hoorde het (want zijn naam was openbaar geworden) en zeide- Johannes, die daar doopte, is van de dooden opgewekt, en daarom werken die krachten in hem. 15 Anderen zeiden; hij is Eli-as , en anderen zeiden : hij it een Profeet, of als een der Profeten. 16 Maar als het Kerodes hoorde , zeide hij : deze i* Johannes, dien ik onthoofd heb; dio is van de dooden opgewekt. v7 Want |
|
17 Want dezelfde Herodes (rrnigrn] uitgezonden hebbende, had Johannes gevangen genomen, en hem In defrevanpe-nis gehouden, uit oorzaak van Herodias de huisvrouw van zijnen broeder Philippus , omdat hü haar petrouwd had. 18 Want Johannes zeide tot Herodes : het is u niet Reoor-loofd de huisvrouw uws broeders te hebben. 19 En Herodias leide op hem toe, en wilde hem duoden, en konde niet; 20 Want Hero des vreesde Johannes, wetende dat hij een re^tvanrdif; en heilig man was, en hield hem in waarde; en als hij hem hoorde deed hy vele dingen, en hoorde hem gaarne. 21 En als er een welgelegen dag gekomen was, toen Herodes op den dag zijner geboorte eenen maaltijd aanrigtte voor zijne Grooten, en de Oversten over duizend, en de voornaam-6ten van Galilea ; 22 En als de dochter van dezelve Herodias inkwam, en danste, en Herodes, en degenen die mede aanmaten behaagde, zoo zeide de Koning tot het dochtertje : eisch van mij wat gij ook wilt, en ik zal \'t u geven. 23 En hg zwoer hanr: zoo wat gij van mij zult eischen zul ik u geven , [oofc] tot de helft mijns Eoningrijks. 21 En zy uitgegaan zynde zeide tot hare moeder: wat zal ik eischen ? En die zeide : het hoofd van Johannes den Doo-per. 25 En zg terstond met haara ingaande tot den Koning, heeft het gecischt, zeggende : ik wil dat gij ing nu terstond in eenen schotel geeft het hoofd van Johannes den Dooper. 2C En de Koning zeer bedroefd geworden zijnde , (nog-tnn»l om de eeden, en degenen die mede aanzaten, wilde hij haar (ftrftrfit*) niet afslaan. 27 En de Koning zond terstond eenen scherpregter, en gebood zyn hoofd daar te brengen. Deze nu ging heen, en onthoofdde hem in de gevangenis, 28 En bragt zijn hoofd in eenen schotel, en gaf hetzelve het dochtertje , en het dochtertje gaf hetzelve hare moeder. v29 En als zgne discipelen [di(] |
hoorden, gingen zg en namen zijn dood ligchaain weg, en leiden dat in een graf. 30 En de Apostelen kwamen (tcerfrr) te zamen tot Jezus, en boodschapten hem alles, beide wat zij gedaan hadden, en wat zij geleerd hadden. 31 En hg zeide tot hen; komt trijlieden in eene woeste plaats hier alleen, en rust een weinig, want er waren velen die kwamen en die gingen ; en zij hadden zelfs geenen gelegenen tgd 32 En zij vertrokken in een schip, naar eene woeste plaats alleen. 33 En de scharen zagen hen heenvaren, en velen werden hem kennende, en liepen geza-inenlgk te voet van alle steden derwaarts, en kwamen hen voor, en gingen te zamen tot hem. 34 En Jezus uitgaande zag eene Rroote schare, en werd innerlijk met ontferming bewogen over hen ; want zij waren als schapen die geenen herder hebben ; en hij begon hen vele dingen te leeren. 33 En als \'t nu laat op den dag geworden was, kwamen zgne discipelen tot hem , -n zeiden : deze plaats is woest, en het is nu laat op den dag. 36 Laat hen van u, opdat zij heengaan in de omliggende dorpen en vlekken, en brooden voor zich zeiven mogen koo-pen ; want zg hebben niet wat zij eten zullen. 37 Maar hij antwoordende zeide tot hen: geeft gij hun te eten. En zij zeiden tot hem : zullen wij heengaan, en koopen voor twee honderd penningen brood, en hun te eten geven ? 38 En hij zeide tot hen : hoe veel brooden hebt gij ? Gaat henen en beziet (fcWJ. En toen zij het vernomen hadden , zeiden zij : vijf, en twee visschen. 39 En hij gebood hun dat zij hen allen zouden doen neder-zitten bg waardschappen op het groene gras. 40 En zij zaten neder in gedeelten bij honderd te zamen, en bij vijftig te zamen 41 En als hij de vgf brooden en de twee viaschen genomen had, zag hg op naar den hemel, zegende, en brak de brooden, en gaf ze zijnen discipelen, opdat zij ze hun zouden voorleggen ; eu |
|
en de twee visschen deelde hij voor allen. 42 En zij aten allen, en zijn verzadigd geworden. 43 En zg namen op twaalf volle korven brokken, en van de visschen. 41 En die daar de brooden gegeten hadden , waren omtrent vijf duizend mannen. 45 En terstond dwong hij zijne disripelen in het sehip te gaan, en voor heen te varen aan de andere zijde, tegen[oi\'fr] Bethsai-da, terwijl hij de schare van zich zou laten. 46 En als hij dezelve hun afscheid gegeven had, ging hij op den berg om te bidden. 47 En als het nu avond was geworden , zoo was \'t schip in \'t midden van de zee , en hij was alleen op het land. 48 En hij zag dat zij zich zeer pijnigden om [\'lt; «chip] voort te krijgen , (want de wind was hun tegen). En omtrent de vierde wake des nachts kwam hij tot hen, wandelende op de zee, en wilde hen voorbijgaan. 40 En zij ziende hem wandelen op dc zee, meenden dal het een spooksel was, en schreeuwden zeer. 50 Want zij zagen hem allen, en werden ontroerd; en terstond sprak hij met hen, en zeide tot hen : zijt welgemoed , ik ben \'t; vreest u niet. 51 En hij klom tot hen in het schip, en de wind stilde; en zij ontzetten zich bovenmate zeer in zich zeiven, en waren verwonderd ; 52 Want zij hadden niet gelet op mirnkel] der brooden ; want hun hart was verhard. 53 En als zg overgevaren waren , kwamen zij in \'t land Genesaret, en havenden aldaar. 54 En als zij uit \'t schip gegaan waren, terstond werden zij hem kennende; 55 [Bn] het geheele omliggende land doorloopende, begonnen zij op beddekens, degenen die kwalijk gesteld waren, om te dragen, ter plaatse waar zij hoorden dat hij was. 56 En zoo waar hij kwam in vlekken, of steden, of dorpen, daar leiden zij de kranken op de markten, en baden hem, dat zij maar den zoom zijns kleeds aanraken mogten. En zoo velen \'JGELlUM ttoofdst. 6, 7. als er hem aanraakten werden gezond. |
Ïn HOOFDSTUK 7.n HOOFDSTUK 7. Jn tot hem vergaderdon de Farizeën , en sommigen der Schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren ; 2 Eu ziende dat sommigen van zijne discipelen met onreine, dat is, met ongewasschene handen brood aten , berispten zg (fcm]. 3 Want de Farizeën en al de Joden eten niet, tenzij dat zij [eerst] de handen dikwijls was-schen , houdende de inzetting der Ouden. 4 En van de markt eten zij niet, tenzij datzg [rrrtl] gewasschen zijn. En vele andere dingen zijn er, die zij aangenomen hebben te houden, (n/» nn-i.i rlijk] de wusschingen der drinkbekers, en kannen, en koperen vaten, en bedden. 5 Daarna vraagden hem de Farizeën en de Schriftgeleerden : waarom wandelen uwe discipelen niet naar de inzetting dei-Ouden , maar eten het brood met ongewasschene handen ? 6 Maar hij antwoordde en zei-de tot hen: wel heeft Jesajas van u geveinsden geprofeteerd , gelijk geschreven is : dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart houdt zich ver van 7 Doch te vergeefs eeren zij mij , leerende lesringen , [di^] geboden [«ijn] de- menschen. 8 Want nalatende \'t gebod Gods, houdt gij de inzettingen der menschen , (n/« ttfti.e-lijkl wassching der kannen en drinkbekers, en a»-.-lcie dergelijke dingen doe*, gij vele. 9 En hij zeide tot hen: gij doet [zeker] God» gebod wel te niet, opdat gij uwe inzetting zoudt onderhoii\'len. 10 Want Mozes heeft gezegd: eer uwen vader en uwe moeder. En; wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven. 11 Maar gijlieden zegt: zoo een mensch tot vader of moeder zegt: l/iet igt;] Corban , (dat is [te xegijen] eene gave,) zoo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen (rfie voldoet] ; 12 En gij laat hem niet meer toe, iets aan zijnen vader of zijne moeder te deen , 13 Makende [n{zoo] Gods woord |
|
Hoofdst. 7, 8. VAN M- woord krachteloo# door uwe in-zettinfr, die pij ingezet hebt; en dergelijke dingen doet gij vele. 14 En tot ïich de gansche schare geroepen hebbende, zei-de hij tot hen : hoort mü allen en verstaat. 15 Er is niets van buiten den inensch in hem ingaande, hetwelk hem knnontreini^en.Maar de dingen die van hem uitgaan, die zijn het welke den inensch ontreinigen. 16 Zoo iemand ooren heeft om te hooren, die hoore. 17 En toen hij van de schare in huis gekomen was, vraagden hem zijne discipelen van de gelijkenis. 18 En hij zcide tot hen : zijt ook gij alzoo onwetend ? Verstaat gij niet, dat al wat van buiten in den mensrh ingaat, hem niet kan ontreinigen ? 19 Want het gaat niet in zijn hart, maar in den buik. en gaat in de heimelijkheid uit, reinigende al de spijzen, 20 En hij zeide; hetgeen uitgaat uit den mensch, dat ontreinigt tien mensch, 21 Want van binnen uit het hart der menschen komen voort, kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen, 22 Dieverijen , gierigheden , boosheden , bedrog, ontuchtigheid, booze oogen, lastering, hoovaardij, onverstand. 23 Al deze booze dingen komen voort van binnen, en ontreinigen den mensch. En van daar opstaande ging hij weg naar de landpalen van Tyrus en Sidon;, en in een huis gegaan zijnde, wilde hij niet dat het iemand wist; en hg konde (no(;fan»],niet verborgen zijn. 25 Want eene vrouw, welker dochtertje eenen onreinengeest had, van hein gehoord hebbende, kwam en viel neder aan zijne voeten. 26 Deze nu was eene Grieksche vrouw, van geboorte uit Syro-Phenicië, en zij bad hem, dat hij den duivel uitwierp uit hare dochter. 27 Maar Jezus zeide tot haar-laat eerst de kinderen verzadigd worden; want het is nietbeta-melijk, dat men het brood der kinderen neme, en den hondekens [tioor]werpe. 28 Maar zij autwoordde en |
IRKÜS, 4* zeide tot hem: ja Heer, doch ook de hondekens eten ouderde tafel van de kruimkens der kinderen. 29 En hij zeide tot haar: om dezes woords wil, ga henen; de duivel is uit uwe dochter uitgevaren. 30 En als zij in haarhuis kwam, vond zij dat de duivel uittre-varen was, en de dochter liggende op het bed, 31 En hij wederom weggegaan zijnde van de landpalen van Tyrus en Sidon, kwam aan de zee van Galilea, door het midden der landpalen van Dekapolis, 32 En zijbragten tot hemeenen dooven, die zwaarlijk sprak, en baden hem dat hij de hand op hem leide, 33 En hem van de schare alleen genomen hebbende, stak hg zijne vingeren in zijne ooren, en gespogen hebbende raakte hij zijne tong aan. 34 En opwaarts ziende naar den hemel, zuchtte hij, en zeide tot hem ; Effatha ! dat is : word geopend, 35 En terstond werden zyne ooren geopend, en de band zijner tong werd los, en hij sprak regt, 36 En hij gebood hunlieden dat zij het niemand zeggen zouden ; maar wat hij hun ook gebood, zoo verkondigden zij het des te meer, 37 En zij ontzetten zich bovenmate zeer, zeggende: hij heeft alles wel gedaan, en hij maakt dat de dooven hooren, en de stommen^preken. I HOOFDSTUK 8, n die zelfde dagen, als er eene geheel groote schare was, en zij niet hadden wat zij eten zouden, riep Jezus zijne discipelen tot zich. en zeide tot hen: HOOFDSTUK 8, n die zelfde dagen, als er eene geheel groote schare was, en zij niet hadden wat zij eten zouden, riep Jezus zijne discipelen tot zich. en zeide tot hen: 2 Ik word innerlijk met ontferming bewogen overdeschare; want zy nu drie dagen bij mij gebleven zijn, en hebben niet wat zij eten zouden. 3 En indien ik hennuchteren naar hun huis laat gaan, zoo zullen zy op den weg bezwijken; wantBomiuigea van hen komen 4 En zijne discipelen antwoordden hem : van waar zal iemand dezen met broeden hier in de woestijn kunnen verzadigen 7 C 5 En |
|
M HET EUA: 5 En hij vraagde hun. hoe veel brooden hebt gij \' En zg zeiden : 6 En hij gebood de schare neder te zitten op de aarde, en hij nam de zeven broaden, en gedankt hebbende brak hij ze, cn gaf ze zijnen discipelen, opdat zij ze zouden voorleggen, en zij leiden ze de schare voor. 7 En zij hadden weinige visch-Jes; en als hij ze gezegend had, zeide hij, dat zij ook die zouden voorleggen. 8 En zij hebben gegeten, en zijn verzadigd geworden, en zij namen het overschot der brokken op, zeven manden. 9 Die nu gegeten hadden waren omtrent vierduizend; en hij liet hen gaan. 10 En terstond in \'t schip gegaan zijnde met zijne discipelen, is hij gekomen in de doelen van Dalmanutha. 11 En de Farizeën gingen uit, cn begonnen met hem te twisten, begeerende van hem een teeken van den hemel, hem verzoekende. 12 En hij zwaarlijk zuchtende in zijnen geest, zeide : wat be-peert dit geslacht een teeken ? Voorwaar ik zeg u; zoo dit geslacht een teeken gegeven zal worden. 13 En hy verliet hen;cn wederom in het schip gegaan zijnde voer hij wegnaar de andere zyde. li En cijne discipelen hadden vergeten brood mede te nemen, cn hadden niet dan ééa brood met zich in het schip. 15 En hij gebood hun, zeggende : ziet toe, wacht u van den zuurdeesem der Farizeën, en van den zuurdeesem van Herodes. 16 En zij overleiden onder elkander, zeggende : (\'t t»J omdat wy Reene brooden hebben. 17 En Jezus [rfot] bekennende, zeide tot hen : wat overlegt gij dat gij geene brooden hebt? Bemerkt gij nog niet.noch verstaat gy niet7 Hebt gij nog uw verhard hart? 18 Oogeu hebbende ziet gij niet, cn oorea hebbende hoort gy niet? 19 En gedenkt gy niet, toen ik de vy f brooden brak onder de vyf duizend mannen, hoe vele volle korven met brokken gy op-naamt ?, Zij zerrgen hem: twaalf. 20 En toen ik de zeven [örnk] |
SGÈLtlTM Hoofdst. 8. onder de vier duizend mannen, hoe vele volle manden met brokken gij opnaaint ? En zij zeiden: zeven. 21 En hij zeide tot hen: hoe, verstaat gij niet? 22 En hij kwam te Bethsaïda; en zy bragten tot hem eenen blinden, en baden hem, dat hy hem aanraakte. 23 En de hand des blinden genomen hebbende, leidde hy hem uit buiten het vlek, en spoog in zijne oogen, en leide de handen op hem, en vraagde hem of hij iets zag. 24 En hij opziende, zeide; ik zie de menschen, want ik zie hen als boomen, wandelen. 23 Daarna leide hij de handen wederom op zijne oogen, en deed hem opzien. En hij werd hersteld, en zag hen allen ver cn klaar. 26 En hij zond hem naar zijn huis, zeggendi;: ga niet in het vlek, noch zeg het niemand in \'t vlek. 27 En Jezus ging uit en zyne discipelen naa r de vlekken van Cesarea Philiopi. En op den weg vraagde hij zijnen discipelen, zeggende tot hen : wie zeggen de menschen dat ik ben ? 28 En zij an -.woordden: Johannes de Dcoper; en anderen, Elias: en anderen , een van de Profetei. 29 En hij zeidi- tot hen ; maar gijlieden wie zegt gij dat ik ben? En Petrus antwoordende zeide tot hem: gij zijt de Christus. 30 En hij gebood hun scherpe-lyk, dat zy het niemand zouden zeggen van hem. 31 En hij begon hen te leeren, dat de Zoon dea menschen veel moest lijden, cn verworpen worden van de Ouderlingen, en Overpriesteren, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en na drie dagen wederom opstaan. 32 En dit woord sprak hij vrij uit; en Petrus hem tot zich genomen hebbende, begon hem te bestraffen ; 33 Maar hij zich omkeerende, en zijne discipelen aanziende, bestrafte Petrus, zeggende: ga heen achter my satanas; want gO verzint niet de dingen die Gods zijn, maar die der menschen rijn, 34 En tot zich geroepen heb ben- |
|
Hoofdtt. S, 9. VAN M bende de schare met znne discipelen, reide hy tot hen : zoo wie achter mg wil komen, die verloochene zich zeiven, en netne zijn kruis op, en volge mü- 35 Want zoo wie zyn leven zal willen behouden, die zal \'t zelve verliezen; maar zoo wie zijn leven zal verliezen om mijnentwil, en [om) des Euanpe-liums (toil], die zal \'t zelve behouden. 36 Want wat zoude het den mensch baten, zoo hy de ge-heele wereld won, en zijner ziel schade leed t 37 Of wat zal een mensch geven tot lossing van zijne ziel? 38 Want zoo wie zich myns en mgner,quot; woorden zal geschaamd hebben in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal zich de Zoon des mensrhen ook schamen, wanneer hij zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders, met de heilige Engelen. E HOOFDSTUK 9. HOOFDSTUK 9. n hij zeide tot hen : voorwaar ik zeg u, dat er sommigen zijn van degenen die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat z\\j zullen hebben gezien, dat het Koningryk Gods met kracht gekomen zij. 2 En na zes dagen nam Jezus met zich Petrus, en Jacobus, cn Johannes, en bragt hen op cenen hoogen berg beziiden alleen ; en h\\j werd voor nen van gedaante veranderd. 3 En zijne kleederen werden blinkend, zeer wit als sneeuw, hoedanig geen voller op aarde (too] wit maken kan. 4 En van hen werd gezien Elias met Mozes, en zij spraken met Jezus. 5 En Petrus antwoordende zeide tot Jezus : Uabbi, het is goed dat wij hier zijn ; en laat ons drie tabernakelen maken, voor u éénen, en voor Mozes «■énen, en voor Elias éénen. 6 Want hg wiatniet wat hij zeide; want zg waren zeer bevreesd. 7 En er kwam eene wolk, die hen overschaduwde, en eene stem kwam uit de wolk, zeggende : deze is myn geliefde Zoon; hoort hem. 8 En haastiglyk rondom ziende, sagen zij niemand meer dan Jezus alleen bii hen. 9 En als zii van den berg afkwamen, gebood hij hun, dat |
ARK US. 51 zij niemand verhalen wouden \'t geen zg gezien hadde i, dan wanneer de Zoon des menschen uit de dooden zoude opgestaan zgn. 10 En zij behielden dit woord bij zich zeiven, vragende onder elkander, wat het was, uit de dooden opstaan. 11 En zij vraagden hem zeggende : waarom zeggen da Schriftgeleerden, dat Elias eerst komen moet? 12 En hij antwoordende zeide tot hen ; Elias zal wel eerst komen, en alles weder oprigten; en (\'1 *nl grtchieden] gelijk geschreven is van den Zoon des menschen, dat. hij veel lijden zal en veracht worden. 13 Maar ik zeg u, dat ook Elias gekomen is, en zij hebben hem gedaan al wat zg gewild hebben, gelijk van hem geschre- 14 En als hij bg de discipelen gekomen was, zag hij eene groo-te schare rondom hen, en (ffdi-(;e) Schriftgeleerden met hen twistende. 15 En terstond de geheelc schare hem ziende werd verbaasd, en toeloopende groetten zij hem. 16 En hij vraagde de Schriftgeleerden: wat twist gij met dezen? 17 En een uit de schare antwoordende zeide ; Meester, ik heb mijnen zoon tot u gebragt, die eenen stommen geest heeft. 18 En waar hg hem ook aangrijpt, zoo scheurt hij hem, cn schuimt, cn knerst met znno tanden, en verdort; en ik heb uwe discipelen gezegd, dat zij hem zouden uitwerpen, en zg hebben niet gekonnen. 19 En hij antwoordde hem, en zeide: o ongeloovig geslacht, hoe lang zal ik nog bij uliedeu zijn ? Hoe lang zal ik u nog verdragen ? Brengt hem tot mij. 20 En zij bragten denzelven tot hem: en als hij hem zag, scheurde hem terstond de geest; en hij vallende op de aarde, wentelde zich al schuimende. 21 En hg vraagde zijnen vader: hoe langen tijd is \'t; dat hem dit overkomen is ? En hg zeide hem : van [xijn«] kindsheid af. 22 En menigmaal heeft hij hem ook in \'t vuur en in \'t water geworpen, fom hem te verder, ven ; maar zoo gij iet» kunt, zijt met innerlgke ontferming ovei |
|
en de twee visschen dee4de hij voor allen. 42 En zij aten allen, en zijn verzadigd geworden. 43 En zy namen op twaalf volle korven brokken, en van de visschen. 41 En die daar de brooden fje-geten hadden , waren omtrent vijf duizend mannen. 45 En terstond dwong hij zijne discipelen in het schip te Kaan, en voor heen te varen aan de andere zijde, tegen (oflt;rj Bethsai-da, terwijl hij de schare van zich zou laten. 46 Eu als hij dezelve hun afscheid gegeven had , ging hij op den berg om te bidden. 47 En als het nu avond was geworden , zoo was \'t schip in \'t midden van de zee , en hij was alleen op het land. 48 En hij zag dat zij zich zeer pijnigden om [\'/ schip] voort Ie krijgen , (want de wind was hun tegen). En omtrent de vierde wake des nachts kwam hij tot hen, wandelende op de zee, en wilde hen voorbijgaan. 40 En zij ziende hem wandelen op de zee, meenden dat het een spooksel was, en schreeuwden zeer. 50 Want zij zagen hem allen, en werden ontroerd; en terstond sprak hij met hen, en z.eide tot hen : zijt welgemoed , ik ben \'t; vreest u niet. 51 En hij klom tot hen in het schip, en de wind stilde; en zij ontzetten zich bovenmate zeer in zich zeiven, en waren verwonderd ; 52 Want zij hadden niet gelet op [hrl mirnkel] der brooden ; want hun hart was verhard. 53 En als zy overgevaren waren , kwamen zij in \'t land Genesaret , en havenden aldaar. 54 En als zij uit \'t schip gegaan waren, terstond werden zij hem kennende; 55 (En| het geheele omliggende land doorloopende, begonnen zij op beddekens, degenen die kwalijk gesteld waren, om te dragen, ter plaatse waar zij hoorden dat hij was. 56 En zoo waar hij kwam in vlekken, of steden, of dorpen, daar leiden zij de kranken op de markten, en baden hem, dat zij maar den zoom zijns kleeds aanraken mogten. En zoo velen «GBLtUM Hoofdst. 6. 7. |
als er hem aanraakten werden gezond. -TT» HOOFDSTUK 7. 1 .P^n tot hem vergaderden de Farizeën , en sommigen der Schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren ; 2 Eu ziende dat sommigen van zyne discipelen met onreine, dat is, met ongewasschene handen brood aten , berispten zy (/»«0. 3 Want de Parizeen en al de Joden eten niet, tenzy dat zij [rmt] de handen dikwijls was-schen , houdende de inzetting der Ouden. 4 En van de markt [komrndr] eten zy niet, tenzij dat zy [rertl] gewasschen zijn. En vele andere dingen zijn er, die zij aangenomen hebben te houden, [alt nn-mrlijk] de wasschingen der drinkbekers, en kannen, en koperen vaten, en bedden. 5 Daarna vraagden hem de Farizeën en de Schriftgeleerden : waarom wandelen uwe discipelen niet naar d\'i inzetting der Ouden, maar eten het brood met ongewasschene handen ? 6 Maar hij antwoordde en zei-de tot. hen; wel heeft Jesajas van u geveinsden geprofeteerd , gelijk geschreven is : dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart houdt zich ver van my. 7 Doch te vergeefs eeren zij my , leerende leeringen , (di^J geboden [zijn] dei menschen. 8 Want nalatende \'t gebod Gods, houdt gij de inzettingen der menschen , (n/» nm.r-lijk] wassching der kannen en drinkbekers, en aulcve dergelijke dingen doe1, gij vele. 9 En hij zei de tot hen: gij doet [zrkrr] Gods gebod wel teniet, opdat gij uwe inzetting zoudt onderhou-ien. 10 Want Mozes heeft gezegd: eer uwen vader en uwe moeder. En; wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven. 11 Maar gijlieden zegt: zoo een mensch tot vader of moeder zegt: [het i»] Corban , (dat is [te t eg jen] eene gave,) zoo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen [dt« voldoet] ; 12 En gij laat hem niet meer toe, iets aan zijnen vader of zy-ne moeder te doen , 13 Makende [n{xoo] Gods woord |
|
Hoofdst. 7, 8. VAN M, woord krachteloos door uwe inzetting, die gij ingezet hebt; en dergelijke dingen doet gij vele. 14 En tot zich de gansche schare geroepen hebbende, zei-de hij tot hen ; hoort mu allen en verstaat. 15 Er ia niets van buiten den mensch in hem ingaande, hetwelk hem kan ontreinigen. Maar de dingen die van hem uitgaan, die zijn het welke den incnsch ontreinigen. 16 Zoo iemand ooren heeft om te hooren, die hoore. 17 En toen hij van de schare in huis gekomen was, vraagden hem zijne discipelen van de gelijkenis. 18 En hij zeide tot hen : zijt ook gij alzoo onwetend ? Verstaat gij niet, dat al wat van buiten in den mensch ingaat, hem niet kan ontreinigen ? 19 Want het gaat niet in zijn hart, maar in den buik, en gaat in de heimelijkheid uit, reinigende al de spijzen. 20 En hij zeide: hetgeen uitgaat uit den mensch, dat ontreinigt den mensch. 21 Want van binnen uit het hart der menschen komen voort, kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen. 22 Dieverijen , gierigheden , boosheden , bedrog, ontuchtigheid, booze oogen, lastering, hoovaardij, onverstand. 23 Al deze booze dingen komen voort van binnen, en ontreinigen den mensch. 21 En van daar opstaande ging hij weg naar de landpalen van Tyrus en Sidon\'; en in een huis gegaan zijnde, wilde hij niet dat het iemand wist; en hij konde [no(;(an*].niet verborgen zijn 25 Want eene vrouw, welker dochtertje eenen onreinenseest had, van hem gehoord hebbende, kwam en viel neder aan zijne voeten. 26 Deze nu was eene Grieksche vrouw, van geboorte uit Syro-Phenicie, en zij bad hem, dat hij den duivel uitwierp uit hare dochter. 27 Maar Jezus zeide tot haar laat eerst de kinderen verzadigd worden-, want het is nietbeta-meliik, dat men het brood der kinderen neme, en den hondekens (iioor)werpe. 28 Maar zij antwoordde en ^RKUS. tó |
zeide tot hem : ja Heei, doch ook de hondekens eten otider de tafel van de kruimkens d°r kinderen. 29 En hij zeide tot hasr: om dezes woords wil, ga henen; de duivel is uit uwe dochter uitgevaren. 30 En als zij in haarhuis kwam, vond zij dat de duivel uitse-varen was, en de dochter liggende op het bed. 31 En hij wederom weggegaan zijnde van de landpalen van Tyrus en Sidon, kwam aan de zee van Galilea, door het midden der landpalen van Dekapolis. 32 En zijbragten tot hemeenea dooven, die zwaarlyk sprak, en baden hem dat bij de hand op hem leide. 33 En hem van de schare alleen genomen hebbende, stak hg zijne vingeren in zijne ooren, en gespogen hebbende raakte hij z^ne tong aan. 34 En opwaarts ziende naar den hemel, zuchtte hij, en zeide tot hem : Efiatha ! dat is : word geopend. 35 En terstond werden zijne ooren geopend, en de band zijner tong werd los, en hy sprak regt. 36 En hij gebood hun lieden dat zij het niemand zeggen zouden ; maar wat hij hun ook gebood, zoo verkondigden zij het des te meer. 37 En zij \'ontzetten zich bovenmate zeer, zeggende; hij heeft alles wel gedaan, en hij maakt dat de dooven hooren, en de stommen^preken. I HOOFDSTUK 8. n die zelfde dagec, als er eene geheel groote schare was, en zij niet hadden wat zij eten zouden, riep Jezus zijne discipelen tot zich, en zeide tot hen: HOOFDSTUK 8. n die zelfde dagec, als er eene geheel groote schare was, en zij niet hadden wat zij eten zouden, riep Jezus zijne discipelen tot zich, en zeide tot hen: 2 Ik word innerlijk met ontferming bewogen over desrhare; want zij nu drie dagen bij mij gebleven zijn, en hebben niet wat zij eten zouden. 3 En indien ik hennuchteren naar hun huis laat gaan, zoo zullen zij op den weg bezwijken; want sommigen van hen komen van verre. 4 En zijne discipelen antwoordden hem : van waar zal iemand dezen met brooden hier in de woestijn kunnen verzadigen ? C 5 En |
|
SO HET EUA 5 En hij vraagde hun. hoe veel brooden hebt gij ? En zu zeiden ; zeven. 6 En hij gebood de schare neder te zitten op de aarde, en hij nam de zeven brooden, en gedankt hebbende brak h\\j ze, en gaf ze zijnen discipelen, opdat zij ze zouden voorleggen, en zij leiden ze de schare voor. 7 En zij hadden weinige visch-jes; en als hij ze gezegend had, zeide hij, dat zij ook die zouden voorleggen. 8 En zij hebben gegeten, en zijn verzadigd geworden, en zij namen het overschot der brokken op, zeven manden. 9 Die nu gegeten hadden waren omtrent vier duizend; en hg liet hen gaan. 10 En terstond in \'t schip gegaan zijnde met zijne discipelen, is hij gekomen in de doelen van Dalmanutha. 11 En de Farizeën gingen uit, en begonnen met hem te twisten, begeerende van hem een toeken van den hemel, hem verzoekende. 13 En hij zwaarlijk zuchtende in zijnen geest, zeide: wat begeert dit geslacht een teeken ? Voorwaar ik zeg u: zoo dit geslacht een teeken gegeven zal worden. 13 En hij verliet hen; en wederom in het tchip gegaan zijnde voor hij wegnaardeanderezyde. 11 En zijne discipelen hadden vergeten brood mede te nemen, ca hadden niet dan één brood met zich in het schip. 15 En hjj gebood hun, zeggende : ziet toe, wacht u van den zuurdeesem der Farizeën, en van den zuurdeesem van He- 16 En zij overleiden onder elkander , zeggende : l\'f ttJ omdat wij Reene brooden hebben. 17 En Jezus [rfo/] bekennende, zeide tot hen : wat overlegt gg dat gij geene brooden hebt? Bemerkt gij nog niet.noch verstaat gij niet? Hebt gij nog uw verhard hart? 18 Oogen hebbende ziet gij niet, en ooren hebbende hoort gö niet ? 19 En gedenkt gy niet, toen ik de vyf brooden brak onder de v^jf duizend mannen, hoe vele volle korven met brokken gq op-naamt ? Zij zepgen hem : twaalf. 20 En toen ik de zeven [brok] «ÏÉLIUM Hoofdit. 8. |
onder de vier duizend mannen, hoe vele volle manden met brokken gij opnaamt? En zij zeiden: zeven. 21 En hg zeide tot hen: hoe, verstaat gij niet ? 22 En hg kwam te Bethsaïda; en zg bragten tot hem eeneu blinden, en baden hem, dat hij hem aanraakte. 23 En de hand des blinden genomen hebbende, leidde hij hem uit buiten het vlek, en spoog in zgne oogen, en leide de handen op hem, en vraagde hem of hij iets zag. 24 En nij opziende, zeide: ik zie de menschen, want ik zie hen als boomen, wandelen. 23 Daarna leide hij de handen wederom op zijne oocrcn, en deed hem opzien. En hij werd hersteld, en zig hen allen ver en klaar. 26 En hij zond hem naar zijn huis, zeggende : ga niet in het vlek, noch zeg het niemand in \'t vlek. 27 En Jezua ging uit en zgne discipelen naar de vlekken van Cesarea Philippi. En op den weg vraagde tij zijnen discipelen, zeggcude tot hen : wie zeggen de menschen dat ik ben ? 28 En zij an\\ woordden: Johannes de Dooper; en anderen, Elias : en anderen , een van dc Profeten. 29 En hij zeide tot hen : maar gijlieden wie zegt gij dat ik ben ? En Petru» antwoordende zeide tot hi;m : gij zijt de Christus. 30 En hij gebood hun scherpe-Igk, dat zg het niemand zouden zeggen van hem. 31 En hij begon hen te leeren, dat de Zoon des menschen veel moest lijden, en verworpen worden van de Ouderlingen, en Overpriesteren, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en na drie dagen wederom op- 32 En dit woord sprak hij vrij uit; en Petrus hem tot zich genomen hebbende, begon hem te bestraffen; 33 Maar hij zich omkeerende, en zgne discipelen aanziende, bestrafte Petrus, zeggende : ga heen achter mg satanas; want gg verzint niet de dingen die Gods x^n, maar die der menschen zgn. 34 En tot zich geroepen heb- |
|
bende de schare met zijne discipelen, reide hij tot nen ; zoo wie achter my wil komen , die verloochene zich zeiven, en neme zijn kruis op, en vol^e mg. 35 Want zoo wie zyn leven zal willen behouden, die zal |t zelve verliezen; maar zoo wie zijn leven zal verliezen ommy-nentwil, en (om] des Euange-liums [wil], die zal \'t zelve behouden. 36 Want wat zoude het den mensoh baten, zoo hij de ge-heele wereld won, en zijner ziel schade leed ? 37 Of wat zal een mensch geven tot lossing van zijne ziel? 38 Want zoo wie zich myns en myner^woorden zal geschaamd hebben in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal zich de Zoon des menschen ook schamen, wanneer hij zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders, met de heilige Engelen. E HOOFDSTUK 9. HOOFDSTUK 9. n hij zeide tot hen : voorwaar ik zeg u, dat er sommigen ziin van degenen die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat z\\j zullen hebben gezien, dat het Koningryk Gods met kracht gekomen zij. 2 En na zes dagen nam Jezus met zich Petrus, en Jacobus, en Johannes, en bragt hen op cenen hoogen berg beziiden alleen ; en hy werd voor nen van gedaante veranderd. 3 En zijne kleederen werden blinkend, zeer wit als sneeuw, hoedanig geen voller op aarde (tooi wit maken kan. 4 En van hen werd gezien Elian met Mozes, en zij spraken met Jezus. 5 En Petrus antwoordende zeide tot Jezus : Uabbi, het is goed dat wij hier zijn ; en laat ons drie tabernakelen maken, voor u éénen, en voor Mozes ^énen, en voor Elias ëénen. 6 Want hy wistniet wat hij zeide; want zg waren zeer bevreesd. 7 En er kwam eene wolk, die hen overschaduwde, en eene stem kwam uit de wolk, zeggende : deze is myn geliefde Zoon; hoort hem. 8 En haastiglijk rondom ziende, zagen zij niemand meer dan Jezus alleen bii hen. 9 En als zn van den berg afkwamen, gebood hij hun, dat |
zü niemand verhalen rouden \'t geen zg gezien haddei, dan wanneer de Zoon des menschen uit de dooden zoude opgestaan zgn. 10 En zij behielden dit woord bij zich zeiven, vragende onder elkander, wat het was, uit de dooden opstaan. 11 En zij vraagden hem zeggende : waarom zeggen da Schriftgeleerden, dat Elias eerst komen moet? 12 En hij antwoordende zeide tot hen : Elias zal wel eerst komen, enalles weder oprigten; en [\'( *nl geschieden] gelijk geschreven is van den Zoon des menschen, dat hij veel lijden zal en veracht worden. 13 Maar ik zeg u, dat ook Elias gekomen is, en zij hebben hem gedaan al wat zg gewild hebben, gelgk van hem geschre- 14 En als hij bij de discipelen gekomen was, zag hij eene groq-te schare rondom hen, en (erni-ge] Schriftgeleerden mei hen \'twistende. 15 En terstond de geheele schare hem ziende werd verbaasd, en toeloopende groetten zg hem. 16 En hij vraagde de Schriftgeleerden: wat twist gij met dezen? 17 En een uit de schare antwoordende zeide : Meester, ik heb mijnen zoon tot u gebragt, die eenen stommen geest heeft. 18 En waar hg hem ook aangrijpt, zoo scheurt hij hem, en schuimt, cn knerst met zijno tanden, en verdort; en ik heb uwe discipelen gezegd, dat zij hem zouden uitwerpen, en zg hebben niet gekonnen. 19 En hij antwoordde hem, ca zeide: o ongeloovig geslacht, hoe lang zal ik nog bij ulieden zijn ? Hoe lang zal ik u nog verdragen ? Brengt hem tot mij. 20 En zij bragten denzelventot hem: en als hij hem zag, scheurde hem terstond do geest; en hij vallende op de aarde, wentelde zich al schuimende. 21 En hg vraagde zijnen vader: hoe langen tijd is \'t; dat hem dit overkomen is ? En hg zeide hem : van (stjne] kindsheid af. 22 En menigmaal heeft hg hen» ook in *t vuur en in \'t water geworpen, foui hem le verder, ven ; maar zoo gij iets kunt, zijt met innerlgke ontferming ovei |
ons bewogen, en help ons.
23 En Jezus zeide tot hem ; zoo gij kunt gelooven; alle dingen zijn mogelijk dengenen die gelooft.
24 En terstond de vader des kinds roepende met tranen zeide: Ik geloof Heer, kom myne ongeloovipheid te hulp.
25 En Jezus tiende dat de schare gezamenlijk toeliep, bestrafte den onreinen geest, zeggende tot hem: gij stomme en doove geest, ik beveel u, ga uit van hem, en kom niet meer in
2G En hij roepende, en hem zeer scheurende , ging uit; en [hef kinrlj werd als dood, alzoo dat velen zeiden, dat het gc-
27 En Jezus hem bij de hand grijpende, rigtte hem op ; en hij stond op.
28 En als hij in huis geiraan was, vraagden hem zijne discipelen alleen : waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen?
29 En hij zeide tot hen : dit geslacht kan nergens door uitgaan , dan door bidden en vasten.
30 En van daar weggaande, reisden zij door Galilca; en hij wilde niet dat het iemand wist.
31 Want hij leerde zijne discipelen , en zeide tot hen: de Zoon des menschen zal overgeleverd worden in de handen der menschen , cn zij zullen hem dooden; en gedood zijnde zal hij ten derden dage weder opstaan.
32 Maar zij verstonden dat woord niet, en zij vreesden hem te vragen.
33 En hij kwam te Kapernaüm; en in het huis gekomen ziinde vraagde hij hun : waarvan hadt gij woorden onder elkander op den weg ?
31 Doch zij zwegen ; want zij waren onder elkander in woorden geweest op den weg, wie de meeste (lourfe xijn].
35 En nedergezeten zijnde,riep hij de twaalven, en zeide tot hen ; indien iemand wil de eerste zijn, die zal de laatste van allen zijn, en aller dienaar.
36 En nemende een kindeken stelde hij dat midden onderhen, en omving het met zgne armen, cn zeide tot hen :
37 Zooj wie een van zoodanige kinderkens zal ontvangen in rnjj ,
I6ELITTM Hoofdit. 9.
nen naam, die ontvangt m\\j: en zoo wie mij zal ontvangen, die ontvangt mij niet, maar dien die mij gezonden heeft.
38 En Johannes antwoordde hem , zeggende : Meester, wij hebben eenen gezien,die de duivelen uitwierp in uwen naam, welke ons niet volgt; en wij hebben \'t hem verboden , omdat hü ons niet volgt.
39 Doch Jezus zeide: verbiedt hem niet, want er is niemand die eene kracht doen zal in mijnen naam, en haastiglijk van mij zal kunnen kwalijk spreken.
40 Want wie tegen ons niet is, die is vóór ons.
41 Want zoo wie ulieden eenen beker waters zal geven te drinken in mijnen naam, omdat pg Christus Irfifci/Wrn] z^t, voorwaar zeg ik u, hü zal zgn loon geenszins verliezen.
42_En zoo wie eenen van deze kleinen , die in mij geloovcn , ergert, het wr.re hem beter dat een molensteen om zijnen hals gedaan ware, en dat hij in de zee geworpen ware.
43 En indien uwe hand u ergert, houw haar af; \'t is u beter verminkt tot het leven in te gaan , dan de twee handen hebbende henen te paan in de hel, in het onuitblusschelijk vuur.
4t Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgebluscht wordt.
45 En indien u\'v voet u ergert, houw hem af; het is u beter kreupel tot het It ven in te gaan, dan de twee voeten hebbende, geworpen te wotden in de hel. in het onuitblusschelijk vuur,
46 Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgebluscht wordt.
47 En indien uw oog u ergert, werp het uit; \'t is u beter maar één oog hebbende in het Koningrijk Gods in te gaan, dan twee oogen hebbende in \'t helsche vuur geworpen te worden ,
48 Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgebluscht wordt.
49 Want een ieder zal met vuur gezouten werden, en iedere offerande zal met zout gezouten worden.
50 Het zout is goed ; maar indien het zout onzout wordt, waarmede zult f;ü dat smakelijk
|
Hoofdst. 9, 10. VAN M maken T Hebt zout in u zeiven, en houdt vrede onder elkander. E HOOFDSTUK 10. n van daar opgestaan zijode gin^ hij naar de landpalen van Judca, door de overzijde van den Jordaan; en deicha-ten kwamen wederom te zamen bij hem, en, gelijk hij gewoon was, leerde hij hen wederom. HOOFDSTUK 10. n van daar opgestaan zijode gin^ hij naar de landpalen van Judca, door de overzijde van den Jordaan; en deicha-ten kwamen wederom te zamen bij hem, en, gelijk hij gewoon was, leerde hij hen wederom. 3 En de Farizeën tot hem komende vraagden hem, of het eenen man geoorloofd is [zijne] vrouw te verlaten; hem verzoekende. 3 Maar hij antwoordende zeide tot hen : wat heeft u Mo-zes geboden ? 4 En \'zij zeiden: Mozes heeft toegelaten eenen scheldbrief te schrijven, en [Aaur) te verlaten. 5 En Jezus antwoordende zeide tot hen : van wege de hardigheid uwer harten heeft hij ulieden dat gebod geschreven , 6 Maar van het begin der schepping heeft God hen man en vrouw gemaakt. 7 Daarom zal een mensch zijnen vader en moeder verlaten, en zal zijne vrouw aanhangen , 8 En die twee zullen tot één vlecsch zijn, alzoo dat zij niet meer twee zijn, maar één vleesch. 9 Hetgeen dan God te zamen gevoegd heeft, scheide de mensch niet. 10 En in het huis vraagden hem z^ne discipelen wederom van \'t zelve, 11 En hij zeide tot hen : zoo wie zijne vrouw verlaat, en eene andere trouwt, die doet overspel tegen haar. 12 En indien eene vrouw ha-Jen man zal verlaten, en met een ander trouwen, die doet oversptl. 13 En zij bragten kinderkens tot hem, opdat hij hen aanraken zoude; en de discipelen bestraften degenen, die hen tot hem bragten. 14 Maar Jezus [dnlt;l ziende nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen ; laat de kinderkens tot mü komen, en verhindert hen niet; want derzulken is het Koningrijk Gods. 15 Voorwaar^ zeg ik u, zoo wie het Koningrijk Gods niet ontvangt gelijk eenkindeken, die zal in \'t zelve geenszins ingaan. |
VRKUS. 53 16 En hü omving hun met lijne armen, [cn] de nanden op hen gelegd hebbet.de, zegende hy dezelve. 17 En als hü uitging op den weg, liep een tot hem, en voor hem op de knieën vallende vraagde nem : goede Meester, wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beërve ? 18 En Jezus zeide tot hem •• wat n oemt gn mij goed ? Niemand is goed dan één, [nn-rnelijU] God. 19 Gü weet de geboden : gij zult geen overspel doeu ;\' gij zult niet dooden; gij zult niet stelen ; gij zult geene valschc getuigenis geven; gij zult niemand te kort doen; eer uwen vader en moeder. 20 Doch hij antwoordende zeide tot hem: Meester, al deze dingen heb ik onderhouden van mijne jongheid af. 21 En Jezus hem aanziende beminde hem, en zeide tot hem ; één ding ontbreekt u; ga henen, verkoop alles wat gij hebt, en geef het den armen, en gij zult eenen schat hebben in den hemel. Ln kom herwaarts, neem het kruis op, en volg mij. 22 Maar hij treurig geworden zijnde over dat woord, ging bedroefd weg; want hij had vele goederen. 23 En Jezus rondom diende , zeide tot zijne discipelen: hoe bezwaarlijk zullen degenen die goed hebben in het Koningrijk Gods inkomen ! 21 En de discipelen werden verbaasd over deze zijne woorden. Maar Jezus wederom antwoordende, zeide tot hen : kinderen, hoe zwaar is *t, dat degenen die op het goed hun vertrouwen zetten, in het Koningrijk Gods ingaan. 25 Het is ligter dat een kemel ga door het oog van eene naald, dan dat een rüke in het Koningrijk Gods inga. 26 En zij werden nog meer verslagen, zeggende tot elkander ; wie kan dan zalig worden ? 27 Doch Jezus hen aanziende, zeide • bij de menschen is het onmogelyk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God. 28 En Petrus begon tot hem te teggen: zie, wij hebben al- 0 3 let |
es rerlaten, en lijn u gevolgd.
29 En Jezus antwoordende leide: voorwaar zeg ik nlie-den, er is niemand die verlaten heeft huis , of broeders , of ïusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om mijnentwil en des Euan^eliums twi\'L
30 Of hij ontvangt honderdvoud, nu in dezen tijd, huizen , en broeders, en zusters, en moeders, en kinderen, en akkers, met de vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven.
31 Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en [vrfcn], die de laatsten [*yn), de eer-«tsn.
\'32 En zij waren op den weg, gaande op naar Jeruzalem, en Jezus ging vóór hen ; en zij waren verbaasd, en hem volgende waren zij bevreesd. En de twaalven wederom tot zich nemende, bejron hij hun te zegfjen de dingen, die hem overkomen zouden. 33 IZet/prndc]: ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des menschen zal den Over-iriesteren, en den Schriftge-eerden overgeleverd worden, en zij zullen hem ter dood veroordeelen, en hem den Heidenen overleveren ;
3t En zij zullen hem bespotten, en hem geeselen, en hem bespuwen, en hem dooden en ten derden dage zal hy weder opstaan.
33 En tot hem kwamen Japobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, zeggende: Meester, wij wilden [tir/J dat gij ons deedt zoo wat wij begeeren zullen.
.36 En hij zeide tot hen; wat wilt gij dat ik u doe ?
37 En zij zeiden tot hem;geef ons dat wij mogen zitten, de een aan uwe regtertAnnrfJ, en de ander aan uwe linkerhand] Jn uwe heerlijkheid,
38 Maar Jezus zeide tot hen : pij weet niet wat gij begeert. Kunt gij den drinkbeker drink-ken, dien ik drink, en met den doop gedoopt worden , daar ik mede gedoopt word ?
39 En zij zeiden tot hem: wij kunnen. Dooh Jezus zeide tot hen : den drinkbeker, dien ik drink, zult gij wel drinken, en met den doop gedoopt worden,
NGELIUM Hoofdrt. 10, 11. daarquot; ik mede gedoopt word ;
40 Maar het zitten tot mijne regter- en tot myne linker-[faind] staat bij mg niet te geven; maar (\'t tal tjeneven worden] dien het bereid is.
41 En als de [andere] tien (rfitl hoorden, begonnen zy het van Jacobus en Johannes zeerkwa-Ijjk te nemen.
42 Maar Jezus hen tot zich geroepen hebbende, zeide tot hen : gij weet dat degenen, die geacht worden Oversten te zijn der volkeren, heerschappij voeren over hen , en hunne Groo-ten gebruiken magt over hen.
43 Doch alzoo zal \'t onder u niet zijn; maar zoo wie onder u groot zal willen worden, die zal uw dienaar zijn;
44 En zoo wie van u de eerste zal willen wordjn, die zal aller dienstknecht zijn.
45 Want ook de Zoon des menschen is niet frekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en zijne ziel te geven (to/J een rantsoen voor velen.
46 En zij kwamen te Jericho en als hij, en s:ijne discipelen, en eene groote schare, van Jericho, uitging, *at de zoon van Timeüs, Bar-Timeüs de blinde aan den weg, bedelende.
47 En hoorend.? dat het \'Jezus de Nazarencr was, begon hij te roepen en te zeggen • Jezus gij Zoon Davids, ontferm u mijner.
48 En velen bestrnften hem, opdat hij zwijgen zo ide; maar hij riep zoo veel te meer : gij Zoon Davids, ontferm u mijner.
43 En Jezus [((i{]staande, zeide dat men hem roepen coude; en zij riepen den blinde, zeggende tot hem: heb goeden moed, sta op, hij roept u.
50 En hij zijnen mantel afgeworpen hebbende, stond op, en kwam tot Jezus.
51 En Jezus antwoordende zeide tot hem : wat wilt gij dat ik^ u doen zal ? En de blinde zeide tot hem : Rabboni, dat ik ziende mag worden.
52 En Jezus zeide tot hem : ga henen, uw geloof heeft u behouden. En terstond werd hg ziende, en volgde Jezus op den weg.
E HOOFDSTUK 11. n toen zg Jeruzalem genaakten tot Bethphage en Be-thanië aan den olijfberg, zond hj HOOFDSTUK 11. n toen zg Jeruzalem genaakten tot Bethphage en Be-thanië aan den olijfberg, zond hj
|
Hoofdrt, 11. VAN N hij twee van züne discipelen uit, 2 En ceide tot hen : gaat henen in \'t ylek, dat tegen u over is; en terstond als gij in \'t zelve komt, zult gy vinden een veulen gebonden, op hetwelk geen mensch gezeten heeft; ontbindt het en brengt het. 3 En indien iemand tot u zegt: waarom doet gij dat? zoo zegt, dat de Heer hetzelve noodig heeft; en hij zal het terstond herwaarts zenden. 4 En zy gingen henen, en vonden het veulen gebonden bij de deur, buiten aan de wegschei-dinjr; en zij ontbonden hetzelve. 5 En sommigen van degenen die aldaar stonden, zeiden tot hen : wat doet gij, dat gjj het veulen ontbindt? 6 Doch zg zeiden tot hen, gelijk Jezus bevolen had; en zij lieten hen gaan. 7 En zij bragten het veulen tot Jezus, en wierpen hunne kleederen daar op; en hy zat op hetzelve. 8 En velen spreidden hunne kleederen op den weg, en anderen hieuwen meijen v.-n de boomen, en spreidden ze op den weg. 9 En die voorgingen en die volgden , riepen , zeggende : Hosanna! Gezegend [i«)hy, die komt in den naam des Heeren ! 10 Gezegend [rij) het Koningrijk onzes vaders Davids, hetwelk komt in den naam des Heeren ! Hosanna in de hoogste [hemelen] ! 11 En Jezus kwam binnen Jeruzalem, en in den Tempel; en als hy allesrondum bezien had, en het nu avondstond was, gicg hy uit naar Bethanië met de twaalveu. 12 En des anderen daags, als zij uit Bethanië gingen, hongerde hem. 13 En ziende van verre eenen viigeboom, die bladeren had, ging hy (om te *ifn) of hij ook iets op denzelven zoude vinden ; en daar by gekomen zijnde, vond hij niets dan bladeren ?want \'t was de tijd der vijgen niet. U En Jezus antwoordende zeide tot denzelven; niemand cte [eenigr] vrucht meer van u in dor eeuwigheid. En zijne discipelen hoorden \'t. 15 En zij kwamen te Jeruzalem. En Jezus in den Tempel gegaan zijnde, begon degenen. |
ARKUS. 55 die in den Tempel verkochten en kochten, uit te dri\'ven; en de tafelen der wisselaars, en de zitstoelen dergenen die de duiven verkochten, keerde hy om, 16 En liet niet toe dat iemand eenig vat door den Tempel droeg. 17 En hij leerde zeggende tot hen: is er niet geschreven: mijn Huis zal een huis des gebeds genoemd worden allen volken ? Maar gy hebt dat [tol] eenen kuil der moordenaren gemaakt. 18 En de Schriftgeleerden en Overpriesters hoorden (\'/n(J, en zochten hoe zij hem doodeu zouden ; want zij vreesden hem, omdat de ganscheschare ontzet was over ziine leer. 19 En als het nu laat geworden was, ging hy uit buiten de stad. 20 En des morgens vroeg voorbijgaande zagen zij dat de vijgeboom verdord was van de wortelen af. 21 En Petrus [ruit*] indachtig geworden zijnde, zeide tot hem : Rabbi, zie de vggeboom, dien gij vervloekt hebt, is ver- 22 En Jezus antwoordende zeide tot hen : hebt geloof op God. 23 Want voorwaar zeg ik «u, dat zoo wie tot dezen berg zal zeggen : word opgeheven en in de zee geworpen, en niet zal twijfelen in zyn hart, maar zal gelooven dat hetgeen hij zegt geschieden zal, het zal hem geworden zoo wat hij zegt. 24 Daarom zeg ik u: alle dingen, die gij biddende begeert, gelooft dat gy ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden. 25 En wanneer gij staat om Ie bidden, vergeeft indien gij iets hebt tegen iemand, opdat ook uw Vader die in de he-ne-len is, ulieden uwe misdaljn vergeve. 26 Maar indien gij niet vergeeft zoo zal uw Vader, die in de hemelen is, ook uwe misdaden niet vergeven. 27 En zij kwamen wederom te Jeruzalem; en als hij in den Tempel wandelde , kwamen tot hem de Overpriesters, en de Schriftgeleerden, en de Ouderlingen. 28 En zeiden tot hem; door wat magt doet gij deze dingenl\' En wie heeft u deze magt gege- C 4 ven. |
|
56 HET EUANG ven , dat gij deze dingen doen zoudt ? 29 Maar Jezus antwoordende zeide tot hen : ik zal u ook één woord vragen ; antwoordt mij ook , en zoo \'zal ik u zeggen , door wat magt ik deze dingen 30 De doop van Johannes, was dio uit den hemel of uit de men-schen ? Antwoordt mij. 31 En zij overlciden onder zich, zeggende : indien wij zeggen : uit den hemel, zoo zal hij zeggen : waarom hebt gij hem dan niet geloofd ? 32 Maar indien wij zeggen: uit de mensrhen , zoo v^eezen wij het volk ; want zij hielden allen van Johannes, dat hij waarlik een Profeet was. 33 -En antwoordende zeiden rÜ tot Jezus : wij weten het niet. En Jezus antwoordende zeide tot hen : zoo zeg ik u ook niet, door wat magt ik deze dingen doe. Ïi HOOFDSTUK 12.i HOOFDSTUK 12. Ju hij begon door gelijkenissen tot hen te zeggen : een mensoh plantte eenen wijngaard , en zette eenen tuin daar om, en groef eenen wijnpersbak, en bouwde eenen toren , en verhuurde dien aan de landlieden , en reisde buitenlands. 2 En als de tijd was, zond hij eenen dienstknecht tot de landlieden , opdat hij van de landlieden ontvinge van de vrncht des wijngaards. 3 Maar zij namen en sloeeren hem, en zonden [Aem] ledig henen. 4 En hij zond wederom eenen anderen dienstknecht tot hen ; en dien stccni{;den zij,en wondden hem het hoofd , en zonden (/«rm) henen schandelijk gehandeld zijnde. 5 En wederom zond hy eenen anderen, en dien doodden zij ; en vele anderen , (trnnrr/rnl zij sommigen sloegen , en sommigen doodden. 6 Als hij dan nog eenen zoon had, die hem lief was, zoo heeft hij ook dien ten laatste tot hen gezonden, zeggende ; zy zullen immers mijnen zoon ontzien. 7 Maar die landlieden zeiden onder elkander: deze is de erfgenaam ; komt, laat ons hem dooden, en de erfenis zal onze zijn. |
EL1UM Hoofdst. 11, 18. 8 En zy namen en doodden hem, en wierpen (Aeml uit buiten den wijngaard. 9 Wat zal dan de heer des wgngaards doen ? Hij zal komen en de landlieden verderven, en den wijngaard aan anderen geven. !0 Hebt gij ook deze Schrift niet gelezen ? De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben , deze is geworden tot een hoofd des hoeks. 11 Van den Heer is dit geschied, en het is wonderlijk in onze oogen. 12 En zij zochten hem te vangen, maar zij vreesden de schare ; want zy verstondsn dat hij die gelijkenis op hen sprak, en zij verlieten hem en gingen weg. 13 En zij zonden tot hem eeni-gen der Farizeër. en derHero-dianen , opdat ^ij hem in [xij-nr] rede vangen zouden. 14 Deze nu kwamen en zeiden tot hem: Meester, wij weten dat gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt want gij ziet den persoon der menschen niet aan, maar gij leert den weg Gods in waarheic ; is het geoorloofd den Keizer schatting te geven of niet ? Zullen wij geven of niet geven ? 15 En hij wetende hunne geveinsdheid zeide tot hen ; wat verzoekt gij mij 1 Brengt mij eenen ppnnin?, dat ik (difn) zie. 16 En zij brachten [rrnen]. En hö zeide tot hen : wiens is dit beeld en het opsciirift ? En zij zeiden tot hemV des Keizers. 17 En Jezus attwoordende zeide tot hen : geift dan den Keizer wat des Keizers is, en Gode wat Gode is. En zg verwonderden zich over hem. 18 En de Sadduceën kwamen tot hem, welke zeggen, dat er geene opstanding is , en vraagden hem, zeggende; 19 Meester, Mozea heeft ons geschreven: indien iemands broeder sterft, en eene vrouw achterlaat, en geene kinderen nalaat, dat zijn broeder deszelfs vrouw nemen zal, en zgnen broeder zaad verwekken. 20 Er waren nu zeven broeders; en de eerste nam eene vrouw, en stervende liet geen zaad na. 21 De tweede nam haar ook , en is gestorven, en ook deze liet geen zaad na ; en de derde des- cpAliilra |
22 En [oi] de zeven namen cle-zelve, en lieten geen zaad na ; de laatste van allen is ook de vrouw gestorven.
23 In de opstanding dan, wanneer zö zullen opgestaan zijn, wiens vrouw zal zij van dezezgn? AVant die zeven hebben liaar tot ecne vrouw gehad.
24 En Jezus antwoordende zeide tot hen ; dwaalt gij niet, daarom dat gij de Schriften niet weet, noch de kracht Gods?
25 Want als zij uit de dooden zullen opgestaan zijn, zoo trou-wen zg niet, noch worden niet ten huwelijk gegoven; maar zij zijn gelyk Engelen, die in de hemelen (tijn).
26 Doch aangaande de dooden, dat zg opgewekt zullen worden ; hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes,hoe God in het door-nenbosch tot hem gesproken heeft, zeggende : ik ben de God Abrahams, en de God Izaaks, cn de God Jakobs?
27 God is niet een [God] der dooden, maar een God der levenden. Gij dwaalt dan zeer.
28 En een der Schriftgeleerden hoorende dat zij te zamen in woorden waren, (gt;n) wetende dat hij hun wel geantwoord had, kwam tot hem, en vraagde hem; welk is het eerste gebod van allen 7
29 En Jezus antwoordde hem : het eerste van al de geboden is : hoor, Israel, de Heer onze God is een eenig Heer.
30 En gij zult den Heer uwen God liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uwe ziel, en uit geheel uw verstand, on uit geheel uwe kracht. Dit is het eerste gebod.
31 En het tweede gelyk, [ii] dit gij zult uwen naasten liefhebben als u zeiven. Er is getn ander gebod grooter dan deze.
32 En de Schriftgeleerde zeide tot hem: Meester, gij hebt wel in waarheid gezegd, dat er een eenig God is, en er is geen ander dan hij ;
33 En, hem lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel de kracht, en den naasten lief te hebben als zich zeiven, is meer dan al de brandofferen en de slagtofferen.
3(t En Jezus ziende dat hij
IRKÜS. 57
verstandiglijk geantwoord had
zeide tot hem : gij «gt tiet ver van het Koningrijk Gods. En niemand durfde hem meer vragen.
35 En Jezus antwoordde en zeide, leerende in den Tempel: hoe zeggen de Schriftgeleerden, dat de Christus een zoon Davids is?
36 Want David zelf heeft door den Heiligen Geest gezegd; de Heer heeft gezegd tot mijnen Heer: zit aan mijne regter-[hund], totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot eene voetbank uwer voeten.
37 David dan zelf noemt hem [zijnml Heer; en hoe is hij zijn zoon ? En de menigte der schare hoorde hem gaarne.
33 En hn zeide tot hen in zijne leer; wacht u voor de Schri ft-geleerden, die daar gaarne willen wandelen in lange kleede-ren, en gegroet zijn op dc markten.
39 En de voorgestoelten [heh-ben] in de Synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden ;
40 Welke de huizen der weduwen opeten, en [clnt] onder den schijn van lang te bidden. Deze zullen zwaarder oordeel ontvangen.
41 En Jezus gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag hoe do schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel [ilfinr tn).
42 En er kwam eene arme weduwe, die wierp twee kleine [penningtkens daar in], hetwelk is een oort.
43 En [Jezut] zyne discipelen tot zich geroepen hebbende, zeide tot hen: voorwaar ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen die in de schatkist geworpen hebben;
44 Want zij allen hebben van hunnen overvloed [daar tn] geworpen ; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had [dnnr tn) geworpen, haren gan-schen leeftogt.
E HOOFDSTUK 13. n als hij uit den Tempel ging, zeide een van zijne disci- HOOFDSTUK 13. n als hij uit den Tempel ging, zeide een van zijne disci-
Kelen tot hem: Meester, zie oedanige steenen en hoeda-nige gebouwen.elen tot hem: Meester, zie oedanige steenen en hoeda-nige gebouwen.
2 En Jezus antwoordende C 5 zeide
NGELIUM Hoofdst. 13.
14 Wanneer gy dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan door den Profeet Daniël gesproken is, staande waar \'t niet behoort, (die het leest, die inerke daarop), alsdan die in Judea zijn, dat tij vlieden op de bergen ;
15 En die op het dak is, kome niet af in het huis, noch ga niet in, om iets uit zijn huis weg te nemen ;
16 En die op den akker is, keere niet weder terug, om zyn kleed te nemen.
17 Maar wee de bevruchte en de zogende (vrouwrn] in die da^en.
18 Doch bidt dat uwe vlugt niet geschiedde des winters.
19 Want die dagen tullen tul-ke verdrukking zijn, welker gelijke niet geweest is van den beginne der schepselen, die God geschapen heeft, tot nu toe, noch ook niet »ijn zal.
20 En indien de Heer de dagen niet verkort had, geen vleesch zoude behouder, worden; maar om der uitverkorenen wil, diehij heeft uitverkoren, heeft hij de dagen verkort.
21 En alsdan zoo iemand tot ulieden zal zeggen : zie hier is de Christus; cf- zie hn is daar; gelooft het niet.
22 _Want er zullen valsche Christussen,en vt lscheProfeten opstaan, en zullen teekenen en wonderen doen, om te verleiden, indien \'t mogelijk ware, ook de uitverkorenen.
i23 Ma»\'quot; gijlieden tiet toe; tie, ik heb u alles voorzegd. 2igt; Maar in die d.igen, na die verdrukking, zal Je zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven.
25 En de sterren des hemels zullen daar uit vrllen, en de krachten die in de hemelen l*yn], zullen bewogen worden..
26 En alsdan zullen zij den Zoon des menschen zien, komende in de wolken, met groote kracht en heerlijkheid.
27 En alsdan zal hg zgne Engelen uitzenden,* en zal zijne uitverkorenen bijeen vergaderen uit de vier winden, van het uiterste der aarde tat het uiterste des hemels.
28 En leert van den vggeboom deze gelijkenis: waaneer nu zijn tak teeder wordt, en de bladeren
58 HET EU A
teide tot hem: riet gij de*e proot« gebouwen ? Er lal niet (Wn) iteen op den [nnderra] ■teen gelaten worden, die niet afgebroken tal worden.
3 En ala hg gezeten was op den olnfber» tegenover den Tempel, vraagden hetn Petrus, en Jacobus, en Johannes, en Andreas, alleen :
4 Zeg ons wannoer zullen deze dingen zijn ? En welk is het teeken wanneer al deze dingen voleindigd zullen worden ?
5 En Jezus hun antwoordende begon te zeggen: ziet toe dat u niemand verleide.
6 Want velen zullen komen onder mijnen naam, zeggende: ik ben [de C/iri$lu$], en zullen velen verleiden.
7 En wanneer gij zult hooren van oorlogen, en geruchten van oorlogen, zoo wordt niet verschrikt; want (dit] moet geschieden. Maar nog is het einde niet.
8 Want het leene] volk zal tegen het [anderr] volk opstaan, en het [rene] koningrijk tegen het Innderr] koningrijk ; en er zullen aardbevingen zijn ia verscheidene plaatsen, en er zullen hongersnooden wezen, en beroerten. Deze dingen zijn (manr] beginselen der smarten.
9 Maar ziet gij voor u zeiven toe ; want zij zullen u overleveren indellaadsvcrgaderingen,en in de Synagogen ; gy zult geslagen worden, en voor Stadhouders en Koningen zult gij gesteld worden, om mijnentwil, hun tot eene getuigenis.
10 En het Euangelium moet eerst gepredikt worden onder al de volken.
11 Doch wanneer zij u leiden zullen om u over te leveren, zoo zijt te voren niet bezorgd, wat gij spreken zult, noch bedenkt het niet; maar zoo wat u in die ure ppgeven zal worden, dat spreekt. Want gij zijt het niet die spreekt, maar de Heilige Geest.
12 En de (ren»] broeder zal den [anderen] broeder overleveren tot den dood, en de vader het kind; en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen hen dooden.
13 En gü zult gehaat worden van allen, om miins naams wil; maar wie volharden zal tot het einde, die tal talig worden.
VAN MARKUS, 69
men gegeven worden; en zg vergrimden tegen haar.
6 Maar Jezus zeide : laat af van haar ; wat doet gij haar moeite aan T Zij heeft een goed werk lan mij gewrocht.
7 Want de armen hebc g\'g altijd met u, en wanneer gij wilt kunt gij hun weldoen; maar mij hebt gij niet altgd.
8 Zij heeft gedaan \'t geen zij konde; zn is voorgekomen om mgn ligchaam te zalven [tot eene voorbereiding] ter begrafenis.
9 Voorwaar zeg ik u. alwaar dit Euangeliuin gepredikt zal worden in de geheele wereld, (danr] zal ook tot hare gedachtenis gesproken worden ran \'t geen zij gedaan heeft.
10 En Judas Iskarioth, een van de twaalven ging heen tot de Overpriesters, opdat hg hem hun zoude overleveren.
11 En zij [\'\'quot;t] hoorende waren verblijd, en beloofden hem geld te geven, en hij zocht hoe hij hem bekwamelijk overleveren zoude.
12 En op den eersten dag der ongehevelde Ibrooden], wanneer zg \'t Pascha slagtten, zeiden zijne discipelen tot hem :
Ir wilt gij dat wij henengaan, _ bereiden dat gij het Pascha eet?
13 En hij zond twee van zijne discipelen uit, en zeide tot hen : gaat nenen in de stad, en u zal een mensch ontmoeten, dragende eene kruik waters ; volgt dien.
11 En zoo waar hij ingaat, zegt tot den heer des huizes: de Meester zegt: waar is de eetzaal, daar ik het Pascha met mijne discipelen eten zal ?
15 En hg zal u wijzen eene groot e opperzaal, toegerust (i-n) gereed ; bereidt het ons aldaar.
16 En zgne discipelen gingen uit, en kwamen in de stad, en vonden het gelijk hij hungezegd had, en bereidden het Pascha.
17 En als het avond geworden was, kwam hg met de twaalven.
18 En als zg aanzaten en aten, zeide Jezus : voorwaar ik zeg u, dat een van u, die met my eet, mij zal verraden.
19 En zg begonnen bedroefd te worden, en de een na den ander tot hem te zeggen : ben ik \'t T En een ander; ben ik \'tT
Hoofdst. 13. 1«. ren uitspruiten, too weet gü dat de zomer nabij is.
29 AUoo ook Rij, wanneer gg deze dingen tuit zien geschieden, zoo weet dat IfcWJ nabjj voor de deur is.
30 Voorwaar ik zeg u, dat dit geslacht niet zal voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen ge-
^32 Maar van dien dag en die ure weet niemand, noch de Engelen die in den hemel z\\jn, noch de Zoon, dan de Vader. S3 Ziet toe, waakt en bidt; want gij weet niet wanneer de tijd is.
34 Gelük een mensch buitenlands riizende, zijn huis verliet, en zijnen dienstknechten magt gaf, en elk zijn werk, en den deurwachter gebood dat h\\i zoude waken ;
35 Zoo waakt dan (want gij weet niet wanneer de heer de» huizes komen zal, [dn nvondi) laat, of ter middernacht, of met het hanengekraai, of in den morgenstond)
36 Opdat hü niet onvoorziens kome, en u slapende vinde.
37 En hetgeen ik u zeg, [dat] zeg ik allen ; waakt.
E HOOFDSTUK 14. n het Pascha en Ifcrt der ongehevelde (\'iroocten] was na twee da?cn ; en de Over-priesters en de Schriftgeleer-«len zochten, hoe zij hem met listigheid vangen en dooden zouden ; HOOFDSTUK 14. n het Pascha en Ifcrt der ongehevelde (\'iroocten] was na twee da?cn ; en de Over-priesters en de Schriftgeleer-«len zochten, hoe zij hem met listigheid vangen en dooden zouden ;
2 Maar zg zeiden : niet in het Feest, opdat niet misschien oproei onder het volk worde
3 En als hij te Bethanië was in \'t huis van Simon der melaatschen, daar hij aan (/«■ fel] xat, kwam eene vrouw hebbende eene albasteren flesch met zalf van onvervalschten nardus, van grooten prijs ; en de albasteren flesch gebroken hebbende goot die op zyo hoofd.
4 En er waren sommipen die dat zeer kwalgk namen bg zich zeiven, en zeiden: waartoe f-dit verlies der zalf geschied ?
5 Want dezelve had kunnen boven de drie honderd penningen verkocht, en [di«] den gt;r-
60 HET EUANGEUÜM Hoofdst !♦.
20 Mur hij antwoordde en i 3V En zeide tot hen : mijne liel reide tot hen : l\'t i») een uit is geheel bedroefd tot den dood de twulven, die met my ia den toe; blijft hier en waakt. quot;^r0iel indooPt- 35 En een weinig voortgegaan
21 De Zoon des menschen gaat wel henen, gelyk van hem geschreven is; maar wee dien mensch^ door wien de Zoon des menschen verraden wordt, het ware hem goed, *oo die mensch niet geboren ware geweest.
22 En als zij aten, nam Jetus brood, en als hg gezegend had, brak hij \'t, en gaf \'t hun, cn zeide : neemt, eet, dat quot; mijn ligchaam.
23 En nam den drinkbeker, i gedankt hebbende gaf hun Idieii]; en zij dronken allen uit denzitlven,
21 En hij zeide tot hen ______
myn bloed, het [btued] des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt.
25 Voorwaar ik zeg u, dat ik niet meer zal drinken van de vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer ik dezelve zal nieuw drinken in het Koningrijk Gods.
26 En nis zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den olijfberg.
27 Eu Jezus zeide tot hen zult in dezen nacht allen my geërgerd worden ; want er is geschreven: ik zal den herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden.
28 Maar nadat ik zal opgestaan zyn, zal ik u voorgaan naar Ga-
lilea.
29 En Petrus zeide tót hem . of zij ook allen geërprerd werden, zoo zal ik toch niet [geërnerd vordrn].
30 En Jezus zeide tot hem: voorwaar ik zeg u , dat heden in dezen nacht, eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben , gij mij driemaal zult verloochenen.
31 Maar hij zeide nog des te meer: al moest ik met u sterven, zoo zal ik u geenszins verloochenen. En insgelijks zeiden zij ook allen.
32 En zij kwamen in cene plaats, welker naam was Geth-pemane, en hij zeide tot zijne discipelen : zit hier neder totdat ik gebeden zal hebben.
33 En hij nam met zich Petrus, en Jacobus, en Johannes, en begon verbaasd en zeer beangst te worden.
zijnde viel hij op de aarde^ en bad, zoo het mogelyk ware, dat die ure van hem voorbijging.
36 En hy reide; Abba, Vader, alle dingen tijn u mogelijk ; neem dezen drinkbeker vau mij weg ; doch niet wat ik wil, maar wat gij (tciUJ.
37 En hij kwam en vond hen slapende, en zeide tot Petrus: Simon, slaapt gij ? Kunt gij niet één uur waken ?
38 Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt. De geest li») wel gewillig, maar het vleesch is zwak.
39 En wederom henengegaan zijnde, bad hij, sprekende dezelfde woorden.
40 En wedergekeerd zijnde vond hij hen wederom slapende, want hunne oogtn waren be-zwaard; en tij winen niet wat zy hem antwoordden zouden.
41 En hij kwam ten derden maal, en zeide to( hen : slaapt [««] voort, en rust. Het is genoeg ; de ure is gekomen. Ziet, de Zoon des menschen wordt overgeleverd in de handen der zondaren.
42 Staat op, laat ons gaan. Ziet, die mij verraidt is naby.
43 En terstond a s hij nog sprak, kwam Judas aan, die een was van de twaalven, en met hem eene groote schare met zwaarden en stokken, (ijMon-d*n) van de Overpri jste\'rs, en do Schriftgeleerden, cn de Ouderlingen.
41 En die hem verried, had hun een gemeenteeken ffegeven, zeggende : dien ik kussen zal, die is \'t; grüpt hem, 3n leidt hem zekerlijk henen.
45 En als hij gekomen was, ging hij terstond tot hem, en zeide: Rabbi, Rabbi, en kuste hem.
46 Eu zij sloegen hunne handen aan hem, en grepen hem.
47 En een derfrenen, die daar-by stonden, het zwaard trekkende , sloeg den dienstknecht des Hoogepriesters, en hieuw hem zijn oor af.
48 Eu Jezus antwoerdende zeide tot hen : zijt gij uitgegaan met zwaarden en stokken als tegen een moordenaar om mij te vangen ?
*9 Da-
|
Hoofdst. 14, 15. VAN M 49 Dagelijks wn» ik bij ulieden in den Tempel leerende, en gij hebt mü niet gegrepen; maar (d!lt; getchiedl], opdat de Schriften vervuld louden worden. 50 En zij hem verlatende zjjn allen gevloden. 51 En eeu zeker jongeling volgde hem, hebbende een lyn-waad omgedaan over het naakte [lij/J; en de jongelingen grepen hem. 52 En hij het lijnwaad verlatende is naakt van heu gevloden. 53 En zij leidden Jezus henen tot den Hoofrepriester; en bij hem vergaderden al de O ver-priesters, en de Ouderlingen, en de Schriftgeleerden. 54 En Petrus volgde hem van verre, tot binnen in de zaal des Hoogepriesters, en hij was mede zittende met de dienaren, cn zich wannende bij het vuur. 55 En de Overpriesters en de geheele Raad zochten getuigenis tegen Jezus om hem te doo-den, en vonden niets; 56 Want velen getuigden val-schelyk tegen hem, en de getuigenissen waren niet eenparig. 57 En eenigen opstaande getuigden valschelijk tegen hem, zeggende; 58 Wij hebben hem hooren zeggen: ik zal dezen Tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen eenen anderen zonder handen gemaakt, bouwen. 59 En ook alzoo was hunne getuigenis niet eenparig. GO En de Hoogepriester in het midden opstaande vraagde Jezus, zeggende: antwoordt gij niets? Wat getuigen dezen tegen u? 61 Maar hij zweeg stil en antwoordde niets. Wederom vraagde hem de Hoogepriester. en zeide tot hem : zijt gij de Christus, de Zoon des gezegenden [GotM ? 62 En Jezus zeide : ik ben \'t. En gijlieden zult den Zoon des menschen zien zitten ter regter-(Atmrf] der kracht (Gorf»l, en komen met de wolken des hemels. 63 En de Hoogepriester verscheurende zijne kleederen, zei-de : wat hebben wij nog getuigen noodig? 64 Gij hebt de [Goffojlastering gehoord; wat dunkt ulieden? |
ARKUS. 61 En zij allen veroordeelden hem des doods schuldig te zijn. 65 En sommigenbegonnen hem te bespuwen, en zijn aangezigt te bedekken, en met vuisten te slaan, en tot hem te zeggen : Erofeteer. En de dienaars gaven pin kinnebakslagen.rofeteer. En de dienaars gaven pin kinnebakslagen. 66 En als Petrus beneden in de zaal was, kwam eene van de dienstmaagden des Hoogepriesters ; 67 En ziende Petrus zich warmende, zag zij hem aan, en zeide : ook gy waart met Jezus den Nazarener. 68 Maar hij heeft het geloochend , zeggende ; ik ken [Arm] niet, en ik weet niet wat gij zegt. En hij ging buiten in de voorzaal, en de baan kraaide. 69 En de dienstmaagd hem wederom ziende begon te zeggen tot degenen die daar bij stonden : deze is een van die. 70 Maar hij loochende het wederom. En een weinig daarna, die daarbij stonden zeiden wederom tot Petrus : waarlijk gij zijt een van die ; want gg zijt ook een Galileër, en uwe spraak gelijkt. 71 En hij begon [tic/i *cl»gt;*n) te vervloeken en te zweren, ik ken dezen mensch niet. dien gÖ zegt. 72 En de haan kraaide de tweede maal; en Petrus werd indachtig des woords, hetwelk Jezus tot hem gezegd had: eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, zult gij mij driemaal verloochenen. En hij [zich] van daar makende, weende. E HOOFDSTUK 15. n terstond des morgens vroeg hielden de Overpriesters te zamen raad, met de Ouderlingen cn de Schrifgeleerden, en den geheelen Raad; en Jezus gebonden hebbende, bragten zij (/irm] henen, en gaven [Aem] aan Pilatus over. HOOFDSTUK 15. n terstond des morgens vroeg hielden de Overpriesters te zamen raad, met de Ouderlingen cn de Schrifgeleerden, en den geheelen Raad; en Jezus gebonden hebbende, bragten zij (/irm] henen, en gaven [Aem] aan Pilatus over. 2 En Pilatus vraagde hem : zijt gij de Koning der Joden ? En hij antwoordende zeide tot hem gij zegt het. 3 En de overpriesters beschuldigden hem van vele (zo ken] ; maar hij antwoordde niets. 4 En Pilatus vraagde h«m wederom, zeggende- antwoordt gij niet? Zie, hoe vele [xafcen] zij tegen u getuigen. 5 En Jezus heeft niet meer ge- C 7 ant- |
|
ee HET EUA antwoord, roodat Filatus xich verwonderde. 6 En op het Feest liet hj) hun cenen pevanpenen los, wien zg ook begeerden. 7 En er was een, Renaamd Bkr-nbbas , pevanpen met landere] mede-oproermakers, die in het oproer cenen doodslag gedaan had. 8 En de schare riep uit, en begon te begeeren, (dnt hij derd] gelijk hij hun altijd gedaan had. 9 En Filatui antwoordde hun, leggende : wilt gy dat ik u den Koning der Joden loslaat? 10 (Want hij wist, dat hem de Overpriesters door nijd overgeleverd hadden.) 11 Maar de Overpriesters bewogen de schare, dat hij hun liever Barabbas zoude loslaten. 12 En Filatus antwoordende zeide wederom tot hen ; wat wilt gij dan dat ik [mrf hem] doen zal, wien gü een Koning der Joden noemt? 13 En zij riepen wederom: kruis hem. 11 Doch Filatus zeide tot hen: wat heeft hij dan kwaads gedaan ? En zij riepen te meer: kruis hem. 15 Filatus nu willende de schare genoeg doen, heeft hun Barabbas losgelaten, en paf Jezus over, als hii [Aem] gegee-seld had, om gekruist te worden. 16 En de krijgsknechten leidden hem binnen in de zaal, welke is het Regthuis, en riepen de^gansche bende te zamen ; 17 En deden hem ecneu purperen mantel aan, en eene doornen kroon gevlochten hebbende, zetten hem |rfir) op; 18 En begonnen hem te gioe-ten, Ixegtfrndr]: wees gegroet, [lt;Tyj Koning der Joden. 19 En sloegen zyn hoofd met canen rietstok, en bespogen hem, en vallende op de knieën aanbaden hem. 20 En als zij hem bespot hadden, deden zg hem den purperen mantel af, en deden hem zijne eigene kleederen aan, en leidden hem uit om hem te kruisigen. 21 En zij dwongen eenen Simon van Cyrene, die [dnnr] voorbijging, komende van den akker, den vader van Alexander cn Rufus, dat hy zjjn krui» droeg. |
22 En zg bragten hem tot de plaats Golgotha, hetwelk is, overgezet zynde, Hoofdscheël-plaats. 23 En zg gaven hem gemirrhe-den wyn te drinken ; maar hij nam [dien] niet. 24 En als «ij hem gekruisigd hadden, verdeelden zg zgne kleederen, werpende het lot over dezelve, wat een iegelijk wegnemen zoude. SS En het was de derde ure, en zn kruisigden hem. 26 En het opschrift ziiner beschuldiging was boven hem geschreven -. de Koning der Joden. 27 En zg kruisigden met heui twee moordenaars, eenen aan (zijnr] regter-, en eenen aan zgne linker(zgt;jde]. 28 En de Schrift it vervuld geworden, die daat zegt: en hg is met de misdadi^en gerekend. 29 En die vooibijüringen lasterden hem, schuddende hunne hoofden, en zeggende: H»! gij die den Tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt, 30 Behoud u ztlven, en kom af v^n het kruis. 31 En insgelgks ook de Ovcr- Sriesters met de Schriftsreleer-en, zeiden tot elkander, al spottende: hg heeft anderen verlost, zich zelveu kan hg niet verlossen.riesters met de Schriftsreleer-en, zeiden tot elkander, al spottende: hg heeft anderen verlost, zich zelveu kan hg niet verlossen. 32 De Christus, de Koning Israëls kome nu af van het kruis, opdat wg het zien en gelooven mogen. Ook die met hem gekruist waren , smaadden hem. 33 En als de zesde ure gekomen was, werd er duisternis over de geheele aarde, tot de negende ure toe. 3t En ter negender ure riep Jezus met eroote stem, zeggende t ei.oi, Eloï, Lamma sabacii-tiiani ? \'t Welk is , overgezet zijnde , mijn God , mijn God , waarom hebt gg mij verlaten ? 35 En sommigen van die daar-by stonden, [dU] hoorendc zeiden: zie, hij roept Elias. 36 En er liep een, en vulde eene spons met edik, en stak haar op eenen rietstok, en gnf hem te drinken, zeggende : houdt stil; laat ona zier. of Elias komt, om hem af te nemen. 37 En Jezus eene Rroote stem van (zicAJ gegeven hebbende, gfaf deo geest- 38 Er |
VAN MARKUS.
63
Hoofdst. 15. 16.
|
38 En het voorhangtcl des Tempels scheurde in tweeën, van boven tot beneden. 39 En de Hoofdman over honderd, die daarby tegenover hem stond, tiende dat hü alzoo roepende den ^eeat geffeven had zeide: waarlgk, deze mensch was Gods Zoon. 40 En er waren ook vrouwen van verre [dif] aanschouwende, onder welke ook was Maria Magdalena, en Maria de moeder van Jacobus den kleinen, cn Jozes moeder, en Salome ; 41 Welke ook, toen hg in Ga-lilea waa, hem waren gevolgd, en hemgediendhadden ; en vele andere [tirotiioen] die met hem naar Jeruzalem opgekomen wa- 42 En als het nu avond was geworden, dewgl het de voorbereiding was, welke is de vóór-Sabbat» 43 Kwam Jozef, die van Ari-mathea [toa»), een eerlgk Raadsheer, die ook zelf het Koningrijk Gods was verwachtende; en zich verstoutende ging hg in tot Pilatus, en begeerde het ligchaam van Jezus. 4t En Pilatus verwonderde zich, dat hg alreeds gestorven was; en den Hoofdman over honderd tot zich geroepen hebbende vraagde hem, of hg lang gestorven was. 45 En als hij het van den Hoofdman over honderd verstaan had, schonk hij Jozef het litrchaam. 46 En h. cn hem afgenomen wond (Afm] in dat fijn Ign-waad, en leido hem in een graf, \'t welk uit eene steenrots gehouwen was; en hij wentelde eenen steen tegen de deur des grafs. 47 En Maria Magdalena, en Maria [de moeder] van Jozes aanschouwden, waar hg gelegd HOOFDSTUK 16. jn als de Sabbat voorbij-gegaan was, hadden Mana Magdalena, en Maria de [moeder] van Jacobus, en Salome specerijen gekocht, opdat zg kwamen en hem zalfden. 2 En zeer vroeg op den eersten [t/ayl der week, kwamen zg tot het graf, als de zon opging ; 3 En zeiden tot elkander: wie |
zal ons den steen van de deur des grafs afwentelen ? 4 (Ën opziende zagen tij dat de steen afgewenteld was) want hij was zeer groot. 5 En in het graf ingegaan zyn-de zagen zg eenen jongeling zittende ter regter(*yde], bekleed met een wit lang kleed, en werden verbaasd. 6 Maar hg zeide tot haar : zgt niet verbaasd ; gij zoekt Jezus den Nazarener, die gekruist was; hij is opgestaan, hij is hier niet; ziet de plaats waar zg hem gelegd hadden ; 7 Doch gaat henen, zegt znnen discipelen cn Petrus, dat nij u voorgaat naar Galilea; aldaar zult gij hem tien, gelijk hij ulieden gezegd heeft. 8 En zij haastiglijk uitgegaan zijnde vloden van het graf; en beving en ontzetting had haar bevangen ; en zeiden niemand iets, want zg waren bevreesd. 9 En als [Jetus] opgestaan was des morgens vroeg op den eersten [doj;] der week, verscheen hij eerst Maria Magdalena, uit welke hii zeven duivelen uitgeworpen had. 10 Deze henengaande boodschapte het dengenen die met hem geweest waren, welke treurden en weenden. 11 En als deze hoorden dat hij leefde, en van haar gezien was, geloofden zij het niet. 12 En na dezen is hij geopenbaard in eene andere gedaante aan twee van hen, daar zij wandelden, en in het veld gingen. 13 Deze ook henengaande boodschapten het den anderen; (maarjzg geloofden ook die niet. 14 Daarna is hij geopenbaard aan de elven daar zg aanzaten, en verweet [Aun) hunne ongc-loovigheid en hardigheid drr harten, omdat zg niet geloofd hadden degenen, die hem gezien hadden, nadat hij opgestaan was. 15 En hn zeide tot hen : gaat henen in de geheelewerebl,predikt het Euangelium allen creaturen. 16 Die geloofd zal hebben, ca gedoopt zal zijn, zal zalig worden. Maar die niet tal geloofd hebben, zal verdoemd worden. 17 En dengenen die geloofd zullen hebben, zullen deze teekenen volgen : in mijnen naam zullen zg duivelen uitwerpen; met |
|
61 HET SUA: met nieuwe tonden zullen zQ spreken ; 18 Slangen zullen zij opnemen, en al is het dat zij iets doode-lijks zullen drinken, dat zal hun niet schaden. Op kranken zullen zij de handen leffëen, en zij zullen gezond worden. 19 De Heer dan nadat hü tot hen gesproken had, is opgenomen in den hemel en is gezeten aan de regter(fcnmJJ Gods. 20 En zij uitgegaan zijnde predikten overal; en de Heer wrocht mede, en bevestigde het woord door teekenen die daarop volgden. Amen. HET HEILIG quot;Vf HOOFDSTUK 1. 1 XN ademaal velen ter hand genomen hebben, om in orde te stellen een verhaal van de dingen, die onder ons volko-mene zekerheid hebben ; 2 Gelijk ons overgeleverd hebben die van den beginne zelvcn aanschouwers en dienaars des woords geweest zijn; 3 Zoo heeft het ook my goed gedacht, hebbende alles van voren aan naarstiglijk onderzocht , vervolgens aan u te schrijven, voortreffelijke The-ophilus, 4 Opdat gij moogt kennen de zekerheid der dingen, waarvan gij onderwezen zijt. 5 In de dagen van Herodes den Koning van Judea was een zeker Priester met name Za-charias, van de dagorde van Abia ; en zijne vrouw was uit de , dochteren Aarons, en haar naam Elizabet. 6 En zij waren beiden rcirtvaar-dig voor God, wandelende in al de geboden en regten des Hee-ren onberispelijk. 7 En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was, cn zij beiden ver op hunnedagen gekomen waren. 8 En het geschiedde, dat als hy het Priesterambt bediende voor God in de beurt zijner dagorde, 9 Naar do gewoonte der pries-terl.jke bediening, hem te lote n\'GELIUM Hoofdst.\'l. |
was gevallen, dat hjj zoude ingaan in den Tempel des Heeren om te reukofferen. 10 En «1 de menigte des volks was buiten biddende ter ure des reukotfers. 11 En van hem werd gezien een Engel des Heeren staande ter regterfzijifc] van het altaar des reukoffers; 12 En Zacharias [fcrm] ziende werd ontroerd, en vrees is op hem gevallen. 13 Maar de Engel zeide tot hem: vrees niet Zacharias, want uw gebed is verhoord, en uwe vrouw Elizabet zal u eenen zoon baren, en gy zult zijnen naam heeten Johannes. 14 En u zal blijdschap en verheuging zijn, en velen zullen zich over zijne geboorte verblijden. 15 Want hij zal groot zijn voor den Heer ; noch wijn noch sterken drank zal hy niet drinken, en hij zal metdenHeiligenGeest vervuld worden, ook van zyner moeders lijf af, 16 En zal velen der kinderen Israels bekeeren tot den lieer hfinnen God. 17 En hij zal voor hem henengaan in den geest en kracht van Elias, om te bekeeren de harten der vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de voorzigtigheid der regtvaardi-gen, om den Heer te bereiden een toegerust volk. 18 En Zacharias ztide tot den Engel; waarbij zal ik dat weten ? Want ik ben oud, en mijne vrouw is ver op hare dagen gekomen. 19 En de Engel artwoordde, en zeide tot hem: ik ben Gabriel, die voor God fcta, cn ben uitgezonden om tot i te spreken, cn u deze dingen te ver- 20 En zie, gij zult zwijgen, en niet kunnen spreken, tot op den dag dat deze dingen geschied zullen zyn, om dies wil dat gij mijne woorden niet geloofd hebt, welke vervuld zullen worden op hunnen tijd. 21 En het volk was wachtende op Zacharias, cn waren verwonderd, dat hij zoo lang vertoefde in den Tempel. 22 En als hij uitkwam kon hij tot hen niet spreken ; en zy bekenden dat hij een gezigt in den Tempel gezien had. En hij wenk- |
|
Hoofdst. I. VAN L wenkte hun toe, en bleef stom. 23 En het geschiedde, als de da^en zyncr bediening vervuld waren , dat hg naar zijn huis gin?- 21 En na die dalt;?en werd Eli-zabet zijne vrouw bevrucht; en zij verborg zich vijf maanden, zegRendo : 25 Alzoo heeft mij de Heer gedaan, in de dagen in welke hij [mij] aangezien heeft, om mijne versmaadheid onder de men-schen weg te nemen. 26 En in de zesde maand werd de Engel Gabriël \'van God gezonden naar eene stad in Gali-lea, genaamd Nazareth. 27 Tot eene maagd die ondertrouwd was met een en man , wiens naam was Jozef, uit het huis Davids; en de naam der maagd was Maria. 28 En de Engel tot haar ingekomen zynde , zeide ; wees gegroet gij begenadigde; de Heer [i»l metu ; gij [rijt] gezegend onder de vrouwen. 29 En als zij (/ifm) zag werd zij zeer ontroerd over dit zyn woord , en overleide hoedanig deze groetenis mogt zijn. 30 En de Engel zeide tot haar: vrees niet Maria, want gij hebt genade bij God gevonden. 31 En zie, gij zult bevrucht worden, en eenen zoon haren,en zult zijnen naam heeten Jezus. 32 Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genoemd worden. En God de Heer zal hem den troon zijns vaders Davids geven, 33 En hü zal over het huis Jakobs Koning zyn in der eeuwigheid, en zyns Ko-ningrijks zal geen einde zijn. 3t En Maria zeide tot den Engel • hoe zal dat wezen? dewijl ik geenen man beken. 35 En de Engel antwoordende zeide tot haar : de Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen. Daarom ook dat Heilige dat uit u\'geboren zal worden, zal Gods Zoo» genoemd worden. 36 En zie, Elisabet uwe nicht is ook zelve bevrucht met eenen zoon in haren ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genoemd was, de zesde. 37 Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn. |
(JKAS. 65 38 En Maria zeide: zie de dienstmaagd des Heercn , mij geschiedde naar uw woord. En de Engel ging weg van haar. 39 En Maria opgestaan zijnde in die zelfde dagen , reisde met haast naar het genergte in eene stad van Juda, 40 En kwam in het huis van Zacharias, en groette Elisabet. 41 En het geschiedde als Eli-zabet de groetenis van Maria hoorde, zoo sprong het kindeken op in haren buik. En Eliza-bet werd vervuld met den Heiligen Geest, 42 En riep uit met groote lt;tem, en zeide : gezegend gy onder de vrouwen , en gezegend (i«] de vruchts uws buiks. 43 En van waar [Acomt] mij dit dat de moeder mijns Heeren tot mij komt? 44 Want zie, als de stem uwer groetenis in mijne ooren geschiedde, zoo sprong het kindeken van vreugde op in mijnen buik. 45 En zalig is [tij] die geloofd heeft; want de dingen , die haar van den Heer gezegd zijn, zullen volbragt worden. 46 En Maria zeide : mijne ziel maakt groot den Heer , 47 En iqijn geest verheugt zich in God mijnen Zaligmaker ; 48 Omdat hij de nederigheid zijnerdienstmaagd heeft aangezien. Want zie, van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten ; 49 Want groote dingen heeft aan mij gedaan hij die mag-tig is, en heilig t\'«l zijn naam; 50 En zijne barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over degenen die hem vreezen. 51 Hij heeft een krachtig werk gedaan door |zijnen arm. Hij heeft verstrooid de hoogmoedi-gen in de gedachten hunner harten. 52 Hij heeft magtigen van de troonen afgetrokken , en nede-rigen heeft hij verhoogd. 53 Hongerigen heeft hij met goederen vervuld, en rijken heeft hij ledig weggezonden. 54Hij heeftlsraël zijnen knecht opgenomen, opdat hij gedachtig ware der barmhartigheid , 55 (Gelijk hij gesproken heeft tot onze vaderen . InnmWyk) tot Abraham en zijn zamp;lt;td; in der eeuwigheid. 56 En Maria bleef bij haar om trent |
|
Hoofdst. 2. VAN I dende in het veld, en hidden de nachtwacht over hunne kudde. 9 En (ie, een En^el dés Heeien stond bn hen, en de heerlijkheid dcsHeeren omsoheen hen ; en *ij vreeiden met ffroote vrees. 10 En de Ensrel teide tot hen : vreest niet; want ziet, ik verkondig u irroote blijdschap, die al den volke wezen zal; 11 [iVnmetijfc], dat u heden fre-boren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heer, in de stad Davids. 12 En dit zal u het teeken zyn ; pij zult het kindeken vinden in doeken gewonden, en liggende in de kribbe. 13 En van stonden aan was \\daar] met den Enpel eene menigte des hemelschen heirle-gers, prijzende God en zeggende : 14 Eere [rijl God in de hoogste Ihrmelen], en vrede op aarde, in de mensrhen een welbehagen. 15 En het geschiedde, als de Engelen van hen weggevaren waren naar den hemel, dat de herders tot elkander zeiden, laat ons dan henengaan tot Bethlehem, en laat ons zien het woord dat daar geschied is, hetwelk de Heer ons heeft kond gedaan. 16 En zij kwamen met haast en vonden Maria, en Jozef, en Oiet kindeken liggende in de kribbe. 17 En als zy het gezien hadden maakten zij alom bekend \'t woord,dat hun van dit kindeken gezegd was. 18 En allen die het hoorden, verwonderden zich over hetgeen hun gezegd werd van de herders. 19 Doch Maria bewaarde deze woorden alle te zamen, overleggende in haar hart. 20 En d* herders keerden wederom, verheerlijkende en prijzende God over alles wat tij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was. 21 En als acht dagen vervuld waren,dat men het kindeken besnijden zoude, too werd rgn naam genaamd Jezus, welke genoemd was van den Engel, eer h\\J in het ligchaam ontvangen was. 23 En als de dagen harer reiniging vervuld waren naar de wet van Mozes, hragtcn zg hem |
UKAS. 67 te Jeruzalem, opdat *j (A«n) den Heer voorstelden, 23 (Gelgk geschreven is in de wet des Heeren : al wat mannelijk is dat de moeder opent, zal den Heere heilig genoemd worden), 21 En opdat zij offerande gaven naar hetgeen dat in de wet des Heeren gezegd is, een paar tortelduiven, of twee jonge duiven. 25 En zie*, er was een mensc.h te Jeruzalem, wiens naam was Simeon, en deze mensch was regtvaardig en godvreezend, verwachten\'de de vertroosting Israels; en de Heilige Geest was op hem. 26 En hem was eene goddelijke openbaring gedaan door den Heiligen Geest, dat Irj den dood niet zien zoude, eer hg den Christus des Heeren zoude zien. 27 En hij kwam door den Geest in den Tempel; en als de ouders het kindeken Jezus inbragten, om naar de gewoonte der wet met hem te doen, 28 Zoo nam hij hetzelve in zijne armen, en loofde God, en zeide : 29 Nu laat gij. Heer, uwen dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord. 30 Want mijne oogen hebben uwe zaligheid gezien, 31 Die gy bereid hebt voor het aangezigt van al de volken ; 32 Een licht tot verlichting der Heidenen, en tot heerlijkheid van uw volk Israël. 33 En Jozef en zijne moeder verwonderden zich over hetgeen dat van hem gezegd werd. 3Ir En Simeon zegende henlieden, en zeide tot Maria zijne moeder: zie, deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israël, en tot een teeken dat wedersproken zal worden, 35 (En ook een zwaard zal door uw zeiver ziel gaan), opdat de gedachten uit vele harten geopenbaard worden. 36 En daar was Anna eene Profetes, eene dochter Pha-nuël, uit den stam van Aser. Deze was totgrooten ouderdom gekomen, welke met [Anren] man zeven jaren had geleefd van haren maagdom af. 37 En zij was eene weduwe van omtrent vier en tachtig jaren, welke niet week uit den Tempel, met vasten en bidden, [Ood] dienende nacht en dag. S3 Ka |
|
63 HET EUA 38 En deze te dier relfder ure daarby komende heeft insgelijks den Heer beleden, en sprak van hem tot allen die de verlossing in Jeruzalem verwachtten. 39 En als zij alles voleindigd hadden, wat naar de wet des Heeren [te dom] was, keerden zg wederom naar Galilea, tot hunne stad Nazareth. 40 En het kind wies op, en werd gesterkt in den geest, en vervuld met wijsheid ; en de genade Gods was over hem. 41 En zijne ouders reisden alle jaren naar Jeruzalem op het Feest van Pasrha. 42 En toen hj) twaalf jaren [oud] geworden was, en zij naar Jeruzalem opgegaan waren, naar de gewoonte van den feestdag, 43 Eu de dagen [aldaar] voleindigd hadden, toen zü wederkeerden, bleef het kind Jezus te Jeruzalem ; en Jozef en zijne moeder wisten \'t niet; 41 Maar meenende dat hij in \'t gezelschap op den weg was, gingen zij eene dagreize, en zochten hem onder de magen , en onder de bekenden. 45 En als zij hem niet vonden, keerden zij wederom naar Jeruzalem, hem zoekende. 46 En \'t geschiedde, na drie dagen, dat zij hem vonden in den Tempel, zittende in het luidden der Leeraren, hen hoo-rende, en hen ondervragende. 47 En allen die hem hoorden ontzetten zich over zyn verstand, en antwoorden. 48 En zij hem ziende werden verslagen, en zijne moeder zeide tot hem: kind, waarom hebt gÜ ons zoo gedaan ? Zie, uw vader en ik hebben u met angst gezocht. 49 En hg zeide tot hen : wat [i« hrl] dat gij mij gezocht hebt ? Wist gjj niet, dat ik moet zyn in de dingen mijns Vaders ? 50 En zij verstonden het woord niet, dat hij tot hen sprak. 51 En hij ging met hen af, en kwam te Nazareth, en was hun onderdanig. En zijn* moeder bewaarde al dezedingen in haar hart. 52 En Jezus nam toe in wijsheid, en in grootte, en in genade bg God en de men-•chen. |
HOOFDSTUK 3. Jn in \'t vijftiende jaar der regering van den Keizer Tiberius, als Pontius Pilatus Stadhouder waa over Judea, en Herodes een Viervorst over Galilea, en Philippus zijn broeder een Viervorst over Iturea en over het land Trachonitis, en Lysaniaa een Viervorst over Abilene; \' 2 Onder de Hoogepriesters Annas en Kajafas ; geschiedde het woord Gods tot Johannes den zoon van Zacharius, in de woestijn. 3 En hij kwam in al het omliggende land des Jordaans, predikende denjdoopder bekee-jmg tot vergeving der zonden; 4 Gelijk geschreven is in \'t boek der woorden van Jesajas den Profeet, zeggende : de stem des roependen in de woestijn • bereidt den weg «les Heeren , maakt zgne paden regt. 5 Alle dal zal gevuld worden, en alle berg en heuvel zal vernederd worden, en de kromme (u^genj zullen tot eenen regten [u-rg] worden, en de oneffene tot effene wegen. 6 En alle vleesch saI de zaligheid Gods zien. 7 Hij zeide dan tot de scharen, die uitkwamen om van hem gedoopt te worden; gij adderen-gebroedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden van d\'-\'n toekomenden toorn 7 8 Brengt dan vruchten voort der bekeering waardi»; en begint niet te zeggen bg u zeiven ; wij hebben Abraham tot eenen vader. Want ik zeg u. dat God zelfs uit deze steenen Abraham kinderen kan verwekken. 9 En de bijl ligt ook alreeds aan den wortel der boomen; alle boom dan, die geene goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen, en in het vuur ge- 10 fen de scharen vraagden hem, zeggende : wat zullen wg dan doen ? 11 En hg antwoordende zeide tot hen •. die twee rokken heeft deele hem ir.ede, die geenen heeft; en die spijs heeft, doe desgelgks. 12 En er kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden, en zeiden tot hem • Meester, wat zullen wij doen T 13 EB |
|
13 En hij zeide tot hen: cisnht niet meer, dan hetgeen u gezet is. 14 En hem vraagden ook de krijgslieden, zeggende: en wü, wat zullen wij doen ? En hg zei-de tot hen : doet niemand overlast, noch ontvreemdt niemand het zyne met bedrog ; en laat u vergenoegen met uwe bezoldin-gen. 15 En als het volk verwachtte, en allen in hunne harten over-leiden van Johannes , of hij niet mogelijk de Christus ware, 16 Zoo antwoordde Johannes aan allen, zeggende : ik doop u wel met water ; maar hij komt die sterker is dan ik, wien ik niet waardig ben den riem van zyne schoenen te ontbinden ; deze zal u doopen met den Heiligen Geest en met vuur; 17 Wiens wan in zijne hand is, en hij zal zijnen dorschvloer doorzuiveren , en de tarwe zal hij in zijne schuur zamen brengen , maar het kaf zal hij met onuitblusschelijk vuur verbranden. 18 Hg dan ook nog vele andere dingen vermanende, verkondigde den volke het Euan-gelium. 19 Maar als Herodes de Viervorst van hem bestraft werd , om Herodias wil, de vrouw van Philippus zijnen broeder, en over alle booze [((ufcfcrn) die Herodes deed. 20 Zoo heeft hü ook dit nog boven alles daartoe gedaan, dat hij Johannes in de gevangenis gesloten heeft. 21 En het geschiedde, toen al het volk gedoopt werd, en Jezus (ook] gedoopt was, en bad, dat de Lemel geopend werd, 22 En dat de Heilige Geest op hem nederdaalde in ligchame-lijke gedaante gelijk eene duif, en dat er eene stem geschiedde uit den hemel , zeggende : gij zijt mijn geliefde Zoon ; in u heb ik mgn welbehagen, 23\'En hij Jezus begon omtrent dertig jaren [ourf] te wezen , zijnde (alzoo men meende) de zoon van Jozef, den (zoon? van Heli, 21 Den (*oonj van Matthat, den (zoon] van Levi, den (zoon] van Melchi, den (zoon] van Janna, den (zoon] van Jozef, 25 Den (zoon] van Matthathi-as, den (zoon] van Amos, den. |
(zoon] van Naum, den ;zoon] van Esli, den (zoon] van Nag-gagt; . 26 Den (zoon] vanMBath,den (zoon] van Matthatias, den (zoon] van Simei, den (toon] van Jozef, den [zoon] van Juda, 27 Den (zoon] van Johannas, den [zoogt;i]van Resa, den (zoon] van Zorobabel, den (zoon] van Salathiël, den (zoon] van Neri, 28 Den (zoon] van Melchi, den (zoon] van Addi, den (zoon] van Kosam, den (zoon] van El-modam, den (zoon] van Er, 29 Den (zoon) van Jozes, den (zoon) van Eliëzer, den (zoon) van Jorim, den (zoon) van Matthat, den (zoon) van Levi, 30 Den (zoon) van Simeon, den (zoon)van Juda, den (zoon) van Jozef, den (zoon) van Jo-nan , den (zoon) van Eljakim, 31 Den (zoon) van Meleas, den (zoon) van Mainan, den (zoon) van Matthatha, den (zoon) van Nathan, den (zoon) van David, 32 Den (zoon) van Jesse, den (zoon) van Obed, den (zoon) van Boöz, den (zoon) van Salmon, den (zoon) van Naasson, 33 Den (zoon) van Aminadab, den (zoon) van Aram, den [zoon] van Esrom, den (zoon) van Fares, den(zoon)van Juda, 34 Den (zoon] van Jakob, den [zoon] vanlzaük, den [zoon]van Abraham, den (zoon) van Tha-ra, den (zoon) van Nachor, 35 Den (zoon) van Saruch, den (zoon) van Ragau, den (zoon) van Falek , den (zoon) van Heber, den (zoon) van Sala, 36 Den (zoon) van Kainan, den (zoon) van Arphaxad, den (zoon) van Sem, den (zoon) van Noach, den [zoon] van Lamech, 37 Den (zoon) van Mathusala, den (zoon) van Enoch, den (zoon) van Jared, den [zoon] van Malaleël, den (zoon) van Kainan, 38 Den (zoon) van Enos , den [zoon] van Seth , den [zoon] van Adam, den (zoon) van God. E HOOFDSTUK 4. n Jezus vol des Heiligen Geestes keerde wederom van den Jordaan, en werd door den Geest geleid in de woestijn; HOOFDSTUK 4. n Jezus vol des Heiligen Geestes keerde wederom van den Jordaan, en werd door den Geest geleid in de woestijn; 2 En werd veertig dagen verzocht van den duivel, en at gansch niet in die dagen ; en |
|
fWd.t. 4, 5. VAN J van hen doorgegaan zijnde ging wer. 31 En nij kwam af te Kaper-naüni, eene stad van Gahlea, en leerde hen op de Sabbat-dagen. 32 En zij versloegen zich over zijne leer; want zijn woord was met magt. 33 En in de Synagoge was een incnsch hebbende eenen geest eens onreinen duivels; en riep uit met groote stem, 31 Zeggende: laat af, wat hebben wij met u [te doen], gij Jezus Nazarener ? Zijt gij gekomen om ons te verderven ? Ik ken u wie gij rijt, (nametijfe) de Heilige Gods. 35 En Jezus bestrafte hem, zeggende: zwijg stil, en ga van hem uit. En de duivel hem in \'t midden geworpen hebbende, voer van hem uit, zonder hem iets te beschadigen. 36 En er kwam eene verbaasdheid over allen; en zij spraken te zamea tot elkander, zeggende : wat woord ia dit, dat hy met magt en kracht de onreinen geesten gebiedt, en iü va- 37 En het gerucht van hem ging uit in alle plaatsen des oinlifrgenden lands. 33 En iJezvt] opgestaan zijnde uit de Synagoge, ging in \'t huis van Simon; en Simons vrouws moeder was met eene groote koorts bevangen, en zy baden hem voor haar. S9 En staande boven haar, be-r\'rafte hij de koorts, en [dt knorltl verliet haar; en z|j van stonden aan opstaande diende henlieden. 40 En als dc zon onderging, allen die kranken hadden, met verscheidene ziekten [bevangen], bragten die tot hem, en hij leide een iegelijk van hen de handen op, en genas dezelve. 41 En er voeren ook duivelen nit van velen, roepende, en zeggende: gij tyt de Christus , da Zoon Gods. En [Aen] bestraffende liet hö die nietspre-ken, omdat zij wisten dat hij de Christus was. 42 Ea als het dag werd, ging hij uit, sn trok naar eene woeste Elaats; en de scharen zochten em, en kwamen tot bn hem, en hielden hem op dat hij van hen niet zoude weggaan.laats; en de scharen zochten em, en kwamen tot bn hem, en hielden hem op dat hij van hen niet zoude weggaan. 43 Maar hij zeide tot hen : ik |
moet ook andere steden het Euangelium van het Koninrrijk Gods verkondigen ; want daartoe ben ik uitgezonden. 44 En hij predikte in de Synagogen van Galilea. E HOOFDSTUK 5. n het geschiedde als de schare op hem aandrong, om het woord Gods te hooren, dat hij stond bij het meer Genne- HOOFDSTUK 5. n het geschiedde als de schare op hem aandrong, om het woord Gods te hooren, dat hij stond bij het meer Genne- 2 En hij zag twee schepen aan [den oever) van \'t meer liggende, en de ;vis8cher8 waren daar uit gegaan, en spoelden de netten. 3 En hg ging in een van die schepen, \'t welk van Simon was, en bad hem, dat hij een weinig van het land afstak; en nederzittende leerde hij de scharen uit het schip. 4 En als hij afliet van «preken, zeide hij tot Simon : steek af naar de diepte, en werp uwe netten uit om te vangen. 5 En Simon antwoordde en zeide tot hem; Meester, wij hebben den geheelen nacht over gearbeid , en niet gevangen : doch op uw woord zal ik het net uitwerpen. 6 En als zij dat gedaanhadden, besloten zij eene groote menigte visschen, en hun net scheurde. 7 En zij wenkten hunne me-degenooten, die in het andere schip waren, dat zy hen zouden Komen helpen. En zy kwamen, en vulden beide de schepen, zoodat zü bijna zonken. 8 En Simon Petrus [dat] ziende viel neder aan de knieën van Jezus, zeggende : Heer, ga uit van mg, want ik ben een zondig mensch. 9 Want verbaasdheid had hem bevangen, en allen die met hem waren, over de vangst der visschen, die zij gevangen hadden, 10 En desgelgks ook Jacobus en Johannes, de zonen van Ze-bedeüs, die Simons medege-nooten waren. En Jezus zeide tot Simon : vrees niet; van nu aan zult gij meuschen vangen. 11 En als zij de schepen aan land gestuurd hadden, verlieten zij alles en volgden hem. 12 En het geschiedde als hij in eene dier steden was,zie,daar [iraf] een man vol melaatsch-heid; cn Jezus ziende viel hij op |
|
72 HET EU Al op het «anireziRt, en had hem, (eggende : Heer, zoo gg wilt, pij kunt mij reinigen. 13 En hij de hand uitstrekkende raakte hein nan , en zeide : ik wil, word gereinigd. En terstond ging de melaatsch-heid van hem. 14 En hij gebood hem, dat hij het niemand zeggen zoude;maar ga henen (rrirf* Aij] vertoon u Zülven den Priester, en offer voor uwe reiniging, gelijk Mo-zes geboden heeft, hun tot eene getuigenis. 15 Maar het gerucht van hem ging te meer voort; en vele scharen kwamen te zamen om (\'irm] tc hooren, en door hem genezen te worden van hunne krankheden. 16 Maar hij vertrok in de woestijnen, en bad [nJdnnii. 17 En het geschiedde in eencn van die dagen, dat hij leerde, cn [er] zaten Farizeën en Leeraars der wet, die van alle vlekken van Galilea, cn Judea, en Jeruzalem gekomen waren ; en de kracht des Heeren was {dnnr], om hen tc genezen. 18 Én zie, [cïnijr] mannen bragten op een bed eenen incnsch die geraakt was, en zochten hem in tc brengen, en voor hem te leggen. 19 En niet vindende, waardoor zij heminbrengen mogten,overmits dc schare, zoo klommen zij op het dak, en lieten hem door de tigchelen neder met \'t beddeken, in het midden voorJezus, 20 En hij ziende hun geloof zeide tot hem: mensch, uwe zonden zijn u vergeven. quot;21 En de Schriftgeleerden en de Farizeën begonnen te overdenken, zeggende : wie is deze, die [God;] lastering spreekt ? Wie kan dc zonden vergeven dan God alleen ? 22 Maar Jezus hunne overdenkingen bekennende, antwoordde cn zeide tot hen: wat overdenkt gij in uwe harten ? 23 Wat is ligtelijker te zeggen: uwe zonden zijn u vergeven; of tc zeggen : sta op en wandel? 21 Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mcnschen magt heeft op de aarde de zonden te vergeven (zeide hij tot den geraakten) : ik zeg u, sta op, en neem uw beddeken op, en ga henen naar uw huis. 25 En hg terstond voor hen «GELIUM Hoofdst. 5. |
opotaande, f*nl opgenomen hebbende hetgeen waar hg op gelegen had, ging henen naar zyn huis. God verheerlijkende. 26 En ontzetting heeft (AenJ allen bevangen, en zij verheerlijkten God, en werden vervuld met vrees, zeggende: wg hebben heden ongeloofelijke dingen gezien. 27 En na dezen ging hij uit, en [zag cenen tollenaar, met name Levi, zitten in het tol-huis.en zeide tot hem : volg mg. 2S En hg alles verlatende stond op, en volgde hem. 29 En Levi rigtte hem eenen grooten maaltijd aan, in zijn huis; en [er] was eene groote schare van tollenaren, en van anderen die met hen aanzaten. 30 En hunne Sohriftgeleerden en de Farizeën murmureerden tegen zgne discipelen, zeggende: traarom ee ; en drinkt gij met tollenaren en zondaren ? 31 En Jezus antwoordende-zeide tot hen ; die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet noodig, ma.ir die ziek zijn. 33 Ik ben niel; gekomen om tc roepen regtvaardigen, maar zondaren tot beieering. 33 En zij zeiden tot hem: waarom vasten de discipelen van Johannes di\'.cwgls, en doen gebeden, desgelijks ook [de dit-ciprlen] der Farizeën ; maar dc uwen eten en drinken? 34 Doch hij ze.de tot hen: kunt gij de bruiloftskinderen, terwijl de bruidegom bij hen is, doen vasten ? 35 Maar de dagen zullen komen , wanneer dj bruidegom van hen zal weggi-nomen zijn ; dan zullen zg vastsn in die da-gen. 36 En hij zeide ook tot hen eene gelijkenis: niemand zeC cenen lap van een nieuw kleed, op een oud kleed ; anders zoo scheurt ook dat nieuwe [Aft oude], en de lap van het nieuwe komt met het oude nietovereen. 37 En niemand doet nieuwen wgn in oude [{«drr]zakken ; anders zoo zal de nieuwe wijn de (f«jffr]iakken doen bersten, en de [irijn] zal uitgestort worden, en de [federjzakken zullen verderven. 38 Maar nieuwen wijn moet men in nieuwe [trtfcrlzakken doen, en zg worden beide te zamen behouden. 39 En |
|
29 En niemand die ouden drinkt, begeert tentond nieuwen ; want hij zegt: de oude is beter. Ei HOOFDSTUK 6. n het geschiedde op den tweeden eersten Sabbat, dat hg door het gezaaide ging, en zijne discipelen plukten aren,en aten ze, [oie] wrijvende inet de han-den.i HOOFDSTUK 6. n het geschiedde op den tweeden eersten Sabbat, dat hg door het gezaaide ging, en zijne discipelen plukten aren,en aten ze, [oie] wrijvende inet de han-den. 2 En sommigen der Farizeên zeiden tot hen: waarom doet gg wat niet geoorloofd is te doen op de Sabbuten? 3 En Jezus hun antwoordende zeide ; hebt gij ook dat niet gelezen, hetwelk David deed wanneer hem hongerde, en dengenen die met hem waren ? 4 Hoe hij ingegaan is in het Huis Gods, en de toonbroo-den genomen en gebeten heeft, cn ook gegeven dengenen die met hem waren, welke niet zijn geoorloofd te eten, dan alleen den Priesteren. 5 En hg zeidetot hen: de Zoon des inensrben is een Heer ook vin den Sabbat. 6 En het geschiedde ook op eenen anderen Sabbat, dat hij in de Synagoge ging, en leefde. En daar was een mensch, en zijne regterhand was dor. 7 En de Schriftgeleerden en de Parizeen namen hem waar, of hg op den Sabbat genezen zoude; opdat lij [«nil??! beschuldiging tegen hem mogten vinden. 8 Doch hg kende hunne gedachten , en zeide tot den inznsch, die de dorre band had : rijs op, en sta in het midden. En hij opgestaan zijnde stond [nrfrrmrfï]. 9 Zoo zeide dan Jezus tot hen : ik zal u vragen : wat is geoorloofd op de Sabbaten ? Goed te doen, of kwaad te doen ; eenen mensch te behouden, of te verderven ? 10 En hen allen rondom aangezien hebbende, zeide hij tot den mensch: strek uwe hand uit. En hij deed alzoo; en zijne hand werd hersteld, gezond gelgk de andere. 11 En zij werden vervuld met uitzinnigheid, en spraken te zamen met eikanderen, wat zij .Jezus doen zouden. 12 En het ge8lt;\'liiedde jn die dagen, dat hij uitging naar den |
berg om te bidden; en hg bleef den nacht over in \'t gebed tot God. 13 En als het dag was geworden. riep hij zijne discipelen tot zich, en verkoos er twaalf uit hen, die hij ook Apostelen noemde; 14 [jVamWijfc] Simon, welken hij ook Petrus noemde, en Andreas, zijnen broeder; Jacobus en Johannes; Philippus en Bar-tholomeüs; 15 Mattheüs en Thomas; Jacobus den [zoon] van Alpheus, en Simon, genoemd Zelotes; 16 Judas [den zoon] van Jacobus, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is. 17 En met hen afgekomen zgn-de, stond hij op eene vlakke plaats, en [met /tem] de schare zijner disci pelen,en eene groote menigte des volks van geheel Judea en Jeruzalem, en van den zeekant van Tyrus en Sidou, 18 Die gekomen waren om hem te hooren, en om van hunne ziekte genezen te worden, en die van onreine geesten gekweld waren ; en zij werden genezen. 19 En al de schare zocht hem aan te raken; want daar ging kracht van hem uit, en hij genas ze allen. 20 En hij zijne oogen\'opslaan-de over zgne discipelen, zeider zalig zijt gij armen, want uwer is het Komngrgk Gods. 21 Zalig zijt gij die nu hongert ; want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij die nu weent; want gij zult lagchen. 22 Zalig zijt gij wanneer u de menschen haten, en wanneer zij u afscheiden, en suiaden, en uwen naam als kwaad verwerpen, om des Zoons des ineu-lichen wil. 23 Verblijdt u in dien dag, en zijt vrolijk; want zie uw loon is groot in den hemel; want hunne vaders deden desgelijks den Profeten. 24 Maar wee u gg rijken ; want gij hebt uwen troost weg. 25 Wee u die verzadigd zijt; want gij zult hongeren. Wee u die nu lacht; want gg zult treuren en weenen. 2S Wee u wanneer nl tie menschen wel van u spreken; want hunne vaders deden diiagelgks den valschen profeten. 27 Maar ik zeg ulieden, die D t«lt;i« |
|
7ft HET EUA: IrfifJ hoort: hebt lief uwe vijanden ; doet wel dengenen die u haten; 28 Zegent degenen die u vervloeken, en bidt voor degenen die u geweld doen ; 29 Dengenen die u aan de wang slaat, biedt ook de andere ; en dengenen die u den mantel neemt, verhindert ook den rok niet (fe n^men]. 30 Maar geeft eenen iegelijk die van u begeert, en van den genen die het uwe neemt, eischt niet weder. 31 En gelijk gij wilt dat u de mensrhen doen zullen, doet gij bun ook desgelijks. 32 En indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars hebben lief degenen die hen liefhebben. 33 En indien gy goed doet dengenen die u goed doen, wnt dank hebt gij ? Want ook de zondaars doen \'tselfde. 3i En indien gij leent dengenen, van welken gij hoopt weder te ontvangen, wat dank hebt gij ? quot;Want ook de zondaars lee-nen den zondaars, opdat zij evengelijk weder mogenontvan-gcn. 35 Maar hebt uwe v^anden lief, en doet goed, en leent zonder iets weder te hopen ; en uw loon zal groot zijn, en uwe kinderen des Allerhoogsten zijn; want hij is goedertieren over de ondankbaren en boozen. 36 Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is. 37 En oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden; verdoemt niet, en gü zult niet verdoemd worden ; laat los, en gij zult losgelaten worden; 38 Geeft, en u zal gegeven worden ; eene goede, neergedrukte, en geamp;chudde, en over-loopende maat zal men in uwen srhoot geven. Want met dezelfde maat waarmede gij meet zal ulieden weder gemeten worden. 39 En hij zeide tot hen eene gelijkenis: kan ook wel een blinde eenen blinden op den weg leiden ? Zullen zij niet beide in de gracht vallen ? 40 De discipel is niet boven zynen meester ; maar een iegelijk volmaakt [rfifcipef] zal zijn gelyk rijn meester. 41 En wat ziet gij den splinter |
S\'GELIUM Hoofdst. 6, 7. die in uws broeders oog is, eu den balk die in uw eigen oog is, merkt gij niet ? 42 Of hoe kunt gij tot uwen broeder zeggen: broeder laat toe dat ik den splinter die in uw oog is, uitdoe; daar gij zelf den balk die in uw oog is, niet ziet ? Gij geveinsden, doet eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit te doen, die in uws broeders 43 Want het is geen goede boom, die kwade vrucht voortbrengt, noch geen kwade boom, die troede vrucht voortbrengt. 4t Want een iegelijke boom wordt uit zijne eigene vrucht gekend. Want men leest geen vijgen van doornen, noch men snijdt geen druif van bra- 45 De goede mensch brengt het goede voort uit den goeden schat zijns harten ; en de kwade mensch brengt het kwade voort uit den kwade i.ch.it zijns harten. Want uit den overvloed des harten spreekt 8;ijn mond. 46 En wat noemt gij mij Heer, Heer, en doet niet hetgeen ik 47 Een iegelgk, die tot mij komt, en myne woorden hoort, en dezelve doet ik zal u too-nen wien hij gelijk is. 48 Hij is gelyk een mensch die een huis bouwde, en groef, en verdiepte, en (eide het fondament op eene steenrots. Als nu de hooge vloed kwam, zoo sloeg de waterstroom tegen dat huis aan, en kondndat niet bewegen ; want het was op de steenrots gegrond. 49 Maar die zegehoord.cn niet gedaan zal hebben, is gelijk een mensch die zijn huis bouwde op de aarde zonder fondament; tegen hetwelk de waterstroom aansloeg, en het viel terstond, en de val van datzelve huis was groot. quot;VT HOOFDSTUK 7. 1 J. 1 adat hy nu al zijne woorden voleindigd had ten aanhoore des volks, ging hij in te Kapernaüm. 2 En een dienstknecht van eenen zekeren Hoofdman over honderd, die hrm zeer waard was, krank zijnde lag op zijn sterven. 3 En van Jezus gehoord heb ben - |
|
bende, rond hij tot hem de Ouderlingen der Joden, hem biddende dat h\\) wilde komen, en zijnen dienstknecht gezond maken. 4 Deze nu tot Jezus gekomen zijnde, baden hem ernstiglqk, zeggende: hij is waardig dat gij hem dat doet. 5 Want hij heeft ons volk lief, en heeft zelf ons de Synagoge gebouwd. 6 En Jezus ging met hen. En als hij nu niet ver van het huis was, zond de Hoofdman over honderd tot hem [«nip*] vrienden , en zeide tot hem : Heer ueem de moeite niet; want ik ben niet waardig dat gij onder mijn dak zoudt inkomen. 7 Daarom heb ik ook mij zeiven niet waardig geacht, om tot u te komen; maar zeg (fcrtj met een woord, en mijn knecht zal genezen worden. 8 Want ik ben ook een mensch onder de magt [oon nnrteren] gesteld, hebbende krijgsknechten onder mij ; en ik zeg tot dezen ; ga, en hij gaat, en tot den anderen : kom, en hij komt; en tot mijnen dienstknecht: doe dat, en hij doet 9 En Jezus dit hoorende, verwonderde zich zijner; en zich omkeerende, zeide tot de schare die hem volgde: ik zeg ulieden : ik heb zoo groot geloof zelfs in Israël niet gevonden. 10 En die gezonden waren, wedergekeerd zijnde inhethuis, vonden den krauken dienstknecht gezond. ?1 En het geschiedde op den volgenden (digi, dat h\\j ging naar eene stad genaamd Nain, en met hem gingen velen van zyne discipelen, en eene groote schare. 12 En als hij de poort der stad genaakte , zietdaar, een doode werd uitgedragen, [di*] een eeniggeborene zoon zijner moeder [wat], en zij («cm] weduwe ; en eene groote schare van de stad [trat] met haar. 13 En de Heer haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zeide tot haar: ween niet. 14 En hij ging toe, en raakte de baar aan (de dragers nu ■tonden stil), en hij zeide: jon-gelifcg, ik zeg u: sta op. 15 En de doode zat overeinde. |
ÜKAS. 73 en begon te Spreken ; en hij gaf hem zijne moeder. 16 En vrees beving hen allen, en zij verheerlijkten God, zeggende : een groot Profeet is onder ons opgestaan, en Gcd heeft zijn volk bezocht. 17 En dit gerucht van hem ging uit in geheel Judea, en in al het omliggende land. 18 de discipelen van Johannes boodschapten hem vau al deze dingen. 19 En Johannes zekere twee van zijne discipelen tot zich geroepen hebbende, zond hen tot Jezus, zeggende : zijt gjj degene die komen zoude, of verwachten wij eenen anderen ? 20 En als de mannen tot hem gekomen waren, zeiden zij: Johannes de Dooper heeft ons tot u afgezonden, zeggende: zijt gij die komen zoude, of verwachten wij eenen anderen ? 21 En in dezelfde ure genas hij er velen van ziekten, en kwalen, en booze geesten, en vele blinden gaf hij het gezigt. 22 En Jezus antwoordende zeide tot hen ; gaat henen, en boodschapt Johannes weder de dingen, die gij gezien cn gehoord hebt, (namelijk], dat de blinden worden ziende, de kreupelen wandelen, de melaat-schen gereinigd worden, de dooven hooren, de dooden opgewekt worden, den armen het Euangelium verkondigd wordt. 23 En zalig is hij, die aan mij niet zal geërgerd worden. 21 Als nu de boden van Johannes weggegaan waren, begon hij tot de scharen van Johannes te zeggen : wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschouwen ? Een riet dat van den wind ginds en weder bewogen wordt ? 25 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien ? Eenen mensch met zachte kleederen bekleed ? Zie, die in heerluke kleeding en wellust zijn, die zijn in de koninklijke hoven. 26 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien ? Een profeet? Ja, ik zeg u : ook veel meer dan een Profeet. 27 Deze is het, van welken geschreven is: zie, ik zend mijnen Engel voor uw aangetigt, die uwen weg voor u henen bereiden zal. 28 Want ik zeg ulieden : onder die van vrouwen geboren zijn, D 2 ia |
|
7« HET EUAN is niemand meerder Profeet dnn Johannes de Dooper; maar de minste in \'t Koningrijk Gods is meerder dan hg. 29 En al het volk [fcrm) hoo-rende, en dc tollenaars, die met den doop van Johannex gedoopt waren, regtvaardigden God. 30 Maar dc Farizeën en de Wetgeleerden hebben den raad Gods tegen zich zeiven verworpen, van hem niet gedoopt zijnde. 31 En de Heer zeide : by wien zal ik dan de nienschen van dit geslacht vergelijken? En wien zijn zij gelijk ? 32 Zij zijn gelijk de kinderen, die op de markt zitten, en elkander toeroepen en zeggen : wg hebben u op de fluit gespeeld, en crij hebt niet gedanst ; wij hebben u klaagliederen gezongen, en gij hebt niet geweend. 33 Want Johannes de Dooper is gekomen, noch brood etende, noch wijn drinkende, en gij zegt: hij heeft den duivel. 34 De Zoon des menschen is gekomen, etende en drinkende, en gij zegt; ziedaar een mensch, (rfir) een vraat en wijnzuiper [ü], een vriend van tollenaren en zondaren. 35 Doch de wypheid is geregt-vaardigd geworden van al hare kinderen. 36 En een der Farizeën bad hem, dat hij met hem at; en ingegaan zijnde in des Fari-zeërs huis zat hij aan. 37 En zie, eene vrouw in de stad, welke eene zondares was, verstaande dat hij in des Fari-zeërs huis aanzat, bragt eene alabasteren flosch met zalf. 38 En staande achter aan zijne voeten weenende, begon zij zijne voeten nat te m.-.ken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste zijne voeten, en zalfde ze met de zalf. 39 En de Farizeör, die hem genoodigd had, [zulfet] ziende, sprak bij zich zeiven, zeggende ; deze, indien hy een Profeet ware, zoude wel weten wat en hoedanige vrouw deze is, die hem aanraakt; want zg is eene zondares. 40 En Jezus antwoordende zeide tot hem ; Simon, ik heb u wat te zsggen. En hy sprak : Meester zeg het. |
GEL1UM Hoofdst. 7. 6. 41 [Jezut zei Je] • een zeker schuldheer had twee schuldenaars ; de een was schuldig vijf honderd penningen, en de ander vijftig. 42 En als r.ij niet hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwiit. Zeg dan wie van deze zal hem meer liefhebben ? 43 En Simon antwoordende, zeide; ik acht dat hn het [«ij dien hij het meeste Kwijt gescholden heeft. En hij zeide tot hem : gy hebt regt geoordeeld. 4t En hy zich omkeerende naar de vrouw, zeide tot Simon : ziet gy deze vrouw ? Ik ben in uw huis gekomen ; water hebt gij niet tot mijne voeten gegeven; maar deze heeft myne voeten met tranen nat gemaakt, en met \'t haar haars hoofds afgedroogd. 45 Gij hebt my geenen kus ge-preven; maar deze, van dat zij ingekomen is heeft niet afgelaten mijne voeten te kussen. 46 Met olie hebt gij mijn hoofd niet gezalfd ; maar deze heeft mijne voeten met zalf gezalfd. 47 Daarom z ïg ik u: hare zonden zijn [haar] vergeven, die vele waren, want zij heeft veel liefgehad ; maar dien weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief. 48 En hij zeide tot haar: uwe zonden zyn (u] vergeven. 49 En die mede aanzaten begonnen te zeggen by zich zeiven : wie is deze die ook de zonden vergeeft f 50 Maar hy zeide tot dn vrouw : uw geloof heeft u bs-houden; ga henen in vrede. E HOOFDSTUK 8. n het geschiedde daarna, dat hy reisde van dc eene stad en vlek tot de andere, HOOFDSTUK 8. n het geschiedde daarna, dat hy reisde van dc eene stad en vlek tot de andere, Eredikende en verkondigende et Euangelium van het Koningrijk Gods ; cn de twaalven [trnrfiij met hem,redikende en verkondigende et Euangelium van het Koningrijk Gods ; cn de twaalven [trnrfiij met hem, 2 En sommige vrouwen, die van booze geesten en krankheden cenezen waren, [nome-l\'Jlc] Maria, penoemd Magda-lena, van welke zeven duivelen uitgedaan waren, 3 En Johanra, de huisvrouw van Chnsas, den rentmeester van Herodes en Susanna, en |
ÜKAS. 77
16 En niemand die eene kaars ontsteekt, bedekt dezelve met een vat, of zet ze onder een bed ; maar zet ze op eenen kandelaar, opdat degenen die inkomen het licht zien mogen.
17 Want er is niets verborgen, dat niet openbaar zal worden: noch heimelijk, dat niet bekend zal worden, en m \'t openbaar komen.
18 Ziet dan , hoe gij hoort; want zoo wie heeft dien zal gegeven worden; en zoo wie niet heeft, ook hetgeen dat hij meent te hebben zal van hen» genomen worden.
19 En zijne moeder en [rijn*] broeders kwamen tot hom, en konden bij hem niet komen van wege de schare.
20 En hem werd geboodschapt [rnn ernigm] die zeiden : uwe moeder tn uwe broeders staan daar buiten, begee-rende u te zien.
21 Maar hij antwoordde en zeide tot hen : mijne moeder en mijne broeders zijn deze, die Gods woord hooren, ea datzelve doen.
23 En \'t geschiedde in eenen van die dagen, dat hij in een schip ging, en zijne discipelen (mrt Am]; en hij zeide tot hen : laat ons overvaren nan de andeie zijde des meers. Eu zij staken af.
23 En als zij voeren, viel hij in slaap; en er kwam een storm van wind op het meei, en zij werden vol [unicr»], en waren in nood.
St En zij gingen tot hem, en wekten hem op, zeggende ; Meester, meester w:j vergaan. En hij opgestaan zijnde bestrafte den wind en de watergolven ; eu zy hielden op, en er werd stilte.
25 En hij zeide tot hen . waar is uw geloof ? Maar zij bevreesd zijnde verwonderden zich, zeggende tot elkander: wie is toch deze, dat hij ook de winden en het water gebiedt, en zij zijn hem gehoorzaam ?
26 En zij voeren voort naar het land der Gadarenen, hetwelk is tegenover Galilea.
27 En als hy aan het land uitgegaan was , ontmoette hem een zeker man uit de stad, die van over langen quot;ijd met duivelen wp.s bezeten geweest; en was niet g\'\'ene kieederen
» D 3 ge-
Iloofdst. 8. VAN L
andere vele, die heni dienden van hare goederen.
4 Als nu eene groote schare bijeen vergaderde, en eg van alle steden tot hem kwamen, zoo reide hij door gelykenis;
5 Een taayer ging uit om zijn zaad te zaaijen; en als hy zaaide viel het eene bij den weg, eu werd vertreden, en de vogelen des hemels aten dat op.
6 En het andere viel op pene steenrots, en opgewassen zijnde is het verdord, omdat net geene vochtigheid had.
7 En het andere viel in het midden van de doornen, en de doornen mede opwassende verstikten hetzelve.
8 En het andere viel op de goede aarde, en opgewassen zijnde bragt het honderdvoudige vrucht voort. Dit zeggende riep hy: wie ooren heeft om te hooren, die hoore.
9 En rijne discipelen vraagden hem, zeggende : wat mag deze gelijkenis wezen ?
10 En hij zeide: u is \'t gegeven de verborgenheden van het Koningrijk Gods te verstaan; maar tot de anderen [iprerk tfej in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien, eu hoorende niet verstaan.
11 Dit is nu de gelijkenis; het zaad is het woord Gods.
12 En die by den weg [be-xaaid icorden], zijn deze die hooren ; daarna komt de duivel en neemt het woord uit hun hart weg, opdat zij niet zouden gelooven, en zalig worden.
13 En die op de steenrots [6^-xtrnid trordfn], zijn deze die, wanneer zy het gehoord hebben, het woord met vreugde ontvangen; en deze hebben geenen wortel die maar voor eenen tijd gelooven, en in den tijd der verzoeking wijken zij af.
14 En dat in de doornen valt, deze zijn die gehoord hebben, en henengaande verstikt worden door de zorgvuldigheden, en rijkdom, en wellusten des levens, en voldragen geene (rrucWJ.
15 En dat in de goede aarde (coll], zyn deze, die het woord gehoord hebbende, *t zelve in een eerlyk en goed hart bewaren, en in volstandigheid vruchten voortbrengen.
|
\'9 HET EUA pekleecl, en Lleef in geen huis, maai in de graven. 28 En hij Jezus siende, en leer joepende, viel voor hem neder, en zeide met eene groote stem • wat heb ik met u [te dom,] Jezus gij Zoon van God den Allerhoogste ? Ik bid u dat pii mij uiet pijnigt. 20 Want hij had den onrei-non geest geboden dat hij van den inensch zoude uitvaren, want hij had hom menigen tijd oevangen gehad; en hij werd uift ketenen en met boeijen gebonden om bewaard te zijn. En hg verbrak de banden, en werd van den duivel gedreven in de woestijnen. 30 En Jezus vraagde hem, zeggende : welke is uw naam ? En hij zaide : Legio. Want vele duivelen waren in hem gevaren. 31 En zij baden hem, dat hij hun niet gebieden zoude in den afgrond henen te varen. 32 En aldaar was eene kudde van vele zwijnen weidende op den borg, en zij baden hem, dat hij hun wilde toelaten in dezelve te varen. En hij liet het hun toe. 33 En de duivelen uitvarende van den mensch, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte afin het meer, en versmoorde. 3t En die ze weidden ziende hetgeen geschied was, zijn ge-v-ugt; en henen gaande boodschapten het in de stad, en op het land. 35 En zij gingen uit om te zien hetgeen geschied was, en kwamen tot Jezus, en vonden den mensch, van welken de duivelen uitgevaren waren, z-ttende aan de voeten van Jezus, gekleed en wel hg zijn verstand; en zij werden bevreesd. 36 En ook dia het gezien hadden verhaalden hun, hoe de bezetene was verlost geworden. 37 En de geheels menigte van het omliggende land der Gada-renen baden hem, dat hij van hen wegging, want rij waren met groote vrees bevangen. En hij in het schip gegaan zijnde keerde wederom. 38 En de man, van welken de duivelen uitgevaren waren, bad h^m dat hij inogt bij hem zijn. Maar Jezus liet hem van «ch gaan, zeggende |
NTGEUUM lloofdst. 8. 33 Keer weder naar uw huis, en vertel wat groote dingen u God gedaan heeft. En hg ging henen door de geheele stad, verkondigende wat groote dingen Jezus hem gedaan had. 40 En het geschiedde, als Jezus wederkeerde, dat hem de schare ontving, want zij waren allen hem verwachtende. 41 En zie, er kwam een man, wiens naam was Jairus, en hij was een Overste der Synagoge; en hg viel aan de voeten van Jezus, en bad hem dat hij in zijn huis wilde komen. 42 Want hij had eene eenige dochter van omtrent twaalf jaren , en deze lag op haar sterven. En als hij henenging, zoo verdrongen hem de scha- 43 En eene vrouw die twaalf jaren lang de vloed des bloeds gehad had, welke al haren leef-togt aan medicijnmeesters te koste gelegd had, en van niemand had kunneu genezen worden, 41 Van achteren tot hem komende raakte dïn zoom zijns kleeds aan; en terstond stelpte de vloed haars bloeds. 45 En Jezus zeide : wie is \'t die mg heeft aaageraakt ? En als zij het allen miszaakten, zeide Petrus en die met hem waren; Meester de scharen drukken en verdringen u, en zegt gij ; wie is *t die mij aangeraakt heeft? 46 En Jezus zeide: iemand heeft mij aangeraakt; want ik heb bekend, dat kracht jvan mij uitgegaan is. 47 De vrouw nu ziende dat zij niet verborgen was, kwam bevende, en voor hem neder-vallende verklaarde hem voor al het volk, om wat oorzaak zij hem aangeraakt had, en hoe zg terstond genezen was. 48 En hij zeide tot haar ■ dochter zijt welgemoed, uw geloof heeft u behouden; ga henen in vrede. 49 Als hij nog sprak, kwam er een van [M van den Oversten der Synagoge, zeggende tot hem : uwe dochter is gestorven; zijt len Meester niet moeijeljjk. 50 Maar Jezus [(fnt) hooren\' de antwoordde hem, zeggende: vrees niet, geloif alleenlijk, en zij zal behouden worden. |
iÜKAS. T.t
nu deze, van welken ik zulke dingen hoor? En hij zoch\'; hem te zien.
10 En de Apostelen weder gekeerd zijnde verhaalden hein al wat zij gedaan hadden. Er. hij nam hen mede en vertrok alleen in eene woeste plaats der stad genaamd Bethsaïdn.
11 En de scharen [dal] verstaande, volgden hem, en hij ontving haar, en sprak tot haar van het Koninkrijk Gods; en die genezing noodig hadden, maakte hij gezond.
12 En de dag begon te dalen en de twaalven tot hem komende zeiden tot hem ; laat de schare van u, opdat zij henengaande in de\'omliggende vlekken en inde dorpen herberg nemen mogen, en spijs vinden; want wij zijn hier in eene
13 Maar hij zeide tot hen : geeft gij haar te eten. En zij zeiden : wij hebben niet meer dan vijf brooden, en twee vis-schen, tenzij dan dat wij he-ncnc;aan, en spijs koopen voor al dit volk ;
I t Want er waren omtrent vijf duizend mannen. Doch hij zeide tot zjne\'discipelen: doet hen nederzitten bij zaten, elk van vijftig.
15 En zij deden alzoo, cn deden hen allen nederzitten.
16 En hij de vijf brooden en de twee visschen genomen hebbende, zag op naar den hemel, en zegende die, en brak ze. en gaf ze den discipelen, om de schare voor te leggen.
17 En zij aten en werden .\'.Hen verzadigd; cn er werd opgenomen \'t geen hun van de brokken overgeschoten was, twaalf korven.
18 En het geschiedde, als hij alleen was biddende, dat de discipelen met hem waren, en hij vraagde hun, zeggende wie zeggen de scharen dat ik ben ?
19 En zij antwoordende zeiden : Johannes de Dooper; en anderen, Elias; en anderen, dat eenig Profeet van de ouden opgestaan is.
20 En hij zeide tot hen ^ maar gijlieden wie zegt gij dat ik ben ? En Petrus aitwoor-dende zeide: de Christus Gods.
21 En hij gebood hun scher-
D 4 pc-
Hoofdst 8 9. VAN 1
51 En ala hij in \'t huis kwam. Het hij niemand inkomen dan Petrus, en Jacobus, en Johannes. en den vader en de moeder des kinds.
52 En zij schreiden allen, en maakten misbaar over hetzelve. En hij zeide: schreit niet; zij is niet gestorven, maar zij slaapt.
53 En zij belachten hem, wetende dat zij gestorven was.
5t Maar als hij hen allen uitgedreven had, greep hy hare hand en riep, zeggende: kind, sta op.
55 En haar geest keerde weder, en rij is terstond opgestaan ; en hij gebood dat men haar te eten geven zoude.
56 En hare ouders ontzetten zich; en hij beval hun, dat zij niemand zouden zeggen hetgeen geschied was.
E HOOFDSTUK 9. n zijne twaalf discipelen te zamen geroepen hebbende, gaf hij hun kracht en niagt over al de duivelen, en om ziekten te genezen, HOOFDSTUK 9. n zijne twaalf discipelen te zamen geroepen hebbende, gaf hij hun kracht en niagt over al de duivelen, en om ziekten te genezen,
2 En zond hen henen om te prediken het Koningrijk Gods en de kranken gezond tc maken.
3 En hij zeide tot hen: neemt niets mede tot den weg, noch staven, noch male, noch brood, noch geld ; noch iemand van u zal twee rokken hebben.
4 En in wat huis gij ook xult ingaan, blijft aldaar en gaat van daar uit.
5 En zoo wie u niet zullen ontvangen, uitgaande van die stad, schudt ook \'t stof af van uwe voeten, tot eene getuigenis tegen hen.
6 En zij uitgaande doorgingen al de vlekken, verkondigende \'t Euangelium, en genezende [de xifken] overal.
7 En Herodes de Viervorst hoorde al de dingen die van hem geschiedden, en was twijfelmoedig, omdnt van sommigen gezegd werd, dat Johannes van de dooden was opgestaan.
8 En van sommigen, dat Eli-as verschenen was; en [en] anderen, dat een Profeet van de ouden was opgestaan.
9 En Herodes zeide; Johannes heb ik onthoofd; wie is
M HET EUA
peliik en beval dat zji dit niemand tucreen touden ;
22 Zeggende: de Zoon des menschen moet veel lijden, en verworpen worden van de Ouderlinffen, en Overpriester»), en Schriftgeleerden, en gedood, en ten derden dage opgewekt worden.
23 En hü leide tot allen ; too iemand achter mij wil komen, die verloochene zich zeiven, en neme zijn kruis dagelijks op en voIrc mij.
21 Want zoo wie zijn leven behouden wil, die zal \'t verliezen ; maar zoo wie zijn leven verliezen zal, om mijnentwil, die zal \'t behouden. 25 Want wat baat het eenen mensch, die de geheele wereld zoude winnen en zich zelven verliezen, of schade [zijn* xel/s] lilden ?
2o Want zoo wie zichl mijns en mijner woorden zal geschaamd hebben, diens zal de Zoon des menschen zich schamen, wanneer hij komen zal in zijne heerlijkheid, en (in de hrerltjitheid] des Vaders, en der heilige Engelen.
27 En ik zeg u waarlijk: er zijn somniigen van degenen die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij het Koningrijk Gods zullen gezien hebben.
28 En het geschiedde omtrent acht dagen na deze woorden , dat hij medenam Petrus, en Johannes, en Jacobus, en klom op den berg om te bidden.
29 En als hij bad, werd de gedaante zijns aangezigts veranderd, en zijne kleeding wit [en] zeer blinkend.
30 En zie, twee mannen spraken met hem, welke waren Mozes en Elias;
31 Welke gezien zijnde in heerlijkheid, zeiden zijnen uitgang, dien hij zoude volbrengen te Jeruzalem.
32 Petrus nu, en die met hem [uv»r*n], waren met slaap bezwaard ; en ontwaakt zijnde, zagen zij zijne heerlijkheid , en do twee mannen die bij hem •tonden.
33 En het geschiedde als zij van hem afscheidden, zoo zeide Petrus tot Jezus : Meester, het K goed dat wü hier zijn; en laat ons drie Tabernakelen ma-
S\'GELIUM Hoofdst. 9.
ken, voor u éénen, en voor Motes éénen, en voor Elias éénen; niet wetende wat hy zeide.
34 Als hij nu dit zeide, kwam eene wolk, en overschaduwde hen; en zij werdeu bevreesd, als die in de wolk ingingen.
35 En er geschiedde eene stem uit de wolk, zeggende : deze is mijn geliefde Zoon, hoort hem.
36 En als de stem geschiedde, zoo werd Jezus alleen gevonden ; en zij zwegeu stil, en verhaalden in die dagen niemand iets van hetgeen zij gezien hadden.
37 En het geschiedde des daags daaraan, aU zij van den berg afkwamen, dat hem eene groote schare in het gemoet kwam.
38 En zie een man van de schare riep uit, zeggende: Meester, ik bid u, zie toch mijnen zoon aan, want hij is mij een eeniggeborene ;
39 En zie een ceest neemt hem, en van stonden aan roopt hij, en hij scheurt iem dat hij schuimt en wykt naauweliiks van h?m, en verplettert hem.
40 En ik heb uwe discipelen gebeden, dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekonnen.
41 En Jezus antwoordende zeide: O ongeloovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal ik nog bü ulieden zün, en ulieden verdragen ? Breng uwen zoon hier.
42 En nog, als hg l\'n.ior hmi] toe kwam, scheurde hem de duivel, en verscheurde [fcem]; maar Jezus bestrafte den on-reinen geest, en maakte het kind gezond, en gaf hem zijnen vader weder.
43 En zij werden allen verslagen over de grootdadigheid Gods. En als zij allen zich verwonderden over al de dingen , die Jezus gedaan had , zeide h|j tot zijne discipelen :
44 Legt gü deze woorden in uwe ooren ; want de Zoon de» menschen zal overgeleverd worden in der menschen handen.
45 Maar zij verstonden dit woord niet, en het was voor hen verborgen, alzo-j dat zij
het
|
Hoofdrt. 9. 10. VAN 1 het niet befrrepcn ; en rij Trees-den, van dat woord hum te rrapen. 46 En er rees eene overle*»-ging onder hen, namelijk wie van hen de meeste ware. 47 Maar Jezus ziende de over-legging hunner harten, nam een kindeken, en stelde dat bij ticb, 48 En tcide tot hen : roo wie dit kindeken ontvangen zal in mijnen naam, die ontvangt mij ; en too wie mij ontvangen zal, die ontvangt hem die mij gezonden heeft. Want die de minste onder u allen is, die zal groot zün. 49 En Johannes antwoordde en teide: Meester, wij hebben eenen gezien, die in uwen naam de duivelen uitwierp, en wij hebben het hem verboden, omdat hij [«] met ons niet volgt. 50 En Jezus zeide tot hem: verbiedt het niet. Want wie tegen ons niet is, die is voor ons. 51 En het geschiedde, als de dagen zijner opneming vervuld werden, zoo rigtte hij zijn aangezicht, om naar Jeruzalem te reizen. 52 En hg zond boden uit voor zijn aangezigt; en zij henengercisd zijnde, kwamen in een vlek der Samaritanen, om voor hem [herbfrp] te bereiden. 53 En zij ontvingen hem niet, omdat zyn aangezi^t was (nlgt;] reizende naar Jeruzalem. 54 Als nu zijne discipelen Jacobus en Johannes [dnlt;] zagen, zeiden zij : Heer wilt gij dat wj zeggen, dat vuur van den hemel nederdale, en deze verslinde, gelijk ook Elias gedaan heeft ? 55 Maar zich omkeerende bestrafte hij hen , en zeide : gij weet niet van hoedanigen geest g\'j *Üt. 56 Want de Zoon des men-pchen is niet gekomen om der menschen zielen te verderven, maar om te behouden. En zij gingen naar een ander vlek. 57 En het geschiedde op den weg als zij reisden, dat een tot hem zeide: Heer ik zal u volgen, waar gij ook henen gaat. 58 En Jezus zeide tot hem: de vossen hebben holen, en de |
UKAS. 81 vogelen das hemels nesten; maar de Zoon des menschen heeft niet, waar hij het hoofd nederlegge. 59 En hij zeide tot eenen anderen : Volg mjj. Doch hij zeide : Heer, laat mü toe , dat ik henen ga, en eerst mijnen vader begrave. CO Maar Jezus zeide tot hem • Laat de dooden hunne dooden begraven; doch güt ga henen en verkondig het Koningrijk Gods. 61 En ook een ander zeide: Heer, ik zal u volgen; maar laat mij eerst toe, dat ik afscheid neem van degenen die in mijn huis zijn. 62 En Jezus zeide tot hem: niemand die zijne hand aan den ploeg slaat, en ziet naar \'t geen achter is, is bekwaam tot het Koningrijk Gods. E HOOFDSTUK 10. n na dezen stelde de Heer nog andere zeventig, eu zond hen henen voor zijn aan-gezigt twee en twee, in iedere stad en plaats, waar hij komen zoude. HOOFDSTUK 10. n na dezen stelde de Heer nog andere zeventig, eu zond hen henen voor zijn aan-gezigt twee en twee, in iedere stad en plaats, waar hij komen zoude. 2 Hij zeide dan tot hen ; de oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige ; daarom bidt den Heer des oogstes, dal hij arbeiders in zijnen oogst 3 Gaat henen ; zie, ik zend u als lammeren in \'t midden der wolven. 4 Draagt geenen buidel noch male, noch schoenen ; en groet niemand op den weg. 5 En in wat huis gij zult ingaan , zegt eerst • vrede («jj dezen huize. 6 En indien aldaar een zoon des vredes is, zoo zal uw vrede op hem rusten; maar indien niet, zoo zal [uu- rrcdr) tot u wederkeeren. 7 En blijft in datzelve huis, etende en drinkende hetgeen van hen [voorgezel irordlj. Want de arbeider is zijn loon waardig ; gaat niet over van [\'/ eenr hui»! in [\'t nnrfcre] huis. 8 En in welke stad gy zult ingaan\', en zij u ontvangen\', eet hetgeen ulieden voorgezet wordt, 9 En geneest de kranken die daar in zijn, en zegt tot hen -. het Koningrijk Gods in nnbjj u gekomen, D 5 10 Maar |
|
83 HET EU AI 10 Maar in wat stad pij 2ult in?aan, en tij u niet ontvangen, uitgaande op hunne straten, zoo zept 11 Ook het «tof, dat uit uwe ntad nan ons kleeft, schudden wij af op ulicden ; nofftanR zoo weet dit, dat het Koningrijk Gods nabij u gekomen is. 12 En ik zeg u, dat het [d»«i fin) Sodom verdra^elijkor wezen zal ia dien dag dan dezelve stad. 13 Wep u Chorazin, wee u Bethsaïda; want zoo in Tyrus en Sidon de krachten geschied waren, die in u geschied zijn, zij zouden eertijds in zak en asch zittende zich bekeerd hebben. li Doch het zal Tyrus cn Si-don verdrajrelijker zijn in \'t oordeel, dan ulieden. 15 En Rij Kapernaüni, die tot den hemel toe verhoogd zijt, gg zult tot de hel toe neder-!?estooten worden. 16 Wie u hoort die hoort mij ; en wie u verwerpt die verwerpt mij ; en wie mij verwerpt, die verwerpt dengenen die mij gezonden heeft. 17 En de zeventi-ren zijn wedergekeerd met blijdschap, zeg-Ken:le ; lieer, ook de duivelen zyn ons onderworpen in 18 En hij zeide tot hen: ik zag den satan, als een bliksem, uit den hemel vallen. 19 Zie ik geef u de magt om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht des vijands; en geen ding zal ii eenigzins beschadigen. 20 Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn ; maar vcrblydt u veel meer dat uwe namen treschreven zijn in de hemelen. 21 Te dier ure verheugde zich Jezus in den geest, en zeide : Ik dank u Vader, Heer des hemels en der aarde, dat gij deze dingen voor de wijzen en verstandipen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard; ja Vader, want alzoo is geweest het welbehagen voor u. 22 Alle dingen zijn mij van mijnen Vader overgegeven ; en niemand weet wie de Zoon is, dan de Vader; en wie de Vader is, dan de Zoon, en dien rGELIUM Hoofdst. 10. |
het de Zoon zal willen openbaren. 23 En zich keerende naar de discipelen, zeide hij (lt;olt; ftrn] alleen zalig zijn de oogen, die zien hetgeen gg ziet. 2i Want ik zeg u, dat vele Profeten en Koningen hebben begeerd te zien \'t geen gij ziet, en hebben *t niet gezien, en te hooren \'t peen gij hoort, en hebben \'t niet gehoord. 25 En zie, een zeker Wetgeleerde stond op, hem verzoekende, en zepgende; Meester wat doende zal ik het eeuwige leven beërven ? 2G En hij zeide tot hem - wat is in de wet geschreven ? Hoe leest gij ? 27 En hij antwoordende zeide : ?ij zult den Heer uwen God liefhebben uit geheel uw hart, cn uit geheel uwe ziel, cn uit geheel uwe kracht, en uit geheel uw verstand; en uwen naasten als n zeiven. 28 En hij zeide tot hem, gy hebt regt peantwoord ; doe dat, en gij zult leven. 29 Maar hij willende zichzel-vcn regtvaardigen, zeide tot Jezus en wie is mijn naaste ? 30 En Jezus antwoordende zeide - een zeker mensch kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars, welke hem ook uitgetogen, en daartoe (rtenre] slagen gegeven hebbende, gingen henen, en lieten [fccm] half dood lig-pen. 31 En bij peval kwam een zeker Priester denzelfden weg af, en hem ziende Rinp hy tegenover [Aeml voorbij. 32 En desgelijks ook een Leviet , als hij was bij die plaats, kwam en hij zag [hem], en ging tegenover [hrm] voorbij. 33 Maar een zeker Samaritaan reizende kwam omtrent hom; en hem ziende werd hij met innerlijke ontferming bewogen. 31 Én hij tot [hem] gaande verbond zgne wonden, pieten-de daar in olie en wijn; en hem heffende op zijn eigen beest, voerde hem in de her-berp, en verzorgde hem. 35 En des anderen daags weggaande langde hij twee penningen uit, en paf ze den waard, en zeide tot hem-draap zorg voor hem; en zoo wat |
|
Hoofdat. 10, 11. VAN I wat gij meer (oan fcem) te koste zult legden, dat cal ik u wedergeven, als ik weder kom. 36 Wie dan van deie drie dunkt u de naaste geweest te zijn desgenen die onder de moordenaars gevallen was ? 37 En hij zeide: die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Zoo zeide dan Jezus tot hem : ga henen en doe gij desgelijks. 38 En het geschiedde, als zij reisden, dat hij kwam in een vlek; cn eenc zekere vrouw met name Martha ontving hem in haar huis. 39 En deze had eene zuster, genaamd Maria, welke ook zittende aan de voeten van Jezus zijn woord hoorde. 40 Doch Martha was zeer bezig met veel dienens, en daar bij komende, zeide: Heer, trekt gij u dat niet aan, dat mijne zuster mij alleen laat dienen ? Zeg dan haar, dat zij mij helpe. 41 En Jezus antwoordende zeide tot haar: Martha, Martha, gij bekommert en ontrust u over vele dingen ; 42 Maar ëén ding is noodig; doch Maria heeft het goede deel uitgekozen, hetwelk van haar niet zal weggenomen worden. E HOOFDSTUK 11. n het geschiedde, toen hij in eene zekere plaats was biddende, als hij ophield, dat een van z^ne discipelen tot hem zeide: Heer leer ons bidden, gelijk ook Johannes zijne discipelen geleerd heeft. HOOFDSTUK 11. n het geschiedde, toen hij in eene zekere plaats was biddende, als hij ophield, dat een van z^ne discipelen tot hem zeide: Heer leer ons bidden, gelijk ook Johannes zijne discipelen geleerd heeft. 2 En hy zeide tot hen : wanneer gij bidt, zoo zegt: Onze Vader, die in de heme\'en uw naam worde geheiligd; uw Koningrijk kome; uw wil geschiede, gelijk in den hemel, [ntzoo] ook op de aarde; 3 Geef ons eiken dag ons da-gelijksch brood ; 4 En vergeef ons onze zonden ; want ook wij vergeven eenen iegelijk die ons schuldig is. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boozen. 5 En hü zeide tot hen : wie van u zal eenen vriend hebben, en cal te middernacht tot hem gaan, en tot hem zeggen : vriend leen mij drie brooden , |
UKAS. 83 6 Overmits m|jn vriend van de reis tot my gekomen is, en ik heb niet dat ik hem voorzette; 7 En dat die van binnen antwoordende zoude zeggen : doe mij geene moeite aan, de deur is nu gesloten, en mijne kinderen zijn met mij in de slaapkamer ; ik kan niet opstaan, om u te geven. 8 Ik zeg ulieden : hoewel hy niet zoude opstaan en hem geven, omdat hij zijn vriend is, nogtansom zijner onbeschaamdheid wil zal hij opstaan, en hem geven zoo veel als hü er behoeft. 9 En ik zeg ulieden : bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden ; klopt, eu u zal opengedaan worden. 10 Want een iegelijk die bidt, die ontvangt; en die klopt, dien zal opengedaan worden. 11 En wat vader onder u, dien de zoon om brood bidt, zal hem eenen steen geven ? Of ook om eenen visch, zal hem voor eenen visch eene slang geven ? 12 Of zoo hü ook om een ei zoude bidden, zal hij hem eenen schorpioen geven ? 13 Indien dan gij die boos zijt, weet uwen kinderen goede gaven te geven, hoe veel te meer zal de hemelsche Vader den Heiligen Geest geven dengenen die hem bidden ? 14 En hij wierp eenen duivel uit, en die was stom. En het geschiedde, als de duivel uitgevaren was, dat de stomme sprak, en d^ scharen verwonderden zich. 15 Maar sommigen van hen zeiden : hij werpt dc duivelen uit door Beëlzebul den Oversten der duivelen. 16 En anderen (Arm] verzoekende, begeerden van hem een teeken uit den hemel. 17 Maar hü kennende hunne gedachten, zeide tot hen : een ieder Koningrijk dat tegen zich zeiven verdeeld is, wordt verwoest ; en een huis tegen zich zeiven [verderld xnnde], valt. 18 Indien nu ook dc satan tegen zich zeiven verdeeld is, hoe zal zijn riik bestaan t Dewijl gij zegt, dat ik door Beëlzebul de duivelen uitwerp. 19 En indien ik door Beëlzebul de duivelen uitwerp. |
|
84 HET EUA; door wien werpen ze uwe zonen uit ? Daarom zullen deze uwe regters zijn. 20 Maar indien ik door den vinger Gods de duivelen uitwerp, zoo is dan het Koningrijk Gods tot u gekomen. 21 Wanneer een sterke gewapende zijn hof bewaart, zoo is (nt] wat hij heeft in vrede. 22 Maar als een daarover komt, die sterker is dan hij, en hem overwint, die neemt zgnc gohecle wapenrusting, daar hij op vertrouwde, en deelt zijnen roof uit. 23 Wie met mij niet is, die is_ tegen mij; en wie met mij niet vergadert, die verstrooit. 21 Wanneer de onreine geest van den mensch ui tire varen is, zoo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust; en die niet vindende, zegt hij : ik zal wederkeeren in mijn huis waar ik uitgevaren ben. 25 En komende vindt hij het [met bexrmen] gekeerd en versierd. 26 Dan gaat hij henen, en neemt met zich zeven andere geesten, boozer dan hij zelf is; en ingegaan zijnde wonen zij aldaar ; en het laatste van dien mensch wordt erger dan het eerste. 27 Eu het geschiedde, als hij deze dingen sprak, dat eene zekere vrouw de stem verheffende uit de schare, tot hem zeide; zalig is de buik die u gedragen heeft, en de borsten, die gij hebt gezogen. 28 Maar hij zeide; ja zalig zijn degenen die het woord Gods hooren, en datzelve bewaren. 2*J En als de scharen digt bijeen vergaderden, begon hij te zeggen; dit is een boos geslacht; het verzoekt een tee-ken, en hun zal geen teeken gegeven worden , dan het teeken van Jonas den Profeet. 30 Want gelijk Jonas den Ni-neviten een toeken geweest is, alzoo zal ook de Zoon des men-schen zijn dit geslacht. 31 De Koningin van het Zuiden zal opstaan in het oordeel met de mannen van dit geslacht, en zal hen veroordce-len ; want zy is gekomen van de einden der aarde, om te hooren de wijsheid Salomons ; en zie, meer dan Salomon is hier. |
•JGELIUM Hoofdst. 11* 32 De mannen van Nineve zullen opstaan in \'t oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve yeroordeelen ; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas; en zie, meer dan Jonas is hier. 33 En niemand die eene kaars ontsteekt, zet [die] in het verborgene, noch onder eene korenmaat ; maar op eenen kandelaar, opdat degenen die inkomen het licht zien mogen. 34\' De kaars des ligchaams is het oog. Wanneer dan uw oog eenvoudig is, zoo is ook uw geheele ligchaam verlicht; maar zoo het boos is, zoo is ook uw IgeheeU] ligchaam duister. 35 Ziet dan toe, dat niet het licht , hetwelk in u is, duisternis zij. 30 Indien dan uw ligchaam geheel verlicht is, niet hebbende eecig deel dat duister is, zoo zal het geheel verlicht zijn, gelijk wanneer de kaars met het schijnsel u verlicht.\' 37 Als hij nu [■/!(] sprak, bad hem een zeker Farizeër, dat hij bij hem het middagmaal wilde eten ; en ingegaan zijnde zat hij aan. 38 En de Farizeër [dnt] ziende verwonderde zich, dat hy niet eerst voor het middagmaal zich gewasschen had. 39 Eu de Heer zeide tot hem: nu gij Farizeën, gy reinigt het buitenste des drinkbekers en des schotels, maar het binnenste van u is vol van roof en boosheid. 40 Gij onverstandigen, die het buitenste heeft gemaakt, heeft hij ook niet het binnenste gemaakt? 41 Doch geeft tot aalmoezen \'t geen er in is; en zie, alles 42 Maar wee u Farizeën, want gij vertient munt en ruit, en alle moeskruid, en gij gaat voorbij het oordeel en de liefde Gods. Dit moest men doen, en het acdere niet na- 43 Wee u Farizeën, want gij bemint het voorgestoelte in de Synagogen, en de begroetingen op de markten. 4t Wee u gij Schriftgeleerden en Farizeën, gij geveinsden ; want gij zijt gelijk de graven die niet openbaar zijn; en de menschen die |
|
Hoofdst. 11, 12. VAN 1 danrovcr wandelen weten het niet. 45 En een van de Wetgeleerden antwoordende reide tot hem: Meester, als pij deze dingen ietrt, zoo doet gij ook ons smaadheid aan. 46 Doch hij reide: wee ook u quot;Wetgeleerden, want pij belast de menschen met lasten rwaar om te dragen ; en zeiven raakt gij die lasten niet aan met eenen van uwe vingeren. 47 Wee u, want pij bouwt de graven der Profeten ; en uwe vaders hebben dezelve gedood. 48 Zoo getuigt pij dan dat pij mede behagen hebt aan de werken uwer vaderen; want rij hebben hen gedood, en gij bouwt hunne graven. 49 Daarom ook de wijsheid Gods rept: ik ral Profeten en Apostelen tot hen renden, en van die rullen rij [«ommi^n) dooden, en [lt;ommilt;;ra] rullen rij uitjagen ; 50 Opdat van dit geslacht af-peëischt worde het bloed van al de Profeten, dat vergoten is van de prondlegging der wereld af; 51 Van het bloed van Abel tot het bloed van Zacharia, die gedood is tusschen het altaar en het Huis [Gorfi]; ja ik reg u: het zal afgeëischt worden van dit peslacht. 52 Wee u pij Wetpeleerden, want gij hebt den sleutel der kennis weggenomen; gij zelve rijt niet ingegaan, en die ingingen hebt gij verhinderd. 53 En als hij dere dingen tot hen reide, begonnen de Schrift-peleerden en Farireën hard aan te houden, en hem van vele dinpen te doen spreken; 54 Hem lagen leggende, en roekende iets uit zijnen mond te bejagen, opdat rij hem beschuldigen mogten. D HOOFDSTUK 12. aar en tusschen als \\ele duizenden der scharen bijeen vergaderd waren, roodat rij elkander vertraden, begon hij te zeggen tot rijne discipelen : vooreerst wacht u relven voor den ruurdeesem der Farireën , welke is geveinsdheid. HOOFDSTUK 12. aar en tusschen als \\ele duizenden der scharen bijeen vergaderd waren, roodat rij elkander vertraden, begon hij te zeggen tot rijne discipelen : vooreerst wacht u relven voor den ruurdeesem der Farireën , welke is geveinsdheid. 3 En er is niets bedekt, dat niet ral ontdekt worden; en verborgen, dat niet zal geweten worden, |
3 Daarom al wat gij in duisternis gezegd hebt, zal in het licht gehoord worden ; Cn wat gy in het oor gesproken^hebt, in de binnenkamers, zal op de daken gepredikt worden. •4 En ik reg u mijnen vrienden, vreest u niet voor degenen die het ligchaam dooden , en daarna niet meer kunnen doen. 5 Maar ik zal u toonen wien gij vreezen zult: vreest dien, die nadat hy gedood heeft, [oofc] magt heeft in de hel te werpen; ja ik zeg u: vreest dien. 6 Worden niet vijf muschjes verkocht voor twee penningen ? En niet één van die is voor God vergeten. 7 Ja ook de haren uwshoofds rijn alle geteld. Vreest dan met; gij gaat vele muschjes te boven. 8 En ik zeg u: een iegelijk die mij belijden zal voor de menschen, dien zal ook de Zoon des menschen belijden voor de Engelen Gods. 9 Maar wie mij verloochenen zal voor de menschen, die zal verloochend worden voor de Engelen Gods. 10 En een iegelijk die [eentj/J woord spreken zal tegen den Zoon des menschen, het zaJ hem vergeven worden ; maar wie tegen den Heiligen Geest gelasterd zal hebben, dien zal het niet vergeven worden. 11 En wanneer zy u henen brengen zullen in de Synagogen, en [M] de Overheden en de Magten, zoo zijt niet bezorgd hoe of ir.it gij tot verantwoording zeggen, of wat gij spreken zult. 12 Want de Heilige Geest zal u in dezelve ure loeren hetgeen [jij) spreken moet. 13 En een uit de schare zeide tot hem ; Meester, zeg mijnen broeder, dat hij met mij de erfenis deele. 14 Maar hy zeide tot hem : mensch, wie heeft mij tot een repter of scheidsman over ulie-den gesteld? 15 En hy reide tot hen : ziet toe en wacht u van de gierigheid ; want het is niet in den overvloed [gelegen], dat iemand leeft uit zijne goede- 16 En hij zeide tot hen eene |
|
{elgkcnis, en up rale: eens rijen tnenschen land had wel gedragen ;elgkcnis, en up rale: eens rijen tnenschen land had wel gedragen ; 17 En hij overleide bg zich relven, ictfpende: wat zal ik doen ? Want ik heb niet, waarin ik mijne vruchten zal verzamelen. 18 En_ hij reide: dit zal ik doen ; ik zal myne schuren afbreken, en prootere bouwen, en zal aldaar verzamelen al dit mijn gewas en deze mijne goederen ; 19 En ik zal tot mijne ziel zeggen: ziel, gij hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren; neem rust, ^et, drink, zijt vrolijk. 20 Maar God zeide tot hem : gy dw.ias, in dezen nacht zal men uwe ziel van u afeischen, en hetgeen gij bereidt hebt, wiens zal het zijn ? 21 AIzoo (it het mrt di^n], die zich selven schatten vergadert, en niet rijk is in God. 22 En hij zeide tot zijne discipelen : daarom zeg ik u, zyt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten zult; noch voor het ligchaam, waarmede gij u kleeden zult. 23 Het leven is meer dan \'t voedsel, en het ligchaam dan de kleeding. 21 Aanmerkt de raven, dat zü niet zaaijen, noch maai-jen, welke geene spijskamer noch schuur hebben, en God voedt dezelve; hoe veel gaat gij de vogelen te boven ? 25 Wie toch van u kan met bezorgd te zijn ééne el tot zijne lengte toedoen ? 26 Indien gij dan ook het minste niet kunt, wat zijt gij voor de andere dingen bezorgd ? 27 Aanmerkt de leliën, hoe zij wassen. Zg arbeiden niet, noch spinnen niet; en ik zeg u : ook Salomon in al zijne heerlijkheid is niet bekleed geweest als een van deze. 28 Indien nu God het gras, dat heden op het veld is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzoo bekleedt, hoe veel meer u gg kleingeloo-▼igen ? 29 En gylieden, vraagt niet wat gij eten, of wat gü drinken ruit; cn weest niet wankelmoedig. |
SGELIUM Hoofdst. 12. 30 Want al dere dingen roeken de volkeren der wereld; maar uw Vader weet, dat gü deze dingen behoeft. 31 Maar roekt het Koningrijk Gods, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden. 32 Vreest niet, gij klein kuddeken, want het is uws Vaders |welbehagen, ulieden het Koningrijk te geven. 33 Verkoopt hetgeen tfij hebt, en geeft aalmoes. Maakt u zeiven buidels die niet ver-ouden, eenen schat die niet afneemt, in de hemelen, waar de dief niet bijkomt, noch de mot verderft. 31 Want waar uw schat is, aldaar zal ook uw hart rijn. 35 Laat uwe lendenen omgord rijn, en de knarsen! brandende. 36 En zijt gij den menschen gelijk, die op hunnen heer wachten, wanneer hij wederkomen zal van de bruiloft, opdat als hij komt en klopt, zy hem terstond mogen opendoen. 37 Zalig rijn die dienstknechten, welke de heer als hij komt zal wakende vinden; voorwaar ik reg u, dat hij zich zal omgorden, en zal hen doen aanzitten, en bijkomende ral hij hen dienen. 38 En zoo hij komt in de tweede [nncW]wake, en komt in de derde wake, en vindt hen alzoo, zalig zijn dezelve dienstknechten. 39 Maar weet dit, dat indien dc heer des huizes geweten had in welk uur de dief zoude komen, hij zoude gewaakt hebben, en zoude zijn huis niet hebben laten doorgraven. 40 Gij dan zijt ook bereid; want in welk uur gij het niet meent, zal de Zoon des menschen komen. 41 En Petrus zeide tot hem : Heer, zegt gy deze gelijkenia tot ons, of ook tot allen ? 42 En de Heer reide : wie is dan dc getrouwe en voorrigti-ge huisbezorger, dien de heer over zijne dienstboden zal zetten, om [fcun] ter regter tyd het bescheidene deel spijs te geven ? 43 Zalig is de dienstknecht, welken ryn heer, als hy komt, ral vinden alzoo doende. |
|
Hoofdat. 12. 13. VAN I 4i Waarlijk ik zeg ulieden, dat hy hem over al lijne goederen ectten «al. 45 Maar indien deze dienstknecht in tijn hart zoude zeggen mijn heer vertoeft te komen, en zoude beginnen de knechten en de dienstmaagden te slaan, rn te eten en te drinken, en dronken te worden; 40 Zoo zal dc heer deszel-ven dienstknechts komen ten dage, in welken hij hem niet verwacht, en ter ure die hij niet weet, en zal hem afscheiden , en zal zijn deel zetten met de ontrouwen. 47 En die dienstknecht welke Eeweten heeft den wil zijns eeren, en [ztc/i] niet bereidt, noch naar zijnen wil gedaan heeft, die zal met vele [»In-eweten heeft den wil zijns eeren, en [ztc/i] niet bereidt, noch naar zijnen wil gedaan heeft, die zal met vele [»In-gen] geslagen worden. 48 Maar die [Jentelven] niet geweten heeft, en gedaan heeft [dinj/m] die slagen waardig zijn, die zal met weinige [tlngen] gesla?en worden. En een iegelijk wicn veel gejreven is, van dien zal veel geëischt worden; en wicn men veel vertrouwd heeft, van dien zal men overvloediger eisehen. 49 Ik ben gekomen om vuur op de aarde te werpen ; en wat wil ik indien het alreeds ontftoken is ? 50 Maar ik moet met eenen doop gedoopt worden; en hoe word ik geperst, totdat het volbrngt zij ? 51 Meent gij dat ik gekomen ben om vrede te geven op de aarde ? Neen, zeg ik u, maar veeleer verdeeldheid. 52 Want van nu aan zullen er vijf in een huis verdeeld zijn, drie tegen twee, en twee tegen drie. 53 De vader zal tegen lt;Ien zoon verdeeld zijn, en de zoon tejcen den vader; de moeder tegen de dochter, en de dochter to;;en de moeder; de Bchoonmoeder teffen hare schoondochter, en de schoondochter tegen hare schoonmoeder. 51 En hy zeidc ook tot de scharen; wanneer gij eene wolk ziet opgaan van \'t westen, terstond zegt gijlieden : er komt regen ; en \'t geschiedt alzoo. |
rUKAS. 87 55 En wanneer gi] den zuidenwind waaien, zoo zegt gü • er zal hitte zijn ; en het geschiedt. 56 Gij geveinsden, het aanschijn der aarde en des hemels weet gij te beproeven; en hoe beproefd gij dezen tijd niet? 57 En waarom oordeelt gij ook van uzelven niet hetgeen regt is ? 58 Want als gij henen gaat met uwe wederparty voor de Overheid, zoo doet naarstigheid op den weg om van hem verlost te worden, opdat hij misschien u niet voor den Beg-ter trekkc, en de Regter u den gerechtsdienaar overlevere, en de geregtsdieoaar u in de gevangenis werpp. 59 Ik zeg u, gy zult van daar geenszins uitgaan, totdat gy ook het laatste penningaken betaald zult hebben. E HOOFDSTUK 13. n cr waren te dier zelf-der tijd eenigen tegenwoordig, die hem boodschapten van de Galileërs, welker bloed Pilatus met hunne offeranden gemengd had. HOOFDSTUK 13. n cr waren te dier zelf-der tijd eenigen tegenwoordig, die hem boodschapten van de Galileërs, welker bloed Pilatus met hunne offeranden gemengd had. 2 En Jezus antwoordde, cn zeide tot hen: meent gij dat deze Galileërs zondaars zyn geweest boven al de Galileërs, omdat zij zulks geleden heb- 3 Ik zeg u : neen zij ; maar indien gij u niet bekeert, zoo zi^t gij allen desgelijks vergaan. 4 Of die achttien, op welke de toren in Siloam viel, en doodde hen; meent gy dat deze schuldenaars zijn geweest boven alle menschen die in Jeruzalem wonen ? 5 Ik zeg u; neen zij ; maar indien gij u niet bekeert, zoo zult gij allen insgelijks vergaan. 6 En hij zeide deze gelijkenis : een zeker [mnn] had eenen vijgeboom geplant in zijnen wijngaard ; cn hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet. 7 En hij zeide tot den wijngaardenier: zie, ik kom nu drie jaren zoekende vrucht op dezen vijgeboom, cn vind ze niet; houw hem uit, waartoe beslaat hij ook onnuttiglyk de aarde ? 8 En |
|
83 HET EÜA: 8 En hü antwoordende zelde tot hem: heer laat hem ook Inoj] dit jaar totdat ik om Uem pe^raven en mest gelegd zal hebben; 9 En indien hij vrucht zal voortbrengen, [Jnnlt; hem ilaan] ; maar indien niet, zoo zult gij hem namnals uithouwen. 10 En bij leerde op den Sabbat m eone der Synagogen. 11 En zie, er was eene vrouw, die eenen geest der krankheid ac httien jaren lang gehad had ; en zij was te zamen gebogen, on konde zich ganschelijk niet opristen. 12 En Jezus haar ziende riep haar tot zich, en zeide tot haar: vrouw, gy zijt verlost van uwe krankheid. 13 En hij leide de handen op haar, en zij werd terstond weder regt, en verheerlijkte God. 1-4 En de Overste der Synagoge , kwalijk nemende dat Jezus op den Sabbat genezen had, antwoordde en zeide tot de «charc: er zijn zes dagen, in welke men moet werken ; komt dan in dezelve, en laat u genezen , en niet op den dag des Sabbats. 15 De Heer dan antwoordde hem en zeide: gij peveinsde, maakt niet een iegelijk van u op den Sabbat zijnen os of ezel van de kribbe los, en leidt [Arm] henen om te doen drinken ? 16 En deze, die eene dochter Abrahams is, welke de satan, zie, nu achttien jaren gebonden had, moest die niet losgemaakt worden van dezen band, op den dag des Sabbats ? 17 En als hü dit zeide, werden zij allen beschaamd die zich tegen hem stelden ; en al de schare verblijdde zich over al de heerlijke dingen, die van hom geschiedden. 18 En hy zeide: wicn is het Koningrijk Gods gelijk ? en waarbij zal ik hetzelve vergelijken ? 19 Het Is gelijk een mostaardzaad, hetwelk een mensch genomen en in zijnen hof geworpen heeft; en het wies op, en werd tot eenen groo-ten boom, en de vogelen des hemels nestelen in zyne takken. 20 En hü zeide wederom. |
IGELIUM Hoofdst. 13. waarby zal ik het Koningrijk Gods vergelijken ? 31 Het is gelijk een zaur-deesem, hetwelk eene vrouw nam, en verborg in drie maten meels, totdat het geheel gezuurd was. 22 En hij reisde van de eene stad cn vlek tot de andere, leerende, en rigtende [lijne] reis naar Jeruzalem. 23 En er zeide een tot hem Heer, zijn er ook weini-ren die zalig worden ? En hü zeide tot hen: 2t Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen (zeg ik u) zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kun- 25 [Namrlijk] nadat de heer des huizes zal opgestaan zijn, cn de deur zal gesloten hebben ; en gij zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende; heer, heer, doe ons open. En hü zal antwoorden en tot u zeggen : ik ken u niet, van waar gij züt. 26 Alsdan zult gij beginnen te zeggen wij hebben in uwe tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en gij hebt in onze straten geleerd. 27 En hij zal zeggen : ik zeg u, ik ken u niet van waar gij zijt; wijkt van mij af alle gij werkers der ongeregtigheid. 23 Aldaar zal zijn weening en knersing der tanden, wanneer gij zult zien Abiaham, cn Izaak, en Jakob, en nl de Profeten in het Koningrijk Gods, maar ulieden buiten uitgeworpen. 23 En daar zullen er komen van Oosten en Westen, en van Noorden en Zuiden, cn zullen aanzitten in het Koningrijk Gods. 30 En zie, er zijn laatsten, die de eersten zullen zijn ; en ei zijn eersten , die de laatsten zullen zyn. 31 Te dien zelfden dage kwamen er eenige Farizeën, zeggende tot hem; ga weg, en vertrek van hier; want Herodes wil u dooden 32 En hij zeide tot hen : gaat henen, en zegt dien vos: zie, ik werp duivelen uit, en maak gezond, heden en morgen ; en ten derden [dojr] word ik voleindigd. 33 Doch |
|
33 Doch ik moet heden en morgen, en den volgenden [dag] reizen; want het gebeurt niet, dat een Profeet gedood wordt buiten Jeruzalem. 34 Jeruzalem, Jeruzalem, gü die de Profeten doodt, en stee-nigt die tot u gezonden zjjn, hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bijeen vergaderen, gelykerwijs eene hen hare kiekens onder de vleugelen [wr-gadtrt], en gijlieden hebt niet gewild. 35 Zie, uw huis wordt ulie-den woest gelaten. En voorwaar ik zeg u, dat gij mij niet zult zien, totdat [de tijd] zal gekomen zijn, als gjj zult zeggen : gezegend [»»J hij die komt in den naam des Heeren. E HOOFDSTUK 11. n \'t geschiedde, als hij gekomen was in \'t huis van eenen der Oversten der Parizeen, op den Sabbat, om brood te eten, dat zij hem waarnamen. HOOFDSTUK 11. n \'t geschiedde, als hij gekomen was in \'t huis van eenen der Oversten der Parizeen, op den Sabbat, om brood te eten, dat zij hem waarnamen. 2 En zie. er was een zeker waterzuchtig mensch voor hein. 3 En Jezus antwoordende zcide tot de \'Wetgeleerden en Parizeen, en sprak : is \'t ook geoorloofd op den Sabbat gezond te maken ? 4 Maar zij zwegen stil. En hij nam [fc«n], en genas hem, en liet [A«n] gaan. 5 En hij hun antwoordende zeide: wiens ezel of os van ulieden zal in eenen put vallen, en die hem niet terstond zal uittrekken op den dag des Sabbats ? 6 En zij konden hem daarop niet weder antwoorden. 7 En hy zeide tot de genoo-digden eene gelijkenis, aanmerkende hoe zg de vooraan-zittingen verkozen ; zeggende tot hen: 8 Wanneer gij van iemand ter bruiloft genoodigd zult zijn, zoo zet u niet in de eerste zitplaats, opdat niet misschien een waardiger dan gij, van hem genoodigd zij ; 9 En hg komende, die u en hem genoodigd heeft, tot u zegge : geef dezen plaats; en gii alsdan zoudt beginnen met schaamte de laatste plaats te houden. 10 Maar wanneer gij genoo-iüKAS. 89 |
digd zult zijn, ga henen, en zet u in de laatste plaats, opdat, wanneer hij komt die u genoodigd heeft, hij tot u zegge: vriend, ga hooger op. Alsdan zal het u eere zijn voor degenen die met u aanzitten. 11 Want een iegelijk, die zich zeiven verhoogt, zal vernederd worden, en die zich zeiven vernedert, zal verhoogd worden. 12 En hg zéide ook tot dengenen die hem genoodigd had . wanneer gij een middagmaal of avondmaal zult houden, zoo roep niet uwe vrienden, noch uwe broeders, noch uwe magen, noch [««•lt;) rijke geburen; opdat ook dezelve u niet teeeni-ger tijd weder noodigen, en u vergelding geschiede. 13 Maar wanneer gij eenen maaltijd zult houden, zoo noo-dig armen, verminkten, kreupelen, blinden ; 14 En gij zult zalig zijn, omdat zij met \'hebben om u te vergelden; want het zal u ver-goldenworden in de opstanding der regtvaardigen. 15 En als een van degenen die mede aanzaten, deze dingen hoorde, zeide hij tot hem ■ zalig is hij die brood eet in het Koningrijk Gods. 16 Maar hij zeide tot hem een zeker mensch bereidde een •rroot avondmaal, en hij noo-di-rdc cr velen. 17 En hij zond zijnen dienst» knecht uit ter ure des avondmaal», om den genoodigden te zeggen ; komt, want alle dingen zijn nu gereed. 18 En zij begonnen allen [zieA] eendragtiglijk te verontschuldigen. De eerste zeide tot hem ik heb eenen akker gekocht, en het is noodig dat ik uitga, en hem bezie ; ik bid u, hond mij voor verontschuldigd. 19 En een ander zeide : ik heb vijf juk ossen gekocht, en ik ga henen om die te beproeven; ik bid u, houd mg voor verontschuldigd. 20 En een ander zeide : ik heb eene vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen. 21 En dezelve dienstknecht [tcedfr] gekomen zgnde, boodschapte deze dingen zijnen heer. Toen werd de heer des huizes toornig, en zeide tot zijnen dienstknecht: ga haastiglijk uit |
|
90 HET EUA in de straten en wgVen der stad, en bren.^ de armen, en vennlnkten, en kreupelen, eu blinden hier in. 22 En de dienstknec ht «eJde; heer, het is geschied gelijk gij bevolen hebt, en nog is er plaats. 23 En de heer zeide tot den dienstknecht: pa uit in de wegen, en hepgen, en dwing hen in te komen, opdat mijn huis vol worde. 24 Want ik zeg ulieden, dat niemand van die mannen, die genoodigd waren, mijn avondmaal smaken zal. 25 En vele scharen ginpron met hem; cn hy zich omkeerende zeide tot haar: 26 Indien iemand tot mij komt, en niet haat zijnen vader, en moeder, en vrouw, eu kinderen, en broeders, en zusters, ja ook zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn. 27 En wie zijn kruis niet draagt, en mij navolgt, die kan mijn discipel niet zijn. 28 Want wie van u, willende een toren bouwen, zit niet eerst neder, en overrekent de kosten, of hij ook heeft hetgeen tot volmaking [noorfij; t»)? 29 Opdat niet misschien als hij het fondament gelegd heeft, en niet kan voleindigen, allen die het zien hem beginnen te bespotten, 30 Zeggende: deze mensch heeft beginnen te bouwen, en heeft niet kunnen voleindigen. 31 Of wat koning gaande naar den krijg om tegen eenen anderen koning te slaan, zit niet eerst neder, en beraadslaagt, of hij magtig is met tien duizend te ontmoeten dengenen, die met twintig duizend tegen hem komt ? 32 Anderzins zendt hij gezanten uit terwijl de gene nog ver is, en begeert hetgeen tot vrede [rfirnfj. 33 Alzoo dan een iegelijk van u,_ die niet verlaat alles wat hy heeft, die kan mijn discipel niet zijn. 34 Het zout is goed ; maar in-dien\'t zout smakeloos geworden is, waarmede zal het smakelijk gemaakt worden 7 35 Het is noch tot het land, noch tot den mesthoop bekwaam ; men werpt het weg. |
MGELIUM Hoofdst 14,15. Wie ooren heeft om te hooren die hoorc. E HOOFDSTUK 15. n al de tollenaars en de zondaars naderden tot hem, om hein te hooren. HOOFDSTUK 15. n al de tollenaars en de zondaars naderden tot hem, om hein te hooren. 2 En deParizeën en de Schriftgeleerden murmureerden, zeggende: deze ontvangt de zondaars, en eet met hen. 3 En hij sprak tot hen deze gelijkenis, zeggende: 4 Welk mensch onder u hebbende honderd schapen, en éun van die verliezende, verlaat niet de negen en negentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, totdat hij \'t zelve vindt? 5 En als hij het gevonden heeft, legt hy het op zgne schouderen, verblijd zijnde. 6 En t\' huis komende roept hij de vrienden en de geburen te zamen, zeggende tot hen: weest blijde met mij, want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was. 7 Ik zeg ulieden, dat er al-zoo blijdschap zal zijn in den hemel over éénen zondaar, die zich bekeert, [meer] dan over negen en negentig regtvaardi-gen, die de bekeering niet noo-dig hebben. 8 Of welke vrouw hebbende tien penningen, indien zy éënen penning verliest, ontsteekt niet eene kaars, en keert het huis [mrt bezemen], en zoekt naar-stiglijk totdSt zü [fiten] vindt? 9 En als zij [dim] gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de geburinnen te zamen, zeggende: weest blijde met mij, want ik heb den penning gevonden, dien ik verloren had. 10 Alzoo (zeg ik ulieden) is er blijdschap voor de Engelen Gods over eénen zondaar die zich bekeert. 11 En hij zeide: een zeker mensch had twee zonen ; 12 En dc jongste van hen zeide tot den vader: vader, geef mjj het deel des goeds dat [mij) toekomt. En hij deelde hun het poed. 13 En niet vele dagen daarna, de jongste zoon. alles bijeen vergaderd hebbende, is weggereisd in een ver [gelegen] land, en heeft aldaar zyn goed doorgebragt, levende overda-diglijk. |
|
Hoofdst. 15, 16. VAN 1 (4 En als hij het alles vei-teerd had, werd er een groote hongersnood in dat land, en hij begon gebrek te lijden. 15 £n hij ging henen en voegde Eich bij eenen van de burgers desielven lands; en die zond hem op zijn land, om de zwijnen te weiden. 16 En hij begeerde zijnen buik te vullen met den draf, dien de zwiinen aten ; en niemand gaf ze hem. 17 En tot zich zeiven gekomen zgnde, zeide hij : hoe vele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger? 18 Ik zal opstaan en tot mijnen vader gaan, en ik zal tot hem zeggen : vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u, 19 En ik ben niet meer waardig uw zoon genoemd te worden ; maak mij als een van uwe huurlingen. 20 En opstaande ging hij naar zijnen vader. En als hy nog ver [can hem] was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen ; en [fof]-loopende viel hem om zijnen hals, en kuste hem. 21 En de zoon zeide tot hem : vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u, en ben niet waardig uw zoon genoemd te worden. 22 Maar de vader zeide tot zijne dienstknechten: brengt [kier] voort het beste kleed, en doet het hem aan, en geeft eenen ring aan zijne hand, en schoenen aan de voeten; 23 En brengt het gemeste kalf, en slagt het; en laat ons eten en vrolijk zijn. 2t Want deze mijn zoon was dood, en is weder levend geworden ; en hg was verlorea, en is gevonden. En zij begonnen vrolyk te zyn. 25 En zijn oudste soon was in het veld ; en alzoo hij kwam en het huis genaakte, hoorde hg het gezang en het gerei. 26 En tot zich geroepen hebbende eenen van de knechten, vraaede wat dat mogt zijn. 27 En deze zeide tot hem : uw broeder is gekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslagt, omdat hg hem getond weder ontvangen heeft. 38 Maar hij werd toornig, en |
UKAS. 91 wilde niet ingaan. Zoo Ring dan zijn vader uit, en bad hem. 29 Doch hg antwoordende zeide tot den vader; zie, ik dien u [nu] zoo vele jaien, en heb nooit uw gebod overtreden ; en gg hebt mg nooit een bokje gegeven, opdat ik met mijne vrienden mogt vrolijk zijn. 30 Maar als deze uw zoon gekomen is, die uw goed met hoeren doorgebragt heeft, zoo hebt gij hem het gemeste kalf geslagt. 31 En hij zeide tot hem : kind, gg zijt altijd bg mij, en al het 32 Men behoorde dan vrolijk en blijde te zgn ; want deze uw broeder was dood, en is weder levend geworden; en hij was verloren, en is gevonden. 17* HOOFDSTUK 16. jn hij zeide ook tot zijne discipelen: er was een zeker rijk mensch, welke eenen rentmeester had; en deze werd bg hem verklaagd, als die zgne goederen doorbragt.7* HOOFDSTUK 16. jn hij zeide ook tot zijne discipelen: er was een zeker rijk mensch, welke eenen rentmeester had; en deze werd bg hem verklaagd, als die zgne goederen doorbragt. 2 En hg riep hem , en zeide tot hem : hoe hoor ik dit van u? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap ; want gg zult niet meer kunnen rentmeester zgn. 3 En de rentmeester zeide bij zich zeiven: wat zal ik doen, dewgl mijn heer dit rentmees^ terschap van mij neemt ? Gra. ven kan ik niet, te bedelen schaam ik mg. 4 Ik weet wat ik doen zal, opdat, wanneer ik van het rent-mcesterschao afgezet zal wezen, zg mij in hunne huizen ont* vangen. 5 En hg riep tot zich een iege» lijk van de schuldenaars zijns heeren, en zeide tot den eersten : hoe veel zijt gij mgnen heer schuldig? 6 En hij zeide ; honderd vaten olie. En hg zeide tot hem; neem uw handschrift, en nc-derzittende, schrijf haastiglijk vgftig. 7 Daarna zeide hij tot eenen anderen: en gij, hoeveel zgt gg schuldig ? En hij zeide: honderd mudden tarwe. En hg zeide tot hem : neem uw handschrift, en schrgf tachtig. 8 En de heer prees den onregt» vaardigen rentmeester, omdat bij |
|
95» HET EUA1 hÖ voonifftiRlijk pedaan had; want de kinderen dezer wereld zijn voorxitrtiger dan de kinderen des lichts in hun geslacht. 9 En ik ze;; ulieden; maakt u zeiven vrienden uit den on-regtvaardigen Mammon, opdat wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen. 10 Die getrouw is in het inin-ste, die is ook in het groote getrouw; en die in \'t minste onregtvaardig is, die is ook in *t groote onregtvaardig. 11 Zoo gij dan in den onregt-vaardigcn Mammon niet getrouw zijt geweest, wie zal u \'t ware vertrouwen ? 12 En zoo gij in eens anderen [gocrf] niet getrouw zijt geweest, wie zal u het uwe geven ? 13 Geen huisknecht kan twee heeren dienen ; want of hg zal den eenen haten en den anderen liefhebben ; of hij zal den eenen aanhangen cn den anderen verachten. Gij kunt God niet dienen en den Mammon. 14 En al deze dingen hoorden ook de Farizeën, die geldgierig waren, en zij beschimpten hem. 15 En hij zeide tot hen: gij zijt, die u zeiven regtvaardigt voor de menschen ; maar God kent uwe harten. Want wat hoog is onder de menschen, is een gr», wel voor God. 16 De wet en de Profeten [zijn] tot op Johannes; van dien tijd af wordt het Koningrijk Gods verkondigd, en een iegelijk doet geweld op \'t zelve. 17 En het is ligter dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat édn tittel der wet valle. 18 Een iegel^k die zijne vrouw verlaat, en eene andere trouwt, die doet overspel; en een iegelijk die de verlatene van den man trouwt, die doet (oofc] overspel. 19 En cr was een zeker rjjk raensch, en was gekleed met purper en zeer fijn lijnwaad, levende alle dagen vrolijk en prachtig. 20 En er was ook een zeker bedelaar, met name Lazarus, welke lag voor zijne poort, vol zweren, 21 En begeerde verzadigd te worden van de kruimkens, die |
JGELIUM Hoofdst. 16, 17. van de tafel des rijken vielen ; maar ook de honden kwamen en lekten zijne zweren. 22 En het geschiedde dat de bedelaar stierf, en van de Engelen gedraeen werd in den schoot Abrahams. 23 En de rijke stierf ook, en werd begraven. En als hij in de hel zijne oogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lazarus in zijnen schoot. 21 En hij riep en zeide : vader Abraham, ontferm u mijner, en zend Lazarus, dat hij het uiterste zijns vingers in \'t water doope, en verkoele mijne tong; want ik lijd smarten in deze vlam. 25 Maar Abraham zeide ; kind, gedenk dat gü uw goed ontvangen hebt in uw leven, en Lazarus desgelijks het kwade ; en nu wordt hij vertroost, cn gy lijdt smarten. 26 En boven dit alles, tus-schen ons en ulieden is eene groote kloof gevestigd, zoodat degenen die van hier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen, noch ook die [dnnr zijn], van daar tot ons overkomen. 27 En hg zeide : ik bid u dan vader, dat gij hem zendt tot mijns vaders huis. 28 Want ik heb vyf broeders ; dat hij hun (dü) betuig»;, opdat ook zij niet komen in deze plaats der pijniging. 29 Abraham zeide tot hem: zij hebben Mozes en de Profeten ; dat zij die hooren. 30 En hij zeide ; neen, vader Abraham, maar zoo iemand vau de dooden tot hen he-nenging, zij zouden zich be- 31 Doch [^brnham] zeide tot hem: indien zy Mozes en de Profeten niet hooren, zoo zullen zy ook, al ware het dat cr iemand uit de dooden opstond, zich niet laten gezeggen. E HOOFDSTUK 17. n hij zeide tot de discipelen : het kan niet wezen, dat er geene ergernissen komen; doch wee [Aem] door welken zij komen. HOOFDSTUK 17. n hij zeide tot de discipelen : het kan niet wezen, dat er geene ergernissen komen; doch wee [Aem] door welken zij komen. 2 Het zoude hem nuttiger lijn, dat een molensteen om zijnen hals gedaan ware, en hg in de zee geworpen, dan dat hy «enen |
03
|
ergeren. 3 Wacht u zelven. En indien uw broeder tegen u zondigt, zoo bestraf hem ; en indien het hem leed is, zoo vergeef het hem. 4 En indien hü zevenmaal \'s daags tegen u zondigt, en zevenmaal \'s daags tot u wederkeert, zeggende :\'het i« mij leed; zoo zult gy \'t hem vergeven. 5 En de Apostelen zeiden tot den Heer : vermeerder ons het geloof. 6 En de Heer zeide ■ zoo gy een geloof hadt als een mostaardzaad, gij zoudt tot dezen moerbezieboom zeggen ; word ontworteld, en in de zee geplant; en hij zoude u gehoorzaam zijn. 7 En wie van u heeft eenen dienstknecht ploegende of (de beettrn] hoedende, die tot hem, als hij van den akker inkomt, terstond zal zeggen : kom bij, en zit aan ? 8 Maar zal hij niet tot hem zeggen : bereid dat ik te avond zal eten, en omgord u en dien mij, totdat ik zal gebeten en gedronken hebben ; en eet en drink gij daarna ? 9 Dankt hij ook denzelven dienstknecht, omdat hjj gedaan heeft \'t geen hem bevolen was ? Ik meen, neen. 10 Alzoo ook gij, wanneer gij zult gedaan hebben al \'t geen u bevolen is, zoo zegt: wij zijn onnutte dienstknechten, want wij hebben [mnnr] gedaan hetgeen wij schuldig waren tedoen. 11 En het geschiedde, als hij naar Jeruzalem reisde, dat hij door \'t midden van Samarië en Galilea ging. 12 En als hij in een zeker \'-lek kwam, ontmoetten hem tien melaatiche mannen, welke stonden van verre. 13 En zij verhieven [hunne] stem, «eggende: Jezus, Meester, ontferm u onzer. It En als hij hen zag, zeide hij tot hen ; p,aat henen en vertoont u zeiven den Priesteren. En het geschiedde, terwijl zn henen gingen, dat zij gereinigd werden. 15 En een van hen ziende dat hij genezen was, keerd-ï wederom, met groote stem God verheerlijkende. |
16 En hij viel op het aange-zigt voor zyne voeten, hem dankende; en dezelve was een Saiparitaan. 17 En Jezns antwoordende zeide : zijn niet de tien gereinigd geworden ? En waar zijn de negen ? 18 En zijn er geenen gevonden die wederkeeren, om God eer te geven, dan deze vreemdeling ? 19 En hij zeide tot hem: sta op, en ga henen; uw geloof heeft u behouden. En gevraagd z|inde van de Farizeën, wanneer het Koningrijk Gods komen zoude, heeft hij hun geantwoord en gezegd ■. het Koningrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat. 21 En men zal niet zeggen; ziehier, of ziedaar; want zie, het Koningrijk Gods is binnen ulieden. En hij zeide tot de discipelen ; er zullen dagen komen, wanneer gij zult begeeren eenen der dagen van den Zoon des menschen te zien, eu gij zult (rfirn] niet zien. 23 En zij zullen tot u zeggen zie hier, of zie daar is hij; gaat niet henen, en volgt niet. 2t Want gelyk de bliksem, lie van het eene [einde] onder den hemel bliksemt, [en] tot het andere onder den hemel schijnt, alzoo zal ook de Zoon des menschen wezen in zijnen dag. 25 Maar eerst moet hij veel lijden, en verworpen worden van dit geslacht. 26 En gelijk het geschied is in de dagen van Noach, alzoo zal het ook zijn in de dagen van den Zoon des menschen. 27 Zij aten, zi: dronken, zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven, tot den dag, op welken Koarh in de ark ging ; en de zondvloed kwam, en verdierf hen allen. 28 Desgelijks ook, gelijk het geschiedde in de dagen van Lot; zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden ; f9 Maar op welken dag Lot van Sodom uitging, regende het vuur en sulfer van den hemel, en verdierf hen allen. 30 Even alzoo zal het zijn in den dag op welken de Zoon dei Hoofd*. 17. VAN LÜKAS. eenen van deze kleinen zoude |
|
-- HÉT EtT.4 des menschen geopenbaard zal worden. 31 In dien zeiven dag, wie op het dak zal zyn, en zijn huisraad in huis, die kome niet af, om hetzelve weg te uemen ; en wie op den akker C(jn zal, die keere desgelijks niet naar hetgene dat achter is. 32 Gedenkt aan de vrouw van Lot. 33 Zoo wie zijn leven zal zoeken te behouden, die zal het verliezen ; en zoo wie hetzelve zal verliezen, die zal het in \'t leven behouden. 31 Ik zeg u: in dien nacht zullen twee op één bed zijn ; de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden. 35 Twee (Brouwen) zullen te zamen malen; de een zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden. 36 Twee zullen op den akker zijn ; de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden. 37 En zij antwoordden en zeiden tot hem: waar Heer ? En hii zeide tot hen: waar \'t ligchaam is, aldaar zullen de arenden vergaderd worden. E HOOFDSTUK 18. HOOFDSTUK 18. n hij zeide ook eenc gelijkenis tot hen, daartoe lêtrek-kende] dat men altijd bidden Boet, en niet vertragen ; 2 Zeggende; er was een zeker Regter in eene stad, die God niet vreesde, en geen mensch ontzag. 3 En er was eene zekere weduwe in dezelfde stad, en zij kwam tot hem, zeggende doe mij regt tegen mijne wederpartij. ■t En hij wilde voor eenen [Inm/rn] tiid niet; maar daarna zeide nij bij zich zeiven : hoewel ik God niet vrees, en geen mensch ontzie, 5 Nogtans omdat deze weduwe mij moegelijk valt, zoo zal ik haar regt dt»en, opdat zij niet eindelijk kome, en mij het hoofd breke. 6 En de Heer zeide: hoort wat de onregtvaardige Regter *egt. 7 Zal God dan geen regt doen zijnen uitverkorenen, die dag en nacht tot hem roepen. |
XGÉLtÜM Hoofdst. 17, 18. hoewel hij lankmoedig is over hen ? 8 Ik zeg u, dat hij hun haas-tiglijk regt doen zal; doch de Zoon des menschen, als hij komt, zal hij ook geloof vinden op de aarde ? 9 En hij zeide ook tot sommigen, die bij zich zeiven vertrouwden, dat zij regtvaardig waren, en de anderen niets achtten, deze gelijkenis: 10 Twee menschen gingen op in den Tempel om te bidden ; de een was een Farizeër en de ander een tollenaar. 11 De Farizeër staande bad dit bn zich zeiven: O God, ik dank u, dat ik niet ben ge-lijk de andere menschen, roo-vers, onregtvaardigen, over-spelers, of ook gelijk deze tollenaar. _ 12 Ik vast tweemaal ter week, ik geef tienden van alles wat ik bezit. 13 En de tollenaar van verre staande, wilde ook zelfs de oogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijne borst, zeggende: O God, zijt mij zondaar genadig. li Ik zeg ulieden ; deze ging af geregtvaardigd in zijn huis [meer] dan die; want een ieder die zich zeiven verhoogt, zal vernederd worden, en die zich zeiven vernedert, zal verhoogd worden. 15 En zij bragten ook de kin-derkens tot hem, opdat hij die zoude aanraken, en de discipelen (dn(] ziende bestraften dezelve. 16 Maar Jezus riep dezelve (fcinrferfcen»] tot zich, en zeide: Iaat de kinderkens tot mij komen, en verhindert hen niet, want derzulken is het Koningrijk Gods. 17 Voorwaar zeg ik u, zoo wie het Koningrijk Gods niet zal ontvanfren als een kindeken, die zal geenszins in \'t zelve komen. 18 En een zeker Overste vraagde hem, zeggende : goede Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven ? 19 En Jezus zeide tot hem; want noemt gij mg poed ? Niemand is goed dan één, [namr-i-jk] God. 20 Gg weet de geboden : gy zult geen overspel doen ; gy zult niet dooden; gij zult niet ste- |
|
Hoofdst. 18. 19. VAN I stelen; pg lult greene valsche Ketuigeni* {•even; eer uwen vader en uwe moeder. 21 En hij zeide: al deze din-pen heb ik onderhouden van mijne jonpheid aan. 22 Doch Jezus dit hoorende ïeide tot hein : noy één ding ontbreekt u; verkoop alles wat pg hebt, en deel het onder de crmen, en pij zult eenen schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg mg. 23 Maar als hn dit hoorde werd hij geheel droevig; want hij was leer rijk. 24 Jezus nu ziende dat hy geheel droevig geworden was, zeide: hoe zwaarlijk zullen degenen die goed hebben,in het Koningrijk Gods ingaan. 25 Want het i» ligter dat een kemel ga door het oog van eene naald, dan dat een rijke in \'t Koninkrijk Gods inga. 26 En die (rfit] hoorden zeiden : wie kan dan zalig worden ? 27 En hij zeide : de dingen die onmogelijk zijn bg de menschen, zijn mogelijk bg God. 28 En Petrus zeide: zie, wij hebben alles verlaten, en zijn u gevolgd. 29 En hij zeide tot hen : voorwaar ik zegulieden, dat er niemand is, die verlaten heeft huis, of ouders, of broeders, of vrouw, of kinderen, om het Koningrijk Gods, 30 Die niet zal veelvoudig we-derontvangen in dezen tijd, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven. 31 En hg nam de twaalven bij zich, en zeide tot hen : zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbragt worden aan den Zoon des menschen, wat geschreven is door de Profeten. 32 Want hij zal den Heidenen overgeleverd worden, en hij zal bespot worden, en smadelijk gehandeld worden, en bespo-gen worden ; 33 En (A«nl gegeeseld hebbende, zullen zij hem dooden ; en ten derden dage zal hg weder opstaan. 34 En zij verstonden geen van deze dingen ; en dit woord was voor hen verborgen, en zij verstonden niet hetgeen gezegd werd. 35 En het geachiedde, als hij |
IÜKAS. 04 nab\\j Jericho kwam. dat een zekere blinde aan den weg zat, bedelende. 36 En deze hoorende de schare voorbijgaan, vraagde wat dat ware. 37 En zij boodschapten hem, dat Jezus de Nazarener voorbijging. 38 En hij riep, zeggende : Jezus gy Zoon Davids, ontferm u mijner. 39 Ën die voorbggingen bestraften hem, opdat hij zwijgen zoude; maar hij riep zoo veel te meer: Zoon Davids, ontferm u mijner 40 En Jezus ff(i/)staande beval dat men denzelven tot hem brengen zoude ; en als hij nabij (Afm) gekomen was, vraagde hij hem, 41 Zeggende: wat wilt gg dat ik u doen zal ? En hij zeide ; Heer, dat ik ziende mag worden. 42 En Jezus zeide tot hem; word ziende ; uw geloof heeft u behouden. 43 En terstond werd hij ziende, en volgde hem. God verheerlijkende; en al het volk ldalt;] ziende gaf Gode lof. E HOOFDSTUK 19. n ingekomen HOOFDSTUK 19. n ingekomen zijnde, ging hij door Jericho. 2 Bn zie, er was een man met name geheeten Zacheüs, en deze was een Overste der tollenaren, en hij was rijk. 3 En hij zocht Jezus te zien, wie hij was; en kon niet van wege de schare, omdat hij klein van persoon was. 4 En vooruitloopende klom hg op eenen wilden vijgeboom, opdat hij hem mogt zien ; want hg zoude langs dien [weg] voor-bijgaan. 5 En als Jezus aan die plaats kwam, opwaarts ziende zag hij hem, en zeide tot hem: Zacheüs, haast u en kom af; want ik moet heden in uw buis blijven. 6 En hij haastte zich en kwam af, en ontving hem met blijdschap. 7 En allen die het zagen murmureerden, zeggende : hij is tot eenen zondigen man ingegaan om te herbergen. 8 En Zacheüs stond en zeide tot den Heer: zie, de helft van mijne goederen. Heer, geef |
|
96 MET EU A ik den armen; en indien ik iemand iet» door hedro» ontvreemd heb, dan geef ik vierdubbel weder. 9 En Jezus zeide tot hem: heden is dezen huize zmti^heid geschied, nademaal ook deze een zoon Abrahams is. 10 Want de Zoon des men-schen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. 11 En als zij dat hoorden, voegde hij daarbij, en zeide eene gelijkenis, omdat hij nab|j Jeruzalem was, cn (om-dntj zij meenden dat het Koningrijk Gods terstond zoude openbaar worden. 12 Hij zeide dan: een zeker welgeboren man reisde in een verlgelegen] land, om voor zich zeiven een koningrijk te ontvangen en (rfnn) weder te kee- 13 En geroepen hebbende zijne tien dienstknechten, gaf hij hun tien ponden, en zeide tothen ; doet handeling totdat ik kom. En zijne burgers haatten hem, cn zonden hem pezanten na, zeggende: wij willen niet dat deze over ons koning zij. 15 En het geschiedde, toen hij wederkwam, als hij \'t koningrijk ontvangen had, dat hij zeide dat die dienstknechten tot hem zouden geroepen worden, dien jiij het geld gegeven nad, opdat hij weten mogt, wat een iegelijk met handelen gewonnen had. 16 En de eerste kwam, en zeide: heer, uw pond heeft tien ponden daartoe gewonnen. 17 En hjj zeide tot hem : wel gij goede dienstknecht, dewijl gij in het minste getrouw zijt g-jweest, zoo heb magt over tien steden. 18 En de tweede kwam, en zeide : heer, uw pond heeft vijf ponden gewonnen. 19 En hij zeide ook tot dezen ; en gij, wee» over vijf steden. 20 En een ander kwam, zeggende : heer, zie (ftifr) uw pond, \'t welk ik in eenen zweetdoek weggelegd had; 21 Want ik vreesde u, omdat gy een straf uiensch zijt; gij neemt weg wat gij niet gelegd hebt, en gij maait waar gij niet gezaaid hebt. 23 Maar hij zeide tot hem ; uit uwen mond zal ik u oordeelcn, |
NGELIUM lloofdst. 19. gij booze dienstknecht; gij wist dat ik een straf mensch ben, nemende weg wat ik niet gelegd heb, en maayende wat ik niet gezaaid heb. 23 Waarom hebt gij dan mijn geld niet in de bank gegeven, en ik komend had hetzelve met woeker mogen eischen ? 21 En hg zeide tot degenen die bij hein stonden: neemt dat Eond van hem weg, en geeftond van hem weg, en geeft et dien, die de tien ponden heeft. 25 En zij zeiden tot hem : heer, hij heeft tien ponden. 26 Want ik teg u, dat eenen iegelijk die heeft zal gegeven worden; maar van dengenen die niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij heeft. 27 Doch deze mijne vijanden, die niet hebben gewild, dat ik over hen koning zoude zijn, brengt hier, en slaat hen [Airr] voor mij dood. 28 En dit gezegd hebbende reisde hij voor lamp;\'n] henen, en ging op naar Jeruzalem. 29 En het geschiedde als hij nabij Bethphage en Bethanie gekomen was nan den berg genaamd den olijfberg, dat hü twee van zijne discipelen uitzond, 30 Zeggende: gaat henen indat vlek, dat tegenover is; in \'t welk inkomende zult gy een-veulen gebonden vinden, waarop geen mensch ooit heeft gezeten ; ontbindt hetzelve, en brengt het. 31 En indien iemand u vraagt: waarom ontbindt gy ((2n(J? zoo zult irij alzoo tot hein zeggen : omdat het de Heer noodig heeft. 32 En die uitgezonden waren, henengegann zijnde, vonden het, gelijk hy hun gezegd had. 33 En als zij het veulen ontbonden, zeiden de heeren van hetzelve tot hen : waarom ontbindt gij het veulen ? 34 En zy zeiden: de Heer heeft het noodig. 35 En zij bragten hetzelve tot Jezus. En hunne kleederen op het veulen creworpen hebbende, zetten sg Jezus daar op. 36 En als hg (roortlreisde, spreidden zg hunne kleederen onder\'lhem] op den weg. 37 En als hg nu genaakte a*.n den afgang de» olgfberg», begon al de menigte der discipelen |
gende : teg ons door wat magt gy deze dingen doet; of wie hij is die u deze magt heeft gegeven ?
3 En hij antwoordende zeide tot hen ; ik zal u ook een woord vragen ; en zegt mij .
4 De Doop van Johannes was die uit den hemel, of uit de menschen ?
5 En zy overleiden onder zich, zeggende: jindien wij zeggen: uit den hemel, zoo zal hü zeggen: waarom hebt gij hem dan niet geloofd ?
6 En indien wij zeggen • uit de menschen, zoo zal ons al het volk steenigen: want zij houden voor zeker dat Johannes een Profeet was.
7 En zij antwoorden, dat zij niet wisten van waar [die trn»].
8 En Jezus zeide tot hen zoo zeg ik u ook niet, door wat magt ik deze dingen doe.
9 En hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: een zeker mensch plantte eenen wijngaard, en hij verhuurde dien aan landlieden, en trok eenen langen tijd buiten \'s lands.
10 En als het de tijd was, zond hij tot de landlieden eenen dienstknecht, opdat zij hem van de vrucht des wijn-gaards geven zouden, maar de landlieden sloegen denzel-ven, en zonden [Arm] ledig henen.
11 En wederom zond hij nog eenen anderen dienstknecht, maar ook dien geslagen en smadelijk gehandeld hebbende, zonden zg [Aem] ledig henen.
12 En wederom zond hy nog eenen derden; maar zij verwondden ook dezen, cn wierpen [ftem] uit.
13 En de heer des wijngaards zeide: wat zal ik doen? Ik zal mgnen geliefden zoon zenden -. mogelijk dezen ziende zullen zij [Ann] ontzien.
14 Maar als de landlieden hem zagen, overleiden zij onder elkander, en zeiden : deze is de erfgenaam; komt. Iaat ons hem dooden, opdat de erfenis onze worde.
15 En als zy hem buiten den wijngaard uitgeworpen hadden, doodden zij [fcem]. Wat zal dan de heer des wijngaard» hun doen ?
E 16 Hij
Hoofdit. 19, 20. VAN 1
len zicli te verblijden, en God te loven met proote stem, van wege al de krachtige daden die zij gezien hadden ;
38 ZcBgende: gezegend (i#l de Koning die daar komt in den naam des Heeren. Vrede I*yJ in den hemel, en heerlijkheid in de hoogste [plaat-•quot;O-
39 En sommigen der Parizeen uit de srhare zeiden tot hem : Meester bestraf uwe discipelen.
4lt;) En hij antwoordende zeide tot hen : ik zeg ulieden dat, zoo deze zwijgen, de steenen haast ro»pen zullen.
41 En als hij nabij kwam, en de stad zag, weende hij over haar,
42 Zeggende : och of gij ook bekendct, ook nog in dezen uwen dag, hetgeen tot uwen vrede (dient]. Maar nu is het verborgen voor uwe oogen.
43 Want er zullen dagen over u komen, dat uwe vyanden eene begraving rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen , en u van alle zijden benaauwen,
41 En zullen u tot den grond nederwerpen, en uwe kinderen in u; en zij zullen ia u den (eenenl steen op den [nnderrn] steen niet laten; daarom dat gij den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt.
45 En gegaan zijnde in den Tempel, begon hij uit te drijven degenen die daar in verkochten en kochten.
46 Zeggende tot hen: er is geschreven: mijn huis is een huis des gebeds ; maar gij hebt dat tot eenen kuil der moor-denaaru gemaakt.
47 En hij leerde dagelijks in den Tempel; en de Overpries-ters, en de Schriftgeleerden, en de Oversten des volks zochten hem te dooden;
48 En zij vonden niet, wat tij doen zouden : want al het volk hing hem aan , en hoorde [Aem].
r-i HOOFDSTUK 20. jn het geschiedde in een van die dagen, als hij in den Tempel het volk leerde, en het Euangelium verkondigde , dat de Overpriesters cn Schriftgeleerden met de Ouderlingen daarover kwamen, 2 En spraken tot hem, zeg--i HOOFDSTUK 20. jn het geschiedde in een van die dagen, als hij in den Tempel het volk leerde, en het Euangelium verkondigde , dat de Overpriesters cn Schriftgeleerden met de Ouderlingen daarover kwamen, 2 En spraken tot hem, zeg-
|
16 Hi} zal komen en deze lauilHelt;lnii verderven, en zal den wijngaard aan anderen peven. En als zij [\'/nlt;J hoor-\'\'quot;ii, zeiden zij dnt zij verre. de welk staat bouwlieden verworpen hebben, deze is tot lt;\':\'n hoofd des hoeks geworden ? 18 Keu iegelijk die op disn steen valt, zal verpletterd worden, en op wicn hij valt, dien zal liij vermorselcn. 13 En de Overprieste Scliriftffo\'----- dier zeil aan hei. steen )ehten te de handen liet volk ; want *lj verstonden dat hij deze celij-keuU tegen hen gesproken had. 20 En zij namen [/.«-ntl waar, en zonden verspieders gt;i:t, die zich zelvcn veinsden reirtvaar-di? te zijn; opdat zij hem in [.ryiirl reden vaniren xnogtcn, om hem der heerschappij en der inaTt des Stadhouders over te leveren. 21 En ^ zij^ vraa\'rden hem, dat {rij vejft Kpieekt, en leert, en den persoon niet aanneemt, maar leert den wee Gods in waarheid; 23 Is het ons fr^oorloofd den Keizer schatting te quot;even, oi niot ? 23 En hij hunne arglistigheid bemerkende, zeiil;\' tot hen : wat verzoekt «jij mij ? 2t Toont mij eenca penning; wiens bocld tn opschrift heaft. hij? En zij aatwoordenda zeiden ; des Keizers. 25 En hij zeide tot hen : jreeft dan den Keizer wat des Keizers is, en Code wat Gods li»]. 20 En zij konden hem ia [ryn] woord niet vatten voor het volk; ea zich verwonderende over zijn antwoord zwegen zij slil. 27 Ea tot hom kwamen sommigen der Saddueeën, welke tegensprekende Izeggen] dat er geenc opstanding is, eu vraagden hem. 28 Zeamp;reude ■ Meester, Mo-zes heeft ons geschreven: zoo iemands broeder sterft, die eene vrouw heeft, en hij sterft zonder kinderen, dat zijn Uroc- |
der de vrouw nemen zal, en zijnen broeder znad verwekken. 2!) Er waren nu zeven broeders , en do eerste nam eene vrouw, eu hij utiert\' zonder kinderen. 30 En de tweede nam die vrouw, en [ook] deze stierf zonder kinderen. 31 En de derde nam dezelve fmiwu-l, en desgelijks ook \' de zeven, en hebben guene kinderen nagelaten, en zijn gestor- 33 En ten laatste na allen stierf ook de vrouw. 33 In de opstanding dan, wiens vrmtw van deze zal zij zijn ? Wnnt die zeven heb\'.ien dezelve tot eene vrouw gebad. 3 t En Jezus antwoordende zeide tot hen : de kinderen de-eeuw trouwen, en worden huwelijk uitgegeven ; Maar die waardig zullen \' t zijn «lie eeuw te ver-n, en de opstanding uit do dooden, zullen noch trou-.ven noch ten huwelijk uit-ïegevcu worden. 30 Want zij kunnen niet meer sterven; want zij zijn den En-reien gelijk. En zij zijn kin-leren Gods, dewijl zij kinde-■en der opstanding zijn. _ 37 Ea dat de dooden opgewekt zullen worden, heelt ook Mozes aangewezen bij het door-ncnboseli, als hij den Hoer int den God Abrahams, don God Izaiiks, eu deu God Jakobs. 38 [God] nu is niet een God It-r dooden, maar der leveulen ; want zij leven hem allen. 3\'J En sommigen der Schrift-•eleerden antwoordende zeiden : Meester, gij hebt wel ge- - :j durfden hem niet Davids zoon ia ? 42 Eu David zelf zegt in liet Kgt;ek der Psalmen* de Heer •.eeft gezegd tot mijnen Heer : ;it aan mijne regterj/innilj,1 43 Totdat ik uwe vijanden lal gezet hebben tot eene voetbank uwer voelen. 44 David dan noemt hem [zijne»] Heer; en hoe is bij zijn zoon ? 45 Eu daar al het volk [Art] HET EÜAKGZLIÜM |
bevingen wezen in verscheidene plaatsen, en hongersnoo-den, en pestilentiën; er rullen ook schrikkelijke dingen, cn groote teekenen van den hesnel geschieden.
12 Maar vóór dit nlles znT-len zij hunne hrjtden aan ulie-den slaan, en [w] vervolgen, [ii] overleverende i:i de Synagogen en de gevangenissen . an gij zult getrokken worden voor Koningen en Stadhouders om itiijns naams wil.
13 En [rfi/J zal u overkomen tot eene getuigenis.
11 Neemt dan in uwe harten voor, van te voren niet te overdenken, (iW] gij u verantwoorden zult.
15 Want ik zal u mond en wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken, noch wederstaan, allen dia zich togen u zetten.
16 En gij zult overrreleverd worden ook van ouders, en broeders, en masen, «u vrienden ; ca zij zullen er [sommi-grn] uit u dooden.
17 En gij zult van allen gehaat worden om mijns naams wil.
18 Doch niet fin haar uit uw hoofd zal verloren gaan.
19 Bezit uwe zielen in uwe lijdzaamheid.
20 Slaar wanneer gij zien zult dat Jeruzalem van heir-legera omsingeld wordt, zoo weet alsdan dat hare verwoesting nabij gekomen ia.
21 Alsdan die in Judca zijn, dat zij vlieden naar da borgen ; en die in het midden van dezelve zijn, dat zij daar uit trokken ; en die op do velden zijn, dat zij ia dezelve niet komen.
22 Want deze zijn dagen der wraak, opdat alles vervuld worde wat geschreven is.
23 Doch wee de bevruchte, en dc zogende (rroutocnl in die dagen; want er groot» nood zijn zal in het land, cn toorn over dit volk.
2t En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken; cn Jeruzalem zal van de Heidenen vertreden worden, totdat de tijden der Heidenen vervuld zullen zijn,
25 En er zullen teekenen E 2 zijn
Uoofdst. 20. 21. VAN L
hoorde, zeido hij tot zijne discipelen.
46 Wacht u van dc Schrift-pejeerden, die daar willen wandelen in lan^e kleedeven, en beminnen de ^roetineen op de markten, en de voorgestoelten in de Synagogen, en de vonraanzittingen in de maaltijden;
47 Die der weduwen huizen opeten, en ouder eenen schijn lange pehedeu doen; deze zullen zwaarder oordeel outvan-(?en.
E HOOFDSTUK 21. n opziende zar hij\' de rijken hunne gaven in tie schatkist werpen. HOOFDSTUK 21. n opziende zar hij\' de rijken hunne gaven in tie schatkist werpen.
2 En luj zag ook eene zekere iirnie weduwe twee klciao Ijtcn-ninrjikeut] daar in werpen.
3 En hij zeide- waarlijk ik zeg u, dat deze arme weduwe meer dan allen heeft [injgc-worpen.
4 Want die nllen hebben van hunnen overvloed geworpen tot de gaven Gods; maar deze heeft van haar gebrek al den leeftogt dien zij had,\', («Jnnr in] geworpen.
5 En nis sommigen zeiden van don Tempel dat hij met schoonc Bteenen en hegiftingen versierd was, zeide bij :
6 •( Wnf] deze din-ren [ann-prrnt], die gij aanschouwt, er zullen dagen komen, in welke niet (éé/i) steen op (dcli rnile-ren] steen zal gelaten worden, die niet zal worden afgebroken.
7 En zij vraagden hom, zeggende : Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn ? cn welk is hot toeken, wanneer deze dinrren zullen geschieden ?
8 En bij zeide: ziet dat gij niet verleid wordt; want velen zullen er komen onder mijnen naam, zeggende; ik ben [de Christ ut]. En de tijd is nabij gekomen; gaat dan hen niet na.
9 En wanneer gy zult hoorei, van oorlogen en beroerten, zoo wordt niet verschrikt. Want deze dingen moeten eerst geschieden ; maar [noj] is terstond hot einde niet.
10 Toen zeide hij tot bon het [ffne) volk \'zal tegen het [oudere] volk opstaan, en het [ce.\'iel koningrijk tegen het [nndrrr] koningrijk.
11 Eu er zullen groote aard-|
|
100 HET EUA ign In de ion, en maan, en •terren, en op de narde be-naauwdheid der volkeren, met twijfelmoedigheid, als de zee en watergolven groot geluid zullen geven; 26 En den menschen het hart zal bezwijken van vrees, en verwachting der dingen die het aardrijk zullen overkomen. Want de krachten der hemelen zullen bewogen wor- 27 En alsdan zullen zij den Zoon des mcuschcn zien komen in een wolk met groote kracht en heerlijkheid. 23 Ala nu deze dingen beginnen te gesohiedcn, zoo ziet omhoog, en heft uwe hoofden opwaarts, omdat uwe verlossing nabij is. 29 En hij zoide tot hen eene gelijkenis: ziet den vijgeboom, en al de boomen. 30 Wanneer zij nu uitspruiten, en gij Idol] ziet, zoo weet gij uit u zelven dat de zomer nu nabii is. 31 Alzoo ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden zoo weet dat het Koningrijk Gods nabii is. 32 Voorwaar zeg ik u, dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan, totdat alles zal geschied zijn. 33 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan. 34 En wacht u zelven , dat uwe harten niet te ecniger tijd bezwaard worden met brasserijen, en dronkenschap, en zorgvuldigheden dezes levens, en dat u die dag niet onvoorziens [«i-frjkomc. 33 Want gelijk een strik zal hij komen over al degenen die op den ganschen aardbodem gezeten zijn. 3C Waakt dan te allen tijde , biddende dat gij moogt waardig geacht worden te ontvlieden al deze dingen die geschieden zullen, en te staan voor den Zoon des menschen. 37 Des daags nu was hij leerende in den Tempel; maar des nachts ging hij uit, en vernachtte op den berg, genaamd de olyf(\'lt;rr«]. 38 En al het volk kwam des morgens vroeg tot hem in |
NGELIUM Hoofdst SI, 22. den Tempel, om hem te hooren. PT HOOFDSTUK 22. jn het Feest der onge-hevelde [6roo(fen], genaamd Pascha, was nabij.T HOOFDSTUK 22. jn het Feest der onge-hevelde [6roo(fen], genaamd Pascha, was nabij. 2 En de Overpriesters en de Schriftgeleerden zochten, hoe zy hem ombrengen zouden; want zij vreesden het volk. 3 En da satan voer in Judas, die tocgenaamd was Is-karioth, zijnde uit het getal der twaalve. 4 En hij ping henen, en sprak met de Overpriesters en de Hoofdmannen, hoe hij hem hun zoude overleveren. 5 En zij waren verblijd, en zijn het ecna geworden, dat zij hem geld geven zouden. C En hij beloofde het, en zocht gelegenheid om hem hun over te leveren zonder oproer. 7 En de dag der ongehe-velde [brooden] kwam, op welken het Pascha moest geslagt 8 En hij zond Petrus en Johannes uit, zesrgende: gaat henen, en bereidt ons het Pascha, opdat wij het eten mogen. 9 En zij zeiden tot hem; waar wilt gij dat wij het bereiden ? 10 Eu hij zeide tot hen . zie, als gij in de stad zult gekomen zijn, zoo. zal u een mensch ontmoeten, dragende eene kruik waters; volgt hem in het huis waar hij ingaat. 11 En gij zult zezKen tot den huisvader van dat huis. de Meester zegt u; waar is de eetzaal, daar ik het Pascha met mijne discipelen eten zal? 12 En hij zal u eene groote toegeruste opperzaal wijzen; bereidt het aldaar. 13 En zij henengaande vonden het, gelijk hij hun gezegd had, en bereidden het Pascha. 11 En als de ure gekomen was, zat hij aan, en de twaalf Apostelen met hem. 13 En hij zeide tot hen - ik heb grootelijks begeerd dit Pascha met u te eten, eer dat ik lijde. 16 Want ik zeg u, dat ik niet meer daarvau eten zal, |
|
Hoofdat. 22, , VAN I ♦otd.it het vervuld lal zijn in \'t Koninsrgk Gods. 17 En als hij eenen drinkbeker genomen had, en gedankt had. Beide hij : neemt dezen en doelt [\'ften) onder ulieden. 18 Want ik zeg u, dat ik niet drinken zal van de vrucht den wijnstoks totdat het Koningrijk Gods zal gekomen 19 En hij nam brood, en nis hij gedankt had brak het, en gaf het hun, «etrgen-de dat is mijn ligchaam, \'t welk voor u getreven wordt ; doet dat tot mijne gedachtenis. 20 Desgelyks ook den drinkbeker na het Avondmaal, zeggende: deze drinkbeker (ifj het Nieuwe Testament ia mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt. 21 Doch zie, de hand des-genen, die my verraadt, is met mij aan de tafel. 22 En de eoon des m^nschen gaat wel henen, gelijk besloten is; doch wee dien mensch door welken hij verraden wordt. 23 En zij begonnen onder elkander te vragen, wie van hen het toch mogt zijn, die dat doen zoude. 21 En er werd ook twisting onder hen, wie van hen scheen de meeste te zijn. 25 En hij zeide tot hen • de Koningen der volkeren heer-schen over hen, en die magt over hen hebben worden weldadige [lltrren] genoemd. 26 Doch gij niet alzoo ; maar do meeste onder u, die zg gelijk de minste, en die voorganger is, als een die dient. 27 Want wie is meerder ? Die aanzit, of die dient? Is \'t niet t die aanzit ? Maar ik ben in het midden van u, als een die dient. 28 En gij zijt degenen, die met mij steeds gebleven zijt in mijne verzoekinsen. 29 En ik verordineer u het Koningrijk, gelykerwijs mijn Vader mij [dnt] verordineerd heeft; 80 Opdat gij eet en drinkt aan mijne tafel in mijn Koningrijk, en zit op troonen, oordeelende de twaalf geslachten Israels. 31 En de Heer zeidc ■ Si-non, Simon, zie, de satan |
IUKAS, 101 heeft ulieden zeer begeerd, om te ziften als de tarwe; 32 Maar ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude; en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zoo versterk uwe broeders. 33 En hij zeidc tot hem • Heer, ik ben bereid met u ook in de gevangenis en in den dood te gaan. 34 Maar hij zeide . ik zeg u. Petrus, de haan zal heden niet kraaijen, eer gij driemaal zult verloochend hebben dat gij mij kent. 35 En hij zeide tot hen - als ik u uitzond, zonder buidel, en male, en schoenen, heeft u ook \'iets ontbroken ? En zg zeiden niets. 36 Hy zeide dan tot hen: maar nu, wie eenen buidel-heeft, die neme hem ; desgelijks ook eene male; en die ■reen heeft, die verknope zijn kleed, en koope een zwaard. 37 Want ik zeg u, dat nog dit hetwelk geschreven is in mij moet volbragt worden, namelijk : en hij is met de misdadigen gerekend. Want ook die dingen die van mij [grtchreven zijn], hebben een einde. 38 En zij zeiden: Heet zie hier twee zwaarden. En hü zeide tot hen : hot is genoeg. 39 En uitgaande vertrok hij, gelijk hij gewoon was, naar den olijfberg; en hem volgden ook zijne discipelen. 40 En als hij aan die plaats gekomen was, zeidc hij tot hen; bidt, dat gij niet in verzoeking komt. 41 En hij scheidde zich van hen af, omtrent eenen steenworp, en knielde neder, en bad, 42 Zeggende: Vader, of gij wildet dezen drinkbeker van mij wegnemen ! Doch niet mijn wil maar de uwe geschiedde. 43 En van hem werd gezien een Engel uit den hemel, die hem versterkte. 41 En in zwaren strijd zijnde, bad hy te ernstiger; en zijn zweet werd gelijk groote droppelen bloeds die op de aarde afliepen. 45 En als hij van het gebed opgestaan was, kwam hn tot zijne discipelen, en vond hen slapende van droefheid. |
HET EUANGELIUM HooMst. 22. S3.
102
|
48 En hij zeid» tót hen . wnt sla.ipt pij? Staat op, en bidt, opdat gij niet in venoeking komt. 47 En als hij nosf igt;prak, Kiedanr efne schare; en een van de twaalve, die penanmd was Judas, pinjr hen voor, cn kwam bij Jezus, oai hem te kussen. 43 En Jezus reide tot hem Judnn, verraadt pij den Zoon des mcnsrheu met eenen kus 40 En die bij hem warni siende wat er pcschieden zoude, zeiden tot hem ; Heer, zullen wij met het iwaard «laan ? 50 PJn een v.Jt lien «loep den dionsiknerlit lt;los Hoocepi\' ters en hieuw [/urm] zijn r af. ter e ..... _ mlende reide. laat hen tot [getrardrn]. En makt oor nan, en heelde hem. 52 En Jezua zcidc tot de Overprier.ters, en de Hoofdmannen den Tempels, cn d« Ouderlingen, die tes-on hem pekomen waren • rijt pij uil- ken als tepen eenen moordenaar? 53 Als ik dapelijks met n was in den Tempel, zoo hebc; pij da handen tepen mij mei uitpestoken; maar iiit is uwe ure ea de mapt der duisterst En zij prepen hem, on leidden Ift\'m «rrg), en brapten hem in het huis des Hoo-pepriesters. En Petrus volpde van verre, 5.» En r.ls zij vuur ontstoken hadden in \'t midden van dc zaal, cn zij te ramen ne-derznten, zat Petrus i hen liddci 56 En eene zekere dienstmaagd _ riende hem bij \'t vuur ritten, cn hare norren op hem houdende, reide: ook deze was met hein. 57 Maar hij verloochende hem, zeppende: vrouw, ik ken hem niet. 58 En kort daarna een ander hem riende, reide; ook pij rijt van die. Maar Petrus reide r mensoh ik ben niet. 59 En als het omtrent een uur peleden was, bevestipde een ander, reppende. in waarheid, ook deze was met hem; want hij ook een Gali- |
leër is. GO Maar Petrus reide mensch ik weet niet wat pij rept. En terstond als hij nop sprak kraaide de haan. 61 En de Heer zich omkee-rende, zap Petrus nan; en Petrus werd indachtip des woords des Heeren, hoe hij hem fezepd had . eer dc haan ral p.-\'hniaid hebben, ruit gij mij driemaal verloochenen. Ci En Petrus naar buiten pnande, weende bitterlijk. 63 En de mannen, die Jezus hielden, bespotten hem, cn sloepen [Am]. 64 En als rij hem overdekt hadden, sloepen rij hom op \'t aanpeript, en vraapden hem, zojrpenilo profeteer wie het is, die n peslapen hoeft. 65 En veli andere dinpen zeiden zij tepen hem, lasterende. 06 En als het dap peworden was, verpaderdeu do Ouder-lin?on des volks, en de Over-pricsters on Schriftpeleerden, en b rapten hem in hunnen Raad, lus ? Zep hot de tot hen •. indien ik hot » zep, pij ruit het niet peloo- CS Én indien ik ook vraap, pij zult mij niet antwoorden of loslaten. 60 Van nu aan ral de Zoon des menseheu gezeten rijn aan dc repterlhnnrf] der kracht Gods. 70 En rij reiden allen • rijt pij dan do Zoon Gods ? En hij reide tot hen. pij rept, dat ik het ben. 71 En zj zeiden : wat hebben wij nop petuipenis noo-dip? Want wij relven hebben het uit zijnen mond pehoord. hen stond op, en leidde hem tot Pilatus. ?. En rij beponnen hem te beschuldipen zeppende. wij hebben bevonden dat deze het volk verkeert, en verbiedt den Keirer schattinp te peven, ze-rpende, dat hij relf Christus do Koninp is. |
|
Hoofdst. tó. VAN t leffgenile: êijt frij de |Konln$ der JodeilT En lilj nntwöot-dde hetii éd Éeidé: gij zept het. 4 En PilutüS zeiile tot dè Overpriesteru ètl de scharen: ik rind geeue schuld in] dezen uiensch. B En eij hielden te «terker nan, zepfgehele: hij beroert het Volk, leereilde ditnr gehetl .fu-riea, begonnen hebbende van Gnlilea tot hiertoe. 6 Als nu PilatUS tan Oalilea hoordé, vranSdo liiji of die inennch een Galileër was. 7 En Tcrstaande dat hü gt;!it het pebiftd ran Her odes ivas, zond hij hem henen tot Hcro-des, die ook zelf in die dagen binnen Jetuzalem was. 8 Eu bIS Ilerodes Jezus zag, werd hij zeer verblijd; want hij was vntt over lani» begee-ri? geweest hem te zien, omdat hij veel van herti hoorde, en hoopte eenigtcekeii te zien, dat van hem gedaan zoudë worden : 9 En hij vraagde hein met vele woorden; doch hij. antwoordde hem niets. 10 En de Overpriesters cn de Schriftgeleerden stonden, en beschuldigden hein heftig-lijk. 11 En Ilerodes niet zijne krijgslieden, hem veracht cn bespot hebbende, deed hem een blinkend kleed aan, eil zond hem weder tot Pila-tus. 12 Eu op denzelfdon dag werden Pilatus en Ilerodes vrienden mét elkander, want zij waren te voren in vijandschap tegel» den anderen. 13 En als Pilatus de Overpriesters, ert de Oversten, eri \'t volk bijeen geroepen had, zeidc hij tot hen ; It Gij hebt dezen mensch tot mij gebragt, als eehen die het volk afkeerig maakt; e:l iie, ik heb (Wm) in uwe tegenwoordigheid ondervrhagd, en heb in dezen mensch ff een e schuld gevonden vin *t geen daar gij hem mede beachul-digt; 15 Ja ook Ilerodes niet, want ik heb ulledeb tot .hem Kezonden; en zie, cf is van hein niets gedaan, dat des doodlt;t U\'anldi:» is. IB Zoo zal ik hem dan kastijden en luslfttéh. . |
17 En hy moest hnfa op het Feest eenCtt loslaten. 18 Doeh al de menigte riej» gelijkëlijk, zeggende we? niet dezért.cn laat busOar-abbas los. 19 Welke was om zeker oproer, dat in de stad geschied was, en (om) eenen doodslag, in de pevangenis geworpen. 20 Pilatus dan riep Ifctin) wederom toe, willende Jezus loslaten ; 81 Maar zij riepen daartegen, zeggende; kruis Ifcfrti], kruis hem. 22 En hij zeide ten derde maal tot hen: wat llfeeft deze dan kwaads gedaan? Ik heb treene schuld des doods in hem gevonden ; zoo zal ik heul daü kastijden en loslaten. 23 Maar zij hielden aan met prroot freroep, cischende dat hij zoude gekruist wordeh ; en hun en der Överpriestereu geroep werd geweldiger. 21 En Pilatus oordtielde dat hitri eisch geschieden 2oUdo. 85 En bij liet hun los dengenen, did om oproer en dood-slag in do gevangenis gelvorpi\'ü was, welken zij geeischt hadden ; maar Jezus gaf hij over tot hunnen wil. 26 Eü nl» zij hem wegleidden, iiHmert zij eenen Siliioh van Cyrcne, komende van dert akker, en leided hem het kruis op, dat hij höt achter Jcüus droeg. 27 En eene groote menigte van volk, en van vrouwen volgde hein, welke ook weenden tH hem beklaagden. 2S En Jezus zich tot llaSr keerende zeide: gij dochters van Jeruzalciti, weent niet over mij, maar weer t; over tl zelvep en over uwe kinderen. 23 Want zie, er komen dagen, in welke men aegiren zal: zalig [iijm] de on vrucht baren, en de buiken die niet fföba.tril hebbfeil, cn de borsteil die niet gezoögd hebben. 30 Alsdan zhlièn zij bpgln-hert tc zeggen tot dc llergeti f valt op ons ; en tot de heiive-li n ; bedekt ons. 31 Wr.ht indien zij dit ddfn aan het grOi-ne hout, Wat zal aan het dorre geschieden ? 32 En cr werden ook ttvéö anderen, zijnde kwaaddoetiders. geleid, om iitet heul gfilrthd to wordtin. £ 4 33 En |
|
33 £a toen zij Vivsmen op de plaats Kenaamd lioofd-scheël [pZoal»), kruisigden zij hem aldaar ; en de kwaaddoeners , den eeneu ter refter, en den anderua ter linker[tij-de]. 34 En Jezus zeidc. Vader, vergeef het hun; want zij weten niet wat zij doen. En verdeelende zijne kleederen, wierpen zij het lot. 35 En het volk stond cn zas» het aan ; en ook de Oversten met hen beschimpten lAem], zegende: anderen heeft hij verlost, dat hij nu zich zelvcn verlosse, zoo hij is de Christus de uitverkorene Gods. 36 En ook de krijgHknechten tot (Arm] komende, bespotten hem, en brasten hem edik; 37 En zeiden : indien pij de Koning der Joduu zijt, zoo verlos u zei ven. 38 Eu er was ook een opschrift boven hein geschreven, met Grieksche, en Komeiu-sche, en Hebreeuwsche letters • deze is de Koning der Joden. 39 En een van de kwaaddoeners , die gehangen waren, lasterde hem, zeggende : indien gij de Christus zijt, verlos ii zelveu en ons. 40 Mcar de andere antwoordende bestrafte hem, zejrfren-de: vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt? 41 En wij toch regtvaardip-lijk ; want wij ontvangen l$traf] waardig hetgeen wij Kedaan hebben; maar deze heeft niets onbehoorlijks ge- 42 En hij zeide tot Jezus: Heer, gedenk mijner, als gij in uw Koningrijk zult gekomen zijn. 43 En Jezus zeide tot hem: voorwaar zeg ik u, heden zult gij met my in het paradijs zijn. 44 En het was omtrent de zesde ure, en er werd duisternis over de geheele narde, tot de negende ure toe. 45 En de zon werd verduisterd, en het voorhangsel des Tempels scheurde midden [door). 46 En Jezus roepende inet groote «tem zeide : Vader, in uwe handen beveel ik mij- |
ÏGELIUM Hoofdst. 23, 24. nen geest. En als hij dat gezegd had, gaf hij den geest. 47 Als nu de Hoofdman over honderd zag wat er geschied was, verheerlijkte hij God, en zeide: waarlijk, deze uicnsch was regtvaardig. 46 En al de scharen, die te zamcn gekomen waren om dit te aanschouwen, ziende de dingen, die geschied waren, keerden wederom slaande op hunne borsten. 49 En al zijne bekenden stonden van verre, ook de vrouwen, die hem te zamen gevolgd waren van Galilea, en zagen dit aan. 50 En zie, een man met name Jozef, zijnde een Raadsheer, een goed en regtvaardig 51 (Deze had niet] mede bewilligd in hunnen raad en handel) van Ariuiathea, .eene stad der Joden, en die ook zelf het Koningrijkj Gods verwachtte. 52 Deze ging tot Pilatus, en begeerde het ligchaam van Jezus. 53 En als hy hetzelve afgenomen had, wond hij dat in een fijn lijnwaad, en leide het in een graf, in eene rota gehouwen , waar nog nooit iemand in gelegd was. 54 En het was de dag der voorbereiding, cn de Sabbat kwam aan. 55 En ook de vrouwen, die met hem gekomen waren uit Galilea, volgden na, en aanschouwden het graf, en hoe zijn ligchaam gelegd werd. 56 En wedergekeerd zijnde bereidden zjj specerijen en zalven -, cn op den Sabbat rustten zij naar het gebod. E. HOOFDSTUK 24. jn op den eersten [•ioi;] der week, zeer vroeg in den morgenstond, gingen zij naar het graf, dragende de specerijen, die zij bereid hadden, en sommigen met haar.. HOOFDSTUK 24. jn op den eersten [•ioi;] der week, zeer vroeg in den morgenstond, gingen zij naar het graf, dragende de specerijen, die zij bereid hadden, en sommigen met haar. 2 En zij vonden den steen afgewenteld van het graf. 3 En ingegaan zijnde vonden zij het ligchaam des Hee-ren Jezus niet. 4 En het geschiedde, als zij daarover twijfelmoedig waren, zie, twee mannen stonden bij haar in blinkende kleederen. 5 Eu |
|
UoofdBt. 24. VAN ] 5 En als lij ïeer bevreesd werden, en \'t aangerifrt naar de aarde neigden, zeiden zij tot haar: wat zoekt pij den levenden bij de dooden ? 6 Hij ia hier niet, maar hij is opgestaan. Gedenkt hoe hij tot u gesproken heeft, als hij nog in Galilea was, 7 Zeggende: de Zoon des menschen moet overgeleverd worden in de handen der zondige menschen, en gekruisigd worden, en ten derden dage weder opstaan. 8 En zij werden indachtig zijner woorden. 9 En wedergekeerd zijnde van het graf, boodschapten zij al deze dingen aan de elvc en aan nl de anderen. 10 En [deze] waren Maria Magdalena, en Johanna, en Muria [de moeder] van Jacobus, en de anderen met haar, die dit tot de Apostelen reiden. 11 En hare woorden schenen voor hen als ijdel geklap, en zij geloofden haar niet. 12 Doch Petrus opstaande liep tot het graf, en neder-bukkende zag hij de linnen doeken liggende alleen, en ging weg, zich verwonderende bij zich zeiven van *t geen geschied was. 13 En zie, twee van hen gingen op denzelfden dag naar een vlek, dat zestig stadiën van Jeruzalem was, welks naam was Emmaus ; 14 En zij spraken te zamen onder elkander van al deze dingen die er gebeurd waren. 15 En het geschiedde, terwijl zij te zamen spraken en elkander ondervraagden, dat Jezus zelf bij [Aen] kwam, en met hen (ring. 16 En hunne oogen werden gehouden, dat zij hem niet 17 En hij reide tot hen ; wat redenen zijn dit, die gij wandelende onder elkander verhandelt T En [uaorow] ziet gij droevig ? 18 En de een, wiens naam was Kldopas, antwoordende, zeide tot hem: rijt gij alleen een vreemdeling te Jeruzalem, en weet niet de dingen, die deze dagen daarin geschied zijn ? 19 En hij zeide tot hen : welke ? £b zgt;j zeiden tot hew. de dia- |
IUKAS. 105 gen aangaande Jezus den Na-zarener, welke een Profeet was, krachtig in werken en woorden, voor God en al het volk. 20 En hoe onze Overprietters en Oversten denzelven overgeleverd hebben tot het oordeel des doods, en hem gekruisigd hebben. 21 En wü hoopten dat hij was degene die Israël verlossen zoude , doch ook benevens dit alles is het heden dc derde dag, van dat deze dingen geschied rQn ; 22 Maar ook sommige vrouwen uit ons hebben ons ontsteld, die vroeg in den morgenstond aan het graf geweest zijn ; 23 En zijn ligchaam niet vindende, kwamen rij en zeiden, dat rij ook een gezigt van Engelen gezien hadden, die zeggen, dat hij leeft. 21 En sommigen dergenen die met ons zijn, gingen henen tot het graf, en bevonden *t alzoo, gelijk ook dc vrouwen gezegd hadden; maar hem zagen zg niet. 25 En hij zeide tot hen o on-verstandigen en tragen van harte, om te gelooven al hetgeen dat de Profeten gesproken hebben. 26 Moest de Christus niet deze dingen lijden, en [ntzoo] in zijne heerlijkheid ingaan ? 27 En begonnen hebbende van Mores en van al de Profeten, leidc hij hun uit, in aide Schriften, hetgeen van hem [getchre- 28 En rij kwamen nabij het vlek daar zij naar toe pingen; en hij hield zich, alsof hij verder gaan zoude. 29 En rij dwongen hem, zeggende blijf met ons, want het is bij den avond, en dc dag is gedaald. En hij ging in om met hen te blijven. 30 En het geschiedde, als hij met hen aanzat, nam hij het brood, en zegende het; en als hij het gebroken had gaf hij het hun. 31 En hunne oogen werden geopend, en zij kenden hem; en hij kwam weg uit hun gezigt. 32 En zij zeiden tot elkander : was ons hart niet brandende in ons, als hij tot ons sprak op den weg, en als hij ons de Schriften opende 33 Ea zij opstaande ter E 5 zelf- |
|
•elfder ure, keerden weder mar Jeruznlem , cd vonden de elve te zanten vergaderd, en die met hen waren; Welke zeiden : de Heer is w.inrlrjk npeestnan, en in ran Simon gezien. 35 En zij vertelden \'t jreen op den we? [yrscUinl wnt], en lioe hij htm hek end wns pe worden in *t breken des broods. öR Pin nis zij van deze din-per» spraken, stond Jezus zelf in \'t midden van hen, en zuide tot hun . vrede zij ulicdcti. 37 En zij versohrikt en zeer hsvreeod geworden zijnde,meenden dat zij eenen peert zagen. 38 En hij zeide tot hen : wat ngt pij ontroerd ? En waarom klimmen (tnKv) overleggingen in uwe harten ? .39 Ziet mijne handen en mijne voeten; want ik ben liet «elf. Tast mij aan, en ziet; want een geest heeft geen vleeérh en heenen, gelijk gij ziet dat ik heb. to lin u!s hij dit zeide, toonde hij hun de handen ca de 41 En loen zij het van blijd-sehap nog niet geloofden, en zich verwonderden, zeide hij tot hen : hebt gij hier iets om te eten ? 4a En zij gaven Item een stuk van eenen gebraden visch, en van honingraten. 43 En hij nam het, en at hef 4* En hij zeide totheft: dit zijn de woorden, die ik tot u sprak, als ik nog met u was, [nntnelijk], dat. hef alles moest vervuld worden, wat van mij géschreven is in de wet van Mozes, en ds Profeten, en de Psalmen. 45 Toen opende hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden. 45 En hij zeide tot hen ; nlzoo is er sresebreven, en nlzoo moest de Christus lijden, en van de dooden opstaan te derden datre, 47 En in zijnen naam gepredikt worden bekeering en vergeving der zonden onder alle volken, beginnende van Jeruzalem. 4S En gij zijt getuigen van deze dingen. 49 En zie ik zend d-.; belofte mijus Vaders op ti ; maar blijft gij in ds stad Jerazitlein, totdat gij zult aanpedaan zijn met kracht wit Us hoogte, |
50 En hij leidde hen buiten tot aan Bethanië, ert zijne handen opheffende, zegende hij hen. 51 En het geschiedde «Ijf\'hü hen zeaende. dat hij van hen scheidde, en werd opgeuomeu in den hemel. 52 En Zij Aanbaden hem, en keerden weder naar Jeruzalem met irroofe blijdschap. .r)3 En zij waren allen tijd in den Tempel, lovende en dan* kende God. Amen. HET HEILIG NAAR [DE BESCHklJVING VAN) r HOOFDSTUK 1. I In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. a Dit was in den beginne bij God. 3 Alle dingen zijn door het-zalve gemaakt, en zonder \'t zelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is. 4 In hetzelve was het leven, en het leven was \'t licht der menschen. 5 En het licht schijnt in de duisternis, en da duisternis heeft hetzelve niet begrepen. 6 Er was een mensen van God gezonden, wiens naam was Johannes. 7 Deze kwam tot eenc: getut-penis, om van het licht 10 getuigen, opdat zij allen door hem gslooven zouden. 8 Hij was het licht niet, maar («•/:» nezandrn], opdat hij van hellicht getuigen zoude. ■j [Dilt;) was het waarachtige licht, hetwelk verlicht een iepclijk mcnsch. komende in de wereld. 10 Hij was in de wereld, en de wereld is door hem gemaakt ; en de wereld heeft hem niet gekend. II Hij is gekomen tot het zijne, en de zijnen hebben hein niet aangenomen, 12 Mr.ar zoo velen hem aangenomen hebben, dien heeft hij magt gegeven kinderen Gods te worden, (nnmrttjk) die in zijnen naam gelooven ; 13 V/(dk« «iet uit den bloede, noch IIET EUANGKLIUM lloofdst. 24. |
|
noch uit den wil des vTec»chfts, noch uit don wil de* mana, iniiar uit God peboren rijn. 14 En het Woord is vleeprh peworden en heeft onder ons Rewoond (en wij hebben zijue heerlijkheid aanschouwd, ecne heerlijkheid als des eenicsebo-renen van den Vader) vol van penade en waarlieid. 15 Johannes petuigt van hem, p« heeft preroepen, zepirend»!; deze was bet van welken ik reide; die na mij komt is vóór mij geworden; waut hij was eer dan ik. 10 En uit zijne volheid hebben wij allen ontraapen, ook penade voor penade. 17 Want de wet is door Mv-zes pepeven; de penade en do naarheid is door Jezus Christus peworden. 18 Niemand heeft ooit God pezien ; de eenippeboron Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft [fcrm ons] verklaard. 19 En dit is de petuipenis van Johannes, toen de Joden (lt;vn!-p?) Priesters en Leviten afronden van Jeruzalem, opdat zij hein \'zouden vrapen; wie zijt pij\' 20 En hij beleed, en loochende het niet; en beleed: ik ben de Christus niet. 21 En zij vraapden hem : wal dan ? Zijt pij Elins ? En hij zeide ; ik ben [«iici niet. Zgt pij de Proleet ? En hij ant woordde ; neen. 23 Zij zeiden dan tot hein • wie zijt pij ? opdat wij antwoord mopen peven denpenen, die ons pezonden hebben; wat zept pij van u zeiven ? 23 Hij zeide; ik ben de stem dcc roependen in de woestijn ; nuiakt den wep des Heeren rept, pelijk Jescja de Profeet pesproken heeft. 2t En de afpezondenen waren nit de Farizeën. 25 En zij vraapden hem en spraken tot hem: waarom doopt pij dan, zoo pij de Christus niet zijt, noch Elias, noch de Profeet? 2C Johannes antwoordde hun, zpppende : ik doop met water ; maar hij staat midden onder ulieden, dien pij niet kent. 27 Dezelve is net, die na mij komt, welke vóór mij peworden i«, wien ik niet wanrdip ben dat ik zijnen schoenriem zoude ontbinden. 28 Deze dinpen zijn pesehied in Bethabara, over den Jordaan, |
daar Johannes was doopende. 29 Des anderen daaps zap Johannes Jezus tot hem komende, en zeide: zie het Lam Godigt;, dat de zonde der wereld weerneemt. 30 Deze is hst, van welken ik pezepd heb; na mij komt een man die vóór mij peworden is; want hij was eer dan ik. 31 En ik kende hem niet; mnar opdat hij aan Israël zoude pe-openbaard worden, daarom beu ik pekomen, doopende met het water. 33 En Johnnnee petuipde, reppende ; ik heb den Geest pezien nederdalen uitden hemel,pelijk cene duif, en bleef op hem. 33 En ik kende hem niet; maar die mij pezonden heeft om te doopen met water, die had mij perepd ; op welken pij zult den Geest zien nederdalen, en op hem blijven, die is die met den HeQipen Geest doopt. 3t En ik heb pezien en heb pe-tuipd, dat deze de Zoon Gods is. 35 Des anderen daaps wederom stond Johannes, en twee uit zijne discipelen ; 36 En ziende op Jezus, (rfonrl wandelende, zeide hij : zie het Lam God». 37 En die twee discipelen hoorde hem (lt;/quot;lt;1 spreken, en zij volpden Jezus. 38 li\'i Jezus zich omkeerende en ziende hen volgen, zeide tot hen : 30 Wat zoekt pij ?En zij zeiden tot hem : Rabbi (\'t welk is te zeppen, overpezet zijnde. Meester) waar woont pij ? 40 Hij zeide tot hen\'; komt, en ziet. Zij kwamen en rapen waar hij woonde, en bleven dien dap bij hem. En het was omtrent de tiende ure. 41 Andreas tie broeder van Simon Petrus was een van de twee, die het van Johannes pe-hoord hadden, en hem perolpd 42 Deze vond eerst zijnen broeder Simeon, en zeide tot hem: wij hebben pevonden den Messias, \'t welk is, overpezet zijnde, de Christus. tquot; En hij leidde hem tot Jezus, en Jezus hem aanziende, zeide: pij zijt Simon, do zoon, van Jonas; pij ruit penaamd worden Cefas, hetwelk overeezet wordt Petrus. 44 Dos anderen daaps wilde Jezus henenpaan naar Calilen. Hoofd»t. 1. VAN JOHANNES. |
|
en vond Philippus, en leide tot hem : volg mij. 45 Philippus nu was van Beth-saïda, uit de stad ran Andreas en Petrus. 46 Philippus vond Nathana-el, en zcide tot hem: wij hebbenquot; frfim) gevonden, van welken Mozes in do wet geschreven heeft, en de Profoten, [nn-tnrlijk] Jezus den zoon Jozef», van Nazareth. 47 En Nathanaël zeide tothem: kan uit Nazareth iets froeds zijn ? Philippus zeide tot hem ; kom en zie. 48 Jezus za» Nathanaül tot hem komen, en zeide van hem : zie waarlijk een Israëliet, in welken peen bedrog is. 40 Nathanaël zeide tot hem ; van waar kent pij mij? Jezus antwoordde en zcide tot hem: eer u Philippus riep, daar pij onder den vijpeboom waart, zap ik u. 50 Nathanaël antwoordde, cn zeide tot hem ; Rabbi, pg zijt de Zoon Gods, pij zijt de Koninp Israels. 51 Jezus antwoordde, en zeide tot hem: omdat ik u pezepd heb : ik zap u onder den vijpeboom, zoo pelooft pij ; pij zult prootere dinpen zien dan deze. 52 En zeide tot hem : voorwaar, voorwaar zep ik ulie-den: van nu aan zult pij den hemel zien peopend, en de En-pelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des menschen. E HOOFDSTUK 3. n op den derden dap was er ecne bruiloft te Kan a in Galilca ; en de moeder van Jezus was aldaar. HOOFDSTUK 3. n op den derden dap was er ecne bruiloft te Kan a in Galilca ; en de moeder van Jezus was aldaar. 2 En Jezus was ook penoodipd, en zijne discipelen, tot de bruiloft. 3 En als er wyn ontbrak, zcide de moeder van Jezus tot hem : zü hebben peenen wijn. 4 Jezus zeide tot haar : vrouw, wat heb ik met u (lt;« ? Mijne ure is nop niet pekomen. 5 Zijne moeder zeide tot do dienaars: zoo wat hij ulieden zal zeppen, («InfJ doet. fi En aldaar waren ze» steenen watervaten pesteld, naar dc rei-nipinp der Joden ; elk houdende twee of drie metreten. 7 Jezus zeide tot hen : vult de watervaten met water. En zij vulden ze tot boven toe. |
8 En hg zeide tot hen: schept nu, en draapt het tot den hofmeester. En zij droepen \'t. 9 Als nu de hofmeester het water, dat wijn pe word en was, peproefd had (en hij wist niet van waar (dc wijn] was; maar de dienaren, die het water pe-schept. hadden, wisten \'t), zoo riep de hofmeester den bruidepom, 10 En zeide tot hem : alle man zet eerst den poeden wgn op, en wanneer men wel pedronken heeft, alsdan den minderen; [mnnr] pij hebt den poeden wijn tot nu toe bewaard. 11 Dit bepinsel der teekenen heeft Jezus pedaan te Kana in Galilea, en heeft zijne heerlijkheid peopenbaard; en zijne discipelen peloofden in hem. 12 Daarna pinp hij af naar Kapemaum, hg en zijne moeder, en zijne broeders, en zgne discipelen, en bleven aldaar niet vele dapen. 13 En het Pascha der Joden was nabij, en Jezus pinp op naar Jeruzalem. 14 En hij vond in den Tempel die ossen, cn schapen, en duiven verkochten, en de wisselaars [rlnnr] zittende. 15 En\'eencn pecsellt;vantouwkcns pemaakt hebbende,dreefhijhen allen uit den Tempel, ook de schapen en dc ossen; en hetpeld der wisselaren stortte hg uit, en keerde de tafelen om. 16 En hij zeide tot depenen die de duiven verkochten: neemt deze dinpen vanhierwep; maakt niet het huis mijns Vaders tot een huis van koophandel. 17 En zijne discipelen werden indachtip dat er peschreven is • de ijver uws huizes heeft mg verslonden. 18 Dc Joden antwoordden\'dan, en zeiden tot hem : wat teeken toont pij ons, dat pg deze dinpen doet ? 19 Jezus antwoordde en zeide tot hen: breekt dezen Tempel, en in drie dapen zal ik denzelven opripten. 20 De Joden zeiden dan: zes en veertip jaren is [over] dezen Tempel pebouwd, en pij, zult pij dien in drie dapen opripten ? 21 Maar hij zeide [dit] van den tempel zijns lipchaams. 22 Daarom als hij oppestaan was van de dooden, werden zgne discipelen pedachtip dat hij dit |
|
Hoofdst. 2, 3. VAN JO] tot hen pezegd had, en zij geloofden de Schrift, en het woord.dat Jezus gesproken had. 23 En als hij te Jeruzalem was op het Pascha, in het Feest, geloofden velen in zijnen naam, ziendezüneteekenendiehijdeed. 24 Maar Jezus zelf betrouwde hun zichtelven niet, omdat hij hen allen kende. 25 En dat hy niet noodi)* had dat iemand getui-fen zoude van den mensch, want hij zelf wist wat in den mensch was. E HOOFDSTUK 3. n er waseenmenschuitde Farizeën, wiens naam was Nico-demus, een Overste der Joden ; HOOFDSTUK 3. n er waseenmenschuitde Farizeën, wiens naam was Nico-demus, een Overste der Joden ; 2 Deze kwam des nachts tot Jezus, en zeide tot hem : Rabbi, wij weten dat gij zijteen Leeraar van God gekomen ; want niemand kan deze teekenen doen die gij doet, zoo God met hem niet is. 3 Jezus antwoordde en zeide tot hem; voorwaar, voorwaar zeg ik u, tenzij iemand wederom geboren worde, hij kan het Koningrijk Gods niet zien. 4 Nicodemus zeide tot hem: hoe kan een mensch geboren worden [n*] oud zijnde ? Kan hij ook andermaal in zijnermoeders buih ingaan,en geboren worden? 5 Jezus antwoordde: voorwaar, voorwaar zeg ik u, zoo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hy kan in het Koningrijk Gods niet ingaan. 6 Hetgeen uit hetvleeschgebo-len is, (rfolt;) is vleesch ; en hetgeen uit den Geest geboren is, is geest. 7 Verwonder u niet dat ik u gezegd heb: gijlieden moet wederom geboren worden. 8 De wind blaast waar henen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet van waar hij komt en waar hij henengaat; al-zoo is een iegelijk die uit den Geest geboren is. 9 Nicodemus antwoordde en zeide tot hem : hoe kunnen deze dingen geschieden ? 10 Jezus antwoordde en zeide tot hem: zijt gijeen Leeraar Isra-ëls,en weet gij deze dingen niet? 11 Voorwaar, voorwaar zeg ik u: wij spreken wat wij weten, en getuigen wat wij gezien hebben, en gijlieden neemt onzelgetuige-nis niet aan. 12 Indien ik ulieden de aard-sche dingen gezegd heb, en gij |
niet gelooft, hoe zult gij geloo-ven,indien ik ulieden de hemel-sche zoude zeggen ? 13 En niemand is opsevaren in den hemel, dan die uit den hemel nedergekomen is, [nrrmrlijk] de Zoon des menschen, die in den hemel is. 14 En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, al-zoo moet de Zoon des menschen verhoogd worden ; 15 Opdat een iegelijk die in hem gelooft, niet verderve,maar het eeuwige leven hebbe. 16 Want alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat hij zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in hem gelooft, nietverderve,maar het eeuwige leven hebbe. 17 Want God heeft zijnen Zoon niet gezonden in de wereld, opdat hy de wereld veroordeelen zoude, maar opdat de wereld door hem zoude behouden wor- 18 Die in hem gelooft wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft is alreeds veroordeeld; dewyl hij niet heeft geloofd in den naam des eeniggeboren Zoons van God. 19 En dit is het oordeel, dathet licht in de wereld gekomen is, en de menschen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hunne werken waren boos. 20 Want een iegelijk die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet,opdat zijne werken niet bestraft worden. 21 Maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijne werken openbaar worden,dat zij in God gedaan zijn. 22 Na dezen kwam Jezus en zijne discipelen in \'t land van Judea, en onthield zich aldaar met hen, en doopte. 23 En Johannes doopte ook in Enon bij Salim, dewijl aldaar .■ele wateren waren ; cn zij kwamen daar, en werden gedoopt. 21 Want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen. 2.r» Er rees dan eene vraagjrnn crnif/cn] uit de discipelen van Johannes met de Joden over de reiniging. 26 En zij kwamen tot Johannes, en zeiden tot hem- RabbMiemet u was over den Jordaan, welken gij getuigenis gaaft, zie, die doopt, en zg komen allen tot hem. E 7 27 Jo- |
|
27 Johannes antwoordde en zeide: een mcusch kan geen din;; nanneineu, zon het hem uit den hemel niet gegeven r.g. , 23 Gy zelve zijt mijne pretui-een, dat ik hel): ik ben de Christus niet, maar dat ik voor hem henen uitfrezon-dcu ben. 2D rgt;ie de bruid hssft is de bruidegom ; maitr de vriend de» bruidegoms, die staat en hem hoort, verblijdt zieh met blijdschap oiu de stem des bruitie-goms. Zoo i# dan deze uiijue blijdsoliap vervuld geworden. 30 Hij moet wassen, maar ik minder worden. 31 Die van boven komt, i« boven alleiu; die uit de narde is [voDriyfktimeu], die is uit de aarde, en spreekt gt;iit de narde. Die uit den hemel koiut, is boven allen. 33 En hetgeen hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt hij, en zijne getuigenis neemt niemand aan. 33 Die zijne getuigenis aangenomen (heeft, die heeft verzegeld dat God waaraehtig is. 34 Want dien God gezonden heeft, die spreekt de woorden Gods; want God geeft [/tem] den jreest niet met mate. 35 De Vader heeft den Zoon lief, en heeft a!le dingen in zijne hand ge-reven. 36 Die in den Zoon gelooft, die heelt het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien; maar de toorn Gods blijft op hem. \\ HOOFDTOR 4. 1 ./\\ Is dau dc lieer verst ond, dat de Farizeën gehoord hadden, dat Jezus meer diseipe-l\'.rn mankte eu doopte dan Johannes, 2 (Hoewel Jezus zelf niet doopte, maar zijne discipelen), 3 Zoo verliet hij Judea, en ging wederom henen naar Ga-Vilea. 4 En hij moest door Sama- 5 Hy kwam dim in eeno stad van Samarië, genaamd Siehar, nabij hot stuk landquot;, hetwelk Jakob zijnen zoon Jozef gaf. C En aldaar was de fontein Jakobs. Jezus dan, vermoeid zijnde van de reis, 7*t, alzoo neder nevens de fontein. Het was omtrent de zesde ure. |
7 Er kwam eene vrouw uit Sainarië om water te putten. Jezus zeide tot haar : geef my te drinken. 8 (Want zijne discipelen waren henengegaan in d« stad opdat zij zouden spijs koopen). 9 Zoo zeide dan de Samuri-taansche vrouw tot hem: hoe begeert gij, die een Jood zijt, van mij drijiken, die ik eene Samnritaanschc vrouw ben ? Want de Joden houden geeue ^(■meenschap met de Samari- 10 Jezus antwoordde en zeide tot baar: indien gij de gave Gods kendet, en wie hij is, die tot u zegt: geef mij drinken, zoo zoudt gij van hem hebben begeerd, en hij zoude u levend water gegeven hebben. 11 De vrouw reide lot hem: Heer, gy hebt niet om mede te putten, en ds put is diep, van waar hebt gij dan het levend water ? 13 Zijt gij meerder dan onze vader Jacob, die ons den put gegeven heeft ? En hij zelf heeft daar uit gedronken, en zijne kinderen, en zijn vee. 13 Jezus antwoordde en zeide tot haar; een ieder die van dit water drinkt, zal wederom dorsten; 14 Maar zoo wie gedronken zal hebben van het water dat ik hem geven «al, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water dat ik heiu zal geven, zal in hem worden eene fontein van water, springende tot in het ceuwij*e leven. 15 De vrouw zeide tot hem: lieer, geef mij dat water, opdat mij niet dorste, en ik hier niet [worf 1 komen om te puTOn. 16 Jezus zeide tot haar; gn henen, roep uwen man, en kom hier. 17 De vrouw antwoordde en zeide : ik heb geenen man. Jezus zeide tot haar : gij hebt wel gezegd, ik heb geenen man. 18 Want gij hebt vijf mannen gehad, en dien gij nu hebt, is uw man uiet; dat hebt gij met waarheid gezegd. 19 De vrouw zeide tot hein ; Heer, ik zie dat gij een Profeet zijt. 20 Onze vaders hebben op dezen berg aangebeden, en gijlieden zegt, «bit te Jeruzalem de plaats HET EUANGELIUM Uoofdst. 3. i. |
HET EUANGELIÜM Hoofdit. 4. 5.
|
ten, zeggende; uw kind leeft. 52 Zoo vraagde hij dan van hen de nre, in welke het heter met hem geworden was; en lij zeiden tot hem ; gisteren te zeveu ure verliet hem de koorts. 53 De vader bekende dan, dat het op dezelfde ure (tco*| in welke Jezus tot hem gezegd had : uw zoon leeft. En hij geloofde zelf, en zijn gehecle huis. 54 Dit tiveede teeken heeft Jezus wederom pedaan, als hij uit Judea in Galilea gekomen was. •VT HOOFDSTUK 5. 1 a dezen was een Feest der Joden, en Jezus ging op naar Jeruzalem. 2 En er is te Jeruzalem aan de Sehaaps(poorlt;| een badwater, hetwelk in het Hebreeuwsch toe^enaamd wordt Bethesda, hebbende vijf zalen. 3 In dezelve lag eene groote menigte van kranken, blinden, kreupelen, verdorden, wachtende op de roerinp des waters. i Want een enjrel daalde neder op zekeren tijd in het badwater, en beroerde het water; die dan het eerst daarin kwam na de beroering van het water, die werd fjezond, van wat ziekte hij ook bevangen was. 5 En aldaar was een zeker mensrh, die acht en dertig jaren krank gelegen had. 0 Jezus ziende dezen liggen, en wetende dat hij nu langen tijd gelegen had, zeide tot hem ; wilt gij gezond worden ? 7 De kranke antwoordde hem : lieer, ik heb niet éénen mensch, om mij te werpen in \'t badwater, wanneer het water beroerd wordt; en terwijl ik kom, zoo daalt een ander vóór mij neder. S Jezus zeide tot hem : sta op, fleem uw beddeken op, eu wandel. 0 Eu terstond werd de mensch gezond, en nam zijn beddeken op, en wandelde. En het was Sabhatt op denzelfden dag. 10 De Joden zeiden dan tot dengenen die genezen was; hetis Sabbat, \'t is u niet geoorloofd het beddeken te dragen. 11 Hij antwoordde hun - die mg gezond gemaakt heeft, die heeft mij gezegd : neem uw beddeken op, eu wandel. 12 Zij vraagden hem dan : wie jadeluensch.dic ugc^egdaccft; |
neem uw beddeken op, en wandel ? 13 En die gezond gemaakt wns wist met wie hij was; wantjezus was ontweken, alzoo er eene Iproolr] schare in die plaats was. 14 Daarna vond hem Jezus in den Tempel, en zeide tot hem: zie, pij zijt gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede. 15 De mensch ging henen, en boodschapte den Joden, dat het Jezus was die hem gezond geuiaakt had. 16 En daarom vervolgden de Joden Jezus, en zochten hem te dooden, omdat hij deze dingen op den Sabbat deed. 17 En Jezus antwoordde liunj: mijn Vader werkt tot nu toe, en ik werk (oofej. 18 Daarom zochten dan de Joden te meer hem te dooden, omdat hij niet alleen don Sabbat brak, maar ook zeide dat God zijn eigen Vader was, zichzelven Code evengelijk makende. 19, Jezus dan antwoordde, en zeide tot hem : voorwaar, voorwaar zeg ik u, de Zoon kan niets van zichzelven doen, tenzij hy den Vader dat ziet doen ; want zoo wat die doet, hetzelve doet ook de Zoon desgelijks. 20 Want de Vader heeft den Zoon lief en toont hem alles wat hij doet, en hij zal hem grootere werken toonen dan de-zo, opdat gij u verwondert. 21 Want gelijk de Vader de dooden opwekten levend maakt, alzoo maakt ook de Zoon levend die hij wil. 22 Want ook de Vaderoordeelt niemand, maar heeft al het oordeel den Zoon gegeven. 23 Opdat zij allen den Zoon eeren, gelijk zij den Vadereeren. Die den Zoon niet eert, eert den Vader niet, die hem gezonden heeft. 21 Voorwaar, voorwaar zeg ik u : die mijn woord hoort, en gelooft hem die mij gezonden heeft, die heeft hot eeuwige leven en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in \'t leven. 25 Voorwaar, voorwaar zeg ik u: de ure komt en is nu. wanneer de dooden zullen hoorendestem van den Zoon Gods, en die ze gehoord hebben zullen leven. 26 Wantgelijkde Vader hetle-vcn beeft ia zictx zeiven, alzoo |
|
Hoofdst. 5, 6. VAN J01 heeft hij ook den Zoon gegeven, het leven ts hebben in zich celven; 27 En heeft hem magt gegeven ook gciigt te houden, omdat hij des menschen Zoon is. 28 Verwondert u daar niet over, want de ure komt.in welke allen die in de graven zijn, zijne stem lullen hooren, 29 En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben tot de opstanding der verdoemenis. 30 Ik kan van mg zeiven niets doen. Gelijk ik hoor, oordeel ik, en mijn oordeel is regtvaardig ; want ik zoek niet mijnen wil. maar den wil des Vaders die mij gezonden heeft. 31 Indien ik van mij zeiven getuig, mijne getuigenis is niet waarachtig. 32 Er is een ander die van mij getuigt, en ik weet, dat de ge-tuitrcuis welke hij van mij getuigt waarachtig is. 33 Gijlieden hebt tot Johannes gezonden, en hij heeft der waarheid getuigenis gegeven ; 31 Doch ik neem geene getuigenis van cenen mcnscb ; maar dit zeg ik opdat gijlieden zoudt behouden worden. 33 Hij was eenc brandendeen lichtende kaars, en gijlieden hebt u voor eenen korten tijd in zijn licht willen verheugen. 3C Maar ik heb eencgetuigenis, meerder dan [lt;lir] van Johanncn; want de werken die mij de Vader gegeven heeft om die te volbrengen, dezelve werken die ik doe getuigen van mij, dat mij de Vader gezonden heeft. 37 En de Vader die mij gezonden heeft, die heeft zelf van mij getuigd. Gij hebt noch zijne stem ooit gehoord, noch zijne gedaante gezien. 38 En zijn woord hebt gij niet in u blijvende; want gij dien niet gelooft, dien hij gezondenlheeft. 39 Onderzoekt de Schriften ; want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben, en die zijn \'t die van mij getuigen. 40 Eu gij wilt tot mij niet komen, opdat gij \'t leven moogt hebben. 41 Ik neem geene eer van menschen ; 42 Maar .ik ken ulieden, dat gy de liefde God» in u zeiven uiet hebt, - - —— |
ÏANNES. 11S 43 Ik ben gekomen in den naam myns Vaders, en gij neemt mij niet aan ; zoo een ander komt in zijnen eigenen naam, dien zult gij aannemen. 4Ir Hoe kunt gij geloovcn, die gij eer van elkander neemt, en de eer die van God alleen is, niet zoekt 7 45 Meent niet dat ik u verklagen zal bij den Vader; die u verklaagt is Mozes, op wien gij gehoopt hebt. 46 Want indien gij Mozes ge-loofdet, zoo zoudt gij mij ge-looven ; want hij heeft van mij geschreven. 47 Maar zoo gij zijne schriften niet gelooft, hoe zult gij mijne woorden geloovcn ? •XT HOOFDSTUK 6. 1 JA a dezen vertrok Jezus over de zee van Galilea, wclko is Ilt;Je zee] van Tiberias. 2 En hem volgde eene groote schare, omdat zij zijne teekenen zagen, die hij deed aan de kran-ken. 3 En Jezus ging op den berg, en zat aldaar neder met zijne discipelen. 4 En het Pascha, het Feest der Joden, was nabij. 5 Jezus dan de oogen opheffende, en ziende dat eene groote schare tot hem kwam, zeide tot Philippus : van waar zullen wij brooden koopen opdat deze eten mogen ? 6 .\'Doch dit zeide hij hem beproevende ; want hij wist zelf wat hij doen zoude). 7 Philippus antwoordde hem : voor twee honderd penningen brood is dezen niet\' genoeg, opdat een iegelijk van hen een weinig neme. 8 Een van zijne discipelen, [nn-melijk] Andreas, de broeder vau Simon Petrus, zeide tot hem : \'J Hier is een jongsken, dat vijf gerstebrooden heeft, en twee vischkens; maar wat zijn deze onder zoo velen ? 10 En Jezus zeide: doet de menschen nederzitten. En er was veel gras in die plaats. Zoo zaten dan de mannen neder, omtrent vijf duizend in getal. 11 En Jezus nam de brooden, en gedankt hebbende deelde hij ze den discipelen,en de discipelen dengenen die nedergezetcn waren ; desgelijks ook van de vischkens zoo veel zij wilden. |
|
IS En als ïij Térzalt;lifr«l *1*-ren seide hij tot eijne discipelen : yer^ndert de overppscho-tene brokken, opdat er niets verloren ga. 13 Zij vergaderden ze dan , cn vulden twnalf korven mei brokken van de vijf prerstebroo-den, welke overgeschoten waren dengenen, die gegeten hadden. 14 De meuschen dan gi-zien hebbende het teeken dntJeziis gedaan had, zeiden; deze is waarlijk de Profeet, die in de wereld komen zoude. 15 Jezus dan wetende dat zij zoude komen en hem met (re-weld nemen opdat rij hein Koning - maakten, ontweek wederom op den berg, hij zelf alleen. 16 En als \'t avond geworden was, pingen zijrie discipelen af naar de zee. 17 En[in het schip gegaan zijnde, kwamen zij over do zee iiaar Kapeniauni; En het Wns alreeds «luister geworden, en Jezus was tot ben niet gekomen. aS En de zee verhief zich, overmits er een groote wind waüids. 10 En als zij omtrent vijf en twintig of dertigstadiëngevaren waren, zagen zij Jezus wandelende op de zee, en komende bij^het schip; en zij werden bevreesd. 20 .Maar hij zeide tot hen: ik ben \'t, zijt niet bevreesd. 21 Zijhlt; bbendan hemgewillig-lijk in het schip genomen, en terstond k .vam het schip aan het land, daar zij naar toe voeren. 23 Des anderen daags de scha-rc,dieaan de andere zijdeder nee stond,ziende dataldaar rrceit\'an-der schoephen was dan dntddne, daar zijne discipelen in gegann waren, en dat Jezus met zijne discipelen in dat scheepken niet wasgegaan,maar(f/nt]zijne discipelen alleen weirgevaren waren, 23 (Doch er kwamen andere Scheepkens vanTiberiasnabijde plaat s daar zij het brood gerre-ten hadden, als de Heer gedankt had.) 21 Toen dan de schare zaïr dat Jezus aldaar niet was, doch zijne discipelen, zoo gingen zij ook in do schepenlt; en kwamen te Knpernaüin, zoekende Jezus. .25 En als zij hem gevonden hadden over de zee, zeiden zij tot hem : Rabbi, wanneer zijt gij hier gekomen ? |
2fgt; Jezus antwoordde htm en zeide: voorwaar, voorwaar zeg ik u : gij zoekt mij, niet omdnt gij teekenen gezien hebt, inaar omdat gij van de brooden gegeten hebt, en verzadigd zijt. 27 Werkt niet [om] de epijs die vergaat, inaamp;r lom) de spijs die blijft tot iü \'t eeuwige leven, welke de Zoon des men-scben ulieden geven zal; want dezen heeft Cod de Vader verzeseld. 28 Zij zeiden dan tot hem : wat zullen wij doen, opdat wij de werken Gods mo?en werken ? 2\'J Jezus antwoordde en reide tot hen : dit is het werk Gods, dat gij gelooft in hem, dien hij gezonden heeft. 3» Zij reiden dan tot hem . wat toeken doet gij dan, opdat wij het mogen zien, en u gclooven ? Wat wt-rkt gij? SI Onze vaders hebben hot manna getreten in de woestijn, jrelijk geschreven is. Hljgaf hun het brood ultdeu hemel toeten. 82 Jezus dan zeide tot hen: voorwaar, voorwaar rej» ik u, Mozes heeft n niet gegeven het brood uit den hemel; maar mijn Vader geeft u het ware brood uit den hemel. 31 Want het brood Gods is hij die uit den hemel nederdaalt, en dieder wereld hetleven geeft, 31 Zij zeiden dan tot hum: lieer, geef ons altijd dit brood. 35 En Jezus reide tot hen : ik ben het brood des levens; die tot mij komt, zal geenszins hongeren, en die in mij gelooft, rnl nimmermeer dorsten. 80 Maar ik heb u gezegd, dat gij mij ook gezien hebt, en gij gelooft liiet. 37 Al wat mij de Vader geeft ral tot mij komen ; en die tot mij komt, zal ik geenszins uitwerpen. 38 Want ik ben uit den hemel nedergedaald, niet opdat ik mijnen wilzoudedoen,maardcn wil desgenen dlemij gezonden heeft] 39 En dit is do wil des Vaders, die ir.Vj gezonden heeft, dat al wat hij tnij igeceveri hoeft, ik daaruit niet verlieze, maar het-zclv^opwekketenuiterstendage. K) En dit is de wil desgenen die tnij gezonden heeft,drtt Ceniegelijk die den Zoou aanschouwt, en in hem gelooft, het eeuwige leven hebbe; en ik zal hem opwekken ts uitersten *lage. 41 De Joden dan ifiuriuHrcer-dea over hem, omdat hij gezotrd had; HET ËÜANGELlÜM Hoofdst. Ö, |
|
Hoofdat. 6, 7. had: ik ben het brood dst uit dun hcmol neder^edanld i». 42 Eu aij zeiden : is deze niet Jezus de zoon Jozefs, rriens vader en moeder wij kennen ? IIoc zcfjt deze dan ■ ik ben uit. den hemel nedergedaald ? 41 Jezus antwoordde dan, ec zeide tot hen : murmureert niet onder elkander. 41 Niemand kan tot mij komen, tenzij dat de Vader die mij fjezonden hoeft, hem trek-ke ; en ik zal hem opwekken te uitrrMen dajje. 45 Er i« geschreven in da Profeten . en zij zullen allrn van God peleerd zijn. Een k-irelijk dan, die l/irf) van dan Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot mij. 46_Niet dat iemand den Vader gezien heeft dan die v:in Cod is; deze heeft den Vader gezien. u: die in mij gelooft, heelt het eeuwige leven. 48 Ik ben het brood des levens. 40 Uwe vaders hebben het manna gegeten In do woestijn, en zij rijn ires torven. 30 Dit is hst brood dat nit den hemel nederdaalt, opdat de nensch daarvan eto, en niet 51 Ik l»cn hot levende brood, dat uit dr;n hemel nedergedaald is , zoo iemand van\' dit brood eet, die zal in der eeuwigheid leven. En het brood dat ik geven zal, is mijn vleeseh, \'t welk ik geven zal, voor *t leven der wereld. 53 De Joden dan streden onder elkander, zerrgende. hoe kan ons deze (sijnj vlecsoh te eten geven ? 53 Jezus dan zeide tot hen : den, tenzij dat gij het vleeseh van den Zoon des menschen eet, •!n zijn bloed drinkt, zoo hebt gij geen leven in « zeiven. 51 Dio mijn vleeseh eet, en mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven ; en ik zal hem opwekken te uitersten dage. 55 Want mijn vleeseh is waarlijk spijs, en mijn bloed is waarlijk drank. 56 Die mijn vleeseh eet. en mijn bloed drinkt, die blijft in mij, en ik in hem. 57 Gelijkerwijs mij de levende Vader gezonden heeft, en ik leef door den Vader, [nlroo] |
dis mij eet, dezelve zal leven door mij. 58 Dit is het brood dat. uit dan hemelncdergedaald is.Niet gelijk uwe vaders het manna gegeten hebben, en rijn gestorven ; die dit brood eet zal in der eeuwigheid leven. 59 Deze dingen zeide hij in de Synagoge, leércndc to Kapcr- 60 Velen dan van zijne discipelen {difj hoorende, zeiden dere reden is hard, wie kan dezelve hooren ? Cl Jezus nu wetende bij zich zeiven dat zijne discipelen daarover murmureerden, zeide hij tot hen ; ergert uliedeu dit ? 63 lir*l zo,!He \'(] dan [lijn] zoo pij den Zoon des menschen zaagt opvaren waar hij te voren was ? 63 Do Geest in het, die levend maakt ; het vleeseh is niet nut. De woorden die ik tot u spreek, zijn peest en zijn leven. 6t Maar cr zijn sommigen van ulicden, die niet gelooren. Want Jezus wist vanden beginne wie zij waren die niet geloofden, en wie hij waa die hem verraden zoude. 65 En hij zeide; daarom heb ik u gezegd, dat niemand tot mij komen kan, tenzij dat het hem gegeven zij van mijnen 6ö Van toen af gingen velen zijner discipelen ttrug, en wandelden niet meer met hem. 67 Jezus dan z.-i.ie tot detwaal-vo • wilt gijlieden ook niet weggaan ? 68 Simon Petrus dan antwoordde hem • Heer, tot wien zullen wij henengaan ? Gij hebt de woorden des eeuwigen le- 60 En wij hebben geloofd en bekend, dat gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. 70 Jezus antwoordde hem : heb ik \\i niet twaalf uitverkoren T En één uit u in een duivel. 71 En hij zeide [tJit rn«] Judas Simonsliooquot;! Isknrioth. Want deze zoude hem verraden, zijnde een van de twaalve. TT HOOFDSTUK 7. 1 1 ;n na dezen wandelde Jezus in Galilca ; want hij wilde in Judea niet wandelen, omdat de Joden hem zochten te iooden, VAN JOHANNES |
|
3 En lipt Feest «Ier Joden, [nn-mrlijk] dc (Lon/) huttenzetting, was nabij. 3 Zoo zeiilen dan ri]nc broeders tot hem - vertrek van hier. en ga henen, in Judea, opdat ook uwe diseipelen uwe werken mogen aanschouwen, die gij doet. V Want niemand doet iets in het verborsene, en zoekt zelf dat men openlijk van hem spreekt; indien gij deze dingen doet, zoo openbaar uzelvcn aan de wereld. 5 Want ook zyne broeders geloofden niet in hem. G Jezus dan zeide tot hen . mijn tijd is nog niet hier, maar uw tijd is altijd bereid. 7 De wereld kan ulieden niet haten ; maar mij haat zij, omdat ik van dezelve getuig, dat hare werken boos zyn. 8 Gaat gijlieden op tot dit Peest; ik ga nog niet op tot dit Feest, want mijn tijd is nog niet vervuld. 9 En als hij deze dingen tot hen gezegd had, bleef hij in Galilca. 10 Maar als zijne broeders opgedaan waren, toen gin? hij ook zeif op tot het Feest; niet openlijk, maar als in het verbor- 11 De Joden dan zochten hem in het Feest, en zeiden ; waar is hij ? 12 En er was veel gemurmels van hem onder de scharen. Sommigen^zeiden • hij is goed, en anderen zeiden : neen, maar hij verleidt de schare. 13 Nogtans sprak niemand vrijmoediglijk van hem, om de vrees dor Joden. 11 Doch als het nu in het midden van het Feest was, zoo giae Jezus op in den Temcl, en leerde. Ij En dc Joden verwonderden zich, zegfrende • hoe weet deze dc Schriften, daar hij ze niet geleerd heeft ? 16 Jezus antwoordde hun, en zeide: mijne leer is mijne niet, maar desgenen die mij gezonden heeft. 17 Zoo iemand wil deszelfs wil doen, die zal van deze leer bekennen, of zij uit God is, dan [of] ik van mij zelvcn spreek. 18 Die van zich zelven spreekt, zoekt zijne eigene eer ; maar die de eer zoekt desgencn die hem gezonden heeft, dia is waarachtig, cn geene ongeregtig-heid is in hem. |
19 Heeft Mozes u niet de wet gegeven ? En niemand van u doet de wet. Wat zoekt gij my te dooden ? 20 De schare antwoordde en zeide • gij hebt den duivel, wie zoekt n te dooden ? 21 Jezus antwoordde cn zeide tot hen ■ één werk heb ik gedaan. en gij verwondert u allen. 22 Daarom, Mozes heeft ulieden de besnijdenis gegeven (niet dat ?c uit Mozes is, maar uit de vaderen) en gij besnijdt eencn mensch op den Sabbat. 23 Indien een mensch do besnijdenis ontvangt op den Sabbat, opdat de wet van Mozes niet gebroken worde, zijt gij toornig op mij, dat ik eenen geheclcn mensch gezond gemaakt heb op den Sabbat? 21 Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt een regt-vaardig oordeel. 25 Sommigen dan uit die van Jeruzalem zeiden: is deze niet dien zij zooken te dooden ? 26 En zie, hij spreekt vrijmoediglijk, en zij zeggen hem niets. Zouden nu wel de Oversten waarlijk weten , dat deze waarlijk is de Christus? 27 Doch dezen weten wij, van waar hij is; maar de Christus, wanneer hij komen zal, zoo zal niemand weten van waar hij is. 28 Jezus dan riep in den Tempel, leerende en zerrgende • en gij kent mij, en gij weet van waar ik ben ; cn ik ben van mij zelvcn niet gekomen ; maar hij is waarachtig die mij gezonden heeft, welken frijlicdennictkent. 29 Maar ik ken hem, want ik bon van hem, en hij heeft mij gezonden. 30 Z\\j zochten hem dan te grijpen ; maar niemand sloeg de hand aan hem, want zijne ure was nog niet gekomen. 31 En velen uit de\'schare geloofden in hem, en zeiden: wanneer do Christus zal gekomen zijn, zal hij ook meer tce-kenen doen dan die, welke deze gedaan heeft? 32 De Farizeën hoorden dat de schare dit van hem murmelde ; cn de Farizeën en de Over-prieiters zonden dienaren, opdat zij hem grijpen zouden. 33 Jezus dan zeide tot hen : nog ecnen kleinen tijd ben ik bij |
|
Hoofdst, 7, 8. VAN JO) u, en ik ga henen tot dengenen die mij gezonden heeft. 3i Gij zult mij zoeken, en pij zult Imijl niet vinden, en waar ik ben, kunt gij niet komen. 35 De Joden dan zeiden tot elkander: waar zal deze henen-gaan, dat wij hem niet zullen vinden? Zal hij tot de verstrooide Grieken gaan, en dc Grieken leeren ? 36 Wat igidit voor cene reden, die hij gezegd heeft: gij zult mij zoeken, en zult [mij] niet vinden ; en (waar ik ben kunt gij niet komen ? 37 En opi den laatsten dag, [tijiiJr] den grootsten [Ja;;] des Feestes, stond Jezus en riep. zeggende: zoo iemand dorst, die kome tot mij en drinke. 38 Die in mij gelooft, gelij-kenvijs de Schrift zegt: stroomen des levende waters zullen uit zijnen buik vloeijen. 39 (En dit zeide hij van den Geest, welken ontvangen zouden die in hem gelooven. Want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was). 40 Velen dan uit de schare deze reden hoorende zeiden: deze is waarlijk de Profeet. 41 Anderen zeiden: deze is de Christus; en anderen zeiden ; zal dan de Christus uit Gali-lea komen ? 42 Zegt de Schrift niet. dat de Christus komen zal uit het zaad Davids, en van het vlek Bethlehem, daar David was? 43 Er werd dan tweedragt onder de schare, om zijnentwil. 44 En sommigen van hen wilden hem grijpen; maar niemand s\'.oeg dc handen aan hem. lt;■5 De dienaars dan kwamen tot di! Overpriesters en Parizeen, er. die zeiden tot hen : waarom hebt gij hem niet gebrast? 4-gt; De dienaars antwoordden : nooit heeft een mensch alzoo gesproken gelijk deze mensch. 47 De Parizeen dan antwoordden hun : zijt ook gijlieden verleid ? 48 Heeft iemand uit de Oversten in hem geloofd, of uit de Parizeen ? 49 Maar deze schare, die de wet niet weet, is vervloekt. 50 Kicodemus zeide tot hen. welke des nachts tot hein gekomen was. zijnde een uit hen : 61 Oordeelt ook onze wet den |
IANNES. 117 mensch, tenzy dat zij eerst van hem gehoord heeft, en verstaat wat hij doet ? 52 Zij antwoordden en zeiden tot hein : zijt gij ook uit Gali-lea ? Onderzoek en zie, dat uit Galilea geen Profeet opgestaan is. 53 En een iegelyk ging henen naar zijn huis. M HOOFDSTUK 8. aar Jezus ging naar den olijfberg. HOOFDSTUK 8. aar Jezus ging naar den olijfberg. 2 En des morgens vroe!» kwam hij wederom in den Tempel, en al het volk kwam tot hem; en nedergezeten zijnde leerde hij hen. 3 En de Schriftgeleerden en dc Parizeen bragten lot hem eene vrouw, in overspel gegrepen ; 4 En haar gesteld hebbende in het midden, zeiden zij tot hem; Meester, deze vrouw is op de daad zelve gegrepen, overspel begaande. 5 En Mozes heeft * ons in de wet geboden, dat dezulke gc-stecnigd zullen worden; gij dan. wat zegt gij ? , 6 En dit zeiden zij. hem verzoekende. opdat zij (irlt;*] hadden. om hem te beschuldigen. Maar Jezus nederbukkende schreef met den vinger in de 7 En als zij hem bleven vragen. rigtte hij zich op, en zeide tot hen ; die van ulieden zonder zonde is. werpe eerst den steen op haar. 8 En wederom nederbukkende schreef hij in de aarde. 9 Maar zij [dtlt;] hoorende en van [Aumir] consciëntie overtuigd zijnde, gingen uit, de een nadonander.berrinnendevan de oudsten tot de laatsten ; en Jezus werd alleen gelaten, en de vrouw in \'t midden staande. 10 En Jezus zich oprigtendc, en niemand ziende dan dc vrouw, zeide tot haar : vrouw waar zijn deze uwe beschuldigers ? Heeft u niemand veroordeeld ? 11 En zij zeide: niemand. Heer. En Jezus zeide tot haar : zoo veroordeel ik u ook niet; ga henen, en zondig niefmeer. 12 Jezus dan sprak wederom tot henlieden, zeggende: ik ben het licht der wereld ; die mi; volgt zal in de duisternis niet |
SGELIUM lloofdst. 8.
27 Zij verstonden niet dat lyj hun van den Vader sprak. 23 Jezus dan zeide tot hen : wanneer pij den Zoon des men-schen zult verhoogd hebben, dun zult gij verstaan dat ik [(2i\'1 ben, ea [dat] ik van mij zeiven niets doe; maar deze dinpen spreek ik, gelijk mijn Vader mij peleerd heeft.
29 Eu die mij gezonden heeft, is met mij. De Vader heeft mij niet alliien gelaten, want ik altijd doe wat hom behapelijk is.
30 Als hij deze dinpen sprak geloofden velen iu hem.
31 Jezus dan zeide tot de Joden, die [in] hem geloofden • indien pijlieden in mijn woord blijft, zou zijt pij waarlijk mijne
33 En zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrü maken.
S3 Zij antwoordden hem . wij zijn Abrahams zaad, en hebben nooit iemand gediend; hoe rept gij [dnu]; gij zult vrij worden ? 3 t Jezus antwoordde hun: voorwaar, voorwaar zep ik w, een \'iegelijk die de zonde doet is een dienstknecht der zou.Ip.
35 En de dienstknecht blijft niet eenwiplijk in het huis ; de zosin blijft er ceuwiplijk.
36 Indien dan de Zoon u zal vrij gemaakt hebben, zoo zult pij waarlijk vrij zijn.
07 Ik weet, dat pij Abrahams zaad zijt; maar pij zoekt mij te dooden, want mij a woord heeft in u geene plaats.
38 Ik spreek wat ik bij mijnen Vader gezien heb; pij doet dan ook, wat gij bij uwen vader gezien hebt.
39 Zij antwoordden en zeiden tot hem ; Abraham is onze vader. Jezus zeide tot hen : indien gij Abrahams kinderen waart, zoo zoudt gij de werken Abrahams doen.
•10 Maar au zoekt gij mij te dooden, eenen mensen die u da waarheid gesproken heb, welke ik van God gehoord heb. Dat deed Abraham niet. 41 Gij doet de werken uws vaders. Zij zeiden dan tot hem ■ wij zijn niet geboren uit hoererij ; wij hebbea cenen Vadsr God.
•12 Jezus dan zeide tot hen : indien God uw Vader ware, zoo zoudt gij mij liefhebben ; want ik ben van God uitgegaan, en kom
118 HET BUA
niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben. 13 Di! Parizeen dan zeiden tot hem ■ trij petuijrt van u zeiven;
nTveguluigeuis is niet waaiuch-tifï-
H Jezus antwoordde, cn zoide
tot hen . hoewel ik van mij zei-ven jjetuijr, zoo is [«ojrfnn»! inijae Keluiscnis waarachtig; want ik weet van waar ik }re-koiueubsn, cn waar ik henen w. Dinar pijlieden weet uiet van waar ik kom,cii waarikhenentja. 15 Gij oordeelt naar den vlcescfie; ik oordeel niemand.
10 Eu indien ik ook oordeal, mijn oordeel ia waarachtig; want ik b-n niet alleen, maar ik, en de Vader die mij gazoa-ddn heeft.
17 En er is ook in uwe wetjre-«ehrevcn, dat de cretuiirenis van twee inenschcn waarachtig is.
IS Ik ben \'t die van mij zclven Ketui.T, cn de Vader, die mij gezonden heeft, petuijft van mij.
19 Zij dan zeiden tot hem: waar is uw Vader? Jezun antwoordde • pij kont noch mij, noch mijnea Vader; indien pij mij kon-let, zno zoudt pij ook mijnen Vader kennen.
JJO Dezo woorden sprak Jezus hij do schatkist, fleerende in den Tempel? en niemand preep hem, want zijne are was nog
21 Jezus dan zeide wederom tot hen : k pa henen, en pij zult mij zoeken, ca in uwe zonde zult pij sterven; waar ikhenenga kunt pijlieden niet komen.
22 Da Joden dan zeiden : zal hij ook zich zslven dooden, omdat hij z:^t: waar ik henenpa kunt pijlieden niet komen?
23 En hij zeide tot hen : trijlie-den zijt van beneden, ik bea van boven; pij zijt uit deze wereld, ik ben niet uitdeze wereld.
21 Ik heb u dan pezepd, dat pij in uwe zonden zult sterven. V/aat indien pij niet pelooft dat ik [lt;/■«■] ben, zult pij iu uwe zonden sterven. 35 Zij zeiden dan tot hem ; wie zijt gij ? Ka Jezus zoide tot hen ■ wat ik van den beginne ulic-
26 Ik heb vele dinpen van u te zeggen, cn te oordeelcn ; maar die mij gezonden heeft is waar-achtip; en de dinpen die ik van hem pehoord heb, dezelve spreek ik lot de wereld,
Hoofdgt. 8, 9.
119
|
kom [on» hrni], W.tnt ik hen ook van mij zelven niet gekomen, nmar hrj heeft mij geznndeu. ♦3 Waiu-om kent pij mijne spraak niet ? [Hrt t») omdat pij mijn woord niet kunt hooren. 44 Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de b:\'!?eerlen uws vaders doen. Die was een mensr-henmoorder v.m den jrinne, en is in de waarheid staande pirbleven , want frrene waarheid is in hem. Wanneer lüj de leugen «preekt, 200 •preekt hij uit »jn cipen ; want hij is epn leupenaar, eu de va-dfr dor zelve (Zciu/m j. 43 M.-iur mij, omdr.t ik lu] de waarheid zep, gelooft rij niet. ■10 Wie van u overtuigt mij van zonde ? En indien ik de waarheid zng, waarom gelooft gij mij niet? 47 Bic uit Tod 19 hoort de woorden (iods; daarom hoort gijlieden niet, onulat gij uit üod niet zijt. 48 1)? Joden dan antwoordden cn zeiden tot hem : zesrge.n wij niet wel, dat (Tij een Samaritaan zijt, en den duivel hebt? 4\'J Jezus antwoordde ; ik heb den duivel niet, maar ik eer mijnen Vader, en gij on toert mij. 50 i)olt;-h ik roek mijne eer niet; er ia één, die ze zoekt cn oordeelt. 51 Voorwaar, voorwaar zeg ik 1: zoo jeinand mijn woord zal lgt;ewaard hebben, die zal den «lood niet zien in der eeuwig- gt;2 Do Joden dun zciacn tol ham; nu bekennen wij dat gij don duivel hebt. Abraham iï g( storyen, eu de Profeten, er zert trij ; 200 iemand mijn woord bewaard zal hebben, die zal den do id niet smaken in dor eeuwiir-heid ? 53 Zijt gij meerder dan onM vaiicr Abraham, welke gcgtur-ven is? En de Profeten zijn gestorven; wien maakt gij u zelven ? 5t Jezus antwoordde : indien ik mij zelven eer, zoo is mijne eer niets; mijn Vader is \'t die mij eert, welken gij zegt dat uw God is. SS En gij kent hem niet, maar ik ken hem; en indien ik zeer dat ik hem niet ken, zoo zal ik ulieden gelijk zijn, [dn/ ij) een leusenaar; maar ik ken hem, en bewaar zijn woord. 5C Abraham uw vader heeft met verheuginir verlangd, opdat hij iiujiu n dag zien zoude, en hij heeft (Afm] gezien en ia ver-Wijd geweest. |
57 De Joden dan zeiden tot hein gij hebt nog (reen vijftig jaren, ea hebt gij Abraham gezien ? 58 Jezus zoidc tot hen voorwaar, voorwaar ze? i!: u, eer Abraham was, ben ik. 59 Zij namen dan sternen op, dat. z;j ze op hem wierpen. Maar Jezus verborg zich, c n ping uit den Tempel, gaande door* het midden van hen, en ginga\'zoo voorbij. rquot;» HOOFDSTUK 9. 1 I Jn voorhijiraande, zn? hij eencn nienseh blind van de geboorte af; En zijne discipelen vraagden hem, zeggende • Itabbi, wie beeft er gezondi rd ? Deze of zijne ouders, dat hij blind zoude geboren worden ? 3 Jezus antwoordde : noeh deze heeft gezondigd, noeh zijne ouders; maar |(/ilt; i« gnrhifilt opdat da werken Gods in hein zouden geopenbnnrd worden. 4 Ik moet werken de werken lt;leFf,-enen die mij gezonden heeft, zoo lang het dag is; de naelit komt, waaneer niemand werken kan. 5 Zoo lang ik in do wereld ben, zoo ben ik het licht der wereld. C Dit gezegd hebbende, gpoog hij op de aarde, en maakte slijk uit dat speeksel, en streek lt;!:it slijk op de cogen des blinden. 7 En zcide tot hem : ga henen, wasth u in het badwater Silo-aiti, (hetwelk overgezet wordt: Uitgezonden). Hij dan sring henen cn wiesch zich, en kivam ziende. 8 De geburen dan, eu die hem te vcrea gezien hadden dat hij blim. was, zeiden : is deze niet diu zat en bedelde ? 9 Anderen zeiden r hij is het; en anderen : hij is hein gelijk. Hij zeide: ik ben \'t. li) Zij dan zeiden tot hem hou z;Jn u de oogen geopend ? 11 Hij antwoordde cn zcide • de inensch genaamd Jezus maakte slijk, m bestreek mijne uojren, cn zeide tot mij: g;i henen aan het badwater Siloam, cn waseh u. En ik ging henen, cn wxesch mij, tn ik werdziendquot; 13 Hij |
|
•i erom steeneu op, om hem te Hteeni^en. 32 Jezus antwoordde hun : ik heb u vele treffelijke werken getoond van mijnen Vader; om welk werk van die steenigt gij mij ? 33 De Joden antwoordden hem, zeggende : wij steenigen u niet over [feniy) goed werk, maar over (Gojfjlastering en omdat gij een mcnsch zijnde u zeiven God maakt. 31 Jezus antwoordde hun: is er niet geschreven in uwe wet: ik heb gezegd : gij zijt Goden ? 35 Indien [dr tcrl] die Goden genoemd heeft, om welken het woord Gods geschied is, en de Schrift niet kan gebroken worden, 36 Zegt gijlieden my] dien de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: gij lastert lGü(J]; omdat ik gezegd heb : ik ben Gods Zoon ? 37 Indien ik niet doe de werken mijns Vaders, zoo gelooft mij niet. 38 Maar indien ik ze doe, en zoo gij mij niet gelooft, zoo gelooft de werken ; opdat gij moogt bekennen en gelooven, dut de Vader in mij is, en ik in hem. 39 Zij zochten dan wederom hem te grijpen, en hij ontging uit hunne hand. 40 En hij ging wederom over fleu Jordaan tot de plaats daar Johannes eerst doopte en hij bleef aldaar. 41 En velen kwamen tot hem, en zeiden: Johannes deed wel ireen teeken: maar alles wat Johannes van deze zeide was waar. 42 En velen geloofden aldaar in hem. Ip HOOFDSTUK U. gt;n er was een zeker [man] krank, (grnnornrf) Lazarus, van Bethanië, uit het vlek vau Maria en van hare zuster Martha.p HOOFDSTUK U. gt;n er was een zeker [man] krank, (grnnornrf) Lazarus, van Bethanië, uit het vlek vau Maria en van hare zuster Martha. 2 (Maria nu was degene die den Heer gezalfd heeft met zalf, en zijne voeten afgedroogd heelt met hare haren, welker broeder Lazarus krank was). 3 Zijne zusters dan zonden tot hom, zesjrende: Heer, zie, dien gij liefhebt, is krank. 4 En Jezus (rfnfl hoorende, xeide: deze krankheid is niet |
NGELIUM Hoofdst. 10, 11. tot deu dood, maar ter heerlijkheid Gods, opdat de Zoon Gods door dezelve verheerlijkt worde. 5 Jezus nu had Martha, en hare zuster, en Lazarus lief. 6 Als hij dan gehoord had, dat hij krank was, toen bleefhij [nog] twee dagen in de plaats, daar hij was. 7 Daarna zeide hij verder tot de discipelen: laat ons wederom naar Judea gaan. 8 De discipelen zeiden tot hem : Rabbi, de Joden hebben u nu [onlnngt] gezocht te steenigen ; en gaat gij wederom derwaarts ? 9 Jezus antwoordde : zijn er niet twaalf uren in den dag? Indien iemand in den dag wandelt, zoo stoot hij zich niet, overmits hij het licht dezer wereld ziet; 10 Maar indien iemand in den nacht wandelt, zoo stoot hij zich, overmits het licht in hem niet is. 11 Dit sprak hij : en daarna zeide hij tot hen : Lazarus onze vriend slaapt, maar ik ga henen om hein^ uit den slaap op te wekken. 12 Zijne discipelen dan zeiden : Heer, indien hij slaapt, zoo zal hij gezond worden. 13 Doch Jezus hud gesproken van zijnen dood ; maarzij meenden dat hij sprak van de rust des slaaps. 14\' Toen zeide dan Jezus tot hen vrij uit: Lazarus is gestorven, 15 En ik hen blijde om uwentwil, dat ik daar niet geweest ben, opdat gij gelooven moogt; doch laat ons tot hem gaan. 16 Thomas dan, genaamd Di-dymus, zeide tot (*ijne) medediscipelen : laat ons ook gaan, opdat wij met hem sterven. 17 Jezus d:tn gekomen zijnde vond. dat hij nu vier dagen in het graf geweest was. 18 (Bethanië nu was nabij Jeruzalem, omtrent vyftieu stadiën van [rfnnr]). 19 Eu velen uit de Joden waren gekomen tot Martha en Maria, opdat zij haar vertroosten zouden over haren broeder. 20 Martha dan, als zij hoorde dat Jezus kwam, ging hem te gemoet; doch Maria bleef in huis zitten. 21 Zoo zeide Martha dan tot Je- |
|
Hoofdst. 11.\'\' VAN JOl Jezus ; Heer, waart pij hier geweest, roo ware mijn broeder niet pestorven ; 22 Maar ook nu weet ik, dat alles wat gij van God befreeren zult. God u het geven zal. *23 Jezus zeide tot haar: uw broeder zal weder opstaan. 2t Martha zeide tot hein : ik weet dat hij opstaan zal in de opstanding ten laatsten dapc. 23 Jezus zeide tot haar: ik ben de opstanding en het leven; die in mij gelooft, zal leven, al ware hij ook pestorven ; 26 En een iegelijk die leeft, en in mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwipheid; pelooft pij dat? 27 Zij zeide tot hem: ja Heer; ik heb geloofd, dat pö zÜt de Christus, de Zoon Gods, die in de wereld komen zoude. 28 En dit gezegd hebbende pinp zij henen, en riep Maria hare zuster heimelijk, zep-pende : de Meester is daar, en hij roept u. 29 Deze als «ij (dot] hoorde, stond haastiglijk op, en pinp tot hem. 30 (Jezus nu was nop in het vlek niet pekomen, maar was in de plaats, daar hem Martha te pemoet pekomen was.) 31 De Joden dan die met haar in het huis waren, en haar vertroosten, ziende Maria dat zij haastiglijk opstond, en uit-pmp, volgden haar, zeppende . zij paat naar het praf, opdat zij aldaar weene. 32 Maria dan, als zij kwam daar Jezus was, cn hem zap, viel aan zijne voeten, zepsende tot hem : Heer, indien pij hier srewcest waart, zoo ware mijn broeder niet gestorven. 33 Jezus dan als hij haar zap weenen, en de Joden die met Laar kwamen, (oofc] weenen, verd hij zeer bewopen in den geest, en ontroerde zich zeiven. .U En zeide: waar hebt pji hem gelepd ? Zij zeiden tot hem : Heer, kom en zie het. 35 Jezus weende. 30 De Joden dan zeiden : ziet, hoe lief hij hem had. 37 En fsommigoa uit hen zeiden : kon hij, die de oopen des blinden peopend heeft, niet maken dat ook deze niet pestorven ware ? 38 Jezus dan wederom in zich r.elven zeer bewogen zijnde, |
IANNES. 123 kwam tot het praf; en het was eene .pelonk, en een steen waa er op pelepd. 39 Jezus zeide neemt den steen wep. Martha de zuster des gestorvenen, zeide tot hem: Heer, hü riekt nu al, want hij heeft vier dapen [rtl-danr gelegen]. 40 Jezus zeide tot haar: heb ik u niet pezepd, dat, zoo pij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult? 41 Zij namen dan den steen wep, daar de pestorvene lag ; cn Jezus hief de oogen opwaarts, en zeide: Vader, ik dank u, dat gij mij pehoord hebt; 42 Doch ik wist, dat pij mij altijd hoort; maar om der schare wil, die rondom staat, heb ik [di/| pezepd, opdat zij zouden pelooven, dat gjj mij pe-zonden hebt. 43 En als hy dit gezegd had, riep hij met proote stem: Lazarus kom uit. 44 En de pestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en zijn aan-gezipt was omwonden meteenen zweetdoek. Jezus zeide tot hen : ontbindt hem, en laat hem henenpaan. 4.\'» Velen dan uit de Joden, die tot Maria pekomen waren, en aanschouwd hadden hetpeen Jezus pedaan had, peloofden in hem. 46 Maar sommipen van hen ginpen tot de Farizeën, en zeiden tot hen hetpeen Jezus gedaan had. 47 De Ovcrpriesters dan en de Farizeën verpadarden den Raad, en zeiden : wat zullen wij doen ? want deze mensch doet vele teekenen. 4S\' Indien wij hem alzoo laten [ejruorden], zij zullen allen in hem pelooven, en de Romeinen zullen komen, en wegnemen beide onze plaats en volk. 49 En een uit hen, [namrlij^J Kajafas, die deszelven jaara Hoopepriestcr was, zeide tot hen : pij verstaat niets ; 50 Noch pij overlept niet, dat het ons nut is, dat den mensch starve voor het volk, en het geheele volk niet verloren pa. 51 En dit zeide hij niet uit zich zeiven; maar zijnde Hoope-priester deszelven jaars profeteerde hij, dat Jezus sterven zoude voor het volk. , F 2 52 En |
NGELIÜM Hoofdst, 9.
zeide: of hjj een zondaar is weet ik niet; één ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie.
26 En zij zeiden wederom tot hem : wat heeft hij u gedaan ? Hoe heeft hij uwe oogen geopend ?
27 Hy antwoordde hun: ik heb het u alreeds gezegd, en gij hebt het niet gehoord; wat wilt gij het wederom hooren f Wilt gijlieden ook zijne discipelen worden ?
28 Zij gaven hem dan scheldwoorden, en zeiden: gij zijt zijn discipel, maar wij zijn Mozes discipelen.
29 Wy weten dat God tot Mozes gesproken heeft; maar dezen weten wij niet van waar hij is.
30 De mensch antwoordde en zeide tot hen : hierin is immers (unf) wonders, dat gij niet weet van waar hij is; en (noj-(niu] heeft hij mijne oogen geopend.
31 En wij weten dat God de zondaars niet hoort; maar zoo iemand godvruchtig is en zijnen wil doet, dien hoort hij. .
32 Van [«««•) eeuw is \'t niet gehoord, dat iemand eens blind geborenen oogen geopend heeft.
33 Indien deze van God niet ware, hij zoude niets kunneu doen.
34 Zij antwoordden, en zeiden tot hem : gij zijt geheel in zonden geboren, en leert gij ons\' En zij wierpen hem uit.
35 Jezus hoorde dat zij hem uitgeworpen hadden ; en hem vindende zeide hij tot hem, gelooft gij in den Zoon Gods ?
36 Hij antwoordde en zeide : wie is hij. Heer, opdat ik in hem mag gelooven ?
37 Eu Jezus zeide tot hem. en gij hebt hem gezien, en die met u spreekt, dezelve is het.
38 En hij zeide; ik geloof. Heer. En hij aanbad hem.
39 En Jezus zeide: ik bi-n tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat degenen die niet zien, zien mogen , en die zien, blind worden.
40 En dit hoorden [eeninen) uit de Parizeen, die bij hem waren, en zeiden tot hem zijn wij dan ook blind?
41 Jezus zeide tot hen • indien gij bliud waart, zoozoudt
120 HET EÜA
12 Zij dan zeiden tot hem : waar i» die ? Hij zeide : ik weet het niet.
13 Zij brapten hem tot de Fa-rizeëu, hem (nnmrlijfc] die te voren blind lyrwmt u\'fii].
14 En het was Sabbat, als Jezus het slijk maakte, en zijne oosren opende.
15 De Parizeen dan vraagden hem ook wederom, hoe hij ziende geworden was. En hij zeide tot hen : hij leide slijk op wijne oogca , eu ik wiesen mij, en ik zie.
16 Sommigen dan uit de Fari-zeën zeiden: deze uiensch is van God niet, want hij houdt den Sabbat niet. Anderen zeiden : hoe kan een mensch [c/ie] een zondaar is zulke teekenen doen ? En er was tweedragt onder hen.
17 Zij zeiden wederom tot den blinden • jrij, wat zejrt pij vau hein, dewijl hij uwe oo.!»en geopend heefi ? En hij zeide : hij is een Profeet.
18 De Joden dan geloofden van hem niet dat hij blind geweest was, en ziende was geworden , totdat zij geroepen hadden de ouders desgenen, die ziende geworden was.
19 En zij vraagden hun, zeggende : is deze uw zoon, welken gij zegt dat blind geboren is? Hoe ziet hij dan nu?
20 Zyue ouders antwoordden hun en ztiden, wij weten dat deze onze zoon is, en dat hij blind geboren is;
21 Maar hoe hij nu ziet, weten wij niet; of wie zijne oogen geopend heeft, welen wij niet; hij heeft («ijnen) ouderdom, vraagt hem zeiven ; hij zal van zich zeiven spreken.
22 Dit zeiden zijne ouders, omdat zij de Joden vreesden. Want de Joden hadden alreeds te zamen een besluit gemaakt, zoo iemand hem beleed Christus te zijn, dat die uit de Synagoge zoude geworpen worden.
23 Daarom zeiden zijne ouders; hij heeft ouderdom, vraast he:n eelven.
21 Zij dan riepen voor de tweede maal den mensch die blind geweest was, en zeiden tot hem; geef God de eer. Wij weten dat deze mensch een zondaar is.
25 Hij dan antwoordde eu
|
Kecne zonde hebben; maar nu zcprt Rij: wij zien; zoo blijft dan uwe zonde. V HOOFDSTUK 10. oorwaar, voorwaar zeg ik ulieden, die niet ingaat dooide deur in den stal der sohapen, muar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar. HOOFDSTUK 10. oorwaar, voorwaar zeg ik ulieden, die niet ingaat dooide deur in den stal der sohapen, muar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar. 2 Maar die door de deur ingaat is een herder der schapen. 3 Dezen doet de deurwachter open, en de schapen hooren zijne stem ; en hij roept zijne schapen bij namen, en leidt ze uit. 4 En wanneer hij zijne schapen uitgedreven heeft, zoo gaat hij voor hen henen, en de Hcha-pen volgen hem, overmits zij zijne stem kennen. 5 Maar eenen vreemden zullen zij geenszins volgen, maar zullen van hem vlieden, overmits zij do stem der vreemden niet kennen. fi Deze gelijkenis zeide Jezus tot hen; maar zij verstonden niet wat het was, dat hü tot her. sprak. 7 Jezus dan zeide wederom tot ik\' u, ik ben de deur dei- scha- *8 \\llon, zoo velen als er vóór mij zijn gekomen, zijn dieven en moordenaars; maar de schapen hgbben hen niet ge- 9 Ik ben de deur: indien iemiind door mij ingaat, die zal behouden worden, en hij zal inirnan en uitgaan, en weide 10 Du dief komt niet dan opdat hij stele, en slagle, en ver-derve; ik ben gekomen opdat zij li \'t leven hebben, en overvloed hebben. 11 II: ben de goede Herder; de gcede herder stelt zijn leven voor .le schapen. 12 Mnar de huurling, en die geen herder is, wien dn scha- wolf komen, en verlaat de schapen, en vliedt; en de wolf gr(jpt ze, verstrooit de schapen. 13 En de huurling vliedt, overmits hij een huurling is, en heeft gcene zorg voor de schapen. 14 Tk ben de goede Herder. |
en ik ken de mijnen, en word van de mijnen gekend. 15 Gelijkerwys de Vader mg kent, [alxoo] ken ik ook den Vader; en ik stel mijn leven voor de schapen. 16 Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn; deze moet ik ook toebrengen ; en zij zullen mijue stem hooren, en het zaj worden uéne kudde l*n) één herder. 17 Daarom heeft mij de Vader lief, overmits ik mgn leven afleg, opdat ik hetzelve wederom 18 Niemand neemt hetzelve van mg, maar ik leg het van mij zeiven af; ik heb magt hetzelve af te leggem, en heb magt hetzelve wederom te nemen. Dit gebod heb ik van mijnen Vader ontvangen. 19 Er werd dan wederom twee-dragt onder de Joden, om dezer woorden wil. 20 En velen van hen zeiden-, hij heeft den duivel, en is uitzinnig ; wat hoort gij hem ? 21 Anderen zeiden; dit zijn geene woorden eens bezetenen ; kan ook de duivel der blinden ootfen openen ? 22 En net was het Feest der vernieuwing des Tempels te Jeruzalem ; en het was winter. 23 En Jezus wandelde in den Tempel in \'t voorhof Salomons. 21 De Joden dan omiingden hein, en zeiden tot hem: hoe lans houdt gij onze ziel op ? Indien gij de Christus zijt, zeg het ons vrij uit. 25 Jezus antwoordde hun : ik heb het u gezegd, en gij gelooft het niet. De werken dia ik doe in den naam mijns Va-dors die getuigen van mij. 26 Maar gijlieden gelooft niet, want gij zijt niet van mijne schapen, gelijk ik u gezegd heb. 27 Mijne schapen hooren mijne stem, en ik ken dezelve, en zij volgen mij ; 28 Eii ik geef hun het eeuwige leven, en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid; en niemand zal dezelve uit mijne hand rukken. 29 Mijn Vader die ze mij gegeven heeft, is meerder dan allen ; en niemand kan ze rukken uit de hand mijns Vaders. 30 Ik en de Vader zijn één. 31 De Joden dan namen we- F der- Hoofdst. 0.10. VAN JOHANNES. |
|
«lerom steenen op, om hem te Bteenigen. 32 Jezus antwoordde hun ; ik heb u vele treffelijke werken ro-tonnd van mijnen Vader; om welk werk van die steenigt gy mij ? 33 De Joden antwoordden hem, zeggende : wij steenifreii u niet over (reni»;] goed werk, maar over (GoJ»]la8terinfr en omdat gij een inensch zijnde u zeiven God maakt. 31 Jezus antwoordde hun: is er niet geschreven in uwe wet: ik heb gezegd : gij zijt Goden ? 35 Indien [dr. ivrt] die Goden genoemd heeft, om welken het woord Gods geschied is, en de Schrift niet kan gebroken worden, 36 Zeirt gijlieden (foi mij] dien de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: gij lastert |Gugt;{]; omdat ik gezegd heb: ik ben Gods Zoon ? 37 Indien ik niet doe de werken mijns Vaders, zoo gelooft mij niet. 38 Maar indien ik ze doe, en zoo gij mü niet gelooft, zoo gelooft de werken ; opdat gij moogt bekennen en gelooven, dat de Vader in mij is, en ik iu hem. 39 Zij zochten dan wederom hem te grijpen, en hij ontging uit hunne hand. 40 En hij ging wederom over len Joroaan tot de plaats daar Jol amies eerst doopte en hij ble ;f aldaar. 41 En velen kwamen tot hem, en zeiden : Johannes deed wel ireen teeken: maar alles wat Johannes van deze zeide was krank, Igenaamd] Lazarus, van Bethanië, uit het vlek vau Maria en van hare zuster Martha. 2 (Maria nu was degene die den Heer gezalfd heeft met zalf, en zijne voeten afgedroogd heeft, met hare haren, welker broeder Lazarus krank was). 3 Zijne zusters dan zonden tot hem, zeggende: Heer, zie, dien gij liefhebt, is krank. 4 En Jezus (rfnfl hoorende, xeide: deze krankheid ia niet |
Hoofdst. 10, 11, tot den dood, maar ter heerlijkheid Gods, opdat de Zoon Gods door dezelve verheerlijkt worde. 3 Jezus nu had Martha, en hare zuster, en Lazarus lief. 6 Als hij dan gehoord had, dat hij krank was, toen bleef hij (noff] twee dagen in de plaats, daar hij was. 7 Daarna zeide hij verder tot de discipelen: laat ons wederom naar Judea gaan. 8 De discipelen zeiden tot hem: Rabbi, de Joden hebben u nu [onlnnyi] gezocht te stee-nigen; en gaat gij wederom derwaarts 7 9 Jezus antwoordde: zijn er niet twaalf uren in den dag? Indien iemand in den dag wandelt, zoo stoot hij zich niet, overmits hij het licht dezer wereld ziet; 10 Maar indien iemand in den nacht wandelt, zoo stoot hij zich, overmits het licht in heui 11 Dit sprak hij : en daarna zeide hij tot hen ; Lazarus onze vriend slaapt, maar ik ga henen om nem^ uit den slaap op te wekken. 12 Zijne discipelen dan zeiden : Heer, indien hij slaapt, zoo zal hij gezond worden. 13 Doch Jezus had gesproken van zijnen dood ; maar zij meenden dat hij sprak van de rust des slaaps. 14 Toen zeide dan Jezus tot hen vrij uit: Lazarus is gestorven, 15 En ik ben blijde om uwentwil, dat ik daar niet geweest ben, opdat gij gelooven moogt; doch laat ons tot hem gaan. 16 Thomas dan, genaamd Di-dymus, zeide tot [ctjne] medediscipelen : laat ons ook gaan, opdat wij met hem sterven. 17 Jezus dan gekomen zijnde vond, dat hij nu vier dagen in het eraf geweest was. 18 (Bethanië nu was nabij Jeruzalem, omtrent vijftien stadiën van [doorj). 19 En velen uit de Joden waren gekomen tot Martha en Maria, opdat zij haar vertroosten zouden over haren broeder. 20 Martha dan, als zij hoorde dat Jezus kwam, ging hem te gemoet; doch Maria bleef in huis zitten. 21 Zoo zeide Martha dan tot Je- HET EÜANGELIÜM |
|
Hoofdst. 11.quot; VANJOl Jezus : Heer, waart ffü hier geweest, zoo ware mgn broeder niet (restorven ; 22 Maar ook nu weet ik, dat alles wat gn van God bcfreeren ruit, God u net Reven zal. *23 Jezus zeide tot haar: uw broeder zal weder opstaan. 21 Martha zeide tot hem: ik weet dat hij opstaan zal in de opstanding ten laatsten dage. 25 Jezus zeide tot haar: ik ben de opstanding en het leven; die in mij gelooft, zal leven, al ware hij ook pestorven ; 26 En een iepelijk die leeft, en in mij Belooft, zal niet sterven in der eeuwigheid ; gelooft gij dat? 27 Zij zeide tot hem: ja Heer-, ik heb geloofd, dat gij zijt de Christus, de Zoon Gods, die in de wereld komen zoude. 28 En dit gezegd hebbende ging zij henen, en riep Maria hare zuster heimelijk, zeggende : de Meester is daar, en hij roept u. 29 Deze als «ij (lt;inlt;] hoorde, stond haastiglijk op, en ging tot hem. 30 (Jezus nu was nog in het vlek niet gekomen, maar was in de plaats, daar hem Martha te gemoet pekomen was.) 31 Pe Joden dan die met haar in het huis waren, en haar vertroosten, ziende Maria dat zg haastislijk opstond, en uitging, volgden haar, zeggende . zij gaat naar het graf, opdat zij aldaar weene. 32 Maria dan, als zij kwam daar Jezus was, en hem zag, viel aan zijne voeten, zeggende tot hem: Heer, indien gij hier geweest waart, zoo ware mijn oroeder niet gestorven. 33 Jezus dan als hij haar zag weenen, en de Joden die met Laar kwamen, [oofc] weenen, werd hij zeer bewogen in den geest, en ontroerde zich zeiven. En zeide: waar hebt gij hem gelegd ? Zij zeiden tot hem : Heer, kom en zie het. 35 Jezus weende. SG De Joden dan zeiden : ziet, hoe lief hij hem had. 37 En fsommigon uit hen zeiden : kon hij, die de oogen des blinden geopend heeft, niet maken dat ook deze niet gc- 38 Jezus den wederom in zirh zelven zeer bewogen zijnde, [ANNES. 123 |
kwam tot het graf; en het was eene .pelonk, en een steen was er op gelegd. 39 Jezus zeide neemt den steen weg. Martha de zuster des gestorvenen, zeide tot hem; Heer, hij riekt nu al, want hij heeft vier dagen (ni-dirtir gelegen]. 40 Jezus zeide tot haar: heb ik u niet gezegd, dat, zoo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult? 41 Zij namen dan den steen weg, daar de gestorvene lag; en Jezus hief de oogen opwaarts, en zeide: Vader, ik dank u, dat gij inij gehoord hebt; 42 Doch ik wist, dat gij mij altijd hoort; maar om der schare wil, die rondom staat, heb ik [dit] gezegd, opdat zij zouden gelooven, dat gó mij gezonden hebt. 43 En als hij dit gezegd had, riep hij met groote stem: Lazarus kom uit. 4t En de gestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en zijn aan-gezigt was omwonden meteenen zweetdoek. Jezus zeide tot hen : ontbindt hem, en laat hem 45 Velen dan uit de Joden, die tot Maria gekomen waren, en aanschouwd hadden hetgeen Jezus gedaan had, geloofden 4C Maar sommigen van hen gingen tot de Farizeën, en zeiden tot hen hetgeen Jezus gedaan had. 47 De Overpriesters dan en de Farizeën vergaderden den Raad, en zeiden : wat zullen wij doen ? want deze niensch doet vele teekenen. 48- Indien wij hem alzoo laten {gevorden], zij zullen allen in hem gelooven, en de Romeinen zullen komen, en wegnemen beide onze plaats en volk. 49_ En een uit hen, [nnnirüjamp;\'J Kajafas, die deszelven jaars Hoogepriestcr was, zeide tot hen : gij verstaat niets ; 5(t Noch gij overlegt niet, dat het ons nut is, dat éi\'n mensch sterve voor het volk, en het geheele volk niet verloren ga. 51 En dit zeide hij niet uit zich zelven; maar zijnde Hooge-priester deszelven jaars profeteerde hg, dat Jezus sterven zoude voor het volk. F 2 52 En |
HET EUANGELIUM
Hoofdst. ll.ia.
|
SS En niet alleen voor dat volk, maar opdat liij ook du kinderen Gods die verstrooid waren, tot een coude vergadc- 53 Van dien dapf dan af raad-Maagden zij te zauien, dat zy hem dooden zouden. 51 Jezus dan wandelde niet meer vrij onder de Joden, maar (finff van daar naar het land bij de woestijn, naar de stad ffe-naamd Efraini, en verkeevde aldaar met zune discipelen. 55 En het Pascha der Joden was nabij ; en velen uit dat land (dillen op naar Jeruzalem voor het Pascha, opdat zij zich zcl-ven reinigden. 56 Zij zochten dan Jezus, en zeiden onder elkander, staande in den Tempel; wat dunkt u? [Dunkt u], dat hü niet komen zal tot het Feest ? 57 _I)e Overpriester* mi en dc Farizeën hadden een prebod\'ge-fïeven, dat zoo iemand - wist waar hy was, hij het zoude te kennen geven, opdat zy hem mogten vóór het Pascha te Bethani daar Lazarus was, die gestorven was geweest, welken hü opgewekt had uit de dooden. 2 Zij bereidden hem dan aldaar een avondmaal, en Martha diende; en Lazarus was een van degenen die met hem 3 Maria dan genomen hebbende een pond zalf van onver-valschten zeer kostelijken nardus, heeft de voeten van Jezus gezalfd, en met hare haren zijne voeten afgedroogd; en het huis werd vervuld van den reuk dor zalf. ■i Zoo zeide dan een van zijne discipelen, [nnmelljk] Judas Siinonsftouu] Iskarioth die hem verraden zoude. 5 Waarom is deze zalf niet verkocht voor drie honderti peu- 0 Eu dit zcide hij, niet omdat hij bezorgd was voor de armen, maar omdat hij een dief was, en had de beurs, en droeg hetgeen gegeven werd. 7 Jezus dan zeide: laat af van haar. Zij heeft dit bewaard tegen den dag mijner begrafe- |
8 Want de armen hebt gijlieden altijd met u, maar m\\j hebt gij niet altijd. 9 Eene groote schare dan der Joden verstond dat hij aldaar was, en kwamen niet alleen om Jezus wil, maar opdat zij ook Lazarus zouden zien, dien hij uit dc dooden opgewekt had. 10 Eu deOverpriester» beraadslaagden, dat zij ook Lazarus dooden zouden. 11 Want velen van de Joden gingen henen om zijnentwil, en geloofden in Jezus. 12 Dea anderen daags cene croote schare, die tot het Feest gekomen was, hoorende dat Jezus naar Jeruzalem kwam, 13 Kamen de takken van pulmboomen, en gingen uit hem te genioet, en riepen: Hozaiina, Gezegend li«] hij, die komt in den naam des Heeren ; [Aij, ilie i») de Koning Israels. 14 En Jezus vond eenen jongen ezel, en zal daar op, gelijk geschreven is : 15 Vrees niet, gij dochter Si-ons ; zie, uw Koning komt, zittende op. het veulen eener 16 Doch dit verstonden zijne discipelen in \'t eerst niet; maar al» Jezus verheerlijkt was, toen werden zij indachtig dat dit van hem geschreven was, en (dnt] zij hem dit gedaan hadden. 17 De schare dan die met hem was, getuigde dat hij Lazarus uil het irraf geroepen, en hem uit de dooden opïewekt had. 18 Daarom ging ook de schare hem te gemoet, overmits zij gehoord had, dat hij dat teeken gedaan had. 19 Dc Farizeën dan zeiden onder elkander: ziet gij («•ei] dat gij gansch niet vordert ? Zie, de lyrhrcle] wereld gaat hein na. 20 En er waren sommige Grieken uit degenen die opgekomen waren, opdat zij op het Feest zouden aanbidden ; 21 Deze dan gingen totPhilip-pus, die van fiethsa\'ida in Gal ilea was, en baden hein, zeggende: Heer, wij wilden Jezus Iwrf) zien. 22 Phi Hippus kwam, en zeide het Andreas; en Andreas eu Phillippus wederom zeiden het Jezus. 33 Maar Jezus antwoordde hun, zeggende : dc ure is ge-ko- |
|
Hoofdit, 12. VAN JOI komen, dat de Zoon des men-schen zal verheerlijkt worden. 24 Voorwanr, voorwaar zeg ik u : indien bet tarweprann in de aarde niet valt en sterft, zoo blijft \'t zelve alleen ; maar indien bet sterft, zoo brengt bet veel vruebt voort. 25 Die zijn leven lief beeft, zal bctzelve verliezen ; en die zijn leven baat in deze wereld, zal betzelvc bewaren tot bet eeuwi-pe leven. 2G Zoo iemand mij dient, die volpe mij; en waar ik ben, aldaar zal ook mijn dienaar zijn. En zoo iemand mij dient, de Vader zal bem eeren. 27 Nu is mijne ziel ontroerd; en wat zal ik zepftren ? Vader, verlos mij uit deze ure. Maar bierom ben ik in deze ure gekomen. 28 Vader, verheerlijk uwen naam. £r kwam dan eene stem uit den hemel, [zrij^miU]: en ik heb [/iriti] verheerlijkt en ik zal [/«rm) wederom verbeer- 29 De schare dan die daar «tond, en (ditl boorde, zeide, dat er een donderslag geschied was; anderen zeiden : een Engel beeft tot hem gesproken. 30 Jezus antwoordde en zei-de niet om mijnentwil is deze stem geschied, maar om uwentwil. 31 Nu is bet oordeel dezer wereld ; nu zal de Overste dezer wereld buiten geworpen wor- 32 En ik, zoo wanneer ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal ben allen tot mij trekken. 33 (En dit zeide bij beteeke-nendc hoedanigen dood bij sterven zoude). 31 De schare antwoordde hem : wij hebben uit de wet gehoord, dat de Christus blijft in der eeuwigheid; en hoe zegt gij, dat de Zoon des menschen moet verhoogd worden ? Wie is deze zoon des menschen ? 35 Jezus dan zeide tot ben ; nou eenen kleinen tijd is bet licht bij ulieden ; wandelt terwijl gij hut licht hebt, opdat de duisternis u niet bevnnge ; en die in de duisternis wandelt, weet niet waar bij henengaat. 36 Terwijl gij bet licht hebt, gelooft in het licht, opdat gij kinderen des lichts inoogt zijn. Deze dingen sprak Jezus; eti |
weggaande verborg bij zich van ben. 37 En hoewel hij zoo vele tee-kenen voor hen pedaan had, [noptan»] geloofden zij in hem niet. 38 Opdat het woord van Jesa-jas don Profeet vervuld werd, dat hij gesproken heeft: Heer, wie heeft onze prediking geloofd ? en wien is de arm des Heeren geopenbaard ? 39 Daarom konden zij niet ge-looven, dewijl Jesajas wederom gezeffd beeft: 40 Hij beeft hunne oogen verblind, en hun hart verbard, opdat zij met de oogen niet zien, en met het hart [nir/J verstaan, en zij bekeerd worden, en ik ben peneze. 41 Dit zeide Jesajas, toen hij zijne heerlijkheid zag, en van hem sprak. 43 Nogtans geloofden ook zelfs velen uit de Oversten in hem, maar om der Farizei\'-n wil beleden zij het niet, opdat zü uit de Synagoge niet zouden geworpen worden; 43 Want zij hadden de eer der menschen lief, meer dan de eer Gods. 41 En Jezus riep, en zeide die in mij gelooft, gelooft in mij niet, maar in dengenen die mij gezonden heeft. 45 En die mij ziet, die ziet dengenen die mij gezonden heeft. 46 Ik ben een licht in de wereld gekomen, opdat een iegelijk die in mij gelooft, in de duisternis niet blijve. 47 En indien iemand mijne woorden gehoord, en niet geloofd zal hebben, ik oordeel hem niet; want ik ben niet gekomen opdat ik de wereld oor-deele, maar opdat ik de wereld zalig make. 48 Die mij verwerpt, en mijne woorden niet ontvangt, beeft die bem oordeelt; het woord «\'at ik gesproken heb, dat zal hem oordeelen ten laatsten 49 Want ik heb uit mij zelvcn niet gesprokén ; maar de Vader die mij gezonden heeft, die beeft mij een gebod gegcen, wat ik zeggen zal cn wat ik spreken zal. 50 En ik weet dat zijn gebod het eeuwige leven is. Het geen ik dan spreek, dat spreek ik alzoo gelijk mij de Vader gezetrd heeft F 3 KOOFD-- |
HET EUANGELIUM Hoofdst. 13.
126
|
Ïji HOOFDSTUK 13. jn voor het Feest van \'t Pascha, Jezus wetende dat zijne ure jjekomen was , dat hij uit doze wereld zoude overjrann tot den Vader, alzoo hij de rijnen, die in de wereldwaren, liefgehad had, zoo hoeft hij hen liefgehad tot het einde.ji HOOFDSTUK 13. jn voor het Feest van \'t Pascha, Jezus wetende dat zijne ure jjekomen was , dat hij uit doze wereld zoude overjrann tot den Vader, alzoo hij de rijnen, die in de wereldwaren, liefgehad had, zoo hoeft hij hen liefgehad tot het einde. 2 En als het avondmaal fredaan was, (toen nu de duivel in \'t hart van Judas Simonstroon] Iskarioth (televen had, dat hy hem verraden zoude,) 3 Jezus, wetende dat de Vader hem alle dingen in de handen quot;eteven Isad, en dat hij van God uittre^aan was, en tot God honongin?, 4 Stond op van het avondmaal, en leide (sy\'n*) kleederen af, en nememle eenen linnen doek, omarordde zich zei ven. 5 Daarna Root hij water in \'t bokken, en begon de voeten der discipelen te wassc-hen, en af te droogen met den linnen doek, waarmede hij omgord was. fi Hij dan kwam tot Simon Petrus, . en die zeide tot hem ■ Heer, zult. gij mij de voeten wassohen ? 7 Jezus antwoordde en zeide tot hem ; wat ik doe weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan. 8 Petrus zeide tot hem. gij zult mijne voeten niet wasschen in dor eeuwigheid. Jezus antwoordde hem : indien ik u niet waseh, gij hebt geen deel met 9 Simon Petrus zeide tot hem : Heer, niet alleen mijne voeten, maar ook de handen cn het hoofd. 10 Jezus zeide tot hem : die gcwasschen is heeft niet noo-dig dan de voeten tc wassrhen, maar is geheel rein. En gijlieden zijt rein, doch niet allen. 11 Want hij wist wie hem verraden zoude: daarom zeide hij-gij zijt niet allen rein. 12 Als hij dan hunne voeten gswasschen, en zijne kleederen genomen had, zat hij wederom aan, en zeide tot hen : verstaat gij wat ik uliedcn gedaan heb ? 13 Gij heet mij Meester en Heer, en gij zegt wel ; want ik ben \'t. 11 Indien dan ik, de Heer en de Meester, uwe voeten gewas-(chcD heb, zoo zgt gij ook schuldig elkanders voeten te wasschen. |
15 Want ik heb u een exempel gegeven, opdat gelijkerwijs ik u gedaan heb, gijlieden ook doet. IC Voorwaar, voorwaar zeg ik « : een dienstknecht is niet meer dan zyn heer, noch een gezant meer dan die hem gezonden heeft. 17 Indien gij deze dingen weet, zalig zgt gij zoo gü dezelve doet. 18 Ik zeg niet van u allen ; ik weet welke ik uitverkoren heb, maar lfZilt; geschiedt], opdat de Schrift vervuld worde ; die met mij het brood eet, heeft teiren mij zijne verzenen opgeheven, 19 Van nu zeg ik het ulie-den eer het geschied is, opdat wanneer het geschied zal zijn. gij gelooven inoogt dat ik het ben. 20 Voorwaar, voorwaar zeg ik u: zoo ik iemand zend, wie [di^nl ontvangt, die ontvangt mij; cn wie mij ontvangt, die ontvangt hem die mij gezonden heeft. 21 Jezus deze dingen gezegd hebbende, werd ontroerd in den geest, en betuigde, zeg ik u, dat een van ulicden mij zal verraden. 22 De discipelen dan zagen op elkander, twijfelende van wien hij zeide. 23 En een van zijne discipelen was .aanzittende in den schoot van Jezus, welken Jezus liefhad. 21 Simon Petrus dan wenkte dozen, dat hij vragen zoude, wie hij toch ware van welken hij [rfit] zeide. 25 En deze vallende op de borst van Jezus, zoide tot hem : Heer, wie is \'t ? 26 Jezus antwoordde; deze is \'t, dien ik de bete, als ik ze ingedoopt heb, geven zal. En als hij de bete ingedoopt had, gaf hij ze Judas amp;imons[:oon] Iskarioth. 27 En na de bete, toen voer de satan in hem. Jezus dan zeide tot hem • wat gij doet, doe het haastiglyk. 28 En dit verstond niemand dorgenen die aanzaten, waartoe hij hem [Jol] zeide. 29 War*, sommigen meen |
IANNES. 127
4 En waar ik hencnga. weet
gij. en den weg weet gij.
5 Thomas zeide tot hem: Heer. wij weten niet waar gij henengaat: en hoe kunnen wij den weg weten ?
6 Jezus zeide tot hem: ik ben de weg, en de waarheid, en het leven. Niemand komt tot den Vader dan door mij.
7 Indien gijlieden mij gekend hadt, zoo zoudt gij ook mijnen Vader gekend hebben ; eu van nu kent gij hem, en hebt hem gezien.
8 Philippus zeide tot hem ■ Heer, toon ons den Vader, en het is ons genoeg.
9 Jezus zeide tot hem : ben ik zoo langen tijd met ulieden, en hebt gij mij niet gekend Philippus? Die mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien; en hoe zegt gij ■ toon ons den Vader?
10 Gelooft gij niet dat ik in den Vader (frfn] en de Vader in mij is? De woorden die ik tot ulieden spreek, spreek ik van my zeiven niet; maar de Vader die in mij blijft, dezelve doet de werken.
11 Gelooft mij, dat ik in den Vader [6lt;n] en de Vader iu mij is; en indien niet, zoo gelooft mij om de werken zelve.
12 Voorwaar, voorwaar zeg ik ulieden : die in mij gelooft, de werken die ik doe, zal hij ook doen, en zal meerder doen dan deze. Want ik ga hanen tot mijnen Vader;
13 En zoo wat gij begeeren zult in mijnen naam, dat zal ik doen, opdat de Vader in den Zoon verheerlijkt worde.
14 Zoo gij iets begeeren zult in mijnen naam, ik zal het doen.
15 Indien gij mij liefhebt, zoo bewaart mijne geboden.
16 En ik zal den Vader bidden. en hij zal u eenen anderen Trooster geven, opdat hg bij u blijve in der eeuwigheid ;
17 [ÏVnnir/ijfe] den Geest der waarheid, welken de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet hem niet en kent hem met; maar gij kent hem, want hij blijft bij ulieden en zal in u zijn.
18 Ik zal u geene weezen laten ; ik kom [trnler) tot u.
19 Nog eenen kleinen [tijrf], en de wereld zal mij niet meer zien, maar gg zult mij
Hoofdst. 13.14. VAN JOl den, dewijl Judas de beurs had, dat hem Jezus seide; koop hetgeen wij noodi^ hebben tot het Feest; of, dat hij de armen wat peven zoude.
30 Hg dan de bete penomen hebbende, gin? terstond uit. £n bet was nacht.
31 Als hij dan uitgegaan was zeide Jezus: nu is de Zoon des menschen verheerlijkt, en God is in hem verheerlijkt.
32 Indien God in hem ver-heerlijkt is, zoo zal ook God hem verheerlijken in zich zei-ven, en hij zal hem terstond verheerlijken.
33 Kindcrkens, nogeenen kleinen [tijd] ben ik bij u. Gij zult my zoeken, en gelijk ik den Joden gezegd heb: waar ik hencnga kunt gij niet komen, [a£roo] zeg ik ulieden nu ook.
34 Een nieuw gebod geef ik u, dat gy elkander liefhebt. Gelijk ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander liefhebt.
35 Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij mijne discipelen zyt, zoo gij liefde hebt onder elkander.
36 Simon Petrus zeide tot hein: Heer, waar gaat gij henen ? Jezus antwoordde hem : waar ik hencnga kunt gij mij nu niet volgen ; maar gij zult mij namaals volgen.
37 Petrus zeide tot hem ; Heer, waarom kan ik u nu niet volgen ? Ik zal mijn leven voor u zetten.
38 Jezus antwoordde hem: zult gij uw leven voor mij zetten ? Voorwaar, voorwaar zeg ik u, de haan zal niet kraaijen, totdat gij mij driemaal verloochend zult hebben.
U HOOFDSTUK 14. w hart worde niet ontroerd ; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in mij. HOOFDSTUK 14. w hart worde niet ontroerd ; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in mij.
2 In het huis mijns\' Vaders zijn vele woningen ; anderzins zoo zoude ik het u gezegd hebben ; ik ga henen om u plaats te bereiden.
3 En zoo wanneer ik henen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zoo kom ik weder, en zal u tot mij nemen, opdat gij ook zijn luoogt waar ik ben. _
|
I2S HET\' EU A tien; want ik leef, en {fij lult leven. 30 Tn dien dn;» zult pij bekennen, dat ik in mijnen Vader [ben], ea pij in mij, en ik in u. 81 Die mijne freboden heeft, en dezelve bewaart, die is \'t die mij liefheeft; en die mij liefheeft ral van mijnen Vader geliefd worden; en ik sal hem liefhebben en ik zal unij zeiven aan hem openbaren. 22 Judas, niet de Ifkarioth, reide tot hem : Heer, wat is \'t, dat pij u zeiven aan ons zult openbaren, en niet aan do wereld ? 23 Jezus antwoordde en zeide tot hem : zoo iemand mij liefheeft, die zal mijn woord bewaren; en mijn Vader zal hem liefhebben, en wij zullen tot hem komen, en zullen woninjr bij hem maken. Die mij niet liefheeft, die bewaart mijne woorden niet. En het woord dat pijlieden hoort is het mijne niet, maar des Vaders, die mij gezonden heeft. 25 Deze dingen heb ik tot u gesproken, bij u blijvende. 20 Maar de Trooster de Heilige Geest, welken de Vader zenden zal in mijnen naam, die zal u alles leeren, en zal u indachtiif maken alles wat ik u gezegd heb. 27 Vrede lnat ik u, mijnen vrede geef ik u ; niet gelijker-wijs de wereld (/icni| geeft, geef ik [Am] u. Uw hart worde niet ontroerd, noch sij niet versaagd. 28 Gij hebt geboord, dat ik tot u gezegd heb . ik ga henen en kom [trerfer] tot n. Indien gij mij liefhadt, zoo zoudt gij u verblijden, omdat ik jrezegd heb: ik tra henen tot den Vader; want mijn Vader is meerder dan ik. 20 En nu heb ik het u pezend eer het geschied is, opdat wanneer het geschied zal zön, jjij gelooven moogt. 30 Ik zal niet meer veel met u spreken; want de Overste dezer wereld komt, en heeft aan mij niets. 31 Maar opdat de wereld wete dat ik den Vader liefheb, en alzoo doe gelijkerwijs mij de Vader treboden heeft • staat op, laat ons van hier gaan. |
Hoofdst. U, 15. I HOOFDSTUK la. k ben de ware wijnstok, en mijn Vader is de landman. HOOFDSTUK la. k ben de ware wijnstok, en mijn Vader is de landman. 1 2 Alle rank die in ini) peen vrucht draagt, die neemt; hij weg ; en alle die vrucht draagt, die rciniprt hij, opdat zij meer vrucht drage. 3 Gijlieden zijt nu rein, om het woord, dat ik tot u Re-sproken heb. I Blijft in mij, en ik in u. Gelijkerwijs de rank geene vrucht kan dragen van zich zelve, zoo zij niet in den wijnstok blijft, alzoo ook gij niet, zoo -rij in mij niet blijft. 5 Ik ben de wijnstok, fm] gij do ranken; die ia mij blijft, en ik in hem, die draagt veel vrucht : want zonder mij kunt gij niets doen. 6 Zoo iemand in mij niet blijft, die is buitenge worpen gelijkerwijs de rank, en is verdord; en men vergadert dezelve, en men werpt ze in \'t vuur, en zij worden sverbrand. 7 Indien pij in mij blijft, en mijne woorden in u blijven, zoo wat pij wilt zult pij begeeren, en het zal u geschieden. 8 Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat pij veel vrucht draagt; en gij zult mijne discipelen zijn. 9 Gelijkerwijs de Vader mij liefgehad heeft, heb ik ook u liefgehad, blijft in deze mijne liefde. 10 Indien gij mijne geboden bewaart, zoo zult ?ij in mijne liefde blijven ; gelijkerwijs ik de geboden mijns Vaders bewaard heb, en blijf in zijne liefde. II Deze dingen heb ik tot u gesproken, opdat mijne blijdschap in u blijve, en uwe blijdschap vervuld worde. 12 Dit is mijn gebod, dat gij elkander liofhebt, polijker-wijs ik u liefgehad hab. 13 Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijne vrienden. 14 Gij zijt mijne vrienden, zoo trij doet wat ik u gebied. 15 Ik heet u niet meer dienct-kneehten, want de dienstknecht weet niet wat zijn heer doet; maar ik heb u vrienden genoemd, want al wat ik van mijnen Vader pehoord heb, [(/nt] heb ik u bekend gemaakt. 16 Gg hebt mij niet uitverko- |
Hoofdst. 15. 16. VAN JOHANNES.
|
ren; maar ik huh u uitverkoren, en ik hch u geetuld dat pij Eoudt hfnnnsaan, on vrult;;ht draden, en [rfntj uwo vrucht blyve, opdat zoo wat pij van den Vader bepceren aalt in mijnen nnain, hij u (Jnlt;J peve. 17 Dit pebicd ik u, opdat jjü elkander lief hebt. IS Indien u du wereld haat. zoo weet dat zij mij eer dan u gehaat heeft. 19 Indien pij van de wereld waart, zoo zoude de wereld het hare liefhebben ; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar ik l\'u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld. 20 Gedenkt des woords dat ik u ^gezegd heb : een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. I^lien zij mij vervolgd hebben, zy zullen ook u vervolgen ; indien zij mijn woord bewaard hebben, zy zullen ook het uwe bewaren. 21 Maar al deze dingen zullen [zij u doen om mijns naams wil, omdat zij hem niet kennen die mij gezonden heeft. 23 Indien ik niet gekomen ware. en tot hen gesproken hadde, zij hadden geene zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hunne zonde. 23 Die m.\'j haat, dio haat ook mijnen Vader. 2-t Indien ik de werken onder hen niet haddc gedaan, die niemand anders gedaan heeft, zij hadden geene zonde.; maar nu hebben zij ze gezien, en beide mü en mijnen Vader pehaat. 25 Maar li/it grschledt] opdat liet woord vervuld worde, dat in liunne wet geschreven is: zij heli-oen mij zonder oorzaak gehaat. 20 Maar wanneer de Trooster sal gekomen zijn, dien ik u zenden zal van den Vader, (no-mrl\'ijk] de Geest der waarheid, öie van den Vader uitgaat, die zal van mij getuigen. 27 En gij zult ook getuigen, want pij zijt van den beginne met mij geweest. D HOOFDSTUK 10. eze dingen heb ik tot u gesproken, opdat gij niet geërgerd wordt. HOOFDSTUK 10. eze dingen heb ik tot u gesproken, opdat gij niet geërgerd wordt. 2 Zij zullen u uit do Synago-peu werpen; ja de ure komt, dat een iegelijk die u zal doo-den. zal meenen Gode eenen dienst te doen. |
S En deze dingen zullen zg u doen, omdat zü den Vader niet gekend hebben, noch mij. ■li Maar deze dinpren heb ik tot u gesproken, opdat wanneer de ure zal gekomen zijn, gij derzel-ver moogt gedenken dat ik ze u gezegd heb ; doch deze dingen heb ik u van het begin niet gezegd omdat ik bij ulieden was. 5 En nu ga ik henen tot dengenen die mij gezonden heeft; en niemand van u vraagt mij : waar gaat pij henen ? G Maar omdat ik deze dingen tot u gesproken heb. zoo heeft du droefheid uw hart vervuld 7 Doch ik zep u de waarheid •, het is u nuttig dat ik wegga; want indien ik niet wegga, zoo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien ik henenga, zoo zal ik hem tot u zenden. 8 En die gekomen zijnde, zal de wereld overtuipen van zonde, en van geregtigheid, en van oordeel. 9 Van zonde, omdat zij in mij niet gelooven ; 10 En van gerestigheid, omdat ik tot mijnen Vader henenga, eu gij zult my niet meer zien; 11 En van oordeel, omdat de Overste dezer wereld geoordeeld is. 12 Nog vele dingen heb ik u te zeggen, doch gij kunt die nu niet dragen. 13 Maar wanneer die zal gekomen zijn. [nrimflljk] de Geest der waarheid, hij zal u in al de waarheid leiden. Want hij zal van zich zeiven niet spreken, maar zoo wat hij zal gehoord hebben, zal hij spreken, en de toekomende dingen zal hy u verkondigen. 11 Die zal mij verheerlijken ; wnnt h\\j zal hot uit hot mijne nemen, en zal het u verkondigen. 15 Al wat de Vader heeft, is mijne ; daarom heb ik gezegd, dat hij \'t uit het mijne zal nemen, en tl verkondigen. 16 Eenen kleinen [lijd], en gij zult mij niet zien ; en wederom, oenen kleinen [fy\'ij, en pij zult mij zien; want ik ga henen tot den Vader. 17 ISommigfti] dan uit zijne discipelen zeiden tot elkander; wat is dit, dat hij tot ons zegt: eenen kleinen [/ij\'if), en jrij zult mü niet zien; en wederom, eenen kleinen [fydj, en F 5 pij |
|
130 gij lult mij tien ; en, want. ik ga henen tut dea Vader ? 18 Zij zeiden dan ; wat ia dit dat hij zegt: eenen kleinen (tijd; ? Wij weten niet wat hij «egt. 19 Jezua dan bekende dat zij hem wilden vragen, en zeide tot hen : vraagt gij daarvan onder elkander, dat ik gezegd heb: eenen kleinen en gij zult iny niet zien; en wederom, eenen kleinen [tijd], en gij zult mij zien ? 2U Voorwaar, voorwaar ik zeg u, dat gij zult schreijen cn klagelijk weenen, maar de wereld zal zich verblijden ; en gij zult bedroefd zijn, maar uwe droefheid zal tot blijdschap worden. 21 Eenc vrouw wanneer zij baart, heeft droefheid, dewijl hare ure gekomen is; maar wanneer zij het kindeken gebaard heeft, zoo gedenkt zij de be-naauwdheid niet meer, om de blijdschap dat een mcnsch ter wereld geboren is. 22 En gij dan hebt nu wel droefheid, maar ik zal u wederom zien, en uw hart zal zich verblijden, en niemand zal uwe blijdschap van u wegnemen. 23 En in dien dag zult gij mij «iets vragen. Voorwaar, voorwaar ik zeg u al wat gij den Vader zult bidden in mijnen naam, [drl] zal hij u geven. 21 Tot nog toe hebt gij niet gebeden in mijnen naam ; bidt en gij zult ontvangen, opdat uwe blijdschap vervuld zii. 25 Deze dingen heb ik door gelijkenissen tot u gesproken ; maar de ure komt, dat ik niet meer door gelijkenissen tot u spreken zal. maar zal u vrij uit van den Vader verkondigen. 26 In dien dag zult gij in mijnen naam bidden ; en ik zeg u niet dat ik den Vader voor u bidden zal. 27 Want de Vader zelf heeft u lief, dewijl gij mij liefgehad hebt, en hebt geloofd dat ik van Ood ben uitgegaan. 28 Ik ben van den Vader uitgegaan, en ben in de wereld gekomen ; wederom verlaat ik de wereld, en ga henen tot den Vader. 29 Zijne discipelen zeiden tot hem . zie, nu spreekt gij vrij uit, cn zegt geeue gelijkenis. |
30 Nu weten wij dat gij alle dingen weet, en gij hebt niet van noode dat u iemand vraagt. Hierom geloovrn wij dat gij van God uitgegaan zijt. 31 Jezus antwoordde hun gelooft gij nu? 32 Zie, de ure komt, en is nu gekomen, dat gij zult verstrooid worden, een iegehjk naar \'t zijne, cn gij mij alleen zult laten. En [noi^nnt] ben ik niet alleen ; want de Vader is met mij. 33 Deze dingen heb ik tot n gesproken, opdat gij in mij vrede hebt. In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, ik heb de wereld overwonnen. D HOOFDSTUK 17. it heeft Jezus gesproken, en hij hief zijne oogen op uaar den hemel, en zeide •. Vader de ure is gekomen; verheerlijk uwen Zoon, opdat ook uw Zoon u vcrheerlijke. HOOFDSTUK 17. it heeft Jezus gesproken, en hij hief zijne oogen op uaar den hemel, en zeide •. Vader de ure is gekomen; verheerlijk uwen Zoon, opdat ook uw Zoon u vcrheerlijke. 2 Gclijkerwijs gij nem magt gegeven hebt over alle vlecsch, opdat al wat gij hem gegeven hebt, hij hun het eeuwige leven geve. 3 En dit is het eeuwige leven, dat zij u kennen, den eenigen waarachtigen God, cn Jezus Christus, dien gij gezonden hebt. 4 Ik heb u verheerlijkt op de aarde ; ik heb voleindigd het werk, dat gij mij gegeven hebt 5 Eu nu verheerlijk mij gij Vader bij u zeiven, met do heerlijkheid, die ik bij u had, eer dc wereld was. G Ik heb uwen naam geopenbaard den menschen, die gij mij uit de wCïeld gegeven hebt. Zij waren uwe, cn gij hebt mij dezelve gegeven, en zij hebben uw woord bewaard. 7 Nu hebben zij bekend, dat alles, wat tij mij gegeven hebt, 8 Want de woorden die gij mij gegeven hebt, heb ik hun gegeven, en zij hebben ze ontvangen , en zij hebben waarlijk bekend, dat ik van u uitgegaan ben, en hebben geloofd, dat gij mij gezonden hebt. 9 Ik bid voor hen • ik bid niet voor de wereld, maar voor de-geneS die gij mij gegeven hebt; want zij zijn uwe. 10 En al het mijne is uwe, en het HET EUANGELIUM Hoofdat. 16, 17. |
|
lloofdst. 17, 18. VAN JOl het uwe is myne •, en ik ben in hen verheerlijkt. 11 En ik ben niet meer in lt;le wereld, maar deze zijn in de wereld, en ik kom tot ii. Hei-lifje Vader, bewaar hen in uwen naam, die pij mij gegeven hebt, opdat tij één zijn, gelijk als wij. 12 Toen ik met hen in de wereld was, bewaarde ik hen in uwen naam. Die pij mij gegeven hebt, heb ik bewaard, en niemand uithenis verloren pegaan, dan de zoon der verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde. 13 Maar nu kom ik tot u, en spreek dit in de wereld, opdat zij mijne blijdschap vervuld mogen hebben in hen zei ven. 11 Ik heb hun uw woord pepeven, en de wereld heeft hen Re-haat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk als ik van de wereld niet ben. 15 Ik bid niet dat gij hen uit de wcseld wegneemt, maar dat gij hen bewaard van denboozen. 16 Zij zijn niet van de wereld, gel ijkerwijs ik van de; wereld niet ben. 17 Ileilip hen in uwe waarheid ; uw woord is de waarheid. 18 Gelijkerwijs pij mij gezonden hebt in de wereld, [oiioo] heb ik hen ook in de wereld gezonden. 19 En ik heilig mij zeiven voor hen, opdat ook zii peheiligd mogen zijn in waarheid. 20 En ik bid niet alleen voor deze, maar ook voor depenen die door hun woord in mij ge-looven zullen; 21 Opdat zij allen d«5n zijn, Re-lijkerwijs pij Vader in mij, en ik in u, dat ook zij in ons één •\',ijn; opdat de wereld peloove dat pij mij pezonden hebt. 22 En ik heb hun de heerlijkheid pepeven, die pij mij pepe-ven hebt, opdat zij éen zijn, gelijk als wij één zijn: 23 Ik in ihen, en pij in mij; cpdat zij volmaakt zijn in één, en opdat de wereld bekenne, dat pij mij gezonden hebt, en hen liefgehad hebt, gelijk gy mij liefpehad hebt. 24 Vader, ik wil dat waar ik ben, ook die bij mij zyn, die gij my gegeven hebt; opdat zij mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die pij mij gegeven hebt ; want gij\'hebt mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld. 25 Begtvaardige Vader, de 1 AM NES. 131 |
wereld heeft u niet gekend; maar ik heb u pekend, en deze hebben bekend, dat gij my gezonden hebt. 26 En ik heb hun uwen naam bekend pemaakt, en zal (Arml bekend maken, opdat de liefde waarmede pij mij liefpehad hebt in hen zij, en ik in hen. J HOOFDSTUK 18. HOOFDSTUK 18. rzus dit gezepd hebbende ging uit met lijne discipelrn over de beek Kedron, daar een hof was, in welken hij ging en zijne discipelen. 2 En Judas, die hem verried, wist ook die plaats, dewyl Jezus aldaar dikwijls verpaderd was geweest met zijne discipelen. 3 Judas dan penomen hebbende de bende (fcrijpifenecW^n), en [renigr] dienaars quot;van de Over-priesters en Farizeen, kwam aldaar met lantaarnen, en fakkelen, en wapenen. 4 Jezus dan wetende alles wat over hem komen zoude, pinp uit, en zeide tot hen: wien zoekt gij ? 5 Zij antwoordden hem ; Jezus den Nazarener. Jezus zei-do tot hen : ik ben \'t. En Judas die hem verried, stond ook bg hen. 6 Als hij dan tot hen zeide ■ ik ben \'t, pingen zy achterwaarts, en vielen ter aarde. 7 Hij vraagde hun dan wederom : wien zoekt pij ? En zij zeiden ; Jezus den Nazarener. 8 Jezus antwoordde : ik heb u gezegd dat ik \'t ben. Indien py dan mij zoekt, zoo laat deze henengaan; 9 Opdat het woord vervuld zoude worden, dat \'hij gezegd had: uit degenen die pij mij gegeven hebt, heb ik uiemand verloren. 10 Simon Petrus dan hebbende een zwaard, trok hetzelve [ui.\'l, en sloep des Hoogepries-ters dienstknecht, en hieuw zijn regteroor af. En de naam des dienstknechts was Mal-chus. 11 Jezus dan zeide tot Petrus : steek uw zwaard in de scheede. Den drinkbeker dien mij de Vader pegeven heeft, zal ik dien niet drinken ? 12 De bende dan, en de Overste over duizend, en de dienaars der Joden namen Jezus gezamenlijk, en bonden hem. FG 13 En |
|
13 En hpm henen, eerst tot Annna: want hij was dor vrouws vader vnn Kajafa*, welke deiizelveu jnars iiooife-priester was. 11 Kajafas nu was detrene die den Joden geraden had, dat het nutti}» was dat één uiensch voor het volk stierf. 15 Eu Simon Petrus volfjde Jezus, en een ander discipel Deze discipel nu was den Hoo-gepricster bekend, en pinir met Jezus iu des Hoogepriesters 16 En Petrus stond buiten aan de deur. De andere discipel dan, die den Hooffepricstcr bekend was, pint» uit, en sprak met de deurwaarster, en bragt Petrus in. 17 De dienstmaagd dan die de deurwaarster was, zeido tot Petrus : zijt ook pij niet uit de discipelen van dezen uiensch ? Hij zeide : ik ben niet. 18 En dn dienstknechten\' en de dienaars stonden, hebbende een kolenvuur gemaakt, omdat het koud was, en warmden zich. Pelms stond bij hen en warmde zich. 19 De Hoogppriester dan vraagde Jezus van zijne discipe- 20 Jezus antwoordde hem : ik heb vrij uit gesproken tot de wereld; ik heb altijd geleerd in de Synagogen en in den Tempel, daar de Joden van alle plaatsen t-T izamen komen, en in \'t verborgene heb ik niets gesproken. 21 Wat ondervraagt gij mij ? Ondervraagt degenen die \'t tre-hoord hebben, wat ik tot hen gesproken heb ; zie, deze weten wat ik gezegd heb. 22 En als hij dit zeide, een van de diénaren die daarbij stond, paf Jezus eenen kinnebakslag , zeggende: antwoordt gij alzoo den Jlooge- 23 Jezus antwoordde hem ; indien ik kwalijk gesproken heb, 1)3tuig van het kwade; en indien wel, waarom slaat gij quot;\'Ü ? . 21 \'Annas dan had hem gebonden gezonden lot Kajalas den Hoo\'repriesteri. 25 En Simnn Petrus stond en warmde zich ; zij zeiden dan tot hem: z;jt ook pij niet uit z\'jno disci pole u ? I!ij loochende het, en zeide: ik ben niet. |
26 Een van de dienstknechten des Hoogepriesters, die maagschap ivas van dengenen dien Petrus het oor afgehouwen had, zeide: heb ik u niet gezien in den hof met hem ? 27 Petrus dan loochende het wederom. Eu terstond kraaide de haan. 28 Zij dan leidden Jezus van Kajafas in \'t Kegthuis. En het was des morgens vroeg; en zy pingen niet in \'t Kegthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het Pascha eten mogten.) 29 Pilatus dan ging tot hen uit, en zeide: wat beschuldiging brengt gij tegen dezen mensch ? 30 Zij antwoordden en zeiden tot hem; indien deze geen kwaaddoener ware, zoo zouden wij hem u niet overgeleverd hebben. 31 Pilatus dan zeide tot hen ; neemt gij hem, en oordeelt hem naar uwe wet. De Joden dan zeiden tot hem: het is ous niet geoorloofd iemand te dooden ; 32 Opdat het woord van Jezus vervuld werd, dat hij gezegd had, beteekenende hoedanigen dood hij sterven zoude. 33 Pilatus dan ging wederom iu *t Regthuis, en riep Jezus, en zeide tot hem; zijt gy de Koning der Joden ? 31 Jezus antwoordde hein: zegt pij dit van u zelveu, of hebben *t u anderen van mij gezepd ? 35 Pilatus antwoordde: ben ik een Jood? Uw volk en da Overpriesters hebben u aan mij overgeleverd; wat hebt gij ge- 36 Jezus antwoordde. mijn Koningrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koningrijk van deze wereld ware, zoo zouden mijne dienaars gestreden hebben, opdat ik detii Joden niet ware overgeleverd; maar nu is mijn Koningrijk niet van hier. 37 Pilatus dnn zeide tot hem ; zijt gij dan een Koning? Jezus antwoordde; gij zegt dat ik een Koning ben. Hiertoe ben ik geboren, en hiertoe ben ik in de wereld pekomen, opdat ik der waarheid getuigenis ge-vca zoude; een iegelijk die uit de HET EUANGELIUM Hoofdit. 18. |
|
Hoofdst. 18, 10. VAN JO: de waarheid in, hoort mijne stem. 38 Pilnfxis zeidc tot hem : wat is waarheid ? Kn als hij dat pe-segd had, fjinR hij wederom uit tot de Joden, en ceide tot hen : ik vind geene schuld in hem. 39 Doch pij hebt eone gewoonte, dat ik u op het Pascha eenen loslaat. quot;Wilt pij dan dat ik u den Koninp der Joden loslaat ? 40 Zij dan riepen allen wederom, zeggende: niet dezen, maar IJar-ahhas. En Bar-abbas was een moordenaar. T HOOFDSTUK 19. oen nam Pilatus dan Je-xiis, en peeselde (/irm). HOOFDSTUK 19. oen nam Pilatus dan Je-xiis, en peeselde (/irm). 2 En de krijgsknechten eene kroon van doornen gevlochten hebbende, zotten [(»lt;•] op zijn hoofd, en wierpen hem eeu purperen kleed om; 3 En zeiden : wees gegroet, pij Koning der Joden. En zij gaven hem kinnebakslagen. 4 Pilatus dan kwam wederom uit, en zeidc tot hen : zie, ik breng hem lot uliedcn uit, opdat gij wetct, dat ik in hem geene schuld vind. 5 Jezus dan kwam uit, dragende de doornen kroon en het purperen kleed. En [Piin/iu] zeide tot hen : zie, de mensrh. 6 Als hem dan dc Overpries-ters en de dienaars zagen, riepen zij, zeggende: kruis [jiem], kruis (ArmJ. Pilatus zeide tot hen: neemt gijlieden hem en kruist Want ik vind in hem gecne schuld. 7 Dc Joden ant woordden hem; wij hebben eene wet, en naar onze wet moet hij sterven, want hij heeft zich zeiven Gods Zoon gemaakt. 8 Toon Pilatus dan dit woord hoorde, werd hij meer bevreesd; 9 En ging wederom in \'t Regt-huis, en zeide tot Jezus : van waar rijt gij ? Maar Jezus gaf hem peen antwoord. 10 Pilatus dan teide tot hem : spreekt gij tot mij niet? Weet gij niet dat ik mapt heb u te kruisigen, en inapt heb u los te laten ? 11 Jezus antwoordde: gij zoudt geene magt hebben tegen mij, indien het u niet van boven gegeven ware; daarom die mij aan u heeft overgeleverd, heeft grooter zonde. |
i ANN ES. m 12 Van toen af zocht Pilatus hem los te laten ; maar do Joden riepen, zeggende: indien gij dezen loslaat, zoo zijt pij des Keizers vriend niet; een iepelijk die zich zelven Koning maakt, wedersprcckt tien Keizsr. 13 Als Pilatus dan dit woord hoorde, brapt hij Jezus uit, en zat neder op den re:rterstoel, in de plaats genaamd Litho-strotos, en in het Hebreeuwsch Gabbatha. 11 En het was de vcorberei-dinp van het Pascha, en omtrent de zesde ure; en hij zeide tot de Joden : zie uwen Koning. 13 Maar zij riepen: neem weg, neem wep, kruis hem. Pilatus zeide tot hen: zal ik uwen Koning kruisipen ? De Overpries-ters antwoordden : wij hebben geenen Koning, dan den Keizer. 16 Toen paf hij hem dan hun over, opdat hij gekruist zoude worden. En zij namen Jezus, en leidden (/iem] weg. 17 En hij dragende zijn kruis, ping uit naar de [/tlnnls] genaamd Hoofdscheélplaats, welke in het Hebreeuwsch gc-nnamd wordt Golgotha; 18 Alwaar zij hem kruisten ; en met hem twee anderen, aan elke zijde eenen, en Jezus in \'t midden. 19 Kn Filatus schreef ook een opschrift, en zette op het kruis; en er was geschreven • Jkzüs de Nazauenf.r, dk Koning rek Joden. 20 Dit opschrift dan lazen velen van de Joden; want de plaats, daar Jezus gekruist werd, was nabij de stad ; en het was geschreven in \'t Hebreeuwsch, in \'t Grieksch, (oi] in *t Latijn. 21 De üverpriesters dan der Joden zeiden tot Pilatus • schrijf niet; de Koning der Joden ; maar dat hij gezegd heeft; ik ben dc Koning der Joden. 22 Pilatus antwoordde : wat ik geschreven heb, [Jnf] heb ik geschreven. 23 De krijgsknechten dan als zij Jezus gekruist hadden, namen zijne kleederen (en maakten vier doelen , voor eiken krijgsknecht een deel) en den rok. De rok nu was zonder naad, van boven af geheellijk geweven. 2i Z;j dan zeiden tot elkander: F 7 laat |
|
laat ons dien niet scheuren, maar laat ons daarover loten, wiens [rfir] zijn zal opdat de Schrift vervuld worde, die zefft zij hebben mijne kleede-rcn onder zich verdeeld, en over mgne kleedin? hebben zij het lot peworpen. Dit hebben dan de krijgsknechten pedaan. 25 En bij het kruis van Jezus stonden zijne moeder, en zijner moeders zuster, Maria Klopas (rroutc), en Maria Ma^dalena. 26 Jezus nu ziende [lijn?] moeder, en .den discipel dien hij liefhad, daarbij staande, zeide tot zijne moeder : vrouw, 27 Daarna zeide hij tot den discipel • zie uwe moeder. En van die ure aan nam haar de discipel in zijn |/iui(]. 28 Hierna Jezus wetende dat nu alles volbragt was, opdat de Schrift zoude vervuld worden, zeide : mij dorst. 2^ Daar stond dan een vat vol edik, cn zij vulden oenc spons met edik, en omleiden ze met hyzop, en brasten ze aan zijnen\'mond. 30 Toen Jezus dan den edik genomen had, zeide hij: het. is volbrajrt; en het hoofd bui-pende paf den peest. 31 De Joden dan, opdat de zouden blijven op den Sabbat, dewijl het de voorbereidinp was (want die dap des Sabbats was proot), baden Pilatus, dat hunne bcenen zouden pebro-ken en zij weppenomen worden. 32 De krijpsknechten dan kwamen cn braken wel do bcenen des eersten, en de» andoren, die met hem pekruist was; 33 \'laar komende tot Jezus, nis zij zapen dat hij pestorven was, zoo braken zij zijne bee-nen niet. 31 Maar een der krij-rsknech-ten doorstak zijne zijde met eene speer, en terstond kwam er bloed en water uit. 35 En die het pezien heeft die heeft het petuipd, en zijne peluipenis is waarachtip; en hij weet dat hij zept hetpeen dat waar is, opdat ook pij pslooven moopt; 36 Want deze ilinpen zijn pe-schied, opdat de Schrift vervuld worde; peen been van hem zal verbroken worden. |
37 En wederom zept eene andere Schrift zij zullen zien in welken zij pestoken hebben. 38 En daarna Jozef van Ari-mathea, (die een discipel van Jezus was, maar bedekt om «Ie vrees der Joden) bad Pilatus , dat hij mopt het lip-chaam van Jezus wepnemen; en Pilatus liet het toe. Hij dan pinp en nam het lipchaam van Jezus wep. 39 En Nicodemus kwam ook (die \'s nachts tot Jezus eerst pe-komen was) brenpende een menpsel van myrrhe cn aloë, omtrent honderd ponden [je-»•!»lt;»). 40 Zij namen dan het lichaam van Jezus, en bonden dat in linnen doeken met de specerijen, pelijk de Joden de pe-woonte hebben \'van bepraven. 41 En er was in de plaats, daar hij pekruist was, een hof, cn in den hof een nieuw praf, in hetwelk nop nooitj iemand pelepd was peweest. 42 Aldaar dan leiden zij Jezus, om de voorbereidinp der Joden, overmits het praf nabij was. T7 HOOFDSTUK 20. 1 l_jn op den eerstenquot; [((njrl der weck pinp Maria Mapdalc-na vroep, \'als \'t nop duister was, naar het praf, en zap den steen van het praf wepTeno:nen. 2 Zij liep dan, cn kwam tot Simon Petrus en tot don anderen discipel, welken Jezus liefhad, en zeide tot hen • zij hebben den Heer weppenomen uit hot praf, cn wij weten niet waar zij hem pelepd hebben. 3 Petrus dan pinp uit cn de andere discipel, en zij kwamen tot het praf. 4 En deze twee liepen te pelijk; en de andere discipel liep vooruit, sneller dan Petrus, en kwam eerst tot het praf. 5 En als hij nederbukte, zap hij de doeken lippen; noptans pinp hij [rr] niet in. 6 Simon Petrus dan kwam, en volpde hem, en pinp in \'t praf, en zap de doeken lippen. 7 En den zweetdoek, die op zijn hoofd peweest was, \\zng hij] niet bij de doeken lippen, maar in \'t bijzonder in eene [nnilrrr] plaats te zaïnen perold. 8 Toen pinp dan ook de andere discipel [rr] in, die eerst tot het graf gekomen HET EUANGELIUM Hoofdst. 19, 20. |
|
Hoofdst. 20, 21. VAN JO wan, en zag het, en geloofde. 9 Want zij wisten nog de Schrift niet, dat hij vau de doodeu moest opstaan. 10 De discipelen dan gingen wederom naar huis. 11 En Maria stond buiten bij het graf, weenende. Als zij dan weende, bukte zij in het graf, 12 En zag twee Engelen in witte [Icleederen] zitten, eenen aan het hoofd, en eenen aan de voeten, daar het ligchaam van Jezus gelegen had. 13 En die zeiden tot haar : vrouw, wat weent gij ? Zij zeide tot hen ; omdat zij mijnen lieer we^jrenomen hebben, en ik weet niet waar zij hem gelegd hebben. li En als zij dit gezegd had, keerde zij zich achterwaarts, en zag Jezus staan; en zij wist niet dat het Jezus was. 15 Jezus zeide tot haar: vrouw, wat weent gij? Wien zoekt gij ? Zij ineenende dat het de hovenier was, zeide tot hem: Heer, zoo pij hem [wfj;-! gedragen hebt, ze:* mij waar gij hem gelegd hebt, en ik zal hem wegnemen. 16 Jezus zeide tot haar : Maria. Zü zich omkeerende, zeide tot hem: Uubbouni hetwelk is gezegd. Meester. 17 Jezus zeide tot haar : rank mij niet aan; want ik ben nog niet opgevaren tot mijnen Vader, maar ffa henen tot mijne broeders, en ze? hun ; ik vaar op tot mijnen Vader, en uwen Vader, en tot mijnen God, en uwen God. 18 Maria Mogdalena ging cn boodschapte den discipelen, dat zij den Heer gezien had cn [rfnf] hü haar dit gezegd had. 19 Als het dan avond was op dcnzelfden eersten dag der week, en als de deuren gesloten waren, daar de discipelen vergaderd waren om de vrees der Joden, kwam Jezus en stond in het midden, en zeide tot hen : vrede zij ulieden. 20 En dit gezcRd hebbende toonde hij hun zijne handen en [zijne] zijde. De discipelen dan werden verblijd, als zij den Heer zagen. 21 Jezus dan zeide wederom tot hen : vrede zij ulieden. Ge-lijkerwijs mij de Vader gezonden heeft, zend ik ook ulieden. 22 En als hij dit gezegd had |
HANNES. 1S5 blies hij [op fccii), cn zeide tot hen\' ontvangt den Heiligen Geest. 23 Zoo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij vergeven ; zoo gij iemands [zourfen] houdt, [dirn] zijn zij gehouden. 24 En Thomas, een van da twaalve, gezegd Didymus, was met hen niet toen Jezus [rf/inr] kwam. 25 De andere discipelen ^dan zeiden tot hem : wij hebben dcu Heer gezien. Doch hij zeide tot hen : indien ik in zijne handen niet zie het teeken der nagelen, en mijnen vinger steek in *t teeken der nagelen, en steek mijne hand in zijne zijde, ik zal geenszins geloovcn. 26 En na acht dagen waren zijne discipelen wederom binnen, en Thomas met hen : [en] Jezus kwam als de deuren gesloten waren, en stond in \'t midden, en zeide : vrede zij ulieden. 27 Daarna zeide hij tot Thomas ; breng uwen vinger hier, cn zie mijne handen , en breng uwe hand en steek ze in mijne zijde; en zijt niet ongeloovig, maar geloovig. 28 En Thomas antwoordde, en zeide tot hem: mijn Heer, en mijn God. 29 Jezus zeide tot hem : omdat gij mij gezien hebt, Thomas, zoo hebt gij geloofd; zalig [rijn zij] die niet zullen gezien hebben, en [no^tn/u] zullen geloofd hebben. 30 Jezus dan heeft nog wel vele andere teekenen in de tegenwoordigheid zijner discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in dit boek. 31 Maar deze zijn geschreven, opdat gij geloovet, dat Jezus is de Christus, de Zoon Gods eu opdat gij geloovende *t leven hebt in zijnen naam. N HOOFDSTUK 21. a dezen openbaarde Jezus zich zclven wederom den discipelen aan de zee van Tiberias. En hij openbaarde zich aldus. HOOFDSTUK 21. a dezen openbaarde Jezus zich zclven wederom den discipelen aan de zee van Tiberias. En hij openbaarde zich aldus. 2 Daar waren te zamen Simon Petrus, en Thomas, gezegd Didymus, en Nathanaël, die van Kana in Galilea was, en de [zonen] van Zebedeüs, cn twee andere van zijne discipelen. 3 Simon Petrus zeide tot hen i ik |
V. JOHANNES. Hoofdst. 21.
HET EUAXGEL.
|
ik pa vissollen. Zij zeiden tot hem : wij gaan ook met u. Zij frinjen uit en traden terstond in \'t schip, rn in dien nacht vinsren zij niets. 4 En als het nu morgenstond peworden was, stond Jezus op den oever; doch de discipelen wisten niet dat het Jezus was. 5 Jezus dan zeide tot hen : Icinderkens, hebt Rij niet eenitfe toespijs ? Zij antwoordden hem • 6 En hij zeide tot hen : werpt het net aan de regterzijde van het schip, en jrij zult vinden. Zij wierpen \'t dan, en konden hetzelve niet meer trekken van we\'re de menigte der visschen. 7 De discipel dan welken Jezus liefhad, zeide tot Petrus . \'t ia de Heer. Simon Petrus dan hoorende dat het de Heer was, omgordde het opperkleed, (want hij was naakt) en wierp zich zeiven in de zee. 8 En de andere discipelen kwamen met het scheepken, (Want zij waren niet ver van \'t land maar omtrent twee honderd ellen), slepende het net met de visschen. 9 Als zij dan aan het land se-ga.-.n waren, zagen zy een kolenvuur liggen, en visch daarop liggen, en brood. 10 Jezus zeide tot hon : brengt van de visschen die gij nu gevangen hebt. 11 Siuion Petrus ging op, en trok het net op het land, vol groote visschen, [lt;olt;J honderd drie en vijftig; en hoewel er zoo vele waren, zoo scheurde het net niet. 18 Jezus zeide tot hen ; komt herwaarts, houdt het middagmaal. En niemand van de discipelen durfde hem vragen : wie zyt pij ? wetende dat het do Hoer was. 13 Jezus dan kwam, en nam het brood, en gaf het hun, en den visch desgelijks. 14 Dit was nu de derde maal, dat Jezus zijnen discipelen geopenbaard is, nadat hü van de dooden opgewekt was. 15 Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon, Jona[2ooii], hebt gij mij liever dan deze ? lly zeide tot hem: ja Heer, pij weet dat ik u liefheb. Hij zside tot hom: weid mijne lammeren. |
16 Hij zeide wederom tot hem ten tweeden maal: Simon, Jo-na(£ooii), hebt gij my lief? Hij zeide tot hem, ja Heer, gij weet dat ik u liefheb. Ilij zeide tot hein; hoed mijne schapen. 17 Hy zeide tot hem ten derden maal: Simon, Jona[ro(m], hebt gij mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat hij ten derden maal tot hein zeide: hebt gij mij lief? en zeide tot hem: Heer, gij weet alle dingen, gij weet dat ik u liefheb. Jezus zeide tot hem: weid myne ia voorwaar, voorwaar zeg ik tl: toen gij jonger waart, gorddet gij u zeiven, en wan-deldet alwaar pij wildet; maar wanneer gij zult oud geworden zijn, zoo zult gy uwe handen uitstrekken, en «en ander zal u gorden, en brengen waar gij niet wilt. 19 En dit zeido hij, beteeke-nende met hoedanigen dood hij God verheer\'ijken zoude. En dit gesproken hebbende, zeide hij tot lieiu: volg mij. 20 Eu Petrus zir^h omkeeren-de, zag den discipel volgen, welken Jezus liefhad, die ook in *t avondmaal op zyne borst gevallen was, en gezegd had ; Heer. wie is het, die u verraden zal ? 21 Als Petrus dezen zag, zeide hij tot .Tszus: Heer, maar wat («ni] dez.; ? 22 Jezus zeide tot hem; indien ik wil dat hij blijve totdat ik kom, wat gaat het u aan ? Volg py mij. 23 Dit woord dan ging uit onder de broederen, dat deze discipel niet zoude sterven. En Jezus had tot hem niet gezegd, dat hij niet sterven zou.le; maar, indien ik wil dat hij bliive totdat ik kom, wat gaat het 24 Deze is de discipel die van deze dingen getuigt, en deze dingen geschreven heeft; en wij weten dat zijne getuigenis waarachtig is. 2.» En er zijn nog vele andere dingen, die Jezus gedaan heeft, welke zoo zy elk by zonder geschreven werden, ik acht dat ook de wereld zelve de geschrevene boeken niet zoude vatten. Amen. |
Hoofdst. 1. DE HANDEL. D. APOSTELEN.
isr
|
H HOOFDSTUK 1. et eerste boek heb ik pemankt, o Thcopliilus, van al hetgeen lt;lat JKZUS begonnen heeft beide te doen en te leercn, HOOFDSTUK 1. et eerste boek heb ik pemankt, o Thcopliilus, van al hetgeen lt;lat JKZUS begonnen heeft beide te doen en te leercn, 2 Tot op den daef in welken hij op?enoiiien is, nadat hij door den Heiligen Geest aan de Apostelen, die hij uitverkoren had, bevelen had pepeven. 3 Aan welke hij ook, nadat hij prelcden hnd, zich zeiven levend vertoond heeft, met vele Rewisse kenteekenen, veertifT dasren lanff, zijnde van hen ee-licn, en sprekende van de din-pen die het Koningrijk Gods 4 Én als hij met (fcoi) vergaderd wan, beval hijj hun, dat «ij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten de belofte des Vaders, die fjij (zeide hij) van mij gehoord hebt. 5 Want Johannes doopte wel met water, maar \'pij zult met den Heilieen Geest gedoopt worden, niet lang na deze da-pen. fi Zij dan die te zamen gekomen waren, vraagden hem. zeggende : Hoer, zult gij in dezen tijil aan Israel het Koningrijk weder oprigten ? 7 En hij zeide tot hen . hel komt u niet toe te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in zijne eigene magt gesteld heeft. 8 Maar ff ij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, die over u komen zal; en gij zult mijne getuigen zijn, zoo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde. 9 En als hij dit gezegd had. werd hij opgenomen daar zij \'t zagen, en eene wolk nam hem weg van hunne oogen. 10 En alzoo zij hunne oogen naar den hemel hielden, terwijl hij henenvocr, zie, twee mannen stonden bij hen in witte kleeiling; |
11 quot;Welke ook zeidei.: gij Ga-lileesche mannen, wat staat gij en ziet op naar dea hemel? Deze Jezus, die var u opgenomen is in den hemel, zal alzoo komen, gelijkerwijs gij hem naar den hemel hebt zien henenvaren. 12 Toen keerden zij wederom naar Jeruzalem van den berg, die genaamd wordt de olijf-ll/rrlt;(], welke is nabi) Jeruzalem, liggende [twm i/anr] eene Sabbatsreis. 13 En als zij ingekomen waren, gingen zij op in de opperzaal, waar zij bleven, nnni rlijk] Petnis en Jacobus, en Johannes , en Andreas, Philippus en Thomas, Barthulomeüs en Mattliens, Jacobus Alpheüs-[ioon], en Simon Zelotes, e« Judas [de brotdrr] van Ja» 1 Deze allen waren eendrag-telijk volhardende in liet bidden en smeeken, met de vrouwen, en Maria de moeder van Jezus, en met zijne broederen. 15 En in dezelve dagen stond Petrus op in het midden der discipelen, en sprak icr was nu eene schare bijeen van omtrent honderd en twintig por- 16 Mannen broeders, deze Schrift moest vervuld worden, welke de Heilige Geest door den mond Davids voorzegd heeft van Judas, die de leidsman geweest is dergenen die Jezus 17 Want hij was met ons srere-kend, en had het lot dezer bediening verkregen. 18 Deze dan heeft, verworven eenen akker door het loon der ongeregtigheid, en voorwaarts over gevallen zijnde is midden opgebersten, eu al zijne inge- 19 En het is bekend geworden allen die te Jeruzalem wonen, alzoo dat die akker in hunne eigene taal genoemd wordt Akel-dama, dat ia een akker des bloeds. 20 Want er staat geschreven in het boek der Psalmen : zijne woonstede worde woest, en er zij niemand, die in dezelve wone. En : een ander neme zijn Opzieners-ambt. 21 Ilea is dan noodig, dat van de mannen, die- met ons omgegaan hebben al den tijd, in wel- |
|
welken de Heer Jezus onder ons in- en uitgegaan is, 22 Beginnende van deu doop van Johannes, tot den dag toe in welken hij van ons opgenomen is. een derzelve met ons getuige worde zijner opstanding. 23 En zij stelden er twee,\' Jozef genaamd Barsabas, die tucgenoamd was Justus, en Matthias. 21 En zij baden en zeiden : Gij Heer, gij kenner der harten van allen; wijs van deze twee eenen aan, dien gij uitverkoren hebt, 25 Om te ontvangen het lot dezer bediening en Apostel-schaps, waarvan Judas afgeweken is. dat hij henenging in zijne eigene plaats. 26 En zij wierpen hunne loten ; en het lot viel op Matthias. en hij werd met gemcene toestemming tot de elf Apostelen gekozen. TT* HOOFDSTUK 2. 1 ijn als de dag des Pinkster [yWifr»] vervuld werd. waren zij allen eendragtelijk by-een. 2 En er geschiedde hanstelijk uit den hemel een geluid, gelijk als van eenen geweldigen gedrevenen wind. en vervulde \'t gehecle huis daar zij zaten. 3 En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op eenen iegelijk van hen. 4 En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoo als de Geest hun gaf uit te spreken. 5 En er waren Joden te Jeruzalem wonende , godvruchtige inannen van alle volken dergenen die onder den hemel zijn. 6 En als deze stem geschied was, kwam de menigte te zanten, en word beroerd; want een iegelijk hoorde hen in zijne eigene taal spreken. 7 En zij ontzetten zich allen, en verwonderden zich. zeggende tot elkander; zie. zijn niet al deze, die daar spreken, Galileërs ? 8 En hoe hooren wij hen een iegelijk in onze eigene taal, in welke wij geboren zijn ? 9 Parthers en Meders, en Ela-Uiiten, en die inwoners zijn van |
Mesopotamië, en Judea, en Kappadocië, Pontua, en Azië, 10 En Phiygië, en Pamphy-lië, Egypte, en de deelen van Libyë, hetwelk bij Cyrene [iiijt], en uitlandsche Romeinen, -beide Joden en Jodenge-nooten. 11 Kretensen en Arabieren; wij hooren hen in onze talen dc groote werken Gods spreken. 12 En zij ontzetten zich allen, en werden twijfelmoedig, zeggende de een tegen den anderen ; wat wil toch dit zyn ? 13 En anderen spottende zeiden : zij zijn vol zoeten wijns. 11 Maar Petrus staande met de elve, verhief zijne stem, en sprak tot hen : gij Joodsche mannen, en gij allen die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend, en laat mijne woorden tot uwe ooren ingaan. 15 Want deze zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt; want het is [eent] de derde ure van den dag. 16 Maar dit is *t, wat gesproken is door c\'.en Profeet Joël: 17 En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God), ik zal uitstorten van ;nijnen Geest op alle vleesch ; en uwe zonen en uwe dochters zullen profeteren. en uwe jcngelingen zullen gezigten zien. en uwe ouden zullen droomen droomen. 18 En ook ojï mijne dienstknechten en tp mijne dienstmaagden zal ik in die dagen van mijnen Gj-est uitstorten, en zij zullen profeteren. 19 En ik zal nonderen geven, in den hemel boven, en teeke-nen op de aarde beneden , bloed, en vuur, en rookdamp. 20 De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat dc groote en doorluchtige dag des Heereu komt. 21 En het zal zijn. dat een iegelijk die den naam des Hee-ren zal aanroepen , zalig zal worden. 22 Gij Israëlitische mannen, hoort deze woorden : Jezus den Nazarener eenen man van God onder ulieden betoond door krachten, en wonderen, en tee-kenen, die God door hem gedaan heeft in \'t midden van u, gelijk ook gij welven weet; 23 Dezen. door den bepaalden raad en voorkennis Gods |
|
Uoofdct. 2, 3, DER API Overgegeven zijnde, hebt pü genomen, en door de handen der onrefftvaardigen aan het [Jcruid frchccht, en gedood. 21 Welken Cod opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzoo het niet mogelijk was, dat hij van denzelven [dood] zoude gehouden worden. 25 Want David zefft van hem : ik zag den lieer allen tijd voor my : want hij is aan mijno reg-ter[fcind] , opdat ik niet bewogen worde. 26 Daarom is mijn hart verblijd, en mijne tonff verheugt zich : ja ook myn vleesch zal rusten in hope; 27 Want fjij zult mijne ziel in de hel niet verlaten, noch zult uwen Heiligen niet [ot?rr]ge-ven, om verderving te zien. 28 Gij hebt mij de wegen des levens bekend gemaakt ; gij zult mij vervullen met verheuging door uw aangezigt. 29 Gy mannen broeder?, \'t is [mij) geoorloofd vrij uit tot u te spreken van den Patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is; en zijn praf is onder ons tot op~dezcn dag. 30 Alzoo hij dan een Profeet was, en wist, dat God hem met cede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner lendenen, zoo veel het vleesch aangaat, den Christus verwekken zoude, om op zijnen troon te zetten ; 31 Zoo heeft hij (dilt;] voorziende gesproken van dc opstanding van Christus, dat zijne ziel niet is verlaten in de hel, noch zijn vleesch verderving heeft gezien. 32 Dezen Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn. 33 Hij dan door de \'re:rter-[hnnd] Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heilisfen Gees-tes ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort dat gij nu ziet en hoort. 34 Want David is niet opgevaren in dc hemelen ; maar hij zegt: de Heer heeft gesproken tot mijnen Heer; zit aan mijne regter(Annd), 35 Totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot eene voetbank uwer voeten. 36 Zoo wete dan zekerlijk het gansche huis Israels, dat God gt;STELEN. 139 |
hem tot eenen Heei en Christus gemaakt heeft, (nomriijltl dezen Jezus dien [jij] gekruist hebt. 37 En als zij [dltl hoorden, werden zy verslagen in \'t hart, en zeiden tot Petrus en de andere Apostelen ; wat zullen wij doen, mannen broeders ? 38 En Petrus zeide tot hen: bekeert u, en een iesjelijk van u worde gedoopt in den naam van Jezus Christus, tot ver^evinfr der zonden; en pij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. 39 Want u komt de belofte toe, en uwen kindereu, en allen die daar ver zijn, zoo velen als er de Heer onze God toe roepen zal. 40 En met veel meer andere woorden betuigde hij, cn vermaande [Arn], zp?*rcnde ; woidt behouden van dit verkeerd geslacht. 41 Die dan zijn woord raarne aannamen, werden gedoopt; en er werden op dien dag [tlt;it Urn] toegedaan omtrent drie duizend zielen. 42 En zij waren volhardende in de loer der Apostelen, cn in dc gemeenschap, en in de bre-kiiür des broods, en in dc gebeden. 43 En eene vrees kwam over alle zielen; en vele wonderen en teekenengeschiedden doorde Apostelen. 41 En allen die geloofden waren bijeen en hadden alle dingen gemeen. 43 En zij verkochten [Jiunnr] poederen en have. en verdeelden dezelve aan allen, naardat elk noodip had. 40 En dadelijks eendrastelyk in den Tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zy te zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten ; 47 En prezen God, en hadden penade bij het ganschc volk, F.n dc Heer deed dagelijks tot de gemeente die zalig werden. quot;13 HOOFDSTUK 3. 1 1 etrus nu. en Johannes ffingon te zamen op naar den Tempel, omtrent dc ure des pe-beds, zijnde de nepende (urrj; 2 En een zeker nan, die kreupel was van zijner moeders lyf, werd gedragen; welken zy dage\' |
140 DE HANI
pelijks eetten aan lt;1« deur des Tempels, genanind de Schoone, om eene aalmoes te he£»peren van denpenen die in den Tempel jdniren,
3 Welke Petrus en Johannes ziende, als zij in den Tempel zouden ingaan, bad dat hij eene aalmoes mojrt ontvangen. ■1 En Petrus sterk op hem ziende, met Johannes, zeide, zie op ons.
5 En hij hield [de oogrn] op hen, vcrirachtendc dat hij iets vnn hen zoude ontvangen. 0 En Petrus zeide zilver en Koud heb ik niet; maar hetgeen ik heb dat geef ik u ; in den «aam van Jezus Christus den Nazarener, sta op en wandel.
7 En hem grijpende bij de reff-terhand, ristte (/irm] op, én terstond werden zijne voeten en enkelen vast.
8 En hij opsprin-rende stond en wandelde, en ginj* met hen in den_ Tempel, wandelende en springende, en lovende God.
9 En al het volk zag hem wandelen, en God loven.
10 En zij kenden hem dat hij die was, die om eene aalmoes gezeten had aan de Schoone poort des Tempels, en zij werden vervuld met verbaasdheid en ontzetting over hetgeen dat hem geschied was.
11 En als dc kreupele, die gezond gemankt was, (ooi] Petrus en Johannes vasthield, liep al \'t volk gezamenlijk tot hen in het voorhof, hetwelk Salomons [voor/iojj genaamd wordt, verbaasd zijnde.
12 En Petrus [i/ofj ziende antwoordde tot het volk : gij Israëlitische mannen, wat verwon-dert gij u over dit ? Of wat ziet gij [ïoo\', st.-rk op ons, alsof wij door onr.e eigene kracht of godzaligheid dezen hadden doen
13 De God Abrahams, cn Izaaks, en .Takobs, de God onzer vaderen, heeft zijn kind Jezus verheerlijkt, welken gij overgeleverd h;bt, en hebt hem verloochend voor het anngezigt van Pilatus, als hij oordeelde dat men [/irm] zoude loslaten.
14 Maar gij hebt den heiligen en regtvaardigen verloochend, en hebt begeerd dat u een man, die een doodslager was, zoude geschonken worden •
•ELIN6EN Hoofdst. S.
115 En den Vorst des \'levens hebt gij gedood, welken God opgewekt heeft uit de dooden ; waarvan wij getuigen zijn.
16 En door het geloof in lijnen naam heeft zijn naam dezen gesterkt, dien gij ziet en kent; cn het geloof dat door hem is, heeft hem deze volmaakte gezondheid gegeven in uwer aller tegenwoordigheid.
17 En nu, broeders, ik weet dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk als ook.uwe Oversten;
18 Maar God heeft alzoo vervuld, hetgeen hij door den mond van al zijne Profeten te voren verkondigd had, dat de Christus lijden zoude.
10 Betert u dan, en bekeert u, opdat uwe zonden mogen uitgewischt worden, wanneer de tijden der verkoeling zullen quot;i\'komcn zijn van het aangezigt dos Heeren.
20 En hij gezonden zal hebben Jezus Christus, die u te voren gepredikt is;
21 Welken de hemel moet ontvangen tot dt tijden der weder-oprigting aller dingen, dicSGod gesproken heeft door den mond van al zijne heilige Profeten van MM eeuw.
22 Want Mozcs heeft tot de vaderen gezegd: de Heer uw God zal u eenen Profeet verwekken uit uve broederen gelijk mij ; dien stuit gij hooren in alles wat hij tot u spreken zal.
23 En het zal geschieden, dat alle ziele die dezen Profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit het volk.
21 En ook .al de Profeten van Samuël aan, en die daarna [ye-volgd zijn], zoo velen als \'er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen te voren ver-kondierd.
25 Gijlieden zyt kinderen der Profeten, en des verbonds, hetwelk God met onze vaderen opgerigt heeft, zeggende tot Abraham: en in uw zaad zullen alle geslachten der aarde gezeffend worden.
26 God opgewekt hebbende zijn kind Jezus, heeft denzelven eerst tot u g;zonden, dat hij ulieden zegenen zonde, daarin dat hij een iegelijk (tmn «] af-kcere van uwe boosheden.
HOOFD-
Hoofdat. 4.
E HOOFDSTUK ♦. n terwijl ?!ij tot het volk spraken, kwamen daarover tot hen de Priesterii, en de Hoofdman des Tempels, en de Sad-duceën ; HOOFDSTUK ♦. n terwijl ?!ij tot het volk spraken, kwamen daarover tot hen de Priesterii, en de Hoofdman des Tempels, en de Sad-duceën ;
8 Zeer t\' onvreden zijnde, omdat zij het volk leerden, en verkondigden in Jezus de op-Btandinp uit de dooden ;
3 En sloegen de handen aan hen, en zetten hen in bewaring tot den anderen dag. Want \'t was nu avond.
4 Eu velen van degenen die het woord gehoord hadden, geloofden; en het getal der mannen werd omtrent vyf dui-
5 En het geschiedde des anderen daags, dat hunne Oversten/, en Ouderlingen, en Schriftgeleerden te Jeruzalem vergaderden ;
6 En Annas de- iloogepries-ter, en Kajafas, en Johannes, en Alexander, en zoo velen er van het hoogeprieaterlijk geslacht waren.
7 Eu als zij hen in het midden gesteld hadden, vraagden zij ; door wat kracht, of door wat naam hebt gijlieden dit gedaan ?
8 Toen zeide Petrus, vervuld zijnde met den Heiligen Geest, tot hen ; gij Oversten des volks, eu gij Ouderlingen Israels,
9 Al zoo wij heden regterlijk onderzocht worden over de weldaad aan een krank mensch [ficichird], waardoor hij gezond geworden is;
10 Zoo zij u allen kennelijk, en het gansche volk Israels, dat door den naam van Jezus Christus den Nnzarener, dien pij gekruUt hebt, weikeu God van de dooden hoeft opgewekt, door hem [zeg iA:] staat deze hier voor u gezond.
11 Deze is de steen, die van u de bouwlieden veracht is, welke tot een hoofd des hoeks geworden is.
12 En de zaligheid is in geenen anderen. Want er is ook ouder lt;len hemel geen andere naam, die onder de menschen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden.
13 Zij nu ziende de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, en vernemende dat zij ongeleerde en slechte menschen |
waren, verwonderden sich, en kenden hen dat zi; met Jeius geweest waren ;
14 En ziende den mensch bg hen staan die genezen was, hadden zij niets daartegen te zeggen.
15 En hen geboden hebbende uit te gaan buiten den Kaad overleiden zij met elkander,
16 Zeggende : wat zullen wij deze menschen doen? Want dat er een bekend tseken door hen geschied zij, is openbaar allen die te Jeruzalem wonen, en w*) kunnen het niet looche-
17 Maar opdat het niet meer en meer onder het volk verspreid worde, laat ons hen scherpelijk dreigen, dat zij niet meer tot eenigen mensch in dezen naam spreken.
IS En als zij hen sreroepea hadden zeiden zij hun aan, dat zij ganschelijk niet zou\' den spreken, noch leeren, in den naam van Jezus.
19 Maar Petrus en Johannes antwoordende zeiden tot hen : oordeelt gij, of het regt is voor Ood, ulieden meer te hooren dan God.
20 Want wij kunnen niet laten te spreken hetgeen wij gezien en gehoord hebben.
21 Maar zij dreigdt n hen nog meer, en lieten hen gaan, niets vindende hoe zij hen straffen zouden, om des volks wil; want zij verheerlijkten allen God over hetgeen dat er geschied was.
22 Want de mensch was meer dan veertig jaren oud, aan welken dit toeken der genezing geschied was.
23 En zij losgelaten zijnde kwamen tot de hunnen, en verkondigden al wat da Over-priesters en de Ouderlingen tot hen gezegd hadden.
24 En als dezen [lt;/quot;lt;] hoorden, hieven zij eendragtelijk [Uun-nc) stem op tot God, en zeiden: Heer, gij zijt de God, die gemaakt hebt den hemel, en de aarde, en «Ie zee, en alle dingen, die in dezelve zijn ;
25 Die door den mond van David uwen knecht gezegd hebt: waarom woeden de Heidenen, en hebb.m de volken ijdele dingen bedacht ?
20 De Koningen der aarde zijn I ((e tarnen] opgestaan, en de Over-
|
Overaten tijn bijeen veriraderd, te^en den Heer, en tegen zijnen Gezalfden. 27 Want in waarheid zijn vergaderd tegen uw heilig kind Jezus, welken pij gezalfd hebt, beide Herodes en Pontiufi Pila-tus, met de Heidenen en de volken Israels ; 28 Om te doen al wat uwe hand en uw raad te voren bepaald had dat geschiede zoude. 29 En nu [iln«), Heer, zie op hunne dreigingen, en geef uwen dien»(knerht.en met alle vrijmoedigheid uw woord te SO Daarin, dat gij uwe hand uitstrekt tot genezing, en dat teekenen en wonderen geschieden door den naam van uw hei-li*; kind .lezus. 31 En als zij gebeden hadden, werd de plaats in welke zij vergaderd waren, bewogen. En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en spraken het woord Gods met vrijmoedigheid. 32 En der menigte van deze-nen die geloofden was één hart en [ééne] ziel; en niemand zeide dat iets van *t geen hij had zijn eigen ware, maar alle dingen waren hun cremeen. 33 En de Apostelen gaven met groote krac-ut getuigenis van de opstanding des heeren Jezus ; en er was groote genade over hen allen. 31 Want er was ook niemand onder hen die gebrek had. Want zoo velen alg er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij, en brasrtcn den prijs der verkochte [qoedf-ren], en leiden [rfirn] aan de voeten der Apostelen. 3.ri En .quot;.an een iegelijk werd uitgedeeld uaardat elk noo- 36 En Jozes, van de Apostelen toegenaamd Barnabas, (\'t welk is, overgezet zijnde, een zoon der vertroosting; een Leviet, van geboorte uit Cyprus, 37 Alzoo hij eenen akker had, verkocht [(iicnj, en brafft het geld, en leide het aan da voeten der Apostelen. E HOOFDSTUK 5. n een zeker uian met name Ananias, met Saffira HOOFDSTUK 5. n een zeker uian met name Ananias, met Saffira |
zijne vrouw verkocht eene have; 2 En onttrok van den prijs, ook met medeweten zijner vrouw, en bragt een zeker deel, en leide aan de voeten der Apostelen. 3 En Petrus zeidc : Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij den Heiligen Geest liegen zoudt, en onttrekken van den prijs des lands ? Zoo het gebleven ware, bleef het niet uwe? En verkocht zijnde, was het niet in uwe magt ? Wat is \'t dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen ? Gij hebt den menschen niet gelopen, maar Gode. 5 En Ananias deze woorden hoorende viel neder, en gaf den geest. En er kwam groote vrees over allen die dit hoorden. 6 En de jongelingen opstaande schikten tem toe, en droe-sen [/tem] uit, en begroeven (lirni). 7 En \'t was omtrent drie uren daarna, dat ook zijne vrouw daar inkwam, niet wetende wat er geschied was. 8 En Petrus antwoordde haar ; zeg mij, hebt gijlieden het land voor zoo veel verkocht ? En zij zeide : ja voor zoo\' veel. .9 En Petrus zeide tot haar : wat is \'t dat gg onder u hebt overeenpestem 1 te verzoeken den Geest dei Heeren ? Zie, de Toeten dergenen die uwen man begraven hebben zijn voor de deur, en zullen u uitdragen. 10 En zij viel terstond neder voor zijne voetjn, en gaf den treest. Én de jongelingen ingekomen zijnde vonden haar dood, en droegen [Annr] uit, en begroeven [/.aar] bij haren 11 En er kwam groote vrees over de geheele gemeente, en over allen die dit hoorden. 12 En door de handen der Apostelen geschiedden vele teekenen en wonderen onder het volk; en zij waren allen eendragtelijk in het voorhof Salomons. 13 En van de anderen durfde niemand zich bij hen voegen ; maar het volk hield hen in groote achtinp. M En er werden meer en meer toegedaan die deu Heer pe-«loof- DE HANDELINGEN Hoofdêt. i, 5. |
)STELEN. 143
weid; (want zij vreesden het volk, opdat zij niet gesteenigd werden.)
27 En als zij hen gebragt hadden, stelden zij hen voor den Uaad; en de Hoogepri ester vraagde hen, en zcide .
28 Hebben wij u niet ernste-lijk aangezegd, dat gij in dezen naam niet zoudt leeren ? En zie, gij hebt met deze uwe leer Jeruzalem vervuld, en gij wilt het bloed dezes menschen over ons brengen.
20 Maar Petrus en de Apostelen antwoordden, en zuiden men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan den menschen.
30 De God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt, welken gij om-gebragt hebt, hangende [hem] aan het hout.
31 Dezen heeft God door zijne regter(/in nd verhoogd [tot] eenen Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekeering en vergeving der zonden.
32 En wij zijn zijne getuigen van deze woorden ; en ook de Heilige Geest, welken God gegeven heeft dengenen die hem gehoorzaam zijn.
33 Als\' zij nu hoorden berstte hun [hrl hurt]; en zij hielden raad om hen te doo-
3t Maar een zekere Parizeer stond op in den Raad, met name Gamaliël, een Leeraar der wet, in waarde gehouden bij al het volk, en gebood dat men de Apostelen een weinig zoude doen buiten [»/on/i];
35 En zeide tot hen: gij Israëlitische mannen, ziet voor u wat gij doen zult aangaande deze menschen.
36 Want vóór deze dagen stond Theudas op, zeggende dat hij wat was, wien een getal van omtrent vier honderd mannen aanhing; welke is omgebragt, en allen die hem gehoor gaven, zijn verstrooid en tot niet geworden.
37 Na hem stond op Judas de Galileër, in de dagen der beschrijving, en maakte veel volks afvallig achter zich; en deze is ook vergaan, en allen die hem gehoor gaven, zijn verstrooid geworden.
38 En nu zeg ik ulieden: houdt af van deze menschen, en laat hen [ jaan] ; want indien deze raad, of dit werk uit
men-
Hoofdrt. 5. DER AP(
loofden, menigten beide van mannen en van vrouwen;
15 Alzoo dat zij de kranken uitdroegen op de straten, en leiden op bedden en beddekens, opdat als Petrus kwam, ook maar de schaduw iemand van hen beschaduwen mo?t.
16 En ook de menigte uit de omliggende steden kwam gezamenlijk te Jeruzalem, brengende kranken, en die van onreine geesten gekweld waren, welke allen genezen werden.
17 En de Hoojrepriester stond op, en allen die met hein waren (welke was de sekte der Sadduceön) en werden vervuld met nijdigheid,
18 En sloegen hunne handen aan de Apostelen, en zetten hen in de gemeene gevangeni».
19 Maar de Engel des Heercn opende des nachts de deuren der gevangenis, en leidde hen uit, en zeide :
20 Gaat henen, en staat, en spreekt in den Tempel tot het volk al de woorden dezes levens.
21 Als zij nu (dit] gehoord hadden, gingen zü tegen den morgenstond in den Tempel, en leerden. Maar de Hooge-priester, en die met hem waren, gekomen zijnde riepen den Raad te zamen, en al de Oudsten der kinderen Israels, en zonden naar den kerker, om hen te halen.
22 Doch als de dienaars daar kwamen, vonden zij hen in de gevangenis niet, maar keerden wederoui, en boodschapten [dit],
23 Zeggende : wij vondan wel den kerker met alle verzekerdheid toegesloten, en de wachters buiten staande voor de deuren ; maar als wij [rfifj geopend hadden, vonden wij niemand daar binnen.
21 Toen nu de (i/oo^clpries-ter, en de Hoofdman des Tempels, en de Overpriesters deze woorden hoorden, werden zij twijfelmoedig over hen, waj. toen dit worden zoude.
25 En er kwam een, en boodschapte hun, zeggende: zie, de mannen die gij in de gevangenis gezet hebt, slaan in den Tempel, en leeren het volk.
26 Toen ging de Hoofdman henen, met de dienaren, en bragt hen, [doch] niet met ge-
|
uienschen is, zoo zal het gebroken worden ; 39 Maar indien het nit God is, zoo kunt gij dat niet breken ; opdat pij niet misschien gevonden wordt ook tegen God te strijden. 4» En zij (raven hem gehoor ; en als zij de Apontelen tot hen pcroepen hadden, geeselden zij (i/eiWiir), en geboden [/mn) dat Z(i niet zouden spreken in den naam van Jezus, en lieten hen gaan. 41 Zij dan (ringen henen van \'t aamjezigt dos Raads, verblijd zijnde dat zij waren waardig geacht geweest om zijns naams wil smaadbeid te lüdcn. 42 En zij hielden niet op alle dn-ren in den Tempel en bij de huizen te loeren, en Jezus Christus te vevkoudipen. I J_in in dezelve dagen, als de discipelen vermenigvuldigden, ontstond eene murinuree-rin-r der Griekschen tegen de Hebreen, omdat hunne weduwen in de dagelijksche bediening verzuimd werden. 3 En de twaalve riepen de menigte der discipelen tot zich cn zeiden : het is niet behoorlijk dat wij het woord Gods nalaten, en de tafelen dienen. 3 Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die [notdt] Ifetuigenis hebben, vol dos Heiligen Geestes en der wgs-hcid, welke wij mnijcn stellen over deze noodi^re zaak. 4 .Maar wij zullen volharden in den gebede, en in de bedie-«inif des woords. 5 En dit woonl behaagde al de menigte; en zij verkozen Stefa-ii us, eenen man vol des geloofs en des Heiligen Geestes, en Philippus en Prochorus, en Nicanor, en Tinion, en Par-nicnas, en Nicolaüs, eenen Jo-demrenoot van Antiochië; 6 Welke zij voor de Apostelen stelden ; en als zij gebeden hadden, leiden hun de handen op. 7 En het woord Gods wies, en het getal der discipelen vermenigvuldigde te Jeruzalem zeer; en eene groote schare der Priesteren werd den geloo-ve gehoorzaam. 8 En Stefanus vol ireloof en kracht, deed wonderen en groote teekenen onder het volk. |
9 En er stonden op sommigen, die waren van de Synaftoge, genaamd der Libert^nen, en der Cyreneërs, en der Alezan-drünen, en dergenen die van Cilicië en Azië waren, en twistten met Stefanus. 1U En zij konden niet weder-staan de wijsheid en den Geest, door welken hij sprak. 11 Toen maakten zü mannen uit, die zeiden : wjj hebben hem huoren spreken lasterlijke woor-den tegen Mozes en God. 12 En zij beroerden het volk, en de Ouderlingen, en de Schriftgeleerden ; en [/«rui] aanvallende grepen zij hem, en leidden (Ar»n] voor den Raad, 13 En stelden valsche getuigen, en zeiden : deze mcnsch houdt niet op lasterlijke woorden te spreken toeren deze hei-lize plaats, en de wet: 11 Want wij lebben hem hoeren zeffKcn, dat deze Jezus de Xazarcner deze plaats zal veigt; breken, en [datj hy do zoden veranderen zaquot;,, die ons Mozes overgeleverd hoeft. 15 En allen die in den Raad zaten, de oogen op hem houdende, zagen z jn aangezigt als het aangezigt eens Engels. TTi HOCFDSTÜK 7. 1 X ^n de Houprcpriester zei-de : zijn dan deze dingen alzoo ? 2 En hij zeide: pij mannen broeders en vaders, hoort toe : de God der heerlijkheid verscheen onzen vader Abraham, [««;;] zijnde in Mesopotnmië, eer hij woonde in Charran; 3 En zeide tot hem: pa uit uw land, en uit uwe maapschap, en kom in een iand, dat ik u wijzen zal. 4 Toen pinp hij uit het land der Chaldeën, en woonde in Charran. En van daar, nadat zijn vader gestorven was, bragt hij hom over in dit land, daar 5 En hij gaf hem geen erfdeel in hetzelve, ook niet éénen voetstap; en beloofde dat hij hem *t zelve tot eene bezitting steven zoude en zyn zand na hein, als hij [nog] geen kind had. G En God sprak alzoo, dat zijn zand vreemdeling zijn zoude, in een vreemd land, en [ilnl] zij het zouden dienstbaar ma-^ ken ■ DE HANDELINGEN Hoofdit. 6, 6. 7. |
Hoofjst. y.
14S
ken, en kwalijk handelen ricr hondenl jaren.
7 En het volk dat lij dienen zullen, zal ik oordeelen, sprak God. En daarna zullen zij uitgaan, en zij zullen mij dienen in doze plaats.
S-F.n hij paf hem het verbond der besnijdenis, en alzoo pewon hij Izaak, en besneed hem op den arhtsten daj? ; en Izaak [17c-vnn] Jakob, en Jakob du twaalf Patriarchen.
9 En de Patriarchen nijdiar zijnde verkochten Jozef, lom] naar Egypte Igebrayt te tvor-Hm ;] en God was met hem,
10 En verloste hem uit nl zijne verdrukkingen, « n paf hem genade en wijsheid voor Farao, den Koninp van Ejrypte ; en hij stelde hem tot cenen Oversten over Egypte en zgn geheele huis.
11 En er kwam een honjfers-nood over het peheele land van Eprypto en Kanaiin, en tfroof.e benaauwdheid ; en onze vaders vonden peen spijs.
12 Maar als Jakob hoorde dat in Epypte koren was, zond h(j onze vaders eerstmaal uit.
13 En in de tweede [r»-!»] werd Jozef zijnen broederen bekend, en het peslacht Jozefs werd Farao openbaar.
It En Jozef zond henen, en ontbood zijnen vader Jakob, en al zijn peslarht, [hntttnnde] in vijf en zeventig zielen.
15 En Jakob kwam af in Epypte, en stierf, hij zelf en onze
16 En zij werden overpebrapt naar Sichein, rn pelepd in \'t praf hetwelk Abraham pekocht had voor eene som pelds, van de zonen van Einmor, (\'Jm rn-rfrr] \\-an Siehem.
17 Maar als nu de fijd der belofte, die God Abraham pe-zworen had, penaakte, wies het volk, en vermenigvuldigde in Eijypte;
18 Totdat een andere Koninp opstond die Jozef niet gekend had.
19 Deze gebruikte listipheid tepen ons peslarht, en handelde kwalijk met onze vaderen, zoodat zij hunne jonpe kinderen moesten wepwerpen, opdat zij niet zouden voorttelen.
20 In welken tijd Mozes werd 1
geboren, en was uitnemend schoon, welke dril; maanden opgevoed werd in \'t huis zijns vaders.
21 En r.ls hij wesrpeworpen was, nam hom de dichter van Farao op, en voedde hem voor zich zelve op tot eenen zoon.
22 En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Epyp-
woorden cn in werkt n.
23 Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam (Afm) 111 zijn hart zijne broeders de kinderen Israels te be-
21 En ziende eenen din onrept leed, beschermde hij (/irm], en wreekte dengenen dien overlast peschiedde, en versloeg den Egyptenaar.
25 En hij meende, dat zijne broeders zouden verstaan, dat God door zijne hand hun verlossing peven zoude ; maar zij hebben \'t niet verstaan.
26 En den volgenden dap werd hij van hen gezien, daar zij vochten; en hij drong hen tot vrede, zegende ; mannen, pij zijt broeders; waarom doet gij elkander onpplijk ?
27 En die zijnen naasten onpe» lijk deed, verstiet hem, zep-ijende: wie heeft u tot een Overste en Regter over ona gesteld ?
23 Wilt pij mij [00V1 ombren-een, gelijkerwijs pij pisteren den Epyptenaar omgebragt licht ?
29 En Mozes vluptte op dat woord, en werd een vreemdeling in \'t land Madiam, waar hy twee zouen gewon.
30 En als veertig jaren vervuld waren, verscheen hem dc Engel des Ileeren in de woestijn des bergs Sina, in een vlammig vuur van het doornenbosch.
31 Mozes nu [rfnt] ziende verwonderde zich over het pe-zipt; en als hij derwaarts ging om [ftntj te bezien, zoo fre-schiedde eene stem des Ileeren tot hem,
32 [Zrygrndr] : ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams, en dc God Izaaks, cn de God Jakobs, En Mozes werd zeer bevende, cn duifde [ftrlt;] niet bezien.
33 En de Heer *e:de tot hem : ontbind de schoenen van uwe
I voeten: want de plaats, in G wel-
|
«■elke gij Haat, in heilig land. 3i Ik fieb merkelijk gezien de miihaudeling mijns volks dat iu Esryptc is, en ik heb hun tuchten gehoord, en ben ne-dergekomen, om hen daaruit te verlossen; en nu kom herwaarts, ik zal u naar Egypte eenden. 35 Dezen Mozcs, welken zij verloochend hadden, zeggende . wie heeft u tot eenen Overste en Regter gesteld ? dezen [areg ik] heeft Ood tot eenen Oversten en Verlosser gezonden door de hand des Engels, die hem verschenen was in het door-nenbosch. 36 Deze heeft hen uitgeleid, doende wouderen en teekenen in het land van Egypte, en in de roode zee, en in dc woestijn, veertig jaren. 37 Deze is de Mozes, die tot de kinderen Israels gezegd heeft: de Heer uw God zal u eenen Profeet verwekken uit uwe broederen, gelijk mij ; dien zult gij hooren. 38 Deze is *t die in de vergadering [det volki] in de woestijn was met den Engel, die tot hem sprak op den berg Sina, en [mrt] onze vaderen; welke de levende woorden ontving, om ons («Zif] te geven; 30 Welken onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen en keerden met hunne harten [wtdrr] naar Egypte ; 40 Zeggende tot Aaron : maak ons Goden, die voor ons henen-gaan. Want fuo/] dezen Mozes [nnngnnt], die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet wat hem geschied is. 41 En zij mankten een kalf in die dagen, en brngten offerande tot den afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen. 42 En God keerde [iïc/i], en gaf hen over, dat zij het heir des hemels dienden, gelijk geschreven is in het boek der Profeten : hebt gij ook ilagtofFeren cn offeranden mij opgeofferd, veertig jaren in de woestijn, gy huis IsraelsT 43 Ja gij hebt opgenomen den Tabernakel van Moloch, en het gesternte van uwen God Remphan. de afbeeldingen die gg gemaakt hebt, om die e aanbidden ; en ik zal u over-•ELINGEN Hoofdst. ?. |
voeren op gene van Ba- bylonië. 4 De Tabernakel der getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk geordineerd had hij die tot Mozes zeide. dat hü denzelven «naken zoude naar de afbeelding die hy ge\' zien had ; 45 Welken ook onze vader» ontvangen hebbende, met Jo-zua gebragt hebben in het [Jnnd] dat de Heidenen bezaten, die God verdreven heeft, van het aangezigt onzer vaderen. tot de dagen Davids 46 Welke voor God genade gevonden heeft en begeerd heeft te vinden eenc woonstede voor den God Jakobs. 47 En Salomon bouwde hem een huis. 48 Maar de Allerhoogste woont niet in Tempelen met handen gemaakt; gelyk de Profeet zegt: 49 De hemel is mij een troon, en de aarde eenc voetbank mijner voeten. Hoedanig huis zult gij mg bouwen, zegt de Heer, of welke is dc plaats mijner rust ? 50 Heeft niet mijne hand al deze dingen gemaakt? 51 Gij hardnekkigen en onbe-snedenen van hart en ooren. gij wederstaat altyd den Heiligen Geest; gelyk uwe vaders. [nlzoo] ook gy. 52 Wien van de Profeten hebben uwe vaders niet vervolgd 7 En zij hebb jn gedood dengenen die te voren verkondigd hebben de komst van don Regtvaardi-gen, van welken gijlieden nu verraders en moordenaars geworden zijt. 53 Gij die de wet ontvangen hebt door bestellingen der Engelen, en hebt (m) niet gehouden. 54 Als zij nu dit hoorden, berstten hunne harten, en zij knersten de tanden tegen hem. 55 Maar hij vol zijnde des Heiligen Geestes, en de oogen houdende naar den hemel, zag de heerlijkheid Gods, en Jezus, staande ter regter[/iand] Gods. 56 En hij zeide: zie. ik zie de hemelan geopend, en den Zoon des menscben staande ter regter[fcand] Gods. 57 Maar zij roepende met groo- |
|
Hoofdat. 7. 8. DER APC proote stem, stopten hunne ooren, en vielen eendragtelijk op hem aan. 58 En zij wierpen hem ter stad uit, i-n steeuipden (/M»m] ; en de petuipen leiden hunne kleederen af aan de voeten eens jongclings, genaamd Sau-lus. 59 En zij steeniffden Stefunus, aanroepende, en zeftpende lieer Jezus ontvang mijnen 60 En vallende op de kniën riep hij mot groote stem : Heer, reken Lun deze zonde niet toe. En als hg dat gezegd had ontsliep hij. E HOOFDSTUK 8. n Saulua had mede een welbehagen aan zijnen dood. En er werd te dien dage eene groote vervolging tepri-n de gemeente, die te Jeruzalem was ; cn zij werden allen verstrooid door de landen vaa Judea en Samaria, behalve de Apostelen. HOOFDSTUK 8. n Saulua had mede een welbehagen aan zijnen dood. En er werd te dien dage eene groote vervolging tepri-n de gemeente, die te Jeruzalem was ; cn zij werden allen verstrooid door de landen vaa Judea en Samaria, behalve de Apostelen. 2 En [ïrnijf] godvruchtige mannen droe-ren Stefanus te zamen {*en grarr], en maakten grooten rouw over hem. 3 En Saulus verwoestte de gemeente, gaande in de huizen. en trekkende mannen en vrouwen, leverde hen over in de gevangenis. 4 Zij dan nu die verstrooid waren gingen [M In ml] door, en verkondisjden het woord. _ 5 En Philippus kwam af in de stad van Samaria, en predikte hun Christus. fi En de scharen hielden zich eendragteüjk aan hetgeen van Philippus gezegd werti, dewijl zij hoorden en zagen de teeke-nen die hij deed. 7 Want van velen die onreine geesten hadden, gingen Idexelve] uit, roepende met groote stem ; en vele geraakten en kreupelen werden gehezen. 8 En er werd groote blijdschap in die stad. 9 En een zeker man, met name Simon, was te voren in de stad plegende toovery, en verrukkende de zinnen des volks van Samaria, zeggende van zich zeiven, dat hg wat groots was ; 10 Welken zij allen aanhingen van den kleinen tot den grooten, zeggende • deze is de groote kracht Gods. |
STELEN. 147 11 En zy hingen hem aan, omdat hij eemm langen tgd met tooverijen hunne zinnen verrukt had. 12 Maar toen zij Philippus geloofden, die ket Euangelium van \'t Koningrgk Gods en (enn) den naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt beiden mannen cn 13 En Simon geloofde ook zelf, en gedoopt zijnde bleef gedurig bij Philippus; en ziende de teek.-nen en groote krachten, die er geschiedden, ontzette hij zich. 14 Als nu de Apostelen die te Jeruzalem waren, hoorden dat Samaria het woord Gods aangenomen had, zonden zij tot hen Petrus en Johannes ; 15 Welke afgekomen zijnde baden voor hen, dat zij den Heiligen Geest ontvangen mog- 16 (Want hij was nog op niemand van hen gevallen, maar zij waren alleenlijk gedoopt in den naam des Heeren Jezus.) 17 Toon leiden zij de handen op hen, en zij ontvingen den Heiligen Geest. 18 En als Simon zafr, dat door de oplegging van de handen der Apostelen de Heilige Geest gegeven werd, zoo bood hij hun geld aan, 19 Zeggende • treeft ook mg deze magt, opdat zoo wien ik de handen opleir, hij den Heilige Geest ontvango. 20 Maar Petrus zeide tot hem: uw geld zij met u ten verderve, omdat gij gemeend hebt dat de gave Gods door geld verkregen wordt. 21 Gij hebt geen deel noch lot in dit woord; want uw hart is niet regt voor God. 22 Bekeer u dan van dez» uwe boosheid, en bid God, of misschien u deze overlegging uws harten vergeven werd. 23 Want ik zie dat gij zijt in eene eansch bittere cral, cn zamenknooping der ongereg- 2t Doch Simon antwoordende zeide bidt gijlieden voor mg tot den Heer, opdat niets over mij kotnc van hetgeen gg gezegd hebt. 25 Zij dan nu, als zij het woord des Heeren betuigd en gesnroken hadden, keerden we-C 2 der- |
|
ilprorti nnar .Teruzalein, rn ver-konditrdcn het EtmnETcliuin [in] vele vlekken der Samaritanen. 26 En een Ener el des Heeren sprr.k tot Philippus, zefrjrende-sta op, en fja honen tepen het Zuiden, op den wejf die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, welke woest is. 27 En hij stond op en jrins: henen; en zie, een Moorman, «•en Kamerlinjr, (ru] een majr-tis heer van Candace, de Ko-ninsin der Moeren, die overal haren schat was, welke was frekomen om aan te bidden te .Teruzalem ; 28 En hij keerde wederom, en zat op zijnen wagen, en las den Profeet Jesajas. 29 En de Geest zeide tot Philippus ; fra toe, en voeg n bij dezen wagen. 30 En Philippus liep toe, en hoorde hem den Proleet Jesajas lezen, en zeide • verstaat gij ook hetireen «rij leest ? 31 En hij zeide: Hoe zoude ik toch kunnen, zoo mij niet iemand onderri:rt ? En hij bad Philippus, dat hij op zoude komen, en bij hem zitten. 32 En de plaats der Schriftuur, die hij las, was deze; hij is gelijk een schaap ter slanting geleid ; en gelijk een lam Etcmmeloos is voor dien die het scheert,_ alzoo doet hij zijnen 33 In zijne vernedering is zijn zal zijn geslacht verhalen ? Want zijn leven wordt van de 3t En de Kamerlin:* antwoordde Philippus, en zeide : ik bid u, van wian zegt de Profeet dit ? Van zich zeiven, of van iemand anders ? 35 En Philppus deed zijnen mond open. en betrinnende van die zelfde Schrift, verkondigde hem Jezus. 36 En slzoo zij over weg reisden, kwamen zij aan een zeker water; en de Kamerlinqr zeide • zie daar water ; wat verhindert intf frodoopt te worden ? 37 En Philippus zeide : indien gy van tfanschcr harte gelooft, zoo is het peoorloofd. En hij antwoordende zeide: ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon Gods is. 3R En hij erebood den wagen stil te houdsn ; en zij daalden |
Hoofdst. 8,9. beiden afin het water, zoo Phi--lippus als de Kamerling; en hij doopte hem. 39 En toen zij uit het water waren opgekomen, nam dn Geest des Heeren Philippus wejr, en de Kamerling zap: hem niet meer ; want hg reisde zij\' nen we? met blijdschap. 40 Maar Philippus werd gevonden te Azote ; en (Ar» innlt;/) doorgaande, verkondigde hij het Euan^elium (in) alle steden, totdat hij te Cesarea kwara. HOOFDSTUK 9. 1 J ^n Saulus blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren, ging tot den Hoosepriester, 2 En begeerde brieven van hem naar Damascus aan de Syna-gotren, opdat zoo hij eeni-gen, die van dien weg waren, vond, hij ((/Mcirr] beide mannen en vrouwen zoude gebonden brengen naar Jeruzalem. 3 En als hij reisde, is \'t geschied, dat ng nabij Damascus kwam, en hem omscheen snellyk een licht van den hemel. 4 En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij eer e stem die tot hem zeide ■ Siul, Saul, wat vervolgt gij mij ? 5 En hij zeide: wie zijt gij Heer? En de Heer zeide ; ik ben Jezus dien gij vervolgt. Het is u hard ce verzenen tegen de prikkels te slaan. 6 En hij bevem\'.e en verbaasd zijnde, zeide: Peer, wat wilt gij dat ik doen zal? En de Heer (srw/r] tot hem: sta op, en ga in de stad, en u zal [nhinnr] gezegd worden, wat gij doen moet. 7 En de mannen die mot hem over weg reisden, stonden verbaasd.\' hoorende wel de stem, maar niemand ziende. 8 Ea Saulus stond op van de aarde: en als hij zijne oogen opendeed, zag hij niemand. En zij hem bij de hand leidende, bragten hem te Damascus. 9 En hij was drip dagen dat hij niet zag, er. at niet, noch dronk niet. 10 En er was een zeker discipel te Damascus, met name Ananias; en de Heer zeide tot hem in een gezigt• Ananias. DE HANDELINGEN |
lloofdst 9.
|
En hij reide: zie, (fcier benl iV. Hoer. 11 Ea de Heer (x*irfr] tot heui: sta op en ira in de straat genaamd de Kc^te, en vraa? in het huis van Judas uaar [(■«nru] met name Saulus, van r.irsen : want zie hy bidt. 12 En hij heeft in een fjezifft gezien, dat een man, niet name Ananias, inkwam, «-n hem de hand opleide, opdat hij wederom ziende werd. 13 En Ananias antwoordde -Heer, ik heb uit velen gehoord van dezen man, hoe veel kwaad hij uwe heiligen in Jeruzalem gedaan heeft; 11 En heeft hier magt van de Overpriesten», om te binden allen dis uwen naam aanroepen. 15 Maar de lieer zeide tot hem : ga henen ; want deze, is mij een uitverkoren vat, om Heidenen, en de Koningen, en dn kinderen Israels : 16 Want ik z.il hem toonen hoe veel hij lijden moet om mijnen naam. 17 En Ananias ging henen en Kwam in \'t huis ; en de handen op hem leggende, zeide hij ■ Saul broeder, de Heer heeft mij gezonden, (nomrlijfc) Jezus, die u verschenen is op ;l,\'n weg dien gij kwaamt, op-llat gn weder ziende, en met (len Heiligen Geest vervuld (oudt worden. 18 En terstond vielen af van fijne oogen gelijk als schellen, pn hij werd terstond wederom (iende; en stond op, rn werd pedoopt. 19 En als hij spijs genomen had, werd hij versterkt. En Saulus was sommige dagen bij ^e discipelen, die te Damascus «varen. 20 En hij predikte terstond Christus in de Synagogen, dat bij de Zoon Gods is. 21 En zii ontzetteden zich alten die het hoorden, en zeiden ■ is deze niet degene, die Ie Jeruzalem verstoorde die dezen naam aanriepen, en die daarom hier gekomen is, opdat hij dezelve gebonden joude brengen tot de Over-priesters ? 22 Doch Saulus werd meer en meer bekrachti\'rd, en overtuigde de Juden die te Damascus woonden, bewijzende dat deze de Christus is. |
23 En als vele dagen verloo-pen waren, zoo hielden de Joden te zamen raad om hem te dooden. 2i Maar hunne laag werd Saulus bekend ; en zij bewaarden de poorten beide des daags en des nachts, opdat zij hem dooden mogten. 25 Doch de discipelen namen hem des nachts, en lieten [Arm] neder door den muur, l/icmj atlatende in eene mand. 26 Saulus nu te Jeruzalem ge-konfn zijnde, poogde zich bij de discipelen te voegen; maar zij vreesden hem allen, niet tre-loovende dat hij een discipel 27 Maar Barnabas hem tot zich nemende, leidde (/iegt;n] tot de Apostelen, en verhaalde hun hoe hij op den weg den Heer gezien had, en dat hij tot hem gesproken had, en hoe hij te Damascus vrijmoediglijk gesproken had in den naam 28 En hij was met hen ingaande en uitgaande te Jeru- 20 En vrijmoediglijk sprekende in den naam des Ileereu Jezus, sprak hij ook en handelde tegen de Grieksche (JiirffüJ; maar deze trachtten hem te dooden. 30 Doch de broeders [dit] verstaande, geleidden hem tot Cesarra, en zouden hem af naar Tarsen. 31 De gemeenten dan door geheel Judca, en Galilea, en Samaria hadden vrede, en werden gesticht; en wandelende in de vrees des Heeren, en de vertroosting des Heiligen Gees-tes, werden vermenigvuldigd. 32 En \'t geschiedde als Petrus alom doortrok, dat hij ook afkwam tot de heiligen die te Lydda woonden. 33 En aldaar vond hij eencn zekeren mensch, met name Eneas, die acht jaren te bed gelegen had, welke was geraakt. 31 En Petrus zeide tot hem • Eneas, Jezus Christus maakt u gezond ; sta op en spreid ü zeiven [het bed]. En hij stond terstond op. 35 En zij zagen hem allen die te Lydia en fvirona woouden-G 3 wel, |
|
150 welke zich bekeerden tot den Heer. 36 En te Joppe was een zekere discipelin met name Ta-bitha, hetwelk overgezet zynde is gezegd Dorkas. Deze was vol van goede werken, en aalmoezen, die zij «leed. 37 En het pL-schiedde in die dagen, dat zij krank werd en stierf; en als zij haar gcwas-schen hadden, leiden zij haar in de opperzaal. 38 En alzoo Lydda nabij Joppe was, de discipelen hoerende, dat Petrus aldaar was, zonden twee mannen tot hem, biddende, dat hij niet zoudever-toevcn tot hen over te komen. 39 En Petrus stond op, en Ring met hen ; welken zij, als hij daar gekomen was, in de opperzaal leidden; en al de weduwen stonden hij hem, wee-nende, en toonende de rokken en klcederen die Dorkas gemaakt had, als zij bij haar was. 40 Maar Petrus, hebbende [Afn] allen uitgedreven, knielde neder en bad; en zich kee-rende tot het ligchaam zeide : Tabitha, sta op. En zij deed hare ooiren open, en Petrus gezien hebbende zat zij over-cinde. 41 En hij gaf haar de hand, cn rigtte haar op ; en de heiligen en de weduwen geroepen hebbende, stelde hij haar levend voor [/irn], 42 En dit werd bekend door peheel Joppe, en velen geloofden in den Heer. 43 En het geschiedde dat hij vele daffen te Joppe bleef bij eenen zekeren Simon, eenen lederbereider. 17 HOOFDSTUK 10.7 HOOFDSTUK 10. Jr. er was een zeker man te Cesarea met name Cornelius, een Hoofdman over honderd, uit de bende genaamd de Italiaansche ; 2 Godzalig, en vreezende God, met geheel zijn huis, en doende vele aalmoezen aan het volk, en God gedurifflijk biddende. 3 [Deze] zag in een gezift klaarlijk omtrent de ne?ende ure des daags eenen Engel Gods\'*tot hem inkomen, en tot hem zeggende : Cornelius. |
4 En hij de oogen op hem houdende, en zeer bevreesd geworden zijnde, zeide : wat is \'t Heer ? En hij zeide tol hem : uwe gebeden en uwe aalmoezen zijn tot gedachtenii opgekomen voor God. 5 Eu nu zend mannen naa] Joppe, en ontbied Simon, die toejrenaamd wordt Petrus. 6 Deze lisrt t\'huis bij eenen Simon lederbereider, die [lijnj huis heeft bij de zee; deze zal u zeggen wat gij doeu moet. 7 En als de Engel, die tol Cornelius sprak, weggegaan was, riep hij twee van zijné huisknechten, en eenen god\' zaligen krijgsknecht van degenen die gedurig bij hem wa- 8 En als hij hun alles verhaald had, zoud hij hen naar Joppe. 9 En des anderen daags, terwijl deze reisden, en nabij da stad kwamen, klom Petrus op het dak om i;e bidden, omtrent de zesde ure 10 En hij werd hongerig, en begeerde te eten. En terwijl zij het bereidden, viel over hem cene vertrekking van zinnen. 11 En hij s:ag den hemel geopend, en een zeker vat tot hem nederdalen, gelijk een ffroot linnen laken aan de vier hoeken gebonden, en neder-gelaten op de aarde; 12 In hetwelk waren al dc en de wilde, en de? kruipende [dieren], en de vogelen dea hemels. 13 En er gesc.\'iiedde eene stem tot hem. 8-.;a op Petrus, slasjt en eet. 14 Maar Petrus zeide : geens\' zins Heer, want ik heb nooit gegeten iets dat gemeen ol 15 En eene stem [geichiedelej wederom ten tweeden maal tot hem hetgeen God gereinigd heeft zult gij niet gemeen maken. 16 En dit geschiedde tot drie maal; en het vat werd wederom opgenomen in den hemel. 17 En alzoo Petrus in zich zeiven twijfelde wat toch \'t gezigt mogt zijn, dat hij gezien had, zie, de mannen die van Cornelius afgezonden waren, gevraagd heubende naar het huis van Simon, stonden aan de poort; 18 En [irmand] geroepen hebbende vraagden zij, of Simon, toe- DE HANDELINGEN Hoofdst. 9, 10 |
Hoofdat. 10. DER APOSTELEN.
131
|
tocgenaamd Petrus, daar t\'huis lag. 19 En als Petrus op dat frezi-jt dacht, zeide de Geest tot hem ; zie, drie mannen zoeken u; 20 Daarom sta op, pa af, en reis met hen, niet twijfelende ; want ik heb hen pezonden. 21 En Petrus gin? af tot de mannen, die van Cornelius tot hem pezonden waren, en zeide: zie, ik ben het dien pij zoekt; wat is de oorzaak waarom pij hierzijt? 22 En zij zeiden: Cornelnis een Hoofdman over honderd, een reptvaardip man, en vree-zende God, en die [goede] potuipenis heeft van het pansche volk der Joden, is door Goddelijke openbarinp vermaand van eenen heilipen Enpel, dat hij u zoude ontbieden tot zijn huis, en dat hij van u woorden der za-lipheid zoude hooren. 23 Als hij hen dan inperoepen had, ontvinp hij hen in huis. Doch des anderen daaps pinp Petrus met hen henen ; en som-mipon der broederen die van .Toppe waren, pinpen met hem. 24 En des anderen daaps kwamen zij te Cesarea. En Cornelius verwachtte hen, te zamen peroepen hebbende die van zijne niaapschap en bijzonderste vrienden. 23 En als het peschiedde dat Petrus inkwam, pinp hem Cornelius te pemoet, en vallende aan [rijnr] voeten aanbad hy. 26 Maar Petrus riptt.e hem op, zeppende: sta op, ik ben ook zelf een mensch. 27 En met hem sprekende pinp hij in, en vond er velen die te zamen pekomen waren. 28 En hij zeide tot hen : pij weet hoe het eenen Joodschen man onpeoorloord is zich te voepen, of te paan tot eonen vieemden ; doch God heeft mij petoond dat ik peenen mensch zoude peineen of onrein heeten. 29 Daarom ben ik ook zonder tepenspreken pekomen, ontboden zijnde. Zoo vraap ik dan om wat reden pijlieden mij hebt ontboden ? 30 En Cornelius zeide ; over vier dapen was ik vastende tot deze ure toe, en ter nepender ure bad ik in mijn huis. 31 En zie, een man stond voor mij in een blinkend kleed, en zeide Cornelius, uw pebed is verhoord, en uwe aalmoe-•zen zijn voor Gotquot;, gedacht geworden. |
32 Zend dim naar Joppe, en ontbied Simon dietoesenaamd wordt Petrus ; deze ligt t\'huis in *t huis van Simon den le-derbereider aan de zee; welke hier gekomen zijnde, zal tot u spreken. 33 Zoo heb ik dan van stonden aan tot u gezonden, en pij hebt wel pedaan, dat gij hier gekomen zijt. Wij zijn dan allen nu [AifrJ tepenwoordip voor God, om te hooren al hetgeen u van God bevolen is. 31 En Petrus den mond opendoende, zeide : ik verneem in waarheid dat God peen aannemer des persoona is; 35 Maar in allen volke, die hem vreest en peregtipheid werkt is hem aanpenaam. 36 [DU ■*] hel woord dat hij pezonden heeft den kinderen Israels, verkondigende vrede door Jezus Christus; deze is een Heer van allen. 37 Gijlieden weet de zaak die geschied is door pjheel Judea, beginnende van Galilea, na den doop, welken Johannes gepredikt heeft; 38 [Tfelanpende] Jrzus van Nazareth, hoe hem God gezalfd heeft met den Heiligen Geest, en met kracht ; welke [hrt land] doorgegaan is, goed doende, en genezende allen die van den .duivel overweldigd waren; want God was met hem 39 Eu wij zijn potuigen van al hetgeen hij pedaan heeft, beide in \'t Joodsche land en te Jeruzalem ; welken zij gedood hebben, [Arm] hangende \'aan een hout. •tt) Dezen heeft God opgewekt ten derde dage, en gegeven, dat hij openbaar zoude worden ; 41 Niet al den volke, maar den getuigen die van God te voren verkoren waren, ons (nnme-lijk] die met hem gegeten en gedronken hebben, nadat hij uit de dooden opgestaan was ; 42 En heeft ons peboden den volke te prediken en te betuigen dat hij is degene die van God verordineerd is tot. een Repter van levenden en doo- ■13 Dezen geyea getuigenis al de Profeten, fd;gt;t een iegelijk die in hem gelooft vergevinir |
|
152 der zonden ontvangen zal door 41 Als Petrus nop dost* woorden sprak, viel de Heilige Geest op allen die het woord hoorden. 45 En de peloovijrcn die uit do linsnijdenis waren, zoo velen men, ontzetten zich dat de pavc des Heiligen Geestes ook op de Heidenen uitgestort •SS Want zij hoor.len hen spreken met (rrffm-M talen, en God groot maken. Toon antwoordde Petrus : ■t? Kan ofgt;k iemand het water weren, dat dozen niet gedoopt zouden worden, welke den Heiligen Geeft ontvangen heb-ben, gelijk al« ook wij ? tS En hij beval dat zij zouden gedoopt worden in den naam des Heeren. Toen baden zij h\'*i!i dat hij ecnige dagen bij Ihen] wilde blijven. D HOOFDSTUK 11. e Apostelen nu, en de broeders, die in Judea waren, hebben gehoord, dat ook de Heidenen het woord Gods aangenomen hadden. HOOFDSTUK 11. e Apostelen nu, en de broeders, die in Judea waren, hebben gehoord, dat ook de Heidenen het woord Gods aangenomen hadden. 2 En toen Petrus opgegaan was naar Jeruzalem, twistten tegen* hein degenen die uit de besnijdenis waren ; 3 Zeggende: !rij zijt ingegaan tot mannen die de voorhuid hebben, en hebt met hen gegeten. 4 Maar Petrus beginnende verhaalde het hun vervolgens, 5 Ik was in de stad Joppe,biddende ; en zag in eene vortrek- eén\'Vx^k.-^vatft\'ebjk een groot linnen laken, nederdalendquot;, bij de vier hoeken ncdergeiaten uit den hemel, en kwam tot bij inij ; R Op welk [Inkm] als ik de oogen hield, zoo merkte ik, en zag de viervoetige [\'iirrf») der aarde, en de wilde en do kruipende [ifi/rcn], en de vogelen des hemels. 7 En ik hoorde eene stem die tot mij zeide: sta op Petius, slagt en e-t. 8 Maar ik zeide: geenszins lieer, want nooit is iets, dat gemeen of onrein was, in mij- |
Hoofdst. 10, 11. 9 Doch do stom antwoordde mij ten tweeden maal uit den hemel: hetgeen God gereinigd heeft, zult gij niet gemeen maken. 10 En dit geschiedde tot drie maal; en alles werd wederom opgetrokken in den hemel. 11 En zie, ter zelfder [urr] stonden er die mannen voor het huis daar ik in was, die van Cesarea tot mij afgezonden waren. 13 En dc Geest zeide tot mij, dat ik met hen gaan zoude, niet twijfelende. En met mij gingen ook deze zes broeders, en wij zijn ia des mans huis ingegaan ; 13 Ea hij heeft ons verhaald hoe hij oenen Engel gezien had, die in zijn huis stond, en tot hem zeide: zend mannen naar Joppo, en ontbied Simon, die toegenaamd is Petrus; 11: Die woorden tot u zal sproken, door welke gij zult zalig worden, en il uw huis. 15 En als ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, gelijk ook op ons in \'t begin. 10 En ik word gedachtig aan het woord des Heeren, hoe hij zeide: Johannes doopte wol mot water, naar gijlieden zult gedoopt wor Ion met den Heiligen Geest. 17 Indien din God hun even-gelijke gaven gegeven hoeft als ook ons, die in den Heer Jezus Christus geloofd hebben, i wie was ik toch die God kon weven ? 18 En als zij dit hoorden waren zij tevreden, en verheerlijkten God, zeggendequot;: zoo.heeft dan God ook den Heidenen de bekeering gegeven ten leven ! 19 Degenen nu die verstrooid waren door do verdrukking, die over Stofanus geschied was, gingen [\'t Innd] door tot Phe-nicie toe, en Cyprus, en An-tiochië, tot niemand \'t woord sprekende, dan alleen tot de 20 En er waren eenige Cyprische en Cyreneïsche mannen uit hen, welke te Antiochië gekomen zijnde spraken tot da Griekschen, verkondigende den Heer Jezus. 21 En de hand des Heeren was met hen; en een groot getal geloofde, en bekeerde zich tot den Heer. 22 En het gerucht van hen kwam DE HANDELINGEN |
|
kwam tot dc oorim der {fcmeen-te die te Jeruzalem was ; en zij «ondcn Barnabas uit, dat hij (\'t Innil] doorging tot Antio-chic toe ; 23 Welke daar gekomen zijnde, en de penade Gods ziende, werd verblijd, en vermaande hen allen, dat zij met een voornemen des harten bij den Heer zouden blijven. 21gt; Want hij was eon f»ocd man, en vol des Heiligen Geestes, en des peloofs; en er w-rd eene proote si-hare den Heer toe-ffevoetrd. 25 En Barnabas pin;» uit naar Tarsen om Saulus te zoeken; en als hij hem pevonden had, brapt hij hein te Antiochië. 26 En het is pesrhied, dat zij een peheel jaar (lt;\' xamen] ver-paderden in de penieente, en eene proote schare leerden ; rn dat de disoipelen eerst te Antiochië Christenen peuaamd werden. 27 En in dezelve dapen kwamen [cenige Profeten af van Jeruzalem te Antiochië; 28 En een uit hen, u:et name Apabus, stond op, en paf te kennen door den Geest, dat er een proote hongersnood zoude wezen over de peheele wereld; welke ook pekomen is onder den Keizer Claudius. 29 En naardat een iepelijk der discipelen vermopt, besloot elk van hen [iets] te zenden ten dienste der broederen die in Judea woonden; 30 Hetwelk zij ook deden, en zonden het, tot de Ouderlinpen door de hand van Barnabas en Saulus. Ir\\ HOOFDSTUK 12. jn omtrent denzclfden tijd jlocp de Koninp Herodes de handen aan sommipen van de pemeenfe, om die kwalijk te handelen.r\\ HOOFDSTUK 12. jn omtrent denzclfden tijd jlocp de Koninp Herodes de handen aan sommipen van de pemeenfe, om die kwalijk te handelen. 2 En hij doodde .Tacobus den broeder van Johannes met het zwaard. 3 En toen hij zap dat het den Joden behapelijk was, voer hy voort om ook Petrus te van-pen ; (en het waren de dagen der onpehevelde (fcroo(/«ii.) 4 Welken ook gegrepen heli-bende hü in de gevangenis zette, en gaf (Arm) over aan vier [wnchlrn, elk] van vier krijgsknechten, om hem te be- |
waren, willende nr. het Paasch-[fent] hem voorb-eagen voor het volk. 5 Petrus dan werd in de pavan-penis bewaard; n-aar van dc pemcente werd een pedurip gebed tot God voor hem pedaan. 6 Torn hem nu Herodes zoude voorbrenpen, sliep Petrus dien zelfden nacht tusschen twee krijgsknechten, pebonden met twee ketenen ; en de wachters voor de deur bewaarden de ge- 7 En zie, een Engel des Hee-ren stond daar, en een licht scheen in dc woning, en slaande de zijde van Petrus wekte hij hem op, zeppende; sta haas-telijk op. En zijne ketenen vielen af van de handen. 8 En de Enp.-l zesde tot hem : nmpord u, en bind uwe schoenzolen aan. En hij deed alzoo. En hij zeide tot hem- werp uwen mantel om, cn volg mil. 9 En uitgaande volgde hij hem, en wist niet, dat het waarachtig was hetgeen door den Engel peschiedde ; maar hij meende dat hij een pezipt zap. 10 En nis zij door de eerste en tweede wacht pepaan waren, kwamen zij aan de ijzeren poort, die naar de stad leidt ; welke van zelf hun peopend werd. En uirpepaan zijnde gingen zij eene straat voort.; en terstond scheidde de Engel van hem. 11 En Petrus tot zich zeiven pekomen zijnde zeide: nu weet ik waarachtiglijk, dat dc Heer zijnen Engel uitgezonden heeft, en mij verlost heeft uit dc hand van Herodes, cn (uif] al de verwachting van het volk der Joden. 12 En als hij (nlJ«] overlegd had, ging hij naar het huis van Maria de moeder van Johannes, die toegenaamd was Markus, alwaar velen te zamen vergaderd en biddende waren. 13 En als Petrus aan de deur van de voorpoort klopte, kwam eene dienstmaagd voor oui te luisteren, met name Rhode. It En zij de stem van Petnis bekennende, deed van blijdschap dc voorpoort niet open, maar liep naar binnen cn boodschapte, dat Petrus voor [onn] dc voorpoort stond. 15 En zij zeiden tot haar: pij raast. Doch zij bleef er sterk bij, dat. het alzoo was. En Hoofdst. 11, 12. DER APOSTELEN. |
|
15é DE HANI tij ieiden: het is zijn Engel. 16 Maar Petrus bleef kioy- Sende; en als zij opengedaanende; en als zij opengedaan adden, zagen zij hem, en ontzetten zich. 17 En als hij hen met de hand gewenkt had, dat zij zwijgen zouden, verhaalde quot;hij hun, hoe hem de Heer uit de gevangenis uitgeleid had ; en zeide ; boodschapt dit Jacobus en den broederen. En hij uitgegaan zijnde reisde naar eene andere plaats. 18 En als het dag was geworden, was er geen kleine beroerte onder de krijgsknechten, wat toch Petrus mogt geschied zijn. 19 En als Ilerodes hem gezocht had, en niet vond, en de wachters regterlijk ondervraagd had, gebood hij dat zij weggeleid zouden worden. En hij vertrok van Judea naar Cesa-rna, en hield zich [oWnnr]. 20 En Herodcs had in den zin tegen de Tyriërs en Sidoniërs te krijgen ; maar ziikwameneen-dragtelijk tot hem, en Blas-tus, die des Konings kamerling was, overreed hebbende, begeerden vrede, omdat hun land gespijzigd werd van des Konings liniid). 21 En op eenen gezetten dag Ilerodes een koninklijk kleed aangedaan hebbende, en op den regterstoel gezeten zijnde, deed eene reden tot hen ; 22 En het volk riep [hcml toe: eene stem Gods, en niet eens menschen. 23 En van stonden aan sloeg hem een Engel des Heeren, daarom dat hij Gode de eer niet gaf; en werd van de wormen gegeten, en gaf den geest. 21\' En het woord Gods wies, en vermenigvuldigde. 23 Barnabas nu en Sauluskeer-den wederom van Jeruzalem, als zij den dienst volbragt hadden, medegenomen hebbende ook Johannes, die tocgenaamd werd Markus. 17 HOOFDSTUK 13. _in er waren te Antiochië in de gemeente die daar was, eenige Profeten en Leeraars, namelijk Barnabas, en Simeon genaamd Niger, on Lucius van Cyrene, en Manahen, die met Herodes den Viervorst opgevoed was, en Saulus.7 HOOFDSTUK 13. _in er waren te Antiochië in de gemeente die daar was, eenige Profeten en Leeraars, namelijk Barnabas, en Simeon genaamd Niger, on Lucius van Cyrene, en Manahen, die met Herodes den Viervorst opgevoed was, en Saulus. |
(ELINGEN Hoofdst. 12, 13. 2 En als zij den Heer dienden, en vastten, zeide de Heilige Geest: zondert mij af beide Barnabas en Saulus, tot het werk waartoe ik hen geroepen heb. 3 Toen vastten en baden zij ; en hun de handen opgelegd hebbende lieten zij hen gaan. -1 Deze dan uitgezonden zijnde van den Heiligen Geest, kwamen af te Scleucië, en van daar scheepten zij af naar Cyprus. 5 En gekomen zijnde te Sala» mis, verkondigden zy het woord Gods in de Synagogen der Joden ; cn zij hadden ook Johannes tot eenen dienaar. 6 En als zij het eiland doorgegaan waren tot Paphos toe, vonden zij eenen zekeren too-venaar, eenen valschen Profeet, eenen Jood, wiens naam was Bar-jezus, 7 Welke was bij den Stadhouder Sergiu» Paulus, eenen ver-standigen man. Deze, Barnabas en Saulus tot zich geroepen hebbende, zocht zeer het woord Gods te hcoren. 8 Maar Illymas de toovenaar, (want alzoo wordt zijn naam overgezet) wederstond hen, zoekende den stadhouder van het geloof af te keeren. 9 Doch Saulus (die ook Paulus [nenanhid ii)), vervuld met den Heilgen Geest, en de oogen op hem houdende, zeide : 10 O gij kind des duivels, vol van alle bedrog en van allo arglistigheii\', vyand van alle geregtigheid, zult gij niet ophouden te /erkecron de regte wegen des lüeeren ? 11 En nu zie, de hand des Heeren [!»] tïgen u, en gij zult blind zijn, ea de zon niet zien voor eenen tijd. En van stonden aan viel op hem donkerheid en duisternis ; en rondom gaande, zocht hij, die (A^m] met de hand mogten leiden. 12 En als de Stadhouder zag hetgeen geschied was, toen geloofde hij, verslagen zijnde over de leer des Heeren. 13 En Paulus en die met hem waren, van Paphos afgevaren zijnde, kwamen te Perge [rene itad] in Pamphylië. Maar Johannes van hen scheidende keerde weder naar Jeruzalem. 14 En zy van Perge [Aft doorgaande, kwamen te Antiochië [rtne in Pisidië; en |
DER APOSTELEN.
153
Hoofdst. 13.
|
en pegaan lijnde in de Synn-gope op den dag des Sabbats, zaten zg neder. 15 En na het lezen der wet en der Profeten zonden de Oversten der Synnffope tot hen, zeggende : mannen broeders, indien er («quot;liffl woord van vertroosting tot het volk in u is, zoo spreekt. 1G En Paulus stond op, en wenkte met de hand, en zeide : gij Israëlitische mannen, en gij die God vreest, hoort tos. 17 De God dezes volks Israels beeft onze vaderen uitverkoren, en het volk verhoogt;rd, als zij vreemdelingen waren in \'t land van Ecypte, en hoeft hen met eenen hoogen arm daar uit geleid. 18 En heeft omtrent den lijd van veertig jaren hunne zeden verdragen in de woestijn. 19 En zeven volkeren uitgeroeid hebbende in het land Ka-naiin, heeft hun door het lot het land derzelve uitgedeeld. 20 En daarna, omtrent vier honderd en vijftig jaren, gaf Hij [/inn] Regters lot op Sanmël den Profeet. 21 En van toen aan befreerden zij eenen Koning, en God eraf hun Saul den zoon van Kis, eenen man uit den stam Benjamin, veertig jaren. 22 En dezen afgezet hebbende, verwekte htf hun David tot eenen Koning ; welken hij ook getuigenis paf, en zeide: ik heb gevonden David den [zoon] van Jesse, eenen man naar mijn hart, die al mijnen wil zal doen. 23 Van dezes zaad heeft Israël, naar de belofte, verwekt den Zaligmaker Jezus; 24 Als Johannes eerst al den volkc Israels, vóór zijne aankomst, gepredikt had den doop der bekeering. 25 Doch als Johannes den loop vervulde, zeide hy: wii meent gijlieden dat ik ben Ik ben [He Chriitu$\\ niet; maa: zie, bij komt na mij, wien ik niet waardig ben de schoenen [zijnrr) voeten te ontbinden. 26 Mannen broeders, kinderen van hot geslacht Abrahams, en die onder u God vree-zer., tot u is het woord dezer zaligheid gezonden. |
27 Want die te Jeruzalem wonen, en hunne Oversten, dezen niet kennende, heblgt;en ook de stemmen der Profeten, die op eiken Sabbat (dnijl glt;lezen worden , [Aein] veroordeelende, vervuld ; 28 En goen oorzaak des doods vindende, hebben zij van Pila-tus begeerd dat hij zoude gedood worden. 29 En als zij alles volbragt hadden wat van hem\' peschre- , namen zij (/inn) af van het hout, en leiden [/trm] in het graf. 30 Maar God heeft hem uit de dooden opgewekt. 31 Welke gezien is geweestvele dagen lang, van degenen die met hem opgekomen waren van Galilea tot Jeruzalem, die zy-ic getuigen zijn bij \'t volk. 32 En wij verkondigen u dc belofte die tot de vaderen geschied is, dat Inttrnrlijk] Got! dezelve vervuld heeft aan ons hunne kinderen, als hij Jezus verwekt heeft; 33 Gelijk ook in den tweeden Psalm geschreven staat: gij zijt mijn Zoon, heden heb ik u gegenereerd. 34 En dat hij hem uit de dooden heeft opgewekt, alzoo dat hij niet meer zal tot verderving keereu, heeft hij aldus gezegd : ik zal ulieden de weldadigheden Davids geven die getrouw 3.quot;« Waarom hij ook in eenen anderen (Pin/mJ zegt; gij zult uweu Heiligen niet [orerjgc-ve.i, om verderving te zien. 36 Want David, als hij in zg-nen tijd dou raad Gods gediend had, is ontslapen en is bij zijne vaderen gelegd, en . heeft wel verderving gezien ; 37 Maar hij, dien God opgewekt heeft, heeft geen verder- 33 Zoo zij u dan bekend, mannen b/oeders, dat door dezen u vergeving der zonden verkondigd \'wordt; 39 En [(Ml van allen, waarvan gij niet kondt gerejrtvaar-diird worden door «te wet van Mozes, door dezen een iegelgk die gelooft, geregtvaardigd wordt. 40 Ziet dan toe, dat over ulieden niet kome between gezegd is in de Profeten : 41 Ziet gg verachters, en verwondert u, eti verdwgnt: want ik werk een werk in uwe |
•ELINGBN quot; Hoofdst. 13,14. de Synagoge der Joden, en al-zoo spraken, dat eene groote menigte beide van Joden en Grieken geloofde.
2 Maar de Joden die ongehoorzaam waren, verwekten en verbitterden de zielen der Heidenen tefjen de broeders.
3 Zij verkeerden dan [oManr) eenen langen tijd, vrijmoediï-lijk sprekende in den Heer, die getuigenis gaf den woorde zijner genade,en gaf,dat teekenen en wonderen geschiedden door hunne handen.
4 En da menigte der stad werd verdeeld, en sommigen waren met de Joden, en sommigen met de Apostelen.
5 En als er een oploop geschiedde beide van Heidenen en van Joden, met hunne Oversten, om \'iun smaadheid aan te doen, en te steenigen ,
6 Zijn zij, [nllet] overlegd hebbende, gevlugt naar de steden van Lyraonië, [nnmellj/c] Lystre en Derbe, en het omliggende land.
7 En verkondigden aldaar het Euangclium.
8 En een zeker man te Lystre zat onma.rtig aan de voeten, kreupel zijnde van zijner moeders lijf, die nooit had gewandeld.
9 Deze hoorde Paulus spreken ; welke de oogeu op hem houdende, en ziende dat hij •reloof had om gezond te wor-
10 Zcide ir.et groote stem : sta regt op uive voeten. En hij sprong op en wandelde.
11 En de scharen ziende hetgeen Pnuliib gedaan had, verhieven hunne stemmen, en zeiden in \'i Lycaonisch : de Goden zijn den menschen gelijk geworden, en tot ons nederge-
12 En zij noemden Barnabas Jupiter, en Paulus Mercurius, omdat hij het woord voorde.
13 En de Priester van Jupiter, die voor hunne stad was, als hij ossen en kransen nan de voorpoorten gebragt had, wilde hij offeren met de scharen ;
H Maar de Apostelen, Barnabas en Paulus. (ifef) hooren-de scheurden hunne kleederen, en sprongen ouder de schare, roepende ,
13 En zeggende: mannen, waarons d iet gij deze d\'Wgen ?
156 DE HANI
«lajrcn, een werk hetwelk gij niet zult gelooven, zoo bet u iemand verhaalt.
42 En als lt;Ie Joden uitgegaan waren uit «Ie Synagoge, baden de Heidenen dat tegen den naasten Sabbat hun dezelfde woorden zouden gi\'sprokenwor-
43 En als da Synagoge ge-txheiden was, volgden velen van de Jodsn en van de God» dienstiire Jodengenooten, Paulas en Barnabas; welke tot hen* Hprakeii, en hen vermaanden te blijven hij de genade Gods.
4t En op den volgenden Sabbat kwam bijna de sreheele stad te zaïnen, om \'t woord Gods te hooren.
43 Doch de Joden de scharen ziende werden inet nijdigheid vervuld, en wederspraken hetgeen van Paulus gezegd werd, wedersprekende en lasterende. ■Hgt; Maar Paulus en Barnabas vrijmoedigheidgebruikende zeiden ; het was noodig dat eerst tot u het woord Gods gesproken zoude worden : doch nade-inaal gij hetzelve verstoot, en u zeiven des eeuwigen levens niet waardig oordeelt, zie, wij keeren ons tot de Heidenen:
47 Want alzoo\' heeft ons de Heer geboden, [zcijgmilr]: ik heb u gesteld tot een licht der Heidenen, opdat gij zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste der aarde.
48 Als nu de Heidenen (ifU) hoorden,quot; verblijdden zij zich, en prezen het woord des Hee-ren ; en er geloofden zoo reien als er geordineerd waren tot het Oeuwige leven.
49 Eu h?t woord des Ilueren word door \'t geheele land uitgebreid.
50 Maar de Joden maakten op de Godsdienstige en eerlijke vrouwen, en de voomaamsten van de stad, en verwekten vervolging teiren Paulus en Barnabas, en wierpen hen uit hunne landpalen.
51 Doch zij schudden het stof van hunne voeten af tegen dezelve, en kwamen te Iconië.
52 En de discipelen werden vervuld met blijdschap en met den Heiligen Geest.
HOOFDSTUK 14. jn het geschiedde te Iconic, dat z(j te zaïnen gingen in
Hoofdst. 14, IS. DER APOSTELEN.
157
|
Wij zjjn ook menscben van pe-lüke bowepinKeu ala trij, cn verkondigen ulieden dat gij u zoudt van deze ijdele [dinjïn] bekeeren tot den levenden God, die gemaakt beeft den bemel, en de aarde, en de zee, cn al hetgeen in dezelve is ; 16 Welke in de verledene tijden al de Heidenen beeft laten wandelen in hunne wegen ; 17 Hoewel hij nogtaux zich zeiven niet onbetuigd gelaten heeft, goed doende van den hemel, ons regen en vruchtbare tijden gevende, vervullende onze harten met spija cn vrolijkheid. 18 En dit zeggende wederhiel-den zij naauwelijks de gebaren, dat zij bun niet offerden. 19 Maar daarover kwamen Joden van Antioehië en Ironie, cn overreedden de scharen, cn steenigden Paulus, en sleepten (/«•in] buiten de stad, ineencn-do dat bij dood was. 20 Dorh als hem de discipelen omringd hadden, stond hij op, en kwam in de stad; cn des anderen daags ging bij met IJamabas uit naar Derbe. 21 En als zij derzeive stad bet Euangelinm verkondigd, cn vele discipelen gemaakt hadden, koerden zij weder naar Ly-stre, en Ic onic, en Antioehië; 22 Versterkende de zielen der discipelen, (en) vermanende dat zij zonden blijven in \'t geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in bet Koningrijk Gods. 23 En als zij bun in elke gemeente met opsteken der handen Ouderlingen verkozen hadden, gebeden hebbende met vasten, bevalen zij bin den Heer, in welken zij geloofd hadden. 21 En Pisidië doorgereisd hebbende, kwamen zij in Pampby-lië. 25 En als zij te Perge het woord gesproken hadden, kwamen zy af naar Attalië. 26 En van daar scheepten zij af naar Antioehië, van waar zij der genade Cods be vol-n waren geweest tot het werk dat zij volbragt hadden. 27 Eu daar gekomen zijnde, en de gemeente vergaderd hebbende, verhaalden zij wat proo-te dingen God met hen gedaan bad, en dat hij den Ueideuou de deur dea celuofs geopend had. |
28 En zij verkeerden aldaar geenen kleinen tijd met de dis- T71 HOOFDSTUK 15. 1 X^n sommigen, die afgekomen waren van Jndea, leerden de broederen, {zeggrnde] : indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zoo kunt gij niet zalig worden. 2 Als er dan geen kleine we-d erst an tl cn tw i s t i n quot;geschiedde bij Paulus en Barnabas tegen hen, zoo hebben zij geordineerd, dat Paulus en Barnabas, en eenige anderen uit hen, zouden opgaan tot de Apostelen en Ouderlingen naar Jeruzalem, over deze vraag. 3 Zij dan, van de gemeente uitgeleid zijnde, reisden door Pbenicië cn Samaria, verhalende de bekeering der Heidenen ; en deden al den broederen groo-te blijdschap aan. •t En te Jeruzalem gekomen zijnde, werden zij ontvangen van de gemeente, en de Apostelen, en «Ie Ouderlingen ; en zij verkondigden wat groote dingen God met hen gedaan had. 5 Maar, [zeidrn zij,] cr zijn sommigen opirestaan van die van de sekte der Farizefn, die geloovig zijn geworden, zeggende, dat men hen moet besnijden, en gebieden de wet van Mozes te onderhouden. 6 En • de Apostelen en de Ouderlingen vergaderden te za-men om op deze zaak te letten. 7 En als (Jonrorer] groote twisting geschiedde, stond Petrus op en zcide tot hen : mannen broeders, gij weet dat God van over langen tijd onder ons [mij) verkoren heeft, dat de Heidenen door mijnen mond bet woord des Euangeliums zouden booren, en gelooven. 8 En God de kenner der harten heeft hun getuigenis gegeven, hun gevende den Heiligen Geest, gelijk als ook ons : 9 En beeft geen onderscheid iremaakt tusschen ons en ben, gereinigd hebbende hunne harten door het geloof. 10 Nu dan, wa\'. verzoekt gy God, om een juk op den bals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen ? G 7 11 Maar |
|
168 DE HANE 11 Maar wij gelooven door de genade des Heeren Jezus Christus znlif» te worden, op zulke wijze als ook zij. 12 En al de menigte zweejr stil, en hoorden Barnabas en Paulus verhalen wat proote teekenen en wonderen God door hen onder de Heidenen gedaan had. 13 En nadat deze zwepen, antwoordde Jacobus, zespen-de: nianncn broeder», hoort mij. 14 Simeon heeft verhaald hoe God eerst de Heidenen heeft bezocht, om uit [/m-ii] een volk aan te nemen voor zijnen naam. 15 En hiermede stemmen overeen de woorden dar Profeten, gelijk geschreven is : Ifi Na dezen zal ik wederkee-ren, en weder opbouwen den Tabernakel Davids, die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is weder opbouwen, en ik zal denzelven weder oprig- 17 Opdat deoverblyvende men-schen den Heer zoeken, en al de Heidenen, over welke mijn naam aangeroepen is, spreekt de Heer, die dit alles doet. 18 Gode zijn al zijne werken van eeuwigheid bekend. 19 Daarom oordeel ik dat men depenen, die uit de Heidenen zich tot God bekeeren, niet beroere; 20 Maar hun zal .aanschrijven, dat zij zich onthouden van de dingen die door de afgoden besmet zijn, en van hoererij, en van het verstikte, en van bloed. 21 Want Mozes heeft er van oude tijden in elke stad, die hem prediken, en hij wordt op eiken Sabbat in de Synagogen gelezen. 22 Toen heeft het den Apostelen en den Ouderlingen, met de geheele gemeente, poed pe-dacht, [rrnirie] mannen uit hen te verkiezen, en met Paulus en Barnabas te zenden naar Antiochië; [nnmelijTc], Judas, die toepenaamd wordt Barnabas, en Silas; mannen die voorganpers waren onder de broeders; 23 En schreven door hen dit [nnrolpendr] : de Apostelen, en de Ouderlingen, en de broeder# [iftntcfcïn] den broederen |
ELINGEN Hcofdat.ilS. uit de Heidenen, die in Antiochië, en Syrië, en Cilicië zijn, zalipheid. 21 Nademaal wij gehoord hebben dat sommigen, die van ons uitgegaan zijn, u met woorden ontroerd hebben en uwe zielen wankelend gemaakt, zeggende dat gij moet besneden worden, en de wet onderhouden ; welken wij [dnt] niet be* volen hadden ; 23 Zoo heeft het ons eendrag-telijk te zamen zijnde goed gedacht («entflc) mannen te verkiezen, en tot u te zenden, met onze geliefden Barnabas en Paulus, 26 Menschcn, die hunne zielen overgegeven hebben voor den naam onzes Heeren Jezus Christus. 27 Wij hebben dan Judas en Silas gezonden, die ook met den mond hetzelfde zullen verkondigen. 28 Want het heeft den Heiligen Geest en ons goed gedacht, ulieden geencn meerderen last op te legsen can dezen noodzakelijke dineer : 29 (iV«mf/tjfc] dat gij u onthoudt van hetgeen den afpoden geofferd is tn van bloed, en van \'t verstikte, en van hoererij ; van welke dingen indien gij u zolven wacht, zoo zult gij wel doen. Vaart wel. 30 Deze dan. hun afscheid ontvangen hebbende, kwamen te Antiochië; en de menigte vergaderd hebbende, gaven zij den brief over. 31 En zij [diet] gelezen hebbende verblijdden zich over de vertroosting. 32 Judas nu er. Silas, die ook zeiven Profeten waren, vermaanden de broeders met vele woorden, en versterkte* hen. 33 En als zij [dnor] eenen tijd [{nnrr] vertoefd hadden, lieten hen de broeders [werlerom] gaan met vrede tot de Apostelen. 31 Maar het dacht Silaa goed aldaar te blijven. 35 En Paulus en Barnabas onthielden zich te Antiochië, lee-rende en verkondigende met nog vele anderen het woord des Heeren. 36 En na eenige dagen zeide Paulus tot Barnabas: laat ons nu wederkee.\'en, en bezoeken onze broeders in elke stad, in welke wij het woord des Heeren |
|
Hoofdst. 15. 16. DER AP( verkondigd hebben, hoe zij het hebben. 37 En Barnabas raadde dat zij Johannes, die genaamd is Markus, zouden medenemen. 38 Maar Paulus achtte billijk dat men dien niet zoude mede-nemen, die van Pamphylië aan van hen was afgeweken, en met hen niet was gegaan tot dat werk. 39 Er ontstond dan eene verbittering, alzoo dat zij van elkander gescheiden zijn, en dat Barnabas Markus medenam, cn naar Cyprus afscheepte; 40 Maar Paulus verkoos Silas, sn reisde henen, der trenade Gods van de broederen bevolen zijnde. 41 En hij doorreisde Syrië en Cilicië, versterkende de gemeenten. E HOOFDSTUK 16. n hij kwam te Derbe en Lystre; en zie, aldaar was een zeker discipel, met name Timo-theüs, zoon van eene pelooviije Joodsche vrouw, maar van eenen Griekschen vader, HOOFDSTUK 16. n hij kwam te Derbe en Lystre; en zie, aldaar was een zeker discipel, met name Timo-theüs, zoon van eene pelooviije Joodsche vrouw, maar van eenen Griekschen vader, 2 Welken [gnedt] petuisenis gegeven werd van de broederen te Lystre en Iconië. 3 Deze wilde Paulus dat met hem zoude reizen ; en hij nam en besneed hem om der Joden wil die in die plaatsen waren ; want zü kenden allen zijnen vader, dat hij eon Griek was. 4 En alzoo zy de steden doorreisden, paven zij hun de ordonnantiën over, die van de Apostelen en de Ouderlingen te Jeruzalem poedgevonden waren, om [flir) te onderhouden. 5 De gemeenten dan werden bevestigd in het geloof, en werden dagelijks overvloediger in petal. 6 En als zij Phrygië, en het land van Galatië doorgereisd hadden, werden zij van den Heiligen Geest verhinderd het woord in Azië te spreken. 7 [Eu] aan Mysië gekomen zijnde, poogden zij naar Bithy-nië te reizen ; en de Geest liet het hun niet toe. 8 En zn Mysië voorbij gereisd zijnde, kwamen af tot Troas. 9 En van Paulus werd in den nacht een gezigt gezien ; er was een Macedonisch man staande, die hem bad en zeide: kom over in Macedonië, en help ons. |
)3TELEN. 159 10 Als hij nu dit peiigtg?zien had, zoo zochten wij terstond naar Macedonië te reizen, besluitende [dnnrui/] dat ons de Heer geroepen had, om den-zelven het Euangolium te verkondigen. 11 Van Troas dan afgevaren zijnde, liepen wij regt naar Sa-mothrace, en den volgenden [dan] naar ïs\'eapolis ; 12 En van daar naar Philippi, welke is de eerste stad dezes deels van Macedonië, eene kolonie. En wij onthielden ons in die stad ettelijke dagen. 13 En op den dag des Sabbats gingen wij buiten de stad aan de rivier, daar het gebed plagt te geschieden ; en nedergezeten zijnde, spraken wij tot de vrouwen, die t\' zamen rgekomen 14 En eene zekere vrouw, met name Lydia, eene purperver-koopstor, van destad Thyatire, die God diende, hoorde (on«l; welker hart de Heer hoeft ge-opeud, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd. 15 En als zij gedoopt was en haar huis, bad zij [ufit] zeggende : indien gij hebt geoordeeld dat ik den Heer getrouw ben, zoo komt in myn huis, en blijft er. En zij dwong ons. 16 En het geschiedde als wij tot het gebed henengingen, dat eene zekere dienstmaagd hebbende eenen waarzeggenden geest, ons ontmoette, welke haren heeren groot gewin toe-bragt met waarzeggen. 17 Dezelve volgde Paulus en ons achteraan, en riep, zeggende: deze hiecschen zijn dienstknechten Gods des Aller-hoogsten, die ons den weg der zaligheid verkondigen. 18 En dit deed zij vele dagen lang Maar Paulus [daarover] t\' onvreden zijnde, keerde zich om, en zeide tot den geest: ik gebied u in den naam van Jezus Christus, dat gij van haar uitgaat. En hij «jing uit ter zelf-der ure. 19 AU nu de heeren van dezelve zagen dat de hoop huns gewins weg was, grepen zij Paulus en Silas, en trokken hen naar de markt voor de Oversten. 20 En als zij hen tot de Hoofdmannen gebrajt hadden, zei- |
|
160 den iü : deze menschcn beroeren onze stad, daar zj Joden zijn ; 21 En zij verkondifren zeden, die ons niet Reoorloofd zijn aan te nemen , noch te doen, alzoo wij Romeinen zijn. 22 En do schare \'stond peza-menlijk tefren hen op; «n lt;le Hoofdmannen liun de kleede-ren afgescheurd hebbende, bevalen hen te peesclen. 23 En als zij hun vele slagen frerreven hadden, wierpen zij hen in de trevanffenis, en geboden den stok waarder, dat hij lien zekerlijk bewaren zoude; 21 Welke zulk een gebod ontvangen hebbende, wierp hen in den binnensten kerker, en verzekerde hunne voeten in den stok. 25 En omtrent den middernacht baden Paulus en Silas, en zonsren Gode lofzangen ; en de gevangenen hoorden naar hen. 25 En or geschiedde snellijk cene groote aardlMivlug, alzoo dat do fondamenten des kerkers bewogen werden ; en terstond werden al de deuren geopend, en dc banden van allen werden los. 27 En de stokwaarder wakker geworden zijnde, en ziende de deuren der gevangenis geopend, trok een zwaard, en zoude zich zeiven omgebragt hebben, ineenende dat de gevangenen ontvloden waren. 28 Maar Paulus riep met groote stem, zesgende : doe u zeiven geen kwaad; want wij zijn allen hier. 29 En als hij licht geëischt had, sprong hij in; en werd zeer bevende, en viel voor Paulus en Silas neder [nnn de rnelrn]. 30 En hen buiten gebragt hebbende, zeide hij : t/ilt;rr| hee-ren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde? 31 En zij zeiden: geloof in den Heer Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gy en uw huis. 32 En zij spraken tot hem het woon! des Heeren, en tot allen die in zijn huis waren. 33 En hij nam hen tot zich in dezelfde ure des nachts, en wiesch (ftrnl van de striemen; rn hij werd terstond gedoopt, ei al de zijnen. |
3t En hy bragt hen in zijn huis, en zette [ftunl de tafel voor, en verheugde zich, dat hij met al zijn huis aan God geloovig geworden was. 35 En als het dag geworden was, zonden de Hoofdmannen de stadsdienaars, zeggende: laat die menschen los. 36 En de stokwaarder boodschapte deze woorden aan\' Paulus [xegqendc] : de Hoofdmannen hebben gezonden dat gij zoudt losgelaten worden; :raat dan nu uit, en reist henen in vrede. 37 Maar Paulus zaide tot bon : zij hebben ons die Romeinen zijn, onveroordceld in *t openbaar gegeeseld, en in de gevangenis geworpen ; en werpen zij ons nu heimelijk daar uit? Niet alzoo; maar dat zij zelven komen en ons uitleiden. 38 En dc stadsdienaars boodschapten dez\'3 woorden wederom den Hoofdmannen ; en zij werden bevreesd, hoorendc dat zij Romeinen waren. 39 En zö komende baden hen, en als zij hen uitgeleid hadden, begeerden zij, dat zij uit de stad gaan zouden. 40 En uitgegaan zijnde uit de gevangenis, gingen zij in tot Lydia; en de broeders gezien hebbende vertroostten zij dezelve, en git gen uit [de TT HOOFDSTUK 17. 1 1 in door Amphipolis en Apollonia [hunnen] weg genomen hebbende, kwamen zij te Thessalonika, i.lwanr eene Synagoge der Jodtn was. 2 En Paulus, gelijk hij gewoon was, ging tot nen in, en drie Sabbaten lung handelde hij met hen uit de Schriften ; 3 [Vezelve] openende, en voor [ooi/en] stellende, dat de Christus moest lijden, en opstaan uit de dooden, en dat d; ze Jezus is de Christus, dien ik, [reide hij], ulieden verkondig. 4 En sommigen uit hen geloofden, en werden Paulus en Silas toegevoegd, en van Godsdienstige Grieken cene groote menigte, en van de voornaamste vrouwen riet weinige. 5 Maar dc Joden die ongehoorzaam waren [rfifl benijdende, namen tot zich ecnige booze mannen uit de marktboe- en matktcn dat het volk te DE HANDELINGEN Hoofdst. 16, 17. |
|
iroofdst. 17. DER APC tc hoop liep, en beroerden lt;lc atnd; en op \'tliuis Ja=ons invallende, zochten zij hen tot het volk te brengen. fi Kn als zij hen niet vonden, trokken zij Jason en eenifje broeders voor da Oversten der stad, roepende: deze, die de wereld in roer hebben gesteld, zijn ook hier gekomen ; 7 Welke Jason in (ïijn hui»] genomen heeft; en al deze doen tegen de geboden des Keizers, zeggende dat er een andere Ko-ninsr is, (nnmWijfc] een Jezus. 8 En zij beroerden de schare, en de Oversten der stad, die dit hoorden. 9 Doch als zij van Jason cn de anderen vergenoeging ontv.m-gen hadden, lieten zij hen gaan. 10 En de broeders zonden terstond des nachts Paulus en Si-las weg naar Berea; welke daar gekomen zijnde gingen henen naar de Synagoge der Joden. 11 En deze waren edeler dan die te Thessalonika waren, [«lt;»] die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzoo waren. 12 Velen dan uit hen geloofden, cn der Grieksche eerlijke vrouwen en der mannen niet weiniso. 13 Maar als de Joden, van Thessalonika verstonden dat het woord Gods ook te Berea van Paulus verkondigd werd, kwamen zij ook daar, en bewogen de scharen. li Doch de broeders zonden toen van stonden aan Paulus weg, dat hij ging als naar de zee; maar Silas en Timotheüs bleven aldaar. 15 En die Paulus geleidden bragtea hem tot Athene toe; cn ala zij bevel gekregen hadden am Silas en Timotheüs, dat zij op het spoedigste tot hem zouden komen, vertrokken zij. • IR En terwijl Paulus hen te Athene verwachtte, werd zijn geest in hem ontstoken, ziende dat de stad zoo zeer afgodisch was. 17 Hij handelde dan in deSyn-agoge met de Joden, en met degenen dieGodsdienstigwaren, en op de markt alle dagen met-degenen die [Arm] voorkwamen. |
STELEN. 161 18 En sommigen van derEpicu-reïsehe en StoïschePhilosophen streden met hem; en soiimü-gen zeiden ; wat wil toch deze klapper zeggen ? Maar anderen (ïridfn]: hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde Goden ; omdat hij hun Jezus en de opstanding verkondigde. 19 En zij namen hem, cn brag-ten [Ami] op de qr-nanmd] Areopagus, zeggende : kunnen wij [nifij weten welke deze nieuwe leer zij, daar gij van spreekt ? 20 Want gij brengt eenige vreemde dingen voor onze ooren; wij willen dan weten wat toch dit zijn wil. 21 (Die van Athene nu allen, en de vreemdelingen die zich daar onthielden, besteedden [.\'mnnrn] tijd tot niets anders, dan om wat nieuws tc zeggen en tc hooren.) 22 En Paulus, staande in het midden van de [plants, pfinnnnlj Areopagus, zeidc: gij mannen van Athene, ik bemerk dat }\'ij allezins gelijk als Godsdienst :-gcr zijt. 23 Want [Je stntl] doorgaande, en aanschouwende uwe Heiligdommen heb ik ook een altaar gevonden op hetwelk een opschrift Stond : DEX OïfBEKEN-DEX Go». Dezen dan dien gij niet kennende dient, verkondig ik ulieden. 21\' De God die do wereld gemaakt heeft, en alles wat daarin is, deze zijnde een Heer des hemel» en der aarde, woont niet in Tempelen met handen gemaakt; 25 En wordt ook van men-sehenhanden niet gediend («/*1 iets behoevende, alzoo hij zelf allen het leven, en den adem, en alle dingen geeft; 25 En heeft uit ëénen bloede het gansche geslacht der men-schen gemaakt, om op den geheel en aardbodem tc wonen,bescheiden hebbende de tijden te voren geordineerd, en de bepalingen van hunne woning; 27 Opdat zij den Heer zouden zoeken, of zij hem immers tarten en vinden mogten ; hoewel hij niet ver is van een iegelyk 2S Want in hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij ; gelijk ook eenigen van uwe Poëten ge- |
DE HANDELINGEN Hoofdst. 17,18.
|
Beregil hebben ; want wij zijn ook zijn geslacht. 23 Wij dan zijnde Gods meelacht, moeten niet meencn dat de Godheid poud, of zil-rer, of steen gelijk zjj, welke door menschen kunst en beden-kin?» presneden zijn. 30 God dan de tyden der onwetendheid overgezien hebbende, verkondigt nu allen uien-schen alom dat zij zich be-keeren ; 31 Daarom, dat hy eonen daj? gesteld heeft, op welken hij den aardbodem rcfj tv aar digi ijk zal oordeelen, door eenennnan, dien hij [-Inrrrtor] geordineerd heeft, verzekering (lt;{nor»nii) doende aan allen, dewijl hij hem uit de dooden opgewekt heeft. 32 Als zij nu de opstanding der dooden hoorden, «potten sommigen (lt;innrmerf«], en Eommi-gen zeiden : wij zullen u wederom hiervan hooren. 33 En alzoo is Paulus uit het midden van hen weggegaan. 3t Doch sommige mannen hingen hem aan, en geloofden ; onder welke was ook Diony-sius de Areopagiter, en eene vrouw met name Damaris, en anderen met dezclvefi. 17 HOOFDSTUK 18.7 HOOFDSTUK 18. Jn na dezen scheidde Paulus van Athene, en kwam te Korinthe, 2 En vond eonen zekeren Jood, met name Aquila, van geboorte uit Pontus, die onlangs van Italië gekomen was, en Pris-cilla zijne vrouw (omdat Claudius bevolen had, dat al do Joden uit Home vertrokken zouden) ; en hij ging tot hen. 3 En omdat hij van \'t zelfde handwerk was, bleef hij bij hen, en werkte; want zij waren tentemakers van handwerk. 4 En hij handelde op eiken Sabbat in do Synagoge, en be-woo? het geloof] Joden en Grieken. 5 En \' als Silas en Timotheüs van Macedonië afgekomen waren, werd Paulus door don Geest gedrongen, betuigende den Joden dat Jezus is de Christus. G Maar als zü wederstonden en lasterden, schudde hij [ï\'jn^] kloederen af, en zeide tot hen : uw bloed [rij] op uw hoofd; |
ik bon rein ; [en] van nu voort zal ik tot de Heidenen henen-gaan. 7 En van daar gegaan zijnde kwam hij in het huis van eenen [mnn] met name Justus, die God diende, wiens huis paalde aan de Synagoge. 8 En Crispus de Overste der Synagoge geloofde aan den Heer met geheel zyn huis; en velen v.-jn de Korinthiërs (hem] hoorendo geloofden, en werden gedoopt. 9 En de Hoer zeidc tot Paulus door een gezigt in den nacht: zijt niet bevreesd, maar spreek en zwijg niet. 10 Want ik ben met u, en niemand zal [tie hnnd] aan u leggen om u kwaad te doen ; want ik heb veel volks in deze stad. 11 En hij onthield zich [lt;il-ilnnr] een jaar en zes maanden, loerende onder hen het woord Gods. 12 Maar als Gallio Stadhouder van Achaje was, stonden de Joden oendragtelijk tegen Paulus op, en bragten hem voor den regtorstoel, 13 Zoggent.e; deze raadt de menschen aan, dat zij God zouden dier en tegen de wet. 14 En al? Paulus (rynenl mond zoude opendoen, zeidc Gallio tot le Joden; zoo er eenig ongelijk of kwaad stuk [6e-r/nm] ware, o Joden, zoo zoude ik met roden uliedon verdragen; 15 Maar indien er geschil is over een woord, en namen, en [oeer] de wet die onder u is, zoo zult gij ze ven toezien; want ik wil over deze dingen geen regter zijn. 16 En Lij dreef hen weg van den regtorstoel. 17 Maar al de Grieken namen Sosthenes den Oversten der Synagoge, en sloegen [/iem) voor den regtorstoel; en Gallio trok zich geen van deze dingen aan. 18 En als Paulus daaj nog vele dagen gebleven was, nam hij afscheid van de broederen, en scheepte van daar naar Syrië, en Priscilla en Aquila mot hem, [.rijn] hoofd te Kenchrea geschoren hebbende ; want hij had eene gelofte [geJann], 19 En hij kwam te Efeze aan, en liet he i aldaar; maar hij ging in de Synagoge, en handelde met dc Joden. 20 Tn |
|
20 En als zij baden dat hij langer b\\j lien blijven zoude, be-williirdc hij het niet, 31 Maar hy nam afscheid van hen, zaïrjrende; ik moet pan-schelijk het toekoincndcFeesttt\' Jeruzalem houden ; doch ik zal tot u waderkeeren, zoo God wil. En hij voer wejr van Efeze. 22 Eu als hij te Cesarca was gekomen, ging hij op (nnnr Jeruzalem]-, en do gemeente gegroet hebbende, ging hij af naar .Vntiochië. 23 En als hij [nlJnrr] oenigen tijd geweest was, ging hij weg, en doorreisde vervolgens het land van Galatië en Phrygië, versterkende al de discipelen. 21 En een zekere Jood, met name A polios, van geboorte een Alcsandricr, een welsprekend man, kwam f.\' Eleze, inngtig zijnde in de Schriften. 25 Déze was in den weg dt-s Heeren onderwezen ; en vurig zijnde van goest, sprak hij en loerde naarstiglijk do zaken des Heeren, wetende alleenlijk don doop van Johannes. 2C En deze begon vrijinoedig-lijk te spreken in de Synagoge ; en als hem Aquila en Priscilla gehoord hadden, namen zij hem tot zich, en leiden hem den weg Gods bescheidenlijker uit. 27 Eu als hij wilde naar Achaje reizen, de broeders [hem] verwaand hebbende, schreven aan de discipelen, dat zij hom ontvangen zouden ; welke daar gekomen zijnde, heeft hij veel toe-gobragt dengenen, die geloofden door de genade. 29 Want hij overtuigde de Joden niet grooten ernst in het openbaar, bewijzende door de Schriften, dat Jezus de Chris- E HOOFDSTUK 19. n \'t geschiedde terwijl Apolios te Korinthe was, dat Paulus de bovenste deden HOOFDSTUK 19. n \'t geschiedde terwijl Apolios te Korinthe was, dat Paulus de bovenste deden Inndt] doorgereisd hebbende te Efeze kwam; en ecnige discipelen [olrfoor] vindende, 2 Zei de hij tot hen : hebt gij den Heiligen Geest ontvangen als pii geloofd hebt? En zij zeiden tot hem; wij hebben zelfs niet gehoord of er een Heilige Geest is. 3 En hy zeide tot hen : waar-|u zijt gij dan gedoopt? En zij 163 |
zeiden : in den doop van Johannes. 4 Maar Paulus zeidc: Johannes heeft wf.l gedoopt den doop der bekoering, zeggendo tot het volk dat zij gelooven zouden in dengenen die na hein kwam, dat is in Christus Jezus. 5 Eu die [Af»quot;) hoorden, werden gedoopt in den naam des Heeren Jezus. C En als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen ; en zij spraken met (vr^rrmi») talen, en profeteerden. 7 En al deze waren omtrent twaalf mannen. 8 En hij ginir in de Synagoge, en sprak vrijmoediglijk, drio maanden lang [met hen] handelende, en [/iuji] aanradende du zaken van het Koningrijk Gods. 9 Maar als sommigen verhard werden, en ongehoorzaam waren, kwaad sprekende van den wcfT Md Herren] voor de mc- niïte, week hij van hen, en scheidde de discipelen af, dagelijks handelende in de school van zekeren Tyrannus. 10 En dit geschiedde twee js-ren lang, alzoo dat allen die in Azië woonden, het woord des Heeren Jezus hoorden, beide Joden en Grieken. 11 En God deed ongewone krachten door do handen van Paulus ; 12 Alzoo dat ook van zijn lijf op Je kranken godragen werden do zweetdoeken of gordeldoeken, on dat de ziekten van hen weken, en de booze geesten van hen uitvoeren. 13 En sommigen van do omzwevende Joden, zijnde [(/«i- rW] bezweerders, bobben zich onderwonden den naam des Heeren Jezus to noemen over degenen die booze geesten hadden, zetrgende; wij bezweren u bij Jezus, dien Paulus predikt. 11 [Dexe] nu waren zekere zeven zonen van Sceva een Joodsch Overpriester, die dit deden. 15 Maar de booze geest antwoordende zeWe; Jezus ken ik, en Paulus weet ik; maar gijlieden, wie zijt pij ? 16 En de mensch in welken de booze geest was, sprong op-hen en hen meester geworden Hoofilst. 18, 19. DER APOSTELEN. |
DL HANDELINGEN Hoofdst. 19.
iet
|
lijnde kreeg lt;le overhand tegen hen, nlzoo dat zij naakt en gewond uit dat huis ontvloden. 17 Eu dit werd allen bekend, beide Joden en Grieken, die te Efeze woonden ; en er viel eene vree» over heu uilen, en de quot;naam des Ileereu Jezus werd groot gemaakt. 18 En velen dergenen die geloofden kwamen, belijdende en verkondigende hunne daden. 1\'J Velen ook dergenen die ijdele [fcumtrn] gepleegd hadden, bragten de boeken bijeen, en verbrandden ze in aller tegenwoordigheid, en berekenden de waarde derzelve, en bevonden vijftig duizend zilveren (prnmnq^n]. 20 Alzoo wies quot;het woord des Heeren met inagt, en nam de overhand. 21 En als deze dingen volbragt waren, nam Paulus voor in den geest, Macedonië en Aehaje doorgegaan hebbende, naar Jeruzalem te reizen, zeggende; nadat ik aldaar zal geweest zijn, moet ik ook Home zien. 22 En als hij naar Macedonië gezonden had twee van degenen die hem dienden, [nnm»--lijk] Timotheüs en Erastus, bleef hij zelf cencn tijd [lang] 23 Maar op dien zelfden tijd ontstond er geene kleine beroerte, van wego den weg de$ llreren]. 24 Want een niet name Demetrius, een zilversmid, die l/ilriiif] zilveren Tempelen van Diana maakte, bragt dien van die kunst geen klein gewin toe. 25 Welke hij t\' zamen vergaderd hebbende, met de handwerkers van dergelijke dingen, zeide hij • mannen, gij weet dat wij uit dit gewin onze welvaart hebben ; 20 En gij ziet en hoort, dat deze Paulus veel volk niet alleen van Efeze, maar ook bijna van geheel Azië overreed en afgekeerd heeft, zeggende dat het geene Goden zijn, die met handen gemaakt worden. 27 En wij zijn niet alleen in gevaar, dat dit deel in verachting komt, maar dat ook de Tempel van de groote Godin Diana als niets geacht zal worden, en dat ook hare majesteit zal teu onder gaan, aan welke gansch Azië, en de [jrAfcif] wereld Godsdienst bewijst. |
28 Als zij uu [dU] hoorden werden zij vol van toornigheid, en riepen, zeggende: groot is de Diana der Efezeren. 29 En de geheele stad werd vol verwarring; en zij liepen met een gedruisch eendragte-lijk naar de schouwplaats, met zich trekkende Gajus de Aris-tarchus, Macedoniors, Paulus medgezellen op de reis. 30 En als Paulus tot het volk wilde ingaan, lieten *t hem de discipelen niet toe. 31 En sommigen ook der Oversten van Azië, die hem vrienden waren, zouden tot hem, en baden dat hij zich zeiven op de schouwplaats niet zoude begeven. 33 Zij riepen dan, (\'/e rrne ilit,] de underc wat anders. Want de vergadering was verward, en het meerder [dcW] wisten niet, om wat oorzaak zij te zamen gekomen waren. 33 En zij deden Alexander uit de schare voorkomen, alzoo hem de Joden voortstieten. En Alexander gewenkt hebbende met de hand, wilde bij het volk verantwoording doen. 3t Maar als zij verstonden dat hij een Jood was, werd er eene stem van allen, roepende omtrent twee uren lang: groot is de Diana dor Efezeren. 35 En als de [«(rtdilsehrijver de schare gestild had, zetdc hij : gij mannen van Efeze, wat inensch is er toch die niet weet, dat de stad :ler Efezeren zij de Kerkbewaars:er van de groote Godin Diana, en van [/iet herld] dat uit den hemel gevallen is ? 3G Dewijl d.-n deze dingen on-wedersprekel jk zijn, zoo is het behoorlijk, dat gij stil zijt, en\' niets onbedachts doet. 37 Want gij hebt deze mannen [Airr] gebragt, die noch kerk-roovers zijn, noch uwe Godin lasteren. 38 Indien dan nu Demetrius, en die met hem van de kunst zijn, tegen iemand eenige zaak hebben, de regtsdagen worden gehouden, en er zijn Stadhouders , laat hen elkander verklagen. 39 En indien gij iets van andere dingen verzoekt, dat zal in eene wettelijke vergadering beslecht worden. |
HooMst. 19. 20. DER APOSTELEN.
165
|
40 Want wy staan in gevaar dat wy van oproer zullen verklaard worden, om [den rfnp] van heden, alzoo er preene oorzaak is, waardoor wij reden zullen kunnen peven van dezen oploop. En dit pezefrd hebbende, liet hij de vergadering gaan. ■Vf HOOFDSTUK 20. 1 J.\\ adat nu het oproer cre-stild was, Paulus de discipelen tot zich geroepen en gegroet hebbende, ging uit om naar Macedonië te reizen. 2 En nis hij die deelen doorgereisd, en hen met vele redenen vermaand had, kwam hij in Griekenland. 3 En als hij [nltlnnr] drie maanden overgebragt had, en hem van de Joden lagen gelegd werden,als hij naar Syrië zoude varen, zoo werd hij van zins weder te keeren door Maccdo- 4 Én hem vergezelschapte tot in Azië Sopater van Berea; en van de Thessatonicensen Ariatarchus, en Secundus, en Gajus van Derbe, en Timo-theüs; en van die van Azië Tychikus en Trophimus. 5 Deze vooraf henengegaan zijnde, wachtten ons te Troas. 6 Wy nu scheepten af van Philippi na do dagen der on-gehevelde [ftroorfrn], en kwamen in vijf dagen bij hen te Troas, alwaar wij ons zeven dagen onthielden. 7 En op den eersten [(/»»»;] dor week, als de discipelen bijeen gekomen waren om brood te breken, handelde Paulus met hen, zullende des anderen daags verreizen ; en hij strekte [rijn^l reden uit tot den middernacht. 8 En er waren vele lichten in de opper taal, daar zij verga- 9 En esn zeker jongeling, met name Eutyc.hus, zat in het venster ; cn met eenen diepen slaap overvallen zyndc, alzoo Paulus lang [lt;ot Arn) sprak, door den slaap neder-stortende, viel van de derde zoldering nederwaarts, en werd dood opgenomen. 10 Doch Paulus afgekomen zijnde viel op hem ; en (hrm) omvangende, zeide hij • weest niet beroerd, want zijne ziel is in hem. |
11 En als hy [«•erfrr) boven gegaan was, en brood gebroken, en Itrnt) gegeten had, en lang tot den dageraad toe met hen gesproken, had, vertrok hij alzoo. 12 En zij braeten den knecht levend, en waren bovenmate vertroost. 13 Maar wij vooruit naar het schip gegaan zijnde, voeren af naar Asson, waar wij Paulus zouden innemen. Want hij had het alzoo bevolen, en hij zelf zoude te voet gaan. 11 En als hij zich te Asson bij ons gevoegd had, namen wij hem in, en kwamen tcMitylene. 15 En van daar afgescheept zijnde kwamen wij den volgenden [ilnti] tegen Chios over; en des anderen [dnagt] legden wij aan te Samos, en bleven te Trogyllion, en den (dog] daaraan kwamen wij te Milete. IC Want Paulus had voorgenomen Efeze voorbij te varen, opdat hij niet «oude don tijd in Azië verslijten. Want hij spoedde zich, om (zoo het hem mogelijk ware) op den Pinksterdag te Jeruzalem te zijn. 17 Maar hij (zond van Milete naar Efeze, en hy ontbood de Ouderlingen der gemeente. 18 En als zij tot hem gekomen waren, zeide hij tot hen ; gijlieden weet, van den eersten dag af dat ik in Azië ben aangekomen, hoe ik bij u den gan-schen tijd geweest ben , 19 Dienende den Heer mot alle ootmoedigheid,quot; en vele tranen, en verzoekingen, die mij overgekomen zijn door de lajren der Joden ; 20 Hoe ik niets achtergehouden heb van hetgeen nuttig was, dat ik u niet zoude verkondigd, en u geleerd hebben in \'t openbaar en bij de huizen ; 21 Betuigende beide Joden en Grieken de bekeering tot God en het geloof in onzen Heer Jezus Christus. 22 En nu zie, ik gebonden zijnde door den Geest, reis naar Jeruzalem, niet wetende wat mij daar ontmoeten zal; 23 Dan \'dat de Heilige Geest van stad tot stad betuigt, zeggende dat mij banden en verdrukkingen aanstaande «ijn. 24 Maar ik acht op geer» ding. noch houd mijn leven niet dierbaar voor mij zeiven. opdat ik mijnen loop met blydsehap mo- |
|
mofte volbrengen, en den dienst, welken ik van den Heer Jezus ontvangen heb, om te betui-ffon het Euanfjelium der genade Gods. 25 En nu zie, ik weet dat pij allen, waar ik doorpepaan ben predikende het Koninpryk Gods, mijn aanpezipt niet meer zien zult. 26 Daarom betuip ik ulieden op dezen huidipen dap, dat ik rein ben van het bloed van [u] allen. 27 quot;Want ik heb niets achter pohouden dat ik u niet zoude verkondipd hebben al den raad Gods. 2S Zoo hebt dan acht op u zeiven, en op de peheele kudde, over welke u de Heilipe Geest tot Opzieners pesteld heeft, om de pemeente Gods fc weiden, welke hij verkregen heeft door zijn eipen bloed. 29 Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die dc kudde niet sparen ; 30 En uit u zeiven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dinpen, om dc discipelen af te trekken achter zich. 31 Daarom waakt, cu pedenkt dat ik drie jaren [lquot;nii] nacht en dap niet oppehouden heb een iepelijk met tranen te 32 En nu, broeders, ik beveel u Gode, en den woorde zijner penade, die maptip is [u] op te bouwen, en u een erfdeel te peven onder al dc pe-heilipden. 33 Ik heb niemands zilver, of poud, of kleedinp bepeerd ; 31 En gij zeiven weet dat deze handen tot mijne nooddruft, en den-renen die met mij waren, gediend hebben. 35 Ik heb u in alles petoond, dat men alzoo arbeidende de zwakken moet opnemen, en gedenken aan de woorden des lieeren Jezus, dat hü pezepd heeft: het is zaliger te peven dan te ontvangen. 36 En als hij dit gezegd had, heeft hij nederknielende met hen allen gebeden. 37 En er werd een groot geween van [fcfii] allen. en zij vallende om den hals van Pau-lus kusten hem, |
38 Zeer bedroefd zijnde, allermeest over het woord dat hij gezegd had, dat zy lijn aange-zigt niet meer zien zouden; en zy geleidden hem naar het schip. Ir* HOOFDSTUK 21.r* HOOFDSTUK 21. Ijn als het geschiedde dat wij van hen gescheiden cn afgevaren waren, zoo liepnn wij regtuit en kwamen te Kos, en den (\'Inf/l daaraan te Rhodus, en van daar te Patara. 2 En een «chip gevonden hebbende dat naar Phenicië overvoer, gingen wij daar in, en voeren af. 3 En als wij Cyprus ia het ge-zigt gekresen, cn dat aan de linkerf/taici] gelaten hadden, voeren wij naar Syrië, en kwamen aan te Tyrus, want het schip zoude aldaar den last ontladen. 4 En de discipelen gevonden hebbende, bleven wij daar zeven dagen ; welke tot Paulus zeiden door den Geest, dat hij niet zoud.; opgaan naar Jeruzalem. 5 Toen het nu peschiedde dat wij deze dagen overpebrapt hadden, pinpt n wij uit, cn reisden [roorlt;]; en zij peleidden ons allen «net vrouwen en kinderen tot buiten de fstad ; cn aan den oever nederknielende hebben wij gebedea. 6 En als wij elkander gegroet hadden, pi.igen wij in \'t schip ; maar zijlieden keerden wederom (lt;141 naar het zijne. 7 Wij nu ie scheepvaart vol-bragt nebbende van Tyrus kwamen aan tn Ptolemais ; cn de broeders gegroet hebbende, bleven eenen dag bij hen. 8 En des anderen [dnnrjt] Paulus en wij die met hem waren, dinpen van daar en kwamen te Ceaarea. cn pesaan zijnde in \'t huis van Philippus den Euangelist (die («quot;quot;i] was van de zeven) bleven wy bij hem. 9 Deze nu had vier dochters, [noij] maagden, die profeteerden. 10 En als wij [dnar] vele dagen gebleven waren, kwam er een zeker Profeet af van Judea, met name Apabus. 11 En hij kwam tot ons, cn nam den gordel van Paulus, en zijn# zelfs handen en voeten pe-bonden hebbende, zeide: dit zept de Heilipe Geest: den man, DE HANDELINGEN* Hoofdst.20,21. |
|
niJin, wiem dere gordel ii, zullen de Joden alzoo te Jeruzalem binden, en overleveren in de handen der Heidenen. 12 Als wy nu dit hoorden, baden beide wij en die van die plaats waren, dat hij niet zoude opgaan naar Jeruzalem. 13 Maar Paulus antwoordde : wat doet gij dat pij weent, en mijn hart week maakt ? Want ik ben bereid niet alleen pe-bonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor den naam des Ileeren Jezus. 14 En als hij zich niet liet afraden, hielden wij ons tevreden, zepgende ; de wil des Hee-ren jreschiede. 15 En na die dagen maakten wij ons gereed, en gingen op naar Jeruzalem. 16 En met ons gingen ook [tommif/rn] der discipelen van Cesarea, leidende (met «irfc) eenen zekeren Mnason van Cyprus, eenen ouden discipel, bij welken wij zouden t\' huis liggen. 17 En als wij te Jeruzalem gekomen waren, ontvingen ons de broeders blijdclijk. 18 En den volgenden ging Paulus met ons in tot Jacobus ; en al de Ouderlingen waren daar gekomen. 19 En als hij hen gegroet had, verhaalde hij van stuk tot stuk, wat God onder de Heidenen door zijnen dienst gedaan had. 20 En zij [rfnt] gehoord hebbende, loofden den Heer, en zeiden tot hem ; gij ziet, broeder, hoe vele duizenden van Joden er zijn die gelooven; en zy rijn allen ijveraars van de 21 En zij zijn aangaande u be-rigt, dat gij al de Joden, die onder de Heidenen zijn, leert van Mozes afvallen, zeggende dat zij de kinderen niet zouden besnijden, noch naar de wijzen (der wet] wandelen. 22 quot;Wat is er dan [te doen] ? Het is gansch noodig dat de menigte te zamen kome\'; want zij zullen hooren dat gij gekomen zijt. 23 Doe dan hetgeen wij u zeggen ; wij hebben vier mannen die eene gelofte gedaan hebben ; 24 Neem deze tot u, en heilig u met hen, en doe de onkosten nevens hen, opdat zij het hoofd bescheren mogen ; en allen mo- |
en weten dat er niets is aan etgeen waarvan ::ij aangaand:; u berigt zijn, maar (dolt;J gij [rrlzoo] wandelt, dat gij ook zelf de wet onderhoudt. 25 Doch van de Heidenen die gelooven, hebben wij geschreven en goedgevonden, dat zij niets dergelijks zouden onderhouden, dan dat zü zich wachten van hetgeen den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij. 20 Toen nam Paulus de mannen met zich ; en den dag daaraan met hen geheiligd zijnde, ging hij in den Tempel, en verkondigde dat de «lagen der heiliging vervuld waren, [6iij-vrnde dnnr] totdat voor een iegelijk van hen de offerande opgeofferd was. 27 Als nu de zeven dagen zouden voleindigd worden, za?en hem da Joden van Azië in den Tempel, en beroerden al het volk,^ en sloegen de handen 28 llocpende : gij Israëlitische mannen, komt te hulp. Deze is de mensch die tegen het volk, en de wet, en deze plaats alle [man] overal leert, en bovendien heeft hij ook Grieken in den Te.upel gebrast, en heeft deze heiligt\' plaats ontheiligd. 20 Want zij hadden te voren Trophimus den Efeziër met hem in de stad gezien, welken zij meenden dat Paulus in den Tempel gebraart had. 30 En de geheele stad kwam iu roer, en het volk liep te zamen ; en zü grepen Paulus, en trokken hem buiten den Tempel; en terstond werden de deuren gesloten. 31 En als zij hem zochten te dooden, kwam het gerucht tot den Oversten der bende, dat geheel Jeruzalem in verwarring was ; 32 Welke terstond krijgsknechten en Hoofdmannen over honderd tot zich nam, en liep af naar hen toe. Zij nu, den Oversten en de krijgsknechten ziende, hielden op van Paulus te slaan. 33 Toen naderde de Overste, en greep hem, ei beval dat men [hem] met twee ketenen zoude binden, en vraagde wie hij was, en wat hij gedaan had. 34 En onder da schare nep [rff |
HE HANDELINC.EM Hoofdst. 21, 22.
|
[rfe em rfiil de ander w.it nn-dem; dorh als hy de zekerheid niet konde weten van we\'re de beroerte, beval hij dat men hein in de leff.-rplnats zoude brengen. 35 En als hij aan dn trappen gekomen was, {rebeurde net dat hij van de krijgskneohten fjedrasen werd, van wege het p^weld der schare. 36 Want de menigte des volks volgde al roepende: weg met hem. 37 En als Faulus [nu] in de legerplaats zoude geleid worden, zeiile hy tot den Overste: is het mij geoorloofd tot u wat te spreken ? En hij zeide : Kent gij Grieksch ? 38 Zijt gij dan niet de Egyptenaar, die vóór deze dagen oproer verwekte, cn de vier duizend moordenaars naar de woestijn uitleidde? 39 Maar Paulu9 zeide : ik ben een Joodseh man van Tarsen, een burger van geen onvermaarde stad in Cilicië: en ik bid u, laat mg toe lot het volk te spreken. 40 En als hij het toegelaten had, Paulus staande op de trappen, wenkte met de nand tot net volk; en als er groote stilte geworden was, sprak hy hen aan in de llebreeuwsche taal, zeggende: ren, gebonden te brengen naaï Jeruzalem, opdat zij gestraft zouden worden. |
C Maar het geschiedde my, als ik reisde, en Damascus genaakte, omtrent den middag, dat snelliik uit den hemel een groot licht mij rondom omscheen. 7 En ik viel ter aarde, en ik hoorde eene stem tot mij zeggende ; Saul, (Saul, wat vervolgt gij mij ? 8 En ik antwoordde : wie zijt gij Heer? En hij zeide tot my: ik ben Jezus de Nazare-ner, welken gij vervolgt. 9 En die met mij waren zagen wel het licht, en werden zaer bevreesd; maar de stem der--penen die tot mij sprak, hoor-1den zij niet. 10 En ik zeide : Heer, wat zal ik doen ? En de Heer zeide tot mij ; eta op cn tra henen naar Damascus; cn aldaar zal met u gesproken worden van al hetgeen dat u geordineort is to doen. quot;11 En als ik van wege de heerlijkheid deszelven lichts niet z.-.f, zoo werd ik bij ds hand geleid van degenen die met mij waren, cn kwam te Da- 12 En een zekere Ananias, een godvrucatig man naar de wet, [gofde] getuigenis hebbende van il de Joden die ((innr] woonden, 13 Kwam tot mij, en bij [mij] staande reidï tot mij: Saul broeder, worl weder ziende. En terzelfder ure werd ik ziende op hen . En hij zeide : de God onzer vaderen heeft u te voren verordineerd om zijnen wil te kennen, cn den Regtvaardigen te zien, cn de stem uit zijnen mond te hooren. 15 Want gij zult hem getuige zijn bij alle inenschen van hef geen gij gezien en gehoord hebt, 16 En nu, wat vertoeft gij ? Sta op, cn laat u doopen, cn uwe zonden afwasschen, aanroepende den naam des Heeren. 17 En het gebeurde my, als ik te Jeruzalem wedergekeerd was, en in den Tempel bad, dat ik in eene vertrekking van zinnen 18 Èn dat ik hem zag, en hy tot mij zeide: spoed u, cn ga • lin der hr.ast uit Jeruzalem, want |
M HOOFDSTUK 22. annen broeder» en vaders, hoort mijne verantwoording, die ik tegenwoordiglijk tot u [rfocn HOOFDSTUK 22. annen broeder» en vaders, hoort mijne verantwoording, die ik tegenwoordiglijk tot u [rfocn snl].
|
tioofdst. 22. 23. tgt;Eft AP( want 2ij zullen uwe getuigenis van my niet aannemen. 19 En ik xeide: Heer, zy weten dat ik in de gevangenis wierp, en in de Synagogen peeselde, die in u geloofden; 20 En toen het bloed van Ste-fanus uwen getuige vergoten werd, (lt;Jnlt;] ik daar ook bg stond, en mede een welbehagen had in zijnen dood, en de kleederen benaarde dergenen die hem doodden. 21 En hij zeide tot mü : ga henen, want ik zal u ver tot de Heidenen afzenden, 22 Zü hoorden hem nu tot dit woord toe; en zü verhieven hunne stem, zeggende: weg van de aarde met zulk eenen; want het is niet behoorlek, dat hij leeft. 23 En nis zij riepen, en de kleederen van zich smeten, en stof in de lucht wierpen, 21 Zoo beval de Overste dat men hem in de legerplaats zoude brengen, en zeide, dat men hem met geeselen onderzoeken zoude, opdat hij verstaan mogt om wat oorzaak zy alzoo over hem riepen. 25 En alzoo zij hem met de riemen uitrekten, zeide Paulus tot den Hoofdman over honderd, die daar stond : is het ulieden geoorloofd eenen Ro-meinschen mensch, en [dien] onveroordeeld, te geeselen ? 26 Als nu de Hoofdman over honderd [dat] hoorde, ging hy toe, en boodschapte het den Oversten, zeggende: zie wat gy te doen hebt; want deze mensch ia een Romein. 27 En de Overste kwam toe, en zeide tot hem: zeg my, zyt gij een Romein ? En hij zeide ; ja. 28 En de Overste antwoordde ; ik heb dit burgerregt voor eene groote fom [geldt] verkregen. En Faulus zeide: maar ik ben ook [een burger] geboren. 29 Terstond dan lieten zy van hem af, die hem zouden onderzocht hebben. En de Overste werd ook bevreesd, toen hy verstond, dat hy een Romein was, en dat hy hem had gebonden. 30 En des anderen (rfnnpi] willende de zekerheid weten, waarom hy van de Joden beschuldigd werd, maakte hy hem los van de banden, en beval dat de Overpriestera en hun geheelc Raad zouden ko-gt; STELEN. 16!) |
men; en Paulu* afgebragt hebbende stelde hy [hein] voor hen. E HOOFDSTUK 23. n Paulus de oogen op den Raad houdende, zeide mannen broeders, ik heb met alle goede consciëntie voor God gewandeld tot op dezen dag. HOOFDSTUK 23. n Paulus de oogen op den Raad houdende, zeide mannen broeders, ik heb met alle goede consciëntie voor God gewandeld tot op dezen dag. 2 Maar de Hoogepriester Ananias beval dengenen die bij hem stonden, dat zy hem op den mond zouden slaan. 3 Toen zeide Paulus tot hem : God zal u slaan, gy gewitte wand. Zit gij ook om my te oordeelen naar de wet, en beveelt gij tegen de wet dat men my zal slaan ? 4 En die daarbij stonden zeiden : scheldt gy den Hoogepriester Gods? 5 En Paulus zeide; ik wist niet, broeders, dac het de Hoogepriester was. \\7ant er is geschreven ; den Oversten uws volks zult gij niet vloeken. 6 En Paulus wetende, dat het eene deel was van de Sad-dueeën, en het andere van de Parizeen, riep in den Raad; mannen broeders, ik ben een Parizeer, eens Parizeërs zoon ; ik word over de hope en opstanding der dooden geoordeeld. 7 En als hij dit gesproken had, ontstond er tweedragt tusschen de Farizeën en de Sadduceên, en de menigte werd verdeeld. 8 Want de Sadduceên zeggen dat er geene opstanding is, noch Engel, noch Geest; maar de Parizeen belijden het beide. 9 En er geschiedde een groot geroep ; en de Schriftgeleerden van de zyde der Parizeen stonden op, en streden, zeggende • wy vinden geen kwaad in dezen mensch ; en indien een Geest tot hem gesproken heeft, of een Engel, laat ons tegen God niet stryden. 10 En als er groote tweedragt ontstaan was, de Overste vreezende, dat Faulus van hen verscheurd mogt worden, gebood dat het krygsvolk zoude afkomen, en hem uit het midden van hen wegrukken, en in de legerplaats brengen. 11 En den volgenden nacht stond de Heer by hem, en zeide : heb goeden moed, Paulus. want gelijk gy te Jeruzalem van H my |
DE HANDELINGEN
Hoofdst. 23.
170
|
mji betuigd hebt, alzoo moet ffö ook te Rome getuigen. 12 En als het dag geworden was, maakten sommigen van de Joden eene zamenrotting, en vervloekten zich zeiven, zeggende dat zy noch eten noch drinken zouden, totdat zij Pau-lus zouden gedood hebben. 13 En zij waren meer dan veertig, die dpzen eed te zamen gedaan hadden ■, 14 Welke gingen tot de Over-priesters en de Ouderlingen en zeiden ; wij hebben ons zeiven met vervloeking vervloekt, niets te zullen nuttigen totdat wij Paulus zullen gedood hebben ; 15 Gij dan nu, laat den Oversten weten met den Raad, dat hij hem morgen tot u afbrenge, alsof gjj nader kennis zoudt nemen van zijne zaken ; en wij zyn bereid hem om te brengen eer hij bij [v] komt. 16 En als Paulus zusters zoon deze laag gehoord had, kwam hij daar, en ging in de legerplaats, en boodschapte het 17 En Paulus riep tot zich eenen van de Hoofdmannen over honderd, en zeide: leid dezen jongeling henen tot den Oversten; want hij heeft hem wat te boodschappen. 18 Deze dan nam hem en bragt [hem] tot den Oversten, zeide: Paulus de gevangene heeft mij tot zich geroepen, en begeerd dat ik dezen jongeling tot u zoude brengen, die u wat heeft te zeggen. 19 De Overste nu nam hem bij de hand, en bezijden gegaan zijnde vraagde hij: wat is \'f dat gij mij hebt te boodschappen t 20 En hij zeide: de Joden zijn overeengekomen om van i begeeren, dat gij Paulus r geu zoudt in den Raad afbrengen, alsof zy iets van hein der zouden onderzoeken. 21 Doch geloof hen niet. Want meer dan veertig ir nen uit hen leggen hem la-welke zich zeiven met eene vervloeking verbonden hebben noch te eten noch te drinken, totdat zij hem zullen omgc-bragt hebben; en zij zyn nu gereed, verwachtende de toezegging van u. |
22 De Overste dan liet dea jongeling gaan, (fc*»n] gebiedende : zeg niemand voort, dat gij mij zulks geopenbaard hebt. 23 En zekere twee van de Hoofdmannen over honderd tot zich geroepen hebbende, zeide hij : maakt twee honderd krijgsknechten gereed, opdat zij tot Ceaarea trekken, en zeventig ruiters, en twee honderd schut- ers, tegen de derde ure des lachts; 24 En laat hen [tndWlbeesten bestellen, opdat zij Paulus daar op zetten, en behouden overbrengen tot den Stadhouder Felix. 25 En hij schreef eenen brief, hebbende dezen inhoud ; 26 Claudius Lysias aan ^len nagtigsten Stadhouder Felix, groetenis. 27 Alzoo deze man van de Joden gegrepen was, en van hen omgebragt zoude geworden zijn, ben ik daarover gekomen met het krijgsvolk, en heb hem [/iuh] ontnomen, berigt zijnde dat hij een Rom.;in is. 28 En willende de zaak weten, waarover zij hem beschuldigde, bragt ik hem af in hunnen Raad; 29 Welken ik bevond beschuldigd te worden over vragen hunner wet, uiair geene beschuldiging teger hom te zijn, die den dood of iianden waardig is. 30 En als mij te kennen gegeten was, dat van de Joden eene laag tegen dezen man [geleyd] zoude worden, zoo heb ik [hem] terstond aan u gezonden ; gebiedende ook der beschuldigers voor u te zeggen hetgeen zij tegen hem hadden. Vaar wel. 31 De krijgsknechten dan, gelijk hun bevolen was, namen Paulus en bragten hem\'s nachts tot Antipatris. 32 En des anderen daags, latende de ruiters met hem trekken, keerden zij wederom naar de legerplaats. 33 Welke als zij te Cesarea gekomen waren, en den brief den Stadhouder overgeleverd hadden, hebben zij ook Paulus voor hem gesteld. 34 En de Stadhouder [den hrir/i gelezen hebbende, vraagde, uit wat Provincie hij was; en verstaande dat hij van Ci-licië was, 35 Zei- |
|
lloofdst. 23.2t. DER APC 35 Zeide hij : ik zal u hooren, Als ook uwe beschuldigd « hier zullen gekomen zijn. En hij beval dat hij in het regthuis van llerodes zoude bewaard blijven. E HOOFDSTUK 24. n vijf dagen daarna kwam de Hoogepri ester Ananias af met de Ouderlintren, en eenen zekeren voorspraak HOOFDSTUK 24. n vijf dagen daarna kwam de Hoogepri ester Ananias af met de Ouderlintren, en eenen zekeren voorspraak [genaamd] Tertullus, welke verschenen voor den Stadhouder tegen Paul us. 2 En als hij geroepen was, begon Tertullus [/i«nl te beschuldigen, zeggende; 3 Dat wij grooten vrede door u bekomen, en dat (rr/»-] loffelijke diensten dit volk gesrhie-den door uwe voorzigtigheid, magtigste Felix, nemen wij ganschelük en overal met alle dankbaarheid aan. 4 Maar opdat ik u niet lang ophoude, bid ik [u], dat gij ons, naar uwe bescheidenheid, kortelijk hoort. 5 Want wij hebben dezen man bevonden te zijn eene pest, en cenen die oproer verwekt onder al de Joden door de (jnn-êche] wereld, en eenen oppersten voorstander van de sekte der Nazarenen. 6 Die ook gepoogd heeft den Tempel te ontheiligen ; welken wij ook gegrepen hebben, en naar onze wet hebben willen oordeelen. 7 Maar Lysias de Overste daarover komende, heeft t\'iquot;quot;] met groot geweld uit onze handen wegfjebragt; 8 Gebiedende zijne beschuldigers tot u te komen ; van welken gij zelf [Aem] onderzocht hebbende, zult kunnen verstaan al hetgeen waarvan wij hem beschuldigen. 9 En ook de Joden stemden het toe, zeggende dat deze dingen alzoo waren. 10 Maar Faulus, als hem de Stadhouder gewenkt had dat hij zoude spreken, antwoordde : dewijl ik weet dat gij nu vele jaren over dit volk Regter geweest zijt, zoo verantwoord ik mg zeiven met [rff»] te beteren moed; 11 Alzoo gij kunt weten dat het niet meer dan twaalf dagen zijn, van dat ik ben opgekomen om te aanbidden te Jeruzalem. . |
\'STELEN. 171 12 En zn hebben mü noch in den Tempel ge\\onden tot iemand sprekende, of [rrnigr] zamenrotting van het volk makende, noch in de Synagogen, noch in de stad. 13 En zij kunnen niets bewijzen, waarvan zü mij nu beschuldigen. 14 Maar dit beken ik u, dat ik naar dien weg, welken zij sekte noemen, den God der vaderen alzoo dien, geloovende alles wat in de wet, en in de Profeten geschreven is; 15 Hebbende hope op God, welke dezen ook zeiven verwachten, dat er eene opstanding der dooden wezen zal, beide der regtvaardigen en der onregtvaardigen. 16 En hierin oefen ik mij zel- Ujke consciëntie te hebben bij God en de menschen. 17 Doch na vele jaren ben Ik gekomen om aalmoezen te doen aan mijn volk, en offeranden ; 18 Waarover mij gevonden hebben geheiligd zijnde, in den Tempel, niet met volk, noch met beroerte, eenige Joden uit Azië , 19 Welke behoorden [hirr] voor u tegenwoordig te zijn, en [mij] te beschuldigen, indien zij iets hadden tegen mij. 20 Of dat deze zeiven zeggen of zij eenig onregt in mij gevonden hebben, als ik voor den Raad stond, 21 Dan van dit eenige woord hetwelk ik riep staande onder hen: over de opstanding dor dooden word ik heden van ulie-den geoordeeld. 22 Toen nu Felix dit gehoord had, stelde hij hen uit, zeggende : als ik nader wetenschap van dezen weg zal hebben, wanneer Lysias de Overste zal afgekomen zijn, zoo zal ik volle kennis nemen van uwe zaken. 23 En hij beval den Hoofdman over honderd dat Paul us zoude bewaard worden, en verligting hebben, en dat hij niemand van de zijnen zoude beletten [Afm] te dienen, of tot hem te komen. 24 En na sommige dagen Felix daar gekomen zijnde met Drusilla zijne vrouw, lie eene Jodin was, ontbood Pnulus, en hoorde hem van het geloof in Christus. 1! 2 25 Ha |
|
ÜS En als hg handelde van regtvaardigheid, en matigheid, en [mml het toekomende oordeel, Felix reer bevreesd geworden lijnde , antwoordde : voor ditmaal ga henen; en als ik gelegenen tijd lal hebben bekomen, zoo zal ik u tot mg roepen. 26 En te gelijk ook hopende dat hem van Paulus geld gegeven zoude worden, opdat hg hem losliete ; waarom hg hem ook dikmaals ontbood, en sprak met hem. 27 Maar als twee jaren vervuld waren, kreeg Feli* Forcius Festus in zijne plaats; en Felix willende den Joden gunst bewijzen, liet Paulus gevangen. I7gt; HOOFDSTUK 25. ? estus dan in de Provincie gekomen zgnde, ging na drie dagen van Cesarea op naar Jeruzalem.7gt; HOOFDSTUK 25. ? estus dan in de Provincie gekomen zgnde, ging na drie dagen van Cesarea op naar Jeruzalem. 2 Eu de H oogepriester en de voornaamsten der Joden ver-si-henen voor hem tegen Paulus, en baden hem, 3 Befjeerende gunst tegen hem, opdat hij hem zoude doen komen te Jeruzalem, [rn] leppende cene laarr, om hem op den weg om te brengen. 4 Doch Festus antwoordde, dat Paulus te Cesarea bewaard werd, en dat hg zelf haast [der-iraarts] zoude verreizen. 5 Die dan, zeide hg, onder u kunnen, dat zg mede afreizen, en zoo cr iets onbehoorlijks in dezen man is, dat zg hem beschuldigen. 6 En als hg onder hen niet meer dan tien dagen overge-bragt bad, kwam hij af naar Cesarea; en des anderen daags op den regterstoel pezeten zgnde, beval hg dat Paulus zoude (coor)gebragt worden. 7 En als hij daar gekomen was, stonden de Joden, die van Je-ruzalemafgckomen waren, rondom (Arm), vele en zware beschuldigingen tegen Paulus voortbrengende, die zg niet konden bewgzen; 8 Dewijl hg verantwoordende zeide: ik heb noch tegen de wet der Joden, noch tegen den Tempel, noch tegen den Keiter iets gezondigd. |
9 Maar Festus willende den Joden gunst bewgzen, antwoordde Paulus en zeide ; wilt iELIKGEN Öoofdst. 2t, 25. gij naar Jeruzalem opgaan, en aldaar voor mg over deze dingen geoordeeld worden T 10 En Paulus zeide; ik sta voor den regterstoel des Keizers, waar ik geoordeeld moet worden; den Joden heb ik geen onregt gedaan, gelijk gg ook zeer wal weet. 11 Want indien ik onregt doe en iets des doods waardig gedaan heb, ik weiger niet te sterven ; maar indien cr niets is van hetgeen waarvan deze mg beschuldigen, zoo kan niemand mij hun uit gunst overgeven. Ik beroep mij op den Keizer. 12 Toen antwoordde Festus als hg met den Raad gesproken had: hebt gij u op den Keizer beroepen ? Gg xult tot dea Keizer gaan. 13 En als eenige dagen voor-bijgegaan waren, kwamen de Koning Agrippa en Bernice te Cesarea.om Festus te begroeten. 14 En toen zii aldaar vele dagen overgebrapt hadden, heeft Festus de zaken van Paulus aan den Koning vcrrhaald, zeggende : [Wfr] is een zeker man van Felix gevangen gelaten, 15 Om wiens wil, als ik te Jeruzalem was, de Overpriesters en de Ouderli.igen der Joden verschenen, bcgeerendc vonnis tegen hem; 16 Aan welke ik antwoordde, dat de Romeinen de gewoonte niet hebben , eenigen mensch uit gunst ter dood over te geven, eer de beschuldigde de beschuldigers tegenwoordig heeft, en plaats van «erant-woording gekregsn heeft over de beschuldiging 17 Als zg dan gezamenlijk alhier gekomen waren, zoo ben ik, geen uitstel nemende, des [rlnngt] daaraan op den regterstoel gezeten, en beval dat de man zoude [roorjgebragt worden ; 18 Over welken, de beschuldigers [hier] staande, geene zaak hebben voortgebragt, waarvan ik vermoedde; 19 Maar hadden tegen hem eenige vragen van hunnenGoda-dienst, en van zekeren Jezus die gestorven was, welken Paulus zeide te leven. 20 En als ik over de onderzoeking van deze taak in twijfeling was, zeide ik, of hij wilde gaan naar Jeruzalem, en aldaar over de- |
|
HoofdBt. 25, 26. DER API dexe dingen geoordeeld worden. 21 En als Paulus zich beriep, «Jat men hem tot de kennis des Keizers bewaren zoude, zoo heb ik bevolen, dat hy bewaard zoude worden ter t\\jd toe, dat ik hem tot den Keizer tendenzoude. 22 En Agrippa zeide tot Fes-tus t ik wilde ook zelf dien mensch [tori] hooren. En hg zeide; morgen zult gij hem hooren. 23 Des anderen daags dan, als Agrippa gekomen was, en Ber-nice met groote pracht, en als zij ingegaan waren in het regt-huis met de Oversten over duizend, en de mannen die de voornaainsten der stad waren, werd Paulus door Festas bevel Iroorlgebrast. 2V En Festus zeide: Agrippa Koning, en gij mannen alle die niet ons [AirrJ tegenwoordig zgt; gij ziet dezen, van welken mij de gansche menigte der Joden heeft aangesproken, beide te Jeruzalem en hier, roepende dat hij niet meer behoort te leven. 25 Maar ik bevonden hebbende dat hij niets des doods waardig pedaan had, eu dewijl hij ook zeif zich op den Keizer beroepen heeft, heb besloten hem te zenden ; 2C Van welken ik niets zekers heb aan den Heer te schrijven ; daarom heb ik hem voor ulie-den voorgebragt, en meest voor u. Koning Agrippa, opdat ik, na gedane onderzoeking, wat heb te schrijven. 27 Want het dunkt mg tegen reden, eenen pevangenen te zenden, (««] niet ook de beschuldigingen die tegen hem zyn, te kennen te geven. E HOOFDSTUK 26. n Agrippa zeide tot Paulus: het is u geoorloofd voor u zeiven te spreken. Toen strekte Paulus de hand uit, en verantwoordde zich [olrtui]: HOOFDSTUK 26. n Agrippa zeide tot Paulus: het is u geoorloofd voor u zeiven te spreken. Toen strekte Paulus de hand uit, en verantwoordde zich [olrtui]: 2 Ik acht my zeiven gelukkig, o Koning Agrippa, dat ik mij heden voor u zal verantwoorden van alles waarover ik van de Joden beschuldigd word; 3 Allermeest dewyl ik weet, dat kü kennis hebt van alle gewoonten en vragen, die onder de Joden zgn. Daarom bid ik u, dat gij mij laakmoediglijk boort. |
JSTELEN. 17- 4 Mijn leven dan van\'der jongheid af, hetwelk van den beginne onder mjjn volk te Jeruzalem geweest is, weten al de Joden ; 5 Als die van over lang mg te voren gekend hebben (indien zij \'t wilden getuigen) dat ik naar de besrheidenste sekte van onzen Godsdienst, [ah] een Parizeer geleefd heb. 6 En nu sta ik cn word geoordeeld over de hope der belofte, die van God tot de vaderen geschied is; 7 Tot welke onze twaalf ge-slagten geduriglijk nacht en dag [God] dienende verhopen te komen ; over welke hope ik, o Koning Agrippa, van de Joden word beschuldigd. 8 Wat ? Wordt het bij ulieden ongeloofelijk geoordeeld, dat God de dooden opwekt ? 9 Ik meende waarlijk bij my zeiven, dat ik tegen den naam van Jezus van Nazareth vele wederpartijdige dingen moest doen ; 10 Hetwelk ik ook gedaan heb te Jeruzalem; en ik heb velen van de heiligen in de gevangenissen gesloten, de mugt van de Overpriesters ontvangen hebbende; en als zii omgebragt werden, stemde ik liet toe. 11 En door al dc Synagogen heb ik hen dikmaals gestraft, en gedwongen te lasteren; en bovenmate tegen hen woedende, heb ik [Afn] vervolgd ook tot in de buiten[(anchcAc] steden. 12 Waarover ook als ik naar Damascus reisde, met magt en last, welke [ilt] van de Overpriesters (fcorf), 13 Zag ik, o Koning, in het midden van den dng op den weg een licht boven den glans der zon, van den hemel mij cn degenen die met mij reisden omschijnende. 14 En als wg allen ter aarde nedergevallen waren, hoorde ik eene stem tot mij sprekende, en zeggende in de Hebreeuw-sche taal: Saul, Saul, wat vervolgt gg mij ? Het is u hard tegen de prikkels de verzenen te slaan. 15 En ik zeide • wie zijt gij Heer? En hij zeide-Ik ben Jezus dien gij vervolgt. gt;6 Maar rigt u op, en sta op uwe voeten : want hiertoe ben ik ii verschenen, om u to stel-U 3 len |
|
174 DE HANI lan tot eenen dienaar en getuide «Ier dingen, beide die gij gezien hebt en in welke ik u lnnr/J zal verschijnen; 17 Verlossende u van dit volk, en (rnnl dc Heidenen, tot welke ik u nu zend, 18 Om hunne oogen te openen, on [Acn] te bckoeren van de duisternis tot hot licht, en [rnn] de niagt des satans tot God ; opdat zij do vergeving der zonden ontvangen, en een erfdeel onder de goheiligden, door hot geloof in inij. 19 Daarom, o Koning Agrippa, ben ik dat hemelsche gezigtniet ongehoorzaam geweest; 2() Maar heb eerst dengenen die te Damascus waren, en te Jeruzalem, en in \'t geheele land van Judea, en den_Heide-nen verkondigd, dat zij zich zouden beteren, en tot God bekeeren, werken doende der bekeering waardig. 21 Om dezer zaken wil hebben mij de Joden in den Tempel gegrepen, en gepoogd om te brengen. 22 Dan, hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezpn dag, betuigende beide klein en groot, niets zeggende buiten hetgeen de Profeten en Mozes gesproken hebben dat geschieden zoude, 23 [jVnuiWijfch dat de Christus lijden moest, en dat hij de eerste uit de opstanding der dooden zijnde, een licht zoude verkondigen dezen volke, enden Heidenen. 21 En als hij deze dingen tot verantwoording sprak, zeide Festus met groote stem: gij raast Paulus ; de grootegeleerdheid brengt u tot razerny. 23 Maar hij zoide : ik raas niet, magtigste Festus, maar ik spreek woorden van waarheid, en van een gezond verstand . 2G Want de Koning weet van deze dingen; tot welken ik ook vrijmoedigheid gebruikende spreek : waut ik geloof niet dat hem iets van deze dingen verborgen is, want dit is in geenen hoek geschied. 27 Gelooft gij, o Koning Agrippa, de Profeten ? Ik weet dat gij ze gelooft. 28 En Asrrippa zeide tot Paulus: gij beweegt mij biina een Christen te worden. |
29 En Faulus zeide: ikwensch-•ELINGEN Hoofdat. 2ti, 27. te wel van God dat, en bijna en geheellijk, niet alleen gij, maar ook allen die mij heden hooren, zoodanig werden gelijk als ik ben, uitgenomen deze banden. 30 En als hij dit gezegd had, stond de Koning op, en de Stadhouder, en Bernice, en die met hen gezeten waren ; 31 En aan eene zijde gegaan zijnde, spraken zij tot elkander, zeggende: deze mensch doet niets des doods of der banden waardig. 32 En Agrippa zeide tot Festus : deze mensch konde losgelaten worden, indien bij zich op den Keizer niet had beroepen. Ip HOOFDSTUK 27. jn als het besloten was, dat wij naar Itali i zouden afvaren, leverden tij Paulus en eenige andere gevangenen over aan eenen Hoofdman over honderd, met name Julius, van de Keizerlijke bende.p HOOFDSTUK 27. jn als het besloten was, dat wij naar Itali i zouden afvaren, leverden tij Paulus en eenige andere gevangenen over aan eenen Hoofdman over honderd, met name Julius, van de Keizerlijke bende. 2 En wij in een Adramytte-nisch schip gegaan zijnde, al-zoo wij de plaatsen langs Azië bevaren zouden, voeren wij af; en Aristarchus de Macedoniër van ThessaloniLa was met 3 En des anderen [rlant/i] kwamen wij aan te Sidon. En Julius vriendelijk met Paulus handelende, liet [AeM] toe tot de vrienden te gaan, om Itimi /i*iij bezorgd te worden. •1 En van daar afgevaren zijnde, voeren wij oi der Cyprus henen, omdat de winden lon«] 5 En de zee die langs Cilicië en Famphylië is, doorgevaren zijnde, kwamen wij aan te My-ra in Lycië. 6 En de Hoofdman aldaar een schip gevonden hebbende van Alexandric, dat naar Italië voer, deed ons in hetzelve overgaan. 7 En als wij vele dagen lang-zamelijk voortvoeren, cn naau-welijks tegenover Knidos gekomen waren, overmits het ons de wind niet toeliet, zoo voeren wij onder Kreta henen tegenover Salmone. 8 En hetzelve naauwelijks voorbij zeilende, kwamen wij in eene zekere pli.ats, genaamd Schoonehavens, waar de stad Lasea nabij was 9 En |
DER APOSTELEN.
Hoofdst. 27.
175
|
9 En als veel tijd verloopen, en de vaart nu zorgelylt wag, omdat ook de vasten nu voorby was, vermaande hen Paulus, 10 En zeide tot hen : mannen, ik zie dat de vaart zal geschieden met hinder en groote schade niet alleen van de lading en van het schip, maar ook van ons leven. 11 Doch de Hoofdman geloofde meer den stuurman en den schipper, dan hetgeen van Paulus gezegd word. 12 En alzoo de haven ongelegen was om te overwinteren, vond het meerder[ geraden ook van daar te varen, of rij cenigzinste Phenix konden aankomen om te overwinteren, zijnde eene haven in Kreta, strekkende tegen hetzuid wetten en tefjen het noordwesten. 13 En alzoo de zuidenwind zachtelijk waaide, meenden zij hun voornemen verkregen te hebben; en afgevaren zijnde zeilden zg digt voorbij Kreta henen. 11 Maar niet lanpr daarna sloec tegen hetzelve, een stormwind genaamd Euroclydon. 15 En als het schip daarmede weggerukt werd, cn niet konde tegen den wind opzeilen, gaven wij het op, en dreven henen. 16 En loopende onder een zeker eilandje, genaamd Klauda, kondon wij naauwelijks de boot majjtiiT worden; 17 Welke opgehaald hebbende, gebruikten zij [nUr] behulp-selen, het schip ondergorden-de; en alzoo zij vreesden dat zij op de [droogte] Syrtis vervallen zouden, streken zij het zeil, en dreven alzoo he- 18 En alzoo wij van \'t on weder geweldiglijk geslingerd werden, deden zij den volgenden [rfnp) oenen uitworp, 19 Eu don derden (rfm»] wierpen wij met onze eigene handen des schips gereedschap uit. 20 En als noch zon noch gesternten verschenen in vele da-pen, en geen klein onweder (on»] drukte; zoo werd font] voorts alle hoop van behouden te worden, ontnomen. 21 En als men langen tijd zonder eten geweest was, toen stond Paulus {op] in het midden van hen, en zeide : o mannen, men behoorde mij wel gehoor getfeven te hebben, en van Kreta niet afgevaren te zijn, en dezen hinder, cn de^c schade verhoed te hebben; |
22 Doch alsnu vermaan ik ulieden goeds moeds. te zijn ; want er zal geen verlies geschieden van [irmanrff] loven onder u, maar alleen van \'t schip. 23 Want dezen zelfden nacht heeft bij mij gestaan een Enrel Gods, wiens ik ben, welken ook ik dien ; 24 Zejjgende : vrees niet Paulus, gij moot voor den Xeizor gestold worden; en zie. God heeft u geschonken allen die met u varen. 25 Daarom zijt goeds moeds, mannon ; want ik geloof God, dat het alzoo zijn zal, gelijker-wijs het mij gezegd is. 26 Doch wij moeten op een zeker eiland vervallen. 27 Als nu de veertiende nacht gekomen was, alzoo wij in de Adriatische zee herwaarts en derwaarts gedreven werden, omtrent het midden dos nachts, vermoedden de scheepslieden dat hen eenitf land naderde. 28 En het dieplood uitgeworpen hebbende, vonden zij twintig vademen; en een weinig voortgevaren zijnde, wierpen zij wederom het dieplood uit, en vonden vijftien vademen. 29 En vreezende dat zij ergens op harde plaatsen vervallen mogten, wierpon zij vier ankers van het achterschip uit, cn wonschten dat. het dag wierd. 30 Maar als de scheepslieden zochten uit het schip te vlieden, en de boot nederlietcn in do zee, onder den schijn alsof zg uit hot voorschip de ankers zouden uitbrengen , 31 Zeide Paulus tot den Hoofdman en tot de krü?s-knechtcn : indien dozen in hot schip niet blijven, kunt gij niet behouden worden. 32 Toon hieuwen de kryps-knechten de touwen af van de boot en lieten haar afvallen. 33 En ondertusschen- dat het dag zoude worden, vermaande Paulus [ftrn] allen, dat zij zouden spijs nemen, en zeidj : het is heden de veertiende da-j, dat gij verwachtende blijft ronder eten, en niets hebt gen 3men; 34 Daarom vermaan ik u, spijs te nemen ; want dat dient tot uwe behouding ; want niemand H 4 van |
|
176 DE HANI van u zal een haar van liet hoofd vallen. 35 En als hg dit Reze^d en brood genomen had, dankte hij God in aller teffenwoordig-heid; en l/irlzelve] gebroken hebbende befjon hij te eten. 36 En zij allen goeds moeds geworden zijnde, namen ook zeiven spijs. 37 Wij waren nu in \'t schip in alles twee honderd zes en zeventig zielen. 38 En als zij met spijs verzadigd waren, ligtten zij het schip, en wierpen het koren uit in de zee. 39 En toen het dag werd kenden zij het land niet; maarzy merkten eenen zekeren inham die eenen oever had, tegen welken zg geraden vonden, zoo zij konden, het schip aan te zetten. 40 En als zij de ankers opgehaald hadden, gaven zij [/ief tchip] de zee over, meteen de roerbanden losmakende ; en het razeil naar den wind opgehaald hebbende, hielden zij net naar den oever toe. 41 Maar vervallende op eene Slaats die de zee aan beide zjj-laats die de zee aan beide zjj- en had, zetten zij het schip daar op ; en het voorschip vast zittende bleef onbewegelijk, maar het achterschip brak van het geweld der baren. 42 De raadslag nu der krggs-liedcn was, dat zg de gevangenen zouden dooden, opdat niemand ontzwommen zgnde zoude ontvlieden. 43 Maar dc Hoofdman, willende Paulus behouden, belette hun dat voornemen, en beval dat degenen die zwemmen konden, zich eerst zouden afwerpen, en te lande komen ; 44 En de anderen, sommigen op planken, len sommigen op cenige [f(u(fcrn) van het schip. En alzoo is het geschied, dat zij allen behouden aan het land gokomen zijn. E HOOFDSTUK 28. n als zg ontkomen waren, toen verstonden zij dat het eiland Melite heette. HOOFDSTUK 28. n als zg ontkomen waren, toen verstonden zij dat het eiland Melite heette. 2 Eu de Barbaren bewezen ons geene gemeene vriendelijkheid. Want een groot vuur ontstoken hebbende, namen zg ons allen in, omden regen die over kwam, en om de koude. |
ELINGEN Hoofdst. 27, 28. 3 En ala Faulus eenen hoop rijzen bgeen geraapt en op \'t vuur gelegd had, kwam er een adder uit door de hitte, en vatte zijne hand. 4 En als de Barbaren het\'beest zagen aan zijne hand hangen, zeiden zij tot elkander: deze mensch is gewisselijk een doodslager, welken de wraak niet Iaat leven, daar hg uit de zee ontkomen is. 5 Maar hij schudde het beest af in het vuur, en leed niets kwaads. 6 En zij verwachtten dat hii zoude opzwellen, of terstond dood nedervallen. Maar als zij lang verwacht hadden, en zagen dat geen ongemak over hem kwam, werden zij veranderd, en zeiden dat hg een God 7 En hier omtrent dezelfde £ laats had de vocmaamste van laats had de vocmaamste van et eiland met name Publius [ryne] landhoeven ; die ons ontving, en drie dagen vriendelgk herbergde. 8 En het geschiedde dat de vader van Publius, met koortsen \'en den roodenloop bevangen zijnde, te bed lag ; tot welken Paulus inging, en als hg gebeden had, leid.» hg de handen op hem, en maakte hem gezond. 9 Als dit dan geschied was, kwamen ook tot hem de anderen die krankheden hadden in \'t eiland, en werden genezen ; 10 Die ons ook eerden met veel eer; en als wij vertrekken zouden, bestelden zij [on«] \'t geen van noode vas. 11 En na driemaanden voeren wg af in een schip van Alexan-drië, dat in \'t eiland overwinterd had. hebbende tot een tecken. Castor en Pollux. 12 En als wij te Syracuse aangekomen waren, bleven wij [ni-(tnar] drie dagen ; 13 Van waar wij omvoeren, cn kwamen aan te Regium; en al-zoo na eenen dagde wind zuiil werd, kwamen wij den tweeden dag te Putcoli. 14 Alwaar wg broeders\' vonden, en werden gebeden zeven dagen bg hen te blgven; cn alzoo gingen wij r.aar Rome. 15 En van daar kwamen de broeders, van or ze zaken gehoord hebbende, ons tegemoet tot Appiusmarkt en de Drie- |
|
Hoofdst. 28. DER APO tfthcrnen ; welke Paulus ziende, dankte hg God, en greep eenen moed, 16 En toen wij te Rome ffeko-men waren, gaf de Hoofdman dc gevangenen over aan den Oversten des legers ; maar Paulus werd toegelaten op zich «elven te wonen met den xrygs-knecht die hen» betvaarde. 17 En het geschiedde na drie dapen, dat Paulus te zamen riep degenen die de voornaam-sten der Joden waren; en als zij te zamen gekomen waren, ■eide hij tot hen ; mannen broeders, ik die niets gedaan heb tegen het volk, of de vaderlijke gewoonten, ben gebonden uit Jeruzalem overgeleverd in de handen der Romeinen; 18 Welke mij onderzocht hebbende, wilden [mij] loslaten, omdat gecne schuld des doods in mij was. 19 Maar als dc Joden [mlAal tegenspraken, werd ik genoodzaakt mij op den Keizer te beroepen; [doefcj niet alsof ik iets had mijn volk te beschuldigen. 20 Om deze oorzaak dan heb ik u bij my geroepen, om [u] te zien, en aan te spreken; want van wege de hope Israels ben ik met deze keten omvangen. 21 Maar zg zeiden tot hem: wg hebben noch brieven aangaande u van Judea ontvangen, noch iemand van de broederen hier gekomen zijnde heeft van u iets kwaads geboodschapt of gesproken ; 22 Maar wy begeeren wel van u te hooren wat gij gevoelt; want wat deze sekte aangaat, ons is bekend, dat zg overal tegengesproken wordt. 23 En als zij hem eenen dag gesteld hadden, kwamen er velen in («iinrj woonplaats; welken hij het Koningrijk Gods uitleidde, en betuigde, en poogde hen te bewegen tot het po-loof in Jezus, beide uit de wet van Mozes en de Profeten, van \'s morgens vroeg tot den avond toe. • 2i En sommigen geloofden wel hetgeen dat gezepd werd, maar sommigen geloofden niet. 25 En tegen elkander oneens zijnde scheidden zij, als Paulus (dilj ééne woord gezegd had, [namelijk;] wel heeft de |
STELEN. 177 Heilige Geest gesproken door Jesajas den Profeet xot onze vaderen, 26 Zeggende : ga henen tot dit volk, en zeg : met het gehoor zult gij hooren, en geenszins verstaan; en ziende zult gij zien, en geenszins bemerken. 27 Want het hart van dit volk is dik geworden, en met de ooren hebben zij zwaarlijk gehoord, en hunne oogen hebben zij toegedaan, opdat zij niet t\'eeni^er tijd met de oopen zouden zien, en met de ooren hooren, en met het hart verstaan ; en zg zich bekeeren, en ik hen geneze. 28 Het rij u dan bekend, dat de zaligheid Gods den Heidenen gezonden is; en dezelve zullen hooren. 29 En als hij dit gezegd had, gingen de Joden weg, veel twisting hebbende onder elkander. 30 En Paulus bleef twee ge-heele jaren in zijne eigene gehuurde woning, en ontving allen, die tot hem kwamen ; 31 Predikende het Koningryk Gods, en leerende van den Heer Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, onverhinderd. DE ZENDBRIEF VAN DEN P HOOFDSTUK 1. aulus een dienstknecht van Jezus Christus, een geroe- HOOFDSTUK 1. aulus een dienstknecht van Jezus Christus, een geroe- £en Apostel, afgezonderd toten Apostel, afgezonderd tot et Euanpclium Gods, 2 (Hetwelk hij te voren beloofd had door zijne Profeten, in dc Heilige Schriften.) 3 Van zijnen Zoon, (die pe-worden is uit het zaad Davids, naar het vleesch, 4 Die krachtiglijk bewezen is tc zijn de Zoon Gods, naar den Geest der heiligmaking, uit dc opstanding der dooden), fno-melijk] Jezus Christus onzen Heer; 5 (Door welken wg hebben ontvangen genade, en het Apostelschap, tot gehoorzaamheid des geloofs onder al de Heidenen, voor zynen naam; 6 Onder welken gij ook zgt, geroepenen van Jezus Christus.) |
|
178 ZENDBRIEF 7 Allen die te Rome 2ijt, geliefden Gods, [en] geroepene heiligen. Genade rij u en vrede van God onzen Vader, en den Heer Jezus Christus. 8 Eerstelyk dank ik mijnen God door Jezus Christus over u allen, «lat uw geloof verkondigd wordt in de geheele wereld. 9 Want God is mijn getuige, welken ik dien in mijnen peest, in het Euangelium zijns Zoons, hoe ik zonder nalaten uwer gedenk, 10 Allen tijd in mijnen gebeden biddende, of mogelijk mij nog t\' eeniger tijd goede gelegenheid gegeven worde door den wil Gods om tot ulieden te komen. 11 Want ik verlang om u te zien, opdat ik u eenige geeste-lyke gave moge mededeelen, ten einde gij versterkt zoudt worden; 12 Dat is, om mede vertroost te worden onder u, door het onderlinge geloof, zoo het uwe als het mijne. 13 Doch ik wil niet dat u onbekend zij, broeders, dat ik menigmaal voorgenomen heb tot u te komen, (en ben tot nog toe verhinderd geweesti opdat ik ook onder u eenige frucht zoude hebben, gelijk als ook onder de andere Ileide- 14 Beiden Grieken en Barbaren, beiden wijzen en onwijzen ben ik een schuldenaar. 15 Alzoo \'t geen in mij is, dat is volvaardig om u ook die te Rome zijt, het Euangelium te verkondigen. 16 Want ik schaam mij des Euangeliums van Christus niet; want het is eene kracht Gods tot zaligheid eenen iegelijk die gelooft, eerst den Jood, en (oofc) den Griek. 17 Want de regtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven is : maar de regtvaardige zal uit het geloof leven. 18 Want de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid en on-geregtigheid der menschen, [n2lt;] die de waarheid in ongeregtig-heid ten onder houden; 19 Overmits hetgeen van God kennelijk is in hen openbaar |
VAN PAULUS Hoofdit. 1. is; want God heeft het\'hun geopenbaard ; ZO Want zijne onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide zijne eeuwige kracht en goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn ; 21 Omdat zij God kennende, [Urm] als God niet hebben verheerlijkt of gedankt, maar zyn verijdeld geworden in hunne overleggingen ; en hun onverstandig hart is verduisterd geworden. 22 Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden ; 23 En hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk raensch, en van gevogelte, en van viervoetige, eu kruipende [gedierten], 21 Daarom heeft ten God ook overgegeven in de begeerlijkheden hunner harte n tot onrei-nigheid, om hunm; ligchamen onder elkander te onteeren ; 25 die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel getierd en gediend hebben boven den Schepper, die te prijzen is in der eeuwigheid. Amen. 20 Daarom heeft hen God overgegeven tot oneerlijke bewegingen. Want ook hunne vrouwen hebben het natuurlijke gebruik veranderó in \'t [gc-Iruifc) tegen natuur; 27 En insgelijks ook de mannen, nalatende het natuurlijke gebruik der vrouw, zijn verhit geworden in hunnen last tegen elkander, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en de vergelding van hunne dwaling, die [daartor] behoorde, in zich zelven ontvangende. 28 En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zoo heeft hen God overgegeven in eenen verkeerden zin, om te doen dingen die niet betamen ; 29 Vervuld zijnde met alle on-geregtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid, vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid, 30 Oorblazers, achterklappers, haters Gods, sinae.ers, noo-vaardigen, laatdunkonden, vinder» |
|
Boofdst. 1, St. AAN DE R ders van kwade dingen, den ouderen ongehoorzaam, 31 Onverstandiffen, verbond-brekers, zonder nntuurlyke liefde, onverzoenlijken, onbarui-hnrtigen; 32 Welkedaarzij het rept Gods weten, ([nnmriijfc], dat defrenen die zulkedin^en doen.dcsdoods waardig zijn), niet alleen dezelve doen, maar ook mede een welgevallen hebben in degenen die ze doen. D HOOFDSTUK 2. aaroni zijt gij niet te verontschuldigen, o mensch, wie gij zijt, die [«ntl*r«i] oordeelt. quot;Want waarin gy eenen anderen oordeelt, veroordeelt gij u zeiven; want gij die (anderen] oordeelt, doet dezelfde dingen. HOOFDSTUK 2. aaroni zijt gij niet te verontschuldigen, o mensch, wie gij zijt, die [«ntl*r«i] oordeelt. quot;Want waarin gy eenen anderen oordeelt, veroordeelt gij u zeiven; want gij die (anderen] oordeelt, doet dezelfde dingen. 2 En wij weten dat het oordeel Gods naar waarheid is, over degenen die zulke dingen doen. 3 En denkt gtj dit, o mensch, die oordeelt degenen die zulke dingen doen, en dezelve doet, dat gij het oordeel Gods zult ontvlieden ? 4 Of veracht gij den rijkdom zijner goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en lankmoedigheid, niet wetende dat de goedertierenheid Gods u tot bekeering leidt ? 5 Maar naar uwe hardigheid en onbekeerlijk hart vergadert gij u zeiven toorn als eenen schat, in den dag des toorns en der openbaring van het regt-vaardig oordeel Gods; 6 Welk een iegelijk vergelden zal naar zijne werken ; 7 Dengenen wel, die met volharding in goed doen, heerlijkheid, en eer, en onverderfelijkheid zoeken, het eeuwige leven ; 8 Maar dengenen die twistgierig zijn, en die der waarheid ongehoorzaam, doch der on-geregtigheid gehoorzaam zijn, [rot) verbolgenheid en toorn IvernolJen vonlrn], 9 Verdrukking en benaauwd-heid over alle ziel des men-schcn die het kwade werkt, eerst des Joden, en [oofc] des Grieken ; 10 Maar heerlijkheid, en eer, en vrede eenen iegelijk die het goede werkt, eerst den Jood, en [uoft] den Griek. |
11 Want er is geeneaanneming des persoons bij God. 12 Want zoo velen als er zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan ; en zoo velen als er onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden. 13 (Want de hoorders der wet zijn niet regtvaardig voor God, maar de daders der wet zullen geregtvaardigd worden ; I4i Want wanneer de Heidenen die de wet niet hebben, van nature de dingen doen, die der wet zijn, deze de wet niet hebbende, zijn zich zeiven eene wet, 15 [Alg] die betoonen het werk der wet geschreven in hunne harten, hunne consciëntie mede getuigende, en de gedachten onder elkander [hm] beschuldigende, of ook ont-schuldigende.) 16 In den dag wanneer God de verborgene dingen der men-schen zal oordeelen door Jezus Christus, naar mijn Euange-lium. 17 Zie, gij wordt een Jood genoemd, en rust op lt;le wet, en roemt op God , 18 En gij weet wil, en beproeftdedingen,die(rf«nr-rnn] verschillen, zijnde onderwezen uit de wet: 19 En gij betrouwt u zeiven te zijn een leidsman der blinden, een licht dergenen die in duisternis zijn, 20 Een onderrigtcr der onwij-zen, [fill een leermeester der onwetenden,[hebbende de gedaante der kennis en der waarheid in de wet. 21 Die dan eenen andoren leert, leert gij u zeiven niet ? Die predikt dat men niet stelen zal, steelt gij ? 22 Die zegt dat men geen overspel doen zal, doet gij overspel ? Die van de afgoden eenen gruwel hebt, berooft gij het heilige ? 23 Die op de wet roemt, ont-eert gij God door de overtreding der wet? 21 Want de naam Gods wordt om uwentwil gelasterd onder de Heidenen, gelijk geschreven is. 25 Want de besnijdenis is wel nuttig, indien gij de wet doet; maar indien gij een overtreder II 6 der |
|
180 ZENDBRIEF der wet zijt, zoo is uwe besny-denis voorhuid geworden. 26 Indien dan de voorhuid de regten der wet bewaart, zal niet zijne voorhuid tot eene besnijdenis gerekend worden ? 27 En zal de voorhuid die uit de natuur is, als zij de wet volbrengt, u [nirt] oordeelen die door de letter en besnijdenis een overtreder der wet zgt ? 28 Want die is niet een Jood, die het in \'t openhaar is; en die is niet de besnijdenis, die het in het openbaar in \'t vleesch is; 29 Maar die is een Jood, die het in *t verborgene is, en de besnijdenis des harten, in den geest, niet [in d*) letter (i» de betnijdenii]; wiens lof niet is uit de menschen, maar uit God. W HOOFDSTUK 3. elk is dan hetfvoordeel des Joden ? Of welke is de nuttigheid der besnijdenis? HOOFDSTUK 3. elk is dan hetfvoordeel des Joden ? Of welke is de nuttigheid der besnijdenis? 2 Vele in alle manieren. Want [dit ii] wel het eerste, dat hun de woorden. Gods zijn toebe-trouwd. 3 Want wat is \'t, al zijn sommigen ongeloovig geweest ? Zal hunne ongeloovigheid het geloof Gods te niet doen ? 4 Dat zij verre; doch God zij waarachtig, maar alle menschen leugenachtig, gelijk als geschreven is: opdat gij ge-regtvaardigd wordet in uwe woorden, en overwint wanneer gjj oordeelt. 5 Indien nu onze ongeregtig-heid Gods geregtigheid bevestigt, wat zullen wij zeggen ? Ia God onregtvaardig, als hij toom over (oiuj brengt? (Ik spreek naar den mensch.) 6 Dat zij verre . anderzins hoe zal God de wereld oordeelen ? 7 Want indien de waarheid Gods door mijne leugen overvloediger is geworden, tot zijne heerlijkheid, wat word ik ook nog als een zondaar geoordeeld ? 8 En [xec/gen wij] niet [Heow], (gelijk wij gelasterd worden, en gelijk sommigen zeggen, dat wij zeggen): laat ons het kwade \'doen, opdat het goede [daaruit] kome ? welker verdoemenis regtvaardig is. 9 Wat dan ?Zijn wg uitnemen-der ? G«nachelijk niet; want wij |
VAN PAULUS Hoofdst. 2,3. hebben te voren beschuldigd beide Joden jen Grieken, dat zü allen onder de zonde zijn; 10 Gelijk geschreven is: er is niemand regtvaardig, ook niet één; 11 Er is niemand die verstandig is ; er is niemand, die God zoekt; 12 Allen zijn zij afgeweken ; te zamen zijn zij onnut geworden; er is niemand die goed doet; er is [ooft) niet tot één toe. 13 Hunne keel ia een geopend graf; met hunne tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hunne lippen ; 11 Welker mond is vol van vervloeking en bitterheid ; 15 Hunne voeten zijn snel om bloed te verpieten; 16 Vernieling en ellendigheid ia in hunne wegen ; 17 En den weg des vredes hebben zij niet gekend; 18 Er is geene vrees Gods voor hunne oogen. 19 Wij weten nu dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt worde, en de geheele wereld (coor) God verdoemelijk zij. 20 Daarom zal uit de werken der wet geen vleesch geregt-vaardigd worden voor hem. Want door de wet is dc kennis der zonde. 21 Maar nu is de reRtvaardikheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet. hebbende getuigenis van de wet en de Profeten; 22 Namelijk de regtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen die gelooven ; want er is geen onderscheid , 23 Want zg hebben allen ge-zondiird, en derven de heerlijkheid Gods; 21 En worden om niet geregt-vaardigd, uit zijne genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is; 25 \'Welken God voorgesteld heeft [tot] eene verzoening door het geloof in zijn bloed, tot eene betooning van zijne regt-vaardigheid, door de vergeving der zonden dietevoren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods; 26 Tot eene betooning van zijne regtvaardigheid in dezen tegeawoordigen tijd, opdat hij regt» |
|
Hoofdut. 3. 4. AAN D£ R refftva*rdig *g, en re^tvnardi-pende dengenen, die uit het geloof van Jezus ia. 27 Waar is dan de roem ? Hij is uitgesloten. Door welke wet? Der werken? Neen, maar door de wet des geloofs. 28 Wij besluiten dan, dat de mensen door het geloof geregt-vaardigd wordt, zonder de werken der wet. 29 Is God [een God] der Joden alleen ? En is hij \'t niet ook der Heidenen ? Ja, ook der Heidenen ; 30 Nademaal hij een eenig God is die de Besnijdenis re^tvaor-digen cal uit het geloof, en de Voorhuid door het geloof. 31 Doen wij dan de wette niet door het geloof? Dat zij verre ; maar wij bevestigen de wet. -t-tT HOOFDSTUK 4. 1 W at zullen wij dan zeggen, dat Abraham onze vader verkregen heeft naar het vlecsch T 2 Want indien Abraham uit de werken geregtvaardigd is, zoo heeft hij roem, maar niet bij God : 3 Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot regt-vaardigheid. 4 Nu, dengenen die werkt wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld ; 5 Doch dengenen die niet werkt, maar gelooft in hem, die den goddeloozen regtvaar-digt, wordt zijn geloof gerekend tot regtvaardigheid; 6 Gelijk ook David den mensch zalig spreekt, welken God de regtvaardigheid toerekent zonder werken ; 7 [Zeggende:] zalig zijn zij welker ongeregtigheden vergeven zijn, en welker zonden bedekt zijn. 8 Zalig is de man, welken de Heer de zonden niet toerekent. 9 Deze zaligspreking dan, is die [nlleen] over de besnijdenis, of ook over de voorhuid ? Want wij zeggen dat Abraham het geloof gerekend is tot regtvaardigheid. 10 Hoe is \'t [fc«m) dan toegerekend ? Als hij in de besnijdenis was, of in de voorhuid ? Niet in de besnijdenis, maar in de voorhuid. |
3MEINEN. 181 11 En hij heeft het teeken der besnijdenis ontvangen (lt;o(] een zegel der regtvaardigheid de» geloofs, die (fcem) in de voorhuid (lecit toegerekend]; opdat hn zoude zgn een vader van allen die gelooven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de regtvaardigheid toegerekend worde; 12 En een vader der bennijdc-nis, dengenen (Homrfijfc) die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen des geloof» on-zes vaders Abrahams, hetwelk in de voorhuid was. 13 Want de belofte (i») niet door de wet aan Abraham of zijn zaad [rfrfcfcird], namelijk dat hij een erfgenaam der wereld zoude zijn, maar door de regtvaardigheid des geloofs; 14 Want indien degenen dia uit de wet zijn erfgenamen zijn, zoo is het geloof jjdel geworden, en de beloftenis te niet gedaan. 15 Want de wet werkt toorn. Want waar geene wet is, [daar] is ook geene overtreding. 16 Daarom i» zij uit het geloof, opdat zij zij naar genade, ten einde de belofte vast zij al het zaad, niet alleen dat uit de wet is, maar ook dat uit het geloof Abrahams is, welke een vader is van ons allen ; 17 (Gelijk geschreven staat: ik heb u tot een vader van vele volken gesteld,) voor hem aan welken hijj geloofd heeft, [nnmriljfc] God die de dooden levend maakt, en roept de dingen die niet zijn alsof zij waren ; 18 Welke tegen hope op hope geloofd heeft, dat hij zoude worden een vader van vele volken, volgens hetgeen gezegd was; alzoo zal uw zaad wezen. 19 En niet verzwakt zijnde in \'t geloof, heeft hij zijn eigen ligchaam niet aangemerkt, dat alreeds verstorven was, alzoo hij omtrent honderd jaren oud was, [nocA] ook dat de moeder in Sara verstorven was. 20 En hij heeft aan de beloftenis God» niet getwijfeld door ongeloof, maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de eer ; 31 En ten volle verzekerd zijnde dat hetgeen beloofd was, hij ook uiagtit? was te doen. U 7 22 Paw |
|
182 ZENDBRIEF 22 Daarom is het hem ook tot re-rtvaardipheid gerekend. 23 Nu is \'t niet nlleen om lij-nentwil geschreven, dat het hem toegerekend is. 21 Maar ook om onzentml, wulken het zal toegerekend wOr-den, [itnmeiijk] dengenen die tr-looven in hem die Jezus on-ran Heer uit de dooden opgewekt heeft; 25 Welke overgeleverd is om onzen zonden, en opgewekt om onze regtvaardigmaking. W HOOFDSTUK 5. ij dan gcregtvaardigd z.jnde uit liet geloof, hebben vrede bij God door onzen Heer Jezus Christus ; HOOFDSTUK 5. ij dan gcregtvaardigd z.jnde uit liet geloof, hebben vrede bij God door onzen Heer Jezus Christus ; 2 Door welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hope der heerlijkheid Gods. 3 En niet alleenlijk Irfi^l. maar wij roemen ook in de verdrukkingen; wetende dat de verdrukking lijdzaamheid 4 En rde lijdzaamheid bevin-din?, en de bevinding hope; 5 En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, die ons ia gegeven. 6 Want Christus, als wij nop krachteloos waren, is te zijner tijd voor de goddeloozen gestorven. 7 Want naauwelijks zal iemand voor eeneu regtvaardigen sterven : want voor den {roeden zal moirelijk iemand ook bestaan te V Maar God bevestigt zijne /iefde tegen ons, dat Christus voor ons pestorven is, als wij nop zondaars waren. 9 Veel meer dan, zijnde nu peregtvaardipd door zijn bloed, zullen wij door hem behouden worden van den toorn. 10 Want indien wij vijanden zijnde met God verzoend zijn door den dood zijns \'Zoons, Veel meer zullen wij verzoend zijnde behouden worden door zijn leven. 11 En niet alleenlijk [di(], maar wij roemen ook in God, door onzen Heer Jezus Christus, door welken wij nu de verzoening gekregen hebben. 12 Daarom, gelijk door éénen |
VAN PAULUS Hoofdst. 4, 5. mensch de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzoo de dood tot alle menschen doorgepaan is, in welken allen gezondigd hebben. 13 Wanttot de wet was de zonde in de wereld ; maar de zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is. 14 Maar de dood heeft ge-heerscht van Adam tot Mozes toe, ook over degenen die niet gezondigd hadden in de pelijk-heid der overtreding Adams, welke een voorbeeld is desge-iu\'h die komen zoude. 15 Doch niet gelyk de misdaad, alzoo is ook de genadegift. Want indien door de misdaad van éénen velen gestorven zijn, zoo is veel meer de genade Gods en de gave door de penade, die daar is ééns menschen Jezus Christus, overvloedig geweest ever velen. 16 En niet geliik t\'\'\' tchuld ten») door den éénen die gezondigd heeft, iniioo i») de pift. Want de schuld is wel uit ééne tot verdoemenis, maar de penadepift is uit vele misdaden tot regtvuar-dipmaking; 17 Want indien door de misdaad van ééuen de tlood ge-heerscht heeft doordien éénen, veel meer zullen degenen, die den overvloed der genade en der gave der reptvaardipheid ontvanpen.in *t leven heerschen door dien éénen [«ameiijfcl Jezus Christus. IS Zoo dan gelijk door ééne misdaad [de tchuld \'/ekomen i») over alle menschen \'.ot verdoemenis, alzoo ook door ééne regtvaardipheid [fcoml de grimde] over alle menschen tot regt-vaardigmakinp des levens. 19 Want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien éénen mensch velen (tof] zondaars gesteld zijn geworden, alzoo zullen ook door de gehoorzaamheid van éénen velen (fo/l reptvaardigen gesteld worden. 20 Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde; en waar de zonde meerder geworden is, (donr] is de genade veel meer overvloedig geweei.t; 21 Opdat gelijk de zonde ge-heerscht heeft tct den dood, alBZOCOokdegenaceioude heer- |
|
m ZENDBRIEF speelster genoemd worden; maar indien de man pestorven is, zoo is rij vrij van de wet, alzoo dat rij peene overspeelster is, al» rij eens anderen mans wordt. 4 Zoo dan, mijne broeders, pij zijt ook der wet pedood door het ligrhanm van Christus, opdat gij zoudt worden eens anderen, (namrltjfc] desgenen die van de quot;cloodcn opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden. 5 Want toen wij in het vleesch waren, de bewegingen der zonden, die door de wet zyn, wrochten in onze leden, om den dood vruchten te dragen ; 6 Maar nu zijn wij vrij gemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zgn, onder welken wij gehouden waren ; alzoo dat wij dienen in nieuwigheid des gees-tcs, en niet [in] dc oudheid der letter. 7 quot;Wat zullen wii dan zeggen ? Is de wet zonde f Dat zij verre ; ja ik kende dc zonde niet, dan door de wet. Want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten [zonde te indien de wet niet zeide: gij lult niet begeeren. 8 Maar dc zonde oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft in mij alle be-geerlykheid gewrocht. Want zonder dc wet is dc zonde dood. 9 En zonder de wet zoo leefde ik eertijds, maar als het gebod gekomen is, zoo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven ; 10 En het gebod dat ten leven was, hetzelve is mü ten dood bevonden. 11 Want dc zonde oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft mij verleid, en door hetzelve gedood. 12 Alzoo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig, en regt-vaardig, en goed. 13 Is dan het poede mij «Ie dood geworden 7 Dat zij verre. Maar de zonde [!« mij de dood geworden], opdat zij zoude openbaar worden zonde [tccijn], werkende mij door het goede den dood, opdat de zonde bovenmate werd zondigende door \'t gebod. 11 Want wy weten dat de wet gecslelyk is ; maar ik ben |
VAN PAULU3 Hoofdst. 7, 8. vleeschelijk verkocht onder de tonde. 15 Want hetgeen ik doe, dat ken ik aiet. Want hetgeen ik wil dat doe ik niet; maar hetgeen ik haat dat doe ik. 16 En indien ik hetgeen doe dat ik niet wil, zoo stem ik de wet toe dat zij goed is. 17 Ik dan doe datrelve nu niet meer, maar de ronde dia in mij woont. 18 Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vleesch* geen goed woont, want het willen is [icïZ] bij mij, maar-het goede te doen dat vind ik niet. 19 Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade dat ik niet wil, dat doe ik. 20 Indien ik \'t geen doe dat ik niet wil, roe doe ik nu hetzelve niet meer, maar de ronde die in mij woont. 21 Zoo vind ik dan deze wet (in my], als ik het goede wil doen, dat het kwade my bijligt. 22 Want ik heb een vermaak in de wet Gods naar den in-wendigen rnennch; 23 Maar ik zie eene andere wet in mijner leden, welke strijdt tegen de wet mijns ge-moeds, en mij gevangen neemt onder de wet d\'.-r zonde, die in mijne leden ii. 2i Ik ellendig mensch! wie zal my verlossen uit \'t lig-chaam dezes doods T 25 Ik dank God door Jezus Christus, onzen Heer. 26 Zoo dan ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het quot;leesch de wet der zonde. Z HOOFDSTUK 8. oo is er dan nu geene verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zyn, die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den Geest. HOOFDSTUK 8. oo is er dan nu geene verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zyn, die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den Geest. 3 Want de wet des Gcestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrij gemaakt van de wet der zonde en des doods. 3 Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewyl zij door het vleesch krachteloos was, heeft God, zjnen Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleesches\' en [dnlt;] voorde zonde, de zonde veroordeeld in \'t vleesch ; |
18(5
Hoofdst. 8.
|
4 Opdat het rejjt der wet vervuld toude worden in ons, die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den Geest. 5 Want die naar het vleesch lijn, bedenken wat des vlee-sohes is; maar die naar den 6 Want het bedenken des vleesches is de dood ; maar het bedenken des Geestes ia het leven en vrede; 7 Daarom dat het bedenken dea vleesches vijandschap is te-pen God ; want het onderwerpt zich der wet Gods niet, want hot kan ook niet. 8 En die in hot vleesch zijn, kunnen Gode niet behagen. 9 Doch pglieden lijt niet in het vleesch, maar in den Geest, zoo andera de Geest Gods in u woont. Maar zoo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt hem niet toe. 10 En indien Christus in ulie-den is, zoo is wel hetlipchaam dood om der zonde wil, de peest is leven om der ge-reptipheid wil. 11 En indien de Geest despe-nen, die Jezus uit de dooden oppewekt heeft, in u woont, zoo zal hij die Christus uit de dooden oppewekt heeft, ook uwe sterfelijke lipchainen levend maken door zijnen Geest die in u woont. 12 Zoo dan, broeders, wij z^n schuldenaars niet den vleesche, om naar het vleesch te leven. 13 Want indien pij n vleesch leeft, zoo xult pij sterven ; maar indien pü door den Geest de werkinpen des lip-chaama doodt, zoo zult pij leven. 14 Want zoo velen als er door den Geest Gods peleid worden, die zijn kinderen Gods ; 15 Want pij hebt niet ontvan-psn den Geest der dienstbaarheid wederom tot vrees ; maar pij hebt ontvanpen den Geest der aanneminp tot kinderen, door welken wij roepen : Abba, Vader. 16 Dezelve Geest petuipt met onzen peest, dat wü kinderen Gods zijn. 17 En indien wg kinderen zgn, zoo zijn wü ook erfpenamen; erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus ; zoo wij nnders met [Arm] lijden, opdat wg ook met [fcera] verheerlijkt worden. |
18 Want ik houd het daarvoor, dat het lijden dezes te-penwoordipen tijds niet is te waardeeren tepen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden. 19 Want het schepsel, [nl»] met oppestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods. 20 Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet pewillig, maar om diens wil die het (rfer ijdelheid] onderworpen heeft; 21 Op hope dat ook het schepsel zelf zal vrij gemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. 22 Want wij weten dat het pansche schepsel t\' zamen zucht, en t\' zamen (nl»] in barensnood is tot nu toe. 23 En niet alleen [di(], maar ook wij zelven die de eerste-Unpen des Geestes hebben, wij ook zelven [zeg ifc] zuchten in ons relven, verwachtende de aanneminp tot kinderen, jnn-melijk] de verlossing onzes lipchaama. 21 Want wij zijn in hope zalip geworden. De hoop nu die gezien wordt is peene hoop; want hetpeen iemand ziet, waarom zal hij \'t ook hopen ? 25 Maar indien wij nopen hetpeen wy niet zien, zoo verwichten wij het met lijdzaamheid. 26 En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp ; want wij weten niet wat a bidden zullen pelijk het oort; maar de Geest zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtinpen; bidden zullen pelijk het oort; maar de Geest zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtinpen; 27 En die de harten doorzoekt weet welke de meening des Geestes zij, dewijl hy naar God voor de heiligen bidt. dingen medewerken ten goede, [namelijk] denpenen die naar [rijn] voornemen geroepen zijn. 29 Want die hg te voren gekend heeft, die heeft h^ ook te voren verordineerd den heelde zijns Zoons gelijkvormig |
|
186 ZENDBRIEF te ïijn, opdat hij de eerstgeborene zg onder vele broederen. 30 En die hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft hij ook geroepen ; en die hij pe-roepen heeft, dezen heeft hij ook pereptvaardiprd; en die hij eerpgtvaardigd heeft, dezen heeft hij ook verheerlijkt. 31 Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen ? Zoo Ood voor ons is, wie zal tegen ons zijn ? 32 Die ook zijnen eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft hem voor ons allen overgegeven ; hoe zal hij ons ook met hem niet alle dingen schenken ? 33 Wie zal beschuldiging in brengen tegen de uitverkorenen Gods ? God is \'t die regtvaar-dig maakt. 34 Wie is \'t die verdoemt? Christus is \'t die gestorven is; ja wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter regter-[hnnd] Gods is; die ook voor ons bidt. 35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus ? Verdrukking, of benaauwdheid , of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard ? 36 (Gelyk geschreven is: want om uwentwil worden wij den ganschen dag gedood ; wy zijn geacht als schapen ter slag-ting.) 37 Maar in deze allen zijn wij meer dan overwinnaars, door hein die ons liefgehad heeft. 38 Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch Engelen, noch Overheden,noch Magten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen , 39 Noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheidfn van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen Heer. I HOOFDSTUK 9. k zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijne consciëntie mij mede getuigenis gerende door den Heiligen Geest), HOOFDSTUK 9. k zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijne consciëntie mij mede getuigenis gerende door den Heiligen Geest), 2 Dat het mij eene proote droefheid, en mijn hart eene gedurige «mart is ; 3 Want ik zoude zclf[iorI] wen-schen verbannen te zijn van Christus voor mijne broederen. |
VAN PAULUS Hoofdst. 8,9. die mijne maagschap zijn naar het vleesch ; 4 Welke Israëliten zijn, welker is de aanneming tot kinderen, en de heerlykheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst [Godt], en de beloftenissen ; 5 Welker zijn de vaders, cn uit welke Christus is zoo veel het vleesch aangaat, welke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid. Amen. 6 Doch [ ik zeg cW] niet alsof hot woord Gods ware uitgevallen. Want die zijn niet allen Israel, die uit Israel zijn ; 7 Noch omdat zü Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen ; maar: m Izaük zal u het zaad genoemd worden. 8 Dat is, niet de kinderende» vleesches, die zijn kinderen Gods, maar de kinderen der beloftenis worden vcor het zaad gerekend. 9 Want dit is het woord der beloftenis • omtrent dezen tijd zal ik komen, en Sara zal eenen zoon hebben. 10 En niet alleenlijk [deze], maar ook Rebekka |i( danrvnn een bewijs], als zij uit eenen bevrucht was, [namelijk] Izaak onzen Vader. 11 Want als (Je kinderen] nog niet geboren waren , noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het vcornemen Gods, dat naar de verkiezing is, [pn»lt;] bleve, niet uit de werken, maar uit den roependen ; 12 Zoo werd tot haar gezegd: de meerdere zal den minderen dienen ; 13 Gelijk geschreven .s: Jakob heb ik lief gehad, en Esau hsb ik gehaat. 11 Wat zullen wij dan zeggen? Is er onregtraardigheid by God? Dat zij verre. 15 Want hy zegt tot Mozea ■ ik zal mij ontfermen diens ik mij ontferm, en zal barmhartig zijn dien ik barmhartig ben. 16 Zoo [i» *(] dan niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. 17 Want de Schrift ;:egt tot Pharao: tot ditzelve heb ik u verwekt, opdat ik in u mijne kracht bewijzen zoude, en opdat mijn naam verkondigt! worde op de gansche aarde. 13 Zoo |
|
Hoofdst. 9, 10. AAN DE I 18 Zoo ontfermt hij zich dan diens hg wil, en verhardt dien hij wil. 19 Gij zult dan tot mij zegsen : wat klaaprt hij (t/nn) no:» ? Want wie heeft zijnen wil weder-staan ? 20 Maar toch, o mensch, wie zijt gij die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengenen die het gemaakt heeft, zeggen : waarom hebt gij mij alzoo gemaakt ? 21 Of heeft de pottebakker geene magt over \'t leem, om uit denzelfden klomp te maken het eene een vat ter eere, en het andere ter oneere ? 22 En of God willende [sy-nen] toorn bowijzen, en zijne magt bekend maken, met vele lankmoedigheid verdragen heeft de vaten des toorns tot het verderf toebereid; 23 En opdat hij zoude bekend maken den rijkdom zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid ? 2i Welken hij ook geroepen heeft (nnmflijfel ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de Heidenen : 25 Gelijk hij ook in Hosea zegt; ik zal hetgeen mijn volk niet was, mijn volk noemen, en die niet bemind was, (mijnrj beminde. 26 En het zal zijn in de plaats, daar tot hen gezegd was ; gijlieden zijt ingn volk niet; aldaar zullen zij kinderen des levenden Gods genoemd worden. 27 En Jesajas roept over Israel . al ware het getal der kinderen Israels gelgk het zand der zee, zoo zal het overblijfsel behouden worden : 28 Want hij voleindt eene zaak, en snijdt ze af in regt-vaardigheid: want de Heer zal eene afgeanedene zaak doen op de aarde. 29 En gelijk Jesajas te voren gezegd heeft: indien de Heer Sebaoth ons geen zand had overgelaten, zoo waren wij als Sodom geworden, en Gomorra gelijk gemaakt geweest. 30 Wat zullen wij dan zeggen ? Dat de Heidenen die de regt-vaardigheid niet zochten, de regtvaardigheid verkregen hebben, doch de regtvaardigheid, die uit het geloof is. 91 Maar Israel, die de wet der .OMEINEN. 187 |
regtvaardigheid zocht, is -ot de wet der regtvaardigheid niet gekomen. 32 Waarom ? Omdat zij [rfie xochtrn] niet uit het geloof, maar als uit de werken der wet. Want zij hebben zich gestootcn aan aen steen des aanstoots ; 33 Geljjk geschreven is: zie, ik leg in Sion eenen steen des aanstoot», en eene rots der er-genis; en een iegelijk die in hem gelooft, zal niet beschaamd worden. B HOOFDSTUK 10. roeders, de toegenegenheid mijns harten, en het HOOFDSTUK 10. roeders, de toegenegenheid mijns harten, en het pc-bed dat |ifcl tot God voor Israel I\'fof], is tot [Aunne] zaligheid. 2 Want ik geef hun getuigenis, dat zij eenen ijver tot God hebben, maar niet met verstand. 3 Want alzoo zij de regtvaardigheid Gods niet kennen, en hunne eigene geregtigheid zoeken op te rigten, zoo zijn zy der regtvaardigheid Gods niet onderworpen. 4 Want het einde der wet is Christus, tot regtvaardigheid eenen iegelijk die gelooft. 5 Want Mozes beschrüft de regtvaardigheid die uit de wet is, [zeggende:] de mensch die deze dingen doet, zal door dezelve leven. 6 Maar de regtvaardigheid die uit het geloof is, spreekt aldus : zeg niet in uw hart: wie zal in den hemel opklimmen ? Hetzelve is Christus (ran bo-wn] afbrengen. 7 Of: wie zal in den afgrond nederdalen ? Hetzelve is Christus uit de dnoden opbrengen. 8 Maar wat zegt zg ? Nabij u is het woord in uwen moiid en in uw hart. Dit is het woord des geloof» hetwelk wij prediken : 9 indien gij met uwen mond zult belijden den Heer Jezus, en met uw hart gelooven, dat hem God uit de dooden opgewekt heeft, zoo zult gij zalig worden; 10 Want met het hart gelooft men ter regtvaardigheid, en met den mond belijdt men ter zaligheid. 11 Want de Schrift zegt • een iegelijk die in hem gelooft, die zal Diet beschaamd worden. |
|
188 ZENDBRIEF V 12 Want er is geen onderscheid noch van Jood noch van Griek; want een selfde ia Heer van allen, rijk zgnde over allen die hem aanroepen. 13 Want een iegelijk, die den naam des Heeren zal aanroepen, zal zali? worden. 14 Hoe zullen zij dan (/wttiJ aanroepen, in welken zg niet geloofd hebben ? En hoe zullen zij (in hem] gelooven, van welken zij niet gehoord hebben ? En hoe zullen zij hoo-ren, zonder die [/ittn] predikt? 15 En hoe zullen zg prediken, indien zij niet gezonden worden ? Gelijk geschreven is . hoe Itefelyk zijn de voeten derge-nen die vrede verkondigen, dergenen die het goede verkondigen ! 16 Doch zij zijn niet allen het Euantrelium gehoorzaam geweest. Want Jesajas zegt: Heer, wie heeft onze prediking geloofd ? 17 Zoo is dan het peloof uit het hehoor, en het gehoor door het woord Gods. 18 Ma.ir ik zeg ; hebben zij \'t niet gehoord ? Ja toch, hun geluid is over de geheele aarde uitgegaan, en hunne woorden tot de einden der wereld. 19 Maar ik zeg: heeft Israel het niet verstaan ? Mozes zegt eerst: ik zal ulieden tot ja-loerschheid verwekken door [(tryenen lt;ii«J geen volk [tyn]; door een onverstandig volk zal ik u tot toom verwekken. 20 En Jesajas verstout zich, en zegt: ik beu gevonden van degenen die mij niet zochten; ik ben openbaar geworden dengenen die naar mij niet vraagden. 21 Maar tegen Israel zegt hij • den geheeleu dajj heb ik mijne handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk. T HOOFDSTUK 11. 1 J.k zeg dan ■ heeft God zijn volk verstooten ? Dat zij verre; want ik ben ook eeu l«raeliet, uit het zaad Abrahams, van den stam Benjamin. 2 God heeft zijn volk niet verstooten, \'t welk hij te voren gekend heeft. Of weet gy niet wat de Schrift zegt van Elia ? Hoe hij God aanspreekt tegen Israel, zeggende • |
AN PAULUS Hoofdst. 10. 11. 3 Heer, zij hebben uwe Profeten gedood, en uwe altaren omgeworpen; en ik ben alleen overgebleven, en z\\) zoeken myne ziel. 4 Maar wat zegt tot hem het goddelijke antwoord? Ik heb mij zeiven [hoi] zeven duizend mannen overgelaten, die de knie voor het [beeld] Baal niet geboden hebben. 5 Alzoo is er dan ook in dezen tegenwoordi gen tijd een overblijfsel geworden naar de verkiezing der genade. 6 En indieu het door genade is, zoo is \'t niet meer uit de werken ; anderzina is de genade Seene genade meer. En indien het is uit de werken, zoo ia \'t pcene genade meer ; anderzins is het werk geen werk meer. 7 Wat dan ? Hetgeen Israel zoekt, dat heeft hen niet verkregen ; maar de uitverkorenen hebben \'t verkregen, en de anderun zijn verhard geworden, 8 (Gelijk geschreven is; God heeft hun gegeven eenen geest des diepen alaaps, oogen om niet te zien, en ooren om niet te hooren) tot op den huidi-gon dair. 9 En David zegt: hunne tafel worde tot eenen str.k, en tot eenen val, en tot eenen aanstoot, eu tot feene vergelding voor hen; 10 Dat hunne oogen verduisterd worden, om niet te zien, en verkrom ^hunnen rug allen tijd. 11 Zon zeg ik dan : lubben zy gestruikeld opdat zy vallen zouden ? Dat r:j verre; maar door hunnen ..val [■»] de zaligheid den Heidenen [rjrvorrlen], om hen tot jaloerschheid te verwekken. 12 En indien hun val de rijkdom is der wereld, en hunne vermindering den rijkdom der Heidenen, hoe veel te meer hunne volheid? 13 Want ik spreek tot u. Heidenen, voor zoo veel ik der Heidenen Apostel ben ; ik maak mijne bediening heerlijk, 14 Of ik eenipzina mijn vleesch tot jaloerschheid verwekken, en eenigen uit hen behouden mogt. 15 Want indien hunne verwerping de verzoen.\'.ng ia der wereld, wat zal de Minneming |
|
Uoofdst. 11,10. AA^ DE R wexen, anders dan het leven uit de dooden T 16 En indien de eerstelingen heilig rijn, too is ook het deep Iheilig]-, en indien de wortel heilig is, xoo zijn ook de takken ; 17 En zoo eenige der takken afgebroken rijn, en gij een wilde olyfboom c\\)nde in der-zelver (plt;aalt;«] ziit ingeënt, en des wortels en der vettigheid des olijfbooms mede deelachtig zijt geworden, 18 Zoo roem niet tegen de takken. En indien gy daartegen roemt, gij draagt den wortel niet, maar de wortel u. 19 Gg zult dan zoggen : de takken zijn afgebroken, opdat ik zoude ingeënt worden. 20 \'tls wel; zij lijn door ongeloof afgebroken, en pij staat door het geloof. Zijt niet hoogpevoelend, maar vrees. 21 Want is \'t, dat God de natuurlüke takken niet gespaard heeft, (xie lt;of] dat hjj ook mogelyk u niet spare. 22 Zie dan de goedertierenheid en de strengheid Gods; de strengheid wel over degenen die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, indien gjj in de goedertierenheid blijft; anderzins zult ook gy afgehouwen worden. 23 Maar ook zy, indien zy in het onpeloof niet blyven, zullen ingeënt worden ; want God is magtig, dezelve weder in te enten. 21 Want indien gy afgehouwen zyt uit den olyfboom die van nature wild was, en tegen nature in den goeden olijfboom ingeënt, hoe veel te meer zullen deze, die uatuurlyke [takken] zijn, in hunnen eigen olijfboom geënt worden ? 25 Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij, (opdat gy niet wijs sijt bij u zeiven) dat de verharding voor een deel over Israel gekomen is, tot dat de volheid der Heidenen zal ingegaan znn; 26 En alzoo zal geheel Israel zalig worden, gelyk geschreven is: de Verlosser zal uit Sion komen, en z.»l de goddeloosheden afwenden van Jakob; 27 En dit is hun een verbond van my, als ik hunne zonden zal wegnemen, |
OMEIKEN. ISj 28 Zoo büd zÜ wel vijanden aangaande het Éuangelium, om uwentwil, maar aangaande de verkiezing zijn zij beminden otn der vaderen wil; 29 Want de genadegiften en de roeping Gods zyn onberou-welyk; 30 Want gelijkerwijs ook gijlieden eertyds Gode ongehoorzaam geweest zyt, maar nu barmhartigheid verkregen hebt door dezer ongehoorzaamheid, 31 Alzoo zyn ook dezen nu ongehoorzaam geweest, opdat ook zij door uwe barmhartigheid zouden barmhartigheid verkrijgen. 33 Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat hy hun allen zoude banunartig zijn. 33 O diepte des rijkdoma, bei» de der wijsheid en der kennis Gods I Hoe ondoorzoekelyk zijn zijne oordeelen, en onnaspeurlijk zijne wegen ! 3t Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is zijn raadsman geweest ? 35 Of wie heeft hem eerst gegeven, en het zal hem weder-vcrgolden worden 7 36 Want uit hem, en door hem, en tot hem zyn alle dingen. Hem [tij] de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen. I HOOFDSTUK 12. k bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uwe ligchamen stelt tot eene levende, heilige, («ij Gode welbehagelijke offerande, HOOFDSTUK 12. k bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uwe ligchamen stelt tot eene levende, heilige, («ij Gode welbehagelijke offerande, [welk; t»J uw redelyke Godsdienst. 2 En wordt dezer wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gy moogt beproeven welke de goede, en welbehagende, en volmaakte wil Gods zy. 3 Want door de genade die my gegeven is, zeg ik cenen iegelijk die onder u is, dat hij niet wijs zg boven hetgeen men behoort wys te zyn ; maar dat hn wijs zy tot matigheid, gelyk als God eenen iegelijk de mate des geloofs gedeeld heef:. 4 Want gelijk wij in één lig-chaam vele leden hebben, en de leden allen niet dezelfde werking hebben, 5 Alzoo zyn wy velen één lig- chaato |
|
ohaam in Christus, maar elk een zijn wij elkanders leilen. 6 Hebbende nu verscheidene gavun, naar de genade die ons pepeven is, 7 [Zoo laat om dif gaven hnlr-drn] \'t zij profetie, naar de mate des preloofs ; \'t ïij bediening, in het bedienen; hetzij die leert, in het leeren; 8 Hetzij die vermaant, in het vermanen ; die \\iitdeelt, in eenvoudigheid ; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blij-moecligheid. 9 De liefde zij ongeveinsd. Hebt oenen afkeer van het boo-zo, en hangt het goede aan. 10 Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde, met eere de een den anderen voorgaande. 11 Zijt niet traag in\'t benaar-ntipen. Zijt vurig van geest. Dient den Heer. 12 Verblgdt u in de hope. Zyt geduldig in de verdrukking. Volhardt in den gebede. 13 Deelt mede tot de behoeften der heiligen. Tracht naar herbergzaamheid. It Zegent hen die u vervolgen ; zegent en vervloekt niet. 15 Verblijdt u met de blijden, en weent met de weenenden. 16 Weest eensgezind onder elkander. Tracht niet naar de hoogs dingen, maar voegt u tot de nederigen. Zijt niet wijs bij u zeiven. 17 Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Bezorgt hetgeen eerlijk is voor alle menschen. 18 Indien het mogelijk is, zoo veel in u is, houdt vrede met alle menschen. 19 Wreekt u zeiven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats. Want er is geschreven: mg [fco»iilt;] do wraak (tor], ik zal het vergelden, zegt de Heer. 20 Indien dan uw vijand hongert, zoo spijzigt hem; indien hen» dorst, zoo geeft hem te drinken. Want dat doende zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hoopen. 21 Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede. |
A HOOFDSTUK 13. 11e ziele zii den Magten over [haar] gesteld onderwor-/AN PAULUS Hoofdst. 12, IJ. pen. Want er is geene Magt dan van God; en de Magten die er zijn, die zijn van God geordineerd; HOOFDSTUK 13. 11e ziele zii den Magten over [haar] gesteld onderwor-/AN PAULUS Hoofdst. 12, IJ. pen. Want er is geene Magt dan van God; en de Magten die er zijn, die zijn van God geordineerd; 2 Alzoo dat die zich tegen de Magt stelt, de ordinantie Gods wederstaat; en die ze weder-staan, zullen over zich zeiven een oordeel halen. 3 Want de Oversten zijn niet [tof] eene vrees den goeden werken, maar den kwaden. Wilt gij nu de Magt niet vreezen ? Doe het goede, en gij zult lof van haar hebben. 4 Want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, zoo vrees, want zij draagt het zwaard niet te vergeefs. Want zy is Gods dienares, eene wreekster tot straf dengenen die kwaad doet. 5_ Daarom is het noodig onderworpen te zijn, niet alleen om der straf, maar ook om der consciëntie wil. 6 Want daarom betaalt gij ook schatting; want zij dienaars Gods zijn in ditzelve gedurig-lijk bezig zijnde. 7 Zoo geeft dan eencn iegelijk wat gij schuldig zij;: schatting, dien Rij de S\'-hatting; tol, dien gij den tol; vrees, dien gij de vrees; eer, dien gij de eer [»cAuWilt;; xijt]. 8 Zijt niemand iets nchuldig, dan elkander lief te hebben. Want die den anderen liefheeft, die heeft de wet vervuld. 9 Want dit: gy zu t geen overspel doen; gij zi.lt niet dooden ; gij zult niet stelen; gij zult geen valsche getuigenis geven ; gij zult niet begee-ren ; en zoo er eenig ander gebod irf, wordt in dit woord als in eene hoofdsom beprepen, (nnntflijfc) in dit : gij zult uwen naasten liefhebben gelijk u zeiven. 10 De liefde doet den naasten geen kwaad. Zoo is dan de liefde de vervulling der wet. 11 En dit Izrtj ik te merr] dewijl wij de gelegenheid des tijds weten, dat het de ure is, dal wij nu uit den slaap opwaken: want de zaligheid is ons nu nader, dan toen wij [eer$t] geloofd hebben. 12 De nacht ia voorbijgegaan, en de dag is nabij pekomen. Laat ons dan afleggen de werken der duisternis, en aandoen de wapenen des lichts. |
|
Hoofdat. 13. 14, 15. AAN DE B 13 Liut ons als in den dn? eerlijk wandelen; niet in bras-serijen en dronkenschappen, nietin slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid ; 14 Maar doet aan den Heer Jezus Christus, en verzorgt het vleesch niet tot begeerlijkheden. D HOOFDSTUK U. engenen nu die rwak is in het geloof neemt aan, (manr] niet tot twistige ïamenspre-kingen. HOOFDSTUK U. engenen nu die rwak is in het geloof neemt aan, (manr] niet tot twistige ïamenspre-kingen. 2 De eene gelooft wel dat men alles eten mag. maar die zwak is eet moeskruiden. 3 Die daar eet verachte hem niet die niet eet; en die niet eet, oordeele hem niet die daar eet; want God heeft hem aangenomen. 4 Wie zijt pij die eens anderen huisknecht oordeelt? Hij staat, of hij valt zijnen eigenen heer; doch hij zal vastgesteld worden : want God ia magtig hem vast te stellen. 5 De eene acht wel den («n*n] dag boven den [nnrfwrn] dap, maar de andere acht al de dagen Igrfyfcl. Een iegelijk zy in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd. 6 Die den dag waarneemt, die neemt [AeniJ waar den Heer, en die den dag niet waarneemt, die neemt (fo-m] niet waarden Heer. Die daar eet, die eet (zulfcf] den Heer; want hij dankt God; en die niet eet, die eet [niiks] den Heer niet, en hij dankt God. 7 Want niemand van ons leeft zich zeiven, en niemand sterft zich zeiven; 8 Want hetzü dat wij leven, wij leven den Heer; hetzy dat wij sterven, wij atervcn den Heer. Hetzij dan dat wg leven, hetzij dat wij sterven, wij zgn des Heeren. 9 Want daartoe is. Christus ook gestorven, en opgestaan, en weder levend geworden, opdat hij beide over dooden en levenden hecrachcn zoude. 10 Maar gij, wat oordeelt gy uwen broeder ? Of ook gij, wat veracht gij uwen broeder 7 Want wy zullen allen voor den regteratoel van Christus gesteld worden. 11 Want er is geschreven: ik |
OMEtNEN. 161 leef, zegt de Heer ; voor mij zal alle knie zich buigen, eu alle tong zal God belijden. 12 Zoo dan een iepelijk van ons zal voor zich zeiven Gode rekenschap geven. 13 Laat ons dan elkander niet meer oordeelen, maar oordeelt dit liever, namelijk dat gij den broeder geencn aanstoot of ergernis geeft. 14 Ik weet en ben verzekerd in den Heer Jezus, dat geen ding onrein is in zich zeiven ; dan die acht iets onrein te zijn, dien is het onrein. 15 Maar indien uw broeder om der spijze wil bedroefd wordt, zoo wandelt gij niet meer naar liefde. Verderf dien niet met uwe spijs, voor welken Christus gestorven is. 16 Dat dan uw goed niet gelasterd worde. 17 Want het Koninprijk Gods is niet spijs en drank, maar reptvaardigheid, en vrede, en blijdschap door den Heiligen Geest. 18 Want die Christus in deze dingen dient, is Gode welbe-hagelijk, en aangenaam den menschen. 19 Zoo dan laat ons najagen hetgeen tot den vrede, en *t geen tot de stichting onder elkander [rftenf.] 20 Verbreek het werk Gods niet om der spijze wil. Alle dingen zijn wel rein, maar het is kwaad den mensch die met aanstoot eet. 21 Het is poed geen vleesch te eten, noch wyn te drinken, noch [i\'*»] waaraan uw broeder zich stoot, of geërgerd wordt, of (icnnrinj hij zwak is. 22 Hebt gij geloof? Heb (lt;/«(] bij u zeiven voor God. Zalig is hij die zich zeiven niet oordeelt in hetgeen dat hy voor goed houdt; 23 Maar die twijfelt, indien hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet uit het geloof [«e/J; en al wat uit het geloof niet is, dat is zonde. M HOOFDSTUK 15. aar wy die sterk znn, zyn schuldig de zwakheden der onsterken te dragen, en niet ons zclven te behagen. HOOFDSTUK 15. aar wy die sterk znn, zyn schuldig de zwakheden der onsterken te dragen, en niet ons zclven te behagen. 2 Dat dan een iegelijk van ons («ijnen] naasten behage ten goede, tot stichting. 3 Want |
|
19fl ZENDBRIEF \\ 3 Want ook Christus heeft «ich lelven niet behaagd, maar gelijk geschreven is de smadin-gen dargenen die u smaden, zijn op mij gevallen. 4 quot;Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze leering te voren geschreven, opdat wij door lijdtaatnheid en vertroosting der Schriften hope hebben zouden; 5 Doch de God der lijdzaamheid en der vertroosting geve u, dat gij eensgezind zijt onder elkander naar Christus Jezus ; 6 Opdat gn eendragtelijk met éénen mond inoogt verheerlijken den God en Vader onzes Heeren Jezus Christus. 7 Daarom neemt elkander aan, gelijk ook Christus ons aangenomen heeft, tot de heerlijkheid Gods. 8 En ik zeg, dat Jezus Christus een dienaar geworden is der besnijdenis van wege de waarheid Gods, opdat hij bevestigen zoude de beloftenissen der vaderen; 9 En de lloidenen God van wege de barmhartigheid zouden verheerlijken, gelijk geschreven is daarom zal ik u belijden onder de Heidenen, ch uwen naam lofzingen. 10 En wederom zegt hij : weest vrolijk gij Heidenen met zijn volk. 11 En wederom: looft den Heer alle gö Heidenen, en prijst hem alle gij volken. 12 En wederom zegt Jesajas : daar zal tijn de wortel van Jesse, en die crataat om over de Heidenen t» gebieden; op hem zullen de Heidenen hopen. 13 De God nu der hope ver-vulle ulieden met alle blijdschap en vrede in het gelooven, opdat gij overvloedig moogt zijn in de hope, door de kracht des Heiligen Geestes. 14 Doch, mijne broeders, ook ik zelf ben verzekerd van u, dat gij ook zelven vol zijt van goedheid, vervuld met alle kennis, magtig om ook elkander te vermanen. 15 Maar ik heb u eensdeels te stouter geschreven, broeders, u als wederom [dit] indachtig makende, om de genade die mg van God gegeven is ; 16 Opdat ik eene dienaar van Jezus Christus zij onder de Heidenen, hetEuangeliumGods |
AN PAÜLUS. lloofdst. 13. bedienende, opdat de offerande der Heidenen aangenaam worde, geheiligd door den Heiligen Geest. 17 Zoo heb ik dan roem in Christus Jezus in die dingen die God aangaan. 18 Want ik zoude niet durven iet» zeggen, *t welk Christus door mij niet gewrocht heeft, tot gehoorzaamheid der Heidenen, met woorden en werken, 19 Door kracht van teekenen en wonderheden, (#n) door de kracht des Geestes Gods, zoodat ik van Jeruzalem aan, en rondom, tot Illyricum toe het Euangelium van Christus vervuld heb : 20 En al zoo zeer begeerig geweest ben om het Euangclium te verkondigen, niet daarChris-tus genoemd was, opdat ik niet op eens anderen fondament zoude bouwen; 21 Maar, gelijk geschreven is : welken van hem niet was geboodschapt, die zullen het zien en welke het niet gehoord hebben, die zullen \'t verstaan. 22 Waarom ik ook menigmaal verhinderd geweest ben tot u te komen. 23 Maar nu geem» plaats meer hebbende in deze gewesten, en van over vele jaren groot verlangen hebbende om tot u te komen, 21 Zoo wanneer ik naar Spanje reis, zoo zal ik tct u komen; want ik hoop in het doorreizen u te zien, en van i; derwaarts geleid te worden, uls ik eerst van ulieder [teyenuoordinheid] eensdeels verzadigd zal zgn. 2.\'ï Maar nu reis ik naar Jeruzalem, dienende de neiligen. 26 Want het heeft (rfi^n ran] Macedonië en Achaja goed gedacht eene gemeene handreiking te doen aan de armen onder de heiligen die te Jeruzalem zijn. 27 Want het heeft hun [roo] goed \'gedacht; ook zgn zy hunne schuldenaars. Want indien de Heidenen hunner geestelgke [goederen] deelachtig zijn geworden, zoo zijn zg ook schuldig hen van ligchamelgke [30e-deren] te dienen. 28 Als ik dan dit volbragt, en hun deze vrucht verzegeld zal hebben, zoo zal ik door |
|
Hoofdst. 15,16. AAN DE R ulieder [itnd] naar Spanje afkomen. 29 En ik weet dat ik tot u komende, met vollen zepjen des Euan^eliums van Christus komen zal. 30 En ik bid u, broeders, door onzen Heer Jezus Christus, en door de liefde des Gees-tes, dat pg met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij ; 31 Opdat ik moge bevrijd worden van de ongehoorzamen iu Judea, en dat deze mijn dienst, dien [iAc] aan Jeruzalem (rfo*), aangenaam zij den heiligen; 32 Opdat ik met blijdschap, door den wil Gods, tot u moge komen, en met u verkwikt worden. 33 En de God des vredes zij met u allen. Amen. IP HOOFDSTUK 16. jn ik beveel u Phebe onze zuster, die eene dienares is der gemeente die te KenchreaP HOOFDSTUK 16. jn ik beveel u Phebe onze zuster, die eene dienares is der gemeente die te Kenchrea 2 Opdat gij haar ontvangt in den Heer, gelijk het den heiligen betaamt, en haar bijstaat in wat zaak zij u zoude mogen van doen hebben. quot;Want zij is eene voorstandster geweest van velen, ook van mg zeiven. 3 Groet Priscilla en Aquila, mijne medewerkers in Christus Jezus, 4 Die voor mijn leven hunnen hals gesteld hebbenwelken niet alleen ik dank, maar ook al de gemeenten der Heidenen. 5 [Groet] ook de gemeente in hun huis. Groet Epenetus mijnen beminden, die de eersteling is van Achajc in Christus. 6 Groet Maria, die veel voor ons gearbeid hseft. 7 Groet Andronicus en Juni-as, mijne magen, en mijne mede-gevangenen, welke vermaard zijn onder de Apostelen, die ook vóór mij in Christus geweest zijn. 8 Groet Amplias mijnen beminden in den Heer. 9 Groet Urbanus onzen medearbeider in Christus, en Staohys mijnen beminden. 10 Groet Apelles, die beproefd is in Chrisms. Groet hen die van Aristobulus [huitgetin *«gt;1. 11 Groet Herodion, die van mijne maagschap is. Groet hen 3MEINEN. 193 |
die van Narcissus [Auïfgrtiit rijn], degenen [namelijk] die in den Heer zijn. 12 Groet Tryfena en Tryfosa, [erouuttn] die in den Heer arbeiden. Groet Persis de beminde [Tutter], die veel gearbeid heeft in den lieer. 13 Groet Rufus den uitverkorenen in den Heer, en zijne moeder en de mijne. li Groet Asyncritus, Phlesron, Hennas, Pntrobas, Hennes, en de broeders die met hen zijn. 15 Groet Philologus en Julia, Nereus, en zijne zuster, en Olympas, en al de heiligen, die met henlieden zijn. 16 Groet elkander met eenen heiligen kus. De gemeenten van Christus groeten uliedcn. 17 En ik bid u, broeders, neemt acht op degenen die tweedragt en ergernissen aan-rigten tegen de leer, die gij [t-nn on») geleerd hebt; en wijkt af van dezelve: 18 Want dezulken dienen onzen Heer Jezus Christus niet, maar hunnen buik, en verleiden door pchoonspreken en prijzen de harten der eenvou-digen. 19 Want uwe gehoorzaamheid is tot [fcrnnit ronl allen gekomen. Ik verblijd mij dan uwenthalve, en ik wil dat gij wijs zijt in \'t goede, doch onnoozel in \'t kwade. 20 En de God des vredes zal den satan haast onder uwe voeten verpletteren.De genade on-zes Heeren Jezus Christus zy met ulieden. Amen. 21 U groeten Timotheüs mijn mede-arbeider, en Luc-ius, en Jason,en Sosipater mijne bloedverwanten. 22 Ik Tertius, die den brief geschreven heb, groet u in den Heer. 23 TI groet Gajus mijn en der geheele gemeente huiswaard, ü groet Erastus de Rentmeester der stad,en de broeder Quartus. 2i De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen. Amen. 25 Hem nu die magtig is u te bevestigen, naar mijn Euange-lium, en de prediking van Jt-zus Christus, naar de openbn-ring der verborgenheid, die [ran] de tyden der ecuwen verzwegen is geweest; \' I 26 Maar |
|
19% T. ZENDBRIEF 26 Maar nu «reopenhaard en door de Profetische Schriften, naar het bevel des eeuwigen God», tot gehoorzaamheid des {jeloofs, onder al de Hei-denen bekend i» gemaakt. 97 Den [irfrrji] alleen wö*en God Irtj) door Jezus Christus de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen. DE EERSTE ZENDBRIEF VAX BKS AAN DIE VAN PHOOFDSTITK 1. aulus eon geroepen Apostel van Jezus Chvistus, dooiden wil Gods, en Sosthcues de broeder,HOOFDSTITK 1. aulus eon geroepen Apostel van Jezus Chvistus, dooiden wil Gods, en Sosthcues de broeder, 2 Aan de gemeente Gods die te Korinthe is, den geheiligden in Christus Jezus, den geroepenen heiligen, niet allen die den naam onzes Hoeren Jezus Christus aanroepen in alle plaatsen, beide huns en onzen [Herren]; 3 Genade zij u en vrede van God onzen Vader, en den Heer Jezus Christus. 4 Ik dank mijnen God allen tijd over u. van wego de genade Gods die u gegeven is in Christus Jezus; 5 Dat gij in alles zijt rijk geworden in hem, in alle reden en alle kennis; 6 Gelijk de getuigenis van Christus bevestigd is onder u; 7 Alzoo dat het u aan gecne gave ontbreekt, verwachlende de openbaring onzes Heeren Jezus Christus ; 8 Welke (Go,/) u ook zal bevestigen tot het einde toe, tquot;\'quot;] onstralfelijk [te sijn) in den dag onzes Heeren Jezus Christus. 9 God is getrouw, door welken crij geroepen zijt tot de gemeenschap zijns Zoons Jezus Christus onzen lieer. 10 Maar ik bid u, broeders, door den naam onzes Heeren Jezus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt, en [lt;inf] onder u geene scheuringen zijn, maar [dnf] gij te zamen gevoegd zijt in oenen zelfden zin, en in en zelfde gevoelen. 11 Want mij is van u bekend |
VAN PAULUS Hoofdst. 1. gemaakt, mijne broeders, door die van Chloës [/.«Uj/Min rijn], dat er twisten onder u zijn. 12 En dit zeg ik, dat een iegelijk van u zegt ; ik ben van Pau-lus; en ik van Apollos; en ik van Cefas; en ik van Christus. 13 Is Christus gedeeld? 1« Paulus voor u gekruist ? Of zijt gij in Paulus naam gedoopt? 11 Ik dank God, dat in niemand van ulieden gedoopt heb, dan Crispus on Gajus; 15 Opdat niet iemand zesrge, dat ik in mijnen naam gedoopt heb. 10 Doch ik heb ook het huisgezin van Stefanas (redoopt; voorts weet ik niet of ik iemand anders gedoopt heb. 17 Want Christus heeft mij niet gezonden om te ■loopen, maar om het Euangclium te verkondigen ; niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus niet verijdeld worde. 18 Want het woord des krui-ses is wel, dengenen die verloren iraan, dwaasheid; maar ons die behouden worden is *t eoue kracht Gods. 19 Want or is geschreven: ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaan, en het versti nd der verstandigen zal ik te riet maken. 20 Waar is de wijze? Waar is de Schriftgeleerde? Warrisde onderzoeker dezer eeuw! Heeft God de wijsheid dezer rvereld niet dwaas gemaakt ? 21 Want nademaal in de wijsheid Gods de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid, zoo heeft het Gode bclmaird door de dwaasheid der prediking zalig te maken die ge-looven ; 22 Overmits de Joden een tee.-ken hesreeren, en de Grieken wijsheid zoeken. 23 Doch wij prediken Christus den gekruisigden, den Joden wel eene ergernissen den Grieken eene dwaasheid ; 2t Maar hun die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, [prediken wij] Christus de kracht Gods, en de wisheid Gods. 25 Want het dwaze Gods is wijzer dan de menschen. en het zwakke Gods is sterker dan de menschen. 36 Want gij xiot uwe roeping, broe- |
|
Hoofdst. 1, 2, S. AAN DIE V broeders, dat tffyl niet vele wij ren [-ijl] naar het rleesch, niet vele magtifjen, niet vele edelen. 27 Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zoude; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zoude beschamen; 28 En het onedele der wereld, en het verachte, heeft God uitverkoren, en hetfreen niets Is, opdat Hij hetffeen [iets] is te niete zoude maken ; 23 Opdat geen vleesch zoude roemen voor Hem. 30 Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, die ons geworden is wijsheid van God, en regtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing; 31 Opdat [\'lt; «ij,] gelijk geschreven is : die roemt, roeme in den Heer. quot;Ti HOOFDSTUK 2. 1 l_n ik, broeders, als ik tot: u gekomen ben, ben niet gekomen met uitnemendheid van woorden, of van wijsheid, u verkondigende de getuigenis Gods. 2 Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en dien gekruisigd. 3 En ik was bjj ulicden in zwakheid, en in vrees, en in vele beving; 4 En mijne reden, en mijne prediking was niet in bewecrelijke woorden der menschel ijke wijsheid, maar in betooning des geestes en der kracht; 5 Opdat uw geloof niet zoude zijn in wijsheid der menschen, maar in de kracht Gods. C En wij spreken wijsheid onder de volmaakten ; doch eene wijsheid niet dezer wereld, noch der Oversten dezer wereld, die te niete worden. 7 Maar wij spreken de wijsheid Gods [bettannefc] ia verborgenheid, diequot; bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot onze heerlijkheid eer de wereld was; 8 Welke niemand van de Oversten dezer wereld gekend heeft. Want indien zij haar gekend hadden, zoo zouden zij den Heer der heerlijkheid niet gekruist hebben. 9 Maar gelijk geschreven is: hetgeen het oog niet heeft ge- |
zien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des menschen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien die Hem liefhebben. 10 Doch God heeft [het] ons geopenbaard door zijnen Geest. Want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. 11 Want wie van de menschen weet hetgeen de» menschen is, dan de geest des mensehen die in hem is ? Alzoo weet ook niemand hetgeen Gods is, dan de Geest Gods. 12 Doch wij hebben niet ontvangen den geest der wereld, maar den Geest die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen die ons van God geschonken zijn ; 13 Welke wij ook spreken, niet met woorden die de mensche-liike wijsheid leert, maar met [u-oorrfen] die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke t\' zamen voegende. l i Maar de natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn. Want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden. 15 Doch de geestelijke [mrnfcA] onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt van niemand onderscheiden. 16 Want wie heeft den zin des Heeren gekend, die hem zoude onderrigten ? Maar wij hebben den zin van Christus. E HOOFDSTUK 3. n ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleeschelij-ken, als tot jonge kinderen in Christus. HOOFDSTUK 3. n ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleeschelij-ken, als tot jonge kinderen in Christus. 2 Ik heb n met melk gevoed, en niet met [rnjfr] spijs ; want gy vermogt [/om] nog niet, ja gij vermoogt Ook nu nog niet. 3 Want gij zijt nog vleesche-lijk. Want dewijl onder u nijd is, en twist, en tweedragt, zijt eij niet vleeschclijk, en wandelt [t/lj nirl] naar den mensch ? 4 Want als de eene zegt: ik ben van Paulus ; en een ander: ik (fcrn) van Apollos; zijt gij niet yleeschelijk f _5 Wie is dan Paulus, en wie is Apollos,\'ander3 dan dienaars door welke srij geloofd hebt, en [rfnf] gelijk de Heer eenen iegelijk gegeven heeft? 12 R Ik |
|
196 I. ZENDBRIEF 6 Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft den wasdom gegeven. 7 Zoo is dan, noch hij die plant iets, noch hij die nat maakt, maar God die den wasdom seeft. 8 En die plant, en die nat maakt zijn één; maar een iegelijk zal zijn loon ontvangen naar zijnen arbeid. \'J Want wij zijn Gods medearbeiders ; Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij. 1U Naar de genade Gods die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fondament gelegd, en een ander bouwt daar op. Maar een iegelijk zie toe hoe hij daarop bouwt. 11 Want niemand kan een ander fondament le^ffen dan het geen gelegd is, \'t welk is Jezus Christus. 12 En indien iemand op dit fondament bouwt, poud, zilver, kostelijke steenen, hout, hooi, stoppelen, 13 Eens iegelijks werk zal openhaar worden ; want de dap zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig eens iegelijks werk is zal het vuur beproeven. 14 Zoo iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvanpen. 15 Zoo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzoo als door vuur. 16 Weet gij niet dat gij Goda Tempel zijt, en de Geest Gods in ulieden woont ? 17 Zoo iemand den Tempel Gods schendt, dien zal God schenden; want de Tempel Gods is heilig, welke pij zijt. 18 Niemand bedriege zich zeiven ; zoo iemand onder u dunkt dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs moge worden. 19 Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God. Want er is geschreven : hij vat de wijzen in hunne arglistigheid. 20 En wederom : de Heer kent de overlepgingen der wijzen dat zij ijdel zijn. 21 Niemand dan roeme op menschen; want alles is uwe. 22 Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de we- |
VAN PAULÜS Hoofdst. 3, 4. re!quot;, hetzij leven, hetzg dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zy zijn alle uwe; 23 Doch gjj zijt van Christus, en Christus is van God. A HOOFDSTUK 4. HOOFDSTUK 4. Izoo houde ons een [i«(fcr] mensch als dienaars van Christus, en uitdeelers der verborpenheden Goda. 2 En voorts wordt in de uitdeelers vereischt, dat elk getrouw bevonden worde. 3 Doch mij is voor het minste dat ik van ulieden geoordeeld worde, of van een men-schelijk oordeel; ja ik oordeel ook mijzelven niet; 4 Want ik ben mijzelven peens dinps bewust; doch ik banjdaar-door niet peregtvaardipd ; maar die mij oordeelt, is de Heer. 5 Zoo dan oordeelt n ets vóór den tijd, totdat de Heer zal pekomen zijn, welke ook in het licht zal brenpen hergeen in de duisternis verborpen is. en openbaren de raadslapen der harten ; en alsdan zal een iegelijk lof hebben van God. fgt; En deze dingen, broeders, heb ik op mij zeiven en Apollos bij gelijkenis gepist, om uwentwil, opdat gij i-an ons zoudt leeren niet te pevoelen boven hetgeen geschreven is, dat gij niet, de een cm eens anderen wil, opgeblazen wordt tegen den anderen. 7 Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij dat pij niet hebt ontvangen ? En zoo pij het ook ontvanpen hebt, wat roemt gij alsof pij het niet oatvan-gen had ? 8 Alreeds zijt gij verzadigd; alreeds zijt gij rijk geworden; zonder ons hebt gij geheerscht; en och of gij heerschtet, opdat ook wij met u heerschen mopten. 9 Want ik acht dat God ons, die de laatste Apostelen zijn, ten toon heeft gesteld als tot den dood verwezen ; want wij zijn een schouwspel peworden der wereld, en den Engelen, en den menschen. 10 Wij [ry\'n] dwazen om Christus wil, maar gij zijt wijzen in Christus; wy zijn zwakken, maar gij sterken ; gij zijt heerlijken, maar wij verac?iten. 11 Tot op deze tegenwoordige ure |
Hoofdat 4. 5,6. AAN DIE VAN KORINTHE,
197
|
ure lijden wij honger, en lijden \' wij dorst, en zijn naakt, en worden met vuisten geslagen, en hebben geene vaste woonplaats , 12 En arbeiden, werkende met onze eigene handen; wij worden gescholden, en wij zegenen ; wij worden vervolgd, en wij verdragen; 13 Wij worden gelasterd, en wij bidden ; wij zijn geworden als uitvaagsels der wereld, (*n] aller afschrapsel tot nu toe. 14 Ik schrijf deze dingen niet om u te beschamen ; maar als myne lieve kinderen vermaan ik (ui. 15 Want al hadt gij tien duizend leermeesters in Christus, zoo lt;;ijl toch niet vele vaders. Want in Christus Jezus heb ik u door het Euangelium geteeld. 16 Zoo vermaan ik u dan, zijt mijne navolgers. 17 Daarom heb ik Timotheüs tot u gezonden, die mijn lieve en getrouwe zoon is in den Heer, welke u zal indachtig maken mijne wegen die in Christus zijn, gelijkerwijs ik alom in alle gemeenten leer. 18 Doch sommigen zijn opgeblazen, alsof ik tot ulieden niet komen zoude ; 19 Maar ik zal haast tot u komen, zoo de Heer wil, en ik zal (dnn] verstaan niet de woorden dergenen ilie opgeblazen zijn, maar de kracht. 20 Want het Koningrijk Gods is niet [grleaen] in woorden, maar in kracht. 21 Wat wilt gij ? Zal ik met de roede tot u komen, of in liefde en [inl den geest der zachtmoedigheid ? M HOOFDSTUK 5. en hoort ganschelyk [dnt HOOFDSTUK 5. en hoort ganschelyk [dnt er] hoererij onder u is, en zoodanige hoererij die ook onder de Heidenen niet genoemd wordt, alzoo dat er een zijns vaders huisvrouw heeft. 2 En zijt gij [no^l opgeblazen, en hebt wiet veel meer leed gedragen, opdat hg uit het midden vat. u weggedaan worde, die deze daad begaan heeft? 3 Doch ik, als w^l met het ligchaam afwezend, maar tegenwoordig zijnde met den gecat, heb alreeds als Lu/ tfe] tegenwoordig [ware], dengenen die dat alzoo bedreven heeft, besloten, |
4 In den naam onzes Heeren Jezus Christus, als gijlieden en mijn geest [te xaineu] vergaderd zullen zijn, met de kracht onzes Heeren Jezus Christus, 5 Denzulken over te geven den satan tot verderf des vleesches, opdat de geest behouden moge worden, in den dag des Heeren Jezus. 6 Uw roem is niet goed. Weet gij niet dat een weinig zuur-dcesems het geheele deeg zuur maakt ? 7 Zuivert dan den ouden zuur-deesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslagt, (na-tnelijk] Christus. 8 Zoo dan laat ons feest houden, niet in den ouden zuur-deesem, noch in den zuurdee-sem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde [ broeden] der opregtheid en der waarheid. 9 Ik heb u geschreven in den brief, dat gij u niet zoudt vermengen met de hoereerders; 10 Doch niet geheellijk met de hoereerders dezer wereld, of met de gierigaards, of met de roovers, of niet de afgodendienaars ; want anders zoudt gy moeten uit de wereld gaan. 11 Maar nu heb ik u geschreven, dat gij u niet zult vermengen, [nnmWijA;] indien iemand een bronder genoemd zijnde, een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een roever; dat\' gij met zoodanig eenen ook niet zult eten. 12 Want wat heb ik ook die buiten zijn te oordeelen ? Oor. deelt gijlieden niet die binnen zijn ? 13 Maar die buiten zijn oordeelt God. En doet gij dezen boozen uit ulieden weg. den die cene zaak heeft tegen eenen anderen, te regt gaan voor de onregtvaardigen, en niet voor de heiligen ? 2 Weet gij niet dat de heiligen de wereld oordeelen zullen? En indien door u de wereld ge- I 3. oor- |
|
oord cel (1 wordt, zytgü onwaardig der minste pereRtszaken 7 3 Weet jrü niet dat wy de En-pelen oordeelcn zullen ? Jloe-veel te meer de zaken die dit leven aangaan ? 4 Zoo dan pereRtizaken hebt die dit leven aangaan, zet die [donrowrl die in de gemeente minst geacht zijn ; 5 Ik zeg u [difj tot schaamte. Is er (rfon) alzoo onder u geen die wijs is; ook niet i-t-n, die zoude kunnen oordeelen tus-schen zyne broeders? 6 Maar de (renf) broeder gaat met den [niulrrfn] broeder te regt, en dat voor ongeloovi-tren. 7 Zoo is er dan nu gansrhelyk gebrek onder u, dat gü met elkander regtszaken hebt. Waarom lijdt gij niet liever ongelijk ? Waarom Igdt gg niet liever schade ? 8 Maar gijlieden doet ongelijk cn doet schade, ea dat den broederen. 9 Of weet gij niet dat de on-regtvaardigen het Koningrijk Gods niet zullen beërven 7 10 Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch on-turhtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, gecne lasteraars, geene roovers, zullen het Koningrijk Gods be-erven. 11 En dit waart gij sommigen ; maar gü zijt «Ugewassc-hen, maar gij rijt geheiligd, maar g\'j zyt gere-rtvaardigd in den naam des lleeren Jezus, en door den Geest onzes Gods, 12 Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alln dingen zijn niet oorbaar; alle dingen fijn in\\j geoorloofd, maar ik zal onder geens magt jny laten brengen. 13 De spijzen zijn voor den buik, en de buik voor de spijzen ; maar God r.al beide dezen en die te niete doen. Doch het ligchaam ia niet voor de hoererij, maar voor den Heer, en de Heer voor het ligchaam. 14 En God heeft ook den Heer opgewekt, en zal ons opwekken door zijne kracht. 15 Weet gg niet dat uwe lig-chamen Christus leden xijn ? Zal ik dan de leden van Christus nemen, en maken ze le- |
VAN PAULUS Hoofdst. 6,7. den eener hoer? Dat verre. 16 Of weet gy niet, dat die de hoer aanhangt één ligchaam [met /mar] is 7 Want die twee, zegt Hij, zullen tot één vleesch 17 Maar die de Heer aanhangt, is één geest (m*t 18 Vliedt de hoererij- Alle zonde die de mensch doet, is buiten het ligchaam ; maar die hoererü bedrijft, die zondigt tegen zijn eigen ligchaam. 19 Of weet gij niet dat ulie-dcr ligchaam een Tempel is des Heiligen Geestes, die in n is, dien gij van God hebt, cn [dat] gij nws zelfs niet zijt 7 20 Want gü zyt duur gekocht; zoo verheerlijkt dan God in uw ligchaam en in uwen geest, welke Godes zijn. A HOOFDSTUK 7. angaande nu di: dingen waarvan gij iny geschreven habt: het is eenen mensch goed geene vrouw aan te raken ; HOOFDSTUK 7. angaande nu di: dingen waarvan gij iny geschreven habt: het is eenen mensch goed geene vrouw aan te raken ; 2 Maar om der hoererijen wil zal een iegelijk [man] zijne eigene vrouw hebben, en cene iegc-lijke [rronwj zal haren eigenen man hebben. 3 De man zal aan de v.-ouw de schuldige goedwilligheid betalen ; cn desgelijks ook do vrouw aan den man. 4 De vrouw heeft de mast niet over haar eigen ligchaam, maar de man ; en desgelijks ook de man heeft de magt niet over zijn eigen ligchaam, m:iar de 5 Onttrekt u elkander niet tenzij dan met [beider] toestemming voor eenen tyd, optelt gü u tot vasten en bidden mougt verledigen ; cn komt wederom bijeen, opdat u de satan niet verzoeke, omdat gij u niet kunt onthouden. 6 Doch dit reg ik uit toelating, niet uit bevel. 7 Want ik wilde dat alle menschen waren, gelijk als ik zelf (ten] ; maar een iegelijk heeft zyne eigene gave van God, do een wel aldus, maar de ander alzoo. 8 Doch ik zeg den ongelrouw-den en den weduwen: hcLishun goed indien zü blijver, gelijk als ik; 9 Maar indien zy r.i.\'li niet kunnen onthouden, dat zü trou- |
|
Hoofdst. 7. AAN DIE VA trouwen; want het Ib beter tc trouwen dan te branden. 10 Doch den getrouwden gebied niet ik, inai*r de Heef, dnt dc vrouw ran den man niet geheide 11 En indien zij ook scheidt, dat zij ongetrouwd blij»e, of met den man verzoene ; en dat de man de vrouw niet verlate. 13 Maar den anderen ze;» ik, nietde Heer; indien eeniftbroe-der eene ongeloovige vrouw heeft, en dezelve tevreden is bij hem te wonen, dat hij haar niet verlate; 13 En eene vrouw die eenen onifeloovipen man heeft, en hij tevreden is bij haar te wonen, dat zi5 hem niet verlate. 14 Want de ongeloovige man is geheiligd door de vrouw, en de ouscloovige trouw is geheiligd door den man. Want anders waren uwe kinderen onrein; maar nn zijn zij heilitr. 15 Sfaar indien de ongelooviire scheidt, dat hij scheide. De broeder of de zuster wordt in zoodanige IfféMlUn] niet dienstbaar gemaakt, maar God heeft ons tot vrede geroepen. 16 Want wat weet gij vrouw, of gij den man zult zalig maken ? Of wat weet gij man, of pij de vrouw zult zalig maken? 17 Doch gelijk God aan een iegelijk heeft uitgedeeld, gelijk de Heer een iegelijk geroepen heeft, dat hij nlzoo wnn-dele; en alzoo ordineer ik in al dc gemeenten. 18 Is iemand besneden zijnde geroepen ? die late zich geene |roorAiiifl]aantrekkcn. Is iemand in de voorhuid zijnde goroo-pen ? die late zich niet besnijden. 19 De besnijdenis is niets, en de voorhuid is niets, maar de onderhouding der geboden Gods. 20 Een iegelijk blijve in die beroeping, daar hij in geroepen is. 21 Zijt gij een dienstknecht zijnde geroepen ? Laat u [\'/«lt;] niet bekommeren ; maar indien gij ook kondt vrij worden, gebruik tdnt) liever; 22 Want die in den Heer geroepen is, een dienstknecht zijnde, die is een vrijgelatene des Heeren; desgelijks ook die Trij «ijnde geroepen 1«, die ^ KOHINTHE. 199 |
Is een dienstknecht van Christus. 23 Gij zijt duur gekocht: wordt, geene dienstknechten der men-schen. 21 Een iegelijk waarin hij geroepen is, broeders, die blyve in hetzelve bij God. er, Aangaande nu de maagden heb ik peen bevel des Heeren ; maar ik tesr (mijn] gevoelen, als die barmhartigheid van den Heer gekregen heb getrouw te zijn. 28 Ik houd dan dit goed te zijn om den aanstaanden nood, dat het Ite/f ift], goed is den mensch alzoo te zijn. 27 Zyt gij aan eene vrouw verbonden ?zoek geeneontbinding; zijt gij ongebonden van eene vrouw T Zoek peene vrouw. 28 Maar indien pij ook trouwt, gij zondigt niet; en indien eene maagd trouwt, zij zondigt niet. Doch dezulken zullen verdrukking hebben in het vleesch. En ik spaar ulieden. 20 Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd voorts kort is ; opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn als niet hebbende; 30 En die weenen, als niet weenende; en die blijde zijn, als niet blijde zijnde; en die koopen, als niets bezittende; 31 En die deze wereld trebrui-ken, als niet misbruikende; want de gedaante dezer wereld gaat voorbij. 32 En ik wil dat pij zonder bekommernis zijt. De onpe-trouwde bekommert zich met de dingen des Heeren, hoe hij den lle.-r za\\ behapen ; 33 Maar die getrouwd is, bekommert zich met de dingen der wereld, hoe hij de vrouw zal behagen. 31 Eene vrouw en eene maagd zijn onderscheiden. De ongetrouwde bekommert zich met de dinsen des Heeren, opdat zij heilig zij beide aan ligchaam cn aan geest ;maar diepetromvd is bekommert zich met de dingen der wereld, hoe zij den man zal behapen. 35 En dit zep ik tot uw eipen voordeel; niet opdat ik eenen strik over u zoude werpen, maar (om k le leiden] tot hetgeen wel voegt, cn bekwaam is om den Heer wel aan te hanpen, zonder herwaarts en derwaarts getrokken te worden. 14 35 Maar |
|
200 36 Maar zoo iemand acht dat hij oofrevoegelijk handelt met rijne maa^d, indien zij over den jeugdigen tijd (raat. en het al-zoo moet geschieden, die doe wat hij wil; hij zondigt niet; dat zij trouwen. 37 Doch die vaststaat in [zijn] hart. geene noodzaak hebbende, maar mazt heeft over zijnen eigenen wil, en dit in zijn hart besloten heeft, dat hij zijne maagd zal bewaren, die doet wel. 38 Alzoo dan. die (ftnnr) ten huwelijk uitgeeft, die doet wel; en die (/mor) ten huwelijk niet uitgeeft, die doet beter. 39 Eene vrouw is door de wet verbonden zoo langen tijd haar man leeft: maar indien haar man ontslapen is, zoo is zij vrij, om te trouwen wien zij wil; alleenlijk in den Heer. 40 Maar zij is gelukkiger, indien zij alzoo blijft, naar mijn gevoelen. En ik meen ook den Geest Gods te hebben. A HOOFDSTUK 8. anpraande nu de dingen die den afgoden fjeofferd zijn : wij weten dat wij allen te za-men kennis hebben. De kennis maakt opfjeblazen, maar de liefde sticht. HOOFDSTUK 8. anpraande nu de dingen die den afgoden fjeofferd zijn : wij weten dat wij allen te za-men kennis hebben. De kennis maakt opfjeblazen, maar de liefde sticht. 2 En zoo iemand meent iet» te weten, die heeft nog niets gekend . gelijk men behoort te kennen. 3 Maar zoo iemand God liefheeft, die is van Hein gekend. 4 Aangaande dan het eten der dingen die den afgoden geofferd zyn : wij weten, dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen andere God is dan één. 5 Want hoewel er ook zijn die Goden genoemd worden, \'t zij in den hemel, \'t zg op de aarde (gelijk er vele Goden en vele Heer en zijn). 6 Nogtans hebben wij [mnor] é^nen God, den Vader, uit welken alle dingen zijnquot;, en wij tot Hem ; en [maar] éénen Heer, Jezus Christus, door welken alle dingen zijn, en wij door hem. 7 Doch in allen is de kennis niet; maar sommigen met eene consciëntie des afgods tot nof; toe eten als [ilt;t»l dat den afgoden geofferd is; en hunne consciëntie zwak zijnde wordt bevlekt. |
8 De spijs nu maakt ons Gode niet aangenaam. Want hetzü dat wij eten, wij hebben gee-nen overvloed; en hetzy dat wij niet eten, wij hebben geen gebrek. 9 Maar ziet toe dat deze uwe magt niet eenigerwijze een aanstoot worde dengenen die zwak zijn; 10 Want zoo iemand u, die de kennis hebt, ziet in der afgoden Tempel aanzitten, zal de consciëntie deszei ven die zwak is, niet gestijfd worden om te eten de dingen die den afgoden geofferd ziin ? 11 En zal de broeder die zwak is, door uwe kennis verloren gaan, om welken Christus gestorven is ? 12 Doch gijlieden, alzoo tegen de broeders zondiger.de, en hunne zwakke consciëntie kwetsende, zondigt tegen Chris- 13 Daarom indien de spijs mijnen broeder ergert, zoo zal ik ineeuwisrheid geen vleescheten, opdat ik mijnen broeder niet B HOOFDSTUK 9. en ik niet een Apjstel? Ben ik niet vrij ? Heb il; niet Jezus Christus onzen lletr gezien ? Zijt gijlieden niet mijn werk in den Heer ? HOOFDSTUK 9. en ik niet een Apjstel? Ben ik niet vrij ? Heb il; niet Jezus Christus onzen lletr gezien ? Zijt gijlieden niet mijn werk in den Heer ? 2 Zoo ik anderen geen /.postel ben, nogtans ben ik het ulieden. Want het zegel mijns Apostelschaps zijt gijlieden in den Heer. 3 Mijne verantwoording aan degenen die onderzoek ovei mij doen, is deze : 4 Hebben wij niet magt om te eten en te drinken ? 5 Hebben wij niet magt om eene vrouw eene zuster zijnde [inr( on*] om te leiden, gelijk ook de andere Apostelen, en de broeders des Heeren, en Cefas ? 6 Of hebben alleen ik en Barnabas geene magt van niet te werken ? 7 Wie dient ooit in den krijg op eigene bezoldiging? wie plant eenen wijngaard, en eet niet van zijne vrucht ? of wie weidt eene kudde, en eet niet van de melk der kudde quot; 8 Spreek ik dit nar.r den I. ZENDBRIEF VAN PAULUS Hoofdst. 7. 8.9. |
|
Hoofdst. 9,10. AAN DIE VA mensch? Of zegt ook de wet hetzelfde niet ? 9 Want in de wet van Mozeft is geschreven: gij zult eenen dorschenden os niet muilbanden. Zorgt ook God voor de ossen ? 10 Of zegt hij [(in/) eansche-lyk om onzentwil ? quot;Want om onzentwil is (dnlt;] geschreven ; overmits die ploefrt op hope moet ploegen, en die op hope dorsoht, [inor(] zijner hope deelachtig worden. 11 Indien wij ulieden het geestelijke gezaaid hebben, is het eene groote [innfc] zoo wij het uwe dat ligchamelijk is, maaijen ? 12 Indien anderen dezer magt over u deelachtig zijn, [wnnr-om) niet veel meer wij ? Doch wij hebben deze magt niet gebruikt; maar wij verdragen het al, opdat wij niet eenige verhindering geven aan het Euan-gelium van Christus. 13 Weet gii niet, dat degenen die de heilige dingen bedienen, van het heilffe eten ? 1 £n] die het altnar steeds bij zijn, deelen met het altaar? 14 Alzoo heeft ook de Heer creordineerd, dengenen die het Euangelium verkondipren, dat zij van het Euangelium leven. 15 Maar ik heb geen van deze dingen gebruikt. En ik heb dit niet geschreven, opdat \'talzoo aan mij geschieden zoude; want het ware mij beter te sterven, dan dat iemand dezen mijnen roem zoude ijdel maken. 16 Want indien ik het Euangelium verkondig, het is mij geen roem ; want de nood is mij opgelegd. En wee mij indien ik het Euangelium niet verkondig. 17 Want indien ik dat gewil-liï doe, zoo heb il loon ; maar indien onwillig, de uitdeeling is mij [«irnicW] toebetrouwd. 18 Wat loon heb ik dan ? [JVn-tnrlijk] dat ik het Euangelium verkondigende het Euangelium van Christus kosteloos stel, om mijne malt;?t in het Euangelium niet te misbruiken. 19 Want daar ik van allen vrij was, heb ik mij zeiven allen dienstbaar gemaaKt, opdat ik er meer zoude winnen. 20 En ik ben den Joden geworden als een Jood, opdal ik de Joden winnen zoude ; den- |
S* KORTNTHE. *gt;l penen die onder de wet ïijn [brn ik ptivorden] als onder de wet zijnde, opdat ik degrenen die onder de wet zijn, winnen zoude. 21 Dengenen die zonder de wet zijn, [ben ik neuordrn] als zonder de wet zijnde, (Gode [nigt;rjtaiu] zijnde niet zonder de wet, maar Christus onder de wet) opdat ik degenen die zonder de wet zijn, winnen 22 Ik ben den zwakken geworden nis een zwakke, opdat ik de zwakken winnen zoude; allen ben ik alles geworden, opdat ik immers eenipenbehoudenzoude. 23 En dit doe ik om des Euan-peliums wil, opdat ik deszel-ven mede deelachtig zoude worden. 2i Weet gijlieden niet, dat die in de loopbaan loopen, allen wel loopen, maar [lt;*«lt;] één den prijs ontvangt? Loopt al-zoo dat gij [dien] inoogt ver-krijeen. 25 En een ieffelijk die [om prij»] strijdt onthoudt zich in alles. Deze dan [doen] wel [i£i/] opdat zij eene verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij eene onverderfelijke. 26 Ik loop dan alzoo, niet als op het onzekere; ik kamp alzoo, niet als de lucht slaande. 27 Maar ik bedwing mijn lig-chaam, en breng het tot dienst» baarheid, opdat ik niet eenig-zins, daar ik anderen pepre-dikt heb, zelf verwerpelijk worde. HOOFDSTUK 10. jn ik wil niet, broeders, dat gij onwetend zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee door-pepaan zijn ; 2 En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk, en in de zee; 3 En allen dezelfde peestelijke spijs gegeten hebben ; i En allen denzelfden geestelijken drank pedronken hebben. Want zij dronken uit de peeste-lijke steenrots die volgde, en de steenrots was Christus. 5 Maar in het meerder [iferZ] van hen heeft God peen welgevallen pehad ; want zij zijn in de woestijn ter neder geslapen. 6 En deze dingen zijn geschied ons lot voorbeelden, opdat wij geenen 1 usttot het k wadezouden I5 heb- |
|
SOB I. ZENDBRIEF hehhen, pelükerwijs nis lust gehad hebben. 7 En wordt ucenc nf^odendie-nniirs, pelijkerwijs als soimnijrcn van hen, ffelijk geschreven Btant: het volk znt neder om te eten, en om te drinken, en ïij stonden op om te spelen. 8 En Innt ons niet hoereeren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en vielen op ëónen dag drie en twintig duizend. 9 En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van dc slangen vernield. 10 En murmureert niet, Relijk ook sommigen van hen ffemur-mureerd hebben, en werden vernield van den verderven 11 En deze diniren nlle zijn hunlieden overjfokomen tot voorbeelden, en zijn beschreven tot waarschuwing vnn ons, op welke de einden der eeuwen gekomen zijn. 12 Zoo dan die meent te staan, zie toe dat hij niet valle. 13 Ulieden heeft geene verzoeking bevangen dan menschelij-ke; doch God is getrouw, welke u niet zal laten verzocht worden boven \'t geen gij vermoogt, maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen, 1 Uaarom , mijne geliefden, vliedt van don afgodendienst. 15 Als tot verstandigen spreek ik ; oordeelt gij hetgeen ik ze?. 1G De drinkbeker der dankzegging, dien wij Idanhsr^gen-df) zegenen, is die niet eene geineeiischap des bloeds van Christus? liet brood dat wij breken, is dat niet eene gemeenschap des ligchaams van Christus ? 17 Want één brood (ii hrl, *oo) sijn wij velen één ligdianm, dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn. 18 Ziet Israel dat naar het vleesch is ; hebben niet degenen die de oifemnden eten, gemeenschap met het altaar ? 19 Wat zeg ik dan? dat een afgod iet* is ? of dat het afgo-den-ofler iets is 7 20 Ja (ife xrrf] dat hetgeen de Heidenen offeren, zij den duivelen offeren, en niet Gode. Eu ik wil niet dat gij met de |
VAN PAULtJS Hoofdst, 10,11. duivelen gemeenschap hebt. 21 Gij kunt den drinkbeker des Heeren niet drinken, en den drinkbeker der duivelen ; gij kunt niet deelachtig zijn der tafel des Heeren, en der tafel der duivelen. 22 Of tergen wij den Heer? Zijn wij sterker dan hij? 83. Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen rijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dhi-gen stichten niet. 21 Niemand zoeke wat zijns zelfs is, maar een iegelijk [zorke] wat des anderen is.. 2j Eet al wat in het vleesch-huw verkocht wordt, niets ondervragende om der consciëntie wtl. 2G Want de aarde is dts Heeren, en de volheid derzelve. 27 Eu indien u iemand van de ongeloovigen noodigt, en gij [flnnr] gaan wilt, eet il wat ulieden voorgesteld wordt,niets ondervragende, om der con- 28 Maar zoo iemand tot ulieden zegt: dat is afgoden-offer, eet (/«•lt;] niet om desgeuen wil die (u dal] te kennen gegeven heeft, en [om] der consciëntie wil. Want de aarde is de? Heeren, en de volheid derjie ve. 29 Doch ik zeg, [om] de consciëntie niet uws zelfs, maar des anderen. Want wuirom wordt mijne vrijheid geoor leeld van eene andere couscicn;ie? 3(1 En indien ik door genade [rfrr «pij») deelachtig ben, waarom wordt ik gelasterd over hetgeen waarvoor ik dankzeg? 31 Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets lander»] doet, doet het al ter eere Gods. 33 Woest zonder aanstoot te geven, en den Joden, en den Grieken, en der gemeente Gods; 33 Gelijkerwijs ik ook in nlles allen behaag, niet zoekende mijn eigen voordeel, maar het [roordrel] van velen, opdat zij mogten behouden worden. -l\\r HOOFDSTUK 11. 1 VV eest mime navogers, gelijkerwijs ook ik van Christus. 2 En ik prijs u, broeders, dat gij in nlles mijner gedachtig zijt, en behoudt de iuzettin-geq, gelijk ik [die] u cverge-geven heb. |
|
Hoofdst. 11. AAN DIE VA 3 Doch ik wil «lat ffij weet, dat Christus het Hoofd in eens legelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus. •1 Een iegelijk man die bidt of profeteert, hebbende [irlt] op het hoofd, die onteert zijn eigen hoofd ; 5 Maar eenc iejrelijkc vrouw, die bidt of profeteert n ut on-gedekten hoofde, onttert haar eigen hoofd ; want het is een\'en hetzelfde alsof [hnnr] net haar afgesneden ware. 6 Want indien eenc vrouw niet gedekt is, dat zy ook geschoren worde; maar indien het leelijk is voor eenc vrouw pe-schorcn te zijn, of het haar afgesneden te hebben, dat zij zich dekke. 7 Want de man moet liet hoofd niet dekken, overmits hg het beeld cn de heerlijkheid Gods is; maar de vrouw is du heerlijkheid des mans. 8 Want de man is uit dc vrouw niet, maar de vrouw uit den man. 9 Want ook is de man niet ge-srhapen om dc vrouw, maar de vrouw om den man. 10 Daarom moet dc vrouw eenc magt op het hoofd hebben, cm der Engelen wil. 11 Nogtans is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man, in den Heer. 12 Want gelykerwij» dc vrouw uit den man is, alzoo is onk de man door de vrouw; doch alle dingen [ryn] uit God. 13 Oordeelt gij onder u zeiven ; is het betamelijk dat dc vrouw ongedekt God bidt ? I t Of leert u ook dc natuur zelve niet, dat zoo een man lang haar draagt, het hem eene 15 Maar zoo eene vrouw lang haar draagt, dat het haar eene eer is ? omdat het lange haar voor een deksel haar is gegc- 16 Doch indien iemand schijnt twistgierig te zijn, wij hebben zulke gewoonte niet, noch de gemeenten Gods. 17 Dit nu l\'t fjern] ik [u] aanzeg, prijs ik niet, [tinme-l\'ijk] dat gij niet tot beter maar tot erger t\' zamen komt. 18 Want eerstelijk als gy tc zamen komt in de gemeente, |
KQRINTUE. SC\'3 zoo hoor ik dat er Bofeeiirin* gen zijn onder u ■ en ik geloof het ten deele. 19 Want er moeten ook ketteryen onder u zijn, opdat degenen die opregt zgu openbaar mogen worden onder u. 20 Als gij dun bijeen te zamen komt, I int] is niet des Ileeren / 7ondu.aal eten. 21 Want in \'t eten neemt een iegelgk tc voren zijn eicea Avondmaal; en deze is honge-risr, en de ander is dronken. 22 Hebt gy dan geene huizen om daar te eten en te drinken? Of veracht gii dc gemeente Gods, en beschaamt gij degenen die niet hebben ? Wat yal ik u zeggen ? Zal ik u prijzen ? In dezen prijs ik (u] niet. 23 Want ik heb van den Heer ontvangen hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat dc Heer Jezus, in den nacht in welken hij verraden werd, het brood 21 En als hij gedanktquot; had, brak hij het, en zeide: neemt, eet; dat is mijn ligchaam, dat voor u gebroken wordt; dott dat tot mijner gedachtenis. 23 Desgelijks (nam] hij ook den drinkbeker na het eten dc» Avondmaals, en zeide; deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in mijn bloed. Doet dat, zoo dikwijls als ffij [r/irw] zult drinken, tot mijner gedachte- 26 Want zoo dikwijls r.ls gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zoo verkond\'gt den dood des Hee-ren, totdat hij komt. 27 Zoc dan wie onwnardiglük dit brood eet, of den drinkbeker des Heercn drinkt, die zal achuldig zijn aan \'t ligchaam en bloed des Heercn. 23 Maar de mensch beprocve zich zeiven, cn cte alzoo van het. brood, en drinke van den drinkbeker. 29 Want die on waardigiijk eet en drinkt, die eet en drinkt zich zeiven een oordeel, niet onderscheidende het ligchaam des Heercn. 30 Daarom zijn onder u vele zwakken cn kranken, en velen slapen. 31 Want indien wij ons zeiven oordeelden, zoo zouden wy niet geoordeeld worden. 32 Maar als wij geoordeeld |
I. ZENDBRIEF VAN PAULUS Hoofdat. 11,12.
Sot
|
worden, zoo worden wij den Heer ^etuchtipd, opdat wij met do wereld niet zouden Teroordeeld worden. 33 Zoo dan, mijne broeders, nis pij te znincn komt om te eten, verwacht elkander. 34 Doch zoo iemand hongert, dat hij t\'huis ete, opdat pj niet tot een oordeel te zamen komt. De overige dingen nu zal ik ordinecrcn als ik zal gekomen zijn. _ i de geestelijke [(jn- fen), broeders, wil ik niet dat gij onwetend zijt. 2 Gij weet dat gij Heidenen waart, tot de stomme afgoden henengetrokken, naardat gij geleid werdt. 3 Daarom maak ik u bekend, dat niemand die door den Geest God» spreekt, Jezus eene vervloeking noemt; en niemand kan zeggen Jezus de Heer [tt zijnj, dan door den Heiligen Geest. 4 En er is verscheidenheid der gaven, doch het is dezelfde Geest; 5 Eu er is verscheidenheid der bedieningen, en \'t is dezelfde Heer; 6 En er is verscheidenheid der werkingen , doch het is dezelfde God, die alles in allen werkt. 7 Maar ccncn iegelijk wordt de openbaring des Geestes gegeven tot hetgeen dat oorbaar is. 8 Want dezen wordt door den Geest gegeven het woord der wijsheid, en oenen anderen het woord der kennis, door denzelfden Geest; 9 En eenen anderen het geloof, door denzelfden Geest; en eenen anderen de gaven der gezondmakingen, door denzelfden Geest; 10 En eenen anderen de werkingen der krachten ; en eenen anderen profetie ; en eenen anderen onderscheidingen der geesten ; en eenen anderen menigerlei talen ; en eenen anderen uitlegging der talen. 11 Doch deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, deelende eenen iegelijk in het bijzonder gel ijkerwijs nij wil. 12 Want gelijk het ligchaam één is, en vele leden heeft, en |
al de leden van dit ééne ligchaam, vele zijnde, [monr] één ligchaam zijn, alzoo ook Christus. 13 Want ook wij allen zijn door éénen Geest tot één ligchaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienst-kneenten, hetzij vrijen ; en wij zijn allen tot eénen Geest gedrenkt. 14 Want ook het ligchaam niet is één lid, maar vele [{e-(irn]. 15 Indien de voet zeide; dewijl ik de hand niet ben, zoo ben ik van het ligchaam niet; is die daarom niet van \'t ligchaam ? IC En indien het oor zeide: dewijl ik het oog niet ben, zoo ben ik van het ligt-haam niet; is het daarom niet van \'t ligchaam ? 17 Ware het geheele ligchaam het oog, waar lioudej Het gehoor [rijn] ? Ware het geheele [liychnnm] gehoor, waar [: ouiie] dequot; reuk [zijn] ? 18 Maar nu heeft God de leden gezet, een iegelijk van dezelve in het ligchaam, gelyk Hij gewild heeft. 19 Waren ze allen [mnnr\' één lid, waar [zoude] het ligc.iaam [zyn] ? 20 Maar nu zijn er wel ve! e leden, doch maar één ligch.iam. 21 En het oog kan niet zeggen tot de hand : ik heb u niet van noode ; of wederom het hoofd tot de voeten : ik heb u niet van noode. 22 Ja veeleer, de ledea «lie [om] dunken de zwakste des ligchaams te zijn, die zijn nao-dig; 23 En die ons dunken de ninst eerlijke [leden] des ligchaams te zijn, dezelve doen wij overvloediger eer aan, en onze onsierlijke [(edr»] hebben overvloediger versiering. 21 Doch onze sierlijke hebben het niet van noode ; maar God heeft het ligchaam [n/too] t\' zamen gevoegd, gevende overvloediger eer aan hetgeen [der-zelve] gebrek heeft; 25 Opdat geene tweedract in het ligchaam zij, maar de leden voor elkander gelijke zorg zouden dragen. 26 En hetzij dat één lid lijdt, zoo lijden al de leden laede; hetzij dat één lid verheerlijkt |
|
Hoofdat. 12. 13,14. AAN DIE ^ wordt, too verblijden zich al de leden wede. 27 En gijlieden rijt het lig-chanta van Christus, en leden in \'t bijzonder. 28 En God heeft er sominigen in de gemeente gesteld, ten eerste Apostelen, ten tweede Profeten, ten derde Leeraars, daarna krachten, daarna gaven der gezondmakingen, behulp-scls, regeringen, menigerlei talen. 29 Zijn zij allen Apostelen? Zijn zij allen Profeten ? Zijn zij allen Leeraars? Zijn zij allen brachten ? 30 Hebben zij allen gaven der gezondmakingen ? Spreken zij allen met [menigtWet] talen ? Zijn zij allen uitleggers ? 31 Doch ijvert naar de beste gaven. En ik wijs u eenen weg, die nog uitnemender is. A HOOFDSTUK 13. HOOFDSTUK 13. 1 ware *t dat ik de talen der menschen en der Engelen sprak, en de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal, of luidende schel geworden. 2 En al ware \'t dat ik de [i/nwe] der profetie had en wist al de verborgenheden en al de wetenschap; en al ware \'t dat ik al het geloof had, zoodat ik bergen verzette, en du liefde niet had, zoo ware ik niets. 3 En al ware \'t dat ik al mijne goederen tot onderhoud [drr armen] uitdeelde, en al ware \'t dat ik mijn ligchaam overgaf opdat ik verbrand zoude worden, en had de liefde niet, zoo zoude het mij geen nuttigheid geven. 4 De lieftle is lankmoedig; zij is goedertieren; de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet ligtvaardiglijk; zij is niet opgeblazen; 5 Zij handelt niet ongeschik-telijk ; zij zoekt zich zelve niet; zij wordt niet verbitterd; zij denkt geen kwaad ; 6 Zij verblijdt zich niet in de onjeregtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid ; 7 Zij bedekt a\'le dingen; zij gelooft alle dingen; zij hoopt alle dingen ; zij verdraagt alle dingen. 8 De liefde vergaat nimmermeer ; maar hetzigt; jirofetiën, rAN KOR1NTHE. 205 |
zij zullen te niete gedaan wor-\' den; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niete gedaan worden. 9 Want wij kennen ten deele, en wij profeteren ten deele; 10 Doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen dat ten deele is, te niete gedaan worden. 11 Toen ik een kind wns, sprak ik als een kind, wns ik gezind als een kind, overleide ik als een kind ; maar wanneer ik een man geworden ben, zoo heb ik te niete gedaan hetgeen eens kinds was. 12 Want wij zien nu door eenen spiegel in eene duistere reden, maar alsdan [zullrn irij ïien) aangezigt tot aangezigt; nu ken ik ten deele, maar alsdan zal ik kennen gelijk ooi ik gekend ben. 13 En nu blijft Geloof, Hoor [rn] Liefde, deze drie; doet de meeste van deze is de Liefde. J HOOFDSTUK 14. aagt de liefde na, en ijvert om de geestelijke (jnrrnl; maar meest dat gij moogt profeteren. HOOFDSTUK 14. aagt de liefde na, en ijvert om de geestelijke (jnrrnl; maar meest dat gij moogt profeteren. 2 Want die eene [rrfemdr] taal spreekt, spreekt niet den menschen, maar Gode. Want niemand verstaat [/ir\'1, doch met den geest spreekt hij verborgenheden. 3 Maar die profeteert, spreekt den menschen stichting, en 4 Die eene [vreemde] taal spreekt, die sticht zich zeiven ; maar die profeteert, die sticht de gemeente. 5 En ik wil [uW] dat gij allen in [urce»i(ie) talen spreekt, maar meer dat gij profeteert. Want die profeteert is meerder dan die [rrrcmdr) talen spreekt, tenzij dan dat hij het uitlegge, opdat de gemeente stichting moge ontvangen. 6 En nu, broeders, indien ik tot « kwam, en sprak [vreemde] talen, wat nuttigheid zoude ik u doen, zoo ik tot u niet «prak, of in openbaring, of in kennis, of in profetie, of in leering ? 7 Zelfs ook de levenlooze dingen die geluid geven, \'t zij fluit, \'t zü citer, zoo zij geen onderscheid met [hunnrn] klank geven, hoe zal bekend worden |
|
AC I. ZENDBRIEF kt geen gefloten of op de citer gespeeld wordt ? 8 quot;NVant ook indien de bazuin een onzeker geluid Reeft, wie zal zich lot den krijg bereiden ? 9 Al zoo ook gylieden indien gij niet door de taal eene dui-•h-üjke reden geeft, hoe zal verstaan worden hetpecn gesproken wordt ? Want jrij zult zijn [quot;/si die in de lucht spreekt. 10 Er zijn, naar het voorvalt, zoo vele soorten van etciuinen in de wereld, en geene derzelve ia zonder stem. 11 Indien ik dan de kracht der stem niet weet. zoo zal ik hem die spreekt barbaarsch zijn ; en hij die spreekt zal bij mij barbaarseli zijn. 12 Alzoo ook gij, dewijl gy yverig zijt naar geestelijke gaven, zoo zoekt dat gij moogt overvloedig zijn tot stichting der gemeente. 13 Daarom die in eene (rr«*on-rfr) taal spreekt, die bidde dal hij het moge uitlegpen. 14 Want indien ik in eene (jnvrrnrfr) taal bid, mijn geest bidt («•lt;■£], maar mijn verstand is vruchteloos. 13 Wat is \'t dan ? Ik zal (u-ri) met den geest bidden, uiaar ik zal ook met het verstand bidden ; ik zal [trel] met den jfeest zingen, maar ik zal ook met het verstand zingen. 16 Anderzins indien gij dankzegt met den geest, hoe zal degene die de plaats eens on geleerden vervult, Amen zeggen op uwe dankze£j!finff ? dewijl hij niet weet wat gij zegt. 17 Want gij dankzegt wel behoorlijk, maar de ander wordt niet gesticht. 18 Ik dank mijnen God dat ik meer [vrrrmt/r] talen «preek, dan irü allen; 19 Maar ik wil [lirver] in de gemeente vijf woorden spreken met mün verstand, opdat ik ook anderen moge onderwijzen, dan tien duizend woorden in eene [«rwrndc] taal. 20 Broeders, wordt geene kindereu in \'t verstand ; maar zijt kinderen in de boosheid, cn wordt in \'t verstand volwassen. 21 In de wet is geschreven: ik zal door lieden van andere talen, en door andere lippen tot dit volk spreken, en ook |
VAN PAULUS Hoofdit. li alzoo zullen zü n.ij niet hoo-ren, zegt de Heer. 22 Zoo dan, de [vreemdr] talen zijn tot een tecken niet dengenen die gelooven, maar dun oujjeloovigen; en de profetie niet den ongeloovigen, maar dengenen die gelooven. 23 Indien aan de geheele gemeente bijeen vergaderd was, en zy allen in [rrcemde] talen spraken, en onpreleer-den of ongeloovigen inkwamen, zouden zij niet zeggen dat gü uitzinnig waart ? 24 Maar indien zij allen profeteerden, en een ongeloovige, of ongeleerde inkwam, die wordt van allen overtuigd, [#n] hij wordt van allen geoordeeld. 23 En alzoo worden de verborgene dingen zijns harten openhaar ; en alzoo vallende op (lijn) aangezigt zal hij God aanbidden, en verkondigen óat God waarlijk onder u is. 26 Wat is \'t dan , broeders T Wanneer pij te zamen komt, een iegelijk van u, heeft bü eenen psalm, heeft hij eene leer, heeft nij eene [vrremdel taal, heeft hij eene openbaring, heeft hij eene uitlegging; laat alle dingen geschieden tot stic.i-ting. 27 En zoo iemand eene [ttref».-\'le] taal spreekt, [\'lot] het docr twee, of ten meeste drie sc/iiedc] ca bij beurte ; en dat één het uirietrge. 28 Maar indien er geen uitlegger is, dat hij zwijge in de gemeente, doch dat hü tot zich zeiven spreke, cn tot God; 29 En dat twee of drie Profeten spreken, en dat de anderen oordeelen. 30 Doch indien eenen anderen die er zit [■lt;•\'*] geopenbaard is, dat de eerste zivijpe. 31 Want gij kunt allen de een na den ander profeteren, opdat zy allen leeren, en allen getroost worden, 32 En de geesten der Profeten zijn den Pre riten onderworpen. 33 Want God is i,quot;een [God] de, geljjk in al de gemeenten der heiligen. 34 Dat uwe vrouwen in de gemeenten zwijgen ; want hot is haar niet toegelaten te spreken, maar [bevolen] oncer- |
Hoofdst. 14,15. AAN DTE VAN KORINTHK.
|
worpen te zijn, gelijk ook de 35 Eu too lij Iets willen loeren, Inat hftar t\' huis hnren eigen mannen rraEjen. Want het 8ln.it leelijk voor de vrouwen dat ïij in de gemeente spreken. 3f) Is \'t woord Oocts van u uitgedaan ? Of is het tot u alleen gekomen ? 37 Indien iemand meent een Profeet te zijn , of geestelijk, die erkenne dat hetgeen ik u schrijf des Heeren geboden lijn; 38 Maar zoo iemand onwetend is, die zij onwetend. 39 Zoo dan, broeders, ijvert om te profeteeren, en verhindert niet in [vreemde] talen te spreken. 40 Laat alle dineren eerlijk en met orde geschieden. -\\r HOOFDSTUK 15. 1 V oorts, broeders, ik maak u bekend het Euangeli-uni, dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in hetwelk gij ook staat; 2 Door hetwelk gij ook zalijr wordt, indien gij het behoudt op zoodanige wijze, als ik het u verkondigd heb; tenzij dan dat srij te vergeef» geloofd hebt. 3 Want ik heb ulleden ten eerste overgegeven *t geen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften. 4 En dat hij is begraven, en dat hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften. 5 En dat hij is van Ccfns gezien, daarna van :1e twaalven. G Daarna is hij trezien van meer dan vijfhondird broederen op eenmaal, van welke het meerdcr[rfiquot;ri] jiog overig is, en soiniuigen ook zijn ontsla-pen. 7 Daarna is hij gezien van Jacobus, daarna Van al de Apostelen. 8 En ten laatste van allen is hij ooi: van mij, als van eenen ontijdig geborenen, gezien. 9 quot;Want ik ben dc minste van do Apostelen, die niet waardig ben een Apostel genoemd te worden, daarom dat ik de gemeente Gods vervolgd heb. i |
10 Doch door de genade Gods ben ik wat ik ben ; en zijne genade die [annl mij [bewexen 5*], is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid, dan zij allen; doch niet ik, maar de genade Gods die met mij is. 11 Hetzij dan ik, hetzij zijlieden, alzoo prediken wij, en alzoo hebt gij geloofd. 12 Indien nu Christus gepredikt wordt, dat hij uit de doo-den opgewekt is, hoe zesgen sommigen onder u dat er geen opstanding der dooden 13 En indien er geen opstanding der dooden is, zoo is Christus ook niet opgewekt; 14 En indien Christus niet opgewekt is, zoo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof, 15 En zoo worden wij ook bevonden valsche getuigen Gods; want Wij hebben van God getuigd, dat Hij Christus opgewekt heeft; dien Hij niet heeft opgewekt, zoo namelijk de dooden niet opgewekt wor- 16 Want indien de dooden niet opgewekt worden, zoo is ook Christus niet opgewekt; 17 En indien Christus niet opgewekt is, zoo is uw geloof te vcrgeefsch, zoo zijt gij nog in uwe zonden ; 18 Zoo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn. 19 Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zoo zijn wij de ellendigste vaa alle menschen ; 20 Maar nu, Christus is opgewekt uit de dooden, [m] is de eersteling geworden dergenen die ontslapen zijn. 21 Want dewijl de dood door eenen mensch is, zoo is ook dc opstanding der dooden door eenen mensch. 23 Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzoo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden. 23 Maar con iegelijk in zijne orde; de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in zijne toekomst. 21 Daarna zal het einde zijn, wanneer hij het KooiUgrijk Gode en den Vader zal overgegeven hebben ; wanneer hij zal tdnletcgedaan hebben alleheer-schapuij, en alle magt, en kracht. 25 Want hij moet als Koning heerschea totdat hij al de vij-nu- |
\' VAN PAÜLUS Hoofdst. 15. schcn, en een ander der vogelen ;
40 En er zyn hemelsche lig-chamen, en er zijn aardsche ligchamen ; maar eene andere is de heerlijkheid der hemelsche, en eene andere deraard-sche.
41 Eene andere is de heerlijkheid der zon, en eene andere is de heerlykheid der maan, en eene andere is de heerlijkheid der sterren ; want de [eene] ster verschilt in heerlijkheid van de quot;[nndrre] ster.
42 Alzoo zal ook de opstanding der dooden zijn. Het Uij-chnnm] wordt gezaaid in verderfelijkheid,\'t wordt opgewekt in onverderfelijkheid.
43 Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid. Het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht.
44 Een natuurlijk ligchaam wordt er gezaaid, een geestelijk ligchaam wordt er opgewekt. Er is een natuurlijk ligchaam, en er is een geest ïlijk ligchaam.
45 Alzoo is cr ook geschreven : de eerste mensch Adam is geworden tot eene levende ziel; de laatste Adam tot eenen levendmakenden geest.
46 Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke.
47 De eerste mensch is uit de aarde, aardsch; de tweede mensch is de Heer uit den je-mel.
48 Hoedanig de aardsche [i»], zoodanige zijn ook de aa-d-schen ; en hoedanig de hemelsche (i«), zoodanige zijn ook de hemelschen.
49 En gelijkerwgs wij het beeld des aardschen gedragen hebben , [niroo] zullen wij ook het beeld des hemelschen dragen.
50 Doch dit zeg ik, broeders, dat vleesch en bloed het Koningrijk Gods niet beërven kunnen, noch de verderfelijkheid beërft deonverderfelijkheid niet.
51 Zie, ik zeg u eene verborgenheid wij zullen wel niet allen ontslapen, maar w.j zullen allen veranderd worden;
52 In een punt des [(•j\'fc], in een oogenblik, met de laatsté bazuin; want de bazuin zal
slaan.
208 I. ZENDBRIEF
andeu onder zijne voeten zal gele?d hebben.
26 De laatste vijand, die te niete gedaan wordt, is de dood.
27 Want hij heeft alle dinjren zijnen voeten onderworpen. Doch wanneer hij ze^t, dat [Arm) alle dingen onderworpen zijn, zoo is \'t openbaar, dat Hijuit-pcnomen wordt die hem alle dingen onderworpen heeft.
28 En wanneer nem alle din-pen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de zoon zelf onderworpen worden dien die hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.
29 Anders, wat zullen zij doen die voor de dooden gedoopt worden, indien de dooden gansrhelijk niet opgewekt worden? Waarom worden zij voor de dooden ook gedoopt ?
30 Waarom zijn ook wij alle ure in gevaar?
31 Ik sterf alle dagen, [\'t vrlk ik hrtuifi] bij onzen roem dien ik heb in Christus Jezus onzen
32 Zoo ik, naar den mensch, tegen de beesten gevochten heb te Efeze, wat nuttigheid is het mij indien de dooden niet opgewekt worden ? Laat ons eten en drinken; want morgen sterven wij.
33 Dwaalt niet. Kwade zamen-sprekingen verderven goede zeden.
3t Waakt op regtvaardiglijk, en zondigt niet. Want sonuui-gen hebben de kennis Gods niet. Ik zeg het u tot schaamte.
35 Maar, zal iemand zeggen, hoe zullen de dooden opgewekt worden ? En met hoedanig een ligchaam zullen zij komen ?
36 Gij dwaas, hetgeen gij zaait wordt niet levend, tenzij dat het gestorven zij.
37 En hetgeen gij zaait, [dnar-ii\'ui) zaait gij het ligchaam niet dat worden zal, maar een bloot graan, naar hot voorvalt, van tarwe, of van eenig der andere [granen].
38 Maar God geeft hetzelve een ligchaam, gelijk Hij wil, en een iegelijk zaad zijn eigen ligchaam.
39 Alle vleesch is niet hetzelfde vleesch, maar een ander is het vleesch der menschen, en een ander is het vleesch der beesten, en een ander der vis-
|
Hoofdet. 15, 16. AAN DIE VA ■taan, en de dooden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden. 53 Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke [morf] onsterfelijkheid aandoen. 54 En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkhcid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden dat geschreven is : de dood is verslonden tot overwinning. 55 Dood, waar is uw prikkel ? 56 De prikkel nu des doods is de zonde, en de kracht der zonde is de wet. 57 Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onzen Heer Jezus Christus. 58 Zoo dan, mijne geliefde broeders, zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in \'t werk des Heeren, als die weet dat uw arbeid niet ijdel is in den Heer. A HOOFDSTUK 16. an^aande nu de verzameling die voor de heiligen HOOFDSTUK 16. an^aande nu de verzameling die voor de heiligen Iffnchietlt], gelijk als ik aan de gemeenten in Galatic verordineerd heb, doet ook gij al-zoo. 2 Op eiken eersten [«injl der week les£c een iegelijk van u [ir((| bij zich zeiven weg, vergaderende eenen schat, naar-dat hij welvaren verkregenheeft, opdat de verzamelingen alsdan met leent] geschieden, wanneer ik gekomen zal zijn. 3 En wanneer ik daar zal gekomen zijn, die Jfij zult bekwaam achten door brieven, dezelve zal ik zenden om uwe gaven naar Jeruzalem over te dragen; 4 En indien \'t [de moeite] waardig mogt zijn dat ik ook [zelf] reizen zoude, zoo zullen zy met mij reizen. 5 Doch ik zal tot u komen wanneer ik Macedonië zal doorgegaan zijn (want ik zal door Macedonië gaan); 6 En ik zal mogelyk bij u blijven, of ook overwinteren, opdat gy mij moogt geleiden waar ik zal henen reizen. 7 Want ik wil u nu niet zien in het voorbijgaan, maar ik |
N KORINTHE. SOO hoop eenigen tijd bij u te blQ\' ven, indien het de Heer za^ toelaten. 8 Maar ik zal te Efeze blijven tot den Pinkster[i{a(;]. 9 Want mij is eenc groote en krachtige deur geopend, en er zijn vele tegenstanders. 10 Zoo nu Timotheüs Komt, ziet dat hij buiten vrees bij u zij ; want hij werkt het werk des Heeren gelijk als ik. 11 Dat hem dan niemand verachte; maar geleidt hem in vrede, opdat hij tot mij kome; want ik verwacht hem met de broederen. 12 En wat aangaat Apollos den broeder, ik heb hem zeer gebeden dat hij met de broederen tot u komen zoude ; maar het was ganschelijk (ttjn) wil niet, dat hij nu zoude komen ; doch hij zal komen wanneer het hem wel eelegen zal zijn. 13 Waakt, staat in het geloof, houdt u mannelijk, zijt sterk; 14 Dat al uwe dingen in de liefde geschieden. 15 En ik bid u, broeders, gy kent het huis van Stefanas, dat het is de eerstelinf» van Achaje, en (dntj zij zich zeiven den heiligen ten dienste hebben geschikt; 16 Dat gij ook u den zoodani-gen onderwerpt, en eenen iegelijk die medewerkt en arbeidt. 17 En ik verblijd mij over de aankomst van Stefanas, en For-tunatus, en Achaïcus; want deze hebben vervuld hetgeen (intj) aan u ontbrak. 18 Want zij hebben mijnen geest verkwikt, en [oofc) den uwen. Erkent dan de zooda- 19 U groeten de gemeenten van Azië. U groeten zeer in den Heer, Aquila en Priscil-la, met de gemeente die te hunnen huize is. 20 ü groeten al de broeders. Groet elkander met eeneu heiligen kus. 21 De grootenis met mijne hand : Paulus. 22 Indien iemand den Hier Jezus Christus niet liefhe ft, die zij eene vervloeking, Ma-ranatna. 23 De genade des Heeren Jezus Christus zij met u. 24 Mijne liefde zij met u allen in Christus Jezus. Amen. DE |
|
810 II. DE TWKEDE ZENDBRIEF VAN DKN\' AAW DIB VAN P HOOFDSTUK 1. aulus pen Apostel vnn Jezus Chrixtus, door den wil Gods, en Timotheüs de broeder, aan de tfemeente Gods die te Korintbe is, niet al de heiligen die in pcheel Achnje «ijn. HOOFDSTUK 1. aulus pen Apostel vnn Jezus Chrixtus, door den wil Gods, en Timotheüs de broeder, aan de tfemeente Gods die te Korintbe is, niet al de heiligen die in pcheel Achnje «ijn. 2 Oenade zij u en trede vnn God onzen Vader, en den Heer Jezus Christus. 3 Geloofd zij de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, de Vader der bamiharfierbe-den, en de God aller vertroos-tinff; 4 Die ons vertroost in al onze verdrukking, opdat Wij zouden die in allerlei verdrukking zijn, door de vertroosting niet welke wö zeiven van God vertroost worden. 5 Want gelijk het lijden van Christus overvloedig is in ons, alzoo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig. fgt; Doeh hetzij dat wij verdrukt worden, [hrt is] tot uwe vertroosting en zaligheid, die gewrocht wordt in de lijdzaamheid deszeiTden lijdens, hetwelk wij ook lijden ; hetzij dat wij vertroost worden, [hrt l,i| tot uwe vertroosting en zaligheid. 7 En onze hoop van u is rast. als «lie weten dat gelijk ?ij gemeenschap hebt aan \'t lijden, [tjijl ook alzoo trKnp hrht] aan de vertroosting. 8 Want wij willen niet, broeders, dat gij onwetend zijt van onze verdrukking, die ons in Azië overkomen is, dat wij uitnemend zeer bezwaard zijn geweest boven [ontc) maart, al-■oo dat wij zeer in twijfel waren ook van \'t leven ; |
\'J Ja. wij hadden al zelfs in ons zeiven \'t vonnis des doods, opdat wij niet op ons zelven vertrouwen zouden, maar op God die de dooden verwekt; 10 Die ons uit zoo grooten dood verlost heeft, en verlost; op wien wij hopen, dat \' VAN PAÜLU8 Hoofdst. 1. Hij [on») ook nog verlossen «al 11 Aleoo gijlieden ook mede arbeidt voor oös door het gebed, opdat over de gave, doof vele personen aan ons tc weeg gebragt, (quot;ofc] voor ons dankzegging door velen gedaan worde. IS Want onze roem ia deze, [ntmelijk] de getuigenis onïer «•onseiéntle, dat wij in eenvoudigheid en opregtheld Gods, niet In vlecafholijke wijsheid, maar In de Genade Gods in de wereld verkeerd hebben, en allermeest bij ulleden. 13 Want, wij schrijven u geene andere dingen dan die gij kent, of ook erkent: en ik hoop dat gij ze ook tot het einde ton erkennen zult; It Gelijkerwljs gij ook ten deelp ons erkend hebt, dal; wij uw roem zijn, gelijk gij ook de onze zijt In den dag des Heeren Jezus. 15 En op dit betrouwen wilde ik tc voren tot u komen, opdat gij eene tweede genade zoudt hebben; 16 Kn door uwe taar Macedonië gaan, en wederom van Macedonië tot u komen, en van ulleden naar Judea geleld worden. 17 Als ik dan dit voorgero-men h^b, heb ik ook ligtvat v-digheid gebruikt ? of neem ik het naar het vleeseh voor, hetgeen ik Voorneem, opdat hij mij zoude wezen Ja, ja; en Neen, neen ? 18 Doch God is getrouw, dat ons woord hetwelk tot u (it r/ttchied], niet is geweest. Ji. en Neen. 19 Want de Zoon Gods Jezus Christus, die onder u door ons is gepredikt, [tinmelijk] door mij, en Silvanus, en Timotheüs, was niet Ja en Neen, maar is geweest Ja in hem. 20 Want zoo vele beloften Gods als er zijn, die zijn In hem Ja. en zijn in hnm Amen, Gode tot heerlijkheid door 31 Maar die ons met u bevestigt in Christus, en die om gezalfd heeft, is God; 22 Die ons ook heeft verzt-treld, en het onderpand des Geestes in onze harten gegdven. 23 Doch ik aanroep God tvgt;t een getuige over mijne Zi\'-l, dat ik om u te sparen nog te |
|
Hoofdat. 1,2,3. AAN DIE VA1 Korinthe niet ben gekomen. 24 Niet dot wü heerschappij voeren over uw geloof,I mtuir wn zijn medewerker» uwer blüd-schap; want gij staat door het peloof. M HOOFDSTUK 3. aar ik heb dit bij mij zelven voorfjenouieu, dat ik niet wederom in droefheid tot u komen zoude. HOOFDSTUK 3. aar ik heb dit bij mij zelven voorfjenouieu, dat ik niet wederom in droefheid tot u komen zoude. 2 Want indien ik ulieden bedroef, wie is het toch die mij zul vrolijk maken, dan degene die van mg bedroefd ia geworden ? 3 En ditzelfde bob ik u geschreven , opdat ik [tfnar] komende niet zoude droefheid hebben van deircnen vnn welke ik moest verblijd worden, vertrouwende van u allen dat mijne blijdschap uwer aller [hlijdichnp] is. 4 Want ik heb ulieden uit vele verdrukking, en benanuwdheid des harten, met vele tranen geschreven, niet opdat gü zoudt bedroefd worden, maar opdat gy de liefde zoudt verstaan, die ik overvlocdiglgk tot u heb. 5 Doch indien iemand bedroefd heeft, die heeft niet mij bedroefd, maar ten deele (opdat ik (fcemj niet bezware) ulieden allen. 6 Den zoodixnigen is deze be-etrafiing genoeg, die van velen Iflfichxrit i»l; 7 Alzoo dat gij daarentegen [hem] liever [murf] vergeven, en vertroosten, opdat de zoodanige door al te overvloedige droefheid niet eenigzina worde verslonden. 8 Daarom bid ik u dat gij de liefde aan hem bevestigt. 9 Want daartoe hob ik ook geschreven, opdat ik uwe beproeving inogt verstaan, of gij in alles gehoorzaam zijt. 10 Dien gij nu. iets vergeeft, (difn vergeef] ik ook ; want zoo ik ook ieta vergeven heb, dien ik vergeven heb [/iWgt; ifc het vergeven] om uwentwil, voor het aangezigt van Christus, opdat de satan over ona geen voordeel kryge; 11 Want zijne gedachten zijn ons niet onbekend. 12 Voorta als ik te Troas kwam om het üuangelium van Christus [(« prediken], en |
als mij eene deur geopend was in den Heer, zoo heb ik gcene rust gehad voor mgnen geest, omdat ik Titus mijnen broeder niet vond ; 13 Maar afscheid van hen genomen hebbende, vertrok ik naar Macedonië. 14 En Gode zij dank, die ons allen tyd doet triumfeeren in Christus, en den reuk zijner kennis door ons openbaar maakt in alle plaatsen. 13 Want wij zgn Gode een goede reuk van Christus, in degenen die zalig worden, en in degenen die verloren gaan. 16 Dezen wel een reuk des doods ten doode, maar genen oen reuk des leven» ten leven. En wie is tot deze\' dingen bekwaam ? 17 Want wü dragen niet, ge-lyk velen, het woord Gods te koop, maar als uit opregtheid, maar als uit God, inde tegenwoordigheid Gods, «preken wij het in Christus. B HOOFDSTUK 3. eginnen wij ons zeiven wederom [«) aan te prijzen? Of behoeven wg ook, gelijk sommigen, brieven van voor-srhrijving aan u, of (hriern») van voorschryving van u ? HOOFDSTUK 3. eginnen wij ons zeiven wederom [«) aan te prijzen? Of behoeven wg ook, gelijk sommigen, brieven van voor-srhrijving aan u, of (hriern») van voorschryving van u ? 2 Gijlieden zijt onze brief, geschreven in onze harten, bekend en gelezen van alle men-achen; 3 Als die openbaar zijt geworden, dat gij een brief van Christus zijt, en door onzen dienst bereid, die geschreven is niet met inkt, maar door den Geest de» levenden Gods, niet in steenen tafelen, maar in vlee-schen tafelen des harten. 4 En zoodanig een vertrouwen hebben wij door Christus by God. 5 Niet dat wij van ona zeiven bekwaam zijn ieta te denken, als uit ons zeiven; maar onze bckwiKimheid ia uit God , 6 Die ons ook bekwaam gemaakt heeft (om te lijn) dienaars des Nieuwen Testaments, niet der Letter, maar des Gees-tes. Want de Letter doodt, maar de Geest maakt levend. 7 En indien de bediening des doods in letteren [heslnam/e, rn) in steenen ingedrukt, in heerlükheid ia geweest, alzoo |
|
812 II. ZENDBIEP dat de kinderen Israels het aangezi^t van Mozes niet konden sterk aanzien, om de heer-lijkheid zijns aan^ezigts, die te niete gedaan zoude worden ; 8 Hoe zal niet veel meer de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn ? 9 Want indien de bediening der verdoemenis heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening der regtvaardigheid overvloedig in heerlijkheid. 10 Want ook het verheerlijkte is zelfs niet verheerlijkt in dit deel, ten aanzien van deze uitnemende heerlijkheid. 11 Want indien hetgeen dat te niete gedaan wordt, in heerlijkheid was, veel meer (■»] hetgeen dat blijft, in heerlijkheid. 12 Dewijl wij dan zoodanige hope hebben, zoo gebruiken wy veel vr^moedighcid in \'t spreken; 13 £n [rforn] niet gelijkerwijs Mozes, [lt;iiï] een deksel op zijn aangezigt leide, opdat de kinderen Israels niet zouden sterk zien op het einde desgenen dat te niete gedaan wordt. 14 Maar hunne zinnen zijn verhard geworden. Want tot op [den ilrn/j van heden blijft \'t zelfde deksel in het lezen des Ouden Testaments, zonder ontdekt te worden; hetwelk door Christus te niete gedaan wordt. 15 Maar tot den huidigen toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart. 16 Doch zoo wanneer het tot den Heer zal bekeerd zijn, zoo wordt het deksel wegsenoinen. 17 De Heer nu is de Geest ; en waar de Geest de» Ileeren is, aldaar is vrijheid. 18 En wij allen met on-redek-ten aangezigte de heerlijkheid des Heeren (nt») in eenen spiegel aanschouwende, worden [nnor] \'t zelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest. D HOOFDSTUK 4. aarom dewijl wij deze bediening hebben, naar de barmhartigheid die ons geschied is, zoo vertragen wij niet -, HOOFDSTUK 4. aarom dewijl wij deze bediening hebben, naar de barmhartigheid die ons geschied is, zoo vertragen wij niet -, 2 Maar wij hebben verworpen |
VAN PAULUS Hoofdst. 3, 4. de bedekselen der schande, niet wandelende in arglistigheid, noch het woord Gods vervalschende, maar door openbaring der waarheid ons zeiven aangenaam makende bij alle conscicntiën dermenschen, in de tegenwoordigheid Gods. 3 Doch indien ook ons Euan-gelium bedekt is, zoo is het bedekt in degenen die verloren gaan ; 4 In welke de God dezer eeuw de zinnen verblind heeft, («n-mrtijk] der ongeloovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting des Euancreliunis der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is. 5 Want wij prediken niet ons zeiven, maar Christus Jezus den Heer; en ons zeiven, ■ dnt wijl uwe dienaren [rijn] om Jezus wil. 6 Want God die gezegd heeft dat \'t licht uit de duisternis zoude schijnen. is degene die in onze harten geschenen heeft, om [le neven] verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in \'t aangedgt van Jezus Christus. 7 Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdatdei.it-nemendheid der kracht zij Gods, en niet uit ons ; 8 [AU] die in alles verdrukt worden, doch niet benaauw 1; twijfelmoedig, doch niet mismoedig ; 9 Vervolgd, doch niet fifnflr) in verlaten; nedergeworpeu, doch niet verdorven ; 10 Altyd de dooding des Heeren Jezui in het ligchaam omdragende, opdat ook het levea-van Jezus in ons ligchaam zoude geopenbaard worden. 11 Want wij die leven worden altijd in den dood overge-treven om Jezus wil, opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vleesch zoude geopenbaard worden. 12 Zoo dan, de dood werkt wel in ons, maar het leven ia ulieden. 13 Dewijl wij nu denzelfden Geest des geloofs hebben, gelijk er geschreven is: ik heb geloofd, daarom heb\' ik gesproken ; zoo gelooven wij ook, daarom spreken wy ook; 14 Wetende dat Hg die den Heer Jezus opgewekt hfeft, ook ons door Jezus zal op n ekken. |
|
Hoofdst. 4. 5. AAN DIE ken, en met ulieden daar zal stellen. 15 quot;Want al deze dingen zijn om uwentwil, opdat de vermenigvuldigde penade, door de dankzepgin? van velen, overvloedig worde ter heerlijkheid Goda. 16 Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mensrh verdorven wordt, zoo wordt nogtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag. 17 Want onze ligte verdrukking, die zeer haast voorbij-[jnnt], werkt ons een gansch zeer uitnemend eeuwig gewigt der heerlijkheid. 18 Dewijl wij niet aanmerkten de dingen die men ziet, maar de dingen die men niet ziet. Want de dingen die men ziet zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet zijn eeuwig. W HOOFDSTUK 5. ant wij weten, dat zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, [maar) eeuwig in de hemelen. HOOFDSTUK 5. ant wij weten, dat zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, [maar) eeuwig in de hemelen. 2 Want ook in deze zuchten wij, verlangende met onze woonstede, die uit den hemel is, overkleed te worden, 3 Zoo wij ook bekleed, [cr] niet naakt zullen gevonden worden. 4 Want ook wij, die in dezen tabernakel zijn, zuchten bezwaard zijnde, nademaal wij niet willen ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde. 5 Die ons nu tot ditzelve bereid heeft, is God, die ons ook het onderpand des Geestes gegeven heeft. 6 Wij hebben dan altijd goeden moed, en weten dat wij inwonende in het ligchaam, uitwonen van den Heer; 7 (Want wij wandelen door geloof, [en] niet door aanschouwen.) 8 Maar wij hebben goeden moed, en hebben \'meer behagen om uit het ligchaam uit te wonen, en bij den Heer in te wonen. 9 Daarom zijn wij ook zeer begeerig, \'t zij inwonende. |
^ KORINTHE. 213 \'t zij uitwonende, om hem welbehagelijk te zijn. 10 Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den regterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage \'t geen door het ligchaam [rjt-ichitdl], naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. 11 Wij dan wetende den schrik des Heeren, bewegen de menschen tot het geloof, en zijn Gode openbaar geworden, doch ik hoop ook in uwe con-sciëntiën geopenbaard te zijn. 12 Want wij prijzen ons zeiven u niet wederom ann, maar wij geven u oorzaak van roem over ons, opdat gij [ilo/i zoudt hebben tegen degenen die in het aangezigt roemen, en niet (in) het hart. 13 Want hetzij dat wij uitzinnig zijn, wij zijn het Gode; hetzij dat wij gematigd van zinnen zijn, wij zijn het ulieden. 14 Want de liefde van Chris-tus dringt ons; 15 Als die dit oordeelen, dat indien één voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En hij is voor allen gestorven opdat degenen die leven, niet meer zich zeiven zouden leven, maar dien die voor hen gestorven en opge- 16 Zoo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vleesch; en indien wij ook Christus naar het vleesch gekend hebben, nogtans kennen wij (Arm) nu niet meer [naar hrt vlretch], 17 Zoo dan indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden. 18 En al deze dingen zijn uit God, die ons met zich zelveu verzoend heeft door Jezus Christus, en ons «le bediening der verzoening gegeven heeft. 19 Want God was in Christus de wereld met zich zeiven Verzoenende, hunne zonden hun niet toerekenende ; en heeft het woord der verzoening in ons gelegd. 20 Zoo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bad; wij bidden van Christus wege, laat u met God verzoenen. |
|
214 II. ZENDBRIEF ^ 21 Want dien die jreen zonde gekend heeft, heeft Hg ronde voor ons pfemaakt, opdat wij zouden worden regtvaardig-heid Gods in hem. Ip HOOFDSTUK 6. jn wij [nf»] mede arbeidende bidden [w] ook dat gij de genade Gods niet te vergeefs moogt ontvangen hebben.p HOOFDSTUK 6. jn wij [nf»] mede arbeidende bidden [w] ook dat gij de genade Gods niet te vergeefs moogt ontvangen hebben. 2 Want Hij zegt: in den a.15-genamen tijd heb ik u verhoord, eu in den dag der zaligheid Leb ik u geholpen. Zie, nn is \'t de welaangename tijd: zie, nu is *t de dag der zaliirheid. 3 Wij geven geenen aanstoot in ecnig ding, opdat de bediening niet gelasterd worde; •1 Maar wij als dienaars Gods, maken ons zeiven in alles aangenaam, in vele verdrantrzaam-heid, in verdrukkingen, in noo-den in benaauwdheden, 5 In slagen, in gevangenissen, in beroerten, in arbeid, in waken, in vasten, 6 In reinigheid, in kennis, in lankmoedigheid, in goedertierenheid, in den Heiligen Geest, in ongeveinsde liefde, 7 In \'t woord der waarheid, in de kracht Gods, door de wapenen der geregtigheid nan de regter en aan de linker 8 Door eer. en oneer, door kwaad gerucht en goed gerucht ; als verleiders, en Inoj-lt;quot;quot;•1 waarachtigen ; 9 Als onbekenden, en (not;-lt;niu] bekend ; als stervenden, en zie, wij leven ; als getuchtigd, en niet gedood ; 10 Als droevig zijnde, doch altijd blijde; als arm, doch velen rijk makende; als niets hebbende, en [no^n»*} alles bezittende. 11 Onze mond is opengedaan tegen u, o Korinthiërs; ons hart is uitgebreid. 12 Gij zijt niet naauw in ons, maar gij zijt naauw in uwe ingewanden. 13 Nu [om] dezelfde vergelding [te doen] (ik spreek als tot [mijiK*] kinderen) zoo wordt gij ook uitgebreid. 14 Trekt niet een ander juk aan met de ongeloovigen. Want wat mededeel heeft de geregtigheid met de ongereg- |
AN PAÜLUS Hoofdst. 5, 6, 7. tigheid? En wat gemeenschap heeft het licht met do duisternis ? 15 Ea wat zarnenstemming heeft Christus met Belial? Of wat deel heeft de peloovige met den ongeloovigen ? 10 Of wat zamenvoeging heeft de Tempel Gods mot de afgoden ? Want gij zijt do Tempel des levenden Gods; geliiker-wijs God gezegd heeft: ik zal in hen wonen, en ik zal onder [/irii] wandelen ; en ik zal hun Gnd zijn, en zij zullen mij een volk zijn. 17 Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u .af, zegt do Heer, en raakt niet aan \'t geen onrein is, en ik zal ulieden aannemen ; 18 En ik zal u tot een Vader zijn, en gy zult mij tot zmen en dochteren zijn, zegt de lieer de Almagtige. D HOOFDSTUK 7. owijl wij dan deze beloften hebben, geliefdon, laat ons ons zeiven reinigen van alle besmetting des %leesches en des geestes, voleindig-mds de heiligmaking in de vieeze Gods. HOOFDSTUK 7. owijl wij dan deze beloften hebben, geliefdon, laat ons ons zeiven reinigen van alle besmetting des %leesches en des geestes, voleindig-mds de heiligmaking in de vieeze Gods. 2 Geeft ons plaats ; wij hebben niemand verongelijkt, wij hebben niemand verdorven, wij hebben bij niemand ons voordeel gezocht. 3 Ik zeg [fZtlt;] niet tot [wirr) veroordeeling. Want ik heb te voren gezegd, dat gij in onze harten zijt,\' om zanten to sterven en zamen te leven. 4 Ik heb veel vrij moed igh( id in \'t spreken tegen u ; ik heb veel rooms over u ; ik ben vervuld met vertroostin?; ik ben zeer overvloedig van blijdschap in al onze verdrukking. 5 Want ook als wg in Macedonië gekomen zijn, zoo heeft ons vleosch geen rust gehad, maar wij waren in alles verdrukt : van buiten was strijd, van binnen vrees. 0 Doch God, die do noderi-gen vertroost, heeft ons «re-troost door de komst van Titus ; 7 En niet alleen door zijne komst, maar ook door de vertroosting, met welke hij over u vertroost is geweest, r.ls hij ons verhaalde uw verlpngen, uw kennen, uwen ijver voor |
|
Poofdst. 7. 8. AAN DIE VA! my; alzoo dat ik te meer verblijd ben ReweeBt. 8 Want hoewel ik u in den Zendbrief bedroefd heb, \'t berouwt mij niet, hoewel het mij berouwd heeft; want ik ïie dat dezelve Zendbrief, hoewel voor eeuen kleinen tijd, u bedroefd heeft. 9 Nu verblijd tik mij, niet omdat gij bedroefd zijt {jewceRt, maar onidat er ij bedroefd zijt geweest tot bekcerinp. Want pij zijt bedroefd peweeat naar God, zoodat f»ij in geen ding gc-hadc van ons geleden hebt. 10 Want de droefheid naar God werkt eene onberouwelijke 1 bekeering tot zaligheid ; maar de dmefheid der wereld werkt don dood. 11 Want zie, dit zelfde dat gij naar God zijt bedroefd geworden, hoe groote naarstigheid heeft het in u gewrocht? ja verantwoording, ja onlust, ja vrees, ja verlangen, ja ijver, ja wraak ; in alles hebt gij u zeiven bewezen rein te zijn in deze zaak. 12 Hoewel ik dan aan u geschreven heb, [rfnlt;] i* niet om diens wil die onregt gedaan had, noch om diens wil dien onrerrt gedaan was, maar opdat onze vlijtigheid voor u zoude bij u openbaar worden, in de tcirenwoordiglieid Gods. 13 Daarom zijn wy vertroost geworden over uwe vertroosting; en zijn no? overvloedig-lijker verblijd geworden over de blijdschap van Titus, omdat zijn geest van u allen verkwikt is geworden. 14 Want indien ik iets bij hem over u geroemd heb, zoo ben ik niet bescliaamd geworden; maar gelijk wy alles met waarheid tot u gesproken hebben, alzoo is ook onze roem dien (tAr) bij Titus [lt;;rroemd Ar6], waarheid geworden. 15 En zijne innerlijke bewegingen zijn te overvloediger jegens u, als hij uwer aller gehoorzaamheid overdenkt, hoe trij hem met vrees en beven hebt ontvangen. 16 Ik verblijd mij dan, dat ik in alles van u vertrouwen mag hebben. Y HOOFDSTUK 8. oorts maken wij u hekend, broeders, de ■ genade HOOFDSTUK 8. oorts maken wij u hekend, broeders, de ■ genade |
Gods die in de gemeenten van Macedonië gegeven is; 2 Dat in vele beproeving der verdrukking de overvloed hunner blijdschap en hunne zeer diepe armoede overvloedig geweest is tot den rijkdom hunner goeddadigheid. 3 Want zij zijn naar vermogen (ik betuig het) is boven vermogen gewillig ge- 4 Ons met veel vermaning biddende dat wij wilden aannemen do gave en de gemeenschap dezer bedieninsr, die voor de heiligen [geichirdt]; 5 En [iledtn] niet [alfcm] gelijk wij gehoopt hadden , maar gaven zich zeiven eerst aan den Heer, en (\'/«oma) aan ons, «loor den wil Gods; fgt; Alzoo dat wij Titus vermaanden, dat gelijk hij te voren begonnen had, hij ook alzoo nog deze gave bij u voleindigen zoude. 7 Zoo dan gelijk quot;ij in alles overvloedig zijt, in geloof, en in woord, en in kennis, en in alle naarstigheid, en in uwe liefde tot ons, [ïielt;J dat gy ook in deze gave overvloedig zijt. 8 Ik zeg [dit] niet M») gebiedende, maar (nit] door de naarstigheid van anderen ook de opregtheid uwer liefde beproevende. 9 Want gij weet de genade on-zes Heeren Jezus Christus, dat hij om uwentwil is arm geworden, daar hij rijk was, opdat gij door zijne armoede zoudt rijk worden. 10 En ik zeg in dezen [mijnr] meening. Want dit is u oorbaar, als die niet alleen het doen, maar ook het willen van over een jaar te voren hebt begonnen. 11 Maar nu voleindigt ook het doen, opdat Kelijk als er geweest is dc volvaardigheid des gemoeds om te willen, er ook alzoo zij het voleindigen uit hetgeen dat gij hebt. 12 Want indien te voren de volvaardigheid des gemoeds er is, zoo is iemand aangenaam naar \'t geen dat hij heeft, niet naar hetgeen dat hij niet heeft. 13 Want (dW xrg i/c] niet opdat anderen zouden verlichting hebben, en gij verdrukkine; 14 Maar |
|
216 II. ZENDBRIEI 14 Maar [oprfnt] uit gelijkheid, in dezen tegen woordigen tjjd, uw overvloed (lij] om hun gebrek \\te vervulUn], opdat ook hun overvloed zij om uw gebrek [te vertmKen], opdat er gelijkheid worde; 15 Gelijk geschreven in: die veel [rrrznmehl Aoif.l had niet over, en die weinig [rrrzameld hnd,] had niet te weinig. 16 Dorh Gode zij dank, die dezelfde naarstigheid voor u in het hart van Titus gegeven heeft, 17 Dat hij de vermaning heeft aangenomen, en zeer naarstig zijnde gewillig tot u gereisd is. 18 En wij hebben ook met hem gezonden den broeder, die lof heeft in het Euangelium door al de gemeenten; 19 En dat niet alleen, maar hij ia ook vau de gemeenten verkoren om met ons te reizen met deze gave, die van ons bediend wordt tot de heerlijkheid des Heeren zelve, en de volvaardigheid uws gemoeds ; 20 Dit verhoedende, dat ons niemand moge lasteren in dezen overvloed, die van ons wordt bediend ; 21 Als die bezorgen hetgeen eerlijk is, niet alleen voor den Heer, maar ook voor de men-arhen. 32 Wij hebben ook met hen gezonden onzen broeder, welken wij in vele dingen dikmaals beproefd hebben dat hij naarstig is; en nu veel naarstiger door het groote vertrouwen dat (/lij heeft] tot ulieden. 23 Hetzij [r/nn] Titus, hij is mijn mecïgezel en mede-arbeider bij u; \'t zij onze broeders, zij zijn afgezanten der iremeen-ten, (rn] eene eer van Christus. 21 Bewijst dan aan hen de bewijzing uwer liefde, en onzes roems van u, ook voor \'t aan-gezigt der gemeenten. 1 V \\ ant van de bediening die voor de heiligen [ijeêchiedt], is mij onnoodig aan u te schrij- 2 Want ik weet de volvaardigheid uws gemoeds, van welke ik roem over u bij de Mace-doniërs, dat Achaje van over een jaar bereid is geweest ; en de ijver van u [bronnen] heeft er velen verwekt. |
\' VAN PAÜLUS Hoofdst. 8,9. 3 Maar ik heb deze broeders gezonden, opdat onze roem dien [trij] over u [AeMfn], niet zoude ijdel gemaakt worden in dit deel, opdat (gelijk ik gezegd heb) gij bereid inoogt zijn ; 4 (£n) dat niet mogelijk, zoo de Macedoniërs met mij kwamen, en u onbereid vonden, wy (opdat wy niet zeggen: gij) beschaamd worden in de zen vasten grond der roeming. 5 Ik heb dtn noodig geacht deze broeders te vermanen, dat zij eerst tot u zouden komen, en voorbereiden uwen te voren aangedienden zegen, opdat die gereed zij, alzoo als een zegen, en niet als eene vrekheid. 6 En dit l*eg tfc]: die spaarzame! ijk zaait, zal ook spaar-zamelijk maaijen ; en dit: in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaijen. 7 Een iegelijk [doe] gelijk hij in («ijn] hart voorneemt; niet uit droefheid of uit nooddwang. Want God heeft eenen blijmoedigen gever lief; 8 En God is magtig i.lle genade te doen overvloedig zijn iu u, opdat gij in alles allen tijd, alle genoegzaamheid hebbende, tot alle goed wer t\'overvloedig moogt zyn; 9 Gelijk er geschreven is hij heeft gestrooid, hij heeft den armen gegeven; zijne geregtig-heid blijft in der eeuwigheid. 10 Doch die het zaad den zaai-jer verleent, die verleen» ook brood tot spijs, en vermenig-vuldige uw gczaaisel, en ver-meerdere de vruchten uwer ge-regtigheid ; 11 Dat gij in alles rijk wordt tot alle goeddadigheid, welke door ons werkt dankzegging tot God. 12 Want de bediening van dezen dienst vervult niet alleen \'t gebrek der heiligen, maar is ook overvloedig door vele dankzeggingen tot God, 13 Dewijl zy door de beproeving dezer bediening God vcr-heeriyken over de onderwerping uwer belijdenis onder het Euangelium van Christus, en [oi\'rr] de goeddadigheid der mededeeling aan hen in aan allen, 11 En door hun gebed voor u, welke naar u verlangen, om de uitnemende genade Gods voor u, 15 Doch |
|
Hoofdst. 9.10, II. AAN DIB ^ 15 Doch Gode ejj dank voor ■ijne onuitsprekelijke gave. Y HOOFDSTUK 10. oorts ik Pauliia zelf bid u door de zachtmoedigheid en (foedertierenheid van Christui», die te(fcnwoordi» lijnde wel frerin? ben onder u, maar af-wezcnd stout ben tegen u ; HOOFDSTUK 10. oorts ik Pauliia zelf bid u door de zachtmoedigheid en (foedertierenheid van Christui», die te(fcnwoordi» lijnde wel frerin? ben onder u, maar af-wezcnd stout ben tegen u ; 2 Ik bid dan, dat ik tegen-woordip zijnde niet Ktout\'uioRe zijn met die vrijmoedigheid, waarmede ik peacht word stou-telijk gehandeld tehebbentepen ■ommipen, die ons achten alsof wij naar het vlcesch wandelden. 3 Want wandelende in het vleesch voeren wij den krijg niet naar het vleesch; 4 Want de wapenen onros krijf»# ■ zijn niet vleeschelijk, maar krachtig door God, tot nederwerping der sterkten ; 5 Dewijl wij de overleggingen terneder werpen, en alle hoogte die zich verheft tegen de kennis Gods, en nlle gedachte gevangen leiden tot de gehoor-zaainkeid van Christus; fi En gereed hebben [hftgrrn rfirnf} om te wreken alle ongehoorzaamheid, wanneer uwe gehoorzaamheid zal vervuld zijn. 7 Ziet pij aan wat voor oogen is? Indien iemand bij zich zel-ven betrouwt dat hij van Chris-tus is, die denke dit wederom uit zich zelvon, dat gelyker-wijs hij van Christus is, alzoo wij ook van Christus zijn. 8 Want indien ik ook iets overvloediger zoude roemen van onze magt, welke do Heer ons gegeven heeft tot stichting, en niet tot uwe nederwerping, zoo zal ik niet beschaamd worden, 9 Opdat ik niet zoude schijnen alsof ik u door de brieven wilde verschrikken. 10 Want de brieven (zeggen zij) zijn wel pewigtip en krachtig; maar de tegenwoordigheid ilt\'8 ligchaams is zwak, en de reden is verachtelijk. 11 Dezulke bedenke dit, dat hoedanigen wij zijn in het woord door brieven, als wij afwezig zijn. wij ook zoodanipen zijn inderdaad, als wij tegenwoordig aijn. 12 Want wij durven ons zei ven uiet rekenen, of vergelijken \'AN KORINTHE. 217 |
met sommigen die zich telven prijzen; maar deze verstaan niet dat zij zich zeiven met zich zelven meten, en zich zeiven met zich zelven verpelüken. 13 Doch wij zullen niet roemen buiten de maat; maar dat wij, naar de maat des repels, welke maat ons God toepedeeld heeft, ook tot u toe zijn gekomen. 14 Want wij strekken ons zelven niet te wijd uit, al» die tot ii niet zouden komen ; want wij zijn ook gekomen tot u toe, in het Kuanpelium van Christus; 15 Niet roemende buiten de mant in anderer arbeid, maar hebbende hope, als uw peloof zal pewassen zijn, dat wij onder ulieden overvloedip-lijk zullen vergroot worden naar onzen regel, 16 Om het Euanpelium te ver* kondigen in de [ptantirn] di« op pene zijde van u Igflryeti] zijn ; niet om te roemen in een» anderen repel over hetgeen dat [nlrrrdg] bereid is. 17 Doch wie roemt, die roe-me in den Heer. 18 Want niet die zich zelven prijst, maar dien de Heer prijst, die is beproefd. O HOOFDSTUK 11. ch of pij mij een wei-nip verdroegt in de onwijsheid ; ja ook verdraagt mij. HOOFDSTUK 11. ch of pij mij een wei-nip verdroegt in de onwijsheid ; ja ook verdraagt mij. 3 Want ik bon ijverig over u mot eenen ijver Gods. Want ik heb ulieden toebereid om [w. of») eene reine inaapd aau dénen man voor te stellen, [nnmetijfc] aan Christus. \'3 Doch ik vrees dat niet cenip-zins gelijk de slang Eva door hare arglistigheid bedropen heeft, alzoo uwe zinnen bedorven worden, [om af tr u-ij-krn] van de eenvoudigheid die in Christus is. 4 Want indien degenediekomt eonen anderen Jezus predikte, dien wij niet gepredikt hebben of [!n(/ip«] pij eenen anderen Geest ontvinpt, dien pij niet hebt ontvangen, of een ander Euanpelium, dat pij niet hebtaangenomen, zoo verdroegt gij [/(««] met regt. 5 Want ik acht dat ik nergens in minder ben geweest dan de uituemendste Apostelen. 6 En indien ik ook slecht ben in woorden, noptans ben ik het |
|
218 li. ZENDBRIEF niet in wetenschap; maar alle-zins zijn wij in alle dingen onder u openbaar geworden, 7 Heb ik zonde gedaan, als ik mij zeiven vernederd heb opdat gij zoudt verhoogd worden ? overmits ik u het Euan-gelium Gods om niet verkondigd heb ? 8 Ik heb andere gemeenten beroofd, bezoldiging (mn haar] nememle om u te bedienen ; en als ik bij u tegenwoordig was, en gebrek had, beu ik niemand lastig gevallen. 9 Want mijn gebrek hebben de broeders vervuld, die van Macedonië kwamen, en ik heb inü zeiven in alles gehouden zonder u te bezwaren, en zal [mij nog alzon] houden. 10 De waarheid van Christus is in mij, dat deze roem in de gewesten van Achaje aan mij niet zal verhinderd wordeu. 11 Waarom ? Is \'t omdat ik u niet liefheb ? God weet het. 1:2 Maar wat ik doe, dat zal ik nog doen, om de oorzaak af te snijden dengenen die oorzaak [A«bblt;r»] willen, opdat zij in \'t geen zij roemen, bevonden mogten worden gelijk als wij. 13 Want zulte valsche Apostelen zijn bedriegelijke arbeiders, zich veranderende in-Apostelen van Christus. 14 En het is geen wonder; want de satan zelf verandert zich in eenen Engel des lichts. 15 Zoo is \'t dan niets groots, indien ook zyne dienaars zich reranderen als [trnrrn lij) dienaars der geregtigheid; van welke het einde zal zijn naar hunne werken. 16 Ik zeg wederom, dar niemand meene dat ik onwijs ben ; doch zoo niet, neemt mij [il»ni aan als eenen onwijzen, opdat ik ook een weinig moge roe- 17 Dat ik spreek spreek ik niet naar den Heer, maar als in onwijsheid, in dezen vasten grond der roeming. 18 Dewijl velen roemen naar het vleesch, zoo zal ik ook roe- 19 Want gij verdraagt gaarne de onwijzen, dewijl gij wijs xyt. 20 Want gij verdraagt het zoo u iemand dienstbaar maakt. |
VAN PAULÜS Hoofdst. H. zoo [u] iemand opeet, zoo iemand [van u) neemt, zoo zich iemand verheft, zoo u iemand in \'t aangezigt slaat. 21 Ik zeg [uit] naar oneer, gelijk of wij zwak waren geweest ; maar waarin iemand stout is (ik spreek in onwijsheid) [daarin] ben ik ook stout. 22 Zijn zij Hebreën 7 ik ook. Zijn zij Israeliten ? Ik ook. Zy • zij het zaad Abrahams ? if-ook. 23 Zijn zö dienaars van Christus ? (ik spreek onwijs zijnde^ ik ben boven [A*nl: in arbeid overvloediglijker, in slagen uit-nemender, in gevangenissen overvloediglijker, in doods-» [yrvnnr] menigmaal, 21 Van de Joden heb ik veertig [slagen] min één, vijfmaal ontvangen; 25 Driemaal ben ik met roeden gegeeseld geweest, eenj hen ik gesteenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, eenen [pnntchen] nacht en dag heb ik in de diepte overge-br.igt; 26 In \'t reizen menigmaal, in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren van [mijn] geslacht, in gevaren van de Heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren in de zee, in gevaren onder de valsche broeders; 27 In arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid. 28 Zonder de dingen die van buiten zijn, overvalt mij dagelijks de zorg van al de .gemeenten. 29 Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? Wie wordt er geërgerd, dat ik niet brand ? 30 Indien men moet roemen, zoo zal ik roemen de dingen mijner zwakheid. 31 De God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, die geprezen is in der eeuwigheid, weet dat ik niet lieg. 32 De Stadhouder des Konintra Aretas in Damascus bezette de stad der Damascenen, willende mg vangen; 33 En ik werd door een venster in een mand over den muur nedergelaten, en ontvlood zijne handen. HOOFD- |
|
T HOOFDSTUK 12. e roemen is mij waarlijk niet oorbaar. Want ik ral komen tot pezifften en openbaringen des Heeren. HOOFDSTUK 12. e roemen is mij waarlijk niet oorbaar. Want ik ral komen tot pezifften en openbaringen des Heeren. 2 Ik ken eenen mensch in Christus, voor veertien jaren, (of het lge$chied zy\'J in \'t liff-chaam, weet ik niet; of buiten het ligchaam, weetikjiiet; God weet het) dat de zoodanige opgetrokken is geweest tot in den derden hemel. 3 En ik ken eenen zoodanigen mensch (of het in het lig-ohaam, of buiten het ligchaam [nrtchird tij] weet ik niet; God weet het), 4 Dat hij opgetrokken is geweest in \'t paradijs, en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die eenen mensch niet is geoorloofd te spreken. 5 Van den zoodanigen zal ik roemen, doch van mij zeiven zal ik niet roemen, dan in mijne zwakheden. 6 Want zoo ik roemen wil, ik zal niét onwijs zijn ; want ik zal de waarheid zeggen ; maar ik houd (((nort-nn) af, opdat niemand van mij denke boven hetgeen hij ziet dat ik ben, of dat hij uit mij hoort. 7 En opdat ik mij door de uit-nemendlit-id der openbaringen niet zoude verheften, zoo is mij gegeven een scherpe doom in het rleesch, [nnmelijk] een Engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zoude, opdat ik mij niet zoude verheffen. 8 Hierover heb ik den Heer driemaal gebeden, opdat hij van mij zouden wijken. 9 En hij heeft tot mij gezegd: mijne genade is u genoeg; want mijne kracht wordt in zwakheid volbragt. Zoo zal ik dan veel liever roemen in mijne zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. 10 Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in nooden, in vervolgingen, in benaauwdheden, om Christus wil. Want als ik, zwak ben, dan ben ik mag- 11 Ik ben\'roemende onwijs\'ge-worden; gij hebt mij genoodzaakt ; want ik behoorde van u geprezen te zijn ; want ik ben in geen ding m;nder geweest |
dan de uitnemendste Apostelen hoewel ik niets ben. 12 De merkteekenen van eenen Apostel zijn onder u betoond in alle lijdzaamheid, met teekenen, en wonderen, en krachten. 13 Want wat is er, waarin gjj minder geweest zijt dan de andere gemeenten, anders, dan dat ik zelf u niet lastig ben geweest ? vergeeft mg dit on-gelijk. 14 Zie, ik ben ten derden-maal gereed om tot u te komen, en zal u niet lastig zijn. Want ik zoek niet het uwe, maar u. Want de kinderen moeten niet schatten vergaderen voor de ouders, maar de oudera voor de kinderen. 15 En ik zal zeer gaarne de kosten doen, en voor uwe zielen te koste gegeven worden ; hoewel ik u overvloediglijker beminnende, weiniger bemind word. 16 Doch het zij zoo, ik heb u niet bezwaard ; maar alzoo ik listig was, heb ik u met bedrog gevangen. 17 Heb ik door iemand der-genen die ik totu gezonden heb van u mijn voordeel gezocht ? 18 Ik heb Titus gebeden, en den broeder mede gezonden ; heeft ook Titus van u zijn voordeel gezocht? hebben wij niet in denzelfden Geest gewandeld? [hebben tmj) niet [gewandeld] in dezelfde voetstappen ? 19 Meent gij wederom dat wij ons bij u verontschuldigen? Wij spreken in de tegenwoordigheid Gods in Christus; en dit alles, geliefden, tot uwe stichting. 20 Want ik vrees dat als ik gekomen zal zijn, ik u niet eenigzins zal vinden zoodanigen als ik wil, en [dat] ik van u zal gevonden worden zoodanig als gij niet wilt; dat er met eenigzins [iijn) twisten, nijdigheden, toorn, gekijf, achterklap , oorblazingen, opgeblazenheden, beroerten ; 21 Opdat wederom als ik zal gekomen zijn, myn God mij niet vernedere bij u, en ik rouw hebbe over velen die te voren gezondigd hebben, en die zich niet bekeerd zullen hebben van de onreinigheid, en hoererij, en ontuchtigheid die zij gedaan hebbea,. |
ZENDBRIEF VAN PAULUS Hoofdst. 13.
320
|
D HOOFDSTUK 13. it is dc derdemaal ldnlt;) ik tot u kom; in den mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan. HOOFDSTUK 13. it is dc derdemaal ldnlt;) ik tot u kom; in den mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan. 2 Ik heb het te voren gezegd, en zeg het te voren als tegenwoordig zijnde de tweedemaal, en ik schrijf het nu afwezen-de, dengenen die te voren gezondigd hebben, cn aan al de anderun, dat zoo ik wederom kom, ik [fcen] niet zal sparen ; 3 Dewijl (fij zoekt eene proef van Christus die in mij spreekt, welke in \\i niet zwak is, maar krachtig is onder u. 4 Want hoewel hij gekruist is door zwakheid, zoo leeft hij nojttans door de kracht Gods. Want ook wij zijn zwak in hem, maar zullen met hem leven door de kracht Gods in u. 5 Onderzoekt u zeiven of gij in het geloof zijt; beproeft u zeiven. Of kent trij u; zeiven niet, dat Jezus Christus in u is ? tenzij dat gjj eenigzins verwerpelijk zijt. G Doch ik hoop dat gij zult verstaan, dat .wij niet verwerpelijk zijn. 7 En ik wensch van God, dat gij geen kwaad doet; niet opdat wij beproefd zomlen bevonden worden, maar opdat gij het goede zoudt doen, en wij als verwerpelijk zouden zijn. 8 Want wij vermogen niets tegen de waarheid, maar voor de waarheid. 9 Want wij verblijden ons wanneer wij zwak zijn, en gij Klerk zijt. En wij wenschen ook dit, [iinuiclijlt] uwe volmaking. lü Daarom schrijf ik afwezend deze dingen, opdat ik teyen-woordig zijnde niet zoude stren-cheid gebruiken, naar de magt die mij do Heer gegeven heeft tot opbouwing, en niet tot nederwerping. 11 Voorts, broeders, zijt blijde, wordt volmaakt, zijt getroost, zijt eensgezind, leeft iu vrede; en de God der liefde en des vredes zal met u zijn. 12 Groet elkander met eenen heiligen kus. U groeten al da heiligen. 13 De genade des Heeren Je-zut Christus, en de liefde Gods, en de gemeenschap de» Heiligen Geestes, rü met u allen. .Amen, |
DE ZENDBRIEF VAN nEPf AAN DIK VAN P HOOFDSTUK 1. nul us een Apostel, HOOFDSTUK 1. nul us een Apostel, ([geroepen] niet van menschen, noch door eenen niensch, maar door Jezus Christus, en God den Vader, die hem uit do dooden opgewekt heeft,) 2 En al de broeders die met mij zijn, aan de geuieentengt;au Galatië; 3 Genade zij u en vrede von God den Vader, en onzen Heer Jezus Christus, •l Die zich zeiven gegeven heeft voor onze zonden, opdat hij ons trekken zoude uit dene tegenwoordige booze wereld, naar den wil onzes Gods tn Vaders, 5 Welken zij dc heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 0 Ik verwonder mij dat gij zoo haast [icyfcfndr] van dengenen die u in de penade van Christus geroepen heeft, over* gebragt wordt tot een ander Euangelium; 7 Daar er geen ander is ; maar er zijn sommigen die u ontroeren, en het Euanirelium van Christus willen verkeeren. 8 Doch al ware \'t ook dat wij, of een Engel uit den hemel u oen Euangelium verkondigde buiten hettreen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt. 9 Gelijk wij te voren gezegd hebben, zeg ik ook nu wederom : indien u iemand een Euangelium verkondigt buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zü vervloekt. 10 Want predik ik nu dc menschen, of God ? Of zoek ik menschen te behagen ? Want indien ik nog menschen behaagde, zoo ware ik geen dienstknecht van Christus. 11 Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Euangelium \'t welk van mij verkondigd is, niet is naar don mensch. 12 Want ik heb ook hetzelve niet van eenen mensch ontvangen, noch geleerd, maar dooï |
|
dc openbaring van Jesus Chria- 13 Want pij hebt mijnen om-panjr pehoord, die eertijds in hot Jodendom was, dat ik uitnemend eeer de gemeente Gods vervolgde, en dezelve verwoestte ; It En [dnt ilc in \'t Jodendom toenam boven velen van mijnen ouderdom in mijn i»e-slarht, zijnde overvloediglijk ijverig voor mijne vaderlijke iu-xettin^pn. 15 Maar wanneer het Gode behaagd heeft, die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door zijne genade, 16 Zijnen Zoon in mij te openbaren, opdat ik denzelven door het Euangelium onder de Heidenen zoude verkondigen, zoo ben ik terstond niet te rade gegaan met vleearh en bloed, 17 En ben niet wederom gegaan naar Jeruzalem tot degenen die vóór mij Apostelen waren ; maar ik ging henen naar Antbië, en keerde wederom naar Damascus. 18 Daarna kwam ik na drie jaren wederom fe Jeruzalem om Petrus te bezoeken, en ik bleef bij hem vijftien dasren, 19 En zag geenen anderen van de Apostelen dan Jacobus den broeder des lieerrn. 20 Hetgeen nu ik u schrijf, zie, (i/c rjetuig] voor God, dat ik niet lieg. 21 Daarna ben ik trekomen in de gewesten van Syrië eu van Cilicië; 22 En ik was van aangezigt onbekend den gemeenten in Judea, die in Christus zijn; 23 Maar «(i hadden alleenlijk gehoord [dnt mrn *filt;if| : degene die ons eertijds vervolgde, verkondigt nu het geloof, \'t welk hij eertijds verwoestte. 2t En zij verheerlijkten God in mij. D HOOFDSTUK 2. aarna ben ik, na veertien jaren, wederom naar Jeruzalem opgegaan met Barnabas, ook \'ïitus medegenomen hebbende. HOOFDSTUK 2. aarna ben ik, na veertien jaren, wederom naar Jeruzalem opgegaan met Barnabas, ook \'ïitus medegenomen hebbende. 2 En ik ging op, door cene openbaring, en stelde hun het Kuangelium voor, dat ik predik onder dn Heidenen ; en in het bijzonder dengenen die in 221 |
achting waren, opdat ik niet eenigzins te rcrgeel\'s zoude loo^ pen, of geloopen hebben. 3 Maar ook Titus die met mij was, een Griek zijnde, werd niet genoodzaakt zich tc laten besnijden ; i En (rfnij om der ingekrope-ne valsche broederen wil, die van bezoden ingekomen waren om te verspieden onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, opdat zij ons zouden tot dienstbaarheid brengen; 5 Welken wij ook niet een uur hebben geweken met onderwerping, opdat de waarheid des Euangeliums bij u zoude verblijven. 6 En van degenen die geacht waren wat te zijn, hoedanigen zij eertijds waren, verschilt mg niet; God neemt den persoon des menschen niet aan ; want die geacht waren hebben mij 7 Maar daarentegen als zij zagen dat mij het Euangclium der Voorhuid toebet rouwd was, gelijk Petrus der Besnijdenis ; 8 (Want die in Petrus krach-tiglijk wrocht tot het Apostelschap der Besnijdenis, die wrocht ook krachtiglijk in mij onder de Heidenen.) 9 En als Jacobus, en Cefas, en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade dio mij gegeven was bekenden, gaven zij mij en Barnabas de regtert/inmf) d?r gemeenschap opdat wij tot de Heidenen, ■jn zij tot do Oesnijdenis [xoh-(/lt;•11 nnnn]; 10 Alleenlijk dat wij den armen zouden gedenken, \'t welk zelf ik ook benaarstigd heb te doen. 11 En toen Petrus te Antio-chië gekomen was, wederstond ik hi\'iii in het aangezigt, omdat hij te bestraffen was ; 12 Want eer sommigen van Jacobus gekomen waren, at hij mede met de Heidenen, manr toen zij gekomen waren onttrok hij (xirh], en scheidde zich zeiven af, vreezende degenen die uit de Besnijdeuis 13 En ook de andere Joden veinsden met hem; alzoo dat ook Barnabas mede afgetrokken werd door hunne veinsing. 1 ft Maar als ik zag dat zij niet regt wandelden naar de Hoofdct. 1, 2. AAN DIE VAN GALATIË. |
|
222 ZENDBRIEF V \'waarheid des Euan^eliums, zeido ik tot Petrus in aller te-jrenwoordiprheid: indien gg, die een Jood lijt, naar Heiden-sche wijze leeft, en niet naar Joodsrhe wijze, waarom noodzaakt cij de Heidenen naar de JoodFrhe wijze te leven ? 15 Wij zijn van nature Joden, en niet zondaars uit de Heide- 16 [Doc/i] wetende dat de mensch niet perejjtvaardiffd wordt uit de werken der wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zoo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden geregtvaardigd worden uit het geloof van Christus, en niet uit de werken der wet; daarom dat uit de werken der wet geen vleesch zal geregtvaardigd worden. 17 Maar indien wij, die in Christus zoeken geregtvaardigd te worden, ook zelven zondaars bevonden worden, is dan Christus een dienaar der zonde ? Dat zij verre. 18 Want indien ik hetgeen ik afgebroken heb, datzelve wederom opbouw, zoo stel ik mij zelven tot een overtreder. 19 Want ik ben door de wet der wet gestorven, opdat ik Gode leven zoude. 20 Ik ben met Christus gekruist. En ik leef, [doe/i] niet meer ik, maar Christus leeft in mij ; en hetgeen ik nu in het vleesc h leef, dat leef ik door het geloof des Zoons Gods, die ni(j liefgehad heeft, en zich zelven voor mij overgegeven heeft. 21 Ik doe de genade Gods niet te niete. Want indien de regt-vaardigheid door de wet is, zoo is dan Christus te vergeefs gestorven. O HOOFDSTUK 3. gij uitzinnige Galaten, wie heeft u betooverd, dat gg der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn ; welken Jezus Christus voor de oogen te vorenfee-schilderd is geweest, onder u gekruist zijnde ? HOOFDSTUK 3. gij uitzinnige Galaten, wie heeft u betooverd, dat gg der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn ; welken Jezus Christus voor de oogen te vorenfee-schilderd is geweest, onder u gekruist zijnde ? 2 Dit alleen wil ik van u lee-ren: hebt gij den Geest ontvangen uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs ? 3 Zijt gg zoo uitzinnig? Daar gij met den Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vleesch T |
AN PAULUS Hoofdst. 2, 3. 4 Hebt gij zoo veel te vergeefs geleden ? Indien maar ook te vergeefs. 5 Die u dan den Geest verleent, en krachten onder u werkt, [doet hij dalj uit de werken der wet, of uit de predikatie des geloofs ? 6 Gelijkerwijs Abraham Gode geloofd heeft, en het is hem tot r egt vaardigheid gerekend ; 7 Zoo verstaat gij dan, dat degenen die uit net geloof zijn. Abrahams kinderen zijn. 8 Én de Schrift te voren ziende dat God de Heidenen uit het geloof zoude regtvaar-digen, heeft te voren aan Abraham het Euangelium verkondigd, [zeggende:] in u zullen al de volken gezegend worden. 9 Zoo dan, die uit het geloof zgn, worden gezegend met den geloovigen Abraham. 10 Want zoovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder dt n vloek. AVant er is geschreren: vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen gesc.ireven is in het boek der wet, om dat te doen. 11 En dat niemand door de wet geregtvaaidigd wordt voor God, is openbaar; want de regt.vaardige ial uit het geloof leven. 12 Doch de wet is niet uit^het geloof; maar «le mensch die deze dingen doet zal door dezelve leven. 13 Christus herft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons. Want er is geschreven: vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt. 11 Opdat de zegening Abrahams tot de Heidenen komen zoude in Christus Jezus, [en] opdat wij de belofte des Gees-tes verkrijgen zouden dooi; het geloof. 15 Broeders, ik spreekquot;^ naar den mensch; zelfs eens men-schen verbond dat bevestigd is, doet niemand te niete of Iniemnnd] doet (faartoe. 16 Nu, zoo zjn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet : en den zaden, als van velen; maar als van ééxi : en uwenzade ; hetwelk is Chr.stus. 17 En dit zeg ik: het verbond dat te voren van God bevestigd is op Christus, wordt door de |
|
Hoofdst. 3, 4. AAN DIE Vt wet, die na vier honderd en dertig jaar gekomen is, niet krachteloos gemaakt, om de beloftenis te niete te doen. 18 Want indien de erfenis uit de wet is, zoo is zij niet meer uit de beloftenis; maar God heeft ze Abraham door de beloftenis genadiglijk gegeven. 19 Waartoe is dan de wet ? Zij is om der overtredingen wil daar bij gesteld, totdat het zaad zoude gekomen zijn, dien bet beloofd was ; en zij is door de Engelen besteld in de hand des middelaars. 20 En de middelaar is niet Imiddrlnnr] van éénen; maar God is één. 21 Is dan de wet tegen de beloftenissen Gods ? Dat zij verre; want indien er eene wet gegeven ware die magtig was levend te maken, zoo zoude waarlijk de regtvaardigheid uit de wet zijn. 22 Maar de Schrift heeft het al onder de zonde besloten, opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus den geloovi-gen zoude gegeven worden. 23 Doch eer het geloof kwam waren wij onder de wet in bewaring gesteld, en zijn besloten geweest tot op het geloof dat geopenbaard zoude worden. 2t Zoo dan de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden geregtvaardigd worden. 25 Maar als het geloof gekomen is, zoo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester. 2fgt; Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus. 27 Want zoo velen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan. 28 Daarin is noch Jood, noch Oriek ; daarin is noch dienstbare, noch vrije; daarin is geen man en vrouw. Want gg allen zijt één in Christus Jezus. 29 En indien gij van Christus zijt, zoo zijt gij dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen. D HOOFDSTUK 4. och ik zeg : zoo langen tijd als de erfgenaam een kind is, zoo verschilt hij niets van eenen dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles; HOOFDSTUK 4. och ik zeg : zoo langen tijd als de erfgenaam een kind is, zoo verschilt hij niets van eenen dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles; |
N GALATlë. 223 2 Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot den tijd van den vader te voren gesteld. 3 Alzoo wö ook, toen wij kinderen waren, zoo waren wij dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen der wereld. 4 Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God zijnen Zoon uitgezonden, geworden uit eene vrouw, geworden onder de wet •, 5 Opdat hij degenen die onder de wet waren verlossen zoude, [rn] opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. 6 En overmits gij kindoren zijt, zoo heeft God den Geest zijns Zoons uitgezonden in uwe harten, die roept: Abba, Vader. 7 Zoo dan gij zijt niet meer een dienstknecht, maar eeu zoon ; en indien gij een zoon zijt, zoo zijt gij ook een erfge-naam Gods door Christus. 8 Maar toen, als gij God niet kendet, diendet gij degenen die van natuur geen goden 9 En nu, als gij God kent, ja, veel meer van God gekend zijt, hoe keert gij u wederom tot de zwakke en arme eerste beginselen, welke gij wederom van voren aan wilt dienen ? 10 Gij onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren. 11 Ik vrees voor u, dat ik niet eenigzins te vergeefs aan u gearbeid heb. 12 Weest gij als ik : want ook ik ben als gij; broeders, ik bid u; gij hebt mij geen ongelijk gedaan. 13 En gij weet dat ik u door zwakheid des vleesches het Euancelium eerstmaal verkondigd heb ; 14 En mijne verzoeking, die in mijn vleesch [gr$eUedde], hebt gij niet veracht noch verfoeid, maar gij naamt mi) aan als eenen Engel Gods, \' I jo] als Christus Jezus. 15 Welke was dan uwe geluk-achting? Want ik geef u getuigenis, dat gij, zoo \'t mogelijk ware, uwe oogen zoudt uitgegraven, en mij gegeven hebben. 16 Ben ik dan uw vijand geworden, u de waarheid zeggende ? 17 Zij ijveren niet regt over |
|
«24 u, maar tij willen ons uitsluiten, opdnt gij uver hen zoudt ijveren. 18 Dorh in h(-t {roede allen tijd te ijveren, is goed, en niet alleenlijk als ik bij u tegeu-woordiar ben, 19 Mijne kinderkens, die ik \\re-ilerom arbeid te baren, totdat Christus eene gestalte in u krijge. 20 Dorh ik wilde dat ik nu tegenwoordig bij u ware, en mijne stem mogt veranderen ; ivaut ik ben in twijfel 2l\' Zegt mij, ffij die onder de wet wilt zijn, hoort gij de wet 22 Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had, eenen uit de dienstmaagd, cn eeneu uit de vrije. 23 Maar geue die uit de dienstmaagd was, is naar het vleeach geboren geweest; doch deze die uit de vrije was, door de beloftenis; 21 Hetwelk dingen zijn die andere beduiding hebben; want deze zijn de twee verbonden ; het eene van den berg Si na, tot dienstbaarheid barende, hetwelk is Agar. 25 Want dit (twmelijfel Agar is Sina, een berg in Arabië, en komt overeen met Jeruzalem dut nu is, en dienstbaar is met hare kinderen. 20 Maar Jeruzalem dat boven is, dat is vry, hetwelk is onzer aller moeder. 27 Want er is geschreven : zijt vrolijk pij onvruchtbare, die niet baart, breekt uit en roept gij die geenen barensnood hebt ; want de kinderen der eenzame zijn veel meer dan dergene die den man heeft. 28 ?.Iaar wij, broeders, zijn kinderen der belofte, als Izaiik 2\'J Doch gelijkcrwijs toen, die naar het vleesch geboren was, vervolgde dengenen die naar den Keest lyebiiren tvai], alzoo ook nu. 30 Maar wat zegt de Schrift ? Werp de dienstmaagd uit en haren zoon ; want de zoon der dieustmaaifd zal geenszins erven niet den zoon der vrije. 31 Zoo dan, broeders, wij zijn niet kinderen der (lieast-uiaagd, maar der vrije. |
S HOOFDSTUK 5. HOOFDSTUK 5. taat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrij gemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen. 2 Zie, ik Paulus zeg u, zoo gij u laat besnijden, dat ChriRtus u niet nut zal zijn. 3 En ik betuig wederom eenen iegelijken mensch die- zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de geheele wet te doen. 4 Christus is u ijdel geworden die door de wet geregtvaar-digd [irWf] worden; gij zijt van de genade vervallen. 5 Want wy verwachten door den Geest uit het sreloof de hope der resrtvaardigheid. 6 Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis eenitre kiacht, noch voorhuid, maar het geloof door de liefde wer- 7 Gij liept wel; wie heeft u verhinderd de waarheid niet gehoorzaam te zijn ? 8 Dit gevoelen is niet uit hem die u roept. 9 Een weinig zuurdeesem verzuurt het geheele deeg. 10 Ik vertrouw van u in den Heer, dut gij niet anders zult gevoelen; maar die u ontroert zal het oordeel dragen, wie hij ook zij. 11 Maar ik, broeders, indien ik nog de besnijdenis predik, waarom word ik nog vervolgd ? Zoo is dan du ergernis des krui-ses vernietigd. 12 Och of zij ook afgesneden werden, die u onrustig maken. 13 Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders;, alleenlük [grbruikt] de vrijheid niet tot eene oorzaak voor het vleesch ; maar dient elkander dóór de liefde; 11 Want de geheele wet wordt in één woord vervuld, [imme-I jk] in dit: gi; zult uwen naasten liefhebben, gelijk u zeiven. 15 Maar indien gij elkander bijt en vereet, ziet toe dat gij van elkat.der niet verteerd wordt. 16 En ik reg; wandelt door den Geest, en volbrengt de begeerlijkhe.d des vleesehea I/ Want het vleesch begeert te- ZENDBRIEF VAW PAULUS |
Hoofd«t. S, ö. AAN DIE VAN GALATIE.
225
|
tcpcu den Geest, cn de Geest tepcu Let vleesch; eu deie staan tegen elkander, alzoo dat pij niet doet hetgeen py wildet. 18 Maar indien prij door den Geest peleid wordt, soo pij niet onder de wet. 10 De werken des vleesrlies nu zyn openbaar; welke zijn overspel, hoererij, onreinig-heid, ontuchtigheid, 20 Afgoderij, venijnpevinff, vijandschappen, twisten, nl-gunstigheden, toorn, gekijf, tweedragt, ketterden, 21 Nijd, moord, dronken-schappen, lirasserijen, cn- dergelijke; van welko ik u te voren zeg, gelijk ik ook te voren gezegd heb, dat die zulko dingen doen het Koningrijk God» niet zullen beërven. 22 Maar de vrucht des Geesten is liefdo, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid , goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. 23 Tegen de zoodnnigen is de wet niet. 21 Maar die van Christus zijn hebben het vleesch gekruist met do bewegingen cn begeerlijkheden. 25 Indien wij door den Geest leven zoo laat ons ook door den Geest wandelen. 26 Laat ons niet zjjn zoelcers van ijdele eer, elkander tergende, elkander benijdende. R HOOFDSTUK 6. oeders, indien ook een mensch overvallen ware door eoiiigc misdaad, gij die geestelijk Z\'jt, brengt den zoodani-gen to regt met den geest der zachtmoediirhcid ; ziende op u zelven, opdat ook gij niet verzocht wordt. HOOFDSTUK 6. oeders, indien ook een mensch overvallen ware door eoiiigc misdaad, gij die geestelijk Z\'jt, brengt den zoodani-gen to regt met den geest der zachtmoediirhcid ; ziende op u zelven, opdat ook gij niet verzocht wordt. 2 Draagt elkanders lasten, cn vervult alzoo de wet van Christus. 3 Want zoo iemand meent iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt zich zelven in (tijnj gemoed. •I Maar een iegelijk bcproeve zijns zelfs werk; cn alsilan zal hij aan zich zelven alleen roem hebben, cn niet aan eenen anderen. 5 Want een iegelijk zal zijn eigen pak dragen. C En die omlerwezen wordt in \'t woord, deelc mede van alle goederen dengenen diê (Arm] onderwijst. |
7 Dwaalt niet; God laat zich niet bespotten ; want zoo wat de menseh zaait, dat zal hij ook maaijen. 8 Want die in zijns zelfs vleeich zaait, cal uit het vleesch verderfenis maaijen; maar dio in den geest zaait, zal uit den geest het eeuwige leven maaijen. 9 Doch laat ons goed doende niet vertragen ; want te zijner tijd cullcn wij maaijen, zoo wij niet verslappen. 10 Zoo dan terwijl wij iijd hebben. Iaat ons goed doen aan allen, maar meest aan de huisgenooten des geloofs. 11 Ziet hoe grooten brief ik u geschreven heb met mijne hand. 13 Al dejrenen, die een schoon gelaat willen toonen naar het vleesch, die noodzaken u besneden te worden, alleenlijk opdat zij van wege het kmls van Christus niet zouden vervolgd worden. 13 Want ook ey zelven die besneden worden, houden de wet niet; maar zij willen dat gij besneden wordt, opdat zy in uw vleesch roemen zouden. It Maar het, zy verre van my dat ik zoude roemen anders dan in het kruis onzes lleeren Jezus Christus, door welken de wereld mij gekruisigd is, cn ik der wereld. 15 Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis eenige kracht, «och voorhuid, maar een nieuw schepsel. 16 En zoo velen als ernaar dezen regel zullen wandelen, over dezelve (snl zijn] vrede en barmhartigheid, en over het Israel Gods. 17 Voorts, niemand doe my moeite aan. Want ik draag de lidteekenen des Hoeren Jezus in mijn li^chaam. 18 De genade onzes lleeren Jezus Christus zij met uwen geest, broeders. Aaien. DE ZENDBRIEF VAV 1gt;EX APOSTEL PAULUS AAN DIK V,«X P HOOFDSTUK 1. aulus een Apostel van Jezus Christus, door don wil K 5 Gods. HOOFDSTUK 1. aulus een Apostel van Jezus Christus, door don wil K 5 Gods. |
|
226 ZENDBRIEF Gods, den bciligen die te Efeze zijn, eu geloovijjen iu Christus Jezus; 2 Genade zij u en vrede, van God onzen Vader, cn den Heer Jezus Christus. 3 Gezegend zij de God en Vader onzes Hoeren Jezus Christus, die ons ^eze^end heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus. 4 Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in hem voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig eu onberispelijk zijn voor Hum in de liefde; 5 Die oiis te voren verordineerd heeft tot annneming tot kinderen, door Jezus Christus in zich zeiven, naar het welbehagen zijns willens, 6 Tot prijs der heerlijkheid zijner genade, door welke hij ons begenadigd heeft in den Geliefden ; 7 In welken wij hebben lt;le verlossing dour zijn bloed, (nnmriijfc] de vergeving der misdaden, naar den rijkdom zijner genade, 8 Met welke hij overvloedig is geweest over ons in alle wijsheid en voorzigtigheid; 9 Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid zijns willens naar zijn welbehagen, hetwelk hij voorgenomen had in zich zeiven, 10 Om in de bedceling van de volheid der tijden wederom alles tot é(lt;n te vergaderen in Christus, beide dat in den he-ifiel is, en dat op de aarde is; 11 In hem, in welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij die te voren verordineerd waren naar \'t voornemen desge-ncn, die alle dingen werkt naar den raad zijns willens ; 12 Opdat wn zouden zijn tot prijs zijner heerlijkheid, die wij eerst in Christus gehoopt hebben ; 13 In welken ook gij (rijt], nadat gij het woord der waarheid, [immeiijJc] het Euange-lium uwer zaligheid gehoord hebt; in welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte, 14 Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregene verlossing, tot prijs zijner heerlijkheid. |
PAN PAULUS Hoofdst. 1, 8, 15 Daarom ook ik gehoord hebbende het geloof in den Heer Jezus, dat onder u is, en de liefde tot al de heiligen, 16 Houdt niet op voor u te danken, gedenkende uwer ia mijne gebeden ; 17 Opdat de God onzes Hee-ren Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, xi geve den geest der wijsheid en der openbaring, in zijne kennis ; 18 [Nrrmrlijic] verlichte oogen uws verstands, opdat gij moogt weten welke zij de hoop van zijne roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van zijne erfenis in de heiligen, 19 En welke de uitnemende grootheid zijner kracht tij, aan ons die gelooven, naar de werking der sterkte fijner magt, 20 Die Hij gewricht heeft in Christus, als Hij hem uit de dooden heeft opgewekt; en heeft Ifom] gezet tot zijne reg-ter[/innJ] in don hemel, 21 Ver boven alle Overheid, en magt, en kracht, en heerschappij, en allen naam die genoemd wordt, i.iet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende; 22 En heeft alle dingen zijnen voeten onderworpen, en heeft hem der gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; 23 Welke zijn ligchaam is , [rn] de vervulling c esgenen die alles in allen vervult. Ijl HOOFDSTUK 2.jl HOOFDSTUK 2. Ja u [heeft hlt;j mede levend gemaakt] daar gij dood waart door de misdaden en de zonden, 2 In welken gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld, naar den Oversten der magt der lucht, des geestea die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid; 3 Onder welke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden or.zes vleesches, doende den wil des vleesches en der gedachten ; en wij waren van nature kindeven des toorns, gelijk ook de anderen. 4 Maar God üe rijk is in barmhartigheid, door zijne groote liefde waarmede Hg ons liefgehad heeft. 5 Ook toen -vij dood waren door de misdaden, heeft (ons) levend ge maat t met Christus; (uit |
|
Hoofdst. 2. 3. AAN DIE V (uit genade zijt gij geworden.) 6 En heeft (on») mede opgewekt, en heeft (on»] mede gezet in den hemel in Christus Jezus, 7 Opdat Hij zoude [betoonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Je- 8 Want uit genade zyt gü zalig geworden door hut geloof ; en dat niet uit u het is Gods gave; 9 Niet uit de werken, opdat niemand roeme. 10 Want wij zijn zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen. 11 Daarom gedenkt dat gij die eertijds Heidenen waart in \'t vleesch, en die Voorhuid genoemd werdt van degenen die genoemd zijn Besnijdenis in het vleesch, die met handen geschiedt ; 12 Dat gij in dien tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israels, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, preen hope hebbende, en zonder God in de wereld ; 13 Maar nu in Christus Jezus, gij die eertijds verre waart, zijt nabij geworden door het bloed van Christus. H Want hij is onze vrede, die deze beide één gemaakt heeft, en den middelmuur des afschel dsels gebroken hebbende, 13 Heeft hij de vijandschap in zijn vleesch te niete gemaakt, [nametijti] de wet der geboden in inzettingen (h«lt;n«ii(/f), opdat hy die twee zoude in zich zei ven tot éénen nieuwen mensch scheppen, vrede makende ; 1G En [opdnlt;] hij die beiden met God zoude in één ligchaam verzoenen door het kruis, de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende. 17 En komende heeft hij door het Euangelium vrede verkondigd u die verre waart, en dien die nabij waren. 18 Want door hem hebben wij beiden den toegang door éénen Geest tot den Vader. 19 Zoo zijt gy dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, |
AN EFEZE. 227 maar medeburger» der heiligen, en huisgenooten Gods, 20 Gebouwd op het fondament der Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen ; 21 Op welken het geheele gebouw bekwamelijk zamen gevoegd zijnde, opwast tot eenen heiligen Tempel in den Heer; 22 Op welken ook gij mede gebouwd wordt tot eene woonstede Gods in den Geest. O HOOFDSTUK 3. m deze oorzaak [firn] ik Paulus de gevangene van Christus Jezus voor u die gij Heidenen zijt; HOOFDSTUK 3. m deze oorzaak [firn] ik Paulus de gevangene van Christus Jezus voor u die gij Heidenen zijt; 2 Indien gij maar gehoord hebt van de bedeeling der genade Gods, die mij gegeven is 3 Dat hij mij door openbaring heeft bekend gemaakt deze verborgenheid, (gelijk ik met weinige [teoorden] te voreri geschreven heb ; V Waaraan gij [rfit] lezende kunt bemerken mijne wetenschap in deze verborgenheid van Christus.) 5 Welke in andere eeuwen den kinderen der menschen niet is bekend gemaakt, gelijk zij nu is geopenbaard zijnen heiligen Apostelen en Profeten, door den Geest; 6 (iVnwetyfc] dat de Heidenen zijn mede-erfsenamen, en van hetzelfde ligchaam, en mede-deel?enooten zijner belofte in Christus door het Euangelium, 7 Waarvan ik een dienaar geworden ben naar de gave der genade Gods, die mij gegeven is naar de werking z\\jner kracht. 8 Mij den allerminsten van al de heiligen is deze genade gegeven, om onder de Heidenen door \'t Euangelium te verkondigen den onnaspeurlijken rijkdom van Christus, 9 En allen te verlichten, [dat x\\j mogen verstaan] welke de gemeenschap der verborgenheid zij die van Inlle\'. eeuwen verborgen is geweest in God, welke alle dingen (reschapen heeft door Jezus Christus; 10 Opdat nu door de gemeente bekend gemaakt worde den Overheden en den Magten in |
|
den hemel de veelvuldige wijsheid Gods; 11 Naar het eeuwige voorne-uien, dat Hy gemaakt heeft in Christus Jcïus onzen Heer, 12 In welken wij hebben de vrjjinocdigheid, en den toeean^ niet vertrouwen door het geloof aan hem. 13 Daarom bid ik, dat gij niet vertraagt in mijne verdrukkingen voor u, \'t welk is uwe heerlijkheid. 11 Om dexe oorzaak buig ik mijne knieën tot den Vader on-zes Heeren Jezus Christus, 13 Uit welken al het geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt, lfgt; Opdat hij u geve, naar den rijkdom z^iner heerlykheid, met kracht versterkt te worden door zijnen Geest in den inwen-digen mensch; lï Opdat Christus door het geloof in uwe harten wone, en gij in de liefde geworteld, en gegrond zijt; 18 Opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de heiligen, welke de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij, 19 En bekennen de liefde van Christus, die de kennis tc boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods. 20 Hem nu die magtig is, meer dan overvloediglijk te doen boven al wat wij bidden of denken, naar de kracht die in ons werkt, 21 Ilcm, [try ifc,] zij de heerlijkheid in de gemeente, door Christus Jezus in alle geslachten tot alle eeuwigheid. r* HOOFDSTUK 4. 1 Aioo bid ik u dan, ik de gevangene in den Heer, dat gij wandelt waardiglijk der roeping, met welke gij geroepen zyt; 2 Met alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, verdragendeelkan-der in liefde; 3 ü benanrstigende te behouden de eenigheid des Geestes door den band des vredes. ■I Eén ligchaam is hot, en dén Geest, gelijkerwijs gij ook geroepen zyt tot éene hope uwer beroeping; 5 Eén Heer, één Geloof, één Doop, |
6 Eén God en Vader van allen, die daar is boven allen, eu door allen, en in u allen. 7 Maar elkeen van ons is de genade gegeven naar de maat der gave van Christus. 8 Daarom regt Hij . als hij opgevaren is in de hoogte, heeft hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft den menschen gaven gegeven. 9 Nu dit: hij is opgevaren, wat is het, dan dat hij ook eerst is nedergedaald indene-derate deelen der aarde ? 10 Die nedergedaald is, is dezelfde ook die opgevaren is ver boven al de hemelen, opdat hy alle dingen verruilen zoude. 11 En dezelfde heeft gegeven sommigen tot Apostelen, en sommigen tot Profeten, en sommigen tot Euancelisten, en sommigen tot Hercers en Leeraars . 12 Tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lig-chaams van Christus ; 13 Totdat wij allen zullen komen tot de eenigheid des ge-loofs en der kenni: des Zoons Gods, tot eenen volkomenen man, tot de maat der grootte der volheid van Christus; 14 Opdat wij niet ireer kinderen zouden zijn, cie als de vloed bewogen cn omgevoerd worden met allen wind der leer, door de bedriegerij der men-gchen, door arglistigheid om listiglijk tot dwaling te bren* gen ; 15 Maar de waarheid betrachtende in liefde, allczins zouden opwassen in hem die het Hoofd is, [nnmriijfe) Christus; 16 Uit welken het geheele ligchaam bekwamelijk zamen gevoegd en zamen vast gemaakt zijnde, door alle voegselen der toebrenging, naar de werking van een iegelijk deel in (ïij/tf] maat, den wasdom des lisrehaains bekomt, tot zijns zelfs opbou\'ving in de liefde. 17 Ik zeg dan dit, en betuig het in den Heei, dat gij niet meer wandelt gelijk als de andere Heidenet, wandelen in de ijdelheid hum. gemoeds, 18 Verduisterd in *t verstand, vervreeuid zijnde van \'t leven Gods, door de on- |
|
wetendheid die in hen in, door de verharding huns har- 19 Welke onprevoelip geworden lijnde , hebben sic-h relven overjjeseven tot ontuchliffheid, om alle onreinigheid gieriglijk to bedrijven. 20 Dorn pij hebt Christus nl-ïoo niet geleerd; 21 Indien gij maar hem gehoord hebt, en duor hem sre-leerd ïijt, gelijk de waarheid in Jezus is, 22 (TV trr/fu], dat gij ïOUilt afleggen, aangaande de vorige wandeling, ilen ouden inensch, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding; 23 En dat gij zoudt vernieuwd worden in den geest uws ge- 21 En den nieuwen mensch aandoen, die naar God pescha-pen is in ware regtvaardigheid en heiligheid. 2ö Daarom legt af de leugen, en spreekt de waarheid een iegelijk ;iiet zijnen naasten: want wij zijn elkanders leden. 26 quot;Wordt toornig, en zondigt niet; de zon pa niet onder over uwe toornigheid; 27 Noch geeft den duivel geen plaats. 2S Die gestolen heeff, stele niet meer, maar arbeide liever, werkende dat goed ts met de handen, opdat hij hebbe mede te ileelen dengenen die nood heeft. 2\'.) Geene vuile reden ga uit uwen mond ; maar zoo er eeni-!\'•\' goede (rci/m) is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve dien ze hooren. 30 En bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing. 31 Alle bitterheid, en toornigheid, en gramschap, en geroep, en lastering, zij van u peweerd, met alle boosheid ; 32 Maar Eijt tegen elkander froedertierer, barmhartig, vergevende elkander, gelijkerwijs ook God in Christus ulieden verbeven heeft. Z HOOFDSTUK 5. ijt dan quot;navolgers Gods, aïs geliefde kinderen ; HOOFDSTUK 5. ijt dan quot;navolgers Gods, aïs geliefde kinderen ; 2 En wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft, en zich lelven |
voor ons heeft overgegeven tot eene offerande en een slastof-fer Gode, tot eenen welrieken-den reuk. 3 Maar hoererij en alle on-reinigheid, of gierigheid, laat ook onder u niet genoemd worden, gelijkerwijs het den heiligen betaamt; 4 Noch oneerbaarheid, noch zot geklap, of gekkernij, welke niet betamen; maar veel meer dankzegging. 5 Want dit weet gij, dat geen hoereerder, of onreine, of gierigaard, die een afgodendienaar is, erfenis heeft in \'t Koningrijk van Christus en God. 0 Dat u niemand verleide met ijdele woorden ; want om deze «lingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid. 7 Zoo zijt dan hunne medege- 8 Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heer; wandelt als kinderen des lichts, 9 (Want de vrucht des Gecs-tes is in alle goedigheid, en regtvaardigheid. en waarheid.) 10 Beproevende wat den Heer welbehagelijk zij. 11 En hebt pcenc gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veeleer ; 12 Want hetgeen heimelijk van hen geschiedt, is schandelijk ook te zoggen. 13 Maar al deze dingen, van het licht bestraft zijnde, worden openbaar. Want al wat openbaar maakt, is licht. 14 Daarom zegt hij ontwaakt gij die slaapt, en staat op! uit de dooden, cn Christus zal over u lichten. 15 Ziet dan hoe gij voorzig-tiglijk wandelt, niet als onwg-zen, maar als wijzen ; 16 Den tijd nitkoopende, dewijl de dagen boos zijn. 17 Daarom zijt niet onverstandig, maar verstaat welke de wil des Heeren zij. 18 En wordt niet dronker. in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest, 19 Sprekende onder elkander met psalmen, cn lofzangen, en geestelijke liederen, zingende en psalmende den Heer in uw hart, AAN DIE VAN EFEZE. |
|
230 ZENDBRIEF 20 Dankende allen tijd over alle dingen God en den Vader, in den naam onzes lieeren Jezus Christus; 21 Elkander onderdanig zijnde in de vreeze Gods. 22 Gij vrouwen, weest «wen eigenen mannen onderdanig gelijk den Heer; 23 Want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd der gemeente is ; en hij is de behouder des lig-chaams. 21 Daarom gelijk de gemeente Christus onderdanig, is, alzoo ook de vrouwen haren eigenen mannen in alles. 25 Gij mannen, hebt uwe eigene vrouwen lief, gelijk ook Christus de gemeente liefgehad heeft, en zich zeiven voor haar hoeft overgegeven, 26 Opdat hij haar heiligen zoude, [fcnnr] gereinigd hebbende met het bad des waters door het woord; 27 Opdat hij haar zich zeiven zoude heerlijk voorstellen, eene gemeente die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zoude heilig zijn en onberispelijk. 28 Alzoo zijn de mannen schuldig hunne eigene vrouwen lief te hebben, gelijk hunne eigene lichamen. Die zijne eigene vrouw lief heeft, die heeft zich zclven lief. 29 Want niemand heeft ooit zijn eigen vleesch gehaat, maar hij voedt het, en onderhoudt het, gelijkorwijs ook de Heer de gemeente. 30 Want wij zijn leden zijns ligchaams, van zijn vleesch, en van zijne beenen. 31 Daarom zal een mensch zijnen vader en moeder verlaten, en zal zijne vrouw aanhangen ; en zij twee zullen tot één vleesch wezen. 32 Deze verborgenheid is groot; doch ik zeg [rftt, xitnde] op Christus, en op de gemeente. 33 Zoo dan ook gijlieden elk in \'t bijzonder, een iegelijk hebbc zijne eigene vrouw zoo lief als zich zeiven; en de vrouw [lie] dat zy den man vreeze. G HOOFDSTUK 6. ij kinderen, zijt uwen ouderen gehoorzaam in den Heer; want dat is HOOFDSTUK 6. ij kinderen, zijt uwen ouderen gehoorzaam in den Heer; want dat is regt. |
TAV PAULUS Hoofdst. S, 6. 2 Eert uwen vader, en moeder, (\'twelk het quot;eerste gebod is met eene belofte) 3 Opdat het u wel ga, en [rinf] gij lang leeft op de aarde. 4 En gij vaders, verwekt uwe kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de leering en vermaning des Heeren. 5 Gij dienstknechten, zyt gehoorzaam tuu-en] heeren naar het vleesch, met vrees en beven, in eenvoudigheid uws harten, gelyk als Christus; 6 Niet naar oogendienst als menschen-behagers, maar als dienstknechten van Christus, doende den wil Gods van harte ; 7 Dienende met goedwilligheid den Heet. en niet de menschen ; 8 Wetende dal. zoo wat goed een iegelijk gedaan zal hebben, hij dat zelfde van den Heer zal ontvangen, hetzj dienstknecht, hetzij vrije. 9 En gij heeren, doet hetzelfde bij hen, nalatende de dreiging, als die weet dat ook uws zelfs Heer in de hemelen is, en («iolt;] geene aanneming des persoons bij hem is. 10 Voorts, mijne broeders, wordt krachtig in den Heer, en in de sterkte zijner magt. 11 Doet aan de geheele wapenrusting God»*,\'opdat gij kunt staan tegen Ie listige omleidingen des dui /els. 12 Want wij hebben den strijd niet tegen vlees-.h en bloed, maar tegen de C verheden, te gen de Magten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. 13 Daarom neemt aan de geheele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den boozen dag, en alles verrigt hebbende, staande blijven. 14 Staat dan, uwe lendenen omgord hebbende met de waarheid, en aangedaan heb\' bende het borstwapen der ge-regtigheid, 15 En de voeten geschoeid hebbende met bereidheid des Euangeliums des vredes, 16 Bovenal aangenomen hebbende het scnild des geloofs, met hetwelk gij al de vurige pylen des boozen zult kunnen uitblusschen 17 En neem; den helm der za- li |
|
Hoofdst. 1. AAN DE PH1 li^heid, en het zwaard des (Teestes, hetwelk is Gods woord; 18 Met aïle bidding en smee-Vin», biddende tot allen tyd in den peest, en tot hetzelve wa-Vende met alle peduripheid en sineekinp voor al de heiligen ; 19 En voor mij, opdat mij het woord gegeven worde in de openinp mijns monds niet vrijmoedigheid, om de verborgenheid^ des Euanpeliums bekend 20 Waarover ik een pezant ben in eenc keten, opdat ik in \'t zelve vrijmoediplijk mope spreken, pelijk mij betaamt te spreken. 21 En opdat ook pij moopt weten helpeen mij aanpaat, (en] wat ik doe, [dat] alles zal u Tychikus de peliefde broeder en petrouwe dienaar in den Heer bekend maken ; 22 Welken ik tot dat zelfde ciude tot u pezonden heb, opdat pij onze zaken zoudt weten, en hij uwe harten zoude ver- 23 Vrede zij den brooderen, en liefde met peloof, van God den Vader, en deu lieer Jezus Christus. 21 De penade [lij] met al de-penen die onzen lieer Jezus Christus liefhebben in onver-derfclijkheid. Amen. DE ZENDBRIEF VAN DEN \\K\'A DK P HOOFDSTUK 1. aulus en Timotheüs, dienstknechten van Jezus Christus, al den heilipen in Christus Jezus die te Philippi zijn, met de Opzieners en Diakenen ; HOOFDSTUK 1. aulus en Timotheüs, dienstknechten van Jezus Christus, al den heilipen in Christus Jezus die te Philippi zijn, met de Opzieners en Diakenen ; 2 Genade zij u en vrede van God onzen Vader, en den Heer Jezus Christus. 3 Ik dank mijnen God zoo dikwijls als ik uwer pedenk, 4 (Allen tijd in al mijn pebed voor u allen, met blijdschap het gebed doende) 5 Over uwe pemcensrhap aan het Euanpclium, van den eersten dap af tot nu toe ; C Vertrouwende ditzelve, dat |
hij die in u een poed werk beponnen |heeft, [dat] volein-dipen zal tot op den dap van Jezus Christus; 7 Gelijk het hij mij rept is, dat ik van u allen dit gevoel, omdat ik in [mijn] hart houd, dat gij, beide in mijne banden, en [iu mijne] verantwoording, en bevestipinp des Euanjje-liums, pij allen (1*3 iAr) mijner penade mede deelachtip zijt. 8 Want God is mijn petuipe, hoereer ik begeerip ben naar u allen, met innerlijke bewe-pinpen van Jezus Christus; 9 En dit bid ik (God) dat uwe liefde nop meer en meer overvloedip worde in erkentenis en alle gevoelen ; 10 Opdat pij beproevet de dingen die [dnarran] verschillen, opdat pij oprept zijt, en zonder aanstoot te geven, tot den dap van Christus; 11 Vervuld met vruchten der trereptigheid, die door Jezus Christus zijn tot heerlijkheid en prijs Gods. 12 En ik wil dat gij weet, broeders, dat hetpeen aan mij li» grêchied] meer tot bevorde-rinp des Euanpeliums gekomen is; 13 Alzoo dat mijne banden in Christus openbaar peworden zijn in \'t pansche repthuis, en allen anderen ; II En (cinlt;] het meerdert der broederen in den Heer floor mijne banden vertrouwen Kokrepen hebbende, overvloe-diplijker het woord onbevreesd durven spreken. 15 Sommipen prediken ook wel Christus door niid en twist, maar sommigen ook door goedwilligheid. 16 Gene verkondigen wel Christus uit twisting, niet zui-verlijk, meenende mijne banden verdrukking toe te brengen ; 17 Doch deze uit liefde, dewijl zij weten dat ik tot verantwoording des Euanpeliums gezet ben. 18 Wat dan1 Noptans wordt Christus op allerlei wijzen, hetzij onder een deksel, hetzij in waarheid, verkondipd; en daarin verblijd ik mij, ja ik zal mij ook verblijden. 19 Want ik weet dat die mij ter zaligheid gedijen zal door «w |
VAN PAÜLUS Iloofdst. 1, 2.
ZENDBRIEF
332
|
uw gebed, en toebrenifinp des Geestus van Jczui Christus, 20 Volgens mijne ern*tjf;o verwachting cn hope, dat ik in gecne raak zal beschaamd worden ; mnar l(lnlt;l in nlle vrijmoedigheid, gelijk allen tijd, nlzoo ook nu Christus zal groot gemaakt worden in mijn ligchaam, heizij door het leven, hetzij door den dood. 21 quot;Want het leven is mij Christus, en het sterven i» lm ijl pewin. 22 Maar of te leven in het vleesch, hetzelve mij oorbaarlijk zij, cn wat ik verkie-ten zal weet ik niet; 33 Want ik word van der.e\'twee gedrongen, hebbende begeerte o:ii ontbonden te worden, en met Christus te zijn. Want [dat] is zeer verre het beste; 2t Maar in het vleesch te blijven, is uoodiper om uwent- 25 F.n dit vertrouw en weel ik, dat ik zal blijven, en met U allen zal verblijven tot uwe bevordering, cn blijdschap des geloofs; 2B Opdat uw roem in Christus Jezus overvloedig zij aan mij, door mijne teffenwoordig-hcid wederom bij u. 27 Alleenlijk wandelt waardiglijk het Euangelium van Christus, opdat hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uwe zaken moge hoo-ren, dat gij staat in (■énen geest, met eén gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof des Euan?eliums ; 2S En dat frij in geen ding verschrikt wordt van degenen die tegenstaan, \'t welk hun wel een bewijs is des verdorfs, maar u der zaligheid, cn dat van God. 2quot;.» Want u is uit genade gegeven in do zaak van Christus, niet alleen in hem te gelooven, maar ook voor hem te lijden; 30 Denzelfden strijd hebbende, hoedanigen gij in mij ffe-«ien hebt, cn nu in mij hoort. T HOOFDSTUK 2. I indien er dan cenige vertroosting is in Christus, indien er eenige troost is der liefde, indien er cenige gemeen-schap is des Oeestes, indien er cenige innerlijke bewegingen en ontfermingen zijn : |
2 Zoo vervult mijne blijdschap* dat gij moogt eensgezind sijn\' dezelfde liefde hebbende, van één {remeed [en] van dén gevoelen zijnde. 3 [Doet] ffccn ding door twisting, of ijdele eer, maar door ootmocdiglieid achte de een den anderen uitnemender dan zich lelven. 4 Een iegelijk zie niet op het zijne, maar een iegelijk (ti*j ook oj) hetgeen dat der ande- 5 quot;Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus G Die in de gcctamp;ltenis Gods zijnde, geenen roof geacht heeft Godc evenprelyk to zijn ; 7 Maar hoeft *ich «elven vernietigd, de geftaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den menschen gelijk geworden; 8 En in godaaite gevonden nis een mcnsch, heeft hij zich zeiven vernederd, gehoorzaam geworden zynde • ot den dood, ja den dood des kruises. 9 Daarom heeft hem ook God uitermate verhoogd, en heeft hem eencn naam regeven, welke boven allen naam is; 10 Opdat in den laam van Jezus zich zoude buigen alle knie dergenen die in den hem:-!, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn ; 11 En alle tong zoude belijden dat Jezus Christus de Heer rij, tot heerlijkheid Gods des Vaders. 12 Alzoo dan, mijne geliefden, gelijk g(j allen tijd gehoorzaam geweest zijt, niet als in mijne tegenwoordigheid alleen, maar veel meer nu iu mijn afwezen, werkt uws zelfs zaligheid met vrees en be- 13* Want het is God die in u werkt beide het willen en het werken, naar [zijn] welbeha-gen. 11 Doet nlle dingen zonder niurmureercn cn tegenspreken, 15 Opdat gij moogt onberispelijk en opregt «ün, kinderen Gods zijnde onstratl\'elijk in *t midden var een krom en verdraaid gesl icht, onder hetwelk gij schij.it als lichten in de wereld ; 10 Voorhoud-gt;ndQ het woord |
|
Hoofdst. 2, s. des leven», mü tot eencti roeut tegen den daff van Christus, dat ik niet Ie vergeefs heb ge-loopen, noch te vergeefs gearbeid. 17 Jn indien ik ook tot een drankoffer geofferd word over de offerande en bediening uvrs geloofs, too verblyd ik mij, en verblijd mij met u allen. 18 En om dat eelfde verblijdt gÜ u ook, en verblijdt ook ulieden met mij. 19 En ik hoop in den lieer Jezus, TimothciU hiuist tot u te renden, opdat ik ook welgemoed uioge aijn, als ik uwe •aken «al verstaan hebben. 20 Want ik heb niemand die even alzoo gemoed is, welke opregtelijk uwe aaken zal bc- 2l^Want lij toeken allen het hunne, niet hetgeen van Christus Jezus is. 22 Eu gij weet zijne beproeving, dat liy als een kind [zijiirn] vader, met mij gediend heeft in het Euangelium. 23 Ik hoop dan wel dezen van stomlen aan te zenden, zoo [linnil] als ik in myne zaken rul voorzien hebben ; 21 Doch ik vertrouw in don Heer, dat ik ook zelf haast Itol til komen zal. 25 Maar ik heb nooilig geacht, tot u te zenden Epafro-ditus mijnen broeder, en mede-arbeider, en mede-strijder, en uwen nfgezondenen, eu bedienaar mijns nooddruft», 20 Dewyl liy \' \' [v\'len r be angst was, omdat gij gehoord hadt dat hij krank was. 27 En hij is ook krank geweest tot naby den dood; maar God heeft rich sijner ontfermd ; en niet alleen zijner, maar ook mijner, opdat ik niet droefheid op droefheid zoude hebben, 2S Zoo heb ik dan hem spoediger gezonden, opdat gij hem ziende wederom u zoudt verblijden, en ik te min zoude droevig eyn. 29 Ontvangt hem dan in Heer, met alle blijdschap, houdt dezulken in waarde ; 30 Want oin het werk Christus was hij tot nabij den dood gekomen, (ïijn) leven niet achtende, opdat hij \'t gebrek uwer bediening ui ij vervullen zoude, • |
den Heer! De-fde dingen aan u te «chrij-a is mij niet verdrietig, eu t is u zeker. Ziet op de honden, ziet op de kwade arbeiders, ziet op de 3 Want wij zijn de besnijding, wij die God in den Geest dienen, en in Christus Jezus roemen, en niet in liet vleesch bu- 4 Hoewel ik heb, dat ik ook in het vleesch betrouwen mogt; indien iemand anders meent te betrouwen in het vleesch, ik nog meer: 5 Besneden ten achtsten dage, uit het geslacht Israels, van den stam Benjamin, een He-breër uit de Hebreen, naar de .vet. een Farizecr, 6 Naar den ijver een vervolger der gemeente, naar de regt-vaardigheid die in do wet is, zijnde onberispelijk. .7 Maar hetgeen wij gewin was, dat heb ik om Christus wil schade gracht. 8 Ja gewissclijk ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus mijnen Heer; om wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen , 9 En in hem gevonden worde, niet hebbende mijne regtvaar-digheid die uit de wet is, maar die door hot geloof van Christus is, (nnme/iji] de regt-vaardigheid die uit God is door het geloof; 10 Opdat ik hem kenne. en de kracht zyner opstanding, en de gemeenschap zijns lij-dens, zijnen dood gelijkvormig wordende; 11 Of ik eenigzins moge komen tot de wederopstanding der dooden. 12 Niet dat ik het alroeds gekregen heb, of alreeds tjI-maakt ben ; maar ikjaag daarnaar , of ik het ook grijpen mogt, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. 13 Broeders, ik acht niet dat ik zelf het geffrepen heb ; 11 Maar één ding («lt;oe ifc], vergetende \'t geen dat achter is, eu strekkende mij tot hetgeen AAN DE PHILIP PENSEN. |
|
Eeen dat voor is, jaag ik naareen dat voor is, jaag ik naar et wit tot den prijs der roe- f»lnjr Gods, die van boven is»lnjr Gods, die van boven is n Christus Jezus. 15 Zoo velen dan als wij volmaakt zijn. laat ons ditfrevoe-len ; en indien gu iets ander-zina gevoelt, ook dat zal u God openbaren. 16 Doch daar wij toe peko-nien lijn, laat ons («fnnrin] naar denzelfden rearel wandelen, laat ons hutzelfde gevoelen. 1quot; Wcest mede mijne navol-Kers, broeders, en merkt op decrenen die alzoo wandelen , gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt. 18 Want velen wandelen [nn-drrt]-, van welke ik u dikmaals gezegd heb, eu nu ook wee-uende zeg, dat zij vijanden des kruises van Christus zijn ; 19 Welker einde is het verderf, welker God is de buik, en [welker] heerlijkheid is in hunne schande, welke aardsche dingen bedenken. 20 Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, [no-melijk] .den Heer Jezus Christus , 21 Die ons vernederd lig-rhaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde zijn heerlijk ligchaam, naar de werking waardoor hij ook alle dingen zich zeiven kan onderwerpen. Z HOOFDSTUK 4. oo dan. mijne geliefde en zeer gewenschte broeders, mijne blijdschap en kroon, staat alzoo in den Heer, geliefden. HOOFDSTUK 4. oo dan. mijne geliefde en zeer gewenschte broeders, mijne blijdschap en kroon, staat alzoo in den Heer, geliefden. 2 Ik vermaan Euodia, en ik vermaan Syntyche, dat zij eensgezind zijn in den Heer. 3 En ik bid ook u, gij [mijnl opregte medgezcl, zijt deze [rrouu-fn] behulpzaam , die met mij gestreden hebben in het Euangelium, ook met Clemens, en de andere mijne mede-arbeiders, welker namen zijn in \'t boek des levens. 4 Verblijdt u in den Heer allen tijd ; wederom zeg ik : verblijdt u. 5 Uwe bescheidenheid zij allen menschen bekend. De Heer is nabij. 6 Weest in geeu ding bezorgd; |
VAN PAULUS Hoofdit. 3, 4. maar laat uwe begeerten in alles, door bidden en smeeken, met dankzegging bekend worden bij God. 7 En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uwe harten en uwe zinnen bewaren in Christus Jezus. 8 Voorts, broeders, al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat regtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt, zoo er eenige deugd is, en zoo er eenige lof is, datzelve bedenkt. 9 Hetgeen gij ook geleerd, en ontvangen, en gehoord, en in mij gezien hebt, dat doet; en de God des vredes zal met u zijn. 10 En ik ben grootelijks verblijd geweest in den Heer, dat gij nu eenmaal wederom ver-wakkerd zijt om aan mij te gedenken ; waaraan gij ook gedacht hebt, maar jfij hebt do gelegenheid niet gehad. 11 Niet dat ik [.!!lt;] zeg van wege gebrek; want ik heb geleerd vergenoegd te zijn in \'t geen ik ben. 12 En ik weet vernederd te worden, ik weet ooit overvloed te hebben; allezins en in alles ben ik onderwezen, beide verzadigd te zijn, en henger to lijden ; beide overvloed te hebben, en gebrek te lijden. 13 Ik vermag alle dini;cn door Christus die mij kmcht geeft. 14 Nogtans hebt gij wel gedaan, dat gij met nijne verdrukking gemeenschap gehad hebt. 15 En ook gij Philippen^en weet, dat in het begin des Eu-angeliums, toen ik van Macedonië vertrokken ben, geene gemeente mij («*\'») medegedeeld heeft tot rekeniug van uitgaaf en ontvangst, dan pij alleen. 16 Want ook in Thessalonika hebt gij mij eenmaal en andermaal gezonden tot nooddruft. 17 Niet dat ik de gave zoek, maar ik zoek de vrucht die overvloedig is tot uwe rekening. 18 Maar ik heb alles ontvangen, en ik heb overvloed; ik ben vervuld geworden, als ik van Epafroditusoatvangen heb. dat van u [gexonden trnt, nis] eenen welriekenaen reuk, eene aangename offerande, Gode welbebftgeüjk. |
|
19 Doch mijn God zal naar zijnen rykdoin vervullen al uwe nooddruft, in heerlgkhcid door Christus Jezus. 20 Onzen God nu en Vader 2Ü de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 21 Groet alle heilipen in Christus Jezus. U groeten de broeders die met mij zijn. 22 Al de heiligen groeten u, en meest die van \'t huis des Keizers zyn. 23 De genade quot;onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen. Amen. D E Z EjN D B R I E F VAN DEN AAN DE P HOOFDSTUK 1. aulus een Apostel van Jezus Christus, door den wil Gods, enj Timotheüs de broeder, HOOFDSTUK 1. aulus een Apostel van Jezus Christus, door den wil Gods, enj Timotheüs de broeder, 2 Den heiligen en geloovi-gen broederen in Christus, die te Kolosse zgn ; genade zij u en vrede van God onzen Vader, en den Heer Jezus Christus. 3 Wy danken den God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, altijd voor u biddende ; 4 Alzoo wy van uw geloof in Christus Jezus geboord hebben, en van de liefde die (r/ij helt] tot alle heiligen ; 5 Om de hope die u weggelegd is in de hemelen, van welke gij te voren gehoord hebt, door het woord der waarheid [namelijk] des Euange-liums, 6 Hetwelkquot;\' tot u gekomen is, gelijk ook in de geheele wereld ; en het brengt vruchten voort, gelijk ook onder u, van dien dag nf dat gij gehoord hebt, en de genade Gods in waarheid bekend hebt; 7 Gelijk gij ook geleerd hebt van Epafra» onzen geliefden mede-dienstknecht, welke een getrouwe dienaar van Christus 8 Die ons ook verklaard heeft uwe liefde in den Geest. 9 Daarom ook wü. van dien |
LOSSENSEN. 235 dng af dat wjj het gehoord hebben, niet ophouden voor u te biddden, en te begeeren dat pij moogt vervuld worden met de kennis van zijnen wil, in alle wijsheid en geestelyk verstand ; 10 Opdat gij moogt wandelen waardiglijk den Heer tot alle behagelykheid, in alle goede werken vrucht drairende, en wassende in de kennis Gods; 11 Met alle kracht bekrachtigd zijnde, naar de sterkte zijner heerlijkheid, tot alle lydzaamheid enlankmoedigheid met blijdschap ; 12 Dankende den Vader, die ons bekwaam gemaakt heeft om deel [te h?6hrn] in de erve der heiligen in het licht; 13 Die ons petrokken heeft uit de magt der duisternis, en overgezet heeft in het Koningrijk des Zoons zjjner liefde, 1-4 In welken ^wö de verlossing hebben door zijn bloed, [nnmrlij/c] de vergeving der zonden. 15 Welke is het beeld deson-zienlijken Gods, de eerstgeborene aller creaturen; 16 Want door hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk znn, hetzij Troonen, heizij Heerschappijen, hetzij Overheden, hetzij Magten: alle dingen zijn door hem en tot hem geschapen, 17 En hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan te za-men door hem. 18 En hij is het Hoofd des lichaams, [nntnelijlc] der gemeente, hij die het begin is, de eerstgeborene uit de doo-den, opdat hij in allen de eerste zoude zijn ; 19 Want het is [tiet Vadert] welbehagen geweest, dat in hem al de volheid wonen zoude; 20 En dat hij door hem vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, door hem [zeg tfc] alle dingen verzoenen zoude tot zich zeiven, \'t zy de dingen die op de aarde, \'t zij de dingen die in de hemelen zyn. 21 En hij heeft u die eer-tyds vervreemd waart, en vijanden door het verstand, in de |
ZENDBRIEF
236
|
booze werken, nu ook verinend, 22 In hot litfcbanm Rijns vleesrhcs, door den dootl, opdat hij u zoude heiligen onberispelijk en onbeschuldiglijk voor zich stollen ; 23 Indien grij innar bl\'yft in het geloof Refondeerd cn vast, en niet bewogen wordt van de hope des Euangeliumo, dat gij gehoord hebt, hetwelk gepredikt is onder nl de creature ilie onder den hemel i» ; van *t welk ik Paului een dienaar geworden ben, 21 Die mij nu verblijd in mijn lijden voor u, cn vervul in mijn vleesrh de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus, voor zijn ligchaam, \'t welk is de gemeente; 25 Welker dienaar ik geworden ben naar de bedeeling Gods, die mij gegeven is aan ii, om te vervullen het woord Gods, 26 iJVnmftiJ/t] de verborgenheid die verborgen is geweest van (\'rUrj eeuwen en van Jnllr] geslachten, maar nu gepen baard is aan zijne 27 Aan wie God heeft willen bekend maken, welke daar *U dequot;ri|kdom der heerlijkheid «lezer verborgenheid onder de Heidenen, welke is Christus onder u, de hoop der heerlijkheid ; 23 Welken wij verkondigen, rernianendc een iegelijkmensch, en leerende een ieirelijk mensch in alle wijsheid, opdat wij zouden een iegelijk mensch volmaakt atollen in Christus 29 Waartoe ik ook arbeid, strijdende naar zijne werking die in mg werkt met kracht. HOOFDSTUK 2. 1 V V ant ik wil dat gij weet hoe grooten strijd ik voor u heb, en [roor) degenen die te Laodicoa zijn, en zoo velen als er mijn aangezigt in het vleesch niet hehben geit Opdat hunne harten vertroost mogen worden, en zij te zamen gevoegd zijn in de liefde, en tclnl] tot allen rijkdom der volle verzekerdheid des vorstands, tot kennis der verborgenheid Gods en des Vaders en \\°an Christus, |
3 In welken al de schatten der wijsheid en der kennis ver-horgen zijn. 4 En dit zeg ik, opdat niet iemand u misleide met heweeg-redenon die eenen schijn heb- 5 Want hoewel ik met het vleesch van (u) ben, nogtans ben ik met den geest bij u, mij verblijdende en ziende uwe ordening, en de vastigheid uws geloof» in Christus. 6 Gelijk gij dan Christus Jezus den Heer hebt aangenomen, wandelt ialxuo] in 7 Geworteld en cpgebouwd in hem, en bevestigd in \'t geloof, gelijkerwijs rij geleerd zijt, overvloedig zijnde in\'tzelve met dankzegging, 8 Ziet toe dat niemand u als eenen roof vervoere door de Philosophic, cn ijdcle verleiding, naar de overlevering der menschen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus, 9 Want in hem woont al de volheid der_ Godhei-l ligcha-melijk ; 10 En gij zgt in icm volmaakt, die het Hoofd is van alle Overheid en Magt; 11 In welken gij ock besneden rijt met eene besnijdenis die zonder handen geschiedt, in de uittrekking des lig-chaams der zonden .les vlee-sches, door de besnijdenis van Christus; 12 Zijnde met hem begraven in den Doop, in welken gij ook met [Aon] opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, die hein uit de dooden opgewekt heeft. 13 En hij heeft u als gij dood waart in de misdaden, en [i/i] de voorhuid uws vleesches, mede levend gemaakt met hem, al lutcr) misdaden u vergevende, 14 Uitgewischt hebbende het handschrift dat tegen ons was in inzettingjn lUtlrtnn-ife), \'t welk ifc] ceni-gerwijze ons te?en was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis gena\'eld hebbende ; 15 [IJ») de Overheden en de Mag- |
H oofdst. 2, 3. AAN DE KOLOSSENSEN.
237
|
Maften uit^cto^cn hebbende, heeft hij die ii\\ het openbanr ten toon gesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd. 1G Dat u dan niemand oor-dcele in spijs of in drank, of in \'t stuk des Feest[rioj;»), of der nieuive maan, of der Sab- 17 Welke zijn eons schaduw der toekomende dingen; maar \'t ligchaam is van Christus. 18 Dat [dnnl niemand u over-heerache naar zijnen wil in nederigheid en dienst der Engelen, intredende in hetgeen hij niet gezien heeft, te vergeef» opgeblazen zijnde door het verstand zijns vleesches, 19 En het hoofd niet behoudende, uit hetwelk het geheele ligchaam door de zamenvoeg-a cl en en zamenbindingen voorzien en zamen gevoegd zijnde, opwast met Goddelijken wasdom. 20 Indien gij\' dan met Christus dc eerste beginselen dei-wereld zijt afgestorven, wat wordt gij, gelijk of gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast ? 21 [ÏVnmrlijk] raakt niet, noch smaakt niet, ,nuch roert niet Welke dingen alle verderven door het gebruik, (iiif/c-rnerit] naar de geboden en lêe-ringen der menschen; Ü3 Welke wel hebben cene (scJiijnlreden van wijsheid in cigenwilligen (Goibjdienat, en nederigheid, en tin] hot ligchaam niet te sparen, [Joch] zijn niet in eenige waarde, [mnar] tot verzadiging des vleesehes. I HOOFDSTUK 3. ndien gij dan niet Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen die boven zijn, daar Christus is zittende aan de reg-terfhnnd] Gods. HOOFDSTUK 3. ndien gij dan niet Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen die boven zijn, daar Christus is zittende aan de reg-terfhnnd] Gods. 2 Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op dc aarde zijn. 3 Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus vcr-borrren in God. 4 Wanneer (nu] Christus zal geopenbaard zijn, die ons leven is, dan zult ook gij met hem geopenbaard worden in heerlijkheid. |
5 Doodt dan nwc leden die op de aarde zijn, [namelijk] hoererij, onreinighcid, [*cAnn-delijkr] beweging, kwade begeerlijkheid, en dc gierigheid, welke is afeodendienst; G Om welke dc toorn Gods komt over do kinderen der ongehoorzaamheid ; 7 In welke ook gij eertijds hebt gewandeld, toen gij in dezelve leefdet. 8 Maar mi legt ook gij dit alles af, [namelijk] gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uwen mond. 9 Liegt niet tegen elkander, dewijl gij uitgedaan hebt den ouden mensch met zijne werken , 10 En aangedaan hebt den nieuwen (m«««cA) die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld desgenen die hem geschapen heeft; 11 Waarin niet is Griek en .Tood, besnijdenis en voorhuid. Barbaar [rn] Scyth, dienstknecht (fit] vrije, maar Christus is alles, en in allen. 13 Zoo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen, cn beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid , goedertierenheid, ontmocdit;-heid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid ; 13 Verdragende elkander, en vergevende de een den anderen, zoo iemand togen iemand [mii-rte] klagt heeft; gelijkorwijs als Christus u vergeven heeft, (dort J ook gij alzoo. 11 En boven dit alles [ilnet nan] de liefde, welke is de band der volmaaktheid. 15 En do vrede Gods heerschc in uwe harten, tot welken srij ook geroepen zijt in «?iSn ligchaam ; en wecst dankbaar. 16 liet woord van Christus wone rijkelijk in u in alle wijsheid ; leert cn vermaant elkander, niet psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende den Heer met\'aangenaamheid in uw hart. 17 En al wat gij doet mot woorden of met werken, (\'.\'orJl hot alles in den naam des Hoeren Jezus, dankende God en den Vader door hem. 18 Gij vrouwen, zijt uwen eigenen mannen onderdanig, gelijk het betaamt in den lieer. 19 Gü |
|
238 ZENDBRIEF 19 Gij mannen, hebt uwe vrouwen lief, en wordt niet verbitterd tegen haar. 20 Gij kinderen, ïijt [uicwi] ouderen pehoorzjiam in alle»; want dat is den Heer welbeha-gelijlt. 21 Gij vaders, terpt uwe kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden. 22 Gij dienstknechten, zijt in alles gehoorzaam (virru] hee-ren naar het vleesch, niet met oogendiensten als menschen-behagers, maar met eenvoudigheid des harten, vreezende God. 23 En al wat gij doet, doet dat van harte als den lieer, en niet den mensrüeu ; 21 Wetende dat gij van den Heer zult ontvangen de vergelding der erfenis ; want gij dient den Heer Christus. 25 Maar die onregt doet, die zal het onregt dragen dat hij gedaan heeft; en ar is geene uitneming des persoons. C. HOOFDSTUK 4.. HOOFDSTUK 4. Tij heeren, doet [utr^n] dienstknechten regt en gelijk, wetende dat ook gij eenen Heer hebt in de hemelen. 2 Houdt sterk aan in \'t gebed, en waakt in \'t zelve met dank-tegging; 3 Biddende meteen ook voor ons, dat God ons de deur des woords opene, om te spreken de verborgenheid van Christus, om welke ik ook gebonden ben ; 4 Opdat ik dezelve moge openbaren gelijk ik moet spreken. 5 Wandelt met wijsheid bij degenen die buiten zijn, den bekwamen tijd uitkoopende. 6 Uw woord zij allen tijd in aangenaamheid, met zout be-sprengd, opdat gij moogt weten hoe gij eenen iegelijken moet antwoorden. 7 Al mijne zaken zr.1 u bekend maken Tychikus de geliefde broeder, en getrouwe dienaar, en mede-dienstknecht in den Heer; 8 Welken ik tot hetzelfde einde tot u gezonden heb, opdat hij uwe zaken wete, en uwe har-ton vertrooste; 9 Met Onesimus den getrouwen en geliefden broeder, welke uit de uwen is; zij zullen |
VAN PAULÜS Hoofdst. 12, u alles bekend maken wat hier is. 10 U proet Aristarchus mijn mede-gevangene; en Markus de neef van Barnabas, welken aangaande gij bevelen ontvangen hebt; zoo hij tot u komt ontvangt hem; 11 En Jezus gezegd Justus, welke uit de besnijdenis zijn ; deze alleen zijn [mijnp] medearbeiders in het Koninsrijk Gods, die mij eene vertroosting geweest rijn. 12 ü groet Epafras, die uil de uwen is, een dienstknecht van Christus, allen tijd strijdende voor xi in de gebeden, opdat (rij staan moogt volmaakt en volkomen in al deu wil Gods. 13 Want ik geef hem getuigen: s dat hg grooten ijver heel\'t over u, en degenen die gt;n .ónodicea zijn, en degenen die in Hierapolis zijn. 14 \'J groet Lukas de Medicijnmeester, de geliefde, en Demas. - 15 Croet de broederen die in Laodicea zijn, en Nymphas, en_ de gemeente die in zijn 16 Ea wanneer deze Zendbrief van u zal gelezen zijn, maakt dat h.) ook in de gemeente der Laodi^ensen gelezen worde, en dat ook gij dien leest die uit Laodicea [/jftchm-rn t»l. 17 En zegt aan Archippus ■ zie op de bediening die gij aangenomen hebt in den Heer, dat gij die vervult. 18 De groetcnis met mijne hand ; Paulus. Gedenkt mijne handen. De genade zij met u. DE EERSTE ZENDBRIEF VAN DES AKS DE P HOOFDSTUK 1. aulus en Silvanus en Tituotheüs, aan de gemeente der Thessalonicensen, [wW.\'.e i») in God den Vader, en den Hter Jezus Christus; genade zij u en vrede van God onzen Vader, en den Heer Jezus Christus. HOOFDSTUK 1. aulus en Silvanus en Tituotheüs, aan de gemeente der Thessalonicensen, [wW.\'.e i») in God den Vader, en den Hter Jezus Christus; genade zij u en vrede van God onzen Vader, en den Heer Jezus Christus. 2 Wü |
Hoofdst. 1, 2. AAN DE THESSALONICENSEN.
230
|
2 Wij danken God nltijd over w allen, uwer gedachtig zijnde in onze gebeden; 3 Zonder ophouden gedenkende het werk uws geloofs, en den arbeid der liefde, en de verdraagzaamheid der hope op onzen Heer Jezua Christus, voor onzen God en Vader : 4 Wetende, geliefde broeders, uwe verkiezing van God. 5 Want ons Euangelium is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, en in veel verzekerdheid ; gelijk gij weet hoedanigen wij onder u geweest zijn om uwentwil. 6 En gij zijt onze navolgers geworden, en des Heeren, het woord aangenomen hebbende in vele verdrukking, met blijdschap des Heiligen Geestes ; 7 Alzoo dat gij voorbeelden geworden zijt al den geloovigen in Macedonië en Achaje. 8 Want van u is het woord des Heeren luidbaar geworden niet alleen in Macedonië en Achaje, maar ook in alle plaatsen is uw geloof, dat [jij) op God [hebt], uitgegaan, zoo dat wij niet noodig hebben iets (rfonrron] te spreken. 9 Want zij zelven verkondigen van ons hoedanigen ingang wij tot u hebben, en hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden. om den levenden en w: acluigen God te dienen, 10 En zijnen Zoon uit de hemelen te verwachten, welken Hij uit de dooden verwekt heeft, [namelijk] Jezus, die ons verlost van den toekomenden toorn. 1 W ant gij weet zelv broeders, onzen ingang tot u, du die niet ijdel is geweest; 2 Maar hoewel wij tc voren felcden hadden, en ook ons inaadheid aangedaan was, ge-Üjk gij weet, te Philippi, zoo hebben wij [nogtam] vrijmoedigheid gebruikt in onzen God om het Euangelium Gods tot u te spreken in veel strijds. 3 Want onze vermaning is niet geweest uit verleiding, norh uit onreinigheid, noch met bedrog; 4 Maar gelyk wij van God be- |
Eefd zijn geweest, dat ons Euangelium zoude toebe-trouwd worden, alzoo spreken wij, niet als inenschen behagende, maar Gcde die onze harten beproeft.efd zijn geweest, dat ons Euangelium zoude toebe-trouwd worden, alzoo spreken wij, niet als inenschen behagende, maar Gcde die onze harten beproeft. 5 Want wij hebben nooit met pluimstrijkende woorden omgegaan, gelijk gr weet, noch met (fenia) bedeksel van gierigheid ; God is getuige. 6 Noch zoekende eer uit men-schen, noch van u, noch van anderen; hoewel wij [w] tot last konden zijn als Christus Apostelen ; 7 Maar wij zijn vriendelyk geweest in het midden van u, gelijk als eene voedster hare kinderen koestert; 8 Alzoo wij, tot u zeer genegen zijnde, hebben u gaarne willen mededeelen niet alleen het Euangelium Gods, maar ook onze eigene zielen, daarom dat gij ons lief geworden waart. 9 Want gij gedenkt, broeders, onzen arbeid en moeite; want nacht en dag werkende, opdat wij niemand onder u zouden lastig zijn, hebben wij het Euangelium Gods onder u gepredikt. lü Gij zijt getuigen, en God, hoe heiliglijk, en regtvaardig-lijk, en onberispelijk wij u, die gelooft, geweest zijn; 11 Gelijk gij weet hoe wij een iegelijk van u, als een vader zijne kinderen, vermaanden en vertroostten, 12 En betuigden dat gij zoudt wandelen waardiglijk Gode, die u roept tot zijn Koningrijk en heerlijkheid. 13 Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat als gij het woord der prediking Gods van ons ontvaniren hebt, gij dat aangenomen hebt, niet (n/»l der menschen woord, maar (gelijk het waarlijk is) [»lt;«] Gods woord, dat ook werkt in u die gelooft. 11 Want gij, broeders, zijt navolgers geworden der gemeenten Gods, die in Judoa zijn, in Christus Jezus ; dewijl ook gij hetzelfde geleden hebt van uwe eigene medeburgers, gelijk als zij van ie Joden ; 15 Welke ook gedood hebben den Heer Jezus, en hunne eigene Profeten ; en ons hebben vervolgd, en Gode niet behagen, en allen menschen tegen 16 Eu |
I. ZENDBRIEF VAN PAULUS Hoofdat. 2. 3, 4.
|
16 En verhinderen ons te spreken tot dc Heidenen, dat zij Mliar inojrtcn worden, opdat *ij allen tijd hunne zonden vervullen zouden. En de toorn in over heu gekomen tot het einde. 17 Maar wij, broeders, van u beroofd peweest zijnde voor eeno kleine wijl tijds, naar het aanprezigt, niet naar het hart, hebben ons te overvloediffer bcnnarstigd om uw aanijczigt te zien met proote begeerte. 18 Daarom hebben wij willen tot u komen (immers ik Pau-lus) etmmaal en andermaal, maar de satanas heeft ons belet ; 19 Want welke is onze hoop, of blijdschap, of kroon des roems ? Zyt pry die ook niet voor onzen lieer Jezus Christus in zijne toekomst ? 20 Want pij zijt onze heerlijkheid en blijdschap. D HOOFDSTUK 3. aarom HOOFDSTUK 3. aarom [dexe hrcjrrrtf] niet lanser kunnende verdra-pen, hebben wij paarne willen te Athene alleen gelaten worden ; 2 En hebben pezonden Timo-theüs onzen broeder, cn Gods dienaar, en onzen inede-arbei-iler in het Euanpelimn van Christus, om u te versterken, en ii te vermanen van uw geloof; 3 Opdat niemand bewogen worde in deze verdrukkingen. Want pij weet eelven, dat wij hiertoe gesteld zijn. 4 Want ook toen \'wij. bij n waren, voorzeiden wij u, dat wij zouden verdrukt worden, gelijk ook geschied is, cn gij weet het. 5 Daarom ook [deze begeerte] niet langer kunnende verdragen, heb ik [Aem] pezonden om uw geloof te verstaan, of niet misschien de verzoeker u zoude verzocht hebben, en onze arbeid ijdel zoude wezen. 0 Maar als Timotheüs nu van ulieden tot ons pekomcn was, cn ons de poede bondschap pe-bragt had van uw peloof en liefde, en dat pij altijd poede pe-dachtenis van ons hebt, zeer beffoerip zijnde om ons to alen, gelijk wij ook om ulieden ; 7 Zoo zijn wij daarom, broeders, over u in al onze verdrukking en nood vertroost peworden door uw peloof; |
8 Want nu leven wij, indien PÜ [ttnsf] staat in den Heer. 9 Want wat dankzegging kunnen wij Gode tot verpolding wederpeven voor u, van wepe al de blijdschap, waarmede wij ons om uwentwil verblijden voor onzen God, 10 Nacht en dag «eer over-vloediplijk biddende om uw aangezipt te mopen *ien, cn te volmaken hetpeen aan uw geloof ontbreekt? 11 Doch onze God en Vader zelf, en onze Heer Jezus Christus riarte onzen weg tot u. 12 En dc Heer vermeerdere u, en make (»J overvloedip in de liefde jegens elkander, en jc-pens allen, gelijk wij ook lijn jegens u ; 13 Opdat \'hij uwe harten ver-sterke om onberispelijk te zijn in heilipmaking, voor onzen God en Vader, in de toekomst onze* Ileeren Jezus Christus met al zijne heiligen. Y HOOFDSTUK 4. oorta dan, broeders, wij bidden er vermanen u in den Heer Jezus, gelijk gij van ons ontvangen hebt, hoe pij moet wandelen en Gode behapen, dat pij (rfnuriii] meer overvloedig wordt. HOOFDSTUK 4. oorta dan, broeders, wij bidden er vermanen u in den Heer Jezus, gelijk gij van ons ontvangen hebt, hoe pij moet wandelen en Gode behapen, dat pij (rfnuriii] meer overvloedig wordt. 2 Want pij weet wat bevelen wij u pepeven hebben door den Heer Jezus. 3 Want dit is do wil Gods, uwe heiligmaking: dat gij u onthoudt van dn hoererij ; 4 Dat een iegeljk van u wete zijn vat te bezitten in heiligmaking en eer, 5 Niet in Ikwle] -beweging der begeerlijkheid, pelijk als de Heidenen diu God niet kennen. 6 Dat niemand zijnen broeder vertrede, noch bedriege in [rynrj handelinp; want de Heer is een wreker over al deze, pelijk wij u ook te voren gezeird, en betuigd hebben. 7 Want God h ;eft ons niet geroepen tot onreinigheid, maar tot heiligmaking. 8 Zoo dan die [i/if) verwerpt, die verwerpt geenen mensch, maar God, die ook zijnen Heiligen Geest iu ons heeft gege- 9 Van de broederlijke liefde |
gelijk de barensnood eene bevruchte (rrouu-J; er. zij zullen het geenszins ontvlieden.
4 Maar gy, broeders, gö zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zoude bevangen.
5 Gij zijt allen kinderen des lichts, cn kinderen des daags; wij zijn niet des nachts, noch der duisternis.
fi Zoo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken cn nuch-tcren zijn.
7 Want die slapen, slapen des nachts; en die dronken zijn, zijn des nachts dronken ;
8 Maar wij die des daags zijn, laat ons nuchteren zijn, aangedaan hebbende het borstwapen des peloofs, en der liefde, en [lt;ot] eenen helm de hope der zaligheid.
9 Want God heeft ons niet gestold tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid door onzen Heer Jezus Christus,
10 Die voor ons gestorven is, opdat wij hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, te zamen met hem leven zouden.
11 Daarom vermaant elkander, en sticht de een den anderen, gelijk gij ook» doet.
12 En wij bidden u, broeders, erkent degenen die onder u arbeiden, en uwe voorstanders zijn in den lieer, en u vermanen ;
13 En acht hen zeer veel in liefde, om huns werks wil. Zijt vreedzaam onder elkander.
14 En wij bidden u, broeders, vermaant de ongeregelden, vertroost de kleininoedigen, ondersteunt de zwakken, zijt lankmoedig jegens allen.
15 Ziet dat niemand kwaad voor kwaad iemand vrrgelde; maar jaagt allen tijd het goede na, zoo jegens elkander als jegens allen.
16 Verblijdt u allen tijd.
17 Bidt zonder ophouden.
18 Dankt [Go\'f] in alles. Want dit is dc wil Gods ir. Christus Jezus over u.
19 Bluscht don Geert niet uit.
20 Veracht ide profetiën niet.
21 Beproeft alle dingen; behoudt net goede.
22 Onthoudt u van allen schijn des kwaads.
23 En de God des vredes zelf heilige u geheel en al; en uw
L ge-
Hoofdst. 4, 5. AAN DE THESS nu hebt niet van noode dat ik u schrijf: wniit gij zeiven zijt van God peleerd om elkander lief te hebben.
10 quot;Want gij doet ook hetzelfde aan al de broederen, die in peheel Macedonië zijn. Maar wij vermanen u, broeders, dat pg meer overvloedig wordt,
11 En dat gij u bcnaarstigt stil te zijn, en uwe eigene dingen te doen, cn te werken met uwe eigene handen, gelijk wy u bevolen hebben;
12 Opdat gij eerlijk wandelt bij degenen die buiten zijn, en geens dings van noode hebt.
13 Doch, broeders, ik wil niet dat gij onwetend zijt van degenen die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt, gelijk als de anderen die geene hope hebben.
14 Want indien wij gelooven dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzoo zal ook God degenen die ontslapen zijn in Jezus, (trerfcr} brengen met hem.
15 Want dat zeggen wij u door het woord des Heeren, dat w\'u die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen voorkomen degenen die ontslapen zijn.
16 Want de Heer zelf zal met een geroep, met de stem des! Archangels en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel ; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan ;
17 Daarna wij die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heer te gemoet, in de lucht; en alzoo zullen wij altijd met den Heer wezen.
18 Zoo dan, vertroost elkander met deze woorden.
M HOOFDSTUK 5. aar van de tyden cn de gelegenheden, broeders, hebt gij niet van noode dat men u schrijft; HOOFDSTUK 5. aar van de tyden cn de gelegenheden, broeders, hebt gij niet van noode dat men u schrijft;
2 Want gij weet zeiven zeer wel, dat de dag d( s Heeren alzoo zal komen gelijk een dief in den nncht.
3 Want wanneer zü zullen zeggen: het is vrede, en zonder gevaar ; dan zal een haastig verderf hun overkomen.
geheel opregte freest, en liel, 1 cn ligrhaam worde onberispelijk bewnard in de toekomst onzes Heercn Jezus Christus.
2t Hij die u roept is getrouw, die het ook doen zal.
25 Broeder®, bidt voor ons.
Zit Groet al de broeders met CMien heiligen kus.
27 Ik bezweer ulieden bij den Heer, dat deze Zendbrief al den heiligen broederen gelezen worde.
28 De genade onzes Heeren Jezus Christus zy met ulieden. Amen.
IJl HOOFDSTUK 2.Jl HOOFDSTUK 2.
Ln wij bidden u, broeders, door de toekomst onzes Heeren Jezus Christus, en onze toevergadering tot hem,
2 Dat gij niet haastiglijk bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door Zendbrief als vnn ons [geichrr-ttfn], alsof de dag van Christus aanstaande fare.
3 Dat u niemand verleide in eenigerlei wijze; want [die Acomt ntrf] tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en (dn/) geopenbaard zij de ineisch der zonde, de zoon des verderfs ,
4 Die zich tegenstelt en verheft boven al wat God genoemd, of [nli God) geëerd wordt, alzoo dat hij in den Tempel Gods als een God zal zitten, zich zelven vertoonende dat hij God is.
5 Gedenkt gij niet, dat ik nog bij u zijnde u deze dingen gezegd heb ?
6 En nu wat (fcrm) weder-houdt weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigener tijd.
7 Want de verborgenheid der ongeregtigheid wordt alreeds gewrocht; alleenlijk die hem nu wederhoudt, (die zal hem tcederhouderi] totdat hij uit het midden zal [weggedaan] worden. -
8 En
DE TWEEDE ZENDBRIEF
VAN DEN
AAN DE
P HOOFDSTUK I. aulus en Silvanus en Ti-motheüs aan de gemeente der Thessalonicensen, HOOFDSTUK I. aulus en Silvanus en Ti-motheüs aan de gemeente der Thessalonicensen, [welke 5»] in God onzen Vader, en den lieer Jezus Christus;
2 Genade zij u, en vrede van God onzen Vader, cn den Heer Jezus Christus.
3 Wij moeten God allen tüd danken over u, broeders, gelijk billijk is, omdat uw geloof zeer wast, cn (dnij de liefde eens iegdijken van u allen, jegens elkander overvloedig wordt;
■t Alzoo dat wij zelven van u roemen in de gemeenten Gods over uwe lijdzaamheid en geloof, in al uwe vervolgingen en verdrukkingen die gij verdraagt ;
5 Een bewijs van Gods regt-vaardig oordeel, opdat gij waardig geacht wordt des Koningrijks Gods, voor hetwelk gij ook lydt;
6 Alzoo het regt is bij God verdrukking te vergelden dengenen die u verdrukken;
7 En u die verdrukt wordt, verkwikking met ons, in de openbaring des Heeren Jezus van den hemel met de Engelen zijner kracht •,
8 Met vlammend vuur, wraak doende over degenen die God niet kennen, en over degenen
VAN PAULUS Hoofdst. 5.
I die het Euangelium onzes Heeren Jezus Christus niet gehoorzaam zijn ;
9 Welke zullen [lt;olt;] straf lijden het eeuwig verderf, van het aangezigt des Heeren, en van de heerlykheid zijner sterkte ;
10 Wanneer hij zal gekomen zijn om verheerlijkt te worden in zijne heiligen, en wonderbaar te worden in allen die ge-looven (overmits onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in dien dag.
11 Waarom wij ook altyd bidden voor u, dat onze God u waardig achte der roeping, en vervulle al het welbehagen [tij\' nrr] goedigheid, en het werk des geloofs me\'; kracht;
12 Opdat de naam onzes Heeren Jezus Christus verheerlijkt worde in u, en gij in hem, naar de genade ons:es Gods, en des Heeren Jezus Christus.
Hoöfdst. 2. S. AAN Dfi tMESSALOJftCENSEK.
8 En alsdan zal de ongereg-tijfo geopenbaard worden, welken de Heer verdoen zal door den Geest ï\\jns «nonds, en te niete maken door de verschy-ning zijner toekomst;
9 [Hem, zeg ifc,] wiens toekomst is naar dc werking des satans, in alle kracht en teekenen, en wonderen der leugen,
10 En in alle verleiding der onregtvaardigheid in degenen die verloren Raan; daarvoor dat zij de liefde der waarheid uiet aangenomen hebben, om zalig te worden.
11 En daarom zal hun God «enden eene kracht der dwa-linpr, dat zij de leugen zouden gelooven;
lr2 Opdat zij allen veroordeeld worden die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongeregtigheid.
13 Maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u.
broeders, die van den Heer bemind zijt, dat u God van den beprinne verkoren heeft tot zaligheid, in heiliirmaking des Geestes, en geloof der heid;
It Waartoe Hij u geroepen heeft door ons Euan^elium, tot verkrnging der heerlijkheid on-zes Ileeren Jezus Christus.
15 Zoo dan, broeders, staat [toj/J, en houdt de inzettingen die u geleerd zijn, \'t zij door [on»] woord, \'t zy door onzen Zendbrief.
16 En onze Heer Jezus Christus zelf, en onze God en Vader die ons heeft liefgehad,
cn gejjeven heeft eene eeuwig vertroosting, cn goede hope ii genade,
17 Vertrooste uwe harten, en versterke u in alle goed woord en werk.
Y HOOFDSTUK 3. oorts, broeders, bidt voor ons, opdat het woord des Heeren [synen] loop hebbc, cn verheerlijkt worde gelijk ook bij u ; HOOFDSTUK 3. oorts, broeders, bidt voor ons, opdat het woord des Heeren [synen] loop hebbc, cn verheerlijkt worde gelijk ook bij u ;
2 En opdat wij mogen verlost worden van de onReschikte en booze menschcn; want het geloof is niet aller.
3 Maar de Heer is getrouw, die u zal versterken, en bewaren van den boozen.
2i8
4 En wg vertrouwert van u in den Heer, dat gij hetgeen wy u bevelen ook doel, en doen zult.
5 Doch de Heer rigte uwe harten tot de liefde Gods, en tot de lijdzaamheid van Christus.
6 En wij bevelen u, broeders, in den naam onzes Heeren Jezus Christus, dat gij u onttrekt van een iegelijk broeder die ongeregeld wandelt, en niet naar dc inzetting die hy van ms ontvangen heeft.
7 Want gij zeiven weet hoe nen ons behoort na te vol-jren; want wij hebben ons niet ongeregeld gedragen onder u;
8 Noch wij hebben geen brood bij iemand gegeten voor niet, maar in arbeid en moeite, nacht en dag werkende, opdat wij niet iemand van a zouden lasticr zlt;jn.
9 Niet dat wy de magt niet hebben, maar opdat wij ons zeiven u geven zouden (Jolt;) !en voorbeeld, om ons na te
■olgen.
10 Want ook toen wij bij u varen, hebben wij u dit bevolen, dat zoo iemand niet wil werken, hij ook niet etc.
11 Want wij hooren dat som-nijren onder u ongeregeld wandelen, niet werkende, maar ijdele dingen doende.
12 Doch de zoodanigen bevelen en vermanen wij door onzen Heer Jezus Christus, dat zy met stilheid werkende hun eijren brood eten.
13 En gij , broeders, vertraagt niet in goed te doen.
11 Maar indien iemand ons woord door dezen brief (jje-ichrevrn,] niet gehoorzaam is, teekent dien; en vermengt u niet met hem, opdat hij beschaamd word -,
15 En houdt [hrm] niet als eencn vijand, maar vermaant [Arm] als eencn broeder.
16 De Heer nu des vredes zelf geve u vrede allen tyd, in allerlei wijze. Pe Heer zij met u allen.
17 De groctenis met mync hand: iPanlus, \'t welk is een teeken in iederen Zendbrief; alzoo schrijf ik.
18 Dc genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen, Amen.
L 2 DE
|
244 1. ZENDBRIEF DE EERSTE ZENDBRIEF van den aan P HOOFDSTUK 1. nulus een Apostel van Jezus Christus, naar het bevel Gods 0n7.es Zaliffinakers, en de» Heeren Jezus Christus, l-iiej onze hoop [!»), HOOFDSTUK 1. nulus een Apostel van Jezus Christus, naar het bevel Gods 0n7.es Zaliffinakers, en de» Heeren Jezus Christus, l-iiej onze hoop [!»), 2 Aan Timotheüs [mijnm] oprekten zoon in \'t fjeloof; genade, barmhartiprheid, vrede z(j u van God onzen Vader, en Christus Jezus onzen Heer. 3 Gelijk ik u vermaand heb, dat pij te Efeze zoudt blijven, als ik naar Macedonië reisde, [ïoo vermaan ik hrl u nog,] opdat (?ij sommifren beveelt geene andere leer te leeren, 4 Noch zich te begeven tot fabelen en oneindelijke geslacht-rekeningen, welke meer (fu-iillvragen voortbrengen dan stichting Goda die in \'t geloof is. 5 Maar het einde des gebods is liefde uit een rein hart, en [«!lt;) eene goede oonsciëntic, en (uit] een ongeveinsd geloof, 6 Van welke sommigen afgeweken zijnde hebben zich gewend tot ijdelspreking; 7 Willende Leeraars der wet zyn, niet verstaande noch wat zij zeggen, noch wat zij bevestigen. 8 Doch wij weten dat de wet goed is, zoo iemand die wet-tiglijk gebruikt, 9 En hij dit weet dat den regt-vaardigen de wet niet is gezet, maar den ongeregtigen en den halsstarrigen, den goddeloozen en den zondaren, den onheili-gen en den ongoddelijken, den vadermoorders en den moeder-moorders, den doodslagers, 10 Den hoereerders, dien die bij mannen liggen, den menschen-dieven, den leugenaars, den meineedigen, en zoo er iets anders de gezonde leer tegen is, 11 Naar het Euangelium der |
VAN PAÜLÜ8 Hoofdat. 1, 1 heerlijkheid des zaligen Gods, dat mij toebetrouwd is. 12 En ik dank hem, die mij bekrachtigd heeft, [namWijA;] Christus Jezus onzen Heer, dat hij mij getrouw geacht heeft, (mijl in de bediening gesteld hebbende; 13 Die ik to voren een [Gorfo-] lasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetend gedaan heb in (mijne] ongeloovigheid; 14 Doch de genade onzes Heeren is zeer overvloedig geweest, met ?eloof en liefde, die daar is in Christus Jezus. 15 Dit is een getrouw woord, en aller aanr.eming waardig, dat Christus Jüzus in de wereld gekomen is cm de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamst: ben. 16 Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die dc voornaamste ben, al [zijne] lankmoedigheid zoude betoenen, tot een \\ oorbeeld dergenen die in hein gelooven zullen ten eeuwigen leven. 17 Den Koning nu der eeuwen, den ouverderfelijken, den onzienlijken, den alleen wijzen God, zi. eer cn heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 18 Dit gebod beveel ik u, [mijn] zoon Timotheüs, dat gü ■ naar dc profetitn die van u voorgegaan zijn, ;n dezelve den goeden strijd strijdt, 19 Houdende hut geloof, cn eene goede cousriëntie, welke sommigen verstouten hebbende van het geloof schipbreuk geleden hebben ; 20 Onder welke is Hymencüs en Alexander, die ik den satan overgegeven heb, opdat zij zouden leeren niet [meer] te lasteren. . HOOFDSTUK 2. 1 J.k vermaan dan voor alle dingen, dat gedaan worden smeekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen, voor alle mcnschen, 2 Voor Koningen, en allen die in hoogheid zijn, opdat wy een gerust tn stil leven leiden mogen in alle Godzaligheid, en cerbaï-rheid. 3 Want dat i? goed en aangc- |
|
lloofdst. 2, 3, 4. AAN TIM naam voor God onzen Zaligmaker , 4 Welke wil dat alle men-schen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen. 5 Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mcnschen, de mensch Christus Jezus, 6 Die zich zelven gegeven heeft [tot] een rantsoen voor allen, [zijnde] de getuigenis tot zijnen t\\jd; 7 Waartoe ik gesteld ben een Prediker en Apostel, (ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet) een Leeraar der Heidenen, in geloof en waarheid. 8 Ik wil dan dat de mannen bidden in alle plaatsen, opheffende heilige handen, zonden toorn en twisting. 9 Desffelijks ook dat de vrouwen in een eerbaar gewaad, met schaamte en matigheid zich zelve versieren, niet in vlechtingen [dtt hnnrt], of goud, of paarlen, of kostelijke kleedinp; 10 Maar (hetwelk de vrouwen betaamt die de (rodvruchtiff-heid belijden) door goede werken. 11 Eene vrouw late zich lee-ren in stilheid, in alle onder-danierheid. 12 Doch ik laat de vrouw niet toe dat zij leerc, noch over den man heersche, maar [tril] dat zij in stilheid zij. 13 Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva. 14 En Adam is niet verleid geworc\'.en, maar de vrouw verleid zijnde is in overtreding freweest. 15 Doch zg zal zalig worden in kinderen te baren, zoo zij blijft in het geloof, en liefde, en heiligmaking, met matigheid. D HOOFDSTUK 3. HOOFDSTUK 3. it is een getrouw woord, zoo iemand tot eens Opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk. 2 Een Opziener dan moet onberispelijk zijn, ééner vrouwe man, wakker: matig, eerbaar, gaarne herbergende, bekwaam om te leeren , 3 Niet genegen tot den wjjn, geen smijter, geen vuilgewin-xoeker, maar bescheiden, |
OTHEL\'S. 2t5 geen vechter, niet geldgierig; 4 Die zijn eigen huis Wel regeert, (iyn*l kinderen in onderdanigheid houdende , met alle stemmigheid, 5 (Want zoo iemand zijn eipen huis niet weet te repreren, hoe zal hij voor de gemeente Gods zors: dragen 7) C Geen nieuweling, opdat hij niet opgeblazen worde, en in \'t oordeel des duivels valle. 7 En hij moet ook cene goede getuigenis hebben van degenen die buiten zijn, opdat hij niet valle in smandheid, en [in] den strik des duivels. 8 De diakenen insgelijks [mo?-ten] eerbaar zijn, niet tweeton-gig, niet die zich tot veel wijn begeven, geen vuilgewinzoe-kers , 9 Houdende de verborgenheid des geloofs in eene reine ton- 10 En dat deze ook eerst beproefd worden, [en] dat zij daarna dienen, zoo zg onbe-strafielijk zijn. 11 De vrouwen insgelijkB [moffen] eerbaar [rijn], geene las-teraarsters, wakker, getrouw in alles. 12 Dat de Diakeneu ééner vrouwe mannen zijn. die [/iufine] kinderen en hunne eigene huizen wel regeren. 13 Want die wel gediend hebben verkrijgen zich zeiven eenen goeden opgang, en veel vrijmoedigheid in \'t geloof, hetwelk is in Christus Jezus. II Deze dingen schrijf ik u, hopende zeer haast tot u te komen\'; 15 Maar zoo ik vertoef, opdat t?ij moogt weten hoe men in \'t Huis Gods moet verkeeren, hetwelk is de gemeente des levenden Gods , een pilaar en vastigheid der waarheid. 16 En buiten allen twijfel de verborgenheid der Godzalijjheid is groot: God is geopenbaard in het vleesch, is geregtvaar-digd in den Geest, is gezien van de Engelen, is pepredikt onder de Heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid. D HOOFDSTUK 4. och de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot L 3 ver- HOOFDSTUK 4. och de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot L 3 ver- |
|
216 1. ZENDBRIEF Terleidende geesten, en leerin-pen der duivelen , 2 Door geveinsdheid der leugensprekers, hebbende hunne eigene consciëntie (nl») met een bramlgzer toeseschroeid, 3 Verbiedende te huwen, [ge-biedende] van spijzen te onthouden die God geschapen heeft tot nuttiging met dank-te{j?ing, voor de peloovi^en, en die de waarheid hebben bekend. 4 Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen 5 Want het wordt geheiligd door het woord Gods en [door] het frebed. 6 Als gij deze dingen den broe-dsren voorstelt, zoo zult gij een goed dienaar van Jezus Christus zijn, opgevoed in de woorden des geloofs en der poe-de leer, welke gij achtervolgd hebt. 7 Maar verwerp de ongoddelijke en oudwijfsche fabelen, en oefen u zeiven tot Godzaligheid ; 8 Want de ligchamelijke oefening is tot weinig nut; maar de Godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte des tegenwoordigen, en des toekomenden levens. 9 Dit is een getrouw woord, en aller aanneming waardig. 10 Want hiertoe arbeiden wij ook, en worden gesmaad omdat wij gehoopt hebben op den levenden God, die een behouder is aller menschen, [mnnr] allermeest der geloovigen. 11 Beveel deze dingen, en leer 12 Niemand verachte uwe jongheid ; maar zijt een voorbeeld der geloovigen, in het woord, in wandel, in liefde, in den geest, in geloof, in rei-nigheid. 13 Houd aan ün \'t lezen, in \'t vermanen, in \'t leeren, totdat ik kom. 14 Verzuim de gave niet die in u is, die u gegeven is door de profetie, met oplegging der handen des Ouderlingschaps. 15 Bedenk deze dingen, wees hierin [6rzi);], opdat uw toenemen openbaar zij in alles. 16 Heb acht op u zeiven, en op de leer ; volhard in deze. Want dat doende zult gy en u zelvea |
VAN PAULUS Hoofdst. 4, 5. behouden, en die u hooren. E HOOFDSTUK 5. enen ouden [mnn] bestraf niet hardelük, maar vermaan [Aem] als ccnen vader; de jongen, als broeders ; HOOFDSTUK 5. enen ouden [mnn] bestraf niet hardelük, maar vermaan [Aem] als ccnen vader; de jongen, als broeders ; 2 De oude [woutpen], als moeders ; de jonge, als zusters, in alle reinigheid. 3 Eer de weduwen, die waarlijk weduwen zün; 4 Maar zoo eenige weduwe kinderen heeft, of kindskinderen, dat die leeren eerst aan haar eigen huis Godzaligheid oefenen, en den voor-ouderen wedervergelding doen. Want dat is goed en aangenaam voor God. 5 Die nu waarlijk weduwe is, en alleen gelalen, die hoopt op God, en büjfl in smeekingen en gebeden nacht en dag; 0 Maar die haren wellust volgt, die is levende gestorven. 7 En beveel dit, opdat z\\j onberispelijk zijn 3 Doch zoo iemand de innen, en voornameliik nuis- genooten niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend, en is erger dan een ongeloo-vige. 9 Dat eene weduwe gekozen worde niet minder dan van zestig jaren, well\'.e ééns mans vrouw geweest zg , 10 Getuigenis lebbende van goede werken ; zoo zij kinderen opgevoed heeft, zoo zij [gaarne] heeft geherbergd, zoo zij der heiligen voeten heeft ge-wasschen, zoo tij den verdrukten genoegzame hulp gedaan heeft, zoo zij alle goed werk nagetracht heeft. 11 Maar de jonge weduwen neem niet aan; want als zij weelderig geworden zyn tegen Christus, zoo willen zij huwen; 12 Hebbende Jhnnr] oordeel, omdat zij (ftonrj eerste geloof hebben ie niete gedaan. 13 En meteen ook leeren zy ledig omgaan bij de huizen ; en zijn niet alleen \'ledig, maar ook klapachtig, en dingen doende, sprekende \'t geen niet betaamt. 14 Ik wil dan dat de jonge [trrduurn] huwen, kinderen telen, het hu?« regeren, geene oorzaak van lastering aan de wederparty gf ven; |
|
Hoofdst. 5. 6. AAN Tn alreeds afgewend achter den ■atan. 16 Zoo eenig geloovi^ [man] of peloovige ffrouuf] weduwen heeft, dat die haar prenoegzame hulp doe, en dat de gemeente niet bezwaard worde, opdat zij degenen die waarlijk weduwen zijn genoegzame hulp doen moge. 17 Dat de Ouderlingen die wel regeren dubbele eer waardig geacht worden, voornamelijk die arbeiden in woord en leer. 18 Want de Schrift zegt; eenen dorschenden os zult gij niet muilbanden. En : de arbeider is zijn loon waardig. 19 Tegen eenen Ouderling neem geene beschuldiging.nan, anders dan onder twee of drie getuigen. 20 Die zondigen, bestraf in tegenwoordigheid van allen, opdat ook de anderen vrees mogen hebben. 21 Ik betuig voor God, en den Heer Jezus Christus, en de uitverkorene Engelen, dat gij deze dingen onderhoudt zonder vooroordeel, niets doende naar toegenegenheid. 22 Leg niemand haastiglijk de handen op, noch heb geene gemeenschap aan anderer zonden ; bewaar u zeiven rein. 23 Drink niet langer water [nHcrn], maar gebruik een weinig wijns, om uwe maag en uwe menigvuldige zwakheden. 21 Vansommigenmenschenz.jn de zonden te voren openbaar, en ^aan vóór tot (hunnr) ver-oordeeiing, en in sommigen ook volden zij na. 25 Desgelijks ook de goede werken zijn te voren openbaar, en dat:r het anders mede gelegen is, kunnen niet verborgen worden. D HOOFDSTUK 6. e dienstknechten, zoo velen als er onder het juk zijn, zullen hunne heeren alle eer waardig achten, opdat de naam Gods en de leer niet gelasterd worde. HOOFDSTUK 6. e dienstknechten, zoo velen als er onder het juk zijn, zullen hunne heeren alle eer waardig achten, opdat de naam Gods en de leer niet gelasterd worde. 2 En die geloovige heeren hebben, zullen hen niet verachten, omdat zü broeders zijn; maar zullen hen te meer dienen, omdat zij peloovig en geliefd zijn, als die dezer weldaad rOTHEUS. 217 |
mede deelachtig zyn. Leer en vermaan deze dingen. 3 Indien iemand eene andere leer leert, en niet overeenkomt met de gezonde woorden onzes Heeren Jezus Christus, en met de leer die naar de Godzaligheid is, 4 Die is opgeblazen, en weet niets, maar hij raast omtrent [/«.•i«t]vragen en woordenstrijd, uit welke komt nijd, twist, lasteringen, kwade nadenkingen, 5 Verkeerde krakeelingen van menschen die een verdorven verstand hebben, en van de waarheid beroofd zijn. meenen-de dat de Godzaligheid een gewin zij. Wnk af van dezulken. 6 Doch de Godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging. J Want wij hebben niets in de wereld gebragt, \'t is openbaar dat wij ook niet kunnen iets daar uit dragen; 8 Maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd zijn. 9 Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking en [in] den strik, en (in) vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de menschen doen verzinken in verderf en onderffang. 10 Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende zyn afgedwaald van het geloof, en hebben zich zelven met vele smarten doorstoken. 11 Maar gij, o mensch Gods, vlied deze dingen, en jaag naar geregtigheid, Godzaligheid, geloof, liefde, lydzaamheid, zachtmoedigheid. 12 Strijd den goeden strijd des ^eloofs ; grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen. 13 Ik beveel u voor God, die alle ding levend maakt, en (roor] Christus Jezus, die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft, 11 Dat gij dit gebod houdt, onbevlekt [fn] onberispelük, tot op de verschijning onzes Heeren Jezus Christus, 15 Welke te zijner tijdvertoo-nen zal de zalige en alleen mag-tige Heer, de Koning der koningen, en Heer der heeren, L 4 1« Die |
|
2i8 II. ZENDBRIEI 16 Die alleen onsterfelijkheid heeft, en een ontoegankelijk licht bewoont; welken geen mensch gezien heeft, noch zien kan ; welken cy eer en eeuwige kracht. Amen. 17 Den rijken in deze tegenwoordige wereld beveel dat zij niet hoogmoedig zijn, noch (Aunnr] hope stellen oji de ongestadigheid des rijkdoms, maar op den levenden God, die ons alle dingen rijkel^k verleent om te genieten ; 18 Dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken, gaarne mededeelende zgn, (en) gemeenzaam ; 19 Leggende zich zeiven weg tot eenen schat een goed fondament tegen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen. 20 O Timotheüs, bewaar hec pand [ti] toebetrouwd, eenen afkeer hebbende van het ongoddelijk ijdel roepen, en van de tegenstellingen der valsche-lijk genoemde wetenschap; 21 Welke sommigen voorgevende, zijn van het geloof afgeweken. De genade zij met u. Amen. DE TWEEDE ZENDBRIEF van den aan P HOOFDSTUK 1. aulus een Apostel vnn Jezus Christus, door den wil Gods, naar de belofte des levens dat in Christus Jezus is, HOOFDSTUK 1. aulus een Apostel vnn Jezus Christus, door den wil Gods, naar de belofte des levens dat in Christus Jezus is, 2 Aan Timotheüs, [mijnen) geliefden zoon; genade, barmhartigheid, vrede zij [u), van God den Vader, en Christus Jezus onzen Heer. 3 Ik dank God, dien ik dien van [mijne) voorouderen aan in eene reine consciëntie, gelijk ik zonder ophouden uwer gedachtig ben in mijne gebeden nacht en dag; 4 Zeer begeerig zijnde om n te zien, als ik gedenk aan uwe tranen, opdat ik moge met blijdschap vervuld worden; |
5 Als ik mij in gedachtenis breng het ongeveinsde geloof dat in u is, hetwelk eerst ge-\' VAN PAULUS Hoofdst. h woond heeft in uwe grootmoeder Loïs, en uwe moeder Eunice; en ik ben verzekerd dat het ook in u [tcoonf). 6 Om welke oorzaak ik u indachtig maak dat gij opwekt de gave Gods, die in u is door de oplegging myner handen. 7 Want God heeft ons niet gegeven eenen geest der vreesachtigheid, maar der kracht, en der liefde, en der gematigdheid. 8 Schaam u dan niet der getuigenis onzes Heeren, noch mijns, die zijn gevangene ben ; maar lijd verdrukkingen met het Euangelium naar de kracht Gods, 9 Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met eene heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jerus vóór de tg-den der een wet ; 10 Doch nu geopenbaard is door de verschiming onzes Zaligmakers Jezut. Christus, die den dood heeft te niete gedaan, en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebragt door het Euangdiuni; 11 Waartoe ik gesteld ben een Prediker, en een Apostel, en een Leeraar der Heidenen ; 12 Om welke oorzaak ik ook deze dingen lijd, maar word niet beschaamd. Want ik weet wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd dat hij i lagtig is mijn pand bij [Aem) weggelegd te bewaren tot dien dag. 13 Houd het voorbeeld der gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in geloof en liefde die in Christus Jezus is. 14 Het goede pand dat [u] toebetrouwd is, oewaar door den Heiligen Geest, die in ons woont. 15 Gy weet dit dat allen die in Azië zijn, zich van my afgewend hebben ; onder welke is Phygellus en Hermogenes. 16 De Heer geve het huis van Onesiphorus barmhartigheid; want nij heeft mij dikmaal» verkwikt, en heeft zich myner keten niet gesrhar.md ; 17 Maar als hij te Rome gekomen was, heeft hy mij zeer naarstiglijk gezocht, en heeft (»nij) gevonden. 18 De Heer geve hem dat hü barmhartigheid vinde by den Heer, |
|
Hoofdst. 1,2, 3. AAN TIM Heer, in dien dag; en hoe veel hü (mij] te Efeze gediend heeft weet gij zeer wel. G HOOFDSTUK 2. ij dan, mijn zoon, word gesterkt in de genade die in Christus Jems is. HOOFDSTUK 2. ij dan, mijn zoon, word gesterkt in de genade die in Christus Jems is. 2 En \'t geen gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, betrouw dat n.m getrouwe menschen, welke bekwaam zullen zijn om ook anderen te leeren. 3 Gg dan, lijd verdrukkingen, als een goed krijgsknecht van Jezus Christus. 4 Niemand die in den krijg dient wordt ingewikkeld in de handelingen des leeftogts, opdat hij dien ino^en behave die [Aem] tot den krijg aangenomen heeft; 5 En indien ook iemand strijdt, die wordt niet gekroond, zoo hij niet wettiglijk heeft gestreden. 6 De landman als hij arbeidt, moet alzoo eerst de vruchten genieten. 7 Merk hetgeen ik zeg ; doch de Heer geve u verstand in alle dingen. 8 Houd in gedachtenis dat Jezus Christus uit de dooden is opgewekt, welke is uit het zand Davids, naar mijn Euan-gclium, 9 Om hetwelk ik verdrukkingen lijd tot de banden toe, als een kwaaddoener; maar het woord Gods is niet gebonden. 10 Daarom verdraag ik alles om de uitverkorenen, opdat ook zj de zaligheid zouden verkrijgen, die in Christus Jezus is, met eeuwige heerlijkheid. 11 Dit is een getrouw woord; want indien wij met [hem] ge-atorven zijn, zoo zullen wij ook met [fcern] leven; 12 Indien wij verdragen, wij zullen ook met (hem ] heer-schen; indien wij [Arm 1 verloochenen, hij zal ons ook verloochenen ; 13 Indien wij ontrouw zijn, hg blgft getrouw; hij kan zich zeiven niet verloochenen. 14 Breng deze dingen in gedachtenis, en betuig voor den Heer, dat zy geenen woordenstrijd voeren, (\'t welk] tot geen ding nut (U, rfnn] tot verkec-ring der toehoorders. |
OTHEUS. 2» 15 Benaarstig u om u zeiven Gode beproefd voor te stellen, eenen arbeider die niet beschaamd wordt, die het woord der waarheid regt snijdt. 16 Maar stel u tegen het ongoddelijk ydel roepen ; want zij zullen in meerdere goddeloosheid toenemen , 17 En hun woord sal voorteten gelijk de kanker; onder welke is Hymeneüs en Phile-tus, 18 Die van de waarheid zijn afgeweken, zeggende dat de opstanding alreeds geschied is ; en verkeeren sommiger geloof. 19 Evenwel het vaste fondament Gods staat, hebbende dit zegel: de Heer kent degenen die de zijnen zyn , en : een iegelijk die den naam van Christus noemt, sta af van on-geregtigheid. 20 Doch in een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en narden [vnfrn], en sommige ter eere, maar sommige ter 21 Indien dan iemand zich zeiven van dezen reinigt, die zal een vat zijn ter eere, sjeheiliird en bekwaam tot gebruik des Heeren, tot alle goed werk toebereid. 22 Maar vlied de begeerlijkheden der jongheid, en jaag na regtvaardigheid, geloof, liefde, vrede met degenen die den Heer aanroepen uit een rein hart. 23 En verwerp de vragen die dwaas en zonder leering zijn, wetendedatzij twistingenvoort-brengen. 24 En een dienstknecht des Heeren moet niet twisten, maar vriendelijk zijn jegens allen, bekwaam om te leeren, («il die de kwaden kan verdragen ; 25 Met zachtmoedigheid onderwijzende degenen die tegenstaan, of hun God t\' eeniger tijd bekeering gave tot erkentenis der waarheid , 26 En zij wederom ontwaken mogten uit den strik des duivels, onder welken zij gevangen waren tot zijnen wil. E HOOFDSTUK 3. n weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. HOOFDSTUK 3. n weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. L 5 2 Want |
|
250 ZENDBRIEF1 2 Want de menschen zullen lijn liefhebbers van rich rel-ven, peldgierifr, laatdunkend, hoovaardi^, lasteraars, den ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, 3 Zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, achterklappers, onmatig, wreed, zonder liefde tot de poeden , 4 Verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods ; 5 Hebbende eene pedaante van Godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben. Heb ook eenen afkeer 6 Want van dezen zijn \'t die in de huizen insluipen, en nemen de vrouwkens gevanjren die met zonden beladen zijn, en door inenif»erlei begeerlijkheden gedreven worden ; 7 [Vro\\iwken$] die altijd lee-ren, en nimmermeer tot kennis der waarheid kunnen ko- 8 Gelijkerwijs nu Jannes en Jambres Mozes tegenstonden , alzoo staan ook deze de waarheid tegen; menschen verdorven zynde van verstand, verwerpelijk aangaande het geloof; 9 Maar zij zullen niet meerder toenemen ; want hunne uitzinnigheid zal allen openbaar worden, gelijk ook gener geworden is. 10 Maar gij hebt achtervolgd mijne leer, wijze van doen, voornemen, sreloof, lankmoedigheid , liefde, lijdzaamheid, 11 [Mijn*] vervolgingen, [mijn] lijden, zulks als my overgekomen is in Antiochië, in Iko-nië, (r/i) in Lystre ; hoedanige vervolgincen ik geleden heb, en de lieer heeft mij uit alle verlost. 12 En ook allen die Godzalig-lijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd 13 Doch de booze menschen en bedriegers zullen tot erger voortgaan, verleidende en wordende verleid. U Maar blijf gij in \'t geen gij geleerd hebt, en (tennrvon) u verzekering gedaan is, wetende van wien gij het geleerd hebt, |
IS En dat gij van kinds af de rAN PAULÜS Hoofdst. 3, 4. heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof hetwelk in Christus Jezus is. Ï6 Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de regtvaardigheid is; 17 Opdat de mensch Gods volmaakt zij , tot alle goed werk volmaaktelyk toegerust. |
Ik betuig dan voor God en den Heer Jezus Christus, die de levenden en dooden oor-deelen zal in zijne verschgning en in zijn Koningrijk ;
2 Predik het n-oord; houd aan tijdelijk, ontijdelyk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lanktnoedigoeid, en leer.
3 Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen ; maar ketelachtig zijnde vat gehoor zullen zij zich zei ven leeraars opgaderen naar hunne eigene begeerlijkheden ,
4 En zullen [fcun] gehoor van de waarheid afwenden, en zullen zich keeren tst fabelen.
5 Maar gij wees wakker in alles, lijd verdrukkingen, doe het werk van een Euangelist, maak dat men van uwtn dienst ten volle verzekerd zij
6 Want ik word nu tot een drank-offer geofferd, cn de tijd mijnerontbindingü aanstaande.
7 Ik heb den goeöen strijd gestreden, ik heb den loop ee-eindigd, ik heb he; geloof behouden ;
8 Voorts is mij weggelegd de kroon der regtvaardigheid, welke mij de Heer, de regtvaar-dige Regter, in dien dat» geven zal ; en niet alleen mij, maar ook allen die zijne verscnijning liefgehad hebben.
9 Benaarstig u haastiglgk tot mij te komen ;
10 Want Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld lief gekregen, en is naar Thessalonika gereisd ; Crescens naar Gt-latië, Titus naar Dalmatië.
|
HooAlst. 1. AAN quot; 13 Den reismantel dien ik te Troas bij Karpus gelaten heb, breng mede als gü komt, en de boeken, inzonderheid de perkamenten. 14 Alexander de kopersmid heeft m\\j veel kwaads betoond ; de Heer vergelde hem naar zijne werken ; 15 Van welken wacht u gij ook ; want hij heeft onze woorden zeer tegengestaan. 16 In myne eerste verantwoording is niemand hij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten. Het worde hun niet toegerekend. 17 Maar de Heer heeft mij bijgestaan, en heeft mij bekrachtigd, opdat men door mij ten volle zoude verzekerd zijn van de prediking, en alle Heidenen [drxelve] zouden hooren; en ik ben uit den muil des leeuws verlost; 18 En de Heer zal mü verlossen van allé boos werk, en bewaren tot zijn hemelsch Koningrijk ; welken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 19 Groet Prisca en Aquila, en het huis van Onesiphorus. 20 Erastus is te Korinthe gebleven, en Trofimus heb ik te Milete krank gelaten. 21 Benaarstig u om vóór den winter te komen. U groet Eubulus, en Pudcus, en Linus en Claudia, eu al de broeders. 22 De Heer Jezus Christus zij met uwen geest. De genade zij met ulieden. Amen. DE ZENDBRIEF VAN DEN P HOOFDSTUK 1. aulus een dienstknecht Gods en een Apostel van Jezus Christus, naar het geloof der uitverkorenen Gods, en de kennis der waarheid die naar de Godzaligheid is, HOOFDSTUK 1. aulus een dienstknecht Gods en een Apostel van Jezus Christus, naar het geloof der uitverkorenen Gods, en de kennis der waarheid die naar de Godzaligheid is, 2 In de hope des eewigen levens, welke God, die niet liegen kan, beloofd heeft vóór de tijden der eeuwen, maar geopenbaard heeft te zijner tgd ; 3 [iVamWijfe) zijn woord, door de prediking die mij toebe« ?ITUS. 251 |
trouwd is, naar het bevel Gods onzes Zaligmakers ; aan Titus [mijnra] opregten zoon naar het gemeene geloof; 4 Genade , barmhartigheid, vrede zij [m], van God den Vader, en den Heer Jezus Christus, onzen Zalicrmaker. 5 Om die oorzaak heb ik u in Kreta gelaten, opdat gij hetgeen dat [nop) ontbrak voorts zoudt te regt brengen, en [rtr/t] •rij van stad tot stad zoudt Ouderlingen stellen, gelijk ik u bevolen heb; 6 Indien iemand onberispelük is, ééner vrouwe man, geloo-vige kinderen hebbende, die niet te beschuldigen zijn van overdadigheid, of ongehoorzaam zijn. 7 Want een Opziener moet onberispelijk zijn, als een huisverzorger Gods, niet cifrenzin-nig, niet genegen tot toornigheid, niet genegen tot den wijn, geen smijter, geen vuil-gewinzoeker; 8 Maar die gaarne herbergt, die de goeden liefheeft, matig, regtvaardig, heilig, kuiich, 9 Die vasthoudt aan het getrouwe woord dat naar de leer is, opdat hij magtig zij beide om te vermanen door dt gezonde leer, en om de tegensprekers te wederleggen. 10 Want er zijn ook vele on-geregelden, ijdelheidsprekers, en verleiders van zinnen, inzonderheid die uit de Besnijdenis zijn; 11 Welken men moet den mond stoppen; die geheele huizen verkeeren, leerende wal niet behoort, om vuil gewins wil. 12 Een uit hen, zgnde hun eigen Profeet, heeft gezegd : de Kretensen zyn altijd leugenachtig, kwade beesten, luije buiken. 13 Deze getuigenis is waar. Daarom bestraf hen scherpc-lijk, opdat zij gezond mogen zijn in \'t geloof, 14 En zich niet begeven tot Joodschc fabelen, en geboden der menschen die (Afn) van de waarheid afkeeren. 15 Alle dingen zijn wel rein den reinen, maar den bevlekten en ongeloovigen is geen ding rein, maar beide hun verstand en consciëntie ziju be- |
|
252 ZENDBRIEF 16 Zij belijden dat zij God kennen, maar zij verloochenen [Hgt;m] met de werken, alzoo zij frruwelijkiyn en ongehoorzaam, en tot alle goed werk ondeugende. D HOOFDSTUK 2. och gij, spreek hetgeen de gezonde leer betaamt: HOOFDSTUK 2. och gij, spreek hetgeen de gezonde leer betaamt: 2 Dat de oude mannen nuch-teren zijn, ateminig, voorzig-tig, gezond in \'t geloof, in de liefde, in de lijdzaamheid. 3 De oude vrouwen iuBgelijks dat zij in (Anrf) dragt zijn gelijk den heiligen betaamt, dat zij geene lasfcraarstern zijn, zich niet tot veel wijns begevende, (monr) Iceraressen zijn van het goede; •t Opdat zij de jonge [crouwrn] leeren voorzigtig te zijn, hare mannen lief te hebben, hare kinderen lief te hebben, 5 Matig te zijn, kuisch te zijn, \'t huis te bewaren, goed te zijn, haren eigenen mannen onderdanig te zijn, opdat het woord Gods niet gelasterd worde. 6 De jonge [mn/iurn] insgelijks vermaan dat zij matig zijn. 7 Betoon u zeiven in alles een voorbeeld van goede werken; in de leer [hrloon] onver-valschtheid, deftigheid, op-regtheid; 8 Het woord gezond, [^u] on-rerwerpelijk, opdat degene iie daartegen is beschnauid ivorde, en niets kwaads hebbe tan ulieden te zeggen. 9 De dienstknechten [rer-mnnn] dat zij hunnen eigenen heeren onderdanig zijn, dat zij in alles welbehagelijk zijn, niet tegensprekende, 10 Niet onttrekkende, maar alle goede trouw bewijzende; opdat zij de leer Gods onzes Zaligmakers in alles mogen versieren. 11 Want de zaligmakende genade Gods is verschenen allen menschen, 12 En onderwijst ons, dat wij de goddeloosheid en de we-reldsche begeerlijkheden verzakende, matiglijk, en regt-vaardiglijk, en Godzaliglijk leven zouden in deze tegenwoordige wereld; 13 Verwachtende de zalige ope, en verschijning der |
VANPAULUS Hoofdst. I 2.3. heerlijkheid des grooten Gods en onzes Zaligmakers Jezus Christus, M Die zich zeiven voor ons gegeven heeft, opdat hy ons zoude verlossen van alle onge-regtigheid, en zich zeiven een eigen volk zoude reinigen, ijverig in goede werken. 15 Spreek dit, en vermaan, cn bestraf met allen ernst. Dat niemand u verachte. Y HOOFDSTUK 3. ermaan hen dat zij den Overheden en Magten onderdanig zijn, dat zij [/mn] gehoorzaam zijn, dat zij tot al\'.e goed werk bereid zijn, HOOFDSTUK 3. ermaan hen dat zij den Overheden en Magten onderdanig zijn, dat zij [/mn] gehoorzaam zijn, dat zij tot al\'.e goed werk bereid zijn, 2 Dat zij nicmund lasteren, geen vechters zijn, [mrmr] bescheiden zyn, alle zachtmoedigheid bewijzende jegens alle menschen. 3 Want ook wij waren eertijds onwi;s, ongehoorzaam, dwalende, menigerlti begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde [?nj elkander hatende. 4 Maar wanneer de goedertierenheid Gods onzes Zaligmakers, en (zijne] liefde tot de menschen, verschenen is, 5 Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der regt-vaardigheid die wij gedaan hadden, maar naar zijne barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte, en vernieuwing des Heiligen Geestes, 6 Welken hij over ons rijkelijk heeft uitgegoten door Jezus Christus onzen Zaligmaker, 7 Opdat wij geregtvaardigd zijnde door zijne genade, erfgenamen zouden worden naar de hope des eeuwigen levens. 8 Dit is een getrouw woord, en deze dingen wil ik dat gij ernstiglijk bevestigt, opdat degenen die aan God gelooven, zorg dragen om goede weiken voor te staan ; deze dingen zijn het die goed en nuttig zijn den menschen. 9 Maar wedersta de dwaze vragen en geslacht-rekeningen, en twistingen, en strijdingen over de wet; wai.t zij zijn onnut en ijdel. 10 Eenen ketierf-ohen mensch verwerp na de eerste en tweede vermaning, |
|
11 Wetende dat de zoodanige verkeerd is, en zondigt, zijnde bij zich zelven veroordeeld. 12 Als ik Artemas tot u zal zenden, of Tychikus, zoo be-naarstig u tot mij te komen te Nikopolis; want aldaar heb ik voorgenomen te overwintè- 13 Zenas den Wetgeleerden, en Apollos geleid zorgvul-diglijk, opdat hun niets ont-breke. 14 En dat ook de onzen lee-ren goede werken voor te staan tot noodig gebruik, opdat zij niet onvruchtbaar zijn. 15 Die met mij zijn frroeten u allen. Groet hen die ons liefhebben in \'t geloof. De genade zij met u allen. Amen. DE ZENDBRIEF 1 aulus een gevangene van Christus Jezus, en Timo-theüs de broeder, aan Philemon den geliefden, en onzen mede-arbeider, 2 En aan Appia de geliefde, en aan Arrhippus onzen medestrijder, en aan de gemeente die ten uwen huize is ; 3 Genade zij ulieden en vrede, van God onzen Vader, en den Heer Jezus Christus. 4 Ik dAnk mijnen God, uwer altüd gedachtig zijnde in mijne gebeden ; 5 Alzoo ik hoor uwe liefde, en geloof, hetwelk gij hebt aan den Heer Jezus, en jegens al de heiligen; 6 Opdat de gemeenschap uws geloofs krachtig worde in de bekendmaking alles goeds, hetwelk in ulieden is door Christus Jezus. 7 Want wij hebben groote vreugde en vertroostin? over uwe liefde, dat de ingewanden der heiligen verkwikt zijn geworden door u, broeder. 8 Daarom hoewel ik groote vrijmoedigheid heb in Christus om u te bevelen hetgeen betamelijk is, 9 Zoo bid ik lnogtan$] liever door de liefde, daar ik zooda-gevangene van Jezus Christus. |
10 Ik bid u [rfnn] voor mijnen zoon, welken ik in mijne banden heb geteeld, InamelijkJ Onesimus, 11 Die eertijds u onnut was\' maar nu u en mij zeer nuttig; welken ik wedergezonden heb. 12 Doch gij, neem hem, dat is, mijne ingewanden, [weiler] aan ; 13 Welken ik wel had willen bij mij behouden, opdat hij mij voor u dienen zoude in de banden des Euangeliuuis; 14 Maar ik heb zonder uw goedvinden niets willen doen, opdat uwe goeddadigheid niet zoude zijn als naar bedwang, maar naar vrijwilligheid. 15 Want veelligt is hij daarom voor eenen kleinen tijd (rmi u] gescheiden geweest, opdat gij hem eeuwig zoudt weder hebben ; 16 (iVu) voortaan niet als een dienstknecht, maar meer dnn een dienstknecht, I ntmirUjk] een treliefden broeder, inzonderheid mij, hoe veel meer dan u, beide in het vleescb, en in den Heer? 17 Indien gij mij dan houdt voor eenen mèdgezel, zoo neem hem aan gelijk als mij. 18 En indien hij u iets verongelijkt heeft, of schuldie is, reken mij dat toe. 19 Ik Paulus heb het geschreven met deze myne hand, ik zal \'t betalen ; opdat ik u niet zegge , dat gij ook u zelven mij daartoe schuldig zijt. 20 Ja, broeder, laat mij uwer (fctfrin) genieten in den Heer; verkwik mijne ingewanden in den Heer. 21 Ik heb aan u geschreven, vertrouwende op uwe gehoorzaamheid ; en ik weet dat gy doen zult ook boven hetgeen ik zeg. 22 En bereid mij ook te gelijk eene herberg; want ik hoop dat ik door uwe gebeden ulieden zal geschonken worden. 23 IJ groeten Epafras mijn mede-gevangene in Christus Jezus, 24 Markus, Aristarchus, De-mas, Lukas, mijne mede-arbeiders. 25 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met uwen geest. Amen. L 7 DE |
|
25t ZENDBRIEF DE ZENDBRIEF VAX DEN AAN DE G HOOFDSTUK 1. od voortijds veelmaal, en op velerlei wijze, tot de vaderen pfesprokon hebbende door de Profeten, heeft in deze laatste da^en tot ons gesproken door den Zoon, HOOFDSTUK 1. od voortijds veelmaal, en op velerlei wijze, tot de vaderen pfesprokon hebbende door de Profeten, heeft in deze laatste da^en tot ons gesproken door den Zoon, 2 Welken Hij gesteld heeft tot een erfgenaam van alles, door welken Hij ook de wereld gemaakt heeft. 3 Welke alzoo hij is het afschijnsel [tijiirr] heerlijkheid, en het uitsedrukte beeld r.gner zelfstandigheid, en alle dingen dra.isrt door het woord zgner kracht, nadat hij de reinigma-king onzer zonden door zich zeiven te weeg gebragt heeft, is gezeten aan de legterihnnd] der Majesteit in de hoogste Ihemelcn] ; 4 Zoo veel treffel ijker geworden dan de Engelen, als hij uitnemender naam boven hen geërfd heeft. 5 Want tot wien van de Engelen heeft Hij ooit gezegd ■ gij zijt mijn Zoon. heden heb Ik u gegenereerd ? En wederom : Ik zal hem tot een Vader zijn, en hij zal Mij tot een Zoon zijn ? 6 En als Hij wederom den eerstgeborenen inbrengt in de wereld, zegt Hij : en dat alle Engelen Gods hem aanbidden. 7 En tot de Engelen zegt Hij wel : die zijne Engelen maakt geesten, en zijne dienaars eene vlam des vuurs ; 8 Maar tot den Zoon [xept Wijl; uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de schepter uws Koningrijks is een regte schcpter. 9 Gij hebt regtvaardigheid liefgehad, en ongeregtigheid gehaat; daarom heeft u, o God, uw God gezalfd met olie der vreugde boven uwe mede-genooten. 10 En : Gij Heer, hebt in den beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken uwer baaden. |
fAN PAULUS Hoofdst. 1, 2. 11 Dezelve zullen vergaan, maar Gy blijft altgd ; en zü.zul-len alle als een kleed verouden, 12 En als een dekkleed zult Gij hen ineen rollen, en zy zullen veranderd worden; maar Gn zijt dezelfde, en uwe jaren zullen niet ophouden. 13 En tot welken der Engelen heeft Hij ooit gezegd: zit aan mijne regteT[Annr{], totdat Ik uwe vijanden zal gezet hebben tot eene voetbank uwer voeten ? 14 Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden om derge-nen wil die de zaligheid beërven zullen ? D HOOFDSTUK 2. aarom moet en wij ons te meer houden aan hetgeen [rnn om] gehoord is, opdat wij niet t\' eenigir tijd doorvloeijen. HOOFDSTUK 2. aarom moet en wij ons te meer houden aan hetgeen [rnn om] gehoord is, opdat wij niet t\' eenigir tijd doorvloeijen. 2 Want indien het woord door de Engelen gesproken vast is geweest, en alle overtreding en ongehoorzaamheid regtvaardige vergelding ontvangen heeft, 3 Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zoo groote zaligheid geen acht nemen? welke begonnen zijnde verkondigd te worden door den Heer, aan ons bevestigd h geworden van degenen die [Atm] gehoord hebben, 4 God bovendien mede getuigende door teekenen en wonderen, en menigerlei krachten, en bedeelingen de:. Heiligen Geestes, naar zijnen wil. 5 Want Hg heeft den Engelen niet onderworpen de toekomende wereld, van welke wij spreken ; 6 Maar er heeft iemand ergens betuigd, zeggende : wat is de mensch dat Gij zijner gedenkt ? of des menschen Zoon dat Gij hem bezoekt ? 7 Gy hebt hem een weinig minder gemaakt dan de Engelen ; met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekreond, en Gij hebt hem gesteld ever de werken uwer handen. 8 Alle dingen hebt Gij onder zijne voeten onderworpen. Want daarin dat Hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets «uitgelaten dat hem niet onderwerpen zij ; doch nu tien wg nog niet dat hem |
|
Hoofdst. 2. 3. AAN DE J alle dingen onderworpen xijn ; 9 Maar wij zien Jezu* met heerlijkheid en eer gekroond, die een weinig minder dan de Engelen geworden was, van wege \'t lijden des doods; opdat hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zoude. 10 Want het betaamde Hem, om welken alle dingen zijn, en door welken alle dingen zijn, dat Hij vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den Oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zouden heiligen. 11 Want en hij die heiligt, en zg die geheiligd worden , zijn allen uit édn; om welke oorzaak hij zich niet schaamt hen broeders te noemen, 12 Zeggende: ik zal uwen naam mijnen broederen verkondigen; in het midden der gemeente zal ik U lofzingcn. 13 En wederom : ikquot; zal mijn vertrouwen op Hem stellen. En wederom: zie daar, ik «n de kinderen die mij God gegeven heeft. l-t Overmits dan de kinderen des vleosches en bloeds deelachtig zijn, zoo is hij ook desgelijks derzelver deelachtig geworden, opdat hij door den dood te niete doen zoude dengenen die het geweld des doods had, dat is, den duivel; 15 En verlossen zoude al degenen die met vrees des doods door al (fctin) leven der dienstbaarheid onderworpen waren. 16 Want waarlijk Hij neemt de Engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan ; 17 Waarom hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat bij een barmhartig en een getrouwe Hoogepriester zoude zijn in de dingen die bij God [(e dom waren], om de zonden des volks te verzoenen. 18 Want in hetgeen hii zelf verzocht zijnde.\'geleden heeft, kan hij degenen die verzocht worden, te hulp komen. H HOOFDSTUK 3. ierom, heilige broeders, die der hemelsche roeping deelachtig zijt, aanmerkt den Apostel en Hoogepriester onzer belijdenis Christus Jezus , HOOFDSTUK 3. ierom, heilige broeders, die der hemelsche roeping deelachtig zijt, aanmerkt den Apostel en Hoogepriester onzer belijdenis Christus Jezus , 2 Die getrouw is dengenen |
IEDREEN. 255 die hem gesteld heeft, gelyk ook Mozes in geheel zijn huis was. 3 Want deze is zoo veel meerder heerlijkheid waardig geacht dan Mozes, als degene die het huis gebouwd heeft, meerder eer heeft dan het huis. 4 Want een ieder huis wordt van iemand gebouwd ; maar die dit alles gebouwd heeft, is God. 5 En Mozes is wel getrouw geweest in geheel zijn huis, als een dienaar, tot getuiging der dingen die [dnnma] gesproken zouden worden ; 6 Maar Christus als de Zoon over zijn eigen huis; wiens huis wij zijn, indien wij maar de vrnmoedigheid, en den roem der hope tot het einde toe vast behouden. 7 Daarom gelijk de Heilige Geest zegt: heden indien gy zijne stem hoort, 8 Zoo verhardt uwe harten niet, gelijk [hrt gnchied i»] in de verbittering, quot; ten dage der verzoeking, in de woestijn ; 9 Alwaar Mij uwe vaders verzocht hebben ; zij hebben Mg beproefd, en hebben mijne werken gezien veertig jaren lang. 10 Daarom was Ik vertoornd over dat geslacht, en sprak : altijd dwalen zy met het hart, en zij hebben mijne wegen niet gekend. 11 Zoo heb Ik dan gezworen in mynen toorn: indien zij in mijne rust zullen ingaan. 12 Ziet toe, broeders, dat niet t\' eeniger tijd in iemand van u zij een boos ongeloovig hart, om af te wijken van den levenden God ; 13 Maar vermaant elkander alle dagen, zoo lang als het Heden genoemd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde. 11 Want wij zyn Christus deelachtig geworden, zoo wij anders het beginsel dezes vasten gronds tot het einde toe vast behouden, 15 Terwijl er gezegd wordt: Heden indien gg zijne stem hoort, zoo verhardt jwe harten niet, gelijk in de verbittering {gnchxed t»J. 16 Want sommigen als zij die gehoord hadden, hebben [//rm] verbitterd, doen niet allen die |
ZENDBRIEF VAN PAÜLUS Hoofdst. 3. 4. 5.
256
|
die uit Egypte door Mozes uitgegaan zijn. 17 Over welke nu is Hij vertoornd peweest veertig jaren ? Was \'t niet over degenen die gezondigd hadden, welker lig-cbamen gevallen zijn in de woestijn ? 18 En welken heeft Hij gezworen, dat zij in zijne rust niet zouden ingaan, anders dan dengenen die ongehoorzaam geweest waren ? 19 En wij zien dat zij niet hebben kunnen ingaan van wege (fcun) ongeloof. aat ons dan vreezen, «lat niet t\' eeniger tijd, de belofte van in zijne rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijnc achtergebleven te zgn. 2 Want ook ons is het Euan-gelium verkondigd, gelijk als hun ; maar het woord der prediking deed hun geen nut, de-wgl het met het geloof niet gemengd was in degenen die het gehoord hebben. 3 Want wij die geloofd hebben gaan in de rust, gelijk Hij gezegd heeft: zoo heb Ik dan gezworen in mijnen toorn : indien zü zullen ingaan in mijne rust; hoewel [tijne] werken van de grondlegging der wereld af al volbragt waren. ■t Want Hij heeft ergens van den zevenden [dnq] aldus gesproken : en God heeft op den zevenden dag van al zijne werken gerust. 5 En in dezequot; [plaat$] wederom : indien zij in mgne rust zullen ingaan. 6 Dewijl dan blijft, dat sommigen in dezelve [ru»t] ingaan, en degenen dien het Euange-lium eerst verkondigd was, niet in?egaan zijn van wege de ongehoorzaamheid , 7 Zoo bepaalt Hij wederom eenen zekeren dag, Inamelijk] Heden, door David zeggende zoo langen tijd daarna (gelij-kerwijs gezegd is) : Heden indien gij zgne stem hoort, zoo verhardt uwe harten niet. 8 Want indien Jozua hen in^de rust gebragt heeft, zoo had hij daarna niet gesproken van eenen anderen dag. 9 Er blijft dan eenc rust over voor het volk Gods. |
10 Want die ingegaan is in zgne rust, die heeft zelf ook van zijne werken gerust, gelijk God van de zijne. 11 Laat ons dan ons benaarstigen om in die rust in te gaan; opdat niet iemand in datzelfde exempel der onge-loovitrheid valle. 12 Want het woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan eenig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeeling der ziel en des geestes, en der zamenvoegse-len, en des mergs, en is een oordeeler der gedachten en der overleggingen des harten; 13 En er is geen schepsel on-zigtbaar voor Hem; maar alle welken wij te doen hebben. 14 Dewijl wij dan eenen groo-ten Hoogepriester hebben, die door de hemelen doorgegaan is, [iiamelijk] Jezus den Zoon Gods, zoo laat ons deze belijdenis vasthouden. 15 Want wij hebben geenen Hoogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, [tfocA) zonder zonde. 16 Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan to : den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tyd. . , ant alle Hoogepriester uit de menschen genomen wordt gesteld voor de menschen in de zaken die bij God (lt;e doen zijn], opdat hij offere gaven en slagt-otferen voor de zonden; 2 Die behoorlijk medelijden kan hebben met de onwetenden en dwalenden, overmits hij ook zelf met zwakheid omvangen is; 3 En om dezelve [zu-nkheid] wil moet hij, gelijk voor het volk, alzoo ook vjor zich zeiven, offeren voor de zonden. 4 En niemand neemt zich zei-ven die eer aan, maar die van God geroepen wordt, gelijker-wijs als Aaron. 5 Alzoo ook Christus heeft zich zeiven niet verheerlijkt |
|
Hoofdst. 5, 6. AAN DE E om Hoo^epriester te worden, maar die tot hem gesproken heeft: gij lijt mijn Zoon, heden heb Ik u gegenereerd. 6 Gelijk Hij ook in eene andere [pinntt] zegt: gij ïijt Priester in der eeuwigheid naar de ordening Melchizedeks. 7 Die ia de dagen «ü1quot; vlee-sches gebeden en smeekingen tot dengenen die hem uit den dood konde verlossen met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vrees, 8 Hoewel hij de Zoon was, [nogfont] gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen hg heeft geleden ; 9 En geheiligd zijnde is hij allen die hem gehoorzaam zijn eene oorzaak der eeuwige zaligheid geworden; 10 En is van God genoemd een Hoo^epriester naar de ordening Melchizedeks. 11 Van welken wij hebben vele dingen, en zwaar om te verklaren, te zeggen; dewijl gij traag om te hooren geworden züt. 12 Want gij, daar gij Leeraars behoordet te zijn van wege den tijd, hebt wederom noodig dat men u leere welke de eerste beginselen zijn der woorden Gods ; en gij zjjt geworden (nt»] die melk noodig hebben, en niet vaste spijs. 13 Want een iegelijk die der melk deelachtig is, die is onervaren in het woord der gereg-tigheid; want hij is een kind. li Maar der volmaakten is de vaste spijs, die door de gewoonheid de zinnen geoefend hebben, tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads. |
[EBREEN. 257 weeat zgn, en de hemelsche gave gesuiaakt hebben , en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, 5 En gesmaakt hebben, het goede woord Gods, en de krachten der toekomende eeuw 6 En afvallig worden, [dtf, zeg ifc,] wederom te vernieuwen tot bekeering, als welke zich zeiven den Zoon Gods wederom kruisigen en openlijk te schande maken. 7 Want de aarde die den regen menigmaal op haar komende indrinkt, en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen door welke zij ook gebouwd wordt, die ontvangt zegen van God; 8 Maar die doornen en diste-len draagt, die is verwerpelijk, en naby de vervloeking, welker einde is tot verbranding. 9 Maar, geliefden, wij verzekeren ons van u betere dingen, en met de zaligheid gevoegd, hoewol wij alzoo spreken. 10 Want God is niet onregt-vaardig, dat Hij uw werk zoude vergeten, en den arbeid der liefde, die gij aan zijnen naam bewezen hebt, nis die de heiligen gediend hebt en (noj;} dient; 11 Maar wij begeeren dat een iegelijk van u dezelfde naarstigheid bewijze tot de volle verzekerdheid der hope, tot het einde toe; 12 Opdat gij niet traag wordt, maar navolgers zgt dergenen die door geloof en lankmoedigheid de beloftenissen be- 13 Want als God aan Abraham de belofte deed, dewyl Hij bij niemand die meerder was had te zweren, zoo zwoer Hy bij zich zeiven, 14 Zeggende: waarlijk, zegenende zal Ik u zegenen, en vermenigvuldigende zal Ik u vermenigvuldigen. 15 En alzoo lankmoediglijk verwacht hebbende, heeft hjj de belofte verkregen. 16 Want de menschen zweren wel bij den meerderen [don x\'xj lijn], en de eed tot bevestiging is denzelven een einde van alle tegenspreking. 17 Waarin God willende den erfgenamen der beloftanis over-vloediglgker bewijzen de onveranderlijkheid clin? raads, it met |
D HOOFDSTUK 6. aarom nalatende het beginsel der leer van Christus, laat ons tot de volmaaktheid voortvaren ; niet wederom leggende het fondament van do bekeering van doode werken, en van het geloof in God, HOOFDSTUK 6. aarom nalatende het beginsel der leer van Christus, laat ons tot de volmaaktheid voortvaren ; niet wederom leggende het fondament van do bekeering van doode werken, en van het geloof in God,
|
258 ZENDBRIEF 1 met eenen eed daartusschen gekomen, 18 Opdat wij door twee onveranderlijke dingen, in welke het oninogelük is dat God liege, eene sterke vertroostin!» zouden hebben, [tpy namelijk] die de toevlugt penomen hebben, om de voorgestelde hope vast te houden, 19 Welke wij hebben als een anker der ciel, hetwelk zeker en vast is, en ingaat in het binnenste des voorhangsels, 20 Daar de voorlooper, voor ons, is ingegaan, (nnmïlijfcj Jezus, naar de ordening Melchi-zedeks een Hoogepriester geworden zjjnde in der eeuwigheid. |
rAN PAULUS Hoofdat. 6, 7. 8 En hier nemen wel tienden de menschen die sterven, maar aldaar [neemt xej die van welken getuigd wordt dat hij leeft; 9 En , om zoo te spreken, ook Levi, die tienden neemt, heeft door Abraham tiende gegeven ; 10 Want hij was nog in de lendenen des vaders, als hem Melchizedek te gemoet ging. 11 Indien dan nu de volkomenheid door \'t Levitische Priesterschap ware, (want onder hetzelve heeft het volk de wet ontvangen) wat nood was het nog, dat een andere Priester naar de orden ng Melchi-zedeks zoude opstaan, en die niet zoude gezegd worden te zijn naar de ordening Aarons ? 12 Want het Priesterschap veranderd zijnde, zoo geschied er ook noodzakelijk verandering der wet. 13 Want hij, op wicn deze dingen gezegd worden, behoort tot eenen anderen stam, van welken niemand zich tot het altaar begeven heeft. 14 Want het is openbaar, dat onze Heer uit Judu gesproten is, op welken stam Mozcs niets gesproken heeft van het Priesterschap. 15 En ((/if) is nog veel meer openbaar, zoo er n »ar de ge-lykenis van Melchizedek een ander Priester opstar t, 16 Die (rfilt;) niet naar de wet des vleeschelijken gehods ia geworden, maar naar Ie kracht des onvergankelijken levens. 17 Want Hij getuigt; gij znt Priester in der eeuwigheid naar de ordening Melchizedek». 18 Want de vernietiging des voorgaanden gebods geschiedt om deszelfs zwakheids en onprofijtelijkheids wil; 19 Want de wet heeft geen ding volmaakt, maar de aanleiding van ecne betere hope, door welke wy tot God genaken ; 20 En voor zoo ve jl het niet zonder eedzwering (i» ijetchieil]; (want genen zyn •vel zonder eedzwering Priesters geworden ; 21 Maar deze met sedzwering, door dien die tot hem gezegd heeft: de Heer \'leeft gezworen, en het zal F.em niet berouwen ; gij zijt Priester in der ceu- |
W HOOFDSTUK 7. ant deze Melchizedek was Koning van Salem, een Priester des Allerhoogsten Gods, die Abraham te gemoet ging als hy wederkeerde van het slaan der Koningen, en hem zegende; HOOFDSTUK 7. ant deze Melchizedek was Koning van Salem, een Priester des Allerhoogsten Gods, die Abraham te gemoet ging als hy wederkeerde van het slaan der Koningen, en hem zegende;
|
Hoofdst. 7, 8, 9. AAN DE ] eeuwigheid naar de ordening Melchizedeks.) 22 Van een zoo veel beter verbond is Jezua borg geworden ; 23 £ngenen zijn wel vele Priesters geworden, omdat zij door den dood verhinderd werden altijd te blijven ; 21 Maar deze, omdat hg in der eeuwigheid blgft, heeft een onvergankelijk Priesterschap ; 25 Waarom hij ook volkomen-lijk kan zalig maken degenen die door hem tot God gaan , alzoo hij altijd leeft om voor Len te bidden. 26 Want zoodanig een Hooge-pricster betaamde ons, heilig, onnoozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hooger dan de hemelen geworden ; 27 Dien het niet alle dagen noodig was, gelijk den Hoo^e-priesters, eerst voor zijne eigene zonden slagt-offeren op teof-feren, daarna (eoor de tonden] des volks; want dat heeft hij éénmaal gedaan, nis hij zich zelven opgeofferd heeft. 28 Want de wet stelt tot Hoo-eepriesters menschen die zwakheid hebben ; maar het woord der eedzwerin?, die naar de wet is [yevolyd, ilell] den Zoon, die in quot;der eeuwigheid geheiligd is. D HOOFDSTUK 8. e hoofdsom nu der dingen waarvan wij spreken is, HOOFDSTUK 8. e hoofdsom nu der dingen waarvan wij spreken is, [dat] wij hebben zoodanigen Hoogepriester, die gezeten in aan de r ;gter[ftnnd) des troont der Majesteit in de hemelen ; 2 Een bedienaar des Ileilig-doms, en des waren Tabernakels, welken d« Heer heeft op-gerisft, en geen niensch. 3 Want een iegelijk Hoogepriester wordt gesteld om gaven en slagt-offeren te offeren; waarom het noodzakelijk wax dat ook deze wat had, dat hij zoude offeren. 4 Want indien hij op aarde ware, zoo zoude hij zelfs geen Priester zijn, dewijl er Priesters zijn die naar de wet gaven offeren , 5 Welke het voorbeeld en de schaduw der hemelsche dingen dienen, gelgk Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand |
was, als hü den Tabernakel volmaken zoude. Want zie, zegt Hij, dat gij het alles maakt naar de afbeelding die u op den berg getoond is. 6 En nu heeft hij zoo veel uit-nemender bediening gekregen, als hij ook eens beteren ver-bonds Middelaar is, hetwelk in betere beloftenissen bevestigd is. 7 Want indien dat eerste [rcr-botidj onberispelijk geweest ware, zoo zoude voor het tweede geen plaats gezocht geweest 8 Want (fc»n] berispende zegt Hij tot hen zie de dagen komen, spreekt de Heer, en Ik zal over het huis van Israel en over het huis van Juda een nieuw verbond opristen , 9 Niet naar het verbond dat Ik met hunne vaderen gemaakt heb ten dage als Ik hen bij de hand nam, om hen uit Egyp-teland te leiden ; want zij zijn in dat mijn verbond niet gebleven, en Ik heb op hen niet geacht, zegt de Heer. 10 Want dit is het verbond, dat Ik met het huis Israels maken zal na die dagen, zegt de Heer; Ik zal mijne wetten in hun verstand geven, en in hunne harten zal Ik die inschreven ; en Ik zal hun tot een God zijn, en zg zullen Mg tot een volk zijn. 11 En zij zullen niet, leeren een iegelijk zijnen naasten, en een iegelijk zijnen broeder, zeggende : ken den Heer ; want zij zullen Mg allen kennen van den kleinen onder hen tot den grooten onder hen. 12 Want Ik zal hunne onge-regtigheden genadig zijn, en hunne zonden en hunne overtredingen zal Ik geenszins meer gedenken. 13 Als Hg zegt. een nieuw [tiïrfcond], zoo heeft Hij het eerste oud gemaakt; dat nu oud gemaakt is en veroudert, is nabij de verdwijning Z HOOFDSTUK 9. oo had dan wel ook het eerste [rer6ond] regten van den [Goddienst, en het wereldlijk heiligdom. HOOFDSTUK 9. oo had dan wel ook het eerste [rer6ond] regten van den [Goddienst, en het wereldlijk heiligdom. 2 Want deTabernakel was toebereid , (jiomttljfcJ do eerste, in welken wa» de kandelaar, en de tafel, ea de toonbrooden w«lke |
|
880 ZENDBRIEF welke genoemd wordt het Heilige , 3 Maar achter het tweede voorhangsel was de Tabernakel, genoemd het Heilige der heiligen , 4 Hebbende een gouden wierookvat, en de Ark des ver-bonds alom met goud overdekt, in welke was de gouden kruik, daar het Manna in was, en de staf Aarons, die Rebloeid had, en de tafelen des ver-bonds; 5 En boven over deze Mrfc] waren de Cherubinen der heerlijkheid, die het verzoendeksel beschaduwden ; van welke dingen wij n-i van stuk tot stuk niet zullen zeggen. 6 Deze dingen nu aldus toebereid zijnde, zoo gingen wel de Priesters in den eersten Tabernakel t\' allen tyde, oui de (Gorf«]dien8ten te volbrengen ; 7 Maar in den tweeden (Tn-hernnkel ginq] alleen de Hoo-gepriester éénmaal des jaars, niet zonder bloed, hetwelk hij offerde voor zich zeiven cn [roorj des volks misdaden ; 8 [Wnnrmede] de Heilige Geest dit beduidde, dat de weg des Heiligdoms nog niet openbaar gemaakt was, zoo lang de eerste Tabernakel nog stand had, 9 Welke was eene afbeelding voor dien tegenwoordigen tijd ; in welken gaven en slagt-offeren geofferd werden die dengenen die den dienst pleegde, niet konden heiligen naar de consciëntie ; 10 [neitnnnde] alleen in spijzen, en dranken, en verscheidene wasschingen, cn rept-vaardigmakin^en des vleesches tot op den tijd der verbetering opgelegd. 11 Maar Christus de Hooge-priester der toekomende goederen gekomen zijnde, is door den meerderen en volmaakte-ren Tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel, 12 Noch door het bloed der bokken en kalveren, maar door zijn eigen bloed, ëdnmaal ingegaan in het Heiligdom, eene eeuwige verlossing te weeg ge-bragt hebbende. 13 Want indien het bloed der ■tieren en bokken, en de asch der jonge koe besprengende de |
VAN PAULUS Hoofdst. 9quot; onreinen, [Am] heiligt tot de reinigheid des vleesches, 14 Hoe veel te meer zal het bloed van Christus, die door den eeuwigen Geest zich zeiven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, uwe consciëntie reinigen van doode werken, om den levenden God te dienen ? 15 En daarom is hij de Middelaar des Nieuwen Testaments, opdat de dood [danrluischen] gekomen zijnde, tot verzoening der overtredingen die onder het eerste Testament waren, degenen die geroepen zijn de beloftenis der eeuwige erve ont-vanpren zouden. 16 Want waar eer testament is, daar is het noodzaak dat de dood des testaiaentmakers Ltu(fchra]kome. 17 Want een testament is vast in de dooden, dewijl het nog geene kracht heef;:, wanneer de testamentmaker leeft; 18 Waarom ook het eerste niet /onder bloed :s ingewijd. 19 Want als al de geboden naar de wet van Mozes tot al \'t volk uitgesproken waren, nam hij het bloed dür kalveren en bokken, met watiïr, en purperen wol, en hyzop, bespreng-de beide het boek zelf, en al het volk, 20 Zeggende : dit is het bloed des Testaments, hetwelk God aan ulieden heeft geboden. 21 En hij besprengc e desgelijks ook den Tabernakel, en al de vaten van den (Lenst met het bloed. 22 En alle dingen worden bijna door bloed gereinigd naar de wet, en zonder bloedstorting geschiedt geene vergeving. 23 Zoo was het dan noodzaak dat wel de voorbeeldingen der dingen die in de hemelen zijn, door deze dingen gereinigd werden; maar de hemelsche dingen zelve door betere offeranden dan deze. 24 Want Christus is niet in-ge-raan in het Heiligdom dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld des waren, maar in den hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezigt Gods voer ons ; 25 Noch ook opdat hij zich zelven dikmaals zoude opofferen, gelijk de Hoogepriester alle jaar in het Heiligdom ingaat met vreemd aloed; |
|
26 (Anders had hij dikmaala moeten Igden van de E»rondier-ping der wereld af) maar nu is hij éénmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde te niete te doen door zijns zelfs offerande. 27 En gelijk het den menschen gezet is éénmaal te sterven, en daarna het oordeel, 28 Alzoo ook Christus éénmaal geofferd zijnde om veler zonden weg te nemen, zal ten anderen mnal zonder zonde gezien worden van degenen die hem verwachten tot zaligheid. W HOOFDSTUK 10. ant de wet, hebbende eene schaduw dor toekomende goederen, niet het beeld zelf der zaken, kan met dezelfde offeranden, die zij alle jaren geduriglijk opofferen, nimmermeer heiligen degenen die daar toepaan. HOOFDSTUK 10. ant de wet, hebbende eene schaduw dor toekomende goederen, niet het beeld zelf der zaken, kan met dezelfde offeranden, die zij alle jaren geduriglijk opofferen, nimmermeer heiligen degenen die daar toepaan. 2 Anderzins zouden zij opgehouden hebben geofferd te worden, omdat degenen die den dienst pleepden geene consciëntie meer zouden hebben der zonden, éénmaal gereinigd geweest zynde. 3 Maar [nu getch\\edl\\ in de zelve alle jaren weder gedachtenis der zonden. 4 Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme. 5 Daarom komende in de wereld zegt hij : slagt-offer cn offerande hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt mij hetligchaam toebereid ; 6 Brand-offeren en [offer] voor de zonde hebben U niet behaagd. 7 Toen üprak ik : zie ik kom, (in het begin des hoeks is van my geschreven) om uwen wil te doen, o God. 8 Als hü te voren gezegd had : slagt-offer, en offerande, en brand-offers, en [offer] voor de zonde hebt gy niet pewild, noch hebben IJ niet behaagd (welke naar de wet geofferd worden) 9 Toen sprak h\\j: zie ik kom om uwen wil te doen, o God. Kg neemt het eerste weg om het tweede te stellen. 10 In welken wil wij geheiligd tün door de offerande des lig-chaams van Jezus Christus éénmaal [geichied]. |
11 En een iegelijk Priester stond wel alle dagen dienende, en dezelfde slagt-offeren dik-maals offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnc- 12 Maar deze een slagt-offer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwipheid peze-ten aan de regterffc/inrf] Gods ; 13 Voorts verwachtende totdat zijne vijanden gesteld worden tot eene voetbank zgner voeten. l-l Want met ééne offerande heeft hij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden. 15 En de Heilige Geest getuigt het ons ook. 16 Want nadat hij te voren gezegd had : dit is het verbond dat Ik met hen maken zal na die dagen, zegt de ileer: Ik zal mijne wetten geven in hunne harten, en Ik zal die inschrijven in hunne verstanden ; 17 En hunner zonden en hunner ongeregtighedeu zal Ik geenszins meer gedenken. 18 Waar nu vergeving derzel-ve is, daar is geene offerande meer voor de zonde. 19 Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in \'t Heiligdom door het bloed van Jezus. 20 Op eenen verschen en levenden weg, welken hi.i ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is (door] zyn vleesch ; 21 En [deirljl wij hehhen] er.nen grooten Priester over \'t Huis Gods, 22 Zoo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, (on-ze] harten gereinigd zynde van de kwade consciëntie, cn het ligchaam gewasschen zijnde met rein water; 23 Laat ons de onwankelbare belijdenis der hope [vn*t] houden ; (want die \'t beloofd heeft is getrouw) 2t En laat ons op elkander acht nemen, tot opschirping der liefde en der goede werken; 25 En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar [rtfcnnde;-] vernamen; en (dn/] zooveel te meer als gy ziet dat de dag nadert. 2\'5 Want |
ê6« ZENDBRIEF 1
36 Want ïoo wij willens *on-di^en, nadat wy de kennis der waarheid ontvangen hebben, zoo blijft er geen slagt-offer meer over voor de zonden;
27 Maar eene schrikkelijke verwachting des oordeels, en hitte des vuurs dat de tegenstanders zal verslinden.
28 Als iemand de wet van Mozes heeft te niete gedaan, die sterft zonder barmhartigheid onder twee of drie getuigen ;
29 Hoe veel te zwaardere straf meent gij zal hij waardig geacht worden, die den Zoon Gods vertreden heeft, en het bloed des Testaments onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, en den Geest der genade smaadheid heeft aangedaan ?
30 Want wij kennen Hem die gezegd heeft: mijne is de wraak, Ik zal \'t vergelden, spreekt de Heer. En wederom : de Heer zal zijn volk oordee-len.
31 Vreeselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods.
3J Doch gedenkt der vorige dagen , in welke nadat gij verlicht zijt geweest, gg veel strjjd des lijdens hebt verdragen ;
33 Ten deele, als gij door smaadheden en verdrukkingen een schouwspel geworden zijt; en ten deele, .als gü gemeenschap gehad hebt met degenen die alzoo gehandeld werden.
34 Want gij hebt ook over mijne banden medelijden gehad, en de rooving uwer goederen met blijdschap aangenomen, wetende dat gij hebt in u zeiyen een beter en blijvend goed in de hemelen.
35 Werpt dan uwe vrijmoedigheid niet weg, welke eene groote vergelding des loons heeft.
36 Want gij hebt lijdzaamheid noodig, opdat gij den wil Gods gedaan hebbende, de beloftenis moogt wegdragen.
37 Want nog een zeer weinig [(ijds, en] hij die te komen staat zal komen, en niet vertoeven.
38 Maar de regtvaardige zal uit het geloof leven; en zoo [iemand] zich onttrekt, mijne ziel heeft in hem geen behagen.
rAtf PAÜLUS Hoofdst. lO. U.
39 Maar wg zgn niet van degenen die zich onttrekken ten verderve, maar van degenen die gelooven tot behouding der ziel.
H HOOFDSTUK 11. et geloof nu is een vaste grond der dingen die men hoopt, [en] een bewijs der zaken die men niet ziet. HOOFDSTUK 11. et geloof nu is een vaste grond der dingen die men hoopt, [en] een bewijs der zaken die men niet ziet.
2 Want door hetzelve hebben de Ouden getuigenis bekomen.
3 Door het geloof verstaan wg dat de wereld door het woord Gods is toebereid ; al-zoo dat de dingen die men ziet, niet geworden zijn uit de diniren die gezien worden.
4 Door het geloof\' heeft Abel eene meerdere offerande Gode (jeofferd dan Kaïn, door welke hij getuigenis bekomen heeft dat hg r egt vaardig was, alzoo God over zijne gaven getuigenis gaf; en door hetzelfde [fje-loof] spreekt hij nog nadat hij gestorven is.
5 Door het gelocf is Enoch weggenomen geweest, opdat hij den dood niet zoude zien en hij werd niet gevonden, daarom dat hem Got weggenomen had ; want vócr zijne wegneming heeft hij ge-uigenis gehad dat hij Gode behaagde.
6 Maar zonder geloof is het onmogelijk [Gode] te behagen. Want die tot God komt, moet gelooven dat Hij is, en een belooncr is deigenen die Hem zoeken.
7 Door het geloof heeft No-ach door goddelijke aanspraak veimaand zijnde van de dingen die nog niet gezien werden, [en] bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot zijns huisirezins behoudenis ; door welke [nrfc] hij de wereld heeft veroordeeld, en is geworden een erfgenaam der regtvaardigheid die naar het geloof is.
8 Door het geloof is Abraham geroepen zijnde, gehoorzaam geweest om uit tlt;: gaan naar de plaats die hij tot een erfdeel ontvangen zoude ; en hij is uitgegaan niet wetende waar hij komen zoude.
9 Door het gelcof is hij een inwoner geweest in \'t land der belofte, als in een vreemd [tnnd], en heeft in tabernakelen gewoond me; Izaak en Jakob.
|
kob, die mede-erfgenamen wnren derzelfde belofte; 10 Want hij verwachtte de stad die fondamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is. 11 Door het ffcloof heeft ook Sara zelve kracht ontvanpen om zaad te jreven, cn boven den tyd {faiartj ouderdoms heeft zjj gebaard, overmits zij Hem getrouw heeft geacht die het beloofd had. 12 Daarom zijn ook van éënen, en dat eenen verstorvenen, (too velen] in menigte geboren als dc sterren des hemels, cn als het zand dat aan den oever der zee is, hetwelk ontal-lyk is. 13 Deze allen zyn in \'t geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, cn hebben beleden dat zij gasten cn vreemdelingen op de aarde waren. 14 Want die zulke dingen zeggen , betoonen klaarlijk dat zij een vaderland zoeken. 15 En indien zij aan dat [vo-derlnnd] gedacht hadden van hetwelk zy uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben om weder te keeren ; 16 Maar nu zgn zij begeerig naar een beter, dat is, naar het hemelsche. Daarom schaamt zich God hunner niet, om hun God genoemd te worden ; want Hij had hun eene stad bereid. 17 Door het geloof heeft Abraham als hg verzocht werd, Izaak geofferd, en hij, die de beloften ontvangen had, heeft (ïij»i«0 eeniggeborenen geofferd, 18 (Tot welken gezegd was; in Izaak zal u het zaad genoemd worden) overleggende dat God magtig was [fcem] ook uit dc dooden te verwekken ; 19 Waaruit hij hem ook bij gelijkenis wedergekregen heeft. 20 Door het geloof heeft Izaak (ïijne xot en] Jakob en Esau gezegend aangaande toekomende dingen. 21 Door het geloof heeft Jakob stervende een iegelgk der zonen Jozefs gezegend, en heeft aangebeden [iranfniif] op het opperste van zijnen staf. 22 Door het geloof heeft Jo- |
zef stervendequot;\' gemeld van den uitgang der kinderen Israels, cn heeft bevel gegeven van zyne gebeenten. 23 Door het geloof werd Mo-zes, toen hg geboren was, drie maanden lang van zijne ouders verborgen, overmits zij zagen dat het kindeken schoon was ; en zij vreesden het gebod des Konings niet. 2t Door het geloof heeft Mo-zes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Pharao\'s dochter genoemd te worden ; 25 Verkiezende liever met het volk Gods kwalijk gehandeld te worden, dan voor eenen tijd de genieting der zonde te hebben ; 26 Achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zgn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons. 27 Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niet vreezen-de den toorn des Konings. Want hij hield zich vast, als ziende den onzienlijken. 28 Door het geloof heeft hg \'t Pascha uitgerigt, en dc be-sprenging des bloeds, opdamp;t de verderver der eerstgeborenen hen niet raken zoude. 29 Door \'t geloof zijn zg de roode zee doorgegaan, als door het drooge; hetwelk de Egyptenaars (oofc) verzoekende, zgn verdronken. 30 Door het geloof zijn de muren van Jericho gevallen, als zij tot zeven dagen toe omringd waren geweest. 31 Door het geloof is Rachab de hoer niet omgekomen met de ongehoortamen, als zij de verspieders met vrede had ontvangen. 32 En wat zal ik nog (mc«rl zeggen ? Want de tijd zal mij ontbreken, zoude ik verhalen van Gideon, cn Barak, en Samson, en Jcftha, en David, en Samuel, en de Profeten; 33 Welke door het gelocf Koningrijken hebben overwonnen, geregtigheid geoefend, de beloftenissen verkregen, de muilen der leeuwen toegestopt, 31 De kracht des vuurs hebben uitgebluscht, de scherpte des zwaards zijn ontvloden, uit zwakheid krachten hebben gekregen, in den krijg sterk geworden zgn, hebben heirle-ger» |
264
|
Kers der vreemden op de vlugt f-ebragt; 35 De vrouwen hebben hare dooden uit de opstanding? (trlt;-rflt;rr]Kekregen ; en anderen zijn uitgerekt geworden, de (ann-gehodene] verlossing niet aannemende, opdat zij eene betere opstandin? verkrijsen zouden ; Sfi En anderen hei)hen bespottingen en peeselen beproefd, en ook banden en gevangenis, 37 Zijn gesteenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebrast, hebben gewandeld in schaapsvellen (en] in geite-vellen, verlaten, verdrukt, kwalijk prehandeld zynde, 38 (Welker de wereld niet waardig was) hebben in woestijnen pedoold, en [op] berpen, en [in] spelonken, en [in] de holen der aarde. 39 En deze allen hebbende door het geloof ^etuipenis gehad, hebben de belofte niet verkregen ; 40 Alzoo God wat beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden. HOOFDSTUK 12. _ _arom dan ook, alzoo wij zoo groot eene wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde die [ont] lig-telijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid loopen de loopbaan die ons voorgesteld is; 2 Ziende op den Oversten Leidsman, en voleinder des geloofs Jezus, welke voor de vreugd die hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de regter[fcnnlt;l] des troons Gods. 3 Want aanmerkt dezen die zoodanig een tegenspreken van de zondaren tegen zich heeft verdragen, opdat gy niet ver-flaauwt en bezwykt in uwe zielen. 4 Gij hebt nog tot den bloede toe niet tegengestaan, strgden-de tegen de zonde; 5 En gij hebt vergeten de vermaning, die tot u als tot zonen spreekt: mijn zoon, acht niet klein de kastnding des Heeren, noch bezwijk niet als gij van Hem bestraft wordt. 6 Wantdien de Heer liefheeft. |
9 Voorts wii hebben de vaders onzes vleescnes wel tot kastij-ders gehad, en wy ontzagen hen; zullen wij [i/on] niet veel meer den Vader der peesten onderworpen zijn, en leven ? 10 Want geene hebben [on») wel voor eenen korten tüd, naardat het hun goed dacht, gekastydt; maar deze kastijdt [ons] tot [oni] nut, opdat wij zijner heiligheid zouden deelachtig worden. 11 En alle kastijdintr, als die tegenwoordig is, schijnt gecne [zmfc] van vreugde, maar van droefheid te zyn ; doch daarna geeft zij van zich eene vreedzame vrucht der geregtigheid dengenen die docr dezelve geoefend zijn. 12 Daarom rigt weder op de trage handen en de slappe knicn; 13 En maakt regt» paden voor uwe voeten, opdat hetgeen kreupel is niet verdraaid worde, maar [«fn/] h«!t veel meer genezen worde. 14 Jaagt den vrtde na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heer zien zal; 15 Toeziende dat niet iemand verachtere van de genade Gods; dat niet eenige wortel der bitterheid opwaarts spruitende, beroerte make, en door dezelve velen ontreinigd worden. 16 Dat niet iemand zy een hoereerder, of een onheilige, gelijk Esau, die om ééne spys het regt van zijne eerstgeboorte weggaf. 17 Want gij wert dat hij ook daarna, de zegening willende beërven, verworpen werjl. Want hij vond gecne plaats des berouws, hoewel hy dezelve met tranen zocht. 18 Want gij zij; niet gekomen tot den tastelijken berg, en het ZENDBRIEF VAN PAULUS floofdst. 11.1« kastydt Hy, en Hg geeselt eenen iegelijken zoon dien h\\j aanneemt. 7 Indien gij de kastijdinc; verdraagt, zoo draagt zich God jegens u als zonen ; (want wat zoon is er dien de vader niet kastijdt?) 8 Maar indien pij zonder kastijding zijt, welker allen deelachtig zijn geworden, zoo zyt gij dan bastaarden, en niet zo- |
|
Hoofdst. 12, 13. AAN DE I heid, en duisternis, en on-weder, 19 En tot het ^cklank der b»-ïuin, en de stem der woorden; welke die ze hoorden, baden dat het woord tot hen niet meer zoude gedaan worden. 20 (Want zij konden niet dragen hetgeen daar geboden werd; indien ook een gedierte den berg aanraakt, het zal gestee-nigd, of met eenen pijl doorschoten worden. 21 En Mozes, zoo vreeselijk was het gezigt, zeide: ik ben gansch bevreesd en bevende.) 22 Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion, en de stad des levenden Gods, tot het hemel-sche Jeruzalem, en de vele duizenden der Engelen, 23 Tot de algemeene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen , die in de hemelen opgeschreven zijn , en tot God den Regter over allen, en de geesten der volmaakte regt-vaardigen , 21 En tot den Middelaar des Nieuwen Testaments Jezus, en het bloed der bes pr en ging . dat betere dingen spreekt dan Abel. 25 Ziet toe dat gij dien die spreekt niet verwerpt ; want indien deze niet zijn ontvloden, die dengenen verwierpen welke op aarde Goddelijke antwoorden gaf, veel meer (ruMrn] wg niet [ontelirifca], zoo wij ons van dien afkeeren die van de hemelen (it); 26 Wiens stem toen de aarde bewoog; maar nu heeft Hij verkondigd, zeggende: nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de narde, maar ook den hemel. 27 En dit [ipoorrf}: nog eenmaal , wijst aan de verandering der bewegelijke dingen, als welke gemaakt waren , opdat blijven zouden de dingen die niet bewegelijk zijn. 23 Daarom alzoo wij een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen , laat ons de genade [rn«f-l houden, door welke wij wel-behagelijk God mogen dienen, met eerbiediging en Godvruchtigheid. 29 Want onze God ii een verterend vuur. D HOOFDSTUK 13. at de broederlijke liefde HOOFDSTUK 13. at de broederlijke liefde blijve. |
IEBREËN. 265 2 Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend Engelen geherbergd. 3 Gedenkt den gevangenen alsof gij mede gevangen waart, (rn] dengenen die kwalijk gehandeld worden, alsof gij ook zeiven in \'t ligchaam (fcicn-lijk (jrhnnilfhl] waart. •t liet huwelijk [in] eerlijk onder alten , en het bed onbevlekt ; maar hoereerders en overspelers zal God oor-deelen. 5 [l/ti-J wandel zij zonder geldgierigheid ; en zijt vergenoegd met het tegenwoordige. Want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, noch Ik zal u niet verlaten. 6 Zoodat wij vrijmoediglijk durven zeggen : de Heer is mij een helper, en ik zal niet vreezen wat mij een meusch zal doen. 7 Gedenkt uwen voorgangeren , die u het woord God» gesproken hebben, («ij volgt hun geloof na , aanschouwende de uitkomst Ihunnfr] wandeling. 8 Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde eu in der eeuwigheid. 9 Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde leeringen. Want het is goed dat het hart gesterkt worde door genade, niet door spijzen, door welke geen nutti?hcid bekomen hebben die («innrin] gewandeld hebben. 10 Wij hebben een altaar, van hetwelk treen magt hebben te eten die den Tabernakel dienen; 11 Want welker dieren bloed voor de zonde gedragen werd in \'t Heiligdom door den Hoogepriester, derzelver lig-chamen werden verbrand buiten de legerplaats. 12 Daarom heeft ook Jezuc. opdat hy door zijn eigen bloed het volk zoude heiligen, buiten de poort geleden. 13 Zoo laat ons dan tol hem uitgaan buiten de legerplaats, zijne smaadheid dragende; 14 Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. 15 Laat ons dan door hem altijd Gode opofferen eene offerande des lofs, dat n, de M vrucht |
|
266 ALGEMEENE vrucht der lippen die zijnen nanm belijden. 16 En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaainheid niet; want aan zoodanige offeranden heeft God een welbehagen. 17 Zijt uwen voorgangeren gehoorzaam , en zijt hun onderdanig. Want zij waken voor uwe zielen , als die rekengrhap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde, en niet al zuchtende. Want dat is u niet nuttig. 18 Bidt voor ons; want wij vertrouwen dat wij eene goede consciëntie hebben, al» die in alles willen eerlijk wandelen. 19 En ik bid [u] te meer dat PÖ dit doet, opdat ik te eer-cler ulieden moge wedergegeven woiden. 20 De God nu des vredes, die den grooten Herder der schapen door het bloed des eeuwigen Testaments uit de doo-den heeft wedergebragt, (no-mrlijk) onzen Heer Jezus Christus, 21 Die volniake u in alle goed werk, opdat gij zijnen wil moogt doen , werkende in u hetgeen voor Hem welbehage-lijk is, door Jezus Christus, welken 7ij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 22 Doch ik bid u, broeder», verdraagt het woord dezer vermaning; want ik heb u in \'t kort geschreven. 23 Weet dat de broeder Ti-motheüs losgelaten is, met weikon (zoo hij haast komt) ik u zal zien. Groet al uwe voorgangeren, en al de heiligen. U groeten die van Italië zijn. 2.quot; De genade zij met u allen. Amen. DB ALGEMEENE ZENDBRIEF VAK DEN J HOOFDSTUK I. acobus een dienstknecht Gods en des Heeren Jezus Christus, den twaalf stammen die in de verstrooijing zijn , zaligheid. HOOFDSTUK I. acobus een dienstknecht Gods en des Heeren Jezus Christus, den twaalf stammen die in de verstrooijing zijn , zaligheid. |
ZENDBRIEF Hoofdst. 1. 2 Acht het voor groote vreugde, mijne broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt; S Wetende dat de beproeving uw« geloofs lijdzaamheid werkt. 4 Doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk, opdat gij moogt volmaakt zijn en geheel opregt, in geen ding gebrekkelijk. 5 En indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begeere, die een iegelijk mildelijk geelt en niet verwijt; eu zij zal hem gegeven worden. 6 Maar dat hij ze begeere in geloof, niet twijfelende; want die twijfelt is eene baar der zee gelijk, die van den wind gedreven en op en neder geworpen wordt. 7 Want die mensch meene niet dat hij iets ontvtingen zal van den Heer. 8 Een dubbelhartig man (gt;»1 ongestadig in al zijne wegen; \'J Maar de broeder die nederig is, roeme in zijne hoogheid , 10 En de rijke ir. zijne vernedering; want hij zal als eene bloem des gras voorbijgaan. 11 Want de zon is opgegaan met de hitte, en heeft het gras dor gemaakt, en zjne bloem is afgevallen, en de schoone gedaante haars nauschijns is vergaan ; alzoo zal ooi: de rijke in zijne wogen verwelken. 12 Zalig is de n.an die verzoeking verdraagt; want als hij beproefd zal geweest zijn, zoo zal hij de kroon des levens ontvangen, welke de Heer beloofd heeft dengenen dii hem liefhebben. 13 Niemand als hij verzocht wordt, zegge ; ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade , en Hij zelf verzoekt niemand. 14 Maar een iegelyk wordt verzocht als hij van zijne eigene begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt. 15 Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbande baart zonde ; en de zonde voleindigd zijnde baart den dood. 16 Dwaalt niet, mijne geliefde broeders. 17 Alle goede gave, en alle volmaakte gift is van boven, van den Vader der lienten afltomen-de, bij welken geen verande- ring |
|
Iloofdst. 1, 2 VAX JA rinj» is, of schaduw van omkcc- 18 Naar rijncü wil heeft Hij ons gebaard door het woord der waarheid, opdat wij ronden ïiin Mt] eerstelingen zijner Fcuepselen. 19 Zoo dan, mijne geliefde broeders, een iegelijk mensch zij ras om te hooren, traag om te spreken, traag tot toorn ; 2lt;) Want de toorn des mans werkt Gods geregtigheid niet. 21 Daarom afgelegd hebbende alle vuiligheid en overvloed van boosheid, ontvangt met zachtmoedigheid het woord dat in [v] geplant wordt, hetwelk uwe zielen kan zalig maken 23 En zijt daders dos woords, en niet alleen hoorders, u zei-ven met valsche overleggingen bedriegende. 23 Want zoo iemand oen hoorder is dos woords, en niet een dader, die is een man gelijk, welke zijn aangeboren aange-zigt bemerkt in eenen spiegel. 2t Want hij heeft zich zeiven bemerkt, en is weggegaan, en heeft terstond vergeten hoe-danig hij was. 25 Maar die inziet in de volmaakte wet, die der vrijheid is. en daarbij blijft, deze geen vergetelijk hoorder geworden zijnde, maar een dader des werks, deze (teir »A:] zal gelukzalig zijn in dit zijn doen. 2fi Indien iemand onder u dunkt dat hij Godsdienstig is, en zijne tong niet in toom houdt, maar zijn hart verleidt, dezes Godsdienst is ijdel. 27 De zuivere eu onbevlekte Godsdienst voor God en den Vader is deze : weezen en weduwen bezoeken in hunne verdrukking, [ml zich zolven onbesmet bewaren van de wereld. M HOOFDSTUK 2. ijne broeders, hebt niet het geloof onzes lïcoren Jezus Christus, HOOFDSTUK 2. ijne broeders, hebt niet het geloof onzes lïcoren Jezus Christus, [drs Hrerrn] der heerlijkheid, met aanne-mingen des persoon». 2 Want zoo in uwe vergadering kwam een man met eenen gouden ring aan den vinger, in eene sierlijke kleeding, en er kwam ook een arm man in met eene slechte kleeding; 3 En gij zoudt aanzien dengenen die de sierlijke kleeding |
COBUS. 267 draagt, en tot hem zeggen ; zit gij hier op eene eerlijke plaats ; en coudt zeggen tot don armen ■ sta gij daar; of- zit hier onder mijne voetbank ; 4 Hebt gij dan niet in u zei-ven een onderscheid gen.aakt, en zijt regters geworden van kwade overleggingen ? 5 Hoort mijne geliefde broeders, heeft God niet uitverkoren de armen «lezer wereld, [om] rijk (/f rijn] in hef geloof, en erfgenamen des Koningrijks, hetwelk Hij belooft dengenen die Hem liefhebben ? 6 Maar gij hebt den armer, oneer aangedaan. Overweldigen u niet de rijken, en trekken zij u [ni#/] tot de regterstoelen ? 7 Lasteren zij niet den goeden naam die over u aangeroepen is ? 8 Indien gij dan de Koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: gij zult uwen naasten liefhebben als ul zeiven, zoo doet gij wel; quot;J Maar indien gij den perpoon aanneemt, zoo doet gij zonde, on wordt van de wet bestraft als overtrederquot;. 10 Want wie de geheele wet zal houden, en ia één zal struikelen, die is schuldig geworden aan allen. 11 Want die gezegd heeft: gij zult geen overspel doen, die heeft ook ge/.ogd: gij zult niet dooden. Indien gij nu geen overspel zult doen, maar zult dooden, zoo zijt gij een overtreder der wet geworden. 12 Spreekt alzoo, en doet al-zoo, als die door de wet der vrijheid zult geoordeeld worden. 13 Want een onbarmhartig oordeel [znl ijnn*] over dengenen die geene barmhartigheid gedaan heeft ; en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel. U Wat nuttigheid 13 liet, mijne broeders, indien ienautl zegt, dat hij het geloof ace ft, en heeft de werken niet ? Kan dat geloof hem zalig maken ? 15 Indien er nu een broeder of zuster naakt zouden zijn, en gebrek zouden hebben van dagelijksch voedsel, 16 En iemand van u tot hen zoude zeggen- gaat henen in vrede, wordt warn, cur.-oivlt ver- |
|
268 ALGEMEENE ZAlt;ligd; en gijlieden roudt hun niet geven de nooddruftigheden des ligrhaauis, wat nuttigheid is dat ? 17 Alzoo ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zirh zeiven dood. 18 Maar zal iemand zeggen : gij hebt het geloof, en ik heb ile werken ; toon mij uw geloof uit uwe werken, en ik zal u uit mijne werken mijn geloof 19 Gij gelooft dat God een eenig [God] is : gij doet wel; de duivelen gelooven het ook, en zii sidderen. 20 Maar wilt gij weten, o ijdel mensch, dat het geloof zonder de werken dood is ? 21 Abraham onze vader is hij niet uit de werken geregf-vaardigd, als hij Izaiik zijnen zoon geofferd heeft op het al- 22 Ziet gij wel dat het geloof medegewrorht heeft niet zijne werken, en het geloof volmaakt is geweest uit de werken ? 23 En de Schrift is vervuld geworden, die zegt: en Abraham geloofde God, en het is hem tot regtvaardigheid gerekend ; en hij is een vriend Gods genoemd geweest. 24 Ziet gij dan nu dat een mensch uit de werken geregt-vaardigd wordt, en niet alleenlijk uit het geloof? 25 En desgelijks ook Rachab de hoer, is zij niet uit de werken geregtvaardigd geweest als zij de gezondenen heeft ontvangen, en door eenen anderen weg uitgelaten ? 20 Want gelijk het ligchnam zonder geest dood is, alzoo is ook het geloof zonder de werken dood. Z HOOFDSTUK 3. ijt niet vele meesters, mijne broeders, wetende dat wij te meerder oordeel zullen HOOFDSTUK 3. ijt niet vele meesters, mijne broeders, wetende dat wij te meerder oordeel zullen 2 Want wij struikelen allen in vele. Indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, magtig om ook het geheele Hgchaam in den toom te houden. 3 Zie, wij leggen den paarden toornen in de monden, opdat zij ons zouden gehoorzamen, en wij leiden [danrmeiiel hun geheele ligchaam om; |
ZENDBRIEF Hoofdst. 2, 3. 4 Zie ook de schepen, hoewel zg zoo groot zijn, en van harde winden gedreven, zij worden omgewend van een zeer klein roer, waarhenen ook de begeerte des stuurders wil; 5 Alzoo ook de tong is een klein lid, en roemt [nogtons] groote dingen. Zie, een klein vuur hoe grooten hoop houts het aansteekt. 6 De tong is ook een vuur, eene wereld der ongeregtig-heid ; alzoo is de tong onder onze leden gesteld, welke het geheele lichaam besmet, en ontsteekt het rad [onrnl geboorte , en wordt ontstoken van de hel. 7 Want alle natuur beide der wilde dieren, en djr ^vogelen, beide der kruiper.de en der zeedieren, wordt getemd, en is getemd geweest »*an de men-schelijke natuur; 8 Maar de tong kan geen mensch temmen. Zi. is een on-bedwingelijk kwaad, vol van doodelijk venijn. 9 Door haar lo.-en wij God en don Vader, en door haar vervloeken wij de menschcn, die naar de gelijkenis Gods gemaakt zijn. 10 Uit denzelfden mond komt Dit moet, mijne breeders, alzoo niet geschieden. 11 Welt ook eene fontein uit eene zelfde ader het zoet en het bitter ? 12 Kan ook, mijne broeders, eene vijgeboom olijven voortbrengen, of een wijiistok vijgen ? Alzoo [femi] geene fontein zout en zoet water voort- 13 Wie is wijs en verstandig onder u ? Die bewijze uit (rij-nrn) goeden wandel zijne werken in zachtmoedige wijsheid. 14 Maar indien gij bitteren nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zoo roemt en liegt niet tegen de waarheid. 13 Deze is de wijsheid niet die van boven afkomt, maar is aardsch, natuurlijk, dui- 16 Want waar nijlt;. en twistgierigheid is, aldaar is verwarring, en alle booze handel. 17 Maar de wijshsid die van boven is, die is ter eerste zuiver , daarna vreedzaam, bescheiden, gezegge\'ijk, vol van |
Hoofd «t, 3. 4, S.
Van jacobus.
|
barmhartigheid en van {roede vruchten, niet partijdigljjk oordeelende, en ongeveinüd. 18 En de vrucht der resftvaar-digheid wordt in vrede gezaaid, voor degenen die vrede maken. Y HOOFDSTUK 4. an waar (fcomrn) krijgen en vechterijen onder u ? [/fo»jilt;n HOOFDSTUK 4. an waar (fcomrn) krijgen en vechterijen onder u ? [/fo»jilt;n xr] niet hiervan, (nnmeiijfc) uit uwe wellusten die in uwe leden a^ijd voeren ? 2 Gij begeert, en hebt niet; gij benydt en ijvert (nnnr rfin-lt;/«n], en kunt ze niet verkrijgen ; gij vecht en voert krijg, doch gij hebt niet, omdat gij niet bidt. 3 Gij bidt, en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uwe wellusten doorbrengen zoudt. 4 Overspelers en overspeel-sters. weet gij niet dat de vriendschap der wereld eene vijandschap Gods is ? Zoo wie dan een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand Gods gesteld. 5 Of meent gij dat de Schrift te vergeefs zegt: de geest die in ons woont heeft die lust tot nijdigheid ? fi .Ta hij geeft meerder ge\' nade. Daarom zegt [ile Schrift] God wederstaat de hoovaardi gen, maar den nederigen geeft Hij genade. 7 Zoo onderwerpt u dan Gode ; wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden ; 8 Naakt tot God , en Hij zal tot u naken. Reinigt de handen gij zondaars, en zuivert de harten gij dubbelhartigen. 9 Draagt u als ellendigen, en treurt en weent; uw lagchen worde veranderd in treuren, en [uirr] blijdschap in bedroefdheid. 10 Vernedert u voor den Heer, en Hij zal u verhoogen. 11 Broeders, spreekt niet kwalijk van elkander. Die van [tij-nen] broeder kwalijk spreekt en zijnen broeder oordeelt, die spreekt kwalijk van de wet, oordeelt de wet. Indien gij de wet oordeelt, zoo zijt gij geen dader der wet, maar een 12 Er i» één eenig Wetgever, die behouden kan en verderven. Doch wi« zijt gij die eenen anderen oordeelt? |
13 Welaan nu gij die daar zegt: wij zullen heden of morgen naar zulke stad reizen, en aldaar een jaar overbrengen, en koopmanschap drijven, en 14 Die gij niet weet wat moreen [geichieden xnl]; want hoedanig is uw leven ? Want het is een damp die voor een weinig gezien wordt, eu daarna verdwijnt. 15 In plaats dat gij zoudt zeggen : indien de Heer wil, en wij leven zullen, zoo zullen wij dit of dat doen. 16 Maar nu roemt gij in uwen hoogmoed ; alle zoodanige roem 17 Wie dan weet eoed te doen n niet doet, dien is het zonde\' ; i 1 weent en huilt o digheden die over u komen. 2 Uw rijkdom is verrot, en uwe kleederen zijn van de motten gegeten geworden; 3 Uw goud en zilver is verroest, en hun roest zal u zijn tot eene getuigenis, en zal uw vleesch als een vuur verteren ; gij hebt schatten vergaderd in de laatste dagen. 4 Zie, het loon der werklieden die uwe landen gemaaid hebben, hetwelk van u verkort is, roept ; en het geschrei dergenen die geoogst, hebben is gekomen tot in de ooren des lüeeren Zabaoth. 3 Gij hebt lekkerlijk geleefd op de aarde, en wellusten gevolgd ; gij hebt uwe harten gevoed als 6 Gij hebt veroordeeld, gij hebt gedood den regtvaardi-gen ; [rn\\ hij wederstaat u niet. 7 Zoo zijt dan lankmoedig, broeders, tot de toekomst des Heeren. Zie, de landman verwacht de kostelijke vrucht des lands, lankmoedig zijnde over dezelve, totdat het den vroegen en spaden regen zal hebben ontvangen. 8 Weest gij ook lankmoedig, versterkt uwe harten ; wam de toekomst des Heeren gemaakt. 9 Zucht niet tegen elkander, broeders, opdat gij niet veroordeeld wordt. Zie, de Reg-ter staat voor de deur. 10 Mijne broeders, neemt tot een exempel des lijdens en der |
E ZENDBRIEF Hoofdst. 1. Galatic, Cappadocië, Azië, en Bithynië ;
2 Den uitverkorenen naar de voorkennis Gods des Vader?, in de heilipuiakinp des Gecstes, tot gehoorzaamheid en be-sprenping des bloeds van Jezus Christus; penade en vrede zij u vermenigvuldigd.
3 Geloofd zg de God en Vader onzes Heere Jezus Chri^tun, die naar zijne proote harmhar-tipheid ons heeft wedergeboren, tot eene levende hope, door de opstandinp van Jezus Christus uit de dooden,
4 Tot eene onverderfelijke, en onbevlekkelyke, en onvcrwel-kelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u,
5 Die pij in de kracht Gods bewaard wordt door het peloof tot de zalipheid die bereid is om peopenbaard te worden in den laatsten tijd.
0 In welken pij u verheugt, nu een weinip [tijdt] (zoo het noo-dip is) bedroefd zijnde door meniperlei verzoekingen;
7 Opdat de beproeving uws peloofs, die veel kostelijker is dan des gouds hetwelk ver-sraat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, ea heerlijkheid, in de openbar, up van Jezus Christus,
8 Welken pij niet gezien hebt, en [uot/lnnt) lief hebt; in welken pü nu, hoewel hem] niet zieude, maar geloovende, u verheugt met eene onuitsprekelijke en heerlijke vreugde,
9 Verkrijpende het einde uws peloofs, [nnmrfijfe] dc zaligheid der zielen.
10 Van welke zaligheid ondervraagt en onderzocht hebben de Profeten, die geprofeteerd hebben van de genade aan u [flffc/itfd] ;
11 Onderzoekende op welken of hoedanipen tijd dc Geest van Christus, die in hen was, beduidde en te voren petuigde het lyden [dnl] op Christus Ikomm roiirfr.) en de heerlijkheid daarna
12 Welken peopenbaard is, dat zij niet zich zeiven maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bg degenen die u het Euaagelium verkondigd hebben djor den Hei-lipen Geest die ven den hemel gezonden is, in welke dingen
?7o i. algemeen:
lankniocdi^hcid lt;le Profeten, die |in) den naam des Heeren gesproken hebben.
11 Zie. wij houden hen pe-lukzalig die verdrnjjen. Gij hebt do verdraagzaamheid Job» jrehoord, en pij hebt het einde «les Heeren pesien, dat de Heer zeer barmhartig is en een ont-fermer.
12 Doch voor alle dinrren, s»ijne broeders, zweert niet, noch bij den hemel, noch bij «le aarde, noch eenipen anderen eed • maar uw Ja, zij ja, en het Neen, neen ; opdat gij in peen oordeel valt.
13 Is iemand onder u in lijden:\' dat hij bidde, is iemand poeds moeds? dat hij psalmzinpe;
11 Is iemand krank onder u? dat hij tot zich roepe de Ouder-linpen der peineente, en dat zij over hem bidden, hem zalvende met olie in den naam des Heeren ;
15 En het pebed des peloof» zal den zieken behouden, en de Heer zal hem opripten, en zoo hij zonden pedaan zal hebben, hot zal hem verpeven worden.
IC Belijdt elkander de misdaden, en bidt voor elkander, opdat pij pezond wordt. Een krachtip pebed des reptvaardi-pen vermap veel.
17 Elias was een mcnsch van pclijke bewepinpen als wg, en hij bad een pebed dat het niet zoude repenen, en het repende niet op de aarde in drie jaren en zes maanden ;
18 En hij bad wederom, en de hemel paf repen, en de aarde brapt hare vrucht voort.
19 Broeders, indien iemaad onder u van de waarheid is nfpe-dwaald, en hem iemand bekeert,
20 Die wete, dat depene, die, eenen zondaar van de dwalinp zijns weps bekeert, zal eene ziel van den dood behouden, en zal menipte der zonden bedekken.
DE EERSTE
ALGEMEENE ZENDBRIEF
VAN Igt;EN
APOSTEL
P E T R U S.
P HOOFDSTUK 1. etrus een Apostel van Jezus Christus, den vreemdelingen verstrooid in Pontus, HOOFDSTUK 1. etrus een Apostel van Jezus Christus, den vreemdelingen verstrooid in Pontus,
|
Hoofdst. 1, 2. VAN P pen de Engelen bageeriij zijn in te zien. 13 Daarom opschort ondn dc lendenen uws veratands, (r«) nuchtereu zijnde, hoopt vol-komcnlijk op de genade die u toesehragt wordt in de openbaring van Jezus Cliristu». 14 Als gelioorzaine kinderen, wordt niet pelijkvormitf aan dc begeerlijkheden, die te voren in uwe onwetendheid waren. 15 Maar gelijk Hij die u Beroepen heeft heilig is, [zoo] wordt ook gij zslven heilig in al IvvrnJ wandel, 16 Daarom dat er geslt;-hreven is : zijt heilig, want Ik ben heilig. 17 Én indien gij tot eenen Vader aanroept dengenen die zonder aanneming des percoons oordeelt naar eens iegeüjks werk, zoo wandelt in vrees den tijd uwer inwoning; 18 Wetende dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uwe ijde-le wandeling, die [») van dc vaderen overgeleverd (i»l, 10 Maar door het dierbaar bloed van Christus, als eons onbestraffclijken cnonbuvlekten Lams: 20 Welke wel voorgskend is geweest voor de grondlegging der wereld, uiaar geopenbaard is in deze laatste tijdon om uwentwil, 21 Die gij door hem gelooft in God, welke hem opgewekt heeft uit de dooden, en hem heerlijkheid gegeven heeft, opdat uw geloof en hoop op God zün zoude. 22 Hebbende (don) uwe zielen gereinigd in dc gehoorzaamheid der waarheid, door den Geest, tot ongeveinsde broederlijke liefde, r.oo hebt elkander vuriglijk lief uit een rein hart, 23 Dio gij wedergeboren zyt niet uit vergankelijk, maar [uit] onvergiinkelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende woord Gods. 21 Want alle vleesch is als gras, en alle heerlijkheid ilea inensclien is als cene bloem des gras. Het gras is verdord, en zijno bloem is afgevallen, 25 Maar het woord des Hee-rtn blyft in der eeuwigheid; eu dit is het woord dat onder u verkondigd ir |
Z HOOFDSTUK 2. oo legt dan af allo kwaadheid, en alle bedrotr, cn geveinsdheid, en nijdigheid, cn alle achterklappimrcn, HOOFDSTUK 2. oo legt dan af allo kwaadheid, en alle bedrotr, cn geveinsdheid, en nijdigheid, cn alle achterklappimrcn, 2 Kn als nieuwgeborene kin-derkens, zijt zeer bcgcerig naar de redelijke onvervalschte melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen ; 3 Indien gij anders gesmaakt hebt dat de Heer goedertie- •1 Tot welken komende («ü lol] eenen lovonden steen, van dc menschen wel verworpen, maar bij God uitverkoren [enj dierbaar; 5 Zoo wordt gij ook zeiven, als levende steenen, gebouwd (fo(J een geestcliik huis, (fofl een heilig Priesterdom, om geestelijke olferanden op te offeren, die Gods aangenaam zijn door Jezus Christus. 6 Daarom is ook vervat in de Schrift: zie Ik leg in Sioq eenen uitersten hoeksteen, die uitverkoren leii] dierbaar is; en : die in Hem gelooft zal niet beschaamd worden. 7 U dan die gij gelooft is hij dierbaar; maar den onge-hoorzamen liror\'/t gexe/fj] : dc steen dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks, en een steen des aanstoots, cn cene rots der ergernis, 8 Dengenen [namelijfc] die zich aan het woord stootcn, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn. 9 Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een Koninklijk Priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat pij zoudt verkondigen do deugden desgenen die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht; 10 Die gij eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die niet ontrennd waart, maar nu ontfermt zijt geworden. 11 Geliefden, ik vermaan (k) als inwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van dc vlee-schclijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen du zi\'ïl; 12 En houdt uwen wandel eerlijk onder de Heidenen, opdat in *t geen zij kwalijk van U sproken, nis vsn kwaad loc- |
T. ALGEMEENE ZENDBRIEF Iloofdst. 2, 3
|
ners, zij uit de poedc werken die zij in [w] zien, God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking. 13 Zijt dan alle inenscliclijke ordening onderdanig, om des Heercn wil; hetzij den Koning, nis de opi)erste magt hebbende. It Hetzij den Stadhonderen, als die van hem gezonden worden, tot straf wel der kwaaddoeners, maar (/olt;) prijs dergenen die goed doen. 15 Want alzoo is \'t de wil Gods, dat gij wel doende den mond stopt aan de onwetendheid der dwaze menschen; Ifi Als vrijen, en niet de vrijheid hebbende als een deksel der boosheid, maar als dienst-knerhten Gods. 17 Eert een iegelijk ; hebt de broederschap lief; vreest God ; eert den Koning. 18 Gij huisknechten, zijt met alle vrees onderdanig den hee-ren, niet alleen den goeden en bescheidenen, maar ook den harden ; 19 Want dat is genade, indien iemand, om de consciëntie voor God, zwarigheid verdraagt, lijdende ten onrejjte. 20 Want wat lof is het indien gij verdraagt als gij zondigt, en [./nnrorer] geslagen wordt ? Maar indien gij verdraagt als gij wol doet, en [dnarovrr] lijdt, dat is genade bij God. 21 Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een exempel nalatende, opdat gij zijne voetstappen zoudt navol-gen, 22 Die geen zonde gedaan heeft, noch er is geen bedrog in zijnen mond gevonden ; 23 Die als hij gescholden werd, niet weder schold, en als hij leed, niet dreigde, maar gaf het over aan dien die regtvaar-diglijk oordeelt; 21 Die zelf onze zonden in zijn ligchaam gedragen heeft op het hout, opdat wij de zonden afgestorven lijnde, der geregtig-heid leven zouden ; door wiens striemen gij genezen zijt. 25 Want gij waart als dwalende schapen ; maar gij zijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen. D HOOFDSTUK 3. esgclyks gij vrouwen. HOOFDSTUK 3. esgclyks gij vrouwen. |
zijt uwen eigenen mannen onderdanig, opdat ook zoo eeni-gen den woorde ongehoorzaam zijn, zij door den wandel der vrouwen zonder woord mogen gewonnen worden, 2 Als zij zullen ingezien hebben uwen kuischen wandel in 3 Welker versiersel zij, niet hetgeen uiterlijk is, [hetlnnn-dr] in \'t vlechten des haars, en omhangen van goud, of van kleedercn aan te trekken ; 4 Maar de verborgen mensch des harten, in \'t onverderfelijke [rrrsirrsrl] eens zachtmoedigen en stillen geestes, die kostelijk is voor God. 5 Want alzoo versierden zich zelve eertijds ook de heilige vrouwen, die op God hoopten, nen onderdanig; G Gelijk Sara Abral am gehoorzaam is geweest, hem noemende heer, welker dochters gij geworden zijt, als gij wol doet, en niet vreest voor eenige verschrikking. 7 Gij mannen insgelijks, woont by l/ianr] met verstand, het vrouwelijke vat, als het zwakste, eere gevende, «Is die ook mede-erfgenamen der genade des levens (mrt harr] zijt; opdat uwe Igebeden niet verhinderd worden. » En eindelijk, zyt allen eensgezind, medelijdend, de broeders liefhebbende, n.et innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk; 9 Vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden ; maar zegent daarentegen, wetende dat gij daartoe geroepen zijt, opdat gij zegening zoudt beërven. 10 Want wie het leven wil liefhebben, en goede dagen zien, die stille zijne tong van \'t kwade, en zijne lippen dat zij geen bedrog spreken ; 11 Diewijke af van het kwade, en dos het goede ; die zoeke vrede en jage denzelven na. 12 Want de oogen des Hoeren zijn over de regtvaardigen, en zijne ooren tot hun gebed; maar het aangezigt des Heeren is tegen degenen die kwaad doen. 13 En wie is \'t die u kwaad doen zal, indien gij navolgers zijt van \'t goede\' |
|
Hoofilst. 3. 4. VAN* P II Manr indien pü quot;ok lijdt om der perejftigheid wil zoo zijt pij zalig; en vreest niet uit vrees van hen, noch wordt niet ontroerd ; r 15 Maar heiligt God den Heer in uwe harten, en zijt altijd bereid tot verantwoording aan een iegelijk die u rekensrhap ateischt van de hope die in u is, met zachtmoedigheid en IC En hebt eene froede consciëntie, opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, al» van kwaaddoeners, zij beschaamd mogen worden die uwen goeden wandel in Christus lasteren. 17 Want het is beter dat {rij wel doende (indien het de wil Gods wil) lijdt, dan kwaad doende. 18 Want Christus heeft ook eens voor de zonden geleden, hij retrtvaardig voor de onregt-vaardigen, opdat hij ons tot God zoude brengen ; die wel is gedood in \'t vlcesch, maar levend gemaakt door den Geest, 19 In welken hij ook henenge-gaan zijnde den geesten die in de gevangenis Ityn] gepredikt heeft, 20 Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd, waarin weinige (dat is\' acht) zielen behouden werden door \'t water; 21 Waarvan het tegenbeeld de doop, ons nu ook behoudt, niet die eene aflegging is der vuiligheid des ligchaams, maar die eene vraag is eener goede consciëntie tot God door de opstnnding van Jezus Chris- 22\'Welke is aan de regter-[ftonrf] Gods. opgevaren ten hemel, de Engelen, en Maften, en krachten hem onder-danig gemaakt zijnde. D HOOFDSTUK 4. ewijl dan Christus voor ous in het vleesch geleden heeft, zoo wapent gij u ook met dezelfde gedachte, [nnnir- HOOFDSTUK 4. ewijl dan Christus voor ous in het vleesch geleden heeft, zoo wapent gij u ook met dezelfde gedachte, [nnnir-l\'ijk] dat wie in *t vleesch geleden heeft, die heeft opgehouden van de zonde , 2 Om nu niet meer naar de begeerlijkheden der menschen. |
maar r.aar den wil Gods den tijd die overig is in het vleesch, te leven. 3 Want het is ons genoeg dnt wij den voorbaanden tijd de» levens der Heidenen wil vol-braert hebben, en gewandeld hebben in ontuchtigheden, begeerlijkheden , wijn zuiper ij en , brasseryen, drinkerijen en gruwelijke afgoderijen ; 4 Waarin zij zich vreemd honden, als gij niet mede loopt tot dezelfde uitgieting der over-dadi-rheid, en [«] lasteren 1 5 Welke zullen rekenpchap geven dengenen die bereid staat om te oordeelen de levenden en de dooden. G Want daartoe is ook den dooden het Euangelium verkondigd geworden, opdat zij wel zouden geoordeeld worden naar den mensch in \'t vleesch, maar leven zouden naar God in den geest. 7 En het einde aller dingen is nabij; zijt dan nuchteren, en waakt in de gebeden. 8 Maar vooral hebt vurigs liefde tot elkander; want d-; liefde zal menigte van zonden bedekken. 9 Zijt herbergzaam jegens elkander, zonder murmureeren. 10 Een iegelijk gelijk hij gave ontvangen heeft, [ni:oo] bc-diene hij dezelve aan de anderen, als goede uitdeelers der menigerlei genade Gods. 11 Indien iemand spreekt, [dilt; tpreke] als de. woorden Gods; indien iemand dient, [rli)\' dirnr] als uit kracht die God verleent; opdat God in allen eeprezen worde door Jezus Christus, welken toekomt de heerlijkheid en de kracht, in alle eeuwigheid. Amen. 12 Geliefden, houdt u niet vreemd over de hitte [d*r «rr-drvkk\'ng] onder u, die u geschiedt tot verzoeking, alsof u vreemds overkwam. 13 Maar gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden van Christus, [nZroo] verblijdt u, opdat gij ook in de openbaring zijner heerlijkheid u moogt verblijden en verheugen. 14 Indien gij gesmaad wordt om den naam van Christus, zoo zijt gii zali?; want de Geest der heerlijkheid, en ilt;le Grnt] Gods rust op u ; wat hen aangaat, hij wordt wel gelas- |
|
«74 I. ALGEMEEN ♦erd, mnar wat u aau^aat, hij wordt verheerlijkt. 15 Dorh dat niemand van u lijde als een doodslager, of dief, of kwaaddoener, of alx een die zich met eens aadcrcu doen bemoeit; 16 Manr indien [irmnud HjHtl als een Christen, die ichame airh niet, maar vcrheerlijkc God in dit deel. 17 Want het is do tijd, dat het oordeel bojrinne ran \'t Huis Gods; en indien \'t eerst van tin? (htf/jinJ), welk zal het einde zijn denrenen die het Euan-freliiim Gods ongehoorzaam zijn ? 18 En, indien de refftvaardipo uaauwelijks zali? wordt, waar zal de jroddelooze en zondaar verschijnen ? 19 Zoo dan ook die lijden naar den wil Gods, dat zij hunne zielen (//«ml als den getrouwen Schepper, bevelen met weldoen. D HOOFDSTUK 5. e Ouderlingen die onder u zijn, vermaan ik die een Mede-ouderlinsr, en getuitie des lijdons van Christus ben, en deelachtig der heerlijkheid die {reopen baard zal worden HOOFDSTUK 5. e Ouderlingen die onder u zijn, vermaan ik die een Mede-ouderlinsr, en getuitie des lijdons van Christus ben, en deelachtig der heerlijkheid die {reopen baard zal worden 2 Weidt de kudde Gods die onder u is, hebbende opzigt (dcraroprr] niet uit bedwang\', maar gewilliglijk; noch om vuil gewin, maar met een vol-vaardig gemoed , 3 Noch als heerschappij voerende over het erfdeel [ilr« JJer-ren], maar [nis] voorbeelden der kudde geworden zijnde. •1 En als do Overste Herder verschenen zal zijn, zoo zult trij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen. 5 Desgelijks gij jongen, zijt den ouden onderdanig; en zijt allen elkander onderdanicr; zijt mot de ootmoedigheid bekleed ; want God wederstaat de hoo-vaardigen, maar den nederigen geeft Hij trenade. Ci Vernedert u dan ondor de krachtige hand Gods, opdat Hij u vorhoo^e te zijner tijd. 7 Werpt al uwe bekommernis op Hem, want Hg zorgt voor u. S Zijt nuchteren, (lt;•quot;] waakt; want uwe tegenpartij de duivel saat om als een brieschendo le.-uw, zoekende wien hij zoude moge verslinden. |
E ZENDBRIEF Hoofdst. 4, 5. 9 Welken wederstaat, vast zijnde in het geloof, wetende dat hetzelfde lijden aan uwo broederschap die in de wereld is, volbragt wordt. 10 De God nu aller genade, die ons geroepen heeft tot zijue eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig [tiirfo) zullen geleden heb\' hen; dezelve volmake, beves-tigc, versterke, llt;ii] fondeeru ulieden. 11 Hem zij de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid. Amen 13 Door Silvanus, die u een getrouw broeder is, zoo ik acht, heb ik met weinige (troorekn) geschreven , vermanende en betuigende dat deze is de waarachtii\'e genade Gods in welke gij staat. 13 U groet de modo-uitverlorene l\'jemreiite] die in Babyion is, en Markus mijn zuon. 14 Groet elkander met eenen kus der liefde. Vrede zij u allen die in Cristus Jezus zijt Amer.. DK TWEKDH ALGEMEENS ZENDBRIEF VAX DEN Q HOOFDSTUK 1. 1 gt; .meonPetrus,een dienstknecht en Apostel van Jezus Christus, dengenen die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben, door de rogt-vaardigheid onzes Gods en Zaliijmakers Jezus Christus ; 2 Genade en vrede zij u vermenigvuldigd door da kennis Gods, en van Jezus onzen Heer; 3 Gelijk ons zijne Goddelijke kracht alles wat tot het leven en de Godzaligheid [hchoorl] geschonken heeft, door de konnis desgenen die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd; 4 Door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zi n, opdat gij door dezelve dor Goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij ontvloden rijt het verderf dat in de wereld is door de berfeer-lijkheid. 5 En gij tot hetzulve ook allo |
|
Uoofdst. I. 2. nannti^heicl toebrenjrende, vyefft by uw peloof deugd, en Inj de deuird kennis, 6 En bü dc kennis nrntipheld, en bij de matigheid lijdzaamheid, rn bij de lijdzaamheid CoiUali-rhoi.l, 7 En bij de Godraliffheid broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde, liefde (jegens ollrquot;]. 8 Wnnt zoo deze dingren by u eüu, cn (in tlt;) overvloedipr zijn, zij zullen [u] niet ledij» noch onvruchtbaar laten in de kennis onzes Ileeren JezuB Christus. 9 Want by welken deze dingen uiet zijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende vorffeten de reiniginff zijner VO-ri^e zonden. 10 Daarom, broeders, benaar-stijjt u te meer om uwe roeping en verkiezing vast te maken. Want dat doende zult fry nimmermeer struikelen. 11 Want olzoo zal u r:jkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwie Koningrijk onzes Heercn en Zaligmakers Jezus Christus. 12 Daarom zal ik niet verzuimen u altijd daarvan te vermanen, hoewel gy het weet, en in do tegenwoordige waarheid versterkt zyt. 13 En ik acht het regt te zyn zoo lang ik in dezen tabernakel ben, dat ik u opwek door vermaning; I t Alzuo ik weet dat de aflegging mijns tabernakels haast zijn zal, gelijkerwijs ook onze Heer Jezus Christus my heeft geopenbaard. 15 Doch ik zal ook naarstigheid doen bij alle gelegenheid, dat gy na mijnen uitgang moogt van deze dingen gedachtenis hebben. 16 Want wy zijn gecne kun-stiglyk verdichte fabelen nage-volfd, als wij u bekend gemaakt hebben do krach? en toekomst onzes Ileeren Jezus Christus, innnr wij zyn aansehouwers geweest van zijne majesteit. 17 Want hij heeft van God den Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zoodanig eene stem van de hoogwaardige h^erlykhcid tot he:n gebract word: deze is mijn geliefde Zoon, in welkea Ik tnun welbehagen heb. |
275 18 En «leze item hebben wy gehoord, als zy van den hemel gebragt is geweest, toen wy met hem op den heiligen berg 19 En wy hebben het profetische woord, dat teer vast is; en gij dost wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht schijnende in ceno duistere plants, totdat de dag aanlich-re, cn d« morgenster opga in uwe harten ; 20 Dit eerst wetonde, dat gecne profetie der Schrift is van eisrene uitlegging; 21 Want de profetie is voortijds niet voortgebragt door den wil eens menschen, maar dc heilige menschen Gods vanMan Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben re gesproken. T Ï HOOFDSTUK 2. 1 JLin er zijn ook valsrhe profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u val-sche leeraars zijn zullen, die verderfelyke ketterijen bedekte-lijk invoeren zullen; ook den lieer die hen gekocht heeft, verloochenende, ren) een haastig verderf over zich zeiven brengende. 2 En velen zullen hunne ver-derfenissen navolgen, door welken de weg der w.-iarheid zal gelasterd worden. 3 En zij rullen door gierigheid, niet gemaakte woorden van u eene koopmanschap maken. over welken het oordeel van over lang niet ledig is, en hun verderf sluimert r.iet. i Want indien God dc Engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar die in de hel geworpen hebbende overgegeven heeft aan de ketenen der duisternis, om tot h_\'t oordeel bewaard te worden; 5 En dc oude wereld niet heeft gespaard, maar Noach den Prediker der geregtigheid zyn achten bewaard heeft, als hy den zondvloed over do wereld der goddeloozcn heeft gebrast , flt; En de steden van Sodom en Gomorrn tot asch verbrandende met onikeering veroordeeld heeft, en tot \'\'en exempel gezet dengenen die goddclooslijk zouden loveni 7 En den regtvnardigen Lol, die vermoeid was vau dun cn» M C tueh- VAX PETRUS. |
|
27fi tuchtigen wandel der gruwelijke menschen, [daaruit] verlost heeft. 8 (Want deze rejrtvaardige [man) wonende onder hen, heeft da;» op da? [sijnr] reït-vaardige ziel gekweld door het lien en hooren van [/tuiinr] on-perefrtije werken) 9 Zoo weet de Heer de Godzaligen uit de verzoeking ie verlossen, en de onregtvaardi-gen fe bewaren tot den dag des oordeels, om gestraft te worden. 10 Maar allermeest degenen die naar het vlecsch in onreine begeerlijkheid wandelen, en de heerschappij verachten; die stout zijn, zich zeiven behagen, en die de heerlijkheden niet schromen te lasteren ; 11 Daar de Engelen, in sterkte en kracht meerder zijnde, g«en lasterlijk oordeel tegen hen voor den Heer voortbrengen. 12 Maar dezen, als onredelijke dieren, die de natuur volgen, en voortgebragt zijn om gevangen en gedood te worden, dewijl zij lasteren hetgeen zij niet verstaan, zullen in hunne verdorvenheid verdorven worden ; 13 En zullen verkrijgen het loon der ongeregtigheid, als die de dagelijksche weelde (/itm] vermaak achten, zijnde vlekken en smetten, en zijn weelderig in hunne bedriegerijen, als zij in de maaltijden met u zijn ; 14 Hebbende de oogen vol overspel, en die niet ophouden van zondigen, verlokkende de onvaste zielen, hebbende het hart geoefend in gierigheid, kinderen der vervloeking, 15 Die den regten weg verlaten hebbende, zijn verdwaald, en volden den weg van Balaam den [roonl van Bosor, die het loon der ongeregtigheid liefgehad heeft; 16 Maar hij heeft dc bestraffing zijner ongeregtigheid gehad; (ica/it) het jukdragende stomme (dirr], sprekende met men-schenstem, heeft des Profeten dwaasheid verhinderd. 17 Dezen zijn waterlooze fonteinen, wolken van eenen draaiwind gedreven, welken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt. 18 Want zij zeer opgeblazene 3quot;delheid sprekende, verlokkenquot;delheid sprekende, verlokken |
ooi de begeerlijkheden des vleesches, [\'n] door ontuchtigheden, degenen die waarlijk ontvloden waren van degenen die in dwaling wandelen ; 19 Belovende hun vrijheid, daar zij zeiven dienstknechten zijn der verdorvenheid. Want van wien iemand overwonnen is, dien is hij ook tot een dienstknecht gemaakt. 20 Want indien zij, nadat zij door de kenunis des Heeren en Zaligmakers Jezus Christus de besmettingen der wereld ontvloden zijn, en in dezelve wederom ingewikkeld zijnde (cmi dexelvr] overwonnen worden, zoo is hun het laatste erger geworden dan het eerste. 21 Want het ware hun beter, dat zij den weg der geregtig-heid niet gekend hadden, dan dat zij tdien] gekend hebbende, [weder] afkeeren van het heilig gebod dat hun overgegeven was. 22 Maar hun is overgekomen hetgeen met een waar spreekwoord Igezeqd vordt]: de hond is wedergekeerd tot zijn eigen uitbraaksel; en ; de gewassche-ne zeug tot de wenteling in het slijk. D HOOFDSTUK 3. ezen tweeden Zendbrief, gelieföen, schrijf ik nu aan u, in welite [6et\'ie] ik door verma-ninir uw opregt gemoed opwek, HOOFDSTUK 3. ezen tweeden Zendbrief, gelieföen, schrijf ik nu aan u, in welite [6et\'ie] ik door verma-ninir uw opregt gemoed opwek, 2 Opdat gij gedachtig zijt aan de woorden die van de heilige Proleten te voren gesproken zijn, en aan ons gebod, die wij des Heeren en Zaligmakers Apostelen zijn ; 3 Dit eerst wetende, dat in het laatste der dagen spotters komen zullen, die naar uunnc eigene begeerlijkheden zullen wandelen, -t En zeggen : waar is dn belofte zjner toekomst? Want van dien [\'lag] dat de vaders onslapen zijn , blijven alle dingen alzoo [fje/ijfc] van het begin der schepping. 5 Want willens is dit hun onbekend, dat door het woord Gods lt;(c hemelen van over lang geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water be- 6 Door welke de wereld, die toen was, met het water des\' zond/loods bedekt zijnde ver- 7 Maar II. ALGEMEENE ZENDBRIEF Hoofdst. a, a. |
Hoofdst.-.r
\'117
|
7 Maar de hemelen die nu «ijn, en de aarde, zijn door hetzelfde woord als een schat wegrffelegd, en worden ten vu-re bewaard tejjen den da» des oordeels, en der verderving der •joddelooze menschen. 8 Doch deze eene zaak zij u niet onbekend, |*eliefdcn, één da:» bij den Heer is a\'s duizend jaren, en duizend jaren als één da;». 9 De Heer vertraagt de belofte niet (gelijk ccnigeu [lt;/a/l traagheid achten), maar in lankmoedig over ons, niet willende dat eenigen verloren ^aan, maar dat zij allen tot bekeering komen. 10 Maar de dasr des Heeren zal komen als een diefin den nacht, in welken de hemelen met een gedruisch zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken die er in zijn, zullen verbranden. 11 Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heiligen wandel en Godzaligheid ? 13 Verwachtende on haastende tot de toekomst van den dag Gods, in welken de hemelen door vuur ontstoken zijnde zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten ? 13 Maar wij verwachten, naar zijne belofte nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde, in welke gerestigheid woont. It Daarom, geliefden, verwachtende deze dingen, benaar-stigt u dat gij onbevlekt en onbestraffelijk van Hem bevonden inoogt worden in vrede ; 15 En acht de lankmoedigheid onzes Heeren voor zaligheid ; gelijkerwijs ook onze geliefde broeder Paul us, naar de wijsheid die hem gegeven is, uhe-den seschreven heeft, 16 Gelijk ook in alle Zendbrieven daarin van deze dingen sprekende; in welke dingen sommige zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste Ime\'itchfit] verdraaijen, gelijk ook de andere Schriften, tot hun eigen verderf. 17 Gij dan, geliefden, te voren wetende, wacht u dat gÜ niet door de verleidin? der gruwelijke menschen mede afgerukt wordt, en uitvalt van uwe vastigheid; |
18 Maar was: op in de genade en kennis onzes Heeren en Zaligmakers Jezus Christus. Hem zij do heerlijkheid, beide nu, en in den dag der eeuwigheid. ALGEMEENE ZENDBRIEF H HOOFDSTUK 1. etgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze oogen, hetgeen wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben, van het woord des levens HOOFDSTUK 1. etgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze oogen, hetgeen wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben, van het woord des levens 2 (Want het Leven is geopenbaard, en wij hebben \'t gezien, en wij getuigen, en verkondigen ulieilen het eeuwige Leven, hetwelk bij den Vader was en ons is geopenbaard) 3 Hetgeen wij (dan) gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en dene onze gemeenschap ook (rij) met den Vader, en met zijnen Zoon Jezus Christus. En deze dingen schrijven wij it, opdat uwe blijdschap 5 En dit is do verkondigiuir, die wij van hem gehoord hebben, en wij u verkondigen, dat God een licht is. en gansch geenc duisternis in Hem is. 6 Indien wij zeggen dat wij Kenieenschap met Hem hebben, en wij in do duisternis wandelen, zoo lieden wij, cn doen do waarheid niet; 7 Maar indien wij hi het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zoo hebben wij gemeenschap met elkander, ea het bloed van Jezus Christus zijnen Zoon reinigt ons van allo zonde. 8 Indien wij zeggen dat wij ■lt;een zonde hebben, zoo verleiden wij ens zelvon, on de waarheid is in ons niet. 9 Indien wij onze zonden belijden, Hij ii getrouw en regt-vaardic;, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle onreregtigheid. M 7 10 In- |
Jquot;8 1. ALGEMEENE ZENDBllIEF Hoofdst. 1, 2.
|
10 Indien wij KPearon «lat wij nipt {feznndi^d lu-bbcn, zoo maken wy Hem tot een leugenaar, en zyn woord is niet M HOOFDSTUK 2. ijnc kinderkens, ik schrijf u deze dingen, op:Iat (;ij niet zon:Iif»t; en indien iemand (jazondi^d heeft, wij hebben eenen Voorsprnak bij den Vader, Jezus Christus den regt-vairdigen. HOOFDSTUK 2. ijnc kinderkens, ik schrijf u deze dingen, op:Iat (;ij niet zon:Iif»t; en indien iemand (jazondi^d heeft, wij hebben eenen Voorsprnak bij den Vader, Jezus Christus den regt-vairdigen. 2 En hij is eene verzoeninrr voor onze Konden ; en niet alleen voor de onze, maar ook voor [lt;/c xonilrn] der geheele wereld. 3 En liieraan kennen wij dat wij hem fjekend hebben, zoo wij zijne geboden bewaren. I Die daar zcfft: Ik ken hein, en zjjne geboden niet bewaart, die in een leu?enaar,en in dien is de waarheid niet. \'gt; Maar zoo wie zijn woord b waart, in dien is waarlyk de liefde Gods volmaakt powor-den; hieraan kennen wij dat wij in hem zijn. 6 Die zrgt dat hij in hem blijft, moet ook zelf alzoo wandelen, gelijk hij gewandeld heeft. 7 Broeders, ik Hchrijf u geen nieuw gebod, maar oen oud gebod, dat gij van den beginne gehad hebt. Dit oud gebod is het woord dat. irg van den beginne gehoord hebt. 8 Wederom schrijf ik u een nieuw gebod \'t geen waarachtig is in hem, zij ook in u [wnnraeMiff]; want de duisternis gaat voorbji, en het waarachtige licht schijnt nu. _9 Die «egt dat hg in \'t licht is, _ en zijnen broeder haat, die js in dc duisternis tot nog ton. 10 Die zynen broeder liefheeft, blyft in \'t licht, en peen ergernis is ia hem. II Maar die zijnen broeder haat, is in de duisternis, en wandelt in de duisternis, en we t niet waar hij henengaat; want de duisternis heeft zyae oosjen verblind. 12 Ik schryf u, kinderkens, want de zonden rijn u verge-ven om tüns naams wil. 13 Ik schrijf u, vaders, want gij hebt (Afin] gekend, die van d; n beirinne is. Ik schrijf u, jongelingen, want gij hebt don boozen overwouuon. Ik schrijf u, kinderen, want gij hebt dra Vader gekend. |
14 Ik heb li geschreven, vaders, want gü hebt gekend, die van den beginne is. Ik heb u geschreven, jongelingen, want trij zijt sterk, cn het woord Gods blijftin u, cn gij hebt den boozen overwonnen. 15 Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is ; zoo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet 1G Want al wat ia de wereld is, [nmnWijft] da begeerlijkheid des vleesches, cn du be-rcerlijk-heid dcroogen, en de grootsch-heid den levens, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld. 17 En dc weield paat voorbij, en hare begeerlijkheid; mnor die den wil Gods doet, blijft in der eeuwigheid, 18 Kinderkens, liet is dc laatste ure: en gelijk pij gehoord hebt dat do Antichrist komt, [ïoo] rijn ook nu velen Antichristen geworden; waaruit wij kennen cat het de laatste ure is. 19 Zij zijn uit ons uitgegaan, maai zij _ waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest gebleven zijn; maar (jJi/ is pe-ëchied] opdat rij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn. 2,.gt; Doch erij hebt dc zalving van den heiligen, en gij weet alle dingen. 21 Ik hel\' n niet geschreven omdat gy de waarheid niet weet; maar omdat gy die weet, en omdat geen leugen uit de waarheid it. 22 Wie is de leugenaar, dan ilie loochent dat Jezus is de Christus ? Deze is de Antichrist, die den Vader en den Zoon loochent. 23 Eon iegelyk die den Zoon loochent, heeft ook den Vader niet. 2t Hetgeen gijlieden dan van don begiune gehoord hebt, dat blijve in u. Indien in u blyi\'t wat gy van don beginne gehoord hebt, zoo zult pij ook in den Zoon en in den Vader blyven, 23 En dit is dc belofte, die hy ons beloofd heeft, (nanif-l\'ijk] hot eeuwige leven. 26 Dit \'leb ik u geschreven van degoncn die u verleiden. 27 En do zalving die gijlie den |
Jloofdst. 2, 3.
27»
10 Hierin zjn de kinderen Gods en de kii.deren desduivels openbnar. Een iegelijk die de
:gtvaardigheid niet doet, die niet uit God, en die zijnen broeder niet liefheeft.
11 Want dit is de verkondiging, die gij van den beginne gehoord hebt, dat wij elkander zouden liefhebben ,
12 Niet gelijk Kaïn [die] uit den boozen was, cn zijnen broeder doodsloeg. En om wat oorzaak sloeg hij hem dood \' Omdat zijne werken boos waren, en zijns broeden», regtvaardig.
13 Verwondert u niet, mijne broedvrs, zoo u do wereld haal.
11 Wij weten dat wy oyerge^ raaa zijn uit den dood in het even, dewijl wij de broeder* liefhebben. Ris [rijnen] broe-. der niet liefheeft, blijft in den »\'»od.
15 Een icgelyk die zijnen broeder haat, is oen doodslager. En gij weet dat geen doodslager het eeuwige leven heeft \'n hem blijvende.
16 Hieraan hebben wij do liefde gekend, dat hij zijn leven voor ons g-steld heeft; en wij sijn schuldig voor de broe-lers het leven te stellen.
17 Zoo wie nu het goed der vereld heeft, cn ziet zijnen broeder gebrek hebben, cn sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijft do liefde Gods in hem?
18 Mijne kinderkens. laat on» jiot liefhebben met het woord, noch met de tong, maar met de daad cn waarheid.
19 En hieraan kennen wij dat ,vij uit do waarheid zijn, on wij lullen onze harten verzekeren
20 Want indien ons hart Ion»] veroordeelt. God is meerder dan ons hart, en Hij kent alle
21 Geliefden, indien ons hart ons niet veroordeelt, zoo hebben wij vrijmoedigheid tot God,
23 Ea zoo wat wy bidden, ontvangen wij van Hem, dewijl wij zijne geboden bewaren, en doen hetgeen behagelijk is voor Hem.
23 En dit is zijn gebod, dat wij geloovcn in den naam zijns Zoons Jezus Christus, cn elkander liefhebben, gelijk hij ons een gebod gegeven hoeft.
2li En dio zijne geboden bewaart,- blijft in hem, «n hij
den van hem ontvangen hcht, blijft in u, en gij hebt niet van noode dat iemand u Ice re , maar gelijk dezelve zalving u leert van alle dingen, [iou) is tij ook waarachtig, t-u is geen leugen, en gelijk rij u geleerd heeft, [zuo] zult gij m hem blijven.
28 F.n nu, kinderkens, blijft in hem, opdat wanneer hij zal geopenbaard zijn, wij vrijmoedigheid hebben, en wij van hem niet beschaamd gemaakt wor-drn in zijne toekomst.
29 Indien gij weet dat hij rogtvaardig is, zoo weet gij dat een iegelijk die da regt-vaardi?heid dóet, uit hem geboren is.
_ hoe grootc liefde ons de Vader gegeven heeft, (nonetijfc] dat wij kinderen Gods genoemd zouden worden. Pa.-iroui kantons de wereld niet, omdat zij Hem met kent.
2 Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is no;» niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als (/ij] zal geopenbaard z\'jn, wij hem zullen jrelijk wezen ; want wij zullen hem zien gelijk hij is.
3 En ean iegelijk die deze hope op hem heeft, reinigt zich zeiven, trol ijk hij rein is
•t Een iegelijk die do zoude doet, die doet ook de ongo-regtigheid ; want de zonde is de ongeregtighcid.
5 En gij weet dat hij geopenbaard is, opdat hij on den zoude wegnemen ; i zonde is in hem.
6 Een iegelijk die in hem i blijft, die zondigt niet ■ een iegelijk die zondigt, die heeft hem niet gezien, noeh heeft hem niet prekend.
7 Kinderkens, dat u niemand verleide. Die de regtvaardig-heid doet, die is rogtvaardig, gelijk hij regtvaardig is.
8 Die de zonde doet, is uit den duivel; want de duivel digt van den beginne. Hit is de Zoon Cods geopenbaard, opdat hij de werken des duivels verbreken zoude.
9 Een iegelijk die uit God geboren is, die doet de zonde niet; want zijn zaad blijft i hem, en hij kan niet zondigei want hij is uit God geboren.
|
290 in donzelvcn En liicrann kennen wij dat hij in ons blijft, Innmrlijk] uit den Geest dien hij ons fjugeven heeft. /^1 HOOFDSTUK 4. 1 vTeliefden, gelooft niet oenen iejrelijken freest, maar beproeft de geesten of r.ij uit God zijn ; want vele valsche profeten zijn uitgegaan in de wereld. 2 Hieraan kent gij den Geest Gods alle peest die belijdt dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God, 3 En alle geest die niet belijdt dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God niet; maar dit is [gt;(« perst] des Antichrists, welken Igrrst] gij gehoord hebt dat komen zal, en is nu alreeds in de wereld. 4 Kinderkous, gij zijt uit God, en hebt hen overwonnen; want hij is meerder die in u is, dan die in de wereld is. 5 Zij zijn uit de wereld ; daarom spreken zii uit de wereld, en de wereld hoort hen. 6 Wij zijn uit God. Die God kent hoort ons ; die uit God niet is, hoort ons niet. Hieruit kennen wij den geest der waarheid, en den geest der 7 Geliefden, laat ons elkander liefhebben; want do liefde is uit God; en een iegelijk die liefheeft, is uit God geboren, en kent God ; 8 Die niet liefheeft, die heeft God niet gekend; want God is liefde. 9 Hierin is do liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God zijnen eeniggeboren Zoon .gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door hem. 10 Hierin i» de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft fre-had, en zynen Zoon gezonden heeft (lt;olt;l eene verzoening voor onze zonden. 11 Geliefden, indion God ons alzoo lief heeft gehad, zoo zijn ook wij schuldig elkander lief te hebben. 12 Niemand heeft ooit God aansohouwd ; indien wij elkander liefhebben, zoo; blijft God in ons, cn zijne liefde is in ons volmaakt. |
13 Hieraan kennen wij, dat wij in Hem blijven, en Hij in ons, omdat Hn ons van zijnen Geest gegeven heeft. 14 En wij hebben het aanschouwd, en getuigen dat de Vader [rljiifn] Zoon prezonden heeft [lt;of] eenen Zaligmaker der wereld. 15 Zoo wie beleden zal hebben dat Jezus de Zoon Gods is. Cod blijft in hem, en hij in God. IC En wij hebben gekend en geloofd de liefde die Cod tot ons heeft. God is liefde; en die in de liefde blijft, die blijft in God, en God in hein. 17 Hierin is de liefde bij ons volmaakt, opdat wij vrijmoedigheid mogen hebben in don dag des oordeels, (nnmrZy/cJ dat gelijk Hij is, wij ook zijn in deze wereld. 18 Er is in de liefde geene vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees buiten ; want de vrees heeft pijn. en die vreest, ifi niet volmaakt in de liefde. 19 Wij hïbben Hem lief,omdat Hij ons eTst liefgehad heeft. 20 Indien iemand zegt - ik heb God lief, en haat zijnen broeder, die is een leugenaar. Want die zijnen broeder niet liefheeft dien hij pezien heeft, hoe kan hij God liefhebben dien hij niet gozien heeft ? 21 En dit gebod hebben wij van hom, [nnmrlijk] dat die God liefheeft, ook zijnen broeder liefhebquot;)e 1^ HOOFDSTUK 5. jen i-ïgelijk die gelooft dat Jozus is de Christus, die is uit God geboren; en een iegelijk die liefheeft dengenen die geboren heeft, die heeft ook lief dengenen die uit Hem geboren is.^ HOOFDSTUK 5. jen i-ïgelijk die gelooft dat Jozus is de Christus, die is uit God geboren; en een iegelijk die liefheeft dengenen die geboren heeft, die heeft ook lief dengenen die uit Hem geboren is. 2 Hieraan kennen wij dat wij de kinderen Gods liefhoben, wanneer wij God liefhebben, en zijne geboden bewaren ; 3 Want dit is de liefde Gods, dat wij zijne geboden bewaren ; en zijne geboden zijn niet zwaar. 4 Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld , en dit is de overwinning die de wereld overwint, (nameiij/.-) ons 5 Wie is het die de wereld I. ALHEMEENE ZENDBRIEF Hoofdrt. 3.4, S, |
|
Hoofd\'t. 5. overwint, dan die ffelooft dat Jezus i» de Zoon Gods ? 6 Deze is het die pekomen is door water en bloed, Innmlt;r-l\'ijk] Jezus de Christus; niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest is het die getuigt, dat de Geest de waarheid is. 7 Want drie zijn er die Retui-pen in den hemel: de Vader, het Woord, en de Heilige Geest; en deze drie zijn één. 8 En drie zijn er die getuigen op de aarde: de Geest, en het water, en het bloed ; en die drie zijn tot één. _ 9 Indien wij de getuigenis der mensehen aannemen, de getuigenis Gods is meerder; want deze is de petuigenis Gods, welke Hij van zijnen Zoon getuigd heeft. 10 Die in den Zoon Gods fre looft, heeft de getuigenis in zich zeiven; die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuisrenis, die God getuigd heeft van zijnen Zoon. 11 En deze is de getui\' dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft; en ditzclve leven is in zijnen Zoon. 12 Die den Zoon heeft, die heeft het leven ; die den Zoon Gods niet heeft, die heeft het leven niet. 13 Deze dingen heb ik schreven, die pelooft in den naam des Zoons Gods; opdat pij weet dat gij het eeuwige leven hebt, en opdat gij gelooft in den naam des Zoons Gods. U En dezeisdevrijmoedigheid die wij tot Hem hebben, dat zoo wij iets bidden naar zijnen wil. Hij ons verhoort; 15 En indien wij weten dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, zoo weten wij, dat wij de beden verkrijgen, die wij van Hen» gebeden hebben. 16 Indien iemand zijnen broeder ziet zondigen cene zonde niet tot den dood, die zal [God] bidden, en Hij zal hem het leven geven, denpenen (rr-ife) die zondigen niet tot den dood. Er is eene zonde tot den dood ; voor dezelve (tonrf#) zeg ik niet dat hij zal bidden. 17 Alle ongeregtipheid is zonde ; en er is zonde niet tot den dood. |
281 18 Wij weten c\'.at een iegelijk die uit God geboren is, niet zondigt, maar die uit God pe-boren is, bewaart zich zelvcu, •n de booze vat hem niet. 19 Wij weten dat wij uit God zijn, en dat de geheele wereld \'ipt in het booze ; 20 Doch wij weten dat de Zoon Gods pekomen is, en heeft ons het verstand peire- dat wij den WaaracLti-ennen; en wij zijn in den Waarachtipen, [xnmrl.jk] in zij-Zoon Jezus Christus. Deze c waarachtige God, cn het eeuwipe leven. 21 Kinderkens, bewaart u zsl-\'en van de afgoden. Amen. DE TWEEDE ZENDBRIEF VAN DE!€ 1 De Ouderling aan de uitverkorene Vrouw, en aan hare kinderen, die ik in waarheid liefheb, en niet alleen ik, maar ook allen die de waarheid pekend hebben ; 2 Oui der waarheid wil die in ons blijft, en met ons zal zijn in der eeuwigheid ; 3 Genade, barmhartipheid, vrede zij met ulieden, van God den Vader, en van den Heer Jezus Christus den Zoon «les Vaders, in waarheid en liefde. 4 Ik ben zeer verblijd peweest, dat ik *an uwe kinderen pe-vonden heb die in de waarheid wandelen, pelijk wij een pe-bod ontvangen hebben van den Vader. 5 En nu bid ik u, [uiftvramp;o-r^iif) Vrouw, niet als u schrg-vende een nieuw pebod, maar hetpeen wij pehad hebben van den bepinne, [nnmrlijlc] dat wij elkander li\'-fhebben. 6 En dit is de liefde, dat wij wandelen naar zijne srebodrn. Dit is het gebod, pelijk pijlie-den van den betrinne pehoord hebt, dat gij in hetzelve zoudt wandelen. 7 Want er zi n vele verleiders in de wereld pekomen, die niet belijden dat Jezus Christus in het vleesch •rekomen is. Deze is de verleider en de Anti- VAN JOHANNES. |
283 III. ZENDBRIEF
VAN JOHANNES.
|
8 Ziet toe voor u zelven, lt;l.it wij niet verliezen hetgeen wij gearbeid hebben, maar een vol loon mogen ontvangen. 9 Een ie!»elyk die overtreedt, en niet blijft in de leer van Christus, die heeft God niet; die in de leer van Christus blijft, deze heeft beide den Vader en den Zoon. 10 Indien iemand tot ulic-den komt, cn deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis, en zegt tot hem niet; zijt gegroet. 11 Want die tot hem zegt: zijt gegroet, die heeft gemeenschap aan zijne booze werken. 12 Ik heb veel aan ulieden te schrijven ; doch ik heb niet gewild door papier en inkt, maar ik hoop tot ulieden te komen, en mond tot mond (mrl i/] to spreken, opdat onze blijdschap volkotuea moge zijn. 13 ü groeten de kinderen van uwe zuster de uitverkorene. Amen. DE DERDE ZENDBRIEF VAN D K N 1 J.-\'e Ouderling aan den geliefden Gajus, welken ik in waarheid liefheb. 2 Geliefde, vóór alle dingen wensch ik dat gij welvaart en gezond zijt, gelijk uwe ziel welvaart. 3 Want ik ben zeer verblijd geweest, als de broeders kwamen, en getuigden van uwe waarheid, gelijk gij in dc waarheid wandelt. 4 Ik heb geen meerder blijdschap dan hierin, dat ik hoor dat mijne kinderen in de waarheid wandelen. 5 Geliefde, gij doet trouwe-lijk, in al hetgeen gij doet aan de broederen, en aan dc vreemdelingen, 6 Die getuigd hebben van uwe liefde, in de tegenwoordigheid der gemeente; welken indien gij geleide doet, gelijk het Go-dlt;? waardig is, zoo zult gij wel doen. |
7 Want xij zijn voor zijnen naam uitgegaan, niets nemende van de Heidenen. 8 Want dan zijn schuldig de zoodanigen te ontvangen, opdat wij mede-arbeiders mogen worden der waarheid. 9 Ik heb aan de eemeente geschreven ; maar Diotrefes, die onder hen zoekt de eerste te zijn, neemt ons niet aan. 10 Daarom, indien ik kom, zoo zal ik in gedachtenis brengen zijne werken die hij doet, met boozs woorden snaterende tegen ons; en hiermede niet vergenoegd zijnde, zoo ontvangt hij zelf de broeders niet, en verhindert degenen die het willen [rfo*n], en werpt hen uit de gemeente. 11 Geliefde, vols» het kwade niet na, maar het srocdo. Dio qroed doet is uit God, maar die kwaad doet, heeft God niet gef ien. 12 Aan Demetrius wordtgetui-genis gegeven van allen, en van de waarheid zelve : en wij getuigen ook, en gij weet dat onze getuigenis waarachtig is. 13 Ik laad veel te schrijven, maar il. wil u niet schrijven met ink\'; en pen, 11 Maar ik hoop u haast to zien, en wij zullen mond tot mond spreken. 15 Vrede zij u. De vrienden groeten u. Groet de vrienden DE ALGEMEENS ZENDBRIEF \'«TAN DEN 1 el udas een dienstknecht van Jezus Christus, en Jacobus\' broeder, aan de freroepe-ncn, die door God den Vager geheiligd zijn, ea (door] Jezus Christus bewaard ; 2 Barmhartigheid, en vrede, en liefde zij [u] vermenigvuldigd. 3 Gel ie \'den, alzoo ik alle naarstigheid doe om u te schrijven van de gemeene zaligheid, zoo heb ik uoodzaak gehad aan u te schrijven, cn [ti] tc vermanen. |
ALGEMEENS ZENDBRIEF VAN JUDAS.
|
ncu, dat prü «trijdt voor het •reloof, dat ceuuiaal deu liei-lipen overgeleverd is. 4 Want er zijn soimnige men-schcn ingeslopen, die eertuds tot dit zelfde oordeel te voren opifcsclireven zijn, poddeloo-zen, die de genade onzes Gods veranderen in ontuclitijfhcid, en den eenü-en Hecrfrher Gud er. onzen Heer Jezus Christus verloochenen. 5 Maar ik wil u indachtig? ma-kün, als die ?ii dit eenmaal weet, dat dc lieer het volk uit Egyptelnnd verlost hebbende, wederom degenen die niet geloofden verdorven heeft. C En de Engelen die hun beginsel niet bewaard hebben, manr huuue eigene wooimtedc verlaten hebben, heeft Hü tot het oordeel des grooten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard. 7 Gelyk Sodom en Gomorra, en de steden rondom dezelve, die op gelijke wijze als deze gehoereerd hebben, en ander vleesch zijn naseiraan, tot een exempel voorgesteld zijn, dragende de straf des eeuwigen vuurs. 8 Desgelijks evenwel ook dezen in slaap gebragt zijnde, verontreinigen het vleeseh , en verwerpen de Heerschappij, en lasteren de Heerlijkheden. 0 Maar Michael de Archangel, toen hij met den duivel twistte, en handelde van \'t ligchaam van Mozes, durfde freen oordeel vanlastering tegen [hrm] voortbrengen, maar zei-de : de lieer bestralTe u. 10 Maar dezen, hetgeen zij niet weten, dat lasteren zij; en hetgeen zij natuurlijk, als de onredelijke dieren, weten, in hetzelve verderven zij zich. 11 Wcc hun, want zy zijn den weg Kains ingegaan, en door de verleiding dus loons Balaams zijn zij henengestort, en zijn door de tegenspreking Ko-rachs vergaan. 12 Deze zijn vlekken in uwe liefde-maaltijden, [«n] als zij met u ter maaltyd zyn, weiden zij zich zeiven zonder vrees ; ry zijn waterlooze wolken, diu van ■ iejwinden omgedreveu worJeu; zü zijn als boomen in \'t afgaan van den herfat, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, [r/t] ontworteld ; |
13 Wilde barer. der xee, hunne eigene schande opschuimende; dwalende sterren, welken de donkerheid der duisternisinder eeuwigheid bewaard wordt. 11 En van deze heeft ook Enoch, de gevende ran Adam. geprofeteerd, zeggende; zie, de Heer is gekomen met zijne veel duizend heiliiren, 15 Om gerigt te houden tegen allen, en te straffen alle god-deloozen onder hen, van wege al hunne iroddclooze werken, die zij goddelooslük gedaan hebben, en van wege nl de harde [troorcfen] die de god-delooze zondaars tegen lleni gesproken hebben. 10 Dezen rijn murmureerders, klagers over huuueii staat, wandelende naar hunne begeerlijkheden; en hun gt;inond spreekt zeer opgeblazene dingen, verwonderende zich over de personen om des voordeels 17 Maar geliefden, gedenkt irij der woorden die voorzegd zijn van dc Apostelen onzes Hecren Jezus Christus; 18 Dat zg u gezegd hebben, dat in den laatsten tijd spotters zullen zijn, die naar hunne goddelooze begeerlijkheden wandelen zullen. 19 Dezen zijn hot die zich zeiven afscheiden, natuurlijke [mnitc/irn], den Geest niet hebbende. Ut Maar geliefden, bouwt gij ti zeiven op uw allerheiligst geloof, biddende in den Heiligen Geest; 21 Bewaart u «elven in dc liefde Godb, verwachtende da barmhartigheid onzes Heeren Jezus Christus ten eeuwigen leven. 22 En ontfermt u wel eeniger, onderscheid makende; 23 Maar behoudt anderen door vrees, en grijpt hen uit bet vuur; en haat ook den rok die van \'t vleesch bevlekt is. 2» Hem nu die magtig is n van struikelen te bewaren, en onstraffclijk t-j stellen voor zg-nc heerlijkheid in vreugde, 25 Den alleen wijzen God onzen Zaligmaker, zy heerlijkheid en majesteit, kracht en magt, beide nu ca in alle eeuwigheid. Amen. |
281 DE OPENBARING Uoofdst. 1, 2.
|
DE OPENBARING VAX D HOOFDSTUK 1. e Openbaring van Jezua Christus, die God hem (jefje-ven heeft om zijnen dienstknechten te toonen de dingen die haast geschieden moeten, en die hij door zijnen Ensrel •fezonden, en zijnen dienstknecht Johannes te kennen ge-Reven heeft; HOOFDSTUK 1. e Openbaring van Jezua Christus, die God hem (jefje-ven heeft om zijnen dienstknechten te toonen de dingen die haast geschieden moeten, en die hij door zijnen Ensrel •fezonden, en zijnen dienstknecht Johannes te kennen ge-Reven heeft; 3 Welke het woord Gods betuigd heeft, en dc getuigenis van Jezus Christus, en al wat hij gezien heeft. 3 Zalig is hij die leest, en zijn zij die hooren de woorden dezer profetie, en die bewaren hetgeen in dezelve geschreven is; want de tijd is nabij. 4 Johannes den zeven gemeenten, die in Azië zijn: genade zij u en vrede van hem Die is, en Die was, en Die komen zal, en van de zeven Geesten die voor zijnen troon zijn ; 5 En van Jezus Christus, die de getrouwe pjetuiffe is, de eerstgeborene uit de dooden, en de Overste der Koningen der narde. Hem die ons heeft liefce-had en ons van onze zonden gewasschen heeft in zijn bloed, 6 En die ons iremaakt heeft tot Koningen en Priester» Gode en rijnen Vader; hem [trtj tfc] zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. 7 Zie, hij komt met de wolken, en alle ooi» zal hem zien, ook degenen die hem doorstoken hebben ; en alle geslachten der aarde zullen over hem rouw bedrijven; ja, Amen. 8 Ik ben de Alpha en de Ome-Ca, het begin en het einde, zegt de Heer, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Al- 9 Ik Johannes, die ook uw broeder ben, en medegenoot in de verdrukking en in het Koningrük, en [in] de lijdzaamheid van Jezus Christus, was in het eiland genaamd Patmos, om het woord Gods, en om de getuigenis van Jezus Christus. 10 [En] ik was in den geest »p dea dag des Ueeren; en ik hoorde achter rnjj eene groote stem, als eener bazuin, |
11 Zeggende; ik ben de Alpha en de Omega, de eerste en de laatste; en: hetgeen gij ziet schrijf dat in een bo-k, en zend het den zeven gemeenten die in Azië zijn, [nnm^Iijfcl te Efe-ze, en te Smyrna, en te Per-samus, en te Thyatira, en te Sardis, en te Philadelphia, en te Laodicea. 12 En ik keerde mij om, om te zien de stem die met mij gesproken had ; en mij omgekeerd hebbende, zag ik zeven gouden kandelaren ; 13 En in het midden van de zeven kandelaren een den Zoon des inenschen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, \'en omgord aan de borsten met eenen gouden gordel ; 11 En } ijn hoofd en haar wits wit gelijk als witte wol, gelijk sneeuw ; en zijne oogen gelijk eene vlam vuurs; 15 En zjne voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in eer.en oven ; en zijne stem als eeae »teui van vele wateren. 16 En h j had zeven sterren in zijne regterjAnnrf]; en uit zijnen mond ging een tweesnijdend scherp zwaard ; en zijn aanare-ziirt was gelijk de zon schijnt in hare kracht. 17 En toen ik hem zag viel ik als dood lan zijne voeten; en hij leide zijne regterlftnnt/] op mij, zesgende tot mij : vrees niet; ik oen de eerste en de laatste; 18 En d4e leef, en ik ben dood geweest; lt; n zie ik ben levend in alle eeuwiirheid. Amen. En ik heb de sleutels der hel en des doods. 19 Schrijf hetgeen gij gezien hebt, en hetsreen is, en hetgeen geschieden zal na dezen. 20 De verborgenheid der zeven sterren, die £:ij gezien hebt in mijne re7ter[/innff]. en de zeven gouden kandelaren. De zeven sterren zijn ile Engelen der zeven gemeenten; en de zeven kandelaren, die gij gezien hebt, zijn de teven gemeenten. S HOOFDSTUK 2. chrijf aan den Engel der gemeents van Efeze: dit zeijt hü die c\'.e zeven sterren in zijne regter[/»aneZ] houdt, die in het mid- HOOFDSTUK 2. chrijf aan den Engel der gemeents van Efeze: dit zeijt hü die c\'.e zeven sterren in zijne regter[/»aneZ] houdt, die in het mid- |
Hoofdst. 2.
|
midden dor zeven gouden kandelaren wandelt: 2 Ik weet uwe werken, en uwen arbeid, en uwe lijdzaamheid, en dat gij de kwaden niet kunt drafren, en (dnf) gij beproefd hebt degenen die uitgeven dat zij Apostelen zijn, en zij zijn \'t niet, en hebt hen leugenaars bevonden; 3 En gij hebt verdragen, en hebt geduld; en gij hebt om mijns naams wil gearbeid, cn zijt niet moede geworden. 4 Maar ik heb tegen u, dat gij uwe eerste liefde hebt verlaten. 5 Gedenk dan waarvan gij uitgevallen zijt, en bekeer u, en doe de eerste werken ; en zoo niet, ik zal u haastijrlijk [hij-] komen, en zal uwen kandelaar van zijne plaats weren, indien gij u niet bekeert. 6 Maar dit hebt gij, dat gij de werken der Nicolaiten haat, welken ik ook haat. 7 Die ooren heeft, die hoore wat fle Geest tot de pemeentcn zegt. Die overwint ik zal hom Seven to eten van den boom des levens, die in \'t midden van het paradijs Gods is. 8 En schrijf aan den Engel dor gemeente van die van Smyrna : dit zegt de Eerste on do Laatste, die dood geweest is, en [irerfo J levend is geworden : 9 Ik weet uwe werken, en verdrukking , on armoede (doch pij zijt rijk) on do lastering dergenen die zeggen dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar zijn oene Synagoge des satans. 10 Vrees geen der dingen die {rij lijden zult. Zie, do duivel za\' [rrnifjfn] van uliedon in do gevanjrenis werpen, opdat gij verzocht wordt; cn gij zult eeno verdrukking hebben van tien dagen. Zijt getrouw tot don dood, on ik zal u geven do kroon des levens. 11 Die ooren heeft, die hoore wat do Geest tot de gemeenten zegt. Die overwint zal van don tweeden dood niet beschadigd worden. 12 En schrijf aan den Engel «lor gemeente die in Pergamus is; flit zegt hij die het tweesnijdende scherpe zwaard heeft: |
13 Ik weet uwe werken,en.waar gij woont, [nnmelijk] daar do troon des satans is ; en gij houdt mijnen naam, en hebt mijn geloof niet verloochend, ook in die dagen, in welke Antipas mijn getrouwe getuige was, welke gedood is bij uliedon, daar de satan woont. 14 Maar ik heb (ff nij*] weinig# dingen tegen u, dat gij aldaar hebt die de leering Balaam* houden, die Balak leerde den kinderen Israels oenen aanstoot voorwerpen, opdat zij zouden afgoden-offer eten, en hoeree- 15 Alzoo hebt ook gij die de leerinf» der Nicolaiten houden, hetwelk ik haat. 16 Bekeer u; en zoo niet, ik zal u haastiglijk [hij]komen, en zal tegen hen krijg voeren mot het zwaard mijns monds. 17 Die ooren hoeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. Die overwint, ik zal hem geven te eten van het Manna dat verborgen is, en ik zal hem geven oenen wit» ten keursteen, cn op don keur- schreven,welken niemand kent, dan die hem ontvangt. 18 En schrijf aan den Engel der gemeente te Thyatira. dit zegt de Zoon Gods, die zijne oogon heeft als eeno vlam vuurs, en zijne voeten zijn blinkend koper gelijk: 19 Ik weet uwe werken, cn liefde, en dienst, en geloof, en uwe lijdzaamheid, en uwe werken, en [(int) de laatste meer (i»jn)~dan do eerste. 20 Maar He heb [ffnii/f] weinige dingen tegen u, dat gij de vrouw Jezabel, die zich zelve zegt eeno profetes te rijn, laat lecren, en mijne dienstknechten verleiden, dat zij hoereeren, en afgoden-offer eten. 21 En ik heb haar tijd gegeven, opdat zij zich zoude be-ki-eron van hare hoererij, en zij heeft zich niet bekeerd. 22 Zie, ik werp haar te bed, en die met haar overspel bedrijven , in groote verdrukking, zoo zij zich niet bekeeren van hunne werken; 23 En hare kinderen zal ik door den dood ombrengen; en al de gemeenten zullen weten, dat ik ben die nieren en harten onderzoek. En ik zal ulieden geven een iegelijk naar uwe werken. 24 Doch ik zeg tot ulieden, en tot da andoren dieteThya- ti |
|
lira ïijn, zoo velen als er deze loer niet hebben, en die de diepten des satans niet prekend hebben, gelijk zij zesrjren • ik zal u gecnen anderen last op-leerjfen. 25 Maar het-reen pij hebt, houdt dat totdat ik zal komen. 2R En die overwint, en die mijne werken tot het einde toe bewaart, ik zal hem uiajjt geven over de Heidenen ; 27 Eu hij zal hen hoeden met et-nen ijzeren staf; zij zullen als piittebakkers-vaten vermorzeld worden, grelijk ook ik van mijnen Vader ontvangen heb. 25 En ik zal hem de morgenster seven. 29 Pie ooren heeft, dis hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. |
ik heb cenc geopende deur voor u pegeven, en niemand kan die sluiten ; want gij hebt kleine kracht, en gij hebt mijn woord bewaard, en nebt mijnen naam niet verloochend. 9 Zie, ik geef (« enigen] uit de Synagoge des satans, dergenen die zesgen dat zij joden zijn, en zijn het niet, maar liegen ; zie, ik zal maken, dat zij zullen komen, en aanbidden voor uwe voeten, en bekennen dat ik u liefheb. 10 Omdat gij het woord mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zoo zal ik ook u bewaren uit de ure der verzoekinir, die over de geheele wereld komen zal, om te verzoeken die op de aarde wonen. 11 Zie, ik kom hanstiglijk; houd -.vat gij hebt, opdat niemand uwe kroon neme. 12 Di-ï overwint, ik zal hem maken tot een pilaar in den Tempel mijns Gods, en hij zal niet meer daar uit gaan ; en ik zal op hem schrijven don naam mijns Gods, en den naam der stad mijns Gods, (ii/fm«lt;ijfc] des nieuwen Jeruzaleins, dat uit den hemel van mijnen God afdaalt, ;n [ook] mijnen nieuwen 13 Die ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zeg:. 14 En schrijf aan den Engel van de gemeente der Laodicen-sen : dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige, hot begin der schepping Gods : 15 Ik v.-cet uwe werken, dat gij noch koud zijt, noch heet; och, of gij koud waart, of heet ! 16 Zoo dan, omdat gij laauw zijt, en noch koud noch heet, ik zal u uit mijnen mond spu- 17 Want gij zegt ■ ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb Keens dings gebrek ; en pij weet niet dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt. 18 Ik raad u dat gij van mij koopt goud beproefd komende uit het vuur, opdat gij rij!: moogt worden ; en witte kleederen, opdat pij moogt bekleed worden, en de schande uwrf naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uwe oogen met oogenzalf, opdat gij zien moogt. 19 Z jo wie ik liefheb, dien be- DE OPENBAR1KG Iloofdst. 2, 3. |
|
Iloofilst. 3, 4, 5. bestraf en kastijd ik ; wees dan yverif», en bekeer u. 30 Zie, ik sta aan de deur, en ik klop; indien iemand mijne stem zal hooren, en de deur opendoen, ik zal tot hem inkomen, en ik zal met hem avondmaal houden, en hij met mij. 21 Die overwint, ik zal hem geven met mij te zitten in mijnen troon, pclijk als ik overwonnen heb, en ben ffezefen roet mijnen Vader in zijnen 22 Wie ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de geiuceuten zest. N HOOFDSTUK 4. a dezen zag ik, en zie, eene deur was geopend in den hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, als eener bazuin met mij sprekende, zeide; kom hier op, en ik zal u too-nen hetgeen na dezen geschieden moet. HOOFDSTUK 4. a dezen zag ik, en zie, eene deur was geopend in den hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, als eener bazuin met mij sprekende, zeide; kom hier op, en ik zal u too-nen hetgeen na dezen geschieden moet. 2 En terstond werd ik in den geest; en zie, er was een troon gezet in den hemel, en er zat een op den troon. 3 En die er op zat, was in het aanzien den steen Jaspi.*, en Sardius gelijk ; en een resren-boo? was rondom den troon, in *t aanzien den (steen) Sma-ragdus srelijk. 4 En rondom den troon waren vier en twintig troonen ; en op de troonen zag ik de vier en twintig Ouderlingen zittende, bekleed met witte kleederen; en zij hadden irouden kroonen op hunne hoofden. 5 En van den troon gingen uit bliksemen, en dondersla- rige lampen waren brandende voor den troon, welke zijn de zeven Geesten Gods. R En voor den troon was eene glazen zee, kristal gelijk. En in het midden des troons, en rondom den troon, vier Dieren, zijnde vol oogen van voren en van achteren. 7 En het eerste Dier was eenen leeuw gelijk, en het tweede Dier een kalf gelijk, en het derde Dier had een aanzigt als een inensch, en het vierde Dier was eenen vliegenden arend gelijk. 8 En de vier Dieren hadden elkeen voor zich zclven.zes vleugelen rondom, en waren van binnen vol oogen ; en hebben geen 287 |
rust dag ca nacht, zeggende : heilig, heilig, heilig is de Heer God,lt;le Almagtige, Die was, en Djc is, en Die komen zal. 9 En wanneer de Dieren heerlijkheid, en eer, en dankzegging gaven Hem die op den troon zat, die in alle eeuwig-beid leeft, 10 Zoo vielen de vier en twintig Ouderlingen voor Hem die op den troon zat, en aanbaden Hem die leeft, in alle eeuwigheid, en wierpen hunne kroo-ni\'n voor den troon, zeggende : 11 Gü Heer aijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen, en door uwen wil zijn zij, en zijn zij geschapen. E HOOFDSTUK 5. n ik zag in de regter- HOOFDSTUK 5. n ik zag in de regter-Ihnndj desgenen die op den troon zat, een boek geschreven van binnen en van buiten, verzegeld met zeven zegelen. 2 En ik zag eener. sterken Engel uitroepende met eenegroote stem : wie is waardig het boek te openen, en zijne zegelen op te breken ? 3 En niemand in don hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde konde het boek openen , noch hetzelve (iii]zien. 4 En ik weende zeer, dat niemand waardig gevonden was. om dat bock te openen, en te lezen, noch hetzelve (in] te 5 En een van de Ouderlingen zeide tot mij : ween niet; zie, de leeuw die uit den stam Juda is, de wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek le openen, en zijne zeven zegelen op te breken. 6 En ik zag. en zie, in het midden van den troon, en van de vier Dieren, en in het midden van de Ouderlingen, een Lam staande als geslagt, hebbende zeven horens, en zeven oogen; welke zijn de zeven Geestes Gods die uitgezonden zijn in alle landen. 7 En het kwam, en heeft het boek genomen uit de regter-t/inn\'{) desgencn die op den 8 En als het liet boek genc-men had, vielen de vier Dieren en de rier en twintig Ouderlingen VAN JOHANNES. |
|
Ü\'ïS (fen voor het Lam [nedfr], hebbende elk citeren en gouden fiolen zijnde vol reukwerks, welke zijn de gebeden der heiligen. 9 En zij zongen een nieuw lied, zeggende: gij zijt waardig het boek te nemen, en zijne zegelen te openen; want gij zijt pcslagt, en hebt ons Gode gekocht met uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie; 10 En gij hebt ons onzen God gemaakt tot Koningenen Prie-stcren; en wij zullen als Konin-pen heerschen op de narde. 11 En ik zag, en ik hoorde eene stem veler Engelen rondom den troon, en de Dieren, en de Ouderlingen ; en hun getal was tien duizend maal tien duizenden, en duizend maal duizenden : 12 Zeggende met eene grootc ■tem: het Lam dat geslagt is, is waardig te ontvangen de kracht, rn rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging. 13 En alle schepoel dat in den hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles wat in dezelve is, hoorde ik zeggen : Hein die op den troon zit, en het Lam zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, cn de kracht in alle eeuwigheid. H En de vier Dieren zeiden : Amen. En de vier en twintig Ouderlingen vielen liic(/rrl, en aanbaden dengenen die leeft in alle eeuwigheid. E HOOFDSTUK 6. n ik zag, toen het Lam een van de zegelen geopend had, en ik hoorde een uit de vier Dieren zeggen, als eene *tein van eenen donderslag: kom en zie. HOOFDSTUK 6. n ik zag, toen het Lam een van de zegelen geopend had, en ik hoorde een uit de vier Dieren zeggen, als eene *tein van eenen donderslag: kom en zie. 3 En ik zag, en zie, een wit paard; en die daar op zat bad eenen boog; en hem is eene kroon gegeven, en hij ging uit overwinnende, en opdat hij overwonne. 3 En toen het het tweede ze-gel geopend had, hoorde ik het tweede Dier zeggen: kom en zie. 4 En een ander paard ging uit dat rood was; cn dien die daar op zat werd Iwapf] gegeven, den vrede te nemen van de aarde, en dat zij elkander |
Hoofdst. 5, 6. zouden dooden; en hem werd een groot zwaard gegeven. 5 En toen het het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde Dier zeggen : kom en zie. En ik zag, en zie, een zwart paard; en die daar op zat had eene weegschaal in zijne hand. C En ik hoorde eene stem in \'t midden van de vier Dieren, die zeide: een maatje tarwe voor eenen penning, en drie maatjes gerst voor eene penning; en de olie en den wijn beschadig niet. 7 En toen het het vierde zegel geopend had, hoorde ik eene stem des vierden Diers, die zeide: kom en zie. 8 En ik zag, en zie, een vaal paard ; en die daar op zat, zijn naam waj de Dood; en de Hel volgde hem na. En hun werd magt gegeven om te dooden tot het \\ierde (rfM] der aarde, met zwaard, en met honger, en met den dood, en door de wilde beesten der aarde. 9 En teen het het vyl\'de zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen dergenen die gedood waren om het woord Gods, en om de getuigenis die zij hadden. 10 En :;ij riepen met groote stetr, zeggende: hoe lang, o heilige cn waarachtige Heer-scher, oordeelt en wreekt gij ons bloed niet van degenen die op de aaide wonen ? 11 En aan een iegelijk werden lange wit\'.e kleederen gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog eene:i kleinen tijd rusten zouden, totdat ook hunne mede-dienstknechten, en hunne broeders zouden vervuld zijn, die gedood zouden worden gelijk als zij. 12 Én ik zag, toen het het zesde zegel geopend had , en zie, er werd eene groote aardbeving, en de zon werd zwart als een haren zak, cn de maan werd als bloed , 13 En de sterren des hemels vielen op de aarde, gelyk een vijgeboom zijne onrijpe vijgen atwerpt, als hij van eenen groo-ten wind geschud wordt. 14 En de hemel is weggeweken, als een boek dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hunne plaatsen. 15 En de Koningen der aarde. DE OPENBARING |
|
en de Grooten, en de rijken, en de Oversten over duizend, en de Mnfrtiiren, en allediansf-knerhten, en alte vrijen, ver-borffeu ziol^ zeiven in de spelonken, en m de steenrotsen der bergen, 16 En reiden tot de bergen en tot de steenrotsen : valt op ons en verbergt ons van het aantfe-zigt desgenen die op den troon zit, en van den toorn des Lams. 17 Want de groote dag zijns toorns is gekomen ; en wie kan begtaan ? |
289 ren twaalf duizend verzegeld. 9 Na dezen zag ik, en zie, eene groote schare, die niemand tellen kon, uit alle natiën, en geslachten, en volken, en talen, staande voor den troon, en vour het Lam, bekleed zijnde met lange witte kleederen; en palgt;ii[fafcAcen] waren in hunne Landen. 10 En zij riepen met groote stem, zeggende: do zaligheid zg onzen God, die op den troon zit, en het Lam. 11 En al de Engelen stoudon rondom den troon, en Irondom] de Ouderlingen en de vier Diereu, en vielen voor den troon [nedrr] op hun aange-ziet, en aanbaden God, 12 Zeggende- Amen. De lof, en de heerlijkheid, cn de wijsheid, en de dankze?(ring, en de eer, en de kracht, en de sterkte zij onzen God in alle eeuwigheid. Amen. 13 En een uit de Ouderlingen antwoordde, zergende tot mij dezen die bekleed zijn met de lange witte kleederen, wie zijn zy, en van waar zyn zg geko- li En ik sprak tot hen» : Hoor gij weet het. En h(j zeide tot my : dezen zyn \'t die uit de groote verdrukking komen ; cn zij hebben hunne lange kleederen gewasschen, en hebben hunne lange klcederen wit gemaakt in het bloed des Lams. 15 Daarom zijn zij voor den troon Gods, en dienen Hem dag en nacht in zijnen Tempel; en die op den troon zitzal hen overschaduwen. 16 Zij zullen niet meer hon» geren, noch zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch eenicre hitte. 17 Want het Lam dat in \'t midden des troons is, zal hen weiden, en zal hun een leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren, en God zal alle tranen van hunne oogen afwis- E HOOFDSTUK HOOFDSTUK 8. n toen het het zevende zegel geopend had, werd n een stilzwijgen in den hein . omtrent van een half uur. 2 En ik zag de zeven Engelc-die voor God standen ; en hu werden zeven bazuinen gegeven, 3 En er kwam een andere En- N gel. Hoofdst. fi, 7. 8. VAN JOHANNES. |
|
290 el, en ttond aan het altaar, ebbende een gouden wierook-▼at; en hem werd veel reuk-werks pegeven, opdat hij het Int?/] de pebeden aller heiligen zoude leppen op bet pouden altaar dat voor den troon is. 4 Et» de rook des reukwerk» (mrlt;l de pfebeden der heilipcn, (•inp op van de hand des En-pol» roor God. 5 En de Enirel nam het wierookvat, en vulde het met het vuurs de» altaar», en wierp het op de aarde; en er penrhied-den «temmen, en dondenda-tren, en bliksemen, en aardbeving. 6 En de zeven Entjelen, die de zeven bazuinen hadden, bereidden zich om te bazuinen. 7 En de eerste Enpel heeft (Te-bazuind; en er is peworden hapel en vuur, gemenpd met bloed, en zij zijn op de aarde p-worpen ; en het derde [deel] der boomen is verbrand, en al het proene pras is verbrand. 8 En de tweede Enpel heeft pebazuind; en er werd ficf»] als een proote berp van vuur, brandende in de zee peworpen, en het derde [deel] der zee is bloed geworden ; 9 En het derde der schepselen in de zee, die leven hebben, is pestorven ; en het derde ideel] der schepen is ver paan. 10 En de derde Enpel heeft pebazuind ; en er is eene proote ater, brandende als een fakkel, pevallen uit den hemel, en is pevallen op het derde [drrl] der rivieren, en op de fonteinen der wateren. 11 En de naam der ster wordt penoemd Alsem; en het derde der wateren werd tot alsem : en vele menschen zijn pestorven van de wateren, want zy waren bitter pcworden. 12 En de vierde Enpel heeft pebazuind: en het derde l\'lrrl] der zon werd peslapen, en het derde [\'/rel] der maan, en het derde [\'letl) der sterren; opdat het derde [derl] derzelve zoude verduisterd worden, en dat het derde (ifrW) van den dap niet zoude lichten, en van den\'nacht despelijks. 13 En ik zap, en ik hoorde eenen Enpel vliepen in \'t midden des hemels, zeppende met proote stem: wee, wee, |
wee, denpenen die op de aarde wonen, van de overipe stemmen der bazuin der drie Enpe-len die [nogr] bazuinen zullen. E HOOFDSTUK 9. n de vijfile Enpel heeft pebazuind; en ik zap eene ster pevallen uit den hemel op de aarde, en haar werd pepeven de sleutel van den put des af-pronds. HOOFDSTUK 9. n de vijfile Enpel heeft pebazuind; en ik zap eene ster pevallen uit den hemel op de aarde, en haar werd pepeven de sleutel van den put des af-pronds. 2 En zij heeft den put des af-pronds peopend; en er is rook oppepaan uit den put, als rook eens prooteu ovens ; en de zon en de lucht is verduisterd pe-worden van den rook des puts. 3 En uit den rook kwamen sprinkhanen op de aarde, en hun werd mapt pepeven pclijk de schorpioenen der aarde mapt hebben. 4 Eu huri werd pezepd, dat zg het pras der aarde niet zouden beschadipzn, noch eenipe proente, noch eenipen boom, dan de menschen nlleen die het lepel \'^ïods aan hunne voorhoofden niet hebben. 5 En hun werd Intact] pepeven, niet dat zij hen ztfuden dooden, naar dat zij zouden [rnn Am) fepijnipd worden vgf maanden ; en hunne pijnipinp was als de pijnipinp van eenen schorpioen wanneer hij eeneu mensch pestoken heeft. Ci En in die dapen zullen de menschen den dood zoeken, en zullen dien niet vinden ; en zij zullen bepeeren te sterven, en de dood zul van hen vlieden. 7 En de podaanten der sprinkhanen wart n den paarden pe-lijk, die tot den oorlop bereid zijn ; en op hunne hoofden waren al» kroonen het poud po-lijk, en hunne aanpezipten als 8 En zij hadden haar als haar der vrouwen, en hunne tanden waren als [(nnden] der lecu- 9 En zij hadden borstwapenen als ijzeren borstwapenen; en het pedruisch hunner vleupe-len was als een pedruisch der wapenen, wanneer vele paarden naar ion strijd loopen; 10 En rij hadden staarten den schorpioenen pelijk, en er waren anpels in hunne staarten; en hunne mapt was de menschen te beachsdigen rijf maanden, DE OPENBARING Hoofdat. 8, 9. |
VAX JOHANNES.
Iloofdst. 9,10.
|
11 En zij hntldcn over zich tot eenen Koning den Enjrel dea afffronds ; zijn naam was in \'t Hebreeuwsch Abaddon, en in de Grieksche [fnal] bad liij den naam Apollyon. 12 Met eene wee is wefr?e-crnan; zie, er komen nog twee weeën na dit. 13 En de zesde Enpel heeft gebazuind; en ik boorde eene stem uit de vier horens des gouden altaars, dat voor God was , 14 Zeggende tot den zesden Engel, die de bazuin had; ontbind de vier Engelen, die gebonden zijn bij de groote rivier Eufraat. 15 En de vier Engelen zijn ontbonden geworden, welke bereid waren tegen de ure, en dag, en maand, en jaar, opdat zij het derde [drrl] der menschen zouden dooden. 16 En het getal van do heirle-gers der ruiterij was twee maal tien duizenden der tien duizenden ; en ik hoorde hun getal. 17 En ik zag alzoo de paarden in dit gezigt, en die daar op zaten, hebbende vurige en hemelsblaauwe, en sulferver-wige borstwapenen; en de hoofden der paarden waren als hoofden van leeuwen, en uit hunne monden ging uit vuur, en rook, en sulfer. 18 Door deze drie werd het derde [(fffJ) der menschen gedood, [nnmelijlc] door het vuur, en door den rook, en door het sulfer, dat uit hunne monden uitging. 19 quot;Want hunne magt is in hunnen mond, en in hunne staarten. Want hunne staarten zijn den slangen gelijk, en hebben hoofden, en beschadigen met dezelve. 20 En de overige menschen, die niet gedood zijn door deze plagen, hebben zich niet bekeerd van de werken hunner handen, dat zij niet zouden aanbidden de duivelen, en de gouden, en zilveren, en koperen, en steenen, en houten afgoden, die noch zien kunnen, noch hooren, noch wandelen ; 21 En hebben zich [ooJc] niet bekeerd van hunne doodslagen, noch van hunne venijn-gevingen, noch van hunne hoererij, noch van hunne die-verijen. |
HOOFDSTUK 10. ik 7 sterken Engel afkomende van den hemel, die bekleed was met eene wolk ; en oen regenboog was boven [rijn] hoofd; en zijn aangezigt was als de zon, en zijne voeten waren ala pilaren van vuur; 2 En hij had in zijne hand een boeksken dat geopend was ; eu hij zette zijnen regtervoet op de zee, en den linker op de aarde. 3 En hij riep met eene groote stem, gelijkerwijs een leeuw brult; en als hij geroepen had, spraken de zeven donderslagen 4i En toen de zeven donderslagen hunne stemmen gesproken hadden, zoo zoude ik ze geschreven hebben; en ik hoorde eene stem uit den hemel, die tot mij zeide: verzegel hetgeen de zeven donderslagen gesproken hebben, en schrijf dat niet. 5 En de Engel dien ik zag staan op de zee, en op de aarde, hief zijne hand op naar den hemel , fi En hij zwoer bij Dien die leeft in alle eeuwigheid, die den hemel geschapen heeft en hetgeen daar in is, en de aarde en hetgeen daarin is, en de zee en hetgeen daar in is, dat er geen tijd meer zal zijn ; 7 Maar in de dagen der stem dea zevenden Engels, wanneer hij bazuinen zal, zoo zal de verborgenheid Gods vervuld worden, gelijk hij zijnen dienstknechten den Profeten verkondigd heeft. 8 En de stem die ik gehoord had uit den hemel, sprak wederom met mij, en zeide: ga henen, neem het boeksken, dat geopend llt;quot;nl in «Ie hand ia des Engels die op de zee en op de aarde staat. 9 En ik ging henen tot den Engel, zeggende tot hem : geel mij dat boeksken. En hy zeidi tot mij ; neem het en eet hel op; en het zal uwen buik bitter maken, maar in uwen mond zal \'t zoet zijn als honig. 10 En ik nam het boeksken uit de hand dea Engels, en ik at het op ; en het was in mijMfii mond zoet als honig, en als ik het gegeten had, werd mijn buik bitter. N 2 11 Ka i E, |
DE OPENBARING Hoofdst. 10,11.
|
11 En hij zuidc tot mij ■ t,\'lj moet wederom profeteren \' oor vele volken, en natiën, en talen, en Koningen. TT* HOOFDSTUK 11. 1 1 Jn mij werd een rietstok gefreven, eene (m^WJroedo Ke-lijk; en de Engrel stond, en zeidc: sta op, en meet den Tempel Gods en het altaar, en degenen die daar in aanbidden. 2 En het voorhof dat van buiten den Tempel is, laat uit, en meet dat niet; want het in den Heidenen cre^even, en zij zullen «1c heilige stad vertreden twee en veertig maanden. 3 En ik zal mijnen twee getuigen [mmin geven, en zjj zullen profeteren duizend twee honderd zestig dagen, met zakken bekleed 4 Deze zijn de twee olijfboo-inen,en de twee kandelaren, die voor den God der aarde staan. 5 En zoo iemand die wil be-sehadigen, een vuur zal uit hunnen mond uitgaan, en zal hunne vijanden verslinden ; en zoo iemand hen wil beschadigen, die mout alzoo gedood worden. 6 Dezen hebben magt den hemel te sluilen, opdat geen regen regenc in de dagen hunner profetering; en zij hebben magt over de wateren, om die in bloed te verkeeren, en de aarde te slaan met allerlei plagen , zoo menigmaal als zij zullen willen. 7 En als zij hunne getuigenis zullen geëindigd hebben, zal het Heest dat uit den afgrond opkomt, hun krijg aandoen, en het zal hen overwinnen, en za! hen dooden ; 8 En hunne doode ligchamen [tullen liggen] op de straat der groote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodoma «\'ii Egypte, alwaar ook onze lieer gekruist is. 9 En [de mennrhen] uit de volken, en geslachten, en talen, rn natiën, zullen hunne doode ligoliamen zien drie dagen en eenen halven, en zullen niet toelaten dat hunne doode ligchamen in graven gelegd worden. 10 En die op de aarde wonen |
dk* zullen verblijd zijn over hen, en zullen vreugde bedrijven, en zullen elkander geschenken zenden, omdat deze twee Profeten degenen die op de aarde wonen, gepijnigd hadden. 11 En na die drie dagen en eenen halven, is een geest, des levens uit God in hen gegaan, en zij stonden op hunne voeten, en er is groote vrees gevallen op degenen die hen aanschouwden. 13 En zij hoorden eene groote stem uit den hemel, die tot hen zeide : komt herwaarts op. En zij voeren op naar den hemel in de wolk, en hunne vijanden aanschouwden hen. 13 En in die zelfde ure geschiedde eene groote aardbeving, en het tiende If/wi) der stad is p-evallen, en er zijn in de aardbeving gedood zeven duizend namen van menschen ; en de overigen zijn zeer bevreesd geworden, en hebben den God des hemels heerlijkheid geg.iven. li Het tweede wee is weggegaan ; zit;, het derde wee komt haast. 15 En d » zevende Engel heeft gebazuind ; en er geschiedden groote stemmen in den hemel, zeggende de Koningrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren, iïn zijns Christus, en hij zal als Koning heerschen in alle eeuwigheid. 16 En cie vier en twintig Ouderlingen, die voor God zitten op hunne troonen, vielen Inederj op hunne aange-zigten, en aanbaden God, 17 Zegget de: wij danken U Heer God al magt ig. Die is, en Die was, en Die komen zal, dat Gij uwe groote kracht hebt aangenomen, en als Koning hebt geheerscht; 13 En de volkeren waren toornig geworden, en uw toorn is gekomen, en de tijd der dooden om geoordeeld te worden, en om het loon te geven uwen dienstknechten den Profeten, en den heiligen , en dengenen die uwen naam vreezen, den kleinen en den grooten, en om te verderven degenen die |de aarde verdor- 19 En de Tempel Gods in den hemel is geopend geworden, en de Vrk zyna verbonds is \'tu- |
|
zl«i in zijnen Tempel ■, en ar werden bliksemen, cn stem-men, en domliTnlairen, cn nrmlbevincr, cu cproote ha^el. E. HOOFDSTUK 12. jn er werd een proot tce-kcii gezien in den hemel,. HOOFDSTUK 12. jn er werd een proot tce-kcii gezien in den hemel, [nn-nifiijk] eene Vrouw bekleed nset de zon; cn de mann wan onder hnre voeten, cn op haar hoofd eeno kroon van twaalf sterren; 2 En zij was zwanfrer, cn riep barensnood hebbende, en zijnde in pijn om to baren. 3 En er werd een ander teeken gezien in den hemel; en zie, er was een grooto rooda Draak, hebbende zeven hoofden, entien horens, cn op zijne hoofden zeven Koninklijke hoeden ; 4 En zijn staart trok het derde liUel] der sterren des hemels, en wierp die op do aarde; en de Draak stond voor de Vrouw die baren zoude, opdat hij haar kind zoude verslinden, wanneer zij het zoude gebaard hebben. 5 En zij baarde eencn inannc-1 Ijken zoon, die al de Heidenen zoude hoeden met eene ijzeren roede; en hanr kind werd wesperukt tot God en zijden troon. R En de Vrouw vlujrtte in de woestijn, alwaar zij eene plaats had [Unnr] van God bereid, opdat zij har.r aldaar zouden voeden duizend twee honderd zestig darren. 7 En cv werd krije in den hemel ; Michael en zijne Engelen krijjrden tc?en den Draak, en de Draak krijgdc [oofc] en zijne Engelen; 8 En zij hebben niet verniogt, noch hunne plaats is niet meer gevonden in den homel. 9 En de groote Draak is geworpen, [namelijk] de oude Slang, welke genoemd wordt Duivel en Satanas, die de ge-heele wereld verleidt, hij is [zcif i/tl geworpen op de aarde, enquot; zijne Engelen zijn met hem geworpen. 10 En ik hoorde eene groote stem zeggende in den hemel : nu is de zaligheid, cn de kracht, en het Koningrijk geworden onzns Gods, en do maart zijns Christus; want de vrrklntrer onzer broederen, die Ucn verklaagdc voor uaieu God |
dag cn uouht, is ucdergewor-pen. 11 En zij hebben hem overwonnen door het blued des Lama, en dour het woord hunner getuigeni»; en zij hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe. 12 Hierom bedrijft vreugde gij hemelen, en gij die daar in woont. quot;Wee dengenen die de aarde en de zee bewonen ; want de duivel is tot u afgekomen, cn hoeft Rrooten toorn, wetende dat hij eenen kleinen tijd heeft. 13 En toen de Draak zag dat hij op de aarde trewnrpen was, zoo heeft hij de Vrouw vervolgd die het manneken gebaard had. 14 En de Vrouw zijn gegeven twee vleugelen eens grooten arends, opdat zij zoude vliegen in de woestijn, in hare plaats, alwaar zij gevoed wordt eenen lijd, en tijden, cn venen hnl-ven tijd, buiten het gezigt der Slang. 15 En de Slang wierp uit haren mond achter do Vrouw water als eene rivier, opdat hij hanr tioox de rivier zoude doen wegvoer C*i. 16 En de aarde kwam deVrouw te hulp, cn de aarde opende haren mond, en verzwolg de rivier, welke do Draak uit zijnen mond had geworpen. 17 En de Draak vergrimde op de Vrouw, cn ging henen oih krijg te voeren tegen de overigen van haar zand, die de geboden Gods bewaren, en de getuigenis van Jezus Christus hebben. 18 En ik stond op het zand der zee; TT HOOFDSTUK 13. 1 JLjn ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende zo-ven hooiden^ eu tien horens; Koninklijke hoeden, en opzijnc hoofden was een naum van (Gü\'h]lastering. 2 Eu het Beest dat ik zag, was eenen pardel gelijk, en zijne voeten , als eens b.-ers [roe/en], rn zijn mond al-lt; de mond eens leeuws; en de Diaak gaf hem zijne kracht, en zijnen troon, en irroote niagt. 3 En ik zag een van zijne hoo\'-deu al« tot den «lood gewond Hoofilst. 11, 12. 13. VAN JOHANNES. |
DE OPENBARING lloofdst. 13, U.
|
feu njue JoOilelijke trond werd genezen ; en de cehecle aarde verwonderde zich achter het Beest. ■t En zij a.inbade.1 den Draak, die het Beest inajrt getrevenhad, en zij aanbaden het Beest, zeggende ; wie is dit Beest frelijk\' wie kan krijg voeren tegen hetzelve ? 5 En hetzelve werd een mond gegeven, om groote dingen en ! Gorf»]lasteringen te spreken; en hetzelve werd magt gegeven om (itWfc») te doen, twee en veertig maanden. C En het opende zijnen mond tot lastering tegen God, om zijnen naam te lasteren, en zijnen Tabernakel, en die in den hemel wonen. 7 En hetzelve werd [mnjif] gegeven om krijg den heiligen aan te doen, en om die te overwinnen ; en hetzelve werd magt gegeven over alle ge-slacht, en taal, en volk. 8 En allen die op de aarde wonen zullen \'t zelve aanbidden, welker namen niet zijn geschreven in \'t boek des le-yans, des Lams dat geslagt is, van de grondlegging dei-wereld. 9 Indien iemand ooren heeft, die hoorc. lU Indien iemand in de gevangenis leidt, die gaat [ze//] iu de gevangenis; indien iemand met het zwaard zal doo-den, die moet zelf met het zwaard gedood worden. Hier is de lijdzaamheid en het ge-lo:)f der heiligen. 11 En ik zag een ander Beest uit do aarde opkomen ; en het had twee horens, des Lams l/iorrns] gelijk, en het sprak als dc Draak. 13 En het oefent al de magt van het eerste Beest in tegenwoordigheid van hetzelve, en het maakt dat de aarde en die er in wonen, het eerste Beest aanbidden, wiens doodelijke wond genezen was. 13 En het doet groote teeke-nen, zoodat het ook vuur uit den hemel doet afkomen op de aarde, voor de menschen ; 11 En verleidt degenen die op de aarde wonen, door de teekenen die hetzelve te doen gegeven zijn in de tegenwoor-digheid van het Beest, zeggende tot degenen die op de aarde wonen, dat zij het Beest, dat de wond des zwaards had, en [tceder] leefde, een beeld zouden maken. |
15 En hetzelve werd [mnglt;] gegeven om den beelde des Beestes eenen geest te geven, opdat het beeld des Beestes ook zoude spreken, en maken dat allen die het beeld des Beestes niet zouden aanbidden, gedood zouden worden. 16 En het maakt dat het aan allen, kleinen en grooten, en rijken en armen, en vrijen en dienstknechten, een merktee-ken geve aan hunne regter-hand , of aan hunne voorhoof- 17 En dat niemand mag koo-pen of verkoopen, dan die dat merkteeken heeft, of den naam des Beestes, of het getal zijns is Hier is de wijsheid : die het verstand heeft reken e het getal des Beestes ; want het is een sretal eens menschen, en zijn getal is zes honderd zes en E HOOFDSTUK 14. n ik zag, en zie, het Lam stoiid op den berg Sion, en met \'..lem honderd vier eu veertig duizend, hebbende den naam zijns Vaders geschreven aan hunne voorhoofden. HOOFDSTUK 14. n ik zag, en zie, het Lam stoiid op den berg Sion, en met \'..lem honderd vier eu veertig duizend, hebbende den naam zijns Vaders geschreven aan hunne voorhoofden. 2 En ik hoorde eene stem uit den hemel, als eene stem veler wateren, fn als eene stem van eenen groo\'en donderslag. Enik hoorde ceie stem van citerspelers, spelende op hunne ci- 3 En zij zongen als een nieuw de vier Dieren, en de Ouderlingen ; en niemand konde dat gezang loeren, dan de honderd vier en veertig duizend, die van de aarde gekocht wa- -l Dezen zijn \'t die met vrouwen niet bevlekt zijn ; want zij zijn maagden. Dezen zijn \'t die het Lam volgen waar het ook henengaat. Dezen zijn gekocht uit de menschen, [ïof] eerste-linTon Gcde en het Lam. 5 En in hunnen mond is treen bedrog gevonden ; want zij zijn onberispelijk voor den troon Gods. 6 En ik zasr eenen anderen Engel vliegende iu \'t midden des |
|
des hemels, en hü hail het eeuwig Euangclium, ou» te verkondigen dengenen die op de aarde wonen, en alle natie, en geslacht, en taal, en volk ; 7 Zeggende met eene groote stem: vreest God, en geeft Hem heerlijkheidwant de ure zijns oordeels is gekomen. En aanbidt Hem die den hemel, en de aarde, cn de zee, en de fonteinen der wateren gemaakt heeft. 8 En er is een andere Engel gevolgd, zeggende ; zij is gevallen, zij is gevallen, Babyion, die groote stad, omdat zij uit den wijn des toorns harer hoererij alle volken heeft gedrenkt. 9 En een derde Engel is hen gevolgd, zeggende met eene groote stem ; indien iemand het Beest aanbidt en zijn beeld, en ontvangt het inerkteeken aan zijn voorhoofd, of aan zijne hand , 10 Die zal ook drinken uit den wijn des toorns Gods, die ongemengd ingeschonken is in den drinkbeker zijns toorns, en zal gepijnigd worden met vuur en sulfer, voor de heilige Engelen, cn voor het Lam. 11 En de rook van hunne pijniging gaat op iu alle eeuwigheid, en zij hebben geen rust dag en nacht die *t Beest aanbidden en zijn beeld, en zoo iemand het merkteeken zijns 12 Hier is de lijdzaamheid der heili?cn; hier zijn zij die de geboden Gods bewaren, en het geloof van Jezus. 13 En ik hoorde eene stem uit den hemel die tot mij zeide. schrij*quot;: zalig zijn de dooden, die in den Heer sterven, van nu aan : ja zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hunnen arbeid ; cn hunne werken volgen niet hen. 14 En ik zag, en zie eene witte wolk, cn op de wolk was een gezeten des menschen Zoon gelijk, hebbende op zijn hoofd eene gouden kroon, en iu zijne hand eene scherpe sikkel. 15 En een andere Engel kn-aui uit den Tempel, roepende met eene groote stem tot dengenen die op de wolk zat: zend uwe sikkel, en maai -. want de ure om te maaijen is u gekomen, dewyl de oogst der aarde is ryp geworden. |
IC En die op de wolk tat zond zijne sikkel op dc aarde ; en de aarde werd gemaaid. 17 En een andere Engel kwam uit den Tempel die in den hemel is, hebbende ook zelf eene scherpe sikkel. 18 En een andere Engel kwam uit van het altaar, die magt had over het vuur ; cn hij riep met een groot geroep tot deiiKenen die de scherpe sikkel had, zeggende : zend uwe scherpe sikkel, en snijd af de druiftakken van den wijngaard der aarde, want zijne druiven zijn rijp. 19 En de En?el zond zijne sikkel op de aarde, en sneed l-Jr druivrn] af van den w-jngaard der aarde, en wierp ze in den grooten wijnpers-bak des toorns Gods. 20 En de wijnpers-bak werd buiten de stad getreden, cn er is bloed uit den wijnpers-bak gekomen, tot aan de toornen der paarden, duizend zes honderd stadiën ver. Ip UOOFDSTl K 15 ^n ik zag een ander «root en wonderlijk teeken in den hemel, jiinniftyftj zeven Enifclen, hebbende de zeven laatste plagen ; want in deze is de toorn Gods geëindigd.p UOOFDSTl K 15 ^n ik zag een ander «root en wonderlijk teeken in den hemel, jiinniftyftj zeven Enifclen, hebbende de zeven laatste plagen ; want in deze is de toorn Gods geëindigd. 2 Eu ik zag als ee-ie glazen zee met vuur gemengd; en die do overwinning hadden van het Beest, en van zijn beeld, en van zijn merkteeken, |«/il van het getal zijns naams, welke stonden aan de glazen zee, hebbende dc citers Gods, 3 En zij zongen het gezang van Mozes den dienstknecht Gods, cn het gezang des Lams, zeggende gioot en wonderlijk zijn uwe werken. Heer, gij nl- waarachtig zijn uwe wegen, gij Koning der heiligen. 4 Wie zoude u niet vreezen. Heer, en uwen naam (iiiftl verheerlijken\' Want Gij zijt alleen heilig; want alle volkeren zullen komen, en voor H aanbidden; want uwe ooidee-len zijn openbaar geworden. 5 En na dezen zag ik, en zie. de Tempel des Tabernakels der getuigenis in den hemel werd geopend. fgt; En dc zeven Engelen, die do zeven plagen bidden, kwamen uit den Tempel, bekleed N 4 met Hoofdat. U, 15. VAN JOHANNES. |
|
2\'.»3 met rein en blinkend lijnwaad, en omgord om de borst met gouden ffordola. 7 En eon van de vier Dieren Knf den reven Engelen teven gouden fiolen vol des toorn» Gods, die in alle eeuwigheid leeli. 8 En de Tempel werd vervuld niet rook uit de heerlijkheid God», en uit zijne kracht; en niemand koude in den Tempel ingaan totdat de zeven plagen der zeven Engelen geëindigd ¥.■« HOOFDSTUK 16. 1 Ljn ik hoorde eene groote stem uit den Tempel, zeggende tot de zeven Engelen . gaat henen, en eiet do [zeven] fiolen des toorns Gods uit op do aarde. 2 En de eerste ging henen, en goot zijne liool i.it op de aarde, on cr werd een kwaad en boos gezweer aan de inensehen, die het merkteeken des Beestes hadden, en die zijn beeld onn-baden. 3 En de tweede Engel goot zijne fiool uit in de zee, en zü werd bloed als een* dooden ; en alle levende ziel is gestorven in de zee. 4 En de derde Engel goot zijne liool uit in de rivieren, en in ile fonteinen der wateren; en Ule trnlerenl werden bloed. 5 En ik hoorde den Engel der wateren zeggen gij zijt reift-vaardig, lieer. Die is, en Die was, en Die zijn zal, dat Gij dit geoordeeld hebt. fi Dewijl zij het bloed der heiligen en der Profeten vergoten hebben, zou hebt Cij hun ook bloed te drinken gegeven. Want zü zijn \'t waardig. 7 En ik hoorde eenen anderen van liet altaar zegjen : ja. Heer gij almagtige God, uwe oor-deelen zijn waarachtig en regt-vaardig. 8 En de vierde Engel goot zijne fiool uit op de zou ; en haar is ImnofJ gegeven de menschen te veriiitten door vuur. 0 En de menschen werden verhit met groote hitte, en lasterden den naam Gods, die magt heeft over deze plagen ; en zij bekeerden zich niet om Hem heerlijkheid te geven. 10 En de vijfde Engel goot zij-re liool uit op den troon des Deens» , en zyn Kijk is verduisterd geworden; en zij knauwden huune touwen van pijn; |
11 En zij lasterden den God des hemels van wege hunne p.j-nen, en van wege hunne gezworen ; en zij bekeerden zich niet van hunne werken. 12 En de zesde Engel goot zijne fiool uit op de groote rivier Eufraat, en zijn^ water is uitgedroogd, opdat bereid zoude worden de weg der Koningen, die van den opgang der zon [^omru zullen], 13 En ik rag uit den mond de» Draaks, en uit den mond des Beestes, en uit den mond de» valschen Profeten, drie onreine geesten [ijonn], den vor-schen gelijk. 14 Want het zijn geesten der duiveleu, en doen teekenen, welke uitgaan tot de Koningen der narde, en der geheele wereld, om die te vergaderen tot den krijg van dien grooten dag des Almagtigen Gods. 15 Zie, :.k kom als een dief. Zalig is hy die waakt, en zijne kleedsren bewaarl, opdat hij niet naakt wandelr, en men zijne schaimte [ni*/] zie. 16 En zij hebben hen vergaderd in lt;le plaats, welke in \'t 11 ebreenwsch genaamd wordt Armageddon. 17 En dc zevende Engel goot zijne fiool uit in de lucht; en er kwam eene groote stem uit den Temp.jl des hemels, van den troon, zeggende • het ia geschied. 18 En er geschiedden stemmen , en donderslagen, en bliksemen ; en er geschiedde eene groote aardbeving, hoe-danige niet is geschied van dat de menschen op de aarde geweest zijn, [nnmelijk] eene zoo danige aardbeving, (*«1 zoo 19 En de groote stad is in drie deelen gescheurd, en de steden der Heidenen zijn gevallen ; en de groote Babylon is gedacht geworden voor quot;God, om haar te geven den drinkbeker van den w-ijn des toorn» zijner graui- 20 En alli.\' eiland is gevloden, en de bergen zijn niet gevonden. 21 En een groote hagel, [r/fcl als een talentlpondj zwaar, viel neder uit den hemel op de menscher. ; en de menschen lasterden God van wege de plaag des DK OPENBARING Hoofd»t. 15, 16. |
Hoofdït. 16,17. 18. VAN JOHANNES
297
|
des hnjrels-, wnnt deszelfs plan^ was icer groot. ___i een uit d\'_____ Reien, die de neven fiolen hnd-den, kwam en sprak met mij, en zeidc tot imj kom herwaarts, ik lal u toonen het oordeel der proote Hoer, die daar zit op vele wateren ; 2 Met welke de Konintfen der aarde gehoereerd hebben, en die de aarde bewonen zün dronken fjeworden van den wijn harer hoerery. 3 En hij hraprt niü wejlt; in eenc woestijn, in den peeJt; en ik zap eene Vrouw zittende op een scharlakenrood beest, dat vol was van namen der (Go»/»-] lastering, en had zeven hoofden, cn tien horens. 4 Eu de Vrouw wac bekleed met purper en scharlaken, en versierd met goud en kostelijk gesteente, en pr.arlen, en had in hare hand eenen pouden drinkbeker vol van pruwelen, en van onreinigheid harer hoererij. 5 En op haar voorhoofd was een naam peschreven, |n«»ir-lijk] Verborgenheid, de grooto Babylon, de moeder der hoererijen en der gruwelen der aarde. 6 En ik zag dat de Vrouw dronken was van het bloed der heiligen, en van het blood der getuieen van Jezus En ik verwonderde mij, als ik haar zag, met grootc verwondering. 7 En de Engel zeide tot mij waarom verwondert gy u T Ik zal u zegiren de verborgecheid der Vrouw, en des Beestesdat baar draagt, hetwelk de zeven hoofJen heeft, en de tien horens. 8 Het Heest, dat gij gezien hebt, was en is niet ; cn het zal opkomen uit den afgrond, en ten verderve paan; en die op de aarde wonen zullen verwonderd zijn (welker namen niet zijn geschreven in \'t hoek dea levens van de grondleecring der wereld) ziende het Beest, dat was, en niet is, hoewel het; is. 9 Hier is het verstand dat wijsheid heeft. De zeven hoofden zijn zeven bergen, op welke de Vrouw zit, |
10 En zyQ [out:] zeven Konineen , de vjjf zijn gevallen, en de een is; de ander is nog niet gekomen, cn wanneer hij zal pekomen zijn, moet hij een weinig Uijrf*] biyivn ; 11 En \'t Beest dat was, en niet is, die is ook de achtste I /voniiifi), cn is uit da zeven, en gaat ten verderve. 12 En de tien horens die gij gezien hebt, zijn tien Koningen , die het Koningrijk nog niet hebben ontvangen, maar als Konineen magt ontvangen op déne ure met het Beest. 13 Dezen hebben eencrlci meening, en zullen hunne kracht en magt het Beest overgeven. 14 Dezen zullen tegen het Lam krijgen, en het Lam zal hen overwinnen, (want het is een Heer der heeren, cn een Koning der koningen) en die met hem zijn, de geroepenen, en uitverkorenen, en geloo-vigen 13 Én hij zeide tot mii • de wateren die gij gezien hebt, daar de Hoer zit, zijn volken, en scharen, en natiën, en tongen. IK En de tien horens die gij gezien hebt op het Beest, die zullen de Hoer haten, en zullen haar woest maken, en naakt; cn zij zullen haar vleesch eten, en zullen haai met vuur verbranden. 17 Want God heeft ffciml in luiiine harten gegeven dat zg zijne meening doen, cn dat zij eencrlei meening doen, en dat zij hun Koningrijk het Beest geven totdat de woorden Gods voleindigd zullen zijn. 18 En de Vrouw die gij gezien hebt,_ is de groote stad, die het Koningrijk heeft over do Koningen der aarde. __ dezen zag ik eencn deren Engel afkomen uit den hemel, hebbende groote magt; en de aarde is verlicht geworden van zijne heerlijkheid. 2 En hij riep krachtiglyk met eene groote slem zeggende, zij is gevallen, zij is gevallen, de groote Babylon, en is geworden eene woons\' ede derdui-velen, en eene bewaarplaat» van alle onreine geesten, cn eene bewaarplaats van alle onrein en hatelijk trcvogelte; 3 Dewijl uit den wijn de» N 5 toorns |
|
238 toorna harcr hoererij alle volkeren pedronken hebben, en de Koningen der aarde met haar irehoereerd hebben, en de kooplieden der narde rijk zijn pewoiden uit de kracht harer i En ik hoorde eene andere stem uit dan hemel, zeggende : gaat i:it van haar, mijn volk, opdat Rij aan hare zonden fjee-ne gemeenschap hebt, en opdat •rij van hare plagen niet ontij Want hare zonden zijn[dfrrK? op de nndftf] gevolgd tot den hemel toe, en God is harer on-reregtigheden gedachtig geworden. fi Vergeldt haar gelijk als zij u\'ieden vergolden heeft, en verdubbelt haar dubbel naar hare werken ; in den drinkbeker waarin zij geschonken heeft, scheukt haar dubbel. 7 Zoo veel als zij zich zelve verheerlijkt heeft, en weelde gehad heeft, zoo groote pijni-tring en rouw doet haar aan \\Vant zij ze^t in haar hart ik zit [nts) eene Koningin, en bec geen weduwe, en zal geenen 8 Daarom zullen hare plagen op ééoen dag komen, («nme-tijfcj dood, en rouw, en honger, en zij zal met vuur verbrand worden ; want sterk is de Heer God, die haar oordeelt. 9 En de Koningen der aarde, die met haar gehoereerd, en weelde pehad hebben, zullen haar beweenen, en rouw over haar bedrijven, wanneer zij den rook haars brands zullen lü Van verre «taande uit vrees van hare pijniging, zeggende wee. wee, de groote stad Ba-bgt;lon, de sterke stad ! want uw oordeel is in ééne ure ge-kumen. 11 En de kooplieden der aarde zullen weenen, en rouw maken over haar, omdat niemand hunne waar meer koopt; 12 Waar van goud , en van zilver, en van kostelijk gesteente, en van paarlen, en van Öjn lijnwaad, en van purper, en van zijde, en van schar-lakea; en allerlei welriekend hout. ea allerlei ivoren vaten, en allerlei vaten van het kos-telykate Hout, en van koper, cn van ijzer, eu van marmersteen, |
13 En kaneel, en reukwerk, en welriekende zalf, en wierook, en wijn, en olie, en meelbloem, en tarwe, en lastbeesten, eu schapen; en van paarden, en van koetswage-nen, en van ligchamen, en de zielen der menschen. 14 En de vrucht der begeerlijkheid uwer ziel is van u weggegaan ; en al wat lekker, en wat heerlijk was is van u weggegaan, cn gij zult datzelve niet meer vinden. 15 De kooplieden dezer dingen, die rijk geworden waren van haar, zullen ran verre staan uit vrees van hare pijniging , weenende, en rouw makende, 16 En zeggende. wee, wee, de groote utad, die bekleed was met fijt. lijnwaad, en purper, en scharlaken, en versierd met goud, en {me/] kostelijk gesteente, en (nift) paarlen ; want in dénc ure is zoo groote rijkdom verwoest. 17 En alle stuurlieden, en al het volk cp de schepen, en bootsgezellen , en allen die ter zee handelen, stonden van 18 En riepen, ziende den rook van haren irand, (m) zeggende : wat [itnd] was deze groote stad gelijk ? 19 En zij wierpen stof op hunne hoofden, en riepen, weenende, en rouw bedrijvende, zeggende • wee, wee, de groote stad, in welke allen, die schepen in de zee hadden, van hare kostelijkheid rijk geworden zijn: want zij is in eéne ure verwoest geworden. 20 Bedrijft vreugde over haar, gij hemel, cn gij heilige Apostelen en gij Profeten; want God heeft uw oordeel aan haar geoordeeld. 21 En een sterke Engel hief eenen steen onalseenengrooten molensteen, en wierp [dienl in de zee, zeggende . aldus zal do groote «tad Babylon met geweld geworpen worden, en zal niet meer worden gevonden. 22 En de stem der citerspelers, en d«:r zangers, en der fluiters, en der bazuinera, zal niet meer in u gehoord worden ; en geen kunstenaar van eenige kunst zal meer in u gevonden worden , en geen geluid DE OPENBARING Hoofdst. 18. |
|
«les iiioleua znl iu u meur gehoord worden ; 23 En het licht dor kaars zal in li uict nicer schijnen ; cn de stem eens Bruidegoms en eencr Bruid zal in \\i niet meer gehoord worden ; want uwe kooplieden waren de Grooten der aarde, want door uwe tooverij lijn alle volken verleid geweest ; 21 En in dezelve is gevonden het bloed der Profeten, en der heiligen, en aller dergenen die gedood zijn op de aarde. ii HOOFDSTUK 19. ju na dezen hoorde ik al» eene groote stem eener groote ichare in den hemel, zeggende : ïialleluia; de zalisrheid, en de Jieerlijkheid, en de eer, en de gracht zij den Heer onzen God.i HOOFDSTUK 19. ju na dezen hoorde ik al» eene groote stem eener groote ichare in den hemel, zeggende : ïialleluia; de zalisrheid, en de Jieerlijkheid, en de eer, en de gracht zij den Heer onzen God. 2 Want zijne oordeclen zijn waarachtig en regtvaardig, dewijl Hij da groote Hoer geoordeeld neeft, die de aarde verlorven heeft mot hare hoererij, »n Hij het bloed zijner dienaren van hare hand gewroken •leeft. quot;3 En zij zeiden ten tweeden naai - Halleluja. En haar rook \'aat op in alle eeuwi-jheid. i-t En de vier en twintig Ou-•lerlingen, cn de vierDierenvie-»en [Hcrfo-], en aanbaden God, •lie op den troon zat, zeggen-le: Amen, Halleluja. 5 En eene stem kwam uit den (roon, zeggende: looft onzen c^od, gij al zijne dienstknechten, en gij die Hem vreest, beide klein en groot. 6 En ik hoorde als eene stem eener groote schare, en als eene stem veler wateren, en als eene stem van sterke donderslagen, ze-rgende: Halleluja • want de Heer de Almagtige God heeft als Koning ge-hccrscht. 7 Laat ons blijde zijn, cn vreugd bedrijven, cn Hem de heerlijkheid treven; want de Bruiloft des Lams is gekomen, en zijne vrouw heeft zich zelve bereid, 8 En haar is gegeven, dat zij be-ileed worde niet rein en blinkend fijn lijnwaad ; want dit •fijne lijnwaad zijn de regtvaar-digmakingen der heiligen. 9 En hij zeide tot mij : schrijf: lalig zijn zij die geroepen zijn 209 |
tot het Avondmaal ■■an de Bruiloft des Lams. En .tij zeide lot mij : deze zijn de waarachtige woorden Gods. 10 En ik viel [nedtr] voor zijne voeten om hem te aanbid-, den; en hij zcide tot mij • zie dat gij dat niet (lt;\'o^l; ik ben uw mede-dienstknecht, en uwer broederen, die de getuigenis van Jezus hebben. Aanbid God. Want de getuigenis van Jezus is de geest der profetie. 11 En ik zag den hemel geopend ; en zie. een wit paard ; en die op hetzelve z:it, was genoemd Getrouw en Waarachtig ; en hij oordeelt en voert krijg in geregtifrheid. 12 En zijne oogen waren als eene vlam vuur.quot;, en op zijn hoofd waren vele Koninklijke hoeden, en hij had oenen naam geschreven, dien niemand wist dan hij zelf. 13 En hii was bekleed met een kleed, dat met bloed geverwd was; cn zijn uaam wordt genoemd het Woord Gods. li En de heirlegors iu den hemel volgden hem op witte paarden, gekleed met wit en reiu tijn lijnwaad. 15 En uit zijnen mond ging een scherp zwaard, opdat hij daarmede do Heidenen slaan zoude. En hij zal lu-n hoeden met eene ijzeren roede; en hij treedt den wijnpers-bak van den wijn des toorns en der irram-schap d \'s Almagtigen Gods. 16 En hij hoeft op (rijn) kleed en op zijne dij dezen naam (re-schreven : Konin? der koningen, en Heer der hoeren. 17 En ik zag cenen Engel, staande in de zon ; en hij riep met cone groote stem, zeggende tot al de vogelen, die in \'t midden des hemels vlogen ; komt herwaarts, en vergadert u tot het Avondmaal des groeten Gods, 18 Opdat gij eet het vlecsch der Koningen, en het vlecsch der Oversten over duizend, cn het vlecsch der sterken, en het vleesch der paarden, en dergenen die daarop zitten, en het vleesch van alle vrijen en dienstknechten, en kleinen eu grooten. 19 En ik zag het Beest, cn de Koningen der aarde, en hunne heirlcircrs versadird om krijg te voeren tegen hem die op HooAlst. IS, 10. VAN .TOIIAXXRS. |
|
800 het paard zilt, en tegon 2ijn hsirleger. 20 En het Beost werd fregre-pen, en met hetzelre de val-sche Profeet, die de teokcnt-n in do tegenwoordigheid van hetzelve gedaan had, door welke hij verleid had die hel merkteeken des Beestes ont-vamren hadden, en dia deszell\'s Beeld aanbaden. Deze twee zijn lovend geworpen in den poel des vuurs die met sulfer brandt. 21 En de overigen werden gedood met het zwaard desgencn die op het p::ard zat, hetwelk uit zijnen mond ging; en al de vogelen werden verzadigd van hun vleesch. T.l HOOFDSTUK 20. 1 1 jn ik zag eenen Engel nf-komen uit den hemel, hebbende den sleutel des afgronds, en eene groote keten in zijne ü Kn lilj greep den Draak, do oude Slang, welke is de Duivel en Satanas, en bond hetn duizend jaren, 3 En wierp hem in den afgrond, en sloot hem daur in, en verzegelde (fiirn) boven hem, opdat hij de volkeren niet meer verleiden zoude, totdat de duizend jaren zouden geëindigd zijn. En daarna moet hij eenen kleinen tijd ontbonden worden. 4 En ik wisr troonen, en zij zaten op dezelve; en liet oordeel werd hun gegeven ; en f ifc xa\'j] de zielen dergenen die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus, en om het woord Gods, en die het Beest nochdeszelfsbeeldnietaangebc-den hadden, en die het merk-teaken niet ontvaiiEron hadden aan hun voorhoofd, en aan hunne hand; en zij leefden, en heersehten als Koningen met Christus do duizend jaren. 5 Maar de overige der doo-den werden niet weder levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren. Deze is de eerste opstanding. 6 Zalig en heilig is hij die d\'iel heeft in de eerste opstanding ; over dezen heeft de tweede dood peene magt, maar zij zullen Priesters Gods en van Christus zijn, en lij zullen met hem als Koningen heerschcn duizend jareu. |
7 En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd *ijn, zal de Satanas uit zijne gevangenis ontbonden worden, 8 En hij zal uitgaan om de volken to verleiden, die in de vier hoeken der aarde zijn, den Gog en den Magog, om hen te vergaderen tot den krijg; welker getal is als het zand aan de zee. 9 En zij zijn opgekomen op de breedte der aarde, en omringden de legerplaats der heiligen, en do geliefde stad ; en er Lwam vuur neder van God uit den hemel, en heeft hen verslonden. 10 En do duivel die hen verleidde, werd geworpen in den poel des vuurs en sulfers, alwaar het Beest en de valsehe Profeet is; en zij zullen gepijnigd worden dag en naeht in alle eeuwigheid. 11 En ik tag eenen grooten witten troon, en dengenen die tiaar op zat, van wiens aangezigt de aarde en do hemel wegvlood, en geene plaats is voor die gevonden. 12 En ik zag de dooden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend ; en een ander bock werd geopend dat des levens is, en de dooden \'rerden geoordeeld uit hetgeen in do boeken geschreven was, naar hunne werken ; IS En do zee gaf dc dooden die in haar waren ; en do dood, en dc hel gaven de dooden dio in hen war ca; en zij werden geoordeeld esn iegelijk naar hunne werkert. 1» En de dood en de hel werden geworpen in den poel des vuurs; dit is do tweede dood. 15 En zoo iemand niet trevon-den werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in den poel des T.i HOOFDSTUK 21, 1 1 Jn ik zag eenen nieuwen hemel, en eene nieuwe aarde. Want do eerste hemel en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de ree w is niet meer. 2 En ik Johannes zag de heilige stad, het nieuwe Jevu-zalem, nederdalende van God uit deu lumeli toebereid aU ecue DE OPENBARING Hoofast, 19. 30, 21. |
|
Hoofdst. «I. VAN JO eene bruid die haren man versierd is. 3 Bn ik hoorde eene (rroote stem uit den huniel, zeggende: lie, de Tabernakel Gods is bij de menschen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volk zijn, en God zelf zal bij hen, [rn] hun God zijn. 4 En God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen; en de dood zal niet meer zijn noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weg- 5 En die op den troon zat, zeide; zie. Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide tot mij ; schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw. 6 En Hij sprak tot mij : het is geschied ; Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde. Ik zal den dorstigen geven uit de fontein van het water des levens voor niet. 7 Die overwint zal alles heerven ; en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn. 8 Maar den vreesachtigen, en ongeloovigen, en gruwelijken, en doodslagers, en hoereerders, en toovenaars, en afgodendienaars, en al den leugenaars is hun deel in den poel die daar brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood. 9 En tot mij kwam een van de zeven Engelen, die de zeven fiolen hadden, welke waren vol geweest van de zeven laa\'-ste plagen, en sprak met mij, zeggende : kom herwaarts ; ik zal ii toonen de Bruid, ..de vrouw des Lams. 10 En hij voerde mij weg in den geest op eenen grooten en hoogen berg; en hij toonde mij de groote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit den hemel van God ; 11 En zij had de heerlijkheid Gods; en haar licht was den allerkostelijksten steen gelijk, (immWijA:] als den steen Jaspis, blinkende gelijk Kristal ; 12 En had eenen grooten en hoogen muur, en had twaalf poorten, en in de poorten twaalf Engelen, en namen daar op geschreven, welke zijn [de namen] der twaalf geslachten der kinderen Israels. |
IIANNKS. 301 IS Vau \'t Oosten w.iren drie poorten, van \'t Noorden drie poorten, van \'t Zuiden drie poorten, van \'t Westen drie poorten; U Eu d#. muur der stad had twaalf fondamenten, en in dezelve de namen der twaalf Apostelen des Lams. 15 En hij die met mij sprak, had eenen gouden rietstok, opdat hij de stad zoude nieten, en hare poorten, en haren muur. 16 En de stad lag vierkant, en hare lengte was zco groot als (Aniv] breedte. En hij mat de stad met den rietstok op twaalf duizend stadiën, quot;de lengte, en de breedte, en~de hoogte derzelve waren cvenge-lijk. 17 En hij mat haren muur op honderd vier en veertig ellen, (nnrtr] de maat eens menschen, welke des Engels was. 18 En het gebouw haar? muurs was Jaspis ; en de stad was zuiver goud, zijnde zuiver glas gelijk. 19 En de fondamenten des muurs der stad waren met allerlei kostelijk gesteente versierd. Het eerste fondament was Jaspis, het tweede fatfier, het derde Chalcedon, het vierde Smaragd, 20 Het vüfde Saredonix, het zesdo Sardine, het zevende Chrysoliet, het achtste Beryl, het negende Topaas, het tiende Chrysopraas, liet elfde Hyacinth, het twaalfde Amethyst. iJl En dc twaalf poorten waren twaalf paarlen, een iege-lijke poort was elk uit ééne pnarl; en de straat der stad was zuiver goud, gelijk doorluchtig 22 En ik zag geenen Tempel in dezelve ; want de Heer, de Alina(rtie;e God, is haar Tempel, en het Lam. 23 En de stad behoeft de zon noch de maan niet, dat zij in do-zelve zoude schijnen; want de heerlnkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is hare kaars. 21 En do volkeren, die zalig worden, zullen in haar licht wandelen ; en do Kor.ingen der aarde brengen hunno heerlijkheid en eer in dezelve. 2j En hare poorten -tullen niet |
T)E OPENB. VAN JOHANNES, lloofdst. 21. 22.
|
Kesloicu worden tics daa?s; want aldaar zal geen nacht lijn. 26 En zij zullen de heerlijkheid en de eer der volkeren daar in brengen. 27 En in haar zal niet inkomen iets dat ontreiniift, en f^rutrelijkheid doet, en leugen [iprerkt]; maar die freschreven ztjn in \'t boek des levens des Lams. HOOFDSTUK 22. lin hij toonde mij eene zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal voortkomende uit den troon Gods, en des Lams. 2 In \'t midden van hare straat, en op de eene en de andere zijde der rivier was de boom iles levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand tfevende zijne vrucht; en de bladeren des booms waren tot genezing der 3 En geen vervloeking zal er meer tegen (itmnnJ] zijn; en de troon Gods en des Lams zal daar in zijn ; en zijne dienstknechten zullen Hem dienen, 4 En zullen zijn aan?ezigt zien ; en zijn naam zal op hunne voorhoofden zijn. 5 En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht der zon van noode hebben ; want de Heer God verlicht hen ; en zij zullen als Koningen heerschen in alle eeuwigheid. 6 En hij zeide tot mij : deze woorden zijn getrouw en waarachtig; en de Heer de God der heilige Profeten heeft zijnen Engel gezonden, om zijnen dienstknechten te toonen hetgeen haast moet geschieden. 7 Zie, ik kom haastiglijk; zalig is hij die de woorden der profetie ilezes boeks bewaart. 8 En ik Johannes ben degene die deze dingen gezien en gehoord heb. En toen ik ze gehoord en gezien had, viel ik (nri/rr] om aan te bidden voor de voeten des Engels, die mij deze dineen toonde. |
9 En hij zeide tot mij : zie dat (quot;ü het niet [dorf) ; want ik ben uw ir.ede-dienstknecht, en uwer broederen de Profeten, en dergenen die de woorden dezes boeks bewaren. Aanbid God. 10 En hij zeide tot mij : verzegel de woorden der profetie dezes boeks niet; want de tijd is nabij. 11 Die onregt doet, dat hij nog onregt doe ; en die vuil is, dat hij nog vuil worde ; cn die regtvaardig is, dat hij nog ge-reartvaardiird worde; cn die heilig is, dat hij nog geheiligd worde. 12 En zie, ik kom haastig-lijk; en mijn loon is met mij, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn. 13 Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde, de eerste en de laatste. li Zali? zijn zij die zijne geboden doen, opdat hunne magt zij aan den boom des levens, cn zij door de poorten mogen ingaan in le stad. 15 Maar buiten zullen zijn de honden, e:i de toovenaars, cn de hoereerders, en de doodslagers, en de afgodendienaars, cn een iegelijk die de leugen liefheeft en doet. 16 Ik Jezus heb mijnen Engel gezonden, om ulicden deze dingen te getuigen in de gemeenten. I.t ben de wortel en het gjslacht Davids, de blinkende morgenster. 17 En de Geest en de Bruid zeggen: kom En die het hoort, zegge : hom. En die dorst heeft, kome ; en die wil, neme het water des levens om niet. 18 Want ik betuig aan een iegelijk die de woorden der profetie dezes boeks hoort ^indien iemand tot deze dingen toedoet. God zal over hem toedoen de plagen die in dit boek geschreven zijn ; 19 En indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer profetie. God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens, cn uit de heili?e stad, en [uifj hetgeen in dit boek geschre- 20 Die deze dingen getuisrt, zegt: ja ik kom haastiglijk. Amen. Ja kom Heer Jezus. 21 De per.ade onzes Hceren Jezus Christus (ïijj met u allen. Amen. |
EINDE VAN HET NIEUWE TESTAMENT.
_
_