ocr page 1

l n

i sa! ■ i

m

a.

ocr page 2

F. oei.

! H

ocr page 3

ZEDELIJKE GODSDIENST.

ocr page 4

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

w

L

1896 5263

ocr page 5

ZEDELIJKE GODSDIENST.

DOOB

W. ZAALBERG

TE pEVENTER

AMSTERDAM.

VAN HOLKEMA amp; WARENDORP, 1895.

■

ocr page 6

Stoomdrukkerij Tan De Erven Loosjes, Haarlem

ocr page 7

INLEIDING.

Op bladz. 83 van mijn werkje „Het Oude Geloof en de Nieuwe Wetenschapquot; komen de volgende regelen voor:

,.De poging om de zedeleer te vestigen op een vasten, on wrikbaren grondslag onafhankelijk van den godsdienst, is wel een der meest karakteristieke kenmerken van het wijsgeerig streven onzer eeuwquot;.

„De uitkomst tot heden verkregen is echter wel een bewijs, dat al het wijsgeerig getob om dat doel te bereiken heen wijst naar een verkeerd uitgangspunt.

„Men poogt inderdaad een onbegonnen werk tot een goed einde te brengen.

„Men tracht een zedeleer te grondvesten zonder dat men den bodem wil waarop zij alleen kan rusten.

ocr page 8

„Daarom moet aldatpogen uitloopen op teleurstelling.

„Niemand kan een anderen grondslag voor de zedelijkheid leggen dan die eenmaal gelegd is, nm. het geloof in G-od.quot;

Onder hen die deze regelen lazen, waren er die nader wenschten ingelicht te worden omtrent de noodzakelijkheid van het verband tusschen zedelijkheid en godsdienst; die door kennisneming van boeken als: Natuurlijke godsdienst van Seeleij en: Godsdienst der zedelijkheid van W. Salter, geschokt werden in hun geloof aan de juistheid hunner lang gekoesterde meening: dat godsdienst en zedelijkheid bij elkander behooren als boom en vrucht, dat geloof zonder werken niet goed is, maar werken zonder geloof niet kan.

Zij gaven hun verlangen te kennen om iets naders te vernemen aangaande de tegen den godsdienst gerichte zedelijke beweging, waarvan Salter van Chicago een der meest bezielde voorstanders is en aangaande de beteekenis van het vraagstuk zelf, het vraagstuk dat van de dagen van Jacobus en Paulus af de Christenen in beslag nam en dikwerf woedend verdeelde; dat het groote verschilpunt is tusschen het Katholicisme en het Protestantisme; dat het Protestantisme uiteendreef in twee richtingen; dat de moderne pro-

ocr page 9

3

testanten scheidt in twee groepen: geloof of werken; godsdienstig geloof of zedelijk leven; godsdienst of zedelijkheid.

Dat heeft mij er toe gebracht om bij wijze van vervolg of aanhangsel op bovengenoemd werkje dit nieuwe te schrijven.

Ik stelde mij bij het schrijven voor: dat groot en steeds gropter wordend aantal, door schoolonderricht en maatschappelijk verkeer, door tijdschrift- en dagblad-lezen gevormde menschen, die als op de grens van twee werelden leven, de wereld van gelooven en twijfelen, de wereld van godsdienstig zijn en zedelijk zijn. Zij zijn de vrucht van een geestesbeweging, die reeds in den aanvang dezer eeuw en de daarop volgende jaren in de wereld der wetenschap en der wijsbegeerte hare stoute getuigen had, uitsprekende reeds toen wat thans voor velen een nieuwe ontdekte waarheid is. Zij sukkelen dan ook eigenlijk zoo wat achteraan. Maar dat is zoo ongeveer de gewone loop der dingen. Een lange loop is het die het opgestuwde water eener gedachte heeft af te leggen van haar oorsprong hoog in het gebergte tot aan haar rustigen uitloop in zee. En wat al vervormingen hebben hare golvingen ondergaan ; wat al verontreinigends heeft zij meegevoerd eer zij vrij van alle bezinksel helder in zee vervloeit?

ocr page 10

4

Zij die aan den oever wonen en dagelijks in kleine teugen dat water al of niet gefiltreerd drinken, weten veelal niet vanwaar het komt maar ondergaan er toch de werking van.

Zoo zijn langs allerlei wegen door duizenden de invloedsterke gedachten der vroegere denkers allengs meer of min vermengd in zich opgenomen en door hare werking is de rust van hun geestelijk leven verstoord.

Wat hebben zij te denken, wat te behouden van den godsdienst? Wat is er van het verband tusschen godsdienst en zedelijkheid? Kan de laatste zonder hulp van den godsdienst den strijd om het bestaan volhouden ?

Persoonlijk zijn zij geenzins tegen godsdienst ingenomen, al hangen zij geen kerk en kerkelijken godsdienst aan. Integendeel. Spreken zij geheel hun gemoed uit, dan is het hun volstrekt niet naar den zin, dat godsdienstige overwegingen zoo weinig vat op de tegenwoordige menschen, vooral op jonge menschen hebben.. Zij vinden dat op zichzelf niet goed en duchten er ook gevaar van voor de zedelijkheid. Ja zij aarzelen niet te verklaren dat veel lakenswaards in de zedelijke toestanden der maatschappij, dat de anarchie op het gebied van zedelijke begrippen en maatschappelijke

ocr page 11

strevingen \') is te wijten aan de godsdienstige anarchie, aan het wegvallen uit den dagelijkschen gedachten-kring der menschen van een af andere godsdienstige levensopvatting.

Zij zoeken ook wel naar een remedie tegen de kwaal en achten die gelegen in terugkeer tot hijbelsch onderwijs, in het stoffeeren van de kinderlijke verbeelding met de bijbelsche vroomheidsgestalten, al ontveinzen zij zich de moeilijkheid niet, dat die gestalten in wondernevelen zijn gehuld.

Anderen onthouden hunne kinderen opzettelijk godsdienstonderricht, niet uit vijandschap maar uit vrees dat de jongen van hoofd en gemoed onnadenkend begrippen, voorstellingen zullen leeren hooghouden, die later een belemmering zullen wezen voor de vereering van de ware levenswaarheid.

Die menschen hebben geen tijd of geschiktheid voor een zelfstandige en in het diep der zaak doordringende studie der betreffende zaak. Zooals zij allengs zonder opzet onder den invloed der antikerkelij k theologische idiéen-beweging gevormd zijn moeten zij ook weer allengs onder den invloed van hoogere idéen gevormd worden. G-roote inspanning mag daarbij niet van hen worden

\') Jules Simon in de Parijsche Figaro.

ocr page 12

6

gevergd. Ontboezemingen als dat het éénige noodige het zwaarste moet wegen, dat de mensch bij brood alleen niet leven kan en dat daarom de gerechtigheid Gods eerst moet worden gezocht enz. vinden zij heel stichtelijk en behoorende in en bij een preek, maar — zij hebben het druk; een mensch zonder „zakenquot; kan zich daarvan geen voorstelling maken hoe druk men het den geheelen dag heeft met zijn bedrijf en met allerlei werk voortkomend uit zijn maatschappelijke plaats, uit den prijs dien men in zijn levenskring op zijn verstand op zijn ervaring, op zijn hulp stelt, \'t Is waarlijk geen kleinigheid om nog wat geschikten tijd over te houden voor het gezin.

Men bejammert het in oprechtheid, dat men opzijn levenstocht geen godsdienstigen leeftocht heeft meegekregen.

Hun belang en hunne behoefte in het oog te houden bij het behandelen van godsdienstige onderwerpen is noodig, Zij hebben niet enkel noodig een stichtelijk woord, een gemoedelijke toespraak, een theologische beschouwing. Zij behoeven een kader van beschouwing waarin zij zich kunnen inleven, dat zij ten grondslag leggen kunnen aan hun doen en laten, een kort begrip der levensleer.

Mijn hoog verstandige vriend, de moderne idealist,

ocr page 13

V

hale niet daarover zijne schouders op, vijand ais hij is van alle dogmatiek, gruwend bij de gedachte aan een leer der zaligheid. Voor hem die boven op den berg staat is het goed roemen op de hooge positie die hij inneemt; hij misgunne dengeen, die er opzijn eigen beenen niet zou komen, het ezeltje niet dat er hem brengen kan. \'t Is mooi praten dat de ware godsdienstige geen krukken noodig heeft maar tot dat „ware godsdienstigequot; behoort wat. Ook de moderne prediker, die voor den duivel der dogmatiek waarschuwt, wordt, meer dan hij weet bij zijn stichten en sterken en troosten gedragen door een zeker kader waarbinnen zijn gemoedsleven zich beweegt. Een beetje theologie houdt ieder godsdienstig mensch er op na, al bezweert hij bij kris en kras dat hij er niet aan doet. Er is altoos in iemands vroomheid iets van een draagbalk die het geheel ondersteunt en schoort. Waarom dit te ontkennen en ons grooter, volwasse-ner voor te doen dan wij zijn? Vooral op dit gebied is valsche schaamte, vrees om niet te worden aan-aangezien voor vol noodlottig. Te velen, veel te velen hebben daardoor schade geleden aan hun ziel. Anderen voor die schade te bewaren, acht ik mijn plicht.-\'k Wensch hun bekend te maken met een standpunt van kennen en leven, dat een einde kan maken aan hun

ocr page 14

8

onzekerheid en mismoedigheid, dat hun de gelegenheid geeft om zich te orienteeren op het gebied des godsdienstigen levens en het gevoel te krijgen, dat zij, op dat standpunt staande, niet hebben verloren maar gewonnen. Niet dus voor geleerden, niet voor mannen van \'t vak, maar voor gewone menschen schrijf ik zoo eenvoudig mogelijk, zonder omhaal van geleerdheid, met vermijding van kunsttermen, \'k Wensch dat ook de zeer eenvoudige mij verstaat, \'k Wensch een pleidooi te voeren voor den zedelijken godsdienst. Niet voor godsdienst èn zedelijkheid. Niet voor zedelijkheid zonder godsdienst ook wel „onafhankelijke zedelijkheidquot; genoemd, \'k Wensch hier aan te toonen, dat de zedelijke godsdienst de godsdienst is voor hoofd en hart, voor de kinderen van dezen tijd niet alleen, maar de eenig wezenlijke en duurzame godsdienst, die zoowel de godsdienstige als de zedelijke behoefte van ons menschen bevredigt.

Maar om tot het bewijs daarvoor te kunnen komen, moet ik hen eerst op de hoogte brengen van den strijd der meeningen die tegenwoordig gaande is, over de vraag of de godsdienst niet geheel heeft afgedaan. ■ Er is een radicale partij, die allengs is toegenomen in aantal en beteekenis, die het zelfs tot genootschappen heeft gebracht en die zich geplaatst heeft op dit

ocr page 15

9

standpunt: „de godsdienst is een beletsel voor de hoogste zedelijkheid; de verbroedering der menschen en de grondwaarheid van den godsdienst: „Godquot; is met het logisch denken en zijn vrucht: „wetenschapquot; in strijd. Diensvolgens kanten wij ons tegen eiken godsdienst, hem schadelijk en gevaarlijk achtend, en prediken en eischen wij alleen reine zedelijkheid zooals zij door ware humaniteit geëischt wordtquot;

Wij moeten hare beteekenis eerst leeren kennen voordat wij het verschil in wezen en karakter tusschen godsdienst en zedelijkheid in het oog kunnen vatten. Dan kan de beantwoording volgen van de vraag of de godsdienst kan worden gemist. Daarna volgt een onderzoek naar de gewenschte natuurlijke verhouding tusschen beide en als die is gevonden en aangewezen, in een slotwoord bespreking van enkele daarmee samenhangende punten.

Het eerste hoofdstuk is alzoo gewijd aan de moderne godsdienstbestrijding; het tweede beschrijft wat wij onder godsdienst en zedelijkheid hebben te verstaan; een derde hoofdstuk toont aan waarom zedelijkheid zonder godsdienst het niet houden kan; een vierde hoofdstuk is gewijd aan het noodzakelijk huwelijk tusschen die twee en in een laatste hoofdstuk maken wij enkele slotsommen op.

ocr page 16

3)e Strijd voor de Yrije Zedelijkheid.

Wanneer wij werden gezet voor de keus: godsdienst öf zedelijkheid, zouden waarschijnlijk velen tusschen die twee niet heen en weer zwenken in in onzekerheid maar schier zonder bedenken aan de zedelijkheid als de meest waardige de voorkeur geven. Er is een tijd geweest dat het anders was; dat de zedeleer de asschepoester was, zoo zelfs, dat ze niet eens meetelde onder de vakken van onderwijs en hare beoefenaars witte raven waren. Aller aandacht was gewijd aan het geloof. Daarvoor werden kerken gebouwd, leerstoelen opgericht, leerboeken geschreven. De zuiverheid des geloofs stond zóó op den voorgrond dat de zuiverheid van zeden bijna niet werd geacht. Ja er waren er die allerlei uitspattingen van het

ocr page 17

11

vleeschelijk-ik vergoelijkten als van geringe beteekenis in hen die Gode heetten toe te behooren. Wie zich toen door het gelocf gerechtvaardigd achtte, meende daarin een vrijbrief te hebben voor allerlei kwaad en vooral op zinnelijk gebied een potje te mogen breken; wiens ik Gode aangenaam was geworden mocht den menschen een hoogst onaangenaam ik laten zien en voelen. In den naam des geloofs werd de deugd minder geacht. In den naam des geloots werden recht en waarheid verkracht, onrecht en leugen verheerlijkt, werden reinheid en goedheid gesmaad, vuilheid en boosheid verheven, werden weldoeners der menschheid verguisd en schandvlekken der mensch-heid vergood, werd Jezus gekruisigd en een Barab-bas bevrijd. Ja er is geen onrecht dat niet in den naam van den godsdienst is gepleegd, geen zonde tegen den mensch die niet door hem is vergeven. Liet Alva niet tienduizend door beulshanden ombrengen en dronk Socrates den giftbeker niet door godsdiensthaat gemengd; werd de achtingwaardige Dr. Michael Servetus niet wegens geloofsverschil door Calvijn verbrand; werd D. Fr. Strausz niet door het geloof van zijn leerstoel verjaagd?

Indien wij het zondenregister van den godsdienst aflezen dan verwondert het ons niet, dat velen hunne

ocr page 18

12

vrijzinnigheid willen toonen door aan den godsdienst zijn voorrang onder de menschen te ontnemen, enkel zedelij k-zijn als een eisch van ware beschaving doen gelden. Een edel gemoed protesteert van nature tegen geloofswoede en geloofszonde. Er is onzedelijke godsdienst, godsdienst die het onzedelijke; ontucht, bedrog, leugen, liefdeloosheid aanmoedigt, eischt. En zulke edele gemoederen vindt men in eiken godsdienst. Staan niet Socrates en Plato voor ons als de edelen, die in den tijd van oppervlakkig gelief hebber in het godsdienstige, optraden voor een vrije manlijke zienswijze, voor een zedelijke levensbeschouwing onafhankelijk van den volksgodsdienst en het volksgeloof?

Zien wij hetzelfde verschijnsel niet in den romein-schen keizertijd, toen het aloud geloof in de nationale goden in den boezem der meest verlichte geesten als Seneca was bezweken, toen men enkel voor den vorm nog deelnam aan de nationale godenfeesten, toen de zedeleer gegrondvest werd op het getuigenis des gewetens? Lang zou het daarna duren eer het katholiek geworden christendom door overdrijving van den godsdienst het verzet van het humanisme in het leven riep, maar dat humanisme der middeneeuwen was niet anders dan een strijd voor vrije zedelijkheid.

ocr page 19

13

En andermaal bonden onafhankelijke geesten dien strijd aan toen op zijn beurt ook het protestantsch christendom de leer vergoden ging. Zoo hooren wij reeds in 1778 Helvetius zeggen in zijn boek over de Opvoeding der Menschen: „de moraal rustende op ware grondslagen is de eenige godsdienst, een gezonde en verheven moraal zal zonder twijfel eens wereldgodsdienst wezen.quot; Allengs worden die getuigenissen talrijker. Bij Bentham lezen wij: „zoolang wij van God niet meer weten dan dat hij bovenmenschelijke kracht bezit en dat wij zijn manier van handelen niet kunnen verstaan, zoolang moet alle pogen om hem aangenaam te wezen voor \'s menschen geluk in dit leven zeer verderfelijk zijn. Want het ligt in het wezen der macht gehoorzaamheid af te dwingen en gehoorzaamheid beteekent beproeving en lijden voor de zwakkeren. En daar de Godheid macht hebben zal over de gansche menschheid, zoo moet de gansche mensch-heid aan Gods overmacht een zeker deel van haar geluk ten offer brengen.quot; En Ludwig Feuerbach zegt in 1891: „de zedelijke betrekkingen zijn waarachtig godsdienstige betrekkingen.quot;

De drie genoemde denkers stemmen overeen in het streven om den godsdienst te vervangen door de moraal, een geestesrichting die onder ons wordt aange-

ocr page 20

14

duid met den naam: onafhankelijke zedeleer. Wel hielden Helvétius en Feuerbach vast aan den naam Godsdienst, terwijl zij het zedelijk leven eenvoudig godsdienst noemen. Maar dit spraakgebruik is willekeurig. quot;Want het wezen van den godsdienst \') is ontzag voor een bovenmenschelijke macht die invloed heeft op \'s menschen lot en leven. Het zedelijk handelen kan dus slechts in zoover als godsdienstig gelden als het in dat ontzag wortelt. Wie daarentegen beweert dat de godsdienst hetzelfde beteekent als moraal of tenminste in de toekomst niets anders wezen zal, kan daarmee niet anders bedoelen dan vervanging van godsdienst door moraal.

Op hetzelfde standpunt stond Bentham, waar hij zijn gronden tegen den godsdienst aanvoert en zijn meening zegt over het wezen der moraal. Want hij verwerpt den godsdienst wegens zijn schadelijkheid voor de gemeenschap; wat de gemeenschap schaadt is volgens hem onzedelijk. Daarom verwerpt hij om zedelijke redenen den godsdienst.

Na de genoemde mannen was het van al hun geestverwanten hoofddoel de zedelijkheid de plaats van den godsdienst te doen innemen in het bewustzijn der

\') quot;Waarover nader in Hoofdst. II.

ocr page 21

15

menschen; niet meer den godsdienst maar de zedelijkheid te doen hooghouden als \'s menschen hoogste goed; den zedelijk achtingwaardigén zich te doen gevoelen als waarlijk godsdienstig. De godsdienst was meer dan onnut. Hij was een hinderpaal voor de zedelijke volmaking. John Stuart Mill, in zijn werk over het „nut van den godsdienstquot; zegt: „eene zedelijkheid gegrond op wijze beschouwing van het algemeen welzijn behoeft geen hoop op loon; maar het loon waaraan waarde mag worden gehecht, dat een troost kan zijn in lijden en een steun in zwakkere oogenblikken, is niet te vinden in een verondersteld toekomstig leven, doch reeds hier op aarde in de goedkeuring van hen die wij achten en in idealen zin van hen allen die wij, levend of dood, bewonderen en eeren. Maar deze gevoelens enkel zedelijkheid \') te noemen miskent ze. Zij zijn de loare godsdienst. Want: „het wezen van den godsdienst is de vaste en ernstige richting van onze neigingen en wenschen op een ideaal voorwerp van erkend buitengemeene voortreffelijkheid en verhevenheid boven alle zelfzuchtige wenschen.quot;\'

!) Zelfs bij Mill dus het besef dat iets om waarlijk hoog te zijn nog iets meer dan enkel zedelijk moet wezen.

ocr page 22

16

G. von Gizijcki zegt in zijn Wijsbegeerte der zede-kimde: „de mensch heeft, wanneer hij bewaard wil worden voor vertwijfeling een doel noodig welks bereiking geheel en alleen afhangt van hem zeiven; een doel dat hem onafhankelijk maakt van al het uiterlijke, dat hem een houvast geeft in alle levensomstandigheden, dat hem staande houdt onder alle slagen van het lot. Dat vaste en zekere, dat troost en blijdschap wekkende is alleen het bewustzijn: zijn best gedaan te hebben ter bevordering van het alge-gemeen welzijn — het bewustzijn van vervulden plicht. „Als ik u slechts heb vraag ik niets meer van hemel of aarde.quot; En in denzelfden geest spreekt de landgenoot van St. Mill: Stanton Coit, in zijn boek over: het Einddoel van het zedelijk handelen.

Deze aanval op den godsdienst van zedelijke zijde is zeer onderscheiden van alle vroegere. In de oudheid waren het Sophisten en Epicureërs die den godsdienst verdacht maakten. De eersten beriepen zich daartoe op de grenzen van ons kenvermogen, de anderen op de gemoedsonrust, die een gevolg van Godenvrees is. Maar Sophisten noch Epicureërs wilden den godsdienst door de Moraal vervangen. quot;Want de eersten brachten hun twijfel aangaande kennis en godsdienst later ook over op recht, op staat en rede en Epicurus verving

ocr page 23

17

de Goden van het volksgeloof door G-oden waarin hij zijn ideaal van gelukzaligheid verwezenlijkt dacht. Wel verklaarden in tegenstelling daarmee Cynici en Stoïcynen de deugd voor het eenige goed, maar den eersten was de deugd tegelijk het eenige middel om de Godheid te behagen en bij de tweede rustte de moraal op pantheïstisch en grondslag.

Wel wordt gewezen op het Boedhisme als een zuivere zedelijke omwenteling ter vernietiging van den godsdienst, maar had het Boedhisme niet veel van hetgeen het verworpen had in anderen vorm weer opgenomen, \'tware gewis door zijn eigen eenzijdigheid spoedig bezweken. En aan het Boedhisme ligt toch ook de leer der zedelijke wereldorde ten grondslag, die er een godsdienstig karakter aan verleent.

Dat men zedelijkheid predikt in tegenstelling met godsdienst, dat men godsdienst verwerpt in ruil voor moraal, is daarom een aanval op den godsdienst veel dreigender dan vroeger. Want ofschoon er ten allen tijde Sophisten en Epicureërs zijn geweest, het was tot heden noch aan der eersten twijfelzucht noch aan der laatsten wijsbegeerte des genoegelijken levens gelukt de ontwikkeling der samenleving duurzaam te leiden. Tegenover deze aanvechtingen van geestelijke

2

ocr page 24

18

en zedelijke onmacht, heeft de godsdienst nog steeds, het veld kunnen behouden.

Zelfs den geweldigen aanval der Fransche vrijgeesterij in de tweede helft der vorige eeuw in Engeland en voornamelijk in Frankrijk onder leiding van mannen als Voltaire, Rousseau, Diderot enz., in kracht van wapenen eiken vroegeren aanval overtreffend, weerstond de godsdienst zonder iets van zijn wezenlijke waarde in te boeten. Wel moest hij zijn uit supranaturalisme geweven gewaad gedeeltelijk prijsgeven en de rede toegang verleenen tot zijn gebied, maar daarmee bleek hij niet saamgegroeid.

Grooter aanval nog deed het Materialisme. Onder materialistische wetenschap versta ik die geleerden, die niet alleen de wereld en al wat daarin is meenden te kunnen opbouwen uit atoombeweging, zonder behulp van rede, maar die ook met kennelijk welbehagen elke schrede vooruit in die richting exploiteerden als een bewijs tegen den godsdienst en tegen G-od, dien de godsdienst aanneemt.

Zij hebben een tijdlang indruk gemaakt. De uitgebreide literatuur over dat onderwerp van hen uitgegaan en door hen verwekt vult een geheele bibliotheek, waaruit ijverig en met wellust door de beschaafde wereld is gelezen, met het gevolg dat duizenden in

ocr page 25

19

godsdienstige onverschilligheid vervallen zijn. De werken van Carl Yoigt, van Bücher: „Kracht en Stofquot; hebben een grooten opgang gemaakt. En het scheen eenige jaren geleden, dat voor de ontwikkelden dezer eeuw de doodsklok over geloof en godsdienst had geluid. Vooral toen Darwin had gesproken en de wetten der levensverandering had blootgelegd scheen het pleit ten nadeele van den godsdienst beslecht en klonk de strijdkreet: het geloof, dat is de vijand. Toch zegeviert de godsdienst ook in dezen strijd. Niet alleen dat de verwachting der materialisten: algemeenmaking onzer wetenschap zal het geloof beperken tot een uiterst klein gebied waar we \'t kunnen laten vloeken zooals de Paus in \'t beperkt hem gelaten vrij gebied van het Vaticaan, volstrekt niet verwezenlijkt is daar hun actie tegen juist een veel grootere reactie voor den godsdienst opriep, maar in hun eigen faculteit is de onmacht hunner bewijzen allengs meer tot bewustzijn gekomen en de niet het minst aanzienlijken onder hen zijn reeds voor lang tot de erkentenis gekomen, dat zij geen recht hebben het bovenzinnelijke als werkzaam element in de wereld te ontkennen; dat hun niet meer toekomt dan de belijdenis: wij weten het niet — maar ontkennen het niet. Ja wij kunnen zonder vrees voor grootspraak

ocr page 26

20

zeggen, dat de tegenwoordige stand der natuurweten-schap zoo min als de wetenschap der geschiedenis de ontkenning van een goddelijk element in de wereld eischt; dat de wijsbegeerte met meer belangstelling wordt gevolgd in haar hoog streven om de verzoening tusschen geloof en wetenschap te bewerken; dat de leidende geesten op het gebied der wetenschap in elk geval het godsdienstig leven der wereld meerekenen onder de blijvende samenstellende bestanddeelen der maatschappij

Zoo sloeg de godsdienst ook dien aanval af.

Zal hij zich ook kunnen handhaven tegen den aanval der Moraal, die geweldige heerscheres, die haar wil door de stem des gewetens openbaart en den weder-spannige overlevert aan den geesel der wraakgodinnen?

Het verloop van den strijd tot op heden is er niet naar om de vrienden van den godsdienst kalm te houden. Want op de zijde der Moralisten staan of stonden niet slechts enkele denkers als Friedrich Vischer, Lichtenberg, F. A. Lange, Duik, Max Nordau, F. M. Beraud, Morison, Gr. Cesca, niet enkel aanzienlijke geleerden als Hiickel en Moleschott, politici als A. Ruge, Eugen Richter, Liebknecht, Gambetta, Paul Bert en J. Morley maar tal van vaste vereenigingen, opgericht met het bepaalde doel om de moraal te brengen op de plaats van den godsdienst.

ocr page 27

21

Dit bewijst, dat deze gedachte niet enkel spookt in het brein van enkele sterk ontwikkelde koppen, onmachtig om het overgeleverde gezag van den godsdienst ernstig te schaden maar dat zij in de volksmassa hare wortelen reeds diep schoot.

Daarvan getuigen de Duitsch- of christelijk-katholieke en vrij-protestantsche beweging van 18-15 in Duitsch-land met haar vrije gemeenten overal. Ofschoon aanvankelijk nog godsdienstig gekleurd, verbleekte die kleur alras. De 8ste Bondsvergadering te Breslau in het jaar 1879 verkondigde bij monde van Dr. Schafer: ons is godsdienst wezenlijke zedelijkheid overeenkomstig de grondstellingen der voortschrijdende wetenschap. Die richting beschikt over verscheidene bladen, als het nieuwe-vrijgodsdienstige zendingsblad van Dr. quot;Vonkel in Magdeburg; de vrijgodsdienstige „Hartsvragenquot; van Bursche in Magdeburg en liet tijdschrift voor volle menschelijkheid „de Broederquot; van Joh. Gfuttzeit in Eichfeld. Voorts werkt Dr. Brino Wille, onderwijzer der Berlijner vrijgodsdienstige gemeente, in zijn: „het Leven zonder Godquot; in dien geest. In Oostenrijk werkt het orgaan „de Lichtvriendquot; van Eduard Schwella. De Duitsche Vrijdenkersbond telt onder zijn gods-diensthatende leden mannen als Büchner, Specht, Rudt, Stern, Volgt, Sachx, Scholl, Wiedermann, He-

ocr page 28

22

berlein. In Berlijn bestaat sinds 1889 het: ethische gezelschap van Dr. Frany Huber, onder zijn opvolgers von Wille en Völkel. Daar werkt ook de bekende v. Egeli. Reeds in 1851 bestonden in Duitschland en Duitsch-Oostenrijk 312 vrije gemeenten met ca. 150000 leden. Haar aantal slonk echter allengs weer, zoodat er thans nog slechts 92 van over zijn met misschien 39000 leden. Daaronder zijn enkele met een belangrijk vermogen, zooals de vrij godsdienstige stichting te Frankfort en Offenbach a/M., in 1858 door Dr. Herman Jacobson gesticht, welks vermogen 50.000 Mark bedraagt; hare jaarlijksche uitgaven bedragen 3000 Mark. De Duitsche Bond van vrijdenkers telt 911 leden. Onlangs ontving zij een legaat van 17000 Mark van Dr. August Specht in Gotha, de uitgever van „het Menschdomquot;, ten behoeve van propagandamiddelen.

Veel sterker echter dan in Duitschland breidt zich de vrij godsdienstige of zedelijke beweging in Amerika uit. Reeds in 1840 stichtten duitsche landverhuizers als Schröter, Schrauw, Loose en Schüneman-Pott ongeveer 40 vrije gemeenten, waaronder die van New-York, Philadelphia en Milwaukee de voornaamste waren. Deze onderhielden voortdurend betrekking met de vrije gemeenten in Duitschland. Het best leeren wij haar geest kennen uit de volgende grondstellingen

ocr page 29

23

•door het Congres van Milwaukee in 1872 aangenomen.

1°. Wij erkennen de onbeperkte heerschappij dei-rede op elk gebied van menschelijke werkzaamheid;

Wij verwerpen daarom \') alle geloof.

4°. Wij erkennen dat de rede de eenige bron van ware zedelijkheid is en dat wij door nakoming harer wetten gezamenlijk voor den vooruitgang en de volmaking der menschheid arbeiden.

Zij hebben hun tijdschrift „de Vrijdenkerquot; van C. Hermann Boppe. Voor hen spraken Carl Heinzen met „Zes Brieven aan een vroom manquot;; Mevrouw Heding Heursch —Wilhelmi en Maximilian Grofzmann in zijn pamflet: „de ideale christelijke G-odquot;. In het jaar 1880 bestonden in Amerika 198 Duitsche vrije gemeenten en vrijdenkersvereenigingen.

Met grooter gevolg werken de Engelsch-Amerikanen. Daar is de „american Secularunionquot;, vroeger de „libe-ral-league of North-Americaquot; van F. E. Abbot te Philadelphia, 1876. Zij had in 1885 275Vereenigingen. Maar ook vinden wij de angloamericaansche Moralisten onder de Unitariërs en de ethische gezelschappen. De Unitariërs van Noordamerica vormden in den aanvang

\') Dat „daaromquot; is karakteristiek.

ocr page 30

24

dezer eeuw evenals die in Engeland en Zevenbergen eene christelijke secte, die enkel van drieeenheid noch verzoeningsleer wilde weten. Maar in haar verdere ontwikkeling nadert zij het Moralisme steeds meer.

Tot haar behoorde het beroemde viermanschap Channing, Carlijle, Emerson, Th. Parker. In 1865 kwam er scheuring waarvan het gevolg was dat onder F. E. Abbot zich een vrij godsdienstige vereeniging vormde, die onafhankelijk van godsdienstig geloof leefde, redelijkheid en waarheid verbreidt, en in de westelijke staten stemde een meerderheid van drievierde voor een zuiver ethische niet-theologische basis der Vereeniging.

De Amerikaansche Bond van Unitariërs telde in 1825 122 gemeenten en in 1888 370 gemeenten met 203000 leden, bijzonder talrijk in Massachuseths. De Bond omvat 7 secten waarvan meest rechts de oud-unitarische christenen, meest links de moralisten. Hij geeft 3 organen uit: „The unitarion Reviewquot;, „the Christian Registerquot; en „the Unityquot;. Een der verdienstelijkste aanhangers der zuivere zedelijke richting is W. Salter in Chicago volgens wiens: „G-odsdienst der moraalquot; zedelijkheid in haar ware beduiding godsdienst is, de eenige godsdienst voor den ontwikkelden mensch. Een ander vertegenwoordiger Stanton Coit

ocr page 31

zegt: „onze eerste grondstelling is, dat als band van godsdienstige gemeenschap alleen mag gelden toewijding aan het goede. Het bidden verklaart hij, ook waar het geschiedt om zedelijke kracht, den ontwikkelden mensch niet geoorloofd: „want daar de kracht en de weg om beter te worden in ons en in de gemeenschap liggen, zoo moeten voor ons alle gedachten aan een bovenmenschelijken Verlosser alle practische en zedelijke beteekenis verliezen; wij kunnen het gebed zijn afscheid geven, want wij hebben de zaak waarom wij bidden in onze onniddelijke nabijheid; wij hebben ons slechts met hart en daad in te spannen. Uit dit ethische standpunt volgt, niet dat wij God niet om zedelijke kracht kunnen bidden, maar dat wij het niet noodig hebben en dus niet moeten doen.quot;

Iets meer godsdienstig gevoelend is een andere vertegenwoordiger Felix Adler die zegt: „de ethische beweging moet een ethisch geloof voortbrengen, een ethisch optimisme, een geloof dat het Universum redelijk handelen begunstigt, dat in de dingen een richting op het goede heerscht. Zulk een geloof hebben wij noodig. Logisch kunnen wij het niet bewijzen. Maar doe het goede dan zult gij ook aan het goede gelooven. Werp uzelven in den stroom der goede krachten in de wereld dan zult gij de machtige beweging be-

ocr page 32

26

speuren welke uit de oorspronkelijke bron opwelt.quot; \')

Vooral Engeland is de bakermat der afscheiding. Een harer eerste voorstanders was G. I. Holijoake. Maar vooral de ook buiten Engeland veel genoemde Ch. Bradlaugh en Annie Besant werkten door „The national Reformerquot;. Daar heet het: onze richting leert dat ons handelen zich moet gronden op rede en wetenschap. Zij weet niets van goddelijke leiding en goddelijk ingrijpen. Theologie wordt door de rede als bijgeloof, door de ervaring als schadelijk voor de gemeenschap veroordeeld en moet als erfvijandin van den vooruitgang bestreden worden.quot;

Later zijn er in de „Critish secular Unionquot; twisten en nieuwe atscheidingen gekomen, maar dat betrof meer ondergeschikte punten. De vereeniging telt 15000 leden in 53 afdeelingen, waarvan alleen 18 in Londen. Onder hare beste sprekers telt zij I. M. Robertson, W. Heatford., Stanley Jones, von Foote en Wheeler. Organen der vereeniging zijn de „National Reformerquot; en „de Vrijdenkerquot;.

\') Is het niet vreemd dat zoo iemand toch een tegenzin heeft tegen godsdienst? Wordt de vyand, die de voordeur wordt uitgejaagd, niet als vriend door de achterdeur weer binnengelaten? Wonderlijk raadsel — de mensch.

ocr page 33

27

Had Engeland de ethische beweging overgebracht naar Amerika, omgekeerd schonk Amerika het ndoe-derland steun docr dat A. Coit een beroep bij de South-Place-Kapel te Londen in 1888 aannam. In zijne afscheidsrede tot zijne vrienden zegt hij over de nieuwe plaats zijner werkzaamheid: „de South-Place-Kapel, een eenvoudig ouderwetsch gebouw van baksteen, genoemd naar de straat waarin zij ligt, bevindt zich midden in het gewoel der City. Daar verzamelde zich 63 jaren lang Zondag aan Zondag eene godsdienstige gemeente, welker geschiedenis men kan nagaan tot 1817, doch welker innerlijke ontwikkeling van toen af tot heden klaar logisch en vast de richting volgt, welke van de theologie af en heen naar de geestdriftvolle toewijding aan „het goedequot; voert. Van 1817 — 1852 kwam zij, onder leiding van Kev. W. I. Fox, tot altoos vollediger vrijmaking van theologische bekrompenheid. In 1883 schafte hij de gewoonte af om over een tekst te spreken en verklaarde hij zich tegen het wondergeloof. In 1847 werd hij lid van het Parlement. Van 1852 — 63 was de gemeente zonder vasten prediker. Toen begon Mr. Conway uit Amerika voor haar op te treden en gedurende zijn 21-jarige werkzaamheid schreed de gemeente op de baan der vrije ontwikkeling voort. De gebedsformu-

ocr page 34

28

lieren, in Engeland nog algemeen in gebruik, werden afgeschaft en nevens den bijbel ook een bloemlezing van stichtelijke gedeelten uit de godsdienstige literatuur van alle volken gelezen. De gemeente wies uit boven het christelijk geloof en daarmee ook boven den christelijken naam. Zij noemde zich eenvoudig; „godsdienstig gezelschapquot;. Tot voor een 10 jaren beleed zij nog een soort vrijdenkerstheisme. Maar met Mr. Conway kwam zij sinds tot het inzicht, dat geloof aan God en onsterfelijkheid niet noodig zijn om te leven en te hopen en dat dit geloof tweespalt onder de menschen brengt zoodra het voor noodzakelijk geldt. In 1889 keerde Mr. Conway naar Amerika terug en bleef de Kapel weer zonder prediker, maar de gemeente bleef samenkomen onder de leiding van uit-genoodigde sprekers van verschillende richting.quot;

Toch schijnt zij zich verder in zuiver ethische richting ontwikkeld te hebben. Want toen A. Coit voor da aanneming der beroeping de voorwaarde stelde, dat zij den naam van ethisch gezelschap aannemen zou, toonde zij zich daartoe bereid.

De geschiedenis dier gemeente is zoo ongeveer die van al hare zusteren. Ook in Frankrijk. Daar had men reeds veel vroeger iets groots in gelijke richting gedaan. De revolutie schafte in 1792 den gods-

ocr page 35

29

dienst af en stelde een „eeredienst der redequot; in. Maar dat duurde niet lang. Ook het „theophilantro-piumquot; van Robespierre kwijnde weg.

Eerst 60 jaren later verheft het zich weer. Na 1865 ontmoeten wij weer atheïstische dagbladen en vrij-denkersvereenigingen. „La Pave gauchequot;, le Candidequot;, ,.le Democratequot;, „La Libre Penseequot;, „la Pensee Nouvellequot;, l\'Athéequot; werden geredigeerd door Eudes, Re-gnard, Coudereau, Apeline en Henri Place in Parijs; in Marseille „1\' Ami du Peuplequot; door Royannez; in Lyon „le. Refusequot; door Jules Frantz en l\'Excommuniéquot; door Denis Brack. Vooral onder de arbeidersbevolking ontstonden vrijdenkersvereenigingen. Heel veel opgang maakten ze echter niet. Eenige jaren later hadden die pogingen meer gevolg. Thans omvat de fransche Vrij-denkersbond 145 afdeelingen, waarvan 13 in Parijs. Zijne statuten en organen richten zich alles tegen het kerkendom. Daar heet het o. a. „wij willen niet alleen de dogmen verwoesten, de afgoden van het bijgeloof verpletteren, maar wij willen de gedachte „Godquot; zelfs uitroeien. De godsdiensten zijn onzedelijk \') wijl

\') Elke godsdienst die dat doet is inderdaad onzedelük. Maar het is niet waar, dat de godsdienst tot die onzedelijkheid verplicht.

ocr page 36

zij ons dwingen onze rede te verloochenen, ons tot blinde gehoorzaamheid en onthouding noodzaken en het rechtschapen handelen door hoop op loon en vrees voor straf aandringen. Het is hoognoodig de moraal onafhankelijk van alle godsdienstige en bovenzinnelijke voorstellingen den menschen te prediken.quot;

Het orgaan der vrijdenkers: „1\'Autonomie, organe socialiste antireligieusequot; van A. de Kecki, „la VeritéPhi-losophiquequot; van C. Cilwaen „Bulletin Mensuelquot; door den Centraalraad uitgegeven zorgen voor leering in dien geest.

Voorts bestaan er zedelijke vereenigingen in België, Zweden, Bohemen, Zwitserland, Italië, Spanje, Portugal, Canada, Brasilie; in Victoria, Nieuw Zuid-Wales, Queensland, Nieuw-Zeeland en Tasmania, in Voorindie onder Europeanen en Hindu\'s en in Kaapland. In Ecuador en Venezuela, zelfs onder Japanezen en Chinezen vinden wij den godsdienst vijandige moralisten. Zouden zij dan niet in oris land zijn? Reeds langer dan 50 jaren bestaat de Vrij denkers vereeniging „de Dageraad,quot; welker zetel is te Amsterdam; bovendien bestaat te Rotterdam de Vereeniging „het Vrije Woordquot;. De amsterdamsche Vereeniging „de Vrije Gemeente,quot; hoewel alle bovennatuurkunde verwerpend en op den Christennaam geen prijsstellend, is niet antigodsdienstig. Gerust kan men aannemen, dat een zeer groot

ocr page 37

31

deel der ontwikkelde burgerij slechts zich zou behoeven te ontdoen van een zeker godsdienstig aanwensel om tot de moralisten gerekend te worden en dat de socialistische volkspartij met den godsdienst gebroken heeft.

Verscheidenheid genoeg onder al die kinderen van één geest, dien van vijandschap tegen den godsdienst. Maar die verscheidenheid belet niet, dat zij in internationale congressen samenkomen, \'t laatst in Brussel in 1891, om zich met elkander te verstaan omtrent het bereiken van het gemeenschappelijk doel. En juist dat zoovele verscheidene wegen in die richting samen-loopen, die van den materialist Helvétius zoowel als die van Bentham den engelschen nuttigheidsman, van Feuerbach, den leeraar van Hegel, nevens Salter, Kant\'s leerling, zoowel als die van Unitariërs, Brahmanisten en Boedhisten maakt de zaak voor den godsdienst niet beter. Het feit dat van zoo verschillende uitgangspunten de Moralisten samenkomen, elkander instinctmatig vinden, schijnt alleen te verklaren door de onderstelling, dat hun bemoeiingen voortkomen uit eene algemeene behoefte van onzen tijd, welke machtig genoeg is om over betrekkelijk ondergeschikte verschillen te doen heenstappen.

Toch komt het mij voor, dat misbruik en misver-

ocr page 38

32

stand deze kwestie beheerschen. Het eigenlijke godsdienstige in den godsdienst is zóó lang en zóó innig samengegroeid geweest met de supranaturalistische wereldbeschouwing van vóór Copernicus en Galilei, dat zelfs heldere denkers, knappe koppen niet het rechte inzicht kunnen krijgen in hun innerlijke onafhankelijkheid van elkaar. De beschaafden dezes tijds zijn nog zóó gewoon met een godsdienstige gedachte iets supranatureels te verbinden, dat zij de niet-supranatu-reele taal van den modernen godsdienstbelijder steeds misverstaan. Een minder aardig dan eigenaardig staaltje daarvan is het volgende. Onlangs kwam het gesprek op de metereologische wetenschap, hare waarnemingen en voorspellingen en werd door een der zoo even genoemden tegen een overtuigd godsdienstige en desniettegenstaande elke konsekwentie der wetenschap aanvaardende beweerd, dat hij van die metereologische wetenschap niets wou weten en er zich over verwonderde, \'dat een godsdienstig mensch het er voor opnemen kan, omdat daardoor schier het laatste aan Gods vrije werkzaamheid gelaten gebied hem ook werd ontroofd. Het daarop gegeven antwoord: dat het godsdienstig gemoed met genoegen ook die rest van goddelijke vrijheid aan de wetenschap prijsgaf, daar godsdienst niets te maken had

ocr page 39

met dergelijke vraagstukken, wekte verwondering, bevreemding maar geen inzicht. Ook hier bleek als bij zoovelen nog altoos godsdienst met supranaturalisme vergroeid. Dat is ook het geval bij tal van moralisten, die alleen den godsdienst buiten den kring van hun denken en werken willen sluiten, omdat zij in hem nog altoos den supranaturalist vreezen, die hun op een ongedacht oogenblik weer den strop om den hals zal slaan. Godsdienst, geloof is hun nog altoos iets wat den mensch van buiten af is opgedrongen, wat niet tot zijn menschelijken aard behoort. Zedelijkheid wel. Wie daarom den mensch geheel op zijn natuurlijke voeten wil plaatsen, hem geheel wil geven aan zich zelf, moet den godsdienst uit zijn levenssfeer bannen. Die is een vreemde eend in de bijt, alleen verwarring, gekakel aanstichtend.

Vreemd maar toch waar. Misverstand dat veel kwaad doet en daarom moet opgehelderd.

ocr page 40

Oorsprong en wezen van den godsdienst.

Voor en tegen den godsdienst woelt tegenwoordig de strijd der partijen. Onzeker is de uitkomst en onmetelijk ver schijnt het strijdeind. De godsdienst, eene onbeperkte heerscheres iu het rijk der geesten, moet thans ingespannen den aanval van geweldige vijanden afweren, die haar triomfantelijk haar spoe-digen ondergang, hare waardeloosheid tengevolge der natuur-wetenschappelijke ontdekkingen verkondigen. Moeten wij deze profeten gelooven? Zal werkelijk de plechtige ernst van den Zeus van Phidias, de vrome aandacht van de Sixtijnsche Madonna, de heilige gloed der Psalmen Israels, het heerlijk triomfeerend Hallelujah van Bach en Handel, hun werking op het

ocr page 41

35

menschelijk gemoed verliezen? Zal de psalm van het godsverlangen: „gelijk het hert dorst naar de stroomenquot;; de psalm der verslagenheid: „uit diepte van ellendequot;; de psalm des schuldbewusten: „gena, o God, hoor mijn gebedquot;; met het: „de hemel looft o Heer uw wonderen al den dagquot;; het: „op hergen en in dalenquot;; het: „zal een kind zijn vader minnenquot; en zooveel meer, zoo oneindig veel meer uit de eeuw van den godsdienst, voor den ontwikkelden niet veel meer blijven dan voor ons nu de oude volksrijmen en bakersprookjes zijn? Zullen de heldengestalten van de Indische Veda\'s en van den Bijbel voor ons worden wat Hercules en Siegfried zijn? Zal de „Angelusquot; van Milet niet meer stichten? Zal het drama van Cxethsemané-Grolgotha niets meer wezen dan een episode uit de geschiedenis van het bijgeloof en dat heerlijk: „Uw wil o Vader geschiedequot; ophouden bezielend voor ons te zijn? Neen nooit. Wat daaruit tot ons spreekt zóó innig en dringend, dat het ons onvergetelijk blijft, dat de zwakke er moed door krijgt en de sterke onwillekeurig het hoofd er voor buigt, dat alles is niet enkel lente en liefde, niet minnezang en wapenklank, niet zegekreet en jubel alleen, ook niet enkel geestdrift voor waarheid en recht, maar geheel iets anders, iets eenigs dat zich niet verzwij-

3*

ocr page 42

36

gen laat, dat onontbeerlijk blijven moet zoo lang men-schen strijden om hun bestaan.

En de naam van dat iets is: Godsdienst. Ik blijf dit gewone woord gebruiken ofschoon allengs bij velen gebruikelijk is geworden in plaats daarvan te stellen het woord „relige, religieusquot;. Men doet dat omdat „godsdienstquot; meer schijnt te wijzen op uitwendige eeredienst dan „religequot;, dat „de vrome zinquot; uitdrukt. Maar wanneer wij tegenwoordig iemand een goedsdienstigmensch noemen, denken toch weinigen daarbij meer enkel aan een kerkelijk godsdienstplicht waarnemen en „religieuzenquot; leidt ook tot misverstand daar het overal de benaming voor kloosterbroeders en -zusters is.

Godsdienst dus: quot;Wat is zijn oorsprong? Daarmee bedoel ik niet; wat is in ons de oorsprong van den godsdienst of hoe worden of werden wij godsdienstig; want het antwoord daarop is eenvoudig: door opvoeding, door vorming, door voorbeeld. Maar wij moeten met onze gedachten terug naar den tijd, toen er van godsdienstige opvoeding geen sprake kon wezen, omdat de eerste aardbewoners zelve nog stonden op den drempel des geloofs.

Wij willen ons nu niet verdiepen in de vraag naar het ontstaan dezer planeet, hare langzame vervorming tot een kweekhof des levens, het ontstaan der levende

ocr page 43

schepselen en van den mensch. Alleen vragen wij: wat is de oorsprong in de menschenwereld van dat algemeen verschijnsel overal waar wij menschen zich zien uiten, dat wij „hun godsdienstquot; noemen en waardoor wij gedrongen worden te zeggen: de mensch is ook een godsdienstig wezen ? En al weten wij weinig-van den beginne, van die eerste kinderjaren des menschdoms op aarde, bij gevolgtrekking mogen wij toch wel vaststellen, dat die aan vangers van den beginne geschiktheid tot, aanleg voor godsdienst hebben bezeten. Maak van een kind zonder muzikalen aanleg maar eens een kunstenaar, van een knaap zonder aanleg voor wiskunde maar eens een wiskundige, leer een blindgeborene maar eens zien of een doofgeboren maar eens hooren. Dat gaat evenmin als een Moor witwasschen - met Pears zeep. Er moet iets zijn in den bouw en aanleg van den mensch waardoor hij er van zelf toe komt om onder zekere daarvoor gunstige omstandigheden zich godsdienstig te uiten. Die gunstige omstandigheden waren echter ook noodig. Zooals zuurstof en waterstof noodig zijn voor de vorming van water, zijn godsdienstige aanlegen uitwendige prikkeling van dien aanleg noodig tot vorming-van een godsdienstig mensch. Van welken aard is die uitwendige prikkel geweest?

ocr page 44

Oorsprong en wezen van den godsdienst.

Voor en tegen den godsdienst woelt tegenwoordig de strijd der partijen. Onzeker is de uitkomst en onmetelijk ver schijnt het strijdeind. De godsdienst, eene onbeperkte heerscheres iu het rijk der geesten, moet thans ingespannen den aanval van geweldige vijanden afweren, die haar triomfantelijk haar spoe-digen ondergang, hare waardeloosheid tengevolge der natuur-wetenschappelijke ontdekkingen verkondigen. Moeten wij deze profeten gelooven? Zal werkelijk de plechtige ernst van den Zeus van Phidias, de vrome aandacht van de Sixtijnsche Madonna, de heilige gloed der Psalmen Israels, het heerlijk triomfeerend Hallelujah van Bach en Handel, hun werking op het

ocr page 45

35

menschelijk gemoed verliezen? Zal de psalm van het godsverlangen: „gelijk het hert dorst naar de stroomenquot;; de psalm der verslagenheid: „uit diepte van ellendequot;; de psalm des schuldbewusten: „gena, o God, hoor mijn gebedquot;; met het: „de hemel looft o Heer uw wonderen al den dagquot;; het: „op hergen en in dalenquot;; het: „zal een kind zijn vader minnenquot; en zooveel meer, zoo oneindig veel meer uit de eeuw van den godsdienst, voor den ontwikkelden niet veel meer blijven dan voor ons nu de oude volksrijmen en bakersprookjes zijn? Zullen de heldengestalten van de Indische Veda\'s en van den Bijbel voor ons worden wat Hercules en Siegfried zijn? Zal de „Angelusquot; van Milet niet meer stichten? Zal het drama van Gethsemané-Golgotha niets meer wezen dan een episode uit de geschiedenis van het bijgeloof en dat heerlijk: „Uw wil o Vader geschiedequot; ophouden bezielend voor ons te zijn? Neen nooit. Wat daaruit tot ons spreekt zóó innig en dringend, dat het ons onvergetelijk blijft, dat de zwakke er moed door krijgt en de sterke onwillekeurig het hoofd er voor buigt, dat alles is niet enkel lente en liefde, niet minnezang en wapenklank, niet zegekreet en jubel alleen, ook niet enkel geestdrift voor waarheid en recht, maar geheel iets anders, iets eenigs dat zich niet verzwij-

3*

ocr page 46

36

gen laat, dat onontbeerlijk blijven moet zoo lang men-schen strijden om hun bestaan.

En de naam van dat iets is: Godsdienst. Ik blijf dit gewone woord gebruiken ofschoon allengs bij velen gebruikelijk is geworden in plaats daarvan te stellen het woord „relige, religieusquot;. Men doet dat omdat „godsdienstquot; meer schijnt te wijzen op uitwendige eeredienst dan „religequot;, dat „de vrome zinquot; uitdrukt. Maar wanneer wij tegenwoordig iemand een goedsdienstigmensch noemen, denken toch weinigen daarbij meer enkel aan een kerkelijk godsdienstplicht waarnemen en „religieuzenquot; leidt ook tot misverstand daar het overal de benaming voor kloosterbroeders en -zusters is.

G-odsdienst dus: Wat is zijn oorsprong? Daarmee bedoel ik niet: wat is in ons de oorsprong van den godsdienst of hoe worden of werden wij godsdienstig: want het antwoord daarop is eenvoudig: door opvoeding, door vorming, door voorbeeld. Maar wij moeten met onze gedachten terug naar den tijd, toen er van godsdienstige opvoeding geen sprake kon wezen, omdat de eerste aardbewoners zelve nog stonden op den drempel des geloofs.

Wij willen ons nu niet verdiepen in de vraag naar het ontstaan dezer planeet, hare langzame vervorming tot een kweekhof des levens, het ontstaan der levende

ocr page 47

37

schepselen en van den mensch. Alleen vragen wij: wat is de oorsprong in de menschenwereld van dat algemeen verschijnsel overal waar wij menschen zich zien uiten, dat wij „hun godsdienstquot; noemen en waardoor wij gedrongen worden te zeggen: de mensch is ook een godsdienstig wezen ? En al weten wij weinig van den beginne, van die eerste kinderjaren des menschdoms op aarde, bij gevolgtrekking mogen wij toch wel vaststellen, dat die aanvangers van den beginne geschiktheid tot, aanleg voor godsdienst hebben bezeten. Maak van een kind zonder muzikalen aanleg maar eens een kunstenaar, van een knaap zonder aanleg voor wiskunde maar eens een wiskundige, leer een blindgeborene maar eens zien of een doofgeboren maar eens hooren. Dat gaat evenmin als een Moor witwasschen — met Pears zeep. Er moet iets zijn in den bouw en aanleg van den mensch waardoor hij er van zelf toe komt om onder zekere daarvoor gunstige omstandigheden zich godsdienstig te uiten. Die gunstige omstandigheden waren echter ook noodig. Zooals zuurstof en waterstof noodig zijn voor de vorming van water, zijn godsdienstige aanleg en uitwendige prikkeling van dien aanleg noodig tot vorming van een godsdienstig mensch. Van welken aard is die uitwendige prikkel geweest?

ocr page 48

38

Hier staan twee partijen tegenover elkaar. En zij zijn elkander niet heel vriendelijk gezind. Een derde partij moet echter pro memorie ook vermeld, nra. die van hen welke beweren, dat de godsdienst een uitvinding van priesters is om de menschen in bedwang te houden. Maar deze bewering is even verstandig als die, dat de schilderkunst en de beeldhouwkunst en de dichtkunst en de toonkunst uitvindsels zijn der kunstenaars om de menschen te amuseeren. Wij kunnen zonder bezwaar die wijze lieden laten praten.

De meening dier twee andere partijen moeten wij echter nader leeren kennen. De eerste is die der openbaringsgeloovigen. Volgens hen kan er geen sprake wezen van eene vanzelfgeboorte van den godsdienst uit de menschen zelve. Misschien hebben zij daartoe eenmaal den aanleg gehad, maar dan hebben zij daarvan niet veel anders overgehouden dan eenige onzekere schemerachtige kennis, zooals iemand die hebben kan uit heel vroege kinderjaren. Hoe dat zij, dat oorspronkelijk vermogen om God te leeren kennen en dienen, is verloren gegaan in en door den zondeval van Adam. Thans kan hij alleen door middel dei-goddelijke bovennatuurlijke werkzaamheid een godsdienstig mensch worden. Godsdienst is alzoo eene

ocr page 49

39

bovennatuurlijke gave, samenhangend met de scheiding, die er naar het oordeel dier partij moet worden in acht genomen tusschen aarde en hemel, tusschen de wereld van God en de wereld der menschen. Tusschen beide gaapt een diepe kloof, welke de mensch met zijn geringe vermogens onmogelijk overbruggen kan. Hij zou eeuwig veroordeeld zijn aan de eene zijde te blijven staan, hunkerend naar \'tgeen hij niet kan zien, niet kan krijgen, indien God niet genadig zelf die kloof had overbrugd door den arbeid zijner engelen, profeten en vooral door zijn Zoon. Door zijne hand geleid, kunnen wij eens worden overgevoerd uit de wereld der vergankelijkheid naar de eeuwige wereld. Die leiding heeft in en door den godsdienst plaats. Ja het leven van den waarlijk godsdienstigen mensch is hier de voorsmaak van het volmaakte, zalige leven met God aan de andere zijde der kloof, welke in den dood aan Christus hand door zijn geloo-vigen wordt overgetrokken. In het stelsel dezer partij is geen plaats voor de idee eener langzame maar geleidelijke vorming en vervorming der menschheid uit den staat der onkunde tot den staat der kennis Gods. De menschheid is uit zijn aard onbekwaam voor gemeenschap met God. Beschaving en ontwikkeling kunnen zijn uitwendig voorkomen, zijn stoffelijken

ocr page 50

40

levensstaat wijzigen, aan zijn innerlijk, zijn aanleg, zijn wezen iets veranderen, verbeteren kunnen zij niet. Indien God dat niet bovennatuurlijk doet, blijft hij voor Grod dood.

Bij de beoordeeling van dit stelsel moet wel vast in het oog worden gehouden, dat het niet een geschiedkundig maar een theologisch stelsel is, m.a.w. niet een stelsel dat natuurlijk voortvloeit uit de studie der geschiedenis maar een stelsel opgebouwd uit voorstellingen en begrippen. De openbaring Gods b.v. rust op een voorstelling van de inrichting der schepping, die geen vrucht was van onderzoek maar van oppervlakkige waarneming en verbeelding. Zij die aan de voltooiing van dat theologisch stelsel de beste krachten van hun denk- en verbeeldingsvermogen gewijd hebben, Thomas Aquino vooral, waren daarbij meestal ter goeder trouw, gingen oprecht uit van de meening dat God zich op die wijze aan menschen had geopenbaard. En eenmaal dat punt toegegeven volgde al het andere als van zelf. Maar het kon niet anders of dat stelsel moest ineenzinken, zoodra het onderzoek de werkelijke geschiedkundige toedracht der feiten en gebeurtenissen aan het licht bracht. Zoo is het ook geschied. De botsing tusschen verbeelding en werkelijkheid bleef niet uit. En al mocht de geloovige handhaver der eerste

ocr page 51

41

toornen, duurzaam ontkennen kon hij niet. De oude voorstelling van aarde en hemel bleek onhoudbaar en wel zoozeer, dat wij gerust beweren mogen: geen behoorlijk ontwikkeld mensch neemt haar nog in bescherming. Al behoudt hij het spraakgebruik de zin der woorden is een andere. De oude wereld is voorbijgegaan en een nieuwe kwam er voor in de plaats.

Laat ons nu de aanhangers der andere partij hooren. Door jarenlang veelzijdig en geduldig onderzoek zijn zij naar hun beweren de werkelijke geschiedenis van de aarde en hare bewoners op het spoor gekomen. Zij is hoe groot zij schijnen moog inderdaad zeer klein, want zij bekleedt in het onmeetlijk wereldruim slechts een heel ondergeschikte en onbeduidende plaats. Die der zon is daarin, schoon nog heel klein, met de hare vergeleken heel groot. En hoe is zij nog aan die plaats gekomen? Oorspronkelijk maakte zij mee een deel van het zonnelichaam uit, maar raakte daarvan los als een kind dat zijns vadershuis verlaat en eigen weg gaat bewandelen, dat nu niet langer verwend door warme weelde, gehard en gesterkt wordt in koude en ontbering tot een degelijke taak. Zij gaf allengs het aanzijn aan het leven in allerlei vormen en gedaanten in eindelooze planten- en dierenreeks, tot dat ook de mensch was ontstaan. Toen hield haar

ocr page 52

42

stoffelijk scheppend vermogen op. Geen nieuwe hoogere wezens werden geboren. Maar in den mensch had zij een schepsel gebaard met kostelijke vermogens toegerust, waardoor hij onder allen boven allen heerschen kon, waardoor hij eene maat van ontwikkeling bereiken kon, hem kracht en macht gevend ver boven lichamelijk vermogen. Hem werd de wereld des geestes geopenbaard en daarin heerschte hij door zijn aanleg voor wetenschap, voor kunst, voor zedelijkheid, voor godsdienst. In de menschelijke levenskiem lag de mensch der toekomst besloten met zijn verstandelijken, aesthé-tischen, zedelijken en godsdienstigen aanleg. Onder den invloed van gunstige uitwendige omstandigheden moesten zich die geleidelijk ontwikkelen. Vandaar op elk gebied van menschelijke werkzaamheid een zeer gebrekkig begin — eenige krabbels — een langzame voortgang — een nooit verwezenlijkt ideaal. „Streven in de richting er heenquot; is \'s menschen grootheid. Dat streven is zijn loare leren. Mist hij dat, dan is hij als mensch gelijk dood. Hierop maakt hij als zedelijk en godsdienstig mensch geen uitzondering. Hij heeft aanvankelijk ook een aanleg daartoe, die onder gunstige omstandigheden zich toonen zal. Waar die omstandigheden aanwezig waren werd de mensch zedelijk, werd de mensch godsdienstig; maar de wijze waarop hij het

ocr page 53

43

toonde in woord en daad was niet eens vooral bepaald; ook hier was de ontwikkeling geleidelijk. De wereld in het algemeen oefende op hem ongeveer gelijken invloed als het rijzend morgenlicht op den slaper. Hij merkt dien invloed reeds nog eer hij wakker is en als de zon, hem in \'t gelaat schijnende, den slaper heeft gewekt, verstaat hij eerst allengs den omvang van de hem geschonken wereld. Ook God is hem niet bekend door bovennatuurlijke openbaring. Ook God is een macht in hem, gewekt door de wereld. En niet opeens is hem God in al zijn heerlijkheid verschenen, „\'s Menschen geest peilt eerst allengs de diepten Gods.quot; De ware godsdienst is niet het begin maar het einde zijner ontwikkeling.

Yalt de keuze ons moeilijk tusschen die twee partijen? Maar al stemde het gevoelen der tweede niet meer dan het eerste met onze inzichten overeen, wij zouden het toch moeten aanvaarden, daar het eerste tegen de allereerste beginselen van het onderzoek en de kennis der natuur in niet te handhaven is. Wij kunnen het alleen blijven aanhangen op voorwaarde der aanvaarding eener voorstelling van de wereldorde die vierkant in strijd is met de nuchtere werkelijkheid. Wie dat wil heeft daartoe de vrijheid, maar getrooste zich het lot dat hij in de rij der strevend en niet meer

ocr page 54

ii

wordt meegeteld, dat hij gerekend wordt tot de dooden.

Behoeft, na het vermelde, niet opzettelijk te worden uiteengezet, dat als de bovennatuurlijke oorsprong van den godsdienst onaannemelijk is, om dezelfde redenen ook de bovennatuurlijke oorsprong der zedelijkheid en zedenwet verwerpelijk is, wij moeten wel het verschil tusschen beide in het oog houden nu wij beider wezen moeten bespreken. Want schoon zedelijkheid zoowel als godsdienst hun oorsprong vinden in den aanleg van een en denzelfden mensch, zij zijn toch volstrekt niet dezelfden noch aan elkaar gehuwd. Ja het is een feit dat godsdienst zonder zedelijkheid evengoed bestaan kan als zedelijkheid zonder godsdienst.

Allereerst vragen wij dan nu: wat is eigenlijk godsdienst? Dat wij over het antwoord te rade moeten gaan met de verschillende belijders van godsdienst, ligt voor de hand. quot;Wij kunnen ons vertrouwen niet wegschenken aan A of Z, daar onmiddellijk B of Y zouden opkomen met de bewering, dat zij even be-betrouwbaar zijn. Wij moeten de godsdiensten raadplegen. En als wij dat doen, wordt het ons spoedig duidelijk, dat het eigenaardige, het wezen van godsdienst niet zit in het uitwendige, in eerdienst of leer, omdat die zeer verschillend is bij de gewisse aanwezigheid van godsdienst. Wij zullen dus het eigen-

ocr page 55

45

dommelijke van godsdienst te zoeken hebben in iets. wat alle godsdiensten gemeen hebben. Als zoo iets zouden wij kunnen aanmerken offer en gebed, omdat de gave der dankbaarheid en de begeerte om iets te hebben, in alle godsdiensten gevonden worden. Hetzelfde is ook het geval met God zelf, die natuurlijk in eiken godsdienst hoofdzaak is. Maar offer en gebed veronderstellen reeds, evenals het begrip God, eenige godsdienstige ontwikkeling, die aan de eerste men-schelijke kindschheid nog niet eigen kan geweest zijn. Ik wil niet treden in eene uiteenzetting en beschou-wing van verschillende verklaringen, omdat zij alle iets willekeurigs aan zich hebben en toch ook geen van alle zonder waarheid zijn. Ik geef enkel mijn eigene opvatting, die naar mijn oordeel op de eenvoudigste manier zich aansluit bij den meest kinderlijken vorm van godsdienst, die de kennismaking met nog levende volken aan het licht heeft gebracht en die tegelijk het hoofdbestanddeel uitdrukt van den meest ontwikkelden godsdienst. Godsdienst is een gevolg van de waarneming, dat een hoogere macht dan de mensch is zijn lot en leven beheerscht en is dus in zijn wezen ontzag voor die macht. Dit vinden wij bij de negervolken, wier God niet anders is dan een steen, waaraan

ocr page 56

46

ze zich den voet hebben gewond en die oorzaak is dat ze belemmerd worden in hun vaart, of een dier, dat hun angst opwekt; bij de belijders van natuurgodsdiensten, wier Goden vuur of water, bliksem of regenboog, zee, aarde, hemel, zon, maan of sterren, wind of vuur zijn; bij de G-rieken wier Olympische goden zulk een belangrijk aandeel hadden in alle gebeurtenissen des levens; bij de Indische en Egyptische, de Chineesche en Budhistische, de Joodsche, Moha-medaansche en Christelijke godsdiensten. De God of Goden zijn in allen machten, die een belangrijke rol spelen in \'s menschen levenslot, en in eiken godsdienst staat die God bovenaan, die geacht wordt hoogste macht te zijn. Van die grondwaarneming gaat uit al wat godsdienst heeten kan, waardoor hij zich onderscheidt van al het andere menschelijke; waaraan men godsdienst steeds kan onderkennen in het bont gewoel der levensverschijnselen. De godsdienstige meent te bespeuren dat een hoogere macht dan hij zelf invloed heeft op zijn lot en leven. Dat dit geloof of besef, of hoe het moge genoemd worden, zich voor het oog van den waarnemer kleedt in vormen, overeenkomende met de hoogte of laagte van kennis en ontwikkeling van den godsdienstige, behoeft geen betoog. De neger vereert zijn amuletten, zijn fetisch, de Pars

ocr page 57

47

het vuur, de woestijnbewoner de zon, de Egyptenaar den Nijlgod, de Chineesch den stralenden hemel en de vruchtbare aarde, de Griek alle de machten des hemels en der aarde in allerlei menschengestalten, de Brahmaan den in-alle-zijn zich openbarenden Levensgeest, de Jood den onzienlijken wetgever Jahve, de Mohamedaan Allah, den God des hemels, de Christen den Vader der menschen in de hemelen en sinds het wetenschappelijk natuuronderzoek den mensch-God-Yader onbestaanbaar heeft verklaard met de werkelijke wereld, tracht de christen geloovige in een nieuwe voorstelling zijn geloof aan een macht die invloed heeft op zijn lot en leven te kleeden; want kan hij eenerzij ds als godsdienstig mensch niet in onvrede leven met de wetenschap, hij kan evenmin zijn geloof verloochenen dat „hooger macht gebiedtquot;. Vandaar dat de geschiedenis van den godsdienst ons aangrijpt door haar verheven karakter.

Zal de mensch die ervoer dat hooger macht invloed heeft op zijn lot en leven zich rustig bij die waarneming, bij dat geloof neerleggen, zal hij die machten als het noodlot laten heerschen en bestieren zoools hun goed dunkt zonder dat hij van zijn kant beproeft invloed te oefenen op hen? Zullen zij niet zijn gemoed in beweging brengen?

ocr page 58

48

Hoe zou dat kunnen? Er zijn lijdelijke naturen, die alles over zich laten komen en heengaan zonder ander teeken van weerstand dan een zucht. Maar er zijn ook en veel meer weerstandbiedende naturen, die iets onaangenaam, willekeurig, onbillijk, onrecht, wreed vinden en er zich niet bij kunnen neerleggen dat hun God zoo doet. Zij willen een woordje meepraten, zijn manier van doen wijzigen, zijn besluit veranderen. Ziedaar de bonte wereld der ceremonieele godsdiensten voor u, waarvan offer en gebed scheringen inslag zijn. Maar men wil ook weten waarom de God zóó handelt; wat hij voornemens is te doen; of hij niet tot andere gedachten is te brengen. Ziedaar de niet minder bonte wereld der godsdiensten voor u, met haar priesters, profeten, schriftgeleerden, scholen, stelsels, bijbels; alles er op ingericht om den mensch niet in het onzekere te laten aangaanfle den wil zijns Gods. Een wereld waarin het gaat als in een gewone huishouding: ook al schaft men nieuwe dingen aan, de oude schaft men niet graag af; men kan nooit weten hoe het nog eens te pas komen kan. Zoo staan in den tempel des christens nog altoos beeldjes van verouderde godheden, de nieuwe godsgestalte der moderne wereld draagt nog het kleed van het supranaturalisme, en de meening: dat er nog altoos menschen

ocr page 59

49

zijn die meer clan anderen het oor Gods hebben, speelt nog menig verlichten booze parten.

Een werkzaam „ietsquot;, liggende buiten de grens van het menschelijk werkvermogen, ervaren wij allen zoo dikwerf ons bewust willen en handelen tegenstand of hulp ervaart, die wij noch kunnen terugbrengen tot onszei ven noch tot anderen.

Onze verhouding tot dat „Ietsquot;, dat in alle talen God = Hooge Macht heet, is onze godsdienst.

Op het voorafgaand onderzoek naar oorsprong en wezen van den godsdienst moet thans dat volgen naar oorsprong en wezen der zedelijkheid. Wij vinden geen volken zonder zedelijkheid; geen volk waar de persoonlijke, oogenblikkelijke, zinnelijke inval, begeerte of lust de eenige wetgever is. Er is overal eenige beperking der persoonlijkheid merkbaar, iets van een wet en van eerbied daarvoor, \'t Moge soms nog niet veel meer wezen dan een flauwe aanduiding van toekomstig licht, zwart, donker is het er toch niet meer. Zelfs de door Stanley in de donkere wouden van Africa gevonden dwergnegers maken daarop geen uitzondering. Daar waar allengs sprake kan zijn van aanvangsbeschaving, daar worden de geëerbiedigde wetten, regelen, beperkingen grooter en talrijker; ze

ocr page 60

50

worden zonder nog geschreven te zijn door de ouders den kinderen ingeprent, door deze geëerbiedigd; in een verder gevordenden beschavingstoestand worden zij opgeschreven. Er ontstaan geschreven zedewetten, wetboeken, plichtenleeren, eerst geldend voor enkele stammen, dan voor meerdere stammen gemeenschappelijk, voorts voor tot volken saamgevoegde stammen, later zonder volksonderscheid door al wat beschaafd wil genaamd worden, eindelijk als internationaal wetboek voor de geheele menschheid \')• -Bij onderlinge vergelijking dier wetten en regelen blijkt dat zij slechts öf in bijzaken öf in begrenzing van gevolgtrekking van elkander verschillen. Overal waar de menschen tot een zekere hoogte van beschaving komen staat de zedelijkheid en haar wet ongeveer even hoog, brengen zij ongeveer gelijke zedewet voort, al is er reeds tengevolge der groote verwijdering van elkaar nooit eenige gemeenschap tusschen hen geweest. De ethnologische wetenschap komt hoe langer hoe meer tot de overtuiging, dat al wat mensch heet innerlijk één is. De bewering dat eenig volk in dit opzicht een buitengewoon voorrecht zou genoten heb-

\') Onze eeuw van zich allengs meer vormend internationaal recht laat ons dat ontwikkelingsproces duidelijk zien.

ocr page 61

51

ben buiten dat wat in zijn natuurlijken aanleg en de omstandigheden lag moet dus bepaald als onjuist worden afgewezen. Er is enkel sprake van achterlijkheid of voorlijkheid van aanleg of gebrek aan aanleg. Over de eischen der zedelijkheid bestaat dan ook weinig strijd. Ja hoe ook onder beschaafden van verschillend ras de godsdienststrijd woede, over de zedelijkheid en haar eischen vecht men niet. Het belang mag zich tegen de inwilliging van den zeden-eisch kanten, zijn recht wordt niet ontkend.

Wijst die omstandigheid op eenheid van het mensch-dom, zij toont tegelijk aan dat dit zelf de bron is waaruit het zederecht zich ontwikkeld heeft. Ontstond de godsdienst uit de ervaring van een macht buiten den mensch die invloed heeft op zijn lot en leven, de zedelijkheid ontstond uit de aanraking van mensch met mensch, uit het eerst duister maar voortgaande verhelderd besef dat waar twee drie gelijken, menschen, zijn, er beperking van „ikquot; moet plaats hebben; dat daar des eenen „ikquot; dat des anderen moet eerbiedigen; dat er niet meer in volle vrijheid kan gehandeld. Dankt alzoo de godsdienst zijn ontstaan aan \'s menschen verhouding tot een buitenmenschelijke hem beheerschende macht, de zedewet ontstond uit zijn verhouding tot anderen van gelijke beweging als hij.

ocr page 62

52

Ook hier is dus geen sprake van eene bovennatuurlijke mededeeling, van een aan menschen opgelegde zedewet, wat ook door de geschiedboeken en belijders van sommige godsdiensten moge worden beweerd. Wel kan een stel van zedelijke geboden, ontleend aan een reeds hoog ontwikkeld zedelijk bewustzijn, met meer of minder dwang opgelegd aan een lager staand volk, zooals bijv. de wet der „tien gebodenquot; aan Israël of de christelijke zedewet aan onze germaansche voorouders, in de schatting van zulk een volk van hoo-geren oorsprong geworden zijn in overeenstemming met zijn gebrekkige kennis der wereldorde, maar zoo\'n opvatting moet op den duur voor een juistere plaats maken.

Zoo goed als de godsdienst is de zedewet uit de menschheid. Daarmee is niets tot haar nadeel gezegd. Immers volgt daaruit dat de menschelijke aanleg een zedelijke is, dat bij normale ontwikkeling uit den blinden natuurmensch een hoog ontwikkeld zedelijk schepsel kan groeien, uit den wilden ongetemden egoïst een blijmoedige eerbiediger van het persoonlijk ikrecht van anderen, van het volksrecht, van het menschheidsrecht; dat de aanvankelijke egoïst gewillig zich leert buigen onder den koninglijken eisch: heb God lief bovenal en uw naaste als uzelven. Wel

ocr page 63

53

kan hij een tijdlang meenen dat die Wet een vreemde macht is, die hem beheerscht, maar allengs gaat zijn oog open voor de waarheid, dat zij de wet is van zijn eigen leven, de wet zijns heils; dat eigen welzijn, volkswelzijn, algemeen welzijn van hare waarneming afhangen; dat hare heerschappij der maatschappij haar duurzaam bloeiend bestaan verzekert. Spiegelt zich nu in uitwendigen godsdienst, in theologie, in \'t lied \'s menschen verhouding tot de buitenmensche-lijke macht af, leeren wij daaruit de hoogte zijner godsdienstige ontwikkeling en de innigheid zijner vroomheid kennen, uit de onderlinge ver keer s vormen en gebruiken, de openbare levensmanier, de openbare meening en de voorschriften der zedewet leeren wij de hoogte zijner zedelijke ontwikkeling kennen, den graad der innigheid zijner liefde tot het goede, die gemeten wordt met de maat der liefde voor anderer geluk. Wie zich zeiven geheel kan geven aan een Niet-Ik heeft de gansche zedewet vervuld, heeft het hoogste menschelijke gedaan en bereikt. Het besef dat niet gedaan, dat niet bereikt te hebben blijft echter altoos den zedelijken mensch drukken. Dat geeft aan zijn leven een eigenaardig tragisch karakter, dat spreidt er een waas van weemoed over. Nooit beantwoordt hij aan den eisch der geheele toewijding aan het zede-

ocr page 64

54

lijk goede. Maar daarom kent de menschheid geen voltooide deugd, geen gerechtigheid die zeggen kan: ik heb genoeg gedaan. Zij draagt in zich het besef om van Jezus woord: indien gij niet meer gedaan hebt dan gij moest, zijt gij een onnutte dienstknecht. De liefde voor het goede telt den rozekrant der plich--ten niet af. Daarom is deugd geen volmaakt bezit maar streven. De zedelijke mensch is hij die streeft, \'t zij aanvankelijk \'t zij voortzettend streeft, al struikelt, al valt hij soms diep.

Godsdienst en zedelijkheid zijn alzoo beide men-schelijk in oorsprong en wezen. Zij laten den eenen mensch van twee verschillende kanten zien. Zij zijn duidelijk onderscheiden. Maar zijn zij ook gescheiden in dien zin, dat elk zijn afzonderlijk leven leven kan, zonder daaronder te lijden? Is het voor den gods-dienstigen mensch, voor de vroomheid onverschillig op welke zedelijke hoogte hij staat? Is het voor de zedelijkheid onverschillig of de godsdienst bloeit of kwijnt?

Op die vragen moeten wij thans het antwoord geven.

ocr page 65

Sodsdienst en Zedelijkheid.

Kunnen die twee: godsdienst en zedelijkheid, het besef eener bovennatuurlijke macht en het besef eener inter-menschelijke verplichting elkanders steun missen; kunnen zij elk voor zich gehouden worden binnen hun eigen ban-lieue of is het voor beide goed dat zij samen werken?

Dit eerste beweren de moralisten en op dien grond willen zij den godsdienst uitroeien. Laat ons eerst iets zeggen over dien wensch en dat pogen op zich zelf; daarna over de reden die men er voor aanvoert, daarna over de noodzakelijkheid der samenwerking voor den godsdienst. Eerst wil ik deze punten bespreken met het oog op den godsdienst, dan met het oog op de zedelijkheid.

ocr page 66

56

De moralisten, de predikers der onafhankelijke moraal, willen den godsdienst afschaffen, uitroeien. En wanneer men hunne bladen leest, hunne redeneeringen hoort, kennis maakt met den beslisten toon hunner redeneering, de air-bravoure opvangt hunner toekomstverwachting, dan zou men kunnen gesug-gesteerd worden van de gedachte, dat de zaak zelve uitvoerbaar, hare uitvoering aanstaande is — indien men niet behoorde tot de niet voor suggestie vatbare nuchterheden Op mij hebben die hooge verwachtingen en stoute pogingen nooit anders dan een komi-schen indruk, gemaakt. Ik moet altoos vragen als ik die heftige aanvallen op den godsdienst hoor, is het heusch gemeend of doet men maar zoo? Zooals ook de Giganten der oudheid deden als ik ze den Olymp zag opzuchten met rotsblokken op den nek. Ik ben nooit recht onder den indruk kunnen komen van het groteske dier hemelbestorming, omdat ik altoos te veel oog had voor de macht van Zeus, die met zooveel kalmte die gigantische kereltjes naar boven opklauteren zag. Ik voelde steeds iets mee van die verheven olympische kalmte.

De vrijdenkers, de materialisten, de aanhangers der onafhankelijke zedelijkheid, zien den godsdienst aan voor iets afschafbaars, voor iets wat niet tot het

ocr page 67

57

wezen van den mensch behoort; zien hem aan als een laag kleursel of witkalk, die eeuwen achtereen in vele dunne laagjes over den ur-mensch is heen gestreken en die men slechts evenals een oud plafond of muurwerk of kast heeft af te krabben om den echten, den gewonen mensch weer voor den dag te brengen, den ur-mensch zonder godsdienst. En de krabber, waarmee dat geschieden kan is: de rede, de wetenschap.

Ja indien dat waar was! Dan zouden de vrienden van den godsdienst hun hart vast moeten houden van angst. quot;Want er is al menige laag verw en witsel afgekrabd en het staat te voorzien dat de laatste nog niet is bereikt.

Wanneer het echter waar is wat wij hebben bevonden, dat de godsdienst in zijn wezen niets anders is dan besef van een bovenmenschelijke macht die invloed heeft op \'s menschen lot en leven, dan bestaat er niet veel kans dat dit besef ook als een verflaag zal worden weggekrabd.

Toch wel, zeggen de tegenstanders van den godsdienst, toch wel; ook dat besef is niet iets oorspronkelijks, maar een gevolg van de godsdienstige omgeving waarin men eeuwenlang leefde, van het bijgeloof waarin men is opgevoed; rede en wetenschap hebben

ocr page 68

58

reeds heel veel daarvan opgeruimd en zullen daarmee voortgaan totdat ook het hoofddenkbeeld van den godsdienst: de bovenmenschelijke macht, weggeanato-miseerd, weggechemiseerd, weggephysiceerd, weggeas-tronomiseerd, weggeelectriseerd en weggefllosofeerd is.

Dat het godsdienstig geloof reeds veel vereenvoudigd is door rede en wetenschap is waar; maar dat de aanleiding om een bovenmenschelijke macht te beseffen minder is geworden meen ik ernstig te mogen betwijfelen.

De groote indoloog Max Müller heeft herhaaldelijk betoogd, dat zijn onderzoek van allerlei godsdienst hem zeker gemaakt had, dat het besef van het oneindige de bron van allen godsdienst is en dat de latere veel minder verheven gewaarwordingen verbasteringen zijn en dat de nieuwe tijd weer nadert tot den oorspronkelijken eenvoud. Wat daarvan waar zij kan ik niet uitmaken, maar wel weet ik hoe onjuist de bewering is, dat rede en wetenschap afbreuk doen aan de buitenmenschelijke macht, die invloed heeft op \'s menschen lot en leven. In het tijdperk van het animisme, d. w. z. toen men alles bezield zag, elk ding door een willend en veelal kwaad willend iets; of in den tijd toen men de groote natuurmachten vergoddelijkte; of in den tijd toen Israël zijn Jahve

ocr page 69

59

troonende op \'s hemels wolken eerde als zijn lotsbe-schikker, heeft men niet meer maar minder reden gehad om een bovenmenschelijke macht te eeren dan de zonen dezer eeuw. die verlicht zijn door rede en wetenschap. Indien zij althans verlicht zijn. Hebben rede en wetenschap niet onze wereld verruimd in zoo groote mate, dat de wereld van weleer tegenover de ontsluierde wereld van heden staat als een molshoop tegenover een berg; hebben zij ons niet bekend gemaakt met krachten en machten, van welker onmeet-lijk vermogen geen voorvader droomde en neemt bij toenemende kennis van den eenvoud der werking niet de bewondering over haar onbegrijpelijke uitwerking toe? Wij spreken van magnetisme, zwaartekracht, electriciteit, polarisatie van het licht, over chemische verbinding en nog veel meer met een gezicht alsof wij in \'t geheim der schepping waren en er reeds alles van wisten, maar de ware wijzen dezer eeuw komen reeds tot de nederige belijdenis: wij staan eerst aan het begin der kennis en slechts één ding weten wij nu: dat het diepste geheim des levens, het ware wezen van de macht die alles drijft ons verborgen blijft. Men is op het spoor van het bewijs dat licht, warmte, magnetisme, electriciteit niet zijn verschillende krachten werkende in het heelal, maar

ocr page 70

60

slechts verschillende uitingen van één en dezelfde kracht en dat die kracht door de gansche oneindigheid der wereld heen de oorzaak most wezen van alle leven; zij komt alzoo de volmaakte eenheid van het heelal op het spoor; maar het raadsel van die kracht zelve ontsluieren daarvan geldt het oude woord: mijn gelaat zal geen menschenkind zien; dat is het gesluierd beeld der Godheid waarvan de Egyptenaren gewaagden. Welnu, oefent die oneindige kracht niet eerst recht invloed op ons lot en leven? Is zij niet de kracht van onze kracht, het leven van ons leven? Moeten wij niet zeggen; uit haar zijn wij geworden en door haar zijn wij die wij zijn? Hehhen wij ooit meer reden gehad tot de getuigenis: dat wij noch de makers van noch de beschikkers zijn over ons eigen lot en leven?

En nu wij eerst recht in den godsdienstigen toon zouden komen, niet in weerwil van maar door de werking van rede en wetenschap, nu zouden wij juist den godsdienst moeten gaan aanmerken als een misleider en bedrieger, moeten van ons houden als ons bederf?! Vreemde rede en wetenschap, die ons niet willen vergunnen te zien wat wij zien, te ondervinden wat wij ondervinden; die het der menschelijke natuur kwalijk nemen, dat zij maar niet wil nalaten

ocr page 71

61

te reageeren op de actie van de groote wereld met een betuiging van eerbied, niet kan nalaten van haar gesuggesteerd te worden tot de hoogte der aanbidding toe. Zal zij zich door rede en wetenschap laten voorschrijven wat zij gevoelen mag? Is het niet komisch, dat de vrijdenkers den godsdienst als den grooten domper verafschuwen, omdat er godsdienst is die rede en wetenschap het zwijgen oplegt, en dat zij zelve ter wille van rede en wetenschap den godsdienst het zwijgen gebieden; dat zij in goeden gemoede meenen de menschelijke natuur te kunnen ontnaturen, dat het aan hen staat den godsdienst uit de wereld te bannen? Hoever ook de ontbolstering moge worden voortgezet, de kern en pit der menschenziel blijft steeds onaangetast en zij is en blijft geneigd de waarheid te erkennen van het dichterwoord: dat er wondere machten spelen door \'s menschen lot.

Waarom is men zoo op den godsdienst gebeten, dat men hem niet enkel met den mensch van den Heidel-berger Catechismus onbekwaam verklaart tot eenig goed, maar hem uitmaakt zelfs voor de oorzaak van schier alle kwaad in de wereld, ja van de sociale ellende?

Hoe dikwijls die opvatting ook al bestreden zij en in haar onjuistheid blootgelegd, het moet altijd nog

ocr page 72

weer geschieden, want de vrijdenkers komen altoos weer aan met hetzelfde geschut. Hun hoofdfout is en blijft: dat zij blijven weigeren onderscheid te maken tusschen het wezen van den godsdienst en zijn uitwendigen vorm.

Niet maar oppervlakkige praatjesmakers, neen ge-zagwaardige geleerden op het gebied van godsdienst en wijsbegeerte hebben met overvloed van bewijzen in het licht gesteld, dat de godsdienstige aandoening, gewekt in den mensch door de aanraking met de buitenwereld, eene aparte d. i. van zelfop komende is overal waar menschen wonen; dat die aandoening zich alom vertoont als besef eener bovennatuurlijke macht die invloed heeft op \'s menschen lot en leven. quot;Wat ligt er nu in dat besef der beschaving vijandigs? Wat is er in dat de wetenschap belemmert of de rechten der rede beperkt ? Prikkelt het niet veeleer de wetenschap tot onkerzoek? Wat is er in waarop men met angst moet wijzen zeggende: ziedaar de vijand?

Dat besef, dat gevoel ziet er nog al onschuldig uit. Men kan er veeleer zegen van verwachten dan vloek. En waarom vooral de zedelijkheid er bijzonder door wordt bedreigd, zoodat in haar belang losmaking is van eiken band tusschenbeide, is moeielijk uit dat godsdienstig besef zelf af te leiden. Zou men niet veeleer moeten verwachten, dat dit besef weldadig werkt?

ocr page 73

63

En desniettegenstaande toch die godsdiensthaat! De haters zouden veel meer hebben uitgewerkt, indien zij aldus tot de menschen hadden gesproken: dat oorspronkelijk eenvoudig natuurlijk besef moet natuurlijk twee vragen in \'s menschen geest doen rijzen: le kan ik iets te weten komen van de bedoeling der bovenmenschelijke macht met mij en 2e waarmee kan ik haar genoegen doen? Hat eerste antwoord op die eerste vraag was de aanvang der theologie, van de leer over God; het eerste antwoord op de tweede vraag was de aanvang der uitwendige Godsvereering. Eenmaal de eerste schrede op dien weg gezet hebbende, moet van zelf de tweede en iedere volgende schrede worden gedaan in de richting van een altoos samengestelder godsdienstleer en eeredienst. En zoolang de nadenkende en vragende godsdienstige mensch bij de beantwoording dier vragen niet werd geholpen door de positieve wetenschap maar wijsheid putten moest uit redeneering of verbeelding; zoolang hij als denkend mensch stond onder den invloed der oude supranatureele wereldbeschouwing, moest hij tot gebrekkige slotsommen, tot naar ons oordeel onbevredigende, Gode onwaardige godsdienstige verrichtingen komen. Dat zoodoende de eischen eener toenemende humaniteit en verstandelijke ontwikkeling door den

ocr page 74

64

godsdienst werden veroordeeld lag voor de hand. Immers sinds eeuwen was men van vader tot kind met de oude denkbeelden gevoed, met de oude ceremoniën saamgewassen, en zij die verandering wilden, noopten de aanhangers van het oude wel tot krachtig verweer ; zij toch hadden het getuigenis der voorgeslachten voor zich en de bestrijders konden zich slechts beroepen op redeneering en betoog, nog niet op onweersprekelijke wetenschap.\') Eerst de echte wetenschap beschikte allengs meer over de middelen om het bouwsel der bovennatuurkundige godsdienstperiode aan te tasten en als vermolmd in het licht te stellen. Zij kan teweegbrengen dat de overgeleverde praktijk en leer van den godsdienst onhoudbaar worden verklaard, dat er een nieuwe tempel wordt gesticht in harmonie met den eisch van rede, kennis en beschaving, maar al haar vijandschap tegen den godsdienst kan niet de zucht naar nieuwen tempelbouw in den boezem der menschen onderdrukken, kan niet verhinderen de vorming eener nieuwe theologie en van een nieuwen Cultus. Want het kwaad door den godsdienst gesticht, de ellende door den godsdienst

!) Zelfs bij Voltaire is subjectieve spot het voornaamste wapen ter bestrijding.

ocr page 75

65

teweeggebracht, is niet uit het wezen van dien godsdienst voortgekomen, moet niet met noodzakelijkheid geschieden waar hij heerscht, maar moet alleen dan en daar met noodzakelijkheid geschieden, waar de godsdienstig voelenden nog redelijk en zedelijk ontae-schaafden zijn, hun besef van God vullen met hun diermenschelijk bestaan. Niet de godsdienst als zoodanig was de schuldige \'j. Niet de godsdienstige mensch stond schuldig aan allerlei kwaad omdat hij godsdienstig was, maar omdat hij, schoon godsdienstig, mensch was, geneigd tot haat en nijd, tot leugen en bedrog, tot heerschzucht en onrecht, omdat hij egoist was en geen hart vol liefde. Evenals de kunst kan de godsdienst een hooge vrouw en een liederlijke deerne wezen. Daarom heeft hij in naam van G-od gemoord en gebrand, gehaat en vervolgd, verdoemd en vervloekt, menschen en volken tegen elkander in het harnas gejaagd; daarom heeft hij de wijzen vervolgd en de verstandigen gelasterd, meenende Gode een dienst te doen, in waarheid zichzelven dienende. Niet het besef eener bovennatuurlijke macht heeft

*) De snoodheden der watergeuzen kwamen voort uit eerbiedwaardige vrijheids- en vaderlandsliefde, al maakt zy die snoodheden niet braaf.

5

ocr page 76

66

het kwaad gedaan maar de onkundige mensch, die zich van den aard en het wezen dier macht nog geen rekenschap wist te geven. Laat de kritiek allen bekenden godsdienst voor onhoudbaar en verderfelijk verklaren, toch tast zij de macht die godsdienst vormt niet aan. Het godsdienstige in den mensch overleeft alle godsdienststelsels en vormen, \'s Menschen ziel is godsdienstig van natuur. Zooals deze laatste onder den invloed van verschillende hemelstreken een verschillend kleed zich weeft, maar altoos weeft, zoo is het uiterlijke van den godsdienst bij verschil van oord en tijd zeer ongelijk, maar hij zelf gelijkt zichzelf overal.

Een der groote grieven der vrijdenkers, der voorstanders van onafhankelijke zedelijkheid tegen de heer-schende godsdiensten en stelsels is: dat zij de zedelijkheid geminacht, de zedelijke ontwikkeling belemmerd hebben. Die beschuldiging is juist. De onzedelijke mensch heeft God voor zich in beslag genomen, zijne ongerechtigheden de wijding van God gegeven en in elk geval meer waarde gehecht aan de Godsleer dan aan de Zedeleer. Heidenen en Christenen zijn beide schuldig. Zelfs het protestantisme, uit verdiept zedelijk besef geboren, heeft per slot van rekening de moraal tot de aschepoester der theologie en kerk verlaagd.

ocr page 77

67

Maar elke verbetering in den godsdienst kwam tot stand door de wondermacht van die aschepoester.

Ik kan den vrienden van den godsdienst geen beteren raad geven dan deze: draag zorg dat uw godsdienst geen enkelen eisch der zedelijkheid onder geen enkele omstandigheid minacht of schendt; want indien de mensch moest kiezen tusschen zedelijkheid en godsdienst, dan gaf hij den laatste.op. Als de godsdienst onzedelijk wordt, als hij om eenig godsdienstig doel het zedegebod opheft of in den naam van God onzedelijkheid billijkt, eischt, dan heeft hij zijn eigen doodvonnis geteekend in het bewustzijn der beschaafden. Geen twijfel des verstands, geen kritiek dei-wetenschap heeft ooit den godsdienst zooveel afbreuk gedaan als zijn eigen vrienden door zedelijke laksheid. Wel diep moet de godsdienst zijn wortelen hebben in de menschelijke ziel, dat de moord op Jezus in den naam van Gods wet geeischt, dat de vervolging dei-christenen onder de romeinsche keizers, der Albigensen en Waldensen en Hugenoten, dat de gruwelijke inkwisitie, de moord op Michael Servetus en zoovele andere afschuwelijkheden hem niet voor goed ontworteld hebben. De katholieke ceremoniendienst met haar lakse moraal en haar verdoeming van al wat niet katholiek is, zoowel als de protestantsche

ocr page 78

66

het kwaad gedaan maar de onkundige mensch, die zich van den aard en het wezen dier macht nog geen rekenschap wist te geven. Laat de kritiek allen hekenden godsdienst voor onhoudbaar en verderfelijk verklaren, toch tast zij de macht die godsdienst vormt niet aan. Het godsdienstige in den mensch overleeft alle godsdienststelsels en vormen, \'s Menschen ziel is godsdienstig van natuur. Zooals deze laatste onder den invloed van verschillende hemelstreken een verschillend kleed zich weeft, maar altoos weeft, zoo is het uiterlijke van den godsdienst bij verschil van oord en tijd zeer ongelijk, maar hij zelf gelijkt zichzelf overal.

Een der groote grieven der vrijdenkers, der voorstanders van onafhankelijke zedelijkheid tegen de heer-schende godsdiensten en stelsels is: dat zij de zedelijkheid geminacht, de zedelijke ontwikkeling belemmerd hebben. Die beschuldiging is juist. De onzedelijke mensch heeft God voor zich in beslag genomen, zijne ongerechtigheden de wijding van God gegeven en in elk geval meer waarde gehecht aan de Godsleer dan aan de Zedeleer. Heidenen en Christenen zijn beide schuldig. Zelfs het protestantisme, uit verdiept zedelijk besef geboren, heeft per slot van rekening de moraal tot de aschepoester der theologie en kerk verlaagd.

ocr page 79

67

Maar elke verbetering in den godsdienst kwam tot stand door de wondermacht van die aschepoester.

Ik kan den vrienden van den godsdienst geen beteren raad geven dan deze: draag zorg dat uw godsdienst geen enkelen eiscli der zedelijkheid onder geen enkele omstandigheid minacht of schendt; want indien de mensch moest kiezen tusschen zedelijkheid en godsdienst, dan gaf hij den laatste.op. Als de godsdienst onzedelijk wordt, als hij om eenig godsdienstig doel het zedegebod opheft of in den naam van God onzedelijkheid billijkt, eischt, dan heeft hij zijn eigen doodvonnis geteekend in het bewustzijn der beschaafden. Geen twijfel des verstands, geen kritiek dei-wetenschap heeft ooit den godsdienst zooveel afbreuk gedaan als zijn eigen vrienden door zedelijke laksheid. Wel diep moet de godsdienst zijn wortelen hebben in de menschelijke ziel, dat de moord op Jezus in den naam van Gods wet geeischt, dat de vervolging dei-christenen onder de romeinsche keizers, der Albigensen en Waldensen en Hugenoten, dat de gruwelijke inkwisitie, de moord op Michael Servetus en zoovele andere afschuwelijkheden hem niet voor goed ontworteld hebben. De katholieke ceremoniendienst met haar lakse moraal en haar verdoeming van al wat niet katholiek is, zoowel als de protestantsche

ocr page 80

68

dogmatiek met haar geringschatting van de werken der liefde, heeft den eerbied voor den godsdienst afbreuk gedaan in duizende beschaafden. De vrijdenkerij, de onafhankelijke zedeleer zijn een protest van het beleedigde zedelijk bewustzijn tegen een godsdienst, die een begrip en een lithurgie hooger plaatsen kon dan een zedelijke daad, die bevelen kon dat een kind hot bevel zijner ouders niet zou eeren, dat een maagd haar reinheid zou prijsgeven, dat een rechter zijn geweten zou verkrachten, dat een prediker da waarheid zou verdraaien, dat een misdadige bevrijd en een rechtvaardigde gekruisigd worden zou, dat een mensch met zijn geest en gemoed, met zijn hoofd en hart, met zijn rede en geweten zich zal wegdoen, zich zal weggeven aan den wil eens anderen, alles ter meerdere eere Gods.

In de wet der zedelijkheid moet de godsdienst zijn richtsnoer hebben zoo goed als al wat eere hebben wil. Indien hij den eisch van het zedelijk besef niet volgen wil, ontstaat er strijd tusschen die twee, waarin de godsdienst moet toegeven. Deze twee zielen in één lichaam: het besef van een bovennatuurlijke macht en het besef va,n verplichting jegens anderen, moeten elkander niet vreemd blijven, maar elkander doordringen en steun verleenen. Hier is zeker

ocr page 81

69

waar: wat God vereent, scheide de mensch niet. Godsdienst zonder zedelijkheid, zedelooze godsdienst is een vloek, waaraan de beschaafde maatschappij zich nooit onderwerpen zal. In haar moet de godsdienst de natuurlijke en krachtigste steun der zedelijkheid zijn in huis en arbeid, in kerk en staat.

De poging om den godsdienst uit te roeien, om de menschelijke ziel te bevrijden van het besef dat bo-venmenschelijke macht invloed heeft op zijn lot en leven, bleek ons een onbegonnen werk, daar dit besef niet in den mensch is gemaakt, gekweekt, zoodat het geen natuur bij hem is, hoogstens tweede natuur, maar wel degelijk een bestanddeel van zijn wezen. Met evenveel recht zou men de poging kunnen wagen om den mensch te ontzedelijken, d. w. z. van het besef te ontdoen dat sommige denkbeelden en voornemens en daden in betrekking tot anderen beter zijn dan andere denkkeelden, voornemens en daden; dat het streven om dat betere te doen, al lukt het ook niet, prijselijker is dan het zich overgeven aan het minder goede. Hoe laag het peil van zedelijke ontwikkeling wezen moge, eenig besef van het onderscheid tusschen dingen die kwaad, die prijswaardig en laakwaardig zijn, is er toch, en het besef dat het beter is een ander goed te doen dan hem kwaad te

ocr page 82

70

doen, breekt al heel gauw door de nevelen van het onbewustzijn heen, al beperkt het zich aanvankelijk binnen zeer enge grens; eenig besef van gehoudenheid om het ik-gebied te beperken in betrekking tot huis, familie, stam doet overal zich gelden. In zoover is het waar dat de zedelijkheid onafhankelijk is van den godsdienst, dat zij voortvloeit uit \'s menschen aanleg en dus zonder de hulp van den godsdienst kan en moet worden verklaard. Maar is het wijsgeerig denkbaar dat twee zulke „beseffenquot; in de ziel van één mensch, als het godsdienstig en het zedelijk besef zijn, daarin zouden huizen als twee kamerbewoners, die elk uitgaan tot een eigene taak en elkander slechts nu en dan ontmoeten op trap of in gang\'? De mensch is een eenheid, zinnelijk en zedelijk. Elke aandoening die hem raakt, brengt hem geheel in beweging, al ziet men dat niet terstond. Het godsdienstig besef laat hem ons zien in betrekking tot het oneindige en het zedelijk besef in betrekking tot het eindige, maar het is steeds dezelfde mensch; als hij naar het eindige zich keert is toch de naar het oneindige gekeerde niet in slaap en als hij naar het oneindige zich keert zendt hij toch den naar het eindige zich keerende niet van huis; eindig zijnde is hij toch oneindig en oneindig zich voelende is hij toch eindig. Hoe zou het dan onverschillig.

ocr page 83

71

schadelijk voor, den naar het eindige gekeerd en kunnen zijn, dat hij zich tegelijk aan het oneindige ge-honden weet? Is het niet veeleer te verwachten, dat zij beide elkander tot steun kunnen en moeten zijn, om van den mensch te maken wat hij wezen kan?

M. a. w. kan het onverschillig wezen voor de zedelijkheid of zij in het oneindigè wortelt, door het oneindige bestaat?

Hier hebben wij de vraag der vragen, waarop de vrijdenker, de onafhankelijke moralist antwoordt: ja, ik heb den godsdienst noodig noch tot verklaring noch tot handhaving der zedelijkheid, daar deze voldoende verklaard wordt door de wet der aanpassing van de menschen aan elkander in den loop der eeuwen en door de wet der erfelijkheid. Doch die wijsgeeren hebben gemakkelijk praten, dat zij den factor van het oneindige besef niet noodig hebben tot verklaring van ontstaan en heerschappij der zedelijkheid, nu zij gemakkelijk in hun stoel gezeten de geschiedenis langs haar baan terug kunnen bekijken, nu zij als erfgenamen van een lang- eeuwig verleden in zichzelven een vastheid van zedelijk bewustzijn waarnemen, dat den steun van een Godsgeloof missen kan. Maar ik zou wel eens willen weten, hoe zij het zouden gered hebben op Mozes plaats, onder dat zedelijk verwaarloosde

ocr page 84

72

Israël, indien zij zich voor het: „gij zult niet dooden, niet stelen, niet echtbrekenquot;, niet hadden kunnen beroepen op het: Jahve zegt; indien de zedelijke eisch niet steun had ontvangen van het godsdienstig besef; indien zij niet waren uitgegaan van het geloof, dat de mensch als zedelijk wezen geregeerd wordt door een macht boven hem. Het is door Dr. A. Pierson uit de geschiedenis van de worsteling tusschen de profeten Israels met hun zedelijk ideaal en het volk zélf met zijn grof zinnelijke natuur duidelijk aangetoond: dat het zedelijk ideaal, zooals profeten en hun geestverwanten zien, te hoog staat voor de menigte; dat deze het daarom aanmerkt als iets vreemds, iets opgelegds, waartoe zij moet worden gedwongen, en dat zij zonder het: Jahve spreekt, zich niet gemakkelijk gewonnen geeft. En al is het nu waar dat de tijd der vervulling die zal wezen, als geen dwang tot goed zijn meer noodig is, welk kind zal beweren dat zijn vader voor hem onnut werd, omdat het niet langer wacht op zijn bevel ten goede?

Door den volksman wordt dikwerf de volgende logica verkondigd: als er geen God is is er ook geen recht, waarmee die mond dan zeggen wil: als het rechtsbewustzijn niet een gevolg is van een rechts-wijzer boven s\' menschen veranderlijke stemmingen

ocr page 85

73

verheven; wijsgeerig gesproken: als het rechtsbewustzijn geen bovenmenschelijken oorsprong heeft; godsdienstig gezegd: als God niet is de gever der wet, dan missen recht en wet het absoluut gezag waarvoor alles zich moet buigen ; dan is er geen reden om voor al wat mensch heet, tot welk volk het moge behooren, op welke hoogte van ontwikkeling het moge staan, één gelijk menschenrecht te stellen en te vinden; dan is het mogelijk ja natuurlijk, dat er zooveel rechten zijn als er verschillende rassen en onderscheidingen zijn.

Men zal mij hier tegen werpen, dat dit inderdaad het geval is; dat er romeinsch, germaansch, javaansch, chineesch, mohammedaansch, caucasisch, nederlandsch burgerlijk en strafrecht is en zich dat dagelijks wijzigt naar omstandigheden. Daartegen heb ik niets in te brengen. Maar daarmee is de zoo even genoemde behoefte aan een bovenmenschelijken oorsprong van het menschelijk rechtsbewustzijn niet onontvankelijk verklaard, sintemaal juist de toenemende beschaving leert vragen naar één eenig menschenrecht voor alle volken, naar de toepassing van één rechtbeginsel onafhankelijk van tijd en land, dat door geen omwenteling kan worden terzijde gesteld, dat de strekking heeft om aller welzijn te bevorderen en de wraak uitbant. Wat onder zekere omstandigheden voor een tijd en

ocr page 86

74

volk nuttig en bereikbaar is, is claarmeè nog niet tot goddelijk recht gestempeld. Het recht op vrijheid is een goddelijk recht, maar menschenrecht moet het alsnog in het belang der gemeenschap beperken. Dat ieder over zichzelven beschikt is recht, goddelijk recht, maar de practische staatsleer moet het wel beperken in belang van individu en gemeenschap „Gij zult niet begeeren uws naasten goedgewillig het uwe afstaan voor anderen is goddelijk recht. Maar de maatschappij behoeft toch een onteigeningswet. Er is een jus con-stitutum en constituendum.\') Van het laatste alleen geldt dat het niet afhankelijk mag zijn van wijziging in den mensch. De kwestie is deze: is dat wat in het onderling verkeer der menschen rechtsregel, verplichtte vorm van verkeer geworden is, enkel een vorm van leven, waarin de mensch zich gevoegd heeft tengevolge van gebleken nuttigheid of noodzakelijkheid, zóó dat onder andere invloeden en omstandigheden misschien iets anders recht en deugd zou heeten; hebben alzoo alleen de omstandigheden hem in dien vorm gekneed; of is een oorspronkelijk besef van plicht er de oorzaak van ? Is b.v. het gebod: gij zult niet

\') Een recht dat reeds als zoodanig is vaamp;tgesteld en een dat nog moet vastgesteld worden, dat recht moest zijn.

ocr page 87

75

stelen, d. i. niet nemen waarop gij geen recht kunt laten gelden, slechts voor een tijd en volk, of is het en zal het zijn een altoos geldend gebod voor alle volken, ja een gehod dat gelden zal voor al wat leeft in Gods groote wereld?

De aanhangers der onafhankelijke zedeleer zijn er zich min of meer van bewust, dat de beantwoording dezer vraag niet onverschillig is voor het gezag van het zedelijk gebod. Daarom beproeven zij om buiten de hulp van den godsdienst een steunpunt voor het zedelijk gebod te vinden verheven boven de wisseling van menschenmeening. Zij schrijven daarom aan den mensch een hem geheel alleen eigen besef toe van het plichtmatige van den plicht; aan het „gij moetquot; een gezag dat hij beseft te moeten gehoorzamen ook al kan, ook al wil hij het niet. Maar hoe dan de mensch eigenlijk aan dat plichtsbesef komt, hoe het tot zijn wezen kan behooren, indien het hem niet door een hoogere macht gegeven is; indien hij het niet bezit krachtens zijn aangehoorig-heid aan een wereld waarin zoo\'n zedelijk gezag werkt, dat zeggen zij niet. Zij willen de warmte en het licht der zon genieten zonder de aanwezigheid van een zon te erkennen. Ja sommigen gaan daarin zoover, ik wees er reeds op bij de bespreking van de werk-

ocr page 88

76

zaamheid veler moralisten zooals W. Salter, dat zij aan die van godsdienst losgemaakte zedelijkheid alle attributen Gods toekennen op een manier, die oppervlakkig lezenden in dwaling brengen kan; eene manier waarvan Simson zeggen zou: gij ploegt met mijn kalf en Isaac: Uw handen zijn Ezau\'s handen maar uw stem is Jacobs stem. Bijzonder sterk is daarin W. Salter, de leider der zedelijke vereeniging in Chi-cage, die in zijn „Godsdienst der zedelijkheidquot; van tijd tot tijd de hoogte der godsdienstige geestdrift bestijgt, als hij de heerlijkheid der zedelijkheid verkondigt, ja de zedewet aanroept als ware zij God.

Zoo diep is de overtuiging bij die onafhankelijke moralisten, dat de zedelijkheid gevaar loopt als men haar ging aanmerken als een uitvindsel van menschen.

Maar waarom dan den band met den godsdienst losgemaakt?

Enkel en alleen omdat de geschiedenis leert dat de godsdienst zoo dikwerf een steun voor onzedelijkheid was. Ik heb reeds vroeger aangetoond hoe onverdiend dit is; hoe weinig de godsdienst zelf aansprakelijk kan gesteld worden voor de misgrepen zijner belijders. Dus dat punt kunnen wij thans laten rusten. Alleen hierop moet ik nog Avijzen: dat de beschuldigers voorbijzien, hoe juist de groote mannen van den

ocr page 89

77

godsdienst, die de wereld zedelijk een nieuwen stoot hebben gegeven, door godsdienstige beweegredenen gedwongen zijn, — denk aan Jezus vooral — denk aan Luther — ; hoe de heilige schriften der Cultuurvolken in naam van den godsdienst deugd, rechtvaardigheid eischen; hoe de godsdienstpredikers ten allen dage ook moraal hebben geeischt en gepredikt al gaven zij haar niet altoos de eereplaats; hoe de voortschrijdende beschaving door den godsdienst is gesteund.

Maar — zeggen de vrijdenkers, de vijanden van den godsdienst — maar de godsdienst heeft de zedelijkheid van geur en kleur beroofd, doordien zij de menschen geleerd heeft God te dienen uit vrees voor zijn toorn, de deugd te beoefenen uit hoop op loon. En dat zal altoos zoo blijven zoolang het begrip God niet vernietigd is.

Neen dat zal zoolang blijven als de mensch in de bovenmenschelijke macht, die invloed heeft op zijn lot en leven, nog niet ziet en eert dezelfde macht die hem den plicht leert; zoolang hij nog niet verstaat, dat God zelf die zedelijke macht is in zijn leven, die hem het hoogst geluk doet erven en derven; dat de wet zijns gewetens een wet des behouds, de reddende macht eener eeuwige liefde is.

Zien wij ook niet voorbij, dat in de loontheorie

ocr page 90

78

een element van waarheid ligt, \'t welk ook voor den strengsten moralist zijn waarde behoudt, ook al vindt hij het nog zoo laag om deugdzaam te wezen uit hoop op een goddelijke belooning. Wat is het wezen der loontheorie op zedelijk gebied? Wel beschouwd enkel dit: dat ook op zedelijk gebied de wet heerscht van oorzaak en gevolg; dat ook op zedelijk gebied de mensch en de maatschappij der menschen aan de heerschappij onderworpen is der wet: wat gij zaait zult gij maaien. Dat moge op een laag standpunt van ontwikkeling op bekrompen ruwe manier worden gezegd; dat moge daar oorzaak zijn van een angstige, benepen zedelijkheid die ergernis wekt, de onafhankelijke moralist is toch ook zonder die grondgedachte niets. Als hij niet vasthoudt aan de overtuiging, dat het uitwendig lot der wereld beheerscht wordt door zedelijke drijfveeren, dat het duurzaam welzijn van mensch en maatschappij op zedelijken grondslag rusten moet, dat het geheim van welslagen in eiken kring te vinden is in deugd, waarom ijvert hij dan nog voor zedelijkheid? Ongetwijfeld kan het individu die zedelijke grondwaarheid egoistich opvatten en toepassen; dat verlaagt hem maar ontwaarheidt haar niet. Geen \'s menschen zedelijkheid wordt verlaagd door de verzekerdheid dat God met den deugd-

ocr page 91

79

zame is en hem een kroon reikt. Het beeld van de roos die sierlijk is en groeit zonder naar gevolg te vragen gaat niet op. Want een mensch is geen roos. Hij moet zich bewegen en streven. En daarbij heeft hij hoop en vertrouwen noodig. Liefst innerlijke verzekerdheid. En zij is niets dan de vertolking der gedachte, dat in Gods wereld rechtvaardigheid heerscht waarop men zich veilig verlaten kan, al schijnt dikwerf het tegendeel waar. Hoe men nog van zedelijke wereldorde kan blijven spreken waar men der deugd haar loon niet gunt, begrijp ik niet. \'t Kan enkel voortkomen uit blinde ingenomenheid tegen alle godsgeloof, uit een verwarring van de roomsche leer dei-kerkelijke plichtsbetrachting, kleindochter van de synagoge der joden, die beloond werd met eeuwige zaligheid, en den zedelijken ijver van den Jezusvolger, die geregeerd wordt door het woord: weest volmaakt gelijk uw Hemelvader; wie Hem liefhebben met geheel hun hart, geheel hun verstand en al hunne kracht, die werken alle dingen mede ten goede.

ocr page 92

Zedelijke Godsdienst.

\'t Is niet zeldzaam in de wereld dat twee verschillende werkingen samen moeten gaan om een nieuwe hoogere werking voort te brengen, terwijl elk voor zich daartoe niet in staat is. Zuurstof en waterstof hebben ieder voor zich uitnemende eigenschappen, maar toch oefenen zij eerst in hun innige vereeni-ging tot water een invloed op het leven aller dingen, waartoe zuurstof voor zich evenmin als waterstof voor zich in staat is. Het is ook niet genoeg, dat men ze samenmengt in de vereischte verhouding om water te vormen; zooveel deelen zuurstof, zooveel deelen waterstof; bij zoo\'n vereeniging blijft elk op zich zelf en streeft er naar zich daaruit los te maken. Eerst als er eene hoogere macht komt, die hen weet saam

ocr page 93

81

te smelten tot eene eenheid — water — blijven zij gebonden en worden zij machtig in hun werking. Die hoogere macht is de electriciteit. de duizendkunste-nares, de vonk van hooger orde.

Ik koos dat beeld, om daarmee duidelijk te maken wat ik bedoel als ik spreken ga over zedelijke godsdienst, d. i. godsdienst die met zedelijkheid geworden is tot een levende eenheid, godsdienst die zedelijkheid en zedelijkheid die godsdienst is.

Godsdienst en zedelijkheid, wij zagen het, zijn niet hetzelfde; \'tzijn twee verschillende menschelijke verhoudingen, die noodwendig, omdat zij in eenen en denzelfden mensch zijn, elkander raken moeten. Maar desalniettemin hebben zij in de geschiedenis van den mensch eeuwen lang gescheiden geleefd — van wege groot misverstand.

Dat zij vereenigd zijn geworden, saamgesmolten tot zedelijken godsdienst, dat danken zij niet aan overleg, aan Wijsgeerige bespiegeling, aan knappe lieden, die daartoe een plan hadden gevormd. Neen, dat heeft bewerkt de electrische vonk; hier het menschelijke genie, dat de waarheid heeft gezien en gegrepen, het menschelijk genie dat de woorden hoorde en sprak: Weest heilig, want Ik ben heilig.

Er zijn maar drie zedelijke godsdiensten, om die

o

ocr page 94

82

reden ook wereldgodsdiensten. Met deze stelling wordt niet bedoeld, dat in geen enkele andere godsdienst iets van zedelijkheid zon voorkomen of dat al die godsdienstbelijders onzedelijke menschen zouden geweest zijn. Neen. Een onzedelijke godsdienst kan nog lang in stand blijven nadat de besten hem reeds lang zijn afgestorven, b. v. Socrates; zooals iemand dikwerf nog lang kan deelnemen aan dingen of gezelschappen, ofschoon zijn inwendige, zijn zedelijke mensch hem reeds lang wat beters heeft geleerd. Dan komt men op godsdienstig gebied er toe de zedelijkheid los te maken van den godsdienst tot een onafhanhelijke zedeleer, welker aanhangers godsdienst kunnen aanmerken als een verouderden levensvorm, dien vele menschen nog niet kunnen missen. Maar een godsdienst die door zijn belijders verlaten wordt, omdat zijn eischen strijden met het verlicht geworden zedelijk oordeel, omdat hij hun niet een steun is in het streven naar het hoogere maar veeleer een hindernis, die godsdienst is onzedelijk. Om die reden kunnen wij alle natuurgodsdiensten of gelijk het heet: hei-densche godsdiensten, met inbegrip van de Grieksche, onzedelijke godsdiensten noemen. Want zij eischten als zoodanig geen zedelijkheid; zij wekten als zoodanig geen zedelijkheid; zij scherpten het zedelijk oordeel

ocr page 95

83

niet; zij stonden niet in den dienst der kuischheid, der zinnenbeheersching, der rechtvaardigheid, dermen-schenliefde. Zij zijn of worden dan ook verlaten, verworpen door hun aanhangers, zoodra deze gekomen zijn tot die hoogte der zedelijke ontwikkeling, dat zij de wet der zedelijkheid hooger gezag gaan toekennen dan aan de wet van hun eigen godsdienst. Lang moge dat duren, tot menige tragische worsteling moge dat aanleiding geven, tot de roerende smeekbede: wie verlost mij uit dezen doodstrijd mijner natuur, maar de onzedelijke godsdienst legt het af; hij die eens een engel bleek wordt duivel; de geesten der oude gezelligheid worden booze geesten die verjaagd worden en gevreesd; de godsdienst wordt afgodendienst. De gunst-goden der vaderen worden de demonen der jeugd. In ernst denkt niemand in de beschaafde wereld er meer aan, dat een der oude natuur-godsdiensten nog weer macht zou kunnen erlangen over de wereld \'), dat men weer in den dienst van een God onzedelijk zou mogen zijn. \'t Gaat hun alle als de roodhuiden in Ame-

*) Onder het afdrukken dezer bladzijde werd mij bekend dat in het veelzinnige Parijs tegenwoordig opnieuw de Egyptische Isisdienst herleeft. Een bewijs opnieuw, dat men zich over niets verwonderen moet.

6*

ocr page 96

84

rika en de zwarthuiden in Afrika; het gebied hun nog behoorend wordt allengs meer ingekrompen; zij staan aan den hoogeren eisch der zedelijkheid in den weg.

Er zijn slechts drie zedelijke godsdiensten, de Brah-maansche-Budhistische, de Mohamedaansche en de Joodsch-Christelijke godsdienst. Ik kom op hen ter hunne onderlinge vergelijking en waardeering uit zedelijk oogpunt terug. Reeds thans echter kan worden gezegd, dat de Mohamedaansche godsdienst eigenlijk ook zou kunnen worden geschrapt, omdat hij niet veel meer is dan een uittreksel uit den Joodsch-christe-lijke, verhit door den bekeeringsijver van een krachtige zedelijke persoonlijkheid. Maar gemeenlijk wordt hij wegens den grooten omvang van zijn rijksgebied en zijn gehandhaafde zelfstandigheid onder de godsdiensten mee tot de groote wereld-godsdiensten gerekend.

Doch door hun alleen den naam van zedelijken godsdienst te verleenen wordt volstrekt niet beweerd, zooals wij boven reeds opmerkten, dat er onder de belijders van andere godsdiensten geen zedelijkheid zou geëerd zijn, dat geen wetboek der zedelijkheid regel zou hebben gegeven aan \'s menschen gedrag. In Klein-Azië en Griekenland, in Egypte en Rome, de kweekplaatsen der oude beschaving, werden door de besten ook deugden beoefend en geleerd. Daar werd

ocr page 97

ook in de scholen de regel voor een beschaafd gedrag ingeprent. Wie de geschriften raadpleegt der oude Egyptenaren, der wijsgeeren en volksleeraars van Griekenland, de verheven wijsheid van een Socrates en Seneca, die verwondert er zich volstrekt niet over, dat menig humaan gestemd gemoed reeds vroeg protest heeft aangeteekend tegen de christelijke zelfverheffing, die allen den toegang tot den hemel sloot welke niet gedoopt waren tot den naam van Jezus. Hetzelfde geldt van de Chinezen, van hun groote wijzen en hun zedeleer, van hun La-o-tse en Con-fut-ze, wier zedelijke voorschriften gerust mogen worden gesteld op eene lijn met het beste wat Egypte of Indië, Griekenland of Rome hebben voortgebracht. Maar hoe hoog hunne wijzen stonden, hoe deugzaam hun leer, hoe zedelijk hun leven mocht wezen, zedelijken godsdienst kenden zij niet. Naast den volksgodsdienst, die meestal geheel of grootendeels omging buiten het zedelijk leven, verkondigden zij hun wijsheid en deugdenleer. Maar er was onder al hun Goden niet een, die hen in de ziel greep zeggende: „spreek: weest heilig want ik ben heiligquot;.

De meeste zedeleeraren waren bloot naar het uitwendige godsdienstbelijders om den volkshaat te ontgaan. quot;Wie te ver zich waagde buiten de grens des tempels moest als Socrates den gifbeker drinken.

ocr page 98

86

Zooals ik reeds gezegd heb, kunnen wij velen hunner tot de onafhankelijke moralisten rekenen. Ook Confu-sius behoort er toe.

Alleen de drie genoemde, de brahmaansch-budhis-tische, de mohamedaansche (met het straks genoemde voorbehoud) en de joodsch-christelijke zijn zedelijke godsdiensten, omdat zij niet enkel zedelijke voorschriften bevatten en de zedelijkheid niet met onverschilligheid bejegenen, maar omdat Gfod in hen zedelijkheid eischt vóór offerande, ja in plaats van offerande; omdat hun God hoogheilig is; omdat Hij een afkeer heeft van ongerechtigheid, van men-schelijke dierlijkheid, boosheid en laagheid; omdat de zedelijkheid er in godsdienst wortelt; omdat de zede-eisch er met Gods eisch vereenzelvigd wordt; omdat \'s menschen innerlijk geluk niet alleen maar ook zijn stoffelijk welzijn er van zedelijkheid afhankelijk is; omdat alleen de zedelijk reine Gods vriend, Gods gunsteling, Gods erfgenaam en troongenoot is.

Dit wil natuurlijk niet zeggen: dat er in de wetboeken en formulieren dier godsdiensten niets voorkomt in strijd met die hooge meening. Nergens komt de werkelijkheid met de idé overeen. Overal mengt de onvolkomen mensch zijn laagheid in de hoogheid van den oorspronkelijken geest. Maar men begrijpt die

ocr page 99

87

godsdiensten niet en waardeert dus ook hun voorleden, hun heden en hun toekomst niet, als men niet in het oog houdt, dat de kern in hun bonte uitwendige verschijning is: aanbidding van G-od die gerechtigheid wil. Ik geloof de eigenaardigheid, het wezenlijk karakter dier godsdiensten niet beter te kunnen teekenen dan door het woord eenmaal door Samuel Saul toegevoegd: God wil gerechtigheid en geen offerande.

Hierdoor verheffen zich die godsdiensten tot den rang van wereldgodsdiensten, want het zedelijke is het meest algemeen menschelijke. Andere eigenaardigheden van den mensch, waarmee vele zijner godsdienstige eigenaardigheden samengaan, zijn een gevolg van verschil in woonplaats, klimaat, levenswijze. De menschen met de goden der schoone vruchtbare landstreken zijn andere dan die der dorre woeiste streken. Maar zoowel aan den oever van den Ganges als aan die van den Orinoco of den Rijn worden van eeuwen her dezelfde zedelijke beginselen hooggehouden. De vader van den jongen chinees onderwees zijn zoon voor eeuwen geen andere levenswijsheid dan een jonge Israëliet van zijn vader vernam, geen andere levenswijsheid dan de christelijke vader van heden zijn zoon meegeeft tot steun op de levensreis. De tien woorden der steenen tafelen van Israël zijn nog niet

ocr page 100

88

uitgesleten; de woorden der wijsheid van Confucius vormen met die der Veda\'s, van den Koran en van den Bijbel één schoon geheel, den Bijbel der Volken. Allen stemmen zij samen in deze eene groote gedachte: een leven naar den eisch der zedelijkheid is godsdienst, omdat dit de wil is van G-od.

Men zocht sinds lang onder ons naar het bovenzinnelijk bewijs, dat de zedewet Godswet is en de plicht een Godsbevel en plichtbesef Godsbesef. ïoch ligt dit bewijs niet ver. Althans niet voor ons die geleerd hebben met ons denken verder door te dringen dan de oppervlakte. Vroegere geslachten, de groote leeraren der menschen, hebben het intuïtief begrepen, dat de zedewet Gods woord was en dus volstrekt verbindend. Maar tengevolge van de zucht om de zedelijke wet niet met den bedreigden godsdienst op nonactiviteit te zetten, hebben wij scheiding tusschen beide gemaakt en voor de zedewet van godsdienst onafhankelijke verbindbaarheid geeischt. Men heeft daarom gezegd dat het goddelijk karakter der zedewet schuilt in het: „gij zult,quot; dat zonder tegenspraak gehoord wil zijn. Maar wij moeten de zaak iets anders opzetten. Want op die manier verstaat men nooit het ware bewijs. Het verplichtend karakter van de zedewet vloeit uit nog iets anders voort als uit de

ocr page 101

89

kracht waarmee zij haar eiach ons stelt in ons eigen bewustzijn of ons geweten. Indien het daaruit alleen moest worden verklaard, zou dat gezag niet steeds boven allen twijfel verheven kunnen geacht worden. Zij bezit dat gezag vooral door het godsdienstig karakter dier wet, door het feit dat die wet een Gods-wil is, dat in die wet ons tegentreedt de Macht, die zonder weerspraak voor ons moet gelden als de Hoogste ons weldadige, ons toegenegen macht; die niet maar een voortbrengsel is van den loop der maatschappelijke ontwikkeling, neen die zelve die maatschappelijke ontwikkeling voortdrijft en in die maatschappelijke ontwikkeling menschen, volken tot het besef doet komen van de hoogeenige beteekenis der zedewet voor het welzijn van allen.

Zonder vrees voor tegenspraak mogen wij vaststellen het merkwaardig feit: dat er op de oppervlakte van onze planeet in weerwil van alle verschil in volksaard, natuur en levensomstandigheden, bij over het geheel gelijke hoogte van maatschappelijke ontwikkeling overeenstemming bestaat in de zedewetten en in hare waardeering voor het welzijn der volken en personen. En voor zoover een afgezonderde toestand nog verschillen deed bestaan, zijn deze bij de tegenwoordige internationale verkeersmiddelen spoedig afgeslepen, zoodat

ocr page 102

90

een beschaafd Chinees, Japanees, Maleier, Indiër, Neger, Roodhuid, Zwarte, Geele, Bruine, Blanke in alge-meene zedelijke grondregelen zullen samenstemmen. Door de eerbiediging dier wetten waren alle natiën der aarde in het godsdienstcongres te Chicago eendrachtig bijeen, onder de macht van éénen geest.

Hierin hebben wij een bovenzinnelijken achtergrond te zien. Wij verklaren dat verschijnsel niet voldoende door de bewering, dat de behoefte aan de regeling van allerlei maatschappelijke verhoudingen van zelf eenige eenheid moest brengen in de regelen die daarvoor werden gesteld. Wij zouden toch veeleer verwachten, dat juist het groot verschil van levensomstandigheden, onder welks invloed zulke groote verschillen in verstandelijk vermogen, in lichaamsvormen enz. ontstonden dat onwillekeurig daaruit rastrots ontstond, ook verschil in zedelijk inzicht zou hebben veroorzaakt. Maar juist daarin openbaart zich een treffende eenheid of althans een treffende erkenning, dat eenheid daarin boven alles gewenscht is. Wij mogen, wij moeten op grond daarvan wel erkennen: dat met de levenskiem waaruit de mensch zou opwassen ook de aanleg tot zedelijkheid was gegeven; dat er in zijn eerste levenssporen reeds een drijfkracht in de richting van zedelijke ontwikkeling werkt; eene kracht

ocr page 103

91

die onder ongunstige omstandigheden kon worden onderdrukt, allerlei wangedrochten kan voortbrengen, maar die toch altoos het bewijs opleverde van zijn deelgenootschap aan hem regeerende levensmacht, waarvan hij ook steeds het bewustzijn met zich omdroeg.

Nu Aveten wij — hoe weinig wij er ook nog van weten — toch reeds genoeg van onze ligging in het heelal te midden van vele werelden om het dwaze in te zien van de bewering: dat het menschdom in dat opzicht een unicum wezen zou; alles dringt ons met logischen dwang tot de gevolgtrekking, dat niet alleen dezelfde natuurwetten maar ook dezelfde zedewetten overal in de schepping heerschen, dat het woord van het Johannesevangelie „in het huis mijns Vaders zijn vele woningenquot; meer dan een dichterlijk woord is; dat het de beeldrijke uitdrukking is van de levende werkelijkheid: het heelal is niet enkel een eenheid in stoffe-lijken maar ook in zedelijken zin; het wordt gedragen en in zijn deelen bezield, gedreven door ééne Hooge Macht, die, waar menschen wonen, zedelijkheid werkt. Onder haren invloed komt het zedelijk leven ook op onze planeet tot ontwikkeling en ontplooit zich in oneindig rijke verscheidenheid van rijk bloeiende zedelijke schoonheden.

Wie doorziet niet dat deze zekerheid aan het zede-

ocr page 104

92

lijke gebod in de wetboeken in onze ziel een gezag toekent, dat het nooit in die mate zou kunnen ont-leenen aan zich zelf? De wetenschap van het zedelijk leven mag de natuurwetenschap dankbaar zijn voor haar krachtigen steun.

Is het echter zóó gelegen met \'s menschen zedelijke gesteldheid, dat zij wortelt in haar samenhang met God in de wereld, dan ligt ook de eenheid van godsdienst en zedelijke toewijding voor de hand; dan komt eerst goed tot zijn recht het meer mooi gevonden dan goed verstaan Johanneswoord: „God is geest en die Hem aanbidden moeten het in geest en waarheid doen.quot; God is de beweging, de kracht, de geest die de zedelijke schepping tot zedelijkheid drijft; dat feit ontneemt aan de uitwendige Godsvereering, ook aan alle leerheiligheid, hare hooggeschatte waarde; het maakt tot een axioma dat godsdienst moet samenvallen met zedelijk streven, dat in den waarachtigen zedelijken mensch ook de ware godsdienstige mensch is gegeven, die zeggen kan: „ik en de Vader zijn een; want ik doe alle dagen den wil mijns Vaders die in de hemelen isquot;. Dan eerst kunnen godsdienstige ceremoniën, plechtigheden, vieringen, vertooningen waarde hebben voor den godsdienst, wanneer zij den mensch de hoogheid en schoonheid van het godsdienstig zedelijk leven

ocr page 105

93

willen voor oogen stellen tot wekking van den godsdienstig zedelijken mensch in hem. Maar al wat dien mensch niet wekt heeft noch godsdienstige noch zedelijke waarde, is enkel ijdel vertoon. Ook het gebed en het lied moet uitdrukking wezen van de overtuiging: dat God enkel gediend wordt door gerechtigheid en alleen te vinden is door hen die naar zijne gerechtigheid dorsten, streven.

Men zal, hoop ik, gevoelen, dat voor hem die er zoo over denkt deugdzaam zijn, zedelijk zijn iets veel hoogers is dan veel goeds te doen en dat er dus geen grond is voor het verwijt: dat hij die vele goede werken doet den Gode welgevalligen godsdienst hebben zou. Is kwaad doen, onzedelijk zijn, in zijn schatting zonde tegen God die het zedelijk goede wil, in geheel zijn levenstijd zal hem het besef niet verlaten, dat hij voor God zijn tekortkoming te belijden heeft: want al oordeelt Hij ons naar ons inwendig bedoelen, al\'neemt Hij het oprechte streven aan voor de daad, al rechtvaardigt Hij ons uit ons geloof, nooit zal het denkbeeld in ons post vatten dat wij genoeg hebben gedaan, dat onze goede daden voldoende zijn voor Hem. Zedelijke godsdienst is dat godsdienstig leven dat opgaat in toewijding van hart en wandel aan zedelijke drijfveeren, aan het werk dat God in

ocr page 106

94

de wereld werkt, aan zijne gerechtigheid. „Ik moet werken de werken die de Vader mij heeft opgelegd.quot; Zedelijke godsdienst is het energiek optreden in huis en maatschappij, in school en werkplaats, in arbeid en genot, in leed en lust voor al datgene wat zich aan ons bewustzijn heeft ontdekt als recht, als goed, als plicht; energiek, dat is moedig, krachtig, vertrouwend optreden, omdat men weet niet in eigen kracht te spreken en te staan maar in de kracht? van Hem die ons roept en zendt, gelijk hij al zijne dienaren zendt door het wijd heelal. Zedelijke godsdienst verbiedt de scheiding tusschen godsdienst en maatschappij, tusschen godsdienstwerk en zedewerk. Maar hij geeft ook den maatstaf aan waaraan wij kunnen toetsen of iets of iemand recht heeft tot een beroep op God. Indien het inbreuk maakt op de zedewet, indien het niet aandringt op een hoogere toepassing maar op een terzijde stelling daarvan dan is het niet uit God, al werd het door alle moralisten en kerleeraars aangedrongen. Zedelijke godsdienst daagt persoonlijk leven, huisgezin, maatschappij voor zijn rechtbank en eischt: stel u voor God met het antwoord op de vraag: is persoonlijk leven, huisgezin, maatschappij zooals God ze wil en zoo niet ga heen en doe zijn wil.

Onder de zedelijke godsdiensten straks genoemd

ocr page 107

95

komt aan den godsdienst van Jezus de eerste plaats toe en aangezien die godsdiensten juist hun eigenaardig karakter danken aan de persoonlijkheid hunner stichters, waardoor zij in onderscheiding van de volksgodsdiensten persoonlijke godsdiensten geworden zijn, godsdiensten waarin de persoonlijke verhouding van den mensch tot de godheid op den voorgrond staat, waarin de mensch in persoonlijke betrekking tot de godheid treedt, met die gemeenzaamheid die op verwantschap wijst, zoo is het recht wanneer wij er aan toevoegen, dat onder de stichters der zedelijke godsdiensten, Budha, Mohamed en Jezus, de laatste de eerste is.

Door eene korte omschrijving dient die stelling gestaafd. Vooreerst ten aanzien van den Brahmaansch-Budhistischen godsdienst als de oudste der drie. Ik spreek uitdrukkelijk van den Brahmaansch-Budhis-tischen godsdienst en niet van den Budhistischen alleen, omdat het optreden van den Budhistischen godsdienst niet anders is geweest, door den invloed eener krachtige persoonlijkheid onder de Brahmaansche hedelmonnikken, dan een moedig en gespierd op den voorgrond stellen van het zedelijk element in den ouden indischen volksgodsdienst, het zedelijk element dat de nietigheid bepleitte van de zinlijke wereld, de wereld en hare begeerlijkheid; van het opgaan en zich verliezen in

ocr page 108

96

de Godheid. Vooral de ellende der wereld, het onontwijkbaar en onafwendbaar levenslijden, dat de tee-derste zielen met doffe wanhoop aangrijpt, deed die wereldverzaking drijven hier, tijdens het leven, tot op de spits van het niets meer begeeren, het volmaakt onaandoenlijk zijn voor lief en leed en na den dood van het niet meer met bewustheid zijn. Hoort wat den Budhist het hoogste is: „Gelijk een schoone lotus aan het water niet hangt, zoo kleeft gij niet aan goed en kwaad; aan geen van die beide. Niet door eenige meening, niet door kennis, niet door deugd of goede werken kan iemand zeggen dat reinheid tot stand komt; noch ook door afwezigheid van vereering van kennis, van deugd van goede werken; dat hij, deze hebbende laten varen zonder iets anders aan te nemen, kalm en onafhankelijk, niet begeere te bestaan. Wie nog iets begeert en vreest dat het hem ontvalle, heeft den waren toestand van gelukzaligheid nog niet bereikt. Oneindig veel hooger staat hij, die zijn vroegere hartstochten heeft laten varen en geen nieuwe aankweekt; die niet rondzwerft achter zijn wenschen; die van meeningen verlost is, die aan de wereld niet hangt en zich zeiven niet berispt.quot; Niets te zijn, te willen, te weten, te begeeren, een onbewuste in het warme licht van het oneindige gezeten: dat is Budh-

ocr page 109

97

isme. Het is die monnikenorde niet te doen om de uitroeiing van verderfelijk geachte dwalingen; zij zijn hun onverschillig; of om de verkondiging van dierbare waarheden; zij gaan hun niet aan; ook niet allereerst om de bestrijding van het zedelijk kwaad of om den opbouw eener maatschappij waarin gerechtigheid en vrede woont. Het kwaad en het lijden zijn hun zoozeer eigenschappen van het leven, dat zij niet denken aan de mogelijkheid van verandering, verbetering, bekeering. Redding uit de begoocheling der zichtbare wereld, redding uit de macht der begeerte naar haar, — de sirene die haar lied zingt van rust en lust. — dat is het doel van den Budhist. Het zedelijk zijn, het leven naar den eisch G-ods is hem niet doel, maar is hem middel tot levensvernietiging. Tn den grond der zaak egoisme.

Dit is niet het Budhisme zooals wij het leeren kennen in Budhistische landen, waar het weer een uitwendige, omslachtige, drukke godsvereering geworden is, zooals de katholieke godsdienst in betrekking tot de beginselen en geest van Jezus; maar het is het echte Budhisme van de monnikenorde waaruit de stichter voortgekomen is.

Behoeft het nog breedvoerig betoog, dat dit Budhisme, al is het zedelijke godsdienst, al knoopt het

ocr page 110

98

zich vast aan de algemeen mensclielijke behoefte: een verlossing uit de heerschappij der eindige begeerte, toch nooit wereldgodsdienst worden kan, omdat het de begeerte naar het leven en daarmee het leven zelf doodt.

Ook de Mohamedaansche godsdienst wordt tot de wereldgodsdiensten of de zedelijke godsdiensten gerekend. Ik wees er reeds op dat hem maar onder voorbehoud die eerenaam kan worden toegekend, omdat hij goeddeels niets anders is dan een bloemlezing uit Jodendom en Christendom. Maar gewoonlijk wordt hij er onder gerekend van wege de plaats die Allah in dien godsdienst inneemt. Allah, een eenig geestelijk God, die geen offers begeert maar gehoorzaamheid aan Zijn wil, volkomen onderwerping aan zijn bevel dat luidt: de geheele wereld te winnen voor Allah en zijn profeet. Mohamed wil bekeeren maar aan zijn geloofsijver is zijn zedeijver ondergeschikt. Aan den dienst voor Allah wordt menschenliefde, liefde voor de natuur, liefde voor de gerechtigheid ten ofïer gebracht. Allah-ijver stelt de menschelijke zedelijkheid ter zijde. Allah doodt de ongeloovigen en doemt ze ter helle, indien zij zich niet bekeeren tot zijn belijders, ook al zijn zij nog zoo braaf. Een Christen is in alle geval een hond. Nu, waar Allah zelf niet zonder aanzien des persoons de heilige en rechtvaardige

ocr page 111

99

is, der menschen vriend, daar kan en mag zijn dienst geen godsdienst heeten, evenmin als het jezuitisch christ-tendom dat in den dienst van God en zijn kerk het heiligst zedelijk gebod schendbaar acht en den eerbied voor de menschelijke persoonlijkheid ter zijde stelt. Maar bovendien staat in geen enkelen zedelijken godsdienst de eeuwige zinnelijke belooning voor tijdelijke godsdienstige toewijding zoo op den voorgrond. ïe sterven voor Allah is de poort voor het heerlijkst zinnelijk leven, geeft de rijkste vergoeding voor aardsch gemis. Het paradijs van Mohamed is zoo schoon en begeerlijk, dat de grootste wellusteling hier op aarde er toe zou kunnen komen om zijn aardsche genot prijs te geven ten einde dat hemelsche te winnen, omdat hij hier altoos nog eenigermate beperkt wordt door geweten en fatsoen en hij daar in het volle zonlicht kan genieten, in de overtuiging dat het zijn goddelijk recht is. De Koran moge rijk wezen aanquot; voortreffelijke zedelijke voorschriften, op hun handhaving aandringen, hun naleving door stokslagen bevorderen, een internationale, een zedelijke godsdienst is hij niet, want zijn God is niet de heilige die geen kwaad gedoogt omdat hij zelf het niet doet. Allah is de God van willekeur. Zijn orde is die van den tyran; geen zedelijke wereldorde.

ocr page 112

100

Er zijn ook in het Mohamedanisme mannen geweest die deze fout hebben ingezien en begrepen, dat daardoor het Mohamedanisme geen wereldgodsdienst worden kon en die daarom hebben beproefd aan het algemeen menschelijke zedelijke er een passende plaats in te geven. Maar hun streven is mislukt en moest mislukken. Want het Mohamedanisme ontdaan van zijn alles verteerende geloofsijver is geen Mohamedanisme meer. Het Mohamedanisme kan geen God eeren die zijn zon laat opgaan over geloovigen en ongeloovigen en die tot menschen zegt: weest volmaakt als ik.

Heel anders het christendom. Indien men althans het onderscheid in het oog houdt tnsschen het christendom van Jezus en het christendom pasklaar gemaakt voor allerlei standpunt van menschelijke ontwikkeling, Jezus makende tot den prediker van een godsdienst, die het spotbeeld van den zijnen werd.

Breedvoerig betoog behoeft het niet meer, dat het christendom der katholieke en dat der protestantsche kerk iets geheel anders is geworden als het christendom van Paulus, gelijk dit reeds iets heel anders was dan dat der drie eerste evangelien; dat dit laatste niets anders was dan de doorgetrokken lijn van het Moza-isme dat in den naam van Jahve sprak: ik wil gehoorzaamheid en geen offerande en mijn wil is: recht

ocr page 113

101

en gerechtigheid te doen aan ieder man, vrouw en kind, rein te zijn van hart en wandel.

Het Mozaisme, ontwikkeld door het profetisme is geweest het door het persoonlijk krachtig initiatief van Mozes op den voorgrond plaatsen, tot hoofdzaak stellen, wat in den volkszin en het volksgemoed van de semitische stammen wel aanwezig was maar te zeer vermengd met allerlei overgeleverde gewoonten en denkbeelden, n.1. dat de levensvoorwaarde voor een volk gelegen is in, dat de gunst van Jahve, den waren God, afhangt van gehoorzaamheid aan de door Hem gegeven zedewet zooals die door Mozes gesteld is in de wet der 10 geboden. Algemeen heerschte de meening in het oosten dat zich over te geven aan den vrijen drang der onbelemmerde zinnelijke natuur geoorloofd en wet was voor het leven, in de onderlinge verhouding der menschen. In de stammen waaruit later Israël als volk groeide, heerschten van eeuwen her andere denkbeelden, andere zeden, een zedelijke zin, waaraan kennelijk te danken was hun krachtig bestaan, hun bloeiend overleven terwijl anderen ondergingen ; waaraan zij ook te danken hadden, dat zij de slavernij in Egypte doorstonden zonder zedelijk onder te gaan. In Mozes vonden zij een man, die dezen oudvaderlijken zedelijken zin op den voorgrond plaat-

ocr page 114

102

ste, en dien in verband brengende met het levendig volksgodsbewustzijn, daaraan de grootsche verwachting durfde verbinden, dat de stammen Israels geroepen en in staat zouden zijn tot eene grootsche taak in de wereld; dat zij een volk zouden kunnen worden naar het uitwendige gezegend, omdat het inwendig, aan Gods zedewet gebonden een maatschappij zou vormen op gehoorzaamheid aan die wet gebouwd.

Een geniale, een vruchtbare gedachte. Een openbaring! Hier is werkelijk de zaadkorrel aanwezig waaruit het christendom voortkomen zal. Evenwel zoover was het nog niet. Wel zou het voor nog genialer man dan Mozes onmogelijk geweest zijn voor dergelijke verheven opvatting aanhang te winnen, indien zijn geestesschepping niet aan het volksbewustzijn was ontleend en er niet een kern van goedgezinden geweest ware. Maar voor verreweg de groote meerderheid der semitische stammen die zijn leiding volgden, kon de mozaische idé alleen gezag erlangen door den vorm van een met majesteit opgelegd en zonder genade gehandhaafd Grodsgebod. En desniettegenstaande kwam er van de mozaische schepping niet veel meer terecht dan overeenkwam met den overgele-verden zedelijken zin bij een minderheid, gedurende de eerste eeuwen van vestiging in Kanaan. Ja eigen-

ocr page 115

103

lijk heeft eerst het Israëlitisch profetisme na de achtste eeuw vóór Jezus de grootsche geestesschepping van den eersten Ziener Israels, Mozes, als drijfveer voor zijn vurig optreden aanvaard en de stoute poging gewaagd om de idé tot werkelijkheid te maken: Israels staatkundig en maatschappelijk leven te grondvesten op de mozaïsche wet van de gerechtigheid van Jahve. Hunner is het woord: gehoorzaamheid aan Jahve is beter dan offerande; Jahve\'s gunst (ook in stoffelijken zin) is voor degenen die Hem vreezenquot;. Zij hebben het innigst verband gelegd tusschen het goed zijn en het goed hebben. Zij hebben de stoute gedachte ver\' kondigd, dat duurzame stoffelijke voorspoed zonder gerechtigheid voor een volk en familie niet mogelijk is-, dat der goddeloozen voorspoed ijdelheid is. In de wijsgeerige taal onzes tijds uitgedrukt: zij waren de mannen die het hebben verkondigd, dat de zedelijke wereldorde de eerste is, dat zij de natuurorde be-heerscht.

Men heeft de mozaïsch-profetische opvatting ten laste gelegd, dat zij op zedelijk gebied de loontheorie heeft verkondigd, het aardsch gewin als lokspijs den aan Jahve ongehoorzamen voorgehouden heeft. Niets is minder waar. Zeer zeker is dat de populaire meening in Israël geworden en vooral na de ballingschap.

ocr page 116

104

Maar waarom zou de profeet niet hebben mogen prediken: Israël, volk van God, gij wilt kracht, grootheid, welvaart, voorspoed, gezondheid; gij wilt lichamelijk en zedelijk, uit- en inwendig een groote natie, de eerste natie onder allen wezen; gij kunt het zijn, maar eerst dan als gij Jahve\'s geboden houdt, als gij uw persoonlijk, huiselijk, familie-, maatschappelijk efi staatsl\'eVen bouwt op de grondwet door Jahve gegeven; dan zal het u welgaan. Eerst later, vooral na de ballingschap, onder de heerschappij van het steeds strenger optredend schriftgeleerdendom, is die verheven opvatting van het verband tusschen zedelijke en stoffelijke orde verloopen in een benepen dienen van Jahve om loon. quot;Waartegen het ware mo-zaïsch-profetisme door den mond van Jezus zijn ernstig protest moest doen hooren. Het christendom heeft niets teniet gedaan van de profetische grondgedachten. Het was in waarheid de vervulling van wet en profeten. Het heeft ook de profetische gedachte aanvaard: dat de gerechtigheid Gods de belofte heeft zoowel van het tegenwoordige als van het toekomende leven, maar het is toch ook nog iets meer dan dat. Het christendom heeft het individu, de menschelijke persoonlijkheid losgemaakt van die algemeene volksverwachting en\' verkondigd: dat de gehoorzaamheid

ocr page 117

105

aan de wet der goddelijke gerechtigheid toch in weerwil van ontbering, strijd en lijden in de zondige wereld voor den mensch het hoogste goed is; dat de zedelijke eisch door de wet den mensch gesteld, het gebod eens Vaders, de eisch der Liefde is; in onze taal uitgedrukt: dat de zedelijke wereldorde, die hem tot gehoorzaamheid opwekt, weldadig is voor haren dienaar en volger, zijn wezenlijk geluk verzekert.

Daarom is in het christendom of wilt gij; in het mozaisme, zooals het door Jezus is verruimd en gepredikt, het waarachtig welzijn des mensch en niet meer afhankelijk van zijn aangehoorigheid aan Israël, maar is God een Vader, een weldoener, een zegenader voor ieder die geen geluk wil dan door gehoorzaamheid aan zijnen wil; die liever ontbeert, lijdt, sterft dan zijn levensheil te willen bouwen op, te willen verwachten van onrecht, van verloochening der zedewet. Het vaderschap God is bij Jezus geen verwekelijking van het Israëlitisch Godsbegrip — zoo-als het bij velen geworden is — maar de erkenning dat Jahve door zijn heiligheid, door zijn zedewet, door zijn onverbreekbare zedelijke wereldorde. Vader, Liefde, Goedheid, Alzegenaar is voor ieder die Hem belijdt; dat in de zedelijkheid \'smenschen hoogste leven is, \'t welk hem als aardbewoner, als maatschap-

ocr page 118

106

pijlid, ook stoffelijk, op den duur welijn verzekert; maar ook dan wanneer dat laatste niet geschiedt hem toch in zijn gemoedsleven een geluk en vrede schenkt, groot genoeg om hem te troosten over het gemis van veel wat de aarde begeerlijks biedt.

Het zedelijk gebod, de eisch de gerechtigheid is voor Jezus de wil eens Vaders d. w. z.: dat de mensch door zijn schepper een tot zedelijkheid geroepen en verplicht wezen is is zijn hoogst geluk; niet in de volksonderworpenheid aan de blinde natuurmacht en natuurdrift is zijn wezenlijk heil, maar in zijne onderworpenheid aan den zedeeisch, in de tucht des geestes over het vleesch. God, de zedelijke gerechtigheidei-scher is als zoodanig Liefde — Vader, niet maar voor één enkelen, niet maar voor één volk onder de volken, maar voor ieder die in die waarheid staat. Indien geen vader op aarde zoo boos is dat hij zijn vragend kind voor brood een steen of adder zal geven, hoeveel te meer zal de hemelsche Vader goede gaven geven dengeen die Hem vraagt. De hoogste macht, die lot en leven des menschen beheerscht, is volgens Jezus een hem welgezinde macht, die hem bewelda-digen, gelukkig maken wil, indien hij zich aan haar Avil wil onderwerpen. In wijsgeerige taal onzer eeuw zouden wij zeggen: de zedelijke wereldorde openbaart

ocr page 119

107

zich als een weldadige voor elk die haar kent en eert; zij bevestigt het Jezuswoord: zoek voor alles gerechtigheid en al het andere wordt u toegevoegd. In dien godsdienst geeft God liefde om liefde. De zedelijke mensch, Hem als Tader kennend, geeft zich lievend, graag zijn wil volbrengend aan Hem over en vervult door die willige overgave de gansche wet. Niet in dien zin alsof een goed christen in niets te kort kwam. neen, maar in dien zin dat hij niet uitrekent met hoeveel hij kon volstaan. Natuurlijk niet: want is een mensch een door de Godheid onder de aardsche schepselen een tot zedelijkheid bestemd schepsel, dan is er ook geen andere grens aan \'s Vaders zedeeisch gesteld als deze: weest volmaakt gelijk uw Vader volmaakt is.

In den Christelij ken godsdienst kan geen sprake wezen van een scheiding tusschen Godsvereering en zedeleer. Ook indien Jezus niet zoo uitdrukkelijk gezegd had: „niet die zeggen Heere, Heere, maar die den wil mijns Vaders doen: zij zijn mijn moeder en broeder en zuster die den wil mijns Vader doenquot;, toch zou het onweersprekelijk blijven, dat in het christendom de eenheid van godsdienst en zedelijkheid een voldongen feit is. Immers: is godsdienst, uitgedrukt besef van betrekking tot een God, en zedelijkheid

ocr page 120

108

uitgedrukt besef van betrekking tot den medemensch, Jezus heeft die twee samengevat in dezen eenen regel: heb God lief bovenal en uw naasten als uzelven, in deze twee geboden is de gansche godsdienst; hieraan zal de wereld zien dat gij God liefhebt en gij liefde hebt onder elkander. Hiermee is aan den ganschen zedeeisch voldaan. Hiermee is aan de zedelijke ontwikkeling de nooit tot rust komende stoot gegeven. De godsvereering is hier zedelijkheid. Niemand meent hier God te dienen, indien hij zich aan het altaar herinnert dat hij iets heeft met zijn broeder, indien hij iets op zijn kantoor onderneemt dat uit den booze is. Maar de zedelijkheid is hier ook godsdienst, is zelve het offer der toewijding aan God. Men heeft Hem lief omdat Hij liefheeft, volbrengt zijn gebod omdat het zijn gebod is, bidt ootmoedig: vergeef mij mijne zonden.

Rechtvaardigheid d. w. z. zedelijke hoogheid van karakter, reinheid van zin en bedoeling, toewijding aan de drijfveeren van recht en waarheid, overgave aan den eisch der ingetogenheid, der reinheid, der barmhartigheid, der liefde, dat staat niet nevens vroomheid en godvreezendheid als iets anders, maar dat i s vroomheid, dat is godvreezendheid, want die zedelijkheid is geen menschenregel maar wet van God. God zelf is zoo. Godsdienst en zedelijkheid vloeien ineen.

ocr page 121

109

Godsdienst, de kniebuiging voor de hoogste macht en zedelijkheid — de eerbiediging in woord en daad van de geboden der zedewet, hebben het innigst verbond aangegaan. Er is zedelijke godsdienst ontstaan, die den strijd aanbindt tegen den onredelijken godsdienst maar ook tegen den priesterlijken eeredienst, die den Heilige wel eert met de lippen maar verloochent met het leven. Voortaan is er worsteling, grootsch en dramatisch als geen andere, worsteling tusschen de erkenning, dat zedelijke leiding de onzienlijke drijfveer is van des menschen geschiedenis; dat het levensheil slechts de vrucht kan zijn van gehoorzaamheid aan de zedelijke wereldorde; dat het huis des geluks slechts veilig kan worden opgetrokken op eerbied voor Gods geboden; worsteling waarin de zedelijke godsdienst telkens het onderspit delft overmand door de toovermacht der zienlijke dingen; waarin de trouwe getuigen der zedelijke levenswaarheid het slachtoffer worden van hun streng zedelijk idealisme; worsteling waarin de zedelijke godsdienst slechts vrede koopt tot den prijs van bondgenootschap met niet zedelijken godsdienst zooals is geschied in het Judaïsme, in het kerkelijk Budhis-me en in het Katholisisme; worsteling die zich nog steeds weer vernieuwt, omdat de zedelijke gods-

ocr page 122

110

dienst altoos weer zijn herauten heeft die hem voorgaan om zijn komst te voorspellen, zijn profeten die zijn eischen doen hooren, zijn Messiassen die zich voor hem kruisigen laten. Maar eene worsteling die niet uitloopt op niets. Neen die in haar grootschheid en in haar verloop den waarborg geeft van de vervulling van het stoute woord: eens zult gij zien den Menschenzoon zittende ter rechterhand Gods. Het natuurlijke is eerst daarna het zedelijke. Lang duurt het rijk der natuur, der zinnenbetoovering. Maar als eenmaal het zedelijke ontwaakt is, kan het misschien verdoofd, niet weer gedood worden. Jezus staat weer op uit de dooden. Op steeds ruimer gebied, in het internationale leven der volken, verzwakt de zinne-macht en groeit de macht van den heiligen geest.

Wilt gij bewijs daarvoor?

Dan zal ik mij niet kunnen beroepen op de walgelijke tooneelen van openbare bande- en tuchteloosheid, die het volksleven in de geheele zoogenaamde beschaafde wereld te verduwen geeft aan den zedelijken zin; ook niet op de openbaringen gedaan betreffende den omvang en de walgelijkheid der openbare en verborgen ontucht, openbaringen, feiten die ons huiveren doen; ook niet op de cijfers die het misbruik van drank ons te tellen geeft; ook niet op die andere

ocr page 123

Ill

statistiek van al die gevallen die buiten liet bereik der strafwet vallen of gehouden worden en toch dagelijks een droeven blik geven in de gewetenloosheid van velen.

Maar wel volgt behalve een beroep op de duizende stille strijders tegen de verzoeking, stille ijveraars voor al wat liefelijk is en wel luidt, een beroep op het burgerlijk en het strafrecht zelf in alle beschaafde landen, dat in zijn honderde en duizende artikelen toch niet anders beoogt dan de handhaving der grondwet van de zedelijkheid: gij zult niet doodslaan, niet echtbreken, niet stelen, geen valsche getuigenis spreken; eert uw ouders; doe weldadigheid; het internationale zederecht, dat aan die nooit prijsgegeven geboden weer gaat toevoegen dat andere lang verwaarloosde gebod: gedenkt den rustdag; het internationale recht dat bescherming en hulp verleent aan allen wier menschenrecht wordt verkort; dat tot leiddraad voor zijn bepalingen steeds meer kiest: wat gij wilt dat andren u doen doe ook alzoo; want gij zijt allen broeders.

Hoeveel individuen ook blijven zondigen tegen het: Weest heilig, want Ik ben heilig, de grondwet dei-samenleving is de christelijke zedewet en hare eerbiediging is de erkenning van de eeuwenoude waarheid.

ocr page 124

112

dat een maatschappij die aller stoffelijk en zedelijk welzijn zal verzekeren door don geest der goddelijke zedewet moet worden geregeerd.

Die maatschappelijke wetgeving moge niet gegeven worden in den Naam van den Eeuwigen Wetgever, Gods naam niet aan het voorhoofd dragen, hij die weet dat de door die wetten gewaarborgde zedelijke orde de menschwording is van de eeuwige algemeene zedelijke wereldorde, hij aarzelt niet om in dat alles werk te zien van den heiligen Vader der wereld.

Het christendom schonk ons niet enkel een zede-leer of zedestelsel met godsdienstig etiquet, dat wij er op kunnen laten om den eenvoudigen vromen belijder te lokken, maar dat wij er ook af kunnen nemen zonder dat de waarde, de kracht van dat zedestelsel er door wordt verminderd, zooals wij b. v. met een flesch goeden wijn kunnen doen.

Wij wezen er reeds op dat er vele moralisten zijn, die van het étiquet misbruik maken; die ofschoon bepaald met tegenzin tegen den godsdienst bezield, hem vervolgende met hun verontwaardiging of spot, toch voor hun stelsel van zedelijk leven den naam godsdienst blijven behouden, ofschoon zij afkeerig zijn van alle geloof aan een bovenmenschelijke levensleiding. Het dichtst bij ons staan dan nog zij, die

ocr page 125

113

van het zedelijk beginsel in den mensch toch iets meer verlangen dan een materialistische verklaring. Maar zij zijn er verre van af met Kant in het verbindend karakter der zedewet een vingerwijzing naar den Wetgever te erkennen of met Fichte te verklaren: „het geloof aan een zedelijke wereldorde is het geloof geheel en volstandig. De levende en werkende zedelijke wereldorde is zelve God; wij hebben geen anderen noodig en kunnen geen anderen begrijpen.quot;

Dit blijkt duidelijk als wij hun de vraag voorleggen: wat wordt er van de zedelijke wereldorde als de menschheid ophoudt te bestaan?

Dan moet hun antwoord luiden: dan is de zedelijke wereldorde ook opgeheven.

quot;Want hun is die zedelijke orde enkel voortbrengsel van maatschappelijke ontwikkeling door behoefte geprikkeld, niet eene onafhankelijk van de menschheid werkzame macht der Oneindigheid.

De dood der menschheid is hun ook de dood van G-od.

Hun moraalsysteem heeft daarom niet de minste aanspraak op den naam van godsdienst; hun zedelijke toewijding is geen eeredienst. En niemand wane dat zijne deugdzaamheid, zijne braafheid, zijne nauwgezetheid van geweten hem daardoor en daarom

ocr page 126

114

alleen den eernaam van godsdienstig mensch waardig maakt.

Zedelijke godsdienst is godsdienst in den eigenlijken zin des woords, maar godsdienst die buiten en boven den zedelijken eisch geen eischen stelt. Hij is godsdienst, omdat hij wel degelijk erkenning is van een eeuwige zedelijke macht, die er was eer menschen waren en die er zijn zal als onze menschenwereld er niet meer is; die eeuwig uit en door zich deed voortkomen scheppingen waarin hare zedelijke orde werkte, en die dat ook nog doen zal als onze planeet er niet meer wezen zal. Hij is godsdienst omdat de godsdienstige Den Waarachtig Eenen erkent, die Was en Is en Wezen zal; die niet door menschenhanden en menschengedachten gemaakt wordt, maar van wie wij slechts in den tijd een gebrekkige verschijningsvorm zijn. Hij bestaat niet alleen in ons denken,, maar Hij is voor ons en na ons en dus ook buiten boven ons en daarom kan het hart zich ook tot Hem verheffen in lof en dank.

Maar die godsdienst is zed el ij ke godsdienst. Die God vraagt zedelijkheid, gehoorzaamheid aan de zedelijke eischen, die Hij geschreven heeft op de vleeschen tafelen van het menschenhart, overal waar de mensch ontwaakt uit den natuurslaap. Hij wordt niet gediend

ocr page 127

115

in tempelen met handen gemaakt, niet door offers van vrucht of dier, tenzij zij in zijn naam aan een medemensch v/orden geschonken. Zijn dienst is gehoorzaamheid aan al wat als zedelijk goed erkend wordt en alles is zedelijk goed wat door de liefde voor het medekind van God wordt geëischt, al wat wordt geboden door den regel: wat gij wilt dat uw medemensch u. Godskind, doet, doe hem. Godskind, ook alzoo. Dat is de godsdienst in geest en waarheid, toewijding aan de menschen krachtens eerbied voor God.

Zou ik zulk een groot kwaad doen en zondigen tegen God door zonde tegen menschen?!

Memand roeme in zijne vroomheid, die niet het getuigenis van een goed geweten heeft in zijn omgang met de menschen. Slechts een zedelijk karakter geeft recht en wijsheid tot God te zeggen; mijn Vader. Alleen de zedelijke godsdienst kan algemeene wereldgodsdienst worden, omdat hij alleen voldoet aan de beide vereischten daartoe. Hij is godsdienst in den vollen zin en hij eischt de hoogste zedelijkheid.

Nooit zal de onafhankelijke zedelijkheid of de godsdienst der zedelijkheid aan die vereischten voldoen. quot;Wat algemeen door alle menschen in weerwil van alle nationaliteitsverschil zal worden aangenomen en

8*

ocr page 128

116

gevolgd, moet zich aansluiten aan internationale behoefte, aan de internationale menschennatuur. Welnu de internationale menschennatuur is godsdienstig, d.w.z. is zich bewust van het feit, dat een hoogere dan menschelijke macht invloed heeft op \'s menschen lot en leven en de internationale menschennatuur buigt zich voor den eisch van het zedelijk bewustzijn. Al het andere is nationaal; cultus en wetboek. Geloof in God en eerbied voor het geweten, voor den plicht, zijn internationaal. Wie dan de menschen wil verbroederen, wil samenbrengen in één bond, wie de algemeene broederschap der menschen wil stichten, moet met voorbijzien van het nationale het internationale bevorderen. En dat doet de voorstander der godsdienstlooze zedelijkheid niet. Hij verwaarloost ééne zijde van het internationale zieleleven: de liefde tot God en vraagt alleen liefde voor de monschen. Nooit zal het hem daarom gelukken een werkelijk internationale bond te vormen. Steeds zal hij zich moeten tevreden stellen met een kleine schaar van vrienden — uitnemende menschen zeker — maar de groote menigte, het volk, zal nooit gewonnen worden, want de volksziel wil God.

Wanneer het mij gelukt is duidelijk in het licht te stellen wat zedelijke godsdienst is en waarom wij dien in het christendom bezitten, dan vlei ik mij dat het

ocr page 129

117

mij ook gelukken zal een bedenking uit den weg te ruimen, die kan worden gemaakt, een vraag te beantwoorden die kan worden gedaan.

De bedenking is: dat per slot van rekening de zedelijke godsdienst supranaturalistisch blijft en dat hij dus nooit kan worden de godsdienst der mannen van de wetenschap, die nooit zullen belijden een godsdienst strijdig met hunne wetenschappelijke overtuiging. De wetenschap veroordeelt toch elk supranaturalisme.

Ik verbaas mij altoos over dat bezwaar. Wel verre dat wij genoodzaakt zouden wezen om het boven-aardsch karakter van de zedelijke wereldorde tegen de stellige wetenschap in te handhaven, moeten wij de wetenschap dankbaar zijn voor den ruimeren blik dien zij ons in het heelal deed slaan, voor de meerdere vastheid die zij geeft aan ons zedelijk vertrouwen, aan de bevestiging van den zedelijken godsdienst.

Ja, op oud-supranaturalistisch standpunt bestond werkelijk gevaar, dat met den val van God ook de zedelijke menscli vallen moest. Want op dat standpunt had de menschheid haar zedelijken aanleg niet als een natuurlijk erfdeel, niet krachtens haar burgerschap in het heelal, maar als een geschonken en dus terugneembare gave; de menschheid bracht niet uit eigen boezem het hoogste voort maar werd er

ocr page 130

118

mee omkleed. Christus was niet haar zoon maar uit den hemel. De natuurwetenschap heeft ons een weldaad bewezen met dien waan te verstoren. Zij heeft ons niets wezenlijks ontnomen maar in de blootlegging der werkelijkheid een veel steviger grondslag voor onzen zedelijken godsdienst gegeven. Heeft zij niet aan het licht gebracht, dat onze aarde, de bodem onzer woning, niet maar is een eiland van verdoemden of geliefden in het midden eener levenlooze schepping, maar dat zij, saamgesteld uit dezelfde scheikundige stoffen, leeft onder dezelfde wetten als alle andere werelden, waarop onder de heerschappij van gelijke wetten, behoudens alle verschil in uitwendig voorkomen, gelijke verschijnselen des levens van stoffelijken en zedelijken aard zich moeten voordoen, zóó dat ook de zedelijke ontwikkeling op deze aarde zich voordoet niet als iets toevalligs maar als iets natuurlijks, als teweeggebracht door ééne in de gansche schepping aanwezige zedelijke beweegkracht, die zedelijke wereldorde wordt geheeten, maar die terecht, als de hoogste ons bekende macht der schepping welke ons lot bepaalt, „Godquot; wordt genoemd. Ademt ons zedelijk bewustzijn niet vrij en ruim in zulk een door de wetenschap verruimde wereld? Beseffen wij niet dat het plichtmatige van den zedelijken plicht er door versterkt

ocr page 131

119

wordt? Als wij weten dat in den zedelijken godsdienst het waarachtig levensgeluk den mensch verzekerd wordt, dat zijn zedelijke verlossing, zijn zaligheid er door wordt bewerkt, dat het „in menschen welbehagen, God is liefdequot; meer is dan een ij dele klank, meer dan een engelenstem uit den hemel; dat zij de getuigenis der schepping is. beeft dan het „Vader in den hemelquot; in die wereld der wetenschap niet veel inniger op de lippen dan weleer ooit in de wereld van het supranaturalisme? Krijgt in die wereld welke vol is van werelden, waar Gods stem alom hetzelfde verkondigt, het woord van den Johanneïschen Christus niet pas zijn schoonsten klank; in het huis mijns Vaders zijn vele woningen? En zeg nu niet dat ik fantaseer, want ik doe niet anders dan de onderstellingen der wetenschap, getrokken uit hare ontdekkingen, aanvaarden en gebruiken op het terrein van het zedelijk godsdienstig leven. Wat door de zedelijke helden van ons geslacht intuitief is verstaan, is door de ervaring der beschavingsgeschiedenis en de ontdekkingen der wetenschap als waarheid bevestigd, is voor den wijsgeer uit de sfeer der bespiegeling overgegaan in die der waarneming. De geloofsbewering dat de zedelijke menschheid de weerspiegeling is van de zedelijke orde in het heelal kreeg een positieven

ocr page 132

grondslag. De zedelijke godsdienst werd een eisch dei-rede zooals hij reeds eeuwen een eisch des gemoeds en des gewetens is geweest.

Of zullen wij weigeren kunnen den naam van God, hoogste lot en leven beheerschende macht, te geven aan die macht die gerechtigheid werkt in het gansche heelal zoowel als op onze nietige aarde; die overal de drijfkracht is in zedelijke wezens om zich zeiven in huis en maatschappij te onderwerpen aan den geest van waarheid recht en menschenmin; die de broederschap der volken wil gebouwd op één recht, gebouwd op liefde voor God en den naaste; zullen wij weigeren met Jezus die onbegrensde macht tot verhooging van aller levenswelzijn een weldadige, een zegenrijke macht te noemen, haar te eeren met den naam „onze Vader in de hemelenquot;; zullen wij weigeren Jezus bede op de lippen te nemen: „Uw koningrijk komequot;?

De vrees der moralisten voor het Supranatureele in onzen zedelijkem godsdienst is enkel gevolg van een groot misverstand. Zij verkeeren nog altoos in den waan, dat als men „Godquot; zegt men ook verplicht is de geheele menschelijke Godsvoorstelling van het oude Supranaturalisme voor zijne rekening te nemen. Maar de aanhangers van den zedelijken godsdienst verlangen

ocr page 133

niets anders dan de erkenning, dat de zedelijkheid niet worde beschouwd als iets wat met den mensch werd geboren en met den mensch verdwijnt, dat zij wordt geëerbiedigd als verheven boven tijd en ruimte, in de schepping aanwezig als werkzaam scheppingsbeginsel, dat om zijn voor den mensch weldadige gezegende strekking „werkzame Liefde, Vaderquot; wordt genoemd. Wie God is in zijn oneindig Wezen, langs welken weg Hij werkt op en in menschen, nooit wordt dat geheim den mensch ontdekt. Wij hebben genoeg aan de wetenschap, dat evenals in de stoffelijke wereld verschillende werkingen enkel gewijzigde werking van ééne centrale werking zijn, zoo ook in de zedelijke wereld alle werking uitgaat van een en dezelfde oneindige werking die hemel en aarde vervult, op wie wij al ons vertrouwen kunnen stellen. Immanuel — God met ons. Dat kunnen wij eerst recht zeggen wanneer wij den zedelijken godsdienst hebben, wanneer wij aan God behooren die gerechtigheid werkt en blijmoedig zijn heiligen wil pogen te volbrengen. God met ons. Hij is uit al zijn kracht aan de zijde van elk die het goede wil. De gansche zedelijke wereldorde is medewerkend aan de zijde van hem die gerechtigheid werkt. Is het niet begrijpelijk dat de levendige oosterling in dat heerlijk bewustzijn uitriep :

ocr page 134

122

met mijn God spring ik over een muur; met mijn God weersta ik een bende? quot;Wordt het woord van Jezus niet eenvoudig: indien gij een geloof hadt als een mosterdzaad, gij zult tot dien berg zeggen wordt opgeheven en geworpen in zee? Wie het goede wil kan op God rekenen. Dat is het Evangelie.

ocr page 135

Geremonieele Godsdienst.

In de laatste hoofdstukken wensch ik. ofschoon het tot nadere toelichting van de beteekenis van den zedelijken godsdienst niet vereischt wordt, toch nog enkele punten te bespreken, die door den lezer hoogstwaarschijnlijk ter sprake zouden gebracht worden indien hij en ik tegenover elkander zaten. Ik neem aan dat hij met genoegen, met instemming mijn „Zedelijke Godsdienstquot; las; dat hij zegt: ja dat is de ware godsdienst, de dienst van God in geest en waarheid, die mij geheel, maar die niets ongerijmds van mij vraagt. Toch zou het kunnen zijn, dat hij er op liet volgen: maar wat dunkt u van den Sabbat d. w. z. van de uitwendige godsvereering; is die geheel afge-

ocr page 136

124

schaft door het woord: God wil gehoorzaamheid, geen offerande; God is geest en die Hem aanbidden moeten het in geest en waarheid doen?

Het is genoeg bekend, dat de katholieke kerk en het Calvinistisch protestantisme in dat opzicht lijnrecht tegenover elkander staan. De katholieke kerk heeft niet alleen den vrijen teugel gelaten aan de den eeredienst vormende christelijke verbeelding, maar, om het heidensch volk de kerk binnen te krijgen, dat volk met al zijn godsdienstige gebruiken binnengehaald. Dientengevolge is het katholicisme geworden de godsdienst, die om de vele kerkelijke voorschriften het zwaarste der wet: de gerechtigheid vergeet. Het leven Ie christendom is er ondergegaan in uitwendigen eeredienst. Niet dat er de zedelijkheid wordt aangemerkt als een onverschillige zaak. Maar zij is er dienstmaagd der kerk. De kleinere en grootere overtredingen worden er al te licht vergeven aan hen die uitmunten door kerkelijken ijver. Voor de vooral zinnelijke overtredingen der gehoorzame zonen en dochteren der kerk drukt men gaarne een oogje dicht. Alleen tegen de kerkelijk lauwen treedt men met gestrengheid op. Ja het schijnt soms of de katholieke kerk bij de deftige klasse zoowel als bij het volk niet ongaarne wat zedelijke laksheid, wat zonde ziet, om ze door de ker-

ocr page 137

125

kelijke tuchtmiddelen tot hooger kerkelijken ijver op te voeren. De katholieke kerk wil daarom niets weten van dat schoone profeten woord: God wil gehoorzaamheid en geen offerande, geen sabbaten en feestviering; Hij wil dat gij recht doet en n reinigt. Integendeel. Zij vermenigvuldigt nog steeds de reeks der kerkelijke plichten en verbindt aan hunne naleving nog steeds de belofte van eeuwig heil. De katholieke volksgodsdienst heeft van den christelijken godsdienst dan ook niet veel meer dan den naam behouden. Hij is afgedaald tot den rang der heidensche volksgodsdiensten, die geloovende aan allerlei macht, invloed oefenende op \'s menschen lot en leven, door allerlei bijgeloovig bedrijf die machten gunstig zochten te stemmen maar niet beseften dat de eenige Macht, die aanspraak maken mag op onze gehoorzaamheid, de Macht is van Hem die zegt: Weest heilig want Ik ben heilig. De katholieke godsdienst is daarom, ofschoon uit den zedelijken godsdienst van Jezus geboren, evenmin zedelijke godsdienst als het tegenwoordig Budhisme, ofschoon het aan een krachtige opleving van het zedelijk bewustzijn in het Brahmanisme zijn ontstaan dankte.

Het Protestantisme was daarom het allezints gerechtvaardigd verzet, de plichtmatige opstand van

ocr page 138

126

het zedelijk bewustzijn tegen katholieke minachting. Men zegt niet genoeg als men beweert dat de Hervorming der 16de eeuw zich aankantte tegen allerlei misbruiken in de kerk. Zij was opstand in \'t groot. Zij stond op tegen de achterstelling van het zedelijk bewustzijn, tegen de kerkelijke wettiging der meening; dat men zonder zedelijk te zijn, zonder een door vroomheid gereinigd gemoed, Gods gunst genieten kon. \'t Waren geen geloofsvragen die den strijd verwekten, \'t was de levensvraag; wat geldt voor God, de veelheid der kerkelijke werken of de zedelijkheid des harten; wat is ware godsdienst: kerkelijk of zedelijk zijn; wat verzoent met God: kerkelijke boete of oprecht berouw; wat is de godegevallige dienst: kerkelijke of zedelijke godsdienst?

Calvijn is de meest doorzettende geest der Hervorming geweest. Hij eischte niet alleen afschaffing van al wat aan Rome herinnerde in kerk en kluis. Geen beeldje, geen reset, geen kruisje, geen muziek vond genade. De zedelijke godsdienst eischt gehoorzaamheid aan Gods zedelijke geboden. Daarom, wie protestant wil zijn moet al de zedelijke geboden houden. En hij voerde in Geneve het strenge regiment in dat van geen genade of door de-vingers-zien wist; dat Servetus naar den brandstapel bracht, niet omdat

ocr page 139

127

deze een andere leerstellige meening was toegedaan; zoo bekrompen was Calvijn niet; maar omdat Calvijn de volstrekte geldigheid van G-ods zedelijken eisch bedreigd waande; omdat hij meende dat de zedelijke laksheid van duizenden zou worden gesterkt, indien Jezus, de reine met zijn nieuw gebod, niet G-od zelf was. Hij zag de onvoorwaardelijke gehoudenheid tot gehoorzaamheid aan God: „weest heilig want ik ben heiligquot; bedreigd, wanneer er eenige twijfel mogelijk was dat het woord van Mozes, van de profeten, van Jezus niet direct was Gods woord maar een men-schenwoord; wanneer men zou kunnen gaan wanen, dat het zedelijk gebod door een opzegbaar mensche-lijk gezag is opgelegd. Ook aan Calvijn\'s optreden tegen zijne tegenstanders lag de groots strijdvraag ten grondslag: onafhankelijke zedeleer of zedelijke godsdienst. En Calvijn was zoo\'n beginselman, dat hij liever het leven in huis en kerk, dat hij liever arbeid en godsdienst van alle kleur en fleur beroofde, dan in eenigerlei opzicht voedsel te geven aan de verderfelijke meening, dat er in den godsdienst iets zou kunnen zijn dat meer waarde had dan, dat eenige waarde zou kunnen bezitten nevens gerechtigheid.

Verontschuldigt de katholieke overdrijving de pro-testantsch-Calvinistische — het is soms noodig te

ocr page 140

128

overdrijven, teneinde geen twijfel mogelijk te laten aan het verschil — de aard van den zedelijken godsdienst eischt in het geheel die volstrekte afkeer van de uitwendige godsvereering niet. Hij sluit niet eiken vorm van uitwendige godsvereering uit. En dat is gelukkig voor duizenden. Want het is slechts enkelen, bijzonder hoog ontwikkelde menschen, gegeven geheel genoeg te hebben aan een vormenloozen godsdienst. De meesten hunkeren naar symbolen. En waarom zouden wij ze niet aanwenden ter afschaduwing van de goddelijke wereld, indien zij maar geen oneer aandoen aan den G-od die door zedelijkheid gediend wil zijn? quot;Wij kunnen ons in deze zaak spiegelen aan Jezus voorbeeld; uit tal van trekken in de evangelieen blijkt, dat hij in den regel de Joden volgde in hunne godsdienstige gewoonten. Maar als hij een tempel bezoekende ziet hoe de rust, de waardigheid, de heiligheid van het Godshuis werd geschonden door allerlei marktbedrijf, clan ontsteekt hij in woede en zegt: maak het huis mijns Vaders niet tot een roovershol. En toch acht hij een tempel geen vereischte in den zedelijken godsdienst, want uitdrukkelijk luidt het; ga met uwe godsdienstige behoeften in het verborgen. Ofschoon het gevaar altijd groot is, dat de zedelijke godsdienst ten slotte weer in uiterlijkheden verstijft, het cere-

ocr page 141

129

monieele is niet verwerpelijk op zich zelve, steeds moet echter het besef worden levend gehouden, dat God geen offerande vraagt maar gerechtigheid; dat Hij al die dingen niet noodig heeft, ook niet om de meening onzes geestes te verstaan; dat die dingen enkel noodig zijn voor ons. Er is eenige waarheid in de voorstelling die Exodus geeft van de wijze, waarop de wet der 10 woorden door Mozes volgens Jahve\'s bevel aan Israël moest worden afgekondigd. Dat moest plechtig geschieden, op zoo majestueuse wijze, dat onverschillige slaven een diepen indruk kregen van den ernst, van de hoogheid, van de heiligheid dei-wet en haar Gever — Jahve. De waarheid, de zedelijke waarheid is eenvoudig. Maar zij is tegelijk een godsdienstige waarheid. De kleine, nietige mensch treedt er door in gemeenschap met Hem die hemel en aarde vervult. Is die overweging niet geschikt om ons eerder te doen luisteren naar een oratorium van Bach dan naar een dorre nuchtere preek over eene of andere zedelijke gedachte? Sommige protestanten, ook voorgangers, zijn zoo erg Calvinistisch sober. Zij meenen zóó geheel alles met hun woord te kunnen doen, dat zij alle hulpmiddelen der godsdienstige verbeelding versmaden, dat zij zelfs gebed en lied ver-waarloozen. Zij vergeten dat godsdienst is het onge-

9

ocr page 142

130

boren besef, dat het menschenleven staat onder de macht van een hooge, een eeuwige Macht, die de stille maar machtige medewerker, de vennoot is dergenen die het zedelijk goede erkennen als zijn wil. Zinnebeelden, plechtigheden, feesten zijn noodig, niet voor Hem maar voor ons; zinnebeelden, plechtighedenquot; vooral, die vertolken wat en hoe Hij werkte tot op heden. Symbolen zijn de vormen waarin wij tot en van God spreken.

Welke godsdienstige handelingen worden verkozen, hangt veel af van allerlei uitwendige omstandigheden. De natuurlijke geaardheid der volken maakt verschil noodzakelijk. De levendige Italiaan zal zich nooit kunnen vinden in de nuchterheid van den Engelschen Kwaker. Wat doet dat er toe? Eenvormigheid — nadoen is de dood. \'k Verbaas mij dikwerf over de vlugheid waarmee wij trage Hollanders ook op godsdienstig gebied gaan nadoen wat b.v. Engelschen en Amerikanen doen, gepaard gaande met volmaakte onbekendheid wat betreft de beteekenis van anderer godsdienstige ceremonien, die in een vreemd bedehuis doen staan als „een kat in een vreemd pakhuisquot;. Een weinig bekendheid kon meer doen genieten. Onze Hollandsche volksaard is ook goed. Als onze godsvereering maar strekt om gemoed en geweten

ocr page 143

131

te wekken, om ze te winnen voor recht en waarheid, voor G-ods heilige Liefde. Al wat die niet verkondigt, al wat geen zedelijke godsdienst ademt, is onnut, stroo en hooi dat verbrand kan worden. God alleen zij eer.

o*

ocr page 144

Zedelijke godsdienst en Gebed.

Welke waarde heeft het gebed nog voor hem, die het in de voorafgaande bladzijden beschreven standpunt van „zedelijken godsdienstquot; inneemt? Die vraag rijst als van zelf.

Want al is, zegt men, de onzienlijke Macht die invloed heeft op \'s menschen lot en leven voor den belijder van den zedelijken godsdienst meer dan een macht die met de menschheid staat of valt; al is zij voor hem een eeuwige werkelijkheid, hare wijze van werken in de wereld is toch een vaste, onverstoorbare, aan wetten gebonden werkzaamheid, die alle aanleiding en drang tot bidden buitensluit.

Daarom komt het mij wenschelijk voor een antwoord te geven op de vraag: wat wordt er van het gebed bij den aanhanger van den zedelijken gods-

ocr page 145

1 QQ

loo

dienst? Het gebed is genoemd de ademtocht van de ziel, dus het meest innige dat er in godsdienst is, zijn hem alleen eigen geur. Jezus heeft het ook erkend in zijn hooge waarde. Maar de predikers van zedelijkheid zonder godsdienst denken er anders over. Al hooren wij een Paul Cams van Chicago in zijn „Open Courtquot; No. 24 1888 (tijdschrift gewijd aan de verzoening van godsdienst en wetenschap) ook zeggen: „godsdienst is \'s menschen betrekking tot het Al; het Albesef in den enkeling; het streven van den mensch naar harmonie met het Al; het godsdienstig vraagstuk zal een eenvoudige oplossing vinden in de stelling: geen geloof maar vertrouwen; laat ons vertrouwen hebben op de zedelijke wereldorde, vertrouwen als een mosterdzaadje, en onvermoeid leven en streven.... de dogmen worden vergeten, de godsdienst blijft; alle geloofsleerstellingen zullen verdwijnen maar het vertrouwen zal eeuwig levenquot;, op andere plaatsen bestrijdt hij heftig de godsdienstige gevoelens, die zich verbinden met de gedachte aan het eeuwige en oneindige en is God hem niet het eigenlijke Al voor zoover het boven den mensch is, maar de mensch zelf als het zedelijk meest volkomen wezen in het Al.quot; \')

!) Zie de vrijdenkers-almanak van Boppe, Milwaukee 1889.

ocr page 146

134

Van bidden bij hem dus in geen anderen zin sprake dan van zedelijke verheffing.

Vooral A. Coit, de Amerikaansche voorganger in de South Place Kapel te Londen, spreekt zonder omwegen de gedachten der Moralisten over het gebed uit. Hij verwerpt het ten eenemale. Hij vindt het, voor zoozoover het een gebed is om zedelijke kracht, voor den beschaafden mensch ten eenenmale ongeoorloofd, want, zegt hij, aangezien de kracht en het middel om beter te worden in de samenleving zijn, zoo moeten wij practisch en zedelijk alle belangstelling voor een bo venmensche 1 ij ken verlosser verliezen. Wij kunnen daarom het gebed zijn afscheid geven, wijl wij bevinden, dat wij in ons eigen bereik juist de zaak hebben waarom demenschen God gebeden hebben, wijl wij onszelven slechts in hart en daad hebben aan te grijpen en in te spannen... Uit dit zedelijk gezichtspunt volgt, niet dat wij God niet om zedelijke kracht kunnen bidden, maar dat wij het niet noodig hebben en dus niet moeten doenquot;.

Felix Adler van New-York voegt er aan toe: de zedelijke beweging zal een zedelijk geloof Avekken, een zedelijk optimisme, een geloof dat het Heelal zedelijk handelen begunstigt, dat in de dingen zelve een richting is naar het goede heen. Zulk

ocr page 147

135

een geloof hebben wij noodig. Logisch kunnen wij het niet bewijzen; maar doe het goede dan zult gij ook aan het goede gelooven; werp uzelven in den stroom der goede krachten in de wereld, clan zult gij de machtige beweging bespeuren die uit de oorspronkelijke bron opweltquot;.

Ook bij hem dus, ofschoon iets meer godsdienstig getint, enkel vertrouwen op het in menschen aanwezige goede zonder wortel in den Eeuwig Goeden, die is en blijft ook als er geen mensch is hier op aarde om goed te zijn en goed te doen; geen erkenning dat het goede om waarachtig verbindend cl. i. goddelijk te wezen niet enkel zijn moet persoonlijk, dat het zijn moet: familie goed, nationaal goed, internationaal goed, inter-universeel goed. Ook bij hem dus enkel gerustheid, dat samenleving den goeden steunt.

En clan Gethsemané ... en dan een gansche maatschappij die samen beraadslaagt, samenspant om den getrouwen getuigen van liet goede te dooden?

En clan de spot bij het kruis: hij heeft op God vertrouwd ... laat die hem nu verlossen ?

Zijn er geen uren waarin de gansche samenleving met al haar meewerkende kracht niet in staat is \'s menschen beangstigde ziel te vullen met zedelijken moed en kracht? Uren waarin de klacht opstijgt van

ocr page 148

136

de aarde: behoud mij of ik verga? Maar natuurlijk, waar men God ter zijde stelt daar moet men ook met het gebed afrekenen. Want daar is het een ijdel werk. Voor den aanhanger van den zedelijken godsdienst behoudt het echter zijn waarde, ja krijgt het zijn volle waarde eerst.

Laat ons zien. Hij is, dat zagen wij, geen supra-naturalist, geloovende dat er in de stoffelijke en zedelijke wereld geen andere orde is als de onberekenbare en onnaspeurbare wil van een God. op wien niemand bij\' zijn doen en laten rekenen kan, omdat die wil plotseling kan omslaan, kan doen wat hij wil. Een toestand van onzekerheid en machteloosheid waarin de geloovige eindigt met te zeggen: ik kan er niets aan doen; de Heer doe met mij wat goed is in zijne oogen. Fatale berusting! Neen hij is geen supranaturalist. Hij heeft leeren verstaan, dat de boven menschelijke macht, die invloed oefent op \'s menschen lot en leven, dezelfde macht is, die hem ook den eisch der zedelijkheid leerde kennen en hem door dien eisch een weg doet gaan, hem voerend in een gansch andere richting dan hem wordt gewezen door zijn zinnelijke natuur, hem inleidend in een wereld van heel andere overwegingen en drijfveeren dan de zinnelijke wereld met al haar begeerlijkheid. Maar wel verre van te

ocr page 149

137

ondervinden, dat die onweerstaanbare macht hem door dien stillen dwang zou plagen of het toeleggen op zijn verdriet, heeft hij leeren verstaan, dat die dwang weldaad is, het gebod een gebod ten leven, dat gehoorzaamheid verheffing, dat m.a.w. de zedelijke wereldorde liefde, dat God Vader is. Zoo geeft hij zich gewillig aan Hem over, verzekerd dat hij door ontwikkeling zijner krachten, van zijn zedelijken zin de heerscher der aarde worden zal en al den zegen, al de vreugde smaken die hem daarin bereid is. Elk alzoo die hier tot zedelijk besef is ontwaakt en naar zedelijke doeleinden streeft, door zedelijke overwegingen geleid, vindt in die zedelijke wereldorde, die de openbaring is der werkende Godheid, hulp en steun; hij kan op haar bij zijn plannen rekenen; al schijnt alles tegen hem, zij is voor hem. God, de hoogste werkzame macht in de wereld is met hem; vroeg of laat zegeviert hij door Gods genade.

Hij d.i. zijn persoon. Daarop valle de nadruk. Er is niet enkel sprake op zedelijk gebied van een koningrijk Gods dat in de wereld komt, van een ontwikkeling en overwinning waarin de menschelijke persoonlijkheid niet meer is dan een diamant in het rijk der gesteenten, een roos in het rijk der planten, een leeuw in het rijk der dieren. De beteekenis der men-

ocr page 150

138

schelijke persoonlijkheid is hooger. Hij staat niet enkel onder de heerschappij en hoede eener algemeene wijze en orde van werken; als zedelijke persoon neemt hij daaraan deel, denkend, overleggend, kiezend, verwerpend, door eigen zedelijke overwegingen vrijwillig toetredend. Hij treedt met die eeuwige zedelijke orde in persoonlijke betrekking; zijn ik heeft daarin be-teekenis; hij is niet enkel een exemplaar eener soort; hij zelf geeft zich over, Wijdt zich. In hem, in zijn zedelijk besef, in zijn geweten, in zijn onrust en ellende na overtreding krijgt hij persoonlijk iets te hooren, iets wat voor hem, bepaald voor hem op dat oogenblik bestemd is; \'t is een stem. een woord tot hem gericht. Ja hoezeer de menschelijke persoonlijk-heik in de zedelijke orde een hooge beteekenis heeft, hoe het zedelijk zijn iets geheel persoonlijks is, dat springt telkens in het oog als wij te midden eener laagstaande en ruwe omgeving een teeder geweten zien ontluiken, een ster in donkeren nacht zien lichten: maar vooral zoo dikwerf wij in een tijd van diep zedelijk verval een zedelijke héros zien opstaan naar wien een nieuwe tijd rekenen zal. \'s Menschen betrekking tot de zedelijke orde is een persoonlijke. De zedelijke wereldorde heeft het in hen met persoden te doen en met personen te rekenen. Dit is naar

ocr page 151

139

mijn inzien altoos geweest de diepe, ware beteeke-nis van het vraagstuk van Gods persoonlijkheid. De theologie heeft die altoos theologisch opgevat als een goddelijke bestaansvorm. En die bestaansvorm moest in botsing komen met de wetenschap. De ware zin is, dat de wereldorde, de zedelijke wereldbeheersching en wereldleiding het te doen heeft met personen, die zich tegenover haar persoon gevoelen met eigen wil en zin begaafd, en die daarom ook haar moeten naderen in het persoonlijk gevoel, dat die eeuwige macht ook hun persoon zoekt en zegenen wil. En als dan de zedelijke mensch tot de heerlijke ontdekking is gekomen, dat. die zedelijke orde niet enkel is de geen rekenschap gevende Almacht die zegt: zoo wil ik en zoo beveel ik; niet enkel de machtige Gebieder: gij zult, maar dat haar wet het leven, het geluk, de zedelijke zege is voor zijn persoon; dat de goddelijke macht een weldadige macht is; dat haar gezindheid jegens menschen juist is uitgedrukt in den zang dei-Engelen : in menschen een welbehagen, behoeft het dan verwondering te baren, dat de eerste mensch die zich bewust werd van zijn persoonlijke betrekking tot die goddelijke macht onwillekeurig ..Vaderquot; stamelde en dat alle ware vromen hem hebben nagezegd: onze Vader in de hemelen?

ocr page 152

140

Kan, zal de aanhanger van den zedelijken godsdienst bidden?

Zeer zeker kan en zal hij dat.

Hij weet dat hij in persoonlijke betrekking staat tot do eeuwige zedelijke macht, die,.invloed heeft op zijn lot en leven en die voor hem bij gewillige gehoorzaamheid is als een Vader, wiens steun hij niet kan ontberen waar hij ook is, wat hij ook ondervindt of onderneemt.

Hij weet dat het goddelijk werk der heiligmaking niet maar aan hem voltrokken wordt zooals de bloem des velds bekleed wordt met kleur en geur, maar dat het zijn persoonlijk werk moet wezen onder den invloed des heiligen Vaders, en hij kent bij ondervin-de kracht van zijn vleesch, de zwakheid van zijn hart.

Die mensch komt in allerlei nooden en gevaren, die zijn zedelijk godsdienstig leven, zijn vertrouwen op de alles te boven gaande waarde der zedelijke schatten schokken. Hij wordt teleurgesteld in zijn verwachting, dat goed zijn en goed doen althans een kinderdeel waard is; hij ziet het kwade gedaan, den kwaaddoener geeerd, ziet voorgaan den leugenaar, den bedrieger, den misdadiger, den wellusteling; omdat hij liever ontbeert clan ontrouw wordt aan den eisch van zijn godsdienst, wordt hij buiten zijn huis

ocr page 153

141

uitgelachen, in zijn huis vervolgd met berisping en verwijt; huiselijke nooden en zorgen drukken hem neer, tegenspoed op tegenspoed ontmoedigt hem, ziekte, lichaamslijden bij zich of de zijnen oefenen hun ver-lammenden invloed uit; hij komt in de verzoeking van den lust, in de verzoeking der begeerlijkheid, in de verzoeking der lijdensontvluchting, in de verzoeking van armoede en ontbering, in de verzoeking van liefde tot kalmte en rust, in de verzoeking van eerzucht, van winzucht, van hebzucht. Hij weet dat het hem niets baat de heele wereld te winnen en schade aan zijn ziel te lijden; hij weet dat kalmte, uitredding, hulp, verlossing, gewin, eer, verkregen tegen den eisch van zijn godsdienst in, hem niet baten; hij weet dat geluk en vrede reeds aanstonds en een bescheiden deel van welvaart en eer, in de maatschappij op den duur slechts zijn deel kunnen en zullen wezen als hij trouw is; dat voor den gehoorzamen zoon des Vaders de nacht van tegenspoed, verzoeking en strijd voorbijgaat; dat er een dag van hemel-, ziele en levensrust komt. Hij wil trouw zijn, ..\'sVaders wil doen, maar het wordt hem zoo zuur, zoo zwaar gemaakt; de verzoeker, de terger, de satan laat niet af; Gethese-mané is zoo donker en eenzaam. Hij weet dat hij niets met recht, met lust, met rust mag aannemen,

ocr page 154

142

genieten of bezitten, niets wat zijn oog bekoort, zijn zin streelt, zijn lust wekt, dan wat hij heeft verworven door trouw aan zijn geweten, door eerbied voor zijne ziel en dat alle ander bezit en genot uit den booze is. Hij wil als zedelijk godsdienstig mensch niets zijn of hebben of vragen dan wat door zijn zedelijken godsdienst kan bewerkt en bereikt worden, op welke plaats der maatschappij hij ook zij gesteld, en hij weet dat trouw aan dat beginsel hem het beste levensdeel verzekert; hij gelooft het woord: „Wie volhardt wint de kroon; als God voor ons is, wie dan tegen ons; alle dingen werken ten goede mee dengeen die God liefhebben; heb de gerechtigheid voor alles lief en al het andere wordt u toegevoegd; de godzaligheid heeft de belofte ook van het tegenwoordige leven.quot; En toch wordt hij niet voldaan door de uitspraak van A. Coit, door de overweging: de samenleving der menschen biedt mij alle middelen en krachten om beter te worden en goed te blijven en daarom kan ik een bo-venmenschelijken verlosser ontberen; daarom kunnen wij het gebed zijn afscheid geven, want wij hebben in ons eigen bereik de zaak waarom wij menschen God gebeden hebben; wij hebben slechts ons zeiven aan te grijpen en in te spannen enz.

Neen. De ernstig godsdienstig zedelijke mensch roept

ocr page 155

143

uit de diepte van zijn zwakheid, zijn zielsangst, zijn verzoekingstrijd, zijn bezwijkingsvrees tot G-od zijn Vader en zonder zich te martelen met de vraag hoe, hij weet — want hij ervoer — dat die Vader hem sterkt, dat die Vader hem na den strijd glimlachen doet om den doorgestanen angst.

quot;Waarom hij bidt? Wel natuurlijk om de gaven zijns Vaders in de hemelen. Hij bidt als die weet, dat de zedelijke mensch sterk in hem zijnde hij het voornaamste bezit wat hij behoeft in -elke levenstaak; hij bidt als die weet, dat hij zijne bede neerlegt voor den troon van Hem, die hem liefheeft als zijn kind, die hem in deze wereld van zorg en strijd vooruit helpen wil; hij bidt om licht en kracht, om moed en geduld, om geloof en hoop en liefde, om vertrouwen op de macht der waarheid en des rechts, om den geest der toewijding van ziel en het zijne aan een edele taak, een schoon doel. Hij bidt om vergeving voor zwakheid en schuld, om versterking in verzoeking, om tevredenheid met dat deel van \'s wereldsgoederen dat het deel van een eerlijk, rechtvaardig, zedelijk godsdienstig man mag zijn. Hij bidt ook in bangen lijdensnood: Vader, indien het mogelijk is leid mij dan langs een minder vreeselijke lijdensweg naar uw doel, maar moet ik dien weg langs, uw wil geschiede.

ocr page 156

144

Zoo bidt hij. En ik wacht al sinds jaren op het bewijs, dat de zedelijke godsdienstige wereld, die de wereld der wetenschap aanvaardt, die wetenschap in het aangezicht slaat door zoo te bidden.

Ja zijn gebed gaat uit tot een die hooger is dan de menschen, dan de menschheid. Maar die Hoogere, die Macht, die invloed heeft op zijn lot en leven, die met hem handelt als zedelijke persoonlijkheid, is voor hem werkelijkheid, al ontsnapt haar wezen aan zijn begrip.

Hij vraagt van God niet wat in strijd zou wezen met den bestemden gang der dingen; hij vraagt van Hem alleen wat Hij hem geven kan krachtens zijn innerlijke verwantschap aan zijn zedelijke orde; hij vraagt slechts om voller te zijn van Hem, inniger met Hem vereenigd en daarom sterker door Hem tot zwaarder taak, gewilliger tot ontbering van wat hem de stoffelijke wereld onthoudt. En hij vraagt het, omdat hij kleine mensch zich zoo klein gevoelt tegen over strijd en taak, omdat hij zijn zwakheid kent en zijn morzucht en daarom zoo groote behoefte heeft aan machtige hulp. Hij wil persoonlijk sterk zijn in G-oci.

Zal hij het vinden in het wijsgeerig geschiedkundig besef, dat de menschenwereld zoo is aangelegd, dat de zedelijkheid het op den duur zal winnen en

ocr page 157

145

dat haar inrichting steun verleent aan den goedwiller?

Wie zal het in ernst volhouden als hij bedenkt, dat op de duizend ter nauwernood één dat wijsgeerig geschiedkundig besef zich door veel studie en nadenken verwerven kan.

Ja hij zal die hulp blijven zoeken ook al gaf hem de wijsbegeerte haar steun. Jezus zei eens: „als gij bidt gebruik geen omhaal van woorden, want uw Vader weet reeds wat gij van noode hebt nog eer gij hem vraagtquot;. Volkomen juist. De wijsgeerige zou daaruit de slotsom kunnen trekken (trok die dikwijls) : dan is alle bidden overbodig, uitkomende alzoo op den weg der Moralisten. En toch leerde Jezus den zijnen hoe en wat zij bidden moesten. En toch steeg in G-ethsemané de bange bede uit zijn ontroerde ziel, die sinds dien eeuwenouden dag doorklaagt in aller menschen hart.

De zedelijk godsdienstige is er van doordrongen, dat de Vader weet wat hij van noode heeft. Maar in steê van hem terug te houden van het gebed, maakt dat besef hem tot bidden vrijmoedig, zoo dikwerf hij in dien gemoedsstrijd verkeert, dat hij het goede wel wil maar niet kan; dat hij het rechte wel weet maar niet doet; dat hij liever anders zou willen en gevoelt hoe zwak het vleesch kan zijn bij volle gewilligheid des geestes.

10

ocr page 158

146

Het ware gebed is wel degelijk een vragen, een vragen aan Een die antwoorden kan op Zijne wijze. Maar het is het vragen van den zedelijken godsdienstige, die weet dat het eene-noodige is zedelijk goed te zijn, die weet dat de goede gaven des Vaders meer dan het lichaam weldoen moeten.

En als het gehed van den zwakken worstelaar in de branding des levens is verhoord; als hij in zijn binnenste de stem heeft vernomen die hem bemoedigt en zegt: houd moed, ik zal met u zijn; en als hij daardoor een wonderlijke heerlijke gemoedsrust deelachtig wordt en in krankheid, zorgen, woesten strijd zich blijde voelt, zal dan niet zijn dankgebed opklimmen tot den Hoorder der gebeden, tot Hem die hem liefheeft als was Hij zijn Vader? Zal hij niet, waar hij merkt dat zijn zedelijke kracht wast in den strijd des levens; dat zijn gevoel van zelfvertrouwen, van zekerheid toeneemt op zijn hobbelig levenspad; dat hij bij veel onthouding, ontbering, zelfverloochening zich gaandeweg meer bevredigd voelt; dat ook zijn stoffelijk, zijn maatschappelijk bestaan, gegrond als het is op zedelijke beginselen, hem allezints reden geeft tot tevredenheid — zal hij dan niet danken zeggende: o goedheid Gods, hoe snood ondankbaar moet ik wezen, als ik \'t hart niet vrolijk tot u verhief?

ocr page 159

147

•

Voor den zedelijk godsdienstigen mensch is hefc bidden een levensbehoefte, liet zich uitstrekken in gevoel van zwakheid, kleinheid, verlatenheid naar den Sterke. En wie zich vleit met de meening, dat voor de man in wetenschap, kennis, beschaving dit het voorbijgegaan kinderstandpunt is, dat hij genoeg heeft aan de wetenschap: de maatschappij bevordert zedelijke doeleinden, die mag wel eiken dag bij zich zelf herhalen; wie kan zijn eigen hart vertrouwen; de geest is wel gewillig maar het vleesch zwak.

Over velerlei gebed en manier van bidden sprak ik niet.Het was mij alleen te doen om het gebed van den zedelijk-godsdienstige. Er is een bidden dat God smaadheid aandoet, dat Hem omlaag haalt van zijn goddelijke hoogheid eu Hem maakt tot den geplaag-den verzorger van allerlei menschelijke gril, die nu dan eens moet uitroepen: menschen laat mij nu wat met rust.

Ook dat bidden spruit wel voort uit gevoel van afhankelijkheid, uit het godsdienstig besef, dat er onzichtbare machten zijn die spelen in \'s menschen lot, maar \'t staat nog op het heidensch standpunt; \'t is nog geen uiting van zedelijke godsdienst. Het ware den mensch betamend en verheffend gebed beweegt zich in de reine sfeer der zedelijkheid, d. w. z. niet enkel

10*

ocr page 160

148

•

des eerbaren levens, maar van het leven aan waarheid, recht en liefde gewijd. Maar in die zedelijke sfeer heerscht het dan ook bezielend, leven en blijdschap gevend. Welk een onuitsprekelijk gevoel van verhefffing, van moed, van vertrouwen, van hoop, van kracht, van onafhankelijkheid, van tevredenheid, van blijdschap doorstroomt de ziel van hem, van haar die weten: dat zij met hun goede gezindheden, met hun edel willen niet alleen staan in een wereld zonder meegevoel; dat zij, met alle goede geesten van hemel en aarde, eensgezind en eenswillend, met hen in het gebed als gemeenschap houden; dat zij in persoonlijke betrekking staan tot die oneindige hoog verheven macht die invloed heeft op \'s menschen lot en leven, omdat van haar uitgaat de kracht die alles drijft in de geestelijke en stoffelijke wereld, de kracht die hen tot persoonlijk optreden, streven, werken, getuigen, strijden roept en aan hun persoon alzoo een hooge beteekenis geeft; de kracht die in hen mensch wordt.

Gevaar moge dit voor sommigen opleveren om te stranden op de klip van spiritisme enz., zeer zeker bewaart hen zedelijke godsdienst voor het grootste kwaad dat een mensch kan overkomen: het onred-baar wegzinken in de peillooze diepte van het zinnelijk leven, van het dierlijk egoisme, in de helleput

ocr page 161

140

van den zinnenlusfc, waarin gevoel voor recht, en waarheid, trouw en eerbaarheid wordt verslonden met besef van waardigheid en menschenwaarde.

Persoon te zijn, gevoel van persoonlijke waarde te hebben voor zich zeiven en voor anderen; met zijn persoon, zijn zelfbewustzijn deel te nemen aan den strijd en het streven der zedelijke wereld, dat is het waarachtige goede \'t welk zedelijke godsdienst den mensch verzekert, en dat hoogste goed wordt in dc diepte van het oprechte zielsgebed verworven en behouden.

Het gebed is de openbaring der zelfstandige zedelijke persoonlijkheid. Mijn Vader, Uw Zoon.

ocr page 162

Uitgaven van VAN HOLKEMA amp; WARENDORF te Amsterdam. Werken van P. H. HUGENHOLTZ Jr.

LEVENSLICHT.

Stichtelijke Bloemlezing van onzen tijd.

yerzameld door

P. H. HUGENHOLTZ JR.

met modewerking; van: G. Birnié, A. G. van Hamel, J. J. Him.h, I\'h. H. ITugenooltz, F. W. N. Hcgenholïz, W. Jesse, J. Jongeneei,, L. Mees, II. U. Meijboom, C. van Nievelt, D. C. Nijiioff, M. A. X. Kovers, E. Snellen en J0 de Vries.

DERDE eOEDKOOPE DRUK.

Prijs ingenaaid fB,-; in Pi-achtband /3,50.

Wij kunnen niet nalaten nogmaals dit schoone werk aan te bevelen.

Recensie Hervorm huj,

LEVENSLICHT

UIT VROEGER EEUWEN

door

P. H. HUGENHOLTZ Jr.

met medewerking van: Ph. R. Hügenholtz, quot;W. Jesse, J. van Loenen Martinet en H. U. Meijboom.

Een fraai gr. 80. Boekdeel /4,—; in Prachtband /4,90.

Dit werk, een tegenhanger van den eersten bundel Levenslicht, bevat fragmenten van het schoonste en beste, wat de oudheid ons op godsdienstig gebied naliet.

ZEDELIJKE RELIGIE

NAAR SALTER\'s RELIGION DER MORAL

bewerkt door

P. H. HUGENHOLTZ JB.

Prys ingenaaid /quot;2,50; in Prachtband /\'2,90.

Het is een uitstekend boek, echt gezond religieus, merkwaardig door zijn corspronkeljjkheid en kracht. Recensie van Het Vaderland.

O 0 Q

a

ocr page 163
ocr page 164

Uitgaven van VAN HOLKEMA lt;amp; WAR EN DOR F te Amsterdam.

Losse Bladen uit mijii Pastoraallioek

NAGELATEN SCHETSEN

van

C. E. VAN KOETSVELD.

Prijs in geïllustreerd omslag /\'2,50; in prachtband /\'2,90.

*

„Losse bladen uit imjn Pastoraal book,quot; kan beschou wd worden als een vervolg\' op bet beroemde werk „De Pastorie van Mastlandquot;.

Oordeel van de Pers.

Met genoegen en stichting heb ik het gelezen, maar ook met bewondering voor den uitnemenden pastor, die uit deze bladen tot ons spreekt. Hoeveel ernst, kracht, toewijding en liefde werd in dien man openbaar. Hoe eenvoudig, maar hoe roerend tevens, deelt hij ons zijne ervaringen mede. - Ik zou wenschen, dat dit boek in handen kwam van alle predikanten en dat zij allen winste deden met wat de 86-jarige grijsaard uit zijne veeljarige ondervinding ons mededeelt.

Dr. van der Veen in hot Nieuw Bijbelsch Dagschrift.

De nagelaten Schetsen zullen niet minder zijn dan zjn welgelijkend portret, dat het boek siert, den waardigen grijsaard bij allen in aandenken houden. En wie hem niet kennen, mogen met hem kennis maken. Het zal niet berouwen.

B. in het Evangelisch Zondagsblad

ocr page 165
ocr page 166

toindnikkdii v;ui lgt;i; Rrvkx Loomjes H.-iarleni,