ocr page 1

PSALMEN

\\quot;

^ u

gt; i

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

HET BOEK DER PSALMEN.

ocr page 6

-

■—

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

0746 7313

ocr page 7

€gt;/

HET BOEK

DER

F © L M E N.

jSTaai* de berijming van 1773.

VIERSTEMMIG EN IN DEN OORSPRONKELIJKEN , RYTHMUS BEWERKT \'

VJU* (ZasJMJU JctrretO\'-t ^

gt;: Vgt;-*-tn Xuc l£J

DOOR

SAMUEL DE LANGE.

HOLIANDSCH-AFBIKA.ANSCHE UITGEVERS-MAATSGHAPPIJ v/h, JACQUES DÜSSEAU amp; Co.

Amsterdam—Kaapstad.

ocr page 8
ocr page 9

EENIGE OPMERKINGEN over de bewerking der Psalmen.

De opdracht, mij geworden, om de melodieën der Psalmen vierstemmig in den oorspronkelijken Rythmus te bewerken was niet zonder moeielijkheden. Bestemd om door de gemeente gezongen te worden, niet door een geoefend koor, moest ik muzikale moeielijkheden trachten te vermijden en wenschte toch aan de oorspronkelijke melodieën getrouw te blijven. De grootste moeielijkheid voor zangers is de juiste voordracht van Syncopen, (verplaatsing van het maataccent) om deze te vermijden heb ik de Syncopen, waar die voorkomen, in twee noten verdeeld en dit overal door NB. aangeduid. Een tweede moeielijkheid bij de uitvoering is de indeeling der triolen CS = 2). Deze was niet te vermijden. Mocht de uitvoerijfVg moeielijkheden opleveren, zoo kunnen de organjpeh, ^overal waar aange

geven is, twee gelijkffSnatcn nemen van de kleinere

soort. In de plaats vail: i \' komt dus: \' De kruisen heb ik behouden waar zij ter vorming van Cadenzen noodig zijn, de anderen heb ik laten vervallen, volgens het gebruik van den tijd, waarin de melodieën geschreven zijn. De door mij in de Psalmen bijgevoegde maatstrepen en daardoor ontstane maatindeeling zijn berekend voor de Hollandsche woorden. Het zou kunnen zijn, dat voor de Fransche woorden, op welke de melodieën der Psalmen gezet zijn, enkele rythmen eenigszins anders zouden moeten zijn, toch kunnen de afwijkingen slechts zeer gering zijn.

De door mij bijgevoegde Nieuwe Melodieën zijn

ocr page 10
ocr page 11

EENIGE OPMERKINGEN over de bewerking der Psalmen.

De opdracht, mij geworden, om de melodieën der Psalmen vierstemmig in den oorspronkelijken Eythmus te bewerken was niet zonder moeielijkheden. Bestemd om door de gemeente gezongen te worden, niet door een geoefend koor, moest ik muzikale moeielijkheden trachten te vermijden en wenschte toch aan de oorspronkelijke melodieën getrouw te blijven. De grootste moeielijkheid voor zangers is de juiste voordracht van Syncopen, (verplaatsing van het maataccent) om deze te vermijden heb ik de Syncopen, waar die voorkomen, in twee noten verdeeld en dit overal door NB. aangeduid. Een tweede moeielijkheid bij de uitvoering is de indeeling der triolen C3 — 2). Deze was niet te vermijden. Mocht de uitvoeripgquot; moeielijkheden opleveren, zoo kunnen de organjcjten, \'overal waar -\'quot;T^ aangegeven is, twee gelijkenoten nemen van de kleinere

soort. In de plaats vail: \'f?1 f ■ komt dus: \' *. De kruisen heb ik behouden waar zij ter vorming van Cadenzen noodig zijn, de anderen heb ik laten vervallen, volgens het gebruik van den tijd, waarin de melodieën geschreven zijn. De door mij in de Psalmen bijgevoegde maatstrepen en daardoor ontstane maatindeeling zijn berekend voor de Hollandsche woorden. Het zou kunnen zijn, dat voor de Fransche woorden, op welke de melodieën der Psalmen gezet zijn, enkele rythmen eenigszins anders zouden moeten zijn, toch kunnen de afwijkingen slechts zeer gering zijn.

De door mij bijgevoegde Nieuwe Melodieën zijn

ocr page 12

EENIGE OPMERKINGEN ENZ.

door de opdrachtgevers gewenscht. Het verwijt eenige zeer schoone melodieën (b. v. Ps. 24, 51, 130) te hebben willen verbeteren kan dus mij niet treffen. Ik heb de opdracht uitgevoerd en hoop in mijne compositiën te hebben gegeven liederen in den geest van onzen tijd en in overeenstemming met de woorden, waarvoor ze gemaakt zijn.

Omtrent de uitvoering wilde ik doen opmerken, dat de nieuwe melodieën op de gewenschte toonhoogte staan; de oude melodieën zijn voor het gemeentegezang berekend; wanneer deze laatste vierstemmig gezongen worden, zal het bij eenige wenschelijk blijken één toon of Ih toon hooger te intoneeren.

Hier volgt een opgaaf van de wijzigingen, die ik gemaakt heb of wenschelijk acht.

Ps. 7. De laatste 2 noten vóór de slotnoot, door NB, aangeduid, moeten waarschijnlijk lange noten zijn. —

IV, 83. Keg. 9. de NB. waarschijnlijk 2 korte noten.

Ps. 38. 2do en 5^ regel door mij gewijzigd om de Syncope te vermijden, staat aldus:

2 f I ! I ! !

O1 # 1 cl ïri 2. zeer te vree-zen

5. In mijn lij-den

Ps. 47. Kan, zoo de indeeling voor de Gemeente te raoeielijk blijkt, aldus gezongen worden:

3 !JJ j | J lt; J J J J enz.

Ps. 58. De eerste regel is waarschijnlijk bedoeld als volgt:

3 J;JJJ \' \'Jl_]_!l J enz.

O gij ver-ga-dering ge - ze- ten

Ps. 79. Waarschijnlijk moet de vóórlaatste, 9de, regel zóó luiden :

1 | I I I 11 I

\'t Ge - diert in hon-gers - nood

VI

ocr page 13

\\ eenige opmerkingek enz. vil

Ps. 84. Eerste regel is door mij veranderd, de oorspronkelijke Rythmus kwam mij voor den Hollandschen Tekst te zeer gekunsteld voor. De indeeling is:

3 Mil I I I -{ I I

Hoe lief-lijk hoe vol heil-ge ■ not, Ps. 85. Regel 2, waarschijnlijk aldus:

—I 1 J J J —! I eni\'quot;

Ps. 141 luidt de eerste regel:

3 I I I I I I I I I 11

dit heb ik gewijzigd. Evenzoo

Ps. 149, waar regel 5 en 6 de volgende indeeling hebben:

3 1 III l I I lil

é 4 é é *\'lt;=)

5. Dat Is - ra - ël met blij - den klank

6. Zijn mil - den Schepper loov\' en dank

In de 2(ic Berijming heb ik alle triolen gelijk verdeeld. „Bedezang na het Etenquot; heb ik de laatste 3 noten gewijzigd, zij staan zóó: i 1 1

Moge mijn werk aan de eischen voldoen en tot stichting der gemeente bijdragen.

S. de Lange.

Stuttgart.

ocr page 14

MUZIEKONDERWIJS.

In den „Tonic Sol Faquot; toonvorm worden letters in stede van noten gebruikt om do toonen aan te duiden. De grondtoon heet Do, de derde heet Mi, de vijfde So, de tweede Re, de vierde Fah, de zesde La, de zevende Ci; doch slechts de eerste letter wordt geplaatst, D. R, M enz. De octaaf lager wordt aldus geplaatst: D, R, M, en uitgesproken Do een, Re een enz.; de octaaf hooger D\', R\', M\', uitgesproken een Do, een Re enz. — Hier volgen nu de twee eerste regelen van Ev. Gezang 4, in beide nootvormen:

F-sleutel:

| s, | f?; r \\ rn : l, \\ r : d \\ c,; s, | /,; c, \\ d:m \\ r: — | 11

Op dezelfde wijze worden de letters gezet welke ook de sleutel zij waarin het muziekstuk staat. Doch verdere bijzonderheden zouden de studie van dit notenstelsel noodig maken, eene studie die eiken liefhebber van den zang sterk kan worden aanbevolen.

ocr page 15

Psalm 1.

Jonisch.

\\ \\~r \\ \\ r T * Tgt;

I I !

1. Wel - za - lig hij, die in der boo-zen

^k-.j=g=:=^r:i:fa=:±p=r-f^p I t—i I I I I r-

ii^3il=S^ËlÉi^N3É

^ ? I I f i I I I I I I 1

raad Niet wan-delt, uoch op\'t pad der zondaars

Éfr ra--^ —

staat; Noch ne-der-zit, daar zul-ken sa-mon-

I I I I I I I I _,__1__]•_-*-_lt;? . ^.T_é_t_* é

EEEfc»=tiz^»™ËEÖEÈEEEEE=ÈE

i 1 i i 1

i

ocr page 16

MUZIEKONDERWIJS.

In den „Tonic Sol Faquot; toonvorm worden letters in stede van noten gebruikt om de toonen aan te duiden. De grondtoon heet Do, de derde heet Mi, de vijfde So, de tweede Re, de vierde Fah, de zesde La, de zevende Ci; doch slechts de eerste letter wordt geplaatst, D. li, M enz. De octaaf lager wordt aldus geplaatst: D, R, M, en uitgesproken Do een, lie een enz.; de octaaf hooger D\', R\', M\', uitgesproken een Do, een Re enz. — Hier volgen nu de twee eerste regelen van Ev. Gezang 4, in beide nootvormen:

fi

F-sleutel:

| s, | rf .• J- | m : l, \\ r : d \\ c,: s, | l,: c, \\d:m\\r: — | d 11

Op dezelfde wijze worden de letters gezet welke ook de sleutel zij waarin het muziekstuk staat. Doch verdere bijzonderheden zouden de studie van dit notenstelsel noodig maken, eene studie die eiken liefhebber van den zang sterk kan worden aanbevolen.

ocr page 17

Psalm 1.

Jonisch.

1. p—

I

=2^-

I

i

I

b=5E

1. Wel - za - lig hij, die in der boo-zen

J-

-1-

-gj rgt;-

±b.

I

I

raad Niet wan-delt, noch op\'t pad der zondaars

! I I 1 I

;—:

=fs:

É

,Hhrh---1----h

quot;1—1-r—n

-:--:--;---f—i

\' J J:

N J J -]

IT- pa

1

staat; Noch 1 |

r r

ne- der-zit, daa

1 1 1 1 » ■*

; -r •

i i 1 \' zul-ken sa-men-

1 1 1 1 é é é 4

-ö-^\'--f—

2i^_|,_3—^—-s,-

. -*~^r -•-•---h—

-2-^—

ocr page 18

Psalm 1.

1 1 I

rot - ten, Die roe - ke - loos met

CV. U-p ^

-J-i —=—

F-TTJ—j—

1 1 J ^—

_ o

--1--

^--•-—

-a-m-

?—lt;«—= --1-

^ I I • I I p r I ~

, God en godsdienst spot-ten; Maar\'sHee-ren

III III

J J j V J J f ^

T-f—. a ^ —=S— 1 I

1 I r f 1^1 1

wet blij - moe - dig dag en nacht Her-

II J 1 ! J I

^ — -±. cL — amp;

^ 1 ■gt; j |« 3E ^quot;quot;1 —_g :

^=t=EEE^::

l

2

1---In

--1—i—I—n

----jn

\\-*-J 1

^ r f

deukt, be-]

J 1

-amp;--lt;Sgt;—

1 1 )einst en

1 I

r r - ^

1 1 i i ij - ve - rig be-t

1 1 1 -*■ é J ai

—amp;-

racht.

B: b o »

-rJ-rï—-

—n--a-amp;---

quot;~g—:

12^2 -^

rs

-i-lt;s—

^P—F 1-fc

ocr page 19

Psalm 2.

2. Want hij zal zijn gelijk een frisschs boom, In vetten grond geplant bij eenen stroom.

Die op zijn\' tijd met vruchten is beladen, En sierlijk pronkt met onverwelkte bladen: Hij groeit zelfs op in ramp en tegenspoed; Het gaat hem wel, \'t gelukt hem wat hij doet.

3. Gansch anders is \'t met hem, die \'t kwaad bemint, Hij is als kaf, dat wegstuift voor den wind;

Geen zondaar zal \'t gewis verderf ontkomen,

Als in \'t gericht door God wordt wraak genomen: Hij, die van deugd en godsvrucht is ontaard. Zal niet bestaan, daar \'t vrome volk vergaart.

4. De Heer toch slaat der menschen wegen ga. En wendt alom het oog van zijn gena

Op zulken, die, oprecht en rein van zeden. Met vasten gang het pad der deugd betreden; God kent hunn\' weg, die eeuwig zal bestaan,

Maar \'t heilloos spoor der boozen zal vergaan.

Dorisch. Psalm 3.

1.

—-25--rs---m---w----m---m--m---w—

2. I

^ f r t f r t f r f \'

gt; I - - -

—1-1--i--1--

-j * J j

i/ • i. V

P •gt;

1 1

1. Wat drift beheersclit het

1 1 1

ï ^ f 51

1 1 1 1 woe-dend hei - den-

1 1 1

d

-1 J -J -1

^---2—j®1—

—#-é---5—

. \' t -

\' - . - f

dom. En heeft het hart der vol - ken in - ge-

I J I I I I i i l

--—r—1—f—r \' i 1

11 1 1

3

ocr page 20

4 Psalm 2.

no-men

1 i

k

... J-jk

f ? De

1

_ ^—

■•■ 1 ■•■l

1 1 1 ! ko - nin- gen ver-

l 1 1 1

rs • ! :

r r ^ r

hef-fen zich al-

rH=^n

r? r-quot;quot;

Èt=r=ir-y

4. J Laatste vers.

om; De vorsten zijn ver - me-tel saamge-ko - men,

I | | I I i | J £ J ü ^ ± V i J J J

^7--^ —f I* -—-•-0----m

^ I 1 r I f 11 f I

Om God, den Heer, zelfs naar de kroon te

I -*• J II I I J J-

rv--0T-m--*--^-•g\'T-»\' » ;-

gjijgi EiEi^igEgi; f—e - 1 f) p-i—^-c-i-

6.

hg------

: ,, s -i .-4 —i

/d

-1—

i

;i H ;-»

V / -n

• S f» S\' .

r r ^*

ste - ken. En te - gen zijn\' Ge

1 J I 1 I

_■»■ amp;-__J ■•• n»__I

-^L—- - E:--j3, z

p I -t—g=j=f-f *

ocr page 21

Psalm 2.

Se

_ ^

Zl2~

I

-0-P-•-

zalf-de op te staan. Zij spieken saam; »Laat

i

amp;

M

3=tz

h-2-gt;—»-

I

ons hnn ban - den bre - ken,

r—r:

:

^ i ^ V

T

En

I I

I

I

r 2

i I

van him juk

i J J

en

1

3

r rr-ff

ton - wen ons ont- slaan.«

l-—J—W—ö

I


f1

o

Nieuwe melodie.

-t-

-r.-

UT I I I I I

Wat drift be-neerscht het woe-dend hei - den-De ko - nin - gen ver - hef - fen zich al-

Psalm 2. 1.

■•I

I

^ i:

i

^ quot; n-\'

i gt; i

ocr page 22

6 Psalm 2.

^T^rr=f^^P:r-r£rT—9

dom, En heeft het hart der volken in - ge - no-men? / om; De vor-sten zijn ver-metel saam-ge - ko-men, )

I V I I i I I I ! I I

i

•_

1

1

i

•_

.J

H—s

«i1 i \'k .

-r—^F-f-

-f—F-

i—S- -: -

0-±--Sgt;--^p-f quot;/«-J—gt;-gt;----#-0-

~ I 1 I ! f 1 Y I \'

Om God, den Heer, zelfs naar de kroon te ste-ken, En I ^ II I I I I I II

_t amp;-_g ^ j J_J_J_J . ^ __

r——r1 f ^ f--d

te - gen zijn\' Ge - zalf - de op te staan.

1. ^ i J I 1 1 h I

—-m-0—u» ^--amp; —é^--0-0-----

^E^==v=^—^^=\\:^r^r_^zi=z

Zij spreken saam: «Laat ons hun banden bre-ken,

V =r^zi:----J ——!—|-d:^5=--^-zzd

ocr page 23

8.

Psalm 2.

7

Laatste vers.

• I r r

En van hun juk en tou-wen ons ont-slaan».

I. h I I ill I \\ ±. ± i. ±.

i

\'^4

•J: ^ * r

^ l~l

•—P--Sj-T»-

I rr-rf-f

leer, InHem hun heil,hun hoogst geluk beschouwen,

it

ng

«7

Eg

zM

« •

T-r

r i

i

Die Zi - ons Vorst er - ken - nen voor hunn\'

JS_J_Ar-J^__^-r-l__

E£__

t1

u

SifelEEÉ

-P=

ocr page 24

8 Psalm 2.

s^r-f—rr-r 7^5-7^

Heer! Wel - za - lig zij, die vast op

_ 11 J.—J___I__1_____i _

®^i—i t r r

Hem be - trou - wen!

2. Maar d\' Opperheer, die zijn\' geduchten stoel Op starren sticht, en grondvest op de wolken, Zal lachen met dat vruchteloos gewoel.

En spotten met den waan der dwaze volken.

God zal zijn wraak ontdekken voor hun oogen;

Straks gloeit de lucht door \'t vlammend bliksemlicht; \'t Is God, die spreekt; Hij dondert uit den hoogen. En jaagt den schrik zijn haatren in \'t gezicht.

3. «Durft gij bestaan te twisten met mijn kracht? Zal nietig stof mij \'t hoog gezag ontwringen. Of weerstand biên aan mijn geduchte macht?

Ontziet mijn\' toorn, verdoolde stervelingen!

Gij zult vergeefs mijn rijksbestel weerstreven:

Mijn Koning is gezalfd door mijn beleid;

Hij, door mijn hand op Zions troon verheven,

Heerscht op den berg van mijne heiligheid.quot;

ocr page 25

Psalm 2.

Pauze.

4. En Ik, die Vorst, met zooveel macht bedeeld. Zal Gods besluit aan \'t wereldrond doen hooren. Hij sprak tot mij: »\'k Heb heden U geteeld: »Gij zijt mijn Zoon; Gij zijt mijn eengeboren. Zeg vrij uw\' eisch; Ik zal uw macht verhoogen, Opdat uw naam alom ontzaglijk zij;

Het heidendom ligg\' voor uw\' stoel gebogen. En \'t eind der aard\' erkenn\' uw heerschappij!

5. Uw ijzren staf, die al hun macht verplet.

Maak\' hen eerlang eerbiedig\' onderzaten, En noodzaak\' hen te buigen voor uw wet,

Of sla z\' aan gruis, als pottebakkers vaten!« 0 Vorsten! wilt de wet der wijsheid hooren, Eer gij God zelv\' en zijn\' Gezalfden hoont: 0 Eechters, tot den stoel der eer gekoren! Verdraagt zijn tucht, die u zijn liefde toont.

6. Vreest \'s Heeren macht en dient zijn majesteit; Juicht, bevend op \'t gezicht van zijn vermogen. En kust den Zoon, van ouds u toegezeid,

Eer u zijn toorn verdelg\' voor aller oogen; U op uw\' weg tot stof doe wederkeeren. Wanneer zijn wraak, getergd door uw gedrag, U, onverhoeds, zou door haar\' gloed verteren. Tot staving van zijn lang gehoond gezag.

7. Welzalig zij, die, naar zijn reine leer,

In Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen; Die Zions Vorst erkennen voor hunn\' Heer! Welzalig zij, die vast op Hem betrouwen!

9

A

ocr page 26

10

Joniacli. Psalm 3.

„a \'•_________________,_j ■ i 112-,

1. Hoe vrees - lijk groeit, o God! Het

---ij--1—J—! —J-

0^-=f^f^=i===^h-r—

M__J____J|3.______

^ m i \'i ! r r r r r f r

saam-ge-zw o-ren rot Der-genen, die mij drukken;

! I I I I ii lil

■gt;-h . ■ . *|\' .quot;t. . , 4 I

r I 1 1 I

^ r ^ r r f r r\' ^ r r

Zij ma-ken niet al-leen Den opstand al - ge-

I I i I I I I 1 —ij----J—J—J-r-J---g-,-*•-*• * j—,

„U_116. ______________7.

r r r r r f r f

meen. Om mij mijn kroon font - ruk-ken; Maar-

„ i i ; i i i i i r=q-rtt-ör-5-\'-d--# i lt;g-i—t-- —é-

---±==^===: -3=^-J%=i

—ff-^z=p=b#-*-g=d=gr^z:ï=^E3

! I I 1 i I

ocr page 27

18.

Psalm 3.

r I I I I I 1 1 I .

ve - len doen van mi], Hoe bit-ter ik ook

I J J . 1 I I J J J

=1--r

i—5-

1—r

11

ü

Wt

t-r

§4

10.

1

r r

f r f

lij\', Nog de - ze smaadtaal hoo - ren: »God

I , I I I I

9.

-?r-

I

---* -»___i-F=--j=^

ai

J_

-g=±=t

r

J , J-

I _j. .

-1--•-•-a---

i \' \' gt;

/5 -

•

i i r r

zal hem nu niet

11 i 1 1 1

r r

meer Ver

i J

r r ^

los - sen, als wel-

J 1 \' J

fvft-!--m-•-a—

J ®

• • • -

1-

------

=t-\' . •- :

i 12.

p

■rr

— \' r

eer; Hem is geen heil be - scho - ren.»

I

i J.

-r ^

I

U-J-

EfEEEÊ

ocr page 28

Psalm 3.

2. Maar, trouwe God! Gij zijt Het schild, dat mij bevrijdt,

Mijn eer, mijn vast betrouwen. Op U vest ik het oog:

Gij heft mijn hoofd omhoog, En doet m\' uw gunst aanschouwen, \'k Riep God niet vruchtloos aan; Hij wil mij niet versmaan,

In al mijn tegenheden;

Hij zag van Zion neêr, De woonplaats van zijn eer, En hoorde mijn gebeden.

3. Ik lag en sliep gerust.

Van \'s Heeren trouw bewust, Tot ik verfrischt ontwaakte\'

Want God was aan mijn zij\'; Hij ondersteunde mij In :t leed, dat mij genaakte.

Ik zal, vol heldenmoed,

Daar mij zijn hand behoedt. Tienduizenden niet vreezen; Schoon ik, van alle kant.

Geweldig aangerand En fel geprangd moog\' wezen.

4. Sta op, verlos mij. Heer!

Gij hebt, o God! weleer Getoond voor mij te waken.

Mijn haters onderdrukt.

En mij \'t gevaar ontrukt; Gij sloegt hen op de kaken. Verbrekend onverwacht Hun tanden door uw macht; \'k Heb d\' overhand verkregen! Gij, Heer! alleen. Gij zijt Ver winnaar in den strijd.

En geeft uw volk den zegen.

12

ocr page 29

13

Aeolisch. 1.

Psalm 4.

1

ver - hoo - ren,

m

r i 1 r r r

1. Wil mij, wanneer ik roep,

|

J J ^ ♦

SÏ

I I

0 God, die i

iË

j

d=^-

i i r r 1

mij-ne rechtzaak redt! Gij

♦ -£

■ë


i—rrquot; r-f r r

hebt in angst mij hulp be - scho - ren,

I

I

I

J-

gp

amp;

4.

\'\'r\'~T

En mij doen gaan in rui-me spo - ren:

I \'l i J J i i k,

r=F-

-^r

a _é ^ — — — — J I

-M

=M=f=

ocr page 30

Psalm 4.

, r^rY f H5 r r

Be-toon ge - na; hoor mijn ge - bed. Wat

s^ké^éf^^mé

---L-J-p=4-l—I--p-p [ I--^

„lil II \'\'•

—*----•---1--—m--I-quot;^1-!4-ir- i~quot;l

---T__~\'S\'-—~ \'--^---^ H

W-•-•-?-=?:—0-«------5=d

I i I I Tquot; r r 1

moogt gij, man-nen! toch be-gin-nen? Zal

_J * ^ J J i__I__L__

^ f f ^ I T f f I

steeds tot schan-de zijn mijn eer? Zult

y-\'f

gii dan d\'ij-del-heid be - min-nen, En,

J J j J i -i ^ i J

14

ocr page 31

10.

Psalm 4.

15

swEm

\'i r 1 r 1

t\' ee-ne-maal beroofd van

I I I ! I

\' -j-J T \'

i

s

----g- -

zin - nen,

T

De

I

1

4J=


» » —•

I 1 0 1 I

I

1

I

leu

I

-•

gen zoe - ken, keer op keer?

iS

—ïïï—

2. Herinnert u, gij roekeloozen!

Dat zich de Heer een\' Gunstgenoot Heeft afgezonderd en verkozen,

Hij doet mij nooit van schaamte blozen, Die, ais ik riep, mij bijstand bood.

Zijt gij beroerd, ontsteld, verlegen. Zoo zondigt niet; verzaakt uw\' wil; Spreekt in uw hart; herdenkt uw wegen. Op \'t eenzaam bedde neêrgezegen; En weest in all\' ontmoeting stil.

3. Dan zult gij recht naar \'t outer treden. En offren God een rein gemoed.

Het offer der gerechtigheden,

En \'t zuivre reukwerk der gebeden: Betrouwt op Hem, want Hij is goed. Daar velen twijfelmoedig vragen: «Wie zal ons \'t goede toch doen zien?« Doe, Gij, 0 Heer! na \'t angstig klagen, Ons \'t lieflijk licht uws aanschijns dagen, En wil uw rijke gunst ons biên.

ocr page 32

Paalm 5.

4. Gij hebt m\' in \'t hart meer vreugd gegeven, Dan andren smaken, in een\' tijd Als zij, door aardsch geluk verheven, Bij koorn en most wellustig leven, In hunnen overvloed verblijd.

Ik zal gorust in vrede slapen.

En liggen ongestoord terneêr:

Want Gij alleen, mijn schild en wapen. Schoon \'t onheil schijnt voor mij geschapen. Zult mij doen zeker wonen, Heer!

Psalm 5.

Dorisch. 1.

I

—i-

r r ! i i i r i i

1. Neem, Heer!mijn ban - ge klacht ter oo-ren;

16

| |

-^r t ^ ^ * quot;

—J-

- 3 | quot;- ö

y r-f r r r

Zie als\'t aan woorden

J i ! 1 1

r r

mij ont

J j

f r

- breekt, Wat

J amp;

tA; „ quot;

0 \' • •

• o P -F -

y J ——^

tt==\'=r^r

-VL-- 1--

d\'o - ver - den - king in i i j i ^

mij spreekt;

i J

3EEE

£

3È

ocr page 33

Psalm 5.

17

I

\' 1

waar - dig

I J

I

SËS

r

uit \'s he - mols ko - ren,

I

i

P

1 1 stem te

r ftquot;

-rr -?£■

r

ho1.- *

Mijn

real

-J-

iËs

-ö-


f)

Nieuwe melodie.

! I

Psalm 5.

1.

ö:

-F—\'

T

P

1. Neem, Heer! mijn ban - ge klacht ter oo-ren;

II I I J ^ I I I 1 1 J ë é

« » 7—I--\\Tr~ \' gt;

\'j I

SiEEÉit

2.

—J-q: -

—1 1 —j i-

quot;I-

^-J-

~

1

Zie,

1

r r

als\'t aan

i 4

1 • \' 1 woor - den mij ont-

i J i i

Tquot;

breekt,

A

R: b—12-

-Ï--j—

-H-P-f-

--1—

• 1-1-[--

-1-

ocr page 34

18 Psalm 5.

j—JIJ J I r-=Ff^=

Wat d\'o - ver - den - kitg in mij spreekt;

J J I I ! I I I

r: b—) ü» ■ \' -

--

ï-—h—

—^-n

—|-=-

-1-

zr-

_4—éT

—s?—d—^—

i • f i-

-5=r

- fS-i

Ver-

1

i i 1 i waar-dig U, uit

J i 1 J

i r

\'s he-mels i 1

k r

ko -ren,

-1 i

C|^_L--1—,•-•--!•-

—1-1—

g—H- i

Jy---^ r ^

-f--1--i-

, |

--1----

^ -d\'

--

—amp;----

J ^

Mijn

1

r

stem te

J J

hoo

amp;

r

reo.

nJ

H -1

2^=\' 1- -

-amp;-

-1-1-

—amp;---

—f

2. Sla ieder zucht, mijn hart ontgleden, Opmerkend ga; schenk mij \'t genot Uws heils, mijn Koning en mijn God! Ik zal tot ü, met mijn gebeden,

Eerbiedig treden.

3. Ik zal, door ijvervuur aan \'t blaken,

0 Heer! bij \'t scheemrend morgenlicht. Mij stellen voor uw aangezicht; Oprechte boezemzuchten slaken, En biddend waken.

ocr page 35

Psalin 5.

4. Gij, die geducht zijt in vermogen, Verdraagt de goddeloosheid niet; Gij zult, o God, die t al doorziet! Den boozen voor uw heilig\' oogen.

Geenszins gedoogen.

5. Wie zinloos, zonder \'t overwegen Wat hem betaamt, tot U durft gaan, Zal voor uw aanschijn niet bestaan; Gij haat, en staat hun billijk tegen,

Die onrecht plegen.

Pauze.

6. Gij, Heer! verdelgt den logenspreker. Hij, die zijn hand met bloed bevlekt. En gruwlen met bedrog bedekt.

Tergt, als de snoodste wetverbreker.

Den hoogsten Wreker.

7. Maar mij ontmoet uw mededoogen:

Ik zal, uw woning ingeleid.

En, naar \'t paleis der heiligheid In ware godvrees neergebogen.

Uw gunst verhoogen.

8. Leid mij in uw gerechtigheden.

Om mijn verspiedren wil, en richt Uw wegen voor mijn aangezicht:

Dan zal ik veilig voorwaarts treden,

Met vaste schreden.

9. Al \'t recht is van hunn\' mond geweken; Zij leggen \'t op verderven toe;

Hun keel is nooit verslindens moê; Hun tong tracht vleijend, ons door treken Naar \'t hart te steken.

10. Draagt Gij, o God! hen nog geduldig? Verwoest hunn\' raadslag; drijf hen heen, Daar z\' uwe wet zoo stout vertreên. Zij tergen U te menigvuldig:

Verklaar hen schuldig.

2*

ocr page 36

20 Psalm 6.

11. Maar geef uw\' dierbren gunstelingen,

Wier geest in U zijn sterkte vindt,

Wier hart uw\' naam oprecht bemint, In U volvroolijk op te springen.

En blij te zingen.

12. \'t Rechtvaardig volk zult Gij beloonen,

Terwijl Gij, Heer! hen overdekt,

Hun tot een veilig schild verstrekt.

Gij zult goedgunstig hen bekronen.

Ja, bij hen wonen.

Aeolisch. Psalm 6.

TT -amp;r i. i- -J2. JÖ i- c- amp;

f I 1 f f 1^1 I

1. O Heer! gij zijt wel - da - dig;

-^ —P

5J=-t-h—i—f f f

Straf mij niet on - ge - na - dig,

r T i i r i r

In u - wen toor - ne - gloed. Ai!

»*- r-1! \'J * : j I , J -■ J-I

ocr page 37

Psalm 6.

21

gt; ff- ..—•-■-d--1—-

^ r r r r

ma - tig uw kas 1 i i

r f

- tij - den; i |

_—i— ?-

r

Sla i

\'\'ff

-1 -1 Ti

L

Lr=H

-t , • -

—r1 6.

^ r 7 r~r

mij met me - de

. ^ J J J

— amp;-1----d-

f r i

lij - den, Ge-

I -J j |

^\'r—t r—M

• f-4 amp;—

-v—r—r

I

I

r

lijk een va - der doet

:lê

rETEE^

2. Vergeef mij al mijn zonden, Die uwe hoogheid schonden; Ik hen verzwakt, o Heer! Genees mij, red mijn leven; Gij ziet mijn heendren beven; Zoo slaat uw hand mij neêr.

ocr page 38

Psalm 6.

3. Mijn ziel, gansch neêrgebogen.

Schrikt voor uw heilig\' oogen, In dezen jammerstaat:

Hoe lang zal ik nog klagen? Hoe lang uw gramschap dragen? O Heer, mijn toeverlaat!

4. Keer eindlijk, Heer! toch weder;

Mijn ziel buigt zich ter neder: Ai! red haar van \'t verderf;

Sla mijn ellende gade,

Tot roem van uw genade.

En help mij, eer ik sterf.

5. Want wie kan, na \'t verscheiden. Op aarde meer verbreiden

Uw grootheid en uw lof?

Wie zal uw gunstbewijzen, In \'t zwijgend graf, ooit prijzen; U zingen in het stof?

6. Uw strenge geeselroede

Maakt mij van \'t zuchten moede, Verteerd geheel mijn kracht;

Ik voel uw slagen klemmen,

En doe mijn bedde zwemmen In tranen, al den nacht.

1. Mijn oog is rood gekreten, Van tranen uitgebeten.

Verouderd en doorknaagd;

Daar ik, in mijn ellenden.

Door al mijns vijands benden Verdrukt wordt en gejaagd.

8. Mijn ziel grijpt moed! wijkt, boozer! Vlucht van mij weg, godloozen! De Heer heeft mijne klacht. Met toegenegen ooren,

Genadig willen hoeren.

En al mijn smart verzacht.

22

ocr page 39

Psalm 7.

9. De Heer wild\', op mijn kermen, Zich over mij ontfermen; Hij heeft mijn stem verhoord: De Heer zal, op mijn smeeken, Geen hulp mij doen ontbreken; H j houdt getrouw zijn woord.

10. Hij zal mijn haters weren, Hen straks terug doen keeren. Beschaamd en vol van schrik; Zijn grimmigheid, aan \'t blaken. Zal hen te schande maken.

Zelfs in een oogenblik.

23

Hypodori

zfizi- %

Psalm 7.

3cb.

—i--1---!--1--1--l—i

i 1 l|2\'rn

ip-3—^

~j—J-*-j—•—gt;

■ ^ --lt;5-Ö ^

-j®*quot;1

1. 0

1

11 ^

• » r r • r

ii 1 i i 1 leer mijn God, vol - za - lig

1 i i ! !

r f f

we - zen! \'kBe-

J J J

—F-

-•-

f • é 9 9

1-

5 # ^ i- ■

3=

_(amp;--1---

4- -^

-*-«!—l--1---I--T---1--1--

•

fa \' 0 • -I • 0

—TJÓ---1---1-

i f r 1 r r

trouw op U, wien zou ik

n i 1 1 J !

f-f f vree-zen! Red

J 1 J

--a--J---5---

^^ -

——ï—F—r—¥—T^-

--f51-

—r—i

ocr page 40

4.

Psalm 7.

24

r^-

=r=

r i i r

mij hulp - vaar - dig uit den nood,

I I i I I I

I J .i i J. i .s

—

-(S-

I

Eer

I

_eL-

*

^^|=] . i =r -

—1

—i—

ih t • s « ^ s»

____

^ r—r ^r 1 T

mij mijn vij - and breng\'ter

•L ♦ A i JÉ. J

1

dood;

1

•e*

Geef

1

JS.

B:5 * i* gt; ■

-

^ r 1 \' r |-

._f5

-F-

]—-!-

r

II6.J

\'JSZ.

r-r

, 1 1 1 I (

mij ten roof niet in zijn han - den, Die

l i

I

aj

.

i

i j

-r—

I

W

l

l

i

I

l=d=

mij, met fel - le leeu-wen - tan - den, Ver-

I I 111,1

•_J.__I_1_±._•___J___^

4-

T

ocr page 41

Psalm 7.

25

=2=3-

1 I

Bchen-ren

IÜ

zou

I

^ J

m

2:

F1 I

door wond op

» -i-

I ! I

I

—^—

I

wond,

I

Wan-

I

WLz3z

zSz


NB.

—3-

• r

-•

, , r 1 1 1 1

neer ik geen\' ver - los - ser vond.

|

J- -i

1

Sta op, o Heer! wil mij behoeden; Uw gramschap straff mijns vijands woeden; Ontwaak voor mij, en keer \'t geweld; \'f Gericht hebt Gij zelf ingesteld.

ocr page 42

Psalm 7.

4. Zoo zullen zich geheele scliaren Van volkren om U heen vergaren;

Beklim dan, boven dit gewoel, Uw\' hemeltroon, uw\' rechterstoel.

De Heer zal al de volken richten,

En \'t onrecht voor het recht doen zwichten: Geef dan, o Heer! dat voor elks oog Mijn recht en vroomheid blijken moog\'.

Pauze.

5. Laat toch het kwaad der goddeloozen Een einde nemen, straf de boozen;

Maar sterk uw volk, dat hulp behoeft. Gij, die elks hart en nieren proeft.

Laat vrij voor U mijn vijand vreezen.

Voor ü, rechtvaardig Opperwezen!

Bij U, mijn Bondgod! is mijn schild.

Die \'t vroom gemoed behouden wilt.

6. God, die op \'t recht zijn\' troon wil stichten, God is rechtvaardig in zijn richten,

En toont zijn gramschap dag aan dag: Bestrijdt de mensch zijn hoog gezag;

Blijft hij zich tegen Hem verzetten;

God zal zijn glinstrend wraakzwaard wetten; Hij kromt en spant alieê zijn\' boog, En dreigt met pijlen van omhoog.

7. God heeft de waapnen aangegrepen,

Tot \'s vijands wissen dood geslepen:

Hij legt de pijlen op hem aan;

Wie hittig woedt zal niet bestaan:

De booze wringt en kromt de leden, In arbeid van onzinnigheden;

Hij gaat van dwaze moeite zwaar;

Verwacht dan, dat hij leugen baar\'.

8. Hij heeft een\' diepen kuil doen delven,

Maar \'t was, bij d\' uitkomst, voor zichzelven. Schoon hij, met zooveel loos beleid,

Dien had tot mijn verderf bereid.

26

ocr page 43

Psalm 8.

De moeite, die hij dorst verwecken, Zal zijnen kop eerlang bedekken, En zijnen schedel al \'t geweld, Waarmeê hij andren had gekweld.

9. Ik zal het eeuwig Wezen prijzen, Zijn recht de schuldig\' eer bewijzen. En zingen \'s Allerhoogsten lof. Met psalmen, tot in \'t hemelhof.

Dorisch. 1.

i

Psalm 8.

jr

1. Heer, on - ze Heer, groot-mach-tig op - per-

27

J I i i £ ^ ♦ i I

4:

t

2.

we - zen!

Hoe

op

EÉÈ

^v:

—r—i—f—

wordt uw naam

J J i

T~r-r~r

aard\' a - lom ge - pre - zen!

I I I I IJ

3.

i

T»-

i

I

ocr page 44

Psalm 8.

28

fes

i

,3b. 0 --tJ

—é-•-1—

----1-

----

— ---^

-2- d- i é

v 1 0A

i i r i

die den glans van

J 1 1

r r 1 f

u - we ma - ies

1 1 1

1. 1 - teit Hebt

1 !

tZV5-*--amp;-(g—

J 0 1 ^

^ ^ m F\' f\' -L-«-^--1-

quot;quot;

-1--A-q-ö»-

-2 amp; X #—

- r r -

-\'—J—lt;?-

=1^

---1--1---1--

w-^

3 é-d-1-!-

tr-j»—r

bo - ven

J fjJ

-

i 1 lucht en

1 J

r r ^

heem-Ien uit - ge-

i i J J

1

breid.

-d-

........ .

1 _—-I

^----

-lCr-

1 ^

-3-. r r r^\'

Psalm 8.

Nieuwe melodie.

-gt;—3--1---

----j—

-[--j--ö»-

—Ö\'Ö\'-■amp;—

1 i 1. Heer, on - ze

J 1

■p

Heer, groot-

r r 1 1

machtig Op - per-

1 l 1 J

Bi-3—^—zJ—H-

^ ■

■ P-0-g *

J i t=f=f=i

t=:

\' -?-

i

r

i

we - zen! Hoe wordt uw naam op

fd--

--

-

(S\'-«—

--»--Squot;-

^-

—f--

-É=

- 1

ocr page 45

3.

Psalm 8.

r r r

aard\' a - lom ge - pre - zen!

I I J

—I-1--^

-f~v

29

i

1

3-:

:P

Gij, die den

4.

3

r

r

T

\' r

Hebt bo - ven

J j J

glans van u - we ma - jes-teit

I I I I I

JS1\' * 0 * ^

-— m T~—# ! --\'■--

f

%L-

P

uit - ge - breid.

^ J ^

lucht

en heem-len

I , ^

2. Uw mogendheid heeft sterkte willen gronden Uit kindren, ja uit zuigelingen monden;

Zoo breekt uw hand des vijauds boos geweld, Daar Gij zijn\' haat en wraakzucht palen stelt.

3. Sla ik naar \'t ruim der heldre hemelbogen. Dat heerlijk werk van uwe vingren, d\' oogen; Zie ik bedaard den glans der zilvren maan, En \'t starrenheir, door U geschapen, aan:

ocr page 46

Psalm 9.

4. Mijn God! wat is de mensch dan op deez\' aarde! De broze mensch! hoe klimt hij tot die waarde, Dat Gij aan hem in zooveel gunst gedenkt,

En \'s menschen zoon uw teerste liefde schenkt!

Panze.

5. Gij deedt hem wel, een weinig tijds, beneden Het englenheir een\' rang en plaats bekleeden; Maar hebt hem ook uw rijkste gunst betoond, En hem met eer en heerlijkheid gekroond.

6. Gij geeft hem, wijd. en zijd in alle landen, De heerschappij der werken uwer handen.

Ja zet en aard\' en zee voor \'s menschen zoon. Door uw gezag, ter voetbank van zijn\' troon.

7. Waar schapen zijn, of ossen in de weiden;

Waar eenig vee op bergen zij of heiden;

Waar \'t wild gediert\' ook zweiV in woud of veld: Gij hebt het al in zijne macht gesteld.

8. Wat vooglen door den ruimen luchtkring zweven; Wat visschen er in stroom en beken leven;

Eu wat de paan doorwandelt van de zee:

Zijn hoog bevel deelt hij aan allen meê.

9. Heer, onze Heer, grootmachtig Opperwezen! Hoe billijk wordt uw groote naam geprezen! Hoe heerlijk rolt, uit aller vromen mond, Die groote naam door \'t gansche wereldrond!

30

Dorisch. Psalm 9.

—

—^ 1 1 -J-q

(i^-3 -Iquot;:

—---^

—0—0-d^—

1

1. Ik

1

-J-a-amp;--

1. 1 •• zal met al mim

J 1 ! J

—•-0-lt;Sgt;-1©—

i i r i

hart den Heer, Blij-

J J J J

cv 0 -

* 0 amp;—

^ -3- -

h f ^

—0—!jf—i---

L_t—i--Ö—

ocr page 47

Psalm 9.

-

—1i

-t--1--

- --4--J-1-1-

—*--#-4-aH-

~s) quot; -

-«-

J , r

moe-dig j |

^ i — n$gt;.

1 1 f 1 ge - ven lof en

i J 1 1

r r

eer; Mijn

1 |

t \'j; —-agt;-

—iï—J--lt;S-s*-

—«s---lt;5-

-f-

—1 • «-

1 ~ p-

ill

^-r r r-f f-rf i f f r

tong zal mijn gemoed ver-zei-len, En al uw

I I I J I I I I II.

—i---——l

|-

^5^—---0-d-m-0—

- j-3-:

1-

- r f f r

won-de - ren ver

IJ 1 H

Sf r

tel - len.

J ,

-Y .. \' \' •

■ - 4-

J 2 • * •

L_ia—J--

Psalm 9. Nieuwe melodie.

_1-______ 2.

^ p- f ^ i i r r r r-

1. Ik zal met al mijn hart den Heer, Blij-

rp-r—-JT-J g | ^ —j-

^^amp;;^e?^J=e=seêsêê=

II I j i

31

ocr page 48

Psalm 9.

moe-dig ge-ven lof en eer; Mijn tong zal

__J._J J_J J kJ J_^-r—^_J_

—1—4

—I--1~

—i--

—i--1—

éf-t -

—^---

*5

—amp;-l-

—si-amp;-

f M

mijn ge -1 ^

| r

moed ver -

1 1 amp;

zei -

1 ^

1

len, En

J !

— ^

1 1

al uw

| |

Cl (Sr

g « :

H ^—r=£=.

lI|I-

- f :

quot;t— -

\' \'

won - de

| |

r r

ren ver

, |

TT

- tel -

i

3quot;

1

len.

|

t

--z)—

—a--1—

——J—

M-Tü—

-rt--^

« ■

_ö*--

--(2-

--

2. Ik zal in U, mijn God! van vreugd Opspringen, in den geest verheugd: Uw naam zal door mijn psalmgezangen, 0 Allerhoogste! lof ontvangen.

3. Omdat mijn vijand, hoe geducht, Teruggekeerd is en gevlucht;

Hij is, schoon stout te veld getogen, Vergaan, gevallen voor uw oogen.

32

ocr page 49

Psalm 9.

4. Want, naar nw allerheiligst recht,

Hebt Gij mijn twistgeding beslecht;

En, op uw\' hoogen troon gezeten,

Deedt Gij, o Reciitei ! \'t vonnis weten.

5. Gij scholdt de heidnen keer op keer, En wierpt de goddeloozen neer;

Hunn\' naam, hunn\' roem hebt Gij vertreden. En uitgedelgd in eeuwigheden.

Eerste Pauze.

0. 0 vijand! hebt gij door uw macht \'t Verwoesten voor altoos volbracht?

Hebt gij de steden gansch bedorven? Is haar gedachtenis verstorven?

7. Neen, dwaas! uw hoop zal ras vergaan. Maar \'s Heeren troon zal eeuwig staan;

Dien wilde Hij onwrikbaar stichten, Om naar het heilig recht te richten.

8. Hij zelf zal aan het wereldrond

Het recht doen hooren uit zijn\' mond; De volken voor zijn vierschaar stellen. En daar \'t rechtmatig vonnis vellen.

9. De Heer zal zijn een hoog vertrek Voor die getrapt wordt op den nek; Een hoog vertrek in drukkend lijden; Een toevlucht in benauwde tijden.

10. Hij, die uw\' naam in waarheid kent. Zal, Heer! op U in zijn eilend\'

Vertrouwen, wijl Gij nooit liet zuchten Hen, die geloovig tot u vluchtten.

Tweede Pauze.

11. Zingt, zingt den Heer, die eeuwig leeft, Die Zion tot zijn woning heeft;

En laat voor aller volkren ooren. Met psalmgezang zijn daden hooren.

33

ocr page 50

Psalm 9.

12. Hij zoekt en Hij gedenkt het bloed, Gestort in wrevlen euvelmoed:

Hij toont der armen nood te weten, En zal hun kermen niet vergeten.

13. Bewijs, o Heer! uw\' knecht gena; Sla mij in mijn ellende ga;

Zie, hoe mijn haters mij verdrukken, Gij, die mij wilt den dood ontrukken.

14. Opdat ik. Heer! U, blij te moe,

In Zions poorten hulde doe,

En in uw heil, te allen tijde,

Met Zions dochter mij verblijde.

15. De heidnen zijn, door waan misleid, Gestort in kuilen, mij bereid;

Hun voet verwart zich in de netten. Die z\' in \'t verborgen voor mij zetten.

Derde Pauze.

16. Thans is de Heer bekend alom.

Door recht te doen bij \'t heidendom: De goddelooze raakt in banden, Verstrikt in \'t werk van zijne handen.

17. De stoute zondaars zullen snel Te rugge keeren naar de hel,

Met al de godvergeten benden

Der heidnen, die zijn wetten schenden.

18. Nooddruftigen vergeet God niet.

Noch laat hen eindloos in \'t verdriet: \'t Ellendig volk mag op Hem wachten; Hij zal hun hoop niet steeds verachten.

19. Sta op, o Heer! en laat den mensch Zich niet versterken naar zijn\' wensch; Maar oordeel Gij in \'t wraakgerichte. De heidnen voor uw aangezichte.

4

ocr page 51

Psalm 10.

20. O Heer! jtiag hnn vervaardheid aan,

Eu doe de heidenen verstaan,

Dat zij, die Zions rampen wenschen,

Geen godon zijn, maar broze menschen.

Dorisch. Psalm 10.

^ r r r r r r f r i

j (Waar-om, o Heer! blijft Gij van ver - re j Beangst, verschrikt, schier door don druk ve:

___I _J___| J_ I _J I_ I_^

--__pz^T_p---pzic_p-F-[--^

2.

fa e) v ë • \' •-

vu rs ri. a » m Q

J \\ 1 r i i ,i

staan? Waar - om ver-bergt Gi. gaan? De trotsohaard, diugoo

■J- J- i | . !

U; daar wij ge-- loos de deugd ver-

J i J J

!

i

i

i • lt;

%%

1

3—P—»—^--^1

i

t t= r p-

- \' i

Ai------L|---,5,--

■ „ J 1

-t---1

fo: ^ -Ü—-

11

t

1

• _

■ J -

J pi

1

haat, 1 smaadt,)

v -J- —,

■--ft—

J

Ver —si—

--#-0------1

1 i . r r ■

1 1

- . volgt uw volk in

■)■ t -- :

1

—^ —

. t—:

r \' •

ocr page 52

36 Psalm 10.

^----^

f=^=3^

^ T r r r

zij - nen ja ra - mer-

, J j ^

-agt;-«s^

1 1 staat. Dat

J .....J-

tf r~r

hen\'tbe-ihiit, tot

è is ^=3

^ .i -----•-^ ^

1 i

a-

—1- »--^—

--

f ( r r r-r 1 r

ons ver - derf ge - no - men In\'t

9: .. j—J J-j-f-j--\'lzr==é=3

^r^^^rTTrwf^

war-net breng\', en schieliik om doe ko - men.

J i «U i 1 1 i 1 ,

2. Want op zijn\' wensch beroemt zich \'t godloos rot; Het zegent vast den gierigaard, en spreekt Tot laster van den allerhoogsten God;

Terwijl \'t verwaand den neus omhooge steekt,

En in zijn hart geen onderzoeking kweekt;

Maar koestert deez\' onzinnige gedachten:

«Daar is geen God; geen loon noch straf te wachten.»

ocr page 53

Psalm 10.

3. Zijn handelwijs baart altijd smart op smart; Terwijl zijn oog naar straf noch oordeel ziet: En, daar hij stout uw hoog gerichte tart,

Blaast hij met smaad op al wie weêrstand, biedt. En zegt in zijn gemoed: »ik wankel niet,

«Terwijl ik van geslachte tot geslachte,

»0p mijnen weg, geen tegenspoeden wachte.«

4. Zijn mond is vol van vloek, bedrog en list;

Zijn tong bedekt de moeit\' en \'t zielsverdriet; Zijn boosheid is met valschen schijn vernist; In hinderlaag, daar niemands oog hem ziet. Verbergt hij zich, valt ijlings uit, vergiet Onschuldig bloed; hij weet van geen erbarmen. Maar sluit zijn oog voor \'t bitter leed der armen.

Pauze.

5. Hij loert, en houdt zich in het donker schuil, Gelijk een leeuw, die in zijn hol zich zet;

d\' Ellendigen verrast hij uit zijn\' kuil;

Hij heeft zijn\' klauw en tanden scherp gewet. En trekt zijn prooi in \'t dicht belommerd net; Hij buigt zich, duikt, en ijlings toegeschoten. Valt d\' arme hoop hem in de sterke pooten.

6. Hij vleit zich, dat de Godheid dit vergeet\'. Het aangezicht verberg\', niet gadesla.

Noch immer zie der armen nood en leed.

Bewijs, o Heer! d\' ellendigen gena;

Betoon, dat U hun smart ter harte ga:

Sta op; verhef uw hand, om hem te straffen. En raad en hulp den armen te verschaffen.

7. Waarom ontrooft de lasteraar Gods eer?

Wat vleit hij zich, dat God het niet aanschonw\'? Gij ziet het toch, waarheen hij zich ook keer\': Want Gij merkt op de moeite, smart en rouw. Opdat men \'t U in handen geven zou. Op U verlaat zich d\' arme; zou hij vreezen? Gij immers zijt een trouwe hulp der weezen.

ocr page 54

Psalm II.

8. Fnuik Gij, o Heer! der goddeloozen kracht; Verbreek hunn\' arm; dat U de boozc ducht\'! Zie neêr in toorn op dit ontaard geslacht,

Opdat het nooit uw streng gericht ontvlucht\', Maar ete van zijn werk de bittre vrucht.

De Heer zal tocli als Koning eeuwig leven: Het heidendom is uit zijn land verdreven.

9. 0 Heer! Gij wilt, door goedheid aangespoord. Den wensch van uw zachtmoedig volk voldoen; Gij zult hun hart versterken naar uw woord. Verdrukten door uw godlijk recht behoên,

En U, ter hulp van arme weezen, spoên;

Opdat een mensch, uit nietig stof geboren,

38

Niet voortga door geweld de rust te storen.

m

Psalm 11.

I I\' J I I

13

£

i-J 2 y-l

J r

Hoe

J

1 i zegt gij

J J

-0-0—--quot;--ff»—1

r 1 1 f 1 1

trotsch tot mij in mijn verc

J 1 ! J J

L_^-amp;—

l 1 Iriet: »Nu 1 1

—a-S----Z-0---m

2—rf-

-i^f

^ r r -r r r

■ amp;

ocr page 55

Psalm 11.

laatsto vers.

|^ZLh_-

r-TM i rirr

ij - lings heen! nu naar\'t ge - bergt go - vlo-den,

J

ii

-J-J-

i

4.

J-

-2-J—J—0=$*

quot;-A_ff--A_

—g:- .

.1 I 1 1 1 • 1

Ge - lijk vol angst een schu-we vo-gel vliedt!

39

i

-2—W-

i

J-A.

Ié

I

-—-s\' quot;3-f

« :-2-

5.

; • • ,

nr r r

i i i i i j i i ♦ i -Men ziet den boog door godde - loo - zen stel - len;

I I I I I

± ~ ± J. J.

J

ZSr.

amp;—g1-

rrf r f

I

Men spant de pees,men schikt den pijl, en schiet. Om

i i J III J J J J i

\'-g1-

r r

r

TT-

-=5- -»-1—

m

f

ocr page 56

Psalm 12.

1quot; -2 . =iq

j—j j -f-

--i

■ 1 i i on-ver-wacht d\' o

J J—J J-

)• m i ?

1.1 -)rechten neer te

m \\ M

vel-len.

1

quot;==11

r r r 1

f-H—r-fd

2. Dus wordt gewis, in \'t veilig samenleven, De grondslag van \'t vertrouwen omgerukt.

Wat heeft het volk, \'t rechtvaardig volk, misdreven? Maar d\' Opperheer, voor wien al \'t schepsel bukt,

Ziet van zijn\' troon oplettend naar beneden;

Hij, die nooit duldt, dat d\' onschuld word* verdrukt, Proeft elks gedrag, zelfs met zijn oogenleden.

3. D\' alwijze God beproeft wel eens d\' oprechten. En tuchtigt hen; maar elk, die \'t kwaad bemint, Die met geweld zijn naasten durft bevechten,

Blijft steeds gehaat, tot hem de wraak verslind\'. God heeft alreeds der boozen straf gezworen;

Straks dalen vuur en strikken, wervelwind

En zwavel neêr; die kelk is hun beschoren.

4. Rechtvaardig is de Heer in al zijn\' handel:

Hij, die in \'t recht zijn welbehagen vindt,

40

Slaat gunstig \'t oog op aller vromen wandel.

Psalm 12.

ocr page 57

Psalm 12. 41

2. . ill 3-

$==£=4-^=^==J==^==^=--I

fa \' £ S3 J_sEz-z \'---—

Sz--ei---0—0——37 «—_—s,—amp;—^^ _J

I i I f I I r i I If

Daar\'t volk ontbreekt, dat liefd\'en vreê betracht, De

II , ■

_J -#■•*■ J__J J J J |L I J

i rff i r r r i 1

trouw bezwijkt, en\'t klein ge-tal der vromen Nog

I I I | | | I I I i isl

llE^E^È:ÉE^Err^;:=e^Ei

1 I 1 1 1

^ iL l\'

II I | C ^ iSk •#■

1 1 I I i

\' klei-ner wordt in \'t men-scho - lijk geslacht.

Psalm 12. Nieuwe melodie.

I t \'Si\' U ^ V U I * 0 1. Be-houd, o Heerlwilona te hul-pe ko-men,Daar

_i i h / ^ J I ^ h

t 1 p g (—

ocr page 58

éü Psalm 12.

^ J. N

faMl T-i

f ?

a«—

x4z——0—•-m—•-»-J

l t ï ^

t\' volk ontbreekt,dat liefd\' en ^ ^ /

^ D r r

vree betracht,De h h i-

r r

trouw be-

J

* P

- -J

-U—

L/

•,i •; gt; m—I—«•.-lt;i

vb—

-r¥

i

r

I u 1

z wij kt, en\'t klein ge - tal der vro-men Nog LAÏA A_L

4:

Ji=3f

■^i i. i r

i 1 r i

• - \'

——i---

-fj-.-f-m--1---

•• • • ^

U J 1

klei-ner wordt in \'1 N lï 1 1

u u 1 1

mensche-lijk ge

1 J

-j»-

slacht.

\'-i: •: • • •

—0—0—0--

-^•1 * i -

•-a-• f—

—h-•-1--!--

i :

2. \'t Is al bedrog en valsclilieid, wat zij spreken: De vleierij, een bron van bittre smart.

Glijdt van de tong als vloeiend\' oliebeken;

Zij spreken niet dan met een dubbel hart.

1

De trotsche tong, wier grootspraak elk verdriet.

ocr page 59

Psalm 13.

4. Die zeggen; »wij, wij zullen zegepralen «Met onze tong, zij staat in ons geweld; »Wat oppermacht zet onze lippen palen;

gt;gt;Wie is de heer, die ons de wetten stelt?»

5. »Oindat mijn volk verwoest wordt en verdreven; «Omdat het kermt, nooddruftig treurt, en zucht, «Zal Ik, zegt God, Mij nu ter hulp begeven, «En drijven, die hen aanblaast, op de vjucht.»

6. Des Hoeren woord is rein, en al zijn spreken Is zuiver, als het allerfijnst metaal:

Nooit is het schuim van \'t zilver zoo geweken, Schoon in den kroes gelouterd zevenmaal.

7. Gij zult uw volk, in bange tegenspoeden,

Hoe \'t ga, o Heer! bewaren door uw kracht: Uw arm zal hen in eeuwigheid behoeden,

Voor dit verdraaid en wrevelig geslacht.

8. De booze keurt zich vrij van alle banden. En draaft rondom, terwijl hij t\' land beroert:

Daar \'t snoodste volk de teugels krijgt in handen. En tot den top van eer wordt opgevoerd.

Psalm 13.

Dorisch.

1. 2.,

43

—---—

—\\—

--1—

- 1

=4—

—-1--1—

—r-w-m—

i-

-0-

eJ

tr ~é.

Tquot; r

1. Hoe lang,

1 !

f r r

0 Heer, mijn

1 1 J

p

1

toe

j

r

- ver -

I

r t

laat! Ver-

i quot; 1

•-V--Ti--ö—

—#—

•

—0—

o——-

gt; ^ P

-p—

F

-\\gt;0—

f

-r t—

-1-

l_I—

T—r

1

F-

ocr page 60

Psalm 13.

i r r.

geet Gij mijnen jam-mer-staat?Hoe lang zult Gij, in mijn el-

44

i

f

i rT

AJ-JJ j—j-j-AA

I I

X

■g—Jeeee^E^

-amp;ZZZtl^2.

t ff r r ff\' r f^f

len-den, Vanmij uwvriendlijk aan-schijn wen - den

$

i J J I I , I I 1 1 J J

m

-2---

TT rn^ifTquot;

al mijn moed en kracntver - gaat?

Daar

Ü

^3E

Nieuwe melodie.

Fi

n* r^r f t «T\' -p ^ T

1. Hoe lang, o Heer, mijn toe - ver - laat! Ver-

Psalm 13. 1.

I

e=É

I , J J j , j ; / J J

i

ocr page 61

Psalm 13. 45

lt; geet Gij mij-non jammerstaat? Hoe lang zultGij, in

mijn el-len-den, Van mij uw vriend\'lijk aan-schijn

i r i f ^ f r f ^

wenden, Daar al mijn moed en kracht ver - gaat?

^L±i^g=4=4=l | ^ ^ i^rzn lg-T-f

2. Hoe lang zal ik, door tegenheên,

In \'t hart vergeefs ontwerpen smeên, En vruchtloos schreien gansche dagen?

Hoe lang zal mij mijn vijand plagen,

En mij verachtelijk vertreên?

3. Aanschouw mijn ramp, verhoor mij. Heer!

Ai! zie op al mijn lijden neêr;

Verlicht, mijn God! verlicht mijn oogen,

En laat uw goedheid niet gedoogen.

Dat mij de slaap des doods verteer\'.

ocr page 62

Psalm 14.

4. Opdat de vijand, die mi j haat,

Niet juieh\' in mijn bedrukten staat, Mij nooit van God verlaten noeme. Noch in mijn wanklen zich beroeme. Dat mij hun overmacht verslaat.

5. Maar, in dit smartelijk verdriet. Mistrouwt mijn hart uw goedheid niet; Neen, \'t zal zich in uw heil verblijden. Ik zal den Heer\' mijn\' lofzang wijden. Die mij genadig bijstand biedt.

Psalm 14.

4G

:2- f—

J J

I

É

3.

m

f t \' rT

is geen Goi.quot; Zii dooven\'tliehtder re •

III

r

de, jsL

de, En

I J 4 J Jill J

zmw.

ü

gt; □ j- -I

i ~i IJl. p

. =t;

É \' • ^

-quot;-si-

p-r r ^ ma-ken zich, dooi

J 1 1 1

--*-A--f*-----

ff i i i r

gru-we - lij - ke ze-den

J J ^ J , J J

r

Af-

—J—*—s-j

_ 0- - -—^ ^-(---_-p—

^ f , -r—r.--

|_r-- -•

ocr page 63

Psalm 14.

schuwelijk; daar isgeenraensch,diegoedOpaardedoet

M I I J I LI J I I .\'i —----2--•-fc—\'—. -3-1—quot;----S

--^=pt=Pf=^f—P-

2. De groote God, die t recht verdedigt, sloeg Van \'s hemels troon zijn oogen naar beneden Op Adams kroost, doorzocht hun hart en zeden; Hij zag, of zich geen mensch verstandig droeg.

En naar Hem vroeg.

3. Hij zocht alom, maar ach! Hij vond er geen:

Want alle vleeach is trouwloos afgeweken;

Het land is vol van stinkende gebreken;

Geen sterveling wil \'t pad der deugd betreen;

Ja zelfs niet één.

4. Heeft dan dit volk, dat groeit in euveldaan.

Geen kennis? neen! thans duiven die ontzinden Met gulzigheid mijn volk als brood verslinden; Zij roepen, op hun godvergeten paan.

Den Heer niet aan.

5. Daar valt de vrees hen aan, en breekt hun kracht. En pijnigt hen met doodelijke nepen;

Zij worden door vervaardheid aangegrepen:

Want God is bij \'t rechtvaardige geslacht.

Dat op Hem wacht.

6. Gij spot vergeefs, beschimpende den raad Van \'t arme volk, dat, midden in d\' ellenden.

Naar \'s hemels troon gewoon is \'t oog te wenden. En zich, in zijn\' bedrukten jammerstaat,

Op God verlaat.

47

ocr page 64

Psalm 15.

48

li 2.

7. Och daalde \'t heil uit Zion spoedig neer Voor Israël! als God zijn volk nit lijden En banden redt, zal Jakob zich verblijden, En Israël al juichend geven d\' eer Aan zijnen Heer.

Psalm 15.

Mixolydisch. 1.

r

r f r i

1. quot;W ie zal ver-kee-ren, groo - te Grod! In

J i

I

d

E

SË

3.

-J-

4-

i

-f-r

r-r^

kro - nen

Met

i r r

u - we tent? Wien zult Gij

iü

-1-

m

-J-J-

J

I

ö::

I

I

zulk een onwaardeerbaar lot, Dat hij, bij\'t heuglijkst

i i J J i ,

\'»-\'gJquot;

■F.

£

r

J

0

ocr page 65

Psalm 15.

49

m

n

—g^-

T-

r

gunst-ge-not, Uw hei-lig Zi - on moog\'be - wo-nen?

I

J

i

I

4-

I I !

Nieuwe melodie.

Psalm 15. ii 1.

EEEJ

I

I ■ ■ I i r I r I

1. Wie zal ver - kee - ren, groo - te God! In

JA

f-f-f-

i

i

Met è

ii - we tent? wien zult Gij kro - nen

I

4=^

1 r r I ■

zulk een on-waar-deerbaar lot, Dat hij, bij\'t heuglijkst

I I I I I I \'

4 u \\ a a , \\ \\ \\ \\ \\ \\

£

f

m

m

ocr page 66

Psalm 15.

^^-r-i r^^f-r f-jr- r • ^ r

gunsfgenot, Uw heilig Zi-on moog\'be-wo - nen?

Mil

„ ~ J. ± J. ! I ! I I i k, I ^~i —«=• \' .. • • ^ zpiriziz::

-H—quot;S---

2. Die in zijn\' wandel zich oprecht

En wars betoont van valsche streken; Zijn aandacht aan uw wetten hecht;

Zich op de deugd niet ijver legt, En waarheid met zijn hart blijft spreken.

3. Die met zijn tong niet achterklapt;

Geen kwaad doet aan zijn metgezellen; Niet in het spoor van laster stapt;

Maar, zoo men iemands eer vertrapt.

Dien smaad wil hoeren noch vertellen.

4. Wiens oog verworpenen veracht.

Maar hen eerbiedigt, die God vreezen; Die zich voor roekloos zweren wacht, Doch \'t geen hij zweert getrouw betracht, Al zou \'t hem ook tot schade wezen.

ö. Die nooit zijn geld op woeker geeït; Die, d\' onschuld en het recht genegen. Het oog op geen geschenken heeft: Wie dus oprecht en deugdzaam leeft. Zal nimmer wanklen op zijn wegen.

50

ocr page 67

51

Hypo-Aeolisch. Psalm 16.

1. ,

\'^ v quot;1—i--|--|—\'

ELj*\'; ^*—g-\' *

T i f \' f r 1 f f

1. Be-waar mij toch, o al - vei-- mo-genfl

T—j—J-)—\' ^ J—, 2.

^ i- f r f f r t r

God ! \'k B\'jtroivw op U,sclionkhulp, ver-hoor mijn

--F-p1^—p—i—Fj—f—p1

-G-—{-1 ———j-r---H-r--------

smeeken. O mij-ne ziel! gij hebt vrij - moe - dig

II I I I i i J I I i

--rj—g=^=g=q

I 1 i r 1 i r

4. I

W-ÉF^-^FW-* _\' ^ l -

i i i i r i 1 i 1

tot Uvv\'GodenHeer,u\\v\' Bondgod,dur-ven spre-ken:

i*

ocr page 68

5.

Psalm 10.

ir-i1

I

Gij

% e

rii

zijt de Heer; ik

r-J J-J J.

rr r r

zal U nooitver

r r

-za - ken,

d—±

- (S.-

L- fH—

6._______I NB._

r r T rTquot;

Of-schoontot U mijn goedheid niet kan ra - ken.

J i j J i i Ji

52

1

Ik zal den Heer, die mij getrouwen raad Gegeven heeft, met psalmgezangen prijzen.

Daar \'t godlijk licht mij toestraalt vroeg en laat.

Mijn nieren zelfs bij nacht mij onderwijzen,

Ik stel dien Heer gedurig mij voor oogen;

Zijn rechterhand zal nooit mijn\' val gedoogen.

ocr page 69

Psalm 17.

5. Daarom heeft zich mijn kwijnend hart verblijd; Mijn tong, mijn eer, zingt godgewijde toonen; Ook zal mijn vleesch, thans afgesloofd, ten spijt Des vijands, in den grafkuil zeker wonen. Gij zult mijn ziel niet in de hel vergeten; Uw Heiige zal van geen verderving weten.

(ï. Gij maakt eerlang mij \'t levenspad bekend, Waarvan, in druk, \'t vooruitzicht mij verheugde; Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend,

Schenkt mij in \'t kort verzadiging van vreugde; De lieflijkheên van \'t zalig hemelleven Zal eeuwiglijk uw rechterhand mij geven.

Phrygisch.

Psalm 17.

112\'

quot;d—1-1 i

i

1. \'t Be-

1

■»

Tf—f®~

P «—.J

i r i i

haag\' U, Heer!naar

gt; \' i i l—^ • -:

^ ^ J

r r r r

mijn ge - bed, Ge-

1 r n

4-—--t-

schreien goe-de zaak te hoo-ren: \'kVer

• iijiiJi J

53

ocr page 70

54 Psalm 1quot;.

quot;5 8

—ai--1--1-h

---0-gt;5)--1 -

---1

-----lt;V.-^

■quot;—-—amp;—

- r r

moei met geen bec

lil\' IJ «i

i r r^rr

rog tiw oo - ren

i 1 | 1 ■*■ é UJ «

i

Dat

i

lt;c

c»: i7 • pJ

- - -«g 4—

......... ...... .

2=fc--r=*^

laatste vers.

i i- a f p T p f

I ! 1 1 I 1 I 1

heeft mijn lip - pen niet be - smet. Vei

! *i I I

m ^

, T T ^ n

-r)

^■Ti21—

r*

- F-F

amp;

? fc- , l~ ■

—i-1-

- h -

1 1 • \' i. ,, I , j I i J

/ gun mij dan mijn klacht t ontvouwen: Laa

a. I i-g—J—-^| 4

I I r 1 1

^rrt1 \\ T -?

« vuor uw hei - li^ aan - ge - zicht, Mijn

_I_1_I a _ö.__l.J_ i_

____f--g==g--

^-1^—F-F--f r

ocr page 71

, Psalm 17.

55

r r r f r

recht ge-steld zijn in het licht; Uw oog de

^T vf r r

J

I ^

I22ZÏ

Ë

r* I

i

1 I

IK

s

|3

Nieuwe melodie.

Psalm 17. 1.

1

Ge-

I

ge

1. \'t Be-haag U, Heer! naar mijn

bed,

I

J

-f®-

\'gt; 1 ^

=F=T

schrei en goe - de

I I -t i

*--==

—.«•---2-n--sp I» ♦

m

I 1 ttl zaak te hoo - ren:


ocr page 72

3.

Psalm 17.

4-

EÈEÉ

0 0 0

III

56

I

t-

\'k Ver-moei met geen be-droguw oo - ren,

i J i J i

gÖE^E

laatste vers.

-4-

»—0-

rr=r^:

rquot; r t

Dat heeft mijn lip-pen niet be - smet Ver-

J ^ i I J J J . J

4.

5.

±

=t

I

-^—p*-

Trf rr \' T f r\'r r 3

gun mij dan mijn klacht t\' ontvouwen: Laat voor uw

1 i i i i i I i 1

SJ=3

g

rr

hei-lig aan-ge-zicht, Mijn recht ge-steld zijn in het

i J ^ J i „ i I l 1 J

mêéê$é*$è^é^é

--1—---1—|—rj—,——t--

r

p ^

ocr page 73

Psalm 17.

7? U ^ - j J \'

1—J 1^, Jl . .JL-ti

Wr quot;F

licht; Uw

^

^r^r-rr

oog de bil-lijk-heid aar

r

TifT1^

-schou-wen.

J J-

2. Gij toetstet mij bij dag en nacht;

Gij vondt mij trouw, in vreugd of smarte; De mond sprak steeds de taal van \'t harte, Door beiden is hun plicht betracht. Wat ook de zondaar aan moog\' vangen. Ik heb voor zijn afschuwlijk pad Een haat, een afkeer opgevat;

Ik gruw van zijn verkeerde gangen.

3. Ik zet mijn treden in uw spoor,

Opdat mijn voet niet uit zou glijden; Wil mij voor struikelen bevrijden,

En ga mij met uw heillicht voor.

Ik roep U aan, \'k blijf op U wachten, Omdat G\', o God! mij altoos redt; Ai! luister dan naar mijn gebed.

En neig uw ooren tot mijn klachten.

Pauze.

4. Maak uwe weldaan wonderbaar,

Gij, die uw kindren wilt behoeden

Voor \'s vijands macht en vreeslijk woeden. En hen beschermt in \'t grootst gevaar. Wil mij uw\' bijstand niet onttrekken; Uw zorg bewaak\' mij van omhoog;

Bewaar m\' als d\' appel van het oog; Wil mij met uwe vleiiglen dekken.

57

ocr page 74

Psalm 17.

5. Zoo zoeken mij vergeefs, o God! De boozen, die mij fier omringen,

Mijn haters, die mij stout bespringen. En juichen om mijn nadrend lot. Zij zijn met vet als overtogen; Hun mond is vol van hoovaardij; Hun list en macht omsinglen mij; Zij daiken, loerend met hun oogcn.

6. Geen leeuw is heeter op de jacht; Geen jonge leeuw kan, in zijn kuilen. Met meerder list het oog ontschuilen. Dan hij, die mij ter prooi verwacht. Beschaam het aangezicht dier boozen; Uw grimmigheid veil\' hen ter neer; Bevrijd mij met uw zwaard, o Heer! Van \'t snood geweld der goddeloozen.

7. Eed mij van hen, die \'t ruim genot Der wereld voor hun heilgoed achten; Geen deel, dan in dit leven, wachten, En maken van den buik hunn\' God; Van hen, uie weelde, schatten, staten, Hoe rijk, hoe nitgebreitl, hoe groot. Verliezen moeten met den dood, En hunnen kindren overlaten.

8. Maar (blij vooruitzicht dat mij streelt!) Ik zal, ontwaakt, nw\' lof ontvouwen, U in gerechtigheid aanschouwen. Verzadigd met uw godlijk beeld.

ocr page 75

59

Psalm 18.

Hypo-Aeolisch.

^ „ n

—i i -iq

-q

—.—•-

~2-—é-•--—*--

J

1

Inleiding. Nil

1. \'k Be

amp;

-f—

1 1 ! 1 zal mijn ziel, nu

trouw op God; Hi

1 1 J 1

—«rri

\\

ztil-len al mijn j is mijnschildin\'t

J i J

—Ö- ^

—amp;■-%■-#—^- -ÏÏ—•—•-----

^-p:

f r 1 r \' 21 iquot; f r—

quot;in

-i r. i—i i —

{rf *

. quot; - 3 # • g -\'X :

i i zin - nen,

strij - den,

i-J

—--1---»-•--f---

f 111 I

0 God, mijn sterkt\'! ü Dc hoorn mijns lieils, mijn

J J J ^ i

-—--S1—

- -^--

^u-r i c

V 1 1 I 1 T 1 I

har - te - lijk be - min - non. Mijn

hoog ver - trek in lij - den: \'k Aan-

ocr page 76

Psalm 18.

60

I

steen-rots, burg en riep den Heer,wiens

J i i J_

r

. r

hel - per is de lof mijn harp ver-

i

I


4.

amp;

zhfc

f ^ r r f 1 1 i

Heer, Mijn God,mijnrots,mijn za - lig-heid,mijn meld. En werd ver-lost van \'s vij-ands boosge-

1

f

i J i.

i

j-

3E±

I

ÊE3^|

;—*—^*

Dedoodbrachtmij, ge-boeid, in na-re

eer. weid.

jAA

üj

j

ZSC=Z

^ -2-f-

ocr page 77

Psalm 18.

^ ) j—1—^ ^

61

f/TV ^ ^ ^

r fr

stre-ken, Bij Be-li-als vcr-

J J * J J

^ • #

\' r r r

schrik-ke-lij-ke

J J jf,

-h-f—1--

laatste vers. 7#

-1-1—

4

—fi--1--1--1-i-

- r

3 \' • J- J--J-

J

be - ken;

J J

-1—

Een 1

JZgt;

r- a— 1 ! 1 1 hel - sche band was

i i

CHrfc»-—-

sy r „

--lt;5-—

3- . —j»

^ r r r r f P

om mijn heup ge - hecht, En

(?

^-----1

u r r 1 i

door den dood mij

J J J i

| 1 1 ^ strik op strik ge-

11 A 1

amp; legd.

J

Cu-U—^---

—r—sgt;-—fsJ

1 , . »

—F—•-—F—i—J

ocr page 78

62

Psalm IS. Nieuwe melodic.

Psalm 18.

—1-p-1----

i

-^-

—h.

=4 3=

-r* i

Inleiding. Nil

v. i. \'kBe-

-5 ^

1 i zal mijn trouw op

1 | a

T \' ff

ziel, nu zul - len God; Hij is mijn

^ J i

■«s»- F

1

al mijn schild ia \'t

_ J J

—i-

sv m-^r—f-i-t—^

Laathto vors: Daar-om, o Ileci\'! Zill 1.

ik U

be-

r~s-1 1—3 i

=1 -

Wï i- \' -

0 V

—• -gt; -1

zin - nen, 0 strij-den. De

J J 1

r f r ^

God, mijn sterkt\'! U hoorn mijns heils, mijn

J J J J

r r

har - te hoog ver-

I I

F—=]

-------1--L_1—

1 . f. .

L -1---r_i_p—i J

wij - zen; Bij \'t hei - den - dom uw\' naam eer-2.

J J i J J J J J -

bie - dig prij - zen Met psalm - ge-zang, daar \'t

ocr page 79

Psalm 18. 63

-1-—i-j-jh

-•--)——[--i

W; \' r \'

. f—f ■ Ü

—J---]_

^ 1 i

hel - per is de lof mijn harp ver-

^ J J

11 Heer, Mijn God, mijn meld, En werd ver | 1 1 1 J fquot; 1* J

1 r

rots, mijn lost van , 1 1 ■amp;\'

ë - P-

amp; ^

^ -t—\'r t .

—s---i-^—

-1---1-

hart door wordt ge -

raakt. Hij heeft het 4.

heil zijus

Ei

X5-

t-

.

i r i r I r r v r r

za - lig - heid, mijn eer. d. c.

\'s vij-ands boos ge - wold. De dood bracht mij, ge-

i i - - ^ J J, J J—J-

ko - nings groot gemaakt. ^

volgt slot v. h. laatste vers.

1 i i i r i r i p i .

boeid, in na - re stre-ken, Bij Be - li - als ver-

i J i J J ^ ^ * 4.

\'Pff

j=d=iiv

-4=i=

t:

-V-

6.

i

fe

§

*

ocr page 80

64 Psalm 18.

ij J J j —[-f-j—J -I

schrik-ke - lij - ke be - ken; Een liel - sehe

J J • - 1 J J

it,: \' : \' -i.*\' i

band was om mijn heup ge - liecht, P^n

I h I 1 [ j. ^ 1

i^rtttwwy1

door den dood mij strik op strik ge-legd.

I , i : .1 II

Ill; 1 J ! 1 ,

• 0 • 1

--«L-—----

r

^ r r F—

—F

---^-J

-

Slot van liet laatste vers.

Hi)

J

r 1

wil zijn

i

bequot; ;

j j

gunst aan

1 |

-

—«--#--—j

i i i r

zijn\' Ge - zalf - do

j J J J

c*; -

——i-#—

—0-:---s.--j.--

gt; -

T~M::

-Mr-T—P—

ocr page 81

Psalm 18.

li\' lJ -

W 7 y :

TT

schen - ken;

RT—g—é~\\

CS

1

Aan

i—f—P—fquot;—

Da - vid en zijn

^ ^ ^ J—n • - »

^ r—^

- i-----F

\\-

---1-J-«H

i—?5l-

—;—- l

-1-n

-amp;-gt;5—

—^--

«/ ! 1 1 . na-kroost eeu

i j J-

^

wig

J

—f den

L_^2-IJ

ken.

i-

öf-quot;--\'-^5—H

---

r

---J

U=JJ

2. \'k Riep tot den Heer, in \'t midden dier ellenden, Tot mijnen God, opdat Hij hulp zou zenden;

Mijn klaagstem drong tot in zijn troonzaal door; Aan mijn geroep gaf Hij in gunst gehoor.

Toen beefde d\' aard\', al golvend als de baren; Het hoogst gebergt\' werd op zijn grondpilaren Beroerd, geschokt, gerukt uit zijn gewricht,

Door \'t vreeslijk vuur van Gods ontvlamd gezicht.

3. Een dikke rook ging op, waar Hij zich keerde, Uit zijnen nens; het vuur zijns inonds verteerde. Stak kolen aan, en wat Hem tegenstond;

Hij boog het zwerk, en daalde neêr; de grond, Waarop Hij trad, was, in het oog der volken, Gansch zwart, door dichtopeengepakte wolken; Zijn wagen was een Cherub; ja gezwind Voer Hij en vloog op vlenglen van den wind.

65

ocr page 82

Fsalm 18.

Eerste Pauze.

4. In zijne tent, rondom Hem zoo vol luister,

Hield hij zich schuil, verborg zich in het duister Door wolk op wolk, met kracht te zaam geprest. En opgehoopt in \'t bruine luchtgewest.

Zijn gloed ontbond der wolken vaste banden;

Toeu daalde vuur en hagel op de landen; De donder klonk door gansch den hemel heên; God gaf zijn stem, en \'t vuur viel naar beneên.

5. Hij deed vol kracht hen voor zijn pijlen zwichten; Verschrikte hen door bliksemschicht op schichten. De diepste kolk droogd\' op een oogenblik.

En \'t hart der aard ontblootte zich van schrik. Wanneer Gij scholdt; uw adem, fel ontstoken, Deed dus, o Heer! en land en water rooken. Hij zond mij hulp; Hij nam mij, op mijn beè. En trok mij uit een groote jammerzee.

6. Ik werd verlost van \'s vijands legerscharen, En \'s haters hand, wijl zij te machtig waren. Men viel mij aan ten dage van mijn smart;

Maar toen was God het steunsel van mijn hart; Hij trok mij uit, en bracht m\' in ruimer wegen; Want Hij had lust aan mij, zijn\' knecht, gekregen; De Heer vergold mijn onschuld naar het recht.

En schonk mij \'t loon, den reinen toegezegd.

7. Want \'s Heeren weg heb ik getrouw bewandeld. En niet godloos met mijnen God gehandeld:

Ik hield gestaag zijn rechten in het oog.

Terwijl zijn wet mijn ziel tot deugd bewoog. Ik werd oprecht en vroom bij Hem bevonden; Ik wachtte mij zorgvuldig van mijn zonden;

Dies liet mij God ook naar mijn recht geschiên. En heeft in gunst mijn onschuld aangezien

Tweede Pauze.

8. Hun zijt Gij goed, die goedertieren handlen; Oprecht bij hen, die in oprechtheid wandlen; Gij houdt U rein bij hen, die rein zijn; maar Verkeerden toont Gij U een\' worstelaar;

66

ocr page 83

Psalm 18.

Want Gij verlost het volk, door druk gebogen;

Maar werpt ter neêr, die groot zijn in hun oogen. Door U, o Heer! geeft mijne lamp haar licht;

Mijn God verdrijft den nacht uit mijn gezicht. 9. Ik kan met U door sterke benden dringen, Met mijnen God zelfs over muren springen. Des Heeren weg is gansch volmaakt en recht, Doorlouterd, rein en trouw al wat Hij zegt.

Hij is een schild en schutsheer voor den vromen; Voor die tot Hem de toevlucht heeft genomen. Wie is een God als Hij in tegenheên?

Wie is een rots dan onze God alleen?

10.\'t Is God, die mij met sterkte wil omgorden; Hij doet mijn\' weg volkomen effen worden,

Maakt, dat mijn voet als die der hinden snelt, Terwijl Hij mij op mijne hoogten stelt.

Hij leert mijn hand heldhaftig oorelogen;

Mijn strijdbaar\' arm verbreekt zelfs stalen bogen. Mij gaaft G\' uw schild; uw hand heeft mij gesterkt; Uw goedheid heeft mijn grootheid uitgewerkt.

11. Mijn\' voet hebt Gij doen in de ruimte treden;

Mijn gang werd vast, ik ben niet uitgegleden; De vijand week; ik volgd\', en trof hem aan. En keerde niet, tot ik hem had verdaan;

Mijn spies doorstak al wie mij tegenstonden.

Zoodat zij zich niet weêr herstellen konden: Dus zag ik door uw\' bijstand hen verplet,

En mijnen voet hun op den nek gezet.

Derde Pauze.

12. Gij hebt mij. Heer, met kracht omgord tot strijden; Mijn vijand moest, vernederd, straffen lijden;

Hij vlood vol schriks, wijl hij geen kracht behield; Mijn hater werd door mijne hand vernield. Zij riepen wel, maar zonder hulp te krijgen.

Zelfs tot den Heer, maar Hij vond goed te zwijgen. Toen heb ik hen als stof vergruisd, verjaagd.

En als het slijk der straten weggevaagd.

67

5*

ocr page 84

68 Psalm 19.

13. Gij hebt mij uit den twist des volks verheven, En tot een hoofd den heidenen gegeven;

Ik stelde \'t volk, mij onbekend, de wet;

Zoo ras ik sprak, werd op mijn\' wil gelet; De vreemde zelfs zag mij vol schrik naar d\' oogen; Lag voor mijn\' troon geveindslijk neêrgebogeu: Zij vielen neêr; zij sidderden van schrik In burg en slot, op ieder oogenblik.

14. Zoo leeft de Heer; mijn rotssteen zij geprezen;

De God mijns heils moet\' steeds verheerlijkt wezen;

Die God, die mij volkomen wraak verschaft,

En volk op volk mij onderwerpt en straft;

Dio mij verlost uit mijns vervolgers handen;

Die mij verhoogt, mijn\' vijand slaat in banden:

Ja, Gij verhoogt mij boven al \'t geweld.

Daar G\' op den troon van roem en eer mij stelt.

15.Daarom, o Heer! zal ik U eer bewijzen;

Bij \'t heidendom uw\' naam eerbiedig prijzen

Met psalmgezang, daar \'t hart door wordt geraakt. Hij heeft het heil zijns Konings groot gemaakt; Hij wil zijn gunst aan zijn\' Gezalfde schenken; Aan David en zijn nakroost eeuwig denken.

Psalm 19.

Mioxlydisch.

p

ocr page 85

Psalm 19. 09

r rf-f^f^ rq

mond, Gods eer en heer - lij k-heid; / j-,

werk, En prii-zen zijn be - leid. (

\'^TT—r

kan ons dag bij dag. Tot roem van Gods ge-

^-fJ i

r f—i ^ M-i—i—j*—

U 9- __iO- i

zag, Zijn won-de-ren ver - ha-len: Dus

g±jr^±ja^E^=p^ll:£

I I

Ai I j E^r^JZ^rfa quot;, S

, i .1 J

-1---1--1-

J w

lt;?—

-#-

i j d :

r r r i f

weet ons nacht bij nacht

1 i i J J

r

Zijn

J

•

1

on

J

r

be-grens-de

J J ^

RtSquot;

5-ff-

1 r—

-amp;— ■4=

—#-

h ^^=1

ocr page 86

70 Psalm 19.

nn j IH

macht Èn

■ 1 \' • J—J--1-

i i r F iJI i

wijsheid af te ma - len.

hoj j ^=4

ll-—■—-1—J

2. Hoe goddelijk en schoon Luidt deze hemeltoon!

Daar is geen spraak, of oord; Daar is geen volk bekend, Dat, zelfs tot \'s werelds end, Der heemlen stem niet hoort. Hun evenredigheid Heeft zich zoo wijd verspreid. Hun rede klinkt zoo krachtig. Dat z\' al, wat d\' aard bewoont. Het merk eens Scheppers toont, Zoo gunstrijk als almachtig.

3. God heeft voor \'t groote licht, De zon, een tent gesticht. Van waar z\', in \'t blinkend kleed, En met een blij gelaat.

Gelijk een bruigom, gaat.

Die uit zijn slaapzaal treedt. Z\' is vroolijk als een held,

Die in \'t bestemde veld Zijn vuur en vaart doet blijken; Zij heeft haar\' zwaai en spoor Den ganschen hemel door:

Niets kan haar\' gloed ontwijkeu.

ocr page 87

Psalm 19.

Patze.

4. Des Heeren wet nochtans Verspreidt volmaakter glans,

Dewijl zij \'t hart bekeert;

\'t Is Gods getuigenis,

Dat eeuwig zeker is.

En slechten wijsheid leert. Wat Gods bevel ons zegt,

Vertoont ons \'t heiligst recht, Eq kan geen kwaad gedoogen;

Zijn wil, die \'t hart verheugt, Eischt zuiverheid en deugd; Verlicht de duister\' oogen.

5. Des Heeren vrees is rein;

Zij opent een fontein

Van heil, dat nooit vergaat.

Zijn dierbre leer verspreidt Een\' straal van billijkheid,

Daar z\' all\' onwaarheid haat. Z\' is \'t menschdom meerder waard. Dan \'t fijnste goud op aard;

Niets kan haar\' glans verdooven; Zij streeft in heilzaam zoet. Tot streeling van \'t gemoed. Den honig ver te boven.

6. Dus krijg ik van mijn\' plicht, O God! een klaar bericht.

Wat is \'t vooruitzicht schoon! Hij, die op U vertrouwt,

Uw wetten onderhoudt.

Vindt daarin grooten loon. Mar, Heer! wie is de man.

Die, op \'t nauwkeurigst, kan Zijn dwalingen doorgronden? O Bron van \'t hoogste goed! Wasch, reinig mijn gemoed Van mijn verborgen zonden.

ocr page 88

w

72 Psalm 20.

7. Weêrhond, o Heer! uw\' knecht, Dat hij zijn hart niet hecht\' Aan dwaze hoovaardij! Heerscht die in mij niet meer, Dan leef ik tot uw eer, Van groote zonden vrij.

Laat U mijn tong en mond, En \'s harten diepsten grond Toch welbehaaglijk wezen; O Heer, die mij verblijdt, Mij rots en losser zijt!

Dan heb ik niets te vreezen.

Dorisch. Psalm 20.

ll 1

^-1 1 J J 1-

—g-1=^-}-1-j--

3 aJ

-J-J—«— -•-r

F8quot;-*-» \' J—1

r

1. Dat

|

^ r rT?

op uw klacht de he-mei

^ - J J J i

r r r

scheu- re! Dat

1 1 1

—«-

. ?—•—*—j-

—n—J--J—•-

^-3—^

f-r-F-

tri

frf r rr r r r r

leer ent - dekk\'! De God van va-der Ja-kob

-J-J-

zich de Heeront

whkté

ocr page 89

Psalm 20.

73

laatste vers. 5.

114.

m

r3rr f quot;f

beu - re ü in eenhoogver - trek! Hij

amp;

a=g—

£

3

ryf- f r I rr-

doe in gunst-rijk wel-be - ha - gen,

Uit

EÊ

É=Ê=

f

i

r rTfT^^

rr r

Zions tem-pel - za-len, Om

J—|--1-J-rtJ-J-,-J-

35

U te helpen en te

i J J Jü

-0—0-

3

fT f

schragen, Zijn\' ze-gen ne - der - da - len!

J ] J J- i i J J J

m

É

Â¥

ocr page 90

2.

Psalm 20.

Nieuwe melodie. . _h

±

=tn

\\ ■ r r

1. Dat op uw klacht de lie - mei scheure! Dat

N N * I

74

Psalm 20. 1.

I

h ^ \\ £ 4. , ,

_fi-

4-

—i

^ J

». • • d •-

^ \' r

zich de Heer ont

N N ! iJ

f» 0

\\ i lekk\'! De

1 1 ai »

L-^-ff-ff-»-ff--1

ï t U V ■$ \\s

God van vader Jakob

J! J i / h i

Cii—^-•-\' amp; \\ amp;—•

»•-4-5-«----1

J gt; 1- - M

=g=g=g-s-p H

4.

laatste vers.

5.

h -A

f. ï ,

beure U in een hoog ver-trek!

J h h / I 1 I

-é- -0- -0- — — é •amp;

6.

^ t r r c c c

doe in gunstrijk wel - be - ha - gen, Uit

ft N | I . N N | S* S*

i

i

Hij

ocr page 91

1

Psalm 20. 75

^ c r I n-n1-

gt; Zions tempel - za - len, Om U te helpen

7 r\' f i-4-\\

JU/ .h \'

-----1

fm * m m m 9

Ê Ê f ? ?

en te schragen. Zijn

— -i N N

r : ff

ze-gen ne - der

5 i

- da - len!

| i

Cl 5-0-M---J-0—

\'■ i »—«

—•-9--

s ^—u—p—

r—#— /—U—

-f y- ï——

. r-H

2. Hij will\' uw ofifei-spijz\' gedenken! De hemelvlam verteer\',

Wat g\' op het brandaltaar zult schenken.

Tot \'s Allerhoogsten eer!

Hij geev\' u, naar uw\' wensch, t\' ontvangen

Geluk in al uw daden!

Zijn gunst bestier\', naar uw verlangen,

Al wat gij moogt beraden!

3. Dan zal \'t gejuich ten hemel dringen; Dan zullen wij Gods eer.

Bij opgestoken vaandels, zingen; Uw\' wensch vervuil\' de Heer!

\'k Weet nu, dat Gods gezalfden Koning Geen heilgoed zal ontbreken;

Want God zal, uit zijn hemelwoning, Hem sterken op zijn smeeken.

d

ocr page 92

Psalm 21.

4. Op wagens, paarden, en op helden, Zij onze vijand stout;

Wij zullen d\' eer en grootheid melden Van God, die ons behoudt;

Zij zijn gekromd, ter neêr geatooten, Van moed beroofd en krachten;

Maar wij, wij hebben \'t heil genoten, Waarop ons God deed wachten.

5. Behoud, o Heer! wil bijstand zenden, Verlos, bewaar, verschoon:

Die Koning hoor\', als w\' in ellenden Aanbidden voor zijn troon.

Psalm 21.

Om

- ^

—i

—H

_r_i—^ e

—»—amp;-

76

=ai I

rr

P » C.

lil

1. 0 Heer! de Ko - ning is verheugd

. , ! ./ r rr r

uw ge-ducht ver-m o-gen; Uw heil zweeft hem voor

-i_.L-J_ T-J j,

3

I

i

T-

ocr page 93

4.

Psalm 21.

77

■fquot;

met wat blij - de

En

J

J:

M

£

^-3^-

I f

d\' oo - gen;

P

Ni

4-

r rr

zie - le - vreugd

\' J—J-

m

-M

_~_Z._Sé-.

t r r r

Zal hij, door al uw

-I ^

«5?- --#-


c»:-ë==^—

d—-—amp;—#—-]

—lt;s—

m$-fL —^

--

2. Wat hij U smeekt\' uit \'s harten grond, En al zijn rein verlangen Hebt Gij hem doen ontvangen;

Ook hebt Gij d\' uitspraak van zijn\' mond, Al wat hij heeft begeerd,

Geweigerd, noch geweerd.

daan Ver-rukt, ten rei - en gaan!

d--^ J-—-(J-J—1-—--TT

ocr page 94

Psalm 21.

3. Gij, die hem gunstig hebt gered,

Zijt hem, met volle stroomen Van zegen, voorgekomen;

Ook hebt Gij hem op \'t hoofd gezet, Hem, die op U betrouwt,

Een kroon van \'t fijnste goud.

4. Hij heeft, o God! van U begeerd Het onverganklijk leven;

Gij hebt het hem gegeven.

Zoo zijn de dagen hem vermeêrd; Zoo leeft de Vorst altoos;

Zoo leeft hij eindeloos!

5. Hoe groot en schittrend is zijn eer. Door \'t heil aan hem bewezen! Hoe is zijn roem gerezen,

O alvermogend\' Opperheer!

Wat glans, wat majesteit Hebt Gij dien Vorst bereid!

6. Gewis! Gij zult, all\' eeuwen door. Hem met uw gunst verzeilen.

En tot een\' zegen stellen;

Ja, Gij geleidt hem op het spoor Der vreugde, bij het licht Van \'t godlijk aangezicht.

7. De Koning rust op uwe trouw, 0 eeuwig Opperwezen!

Uw goedheid, nooit volprezen,

Duldt niet, dat hij ooit wanklen zou; Neen, d\' Allerhoogste zal Hem hoeden voor den val.

Pauze.

8. Uw sterke hand zal onverwacht Al uwe haters vinden;

Uw wraak zal hen verslinden; Uw rechterhand zal eens, met kracht, Vernielen en verslaan Hen, die uw rijk weêrstaan.

78

ocr page 95

Psalm 21.

9. Dan doet uw toornig aangezicht Hen, a!s een oven, rocken,

Door \'t heetste vuur ontstoken; Dan wordt, in \'s Heeren strafgericht, De gloed, die hen verteert,

Met vlam op vlam vermeêrd.

10. De vruchten van hun huwlijksbed Zult Gij van d\' aard\' verderven En doen door rampen sterven;

Totdat men, waar men zoek\' of lett\', Geen nakroost meer bespeurt.

Dat hunnen dood betreurt.

11. Want tegen U heeft dit geslacht Een godloos kwaad besloten;

En, met zijn bondgenooten. Een schandelijke daad bedacht;

Doch al dat listig w7oen

Zal leed noch hinder doen.

12. Want uw alziend en toornig oog Zal hen ten doelwit zetten;

Gij zult uw pijlen wetten.

En doen ze, van uw\' stalen boog, Tot hun verderf gericht.

Hun vliegen in \'t gezicht.

13. Verhoog, o Heer! uw: naam en kracht; Zoo zal ons vroolijk zingen

Door lucht en wolken dringen; Zoo wordt uw heerschappij en macht Door ons, nog eeuwenlatg,

Geloofd met psalmgezang.

ocr page 96

80

Psalm 22.

J-

y^|.j

3 r r r f r r r rTr~T

Aeolisch. 1.

ImijnGodlwaarom ver-laat Gij mij, En

I

*

1. MijnGod!mijnGod!\\vaarom

i» 0

^—-

pjjjrj^iÉïËi

_ . . . _ —3--Qr Q«

ril1 r r r 27- z?-

1 ! i i

redt mij niet, ter-wijl ik zwoeg en strij\',

t

r

Én

1

:lt;g:

zsz

STgt;

I 1 1

J ^

H-1--

^=t:

f *

l i r i r i 1 i .

brullendklaagin d\' angsten, die ik lij\', Dus

P

=Ji

♦ f

4-r-d.

-C-ti-

4-

i

—h

laatste vers.

• 5 gt;.

1 1 IO

-2—-

fel ge - sla - gen?

t Zij

ii

2—

I

-f

I I

ik, mijn God! bij

4-


ocr page 97

Psalm 22. 81

f I fi T^! I rif r f

dagmoog\'bitter kla - gen, Gij antwoordtnietj\'tZij

r r rquot; r rfr r f

ikdesnaohtsmoog\'ker-meu, Ik heb geen rust,ook

fe==^r~T^^=|:^T=^=g . ji j_ _____8-

vind ik geen ont-fer - men In mijn ver - driet. Psalm 22. Nieuwe melodie.

i^rU ty !

f—p-

H—1-1-4-

.

- i gt; , -

#sM

1. MijnC

rod! mijn

God! waaromver

f

-la /*

J J

it Gij

J

a

^4=

rf

mij. En

6

ocr page 98

Psalm 22.

82

i

i

3-

f

t

redt mij niet, ter - wijl ik zwoeg en strij\', Ln

j d^LipU^J-

£

in d\' ans

sten

^J. J1 J J—1

p-E=3

—i

t • ^

F—F=

brul-leud klaag in d\' ang-sten, die ik

-0-\'

- - t l j ±- ±\' ± ±

f w ff f -»—P-

* *

laatste vers.

r

•t z.j

J

:g=

lij, Dus fel ge - sla-gen?

±. ± jS.

-O

1=

--i--

--t-

ik, mijn God!bij dagmoog\'bit-ter kla - gen,

J f T f , / j-i-J-i

m

EÉ

Êö

ocr page 99

I

6. .

—\' \'—;--l-

\'salm 22.

—1 ) 1

83

- j -r -

i l 1 Gij antwoordt

J J r

—1amp;—-—é— i-r-

niet; \'t Zii

1

gt;; S » 5

r i—F—

ik des nachts moog

i ibi J

* * t\' *-

- 1-t=^F=t=r-

^EEfEE^rirppmr

ker-men, Ik heb geen rust, ook vind ik

i I ill 1

_é _i I * J I I *

-__I_

geen ont - fer-men In mijn ver - driet.

I I — I 1 -a

^=r=g=gn-g |q

itEÏEEÊÊ^EÉg^S^^il

2. \'k Erken nochtans, Gij, Gij zijt heilig, Heer!

En hebt uw huis, den zetel uwer eer.

Bij Isrel, daar uw lof klinkt, keer op keer,

In gunst doen bouwen;

Op U stond vast der vaderen betrouwen:

Gij zaagt hen aan; Gij hebt, wanneer z\' in nooden Tot U om hulp, vertrouwend, zijn gevloden, Hen bijgestaan.

6*

ocr page 100

Psalm 22.

3. ü smeekten zij, van menschen hulp ontbloot,

En zijn gered; zij hebben in hunn\' nood

Op U vertrouwd; van schaamte nimmer rood,

Na hun gebeden.

Maar ik, ik ben een worm, van elk vertreden; Een worm, geen man; Een spot en smaad van menschen, Wien \'t booze volk, naar zijn baldadig wenschen, Beschimpen kan.

Eerste Pauze.

4. Al wie mij ziet bespot mij boos te moe;

Men schudt den kop, men steekt de lip mij toe.

Daar ik \'t gebed tot God vertrouwend doe.

Moet ik nog hooren:

«Dat God, op wien hij steunt, hem gunstig\' ooren quot;Verleen\', hem redd\'; Dat die nu hulp doe komen, »En hem, in wien Hij heeft zijn\' lust genomen, «In ruimte zett\'.«

5. Gij immers. Heer! Gij zijt het, door wiens macht Ik uit den buik weleer ben voortgebracht;

Aan \'s moeders borst vertrouwd\' ik op uw kracht

Van ganscher harte.

Zij wierp mij reeds op U, in barenssmarte Gansch onbevreesd, \'k Mocht nauwlijks \'t licht aanschouwen

Of Gij, Gij zijt, o grond van mijn vertrouwen!

Mijn God geweest.

6. Wees dan mijn hulp, houd U niet ver van mij; Mij prangt de nood, benauwdheid is nabij;

\'k Heb buiten U, daar ik zoo bitter lij\',

Geen hulp te wachten.

Een stierenheir uit Basan, sterk van krachten.

En fel verwoed. Omringt m\' aan alle zijden:

Mijn God, hoe zwaar, hoe smartlijk valt dit lijden, Voor mijn gemoed!

84

ocr page 101

Psalm 22.

7. Zij rukken aan, met opgesporden mond,

Gelijk een leeuw, al brullend in het rond;

Ik vloei daarheen als waatren op een grond.

Die zich verspreiden.

Mijn beendren zijn in mij vaneen gescheiden. 0 doodlijk uur! Wat hitte doet mij branden!

Mijn hart is week, en smelt in d\' ingewanden.

Als was voor \'t vuur.

Tweede Pauze.

8. Mijn kracht is, als een scherf, van sap beroofd;

Mijn tong kleeft in mijn\' mond, door dorst gekloofd; Gij zult eerlang mij, door den dood, het hoofd

In \'t stof doen bukken;

Want van rondom zie \'k honden samenrukken. Een muitgespan Heeft mij ter prooi verkoren.

Mijn handen en mijn voeten doen doorboren.

Zoo fel het kan.

0. Mijn beendren kan ik tellen één voor één;

Hun boos gezicht beschouwt dit weltevreên:

Z\' ontzien zich niet, om met mijn tegenheên

Hunn\' geest te streeleu.

En onder zich mijn kleedren te verdeelen.

Verhard in \'t kwaad. Kan hun geen spel verdrieten: Zij werpen \'t lot, wat ieder zal genieten Van mijn gewaad.

10. Maar Gij, o Heer! tot wien mijn ziel zich keert. Sta niet van ver, mijn God, die \'t al regeert! Ai! haast ü toch ter hulp; ik word verteerd

Door al d\' ellenden!

Red mijne ziel van \'t zwaard dier booze benden. Die schriklijk woên; Ai! red haar uit Imn handen. Daar z\' eenmaal ducht \'t geweld des honds, wiens tanden Haar siddren doen.

85

ocr page 102

Psalm 22.

11. Verlos mij van den leeuw, die woedt en tiert; Verlioor mij Heer! en red mij van \'t gediert\', Dat, sterk van hoorn, rondom mij henen zwiert;

Mij staat, naar \'t leven;

Dan wordt uw naam door mij met roem verheven; \'k Zal uwen lof Mijn\' broederen vertellen;

\'k Heb, in uw huis, bij al uw metgezellen, Dan prijzens stof.

Derde Pauze.

12. Gij, die God vreest, gij allen prijst den Heer! Dat Jakobs zaad zijn\' grooten naam vereer\':

Ontzie Hem toch, o Israël! en leer

Vertrouwend wachten.

Wie mij veracht. God wou mij niet verachten,

Noch oor noch oog Van mijn verdrukking wenden; Maar heeft verhoord, wanneer ik uit d\'ellenden Eiep naar omhoog.

13. Ik loof eerlang U in een groote schaar,

En, wat ik U beloofd\' in \'t heetst gevaar.

Betaal ik, op het heilig dankaltaar.

Bij die U vreezen.

\'t Zachtmoedig volk zal rijk verzadigd wezen, Ten disch geleid. Wie God zoekt, zal Hem prijzen. Zoo leev\' uw hart, door \'s hemels gunstbewijzen, In eeuwigheid!

14. Eerlang gedenkt hieraan het wereldrond;

Haast wendt het zich tot God met hart en mond; En, waar men ooit de wildste volken vond.

Zal God ontvangen Aanbidding, eer en dankbre lofgezangen;

Want Hij regeert. En zal zijn almacht toonen; Hij heerscht, zoover de blindste heidnen wonen, Tot Hem bekeerd.

86

ocr page 103

Psalm 23.

15. Wie vet is eet, en knielt voor Isrels Heer;

Wie \'t stof bewoont, bukt mede voor Hem neêr; En wie zijn ziel bij \'t leven nu niet meer

Heeft kunnen houden.

Het vrome zaad van die op God betrouwden Zal, door zijn kracht, Hem dienen; voor Hem leven; Het zal den Heer eens worden aangeschreven, In \'t nageslacht.

16. Zij komen aan, door godlijk licht geleid.

Om \'t nakroost, dat den Heer wordt toebereid. Te melden \'t heil van zijn gerechtigheid En groote daden.

Psalm 23.

Hypodorisch.

^ r r f r r * r

1. De God des heils wil mij ten herder

-rS—i-H—J—Jn—

wezen; \'k Heb geen gebrek,\'kheb geen gevaar te

J|- / / I

———I^r pj| -i--L—E---3

87

ocr page 104

^ f ■ 1 r f r

lie - fe - lij - ke weiden, Aan

„ J ^ i ^ J^i |__

^~r-rr\\-^r*FTy~r--

d\'oevcrs van zeer stille waatren lei - den.

.vit ^ «T^ fa«l \'f J i g1—jtJ—

V r*! r rf^TTTquot;

Hij sterkt mijn ziel, richt, om zijn\' naam, mijn

J J i J I I ! i I

rv#--^ g gJ I ^ »—j w

ocr page 105

Psalm 23. 89

tre - den In \'t ef - fen spoor van

p-^ r-t^_r i:\' r r ^ r ^ \' n i if

zijn ge - rech - tig - he - den.

i ^ J J k l I

Psalm 23. Nieuwe melodie.

I ||^^=^=^r^iP=h

^ r quot;T^TiT^r

1. De God des heils wil mij ten her - der

ItiliéÉlÉÉ^I

we-zen; kHeb geengebrek, \'khebgeenge-vaar te

ËaEppEEËËÈEt=M^F¥^

ocr page 106

3.

Pisalm 23.

m

r r r r r i r r ^

Hij zal mij zacht, in lie-fe-lij-ke

90

p

r

J—hJ-J-r-r!-J-r-J-JziJ—J-

j.

Êl

r-r

14.

| r r ,

wei-den,Aand\'oevers van zeer stil - le waat-ren

f

ï

_I_J JJ J ij J.

i:

3

i r r r r T i \'f r. r r.

lei- den. Hij sterkt mijn ziel,richt,om zijn naam,mijn

J, J. J. J j , J.

p

r

T

^ rrr1! r

ie

rr

±:

» • 1 r » • • ?quot; (5-

: i 1 i i i i i . . treden In\'t ef-fen spoor van zijn ge-rech-tig-heden.

pJdb

=ife

ocr page 107

Psalm 24.

2. Ik vrees niet, neen; schoon ik door duistre dalen, In doodsgevaar, bekommerd om moet dwalen;

Gij blijft bij mij in alle tegenspoeden:

Uw stok en staf zal mij altoos behoeden;

Gij troost mijn ziel, en richt, in mededoogen.

De tafel aan, voor mijner haatren oogen.

5. Gij zalft mijn hoofd; Gij doet mijn blijdschap groeien. En van mv heil mijn\' beker overvloeien.

Het zalig goed, mij door uw gunst gegeven.

Verlaat mij niet, maar volgt mij al mijn leven;

Zoo dat ik in het heilig huis des Heeren,

91

Een lange reeks van dagen, blijv\' verkeeren.

Psalm 2i.

Dorisch. 1.

2.

3=3;

£

quot;Si

I I geeft. Met

EÉ

m

Ü

(5?

1 I \' I I 1. Al d\'aard en al-les wat zij

sit

=F==f

al wat zich be-weegt en leeft,

J i i J J ul J

Zijn

J

mm

ocr page 108

92 Psalm 24.

\'t wet-tig ei - gen-dom des Hee - ren. Hij

jii J J J

f7f r Kr ï ^

heeft z\', in ha - ren och - tend-stond, Op

^ r r 7 r-r^r r ^

i

quot; on-ge - ine-ten zeen ge - grond, Door-

. W-^4j

l 1 i l \'^1 l

^2—! r r t^y

\' sne - den met ri - vier en me -. ren.

^•il quot; * ^ J -^-.

ocr page 109

Psalm 24.

93

Psalm 24.

2.

£

±

Nieuwe melodie. X

-Zt:

I I 1 1 I

1. Al d\'aavd\'en al - les wat zij geeft, Met 1 ^

J

m

m

3.

pÊmm

J p Fi

J- J.J . J, j: J

4

al wat zich be-weegt en leeft, Zijn\'t wet-tig

i j i

3

r r r fr gt;

ei - gen-dom des Hee - ren.

J J j J.J J

-7^--

Hij heeft z\'jin

rr

5.

tót

Eg

i

ha - ren och-tend-stond, Up on - ge-

J i J. J.

*L-J-

—•

ocr page 110

Psalm 24.

i i i i r

me - ten zeèn ge - grond, Door - sne - den

--J--iamp;\' -

•5—L-^l--

O-i-

94

6.

m

zst

IÖI

qjjyi^=5fbq

—e-—

- -j—J ■

—ö\'-S-

■ * hH

-U-1----1---

I- 1 -1

—1---1-

L_p

-ry-

i i r

met ri - vier en

Jj

j-iriP m

S Vfi r m m m

■fT 1 PP

2. Wie klimt den berg des Heeren op? Wie zal dien godgewijden top,

Voor \'t oog van Zions God, betreden? De man, die, rein van hart en hand.

Zich niet aan ijdelheid verpandt,

En geen bedrog pleegt in zijn eeden.

3. Die zal, door \'s Heeren gunst geleid, En zegen en gerechtigheid

Van God, den God zijns heils ontvangen. Dit \'s Jakob, dit is \'t vroom geslacht. Dat naar God vraagt, zijn wet betracht, En zoekt zijn aanschijn met verlangen.

4. Verhoogt, o poorten! nu den boog;

Eijst, eeuwge deuren! rijst omhoog; Opdat de Koning in moog\' rijden.

Wie is die Vorst, zoo groot in eer? \'t Is God, d\' almachtig\' Opperheer; \'t Is God, geweldig in het strijden.

i

ocr page 111

Psalm 25.

95

5. Verhoogt, o pooiten! nu rien boog; Eijst, eeuwge deuren! rijst omhoog; Opdat g\' uw\' Koning moogt ontvangen. Wie is die Vorst, zoo groot in kracht? \'t Is \'t Hoofd van \'s hemels legermacht; Hem eeren wij met lofgezangen.

Hypo-Jonisch. 1.

Psalm 25.

2.

r i r

^ —

i

i i

4.

(\'kHefmijnzieI,o God der goden! Tot U op; Gij j\'kHeb op Uvertrouwdin nooden; Weer van mij toch

is

fT

-J-

i

3EÖ

g *-

amp; ? amp;

I 1 I

zijt mijn God; schaamt\'en spot.

r 7

2-^—^

Dat mijn vij-andnooitvanvreugd

i i i ! I J I

■nr-

é-*

5.

6.

3E

■r-f

l 7 I I I

Om mij op-spring\'; die U wach - ten

f

J—-4--4-J J—^

4:

P

T

ocr page 112

Psalm 25.

r r • 1 r r ^

Dekt nooitschaamt\',maar die de deugd,

1 ^ -F-=P-f-^F--i \' . 1

r-r r r r^r r

Zon - der oor-zaak, stout ver - ach - ten.

2. Heer, ai! maak mij uwe wegen, Door uw woord en Geest, bekend; Leer mij, hoe die zijn gelegen,

En waarheen G\' uw treden wendt. Leid mij in uw waarheid; leer IJvrig mij uw wet betrachten; Want Gij zijt mijn heil, o Heer! \'k Blijf U al den dag verwachten.

3. Denk aan \'t vaderlijk\' meêdoogen, Heer! waarop ik biddend pleit; Milde handen, vriendlijk\' oogen Zijn bij U van eeuwigheid.

Sla de zonden nimmer ga,

Die mijn jonkheid heeft bedreven; Denk aan mij toch in genii.

Om uw goedheid eer te geven.

96

ocr page 113

Psalm 25.

5. \'s Heeren goedheid kent geen palen; God is recht, dus zal Hij door Onderwijzing hen, die dwalen,

Brengen in het rechte spoor;

Hij zal leiden \'t zacht gemoed In het effen recht des Heeren: Wie Hem needrig valt te voet.

Zal van Hem zijn wegen leeren.

Pauze.

5. Lontre goedheid, liefdekoorden, Waarheid, zijn des Heeren paan Hun, die zijn verbond en woorden. Als hun schatten gadeslaan.

Wil mij, uwen naam ter eer.

Al mijn euveldaan vergeven;

Ik heb tegen U, o Heer!

Zwaar en menigmaal misdreven.

6. Wie heeft lust den Heer te vreezen; \'t Allerhoogst en eeuwig goed? God zal zelf zijn leidsman wezen; Leeren, hoe hij wandlen moet;

\'t Goed, dat nimmermeer vergaat. Zal hij ongestoord verwerven,

En zijn godgeheiligd zaad Zal \'t gezegend aardrijk erven.

7. Gods verborgen\' omgang vinden Zielen, daar zijn vrees in woont;

\'t Heilgeheim wordt aan zijn vrinden, Naar zijn vreêverbond, getoond. D\' oogen houdt mijn stil gemoed Opwaarts, om op God te letten; Hij, die trouw is, zal mijn\' voet Voeren uit der boozen netten.

97

7

ocr page 114

Psalm 26.

S. Zie op mij in gunst van boven;

Wees mij toch genadig, Heer! Eenzaam ben ik en verschoven, Ja d\' ellende drukt mij neêr.

\'k Roep U aan in angst en smart; Duizend zorgen, duizend dooden Kwellen mijn angstvallig hart:

Voer mij uit mijn\' angst en nooden.

9. Sla op mijn ellenden d\' oogen; Zie mijn moeite, mijn verdriet;

Neem mijn zonden, uit meêdoogen, Gunstig weg, gedenk die niet. Zie mijn haters, daar \'t getal Vast vermeert van die mij vloeken. En die rusteloos mijn\' val.

Heet en wrevelmoedig, zoeken.

10. Hoed mijn ziel, en red z\' uit nooden; Maak mij niet beschaamd, o Heer! Want ik kom tot U gevloden;

Laat d\' oprechtheid meer en meer. Met de vroomheid, mij behoên; \'k Wacht op U in mijn ellenden Laat uw hand in tegenspoên Israël verlossing zenden.

98

Phrygisch. Psalm 26.

r oquot;

—i— -t—i

i — j •gt; 1 i i 1 1

ü S—; •

1. 0 Heer! doe Gij mij recht; Ik wandel als uw

ocr page 115

Psalm 20. 99

- I-Üpjig j

W--—----^L_ %—^r1- 1 Ji. gr

r I r : f r r r

knecht, En vind mijn\' lust in uw ge-bod.

I I I I I I I I I

^): ^ ^ p—J—sfazrF-?-g—

zznr r ----=--lt;5—g I ^

-r^r^r I I —6—^

tr » # f I I c»

^ I I I 1 1 I

Ik blijf op U be - trou - wen;

I I J I ! -2-^J- J

; bs^g=£=^^gE^Ei|

5. , I I 6.

A

Op U, mijn rots-steen, bou - wen; Ik

111 ! I „ I I I

- -J-=r-t—(-1-h——t—

^rrquot;

zal niet

1 1 f-x. lt;Sgt; amp;

r * j *

r 1 r r

wank - len, groo - te

^ J \' J

1

L—0---11

-f

God!

cttJ-—n

-gt; gt;-

-i-

J r—L.....n

■■

ocr page 116

100

d\'

i

-—-—.—•-rrrr

ITe

1

-t-

r * r I

wandel als uw knecht, En vind mijn\' lust in

i J I i

jn-j—

I

bod. Ik blijl op U be-

l I i I

-«J—

as

— 1 w w g

S-.—

uw ge

11«.

r r \'ilf f ^ sr

trouwen; Op ü, mijn rotssteen, bouwen; Ik

J i i i X I J J ! I

--#---0--

-M-#-

I 1

i

f

ocr page 117

Psalm 20.

101

i

x

zal niet wank - len,

I

groo - te God\'

■P-

:É

m

=t=

2. Beproef vrij, v;iu omhoog,

Mijn hart, dat voor uw oog-.

Alwetende! steeds open lag.

Doorzoek mij; toets mijn gangen; Doorgrond al mijn verlangen.

En stel mijn oogmerk in den dag.

3. Uw goedertierenheid.

Die zich alom verspreidt,

Is \'t allen tijd\' voor mijn gezicht.

Ik houd, oprecht van handel.

Daar \'k in uw waarheid wandel.

Mijn schreden naar uw wet gericht.

4. Hij, die, vol ijdelheid.

Een spoorloos leven leidt.

Wordt met mijn vriendschap niet vereerd. En huichlaars, die hun vlekken Schijnheiliglijk bedekken.

Zijn van mijn\' omgang ver geweerd.

5. Mijn hart verfoeit en haat De werkers van het kwaad.

Bij wie ik mijnen voet niet zet.

Ik zit bij geen godloozen;

\'k Ontwijk de plaats der boozen.

Zoo word ik niet door hen besmet.

ocr page 118

Psalm 26

Pauze.

6. Ik wasch, aan U verpand,

In onschuld mijne hand.

Mijn hart springt in mij op, o Heer!

Wanneer ik, met uw scharen.

Verschijn voor uw altaren,

En U met offergaven eer.

7. Daar wordt uw lof verbreid, 0 Oppermajesteit!

Door mij, die U bemin en acht;

Daar zal mijn stem U prijzen,

Voor al de gunstbewijzen.

Voor al de wondren uwer macht.

8. Wat blijdschap smaakt mija ziel.

Wanneer ik voor U kniel

In \'t huis, dat Gij U hebt gesticht!

Hoe lief heb ik uw woning.

De tent, o Hemelkoning!

Die G\', U ter eer, hebt opgericht.

9. Wanneer G\' uw\' arm verheft,

Den snooden zondaar treft.

Wees Gij dan, Heer! mijn toeverlaat;

Doe mij met hem niet sneven;

O neen! behoed mijn leven,

Als Gij den man des bloeds verslaat.

10. Doe mij niet meê vergaan Met hen, die ü weêrstaan,

Wier hart steeds schandlijk misdrijf kweekt; Die trouw en plicht verachten,

En \'t recht om goud verkrachten.

Als d\' onschuld om bescherming smeekt.

11. Maar ik, ik ben oprecht;

Verlos dan uwen knecht

Van \'t ongeval, dat hem genaakt.

Wil mij in gunst gedenken,

Mij uw genade schenken;

Zoo wordt door U mijn heil volmaakt.

102

ocr page 119

Psalm 27.

12. Nu stap ik rustig aan:

\'k Betreed een effen baan.

Mijn God verhoort nu mijn gebed.

\'k Zal Hem met blijde klanken,

In zijn vergaadring, danken;

Wanneer zijn gunst mij heeft gered.

Mixolydisch. Psalm 27.

v P f 0 * r f rquot;

J i I 1 I I 11

^ | God is mijn licht, mijn heil, wien zou ik / Mijn le - vens-kracht;\'k heb niet ver-vaard te

ry#--d-r^ A---j--j--j- * -*--i--

2.

103

■ - ■ |.:

H --o—^-i-

•P amp; amp;

i 1 vree - zen

we - zen

1 1

? Hij Hij

v i -f- ; ^- -J i ! i i is de Heer, die

is \'t die mij be-

amp;

2. ^-_S-9

—*—

-1—

--1®--•-quot;-

r ^ 1

-!—

4.

-i-^-f-P-J

| ai 1

M TI 1 1 1

1 ^

fCA—

—5_-

•-^-

n-d

f— /5---

lip hulp verschaft vei - ligt voor

i . J

in den

—

|

nood; i dood. (

r

Wan-

1

e)

—i-

--J—

\\--H

-^

1 ^ 1

ocr page 120

104 Psalm 27.

\'lil11 1 1 I

neer de macht dei\' Itoozen sloeg aan \'t woên, En

ry g - J- J j-- »-*--gj—-Sn---g----^—

1 I I \'l

J J J

iii\'1! i r i i

aanrukt, om zich met mijn vleescli te voen, Stiet

--C—I

|gl^p^=Ég£3=^^

il \\ s- T T 15 T

1 i 1 1 I I ^1

zelf dit rot, dat mij be - nauwt en

1 ! I M 1

^r^rrfrrW^

haat, Den voet, en viel; om dat het God ver - laat.

iÜgÉ^^^Éü

I ^ 1

ocr page 121

Psalm 27.

2. Al zie ik zelfs een leger mij omringen,

Nog vrees ik niet; \'k verlaat mij op den Heer; Al wil men mij door eenen oorlog dwingen, \'k Leg mij gerust, hierop vertrouwend, neêr. Deez\' ééne zaak heb ik begeerd van God,

Daar zok ik naar, dit zij mijn zalig lot:

Dat ik, zoolang mij \'t levenslicht bescheen, In \'s Heeren huis mocht wonen hier beneên.

3. Och! mocht ik, in die heilige gebouwen. De vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog,

Zijn lieflijkheid en schoone dienst aanschouwen! Hier weidt mijn ziel met een verwondrend oog! Want God zal mij, opdat Hij mij beschutt\', In ramp en nood versteken in zijn hut; Mij bergen in \'t verborgen van zijn tent,

En op een rots verhoogen uit d\' ellend\'.

Panze.

4. God zal mijn hoofd nu boven \'s vijands benden Verhoogen; dies wil ik, met blij geschal,

In zijne tent het offer opwaarts zenden,

Daar psalm en lied zijn\' lof vermelden zal. Verhoor, o Heer! toon mij een gunstig oog; Ik zal mijn stem verheffen naar omhoog: Verhoor mij toch, bewijs mij uw gena. En antwoord mij, die voor uw aanzicht sta.

5. Mijn hart zegt mij, o Heer! van Uwentwegen: quot;Zoek door gebeên met ernst mijn aangezicht!» Dat wil, dat zal ik doen; ik zoek den zegen Alleen bij U, o Bron van troost en licht! Verberg toch niet uw oog van mij, o Heer!

Ik ben uw knecht, zie niet in toorne neêr; Gij waart mijn hulp in al mijn zielsverdriet; O God mijns heils! begeef , verlaat mij niet.

ocr page 122

Psalm 28.

6. Want, schoon ik zelfs van vader en van moeder Verlaten ben: de Heer is goed en groot;

Hij is en blijft mijn vader en behoeder.

Leer mij, o God! uw\' weg in allen nood.

Bestuur, om mijns verspieders wil, mijn\' voet Op \'t effen pad; dat \'s vijands euvelmoed Mij nimmer treftquot;! vervoerd door list en dwang. Getuigt men valsch tot mijnen ondergang.

7. Zoo ik niet had geloofd, dat in dit leven Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou;

Mijn God! waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?

Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.

Wacht op den Heer, godvnichte schaar! houd moed;

Hij is getrouw, de bron van alle goed;

Zoo daalt zijn kracht op u in zwakheid neêr;

Wacht dan, ja wacht! verlaat U op den Heer.

Hypodorisch. Psalm 28.

1. 2.

—r

J |

ii i | ■

■ quot;i—tquot;

1 ^

_|-i—J—J_

^ f r r

H

1. Ik roep tot U, o eeu-wig We-zen! Mijn

(5L, a.

a

-lt;sgt;-—

j 1 1 1 zg.—•—•

JZ

^ j? ^

■ \' ■(«-

U J

1

rotssteen, nooit naai-eisch vol - pre - zen;

1 I I ^ I 1 1 I

_J- J_« i -«■ ^ J

106

ocr page 123

3.

Psalm 28.

I

Wend niet, als doof, van mij uw oo -

Ï-Lr-X J J-J -1

107

SÉ

~P~

1

ren;

-J-

I

PËE=

NB.

ïEtr-^—t-

-1.........1

quot;1-

p^p

J—. _ #

^—p

LfS.---fO—J

Zwijg niet; laat mij uw ant-woord hoo - ren,

J i

i

i

-1=2-

5.

i T^f

Op-dat ik niet ge - re - kend word

\'J-i

£[ïrT^.i=j

-4

-F

I

lt;5-

i

Met

19- —

I

I

h^t^F

d=

f- v v r

Ï7S-

II. „ I i

die in t grat zijn neer - ge - stort.

I

i

^—i—j——ri^=

m

ocr page 124

Psalm 28.

2. Hoor tiiiar mijn stom en kennend smeeken, Als ik mijn handen op zal steken Naar d\' aanspraakplaats, uw heiige woning; Trek mij niet weg, o Opperkoning!

Met hen, wier argelistigheid,

In schijn van vrede, kwaad hcreidt.

Doe \'t kwade, bij hen ondernomen. Op hen, naar hun verdiensten, komen; Geef hun, opdat z\' uw hoogheid merken, Naar hun verkeerd\' en booze werken; Dat uw gestrenge geeselroê\'

Hun, naar het recht, vergelding doe.

4. Omdat zij nooit naar \'t werk des Heeren Oplettend hart of oogen keeren;

Maar onbedacht en stout versmaden Het oogwit zijner groote daden.

Zal Hij hen doen te gronde gaan, Ontbloot van hulp om op te staan.

5. Geloofd zij God, wiens open ooren Mijn smeekstem gunstig wilden hooien;

Hij is mijn sterkt\' en schild in \'t strijden; \'k Vertrouwd\' op Hem, Hij hielp m\' uit lijden; Dies springt mijn hart van juichensstof, En zingt des Allerhoogsten lof.

6. God geeft zijn gunstvolk moed en krachten; Hij zal, in weerwil aller machten.

Zijn\' Rijksgezalfde staag behoeden. Eed, Heer! uw lerel uit al \'t woeden;

Geef zegen aan uw erv\', en weid Uw volk; verhef z\' in eeuwigheid.

108

ocr page 125

109

Psalm 29.

Jonisch.

#% ., 4—^ J

—«—-ra-\'®-

ft -3—d -*— •

—2—^---

rj

quot; f\'

— f®--

looft den Heer!

1. Aard-sche mach-ten!

{ i

\'j-1

I2?I

BE

Geeft den Hee - re sterkt\' en eer!

I I I I I x i ±

—ö1-

! 1 r r

32=

Dat

lof van \'s Hoog - sten

de

I

i

j

------,

ÏEÊ

laatste vers.

Z^Z

r

Al

p

\\

- Ier

I

—

r

I

groo - ten roem be - schaam\'.

I

li

i i -

A=i

?=rs

ocr page 126

] 1 O Psalm 29.

I i I jM 1

Vors-ten \'t voegt n Hem, in \'t mid - den

! 1 i I 1 i i

Van zijn hei - lig - dom, t\' aan - bid - den;

i i i j i ; ! 1

^ i i i r 1 i i f

t Voegt ii, met de God - ge - trou - wen,

1 ! . 1 1 i i

m^t=£=he^.—u^

XT p . — j f . 12

•• t t f 1 i r^i i

\'s Hee-ren heer - lijk - heid t\' ont-vou - wen.

„ J 4 J J J J J -d

_I_

ocr page 127

Psalm 29.

2. \'s Heeren stem, op \'t hoogst geducht Rolt en klatert door de lucht;

Berst, met vreeselijk geluid,

Op de groote waatren uit;

Klinkt, met nadruk en vermogen, Heerlijk uit de hemelbogen; \'t Schepsel beeft en staat verwonderd, Als de God der eere dondert.

3. \'s Heeren wonderstem verbreekt, Als zijn grimmigheid ontsteekt, \'t Cedrenbosch van Libanon;

Schudt den hoogen Sirion:

Cedren, uit den grond gewrongen, Hupplen als der rundren jongen; Bergen voelen sidderingen.

Daar z\' als wilde stieren springen.

4. \'s Heeren stem verbaast natuur;

Houwt uit bergen vlammend vuur; Schiet van \'t zwerk den bliksem neer. Kades beeft voor \'t buldrend weêr. Woestenijen slaan aan \'t zuchten; Hinden krijgen, onder \'t vluchten. Barenswee; door vrees gedrongen. Werpen z\', in dien nood, haar jongen.

5. \'s Heeren stem ontbloot het woud; Maar hij, die op God vertrouwt.

Buigt zich veilig. Hem ter eer, Juichend in zijn\' tempel neêr.

\'t Is de Heer, wiens wenk de stroomen In hun woede kon betoomen;

Die, in macht nooit af te meten, Eeuwig is ten troon gezeten.

(i. Looft den Heer, die wondren werkt, Israël, zijn volk, versterkt;

Hem, die Jakobs heilig kroost Zeegnen, zal met vreed\' en troost.

ocr page 128

112

Psalm 30.

Hypo-Mixolydisch. 1.

$

4-

15 5: ?- TT |- r T ^5 I

I I 1 i 1 1 1 I 1. Ik zal met hart en mond, o Heer! Uw\'

I I I I I I

d---m~ quot;ar---!~i---i—-------^—

EaE

^=1;

naam ver - hoo - gen

De

en uw eer,

I . j !

J

9È

-J-

4.

r

wijl Gij mij uw\'

J J I I

1

1

bij - stand boodt,

J I

Mij


31

NB.

Jsv-I--L

J._

r?Sz

oér-

r r r 1

op - trokt uit den diep - sten

nood;

Zoo-

I

I

I

lü

gar

r-

ocr page 129

Psalm 30.

3=t

r----m----m--m--m-

r r

dat de vij - and, in mijn lij

JZ * 1 I J II

113

it

den,

Zich

__

=t=

r t i I I r ^

I 1 \' I I

o - ver mij nietmoehtver-blij - den. I I ! I I I

^ i i i J ^

iü

.

i:

Psalm 20.

$

30=

NB.

;---|-4_J------1---1--1-----j-1--1----

;——f i =

pte

I

1. Ik zal met hart en mond, o Heer! Uw

1 ^ •_____

I

4. J. JL ±

jv—tz

I \' a

mmmm

P

, r rrr ^ r fr t

naam ver-hoo-gen en uw eer, De-wijl Gij

0-^E

m

r-

r

1

1

I

ocr page 130

114 Psalm 30.

tr » r f quot;r ^ r ^

I I \' t , ! I 1 I 1 mij uw\' bij-stand boodt, Mij op - trokt uit den

:i

■ diep-sten nood; Zoo dat de vij-and, in mijn

I 1 \' ! I I I I i

—g-, g- . f -J—^L, I J * J—.

r^rTT^EpEM r r r rquot; r iff

lt; lij-den, Zich o-ver mij niet mocht ver-blij-den.

, j j j iA i i J J j,

2. Mijn God! Gij hebt mij, op mijn klacht, Genezen, en mijn smart verzacht;

Gij hebt mijn ziel, door angst beroerd.

Als uit het graf weer opgevoerd;

Gij hebt het leven mij geschonken.

Ik ben niet in den kuil gezonken.

ocr page 131

Psalm 30.

3. Psalmzingt, Gods gunstgenooton! geeft, Geeft lof den Heer, die eeuwig leeft!

Zijn vlekkelooze heiligheid Zij ter gedachtenis verbreid. Een oogenblik moog\' ons doen beven;

Zijn gunst verduurt een eeuwig leven.

4. Perst eens de bittre tegenspoed, Des avonds, het benauwd gemoed Tot naar gejammer en geklag;

Nauw rijst des morgens vroeg de dag. Of God verleent, in plaats van lijden Weêr stof tot juichen en verblijden.

Pauze.

5. Ik sprak, door mijn geluk misleid: »Ik wankel niet in eeuwigheid.»

Want Gij hadt mijnen berg, o Heer!

Door uwe gunst, uw\' naam ter eer. Zoo vast gezet, alsof gevaren

En rampen nu verdwenen waren.

6. Maar toen G\' U slechts een oogenblik Verbergdet, trof mij vrees en schrik;

Dies riep ik om uw heilgenot;

Ik smeekt\' en zeid\': »o groote God!

I»Wat winst is uit mijn bloed te halen? «Waartoe zou ik ten grave dalen?»Wat winst is uit mijn bloed te halen? «Waartoe zou ik ten grave dalen?

7. «Zou in den kuil \'t ontzielde stof »Den mond ontsluiten tot uw\' lof »En van uw redding zingen? zou »Het daar verkondigen uw trouw?

«Hoor mij, o Heer! help mij genadig; «Bekroon mij met uw gunst gestadig.»

8. Gij hebt mijn weeklacht en geschrei

I Veranderd in een\' blijden rei; Veranderd in een\' blijden rei;

Mijn\' zak ontbonden, en mij weêr Met vreugd omgord, opdat mijn eer Niet zwijg\': zoo klinkt uw lof naar boven. Mijn God! U zal ik eenwig loven.

115

ocr page 132

116

Psalm 31.

1. Op ü be-trouw ik, Heer der hee - ren!

r f r r r r

EgEta

Phrygisch. 1.

KB.

I I

i

fat

r

r

-l

ia—i

m

r i i i i .

Op U, ge - lijk \'tbe-taamd; Ai!

r

i

4.

i

--___B.

«-

i

mquot;

laat mij nooit, be - schaamd, Van u-wen troon tc

, , 1 , ■ J I • -

M=

-j al al-

-P

1^1

rfr

rug-ge kee-ren;

te

rP:

Help mij, op mijn ge - be -den,

Ai±ii ^

■m=f

mij, op mi; ë -*■ é


-2-; - |g

ocr page 133

6.

Psalm 31.

m

r r r I r-r f

Door uw ge-rech-tig - he - den.

J_^ ■

117

03

I

1:

r

I

(SC

r

ü, ge - lijk \'tbe-taamt; Ai! laat mij nooit, be-

I I I

r

j

£

r-

1 t r r r r r

schaamd, Van n - wen troon te rug - ge

^LJ==L^

ocr page 134

Psalm 31.

v-f p f rrr ^ i

kee - ren; Help mij, op mijn ge - be-den, Dour

^ T I i r ! ^

uw ge - rech - tig - he - den.

i i i- J J J

S -r r—f^i-r

2. Och! neig tot mij uw gunstig\' ooren:

Schiet haastig toe, dat mij

Uw naam een rotssteen zij;

Een huis, een welgesterkte toren,

Die, op een klip verheven,

Mij veiligheid kan geven.

3. Gij zijt alleen, (wat zon ik vreezen?)

Mijn rots, mijn burg, o Heer!

Ja, uwen naam ter eer.

Zult Gij mij tot een\' herder wezen.

Mijn Helper! scheur de netten.

Die z\' in \'t verborgen zetten.

4. \'k Beveel mijn\' geest in uwe handen;

Gij, God der waarheid! Gij

0 Heer! verlostet mij.

Ik haat hen, die het reukwerk branden Ter eer van valsche goden:

Op ü steun ik in nooden.

118

ocr page 135

Psalm 31.

Eerste Pauze.

5. \'k Zal in uw goedheid mij verblijden;

Gij hebt mij aangezien,

En hulpe willen biên In mijn verdrukking en njijn lijden;

Toen, in mijn zielsellende,

Uw aangezicht mij kende.

6. Ook hebt Ge mij niet weggestooten.

Noch mij, van allen kant.

Benauwd door \'s vijands hand ;

Neen! \'k heb uw trouwe hulp genoten: Gij deedt met vaste schreden Mij in de ruimte treden.

7. Bewijs, o Heer! uw niededoogeu;

Verhoed mijn\' ondergang;

Ik ben beklemd en bang;

Het zwaar verdriet doorknaagt mijn oogen:

Het doet mijn ziel bezwijken.

En \'s lichaams krachten wijken.

S. De bittre smart verteert mijn leven;

Mijn tijd wordt dag aan dag Versleten in geklag;

Ik voel mijn krachten mij begeven Door zonden, die met plagen Mijn beendren fel doorknagen.

Tweede Pauze.

9. Mijn weêrpartijders, zeer te duchten, Verwekken mij elks haat En mijner buren smaad;

k Ben tot een\' schrik, mijn vrienden vluchten, Daar z\', om mijn blaam en lijden,

Mij op de straten mijden.

119

ocr page 136

Psalm 31.

10. Ik ben, als dood, in l hart vergeten, Eq -word niet meer geschat,

Dan een bedorven vat;

\'k Hoor hoeveel kwaads mij wordt verweten. Waar zou ik veilig wezen?

\'k Heb van rondom te vreezen.

11. Terwijl zij samen zich verbinden,

Besluiten zij mijn\' dood;

Maar, Heer! \'k vertrouw in nood Op U; dit doet mij sterkte vinden;

\'k Mag, met geloovig roemen,

U mijn\' Verbondsgod noemen.

12. In uwe hand zijn mijne tijden;

\'k Verlaat mij in mijn leed

Op U alleen, die weet De maat en \'t einde van miju lijden; Red mij, van die, verbolgen.

Ter dood toe mij vervolgen.

13. Laat over mij uw aanschijn lichten;

Zie op uw\' dienstknecht neêr;

Verlos mij toch, o Heer!

Doe mij nooit voor mijn haatren zwichten; Beschaam niet, laat niet zuchten,

Dien Gij tot ü ziet vluchten.

Derde Pauze.

[4. Beschaam, verschrik de goddeloozen; Verstom hen in den dood.

Och of uw almacht sloot\'

De valsche lippen van die boozen, Die, stout en trotsch, verachten Hen, die uw wet betrachten.

15. Hoe groot is \'t goed, dat Gij zult geven Hem, wiens oprechte geest Op U betrouwt, ü vreest!

Hoe groot is \'t heil, dat G\' in dit leven. Ver boven beed\' en wenschen.

Reeds wrocht voor \'t oog der menscben!

ocr page 137

Psalm 32. 121

16. Gij zult uw volk een schuilplaats wezen; Gij bergt hen in het licht Van \'t godlij k aangezicht,

Daar zij geen leed van trotschen vreezen; Een hut, waarin zij \'t woelen Den twist der tong niet voelen.

17. Geloofd zij God, die zijn genade Aan mij heeft groot gemaakt;

Die voor mijn\' welstand waakt:

Zijn oog slaat mij in liefde gade ;

Hij wil mij heil bereiden,

Mij in een vesting leiden.

18. Ik heb, te moedloos neergebogen,

En door de vrees gejaagd,

Weleer te ras geklaagd;

» k Ben afgesneên van voor uw oogetï.\'i Dan, nog woudt G\' U ontfermen.

Toen Gij mij hoordet kennen.

19. Bemint den Heer, Gods gunstgenooten! Den Heer, die vromen hoedt.

En straft het trotsch gemoed.

Zijt sterk; Hij zal u niet verstooten ;

Hun geeft Hij moed en krachten.

Die hopend op Hem wachten.

Psalm 32.

a? i» f o *. — 0 W

f 1 1 ! I I f I I

I. Wel - za - lig hij, wiens zou-den zijn ver-

j

ocr page 138

112.

Psalm 32.

-g—fc

f

I 1 1 I I I

ge-veu; Die van de straf voor eeu-wig is ont-

122

f

il

£:

35-;

EE

P

- - J J

si

3.

1

ven; Wiens wan - be - drijf, waar-

mm

--_-2?quot;

■ r r

door hij was be - vlekt, Voor\'t hei-lig oog des

T^rr

he - vei

ü

1=5=

^=rf

i£

^f=n

laatste vers. 5.

m

4=

I

Hee-ren is be-dekt.

=è =F=

-tS»-

m

f r

Wel-za-lig is de

\' ^ * J j-

:P=rT=

ocr page 139

6.

Psalm 32.

meosch, wien \'t mag ge - beu - ren,

-i—r—r

quot;r T

2-«-

J-

123

i

—

I

Dat

I

I

a

I I I

rfrTTm*?

God naar recht hem niet wil schuldig keu - ren,

1 ^ i J I I

i

feE

•__~__♦_•____J_

ui

±-:

ÉS

1-1-

371»

m-•

r

f—

En die, in \'t vroom en on - geveinsd ge-

1 I 1

é. ± ■»: jz.

I

-J-J—

IÉ

i r r 1 1

m

moed. Geen snood be - drog, maar

I

PI

|

I

?=r

ocr page 140

Psalm 32.

\'p : i I~i U: I\'—

1 r ^ r ^

1 I 1 1

blank\' op - reclit - heid voedt.

, J I_I j-l

!gt;%. \'i gt; r

^JtT=\'=?——

2. Toen \'k zweeg, en U mijn ongerechtigheden, Weêrhouden door de vreez\', niet heb beleden, Verouderden mijn beendren door geklag,

In mijn gebrul en angst den ganschen dag;

Want, Heer! uw hand, die mij bezocht met plagen. Deed dag en nacht mij zware smarten dragen;

Mijn levenssap droogd\' uit vau uur tot uur,

Gelijk het land door zomerzonnevuur.

;i. k Bekend\', o Heer! aan U oprecht mijn zouden; \'k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden; Maar ik beleed, na ernstig overleg.

Mijn booze daan; Gij naamt die gunstig weg.

Dies zal tot U een ieder van de vromen, In vindenstijd, met ootmoed emeekend, komen. Een zee van ramp moog\' met haar golven slaan; Hoe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs uiet aan.

Pauze.

4. Gij zijt mij Heer! ter sohuilplaals in gevaren; Gij zult mij voor benauwdheid trouw bewaren; G\' omringt me, daar Go mij in ruimte stelt.

Met blij gezang, dat mijn verlossing meldt.

Mijn leer zal u, o mensch! naar \'t recht doen handlen, En wijzen u den weg, dien gij zult wandlen;

Ik zal u trouw verzeilen met mijn\' raad,

Terwijl mijn oog op u gevestigd staat.

124

ocr page 141

Psalm 33.

5. Wil toch niet stug, gelijk een paard, weêrstreven, Of als een muil, door domheid voortgedreven;

Gebit en toom, door \'b menschen hand bestierd, Beteuglen \'t woest en redeloos gediert\'.

Laat zulk een dwang voor u niet noodig wezen. Wie God verlaat, hoeft smart op smart te vreezen; Maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen,

Ziet zich omringd met zijn weldadigheên.

C. Rechtvaardig volk! verhef uw blijde klanken. Verheugd in God, naar waarde nooit te danken. Zingt vroolijk; roemt zijn deugden \'t aller tijd. Gij, die oprecht van hart en wandel zijt!

Psalm 33.

Dorisch. 1.

—1-1----1--i-1

--1--

\'2 J . 1

j

. 1 Zing

• j Het

|

i—0---#-----5-.J

1 r 1 r 1

t vroolijk, heft de stem nua past op - rech-ten God te

1 1 J 1 J -

_ _ j; J r-r1

bo - ven; lo - ven;

1 j

tv—-«-

—J-0--#-

quot;ü—s— —

3—5-

1

-»-j?-5-P-i-•-

--1----^^--i-

i=F=^-

m

ril11 1 4 i i

liechtvaar - di - gen! ver-heft den Heer. j

125

Zingt zijnen grooten naam ter eer. (

J I

JU

4.1 1

ocr page 142

126 Psalm 33. r 5- ____________L

^r r rrrTr

quot; Prijst Hem in uw psalmen, Met de schoonste galmen ;

I I I I I i I J J J- J I ^ «—_—•—-\\-EE|I—\'1

-1-jc=f-pF=p3zF=--^ f

„ 7- 8- i i I i i li

i i i i i 1 ! i 1 f Roept zijn weldaan uit. Laat de keel zich pa - ren

I 1 I J «■ J -2- ♦ I I i p.. ■» j—*—i * # i ? g quot;i

9quot;--f-ar-j®— I ~ -»---a-»- -1-

9. KB.

3 tr~i—;—1—i—i\'

10. ^ ^

j3 1-] ^7-

--1

J f f 1 1 Met den klank de

1 1 1

amp;

J

1 i

snaren;

1 1

Igt; rj m 1

rrfV

Looft Hem met de

~J- J-

luit. —-1

—lt;gt; 1 1—-F-h2-!- f *

r~ -J gt;-f——

l ^ \'3

Psalm 33. Nieuwe melodie.

ocr page 143

3.

Psalm 33.

EitE5t

i I -,*■

I V 1,1 11

vaar - di - gen! Ver - heft den Heer.

127

i

r

Het

as

j

H ......i ,

-é=j gt;- -

lt;1

^4 , j-J__j

«J ^ •

• r f T

past op - rech - ten God te lo - ven

J J , J J lt;L-i

ü^y

i-=^l

t—r

Zingt zij - nen groo-ten naam ter eer.

J—i—J—J—i~J—J—J-

£

5.

ate

6.

^ amp; — *

i

I

Prijst Hem in uw paal-men, Met de schoonste

I I I j t|J- -i -i

§0

Iamp;I

^-=f^

ocr page 144

Psalm 33.

r \' \' I

gal-men; Roept zijn weklaan uit. Laat de keel zich

ul ! i i , 1 lii.

w

t

128

m

m

f

r

r

m.

9- ii i —|—J—-j i-h-iquot;

FÏ=^M

r » r » (s (s

\' ?—«

• r F—^

i

/5-

pa-ren Met denklank der snaren ;Lool\'t Hem met de luit.

l

BiÉii

2. Roemt nu met nieuwe lofgezangen

De nieuwe blijken van zijn gunst; Het speeltuig moet dien toon vervangen; Heft vroolijk aan, wijdt Hem uw kunst. Alles moet Hem eeren;

Want het woord des Heeren, - \'t Richtsnoer zijner daan, Is volmaakt rechtvaardig.

Al onz\' achting waardig;

Eeuwig zal \'t bestaan.

3. Hij schept in \'t heilig recht behagen:

Zijn wijsheid is alom verspreid; Men hoort al \'t wereldrond gewagen Van zijne goedertierenheid.

\'s Heeren alvermogen Bracht de hemelbogen

Door zijn Woord in t licht;

Heeft de flonkervuren,

Die den tijd verduren.

Door zijn\' Geest gesticht.

ocr page 145

Psalm 33.

Eerste Pauze.

4. Hij doet de groote waatien zwellen,

Te zaam vergaadren tot een\' hoop, En naar den diepen afgrond snellen.

Daar zij beperkt zijn in hnnn\' loop.

Laat al d\' aard\' Hem vreezen.

Die, als \'t Opperwezen,

\'t Al heeft voortgebracht;

Laat de wereld schrikken;

Laat z\', all\' oogenblikken;

Siddren voor zijn macht.

5. Geen ding geschiedt er ooit gewisser,

Dan \'t hoog bevel van \'s Heeren mond: Zijn godlijk\' almacht spreekt, en \'t is er, Zijn wil gebiedt, en \'t wordt terstond. Schoon de heidnen samen List op list beramen.

God verbreekt hunn\' raad;

Schoon de Mogendheden Snood\' ontwerpen smeden.

Hij belacht haar\' haat.

6. Maar d\' altoos wijze raad des Heeren

Houdt eeuwig stand, heeft altoos kracht; Niets kan zijn hoog besluit ooit keeren; \'t Blijft van geslachte tot geslacht.

Zalig moet men noemen Die hunn\' Maker roemen

Als hunn\' Heer en God,

\'t Volk, door Hem te voren Gunstig uitverkoren Tot zijn erv\' en lot.

Tweede Pauze.

7. De groote Schepper aller dingen

Ziet, uit het ongenaakbaar licht. Het gansch gedrag der stervelingen;

Niets is bedekt voor zijn gezicht.

129

9

ocr page 146

Psalm 33.

Uit zijn vaste woning,

Daar Hij heerscht als Koning,

Daar zijn lof, zijn eer.

Klinkt door al de bogen.

Zien zijn godlijk\' oogon Op al \'t menschdom neêr.

8. \'t Is God, aan tijd noch plaats verbonden.

Wiens toezicht over alles gaat;

Die \'t harte vormt, en kan doorgronden;

Die aller werken gadeslaat.

Schilden, bogen, dolken,

Dapper\' oorlogsvolken.

Wijsheid, moed noch kracht Kunnen ooit in \'t strijden,

Eenig vorst bevrijden Zonder \'s Heeren macht.

9. Het brieschend paard moet eindlijk snoven,

Hoe snel het draav\' in \'t oorlogsveld; \'t Kan niemand d\' overwinning geven;

Zijn groote sterkte baat geen\' held.

Neen, de Heer der Heeren Doet ons triomfeeren;

Hij, geducht in macht.

Slaat elk gunstig gade,

Die op zijn genade In benauwdheid wacht.

Derde Pauze.

10. Zijn machtig\' arm beschermt de vromen,

En redt hun zielen van den dood.

Hij zal hen nimmer om doen komen,

In duren tijd en hongersnood.

In de grootste smarten,

Blijven onze harten

In den Heer gerust.

\'k Zal Hem nooit vergeten.

Hem mijn\' Helper heeten,

Al mijn hoop en lust.

130

ocr page 147

Psalm 34.

11. Laat ons alom zijn\' lof ontvouwen; In Hem verblijdt zich ons gemoed, Omdat wij op zijn\' naam vertrouwen, Dien naam zoo heilig, groot en goed. Goedertieren Vader!

Milde Zegenader!

Stel uw vriendlijk hart.

Op wiens gunst wij hopen,

Eeuwig voor ons open;

Weer steeds alle smart.

Dorisch. 1.

\'fa 3 _4=;

=1= q=^= i

■ ---1-

\'ïJ \'J

1

i. Ik

— J

0 r - *

1 r f i

loof den Heer, mijn\'

r-J J J J-,

r r

God; Mijn

H-i

-f----p-

3.

r r r \' f r

zang klimm* op naar \'the-mel - hof;

i J i i —^=;Fg—

Psalm 34.

tü

• \\

TjVy - Xc-t-fC

a—j—-I

lof,

NB.

131

1

-d;

ie;

is-

I

Mijn

4.

Ip

rf

r-*- r P •amp;- -e--*- r P •amp;- -e-

! , 1 1 I I. ,

mond zing eeu-wig tot zijn

T^-

I

Om

■i.

Ur l

V

!)*

%

ocr page 148

Psalm 34.

laatste vers. 5.

r TTWT r f f rT

mijn ge - luk- kig lot. Mijn ziel 1 loof d\' Op - per-

132

i

m

-«i-T-J-n-l-i-J-

2r-0-

rquot;f

m

ét^C iLc*

r f r r-r

heer.\'tZaclit-moe-dig- volk zal\'t straks ver-staan,

. J J J J J ^ J \'

Sipl

r

r

li

■ L

Door

I

•Ö1-

aan - ge- daan,

4

r—r—r-ff —r-f

vreugd met U ziin

-j-j. J

Â¥

f

Cl:

jr. ^

Hi

m

I-

~sr

r

En

f

zijn

eer.

rrr

jui-chen tot

NB.

f1

f

ocr page 149

Psalm 34.

2. Komt, maakt God met mij groot; Verbreidt, verhoogt met hart en stem Den nooit volprezen\' naam van Hem. Die ons behoedt in nood.

Ik zocht in mijn gebed Den Heer, ootmoedig met geween; Hij heeft mij in angstvalligheên Geantwoord, mij gered.

3. Zij sloegen \'t oog op God;

Zij liepen als een stroom Hom aan; Hij liet hen nimmer schaamrood staan; Hij wendde straks hun lot.

Hij, die door smart op smart Gedrukt werd, zond tot God zijn beê; Terstond verdween \'t ondraagbaar wee Uit zijn benepen hart.

Eerste Pauze.

4. Des Heeren Engel schaart Een onverwinbre hemelwacht Eondom hem, die Gods wil betracht; Dus is hij wel bewaard.

Komt, smaakt nu en beschouwt De goedheid van d\' Alzegenaar. Welzalig hij, die in gevaar,

Alleen op Hem betrouwt!

5. Vreest, vreest Hem t\' allen tijd\', Gij heiligen! daar g\' ondervindt. Dat hij, die God vreest en bemint, Gebrek noch schade lijdt.

In honger komt noch moed,

Koch kracht den jongen leeuw te baat Maar die den Heer zoekt vroeg en laat Mist nimmer \'t noodig goed.

ocr page 150

Psalm 34.

6. Komt kindren! hoort naar mij,

Neemt mijn\' getrouwen raad iu acht; Ik leer, opdat g\' uw\' plicht betracht, Wat \'s Heeren vreeze zij.

Hebt gij in \'t leven lust,

In dagen, daar men \'t goed\' in ziet. Waarin men vrij is van verdriet.

Daar niets ons heil ontrust?

7. Houdt dan uw tong in toom;

Dat zij nooit schandlijk spreek\' of smaal\';

Dat nooit bedrog of logentaal

Op uwe lippen koom\';

Betreedt het rechte spoor;

Veracht het kwaad; jaagt naar den vreu.

God ziet de vromen, en hun beê

Geeft Hij altoos gehoor.

Tweede Pauze.

8. God slaat een gram gezicht

Op boozen, die Hem tegenstaan;

Hij doet hunn\' naam met hen vergaan Door \'t hoogste strafgericht.

Maar Hij ziet gunstig neer Op hem, die naar zijn wetten leeft; God is het, die hem uitkomst geeft.

Zijn\' grooten naam ter eer.

9. God is \'t verbroken hart,

\'t Verbrijzeld en bedrukt gemoed, Ten allen tijd\', nabij en goed, In tegenheid en smart.

Veel wederwaardigheên,

Veel rampen zijn des vromen lot;

Maar uit die allen redt hem God;

Hij is zijn heil alleen.

134

ocr page 151

Psalm 35.

10. God zorgt, als \'t leed genaakt,

Dat hij niet gansch temederstort\'. Dat hem geen been gebroken word\': \'t Is God, die hem bewaakt.

De snoode boosheid baart Don goddeloozen vloek en dood,

Daar hij, die d\' onschuld stout verstoot, Zelf schuldig wordt verklaard.

11. De Hoer verlost en spaart

135

Zijn volk, dat op zijn hulp vertrouwt; Het zal, door Hem in gunst beschouwd, Niet schuldig zijn verklaard.

r

Psalm 35.

Hypo-Jonisch. 1.

NB.

i^ip

r

, ■ ■ ■ t r

1. Twist met mijn twis-ters, He - mei-

J i i i J

TT

$5

i

: r rr ^ r r

heer! Ga mijn be-strij-dren toch te keer;

p!|=

4^=

ocr page 152

136 Psalm 35.

w f r 1 1 r r r ~ttquot;

Wil spies, ron-das en schild ge - brui-ken; lt;

^ f r r r r r f r r

Om hun gevreesd ge-weid te fnui-ken;

ij.j jj J —J-

^ r r r f r r ^

Be - let hun d\' op-tocht; treed voor-

—d-j—J—j——q I. ÜE^eeeeeèeeee^EE^^ËEE^E^

H—^

.. -U

—t-

-1-

-1-

i

—ö-—

sgt;—

~-i

=d

=4==4 -

^-p—

«it, ü J

r

Zoo 1

amp;

t

wor -

1

lt;sL

1

den i

r r r »f

z\' in hunn\' loop ge-

j j j j

^ 3 ^

—(2—

v—O— \' amp;=

—amp;— —1-

—F--

~t=

—0--

• •

ocr page 153

Psalm 35.

stuit; Ver-troost mijn ziel in haar ge-ween,

_4_| J Jj ^ - f ,

S*EiHEÉ^iE^éE=ËB -1--r-\'-f-n——r—1

r r fr r r r

En zeg haar: «k Ben uw heil al-leen «.

ryfi- ^ -J—J—*--,-n

---=:^t_,—f-—W

137

1

1 I I |g-L^i

ocr page 154

Psalm 35.

4. Mijn vijand word\', eer hij \'t verwacht, Door ramp op ramp te niet gebracht; Hij moog\', in eigen net gevangen,

Het loon van zijn bedrijf erlangen; Zoo vall\' hij in den kuil, weleer Voor mij geschikt, verslagen neêr;

Dan zal mijn ziel, verheugd in God,

Steeds juichen in haar heilrijk lot.

Eerste Pauze.

5. Mijn beendren spreken tot uw eer; Wie, wie is U gelijk, o Heer?

U, die van d\' overmacht der sterken De zwakke redt door wondre werken? Die, voor de roovren woed\' en zwaard, \'t Nooddruftig volk getrouw bewaart? Gij weet, hoe valsch men mij belaagt. En onverdient ter vierschaar daagt.

C. Mijn vijand, dorstig\'naar mijn bloed, Vergeldt mij wreevlig kwaad voor goed; Maar ik, hem ziend\' in krankheid zuchten, Nam deel in al zijn ongeneugten. Ik vastte, met een\' zak omgord;

\'k Had mijn gebeden uitgestort;

Ik ging in \'t zwart, met rouwmisbaar, Als of \'t mijn vriend, mijn broeder waar\'.

7, \'k Had om mijn haters \'t kleed gescheurd, Als een, die om zijn moeder treurt;

Maar als ik moest met rampen strijden. Verheugden zij zich in mijn lijden. Zij kwamen schielijk op mij af,

Eer iets mij zulks te kennen gaf. Elk spotte met mijn zielsverdriet, Hun valsche tong bedwong zich niet.

ocr page 155

Psalm 35.

8. Bij dartle brassers aan den disch,

Wien \'t huichlend spotten eigen is,

Wier lastertaal mij snood onteerde,

Was vrengd om \'t onheil, dat mij deerde. Hoelang zult Gij zulks zien, o God! Vergun mijn ziel een beter lot;

Verlos haar, door uw sterke hand, Uit dezer leeuwen klauw en tand.

Tweede Pauze.

9. Ik zal, in tegenwoordigheid Van \'t groote volk, uw Majesteit

D\' erkentnis van mijn hart bewijzen; \'k Zal U voor aller oogen prijzen.

Dat zij dan, die mij zonder reen Vervolgen, om mijn tegenheên Niet. juichen, noch, in hunnen waan. Op mij bun schimpend\' oogen slaan

10. Zij spreken nooit van vrede; neen!

Maar zij bedenken listigheên.

Ten val van hen, die, stil van zinnen, Den vrede, \'t dierbaarst pand, beminnen. Zij bassen m\' aan met open mond; Hun schimptaal, die mijn ziel doorwondt. Bespot mijn leed; zij zijn verheugd Op \'t zien van al mijn ongeneugt.

11. O Heer! Gij ziet het; zwijg niet stil! Uw recht beslisse mijn geschil.

Ontwaak, treed toe tot mijn bescherming; Mijn God! betoon mij uw ontferming; Doe mij, o hoogste Majesteit!

Eens recht naar uw gerechtigheid.

En laat die wreeden, dag aan dag,

Niet juichen om mijn droef geklag.

139

ocr page 156

12.

Psalm 36.

Laat hen niet zeggen in het hart:

quot;Geluk, mijn ziel! hij is benard!«

Men hoore nimmer uit hun monden; »Wij hebben hem in \'t eind verslonden!« Wilquot; hen veeleer met schand\' belaan,

Om al den smaad, mij aangedaan;

Opdat mijn trotsche weêrpartij Zich niet verheffe tegen mij.

Laat vromen, juichend t\' allen tijd\',

Om mijn gerechtigheid verblijd,

Dien lust, dien ijver nooit bedwingen;

Maar zeggen, onder \'t vroolijk zingen: «Verheerlijkt zij de hoogste God;

»IIij schenkt zijn\' knecht een vreedzaam lot.« Dan meldt mijn tong, met diep ontzag. Uw recht, uw\' lof den ganschen dag.

Jonisch. Psalm 36.

1. _i 2.

j ( Het trotseh ge - drag des boo-zen doet Mij j Wijl hij zoo lang zich zei-ven vleit, Tot

J J J J J J | I _J

r ^ r r r r r r

spre - ken in\'t be-klemd ge - moed: «Gods Gód zijn on - ge - rech - tig - heid Niet

140

13.

é *

b ^ ;

1

—ï—i*—*——i--1-1—

r 1 H

ef

ocr page 157

Psalm 36. 141

I 7^=^1=5==

r r r r r r

vrees is uit zijn oo - gBn.« ) ge

lan - ger kan ge - doo - gen. j

-fLl, J J 1—^ J \'I-^-1

drog en on-recht spreekt zijn mond; \'tVer-

^ ^ ^^ J ! J J-|

stand laat na, den wa - ren grond Van t

j__iv J

i fe=Ê|::f=F—ëj— i 10-pJïri^T=rrfJ^-r-f--f

weldoen op te merken; Des nachts is\'t kwaad zijn

J J , , i J J J i i J

ocr page 158

Psalm 36.

o-ver-leg; Hij stcltzich op een\' boo-zon weg,

JJJ

i

tór

...M

—1-

-

-9—

—|

—r--r

Y*1-

--I-

-•—

-•

—

—h-

----

j

r i i i i

En schuwt geen snoo- de ! i i i i

nr

wer -

r—l-H

r

ken.

1

\'V

O B

g-

^jrri

J

-•-B-

1 1

-1-

-0-

——#—

__—p—

=F

- - =11

142

1

Uw goedheid, Heer! is hemelhoog; Uw waarheid tot den wolkenboog; Uw recht is als Gods bergen;

Uw oordeel grondloos: Gij behoedt. En zegent mensch en beest, en doet Uw hulp nooit vruchtloos vergen. Hoe groot is uw goedgunstigheid! Hoe zijn uw vlenglen uitgebreid! Hier wordt de rust geschonken;

Hier \'t vette van uw huis gesmaakt; Een volle beek van wellust maakt Hier elk in liefde dronken.

ocr page 159

Psalm 37

Dat mij nooit trotsche voet vertrapp\',

Noch booze hand in ballingschap Ellendig om doe zwerven!

Daar zijn de werkers van het kwaad Gevallen in een\' jamraerstaat,

Waarin zij hulploos sterven.

Dorisch. Psalm 37.

jjart Th—I—

ff n r r ^ f r f

1. Wees o-ver\'t heil derboo-zen niet ont-sto - ken;

s2—r\'-t—F-r-r-j-r r r r

Be - nijd hen niet. Wat onrecht, wat ge-

143

V „ -1-_-^-q

--9-J--1-:--1--

TOquot; gt;5—

gt; d-J I

y f r

weid De

J J

r fff

trouw ver-drukk\', zij

1 1 1 1

^ •-is-^-Ï;-—

\' l amp; ^

J-3-1-~-—

----1-

r-t-F—

ocr page 160

144 Psalm 37.

i

—1—

=t

—i—

—I--

(

Â¥gt;=

—2—

—i— -#—

-J-

—d

=s

=4

h-

r—r-

blijft niet

i J

r

on -

J

r

ge -

J

Tlr f

wro - ke

J

n.

r

De

1

A-

-ft—

—#—

0—^

-ö

---—-^-

--1-

n

-f— i

fquot; i

H— J

-

|

r

-1—

i i

-1-

j

-j

amp;

-j—J

—H

1

i

ÏV-

-0—

—^—

—ir-

-0—

-0-

H—

trot-i

J

1—i— sche ziet

J _ ^

t

zijn

J

r r

weeld eec

J J

perk

J

r

ge-

J

m

-f-

=1=

4—

—if-

—^

-#—

-1-

-1-

n

5. ,

I

—F-

-1-

-1-

i—

——I—

■ „ 1 -i---

Xf-

-it

•

—•—

v

*

r

steld

J

- r

Valt

J

r

af, i

1 r

als \'t kruid, ^ i

1--

ter-

J 0_

-1-

-#--

-rt

-1—-

-1—

gt;

-^-

-1-

=£

—0-

I

--

-1-

6.

-V-tr-l--1--1--1---1--1—

——--1-

t

W-

Â¥

-J--

-

--J-

1

nai

J

—r

- wer -i

r

nood

tJ

r

ont -

J

r

lo i

,r

- ken

j

gt;

is* Ver-

J

-#

-

zJ

P-

-!—

-H-

-F—

-r

ocr page 161

Psalm 3quot;. 145

dort als\'t gras, door\'s maaiers zeis ge - veld.

I3

r \'

.

2. Stel op den Heer in alles uw betrouwen;

Betracht uw\' plicht; bewoon het aardrijk; leer Uw welvaart op Gods trouw volstandig bouwen; Verlustig u met blijdschap in den Heer:

Dan zal Hij u in liefd\' en gunst aanschouwen, U schenken, wat nw hart van Hem begeer\'.

3. Geen ijdle zorg doe u van \'t heilspoor dwalen;

Houd in uw\' weg het oog op God gericht.

Vertrouw op Hem, en d\' uitkomst zal niet falen. Hij zal welhaast uw recht, voor elks gezicht,

Doen dagen, als de morgenzonnestralen.

En blinken, als het helder middaglicht.

4. Zwijg Gode; wacht op \'t eiad van \'s Heeren wegen. Wanneer gij hier der snooden voorspoed ziet;

En, hebben zij door list hnnn\' wensch verkregen, \'t Ontsteek\' u drift, noch baar\' u zielsverdriet; Misgun hun dan geen\' ingebeelden zegen; i Laat af van toorn, en zoek de wrake niet.

5. God roeit hen uit, die \'s vromen rust verstoren; Maar die den Heer verwachten met geduld,

Zien \'t aardrijk zich ten erfbezit beschoren.

Verbeid den stond, die beider lot vervult,

En tracht dan \'t zaad der boozen op te sporen, Waarvan gij plaats noch voetstap vinden zult.

ocr page 162

Psalm 37.

Eerste Pauzo.

0. \'t Zachtmoedig volk zal eens den vollen vrede Genieten, in de zoetste rust verblijd,

En erven d\' aard\'. Hoe ook de booz\' en wreede Op d\' onschuld loer\', de tanden kners\' van spijt; Hoe listig hij op haaf zijn\' aanslag smede,

De Heer belacht het wrokken van dien nijd.

7. Hij ziet zijn\' dag, den dag zijns oordeels, komen. Men trekt het zwaard; men spant den boog, en mikt Op \'t zuchtend hart der onderdrukte vromen;

Daar \'s boozen raad hen wreed ter slachting schikt, In \'t stout bestaan, in \'t woeden niet te toomen, Voordat hem God verbijstert en verschrikt.

8. Gods wraak ontwaakt, en trekt de trotschen tegen; Hun eigen zwaard vergiet hun ziedend bloed;

Dan breekt hun boog, dan vallen z\' op hun wegen; Dan blijkt op \'t klaarst, dat hier het weinig goed Van \'s Heeren volk, rechtvaardiglijk verkregen.

Veel beter is, dan \'s boozen overvloed.

9. Gods macht verbreekt den arm der goddeloozen, Terwijl zijn hand rechtvaardigen geleidt:

Al treden z\' op geen\' weg, bezaaid met rozen, Zij wachten \'t heil, door God hun toegezeid. Hij kent hunn\' tijd; zij zien, in spijt der boozen, Hnn erfenis bewaard in eeuwigheid.

10. Geen druk beschaamt hun hoop in bange tijden; Geen hongersnood doet hen verlegen staan:

Gods goedheid zal hen voeden en verblijden;

Maar \'s Heeren toorn de boozen nederslaan.

Als \'t mestlam, dat men zag ten offer wijden. Zal, met den rook, het heilloos rot vergaan.

14G

ocr page 163

Psalm 37.

Tweede Pauze.

11. De booze neemt, door hebzucht aangedreven,

Met list ter leen, en legt de schuld niet af. D\' oprechte, vol ontferming, mild in \'t geven.

Bezit deez\' aard\', als \'t erf, dat God hem gaf.

Deez\' smaakt in rust den zegen en het leven; De vloek vervolgt den andren tot in \'t graf.

12. \'t Alwijs bestier bevestigt \'s vromen gangen. De hooge God keurt zijne wegen goed;

Hij zorgt voor hem, en waakt voor zijn belangen; Hij wordt geenszins, om \'t glibbren van zijn\' voet. Of om zijn\' val verworpen, maar vervangen. En ondersteund door God, die hem behoed.

13. \'k Ben jong geweest, en draag nu grijze haren;

Maar zag nog nooit rechtvaardigen door nood Zoo zwaar gedrukt, als of hen God liet varen.

Noch ook hun zaad, al bedelde \'t om brood. Hun mildheid schijnt te groeien met hun jaren; De zegen vloeit hun nakroost in di;n schoot.

14. Wijk af van \'t kwaad, en sta, met al uw krachten Het goede voor, in weldoen onvermoeid;

Woon eeuwig hier in late nageslachten;

Want God, die \'t recht, waardoor zijn Heilrijk bloeit. Op \'t hoogst bemint, bewaart hen, die\'t betrachten; Maar \'t godloos zaad wordt door Hem uitgeroeid.

Derde Pauze.

15. Het aardrijk zij rechtvaardigen en vromen In erfbezit ter woon, eeuw in, eeuw uit.

D\' oprechte doet een\' vloed van wijsheid stroomen. Daar hij den mond tot \'s Hoogsten lof ontsluit; Wat mcnschenvrecs zou ooit zijn tong betoomen? Zij spreekt naar \'t hart, daar enkel recht uit spruit.

10*

147

ocr page 164

Psalm 37.

16. De wet zijns Gods is in zijn hart geschreven, Waardoor zijn gang van glibbren wordt bevrijd. De booswicht loert, door haat en spijt gedreven; Spant strik op strik, of wapent zich ten strijd. En staat, ontzind, rechtvaardigen naar \'t leven, Naardien hij, trotsch, hun \'s Heeren gunst benijdt.

17. God laat hen nooit in \'s haters wreed vermogen. Wié hen verdoem\', de Heer verdoemt hen niet. Wacht op den Heer, en houdt zijn\' weg voor oogen; Hij zal gewis, in \'t wettig erfgebied

Van \'t aardrijk, u op \'t zegenrijkst verhoogen, Terwijl gij \'t eind der goddeloozen ziet.

18. Ik heb het lot eens dwinglands waargenomen; Hij breidde zich verbazend uit in \'t rond.

Gelijk een boom, die, tot zijn kracht gekomen, Op \'t weligst groent, geplant in eigen grond;

Maar \'k zocht welhaast vergeefs die plaag der vromen: Hij was niet meer, hoe vast hij eertijds stond.

19. Let toch, en zie op vromen en oprechten;

Want wat men denk\' van d\' uitkomst hunner paan. God kroont met vree het einde zijner knechten; Maar, durft men stout des Heeren wet versmaan. Dan zal Gods wraak den berg van hoogmoed slechten, En \'t boos geslacht, ten grond toe, doen vergaan.

20. Het heillot, dat rechtvaardigen verkregen.

Vloeit af van God, hun sterkt\', als d\' angst hen knelt. Hij laat, in tijd van nood, hen niet verlegen. Des Heeren hulp bevrijdt hen voor \'t geweld Van \'t godloos rot: Hij komt hem gunstig tegen, Die op zijn macht een vast vertrouwen stelt.

148

ocr page 165

149

Acolisch. 1.

I

3

-TT^—

-S\'J__C-lt;_

r

1. Groot en eeuwig Op - per-we - zen! Zeer te vreezen,

J J j J J 1 J J J d J J

rz/---m---■»-s----j---^-

rrrr r gt; r gt; r

Psalm 38.

zfczö

I

=1=

2--

T

r

I

*

T r

Straf mij in uw gram-schap niet;

i i -j i i J

-

___ _^

i

r rTTTT^r

I

SlEf

Toon mij toch,dat uw kas-tij-den, In mijn lij-den,

-.—^4-^—.-F—

—r

3

r r

p r r

Uit geen grim-mig-heid ge-schiedt. =:j=--^=d=t=d=

=f=F=!f

czlgrE^zi^L;

ocr page 166

Psalm 38.

2. Want uw pijlen doen mij dragen

Bittre plagen;

Zij doorgrieven vleesch en been. \'k Voel nw hand in d\' ongelukken,

Die mij drukken,

Neêrgedaald op al mijn leên.

3. Door uw gramschap, fel ontstoken,

Is verbroken Al mijn vleesch en lichaamskracht; Rust noch vrede wordt gevonden.

Om mijn zonden,

In mijn beendren, dag of nacht.

4. Want mijn hoofd is als bedolven

In de golven Van mijn ongereohtigheên;

Zulk een last van zond\' en plagen.

Niet te dragen.

Drukt mijn schouders naar bcneen.

5. \'k Voel door stinkend\' etterzweren

Mij verteren;

Walglijk zijn zij voor het oog;

Mijne dwaasheid deed die builen

Dus vervuilen,

Daar ze mij tot kwaad bewoog.

Eerste Pauze.

ü. \'k Ben, door uwe wet te schenden. Krom van lenden.

Vol van druk, benauwd van hart;

Zeer gebogen en verslagen,

Moê van klagen.

Ga ik al den dag in \'t zwart.

7. Mijn ontstoken ingewanden Doen mij branden,

En voor elk verachtlijk zijn;

\'k Voel mij van de smart doorsneden;

In mijn leden Is niets heel of vrij van pijn.

150

ocr page 167

Psalm 38.

8. Uitgeteerd door al mijn klagten,

Zijn mijn krachten

Zeer verbrijzeld en vergaan;

\'k Brul van bittre zielesmarte,

Want mijn harte Is verzwakt door al uw slaan.

9. Maar wat klaag ik, Heer der heeren? Mijn begeeren

Is voor U, in al mijn leed,

Met mijn zuchten en mijn zorgen,

Niet verborgen;

Daar Gij alles ziet en weet.

10. \'t Hart schokt in mij heen en weder, Op en neder;

\'t Lichaam valt mij krachtloos neêr; D\' oogen, bijna blind gekreten.

Uitgebeten,

Zien het daglicht nauwlijks meer.

11. Die voorheen mij teêr beminden. En mijn vrinden,

Wijken, angstig voor mijn plaag. Nabestaanden gaan ter zijden,

Wegens \'t lijden En d\' ellenden, die ik draag.

Tweede Pauze,

12. Zij, die mijnen dood bejagen.

Leggen lagen;

Dreigen mij den laatsten slag; Spreken, hoe mij best te krenken,

IEn bedenken Mijn verderf, den ganschen dag.En bedenken Mijn verderf, den ganschen dag.

13. Maar ik ben, in d\' ongelukken,

Die mij drukken.

Als een doove, die niet hoort;

En uit wiens verstomde lippen

Niet kan glippen \'t Flauwst geluid van eenig woord.

151

ocr page 168

Psalm 38.

14. Ja, ik ben als een, wiens ooren

Niet meer hooren,

Wat men zegge, kwaad, of goed; Wien de tegenreên ontbreken,

Om te spreken.

En die daarom zwijgen moet.

15. Want, o trouw en eeuwig Wezen!

In mijn vreezen Staat mijn hoop op U alleen. Gij, mijn God! zult in ellenden

Bijstand zenden.

En verhooreu mijn gebeên.

16. \'k Zei; laat nooit mijn bitter lijden

Hen verblijden In hunn\' trotschen euvelmoed;

Wijl die boozen juichen zouden.

Als z\' aanschouwden \'t Wanklen van mijn\' zwakken voet.

Derde Pauze.

17. Want, o Heer! ik ben aan \'t zinken.

En tot hinken Ieder\' oogenblik gereed.

\'k Heb mijn smart en onvermogen

Steeds voor oogen.

Bij \'t vooruitzicht van mijn leed.

18. \'k Wil mijn misdaan, die ü tergen.

Niet verbergen.

Ik bedek voor U die niet.

\'k Ben van wegen al mijn zonden,

Die mij wonden.

Vol van kommer en verdriet.

19. Maar mijn\' vijand zie ik leven.

Hoog verheven.

Machtig, vrij van smart en nood; Die, om valsche reên verbolgen.

Mij vervolgen.

Nemen toe en worden groot.

152

ocr page 169

Psalm 39.

20. Zij, die kwaad voor goed vergelden,

Lastren, schelden En vervolgen mij gestaag;

Ja, zij zijn op mij gebeten;

Want zij weten,

Dat ik «aar het goede jaag.

21. Zie mij, Heer! wien elk moet duchten,

Tot U vluchten.

O mijn God! verlaat mij niet;

Blijf niet, wegens mijn gebreken,

Ver geweken;

Toon, dat Gij mijn rampen ziet.

22. Heer! ik voel mijn krachten wijken

En bezwijken;\'

Haast U tot mijn hulp, en red; Eed mij. Schutsheer, God der goden.

Troost in nooden,

Groote Hoorder van \'t gebed!

153

Hypo-Aeolisch. 1.

Psalm 39.

\'i

I

r

let - ten op mijn

-2—*-

3

^ r r r r r

1. Ik zei: nu zal ik

r P /n

NB.

ge

-Tr~r-r~r—r

met mijn tong met to- ver

-J J J gt; J J

\'A

I

paan, Om

4—J-

ocr page 170

154 Paalm 39.

^ f—pr r r r r/ r r J

treên; Ik zal geen woord uit mijnen mond doen

j J -Jquot; n | ! j J ! | „J

gaan, Maar breidlen dien in te - gon-

^4 J, i J-J—,

l§È±EÊ^iÊi=^EEr^pE^i

1 f r r r f 7 1 r i

lt; heOn; Terwijl lilj, die mij booslijk te - gen-

y---^■—-^T-J-J—J—J-^-^-g1-^--,

\' r-^

p-r—r^r^r-r^r-rif33

s streeft, Nog daaglijks mij voor oogen zweeft.

ocr page 171

Psalm 39.

2. Ik was verstomd, ik sprak van \'t goede niet;

Maar dit verzwaarde mijne smart,

Mijn geest werd heet in \'t binnenst door verdriet; Een vuur ontstak mijn peinzend hart,

Dat, ondanks mijn besluiten, in mijn leed,

Mijn tong op \'t laatst dus spreken deed:

3. »0 Heer! ontdek mijn levenseind aan mij;

«Mijn dagen zijn bij U geteld;

»Ai! leer mij, hoe vergankelijk ik zij;

«Een handbreed is mijn tijd gesteld;

»Ja, die is niets; want, schoon de mensch zich vleit,

»De sterkst\' is enkel ij delheid.

4. » Gaat niet de mensch, als in een beeld, daarheen, «Gelijk een schaduw, die verdwijnt?

«Men woelt vergeefs; men brengt met zorg bijeen »A1 wat op aard\' begeerlijk schijnt;

«En niemand is verzekerd, wie eens al «Die goedren naar zich nemen zal.»

Pauze.

5. Nu dan, o Heer! wat is t dat ik verwacht?

Mijn hope staat op U alleen;

Verlos mij, door uw onweêrstaanbre kracht,

Van al mijn ongerechtigheên,

En stel mij niet, getrouwe Toeverlaat!

Den dwazen stervling tot een\' smaad.

6. Ik ben verstomd, en zal mijn\' mond voortaan Niet opendoen, wijl Gij het deedt.

Neem uwe plaag van mij; houd op van slaan. En maak een einde van mijn leed;

Mijn kracht bezwijkt, omdat mij uwe hand Zoo fel bestrijdt van alle kant.

T. Wanneer uw straf op eenen stervling stort,

Omdat hij uwe wet vergeet.

Verdwijnt zijn glans, zijn kracht vergaat in \'t kort, Gelijk de schoonheid van een kleed,

Waarover zich alom de mot verspreidt;

Gewis, de mensch is ijdelheid!

155

ocr page 172

156 Psalm 40.

8. Hoor mijn gebed, mijn bang geroep, o Heer! Daar \'k schreiend ü mijn leed vertoon; Ik, die bij U, als vreemdeling, verkeer. En hier, gelijk mijn vaders, woon.

Ai! wend uw hand en plagen van mij af; Verkwik mij eer ik daal in \'t graf.

Psalm 40.

I

BÉ

Hypodorisch. 1.

NB.

ri— U | --* • tfj---

rr^ rrnquot; r r

1. \'kHeb lang den Heer in mij-nen druk ver-

ilÉËÈEê

• lt;•

I^T

isgt;-ö- —-—.—•-5—5--

f- f : r \' f-ff

Hij heeft zich tot mij ge - neigd; Ik

J i i

2.

£

1

I-

wacht, Én

J J

I

J

-2

lü

quot;f-•-»-j—I—^--Tg-

r r r r

riep, door nood op nood be - dreigd. Hij

-A—J—j—j-, ^ J—J—

-r

3—

I I

ocr page 173

Psalm 40.

1717 r ^rT f

gaf ge-noor aan mij - ne jam - mer-

157

IE3:-

T

1-3=

rf=r r

. I !

klacht. Mij,

1 r

in den kuil ver - zon - ken,

I

-I. J ^ J.-U

r .f f m

r

j

quot;f

Mij heeft Hij hulp ge - sehon - ken,

J ^ J J ,

a

-r=i

Ge-voerd uit mod-drig

i j J J i

-FS quot; —-

T~ 1 L -C-J—

Tquot;

slijk

I

eI

Mij

I

Pf==E

ocr page 174

Psalm 40.

158

Ï4

op een rots ge

ii «U

7=r=f=f=tf=f

i i T

zet, Daar ik, met vas-ten

j -z 1 1 J. J.-J


t-t

10.

■Jtk-1-^--

—Ö-1—i——i—

-1-^---

—\'i—i—i—i—fj-i— ——-1-a-•-itw—

-^--

^ r r

tred. Die

J J

f r r T

jam-mer-kolk ont-

I1 j • J

P

S j—

o ^—p— ■

—2—1---•—

-- -^ f r- -

-r?--LI

2. Hij geeft m\' op nienw een danklied tot zijn eer, Een\' lofzang; velen zullen \'t zien.

En God\' eerbiedig hulde biêu;

Hem vreezen, en vertrouwen op den Heer. Wel hem, die \'t Opperwezen Dus kinderlijk mag vreezen.

Op Hem vertrouwen stelt.

En, in gevaar, geen kracht Van ijdle trotschaards wacht,

Van leugen, of geweld.

3. Mijn God! Gij hebt uw wondren groot gemaakt. Wie is \'t, die \'t onbepaald getal Van uw gedachten melden zal?

Wat geest zoo vlug, wat tong zoo welbespraakt? Geen slachtvee, geen altaren Vol spijz\' ten offer, waren

• •

ocr page 175

Psalm 40.

Het voorwerp van uw\' lust;

Gij hebt mij, naar uw woord,

Mijn ooren doorgeboord,

En \'t lichaam toegerust.

4. Brandofferen, noch offer voor de schuld, Voldeden aan uw\' eisch, noch eer;

Toen zeid\' ik: zie, ik kom, o Heer!

De rol des boeks is met mijn\' naam vervuld.

Mijn ziel, U opgedragen,-

Wil U alleen behagen;

Mijn liefd\' en ijver brandt:

Ik draag uw heiige wet.

Die Gij den stervling zet,

In \'t binnenst\' ingewand.

Pauze.

5. Uw heilleer wordt door mij alom verbreid; \'k Bedwing mijn tong en lippen niet;

Gij weet het, Heer! die alles ziet.

Mijn hart verbergt nooit uw gerechtigheid; Uw waarheid doe ik hooren;

Uw heil, den raensch besehoren,

Vloeit daaglijks uit mijn\' mond;

Uw gunst, uw trouw, uw woord En Gods geheimen, hoort Uw talrijk volk in \'t rond.

6. G\' onthoudt, o Heer! dan uw bannhartigheên Mij no.iit in knellend zielsgevaar;

Dat mij uw gunst en trouw bewaar\'.

Daar ik door ramp op ramp mij vind bestreen.

Ik voel mij aangegrepen

Door zonden, fel benepen.

Een heir niet t\' overzien;

Die ik veel minder, dan

Mijn hoofdhaar, tellen kan;

Zij doen mijn krachten vlièn.

159

ocr page 176

160 Psalm 41.

7. \'t Behaag\' U mij te redden uit den nood; O Heer! bied vaardig onderstand, En overstort met schaamt\' en schand\' Hen, die mijn ziel vervolgen tot den dood; Laat z\', achterwaarts gedreven. Met schand\' in \'t vluchten sneven.

Wier lust is in mijn kwaad;

Verwoesting zij de loon.

Voor al den schimp en hoon Van hem, die mij versmaadt.

8. Verheug het volk, verblijd hen allen. Heer! Die naar U zoeken t\' eiken stond; Leg steeds uw vrienden in den mond: »Den grooten God zij eeuwig lof en eer!n Schoon \'k arm ben en ellendig.

Deukt God aan mij bestendig,

Gij zijt mijn hulp, mijn kracht,

Mijn redder, o mijn God!

Bestierder van mijn lot!

Vertoef niet, hoor mijn klacht.

Psalm 41.

j=j==rj==^4:

Dorisch. 1.

Eé

i

1. Wel-za - lig hij, die zich ver - stan - dig

j JA J- -i i

1

rr

ocr page 177

Psalm 4).

161

3.

2.

=2—£•--P—tff-

■0- •

I

1 I

draagt Bij een el - len - dig mensoh! De

r

^ J i J i

NB.

i

l

t9-

(2 amp;

\\

Heer zal

i

hem, wanneer hij treurt en

m

NI

rr-

klaagt, Be •

i ^ I J F

r

-r\'^—n

laatste vers. 5.

1^

2-#- ^ , i f

vrij-den naar zijn\' wensch; Be-

-•—•-

:E=£

3=

I

Ö-i


—t-

:j=ï=;=3E^

r r r-T i

en doen le - ven, hier op

I i I I

If

hoe - den,

J 1

--d:-3±

li

ocr page 178

162 Psalm 41.

11 6. , , 7. ,

P7~^~ F~r—-f—T^

aard\', In vree en za - lig - heid. Nooit

1 i J. 1 I J 1 I

$. I zS=^-=\\—\\—j—:: ij. -l=z^zrT_ | j I j -#- * t?-

van zijn\' God ver - la - ten, maar be-

gF=^===^==^===jH^===«===j====^=)

ll^\'- ■ - • ,■ L ._l; - .1 ^ f f if p ?

waard Voor \'s vij - ands boos be - leid.

b^=Né^itei

2. De Heer zal hem, op \'t ziekbed neergestort, Versterken door zijn kracht;

Gij maakt, dat zelfs zijn gansche leger word\'

Veranderd door uw macht.

Ik heb tot God geroepen om gena;

\'k Zei in mijn\' angst en leed:

Genees mij, Heer! die bij U schuldig sta.

En tegen U misdeed.

ocr page 179

Psalm 41.

3. In plaats van troost vervolgt mij \'s vijands blaam;

Zij zeggen tot elkaar;

»Waar blijft zijn dood? wanneer vergaat zijn naam?«

Komt iemand van die schaar Om mij te zien; dan spreekt hij valsch, en smeedt

Mij kwaad, zooveel hij kan;

Als hij terug van inij naar buiten treedt,

Spreekt hij er andrcn van.

i\'auze.

4. Zij inomplen saam, vervuld met bittren iiaat;

Van raadslaan nimmer moê.

Bedenken zij een goddeloos verraad;

Men zegt: «Gods geeselroê «Treft hem gewis; een schenddaad kleeft hem aan;

«Hij ligt voor eeuwig neer;

«Nu zult gij hem niet weder op zien staan,

«Hersteld gelijk weleer.quot;

5. Zelfs hij, op wien ik voormaals heb vertrouwd.

Mijn vreê- en dischgenoot,

Verhief zijn hiel, en sloeg mij fier en stout,

Terwijl hij at mijn brood.

Maar Gij, o Heer! schiet tot mijn hulpe toe;

Bewijs gena, en red,

En richt mij op; dat ik vergelding doe, En d\' ontrouw palen zett\'.

6. Ik ken uw gunst, ik ken uw trouw hieraan,

Dat zich mijn vijand niet Beroemen zal, noch ik te gronde gaan;

Wijl Gij mij bijstand biedt,

Mij onderhoudt in mijn oprechtigheid,

En, voor uw aangezicht,

Met teedre zorg en trouwe hulp, geleidt Naar \'t eeuwig zalig licht.

7. Looft Isrels God; roept, door all\' eeuwigheên,

Des Heeren grootheid uit:

Dat elk met mij zijn\' lofzang en gebeên.

Met Amen, Amen, sluit\'!

103

11»

ocr page 180

164

Psalm é2.

Hypo-Jonisch.

tS--—1-3

—»--^—f » :—I\'—

r r r r=p7jrr

j \'t Hijgend hert, der jacht ont - ko - men, I Van de frissche water - stroo - men.

-J-

—_•

=F=

^__J_

-P-•-

3=

3=

^ i ^ r •

i\' i l | , |

Ja, mijn ziel dorst naar den Heer:

g

«- 3 • ^ • • -1 ■

—i _

W ^ lt;5- -

- ^ ~

^ii i p r p God des levens, ach! wan

n J • j #

g? J leer

—amp;—_—_—

r i i? . - -t=

-a--1—a—,---s—1—---—J

::f-quot; :

ocr page 181

Paalm 42.

naadren voor uw oo - gen,

1 I I

J ^ J

r—r

huis uw\' naam ver - hoo - gen?

_ *

165

-p-i—

Zal ik

I

|

_L

*

i

-Is—-

\\

In

Ü

•):l.

2. \'k Heb mijn tranen, onder \'t klagen, Tot mijn spijze, dag en nacht;

Daar mij spotters duiven vragen; «Waar is God, dien gij verwacht?quot; Mijn benauwde ziel versmelt.

Als zij zich voor oogen stelt,

Hoe ik, onder stem en snaren.

Feest hield met Gods blijde scharen.

3. 0 mijn ziel! wat buigt g\' u neder? Waartoe zijt g\' in mij ontrust?

Voed het oud vertrouwen weder; Zoek in \'s Hoogsten lof uw\' lust; Want Gods goedheid zal uw\' druk Eens verwisslen in geluk.

Hoop op God, sla \'t oog naar boven; Want ik zal zijn\' naam nog loven.

ocr page 182

Psalm 42.

4. :k Denk aan U, o God! in \'t kliigen, Uit de landstreek der Jordaan;

Van mijn leed doe \'k Hermon wagen; \'k Roep van \'t klein gebergt\' U aan. \'k Zucht, daar kolk en afgrond loeit, Daar \'t gedruisch der waatren groeit, I)aar uw golven, daar uw baren Mijn benauwde ziel vervaren.

Pauze.

0. Maar de Heer zal uitkomst geven, Hij, die \'s daags zijn gunst gebiedt; \'k Zal in dit vertrouwen leven,

En dat melden in mijn lied.

\'k Zal zijn\' lof, zelfs in den nacht. Zingen, daar ik Hem verwacht.

En mijn hart, wat mij moog\' treffen, Tot den Uod mijns levens lielïen.

(!. \'k Zal tot God, mijn steenrots, spreken: «Waarom, Heer! vergeet Gij mij? »\'k Ga in \'t zwart, door rouw bezweken, quot;Om mijns vijands dwinglandij,

»Die mij hoont, mij \'t hart doorboort, «Dat gestaag deez\' lastring hoort: quot;Waar is GoJ, op wien gij bouwdet, »En aan wien g\' uw zaak vertrouwdet?«

7. O mijn ziel! wat buigt g\' u neder? Waartoe zijt g\' in mij ontrust?

Voed het oud vertrouwen weder;

Zoek in \'s Hoogsten lof uw\' lust; Menigwerf heeft Hij uw\' druk Doen verandren in geluk.

Hoop op Hem, sla \'t oog naar boven; Ik zal God, mijn\' God, nog loven!

ocr page 183

167

Hypo-Jonisch. Psalm 43.

I I i

I. Ge-duch-te God! hoor mijn ge - be-den; Strijd

_£__-jg\' j.__j- J_* j ^___^ ^

. li | NB. 3.

lt;i. gt;; ^ » .il ^ —i^iT:tquot; i —j=j

y g r

ii 1 | | |

voor mijn recht, en maak mij vrij Vau

1 , I . II

hen, die, vol arg-lis-tig - he - den, 6e-

± JL \\ \\ é i | ,

Ji--J-^- -«S?--ö--!--I---

1—•—-g—«--- —2----®—-

i—3—ï h[~8~J=^=

^p0 ------

1 i i i r i i^ii i

, iech-tig-heid en trouw ver-tre - dun; Op-

SÉ^ÉÉiÉÉ^iË^É

ocr page 184

Psalm 43.

0 | • 0 f * quot; | ! • # ^

i 1 I I i 1 ! 1 1 1 I I 1 .

dat mijn ziel uw naam belij\', En U ge-heiligd zij.

„i \' i i 1 M I i J J J ^ ip^Êï#^ppiii

2. Mijn God! ik steun op uw vermogen.

Gij zijt de sterkte van mijn hart Waarom verstoot Gij m\' uit uw oogen?

Waarom ga ik, terneêrgebogen,

Door \'s vijands wreed geweld benard.

Gestaag in \'t aaklig zwart?

3. Zend, Heer! uw licht en waarheid neder, En breng mij, door dien glans geleid.

Tot uw gewijde tente weder;

Dan klimt mijn bange ziel gereeder Ten berge van uw heiligheid,

Daar mij uw gunst verbeidt.

4. Dan ga ik op tot Gods altaren.

Tot God, mijn God, de bron van vreugd; Dan zal ik, juichend, stem en snaren Tot roem van zijne goedheid paren.

Die, na kortstondig\' ongeneugt\'.

Mij eindeloos verheugt.

5. Mijn ziel! hoe treurt ge dus verslagen?

Wat zijt g\' onrustig in uw lot?

Berust in \'s Heeren welbehagen;

Hij doet welhaast uw heilzon dagen.

Uw hoop herleev\', naar zijn gebod:

Mijn redder is mijn God.

168

ocr page 185

1G9

Hypo-Mixolydlsch. Psalm 44.

i

-F

r i

1. O God! wij moch-ten met

—•—

i

onz\'

-4rJ ^

I

-?=-

-i—

r±

3

fr

hoo - ren.

r

dren

Wei-eer van on - ze vaji

5t

T=F

i

TSt

Wat werk Gij in hun da - gen wrocht,

sl2 \'

J?\':.

=P_^f£Z

4.

NB.

--1-

|

♦--♦ *

1 I I

J

J

P

Hoe G\'oud-tijds hen met heil be

|

4-

ocr page 186

Psalm 44.

170

laatste vers. 5.

1=

T-t

S-

I

zocht.

I

f f- 15

I I

met uw hand

Gii hebt do heidnen

m

/Iquot;; 4 rPI\' .-w1

i 1 ^il I

I I

Ver - dre - ven, dat zij \'terf ver-lie - ten;

P

J J ^

-^=d

r3E5;

i

3—

f

Hen fel ge-plaagd, uw volk ge-

I

m

-2--quot;-

BEE

J ^

I

I III)

plant, En op net weeldngst voort doen schieten.

j

j

1

f

ocr page 187

Psalm 44.

2. Hun zwaard deed lien dit land niet erven; Hun arm deed hen geen heil verwerven; Maar uwe rechterhand, uw macht,

Heeft hun dien voorspoed toegebracht; De glans van \'t godlijk aangezicht Heeft hen de zege weg doen dragen;

Want Gij omscheent hen met het licht Van uw genadig welbehagen.

3. Gij zelf, o God! die, uit uw woning, Ons hulp verleendet, zijt mijn Koning1;

Verlos ons van \'t gedreigde kwaad;

Gebied het heil voor Jakobs zaad.

Gij doet ons onze weerpartij

Met hoornen stooten in de lenden;

In uwen naam vertreden wij.

Die tegen ons de wapens wenden.

4. Stap ik vol moeds ten ooreloge,

\'k Vertrouw niet op mijn stalen boge; Ik weet, dat in den heeten strijd.

Mij zwaard noch dapperheid bevrijdt.

Maar Gij verlost den veegen staat.

Van \'s vijands macht, waarvoor wij duchten; Ook doet uw hand al wie ons haat Met schand\' en schaamte henen vluchten. Eerste Pauze.

5. \'t Is God, wien w\' onzen Redder noemen; In wien w\' ons al den dag beroemen.

Den lof uws naams, alom verbreid,

Verheffen wij in eeuwigheid.

Maar nu verstoot Gij ons, o Heer!

Wij zien ons hoofd met schand\' bedekken; Dewijl Gij met ons heir niet meer Ter hulp, als eertijds, uit wilt trekken.

G. Gij doet ons bevend rugwaarts wijken. En steeds voor d\' overmacht bezwijken Van haatren, die ons goed en bloed Vast rooven in hunn\' euvelmoed.

ocr page 188

Psalm 44.

Gelijk de schapen, die men slacht,

Hebt G\' ons aan hen tot spijz\' gegeven; Ons onder \'t heidendom gebracht.

Daar wij verstrooid, vol kommer, leven.

7. Het volk, dat Gij hebt uitverkoren.

Verkoopt G\' aan die uw erfdeel storen.

Voor geeu waardij, hoe rain men bied\'; En hunnen prijs verhoogt Gij niet.

Gij stelt ons tot een\' bittren smaad Voor schainpre buren, die ons honen;

De spot en schimp straalt van \'t gelaat Der volken, die rondom ons wonen.

8. Gij doet ons tot een spreekwoord strekken Den heidnen, daar G\' ons heen doet trekken; En \'t volk, dat ons te snood berooft.

Schudt over ons, afkecrig, \'t hoofd.

Mijn schande stelt men valsch in \'t licht, Z\' is nimmer uit mijn oog geweken; De schaamte dekt mijn aangezicht.

Zoodat ik \'t hoofd niet op durf steken.

9. De stem des hooners moet ik hooren;

Zijn lastertaal klinkt mij in d\' ooren; De booze vijand koelt zijn\' moed.

En dorst wraakgierig naar ons bloed. Wij hebben echter in die smart.

Schoon wij dit alles ondervonden,

U niet vergeten in ons hart,

Noch trouwloos uw verbond geschonden.

Tweede Panze.

10. Ons hart heeft zich van U, in nooden.

Niet afgekeerd tot valsche goden;

En onze gang week niet van \'t pad.

Dat Gij ons voorgeschreven hadt.

172

ocr page 189

Psalm 44.

Al hebt G\' ons, in uw\' toornegloed, Verpletterd in een plaats de.- draken, En ons verdrukt en bang gemoed De doodsvalleien doen genaken.

11. Ja, hadden w\', in dien druk gezeten. Den naam van onzen God vergeten. De handen, in verlegenheid.

Tot vreemde goden uitgebreid;

Zou God, naar zijn onkreukbaar recht. Die euveldaad niet onderzotken?

Al wat in \'t hart wordt overlegd,

Kent Hij, tot in de diepste hoeken.

12. Maar wij, om uwentwil verdreven, Verliezen, al den dag, het leven; Wij worden slechts vau hen geacht Als schapen, voor het mes gebracht.

Waak op, o Heer! waarom toch zoudt Gij slapen, en de smart vergrooten. Ontwaak, toon dat G\' ons nog aanschouwt, En ons niet eeuwig wilt verstooten.

13. Waarom, daar wij uw\' bijstand vergen, Zoudt Gij uw aangezicht verbergen? Waarom vergeten onz\' ellend\'

Eu onderdrukking zonder end?

Want onze ziel, die nauwlijks leeft, Is treurig in het stof gebogen;

Daar onze buik aan d\' aarde kleeft. Bezwijken wij in onvermogen.

14. Sta op, o God! toon medelijden.

Laat ons uw\' arm van nood bevrijden; Verlos ons uit den angst, o Heer!

Zoo krijgt uw goedheid eeuwig d\' eer.

173

ocr page 190

174

Psalm 45.

fa ^T. j j, fkS. \' ^

tr ^ ♦ f f r

Dorisch. 1.

I I I I i j

1. Mijn hart, ver - vuld met heil - be - spie - ge-

iEE

-t=

rsc

Ie

i

r

3-

lin - gen,

-5---J—

Zal \'t schoon - ste lied van

-gJ----3

I

-sgt;—.

%

r

Is

-J-

J

M

s

pquot;--

EÖ

-f-f-f-n\'! i

wijl de Geest mijngladde ton - ge drijft,

11^=3=1

ÉÉ

4.

ocr page 191

175

0-(S\'.--(2-1-0-f-a-0.

■amp;■■lt;»■ I

schrijft. Be - minlijk Vorst !u\\v schoonheid,hoog\' te

^ i

4-

5=F

-t—

- ?:U ; ; J; ? i ;

r • r • f # r r

J-

amp;

rtrlrti

L-d=

-si—

io - ven, Gaat al hetschoondermenschen ver te

i

:a:irf=t

zzt

—

lÊ^EÊ

|

--1--

\'

As quot;1

|

■ i

i—

yi 5 _^_J

\' i bo - ven;

i J

Ge -

|

\\gt;a

- i r r

i ^

na is op uw

J ^ J

----^--

(Z -

• •

--1—

_i—

ocr page 192

8. , ,

Psalm 45.

i f ? 5:15 \' quot;!*-f ~ 1 lip-pen uit - ge-stort: DesG\'eeuwig-lijk van

^—j——i,-.—.\'—^L__,^Ln

^—3----*-^ fï—g-I * I -1

--P-?=pti---\' 1 f I \' F-j

-jf-—1---1 ]

h J é—d - \'H

^ r tr

God ge -

1 !

f ^ f ze - gend wordt.

—rsl-^------1---

T ----]

----

2. Gord, gord, o Held! uw zwaard aan uwe zijde, Uw blinkend zwaard, zoo scherp gewet ten strijde;

Vertoon uw\' glans, vertoon uw majesteit;

Kijd zegerijk in uwe heerlijkheid Op \'t zuivre woord der waarheid; rijd voorspoedig, En heersch alom rechtvaardig en zachtmoedig. Uw rechterhand zal \'t godlijk rijk behoên.

En in den krijg geduchte daden doen.

3. Uw pijlen, fel van uwen boog gedreven.

Zijn scherp, en doen geheele volken beven;

Zij vellen noör wat uw vermogen tart.

En dringen diep in \'s vijands wreevlig hart. Gij zult, o God! in eeuwigheid bekleeden Den vasten troon van uw gerechtigheden; De rijksstaf, dien uw hooge Majesteit In \'t Godsrijk zwaait, heerscht met rechtmatigheid.

176

ocr page 193

Psalm 45.

4. O God! uw God heeft mild U overgoten Met vreugdezalf, meer dan uw meêgenooten,

Omdat uw ziel de goddeloosheid haat, En \'t recht bemint, üw vorstlijk rijksgewaad, U toegevoerd uit elpenbeenen hoven,

Vol eedien geur, doet elk uw hoogheid loven; Hoe ruikt de mirr\' en kassie wijd en zijd. En d\' aloé\', wier geur uw ziel verblijdt!

Pauze.

5. Men ziet U blij, in statelijke reien.

Door dochtren zelfs van koningen geleien; De Koningin staat aan uw rechterhand In \'t fijnste goud van Ofirs mijnrijk land. 0 Dochter! hoor, en zie, en neig uw ooren; Verlaat, vergeet, wat ooit u kon bekoren, Uws vaders huis, uw volk, en wat voorheen U dierbaar en beininneuswaardig scheen.

6. Dan zal de Vorst van al uw schoon getuigen; Hij is uw Heer! dies moet g\' u voor hem buigen:

\'k Zie Tyrns dan, die rijke wereldstad,

U hulde doen, en offren schat op schat. De Koningstelg, die Hij zijn Bruid wil noemen. Is meest om haar inwendig schoon te roemen; \'t Borduursel is, naar vorstelijken staat, Van louter goud gewerkt in \'t praalgewaad.

7. Straks leidt men haar in staatsie uit haar woning. In kleeding, rijk gestikt, tot haren Koning;

Zoo treedt zij voort met al den maagdenstoet. Die haar verzelt, U vroolijk te gemoet. Zij zullen blij, geleid met lofgezangen.

De vreugde voên, die afstraalt van haar wangen. Tot zij, daar elk gewaagt van haren lof, Ter bruiloft treên in \'t koninklijke hof.

177

12

ocr page 194

Psalm 46.

178

Psalm 46.

8. In plaats van nw doorlucht\' en vrome vaadren, Zult Gij eerlang uw zonen zien vergaadren, En stellen hen door uw geduchte hand, Al \'t aardrijk door, in vorstelijken stand. Ik zal nw\' naam bij elk geslacht doen kennen; Van kind tot kind zal \'t zich aan U gewennen; Zoo rolt uw lof op \'t ruime wereldrond, In eeuwigheid, uit aller volken mond.

Mixolydisch.

1. God is een toe-vlucht voor de

zij - nen, JS:

a J

.—*

j. ±

a—g-

m

r2fT\'

kwij - nen

1 \' \\ Hun sterkt\', als zij doordroefheid

^ --J—j—J—j-J.

Pt

-1 4—i -t

Tquot;

--

^—4-

• J J *-

—^—«s-1

3 o

1

Ib2 -id -

r • ^ r

—f5-^

-® -g

Zij werden steeds zijn hulp ge - waar In

ocr page 195

PsHlm 46.

ifeapNepii

r

ziels-be-nauwd-heid, in

179

laatste ver^.

Tür r

ge

-J-

m

f—r * * p

, \' : i Dios zal geen vrees ons doen be - zwij - ken,

BE

5%

iü

Schoon d\'aard\'uit ha - re plaats mocht wij - ken;

\' \' quot;i J 1

m-

*. ±

-é—•-

i

ïüï

T-

i \' - \' r r

Schoon\'thoogstge-bergt\' uit zij

J ^ ^ ±

P

3

r-r

ne

±J-

X-k

T=T-

=F=

f

12*

ocr page 196

Psalm 46.

#g 3 1- !]

o • J 3 lil

f jft\'

stee Ver

^f-r^ if

- zet wierd in het hart der

H- quot; ^ J i f 1 -

!amp;

l

zee.

, 1 -5: _

=zjLJ_r—

2 .—#—f—P—

1

Psalm 46. Nieuwe melodie.

gt; 1. God is een toevlucht voor de zij-nen, Hun

^ I- jr ryi^

sterkt\', als zij door droefheid kwijnen; Zij wer-den .. -i-

I ^ 1 i I \' r

^ f r r ff r

steeds zijn hulp ge - waar In

! I

180

ocr page 197

Psalm 46.

i?

! 1 I I I M

ziels - be - uauwd-heid, in ge - vaar;

a

Begin v. h. laatste vers.

ptoülipÈÉiÉifcB ill 1 \' ,\'

Dies zal geen vrees ons doen be - zwij-ken,

v. 0. De Heer, de God der le - ger - scha-ren,

cx-Èk—S!.—^ _~q

181

mïT f flir^=s=-r - I i- r t

xr m v c- * 0 0 ^3- g 9

Schoon d\'aard\'uit ha - re plaats mocht wijken;Schoon Is met ons, hoedt ons in ge - va-ren. De

r-. I I ^. i i l il l

1 I

ocr page 198

j 82 Psalm 46.

1 1 I ^ 11

\'t hoogst ge-bergt\' uit zij - ne steê Ver - zet wierd Heer, de God van Ja - kobs zaad, Is ons een

I i , 1 J i

—p rj-T—^=1=}-—i—r^i

--!--é-S\'--0-

——---

f

fiS-

[

iyi-p-1---j--

in het hart dei-burg, een toe - ver -

J • 1 1

u T ^ ^

1

zee. laat.

\'-•........F

-i-

{

1 —k t^

---

1 - -

2. Laat vrij het schuimend zeenat bruisen, D\' ontroerde waatren hevig ruischen; De golven mogen, door haar woên, Het berggevaarte daavren doen;

De stad, het heiligdom, de woning Van God, den allerhoogsten Koning,

Wordt in haar muren, t\' allen tijd\',

Door beekjes der rivier verblijd.

3. Geen onheil zal de stad verstoren.

Daar God zijn woning heeft verkoren; God zal haar redden uit den nood,

Bij \'t dagen van het morgenrood.

Men zag de heidnen kwaad beramen; De koninkrijken spanden samen;

Maar God verhief zijn stem, en d\' aard\' Versmolt, voor \'s Hoogsten toorn vervaard.

ocr page 199

Psalm 47. 183

Pauze.

4. De Heer, de God der legerscharen,

Is met ons, hoedt ons in gevaren.

De Heer, de God van Jakobs zaad,

Is ons een burg, een toeverlaat.

Komt, wilt op \'s Heeren daden merken; Aanschouwt des Hoogsten groote werken.

Zijn macht, die nooit te stuiten is.

Maakt d\' aarde tot een wildernis.

5. God stilt alom het oorelogen;

Zijn arm verbreekt de taaie bogen;

Doet spies en speer aan stukken slaan. En wagens door het vuur vergaan.

Laat af! dus spreekt de Heer der heeren;

Weet, Ik ben God, elk moet mij eeren; Het heidendom, ja \'t gansch heelal Verhooge mij met lofgeschal.

Jonisch.

1

0. De Heer, de God der legerscharen, Is met ons, hoedt ons in gevaren. De Heer, de God van Jakobs zaad, Is ons een burg, een toeverlaat.

Psalm 47.

tf\\gt; .V ^

----m------m—

amp;

f

■1. Juicht, o vol-ken ljuicht; Handklapt en be-

i i I i :

__J_S2._J_•-__•___«_±._

±

ocr page 200

Psalm 47.

184

3.

sj-jiEEIE

f r r-

On - zen God

r

tuigt

uw

1

•_

J-J-

m

-Ö-

~M\\?T *-^ .-i-

. . ------- . .

—--2----

y2—f—f—f-—i^

vreugd;Weest te zaam ver

1 i

1 _i 1 I

--^---

i

heugd.

|

amp;

®-i-#-•—

2-ft-P-p—f--1--p_.

-

- - 1

EMt

-T— «

4-

1.

Zingt des Hoog-sten eer; Buigt u voor Hem

s

Al - les ducht zijn

laatste vers.

ËEE

------ö1-

amp;

\' \'I

ocr page 201

II

Psalm 47.

|P=g

r r \'

i i i

185

z^amp;=.zjk-

quot; egt; macht

kraelit; Al - les vreest zijn

Pïr^i

12—t

10.

!). :

--

—-—1—I---i—

-m_m__L_*_

r

I

Zij - ne Ma - jes-teit Maakt haar heer-Iijk-

^ ^ j J *—i i r ^

»-^—i--1 P

amp; \'

I

heid,

3£:

:EÈE^

u.

—I-

O - ver t rond der

rnm

12.

j J jfT^

♦ ♦ -5- rr

quot;• fquot; quot;f •quot; ■n*

aard\'. Wijd en zijd ver-maard.

Ei=:

ocr page 202

Psalm 47.

2. Naar Gods wijs beste!, Op Gods hoog bevel, Slaan wij, door zijn hand, Volken aan den band, Die, door ons verneêrd, Door ons overheerd. Strekken tot een blijk, Hoe Hij, liefderijk,

Aan zijn woord gedenkt; D\' erfenis ons schenkt, Jakobs heerlijkheid. Aan hem toegezeid.

3. God vaart, voor het oog, Met gejuich omhoog;

\'t Schel bazuingeluid Galmt Gods glorie uit. Heft den lofzang aan; Zingt zijn wonderdaan; Zingt de schoonste stof; Zingt des Konings lof, Met een\' zuivren galm. Met een\' blijden psalm: Hij, de Vorst der aard\', Is die hulde waard.

4. Zingt des Hoogsten eer, Opdat ieder leer\',

Hoe Hij heerscht alom Over \'t heidendom; Hoe Hij van zijn\' troon Geeft zijn rijksgeboón. Daar het al voor bukt. Eedlen, gansch verrukt. Nu hun \'t godlijk licht Straalt in \'t aangezicht, Deelen in ons lot,

Eeren Abrams God.

186

ocr page 203

Psalm 48.

5. D\' Eersten van den Staat, Die den onderzaat,

Naar Gods wijze wet,

Zijn ten schild gezet, Eeren \'s Hoogsten macht. God munt uit in kracht.

187

Psalm 48.

j—s—~stz

P

3

lof

■y • 0 amp;

i i r i i

Dorisch.

1.

1. De Heer is groot; elk -sgt;-

zing\' zijn

--1-

tv -^-p •-»

az^EEzfzzz:

Êi

T\'

tem - pel

f

• hof,

Sa-lems-stad en

rt:

ïÊmmm

i i

Daar on - ze God, hij zui-vre

1

-$Z

P

I

nen

I

too

\')- —

----

ocr page 204

4.

Psalm -IS.

-rT^T^-r-r

zij - nen heil - gen berg wil

-J—I—i-1—!—j-

188

r

Op

laatste vers. O.

-\'amp;z amp;

r—\\\\t

Hoe schoon,hoe wel - ge-

Kttl I

wo - nen.

ZTST.

wm

T—Tquot;

le-gen, Wat vreugd voor d\'aard,wat

Is

I J J J I I ^

i

3g-

i

Hoe

I

I

— _•

3 \'

=^-

T

/i - ons berg! hoe grootsch, hoe blij,

I

ocr page 205

Psalm 48.

_1=3=3=i=\\- I - ,

11 I

heer-lijk aan de noorder zij\'! Wie

I I I I i

iEEE^E=EE|E^^Ë£^

-G-----1--!--r^-H——i--—-1 —i

jr-------1-m-a--H--r—- _-tn-

r i ir i ipiiii^pf ui ii

T- 3 ^ ^3 ^-q

-^--

fe—^—i \' rq

^ Fquot; r r • r

is \'t, die niet de Gods-stad

! , 1 ! 1 1

-«!—-iS--

i

roemt. De

J

• v. ï ^ ^7

^ t 3—f-^-a i*-P-

--!---•------

-- 1 | 1 3

stad des groo-ten Ko-mugs noemt?

! J I I I !

fv-g—*-* » g-^---—--IT

^r=g=^=p= r r-^!quot;=g=:: =

^3^l~ \'

2. In haar paleizen vestigt God

Zijn\' troon, wordt daar erkend een slot Eu hoog vertrek voor \'t volk te wezen;

Geen vorsten heeft men daar te vreezen. Pas hadden zij, verbonden,

Den tocht zich onderwonden;

Pas hadden zij de stad in \'t oog.

Of hun verwondring steeg zoo hoog.

Dat Zion, slechts van ver te zien,

Hen straks van schrik terug deed vliön.

189

ocr page 206

Psalm 48.

3. Daar greep hen beving aan, vervaard, Vol smart, gelijk een vrouw die baart. Zoo doet GT een\' oostenwind de kielen Van Tarsis\' vloot in zee vernielen. Wij zagen, \'t geen onz\' ooren Voorheen slechts mochten hooien,

In deze stad, den troon der eer.

Van God, der legerscharen Heer.

Hij zal, door macht en kloeke daan, In eeuwigheid haar vast doen staan.

Pauze.

4. Wij, o verheven Majesteit!

Gedenken uw weldadigheid,

In \'t midden van uw heiige woning.

Gelijk uw naam is, groote Koning!

Bij ons te recht geprezen.

Zoo is uw roem gerezen.

En bij de volken zeer vermaard,

Tot aan het uiterst\' eind der aard\'. Uw rechterhand, die \'t kwaad niet duldt, Is met gerechtigheid vervuld.

5. Dat Zions berg weergalm\' van vreugd; Laat Juda\'s dochters zijn verheugd;

Wijl Gij haar\' vijand sloegt in \'t strijden. Gaat Zion rond aan alle zijden ;

Telt al de vestingwerken;

En torens, die \'t versterken Ja ziet, met een oplettend oog.

Paleizen steigreu hemelhoog.

En stout verduren al \'t geweld.

Opdat gij \'t aan uw kroost vertelt.

G. Want deze God is onze God;

Hij is ons deel, ons zalig lot.

Door tijd noch eeuwigheid te scheiden; Ter dood toe zal Hij ons geleiden.

190

ocr page 207

191

Psalm 49.

Hypo-Jonisch. 1.

—k-1—H

■—i—

: h • 1 quot; J-

=t- quot;

iJ

g -ö.

-•-•-•-•—

- \' . •

=5^ 3N

1. Gij, vol-ken!hoort, waar g\'in de we - reld

JL J. ^2

=0=

i:

quot;is p i r r gt;5quot; r •

I 1 ! • I ; 1

J J

■Zt

woont,\'t Zij laag van staat, of hoog met eer be-

y a) |

3.

p : i—i

kroond; \'t Zij rijk of arm,komt, luistert naar dit

* JL

=?2=

4.

I

rnr

r r f r r i

woord. Mijn mond brengt niets dan loutre wijsheid

f

ocr page 208

Psalm 48.

3. Daar greep hen beving aan, vervaard, Vol smart, gelijk een vrouw die baart. Zoo doet ft1 een\' oostenwind de kielen Van Tarsis\' vloot in zee vernielen. Wij zagen, \'t geen onz\' ooren Voorheen slechts mochten hooien,

In deze stad, ilen troon der eer,

Van God. der legerscharen Heer.

Hij zal, door macht en kloeke daan, In eeuwigheid haar vast doen staan.

Pauze.

■1. Wij, o verheven Majesteit!

Gedenken uw weldadigheid,

In \'t midden van uw heiige woning. Gelijk uw naam is, groote Koning! Bij ons te recht geprezen.

Zoo is uw roem gerezen.

En bij de volken zeer vermaard,

Tot aan het uiterst\' eind der aard\'. Uw rechterhand, die \'t kwaad niet duldt, Is met gerechtigheid vervuld.

5. Dat Zions berg weergalm\' van vreugd; Laat Juda\'s dochters zijn verheugd;

Wijl Gij haar\' vijand sloegt in \'t strijden. Gaat Zion rond aan alle zijden ;

Telt al de vestingwerken;

En torens, die \'t versterken Ja ziet, met een oplettend oog,

Paleizen steigren hemelhoog,

En stout verduren al \'t geweld.

Opdat gij \'t aan nw kroost vertelt.

G. Want deze God is onze God;

Hij is ons deel, ons zalig lot.

Door tijd noch eeuwigheid te scheiden; Ter dood toe zal Hij ons geleiden.

191)

ocr page 209

191

i| 1 \'1 1

kroond;\'t Zij rijk of arm,komt, luistert naar dit -g -g ± ^ ± JL é

•\' r I

woord. Mijn mond brengt niets dan loutre wijsheid

Hypo-Jonisch. Psallïl 49.

ocr page 210

5.

Psalm 49.

I I i I i 1 1 voort, Bij mij in\'t hart op - merkzaam o - ver-

t ! I I I i | J i i

192

A=t

2 -»

x

\'r

quot;d:

-J—J-

.3=5;

s==3-J^

I I

I

IZE=5=5=ti —gt;—p—•—•—1

I 1 ; i

dacht. Ik neig het oor, daar\'k op Gods inspraak

J- i

I

^1=

4

i

^

lil1\' 1 1 I f

wacht, Naar\'sHeerenspreuk,en zal u, op de

ü

i i J- ^ ^ ^

%-

s.

mmmmm

i

=t

r

ge-

r:r

sna - ren Der blij - de harp,

~cgt;---

T---

II:

1

ocr page 211

Psalm 49.

H--r

—---

... — , .

^ r r f r

hei-men o - pen

i r

-ba - ren.

J-J 1

— - O

rj

F* * . : • •

-amp;--j---

| 1

quot; li

2. Wat zou mij toch doen vreezen in een\' tijd, Waarin het kwaad, hot onrecht mij bestrijdt, Als ik omringd, benauwd ben door \'t geweld. Dat in mijn\' val zijn hoogst genoegen stelt? Wat hem betreft, die op zijn\' schat betrouwt. En al zijn\' roem op grooten rijkdom bouwt;

Zijn schat behoudt zijn\' broeder niet in \'t leven; Hij kan daarvoor aan God geen losgeld geven.

3. Hij kan dien prijs der ziele, dat rantsoen Aan God in tijd noch eeuwigheid voldoen;

Hij wenscht vergeefs hier altoos \'t licht te zien. En, door zijn\' schat, het naar bederf t\' ontvliên. Hij ziet elk uur der wijzen levensend;

Der dwazen dood blijft hem niet onbekend;

Hij ziet, dat hun in \'t sterven niets kan baten,

Maar dat zij \'t al aan andren overlaten.

4. Al zegt zijn hart: «mijn huis zal eeuwig staan, «Van kind tot kind gedurig overgaan;»

Al heeft hij \'t land, waarop zijn trotschheid roemt. Zijn grootschheid bouwt, naar zijnen naam genoemd: \'t Is alles wind, waar zich zijn hart meê streelt; De mensch, hoe mild door \'t aardsch geluk bedeeld, Hoe hoog in eer, in macht en staat verheven. Vergaat als \'t vee, en derft in \'t eind het leven.

13

193

ocr page 212

Psalm 50.

Pauze.

5. Hoewel zijn weg niets is dan ijdelheid,

En hij zichzelv\' door dwazen hoogmoed vleit;

Stapt echter \'t kroost, dat in der oudren woord Behagen schept, op \'t zelfde doolpad voort. De dood maait ook dier kindren leven af; Zij volgen hen, als schapen, naar het graf;

En in den dag, den grooten dag des Hoeren, Zal over hen d\' oprechte triomfeeren.

6. Meu denkt niet meer aan hunn\' verleden staat. Wijl al hun glans met hen in \'t graf vergaat;

Maar na den dood is \'t leven mij bereid; God neemt mij op in zijne heerlijkheid.

Vreest hem dan niet, die groote schatten hoeft. Wiens machtig huis in eer en aanzien leeft;

Want hij zal niets in \'t sterven met zich dragon; Zijn naam, zijn roem \'t ligt al terneer geslagen.

7. Schoon hij zich op deez\' aard\' in wellust baadt. En ieder roemt zijn weeld\' en overdaad;

194

Hij daalt nochtans, gelijk zijn gansoh geslacht. Vervreemd van God, in \'s afgrouds donkren nacht. Gij dan, o monsch! hoe waard, hoe groot in eer; Zoo gij don wil versmaadt van uwen Heer, Dan gaat gij, als de boesten, haast verloren: Een wis bederf is u ten lot beschoren.

Dorisch.

Psalm 50.

i.

11

—i-1571

-Ji:!

mè

ga - den God ver - heft zijn stem met

J I , I II..

1. Der

^ —

iisdzitr

ÈlEÈ

ocr page 213

Psiilm 50.

195

M

-rt-

met

\' r r

macht, En roept deez\'aard\', van daar de zon

IdfcfjgEEEÊg

I

F

pracht, In\'t oosten rijst, tot daar z\'in zoo

I J J i J J j j X

■-6H-#—#

\'bquot;

I

I

pf1

I.

dwijnt;Üit Zi-on,zoo vol - ko-nienschoon,ver-

i I I I I -J- i I J-TJ 1 --X—g—J

1

2^-

^2-—

ZS~-T-

gt; T T ^

F ^quot;Af

schijnt God vol vau glans, om op zijn\' troon te

-F-

I

13*

1

• i

ocr page 214

Psalm 50.

■--j-l-a—J——J

T r—r-r~f:

Hij, on - ze God, Hij

•i -i i J J

196

I

i

stij - gen;

^ I

ai

rF

i r r

zal niet zwij - gen.

1

^ .

2. Verterend vuur gaat voor zijn aanzicht heen; Een felle storm verzelt alom zijn treên;

Nu Hij zijn volk zal richten voor elks oo^. Roept Hij tot aard\' en hemel van omhoog: «Verzamelt mij mijn dierhre gunstgenooten, «Die mijn verbond op \'t heilig offer sloten.«

3. De heemlen zijn getuigen van zijn recht,

Want God is zelf de Kechter, die \'t beslecht. Hoor gij, mijn volk! hoor, Isrel! daar ik tot U spreek en roep: Ik God, Ik ben uw God; \'k Bestraf u niet van wege d\' offeranden.

Daar die gestaag voor mij op \'t outer branden.

4. \'k Zal uit uw huis geen var, noch uit uw kooi Voor \'t brandaltaar begeeren bok of ooi;

Want al \'t gediert\' der wouden is het mijn\'; Wat beesten er op duizend bergen zijn;

Wat vogels ooit rondom hun toppen vlogen; Het wild des velds, \'t is al in mijn vermogen.

i r

komt en

ocr page 215

Psalm 50.

Pauze.

5. Nooit klaagd\' Ik \'t u, indien Ik honger had;

Want d\' aard\' is mijn, en al wat zij bevat.

Zou stierenvleesch, of wat ooit mcnschen voedt, Mijn spijze zijn? mijn drank der bokken bloed? Neen; offert God\' uw dankbre lofgezangen;

\'t Geen gij belooft moet d\' Allerhoogst\' ontvangen.

6. Roept in den nood tot mij, uw\' God en Heer, Dan help ik u, en gij geeft Gode d\' eer.

Maar zijne taal tot goddeloozen luidt;

Waarom toch spreekt gij mijne wetten uit?

Want roemt gij u als mijn verbondelingen.

Daar g\' u door woord noch straffen laat bedwingen?

7. Ziet gij een\' dief, gij loopt met hem en steelt; Gij zijt het, die met overspelers deelt

In \'t vuil vermaak van hun ontuehtigheên;

Uw mond is vol van ongebonden reen;

Uw snoode tong is afgericht op liegen,

En steeds gewend aan veinzen en bedriegen.

8. Gij zit, gij spreekt van uwen broeder kwaad; Uw moeders zoon vervolgt gij bits met smaad, En lastert hem; dit doet gij vrij en blij;

Ik zwijg, dies meent ge, dat ik ben als gij.

\'k Zal over u een heilig vonnis vellen.

En uw gedrag u klaar voor oogen stellen.

9. Verstaat dit toch, vergeters van Gods wet!

Opdat ik niet verscheur\' en niemand redd\'.

Wie \'t dankbaar hart mij biedt ter offerand\'. Die geeft mij eer, en elk, wie met verstand Zijn wegen richt, mag op mijn gunst vertrouwen; Ik zal Gods heil hem eeuwig doen aanschouwen.

197

ocr page 216

198

Phrygisch. 1.

Psalm 51.

feèEaEilsE^

isüï

—— I

r r

1. Ge-na, o God! ge - na,lioormiju ge-bed:

Ver-

I

SS

iËE=Ë

I

3z=i=rSii==z^

1

uw barmhar-tig - he - den;

_S_J__I___I -I

i

r

i

schoon mij toch naar

EEI^EÈ

2Ë

-F=

---2-

r r I \' ri\'i

uit mijnschuld, ver - geefmijn o - ver-

»—»

Delg

■ \' -J ; J J J

4

EfE

-5—#--#—•-

1

I

Uw

•Ji-

—(=

i

den!

tre

i i ^

4

£

goed-held wordt uoch

I

r

1

ocr page 217

Psalm 51. 199

I laatste vers. O.

f-r-r-r—

paal noch perk ge - zet Ai!

__J J J J,,__si___J_

\' i ;

wasch mij wel van on - ge - reeh - tig - heid; Mijn

| I^EÉ^Ip^EEESEEL^ j

7.

r- 11 .i 1 n i---H-n- , 1

|.

Zie

|

*-\'A

-p- — %■ i- quot;t- o amp;

^ r i f * * ^ r

mijn be-rouw; hoor,hoe een boetling

^ ll ^ jUUJ J,

■Ar t ? :::|-/

-öl-

r 1

pleit, En

rJ

- -

1

J

ocr page 218

200

Nieuwe melodie.

I , !-

1

^EPFi

1 I

1. Ge - na, o God! ge - na, hoor mijn ge-

I I

Psalm 51.

1.

-•-,• J - •

1111

1

Tf

bed; Verschoonmij toch naar uw barmhar-tig-

U ^ J ■ f1 ^-r j—j-

5

i

Sl

-a

• •»

-i i 1 1 i 1 i r i

he - den; Delg uit mijnschuld,vergeefmijn o - ver-

ééMédièéèd

.4

lit

ocr page 219

II4-

n

Psalm 51.

i i 1 i

201

-V-f--1--1--1—

—i-1—J-L

—1-1-1-

(xVr ^--^—#—

-•-m——--•—

,.1 ^

^ r-r f r r r r r r r f #f

tre - den! Uw goedheid wordt noch paal noch perk ge-

J J i J J i J i J J |

--#--=-

-0---—---

•

-1---p=

—u-r—p

-»—m—m— • r

laatste vers. o.

w f r r r r r t r

zet. Ai! wasch mij wel van on - ge - rech-tig-

■):——*—£=^zi-¥ J J -jti j

-i

-J-

^ r I \' I I fill

beid; Mijn schuld is zwaar, ik heb uw wet ge-

| i J J J i i J

$=E!

i ;-! -

—I

—amp;\'-9--1

^ i ^ r-

schon - den; Zie

J J

\' r

mijn be

) -!

- r J

rouw; hoor

i

I

----i-*—

h ^

9 ■ |

-gt;%—a -IP ^

—|--1---

-1

ocr page 220

Psalm 51.

tr—p i r ,1 r i i i r

hoe een boet-ling pleit, En rei-nigmij van

\' .....i.\' j gt; ■ ,

i r 1 1 i

I I #! i \\

al mijn vul - le zon - den.

?gt; : • J ? ^11

I

2. Want ik gevoel de grootheid van mijn kwaad;

Mijn zonde zie \'k mij steeds voor oogen zweven, \'k Heb tegen U, ja U alleen, misdreven;

Uw\' wil en wet, hoe heilig, stout versmaad.

Ik heb gedaan, dat kwaad was in uw oog.

Dies ben ik, Heer! uw gramschap dubbel waardig, \'k Erken mijn schuld, die U tot straf bewoog; Uw doen is rein, uw vonnis gansch rechtvaardig.

3. \'t Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf; Neen, \'k ben in ongerechtigheid geboren;

Mijn zonde maakt mij \'t voorwerp van uw\' toren, Reeds van het uur van mijn ontvangnis af.

Zie, Gij hebt lust tot waarheid in \'t gemoed; Gij, Heer! die weet al wat ik heb misdreven; Gij, die mijn\' geest met wijsheid hadt gevoed. En in mijn ziel uw godlijk licbt gegeven.

202

ocr page 221

Pstiliu 51.

■J. Ontzondig mij met liyzop, en mijn ziel,

Nu gansch melaatscb, zal rein zijn en genezen. Wasch mij geheel, zoo zal ik witter wezen Dan sneeuw, die versch op \'t aardrijk nederviel. Ai! geef mij weêr gowenschte zielevreugd;

Laat uit uw\' mond mij stof tot blijdschap hooren; Zoo wordt op nieuw \'t verbrijzeld hart verheugd. En in mijn\' geest de ware rust herboren.

Pauze.

5. Verberg uw oog van mijn bedreven kwaad. Waardoor mijn ziel gevoelt de diepste wonden; Delg, delg toch uit mijn schuld en al mijn zonden, En spreek mij vrij van mijno gruweldaad.

Herschep mijn hart, en reinig Gij, o Heer!

Die vuile bron van al mijn wanbedrijven;

Vernieuw in mij een\' vasten geest, en leer Mij aan uw dienst oprecht verbonden blijven.

(5. Verwerp mij van uw aangczicht toch niet;

Ai! laat van mij uw heilgen Geest niet scheiden; Die kan alleen op \'t rechte spoor mij leiden.

Bestier mijn\' gang, daar Gij mijn zwakheid ziet. Geef mijn gemoed, dat nu angstvallig vreest, De blijdschap weer; doe op uw heil mij hopen! Laat mij, gesterkt door eenen eedlen geest, Volvaardig \'t pad van uw geboden loopen.

7. Dan zal ik elk, die \'t heilspoor bijster is. Vrijmoedig al uw rechte wegen leeren;

De zondaar zal zich dan tot U bekeeren. En scheppen moed uit mijn behoudenis.

O God! Gij, God mijns heils! vergeef mijn schuld, Mijn bloedschuld toch, hoe billijk ook te doemen; Dan zal mijn mond, met zangstof weêr vervuld. Uw heilig recht, gepaard met goedheid, roemen.

203

ocr page 222

Psalm 52.

8. Heer! open Gij mijn lippen door uw kracht, Zoo zal mijn mond uw\' lof gestaag vermeiden; Geen offer kan voor mijne zonden gelden; Behaagd\' U dat, straks wierd het U geslacht. Indien Gij lust in brandend\' offren hadt,

Dan wierd het vuur door mij gewis ontstoken; Ik spaarde dan noch zorg, noch vlijt, noch schat, Maar zou \'t altaar van offervee doen rooken.

9. Gods offers zijn een gansch verbroken geest,

Door schuldbesef getroffen en verslagen;

Dit offer kan uw heilig oog behagen;

\'t Is nooit, o God! van U veracht geweest. Doe Zion wel, laat om mijn\' zwaren val Uw goedheid niet van zijne burgren wijken; Bouw Salem op, laat nooit zijn\' muur en wal. Door uwe straf, voor \'s vijands macht bezwijken.

10. Dan vindt Gij in onz\' offeranden lust,

Waarmeê wij U, naar \'t heilig recht, vereeren; Dan zal \'t altaar de varren gansch verteren; Dan wordt het vuur daarop nooit uitgebluscht.

204

ocr page 223

Psalm 52.

205

T-r-r?

meet - Ie dwin-ge - land?

é I J j — -*■_d _•»

F 1

üsi3 ï :

r

Ik

steun ge-

t—A—H—I


beEE

-(ie

\'4.

E%±

r f * r r-rT r r f f f

rust op Gods ge - na - de En trouwen on-der-

j-J—i—J—J..—J_J_J J—J J ..L

g quot;2quot;

:Ü

r r

stand. Zijn

J J

IÜË

m

f

-f-J-f-r

goed-heid duurt den gan-schen

_J—J—

^=t=

£


P

f I r r ^

dag; Zijn al - macht wekt ont - zag.

±

J_A

J-

Pl

r—fquot;

-f2_

1=

ocr page 224

Psalm 52.

2. Uw tong, die toelegt om te schaden, En als een scheermes snijdt,

Durft zich met snood bedrog beraden, Uit bittren wrok en nijd.

Gij mint het onrecht, haat de dengd; Da logen baart u vreugd.

3. Gij grieft mij door uw schainpre woorden; Door taal, die mij verbaast;

Gij tracht mij door uw tong te moorden; Maar beef! gij wordt welhaast Door God, die uw gedrag verfoeit.

Voor eeuwig uitgeroeid.

4. God zal u voor zijn wraak doen bukken, En, door zijn sterke hand,

U uit uw tent en schuilplaats rukken, Ontwortlen uit uw\' stand.

De vromen zullen, vrij van nood. Dan lachen om uw\' dood.

5. »Zie,» zal men zeggen, «zie den dwazen, »Die, op zijn\' rijkdom stout,

»Ons wilde door zijn macht verbazen, »Op God niet heeft vertrouwd.

»Zijn sterkte kreeg hij door geweld: »Nu ligt hij neergeveld.»

6. Maar ik za! als d\' olijfboom groeien, In \'t huis des grooten Gods.

Ik zal in eer en godsvrucht bloeien; God is mijn steun en rots.

Op zijne gunst, mij toegezeid.

Vertrouw \'k in eeuwigheid.

7. Jlijn God! U zal ik eeuwig loven,

Omdat Gij \'t hebt gedaan;

\'k Verwacht uw trouwe hulp van boven, Uw waarheid zal bestaan:

Uw naam is voor \'t oprecht gemoed Van al uw gunstvolk goed.

206

ocr page 225

207

Psalm 53.

Dorisch.

1. I

i

r

EJeeö;

riii

1. De trot-sche dwaas zegt in zijn boos ge-

J J ^ J ^ ij_j J

:

i

^1-

-fc-f-a-

rat®

- i r-mquot;

_ ^ m

dooven \'t licht der

moecl: «Daar is geenGod.uZij

J

5—

f

-?r

-S)-

I

de,

En ma - ken zich, door

-f- \' -?■

IC

J

:f—.__ • !

we - lij - ke ze - den, ■-lquot;0 ^ i

i

r

gru

I

Af-

ocr page 226

Psalm 54.

10

2~--

-at

-lt;9-

I

r r

Ooli

m

• 3

-2—--

richt-zaak zij aan U ver-ble-ven.

! J---i---{— I I I

r~rf

3C=t=

llill God! sla acht op mijn ge - bed; Neig

!

-r-gi---^—I

• — — —

gtt

: g

tot mijn re - de gun-stig d\' oo-ren, En

, 1 I

ocr page 227

Psalm 54. 211

--TT--!-

^—3- \' , • --

—J---1-

—=-25^--

^ f r 1 r r /

wil mijn bit- tre klacht ver

J ! 1 1 1

, r# • , - • -- J

f T

- hoo-ren;

amp;

1

Zoo

1

^ -

^* 3—; :-----—f-

-- - • h h # • : -

2 %

-egt;—

V * - m - \\ - ---

- -i —|

- i -H

-«■--ri-

- li

p r f-f r

word\' ik uit den

1 1 1 1

P \' -0-

i IM

angst ge -

J 1

amp;

red.

|

-vl • • # ;

—^--^—_

^ -=--8--•

• • -f

h f f\' :

L-h-\'h 1 -

2. Want vreemden steken \'t hoofd omhoog Tot mijn verderf; ik zie tirannen,

Om mij te dooden, samenspannen; Zij stellen God zich niet voor \'t oog. Ziet! God, die nimmer mij vergeet, Is mij een helper in mijn lijden; Hij voert hen aan, die voor mij strijden, En ondersteunt mij in mijn leed.

3. Hij zal dit kwaad, dit boos bestaan. Aan mijn verspiederen vergelden.

Roei uit die tegen mij zich stelden; Het gaat uw trouw en waarheid aan. Ik zal U, met een blij gemoed.

Vrijwillig offren, Heer der heeren!

Ik zal uw\' naam met lofzang eeren: Dit eischt uw naam; want hij is goed.

4. Want God wil mij zijn\' bijstand biên; Hij heeft mij \'t onheil doen ontkomen. En mijn benauwdheid weggenomen;

Ik heb mijns vijands val gezien.

14*

ocr page 228

212

Psalm 55.

Hypo-Aeoliscb. 1.

n-J-

i

r

i

J

-f2-

t—r

1.\'o God! neem mijn ge - bed ter oo - ren,

-I-JJ

amp;

r=r=F=r

2.

. , r r r r t

r-rTT-

Gij,

die t geroep mvs volks wilt hoo - ren,

-5?-

-(S-

J-J-

III iff f

Ver - berg U niet vooral mijn smeeken:

$

p

I IJl

eI

J-.J-

3E£

^-*-3—J—

4.

i

=3

\'n:

Ver i

-rj

- hoor mij, Heer! geef gun - stig acht

J J-J-

9t=EE^

-2-*-

ocr page 229

Psalm 55.

gi—f1 r r r r rjr i

Óp mijn misbaar en jam-merklacht, Waar-

H j J J 4 J J

--i-

£^1

-j: r

1—ir

ipdr- r 1 fli

[^=4- d ■

-

rrr\\ o • ^ „

^ r f r-r

in de nood mij

-J J ^ i

m amp; amp;

f-f r^rff

uit doet bre - ken

1 1 ,J 1

• • -jC

— j

2. \'t Geroep des vijands doet mij beven; Ik word door angst en schrik gedreven, En fel geperst door goddeloozen;

Men schuift op mij, met snood beleid,

Een\' last van ongerechtigheid;

Hoe vinnig treft de wraak dier boozen.

3. Mijn hart voelt weên en bange nepen; De doodschrik heeft mij aangegrepen; De vrees heeft mijne ziel bevangen; Een kille beving komt mij aan,

En siddring doet mijn leden slaan;

Dies roep ik uit met sterk verlangen:

4. «Och gaf mij iemand duivenvleuglen! «Gewis, mijn drift waar\' niet te teuglen; »Ik vloog, tot daar ik kon verwachten »Mijn veiligheid, waar \'t ook mocht zijn, »In \'t barste zelfs der zandwoestijn, «Daar ik in stilte zou vernachten.quot;

213

ocr page 230

Psalm 55.

5. Welhaast had ik de vlucht genomen,

Om dezen wind, deez\' atorm t\' ontkomen. O Heer! laat hen uw vuur verslinden; Verdeel hun tong, verwar hun spraak;

Want twist en wrevel, haat en wraak,

Zijn in de stad alom te vinden.

6. Bij dag, bij nacht, ja t\' aller uren.

Omringen die haar op haar muren.

Geen recht, geen onschuld kan er baten; Maar binnen in haar heerscht de twist; Het wreed verderf, de snoode list,

\'t Bedrog wijkt nimmer van haar straten.

Pauze.

7. Zag ik mij door een\' vijand jagen,

Dan kon, dan zou ik dit verdragen;

Maar \'t was mijn hater niet voor dezen, Die tegen mij zich thans verheft;

\'k Had anders wel \'t gevaar beseft.

En zou voor hem verbolgen wezen.

8. Neen, gij, gij zijt het, dien ik eerde,

Dien ik, gelijk mij zelv\', waardeerde;

Met wien \'k gemeenzaam placht te handlen. Mijn leidsman, met mij eensgezind.

Met wien ik raadpleegd\', als mijn\' vrind. En samen naar Gods huis mocht wandlen.

9. Dat hen de dood als schuldheer veile, En levend stort\' in \'t diepst der helle; Want boosheid huisvest in de harten En tenten van dit booze rot;

Maar ik zal roepen tot mijn\' God,

Die mij zal redden uit mijn smarten.

214

ocr page 231

Paalm 55.

10. \'k Zal \'s avonds klagen, zuchten, stenen;

\'k Zal \'s morgens kermen, \'s middags weenen, Ea God zal op mijn bede merken;

Die God, die mij van dezen strijd In vreê door zijnen arm bevrijdt;

Hoe velen ook mijn\' val bewerken.

11. God zal mij hooren, en hen plagen. Die God, die reeds van oude dagen Als rechter zat, om \'t kwaad te weren; Dewijl dit volk, der tucht ontwend, In \'t minste geen verandring kent, En God noch vreezen wil, noch eeren.

12. Hij slaat zijn handen aan zijn vrinden;

Geen vreêgenootschap kan hem binden. Hij schendt verbonden; speelt met eeden; Hij vleit, en gladder is zijn mond

Dan boter; maar zijns harten grond Is vol van krijg en bitterheden.

13. Zoo zacht als olie is zijn spreken;

Maar spies noch zwaard kan scherper steken. Mijn ziel! God zal u onderhouden;

Werp uwe zorgen op den Heer:

Zijn trouwe gunst duldt nimmermeer.

Dat, die Hem vreezen, wanklen zouden.

14. Gij, Heer! Gij zet den boozen palen, En zult hen doen ten afgrond dalen. Wie op bedrog zijn hoop wil bouwen. En dorst naar bloed, dien kort uw straf De helft van zijne dagen af;

Maar ik, ik zal op U vertrouwen.

215

ocr page 232

216

Hypo-Jonisch. Psalm 56.

i 1 r r r ^ 1

1. Ge-na, o God! be-scherm mij door uw

I 1 a-——•—s-—sr--^—s--•--^

r r 1 r r i r 1 1 1

hand! Zie, hoe ik ben om-ringd aan al - len

-j--(^ZZ^JlZÉZZ^ÉZI=J-

■ —p——jg-3

1 1 i I f f -f- I I

kant; Zie, hoe de mensch zijn boo - ze net - ten

r| rf-/-t=è|

\'li \' , ri r r 7 Mquot; f

spant, Om mij daar - in te ja - gen.

ocr page 233

Psalm 56. 217

Den ganschen dag ia\'t oog op mij ge-sla-gen;

- IL 6. I i___i _]_

quot; \'T--t r: —- - ■ *— * -J

Zijn list legt mij op al mijn wegen la-gen;

\' I I I I II

j ^ J _A_L j_j 41

i i I, i n

I Èl=3j53E3^SEc3^5gEES

^V^Try-fr? fW

Zijn machtvergrootmijn on-ge-Iuk en pla-gen,

1

5rJ-H-s

S Ti

r

gt; -0—C—^ ^

—1—1—i—1

i r

^ ^ I I I I f

Ont - roert mijn in - ge - wand.

f i^-^r éi

ocr page 234

Psalm 56.

2. Maar word\' ik ooit met bange vreez\' bclaan, Dan zal op U mijn vast betrouwen staan.

Ik prijs in God zijn woord; ik steun voortaan

Op Hem; zou vleesch mij deren?

Ik vrees hen niet, die mijne smart vermeêren; Mij, dag op dag, door lastertaal onteeren;

Mijn woorden in een\' valsohen zin verkeeren, Arglistig mij verraan.

3. Zij rotten saam, en houden boozen raad,

Terwijl mij elk in \'t heimlijk gadeslaat.

Mijn schreden volgt, en mij naar \'t leveu staat,

Door ramp noch klacht bewogen.

Zoudt Gij, o God! nog, met uw heilig\' oogen. Hun boosheid zien, en straffeloos gedoogen? Neen, stort hen neêr door uw geducht vermogen; Uw gramschap straff\' hun kwaad.

Pauze.

4. Gij weet, o God! hoe \'k zwerven moet op aard\'; Mijn tranen hebt G\' in uwe flesch vergaard.

Is hun getal niet in uw boek bewaard?

Niet op uw rol geschreven?

Gewis, dan zal mijn wreevle vijand beven,

En, als ik roep, straks rugwaarts zijn gedreven; Dit weet ik vast, God zal mij nooit begeven; Niets maakt mijn ziel vervaard.

5. Ik roem in God; ik prijs \'t onfeilbaar woord; Ik heb het zelf uit zijnen mond gehoord

\'k Vertrouw op God, door geene vreez\' gestoord;

Wat stervling zou mij schenden?

Ik heb beloofd, wanneer G\' in mijn ellenden Mij bijstand boodt, en \'t onheil af zoudt wenden, Tot U, o Gud! mijn\' lofzang op te zenden.

Door ijver aangespoord.

218

ocr page 235

Psalm 57.

Gij hebt mijn ziel beveiligd voor den dood; Gij richt mijn\' voet, dat hij zich nimmer stoot\'; Gij zijt voor mij een schild in allen nood;

Gij hebt mijn smart verdreven;

Uw dierbre gunst is m\' altoos bijgebleven, \'k Zal, voor Gods oog, naar zijn bevolen leven. Zoo word\' door mij zijn naam altoos verheven; Zoo word\' zijn lof vergroot.

219

Psalm 57.

m

g-

Mixolydisch. 1.

zlrS-Er

i

(ST (Sgt; r

I ! 1 1 I I r 1

I

leen; Mijn toevlucht is de scha-duw

wer

i

_L

I

ocr page 236

220 Psalm 57.

.li _ ____ II 4-________ . li

■ o - i -1 1-t-

$—3—^ —i—J hi :

-2- %-S-:

^ rtü- r r T r

vleug - len; Ik berg mij

U ^ J J quot;

r r J

daar voor i i

\' quot; - ^ !-* •

2 ? ^

^^r_r I r—

al - le te - gen - heên, Tot dat uw macht den

Aii J i i j

- * »=■- 1^—li— -^ r r r r rir r

vij - and zal be-teug - len.

?Tt—J—J-^-J-rJ—j,______

9-ff—2-—» »- —~—- —

1

--

ocr page 237

Psalm 58.

Pauze.

4. Verhef, o God! verhef U hemelhoog,

Uw eere straal\' op aard\' in ieders oog.

Zij, die een net bereidden voor mijn gangen.

Zijn zelv\', terwijl mijn ziel zich nederboog,

In eenen kuil, voor mij bereid, gevangen.

5. Uw hand, o God! heeft veilig mij geleid;

Ik ben gered; nu is mijn hart bereid;

Het is bereid, om U, mijn God! te loven;

Nu wordt uw naam door mij met vreugd verbreid. Mijn psalmgezang klimm\', tot uw\' roem, naar boven.

(!. Waak op, mijn eer! waakt op, mijn harp en luit! Mijn zanglust streeft den dageraad vooruit.

\'k Zal onder al de volken. Heer! ü prijzen;

Mijn psalmgezang zal, bij cimbaal en fluit. Uw\' naam alom de plechtigst\' eer bewijzen.

Uw goedheid. Heer! is groot en hemelhoog; Uw waarheid reikt tot aan den wolkonboog.

Verhef U dan ver boven \'s hemels kringen;

Uw eer versprei\' haar\' luister in elks oog;

Laat ieder die door heel de wereld zingen.

Hypo-Mixolydisch. Psalm 58.

j „ ^4 | j i r]—J\'~r* j3--=|=^=jz

221

ocr page 238

Psalm 58.

222

T

?—2-—-

3=

X -

r r r r r r

Om recht te doen! spreekt gij het

i

j

2-—-

^3

jg

I

I

recht? Wordt al - les bü-lijk aan-ge-le^d?

_J-----4-r-J—X—U i I I J

rg-r^l-2-

r r i^- r r f

4.

1

G:

I I

von-nist

\' I gij wel

we - ten?

En

ocr page 239

Psalm 58.

22?.

r r

in - der-daad,

I I I

p r p » I I 1 i i 1

Zoo als met recht en

I

L


-t

- ;l

—r^-- ^

I I f

staat?

wet be

94«

1

ÊÉ

2. Neen! gij smeedt ongerechtigheden In \'t harte, dat van boosheid zwelt; Gij weegt op aard\' uw snood geweld, Tn schijn van billijkheid en reden. Godloozen zijn van God vervreemd, Zoo ras hun leven aanvang neemt.

3. De booze leugensprekers dolen.

Van \'t uur, dat zij geboren zijn; In hart en mond ligt heet venijn, Als in een vuurge slang, verscholen; Zij geven \'t goede nooit gehoor;

Maar stoppen, als een adder, \'t oor.

4. Gelijk zich die niet laat bezweren, Zoo willen dezen niet verstaan. Verbreek hun tanden, laat voortaan,

0 God! uw\' arm hun kracht verneêren; Breek jonge leeuwen, heet op buit, 0 Heer! de wreede tanden uit.

ocr page 240

224 Psalm 59.

Pauze.

5. Smelt hen tot water, laat ze drijven; En maak hun pijlen, daar zij boos Meê mikken, stomp en krachteloos;

Laat toch uw\' arm hunn\' boog niet stijven. Doe hen, in armoê en gebrek,

Vergaan, versmelten, als een slek.

6. Och! laat hen in hun kwaad niet groeien; Maar doe hen, als een misdracht, zijn; Dat nooit de zon hun oog geschijn\'. Eer dan uw potten zullen gloeien

Van \'t doornenvuur, stormt Hij gezwind Hen weg, als in een\' wervelwind.

quot;. \'t Rechtvaardig volk, gered uit lijden. Zal eens, wanneer \'t de wraak aanschouwt, In God, wien \'t zich had toevertrouwd. En in zijn waarheid zich verblijden; \'t Zal zijne voeten, welgemoed,

Zelfs wassehen in der boozen bloed.

8. De mensch zal eerlang vroolijk zeggen; «Gewis de deugd geniet haar vrucht; »Gods grootheid wordt te recht geducht, »Die loon en straf weet toe te leggen; quot;Gewis, daar is een God, die leeft, »En op deez\' aarde vonnis geeft.quot;

Dorisch. 1. ,

3 ^ Ü J

Psalm 59.

=d= —_!-t--,—-|

m-----m-

ISt

2—


r jr

I

I

* *-\'—\'—

1. Red mii, o God! uit\'s vii-ands han-den;

-2-fe—4^=:

ocr page 241

Psalm 59. 225

Ijr-T^ ^=3== =1

W ^

Vei

[v ^1

r r r r1

- los mij van de dwin-ge

i i J i J i

~T—l*-\'---•-

- lan-den.

J—I-^-h--1-quot;-a-

\' i r

3.

^ r \' i

if quot; J~H—^ j J N J:

^ r r r r

Uw heil zij, te - gen\'t wreed ge

I quot; 11 ^---4-1-4-r-^---^

iEfcx4^t=t=ppi^ i i f i i i i tti

weid, Mij tot een hoog ver - trek ge-

^--J--!—|-J—J-j—J

—=f= 1

5- i

Jr- 2

—

_) r 3-—isb

quot;J 1-^-I

■ W—• % .g-

- 2 s = quot;

- r r r \' r ^

steld. Mijn God,\'tbe-haag U

i i J ■» ■«• !

f p amp;

.., 1 \' mij t ont-zet - ten;

J -i J J

^T—ö-$

—=-0

—

quot;--—-lt;5gt;-—%—

=rt

-f—

i—^fcti=

ocr page 242

Psalm 59.

--1-

—|-

—

—fa

i

-it-

s1

-i)

---1-

-^-

-4-

-■-

—#—

■»

i

Daar

J

1

d\' o -

J

i i ver - tre 1

—•—

i

- ders

J

r i

van uw i j

IA-

--•—

—P

-#-

J-

—ü-

-ij

-p=

•

=t=

-1-

—I-

r

-r^ 1

—i— 7.

f

|

-f—

1

i

_-4

d-

quot;#-

-J-

—j—

--^-

-«y—

±~

1 -r-

wet -

J-|

ie li,

1

c\'

Die

|

r .—•—F--

i

niet dan slink-ache

J ! ! J

•Af-

~f-

g—

w

•

—0—

J

~a-

-4

1-

FP—

-•-

*-

F—

n 1

8.

—r—-

1

t—

S—S)- ■ _ __ —K

-h-

—i-

—i—

i

w-

1-

-a

—it

—rr#-

i r^r

gan-gen -r 1

tü* ■amp;■

1 1 gaan, Bloe

1 !

d

♦

l

- dor

J

^ -

cc i

1

m

k ij naar

1

•

—0-

—^

-- V

j-

fi-

—1-quot;—1-

4J

—

=3=

-t

-m.-

\'t le - ven —d—••

i

staan.

1

—2-_--

4-

1-

\\=f—-

1-------

ocr page 243

Psalm 59.

2, Laat, Heer! uw\' bijstand niet vertragen; Zie, hoe zij mijne ziel belagen;

Zij ziju doldriftig op de been. En rukken al imn macht bij een; Schoon ik geen misdaad heb bedreven, Die stof tot wraakzucht konde geven. Waak op, ontmoet mij, en beschouw Hoe \'k op uw macht alleen vertrouw.

3. Ja, \'t lust U, Heer der legerscharen, Als Isrels God ü t\' openbaren;

Ontwaak, en straf dit heidendom; Dat niemand uwe wraak ontkom\'. Zij trekken, trotsch op wanbedrijven. Waardoor zij trouwloos \'t onrecht stijven. De stad om, aan den avondstond.

En ieder tiert, gelijk een hond.

4. De snoodste laster stroomt d\' ontaarden Ten mond\' uit; ja, geslepen zwaarden Zijn op hun lippen; ieder woord

Is schimp, vervloeking, wraak en moord. «Wie hoort het?quot; vragen z\' onder \'t woeden. Maar Gij, o Schutsheer aller goeden!

Zult hen belachen, en den spot Haast drijven met al \'t heideusch rot.

5. Mijn vijand roem\' op zijn vermogtn;

Maar ik, ik sla op U mijn oogen;

Ik wacht op uwe hulp, o Heer!

Gij zijt mijn hoog vertrek, mijn eer.

\'k Zal God, met goedertierenheden. Mij eerlang te gemoet zien treden,

En mij welhaast gewroken zien Aan hen, die listig mij bespiên.

227

15*

ocr page 244

Psalm 59.

Pauze.

6. Beroof hen niet terstond van \'t leven,

Opdat mijn volk, van angst ontheven, üw oordeel tevens niet vergeet\'.

Uw macht, als Gij ter vierschaar treedt, Doe elk van hen als ballhsg zwerven, En, \'t kwaad ten spiegel, schandlijk sterven; Ja werp, o God, mijn schild! hen neêr, Als trotsche schenders uwer eer.

7. Men neem\' hen, daar hun lastermonden En valsche lippen \'t hart doorwonden, Gevangen in hun hoovaardij.

Vergeld hunn\' vloek, hun razernij.

De logens, die zij snood verdichten; \'t Betaamt U hen gestreng te richten.

Verteer z\' in grimmigheid; uw kracht Verteer\', verdelg\' dat snood geslacht.

8. Laat hen eerlang bij d\' uitkomst weten, Dat God, als Heerscher, is gezeten

In Jakobs erf; daar \'t kwado weert.

Ja, tot aan \'s aardrijks eind regeert.

Laat, als het licht begint te dalen, Hen wederkeercn, zoeken, dwalen, Vol ongeduld, van pad tot pad.

Als honden tierend\' om de stad.

9. Laat hen, o God! om spijz\' verlegen. Omzwerven, en op naro wegen Vernachten in de duisternis.

Schoon geen van hen verzadigd is.

Maar ik zal U mijn sterkte noemen.

Uw goedheid \'s morgens vroolijk roemen, En zingen, met een\' dankbren geest:

• Gij zijt mijn hoog vertrek geweest!quot;

228

ocr page 245

Psalm GO.

10. Ik zal, omdat G\' in bange dagen

Mijn toevlucht waart, van U gewagen;

Van ü, mijn sterkte, zij mijn zang En snarenspel, mijn leven lang.

Ik heb in nood, aan God verbonden,

In Hem mijn hoog vertrek gevonden;

In God, wiens goedertierenheid Zich over mij heeft uitgebreid.

Hypo-Jonisch. Psalm 60. „11 ^ || NB. 2.

J fj r r r 7 p r f

1. O God! hoe heb-ben wij ge - treurd. Door

-Pij—^ i ^ -^1—i—

-i-TT .gt;--l- - J - J

—©L--—-1--

J----•-r-

g—fK

f \' rn^

U ver-stoo - ten

J J J \'

| r

en ge

1 1

r r

- scheurd! Gij i i

i-vj.,—=--•-0

21.2 r—r—I-Êz:

- (2-

—3—«s^-——---

■ r—t-—

i ^ [ f ^ r r

zijt op ons ver-gramd ge - weest; Keer

^^-J-J-r-J-I_t-----J-

—i—r r r i—^

229

ocr page 246

Psalm 60.

230

NB.

r

be

m

f r r r r

weêr tot ons, wij zijn

i i

i

vreesd. Gij

^ _J=


1

rO-a—|--1--f-

-1-1-1—1

--1-

ff-J J J—^

2 l \' ^

quot; ?

\\ \\ r

hebt, o Heer! het

I I 1 1

rgt;.i» « a \' ^ ^

i r 1

gan-sche land

1 1 i J2 /o

- 1 Ge-

I

—^

—r f - ^

2 ^ r r-

———

f2

----f--(S2_J

(

J»

F—^-

1

r

Het

I

rjfc

m

: _

£

schud, ge - spie - ten

J J 1 -g- -g- J

r r

a

door uw hand;

ocr page 247

Psalm 60.

-tf-Tr o - J--1 quot;i

-4— 4 A ■ -

—• * amp; ï.

—•»----

i r r1

red, ge - necs het 1 l 1 1

r r r r

van zijn p!a - gen

J 1 ^

- • • _ p-

.

* F=

1-^

2. Gij hebt uw volk Doen zien, door

een harde ziiak uw gestrenge wraak

Door twist op twist bet land gekrenkt. En ons met zwijmelwijn gedrenkt.

Maar mi hebt Gij een heilbanier, Tot roem van uw geducht bestier, Hen, die U vreezen, op doen steken; Zoo is uw waarheid ons gebleken.

3. Geef, Heer! opdat van angst en strijd \'t Beminde volk moog\' zijn bevrijd. Geef heil door uwe rechterhand.

En red het zuchtend vaderland. God sprak weleer in \'t heiligdom,

Dies juich ik met uw volk alom:

\'k Zal Sicliem deelen, Sukkoth meten; Die zullen mijn bezitting heeten.

Pauze.

4. Nu zie ik Gilead gered,

Gehoorzaam luistren naar mijn wet; Manasse kent mij als zijn\' Heer, En knielt eerbiedig voor mij neêr; Aan \'t hoofd van mijne legermacht. Toont Efraïm zijn\' moed en kracht; Mijn Juda, tot die eer verkoren. Zal mijne rijkswet elk doen hooren.

231

ocr page 248

Psalm 61.

5. Het trotsche Moab, overheerd,

Strekt mij ten waschpot, diep verneêrd. :

Ik werp op Edom mijnen schoe, \'

En eigen hem ten knecht mij toe;

En gij, o Palestina! juich,

Juich over mij met eerbied, buig

U neêr, om mij, die tot regeeren |

Gezalfd ben, als nw\' Koning t\' eeren. ;

6. Wie voert mij in een vaste stad,

Daar zich mijn vijand veilig schat?

Wie zal mij door een sterke hand Geleiden tot in Edoms land?

Zult Gij \'t niet zijn, geduchte God!

Die ons verstiet tot \'s vijands spot;

Onz\' uitgetogen legermachten Vergeefs naar hulp en heil deed wachten?

7. Geef Gij ons hulp in tegenheên;

Bij U is raad, bij U alleen.

\'t Is vruchtloos, waar men zich meê vleit:

Want \'b menschen heil is ijdelheid!

Wij zullen dappre heldendaan In God verrichten; hoe \'t moog\' gaan.

Hij, die van ons wordt aangebeden.

Zal onze weêrpartij vertreden.

Hypo-Dorisch. Psalm 61.

- ü 1 ^ ^ II 2. |—^

-G-»---a-i- I . ---1 3 | -1-3 , ---

r 7^ r r f ^ f

1. Wil, o Godïinijn be-de hoo-ren; Neig uw

^^—hi-

232

ocr page 249

Psalm 61. 233

■ oo - ren Naar mijn zuch-ten en ge-

p)-

-^—«n

r*-•——i

-r—a—P—h—

;-=z^ quot;t ,

^ —EH.

__j • é-^-J

^ —f- ^

1 1 ween. In

4 J

-^-#-----f--

? r T i

r i i

ver - af - ge - le - gen

J i i J ■*

CV.S .. —F— _ ^

g J • 2

(=gt;*« -iL1 ^

- r r r r-

(^ ; -^-|l! j^-fj--j--■ --—

stre - kon, Schier be - zwe - ken,

rrJ| g J- J J---j--gi—zrzq

^n—2-f-f g —---3--^8-—^—quot;—quot;

--I lt;21^-----1 ^

#*=g=*=j-^R

2 i^\'J J~u 1

---1

1 i 1 i Zoek ik heul bij 1 1 ! 1

i

f f U al -

-1-1-

•» /ci

«?gt;

ir

Ie

--^

^n.

L

- H

—f r—^

-r-H

ocr page 250

Psalm 61.

2. Leid mij, Heer! ik zou in \'t stijgen

Nederzijgen;

Leid mij op een hooge rots.

Wil mij lot een toevlucht wezen,

Als voordozen,

\'s Vijanda wreed geweld ten trots.

3. \'k Zal in uwe tent verkeeren.

Heer der heeren!

Voor uw oog, in eeuwigheid.

\'k Zal op ü mijn vast vertrouwen

Altoos bouwen,

Door uw vleuglen overspreid.

4. Want uw goedheid, die wij loven.

Heeft van boven Mijn geloft\' en beê gehoord. Gij deedt mij tot d\' erfnis komen

Van de vromen,

Wien de vrees uws naams bekoort.

5. Gij zult nieuwe dagen voegen,

Vol genoegen.

Bij des Konings levenstijd;

Zijner jarental vermeêren

In \'t regeeren.

Door uw gunst van ramp bevrijd.

0. Hij zal eeuwig in vermogen.

Voor uw oogeu,

Zitten op zijn\' troon, o Heer!

Zend uw waarheid, uw ontferming,

Ter bescherming;

Zend ze tot zijn wachters neêr.

7. \'k Zal dan door mijn blijde galmen. Door mijn psalmen.

Loven uwe majesteit;

Mijn geloften U betalen,

Meuigmalen Plechtig aan ü toegezeid.

234

ocr page 251

235

Psalm 62.

Dorisch.

M 1.

%

3

3

3H

rr ■ r r

I

I

I i God; Van

1. Miin ziel is immers stil tot

—sJ\'

i l 1 i • i Hem wacht ik een heil-rijk lot;

^EdEEÉEÉ

j j j j

Si

=f—f

P

I

1— Hij

SeeE

5

f^=, r r r

im-mers zal mijn rots-steen

± i i J 1 1

Pi:

amp;

i±

rr

1 1

we - zen, Mijn

1

1

-f2-


kf--•———^—r—is

r~ir Tf

heil, mijn hulp in

_J J l\'i

mijn ge - brek, Mijn

J-

:r

ai

ocr page 252

6.

Psalm 62.

236

±1

r r \'

toe-vluohten mijn hoog ver

quot; ^ 1 I a-» e)

fff

I

trek;

i

Ik

PS

%

zal geen groo-te wan - kling vree

^ J J ! J ^ Jr

ÏEEÉEE^

t-r

3

I

Nieuwe melodie.

-.!

\' -5- \' I •

I I

I

zen.

y

wl.

g

\'Ê

t~

r

Psalm 62.

1.

tl j

t

1

1. Mijn ziel is im-mers stil tot God; Van

i I J J .ti

t

— ■«lt;•

^ r i

Cyj l\'yKlm jLAd\'. tjA 4^- \'Uni^ j t,\',

3. j

3S:

•g a1

t

r

r

r

I I

I

I

I

i

Hem wacht ik een heil-rijk lot; Hij immers

rrT

m

j ^

ocr page 253

Psalm 62.

-ö»—

Tr

zal mijn rots-steen we - zen, Mijn heil, mijn

J-

_ffr p r _I a

^ -htJïfC

237

r

i

i

fay*

i

-fa-

I I

toe - vlucht

Mi jn

r I f I r

hulp in mijn ge-brek,

I I J -S* J.

fefe

quot;7®-

IsV\'iv / ygt;%^y*j l~3 OVtrrti, /

L^C^..

/

6.

fe

p=f:

lil I

en mijn hoog ver-trek; Ik zal geen

-h-

W

A--J , J---:-i-.—J-—J—

\'f ly. \'yyncwi- I*

w 4Mt4 ■ 2%. itU btd.

«-----gt;

I I r ,,,

groo - te wan - kling vree

,r

i

-o-

zen.

I J = ^

Ttit. U t.

ocr page 254

Psalm 62.

2. Hoelang, o wreedaards! zoekt gij d.in Het kwade nog van zulk een\' man? üw kracht is veel te zwak en teeder;

Haast sterft gij allen door Gods hand; Zoo stort een ingebogen wand,

Een aangestooten muur ter neder.

3. Zij raadslaan slechts, vervoerd door haat, Om hem nit zijnen hoogen staat

Te stooten met bedrog; en zoeken

Met lust hiertoe een\' logenvond;

Zij zeegnen wel met hunnen mond.

Maar \'t godloos hart doet niets dan vloeken.

4. Dooh gij, mijn ziel! het ga zoo \'t wil.

Stel u gerust, zwijg Gode stil.

Ik wacht op Hem; zijn hulp zal blijken. Hij is mijn rots, mijn heil in nood.

Mijn hoog vertrek; zijn macht is groot; Ik zal noch wanklen, noch bezwijken.

Pauze.

5. In God is al mijn heil, mijn eer.

Mijn sterke rots, mijn tegenweer;

God is mijn toevlucht in het lijden. Vertrouw op Hera, o volk! in smart,

Stort voor Hem uit uw gansche hart;

God is een toevlucht t\' allen tijden.

G. Gemeene lieden immers zijn

Slechts ijdelheid, een damp, een schijn; De grooten anders niet dan logen; Zij zouden, hoe hun hart zich vleit. Nog lichter zijn dan d\' ijdelheid,

In eene weegschaal opgewogen.

238

ocr page 255

Psalm 63.

7. Vertrouwt, wat uw begeert\' ook zij,

Nooit op geweld of rooverij.

En wordt niet ijdel, als \'t vermogen Gedurig aanwast; waakt en let.

Dat gij het hart er nooit op zett\'; Zoo wordt ge door geen\' schijn bedrogen.

8. Eenmaal sprak God tot mij een woord. Tot tweemaal toe heb ik \'t gehoord;

• Dat \'s Heeren zijn de sterkt\' en krachteulo Ook is bij U de goedheid. Heer!

Dies heeft van U elk stervling weêr Vergelding naar zijn werk te wachten.

i Lf r

1. 0 God! Gij zijt mijn toe - ver - laat. Mijn

\' \' \' I I

J—J-eJ—*—tg

Phrygisch. 1.

■2—

E53E

God! U zoek ik met ver - lan - gen.

i f i

BS3

T

239

Psalm 63.

i

iE

Tquot;

r;r r r

i

3:

Zoo

ocr page 256

4.

Psalm 63.

240

! I i

Eg

T-

Bij I

Ci

TT r f\'r rfsn

ras wij \'t morgenlicht ont - van - gen,

aa,

gESEEÈ

laatste vers.

=P=fdT=f^

\'t krie - ken van den da - ge - raad.

ili I ^ ^ ~_____fe-

•—0—

t=t:=l=

-p®-

•

J:

fg;

^—i .

-h

^5—---K—

y p—?—f f

—o—#—^ -f-lt;2?

-1-

* * ---SI--

Heer! mijn ziel en lichaam hij - gen,

En

i

I

i

m

Éfe

2E-2-

|g ig-*-

^—1 - ^^

—1--1—

J : •

-1-1—

—amp;---

-lt; -

^7 f ♦ ♦

r r i i

dor - sten naar U, , 1 -4- -J ^

r r

in een

1 1 r amp; - amp;

—amp;-^--

r r

land. Dat,

J J

^V-F—

• •

m

---1---—

--

—«-1—

--t=;

ocr page 257

Psalm 63. 241

itr17

—i—

t

-1—

--t

quot;t

H—i-i

—i— —^—

—■»-

J

=d

—J-

r^-

-r^-

55

tr-—

r

dor

1

en

|

I*

mat,

|

r r f

van droog -te b

1 1 ,

^ r

1

randt, Daa

i !

—1—

r niemand ! 1 ± JÉ

Br-lr-

—U

—

#

—J-

—

1»

^FF

—#—

-•-

=F=

- (3

i

h

rJ

r

—rj

-1—

1

—i— -

—i--1

tvp-b-*

-i—i—•-

j

tr

r

la

i

♦

- f

e i

r

- nis

i

•

—r

kan

i

T^r r

krij - gen.

u\' — ■* te

i^f-b

-f-

—•

-12-

1

—1—

-I=p=

1 i- -

1

Psalm 63. Nieuwe melodie.

f f=

1. 0 God! gij ziit mijn toe - ver - laat. Mijn

J , j ! J—4-

^V2

I

^ ff r fp r tf f

God! U zoek ik met ver - lan - gen,

16

ocr page 258

Psalm 63.

r * r r rrr i

Zoo ras wij\'t mor-gen-licht ont-van-gen,

__I I_I I i J J- J-

4. I I laatste vers.

g r r ^ r f rif-r^

Bij\'tkrie-ken van den da - ge - raad.

J I i J. I II I

5- I

^=r1rtr^ r r r ^

0 Heer! mijn ziel en li - chaam

1 ! I I -i J-

242

ocr page 259

7.

Psalm 63.

243

li

r r

i

-F=r

laad, Dat, dor en

d=idLJ=± mat, van droog-te

J -A J


r^fi

brandt. Daar

nie-mand la - fe - nis kan

, J / J - J J

- . S* ^ - 2 — Sf- —

JL\\p—$a--*—!—

—f—-i--1-j?-p—4--

1

^ rjr P

krij - gen.

m r

i--

i=-----

2. \'k Heb U voorwaar in \'t heiligdom

Voorheen beschouwd met vroolijk\' oogen.

Hoe zag ik daar uw alvermogun;

Hoe blonk aw godlijk\' eer alom!

Want beter dan dit tijdlijk leven

Is uwe goedeitierenhuid:

Och! wierd\' ik derwaarts weêr geleid.

Dan zou mijn mond U d\' eere geven.

16*

ocr page 260

Psalm 63.

3. Dan zou ik, voor uw godlijk oog, Uw deugden al mijn leven prijzen,

En in uw\' naam mijn\' zang doen rijzen; Mijn handen heffen naar omhoog.

Mijn ziel zou nieuwe kracht ontvangen. Verzadigd, als met vet en smeer;

Mijn mond zou ü vol vreugd, o Heer! Verheffen in zijn lofgezangen.

Pauze.

4. Wanneer ik, op mijn legerstee.

Aan ü gedenk in siille nachten,

Dan peinst mijn ziel met al haar krachten,

Hoe Gij voorheen in angst en wee.

Als mij de vijand wild\' omringen.

Mij vaardig zijt ter liulp geweest;

Dies zal ik nu ook, onbevreesd,

In schaduw van uw vleuglen, zingen.

5. Mijn ziel kleeft U standvastig aan; Gij ondersteunt mijn zwakke schreden; Uw rechterhand vol mogendheden Doet mij getroost en veilig gaan.

Maar dezen, die mijn ziel begeeren,

Üpdat ik tot verwoesting raak\'.

Staan bloot voor uw geduchte wraak; Zij zullen haast ten afgrond keeren.

6. Men zal die boozen, door \'t geweld

Van \'t scherp gewette zwaard, doeu sneven,

En aan de vossen overgeven.

Ter prooi alom in \'t open veld.

Maar \'s Konings hart zal zich verblijden

In God, dia \'t gansch heelal regeert;

En elk, die heilig bij Hem zweert.

Zal zijne trouw met roem belijden.

244

ocr page 261

Psalm 64. 245

7. Want, hoe het ga, de logenniond Zal nimmer strafloos zegepralen;

God stelt der boosheid perk en palen, De logensprekers gaan te grond\'.

Dorisch. Psalm 64.

\'jt-a—jS \\ »—quot;-g-quot;]quot;*—

gEg=p7 !^^~r r r

1. \'t Behaag\' U mij ge - hoor te ge - ven;

iJ flJ—J—,

p=f=ff jEÊÊÊÊ

\' I

ËElzEÉz—7 ~

vi/~ _—at -gquot;

^ i • I Ti ^

1 i 11 r r

Ik zend mijn klaag-stem tot uw\'

^-J.J J J J, j J i

i 1 troon: 0

4

-s---1-1-lH

-2—*-•-d-«

-r~r r tJ

Heer! dat zich uw

i i J i

quot; r « *—r

hulp ver-

S J 1 1

^ U f-k u

ocr page 262

Psalm 64.

ppiliilipiipi|ij I if1 1 1 ^1 1 r

toon\'; Laat mij voor\'b vijands macht niet be-ven;

246

5.

1 i 1 I

----

#--2- \'-g-

1

Be

1

r f ^sr p

- hoed mijn le - van.

, J- J J J,

S £ L_.

J • i# . r

-L-1-(2.-1--

-

Psalm 64. Nieuwe melodie.

JM-p—r-

i=r

1. \'t Be-

^r-f r p

iaag U mij ge -1 1

J J - -

- # *o • O

N iii—

-« kj\'-

1 1 hoor te

4 i f=^

• A.

r r

ge-ven;

—|—H

—i—\\ j i ^=—

W=^f ik

pi—

—^-fS-—

r r

zend mijn

n

klaagstem tot uw\' troon:

i J i i J

P-\' .

ocr page 263

Psalm 64.

247

r

O Heer! dat

zich

1

-Y\'-■ïïi—

j j j

?

=P

uw hulp be-toon\';

i I 1

4=


ztz=

m----m--1---M----5^.

11 1 i r i r

Laat mij voor\'s vij-ands macht niet be-ven;

le

j j i i

-r

Be - hoed mijn

m

jSZ

-W-

I

I

p:-E

r

\'2. Verberg mij voor de listigheden, En voor den heimelijken raad Der boozen, die, geneigd tot kwaad. Oproerig in hun doen en reden Steeds onrecht smeden.

3. Bescherm mij tegen \'t wreed vermogen Van hen, wier tong is als een zwaard; Wier taal, met bitterheid gepaard, Tot pijlen dient op htmne bogen. Om t\' oorelogen.

ocr page 264

Psalm 64.

4. Zij leggen lagen voor de vromen, Verschuilen zich voor hun gezicht,

En treffen straks hen met hnnn\' schicht; Waardoor zij wreed hen om doen komen, En niemand schromen.

5. \'t Is \'t kwaad, waarin z\' elkander sterken. Dat hun tot samenspraak verstrekt;

Hun strikken houden zij bedekt. Zij zeggen van hun booze werken: «Wie zal die merken?»

Pan ze.

6. Hun drift, aan snood bedrog verbonden. Spitst daaglijks zich op listigheên, Hun hart, hun binnenst\' peinst alleen Op valsch\' en eerelooze vonden.

Om elk te wonden.

7. Maar God, aanschouwend\' al hun lagen. Die bloot zijn voor zijn aangezicht. Zal ijlings met een\' scherpen schicht Hen treffen, en, door zware plagen,

Hen straf doen dragen.

8. Hun tong, die andren durfd\' onteeren. En ware vromen trotsch versmaan. Zal zelf met schande hen belaan;

Ja, elk zal hun den rug toekeeren.

En hen verneêren.

9. Dan zullen alle menschen vreezen; Het werk verheffen van den Heer;

Zijn\' lof verbreiden en zijn eer.

En op zijn daan, alom geprezen.

Oplettend wezen.

248

ocr page 265

Psalm 65.

10. \'t Rechtvaardig volk zal zich verblijden, Betrouwend\' op den Heer alleen. D\' oprechten zullen, weltevreên,

Terwijl zij Hem hun harten wijden.

Zijn\' naam belijden.

Aeolisch. Psalm 65.

f r-r r ^

j j De lof-zang klimt uit Zi - ons za - len \' ) Daar zal men U, o God! be - ta - len

i i i i r i i i

-,--1 •_•_e._egt; J_*—A-eé_

-#-J-J-1—

-i-—-iquot;

fa/ - ^7-

* » ö

-amp;--- -

yz, -

Tot

Ge

J

r r 7^

ü, met stil ont - lof - teu, dag bij

J 1 1 „ 1

1

zag! / dag; (

J

C^-5—^-—-^-1 —^-«--^-

l^zJ:-=H=3_. 1 iH

4. 1 1 |

^=r r r r T~r r r P

Gij hoort heB, die uw heil ver - wach - ten,

, J . J J J J J . J J .

P \'\'

249

ocr page 266

Psalm 65.

i

beên! Dies

I

f

2 , •

---1-

^—■—Sn

--*-H-

3 —

a ^

^—9-----1---H-

--

^ 17 r f r r 1 f

zul - len al - Ier - lei ge - slach-ten

j J i j J i _ _ ^ i

p^^EEijEE^EE,

ffe - jp J J

—1 -

!—

--F—f— l—^

nr r r r

Oot-moe-dig tot U

5^é44J^=

-

by

1

treên.

1

T* quot; quot;

1—

2. Een stroom van ongereclitigheden Had d\' overhaud op mij;

Maar ons weerspannig overtreden

Verzoent en zuivert Gij.

Welzalig, dien Gij hebt vei koren,

Dien G\' uit al \'t aardsch gedruisch Doet naadren, en uw heilstdm hooren, Ja wonen in uw huis.

250

quot;r\'r r r f

O Hoor-der der ge

ocr page 267

Psalm 65.

3. Daar zal ons \'t goede van uw woning

Verzaden, reis op reis,

En \'t heilig deel, o groote Koning!

Van uw geducht paleis.

Gij, Gij zult vreeselijke dingen

Ons, in gerechtigheid,

Doen hooren, en ons blij doen zingen Van \'t heil, voor ons bereid.

4. O onze God! o vast vertrouwen

Van \'t allerverste land.

Op wien al \'b aardrijks einden bouwen,

En \'t wijdsfgelegen strand!

Gij, die de hemelhoogs bergen

Doet pal staan door uw kracht, Zoodat zij vloed en stormen tergen, Gij zijt omgord met macht.

5. \'t Gebruisch der zee doet Gij bedaren.

Daar Gij haar golven stilt;

\'t Humoer der volken, als der baren,

Betoomt Gij, waar Gij wilt.

Die d\' einden dezer aard\' bewonen,

Aanschouwen, dag aan dag, De teeknen, die uw almacht toonen. Met vreez\' en diep ontzag.

Pauze.

6. Gij geeft dat d\' uitgang van den morgen

En van den avond juich\';

En dat men ü, voor al uw zorgen,

Ootmoedig dauk betuig\'.

Het land bezoekt Gij met uw\' zegen,

En, door U droog gemaakt.

Verrijkt Gij \'t grootlijks weêr met regen, Die tot den wortel raakt.

251

ocr page 268

Psalm 66.

7. De Godsrivier doet G\' overvloeien,

En op \'t bereide land Het nuttig koren welig groeien.

Uw goddelijke hand Maakt d\' opgeploegde voren dronken,

Tot uit de weeke kluit.

Daar \'t dropplend nat is ingezonken, Gezegend voedsel spruit.

8. Uw goedheid kroont de jaargetijen;

Waar Gij uw\' voetstap zet.

Daar doet Gij \'t al ten zegen dijen;

Daar druipt het al van vet. Het woeste veld vangt zelfs die droppen,

Zijn weide blijft niet droog; De heuvels steken blijde toppen Met lachend groen omhoog.

9. De velden zijn bedekt met kudden;

De dalen zijn bekleed Met halmen, die van zwaarte schudden.

En loonen \'s landmans zweet. Zij juichen, elk op zijne wijze;

Uw eer klimt uit het stof;

Zij zingen, uwen naam ten prijze. Uw goedheid en uw\' lof.

252

Hypo-Jonisch. Psalm 66.

JU? O -t ■ , , quot;!--#-

f

1. Juich

■f ♦ = t r f-

1 i r 1 1

,aar - de! juich, met blij-de

:4 _J_ \' ï rj—•

gal - mon.

S .»gt;

-J

ocr page 269

Psalm 66. 253

ir rfi I r1 r f f

Den groo-ten Schepper van\'t heel - al; Zing

t J.j J _J J

r f r r r 1 1 r

d\' eer zijns naams, met dank - bre psal - men;

-£=—?-f-•---(SflZZTI-

----I I---jE±--1 -\'

^ iL 4. I I laatsto vers.

^ rr r r f f r r

Ver - hef zijn\' roem met lof - ge-schal.

^.^i. J j-j—; - JyfT

IF—rl.\'f f=F^=R^=l

, ±§^=^==1=^^-1- =1

^ i r ^ rT«r r r^r T

Zeg; »0! hoe vrees-lijk zijn uw wer - ken!

„ ! I I I i I I I

qig=g:f^—gr—^---

iiEgÉ^5^Éf=È3E^=E=l

ocr page 270

254 Psalm 06.

Gij

r r r r

doet uw wijd-ge

J J • 1

è* * ■p T

duch - te

r~r

kracht, 0

^J=r ë

-h=t=

--J

^ Ji , . II , . 1-1

,-1 _J ■ \' r.

-S—d-h

——»—

Pr)-—?-S-a—•---»—

v f r^T r r r

God! aan al uw ha - ters

. - - J J J

I 1 ramp;J mer - ket

J J

P

1

, Die

1

0-41 # #

eJ

-agt;—

i i ,i | ^ i

pp-

-j—.

r r f r r r

Tein-zend bui - gen voor uw macht.»

-PT., J J J J J-pf--1,^

1

Bezoekt, of met zijn strenge tucht!

ocr page 271

Psalm 66.

3. God baande, door de woeste baren En breede stroomen, ons een pad;

Daar rees zijn lof op stem en snaren, Nadat Hij ons beveiligd had.

Hij za! eeuw uit eeuw in regoeren;

Zijn oog bewaakt het heidendom.

Hij zal d\' afvalligen verneêren;

Hij keert hun trotsch\' ontwerpen om.

4. Looft, looft den Heer der legerscharen, 0 volken! heft een\' lofzang aan!

Hij wil ons in het leven sparen, Ons hoeden op de steilste paan.

Voor wanklen onzen voet bevrijden. Gij hebt ons voor een\' tijd bedroefd, En ons gelouterd door het lijden.

Gelijk het zilver wordt beproefd.

5. Een net belemmerd\' onze schreden; Een enge band hield ons bekneld;

Gij liet door hserschzucht ons vertreden; Gij gaaft ons over aan \'t geweld.

Hier scheen ons \'t water t\' overstroomen; Daar werden wij gedreigd door \'t vunr; Maar Gij deedt ons \'t gevaar ontkomen. Verkwikkend\' ons ter goeder uur.

Pauze.

6. Door \'s Hoogsten arm \'t geweld onttogen, Zal ik, genoopt tot dankbaarheid. Verschijnen voor zijn heilig\' oogen.

Met offers, aan Hem toegezeid.

ïk zal, nu ik mag ademhalen,

Na zooveel bangen tegenspoed.

Al mijn geloften U betalen,

U, die in nood mij hebt behoed.

255

ocr page 272

Psalm 66.

7. Ik zal het brandaltaar doen rooken Van \'t edelst\' vee uit kooi en stal; Zoo worden vet en merg ontstoken, Bij \'t lieflijk rijzend lofgeschal. Het rookwerk zal zijn\' geur verspreiden, Daar ram bij ram wordt aangebracht; \'k Zal bok en rund ten offer leiden, Opdat men z\' U ter eere slacht\'.

8. Komt, luistert toe, gij godgezinden! Gij, die den Heer van harte vreest! Hoort, wat mij God deed oudervinden; Wat Hij gedaan heeft aan mijn\' geest, \'k Sloeg, heilbegeerig, \'t oog naar boven; Ik riep den Heer ootmoedig aan; Ik mocht met mond en hart Hem loven. Hem, die alleen mij bij kon staan.

9. Waar\' ik door ongerechtigheden En haar aanlokselen bekoord,

Dan had de Heer naar mijn gebeden En jammerklachten niet gehoord.

256

Maar nu, nu heeft, met gunstig\' ooren. Mijn God op mijnen wensch gelet. Hij, die het al kan zien en hooreu. Merkt\' op de stem van mijn gebed.

10. God zij altoos op \'t hoogst geprezen 1 Lof zij Gods goedertierenheid, Die nimmer mij heeft afgewezen. Noch mijn gebed gehoor ontzeid!

ocr page 273

257

Dorisch. I.

m

-p-

i

Psalm 67.

-r—gt;—r—

! i i 1 i 1 i

D\'al-goe- de God zij ons ge - na - dig, Hij doe zijn aan - ge - zicht ge - sta - dig

J I J J-

3. quot;

IN

f f r r \' \'

En ze - gen\' ons met o - ver - vloed; Ons lich - ten, en Hij zij ons goed!

rv g

r

I

JJl

-«■-

4.1

|| 6.

^ - -\\ -

—1---

--1—t-

|

^ d—1—• •

kd-iquot;

_j--j-e— 0—

-J -U

—•—0—.--•-J

r r r 1

Op - dat elk ge

\' ; i i

_ _

i H 1

- ne - gen

i !

*—!—m-1-1

-r f r 1

i 1 1 Zich aan u - we

1 J J i

■» S-

1 1 we-gen

J !

\'Y \' * J

J \' . • •

,:5\' \'Q * ;

P—ia—

17

ocr page 274

Psalm 67.

i t r I I 1 1 i 1 f

Op deez\' aar - de wenn\'; En de blin-de hei-den

j=j=j=fe;[

^ i J

m

t

258

3

I

1 J

I

ig=;gquot;

I

P

10.

I

±3

r-r^f

Nu van God gescheiden, Eens uw heil er - kenn\'.

\' J \' ! 1 i i J J

J

-F-

Psalm 67. 1.

■zg-g-

-- -2

f-

T\' • f r

i i i r 1

1. D\' al-goe - de God zij ons

P

Tir

ge-na-dig En


r c r r

ze - gen\' ons met o- ver-vloed;

J. h j i I i J

Hij

1

r\'1-

Nieuwe melodie.

ocr page 275

Psalm 67.

I jquot; I I I doe zijn aan - ge - zicht ge - sta - dig

PLiPfÜÉ

m

I I

■0- •

259

t

I

—

J

T

4.

T

I

I

m

Ons lich-ten, en Hij zij ons goed!

I

i

I

J-

£

J-rJ

i

Op-dat elk ge - ne - gen Zich aan u - we

I J j I , I bi J-

4^

P:

-rt-

-ff—Èff:

r

II7.

igzs:

i i

i

i

i

m

wegen Op deez\'aar-de wenn\';En de blinde heiden

-j-J-

———71---r-a--F\'

F ^

I

giaaiS

I

17*

ocr page 276

260 Psalm 67.

M 9. || 10. I | |

^=r r r- r r r r 1 ^

Nu van God ge-scheiden, Eena uw heil er-kenn\'.

... i j i jJ j j i^Li^

1

^i I 1 1 I i^=i-

ocr page 277

261

i.

Psalm 68.

Joniseh.

rr-r

I

I I

I

De Heer zal op-staan tot den strijd; Hoe trotsoh zijn vij - and we - zeu moog\',

|

-1-

4.

|

r

i

r

(

m

£

r

Hij zal zijn ha - ters, wijd en zijd, Hij zal, voor zijn ont - zag - lijk oog,

J i J J !

• r r

r

J --J J 1

- ;■

v— ^-J

Ver-Al

-vr-u

\' f~\\ r r r

jaagd, verstrooid doen zueh-ten; sid - de - ren - de vluoh-ten.

^-j J

1

* * • «

. ^ \'-f-

l=r=P

*

ocr page 278

Psalm 68.

I 1 I I r ! I r. 1

Gij zult hen, daar G\' in glans verschijnt, Als

EtiE

1 I

I

—«—f

262

-1-

I

g

-n-

I

-y-hquot;2!- * 9 • j -

—ü-1--

fa? ? , tt,« • *

rook en damp, dia

i i..l J

r-Jr==rJ

ras verdwijn quot; - ^

F J

t, Ver-

1

h » o

-i-#-j--

■ b-b • ^ t 1- ■

-t—

f— quot;

10.

1-!-

Si

I

I

I

drij-ven en doen do - len. \'t Godluo - ze volk wordt

li II ! I

ri _amp; quot;*• M_» _.

I

I

11.

W IV

• 5»

T

haast tot asch; \'t Zal voor uw oog vergaan, als was,

ii I J i é - J- J

=t

=P

ocr page 279

Psalm 68.

—i\'-1--1-1—

--1--

-

^

_J—,—• •

-1--1-

^ J

-

r r r f r rj r

Dat smelt voor gloGn-de ko - len.

j J—J^=j^j=^-f=

2. Maar \'t vrome volle, in U verheugd, Zal huppelen van zielevreugd.

Daar zij hunn\' wcnsch verkrijgen; Hun blijdschap zal dan onbepaald,

Door \'t licht, dat van zijn aanzicht straalt, Ten hoogsten toppunt stijgen.

Heft Gode blijde psalmen aan!

Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan; Laat al wat leeft Hem eeren!

Bereidt den weg, in Hem verblijd. Die door de vlakke velden rijdt!

Zijn naam is Heer der heeren!

3. Springt op van vreugd, verheft zijn\' lof, Die, daar Hij woont in \'t hemelhof. Een Vader is der weezen;

Die weduwen haar recht verschaft, Die streng haar onderdrukkers straft, En voor zijn wraak doet vreezen; Een God, die zet, uit menschenmin, D\' onvruchtbren in een huisgezin,

En, om zijn macht te toonen,

Gevangnen uit de boeien redt;

Maar die verlaters van zijn wet Doet in het dorre wonen.

263

ocr page 280

Psalm 68.

Eerste Pauze.

4. O God! toen Gij, met majesteit,

Uw Israël hebt uitgeleid,

En op uw heil doen hopen;

.Toen Gij langs Parans woesten grond Hun voortoogt, schokte d\' aard\' in \'t rond; De hooge heemlen dropen;

De bergen rezeu zelfs omhoog;

Men zag dit Sinaï voor \'t oog Van Isrels Koning beven.

Een\' milden regen zondt G\', o Heer! Op uw bezwijkend\' erfnis neêr,

Om sterkt\' aan haar te geven.

5. Uw hoop, uw kudde woonde daar;

Uit vrije goedheid waart Gij haar Een vriendelijk beschermer,

En hebt ellendigen dat land Bereid door uwe sterke hand,

O Israels Ontfenner!

De Heer gaf rijke juichensstof,

Om zijne wondren en zijn\' lof,

Met hart en mond te melden;

Men zag welhaast een groote schaar, Met klanken van de blijdste maar. Vervullen berg en velden.

6. De koningen, hoezeer geducht,

Zijn met hun heiren weggevlucht; Zij vloden voor uw oogen.

De buit van \'t overwonnen land Viel zelfs der vrouwen in de hand,

Schoon niet meê uitgetogen.

Al laagt g\', o Isrel! als weleer,

Gebukt bij tichelsteenen neêr,

Toen gij uw juk moest dragen En zwart waart door uw dienstbaarheid, U is een beter lot bereid;

Uw heilzon is aan \'t dagen.

264

ocr page 281

Psalm 68.

7. Gelijk een duif door \'t zilverwit,

En \'t goud, dat op haar veedren zit. Bij \'t licht der zonnestralen.

Ver boven andre vooglen pronkt.

Zult gij, door \'t godlijk oog belonkt, Weêr met uw schoonheid pralen.

Wanneer Gods onweêrstaanbrc hand De vorsten uit het gansche land Verstrooid had en verdreven.

Ontving zijn erfdeel eedier schoon. Dan sneeuw, hoe wit zij zich vertoon\', Aan Salmon ooit kon geven.

Tweede Pauze.

8. Dat Bazans hemelhooge berg Met al zijn heuvlen Zion terg\'.

En wane t\' overtreffen;

Wat springt gij, bergen, trotsch omhoog?

Wat wilt g\' u, in der volkren oog.

Bij Zlons berg verheffen?

God zelf beeft dezen berg begeerd

Ter woning, om, aldaar geëerd.

Zijn heerlijkheid te toonen;

De Heer, die hem verkozen heeft,

Die trouwe houdt, en eeuwig leeft.

Zal hier ook eeuwig wonen.

9. Gods wagens, boven \'t luchtig zwerk,

Zijn tien- en tienmaal duizend sterk. Verdubbeld in getalen;

Bij hen is zijne majesteit Een Sinaï in heiligheid.

Omringd van bliksemstralen.

Gij voert ten hemel op vol eer; De kerker werd uw buit, o Heer! Gij zaagt uw\' strijd bekronen Met gaven, tot der menschcn troost; Opdat zalfs \'t wederhoor!»\' kroost Altijd bij U zou wonen.

265

ocr page 282

Psalm 68.

10. Geloofd zij God met diepst ontzag! Hij overlaadt ons, dag aan dag,

Met zijne gunstbewijzen.

Die God is onze zaligheid;

Wie zou die hoogste Majesteit Dan niet met eerbied prijzen?

Die God is ons een God van heil;

Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil.

Ons \'t eeuwig zalig leven;

Hij kan, en wil, en zal in nood.

Zelfs bij het naadren van den dood.

Volkomen uitkomst geven.

Derde Pauze.

11. Gewis, hoe hoog de nood mag gaan.

God zal zijns vijands kop verslaan;

Dien haargen schedel vellen,

Die trotsch, wat heilig is, onteert,

En, daar hij schuld met schuld vermeert.

Zich tegen Hem durft stellen.

De Heer heeft zelf ons toegezeid:

quot;\'k Zal u, door macht en wijs beleid, «Uit Bazan weêr doen komen;

»U zullen, als op Mozes\' beê,

«Wanneer uw pad loopt door de zee,

«Geen golven overstroomen.

12. «Dan moogt g\' in zegepraal uw\' voet,

«Ja uwer honden tong, in \'t bloed «Van eiken vijand steken.«

O groote God, geduchte Heer!

Uw gangen zoo vol roem en eer.

Zijn aan uw volk gebleken;

De gangen van mijn\' God en vorst,

Wien, schoon Hij \'s werelds rijkskroon torscht,

Deez\' woningen behaagden.

De zangrei trad den speelrei vóór,

In \'t midden ging het vroolijk koor

Der trommelende maagden.

266

ocr page 283

Psalm 68.

13. Looft God in zijn gemeent\' alom, Den Heer, gij, die in \'t heiligdom, Als Isrels kroost, moogt naadren. Hoe vroolijk gaan de stammen op Naar Zions godgewijden top,

Met Isrels achtbre vaadren!

De vorsten van elk huisgezin. Zij trekken aan: hier Benjamin, Schoon klein, hij mocht regeeren; Daar Juda\'s stam, die glorie won; Ginds Naftali en Zebnlon,

Om God, hunn\' Koning, t\' eeren.

Vierde Pauze.

14. Uw God, o Isrel! heeft de kracht Door zijn bevel u toegebracht.

O God! schraag dat vermogen; Versterk hetgeen Gij hebt gewrocht, En laat uw hulp, door ons verzocht, Uw volk voortaan verhoogen Dan passen, uwen naam ter eer. Om uwes tempels wil, o Heer! De vorsten op uw wenken;

Zij zullen U, van alle kant,

Zelfs uit het allerverste land.

Vereeren met geschenken.

15. Scheld met uw stem het wild gediert\', Dat in het riet zoo weeldrig tiert,

De stier- en kalverbenden;

Het volk, dat stukken zilvers geeft. En dus zich onderworpen heeft, Men loert op onz\' ellenden.

Gewis, wij zien hen reeds berooid. En \'t oorlogzuchtig volk verstrooid: Gezanten zullen naadren;

Egypte zal, met Moorenland,

Tot God verheffen hart en hand. Den God van onze vaadren.

267

ocr page 284

Psalm 69.

t6. Gij koninkrijken, zingt Goda lof!

Heft psalmen op naar \'t hemelhof,

Van ouds zijn troon en woning;

Daar Hij, bekleed met eer en macht.

Zijn sterke stem verheft met kracht,

En heerscht als Zions Koning!

Geeft sterkt\' aan onzen God en Heer;

Hij heeft in Israël zijn eer En hoogheid willen toonen:

Erkent dien God; Hij is geducht;

Hij doet zijn sterkte boven lucht En boven wolken wonen.

17. Hoe groot, hoe vreeslijk zijt G\' alom,

Uit uw verheven heiligdom,

Aanbidlijk Opperwezen!

\'t Is Isrels God, die krachten geeft.

Van wien het volk zijn sterkte heeft.

Looft God! elk moet Hem vreezen.

Phrygisch. Psalm 69.

1 1 I l I

1. O God! ver - los en red mij uit den

I I | I l i ry--H if1 0 -f r \\ ] * f—

r 1 f—^ r r r r f * ! : 1

nood; De waat-ren zijn tot aan de ziel ge-

268

ocr page 285

269

Psalm 69. 3.

ZStL

f r ff rr

ko - men; Ik zink in\'t slijk; ik

-^-4—J-

.-m-é-® -

i

1—r

r r f f rcrr

voel mij o - ver - stroo - men;

i

5

ik

I

=• j j-j=x=j=dé

1—i—r

r^r

ga te grond\'; de

4 i » J r r r r

i

vloed is mij te

-J—J—J-J


-r-

roep mij moe

j i J

r

I

P

amp;

Ik

groot.

-A

T

ocr page 286

6.

Psalm 69.

270

m

^ \\ i i, • *

, !-[ f r 1 I r I

de-zen jam - mer - staat; Mijn keel is heesch, zij

i i i

I I kj I

I

ïEEzEEEÊEïEÊ1 -*—•—g- ^ h1 1—f—r-i—

r r r r

i

■»

i

En,

I

—

is van droogt\'ont - ste - ken;

^ \' \'

iÈ

m

-Si

5

ï:

r r r

1 r ! 1 i . ,

daar ik hoop op God, mijn\' toe-ver-laat,Schrei

^—i

bz:

4

I

J-

M:

£3E5È

-Tg fg

i 1 r-r -p

ik mij blind;mijn oo-gen zijn be-zwe - ken.

n:

J l I I I i

J-

! ^—ffs^-

r

ocr page 287

271

Psalm 69. Nieuwe melodie.

Psalm 69.

1.

l

ËEE

1. O God! Ter - los en red mij uit den

j J. I Ju J \\ 1 A.

4

±:

£

j I

tf r f \' r\' r \' f

nood; De waat-ren zijn tot aan de ziel

--f-\'—r-1^ f ■ f--1

j=è

J-

tt

i-r r \' ■ \' .

ko - men; Ik zink in\'t slijk; ik voel mij o - ver-

m

m

Ti

w-r^r-i l ^ r r^r-tf-r^FEP

stroo-men; Ik ga te grond\'; de vloed is mij te

J J ^ J i -g- -i J j L

m

r-rt-f

ocr page 288

Psalm 69.

/riri--ï—T i--i-^-ri

i—

i

—t—

—1-

y u , / . i i i i i

J

g

*

vJ J

^ f

r

o

J J2 9

r r

groot. Ik

1 1 roep mij

1

moe

J

r

in

|

•

r

de -

i

*

1

zen

J

T

jam-

r

mer-

u 1

Cv;-Ögt;—* 1

J *

•

J ii * i a ■

i—i—^—r

(•

-?»—

—Z_J-—

■1 1 4—

L_#—

—i—

-1—

s^-^-r—f—f—r^pi^r—r\'

staat; Mijn keel is heesch, zij is van droogt\'ont-

I I 1 J i i- J i J- i

^—h-J—s—0 «—f

sta - ken; En, daar ik hoop op

—F—[ — I quot;f ^ »

I \' 1 r 1 ! I I I I

God, mija\' toe - ver-luat, Schrei ik mij blind;mijn

_J_= J: i ^ i . J J._i_i

mm^^^ÈE$ééÊ

i I \' I r

272

ocr page 289

Psalm 69. 273

--FF , =1

^ r r r

oo - gen zijn be

Lf3r r

- zwe - ken.

r j -

F---

1--

2. Men telt veeleer de haven van mijn hoofd Dan hen, die mij, doch zonder oorzaak, haten;

Men zoekt mijn\' dood; geen onschuld kan mij baten; Hen zie ik sterk, maar mij van kracht beroofd. Men eischt van mij, daar ik m\' onschuldig ken, \'t Geroofde weêr, \'k moet voor voldoening zorgen. Gij weet, o God! hoever ik strafbaar ben;

U is mijn schuld, mijn dwaasheid, niet verborgen.

3. Beschaam door mij de stille hope niet Van hen, die U, o Heer der legerscharen! Verwachten; Iaat geen schande wedervaren Aan hen, die U steeds zoeken in verdriet.

Met mij verging hun hoop, o Isrels God!

Daar ik mijn\' smaad om uwentwil moet dragen.

Mijn aanschijn is bedekt met schand\' en spot; Helaas! wat heb ik stof tot bitter klagen!

Eerste Pauze.

4. Mijn\' broedren ben ik vreemd, door elk onteerd. En onbekend den zonen mijner moeder;

\'k Vind onder hen noch schutsheer, noch behoeder, Want d\' ijver van nw huis heeft mij verteerd. Ik draag den schimp, den smaad en overlast Dergenen, die, alziende God! U smaden;

Ik heb geweend; mijn ziel heeft steeds gevast,

Maar \'k word te meer met smaadheld overladen.

18

ocr page 290

274 Psalm 69.

5. Ik heb mijn vleesch met eenen zak bekleed,

Maar hoor mijn\' naam ten spot en spreekwoord maken;

De rechters zelfs doen niet dan klappen, laken;

\'k Ben \'t snarenspel van dronkaards in mijn leed.

Maar, Heer! tot U, tot U is mijn gebed:

Daar is, o God! een tijd van welbehagen.

Een tijd van gunst, te mijner hulp gezet;

Hoor, naar uw trouw en heilwoord dan mijn klagen.

6. Ruk, door uw macht, mij uit het slijk; behoed. En laat mij niet verzinken in de waatren;

Maar red mij uit de handen mijner haatren; Uit deze kolk en diepen watervloed.

Och! laat de stroom mij over \'t hoofd niet gaan; Maar dat uw arm \'t geweld der diepte stuite; Dat toch de put niet worde toegedaan.

Noch over mij zijn mond voor eeuwig sluite!

7. Hoor mij, o Heer! uw goedertierenheid

Is goed; zie mij dan aan met gunstig\' oogen; Hoe teêr, hoe groot is mij uw mededoogen! Verhoor uw\' knecht, die heete tranen schreit. Verberg voor hem uw aangezicht toch niet:

Want ik bezwijk door angst en tegenheden. Ai! haast U mij ter hulp, in mijn verdriet; De nood klimt hoog; verhoor mijn smeekgebeden.

Tweede Pauze.

8. Genaak, genaak in gunste tot mijn ziel;

Bevrijd haar; laat de boozen, die mij haten, Vijandig zijn, en alle deugd verlaten.

Nooit roemen, dat ik in hun handen viel.

Gij weet, wat schaamt\' en smaad mij treff\', o God! Daar niemand zich mijn onheil aan wil trekken; Hoe schandlijk ik der boosheid strekk\' ten spot; Gij kent hen, die mij dezen angst verwekken.

ocr page 291

Psalm 69.

9. Versmaadheid breekt en scheurt mij \'t hart vanéén; Ik ben zeer zwak; de lasteringen snijden Mij door de ziel; ik wacht naar medelijden,

Naar troosters; maar helaas! ik vind er geen. Ja, groote God! zij hebben mij, tot spijs.

Bij al mijn smart, nog bittre gal gjgeven; Een edikteug is zelfs een gunstbewijs,

Wanneer de dorst mijn lippen saam doet kleven.

10. Hun tafel word\', o God! hun tot een\' strik, Een\' valstrik, daar zij straks in blijven hangen. En vollen loon van al hun kwaad ontvangen. Vervloek hun spijs; dat niets hun ziel verkwikk\'; Verblind hunn\' geest; verduister hun verstand; Verdonker hun gezicht; bewolk hun oogen; Verbreek hun kracht door uw getergde hand: Dat rusteloos hun lendnen wagglen mogen.

Derde Pauze.

11. Stort over hen uw gramschap uit; vertoon Uw\' heeten toorn; grijp aan hen, die U haten; Dat hun paleis verwoest zij en verlaten;

Dat niemand meer in hunne tenten woon\';

Want dit geslacht, dat zich in \'t kwaad verheugt, Vervolgt dien Gij verwond hebt en geslagen;

Zijn smart strekt hun tot tijdverdrijf en vreugd; Zij doen van praat en schimp schier alles wagen.

12. Doe misdaan toe aan al hun euveldaan;

Laat hen tot uw gerechtigheid niet komen;

Maar delg hen uit het levensboek der vromen; Schrijf hen met uw rechtvaardig volk niet aan. Maar ik, ik ben ellendig en vol smart;

Uw heil, o God! voer\' m\' in een hooge woning; Dan zing ik blij, en, uit een dankbaar hart, Den grooten naam van mijnen God en Koning.

18*

275

ocr page 292

Psalm 70.

13. Dat zal den Heer veel aangenamer zijn Dan os of var, die hunnen klauw verdeelen. De blijdschap zal het hart der vromen streelen, Als zij mij zien, verlost van smart en pijn.

Gij, die God zoekt in al üw zielsverdriet,

Houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vroolijk leven. Nooddruftifjen veracht zijn goedheid niet;

Nooit zal Hij zijn gevangenen begeven.

14. Gij hemel, aard\' en zee! vermeldt Gods lof!

Laat al wat leeft zijn trouw en goedheid prijzen! Want God zal aan zijn Zion hulp bewijzen.

En Juda\'s steên herbouwen uit het stof.

Daar zal zijn volk weêr wonen naar zijn\' raad; God eeuwig hun zijn volle gunst betoonen;

Daar zullen zij, Gods knechten met hnn zaad, Zij, die zijn\' naam beminnen, erflijk wonen.

276

Psalm 70.

zamp;i

r

r

I

i

Phrygisch. 1.

i

1. Daal haas-tig ter ver-los-sing neêr, 0

I

ifeE

-I—4

I 1

3.

-I—t—f

I 1 1 I

God! en red mij uit ge - va - ren.

-agt;-

Uit

ocr page 293

Psalm 70. 277

gz-0-0- —(—■\'-•—f-quot;—«—*--a?—

v I I f \' I I I Sp I

angsten, die mijn ziel be - zwa-ren! Spoed

_J_J_J g* ^fc-?_J-T—__^

laatste vers. 5.

lil1 U ter mij - ner

^ J J

—^^--t—

U-

i i r

Imlp, o Heer!

i

Laat

1

9-tj2 |-^-t-^

f\'-p

—0--»-(2-

U-quot;p—

Ö_I

al - len, die mijn ziel be - la - gen, Be-

I J I I , I J. \' 1 , i 8 s , Si ^ I

l=^=f=f=fEr1 I \' f I t |iy=^E=|i=i=ipiih^

r Ir * \' • quot; r r

schaamden schaamrood van mij vliên; Laat

I \'I\'ll

ry-r—J-J- J ^ r-g--^-| J J

ife?—r—-«----^z^==^zz

1 —I----

ocr page 294

Psalm 70.

I

die mot vreugd mijn ram - pen

I I J

«IP

• -0-

I I

278

• -g-

I

zien,

4—

In

t

1

^

f=T

\'P

Ö-E

r

hun - ne

m

* J2gt;

fep

i

wen - scben nim - mer sla - gen.

I i i I . I gt;_•_gg_

i


Nieuwe melodie.

Psalm 70.

1.

2.

i

ter ver-los-sing neêr,

I I I I I

i

1. Daal haas-tig

-sgt;-lt;g i •-

yir=:3:

£

ï

^—m-

■jg—ÉZ

riquot;\' fr r\'r r

God! en red mij uit ge-va-ren,

r r r r r

Uit angsten, die mijn


—I_!—I—_J_j__^_j ■*■

1 r

£

I I I

ocr page 295

Psalm 70.

i ■ 1 i Spoed U ter mij - ner

Èg=ï

4.

I

279

l

=rE

rr r^n1

1

ziel be -zwa - ren!

J J- ^ J

I

•y-

laatste vers. 5.

t

n

f ^

hulp, o Heer!

J J I

PB

1

tW r^r-rr

Laat al - len, die mijn ziel be-

-Ujj J J ^


1| 6.

I?

7~r f ♦ r- i r ■ ■

la - gen, Beschaamd en schaamrood van mij

,i

J.

A J Ij

d=^Ed

\' r r \' r

vliên; Laat, die met vreugd mijn ram-pen zien,

:it=

ff r r\' r

I

In

T-lt;^--i-J—1

IjÊÊiÊÊ

i

ocr page 296

Psalm 71.

280

NB.

J if

r^^rfl^rf

hun - ne wen-sohen nim - mer

1 I I j ± J ± I I

J

sla - gen.

1. Laat allen, die, met echampien spot, Mij lioonen, tergen en onteeren,

llunn\' schimp ten loon, teruggekeeren; Vergaan op uw geducht gebod.

Laat hen, die zich tot U begeven, Hen, die uw heil beminnen, Heer! Gedurig juichen tot uw «er.

En zingen: »God zij hoog verheven!»

3. Ik ben nooddruftig, arm en naakt; 0 God! mijn Helper uit ellenden!

Haast U tot mij; wil bijstand zenden; Uw komst is \'t, die mijn heil volmaakt.

Phrygisch. Psalm 71.

^ Tr f r r r=r^r-r=3

1. \'k Be-trouw op ü, hoormijn ge - be - den;

| I j J J ^ ^ J i

—r^r-f r

ocr page 297

Psalm 71.

mij geen schaamt\',o Heer! In

r r

4-

4.

281

2.

3.

Êëë^

f

1

!

1

f

Dat

1

i;

d—I—

r I r r ? r i i r

eeu-wig-heid ver - neêr\'. Ked mij door uw

I

1-t

I

ge-

I I I I i J J

=(S-

i

4=^

-2=t -!S-

7d—-2—

, r I I

rech-tig- he-den;

Be-vrijd mij; neig

^ J. A a

i

£e

■2- ** g-


6.

3

r

00 ■ J

r

m

-lt;sz

f

f r r i 1 r-rf

ren; Ver-los mij; wil mij hoo - ren!

^ I J J ^ i J

f=r=f=f

-5- ■#■ f

li

3

ocr page 298

Psalm 71. Nieuwe melodie.

282 Psalm 71.

i l

r r r

1. k Betrouw op U; hoor mijn ge-be-den: Dat

i k J—g-j—J:=

r r r 1 I

mij geen schaamt\' o Heer! In eeu-wigheid ver-

J J . J- 1 ^ ^ ^ - J

£

i ^ ^ p i rn» ^

. i 1 r r 1 1 ,

neêr\'. Red mij door uw ge-rech-tig-he-den; Be-

J J 4 ^ j i J ,j j

*

:te=ËÉ

i ^ i I

wwrrfTfTf

vrijd mij; neig uw ooren; Verlos mij; wil mij hooien!

J. J- i i i ^ |i-4 J-\' J J J

ocr page 299

Psalm 71.

2. Wees mij een rots, om in te wonen;

Een schuilplaats, daar mijn hart Steeds toevlucht vind\' in smart. Uw hoog bevel zal blijkbaar toonen, Dat Gij, o groot\' Ontfermer!

Mijn burg zijt en beschermer.

3. Bevrijd mij van \'t geweld des snooden.

Die \'t heilig recht verkracht;

Wiens trotschheid mij veracht. Ik wacht op U, o God der goden! Op wieu ik vast vertrouwde,

Van dat ik \'t licht aanschouwde.

4. Zoo Gij, van dat ik werd geboren,

Ja, van mijn eerst begin,

Mij niet, uit teedre min,

Hadt ondersteund, \'k waar\' lang verloren; Dies doe ik, in gezangen,

U steeds mijn\' lof ontvangen.

Eerste Pauze.

5. \'k Was als een wonder in elks oogen; Doch Gij, mijn Toevlucht! Gij Stondt mij met sterkte bij.

Laat dan mijn mond uw\' naam verhoogen, En al mijn levensdagen Van uwen roem gewagen.

6. Verwerp mij niet in hooger jaren; Laat, bij den ouderdom,

Dien \'k in uw gunst beklom, Uw voorzorg over mij niet varen; Laat, met de kracht van \'t leven. Uw hulp mij niet begeven.

283

ocr page 300

Psalm 71.

7. Hen, die op mijne ziele loeren,

Hoort men, in hunnen raad, Uit onverzoenbren haat.

Een godd \'looze scliimptaal voeren, En, tegen recht, te zameu Mijn\' ondergang beramen.

8. «Ziet,® zeggen zij, »hij ligt verschoven:

»God staat niet aan zijn zij\'.

«Jaagt, jaagt hem; grijpt hem vrij; «Hij kan geen uitkomst zich beloven.quot; O God! toon m\' uw ontferming, En haast ü ter bescherming.

9. Doe hen beschaamd staan en bezwijken.

Wier woede mij bestrijdt;

Wier haat mijn rust benijdt; Doe hen met smaad en schande wijken. Die tegen mij zich sterken.

En mijne ramp bewerken.

Tweede Pauze.

10. Mijn hart zal steeds op U vertrouwen; Mijn mond vindt, tot uw\' lof. Gedurig ruimer stof.

284

En zal uw recht en heil ontvouwen; Schoon ik de reeks dier schatten Kan tellen noch bevatten.

11. Ik zal blijmoedig henen treden, In \'s Heeren mogendheid. Mijn hart is uitgebreid, O Heer! om uw gerechtigheden. Ja, die alleen, te prijzen Op aangename wijzen.

ocr page 301

Psalm 71.

12. Gij hebt mij, van mijn kindsche dagen,

Geleld en onderricht;

Nog blijf ik naar mijn\'plicht Van uwe wondren blij gewagen. 0 God! wil mij bewaren.

Bij \'t klimmen mijner jaren.

13. Blijf mij in mijne grijsheid sterken;

Verkwik mijn\' ouderdom;

Bewaak mij van rondom;

Zoo meld\' ik dit geslacht uw werken; Zoo zal \'k uw grootheid zingen Voor hun nakomelingen.

Derde Pauze.

14. Ik roem, o eeuwig Alvermogen!

\'k Eoem uw gerechtigheid. Die zooveel glans verspreidt, Zoo heerlijk schittert uit den hoogen. 0 Heer der legerscharen!

Wie kan U evenaren?

15. Gij deedt mij veel benauwdheid smaken

En drukkend haiteleed;

Maar, tot mijn hulp gereed,

Zult Gij mij weder levend maken.

Mij uit den afgrond trekken,

En met uw vleuglen dekken.

16. Gij zult met luister mij omringen; Mij troosten in mijn smart; Dan zal ik, blij van hart. Met luit en harp uw goedheid zingen, 0 heilig Opperwezen!

Door Israël geprezen!

285

ocr page 302

Psalm T2.

17. Mijn lippen zullen juichend roemen

In psalmen, U gewijd,

Dat Gij mijn helper zijt.

Mijn tong zal U mijn\' Eedder noemen; Uw gunst, den godgetrouwen. Den ganschen dag ontvouwen.

18. \'k Zal uw gerechtigheid veiheffen,

Die mij in eer herstelt,

Die al mijn haters velt.

\'k Zie hen door schand\' en schaamte treffen; Ik zie hen schaamrood vlr.ehten, Die mijne ziel doen zuchten.

286

Aeolisch. 1. ,

Psalm 72.

Ö

(Geef, Heer! den Ko - ning u -jAan\'sKo-ningszoon, om u -

1

|

I

rech -knech

ten, ten

we we

I

S3E

1

3.

i 1 1 ^ ^ ^ En uw ge - rech - tig - heid Te rich - ten met be - leid.

m

1

I

I

Jz

SÉ

4.

ocr page 303

Psalm 72.

287

f1

r

r-f-r-

Dan zal Hij al uw volk be - hee - ren,

\' ■ J J

_J_

i

m

Ê=*Ê=Ü

-3—gz

! r i 1 i

Rechtvaar - dig, wijs en

I I I !

r i

zacht; En

i J

gi J__«__!_J_

ÜES

r r r r

I

uw el - len - di - gon

j j ^

•2=5-

f—r

re - gee - ren;

J. ^ J.


EfEEEEE

I- \' \'

fquot; f f T p i;?

Hun recht doen op hun klacht.

=1^=4

ocr page 304

Psalm 72.

2. De bergen zullen vrede dragen,

De heuvels heilig recht;

Hij zal hun vroolijk op doen dagen

Het heil, hun toegezrgd.

\'t Ellendig volk wordt dan uit lijden

D.\'or zijnen arm gerukt;

Hij zal nouddruftigen bevrijden; Verbrijzlen wie verdrukt.

3. Zij zullen U eerbiedig vreezen,

Zoolang er zon of maiin Bij \'t nageslacht ten licht zal wezen,

En op en ondergaan.

Hij zal gelijk zijn aan den regen.

Die daalt op \'t late gras; Aan droppels, die met milden zegen Besproeien \'t veldgewas.

4. \'t Rechtvaardig volk zal welig groeien;

Daar twist en wrok verdwijnt. Zal alles door den vrede bloeien.

Totdat geen maan meer schijnt. Van zee tot zee zal Hij regeeren

Zoover men volkren kent;

Men zal Hem van d\' Eufraat vereeren, Tot aan des aardrijks end.

5. Het woeste volk zal voor Hem knielen;

Zijn vijand likt het stof;

En Tharsis voert, met rijke kielen,

Geschenken naar zijn hof; Met giften zullen langs de stroomen

De Koningen der zee.

En Scheba nevens Seba komen. Hem ameekend\' om den vreê.

288

ocr page 305

Psalm 72.

Pauze.

6. Ja, elk der vorsten zal zich buigen,

En vallen voor Hem neêr; Al \'t heidendom zijn\' lof getuigen,

Dienstvaardig tot zijn eer. \'t Behoeftig volk, in hunne nooden,

In hun ellend\' en pijn,

Gansch hulpeloos tot Hem gevloden. Zal Hij ten redder zijn.

7. Nooddruftigen zal Hij verschooneu;

Aan armen, uit gena,

Zijn hulpe ter verlossing toonen;

Hij slaat hun zielen ga,

Als hen geweld en list bestrijden,

Al gaat het nog zoo hoog: Hun bloed, hun tranen en hun lijden. Zijn dierbaar in zijn oog.

8. «Zoo moet de Koning eeuwig leven!quot;

Bidt elk met diep ontzag;

Men zal Hem \'t goud van Scheba geven;

Hem zeegnen dag bij dag.

Is op het land een handvol koren,

Gekoesterd door de zon,

\'t Zal op \'t gebergt\' geruisch doen hooren Gelijk de Libanon.

9. De stedelingen zullen bloeien.

Gelijk het malscha kruid.

Zijn naam en roem zal eeuwig groeien.

Ook zal, eeuw in eeuw uit. Het nageslacht zijn grootheid zingen.

Zoolang het zonlicht schijn\'; Hun zal een schat van zegeningen, In Hem, ten erfdeel zijn.

289

19

ocr page 306

Psalm 73.

10. Dan zal. na zooveel gunstbewijzen,

\'t Gezegend heidendom \'t Geluk van dezen Koning prijzen,

Die Davids troon beklom.

Geloofd zij God, dat eeuwig Wezen,

Bekleed met mogendheên;

De Heer, in Israël geprezen,

Doet wondren, Hij alleen.

11. Zijn naam moet eeuwig\' eer ontvangen I

Men loov\' Hem vroeg en spa! De wereld hoor\', en volg\' mijn zangen Met Amen. Amen, na.

Psalm 73.

m

ESEE*:

T-

T

PI

3.

I

-J-

i

goed, Voor hen, die rein zijn van ge-moed; Hoe

j j

ocr page 307

Psalm quot;3.

291

2 -

.at;

r 5 T

I

HiJ

don-ker ooit Goda weg raoog\' we - zen,

m

D.

mm

P r -r P

ziet in gunst op die Horn vree - zen

m

m

--5

lliiiir,

_J------J-----J--g* J-J-o--j-

M

2 quot;quot;

rb=

, . ■ ^ ach! hoe wel mijn ziel dit

I

Mijn

weet,

0 0 ■amp;■__JSL

t

--d=

Ir

-*gt;■

I

:.tr—:

voe - ten wa - ren, in mijn leed, Schier

vr

0-

19»

ocr page 308

Psalm 73.

uit - ge - we - ken, en

ipa

quot;nr

~i—f

-2—S-

I

292

m

löz:

T~

mijn j:

I A

treên

Van

--^--

it=

• r r r r f r

\'t spoor der godsvrucht af - ge-gleên.

- :l

as

- ;l

=F3-f::-----:

/ I

Tquot;r-f

j J j

2. Ik zag met nijdig\' oogeu aan,

Hoe dwazen hier op rozen gaan;

En hoe godloozen in hun gangen Al veeltijds rust en vreê erlangen: Zij weten van geen tranenbrood, Van geene banden, tot hunn\' dood; Hun kracht is frisch, zij zijn gezond, Tot op hunn\' laatsten avondstond.

3. Zij weten doorgaans van verdriet En moeit\', als andre menschen, niet; Men ziet hen bittre smart noch plagen, Als andre stervelingen, dragen;

Dies zijn zij trotsch, en doen den waan. Gelijk een gouden keten, aan;

\'t Geweld, dat deugd en plicht versmaadt, Bedekt hen, als een praalgewaad.

ocr page 309

Psalm 73.

4. Indien men op Imnn\' voorspoed let, Hun oogen puilen uit van vet;

Hun weelde, wat zij zich beloven,

Gaat hun verbeelding nog te boven. Zij mergelen de menschen uit

En spreken, trotseh op roof en buit.

Steeds uit de hoogte van hun macht, Terwijl him hart de deugd belacht.

Eerste Pauze.

5. Hun mond tast zelfs den hemel aan,

Gods albestuur schijnt bun een waan; Terwijl hun tong op aarde wandelt,

Geen mensch ontziet, maar elk mishandelt, Daarom keert zich Gods volk hiertoe.

En schrikt, wanneer hun, bang te moê. Het water, daar hun niets gelukt. Met bekers vol wordt uitgedrukt.

G. Dan peinst de aiel: is \'t waar? zou God Ook weten van mijn droevig lot?

Zou d\' Allerhoogste van mijn klagen En bittre rampen kennis dragen?

Ziet dezen, hoe godloos en wreed,

Zijn evenwel bevrijd van leed;

De rust volgt hen op al hun paan.

En hun vermogen groeit steeds aan.

7. Zoo heb ik dan vergeefs gestreên,

Mijn hart gezuiverd, en gebeèn;

Vergeefs heb ik in reine plassen Van onschuld mijne hand gewassehen; Want al den dag bon ik geplaagd;

Mijn ziel verschrikt, mijn boezem jaagt; En nooit verscheen er morgenstond. Waarop ik geen kastijding vond.

293

ocr page 310

Psalm Vy.

10. Dan zal. na zooveel gunstbewijzen,

\'t Gezegend heidendom \'t Geluk van dezen Koning prijzen.

Die Davids troon beklom.

Geloofd zij God, dat eeuwig Wezen.

Bekleed met mogendheên;

De Heer, in Israël geprezen,

Doet wondren. Hij alleen.

11. Zijn naam moet eeuwig\' eer ontvangen!

2911

Men loov\' Hem vroeg en spiY! De wereld hoor\', en volg\' mijn zangen Met Amen. Amen. na.

Psalm 73.

Joniseh.

-Hïï-----n

j • J J

j—^

- J \' J -

J ^

1. Ja

1

\' \' r r

waar-lijk! God is

! J J i

r r

Is - rel

1 1

.. sH—É-5— F \'

--75

-2- p | r pquot; 1- f

, , , f iT

goed. Voor hen, die rein zijn

ocr page 311

Psalm 73.

291

teï

I

—gd

f *

don-ker ooit Gods weg inoog\'we - zcn,

HiJ

1 J 1 1 \' j—*—j---:

a

m

r

f_;È¥==

za____u

i

3

-^r Maar,

J

J

1 I I I\'M ^ I

ziet in gunst op die Hem vree - zen.

-J_^____lr____

if i

-d2~

ach! hoe wèl mijn ziel dit

»____•_

---f-

——ff—^ I

().

„■ i

-3lz

gt;5 weet.

Mijn

t=

i I ! !

If

voe - ten wa - ren. in mijn leed, Schier

-f

19*

ocr page 312

Psalm 73.

^-r~r^f-r r ^TT

uit - ge - we - ken, en mijn treên Van

^teX=É=4^Eg^|^£^|

r r r f\\

\'t spoor der godsvrucht af - ge-gleên.

m^Ê^mkÊÈmm

r r r f r-i \'

2. Ik zag met nijdig\' oogeu aan,

Hoe dwazen hier op rozen gaan;

En hoe godloozen in hun gangen Al veeltijds rust en vreê erlangen:

Zij weten van geen tranenbrood,

Van geene banden, tot hunn\' dood; Hun kracht is frisch, zij zijn gezond,

Tot op hunn\' laatsten avondstond.

3. Zij weten doorgaans van verdriet En moeit\', als andre menschen, niet;

Men ziet hen bittre smart noch plagen, Als andre stervelingen, dragen;

Dies zijn zij trotsch, en doen den waan, Gelijk een gouden keten, aan;

\'t Geweld, dat deugd en plicht versmaadt, liedekt hen, als een praalgewaad.

292

ocr page 313

Psalm 73.

4. Indien men op Imnn\' voorspoed let, Hun oogen puilen uit van vet; Hun weelde, wat zij zich beloven,

Gaat hun verbeelding nog te boven. Zij mergelen de menschen uit

En spreken, trotsch op roof en buit,

Steeds uit de hoogte van hun macht. Terwijl hun hart de deugd belacht.

Eerste Pauze.

5. Hun mond tast zelfs den hemel aan,

Gods albestuur schijnt hun een waan; Terwijl hun tong op aarde wandelt.

Geen mensch ontziet, maar elk mishandelt. Daarom keert zich Gods volk hiertoe,

En schrikt, wanneer hun, bang te moe. Het water, daar hun niets gelukt. Met bekers vol wordt uitgedrukt.

ü. Dan peinst de ziel: is \'t waar? zou God Ook weten van mijn droevig lot?

Zou d\' Allerhoogste van mijn klagen En bittre rampen kennis dragen?

Ziet dezen, hoe godloos en wreed.

Zijn evenwel bevrijd van leed;

De rust volgt hen op al hun paan,

En hun vermogen groeit steeds aan.

7. Zoo heb ik dan vergeefs gestreên,

Mijn hart gezuiverd, en gdbeên;

Vergeefs heb ik in reine plassen Van onschuld mijne hand gewasschen; Want al den dag ben ik geplaagd;

Mijn ziel verschrikt, mijn boezem jaagt; En nooit verscheen er morgenstond, Waarop ik geen kastijding vond.

293

ocr page 314

Psalm 73.

8. Zoo ik dit zeggen staven zou,

Gewis, dan waar\' ik niet getrouw

Aan \'t waard geslacht van uwe kindren. En zou hun hoop en moed vermindreu. Nochtans heb ik, met al mijn kracht. Die Godsregeering overdacht;

Maar \'t was een stuk, dat, in mijn oog, Mij moeilijk viel en veel Ie hoog.

9. Dit duurde, tot ik uit dien drom Van neevlen ging in \'t heiligdom.

Om met de godspraak raad te plegen.

Daar zag ik, op wat gladde wegen De voorspoed zelfs de boozen leidt. En, hoe G\' in \'t eind hunn\' val bereidt,; Zij storten van den top van eer

In eeuwige verwoesting neêr.

Tweede Pauze.

10. Hoe worden zij, tot ieders schrik.

Vernield, als in een oogenblik!

Hoe moeten zij het leven enden.

Van augst verteerd in hun ellenden! Hun weeld\' is als een droom vergaan. O Heer! wanneer Gij op zult staan.

Zult Gij hun toor.en, onverwacht,

Hoe Gij hun ijdel beeld veracht.

11. Toen \'t zwellend hart met ongeduld En wreevle afgunst werd vervuld,

En ik geprikkeld in mijn nieren.

Om trotsch mijn diift den toom te vieren; Was mijn verstand van licht beroofd; Ik heb Gods waarheid niet geloofd;

Maar was, door mijn\' verwaanden geest. Bij U een onvernuftig beest.

•291

ocr page 315

Psalm 74.

12. :k Zal dan gedurig bij U zijn.

In al mijn nooden, angst en pijn; ü al mijn liefde waardig schatten.

Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten. Gij zult mij leiden door uw\' raad. O God. mijn heil, mijn toeverlaat! En mij, hiertoe door U bereid.

Opnemen in uw heerlijkheid.

13. Wien heb ik nevens ü omhoog?

Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog Op aarde nevens U toch lusten\'?

Niets is er, daar ik in kan rusten. Bezwijkt dau ooit, in bittre smart

Of bangen nood, mijn vleesch en hart. Zoo zult Gij zijn voor mijn gemoed Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed!

14. Wie, ver van U, de weelde zoekt, Vergaat eerlang en wordt vervloekt; Gij roeit hen uit, die afhoereeren, En ü den trotschen nek toekeeren;

Maar \'t is mij goed, mijn zaligst lot. Nabij te wezen bij mijn\' God;

295

\'k Vertrouw op Hem geheel en al. Den Heer, wiens werk ik roemen zal.

Jonisch.

Psalm H.

• r « r w •

I 1 ! 1 i I

1. Waar-om, o God! zijn wij in eeu-wig-

\' \' I \' \' lquot; 1 J I _•____\'__J_i__•__J

ir

iljijË ijpE

H-

ocr page 316

Psalm 74.

296

ÈÊÊ?

p p O f.

I J I I I I

heid Van u - we gunst en

-U

-

j-._

m

(• -#•

I I I 1

on-derstand ver-

J-J-J-J-,

H-


=0=

30

dE

r r r

kan uw toorn dus

quot;•TT 11 ^ ^

sto-ken?

J i

Hoe

2^

^2 J.

iïj-

r r r r r .

te - gen ons nog roo - ken,

4.

f

Die

te

\'

3P^

■0- r i®

l\'il I I 1 I |

schapen zijn,zelfs door mv hand ge - weid?

jLJ i j_____

^-r-r

i i ■#■

amnmii

ocr page 317

Psalm 74.

2. Herdenk de tronw, aan ons voorheen betoond;

Di-nk aan uw volk, door U van onds verkregen; Denk aan uw erf, het voorwerp van uw\' zi gon; Aau Zions berg, daar G\' eertijds hebt gewoond.

3. Ruk spoedig aan; verdubbel uwe schreên;

Zie, hoe de stad verwoest ligt en vergeten; Des vijands macht heeft alles neergesmeten, Uw heiligdom verdorven en vertreên.

4. Uw vijand heeft, ter plaatse van \'t gebed.

Gelijk een leeuw, gebruld, bij \'t zegevieren;

Zelfs, U ten schimp, heeft hij zijn krijgsbanieren, In trotschen moed, tot teekenen gezet.

5. Elk woedt om strijd, en toont zich onbeschroomd; Men houwt en hakt, dat poort en bindten beven; Gelijk men slaafc om bijlen aan te geven.

En ijvrig kapt in \'t hoog en dicht geboomt\'.

6. Dus hebben z\' ook, doldriftig, onbesuisd,

Graveerselen, pilaren, wanden, bogen,

Wier kunstsieraad de lust was van elks oogen. Met zwaard, houweel en hamer woest vergruisd.

7. Uw heiligdom is door het vuur verteerd;

Niets heeft zijn\' glans voor \'t woèn des gloeds beveiligd. Uw schoon paleis, uw woning is ontheiligd. Ten gronde toe in puin en asch verkeerd.

8. »Laat,« zeiden zij, «laat ons het gansche land, «Geplunderd, voor onz\' overmacht doen zwichten!« Hun wreede vuist heeft al de godsgestichten.

Uw\' naam ten hoon, verbrijzeld of verbrand.

Eerste Pauze

9. Wij zien aan ons, na al dit ongeval.

Geen teeknen meer van uwe gunst gegeven;

Niet één profeet is ons tot troost gebleven;

Geen stervling weet, hoelang dit duren zal.

297

ocr page 318

Psalm 74.

10. Hoelang\', o God! zal, in dit zwaar verdriet. De vijand ons zijn wreede trotschheid toonen? Zal hij uw\' naam in eeuwigheid dan hoonen?

Neen. \'t kan niet zijn; dat duldt uw glorie niet.

11. Ach! waarom trekt G\' uw haud dus van ons af. Uw rechterhand, die ons ten steun kan strekken? Ai! wil haar eens uit uwen boezem trekken,

En maak een eind\' aan uw gestrenge straf.

12. Gij evenwel, Gij blijft dezelfd\', o Heer!

Gij zijt van ouds mijn toeverlaat, mijn Koning. Die uitkomst gaaft, en, uit uw hemelwoning,

Voor ieders oog, uw haatren gingt te keer.

13. Gij spleet weleer de Schelfzee door uw kracht. Gij hebt den kop der woest\' en felle draken, Het vreeslijk heir, dat Isrel dorst genaken.

In \'t hart der zee, verbroken door uw macht.

14. Uw sterke hand heefc \'s Leviathans woên Betoomd, gestuit; deed Faraö bezwijken;

Daar \'t woest gediert\' aan duizenden van lijken. Op \'t dorre strand, zijn\' rooflust mocht voldoen.

15. Hoe menigmaal hebt 6\' ons uw gunst betoogd,

\'t Zij G\' een fontein deedt uit een rots ontspringen. Of op een\' hoop de waatren samendringen,

Wanneer de stroom door U weid uitgedroogd.

10. De dag is d\' uw\'; ook vormdet Gij den nacht. Gij schiept het licht, de zon met gloed en stralen; Door U is d\' aard\' gesteld in juiste palen; Elk jaarseizoen hebt Gij tot stand gebracht.

Tweede Pauze.

17. Herdenk, mijn God! herdenk die wonderdaan. Een dwaas geslacht heeft uwen naam gelasterd; De vijand, vau uw vreez\' en dienst verbasterd; Heeft uwen roem met smaad en schimp belaan.

29S

ocr page 319

rsalm 75.

18. Geef \'t wild gediert\'. dat niets in \'t woèn ontziet, De ziele van uw tortelduif niet over;

Laat, groote God! om een\' gehaten roover. Uw kwijnend volk niet eeuwig in \'t verdriet.

19. Beschouw, herdenk uw vastgestaafd verbond;

Laat dat uw hart tot ons in liefd\' ontvonken; Het land is vol van duistre moordspelonken, Vanwaar \'t geweld ons grieft met wond op wond.

20. Dat elk verdrukt\' uw\' bijstand eens erlang\';

Laat, laat uw volk niet schaamrood wederkeeren; Maar wil van hen ellend\' en nooddruft weren. Opdat z\' uw\' naam verheffen in gezang.

21. Rijs op, o God! rijs op, toon uw gezag;

Betwist uw zaak, wees onze pieitbeslechter;

\'t Is meer dan tijd; gedenk, o hoogste Rechter! Wat smaad de dwaas U aandoet dag op dag.

299

22. Vergeet niet. Heer! dien onverdraagbren hoon. Dat luid geroep van al uw weêrpartijders; Het woest getier van uwe machtbestrijders Stijgt telkens op tot voor uw\' hemeltroon.

Jonisch. Psalm 75.

2.

i

amp;v3-

ocr page 320

3.

Psalm 75.

300

f

i i r

lo - ven U,

I I

feh

s-

i J 5- I

I I

Heer! Want uw

J-


fzr-

14.

s

-#-0—

ze é

Si

it

2=fc

naam. zoo rijk

J J I i é _1 \\ -*

3^

±

I

:f=rT

eer, Is tot on ■

J i J

Zlt;2Z

.a.—

~J2I.

1 \' 1 i i r

Dies ver-telt men in ons

vreugd na - bi j;

p-f—

•2

lt;5- ^

r-*—J-1—J—n

• • •

—--1----

- ---\'S-J

-F f - p-

Ö=

-I-*

giz^n

land,

I

amp;

I

|

rrazzz

^zzB-

=3aE

Al de wondren u-wer hand.

« /-

ij.

^=±

ISC

i

ocr page 321

Psalm 75.

2. Als ik \'t ambt ontvangen zal, Wil ik, volgens eed en plicht. Altoos recht doen in \'t gericht. Land en volk was in verval; Maar zijn pijlers steld\' ik vast, Tegen woed\' en overlast.

3. Tot het dom en dwaas geslacht Zeid\' ik: ))Wee3 niet zinneloos!quot; Tot de snooden: »Weest niet boos, quot;Dat gij hoornen, sterk van kracht, «Woedende naar boven steekt,

quot;En met stijven halze spreekt!»

4. Geen geval, geen zorg, geen list, Oost noch west, noch zandwoestijn. Doet ons meer of minder zijn; God is rechter, die \'t beslist;

Die, als aller Oppervoogd,

Deez\' vernedert, dien verhoogt.

5. Want des Heeren hand besluit Eenen kelk vol bitterheid,

In zijn gramschap toebereid,

En Hij drenkt er \'t menaclidoin uit; Doch der goddeloozen mond Zuigt zijn hef uit, tot den grond.

0. \'k Zal dit melden, \'k zal altijd Zingen Jakobs God ter eer.

Slaan der boozen hoornen neêr, Vellen wat zijn\' naam bestrijdt; Maar der vromen hoorn en macht. Zal verhoogd zijn door Gods kracht.

301

ocr page 322

302

Psalm 76.

Ilypo-Mixolydisch.

arnazrz^-=•—?=ffi

1

I2. i4 \' -

^ \\ 0 \\ \\ \\ 1

sfam. Daiir ---£.

1. God is bekend bij Ju - da\'s

amp;=w-

e-

i


Hij zijn\' hoo - gen

ze - tel nam;

1 „I I

Zijn

1 I J i

m

4.

-•=1-

.1

•2—g-

• —

V-3——L

naam is groot in

In

Is - ra - ël;

--p-•-1—

-ör_

___

—i—

NB.

. * gzL^—g—

—!?-

1

vel, De

Sa - lem staat, op zijn be

ocr page 323

Psalm 76.

$ÊEiEEfÊi

I : i - .

---^:-L-o--1

r r ~

I

hut - te vim dien He-mel-ko - ning; Op

I

I

I

32:

I—] \'

Zi - on is zijn heiige wo - ning.

- i

-t-t—

Nieuwe melodie.

Psalm 70.

feEElEE

:3=pj-

(5:_5_•

*

r

r

1. God is be - kendbij Ju - da\'s stam, Daar

-S- ♦ ^ J ? J-

Mi

3P

.

i r r r r r r fff

Hij zijn\' hoogen ze - tel nam; Zijn naam is

r-

ocr page 324

r^rrr

zijn be - vel, De hut - te van dien Hemel-

g J J! -I—J \' J

\' I

^-rr r ^ ^ r \'f r

ko-ning; Op Zion is zijn heil - ge wo-niiig.

„ j I___J_J J J J J

M^iiiiKBWIIM»WHW

2. Daar heeft de vijand boog en schild En vuurge pijlen op verspild;

God brak het zwaard, bedwong den krijg. Dat vrij het roofgebergte zwijg\';

Uw roem, o groot en heerlijk Wezen!

Is tot veel hooger top gerezen.

ocr page 325

Psalm 76.

3. Stouthartigen zijn daar beroofd;

Daar sliep en heir en opperhoofd; De kloekste had geen handen meer, Maar viel in \'t stof verslagen neèr. O God van Jakob! door uw schelden Vergingen paai den, wagens, helden.

4. Gij, vreeslijk zijt Gij in \'t gericht; Wie zal bestaan voor uw gezicht?

Zoo ras uw mond het vonnis streek, Uw oordeel van den hemel bleek.

Toen vreesde d\' aarde voor uw oogen; Toen werd ze stil door uw vermogen.

5. Als God ter hooge vierschaar steeg, \'t Zachtmoedig volk verlossing kreeg, Ontzette zich het gansch heelal.

Gewis, der menschen gramschap zal, Wanneer z\' op \'t hevigst is aan \'t blaken. Uw\' grooten lof nog grooter maken.

G. Woedt nog de wraaklust onbeschroomd. Die wordt door U ras ingetoomd.

Doet dan geloften aan den Heer, Betaalt die, uwen God ter eer,

Gij allen, die dien grooten Koning Omringt in zijn doorlachte woning!

7. Men voer\' dien God geschenken aan, Die vreeslijk is in al zijn daan! Hij stoot de vorsten weg in \'t graf\', En snijdt hunn\' geest als druiven af; Hij, die den koningen der aarde,

Zelfs op hun tronen, vreeze baarde.

305

20

ocr page 326

Psalm 76.

304

f r r r

groot in Is - ra - ël

i : x j

T

r

In Sa - lem staat, op

—r

_m_m___

r r gt; r

r ^r-r r t f f f

zijn be - vel, De hut-te van dien Hemel-

\' I

#

ko-ning; Op Zion is zijn heil - ge wo-niiig.

„ j I J IA k J J J.j j

I -T 1 1 \'Tl

2. Daar heeft de vijand boog en schild En vuurge pijlen op verspild;

God brak het zwaard, bedwong den krijg. Dat vrij het roofgebergte zwijg\';

Uw roem, o groot en heerlijk Wezen! Is tot veel hooger top gerezen.

ocr page 327

Psalm 76.

3. Stouthartigen zijn daar beroofd;

Daar sliep en heir en opperhoofd; De kloekste had geen handen meer, Maar viel in \'t stof verslagen neêr, O God van Jakob! door nw schelden Vergingen paarden, wagens, helden.

4. Gij, vreeslijk zijt Gij in \'t gericht; Wie zal bestaan voor uw gezicht? Zoo ras uw mond het vonnis streek. Uw oordeel van den hemel bleek.

Toen vreesde d\' aarde voor uw oogen; Toen werd ze stil door uw vermogen.

5. Als God ter hooge vierschaar steeg, \'t Zachtmoedig volk verlossing kreeg, Ontzette zich het gansch heelal.

Gewis, der menschen gramschap zal. Wanneer z\' op \'t hevigst is aan \'t blaken. Uw\' grooten lof nog grooter maken.

6. Woedt nog de wraaklust onbeschroomd. Die wordt door U ras ingetoomd.

Doet dan geloften aan den Heer, Betaalt die, uwen God ter eer.

Gij allen, die dien grooten Koning Omringt in zijn doorluchte woning!

7. Men voer\' dien God geschenken aan, Die vreeslijk is in al zijn daan!

Hij stoot de vorsten weg in \'t graf. En snijdt hunn\' geest als druiven af; Hij, die den koningen der aarde,

Zelfs op hun tronen, vreeze baarde.

305

20

ocr page 328

306

Psalm 77.

Hypo-Dorisob. 1.

m

±;

±:

-ö\'-amp;

ïi

1*

-h-

±1=

quot;t quot; T gt; \' \' ,

1. Mijn ge - roep. uit angst en vree - zen,

a /lt;]■#• ^

153

-.5?--|

idi

êS:

Klimt tot God, het Op - per - we

i

P

M:

zzztz

\'W-

*1

i r f

die, in mijn ou - ge - val,

\\ É- X -è- J

3.

V\' ^

O

God,

4.

T

i

lt;sgt;

j

zal.

I

l

1

• 1

=t

I

D\' oo - ren

ÖEiT

I

tot mij nei - gen

i J

w—#r

\' .

ocr page 329

Psalm 77.

307

m

i m

m !

I

s?—z

?•-

P

ge

i

\'k Zocht Hem

in mijn ban

da

gen;

-G-

^=F-

i r-

J-

.Jgt;L_

n i

• li

i:|

\'k Bracht de r.icli - ten door

met —«—

6.

rV-G)-

m

amp;

kla - sen;

ü

-9^-

□SI

-•

II |

!

en i

oog

amp;

1 :

Liet niet

j i

i 1 af mijn hand

m

li

#=tts

-JSL

?li

Op

hoog.

te

■f I

hef - fen naar

-J—

—5— 20*

ocr page 330

ftalm 77.

2. \'k Schatte mij geheel verloren;

\'k Mocht van geen vertroosting hooren; Als mijn ziel aan God gedacht,

Loosd\' ik niet dan klacht op klacht; Peinsd\' ik aan mijn vruchtloos kermen, Vruchtloos roepen om ontfermen;

Dacht ik, hoe God anders helpt.

Mijne ziel werd overstelpt.

3. Slaap weêrhieldt Gij vau mijn oogen; \'k Was verslagen, neergebogen. En, verstomd door al \'t verdriet.

Wars van menschen, sprak ik niet. \'k Overdacht al d\' oude dagen.

Jaren, eeuwen, gunsten, plagen. En wat immer aan mijn ziel Van Gods hand te benrte viel.

4. \'k Dacht, hoe \'k God met vreugd voordezen Op mijn snaren had geprezen;

\'k Overleid\' in diepe smart.

\'s Nachts met een mistroostig hart,

En mijn geest doorzocht de reden.

Waarom God die tegenheden Mij in zulk een mate zond,

308

En wat mij te (luchten stond.

5. Zou de Heer zijn gunstgenooten. Dacht ik, dan altoos verstooten? Niet goedgunstig zijn voortaan? Nimmer ons meer gadeslaan? Zouden zijn beloftenissen Verder haar vervulling missen, Vruchtloos worden afgewacht, Van geslachte tot geslacht?

ocr page 331

Psalm 77.

Pauze.

6. Zou God zijn gena vergeten?

Nooit meer van ontferming weten?

Heeft hij zijn barmhartigheêa Door zjn gramschap afgesceên?

\'k Zei daarna: quot;dit krenkt mij \'t leven; «Maar God zal verandring geven; »D\' Allerhoogste maakt het goed: »Na het zure geeft Hij \'t zoet.«

7. \'k Zal gedenken, hoe voordezen Ons de Heer heeft gunst bewezen; \'k Zal de wondren gadeslaan,

Die Gij hebt van ouds gedaan;

\'k Zal nauwkeurig op nw werken En derzelver uitkomst merken,

En, in plaats van bittre klacht.

Daarvan spreken dag en nacht.

8. Heilig zijn, o God! uw wegen;

Niemand spreek\' uw liooglu id tegen. Wie, wie is een God als Gij,

Groot van macht en heerschappij ? Ja, Gij zijt die God, die d\' ooren Wondien doet op wondren hooren; Gij hebt uwen roem alom

(xroot gemaakt bij \'t heidendom.

9. Door uw\' arm en alvermogen Hebt Gij Isrel uitgetogen;

Jakobs kindren. Jozefs zaad Vrij gemaakt van Faro\'s haat.

\'t Water zag, o God! U komen; \'t Water zag U, en de stroomen Steigerden vol schrik omhoog;

D\' afgrond werd beroerd en droog.

309

ocr page 332

Psalm 78,

10. Dikke wolken goten water;

Hooger zwerk gaf fel geklater; Uwe pijlen, zoo geducht.

Vlogen vlammend door de lucht, \'t Zwaar geluid der donderslagen Deed het al in \'t ronde wagen;

En de wereld werd verlicht.

Door herhaalden bliksemschicht.

11. D\' aarde sloeg van schrik aan \'t beven. Toen z\' U langs mv pad zag streven, Zee en groote waters door.

In het nooit ontdekte spoor;

310

Toen G\' uw volk den weg bereiddet; Daar Gij \'t als een kudde leiddet; Mozes\' en Aiirons hand Bracht hen dus naar \'t heilig land.

Dorisch. 1.

Psalm 78.

-2

---p-L-a,.

, , , 1 ! ! I I f

1. Neem, o mijn volk! neem mij - no leer ter

pi

i

^J---J----J-é~

.CL

t

.mü

mm

r* i2 ?

:.I---!L_

r 1

en hart, om

Neig

oo - reo;

j

A.

i?-

-Ggt;-

!

It,

ocr page 333

3.

Psalm 78.

31 1

i

quot; quot; ^ \'k Zal

\')■

NB.

naar rnijn stem te hoo - ren! • • . .

1

rt

rM—a

r

wij - ze spreuken lee - ren,

r -r ^ ^

I I 1 ■ met mijn\' mond u

J—J—

z±

rrd—iis—

■ | 2 \' \' i

i.I--------•—m----1

ouds af waardig

-J-J-J-J-

Ver

, T-,

bor-gen-heGu, van

9: -

:r=r

lÊZ

i

quot; ^

=3—i J-4 ■

lv

t\' ee - ren.

,j J

1

Mij

------amp;-«--J—

-iff vloeit een schat van

i J J J

Bi fê-^

_ ^

P-1-

---1—

_3—■—

1

--1--lt;

ocr page 334

Psalm 78.

1 Fill i 1 1 1 !

wijslieid uit den moud, Ge - lijk een bron, die

1 . . I J J J j J J

\'-^•---•-

Z _ - ó-

P-7

*—9*

4:

2. Verborgenheên, met diep ontzag te melden, Die ons voorheen de vaderen vertelden.

Die wij, hun kroost, ook niet verbergen mogen. Die stellen wij het nageslacht voor oogen: Des Heeren lof, uit \'s lands historieblaan.

Zijn\' sterken arm en groote wouderdaan.

3. Want God heeft zijn getuigenis gegeven Aan Jakobs huis; een wet, om naar te leven. Die Israël zijn nageslacht moet leeren,

Opdat men nooit haar kennis moog\' ontberen.

God vordert, dat de naneef, eeuwenlang, Van kind tot kind, dit onderwijs ontvang\'.

4. Opdat z\' op God hun hope stellen zoudeu;

In \'t oog zijn daan, in \'t hart zijn wetten honden, En nimmermeer weerspannig God verachten. Verdraaid en krom, als vorige geslachten.

Wier hart niet was gericht naar zijn gebod, Wier geest niet was getrouw met hunnen God.

r r ¥

voortspringt uit den

1 i 1 1 v—•—;—

■

1

grond. ^ _

l 1..

-r—

312

i

It

±

zoz

zty

-OZ

-p

ocr page 335

Psalm 78.

Eerste Pauze.

5. Wat kon de boos den hesten schutter baten?

Toen Efraïm Gods wegen had verlaten,

Vlood al het heir ten dage van het strijden, En moest aldus de zwaarste neerlaag lijden. Op Gods verbond werd niet van hen gelet. Zij weigerden te wandlen in zijn wet.

G. Zijn wonderdaan, door niemand af te meten.

Zijn trouweloos en snoud van hen vergeten; Die wonderdaan, waardoor Egypte\'s helden Bezweken zijn in Zoans vette velden;

Daar Hij, tot troost in hunner vaadren leed, Voor ieders oog de grootste teekens deed.

7. Zijn almacht wist de zee vaneen te scheiden,

En \'t angstig heir daar droogvoets door te leiden; Als op een\' hoop deed Hij de waatren rijzen; Hij gaf des daags, om hun den weg te wijzen.

Een wolkkolom; een licht des vuurs bij nacht; Totdat Hij hen in \'t vruchtbaar Kanan bracht.

8. Ook spleten zelfs de rotsen op zijn wenken;

Geen afgrond kon het volk ooit minder drenken; De woestenij gaf zuivre watervlieten,

Die d\' Almacht uit de steenrots voort deed schieten. Gelijk een stroom, die, golvend afgegleên,

Zijn armen spreidt door al de velden heen.

Tweede Pauze.

9. Maar schoon zij dus Gods goedheid ondervonden. Nog pleegden z\' in \'t vervolg de snoodste zonden. In \'t woest gewest uit vetter land getogen. Vergramden zij des Allerhoogsten oogen;

Verzochten God, en eischten, tea bewijz\' Van zijne macht, naar hunne lusten, spijz\'.

313

ocr page 336

Paalra 7S.

10. Zij spraken stout: »kan God in wildernissen quot;Ook keur van spijz\' op onze tafel disschen?

»\'t Is waar, Hij sloeg de rots, en deed de stroomen. »In overvloed, uit liarde klippen komen;

»Maar, is zijn macht zoo onbepaald en groot: »Hij geev\'dan hier zijn voik ook vleesch en brood quot;

11. Dit hoorde God. en werd op \'t hoogst verbolgen; Zijn vuur ontstak om Jakob te vervolgen;

De felle toorn van \'t eeuwig Opperwezen Deed Israël al sidderende vreezen;

Omdat zij niet geloofden aan Gods mond.

Noch op zijn heil vertrouwden naar \'t verbond.

12. Daar God, voor hen bezorgd, in hunne nooden De wolken zelfs van boven had geboden,

De hemeldeur ontsloten, mild in \'t zeegnen. En \'t manna doen rondom hun tenten reegnen; Opdat zijn volk, ten blijk\' van zijne trouw, Dit hemelkoorn op reis genieten zou.

Derde Pauze.

13. Elk mocht zijn brood, zoo mild hom toegemeten. Dat wonderbrood der machtigen, nu eten;

Den teerkost, tot verzading hun gegeven. Een oostewind werd door Hem voortgedreven. En \'t zuiden gaf, in \'t aangevoerde zwerk.

Geen minder blijk van zijn krachtdadig werk.

14. Toen daalde \'t vleesch, als stof en dichte regen. Een groote vlucht van vooglen, neergezegen,

In menigte, gelijk aan \'t zand der stranden,

Viel toen van zelf hun rijkelijk in handen;

Viel, op Gods wenk, rondom elks woning neèr. En spijsde \'t heir van Isrels Opperheer.

4

ocr page 337

Psalm 78.

15. Toen aten zij, en werden zat van eten;

Hun eetlust werd voldaan, hoe godvergeten;

Maar eer hun drift en toomeloos begeoren,

Waarmee dat volk Gods almacht dorst onteoren. Verzadigd was, zietdaar de straf terstond. Terwijl de spijs nog waa in hunnen mond.

I(j. Zietdaar Gods toorn, gelijk een vuur, ontstoken; Zijn eer werd op hun raachtigsten gewroken,

Daar plaag op plaag geweldig nedervelden \'t Aanzienlijkst deel, het puik van Isrels helden. Maar \'t volk ging voort, hun ongeloof hield aan; God had vergeefs zijn wonderen gedaan.

Vierde Pauze.

17. Daarom deed Hij in ijdelheid hun dagen Vergaan, en, door een reeks van folie plagen. In schrik en angst hen slijten hunne jaren;

Maar bracht Hij hen op nieuw in doodsgevaren. Dan vraagden zij naar God, en keerden weêr. En zochten vroeg, uit bange vreez\', den Heer.

I\'s. Dan dachten zij, hoe \'t eeuwig Opperwezen Hun rotssteen was. en hoe in angst voordezen De hooge God verlossing had gezonden; Dan vleiden zij Hem valschlijk met hun monden. En buk\'en laag, omdat de nood hen drong. Maar logen Hem met hun geveinsde tong,

!9. Hun hart was boos, vervuld met slinksche streken: Van zijn verbond was groot en klein gewekt n; Doch God vergal\' barmhartig hunne schulden; Verdierf ze niet, schoon zij de maat vervulden; Hij wendde zelfs zijn gramschap dikwijls af. Eu wekte nooit zijn gansche wraak ter straf.

315

ocr page 338

316 Psalm 78.

20. Hij dacht in gunst, door hunne ramp bewogen: Zij zijn toch vleesch, zij hebben geen vermogen; Zij zijn een wind, die gaat, en nooit zal keeren. Hoe dikwijls dorst hun wrevel God onteeren!

De wildernis zag door hun booze paan Hem bitterheên en smarten aangedaan.

Vijfde Pauze.

21. Want elk ging voort in God op \'t snoodst te tergen. En nieuw bewijs van zijne macht te vergen;

Den heilgen God van Israël te kwellen.

En paal en perk aan zijne daan te stellen.

Zij dachten niet aan dien doorluchten tijd. Waarin Gods hand hen had van \'t juk bevrijd:

22. Hoe Hij zijn oog op hen had neergeslagen,

Egypte van zijn teekenen deed wagen.

En Zoans veld, daar Hij hen af wou zondren. Een streng tooneel deed worden van zijn wondren; Daar poel en beek, en groot\' en kleine vloed Ondrinkbaar werd, en niets dan walglijk bloed.

23. Hij zond een heir, door niemands hand te weren, Veel ongediert\', om alles te verteren;

Zijn groote kracht deed vorschen uit do stroomen. Tot wis bederf van gansch Egypte komen;

Hij gaf \'t gewas, met vlijt gekweekt, eu \'t kruid Den kruidwonn eu den sprinkhaan tot een\' buit.

24. De wijnstok werd door hagel neergesmeten; De wilde vijg daardoor van één gereten; De landman zag zijn vruchtbaar veld bederven-Zijn kleiner vee door zwaren hagel sterven ; Zijn beesten door den feilen bliksem slaan. En jammerlijk door vuur en vlam vergaan.

ocr page 339

Psalm 78.

25. Ook zond Hij toorn, verbolgenheid en nooden, Verstoordheid, angst ei vreeslijk\' onheilsboden; Hij baand\' een\' weg voor zijne grimmigheden. Waarlangs de wraak zou treön met wisse schreden. Hun ziel werd niet onttrokken aan het graf; Terwijl Hij \'t vee aan \'t pestvuur overgaf.

Zesde Pauze.

20. Egypteland zag al het eerstgeboren\'

Door \'s hemels wraak geslagen, en verloren; De dood der jeugd, \'t beginsel van Chams krachten. Vervulde tent en veld met jammerklachten,

Waaruit Gods volk als schapen werd geleid, En vrij en blij op Parans grond geweid.

27. Ja, zonder vreoz\' mocht Isrel veilig trekken; Het zag de zee zijn haatrcn overdekken;

Want Gnd, hun God, bracht hen bevrijd van banden Naar \'t land, door Hem geheiligd uit de landen. Tot dezen berg, dien zijne hand verkreeg, En die daarna ten hoogsten luister steeg.

2S. Het heidendom werd voor hen weggedreven; Aan elk, naar \'t snoer, zijn erfenis gegeven.

En Tsrel mocht in eigen tenten wonen.

Maar \'t wufte volk ging voort in God te hoonen; Verzocht den Heer, versmaadde zijn gebied, En hield het recht des Allerhoogsten niet.

29. Zij weken af voor trouweloozen handel,

En volgden dus der vaadren snooden wandel; Zoo keeren zich bedriegelijke bogen.

Waardoor somwijl de schutter wordt bedrogen. Des Heeren toorn en ijver werd getergd,

Door beeldendienst en hoogten op \'t gebergt\'.

317

ocr page 340

Psalm 78.

Zevende Pauze.

30. Dit hoorde God, en heeft, op \'t felst ontstoken. Dit boos bestaan op Israël gewroken.

Dat volk versmaad met beelden en altaren:

Dies liet Hij tent en tabernakel varen,

Die Hij zich daar ter woning had gesticht. En tot zijn eer te Silo opgericht.

31. liet onderpand van \'t heerlijk alvermogen.

Zijn heilig\' ark gaf Hij, voor Isrels oogen, Den Filistijn in d\' ongewijde handen;

Zijn volk ten zwaard\', of in do slaafsche banden, Gods Majesteit, getergd, zag van omhoog Zijn erfnis aan. met een verbolgen oog.

32. Het vuur verslond de strijdbre jongelingen; Der maagden lof vergat men op te zingen;

Hun priesterschap, hoe hoog door God verheven. Werd, laag verneèrd, aan \'t zwaard ter prooi gegeven; En d\' arme weêuw bezweek van zielsverdriet, Of zat door schrik verstomd, en weende niet.

33. Toen stond God op met gunstige gedachten.

Als na een\' slaap ontwaakt met nieuwe krachten; Ja, als een held, ontzaglijk in zijn gangen. Die nieuwen moed heeft door den wijn ontvangen: En sloeg tot smaad, met zijn geduchte hand. Het uiterst\' deel van \'s vijands ingewand.

Achtste Pauze.

34, Doch Jozefs tent liet Hij verachtlijk varen; In Efra\'ün verkoos Hij geen altaren;

Maar Hij had lust in Juda\'s stam te wonen. Om daar zijn macht en heerlijkheid te toonen Op Zions berg, dien \'s werelds Opperheer Bemind\' en koos ten zetel van zijn eer.

318

ocr page 341

Psalm 79.

35. Daar bouwde Hij als hoogten zijne muren,

Zijn heiligdom, dat d\' eeuwen zou verduren,

Gelijk deez: aard\', gegrond door zijne krachten, In eeuwigheid geen wanklen heeft te wachten.

Held David, dien Hij van de schaapskooi nam. Verkoos Hij zich ten Vorst uit Juda\'s stam.

3G. Hij deed zijn\' knecht van achter \'t vee zich spoeden. Om Jakobs zaad, zijn dierbaar volk, te hoeden;

Zijn Israel, ten erfdeel hem verkregen.

319

Dus heeft die Vorst geheerscht met roem en zegen, Gods volk oprecht en met verstand geweid. En \'t rijk beschermd door dapper krijgsbeleid.

Psalm 79.

Hypo-Jonisch. i.

-H---

m f

1. Ge - trou-we God. de heid\'-nen zijn ge-

^ x i j. ♦

1

*=ï-

—rl--pi-

Zij d.

ko - men;

I i lt;2. amp;.

heb - ben stout uw

I

m

ocr page 342

Psalm 79.

1! 3.

zjzii--1—ll-

2 »

rr-rfquot;

erf-land in - ge - no-men; Je - ru - za - lem, de

-J J pLJ ■ j J ,1

320

J J

i

g1 ^

9\'iquot;

^ r a ex js w-

£

• ï 5

rrsrrrjf

tem-pel, uw ul - ta

ii

amp; \'t Lioft

ren,

St

—I—

al verwoestdoor die ge-wel-de-na - ren!

J J J J __J_1 Aa

f f-r-r

1

3

laatste vers.

I r f 1 1 i

Uw knech-ten zijn ge - veld Door

■ j — -J

^____jbj-

6.

f

s-

t

1

-t

m

ocr page 343

Psalm 79.

mtm-

T

r i i ! 1 r

hun ver-woed ge - weid. Hun lij-ken, on - be-

j J j: i ei_i ± 1 ± i_

321

Ü

-si- -o

-0—• -

£

r

t

8.

=r

I

±=T-

T~r

gra - ven, Ver - za - den, na hunn\'

J. J. 1 | ! J- J-

é — —

■V*—»

quot;v • i»

M-

t-

t=p

10.

r f if f—f

dood,\'t Ge - diert in hon-gers - nood, En

i J i J

-j-

f : - •

j * ;y:

P

3

r r r f r-r f

gier en kraai en ra - ven.

4

;ff—2--

J—J—j—J-

t-r rquot;T

-4-

21

ocr page 344

Psalm 79.

2. Het kostlijk bloed van uwe gunstgenooten, Als water om Jeruzalem vergoten,

Doet wijd en zijd des vijands woede blijken; Het gansehe veld is nu bezaaid met lijken,

Van d\' eer des grafs beroofd.

De nabuur schudt het hoofd,

En lacht met onz\' ellenden;

Ons deerniswaardig lot Stelt ons ten smaad, ten spot Van vreemden en bekenden.

3. Hoelang zult Gij in gramschap zijn ontstoken? Zal \'t hevig vuur uws ij vers eeuwig rooken?

Stort uwe wraak op hen, die ons verteren.

Op volken, die uw\' giooten naam niet eeren;

Want Isrel, door hun macht Verschriklijk omgebracht,

Ligt in zijn bloed verdronken;

Zijn woning, al de troost En lust van Jakobs kroost.

Gelijkt thans naar spelonken.

4. Gedenk niet meer aan \'t kwaad, dat wij bedreven; Onz\' euveldaad word\' ons uit gunst vergeven!

Waak op, o God! en wil van verder lijden

Ons klein getal door uwe kracht bevrijden.

Help ons, barmhartig Heer!

Uw\' grooten naam ter eer;

Uw trouw koom\' ons te stade;

Verzoen de zware schuld.

Die ons met schrik vervult;

Bewijs ons eens genade!

Pauze.

5. Waarom zou zich der heidnen macht vermeeren? Uw hoog gezag door blttren schimp onteeren,

En vragen, door hunn\' trotschen waan bedrogen: «Waar is hun God? waar blijkt nu zijn vermogen?»

322

ocr page 345

Psalm 80.

Vergeld hunn\' overmoed;

Wreek uwer knechten bloed, O God van ons betrouwen! Verdedig onze zaak;

Doe \'t heidendom uw wraak, Zelfs voor ons oog aanschouwen!

6. Ai! hoor naar hen, die in gevangnis kwijnen; Laat hun gekerm voor uw gezicht verschijnen; Bevrijd hen, die, gedreigd met doodsgevaren. Op uwe hulp met smeekend\' oogen staren; Vergeld den wreeden smaad,

Waarmee des uabuurs haat ü mogendheid dorst schendeu;

Geef hun, o Opperheer!

Die zevenvoudig weêr;

Zie neêr op onz\' ellenden!

7. Zoo zullen wij, de schapen uwer weiden, In eeuwigheid uw\' lof, uw eer verbreiden. En zingen, van geslachten tot geslachten. Uw trouw, uw\' roem, uw onverwinbre krachten.

Psalm 80.

Dorisch.

323

1

1. Neem

iti f-W

Is-reis Her-der! neem ter

i 1 l J IJ

2-^-1—

-p-J

1 ^l 1 oo - ren,

r—J J

if-F-n\' r h

i

21 *

ocr page 346

324 Psalm 80.

2.

^ r r f r r [ r \'f r

Die Jo-zefskroost, door U ver - ko - ren,

ï WÊk

tr » r r r ^ -^- -«- ■»

I 1 1 i r I i

Als schapen gun - stig hebt ge-leid;

rr---J—r-J—^-^—0-,-J-4--

9----14:3—,

-a......^—?—^

---^

J (ff

I

Die

J-

-#-r-1

f 1 1 f ee-nen troon van

1 i 1 1

\' r ^

i 1 i hei - lig-heid

i J 1

r

u

1,

-3—•-#-gt;5--

^—i- i—^^—

2 , ^-0

hN

.1

—u

-1-

—i—i—i--

—b;-i-t-J--

fa

--«—

9

-J —

~it=i

=±=^-

—-VO—

* r

tus-i

r

schen

T

Che

J

—S— 1

■rubs 1

-»■

^1

k_l n

J

r-r

ge -

1

■amp;■

1

stich: 1

P

1

Ver-1

m

-0—

5--5*—

J .

t=

\\=

I*

—amp;-

M

-s—t—

—bj©-—

ocr page 347

Psalm 80.

v ■» -a- r f? Z-amp; amp;

r r I I i I

schijn weer blin-kend met uw licht.

-1-1-J.--1—r__W--Xr-U-

t-—g #--^■ I — J

I ii I

2. Die glans straal\' Efraïm in d\' oogen;

Toon Benjamin uw gioot vermogen;

Verlos Manasse, tot uw eer!

Getrouwe Herder! breng ons weer;

Verlos ons, toon ons \'t lieflijk licht Van uw vertroostend aangezicht!

3. Hoelang, o Heer der legermachten!

Verwerpt Gij, toornig, onze klachten?

Hoelang verlaat G\' ons in den nood?

Gij spijst uw volk met tranenbroodl;

Gij drenkt het, in zijn\' jainmerstaat,

Met tranen, uit een volle maat.

4. In \'t bitter leed, dat wij verduren.

Zien w\' ons aan onze nageburen,

Helaas! door U ten schimp gesteld;

Ons door hun twisten neêrgeveld.

Wij zien, daar ons hun haat vertreedt, Hen spotten om ons harteleed.

5. Laat ons, o God der legermachten!

Niet vruchtloos op uw\' bijstand wachten;

Ga onzen haatren zelf te keer;

Getrouwe Herder! breng ons weêr;

Verlos ons, toon ons \'t lieflijk licht Van uw vertroostend aangezicht!

325

ocr page 348

Psalm 80.

Pauze.

0. Gij vondt in ons een welbehagen;

Gij bracht, o God! in vroeger dagen, Uw\' wijnstok uit Egypteland;

Gij zelf hebt gunstig hem geplant;

Voor hem de volken uitgeroeid.

Hem plaats bereid, hem inild besproeid.

7. Hij heeft zijn wortels uitgeschoten; De bergen werden door zijn loten.

Als waren \'t ceedren, overdekt;

Hij heeft zijn ranken uitgestrekt,

In zijnen bloei en frissehen staat.

Tot aan de zee, tot aan d\'Eufraat.

8. Waarom hebt Gij zijn\' muur verbroken? Hem van uw zorg en hulp verstoken? Men plukt, men trapt hem met den voet; Het boschzwijn heeft hem omgewroet; Het wild gediert\' hem afgeweid.

Daar \'t zich door \'t gansche land verspreidt.

9. Keer weêr, o God der legermachten!

Tot ons, die op uw\' bijstand wachten; Zie uit den hoogen hemel neer;

Herstel uw\' wijnstok als weleer,

Den stam, ter liefd\' nws zoons geplant,

Dien Gij gesterkt hebt door uw hand.

10. Hij ligt verbrand en afgehouwen.

Als Gij verwoest, wie zal dan bouwen? Uw hand zij over \'s menschen zoon.

Dien G\' U gesterkt hebt tot den troon; Zoo leven wij, door U bevrijd,

Altoos aan uwe dienst gewijd.

326

ocr page 349

Psalm 81.

327

11. Behoud ons, Heer der legermachten! Zoo zullen w\' ons voor afval wachten; Zoo knielen w\' altoos voor U neer. Getrouwe Herder! breng ons weer; Verlos ons, toon ons \'t lieflijk licht Van uw vertroostend aangezicht!

Psalm 81.

Jonisch. 1.

2.

pi

r—r

1. Zingt nu blij te moê \'t Mach-tig Op-[ier

J. ^ 1 \\ I J

1—

1 I

we - zen

4^:

-g/1 —-2—

i i r \' i

Ee - neu lof - zang toe.

r

i ^ J i J

=t=

r r r r r

Om ons heil - ge - not

12?

I 1

I

Wor-de Ja-kobs

I

É

-i-

±

m

-2—g -

ö

- J i

ocr page 350

2. Zingt een\' psalm, en geeft Trommels aan de reien. Wat in Isrel leeft

Roep\' zijn grootheid uit; Harp en zachte luit Moet\' zijn\' roem verbreien!

3. \'t Blij bazuingeschal Klink\' in Isrels ooren! Doe nu overal

Deze maar verstaan: u\'t Feest der nieuwe maan, »\'t Feestuur is geboren!»

4. Want dit is \'t bevel Van den Heer der heeren Aan zijn Israël;

Dit is \'t hoog gebod, \'t Recht van Jakobs God, Dat wij billijk eeren.

5. Dit doet Jozefs zaad Aan Egypte denken,

En in welk een\' staat,

Daar \'t een sprake vond. Die het niet verstond,

God zijn heil wou schenken.

ocr page 351

Psalm 81.

Eersta Pauze.

6. »\'k Heb hunn\' hals bevrijd «Van den last te dragen; »\'t Was die blijde tijd,

«Toen hun moede hand «Werd in \'s vijands land «Van den pot ontslagen.

7. »0p uw noodgeschrei «Deed ik groote wondren, «Onder mijn gelei\'

«Vondt gij hulp; mijn woord «Werd van u gehoord,

«Uit de plaats der dondren.

8. «\'k Nam te Meriba «Proef van uw vertrouwen, «Of g\' op mijn gena,

«In uw tegenheên,

«Op mijn\' naam alleen

»En mijn woord zoudt bouwen.

9. «Hoort Mij, zei ik toen,

«Onder u betuigen,

«Wat gij hebt te doen: «Och! dat Israël «Zich, op mijn bevel,

«Onder mij wou buigen!

10. «Eert geen\' uitlandsch\' god; «Wacht u voor uw zielen; «Wilt, naar mijn gebod,

«Mijnen naam ten hoon,

«Voor geen valsche goön,

•Voor geen vreemde, knielen.

329

ocr page 352

Psalm 81.

11. »Ik, Ik ben de Heer!

»\'k Ben uw God, die heilig «IJvre voor mijn eer;

»Die u door mijn hand «Uit Egypteland «Leidde vrij en veilig!

Tweede Pauze.

12. «Opent nwen mond,

«Eischt van mij vrijmoedig, «Op mijn trouwverbond.

«Al wat u ontbreekt,

«Schenk Ik, zoo gij \'t smeekt, «Mild en overvloedig.

13. «Maar mijn volk wou niet «Naar mijn stemme hooren; «Israël verliet

«Mij en mijn geboón;

«\'t Heeft zich andre goón,

«Naar zijn\' lust, verkoren.

14. »\'k Liet hen dies, veracht,

«Naar \'t hun goeddaoht, handlen; «\'k Liet dit boos geslacht,

«Naar de keuze viel

«Van hun dwaze ziel,

«In hun wegon wandlen.

15. «Och! had, naar mijn\' raad,

«Zich mijn volk gedragen! «Och! had Isrels zaad

«Op mijn effen paan «IJvrig willen gaan,

«Naar mijn welbehagen!

330

ocr page 353

Psalm 82.

331

1G. »\'k Had hun haters ras »En geheel verslonden; »Wie hun tegen was xllad, aan alle kant, »Mijn geduchte hand «Zeker ondervonden.

17. «Haters van den Heer «Hadden Hem gegeven, «Schoon geveinsd, zijn eer; «Ook zou Isrels tijd, «Van de smart bevrijd, «Eeuwig zijn gebleven.

18. «\'k Had u dan tot spijz\' «Vette tarw doen groeien, «En u, ten be wij z\'

«Hoe Ik u kon voên, «Honigbekcn doen «Uit de rotsen vloeien!»

f-r

r

Psalm 82.

Mixolydisch -i ^

m

1. In d\'acht-bre Gods-ver - ga-de - rin - gen

J i ij i i J J

$

SB

T

ocr page 354

332 Psalm 82.

- J frri- [ J ^ J I i-1—

Staat God, als rich-ter der ge - din - gen;

J. i. I I 1 J I I ,

ryj -—W—»—*—^--i—lt;=■ ,!

l^F|fcf^t=T=fp¥^

-sh1-*-m---#—-öquot;—-lt;s?---amp;—-J

^ nT r i i i I f

Hij oordeelt o - ver goed en kwaad, In \'t

^-L —j-4— J--I—r- lt;sgt;—^ J—r-J---J—,

^ fTrrfrlr r f

mid-den van der go - den raad: »Hoe

. , J JiJ J^L1-4__4

r= I fir 1 —[»

rfH—J-

i i j J-^

L J n

-t—

• - J :

■ K)-

^ r r

lang zult

„ J

r, r, r r

gij van t nchtsnoe

III!

—^ 5r wij

-(ZlA

\\

- ken,

J

1

Een

J

F-*—

4—r—n—r.

ü—_—

- r

—*-amp;-

-1-i—

h^l 1

1 1

ocr page 355

Psalm 82. 333

^—i—r-n—r17?1 f- f^r3

on -reoht-vaar-dig von-nis strij-ken, En

J J | J. i ^ J ^ |

1 ^ 1 1quot; f 7 I

, acht-slaan op het aan - ge - zicht Der

II^EE-^EBeêeê^I

god - de - loo - zen in \'t ge - richt?«

Psalm 82. Nicnwe melodie.

r \'~V ^rT 1

1. In d\'achtbre Godsver-ga-de - rin-gen Staat

J J_

ocr page 356

Psalm 82.

(ÊËamp;l

r 1 Tr Ir r w r

«r r «r r r

God, als rich-ter der ge - din-gen; Hij oor-deelt

lAAAl^j-, J j 7

334

-

P

i?

f-f-f7

r

=J=d:

\'

o - ver goed en kwaad, In\'tmidden van der go-den

^ ^ -J-r-J--J, ^ J J J fquot;

rj r / r f

:.2?:

4.

\'

t

SS

r r r r1

» Hoe-lang zult gij van trichtsnoer

4:

. -»

--g-

raad:

■ J-L-

J-

i

ÊË

zirzit

6.

±

3=

P

r r r \'f r r r

wij-ken, Een on - recht-vaar - dig von-ms

f1

i

BpÉ

f-r1 p

ocr page 357

7.

Psalm 82.

335

r

J __^

rr:

atrij-ken, Enachtslaan op het aangezicht Dergodde-

J J: j j I ^ P-Tquot; * 11quot;!

J -1

^=f=r-^r

loo - zen in \'t ge

i i J ^

RijL \'—• rquot; r—

l=p-J

richt?

i

—i-——

2. »Toont aller goden God te vreezen;

«Doet recht aan armen en aan weezen; quot;Rechtvaardigt hem, die billijk klaagt, «Verdrukt\' of arm\' uw hulpe vraagt.

quot;Verlost geringen uit hun lijden,

oEn wilt behoeftigen bevrijden;

«Rukt z\' uit der goddeloozen hand; «Gerechtigheid verhoogt een land.

3. «Maar ach! hier is het recht vergeten, »Men heeft noch kennis, noch geweten, »Men wandelt in de duisternis;

quot;Het wankelt al wat zeker is;

»Dies ziet men \'s aardrijks grondvest beven!

»\'k Heb wel voorheen u d\' eer gegeven,

«Dat ik u goden heb genoemd,

»En als Gods kinderen geroemd!

ocr page 358

F -

336 Psalm 83.

4. »6ij zult nochtans het leven derven »En, als gemeene mensehen, sterven,

«Eens storten van den stoel der eer »In \'t graf, als elk der vorsten neêr!»

Sta op, o God! en wil ontwaken;

Ai! oordeel \'t aardrijk; richt de zaken;

Want Gij bezit, op aard\' alom,

De volkeren in eigendom!

Phrygisch. Psalm 83.

r r—r—p—r r—r-f

1. Zwijg niet, o God! houd U niet doof;

i J i i J J | J

^ i i i 1 r i r if

Wij wor-den, zoo Gij zwijgt, tea roof; Wees

_iU i ♦ ^ i J J I

1 r r r r f r

toch niet stil; ai! wil ont - wa - ken; Want

1 I 1 I

— — d I I II I

jV--- -*-»-T-g-^-1-g—I

---r——f—r—I—---r

ocr page 359

5.

Psalm 83.

337

Fquot;

-3—1—

-\\-

1=^

-1-

\'j-

__j .

--1-

• •

m

-#—

--—l—

j

T

i

zie,

J

r r r

o God! uw

J ! 4

r

ha

J

2

i_ •

1

r

ma -i

r

ken, 1

amp;

amp;

T

Een

I

-#—f

-1—

-0-

j

idr}r-

-1—

—1=

-F—

-1--

i—

-pt.

I

D

-1—

-1-

| |

r

-1—

6.

-V-

-ri-1-

-1—

—1—

—i-

p-y-

.. --^

- --

(Q-

i

—0—

•

- dr

V

xr~

r f

krijgs-ge -

J J

•—— 1

tier i

r r \'

om zich te

J i J

-r

wre-

ftJ-

T

ken

J

0

1

; zy

__I .

\'P

-3—P-

—0-

—j--

■

-9

—l—

_4-

-h

F

. !

-y----^—i ^-1-

—I--1--1 - ■

•

g» -

m

--1-

|

quot;quot;

T

dur

4

1

- ven

_1—

r

stout

1

—^—

r

den

1

1

kop

J

r

op ■i

i

- ste

J

-^

i

- ken.

J

-O-

—•—

K 1—_ -

-1-r

[-

-1—

i-

-I» H—

1

Te dempen met vereende krachten. Dat Gij, met zooveel gunst en zorgen, lloudt, als een\' schat, bij U verborgen.

ocr page 360

Psalm 83.

3. Zij zeiden stout, en heet op buit: »Komt aan, men roei\' gansch Isrel uit,

Opdat dit volk, gelijk voordezen, Voortaan geen volk meer moge wezen; Dat niemand Isrela naam doe hooren; Dat zijn gedachtnis ga verloren!»

4. Want samen zijn zij \'t eens geraakt; \'t Verbond is tegen ü gemaakt;

Daar zien wij Edoms tenten naadren; Ginds Ismaël zich saam vergaadren; De Moabiten, Hagarenen,

En Gebal zich in \'t veld vereenen.

5. Met hen trekt Ammou ééne lijn. En Amalek, en Palestijn\',

En die in \'t rijke Tyrus wonen; Ook liet zich Assur bij hen troonen, Een machtig rijk, waarop zij leunen. En Lots ontaarde kinders steunen.

6. Dat hen, o God! uw gramschap sla, Als Midian, als Sisera,

Als Jabin, die bij Kisons stroomen. En t\' Endor gansch zijn omgekomen. Wanneer uw ijver niemand spaarde; Maar hen vertrad, als slijk der aarde!

Pauze.

7. Sla hen en hunne prinsen. Heer! Als Oreb en als Zeëb, neèr;

Doe al hun vorsten, hoe verheven, Als Zebah en Salmüna sneven.

Die met geweld Gods land en daken Zich wilden ter bezitting maken.

ocr page 361

Psalm 84.

8. Maak, dat dit volk geen rustplaats vind\'; Verstrooi hen, door eeu\' wervelwind,

Als stoppels, door een\' storm gedreven; Als wouden, \'t vuur ter prooi gegeven; Als bergen, in wier ingewanden Ontstoken pik en zwavel branden.

9. Vervolg zo dus van oord tot oord. En drijf ze met uw onweer voort;

Verschrik hen met uw dwarrelwinden. Zoodat zij rust noch schuilplaats vinden. Doe hen, o Heer! vol schande vlieden. Opdat z\' uw\' naam eens hulde bieden.

10. Beschaam, verschrik hen eeuwiglijk; Dat ieder schaamrood rugwaarts wijk\'; Verniel hun heiren, doe hen weten.

339

Dat Gij alleen de Heer moogt heeten. Die groote naam van \'t hoogste Wezen Doe \'t wereldrond eerbiedig vreezen!

Jonisch.

Psalm 84.

2.

i.

f I

I

im

33

rmyrr-r

1. Hoe lieflijk, hoe vol heil-ge

LjJ

4

i

not, O

: •

r~r^TT

^±3

3.

I

^ r

God! Zijn

^-TS)

-r-rrr

Heer, der Ie - ger - scha-ren

, —H? *-m-•—\'--^

-i f \\ 1^—f

22»

ocr page 362

340 Psalni 84.

mij uw huis en tem-pel - zan-gen! Hoe

__I J ^ J J J _J V__!

^1K ^ l 1*—p-»4-2-—, fsr~\\ ^-

r 1 n I l 1Z—li—J

^^r-r-f-r r r r ?

. branden mijn ge - ne - gen-heên, Om

^:-7^ T j —r—

3 r p-^-i i^—=^=

^—r r r f \' \'

\'s Heeren voor-hof in te treên! Mijn

ü J i j i «L

rE=Pf\'

ziel be - zwijkt van sterk ver-lan - gen;

J i ^ J i J i ^

ocr page 363

341

S . quot; -

I rr^ I

i r

r

En aan mijn ziel het le - ven geeft.

i J J i i J j

Be.

2. Zelfs vindt de musch een huis, o Heer! De zwaluw legt haar jongskens neêr In \'t kunstig nest, bij uw altaren.

Bij U, mijn Koning en mijn God! Verwacht mijn ziel een heilrijk lot, Geduchte Heer der legerscharen! Welzalig hij, die hij U woont.

Gestaag U prijst en eerbied toont.

3. Welzalig hij, die al zijn kracht En hulp alleen van U verwacht. Die kiest de welgebaande wegen; Steekt hen de heete middagzon

In \'t moerbeidal. Gij zijt hun bron. En stort op hen een\' milden regen. Een\' regen, die hen overdekt,

Verkwikt, en hun tot zegen strekt.

ocr page 364

Psalm 85.

Pauze.

4. Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort; Elk hunner zal, in \'t zali,quot;\' oord

Van Zion, haast voor God verschijnen. Let, Heer der legerscharen! let Op mijn ootmoedig smeekgebed!

Ai! laat mij niet van druk verkwijnen!

Leen mij een toegenegen oor,

0 Jakobs God! geef mij gehoor!

5. 0 God! die ons ten schilde zijt,

En ons voor alle ramp bevrijdt.

Aanschouw toch uw\' gezalfden Koning! Eén dag is in uw huis mij meer

Dan duizend, daar ik U ontbeer;

\'k Waar\' liever in mijns Bondsgods woning

Een dorpelwachter, dan gewend

Aan d\' ijdle vreugd in \'s boozen tent.

6. Want God, de Heer, zoo goed, zoo mild, Is t\' allen tijd\' een zon en schild;

Hij zal genaad\' en eere geven;

Hij zal hun \'t goede niet in nood Onthouden, zelt\'s niet in den dood.

Die in oprechtheid voor Hem leven. Welzalig, Heer! die op U bouwt.

342

En zich geheel aan U vertrouwt.

Psalm 85.

Mixolydisch. ii 1.

—tj

z=i-^--

^-2H

11 1

-B- -S- \'-g-i®-

r r f ^

hebt uw land, o

J J 1 1

r r r r

Heer! die gunst be-

J 1 1 1

iv i—g—amp;—

\' ■?—g—^

J * -3—jf

N—r

-F—r—s—r-

ocr page 365

Psalm 85. 343

r r r r r r r ? r

toond, Dat Jakobs zaad op nieuw in vrijheid

„ J ^ J J 1. J 1 J J

l-\'—hn - •--gEEgZ l

===!=^=f=(=f^fi f Ff^

Ji 3. ___NB.__

I I I ^ r r 1 ^ r

woont. DeschulduwavolkshebtG\'uituw boek ge-

fii!^r^4=d=d--=4Tj=^=^=l

I —f^r—

daan; Ook ziet Gij geen van huu-ne zon-den

„1 I J i ^ i J J I J

11- n rnT^^--|g^-frzp3

—1--i--d-1quot;

^ 1 ■

ftH--^--1-

-quot;JE

T^-

1

aan.

11 !

—1— P\'

1

Gij

1

^ -J-

r r f

vindt in gunst, en

J J J 1

r r r i

niet in wraak, uw\'

! J i J

quot;-ITS-lt;5—^—i

9 9 amp; eJ

•

^-ff-3—«s—■

-:—i-

-^=J

•—.—\'—«-Lj--a-!--1—

ü~

1 r gt;

ocr page 366

344 Psalm 85.

J J I I J J J I

ry 3—^ t , g ^ =J.-==®=rg=:

T T\' 1 1 1 rT f pT

lust; De hit-te van uwgrainBchapis ge-

„_J__^ ^ i J J J ^

blusclit. O heil - rijk God! weer ver - der

\' J J J I I I J

\') • i ^ — y _.a__g. • ~ _~

\\===^=t^^f^^==^=^

^==r^=p-r-r-r-f^

ons ver - driet, Keer af uw wraak, en

mi=A=èf=A=Af^=j=J=J=,

^r r rtf r

doe uw toorn te niet!

»---g—»—=g= - r \'

r I l

ocr page 367

Psalm 86.

2. Heeft clan, o Heer! uw gramschap nimmer end? Zal z\' eindlijk niet eens worden afgewend?

Of zal uw toorn ook op ons nakroost woên?

Zult G\' uit den dood ons niet Ijerleven doen. Opdat uw volk zich weêr in U verblij\'?

Dat toch, o Heer! uw goedheid ons bevrij\'!

Geef ons uw heil, en red door uwe hand.

Uit vrije gunst, het zuchtend vaderland!

3. Merk op, mijn ziel! wat antwoord God u geeft; Hij spreekt gewis tot elk, die voor Hem leeft. Zijn\' gunstgenoot, van blijden troost en vreê,

Mits hij niet weêr op \'t spoor der dwaasheid treê. Voorwaar Gods heil is reeds nabij \'t geslacht, Hetwelk Hem vreest, en zijne hulp verwacht; Opdat er eer in onze landen woon\',

En zich aldaar op \'t luisterrijkst vertoon\'.

4. Dan wordt gena van wanrheid blij ontmoet; De vrede met eenJ kus van \'t recht gegroet; Dan spruit de trouw uit d\' aarde blij omhoog; Gerechtigheid ziet neêr van \'s hemels boog; Dan zal de Heer ons \'t goede weêr doen zien; Dan zal ons \'t land zijn volle garven biên. Gerechtigheid gaat voor zijn aangezicht.

Hij zet z\' alom, waar Hij zijn treden richt.

345

Hypodorisch. Psalm 86.

=d-^=

J f f f t r r i

1. Neig, o Heer!uw gun-stig\' oo-

JJJ J ^ IJ

1

ren

J

r r

Om mij

J i

— —0—

r L.

mmijn

ii

^CT^h-r-r-

N5-

(2-

0 1---1—

±=t=

ocr page 368

Psalm 86.

s 3.

iü

3=03=^

i r r r r rr^i r r

angst te hoo-ren. kBen el-len-dig, diep in nood,

346

J-i-W- j , J . ! ^ ^ i J

MeeÉII

i

laatste vers. 5.

=1-

fT

r fquot;

i t

, , r f 1 i ! i

Gansch van heul en tiulp ont-bloot. Hoed mijn ziel; Gij

J

f-p

ij j

m

s6.

r r r r\'rr

f m quot;f s?

I 1 1 I 1 I

zijt al-mach-tig, En ik ben uw gunst deel-ach-tig;

|1

J J

5»:^\'

£

Éi

èèi

7.

^—quot;3—g~f^=

? i \'i i T ^

0 mijn God! die mij aanschouwt,

mil aang i i

--—

4.

ocr page 369

Psalm 86.

f f f i Red uw\' knecht, die

•v ^ -J 1

6 t r

U ver - trouwt.

i 1

• 1 quot;1

l» ^ g—\'—-f=

r B

—i-1--^--J

2. Wie toch is, als Gij, weldadig? Wees mij dan, o Heer! genadig; Want mijn roepen en geklag Klimt tot U, den ganschen dag. Wil de ziel uws knechts verblijden; Ondersteun hem in zijn lijden.

Want ik hef mijn hart en oog, Trouwe God! tot ü omhoog,

3. Heer! door goedheid aangedreven, Zijt Gij mild in \'t schuld vergeven; Wie U aanroept in den nood Vindt uw gunst oneindig groot. Heer! neem mijn gebed ter ooren; Wil naar mijne smeeking hooren; Merk, naar uw goedgunstigheêu.

Op de stem van mijn gebeên!

4. \'k Ben gewoon, in bange dagen,

Mijn benauwdheid U te klagen; Gij toch, die d\' ellenden ziet.

Hoort mij, en verstoot mij niet. Heer! wat goön de heidnen roemen, Niemand is bij U te noemen;

Daden, als uw groote daan.

Treft men nergens elders aan.

347

ocr page 370

Psalm 86.

Pauze.

5. Al de heidnen, door uw handen Voortgebracht in alle landen,

Zullen tot U komen, Heer!

Bukken voor uw aanschijn neêr, En uw\' naam ter eere leven.

Gij zijt groot en hoog verheven; Gij doet duizend wonderheên;

Gij zijt God, ja Gij alleen!

6. Leer mij naar uw\' wil te handlen; \'k Zal dan in uw waarheid wandlen. Neig mijn hart, en voeg het saam Tot de vreez\' van uwen naam.

Heer, mijn God! ik zal U loven, Heffen \'t gansche hart naar boven; \'k Zal uw\' naam en majesteit Eeren tot in eeuwigheid!

7. Want uw goedheid, hoogst gerezen. Hebt Gij dikwijls mij bewezen.

En mijn ziel, hoe zeer verdrukt. Uit het diepst van \'t graf gerukt. 0 mijn God! de trotsehaards spannen Boos te zamen met tirannen.

Tot mijn\' dood en zielsverdriet; Zij ontzien uw hoogheid niet.

8. Maar Gij, Heer! Gij zijt langmoedig, Zeer barmhartig, overvloedig

In gena, die ons behoedt.

Groot van waarheid, eindloos goed. Wend U tot mijn ziel genadig;

Sterk uw\' knecht, en geef weldadig Ondersteuning aan den zoon Uwer dienstmaagd, van den troon!

348

ocr page 371

Psalm 87.

349

9. Doe een teeken mij ten goede, Dat mijn haters in hun woede Mogen zien, hoe, tot huan\' spijt, Gij mij troost en mij bevrijdt!

Hypo-Mixolydisch. Psalm 87. 1.

a--

r f c r f f r r ri

1. Zijn\'grondslag, zijn on-wrik-bre vas - tig-

\' J--Jn-J-J--^1-4-

2.

ÉEi

-1-r-r*-—

p I 1 1 I I I

he - den Heeft God ge - legd op

I

dJ_G_

•gt;:h\' ^ ?

^=44

r r r r

r

wijd;

ber-gen. Hem ge

4^

2 ï

a

n

De Heer, die zich in

J, J lgLj-i-


T T

ocr page 372

Psalm 87.

350

SZI

r-r-r-f\'-r-^TT

Zi - ons heil ver - blijdt, Be-mint het meer dan

I

i

^ i

Z^ZÜZ

a^-ti

rtr^r

Ja - kobs ste - den.

al

le

i J i i

p

. . i 1. Zijn\'groudslaquot;\', zijn on-wrik-bre vas-tig - he-den

J. J . J J

Sëe

w

-.lt;g\' P

i i

J

Nieuwe melodie.

Psalm 87. 1.

4

I

-g~~W:

f f f f r rr-

I

J

I

J I I

1—r

EfES

—r-

I I I

Heeft God ge-legd op ber-gen, Hem ge-wijd;

$

i

De

I

l I -i J J -i- J_J J

iËÈ

z^EÊ

ocr page 373

Psalm 87.

f I r r r r

Heer, die zich in Zi-ons heil verblijdt, Be-mint het

351

I

a

$

4-

f

I

r ^ r ■r

Ja-

i

kobs ste - den.

linieer dan al - ie

j—j—j-

. »a--SE-5---

r

2. Men spreekt van u zeer heerelijke dingen, O schoone stad van Isrels Opperheer!

\'k Zie Ruhab, ik zie Babel, tot uw eer.

Bij hen geteld, die mijne grootheid zingen.

3. De Filistijn, de Tyriër, de Mooren,

Zijn binnen u, o Godsstad! voortgebracht;

Van Zion zal het blijde nageslacht

Haast zeggen: «deez\' en die is daar geboren.»

4. God zal hen zelf bevestigen en schragen,

En op zijn rol, daar Hij de volken schrijft, Hen tellen, als in Isrel ingelijfd.

En doen den naam van Zions kindren dragen.

5. Dan wordt mijn naam met lofgejuich geprezen; Dan zullen daar de blijde zangers staan,

De speelliên op de harp en cimbel slaan, En binnen u al mijn fonteinen wezen.

ocr page 374

352

Psalm 88.

-J-

i

f~if r \' 11 r 1 r \' r

1.0 God mijDB heils,mijn Toe-ver - laat! Tot

J j J- i = ^ i i J

Dorisch. 1.

£

£

f

1quot;

1

ZÉZZJÉZ

■

lü-

Ik

r rr r r

U hef ik mijn aroe-ve klachten

i i i k i i

_-j— w *gt;— _«—• - -

1

.9^

^ r

-öquot;-

f

r T f f f 1 i f

roep, bij da - gen en bij nachten,

| | J i J. i i J

2 **—4

3t

-*■

Tot

wrr\' 9.

-2—

r

=P

f

r^ry-j rtr-^—r

U in mij - nen jam - mer - staat. Ik

1 \' ! 1

r-f

9i

T=f

ocr page 375

Psalm 88.

a quot; J

^ • s—quot; ^

r 1 ^ 1

na-der bid - dend

J i

^ g ®

gt; \' r i-

w — V

t r r~f

;wil mij hoo-ren,

-f-gt; h

En

-=-i

vp\' \' » F ^ amp; \\\\* • . J -

^ i r r r i\' r r-rr

neig tot mijn ge-schrei uw oo - ren!

1 i 1 1 1 J 1 ,

— |

-=-i

J 3 f—u—^ -T\'—f r1 ^

L—JJ

2. Mijn ziel, der tegenheden zat,

Wordt moedeloos, wil mij begeven;

Het einde nadert van mijn leven;

\'k Ben krachteloos en afgemat.

Ik ben, door overmaat van kwalen.

Als zij, die reeds ten grave dalen.

3. \'k Ben afgezonderd bij den hoop Der dooden, die, terneergeslagen,

In \'t bloeien van hun blijde dagen Gestuit in hunnen levensloop.

Met aard\' bedekt, van elk vertreden.

Door uwe hand zijn afgesneden.

353

„-J

23

1

Als onweêrstaanbre waterstroomen!

ocr page 376

Psalm 88.

5. Ik derf mijn vrienden, tot mijn straf; Zij zijn vervreemd van mededoogen; Ik ben een gruwel in hun oogen; Gij wendt hen allen van mij af.

Een bange kerker doet mij zuchten:

Ik kan de banden niet ontvluchten.

Pauze.

(i. Mijn oogen treuren om mijn leed,

Om al mijn\' angst, om al mijn lijden. O Heer! wil mij van straf bevrijden; Ach! toon U tot mijn hulp gereed; \'k Smeek dag aan dag om uw ontferming; Leen mij de haud tot mijn bescherming!

7. Zult Gij aan dooden wondren doen?

Zult G\' overleednen doen verrijzen, Om hier uw\' grooten naam te prijzen? Zal \'t graf uw\' wijzen raad bevroên? Zal daar uw goedheid zich verspreiden ? Zal \'t woest verderf uw trouw verbreiden?

8. Wie zal uw wondren, uw beleid.

Ooit in de duisternis vertellen?

Wie ooit uw recht in \'t daglicht stellen. Ter plaatse der vergetelheid?

Maar ik, eer d\' ochtend aan komt breken, Zal U, o Heer! om bijstand smeeken.

y. Waarom is \'t, dat Gij mij verstoot?

Waarom verbergt G\' uw gunstrijk\' oogen? \'k Was, van der jeugd af, neergebogen, Bedrukt, en worstlend met den dood. Ik moet, vol angst, uw gramschap dragen; \'k Ben twijfelmoedig en verslagen.

ocr page 377

Psalm 89,

10. \'k Ben met verschrikking aangedaan.

Mijn moed verflauwt, mijn leden beven; Uw dierbre gunst heeft mij begeven;

De vlam nws toorns doet mij vergaan!

\'k Moet dag aan dag met duizend rampen, Als met het woên der golven, kampen!

11. Gij hebt en metgezel en vrind quot;Van mij verwijderd in mijn lijden,

Zoodat mijn ziel, hoe z\' ook moet strijden. Bij niemand heul of bijstand viadt.

\'k Zoek hen vergeefs; \'k moet eenzaam weenen: Al mijn bekenden zijn verdwenen!

Hypo-Jonisch. Psalm 89.

fltTTT-]- J J I fri

^ t f i f \' f 1

I. \'k Zal eeu - wig zin - gen van Gods

„ \' I I A J |

i \' f I

, I . 2,

1 ■ i i ! i i goe-der-tie-ren-heên; Uw waarheidt\'al - len

„ J ! ^ ^ J _i_I | | i

355

23*

ocr page 378

356 Psalm 89.

y * ^ r i i -

tijd\' ver - mei - den door mijn reên. Ik

É^èiiJ^ÉlÉiÉ

r |. r=i, „ ..

^ r r - \'YrH^r r :

weet, hoe\'tvast ge-bouw van u - we gunat-be-

\' J J.j J J-l

^»7 P~M

r 1 i 1

1 ^ r

ii | i i

wij - zen, Naar uw ge - maakt be-

, „ J__I__I I_J__J__i

r r i |

(#^=t3^É3ZJJ3Z^

™ 0 f—f

stek, in eeu - wig - heid zal rij - zen.

t \\jL-t....../........i\\ j^f 11

ocr page 379

Psalm 89. 357

V2---V-»--gt;---•----Squot;3—---,«-

! 1 I 1 i f

Zoo min de he - mei ooit uit

I I I I I I I

i i

P=f__f_7EE3^g£E^p3

zij - nen stand zal wij - ken, Zoo

uüuj—i—L J.-|d=g[^s=j

__^rrzrirg—zzzrgquot;——tztquot;^_____:__—1 .rzn

r \' 1

vr--•--25 squot; ^ —-----«;

I T I I I

min zal u - we trouw ooit

a—j—A—J—J——j—j

1 1 r

wan-klen of be- zwij - ken.

1 A 1 J

ocr page 380

Psalm 89.

2. »Ik heb«, dit was uw taal, »een vast verbond gemaakt »Met mijnen gunsteling, dien steeds mijn oog bewaakt; »Ik heb aan mijnen knecht, aan mijnen uitverkoren\', »Aan David, in mijn gunst, met eenen eed gezworen: »Ik zal van kind tot kind, tot aan het eind der dagen «Uw zaad bevestigen, en uwen rijkstroon schragen.quot;

3. De hemel looft, o Heer! uw wondren, dag en nacht; Uw waarheid wordt op aard\' de glorie toegebracht, Daar uw geheiligd volk van uwe trouw raag zingen; Want wie is U gelijk bij al de hemelingen?

En, welke vorsten ooit het aardrijk moog\' bevatten, Wie hunner is, o Heer! met U gelijk te schatten?

Eerste Pauze.

4. God is op \'t hoogst geducht in zijner Heilgen raad, En vreeslijk boven \'t heir, dat om zijn\' rijkstroon staaf. Wie is als Gij, o Heer! o God der legerscharen? Wie is aan U gelijk? wie kan U evenaren? Grootmachtig zijt G\', o Heer! ja eindloos in vermogeu; Uw onverbreekbre trouw omringt ü voor elks oogen!

5. Gij temt de woeste zee, zij luistert naar uw\' wil; Hoe hoog zij zich verheff\'. Gij wenkt, en zij is stil. Gansch Rahab is door U verbrijzeld, gansch verslagen; Uw vijand is verstrooid, uw arm heeft roem gedragen; En aard\' en hemel, en wat leeft, of ooit zal leven. Zijn d\' uwe; \'t gansch heelal hebt Gij \'t bestaan gegeven!

G. Gij schiept het barre noord\' en \'t zoele zuiden saam. Ginds juicht een Thabor, hier een Hermon in uw\' naam. Gij hebt een\' arm met macht; uw hand heeft groot

vermogen;

Uw rechterhand is hoog; uw troon blijft, onbewogen, Van recht en van gericht zijn\' vasten steun ontleenen; En waarheid en gena gaan voor uw aanschijn henen!

358

ocr page 381

Psalm 89.

7. Hoe zalig is het volk, dat naar uw klanken hoort! Zij wandlen, Heer! in \'t licht van \'t godlijk aanschijn

voort.

Zij zullen in uw\' naam zich al den dag verblijden. Uw goedheid straalt hun toe, uw macht schraagt hen in \'t lijden;

Uw onbezweken trouw zal nooit hunn\' val gedoogen, Maar uw gerechtigheid hen naar uw woord verhoogen.

8. Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht. Uw vrije gunst alleen wordt d\' eere toegebracht! Wij steken \'t hoofd omhoog, en zullen d\' eerkroon

dragen

Door U, door U alleen, om \'t eeuwig welbehagen; Want God ia ons ten schild in\'t strijdperk van dit leven, En onze Koning is van Isrels God gegeven.

Tweede Pauze.

quot;J. Gij hebt weleer van hem, dien Gij geheiligd hadt, Gezegd in een gezicht, dat zooveel troost bevat: »Ik heb bij eenen held voor Isrel hulp beschoren, »Hem uit het volk verhoogd; hem had Ik uitverkoren, «\'k Heb David mijnen knecht, mijn\' gunsteling, gevonden, »En hem, niet heiige zalf, aan mij en \'t rijk verbonden.

ü. »Mijn hand zal, hoe \'t ook ga, hem sterken dag en nacht; quot;Mijn arm zal hem in nood voorzien van moed en kracht. •■De vijand zal hem nooit door wreevle handelingen, »Door list, of helsch bedrog\' in uiterst\' engten dringen; »Den booswicht zal \'t geweld nooit tegen hem gelukken, «Noch in- noch uitlandsch vorst zijn\' zetel onderdrukken.

1. «Ik zal integendeel, al wie hem wederstaat, »Verplettren voor zijn oog, en plagen, die hem haat; «Mijn trouw zal mot hem zijn, mijn goedheid hem geleiden,

«Zijn macht zal in mijn\' naam zich over d\' aard\' verspreiden ;

«Zijn hand de groote zee, zijn schepter de rivieren, ■•Door mijn geducht bestel, met roem en eer bestieren.

359

ocr page 382

Psalm 89.

12. quot;Gij (zal hij zeggen), zijt mijn Vader en mijn God, »De rotssteen van mijn hoil! \'k Zal hem ook stellen tot »Een\' eerstgeboren\' zoon, door al zijn broeders t\' eeren; »Als koning zal hij zelf do koningen regeeren,

»Mijn goedertierenheid zijn\' rijkstroon eeuwig stijven, »En mijn gemaakt verbond met hem bestendig blijven.

Derde Pauze.

13. »Ik zal de heerschappij doen duren bij zijn zaad, «Zoolang de hemel zelf op vaste pijlers staat.

«Maar zoo zijn kinders ooit mijn zuivre wet verlaten; »Zoo \'t richtsnoer van mijn recht ter reegling niet kan baten,

quot;Zoo zij ontheiligen wat Ik heb voorgeschreven, »Dan mogen zij gewis voor mijne straffen beven!

14. «Dan zal ik hen, die dwaas of wreevlig overtreên, «Bezoeken met de roö en bittre tegenheên;

«Doch over hem mijn gunst cn goedheid nooit doen enden. «Niet feilen in mijn trouw, noch mijn verbond ooit

schenden.

«\'k Zal nooit herroepen \'t geen Ik eenmaal heb gesproken; quot;\'t Geen uit mijn lippen ging blijft vast en onverbroken!

15. u\'k Heb eens gezworen bij mijn eigen heiligheid: »Zoo Ik aan David lieg\', zoo hem mijn woord misleid\'; «Zijn zaad zal eeuwig zijn, zijn troon zal heerlijk pralen, «Zoo duurzaam als de zon, zoo glansrijk als haar stralen; «Bevestigd als de maan; en aan des hemels bogen «Staat mijn getuige trouw te schittren in elks oogen.»

16. Maar ach! mijn God! waar blijkt uw trouw nu?

waar uw eer?

Gij stoot en werpt, vergramd, thans uw\' Gezalfde aeêr; Gij schijnt niet van \'t verbond met uwen knecht te weten; Zijn kroon, ontheiligd, ligt ter aarde neergesmeten; Zijn sterke muren zijn door \'s vijands macht verbroken; Zijn vestingen verwoest, en in het stof gedoken.

360

ocr page 383

Psalm 89.

Vierde Pauze.

17. Hij is door elk beroofd; den nabuur tot een\' smaad; Gij hebt de rechterhand verhoogd van die hem haat; Gij deedt den vijand in zijn\' rampspoed zich verblijden; Zijn zwaard ligt om, \'t is stomp, en nutteloos in \'t

strijden;

Gij doet hem, vol van schrik, van \'t bloedig slagveld

vluchten.

En onder \'s vijands juk, van U verlaten, zuchten.

18. Zijn schoonheid is vergaan; zijn troon ligt neêrgestort; De dagen zijner jeugd zijn door uw hand verkort; Met schaamt\' i» hij bedekt; elk kan hem strafloos

tergen!

Hoelang, getrouwe God! zult Gij U steeds verbergen? Zal dan uw grimmigheid, die niemand af kan keeren. Gelijk een brandend vuur, \'t verdrukte volk verteren?

19. Gedenk, o Heer! hoe zwak ik ben, hoe kort van duur; Het leven is een damp; de dood wenkt ieder uur. Zou \'t menschdom dan vergeefs op aarde zijn geschapen?

Wie leeft er, die den slaap des doods niet eens zal

slapen?

Wie redt zijn ziel van \'t graf? ai! help ons, als te voren, Gelijk Gij bij uw trouw aan David hebt gezworen!

20. Gedenk den smaad, dien elk van uwe knechten lijdt, Waarmee elk machtig volk mijn bang gemoed doorsnijdt,

Den smaad, o Heer! waarmeê uw haters ons beladen, Waarmede zij den gang van uw\' Gezalfde smaden. Gij immers wilt of zult nooit onze hoop beschamen? Den Heer zij eeuwig lof! en elk zegg\': Amen. Amen!

361

ocr page 384

362

Psalm 90.

Dorisch. 1.

§

2i:

1. Gij zijt, o Heer! van

: J ! t \' •

^ - S

d\' al - lervroeg-ste

J » J J-


- •

I

r i ^

1 i

ge - weest een

EÖ

izJb:

^;z

=ff=

r

f

ons

Voor

ja

PE

amp;__

-ij-

/I

i

p~

Eer

toe - vluclit in ge - va

--%-

-J=.d

-I j

1 i ^ f I i T ^

berg en rots uit niet ge - boren wa-ren, Eer

j=j=Mzi=jq

—f-

—frz;

iH

ocr page 385

Psalm 90.

363

■V* *

rr

i ii i d\' aar-de rustt\'op ha - re grond-pi - la-ren; Van

li; i i i i i i

V V

1

!

■»■ r — r r * i amp; ■*gt;■ ■amp;■ ■#• . ,

i 1 i i 1 i i i i 1 -Ff

eeu-wig-heid, o God,die eeu-wig leeft! Zijt f *

a

I

• •

(C

IT

r

♦--F

Gij de God, die eind noch oorsprong heeft.

f—-H

. Uw oppermacht, die wij ootmoedig eeren,

Kan door een\' wenk den mensch zijn broosheid leeren; Uw wenk alleen, al schijnt ons niets te deren. Verbrijzelt ons, doet ons tot aarde keeren;

Want in uw oog zijn duizend jaren. Heer!

Een enkle dag, een nachtwaak, en niets meer.

\'3zr-

ocr page 386

Psalm 90.

3. Gij overstroomt liet menschdom; zijn vermogen Is, als een slaap, een ijdle droom, vervlogen;

Zij zijn als \'t gras, dat \'s morgens, overtogen

Met frissehen dauw, in bloei staat voor elks oogen. Maar \'s avonds, als het afgesneden wordt.

Op \'t open veld in weinig tijds verdort.

4. Door uwen toorn vergaat ons kwijnend leven;

Uw gramschap doet ons hart van doodschrik beven, O God! als Gij, in majesteit verheven,

Het onrecht, dat w\' in \'t openbaar bedreven. En \'t kwaad, door ons in \'t heimelijk verricht, In \'t licht stelt voor uw glansrijk aangezicht.

Pauze.

5. Wanneer uw toorn en gramschap ons bezwaren, Dan wenden, dan verdwijnen onze jaren;

Wij zien hen, als gedachten, henen varen!

Of, blijft uw gunst ons in het leven sparen. Dan klimmen wij ten hoogste tot den tnp Van zeventig of tachtig jaren op.

(J. Helaas! het best van onze beste dagen

Baart dikwijls smart, geeft dikwijls stof tot klagen; Daar zorg, verdriet en jammerlijke plagen.

Steeds, beurt om beurt, de matte ziel doorknagen. De levensdraad wordt schielijk afgesneên;

Wij schenen sterk, en ach! wij vliegen heen.

7. Wie kent uw\' toorn? wie zijn geduchte krachten? Wie vreest dien recht, geduchtste Macht der machten? Leer ons den tijd des levens kostlijk achten.

Opdat ons hart de wijsheid moog\' betrachten!

Keer weder. Heer! uw gunst koom\' ons te sta! Hoelang ontzegt G\' uw\' knechten uw gena?

364

ocr page 387

Psalm 91.

8. Uw gunst sterkt meer dar, d\' uitgezochtste spijzen; Laat, met het licht, haar icht voor ons verrijzen; Zoo zal ons hart op liefelijke wijzen Uw goedheid, al ons ovrig leven, prijzen.

Verblijd ons naar de maat van onzen druk. En naar den tijd van al ons ongeluk.

fl. Laat uw gena ons met haar\' troost verrijken, En laat uw werk aan uwe knechten blijken. Uw heerlijkheid niet van hun kindren wijken; Uw liefd\', uw macht behoed\' ons voor bezwijken! Sterk onze hand, en zegen onze vlijt;

Uekroon ons werk, en nu, en t\' allen tijd\'!

Dorisch, 1,

Psalm t)l.

^ ^ _3 ^ %

I

| Hij, die op Gods be-scher-ining wacht, Wordt i Be-vei-ligd in den duis-tren nacht, Be-

4.

Dies

f=^

: .1^-\' ^! - lt;1

-i—r-iquot; i T—»

door den hoog-sten Ko - ning schaduwd in Gods wo - ning;

365

^ i J

3È

%

ocr page 388

Psalm 91

^ -| ^ HH

H-i

- „ --^ -

-d-, _j_:

- ^-

—3—-zl-^—

J ? S- ?

1 1 i 1 noem ik God, zoo

- J •\' J

---ff—

^ 1

goed als

J 1

r i

groot Voor

1 \'J

cj;—•--f- •

—L.^ quot;

1

p^=£ t_r=j

H===#^

U f - f i

I I 1

hen, die op Hem bou - wen, Mijn\'

1 I I ^ -s»-

366

0 =^=^17^ M

r-—n—td--^--1--1----

J—

(

k 3 * • J d—1

- -1 S—

-K--F-F--0--•—

^ 1 1 1 # f burg, mijn toevlucht in

A i i J

•

den

1

1

nood,

1

f

Den

1

RT-R-•-~-5-

—«—f—r-j

amp;—

God van mijn be - trou - wen!

ocr page 389

Psalm 91.

Niemve melodie.

367

Psalm 91.

r I r quot;T \' r ? \'

1. Hij, die op Gods bescherming wacht,Wordt

-J—J-—4-—

-* *

. gt; °1 •

• m ;

±r=t

il 3.

1 ! , I I door den hoogsten Koning Be - vei-ligd in den

^ J J j :___j J J J ^

r i - 3—- ■

-1

$-amp;d \'

m i .-^

Vquot;--1—Fj®-—

dnis - tren i i

_1-^p--r

1

nacht. Be - scha - duwd

1 1 1 | 0*0

J

in Gods

J

9

--—,5.—

. È _± f ff .

—^—1—— I--V- 1 -

SEEj:

Dies noem ik God, zoo goed als

I III! ,

•---• • •-J-

\' i woning;

S

#1

ocr page 390

368 Psalm 91.

$=ógt;.—tï-TI

, J j A-Un

^

Tt-^rr—i-,

----0---

i f

sz q

^ ^ n

groot Voor

1

r i

hen, die op Hem

J ^ J J

a f

i 1 bouwen,

1 !

1

Mijn\'

I

B:, b—,— ^ ^

• 1 • J

i1—_ F -1

•M ; :

ièi^=ë^É3EpÉd^|

gZ-01.-—□—#-#--m—l—amp;--m----1

I r I I I P i I

burg, mijn toe - vlucht in den nood. Den

I 1 ! I J ^ I I

c). é * J é. / J J

rn2\' - • ! :

r I p 1

^E^=$=gi=p[SEi|5=H=i

God van mijn be - trou - wen.

0 -* r-f-•

Fquot; T

P * ■-% ■ -H

--1—

h 41

1

Hij zal uit \'s vogelvangers net U veilig doen ontkomen.

2

U met zijn vleuglen dekken; Zijn waarheid u ten beukelaar En ter rondas verstrekken.

ocr page 391

Psalm 91.

3. De schrik des nachts doet u niet vliên, Waarvoor de boozen beven;

Geen pijlen hoeft gij \',5 daags t\' ontzien,

Die hevig om u zweven,

De pest, met welk een\' snellen spoed

Zij moog\' in \'t duistre waren.

Noch \'t streng verderf, dat \'s middags woedt,

Zal uwe ziel vervaren.

4. Gij zult, aan d\' een\' en d\' andre hand,

Tien duizenden zien vallen;

Terwijl gij, in genisten stand.

Bewaakt blijft boven allen.

Het dreigend leed vliegt u voorbij;

Alleenlijk zien uw oogen,

Hoe sohriklijk \'t loon der boozen zij,

Die d\' Almacht niet verhoogen.

Pauze.

5. Ik steun op God, mijn\' Toeverlaat!

Dies heb ik niets te vreezen.

Wie God vertrouwt, dien deert geen kwaad.

Uw tent zal veilig wezen;

Hij zal zijn Engelen gebiên,

Dat z\' u op weg bevrijden;

Gij zult hen, in gevaren, zien

Voor uw behoudnis strijden.

6. Zij zullen u, Gods gunstgenoot,

Naar \'s Huogsten welbehagen,

Opdat gij aan geen\' steen u stoot.

Op hunne handen dragen.

Gij zult op jonge leeuwen treên,

Op giftig\' adders stappen,

En, door gevaar noch vreez\' bestreên, Den leeuw en draak vertrappen.

369

24

ocr page 392

370 Psalm 92.

7. Dewijl ziju ziel Mij teêr bemint (Dus laat God zelf zich hooren),

Heb Ik voor hem, als voor mijn\' vrind, Een heilrijk lot beschoren;

Omdat hij mijnen naam erkent.

Zal hem mijn gunst verzeilen;

Ik zal hem redden uit d\' ellend\'.

En op een hoogte stellen.

8. Hij zal, in alle ramp en pijn,

Tot mij om uitkomst zuchten.

En ik gestadig bij hem zijn,

In al zijn ongenuohten.

\'t Gevaar zal ik hem doen ontvliên; Zijn levensdagen rekken;

\'k Zal hem mijn eer en heil doen zien, En nooit mijn hulp onttrekken.

Dorisch.

1.

-e--M

Psalm 92.

\\ \\ 1 -h

. -^4-.

t ^ 2 —p-

F^l

« —•

v2 H

i -f f—F-

T 1 1-J

1. Laat ons den rust-dug wij - den Met

I

^ i *

3.

■mm

. . . r i r i

paalmen, tot Gods eer. \'t Is goed, o Op-per-

^ i J J 4 i i j ^

r

ocr page 393

Psalm 92.

371

5.

je. - _L—«-

r

^ quot;4-

I i

lEEEt

1

r

heer! Dat w\'ons in U ver - blij-den; \'t Zij

g -

(i.

iH\'

d\' och - tand - stond, vol zoet - heid, Ons

I I J J

Ê^Ê

i

4=

i

r

r!

stelt uw gunst in \'t licht;\'t Zij ous de nacht be-

A l J „ l J i , , , ,

z£z

ffW

i

r

richt Van u - we trouw en goed - heid.

J i i J- J I J J

£

24*

ocr page 394

372

Psalm 92. Nieuwe melodie.

Psalm 92.

fcïEÖE 5-

1. Laat ons den rust-dag wij - den

II I *1 I

1

Met

mm

L

--U-1

m i B i

•quot;g?-

frr^

r r i r i

psal-men, tot Gods eer. \'t Is goed, o Op - per-

k

i

• ♦

\' \' I !1I,J

3

4rd=|;

J

^f=P=F=

,11 4.

^—a—g—i» i lt; r.

lil.

heei ! Dat w\'ons in U ver - blij

den; \'t Zij

I

mm

ii fi-

3E

quot;7 I r f

d\'och - tend-stond, vol zoet-heid, Ons

t

1 J—4- ^ ^ 1

£

m

ocr page 395

Psalm 92.

• TBT

T^f

1 | ^ r r r r ,

stelt uw gunst in \'t licht;\'t Zij ons de nacht be-

J J , i i i i J ♦ •

T-T

t

zé- ~ —^-

I I 1 I

richt Van u - we trouw en goed-heid.

jS

J J

2. \'t Voegt ons, met blijde klanken, Door \'t voorbedachte lied, Hem, die het al gebiedt,

Op harp en luit te danken. Gij hebt, door uw vermogeu, O Heer! mijn hart verheugd; Ik zal, verrukt van vreugd. Uw groote daan verhoogen.

3. Hoe groot zijn. Heer! uw werken! Hoe ver gaat uw beleid!

Gij stelt, met mogendheid, Elk deel zijn juiste perken. Een ziel, aan \'t stof gekluisterd, Beseft uw daden niet;

Geen dwaas weet, wat hij ziet; Zijn oordeel is verduisterd.

373

I

ocr page 396

Psalm (t2.

4. Dat Trij, als groene telgen, De booze welig groei\';

Gij zult, in zijnen bloei,

Voor eeuwig hem verdelgen.

Niets stelt U immer palen, Gij zijt de hoogst\' in macht; Gij zijt de Heer! Uw kracht Zal eeuwig zegepralen.

Pauze.

5. Wie U dnrft wederstreven. Wie onrecht durft begaan,

Zult Gij, o God! weerstaan. Verstrooien en doen sneven. Gij zult mijn eer vergrooten, Mij sterken in mijn\' stand; Ik ben door uwe hand

Met olie overgoten.

fl. Mijn oog zal hen aanschouwen, Die listig al mijn paan In \'t heimlijk gadeslaan. Mij telkens onrust brouwen; Ook zal mijn oor eens hoeren. Dat Gij de boozen straft,

Dat Gij mij wraak verschaft Van hen, die mij verstoren.

7. \'t Rechtvaardig volk zal bloeien, Gelijk op Libanon,

Bij \'t koestren van de zon. De palm en ceder groeien. Zij, die in \'t huis des Heeren, In \'t voorhof zijn geplant,

Zien door des Hoogsten hand Hunn\' wasdom steeds vermeêren.

374

ocr page 397

Psalm 9;i.

375

In hunne grij ie dagen Blijft hunne vreugd gewis; Zij zullen, groen en frisch, Gewenschte vruchten dragen, Om, met verheugde monden, Te roemen \'t recht mijns Gods. In Hem, mijn vaste rots, Is \'t onrecht nooit gevonden.

Hypo-Mixolydisch. Psalm 93. 1.

-J—4.

5 ?

P

1. De Heer re - geert! de

I

hoogste Ma - jes-

11.\'


-»■ — —

,,—•—•—•

^=1—-F—h

Hbe

P

r

teit, Be-kleed met sterkt\', omgord met heer-lij k-

I ! I I ! I I I I i

amp;

mmm

. . , !

P

r r

• — —

heid, He-vestigt d\'aard\',un houdt door zij - ne

J ^

Üi

I I I -0-#-#-

f=f:

2

ocr page 398

Psalm 9X

—1-!-J—

rm •quot;

-i

—^

V1

f

hand

1

—öquot;—

1

Dat

|

r r r

schoon ge - bouw

1 J J

-r

on-

J

—f

amp;

• *-p

N^if

-f1--

*-i-1=

(#=Éié=É3i^

w—p—r——f®-*-!®—

wan - kei - baar in stand. rv4 # J ^ -y—--

370

1

Uw macht is groot, uw trouw zal nooit vergaan! Al wat Gij ooit beloofd hebt zal bestaan.

De heiligheid is voor uw huis, o Heer!

Eeuw uit eeuw in, tot sieraad en tot eer!

ocr page 399

377

Phrygisch. 1.

-4-

Ü

r r r 1 r ^ r

1. Verschijn nu bl;n-kend, God der wra - ke!

Psalm 94.

I

I,. ! I I I I

3EE

r

eens uw arm voor ons ont-

I I A. J I g -

l1-

2-

f5?

Dat

g--*----1

r \'

I

p£

13\'-

T

i

—2-g-

T

I fS*

I !

wa - ke!

Sé

Ver - toon uw glans-rijk

I ! 1 I

* 4- * ^

s.

— SITZ

quot;f2Z

Tgt; r ^

r

Rechter, die de we-reld

• -0-

aan- ge-zicht!

I

i i J

J J „ I J III

=F=^

ocr page 400

Psalm 91.

W=-amp;—f r # r i-g—r-**-^—

i 1 i i i

richt, Sta op, ver-hef U, en ver-geld Hoo-

I 1 i , i 1 j ____e__0_y J_____|___,____* _____i

1 1

fi ^ 1 lt; vaar-di - gen hun trotsch ge - weid!

i j i i

378

iü

m

i i l_ -•- I i i ■

1. Ver-schijn nu blinkend. God der wra-ke!

Psalm 94. 1.

J2--

Nieuwe melodie.

ra.-.-Sd5^

4

f=F

Dat eens uw arm voor ons ont - wa - ke!

i

5: ji

ï__L—

ocr page 401

Psiilm 94.

379

|fc

Vertoon uw glansrijk aan - ge-zicht! Gij

e)

RT t»-=—Is-

1 1 g: :

^ 2

—egt;-

r-^-q

-t- tr:

^—r

- f-

5.

t

m--

r

Sta

Rech-ter, die de we - reld richt,

y r

fe=d;

^ J

^6

*

mm

op, ver - hef

I !

u? j2

en

ver - geld Hoo

I I


IÉE

-jtr

r—t—r

vaar - di - gen hun trotsch

J. ^ i = ^

$

ge - weid!

ocr page 402

Psiilin 94.

2. Hoelang, Heer! zullen dan de boozen, Hoe langen tijd de goddeloozen

Nog hupplen, vol van dartle vreugd, En laster braken op de deugd. En spreken, als in zegepraal.

Baldadig d\' allerhardste taal!

3. \'t Verbrijzeld volk, o Heer! moet bukken. Daar zij uw erfdeel wreed verdrukken.

De zwakke weêuw, van hulp ontbloot. Wordt met den vreemdeling gedood; Zelfs wordt d\' onnoozle wees vermoord; Naar recht noch reden wordt gehoord.

4. Zij zeggen, stout op hun vermogen: »De Heer slaat op ons doen geen oogen;

»De God van Jakob merkt het niet!» Let, onvernuftigen! en ziet;

Blijft g\' eeuwig van verstand beroofd. Gij dwazen! die het licht verdooft?

5. Zou dan de Schepper, die onz\' ooren Geplant heeft, zelf niet kunnen hooren?

Zou Hij, die \'t oog formeert, niet zien? Zoudt gij des Richters wraak ontvliên, Die volken straft, en wijsheid leert Den mensch, die wetenschap ontbeert?

Pauze.

C. Neen, dwaas! de Heer weet uw gedachtec. Dat z\' ijdel zijn bestuur verachten.

Welzalig is de man, o Heer!

Die door uw tucht en hemelleer Het nut der onderdrukking weet. En voordeel trekt zelfs uit het leed.

380

ocr page 403

Psalm 94.

7. Zoo leert hij zich geduldig dragen;

Zoo ziet bij \'t eind der kwade dagen;

Zoo wordt de roede zelfs gekust, En d\' onderwerping geeft hem rust; Totdat de kuil gegraven wordt,

Waarin de zondaar nederstort.

8. De Heer zal, in dit moeilijk leven,

Zijn volk en erfdeel nooit begeven.

Het oordeel keert, vol majesteit.

Haast weder tot gerechtigheid;

Al wie oprecht is van gemoed.

Die merkt het op, en keurt het goed.

9. Wie helpt mij tegen al de boezen? Wie wederstaat die goddeloozen?

Zoo mij de Heer, mijn schild en loon, Geen sterke bijstand had gebo6n, Dau waar\' mijn leven haast verkort. En ik bijna in \'t graf gestort.

10. Wanneer ik zei: »mijn voeten glijden;u Toen hebt Gij mij gesterkt in \'t lijden.

Wanneer mij \'t afgepeinsde hart Door al mijn denken werd verward. En ik in druk schier was gestikt.

Toen heeft uw troost mijn ziel verkwikt.

11. Zou ooit de stoel der schandlijkhetlen Bij uwen troon een plaats bekleeden.

Die moeit\' en wetten boos verdicht? Zij rotten saam, en, wTars van \'t licht. Verdrukken zij het vroom gemoed; Ja doemen zelfs \'t onschuldig bloed.

12. De Heer, mijn Bondgod, was voordezen,

Mijn hoog vertrek in al mijn vreezen.

Mijn steenrots en mijn toeverlaat. Hij straft de boozen, wreekt hun kwaad. En loont hun boosheid met den val; \'t Is God, die hen verdelgen zal.

381

ocr page 404

382

Psalm 95.

5

=1-;

t

=d=

-ÖZ

ï:

r i • t ^

1 ! 1 \' 111 1. Komt, laat ons sa-men Is - reis Heer, Den

„___j____|__i__|__|____|_,___|_ I

Ü

Doriscli. ).

m

T 3

-4-

m

Met

f=^r=f:

rotssteen van ons heil, met eer,

i=Ë^

i f .

ü

B

r

god-ge-wij-denzang ont

i J , I 1 I — — — 0 é_i.

moe - ten!

I

Laat

i \'

is

r

1

Met

I

-9—f-

ÖEEÏ

If-

ons zijn gunstrijk aan - ge - zicht.

l

MÉ

ocr page 405

Psalm 95.

i I r 1 ! I I

een ver-he-ven lof - ge - dicht En

I i i I Ci-d- J !

rtrrrW - .1

i I \' I

Psalm 95. Nieuwe melodie.

i I 1 1 I i i I f

1. Komt, Iaat ons sa-men Is - reis Heer, Den

| i I \' \' 1 I \'

rots-steen van ons heil, met eer, Met god - ge-

. I i J I. I I III

383

ocr page 406

384 Psalm 95.

wij -den zang ont-moe-ten! Laat ons zijn gunstrijk

kf::f *\' \' ; \' ]

^ O

I

ftquot;

1 1

?ÜF—

1 1

U^J

\\-^A

aan - ge - zicht, Met een ver - lie-ven lol-gc-

i J i i 1 1 11 !

s^Èzt^sr. -- i . -? i ^ g\'-j

ii i r ■ r

/ \'1 - .j-----, i|

_p_ __.^1I|—:-i . ^ ri-pu^ty-a

dicht En blij -de psal-men, juichend groe - ten!

^•■fiTTTTrffi%i

2. De Heer is groot, een heerlijk God,

Een Koning, die het zaligst lot.

Ver boven alle goon. kan schenken.

Het diepst van \'s aardrijks ingewand.

Het hoogst gebergt\' is in zijn hand;

\'t Is al gehoorzaam op zijn wenken.

ocr page 407

Psalm 95.

3. Zijn\' is de zee; z\' is coor zijn kracht Met al het drooge voortgebracht;

\'t Moet alles naar zijn wetten hooren. Komt, buigen w\' ons dan biddend neêr! Komt, laat ons knielen voor den Heer! Die ons gemaakt heeft en verkoren!

4. Want Hij is onze God, en wij Zijn \'t volk van zijne heerschappij. De schapen, die zijn hand wil weiden. Zoo gij zijn stem dan heden hoort, Gelooft zijn heil- en troostrijk woord; Verhardt u niet, maar Liat u leiden.

5. Verhardt u niet; neemt zijn gena Ootmoedig aan. Laat Meriba,

Laat Massa u ten afschrikk\' wezen,

Waar \'k door uw vaders ben verzocht. Toen alles, wat mijn almacht wrocht, Hen niet bewoog, om mij te vreezen.

6. \'k Heb aan dit volk, dat mij vergat, Een\' langen tijd verdriet gehad.

Ja, veertig jaar hunn\' hoon verdragen, En zei; »dit volk, dat steeds mij sart, «Heeft een verdwaasd en dwalend hart; »\'t Schopt in mijn wegen geen behagen.quot;

7. Dies heb Ik, door hun tergend kwaad

Op \'t hoogst vergramd, dit volk versmaad. En met een duren eed gezworen: Dat, wegens zijn geschonden trouw. Het nooit mijn rast genieten zou,

Die voor mijn volk nog blijft beschoren!

25

385

ocr page 408

386

Psalm 96.

zsb

3

■ir

\\ i r i f r r ¥

Zing, aar-de! zing dien God ter te

J _J_ I ! J i J J

g

-4---3

^Jr

m

i

stöEEJ:

r r

hart en

mond; - 1

)•

^2-

:k

f f r r r

Looft \'s Hee - ren naam met

2 «

I

|

1

—j=J

Dat •ó-

I { i i i i I

Vermeldt zijn heil op\'t we-reld - rond.

pE^EÉjE

ocr page 409

Psalm 96.

dag aan dng zijn roem ver - meê - re.

I I I | i I | • J , ] j b* J i

--1 I ----p±=p=-^---it-

2. Nu moet uw tong de heiduen nooden;

Meldt allen volkun zijn geboden;

Vertelt zijn wondren en zijn eer;

Groot en prijswaardig is de lieer, En vreeslijk Loven al do goden.

3. Al d\' afgoön zijn slechts ijdellieden;

Maar God, die van ons wordt beleden,

Is \'t, die de heemlen heeft gesticht,

En voor zijn godlijk aangezicht Zet eer met majesteit haar treden.

4. Hoe blinkt het alles door vertooning Van sterkt\' en sieraad in zijn woning!

Geef dan, o allerlei geslacht!

Den roem van heerlijkheid en kracht Aan Isrels grooten God en Koning!

Pauze.

5. Geeft d\' eer aan \'t eeuwig Opperwezen!

Zijn naam wordt nooit genoeg geprezen.

Verheft zijn deugden, blij te moê;

Brengt in zijn huis Hem offer toe.

Hem, dien de volken moeten vreezen!

6. Aanbidt Hem needrig al uw leven,

Hem, die, in \'t heiligdom verheven,

Een godlijk licht van zich verspreidt.

Leer, aarde! voor zijn majesteit,

Leer voor zijn aangezichte beven!

387

25*

ocr page 410

Psalm 97.

7. Zegt, om de heidnen te vellichten:

De Heer regeert, die d\' aard\' wou stichten; Dies zij, bevestigd t\' allen stond,

Nooit wanklen zal op haren grond; 11 ij zal naar \'t recht de volken richten.

8. Dat zich de hemelen verblijden;

Verheugd zij d\' aard\' aan alle zijden;

Verheugd de volheid van de zee; Het veld spring\' op met al het vee, En \'t woud moet juichend God belijden,

9. \'t Juich al voor \'t aangezicht des Heeron! Hij komt, die d\' aarde zal regeeren

En richten vol van majesteit! De wereld zal gerechtigheid. Het menschdom zijne waarheid eeren.

388

Psalm 97.

Jonisch. 1.

2.

Pi

--—

T

1. God heerscht als

I I I

JZ JL .t

Op - per - heer; Dat

ÊÜÜ

-1=

\'f r~T i i iir

elk Hem juichend eer\'! Gij, aarde, zee en

2

libp

ocr page 411

4.

Psalm 97.

389

-r-

oi - land, Verheugt u in uw\' Hei-land!

T;

i

r

r

i

i

I

I

J

3IÖ:

i=

m

=igt;

I \' i I I Hem dekt met ma - jes

teit

Der

quot;i—

r

1 I

I

Hij ves-tigt zij-neu

3r.

i

-2

-1—

• ♦li

li 1 \' wol-ken don-ker - heid;

-J-

: ^ -

l=BÈ.

8.

i

-s^.:

r

troon Op heil - ge rijks - ge - boön, Vol

_lt;5L.

-i

ocr page 412

390 Psalm 97.

i 1 i ! fquot;

\' recht eu wijs be - leid.

. J J j j.i ^

m - i ■\' .\'h -

2. Een vuurgloed gaat Hem voor, Den ganschen hemel door,

En blaakt aan alle zijden Hen, die zijn macht bestrijden. Zijn felle bliksemschicht Snelt door al \'t zwerk, verlicht Den ganschen wereldkloot; Het aardrijk ziet zijn\' noud. En ijst, en beeft, en zwicht.

3. \'t Gebergte smelt als was. En wordt geheel tot asch Voor \'t aangezicht des Heeren, Wien al wat leeft moet eeren. \'t Verbaasde hemelrond Meldt in dien naren stond Zijn billijkheid en macht;

De volken zien zijn kracht Up \'s aardrijks ruimen grond.

Pauze.

-1. Dat ieder schaamrood zij. Die, onbeschroomd en vrij, Een beeld durft eer bewijzen. En nietig\' afgoón prijzen. Den waren God ten hoon.

I

ocr page 413

PsUm 97.

Knielt voor Hem, al gij goón! Zwicht voor den Opperheer! Buigt u met ootmoed noêr Voor zijn geduehten troon!

5. Ganseh Zion was verheugd, En juicht\', o Heer! van vreugd, Met Judaaa dochtrenschuren, Wanneer \'t de blijde maren Uws oordeels had gehoord; Want Gij heerscht ongestoord. En toont uw macht alom. Ver boven \'t godendom,

\'t Welk siddert voor uw woord.

6. Beminnaars van den Heer! Verbreiders van zijn eer! Hoopt steeds op zijn genade, En haat altoos het kwade. Hij, die in tegenspoed Zijn gunstgenooten hoedt. Verleent hun onderstand. En redt z\' uit \'e boozen hand, Die op hun onschuld woedt.

7. Gods vriendlijk aangezicht Heeft vroolijkheid en licht.

Voor all\' oprechte harten, Ten troost verspreid in smarten. Juicht, vromen! om uw lot; Verblijdt u steeds in God! Eoemt, roemt zijn heiligheid! Zoo word\' zijn lof verbreid Voor al dit heilgenot.

391

ocr page 414

392

Hypo-Jonisch. ii 1.

Psalm 98.

—i—i-

-1—D

r-£—g—rj

r-JL—i

~p ^ I I

- ^

r

1. Zingt, zingt eon nieuw ge-zang den Hee-re,

I

i

_s?r

2. ,

; . • i

—•--«----«-L_-

_l---p__

Dien groo-ten God, die won - dren

III I -IJ

4=

Pi=

3.

-2 ---

r~r-

r

1 r

ee - re.

deed! Zijn rech-terhand vol sterkt\'en

quot; : r

PiË

i

^E=^Z

t——^r-

I

Zijn hei-lig\'arm wrochtheilna ieed. Dat

4-

i

J

ocr page 415

Psalm 98.

393

ran

I .......

heil heeft God nu doenver - kou-den;

r-rr rrrrr r

Nu

I I

W-------72

I

=t=

i

—g:

_r_.

I

^=2

li

i f r f ^ r r r

heeft Hij zijn ge - rech-tig - heid, Zoo

4::

I

I

•K \'

e-

t):

—O—

frTT

vlek-ke-loos en on - ge - schon-den,

\' \' I I

- J

-J-

t

r » f -s- r \' I0quot;quot;

1 i r r 1 i i

\'t hei - deu-dom ten toon ge-spreid.

1 1 i J - J rX

i

~p Voor

TIET

ocr page 416

394 Psalm 99.

2. Hij heeft gedacht aan zijn genade,

Zijn trouw aan Isrel nooit gekrenkt; Dit slaan al \'s aardrijks einden gade,

Nu onze God zijn heil ons schenkt.

Juich dan den Heer\' met blijde galmen.

Gij gansche wereld! juich van vreugd;

Zing vroolijk in verheven psalmen

Het heil, dat d\' aard\' in \'t rond verheugt!

3. Doe bij uw harp de psalmen hooren;

Uw juichstem geev\' den Heere dunk!

Laat klinken, door uw tempelkoren.

Trompetten en bazuingeklank!

Dat \'s Heeren huis van vreugde druische,

Voor Isrels grooten Opperheer;

De zee met hare volheid bruise;

De gansche wereld geev\' Hem eer!

4. Laat al de stroomen vroolijk zingen,

Do handen klappen naar omhoog; \'t Gebergte, vol van vreugde, springen En hupplen voor des Heeren oog!

Hij komt. Hij komt om d\' aard\' te richten.

De wereld in gerechtigheid;

Al \'t volk, daar \'t wreed geweld moet zwichten. Wordt in rechtmatigheid geleid.

Psalm 99.

II 2.

Qe

=fY=rfzt-r-j^ .

1. God, de Heer, regeert! Beeft gij vol-ken! eert,

Hypo-Joniach. 1.

i

ocr page 417

Psalm 99.

I r r r r

Eert zijn hoog bestel, Die bij

J J I IJ I ,

----w-wn~w~—o—-—

•-r

4.

395

i

--o-----J

I

ra

- ëi

Is

-P-

r

o- i I ii ___

-7-r^~r 7 r-f—r-ff-

Tns-schen Che-rubs woont, En zijn groot-lieid

nT—J—I -I J,-I « M \'

Dat zichd\'aard\'be-Ave - ge; Hij is

___I__i I_1 _L ! ! I

------

i

r

Is-rels ze - ge.

I 1 !

-F

i

ocr page 418

Psalm 99.

2. God, die helpt in nood,

Is in Zion groot;

Aller volken macht Kiets bij Hem geacht!

Buigt u dan in \'t stof. En verheft met lof,

\'t Heilig Opperwezen;

Wilt het eenwig vreezen.

3. Looft met hart en stem. Looft de kracht van Hem, Die het recht bemint

In zijn rijksbewind!

\'t Recht hebt Gij gestaafd; \'t Geen G\' aan Jakob gaaft, Toond\' aan Isrels leden Recht en billijkheden.

4. Roemt nu onzen God; Knielt, op zijn gebod.

Voor zijn voetbank neêr. Heilig is de Heer

Op zijn\' hoogen troon! Amrams groote zoon En zijn broeder waren Bij zijn priesterscharen.

Pauze.

5. Ook was Samuël,

Op Gods hoog bevel. Biddend voor zijn volk. Als een hemel tolk;

Hij en andren meer Riepen tot den Heer, Die met gunstig\' ooren, Hun geroep wou hoeren.

396

ocr page 419

Psalm 100.

6. Uit zijn heiligdom,

In een wolkkolom,

Heeft Hij zijne wet Bij hen ingezet,

Die door \'s Heeren kracht. Van hen werd volbracht, \'t Nakroost der Hebreeuwen Volge dit all\' eeuwen!

7. Gij, met hen begaan,

Hebt hunn\' wensch voldaan; Heer! die naar nw woord Hun gebed verhoort.

Gij, Gij waart hun lot. Hun vergevend God;

Schoon z\' ook om him zonden Straffen ondervonden.

8. Geeft dan eeuwig\' eer Onzen God en Heer!

Klimt op Zion, toont Eerbied, daar Hij woont.

Daar zijn heiligheid Haren glans verspreidt;

Heilig toch en t\' eeren Is de Heer der heeren!

397

Psalm 100.

ocr page 420

=33

Psalm 100.

4i

\' i i • i r

■pil 1 | !

398

i

God met blijd-schap, geeft Hem eer. Komt,

1

-J-

a

r

I

Zingt

I

|

I

i

1

na - dert voor zijn aan - ge-zioht,

|

t»-

IP

y # - ■-----------: -

lt;^r • - * - ^

--1--1---

—#-J------J—

iaz--0-^--^y.J

^ f 1 1 1

Hem een vroo - lijk

1 , 1 1 } J a

—0--5--1

1 r r

lof - ge - dicht.

^ J |[J

.v S * —

2_k—r—

-r—F—Y~

Psalm 100.

#4=^

2.

I

i

{Melodie van Psalm 134.)

PÜ

rrry

i i

1. Juich, aar-de! juicht al - om den Heer\'! Dient

J J J i i i lt; i

•gt;» 2

i

i3

it

ocr page 421

Psalm 100.

399

f—r

eer. Komt,

r

T

God met blijd-schap, geeft Hem

±: ^

I

I

T^r

4.

2 «

i r r r r r r r

na - dert voor zijn aan - ge - zicht,

Zingt

---J

dL

J I

quot;È—•

2. De Heer is God! erkent, dat Hij Oqs heeft gemaakt (en geenszins wij) Tot schapen, die Hij voedt en weidt, Een volk, tot zijne dienst bereid.

3. Gaat tot zijn poorten in met lof. Met lofzang in zijn heilig hof;

Looft Hem aldaar met hart en stem; Prijst zijnen naam; verheerlijkt Hem!

ocr page 422

Psalm 101.

4. Want goedertieren is de Heer!

Zijn goedheid eindigt nimmermeer;

Zijn trouw cn waarheid houdt haar kracht, Tot in het laatste nageslacht.

400

Psalm 101.

=.J_

din - gen,

I I

rS .-fc—g--amp; quot;I -gg

Een S3

1 1 I

psalm - ge - zang,

I I I

m--m amp;—

r

O


ocr page 423

Psalm 101.

401

4.

I i

hoog-ge-ducli-te Heer! Uw\' naam tor eer.

ri-g:: —r-

X \'

a=g-

2..

-rr

v~J--a----

1

■fs ~|

2 \' . - ^

2 ^ *

1=^4

2. \'k Zal met verstand den weg lietreên der vromen. Wanneer zult Gij, mijn Bondgod! tot mij komen? Ik zal doen zien in al mijn liuisbeleid

D\' oprechtighcid.

3. \'k Zal met vermaak naar \'t kwaad niet overhellen, Geen godloos stuk mij zelv\' voor oogen stellen.

Ik haat het doen der sehendren uwer wet,

Eu schuw die smet.

4. \'t Verkeerde hart, in wien \'t mij ook moog\' blijken, Zal uit mijn huis en van mijn\' omgang wijken;

Mijn gunst zal hen, die booze wegen gaan.

Nooit gadeslaan.

5. \'k Zal over hem, die achterklapt, mij belgen; Den lasteraar zijns yrienda zal ik verdelgen; Die, trotsch van hart, met nijdig\' oogen ziet

Verdraag ik niet.

0. Ik sla, op die getrouw in \'t land zijn, d\' oogen; Ik zal in eer hen aan mijn zij\' verhoogen,

En doen hem, die in \'t spoor der deugd zal treên. Mijn dienst bekleen.

7. Maar elk, die snood, door listige bedrijven,

Zijn voordeel zoekt, zal in mijn huis niet blijven; Geen leugenaar, die waarheid stout verband.

Houdt bij mij stand.

26

ocr page 424

Psalm 102.

402

8. Ik zal mijn wraak godloozen leder\' morgen Gevoelen doen, en \'t recht zijn klom bezorgen, Om in de stad des Heeren niet te voên.

Die \'t kwade doen.

amp; ;

Psalm 102.

Phrygisch. 1.

\'Imiifei

rr-r-r

1. Hoor, o Heer! ver - hoor mijn smee-ken;

I I I , J. li

-■2

m

i

i

=i=

1 r

bre - ken;

I I

-r i f—r

Laat m\'uw\' bij-stand niot ont

^ • i i J

Z221

n f7 r

*

4.

I

==5=4

r r

Daar Gij

r-f—r^r

i

r r

Ai! ver - acht mijn tra - nen niet,

:_^z

rr

r «

i

2

ocr page 425

Psalm 102.

fe—g-*---

I - i ff quot;ff

lt; al mijn ang - sten ziet Als ik,

(£ \' : li\'3quot;\' j j 1

^ f i r r f i i r

in be - nauw-de da - gen, U, mijn

I I !

li11 J «

i r t

---j-n--g----1- 3 quot;i---_:; 2 quot; | —

filZ--«---•------«------Ö-----------—f2--

r r r r ^ r ri

God, mijn leod moet kla - gen. Wil dan

1 I I I 1 1 \' i

WÉ • • ::3 : ^ - i2 ^ quot; I

i

403

5F—i —j ! —!

. --j-|-

farJ -1 -•

-H —--^ -

—i?—j;—

r r r r

spoe - dig U ont

1 1 1 • • »

r f

- fer - men,

|

1 i

Wil mij,

| i agt;

amp; c

.

P \' \'

-iï—--

fS-

- -2—p—

20*

ocr page 426

404 Psalm 102.

^ r I r r r-r r

lt; door uw macht be - scher-men!

~ J ^--—T---|tJ ||

gLr^z^- -4^r—r~—-=4^

—I—I—r—r1—1---^--

i

2. Want mijn leeftijd is door weenen, Als een ijdle rook, verdwenen;

Mijn gebeent\', in droeven stand, Als een haardstee uitgebrand. Mijne ziel, door rouw bezweken, Kwijnt als \'t gras in dorre streken; \'k Heb in mijn ellend\' vergeten Mijn gewone spijzen t\' eten.

3. \'k Voel de krachten mij begeven,

\'t Vleesch aan mijn gebeente kleven. Wegens mijn benauwde klacht, Die ik uitstort dag en nacht. Ik gelijk, in \'t eenzaam kwijnen. Aan den roerdomp der woestijnen, Aan den steenuil in de wouden.

Daar geen menschen zich onthouden.

4. \'k Slijt den nacht in eenzaam waken, Als een muschj\' op stille daken;

Daar mijn wreevle vijand raast, En door hoon mijn ziel verbaast. Zij, die mijn bederf betrachten, Mij den ganschen dag verachten, Mij in \'t openbaar onteeren.

Durven roekloos bij mij zweren.

ocr page 427

Psalm 102.

Eerste Pauze.

5. D\' asch verstrekt mijn kwijnend harte Thans tot brood in zooveel smarte;

Daar ik mijnen drank vermeng Met de tranen, die ik pleng.

Heer! uw gunst had mij verheven; Maar nu mij uw toorn doet beven, Zie ik mij van glans ontblooten,

Mij in \'t stof terneêrgestooten.

6. \'k Zie in rouw en ongenugten Al mijn dagen mij ontvluchten,

Als een schaduw, die verdwijnt; Ik verdor als \'t gras, dat kwijnt. Maar Gij, Heer! zult eeuwig blijven; Eeuwig zal uw roem beklijven;

En uw naam blijft in gedachten Tot de laatste nageslachten!

7. Gij zult opstaan, ons beschermen,

Over Zion U ontfermen;

Want de tijd, uw stad voorspeld, Aan haar leed ten perk gesteld. Die zoo lang gewenschte dagen Van uw gunstrijk welbehagen Zijn, o God! in \'t eind geboren; Gij, Gij zult haar klacht verhooren!

8. Reeds verlangen uwe knechten Hare steenen op te rechten;

Elk heeft deernis met haar gruis; Elk toont ijver voor Gods huis. Albestierend Opperwezen!

Dan zal \'t heidendom U vreezen; Al de vorsten, neergebogen.

Doen dan huid\' aan uw vermogen.

405

ocr page 428

Psalm 102.

9. Als, voor \'t oog der nageburen,

Gods ontferming Zions muren

Weêr zal hebben opgebouwd, En \'t zijn lieerlijklmid aanschouwt Al zijn goedlieid op de klachten Des verdrukten en verachten Letten zal, en \'t onheil weren;

Dan zal elk Hem juichend eeren!

Tweede Pauze.

10. Dan, dan wordt Gods trouw verheven. En zijn dierbre gunst beschreven

Voor het dankbaar nageslacht. Dat niet lust zijn wet betracht, \'t Volk, in later eeuw geboren.

Zal zijn macht en goedheid hooren; Zich in zijnen roem verblijden, Hem zijn lofgezangen wijden.

11. \'t Zal met blij gejuich Hem loven. Die, uit zijn paleis van boven,

Isruls leed en ongeval Eens in gunst beschouwen zal, En gevangnen in hun zuchten Hooien, als zij tot Hem vluchten; Om hen uit de wreede kaken Van den dood eens los te maken.

12. Dus zij \'s Heeren naam geprezen. En in Zion eer bewezen;

Dus hoor\' elk de vreugdestem In het blij Jeruzalem;

Als de volken saam vergaren.

Zich met \'s Heeren erfvolk paren; Als de koningen zich buigen,

En hem hun ontzag betuigen.

406

ocr page 429

Psalm 102.

Derde Pauze.

13. Ach! de Heer heeft mij doen bukken, Voor \'t gewicht der ongelukken;

Ja, mijn\' levenstijd verkort, Mij met rampen overstort.

\'k Riep: o God, mijn welbehagen! Spaar m\' in \'t midden van mijn dagen! Gij, door eeuw noch tijd te krenken. Kunt mij hulp en uitkomst schenken.

14. \'t Aardrijk en de hemelbogen Ziju gewrocht door uw vermogen;

Allen zijn z\', in hun verband, \'t Kunststuk van uw wijze hand. Doch, hoe duurzaam zij ook schijnen, Eens zal al hun glans verdwijnen;

Maar, schoon \'t alles om zal keeren. Gij blijft staand\', o Heer der heeren!

15. Als een kleed zal \'t al verouden;

Niets kan hier zijn\' stand behouden;

Wat uit stof is, neemt een end Door den tijd, die alles schendt. Maar Gij hebt, o Opperwezen!

Nooit verandering te vreezen;

Gij, die d\' eeuwen acht als uren.

Zult all\' eeuwigheid verduren.

16. Uwer knechten trouwe zonen Zullen altoos bij U wonen;

Ja, bevestigd in hunn\' staat.

Voor uw aanschijn, met hun zaad. Uwen naam ter eere leven.

Zij, van smart en smaad ontheven, Blijven aan uw dienst geheiligd.

Daar uw goedheid hen beveiligd.

407

ocr page 430

408

Hypo-Mixolydisch. Psalm 103

^ 1=^ \'

-J-

-f—r

1. Louf, loof den Heer, mijn i ^ ^

1 i I I

ziel!met al - le

- quot;f I J


2.

__sL

-•5—

I

Ver

1

^ quot;

|

I

krach-ten;

0 O O\'

1 i i I

hef zijn\' naam, zoo

Jii!

IZ51—

ï

Ü

ËÜt

tr i i

, , li r ^ 1

groot, zoo hei - lig t\' ach-ten. Och of nu

JS. ^ ^

J

^1^-2—■

I

EÖ^EÉEÖ

ÖÈ

4.

3

T

al, wat in mij is. Hem

I I i I 1 I

i

1

preez I

5r

Loof,

^ i Ü. X J

^—

—1-

ocr page 431

Psalm 103. 409

^ i 1 r r i i f f

loof mijn ziel! den Hoorder der ge - be - den;

-¥=amp;T „ ^Tquot; Tquot; T-

; 1 1—t-J-

i -H-a--.--?-quot;Z? z y-gt;-•-

tr £

Ver

1

---F-j--Ö,-J

r i 1 i

- geet nooit één van

1 J

J \' f, 5r

F r r i

zijn wel-da - dig-

I I !

•.♦•LI

----•--,

-»-F—r T r

=^==3EÊ=b=EÊE=EE=B=È^E=^EE^^3

I

^—r^T=^E=f^T^r3

he - den! Ver - geet ze niet; \'tis

1 I 1 J J i J

_-£________«: ^___________S______^ r ____«?__,

ocr page 432

410 Psalm 103.

Psalm 103. Nieuwe melodie.

^ 1 I f f I l ^ P

\' 1. Loof, loof den Heer, mijn ziel met al - le S-p^-- ■===ZÉZZ=n^^-r3^—g\'===^=

i=2fcz^=yz^3=ÈEB=sa

^ | l\'gl^-HT J ^N-^,-H---

#=f=r=ppPf^^Ff=p

krachten; Verhef zijn\'naam, zoo groot, zoo hei - lig

pT^^—^E^=:[===

r-r^i g ^

t\' ach-ten. Och of nu al, wat in mij is, Hem jl\' ^ pe*. f e(*-* ?/ quot;-41 ^fVquot; ;!quot;—

^ i^[ j j1 I quot;si *1quot;^ * ^ quot;1

.E=p=ËÉ=iM

jS ^

^ I ±^5 -g-*±^ _m P—~:r.

f 1 1 ni P

preez\'! Loof, loof mijn zieüden Hoor-der . der se-Xi -ü»**, *lt;*r**T\'\'zrr

__lt;5_S é-* — ■» J b».__é_j___-*:__

—^[Zl-^±hig=i^^ïEF—i 11 -U-—

ocr page 433

Psalm 103.

* i ^ i r ^ r ^ ^ T i

be -cLen; Vergeet nooit één v:m zijn wel - da - dig-

gg^=g^;|:g^gi^i^ipj

he-den! Ver-geet ze niet;\'tis God, die z\'u be-wees!

♦ ^\' I J 1 J i T iS gt; i :,: f :;»■: ; ;i^|

I

2. Loof Hem, die u, al wat gij hebt misdreven,

Hoeveel het zij, genadig wil vergeven;

Uw krankheêa kent en liefderijk geneest; Die van \'t verderf uw leven wil versehoonen. Met goedheid en barmhartigheên u kronen;

Die in den nood uw redder is geweest.

3. Loof Hem, die u vergunt uw zielsverlangen, En \'t goede tot verzading doet ontvangen;

Uw jeugd vernieuwt, gelijk eens arends jeugd. De Heer doet recht, is heilig in zijn richten;

Treft iemand druk. Hij wil den druk verlichten, En hart en mond vervullen met zijn vreugd.

4 Hij heeft voorheen aan Mozes zijne wegen. Aan Isrels zaad, tot hun behoud genegen.

Zijn daan getoond, en trouwlijk hen geleid. Barmhartig is de Heer en zeer genadig;

Schoon zwaar getergd, lankmoedig en weldadig: De Heer is groot van goedertierenheid!

411

ocr page 434

Psalm 103.

5. Hij zal zijn volk niet eindeloos kastijden,

Noch eeuwiglljk zijn gramschap ons doen lijden;

Hij is het, die ons zijne vriendschap biedt. Hij handelt nooit met ons naar onze zonden; Hoe zwaar, hoelang wij ook zijn wetten schonden; Hij straft ons, maar naar onze zonden niet.

6. Zoo hoog zijn troon moog\' boven d\' aarde wezen, Zoo groot is ook voor allen, die Hem vreezen.

De gunst, waarmee Hij hen wil gadeslaan.

Zoover het west verwijderd is van \'t oosten.

Zoover heeft Hij, om onze ziel te troosten,

Van ons de schuld en zonden weggedaan.

Pauze.

7. Geen vader sloeg, met grooter mededoogen, Op teeder kroost ooit zijn ontfermend\' oogen.

Dan Isrels Heer op ieder, die Hem vreest. Hij weet, wat van zijn maaksel zij te wachten; Hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten. En dat wij stof, van jongs af, zijn geweest.

8. Gelijk het gras is ons kortstondig leven,

Gelijk een bloem, die, op het veld verheven.

Wel sierlijk pronkt, maar krachtloos is en teêr; Wanneer de wind zich over \'t land laat hooren. Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren; Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.

9. Maar \'s Heeren gunst zal over die Hem vreezeu, In eeuwigheid altoos dezelfde wezen;

Zijn trouw rust zelfs op \'t late nageslacht. Dat zijn verbond niet trouweloos wil schenden, Noch van zijn wet afkeerig d\' ooren wenden,

Maar die, naar eisch van Gods verbond, betracht.

412

ocr page 435

Psalm 104.

lü. De Heer heeft zich, als d\' allerhoogste Koning, Een\' troon gevest in zijne hemelwoning;

Zijn koninkrijk heerscht over \'t wereldrond. Looft, looft don Heer, gij zijne legermachten! Gij Englen, die Hem dient met heldenkrachten! En vaardig past op \'t woord van zijnen mond.

11. Looft, looft dun Heer, gij zijne legerscharen!

Wier lust het is op zijnen wenk te staren.

Dat hemel, aard\' en zee, en berg, en dal. Hoever men ook zijn\' schepter ziet regeeren, Nu zijnon naam en groote deugden eeren!

En gij, mijn ziel! loof gij Hem bovenal!

Dorisch. Psalm lOi.

i.

413

V a

1

1. Wa

\'Y .. ^

1 g r

ak op mijn

1 ! —i—-5--r9—

1 r

ziel! loof

-J—d-

^-p=ÏE

r r ^ r

d\'Op-per - ma - jes-

quot; *

ocr page 436

3.

Psalm 104.

414

luis - ter - rij - ko

i r r r i f

hi.id, Ge-dnch-te Uod! al

.1

-1-

-Q.—L--

P

. . I

stra-len! Zij baart ont-zag door al de he-mei-

if;: i

pü

i-J.

i

IS- ri

2z=^

TW

f -f

I

I

j

z-ÉzjzZ:

laatste vers. O. i

li

—r -J2I

1---r~

I

liet

i

ien.

— —r

blin-keud licht be-

I , I ■e-

~Sl~

m\\*. : r n

6.

■s—2-—

1

irj;

! 1 1 1 i ! I I 1 I

dekt U als een kleed; De he-mol. dien GT a Is

__J J J nj J , : I\' i J

i

■—h

r

ocr page 437

7.

Psalm 104.

^ 2 J J 1 1

•, . -i- ^ j-jd

1 1 1 1 een gordijn ver

^ ^ -J J.

gt;• ^ ^

Â¥ r

- breedt. En

r -J-,

1 1 1 1 uitspant voor uw

1 J 1 ^ ; : g-

-V---ij--J-J-0-0-

—1 1

--1-

fa - 0 , »

^ —r f—f_ r-

god - de - lij - ke

| j

_ ^ J J ^

L!f--^

wo - ning,

i

M

— — ^

1

Ver-

4

-n---•------—^---i---

fc-t-r—^—p—,-te—L-

i iTi r r f r ff f

bergt voor d\'aard\'uw prachtig-ste ver - too-ning.

R: o •

lt;3 amp;

-0--

--1-i-j

^3 —•

Vr-5-f-#-

--

---}-

^ ^—4 i-

2. Gij zoldert in de waatren uwen troon.

De wolken, steeds gereed op uw geboón, Op \'t hoogst vereerd, dat zij haar\' Koning dragen. Verstrekken U als tot een\' zegewagen.

Gij wandelt op de vleugion van den wind.

Dien Gr\', als \'t heelal, aan uwen dienst verbindt. Een geestenheir maakt Gij uw afgezanten; Een vlammend vuur uw trouwe rijkstrawanten.

415

ocr page 438

Psalm 104.

3. Uw wonderkracht heeft, in den morgenstond Des vluggen tijds, deez\' aarde vast gegrond.

Wat in haar\' kreits ooit wanklen moog\' of wijken, Zij zal, door U gevestigd, nooit bezwijken.

Zij, die ten blijk van uwe macht verstrekt. Was eertijds met den afgrond overdekt Als met een kleed; de hoogte van de golven Hield al \'t gebergt in \'t grondloos diep bedolven.

4. De Godheid sprak en donderd\' in de lucht!

De woeste zee, verschrikt door \'t sterk gerucht. Vlood haastig heen naar \'t perk, haar aangewezen. Het log gevaart\' der bergen, opgerezen.

Vertoonde \'t eerst zijn\' korts onzichtbren top. En hief alom de fiere kruinen op.

\'t Onte baar tal van vruchtbre dalen daalde Te juister plaats, die Gods bevel bepaalde.

Eerste Pauze.

5. D\' ontembre zee houdt stand, waar \'t God gebiedt; Zij overschrijdt de vaste stranden niet;

Zij ziet haar macht door hooger macht betoomen, En zal deez\' aard\' nooit weder overstroomen.

Gods goedheid zendt de koele bronnen uit; Zij wandelen, met ruisehend stroomgeluid. De bergen om, en dwalen, en verspreien Zich wijd en zijd door beemden en valleien.

6. Het nuttig vee en \'t roofziek boschgediert\',

Zelfs d\' ezel, die door woeste wouden zwiert, Die, ongetemd, zich kreunt aan juk noch koorden. Vindt lafenis aan hare frissche boorden.

\'t Gevogelte, dat in zijn snelle vlucht De vlerken klapt, en opstijgt naar de lacht.

Of uit het loof zijn schelle stem laat hooren,

Heeft aan haar\' zoom zijn woningen verkoren.

ocr page 439

Psalm 104.

7. \'t Is God, wiens hand de bergen water schenkt, Den droogen grond uit zijnen hemel drenkt; Den regen geeft uit zijne hooge zalen,

En vruchtbaarheid doet zweven in de dalen. Dan schiet voor \'t vee de teedre grasscheut uit; Tot \'s menschen dienst ontluikt dan \'t geurig kruid; Dan spruit het brood, nog in den halm besloten, Uit d\' aarde voort, door milden dauw begoten.

8. God geeft den wijn, tot vreugd voor \'t hart bereid. En d\' olie, die een\' glans op \'t aanschijn spreidt, En \'t lieflijk brood, dat onze kracht moet voeden; Hij wil ons dus verkwikken en behoeden.

\'t Is God alleen, die door zijn sterke hand Den Libanon met cederen beplant;

\'t Geboomte voedt en kracht schenkt onder \'t kweeken, Aan \'t lommrig woud, aan schaduwrijke streken.

9. Het vogeltje vindt schuilplaats in hun loof, En vormt zijn nestj\' uit zijn\' vergaarden roof; De dennen zijn, daar z\' opgaan als pilaren, Het steil verblijf der kleppend\' ooievaren.

De steenbok springt en klautert, van den top Des heuvels, tot den kruin der bergen op;

De hooge rots houdt, in verborgen holen.

Het schuw konijn voor ons gezicht versoholen.

Tweede Pauze.

10. De gouden zon weet, waar zij schuil moet gaan. De wisseling der wisselende maan,

Aan tijd en loop op \'t wonderbaarst verbonden, Verschijnt ons oog op haar bepaalde stonden. Gij, Heer! beschikt door uw geduchte macht De duisternis, en \'t wordt op aarde nacht.

Wanneer \'t gediert\' door woud en veld mag dwalen, Om voedsel voor het hongrig nest te halen.

27

417

ocr page 440

Psalm 104.

11. liet donker bosch weêrgalmt op\'t heesch geschreeu-w Van leeuwenwelp en fieren jongen leeuw,

Die, lieet op roof, in afgelegen boeken,

Al brullend, spijs van God, den gever, zoeken; Maar op de komst van licht en dageraad,

Op \'t zien der zon in \'t luisterrijk gewaad.

Keert elk van hen naar zijn verborgen kuilen.

Daar zij, verzaad, zich voor ous oog verschuilen.

12. Dan wordt de mensch door \'t rijzend morgenlicht Gewekt, gewenkt tot arbeid, tot zijn\' plicht.

Hij plant, hij bouwt, men ziet hem zwoegen, draven; Tot \'b avunds toe laat hij niet af van slaven. Hoe schoon, hoe groot, o Oppermajesteit!

Is al uw werk, gevormd met wijs beleid; Uw wijsheid streelt oplettende gemoedren; Al \'t aardrijk is vervuld met uwe goedren!

13. D\' onpeilbre zee bergt in haar\' ruimen schoot Een talloos tal van schepslen, klein en groot.

Die in haar diept\' al weemlend zich vergaren. Het golvend ruim der rustelooze baren

Wordt steeds doorkruist van schepen, wijd en zijd; Daar zwemt en duikt het schubbig heir om strijd; Daar laat Gij zelfs don Leviathan spelen. Den schrik der zee in deze vreugde deelen.

Derde Pau7e,

14. Wat in de lucht, op d\' aard\', in \'t water \'eeft, \'t Wacht al op U, die elk zijn spijze geeft;

\'t Wacht al op ü, die alles kunt behoeden.

Als uwe gunst al \'t schepslenheir wil voeden. En liefderijk aan hunne nooddruft denkt, Vergaadren zij den voorraad, dien Gij schenkt. En worden door uw goedheid mild bejegend, Elk op zijn\' tijd, in overvloed gezegend.

418

ocr page 441

Psalm 104.

15. Verbergt G\', o God! uw glansrijk aangezicht; Dan siddren zij, op \'t missen van dat licht, Dat troostrijk licht, waardoor zij \'t licht verwerven. Neemt uwe hand Imnn\' adem weg, zij sterven, Zij worden stof, gelijk zij zijn geweest.

Bezielt Gij hen door \'t zenden van uw\' Geest, Dan ziet men hen weêr leven als te voren; Dan wordt al d\' aard\' met nieuwen glans herboren.

16. Do heerlijkheid der hoogste Majesteit

Zij hoog geroemd, en duur\' in eeuwigheid! Zij blink\' alom, en kenn\' noch paal noch perken! Dat zich de lieer verblijd\' in al zijn werken. Het aardrijk schudt, als God in gramschap blaakt; Wanneer zijn hand de hooge bergen raakt,

Slaan zij terstond aan \'t sidderen, aan \'t icoken, Inwendig door Gods almacht aangestoken.

17. Ik zal, zoolang ik \'t levenslicht geniet,

Gods mogendheid verheffen in mijn lied;

Ik zal mijn\' God met lofgezangen eeren.

Terwijl ik nog op aarde mag verkeeren,

419

Mijn aandacht zal op Hem gevestigd staan, En met vermaak zijn grootheid gadeslaan Ik zal mij in den ocod mijus heils verblijden. En, dag op dag, aan Hem mijn psalmen wijden.

18. De zondaar zal verdelgd zijn op Gods wenk; De boosheid zal vergaan, eer \'t iemand denk\'. Waak op, mijn ziel! wil uwen Schepper eeren; Geloofd zij God, men loov\' den Heer der heeren!

27*

ocr page 442

420

Jonisch. 1.

--±

T=^

r r r n

Looft, looft, verheugd, den Heer der hee - ren!

Psalm 105.

±

P

r

I I i , \' \'

m

é

£

rTf

r

i

Aan - bidt zijn\' naam en wilt Hem ee - ren.

m

JL — amp;

3=Ë

a g—

NB.

li

g

ke

J

^1=1^

T \' \' ï \' r.

Doet zij - ne glo - ne - rij

S

i—gi

P ~w

I i

ife:

È3

PTf^

i

daan Al

I i ^^

om de vol - ke

ver-i

J i i i

ocr page 443

Psalm 105.

»7 i F I • * S- ^

1 1 1 1 i I rJT i

staan, En spreekt, met aandacht en ont-

n ^ • J è I J_ I_

SHT^rfTH^EEËE^jsEgg;

I

a_6^

Si------ -J — -^- - \' \'V-I- ^3=1

1 J i 1 1 I i I i

zag. Van zij-ne wondren, dag aan dag!

I I i A J J J I I

^srrü--amp; T--#--2—i—^-^-T-—\\-

Nit ;gt; - f\'TË:hr~r r I ^

2. Juicht, elk om strijd, met blijde galmen;

Zingt, zingt den Hoogsten vreugdepsalmen;

Beroemt u in zijn\' heilgen naam!

Dat die Hem zoeken nu te zaam Hun hart vereenen tot zijn eer,

En zich verblijden in den Heer!

3. Vraagt naar den Heer en zijne sterkte;

Naar Hem, die al uw heil bewerkte;

Zoekt dagelijks zijn aangezicht.

Gedenkt aan \'t geen Hij heeft verricht, Aan zijn doorlachte wonderdafui;

En wilt zijn straffen gadeslaan.

4. Gij volk, uit Abraham gesproten!

Dat zooveel gunsten hebt genoten!

Gij Jakobs kindren, die de Heer Heeft uitverkoren, meldt zijn eer.

De Heer is onze God, die d\' aard\'

Alom door zijn gericht vervaart.

421

ocr page 444

Psalm 105.

Eerste Pauze.

5. God zal zijn waarheid nimmer kreuken,

Maar eeuwig zijn verbond gedenken.

Zijn woord wordt altoos trouw volbracht. Tot in het duizendste geslacht.

\'t Verbond met Abraham, zijn\' vrind, Bevestigt Hij van kind tot kind.

6. Al wat Hij Izak heeft gezworen.

Heeft hij ook aan zijn\' uitverkoren\'.

Aan Jakob tot een wet gesteld.

Van al \'t beloofde heil verzeld;

En aan gansch Isrel toegezeid Tot zijn verbond in eeuwigheid.

7. Hij sprak: »Ik zal de schoonste landen,

quot;\'k Zal Kanan leevren in uw handen,

»\'t Welk \'t snoer uws erfdeels wezen zal.« Het volk was weinig in getal, \'t Verkeerde daar als vreemdeling.

Toen \'t zulk een gunstrijk woord ontving.

8. Geleid door \'s Heeren alvermogen,

Zijn zij van volk tot volk getogen,

Van \'t één naar \'t ander rijksgebied. Hij dulde hun verdrukking niet;

Maar heeft zelfs vorsten, op dien tocht. Om hunnentwil, met straf bezocht.

Tweede Pauze.

9. God sprak, en deed den vorsten weten:

«Tast mijn gezalfden, mijn profeten

»Niet aan door eenig leed of schand\'!« Hij riep een\' honger in het land;

Hij brak vergramd den staf des broods. En \'t volk kwam in gevaar des doods.

422

ocr page 445

Psalm 105.

10. Wio kan Gods wijs beleid doorgronden? Een man werd voor hen heengezonden,

De vrome Jozef, rijk in deugd,

Tot slaaf verkocht in zijne jeugd, In ijzren boeien wreed gekneld,

Werd, hun tot heil, in eer gesteld.

11. Toen hij door \'t godlijk alvermogen Beproefd was, toen voor aller oogen

Zijn woord in \'t helder daglicht scheen; Toen bood de Koning, om zijn reên Verbaasd, hem straks de vrijheid aan; Der volken Heer deed hem ontslaan.

12. Hij kreeg van Farao in handen

\'t Bestier van huis, en goed, en landen;

Dies bond hij vorsten naar zijn\' lust. Van zijn verstand en deugd bewnst. Deed gansch Egypte\'s Opperheer Al d\' oudsten luistren naar zijn leer.

Derde Pauze.

13. Daarna toog Israël, gedreven

Door nooddruft, tot behoud van \'t leven. Naar \'t rijk Egypte; Jakob kwam Als vreemdeling in \'t land van Cham. Daar groeid\' en bloeide zijn geslacht, En overtrof zijns vijands macht.

14. De harten der Egyptenaren,

Die eertijds Isrel gunstig waren.

Verkeerden toen in bittren haat; Des Heeren volk werd bits versmaad. Men smeedde lagen tot hunn\' val; Verdrukking trof hen overal.

423

ocr page 446

Psalm 105.

15. Maar God zond Mozes, die te voren Door hem met Aron was verkoren;

Zij beiden voerden Gods besluit Door teekenen en wondren uit, En toonden in Egypteland De plagen van zijn strenge hand.

16. \'t Werd alles, door zijn groot vermogen, Met duisternissen overtogen.

Niets wederstreefde \'t hoog bevel Van God, den God van Israël, Die beek en bron verkeerd\' in bloed; Den visch deed sterven in dien vloed.

Vierde Pauze.

17. Ook deed God uit de waterstroomen Een machtig heir van vorschen komen,

Dat doordrong tot in \'s Konings hof. De luizen kwamen voort uit stof; God sprak, en een ontelbre drom Van ongedierte zweefd\' alom.

18. Hij zond, in plaats van vruchtbren regen. Zijn\' hagel neêr, die allerwegen,

Met een verslindend vuur gepaard; Den frisschen wijnstok sloeg ter aard\'; Den vijgeboom, met kruin en tak, En al het vruchtgeboomte brak.

19. De sprinkhaan en de kever kwamen.

Gelijk een talloos leger, samen;

Verslonden, wat het aardrijk gaf.

Toen heeft God, als de zwaarste straf, Al d\' eerstelingen hunner kracht, Hun eerstgeboornen omgebracht.

424

ocr page 447

Psalm 105.

20. God deed zijn volk met wisse treden,

Daar niemand struikeld\' in zijn schreden,

Met zilver en met goud belaan, Blijmoedig uit Egypte gaan.

Toen juicht\' om hun vertrek al \'t land. Daar \'t al door schrik was overmand.

Vijfde Pauze.

21. God breidd\' een wolk uit, om zijn scharen Bij dag te hoeden voor gevaren;

Hij gaf hun, door zijn hoog bestuur. Des nachts ten licht een wondervuur. Zij baden, en hun Opperheer Zond straks een heir van kwakklen neêr.

22. Zij werden daaglijks begenadigd;

Met manna, hemelsch brood, verzadigd.

Gods hand bracht, in dien dorren oord. Rivieren uit een steenrots voort;

Hij dacht om \'t geen Hij aan zijn\' knecht. Aan Abraham had toegezegd.

23. Dus toog \'t verkoren volk des Heeren Al juichend uit, op Gods begeeren.

Het land der hei.dnen van rondom Schonk Hij hun tot een\' eigendom. Der volken arbeid werd geheel Aan Israël ten erflijk deel.

24. Die gunst heeft God zijn volk bewezen. Opdat het altoos Hem zou vreezen,

Zijn wet betrachten, en voortaan Volstandig op zijn wegen gaan. Men roem\' dan d\' Oppermajesteit, Om zooveel gunst in eeuwigheid.

425

ocr page 448

426

Hypo-Aeoliscli. Ps.\'lllU 108.

1. Looft God, den trou-wen Óp - per-heer! Geeft

4=^4

r-fquot;

J

tg—3-

r.

i

I

I

221

f \'

geeft Hem vroo-lijk roem en

J_J—J_i

O--^---É?

r—r

eer. Wiens

r i

•Jt

i

t

i

1

-J-

t t f ■ r r r ^ r r

goed-heid per - ken kent noch pa - len. Maar

ie

£

S;

t :

i

f r r f

wie, hoe hoog ver

lamp;lj

5.

-gt;-1----1—

-rrT-r

licht hij zij, Wie

I

-s^l

ie

4

quot;2quot;

iCllt nn -j-j-


ocr page 449

Psalm 106.

kan zijn mo-gondheên ver-ha - len? Zijn

___:_A__J ^ J ~___J gi

--«--^ I T ^-f=t--t-----

I I ^

amp;L----j®.---0---------------o----^---------—--------

1 | p T I I f lof ver - brei-den naar waar - dij?

Ï-Y=i-^-J j 1quot;-^\'-iï\'=f=:^:z=z--ft

1 |

2. Welzalig elk, die \'t recht betracht;

Die t\' allen tijd\' zijn wetten acht.

O Heer! laat mij, naar \'t welbehagen,

Dat G\' in nw volk steeds hebt getoond. Ook roem op uw bescherming dragen.

En met nw\' zogen zijn bekroond.

3. Geef dat mijn oog het goed\' aanschouw\',

\'t Welk .Gij, uit onbezweken trouw.

Uw\' uitverkoornen toe wilt voegen;

Opdat ik U mijn\' rotssteen noem\',

En, deel end\' in uws volks genoegen.

Mij, met uw erfdeel, blij beroem\'!

Eerste Pauze.

4. Wij hebben God op \'t hoogst misdaan;

Wij zijn van \'t heilspoor afgegaan;

Ja, wij en onze vaadren tevens.

Verzuimend\' alle trouw en plicht.

Vergramden God, den God des levens. Die zooveel wondren had verricht.

427

ocr page 450

Psalm 106.

5. Onz\' ouders, in Egypteland Beveiligd door zijn sterke hand,

Vergaten al zijn gunstbewijzen;

Zij morden aan de Roode zee,

In plaats van \'s Heeren gunst te prijzen; Dies dreigden hen een zwaarder wee.

6. Doch om zijn naams wil, om zijn macht Te toonon aan dit dwaas geslacht.

Schold Hij de zee, dat z\' uit moest droogen Hij deed ben langs haar gronden gaan. En toond\' aan \'s vijands heir \'t vermogen. Dat hun in nood had bijgestaan.

7. De waatren keerden in hun kolk;

Daar paard en ruiter, vorst en volk, Tot één toe, in den vloed versmoorden. Toen had gansch Isrel juichensstof;

Toen, toen geloofden z\' aan Gods woorden; Toen zong al \'t volk des Hoogsten lof.

Tweede Pauze.

8. Maar zij vergaten \'s Heeren werk; Zij stelden hunnen God een perk;

Zij wilden in Hem niet berusten;

Maar durfden, in de wildernis.

Zijn macht beproeven door hun lusten. En \'t hunkren naar Egypte\'s disch.

9. Toon heeft Hij hen met vleescb gevoed; Maar zond hun ziel, bij d\' overvloed, Een magerheid, die z\' uit deed teren. Zij dorsten Mozes \'t hoog bewind,

En Aron \'t priesterambt des Heeren Benijden, door hunn\' waan verblind.

428

ocr page 451

Psalm 106.

10. Maar \'t aardrijk opende zijn\' mond, Waarmee \'t Abirams volk verslond En Dathans snoode vloekverwanten; Een vuurgloed stak de tenten aan Van \'t godloos rot, aan alle kanten, En deed het door de vlam vergaan.

11. Zij maakten zich, den Heer\' ten spot, Een kalf bij Horeb tot een\' God, Waarvoor zij zich eerbiedig bogen.

Een os, die gras eet op het veld, Een beeld, o gruwel in Gods oogen!

Werd toen aan Hem gelijk gesteld.

Derde Pauze.

12. Hun hart vergat den Opperheer,

Hunn\' dierbren Heiland, die weleer Hen redde van d\' Egyptenaren,

Die wondren deed in \'t land van Cham, Zich vreeslijk maakt\' in \'t ruim der baren. En Faro \'t levenslicht benam.

13. Toen dreigde God hen met den dood; En nimmer waren z\' in dien nood,

Zijn hooggeduchte wraak ontweken. Zoo Mozes, zijn verkoren held,

Zich niet bij God, met ernstig smeeken, Voor hen had in de bres gesteld.

14. Zij hebben \'t langgewenschte land Versmaad uit strafbaar onverstand.

En niet geloofd aan \'s Heeren woorden. Zij morden daaglijks in hun tent.

Dewijl zij naar zijn stem niet hoorden, Hoe duidlijk ook aan hen bekend.

429

ocr page 452

Psalm 106.

15. Dies zwoer cl\' Almachtige, dat Hij Die snooilen, in de woestenij,

Zou nedervellen en verderven;

J», dat Hij hen, met al hun zaad.

Zou bij de heiilnen om doen zwerven,

Van elk gevloekt, van elk versmaad.

Vierde Pauze.

16. Zij hebben zich voor \'t vloekaltaar.

Verleid door Moabs dochtrenschaar. Tot Baal-Peora dienst begeven;

Zij ati*n \'s afgoils ofiVrand\';

Doch \'t kostt\' aan duizenden het leven;

Gods wraak ontstak in feilen brand.

17. Toen weerde Pinehas de straf.

Die, moedig, \'t recht voldoening gal. En \'t eerloos bloed langs d\' aard\' deed stroonien. Die daad, ten zoen voor \'t volk volbracht, Deed hem een eeuwig\' eer bekomen.

Die stand hield bij zijn nageslacht.

IS. Zij tergden, twistend, Gods gena.

Bij \'t wonderwater Meriba,

Verbitterden den knecht des Heeren;

Hij sprak in onbedachtzaamheid;

Dies moest hij \'t vruchtbaar land ontberen, Don ganschen volke toegezeid.

Vijfde Pauze.

10. Zij spaarden volken, fot Gods hoon.

Die Hij bevolen had te doon.

En, aan der hcidnen stam verbonden Vervielen zij tot afgodsdienst.

En wrochten, door gelijke zonden.

Zich zelv\' een\' strik, op \'t onvoorzienst.

ocr page 453

Psalm 106.

20. Men zag hen zelfs, door drift verblind, Hun dierbaar kroost, hoe teêr bemind. Den duivelen ten offer brengen.

Men zag hen, trouwloos en verwoed, Op Kanans vloekalteren plengen Der kinderen onschuldig bloed.

21. Die onnatuurlijk\' offerand\'.

Die bloedschuld bniclit een smet op \'t land. Zij werden onrein duor hun daden.

Door hoererij en vuil gedrag;

Zij durfden Isrels God versmaden;

Maar beelden toonden zij ontzag.

22. Dit alles spoorde God tot wraak.

Zijn volk, zijn erf, zijn hoogst vermaak Werd nu een gruwel in zijn oogen;

Hij gaf hen in der heidnen macht. Waardoor zij, zonder mededoogen, In slaafsche keetuen zijn gebracht.

Zesde Pauze.

23. Hun vijand heeft hen wreed verdrukt; Zij lagen jammerlijk gebukt;

En schoon d\' Algoedheid, op hun smeeken. Hun rampen dikwijls heeft geweerd,

Zij zijn weêr telkens afgeweken,

En door hun zonden uitgeteerd.

24. Nochtans was God mot hen begaan;

Hij zag hunu\' angst, hun tranen aan, En hunner hateren verwoedheid;

Hij dacht aan zijn gestaafd verbond; En had berouw, naar al zijn goedheid, Meêdoogendheid met Isrels wond.

431

ocr page 454

Psalm 106.

15. Dies zwoer d\' Almachtige, dat Hij Die snooden, in de woestenij,

Zou nedervellen en verderven;

Ja, dat Hij hen, met al hun zaad.

Zou bij de heidnen om doen zwerven.

Van elk gevloekt, van elk versmaad.

Vierde Pauze.

16. Zij hebben zich voor \'t vloekaltaar.

Verleid door Moabs dochtrenschaar, Tot BaUl-Peors dienst begeven;

Zij atijn \'s afgods offerand\';

Doch \'t kostt\' aan duizenden het leven;

Gods wraak ontstak in feilen brand.

17. Toen weerde Pinehas de straf.

Die, moedig, \'t recht voldoening gat. En \'t eerloos bloed langs d\' aard\' deed stroomen. Die daad, ten zoen voor \'t volk volbracht. Deed hem een eeuwig\' eer bekomen,

Die stand hield bij zijn nageslacht.

18. Zij tergden, twistend, Gods gena.

Bij \'t wonderwater Meriba,

Verbitterden den knecht des Heeren;

Hij sprak in onbedachtzaamheid;

Dies moest hij \'t vruchtbaar land ontberen, Den ganschen volke toegezeid.

Vijfde Pauze.

10. Zij spaarden volken, tot Gods hoon,

Die Hij bevolen had te doon,

En, aan der heidnen stam verbonden.

Vervielen zij tot afgodsdienst.

En wrochten, door gelijke zonden,

Zich zelv\' een\' strik, op \'t onvoorzienst.

ocr page 455

Psalm 106.

20. Men zag hen zelfs, door drift verblind,

llun dierbaar kroost, hoe teer bemind. Den duivelen ten offer brengen.

Men zag hen, trouwloos en verwoed, Op Kanans vloekaltaren plengen Der kinderen onschuldig bloed.

21. Die onnatuurlijk\' offerand\'.

Die bloedschuld bracht een smet op \'t land.

Zij weiden onrein door hun daden.

Door hoererij en vuil gedrag;

Zij durfden Isrels God versmaden;

Maar beelden toonden zij ontzag.

22. Dit alles spoorde God tot wraak.

Zijn volk, zijn erf, zijn hoogst vermaak Werd nu een gruwel in zijn oogen;

Hij sil\'\' hen in der heidnen macht.

Waardoor zij, zonder mededoogen, In slaafsche keetnen zijn gebracht.

Zesde Pauze.

23. Hun vijand heeft hen wreed verdrukt; Zij lagen jammerlijk gebukt;

En schoon d\' Algoedheid, op hun smeeken. Hun rampen dikwijls heeft geweerd.

Zij zijn weêr telkens afgeweken.

En door hun zouden uitgeteerd.

24. Nochtans was God met hen begaan;

Hij zag himn\' angst, hun tranen aan. En hunner hateren verwoedheid;

Hij dacht aan ziju gestaafd verbond; En had berouw, naar al zijn goedheid, Meêdoogendheid met Isrels wond.

431

ocr page 456

PBalm 107.

25. Dies hebt G\', o God! hunn\' last verlicht, Zelfs voor huns vijands aangezicht.

Verlos ons ook, als onze vaadren!

Wil ons, nog overal verspreid,

Genadig weêr bijéénvergaadren;

Zoo word\' uw naam en roem verbreid!

26. Geloofd zij Isrels groote God!

Zijn gunst schenk\' ons dit heilgenot; Zoo zullen wij zijn goedheid danken. Dat al wat leeft Hem eeuwig eer\'! Al \'t volk zegg\'; Amen, op mijn klanken! Juich, aarde! loof den Opperheer!

Dorisch, 1.

Psalm 1

p===f—d—dq

07.

nr-d ~h

2.

F=

1. Looft

l 1 l 1 , looft den Heer ge

| 1 J J

a eJ

rr

sta-dig; i i

rJ

Die

i

^2

-L-

—o-J-•—F—

----

% f—r-

- 2 p- !- -

——sgt;--

: .. F

Op-per-ma-jes-teit Is gunst-rijk, zeer ge-

lamp;±zppf^:.ti^Fi=r=czËEj

432

ocr page 457

Psalm 107. 4 33

j 4. laatate vers.

I^iüipp^ïlüü

na-dig, En goed in eeu-wig-heid.

ry $ f i-| ^ ^ »-f -rr--it

P- *r 1 i^R^fyT r r • ii

g^r\'r r 1 ^ r r • r

Ditzegg\'elk, die, ge - red Door Hem vanslaafsche

1 J J i J ! J i J J

. Ë . - ^

FM

— -_-n

; ■ r 1 r r r

ban - den. In vrij -heid is ge-

^ i 1 1 I I I

r ^

zet Uit

—~-p-

T rlrr

\'s weêr-par - tii - ders han - den!

1 1 1 J i -4.

0 : ; ; ?—^=-t=:

y 4—-1—

——r r \' ——:

ocr page 458

Psalm 107.

2. Die Hij van ver uit d\' oorden Van \'t oost\' en \'t westen braclit, En van de zee eu \'t noorden Geleidde door zijn macht;

Die op een aaklig pad,

In woeste wildernissen, Omzworven eu een stad Ter woning moesten missen.

3. Ilier raakten zij aan \'t kwijnen Door dorst en hongersnood; Hun ziol leed duizend pijnen En angsten van den dood.

Doch toen zij, in \'t gebed. Tot Isrels Heer zich wendden, Heeft hen zijn arm gered

Uit angsten en ellenden.

4. God bracht, na tegenheden, Hen weèr op \'t rechte .pad, En richtte hunne schreden Naar een gewensehte stad.

Laat zulken voor den Heer Zijn milde gunstbewijzen.

Zijn wondren. Hem ter eer,

Voor \'t gansehe menschdom prijzen!

5. Dewijl Hij hen verzaadde. Die dorstten, en met goed Den honger, uit genade. Vervuld\' in overvloed;

Daar z\' in die bitterheên Den dood voor oogen zagen, Van alle kant bestreên,

Deed God hun heillicht dagen.

434

ocr page 459

Psalm 107.

Eerste Pauze.

6. Zij, die gebonden zaten

In schaduw van den dood,

Omdat zij God vergaten. Vervielen in dien nood.

Toen werd hnn wreevlig hart Verneèrd door zwarigheden; Zij struikelden, hun smart Werd hulpeloos geleden.

7. Doch, riepen z\' in d\' ellenden Den Heer ootmoedig aan. Hij deed hun angsten enden, En hen \'t gevaar ontgaan; Hij hielp hen uit don nood; Hij bracht hen uit het (luister Der schaduw van den dood; Hij brak hunn\' band en kluister.

8. Laat zulken eer bewijzen Aan \'s Heeren gunst en macht. En al zijn wondren prijzen Voor \'t menschelijk geslacht. Hij was \'t, voor wien gereed De koopren deuren weken.

De ijzren grendlen deed In duizend stukken breken!

9. De zotten overtreden,

En krijgen hunne straf; Om d\' ongerechtigheden Mat plaag op plaag hen af; Zij walgden zelfs van brood; Geen beste spijzen smaakten. Terwijl zij vast den dood Met schrik en vrees genaakten.

ocr page 460

Psalm 107.

10. Doch, riepen z\' in d\' ellenden Den Heer ootmoedig aan,

Hij deed hun angsten enden, En hen \'t gevaar ontgaan. Hij zond zijn krachtig woord; Hij deed hen bij zich schuilen, Bracht hun genezing voort. En rukte z\' uit hun kuilen.

11. Laat zulken eer bewijzen

Aan \'s Heeren gunst en macht. En al zijn wondren prijzen Voor \'t menschelijk geslacht! \'t Lofoffer word\' om strijd Hem juichend opgedragen, Terwijl zij wijd en zijd Van al zijn werk gewagen!

Tweede Pauze.

12. Zij, die de zee bevaren Met schepen, rijk bevracht,

Zien op de groote baren

Gods wijsheid, gunst en macht; Daar leeren zij de daan Des Heeren klaar bemerken, En in de diepe paan Zijn groote wonderwerken.

13. Hij wekt, met slechts te spreken Een\' stormwind voor hun oog; Dan beeft het al, dan steken De golven \'t hoofd omhoog.

Nn ziet men \'t schip de lucht, Dan weêr den afgrond naadren:, Hun hart geeft zucht op zucht. Hun bloed verstijft in d\' aadren.

436

ocr page 461

Psalm 107.

14. Zij dansen, -wagglen, vallen, Gelijk een dronken man; De wijsheid van hen allen, Hoe groot, bezwijkt er van. Doch toen zij, in \'t gebed, Tot Isrels Heer zich wendden, Heeft hen zijn arm gered

Uit angsten en ellenden.

15. Hij doet den storm bedaren, De golven zwijgen stil.

Nu rijst de vreugd; de baren Zijn effen op Gods wil; Nu wijkt verslagenheid. Na zooveel angstig slaven.

Daar God hen veilig leidt, In hun begeerde haven.

1G. Laat zulken eer bewijzen

Aan \'s Heeren gunst en macht. En al zijn wondren prijzen Voor \'t menschelijk geslacht; En dankbaar, bij \'t gemeen, God hunn\' verlosser noemen. En bij \'s lands Overheen Zijn\' naam en deugden roemen.

Derde Pauze.

17. Nu stelt God waterbeken Tot bar en dorstig land; Herschept, in dorre streken, Rivieren door zijn hand. Hij stelt een\' vruchtbaar oord, Tot woest\' en zoute gronden; En straft ze, naar zijn woord. Die daar zijn wetten schonden.

437

ocr page 462

Psalm 107.

18. Dan maakt Hij weêr woestijnen Zeer rijk van vruchtbaar nat;

Daar \'t land, dat eerst moest kwijnen,

Nu beek bij beek bevat,

En bongerigen voedt,

Die nu de weeld\' aanschouwen;

Zoodat zij daar, met spoed,

Een stad ter woning bouwen.

19. Daar ziet men hen dan zaaien; Do wijngaard wordt geplant; Zij mogen rijklijk maaien

De vruchten van het land;

Daar God zijn\' zegen geeft.

En \'t huis vervult met kindren. En \'t vee, dat ieder heeft,

Op \'t veld niet doet vermindren.

20. Maar, wil dit volk niet bukken Voor God, \'t wordt ras verneêrd;

\'t Raakt t\' onder door verdrukken; Het wordt van \'t kwaad verteerd, Daar Hij zelfs Prinsen slaat,

Op wie Hij hoon doet dalen.

En die Hij tot een\' smaad Doet in het woeste dwalen.

21. Haar die nu hulploos kermen. Verdrukt en vol gebrek,

Brengt God, door vrij ontfermen. Haast in een hoog vertrek;

De vruchtbaarheid verheugt Hun huis van ganscher harte; D\' oprechten zien \'t met vreugd;

Maar d\' ondeugd zwijgt met sinarte.

22. Wie wijs is, merk\' die dingen, En geev\' verstandig acht

Op \'s Heeren handelingen.

Zoo vol van gunst als macht!

438

ocr page 463

439

2.

Psalm 108.

Hypo-Jonisch. M 1. , , KB.

-!~

±:

,

« «

r r

teit! Is

J__

fg _ ^ 1 g r—]

I

I r\'r~r r \' r

1. Mijn hart, o He-mel-ma - jes

_J 1 I ij J J

=£=

it

ï-r-r-

3.

0=

r r r r ~r r

tot uw dieast en lot be

=5;

-p=p= reid; \'k Zal

-jLJ—_i

ifc

-3—^-

f

4.

r r F

-gen voor den Op - pet

1

r-r

- heer; \'k Zal


i#:

m

£

r^f

NB.

5.

-a—J -

=f;

5

. r.....r r t r r r

psal-men zin-gen tot zijn eer! Gij,

_____......\'

tquot;

» •

I

ocr page 464

Psalm 108.

3:

r r ^ 1 ■ 1 ■

zacb - te harp! gij, schel - le luit! Waakt

\' _ i \'

m

lt;l »- amp;

zol:

440

i

I

1

op! dat niets uw klan - ken stuit\'; \'k Zal

-f-rf

m

I

JeeJE

*

A - J

=t=t

3^;

Â¥=5

30:

±=q

-g—»-

_J---

-•—•—9-

c=3L

I 1 I ! I . .

r

En

in den da - ge-raad ont-wa-ken,

-^-1-2-

M!=f=f:Fr~r~rr~|~r

-3^=

t

-Ö\'-

r r f \' r r r .

met ge - zang mijn God ge - na - ken.

ist -f22_

g

ÊÉ

•y»:. 8

ocr page 465

Psalm 108.

2. Ik zal, o Heer! uw wonderdaan,

üw\' roem den volken doen verstaan; Want uwe goedertierenheid

Is tot de heemlen uitgebreid; Uw waarheid heeft noch paal noch perk, Maar streeft tot aan het hoogste zwerk. Verhef U boven \'s hemels kringen,

En leer al d\' aard\' uw grootheid zingen!

3. Zoo word\' uw dierbaar volk in \'t end Bevrijd van rampspoed en ellend\'.

0 God! verlos ons door uw hand! Verhoor ons, zend ons onderstand! Gij hebt, tot onze vreugd, voorspeld, En in uw heiligdom gemeld;

Dat Sichem mij zijn\' Vorst zou heeten, En ik het dal van Sukkoth meten!

Pauze.

4. Gansch Gilead behoort aan mij;

\'k Voer in Manasse heerschappij;

Ik zie hen knielen voor mijn kroon;

Daar \'t moedig Efraïm mijn troon.

Door zijn geduchte macht, versterkt. En Judaas wijsheid medewerkt. Om mijnen zetel vast te zetten.

Door welgeschikt\' en schrandre wetten!

5. Gansch Moab buigt zich dienstbaar neêr; Erkent mij voor zijn\' Opperheer;

Daar \'t, van zijn\' hoogen troon gestort, Verachtlijk mij ten waschpot wordt; Ik werp mijn\' schoen op Edoms grond, Op Edom, \'t welk mijn macht weêrstond; \'k Juich over u, o Palestijne!

Als ik in zegepraal verschijne!

441

ocr page 466

Psalm 109.

6. Wie heeft mij zooveel heils bereid?

Wie is \'t, die mij in Edom leidt?

Wie voert mij in een vaste stad?

O God! die ona verstootcn hadt!

Gij, die met onze legerschaar Ten strijd\' niet uittoogt in \'t gevaar!

O God! wiens gramschap ons deed vreezen, Wiens gunst ons troost! zult Gij \'t niet wezen?

7. O God! die \'s lands benauwdheid ziet, Red toch uw volk uit zijn verdriet;

Want \'s menschen heil is ijdelheid;

Maar als Gods almacht ons geleidt,

Dan doen w\' in Hem de kloekste daan. Zoodat wij duizenden verslaan;

Want allen, die ons wederstreven.

442

Zal Hij vertreden en doen sneven!

Hypo-Dorisch. Psalm 109. 1.

-.5

J

---^---

I 1 1

-4-1--A é-X-ïtf-J

r \' f

1. 0 God zoo

J i i

f t r t quot;rr

waar-dig mijn ge - zan - gen!

i l I I J J

o--

? 1 ^

» • gt;

—i—*—i—i—

—Ö---

-J=5=:

ocr page 467

Psalm 109.

\'-• idlu J—J_:

♦ p amp;

I i i T i

De boo - ze, die be - drog durft pie-gen,

-i-

I

EÊ

443

jfoquot; J I

J

J

J

1

3

m

rr

T

gen; -•i

Staat, wars van deugd, mij bit - ter te

i-^-EE

T r

quot; -»-

6.

1

r 1 ! r

Hij heeft zijn mond wijd op - ge - daan,

_J_* J _J__I_1_L_

r\'f

~1^z

i;

Ti

P

p I

Mij

f

i

-4--

r f f r quot; f kr

met een val - sche tong ver - raan.

P?

£

T

r^-

F

ocr page 468

Psalm 109.

2. Z\' omringden mij met booze woorden, Die mij, als priemen, \'t hart doorboorden; Ik werd op \'t allerfelst bestreden,

Verdrukt, mishandeld tegen reden.

\'k Heb voor mijn liefde haat behaald; Ik bad, maar \'k werd met vloek betaald.

3. Zij hebben kwaad voor goed vergolden, Voor liefde haat; mijn deugd gescholden. Gij, God der wraak! straf dezen boozen! Stel over hem een\' goddeloozen;

De satan biê hem tegeustand!

En sta aan zijne rechterhand!

4. Verklaar hem schuldig in \'t gerichte.; Verdrijf hem van uw aangezichte; Houd zijn gebeden zelfs voor zonden; Hij heeft zich tegen God verbonden. Verkort zijn dagen; vel hem neer; Een ander neem\' zijn ambt en eer.

5. Laat zijne kinderen, als weezen.

Zijn vrouw, als weduw, hulploos vreezen; Laat hier en ginds zijn kindren zwerven. Steeds beedlen en de nooddruft derven, Die \'t huisgezin, gesmaad, gevloekt, Uit zijn verwoeste plaatsen zoekt.

6. Al wat hij heeft, hoe hij moog\' klagen. Word\' om zijn schulden aangeslagen; Hij zie de vrucht van al zijn slooven Door woeste vreemdelingen rooven. Dat niemand hem in nood verblij\', Of zijnen weezen gunstig zij.

ocr page 469

Psalm 109.

Eerste Pauze.

7. Laat kwaad op kwaad zijn huis omringen; Roei uit al zijn nakomelingen;

Eu dat, in \'t volgende geslachte,

Elk hunn\' verstorven\' naam verachte; Der vaadreu misdaad zelfs verschaff\' Den Heere reden tot zijn straf.

8. Dat niets uit Gods gedachtenisse De zonde zijner moeder wissche;

Laat die, door God hun toegerekend, Gedurig staan voor Hem geteekend;

Dat God daarover steeds zich belg\', En hunnen naam van d\' aard\' verdelg\',

9. Omdat hij, tegen zijn geweten,

Het weldoen trouwloos heeft vergeten. En den ellendigen en armen Vervolgd, in plaats van zich t\' erbarmen; Ja, den verslagenen van geest Is tot een\' moordenaar geweest.

10. Hij heeft den vloek op zich genomen;

Laat dan dien vloek hem overkomen. Hij heeft geen\' lust gehad tot zegen;

Dies word\' die nooit van hem verkregen;

Maar dat de vloek hem overdekk\', En tot een aaklig kleed verstrekk\'.

11. Laat dien, om al zijn handelingen.

Tot in zijn hart, als water, dringen; Als olie, rijkelijk geschonken.

En door de beendren ingedronken;

Dat hem die vloek zijn deksel geev\', En als een gordel aan hem kleev\'.

445

ocr page 470

Paahn 109.

12. Dit loon krijg\' elk, van \'a Heeren banden, Die zoo godloos mij aan durft randen,

En met zijn lastertong mij dooden!

Maar Gij, o Heer! o God der goden! Dat uwe hand mij heil bestell\';

Doe, om uws naams wil, aan mij wel!

Tweede Pauze.

13. Uw gunst is groot, zij is bestendig.

Verlos mij dan, ik ben ellendig. Nooddruftig, \'k voel mijn kracht verbroken Mijn hart met woud op wond doorstoken;

Ik ga gelijk de schaduw heen, Wanneer de zon snelt naar beneên.

14. Gelijk een sprinkhaan, omgedreven.

Berg ik, nu hier, dan daar, mijn leven; Mijn knieën weigren mij te schrager, En \'t afgematte lijf te dragen!

Mijn vleesch is mager, uitgeteerd. Zoodat het alle vet ontbeert.

15. Al ben ik met die smart beladen.

Nog gaan zij voort met mij te smaden. Met mij, al schimpende, te groeten;

Zij schudden \'t hoofd, die mij ontraoeten, O Heer! help mij, die U verbeid.

Naar uwe goedertierenheid!

16. Opdat zij weten en belijden,

Dat uwe hand mij wil bevrijden;

Dat Gij, o Heer! mijn recht doet gelden. Laat hen dan vloeken, lastren, schelden; Maar zegen Gij mij, o mijn God! Gij zijt mijn erfdeel en mijn lot!

ocr page 471

Psalm 110.

17. Beschaam hunu\' raadslag t\' allen tijde; Maar dat het heil uw\' knecht verblijde, Dat schande mijnen vijand dekke;

Dat schaamte hem ten kleed verstrekke! Dat zij hem tot een\' mantel dien\'. Waarmee wij hem omhangen zien!

18. Ik zal den Heer op \'t hoogste prijzen; \'k Zal Ilom bij velen eer bewijzen;

Want Hij zal zich gewis erbarmen, En staan ter rechterhand des armen;

Hem redden uit het snood gericht, Daar \'t vonnia tot zijn doodstraf ligt.

Psalm 110.

I3E

=t=;t

I

ge-

Hypo-Dorisch. 1.

--J-

^-2—1

r1

r\' ^ r f r r r

1. Dus heeft de Heer tot mii-nen Heer

JiJ. I , . ,

447

r

%

t-r-f

T~Tquot;

spro - ken;

i

»Zit

op den troon ter

J

J

—»2

EF

ocr page 472

3.

448 Psalm 110.

XT I « ^S-^ ^ ? O O

\'iii i i r 1 r r

rechterhand naast mij, Tot ik de macht uws

i J J J , J J ^ J J ,

vijands hebb\'ver - bro-ken, Én ü zijn

,-V ■* t ^-r

nek tot ee - ne voet - bank zij.«

, J i J. J J lJ

1 ri r r ^-r 1

2. Uit Zion zal de Heer uw\' schepter zenaen, Den schepter van uw Oppermogendheid,

En zeggen: heersch tot \'s werelds uiterst\' enden, Zoover de macht uws vijands zich verspreidt!

.\'i. Uw volk zal op uw\' heirdag tot het strijden Gewillig zijn, in heilig krijgssieraad;

U zal de dauw van uwe jeugd verblijden,

Geboren uit den vroegen dageraad.

ocr page 473

Psalm 111.

4. U heeft de Heer, wien \'t nooit berouwt, gezworen: »\'k Heb U, mijn volk tot heil, mijn\' naam ten prijz\', In mijnen raad het Priesterambt beschoren,

Dat eeuwig duurt naar Melchizédeks wijz\'.«

5. De Heer zal steeds uw rechterhand verzeilen!

Zijn mogendheid met U ten strijde gaan.

En koningen, die tegen U zich stellen.

Ten dage van zijn grimmigheid verslaan.

6. Hij zal naar \'t recht de woeste heidnen richten, Met lijken \'t veld bezaaien door zijn hand.

Zijn strijdbre hand zal straks het hoofd doen zwichten, \'t Weerbarstig hoofd van een zeer machtig land.

7. Hij zal op weg eens drinken uit de beken.

Daar hij gevaar, noch strijd, noch moeit\' ontziet; Daarom zal Hij het hoofd naar boven steken.

Met eer bekroond in \'t godlijk rijksgebied.

Dorisch. Psalm 111.

* | 5quot; I T

1. Looft, Hal-le - lu -ja! looft den Heer! Mijn

_ ! _j__I__i__J___i__. ___i_ I

I i 3 \' llTJ

gan - sche hart ver - heft zijn eer: Ik

j i i J J :i

449

29

ocr page 474

Paalm 111.

450

i

zal zijn niiam en grootheid prij - zen.

„ ^ ^ J J J I

\'k Zal

I

_s.

-m * T quot; ^

r i \' i ïïr i

If

met d op-rech-ten on - der - ling

Ver-

I

JjJ

S

T r 7 ^

s=

r

ring

r

En

i

m

^=2;

r

éénd, in hun ver - ga - de

i

H I i , i-h

N^pf-rf

I F

I \' 1 I

raad, Hein plech-tig eer be - wij - zen.

4J=é=J=^L^Jyijij.

-----• • I__il^:

p

ocr page 475

451

Psalm 111. Nieuwe melodie.

Psalm 111.

1.

y-

ES

—ri

=1-?

r^r

1. Looft, Hal - le - lu - ja! looft den Heer! Mijn

i

*

4

f r r r r r

gan-sche hart ver-heft zijn eer; Ik zal zijn

J. I

I J. J

J

=BE^ke?.

tt-J-

■i.

PH\'-r-TfT

- -M

\\ 1 r

naam en grootheid prijzen. \'kZal, met d\' oprechten

\'él

i

I

a d

lt;5L

zpï=p.

P

i

-(«-

i

1

on-der-ling Ver-éénd, in hun ver - ga - tle-

f [T

. I 1 I

ft |

-ö1—

f—r

29*

1

I

ocr page 476

Psalm 111.

ring En raad, Hem plechtig eer be - wij - zen.

, „ I I 1. J I J j - ^ i Q=E=^S^?jr\'=z^EEpH^^@1

2. Des Heereu werken zijn zeer groot;

Wie ooit daarin zijn lust genoot,

Doorzoekt die ijvrig en bestendig.

Zijn doen is enkel majesteit.

Aanbiddelijke heerlijkheid,

En zijn gerechtigheid onendig.

3. Hij maakte, Hij, die heerlijk is,

Zijn wondren een gedachtenis;

Hij is barmhartig en genadig;

Hij gaf hun, die Hem vreezen, spijz\'.

En, zijnen grooten naam ten prijz\',

Gedenkt Hij zijns verbonds gestadig.

Pauze.

•!. Hij heeft de kracht zijns werks getoond Aan \'t volk, waarbij Hij gunstrijk woont; Hij gaf, ten hunnen nutt\' en voordeel,

Hun d\' erve van het heidendom.

Des Heeren werken zijn alom En altoos waarheid, recht en oordeel.

5. \'t Is trouw, al wat Hij ooit beval;

Het staat op recht en waarheid pal,

Als op onwrikbre steunpilaren.

Hij is het, die verlossing zond Aan al zijn volk; Hij zal \'t verbond Met hen in eeuwigheid bewaren.

452

ocr page 477

Psalm 112.

453

C. Zijn naam is heilig en geducht! De vijand beeft op zijn gerucht;

Maar \'s Heeren vrees zal altoos wezen \'t Begin der wijsheid; wien Gods hand Dio doet betrachten, heeft verstand. Zijn naam blijft eeuwiglijk geprezen!

Dorisch. 1.

Psalm 112.

|ÊÊ3£b»=i

i r r ,

1. Zingt, zingt den lof van \'t Op-per - we - zen! -i- lt;

£

JS.

±rj

rr

i

-JT 9

za - lig hij, die God blijft

I I

Wel

i

.

gt;•

rr

f ^

zijn ge - bo-den houdt in

I l lil

En

vree - zen,

—--

__—----0---1

---1—

ocr page 478
ocr page 479

Psalm 112.

2. De rijkdom zal zijn huis verzeilen;

Bij have zal hij have tellen.

Zijn deujjd zal nimmer vruchten missen;

ïïcm rijst het licht in duisternissen.

Hij toont zich ieders liefde waardig,

Is goed, barmhartig en rechtvaardig.

3. Wel hem, die steeds zich zal erbarmen, Die van het zijne leent den armen;

Hij schikt naar \'t recht zijn huisbelangen; Nooit zal hij wanklen in zijn gangen;

Zijn naam, beroemd door zijn bedrijven. Zal eeuwig in gedachtnis blijven.

4. Geen kwaad gerucht zal hem ontzetten;

Zijn hart is vast in \'s Heeren wetten;

Want hij betrouwt op Gods genade;

Hij vreest voor schande, leed noch schade; Wèl ondersteund, zal hij niet wijken,

Tot hij zijn\' vijand zie bezwijken.

5. Hij strooit steeds uit aan alle zijden.

En geeft hun mild, die nooddruft lijden;

Zijn recht, hoe dikwerf ook geschonden,

Steunt eeuwig op onwrikbre gronden.

Zijn hoorn en macht zal God verhoogen. En nimmer zijnen val gedoogen.

6. De goddelooze zal dit goede

Van hem aanschouwen, gram te moede; Met tandgekners zich zelv\' verteren.

De nijd zal zijne smart vermeêren;

Vergeefs wenscht hij den val der vromen, Want nooit zal God dien wensch doen komen.

455

ocr page 480

456

Hypo-Mixolydisch. Psalm 113.

-^L ^. —ö--d?-

H—•—•—« A m P

—amp; _ — ^^^—

tr ^ 1. Gij \'

T

H^—H

s Hee-ren\'

!

r r r r

«echten Hooft de

i J J j

-(2.-amp;--

1 1 n Heer! Looft

J J

ATÉjJ-TT-f-

i o

r—#—r—rquot;

-t—t-

i—i-

ffPPg-Jxj—^

r-r-T-r-r-^—r—i

zij - nen naam, verbreidt zijn eer! De

^» J j j—p—A-

iÉEÈEÊEÊ^EEE$E3EEiÊÉESEÊ::l 1 1

^ ^ 1 r r r i i

naam des Hee - ren zij ge-pre-zen. Zijn

cjifc—*-:===—^—g-j-W—

. r f81?»? r

f- r • f- -s? i i ^

i I i I 1 1

roem zij door t heel-al ver - breid; Van

i J J J I I -■gt;% \' \' | quot;- \'t | 3 , :

ocr page 481

Psalm 113.

457

6. M

3-

_:

nu tot in ail\' een - wij?

t

held; Men

i J

— 0

-fTquot;

J-

HI

Psalm 113.

loovquot;taan-bid - lijk Op - per - we - zen!

J J

Nieuwe melodie.

|iife

-J

is:

1. Gij \'s Hee-ren knechten! looft den Heer! Looft

I I I I I 1 I !

.jff__amp; o__l___amp; a amp;

i

zij-nen naam, verbreidt zijn eer! De naam des

T

J

i

Efc

~(5-~

r

I

30=

ocr page 482

458 Psalm 113.

rrV^rfïp i rT^r

Hee-ren zi j ge - pre - zen. Zijn roem zij

\\ \\ J •» J. \' ! |

rpzrir:» ——T-----•-r-ig ^-i—g!—g»-]

1 I

^Êé=^\'dE^-iBn i jTT^-^

^111 1 f f r I

door \'theel - al ver - breid; Van nu tot

I J J I I I lui

i 1 H r r

^ r 1 i rr1 i 1

in all\' een-wig - lieid; Men loovquot;t aan-

f---f-p^-

i ■ ^ f [

-i - ! l -

* J:.

—è--—1---^---

i

W ^ f

bid - lijk

| |

r r ri_r

Op - per - we

i J „

—amp;-----

!

zen!

i

■quot;ïf-b-^---TÖ\'—

^ i

-^--«~J

-amp;---

—-

—t _:

ocr page 483

Psalm 1J4.

2. Van daar de zon in \'t oosten straalt, Tot daar z\' in t westen nederdaalt, Zij \'s Heeren name lof gegeven!

De Pleer is boven \'t heidendom;

Zijn heerlijkheid, bekend alom,

Is boven zon en maan verheven.

3. Wie is gelijk aan onzen Heer?

Aan God, die, tot zijn eeuwig\' eer.

Zijn\' troon gevest heeft in den hemel? Die, daar Hij \'t wereldrond gebiedt. Van zijnen hoogi\'n zetel ziet

Op \'t laag en nietig aardsch gewemel?

•J. Wie is aan onzen God gelijk.

Die armen opricht uit het slijk; Nooddruftigen, van elk verstooten. Goedgunstig opheft uit het stof,

Eu hen, verrijkt met eer en lof,

Naast Prinsen plaatst en wereldgrooten?

459

5. Wie roemt niet \'s Heeren wondre trouw. Die mildelijk d\' onvruchtbre vrouw, Op hare beê, een blijde moeder Van liev\' en frissche telgen maakt. En dus voor aller welzijn waakt? Men loov\' den grooten Albehoeder.

Dorisch. Psalm 111.

jr—r---i--;--j—3-1

amp; * é J 1

fa

1. Toen Is - ra - ël \'t E

i i i i ^

^ ó t 1 - t ft

amp; amp;

r h

- gyptisch rijks-ge-

4 i-J-

-1-----—

2 F .

ocr page 484

460 Psalm 114.

ildgppiip^^lp t rt r f p f ry if

bied, En\'t volk, zoo vreemd van aarden taal,ver-

I I I I II I I I I ry--f-g-f*-»-f ^ g) J J—\'5\'-I

• r r fi I I f i

liet, Werd Ju-da God ter wo - ning; Hij

___4__J-y-— ■*

1

5.

: p r r r rj ft

wijd-dc zich dit volk ten hei-lig - dom. En

■•■■•• /J ! J ! J I i i v—r ^ r I

^ r r r r \' r 1 1 r r

sticht-te daar den troon, dienHij be - klom. Als

r t 1quot; r • m

ocr page 485

Psalm 115.

iHÜ i =ïfe«iiiip=|j^3i

? r r «r r f^T

i Is - reis God en Ko - ning.

2. Dit zag de zee met bevend\' oogen aan,

En vlood terug. De bruisende Jordaan

Werd achterwaarts gedreven.

Het hoog en laag gebergt\' sprong op in \'t rond, Als \'t wollig vee, dat dartelt op den grond, En deed de velden beven.

3. Wat was \'t, o zee! dat u zoo vluchten deed? En gij, Jordaan! wat angst, wat prangend leed

Kon u terugge dringen?

Gij bergen en gij heuvels! wat gerucht Deed u met schrik dus steigren naar de lucht. Als lammeren, die springen?

4. Beef, aarde! beef voor \'s Heeren aangezicht.

Voor Jakobs God, die uit het eeuwig licht

Zijn Isrel hulp wou zenden!

Hij is \'t, wiens macht de rots verandren kon In eenen vloed, den keisteen in een bron.

461

Voor Isrels matte benden.

Dorisch. 1.

Psalm 115.

r-f

I. Niet ons, o Heer, niet

--1—

rrf

amp;

ë

ons, uw naam al-

-i_Ji -i

--2—1-

$

f


ocr page 486

462

\'ó. 4.

j J —-p=EÉEz

i ! ^ r Tquot; f i i r

heên, AH\' eer en roem ge - ge - ven! Waar-

J J

i^-| _-|=r=fcqe—f .

r r r r ^

ora, o Heer! zou \'t hei - den-dom, met

, i i J i i i i

9^-3—,*—j—f—--, - r—

(fe .1 -J -

spot. Dan

J- J

r - S\'-

r rf f

zeggen: waar, waai

iquot; F \'

-2-H—-J-i—

r r«rr

is toch nn hun

r—J J J J-n

^ .1 1 1

-r-r=^—-

-2-f—f—i—U-

ocr page 487

Psalm 115.

r r fTT r3T

God, Bij hen zoo hoog ver-he - ven?

j_:h—j j j i^LJ_X-.

Psalm 115. Nieuwe melodie.

^-Tt-rfe-1

=^=i—^—,

-d-1

--1—

tp—J-

=i-

•

—•—

—i— —•—

55

-4—

r

1. Niet

1

u •

i

ons, 1

#

1

0

1

—•—

1

Heer!

J.

—»— i

niet

J

-amp;-

1

ons,

1

r—

uw\'

1

—fl\'-•-

■ 1, naam al-

1. ±

^fS-cb—•-

, ........

. ^

amp;)

-F-

—1-

-f

r

-hquot;

LA_

—

=1=

--f—

leen Zij, om uw trouw en goe-der - tie - ren-

11 II O. I 4.

f r ? 1 r f If ^ ^

heên, AH\' eer en roem ge - ge - ven! Waar-

md^déd^èdEjEamp;E

r -■-■:--grB-h F^t-—I—- T--

463

ocr page 488

Psalm 115.

om, o lifter! zou \'t hei - den - dom, met . ^ ^ i i

ft--j-f-i-f—S-L-? f 1» ^

spot, Dan zeg-gen: waar. waar is toch nu hun

I I I

_£ I J 1 I I K I

464

IgV 1 Mf^r C

rdr

v

ven?

^=rqz

Ff

God. Bij hen zoo hoog ver - he

I

— —

m

-^—*-

l^f1-

f2

^ i

-I

1

Nochtans is God het doel van onzen lof;

2

Gods eer wordt opgedragen.

ocr page 489

Psalm 115.

3. Zij hebben wel een\' mond, doch die niet spreekt; Wel oogt-n, doch waaraan \'t gezicht ontbreekt,

\'t Licht kan hun niets ontdekken;

Geen klank, hoe schel, dringt immer hun in \'t oor; Men zett\' hun vrij den besten wierook voor,

\'t Kan hun geen\' reuk verwekken.

1. Hun hand, hoe fraai bewerkt, tast nooit iets aan; Hun voet, hoe welgevormd, kan nimmer gaan;

Hun keel geen klanken geven.

Hun maker deel\' in hun verachtlijk lot!

Die op hen steunt, miss\' nevens hen \'t genot Van \'t duurgeschatte leven!

Pauze.

5. Maar, Israël! vertrouw gij op den Heer!

Hij is hun hulp, hun sterkt\' en al hun eer,

Hun schild, dat nooit zal wijken.

Vertrouw op God, gij, Arons nageslacht!

Hij is hun schild, hun hulp, die hun zijn macht Zoo menigwerf deed blijken.

G. Vertrouwt op God, gij allen, die Hem vreest! Hij is altoos hun schild, hun hulp geweest:

De Heer was ons gedachtig.

Zijn zegen blijft op Israël verspreid;

Aarons huis is die ook toebereid.

God is getrouw en machtig!

T. Elk, die Hem vreest, hoe klein hij zij of groot, Wordt van dat heil, die weldaan, deelgenoot;

Hij zal ze grooter maken,

En z\' u, zoowel als \'t kroost, dat gij bemint, Dat, nevens u, zich aan Gods wet verbindt, In dubble maat doen smaken.

:i0

4G5

ocr page 490

466 Paalm 116.

S. D\' algoede God, die, door zijn groote kracht. Don hemel schiep, deez\' aard\' heeft voortgebracht,

Beschenkt u met zijn\' zegen.

De hemel is zijn eigendom, zijn troon;

Maar \'t menschdom heeft de vruchtbaar\' aard\', ter woon,

Van onzen God verkregen.

!). In \'t stille graf zingt niemand \'s Heeren lof; Het zielloos lijf, gedompeld in het stof.

Kan Hem geen glorie geven;

Maar onze tong zingt, tot in eeuwigheid,

Des Heeren lof, zijn\' roem en majesteit.

Looft God, de bron van \'t leven!

r r \' r

1. God heb ik lief, want die ge - trou - we

Psalm 116.

=i:

-L-U.

iü

fcs-

— !quot;1—■—*—* f r rrrr r r r ^

Heer Hoort mij - ne stem, mija smeekin-gen, mijn

J J J

F--2-

£

.Tonisch. 1.

Se

-2-1-

t r

I

S-

J

J

IÊ=

quot;75quot;

ocr page 491

Psalm 116.

467

1-

r r r f i

Hij neigt zijn oor, \'k roep

kla - gen;

J.\'

-J--J—j—J—^

=1=

±

W Pquot;

I r I I

al mijn da - gen; Hij

r r

tot Hem

I - J

mi

$

2. Ik lag gekneld in banden van den dood,

Daar d\' angst der hel mij allen troost deed missen; Ik was benauwd, omringd door droefenissen,

Maar riep den Heer dus aan in al mijn\' nood:

3. »Och Heer! och, wierd mijn ziel door U gered!« Toen hoorde God. Hij is mijn liefde waardig; De Heer is groot, genadig en rechtvaardig.

En onze God ontfermt zich op \'t gebed.

30*

ocr page 492

Psalm 116,

4. D\' eenvoudigen wil God steeds gadeslaan;

\'k Was uitgeteerd, maar Hij zag op mij neder.

Keer, mijne ziel! tot uwe ruste weder;

Gij zijt verlost: God heeft u welgedaan.

5. Gij hebt, o Heer! in \'t doodlijkst tijdgewricht.

Mijn ziel gered, mijn tranen willen droogen.

Mijn\' voet geschraagd; dies zal ik, voor Gods oogen. Steeds wandelen in \'t vroolijk levenslicht.

Pauze.

0. Ik heb geloofd, dies sprak ik tot Gods eer.

\'k Was zeer bedrukt; ik liet, in haast, mijn lippen. Door drift vervoerd, deez\' harde taal ontglippen: »Bij menschen is nooit trouw noch waarheid meer!quot;

7. Wat zal ik, met Gods gunsten overlaan.

Dien trouwen Heer voor zijn gena vergelden?

\'k Zal, bij den kelk des heils, zijn\' raam vermelden. En roepen Hem met blijd\' erkentnia aan.

8. Nu zal ik voor de weldaan, die \'k genoot.

Aan Hem, naar mijn geloften, eer bewijzen; Hem onder al zijn gunstgenooten prijzen; Hoe kostlijk is in \'s Heeren oog hun dood!

it. Och Heer! ik ben, o ja! ik ben uw knecht.

Uw\' dienstmaagds zoon; Gij slaaktet mijne banden. Dies doe ik U gewillig\' offeranden Van lof en dank, U plechtig toegezegd.

10. Ik zal uw\' naam met dankerkentenis Verheffen, U al mijn geloften brengen;

\'k Zal liefd\' en lof voor U ten offer mengen, In \'t heiligdom, waar \'t volk vergaderd is.

11. Ik zal met vreugd in \'t huis des Heeren gaan. Om daar met lof uw\' grooten naam te danken. Jeruzalem! gij hoort die blijde klanken.

Elk heff\' met mij den lof des Heeren aan!

4ö8

ocr page 493

469

Hypo-Mixolydisch. Psalm 117.

r

i

amp;

f1

j

1. Loof, loof den lieer, gij hei-dcn-dom! Gij

-#

i-

I

3

G-S

ï1 ^

^ I

al - om ! Zijn

t-r-r-r t

vol - ken! prijst zijn\' naam

—ö1-

T—r

•5- •

en dood. Voor

goed - heid is, in nood

Ü

1

-2—*-

t r r t

ocr page 494

Psalm 118.

r r r r f

waar-heid wan-kelt nim - mer - meer. Zingt

470

I

J J I I .J J

-a-

r-r

r

t

NB.

znn

m

Hal - le - lu - ja, zingt

£

I

J-

2

Hypo-Joniscb. Psalm 118.

----1--1--1--J-

—4 ;

fequot;-3quot; s

-j j • -

—-2~lt;s—^—

pquot;

!

1. Laat

\' f T fquot; r f

le-der\'sHee-ren goed-heid

1 1 1 !

r r

lo - ven,

J |

• • : , *

—s———amp;—

.1--

r r r .

—2---o—

fiRt-

-egt;-

-J -1-i

—

i

-

rj-

lit

—i?-

-

-(SLJ

1

r i i

—

1

4-

1

I

Want goed isd\'Op

J _J J. J

per

J

ma

r

- ies

-

1

teit;

i

e)

Zijn a

cvtt-

•--g-

•

P-

J-t

—-^~

i

^ È

•

-amp;gt;-i_

-^5—

==-h

ocr page 495

Psalm 118.

r) ir__________________j,__j____,_i ^quot;1

w—jf=l .!■ l—b—r—f-——P—d

t r r f r 1 1 t 1

goedheid gaat het al te bo - ven; Zijn

iE=i=r=Ê=r=Ë^^i^=-1

I

^_ë------J----,--j------r---—

--m--;-----1---i--1—

lt;gt;

L.

ljz-0-----0-z—

? ^ -

S2 r r r T r r r \'

goed-heid duurt in een - wig-heid. Laat

—ü-_J--J-1-1--^-j-r-g--J-

m3e^ee^ee(eeieef=t^=s^

rrrif r r-rf r

Is - rel nu Gods goedheid lo - ven, En

, J J J I I J J f,____

--^-f—l-J-1--!---J------

471

AL ^--1-1---1---1---1--]_

- ^ =F ^ quot;

h . -i-. :-i |- ^

~ï * - .J.

r r r f r r

zeg-gen;roemt Gods ma - jes

„ ! 1 J ! 1 i

ö P 1 1 teit! Ziin

J ^

^\'S 5

—lt;5-

bt r ■

- -3- p -

-s,-:----

ocr page 496

Psalm 118.

^-r—r-r-r-r

goed-heid gaat het al te j j j j j

472

bo

jg

m

^=1

-1=

\'r r r r r r

Zijn goed-heid dunrt in eeu-wig-heid!

■4^ J J --n

#È=3EEf^-Ei

2. Laat Arons huis Gods goedheid loven, En zeggen: roemt Gods majesteit!

Zijn goedheid gaat het al te boven;

Zijn goedheid duurt in eeuwigheid!

Laat die God vreezen Hem nu loven, En zeggen: roemt Gods majesteit!

Zijn goedheid gaat het al te boven;

Zijn goedheid duurt in eeuwigheid!

3. Ik werd benauwd van alle zijden,

En riep den Heer ootmoedig sian; De Heer verhoorde mij in \'t lijden. En deed mij in de ruimte gaan.

De Heer is bij mij, \'k zal niet vreezen; De Heer zal mij getrouw be\'noên.

Daar God mijn schild en hulp wil wezen, Wat zal een nietig menseh mij doen?

ocr page 497

Psalm 118.

Eerste Pauze.

4. De Heer is aan de spits getreden Devgenen, die mij hnlpe biên;

Ik zal, gered uit zwarigheden,

Mijn\' lust aan mijne haatren zien.

\'t Is beter, als w\' om redding wenschen,

Te vluchten tot des Heeren macht.

Dan dat men ooit vertrouw\' op menschen,

Of zelfs van Prinsen hulp verwacht\'!

5. Toen ik de heidneu aan zag rukken,

Heb ik in \'s Heeren kracht gestreên;

Ik hieuw z\' in \'s Heeren naam aan stukken, Vertrouwend\' op dien naam alleen.

Ik kon noch voor- noch rugwaarts keeren. Omringd, ja gansch omringd ter dood; Ik sloeg hen in den naam des Heeren, Die mij goedgunstig bijstand bood.

G. Zij hadden mij omringd als bijen.

Maar zijn als doornenvuur vergaan; \'k Mocht hen in \'s Heeren kracht bestrijen, In \'s Heeren naam hen gansch verslaan. Gij hadt m\', o vijand! hard gestooten. Tot vallens toe mij onderdrukt;

De Heer bewaart zijn gunstgenooten; De Heer heeft zelf mij uitgerukt

7. De Heer is mij tot hulp en sterkte.

Hij is mijn lied, mijn psalmgezang;

Hij was het, die mijn heil bewerkte.

Dies loof ik Hem mijn leven lang. Men hoort der vromen tent weêrgalmen Van hulp en heil, ons aangebracht;

Daar zingt men blij\', met dankbre psalmen: Gods rechterhand doet groote kracht!

47:5

ocr page 498

Psalm 118.

Tweede Pauze.

8. Gods rechterliand is hoog verheven; Des Heeren sterke rechterhand

Doet door haar daan de wereld beven,

Houdt door haar kracht Gods volk in stand. Ik zal door \'s vijands zwaard niet sterven, Maar leven; en des Heeren daan,

Waardoor wij zooveel heils verwerven. Elk, tot zijn eer, doen gadeslaan.

9. De Heer wou mij wel hard kastijden,

Maar stortte mij niet in den dood; Verziichtte vaderlijk mijn lijden,

En redde mij uit allen nood.

Ontsluit, ontsluit voor mijne schreden Do poorten der gerechtigheid;

Door deze zal ik binnentreden En loven \'s Heeren majesteit!

10. Dit is, dit is de poort des Heeren;

Daar zal \'t rechtvaardig volk door treên, Om hunnen God ootmoedig t\' eeren,

Voor \'t smaken zijner zaligheên.

Ik zal uw\' naam en goedheid prijzen; Gij hebt gehoord; Gij zijt mijn\' geest,

Door uw ontelbre gunstbewijzen,

Tot hulp, en heil, en vreugd geweest.

Derde Pauze.

11. De steen, die door de tempelbouwers Verachtlijk was een plaats ontzegd,

Is, tot verbazing der beschouwers.

Van God ten hoofd des hoeks gelegd. Dit werk is door Gods alvermogen,

Door \'s Heeren hand alleen geschied;

Het is een wonder in onz\' oogen;

Wij zien het, maar doorgronden \'t niet.

474

ocr page 499

Psalm 119.

12. Dit is de da^, de roem der dagen,

Dien Isrels God guheiligd heeft;

Laat ons verheugd, van zorg ontslagen, Hem roemen, die ons blijdschap geeft. Och Heer! geef thans uw zegeningen; Och Heer! geef heil op dezen dag;

Och! dat men op deez\' eerstelingen Een\' rijken oogst van voorspoed zag!

13. Gezegend zij de groote Koning,

Die tot ons komt in \'s Heeren naam! Wij zeegnen U uit \'s Heeren woning; Wij zegenen U al te zaam.

De Heer is God, door wien w\' aanschouwen Het vroolijk licht, na bang gevaar;

Bindt d\' offerdieren dan met touwen Tot aan de hoornen van \'t altaar.

14. Gij zijt mijn God, U zal ik loven, Verhuogen uwe majesteit!

Mijn God! niets gaat uw\' roem te boven; U prijz\' ik tot in eeuwigheid!

Laat ieder \'s Heeren goedheid loven.

Want goed is d\' Oppermajesteit!

Zijn goedheid gaat het al te boven;

Zijn goedheid duurt in eeuwigheid!

475

Hypo-Jonisch. P Sill 111 119.

±-i ^

•\' é---U 1

- \'—^^

1

1. Wel Evi-és-

r r ? r

- za - lig zijn d\'op

J-J-J ^

\'hr r r

- rechten van ge-

J j i 1

t-\' ^ ^

m__:

ocr page 500

4-

Psalm 119.

0=

—lt;r

1 1 j* I ! f I 1 !

inoed. Die, on-geveinsd, des Hee-ren wet be-

476

3

zsa

T p a a

1 I

Hij op\'t spoor der

P

_--^

(2 Die

trach - ten,

1

t

it

P

I

J

i»zi3-

r r - I

godsvruolitwandleu doet. Wel-za-lig, die, bij

1^ j aj ei—I

-2—4-

I I

EÈ

quot;»■

i

i

r

quot;22-

T=r=

nach - ten,

Gods

I

amp;

—(g

I

A-

da - gen en bij

- ^ j J-

PÉ

ocr page 501

Psalm 119. 477

---j

1 ■ i

/n- -B— -J—=5

--amp;—

--J-.-±—

VU • w

* P amp; amp;

L, \' i

wil be - peinst, en

i J i

rv» _ \' ^ l % *

•—r—f—

Hem, als \'thoog-ste

r 1 \' J

\' * • * \\ \' r

gt; .tl --1—_--1—

F^=—rj--

^^------è—

• j ë «

j

goed, Van

i i li ^ amp;

i

har - te zoekt met J. ». ■*: jZ

-

J - ^ * e

—f 0 *

----j_

\' |-t-

H—

1---

--J-

-0-0-

2

-4—

s?--

It—

*

if- p

in

1

x

-#-

[

- ge

J

i r

- span-nen

J J

krach - ten.

^Vt ..

1 -----

— T~

---p—

f i-

hr—

-

ir ■

1

Gij, groote God! die ons bevelen geeft, Gij eischt, dat w\' op uw woord gestadig letten. En dat w\' ons hart, aan uwen wil verkleeTd, Geduriglijk op uwe wegen zetten.

ocr page 502

Psalm 119.

3. Och, sohonkt Gij mij de hulp van uwen Geest! Mocht die mij op mijn paan ten leidsman strekken! \'k Hield dan uw wet, dan leefd\' ik onbevreesd; Dan zou geen schaamt\' mijn aangezicht bedekken, Wanneer ik steeds opmerkend waar\' geweest,

Hoe uw geboun mij tot uw liefde wekken.

4. Ik zal, oprecht van hart, uw\' naam, o Heer!

Gestaag den roem van uwe grootheid geven,

Als ik \'t gezag en \'t heilig oogmerk leer

Van \'t vlekloos recht, door uwe hand beschreven, \'k Zal uw geboon bewaren tot nw eer;

Verlaat mij toch niet ganschlijk in dit leven!

Eerste Pauze.

5. Waarmede zal de jongeling zijn pad,

Door ijdelheên omsingeld, rein bewaren?

Gewis, als hij het houdt naar \'t heilig blad!

U zoekt mijn hart; mijn oog blijft op U staren; Laat mij van \'t spoor, in uw geboón vervat.

Niet dwalen, Heer! laat mij niet hulploos varen.

C. \'k Heb in mijn hart uw rede weggelegd.

Opdat ik mij mocht wachten voor de zonden. Gij zijt, o lieer! gezegend; leer uw\' knecht Door \'t godlijk woord, een helder licht bevonden, En door uw\' Geest, al d\' eischen van uw recht; Zoo wordt uw eer nooit stout door mij geschonden!

7. \'k Heb andren al de rechten van uw\' mond Met lust verteld, hen vlijtig onderwezen.

Uit al den schat van \'t groote wereldrond Is nooit de vreugd in mijn gemoed gerezen,

Die \'k steeds in uw getuigenissen vond.

Door mij betracht, en andren aangeprezen.

478

ocr page 503

I\'salm 119.

8. Ik zal, o God! bepeinzen uwe wet, In \'t onderzoek van uw bevelen waken;

Terwijl mijn ziel op uwe paden let.

In uw geboön zal zich mijn geest vermaken. En, daar ik hulp verwacht op mijn gebed. Uw heilig woord vergeten nuch verzaken.

Tweede Pauze.

\'J. Doe bij uw\' knecht weldadigheid, o Heer! Opdat ik leev\', uw woorden moog\' bewaren, En dat uw Geest mij ware wijsheid leer\'.

Mijn oog verlicht\', de nevels op doe klaren; Dat mijne ziel de wondren zie en eer\',

Die in uw wet alom zich openbaren!

lü. Ik ben, o Heer! een vreemdling hier beneên; Laat uw geboon op reis mij niet ontbreken. Daar mijne ziel, omringd door duisterheên. Zoo dikwijls van verlangen is bezweken Om U te zien ter hooge vierschaar treên. Tot straf van hen, die snood zijn afgeweken.

11. Gij scheldt en straft vervloekte hoovaardij. Gewend zoo wijd van uw geboon te dwalen. Dat toch uw gunst mijn ziel van smaad bevrij\', Die op mijn hoofd verachtlijk neêr zou dalen; Daar \'k U mijn dienst, naar uw getuignis, wij\'. Om nooit uw straf mij op den hals te halen!

12. Wanneer ik zelfs door Vorsten werd beticht, In \'t hoog gestoelt\' op uwen knecht gebeten. Heb ik mijn\' weg naar uw geboón gericht. En die betracht met een oprecht geweten; Ook waren zij mijn raadsliên en mijn licht;

\'k Heb, met vermaak, mijn\' tijd daarin gesleten

4713

ocr page 504

Psalm 119.

Derde Pauze.

13. Hoo kleeft mijn ziel uan \'t stof! ai! zie mijn\' noud; Herstel mij, doe mij naar uw woord herleven!

\'k Lei\' voor uw oog mijn\' weg en handel bloot; En welk een angst mij immermeer deed beven, Gij hebt verhoord; maak voorts uw weldaan groot, En laat uw wet mij onderrichting geven!

14. Och! dat ik klaar en onderscheiden zag,

Hoe \'k mij naar uw bevelen moet gedragen, Uw wondren recht betrachten dag aan dag!

Mijn ziel druipt weg van treurigheid en klagen; Ai! richt mij op, verander mijn geklag;

Wil, naar uw woord, mij gunstig onderschragen!

15. Weer snood bedrug, o God! van mijn gemoed;

Laat uw gena mij uwe wetten leeren!

Ik kies den weg der waarheid voor mijn\' voet, Om mij van \'t pad der zonden af te keeren. Uw rechten, die zoo heilig zijn en goed,

Steld\' ik mij voor; die wil ik needrig eeren.

16. Mijn hart kleeft vast aan waarheid en aan deugd; Het zal op uw getuigenissen hopen.

Beschaam mij niet, wil mij, in U verheugd.

Tot uwe vreez\', o Heer! gestadig nopen.

Als Gij mijn hart verwijdt door ware vreugd,

Zal ik het pad van uw geboden loopen.

Vierde Pauze.

17. Leer mij, o Heer! den weg door U bepaald; Dan zal ik dien ten einde toe bewaren.

Geef mij verstand, met godlijk licht bestraald; Dan zal mijn oog op uwe wetten staren;

Dan houd\' ik die, hoe licht mijn ziel ook dwaalt; Dan zal zich \'t hart met mijne daden paren.

480

ocr page 505

Psalm 119.

18. Doe mij op \'t pad van uw geboden treên;

oqjIi Schraag op dat npoor mijn wankelende gangen;

Daar strekt zicli al mijn lust en liefde heen. Ai! neig mijn hart en vurig zielsverlangen,

0 Heer! naar uw getuigenis alleen ; Qof Laat gierigheid mij in haar\' strik niet vangen!

19. Wend, wend mijn oog van d\' ijdelheden af; Verlevendig mijn hart door uwe wegen!

Dat mij \'t betreen dier paden vreugd verschaff\'; Bevestig toch aan uwen knecht den zegen,

Waartoe uw woord hem blijde hope gaf;

Hij is oprecht tot uwe vreez\' genegen.

}

20. Weer van mij af de smaadheid, die ik vrees! Uw rechten. Heer! zijn goed en vrij van vlekken, Waarom ik die gestaag als heilig prees.

Zie al mijn\' lust tot uw bevel zich strekken. Och! dat er kracht en leven in mij reez\'!

Wil die door uw gerechtigheid verwekken.

Vijfde Pauze.

d;

21. Dat mij, o Heer! uw goedertierenheid Toch overkoom\', naar uw beloftenissen;

Dan geef ik aan mijn\' smader juist bescheid;

Dan zal hij op zijn\' schimp geen antwoord missen; Want ik vertrouw op \'t woord, mij toegezeid;

Geen leed zal \'t ooit uit mijn geheugen wisschen.

22. Ai! ruk het woord der waarheid niet te zeer Van mijnen mond; ik hoop op uwe rechten. Waarin Gij trouw gezorgd hebt voor uw eer! Dan houd ik steeds, o God! met al uw knechten,

t; Uw heiige wet; dan zal ik meer en meer

Daar eeuwig en altoos het hart aan hechten.

31

481

ocr page 506

Psalm 119.

23. Dan wandel ik vol moeds op ruimer baan,

Omdat mijn ziel gezocht heeft uw bevelen; Dan doe ik zelfs aan koningen verstaan,

Iloozeer mij uw getuigenissen streelen;

Dan zal ik mij niet schamen, noch uw daan Uit slaafsch ontzag of dwaze vrees verhelen.

24. \'k Zal uw geboön, die ik oprecht bemin,

Mijn hoogst vermaak, mijn zielsgenoegen achten; Ik roken die mijn allergrootst gewin;

Ik grijp er naar, en zal er heil uit wachten;

Ik heb ze lief, en zal met hart en zin.

Al \'t geen Gij ooit hebt ingezet, betrachten,

Zesde Pauze.

25. Gedenk aan \'t woord, gesproken tot uw\' knecht, Waarop Gij mij verwachting heb1; gegeven!

Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd;

Dit leert mijn ziel U achter aan te kleven; Al \'t geen uw mond aan mij had toegezegd Gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven.

2«. \'t Hoovaardig volk heeft mij op \'t felst bespot; \'k Ben echter niet van uwe wet geweken Ik dacht, o Heer! aan hun rampzalig lot,

En uw gericht, van ouds af reeds gebleken. Hoe kort van duur is al het aardsch genot!

\'k Heb mij getroost, mijn ziel is niet bezweken.

27. Daar ik moet zien, hoe snoodaards uwe wet Verlaten, heeft beroering mij bevangen;

Maar van het recht, dat Gij hebt ingezet.

Heb ik gemaakt mijn blijde lofgezangen. In vreemdlingschap heeft niets die vreugd belet. Wat nijpend leed daar mijn gemoed mocht prangen.

482

ocr page 507

Psalin 119. 4g3

28. \'k Heb, Heer! des nachts aan uwen naam gedacht,

U\\y wet bewaard, uw deugden niet vergeten.

Dat heil, dien troost hebt Gij mij toegebracht, s;

En zooveel tijds he5 ik met vreugd gesleten,

Omdat ik uw bevelen nam in acht,

En die bewaard\' in een oprecht geweten.

1^1

Zevende Pauze.

29. De Heer is mijn genoegzaam deel, mijn goed; Ik heb gezegd: ik zal uw woord bewaren.

\'k Heb U gebeên met mijn geheel gemoed. Dat zich uw heil aan mij mocht openbaren. Wees naar uw woord genadig; ai! behoed, Behoed uw\' knecht en red hem uit gevaren.

30. Ik heb bedaard mijn wegen nagegaan;

Mijn\' voet gekeerd tot uw getuigenissen,

En mij gehaast die paden in te slaan,

Waarin mijn ziel zich nimmer kan vergissen; \'k Heb niet vertraiigd, om, op die elfen baan. Het doel van uw gebodeu niet te missen.

31. Een godloos rot heeft mij ten roof gesteld; Nochtans heb ik uw wetten niet vergeten; Te middernacht heb ik uw\' lof vermeld;

Dan sta ik op, om met een blij geweten Het recht, dat uw gerechtigheid verzelt, Tot uwen roem, ten breedsten uit te meten.

32. Ik ben een vriend, ik ben een metgezel Van allen, die uw\' naam ootmoedig vreezen. En leven naar uw goddelijk bevel.

O Heer! hoe wordt uw goedheid ooit volprezen? Gij doet op aard\' aan alle schepsien wèl. Och! wierd ik in uw wetten onderwezen!

31*

1

ocr page 508

Psalm 119.

Achtste Pauze.

33. Gij hebt veel goeds bij uwen knecht gedaan; Hem, naar uw woord, gered nit al zijn nooden.

Leer mij, o Heer! een\' goeden zin verstaan, En wetenschap, der dwazen waan ontvloden.

Wijs Gij mij zelf den weg der waarheid aan. Naardien ik heb geloofd aan uw geboden.

34. \'k Sloeg, eer ik werd verdrukt, het dwaalspoor in; Maar nu, geleerd, houd ik uw woord en wegen. Wat zijt Gij goed! wat schenkt uw menschenmin Aan ieder, die U vreest, al milden zegen!

Leer mij uw wet in haren rechten zin.

En maak mijn hart tot uw geboón genegen!

35. \'t Hoogmoedig volk dicht leugens tegen mij;

Doch ik bewaar van harten uw bevelen.

Hun hart is vet als smeer, vol hoovaardij;

Diiïs zuilen zij in uwe gunst niet deelen;

Maar uwe wet, waarin ik mij verblij\',

Zal met het zoetst vermaak mijn zinnen streelen.

36. \'t Is goed voor mij, verdrukt te zijn geweest,

Opdat ik dus uw godlijk rerht zou leeren;

Sinta heeft mijn hart voor hoovaardij gevreesd. Ai! doe mij steeds uw\' wil als heilig eeren! Ver boven goud, en zilver, en wat meest

Den mensch bekoort, zal ik uw wet waardeeren.

Negende Pauze.

37. Uw hand heeft mij gemaakt en toebereid.

Ai! maak mij ook verstandig in uw wetten; Zoo leer ik uw geboön en heiligheid.

Al wie U vreest, zal op mijn\' heilstaat letten,

Verheugd, dat ik, door uwe hand geleid.

Niet vruchtloos op uw woord mijn hoop mocht zetten.

484

ocr page 509

Psalm 119.

38. Ik weet, o Heer! dat uw gerichten ïijn Gerechtigheid, en Gij mij liet verdrukken

Uit enkle trouw. Och! dat uw gunst verschijn\'. Om mij uit angst en nijpend leed te rukken;

Troost mij, uw\' knecht, die nu angstvallig kwijn\'; Mij is die troost beloofd in ongelukken.

39. Breng over mij al uw barmhartigheên,

Opdat ik leev\'; want al mijn vergenoegen.

Al mijn vermaak is in uw wet alleen.

Beschaam, die zoo hoovaardig zich gedroegen,

Wier leugentong zoo valsch mij heeft bestreen; Doch ik wil mij naar uw geboden voegen.

40. Dat ieder, die ü vreest, zich tot mij keer\'. Die kundig is in uw getuigenissen!

Maak, dat mijn hart oprecht uw lessen eer\'; Dat niets die ooit uit mijne ziel moog\' wisschen; Opdat ik niet beschaamd word\'. Laat, o Heer!

Laat mij die gunst op aarde nimmer missen!

Tiende Pauze.

41. Mijn ziel bezwijkt, zij is gansch afgemat,

Daar z\' aan uw heil met al haar\' lust blijft hangen, Waarop uw woord mij hoop gegeven had.

Mijn oogen zijn bezweken van verlangen Naar \'t geen mij was beloofd, terwijl ik bad: «Wanneer, o God! zal ik uw\' troost ontvangen?»

42. Ik ben, helaas! een\' leedren zak gelijk,

Die al zijn vocht heeft in den rook verloren;

Hoewel ik niet van uwe wetten wijk.

Hoelang blijft nog uw\' knecht dit leed beschoren? Wanneer zult Gij, opdat mijn onschuld blijk\', Hen rechten, die mijn rust, uit wrevel, storen?

485

ocr page 510

Psalm 119.

43. Een listig volk heeft, boos en trotsch van aard, Tot mijnen val een\' diepen put gegraven,

Hoezeer uw wet daartegen zich verklaart.

Al uw geboön zijn waarheid; \'k wil die staven. Ik word vervolgd, met leugentaal bezwaard;

Help mij, o Heerl ten spijt dier zondeslaven.

44. Zij hebben mij bijkans op aard\' vernield;

Maar ik bleef uw bevelen dierbaar achten. Ai! beur mij op, laat mij, met moed bezield, Weêr leven en op uwe goedheid wachten; Dan zal ik steeds, daar mij uw trouw behield, \'t Getuigenis van uwen mond betrachten.

Elfde Pauze.

45. O Heer! uw woord bestaat in eeuwigheid,

Daar \'t hemelheir zich schikt naar uw bevelen. In uwe trouw, zoo gunstig toegezeid,

Zal elk geslacht, ja \'t eind der eeuwen deelen Deez\' aard\' is hecht door uwe hand bereid;

Haar stand blijft vast, al wisslen haar tooneelen.

46. De hemel blijft nog met den aardkloot staan, Naar uw bevel; zij allen zijn uw knechten. Ik waar\' reeds lang in mijnen druk vergaan. Indien ik mij met uwe wet en rechten.

Tot mijn vermaak en troost, niet had beraan. Om aan uw trouw alleen mijn hoop ts hechten.

47. \'k Ben eeuwiglijk gedachtig aan uw woord;

Want ik ontving door uw bevelen \'t leven.

\'k Ben d\' uwe, Heer! geleid mij ongestoord; Behoud mij toch, naar \'t woord aan mij gegeven! Ik heb met lust uw wetten nagesposrd

En die gezocht, door uwen Geest gedreven.

486

ocr page 511

Psalm 119.

48. Der boozen schaar heeft lang op mij gewacht, Om mij te doen vergaan in mijn ellenden;

Ik neem op uw getuigenissen acht.

Waar ik het oog op aarde heen moog\' wenden, \'t Volmaaktste vindt een eind en derft zijn kracht; Maar uw gebod is wijd, en zal nooit enden.

Twaalfde Pauze.

49. Hoe lief heb ik uw wet! het is mijn doel Den ganschen dag haar ijviig te betrachten. Hoe listig ook mijn snoode vijand woel\',

\'k Heb wijzer geest en edeler gedachten Door uw geboón, wier kracht ik staag gevoel, Die \'k eeuwig zal met heilgen eerbied achten.

50. Ik overtref mijn leeraars in beleid.

Want ik betracht af uw getuigenissen.

Ik overtref zelfs in voorzichtigheid

De grijsaards, die de ware godsvrucht missen; \'k Bewaard\' uw wet, die zulk een licht verspreidt. En van mijn heil mij best kan vergewissen.

51. Ik heb mijn\' voet geweerd van kwade paan.

Opdat ik steeds uw woord zou onderhouden.

\'k Heb mij gewacht die wegen in te slaan.

Die mij van \'t spoor der deugd verbijstren zonden; Want Gij hebt mij geleerd daarin te gaan Met allen, die op uwen naam betrouwden.

52. Hoe zoet zijn mij uw redenen geweest!

Geen honig kon \'t gehemelt\' beter smaken.

Alleen door uw bevelen krijgt mijn geest Verstand van God en goddelijke zaken;

Dies heb ik al de leugenpaan gevreesd.

En zal bedrog en slinksche wegen wraken.

487

ocr page 512

Psalm 119.

Dertiende Pauze.

53. Uw woord is mij een lamp voor mijnen voet,

Mijn pad ten licht, om \'t donker op te klaren. Ik zwoer, en zal dit met een blij gemoed Bevestigen in al mijn levensjaren.

Dat ik uw wet, die heilig ia en goed,

Door uw gena, bestendig zal bewaren.

54. Ik ben op \'t diepst verdrukt; ai! schenk mij, Heer! Vernieuwde kracht; sterk naar uw woord mijn leven! Merk op in gunst, mijn God! hoe ik U eer\';

Hoe hart en mond vrijwillig\' offers geven

Ai! zie daarop met welgevallen neêr;

Laat in mijn hart uw rechten zijn geschreven!

55. Mijn ziel is in mijn hand steeds in gevaar;

\'k Verlies nochtans uw wet niet uit mijn oogen; Zij blijft mijn doel; en, schoon een booze schaar Mij strikken heeft gelegd door list en logen,

Ben ik van uw bevelen hier of daar Niet afgedwaald, noch tot hun kwaad bewogen.

56. Ik heb voor mij al uw getuigenis,

ïer eeuwig\' erv\', volvaardig aangenomen,

Naardien mijn hart daardoor vervroolijkt is.

Ik heb gepoogd mijn lusten in te toomen.

En \'t hart geneigd, om eeuwig en gewis.

Ten einde toe, uw wetten na te komen.

Veertiende Pauze.

57. \'k Haat ranken, vol van kwaad\' en bittre vrucht; Maar ik bemin met al mijn hart uw wetten.

Gij zijt mijn schild, de rots, waarheen ik vlucht; Gij kunt en wilt mijn\' ondergang beletten, \'k Vertrouwd\' op U, en \'t blijft nog staag mijn zucht, Om op uw woord mijn vaste hoop te zetten.

488

ocr page 513

Psalm 119. 489

58. Gij boozen! wijkt, opdat ik steeds \'t gebod Van mijnen Heer nauwkeurig moog\' bewaren, Schraag mij naar nw beloften, o mijn God!

Opdat ik leev\', ü lovend\' op miju snaren. Dat niemand mijn verwachting ooit bespott\'; Ai! laat die mij toch nooit beschaamdheid baren!

59. Wees Gij mijn steun, dan zal ik, vrij van leed, eer! Mij dag aan dag in uw geboön vermaken;

ven! Maar Gij, o Heer! die mij behoudt, vertreedt

En stoot hen weg, die uwe wet verzaken;

Want hun bedrog is leugen, \'t is gesmeed Tot mijn verderf; maar \'t zal hen zelv\' genaken.

60. Al \'t godloos volk verdoet G\' als schuim van d\' aard\'; Dies zal ik uw getuigenissen vreezen.

Het heeft mijn ziel verschrikkingen gebaard, Ja zelfs is mij het haar te berg\' gerezen,

Als ik op uw gerichten heb gestaard;

Uw oordeel. Heer! kan niet dan vreeslijk wezen.

Vijftiende Pauze.

61. Gerechtigheid en recht heb ik gedaan;

Geef mij dan niet in \'s onderdrukkers handen! Wees Gij mijn borg, en neem de rechtzaak aau Van uwen knecht, daar Gij hem aan ziet randen; Laat trotschaards toch niet stoutlijk meer bestaan. Mij, naar hunn\' wensch, te knellen in hun banden!

62. Mijn oogen zijn bezweken, rood geschreid, In \'t uitzien naar uw heil met heet verlangen; Het heil, aan mij rechtvaardig toegezeid. Ai! wisch dan toch de tranen van mijn wangen! Doe bij uw\' knecht naar uw goedgunstigheid; Leer mij uw wet, dan zal ik troost ontvangen.

ocr page 514

Psalm 119.

63. Ik ben uw knecht, geef mij dan recht verstand, Zoo zal ik uw getuigenissen leeren.

Nu is het tijd, dat \'s Heeren rechterhand Haar kracht vertoon\', in \'t godloos kwaad te weren: Men schendt uw wet zoo stout van alle kant; Men schroomt niet meer uw\' grooten naam t\' onteeren.

64. \'k Heb uw geboón, mijn God! dies meer dan goud, Ja \'t fijnste goud, bemind; en uw bevelen

In alles recht en vlekkeloos geschouwd, Op \'t hoogst volmaakt tot in hun minste deelen; \'k Heb op geen pad der valschheid mij betrouwd. Maar dat gehaat, hoezeer \'t mijn vleesch kon streelen.

Zestiende Pauze.

65. Hoe wonderbaar is uw getuigenis!

Dies zal mijn ziel die ook getrouw bewaren;

Want d\' oopning van uw woorden zal gewis,

Gelijk een licht, het donker op doen klaren; Zij geeft verstand aan slechten, wien \'t gemis Van zulk een\' glans een\' eeuwgen nacht zou baren.

66. Ik heb mijn\' mond begeerig opgedaan.

Ik heb verlangd, gehijgd naar uw geboden.

Zie, zie mij dan met gunstig\' oogen aan.

En wees mij nu genadig in mijn nooden.

Naar \'t recht van hen, die, deugdzaam van bestaan.

Uit liefde tot uw\' naam van \'t kwade vloden!

07. Maak in uw woord mijn\' gang en treden vast.

Opdat ik mij niet van uw paan moog keeren! En wordt mijn vleesch door \'t kwade licht verrast. Ai! laat het mij toch nimmer overheeren!

Verlos mij, Heer! van \'s menschen overlast.

Dan zal ik ü, naar uw bevelen, eeren!

490

ocr page 515

|i

Psalm 119. 49 j

68. Uw aangezicht vertoon\' aan uwen knecht

Een vriendlijk oog, een troostrijk liefdeteeken;

Leer mij den eisoh van \'t altooa heilig recht!

Ik stort, bedrnkt, geheele tranenbeken,

Omdat men U gehoorzaamheid ontzegt En zich niet schaamt uw wettea te verbreken.

Zeventiende Pauze.

69. Gij zijt volmaakt. Gij zijt rechtvaardig. Heer!

Uw oordeel rust op d\' allerbeste wetten;

Uw loon, uw straf beantwoordt aan uw eer.

Gij eischt van ons, dat w\' op uw waarheid letten;

Dat wij altoos op hoogen prijs uw leer En \'t heilig recht van uw getuignis zetten.

70. Mijn ijver heeft van smart mij doen vergaan,

Omdat uw woord zoo schandlijk wordt vergeten; Mijn vijand ziet dat met verachting aan.

Uw woord is rein, dat mag gelouterd heeten; Uw knecht wil zich daar daaglijks meê beraan; Hij heeft het lief, wijl \'t hem zijn\' plicht doet weten.

Tl. Ik ben wel klein, veracht, maar niet verleid; \'k Vergeet in smaad noch armoê uw bevelen. Uw recht, o Heer! is recht in eeuwigheid.

Gij zult aan elk zijn loon of straffen deelen. Uw wet, waarin zich steeds uw glans verspreidt, Kan mij door \'t licht der zuivre waarheid streelen.

\'2. Als \'t mij benauwd of bang gevallen is,

Dan heb ik mij vermaakt in uw geboden. De zuiverheid van uw getuigenis Blinkt altoos uit, zelfs in de zwaarste nooden;

Leer mij \'t verstaan, zoo leeft mijn ziel gewis. Het naar verderf in eeuwigheid ontvloden,

ocr page 516

Psalm 119.

Achttiende Pauze.

73. Ik riep U aan, o Heer! met al mijn hart;

Verhoor mij, en ik zal uw wet bewaren!

Ik riep U aan, in druk en leed verward;

Verlos mijn ziel uit angsten en gevaren; Dan houd ik uw getuignis, en in smart Zal ik daar troost en wijsheid uit vergaren.

74. Ik heb somtijds het scheemrend morgenlicht Verrast, om U mijn schreien te doen hooren; \'k Heb op uw woord gehoopt, en mijn gezicht. Eer nog het uur der nachtwaak was geboren, Den slaap ontroofd, om, naar mijn\' lust en plicht. De wijsheid van uw reednen na te sporen.

75. Hoor, Heer! mijn stem naar uw goedgunstigheid, Eu geef mij naar uw rechten kracht en leven! Zij naadren mij, wier list mijn val bereidt;

Zij zijn in \'t kwaad, in \'t listig kwaad bedreven, En wijken van uw wet, zoo wijd verleid.

Terwijl zij zich aan boosheid overgsven.

76. Maar, Heer! Gij zijt nabij. Gij ziet mij aan; De waarheid is aan uw geboön verbonden.

Ik wist van ouds reeds uit uw woord en daan. Dat al, wat Gij getuigd hebt, ongeschonden En vlekkeloos voor eeuwig zal bestaan.

Gevestigd op onwankelbare gronden.

Negentiende Pauze.

77. Zie mijn ellend\', o Heer! en help uw\' knecht. Want uwe wet is in mijn hart geschreven!

Ai! twist Gij zelf mijn twistzaak naar uw recht; Verlos mij, sterk met nieuwen moed mijn leven. Naar \'t godlijk woord, mij gunstig toegezegd, En mij ten troost in angst en druk gegeven.

492

ocr page 517

Psalm 119.

78. Het heil ia ver van \'t goddeloos geslacht,

Dat, gansch vervreemd van deugd en reine zeden, Den inhoud van uw wetten niet betracht.

0 Heer! hoeveel zijn uw barmhartigheden!

Ai! beur mij op, vernieuw mijn levenskracht.

Naar \'t godlijk recht; verhoor toch mijn gebeden!

79. \'t Getal van mijn vervolgers is zeer groot.

Van hen, die mij als weêrpartijders haten;

Maar \'k wijk van uw getuignis in geen\' nood. Ik heb gezien, hoe zij, die U vergaten. Trouwloosheid doen. Gij weet, hoe \'t mij verdroot, Als ik hen zag uw heilig woord verlaten.

80. Ai! zie, o Heer! dat ik uw wet bemin;

Uw gunst vernieuw\' mijn leven en mijn krachten! Uw godlijk woord is waarheid van \'t begin; Uw recht heeft nooit verandering te wachten;

Dies houd ik dat men een\' verblijden zin;

Leer door uw\' Geest mij dat gestaag betrachten!

Twintigste Panze.

81. Toen Vorsten mij vervolgden zonder reên,

Vreesd\' ik uw woord, met die uw heil beminden. Ik ben verblijd om uw goedgunstightên.

Die meer en meer mij aan uw dienst verbinden, \'k Vind grooter vreugd\' in uw belot\'t\' alleen, Dan hij, die ooit een\' grcoten buit mocht vinden.

82. Ik haat bedrog en valschheid van gemoed,

\'k Heb in mijn hart een\' gruwel van die zonden; \'k Bemin uw wet, die mijne ziel behoedt.

Ik loof, o Heer! aan uwe dienst verbonden, U zevenmaal des daags, om al het goed En \'t recht, in uw gerechtigheid gevonden.

493

ocr page 518

Psalm 119.

83. Wat vree heeft elk, die uwe wet bemint!

Zij zullen aan geen\' hinderpaal zich stooten. Ik, Heer! die al mijn blijdschap in U vind,

Hoop op uw heil met al uw gunstgenooten;

\'k Doe uw geboön oprecht en welgezind;

Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.

..

84. Mijn ziel bewaart uw trouw getuigenis;

Die heb ik lief, ook doe ik uw bevelen.

Uw woord kan mij, ofschoon ik alles miss\',

Door zijnen smaak, en hart en zinnen streelen. Gij weet mijn\' weg, en hoe mijn wandel is;

\'k Wil niets daarvan voor U, mijn God! verhelen.

De een en twintigste Pauze.

85. 0 Heer! sla toch op miju geschrei uw oog;

AVil, naar uw woord, mijn\' geest verstandig maken\'. Zie gunstig op mij neder van omhoog;

Laat mijn gebed voor uwen trocn genaken! Red, daar mij \'t leed zoo diep ter nederboog, Eed mij naar uw beloft\', en richt mijn zaken!

86. Dan vloeit mijn mond steeds over van uw eer. Gelijk een bron zich uitstort op de velden.

Wanneer ik door uw\' Geest uw watten leer, Dan zal mijn tong uw redenen vermelden;

Want uw geboön zijn waarlijk recht, o Heer! Gij zult de vlijt van die U zoekt vergelden.

87. Kom mij te hulp! mijn ziel, die U verbeidt,

Heeft uw bevel met lust en liefd\' ontvangen. Ik haak, o Heer! naar \'t heil, mij toegezeid;

Bestier in gunst naar uwe wet mijn gangen.

Al mijn vermaak stel ik, met rijp beleid,

In uw gebod, dat is mijn hoogst verlangen.

494

ocr page 519

Psalm 120.

88. Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond Uw trouwe hulp; stier mij in rechte sporen.

Gelijk een schaap heb ik gedwaald in \'t rond, Dat, onbedacht, zijn\' herder heeft verloren!

Ai! zoek uw\' knecht, schoon hij uw wetten schond; Want hij volhardt naar uw geboón te hooren!

Hypo-Dorisch. PsallU ISO»

1 r m r r rdFr

1. \'kRiep tot den oorsprong al - Ier din - gen,

J i M ^ J j j_,

_____NB._

^ f-f r f r r r-fr

Tot God, in mijn be-kom-me - rin - gen,

,_j j i i i ü J

fe--1 ï--

r f r r r f r r t

En Hij ver-hoor-de nïijn ge - be - den,

495

ocr page 520

Psalm 120.

496

li

I

Naar zij

laatste yers.

i r Fr r r r r

sii - ne goe-der-tie-ron - he - den.

goc

J J

-J-J-

T

rr

3

5.

I

^ • • ♦ —

O Heer! doe mij

- r r r f r

ij den strik out - slip - pen

—52r

--J-J-

-2-^

r

--Pi:

r r r f f r rquot;T

Der vein - ze - rij en val - sche lip - pen;

^2

J

i

r

j—i-

iü

r

Be - hoed mij voor de

J J J

— -•-

bit

i

P- «

«50=

ocr page 521

Psalm 120.

f r r r Ir r r f

_J rl 4 J J J J I ^

mÊ^ÊÉÊÊE^Ëi=é=l

2. Wat voordeel zal \'t bedrog u baren, Vermetel rot van lasteraren? Wat voordeel zal u in dit leven Uw bitse tong, uw boosheid geven? Gij haalt op u, o leugensprekers! De pijlen eenes sterken wrekers, En een\' jeneverkolengloed.

Waardoor gij haast verbranden moet.

3. Wee mij, die rust en hulp moet derven, In Mesech als een vreeradling zwerven, En steeds in Kedars tenten wonen. Bij menscheu, die mij bitter hoonen! Ik heb reeds lang mij opgehouden Bij hen, die nooit op God betrouwden; Bij hen, die, tot mijn bitterst wee. Een\' afschrik hebben van don vroê.

4. Ik zoek den vreê steeds aan te kweeken; Maar kan er nauwelijks van spreken. Of \'k zie mijn reden afgebroken.

En hen tot woed\' en krijg ontstoken.

497

32

ocr page 522

498

Hypo-Mixolydiseh. Psalm 121. 1.

amp;

EB

•—2—S-_czk-

i r r f p-

i i

r

1. \'k Sla d\' oo-geu naar\'t ge-berg-te heên, Van

J J J i J i J

« _ ^

-»—•

SÊÊ

, r i i r r 1 \' r

waar ik dag en nacht Des hoog-sten bij-stand

^ i i i

r-^f

fc

-

, r

wacht. Mi in ^ 1

$

NB.

p-ti r

al-

J

r r rry

hulp is van den

J i ^ i

Heer


i I

II 6.

r

leen, Die

I \'

_o.

—(=-

:l^£Egz.—g\'4zj^=d^

m.

r-r-f-f

he-mel, zee en

^ ^ J J

T-3

r fr

aar - de Eerst

i i i

-f=£i


ocr page 523

Psalm 122.

499

I

HÖ-

1

^----1-

schi p, en sints be - waar-de.

I

J ^ J

m

r

2. Hij ig, al treft u \'t felst verdriet, Uw wachter, die uw\' voet

Voor wankelen behoedt;

Hij, Isrels Wachter, sluimert niet.

Geen kwaad zal u genaken.

De Heer zal u bewaken.

3. Zijn wacht, waarop men hopen mag. Zal, daar zij n bedekt.

En u ter schaduw strekt.

De maan bij nacht, de zon bij dag, In koud\' en gloed vermindren.

Opdat zij u niet hindren.

4. De Heer zal u steeds gadeslaan.

Opdat Hij in gevaar

Uw ziel voor ramp bewaar\'.

De Heer, \'t zij g\' in of uit moogt gaan, En waar g\' u heen moogt spoeden. Zal eeuwig u behoeden.

r

Psalm 122.

• -0-

1. Ik ben verblijd wan-neer men mij God-

d*---

W-2-

9

32*

ocr page 524

3.

f

500 Psalm 122.

.i=£

lES

i\' r r r r r. r r

vrucn-tig op - wekt: zie wij staan Ge-

J f J \' \' \'

r

reed, om naar Goda huis te gaan; Kom,

_j__1-1—-U-j—i-J_J

r r r r /. r-

ife

s

-r

n®»-

I

F

5.

r

r r

wij! Je-

-j—J-

i

I

ö=

ga met ons, en doe als

f-f-r-f

rP

J:

I

fi

^ r r / ; r i, i

ru - za - lem, dat ik be - min! Wij

6.

m

5

j_i—J , J_l

£

m

ocr page 525

Psalm 122. 501

^ r r i r r r quot;

tre - den u - we poor - ten in; Daar

ryi—i • - • - .

-®-—d-

^! tk—\'--a-•-,--

^-4:-h 1- \'---•

■ -2quot; !amp; fü-L--

staan, o Gods - stad! on - ze voe - ten.

i-pj—J--^---J-J—--—\'-j-J--j-!

BEEÊEEEE-EEEEE-rEE5Efe=^

f r 1 r i r F r 1

Je-ru - za-lem is wèl ge - bouwd, Wèl

Bjj _ -4=;

r r r r rTi^r^r

saam - ge-voegd; wie haar be - schouwt, Zal

rv#---^-J-J-t-J--^-r-d j

ocr page 526

Psalm 122.

1 11 tquot;~1 1 I

feJLJ—A—_J—J--J.--J_

^ r r r r r r r-r f

haar voor\'sBouwheerskunstwerk groe - ten.

„ J I J i J J J I

—t—^—■—;—^—A-

F-;

quot; ^-f r rJ-f r ^ H

2. De stammen, naar Gods naam genoemd,

Gaan derwaarts op, daar elk zich buigt Naar d\' ark, die van Gods gunst getuigt,

Daar elk zijn\' naam belijdt en roemt.

Want d\' ach tbre zetel van \'t gericht

Is daar voor Davids huis gesticht; De rechterstoelen staan daar binnen.

Bidt, met een algemeene stem,

Om vrede voor Jeruzalem;

Het ga hun wèl, die u beminnen!

■

3. Dat vrecd\' en aangename rust,

En milde zegen u verblij\';

Dat welvaart in uw vesting zij,

In uw paleizen vreugd\' en lust!

Om vriend en broedren spreek ik nu; De vrede zij en blijv\' in u!

Nooit moet haar nijd of twist verkloeken. Om \'s Heeren huis, in u gebouwd.

Daar onze God zijn woning houdt.

Zal ik het goede voor u zoeken.

502

ocr page 527

2.

1 i 1 r J—r

~r bid.

I

Ge-

É

zit, Mijn oo - gen op, en

J-

i ^

4.

i

r

J •

J J

i

lijk een knecht ziet op de hand zijns heeren, Om

J=d:

rr

-iZgt;-

1

5.

quot;f

nooddruft te be

i i i J -2—rJ-

i

T

Pt

-amp;

i r

gee - ren,

En

i

rgr: 1—

j

2 jg


ocr page 528

Psalm 123.

504

IM

\'t oog der maagd ia

I I I I -é- ^

-f

op haar vrouw ge-

J J J J


rrü-

1—r

II 6.,

^

mm

1 \' \' 1 l i f f

sla - gen, Om hulp of gunst te vra - gen;

^ J j j_i

• ~tf ~quot;

-fiSL —

i—r

p Zoo

J

i

v^-

M

slaan wij \'toog op on-zen Heer, tot

\\ -* A i J J J

r=n

np-

-h

r

g

r

Hij Ook ons ge - na - dig

l

qar

i

r

zij.

tV; .. • \' ,

rï

-.-r

. \'-S

—-4---^

ocr page 529

Psalm 124.

2. Geef ons gena, geef ons gena, o Heer!

En red ons tot uw eer.

Wij zijn reeds mcê van al de schampre woorden,

Die wij van smaders hoorden.

Ons treurig hart is moê van al het spotten,

En \'t hoonend samenrotten.

Der hoovaardij, die needrigen veracht

505

En weelderig belacht.

Psalm 124.

Hypo-.Jonisch.

r r r r r

1. Dat Is - ra - ël nu

I

5

r r r r

zeg-ge blij van

i ! J J


dildE

r

geest: In-dien de Heer,die bij ons is geweest, In-

±-j • j j

T \\ f

NB.

4=s-

dien de Heer, die ons heeft bij - ge - staan, Toen

r-r-rrt

J

-(2—_

• •

-0-•-

—r

1—r

r r

4.

n

ocr page 530

Psalm 124.

IffMU J l-pr-J J J ||j| ,, J-AH

\'s vii-ands heir en aan-valwerd ge - vreesd, Niet

J I I J I J I I j .fi i i x ♦ £ ^

I r 1 I i\' r

had ge - red, wij wa-ren lang ver - gaan.

i J J J I ^ J_„

teïEÊEEpËE^EE^EiiEEÊEEl

2. Dan hadden zij ons levendig vernield;

Hun heete toorn had ons gewis ontzield,

Bedolven in een\' diepen jammervloed;

Dan had een stroom, dien niemand tegenhield. Ons gansch versmoord, had God het niet verhoed.

3. Dan had geen mensch naar onze klacht gehoord; Dan had een zee van rampen ons versmoord.

Geloofd zij dies de Heer, die redt van \'t graf.

Die ons, schoon wreed vervolgd van oord tot oord. Tot eenen roof niet in hun tanden gaf.

4. W\' ontkwamen haast des vogelvangers net, Den loozen strik, tot ons bederf gezet;

De strik brak los, en wij zijn vrij geraakt.

De Heer is ons tot hulp op ons gebed;

Die God, die aard\' en hemel heeft gemaakt.

506

ocr page 531

507

Dorisch. 1.

i—r

r—p-r#

ioch b(

JJj.

r

iet

I

ö i

=ï=

1 \'TT.

1. Hij zal noch wank-len, noch be-zwij-ken, i i i

i

^—fi-\'—i—r—p^r

Psalm 125.

iËfF

2.

r

Die

f f

ü

r r

op den Heer ver-trouwt, En

J I I I I J

4.

3—52=1

1 r

1

1

I

op zijn goed-heidbouwt; Hij zal, als Zi-ons

t r

m

5.

3

f ^

1 I

berg, nooit wij - ken, -1_I-1-U

ifcE

rd,

^ i*-f

1

Wiens grondslag door geen

I

--i

2 ~

t—r

ocr page 532

Psalm 125.

• g- - 1

d-i=t -Hl

\\ \\ T f

aardsch ver-mo - gen

... J j j -Jn

)• i P ^

r

Ooit

f • ^ g-»- P

1 1 1 ^JL! 1

wordt be-wo - gen.

J- 1 1 l -\'—^--

■) g -

. ^

b-Hz:

ÓM \' ^

—-1—P--M

2. Gelijk \'t gebergt\', dat, lioog gerezen, Om Salem ligt gespreid.

Zoo is in eeuwigheid De Heer rondom hen, die Hem vreezen; Rondom zijn volk, \'t welk Hij wil hoeden Voor tegenspoeden.

3. Want hoe de boozen zich doen schromen Door wreede heerschappij,

Kog zal hun dwinglandij Niet rusten op het lot der vromen;

508

Opdat zij nooit van \'t recht geweken, Zich zeiven wreken.

4. Geef, Heer! den goeden uwen zegen; Doe wel aan \'t vroom gemoed! Maar hem, die onrecht doet. En die zich neigt tot kromme wegen, Zal God verdoen; doch lurel leven En vrede geven!

ocr page 533

509

I ^^

Mixolydisch. 1.

Psalm 126.

NB.

■±-

£

r f r i r—r*-

1. Wan-neer de Heer, uit \'svij - ands

I

I

J ^ ^

5

-a

zzrz.

t*

2.

I

£:

~2—

macht, \'t Ge

I

amp;

I

I

I

T f r r r ^

van - gen Zi - on we - der-

i

•3... r-: ; - 2

3.

rr

-ia:

-i—r

brr-jht, En dat ver-lost\' uit nood en

I 1 1 I I ± JL X S ± i

quot;Ifquot;

r

i

I

4.

---o:T-2-

I5t

r r r

pijn, Scheen \'t ons een blij - de droom te

J

m

ocr page 534

5.

pp

Psalm 126.

4=^:

m--—

T -f T \\

1 \' 1 i I ,

Wij lachten, juichten; on - ze

510

i

r r

ton-quot;en

zijn.

J_i_O.

I

fr

m

5=5

nj-g-1-±

ii I quot;

i i r 1 quot;i 1 1 i f

Ver - hie-ven \'sllee-ren naam, en zon - gen.

s

ïËËi

J J

■4^;—

r

p • r »r

I I 1 I 1

Toen hie-ven zelfa de heid - nen aan: «De

i

r

J

I

I

ie:

zoi:

1 T gt; r r

Heer heeft üuq wat groots ge - daan!«

4-

it

t

i

r

J.

4-

pt

ocr page 535

Psalm 127.

2. God heeft bij ons wat groots verricht: Hij zelf heeft onzen druk verlicht; Hij heeft door wondren ons bevrijd; Dies juichen wij en zijn verblijd! Breng, Heer! al uw gevangnen weder; Zie verder op uw erfvolk neder; Verkwik het, als de watervloed.

Die \'t zuiderland herleven doet.

3. Die hier bedrukt met tranen zaait, Zal juichen, als hij vruchten maait. Die \'t zaad draagt, dat men zaaien zal. Gaat weenend voort, en zaait het al; Maar hij zal, zonder ramp te schromen. Eerlang met blijdschap wederkomen, En met gejuich, te goeder uur.

Zijn schoven dragen in de schuur.

Hypo-Mixolydisch. Psalm 127.

^—r \' r r

1. Ver-geefs op bou-wen toe-ge - legd; Ver-

I li,,

geefs, om \'t huis vol - tooid te zien. Ge-

511

ocr page 536

Psalm 127.

512

m

t-

±

■0- p ? r ? quot;-g-

i i i 1 i r i

T

Zoo

zwoegd, ge-zweet, o ar - beids-liên!

|

J—J-

^--g

j—i-

*-•---^

r r r r

God zijn hulp aan t werk ont - zegt. Ver-

m

-2—•-»-

_j—J—J—i J

-3^---

■r-r

-»—

r r r r r f\' r r

geefs, o wach-ters! is uw vlijt, Zoo

r-

NB.

FÈ==fE^--^¥=^

r T

God niet zelf de stad be - vrijdt.

J J J J J ■^

^Â¥=0-

^3

ocr page 537

Psalm 128.

2. Vergeefs van \'s morgens vroeg geslaafd Tot \'s avonds, en het brood der smart Gegeten, met een angstig hart;

Vergeefs den gansehen dag gedraafd; God geeft het, hoe een ander schraap\', Dien Hij bemint, als in den slaap.

3. Zoo gaat het elk, dien God bemint. Wie kindren voortbrengt tot Gods eer. Verkrijgt een erfdeel van den Heer; Wie zich met kroost gezegend vindt, Dat zich oprecht en dankbaar toont, Ziet al zijn zorg naar wensch beloond.

4. Gelijk de pijlen in de hand

Eens sterken helds, die, fier en blij. Door hunne kracht zijn weerpartij Doet zwichten voor zijn\' tegenstand; Zoo zijn ook, tot der vaadren vreugd. De brave zonen hunner jeugd.

5. Welzalig hij, die, als een held,

Deez\' pijlen in zijn\' koker gaart. En zijne zonen ziet gespaard;

Zij zullen, schaamrood noch ontsteld. Het hoofd der weêrpartijdren biên, En in de poort voor hen niet vliön.

513

Psalm 138.

33

ocr page 538

Psalm 128.

It

i

3 5\'----5=--2--

I

i

.M _

\'s Hee-ren vrees be - koort; Die, met een goed ge-

-i J

\'i=t

laatste vers. igt;.

~=1: 1221

1

i

-I-g

-F

ï=d

|

we - ten.Stcedswandelt naar zijn woord. Gij

—J-j—r-rS J * ^

r f * 8*\'

Eamp;

• i.

I

3E « —i- -i -i

: ;q

1

h 1 . # •

-cf--=!-

s2- - ; i -• •

znlt uw nood-druft

1 i

-»■

L. |G--

1

vin - den 1

■»■ ■»

---(2----

Door

——-Ö1--

F==^—r—r-

---M-j----

d\' ar-beid van uw hand; Wat g\'umoogton - der-

! I I 1 | I I I | i — É. É. 1 ^ ^2 J

?5-_I

:2

ocr page 539

Pgiihn 128.

I \'\'I I Komt, naar uw\' wensch,tot stand.

! 1 J—!

TW

it

515

i

\'r

■lt;s- •»

i I win - den,

i

ti

2. Uw echtvriendin zal bloeien Gelijk een wijnstok tiert, Die, vruchtrijk onder \'t groeien. Uw\' huismuur dekt en siert. Niets zal uw welvaart stuiten; Uw kroost zal blij en frisch, Als groen\' olijvenspruiten, Versieren uwen disch.

3. Dit lot is u beschoren.

Zoo gij, met diep ontzag,

Naar \'s Heeren wet blijft hooren. Voor u zal, dag aan dag,

Het heil uit Zion vloeien.

Gij zult, zoolang gij leeft, Jeruzalem zien bloeien,

\'t Welk God zijn\' zegen geeft.

4. Blijft gij op Hem betrouwen.

Dan zult gij, op uw beê,

\'t Kroost van uw kroost aanschouwen In Israël zij vreê!

33*

ocr page 540

51G

Psalm 129.

NB.

i

Hypo-Dorisob. 1.

3

rTquot;rf r-r

1. MeuLeeftmii iel benauwd van ionffs af

1 ^ J J i i J i J

P

O--f2-

i

3

i 1 i i f i \' 1 ï \' aan, Zogg\'Is - rel nu! men juioh-te, toen wij

I \' I

1

-ig-Fa

2

It

zmsm

1^quot;quot;

f

gt;5 •

amp;

vie - len

I

Men heeft mij reeds van

I

J

4.

f-r—I-

T~

I

jongs af leed ge-daan; Geen o - vermacht kon

\' J I i i ! I

r

i

1^=4:

lt;ë. ^ e. ai I *-

1quot; i—

•):5 \'

zbt=

ocr page 541

Psalm I quot;29.

—K-f—1—

T~

2 * • \' •

• amp; -

\\----

lil! m\' ech - ter ooit ver

1 |

li • J J 1

rr\'T ? f 1 nie - len.

1 ...... _J

----

------0---«--•—

__p--^—I——--

bit__lt;5C±____

----

2. Men heeft mijn\' rug door ploegers diep geploegd; Die hebben wreed hun voren lang getogen, En smart bij smart tot mijn verderf gevoegd.

Voor \'t kermen doof, en wars van mededoogeu.

3. De Heer, die goed, doch ook rechtvaardig is, Hieuw gunstig af der goddeloozen touwen. Dat smaad hen treff\', en dat hun aanslag miss\'; Drijf hen terug, die Zion rampen brouwen!

4. Maak heu gelijk aan \'t lichtverdorrend gras. Dat hier en ginds gezien wordt op de daken; Dat, eer men \'t plukt\', alreê verwelkerd was, Ontbloot van grond om wortels in te maken.

5. Maak z\' als dat gras, waarmee de maaier nooit, Wanneer hij gaart , de nijvre hand zal vullen; Dat in den oogst geen garvenbinders ooit.

Bijéén gepakt, in d\' armen dragen zullen.

6. Waarvan ook geen voorbijgaand wandelaar

Ooit zeggen zal; God will\' uw\' oogst vermeêren; Dat \'s Heeren gunst zich met uw\' arbeid paar\'! Wij zegenen u in den naam des Heeren!

ocr page 542

518

Psalm 130.

Dorisch. 1.

1

Eoep

s)—g;

=p

U. die heil kunt

1. Uit diep-ten van el - len - den

«N quot; r : ^

r

Ik. met mond en hart. Tot

\' \' - quot;h \' ^ .1

; i i i Heer! aanschouw mijn smart; Wil

zen-den:

I I J ,, J

ff eg—g\'n---amp;quot;|--*

ÉEfeihEdEÉS

ir

6.

naar mijn smeek-stem

I !

-m- \\

Süi

Ef:

1 ^ hoo ren,

Merk

1

Iquot; ^ i

iÊ

ocr page 543

Psalm 130.

519

♦ i i i I I ^ T

quot;j j ^quot;1

■0\'

lt;7

op mijn jam-mer - klacht; Ver - leen mij gun-stig\'

\' 1 I 1 1 é

—f—^

s—g-

amp;-

dzzzdz

If

If—é:

I

oo-reu, Daar \'k in mijn\'druk ver - smacht.

g—J

\'

fg I

SI

-I---1—

Psalm 130. 1.

|ÈBpi

—. t*-

1. üit diep - ten van el - len - den Roep

i iit

-4-

#-

M - - - ♦ ♦

—Tquot;

^ ■ c |

mm.

ik, met mond eu hart, Tot U, die heil kunt

w I 1 ■, i I 1 ^ • h ^ .t (Li A i*

Nieuwe melodie.

ocr page 544

520 Psalm 130.

II 5.

tjÊÊg—^—g I j\' -«! J i [ 1 i—[~i

f\' r

zen-den: O Heer! aanschouw mijn smart; Wil

I , I I I !

___ 1__J._I _l_.4

I I 1 I

■ —1 1 • -# ■

-h -Jquot; -

sj ■ 4 l

-j—kj ! ^l\'i

• • 1 *

1 1. 1 , i naar mijn smeeksten

P r-—t. p H

U-. ^3

i 1 r

hooren. Merk

rJ-J—J-i

- i«- ^-1—

[f4=rr

op mijn jammer-

J ^ ^ ^

Is r-r-fl

_7. ! i_ _|| 8.

^ r r r n\'r

klacht; Ver-leen mij gun-süg\' oo - ren, Daar

J 1 I I I I 1 J . egt;r~ gt; lii-T* é \' ~ri=g==?===?=q i=SËzg±r-=^E^E^E^j

I 1

i i ! r

\'kin mijn\' druk ver-smacht.

I J i I l

-------=

ocr page 545

Paalm 131.

2. Zoo Gij in \'t recht wilt treden, O Heer! en gadeslaan

Onz\' ongerechtigheden;

Ach! wie zal dan bestaan?

Maar neen, daar is vergeving Altijd bij U geweest;

Dies wordt Gij, Heer! mer, beving, Kecht kinderlijk gevreesd.

3. Ik blijf den Heer verwachten;

Mijn ziel wacht ongestoord. Ik hoop, in al mijn klachten. Op zijn onfeilbaar woord.

Mijn ziel, vol angst en zorgen, Wacht sterker op den Heer, Dan wachters op den morgen; Den morgen, ach! wanneer?

4. Hoopt op den Heer, gij vromen! Is Israël in nood,

Er zal verlossing komen;

Zijn goedheid is zeer groot. Hij maakt, op hun gebeden, Gansch Israël eens vrij Van ongerechtigheden.

Zoo doe Hij ook aan mij!

521

Hypo-Jonisch. Pssillll 131.

y ft—x--1—

-1--1---

—i

W 2 i

—J-^-d--ij—

M

amp;

i

1. Mijn

1

1 r r r

hart ver - heft zich

J J J J

^ r

niet, o

J |

. • --r

—Sj--®--

—2-—|—

-F-—•—f-—i—

ocr page 546

Psalm 131.

W---s—^ J—.—f—f—f-tr—r —11

lleei ! Mijn oo - gen zijn niet hoog;\'kver-

. J I j * \' -

msmmmjmmmmi

!■\' •\' gt;\' .i\'i ; ; i\'i . ■ lt; keer, Ik wan - del niet in\'t geen te

ii*iiÉÉÉÉiÉiÉ

i 1 r I

sz-P-p—•—•-1—I---- \' ^ quot;

groot. Te vreemd is voor uw\' gunst-ge - noot.

:ir - - *

\' • •

-i—^ .

2---^—

-n

M- ^ ^

—p—t--

bbzd

2. Heb ik mijn ziet niet stil gezet, En mij verloochend naar uw wet. Gelijk het pas gespeende kind Zich stil bij zijne moeder vindt?

3. Mijn ziel, die naar den vrede haakt. En \'t morrend ongenoegen wraakt, Is in mij als een kind gespeend,

En heeft zich met uw\' wil veréénd.

522

ocr page 547

Psalm 132.

■1. Dat Isrel op den Heer vertrouw\',

Zijn hoop op Gods ontferming bouw\', En stil berust\' in zijn beleid,

Van nu tot in all\' eeuwigheid!

5-23

Pli rygisch. 1.

Psalm 132.

£

r i i i i

1. Ge-denk aan Da - vid,

I J J I

; \\ •__sti_J_j

-3

r ? r

1 i 1

aan zijn leed! Ge-

I quot;i i


i

\'jê.—#—p---

i I I ; I i

denk den duur ge - zwo - ren

i=l-

Dien

eed.

|

_

I ! ! li

1

-t;

^ 2 •

--m—----1

i i T i i f i

hij, o Heer! U plech-tig deed; Dien

lp-. -r

-lt;5gt;—

i

ocr page 548

524

• -»

1

:±

i

God zich dus ver-bond:

2. -Zoo ik in mijne woning treê, «Of klimm\' op mijne legerstee;

«Zoo ik ter nachtrust ga in vreê; »Zoo ik de sluimring zelfs geheng\', «Totdat ik dezen eed volbreng\':

3. »Tot ik een rustplaats voor den Heer «Gevonden hebb\' te zijner eer,

»Daar Jakobs Machtige verkeer1, «En Hij, naar mijn gemaakt bestek, «Zijn vaste woningen betrekk\'.!«

4. Zie! \'t blij gerucht der Ark liep voort, En werd in Efrata gehoord;

Wij vonden haar in Jaiiis oord; [n \'t boschrijk veld van Kiriath. Dat God dusver verkoren had.

i

Ja - kobs

II

ocr page 549

Psalm 132.

5. Wij zullen in zijn woning gaan;

Ons buigen, daar zijn troon zal stiian, En bidden voor zijn voetbank aan. Sta op tot uwe rust, o Heer!

Met d\' Arke van uw sterkt\' en eer!

6. Bekleed, o hoogste Majesteit! Uw Priesters met gerechtigheid! Uw gunstvolk juich\', door ü geleid; Versmaad hem, dien Gij zalven liet, Om uwen knecht, om David, niet!

Pauze.

7. Tot staving van de waarheid, deed De Heer die van geen wanklen weet, Aan David eenen duren eed.

quot;Ik zal {dus sprak Hij), uwen Zoon «Eens zetten op uw\' glorietroon!

8. quot;Houdt uw geslacht mijn heilverbond, »En \'t vast getuignis van mijn\' mond, »Die Ik hen leer te allen stond;

»Dan is hun \'t rijksbestuur bereid, «Op uwen troon in eeuwigheid!quot;

9. Want Zion is van God begeerd,

\'t Wordt met zijn woning hoog vereerd; \'gt;Hier (sprak Hij, die het al beheert), »Hier zal Ik wonen naar mijn\' lust; »Hier is in eeuwigheid mijn rust.

10. »\'k Zal Zions, \'k zal der armen spijz\', «Hier zeegnen op de ruimste wijz\'; «Hier zal Ik, mijnen naam ten prijz\', »De Priesters met mijn heil bekleen, quot;En \'t volk doen juichen weltevreên,

525

ocr page 550

Psalm 133.

11. «Daar zal Ik David, door mijn kracht, »Een\' hoorn van rijkdom, eer en macht «Doen rijzen uit zijn nageslacht;

»\'k Heb mijn\' Gezalfden knecht een licht, »Een heldre lanipe toegericht.

12. »Wat vijand tegen hem zich kant1,

»Mijn hand, mijn onweêrstaanbre hand » Zal hem bekleen met schaamt\' en schand\'; »Maar eeuwig bloeit de gloriekroon »0p \'t hoofd van Davids grooten Zoon.quot;

Psalm 133.

Jonisch.

I i i i

1. Ai ziet! hoe goed, hoe lief-lijk is\'t, dat

jj----J--,—«j.--J---•--J_f--J.--J— «--«

-P-1--• f-2-h--•----==

--^^==^===±1:—:--

526

I r

-~l-n

-lt;2.1.

zo - nen Van \'tzelf - de huis,

Mz

il

£

m

ocr page 551

Psalm 133. 527

broe - ders, sa - men - wo - nen, Daar

I ! J i J 1 I

-----m m *--—•—r—--o--1

M-*-\' -■■f

^ laatste vers.

I ig£g=i=E^p£3=|=p^^|

tr a amp; o . p

! ! 1 \' I \' I \'t lief-de-vuur niet wordt ver - doofd;

aipii^g=£=g^ËS=pl^i

^ 2

|=j==j—^ .^[

r r

\'t Is als de zalf op \'s lloo - ge - pries-ters

3E=É

FÉËËÊÊ

i?ï

—; —«-

j:2: : : 5s

r

hoofd, De zalf, waarmee hij is aan God £e-

1 ! 1 I - ! _s_ÖL__-__ _L__!__J___— » -*____•_ ^

§LÏ

Eamp;

It-Jt

ocr page 552

w

528

Psalm 134.

j o • # j 2 ^ ,j •■ - ■

w——f—p lt;*~p -#■ - -g^— 1 ! * fff wijd, Die door haar\'reuk het hart verblijdt.

I 1 T \\ li\'

2. Die liefdegeur moet elk tot liefde nopen,

Als d\' olie, die, van Arons hoofd gedropen.

Zijn\' baard en kleederzoom doortrekt.

Z\' is als de dauw, die Hermons kruin bedekt, Die Zions top met vruchtbaar vocht besproeit, En op zijn bergen nedervloeit.

3. Waar liefde woont gebiedt de Heer den zegen; Daar woont Hij zelf, daar wordt zijn heil verkregen.

En \'t leven tot in eeuwigheid!

Psalm 134.

Ilypo-Jonisch.

^^ 5 ^ —f—f ~

i i

1 1. Looft, looft nu al - Ier hee-ren Heer, Gij,

U3i r

ocr page 553

Psalm 134.

f r r r rJ

zij - neknech-ten! geeft hem

I I J. J

I = -2

529

11

quot; fir

I

Gij

eer;

ÜLig:

quot; r r r^fi

die des nachts zijn huis be - waakt,

i I , quot;i I I J

:t=

4.

-J-n

m

\' s? En

_■ g-l

zsr

0-s

3=£=

i

i

-(S2-

--

quot;Squot;

d-

blaakt!

ij - ver

I i-

^rz

1

voor zijn dienst in

-J J i-

2. Heft uwe handen naar omhoog; Slaat naar het heiligdom uw oog, En kuielt eerbiedig voor Hem neer. Looft, looft nu aller heeren Heer!

3. Dat \'s Heeren zegen op u daal\'.

Zijn gunst uit Zion u bestraal\'! Hij schiep \'t heelal, zijn\' naam ter eer. Looft, looft dan aller heeren Heer!

i

34

81

ocr page 554

530

Psalm 135.

Jonisch.

m

Zamp;r

1. Prijst den naam van u - wen God,

s. s.

m

\'s Hes-ren knech-ten! hier ver - gaard.

_ .4-----\' - A—•--J—J- I

m

=1=

IC

IËËÈ

|ippi_

mmmmi

f

Prijst zijn naam en wijs ge - bod, Daar g\'in

r~f-

v:i -

r

Se1!

-gj—~—

3? En

-r—

i

uw

\'t voor - bof staat ge-schaard,

\' i I u 1 I \' S g;

ei

ocr page 555

Psiilm 135.

-f=g==j=l xr » \' p m 3. g.

I ■ ! I 1 ■ \\

ambt be - kleedt met eer, In het

i i J I 1 II

a.— 0----\'—.—«—1—G*---T—»--e—1

1 :

tr 0 amp; gr ^

i * I I ^

huis van on - zen Heer!

2. God is goad! looft Hem te zaam Met gezang en snarenspel;

Prijst zijn\' liefelijken naam;

Want de Heer heeft Israël Zich ten eigendom geschikt;

Jakob door zijn heil verkwikt.

3. God is groot! ik weet, dat Hij Hooger is dan alle goón:

Onze God voert heerschappij! Hij beheerscht van zijnen troon Hemel, afgrond, zee en aard\'.

God is aller hulde waard!

■J. \'t Eind der aard\' werpt dampen uit Door Gods macht, die :t al volbrengt. En met \'s donders schor geluid Bliksemvuur en regen mengt; God brengt winden, door één woord. Uit zijn schatgewelven voort.

531

34*

ocr page 556

Psalm I 35.

5. God, die vreeslijk is en groot,

Sloeg, zijn\' heilgen naam ter eer, Alle d\' ecrstgeboornen dood;

Velde vee en menschen neer;

Daar Hij teeknen van zijn kracht Over gansch Egypte bracht.

6. Hij verbaasde Faro\'s hof;

Sloeg de volkeren alom;

Wierp de koningen in \'t stof;

Sihon, Og, en \'t vorstendom Van den trotschen Kananiet En den stonten Amoriet.

7. Isrel kwam door \'s Hoogsten hand Tn \'t bezit van hunnen staat; God gaf hnn gezegend land

Tot een erf aan Jakobs zaad.

ITeer! uw naam en majesteit.

Blijven tot in eeuwigheid.

Pauze.

8. Van geslachte tot geslacht\'

Wordt, naar onzen duren plicht. Bij het volk uw gunst herdacht; Wijl Gij zelf, o Heer! hen richt. En aan hen, schoon diep it. schuld. Met berouw gedenken zult.

0. D\' afgoOn van het Heidendom,

Goud of zilver, goón in schijn. Hebben lippen, maar zijn stom; Zij, die \'t werk van menschon zijn, Daar men geenen geest in vindt, Hebben oogen, maar zijn blind.

532

ocr page 557

Psslra 136.

533

10. Ooren ziet men aan hun hoofd, Maar zij hooren er niet mee; Zij, van ademtocht beroofd, Zijn nog minder dan het vee. Die tot hen om hulp genaakt Worde hun gelijk gemaakt.

11. Israëliërs, looft al t\' zaam Uwen God, den God der eer! Looft, Aarons huis, zijn\' naam! Huis van Levi, looft den Heer! Looft, gij allen, die Hem vreest. Looft Hem met verheugden geest!

12. Ziun, loof met dankbre stem God, uw\' Heer! die eeuwig leeft. En het schoon Jeruzalem Door zijn woning luister geeft! Loof Hem voor uw heilrijk lot; Loof al juichend uwen God!

Psalm 136.

ÉÈ

li

—I----1-

-m-g

Mixol3\'disch. 1.

sr

-G-

t. Looft den Heer, want Hij

goed;

I

1

.2-.

i

I

PllF

ocr page 558

Psalm 136.

534

--i-

5quot;:

i

-2^

Looft Hem met een blij ge

moed;

-■2 Ï-

I

*

i l *

W—v- - ? ■

\\ i—f .

---1

I

om

ver - spreid, JL It quot;Ét

zamp;z

rt

a 4-

r

Zal be - staan in eeu - wig - held!

i l \' I |

0 -g\'—T-* *- * -#■------

Want zijn gunst, al

1 I 1 /2.

T

g-

Ê^EËia=^=EEE^i^

m

2. Looft den groeten God, wiens troon Ilooger rijst dan die der goón; Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid!

■i. Looft der heeren Opperheer; Buigt u needrig voor Hem neêr; Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid!

ocr page 559

Psalm 136.

4. Looft Gods macht, die, onbeperkt, Gadelooze wondren werkt;

Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid!

5. Looft Gods wijsheid; door zijn woord Bracht Hij al de heemlen voort;

Want zijn gunst, alom verspreM.

Zal bestaan in eeuwigheid!

0. D\' aard\' hief uit der waatren schoot Zich omhoog, toen \'t God gebood; Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid!

T. God schiep aan des hemels trans Groote lichten, rijk van glans;

Want zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid!

8. Aan de zon schonk Gods gezag D\' opperheerschappij bij dag;

Want zijn gunst, alom verspreid. Zul bestaan in eeuwigheid!

9. Maan en starren, min in pracht. Schonk Hij heerschappij bij nacht; Want zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid!

Eerste Pauze.

lü. Looft Hem, die Egypte\'s Staat Sloeg in \'t eerstgeboren zaad:

Want zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid!

11. Looft den Heer, wiens heerschappij Isrel voerd\' uit slavernij;

Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid!

535

ocr page 560

Psalm 13«.

12. Looft den Heer, wieus sterke hand Isrel leidd\' uit Faro\'s land;

Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid!

l.i. Looft Hem, die het Eoode meir Heeft verdeeld voor Mozes heir; Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid!

14. Die, door dien verdeelden plas, Israels geleider was;

Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid!

15. Die vorst Faro\'s legermacht In de Schelfzee t\' onderbracht; Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid!

16. Die zijn volk, als bij de hand. Leidde door woestijn en zand; Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid!

17. Die, tot wering van \'t geweld, Koningen heeft neergeveld;

Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid!

18. Die de vorsten, trotsch van moed. Heeft doen smoren in hun bloed; Want zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid!

Tweede Pauze.

19. Looft Hem, die den Amor.et Van ziju\' grootschen zetel stiet; Want zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid!

I)3G

ocr page 561

Psalm 136.

20. Looft Hem, wiens geduchte macht Kazans koning t\' onderbracht;

Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid!

21. Die hun land, dat d\' oogen streelt, Israël heeft toegedeeld;

Want zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid!

22. Looft Hein, nu die erfenis.

Naar zijn woord, bevestigd is;

Want zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid!

23. Die, in onzen lagen stand. Ons genadig bood de hand;

Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid!

24. Die ons, onder \'t leed gebukt,

Heeft uit \'s vijands macht gerukt; Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid!

25. Looft Hem, looft Hem, al wat leeft Die al \'t vleesch zijn voedsel geeft; Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid!

26. Geeft den God des hemels eer! Lof zij aller schepslen Heer\';

Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid!

ocr page 562

538

I I I I

Psalm 137

2—

1. Wij za-ten neêr, wij

J !

woen-den langs de

Éi

n- -l-f _ J-

i quot;1

y2- f ^ 1

~ r—^ s—J

zoo - men

Ba - by - Ions wijd

:—fü.

Van

m

i-

3.

4--

uit - ge-brei-de

I \' \' I -*■ 0

-t

t

±

£

——

)

klacht,

P

P

\'

T\' \'tT

-fê-p--r

I i ; 1

stroomen; Elk stort-te

IJJ

daar zijn bit-tre jam-nier

_1?«-J. 1

-3 0 ■—0-

II

Als

4.

amp;

ocr page 563

Psalm 137.

—;--1

m \' • ^ 2 1 . \'

---z---^-lt;S-1--•-•-•-

f- 7quot; ^ 1 1 1 1 1

hij metsmartaan \'t hei-lig Zi - on

1 1 1 T^- J J |J.

-V- ^

dacht! Elk,

I I

3; —•-0-§—1--

—n-F---•---—ttS I c--r-_

J : » t 1

a ^ r . |ü4i-3- I- quot; ^ :

F- ^ |

1---5^ . I- * • »

4 ^ ■

- f f - r - -r r

wars van vreugdquot; en vroo-lij-ke ge-

II J I \'l J i i

^ ê1 -®-J i i i zan-gen. Liet

1 1 1

C); • É » ^

^ * f= *

r • g-\\~r* —tf—quot;t- -i

i-gt;^=4 |l

• 1 : i®

daar zijn harp aan

J J-

4--

1 1 ! i i Jl! !

soin-bre wilgen han - gen.

^ i i J J

quot;^=\'—P-rtóL-J

—i—•—* \\—^---------\\—

539

1

De vijand dorst, bij al ons leed, ons tergen; \'t Gevangen volk, in zijne jammren, vergen, Dat elk zijn hart, schoon overstelpt, bedwong, En een gezang uit Zions liedren zong!

Hoe zou (zeid\' elk), ons, die in rampen zwoegen, In \'t vreemd gewest een lied des Heeren voegen\'?

ocr page 564

Psalm 138.

3. Jeruzalem! dat, zoo ik u vergete,

Mijn rechterliand niet van zich zelve wete! Dat mijne tong aan mijn gehemelt\' kleev\',

40

Indien ik u niet steeds mijn achting geev\'; Zoo ramp of leed mijn hart van Zion scheure, En ik Gods stad mijn hoogste vreugd niet keure!

4. Gedenk, o Heer! gedenk aan d\' Edomieteu, Aan Salems dag, toen wij ons land verlieten;

Dien bittren dag, zoo vol van grievend leed; Gedenk aan hen, die, zoo ontaard en wreed. Nog zeiden, toen z\' ons zagen overvallen: «Ontbloot, ontbloot ten grondslag toe hun wallen!»

Jonisoh. 1.

5. 0 Babyion! wij zien eerlang u straffen. Gelukkig hij, die u zal loon verschaffen; Die u vergeldt al wat g\' ons hebt misdaan! Gelukkig hij, die u ter neêr zal slaan, Uw kinderkens zal grijpen, o gij trotschen! En wreedelijk verplettren aan de rotsen.

Psalm 138.

hart van

met U

uw de

\'k Zal \'k Zal

r

mijn gan-sche in \'t mid-den

IS

Üe

Pl

ocr page 565

2.

Psalm 13S.

1 r 1 r i f • f 1 ,

eer Vermel-den, Heer! U dank be - wij-zen;j goón, Op hoo-gen toon, Met psal-men prij-zen\'.j

-®-^ ■amp;■ ^

I25t

it

541

m

i

3=

• ♦

4-

I

I

-is..

1 s:

• «-

1

2 -

• •

Ik zal mij bui - gen, op uw\'

J J 1 1 1 J

2 - quot;

:[zrj—«--gi

II 9-

3±t

1 1 i 1 \' uw pa - leis, liet hof di?r

_J J__J __l_J__J

I

I

eisch, Naar

J

T

10.

3^

-—^

r

I I

ho - ven;

I

si-

En,

om uw gunst en

t

• • 4-

ocr page 566

Psalm 138.

1$^=^=—JÏ 1 ^j---3=:

W t? (S- Oquot; g P

i ; I I

waar - heid saam, Uw\' groo - ten \\ amp;

1

f tiiinnmiiii\'iiii

naam Eer - liie - dig lo - ven.

f t f t \\

542

1

Dan zingen zij, in God verblijd.

Aan Hem gewijd,

Van \'s Heeren wegen;

Want groot is \'s Heeren heerlijkheid;

Zijn Majesteit Ten top gestegen;

ocr page 567

Psalm 139.

Hij slaat toch, schoon oneindig hoog. Op hen het oog,

Die needrig knielen;

Maar ziet van ver met gramschap aan Den ijdlen waan Der trotsche zielen.

•1, Als ik, omringd door tegenspoed, Bezwijken moet,

Schenkt Gij mij leven,

Is \'t, dat mijns vijands gramschap brandt. Uw rechterhand Zal redding geven.

De Heer is zoo getrouw als sterk;

Hij zul zijn werk Voor mij volenden!

Verlaat niet wat uw hand begon, 0 Levensbron!

Wil bijstand zenden.

543

Hypo-Mixolydisch. Psalm 131gt;. 1.

* -0- -0-

-s)-

1

I. Niets is, o Op

per

I

str-ÉZ

m ;i

i

ma - jes - teit!

=J-

Be-

-


j—3^

3:

\\ ? we - tend - heid.

I f f

dekt voor uw

Gij

-t-

-t\'

i

ocr page 568

Psalm 139.

544

r

1

ÜÜSÖÜÜË

\' T

kent mij, Gij door - grondt mijn daan; Gij

J J ! I ij__!___

amp;

fg - — gz

NB.

I

3^

al

mijn

I

j2

J

lil1\' weet mijn zit - ten en

J- A

_r--r_

staan. Wat

I I —t-——-

ü.

üi

I

Gij

_d_

25\'

gt;)•• •

T

ik be - raad\', of wil be-trach - ten, ^ ^ i

qs:

± ± i i

J-

U—--—

ocr page 569

I

Paalm 139. 545

Psalm 139. Nieuwe melodie.

- u 1- 11I 1 2.

^-fT-r i f rfcti—

1. Niets is o op-per-ma-jes-teit! Be-

_1 4 j i ^ i j |:__i

..... \' 1 1

dekt voor uw al - we-tond-heid, Gij kent mij,

J-j

Êjijnbzr—C\'? =^p- . -

—fl--—r_p_J-1—|» j» 1

1--I J Ji=d=|

^ r 1 1 1 r r r 1 r 1 v

Gij doorgrondt mijn daan; Gij weet mijn zit - ten

„ J i -«■ J I I I I 1 J

1^quot;| r r3—-l~^ r-F-p=i f—rH

ojt___h__^____5^__, | t

^—3—jj- —^- ^ * * ■----

—r—r-—H

en mijn staan. Wat ik be-

ü.—_4—---r-—V.—J—J—

fg= ^----—1 —

_TT I [ ~1_____!Z__1

35 1\'! _-

ocr page 570

Psalm 139.

-| —|— L

-q i:

-i-1-1---

—^-W—i-

-j r :

y f r r r

raad , of wil be -

ji i J - J

^ 0

i , 1 trach - ten,

! i

r r-rquot;

Gij kent van

1 1 J

a * —

Riamp;r-J-----

—•—gt;-

----

»=£■—i——

—r—r—F—

V tM—1-j-1--j—

---4---

|

?—S—i—i

- ■ :-1 ■i -

rF

^ r r • r

ver - re mijn ge

- j j j

^ f

dach - ten.

J J

. VJ . ......-

ë gt;

f

i

2. G\' omringt mijn gaan en liggen, Gij, 0 Heer! zijt altoos nevens mij.

Uw onbepaalde wetenschap Kent mijnen weg van stap tot stap.

Geen woord is nog mijn tong ontgleden, Of Gij, Gij weet alreeds mijn reden.

3. Gij hebt van achtren mij bezet;

Vooruit wordt mij de vlueht belet; Ik word bepaald door uwe hand.

Hoe zou ik, met mijn zwak verstand. Naar uwe wondre kennis streven?

Z\' is mij te groot, te hoog verheven!

4. Waar zou ik uwen Geest ontvliên?

Waar zou m\', o Heer! uw oog niet zien? Al voer ik op naar \'s hemels trans,

Daar zijt Gij, daar vertoont G\' uw glans. Al daald\' ik zelfs ter helle neder.

Daar vond ik ook uw aanschijn weder!

546

ocr page 571

Psalm 139.

5. Al Dam ik van den dageraad De vlengelen des lichts te baat! Al waar\' aan \'t uiterste der zee De plaats van mijne legerstee;

Daar zoud\' ook uwe hand mij leiden, Uw rechterhand niet van mij scheiden.

G. Indien ik zeg: «de donkerheid «Bedekt mij voor uw majesteit!quot; Dan is de nacht een helder licht, Dat mij ontdekt aan uw gezicht.

Voor U, o Heer! is \'t aaklig duister Den dag gelijk in glans en luister.

7. Gij hebt mijn gansch gestel doorgrond. Zelfs voor mijn\' eersten levensstond. Ik ben verbazend voortgebracht.

Op \'t nagaan van uw wondre macht. Sla ik verrukt het oog naar boven; \'k Zal U, mijn\' Schepper! altoos loven.

Pauze.

8. Mijn ziel bepeinst uw wonderdaan. Die al \'t begrip te boven gaan.

Uw oog heeft mijn gebeent\' verzeld, Toen ik, verborgen, saamgeateld Als een borduursel, lag verscholen; Van mij was niets voor U verholen.

9. Gij hebt, wijl niets uw oog weêrhoudt. Mijn\' ongevormden klomp beschouwd; Ja, Gij, wiens wijsheid nimmer faalt, Uadt mijn\' geboortestond bepaald; Eer iets van mij begon te leven,

Was alles in uw boek geschreven.

547

35*

ocr page 572

Psalm 139.

10. Hoe dierbaar zijn m\' uw wonderdaan! Zij zijn onmooglijk na te gaan;

Hoe menigvuldig zijn z\', o Heer! Zou ik die tellen? \'k zou veeleer \'t Getal der korlen zands bepalen. Uw wondren zijn niet af te malen.

11. Wanneer ik iu den naclit ontwaak, Bon ik bij U, mijn zielsvermaak! O God! laat donr uw groute macht De boozen worden omgebracht;

Doe, doe hen voor uw\' arm bezwijken. Gij bloedvergieters! gij moet wijken.

12. Stel hunnen hoogmoed perk en paal! Zij hoonen U door snoode taal;

Z\' ontzien zich niet U, t\' allen stond\', Te lasteren met hart en mond;

Daar zij, ten spot van uw vermogen, Al uwer haatren trots verhoogen.

13. Zou \'k hen niet haten in mijn hart,

Wier snoode haat uw goedheid tart? Zou ik hen, die U weerstand bièn,

Niet met verdrietig\' oogen zien?

\'k Zal hen altijd volkomen haten, Die trotschlijk uwe dienst verlaten.

14. Doorgrond in\', en ken mijn hart, o Heer! Is \'t geen ik denk niet tot uw eer? -Beproef m\', en zie of mijn gemoed

Iets kwaads, iets onbehoorlijks voed\'; En doe mij toch met vaste schreden Den weg ter zaligheid betreden!

548

ocr page 573

549

Hypo-Jonisch. 1.

Psalm 140.

SbS=

I

den,

I

=11

s——p- r i i 1 r

1. 0 Heer! ver - los mij uit

de ban -

I I ^ ± ^

I I

*=F

1\' ?■

3 J

3.

m

=1:

(=gt;

i

mij

i

r

be - knelt;

Waar - in

I

Be-

vt:

3^\'

de boo-ze

J i i J

P^r.

-1-1--

A

quot;3~TH-^

-a-_- g

1 1 1 i hoed mij voor des

u J J 1 \'

r r Sf r

wreedaards ban - den,

! J J i

--H

Voor

• A

r J —i2—

amp;

-1-#-1-1-

-2--

i

T

1

I

dwing - lan - dij en woest ge - weid.

=F=F

I

Pt

ocr page 574

Psalm 140.

2. Ked mij van hen die kwaad bedenken,

Die daagiijks samen zich beraan,

Om mij door\'t oorlogszwaard te krenken, En t\' eenemaal terneer te slaan.

3. Hun tongen scherpen zij als slangen;

Zij smeden valsohheid en bedrog; Zij passen loos op mijne gangen. Met monden vol van adderspog.

4. Bescherm mij voor de goddeloozen,

O Heer! o Eechter van \'t heelal!

Verlos mij van \'t geweld der boozen. Die niets bedoelen dan mijn\' val.

5. De trotschen, nijdig om mijn\' zegen,

Belagen mij met koord en net; Zij hebben heimlijk op de wegen Voor mij een\' valstrik uitgezet.

6. Ik dacht in mijn verdriet te smoren;

Dies riep ik: Heer! Gij zr\'t mijn God! Neem mijne smeekingen ter ooren;

Verzacht in \'t eind mijn droevig lot!

Pauze.

7. O Heer! mijn rotssteen, mijne sterkte!

Gij hebt mij steeds tot heil verstrekt, En in den strijd, daar \'t elk bemerkte.

Mijn hoofd, als met een schild, bedekt.

8. Laat nooit des boozen wensch gelukken.

Maar stuit hem, eer zijn hand mij treff\'. Verhinder zijne gruwelstukken,

Opdat hij zich niet trotssh verheff\'.

9. Doe tot vergelding. Heer der heeren!

Op mijner haatren moedig hoofd, Den smaad der lippen wederkeeren.

Die mij van al mijn eer beroofd.

550

ocr page 575

Psalm 141.

10. Schud, daar zij dus mijn\' roem verkorten,

Schud vnurge kolen op hen uit;

Laat hen in \'t vuur in kuilen storten.

Geef hen aan \'t nare graf ten buit.

11. Een lasteraar, een leugenspreker.

Zal nooit op aard\' bevestigd zijn; Men jaag\' een\' twist- en onrustkweeker, Totdat hij uit elks oog verdwijn\'.

12. Ik weet, dat God, getrouw in \'t richten.

Des armen rechtzaak, daar hij schreit, Hoe valsch hem d\' ontrouw moog\' betichten, Beslissen zal naar billijkheid.

13. De vromen zullen U verhoogen,

Gezegend door uw milde hand. D\' oprechten zullen voor uw oogen

551

Steeds bloeien in gewenschteu stand.

Phrygisch. 1.

Psalm 141.

m

Èl

ff

ee

j i

f r i i 1 . . ,

1. \'kEoep, Heer! in angst tot U ge - vlo

den;

SÉ

f

m

2.

IÉ

1

I

en j

-4

rat

I i

Ai! haast U tot mijn hulp,

ocr page 576

552 Psalm 141.

r r r r I r fr r

red; Hoor naar de stem van mijn ge-bed, Daar

ü I u I J 1 I J II J

1 j-t--tquot;

^

1 1 1 1 ik U aan - roep

2-Sp-1--f=—^

• \' g—^

f 1 1 f in mijn noo - den.

1 J J ul s -

r r

2. Mijn beê, met opgeheven handen,

Klimm\' voor uw heilig aangezicht, Als reukwerk, voor U toegericht; Als offers, die des avonds branden.

3. Zet, Heer! een wacht voor mijne lippen; Behoed de deuren van mijn\' mond. Opdat ik mij, tot geenen stond.

Iets onbedachtzaams laat\' ontglippen.

4. Neig nooit mijn hart tot kwade zaken, Om tot godloosheid mij te spoên.

Met mannen, die verkeerdheên doen; Laat mij hun lekkernij niet smaken.

5. D\' oprechte sla mij zonder vreezen. Ik reken zulks weldadigheid;

En zijn bestraffing, die niet vleit. Zal olie op mijn\' schedsl wezen.

ocr page 577

Psalm 142.

Pauze.

6. Dat slaan aal mij het hoofd niet breken; \'k Zal, door dat liefdeblijk vermaakt, Als één uit hen in rampspoed raakt,

Te vuurger om zijn redding smeeken.

7. \'k Heb hunne rechters vrij gelaten;

De rots getuigt; elk heeft gehoord, Hoe aangenaam mijn vriendlijk woord Was ingericht tot die mij haten.

8. Men heeft ons wreed vanéén gereten, Verstrooid als beenders aan het graf; Als iets, daar niemand acht op gaf. Gekloofd, verdeeld, en weggesmeten.

9. Doch op U zien mijn schreiend\' oogen; Op U betrouw ik in \'t verdriet.

Verlaat, ontbloot mijn ziel toch niet,

0 Heer! o eeuwig Alvermogen!

10. Bewaar mij voor \'t geweld der strikken. Die tot mijn\' val mij zijn gelegd.

Door hen, die wars van \'t heilig recht. Het booze doen all\' oogenblikken.

11. Dat, die godloos zijn, siddrend vreezen. Elk hunner in zijn garen vall\';

Totdat ik, onverhinderd, zal Voorbijgegaan en veilig wezen.

Hypo-Jonisch. Psalm 142.

I 1 1 I f ^ I i 1

1. \'k Eiep tot denHeermet lui-der stem; Ik

^_J J J ! ! ! i I__J

553

^ \' 2 l=:=p— • --

=t=

^U- quot; f

ocr page 578

554 Psalm 142.

smeekt\'en riep vol angsttot Hem. \'kHeb,

„ J I i J ^ ^ ^ J

—f-f r 1 1 r r-p r :

W-f . «. -p—d

1 i i i i i 1 r

voor zijn aan-ge-zicht, mijn klacht In

ryfi-J-J-!—J-r-J J ^®-

I I I

■ —f—^ ,

=4—

--1--

d -J -

—--

^---0-0—

^ f i ii mijn be - nauwd-heid

„ ! J J J

i r

voort - ge - 1

a

i

3racht. d

p— ^

.. ----- ... .

-

• ^-1- •

-2-—--^-

b - —r

1--

2. Als mij geen hulp of uitkomst bleek; Wanneer mijn geest in mij bezweek, En overstelpt was door ellend\',

Hebt Gij, o Heer! mijn pad gekend.

3. Zij hebben, vol arglistigheid.

Een\' strik op mijnen weg gespreid, \'k Zag uit, in nood, ter rechterhand.

Maar vond noch vriend, noch onderstand.

ocr page 579

Psalm 143.

4. \'k Wou vluchten, maar kon nergens heen. Zoodat mijn dood voorhanden scheen,

En alle hoop mij gansch ontviel,

Daar niemand zorgde voor mijn ziel.

5. Ik riep tot U; ik zeid\'; o Heer!

Gij zijt mijn toevlucht, sterkt\' en eer; Gij zijt, zoolang ik leef, mijn doel.

Mijn God, wien ik mij aanbeveel!

6. Hoor mijn geschrei! \'k Ben uitgeteerd, Door mijn vervolgers overheerd.

Ai! help en red mij uit den nood.

Want hunne macht is mij te groot!

7. Voer mij uit mijn gevangenis,

555

Tot roem uwb naams, die heerlijk is! Dat mij \'t rechtvaardig volk omring\', En vroolijk van uw \'weldaan zing\'.

Dorisch. Psalm 143.

-1--L-

—i---1--^—\'

A—

tw-—

i—• \'

1

r r

r r r r

r r

I I I I i I ii I

\'—-—8——• •

1 O rj

hf-1—J

Neig

1

r f r r f r

tot mijn smeeken gunstig

i \'1 1 i ! 1

\\-^P s-1 1 1 00 - ren;

jJ J

r r r

-2—^-1--

1

ocr page 580

\'1

i

r

L

j