ocr page 1
ocr page 2

v

I

rim

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

REGISTER

or DE

ID E Ë N VAN MULTATULL

ocr page 6

\'Ji u

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

0497 9005

ocr page 7

R E G I S T E É

OP DE

1 ü E Ê N

VAN

M U L T A T U L I

DOOK

J. J VAN LAAR

R O T ï E R I) A M UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ „ELSEVIERquot;

ocr page 8

Snelpersdruk van 11. C. A. Tuieme te Nijmegen.

ocr page 9

VOORBERICH T.

Mr. Vosmaer spreekt op bi. 41 van zijn „Zaaierquot; den wensch uit naar het bezit van een Register op de Ideën van Multatui.i. Het was toen 1874.

Er bestaat — zegt de heer Vosmaer nl. — een Register van eene bevriende hand in schrift; ..liet zou een groote aanwinst zijn als wij dat in druk bezaten.quot;

We schrijven thans 1886. en ik meen dus niet onkiesch geweest te zijn, nu deze bevriende persoon zijn Register, twaalf jaar na het uitspreken van dezen wensch, niet in druk heeft uitgegeven, zelf aan het iverk te zijn gegaan om aan veler wensch te voldoen.

Ieder, die in het bezit is van Multatui.i\'s Ideën, iveet hij ondervinding hoe lastig cn tijdroovend het dikwijls is een

ocr page 10

VI

bepaald onderwerp, of de een of andere uitspraak omtrent een bekend persoon, in de seven bundels na te slaan. Al heeft men die bundels nog zoo dikwijls gelesen en al is men er nog zoo goed in thuis, toch gebeurt het dikwijls dat we niet weten of dese of gene zaak in den l1quot; of in den 3equot;, dan tv el in den 7tn bundel te vinden is. Bit ongerief wordt nog vergroot, doordat de auteur zoo dikivijls van het eene onder-iverp plotseling op een ander overgaat, of — nu eens gcheele bladzijden lang, dan iveer eens in enkele regels — van het onderwerp afdwaalt, en uitweidt over allerlei saken die met het onderwerp in geen opvallend verhand staan, en die men daar ter plaatse nimmer zoeken zou. Vg. bv. zoovele hoogst belangrijke noten.

Het is ver van mij den auteur hiervan een verwijt te maken, integendeel: idee 319 op bl. 128 van den l111 bundel is ni. i. welsprekend genoeg. Haar dan zal Multatuli hel ook mij niet ten kwade duiden, dat ik zijn hoogst belangrijken arbeid, die nog altijd niet genoeg door ieder ontwikkeld en vrijdenkend Nederlander gelezen wordt, op deze wijze voor vele zijner lezers meer toegankelijk heb gemaakt.

Dit ter verontschuldiging.

Nu nog een paar opmerkingen over de sainenslelling van dit Register.

Bat er aanmerkingen op te maken, of bedenkingen tegen aan te voeren zijn — ik ben de eerste die het zal toegeven. Ik heb gemeend \'t beoogde dod het best te bereiken door een

ocr page 11

vrr

uitvoerig overzicht van dm inhoud der zeven bundels te geven. De zakelijke inhoud van elk idéé ivordt zoodoende dadelijk kenbaar, en in weinige bladzijden krijgt de lezer een duidelijk overzicht van icat er in eiken bundel te vinden is. Ook de Woutergeschiedenis — een eenig fragment in de 10e eemvsche Letterkunde — komt nu meer naar voren en kan meer geleidelijk van het begin tot het einde gelezen worden. Een uitvoerige inhoudsopgave zou men dus dit gedeelte van het Megister kunnen noemen.

Zooveel mogelijk zijn\']tot karakteriseering van den inhoud der Ideën. Multatuli\'s eigen ivoorden en uitdrukkingen gebezigd. Ze zijn meestal zóó saillant, dat het niet raadzaam zou zijn ze door omschrijvingen te vervangen. Korte aphoris-men zijn meestal in hun geheel overgenomen. Boor een goede afscheiding en indeding heb ik verder getracht de duidelijkheid zoo mogelijk nog te vergrooten.

Door het alphabetisch Zaak- en Naam-Register aan het einde, zal zeker aan veler verlangen te gemoet gekomen zijn. Het is vooral gemakkelijk voor het opzoeken van meer op zich zelf staande opmerkingen over zaken en personen die verspreid in de Ideën voorkomen-

Ter voorkoming van teleur stelling en zij nog opgemerkt, dat de pagina-nummers alle aan de laatste drukken zijn ontleend.

Ik geloof dat verdere kommentaar overbodig mag geacht worden. De lezer zul nu zelf wel zijn weg in het boekske kunnen vinden. Hier en daar eal nog wel wat te verbeteren vallen.

ocr page 12

VIII

er zullen in het alphabetisch register wel eens enkele namen, of plaatsen waar ze voorlcnmcn, zijn overgeslagen — als slechts de inrichting in zijn hoofdlijnen aan het gestelde doel hcant-woordt en velen het Register zullen hunnen gebruiken, dan zal dit voor mij een groote voldoening zijn, en mij den tijd en de moeite er aan besteed, niet doen herouwen.

Middelburg, October ]886-

J. J. VAN LAAR.

ocr page 13

BUNDEL.

sos. B!z.

1 EPILOOG.

1 5 „Misschien is niets geheel waar, en zelfs dat niet.quot;

2 5 „Twee linker-handschoenen maken geen paar hand

schoenen. Twee halve waarheden maken geen waarheid.quot;

3 5 , Wie twaalf maal zegt: ih zou.. . zegt elfmaal

\'n bêtise.quot;

4 5 ,Een verzameling van hout, steen, kalk, enz. is niet

altijd \'n gebouw. Een vergadering van menschen is niet altijd \'n gezelschap.quot;

5 5 Resultaat van de som van veel uitstekend-goede of

-slechte menschen en van veel middelmatigheden.

6 5 „\'t Oordeel van veel onbekwame menschen is minder

juist dan \'t oordeel van één onbekwaam mensch.quot;

7 C Beslissing bij meerderheid van stemmen.

8 6 „Het besluiten tot iets groots kan geschieden met

kalme vastberadenheid of in geestdrift.quot;

9 6 Verbetering van 5 en G. .Het gemiddelde eener ver-

1

EERSTE

ocr page 14

REGISTER OP DE

Nos. Biz.

zameling van middelmatigheden staat heneden de middelmatigheid\'

10 7 „De jeugd moet zich oefenen in \'t bepalen.quot;

11 7 Uitdrukken van gedachten: „dewftbeelden.quot;

12 7 „Gedachten heeft ieder. Bij weinigen worden ze tot

denkbeelden.quot;

13 7 „Het is zeer moeielijk zich juist uit te drukken.quot;

14 7 „Onjuistheid van uitdrukking baart strijd.quot;

15 8 Vaders die hun kinderen naar school zenden,

16 8 Welke beteekenis de woorden „zielquot;, „stofquot;, „God\'\'

hebben, wanneer de auteur ze gebruikt.

17 8 Zijn verlangen naar onsterfelijkheid.

18 8 Beteekenis van \'t woordjen is bij den schrijver.

19 9 „Wanneer ik heden iets beweer dat me morgen

anders toeschijnt, zal ik u dat zeggen vóór overmorgen.quot;

20 9 „Het kost me niet de minste moeite een dwaling te

erkennen.quot;

21 9 „Wie veel gedwaald heeft, kan \'t best den weg weten.quot; 22-28!l 9-10 „Ge spreekt veel over uzelf...

29 10 „Er zijn meer muggen dan wespen, meer kappellui

dan droogstoppels.quot;

30 10 „De geschiedenis eener groote conceptie roept me

altijd den tekst toe : met smart zult ere kinderen baren!quot;

ocr page 15

ideën van ml\'ltatuli. 3

Nos.

31

Blz. 10

Aan den uitgever. Naar aanleiding van het voorgaand idee.

32

11

„De noodzakelijklieid is God.quot;

33

11

„\'t Was niet heel wijsgeerig van Frederik den Groote, te meenen dat hij de landstreek strafte die hij \'n wijsgeer gaf tot bestuurder.quot;

34

11

„Mijn idees zijn de vTimesquot; van m\'n ziel.quot;

35

11

„Hebt ge \'t Idee wel gelezen,

niet dat ik neerschreef op enne . ..

36

12

Het verwaarloozen van de regels op den hiatus.

37

12

„Als ik doof was zou \'k niet kunnen schrijven.quot;

38

12

„Schoolmeesters moeten de taal niet maken.quot;

39

12

„Tusschen ziel en taal ligt de lengte van\'n trompet.quot;

40

12

„In elke levende taal is \'n gedeelte dood.quot;

41

13

„Ik leg me toe op \'t schrijven van levend hollandsch.quot;

42

13

„Ik ken weinig schrijvers op wier geschrijf ik zooveel aanmerkingen heb als op \'t mijne.quot;

43

12

Het gebruik van K of C in vreemde woorden.

44

13

Opeenhooping van konsonanten in vele woorden dooiden uitgang ste.

45

13

„We hebben n\'s te veel als slotletter.quot;

46

14

„Ik geef wenken, geen regels.quot;

47

14

Over een goed voornaamwoord van de tweede persoon.

■

ocr page 16

REGISTER OP DE

Nos. Biz.

48 15 j Een ruiter viel van \'t paard, en sinds dien tijd

Noemde ieder die van \'t paard viel zich \'n ruiter.quot;

49 15 „Als \'n hardlooper z\'n been breekt, is \'t hal paré

bij de kruipers.quot;

50 15 „Ik paste een hoed, en zei: die maat is goed.quot;...

51 15 „Wie me wat nadoet, is dikwijls m\'n vijand,

meestal vervelend, en altijd \'n dwaas.quot;

52 15 „\'t dvzóq é(ftj der leerlingen van Pythagoras bevalt

me niet in Pythagoras.quot;

53 15 ,\'t Aankleven van \'n opinie „omdat ik zélf het gezegd

hehquot;

Is mij \'n duid\'lijke wenk dat ik \'t niet goed heb gezegd.quot;

54 15 „Ik woon bij \'n banketbakker.quot; . ..

55 16 „Ik weet niet hoe \'t komt, maar:

Ein Mürchen a us alten Zeiteri\'...

56 16 „Er zijn dichters, die verzen maken.quot;

57 16 „Er is maar één weg ten hemel; Golgotha lquot;

58 16 „Er zijn weinig boeken waaruit men niet leeren kan

hoe men niet schrijven moet.quot;

59 16 „Neem één raad aan. Deze: dat ge geen raad aanneemt. \'

60 16 „Als ik iets geschreven heb en dat nalees, is meestal

m\'n hoofdindruk: over die zaak zou veel te zeggen wezen quot;

61 16 „Wie tevreden is over z\'n arbeid, heeft reden var.

ontevredenheid over z\'n tevredenheid.quot;

62 16 ,\'t Was avend. Een vrouwspersoon hield me aan.quot;. ..

*De spelling van \'t woord avend.

ocr page 17

ideen van mult atuli.

Nos. Biz

*De Arnliemsclie courant naar aanleiding van dit idee.

63 17 „Jezus heeft veel schoons gezegd. Maar \'t schoone dat hij gezegd heeft, beslaat geen half vel druks.quot;

C4 17 „Jezus moet veel gezegd hebben dat niet in den bijbel staat.quot;

65 17 „Jezus is slecht geteekend in den bijbel.quot;

66 18 „Jezus was geen christen.quot;

67 18 „Een arbeider verstuikte z\'n voet, en de meester

riep : voort!quot;...

68 18 „\'t Idee dat men daad\'lijk begrijpt

is veelal \'t begrijpen niet waard.quot;

69 18 Dichters en verzen.

70 18 „Daar heb je nu kleinen Maxquot; .. .

♦Besluit van den auteur zijn levensonderhoud in schrijven te zoeken.

71 19 „Een veldheer schreef aan z\'n luitenant . ..

72 19 „Ik geloof niet aan bovennatuurkunde voor men mij

goed verklaart wat benedennatuurkunde is.quot;

73 19 „Ik weet niet hoe men in \'t hollandsch vertaalt:

les sots. Ik zeg maar Kappellui.quot;

74 19 „Waar blijven toch de „knappequot; kinderen?quot; 75-77 19-20 — Geloof me, \'t is een waar genie...

78 20 Over onsterfelijkheid. (De dienstijverige schildwacht.)

79-81 23-24 Parabel, Poiêlês, Ameleia en Waarheid.

82 24 ,,\'t Is geen gering kwaad de waarheid vervelend te maken.quot;

ocr page 18

6

quot;REGISTER 01\' HE

Nos.

83

Biz.

24

„Ameteia beteekent zorgeloosheid, slordigheid.quot;

84

25

„Ik heb gisteren \'n dertigponder afgeschopt, die me sedert vier jaren hinderde in \'t zwemmen.quot; (Advertentie in \'t Handelsblad.)

*Beschuldiging van armoede! Een eigenaardige ontboezeming in een katalogus van \'n tentoonstelling van oudheden en kurioziteiten.

85

26

„Een ridder streed tegen overmacht.quot; . . . *Beschuldiging van mooischrijverij.

86

26

„In \'t ziekenhuis te Amsterdam moest een matroos geamputeerd worden.quot; . . .

87

26

„Een gedachte is \'n polyp.quot;...

88

27

„En toch is \'t niet waar dat gedachten de wereld regeeren. Dit doen zelfs Idebn niet. „ÏVoh pas la parole ... mais les mots.quot;

89

27

„Als dit waar is zal het mot „stelselaarquot; meer systemen omvèr gooien, dan veel verhandelingen met of zonder persoonlijke achting.quot;

90

27

„\'t Is onbillijk van \'n cirkel, den hoek te verwijten dat-i scherjD is.quot;

91

27

„Ik ben boos op me zelf.quot; . ..

92

27

„Wat leert men daaruit?quot; . . .

93

28

„Jezus ontmoette een evangelie, en vroeg : wie zijt gij?\'quot;

94

28

„Leugen: waarheid — oneindigheid: één.quot; (of nul.quot;

95

28

Over \'t verkeerd lezen van \'t geschrijf des auteurs.

96

28

Onderscheid tusschen \'t niet-weten van den een en \'t niet-weten van den ander. Een verkeerd gezegde van Sokrates.

ocr page 19

IDEEN VAN MÜLTATÜLI

Nos. Blz.

97 29 „En, wat het ergste is . .. de knecht die niet zocht,

vond de muts.quot;

98 29 —Kind, weetje waar je vader is .. {de alpha privans

van \'t woord atheïst.)

99 29 Niet iveten, twijfelen en onfkennen.

100 29 Principes, systemen en dogma\'s.

101 29 „Geloofsbcliidenisquot; van den auteur. (Zie de Verspreide

Stukken)

102 30 Men kan God niet leeren kennen uit de Natuur.

103 31 „Een mislukt genie is geen genie.quot;

104-105 31 — Meent ge een genie te zijn?quot;...

106 32 „Al wat ik weet zonder \'tvan iemand te leeren, ruil

ik gaarne voor alles wat ik had kunnen leeren van anderen, en niet geleerd heb.quot;

107 32 „Ik zal u vertellen hoe de nederigheid in de wereld

is gekomen.quot;...

108 32 „Er bestaat geen hoogmoed. Er bestaat geen nede

righeid. Er bestaat alleen waarheid of onwaarheid.quot;

109 33 — Zijt ge een goed zwemmer?quot;...

110 33 — Zijt ge een bekwaam mensch?quot;...

Welke \'beteekenis het „zoo . . . zoo \\quot; in den mond van velen heeft.

111 33 Eigenbelang in zeden en wetten.

112 38 „ Zelden schrijf ik wat ik wil, en nooit wat\'n ander wil.quot;

*Moeielijkheid voor den auteur, schrijver van beroep te moeten zijn.

ocr page 20

register op de

Beantwoording van een brief die een „leerlingquot; den schrijver toezond.

„Elke deugd heeft onechte zusters die de familie schande aandoen.quot;

IJver en het „pas de zelequot; van Talleyrand.

Publieke en bijzondere personen.

Opvoeding van den Prins van Oranje.

Verkiezingsscène te Brussel. „Toch voor algemeen stemrecht

De Tweede-Kamer vertegenwoordigt het Nederland-sche Volk niet. Ideaal eener regeeringsvorm.

„Du choc des opinions jaillit... in dit geval \'n vervelend meestal onbruikbaar mengsel van allerlei opinions.quot;

De whist- en biljartklub. Welke spelers er werden afgevaardigd: „Die rekening li an niet goed wezen!quot;

„Een oud heer las de krant, en hield die ver van zich.quot;. ..

— Ik begrijp idee N. niet.quot; . . .

Logische gevolgtrekking uit 94.

Duidelijkheid in wetenschap en wijsbegeerte. Een gezegde van Dr. van Vloten.

De auteur verneemt uit den Dageraad dat hij zoo\'n begaafde schrijver is.

— Ik lees den Dageraad niet. Ik ben niet van \'t gevoelen der dageraadsmannen.quot; . ..

8

Nos. Biz.

113 34

114 34

115 34

116 35

117 85

118 35

119 36

120 37

121 38

122 42

123 42

124 42

125 43

126 43

127 43

ocr page 21

ideen van multatuli. \'j

Nos. BIz.

128 44 Welk is hei program van de redaktie?

129 45 — Maar ze moeten toch iets hebben dat hen bindt.quot; . . .

130 45 — Ze willen \'t niet plaatsen, dat stuk over de

menschwordingquot;... .

131 45 De Ideën en de Dageraad.

132 46 Strijd tegen den zoogenaamden godsdienst. Een schandelijk vonnis in Spanje. Brief aan den heer Höveker.

133 47 (Vervolg van 121). De Kamer vertegenwoordigt \'t

Vólk niet. Uitslag van den wedstrijd van den whist- en biljartklub.

*Hoyle

134 50 Omnls comparatio claudicat. Natuurlijk. Anders was

\'t Similitudo.

135 51 Politieke toestand in 1862 bij het optreden van

Thoebecke. In de kiesregeling is \'n radikale fout. Onze Tweede-Kamer, op vijf of zes uitzonderingen na, \'n verzameling van nietigheden. Er is verrotting in den Staat! De Arnhemmer van 12 Febr. 1862 en de bezadigde Amstcrdamsche Courant.

136 60 „De roeping van den mensch is mensch te zijn.quot;

137 62 Verkrachtins van Natuur.

GELOOF EN NATUURNOODZAKELIJKHEID.

138 62 Antwoord van den heer Hövekeu. De Elberfeldsche weezen.

ocr page 22

register op de

Nos. Biz.

139 72 „Ik houd meer van die jongetjes op de keldertrap

dan van dominé Metboom, die \'t verwerpen der wonderen bestrijdt door ze natuurkundig te ver-Maren.quot;

140 72 De Moderne Theologie. Renas en de opwekking van

Lazarus.

141 73 „Geloof en buig u, of verwerp en sta rechtop.quot;

142 74 „Een kind dat geloof slaat aan fabelen, kan beminne

lijk wezen in z\'n dwaling. Maar de opgeschoten jongenquot;...

143 74 „Het vinden der waarheid zou niet zoo moeielijk we

zen als we minder lafhartig waren.quot;

144 74 Aantrekkelijkheid in dwaling.

145 74 „De geschiedenis van \'t menschdom is niets dan één

groote strijd tusschen waar en onwaar.quot;

146 75 „Al wat is, moet wezen. Ook dwaling is noodig.quot;

Ontdekking van Nieuw-Holland. De schoonste regel uit Maliiekbe\'s gedichten.

147 76 Ontbinding is noodig in de stofl\'elijke natuur, dwa

ling op verstandelijk en zedelijk gebied.

148 76 Samenstelling en ontbinding (verrotting) in de Natuur.

149 77 Er moet dwaling wezen, maar toch is zedelijk en

geestelijk leven strijd tegen dwaling.

150 77 „Wel wis en zeker is de mensch onsterfelijk ... de

mensch.quot;

151 77 „Wees oprecht meneer A, B of C, zou het wel de

moeite waard wezen voor \'n Schepper of voor de Natuur, u eeuwig te bewaren?quot;

10

ocr page 23

IDEEN VAN MÜLTATÜLI.

Nos. Blz.

152 77 — Ja, zegt ge, maar misschien Mimmen wij.quot;

153 78 „Vooruitgaan? Wie is de verwaande dwaas die dat

woord heeft uitgevonden.quot;

154 78 „Ik wandelde met kleinen Max.quot; . . .

155 79 „Van de maan af gezien, zijn we allen even groot.quot;

156 79 „Ik wilde gaarne weten of er graden bestaan in

157 79 „Onsterfelijklieid zonder eeuwigheid is \'n koord met

één eind.quot;

158 79 Humor in de Natuur; haar domheid, haar cdgem een

heid.

159 82 De Natuur is altijd even natuurlijlc.

160 82 „Ik woonde eens in de buurt van \'n berg die rookte.quot;...

161 83 De domme Natuur en het intelügent-goddelijke.

162 83 De noodzahelylcheid.

163 84 Bidden.

164 84 De noodzakelijkheid is Konjugatie van\'t werk

woord Zijn.

165 84 De noodzakelijkheid berekent alles. Haar ontsnapt

niets. Alles is uitgedrukt in het feit.

166 85 „Wanneer de volgorde van de logika der feiten ons

niet duidelijk is, denken we aan \'n God.quot;

*Geloof \'n opgedrongen surrogaat voor kennis.

167 86 „Alle waarheden zyn even eenvoudig.\'t Verschiltus-

schen schijnbare ingewikkeldheid en duidelijkheid ligt in \'t getal, niet in de soort der tusschen-sluitredenen.quot;

11

ocr page 24

12 BEGTSTER OP DE

168 86 „ Al wat geschiedt is\'t produkt van «ZZe voorafgaande

faktoren.quot;

169 87 Om het erkend onmogelijke wordt niet gebeden.

170-172 88 De Indische Trimourti (onze drieëenheid) teruggebracht tot één principe. Onze God NoodsaJcelykheid is éénvoudig.

173 88 ,\'t Is kinderachtig altijd te schermen met zonnestel

sels, om iets van\'n persoonlijken God te bewijzen.quot;

174 89 Het zich voorstellen van oneindigheid en eeuwigheid.

175 89 „Er is slechts één mysterie: het Zijnquot;

*r,JEr is. Ziedaar „het woordquot; bij uitnemendheid, de Logos!quot;

176 90 „Ik vind mijn God overal, tot zelfs in de frazeologie

dergenen die \'n bijzonderen God hebben.quot; (, Heden overleed ons jongste kindje.quot;...)

177 90 Troosteloosheid der Noodzakelijkheidsleer ?

1-78 91 Afbreken en wegruimen van hindernissen.

179 92 Schijngeloof en huichelarij. „Die weezen staan me na

der dan gij!quot;

180 93 „Wat hebt ge gemaakt van de wereld, gij moorde

naar Konstantun ?quot;

DE VROUW EN DE ZEDEN.

181 94 „Wat hebt ge gemaakt van de wereld, o christenen? ..,

van uwe vrouwen ?quot;

182 95 Geschiedenis van Agatiia. Christelijke huwelijken.

ocr page 25

ideen van multatüli. 13

Nos. Blz.

183 98 De bijbel en de vrouw. Tekstverandering van Mattheus

XIX.

184 101 Origekes en de wenk in vers 12,

185 101 Tegenstrijdigheid in geloof en handelen bij de chris

tenen.

186 102 Jezus en het Christendom.

*Jezus driemaal gekruisigd.

187 102 Oprechtheid van joden. (De wandelende joodsche

weeskinderen.)

188 103 Voorschriften die de bijbel geeft omtrent de behan

deling van de vrouw.

189 104 .De bewoners van \'n land zijn niet vrij of onvrij dooi

de ivet. De maat van vrijheid wordt bepaald dooide zeden.quot;

Buiten Azie zijn er weinig landen waar de zeden groo-ter dvvinglandij uitoefenen dan in Nederland.

190 104 „Staatkundige vrijheid niet de moeite waard aan \'n

Volk te geven dat zich zelf aan banden legt.quot;

191 104 „Om iets te veranderen in de van\'n volk, moet

men méér zijn dan minister of lid van de Tweede-Kamer.quot;

192 104 „Geen Wet was ooit zoo kleingeestig en barbaarsch

als de Zeden.quot;

193 105 Dat is altijd zoo geweest. Stond hetgeen we lezen

in Bichteren XIX in de Wet van Mozes ?

194 105 Welke dingen nog meer het uitvloeisel zijn van de

Zeden en in welke Wet dat alles geschreven staat.

195 106 „Wat maakt ge van onze dochters, o zeden!quot;

De bestemming van een meisje dat behoorlijk braaf is opgevoed.

ocr page 26

14 REGISTER (IP DE

196 106 „Zou. er misschien \'n tijne —neen,\'n zeer grove —

ironie liggen in Maltheus XIX ?quot;

Ook het donkere gevende hoofdstuk uit den brief aan de Corinthers wordt duidelijk.

197 107 Welke belooningen zoo\'n braaf meisje nu in haar

huwelijk te wachten staan.

198 108 „De vernietiging ééner eigenschap bewerkt — en wel

in oneindig snel toenemende progressie — de vernietiging van alle eigenschappen,quot;

Twee voorbeelden. Aantrekking en Liefde. Niel-ver-eenigen, synoniem met vernietigen.

199 110 „Onder den invloed der wet van aantrekking staan

ook onze dochters.quot;

200 110 Onze zeden in aanhoudenden strijd met de hoofdwet

der Natuur. Wat we Deugd noemen.

201 111 De Natuur laat zich echter niet weerhouden.

202 111 Hysterie! De auteur zal legen den Minoiaurus strij

den, met of zonder de hulp van ouders. ^Verandering ten goede sedert 1862. De auteur zou partij getrokken hebben voor hysterie ! Elements of social Scimee, ens., onlangs in Engeland uitgekomen.

203 112 Opmerking over de laatst voorgaande ideën.

204-205 113-114 Opmerkingen over het beantwoorden van brieven.

206 114 Brochure van de studenten Mulder en de Gavere.

207 117 De auteur verwijst een anderen briefschrijver naar

het voorgaand idee.

ocr page 27

id ken\' van muiitatüli.

Nos. Biz.

208 117 Geval van godsdienst-krankzinnigheid te Detmold.

209 118 Een ander geval. Een jong meisje dat krankzinnig

geworden is.

210 118 „\'t Is niet waar dat \'n kind onderdanigheid en liefde

schuldig is aan z\'n ouders.quot;

211 118 „Aan mijn hinderen.quot;. . .

212 119 „Arme vaders die niets zijt dan dat! Neen, misda

dige vaders 1quot;

213 120 „\'t Is zonderling dat zooveel menschen zich verstou

ten kinderen te hebben.quot;

214-215 120-121 Artis en kinderen. (De apenwarande.)

216 122 Een vlag waait heen en weer voor m\'n venster.

De Koning komt in de stad Verdrietige stemming van den schrijver.

217 123 üe auteur tart ieder hem te smoren!

218 124 Kurieus verhaal van de audientie welke Napoleon

in 1810 te Breda verleende. Wat Napoleon toen gezegd heeft.

o o

219 128 Rechtzetten van de Ideën. Vergelijking met een

zeer ,bevalligequot; dame.

220 129 „De hoogste graad van moed is hoogmoed.quot;

221 129 „Vertrouw nooit iemand die nederig spreeht, want

hij liegt.quot;

222 129 „Wie nederig spreekt van zich zelf, wordt boos

als ge hem gelooft, en woedend als ge hem nazegt wat-i zegt.quot;

223 129 „Nederigheid is \'n lafhartige — en oneerlijke! —

manier om wat te schijnen.quot;

ocr page 28

register 01\' de

Nüs. Biz.

224 130 „Zeden zijn onrechtvaardige meesters. Ze straffen

de afwijking, maar beloonen geen gehoorzaamheid.quot;

225 130 ,\'t Is schande voor de mannen, dat de vrouw in

hun eigen schatting hooger staat naarmate ze minder met mannen heeft omgegaan.quot;

226 130 „Ik wou me zelf gaarne eens ontmoeten om te we

ten hoe ik me beviel.quot;

227 130 Wat de heer Tiiokbecke alzoo te doen zal hebben.

227a 130 Tiiokbecke heeft niets van dat al gedaan. Eedevoering van Wistgess e. a. en het niet noemen van des schrijvers naam.

Wallace en z\'n gebrek aan wetenschappelijke kon-scientie. De vertaling van z\'n Insulinde door Veth.

22S 134 „Ik heb medelijden met den heer Tiiorbecke zoolang hem deze Tweede-Kamer voor \'t venster waait.quot;

VERHAAL VAN DE BRIK »LA SAINTE-VIERGE.quot;

229 134 Ie Hoofdstuk.

230 136 „Ik schrijf maar na wat Fancy mij verteld heeft.quot;

231 137 He Hoofdstuk.

141 Tusschen-Hoofdstuk.

232 142 Over het katholicismus in katholieke landen.

233 143 Welke voorstelling veel protestanten hebben van

alles wat in verband staat met godsdienst.\' *Opschroeverij der roomsche gruwelen door protestanten.

234 143 Vervolg.

16

ocr page 29

ID F, ÉN VAN MULTATULI. 17

Xos.

235

Blz.

144

„Wie nooit gevallen is, heeft geen juist besef van wat er noodig is om vast te staan.quot;

236

144

Vervolg.

237

148

Vólgend Hoofdstuk.

238

149

Vervolg.

239

152

„Wij erkennen liever algemeene dan bijzondere fouten.quot;

240

153

Vervolg.

241

155

Volgend Hoofdstuk.

242

156

Voorlaatste Hoofdstuk

242a

159

Opmerkingen over de voorgaande vertelling.

243

159

— Uw vriend is . ..

— Uw vriend heeft.. .

244

160

„Lasteraars en dichters scheppen niet. Ze rangschikken.quot;

245

160

„Ach, niets is volmrakt. . . zelfs niet de leugens!quot;

246

160

„Hoogmoed is moed om hoog te staan.quot;

247

160

Standbeelden.

248

160

De beroepsschrijver die een verhaal wilde maken.

249

160

Hoe de auteur \'n ander aan vuur hielp om te schrijven.

250

161

„We verzuimen meestal de voortverpen, om naar de

prentjes te kijken waarop die voorwerpen — gewoonlijk heel gebrekkig — zijn afgebeeld.quot;

2

ocr page 30

18 REGISTER OP DE

„Pompeji en Herkulanmn zijn de eenig-ware boeken over de zeden der Romeinen.quot;

251 161 — De karper, mijne heeren, de karper. ..

252 162 „Er is geen mensch wiens gemoedsgeschiedenis niet

belangrijker is dan de langste „mooistequot; jrewïaa^e roman.quot;

253 162 „Men meent dat ik „opsta tegen alles.quot;. ..

254 162 „Moed om zich zelf te beschuldigen van verkeerd

heden, bij voorkeur in \'t algemeen is vrij gewoon. Maar zeldzamer is de moed zich zelf te prijzen.quot;

255 162 „Nog nooit heb ik iemand zich in oprechtheid hoo-

ren beklagen over gebrek aan hart, aan ideën of aan ondervinding.quot;

256 162 „De fouten, die men \'t liefst erkent, zijn die welke

door tegenstelling denken doen aan deze of gene goede eigenschap.quot;

257 162 Verschil tusschen de woorden : drift, oploopendheid,

fijngevoeligheid, enz.

258 162 „Nooit zijn twee personen tegelijk even toornig te

gen elkaar.quot;

259 163 „Hij is zoo\'n bedaard mensch.quot;...

260 163 „\'t Is :n groote fout te meenen dat iemand die

prikkelbaar is over wat ons klein toeschijnt, daarom zwak wezen zou in groote zaken.quot;

261 163 „Eene kapel zweefde hoog, hoog, in de lucht.quot;.. .

262 164 Wat de auteur in \'t voorgaand nummer van de

kapellen beneden vergeten heeft te zeggen.

263 164 „Er is niets poëtisclier dan de waarheid.quot;

ocr page 31

19

Nus. Biz.

264 164 „Och, \'t is zoo jammer dat we geen waar „Leven

van Jezusquot; hebben!quot;

265 164 „De evangelie-verzamelaars hadden Jezus niet zoo\'n

gewijd harnas moeten aantrekken.quot;

266 164 „Er zijn weinig in de Geschiedenis vermelde per

sonen die ik zoo liefheb als Jezus.quot;

267 165 „We hebben zelden \'n meening. \'

268 165 „Het denken moet geleerd worden.quot;

268a 165 Welke hulpmiddelen de auteur daartoe aanbeveelt.

269 167 De Sokratische manier om de slotsom onzer ge

dachten in \'n ander over te gieten.

270 168 Waarvoor de leerling zich hierbij wachten moet.

MODERNE THEOLOGIE.

271 168 Prospektus van \'n „Maandschrift ter bevordering

der hennis van het ivezen des Evangeliesquot;, uitgegeven door Dr. L. S. P. Meyboom. {„Nieuwe behoeften!quot;)

272 170 „Of Jezus doktor in de theologie geweest is? Wie kar

me dit zeggen.quot;

273 170 Parahei van \'t zieke kind en de vele geneeshee-

274 172 Modelrekening voor pv. abuis geleverd: loon, ont

zag, gehoorzaamheid, slavernij, gedurende 1861 jaren.

275 172 Ontmoeting „hiernamaalsquot; van zoo\'n verkeerd be

handelden kranke en den geneesheer die „wistquot;

ocr page 32

REGISTER OP DB

„Kranke, Volk, Menschheid ... sta op naar den geest! Tracht goed te zijn.quot;

„Wie is onbeschaamd genoeg om te beweren dat-i niet van mijn „geloofquot; is, als ik zeg dat ik mijn God vind in het goede ?quot;

De auteur maakt de opmerking dat z\'n verstoordheid hem niet leidt tot het aanvallen van personen als zoodanig.

„Zou \'t wel zoo erg wezen? Overdrijving zeker... Een kurieus akademisch proefschrift over heksen-von nissen.

Mtiürltng en z\'n Inzegeningsformulier.

De predikanten in Nederland schijnen behoefte te hebben aan zulke lessen.

Moderne theologie en predikanten-dilettantisme.

„Spreekwoorden bevattende de wijsheid der volkeren.quot;\'

„Komaan, hoog-geleerden en zeer-geleerden, lever ons wat volkerenwijsheid aan \'t Volk dat uw wijsheid in-huur heeft en betaalt!quot;

\'n Paar honderd ideën die de auteur niet schreef, omdat hij daarin werd verhinderd door kommer.

De Misérables van Hugo.

— o, die Misérables is zoo mooi! Wat „mooiquot; beduidt in den mond van \'n Hollander, weet ik.quot;

Er heerscht sedert jaren een „contagiumquot; in de

276 173

277 174

278 174

279 175

177

280 180

280a 181

281 182

282 182

283 183

284 183

285 183

286 183

ocr page 33

1deën van mültatuli. 21

politiek van den Staat (Thorbeoke).

*Napraten van den auteur.

287-289 184-186 Jilax Havelaar en Mr. van Lennep.

„Mr. v. Lennep, ik heb u den Max Havelaar niet verkocht!quot;

289a 186 Toelichting tot de voorgaande zaak.

Diepzinnige kritiek van Wallace.

290 189 Manifest „aan het Volk van Nederland.quot; en „aan

de Lezers mijner Ideën.quot;

291 194 Liberalismus en Behoud.

292 195 „Er bestaan geen partijen. Er bestaan maar cliques.quot;

*Hoe beide partijen Havelaar behandeld hebben.

293 196 — M\'nheer, zou u denken dat ik mag openblijven

na twaalven, ze zeggen dat er nu \'n liberaal ministerie is.quot; . . .

294 197 — Ik stem voor \'t behoud, zei \'n predikant.quot; . . .

295 197 Ontwerp van Wet. Eenig artikel: Het repareeren

van de schoenen der ziel, komt voortaan ten-laste van wien er op loopt.quot;

296 197 „\'t Is niet voldoende, Mr. Thorbecke, te verklaren

dat er „contagiumquot; heerscht. Er moet gehandeld worden. Geen „Staatkunde.quot;

297 198 „Zeeroof? Zou \'twaar zijn?quot;

Brief van zekeren „Merano.quot;

298-299 199 — Ge spreekt veel over uzelf.quot; . . .

300 199 Zeeroof op Bawean. „\'t Grenst aan koffi, Nederlan

ders !quot;

301 200 De heer Thorbecke heeft onlangs in de Kamer ver

klaard niet te behooren tot \'n partij. * Watersnood en de daarbij beh oor ende liefdadigheid.

ocr page 34

22 registfr op de

Nos. Blz.

302 200 „Er is geen eer te behalen aan tegenstanders zon

der karakter.quot;

303 200 „Principes zijn dingen die men gebruikt om iets

onaangenaams na te laten.quot;

304 201 „Een dorp dat pas was veroverd door Nederland-

sche soldaten, en dus in brand stond.quot;

Dagorde van den Luit4 Gem Van Swtbten.

305 204 Een verzoek aan \'t nageslacht.

305a 204 Het werk van Van Swieten over den Atjinschcn oorlog.

306 205 Zekere juffrouw Nancy Smidt verkozen tot burge

meester van \'n stad in Amerika.

Chicaneeren op de betaling van de premiën bij brand te Amsterdam.

307-308 206 Het Amsterdamsche gemeentebestuur.

309 207 Een aanbeveling in het Handelsblad om zekeren

liberaal voor de Tweede-Kamer te verkiezen en tegelijkertijd een recept tegen hondsdolheid.

310 208 Plutarchus over de veroordeeling van Sokrates.

THORBECKE.

311 209 Partijverloochening.

312 210 „Waarom heeft niemand in de Tweede-Kamer ge

protesteerd tegen de betuiging van den heer Thor-becke dat-i niet behoorde tot de liberale partij ?quot; Annonce van dezen of genen bierbrouwer.

313 210 „Schande over u, Thorbecke! Mocht gij misbruik

ocr page 35

ideéx van mdltatüli.

maken van de bekende onnoozelheid eener Kamer die u op \'tkussen bracht?quot;

314 211 „Uw verklaring, Tborbeeke, is plagiaat. Zeker, ïk

zou geen andere betuiging weten. Maar die betuiging paste niet in uw mond.quot;

315 212 Wat heeft de heer Tborbeeke in\'t , algemeen belangquot;

gedaan ? Smeerkaarsen en Corinthen.

316 213 „Besmetting!quot; Ik laat dit woord niet los, o Tbor

beeke ! Gij hebt bet gezegd. Maar wéér beschuldig ik u van plagiaat. Daarenboven, de Tweede-Kamer, dat muzeum van misdadige nietigheid, is uw werk, o Tborbeeke !quot;

317 21-4 „Ik begrijp heel goed hoe men behoudend wordt,

door goed op te letten wat \'n liberaal is.quot;

318 214 Waarom twee leden der Kamer het voorstel van de

Eegeering, om de inkomende rechten op linnen of zoo iets op 5ü/0 te bepalen, amendeerden en l0/0 voorstelden.

Welke nadeelige invloeden de belasting op den invoer heeft. Een goed equivalent?

319 216 Oorsprong der belasting op den Invoer. De auteur

vertelt een geschiedenis van \'n ridder.

320 218 Welk onderwerp de auteur rekommandeert aan den

teekenaar van den Spectator.

321 218 Recensie der Ideën in den Dageraad.

*Lachmé.

322 219 Wegraken — op papier — van 113 mülioen op de

indische administratie van 1836 — 1842. *Het boek van zekeren Money, dat gedurig als tegenwicht van den Havelaar gebruikt wordt.

23

ocr page 36

REGISTER OP DE

Nos. Biz.

323 220 Sarkastische opmerking over den laatsten zeeroof

op Bawean.

324 221 „De hevigste uitdrukking van smart is sarkasme.quot;

325 221 „The proper study of mankind is Man.quot;

Wat de anthropoloog van z\'n mede-anthropen te wachten staat.

326 221 Er is geen individu dat niet zou worden gehouden

voor misdadig, indien hij zich veroorloofde wat de Staat zich veroorlooft.

327 221 „Ik vraag ieder Nederlander, wat-i zal antwoorden.

als \'n vreemdelincr hem de dagorder van 304 voorlegt?quot;

328 222 „De zedelijkheid van privaatpersonen is meerendeels

lafhartigheid ; dit verandert als die personen zich tot een homogeen ligchaam samengevoegd hebben.quot;

329 222 Homogeniteit!

330 223 „Ik zou den moed hebben alleenheerscher te zijn.quot;

331 223 Aan den Koning, (over den Havelaar.)

332 224 „Parlementaire regeeringsvormen stellen \'n systeem

van assurantie tegen misbruik voor, maar ik beweer dat de som der premien hooger is dan de vermoedelijke tirannenschade.quot;

333 224 „Aangenomen dat de Aloë ééns bloeit in honderd

jaar, hoe lang moet men, bij \'n zeer heperMen voorraad van die plant, wachten, voor men \'n zeventigtal bloeiende Aloës bijeen ziet?\'\'

334 224 „\'t Verdeelen van verantwoordelijkheid is \'n vrucht

van lafhartigheid en wantrouwen.quot;

335 225 „Zoodra er nood is, ligt het in de natuur der har

ten terugtekeeren tot autókratie.quot;

24

ocr page 37

TDEÉN VAN MULT AT TLX.

Nos. Biz.

336 225 „Avonturen van \'t gemiddelde, of Leven en Daden

van \'n extrakt-mensch.quot;

337 225 „\'t Is een treurig verschijnsel dat liet woord „ori

gineelquot; \'n lofspraak is.quot;

338 225 „Ik dank u, lieve Natuur, dat ge dit althans hebt

verordend, dat ieder belast blijft met z\'u eigen digestie.quot;

339 226 „\'t Is een Wetgever niet geoorloofd verkeerd be

grepen te worden.quot;

*„En \'n auteur ook niet.quot;

340 226 De gleuf voor \'t brugje.

341 226 „De maatschappij is overal doorsneden met zulke

gleuven, en meestal om den „bruggemanquot; in \'t leven te houden.quot;

342 226 „Ik heb innig medelijden met Hooft, als ik naga

wat-i zal te lijden gehad hebben, omdat-i zich verstoutte „ikquot; te schrijven zonder c.quot;

343 226 „Er is vaak meer moed noodig om kleinigheden aan

te tasten, dan om groote verkeerdheden te bestrijden. De kleine dingen hebben meer aanhangers.quot;

344 227 — „Een nietig mensch heeft me geprezenquot; ...

345 227 — „Zie eens, mijn zoon, hoe wijs de Voorzienigheid

alles gemaakt heeft.quot; . . .

346 227 „Ik ken \'n vader die precies weet hoeveel z\'n zoon

hem kost aan onderwijs.quot; . ..

347 227 „Twee knapen vielen in \'t water. „Door Gods lief

derijke goedheidquot; werd één gered. De andere verdronk ...quot;

348 227 „\'t Heeft zoo moeten wezen ! Juist. Het heeft zoo

25

ocr page 38

26 register op de

moeten wezen.quot;

*Afschaffing van officieele bemoeienis met de Kerk.

349 228 — Eilieve, gij die beweert God te kennen, kunt

ge mij ook zeggen waarom ik hem niet ken ?

— De verdorvenheid van uw hart.. .

350 228 — Nogeens, waarom ken ik God niet ?

— „Gij zijt slecht.quot;...

351 228 „Wie aan God gelooft, moet wonderen aannemen,

d. i. afwijkingen van de regelen der Natuur.quot;

352 228 „Op \'n hoogen toren stond\'n moeder met haar kind.

Het kind viel haar uit de armen.quot; . .

*Er is geen Schepping geweest; wat is, heeft altijd bestaan.

353 229 Onderscheid tusschen geloof en bijgeloof.

354 229 „Geloof is bijgeloof.quot;

355 229 „Wie \'t eerst „geloofquot; wist te verheffen tot deugd,

moet \'n stout man geweest zijn.quot;

356 230 Wie heeft dat het eerst gevormd, gezegd en ge

dacht ?

357 230 „Deugdew zijn voorstellingen van deugd.\'quot;

*Het doolhof te Amsterdam.

358 231 „Heihe dacht aan\'onsterfelijkheid, toen-i \'n paar net

gesmeerde laarzen bij \'n graf zag staan.quot;

359 231 „Ik houd zooveel van Heine, dat ik blij ben hem

nooit ontmoet te hebben.quot;

360 231 „Ik heb u iets te vertellen van de Keulenaars.quot;

361 231 „Wat poëzie, mijn God,quot;... „Lieve Fancy, uiligs

mij een sprookje vóórzeggen?quot;

ocr page 39

tdeen van multatuli.

Nos. Biz.

WOUTERGESCHIEDENIS.

I.

362 234 Het verhaal speelt in den tijd vóór de ontdekking\' der Staathuishoudkunde. De Hartenstraat. Wouter stapt dralend een leesbibliotheek binnen en vraagt om Glorioso, die hij betaalt met de veertien stuivers waarvoor-i zijn Nieuw-Testament had verkwanseld op d\'Ouwenbrug.

11.

363 239 Wouter loopt tot buiten de Zaagpoort om in Glorioso te lezen.

*Opmerking van den auteur over de Woutergeschiedenis.

36-1 240 „Iedere knaap heeft z\'n heldeneeuw, en\'t menschdom heeft \'n kieltje met \'n jukkraagje gedragen.quot;

Hl.

365 342 Wouter leest in z\'n boek. De Hallemannetjes rfxamp;./\'.it;.

Klaplooper! Wouter steelt \'n gulden uit het knipje van z\'n moeder. De pepermunthistorie. Arithmetische knapheid der Hallemannen.

366 248 „Veel wetten en de meeste zeden zijn ontstaan uit

gebrek aan ruimte in verstand, hart, enz.quot;

IV.

27

367 249 Wouters onrast onder \'tnaar huis gaan.

368 249 „Er zou weinig overblijven van wat wij geweten

ocr page 40

1

register op de

noemen, als we de noodzakelijke gevolgen van \'t bedreven kwaad konden wegdenken.quot;

369 249 Wouter troost zich met de bedenking dat-i ditmaal

geen vingerhoed heeft weggemaakt, zooals laatst.

370 250 Wouters paralel tusschen vingerhoeden en blijde

boodschappen.

„Hebt gij christenen den bijbel gelezen, inderdaad: gelezen ?quot;

371 250 Wouter komt thuis. Leentje.

372 251 „In :ii guur klimaat is zindelijke armoede\'n onmo

gelijkheid. Behalve armoede speelt ook, als overal, de deugd \'n rol in \'t veroorzaken van onreinheid.quot;

373 252 „De vromen maken \'n god, takelen die bespottelijk

toe, en als \'k dan spot met die bespottelijkheid, zeggen ze dat ik iets heiligs aantast.quot;

374 252 „De oude heer Kappelman had \'n bui van wijsbe

geerte, en sprak aldus .

28

375 253 Leentje en Stoffel.

V.

376 254 Wouter maakt Leentje tot z\'n vertrouwelinge. Slachteuskeesje en Pennewip.

VI.

377 256 Wouter bepreekt door huisdominee, juffrouw Laps en Stoffel. Voortzetting der lektuur van Gtonoso buiten de aschpoort. Wouter brengt het boek weder in de Hartenstraat terug en koopt voor \'t ingeloste gelei wat maagbedervend gebak en \'n drietonige mond-

ocr page 41

idees tan siultatuli.

harmonica, welk laatste instrument echter weldra door meester Pennewip gekonfiskeerd werd.

VII.

378 259 Het beroep van schoolmeester.

379 261 Pennewip en z\'n school. Het Instituut van meester

Willkt!, die zóó knap was dat-i zich M\'sicu Wil laire liet noemen, uit pure knapte.

380 262 (Vervolg van 214) De apenwarande en de disci

pelen van M\'sieu Willaire.

381 263 Karige bezoldiging van schoolmeesters.

Buiten \'t verzenmaken bereed meester Pennewip nog \'n stokpaardje. Hy was bezeten door de verdeelwoede. De manie van klassiflceeren algemeener dan men denken zou.

Pennewips indeeling van den Burgerstand.

VIII.

381bis 266 Voorbereiding tot \'n „avendjequot; bij de Pietersens.

382 268 Wouter was reeds vroeg uitgegaan naar z\'n brug.

Daar droomde hij van dingen waaraan-i geen naam kon geven, maar die hem bitter ontevreden maakten met z\'n werkelijken toestand. Hij denkt aan het vers over rde deugdquot; dat-i voor meester Pennewip moet maken. Rooverij in plaats van deugd. „Moddersloots-droomen, stroohalm-ver-driet, eenden-oorlog en molen-vertellingen.quot;

383 270 „\'t Gebeurt meermalen dat we gelooven iets gewaar

te worden van buiten wat voortkomt uit ons zelf.quot;

384 270 Vervolg van \'t geen de molens Wouter vertelden.

De FawC)y-verschijning. Wouter keert weer tot de werkelijkheid terug en gaat naar huis.

29

ocr page 42

register op de

Nos. Biz.

IX.

385 272 „Dichtoefeningen, pruikevreugd, pruikeverdriet en pruikewanhoop.quot;

Pennewip vliegt, na den titel van Wouters vers gelezen te hebben, verontwaardigd de deur uit en gaat als \'n bezetene naar diens woning.

^Opmerking over Pennewips recensentenwijsheid en over deze dichtoefeningen.

X.

386 279 Het salie-avendje. Ontvangst van vrouw Stotter.

Inachtneming der préseance op bovenkamers III, 7, b1 of c {Pp).

387 280 De auteur volgt ditmaal niet het voorbeeld van

Paul Delaroche en gaat, om precies te weten te komen wat baker Stotter geantwoord kan hebben, terstond naar de Noordermarkt.

388-389 280-281 Voortzetting van het avendje.

390 283 Opmerking van den schrijver over het aanhalen van

den juisten tekst der gesprekken.

391 283 Voortzetting. Zoogdierschap van juffrouw Laps.

392 288 De auteur erkent onbekwaam te zijn tot geschied

schrijver van de krisis die er volgde.

XI.

•393 290 „Ja, daar werd gescheld... nogeens : \'t was „f\'r ons.quot; ...

Pennewip verschijnt. Zegepralende blik van juffrouw Laps bij Pennewips spookachtige voordracht. Z\'n onherroepbaar vonnis over het zoogdierschap van juffrouw Laps.

30

ocr page 43

IDEËN VAN MCLTATULT.

Nos. Biz.

394 295 Evangelische vergelijking.

De negen berichten en de Bakerpreek.

395 305 „Spot met zoogenaamd „heiligequot; zaken, bewijst niets

tegen die zaken.quot;.. .

XII.

396 306 De oorzaken van de kalmte van \'t saliegezelschap

en waarom het nu zoo vreedzaam berustte in \'t geval dat nog kort geleden aanleiding had gegeven tot zoo hevige ontploffing.

397 307 Vervolg van Pennewips predikatie. Hij leest aan

\'t onthutste gezelschap Wouters-Room-sfeZ voor. *Over sommige Amsterdamsche buurten.

312 *Lodderyn (eau de la reine) en deszelfs voormalig gebruik.

XIII.

398 313 De dag na de katastrophe. Arme Wouter.

♦Opmerkingen over Pennewips dichtoefeningen.

399 316 Donkere achterkamers. Wat den anteur tot schrijven

beweegt.

♦Ophemelen van Tiiorbeoke en het verheffen van

dien Staatsman tot auteur.

♦Bespottelijk geringe belooning, en achterzetting van \'n hollandsch schrijver. Houding van Pu-hliek.

400 319 „Wat me dan beweegt? Wegruiming van hinder

31

nissen, waaronder zeer zware steenen, en daarvoor is dynamiet noodig.quot;

401 320 Verband tusschen ruimte en de begrippen over deugd, zedelijkheid en godsdienst. Volkeren die

ocr page 44

in de opene, vrije, groene natuur leven zijn niet tot \'t Christendom te bekeeren.

„Ik heb \'n serjant gekend die de Willemsorde „re-klameerde.quot; ... ,Welke prokureursklerk zal \'n rekwest schrijven voor mij, waarin wordt aangetoond welken moed ih noodig had in 1862 om te schrijven zooals ik schrijf?quot;

„Ik trek te-velde tegen al wat op zedelijk, maatschappelijk en staatkundig gebied klein, gemeen, bekrompen of benauwd is.quot;

Opmerkingen over het Fiibliék.

De auteur vraagt den lezer vergeving. Gebrek aan ruimte, aan kalmte en aan lucbt heeft nadeelig gewerkt op z\'n humeur, doch de inademing van frissche lucht heeft hein weer goed gedaan.

XIV.

Wouters bekrompen opvoeding en omgeving.

„Ook dit is een van onze eigenaardigheden, dat we gaarne iemand mishandelen wiens ziel anders is bewerktuigd dan de onze.quot;

Wouter vindt zelfs bij Leentje geen troost. Hij vertelt haar van z\'n droomen, maar wordt natuurlijk niet begrepen.

Wouters prinsdom. Hoe bij tot die nieuwe waardigheid was gekomen.

„Daar is tusschen verstand en geest geen zoo wijde kloof als beweerd wordt door wezens die gebrek hebben aan beide.quot;

Vervolg van bet sprookje.

*Het bestaan van reusachtige zeeslangen ?

Vervolg.

402 320

403 321

404 322

405 323

406 325

407 326

408 327

409 327

410 329

i

ocr page 45

IDEÉX VAN MÜLTATÜLI.

411 830 „\'t Gebeurt zeer dikwijls dat we iets niet zien om

dat het te groot is.quot;

412 330 Vervolg.

XV.

413 332 Plechtig bezoek van huisdominee, dat anders afloopt

dan juffrouw Pieterse en juffrouw Laps hadden kunnen voorspellen. Huisdominee dronken. Predikatie van Stoffel. Er wordt besproken hoe men Wouter ditmaal straffen zal. Een ijzingwekkend voorstel van juffrouw Laps.

DE ZOOGENAAMDE GODSDIENST.

414 339 „De zoogenaamde godsdienst ligt juist op \'t voet

pad, en daarom wil ik haar wegkantelen als ik kan.quot;

415 339 „Neem een God aan, zooals ge wilt, dienen kunnen

we hem niet!quot;

416 339 „We kunnen God niet dienen, niet aangenaam zijn,

omdat niet ieder weet wat hem aangenaam is.quot;

417-418 340 „Godsdienst is schadelijk, en wel op twee wijzen: door doen en door niet-doen.quot; Voorbeelden.

419 441 - Godsdienst is noodig voor de zedelijkheid.quot; ...

*Zelfbeleediging die in dit voorgeven ligt opgesloten.

420 341 — Godsdienst is noodig voor \'t Volk.quot; . . .

*„Ook deze opmerking is niet vereerend voor wie haar maakt.quot;

421-422 342 — Geloof me, zonder godsdienst ware het Volk niet te regeeren.quot; ...

- 3

33

ocr page 46

34 register op de

Nos. Biz.

423 842 — Maar wat is dan uw punt van uitgang om te

geraken tot de kennisse des goeds en des kwaads?quot; *De auteur hoopt in de gelegenheid te zijn dit onderwerp later monografisch te behandelen.

424 842 — Maar ... men moet toch iets wezen.quot; ...

^Zonderlinge eisch dat de geneesheer die \'n ziekte bestrijdt daarvoor iets anders in de plaats zou moeten geven.

425 344 „Geloof is slaap. Twijfel is begeerte. Onderzoek is

arbeid. Het getal werklieden is gering.quot;

426 344 „Onder de niet-werkenden zijn minder slapers ds.n

men meent.quot;

427 345 „Geen schooner beeld, dan \'t beeld van „den laat-

sten christen!quot;

428-429 345 „Het voorbeeld voor de kinderen .

430 347 Wat is God aangenaam en hoe zou hij willen gediend worden ?

*Verwijt dat de opvatting die de auteur van \'t godsbegrip heeft te menschelijk is !

481 348 — Maar, zeggen de vromen, uw vergelijking is niet juist. We weten wèl wat onzen Heer aangenaam is.quot;

Getuigenis van dertien vromen.

^Voltaire en Ezeckiel.

432 350 „Ieder mag gelooven wat hij wil, mits-i geloove

als wij.quot; Z. g. „spotten met heilige naken.quot;

433 350 „De heilige Kivip of Kwap was onthoofd.... He

deneer niet met de vromen.quot;

434 351 „Zijn de protestanten zooveel verheven boven de

katholieken ? Iemand bezocht een gekkenhuis,. .. Die protestante wind was de lastigste gek van \'t heele huis.quot;

ocr page 47

ID EÉN VAN MULTA.TULI.

Nos. Biz.

435 352 Een proefje van Ds. Meijbooji\'s moderne wonder

verklaring. „Is de charge in 433 wel zoo overdreven ?quot;

436 352 Nadeel dat de zoogenaamde godsdienst ook op ze

delijk en verstandelijk gebied berokkent.

437 353 „Welk gebruik maken de christenen van den bijbel ?

Met welk recht weert men de werken van de Sade of Paul de Kook uit z\'n huis, als men z\'n dochters de geschiedenissen in handen geeft van Abraham, Lotu, enz.quot;

*„De tijd zal komen dat mijn geestverwanten de naïveteit des bijbels in bescherming nemen tegen de naneven der tegenwoordige areloovers.quot;

WOUTERGESCHIEDENIS.

XVI.

438 355 Een treffende vogelhistorie. (Parabel over het kin

deren hebben.)

*Beteekenis van \'t woord kahatoea.

439 357 Wouters bedrukte zielstoestand. Toen hij weer aan

z\'n brugje kwam, vond hij daar Fancy niet meer.... Z\'n heimwee.

440 359 „De meeste blijken van verlangen naar iets hoogers

worden gewoonlijk juist niet gegeven door wie beweren te „gelooven.quot;

441 359 Wouters Tcerlcelylc getuigschrift.

Hij wordt op een avendje in den „Jjuitentuinquot; der Hallemannen gevraagd. Prieel, waar Betsy zat met haar vrijer. Het tegenwoordige

442 363 De auteur is eenigzins jaloersch op de gelegenheid

die van Effen schijnt gevonden te hebben tot

35

ocr page 48

36 register op de ideen van multatüli.

zoo nauwkeurige waarneming als blijkt, uit de-aardige beschrijving eener hurger-vrfjaadje in z\'n Spectator.

Wouters eerste liefde. Lange Ceciel en Emma. Wat Wouter alzoo in \'t prieel afluisterde.

443 365 Een der „grootenquot; van \'t gezelschap zou iets ver

tellen uit Moore\'s Peri en Paradijs. De Peri-legende.

444 366 Pandverbeuren. Wouter moet \'n fabel vertellen.

445 367 Wouters verhaal. Bij \'t naar huis gaan glijdt Emma

onder een brugleuning door in de stadsgracht, doch wordt gelukkig door Wouter gered. Z\'n ontvangst thuis.

446 369 Aan sommigen mijner lezers. De auteur beantwoordt

sommige klachten over z\'n geschrijf.

447 374 „In Samojediequot; ... (Vertelling over zedeloosheid.)

1

i

ocr page 49

TWEEDE BUNDEL.

Nos. Blz.

448 1 Brief aan Mevr. de Wed. X. geboren Y. te Z.

1 ^Opmerking over dezen brief.

2 *Spelling en beteekenis van liet woord schandaal.

6 * Zelfvernedering schering en inslag van de christelijke godsdienst.

11 *„Het uitpluizen van scabreuse voorvallen is \'n fatsoenlijk surrogaat voor noö vermeden scabreuse handelingen.quot; Hysterie!

19 *nElke kindermoord is \'n aanklacht tegen allen in wier omgeving de ongelukkige zich negen maanden lang bewoog.quot;

449 23 Vervolg.

450 25 „Welke is de beteekenis van deuitdrukkingen :

slecht levensgedragquot; en ,algenieene bekendheid?quot; Belast de Wet zich met de zorg voor\'t welzijn van alle kinderen) welker moeders onbraaf waren ? Of bemoeit de brave Wet zich alleen dan met de zedelijke vorming van een kind, als er fortuinen zijn te bewaren ? Wie zal censor wezen ? Naar welk wetboek zal er geoordeeld worden ? Moederschap staat boven voogdschap, zoowel volgens de Wet als naar \'t gevoel. Er is maar ééne slechtheid, één misdaad, ééne zonde: gebrek aan hart.quot;

Een kind te veel in een orgeldraaiersfamilie. „Waar-

ocr page 50

register op de

Nos. Biz.

om moest dat kind bij die menschen blijven ?quot; Een viertal vragen.

OVER DEN ZEDELIJKEN, VERSTANDELIJKEN EN STOEEELIJKEN TOESTAND DES VOLKS.

Inleiding. Over publiciteit en „Publiek.quot; Een eigenmachtige handeling der Eijnspoorwegdirectie.

451 31 *Opmerkingen over dit stuk. Nieuwe ramp: gekakel der politiseerende demokraatjes. Napraten en niet-noemen van den auteur.

33 *Voortdurend onrecht waaraan men zich in Nederland schuldig\'maakt: Stieltjes, Coknets de Guoor en Havelaae !

I. Er ontbreekt veel aan het welzijn des Volks. a) Moreel.

35 Publieke eerlijkheid en zedelijkheid. Kranten-annon

ces. Toon van polemiek op allerlei gebied.

36 „Hoe vermaakt zich \'t meerendeel des volks ?quot; Ar

moede van ziel.

40 „Ondernemingsgeest? Handel? of onzedelijke specula-

tiën ?quot; Betoogen en oproepingen in kranten. 45 Omkoopbaarheid der pers. Moderne theologie. Zeevaart. Zedelijkheid van \'t Volk.

48 Scherpe afscheiding der standen. Onderdanigheid van middelstand en armen. Ware adel des harten en aristokratie des geestes. „De Jieel fatsoenlijkequot; middelstand drukt veelal door z\'n halfbakken fatsoen nog zwaarder op den armen werkman dan de rijke.quot; Verhouding tusschen patroon en cliënt, en de band tusschen meester en slaaf bij de Romeinen. Verwijt dat er liggen kan in spraakgebruik. 56 De cretiniseerende werking van den godsdienst.

36 ^Afschaffing der kermissen.

38 * Maken van Volksliederen en kindergedichtjes.

42 *Zwendelarijen. De Lutine een uitzondering. Staats-

38

ocr page 51

IDEËN VAN MüLTATULI.

leeningen. Thiers e. a. Bankiers.

42 *Een paar voorbeelden van karakterlooslieid van den middelstand. „Democratie in ware beteekenis bestaat in Holland niet Iquot; Tuoebecke en liberalismus.

53 *nGelyJcheid in alle opzichten onzin.quot;

54 * Verandering van beteekenis van vele woorden, en

waarom ze gewoonlijk dalen in rang.

b) Intellectueel.

57 „Het onderwijs is slecht.quot; Toenemend autoriteitsge

loof in plaats van zelfoordeelen. Rechtspraak. Een huwelijkskwestie in Indie.

58 Onderlinge ophemelarij van onbeduidende schrijvers.

Anecdotische nietigheid der schriftgeleerden : Muur-lisg e. a. Onbekwaamheid van voorgangers op allerlei gebied ; van Volksvertegenwoordigers.

60 Welsprekendheid? Zg. „Tcnappe juristen.quot; \'n Memo

rie van verdediging van zoon knappen jurist.

61 Voorbeelden van intelligentie op ander terrein : v. d.

Palm, Nonhebel. Koetsveld.

62 Uitvindingen. „Welke geleerden zijn inderdaad in

\'t buitenland bekend ?quot; Dr. P. Bleekeb en Prof. Donders. Ophemelarij van ten Kate\'s Jerusalem. Kern, Moleschott, Ary Scheffer. Beroemdheid van Cats.

64 Ontwikkeling van den werkmansstand. „Hoeveel ivordt

er gelezen, wat, en met welk resultaat?quot; Onwetendheid van den z.g. middelstand en zelfs van de hoogere klasse des Volks.

65 „De intelligentie onzer natie schijnt zich \'t best te

openbaren in het meedeelen van bederf.quot; JcH/ïitm-bescfiavers!

58 *Over \'t schoolgaan.

c) Materieel.

65 Eenige aanhalingen uit het werk van Le Play, les

Ouvriers Europééns.

76 Een paar opmerkingen over het geciteerde. Verbruik van rundvleesck in Nederland. Voeding van

39

ocr page 52

40 eegistee op de

gevangenen en soldaten. „Hoe komt het, dat een slaaf in Oost of West geldswaarde had, en dat het Nederlandsch individu geen geldswaarde heeft?quot;

79 Speech in een magonnieke loge over de slavernij en hoe schoon daarna de daden van dien broeder met z\'n zoo even gesproken woorden in overeenstemming bleken.

81 „De werkman in onze maatschappij is slaaf.quot; Budget van een liollandsch huisgezin.

86 „Hoe looont de arme, de minvermogende ten onzent?quot; Een voorstel door het departement Franelceradeel in de jaarlijksche algemeene vergadering van de maatschappij tot Nut van \'i Algemeen bij acclamatie verworpen !

68 * Liefdadigheid. De auteur belooft \'n monogranetje over dit onderwerp.

72 *Wanbegrip om elke rijzing van \'t Bevolkingscijfer voetstoots als gunstig verschijnsel te beschouwen.

78 ^Slavernij in Oost-Indie. Loskoopen van Niasser gevangenen.

84 *Is Neerlands moed Jenevermoed, dan vivat de Jenever, te bekomen bij K. Eis.

84 *Welke beteekenis aan de woorden „schoonmaken,quot; „werksterquot; en „menschquot; door zekeren stand in zeker landje gehecht wordt.

II. Veel van \'t verkeerde is te wijten aan onze Staatsinstellingen.

88 „Het algemeen geldende antwoord dat uitgevonden is om alle klachten over den toestand des volks te smoren is: „Dit is de zaakniet van de Begeering.quot; De Eegeering lijkt op \'n spoorwegmaatschappij, die vergeten zou de treinen te doen loopen, om zich alleen bezig te houden met het benoemen van conducteurs.quot;

Verdeeling van verantwoordelijkheid. „Een grondwet-koning is niet aansprakelijk. Hij is gedwongen tot onbeduidendheid. Waar kan \'t Volk zich aanmelden om recht te vragen als \'t verdrukt wordt of verwaarloosd? Ministerieele

ocr page 53

ideëh van mültatuli.

verantwoordelijkheid ? Enquête in de Tweede-Kamer ? De Kamer is niet gekozen door \'t Volk Ze is een voortbrengsel van krantengeschrijf.quot;

93 „Welke reden is er dat onze natie achteruitgaat?

De „compagnien van verrequot; in de 17e eeuw. Slecht bestuur. „Nergens bespeurt men dan ook eerbied voor de „Overheid.quot; Belangstelling in de respu-blica is \'n onbekende zaak geworden.quot; Straat-policie in onze groote steden. Inrichting van postkantoren, enz., enz.

97 Merkwaardig verslag van de Gedeputeerde Staten

van Friesland over 1861. (Verblijdende invoer van Smeer !!)

98 De Kieswet. jDtóridsliefde in plaats van vader

landsliefde. Een persoonlijke herinnering. Een Ba-taviasche tokohouder Indische specialiteit! Fransen van de Pütte, die eerst volksvertegenwoordiger, later na \'t aftreden van den bekwamen Uiilenbeck minister van Koloniën werd!

102 De auteur werpt zich op als verdediger van den arme. Het Volk eischt welvaart, geluk. Maar de welstand van \'t Volk „ligt niet op den weg der Ilegeering,\', van welke kleur deze dan ook zijn moge. Een vleeschparty in de Kamer in plaats van gekibbel over Vrijhandel e. d.! „De hoofdoorzaak van de ellende des Volks ligt in „dui-tenplaterij.quot;

105 „Geen census, maar algemeen-stemrecht. Dan zal de Kamer niet langer op vijf uitzonderingen na uit nietigheden, dorps-renomméen bestaan. De census is bespottelijk, in principe en in toepassing.quot;

108 De schrijver resumeert en eindigt met den catoni-nischen uitroep : ,, Ik voor my, ik blijf er hij, dat de ellende des Volks moet ivorden uitgeroeid

94 ♦Twist met Belgie in 1830.

96 *Afschaffmg van \'t debiet van frankeerzegels aan de postkantoren.

102 *„De arbeider verliest z\'n recht, zoodra hij zich tot prater verlaagt.quot; De auteur hoopt spoedig de „sociale kwestiequot; monografisch te behandelen. Welk geluk hem in \'t laatst van 1867 bi/na zon

41

ocr page 54

register op de

Nos. Biz.

te beurt gevallen zijn.

VEROORDEELING VAN THORBECKE ALS AUTEUR EN MINISTER.

-152 109 Aan den uitgever. Inleiding: Liefde tot den naaste.

Om de meening te staven dat vele der verkeerdheden, waaronder \'t volk gebukt gaat, zijn toe te schrijven aan ons Staatsbestuur, zal de auteur eene eenigssins namokeurige behandeling geven van den geest die er bij dat bestuur schijnt te heer-schen. Tot voorwerp ter beoordeeling worden gekozen de „Historische Schetsen\'quot; van J. R. Tiiok-becke.

109 *Opmerking aangaande het volgend stuk.

112 I) Eechtvaardiging der keuze.

Güizot en Thiers. „In het algemeen moet men ter beoordeeling iemand beschouwen in zijne daden zooals die zich aaneengeschakeld voordoen, liij gebrek aan daden bij Thorbecke zoeken we naar ivoorden. De heer Thorbecke heeft beweerd niet te behooren tot de liberale partij. Wat anders blijft er over dan zijne geschriften? Welke is de hoedanigheid, bij het geringe van de hoeveelheid van deze geschriften, waarvan Thorbecke gezegd heeft: „dat se met den politieleen levensgang van den auteur in naauwe natuurlijke gemeenschap staan.quot;

114 *Thorbecke steeds beschouwd als hoofdman van de liberale partij. „Welke degelijke verbeteringen heeft hij tot stand gebracht ?quot;

116 II) Wat we in die werken vinden, om watwfj daarin niet vinden.

Titels der onderwerpen in het genoemde bundeltje behandeld. Pretentieuse schijn van beteekenis.

42

ocr page 55

idf.ën vax mültatült.

Eenige aanhalingen uit het stuk over Johan de Witt, d. w. z. over \'n werk van Mr. Simons over Jan de Witt, waarin Thorbecke Simons verwijt „dat men uit z\'n werk niet genoeg de inrichting van de Republiek leert kennen,quot; dat is : de bureau-Jcratische inrichting... de ambtenary. „Overal diingen zich diplomatie en staats^wwsi op den voorgrond. Macht, gezag, prerogatief, maar over volkswelvaart geen woord.quot;

De auteur citeert uit z\'n herinnering iets uit het werk van Mr. Simons ; Hoede admiraal deRüyter door „Heeren Statenquot; tot laaghartigheden genoodzaakt werd.

Op welke wijze ons \'t a«lt;e?(rschap van den minister nuttig kan zijn!

139 „Wat we niet vinden in de werken van Mr. Tiioebeoke? Staats/toslt; maar geen tewrfe van den Staat. Noch in z\'n werken, noch in z\'n daden heeft Th. bewijzen gegeven dat hij \'t werkelijk goed meende met het Volk.quot; Afdwaling van plichtsbesef; Nietigheden waarmede de Regeering zich bezighoudt. „En ... in 1900 evenals in 1700 onder de Witt : Jiet Volk van Nederland hetaalt het spel.quot;

„De Kiesivet is er op ingericht juist de besmetting voort te brengen, welke Thorbecke geconstateerd heeft. Door de Kieswet wordt de numerieke meerderheid aan de middelmatigheden verzekerd.

119 *Over den titel van den Havelaar.

182 *Laaghartigheden waaraan de Regeering van ons Landje zich in die zoo hoog geroemde 17de eeuw schuldig maakte. Snorkerijen en blufferige ophef in Vaderlandsche geschiedenissen. Echt Ne-derlandsche ondeugd van zelfverheffing. Buiten-landsche geschiedschrijvers over ons land. Alge-meene opmerkingen over geschiedschrijvers. „Een consciëntieus historicus kan geen werk over geschiedenis schrijven, dat als litterarisch product waarde heeft.quot;

„De Nederlanders zijn in het Buitenland niet geacht, in weerwil van den „worstelstrijd met Spanje\' en van de „ontwoekering aan het ziltig element.quot;

43

ocr page 56

44

Nos. Biz.

140 *üitspraak van den heer Gevers in de Kamer.

141 III) Zijn wij niet aan onze landgenooten, aan ons self, aan onze nazaten, verschuldigd aan te dringen op verandering in den geest die ons regeert ?

Staatkunstigheden van de Thiersen en Guizots, en het antwoord dat daarop in 1848 door het Volk van Parijs werd gegeven. Guizot minister en Gui-zot auteur. Besluit.

145 *Opmerkingen aangaande het voorgaande stuk.

ZAALBERGERIJ.

453 146 „Er waren eens, in zeker land^ veel pasteibakkers.quot;. . .

454 149 , \'t Bestrijden van den nadeeligen invloed der twis

ten over nietigheden, blijft noodig.quot;

Brief aan zekeren herkeraad, waarin partij wordt getrokken voor de eerlijkheid, of voor de mogelijkheid van eerlijkheid, der nieuwmodische hoeren.

151 *De prediker Schwartz.

154 *B]Sriet de modernen werden door de officiëele wereld in den ban gedaan, het zijn slechts de radicale vrijdenkers die niet ongesmaad met hun gevoelens voor den dag kunnen komen.quot;

154 *„De steile bijbelsche rechtzinnigheid is zoowel in de boogste standen als bij het grauw in eere. Wat daartusschen ligt. is gewoonlijk uit den moderne.quot;

156 „Geloof in \'t goede is goed. Vertrouwen op adel, is adel. Streven naar waarheid is waarheid.quot;

157 „De Godsdienst van Jezus en de moderne richting,quot; zestien preken van Ds. Zaalberg, waaruit we zullen zien, of deze moderne domine ons brengt naar de plaats, die gedrukt staat op z\'n biljetten.

ocr page 57

id eén van mültatüli.

Hoe hier steeds het „ménager la chèvre et le chouquot; in het oog gehouden wordt. „Het einde van elke preek, en de teksten van die preeken zijn ka-naanitisch.quot;

Veroordeeling van halfheid.

180 *Opmerkingen aangaande dit stuk. Over Meyboom en Eenan.

455 181 „\'t Was vijf December... St. Nikclaas I De moeder

strooide zoetigheid.quot;.. .

456 181 „\'t Hoeft niet altijd suikergoed te wezen 1 Het kan

kleur ook zijn.quot;

457 182 Ordinatie-formulier der Evangelisch-lAdhersche ge

meente.

Woorden die de eerwaarde predikant Lüdwig Lentz. den theol. prof. Loman toeroept.

458 183 „Ik krijg daar \'n brief van Jan de Witt.quot; . . .

459 183 „Eegeerders die meenen dat kunst geen regeerings-

zaak is maken \'t regeeren tot \'n kunstje.quot; *Bewering van den heer Thorbeoke.

460 184 ,Er zijn weinig fouten — ja, misschien geene —

die niet voortkomen uit luiheid.quot;

461 184 „De traagheid der Natuur is onwil om te veran

deren van beweging, of om daarmee optehou-den. De traagheid van onzen geest is gewoonlijk onwil om te bewegen.quot;

462 184 „Niet begrijpen is \'n verkeerde gewoonte.quot;

463 184 „Meer-weten en minder-weten liggen zeer nabij

45

ocr page 58

register op de

elkander.quot;

464 185 „Misschien weten we allen juist evenveel. Er zal wel iets als horror vacui wezen in ons gemoed. Doch gewoonlijk wordt dit vacuum gevuld met onnoodig vulsel.quot;

465-473 185-187 — M\'nheer, ik ben \'tniet met u eens...

474 187 — M\'nheer, ik heb mij bedacht.quot; . . .

475 188 „Krijgskunde is lafhartigheid met rang van we

tenschap.quot;

*„Niet door „Vredebondenquot; maar door oefening in lezen moet de oorlog bestreden worden.quot;

476 188 „Takken, likdoorns en harten groeien tegen \'t mes in.quot; 477-481 188 „Wie niet werkt, zal niet eten.quot;...

482 188 „Op zeker veld zag \'t \'r woest uit.quot;.. . De dilet-

tant-botanist Eenan- Namen van eenige arbeiders op het veld. Spinoza. Dageraadsmannen. Jung-huhn. Marie Anderson.

191 *Opmerkingen over deze namen. Jean Meslier. Fe-ringa\'s Demokratie en Wetenschap.

Nietigheid der huidige dagbladschrijvertjes en tijdschriftmannen.

483 193 „Een kapel zweefde hoog, hoog in de lucht. ..

484 193 Bittere gemoedsstemming van den auteur. De die-

renetende wilde op de Botermarkt. Brief aan den Hoofd-commissaris van Politie te Amsterdam.

485 196 „Stipte terminologie in wetenschap, is onmisbaar.

46

Stiptheid van terminologie buiten de wetenschap, is pedant.quot;

486 196 Men moet niet te veel samenvatten en ook niet te veel onderscheiden.

ocr page 59

1DEÊN VAN MULTATULI. 47

Nos. Blz.

487 196 ,Talen zijn vogelvrij. Elke uitdrukking is \'t eigen

dom van wie \'r vangt.\'\'quot;

488 196 „Er zijn weinig talen, en zeer veel dialecten.quot;

* Vergelijkende taalstudie.

489 197 ,Het woord mcnsch is van één familie met het la-

tijnsche woord mms — verstand.quot;

490 197 „Het woord god beteekent waarschijnlijk tveten.quot;

491 197 „Wij beginnen met analyse. Wij behooren te eindi

gen met synthese.quot;\'

492 198 „Ik zat met Fancy op \'n bank buiten Haarlem.quot;.. .

493 198 Algemeene en bijzondere leugens.

*Onwaarheid sprelcen en omvaar zijn.

494 199 „Wat velen hun kinderen vertellen over zedelijkheid,

is voor \'n groot deel een organieke leugen.quot;

495 199 „Het toejuichen in een schouwburg is leugen.quot;

496 199 „Een grijsaard de olympische spelen willende zien,

kon geen zitplaats vinden.quot;. . .

Tegenstrijdigheid in woord en handeling. „Mooi vindenquot; van den Havelaar.

497 200 Bestudeeren van schijnbare nietigheden.

498 200 „De wetenschap heeft meer verplichting aan leek en,

dan leeken aan de wetenschap.quot;

499 200 „Ei1 is een aanhoudende wisseling van diens t tus

schen wetenschap en empirie.quot;

*Maagdelijkheid van oordeel bij kinderen en bij minder ontwikkelden.

500 201 „De strijd om voorrang tusschen en i/ieorie,

berust - als veel strijd - op misverstand.\'\'

ocr page 60

liEGISTER OP DE

•501 201 ,Die twee verstaan elkander niet.quot;\'.. .

•502 201 „Ik ken zeer weinig menschen die lezen kunnen.quot;

503 201 Rangschikken en verwerken van indrukken- Be

enden en soldaten.

*De atomen der hedendaagsche chemici.

504 203 , Velen geven hun recruten voor soldaten uit. Dik

wijls zijn soldaten door recruten geslagen.quot;

505 203 „Niemand schat hoog genoeg wat-i kan zijn- Nie

mand laag genoeg wat hij is.quot;

506 203 *, Ondankbaarheid is \'n uitvindsel van valsche wel

doeners.quot;

507 203 „Klacht over egoïsme is egoïsme.quot;

508 203 „Niets is meer beschreven en minder bekend dan

de liefde. Beminnen is goed zijn.quot;

509 204 „Niets is grooter dan \'t goede. Er is daarbij geen

superlatief.quot;

WOUTERGESCHIEDENIS.

XVII.

510 204 Wouter Pieterse redivivus. De Pietersens hebben geërfd en zijn verhuisd naar \'n „fatsoenlijkerquot; buurt. Valsche hoogmoed van juffrouw Pieterse op Wouters rijmtalent. Wouters zielstoestand en moedeloosheid. Hij krijgt van juffrouw Laps de opdracht een vers te maken voor „\'n oom dien ze aanstaande week jarig had.quot;

*Over den oorsprong der kleeding en Darwinismus.

*Ulevellen en ulevellen-poëzie.

*Noot voor den Vlaamschen lezer over sommige

48

ocr page 61

ideën van mcltatuli. 49

Nos. Blz.

Amsterdamsche uitdrukkingen en zegswijzen.

511 208 Wat en hoe men vroeger op de scholen leerde.

XVIII.

512 210 Niettegenstaande Stoffels wenken, kan Wouter niet

met z\'n vers op streek komen. Bedroefd gaat hij naar de aschpoort en begon bij het brugje bitter te schreien. Eerste ontmoeting met Femke en haar moeder. Pater Jansen. Femke haalt om Wouter aan z\'n vers te helpen haar katechismus, terwijl Wouter op de bleek past. Hij verjaagt er met haar hulp \'n paar met steenen werpende jongens. Femke zoent hem en samen gaan ze in het boekje lezen. Onderricht in \'t alleen-zaligmakend geloof. Wouters liefde en zucht tot weten.

214 *Het lieve tooneeltje op het brugje onderwerp voor \'n schilderij.

217 *Beteekems van \'t woord gauw.

XIX.

513 218 Mythe en historie. Waarheid in poëzie. Amor en

Psyche. De Nederlandsche volksvertegenwoordiging en waarheid. „Beminnen, weten, strijden, de hoofdneigingen van individu en menschheid.quot;

514 222 Eerste hoofdstuk der historische hydragen.

(Verschillende curieuse manifesten van 1795 en 1796.) „De stijl der zeer „lankdradigequot; leugenstukken van dien tijd werd met den dag bloemiger, kunstiger.quot; 232 *Pranssen van de Putte en de Kadaster-kwestie.

515 285 Tweede hoofdstuk vol officiëele leugens.

(Stukken van 1810 en 1811.)

Als slotstaaltje, twee regels in de Euphonia, een allerdeftigst Christelijk tijdschrift.

4

ocr page 62

50

516 239 Berde hoofdstuk vol professorale en professioneele

leugens.

(Verschillende gelegenheidsstukken van van der Palm.)

517 244 Waarheid in legende.

De .Fmesi-legende. Zucht tot iveten. Invloed van hysterische aandoeningen. Liefde: Faüst en Geet-chen ; Wouter en Femke, die hij voor z\'n he-inelsche Fancy hield. Strijd: Mephisto in den strijd van Faust om Gretchen. Adam en Eva (de pewesis-legende).

XX.

518 249 Tweede ontmoeting met Femke. Wouter vertelt haar de Peruaansche geschiedenis van Telasco en Kusco.

255 * Amerika de bakermat der oud-indische beschaving ? 263 *Sluiten der poorten te Amsterdam in vroeger tijd.

XXI.

519 264 Wouter\'s droom. Het „huisquot; Pieterse vergaderd voor Wouter\'s bed. Juffrouw Pieterse wist niet recht of er gebeden dan wel gestraft moest worden. Inval van Stoffel om den dokter te halen. Goede invloed die de dokter „met bont op z\'n koetsierquot; in het huisgezin uitoefende. Wouter aangetast door \'n zenuwzinkingkoorts. Juffrouw Pieterse voelde iets voornaams en begon bijna schik te krijgen in Wouter\'s ziekte. Iedereen werd er van ingelicht.

264 *Een paar opmerkingen over prosodie.

268 *Chronique scandaleuse van het Casselsche hof Trüttchen.

XXII.

520 270 Onrust van juffrouw Laps over het weduwnaarsvers-

ocr page 63

51

Stoffel maakt er zich met een diepzinnige redeneering van af. Bezoek bij meester Pennewip. Deze verwijst het mensch naar Klaasje van der Gracht.

Voorval ten huize van de Pietersens. Hoe Femke, die Wouter in z\'n ziekte kwam opzoeken, ontvangen werd.

521 277 Weer een avendje. Algemeene verontwaardiging over Femke. Klaasje van der Gracht komt met z\'n vader binnen en leest het weduivenvers voor. Verontwaardiging van juffrouw Pieterse, die „fatsoenlijkquot; was geworden.

„De bijbel woede openbaart zich \'t duidelijkst bij groot en klein gemeen.quot;

522 283 „Lezer, ik zelf houd mij voor een der beste schrij

vers die ooit bestaan hebben, ja. . . voor den besten misschien.quot;

523 283 „Geen schrijver is verstandig genoeg om de dom

heid zijner lezers te begrijpen.quot;

524 283 „Het gemiddeld peil der lezers staat beneden\'t ge

halte van den gebrekkigsten schrijver.quot;

525 283 „Al \'t overige gelylcslaande. is de kans op waarheid

grooter in den man die iets zegt, dan in den hoorder. Grooter in schrijver dan in lezer.quot;

526 284 Ontboezemingen van den auteur over z\'n publiek

en over „mooischrijverij.quot;

527 285 (Overgedrukt uit den Tijdspiegel van November 1860.)

ocr page 64

52 register ov de

Nos. Biz.

Betoog der stelling dat de auteur geen , schrijverquot; is. Max Havelaab aan Mültatuli. De Brusselsche steenzager die geen grafzerk kon afleveren voor bij de maat had van zijn cliënt en Havelaar die niet weet wat de maat is van de ziel der heeren die zijn geschrijf bestellen.

288 De boekdrukkunst heeft veel kwaad teweeg gebracht, vooral sedert men van boekenschrijven een beroep heeft gemaakt. De auteur trekt in veel dingen partij voor Droogstoppel. Walter Scott. „II faut écrire quand on a quélque chose a dire.quot;

292 Gebrek aan schoonheidsgevoel der Amsterdammers. Fancy en de opengespalkte varkens voor een slachterswinkel. („Er moeten abattoirs worden opgericht buiten de stad.quot;)

296 Een schoone versregel van kleinen Max. Een ander voorbeeld van goedschrijven. Riekohen en Bertha in het Odéon. Opmerkingen over muziek. Geschiedenis van den flacon en de verzen. Een schoon briefje van de beide meisjes en wat de auteur de volgende nacht droomde.

303 Twee geschiedenissen : Piet Heix en de parabel van dm goudmaker.

287 *De verzen in den llavelaar en de Bruid daarboven.

288 *„üitvindingquot; der boekdrukkunst.

291 *De Opregte Haarlemsche Courant.

295 *De toestand van den Javaan, nu een valsch liberalisme de plaats heeft ingenomen van \'t behoud.

307 *Een paar opmerkingen over de vijf historische zinsneden van Cuktiüs, Luther, d\'Assas, Gambronne en van Speyk.

528 309 Ophelderingen aangaande het voorgaand nummer.

, Waarmee heb ik verdiend, dat ik u, als Chresos in de Minnebrieven, liedjes moet voorzingen, na gehandeld te hebben als ik deed?quot;

Klacht en moedeloosheid van den auteur over het.

ocr page 65

ideën van mültatüli. 53

weinige resultaat zijner geschriften. Van Twist en het zwijgen der tegenstanders. Het staken van de Wouter-geschiedenis. Wiskunde. 313 *Düymaer van Twist.

529 317 Nieuw beioijs voor de stelling van Pythagoras.

530 318 De Natuur en onze verdeelwoede. De vorm der

bijencelletjes. Bewijs dat er geen God is.

531 320 „Waarom ontzenuwen de geloovigen dit bewijs niet ?quot;

532 320 Moedeloosheid van den auteur over het weinige

succes van zijn werk.

533 321 Inlichtingen omtrent den auteur sinds het verlaten

van Lebak. Wat hem tot schrijven beweegt.

324 *Pfansche publicisten. Emile de Girardin. Vrijheid

van drukpers.

325 *De Bruid daarboven, Vorstenschool en Havelaar.

534 326 Internationaal congres te Amsterdam, in het paleis

des Konings. Oef . 1859.

Eenige Verslagen der redevoering van Douwes Dekker.

326 ^Verbetering (?) sedert het schrijven van den „.Ha-

velaar.quot; (van Hoëvbll.)

328 ^Beschuldiging van overdrijving. Van Twist en het

weder invoeren van een hoogst onzedelijke wijze van werving der inlandsche soldaten op Java.

329 *De oud-Gouverneur-generaal Eochussen. Z\'n sym

pathie voor de Havelaarszaak.

535 330 Bedevoering van Douwes Dekker.

331 *De beide brochures over Vrijen-Arbeid en partij

trekken voor het Kuituur stelsel. Een schijnbare tegenstrijdigheid.

332 *Kennis van de nederlandsche bezittingen in Indie.

Prof. Veth. Bevoegdheid tot het beoordeelen van

ocr page 66

register op de ideën van mdltatuli.

Indische zaken.

336 *Laaghartigheid, waarmee men op dit oogenblik (1872) twist zoekt met het rijk van Atjin. De auteur schrijft heden een brief aan den Koning.

536 337 Verbetering ? Poging van den Heer van Zutlbn, om de Natie te verlossen van Mr. Thorbecke en z\'n clique. Openlijke verklaring van Salvador. Lauwheid en lafhartigheid der geestverwanten.

538 339 342

537 338 De auteur schrijft ditmaal voort op verzoek van z\'n uitgever. Bitterheid van zijn geschrijf.

Ontmoeting in een kleinen schouwburg. Oorvegen. ^Rechtsvervolging en veroordeeling tot boete en gevangenis, welke laatste straf de auteur tot zijn spijt niet kon ondergaan.

539 342 Uitbreiding van de oorvegenpraktijk in wijder kring, (v. Twist e. a.)

540 343 Verzoek aan Jhr. Mr. H. C. van der Wijck, oud-raad van Indie — hij kan \'t weten ! — om in z\'n brochure : Onze koloniale staatkunde. Een beroep op het Nederlandsche Volk, Ha velaar te schrap-van de lange lijst der veroordeelden.

54

ocr page 67

DE EDE BUNDEL

VKIJE STUDIE.

Nos. BIz.

(Voorgedragen in het Studentengezelschap „Vrije Studie\'\'\' te Delft.)

541-550 5-8 „Niets is algemeener dan wanbegrip. Nooit is een meening zoo ongerijmd, dat ze niet hare aanhangers heeft.quot; Zucht om te verklaren en op te helderen. „Men moet zich oefenen in \'t bepalen.quot;

551-553 9-10 Wat is Vrije studie?

554 10 Welke belemmeringen vrije studie in den weg kun

nen staan.

555 11 Het opdringen van vóóroordeelen.

556 11 „Wie eene onwaarheid mededeelt, wordt geen leu

gen armer.quot;

557-559 11-12 Behandeling en opvoeding van kleine kinderen.

560 13 ... „En dus onzedelijk, want het verkrachten van de

rede is misdaad!quot;

561 13 Opvoeding en onderwijs zijn niet te scheiden.

562 14 Verkeerde denkbeelden, die dikwijls op scholen

worden ingeprent.

ocr page 68

56 register op de

Nos. Biz.

563-565 15-17 Een paar herinneringen uit des schrijvers jeugd.

566 18 Moeielijkheid van afscheiding der verschillende on

derwerpen : alles is in alles.

567 18 Het beletten van onderzoek.

,Le desir de paraitre habile, empêche souvent dele devenir.quot; (Larochefoucauld.) Een andere spreekwijs ; „pa ne doüte de rien!quot;

568 19 Substitutie van denkvermogen.

569-571 19-21 Professorale tegenwerking van vrije studie. (Oosterzee.)

572 21 Tegenwerking door omgeving.

573 22 „Hoe ontdekken wij dien verraderlijken aanval tegen

onze vrije studie ?quot;

574-578 23-25 Studie der Natuur in den meest uitgebreiden zin.

579 26 Idéé fixe als beletsel.

580 27 Vrees voor zekere leegte.

581-584 27-28 Trots, Traagheid, Nationaliteit, Zinnelijkheid. 585-586 28-29 Ziekelijk overhellen naar valsche poëzie.

587 29 Lafhartige fatsoenlijkheid.

588 30 Beoordeelen der zedelijkheid.

589 30 „De wijsbegeerte heeft behoefte aan moed.,\'

590 31 Andere belemmeringen; eindbeschouwing.

ocr page 69

57

PUBLIEKE VOOliDRACHTEN.

591-592 33-34 „Wordt onze meening over een of ander belangrijk onderwerp het best medegedeeld in zoogenaamde publieke voordrachten?quot;

593 35 „Zijn de hoorders voorbereid om de te verkondigen waarheid in hun gemoed op te vangen op een wijze die overeenstemt met de moeite die de spreker zich gaf, om die vooronderstelde waarheid te vinden ?quot;

594-595 35 36 Streven naar „bevallen.quot;

596-597 36-37 Storingen in den gedachtenloop vóór de lezing door allerlei omlaagtrekkende voorgevoelens. Voor-afbepaald onderwerp.

598 38 Houding van \'t publiek in de zaal.

599-604 39-42 Kunst van „voordragenquot;. Mooivinderij. „Het publiek wil vermaakt worden.quot;

605-607 43-45 Finantiëele bezwaren van Societeiten ; enz.

*(Bij 606.) De auteur heeft zich eens met nitras argenti moeten laten branden, ten einde den volgenden avond geluid te kunnen geven.

608-609 46-50. Andere grieven. Onaangename sympathie. 46 Rammelslag.

610 51 Voorlezing van „ Vorstenschoolquot; te Arnhem.

611 51 Tewoord staan van allerlei indringers.

612 52 Ondervinding te Joure. (tante te W.)

613 54 Voortwoekeren van zulken laster.

614-615 55 Nadeelige gevolgen van al deze plagen.

ocr page 70

register op de

Nos. Biz.

KUNST EN KUNSTENAARS.

616-620 56-60 Talma\'s bewering over Kunst.

*(Bij 616.) Verschil tusschen kunstenaarsgevoel en gevoel in gewonen zin. Voorbeelden o. a. in nIn-sulindequot; van Wallace.

621 60 Minachting voor kunstenaars. „Epiciersquot; deugd.

*Göthe.

622 61 , Waarom eischt publiek van den kunstenaar zooveel ?quot;

623-625 62-64 „Welke is de aard der nabootsing, die de kunstenaar zich tot taak stelt ?\'\'

626 65 Toonkunst.

627 66 „De „humoristquot; Safir.

628-630 66-67 Vervolg: muziek. Gelegenheidscompositiën.

63168 „Ei zie, daar nadert onze Zeuxis.quot; ...

632-634 69-71 Volhardende studie van den artist. Moedeloosheid somtijds. Ploertigheid van publiek.

635-642 72-76 Ploertige minachting der Kappellieden. Afkeuring en mooivinderij. Kunstenaars-onzedelijkheid.

73 *(Bij 637.) Het gezegde van Boileau. Verkeerde opvatting van \'t woord Kritiek.

643-644 76-77 „In het streven naar waarheid staan waarschijn-lilk weinig leeken boven den gebrekkigsten artist.quot; Oprechtheid van leeken.

645-659 77-89 „Hoe is nu de stoffelijke belooning van dit alles ? Geen hulp, noch uitloven van belooning, of schenken van medailles. De strijd met het dagelijksche is noodig, maar mag niet in het banale ontaarden. De storm blaast groote vuren aan, doch verstikt kleine. De gewone verhouding tusschen vraag en aanbod moet ook de waarde van de voortbrengselen van den kunste-

58

ocr page 71

59

naar bepalen. Green bescherming dus, maar ook geen mishandeling. Onbeschaamdheid waarmede men doodgemartelde verdienste durft loven en gestorven meesters verheft. Wisselwerking tus-schen kunstenaar en publiek voor den eerste een levensvereischte.quot;

84 *(Bij 655.) Ontvangst van Vorstenschool. Moeilijkheid voor \'n hollandschen schrijver om te kon-kureeren met de letterkundige voortbrengselen van geheel de beschaafde wereld. Ophemelen van buitenlanders. Stuk van zekeren C. Stuart in Feringa\'s „Vrije Gedachtequot; Stuk van Eoorda in de Sneeker Courant. Eene oplossing van de „Sociale Kwestie.quot;

88 *(Bij 657.) Ophemelen van Vondel.

88 *(Bij 658.) Wat Fors^ewsc/tooi! den auteur heeft opgebracht en wat L\'Arronge met z\'n „ Fossequot; „Mein Leopoldquot; verdiend heeft. Edelmoedigheid van de tooneeldirectie Le Gras, van Zuylen ds Haspels en van den uitgever van M\'s werken.

Ie Vervolg: PUBLIEKE VOORDRACHTEN.

660-661 90-91 Hebbelijkheid den voorganger verkeerd te verstaan.

662 91 „Ook de redenaar is artist, maar zijn taak is zwaarder, zijne hulpmiddelen zijn geringer dan die van andere kunstenaars.quot;

663-665 92-93 „De spreker behoort in hoogere mate dan zelfs andere kunstenaars zich toe te wijden aan wijsbegeerte. Hij moet weten.quot;

666-670 94-96 „Kan een redenaar aan al deze eischen voldoen?

Hoe bekrompener de gezichtskring der hoorders, hoe snijdender hun oordeel over wat daar buiten ligt.quot; Audientie-vragers die zich met \'n patelin. vertoon van heilbegeerigheid bij den publiek-spre-

ocr page 72

eegister op de

ker indringen. „Moeilijk een grens te trekken tusschen verwaandheid, die over alles wil meespreken, en luie onverschilligheid.quot; Criterium ter beantwoording der vraag wie de eer der controverse waard is. Het nanuts-auditorium.

BEVOEGDHEID.

671 97 Beoordeeling van personen naar een enkel bekend

feit. Anna Paulowna door Kappelman beoordeeld.

672 98 Herinnering van den schrijver uit zijn jeugd, hoe

Napoleon eenige woorden met z\'n vader wisselde.

673-678 100-102 ,Hoe hoog moeten wij de vonnissen stellen die de geschiedenis slaat ? Wat iveten wij eigenlijk van de velen die de geschiedenis op den voorgrond stelt ? De oorzaak der schrijversmanie om bijzonder gewicht te hechten aan onbeduidende gezegden of gebeurtenissen is meestal geestelijke armoed.quot;

679 102 „Wat is er van het leven Jezus bekend? De vier

Evangeliën geconcentreerd, vormen een zeer klein boekje. Alles wat wij meer van Jezus meenen te weten is preekerij.quot;

680 103 „Ook de rechtsgeleerden maken zich schuldig aan

60

de verhandelmanie.quot; Persifflage door Gothe. *Kommentatoren a la Scheant : van Vloten.

681-689 103-106 „ Kritiek wordt hoe langer hoe moeielijker. Door traagheid vervolgt men ieder als een verrader die de schoolmaske wil afrukken waarmede de geschiedenis onkenbaar werd gemaakt. Ook boosheid is dikwijls in \'t spel. Tot het beoefenen der Historie is geweten noodig. Lasteren van nog levenden. Het gevolg daarvan voor hen, in onze Maatschappij, is broodsgebrek. Meestal zijn onbeduidende

ocr page 73

ideën van mulïatuli.

persoonlijkheden de bewerkers van het kwaad. ,11 n\'y a pas de grand homme pour son valet de chambre.quot;

2. Vervolg: PUBLIEKE VOORDRACHTEN.

690-697 107-111 „De spreker is zedelijk genoodzaakt iederen vrager te woord te staan. Iedereen voelt zich in staat met hem mede te dingen. Ieder heeft ideën, ieder kan o. a. verzenmaken.quot; Prijsvraag A. Dümas, Verschillende wijze van openbaring van de concurrentie van het auditorium. Luide teekenen van afkeuring bij een redevoering over Thorbecke. Men zwijgt in plaats van z\'n afkeuring of niet-eens zijn te rechtvaardigen. Noodzakelijke vijanden en persoonlijke grieven. Onedele strijd.

De eindrijmelarij van den auteur. (Prijsvraag Dumas.)

698 112 „Werd Jezus bij zijn toespraken in de rede gevallen, bespot, nagebauwd ? Werd hij behandeld zooals tegemvoordig den publieken spreker zou behandeld worden ?quot;

699-702 114-116 „Ons land en klimaat is niet geschikt voor publieke voordrachten. Het volk is weinig dociel. Er bestaat geen sympathie.quot; Nog eens over Jezus.

Straattoneel te sHage.

„Vromen te \'s Gravenhage... gij die mij verdoemen zult over wat ge — verkeerd lezende! — profanatie noemt. . . ik verdoem 2t.quot;

Eene uitdrukking van Borger.

Zendelingen.

„Waarom zweeg het straatpubliek bij het toneel te \'s Hage ? Omdat publieke voordrachten onder ons volk. in onze dagen, met onze zeden „liorscVoeu-

61

703 117

704 123

705 125

706 126

ocr page 74

62

registek op de

Nos.

Biz.

®requot; zijn.quot;

707

127

Een Amsterdamsche dominé en het straatgrauw.

708

128

„Ieder heeft zijn eigen opinie en blijft daarbij. Heeft ooit de tegenpartij, na de pleitrede des verdedigers van den beschuldigde, zijn stellingen herroepen of omgekeerd ?quot;

709

128

Voorbeeld van advocaterij : Bebkyeu.

710

130

Op de proef preken. „Wat heeft het Godsrijk met redenarij te maken ? Waartoe dient het preken eigenlijk als de voorganger meest alleen voor geestverwanten spreekt ?quot;

711

130

„De onvruchtbaarheid van het gesproken woord blijkt overal.quot;

712

131

Publiek spreken in Engeland. Meetings.

713

132

Debating-clubs en dispuut-collegiën.

714

183

Eedenarij van advocaten.

715

133

Eederijkers-kamers.

716

133

Vrijmetselaars-loges.

717

134

Congreswoede. Congresredders! Frazen in plaats van gedachten.

718

136

137

Gesprekken in koffiehuizen, enz. Spoorweggesprek.

719

138

„Het is begrijpelijk dat Publiek, hetwelk zich aan zulk zinneloos gewawel schuldig maakt, genoegen neemt met frazen van kansel of tribune op deftige wijze geuit.quot;

ocr page 75

63

SCHRIJVERS EN LEZERS.

720 140 „Schrijvers moeten zich méér ontzien in hun uitin

gen dan redenaars.quot;

721 140 „Wat wordt er evenwel geleverd. Overal voorbeel

den van slechtschrijverij quot;

722 141 Göthe en Schiller. Hebbelijkheid van citeeren.

723-724 142 „Geenszins worden kleine fouten bedoeld die eiken arbeid aankleven, maar verkeerdheden die het algemeen gehalte van den geleverden arbeid verlagen.quot;

725-730 142-144 „Bij het onderwijs in de Letterkunde is het behandelen van schrijvers als voorbeelden ter navolging verkeerd. Meer rationeele methode. Men moet trachten oorspronkelijk te zijn : eigenaardige charme in oprechtheid.quot;

„Het schoone is in zekeren zin iets negatiefs.quot; 144 *(liij 729.) „Laven aan bronnen.quot;

731 145 Hooft müiper van Tacitüs.

*Navolging van Heine Vosmaeks teisterbantsche verzen ! „Een flinke voedster zuigt niet, ze zoogt

732 146 „Wij hebben voorbeelden noodig hoe men wtó schrij

ven moet. Waar hart in zeer hooge mate aanwezig is, zou de methode van afschrikking door \'t wijzen op fouten, kunnen vervallen.quot;

733 146 „Tot het ontdekken van de fouten van anderen is

scherpzinnigheid noodig.quot; B. Huëts kritiek van ten Kate\'s „Scheppingquot;. „Buitengewoon groot behoeft echter meestal die scherpzinnigheid niet te wezen.quot;

734 147 Staal van wat sommigen durven opdisschen en van

Publiek\'s crétinisme dat met zulke dingen genoegen neemt.

ocr page 76

register op de

Nos. Biz. 7 sr.

148 Voorbeelden van schrijversgebreken uit des schrijvers eigen arbeid. Illustratie van z\'n werken. E. Hol een Saïdjad gekomponeerd.

736 149 „Groot verschil tusschen op zich zelf staande ver

gissingen en doorgaande onbekwaamheid, tusschen onwillekeurige fouten en opzettelijke misleiding.quot;

737 149 Doel der aanvallen op verscheidene auteurs, die in

de Ideën genoemd worden.

788 150 „Waarom heeft Bosscha gezwegen na de brochure ,Ken en ander\'quot;? De Fransch-Duitsche oorlog.

789-743 151-153. „Waarom geeft men zich niet meer rekenschap van hetgeen men leest ? Is het gebrek aan begrip? Waarom dulden anderen bij voortduring de beleediging van twijfel aan hun gezond verstand ? Het is gemakkelijker te zwijgen dan te onderzoeken en voor een rustverstoorder te worden aangezien ; enz.quot;

152 *(Bij 740.) Succes van den aanval op Bilderdi.ik in

den 5den Bundel.

153 *(Bij 742.) Protest van tan Vloten tegen de be

oordeeling van den Floris.

744 154 Duitsch tooneelstukje waarin telkens de uitroep

voorkomt: „IJas kommt vom Lesen!quot;

745 155 „ Véél lezen is alleen nuttig voor jonge menschen

die nog materiaal moeten zamelen ; anders is het beter den tijd met denhen over het gelezene te besteden.quot;

746 155 Wisselwerking tusschen schrijver en lezer.

747-752 15G-162 Leugen in vechtrapporten; leugen in al het oorlogs-enthousiasme en in allerlei z.g. vaderlandslievende ontboezemingen. Oorlogstoebereidsalen in 1870. Lafhartigheid: „moorddadige vurenquot;, enz.

159 *(Bij 748.) Geestige dichtregels van Vosmaer in den

64

ocr page 77

65

Speet, van 20 Dec. 1873.

753-755 168-171 Laatste veldtocht van Napoleon Buonaparte door Mr. J. Soiieltema.

Dapperheid van den prillen Prins van Oranje.

756-757 172 Wat ons in den Fransch-Duitschen oorlog zal op-gedischt worden. Een paar staaltjes reeds.

758 173 „De publiek spreker staat ten opzichte der moge

lijkheid van zijn taal te onderwerpen aan nauwkeurig onderzoek, tusschen den deftigen schrijver en den koffiehuis-habitué in. De inhoud van een redevoering kan dus liggen tusschen de gesprekken van de firma Spoorzaag amp; Co. en Napoleons laatste veldtocht door Mr. Jakobus Scheltema,quot;

759 17-1 ,Oorlogsgebrul dat mij hindert in mijn werk?quot;...

760 175 v. Molkte\'s krijgskunde.

176 ^Vechtrapporten van Atjeh. Inneming van den „kraton.quot; Hulp van de cholera!

Onderzoekingen van den schrijver omtrent den tachtigjarigen oorlog. Alva.

3C Vervolg: PUBLIEKE VOORDRACHTEN.

761 178 Nog eens de Haagsche straatprediker.

762 178 Mooivinderij van Publiek: „moreele diabesisquot; de

vreeselijke ziekte die alle voedsel in suiker omzet. „Op toejuiching van geestverwanten is meestal weinig staat te maken.quot;

763 180 „Oprechte, ernstige tegenspraak ware den spreker

liever;quot; enz.

764 181 „De redenaar moet gearbeid hebben. Nooit legt

de waarheidszoeker zijne werktuigen neder.quot;

ocr page 78

66 kegistee op de

765 182 „Publieke spreekbeurten bieden dus in alle opzichten niet de geschikste gelegenheid aan om \'t gevondene mede te deelen.quot;

Besluit van den schrijver met de uitgave der Ideën door te gaan.

766 182 Redevoering van van Vloten over Vrije Studie. 183 *v. Vloten contra Mcltatuli. Stuk van J. Ver-sluijs in \'t „Schoolbladquot; van 19 Jan 1875.

DE ALGEMEENHEID VAN WANBEGRIP. (541)

767 184 „Belang is niet de grootste factor bij wanbegrip.quot;

768 184 „Traagheid, enz. zijn tegenstanders die het ware

meer afbreuk doen. De menschheid is te zwak om slecht te zijn.quot;

769-772 185 187 Verkeerd verstaan. Taal en uitdrukken van gedachten. „Dit of dat is niet te beschrijven.quot; „Onbevoegde sprekers en schrijvers werken den nood-lottigen wasdom van wanbegrippen in de hand. Men tvil bedrogen zijn.quot;

773 188 Wijsgeeren. Antieke philosophen.

774-776 189-190 Moderne. Duitsche school. (Kant, Fichte, Hegel, enz.)

777 191 Fransche wijsgeeren.

778-779 192 Locke.

780 193 Op het drooge halen van drenkelingen.

ocr page 79

IDEËN VAN MÜLTATÜLI. 67

quot;Nos. Blz.

781 194 „Boerejongens zijn op dat punt als andere men-

schen. Zij steenigen wat zij niet begrijpen, behoudens hun recht om later te pronken met de vreemdigheid van \'t geval.quot;

782 194 Maria van Bourgondie\'s „drenkelingen privilegie.quot;

783 195 Vervolg van het verhaal in 780.

RADEN EN OORDEELEN IN VERBAND MET KANSREKENING. (541)

784 197 „Men heeft geen zelfstandige meening, meestal om

zich de moeite en verantwoordelijkheid eener beslissing te besparen. Men acht zich voor zich zelf verantwoord.quot;

785 198 Moraal der wereld: „doe als de meestenquot;

786 198 „Moraal verlaagd tot een soort van kansrekening.

Rechters beroepen zich op uitleggingen van de Wet. Veldheeren handelen evenzoo. Met bestuur en regeering is het niet anders gesteld.quot;

*Titus.

787 199 Beslissing bij meerderheid van stemmen. Uitspraak

van Montesquieu. „De wijsgeer dringt aan op bewijzen uit de behandelde zaak zelve geput. Maar hiervoor is oordeel noodig.quot;

WIJSBEGEERTE EENE ROEPING VAN ALLEN. (542)

788-790 200-201 „Verdeeling van arbeid werkt ongunstig op de algemeene ontwikkeling van het individu. Dit is niet alleen van toepassing op hand- of fabriekwerk, maar overal.quot;

ocr page 80

REGISTER OP DE

791 202 „Ook wijsbegeerte is tot een „zaak van weinigenquot;\' gemaakt quot; Natuurlyke en bespiegelende wijsbegeerte.

792-793 203 „Natuur-philosophen staan in de schatting des Volks veel lager dan de metaphysici. De natuur-philosopbie werd weldra publiek domein, de metaphysici zijn door het onbegrijpelijke, het onge-nietelijke van hun wetenschap bewaard voor ontheiliging.quot;

79-± 204 „De weduwe van een predikant deed mij eens schi-iftelijk de vraag, of wijsbegeerte kan samengaan met theologie ?quot;

795 205 „Nog altijd wordt het verstand aan banden gelegd door \'t opsluiten van wijsbegeerte binnen akademische gehoorzalen.quot;

790 205 Meeting te Batavia, in Mei 1848. „De heeren die deze opschudding bewerkten, gaven duidelijk\' blijk dat zij niet het minste begrip hadden vnn de verhouding tusschen Indië en Moederland.quot;

ZEKERE THEOLOGIEN. (554)

797-798 206 „Het ongerijmde laat geen comparatief of superlatief toe ; anders zou het Protestantisme on-gerijmder zijn dan het Katholicisme. Daar echter ongerijmder reeds geen woord is, moet ik mij ook van den superlatief onthouden, en dus zwijgen van de modernen.quot;

68

ocr page 81

IEMAND DIE IN ZICH ZELF DE NOODIGE GESCHIKTHEID HEEFT. (554)

Wie is bevoegd tot het schatten van bevoegdheid?

Wat is zéker? Legende van Ahasveros. Eeisverhaal van een duitsehen predikant.

„Domheid speelt een hoofdrol in de oorzaken die velen onbevoegd maken tot de functie van waarheidsbode/\'

„Om zich tegen eigenbelang te wapenen kan een zeker lesje van Molière dienen quot;

■803-804 210-211 „Gewicht leggen op zélf waarnemen is slechts dan niet ongerijmd, indien men bewijs geeft van helderen blik, onbevooroordeelde opvatting, correcte redeneerwijze, en moed tot het aannemen van de slotsom. Dit moet verbonden zijn met wat blijken van ernstige inspanning.quot;

-305-817 211-234 Likdoorns. Geschiedenis van Adèle,

816 234 „Wij nemen \'t anderen meer kwalijk dat zij onze fouten kennen, dan onszelf dat wij daaraan mank gaan.quot;

818 237 „Ik weet niet of het voorgaande „mooiquot; zal gevonden worden.quot;...

* Waarom is weer gebleken dat de bovenstaande vertellüig en de geheele derde bundel heneden nederlandsdie kritiek was ?

■819-821 238-241 Vrije studie op.aestetisch gebied. Beoordeeling van kunstwerken.

799 207

800 208

801 210

802 210

ocr page 82

register op de

289 *(By 819) Navolgen van modellen ook door schilders. Alma Tadema.

822-823 242 Velen meenen hun oordeel te mogen laten afhangen van \'t antwoord op de vraag: „wat leert men hieruit ?quot; Ontwikkeling door het kritisch aanschouwen van kunstwerken.

826 245

827 245

DE ONZEDELIJKHEID VAN DE BELOON-THEORIE IN DE OPVOEDING. (561)

824-825 243-244 Premiën na den dood. Eeuwige zaligheid voor \'n oogenblikje deugd! Twijfel aan de prompte betaling. „Wie belooning toezegt voor goed-zyn bereikt nooit z\'n doel.quot;

„Godsdienst is in den hoogsten graad onzedelijk; de oprechte geloovers spelen den „Tartuffequot; tegen hun eigen God.quot;

Aanvulling der pruimen-vertelling van van Alphen..

ONDERWIJS. (561 e. v.)

828 246 „Het onderwijs helet veelal de ontwikkeling die-

\'t juist zijn taak was te bevorderen.quot;

829 247 Stuk van den beer Hemkes over onderwijzers-jaar-

wedden.

830 250 Nabetrachting naar aanleiding van dot stuk.

831-832 251-253 „Heeft de Staat belang bij goed onderwijs ten platten lande ? Behoort onderwijs van Re-o-eerincrswege uit te gaan ?quot; enz.

70

ocr page 83

IDKËN VAM MULTATDLI. VI

Nos. BIz.

883-835 254-255 Invloed van het standverschil op\'t onderwijs.

836-839 255-258 rWat is het doel van het onderwijs? Het mag de oefening in \'t denken niet tegenwerken.quot; Weten en ontwikkeling.

840-841 259-260 „De kennis mag niet op ontijdige tijdstippen worden opgedrongen. De scholen mogen geen „iw-tempestiviteits-clejihmoedelooslieid\'\' aankweeken.quot;

842-843 261-262 Scholen een noodzakelijk kwaad. Onderwijs in de Historie.

844 263 „Er schijnt in het erkennen van onkunde eene be-leediging te liggen voor de velen die met half-weten tevreden zijn.quot;

263-265 Onverteerbare steenen die ons tot last zgn. Studie na de schooljaren ; het weerzien van oude bekenden.

265-267 „Wordt het doel dat wij van onderwijs verwachten, b.v. beroepshandigheid, bereikt ? Alge-meene vorming moet altijd bijzondere voorafgaan.quot;

268-271 „Behoort het onderwijs intensief, extensief of gemengd te zijn ? Waar is in \'t laatste geval de grens? Wat is er tegen vulgarisatie der wetenschap aan te voeren ?quot;

269 *(By 855) De spreekwijs: „dat men een lied schuldig is aan alle opiniën.quot;

858-861 272-274 Eangverschil, trappen in \'t onderwijs. Onderwijs voor den zoogenaamd geringen stand.

845-848 849-852 853-857

862-863 274-275 Ontwikkeling van het boereJcind in de eerste periode van z\'n leven. Id. van het stadsMnd. „Het boerekind met onthouding van kennis staat in die periode hooger dan het stadskind met overvoering van kennis.quot;

864 277 Distractie bij kinderen. Opgedrongen oplettendheid

ocr page 84

register op de

voor ontijdige kennis.

865 278 „Het is een zonderling praatje van geschiedenismakers dat \'n Volk, als zoodanig, ergens vandaan gekomen is.quot;

866-871 278-281. „Vanwaar over \'t algemeen de tegenzin in gesprekken over onderwerpen van eenig wetenschappelijk belang, dan uit die opgedrongen oververzadiging in onze jeugd? Betrekkelijke geringheid der kennis De kennis waarmede men ons op de school toerustte is gewoonlijk onbruikbaar. De vatbaarheid voor vrije studie wordt gedood en het is moeielijk later weer opnieuw te beginnen.quot;

872-876 282-287 Verdere ontwikkeling van den sfctMiw;. Series lectionum: schoolbotanie. enz. „Is het zoo moeilijk te begrijpen dat indrukken hun tijd kiezen, en dat wij verkeerd handelen de wenken te verkrachten die de natuur ons daaromtrent zoo duidelijk geeft ? Bestaat er ook hinderhic.fshik ? en zijn er ook voor kinderen miniatuurvrouwtjes ter oefening?quot; Kinderboeken. Geheimkramerij ten opzichte van het geslachtsleven.

„Deze verhandeling meer een sociale dan wel een paedagogische studie.quot;

De Emïle van rousseau.

877 288 288

878 290

„Wordt de geschoolde knaap in de maatschappij

met open armen ontvangen ?quot;

*roüsseau en de Confessions.

Verschil in rang als mensch die wij genoodzaakt zijn toe te kennen aan de beide kunnen op zekeren leeftijd.

879-880 291-292 Bondgenoot in de Wet: Meerderjarigheids-verklaring. Wantrouwen dus der Wetgevers in schoolwijsheid.

881-882 294-295 Verdere ontwikkeling van den hoerehnaaf,.

72

ocr page 85

ideën van multatüli.

Nos. !. Blz.

Stads- en plattelandscoteriën. „De bekrompenheid van gezichtskring is even groot als bij den stedeling.quot;

883 29(3 „Zijn degenen die veel geleerd hebben zachter van aard en zeden dan anderen?quot;

884-885 297-299 „Valsch liberalismus : schuwen van terugkeer tot de monnikengeleerdheid der middeneeuwen en toch tot in \'t oneindige diplomeeren! Waar liberalisme : geen afkeer van behoudend uitsluiten der lagere klasse van ontwikkeling, maar toch gradatie naarmate der standen.quot;

DE SCHEPPING WERD IN WEINIG REGELS AFGEDAAN. (563)

886 302 „Het kind is reeds tevreden geworden met „niet

wetenhet vraagt niet meer. Thuis is hem reeds van een Lieven-heertje gesproken en zijn denkvermogen is rijp ter bearbeiding voor kathe-chizeermeesters, enz.quot;

887 303 Vertelling van Bellamy en Ockerse.

307 *Het sprookje van Abraham en Teuach. Doede.s contra Büchser.

888 308 Over Genesis en het vele schoone in den bijbel.

889 310 „Slordigheid van uitdrukking die dikwijls in den

bijbel voorkomt: oorzaak van veel hansworterij en priesterdom.quot;

890-891 311-312 Over biologie, orakels en latta.

311 *(Bij 890) Wat de heer Alberdisgk Thijm van Vorstenschool zegt.

892 315 Stichting van scholen door Karei den Grooten.

„\'t Verstand der menschheid heeft sedert eeuwen

73

ocr page 86

74 REGISTER OP DE

Xos. Biz.

geslapen, stompgeklemd onder de nachtmerrie die de eerste beschavers ons op hoofd en hart wierpen.quot;

Het Katholicisme. Een bezoek in een katholiek bedehuis.

Standen ten opzichte van de uiting van gelooverij.

Openbare vroomheid; processien.

^Vervolging van Katholieken en Jezuïten in Duitsch-land. Belasting betalen aan de Kerk. De auteur in Wiesbaden onderzocht, wat de ^goedkoopstequot; godsdienst was.

895-896 323-325 Slaapliedje: „ Wol an Drutni minquot; enz., waarmede onze voorouders bedweld werden.

897-898 326 „Zijn de protestanten zooveel beter?quot; Modernen: geloof met steenlvol. Verband met onderwijs.

HET ZIJN LIEGT NIET. (574)

899 327 „Het is onze plicht de kluisters der biologie te

verbreken.quot;

900 328 Oorspronkelijke beteekenis van het woord Jehovah. 329 * Pantheïsme en Materialisme. „Deze aanhielden niet

alles of „een hoopje stofquot;

901 330 „Toch zeg ik niet: gij zult u geen beelden maken.

Maar wel dring ik aan op voortdurende waarschuwing dat het zichtbare slechts eene onvol-komene voorstelling is van wat de dichter met zijne beelden bedoelde.quot;

„Het geloof in een persoonlijken God is een misverstand.quot;

902 331 Verkeerd opvatten der woorden natuurivetten, logi

893 317

894 320 322

sche noodzakelijkheid, enz.

903 332

De zg. profane mythologie en de bijbel.

ocr page 87

ideén van mültatüli. 75

xos. blz.

904-905 333-336 De inleiding der Metamorphosen van Ovidiüs en Genesis.

Tegenstrijdigheden in het onderwijs. Verschillende wijze van behandeling van bijbelsche geschiedenis en van grieksche klassieken. „De letterkundige voortbrengselen der ouden worden op school alleen gebruikt om modellen te leveren van dactylen, spondaeën, enz.quot;

906 337 Het absurde van een , Schepping.quot; Anthropomor

pltisme van ons Godsbegrip.

907 339 Causae finales en -efficientes.

908 339 Bidden. Waarom generaal Troohu geen „vain-

queurquot; was.

909 341 „Er wordt niet om erkend ongerijmde of onmoge

lijke dingen gebeden.quot;

Soldaterij en Godsdienst.

910 341 Moderne vechtprincipes. Trochu.

911 343 Verband tusschen soldaterij en geloof. Wèl een

„Heerquot; der heirscharen, doch geen „Heerquot; der Posterijen, der Registratie, der Indirecte Belastingen of van de Stoomvaart.

De Engelsche puriteinen.

912 344 „Ook bij de Katholieken is er bij al hun Heiligen

geen speciaal-Heilige belast met de hoogere vechtkust. Dit is ook daar een zaak, waarmede de „Heerquot; zélf zich bemoeit.quot;

Vervolg: ONDERWIJS, IN VERBAND MET HET GODSBEGRIP EN DE STUDIE VAN DEN AARD DER DINGEN.

913 345 „Waarom wordt er geen eind gemaakt aan het

ocr page 88

REGISTER OP DE

heerschende verstandsbederf?quot;

Stilstand sedert achttien eeuwen van af Augustus. „Nog altijd is er ondanks stoom, enz. gebrek aan vermaak, aan \'brood.quot;

„De goddienerij belemmert de ontwikkeling en de welvaart. Ook een zeer groot gedeelte van onzen middelstand leeft ellendig.quot;

Ik predik untevrecïenheid (geen socialistische of

communistische beroeringen!) De commune te Parijs; „Schaamt u, ongeloovigen. ge hebt u gedragen als Christenen!quot;

O O

De communards in tegenstelling van werkelijk verlichten.

*Hyacisthe een „man van beteekenis!quot; Wallace en de doeleindenleer. Ophemeling van Buitenlanders

„Terugkeer tot de Natuur, de ware zedelijkheid die ons behoort te onderscheiden van geloovers, andere barbaren en dakpannen.quot;

Oproeping tot bestrijding van het geloof aan een pei-soonlijken God.

„Voldoet de ontwikkeling onzer kinderen aan de eischen der Maatschappij, gij ouders die beweert dat de rang als Mensch daaraan niet voldoet? Uwe kinderen, geloovers, zijn zelfs onbekwame kostverdieners! Wordt het doel van ons onderwijs bereikt? Heerscht er stoffelijke welvaart?quot;

„Behoort het onderwijs tot de bemoeienis van den Staat? De Staat heeft er belang bij dat er niet te veel geleerd wordt. Maak ze unterthanig. IJ err Sehulmeister! De voorgangers zijn niet de élite van het volk en dus kan de inmenging va-.i den Staat nooit anders dan eenzijdig wezen.quot; Liheralismus of Behoud?

*Hoe Bredero de godsdienst „du jourquot; te pas bracht.

76

Nos. Biz.

914 345

915 346

916 347

917 348 349

318 351

919 352

920 354 356

ocr page 89

77

om een gezellig avondje door te brengen. Ander gebruik dat er soms van den godsdienst gemaakt wordt.

921 357 „Uitstekende mannen zijn niet ter school gegaan.

Genien en brood zijn door de gouvernementeele at\'richtingsmetbode even zeldzaam geworden.quot; On-eerljikheid om niet gediplomeerden te beletten gratis onderwijs te geven in hun godsdienst, terwijl er een nationaal-god bezoldigd wordt uit een afzonderlijk budget van Eeredienst!

HET BEOORDEELEN DER ZEDELIJKHEID. (589)

922 359 „Kunnen onze tegenwoordige zederechters de ware

zedelijkheid beoordeelen ? Ze zijn onkundig, bevooroordeeld en zelfs omgekocht. Hoe zijn zedeu ontstaan \'?quot;

923 360 ïijdelyke en plaatselijke noodzakelijkheid. Onder

scheid tusschen zedelijk kwaad en overtreding van maatschappelijke instellingen of van de zeden !

924 361 Cirkel, waarin de zedelijkheidsbegrippen rondloopeu.

*Ferixga\'s DenwJcratie en Wetenschap. Ook de auteur is sedert jaren zoekende.

\'J25 362 Invloed der gelooverij. Zedelijklieidslessen in den bijbel en andere dergelijke rbapsodische verzamelingen. „Christelijkequot; levenswandel, e. d. Inconsequentie der christenen. 364 *Lijkenverbranding en prof. Harting\'s vrees voor ammoniak-rrebrek!

ocr page 90

78 kegistek op de ileën van multatdl1.

926-927 365-367 De schrijver en het publiek. „Er zijn weinig auteurs die zóó weinig aan hun tgdgenooten verplicht zijn als ik.quot; Omstandigheden waaronder de 3de Bundel geschreven is. Over den toon van mijn schrijven.

365 *iBij 926). Laaghartige behandeling die de auteur van z\'n landgenooten ondervindt. C. Vosmaer\'s vZaaier.quot; Vorstenschool populair geworden door v. Züijlen en Haspels. De van Vlot en\'s.

Dronkenschap als belemmering van Vrije Studie.

928 368 „De volkeren beginnen te denken.quot; Algemeene uitbarsting die er vroeg of laat volgen moet.

De auteur erkent vermoeid te zijn. „Niet van arbeiden zoozeer, als van \'t vervelend worstelen met de triviale hindernissen, die hem zoo vaak \'t werken onmogelijk maken.quot;

370 Naschrift. Vosmaer ; Ykkvsg.k ewamp;e Sneeher Courant. De auteur meent deze 3° Bundel te mogen rangschikken onder \'t beste werk dat hij geleverd heeft.

Bestandbeelden van Thorbeoke!

ocr page 91

929

V IE EDE BUNDEL.

Blz.

1 Over den oorsprong onzer denkbeelden. De Arnhemmer en Vorstenschool.

3 Over de personen in Vorstenschool voorkomendf.

Titel en aanwijzingen.

4 *Opmerking over de uitdrukking: „aan de kaak

stellen.quot;

930

7 *Noot met eenige aanwijzingen. De auteur betuigt zijn oprechten dank aan Mr. van Hall en aan de tooneeldirectie Lc Gras, van Zufjlen amp; Haspels en brengt in \'t bijzonder hulde aan de artistieke wijze waarop de heer D. Haspels de rol van koning George vertolkte.

VORSTENSCHOOL

Eerste Bedrijf. Tweede Bedrijf. Derde Bedrijf. Vierde Bedrijf, Vijfde Bedrijf.

11

26

51

73

98

ocr page 92

register op de

nos. ulz.

931 122 Over Vorstenschool en hetgeen verder in den bun-del volgt.

BRIEF AAN DE GEYTER, TE ANTWERPEN.

932 124 Over het nummeren der Idecn in den 3den bundel, enz.

938 124 „Principes heb ik niet.quot;

934-935 124-125 „Principes zijn dikwijls voorwendsels tot plichtverzaking.quot;

93G 126 „Nederland is vol principes.quot;

937 126 De Havelaarszaak.

*Kwalificatie van den heer van Gorkum van Havélaars ontslag uit den dienst.

938 127 Uitlegging aan de Vlamingen, wat moderne predi

kanten zijn.

939 129 „Ik ben \'t niet eens met Larochefoucauld, dat hui

chelarij de hulde wezen zou, die ondeugd aan de deugd bewijst. Ze is eenvoudig de hulde aan \'t belang.\'quot;

940 129 Vervolg: moderne predikanten.

941 131 Over Dauwin. (Verwijt van halfheid.)

942 132 Vervolg modernen. Brief aan de Haagsche afdeeling

der maatschappij: „Tot md van den Javaan.quot; (bl. 137.) De Havelaarszaak. De insinuatie van van Gorkum en andere laaghartige insinuatiën : Zóó is mijn publiek, de Geyter ! Zekere recensien van de Specialiteiten en van de Millioenen-Stu dien. „Is het te verwonderen als ik bitter ben ?quot; 139 quot;\'quot;Scene ten huize van den heer J. van Lennei1.

80

ocr page 93

81

943 145 De werkkringen, waartoe de schrijver zich bekwaam

rekent of binnen zeer korten tijd zich bekwaam zou kunnen maken.

944 147 Het telkens citeeren van Stdakt Mill.

945 147 Vervolg van 943. Inlichtingen omtrent den schrijver.

946 151 Tegenwerking der mannen van letteren. „Niet dan

mijns-ondanks betrad ik hun gebied!quot;

947 152 Soldaterij en de ontzenuwende werking van de mili

taire africhterij in wegloopen.

948 153 Uavelaars wachten op recht; zijn geschrijf en de

opgang die het schijnt te maken. Waaraan dit te danken ? De schrijver vraagt nl. nimmer naaiden smaak zijner lezers.

949 155 De zieke, die met een citroen ware te genezen ge

weest.

950-951 156-157 Havelaars zwerven voor en na het schrijven van den Havelaar. Zijn arbeiden. Vergeefsche sollicitatie bij v. Twist e. a. Het pakje met 6e-icysstuJcken in de Havelaarszaak. v. Twist op \'t punt van te sterven.

952 159 Denken als middel om hoogmoed te rechtvaardigen

en staande te blijven.

953 160 Wat het denkvermogen kan onderhouden en op

scherpen. Cijfers. Stipt redeneeren en gevoel. „Een booswicht maakt op mij den indruk van 2X2 = 5.quot;

954 161 Verstand en zedelijkheid. Een discussie met iemand

te Amsterdam die zich duidelijk wist uit te drukken. (Uitzonderingen!)

955 162 Het is dwaas aan te dringen op ■yoZfcoJMm juistheid

in definitien, deze bestaat niet. Eekenen metbe-

6

ocr page 94

82 eeg1ster op de

Nos. Biz.

naderde getallen.

956 162 Nog eens de Amsterdamsche tegenstander uit 954 :

„Ik wensch mij lezers van deze soort toe.quot;

957 162 Het lot van de aanteekeningen, gehouden gedurende

mgn smartelijke Odyssee. {Pak van Sjaalman, etc.) Onderwerpen die de schrijver zich voornam achtereenvolgens te behandelen. Eenige weinige overblijfselen daarvan: Over het verval der Neder-landsche tooneelspeelkunst en dramat. litteratuur. Invoer van buitenlandsch fabrikaat.

958 164 Parabel van de sleutels, die een reiziger op een

eiland meebracht.

959 165 Eetributie en Contributie.

960 166 Belasting op vreemd citaat:

^Verlies van dien invloed op den lezer.

961 166 Over citeeren.

962 167 Ferin*g.\\\'s „Democratie en Wetenschapquot; en de Sclla

ger Courant. „Weinig nauwkeurige kennis van zaken !quot; . . . Zwijgen over de geschriften des auteurs.

168 *De godkundige dokter van Vloten en de heer Alberdingk Thijm over Vorstenschool.

963 171 Luiheid, valsheid en domheid in \'t karakter van

het publiek, dat mij doodzwijgt. „Niemand durft.quot; Nog eens de Schager Courant.

964 175 Over ploerten. De platen van Cruikshank.

ocr page 95

ideés van mur.tatuli. 83

THORBECKE,

965 177 ïhorbecke overleden.

966 178 De geschiedenis van Eloy in het N. Testament.

Van eiken God of heilige valt iets te zeggen, wat van Thorbecke ?

967 179 „Een bedorven volk voelt van tijd tot tijd behoefte

zich \'n „Anstriclï\' van geestdrift te geven door \'t knielen voor een zelfgemaakt kalf.quot;

968 179 De opmerking van Mr. Jolles, dat de overledene

(Thorbecke) ook „in God geloofde.quot;

969 180 Wat heeft Thorbecke gedaan? Niets. De toestand

van het Ned. Volk, sociaal en politisch, is gevaarlijker dan ooit.

*Herhaalde berichten van hongersnood op Java.

970 183 De redevoeringen bij het graf en d\', i ■ i. Jolles.

971 184 Stukken in het Haagsch JJagblad, (Orgaan van Mr.

Heemskerk.) en in den N. liotterdammer. „Als ik dood ben zal \'t me aangenamer wezen door \'t Dagblad verscheurd te worden, dan verdedigd door den N. Eotterdammer.quot;\'

972 190 De 107 grafschriften op Thorbecke.

973 204 De N. Eotterdammer en de Tijd: „Geen enkele kon

zijn, wat hij is geweest.quot; De bisschoppen-kwestie.

974 207 Wat de N. Eotterdammer aan den Tijd verwijt.

De circumspicient had nl. moeten ontdekken: Véél stoffelijke welvaart, enz. Weerlegging daarvan. „Stoffelijke welvaart? Orde in\'t huishoudelijk beheer van den Staat?quot;

975 210

„Kan \'t behandelen der publieke zaak op de wijze zooals dit naar aanleiding onzer Kieswet tegenwoordig geschiedt, \'n goeden invloed op ons

ocr page 96

84 register op de

Staatsbestuur hebben ?quot;

976 211 Voortzetting der weerlegging in 974. „Voomitgang in intellectueele ontwikkeling?quot;

977-978 212-215 Eedevoering van Jorissen te Groningen. Vergelijking met \'n gedeelte van de iakerpreék.

979 216 Andere redevoeringen en die van prof. de Bruyn

Kops: „Thorbeeke versprak zich nooit,... zelfs niet in vertrouwelijk gesprek !quot;...

980 219 „Oproeping aan de ingezetenen van Amsterdam.quot;

Stuk van de Amsterdamsche Thorbecke-Commissie en de keerzijde van het uitgeknipte blaadje: „Zou \'t wat helpen?quot; (Over de toelage der lagere-onderwijzers.)

981 221 De preek van Ds. Hoevers: „Mannen van name!quot;

{Genesis VI : 4) „Zóó laat men zich biologeeren !quot;

982 223 De auteur was eerst van plan nog een ernstig

onderzoek omtrent Thorbeeke in te stellen, doch is tijdelijk van den drekgod der Ned. Natie-misselijk geworden.

224 Brief aan den Koning, (over Atjin.)

983 226 Opmerking van de Kamper Courant over dien

brief. Gehalte van andere tegenstanders.

984 228 Opmerkingen over onze verhouding tot Atjin.

985 229 Opmerkingen over Staatkunde en Staatsmannen.

Partijgeest.

986 232 Bevoegdheid van staatkundige voorlichters.

987 233 Het Koningschap in verband met de Kieswet-

ffeving van Thorbecke. Thorbeeke was geen

ocr page 97

ideén van mültatul1. 85

Staatsman.

988 234 „Bij de eerste kommotie in Europa worden we ingelijfd, of... „ We ff met de Kamers\'.quot;

237 *Hiermede wordt geen „Ontbindingquot;\' bedoeld! Annexatie bij Duitschland.

989 238 Beoordeeling van Vorstenschool in den N. Rotterdammer.

990 239 Het versje van Albert en poëzie.

991 240 Vervolg van de beoordeeling van den N. E.

992 242 Eecensie in „Onze Tolk.quot; (prins Denderali.)

993 246 „Subjectiviteit!quot; Over kritiek. Weer de N. E.

994 249 „N. Eotterd. Staatkunde.quot; Onhandig aanhalen van

Schiller en Götiie.

995 252 Verhaal van den veldprediker Scholten.

996 255 Brief van D. Post aan Multatüli (in den Vox.)

Opmerkingen over den toon van dit schrijven.

997 262 Opmerkingen over anonimiteit.

998 265 Lasteraars en de Arnhemsche Courant. (Zekere Q.)

Wijze van arbeiden van den schrijver. Over de anonymiteit van den heer Q.

999 270 De manier waarop de Arnhemsche courant de

woorden omtrent Vorstenschool gebezigd, introk. -Ingenomenheid met zich zelf!quot;

ocr page 98

86 REGISTEU OP DE

Xos. Blz.

1000 274 Over het vQui se fdche a tort.quot;

1001 276 Nog eens over den bitteren toon van mijn geschrijf.

1002 278 Geniën en genialiteit.

1003 281 Uitstekendheid die een uitvloeisel is van werkzaam

heid en geduld.

1004 282 „Geen heter leer clan een goed leven: Vertel ons

uw leven r Inlichtingen omtrent den schrijver.

1005 286 „Neen, Post, ik vertel m\'n leven niet.quot; Dolkstoot

den schrijver door den Arnhemmer toegebracht. Z\'n voordrachten.

*Een kleine tegenstelling ! Noma\'s verblijf te Padua.

1006 288 De Arnhemmer en zeker soort van StaatJcunde.

„Neen, Post, ik vertel m\'n leven niet.quot;

1007 291 Nog eens de toon van den brief van Post. vDlt;i Natie leent mij nietOver populariteit.

1008-1009 297-298 Voorgaande redeneering in anderen vorm.

1010 298 Beroep op gebrek aan talent.

1011 299 Reden van bestaan van \'t vorig nummer: een op

stel over talent in \'t Humoristisch Album.

1012-1013 300-301 Nog-eens, , de Natie leent mij niet.quot;

1014-1015 303-304 Anders. De Havelaar. Pogingen den schi ij-ver voor onbekend te doen doorgaan.

1016 306 Geschiedenis icelke Generaal Cleekens vertelde.

1017 311 Yergelijking tusschen Tacitus en Hooft.

ocr page 99

87

Nos. Biz.

1018 313 Wat Tacitus van Octavia, Nero\'s gemalin ver

haalt.

1019 314 „Geen onrecht is zoo gruwelijk, als wanneer\'t ge

kleed is ia de vormen die \'t doen gelijken op iets als rechtspleging.quot;

1020 314 Vervolg van 1018. De grootmoedige Pythias.

1021 316 Gezegde van Ml. De.tazet.

1022 317 Vervolg van de geschiedenis van generaal Cleerens.

De „Bogotvonto.quot;

1023 320 Een voorbeeld van \'t bogowontisch verzwijgen van

m\'n naam bij \'t letterlijk aanhalen van mijn woorden. Woorden van den heer Wistgens.

1024-1030 321-334. De Feiten van Brata Youda.

1031 335 Beschuldiging van schelden. (Brief van Post.) The-

odor Hook\'s wiskunstige scheldwoorden.

1032 338 Havelaae en v. Twist in de Kamer.

1033 340 Verdere behandeling van den brief van Post.

Wachtwoord door van Twist gegeven.

1034 343 De Multatiili-Com missie. (Oproepingen, enz.)

1035 348 Een paar opmerkingen dienaangaande.

1036 351 Stilzwijgen op de werken van M. en oneerlijke re-

censien. Die van Mr. Vosmaer.

*Intrekking van de woorden tegen hem gebezigd.

1037 357 Neiging tot verkeerd toepassen van opmerkzaamheid.

*De Atjin-oorlog.

ocr page 100

88

Nos. Biz.

1038 359 Mistasten in keuze van belangstelling. Post en

Fekinga.

1039 362 Indruk, die M.\'s werken op een onbevooroordeeldeu

lezer moeten maken. Treurige ondervindingen daaromtrent.

1040 362 Voorbeeld van domheid. Het bloempotje uit de

Minnebrieven,

1041 366 Tweede voorbeeld van slordigheid in opvatting:

Stuk over Laura Ernst. Samenvatting van grieven over de behandeling van werken en persoon. Nauwte van gezichtsveld en Specialismus.

1042 370 Antwoord van Post in zijn brief aangaande de

insinuaties van den schrijver tegen de modernen.

1043 373 Opmerkingen over partijgeest e. d.

*Karakteriseering van de kleinheid van den tijdgeest. Stuk van Eoorda in \'t „Vaderland.\'quot;

1044 375 Beschouwingen over den ernstigen toestand waarin

Nederland verkeert, in verband met onze vele cóteriën.

1045 377 Eenige opmerkingen omtrent het voorgaande.

1046 378 Middelen tot verbetering van den toestand. „Waar

heid, geen Staatkunde!quot;

379 Naschrift. De Thorbecheritis, in dezen bundel behandeld. Standbeeldbejubelend hoofdartikel van \'t Nieuws van den Dag en eenige regels in \'t bijvoegsel van datzelfde blad in geheel anderen geest! „\'t Zoogenaamd modernismus op kerkelijk gebied \'n voortbrengsel van den zelfden grond die de miasmen der parlementery uitdampte.quot;

ocr page 101

YIJFDE BUNDEL

WOUTERGESCHIEDENIS.

XXIII.

1047 5 Wouters ziekte nam ten laatste een gunstigen keer. Van den dokter krijgt hij mooie prenten en een verfdoos. Oude- en nieuwe prenten. Stof-felsche wijshedens.

1047a 8 Mensch-grammatica en taal-psychologie.

„Het levende werd dood. Weldra schreef men niet wat er gesproken werd, de schoolmeesters eischten dat men spreken zou zoo als zij verkozen te schrijven.quot;

1047b 10 Beteekenis van het woord Rast. (Bilderdijk.)

1047° 11 Eenige taalkundige opmerkingen Verandering der Keltische ürtaal. Invloed der Romeinen. Invloed van de Kerk.

1047d 14 Verdere opmerkingen over wijsgeerige taalstudie.

De woorden „gamin,quot; „misantrope.quot; Weder-keerigheid van den invloed dien de wijze van uiting op \'t begrip heeft. „In zeer hoogen zin is elke oorzaak even gewichtig als elke andere.

ocr page 102

register op de

Van lager standpunt echter bestaat er wel verschil in rang.quot; Vermakelijkheid. Geen dankbaarder vak van onderzoek dan algemeene taalkunde.

1047\'-\' 18 Eust en Strijden; enz.

XXIV.

1048 20 Wederom Wouters prenten. De geschiedenis van Genoveva.

21 „Zonderling is de gemakkelijkheid, waarmee mensch en menschdom op zekeren leeftijd heenstappen over ongerijmdhedens.quot; De geboorte van Jupiter. Mooie kleeren, enz. van heldinnen in ridderromans. Gemis aan kritische zifting ook bij zeer veel volwassenen. „Onze grootvaders namen volkomen genoegen met „eenzamequot; dalen, enz. R. Feitii en z\'n nagemaakt-wcr^ersc/«e / sentimentaliteit.quot; Vermakelijke aanhalingen uit de vHermi(t.quot; (Graftombe, everzwijn, enz.) „Zijn we in onze dagen zooveel verder ? De smaak alleen is veranderd na de ontbinding der firma Hart, Smart é Cie.quot;

1048a 24 Salomo\'s recht. „Al had Wouter lust en bekwaamheid gehad tot kritisch onderzoek, van Salomo zoud-i afgebleven zijn. omdat het hier \'n bijbel-sche zaak gold.quot;

25 Tusschengescliicdenis. De schrijver heeft zich dertig jaren geleden eenmaal \'t genoegen verschaft Salomo naar de kroon te steken, toen hij civiel-gezaghebber te Natal was. Geschiedenis van de twee arabieren.

De Chinees Keh-Moeda die op St. Helena Napoleon gekend had.

XXV.

1049 34 Wouters keizerrijk. Kleuren van de prenten. King

90

ocr page 103

ideên van mültatult.

Nos. Blz.

Leav, Lady Macbeth, Ophelia en Femke. Het scheelt weinig of Wouter verloochent Femke.

91

1049a 37 Rehabilitatie van Petrus.

1049b 37 Wouter neemt zich voor Femke te bezoeken, zoodra hij uit mag gaan. De wasch aan buis herinnert hem aan haar. Hoe bij zich bijna versprak. Lady Macbeth wordt in \'t geel gezet, doch Ophelia\'s beeld komt rein uit Wouters banden.

1049° 39 De slimme Stoffel is te weten gekomen wat dat dan toch eigenlijk voor prenten waren. Onthullingen uit de toneelwereld. Leentje wordt verdacht in de komedie te zijn geweest. ,Men houdt zich in \'t algemeen liever bezig met iets abstracts, dan met dagelijksche zaken.quot; Het huishouden uitzondering. Leentje wordt van erger dingen verdacht. Ondervraagd, bekent zij haar schouwburgbezoek en moet nu alles vertellen. De „onechte zoon.quot; Het liedje: „mooie meissies, mooie Noemenquot; wekt de verontwaardiging op van de drie gratiën Pieterse.

1049a 45 Iets over straatzangers en gemaakte volksliederen.

Orgeldraaiers met smachtend sentimenteele aria\'s. „Waren dit verdwaalde spranken van de o- en ach-poezie ? Bij \'t omzetten der vroolijkste melo-dien in iets weemoedigs zal ook alweer \'t hysterisch element niet ontbroken hebben.quot; Een idyllisch liedje, met woorden uit het Hooglied. „Mooie meissies, mooie blommequot; op een melodie van Mozakt uit Figaro\'s Hochzeit. Nooit jacht in die liederen op Faublasseric, noch zelfs op iets koddigs. Bekrompenheid van den braven Pennewip.

1050

XXVI.

50 Vervolg van Leentje\'s verhaal. Uitleggingen van

ocr page 104

register op de

een „heerquot; die achter baar en de kleermakers-juffrouw zat. Zonderlinge ontvreemding van een pepermentdoosje. Kommentaar van Stoffel. Wat na het verhaal ieder in den huize Pieterse al zoo dacht. En Wouter!

Bemoeienis destijds van de Amsterdamsche Eegee-ring met den Schouwburg.

92

1050a 55 Is Kunst regeeringszaak? .

cissen uit een stembus.quot; Wintgens.

Men vischt geen Medi-Woorden van den heer


1050b 57 Opmerkingen daaromtrent. Jacht op populariteit waarvan de weinigen die protest aanteekenden tegen \'t barbarismus van Tiiorbeoke, door de tegenstanders werden beschuldigd. Hoe is dit met de principes der liberalen (jacht op districts-populariteit) te rijmen.

1050c 62 Konsequentiën uit de woorden van Thorbecke: Schilderijenmuseums, bibliotheken, enz.

lOSO11 64 „Kunst geen regeeringszaak? Geen kunst bij Waterstaat?quot; Indijken van rivieren oorzaak van de vele overstroomingen en watersnooden. „Het is een leugen dat wij, Hollanders, onzen grond zouden „ontwoekerdquot; hebben aan de baren! Aanprijzing van het indijksysteem als verdedigingsmiddel door krijgskunde ! Toekomstige regeering van \'t een of ander „huisquot; van \'t verdronken land.

1050® 66 Stuk

van Eoorda v. Eysisga in den „Opmerherquot; van 8 en 15 Oct \'77. Henri pe Parville over Inondations.

ocr page 105

ideën van mültatült. 93

Nos. Blz.

1051 69 Divagatiën over ziellooze politiële. (Kunst geen re-geeringszaak.) ,De verstandige beoefent alleen de eenig-zaligmakende religie van. .. \'t gekozen worden.quot; Liberalen en Konservativen zijn hierin gelijk.

1351a 73 „Waar houdt in de kunst \'t utïlisme op, en waar begint het schoone? Heeft de ontwikkeling van \'t schoonheidsgevoel zelf niet \'n zeer utilitaire zijde? Ligt er niet een diepe beteekenis in de wijze waarop \'n Volk zich vermaakt? Stoffelijke welvaart ? Handhaving van orde gemakkelijker onder \'n beschaafd publiek^ dan onder \'n woeste bende.quot; Invloed van de ontwikkeling van \'t kunstgevoel op industrie, enz. Verband tusschen kunstwaardeering en de staatliundige gezindheid eens Volks. Achting die\'t buitenland zoo\'n Volk toedraagt, (waarmede \'t, wat ons landje betreft, allertreurigst gesteld is.) Vergelijking met: „eer is geen vrouwezaak.quot; Zal ooit onze inlijving iets te betreuren geven aan Europa?

1051b 76 Thoebecke\'s „Kunst is geen regeeringszaakquot; is een ^confiteor.quot; Wat men van \'n oud Grieksch wijsgeer verhaalt. Verschillende dynastieke sympa-thiën. „ Wat beschouwde Thorbecke dan wel als Regeeringszaak? Economie de louts de chandelle? Thorbecke\'s Staatkunde: Kommiezerij.quot; (Teleeren uit den politieleen levensgang van den auteur.)

Een paar stellingen en een gissing.

1051° 81 „Ministers dienen Mensclikunde beoefend te hebben.

De studie der kleine burgerstand tot nog toe door psychologen, schilders, dichters, enz. zeer verwaarloosd.quot;

xxvn.

81 Smartelijke aandoeningen van Wouter bij het zien wegrijden van diligences of reiskoetsen. Nieuwe

ocr page 106

BEGISTEU OP DE

plunje. Bezoek van juffrouw Laps. Verstoordheid van \'t mensch ten gevolge van Wouters naïve vragen. Meester Pennewip en Stoffel komen binnen en openen het vuur tegen juffrouw Laps over de komedie. Welke kittelende geheimenissen Wouter alzoo opving en hoe hij zich dat-alles voorstelde. Waarom Salomo\'s Hooglied nooit onder de apocriefe boeken is geplaatst.

XXVIII.

1052 89 Juffrouw Laps triumfeert ten slotte, niettegenstaande Stoffel die er zelfs z\'n „Chrestomatie van \'t Nutquot; bijhaalt. Entiérisme, waaruit het mensch haar kracht putte. „De slechte daden die we dagelijks van de meeste vromen te zien krijgen, staan geenszins tegenover hun geloof.quot; Het sprookje van den Kadi en de duizend Se-chinen. „Huichelarij speelt \'n veel kleiner rol dan meu gewoonlijk meent.quot;

1052;l 92 Pennewip haalt den Floris dm vijfden van den Vorst der nederlandsche dichteren voor den dag, waarvan de schoonheden (?) op vermakelijke wijze aan de Pietersens worden uitgelegd. Wouter te eenvoudig oprecht om verbazing te toouen die hij niet voelde en is verdrietig over z\'n domheid.

105211 96 Middel dat de humorist August Lafontaine aan de hand doet om menschen te leeren beoordeelen. Navolging, op den humor na, van dien Lafontaine e. a. door onze letterkundigen in het begin der 19de eeuw. Een paar verraders.

1052(: 98 Het middel van Lafontaine toegepast op Pennewip.

Achtereenvolgende retirade der juffrouwen Pie-terse. Wat Wouter dien nacht droomde. Zijn arglistig gebed.

94

ocr page 107

ideën van mültatuli. 95

VEROORDEELING VAN »FLORIS DEN VIJFDENquot; VAN BILDERDIJK.

1053 105 Waarom de schrijver van z\'u voornemen moest afzien \'n analytische schets te leveren van de Nederlandsohe Letterkunde in de eerste helft der 19de eeuw, en een betoog van den verder-felijken invloed dien ze op het Volkskarakter heeft uitgeoefend. Rechtvaardiging der keuze van den Floris, in welk stuk God, hoewel niet tot de dramatis personae behoorende, toch de hoofdrol vervult. Staatkundige theologie. Misbruik dat de vromen van hun „Heerquot; maken, enz.

108 Razernij van den gewezen letterprofessor van Vloten. Nogmaals rechtvaardiging der keuze van den Floius.

105311 109 Iets ter verschooning van de keus van \'t in dit hoofdstuk behandelde onderwerp. „De oorzaken van den ongunstigen toestand van \'t Volk moeten gezocht worden op zielkundig gebied De verschijnselen op dat gebied zijn voor \'n groot deel toe te schrijven aan de zaden, die sedert \'n eeuw, en langer misschien, in de gemoederen der bevolking zijn gestrooid door Voorganyers.quot;

105315 112 Iets uit de Schrift: Elia en de Baaisprofeten.

Bildekdijk naar de beek „Kisonquot; gevoerd.

1053° 114 Feitu\'s verhandeling over het treurspel. De „pro-tasequot; van den Floris.

1053a 120 Weer Feith. Tweede bedrijf. De gebrekkige historische voorstelling. Wijsgeerig-artistieke waarheid.

lOSSquot; 124 Vervolg. De „knoopquot; van het stuk en verdere treurspelkunststukjes. Knutselen met historische waarheidjes.

1053f 130 Over dichterlijke waarheid. Wagenaar.

ocr page 108

96 eegister 01\' db

1054 133 Nog eens waarheid in poëzie. De ziel mag in \'n kunstwerk niet ontbreken.

1054a 136 Gebrekkige karakterteekening in den Floris. Vergrijpen tegen Menschkunde.

Parodie. (Samenspraak tusschen Floms en Mach-teld.)

1055 143 Bilüerdijk werd en wordt door milüoenen geëerd!

Vermakelijke staaltjes van Bilderdijk\'s taal en rijmelarij!

1055a 151 Tekst alsvoren; taal l (Nog vermakelijker staaltjes.)

10551\' 159 Zelfde tekst: Bilderdijk\'s taal. (Hoogst vermakelijke staaltjes.)

1056 165 Vervolg van Bilderdijks versificatie en taal. Per-feMiliscli-lcwalczalflorische stoplappen. Hoe Floris „aan handen en voeten geboeidquot; zich verwijdert, e. d. Hoe Meijs-Stoke reeds \'t kunstje verstond van „menager la cbèvre et le chou.quot; Waarom Bilderdijk er belang bij had \'t karakter van Amstel te verdraaien. Dood van Floris, einde van het stuk.

1057 177 Wijze van uitdrukking een kenmerk der moraliteit. Doorgaande oneerlijkheid en leugenachtigheid van Bilderdijk. Oneerlijke strekking van eigenbaat in \'t schoonwasschen van Floris. Hofmakerij aan Lodbwijk-Napoleon. De Opdracht van het stuk en het voorwoord „aaw den Lezer.quot; De teruggehouden „ Voorafspraalc aan den Koning.quot; Monoloog van Floris in de Vde acte. (Hoofdknoop van \'t stuk.) De lezer komt nu eindelijk te weten, waarom Lodewijk-Napoleon koning van Holland is geworden.

ocr page 109

ideën van mültatüli.

10-58 187 De moraliteit der , Verstand- en Sari-litteratuur.quot;

Een paar stalen van de laaghartigheid, waarmede Bilderdijk na 1813 de opgaande zon Willem I aanbad. (Metéén staaltje van keurige taal en uitdrukkingswijze.) Rijmelarij en niet-rijmend proza dat na de restauratie de pers bevuilde. „Er ligt gevaar in \'t geivoon raken aan leugen.quot; Taak des Dichters.

1058a 191 Infame strelcMng van zeker soort van litteratuur.

Paul de Kook. vergeleken met de Verstand- en JEfari-litteratuur. Onmacht van de leugen, om zich te kleeden in \'t gewaad van \'t ware. Dord-rechtsche deugd-principes in Bilderdijk\'s Floris. God speelt in het geheele stuk overal mede. Goddienerij en kuisheid, {„de deugdquot;) waarmee Publiek gediend is. Prikkelende verwikkeling door het maagdschap van Machteld.

1058b 198 „Het besef onzer Verstand- en 7jari-schrijvers gaat in het artikel deugd niet boven de teeldeelen. Deugdzame schrijvers, die lang en breed vertellen, boe \'t een-of-ander niet gebeurde, hebben schadelijker invloed dan hun erkend-onfat-soenlijke kollegaas. \'t Speculeeren op geloof en hysterie ging ten allen tijde hand aan hand.quot; Jonkvrouwelijkheid der „Moeder Godsquot; en de islamsche paradijs-houri\'s. Niet natuurlijke onthouding. Hoe Bilderdijk de taak opvatte \'n Floris V, \'n ridder, \'n Edelvromv uit de middeleeuwen te teekenen.

Nabeschouwingen over de voorgaande kritiek.

WOUTERGESCHIEDENIS.

XXIX.

1059 204 Wouters kerkgang is achter den rug en hij wordt bij juffrouw Laps verwacht. Voorgewende buikpijn.

97

7

ocr page 110

register op de

lOöO11 206 „Leugen niet altijd een uitvloeisel van \'t belang.quot;

1059\'\' 207 Bezoek bij juffrouw Laps. Onaangename vriendelijkheid van \'t mensch. Wouter gaat daarna wandelen en durft Femke\'s woning niet binnen te gaan. Zijn Afrikaansch koninkrijk en wat bij daarbij z\'n moeder, Stoffel en meester Pennewip toedacht. Z\'n thuiskomst.

XXX.

1060 218 Bezoek bij dokter Holsma. Stilzwijgende oorlogsverklaring van kinderen, wilden en sommige vrouwen tegen „ vreemden.quot; Sahtrnalie op dokters studeerkamer. Wouter gaat weêr aan tafel en volgt z\'n gewoonte bij „warm etenquot; te bidden. Z\'n gemoedje zwol er van, dat hij\'n overtuiging hebben kon.

1060u 226 Wouters intelligentie in weerwil of liever in verband met z\'n beschroomdheid. Oorzaken van die beschroomdheid: de metbode waarop men hem \'t weinigje kennis dat-i bezat, had meegedeeld. Hij dacht niet aan de mogelijkheid van beredeneerden twijfel, \'t Geheele menschelijk geslacht gaat aan \'t zelfde euvel mank; de een zweert bij z\'u dorp, enz.; allen zijn we min of meer bekrompen. Tegenstelling hierbij : alles verheffen en naar alles haken, wat vreemd en ongewoon is. Bekrompenheid zelfs bij groote mannen. „Gemis aait hesef van voortdurende verandering.\'quot;

1060l, 229 De „Zedelessen uit oude Verdichtselen,quot; wan livr-gans. (Naar Ovidius\' „Metamorphosenquot;) en de teekenaar Houbeaken. Tegenstrijdigheid van de oorspronkelijke bedoeling der Metamorphosen en de strekking der allegorien van Rotgans. ïïeu vergissing van Houbraken.

1061 235 Het aangevoerd grappig vooi\'beeld geen uitzonde-

98

ocr page 111

ideên van mcltatuli.

ring. Middeleeuwsche schilderijen, bv. die de Moedermaagd in \'t kraambed voorstellen. Ea-faêl. „ Weten is niet altijd hegrijpen; begrip is nog geen besef.quot;

1061a 236 Bestaan is anders worden. Bijna zonder uitzondering beseffen dit wijsgeeren, staatsmannen, diplomaten niet. Evangelie van de iVw-igheid.

99

1061b 237 Inwendige strijd van dengeen die niet zoo spoedig voldaan is. Kedenen van z\'n beschroomdheid-„Slechts enkele van deze soort gaan niet ónder. Zij vergissen zich als ze meenen alleen te staan ; de een weet van den ander niet, omdat twijfelaars nooit \'n gemeente vormen. Het ondergaan van de meesten is natuurlijk; Wat is, moet wezen. Hoe vervelend zou \'n wereld vol wijsheid zijn!quot; Fierheid van dengeen die uit zich zelf kracht en moed genoeg putte om staande

te blijven.

XXXI.

1062 240 Wouter laat den porceleinen lepel uit \'n schotel roomvla op Sietke\'s schoot vallen. Handige wending van haar, om \'t ongelukje te begraven. Verhaal van den admiraal Olivier Van Nooet en den vice-admiraal Jakob Claesz. van Ilpendam. Opmerkingen van oom Sijbrand over taal en spelling. Verknoeiing en moderniseering (?) dei-oorspronkelijke scheepsrapporten. Eenzijdigheid in de manier, waarop de z. g. klassieke talen behandeld worden. Oorsprong der taal. Natuur-nabootsing. Uitdrukkingen aan \'t „kippenhokquot; ontleend. Afschuwelijke veroordeeling van Jakob Claesz. Opmerking van Wouter. Van Noort\'s ruwheid. Over beschaving. Wouter wordt bij z\'n vertrek door de kinderen vriendelijk uitgeleide gedaan.

ocr page 112

register op db

XXXII.

1063 262 Wouter informeert te vergeefs bij Stoffel naar Robinson Crusoe. Bezoek bij Femke. Vrouw Claus. Wouter is met Femke alleen en spreekt van z\'n onkunde en van z\'n wensclien. Femke wil, hoewel niet z\'n vrouiv, toch wel z\'n vrindje zijn, mits hij binnen drie maanden de eerste is op school. Pater Jansen en Ophelia, Wouters prent. Wouter was werkelijk drie maanden daarna de eerste op school.

1064 272 „Wie \'n taal bestudeert als onderwerp van wijs-geerig onderzoek, moet altijd teruggaan tot den tijd, toen ze niet geschreven werd. Spelling heeft met wezenlijke taalstudie niets te maken. Voorgewende geleerdheid bij \'t verkondigen van zulke zaken : kwakealvery.

275 Voorbericht bij de derde uitgaaf van Jonokijs\' .Roozélyns Oogjes.quot; Vermakelijke brief „ Van den Taalkundigen Heere .Ton: Hilarides.quot; (Allerbelangrijkst verschil tusschen ij en y.) „Het is-ongeoorloofd den vorm van een kunstwerk te „moderniseeren.quot; „Annotationesquot; bij Vondel van professor Sciirant. {„Keur van Faarlen.quot;) Vervolg van Hilarides brief. Toen als nu: zulke kennis ging voor geleerdheid door.

286 Tweede brief: „ Van N.N. voornaam Schoolmeester in Noord Holland.quot; Sarkastisch kunststuk van den zetter.

Het verrassende der uitkomsten van wijsgeerig-historisch taalonderzoek. Gemeenzame oorsprong en beteekenis van veel woorden die oppervlakkig niet het minste blijk dragen van verwantschap.. .Men moet zich den vorm^ wegdenken, waarin wij gewoon zijn de woorden te zien. De voorstelling van klanken in toto\'s is zeer gebrekkig \'■ Voorbeelden. Max Muller en de rol die Idanlviui-hootsing speelt in de wording der talen. Lust van den auteur een „Geschiedenis der Menschc-lijhe Spraakquot; te schrijven.

100

ocr page 113

ideën van multatuli.

1065 29-1 Inspanning en gezette studie bij de zielkundige

beschouwing van \'n mensch-exemplaar. Waltek Scott. Vrije-Studie bij \'t beoordeelen van een kunstwerk. Gedichtjes van van Alphen. Vorm en inhoud één: middel ter beoordeeling van kunstwerken. Welke onderwerpen ter studie de schrijver gebruikt om uil te rusten. Vermijden der behandeling daarvan in de Ideën. Rangbepaling, waaraan bekrompen psychologen zich schuldig maken bij de studie van den „Mensch.quot; Ergernis van sommige kunstrechters aan \'t maatschappelijk standpunt van Woutertje. Negatieve hoedanigheden. Uitersten van romandichters. Homerus. Winkel-annoncen-litteratuur. Namaak in onze letterkunde. Het nieuwe vroovi „bepaald.quot;

1066 303 De oorlog met Atjin. „Notaquot; van v. d. Putte.

Stuk van Generaal Knoop in den Gids. Zekere kostelijke praesens in dat stuk. Of Nederland verdedigd kan worden ? „Er zou minder geschreven worden als men zich bepaalde tot de dingen die men wist.quot; De traan van het paard Bayard in de vier Heemskinderen. Weder de oorlogsverklaring aan Atjin.

1067 318 Opmerkingen aangaande het voorgaand oordeel

101

over generaal Knoop.

XXXIII.

314 „In den geringen stand staat het kind van tien of twaalf jaren in geestelijke ontwikkeling minstens met z\'n ouders gelijk.quot; Oorzaak van de gewoone fata morgana over „Icnappe kinderen.quot; „Onwillekeurig en ongemerkt treedt het kind in de geringe standen in al de rechten der ouderen. Geen halfwijsheid omtrent mysteriën van \'t geslachtsleven. Onschuld niet identisch met onwetendheid.quot;

ocr page 114

102 kegtstek 01* de

1068 318 Waarom Femke gebloosd bad. toen Wouter baai-vroeg of ze maagd was ? Hysterie in gezonden zin. Verkeerd begrip van dat. woord. „Zekere etablissementen danken sedert eeuwen liun bloei niet aan hysterie, maar aan verlceerd geleide hysterie. Oyer-bysterische verschijnselen.

10G9 320 Het eerste toegeven aan den wil des „verleidersquot; zoowel bij r/e^oiifZ-hysterische gestellen als bij gemoederen van \'n geheel andere soort is steeds-\'n hwyting, hetzi) van een liefdeschuld, hetzij van een koopschuld. Grondoorzaak der ontucht: gebrek aan hysterische ontwikkeling, gepaard met ijdelheid en luiheid.

1070 322 Abailaed en Heloïse. Was die vrouw onkuisch ?

1071 324 „Het is niet uit Héloises, dat bet personeel dei-

publieke huizen gerekruteerd wordt. Verzadiging niet de oorzaak der bijzondere bravigheid, welke gevallen vrouwen tentoonspreiden wanneer zij somtijds besluiten met \'n „fatsoenlijkquot; huwelijk. Weinig kans voor verzadiging.quot; Klacht over Vryen-Arheid door de ondernemers dezer soort van slavenhandel! (Versje van Piron.) „Met eyfers is dit te bewijzen, in verband met de registers der policie, waarin slechts zéér weinig publieke vrouwen staan opgeschreven.quot; Opmerkingen over het voorgaande en over de kuische, naïve taal des hijheïs in tegenstelling van de zoogenaamd aardige toespelingen op \'t geslachtsleven bij veel schrijvers.

1072 327 „De geschiedenis van alle z.g. beschaafde volken

levert bewijzen dat de zedelijkheids-begrippen gaandeweg toenemen in huichelarij.quot; Jongeluis-gesprekken ; „bruiloftsverzenquot; en „huwelijkszangenquot; van onze voorvaderen ! „Er moet een boekje over den bijslaap geschreven worden in den geest van Macé\'s „Geschiedenis van \'n hapje brood quot;

ocr page 115

ideën van mültatüli. 103

Nos. Blz.

1073 328 Een onbetaalbare zinsnede In een zeker werk; „Het Land, in brieven.quot;

1074 380 Waarom Femke op eenmaal ernstig werd, na \'t ontwaren der smart die haar vroolijkheid Wouter veroorzaakte.

XXXIV.

1075 332 Wouter moet \'n beroep kiezen. Zijn wensch, zeeman te worden wordt met eigenaardige afkeuring ontvangen. „Geldverdienenquot; en \'n nuttig lid in de Maatschappij worden.quot;

334 Advies van den auteur. Voorgewend streven naar nuttigheid. Er zijn nuttige menschen, geen nuttige beroepen. „De smaak der kinderen beteekent niets. Meestal hebben degenen die zich beklagen gedwarsboomd te ziin in hun levensplannen, on-geHjk.quot;

*Over hygienische statistieken.

1076 338 „De beweerde voorkeur voor anderen arbeid dan

ons wordt opgedragen, is niet zelden afkeer van allen arbeid.quot;

1077 338 Tollens in verfwaren en Ten Kate predikant.

„Het karakter en de gaven van \'n kind zijn aan de ouders gewoonlijk onbekend. Er is verband tusschen de neigingen of de gaven van den knaap en de boedanigheden van den man, maar dit verband ligt niet op die wijze bloot, als men dit in vertellingen — alle aprcs coup gemaakt — van de „jeugd van beroemde mannenquot; laat vóórkomen. Kinderen doen zich nooit voor, zooals ze zijn, wanneer ze weten dat men hen gadeslaat. Hoe te handelen, als de kinderen geen bijzondere geestesrichting aan den dag leggen ? Wat moet de Hollander met z\'n zoontje aan-

ocr page 116

REGISTER OP DE IDEËN VAN MÜLTATULI.

Nos. Biz.

vangen, wanneer-i-bemerkt dat z\'n kind behebt is met rechtsgevoel ?

104

1078 341 Geldverdienen. Parahei van den jeugdigen Lacry-max. Laaghartige aanmerking op Havelaars verzuim fortuin te maken. *De karakterteekening van Cornelia\'s moeder in Cornelia Wildschut van Aagje Deken en Betie Wolff.

1079 345 Verschillende invloeden op de keuze van\'n beroep.

Vermoedelijke toekomst der maatschappij. Courantenschrijvers. Bouwwoede te Berlijn. Toekomstige Jaquerie. „Niet „te zijn of niette zijn,quot; maar: „heMen of niet heUhen.quot; Er zal een kommerloos genietend bestaan , aan deze zijde van \'t grafquot; verlangd worden. De ruwe kracht zal haar recht eischen, d. i. méér dan haar recht. De godheden Drutni, Fraze en Spekulatie zullen eindelijk uitgediend hebben.quot;

350 De schrijver raadt juffrouw Pieterse aan van Woutee wondheler of... soldaat te maken. Stoffel komt echter tot het besluit „dat Wouter bijzondere geschiktheid heeft voor den handel,\'1 en diensvolgens wordt besloten.

1080 351 Een paar woorden ter toelichting bij \'t sluiten van den vijfden bundel. Bittere nasmaak mijner geschriften. De auteur stelt zich voor de Geschiedenis van Woutertje van nu af wat meer aaneengeschakeld te vervolgen.

ocr page 117

ZESDE BUNDEL.

WOUTERGESCHIEDENIS.

XXXV.

Nos. Blz.

1081 5 Wuuïei! heeft niet bet rechte begrip van „in deu

handel gaan.quot; Stoffel komt te hulp. Verwijtingen van juffrouw Pieterse. De onaangename zijde van Wouters schoolwijsheid.

Stroefheid, die naar burgerlijke opvatting steeds de gezellin behoort te zijn van \'t goede. Oorzaken van dat genotbederf.

1082 7 ,De dogmatiek heeft meer invloed dan door velen

geloofd wordt.quot;

1083 8 Wouters hoogmoed. Z\'n godsbegrip.

1084 10 Het opdringen van den God des bijbels in het

kinderlijk gemoed. Hoe Wouter over dien God dacht. Z\'n wereldhervormingsplannen.

1085 12 Welke dingen er volgens Wouter nog meer in de

war waren. De strijd der Grieken tegen de Turken. Byiïon.

1086 14 De Da CWa\'sche elementen van het dichterschap.

Geniën.

ocr page 118

106 registek op de

N.is. BIz.

1087 16 Opmerking aangaande het gezegde over geniën.

XXXVI.

1088 17 Wouters eerste studiën in mensehenkennis. Thuiskomende wordt hij over het onhandig verrichten van z\'n boodschap beknord. De oneetbare aardappelen en hoe Wouter zijn pas opgedane kennis te pas bracht. Welke gevolgen dit had. Plotselinge omkeer van juffrouw Pieterse toen dokter Holsma kwam om naar een der jonge juffrouwen te kijken. Bezoek van juffrouw Laps. De lievigheid jegens Wouter, toen deze haar opendeed ; id. van bet gezin Pieterse tegenover juffrouw Laps. Wouter beknord over z\'n dralen om uit te gaan. Het aanroeren van z\'n laatste bezoek bij juffrouw Laps, gevolgd door een vree-selijke uitval van de lieve bezoekster , . .. vijf venconderingen voor Wouter.

XXXVII.

1089 27 Advertentie van de „gevestigdequot; handelszaak:

Motto, Handel £ Cie. De voormalige winkel van Maaskamp.

1090 28 Opmerking over de chronologische volgorde in het

verhaal.

1091 28 Wouter schrijft op de advertentie en brengt zelf

z\'n brief bij Maaskamp. Z\'n thuiskomst. Teruggestuurd naar den winkel en bezoek aan de „firmaquot; zelf. Een opmerkelijke aanbeveling. Het tabaks- en sigarenwinkeltje van den heer Motto op den Zeedijlz. Iets over de stichting van Amsterdam. De leesbibliotheek en het kamertje achter het groene gordijn. Wouters handelskennis wordt op de proef gesteld.

1092

Wat in den handel W0/7Wiamsiequot; is. Over oude

ocr page 119

IDEÉN VAN MCLTATÜLT. 107

muntstelsels, enz.

Onmisbaarheid van sommige bedrijven, beroepeiir enz. „Inplaats van de gronden waarop zulke onmisbaarheid berust tot een minimum te beperken ziet men ze juist overal uitbreiden.quot; Verregaande slordigheid waarmee groote belangen worden verwaarloosd tegenover de kleingeestige quasi-diepzinnige uitpluizerij van bijzaken. Waer wetenschap al niet bij te pas wordt gebracht en hoe zij in andere gevallen geminacht wordt. Budget van Eeredienst: Inkomende rechten, Vervalsching van levensmiddelen. In hoever Staatsbemoeienis zich dient uit te strekken. Vereenvoudiging van vele zaken : Het muntstelsel. Een voorstel van den auteur.

1093 37

Wouter wordt verder ondervraagd. De borgstelling. De heer Motto wijdt Wouter al vast in het een en ander in. Juffrouw Pieterse stort na eenigen weerzin de gevraagde f 100 en Wouter is .,in den handel.quot; Hij is evenwel den geheelen dag in de leesbibliotheek en verslindt er rijp en groen. Welken invloed dit op hem had,... of liever niet had. Sigaren „van de twintigquot; en Wouters logisch-moreele zin. Wat alweer voornaamste is in den handel in verband met zeker straatkrakeel, waar Wouter wilde tus-schenbeide komen. De WelEd. Heer Motto op zekeren dag als matroos naar Amerika,. . . \'t voornaamste zeker! De failliete massa en het vermoedelijk lot der twee pagoden : rappee en zin-Icing. De oude klacht van juffrouw Pieterse, „dat er met dien jongen altijd wat was !quot;

1094 40

1095 47

XXXVIII.

Over de betrekkelijke bruikbaarheid van slecht zielevoedsel. Wouters zacht gemoed. Een zeldzame fout, die hem staande hield te midden zijner lage omgeving en waarbij zelfs de in

ocr page 120

register op de

Nos. Biz.

andere gevallen zoo ongezonde romanlektuur hem dapper te hulp kwam.

1096 50 De O / cn Ach! schrijvers in verband met \'t

hedendaagsche materialismus in zedelijke en artistieke beteekenis.

1097 53 Menschenkennis en Menschkunde.

1098 54 „Menschenkennis gewoonlijk niet veel meer dau

\'n gevolg van routine.quot; Doorgaand wantrouwen, dat dikwijls voor menschenkennis wordt

1099 54 „Geeft deze methode blijk van kennis ? Zou ze

voordeelig zijn?quot;

1100 55 „Zeker soort van domheid, die soms beter waar

borgt tegen bedrog dan een veel hooger staande, maar altijd onvolkomen intelligentie.quot;

1101 55 Wat Wouter dacht en niet dacht bij het telkens

opmerken van verschil tusschen meening en uiting. Indrukken die hij bij de Holsma\'s opving en hoe z\'n schuwheid hem bewaarde voor \'t belagchelijk pogen tot „meedoen.quot;

1102 56 „Niets is moeielijker natebootsen dan losheid. Die

er naar tracht wordt \'n boosaardige vijand van ieder dien hij vruchteloos trachtte nateapen,quot;

1103 57 Zondag bij de Holsma\'s. Gesprek over „de kunst

van lezen.quot; Wouters neerslaand gevoel van achterlijkheid.

1104 57 Waaraan de Grieken misschien den rang var.

voorgangers te danken hebben.

1105 58 Wat is klassiek ? Wat \'n oude Dietionnaire de

VAcadémie er van zegt.

1106 59 „Onze jeugd leert geen latijn en grieksch. Afschaf-

108

ocr page 121

IDEES VAX ML\'LTATULl.

fing dus onnoodig.quot; Zoogenaamd nut van de vroegere klassieke opleiding. Eomeinscli recht. Werkelijke studie van \'t latijn en griekschen van \'t Idassielte.

1107 62 , Velen zijn te traag om met eigen oogen te zien

en met eigen verstand te beoordeelen, wat er geschreven staat.quot; \'t Regrip „massa.quot; „De massa is altijd dom.quot; Een opmerking van Wouter.

1108 64 ,De woorden Menschdom, Maatschappij, Volk,

Natie, Publiek, zijn voor kinderen slechts klanken, die \'n afgetrokken denkbeeld voorstellen.quot;

1109 64 „Er is veel oefening in begrip noodig om in

te zien, hoe weinig er door sommigen kan begrepen worden.quot;

1110 64 Ontevredenheid te Amsterdam naar aanleiding van

\'n verandering in \'t belastingstelsel. „Met hun allen begrijpt „de massaquot; niet, wat ieder voor zich wèl begrijpt. Haar hoofdeigenschap is traagheid.quot;

XXXIX.

1111 66 Wouter stuit bij het naar huis gaan op quot;n bende

van \'t oproerig gemeen. Nog iets over „menigte.quot;

1112 67 Strabhës „regula van mengingquot; op zedelijk gebied

toegepast.

1113 69 Wouters heldenstuk. Hij koopt voor een stuiver

„negerhitquot; en geeft ze, door de vijandige menigte heendringend, een ouden, op de markt op post-staanden soldaat.

1114 72 Wouter bleef gelukkig ontoegankelijk voor de ge

meenheid die hij dagelijks op den Zeedijk te zien kreeg. Hoe hij zich eens het scheldwoord (Zief aantrok. Vermakelijke verontwaardiging van

109

ocr page 122

110

juffrouw Pieterse over liet verlies van haar „zeauivenWat hoeft zoo\'n gemeene kerel \'n protestantsch jongetje te vragen !

Wouter besteedde aan de ontleding van den zotteklap zijner moeder minder moeite dan aan bijna alles wat tot hem kwam van buitens\'huis. De bezoeken van juffrouw Laps. Wouter beknord om den roekeloos uitgegeven stuiver. Opmerking van Stoffel.

1115 74

1116 76

1117 81

1118 83

1119 90

1120 92

Het woord „verkwisterquot;, procligite is hem liever dan de hatelijke opmerking van Stoffel. De vier tafereelen van den „verloren zoonquot; in een der slaapkamers. Boezemden die platen Wouter behoorlijken afschuw in? Bezoek van juffrouw Laps.

XL.

Juffrouw Laps noodigt voor de zooveelste maal juffrouw Pieterse uit, Wouter „\'ns bij haar te sturen.quot; Antwoord van juffrouw Pieterse en Wouters stille berusting. Ontdekking van juffrouw Laps : Wouters moed. Vreemde inschikkelijkheid bij haar vertrek.

Wouters verward gemoed en de oorzaak van z\'n schijnbare berusting in al het tegenstrijdige om hem heen. Verlangen naar Femke Zijn onuitgesproken monologen: ontevredenheid met de bestaande wereldorde. Welke vragen hij wel zou willen beantwoord zien.

Nog eens Wouters gemoed. De elementen van het dichterschap. Een onklassische vergelijking, \'t Zonderlinge vrijertje!

Bezoek aan vrouw Claus. Femke tijdelijk afwezig. De dikke boterhammen met kaas Pater Jansen. Wouters indruk van den gemoedelijken pastoor, die in houding, spreken en toon zoo wei-

ocr page 123

1DEEN VAK MULTATULI.

nig vim de hem bekende godsdienstleeraars had. Volslayen absentie van (jodzalighcid. Mik en kermispret. God en zaligheid. Wouter gelukkig-toen hij Femke hoort prijzen. De onderbroeken van den pastoor. Het gauwdiefje Wouter informeert eindelijk eens naar Femke en verlaat na eenig onhandig dralen met pater Jansen \'t huisje.

XLI.

1121 99 Pater Jansen zal Wouter vertellen waarom hij zoo

doof is aan \'t linkeroor. Geschiedenis van het bloempotje. De twee seminaristen Kruger en Vink. Uitval van juffrouw Pieterse toen Wouter met den pastoor z\'n woning passeerde. Natuurlijk wordt hij thuis beknord. Wouter zal opnieuw in den handel gaan en wel bij de firma Ouwetycl en Koppcrlith.

1122 103 Toevallig samentreffen of opvolgen van zekere ge

beurtenissen in een kort tijdsverloop. Twee verklaringen. Kansrekening.

1123 10-1 „Minstens twee hoornen hebben \'n gelijk getal

bladen.quot; Kansrekening en „Gods vinger.quot;

1124 105 Kansrekening en herstel van evenwicht. Een tweede

verklaring van \'t hier bedoelde samentreffen van gebeurtenissen: de homogeniteit en verwantschap der gegevens waardoor afwijking van de wiskundige kans ontstaat.

1125 107 „\'t Bekende „nil mirariquot; is \'n rinkelbel van zots

kappen geworden.quot;

1126 107 Plato\'s verkoudheid, en Thersites, de nieuwe wijs

geer die hem nahoestte.

Ill

ocr page 124

REOISÏEU OP DE

juffrouw Pietei\'se ovei- het verlies van haar „zeeuwenWat hoeft zoo\'n gemeene kerel \'n protestantsch jongetje te vragen !

1115 74 Wouter besteedde aan de ontleding van den zotteklap zijner moeder minder moeite dan aan bijna alles wat tot hem kwam van buitens\'huis. De bezoeken van juffrouw Laps. Wouter beknord om den roekeloos uitgegeven stuiver. Opmerking van Stoffel.

1116 76 Het woord „verhwistarquot;, prodigue is hem liever dan de hatelijke opmerking van Stoffel. De vier tafereelen van den „verloren zoonquot; in een dei-slaapkamers. Boezemden die platen Wouter behoorlijken afschuw in? Bezoek van juffrouw Laps.

XL.

1117 81 Juffrouw Laps noodigt voor de zooveelste maal

juffrouw Fieterse uit, Wouter „\'ns bij haar te sturen.quot; Antwoord van juffrouw Pieterse en Wouters stille berusting. Ontdekking van juffrouw Laps : Wouters moed. Vreemde inschikkelijkheid bij haar vertrek.

1118 83 Wouters verward gemoed en de oorzaak van z\'n

schijnbare berusting in al het tegenstrijdige om hem heen. Verlangen naar Femke Zijn onuitgesproken monologen: ontevredenheid met de bestaande wereldorde. Welke vragen hij wel zou willen beantwoord zien.

1119 90 Nog eens Wouters gemoed. De elementen van

het dichterschap. Een onklassische vergelijking, \'t Zonderlinge vrijertje!

1120 92 Bezoek aan vrouw Claus. Femke tijdelijk afwezig.

De dikke boterhammen met kaas Pater Jansen. Wouters indruk van den gemoedelijken pastoor, die in houding, spreken en toon zoo wei-

110

ocr page 125

TDEKK VAM MULTATULI.

nig van de hem bekende godsdienstleeraars had. Volslagen absentie van godzaligheid. Mik en kermispret. God en zaligheid. Wouter gelukkig toen hij Femke hoort prijzen. De onderbroeken van den pastoor. Het gauwdiefje Wouter informeert eindelijk eens naar Femke en verlaat na eenig onhandig dralen met pater Jansen \'t huisje.

XLI.

Pater Jansen zal Wouter vertellen waarom hij zoo doof is aan \'t linkeroor. Geschiedenis van het bloempotje. De twee seminaristen Kruger en Vink. Uitval van juffrouw Pieterse toen Wouter met den pastoor z\'n woning passeerde. Natuurlijk wordt hij thuis beknord. Wouter zal opnieuw in den handel gaan en wel bij de firma Ouivetijd en Koppcrlith.

Toevallig samentreffen of opvolgen van zekere gebeurtenissen in een kort tijdsverloop. Twee verklaringen. Kansrekening.

„Minstens twee boomen hebben \'n gelijk getal bladen.quot; Kansrekening en „Gods vinger.quot;

Kansrekeningen herstel van evenwicht. Een tweede verklaring van \'t hier bedoelde samentreffen van gebeurtenissen; de homogeniteit en verwantschap der gegevens waardoor afwijking van de wiskundige kans ontstaat.

111

1121 99

1122 103

1123 1(M

1124 105

1125 107

1126 107

„\'t Bekende „nil mirariquot; is \'n rinkelbel van zotskappen geworden.quot;

Plato\'s verkoudheid, en Thersites, de nieuwe wijsgeer die hem nahoestte.

ocr page 126

REGISTER OP DE

Nos. Biz.

XLII.

1127 108 Voornaam bezoek van koningen en prinsen te

Amsterdam. De geestdrift op den Dam en wat er alzoo van al die potentaten verteld werd. Rambrasn, Wondkle en de Katwijksclie sluis.

1128 111 Groote illuminatie. Walgelijke geestesarmoede van

het volk, kenbaar in gesprekken en opmerkingen. Een paar staaltjes.

1129 114 Wouter rilde nog niet bij \'t aanzien dier geeste

lijke naaktheid. Dringen van het Volk bij zulke gelegenheden. De bruinvisch-parabool waarmee Wouter een koffiehuis in de Kalverstraat inrolde en waarmee hij op \'n tafeltje terecbt kwam, waaromheen tot zijn verbazing de Holsma\'s gezeten waren die hem vriendelijk en belangstellend ontvingen.

1130 117 Hij gaat met dokter Holsma meê naar huis om

te bekomen van den schrik. Z\'n zonderlinge droom op de sofa Femke\'s stem. Hij durft niet naar haar te vragen.

1131 119 Schaamtegevoel over z\'n misdadige verloochening,

toen hij weer naar huis keerde.

XLIII.

1132 120 Juffrouw Pieterse in de wolken, dat Wouter bij

de Holsma\'s „leseerde.quot; Z\'n ontvangst thuis, waarbij hij natuurlijk voor\'n „asterantequot; jongen wordt uitgemaakt. Het kleverige jasje. Wouters berouw over z\'n handelwijze tegenover Femke.

1133 123 Oneerlijke voornemens, \'n Leelijk deficit in Wou

ters gemoed. Verloren onschuld.

1134 120 Wouter in een der driehoeken die Laurens in de

bedstede goedgunstig voor hem openlaat. Z\'n

112

ocr page 127

idf.ên van mültatdli.

overdenkingen vóór \'t inslapen. Prinses Ekica en haar bezoek op Vlooienburg. Zou ze misschien met hem willen ruilen? Hevig schellen . juffrouw Laps.

XLIV.

1135 130 Redenen waarom in den huize Pieterse de meisjes

nog niet naar bed waren. De voorgewende moordenaars van juffrouw Laps.

1136 132 „De waarheid is zoo eerbiedwaardig, dat we haar

niet mogen versmaden, al wordt ze verkondigd door juffrouw Laps.quot;

1137 132 Menschkundige waarheid die juffrouw Laps ten

opzichte van moordenaars, inbrekers en dieven ten beste geeft. Wouter luistert eu kleedt zich langzamerhand weer aan. Stoffel naar beneden.

1138 135 Vervolg van de ontboezemingen van juffrouw

Laps. Wouter laat ongelukkig een paar stoelen vallen en komt daarna gewapend met sZafflj)-muts en ijzeren staaf beneden. Boosheid van den auteur : „Tegenover reinheid had-i zich stug betoond, en arm aan ziel. De rijkdom van z\'n gemoed barstte weelderig uit, zoodra ze werd opgevorderd door \'t gemeene.quot;

1139 138 De uitval van juffrouw Pieterse bezworen door

de nieuwsgierigheid door juffrouw Laps opgewekt bij het vertellen van de zonderlinge aardappelhistorie. Wijze vragen van Stoffel : Of ze geen kat in huis had ? Waarom ze niet op zolder of onder haar bed had gezocht ? en waarom zij er niet liever de buren bij geroepen bad ? Merkwaardige antwoorden en blufferij van de verlokster. Wouters heldhaftig besluit. Waarom de Pietersens zoo gemakkelijk toestemden. Wat dacht Fancy er van ? „Wanneer het behoud der ziel afhing van een veronachtzaamd : „gardes

113

8

ocr page 128

114

Nos. Biz.

la Beinequot; dan zou de partij tusschen God en Duivel niet gelijk staan.quot; Toen Wouter bij juffrouw Laps in huis was, werden hem natuurlijk de gestolen aardappelen gebakken en wel voorgezet. Hij voelt reeds berouw over zijn heldhaftigbeid.

XLV.

1140 144 Vleierij en verdere strategische operatiën, onder

steund door echte Wynand Fockink. Fancy! „Hoe moet de artist, die m\'n werken illustreeren zou, als ik \'t geluk had geen Hollander te zijn, haar voorstellen ?quot;

1141 148 Beschouwingen over valsche zedelijkheidsbegrippen.

1142 151 Vervolg van de Lapsche operatiën.

1143 153 „Het lage bestaat. Wie \'t loochent, liegt even

misdadig als de miskenner van \'t hoogere, van \'t goede, want zonder laagheid is er geen hoogte denkbaar. Niet in \'t schilderen van dat lage ligt de fout, de fout ligt in \'t sierlijk aankleeden van \'t gemeene. Wouter voelde heel goed, dat-i zich bevond op . . . onfatsoenlijk terrein. Maar dit zeer betrekkelijk schuldbesef verheft de zaak als zoodanig niet tot een wereldberoemde kala-miteit. Juffrouw Laps was siek.quot; De oorzaken daarvan. Kostschool-jongens vergrijpen en ziekteverschijnsels van erger soort. Juffrouw Laps theologizeerde er ook niet bij, wat andere verlokkers wel doen.

1144 155 De auteur verzoekt den oprechten lezer, ten einde

\'t laatst gezegde te staven, zich eens op \'n plaats te stellen waar zeer veel menschen voorbijgaan en dan boek te houden van de aandoeningen en berouwjammer welke die menschen niet ver-toonen.

De kleingeestigheid van den God van Genesis VI.

EEGISTEK OP DE

É

ocr page 129

tdeex van mültatcli.

1145 157 Wouter angstig en juffrouw Laps heldhaftig. Hij

blijft er op \'n kermisbedje slapen.

XL VI.

1146 159 Hardzeïlerij op den Amstel, die wegens windstilte

niet doorgaat. Pleizierroeien nog niet in de mode. De befaamde horizontaalworp met den „jonjou de Normandiequot;

1147 160 „De meeste hooggeplaatste personen voelen zich

niet op hun gemak zonder een dosis nietigheid om zich heen.quot;

1148 161 De puistige Paltsgravin en de beroemde horizon

taalworp. Wat welopgevoede prinsjes en prin-cesjes in dien tijd spraken. Salon-mythologie. Duitsch hofïransch en fransche romances. „ Hof-fcihige Kavaliere.quot;

1149 164 „ VollcsthiimlieJilceitquot; toen in de mode. Frazen van

Eocsseau omtrent „ce hon peiqiïe,quot; welk „goede volkquot; binnen de wanden der staatsiekoetsen zeer dikwijls doodeenvoudig: „la canaillequot; heette. „Het karakteriseeren van een Volk blijft altijd \'n onbruikbare füctie.quot; Napoleon III en de Franschen.

1150 165 Prinses Erika, \'t wilde Waldkatzchen, laat door

haar broeder Prins Erik aan de Palatine een goudbeursje vragen om in het dorp „Aivercriequot; Voorzienigheidje te kunnen spelen.

1151 166 Prinses Erica richt de een of andere weldadige

115

gekheid uit en springt tenslotte, om de lastig-dankbare menigte te ontwijken, in \'n roeibootje, waarin Klaas Verlaan, de ,Anistelliavenlmechtquot; lag te slapen.

1152 167

Wat Klaas Verlaan vele jaren daarna aan z\'n kleinkinderen vertelde. Vruchtelooze wrikoefe-

ocr page 130

116 register 01\' pe

ningen; zwemmen en \'t jachthuisje van m\'n-heer Kopperlith van de Keizersgracht. Een goede inval van Geert, Verlaans dochter.

1153 170 Vuurpijlen, zwermers en zevenMappers, door de couranten aangevoerd als zooveel bewijzen van dynastieke opwinding, enz. „De vreugd bij een vuurwerk bestaat in het afsteken .... zélf afsteken. Een „groot vuurwerkquot; is een ellendig ding.quot; Schaapachtig hè.... c .... è roepen in tegenstelling der vreeselijke pret bij het afsteken van voetzoekers, enz. Schijfschieten en zevenklapperrevolutiën. De geestige zevenklapper van prinses Erica die voor Wouter een gevaarlijken tweestrijd uitwon.

XL VII.

1155 175 Fancy en de fantastische doeleindenleer. Kinderlijk

vermaak van Wouter bij \'t aanzien van de pret, waarbij hij z\'n buurvrouw en haar opdringende vriendelijkheid vergat. Juffrouw Laps vindt waar -lijk hierdoor aanleiding zich wat eenvoudiger voor te doen dan ze gewoon was.

1156 176 Afkomst van \'t befaamde „hossen.quot; Verklaring

van dat volksvermaak.

1157 177 Juffrouw Laps beangstigt zich dat Wouter kou

zal vatten. Deze trekt z\'n jasje dus weer aan, \'n verbetering van positie die hem straks zou te pas komen. Hij vertelt iets van de historie ; Amour a In plus helle, enz.

1158 179 Ruzie dicht bij een kroeg op de Botermarkt, vlak

bij de woning van juffrouw Laps. Wouter meent op eens Femke temidden van de vechtende massa te zien, hij vliegt de trap af en staat weinig oogenblikken daarna in den diksten drom, vlak voor de herberg.

1159 181 Femke (de verkleede prinses Erica) boven op een

ocr page 131

IDEÊN VAN MULTATULI.

tafeltje in een hoek van \'t volle vertrek. Wouters zielesmart. Het gevecht komt al nader en nader en dreigt weldra de kroeg te kiezen tot „operatie basis.quot; Krijgskundige evolutiën.

1160 183 Klaas Verlaan, onder wiens hoede het princesje

in de herberg is, om daar het volksrumoer gade te slaan, werkt zich naar binnen en schijnt deze keer bijzonder kieskeurig te zijn in \'t bepalen van de soort der verversching die hij noodig had. Aandoeningen die Wouter onderging.

1161 185 De opgewonden republikein. Het geheim van Klaas

Verlaan. Vrouw Gooremest, Klaas en de Eepu-blikein zien op listige wijze het volk te bewegen de kroeg te verlaten. Moffenducaten en de „bloedeigen dochterquot; van m\'nheer Kopperlith. Wouter begrijpt niets meer van de zaak.

1160 189 Het uitwerpen van overbodige getuigen houdt eindelijk op. Er wordt een rijtuig gehuurd. Interventie van Wouter gevolgd door een vreemde scène bij kaarslicht. Wouters overdenkingen op straat. Hij is opgetogen met z\'n nieuwen titel van Femke\'s „broeder.quot;

XL VIII.

1161 193 De schoonheid van den morgenstond. Wouters

overdenkingen. Hij begon zich te kwellen met de vrees, dat er eigenlijk weinig geschied was, dat hem reden gaf tot de opgetogenheid, die hij niet van zich zetten wilde.

1162 195 Hij wist zich geen voldoende rekenschap te geven

117

van den barometerstand van z\'n gemoed. Waarom hij zich zoo gelukkig gevoelde.

1163 197

„Als veroveraars, die zich bukken onder dezeden van \'t land, dat ze schijnen te beheersehen, nemen bijna alle gebeurtenissen de kleur aan van

ocr page 132

REGISTER 01\' DE

\'t gemoed, dat ze beroeren.quot;

1164 197 Fancy\'s leiding. Wat Wouter den moed gaf zich

in veel opzichten „grootquot; te voelen. Z\'n liefde voor Femke in verband met wakker geschudde zinnen. Bijna vriendschappelijk gevoel voor juffrouw Laps.

1165 200 Wouter doolt al mijmerend met lamme schreden

door de als uitgfstorven straten der stad, slentert de Kalverstraat door en komt op den Dam. Wachtende rijtuigen en een paar slaperige toeschouwers. De Keizerlijke, EoninMyTce en andere Hoocjheden rijden uit. De puistige Paltsgravin, de onvindbare ingang van \'t paleis en een paar allerunterthanigste Kavaliere. Vermoedelijke twist onder hun naneven. Prins Erik te paard en de vak-pedanterie van een paar pronkstukken van mislukte soldaat- en zeemanschap. Wouter sukkelt peinzend verder en raakt weldra in de buurt van Femke\'s huisje en valt op haar bleekveldje overmand van vermoeienis in \'n onrustigen slaap. In zijn droom verwart h:j Sietske Holsma met Femke.

XLIX.

1165bis208 Wat de voorbijgangers bij zulke gelegenheden altijd denken. Wouters zonderlinge droomen.

1166 210 Vrouw Claus bemerkt den jongen en ziet hem

voor den ruiter (Prins Erik) aan dien ze \'n oogenblik te voren gezien had. Haar zonderlinge vragen. Wouter wil zich in héél koud water wasschen.

1167 213 Hij wordt onder de pomp een weinig ontnuchterd

en daarna door vrouw Claus opgenomen en in Femke\'s bed te slapen gelegd.

1168 217 Wakker wordende hoort hij Sietske Holsma pra-

118

ocr page 133

119

ten. Verdriet over de verwarring van z\'n denkbeelden. Z\'n nog verkeerde smaak. Hij zou princessen laten slapen op geborduurde zijde. Poëzie in \'t geringe, zoowel als in \'t voorname.

^Zekere beoordeeling van Louise in Vorstenschool

1169 219 Wouter ziet in \'t kamertje rond en ontwaart er z\'n kleertjes op een stoel, een tafel met een openstaande lade, waarin wollen kousen en ander naaiwerk, en een versierd wijwaterbakje. Wat hij op de katechisatie omtrent het verschil tusschen katholieken en andere menschen geleerd had. Een gelukkige vondst achter het bakje.

L.

1170 223 Wouter kleedt zich aan en eet gretig de voor

hem klaargezette boterhammen op. Gedachten aan huis. Angst over den afloop van z\'n zonderlinge uithuizigheid. De verloren zoon. Hij denkt er over naar te gaan, maar wil \'t buisje

van vrouw Claus niet ongesloten verlaten. En dan zonder Femke 1 en zonder hoofddeksel! Een verschijning.

1171 227 Klacht van den auteur, dat geen enkele artist te

vinden is, die iets van z\'n schetsjes nateekent. Invoer en namaak van slecht buitenlandsch fabrikaat.

1172 228 Het ongelukkige Stalckersvrouwtje met de nieuwe

muts voor den gewaanden adelborst. Wouter neemt eerst een wantrouwende houding aan, doch zijn nieuwsgierigheid dwingt hem het vrouwtje vriendelijk binnen te noodigen. Een zonderling verhaal. Plotselinge verdwijning. Wouters gedachten door de vreemde verschijning geheel verward.

1173 234 Dokter\'s Kaatje treedt binnen om de vraag van

Femke over te brengen hoe Wouter zich bevond,

ocr page 134

I\'

120 REGISTER OP DE

doch wordt door hem erg vreemd on onvriendelijk ontvangen. Kaatje, voor krankzinnigheid vree-zende, loopt de deur weer uit, door Wouter met gebalde vuisten achtervolgd. Dokter Holsma verschijnt gelukkig juist op tijd en neemt Wouter meê naar zijn huis. Kaatje naar juffrouw Pieterse om Wouters tijdelijk verblijf te melden. Wouter vertelt in het rijtuig dat hij zooveel van Femke houdt. Holsma bemerkt wel dat Wouter niet krankzinnig is, maar „dat z\'n zieltje aan \'t groeien is.quot;

1174 237 „Ons heen-en-weer geslingerd plantje is nog op verre na \'t kompas niet rond geweest.quot; Diogenes en z\'n „phuteuoo anthropon!quot; De vraag, wat toch zoovelen beweegt, kinderen te houden.

LI.

1175 238 Buitenlandsehe beroemdhedens, allemaal „warranted,quot; die als citeerstokpaardjes dienst doen.

Kaatje op den „Pietersburgquot; afgezet. Dokter Holsma spreekt Wouter thuis eens flink toe.

De dogmatiek der doeleinden, \'n allermoeielijkst vak. Opmerking van zeker Natuurkundig Schoolboek-

lil ü 240 Wouter bekijkt schilderijen in den tijd dat de dokter zijn huisgenooten voorbereidt op de wijze hoe Wouter ontvangen en toegesproken moet worden, \'t Vrouweportret dat zooveel op Femke gelijkt. Sietske komt Wouter halen om aan tafel te komen. Hij is verrukt dat hij mede mag gaan naar de komedie. Waar hij aan tafel alzoo over mijmert.

1176bis244 Waarom de voorstelling twee uur later dan naar gewoonte begon. De „mouchesquot; van de Paltsgravin.

1177 246 Femke zal, als mevrouw Holsma weer thuis is

ocr page 135

ideën van multatüli

om haar bij het ziekbed van den kleinen Erik af te lossen, misschien met oom Sybrand nog even in de komedie komen. De „Florisquot; gaat goddank niet door. In plaats daarvan de „Scyllaquot; van Rotgans met \'n Kloris en Boosjen achterna. Wouters overpeinzingen. Femke!

lil

1177bis252 Onder het wegrijden tekstverklaring van Ovidiüs door Willem Holsma. Het purperen haartje van koning Nisus.

1178 257 Gesprekken in den schouwburg over Rotgans en

Biluerdmk. Herhaaldelijk opstaan voor allerlei lakeien. Vaderlandsche ontboezemingen.

1179 260 Wouter overstelpt onder de vele indrukken en

aandoeningen.

1179a 261 Welke overdenkingen hij alzoo ten opzichte van het optevoeren stuk maakte.

Een ... Keizer of zoo iets betreedt de koningsloge. Ook de andere loges worden nu als door tooverslag gevuld. Zonderlinge kostumes: de Wed. Maaskamp en Zonen ! Ontevredenheid van den keizer over de muziek die maar niet „ Veïllons au saluf de l\'empirequot; scheen te willen spelen. Opmerkingen van de Paltsgravin. De keizer verdiept in Kijkduin. Tekstverandering van Rotgans. Wouter begint weer hoop op onechte zoons te koesteren.

lui.

1180 267 Napoleon ingenomen met onzen Snoek en onze

Wattier? Napoleon en ïalma. „Napoleon alleen artist van beroep. Hij werkte op de verbeelding der weinig ontwikkelden ... op de meerderheid.quot;

1181 269 Rotgans en de dubbele fout van z\'n arbeid. Er

121

ocr page 136

122 kegistek op de

zijn geen kunstregels. Geen navolging van modellen.

1181® 270 Opschudding veroorzaakt door de keizerlijke vraag om „eau de fleur d\'orangequot; Kommentaar van een koekbakker in den engelenbak. Velen stonden op om bij de hand te zijn tot snel wegloo-pen, ten einde hun vaderlandsliefde ongeschonden thuis te brengen. Waar de Holsma\'s naar uitkeken. Mevrouw Holsma verlaat met oom Sybrand de zaal.

1182 273 Prinses Erica verschijnt in den engelenbak en veroorzaakt een vernieuwde opschudding. Wouter krijgt haar in \'t oog en gelooft niettegenstaande dokter Holsma\'s inlichtingen dat het Femke is. Zij knikt Wouter toe en laat een takje met drie rozeknopjes vallen, dat Wouter, van zijn plaats springende, dadelijk opraapt, en opziende naar den engelenbak, aan z\'n lippen drukt, Wouter valt flauw en wordt door dokter Holsma mede naar huis genomen. Ontboezeming van juffrouw Pieterse.

LIV.

1183 279 Onrust van juffrouw Laps en welke zonderlinge

plannen haar door \'t hoofd gingen.

1184 282 Gerustheid, waarmede de Pietersens vrijdagavond

naar bed waren gegaan. Onwaarde dezer soort van onschuld. ,De zeer moeielijke taak van zielsontleding kan niet worden tenuitvoer gebracht door iemand die z\'n eigen ziel wegwerpt. Een dronken Jan Steen kan niet schilderen. Opmerking van den auteur over z\'n Publiek.

1185 284 Onrust ten huize Pieterse. Boodschap naar juf

frouw Laps : Wouter maakte waarschijnlijk \'n wandelingetje. Dokter Holsma komt \'s middags, langs en Kaatje doet haar boodschap. Opgetogen-

m ■

I

ocr page 137

1deén van jiültatcli.

heid van juffrouw Pieterse. Zij deelt Kaatje een zonderlinge droom van haar mede. Bezoek van dokter ze?f des avonds.

1186 287 Holsma spreekt Wouter zondag ochtend in z\'n studeerkamer toe. Methode waarvan hij daarbij gebruik maakte, een methode, die nog altijd veel ouders en opvoeders onbekend schijnt te zijn. Holsma leert Wouter z\'n naastbijliggende plicht te doen. wat Wouter trouw belooft. Hij heldert daarna, om hem gerust te stellen, nog het een en ander op, en Wouter dringt van nu af aan met heldhaftigheid z\'n aandoeningen terug. De rozeknopjes bewaart hij echter. Hij slaat echter weinig geloof aan de door Holsma gegeven verklaringen. De nog altijd voortdurende invloed van de bijna geheel uitgewischte herinnering aan de -Fawc?/-verschijning. Wouters onrijpheid. Geschiedenis van \'t Menschdom. Poëzie der werkelijkheid.

De auteur brengt den lezer weer gelijkvloers, doch belooft later nog iets van prinses Erica te zullen vertellen.

LV.

1187 297 Wouter staat reeds vroegtijdig op, om vooral niet

te laat op \'t kantoor te zijn, en gaat, nadat zijn gedachten herhaaldelijk naar de laatst ver-loopen gebeurtenissen waren afgedwaald, in z\'n Strabbe bladeren.

1188 300 Hij gaat, na de noodige onderrichtingen van z\'n

moeder en Stoffel te hebben meêgekregen, met plankstijve boorden aan, naar het kantoor van den heer Koppeelith. Ondoordringbaarheid van \'t woonhuis. Vinnige blikken van mevrouw Kop-perlith en ploertige jacht naar voornaamheid, kenbaar in het lang laten wachten op \'t openen van de huisdeur en onvriendelijke bejegening door de dienstboden.

123

ocr page 138

124

Atnsterdamsche huisdeuren en hekjes voor de huizen in verband met bekrompenheid en domheid. Verpachting van den Amsterdamschen schouwburg.

1189 304 Wouter wacht eindeloos aan de glazen deur onder

het bordes welke toegang tot het „magazijnquot; verleent. Wat hij door die deur alzoo van dat duistere hol gewaar werd.

1190 306 De kantoorknecht Gekmt Sloos doet eindelijk

open en wijst Wouter den meer gewonen ingang tot het kantoor, in de Vellestraat. Kioollucht en olievaten. Wat Gerrit Sloos alzoo vertelde.

LVI.

1191 310 Wouter wacht in het kantoor en ontvangt er z\'n

eerste indrukken. Verraderlijk gestommel in den gang. Hij haalt weer van alles door zijn hoofd en wordt er haast krankzinnig van.

1191a 313 Geneesmiddel tegen krankzinnigheid: orde en arbeid.

1192 314 De vriendelijke, deemoedige Dieper komt binnen.

Wouter maakt spoedig kennis met des mans tochtvrees.

1193 316 Nieuw saizoen van verveling. De handelsbestemming van den ijzeren ring en het gat in het beschotje dat de grens aanwijst tusschen vreemde bezoekers en de gelukkigen die op \'t kantoor thuis hooren.

1193a 317 „Niemand verveelt zich zonder schaamte.quot;

1193,, 317 Een ontijdige hoestbui.

1193° 318 „Geen oneerbiediger ding dan de Natuur!quot;

ocr page 139

ideên van multatuli.

HQS\'1 318 De jongeheer Eugène komt op \'t kantoor. Kon-tinuatie van Wouters hoestbui. Multatulit!

1193quot; 319 ,De zwaarste beproevingen worden ons opgelegd door nietigheden.quot;

LVII.

1194 320 De deftige Wilkens verschijnt. Om zijn te laat komen goed te maken, vertoont hij tegenover Eugène een merkwaardigen dienstijver. Hoe de verwaande kwast zich uitdrukt. Fijne maatschappelijke onderscheidingen : jongeheer en mijnheer.

\'t Antwerpsch letterkundig kongres. „Belangrijkequot; redevoering van Beets.

1195 323 Over dialekten en het al of niet gebruiken van

den volkstoon, enz.

1196 324 De uitdrukkingen die \'n auteur z\'n personen in den

mond legt, behooren zooveel noodig korrekt gekopieerd te zijn naar de iverTielylcheid. Een bewering van den eerwaarden Schaepman en z\'n versjen op de Ruyter.

1197 326 Verwarring van denkbeelden die er nog altijd

heerscht ten opzichte van het begrip artist. Waarin de kracht van een artist moet gezocht worden. Huet\'s „ Litterarisehe Fantasien.quot; Waarom bv. dominé Koetsveld geen artist is. Jan Steek en Rembrand. Waaraan het kibbelen over de wijze van inldeeden doet denken.

1197a 328 Over de Fantasien van Huet en diens meeningen en uitspraken. (Vosmaek.)

1197b 329 Oningevuld:

*Over de wijze waarop het oordeel van den auteur over den hoofdeisch der kritiek door

125

ocr page 140

126 eegisteb op de

Kos. Blz.

van Vloten e. a. is opgevat.

LVI1I.

Een vriendelijk woordjen aan \'t adres van dominé Beets. Het versje van Klaasje vld Gracht. De auteur biedt zich aan bij gelegenheid \'t majes-tueuse lied van „drie schuin tamboer, die kiva-men uit het Oostenquot; en andere modellen van Iwkus-poJcus poëzie te deklameeren.

Nog eens terug naar volkstaal en Klaas Verlaan. Beroep op Paul Delaroche in den 3a,in bundel. Belangstelling inboezemen door dialeht, is \'n waar testimonium paupertatus.

Is domheid of boosaardigheid, of beide: neêrlan-disme! de oorzaak dat aan den schrijver allerlei zotternijen worden aangewreven? Een opmerking in „Onze Tolkquot; die der behartiging waard is. Verschil in spelling slechts bijzaak. Beets en Schaepman herinnerd aan een uitspraak van Martialis.

1200 333 Wouter verdiept zich in een optellingsom die

m\'nheer Wilkens hem opgeeft. De beteekenis van de „marenquot; waarvan Wilkens zich in zijn spreken bedient.

LIX.

1201 335 De auteur herstelt een dwaling en is bijna ver

legen met de volte zijner galerij.

1202 338 Geratel van den jongeheer Pompile, chef der firma

1198 330

1199 331

en procuratiehouder. Wouter rekent telkens verkeerd.

1203 340

Vervolg. Pompile draagt Wouter een onmogelijke hoeveelheid boodschappen op.

ocr page 141

ideên van mulitatdli. 127

Nos. Blz.

1204 343 Hoe Wouter z\'n boodscliappen uitvoert. Z\'n bij

zondere beleefdheid en fatsoerilylcheicl. De jeugdige, nog niet deftige, Jülie Hüddewitz : „de jonge mevrouw.quot; Verschil in aanzien tusscben katoentjes van Mühlhausen en Engelsche lappen van Manchester. Heusilia Koppeklith en Heik-liicn Kalbb.

1205 346 Diepzinnig geknutsel in effecten van den „ouden

heerquot; Kopperlith en Dieper\'s gewichtigheid. ^ Handelquot; in katoentjes en dergelijke handels. Overschatting van zulk soort werk: kwakzalverij. Wittegrond-driekleur-victoria-fancies van Craivfurth-Leeds met \'n hrabhetjen of \'n loo-vertjen of \'n moesjen, of met blokjes of \'n slan-g et jen of \'n Icrieuweltje met \'n oogjen ... altijd \'n volkomen niemendalletje! Spinazie-groen, rooie-lcoolpaars, kaas-schimmelzilver, enz. Plaats, die zulke handelslui in de Maatschappij innemen. Wouter nu vooreerst blootgesteld aan zulke omgeving.

ocr page 142

ZEYENDE BUNDEL.

WOUTERGESCHIEDENIS.

LX.

1206 5 Na het doen van z\'n boodschappen komt Woittsr

weer op het kantoor. Dieper en Wilkens zijn etende, terwijl Pompile en Eugene „bij mamaquot; zijn gaan koffiedrinken. Wouter wordt geraden voortaan ook een kadetje meê te brengen.

1207 8 Pompile komt het kantoor binnen en informeert

naar de boodschappen. Kalbb met twee en me^ (één) b. De oude heer Kopperlith treedt op en is allerminzaamst. Wouter zal den brief van den jongenheer Leon eenige malen kopiëeren.

1208 12 De nietigheid der Kopperlith\'s. Weerzin waar

mede men altijd den ouden heer op \'t kantoor zag komen. Wouter merkte echter de hem omringende nietigheid niet dan zeer langzaam op.

1209 14 Geen der ten-tooneele gevoerde personen bepaald

„slecht.quot; De auteur is geen romanschrijver. Gerrit Sloos met z\'n „allemaal wind en \'n en-gelsche notting.quot; Dieper de Kopperlith van zijn buurt. Wouter moest zich leeren verdedigen tegen \'t kleine en tegelijk in \'t oog houden rein te blijven bij aanraking met vuil... hetgeen

ocr page 143

ideën van multatuli.

weinigen gelukt.

1209a 17 {Thema van dezen bundel, en in zekeren zin van de geheele Woutergeschiedenis:) ,Een parelduiker vreest den modder niet.quot;

LXI.

1210 18 Wouter\'s bevreemding over den aard der gesprek

ken op \'t kantoor. Moeilijkheid den oorsprong van z\'n indrukken nauwkeurig te bepalen. Dieper vindt dat het op \'t kantoor wel ,\')«beetjequot; stinkt. Twee gewichtige bezwaren tegen \'t inlaten van versche lucht. De oude heer Kopperlith ontvangt de verzekering dat man als ü m\'nheerquot; reeds lang behoorde vhuitenquot; ia wezen. In hoeverre Dieper met z\'n vleien huichelde.

1210a 21 ,Oppervlakkige zielontleders denken gewoonlijk veel te spoedig aan huichelarij, wanneer zij iemand ongelijk zien aan zich zelf.quot;

1211 21 Geenszins „slechtequot; menschen in gewonen zin, waar

mee we hier te doen hebben.

Papa „hoort van Gerritquot; dat mama .tveer heel erg is, hijzonder erg.quot; Vertrouwelijke mededeelingen omtrent mevrouw en haar „suite.quot; Gerrit moet boeken ruilen en mevrouw kruien. Boeken in den huize Kopperlith. Welkome voorwendselen voor Gerrit tot dienstweigering.

1212 23 Pompile verzekert papa, dat er geen enkele fat

soenlijke familie meer in de stad is, hetgeen Dieper bevestigt. Hoe de kantoorheeren alleen op nieuwjaarsdag mevrouw te zien krijgen. Een goed voorstel van Flip den kruier, mits „met veel kussens.quot; „Ook \'t gemeene heeft z\'n naïveteit.quot; Oordeel van Gerrit over de ziekte van , de mevrouw in de zijkamer.quot;

129

9

ocr page 144

130

Nos. Biz.

LXII.

1218 29 De oude lieer maakt een aanvang den hongerigen Wouter van \'t besef van z\'n hoogheid te doordringen. Iets over den oorsprong van sommige „fatsoenlijkequot; voornamen. Paul en Virginie; Rodomont-JBaleine.

1214 35 Wat de oude heer, al trekkend aan eenderkuoo-pen van Wouters jas, tegen hem opsnijdt. De „fijnschilderquot; Flodoard en deszelfs verteeringen. Wouters naïve opvatting van het „buitenquot; zijn. Groenenhuize in den Haarlemmerhout.

LXIII.

1215 41 Wilkens met Wouter naar den kelder en de zol

ders, „waar altijd voor \'n jongmensch nog ■wat te leeren is.quot; Wilkens\' bijzondere aanleg voor „witte goederen.quot; Wouter maakt met groote belangstelling met \'t fameuze windas kennis en daarna met „de zaal,quot; waar hij — zonder gevolg — naar „Mozes hij H \'Doornbosch\'\' vraagt. Hij gaat eindelijk naar huis om te eten.

1216 45 Thuis gekomen, moet hij natuurlijk alles vertellen.

Niets trof juffrouw Pieterse zóó, als de moeilijkheid van \'t binnenkomen. Ze vond daarin iets plechtigs. Wouters „Tiost is gekocht.quot; Blikken in de toekomst. Wouter krijgt \'n oud zakboekje van z\'n vader. Voorbarige plannen om m\'nheer Calb (met één b) een vaatje boter of \'n anker wijn te zenden.

Wouter krijgt heusch ingenomenheid met z\'n nieuwen werkkring. Hij is alweer veel te vroeg op \'t kantoor terug en schrijft daar allerlei in z\'n zakboekje op. Verveling en zekere leegte in z\'n gemoed. De last zijner nieuwe wetenschap bezwaarde hem niet genoeg naar zijn zin. Hij meende dat ieder boven hem stond. Goede invloed, van \'n omgeving en werkkring als deze op iemand

ocr page 145

ideên* van multatüli.

als quot;Wouter.

1217 51 Wouter gaat naar \'t zolder om te vegen, maar houdt zich spoedig met \'t windas bezig. Gesprek met Gerrit, die hem aanraadt zich niet zoo voor dien Wullekes uit te slooven. ,Droddelotquot; en een „smerig papiertjequot; in den Jodenhoek. Stalen plakken. Stil verlangen naar Motto en den Zeedijk.

LXIV.

1218 55 Het „droit de boite.quot; Hoe sommige handelshuizen

het misbruiken van onbezoldigde „jongste bediendenquot; tot systeem wisten te verheffen. Samenscholingen van \'n klubje onrijpe jonge heertjes nabij \'t postkantoor. „Er is geen stadium, waarin zich de Mensch leelijker vertoont dan in dat van halfvolwassen jongeling.quot; Wouter den anderen ochtend vroeg reeds naar de woning van m\'nheer Pompile. Eindeloos wachten in den gang waarbij hij een opgesloten kanarievogeltje en \'n brutalen barbier benijdt.

1219 60 Pompile installeert Wouter bij \'t postkantoor.

Op \'t kantoor wordt hij aan \'t kopieeren van een paar brieven gezet. De drie formulieren van nadrukkelijkheid om achterlijke debiteuren aan betaling te herinneren. „Be letters van\'t woordquot; en hoe Wilkens Pompile van een verregaande onvoorzichtigheid terughoudt. Wouter ontcijferde het geheim reeds den volgenden dag met geringe inspanning.

1220 62 Geen overdrijving in \'t schetsen van de Kopper-

lith\'s. „Iemand die ongenoodzadkt en geheel vrijwillig z\'n levensonderhoud zoekt in grove of nietige bedrijven, geeft blijk van \'n laag standpunt.quot; De zoons hadden wel degelijk behoefte aan \'n werkkring. De dagelijksche handel allereenvoudigst tot het idiote toe. Verpletterende verhandelingen van Wilkens over de geringste

131

ocr page 146

register op be

nietigheden. Duitsche commis-voyageurs en \'t evangelie van den linkerwang. Waarin Gerrit zoo bijzonder bekwaam was. Wilkens op eijn beurt commis-voyageur. Het verguld koperen snuifdoosje en de roerende geschiedenis van drie-stukken bielefeldsch linnen.

1221 67 Wouter wordt belast \'t „smerige\' papiertje te

innen. Pompile\'s stille hoop. Bezwaren aan \'t innen van geld in de Jodenbuurt verhonAen. Hoe onverwacht goed Wouter zich, zelfs tot Gerrits latere verbazing, van zijn moeielijke taak kweet..

LXV.

1222 70 De auteur wijst op de onmogelijkheid van het

bestaan van de maagdeperen die prinses Erika in der tijd kocht, en wel omdat eenigen tijd daarna nog altijd één fatsoenlijke familie in de stad was. „Alleen vervalschers zijn nauwkeurig in bijzaken.quot; Wouters heldhaftige gang naar de ■Jodenlmurt. De loop, die z\'n gedachten weer namen; de krul onder z\'n handteekening.

1223 73 Wouter evenmin ontwikkeld genoeg om zich te

ergeren aan al \'t onschoone, dat hij te zien kreeg, als om belang te stellen in \'t Icaralcte-ristiehe van die leelijkheid. Prinses Erika en echt vaderlandsche krantenschrijvers Petite voi-rie. Beschrijving van de Jodenbuurt. Leven en handel in de open lucht. „Maar dat leven was zonderling, en ontsnapte in z\'n hoofdmomenten aan de waarneming hunner medeburgers van anderen oorsprong en behoorlijker geloof.quot; Kochten die straatkramers van elkaar? Dreven ze ruilhandel in prullen, lompen en verroeste spijkers ?\'

1224 77 De bewoners van die buurt zijn . . . mensc\'aen.

Het oude zuurvrouwtje dat vijgen verkoopt, vi/f aan \'n speetje. „Waarom vallen die f.rme-zwervers niet telkens hun Jehovah af, zooals.

132

ocr page 147

idees van mcltatuli.

in den voortijd? Waarom bestrijden de ontwikkelden onder hen den christdijken godsdienst niet? De geschiedenis van Rabbi Jeschuah ben Hanootzri is een gemaakte legende. Waarom leven de joden geheel in strijd met hun Wetboek?quot; Het konsekwente jongetje dat den prediker Schwaktz trachtte te vermoorden. Eerbied voor oprechtheid.

LXVI.

1225 85 Zou dat zuurvrouwtje geen geschiedenis hebben?

1226 86 Een middagmaal in een met stopverf geheelde vuur

test. Vriendelijkheid van Wouter, om het kleine Kacheltje dat hij zag struikelen en vallen, weer op de been te helpen. „Menschenfreundlichkeit.quot; Het zuurvrouwtje duidt Wouter de woning uit van m\'nheer Eoebens, Jcemissjenèèr in lompe,quot; haar êêche kleinzoon. Eigenaardigheid van de joden om dikwijls \'n redelijke welvarendheid achter schijnbare armoede te verbergen. Tegenstelling met de Kopperlith\'s! Waarom dat vrouwtje niet anders verkoos dan daar op straat te zitten handeldrijven. „Wat moet er in den hemel worden aangevangen met zulke zielen? Maar welke ontwikkeling brengen Pompile en Wil-kens daar mede? Dat ze daar eenmaal aanlanden toch is zeker, want Pompile was van de Walekerk en Wilkens hollandsch-griffermeerd. Twee zeer goede gelooven, gelijk ieder weet.quot;

1227 90 Wouter beklimt de woning van Roebens. Op de

tweede verdieping nog geen „sjabasj engelshemtquot; ziende, klimt hij nog \'n verdieping hooger. Roebens delft het geld uit z\'n beddegoed op: wat afgeknabbelde dertiend\'halven en schellingen en bijna onkenbare muntstukken, doch door bemiddeling van het zuurvrouwtje geeft hij Ribbetje ten slotte „goet geld,quot; om het Wouter uit te tellen.

133

ocr page 148

register op de

LX VIL

1227,lis 96 De auteur verontschuldigt zich nogmaals, dat hij z\'n lezers gedurende zoovele hoofdstukken reeds, bijna zonder afwisseling rondleidt op \'n tentoonstelling van nietigheden. Welke bezigheden men Wouter op \'t kantoor al zoo opdroeg. ,Een geest die zich niet weet te ontwikkelen in weerwil van \'t nietig handwerk is de moeite der ontwikkeling niet waard.quot; Wouters bekwaamheid in \'t balenpakken.

Papa hoort alweer van Gerrit, dat mama weer rheel ergquot; is, dat ze den heelen nacht (j\'ÊcfrooMt? heeft. Madera en chocolade. Wouter op post in den kelder om bezoekers van de schel te-weren.

1228 101 Wouter op post. T)e majestueuse Hersilia terug

gewezen. Hoe hij de voorste stapeltjes in \'t magazijn trouw verzorgt en voor \'t licht beschut.

1229 103 Kennismakingen bij \'t postkantoor. Het gevaar

lijke daarvan voor Wouter. Z\'n voorliefde voo;.\' \'t Icontemplatieve, en welke soort van arbeid goed voor hem zou zijn. Droomen en handelen.

1230 105 ,De geestvermogens werken onder den invloed

134

van geregelde werkzaamheid regelmatiger en met beter uitslag, dan wanneer men zich meent bezig te houden; alleen met denken. Denken is altijd verbonden met zintuigelijke bezigheid. Ons denkvermogen is afhankelijk van uitwendige invloeden.quot; Droomen, mijmeren en peinzen. Een bijzondere hebbelijkheid van den auteur. „Ook Wouter had iets noodig, dat als baspartij dienen kon, waarop hij de melodiën kon zetten waarvan z\'n ziel vervuld was.quot;

1231 107 Ontmoeting bij het postkantoor met Gus Halle-man en eenige andere veelbelovende jongelieden. Het is den auteur onmogelijk dit hoofdstuk af te werken in den toon, die in Nederland tot

ocr page 149

irgt;KËN VAM MULTATULI.

schatrijk-worden noodig is. „Daar vlamt en vonkelt \'n heilig gevoel door m\'n hartquot; De auteur zal alzoo de buitenplaats door van Twist met z\'n ,indische spaarpenningenquot; betaald, en welke hij den auteur goedkoop wou overdoen, niet betrekken.

De auteur beklaagt zich over de weinige rust, die hem in z\'n arbeid gegund wordt.

LXVIII.

1232 112 ,De Kopperliths gaan naar-buiten.quot; Ook de zieke

mevrouw wordt naar G-roenerihuise overgeplant.

Wouters verveling op \'t kantoor. „Stak er voedsel voor den geest in den arbeid dien men hem te doen gaf? Heilzame vermoeienis voor \'t lichaam ?quot;

1233 115 „Men houde de ziel gezond voedsel voor. Ze zal

versmaden wat vuil is, omdat ze dan daarvoor geen ruimte heeft. Dit is van toepassing op meeningen en smaak, op geloof en bijgeloof. Het uitroeien van gelooverij kan niet door onthouding geschieden, want telkens komt het kind er mede in aanraking.quot;

1234 117 Deze methode van vulling tevens toe te passen op

wat meer algemeen onder moraliteit verstaan wordt. „Dit was bij onzen Wouter ten eenenmale verzuimd. Hij voelde zich ongelukkig en dacht niet gaarne over wat hem vroeger liefelijk voorkwam.quot; Hoe hij Femke eens ontliep.

1235 119 Wouter zal met den heer en mevrouw Calbb den

volgenden dag achter de „britschkaquot; van papa met huurpaarden naar Haarlem en Groenen-huize rijden. Thuis gekomen is z\'n moeder opgetogen van de eer in hem de heele familie aangedaan, en wordt hij door haar over zijn ontevredenheid beknord. Den volgenden ochtend stapte Wouter aan de Haarlemmerpoort in de

135

ocr page 150

register op de

britschka en zorgde er voor dat mand, hoede-doos en soezen onbeschadigd te Groenenhuize aankwamen.

1236 122 De Buitens gaan de wereld uit! Jacht op distinc

tie. in verband met de inrichting der transportmiddelen. De eerste stadiën van Buitenplaatsen: stoepbanken. Daarna „Buitentuintjes.quot; Hierdoor werd de doodslag toegebracht aan Buurtschap, een zeer belangrijk element van \'t eigenlijke volksleven. Aansluiting tegenwoordig op geheel ander terrein.

1237 124 Invloed die de nauwe onderlinge aanraking met

buurtgenooten uitoefende op meeningen, zeden en ontwikkeling. Het geding Warmoesstraat versus Keizersgracht in Sara Burgerhart. Nederland arm aan zedeschilderende verhalen. Iets minder arm (bij volslagen gemis aan tooneel- en blijspelen) aan treurspelen en narrepotserijen. Daaruit blijkt dat onze voorouders zich veel meer dan hunne fatsoenlijke naneven op straat bewogen. De integriteit der kluchtspelschrijvers overigens niet boven alle verdenking verheven Werken naar Pransche (ook weer niet oorspronkelijke) modellen: Langendi.ik, Molière, de vuile Fockenbroch.

1238 126 Wegschenken van aandacht aan nietige bijzaken

en de hierdoor onmisbare verwaarloozing van de hoofdzaak. De auteur vertelt een anecdote; „Zelden meten wij onze inspanning, onze aandoeningen, ons oordeel en ons gedrag, aan quot;n juisten maatstaf.quot; Dom Alonzo en Bom Pedro-

LXIX.

1239 131 Iets voornamer dan de buitentuintjes waren de

Optrekjes buiten de Muiderpoort, „in de Meer.quot; enz. Gelderland en \'t Stichtsche. De omstreken van Haarlem zijn eerst na de Vechtsche streken

136

ocr page 151

ideën van multatuli.

in de mode gekomen. Toenemend reizen buiteu-quot;slands. De Buitenplaatsen sterven uit. Weelde (?) op vroegere Buitenplaatsen. Wie zijn de ophemelaars van de pracht op zoo\'n Buiten? De familie v. Lennep die op haar buiten: „\'t huis te Manpadquot; in één jaar twaalfhonderd guldens aan vogeltjeszaad zou uitgegeven hebben 1 Onevenredigheden: De bezitter van Woestduin die hevig boos werd als \'n bezoeker of gast den voet zette op \'n geharkt paadje. Adagio van den ouden Gerrit.

133 *Leven van C. en D. J. v. Lennep, en J. Hartog, de ^spectatoriale geschriften.\'quot;

1240 13-4 ,Van eigenlijk gezegde weelde, uit de verte gelij

kende naar die welke de wereldgeschiedenis in zekere perioden geboekstaafd beeft, was in \'t bekrompen Nederland nooit spraak. Wat kan de dagelyksche uitspanning van den geest hebben uitgemaakt bij menschen, die zich op hoogtijden vermaakten met de rymelary der prulpoëten van die dagen?quot; Hooft en de Muiderluring: Monumenten van wansmaak, noodkreten van allerdeftigst gedragen verveling!

1241 135 Beschrijving en karakteristiek van oude Buiten

plaatsen. ^Adclijkc zathen.quot; Weldadigheid „onder opzien tot God.quot;

1242 137 Dusgenoemde optrekken dragen \'n geheel andere

physionomie. Ingebeeld standverschil. De uitspanning der bewoners van die landelijke optrekken meestal zoo onlandelijk mogelijk. Bewonderende Pleiers, Hoekers en Knickers en Jongste bedienden.quot;

1243 139 Wouter zal heden op Groenenhuize de rol van

lamgeschitterd Serafijntje spelen. Teleurstellende indrukken op de heenreis. Ontvangst te Groenenhuize, waar ook de Kruckers zich bevinden. Wouter wordt ,voorgesteld.quot;

137

ocr page 152

REGISTER 01* DE

Bureaux d\'esprit. „Misselijker is nog \'t uitstallen van — nagemaakte! — geleerdheid, zooals die welke door Molière wordt gehekeld in z\'n Fcm-mes savantes en Précieuses ridicules.\'\'\'\' Wouter stelde zich voor nu eindelijk iets te vernemen uit de werkelijke wereld. Julie „enfant terrible.quot; Cïesprek over kurken en lijnwaden en over wisselkoersen. Belangrijke uitleggingen, die echter onzen Wouter eenigszins de oogen openen. Wouter naar de mangelkamer gestuurd om met kleinen TjON\'ifaz te spelen.

LXX.

Wouter verdrietig en wrevelig. „De bloemen zijner fantasie waren verlept en geurloos geworden.quot; Z\'n geknakte vatbaarheid het werkelijke te kleuren en op te sieren.

„De dichter, die zich beklaagt over \'t proza des levens, legt \'n ongunstig getuigenis af tegen zich zelf.quot;

Do reinheid van Wouters ziel was besmet geworden, en dit benevelde z\'n dichterblik. „Geen voorwerp kan helder terugkaatsen uit \'n verweerden spiegel.quot; Xadeeligen invloed, die \'t gezelschap van onrijpe deugnietjes op hem uitoefende. „Niet kennis maakt onrein, maar \'t aanhooren van vuile praat over kennis.quot;

Wouter aan het peinzen over een oplossing van de vraag welke wetten toch de wisselende koersen beheerschen. Dit deed hij voor z\'n „damequot; Julie.

Wouter vindt onder het spelen met Bonifaz de oplossing van het vraagstuk. De familie wordt aan tafel geroepen. Wouter verdrietig dat Julie geen acht slaat op haar aanstaanden bevrijder. De oude heer Kopperlith vermaakt zich ten koste van Wouter en snijdt over z\'n zonen op. Wouter vergelijkt de Kopperliths met de Holsma\'s.

138

Nos. Elz.

1244 142

1245 148

1245:l 149 1245h 149

1246 150

ocr page 153

IDEKS VAN MULTATULI.

Z\'n bittere stemming.

153 ^Onopgehelderde oorzaken van de sedert eenige jaren in geheel Europa heerschende malaise op financieel- en industrieel gebied.

1247 158 Eijtoer na den eten. Tragische geschiedenis van den gebroken parasol- Wouter de wereld in om zeven gulden dertien te zoeken.

LXXI.

1248 162 Wouter verkoopt z\'n nieuwe jas en hoed bij een

jood in Haarlem en doolt daarna verdrietig rond. In z\'n gedachten stelt hij een brief op aan Mevrouw Kalbb. Spoedig keert hij naaiden kleerenjood terug en koopt voor \'t zelfde geld een smerige jas en hoed terug.

1249 167 Wouter denkt, terwijl hij in den Hout ronddoolt,

aan hetgeen hij op \'t kantoor te Amsterdam heeft achtergelaten en aan het vinden daarvan door de kantoorheeren. Beschaamdheid over \'t verkwanselen van z\'n kleeren. rEigenlijke misdaad wordt eerder vergeven dan dergelijke krankzinnige handelwijs. Wouters manier van speculeeren leidt niet tot welvaart, maar men is te zeer geneigd zich goede uitkomsten voor te stellen van het tegendeel.quot;

1249a 171 „Verreweg \'t grootste deel der maatschappij bestaat uit menschen van allergewoonste neigingen en gaven, en toch slagen zij op hun eigen terrein niet beter dan de enkele, die dat gebied slechts nu en dan als vreemdeling betreedt.quot;

1250 171 Wouter denkt aan de Holsma\'s, en andere lieve

herinneringen komen in hem op. Leven of sterven ? Zijn honger. Hij zet zich eindelijk moedeloos onder \'n boom neer en valt in slaap. Wakker geworden, besluit hij naar Amsterdam terug te wandelen en naar vrouw Claus en Femke

139

ocr page 154

140 kegistek op de

Nos BIz.

te gaan. Zeer vermoeid komt hij tegen den morgenstond bij het hem ■welbekende huisje aan.

1251 174 Wouter\'s schaamte over z\'n zonderlinge kleeding.

Onaangename verrassing: De deur stond aan, en in de verte meende hij Femke (prinses Erika) met een matroos (prins Erik) te zien wandelen.

1252 175 „Die verdoemde Flegeljahre! Jean Paul heeft

daarvan \'t ergste niet gezegd, het voornaamste niet, het ware niet! Bij verreweg de meesten zijn ze kort van duur, bij de Maatschappij over \'f geheel genomen is \'t zoo niet!quot; Gebrek aan hart. .Aan de zeer weinigen die openlijk protesteerden tegen de vuile manier, waarop sedert eenigen tijd de afgunst van lettermannen zich openbaart, m\'n hartelijken dank.quot; De auteur klaagt het Nederlandsche Vólle aan, dat partij trekt tegen Havelaar. Voortzetten der Woutergeschiedenis uit armoede.

1253 177 Onze held stierf duizend dooden bij het zien van

Femke en haar matroos die eindelijk van elkaar afscheid schenen te nemen. Wouter loopt woedend heen, doch treedt na eenig heen en weer zwerven \'n half uur daarna het huisje van vrouw Claus binnen. Deze uit haar verwondering over zijn zonderlinge kleedij en z\'n „verpieterdquot; uitzien. Wouter vraagt naar Femke, doch vrouw Claus geeft telkens uitwijkende antwoorden en schijnt voor hem een geheim te verbergen. Fater Jansen komt een bezoek brengen. Wouter vertelt alles zoo goed hij kan. Fater Jansen\'s zedepree-ken licht te verteren. Z\'n naïve goedheid. Hij wil Wouter z\'n oud zilveren horloge gev.^n om te verkoopen, doch vrouw Claus komt met andere hulp voor den dag. Zij vertelt Wouter eindelijk het geheim van prinses Erika en haar broer die afscheid kwam nemen. Vrouw Claus vindt dat Wouter er niet meer zoo lief uitziet als vroeger. Ze raadt den pater aan met Wouter meé te gaan naar Haarlem om z\'n jasje en hoed

ocr page 155

IDEEN VAN JIULTATllLI. 141

in te lossen en geeft hun een briefje mede van prinses Erika, om te bezorgen als ze terug zouden zijn,... doch eerst naar neef Holsma.

LXXII.

1254 189 Wouter en Jansen komen aan de woning van den laatsten aan, waar Wouter wacht tot pater Jansen de meegegeven friedrichs gewisseld heeft.

De katholieke eeredienst in Wouters tijd. Erkennen van bisschoppen in \'48 onnoodig geweest indien men had kunnen besluiten de officiëele wijding in te trekken, waaraan \'t protestantisme \'n groot deel van zquot;n invloed ontleent. Het zoogenaamde liberalisme, d w.z de Thorheckery die tot vrijzinnigheid in verhouding staat als protestantisme tot ontwikkeling. Bij een regeerings-stelsel als \'t onze kan niets degelijks uitgericht worden. Afgunst onder den naam van hezadigd-heid, beleid, enz. Hofmaken aan ongeloof dat te wachten staat. Vooruitgang, maar op \'n weg die hoogstwaarschijnlijk niet dan door \'n moeras van vuil naar \'n gewenscht doel leiden kan.

1255 192 , Vooruitgang is er. Waarom geven de aanhangers

van \'t oude geloof niet meer blijk van ongerustheid?quot; Hoe de oude Pius z\'n katholieken telkens verzekert, dat alles weer perfekt terecht zal komen, als de tijd daar is. Vervolging in Duitschland wegens „godslasteringEen stukje van Patdus in den Spectator en „ 7\'cr Uitvaartquot; van Ds. Piekson. „De zedelijkheid zal nog in zeer langen tijd na \'t afschaffen der goddienerij niet toenemen.quot;

1256 1amp;5 Natuurstudie ! Geen halfheid.

1256bis196 Voorbeeld van zulke halfheid: Stuk van den (pjm-nasial-TJirector Sciimelzer tegen sommige lees-

ocr page 156

keg1stek op de

boekjes.

1257 197 Verhaal van den godvruchtigen Arner eu zquot;n zoon

Karei.

1258 200 Opmerkingen van den schrijver op het voorgaand

verhaal. Een bedenkelijke leemte daarin. Schmel-zer\'s liberalismus.

204 *Onder\\vijzers, staatsbeambten, tot policie-agenten toe, moeten in Duilschland in de kerk getrouwd zijn, op straffe van ontslag.

1259 205 Een merkwaardig Duitsch-Engelsch verhaal ia

een Engelsch kindertijdschrift: de vrome koopman Hanser. Een soort van kerstlied in \'t zelfde nummer, waarmeê de musschen in de sneeuw zich aanbevelen voor wat kruimeltjes, en hoe de maker van dat lied daarin het cricket-veld te pas brengt.

208 ^Ziekelijke filantropie.

LXXIII.

1260 211 Jansen vertelt de geschiedenis van Stmnt.ie en

de vergeten kous. Wouters indrukken in de kamer van den pastoor. Herinneringen uit de bibliotheek van den Weledelen Heer Motto. Stijntje komt binnen om paters Jézékic te schuren. Haar doodelijke angst toen ze van Wouter verneemt dat pater geld is gaan wisselen. Wouters indruk van Stijntje die zoo gemeenzaam over haar meester sprak, over den man die ook tot het „goedjequot; scheen te be-hooren dat ze zindelijk te houden had. Optreden van eenige bedelaars op \'t binnenplaatsje tus-schen het kamertje en de kerk.

1260a 216 „Het paaperisme is \'n pestbuil van \'t geloof.quot;

1260b 216 Afgunst onder dat bedelaarszoodje. „Bitisdaggers.quot;

Waarom nummer drie zoo bijzonder voordeelig

142

ocr page 157

ideën van multatull. 143

Nos. Blz.

is. Vlugheid van een lamme. Stijntje aan \'t bededen. Ontevredenheid van de heeren bedelaars en hoe ze door Stijn en Wouter worden weggejaagd.

1260e 218 „Niets is aristokratischer dan \'t gemeen.quot;

1260d 218 Wat Stijntje alzoo aan Wouter vertelt.

Wouter wordt aangesteld om op pater te passen, wat geld uitgeven betreft. Stijntjes opinie omtrent bedelvolk en het „begieten van onkruid.quot; De vuile Griet, die geen sneeuw wou opvegen, omdat ze daardoor te veel „huizenquot; verzuimen zou. Wouters vraag naar kelders en naar Femke Stijntje\'s vondelingsschap en hoe het komt dat ze maar elf hemden heeft. De zielmissen voor haar moeder. Pastoor Koens, de andere heer die zij heel te houden heeft, en de biecht bij pastoor Jansen.

Jansen komt eindelijk terug met het gewisselde geld, en nadat Stijntje Wouter nog eens in \'t oor gefluisterd heeft te zorgen dat pater al dat geld niet verdoet, gaan beide op weg.

1261 229 Hoe Wouter niet aan \'t preeken raken kon. Wat pater Jansen vertelt, toen Wouter vroeg of-i zingen kon: Mozart bij de aartshertogin van Oostenrijk. Sterke toeren met \'n Vulgata. Een preek van pastoor Koens over goede behandeling en hoe pater Jansen zich eens over een mand met worst ontfermde. Jansen vertelt Wouter de geschiedenis van Trineken en Liesje, welke liefelijke idylle de auteur als \'n beloofd staaltje van Jansens preekmanier geeft.

1262 242 De auteur citeert een paar regels van Oosterwijk Bruin, om blijk te geven dat-i heusch \'n Letterkundige is. Opmerkingen over het citeeren

ocr page 158

14-1 r.egister op de

en bestudeeren van oude schrijvm-s.. , ylaafbron-nen.quot; Het werken naar modellen. Een aardige passage bij Horatius.

12G3 248 Lofdicbt van Westerbaen op Mü. Brugman\'s uitgaaf van de Beschrijvinge der Gracven van Holland van Scriveriüs.

Nog iets over de dubbelletter ij.

1264 251 Naar aanleiding van het standje bij de afvaart-plaats van de Haarlemmer trekschuit, haalt de auteur, om zioh vooraf aan een bron te laven, een gelijksoortig geval aan bij Horatius : de Feronische schuit, en twist tusschen Sarmentiis en Messius Cieirrus. (Vertaling van Huydecoper.)

1205 255 Eenige regels uit dat zelfde hekeldicht, waarin Horatius met koddig verdriet \'n zeker ongeval beschrijft. Paul de Kook en Dümas fils. Wat de auteur van het geciteerde ongevalletje denkt, en hoe zulke ervaringen voorkomen kunnen worden.

1266 258 Vosmaer en z\'n vertaling van de Syrdkuzische

vrouwtjes van Theokritos in de „ Vogels tan diverse pluimage.quot;

1266a 259 Over navolging en in hoeverre daarmede het doel bereikt wordt dat de een of andere brekebeen zich voorstelde. Van welke factoren de tijdelijke vereering alzoo afhankelijk is. Navolging van Hetse. Afkeer van arbeid die het navolgen zoo verleidelijk maakt. ,Elke akker brengt iets voort, mits wij niet, in plaats van flinkweg de handen aan \'t werk te slaan in eigen bodem, heil verwachten van \'t staroogtn op den tuin van \'n buurman.quot; „Een groot deel der nalatenschap uit vorige eeuwen kan zonder schade worden weggeworpen.quot;

1267 261 Een treurig voorbeeld van navolging bij Staring.

Waarom de auteur bij den stortvloed van na-

ocr page 159

ideen van multatuli.

volgingen die onze letterkunde overstelpen, juist iets van Staring, den dichter van „ Herdcnhingquot; aanhaalt? Tijd waarin Staring leefde. Akademien, professoren en diktaat-kollegiën. „Hoheit aufjRei-senquot; van den geestigen en menschkundigen schilder Kxaus. Het gelegenheidsgedicht van Staring, een navolging van Theokeitüs\' „Terugkeer van Adonis.\'\'\'\'

1268 266 Het oneerlijke: „dat wisten wij al lang.quot; „Is \'t toaar of is \'t niet waar dat „menquot; Hooft meent te prijzen door den bijnaam van Nederlandsche Tacitus ?quot;

1268a 267 Artistenluim in tegenstelling van ambachtelijke kunstgrepen : de Londinias van Vosmaer.

*Ongunstig oordeel over de drie bundels v Nederlandsche, helletriéquot; van 13. Huet.

1268b 268 Armoed van geest, gekompliceerd met de zucht om zich als welvarend voor te doen, en dikwijls met nijd.

„Een zeer groot gedeelte van wat de zoo hooggeroemde oudheid naliet, heeft slechts waarde als antilcwiteit. Ook de ouden schreven elkander na, maar ze roemden er niet op. Tkrentius gaf zich niet eens de moeite de grieksche stukken van Menaxder te romanizeercn, hij vertaalde ze slechts met eenige wijzigingen, waarover hij zich zelfs meende te moeten verontschuldigen.quot;

1268° 269 Slechte invloed van de wijze, waarop tegenwoordig de grieksche en latijnsche grammatica behandeld wordt. „Velen leerden zich nooit ontslaan van den kathedralen indruk dien ze van de eerste kennismaking met sommige stukken uit de Oudheid opvingen. Het niet-bestudeeren van oude auteurs is \'n fout. om verschillende redenen. Maar bruikbare modellen leveren ze ons niet, al ware alles wat ze ons nalieten uitstekend!quot;

145

10

ocr page 160

146 begistee op de

1269 270 Een voorbeeld uit des schrijvers berinnering, uitstekend geschikt voor \'t leveren van de diagnose der model-verhefziekte: Zeker tooneelspeler aan bet Hoftheater te Kassei in de boedanigheid van Geest bij \'n voorstelling van den Hamlet. Far-henlehre en JBreslau.

*Over de achterzetting van Spohe in die dagen.

WOUTERGESCHIEDENIS.

LXXIV.

1270 275 Pater Jansen kon Wouter niet behoorlijk inlichten

wat er bij de Haarlemmerschuit te doen was. Jau-sens gebrekkige wereld-en menschenkennis. „In den biechtstoel kan \'n katholiek geestelijke zoo bijzonder veel menscbkunde niet opdoen.quot; De toon waarop Wouter en Stijntje zich uitlieten over zaken die door anderen slechts worden behandeld met konijnenmondjes en in pontifikaal.

1271 277 Het gemeene wijf, dat te Amsterdam was geweest

om wat koopwaar op te doen voor haar winkel te Haarlem. Gekijf met de moeder van een dier vrouwspersonen. Verontwaardiging van het publiek. Eigenaardige rol die meestal de moeders van zulke meisjes spelen. Wouters menschlie-vende plannen. Verandering van toon, toen het edele mensch bemerkte wat er tusschen Wouter en Jansen gaande was : plotselinge temperatuurs-verlaging in \'t hartje van den zomer van de drie „wurmenquot; die ze thuis had. Het volk wilde de waardin in \'t water dringen en die meiden naar huis sturen. Naar welk huis ? Zonderlinge preutscbheid van de maatschappij.

1272 284 In hoeverre het de geschreven Wet is die in deze zaak in de laatste instantie tusschen goed en

ocr page 161

ideên van multatüli. 147

kwaad beslist. De onverbiddelijke eiscben der werltélyhheid. Circulaire van \'n pas opgetreden Minister van Justitie aan de prokureurs-generaal en wat van zulke aanschrijvingen \'t natuurlijk lot is.

286 PraMijk hoven theorie: Waarom het aan meisjes uit bordeelen praktisch onmogelijk is daaruit te ontvluchten. De policie, de schraal bezoldigde dienaar van \'t Recht, de ruim betaalde dienaar van waard of waardin 1

288 jSoodzalcelijkheid gaat boven de Wd. „Terugkeeren op \'t pad der deugdquot; een fraze. De uit bet eene huis weggeloopen schepsels zijn gewoonlijk op weg naar quot;n ander bordeel. Ordinaire wezens, maar ook geen monsters — \'n dwaling van sommigen die dit aan zeker fatsoen meenen verplicht te zijn. Het asyl te Steeribeeh, waar alleen zij aankloppen die verlegen zitten om dak en brood.

290 ^Genesis XXXVIII en de vrome bijbeluitlegger

Hamelsveld.

291 De natuur gaat hoven de leer. „De wezens die

eenmaal in bedoelde omstandigheden geraakten, zijn op zeer weinig uitzonderingen na bedorven ; niet zoozeer omdat ze zich in zoo\'n huis bevinden, maar om de organieke karakterfouten die haar in dien toestand gebracht hebben. Wilde men iets doen, men zou moeten zoeken naar middelen om snoeplust, pronkzucht, luiheid te genezen. Waar zijn de „asylenquot; voor mannen ?quot; Beschaving, mits de ware!

292 *Eichakdsonquot;s afschuwelijke Pamela, de prototype

van zeker soort van preuts-zedelijke boeken.

1273 293 De waardin scheepte de beide Kaatjes in en ging nog even naar den wal terug om Wouter en Jansen niet uit \'t oog te verliezen. Ook de „ra-delooze moederquot; komt nog eens met haar radeloosheid ter markt. Jansen stemt er eindelijk in toe, dat Wouter de drie schellingen geven zal, maar wil ze zelf betalen. Hij zal om geld schrijven aan z\'n broer te Vucht. Wouter ^eeft een

ocr page 162

register op be

heele rijksdaalder, waarvan hij echter niets terugkrijgt.

1273a 295 „Armoed, ondeugd en filanthropie — of wat daarvoor zoo dikwijls doorgaat — zijn drie variëteiten van dezelfde ziekelijkheid, die elkaar vice-versa veroorzaken, stijven, kompleteeren en in leven houden.quot;

1273b 295 De waardin neemt plaats in de roef en de schuit vertrekt. De beteekenis van haar vraag aan de etat-major in den stuurstoel: „Wel ja, niet waar?quot; Opmerking over den oorsprong van vrijmetselarij. „Bronnen\'\'\' van den Nijl, de „uitvindingquot; der boekdrukkunst, \'t „stichtenquot; van steden, de „vollcsverhuizingenquot;, e. d.

De orgelman, die nog niet in \'t zicht kon zijn.

1274 298 Sterne en z\'n Tristam Shandy.

1275 298 Wat bewoog die waardin tot de vraag; „of \'t

niet waar was?quot; Ze wil \'n oogenblik later den schipper den koperen vuurbak aanreiken, doch deze, deugdzaam en konsekwent, haalt een tondeldoos voor den dag en bikt z\'n eigen vuur. De auteur meent in de herhaalde poging van de vrouw om eigen indruk aan \'t oordeel van anderen te toetsen, \'n bijdrage te vinden tot den oorsprong der magonnerie. Misbruik dat de schipper van z\'n voordeeliger standpunt tegenover die vrouw maakte. De émigré die nog niet in \'t zicht kon zijn, stond in z\'n koeter-waalsch te kibbelen aan \'t Sloterdijker tolhek, om voor zich en de zijnen vrije passage te bedingen. \'t geen echter, dank zij de redeneeringen van den stipten tolgaarder, niet gelukte.

1276 303 Hoe Wouter over die twee meisjes dacht De

orgelman, ziende dat er Publiek kwam opdagen om het standje- bij te wonen, geeft bevel z\'n zeil te plaatsen en geheel Sloterdijk kreeg nu de geschiedenis der schoone Genoveva van

148

ocr page 163

ideên van multatuli.

Brabant te aanschouwen. De tekst van de Complainte, \'n aardig en belangrijk staal van volkspoëzie.

1277 310 Indruk van liet lied op de Sloterdijkers. Hoe de auteur weet dat de jaaglijn van de naderende schuit niet méér en niet minder dan tachtig vaam lang is. Hij raadpleegde daartoe de beide Pliniüssen. Opmerking van Katchen, waarna de schrijver haar met \'n houten Plu-taechus doodslaat.

1277a 312 Over Plutarciius en nog iets over \'t bestudeeren van oude schrijvers.

1277b 313 Voortzetting van des schrijvers onderzoek in Plutarciius en daarna in de H. Schrift. De auteur laat sommige werken, die in \'n taal geschreven zijn welke hij niet best verstaat — \'t moderne krant- en novelle-hollandsch b. v. — door zivaar hc\'éedigde translateurs voor hem vertalen.

De orgelfamilie haalde de strikt noodige duiten op en kon eenige minuten na \'t voorbijgaan van de schuit de reis voortzetten. Disraèli en zekeren Ciiukciiill worden den lezer voorgesteld. Over puriteinigheid in zake germanismen.

1278 316 De auteur doet beknopte mededeeling van z\'n overlijden. „De dood was reeds bij de ouden bekend, evenals sommige eigenschappen van de vlam, doch \'t bleef eerst voor onze eeuw en wel bepaaldelijk voor den schrijver bewaard, de ontdekking te doen dat men overlijden kan aan \'n paar dozijn tijdschriften en letterkundige voorlichtings-verhandelingen.quot;

Chükchill en Disbaéli. Hoe deze vreemdelingen dienen ontvangen te worden, als ze zich in \'n grootmoedige bui eens mochten vernederen Holland met \'n bezoek te vereeren.

149

ocr page 164

150 register op de

Nos. Biz.

1279 318 Churchill wordt niet alleen als „geniequot; voorge

steld, \'t geen ook in \'t Conversations-lexicon te lezen staat, maar ook als genioloog. Daarna Disraëli, die „the larger part of his educationquot; in Leiden ontving, de schrijver van de „Curiosities of Litterature.quot;

1280 323 Curieuse aanhalingen uit deze Curiosities over

Nederl. letterkunde. Welke kwestie pater Bon-li ours stelt en de belangrijke opmerking van onzen Churchill. Oordeel over Vondel e. a. Opmerkingen over geniën en kousenwinkels; over Pyramus, Gfsbrecht van Amstel en pantomimische lijken; over een grappigen molenaar, over Cats en over Mordeohai op een vlaamsche merrie. Slot epiloog van \'t stuk.

1281 333 Churchill en Disraëli op de kamer van den schrij

ver, en wel in gezelschap van een wagenvracht nederlandsche tijdschriften. De auteur, protes-teerende tegen- de schandelijke armoed in onze letterkunde en er zich over schamende, wordt door de beide vreemdelingen onder handen genomen en eindelijk doodgeslagen. Hun berouw daarover, toen ze op de schrijftafel den door Mr. Pieïer Brugman uitgegeven Scriveriüs vonden, juist openliggende bij \'t stuk hollandsche volksroem dat bestemd was \'n helder licht te werpen op den vermoedelijken afloop van Wouters reis naar Haarlem. Disraëli stelt broeder Churchill voor, gezamenlijk flauw te vallen. De auteur maakt van deze gelegenheid gebruik om Katchens voorbeeld te volgen en z\'n werk voort te zetten.

1282 337

WOUTERGESCHIEDENIS.

LXXV.

De waardin was terdege boos. Hoe reeds haar

ocr page 165

TDEËN\' VAN BIULTATDLI.

eerste poging om \'n gesprek aan te knoopen door den schipper was beantwoord geworden. Deze beproeft den pater aan \'t spreken te krijgen, doch Jansen blijft stil voor zich zien. De schipper vindt gelegenheid \'n paar malen iets van z\'n zeemanschap te laten zien en praat veel over z\'n kinderen en z\'n braafheid. Het fijne onderscheid tusschen Haarlemmer- en Amsterclammer-schipper. De waardin trekt zich \'t lot aan van de orgelfamilie aan den wal, om hierdoor den weg tot Jansens gemoed te openen. Dit gelukt vrij wel en spoedig brengt ze het door een aandoenlijk verhaal over de twee schepsels die ze zooeven had afgehaald zoover, dat Jansen haar uitnoodigde de reis naar Haarlem niet met de beide meisjes voort te zetten.

De waardin kwam \'n volle schuitbeurt later thuis dan ze gedacht had, terwijl Jansen, Wouter en de beide berouwhebbende Kaatjes te voet het pad der deugd, d.w.z. den vervelenden straatweg naar Amsterdam insloegen.

151

ocr page 166

ALPHABETISCH ZAAK- EN NAAMREGISTER.

A.

Abailard en Héloise V 1070 bi. 322.

Abraham en Teraeh III 887 bl. 307.

Adèle (Verhaal) III 805—817 bl. 211 — 234.

Advocaten (Redenarij) III 709 bl. 128, 714 bl. 133.

Aeschylus V 1053quot; bl. 128.

Agatha (Christelijke huwelijken) I 182 bl. 95.

Ahasveros III 800 bl. 208.

Akademiën VII 1267 bl. 263.

Alonzo (Don A. en don Pedro) VII 1238 bl. 126. (Verhaal)

Alphen (van) III 824 bl. 243, 827 bl. 245. V 1065 bl. 295.

Alva I 84 bl. 25. III 760 bl. 176.

Amor en Psychè II 518 bl. 220.

Amsterdam Gemeentebestuur I 306—308 bl. 205—206. Doolhof I 357 bl. 230. Verfraaiing I 362 bl. 235. Kattenburg en Wittenburg I 397 bl. 308. Sluiten der poorten II 518 bl. 263. Schouwbutg V 1050 bl. 55; VI 1188 bl. 304. Stichting VI 1091 bl. 32. Huisdeuren VI 1188 bl. 303. Jodenbuurt VII 1223—1227 bl. 73—90.

Amsterdamsche courant (Stuk) I 135 bl. 56.

Anangkè I 169 bl. 87.

Anderson (Marie) II 482 bl. 191, 515 bl. 238. III 676 bl. 89.

Annonce Heden overleed, enz. I 176 bl. 90. Van een bierbrouwer I 312 bl. 210.

Anonymiteit IV 997—998 bl. 262—265.

Antieken VII 1268^-1268« bl. 268-269, 12771» bl. 312.

Arbeider (Geen prater) II 451 bl. 102. Arbeiders op zeker veld van wetenschap II 482 bl. 188.

ocr page 167

IDEÊN VAN MULTATULI. 153

Aristoteles III 773 bl. 188, 788—790 bl. 200—201.

Arner (Verhaal van den ambtman) VII 1257 bl. 198. Arnhemmer courant I. 62 bl. 17, 135 bl. 5-4. IV 929 bl. 1,

998—999 bl. 265-270, 1005 bl. 286.

Assas (d\') II 527 bl. 308.

Atjin Twist zoeken II 535 bl. 336. Vechtrapporten III 760 bl. 176. Brief aan den koning IV 982 bl. 224. Vijandige verhouding IV 984 bl. 228. Oorlogsverklaring IV 1037 bl. 357. Nota van de Putte V 1066 bl. 303.

Atomen II 503 bl. 202.

B.

Bakerpreek I 394 bl. 297.

Bankiers TI 451 bl. 44.

Bayard (Het paard) V 1066 bl. 310.

Baijle (Pierre) III 870 bl. 280.

Beets VI 1194 bl. 322, 1198—1199 bl. 330—331.

Belgische oorlog II 451 bl. 94.

Bellamy III 887 bl. 303.

Bergh (van den) V 1073 bl. 328.

Bergpoëzie II 454 bl. 176.

Berichten (Negen) I 394 bl. 295.

Bernagie (Belagchelijke jonker) I 385 bl. 272.

Beroepskeuze V 1075—1079 bl. 334—345.

Berrijer III 709 bl. 128.

Betz II 451 bl. 59 en 108.

— Bevallige dame I 219 bl. 128.

Bevoegdheid III 671—689 bl. 97—106, 799-804 bl. 207—211. Bevolkingsstatistieken II 451 bl. 72.

Bidden I 163 bl. 84. 169 bl. 87. III 908-909 bl. 339-341. Bilderdijk III 633 bl. 71, 740 bl. 152, 742 bl. 153. V 10471\' bl. 10, 1052a bl. 92, 1053-10581\' bl. 105—198. 1065 bl. 294. VI 1198 bl. 331.

Biologie, orakels, latta III 890—891 bl. 311—-312. Bisschoppen (Erkenning van) VII 1254 bl. 190.

Bleeker (Dr. P.) II 451 bl. 62.

Bloempotje (Uit de Minnebrieven) IV 1040 bl. 362. Boekdrukkunst (Uitvinding) II 527 bl. 288.

Bogaert (Abraham) VII 1237 bl. 125, 1263 bl. 250. Bogowonto IV 1022 bl. 317.

Boileau I 69 bl. 18. III 637 bl. 73.

Bolingbroke II 452 bl. 142.

ocr page 168

154

Bonhours (Patev) VII 1280 bl. 324,

Boomen en bladen VI 1123 bl. 104.

Borger III 704 bl. 123.

Bosscha (Pruisen en Nederland) III 738 bl. 150.

Bosse (van) I 322 bl. 220. II 452 bl. 144.

Bourdaloue III 704 bl. 123.

Bouwwoede (te Berlijn) V 1079 bl. 347.

Brata Youda (Feiten) IV 1024—1030 bl. 321—384.

Bredero III 920 bl. 356.

Bredins II 452 bl. 144.

Brief Van een leerling I 113 bl. 34. Aan Höveker I 132 bl. 46. Van Höveker I 138 bl. 62. Beantwooi\'ding van brieven I 204—205 bl. 113—114. Van A. v. S. te Z. I 207 bl. 117. Van Merano I 297 bl. 198. Aan den Koning (Over ^ den Havelaar) I 331 bl. 223. Aan mevrouw de wed. X ■ II 448—450 bl. 1—25. Aan zekeren kerkeraad II 454 bl. 150. Aan de Javaan nutters IV 942 bl. 137. Aan den Koning (Over Atjin) IV 982 bl. 224. Van Post IV 996 bl. 255, 1004—1015 bl. 282—304, 1031—1033 bl. 335— 340, 1038 bl. 359, 1042 bl. 370. Van Hilarides V 1064 bl. 276. Van NN, Schoolmeester V 1064 bl. 286.

Brochure (Mulder en de Gavere) I 206 bl. 114.

Brughman VII 1263 bl. 248, 1281 hl. 336.

Bruijn (de) Kops. IV 979 bl. 216.

Büchner III 887 bl. 307.

Budget (van een arbeidersgezin) II 451 bl. 83.

Buitenplaatsen VII 1236 bl. 122, 1239—1242 bl. 131-137.

Buil (de) I 135 bl. 58.

Buurtschap VII 1236— 1237 bl. 124.

Buijs I 43 bl. 13.

Bijbel I 370 bl. 250, 437 bl. 353. V 1071 bl. 326. Brief aan de Connthers (7e Hoofdstuk) I 196 bl. 107. Elia en de Baaisprofeten V 1053\'\' bl. 112. Ezechiël I 431 bl. 348. i Genesis II 517 bl. 244. III 888 - 889 bl. 308—310, 904— 906 bl. 333—337. Hooglied V 1051° bl. 86. Matthews XIX I 183 bl. 98, 196 bl. 106. Richteren XIX I 188 bl. 103.

Bijencellen II 530 bl. 318.

Byron VI 1085 bl. 13.

c.

Cagliostro III 793 bl. 203.

ocr page 169

IDEEN VAN MULTATÜLI.

Calvijn I 233 bl. 143.

Cambronne II 527 bl. 308.

Cats II 451 bl. 63. VII 1280 bl. 332.

Causae finales III 907 bl. 339.

Census II 451 bl. 107.

Cervantes VII 1238 bl. 126, 1262 bl. 243.

Chantepie (Ds.) II 454 bl. 153 en 156.

Churchill VII 1277b—1281 bl. 315—333.

Cicero II 530 bl. 318.

Citeeren III 722 bl. 141. IV 960-961 bl. 166.

Claudius I 56 bl 16. V 1052* bl. 98.

Cleerens IV 1016 bl. 306; 1022 bl. 317.

Colenzo II 454 bl. 152.

Commis-voyageurs VII 1220 bl. 64.

Commune (te Parijs) III 916—917 bl. 347—348.

Compagnien van verre. II 451 bl. 93.

Congressen Internationaal congres: Eede van Douwes Dekker II 534—535 bl. 326—330. Congresredders III 717 bl. 134. Letterkundig congres te Antwerpen VI 1194 bl. 322. Contributie en Retributie IV 959 bl. 165.

Coquerel 11 454 bl. 152.

Cruikshank IV 964 bl. 175.

Crusoë (Eobinson) Vquot; 1062 bl. 260.

Curtius II 527 bl. 307.

D.

Da Coi-ta VI 1086 bl. 14. (Elementen dichterschap)

Dageraad (de) I 126 — 131 bl. 43 — 45. Dageraadsmannen

quot; I 126 bl. 43. II 482 bl. 191.

Dagorde (van Swieten) I 304 bl. 202, 327 bl. 221.

Darwin I 227» bl. 131. II 510 bl. 205. IV 941 bl. 130. Debatingclubs en dispuutcollegien III 713 bl. 132.

— Dejazeth (mad!) IV 1021 bl. 316.

Delaroche (Paul) I 387 bl. 280.

Demokratie (in Nederland) II 451 bl. 51. Politiseerende demo-

kraatjes II 451 bl. 32.

Diabesis (Moreele) III 762 bl. 178.

Dialekt VI 1195-1196 bl. 323—324. 1199 bl. 331.

Dichters I 56 bl. 16, 69 bl. 18, 263 bl. 164, 385 bl. 272 (Dichtoefeningen), 398 bl. 314. (id.) VI 1086 bl. 14. VII 1245» bl. 149.

Diepo Negoro IV 1022 bl. 317.

155-

ocr page 170

156

Diogenes VI 1174 bl. 237.

Disraëli VII 12771\'—1281 bl. 315-333.

Doedes III 887 bl. 807. VII 1255 bl. 194.

Doré (G.) V lOeO1\' bl. 231.

Drenkelingen (Privilegie van M. van Bourgondië) III 780—

783 bl. 193-195.

Dronkenschap III 926 bl. 366.

Droomen, mijmeren, peinzen VII 1230 bl. 106. Drukpersvrijheid 11 533 bl. 324.

\' \\ Dumas (fils) II 454 bl. 180. Ill 693 bl. 108. (Eindrijmen) IV 957 bl. 160. VI 1171 bl. 227. VII 1265 bl. 256.

Dupin I 135 bl. 52.

Dwaling I 19-21 bl. 9, 144-147 bl. 74-76, 149 bl. 77. Dijken I 301 bl. 200. V 1050^—1050* bl. 64-66.

E.

Eeuwigheid, oneindigheid I 174 bl. 89.

Effen (J. van) I 442 bl. 363. (Burgervrijaadje)

Elberfeldsche weezen I 138 bl. 62.

Elout I 313 bl. 211.

Eloy (S4.) IV 966 bl. 178.

1! Ernst (Laura) IV 1041 bl. 366.

Euripides V 1053quot; bl. 128.

F.

Fancy I 230 bl. 136, 382—384 bl. 268—270.

Fatum I 169 bl. 87.

-Faust legende II 517 bl. 244.

Feit (Het) I 165 bl. 84.

Feith (R.) V 1048 bl. 22, 10521\' bl. 97, 1053a bl. Ill, 1053\'

bl. 115 (Osrer het treurspel), 1053d bl. 120. (id.)

Fenelon II 452 bl. 137.

Feringa Demokratie en Wetenschap I 423 bl. 342. II 482 bl 192. Ill 924 bl. 361, Naschrift bl. 370. IV 962 bl. 167 963 bl. 175. Over populariteit IV 1007 bl. 296. Beoor deeling van den Havelaar IV 1038 bl. 359, 1041 bl. 369 Féval (Paul) II 518 bl. 254.

Fichte III 774-776 bl. 189—190.

Filantropie II 451 bl. 68. VII 1259 bl. 208, 1273» bl. 295. Fockenbroch VII 1237 bl. 125, 1263 bl. 250.

Fokke Simons III 633 bl. 71.

ocr page 171

IDEËN VAN MULTATULI.

Fongers II 452 bl. 114.

Fouten (Erkennen van) I 239 bl. 152, 254—256 bl. 162.

Franekeradeel (Voorstel der afdeeling) II 451 bl. 87.

Fransch-Duitsclie oorlog III 738 bl. 150, 747 — 752 bl. 156— 162, 756—757 bl. 172, 759—760 bl. 174—175.

Frederik de Gvoote I 33 bl. 11.

Gr

Geloof, Godsdienst, Christendom, enz. I 132 bl. 46 (Zg. godsdienst), 138—180 bl. 62—93 (Geloof en Natuurnoodzake-lijkheid), 181-182 bl. 94-95, 185—187 bl. 101-102, 208—209 bl. 117—118 (Godsdienstkrankzinnigheid), 233 bl. 143 (Godsdienst/rruwelen), 295 bl. 197 (Scheiding van Kerk en Staat), 347—355 bl. 227—229, 401 bl. 320 (Ruimte en Christendom), 414—437 bl. 339 — 353. (Zg. godsdienst) II 448 bl. 6, 454 bl. 162. (Geloof met steenkool) III 797 —798 bl. 206 (Zekere theologiën), 824—827 bl. 243 — 245 (Beloontheorie), 886—919 bl. 302 — 352 (Schepping in weinig regels afgedaan, Het Zijn liegt niet, Onderwijs in verband met het godsbegrip), 925 bl. 362. (Zedelijkheid) VI 1082 bl. 7. (Invloed der dogmatiek) VII 1233 bl. 116. (Uitroeien der gelooverij) Zie verder Modernen, God, enz.

Geloofsbelijdenis I 101 bl. 29.

Gelijkheid II 451 bl. 48.

Gemiddelde (Avonturen van het) I 336 bl. 225.

Geniën I 75—77 bl. 19-20, 103-105 bl. 31. IV 1002-1003 bl. 278-281. VI 1086-1087 bl. 15-16.

Gennep (van) IV 1031—1035 bl. 343—348.

Genoveva (Complainte) VII 1276 bl. 305.

Geschiedenis Van het Menschdom I 364 bl. 240. Blufferij in Vaderlandsche geschiedenissen, en over geschiedschrijvers II 452 bl. 132.

Gevers II 452 bl. 140.

Gevoel III 616 bl. 57.

Geweten I 368 bl. 249.

Girardin (Emile de) II 533 bl. 324. (Fransche publicisten)

Gleuf om \'t brugje I 340—341 bl. 226.

God I 102 bl. 30, 361 bl. 231. II 530 bl. 319.

Gorkum (van) IV 937 bl. 126, 942 bl. 141.

Göthe III 621 bl. 60, 680 bl. 103, 722 bl. 141.

Groen (van Prinsterer) I 135 bl. 51. 313 bl. 211. II 451 bl. 52.

Groof (Bisschop) IV 1028 bl. 329.

157

ocr page 172

REGISTER 01\' PE

Groot (Cornets de) II 451 bl. 34 Guizot II 452 bl. 112 en 142. Gunst (Dr. F.) I 131 bl. 45.

H.

Haarlemsche courant (Opregte) II 527 bl. 291.

Hall (van) I 135 bl. 51. IV 930 bl. 7. (Mr. van Hall)

Halma V 1060\'\' bl. 233, 1064 bl. 281.

Hamelsveld VII 1272 bl. 290.

Hamlet I 55 — 56 bl. 16.

Handel VI 1205 bl. 347.

Hanser (Verhaal van den koopman) VII 1259 bl. 205.

Haroen al Rasehid II 452 bl. 136.

Harting (Prof.) Ill 925 bl. 364.

Hartmann IV 958 bl. 164.

Hartog (Spectatoriale Gescbriften) VII 1239 bl. 133. Hasebroek V 1055 bl. 145.

Haspels (D.) IV 930 bl. 7.

Hebei V 1052b bl. 98.

Heemskerk (Mr.) IV 971 bl. 184. (Haagscli Dagblad)

Hegel III 774-776 bl. 189-190.

Heine I 358—359 bl. 231. Ill 731 bl. 145. VII 1266a bl. 260. —Heksenvonnissen I 279 bl. 175.

Hellenbroek II 454 bl. 176.

Helmers II 527 bl. 305. V 1052^ bl. 97.

Hemkes (Stuk van) III 829—830 bl. 247—250, 832 bl. 253. Hessen (Keurvorsten van) II 519 bl. 268.

Hesiodus VII 1262 bl. 247.

Hindernissen (Wegruimen van) I 178 bl. 91, 400 bl. 319. Historische bijdragen II 514 — 516 bl. 222—239.

Historische gezegden (De vijf) II 527 bl. 307.

Hoëvell (van) I 135 bl. 51. II 534 bl. 326. De predikant van

Hoevell IV 1028 bl. 329.

Hoeven (des Amorie van der) III 709 bl. 128.

Hol (E.) III 735 bl. 148.

Hölty V 10521\' bl. 98.

Homerus V 1065 bl. 300.

Hongersnood (in Indië) I 290 bl. 191. IV 969 bl. 182.

Hooft III 731 bl. 145. IV 1017 bl. 311. (Vergelijking met Tacitus) V 1053d bl. 122. VII 1240 bl. 135, 1263 bl. 250, 1268 bl. 267.

158

ocr page 173

IDEES VAN MULTATULI.

Hoogmoed I 107-110 bl. 32-33, 220—223 bl. 129, 246 bl. 160.

Hook (Theodoor) IV 1031 bl. 323.

Horatius II 451 bl. 54. VII 1262 bl. 246, 1264 bl. 252,1265 bl. 255.

Hossen VI 1156 bl. 176.

Houbraken V lOöO15 bl. 229.

Hoyle I 133 bl. 48.

Huët (Busken) II 454 bl. 152. III 733 bl. 146, 738 bl. 150. IV 993 bl. 248, 1040 bl. 366. VI 1197—1197quot; bl. 327— 328. VII 1268^ bl. 268.

Hugo (Victor) I 284 bl. 183. Ill 655 bl. 84. VI 1171 bl. 227.

Humor I 158 bl. 79.

Huijdecoper V 1053° bl. 118, 1056 bl. 170. VII 1264 bl. 254.

Hyacintbe (Pater) III 917 bl. 349.

Hygiënische statistieken V 1075 bl. 336.

erie I 202 bl. 111. II 448 bl. 11. V 1068—1071 bl.

I.

Indische zaken (Kennis en beoordeeling van) II 535 bl. 332. Inkomende rechten (Oorsprong der) I 318—319 bl. 214—216.

J.

Javaanbeschavers H 451 bl. 65.

Jehovah I 164 bl. 84. ITI 900 bl. 328.

Jenevermoed II 451 bl. 84.

Jezus I 63-66 bl. 17--18, 93 bl. 28, 183 bl. 98 (Mattheüs XIX), 186 bl. 102, 264—266 bl. 164, 270 bl. 170. III 679 bl. 102, 698 bl. 112, 702 bl. 116. IV 966 bl. 178. (Eloy) VII 1224 bl. 80.

Joden I 187 bl. 102. VII 1224 bl. 77.

Jolles (Mr.) H 452 bl. 115. IV 968 bl. 179, 970 bl. 183. Jonctijs (Eoozelijns Oochies) V 1064 bl. 275.

Jorissen IV 977—978 hl. 212—215. (Eedevoering) VII 1240

bl. 135. (Over den Gijsbrecht van Vondel)

159

Junghuhn H 482 bl. 191.

K.

Kalidasa VI 1105 bl. 59. VH 1262 bl. 243. Kansrekening VI 1122—1124 bl. 103—105.

ocr page 174

160

Kant III 774—776 bl. 189-190.

Kappelman I 29 bl. 10, 73 bl. 19, 374 bl. 252.

Karei de Groote III 892 bl. 315.

Kassei Chronique scandaleuse II 510 bl. 268. Verhaal van

een tooneelspeler te K. VII 1269 bl. 270.

Kate (ten) II 451 bl. 62. III 733 bl. 146, V 1077 bl. 338. Katholicisme I 232-233 bl. 142—143. III 797—798 bl. 206,

898—894 bl. 317—320.

Keh Moeda V 1048:\' bl. 32.

Kermissen II 451 bl. 36, Dierenetende wilde 484 bl. 194. Kern II 451 bl. 63. IV 1035 bl. 348.

Kerstlied (In een Eng. tijdschrift) VII 1259 bl. 208. Keuchenius III 709 bl. 128.

Keulenaars I 360 bl. 231.

9 Kinderen I 210-213 bl. 118-120, 214-215 bl. 120—121 (Artis), 346 bl. 227, 380 bl. 262 (Artis), 438 bl. 355. (Vogelhistorie) II 450 bl. 25, 29. (Zorg van de Wet) Knappe kinderen I 74 bl. 19. II 499 bl. 201. V 1067 bl. 315. Kinderbiefstuk, Kinderboeken III 875 bl. 285. Kindergedichtjes II 451 bl. 38. Kindermoord II 448 bl. 19. Zie ook Onderwijs.

Klassiek VI 1104—1106 bl. 57—59.

Klassifikatiewoede I 381 bl. 263.

Kleeding II 510 bl. 205.

Kleinigheden (Bestrijden van) I 342—343 bl. 226.

Knack (Ds.) III 922 bl. 359.

Knaus (Hoheit auf Eeisen) VII 1267 bl. 264.

Knoop V 1066-1067 bl. 304—313.

Koek (Paul de) I 437 bl. 353. V 1058^ bl. 192. VII 1265 bl. 256.

Koetsveld (Ds.) II 451 bl. 61. VI 1197 bl. 327.

Koning (Grondwet) II 451 bl. 89.

Konstantijn I 180—181 bl. 93—94.

Krankzinnigheid VI 1191il bl. 313.

Kritiek EU 637 bl. 73, 733 bl. 146. IV 993 bl. 248. VI1197quot;-bl. 328.

Krijgskunde en Soldaterij II 475 bl. 188. Vechtrapporten III ■■747—752 bl. 156-162, 760 bl. 175, 909—912 bl. 341—344. (Krijgskunde en Godsdienst) IV 947 bl. 152. VI1159 bl. 182. Kultuurstelsel II 535 bl. 331.

Kunst en Kunstenaars III 616—659 bl. 59—89. Zie ook

Publieke Voordrachten.

Kunst geen Regeeringszaak II 459 bl. 183.V 1050a—1050d bl. 55—64, 1051—1051\'\' bl. 69—76.

ocr page 175

IDEËN VAN MDLTATULI.

Kunstregels (Navolgen van- en laven aan modellen) II 530 bl. .318. III 729—732 bl. 144-146, 819 bl. 239. VI1181 bl. 269. VII 1237 bl. 125, 1262 bl. 242, 1266quot;-1269 bl. 259—270, 1277quot; bl. 312. i

Kunstwerk (Ontstaan van een) I 30 hl. 10. Beoordeeling van Kunstwerken III 819—823 bl. 238—242.

L.

Labruyère III 768 bl 180, 810 bl. 220.

Lachmé I 321 bl. 218.

Lafontaine (August) III 764 bl. 181. V 1052b—1052e bl. 96—98. Land (Het Land. in brieven) V 1073 bl. 328.

Langendijk VII 1237 bl. 125.

Larocbefoucauld III 567 bl 18. 810 bl. 220. IV 939 bl. 129. L\'Arronge III 655 bl. 83.

Lasteraars I 243—244 bl. 159—160.

Leeken (Verplichting aan) II 498—499 bl. 200 VII 1249a bl. 171.

Leeningen II 451 bl. 43.

Lennep (van) I 287-289quot; bl. 184-186, 304 bl. 201, 322 bl. 220. IV 942 bl. 139. C. en D. J. van Lennep VII 1239 bl. 133.

Lentz (Ludwig) II 457 bl. 182.

Leo X II 454 bl. 153.

Le Play II 451 bl 66—75.

Lessing VI 1105 bl 59.

Leugens II 493—496 bl. 198—199.

Lezen (Veel) III 745 bl. 155.

Liberalismus (en Behoud) I 291—294 bl. 194—197, 309 bl. 207,

317 bl. 214.

Liefde I 198 bl. 109. II 508 bl. 203.

Locke III 778—779 bl. 192.

Lodderijn I 397 bl. 312.

Loffelt V 10551\' hl. 160.

Loges (Vrijmetselaars) III 716 bl. 133.

Logos (De) I 175 bl. 89.

Loman II 457 bl. 182.

Looman T. M. I 138 bl. 63.

Loosjes V 1052\'\' hl. 97.

Loots V 10521\' bi. 97.

Losheid (Nabootsen van) VI 1102 bl. 56.

Louis Philippe II 452 bl. 142.

161

11

ocr page 176

REGISTER OV DE

Luther II 454 bl. 153, 527 bl. 307.

Lutine (De) II 451 bl. 42.

Lijkenverbranding III 925 bl. 364.

M.

Maanen (van) II 451 bl. 91.

Maaskamp VI 1089 bl. 27.

Macaulay II 452 bi. 132. VI 1175 bl. 239.

Macé V 1072 bl. 328.

Mackay I 313 bl. 211.

Malaise VII 1246 bl. 153.

Malherbe I 146 bl. 76.

Manifest Aan het Volk van Nederland I 290 bl. 190. Aan de

Lezers I 290 bl. 193.

Martialis VI 1199 bl. 333.

Massa VI 1107 bl 63, 1110-1112 bl. 64-67.

Materialisme III 900 bl. 329. VI 1096 bl. 50.

Max (Kleine) II 527 bl. 296.

Max Havelaar.

I 43 bl. 13 Recensie van den Havelaar door den heer Buijs. 271 bl. 169 Partijtrekken tegen Havelaar.

287—289a bl. 184—186 Max Havelaar en Mr. J. van Lennep.

290 bl. 191 Geen verbetering na den Havelaar.

192 Erkenning van de waarheid van den Havelaar door van Twist.

304 — 305il bl. 201—204 Verspreiding in Indië. Dagorde van Generaal van Swieten. 322 bl. 219 Het boek van Money.

331 bl. 223 Brief aan den Koning.

II 452 bl. 119 Titel van den Havelaar.

140 Verklaring van den heer Gevers dat Mul-tatnli de waarheid gezegd heeft. 527 bl. 287 De verzen in den Havelaar.

533 bl. 321 Doel en verschijnen van den Havelaar.

534 bl. 326 Verbeteringen na den Havelaar?

III 640 bl. 75 Reeds vervulde profetiën in den Havelaar.

IV 937 bl. 126 „Op onaangename wijze uit den dienst ge

raakt.quot;

942 bl 137 Brief aan de Javaannutters Havelaar en Vrijen-arbeid. Verbetering? Nog eens de woorden van van Gorkom.

162

ocr page 177

IDEES VAN MULTATULI.

1014 bl. 303 Doodzwijgen en ignoreeren van den Ha-velaar.

1032—1033 bl. 338 — 340 Smoren van den Havelaar.

van Twist in de Kanier. Dood van Ca-rolus.

^ 1066 bl. 30(i De episode uit de Saidjah-geschiedenis en de Dagorde van van Swieten in verband met zekere uitdrukkingen van Generaal Knoop.

Max Müller V 1064 bl. 291.

Meerten (van) V 1048il bl. 33.

Meetings III 712 bl. 131.

Menscli (Roeping van den Menscb) I 136 bl. 60. Menschenkennis VI 1096 — 1100 bl. 50—55.

Meslier (Jean) II 482 bl. 192.

Meurs (van) I 357 bl. 230.

Meijboom I 139 bl. 72, 271 bl. 168, 435 bl. 852. II 454 bl. 180.

Meijer (E. C.) II 482 bl. 191.

Mill (Stuart) IV 944 bl. 144. VI 1175 bl. 239.

Mingo 1 133 bl. 48.

Ministeriëele verantwoordelijkheid II 451 bl. 91.

Modellen (Zie Kunstregels)

Modelrekening I 274 bl. 172.

Modernen I 271—280a bl. 168—181. (Nieuwe Behoeften; Muurling) II 453 — 457 bl 146 — 182. (Zaalbergerij) III 798 bl. 206, 897 bl. 326. IV 938-942 bl. 127—132, 1042 bl. 370, Naschrift bl. 379.

Moedermaagd (Middeleeuwsche schilderijen van de) V1061 bl. 235. Moleschott II 451 bl. 63.

Molière III 802 bl. 210. IV 940 bl. 129, 942 bl. 136. VII

1237 bl. 125, 1244 bl. 142.

Molkte (van) III 760 bl. 175.

Money I 322 bl. 219.

Montaigne VI 1105 bl. 59.

Montechristo I 238 bl. 151.

Montesquieu III 787 bl. 199, 810 bl. 220.

Montpensier (Huwelijk van) II 452 bl. 142.

Motley II 452 bl. 132. VI 1175 bl. 239.

Multatuli

I 22 —28a bl. 9—10 „Ge spreekt veel over u-zelf.quot;

34 bl. 11 Mijn Ideën zijn de „Timesquot; van m\'n ziel.

43 bl. 13 Tuchteloosheid. (Recensie Buys)

62 bl. 17 \'t Was avend.. .. Stuk in den Arnhemmer.

163

ocr page 178

UEGISTER 01\' DK

70 bl. 19 Besluit te gaan schrijven.

84-85 bl. 25-26 Beschuldiging van armoede en van

mooischrijverij.

101 bl. 29 Geloofsbelijdenis.

112 bl. 33 Moeite die het den auteur kost, te schrijven.

113 bl. 34 Brief van een leerling.

126 bl. 43 Over Multatuli in den Dageraad. 132 bl. 46 Brief aan Höveker. 138 bl. 62 Antwoord. 178 bl. 91 Wegbreken van hindernissen.

v 202-203 bl. 111-112 Strijd tegen hysterie, pn/.

204—207 bl. 113 — 117 Beantwoording van brieven. 216—217 bl. 122—123 De auteur tart ieder hem te smoren.

219 bl. 128 Rechtzetten van de Ideën.

242a bl. 159 Over de zeeziekte-vertelling.

271 bl. 169 Partijtrekken tegen Havelaar.

283—285 bl. 183 Armoede van den schrijver.

287—289!l bl. 184—186 van Lennep en de Max Havelaar.

290 bl. 189 Manifesten aan de Kiezers en aan de Lezers.

292 bl. 195 Verzoek om tegen Rochussen te schrijven.

297 bl. 198 Brief van Merano.

304—805a bl. 201—204 Trage verspreiding van den Havelaar in Indië. Dagorde vim Generaal van Swieten.

321 bl. 218 Heoordeeling der Ideën in den Dageraad.

322 bl. 220 Een verbetering in den Havelaar.

331 bl. 223 Brief aan den Koning over den Havelaar.

363 bl. 239 Over de Woutergeschiedenis.

373 bl. 252 , Aantasten van iets heiligs.quot;

399 — 400 bl. 316—319 Wat den auteur tot schrijven

beweegt. Wegruimen van hindernissen. 402 — 404 bl. 321 — 322 De sergeant die de Willemsorde „reclameerdequot; Waar de schrijver tegen te velde trekt.

446 bl. 369 „Aan sommigen mijner lezers.quot;

164

Zie verder 16-20 bl. 8-9, 35 bl. 11. 37 bl. 12,41 — 42 bl. 13, 46 bl. 14. 51 en 53 bl. 15, 91-92 bl. 27, 95 bl. 28. Ook 118 bl. 35, 187 bl. 102, 214 bl. 120, 380 bl. 262.

quot;/ II 451 bl. 58 Een huwelijkskwestie in Indië. bl. 78 Een voorval in een maijonnieke loge. bl. 102

ocr page 179

II)EEN VAN HULTATÜLI. 165

De auteur treedt voor den arme op. 452 bl. 119 Titel van den Havelaar. bl. 140 Getuigenis van den heer Gevers.

■j, 512 bl. 211-Hoe de~-toekacistige teekenaar der Ideën Femke moet afbeelden.

522 bl. 283 „Ik houd mij zelf voor een der beste schrijvers quot;

526 bl. 284 Mooivinderij. Verachting voor Publiek.

527 bl. 287 De verzen in den Havelaar, en de Bruid daar

boven.

528 bl. 309 Verontwaardiging en klacht van den schrij

ver. Havelaar, Ideën, Minnebrieven, enz. v. Twist. Staken der Woutergeschiedenis.

529 bl. SI7 Nieuw bewijs voor de stelling van Py

thagoras.

532 bl. 320 Wiskundige studiën.

533 bl. 321 Havelaar en de Ideën. Brief aan v. Twist.

Zwijgen over den arbeid des auteurs. De Bruid daarboven, Vorstenschool en Havelaar.

534—535 bl. 326—330 Internationaal congres te Amsterdam. bl. 330 Ondei-houd met Rochus-

sen.

536 — 537 bl. 337—338 Geen verbetei\'ing. Lauwheid van geestverwanten. Voortzetting der Ideën. Bitterheid de grondtoon daarvan. 538—539 bl. 339—342 Schouwbui\'gontmoeting. Toepassing van het oorvegenbetoog in wijder kring. 540 bl. 343 Een vraag aan Jhr. Mr. H. C. van der Wijek. Zie ook 492 bl. 198, 527 bl. 297.

TIJ 563 — 565 bl. 15—17 Een paar herinneringen uit des schrijvers jeugd.

606 bl. 44 Branden met nitras argenti.

610 bl. 51 Voorlezing van Vorstenschool te Arnhem. 612 bl. 52 Tante te W.

655 bl. 84 Ontvangst van Vorstenschool. Stukken van

C. Stuart en van Roorda.

658 bl. 88 Opbrengst van Vorstenschool.

672 bl. 98 Napoleon te Kijkduin.

693 bl. 108 Eindrijmen prijsvraag Dumas.

735 bl. 148 Waarom worden de werken van den schrij-

ocr page 180

166

ver niet geïllustreerd ?

737 bl. 149 Over des schrijvers polemisclie uitvallen.

738 bl. 150 Onbegrijpelijkheid der Millioenen Studiën. 740 bl. 152 Over de executie van Bilderdijk in den

vijfden Bundel. (Ook 742 bl. 1.53) 748 bl. 159 Versregelen van Vosmaer in den Spectator. 766 bl. 183 van Vloten contra Multatuli.

818 bl. 237 De likdoornboutade en de geheele 3de bundel beneden Ned. kritiek.

890 bl. 811 A. Thijm over Vorstenschool.

924 bl. 361 De auteur zoekt naar een goeden grondslag voor moraal.

926—928 bl. 365—368 Verschillende plannen van den auteur. Voortdurend zwijgen. Vosmaers stukken in het Vaderland. Opvoering van, Vorstenschool door v. Zuijlen en Haspels. De van Vlotens.

bl. 370 Naschrift: Over den S3®11 bundel, enz.

IV 929 bl. 1 De Arnhemmer en Vorstenschool.

930 bl. 7 D. Haspels in de rol van Koning George.

932 bl. 124 Nummering der Ideën.

937 bl. 126 Woorden van zekeren heer van Gorkom.

942 bl. 137 Brief aan de Javaan-Nut-Maatschappij. Ha-velaar en Vrijarbeid. Lasterlijke praatjes. In geen enkel tijdschrift een woord over den 3den Bundel, over de Specialiteiten, over Millioenen Studiën, bl. 139 Scène-ten huize van den heer van Lennep.

943—946 bl. 145 — 151 Voorwelkebetrekkingen,ambten enz. de schrijver zich binnen zéér korten tijd bekwaam zou kunnen maken. Welke betrekkingen hem o. a. zijn aangeboden geworden.

948—951 bl. 153—157 Eenige sprokkelingen uit de langdurige Odyssee sinds het vertrek van Lebak.

957 bl. 162 Het lot van de aanteekeningen door den schrijver gehouden. Pak van Sjaalman.

962—963 bl. 167—171 „Geen nauwkeurige kennis van zaken.quot; Waarom zwijgt men voortdurend ?\' van Vloten en A. Thijm over VorstenscnooL

ocr page 181

IDF.ËN\' VAN 3IÜLTATULI. 167

982—983 bl. 224—236 Brief aan den Koning over Atjin.

989 — 994 bl. 238 — 249 Eecensien van Millioenen Studiën en Vorstenschool.

996 bl. 255 Brief van Post.

998 - 999 bl. 265—270 Stuk van zekeren Q. in den Arnhemmer. Amende honorable van dat blad

1000-1001 bl. 274—276 „Qui se fache a tort.quot;

1004 bl. 282 Eenige bijzonderheden uit de omzwervingen na Lebak.

1005—1006 bl. 286—288 Stuk van X in den Arnhemmer. Nonni\'s verblijf te Padua.

1007- 1015 bl. 291 — 304 „De Natie kent mij niet!quot;

1023 bl. 320 Bogovvontisch verzwijgen van den naam des auteurs. (Wintgens)

1031—1033 bl. 335—340 Smoren van den Havelaar. van Twist in de Kamer. Dood van Carolus.

1034—1035 bl. 343—348. De Multatuli-Commissie.

1036 bl. 351 Zwijgen van de pers. Vosmaers recensie van Vorstenschool.

1038—1041 bl. 359—366 Recensie van Peringa. Hoe worden de werken des auteurs verstaan ? Het bloempotje uit de Minnebrieven. Stuk over Laura Ernst.

V 1048abl. 25 Geschiedenis van de twee Arabieren op Natal.

1053 bl. 106 Voornemen een schets te leveren van de Ned. Letterkunde in de eerste helft der 19e eeuw.

1064 bl. 293 Voornemen een Geschiedenis der Mensche-

lijke Spraak te schrijven.

1065 bl. 298 Onderwerpen om uit te rusten, bl. 299 Erger

nis van sommige kunstrechters over het maatschappelijk standpunt van Woutertje. 1078 bl. 345 Verwijt dat de auteur verzuimd heeft fortuin te maken.

1080 bl. 351 Een paar woorden tot toelichting bij het sluiten van den 5den bundel.

VI 1140 bl. 147 Waar is de teekenaar die de Ideën illus-

ocr page 182

168 KEGISTEE OP DE

treert? (Zie ook 1171 bl. 227)

1168 bl. 219 Eecensie van Vorstenschool. (Over Louize)

1184 bl. 284 Poging den arbeid des auteurs te verëen-

zelvigen met enkele zijner typen.

1196 bl. 324 Bewering van Schaepman.

1197l\'bl. 329 Valschheid van v. Vloten. \'

1198—1199 bl. 330—331 Een woordjen aan\'t adres van ds. Beets. Zotternijen welke den auteur worden aangewreven.

VII 1209 bl. 14 De auteur is geen romanschrijver.

1230 bl. 106 Een eigenaardige hebbelijkheid van den

schrijver.

1231 bl. 110 De beschrijving van de gesprekken van het

liederlijk troepje aan het postkantoor. 1252 bl. 176 Afgunst van lettermannen. Voortzetting der Woutergeschiedenis.

Muntstelsels V 1092 bl. 35.

Muurling I 279—280 bl 177—180.

Muziek en componisten II 527 bl. 296. III 626 bl. 65. 628 —

630 bl. 66—67.

Mythe II 513 bl. 218.

Mythologie III 903 bl. 332.

N.

Nahuijs (Engelsche vertaling van den Havelaar) I 289 bl. 189. Napoleon I 218 bl. 124. (Bezoek te Breda) V 1048a bl. 32.

VI 1180 bl. 267. Lodewijk Napoleon V 1057 bl. 181. Niassers (Pandelingen) II 451 bl. 78.

Nieuws v. d. Dag (Standbeeldbejubelend hoofdartikel) IV Naschrift bl. 379.

Nomsz III 633 bl. 61.

Nonhebei II 451 bl. 61.

Noodzakelijkheid I 32 bl. 11, 158-177 bl. 79—90, 348 bi. 227,

352 bl. 228, enz.

Noort (Olivier Van) V 1062 bl. 243.

O.

Ockerse III 887 bl. 303.

Octavia (en Pythias) IV 1018—1020 bl. 313—314.

Ci

ocr page 183

1DEKN VAN MDLTATULI.

O- en Ach schrijvers (Verstand en Hart) V 1048 bl. 21, 1058—

1058b bl. 187-198. VI 1096 bl. 50.

Omar III 744 bl. 154.

Onderwijs I 15 bl. 8. 379 bl. 261. II 451 bl. 57, 511 bl. 208. III 561—565 bl. 13—17gt;828-885bl. 246—299, 913—921 t bl. 345—357.

Onschuld en Kuisheid V 1067 bl. 316.

\'OnsterfiTijEïïëm Ï7 bl. 8, 78 bl. 20, 150—153 bl. 77—78, 157 bl. 79.

Ontbinding, Verrotting I 147—149 bl. 76—77. Kaïnerontbinding IV 988 bl. 237.

Oorlog (Tachtigjarige) III 760 bl. 176.

Oosterzee III 570 bl. 20.

Oosterwijk Bruin VII 1262 bl. 242.

Oranje (Opvoeding prins van Oranje) 1 117 bl. 35. Ordinatie-formulier II 457 bl. 182.

Origenes I 164 bl. 101.

Ovidius III 904—906 bl 333-337. V 10601\' bl. 229l\'is. VI1177 bl. 252.

P.

Pahud I 322 bl. 220.

Palm (van der) II 451 bl. 61, 516 bl. 239.

Pantheïsme III 900 bl. 329.

Parabel I 79-81 bl. 23—24. De Karper I 251 bl. 161. Een kapel zweefde hoog I 261—262 bl. 163—164, II 483 bl. 193. Zieke kind en de vele geneesheeren I 273 bl. 170. Ridder (Inkomende rechten) I 319 bl. 216. Dertien vromen I 431 bl. 348. De heilige Kwip of\' Kwap I 433 bl. 350. Treilende vogelhistorie I 438 bl. 355. In Samojedie I 447 bl. 374. Pasteibakkers II 453 bl. 146. Steenzager II 527 bl. 285. Piet Hein en de Goudmaker II 527 bl. 304. Sleutels op het onbewoonde eiland IV 958 bl. 164. De jeugdige Lacrymax V 1078 bl. 341.

Parent Duchatelet (Statistieken) V 1069 bl. 321. t Parodie (op Floris V) V 1054\'\' bl. 138.

Parville (Henri de) V 1050e bl. 66.

Paul (Jean) V 10521\' bl. 98.

quot; Paulowna (Anna) III 671 bl. 97.

Paulus (Stuk in den Spectator) VII 1255 bl. 194.

Peri-legende I 443 bl. 365.

Peru (Beschavingscentrum) II 518 bl. 255.

169

ocr page 184

REGISTRE 01» DE

Petrus (Rehabilitatie van) V 1049^ bl. 37.

Pierson II 454 bl. 153. VII 1255 bl. 194.

Piet Hein II 527 bl. 304.

Piron V 1071 bl. 325.

Pius VII 1255 bl. 193.

Planche (Gustave) III 733 bl. 147. IV 993 bl 239.

Plato III 790 bl. 102.

Plinius VII 1277 bl. 311.

Ploerten IV 964 bl. 175.

Plutarchus Vil 1277—1277b bl. 312-313.

Policie (Straat) II 451 bl 90.

Pompeii en Herkulanum I 250 bl. 161.

Poot VI 1197a bl. 328.

Pope I 117 bl. 35.

Post (Zie Brieven) Ook IV 1033 bl. 341,1041 bl. 366,1042—1043 bl. 370-373.

Postkantoor Zoekraken van brieven 451 bl. 88. Inrichting II

451 bl. 95. Verkoop van frankeerzegels 451 bl. 96. Pouyer II 451 bl. 43.

Prenten (Oude en nieuwe) V 1047 bl. 5.

Prescott II 452 bl. 132. VI 1175 bl. 239.

Principes IV 933—936 bl. 124—126.

Prostitutie (Bordeelen) V 1069 bl. 321, 1071 bl 324. VII1272 ~ 517284.

Protestantisme I 434 bl. 351. III 797—798 bl. 206, 897—898

bl. 326. VI 1081 bl. 7.

Purisme VII 1277t\' bl. 315.

Puriteinen (Engelsche) III 911 bl. 343.

Putte (Fransen van de) II 451 bl. 100, 527 bl. 295 en 303, 528 bl. 311. IV 963 bl. 173, 969 bl. 182, 983 bl. 227, 1037 bl. 359. V 1066-1067 bl. 303-313.

Pythagoras I 52 bl. 15. 11 529 bl. 317. III 790 bl. 202.

Q

Quack IV 1035 bl. 348.

R.

Eabelais VI 1105 bl. 59.

-Radcliffe. (Anna) I 233 bi. 143. VII 1260 bl. 213. \' i

Rafailin 884 bl. 298. V 1061 bl. 236.

Rammelslag III 608 bl. 46.

170

ocr page 185

1DEÊN VAN MULTATULI.

Recruten en soldaten II 503—504 bl. 201—203. Rederijkevskamei-s III 715 bl. 133.

Regeeringsvormen I 119 bl. 36, 332—336 bl. 224—225. IV

Naschrift bl. 379.

Rembrandt VI 1197 bl. 327.

LRenan I 140 bl. 73. (Opwekking van Lazarus) II 454 bl. 154 en 180, 482 bl. 189 en 192.

Reville II 454 bl. 152.

Richardson V 1058b bl. 199-200. VII 1272 bl. 292. Rochussen I 292 bl. 196. II 534 bl. 329. III 796 bl. 205. (Meeting te Batavia)

Rohan (Kardinaal) III 793 bl. 204.

Roorda (van Eysinga) II 535 bl. 336. Ill 655 bl. 84. IV 1028

bl. 329, 1043 bl. 375. V 1050« bl. 66.

Rooverslied I 379 bl. 309.

Rotgans V 10601\' bl 229 en 234. VI 1177,\'i3-1178 bl. 252—

257, 1179\'\'\' bl. 265, 1181 bl. 269.

Rousseau (de Emile en de Confessions) III 876 — 877 bl.

287-288. VI 1149 bl. 164.

Rubbens III 884 bl. 298.

Ruimte (in deugd en zeden) I 401 bl. 320.

Ruyter (de) II 452 bl. 131.

S.

Safir III 627 bl. 66.

Salvador II 53G bl. 338.

Sarkasme I 324 bl. 221.

Schaepman VI 1196 bl. 324, 1199 bl. 331.

- Scheffm- (Arv) I 360 bl. 231. II 451 bl. 63.

Scheltema (Mr. J.) III 753—755 bl. 163-171.

Schepping I 352 bl. 229. III 906 bl. 387.

Schiller II 452 bl. 132. III 722 bl. 141 VI 1105 bl. 59. Schmelzer (Stuk van) VII 1256—-1258 bl. 196—200.

Schmidt VII 1259 bl. 207.

Scholten (Pastoer) IV 995 bl. 252.

Scholen (Zie onderwijs.)

Schoonmaken II 451 bl. 84.

Schrant III 680 bl. 103. V 1064 bl. 283.

Schrijvers I 248—249 bl. 160, 399 bl. 318. III 655 bl. 73,.

720-760 bl. 140-175, enz.

Schwartz II 452 bl. 115, 454 bl. 151 en 153.

Scott (Walter) II 454 bl. 166, 527 bl. 289. V 1065 bl. 294.

171

ocr page 186

REGISTER OP DE

Scribe IV 957 bl. 164.

Scriverius VII 1263 bl. 2-18.

Shakespeare I 69 bl. 18. V 1053d bl. 128. VI 1105 bl. 59. Simons (Over J. de Witt) II 452 bl. 118.

Slavernij II 451 bl. 78 e. v.

Smeer II 451 bl. 97.

Smidt (Nancy) I 306 bl. 205.

Snoek VI 1180 bl. 267.

I Social science (Elements of) I 202 bl. 112.

ööEratês\'T 96 bl. 29, 269 bl. 167. 11 452 bl. 137. Ill 868 bl.

279. IV 962 bl. 169.

Solon III 773 bl. 189.

Sophokles V 1053» bl. 128.

ïj?p_encei\' IV M8.bl._164. VI 1175 bl. 239.

Speyk (van) II 527 bl. 305 en 309. V 1077 bl. 339.

Spinoza II 482 bl. 190 en 192.

Spohr VII 1269 bl. 271.

Spoorvveggesprek III 718 bl. 137.

Spotternij I 373 bl. 252, 395 bl, 305, 432 bl. 350.

Spreektaal (Weergeven van de) I 390 bl. 283. VI 1195 — 1196

bl. 323—324, 1199 bl. 331.

Spreekwoorden I 281—282 bl. 183.

Standbeelden I 247 bl. 160.

Standen II 451 bl. 48.

Staring V 10521\' bl. 97. VII 1267 bl. 261.

Steen (Jan) VI 1184 bl. 284, 1197 bl. 327.

Sterne I 242quot; bl. 159. VII 1274 bl. 298.

Stieltjes II 451 bl. 33, 452 bl. 144,

Stoke (Melis) V 1056 bl. 170.

Straatprediking III 703 bl. 117, 706 — 707 bl. 126 — 127, 761

bl. 178.

Straatzangen V 1049l1 bl. 45.

Strausz (D. P.) II 454 bl, 154,

Stuart (C.) Ill 655 bl. 84.

Swieten (van) I 304 bl. 202, 305quot; bl. 204, 327 bl, 221. V 1066 bl. 307.

T.

Taal I 36—47 bl. 12 —14 (Hiatus, enz.), 62 bl. 17 (Avend), 438 bl. 355. (Kakatoea) II 448 bl. 2 (Schandaal), 451 bl. 54 (Daling in rang van veel woorden), 487 —490 bl. 196 —197 (Talen en dialekten ; De woorden mensch en god).

172

ocr page 187

ID EÉN VAN MtTLTATÜLI.

510 bl. 207 (Ulevellen), 512 bl. 217 (Gauw), 519 bl. 264. (Prosodie) IV 930 bl. 4. (Aan de kaak stellen) V 1047il— 1047e bL 8—18 (Rust en strijden), 1062 bl. 247 (,In apprehensiequot; honden ; Nabootsen van klanken, enz.), 1064 bl. 272, 275 en 286. (Taalstudie en spelling ; Brief van Hilarides; id. Van een voornaam Schoolmeester) VI 1199 bl. 331. (Dialekt, verschil in spelling, enz.) VII 1277,) bl. 315 (Germanismen)

Tacitus II 488 bl. 196. IV 1017- 1020 bl. 311-314. LTadema (Alma) III 819 bl. 239.

Taine (H.) VI 1175 bl. 239.

Talma III 616—620 bl. 56-60. VI 1180 bl. 268.

Taylor VII 1279 bl. 321.

Teekenaar (Schetsen van episoden uit de Ideën) I 320 bl. 218. II 512 bl. 214. III 735 bl. 148. VI 1140 bl. 147, 1171 bl. 227.

Telasco en Kusco (Peruaansche geschiedenis) I 518 bl. 249 Teleologie I 345 bi 227. II 454 bl. 162. III 917 bl. 349. VI

1175 bl. 240.

Terentius VII 1268\', bl. 269.

Theokritus VII 1266 bl. 258, 1267 bl. 265.

Theorie en praktijk 11 499—500 bl. 200—201.

Thersites VI 1126 bl. 107.

Thespis V 1053lt;i bl. 128.

Thiers II 451 bl. 43, 452 bl. 112 en 142.

Thorbecke I 135 bl. 51 (Optreden), 227-228 bl. 130-134 (Wat hij te doen heeft), 286 bi. 183 („Contagiumquot;), 290 bl. 189 (Manifest aan de kiezers), 296 bl 197 (Wat Th. te doen heeft), 301 bl. 200 (Verklaring niettebehoo-ren tot \'n partij), 311—317 bl. 209—214 (Partijverloochening ; Annonce van een bierbrouwer ; Corinthen, enz.), 399 bl. 317. (Ophemelen na z\'n dood)

II 451 bl. 51 (Th. en liberalismus). 452 bl. 109 (Stuk tegen Th.), 459 bl. 184 (Kunst geen Regeeringszaak), 536 bl. 338. (Poging van van Zuylen om de Natie van Th. te verlossen)

III Naschrift bl. 370.

IV 965—982 bl. 177—223 (Th. dood, begraven en bestandbeeld ; Redevoeringen, Dagbladartikelen en 107 Grafschriften), 987 — 988 bl. 233—234. (Th. geen Staatsman: Weg met de Kamers) Naschrift bl. 379.

V 1050b-1050c bl. 57-62, lO-ül11 bl. 76. (Kunst geen Regeeringszaak) VTI 1254 bl. 191.

173

ocr page 188

EEfilSTEK 01\' DE

Thijm (Alberdingk) III 740 bl. 152, 890 bl. 311. IV 962 bl. 168. Tilanus (Amputatie) I 86 bl. 26.

Titus III 786 bl. 198.

Toekomst (van de maatschappij) V 1079 bl. 346.

Tollens V 10521, bl. 97, 1077 bl. 338,

Toonkunst (Zie Muziek.)

Trimourti (Drieëenheid) I 170—172 bl. 88.

( Trineken en Liesje ^Verhaal) VII bl 235.

Trochu III 908 bl.\' 339, 910 bl. 341.

Trouwen (in de kerk) VII 1258 bl. 204 \' I Tuuk (van der) II, 4,90. bl. 197.

Twist (Duymaer van) I 43 bl. 13, 56 bl. 16, 70 bl. 19, 121 bl. 39 (Houding bij zekere spoorwegkwestie), 300 bl. 199 (Beroep op de weldadigheid om de zeeroovers te keer te gaan), 316 bl. 214.

II 451 bl. 99, 452 bl. 144, 528 bl. 313, 533 bl. 321, 534 bl. 328 (Werving van soldaten voor het Ind. Leger), 539 bl. 343.

IV 943 bl. 145, 945 bl. 147, 950 bl. 156 (Sollicitatie van den auteur), 951 bl. 157 (Bewijsstukken der Havelaarszaak), 963 bl. 173, 1028 bl, 332, 1032—1033 bl. 33S-340. (Zwijgen van v. T. op den brief aan den G, G. in ruste)

V 1066 bl. 307. (Zwijgen van v. T.)

VII 1272 bl. 290. (Bordeelhouden \'n regeermiddel)

U.

ühlenbeck II 451 bl. 101.

V.

Vergaderingen I 5—9 bl. 5—6.

Verkrachting van Natuur I 137 bl. 62, 200 —201 bl. 110—111.

Verloren zoon (De) VI 1116 bl. 76.

Vernet (Horace) III 819 bl. 239,

Verres II 528 bl. 313.

Versluijs (J,) III 766 bl. 183,

Veth I 227quot; bl, 131. K 535 bl. 332.

Vidocq II 528 bl. 311,

Vierge (Verhaal van de brik St) I 229—242 bl, 134—156 Vloten (Dr. J. van) I 62 bl. 17, 125 bl, 43,135 bl. 52. Ut 740 bl. 152, 742 bl. 153, 766 bl. 182, 926 bl, 366. IV 962 bl, 168, 963 bl, 175. V 1053 bl. 108, 1055\'\' bl, 160.

bl. 203, VI 11971\' bl. 329. VII 1254 bl. 191.1262 bl. 243.

174

ocr page 189

IDEËN VAN MULTATUL1.

Voirie (Petite) II 451 bl. 96. VII 1223 bl. 74.

Volkstoestand II 451 bl. 31. —vermaak id. bl. 36. —liederen id. bl. 48. Volksthümlichkeit VI1149—1151 bl. 164—166.

Volksvertegenwoordiging I 118 bl. 35. 119-121 bl. 36—38, 133—135 bl. 47-51. II 451 bl. 93, 98, 105.

Vollenhoven II 452 bl, 115.

Voltaire I 431 bl. 348. II 452 bl. 132, 482 bl. 192. V 1064 bl. 291.

Vondel I 360 bl. 231. III 633 bl. 71. 657 bl. 88, 729 bl. 144. V 1064 bl. 283. VII 1240 bl. 135, 1263 bl. 250, 1280 bl. 326.

Voogdschap II 450 bl. 27.

Voordrachten (Publieke) III 591 — 615 bl. 33—55, 660—670 bl. 90—96, 690—719 bl. 107—138, 761-765 bl. 172 -182.

Voornamen VII 1213 bl. 30.

Voornaamheid (Jacht naar) VI 1188 bl. 301.

Vosmaer (Mr. 0.) Ill 731 bl. 145, 733 bl. 147, 748 bl. 159, 926 bl. 365, Naschrift bl. 370. IV 1036 bl. 351, 1041 bl. 369. VI 1197* bl. 329. VII 1266 bl. 258, 1268* bl. 267.

Vossius II 530 bl. 318.

Vrouw I 181—203 bl. 94 — 112, 225 bl. 130. Zie verder Hvsterie, Onschuld, Prostitutie.

Vrijarbeid I 227» bl. 132 en 133. II535 bl. 331. IV 942 bl. 138.

Vrijen I 441-442 bl. 362—363.

Vrije Studie III 541-590 bl. 5-31, 766 bl. 182, 819-821 bl. 238-241.

Vrijhandel II 451 bl. 105.

Vrijmetselarij VII 127311 bl. 296, 1275 bl. 301.

Vuurwerk VI 1153 bl. 170.

Vuylsteke (J.) II 519 bl. 264.

W.

Wagen aar V 1054 bl. 134.

Wallace I 227quot; bl. 131, 289* bl. 188. III 616 bl. 57, 917 bl. 349.

Wattier (Mevr.) VI 1180 bl. 267.

Weduwen vers II 521 bl. 277.

Wegraken van 113 millioen I 322 bl. 219

Westerbaen VII 1263 bl. 248.

Wintgens II 527 bl. 295. IV 1023 bl. 320. V 1050*—1050gt;\' bl. 55—57.

Witsen Greijsbeek III 633 bl. 71.

Witt (Jan de) II 452 bl. 117 e. v.

175

ocr page 190

REGISTER OP DE 1DEËS VAN MÜTjTATÜLT.

Wol an Drutni min III 895 bl. 323.

Wolff en Deken V 10521gt; bl. 97, lOSS1\' bl. 199, 1078 bl. 342. Wonderverklaring (Moderne) I 139—140 bl. 72, 435 bl. 352. Woordenlijst van D. V. en T. W. I 240 bl. 153.

Wijck (Jhr. H. C. van der) II 540 bl. 343.

Wijsbegeerte III 788—795 bl. 200—205. Wijsgeeren I 33 bl. 11. Ill 773—779 bl. 188—192.

Z.

Zaalberg II 453 bl 148, 454 bl. 150, 157 e. v.

Zeden en Zedelijkheid I 189—194 bl. 104—105, 224 bl. 130, 366 bl. 248, 401 bl. 320, 423 bl. 342, 447 bl. 374. Ill 922-925 bl. 359-362 VI 1141—1144 bl. 148—155. VII 1234 bl. 117. Zedelijkheid van Staatspersonen I 326 bl. 221, 328- 330 bl. 222-223.

Zeeroof I 297 en 300 bl. 198 en 199, 323 bl. 220.

Zeeslangen I 409 bl. 328.

Zèle (pas de) van Talleyrand I 115 bl. 34.

Zendelingen III 705 bl. 125.

Zeuxis III 624 bl. G4, 631 bl. 68.

Zindelijkheid (in een guur klimaat) I 372 bl. 251.

Zonnestelsels (Schermen met) I 173 bl. 88.

/, Zoogdierschap (van juffrouw Laps) I 391 bl. 383.

Zuylen (van) II 536 bl. 338. De tooneelspeler v. Z. Ill 926 bl. 366. IV 930 bl. 7.

Zwendelarijen II 451 bl. 42.

Zijn (Het) t 32 bl. 11,175 bl. 89. Zie verder Noodzakelijkheid, enz.

176

ocr page 191

ERRATA.

Bij het doorlezen der afgedrukte vellen vielen mij nog de volgende storende drukfouten op :

BI. 9 idee 133

staat

den whist- en biljartklub.

Lees: de

.. 10

,, 140

Rknan

., *Renan

„ 21

292

*Hoe

.. Hoe

„ 23

318

Welke nadeelige

*Welke nadeelige

- 27

365

342

. 242

.. 29

,, 381

De manie

„ *De manie

„ 58

, 631

63168

„ 631 68

,, 60

,. 666-670

Criterium

.. Kriterium

„ 69

„ 819—821

aestetiseh

„ aesthetisch

gt;, 71

,. 853—857

een lied

eerbied

„ 91

1049\'!

„

straatzangers

,, straatzangen

.. 93

1051-1

1351*

,, 1051a

,, 107

109:!

Waer wetenschap

,. Waar wetenschap

117

1160 (blz.

189) ..

1160

„ 1160bls

117

r 1161 (blz. 193) „

1161

„ 116lWs

* 126

„ 1199

paupertatus.

.. panpertatis.

„ 127

1204

deftige, Julie

_ deftige Julie

. 128

1207

(één) h

.. één b

ocr page 192
ocr page 193
ocr page 194

gt;

ocr page 195
ocr page 196