ocr page 1
ocr page 2

B* Moltzer.

Kast 2 0

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

-\'^5\' /)*■\'. A.

\'rr

,^24,

/

WARENAE en SCHIJNÏÏEILIGII.

ocr page 6

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

0473 8013

ocr page 7

P. C. HOOFT\'S

WAREN AR

JiN

SCHUNHEILIGH.

ocr page 8
ocr page 9

INLEIDING.

„Ik zencle n,quot; schreef Hugo de Groot aan Hooft, na de lezing van zijn Warenar, „ik zende \\i wederom de Aulularia, een translaat, \'t welk, mijns oordeels, liet origineel in veel deelen overtreft. Ik heb hetzelve niet eens, maar meermaal overlezen, met zonderling pleizier; zulks dat ik het mede stel onder de instrumenten, gedient hebbende tot herneminge van mijne gezontheit. Het dient ten eersten gemeen gemaakt.quot; Ziedaar eene aanbeveling, die ook heden nog alle verklaring overbodig maakt, waarom het stuk het licht ziet en in deze goedkoope uitgave op nieuw zijn weg zoekt, zeker een aantal lezers te vinden, die er niet minder dan de groote Huig hun hart aan zullen ophalen en een gezonden lach uit weten te putten. Inderdaad mag de Warenar een der vermakelijkste en voortrellelijkste proeven van het Hollandsche blij- en klucht\' spel heeten, dat zoo veel onderhoudens — zij \'t ook in niet altijd even kieschen vorm — heeft opgeleverd. Dat het oorspronkelijke, door Hooft geheel verduitscht of liever verhollandscht, en van \'t oude Rome geheel naar Amsterdam overgebracht, bij zijne bewerking gewonnen heeft, is (gelijk door De Groot opgemerkt) door vroegere uitgevers aangewezen, en heeft hij met name het verloren gegane slot door tooneelen vol leven en bedrijf, vol vuur _}

ocr page 10

en beweging vervangen. Dat het op een paar andere plaatsen ten rn echte ongewijzigd in \'t Hollandsch is teruggegeven, en in dat rp. icht voor \'t Fransche van Molière achterstaat, werd mede reeds elders opgemerkt, en heeft de Fransche dichter daarin dieper en juister in \'t eigenaardig bestaan van den geldzuchtige doorgetast. Den Hollandschen was het echter minder om eene eigenlijke karakterstudie, dan eene levendige voorstelling uit liet Amsterdam-sche volksleven te doen, en van daar dus dat zich deze misslag lichter verklaren laat. Die misslag bestaat daarin, dat Hooft, gelijk Plautus, zijn vrek, bij \'t onverwachte vinden van zijn schat, plotseling gierig heeft doen worden, en hem, aan \'t slot van /.ijn stuk, met eene even plotseling opgekomen mildheid, al zijn* goud weder doet afstaan. Die van Molière is daarentegen niet dan na lang schrapen en woekeren rijk geworden, en blijft tot op \'t laatste oogenblik aan zijne liefde voor zijne geldkist getrouw.

Wij voegen aan den Warenar den minder bekenden Scheinhei-lig 1) toe, die, hoewel even als de eerste vertaald, ook niet minder dan hij verhollandscht (gelijk Hooft het uitdrukte, „na \'s h.nts gelegentheit verduitschtquot;) mag heeten. Laat Hooft de Warenar echter in Amsterdam spelen, de Scheinheilig treedt in den Haag op. Hooft, al viel hij Vondel over Harpoen en Roskam wat hard, was zelfs geen vriend der hervormde geestelijkheid, „luidenquot; (gelijk hij \'t zich aan Adriaan van Blijenbergh ontvallen liet) „gewoon, \'t seggen alleen te hebben, en hun oordeel over andere te vellen.quot; Ik trad hen nooit in den weg — „ik was nooit in hun vaerwaterquot; — zegt hij, en toch hebbenze my mede hun aert moeten toonen.quot; Hij verstond het daarom „met dengenen, die geen behaegen had in de krijters, die men hun aelmoesen aan \'t trompetten, bidden op de straethoeken, vasten, aen \'t voorhooft ziet.quot; Geen wonder dus, zoo hij er behagen in schepte, Aretijns 2) stuk, waarin een dergelijk „krijterquot; zoo vermakelijk ten toon gesteld

1) Wij gaven \'t stuk het eerst in de Dietsche Warande (1856, daarop als Bijlage op Hoofts Brieven (III) in \'t licht.

2) De beruchte Piëtro Aretino (1492—1557), naar zijne moederstad (Arezzo) dus genoemd, en de natuurlijke zoon van den Italiaan Bacci en zekere Pita. Hoewel zonder eenige beschaafde opvoeding, en tot in zijn later leven steeds van alle studie wars, was hij toch, met zijn even vaardig als schaamteloos vernuft, zoozeer het kind van zijn tijd, dat men hem den goddelijken Aretijne?

ocr page 11

VII

werd, voor \'t Hollandsch tooneel te bewerken, al liet hij daarbij — naar zijn onizichtigen aard — om nitt te kennelijk voor zijne eigenlijke bedoeling uit te komen, de „katholieke geestelijklleidquot;, tegen \'s lands gelegenheitquot; in het stuk, zonder hen in de hervormde predikanten te herscheppen, die hij er eigenlijk bij op \'t oog had, en van welke hij ronduit aan Blijenbergh betuigde: „men vint er die hun meester over \'t hooft leerenquot;, en dat „Sint Pieter zich (door hen) voorby (had) laten zeilen, oft hy stil stont 1).quot;

De juiste tijd der bewerking laat zich niet aangeven; uit den brief aan de ommezijde, waarmêe Hooft een afschrift aan De Groot zond, blijkt echter, dat zij omstreeks het jaar 1615 valt, en in negen dagen kant en klaar was.

Kleveroord, 23 Nov. 1868. v. Vl.

noemde, en hij het troetelkind der vorsten zijner eeuw werd, op welks naam (gelijk hij \'t zelf aan een vriend schreef) hunne ooren zich openden. Verg. voorts over hem en zijne schriften Ruths uitvoerig verslag in zijn Geschichle der italiünischen Poësie (Leipzig, 1847) 11, s. ó-l\'J—582. Hniteu den Schijnhcil\'Kj schreef hij nog vier blijspelen, allen echter moer door tal van losse invallen dan dramatische kunstvaanl ighciil gek™ merkt, daar hij steeds veel te ongeregeld en achteloos was, om zich de minste inspanning bij zijn letterwerk te getroosten.

1) Zie de plaatsen, aangehaald in Alberdingk Thijms inleiding op eerstgemelde uitgave, en verg. zijne scherpzinnige opmerkingen aldaar.

ocr page 12

HOOFT AAN DE GEOOT i),

Dese is om aen UEd. te richten de geringheidt daer nevens gaende, dien haer gelieve te aenvaerden niet soo goeden harte als se gesonden wordt. Met eenen sal seggen \'t geen ick te Rotterdam niet bedacht, dat de clad van d\'overgezette Auhdaria al overlange in Engelandt is gesonden 2), daer se blijft; snlx \'t eenich cxemplaer in \'t landt by UEd. is. Dewelcke daerom gebeden wordt, als hy dies syn becomsle hebben sal, \'t selve my weder toe te schicken ten huise mijns vaders; op hoope dat het noch eens mocht dienen om eenighe armen t\' Amsterdam oft hier wat voordeels te doen 3), en te vervullen een deel van de costen, noodig om den Bacto uit te voeren. Want te dien einde sijn er bynae neghen daeghen aen gespilt: in dewelcke het begonnen en voleindt is; als hebbende in geen sinlijcke 4) handen te vallen, maar al-leenlijck voorby :1\' ooghen des volx over een tooneel getrocken te worden. Oock had het te Rotterdam anders geen boodschap als te comen sien, oft UEd. geest, sich beginnende te herhebben wt de sieckte, gedient mochte wesen met eenighe afleidinge van luier wichtige gepeinzen. Maer dewijl \'t UEd. geliefte wat te behouden, heb sijn geliefte willen gehoorsamen, enz.

UEd. onderdaenste toegedaenste Muider Huise. P. C. HOOFT.

den 17en Jan. 1616.

1) Zie Hoofts Brieven (Leiden, 1855) I, bl. 117. 2) Waarschijnlijk bij zijn neef, Pieter Jansz. Hooft. 3) Reeds* sedert eenige jaren was men in de Oude Kamer begonnen, de toekijkers bij de Rederijkersspelen wat te laten betalen, waarvan het voordeel aan \'t Oudmannenhuis kwam. 4) kieskeurige.

ocr page 13

quot;W A RE-N A-R,

DAT IS,

AULULA11IA VAN PLAUTUS,

NAA \'S LANDÏS GELEOENTHEIDT VEBDUITSCHT.

Eerst gespeelt in de eenige en eerste Nederdaitsvhe Academi i).

VOOE-REDEN.

MILTHEIDT, GIERIGHEIDT.

MILTHEIDT.

Ohy Amsterdammer burgers en ingeboren,

En die boven al hebt tot woonplaets verkoren

D\' edele Stadt, die deurboren gaet de wolken met beur kroon 2),

Van Keizerlijke bant ontfangen te loon,

Zijt niet verwondert of schoon mijn gewaad wat wilt weit.

Ik ben u meé-Poortres, de ruimschottelde 3) Miltheit,

1) Die van Dr. Samuel Coster, in Ifil/ opgericht, en waar het stuk, den dag daaraan, werd opgevoerd. 2) Haar bij keizerlijk besluit van tebr. 1489 boven haar wapen geschonken, en die nog lieden op den Westertoren prijkt. 3} onbekrompen.

ocr page 14

— 10 —

Die niet, als een vilt 1), leidt arm leven van groot goedt;

Maer vrolijk haer zeiven, en den behotftigen voedt Van den overvloet. Ik zal u niet zwijgen De reden, waarom ik dus herwaerts koom stijgen,

Het is om te krijgen dit huis in mijn gewout 2);

\'T welk mijn doodtvyandin bezeten houdt.

En zit te broên op het gout, \'t welk daer in een pot leit begraven.

Dwingende den eigenaer te leven als de slaven,

Daer hy wel met graven mocht maken goè cier.

Des Huis-heers Bestevaêr begroef het eerst hier

In den haert by \'t vier, op dat het niemant zou kippen 3).

Jae, toen hem de doodt quam op de. lippen.

Uit vrees dat het zoud\' slippen, en zeid\' hy noit woort

Tegen zijn eigen zeun: daer nae sloegh hem de moort 4),

En zijn zeun die moest hem voort op zijn renten geneeren.

Die \'er niet nae waren om wel op te smeeren;

Maer kost en kleéren had hy sober genoeg,

En moest zich zoo behelpen, tot dat hem de doodt ook sloegh.

Over den zeiven boegh zeilt nu dees zijn zoon mede.

Hoewel *t hem nu langh geenen nood en dede.

Want verleggende de stede van den ouden haert.

Heeft hy de pot gevonden, met het gout daer in vergaêrt.

De welke hy bewaert oft hy nar waer te degen.

Daarom heeft hy Warnar tot zijn rechte naem gekregen.

üp verschelde 5) wegen heeft dees deze schat,

Hier in huis tot meermael begraven gehadt:

En de penningen glat 6) heeft noch de vloer te bewaren.

Maar zijn dochter heet Klaertje, die zelze wel klaren.

Zoo z\' er 7) openbaren, nae dat ik kan bevroên;

Dees is zwanger, en weet niet by wien te vermoên.

Dat \'s immers een zeltzaem doen; doch zult ghy \'t bevijnen 8),

Hoe leugenachtigh ook dat het zoud\' mogen schijnen.

De Jongman en de zijne zijn wel vermogen 9) liön.

1) schraalhans (verwant met het Lat. vilis, \'t Fransche w7, ons fielt). 2) geweld, macht (verg. \'t Hoogd. Gewalt). 3) wegkapen, 4) kivam hij te sterven. 5} Naar de Hollandsche en Amsterdam-sche wanspraak voor verscheiden. 6) Thans gladde, d. i. llinkender penningen. 7) haar, zich. 8) Amsterdamsch voor bevinder%9) Verouderd voor vermogend, rijk.

ocr page 15

— 11 —

Van dit paer zond\' ik gaern een huwelijk zien.

\'T welk komende te schión, zal men my beter eeren,

En ik, in plaets des Gierigheits 1), dit huis beheeren.

Alle kanssen keeren, en alle tijdt heeft zijn bestek.

Her uit, oude toveres met jou mag\'re bek!

Die uw eigen drek wel van begeer lij kheidt zoudt eeten. sn, Ghy hebt dit huis langh genoeg bezeten,

Ghy moet het weten: u tijdt is verby !

OIERIGHEIDT.

Vaert wel schoone geit, dat ik zoo vierigh vry 2},

Al schey ik van dy 3), met draevigh schreven,

Mijn hart en kan daarom van u met scheven,

Ach, laet me wat beyen, dat ik haer noch eens kus WILTHE1DT.

Voort, u tijdt is om.

GIERI JliElDT.

Och! hoe overval je me dus?

Ik zal noch flus bezwijmen door \'t benouwen.

MILTHEIDT.

Ghy hebt hier lang genoegh mag\'re kooken 4) gehouwen.

OIERIGHEIDT.

Och! laat my den Ouwen noch leeren een les.

MILTHEIDT.

\'T heeft veel te lang geduurt. Ik wacht my des.

OIERIGHEIDT.

Zoo zal ik hem het sles 5) toeroepen van veere:

O Warnar, Warnar, onthout mijn leere!

Ziet dat men niet weere my heel uit u gemoet.

Gelijk men my uit uw wooninge doet.

0» Zijt \'s altijdt vroet, al moet ik spoên mijn gangen.

Ik weet, hy heeft zijn hart zoo vast aan mijn (i) gehangen.

Dat hy zal blijven geva: gen met liefde tot my,

Al is \'t dat ik door dwang van zijnent ty.

3ns i en.

lui- 1) Verouderde vorm van den vrouwelijken tweeden naamval.

ide, 2) bemin, naar de oorspronkelijke beteekenis van \'t woord; verg. er- nog ons vriend. 3) Thans verdrongen door u. 4) keuken. 5) Vooi slechts. G) Gelijk nog wel, in de spreektaal voor mij.

ocr page 16

— 12 —

miltheidt.

Dit spel zal Pottery 1) heeten, zoo ghy \'t meught veelen,

Spraekmakende gemeent! Plantus heeft het doen speelen

Voor burgers en eêlen van \'t Roomsche bloet.

\'t Is een Huis-godt die by hem de voorreden doet;

Maar om dat ghy van zulk goet niet veel hebt hooren zeggen,

Zoo heeft de Overzetter diens rol my, Miltheidt, toe gaen leggen.

Plautus stelt de geschiênis al had men ze t\' Athenen bespeurt.

Maar wat is \'er ook, dat t\' Amsterdam niet en beurt ?

Dus nemen \\vy best bekende plaetsen en straetjens,

Niemant trek hem iet aan, \'t zijn maer hoofdeloze 2) praetjens.

Hei Zy

1) Eigenlijk guitenstuk, schelmerij, maar met klankspeling op de geld-pot van \\Varenar. 2) Versta zonder persoonsbedoeling.

PERSONAGIEN.

Warnar.

Reym.

Geertruid.

Rijkert.

Ritsart.

Lekker, jongen. Casper, Hofmeester. Teeuwes, de Kok.

O i

Jae

En

Vrf

En

Ziel Zei Ik Spo

Hot Ten

ocr page 17

WARE-NAE.

EERSTE BEDRIJF.

Eerste Toonneel.

) de

warnar, reym.

warnar.

Her uit, zeg ik, her uit! ik zegje fluks her nit 1 Zy wroet mit heur oogen as ien varken mit zijn snuit.

reym.

O mijn rng, o mijn kop, o mijn neus, o mijn wangen!

warnar.

Jae, jae, je bakkes moet altemet vliegen vangen.

rkym! _

En waerom slaejeme nou ? mijn neus en mongt die bloên! warnar.

Vraeg je waerom, totebel? om dat ik je zier zou doen.

reym.

En waerom mach ik dan in huis niet langer banken?

warnar.

Ziet deze baviaen, wat heb ik hier veur ranken?

Zei ik jou, denk ik, réén geven van mijn bedrijf?

Ik ty je tans wel mit ien kneppel op \'t lijf.

Spoeit me van de deur, fluks, of je bakkes zei vliegen vangen.

reym.

Hoe wel waer men \'er an, die zaligb waer gehangen. Ten minsten hoefd* men niet te dienen zukken gek!

ocr page 18

— 14 —

WARNAR. De

AVat preutelje 1)? I?en

REYM. Een

Niet. De

WARNAR. Kil

Zoo speult den nikker 2) mit jou bek. Van

\'t lerst dat ik weer wat doe, koomje me dan daer op storen, Hela

Ik /elje mit ien avager 3) de oogen uit de kop boren. Nu

Fluks hier, of ik leg je ien tang tusschen hals en buik. Wee

Hoe gaet ze voort, as ien luis op ien terige 4) huik 5). Hest

Hier, bet 6) hier na toe, zeg ik; nu, nu is \'t te degen, Aan

lilijft me daer zitten spinnen, zonger 7) voet te bewegen,

En kijkje om, of wijkje ien stroo briet van daer,

Je krijght goê koop de galgh tot je nuvve jaer.

Ik bin dus ouj, en heb meugelijk vijftigh maisjens versleten,

]\\laer van mijn leven noit haers gelijk geweten:

Z\' is argh 8) as de Droes, en wil ze haer best temen J)),

Ik zorgh ze zei me noch iens uit den nest nemen,

Zoo deurtrapt slim is ze, en zoo Duivels-beus.

Krijght ze de snof van de pot mit geit in de neus,

ïk bin armer man as de gevangen slaven. pjn

Nu moet ik de vloer iens weêr op gaen graven, Qae1 En zien of ze noch staet zoo ik ze heb estelt.

Als ik denk, dat \'er iemant mocht raken after \'t geit, ^ye]

Zoo werd ik kilkout van boven tot onderen. ^Yai

REYM. Daa

Jae wel, ik en weet me niet genoegh te verwonderen, Qf ] Hoe mijn miester dus van zinnen komt berooft,

Wat dulheit magh hem wezen in \'t ydele hooft, «poe Tot mijn ellende, dus ondanks geslaegen,

Dat hy mijn tienmael op een dagh ten huis uit gaet jaegen ? Qf ]

------Bew

1) Anders prutlelen. 2) \'t Noordsche Nikr, oorspronkelijk een Arn water-god of geest; later — in den kristelijken tijd — voor I/ooze Wie geest in \'t algemeen in gebruik gekomen. 3) Eigenlijk nc.vegaary Ik 1 en dus zooveel als naaf- of hol-ijzer: groote scheepsboor. 4) geteerde. 5) vrouwen-kap of mantel. (gt;) meer. 7) Amsterdamsch voor En

zonder. 8) sluw. 9) -praten; verg. ook \'t zelfst. naamw. teem voor ----

praat in den Lichte Wigger: „\'k Sou, by Gut, mijn teem wel te 1)

langh maken.quot; van.

ocr page 19

— 15 —

De man heeft een wonderlijke worm in de-kop 1);

Een hielen nacht leit hy wakker, en staet vijftigh mael op. Een hielen dagh zit hy in huis, gelijk as op de winkels De kreupele snijers met haer gekruiste schinkels 2).

Nu is \'t immers ommekomen, en ik weet geen raet,

c. Van Klaertjens eer te bedekken, die op haer uiterste gaet

Heiaden met kindt, en haest zal moeten haeren:

Nu is \'t al verlooren, ick en zie \'t niet te klaeren.

Wee my, verneemt hy \'er of 3) \'t minste maer sles:

Best, dat ikme verhang hier ergens in de Nes,

Aan een pastey-bakkers hack, zoo ben ik uit het vrezen;

Mijn tanden wateren als ik denk, watten kalkoen dat ik zouw wezen!

Tweede Toonneel.

WARNAR, RKYM.

WARXAR.

Nu alle dingh behouwen is, en fijntjes op zijn stee.

Bin ik wat beter emoet als ik flus wel deé.

Gaet binnen, Reym! nu is \'t datjet huis bevolen wort.

REYM.

Wel ik mach het bewaren dat het niet estolen wort;

Want voor dieven is \'er aêrs te halen niet een kruis.

Daar is toch niet as de wint en spinnerach in huis,

Of hy noch zorght dat iemant die zei komen taeken 4)!

WARNAR.

Toch, onze lieven Heer mocht men om jouwent wil wel Paus van

Roomen maaken.

Of Koning van Spanjen, watje best quam te pas;

Bewaarje me de spinneraghen, nae binnen toe ras!

een Arm ben ik, dat weet ik wel, en draegh \'t lijdtzaem en gednldigh. oozc Wie dat \'er komt kloppen, en laet niemant in, weest me zorgvuldig!» I aar. Ik loop om een bootschap, en kom terstont weer hier.

ƒ/lt;?- RKYM.

roor En of \'er een buurwijf quam om een kooltje vier?

roor ------

ïl te 1) Den holvmrm, naar de wijze der schapen. 2) heenen. 3) ajy

van. 4) Verouderd voor nemen (verg. \'t Eng. take).

ocr page 20

— 16 —

WARNAR.

Dooft me al \'t vier uit, /00 hebben se gien spreek en,

Of ik zelje zeiver met tie kop in de doofpot steeken.

Komt \'er iemand om water, zoo roept metter veegh 1):

AVe mengen niet missen, onze bak is leégh;

Roept het de lui deur de veinster, zoo krijght men geen sluiper.

Komt \'er ien om een emmer: z\' is tot de kuiper.

Om een dreg, om een puthaak, of ander leur 2) :

\'k Hebze op straet vergeten, de dieven zijnder meê deur.

Want by Gans doot M), hoe schoon datze praten.

Als ik uit bin wil ik niemant in hebbe elaten:

Jae, al quam \'t geluk zeiver, ik waerschomvje, ziet

Je meught er op passen, doet geen deur open niet,

Of je zelt me te bijster schrikkelijk vertoornen.

REYM.

\'t Geluk ? zonder zorgh, voor haar brand\' men hoernen 4). \'t Geluk zou hier an de deur kloppen ? poep!

\'t Liep aarzeling f.) kreegh \'t de lucht in de neus van je stoep. En as noodigh (i) hier verby moet haer wegh zijn genomen, Zoo wacht zy haer wel an dees zy de middelstraet 7) te komen, Ze kreegh wel een koorts op haer hals, zagh ze de gevel maer aen. WARNAR.

Je zelt je mongt houwen en binnen gaen.

REYM.

Ik hou mijn mongt en gae binnen.

1) terstond. 2) Anders lor. \'S) Verbasterde vloek; gelijk \'er nog een aantal andere in den Warenar en elders voorkomen; zie de lijst bij De Vries, blz. 98—100. Men kan daarbij nog voegen: Gans sweep (voor Gods zweet), Sackereerts („dat Sackereertse verkenquot; en „de Sackereertse schuldtquot; in Barons Klucht van Light-hart). Het vyfmenten, waarineö De Vries (bladz. 99) geen weg weet, zal men wel uit vehement (heftig) verklaren moeten; verg. Colevelts Droef eyndend Spel tusschen Graef Floris en Gerrit van Velzen: „Gy weet de Graef vijfmentich te kallen aen \'t hooft.quot; 4) Versta: zoodat ze er om de leelijke lucht vandaan blijft. 5) achterwaarts, tenuf. 6) noodwendig. 7) Versta: op de kleine steentjens aan dees zij van de groote.

ocr page 21

WARNAR.

\'t Geboeft loopt dapper snuiven, Daerom zei je bey de grendelen toe moeten schuiven:

Ik schey wel nood\' van Kier, maer ik moet nae \'t Princenhof, Daer zal men resolveren hoe men mit het geit zal speelen, Of men \'t op de Doelen verteeren zei, of an lepels ommedeelen; Compareer ik nu niet, zoo magh ik gissen wel.

Dat men al het resjen te zamen opsnappen zei:

Daer en boven zeilen ze niet anders denken konnen,

AVaerom dal ik wegh blijf, als dat ik \'t geit heb evonnen. Ze hebbe me lang erkent voor zuinigh en vioet I),

j)es zei het zeer lichtelijk worden vermoet.

Dat ik nu verzuim haer te raden tot sparen.

Om dat ik doende bin mit wat grooters te winnen of te bewaren. En hoe nauw dat ik het heel 2), noch schiji:t het dat meest Al de werelt dat droomen ken, met zulken feest 3)

Zeggen ze goên dagh, die my nu ontmoeten,

Daer men my te vooren hiel magertjens pleegh te groeten, \'t Is „goén dagh. Warnar! waer heen Wainar? hoe vaert\'etal vaêr? Adieu, t\'uwen besten, vaert wel, een goet jaer!quot;

Ik zorgh zy ruiken longt, dit ken veur niet niet komen.

Maer ik wil gaen daer ik voor heb enomen.

En helpen daer \'t werk op \'t spoedighst\' aen een zy,

Dat ik haest op de bien weer nae huis toe ty.

Derde Toonnocl.

GEERTRUID, RIJKERT.

OEERTRUID.

Ik wilde wel, broeder, dat de woorden, die ik huiden

Tegen u spreken zal, ghy my ten besten duiden.

Gelijk een broeder hoort te doen zijn zusters reen.

Hoewel ik zeer wel weet, men acht ons vrouwen kleen.

Ik laet dat voor \'t geen het is, en heb daer niet met allen tegen

te zeggen; voor deesmael maer is mijn begeer.

Dat je denkt hoe ik jou zuster ben, die voor uw eer En welvaert schuldigh ben zorge te dragen.

1) wijs, overleggend. 2) verberg. 3) verrukking, opgetogenheid. WARNAR. 2

ocr page 22

— 18 —

RIJKERT.

Wat heb je te zeggen?

GEERTRÜID.

Maer je wordt vast 1) een man op jou dagen 2), En zoo ik jou verlies zonder kinderlijke erven,

Zoo zal de naem van mijn vaders geslacht heel versterven: \'Dus heb ik al de nacht vast leggen peinzen, hoe Ik je best mocht uilhylijken.

RIJKERT.

Daer slae geluk toe.

En, tot meerder zoetigheit, een heel pond vijgen!

GEERTRÜID.

Ziet, je mocht schier of morgen 3) een dut komen te krijgen 4), En raken ergens an een hoer vast, lichtvaerdigh en vals.

RIJKERT.

Mien je om \'t wals 5) zuster?

GEERTRÜID.

lae ik, in ernst.

RIJKERT.

Och ik bin om den hals. GEERTRÜID. -

Wel, hoe zoo?

RIJKERT.

Maer zulken reden kan ik niet gedegen,

Binjer op belust, ziet daer, slaet mijn een paer blaeuwe oogen; Niet 6) mochtje me zeggen dat me meer verdroot!

GEERTRÜID.

Luister.

RIJKERT.

Zoo mennigen woort daer of, zoo mennigen stien veur mijn poot. GEERTRÜID.

Doet het op mijn woordt.

RIJKERT.

Rai\'je \'1 mjn? ik doe \'t.

GEERTRÜID.

T ^ Anders, licht dat je sneefde.

1) allengs. 2) een man van haof/e jaren. 3) Anders: ie avond of morgen. 4) suf worden, de kius kwijt, verhysterd raken; gelijk datten voor ons suffen, soezen. 5j ernstig. 6) Thans niets.

ocr page 23

— 19 —

RIJKERT.

\'t Mocht wel dat *et zaligh waer, als ik het slechts niet en beleefde.

GEERTRUI D.

Hoort eens nae mijn woorden, laet je ra£n, zalige man!

Slaet het niet in de wint, je welvaert hanght \'er an.

RIJKERT.

Wel ben ik te vreên, doet me morgen een bruidt op;

Mils bevoorwarend\' 1) dat ik ze overmorgen \'t gat uitschop; Weetje daer raet toe, ik loop terstont nae de barbier,

En laat me scheeren, adieu.

GEERTRUID.

Ghy deunt 2) er me, hoor hier, Let \'er iens te deegh op, alle jokke 3) laet vaeren:

Ik heb een weeüw op spoor van veertigh jaeren;

Hoe veel meer of min weet ik niet, \'t is daer omtrent;

Die door een zeker getroggelt 4) testament,

Met temen en lemmen 5) van haren man heeft verworven,

Dat de beste plok van zijn goet op haer is verstorven:

Zij kan ryen omzien 6), en maekte dat klaer.

Dat zy voordeel van hem hebben zou, en hy niet van haer. RIJKERT.

Die trijp 7)!

GEERTRUID.

En steurtje niet, al lijkt het wat nae guitenspel, \'t Is huidensdaaghs de werelt: zij vuert van de duiten wel: Wel gereedt, wel gekleedt, en heerlijk behuist,

Van onderen tot bovenen, alle ding even juist;

En zoo qniks 8) te vryen als men een vryster in \'t landt ziet.

RIJKERT.

.fflels vuur op een stokjen, zoo verbrandtze haer handt niet, Ik weet wel wie je mient, de weeuw van Klaesje Klik,

We dienen mekaêr niet, Lobberich en ik:

1) bedingende, op voorwaarde. 2) spot, schertst. 3) Voor jokken, spotten (van \'t Lat. jocari). 4) nff/ehedeld. 5) lellen, leuteren, (i) Versta: zij is handig (gelijk een koetsier, die onder \'t mennen omzien, of eene vrouw, die onder \'t breven lezen kan. 7) vuilik (eig. ingewands-vuil; verg. het, Franschej tripe, \'t Lat. tripa). 8) levendig, lustig.

ocr page 24

— 20 —

De valsche sclioonpraet 1) zouw geen peert nae mijn stal wezen. En as ik ook iens mal wil worden, zoo wil ik te degen mal wezen, Het waer wel mogelijk dat ghy me had bekoort,

Had je een meisje van achtien jaer op espoort.

Gelijk hier Warnarbuurs dochter, die mocht mijn kommer stelpen. GEERTRUID.

As je daer an woud, ik mien je waert te helpen :

Maer daer en zit niet ten besten, het volk is te slecht 2).

RIJKERT.

Maer \'t meisjen is godlik 3), en de vüêr is oprecht:

\'k Wil gien schoon-vaer, die \'er den heelen tijd om zijn schulderen,( Noch een huis vol meisjens om den gantschen dagh te bulderen. Ik bin die stoetery 4) en dat gevaert 5) al moê.

GEERTRUID.

Wel is \'t jou zinn\'lijkheidt,iGod geef geluk \'er toe!

RIJKERT.

Kort beraet, goet beraet, ik gae \'er de vaer af spreeken,

Ziet, ginder komt hy juist van daen, nae huis toe gestreeken.

Vierde Toonneel.

WARNAR, RIJKERT.

WARNAR.

Ik dacht het zeker wel, en \'t lagh my op mijn leOn, Zoo nood\' wild\' ik van huis, dat ik vergeefs ging heen:

Tk by \'t Princen-hof komende, noch binnen, noch buiten, vant Corpereal of Lanspesaet 6), Kapitein of Luitennant;

\'t Volk past niet op haer tijt, het is zeeker van \'t mal.

Nu ty ik wéér na huis, want mijn hert is \'er al.

RIJKERT.

Warnar-buur, goén dagh, man! hoe staet het leven ?

WARNAR.

f

Heb ik jou daer, Rijk-buur? goên dagh wilje Godt geven!

1) mooyenpraalster. 2) arm, gering. 3) schoon, naar de oorspronkelijke beteekenis van \'t woord. 4) Voor stoet. 5) omslag. 6) Verbasterd uit het Ital. lancia speziata (d. i. geknotte lans), een van de ruiterij tot het voetvolk overgegaan krijgsman.

I

ocr page 25

rijkert.

En u een goet jaar, datje gien verdriet schiet 1).

warnar.

Als de rijke d\' arme zoo toe spreeken, dat is om niet niet j De meit, zorgh ik, beeft hem \'t spul van de pot gemelt.

rijkert.

Hoe gaet \'et?

warnar.

Hart en zwart, onbelaön met geit,

Gelijk slechte luitjens van mijnen doene plegen. ; rijkert.

Wat, het is juist allemael aen het geit niet gelegen ;

Hebje goedt genoegen, je hebt een goet lot.

warnar.

Hoe smeerigh 2) kan hy kallen, dit \'s al om de pot:

Zoo ras as ik t\'huis kom, ten baet geen smeeken.

Zal ik voor mijn eerste werk de meit de oogen uitsteeken, En daer nae de tong gaen tornen uit heur keel.

rijkert.

Buurman, wat staeje en praet inje zeiven dus veel ?

warnar.

Ik klaegh over de armoed\' die ik moet lyen;

Ik hebb\' daer een eenige dochter te vryen,

Daer ik niet meê geven kan, mijn lieve maet.

Zoo komt het tce datter ook niemant nae staet;

En ik zoudze geirne by mijn leven met een man bezorgen;

Wangt ik vrees, zoo ik sturf, datze schier of morgen,

In deze ongeregelde tijden, moght slaen op het wilt.

rijkert.

Zoo je anders gien noot hebt, uw klachten vry stilt.

Ik wil \'er wat by doen, geeft den moet niet verlooren.

warnar.

\'k Weet wel waer hy wezen wil, maer dat gat zal hy niet booren, Hy heelt het op het kats-hooft 3} emunt, daerom is \'t dat hy vrijt. rijkert.

Ik hebje wat zonders 4) te zeggen.

1) geschiedt. 2) zalvend., vlei/end. 3) Versta: den geldpot, die, met zijn beide ooren, den vorm van een kattekop had. Zie de afbeelding bij De Vries, blz. 112. 4) bijzonders.

ocr page 26

— 22 —

quot;VVARXAR.

Och! ik bin \'t gelt al quijt. Hy heeft het opgegraven zoud\' ik ramen,

En nu komt hy quansuis allevongen me zamen 1),

Om mitme \'t accorderen; och, hoe wee is me te moê!

RIJKERT.

Wel buurman, waer loopje zoo nechtig 2) nae toe ?

WARNAR.

Ik heb in huis wat te beveelen, dat ik vrees te vergeten. Ik koom terstond weêr by je.

RIJKERT.

Als hy komt te weten.

Dat mijn bootschap is om zijn dochter te verzoeken tot Mijn huisvrouw, hy zei denken dat ik met hem spot;

quot;Want zoo ongelijk gegoedt men zelden ziet trouwen.

WARNAR.

Godt zy gelooft, de pot is behouwen.

Alle ding is zoo \'t was! door mijn hert ging een vlijm Doen ik nae binnen trat, en ik vil schier in zwijm:

Wat zegje nou, Rijkert ?

RIJKERT.

Wilje wel antwoorden op mijn vraegen? WARNAR.

Zy mogender nae wezen datze me wel behaegen:

Zy mogen ook wel zoo wezen, datje \'t weet.

Ik en antwoordje van al den dagh niet een beet.

RIJKERT.

Onbillikheit zei ikje te voren niet leggen 3).

Wat dunkje van mijn geslacht ?

WARNAR.

Daer is niet op te zeggen.

RIJKERT.

Wat dunkje van mijn leven, schoeit het wel op de zelve leest?

WARNAR.

Wat, je hebt al jou leven een goet slokker geweest.

RIJKERT.

De jaeren, die ik out bin, weetje wel te mikken ?

1) al gevonden, wij samen; uitroep bij \'t vinden van iets, waardoor men aandeel aan den buit kreeg. 2) ijverig, vaardig. 3} verwijten.

ocr page 27

WARNAR.

Die hebben vry wat tellens an, ze slachten je. brikken 1)

RIJKERT.

Wel ik heb ook van jou altijt gedacht,

Datje een eerlijk burger waert, daer ikje noch voor achtj

Al binje van slechte 2) luitjes, ze waeren onbesprooken.

WARNAR.

Ik weet niet waer \'t hem lieght 3), maer hy heeft de pot gerooken. Wat is nou voort, Rijkert-buur, jou begeer?

RIJKERT.

Daer toe geef zijn zegen de opperste Heer!

Nae dien dat ghy mijn wel kent, en ik jou mede.

Zoo hoop ik, je zelt me niet weigeren een bede,

Dat is, datje me jou dochter te wijve wilt geven.

WARNAR.

Maer, Rijkert, ik hoorde noit van mijn leven Datje zukken quant 4) waert; heeft dit ook slot,

Mit een out arm man, as ik bin, te drijven de spot ?

Heb ik dit opje verdient ? ik kan \'t niet vermoeden.

RIJKERT.

Je moet mijn reden niet anders duiden als ten goeden, Het verzoek is mijn ernst, ik zegje dat ik het meen.

WARNAR.

Ey lieve, laet my en mijn dochter met vreên.

RIJKERT.

Gelooft me, buurman, ik doe \'t niet om te jokken.

WARNAR.

Gelijk by gelijk pleegh alderbest te fokken.

Den rijken dient wat rijks, den kalen dient wat kaels.

Je zout me niet kennen willen, en maken mijn dochter over-dwaels 5),

Dan waer ik hiel in \'t onderspit, my dunkt het zei me niet eelijken. RIJKERT.

Dat is wel de mannier van sommige rijken;

Maer ik zei je kennen voor een vader, als \'t behoort.

1) schijven, penningen. 2) eenvoudige, onaanzienlijke, geringe. 3) schort, de Jout zit. 4) snaak (eig. handelaar, schaggeraar, van \'t Lat. quantum {hoeveel); verg. nog ons kwanselen). 5) overmoedig.

ocr page 28

WARNAR.

Beloot\'je me dat?

RIJKERT.

Jae \'k.

WARNAR.

Vaert \'er wel meé, daer is me woort. Je zelt de mait hebben, waer toe veel te saimnelen?

Gans bloedt! wat hoor ik daer binnen rammelen?

Daer is \'er voorzeker een achter de buit.

RIJKERT.

Wat het maisjens zinlijkheidt angaet; — wel, hy vaert \'er wéér uit,

Peur 1) is hy, waer mach hy daer zijn gebleven?

Me dunkt, hy speult neefje 2), hebje van al jou leven,

A Vie quam er oit zoo veer, daer zulks is eschiet ?

\'t Is mit hem : nou zieje me, nou zieje me niet,

Mit etn wup is hy buiten, mit een wup is hy binnen:

\'t Is, trouwen 3 ), niet vreemt, al maekt\'et hem beteutert van zinnen,

D\' arme luy, als de rijke haer spreken aen,

Mienen doch altijt, zy zijn geslagen of gevaên.

En zoo verzuimenze somtijts een goé gelegentheit.

WARNAR.

Hout dit voor Evangely, je mooght dit overwegen, meit!

En trek ik je niet mit wortel mit al uit de lel 4),

Zoo geef ik jou last, volmacht, en zonderling bevel.

Dat je mit miester Jeurjaen, de quakzalver, mit de kromme rnbben.

Accordeert de beste koop dat je kent, om me te laeten lubben;

Ik zeg \'tje mit een koele moet, zijt \'er op verdacht!

RIJKERT.

WM buurman, me dunkt dat je me niet en acht,

Waer heb ik dit verdient, dat je mit me de gek zout scheeren?

WARNAR.

Neen zeker, ik hou je veur een man mit eeren.

Indien ik mit jou gek, zoo slaat, me de moort !

RIJKERT.

Hoe hebben wy \'t dan t\' zamen?- staeje noch jou woort r

1) Weg. 2) pbtsemaker, hansworst. 3) Thans trouwens (gelijk doorgaans voor dooryaund, nevens voor neven, enz.). 4) Vcista; de tong met wortel en al uit.

ocr page 29

WARNAR.

,Tae; maer gelijk ge/eit is, ik kan er niet meegeven.

RIJKERT.

Dat wist ik wel, daer en leit niet an bedreven.

Zy zal op die voorwaerd\' van my werden getrout.

WARNAR.

Hoor hier, beeld je niet in dat ik een pot heb evongen met. gout, RIJKERT.

Wat een blaes 1)! ik trou ze om haer goede manieren.

WARNAR.

Dat je \'t dan wel verstaet, ik zei gien hylijksgoet uitkieren. RIJKERT.

Wy zijn \'t volkomen eens.

WARNAR.

Jae, maer ik kenje vel,

\'t Is met de rijke luy : geef stcikje, neem stcikir, stokje in de bel: Nou beloof je ze me te nemen zonder beurs, zonder brikken, Thans 2) komen je de poppen in \'t hooft, zoo is \'t hylijk au stikken, Jy luy en hout je woort niet dan by geval.

RIJKERT.

Ik zeg wat ik beloof, dat ik het houwen zal,

En tot meerder bevesting van mijn verklaren,

Zoo laet me S vrienden t\'aevont by de jouwe vergaren

Om het hylik te beschrijven met gemeen accoort;

Ik zei gaen bestellen nu rechtevoort,

Dat \'er wat komt daer wy of banken 4) meugen.

Want ik weet wel, de kosten daer keunje niet teugen.

Adieu, tot flus toe, ik ty op de been,

En zei me mijn best, spoeyen.

WARNAR.

Daer stapt hy heen.

O lieven Heer, wat een ding is \'took geldt hebben!

Deze man zou op mijn dochter zijn zin nooit estelt hebben, Er. hadd\' hy niet in \'t hooft (denk ik) van de gevonden schat. Zoo komt \'et. dat hy dus aenhoudt as een klat 5).

1) wind, leweying. 2) Straks. 3) Voor myn. 4) hanJcettccren, \' schransen; verg. ons tafelen van tafel. 5) Anders klis of Met.

ocr page 30

— 2(i — Vijfde Toonnael.

WARNAR, REYSI.

WARNAR.

quot;Waer benje, snapster, die over de buurt hebt gaen verbreden. Dat ik mijn dochter met proot goedt ten huwelijk gae besteden. Flux, rept me jou handen nou en wacht \'er niet mee,

Wascht knap de vaten om, schikt alle ding op zijn steê.

Voort, maekt \'er een eind of, en zonder te spotten lank.

Schrobt me vaerdigh de deel, en schuurt de pottebank.

Hemelt de kooken op 1), en stoft het voor-huis uit,

Schuert de glazen wakker, maer breek je ien ruit.

Ik zei ze an jou huur korten; wit de muer in de kamer, En haelt voor een pennewaerd 2) zageles 3) tot de kramer. Ze mengen \'t op de kerf-stok zetten, \'t mach \'er nu wel of.

REYM.

Miester, wilj\' er deur wezen? hoe gaeje dus grof?

Een hiel penning an zageles om de vloer te bestroyen ? Dus doende zei je al jou schoone goet wel vermoyen 4),

Denk, as je dat noch iens doet, zoo is \'t een duit ó).

WARNAR.

Dat \'s alliens, \'t moet nu vol staen, mijn dochter is de bruit.

REYM.

Daer slae geluk toe : maer wie zei ze trouwen ?

WARNAR.

Onze buurvryer Rijkert; t\'aevont zei men maeltijt houwen Op \'t sluiten van \'t hylik met de vrienden van elke zy.

1) Maakt de keuken schoon; van hemen, hemelen, eig. heryen, van daar opredderen, enz. Verg. de aant. van De Vries, die echter verkeerdelijk ook het te hemde yeooert uit der Ystori\'èn hloeme v. 1151 hieruit verklaren wil; zie slechts aldaar v. 12(53: „ Voer hi, sonder aerbait, Te hemele, daer hi ute was comenquot; ; en verg. ook het geheele verhaal v. 1301—1330. 2) Versta; ter waarde van èin penniwi. 3) Naar de omzetting der volksspraak voor zaagsel, gelijk stremmeles voor stremsel, enz. 4) verspillen (eig. aan mooye dingen verdoen), d) Van welke er acht in een stuiver gingen.

ocr page 31

reym.

Bylo 1) dat zei wat kosten.

warnar.

De bruigom hout me vry, \'t Mach gien quaet, hy zei kost en drank beschikken.

Ik gae iens an den Dam, pas jy op je stikken.

Ik koom terstont wéér in, de deur dicht stuit.

Ziet toe, maekt het schappelijk, of je raekt et gat uit. Zoo mach pas een ander het bruiloftstuk genieten.

\' reym.

Nu steecken 2) ik en Klaertje ten ooren toe in de verdrieten. De bruit, de bruit te worden, en z* is op het uitirste zwaer, Nu zie ik \'er gien muyeren .\'i) langer an mit mekaêr.

Ik mach terwijl binnen gaen en doen mijn dingen. Verwachtende, hoe \'t ongeluk met ons om zei springen.

TWEEDE BED 11 IJ F.

Eerste Toonneel.

lekker longen, caster Hof meest er, teeuwes KoJc.

lekker.

Wel maets, dus gaen de Munneken by mekaêr.

Dat den eene niet en weet, dat weet den aêr.

Dus nyver in de praet? zijt samen gegroet.

teeuwes.

Wel Lekker, waer heen?

lekker.

Juist koomje me te moet;

Ik gingh nae jouwent.

teeuwes.

Wat is \'er te quikken 4)?

1) V( or by lode, d. i. het vuur, de vlam. 2) Voor steke, met inlasschmg eener n vóór den volgenden klinker, gelijk nog in de volkstaal. 3) Anders modderen; waaischijnlijk (met De Vries) van \'t Lat. rnoderari, ons modereeren, af te leiden. 4) vaardig gereed te maken.

ocr page 32

— 28 —

LEKKER.

Maer 1), je moet met jou beiden de kruiken beschikken.

IS\'ijn miesters hylik gaet t\'aevont voort.

CASPER.

Wel, da\'s wat nuws, ik heb \'er nooit iet of 2) gehoort.

AVat krijglit hy voor een ? Ik bidts ou 3), dat ge ze dan nomt. LEKKER.

Heb je niet hooien zeggen, hoe een mens \'t hylik an komt? Zoo dunkt me dat \'et den Baes ook overvalt:

Hy heeft van een wijf ncit zijn leven gekalt.

Nu kreegh hy van daegh een buy, en is ééns loefs 4) getegeu Om \\Varnar onze buerman te bewegen.

Dat hy hem zijn dochter zou geven ten echt,

Kn \'t en duerde niet langh of zy hadden \'t samen beslecht. TEEUWES.

Dat \'s haest geklaert: wat \'s jou bootschap non ?

LEKKER.

Maer ditte:

Men zalder as kacx ó) t\' aevont op het hylik zitte.

En de vrienden als dan tot (i) de bruidt worden vergaêrt.

Hier wil mijn Baes zijn eer hebben bewaert,

En dat zy al t\' zamen daer blijven ten eet en.

Dit is zijn meeningh; dacrom heeft hy me geheeten

Terstont te loopen om Hofmeester en Kok.

TEEUWES.

AVe hebben \'t nu rechte voort vry wat drok.

CASPER.

Sienr Hraetvarken heeft gasten gebeên tegen morgen,

Daer moeten wy al de spijs met haer ordonnancy bezorgen, Hidd\' ouwen 3) Baes dat hy tot overmorgen wacht.

1) Wel. 2) af van. 3) Spreek nit oe, oewen ( voor u, uwen), naar Urabantsche wijs, gelijk deze hofmeester zich in \'i geheel op zijn Brabantsch gt;iit. 4) rechtstreeks: eig. van een vaartuig, met. één wind doorzeilende, ój voor de leus,- verg. \'t Ital. cacco en ons kak-hiel (voor looze hiel), kacke-peys \\\'00r louze, geveinsde vrede, \'t Zeeuwsche kekkemikke en \'t Eng, cackmay voor\' ydel gezwets, en \'t Hoogd. kackfeder voor looze veer (die van \'t pas uitgebroeid gevogelte). 6) hij.

ocr page 33

— 29 —

Sieur voorschreven heeft genoit 1) al zijn geslacht,

Zoo \\vy hem begaven, dat waer te stout dolen.

teeuwes. q

Wy leggen \'t rechtevoort over init krijt en mit houtkolen, 7 Uil de schotel in \'t napjen, uit de roemer in \'t glas 2),

Hoe dat wy \'t daer wel zullen maeken te pas.

CASTER.

Wa 3), \'t zijn kurieuse 4) liêns, en daer gaet tijt toe.

LEKKER.

\'k Weet je niet mier te zeggen, mijn Miester uil dat ik vlijt doe. Om alles toe te rechten, zonder eenigh dralen;

Keunje me niet helpen, zoo moet ik een ander halen:

Daer gae ik heen.

TEEUWES.

Hoor hier: vertoeft nog een beet.

CASPER.

Ontbait, men zal \'er op paizen, en geven ou 5) bescheet.

LEKKER.

Dat je \'t ventjen allien zijt, hoef je niet te mienen.

Die \'r t\' aevont op past, zei de bruiloft ook bedienen.

TEEUWES.

Alsewe te nacht niet slaepen gaen, zoo hebbe w\' \'et an de tijt.

CASPER.

Nu men zal ou 5) gerieven, om dat het oulieden zijt,

Maer waer \'t iemant vremts, men liet hem verleigen,

Hoe kommet by, dat den Bruygoom dees kosten zal dreigen. Dit plagh by de Bruits vrienden te werden gedaen ?

LEKKER.

Hoo, hoo! zou men om de kosten de Bruits vaêr spreeken aen ? TEEUWES.

Eleman, veer van daer, dat zou niet willen lokken 6),

Ik ken hem wel, hy is zoo droogh as een Maertsche bokken,

Daer magh niet, of, hy vloekt en hy drieght 7)

Het al te vermoorden, as \'er slechts wat rook uitvlieght,

Dat is, laet hy hem dunken, zoo veel warmt verloren.

1) genood, genoodigd. 2) Versta: wij overleggen \'tin olie bijzon-, derheden. 3) Brabantsche uitroep. 4) kieskeurige. 5) Zie blz 28,. aant. 3. 6) lukken. 7) Voor dreigt.

ocr page 34

— ;iu —

LEKKER.

Daerom heeft hy een zeil over de schoorstien eschoren 1), Dat de rook met een tocht zoo niet deur en kan gaen;

Maer een half etmael legh en zoek 2) nae \'t open tusschen de Eer hy *s avonts zijn hooft neérleit op de sloopen, (draên.

Stopt hy de pijp van de blaeshalk, dat \'er gien wint uit zou loopen, Op avontuer of ze haer verzuimde li) terwijl dat ze sliep.

TEEÜWES.

Hy mocht hem zelfs ook wel stoppen dat \'er geen wint uit liep.

CASPER.

Maer wat vint men hier in Hollandt scharpe 4) gezellen!

LEKKER.

Men zouwer je wel een hiele story of vertellen:

Lestent 5) zoo was hy eens tot zijn Trijn-niften fi) te gast,

Die gelegenheit nam hy waer, en heeft gevast

Drie daegen te voren, zoo veel als hy mocht lyen;

En doen hy nu begon an \'t eten te tyen,

Zoo heeft hij zijn huik met zoo veel spijs gestoffeert.

Als in drie dagen daer an kan werden verteert;

Zoo was hy uit te gast voor volle zeven daegen.

TEEÜWES.

As een man, liaelin, Klaes Lou ! maer kon \'t zijn maegh verdraegen. Of bequam hem dit te gast gaen, as de hont de worst ?

LEKKER.

My kreegh zulken monopoly 7) in zijn buik, in zijn borst, Mit gorren, mit knorren, mit murmureren.

Al haddender vijftig luy over hoop elegen mit disputeren.

CASPER.

Ba, wat zeiden de Medecijns van zijn urien?

LEKKER.

Wat men praten, hy begeerden gien Doctoren te zien,

Hy hadd\' veel te grooten schrik van dat eeuwige geven.

1) gespannen, naar de oorspronkelijke beteekenis van \'t woord. 2) liyt te zoeken. 3) uit achteloosheid wind uitliet. 4) \'zuinige, gierige. 5) Voor laat sten, laatst, onlangs ; met bijvoeging der t, gelijk in iemand en niemand, f mijnent, enz. (gt;) frijn nicht (\'t Lat. nep-tis, eig. kleindochter, maar door dit woord, gelijk neef (van nepos) door kleinzoon verdrongen). 7) rumoer (gelijk bij \'t verpachten van een monopolie).

ocr page 35

— M —

Doe \'t nu zoo veer was, dat hy hem zelf al had deur eschreven: „quot;W\'jirnar neef, denkt om je ziel!quot; zeide doe zijn oude nitt, „Of men om een heer-oom liep, die jou een woortje zeide uit de Schrift;

Want \'t is mit je al dood\' stroom, jou leven is an \'t ebben!quot; Hy zoud* (zeid\' hy) al een daelder willen hebben.

En daerom bleef het achter; wat dunkje van zulken vrek ? teeüwes.

Gierige luy zouwen sparen, al metseldenze met de drek; Een daelder liever te hebben as een Uemelsch troosjen!

lekker.

Als hy zijn naeg\'len kort, bewaert hy de spaenderen in een doos-casper. , Qen.

15a, dit \'s de grootste vrek van het geheele landt.

lekker.

Lestent ging hy eens op de vismarkt met een netjen an zijn hant, Daer hadd\' hy wat kat-aels innekoft, en spiering om te aezen, Mit komt de ouwevaer 1), slok, en rokten een door de maezen. My op de bien, mit een staend\' zeil, al kosten \'t een ton mit gout 2),

De veugelsteeg deur, de kercxbrug over, na mijn heer de Schout; Daer mat hy \'t feit ten breedsten uit, en ging staen met veel

mency 3) temen,

Moe dat men zulken ouwevaer most\' in apprehency nemen, En duizend zukke dingen meer recht hy zijn leven an;

Wat, daer is \'er zoo veel, dat ik ze niet ai onthouwen en kan. Ook en dienen wij de tijt niet te laeten verloopen.

teeuwes.

Wel, maer as wy de provisy zouden gaen koopen,

Zoo most men zeggen hoe veel volks dat \'er wezen zal.

En wy onze reekening maeken nae dat getal.

Ziet, dat dienen wy daerom van te voren te weten.

cas per.

Men zal de pletsen nettekens af moeten meten.

lekker.

el, gaen we dan derwaerts, en schikje nevens my.

1) Voor ooiyevaur. 2) Versta: a/6- gold het een ton gouds. 3) mentie, ge wags.

ocr page 36

CASPER.

Ba, den hofmeester betaniet te gaen aen de hooger -/.y,

Als hv nut ziin tweejen gaet, dtis hebbe kik 1) geen genuigen, Dat giiv nnlieden dus in \'t mits 2) komt vuigen ;

Want dat \'s d\'eerlijkste plets alsmen gaet by drijn 3).

lekker.

Neen, bylo daer hadj\'et niet; dat mach niet zijn,

Ik zeg, houw je mst, eer dat ik je om veer schop.

Miin \'komt het midden toe, ik rcprezenteer \'t heeischcp.

wie stelt je te werk as ik ? an wie win je jou broot ?

casper.

\'k En doe \'s niet ik ik, al sloeghdy mij doot.

Zodd\' ik een and\'ren mijn plets laten bewaeren?

Ik ik heb t\' Antwerpen voor hofmeester gedient over dertigh jae-

En zoude nu eene lakker 4) my tloen dees hconï (ren,

teeuwes.

Ay lieve, ik acht die lenrery niet een boon,

\'t Is my alliens of ik achter oft voor gae, of boven oft onder ;

Maer hoort nae mijn zeggen, op dat wy zonder

Geschil en questy mogen raeken over straet.

Zoo dunkt ine best Lekker dat ghy voor heenen 5) giret.

Op dat zonder schandael elk blijft in zijn eere.

lekker.

Dat \'s gangh (i); j( me :;lit volgen, \'t en is niet veere.

casper.

Ziet, ik waer liever doot geweest, eer dat zoud\' geschièn. Ik converseer dagelijks met eerlijke 7) liên,

Wa mochten ze paizen, dat ik ik dat gink gedoogen!

teeuwes.

Ghy hebt gelijk ook : zoo g\' u zelf niet verhooght, niemant zei je Elk nae zijn kaleteit, dat tribelt H) alderbest. (verhoogen,

lekker Tongen, reym oude Dienstmeit.

lekker.

Voor den dagh Reym, hier uit, doet de deur op van dit rest. {ken; Schikt uit de weegh, maeckt ruim baen, dit volk moet naedekoo-

1) Brabantsch voor heli ik. 2) midden. :i) drieën. 1) Ander. lekker. 3) vooruit. 6) Dat yaat aan, yeldt. 7) aanzienlijke. 8) drib-lelt, gaat.

ocr page 37

REYM.

Wel we hebben gien vuer in huis.

LEKKER.

Zoo meugh je \'t stooken.

REYM.

Of \'er turf is of niet, denk ik ?

LEKKER.

Al even gauw.

Heb je gien turt; legt hout an, of je krijght een grauw.

REYM.

\'t Is \'er niet.

LEKKER.

Heb je gien planken op solder : liert met verstant spreeken.

REYM.

Wat brabbelt me deuze vent, zoud\' ik het huis an brant steeken?

LEKKER.

Waerom niet? t werk moet voort gaen, ten mach «nen ouaet* \'t Is bruiloft. 0 \'

REYM.

Hij raest, Godt betert.

LEKKER.

. . t)lt schaft ander raet.

Hier is liofiiieester, kok en kocxknecht, die mogen niet toeven. Gaet in maets, gaet in! Laet me de bruits wijn eens proeven. REYM.

Wijn? wijn in zijn mont nemen? men zou \'t niet darren hier. Kal je van bruits wijn, Lekker? vrae?ht na bruits scharrebier 1), Wijn quam hier noit over de drumpel, hoe praet je dus?

LEKKER.

Is ze noch niet ekomen ? zoo kompt ze dan flus,

De baes heeft ze al bestelt, de ujtk was om ceêlén 2). t - h- .

Adieu, ik zei je zoo lang de wijkheit beveelen. /

1) Eij?. scharp of scherp, d. i. schaal, dun bier.- verg. boven, bladz. 30, aant. 4. 2) helastinghriefjens.

WAREN AR. t

ocr page 38

Tweede Toonneel,

Och!

WARNAR, TEEUWES. ^aer

|0ch\'

WARNAR. \'/el

Ik miende de eer te bewaeren as vaeder des bruits, fEn zc

Maer dusschen 1) zootjen aeltjens as klink-snoertjens om zeven Nae schellevis, nae kabbeljau en was gien kijken, (duits!

Daerom ging ik van de vismarkt nae de hal toe strijken,

Maer lamsvleis, kalt\'svleis, queen-vleis 2), al was \'t uit de kerf.

Het pont ien reael 3), kijnt, ik hebt wel hondertwerf Mijn leven zoo goet om ien braspenning 4) zien koopen.

\'k Docht in mijn zelf, dit volk zou ien mensch \'t vel afstroopen. Dan kost het noch van droopen 5), van turf en hout;

Jae wel, alle dingh is zoo duer dat \'er ien mensch of o) grout,

\'t En is niet an te halen; ziet, daer valt niemier 7) te zeggen.

In \'t lest heb ik het ook by mijn zelf over gaen leggen.

Dat, of ik nu als groffelijk de milde legh en speul,

As de bruiloft over is, zoo doet het even veul.

Een deel jonge spil-penningen 8) mogender wat op smaelen,

Maer by de vroede zei ik \'er eer meê behaelen.

Die wat spaert, die wat het 9), dat leerde me mijn peet. lik ze

Het is \'er zoo emakkelijk niet an te komen, dat je \'t weet; jsomn

\'t Wordt zoo licht niet ewonnen, as verslempt of verzopen. |^jv ^

Wel, wat beduit dit? de deur,staet t\' mijnent wijd\' open.

Of ze de Pot ook opgraven? och, ze hebben \'t zoo drok!

TEEUWES.

Wel, is \'er gien spit? maekt \'er ien van ien bezem-stok.

De riemen die men heeft, daer moet men meê roeyen.

Daer is de spijs op ien briefken, jongen! maekt me wat te spoeyen.

Zegt de Vleis-houwers en Vogel-wijven, dat ik je heb estuert.

Speulnoot, deze pot is te klein, lient ergens ien grooter by de buert.

Suiker en kruit bij den bak lü), dat ken 11) hem niet krenken.

beker sche later f/e-stc

Ik bii Heeft Zegt Gans Ik bii \'t En

1) dus een, zulk een. 2) rundvleesch (van \'t verouderde queen voor onvruchtbare koe; eig. \'t zelfde als \'t Eng. queen, Deensch kone, voor konim/in en vrouw). 3) Een Hollandsche stoter, d. i. / 0.124. 4) Xien duiten, en dus juist de helft. 5) bedruipen aan \'t spit. 6) van. 7) niet meer. H) geldverkwisters. 9) Amsterdamsch voor heeft. 10) \'t bakken (gelijk de bouw voor 7 homoen). 11) kan.

ocr page 39

— 35 —

WARNAR.

Och! daer hoor ik de Pot noemen, wel moglit ik liet denken,

Daer heb ik voorzeker de dieven after \'t geit!

Och, hoe klopt me \'t hert! och, hoe ben ik ontstelt!

Ik zeiler after her tyen mit roepen en krijten,

En zoo lang as ik staen kan niet ophouwen van smijten 1).

i zeven (duits!

DERDE BEDRIJF.

Eerste Toonneel.

TEEUWES.

de leste, het is al op de bien.

Ilk bin, by Gort,

•Heeft \'er niemant miester Casper oft mijn jongen ezien ?

Zegt me doch, vrome burgers, wat zijn ze on eslaefren ?

Gans doot! dat we ons allegaêr van ien ouwe man voort laeten jae-Ik bin bloedigh en blaeuw, zoo zat hy \'er op mit de stok, (gen, \'t En baete niet of ik riep: „hou op, ik bin de kok!quot;

Ik zeg, hy heeft ien quaö dronkenschap, indien hy buis 2) was. jSomma, \'t gaet redelijk toe, nae dat \'er gien hout in huis was, Hy heeft ons an hout geholpen iens voor al.

oeyen. :rt.

buert, iken.

queen ïensch -, d. i. aan 1t *msch ) lean.

Tweede Toonneel.

WARNAR, TEEUWES.

WARNAR.

Komt mijn 3) herwaart, ghy rabaut 4)! ik zeg je, hout stal 5). TEEUWES.

erf,

oopen.

rout, ;en.

Wel gecx-kap, hier stae ik nou, wat heb je te vraegen ?

Ij slaan. 2) dronken, van huizen voor drinken, en dit van huis, hek er met twee oor en. 3) Voor mij, me. 4) schavuit; van \'t Fran-sche rihaud, oorspronkelijk een lichtgewapend kryysman, maar later van alle schuim van volk gebezigd. 5) stand (verg. ons (je-st al-te).

ocr page 40

- 36 —

WARNAR.

Wat heb je me daer zukken opsteeker 1) te draegen,

Weet je wel dat je my dreighde daer meê?

TEEUWES.

Waren mijn mijn zonden zoo leet, als dat ik dat niet en deé, Het zou men op men sterfdagh wel dapper vromen 2).

WARNAR.

Ik zeg, dat \'er gien arger schelm as jy uit en magh komen, En dat ik ben gebeten op niemant zoo fel.

TEEUWES.

Dat en lieghje niet, fijn man, al kenj\' \'et wel.

De zaek is blijkelijk, ghy hoeft \'er gien tuigh 3) of te beleggen: Maer jy, ouwe Zuzannesboef! wat heb je op ons te zeggen, Dat je dus \'t regement stelt zonder eenige reen ?

WARNAR.

Vraeg je dat, stukke-diefs 4) ? binje daer niet meê te vreén., Zoo berouwt me, dat ik \'er niet bet op zat mit beuken.

TEEUWES.

Ik zweert je, ik zei je die kop wéér iens zoo murruw meuken, Dat zy d\' ierste maent het niet vergeten en zal.

WARNAR.

Mogelijk is misselijk 5), by provisie hebiet al.

Wat heb je in men huis te doen as ik ben buiten?

TEEUWES.

Wel, zei men t\'aevont tot jou geen hylik sluiten,

Ik en den hofmeester quaemen bereyen \'t mael a ld a er ?

WARNAR.

Wat roert jou wat ik eten wil, \'t zy raeuw of gaer.

Ik zegje dat het veel -is, ghy zijt mijn vooght, jae trouwen.

TEEUWES.]

Ik vraegh jou, of je t\'aevont gien gastebot 6) zelt houwen WARNAR.

Ik vraegh jou, of ik gien zorgh magh draegen voor mijn huu

1) koksmes. 2) haten. 3) getuige. 4) stuk van een dief evenzoo stukke-schelms, stukke-hoefs, stukke-vleischi enz. 5) onzeker ; verg. in denzelfden zin de spreekwijs: gissen doet missen. 6) gast gebod, gastmaal; eig. dat, waarop men de gasten noodt of biedt; verg. nog het Deensche gjestebud.

ocr page 41

— 37 —

TEEUWES.

Ik vraegh jou, wie jou zoo veel verkort as een gruis ?

Zeg me, waerom wy de maeltijt niet bereyen en moeten ?

WARNAR.

Vraegh je dat, stukke-schelms ? wat hebje te wroeten \' De kamer, de binnenhaert, en \'t hiele huis deur?

Men zei \'t je verlieren, dat hebjer veur.

Waer \'t, datje jou allien emoeit hadt mit de kooken.

Ik hadje mit de kneppel de kop niet ebrooken.

Staet of, zeg ik je, en kom me de drumpel niet te nae,

Of wil je, dat ik je voort de poot in slae?

Gaet niet deur, blijft daer staen, ter plaetze voorschreven. 5en : * TEEUWES.

Ik zeg je, dat je past mijn mantel wéér te geven,

En mijn eene kokmes met zilv\'ren beslagh,

Of ik gae van hier niet, van den hielen dagh.

Gans lijden! hoe gaet \'et een mensch uit zijn mienen: (nen.

Ik docht gelt an de hoenderen, en de barbier zelt an my verdie-

Derde Toonneel.

WARNAR, TEEUWES.

WARNAR.

Neen, by Gort, zoo lang as het daer leit, en heb ik gien vreê:

Waer ik gae, waer ik stae, liet kats-hooft moet meê.

Of men dat gespuis daer eens ging in de aerde wroeten:

Men loerd\' me zoo niet, het moest uit de paerde-voeten;

Raekten z\'er after, het was voorzeeker hor 1).

Loopt nou binnen, wil je, kok, mit al jou gesnor,

Ik geef je oorlof, en denk dat je blijt toe zint 2).

Kookt en smookt, kladt en knoeit nou, zoo lang tot je moê bint:

Loopt in kamer en kooken, en waer je begeert.

TEEUWES.

Schoon bescheit, nou je ongs zoo schendigh of hebt esmeert! \'t Hooft doet my zoo zeer, dat ik me niet weet te laeten.

1) weg; verg. de spreekwijs op den hor gaan, en het spotdicht uit den Fransch-Engelschen oorlog van 1672: de Fransche vlieger hor. 2) Plat voor zijt.

ocr page 42

3

— M8 —

warnar.

Je zint ehuert om te kooken, en niet om te praeten,

Wil je \'t niet doen, gaet deur, ik pas \'er niet veel op.

teeuwks.

Je zelt het miesterloon betalen van mijn geblutste kop.

warnar.

Ik zeg je niet veul, maer ik raed je te zwijgen.

teeuwes.

Fijnman, ik bin ehuert om te koken, en niet om slaegen te krij-Verstae je dat? (gen,

warnar.

Wil je wat hebben, roept me veur recht.

Of loopt en haelt jou maets, en weest een goet knecht!

Vierde Toonneel.

warnar. (heit:

Hy gaet deur, wat zou hy rechten, zijn bewijs heeft gien klaer-Maer Blommerhelten 1)! wat steekt hem 2) een arm man in i zwaerheit*

Die mit een rijk man anspant! men is voor zeeker in de ly,

Of j\'er aen hylikt, compeer wort, of maetschappy 3)

Van eenige komenschap 4) meê zoekt te maken.

Je zelt voorzeeker in \'t onderspit raken.

Dat blijkt an deze Rijkert, die staet as kacx nae de meit,

Maer hy heeft \'et \'er voorzeeker op toe êlelt

Om me de Pot behendig t\' ontmorssen 5).

Ik wed\' hy dit volk, \'t welk hem verstaet op lorssen (gt;),

Expres ehuert had en opgespeurt met vlijt,.

Om dat ze me de buit zouden maeken quijt.

\'t Was quansuis om mijn zwaeger 7) te worden: ay lieve, hoe

druigh 8), maet!

Maer Warner is zoo slecht 9) niet, als hem \'t hoofd wel ruigh 10) Hy is dicht op zen penningen, dat meughje verstaen; (staet:

1) Verbasterd uit Gods bloedend harte. 2) zich. 3) maatschap, vennootschap. 4) koopmanschap; verg. komeny. 5) ontfutselen. 6) wegkapen.^ stelen. 7) schoonzoon. 8) Voor driey, bedriegelxjk. 9) on-noozel. 10) ruw, onbeschaafd.

ocr page 43

Daer heb ik noch een bataelje gehadt met onze haen,

Die leit ter doodt gewont, gesteeken en gekurven;

O! die schelm hadd\' my ook ten naesten by bedurven,

Maer de kop worde me kroes, en ik gaf hem zuk\'.\'.en lap,

Hy was daer in de vloer doende met zijn klaeuwen, schrap, schrap,

Daer de Pot stondt begraeven, by «rans eleweeken.

Ik loof niet of de koks hadden \'t hem m\' esteeken. _

Gans lijden! ik was zoo op men peertjeiTl); ik was zoo quaet.

Zouw ik niet? daer een dief te vijnen op hieter daet?

Terwijl dat hy in \'t breeken was, ik liet me van de noot rat-n.

Die een dief in zijn huis vijnt, mach hem zonder ommezien doot

Maer holla, daer komt mijn toekomende zwager aen: (slaen.

Dat ik hem zoo zonder spreeken verby zouw gaen,

Waer in deze gelegentheit een zaek, die niet en dienden.

Vijfde Toonneel.

RIJKERT, WARNAR.

UIJKERT.

Somma, daer heb ik esproken mit al de vrienden,

Zy prijzen de vrijster, zy prijzen de vaör.

Me dunkt ook dat \'t wel dapper orber 2) waer.

Dat de rijke vrijers altemet een arme dochter gingen trouwen,

\'t Zou dienen, om de stadt in beter eendraght te houwen.

Voorzeeker, wy zou wen min gequelt zijn van de nijt.

En als zij hoopten van rijkeluykinderen te worden gevrijt,

Zy zouden haer dan zoo lichtelijk niet begeven.

Als zy nu wel doen, tot een oneerlijk leven;

AVy zouwen \'t ook met de kostelijkheit niet maeken zoo bondt.

WARNAR.

Wat een zwager zei ik daer krijgen! hoe wel is hy ter mondt, Hoe kan hy van de zuinigheit kallen, wat frayer reden!

RIJKERT.

Dat men al de dochters zonder goed ten huw\'lijk besteden, Zoo zouden zy \'t altesamen daer nae moeten leggen an.

1) paardjen; uitdrukking uit de Riddertijden herkomstig. 2) heel nuttiy.

ocr page 44

— 40 —

Om mit haer goê manieren te raeken an een man.

Dan waer uit, liet j^een men nu dagelijks hoort snappen:

„Waerom zouw ik niet, \'t zijn mijn schijven die \'r klappen,

Ik heb \'er zoo veel ingebrocht, of mier as jy,

\'k A\\ril Sondaeghs in \'t tamast 1) gaen, en \'s werkedaeghs in armozy 2).

\'k Hegeer een ketting as mijn nicht, je meught \'er jou lijf nae zetten, j Ons gebuerken het een nieuw fatsoen van bra/eletten,

Die wegen ontrent hondert daelders an gout;

Ik heb stoelen laten maeken van ebben-hout,

Hei stuk kost slechts vijf pont-groot 3), ik en geef\'er niet meer warnar. (veur.

Gans lichters! hy ken de rijke wijven deur en weêr deur, Men moght hem wel maeken toeziender daer op.

rijkkrt.

Een lieelen dagh heb je an de deur zulken geklop,

Oft altijt staet \'er volk in \'t voorhuis te tranten 4),

Dan is \'er de Neister mit dundoek en kanten,

\'t En baet niet, al zit er staêgh een op de vloer,

Dan is \'er de Bontwerker met zabelen 5) voer;

Schuersteis en schoonmaeksters, schijnt dat \'er schier wonen.

Dan is \'er de Borduerwerker met al zijn patroonen:

„Dit \'s een nieuw werkjen, ik heb eerst met houtkool gemorst, Dat aêr heeft Grietje Goossens af, het is haer bruitsborst, \'t Bloemtjen zal binnen gout wezen, en men zal \'t om de rant groenen.

Dat patroon heeft jou Truitjen nicht aen een paer hantschoenen.quot;

Als die een wijl geteemt heeft, en nog niet hiel uit.

Zoo komt \'er een pot aerd\'beyen uit de Leitse schuit.

Die heeft ze daer al op voordeel 6 laeten koopen.

Dan komt de goutsmits knecht uit zijn naem 7) geloopen.

Om noch eens te deegh te vragen nae \'t fatsoen van de ringh,

Niet anders dan of\'er de zaligheit aen hingh.

1) Verscherpt voor damast. 2) Eig. ormozijn, fijne stof, zijden stof, van Ormus herkomstig. 3) Anders vyf pond Vlaamsch, d. i. vijf maal zes gulden. 4) Anders drentelen of trentelen; van trenien gaan. 5) hermelijnen. 6) om anderen voor te zijn. 7) Naar de platte volksspraak, voor aém, adem; evenzoo in \'t vierde bedrijf, noom voor oom.

ocr page 45

— 41 —

Dan brenght *er een \'t. linnen van stijven en rekken.

Dan komt \'er de schoenmaeker nieuwe schoenen antrekken.

Dan brengt \'er een proefjens van wijn, of uitheemscli bier.

Dan komt \'er een reekening t\'huis van drie vier vel paumier.

By den snyer geschreven op lestlede niaendagh,

Met item Ij e, by itemtje, zoo dicht al ze gaen mach;

F.en mensch die \'t aenzagh, kreeg de koorts op het lijf.

Dan wert \'er garen t\'huis gebrocht van een oudt wijf. (koopt.

Of dit geit kost, k \\\\ed men \'t niet om een weldige 1) somme

Dan heeft ze noch zoo veel larysters 2) an haer snoer, datj\' \'er

\'t hooft of omme loopt.

Ik weet niet waer zy ze al opsteeken 3) uit de gaet. ; Ze hebben vier Burgermeesters en een hiele raet,

Mit zulken ordonnancy, datj\'et nimmermeer vol loven 4) zout, |-a,ilbf\'karx 5) is ongder- en haer snaer (ij is boven-schout. Uijb\'rig Weetwel penzenaris; wat mien je, bylo?

Reiin\'righ Kaekels procureur, en Niesje Neuswijs steêbo.

Zy weten \'t beter as de mans: wy zijn maer een diel knollen dom. Gans zakker-Lijsjes daer gaen zukke t.olli-n om. quot;

Tweemael ter week leestm\'er, van bladt tot bladt. De courante-nouvellen 7) uit de vier hoeken van de stadt. Getrouwelijk vergadert door secretaris Snapal,

Daer hoor je wie dat broets is, en wie \'er in de kap 8) zal: ^ aer Harmer. bot gevangen heeft, waer Goris vrijt.

Dat Jan onder de pels moet 9), en dat Kriin zijn wijf smijt lü). Dat Heimetjen een storting 11) gehadt heeft, en Dibberigh zwaer AVie dat de wurp zei krijgen, en wie dat de vaêr is: (is,

Daer hout men pertinent register en neemt naerstelijk acht, \' Hoe veel bankerottiers dat Granmarchand heeft in zijn geslacht, ■\\\\ at Snorker lijt jaerlijcx an zijn schepen, zwaer gelAne, ramps.

1) geweldige, machtige, overgroot e. 2) snapsters. 3) opdiepen, mor den dag heden, gelijk de aspergiën uit den tuingrond. 4) prijzen, schatten, o) Snapkuak; evenzoo in Asselijns Jnn Klaa* sen; „Ik denk dat je deur d\' iene of d\' ander lahhekak Jan Klaasen hebt doen opzoeken.quot; 6) schoondochter (\'t Lat. nurus).

7) nieuwsmaren (eig. hopende nieuwtjens] vandaar ons courant.

8) Versta: trouiven. yj Anders- onder de pantoffel. 10} slaat. 11) miskraam.

ocr page 46

Hoe veul bastarden dat Grootebroek heeft, hoe veul pollen Trijn Hanekams,

Wat elke bruit veur kliêren en veur juvveelen al heeft,

Hoe veul duizenden elk ten hylik mit zijn kyeren geeft.

En zy weten \'t mit zulken gracy allemael, en zoo kloek te zeggen, Ik laet de Hollanders staen, de Brabantsche Rederijkers mogen-

der heur broek by leggen 1).

\'t Beleidt van lant-zaeken en van den oorlogh wort daer op een prik eschat.

Men disputeert \'er uit de Schrift, ergo dit, ergo dat.

De droeve questiën die men zoo zeer beschreit.

Zijn in dat collegië al lang al néér geleit,

Zy konnen resolveren, al is de zaek noch zo zwaer:

Zy gaender mee deur, of het klok-spijs 2) waar.

Komt \'er dan kok, hofmiester, bestay- 3) of banket-maeker, die

moet zoo lang beyen.

Tot dat de besoingiën of is, en den raet escheyen;

Somma sommarum, daer is zoo veul dat ik \'er schier ot kook.

WARNAR.

Elementen, toekomende zwaeger, hoe keunje ook!

RIJKERT.

Heb j\'et ehoort?

WARNAR.

Van stukjen tot beet jen.

RIJKERT.

Wie zoud\' niet veur zukken last grouwen? WARNAR.

Ik heb staen lachen, dat ik mijn buik mit bey mijn handen most Jae vaêr, trouwen je keunt ondieft 4). (vast houwen.

RIJKERT.

Noch heb ik je het duizenste deel niet van haer ranken verbrieft, \'k Lagh liever in vijf en twintigh vegevieren, dan ik ging mit een rijk wijf brallen ó).

1) er voor onder doen, gelijk een man, die aan zijn \'misvrouw de broek heeft afgestaan. 2) Die men niet behoeft te kauwen. 3] Plat voor pastei-. 4) uitstekend, van een verouderden stam \\v \'t A. S. da fan, dief [passen, behoor en) nog bewaard, ó) snoeven, hetzij van hrayyelen (verg. \'t Eng. hra(f) af te leiden, hetzij met het Deensche Ir alle of \'t Fransche Irailler te vergelijken.

ocr page 47

43 —

warnar.

Wat het *et te beduyen, je zoud\' een menscli een jeught in \'t lijf Ik heb een welgevallen an jou zuinigen aert. (kallen,

rijkert.

Hoor hier, evenwel raed\' ik je dat je de eer op je dochters brui-Zijn jou bruigooms klêiren al of? (loft bewaert.

warnar.

Of, vaér? neen ze trouwen, \'k Heb daer een grofgraine kasjak leggen, mit een paer verzette mouwen,

Daer zei ik het je wel mee aftouwen, den eersten en tweeden Een iegelijk moet anleggen nae dat zijn staet vermagh. (dagh, J)ie niet heeft, magh niet te werk gaen of \'t rozenobels 1) zou re-rukert. (genen.

Neen, je hebt noch al wat, en Godt ken \'t meer zegenen, ^ En maken het kleintjen tot een grootjen.

warnar {ter zij).

Dat woort staet me niet aen: Hy weet van de Pot, de meit heeft me verraén.

Ik wod 2), byget, dat ze mit haer naers op een heekel voer.

rijkert.

Wel heb je de praet allien ?

warnar {noff altoos ter zij).

Die verbrantste 3) peekelhoerl

rijkert.

Op wien heb je te preutelen ? hoe hebben wy \'t nou ?

warnar.

Op wien zou ik preutelen aérs as op jou ?

rijkert.

Wat heb ik anders gezocht as jou wel te believen?

warnar.

Dat meughje wel vraegen, je zondt me daer ?t huis vol dieven. Wat had ik daer ien krioel, wat was \'er gewauwels.

Een hiele galgh mit 4) koks, en drie vier hondert krauwels 5), Al eerlooze schelmen, overgeven (i) en stout,

1) Engelschen gouden munt van Eduard III, naar de roos van \'t koningswapen genoemd. 2) Voor wou, wilde. 3) verwenschte. 4) Versla: zeven. 5) kromme vleeschhaak. 6) ingekankerd door en. door.

ocr page 48

— 44 —

Elk niit Uvie paer handen, nae mijn beste onthout.

Zy grepen slegh toe, niet iens dat ze om ien pot of pan badden.

In somma, \'t was al diefachtigh tot de klieren toe die ze an had-

Die besmeert van kladden en klieken, waeren zoo grot^ (den,

Dat wat \'er iens anraekte, dat kreeghj\'er niet of

In de eerste drie weeken, of ten minsten viertien daegen:

A1 hadj\'er ook ien dreg of ien anker mgeslaegen,

En spande m\' \'er vier paerden an van iender haer 1)

rijkert.

Hoe, geefj\'er wat after 2)!

warnar.

Ik zeg je, \'t is wacr.

rijkrrt.

Kae dat ik dan hoor, zoo heb jy ze al laete gaen.

warnar.

Al had men \'t hiele lijf vol oogen, \'t was heur niet men gel ijk

gae te slaen:

Zy waeren geduimt en gevingert, als ien raven 3) gebekt.

eijkert.

quot;Wat dnnkje van de wijn, heeft de kraen al iens gelekt,

Of was ze, doen je uitgingt, noch niet ingekomen?

warnar.

Dat zei ik je niet zeggen, ik heb gien wijn vernomen, (huis. Ik gever ook niet om, zy komt ien hiel jaer niet tot mijnent in rijkert!

Evenwel moet ik jou t\'aevont iens maeken buis:

\'t En past niet met allen dat men ien hylijk zoo droogh sluit.

warnar.

Ik houwer niet of.

rijkert.

Gy moet, of puis 4) waer \'t oogh uit 5\';.

Jy moet het welvaeren van \'t hylijk drinken, bin je jou dochters vrunt.

warnar, [ter zij).

I

Ik houw \'er mijn gek meê: \'k weet waer hy \'t op het emunt, Hy meent me mit ien abelheit 6) dronken te maeken,

1) van één kleur. 2) wat maakje er al van! \'A) Thans raaf 4) Anders poes. 5) waar werf, gelijk de poes bij \'t katjenkneppe-!cn uit de ton. 6} handiy, natjens.

ocr page 49

— 45 —

Om moitjens en makkelijk after de duiten te raeken:

Maer, lieve broer, jy loert me zoo niet.

Ik zei \'er ien schot veur schieten, zoo ik aêrs 1) Warnar hiet. Ik zei \'t buitens huis ergens, daer \'t niemant en rooft, steeken, Zoo zei zijn wijn uit wezen, en hy vergeefs zijn hooft breeken. rijkert.

Wat zeg jer toe, zei je Duits wezen 2) van daegh ?

warnar.

Alle wezen moet wezen, zeid\' de man, en ik moet nae den Haegh: Wy zullen iens ompoyen 3) as alle ding klaer is.

RIJKERT.

Adieu dan, tot \'t aevond; ik gae om ien Notaris, («ƒ).

Warnar.

Wat worden jou laegen eleit, ó ronde schijf!

O Pot! wat gaet \'er mennigh man op jou lijf!

Wel mocht ik het denken dat deze knecht niet veul ziels hadt. Waer schuil ik de Pot nou best? laet iens zien in \'t knielsvat 4), Bay, zaft 5), ik moet veur me zien, wat ik bedrijf.

Lest ging ien barbier in de maneschijn wangderen mit zijn wijf, \'t Kerkhotjen om, tot dat ze\'t an \'t groot-school schier brochten : Doe zeid hy: „wijfjen, of we hier ien doots-hoofdt uitzochten. Dat kars inne vars (i) was, inne gaef, inne goedt.quot; Ien doodtshoofdt, zeid ze, ien dootshoofdt? wat bin je ien nuwe-lijk 7) bloedt!

„Jae, ien dootshoofdtquot; zeid\' hy weer, „dunkt het jou ien gril, zot ? \'t Zou pronken in de winkel as ien bekken in \'t milschot 8), Jy meught zoo lang wachten;quot; — mits 9) klom hy \'er in. Zy begon te roepen: „miester Wybrant! wat heb je in je zin? Komt ras of,quot; — „Wacht,quot; zeid\' hy, „dat ik \'er ien zonder mortel 10) zoek.quot;

Doen hy \'t had, quam hy: „daer is \'er ien, draeght \'et onger jou schorteldoek.quot;\'

Doe gingen ze *t Gravestraetje deur, de Nuwedijk over, zoo lang wast te deegh 11).

I) andersy immers. 2) Een Duitscheri, Hollandschen dronk doen. 3) omdrinken. 4) knekel-, ó) Wacht, zacht wat! 6) kers (wellicht hetzelfde als kras) en versch; thans kersversch. 7) nuchter, onnoa-zel. 8) middelschot (in zijn winkel). 9) inmiddels, 10) beendergruis, en dus nog gaaf. 11) in orde.

ocr page 50

- 4(i —

Maer mits as ze op het Water komen, recht veur de Zoutsteegh, Daer ien diel jongens liepen bochten 1), komt de wijnt en blaest \'er Het schorteldoek op; daer was \'t: „tovenaerster,

Tovenaerster !quot; van roepen, en mit goyen in \'t til 2).

Somma, ze had\'et zoo quaet as \'t diende, dat ze \'t lijf behil.

Neen, school ik je daer. Pot! de Droes mochtje moeten 3). Quamen de barbieren daer onder de dootshoofden te wroeten, Zy trapanneerde jou, zy annatomizeerde jou van leen tot leen. Die on^er heur hangden komt, daer is toch al veur ebeên. Vloogh ze die wegh op, ik zagh \'r noit veêr of vlerk of,

Ik gae ze liever begraeven op \'t Ellendige Kerkhof 4),

Daer wort niemant begraeven as verwezen 5) Hén,

En daer zei tusschen dit en morgen gien lusticy geschiên.

VIERDE BEDRIJF.

Eerste Toonneel.

LEKKER.

Zou \'t \'er byget zoo toegaen mit loopen, mit ritten 6),

Ik wod niet, dat m\' \'er alle daegh op ien hylijk zou zitten.

Daer heb ik ongze Ritsert ezocht om heind en om by 7), Ten lesten zey my ien van zijn speulnoots, hy was in de Libry 8), Daer vond ik hem leggen mit de neus in de boeken;

Gants lijden, Ritsert! zeid\' ik, hoe heb ik je loopen zoeken. Tot Peteweinen, tot Heermans, tot de waert in de Luit,

Op de dans-kamer, op \'t schermschool, kaetsbaen in, ka3tsbaen uit. „quot;Wel,quot; zeid\' hy, „hoe dus nechtigh? wat is \'er? laet hooren.quot;

1) met een bocht omzwenken. 2) op handen. 3) ontmoeten. 4) Dat der misdadigers, aan de Zuid- en Z.-Oostzij der kerkgt; ^ veroordeelde. 6) heen en weêr draven. 7) hemde en verre moest het eigenlijk zijn, maar het rijm verlokte den dichter, ö) De Stadsboekerij, in Hoofts tijd nog in een vertrek bij de Nieuwe-kerk te vinden.

ocr page 51

\'k Zeid hem van zijn ooms hylik; \'t was zukken donderslagh in De kaerl besturf, zoo veranderd\' hem zijn bloedt. (zijn ooren. Dat loof ik, hy had zijn mongt al emaekt 1) op het goedt. Rijk-oom, miend\' hy, zou \'t hylikken wel voort staeken.

Maer, byget, op ien ouwe Petemoei mach men reekening macken. Met de Nooms 2) gaet het dikwils uit de gissing, goê luy, Al zijn ze out en of, zy kriegen wel ien buy Somtijts al zoo licht as de ierst ankomende vryeren.

En ien oud\' man mit ien jonge vrouw — wisse kyeren.

Tweede Toonneel.

WARNAR, LEKKER.

WARNAR.

Ik moest, bylo, behendigh te werk gaen, quot;dat het niemant ziet. Ts hier ook volk in de vaynsters ? neen, daer is niemant niet. Hier zei ik mijn hert en nieren begraven,

O kerkhofje, kerkhofje! bewaert de haven 3),

Datze niet in handen en val van ien aêr.

LEKKER.

quot;Wie is daer op \'t ellendige Kerkhof? \'t is, biget, de Bruits Vaêr. \'t Is duere tijt graven, ze gelden geit mit hoopen.

Ik gis, dat hy de Kerk dit hoekjen iii \'t gros of wil koopen, Ommer ien graf voor zijn zelf te bouwen nae zijn staet.

En de rest onder de vrienden uit venten by de kleine maet. Hy doet wel en wijselijk dat hy deinkt om sterven;

En houdt hy \'t al 4), hy laet zijn nakomelingen groot goet nae an erven 5),

Zy slaen geweldigh op, en rijzen van dagh tot dagh.

Wel, hy wroet in de aerd\', wat of dit wezen magh ?

Ik deink immer niet, dat hy \'er iet het verloren,

\'t En waer iemant van zijn voor-ouders, daer hy uit is eboren.

Dit moet ik naesporen, wat dat het beduit.

Ik zouw \'er wel haest in wezen, waer hy \'er maer uit.

Wat blinde Gerrits 6) grepen zijn dit, hy maekten \'t noit grover;

1) al gerekend. 2) Voor ooms: verg. boven, blz. 40, aant. 7. 3) Voor have, yoed. 4) Versta; houdt hij al den grond voor zich. 5) grond. 6) Anders hlindemans.

ocr page 52

— 48 —

Hy stampvoet of hy turf trat; daer klimt hy over.

Deur, is hy ! — nu is \'t mijn beurt. Zoo de luy my hier zien, Zy mengen deinken, dat ik ergens by ien tovenaar dien. Don ouwen en ik bey, dunkme, dat we zin mal.

WARNAR.

O mijn hert begint te popelen, daer krijgh ik ien inval.

Of \'er iemant mocht hebben staen kijken deur ien glas.

liet hert dreunt in me lijf, of \'t ien danskamer was! — Jy, schelm! wat doe je op de muer? de kop zei ik je breeken. Flux, zeg ik je, geef over.

LEKKER.

Wat hebje om me te spi eeken ? Wat brabbelt me deze gek ? — wie doet je te kort ?

WARNAR.

Ik zegh je, stukkediefs! geef \'t over.

LEKKER.

Ik weet niet wat je schort. WARNAR.

Flux zegh ik je geef \'t weêr, \'t en zinnen gien leuren.

LEKKER.

Wat heb je te trekken, te stooten, te scheuren ?

Ik zegh je, by Gans honden 1), je zelt me laeten gaen.

WARNAR.

Houdt dat, en dat, en dat.

LEKKER.

Wat let je te slaen ?

Wil je slaen, loopt heen, inne 3) slaet jou eigen.

WARNAR.

Geef \'t weêr, of je zelt noch bet an loon\'1quot;

LEKKER.

Wat let je te dreigen?

Heb ik jou gedaen eenigh ongerief?

WARNAR.

Vraegh je dat, jou kerk-roover! jy, driedubbelde dief?

Flux geeft \'t my weêr, of je krijght noch mier slaegen.

LEKKER.

Wat, wil je me voor een dief schelden? wat heb ik je ontdraegen?

1

Voor Gods wonden. 2) Plat A rust. voor en

ocr page 53

— 49 —

WARNAR.

\'k Wil \'t je niet zeggen, jy schelm, jy Judas gelijk!

LEKKKR.

Jy raest, God beter\'t, ot\'je bint fantastijk 1),

Of \'t verstant is opter tril, dat jou zinnen zoo los spculen •

Of de kay leutert je 3) of je hebt jou hooft verluiert tot een ros-meulen:

Wat laet je jou dunken? Ik bin een eerlijk mans kijnt;

Bezoekt me vry over al, en ziet of je wat vijnt.

WARNAR.

En geef j\'et niet weêr, gauwedief! voor jou zijn de gerde 3) reê : Waer zijn jou hangden?

LEKKER.

Daer is de een, en daer is de aêr.

WARNAR.

Flux de derde meê.

LEKKER.

Gaet in jou consciëncy zien, of die niet en wroegh 4).

WARNAR.

Jae z\', want ik en slae jou niet half genoegli;

Maer ik zei \'t straks verbeteren, of zeght, wet hebj\' estolen ?

LEKKER.

Waerachtigh niet, ik zweer \'t.

WA RNA.

Waer heb\' \'et escholen ?

\'t Manteltjen of.

LEKKER.

Ik heb zeeker gien schuit;

Tast vry waer je wilt.

WARNAR.

Waer is de broek meê evult?

Wat steekt \'er in die zak? \'k wed nou de raboud zwicht.

LEKKER.

Je meught ze wel open doen, daer is niet in as een goutwicht 5).

WARNAR.

Schud uit, hokkeltjen 6) veur, en hokkeltjen nae.

1) hebt vizioenen. 2) 7 Maalt je in 7 hoofd. 3) de yeeselroê.

4) leschuldig; vandaar nog ons wroeging. 5) goudsch aalt jen. 6) hokjen, hoek jen.

WARENAK. 1

ocr page 54

— 50 —

lekker.

\'t Is den Baesen zak 1), daer ik om geit ine^ gae.

xarnar.

In de diessakken 2) ?

lekker.

Daer is niet ven \'t jou, tast vry wal laeger.

warnar.

Wie is jou Baes ?

lekker.

Jou toekomende zwaeger,

Die heb ik wel anderhalf ja r geweest zijn kassier,

warnar.

En as je geit ontfangen zoudt, wat doe je dan hier?

lekker.

Ik zou voort egaen hebben, hadt jy me niet bejegent.

warnar.

Loop al jou best aen een galgh.

lekker.

Dat \'s moitjes ezegent.

warnar [ter zij.)

Daer laet ik de Pot niet, ik gae en graef hem weêr op;

Flux deur, zonder om te zien, of ik breek je de kop!

lekker.

quot;SVel, ik gae immers deur; Gans lijden, hoe vloek je !

Nu zei ik dit zoetjens langs sluipen, en kijken om \'t hoekje. Me dunkt veurzeeker, dat de gierige bloedt Hier een knoppeldoek 3) met geit begraeven hebben moet; Ken ik ze vynen, hy had van zijn leven geen snoór lot: Get, zakker willigen! daer het hy een hiele smoor-pot 4);

Is die boordevol geils, zoo ben ik eredt ;

Ik heb de kas een vier vijf hondert gulden ten afteren ezet;

Hier kon ik het meé boeten 5), \'k word\' van vreughd schier een zanger.

Get! hy gaet \'er meö deur, hy betrouwt ze hier niet langer.

Maer nu hy ze thuis niet verzeekert houdt, denk ik evenwel, Dat hy ze noch ergens el versteeken zei.

1) de zak van den haas. 2) Voor diejzakken, linnenzakken. 3) knoop doek. 4) doofpot. 5) vei%(joeden.

ocr page 55

— 51 —

Ik zei hem op \'t spoor volgen, zonder eenigh sammelen,

Hoe zei ik in grasduinen 1) gaen, raek ik daer after te rammelen.

Derde Toonneel.

GEERTRUID, RITSERT.

GEERTRUID

Maer Ritsert, wat hoor ik, gy Warnars dochter verkracht? Wat is de jeught renkeioos 2), dom en onbedacht:

A\\rat loopt m\' al perykels die kinderen te vryen hebben !

Zoo dit an den dagh komt, wat zelleme 3) te lyen hebben ? Verkrachten, verkrachten ! dit \'s te ver buiten réén.

RITSERT.

Verkracht of niet verkracht, het gink zoo wat heen;

Zy riep niets te luid\' tot haer vaér of haer bueren.

GEERTRUID.

Hoe quam\'t je in je zin ? hoe dorst j\' \'et avontueren ?

En docht 4) je niet, dat je jou brengen zoud\' in groot verdriet?

RITSERT.

Het quam al anders by; ziet, dus is \'t geschiet ....

GEERTRUID.

Jae wel, \'t is te wonder, wat ranken dat \'er omgaen 1

RITSERT.

Grietje Goossens was de bruidt daer zou ik veur mom gaen : \'k Had een Poolsche rok aen, een boogh, en een kooker vol schuts. Een sabel op zy. een haeneveer op mijn muts:

\'t Lang haer boven t\'zaemen gebonden, of ik het op zoud\'wennen. Al hadd\' ik de grijns aen mijn riem 5), de Droes mocht me niet kennen.

1) grazige hoogten; duin gold eertijds voor hoogte in \'t algemeen, niet enkel voor de zeeduinen; vandaar dan ook de naam der^ Duinpoort te Deventer, de duinen te Appelscha, en dat men in \'t oude Zutfensche schepenreglement als plaatsbepaling van de duinen gesproken vindt. 2) Anders roekeloos. 3) Voor zalen we. 4) Voor dacht, en niet te verwarren met docht van dunken. 5) de mom, het manker, aan mijn gordel.

ocr page 56

— 52 —

Dus quam ik met mijn knmmeraets 1) uit de kroegh, die \'t Moer-

jaens hooft hiet;

En terwijl dat we ons daer t\'/.aemen hadden gekliet,

Was \'er een weldige dronk omgegaen, \'t quam \'er op geen kroes aen. Somma, leek ik van buiten wilt, ik was van binnen noch wilder snoeshaen 2).

Dus gestelt, met het zeischap ik na de bruiloft ging,

Daer binnen was \'t mit poyen te doen, of \'er Holland aen hing.

Zoo quam dat de tafels noch niet op waeren genomen.

Doen we nou zaegen, dat \'et noch te vroeg was om binnen te

Zoo teegen we wet\'r mit mekaêr op de bien, (komen,

Om zoo lang de tijdt te verdrijven, en neeringh te bespitn.

Het zeischap ontging me, terwijl ik wat toef in een straetje.

Doe vijn ik Klaertjen an de deur, ik gae en maek een praetje.

Ik raek in huis, we waeren al moêrlijk allien 3),

\'t Meisje was moy, ik hadd\' \'et altijt wel mogen zien.

De wijn was in \'t hooft, die men wel half deed\' raezen,

\'t Was \'er van passen donker, de maen scheen deur de glaezen.

Ik was noch onbekent, hoe nau ze mijn bekeek;

Doch zagh ze wel, dat ik ifien bootsgezel leek.

Doen schoot me in mijn zin, dat ik wel had voort hooren bringen.

Dat haer vaêr haer gedreight hadd\' den hals af te wringen,

Indien ze de deur op deed\' nae dat hy te bedd\' waer gegaen,

Daerom zal ze eer sterven, eer geluit derven slaen. (man 4):

En of de vaêr al quam, die acht ik zoo veel as een kabonter-

Dit docht ik in me zeiven, en daer op ging ik te stouter an.

\'t Stuk is niet moy, dat beken ik, maer ik heb \'t volbracht.

GEERTKUID.

Hoe weet je, dat ze zwaer is ?

RITSERT.

Maer ik heb naerstelijk acht. Van die tijdt af, staedigh op haer geslaegen, (draegen.

En gezien dat ze grover en grover worden 5), daerom moet ze

1) makkers; van \'t Spaansche camarada, kamergezel. 2) Voor snoejshaariy gelijk diessak voor diefzak, 3) Anders moederzalig of moederziel alleen: versta; zelfs van zijne zalige of overleden moeder (de laatste, die anders haar kind bij haar leven begeven zal) verlaten, en dus geheel alleen. 4) dwerggodjen. 5) Thans werdy gelijk het eerst in den tegenw. tijd luidde.

ocr page 57

1

En ten zei niet veel daegen aen loopen, zoo ik raem,

Of zy moet komen te bevallen in de kraem.

GEERTRUin.

Wat zei ik je zeggen ? ik schaem me dat je van me zint eboren.

RITSERï.

Ik bidd* u, moeder, versteurt u niet, want dat \'s doch verloren.

Maer indien by u dit feit zoo lelijken 1) stinkt,

Zoo doet zoo wel dat jy \'t te rechten brinkt 2),

Consenteert dat ik ze trouw, en helpe ter eeren.

GEERTRUI D.

Als wy een ander doen zeilen, gelijk we begeeren Dat ons geschiede, zoo waert wel recht.

Maer zulken hylik ? wat, het is al te slecht!

Dat je een perl waert van een knecht, had ik gelooft te met; iii,

Nou hebje jou te lelikken hoed op het hoofd ezet.

Dus, dus, te verhyliken jou schoone goedt!

RITSERT.

\'t Is een ding, daer klaegen gien deught f) in en doet: 5

De persoon is eerlij klt; \'t is noch niet van de boosten.

GEERTRÜID.

Dat \'s waer, men moet hem altijt met een arger troosten :

Gy hadd\' Jannetjen Joosten wel gekregen tot u diel.

Met twintigh duizent gulden, \'t is zeeker een hiel Zuiverlijke 4) dochter, die altijt de kamer hout.

RITSERT.

\'t Is een quijlbab.

GEERTRÜID.

Of Weintje Wispeltuers.

RITSERT.

Dat \'s een rechte stamerbout 5).

GEERTRÜID.

Zoo, trouwen, een stamerbout; deinkt iens watten boel

1) Thans tot leelijk verkort, maar oorspronkelijk in den verbogen naamval, op leelyke wijs,- evenzoo vaak voor vaken, enz. 2) Voor hrenyt. 3) goed 4) Stemmige. 5) stamelaarster; \'t Hoogd.

kent meer van deze samenstellingen met hout (of hold) dan wij : Raufhold, Sau/lwld, \'Prpikenhold. Bold of hout beteekent daarin • tt, — gelijk \'t ook afzonderlijk nog gebezigd wordt — stout.

ocr page 58

— 54 —

Dat zy te verwachten heeft, de moér zit noch op stoel,

As die komt te sterven, wat zei ze menigen duit zakken. RITSERT.

Zit ze noch op stoel, ze mach mit vreên uitkakken.

GEERTRUID.

\'t En is mit gien quakken 1) te raaken an de kost:

Had ik jou daer gelaeten, \'k had je wel gelost.

Ik zegh, je waert niet veer verloren as zy jou gevongden hadt,

O, die kan immers kallen!

RITSERT.

Of z\' \'er tangt vol mongden 2) hadt.

GEERTRUID.

Al meê gien Öeegh: wel, wat dunkje van Meins,

Alle rijkelui nichten haer ?

RITSERT.

Die is zoo Puriteins,

Al waer ze om die gezindtheit uit Engelant gew.eekeu 3)

GEERTRUID.

Dat verstae ik niet, hoe zegh je daer ? wat is ze ?

RITSERT.

Puursteeken 4); Ay lieve, ik bidd* dat je me van gien malle luy en praet.

GEERTRUID.

Jae, \'t magh \'er nou niet in helpen, het is al te laet:

Maer zeght iens wat raet, hoe wy \'t mit jou Oom zullen klaeren.

Om hem te beweegen dat hy de vrijster laet vaeren.

Nu de tijdt van \'t hylik sluiten al is bestemt ?

Hoe zei hy willen consenteeren, dat ghy ze overnemt ?

RITSERT.

Wat? dat doet hy licht lijk, zoo hem \'t verstand niet blind is. GEERTRUID.

Hoe zoo?

RITSERT.

Vraegh je dat ? om dat ze met kind is.

GEERTRUID.

Dat \'s waer, waer zijn mijn zinnen? \'t hooft is mijn 5) ontstelt.

1) beuzelen. 2) In plaats van haar mond vol tanden. 3) Gelijk onder Jacobus I plaats had. 4) Versta: gek, stapelzot. 5) m\\j.

ocr page 59

RTTSERT.

Hy staet \'er ook uit gien kalver-liefd\' na, noch om liet geit; Ay, gaet \'em slechts /oetjens an, hy zal my niet een haer letten. GEERTRUID.

Blijft hy die hy is, en neem jij ien meit mit niet, \'k magh \'t ien

tegen \'t aêr zetten.

En denken: word\' ik erfgenaam van zijn yzere kist.

Dat je daer haest zoo veel uit krijght, as je aen \'thyliksgoed mist.

RITSERT.

Gaeje binnen, ik volgh je; \'t waer geen tijt dat ik sliep, wis. LEKKER.

Gans duizent popelency 1)! nu bin ik zoo rijk as \'t water diep is. Waer is nu Grootebroek, Granmarchand, Snorkop, en de Signeurs ? Kalevinken, kalevinken, al de premiers van de beurs!

Quamen ze in mijn presency zy kregen de granjen 2).

Puf al de kleine koninkjens, ik bin de Koning van Spanjen, Die met verlof niet eens op de heimelijkheit gaet,

Of hy loost een Graefschap of een Marquizaet;

Die, zoo dikwils als hy gaept, brokken gouts als boonen spiet 3); En niet, en snuit dan scepters, en niet dan kroonen zwiet. Wel mach die Waernar zijn naem voeren; wat nar is dat\'.

Daer ging hy de Pot dreumelen 4) onder een steiger in de nieuwe stadt,

En stong dus veer in \'t water, mit koussen, mit schoenen ;

Mit hy zijn hielen lichte, ik her achter : z\' is vol ouwe dubbeloe-Gans zakkerlijsjes, dit is, by Gort, een streek ! (nen 5):

\'k Moet me wat uit de weegh houwen, of hy \'er weêr nae keek..

Vierde Toonneel.

WARNAR.

Och, had ik het weêr, en waer slechts esturven dan !

Wat komt my over ? ik bin ien bedurven man!

1) Uit apoplexie verbasterd; verg. \'t Eng, palsy. 2) volop; van \'t Spaansche granillo en yranilla (korrels), in de beteekenis van pokken en klein geld. \'ó) Plat voor spuwt. 4) wegmoffelen, wegstoppen. 5) Oorspronkelijk Spaansche munt {dohlon), een dub-lele pistool.

ocr page 60

Hout den dief, hout den dief! wat dief? \'k weet niet, hy is al deur. Zijn mijn oogen ook prestooien, denk ik ? hoe heb ik \'t ? gae ik

after of veur ?

Ik weet het waerachtigh niet, ontstelt zijn de pijpen.

Zegh jy \'t mijn iens, goêluy, keunj\'et beter begrijpen !

Heeft er niemant de dief ezien? niemant niet? niemant niet? Of hy gaet, of hy staet, of hy loopt, of hy vliet\',

Ik zei hem nae schrijven in alle langden.

Vroome 1) burgers, ik bidd\'et je. mit gevouwe hangden,

Vroome burgers, stae by! helpt mijn op deze tocht.

Dat ik de schelm magh vangen, die mijn om hals het ebrocht: Dit \'s \'t eerst mijn leven dat ik zoo schendigh bedroogen waer. Wat zegh je ? ik zie \'t an jou neus wel, jy bint gien logenaer. Weet je waer hy eloopen is ? ay ! maekt \'et mijn bloot.

Ik zei dan maeken, dat mijn toekomende zwager jou op zijn bruiloft noot.

\'t Is nou 2) ien kleintje 3), wilt \'er mijn in gerieven.

Wat grinnikje ? onder jou luy is al mee verschiet 4) van dieven.

Ay, betast mekaêr daer iens; komt me zoo veul te baet !

Is \'er niemant die ze heeft ? och, ik word desperaet;

Want den armen raekt zwaerlijk ten Hemel binnen.

Jae wel, verlies ik het geit, ik verlies mijn zinnen.

Wat zei ik beginnen ? \'t hooft is mijn op het wilt.

Al mijn moye dubbeloenen allemael t\'evens espilt?

Mijn hert dat trilt as ien Joffers honkje 5),

Heeft \'er niemant wat graft-waeters ? ay, schenk me ien dronkje.

Magh \'er van niemant wat of? och, dit is te onheus!

Houdt me ten minsten wat eêks 6) veur mijn neus;

Wangt ik zou wel kooken, ik bender zoo quax 6) an. ^

Heeft \'er niemant provisy ? ien pijpjen tabacx dan.

Of ik schey \'er stracx van 8); ik kan \'t dus niet lang harden.

Ziet daer, ik scheur schier mijn reuzel an flarden.

Foei, noit en benarde my zulken schavuit.

Ik mocht wel leggen spaeren, jaer in jaer uit,

1) Kloeke. 2) ditmaal; door Bilderdijk verkeerdelijk in jou veranderd, dat door alle uitgaven gewraakt wordt. 3) Versta: kleine dienst. 4) Anders verschot. 5) Amsterdamsch voor hcndjen. 6) ediks, azijns. 7) Anders kwa])s} flauw. 8) van \'t leven namelijk; ik ga sterven.

ocr page 61

En dekken de tafel daer de Pot dan onger lagh,

As ik zoo lang evast had, dat ik zwart van lionger zagh :

Nu denk ik, ien jonger magh zitten speulen de gilt 1)

Mit de moye dubbeloenen : en noemen me vilt,

Ilont, gierigert, vrek, terwijl hy hem verblyen gaet.

A\\ at zeghj\' \'er of, goê luy ? dunkt je dat \'et te lyen stael ?

Om ien hair zoud* ik wel uit mijn vel springen van spijt.

ritsert, warnar.

ritsert [naar huiten komende, ter zijde). Wat redjement 1) is daer voor de deur ? wie leit \'r dus en krijt ? Uier moet een otter in \'t bolwerk 3) of een baers te gallen 4) • wezen.

\'t Is Warnar! — hier hebje \'t: zijn dochter zal bevallen wezen;

Hoe zal ik het in dezen best stellen aen?

Zei ik vertrekken ? of blijven, of by hem gaen ?

Wat zou \'t passen dat ik hem hier liet staen kannen,

\'t Groote woordt moet \'er uit.

warnar.

Wie heb ik daer ?

ritsert.

My, och armen [

warnar.

Och, armen ! magh ik zeggen. l ritsert.

En wilt niet schromen.

warnar.

I Och, wat is mijn ien zwaerigheit over ekomen !

Op aerden is niemant mijns gelijk in ellendt.

ritsert.

Hebt goê moet.

warnar.

Och ! hoe zou ik ?

1) verkwister. 2) Voor regiment, in de beteekenis van hewe-ging, gewoel. 3) Versta: eene hachelijke zaak. Gelijk men weet, heeft Vondel van dezelfde spreekwijs in zijn hekeldicht tegen l)s. Otto Badius gebruik gemaakt. Zie zijne Dichtwerken, uitgave Roelants, I, blz. 286, 4) van de gal te ontdoen.

ocr page 62

— 58 —

ritsert.

Ik heb *t gedaen, ik ken \'t 1). warnar.

AVat zeg je daer?

ritsert.

De waerheit.

warnar.

Vryer, wat gaet je an ?

Ik heb jou vaêr zaliger ekent, dat was een angder man.

Waer heb ik \'t an je verdient? hoe quam \'t in jou gedachten? Dat je mijn woudt bederven mit al mijn geslachten ?

ritsert.

\'k Was \'er toe gedrongen, het heeft zoo willen zijn.

warnar.

Toe edrongen ? dat \'s proper, ghy geeft \'et een moye schijn, \'t En deught niet.

ritsert.

Ik beken \'t, ik heb groffelijk misdreven, En bidd\' jou, neemt het dus euvel niet, maer wilt het my verge-w a rn ar. (ven.

Foei jou, dat je zoo nae de mijnen zoudt staen!

ritsert.

Ik heb het uit een dronkenschap en uit liefden gedaen,

\'t Is mijn hertelijk leet; \'k bid je, wil \'t in \'t goê slaen.

warnar.

Zoo, trouwen ? as de vrijsters nae de bruiloft toe gaen,

Meughje dan komen strijken heur kettingen of, of neemen jou keur

Van haer gouwe brazeletten, en gaen \'er meê deur?

En is \'t, dat de Schout gewaer wordt de vonken knap 2),

Zeggen : \'t is uit liefden eschiet en uit dronkenschap ?

Moy gepraet, daer hadj\' \'et; kostelijk bescheit!

\'k Heb \'er gien zin in, zeit Ouchert 3), \'t is een schandelijk feit;

Ghy meught wel gelooven dat dat niemandt beklijven doet.

1) heken, helij 7. 2) Versta : het stuk ontdekt. 3) Willekeurige naam, gelijk in alle dergelijke spreekwijzen, en door Bilderdijk daarom verkeerdelijk op den Vlaamschen geschiedvorscher Oudegerst toegepast.

ocr page 63

— 59 —

RITSERT.

\'t Is nu zoo veer gekomen dat het is als \'t blijven moet, \'t Versteuren en helpt niet; dus zet u hert te vreén.

WARNAR.

Zoo \'t blijven moet ? by get, daer toe zegh ik neen,

Jy zelt ze mijn weêr geeven, of ik draei je de kraegh 1) om. RITSERT.

Wat wil je van mijn hebben ? jou dochters maeghdom ?

Hoe zoud\' ik je daer aen helpen, \'t is immers te laet.

WARNAR,

Laet mijn dochter mijn dochter wezen, dit is een snoó daet ; Ghy meught je wel schamen voor de menschen te toonen.

RITSERT.

Ik heb \'er berouw af; ay, wilt \'et verschoonen,

Ik zei \'t weêr in de rechte brengen, zoo veel als ik kan.

WARNAR.

Willens quaet doen, en dan om vergifnis bidden ? ik hou \'er niet van.

Jy zoud\' ze gelaeten hebben, zo jy ze vongt, en gedocht dat het zoo niet zijn zou.

RITSERT.

Om dat ik dat niet en deê, is \'t reên dat ik ze veur de mijn hou. WARNAR.

Veur de jou ? daer ze my toekomt, ie meught de moort 3). RITSERT.

Niet tegen uwen dank, maer my dunkt dat \'t zoo behoort. Dat ze veur niemant aêrs as veur mijn is, ken je zeiver verstaen wel.

WARNAR.

Veur niemant aérs as veur jou? hoe of het hier gaen zei?

Gans elementen ! geef i\' et niet weêr ?

RITSERT.

Wat?

WARNAR.

ik ty nae de Schout.

RITSERT.

Wat ding zou ik je weêr geven ?

1) hals. 2) Versta: de dood komt je toe^ dien magje.

ocr page 64

— ()ü —

WA-RNAR.

De Pot mit het gout;

Of ik zei terstont de dicflciclers om je zennen 1).

RITSERT.

Ik weet van Pot noch gout.

WARNAR.

Jij hebt hier stracx staen bekennen, En wil j* et nou aen de pley 2) hebben onderzocht ?

RITSERT.

Ik, bekent van een Pot ? ik en hebt niet gedocht:

\'k Weet er niet 3) of te zeggen, al waer ik geketent fel.

WARNAR.

IS iet of te zeggen ? al recht, jou ouwe schoenen die wetent wel. RITSERT.

\'k Weet van geit noch van Pot, noch van Pots gelijk.

WARNAR.

Vaerj\' t. nou weer uit ? dit \'s een quaê praktijk:

Het zou mijn niet jammeren, al gaf jou de beul een kerf.

RITSERT.

ik een Pot, waer van daen ?

WARNAR.

Van ginder by \'t meulewerf. Onder de steiger van daen, jy houtje zoo slegh 4),

En begint nou te vragen nae de bekende wegh;

Maer hoor hier, geef ze mijn wéér, en maekt gien mallen.

Ik zei liever ien diel van mijn gerechtigheit laeten vallen. En maeken \'t mit je of, en melden je niet.

RITSERT.

Hoe heb ik het mit je, Warnar, dat je me veur een dief anziet ? liinje al wel by jou zinnen? o dis is te smalik.

WARNAR.

Jy hebt het zelf bekent.

RITSERT.

Wy verstaen mekaör qualik.

WARNAR.

\'k Houw mijn an jou eigen confessy, \'k heb aêrs gien verstandt.

1) Voor zenden, gelijk vynnen voor vinden. 2) palei, pijnbank 3) niets. 4) slecht, onnoozel.

ocr page 65

— fil —

ritsert.

Ik miende, dat ik om wat anders van u aen was gerandt.

En dacht dat ghy vernomen bad eenige zaeken,

Die u en mijn beide ten hoogbste raeken.

Daer sprak ik jou gaeren af, had jy \'t an de tijdt 1).

warnar.

Zeght me de rechte waerheit, of jy de dief niet en zijt?

ritsert.

Neen ik, trouwen.

warnar.

Wie dan?

ritsert.

Ik en kan \'t niet verklaeren. warnar.

En zoo jy \'t te weten komt, zei j\' et mijn openbaeren?

ritsert.

Van harten gaeren, dies u daer niet in quelt.

warnar.

En dat zongder eenige korting van berrigngelt 2)?

ritsert.

Zonder berrighgelt, op genot en wil ik niet dringen.

warnar.

En zonder vryigbeit voor de dief te bedingen ?

ritsert.

Zonger dat; as j\' em vijnt, vat hem vry by de kop.

warnar. *

Beloofje me dat by eede?

ritsert.

Ja.

warnar.

Steekje vinger op.

ritsert.

Al reê man.

warnar.

\'t Is wel; wat hebje nou te zeggen ?

ritsert.

Jy hebt mijn vader wel gekent, gis ik. Dirk in de drie dregge

1) hadtje er den tijd voor. 2) herg- of bewaar-yeld.

ocr page 66

Die een van de oude wet was, eft\'en 1) en goedt ?

WARNAR.

Zond\' ik niet ? wy zijn in één bnert op evoedt. (ken 2).

Doe hy dusken jongen was, droegh hy al kannnelotte aepsrok-

R1TSERT.

En mijn moeder Geertruid?

WARNAR.

Die is van \'t geslacht van de Gaeps-stokken. \'k Was zoo groot tot jon bestemoérs, al by den Heer;

\'t Was znkken zuinigen wijfjen, zy bakte boekedekoeken 3) mit smeer 4),

Mit schijfjens van koolstruiken, in de steê van appelen en krenten, quot;Waer ze een 25 gulden by mekaêr had, terstont \'er meê op renten, Zoo maekt men de groote khuves 5), dat sparen dat wint. RITSERT.

Van deze twee goöluiden bin ik een eenig kint.

Zoo datje voor mijn staet niet behoeft te vrezen.

WARNAR.

\'k Heb \'t al wel hooren zeggen, maer waer wilje wezen?

RITSERT.

Jy hebt een dochter.

WARNAR.

Ja, \'t is noch een jonge meit,

Ik heb ze van daegh jou Rijk-oom ten hylik toe ezeit,

T\'aevont is de tijdt bestemt, dat me 6) met de vrienden raet sluit. RITSERT.

Dit quam ik je nou zeggen : mijn Noom 7) scheit \'er uit.

WARNAR.

Dat hem byget\'Sint Feiten 8) schen! wel mocht ik \'er vanne schromen;

Nu uitscheyen, nu uytscheyen, ik heb \'t geluk al annenomen.

1) \'t Zelfde als slecht in zijne oorspronkelijke beteekenis: ven-voudir/. 2) Jcinder-onderkleêrtjens. 3) hoeJciveito-koeken. 4) vet. 5) Jclutvens. ()) Amsterdamsch voor men. 7) comzie vroeger. 8) Oorspronkelijk — naar Bilderdijks opmerking — voor Sint Valentyn, maar lal er met de vallende ziekte verward, en zoo tot eene booze, of ook schertsende, venvensching geworden.

ocr page 67

— 63 —

RITSERT.

Hebt doch paciëncy tot dat ik zijn reden ontbloot.

WARNAR.

\'t Huis is schoon emaekt, al de naeste vrienden enoot.

Door hem komt mijn geit verloren, en al mijn druk toe.

RITSERT.

Hoor, ik breng je goê tijding; zeght: daer slae geluk toe!

WARNAR.

Daer slae geluk toe!

RITSERT.

Amen, den Heer, die geeft 1).

Ziet, Warnar: die een lelijk stuk aengerecht heeft,

En voelt hem in zijn gemoet daer van overtuigen,

Is \'t reên dat om genade bidd\', en hem schikk\' tot buigen. Daerom is op jou mijn hertgrondelijke beê.

Dat je mijn vergeven wilt, \'t geen dat ik misdeé Tegen u, en u dochter, niet uit vileinige boosheit,

Maer uit een heete min en dronken reukeloosheit;

Ik zei ze te wijf nemen, indien jy \'t begeert:

Want, ik moet het belyen, ik heb haer onteert,

En z\' is rechtevoort op \'t uiterste zwanger.

WARNAR.

Och, wat komt mijn al over! waer toe leef ik noch langer? Och! \'t is te veel, \'t is te veel.

RITSERT.

Hoe schrey jy dus luit? Jy zelt zoo rasch Bestevaêr 2) wezen as uw dochter de bruit.

WARNAR.

Op niemant en was de fortuin oit grover gram.

RITSERT.

Hierom was mijn Oom wel te vreên, dat ik ze overnam;

Gaet vry in huis bezien, of \'t niet is als ik jou heb ezeit.

WARNAR.

Noit ongeluk allien, noit leit 3) zonger leh:

De voorspoet schijnt allemael van me te wijken.

RITSERT.

Jy zult het zoo bevinden.

1) Voor geve 7. 2) grootvader. 3) leed.

ocr page 68

— fi4 -

WARNAR.

Ik moet het bekijken.

Och, hoe hin ik? och! hoe, och, hoe is mijn hert bezwaert!

RITSERT.

ïk zei je volgen. — \'k Magh toeven tot dat hy v*at bedaertj En hem alles verklaert de melt, die hy heeft in dienste. De zaak is, dunkt me, nu op \'t ongezienste 1) ;

\'t Zal \'er voortaen op beteren, maer wat staa ik hier stil. Best gae ik een straetjen om, en keer als ik wil.

VT.TFDE BEDRIJF.

Eerste Toonneel.

LEKKER, RITSERT.

LEKKER.

Gien Keuning mijns gelijk, \'t zy Turk of Karsten.

,lae wel, an deze blijtschap eet ik mijn buik te barsten. Ken smoor-pot vol dubbeloenen: o, de groote gek!

\'k Wed, bvget, dat ik ze enger gien steiger en stek 2); Zoo moest\' \'er mit den vrek worden om esprongen.

RITSERT.

Zie ik daer ongze Lekker niet? jae, \'t is de jongen,

\'t Is drie ueren gelethi, dat hy quam in de Libry,

En hy zei noch niet t\'huis geweest zijn, sint hy scheide var. my.

LRKKER.

Zoo boort men hem deur te strijken 3), die ouwe molijk 4).

RITSERT.

Lekker, gaet hier; hoe staet het aenzicht dus vrolijk?

1) leeliikst, hachelijkst. 2) Voor steek. 3) Anders haler.,; beris-

nen. 4) leeliikert; van de vogelverschrikkers gebezigd, m waarschijnlijk van den Oud-Testamentschen Meloch ot Molok af te leiden.

ocr page 69

— 65 --

lekker.

Gans lijden! \'t is Ritsert, waer laet ik de buit?

Hebje gien schaemt in je lijf?

lekker.

Hoe zoo ?

Vraegh je dat, je guit?

lekker.

\'k Bm bespiet, hy weet \'er of.

ritsert.

Wat staeje en preutelt?

Waer heb je zoo lang eweest?

lekker.

Men leit en neutelt 1)

Mit het geit, om deze zettingh, \'t is zeeker gien gemak.

ritsert.

Heb j\' \'et ontfangen?

lekker {ter zijden).

Wat zeg ik best? was \'t in ien zak, Ik liet het hier zoetjens given tusschen twee stoepen:

Maer dat de pot brak, zy zou te luy 2) roepen.

Dus moet ik \'t zien, hoe ik \'t hem angders ontlegh.

ritsert.

Wel. bengel, zydy doof geworden? hoorje niet wat ik zegh? lekker.

Het geit? jae wel, jae, jae, ik heb \'t ontfangen:

Maer hy deder mijn zoo veul kleuter-gelts 3) by langen.

Dat de propre som te draegen valt hiel zwaer.

ritsert.

Zwiet je daerom zoo?

lekker.

Wat zegje van de wisselaer?

Maer \'t zei wel ien reis te pas komen, dat wil ik hem zweeren.

1) talmt; gewoonlijk tot neulen saamgetrokken. 2) luide, 3) kleingeld.

waren ar. 5

ocr page 70

— (i6 —

RITSERT.

Laet dan zien, wat heb je jou al an laeten smeeren.

Waer is specificacy ?

LEKKER.

Ik heb ze in mijn taflet 1).

RITSERT.

Laet lezen.

LEKKER.

Zoo ras as ik t\'huis kom zei ik ze stellen in \'t net. RITSERT.

Ik heb elders te doen, toont ze me: waer toe dit getrantel?

LEKKER.

Het taflet is uit mijn zak.

RITSERT.

Wat futzelje mit de mantel?

LEKKER.

Niet mit allen, ik heb zukken jeukt in me zij.

RITSERT.

Ik wedder bestaitjens schuilen of ander snoepery.

De mantel op, men momt \'er niet 2).

LEKKER.

Get Ritsert, kon j\' \'et heelen, Ik zou je de helft van \'t profijt meé deelen,

Jy meught al de waer den betaelen van de eerst tot de lest, En wezen noch ien wijl ien goedt knecht op de rest.

\'k Heb ien avontuurtjen ehadt, dat te bijster nae mijn zin is.

RITSERT.

Je hebt ien doosjen evonden (denk ik) daer ien juweeltjen/k mien ien jou wet jen 3) in is.

LEKKER.

Ik zeg \'er ien jouwetjen teugen, \'t is niet qualijk ejout.

RITSERT.

Je hebt ien glaesjen by \'t Boshuis 4) geraept.

1) Fransche tahlette, aanteekenhoekjen. 2) gaat niet voor mom, verkleed. 3) uitjouwing, hespoiting. 4) Anders bus- of wapenhuis der Stad op de Oostindische Kaai.

ocr page 71

LEKKER.

Zegt ien Pot mit gout. Zoo vol dubbeloenen as ik pas weet te draegen.

RITSERT.

Ik verschiet, gans lijden! hier komt het varken onder zijn mae-gen ij-

Waer heb j\' \'et van daen ehaelt ? \'t is zijn leven niet ehoort.

LEKKER.

Ginder ongder ien steiger, by de Heiligeweghs poort,

Daer lagh het wel dus diep in de modder eweeken.

RITSERT.

Jy, deughniet! daer hebj* \'et ongze Warnarbuer zien steeken, Die mijn toekomende schoonvader is.

LEKKER.

Wat zegje, is hy?

RITSERT.

Mijn toekomende schoonvaêr.

LEKKER.

Dat komt zuiverlik by 2);

\'k Wil me laeten hangen verstae ik me die zaeken,

Wel, jy en je Noom, wilje compagny maeken?

RITSERT.

Mijn Noom is te vreên, dat ik bruidegom bin.

LEKKER.

Wil je elk wat toeleggen, en reeden t\'zaemen in.

Gelijk de kleine kometjes 3) op de groote vaerten Ay, zeg me doch iens, hoe verdiel je de paerten ^

Ik bin om te lieren tot uwent besteet.

RITSERT.

\'t En is niet quaet, dat men van alles weet.

Maer \'t is niet goet hem 4) allea t\' onderwinden.

LEKKRR.

Dit staet me te zeltzaem veur, ik ken \'t slot niet vinden!

Jy de bruigom mit Klaertjen, wie Droes zou dat raén ?

1) Versta: komen we, waar we zijn moeten. 2) Dat komt fraai te pas. 3) Voor komentjens, koopmannet]ens. 4) Thans z th.

ocr page 72

— 68 -

RITSERT.

\'t Is zoo ik je zeg: Rijk-oom heeft ze of eslau-Door dien dat ze zwaer by my gaet, om mijnent «iilen.

LEKKER.

Gans lijden! men geeft groot geit veur deze nuwe brillen 1), Maer ik gaf \'er mijn leste geit wel veur, wist ik \'er ien,

Daer ik in de luy haer boezem of deur heur lenden kon zien; \'k Zouw \'er mijn lijf nae zetten, gelijk de way luy 2) op het wilt loeren,

j^n zien van stukjen tot beetjen wat ze in heur schilt voeren.

RITSERT.

Jy meught jou mongt wel snoeren: deinkt iens wat het lijkt. Van itn jongtn as jy, die maer ierst in de werelt komt en kijkt, Ik wed \'er niet veel luiden vermaekt met jou klap zin 3).

LEKKER.

Ho, ho, zijn mongt te snoeren dat heeft lijdigh veul snaps in. Men vint ze die haer niet en verstaen op dat stik.

Die wel de helft te langer school gegaen hebben as ik ; Ien benaude tong is zoo bitter as bakelaer 4).

RITSERT.

Jongen, gae je zoo voort ghy wort ien aerts kakelaer,

En dient bet 5) ien maekelaer, as ien koopman bynae,

LEKKER.

Neen zeeker, \'t praeten komt de koopluy ook al te stae.

Om te verkkimn haer schaé, en haer winst breedt uit te meten. RITSERT.

Je diende somtijts wel wat op de huit esmeten (gt;),

Of ien wijltje beschuit te eten op de Spaensche galey.

Kom, gaet mit me nae W arnars toe.

LEKKER.

Nae Warnars toe ? ey Wat zei dat doch beduyen ? ik heb \'t rains 7) evongen.

RITSERT.

Vijnen is steelen : wat brabbelt me deuze jongen ?

1) Versta: de pas uitgevonden verrekijkers. 2) jagers. 3) zyn. 4) bacca lauri, laurier-hes. 5) Thans beter. 6) geslagen. 7) zuiver, eerlyk.

ocr page 73

LEKKER.

Jae, nou je de dochter hebben zelt; maer stelt je iens in mijn Turn casus mutatur, \'k wed j\' \'et dan anders verstaet, (graet 1), Indien dat je gaet in jou consciëncy.

RITSERT.

Gaet meê zeg ik, en maekt me van zulk gicn mency.

Tweede Toonneel.

REYM.

Nu ken ik \'er deurzien, deur al \'t bezwaer.

Al komt \'er ien kijnt, \'i heeft ien rijke Vaêr,

\'t Magh nou gien quaet, gans eêle weeken !

Maer wat hebben wij in ien benautheit esteeken!

Nu hy van haer te trouwen heeft gegeven zijn woort,

Hoe willen wy schranssen, gaet dit hylik slegh voort.

Ik krijgh uit den hoop ook mogelijk ien vryer dan.

O, \'t zei ien dubbelde feest zijn, bruiloft en kyerman 2).

Al de zuinige luy zeilen ons dit nae doen wel knap,

\'t Komt profijtelijk uit, men slaet twee vliegen mit ien lap H).

Get as ik \'er om denk, ik wod ik al an \'t pijpen 4) was.

\'t Is te veul op ien dagh, kandiel en ypen-kras 5).

Ik wod men mes al te slijpen was, zoo verzuimden ik niet,

0P edaen werk is goet rusten, zoo was mijn tuigjen riet G).

Mijn tangden wat\'ren zoo, ik kan nau teuven laeter.

Ik win nou vijf gulden \'s jaers, en ien paer nuwe klompen tot

men Deuvekaeter 7),

En krijgh ien Schrikkenburger 8) tot men kennis maer.

En ien Engelse vijf 9) tot men nuwe jaer:

1) \'t Lat. fjradus; versta: plaats. 2) kraamheer. 3) Anders klap. 4) Thans, met een uitheemsch woord, fluiten. 5) hypokras, de bekende bruiloftsdrank, van den Griokschen medicijnmeester Hypocrates, naar de overlevering, herkomstig. G) gereed. 7) Kerst- of Nieuwjaars-geschenk; \'t woord is van onzekere afleiding, en beteekent oorspronkelijk — gelijk nog in Noord-Brabant — een koek. 8) Saxische munt van vier stuivers. 9) Halve Eng. schelling.

ocr page 74

— 70 —

Nu voortaen zoo win ik wel al de preutel 1) \'s weeks.

En wat zei ik een bruiloftsstuk krijgen, ten minste ien zulv\'re sleutelreeks.

Met ongerriem 2), mes en schiê 3): maer wat gae ik draelen.

Ik zond* Giertje Gaepstocx, as mans moor, in den arbeit haelen.

Die hoort \'er voor al te wezen, jae ze, zeper wel.

De deur is toe; waer vijn ik hier de bel ?

Maer beit wat, hier hangt ien ring daar me meé klopt.

Derde Toonneel.

GEERTRUID, REYM.

OEERTRÜID.

Hela daer, dat j\' \'et huis niet van zijn steê klopt!

Wat kloppen is dat ? o, klopt doch mit bescheil!

REYM.

Goên dagh.

GEERTRUID.

Begeerje iet ?

REYM.

Jae, ik bin hier by Warnars 4) meit; Jy weet van de zaek wel, jy moet je wat spneyen.

De schuit wil nae de Volewijk, je zoud komen helpen roeyen. Kijk je bint mans mo£r, zouj\' er niet in worden ekent ?

GEERTRUID.

Warnarbuer doet wel, dat hy om me zent.

REYM.

Dat loof ik wel, wy zouwen \'t zonger jou niet keunen maeken.

GEERTRUID.

Ik zet mijn huik op en gae meê. Wannier het 5) ze begonnen te Zy het wel uit egaen de maenden haeres tals! (kraeken ?

REYM.

Och! zy kreegh van angst den arbeit op den hals.

1) al dat kleine loeltje samen. 2) onderriem, waaraan de sleutelreeks en de geldbuil hing. 3) schee, scheede. 4} ten huize Warnars. 5) heeft.

ocr page 75

Doe haer vaêr huinuchtent zei, dat hy ze an Rijkertbesteet hadt, Och, dat verhooien kijnt draegen dat weet wat! ^ (vreest, \'k Zoud \'t mijn vyanden niet toe wenschen, zoo bin ik \'er veur be-

GEERTRUID.

Is \'er de vroéinoêr 1) al?

REYM.

Die het \'er al lang eweest:

Want eer haer vaêr de waerheit uit jou zeun had vernomen, Zoo had ik al ien vroêmoêr ter sluik laeten komen Van afteren deur \'t kelderveinster, daer niemant op gist.

GEERTRUID.

Maer hoe zoud men \'t bedenken?

REYM.

Maer je zeun heeft niet qualik evist.

GEERTRUID.

Mach dat slech waer wezen.

REYM.

Heer \'t is zukken dochter, en \'t zei jou zukken snaer wezen. Ze kan alle ding verbet\'ren, wat \'er in huis geschiet.

Ik heb ze op mijn arm edragen, en an me hangt eliet 2),

Dat het dusschen kleuter was: ik zei je niet vals spreeken. \'t Was ien kijnt als ien aep, \'t kon hondert deuntjens 3) den hals breeken.

Heer, \'t had zulke grepen, ien mensch worde schier aêrs.

Wat zei ik zeggen ? ik bin wel de helfte beter Klaertjens as Vaérs 4). As je \'t askat 5) op zijn zier trat, het wist je zoo dra te grauwen; En wat \'er langes straet eroepen worde, dat wist het nae te bau-As ik \'et dan zou kauwen beschuit of angders wat, (wen.

Het aérde fi) beetjen wod het hebben, dat ik zeiver at.

GEERTRUID.

Maer of je trat over jou voeten wat stijver 7),

.ly vergeet je altemael in jou goeden yver,

We zouwen de tijt wel verpraeten alhier.

1) vroed- of vroede moedei\', verg. \'t Fransche sage-femme en het nog gebruikelijke vroedvrouw en vroedmeester. 2) Voor geleid, doen gaan. 3) grappen. 4) Versta : op Klaertjens dan op vaders hand. 5) aschgat; kleine-kinderbijnaam, van \'t kruipen bij den haard herkomstig. 6) andere, tweede. 7) harder, vaardiger.

ocr page 76

— 72 —

REYM.

Dat moet ik je noch zeggen, en dan niet mier:

\'t Was zukken zoeten dier, \'t bedreef zukke ranken 1),

Doe \'t nou begon te loopen by stoelen, by banken,

Dan was \'t after de garzijnen 2), dan after de bom 3)

Daer de suiker in was: kijk, \'t quammer al ruimer om By haer moêrtje-zaligers leven ; o, dat \'s ien wijt schiel!

Peete Mains was ien vrou die goet huis in heur tijt hiel.

De lieer heb heur ziel, wy waren \'t zoo wel iens, (ziens.

We villen nimmermeer beschaamt, quam \'er ien mensch onver-GEERTRUI D.

Maer wat zeid\' er Warnar-buer toe, dat je zoo grof gongt ?

REYM.

Och ! as hy \'er noch om dcinkt, hy huilt as ien hof-hongt, Mit zulk steenen en zuchten dat \'et hem schier vermoort In nokken en gaeuwen 4).

OEERTRülD.

Gauwe ? wel, ik miende jy wout voort. REYM.

Hoort hier ien woort.

GEERTRU1D.

Wat zou men dus lang tuilen 5)?

REYM.

As ik \'er ook an deink, ik kan me niet onthouwen van huilen. Mocht ik miester verruilen, dat de vrou weer quam, en hy voer! GEERTRÜID.

Hebje uit ?

REYM.

Luister.

GEERTRÜID.

Wel.

1) (frappen. 2) Plat voor rozijnen. 3) Mikken doos of trommel. 4) Anders geeuwen, ó) beuzelen., zijn tijd ver dar telen. Vandaar ook het zelfst. naamw. tulster, gelijk in Barons Klucht van Lichthart en Aersgat sonder sorgh (Leiden, 1653): „Hierby, tot scheeie Stijn, daer vindtmen noch meer sulcke smulsters, Sulcke cp-maecksters, sulcke kommeeren, en sulcke aerdighe\' tulsters.quot;

ocr page 77

REYM.

Klaertjen is op ind\' op gelijk de \'noêr. Of ik het al zwoer, wat zou \'t veul baeten ?

Op mijn simpele woorden meughje jou wel veriaeten.

GEERTRUID,

Get zegen ongs, is dat praeten ? ik gae liever veur heen 1). La^t mijn huik gaen 2).

REYM.

Ik zeg, me ja is me ja, en me neen is me neer Jy zelt \'et zoo bevijnen, ik weet niet van veel snakkes 3).

Kijk, ik ken niet kallen.

GEERTRUID.

Zoo speule de Droes mit ie bakkes 4). REYM.

Noch had ik wat vergeten.

GEERTRUID.

Is \'t al weer an ? wat nou ?

REYM.

Maer je dient jou zeun te zeggen, dat hy heur wel in eeren houw*, Zy zei hem ien vrou (dat verklaer ik je) strekken.

GEERTRUID.

Lae me los, \'t is van \'t mal.

REYM.

\'t Is de tweede Rebekke, Zoo zei ze op heur man passen, \'t Is waer, dat ik je zegh. O, Heer! ik en zy kennen zoo wel over wegh.

GEERTRUID.

Loop, loop!

REYM.

\'k Heb terstongt uit, noch ien lutjen 5) patiëncy : \'t Is ien meit veur ien Kenning, veur ien Excellency,

Veur ien Graef, veur ien Hartogh, ja veur ien 15 an derheer,

Veur ien Prins, veur ien Keizer, ik zeg je niet meer.

1) vooruit. 2) Laat mijn kleed los. 3) praats. 4) versta: dan •moet het de Droes doen, want je bakhuis rust niet. 5) heetjen ; verg. Lutje- tegenover Groote-broek, en andere plaatsnamen, ons luttel en \'t Eng. little.

ocr page 78

— 74 —

GEERTRUID.

Stae je woort.

REYM.

Jae ien Keizer, ien Keizer, zeg ik, zouw \'er zijn zeun an geven, Zukken preussen 1) dier is \'t, zoo weet ze te leven.

Ze kan naeyen, ze kan braven, mit garen en mit zy.

GEERTRUID.

\'k Hel) \'er de buik al vol of.

REYM.

Dit hoort \'er noch by :

Van vaeten wassen, van ketelen schueren, je zou je wel stom zien.

GEERTRUID.

Hebje daer jou spraek verlooren?

REYM.

Zij ken ryen en omzien. Van mueren te witten, van vloeren te failen, niemant haers gelijk. Zoo weet ze \'r te behelpen; \'t waer schaê, waer ze rijk.

Die \'t iens ziet, moet bekennen dat z\' \'et altemael is.

GEERTRUID.

Hoort hier, geeft ien gebrekkelik mensch de helft van jou tong tot Rn stookt ergens noch ien paer ooren uit de gaet 2). /ien aelmis, REYM.

Houdt \'et me ten besten Joflrou, hou ik je wat lang mitte praet. Ik en ken ongze dochters deughden niet volprijzen.

GEERTRUID.

De deur is t\'uwent open.

REYM.

Dat \'s veur, mit oorlof, om je de wegh te wijzen.

Vierde Toonneel.

RITSERT, LEKKER.

RITSERT.

Wat is het gerucht ook ien snelvliegend\' ding!

Gister wist numnnt as ik en de mait dat Klaertjen zwanger ging.

1) preutsch, fier. 2) Versta: en brengt ergens nog een paar ooren in beweging.

ocr page 79

En tegemvoordelijk is \'t in de mont van al de lieden.

\'t Heeft me vry wat verlet dat geluk-te-bieden 1),

Men had anders tot Warnars my zoo lang niet ewacht.

LEKKER.

Ay Ritsert! bedenk je noch wat, beslaept \'er u op te nacht, \'t Wéér geven komt vroegh genoegh.

RITSERT.

Waer toe zond\' ik beyen?

LEKKER.

Ken gek en zijn geit zijn haest escheyen;

Men zal ongs venr nesk 2) lionwen; veur ien paer malle bloön. Laet \'et ien half jaer op wissel loopen. dat menghje mit eeren doen. RITSERT.

Profijt van angder luy geit te trekken, hoe zou. dat betaemen ?

LEKKER.

Wel waerom niet? daer zijn wel rijke luy t\'zaemen In compagny, daer den ien kan houwen van den aêr,

Tien, twijntigh duizent gulden ongder hem, jaer op jaer: Wat mien je dat ze die stil laeten leggen ? zoo waeren \'t wel uilen. RITSERT.

Zulk volk mach \'er wel ongder luy met eeren schuilen,

Maer scheelen \'er vry wat van. al draegen ze de zelve teekenen; Zy mogen wel vry gissing maeken, dat men \'t haer wel nae weet te reekenen.

LEKKER.

Wat geven ze daer toch om, o lieve man!

RITSERT.

Maer as \'t iens op ien sterven gaet, hoe vaerewe dan ?

I Dan wil \'t haer ten etter en ten bloedt uitzweeren:

Ook as de goederen zijn gewonnen mit eeren.

Zoo blijven ze in \'t geslacht, het angder vergaet.

En erft niet voort tot in den derden graet:

Zelden dat zulk volk haer grootvaêrs huizen bewoonen.

LEKKER.

Die regel magh gelden by gemeene persoonen.

RITSERT.

En groote Potentaten, zijn ze ontwossen de roê?

1) Thans gelukwenschen. 2) dwaas, eig. zwak van hersens.

ocr page 80

LKKKER.

quot;Wel jae z\', en daerom leggen \'t de luy daer op toe,

Om in ien korte tijdt an zo venl goets te raeken,

Dat ze al hnn kyeren tot Koningen mengen maeken.

Klaer zijn haer zaeken, zoo de fortuin heur dat jont.

RITSERT.

Zoo niet, zoo raekt men wel mit het waere goet nae de gront, Gelijk Robert met het anker dat hy docht te kabassen 1). LEKKER.

Nochtans die huiden wat hebben wil moet op den haspel passen, \'t Goet wil te qualijk wassen, houdt men zijn handen stil.

RITSERT.

\'t Mach blijven as \'t is, zoo \'t niet wassen en wil.

Mienje me te verleyen ■ wat zei me van deze guit schién?

Vijfde Toonneel.

WARNAR, RITSERT. LEKKER.

WARNAR

Men zeit altemet: daer komt niemant van uitzien,

Maer lijkwel 2) zie ik Ritsert daer ginder komen.

RITSERT.

quot;Warnar-buer, noit heb je blijder tijding vernomen.

Al binje nou ien man by de tseventigh jaer out.

WARNAR.

Hoe dat?

RITSERT.

Jou Pot is behouwen mit al het gout,

Dit \'s immers een tijng 3) om recht op te springen.

WARNAR.

As \'t geluk wil, zoo wil ghy meught 4) het niet dwingen, Het schijnt dat het my nu wü hebben verlost.

Waer is ze?

LEKKER.

Zie daer.

1) in vAjn kahas te stoppen. 2) evenwel. 3) ti-ing, tijding. 4) kunt

ocr page 81

warnar

O Pot! wat heb je me hertzeer ekost, \'k Wil niet weör an den dangs, \'k heb \'er quaelijk by evaeren, \'k Zei mijn leven gien potten mit geit meer bewaeren;

Ik bin dat spul al moê, dat \'s rain uit 1) ezett.

ritsert.

, Wel, hoe dan toe?

warnar.

Maer ik dank je van jou trouwigheit;

Ik heb genoegh om of te leven, en om dat ik voor dat kruis grouw Schenk ik je al \'t geit ten hylik mit je toekomende huisvrouw.

lekker [ter zij iot R.).

Get, Rittert! dat lokje 2) te jammerlijke wel,

Hy mocht noch dertigh jaer leven; hy heeft zukken tayen vel.

ritsert.

Dewijl \'t jou is gequel, met het goedt der aerden U veul te bekommeren, zoo zei ik ze anvaerden,

En in uwen ouderdom u strekken tot ien steun.

Zeste Toonneel,

rïïym, ritsert, warnar, gkertruid, lekker.

reym.

Veul geluks bruigom-heer! veul geluks mit jou junge zeun.

Ziet, dat is ien kloek kijnt; ziet dat is ien vuizer 3),

Hy het ien paar wangen as ien Katuizer 4).

ritsert.

Hier, laet ik hem iens zoenen.

warnar.

Van blyschap ik ween* Hy lijkt me al waer hy uit mijn aenzicht esneén.

lekker.

Bylo 5), ik moest allien niet in de peekei blijven steeken,

\'k Moet het yzer smeên, t\'wijl \'t heet is. Mach ik ook iensspreeken ?

1) zuiver, rond uit. 2) lukt je. 3) knaap met holle wangen, 4) Karthuizer monnik. 5) Eigenlijk //ij St. Laud us.

ocr page 82

— 78 —

reym.

15oón-broot 1).

ritsert.

Zeg je nou op wat je schort.

lekker.

Maer ik koom vijf hondert gulden an de kas te kort,

Die ik onnozel verloren heb.

ritsert.

Lieijlit niet, hoe?

lekker.

In de kaets-baen: \'k Loof \'t, ik zei mijn leven niet mier by ziikke maets gaen, Maer passen voortan op mijn dingen altijt.

ritsert.

Had hy de Pot niet gevonden, men waer ze mogelijk quijt,

Maer om zijn eigen profijt docht hy ze te bewaeren.

warnar.

Ik bid voor hem: en laet hem niet allien in \'t bezwaeren, Nu ongeluks stormen en baeren over al zijn geslecht 2).

ritsért.

Ik schenk je de vijf hondert gulden, en weest vortan ien goedt

lekker. (knecht!

Dank hebt! in den echt moetje veul vreughts gewinnen!

ritsert.

Mijn verlangt nae de kraem-vrouw.

geertruid.

Z* is kloek nae den tijdt.

warnar.

Kom binnen.

LEKKER 3).

Uit luchtige zinnen in mijn handen ik slae:

Heeft het jou wel behaeght, zoo klapt my allegaêr nae!

1) Bodenloon. 2) geëffend. 3) Tot de toeschouwers.

ocr page 83

SCHIJNHAILIGH,

SPEL, GEVOLGIIT; NA \'T ITAUAENSCH VAK

P. ARETIJN.

PERSONAEDJEN:

Rieuwf.rt Rompslomp, man van vijftigh jaren ontrent. Slockspeck, Quisttijdt, Daohdief, sijn dienaeren.

Simok Rompslomp, zijn broeder tweeling.

Wouter, Simons knecht.

Schijshailigh, panlicker.

Steven de Stille, vrijer van Alijt, brnidegoom met Duif.

Dikck vax Trouwenoort, verlooft aan Catrijn.

Wybrandt van Wydermeer, vrijer van Catrijn, brnidegoom van Machtelt.

Eelhakt van Westen, vrijer en nae brnidegoom van Jaquemijn.

Snoep, Eelharts jongen.

Lubbert Lanohair, man van Alijt.

Alijt, Catrijn, Duif, Machtelt, jaquemijn, dochters van Rieu-

wert Rompslomp.

Bely Beschix, huisvrouw van Rieuwert.

Lamfert Loscop, doctoor in medicijnen.

VOORREDEN.

grsproken by twee.

EERSTE.

Omdat ghy wilt, dat ick eerst wtbrabbel wat. ick wel willen sonde, soo weet ten eersten, dat ick wel wilde dat de rijcke-lny.

ocr page 84

die \'t er niet afnemen durven, soo beroyt wierden datse met de billen door de boxen 1) liepen. Ick wilde, dat al de schryvers en de scbrabbelaars, die \'t beter weten als haer hoouhe overheden, over \'t banckjen souden leggen met de billen blootshooft, en dat al de jongens van \'t grootscbooi 2) haer elck een streeck met de roê souden geven, lek wilde, dat ick een hal worde, daer men voor en achter bouten vercoght van vrienden in *t oogh en vyanden achter de rug. Ick wilde, dat al de onbeschaem-den geschrobt wierden als verekens in de troch. lek wilde de leugenaers doppen gelijck de bontwerekers de vellen doen. Ick wilde, dat die doctoren, die van alle ding weten willen en geen ding verstaen, altijts met een keten van urinaelen om haer hals moesten loopen. Ick wilde hutspot en friccadel gemaeckt hebben van die kaeckelaers, die \'t altijdt op andere gelaeden hebben en selve vol gebreecken zijn. Ick wilde aen de paley setten de geest van sommige luiden, die schrijven dat men \'t niet verstaen kan, om haer wt te pijnighen wat sy seggen willen. Ick wilde beuling stoppen van de darmen dergeene die \'t hart niet oj) haer voorhooft draeghen. — Segt ghy nu, wat ghij wel willen soudt.

TWEED E.

Ick ben een soet saft hart en soud soo veel wreedtheids niet willen; maer ick soud wel willen, dat men raedt schafte om de bedillery wt de wereld te helpen, gelijck u en uws gelijck, die niet veelen meught, dat de wereldt haer gang gaet; want kleedt men hem 3) net en juist, \'t is terstondt: dat\'s een kermispop. Past men op de voeghlijckheid van sijn persoon niet, \'t is: siet, dat\'s een slodderhoos 4), dat\'s een sulfus. Gaet men stil en schickelijck, \'t is: dats de bruidt. Gaet men vaerdigh: hy loopt te post. Spreeckt men weinigh: hy weet niet een woord aen de wereldt te brengen; spreeckt men veel: \'t is een raffelaer. Gaet men ter kereken: \'t is een pylaei bijter; blijft m\'er van daen: hy comt in kerek nocht in kluis. Houdtmen ruim huis: hy wilier deur wesen; houdtmen suinigh huis: hy soud\' sijn eighen dreck wel eeten. Moeyt men hem met anderluï saken: \'t is een beschickal, bemoeyal, onderwindis veel. Moeit men sich

1) hruek. 2) Latynsche school. 3) zich. 4) slodderhroeJc.

ocr page 85

met niemandts swaerigheidt: \'t is geen man van de vrienden. Sydy rijck en edel, yder benijdt u en leit u laeglien. Zijt ghy arm en oneél, yder veracht en versmaedt u. M at sal ik meer seggen? al 1) wordt het bedilt en berispt, jae, de middehvegh sells; by exempel: gaet eens midden door \'t s\'lijck, midden door \'t waeter, midden door de reghen, midden door \'t vier, en midden door de popelency; en soo men niet en seidt; dat ghy een grooten esel zijt, ick sal \'t quijt wesen. Snlx dat, mocïit iek beleven, dat de wereldt eens gesuyvert waer van snlcke bedilallen, neuswysen, en betweters, ick sonder meer mei\'1 vermaeckt wesen, als met officiën, ampten, hooghheden, en snlck maxel 2) van prullen, die de gemeene man meent, dat het altemael zijn. I Nu gaet heenen daer \'t geseidt is, ende als ick een w oord vijf oft I ses met dit volck gesproken heb, cooni ick u daetlyck by.

[Tot de toeschouwers.)

Mijn Heeren! dien man, die daer aen comt, heet Rieuwert Rompslomp, want hy is gewoon al sijn dingen bv den hoop te doen sonder lichten oft swaeren. Naer veel tegenspoeds, die hy u sal vertellen, wordt hy van een seker Schijn-hailigh soo wijs oft; soo mal gebroedt, dat hy sijn vertwijfeltheit verkeert in cloeck-moedigheidt. In veughen, dat hy niet alleen en lacht om \'t onge-luck, dat sijn vijf dochters overcomt; van de welcke dVene, met naeme Catrijn, in plaets van venijn in te nemen, drinckt s/keren slaepdranck (een lammery, die doch in vijftigh spullen comt): maer scheert oock de geck met het groot geluck, dat hem daer nae toecomt. Soo dat, wilt ghy nae sijn exempel \'t geluck te vriendt maecken en nae uw handt setten, ghy mooght nae hem luisteren

1) alles. 2) maaksel.

G

WARENAR.

ocr page 86

SCHIJNH AILIGH.

EERSTE B E D R IJ F.

Eerste Toonneel.

Rieuwert. Isser wel een by der handt, denck ik, van al dit gesnor van knechts ? — somma sommarum, die belust is, om quaelijck gedient te zijn, die houde veel booden. \\Vant dewijl zy \'t d\'een op d\'ander laeten staen, soo comt de sorgh op het heerschap aen. — Slockspeck!

Slockspeck. Wat gelieft mijn Heer?

R. Dat ghy gaet bursensnyden, ghy groote sulfes.

Sl. Daer zijn sooveel ambachtslui van dit gilt, dat het quaelijck droogh brood opwerpen magh.

R. Nu, nu !

Sl. Gelieft u yet anders ?

R. Gaet, seghtme Schijnhailigh, dat ick hem gaeren een woordt-jen sprack.

Sl. lek ken hem niet.

R. Die man, die soo lancksaem en bedacht is in sijn spreken.

Sl. Ick kan hem niet bedencken.

R. Hy draeght een kael kasjack 1) dus lang, daer de helft van de knoopen wel af zijn.

Sl. Ik beginner op te comen.

R. Met een lange mantel met een opstaende bef en een hoedt met dussche 2) breê randen.

Sl. Een maegher lang vent?

R. Jae.

Sl. Hy is soo groot met de klopsusters 3) ?

R. Daer hadje \'t.

Sl. AVaer vind ick hem best ?

1) overjas; van \'t Ital. casacca 2) zulke. 3) Mop]ens.

ocr page 87

— 83 —

R. Op het hof, oft op de sael aen de boeckkassen,

St. Ick gae \'r nae toe.

R. Ick sal in huis wachten.

Tweede Toonneel.

_ Schijnhailigh. Die den huich niet nae den windt hangen kan, die en weet van de wereld niet: onder dus een deckmantel van devocy en schijn van nedricheidt doet men met het goedt, met de eer, en met de harten der menschen al wat men wil. Gemeene panlickers en kakeeten 1) moghen tegen ons niet op in de rijeke-luihuisen, sy leggen te laegh met haer kaeckelen, de lui steeckter de walgh af, en met haer slempen en slocken, suipen en spuwen, maecken sy infaeni degeen die haer aenhouwen. Men soud sijn deur sluiten, seg ick, voor sulck gespuis, en haelen mijns gelijrk aen, die onder schijn van hailigheidt my met alle guitery behelpen kan. Weet de Duivel abeler kuir te wereken, als dat hy voor den dagh comt als een Engel des lichts ? Ick legh niet en roep met een verwondring over de wijsheit oft geestigheidt, die de rijekelui wt de mondt comt, maer ick prijs haer vroomicheidt, haer devocy, haer aelmoessen, ende, om haer te stijven in \'t slampampen, in \'t woeckeren en in de overdaedt, soo treek ick mijn schouderen op met een manier van ginneken, of ick morghen lachen soude, en seg: de broosheidt van \'t vleisch! \'t moet over die boegh seilen; die geen vriend van de sonden wesen wil, wordt een vyandt van de menschen! — Maer wie heb ick daer ? — neque in ira tua corripias me 2) /

Derde Toonneel.

Slockspeck. Ick ging rechts uw Eerwaerdicheidt soecken.

Schijnhailigh. Wel ?

Sl. \'t Aersgat, ick soud seggen \'t heerschap, wilde wat met u spreken.

Sch. Gaeren.

1) Eig. \'t Grieksch kakoethes; slechtaards. 2) Noch en verderj mij niet in dijnen toorn ! (De schrijver legt namelijk zijn held op den duur allerlei Latijnsche bybel- en kerk-termen in den mond, waar hy de lui meê zoekt te doeken.)

ocr page 88

— 84 —

Sl. Hy sal terstondt voor comen.

Sch. In nomine Domini 1) /

Sl. Daer staet hy in de deur.

Rieuwert. Goeden dagh. Welckoom moet ghy wesen j

Sen. Goén dagh, een goedt jaer!

R. Uw Eenvaerdigheit moet het my ten besten honden, soo kk hem steur in sijn devocy.

Sch. Den evennaesten gaet voor \'t bidden en de liefde is beter als \'t vasten.

R. Ick steeck in een groote swaericheidt, en soud gaeren wat met u raedspleghen.

Sch. Al wat in mijner macht is.

R. My comt veel over*

^ Scij. Dominus providehit 2).

Dat hoop ick.

Sch. Vertrouwt er n op. .

R. Ick, dat ghy \'t weet,ynem een tweeling gebooren met noch een knechtjen; de kriigh qnam in \'t landt en een soldaet nam mijn moeder \'t kindt van den hals, terwijl dat ick in de wiegh — soud ick seggen: aen de borst, lagh en mamde. Myn broêr-tjen heette Simon, en ick heb sint niet vernomen waer hy gesnoven oft gevloghen is; maer als ick denck dat hy noch int leven magh wesen, soo wil ick my bepissen van anxt; want dat hy nog eens opdonderde en qnam met my \'t goedt deelen! wat sal ick u meer seggen? — ick waer een bedorven man.

Sch. Ghy sorght wie den laesten man ter kereken 3) brengen sal.

R. Daarenboven heb ick vijf dochters: Alijt, Catrijn — o, s\'is soo resoluit! — Dnif, Machtelt, en Jaqnemijne. D\'oudste is ge-trouwt met een jongman, die wildt hair in de neus had, en woud met gewelt, wt broodronckenschap, meê deur strate Magel-lanes vaeren, en heeft nu seven jaer wtgeweest, dat wy er geen tijding af gehoort hebben. En naerdien van daegh haer tijc.t om is, die se gehouden is te wachten, soo sal men t\'avont het huwlijk met een ander sluiten.

Sch. Wel gedaen.

R. De tweede heb ick verlooft aen een geestigh quant van

1) In den naam des Heer en. 2) De Heer zal er in voorzien. 3) in 7 graf.

ocr page 89

— 85 —

haer sin; maer om ontslaeghen te wesen van een seker ander, die op liaer verlieft was, heeft se hem belooft te trouwen, indien dat hy binnen sekeren tijd haer wist, ik weet niet wat voor vo-ghelsveêren te haelen. En soo sy hier in haer woordt niet en houdt, dunckt haer, dat het haer haer leven niet wel gaen sal; soodat sy niet by de bruigoom te bed en wil. Maer \'t is van daegh de laetste dagh, en comt hy nu niet, soo gaet het ander huwlijck oock voort.

Sen. Oft den hemel viel, soo had de kerck een huick! Waer mooght ghy voor sorghen ?

R. Maer, ick heb nu in de morghenstondt soe leggen droomen, dat ick beducht ben voor \'t arghste. Wel is waer, dat ick het in de recht 1) sou connen brengen, met d\'andere dochters in de plaats te geven.

Sch. Seker, de droomen gaen voor mom met een backes, dat nae de waerheit geconterfeit is, maer in der daedt sijn\'t valsche logenen.

R. En opdat er immers aen mijn quelling niet ontbreecken soud, soo isser hoopwerck, die my \'t hooft breecken om de jonger dochters.

Sch. Een teken van uw qualiteit.

R. Nu soud ik u bidden, dat ghy, die kennis hebt met allerlei menschen, my raeden woudt aen wat slagh dat ickse best sal besteden.

Sch. Och! ick heb de wereldt so lang gestorven geweest, dat ick er geen kennis meer in en heb; maer ick heb wel wat gelesen in Marcus Aurelius en in de outvaeders 2), en ick heb wel eer mede by de menschen geweest, soodat ick u nae den plicht der liefden en mijn beste vermoghen gaerne berichten sal.

R. Dat bid ick u.

Sch. In consciëncy vermaen ick u, dat ghy se niet en hylijckt aen soldaeten, want in plaats van éen die wat te boven leit, isser wel tien, die beroyt worden en van capitein herbergier. Ay lieve ! laet dat volck tuisschen 3) en vloecken en vechten totdat se moe zijn.

R. Dat dient me vooral niet.

Sch. De hofjoncker, soo lang als hy wel met sijn Prins fetaet.

1) in orden. 2) kerkvaders. 3) spelen, dobbelen.

ocr page 90

— 86 —

is seker een wereldt; maer, wat is \'t ? draeght de heeren te Roomen en setse eens onsacht neder, al mv danck is verlooren.

R. Men moet wt sijn ooghen sien.

Sch. De schilder en de beeldhouwer zijn anders nitt als licht-inissery en grillery.

R. Al gecken genoegh.

Sch. Met den Alchimist waer \'t goed ding, indien de losheit van sijn hooft den Mercurius 1) con vastmaecken.

R. Met dat volck is\'t; dan elleboogh door de mouwen, het hayr al door den hoedt.

Sch. De koopman, die windt op de beurs maeckt, met het wis-pelen van sijn handtschoenen en met sijn vingers met brieven gelardeert, is gemeenlick Cuilenburgh 2) oft een papieren harnas sijn voorlandt. Daerbeneven is \'t een dol dingh, sijn capitael te vertrouwen op discrecy van de winden en beloften van de men-schen.

R. Dat wist ick niet.

Sch. Een edelman met weinigh incomens leit gemeenlik en solliciteert soo lang om eenigh offici, dat, eer hy er an comt, is hy kael van middelen en midden in de kinderen.

R. Hoe soud men \'t te pas 3) vinden?

Sch. Een gemeen man, al is hy welhebbende en van genoeghlij-ker aerdt, hy magh \'t hoofd niet eens op steken, oft \'t is stracx : ziet van waer ghy gecomen zijt!

R. Dat gaet vast.

Sch. De rechtsgeleerde leeft offer geen recht en waer, en geeft gemeenlijck de sentenciën nae de gevoelijckste 4) redenen en die best van alloy zijn.

R. \'t Gaet soo wat heen.

Sch. De doctoor in de medicinen, alhoewel hy een eerlijcke beul is, en dat hy, in spijt van de justitie, geldt met woorden wint, soo is hy evenwel een pisbeziender en een kackbekijcker.

R. Fy, fy ! —

Sch. De musiciën en de krekel, dat\'s al eenerlye hutspot; vindt zijnse, sy leven by de windt, en windt sullen se werden.

R. Dat\'s niet de pijnewaert op te dencken.

Sch. De poëet soud u leggen breecken \'t hooft met de maet en de fransse sneê, en leeren al \'t gesin kallen, oft uw huis een

1) kwikzilver. 2) Als vrijplaats. 3) juist van pas. 4) tastbaarste.

ocr page 91

— 87 —

tooren van Babiloniën waer: en, om u de waerheidt te zeggen, indien nw dochters verleckert zijn, om niet te eeten als mirten-tacken, en sin hebben in tabbaerden en rocken van laureblaén, soo geeft er aen dat volck.

R. Wy souden wel opgeschotelt wesen.

Sch. De philosooph, die \'t niet beuren magh sijn baert te kemmen, nocht sijn backes te wasschen. soud \'t wijf leeren willen, dat Aristotiles soo veel mans is als Plato 1), dat het chaos is sonder form maer swanger van ideën. Sy worden quaedt, als ick haer vraegh, wanneer \'t op sijn rekening is om te baeren, en dat ick wel compeer 2) soud willen wesen.

R. Ach, ach, ach! —

Sch. De starrekijcker leitse en leurt aen \'t hooft met sijn Ariës, Leo, Sagittarius, en hondert naemen, die men de kinderen soud geven om speldens te leeren in steê van Oostersche brieven.

R. \'t Hooft is haer opter loop.

Sch. Ick seg\'t niet om yemandt te verachten, maer naeder liefden aerdt, om u te waerschouwen, dat doctoren, musijckers, poëten, starrekijckers, philosophen, en alchimisten, behalven dat haer de kay leutert, soo zijn \'t sekere fatsoenen van menschen : maegher, hollooght, met bockebaerden en lang hair; en sien er wt, men souwer jonge Nickers meé vangen.

R. Ah, ah, ah ! Ick moet er om lachen ; ick had eens lust om een swaegher te hebben, die papier beschrabbelen con, als ick in de boeckwinckels sagh leggen: tractaet van snlcken oft sulcken autheur, met haer gracy en privilegië somtijts daerop.

Sch. Ick seg u niet, dat de raedt het oogh is in toekomende dingen, omdat ghy die spreuck aentekenen soudt; maer ick vind niet goedt, dat ghy se besteedt aen een jonghen melckmuil, nocht aen een jongeling die op \'t heftighst van sijn leven is, nocht aen een oudtman, daer eenigh schandael wt rysen mocht, overmits de broosheit van \'t vleesch.

R. Ghy moeter wat naerder opletten.

Sch. Die rekening macck ick oock.

R. Hebt ghy niet wat appetijls om een lutken 3) t\'ontbijten.

Sch. Wat weet ick het? —

1) Min juist voor „niet instemt met Platoquot;, door verkeerde opvatting van \'t Ital. non concede. 2) yevader. 3( Zie hl. 73, aant. 5.

ocr page 92

Ghy moet wat in de mondt steken in aller manieren 1). Komt, gaen wy naer achteren. Slockspeck, set wat ontbijtens.

Vierde Toonneel.

Eelhart. Naerdien ick versekert ben, dat Jaquemijne, leven, licht, ende siel van miin^siel, van mijn licht, en van mijn leven, my aenschomvt met goedertieren ooghen, soo pas ick niet op de onwetenheit van vaeder oft moeder, die niet lijden en moghen dat ick er by coome en weten selve niet waerom; maer ick wil haer gaen schrijven een minnebrief, waerin ick haer mijn amou-reuse passie te kennen geve. Ghy suit passen de camenier ergens om een hoeck van een straet waer te nemen, en stekense haer in de handt nevens een stuck gouds, dat zyse getrouwe-lijck bestelle.

Sxnep. Wat camenier, me Joncker! — wil je wat wtrechten, ghy moest ander luiden aen uw snoer maecken te krijghen, :lie niet alleen de Juffrouw maer d\'ouwders wisten te belesen.

E. Mat raedt daertoe? wat luiden souden dat zijn?

Sn. De geestelijkheidt heeft verstandt van huwlijcken te maecken, sonderling onder de Catolijcken. Daer es een seker Heer Schijnhailigh, die dus met het hooft op d\'eene schouder gaet; dat waer een man die ons diende.

E. Dien ken ick wel.

Sn. Hy is bekent als de bonten hond met de blaeuwe staert; op lijckmaeltijen, op sluiten van huwlijcken, op bruiloften, op weerreisen is hy overal Govert-in-\'tvoortste; daer kan hy soo bescheielijck sijn buick vol stuwen, dat hy sijn kasjack elcke quartier wrs een rifjen wtbinden moet; en van drincken, ick sagh mijn leefdaeghen geen mensch die sooveel laeden kan, sonder droncken te worden; \'t is een groote konst.

E. Jae, die hem een koe wel nae «oud doen.

Sn. Duwt hem een half dousijn Albertijnen 2) in de vuist en !aet hem met de saeck geworden. Ick verseker u, alle ding sal van een leyen dack afloopen.

E. De man magh 3) sijn werck van sulcke saecken niet maecken, hy heeft al te veel met sijn devccy te doen, hy is veel te hayligh.

1) in alle geval; het lt;/a, Zioe 7 (ja. 2) Geldstukken. 3) kan.

ocr page 93

— 89 —

Sn. Wat soud\' hy ? sijn geloof steeckt niet hooghcr als lt;le vlieringh van \'t huis. Hesoeckt 1) het, ghy zult het in kort wijs worden wat hy doen kan.

E. Wy sullen \'t onderleggen. Ick gae daetlijck een brief dichten ; gaet naer den perfnnieur, dat hy u voor een pondt vlaems ainbre doe met civet gemengt naer den eisch en inuscus er onder, om den brief te perfumeren.

Vijfde Toonneel,

Simon. Men magh van de Italiaenen seggen wat men wil; maer Rodalosso Milanees, alhoewel hy my mijn onderen ontroofde, soo heeft hy my nochtans veel goeds gedaen. Hy heeft my eerlijck doen opvoeden ende by Nederlanders doen verkeeren om mijn moeders tael te leeren, ende nae dat, sijn bannissement wt zijnde, hy sijn gratie ende goederen weder van den Coning becomen had, my eenigh erfgenaam gemaekt van al \'t sijne. Van mijn afkomst wist hy my noit anders te seggen, als dat ick wt den Haegh geboren was, ende dat hem, doen hy my greep, een mait 2) qnam naeroepen; och, daer loopt de soldaet met Simon door! och, dacr loopt hy met Simon door! Dat het bloedt nu trecken kon, gelijck men somtijts seit, soo mocht ick, yemand van mijn vrienden tre-moetende, kennende werden, en eenigh van de naeste mijn goederen laeten erven; want daerom koom ick wt Italien, mitsgaeders, om hier de reste van mijn leven te eindighen. Want daer men gebooren is, wil men toch altijt wesen, al waer \'t occk in een quaedt landt.

Wouter, \'t Is soo mijn Heer seidt, maer dit is van deqnaedste niet. Een schoon landouw, een vrye regering, een plaets vol heerlijke gebouwen, bewoont met lieden van vermoghen; maar is \'t een dorp oft een stadt ?

Kim. D\'een maeckter een stadt af, d\'ander het treflijkste dorp — ✓ van Europe, omdat het geen muiren nocht graften en heeft.

Quisttijdt (Die Simon mor zijn iweelinghroer Rieuwert houdt).

Daer hoor ick het heerschap spreken.

Dagudief. Hy is \'t.

Q. De beste vellen zijn aen, byget! men sal op \'t huwlijck sitten.

1) Beproeft. 2) meid.

ocr page 94

— 90 —

\\V. Wat w il dit volck hebben ?

Sim. Houd stil wat.

1). De wijn is bestelt.

Q. De ceelen 1) heb ick gehaelt.

Sim. Tegens wien praet gyliê?

D. Tegens mijn Heer ende meester.

W. Ghy raest, Gord beter \'t!

Sim. Gaet uwes weeghs.

D. \'t Is seker een excellente deelwijn; mijn Heer heeft er coop aan.

W. So sy niet dronken zijn, ten minsten zijn sy geck. Q. \'t Heerschap wil met ons boerten.

D. Steurt de lieden in haer reden niet, daar komt ons Jof-frouw aen.

Zeste Toonneel.

Bely. {Evenzeer Simon voor haar man houdende). Man, hoe wel komt ghy hier te pas! ick koom van Mr. Andries de goudt-smit; daer zijn de perlen en daer is de keten van onse Alijt, neemt se eens meê \'t huis. Ghy en ghy, gaet meê herwaerts over de vischmarckt.

^^-Simon. Geeft my.

Qüisttijdt. Gelieft mijn Heer, dat wij Jotfrouw volghen?

Sim. Gaet in den naem des Heeren.

Daohdief. Wat een kluchtighen baes! [Zij gaan heen).

Sim. Men siet my voor een onrecht aan. Dit is een van de | meeste 2) duchten, daer men oit af hooren oft lesen moght; de l droomen selve en soudense niet geloven. Maer om de Haeghenaars niet voor puir nesk te houden, ick magh dencken, dat het ver-maerde Delfs bier die virtuiten heeft, dat het de lieden verandert van gedaente; oft soudet volck hier soo geestigh wesen, dat se sulcke sottecluiten 3) wt haer hooft konnen spreken ? tsy wat het wil, ik heb den aep hier onder den arm. Wat soud ick doen r \'t is een ongeluckigh mensch, die \'t geluck niet aennemen wil.

Wouter. Weet mijn Heer, wat ick denck ?

Sim. Wat?

1) lijsten. 2) grootste. 3) Thans kluchten, (/rappen.

ocr page 95

W, Maer, om den Haegh.

Sim. Hoe dat?

AV. Maer, \'t vnlck isser alle guitery meester.

Sim. Wat is \'t dan ?

W. Wie Droes! weet op wat moeder 1) dit spel leidt? Quae-lijck deedt ghy aen de juwelen te nemen. De lieden zijn hier verfranst, verengelst. Weet ick er of?

Sim. De Duivel heeft my geblinddoeckt.

Ick sorgh bygort, datse al nae de Baljuw toe zijn, om ons te vangen met het goedt in der handt, en dattet altemael een ge-maeckte mouw is, om aen het Turx ende Spaensch paerdt te geraecken by aecoort voor dese diefte.

Sim. Ganslyden, \'t sul soo wesen.

W. Slaet er geen twijfel aen.

Sim. Loopen we terstondt nae \'t logiis.

W. Watisdaer?

Sim. Daer komt volck. [deur).

Zevende Toonneel.

Snmrp. Me joncker, daer is \'t perfuiin. Mr. Bouclan seidt, dat het van deselve speciën zijn, daer de Palsgraef af gelmdt heeft tot een kolder.

Eelhart. \'t Is goedt; en ick heb de brief al vaerdigh, gedicht met het verstandt dat de min my heeft bygeset, ende met het-geene dat ick heb van natuiren.

Sn. Kan men door \'t minnen soo goedt-koop aen verstandt geraecken, ick wil t\'ayont oft morgen uchtens goedstijds oock aen d\'eene quijlbal oft d\'andere gaen mijn sinnen te cost leggen, en wordem\'er 2) soo amoureus op, dat ik barst.

E. Luister.

Sn. Ick heb altijdt hooren seggen, dat m\'er af vergeckte.

E. Luister toe, soo ghy wildt.

Sn. Laet hooren.

E. Ick dacht op een ander manier te beginnen, en ick begon op deze ; want daer is overvloedt van stof, alsmen in die amou-reuse materiën treedt.

1). schroef. 2) warden er my.

ocr page 96

— 92 —

Sn. Ay, leest eens een regeltjen, soo \'t u belieft.

E. Ick ben te vreden:

Sedert dat mijn ooghen uw beeltenis in mijn harte trecken, enquot; heb ick noyt opgehouden van de min te bidden, dat hy my vergeven wil de goeddunckentheidt, die my soo hoogh deed sien.quot;

Sn. \'t Is wat meer als gemeen.

E. „quot;Want men sondight niet alleen aen u te begeeren, maer lt;gt;ock aen u t\'aenschouwen; aldermeest met de geneghenheidt, Avaervan ick beweeght worde, die n aenbid niet naer uw waardye, maer naer het toelangen van mijn vermoghen.quot;

Sn. quot;NVelcke woortjes!

E. „Al hoewel \'t geen gebreeckt aen u eere te bieden naer be-liooren, te rechte gebracht wordt met u te willen dienen naer vermoghen; ende \'t selve alsoo te rechte gebracht wordende, seg ick, dat, alhoewel niet volghen sonde 1 nnen, dat ghy u lt;lanckbaer soudt toonen tegens my, nochtai.s myn getrouwheit niet en staet af te slaen; dewelcke, om dat ick weet dat liefde is een begeerte tot het schoone, ende een wille van het goede, u beminne, die niet alleen van schoonheit ende goedtheit t\'saemen-hangt, maer met vlijt van de natuire geschapen sijt, opdat de menschen haere wonderlijckheden in uw aenschijn sien souden, ende om my stof te doen hebben, waerdoor ick de onwaerdicheidt van mijn slavernye moghte roemen.quot;

Sn. Een fraey ding, wat te weten.

E. „Daerom verquickt my, eer dat ick sterve, oft dat in u mindere de glans van de jegenwoordighe behaeelijckheidt: ge-merekt de groene tijdt vliedt, als een loopende stroom; ende alhoewel de tweede daeraen volght, soo isse nochtans niet te irelijcken by de eerste, nochte by \'t comen van den stilswijghen-lt;lon ouderdoom, dewelcke, hebbende altijts \'t ooghe op de duisternissen des doods, niet anders weet te doen, als haer te beer laeghen over den tijdt, die verlooren deurgegaen is.quot;

Sn. Sy magh dan sien, dat se wijs is.

E. „Ick stel u voor ooghen deese gelijckenisse, veeleer om u te eeren, als om my te vorderen, aengesien, sonder eenigh loon quot;au mededoghen, ick uw slaef ben in sulcker veughen, dat, al gaeft ghy my selve wederom aen my selven, ick sonde my wederom in uwen dienste geven, als degeene, die liever heb te leven uwe als mijne.quot;

ocr page 97

— 93 —

Sn. Onderteekentse by uw handt met een diamantjen, indien gy wilt, datse de keiselsteenen vermorwe.

TWEEDE BEDRIJF.

Eerste Toonneel.

Steven. Swaegher.

Dirck. Heet my noch geen swaegher; \'tis wat te vroegh.

St. Niet met allen; \'t sal nu niet ofgaen; gy hoeft niet meer te vreesen, dat u tegenparty \'t huis coomen sal, als ick, dat de man van Alijt wederkeere.

D. Daer is wel eer soo nieuwen ding gebeurt.

St. \'t Is doch wel geschiedt, dat een koe een haes ving, maer \'t beurt evenwel selden. Maer siet, daer staet Joffrouw Catrijn in de deur.

Tweede Toonneel.

Catrijn. Mijn moeder komt niet te voorschijn met de perlen en de keten, en Altijt krijt van korselheit, omdat sy soo lang wegh blijft.

Steven. God verleen u goeden dagh, toekomende suster.

C. Dat ick niet dubbel seker en ging in \'t goedt hart, dat ghy my toedraeght, ick soude meenen, dat ghy \'t huis vyandt waert, Joncker Dirck; soo verandert uw spraeck, en soo bleek besterft ghy.

Dirck. Het beven is sulcken eigenschap van de vrees, dat m\'er sich niet over behoort te verwonderen.

C. Laet andere vresen, ghy zijt genoechsaem wt alle sorghen.

D. Waer \'t saeck, dat de fortuin in uw wil haer woonplaets had, het soud sou wesen; maer dewijl sy elders woont, soo vrees ick voor wat anders.

C. Als \'t geluck tegens mijn liefde, die ick u draeghe, sich dwars versetten ging, soo soud ick noch bestaen wat wt te rechten, daer \'t heele landt af waeghen soude.

D. Ghy spreeckt eenstemmigh met de grootheit van uw ge-moedt, daerom verquick ick my met den aedem der woorden, die u wt den mondt komen.

ocr page 98

— 94 —

C. Zijt gerust, mijn hart, indien Joncker Wybrandt \'t avon* ten sessen niet thuis en komt van sijn vreemde reis, soo beloof ick u daetlijk te troosten. Maer lieve, en schreit doch niet.

St. Hy die te geringh oudt u soo grooten aenbieding met woorden te vergelden, bewijst met het vergieten van sijn traenen, dat hy u antwoordt met de tong der sielen.

D. Ghy ligt my in \'t hart.

C. Daer word ick geroepen.

St. Goeden dagh.

D. Soo ras als de deur toeging verscheen my mijn hoop weder in de gedachten, in schijn van een kaers die in de pijp brandt.

St. Daer hebben wy \'t weêr van de voorspoocken !

1). quot;Wel, adieu; ick gae mijn dingen voorts doen.

St. Ick van gelijken; adieu, [heiden af.)

Derde Toonneel.

Rieüwert. Als wy mannen beginnen, de vrouwen wat meer gebiedts als recht toe te laeten in de huissaecken, zoo worden wy terstondt, in stee van meesters, knechts; ik moet er een schut voor schieten, oft ick geraeckte wel voort heel onder de pels.

Slockspeck. Prinsselyck staen u dese nieuwe kleêren.

11. Ick ben heden morghen ten neghen wren wtgegaen en heb noch zedert niet t\'huis geweest.

Sl. Ghy bent t\'ongnaertigh eguirt, ghy lijckt wel tien jaer jonger.

R. De vrienden tegens t\'avont te nooden, dat moest sy self mondeling beschicken, en tot de goudtsmit te gaen, dat kon oock niemandt anders van haer sin doen.

Sl. Jae wel, had ick nu een nieuwe duit, ghy moest se hebben. O, de heeren sullen u niet kennen, ick laet staen ghy u selven.

R. Wat hebje al quaedt snaps ? wat staeje en kaeckelt ?

Sl. Ick seg van Quisttijdt en Daghdief, datse verstandt hebben van wtblyven.

R. Ick wil, dat ghy alle drie beter leven leidt, oft, oft.....

Sl. Alsoo waer ?

R. Alsoo waer.

Sl. Ai, maeckt my dan marcktganckster.

R. Hoe dat?

ocr page 99

— 95 —

Sl. Maer, wilje dat we beter leven leyden, soo moeten wy voor ons achter in de keucken al te met wat bestellen : een middelrif jen fruitieren, een mergschinkeltjen stoven, een hutspotjen overhangen, en een sChravesants kaesjen hebben, om de maegh te versegelen.

R. Ick wil seggen, dat ghy u beter aen snit moeten stellen en uw oude quae manieren verwerpen, esels als ghy zijt!

Sl. Laet ons in huis gaen. De pocken maghse haelen, de knechts soo wel als de Juffrouw!

Vierde Toonneel.

Wybrandt (m reiskleêren). \'t Is loflijck en aansienlijck, dat men sich magh beroemen veel landen, steden, ende verscheiden volcken versocht 1) te hebben ; maer, wederkeerende tot de Minne, degeen die geen courage ende geduld en heeft, onderwinde sich niet hem te dienen; want hy wordt niet min gevoedt van doeck-moedigheidt ende lijdsaemheidt als van lachen en schreien. Daer kan ick getuigenis af geven, dewelcke, om te volbrengen \'t be-geeren van Juffrouw Catrijn, wyder ben gereist dan de son selve doet; niet passende op de grimmicheden des zees, de schricklijck-heden der bosschen, nocht de steilheidt der berghen. Ende onder soo veel becommeringen en heeft het gedacht 2) noyt verlooren de gedaente van mijn beminde, maer gestadigh geweest vol aller eerbiedicheidts t\'haerwaerts. Daerentusschen de Min my leidende van \'t Woest Arabiën nae \'t Steenigh, ende van \'t Steenigh nae \'t Geluckighe, soo heb ick niet alleen becomen sommige vederen van goudt ende van purper van den voghel Fenix, maer oock van \'t welrieckend ende costelijck hout, waeraf sy het vyer stoockt, daerse haer in verbrandt op haer ouderdoom. Alle welcke reliquiën ick hier in desen sluier heb gewonden. Maer waerom en bevalse my oock niet starren van den Hemel ende coolen wt der Hel te haelen, opdat ick boven ende beneden reisende, al-daer mede mocht gelaeten hebben de faem van haeren naeme ende van mijn getrouwicheidt, dewelcke ick heb wtgestroit onder

1) bezocht. 2) herinneringy geheugen.

ocr page 100

i

— 96 —

dien van Saba ende de Indiaenen. Nu wil ick gaen vercleeden my ende maecken wat moedts, ende daernae gaen vinden degeene ; in wien ick leve. («/.)

Vijfde Toonneel.

Eelhaert. Jongen, blijft ghy achter; ick sie daer Schijnhailigh comen, dat ick hem alleen spreeck; hy mocht hem anders dezen 1handel schaemen. Hy begint kennis van ver te rekenen, met een gemaeckte lach, die hy my toont. O, den stucke schelms ! Maer dewijl hy my schijnt te kennen ende soo groot ten huise van Rompslomp is, wie weet oft hy my niet eenige goede hoop comt geven? Ick denck dit, om dat Juffrouw Jaquemyne t\'hans 1) aen de venster my toonde sekeren brief, soo \'t scheen, en ick en wist doen niet, wat sy daermede seggen wilde.

Schijnhailigh. Liefde zy met u! I

E. My is hartelijck lief dat ick u gesond sie.

Sch. Dat\'s nae der Liefden aerdt.

E. Ick mocht geen liever persoon gemoeten.

Sch. Daer de Liefde is, is de vervulling der Wet.

E. Ick wilde dat ick het soo wel con bewysen.

Sch. Ick geloof alles goeds van u, nae der Liefden aerdt.

E. Ick heb altijdt verlangt om kennis met u te maken.

Sch. Ende ick, beweeght, door geneghenheidt van u te troosten, I stel mijn siel in perikel; want soo veel als \'t lichaem belangt, i dat gaeter noch meê heen. j

E. Mijn Heere! . . I

Sch. Ick ben een arm aerdwormpjen van qualiteit, maer een | grootmeester in de liefde.

E. Op u rust ick.

Sch. Een yghelijck weet schier, wat Joncker Rompslomp van my vertelt, en ghy mede denck ick wel.

E. Jae.

Sch. Sijn dochters zijn oock mijn kinderen nae der liefde; waerdoor Joffrouw Jacquemijn —

E. Oïme!.

Sen. — beweeght is van die liefde die de leeuwen beweeght.

1

daar aanstonds.

ocr page 101

— 97 —

ick laet staer. de maeghdekens, In goeder consciëncy, ick heb medelijden met haer.

E. O, vaeder!

Sch. Ende om niet te gedooghen, dat sy verdwijne als de sneeuw op het veldt, soo com ick u desen brenghen van haerentwegen.

E. O, geluckighe Eelhart! »

Sch. Het hartseer, dat ick aen haer sagh, heeft my hiertoe gebracht om desen brief te draeghen.

E. Leeft er geluckigher man als ick !

Sch. In consciëncy, soo is \'t om de saeck 1).

E. Desen ring schenck ick u tot een tekeii van hoeveel ick u gehouden 2) ben.

Sch. \'t Geen wt liefden comt moet men met liefden aennemen.

E. \'t Is nu goedt, dat ick mijn brief noch niet bestelt heb.

Sch. Ick laet u in de liefde des Heeren , als mijnen evennaes-ten my te doen 3) heeft, en kan ick niet laeten de werken der liefde te bewysen.

E. Maer \'t antwoordt ?

Sch. Wy spreken elckander wel naeder.

Zeste Toonneel.

Eelhart. Ick set aen een syde waer een vrouw toe komt, die verlieft is; ende overgeslaeghen in welcker manier soo een Sch ij n-hailigh sich weet bekent te maecken, tot met de vrouwtjens toe, dien hy van haer nauwsten raedt is, wil ick gaen lesën desen brief. Maer sal ick wel soo vermetel wesen, dat, eer ickse op-breke, ick niet eerst en beken, dat ick onwaerdigh ben van u te lesen ? d\'amoureusse affectie, die my vermurwet tot in \'t ingewant, doet my t\'eenemael beven. Maer wat seidt het opschrift? — „Sy gegeven in den Hemel in handen van mijn Engel.quot; Nu van binnen. O, overgeven goedtheidt! wat schooner handt van schrijven ! u lettren schijnen geprent 4) te wesen. Maer laetse ons lesen: „Hart van mijn hart en siel van mijn siel! alle geluck, dat ghy wenschen condt, sy met u E.quot; W at soete woorden zijn dese! „Omdat ick wel heb hooren seggen, dat beter medicijnmeester is degeen die de sieckte verhoedt, als die se geneest, soo heb ick

I) zoo staat het met de zaak. 2) verplicht. 3) noodig. 4) gedrukt. \\va ra: na li. 7

ocr page 102

98 -

willen voorkomen de cranckheidt, die my misschien onder d\'aerdt soude hebben geholpen, met U. E. desen te seinden.quot; Ick kan my niet honden van schreien! „Maer gemerekt de heusheidt in u te boven gaet al uwe andere godlijcke begaeftheden, soo en hoop ick niet alleen, maer ben versekert, dat ghy niet snit laeten sterven my die u aenbidt.quot; Dees is meer een Godin als een vrouw ! „Alhoewel de doodt my \'t leven zijn soude, als ick uwe moght sterven.quot; Wat hart souden sulcke woorden niet ontroeren ! Ick wil niet voortlesen, want ick behoor soo veel gelucx op één stont niet te genieten. Seker, ick, die tot noch toe soo veel van my selve gehouden heb als de maticheidt een jongman toelaet, ben gedwongen voortaen soo veel van my te houden, als degeene doen, dien het geluck gunstigh is. [af.)

Zevende Toonneel.

Daghdief. Den baes is een nuwelijck 1) mensch, maer met de baesin is langer geen huis te houden.

Qüisttijdt. De popelency 2), die haer haelen magh !

D. Daer is niet een hoeckjen in huis oftisy snotFelt het duer, in kaemers, in keucken, in kelder, in bottellery ; men magh niet een hoensbout of een pyntje wijns steken aen een sy, oft s\'i.9ser terstondt achter. Op straet, niemand magh haer gemoeten oft sy houter stil tegens. Is \'t een soldaet, sy vraegt hem wat nieuws van de crijgh; ist een jonxken, sy roept: wat heb ickje wel duiten wt je billen \'eklopt! lest een meisjen: ick en uw moeder zijn sulcke cornuiten! Heeft er yemandt een doeck om \'t hooft: dit \'en dat seljer op leggen. Al de lui geeftse wat raedt, en diese niet doet, soo sietse se haer leven met geen goeden ooghen meer aen; sy wijst den landman, hoe hy sijn cool planten sal, de snijer hoe hy \'t op profijtelijxt overleggen sal met het laecken, de* apteker leert se sijn cruiden stooten, en de weduw hoe sy voor haer man bidden sal, en de pocken hoe sy se opeeten sullen tot het been van den geest toe.

Q. Al dese goeddunckenheidt komt door den ouwden, die haer den toom soo ruim geeft.

D. Wie seit daer teghens?

1) vreemdsoortig. 2) Verbasterd uit apoplexy.

ocr page 103

— yy —

Q. De malloot is soo neuswijs en soo brooddroncken, datse self niet en weet hoe se wil.

D. Den baes is oock geck.

Q. Quaed is hy, dat erger is.

D. Dat schut 1) ick, beter quaed als mal.

Q. Hy is \'t waerachtigh allebey.

D. Maer wat raed om excuis, waer wy soo lang geweest hebben!

Ci. Wisten wy soo goê raedt om geldt.

D. Wat docht u van dat paer cappoenen, dat daer vercoft wierd 1

Q. Sy waeren schrickelijck swaer.

D. Was \'t goêcoop ?

Q. Half te geef.

D. Hoe souden se best smaecken, gesoden 2) oft gebraeden ?

Q. Ik soudse laeten stoven ? had ickse, met limoenen, suicker, en kaneel; o, dat\'s een sop voor een graef!

D. En ick soudse laeten borduiren met cruidnaeghelen; ende dan aen \'t spit gesteken ende wel goed gedroopt 3), sy smelten in uw mondt; ghy souter een jeucht aen eeten.

Q. Vermaledijt moet hy wesen, die goedt heeft en durft niet aentasten.

D. In huis maer een houten backes voor en d\' ooren dicht.

Q. Daer is de scheuck 4).

D. Wegh, naer binnen, {aj^.

Achtste Toonneel.

Belt. Die huishouden wil moet overal selve bey wesen. Ick en ben van dat gemackelijcke volck niet, die de handen tot den elleboogh af zijn, diehaef handen niet eens in koud water souden steken, die een helen tijdt sitten voor de traly oft op \'t planchier de straet te bewaeren, en daer van daen roepen en gebieden met luider stem over de booden; maer ick steeck self handt wt de mouw, ick slae self handt aan \'t werek. Soo de vrouw er niet nae en siet, wanneer raeckt het vleisch over? Wanneer de sael geveeght, de bedden gemaeckt, de pottebanck opgeschickt ? Daer neb ick self de vrienden wesen nooden tegens t\'avondt; ick doese

1) weerspreek. 2) gekookt. 3) met vet bedropen. 4) varken.

ocr page 104

— 100 —

allegaêr even vol, om geen leepoogh te maecken. Wat wasser lestent een redjement 1) dat moeitjen Aechtjen door de knecht genoot was! het scheen in geen voeten te koelen. Siet, het was ^iutje-nichts schuldt, sy mochter 2) selfs gegaen hebben. De luy y \' \'weten \'t niet over te leggen; \'t schicken is \'t al, seg ick tegens * J onse volck. Ick heb daer sulcken huis vol dochters te vryen, elck ! quixer 3) als ander; hoe soud ick het gemaeckt hebben, had ick niet geweten te schicken ? — Slockspeck, waer zydy ?

Slockspecl. Och ! \'t is goedt, joffrouw, dat je thuis comt; het heerschap is daer achter wtgegaen en berst schier van boosheit, omdat Quisttijdt ende Daghdief soo lang wtgebleven zijn. Sy comen daer eft\'en eerst in.

B. Wat rabauwen zijn dat! \'t is ses uren geleden, dat ick haer meê op de vismarckt nam, ende siende niet 4) dat mijn gading was, sondse terstont naer huis.

Sl. Joffrouw Alijt wordt desperaet, dat haer juweelen niet en comen.

13. En \'t is sulcken tijdt geleden, dat ickse mijn man gegeven heb.

Sl. Sy zijn noch niet te voorschijn gecomen.

B. Daer speelt den Icker 5) meè.

Sl. Ick denckt \'t Heerschap sailer om gegaen zijn.

B. Doet de deur toe. [af?)

Negende Toonneel.

Lubbert. In somma, die weet wat blyscap is, dat ben ick. Doen ick de roock van de schoorsteenen van Den Haegh sagh opgaen, ick meende te schreien van beweghenis. In somma: Oost, West, thuis best. Treek ick mijn leven weêr op vreemde vaerten, ick ben te vreden dat men my de kaeck geef 6) tot mijn wel-coom als ick keer. Is dat door straete Magelanes vaeren ! \'t sel my heughen al leefd ick duisend jaer. Gans lijden! niemandt weet, wat het is ander liên hooft waer te nemen, als die \'t be-socht 7) heeft. Nu, dat \'s over. Als ick nu maer in genaé genomen ben van mijn schoonvaêr en schoonmoeder ende van Alijt, mijn huisvrouw, soo weet ick van geen Heer als van de Kaisar.

1) beweging. 2) kon er. 3) levendiger. 4) niets. 5) nikker, hooze geest. 6) op de kaak, te pronk zet, 7) beproefd.

ocr page 105

Tiende Toonneel.

Wybrandt. Noch heb ick besi gevonden by mijn meestresse te gaen dus in de reiskleederen, opdat se my my niet kenne ende ick haer harte beproeven moghe. Is sy \'t niet, die daer aen de deure staet ? Och jae, sy is \'t; ick worde het wel gewaer aen \'t straelen van de ooghen, die my ontfonckt hebben. Och! ick, die van sooveel wilde monsters niet en ben verandert geworden van verwe, wat verschiet ick se nu om de tegenwoordicheit van mijn grootste goedt op aerden! Goeden dagh, me Joffrouw!

Catrijn. Goeden dagh, vrient; begeerdy iets ?

W. Jae ick brengh u een bootschap wt verre landen.

C. Van waer is de coomst dan ?

W. Wt Oostindiën; maer ick hebbe om sekere negociën op te doen, aldaer aan \'t vaste landt te doen gehadt, ende gevonden eenen genaemt Wybrandt van Wijdermeer, die aldaer gestorven is ende op sijn wterste my gebeden heeft, dat ick aen u dit paxken bestellen wilde, soe ick emmermeer in Hollandt keerde.

C. Is hy doodt dan ? Van wat sieckt\' is hy overleden ?

W. Maer, comende in Arabiën, ter plaetse daer de voghel Fenix besigh was met vier te stoken, om sich te verbranden, soo quam hy \'t selve soo nae, dat, gelijck hy meestendeel oock niet dan hitte was, hy aen dat vuir ontstack ende verbrande tot asch toe, dewelcke ick hier in dit paxken overgebracht heb, in een doosjen, met sommige vederen van den voghel. Ende gelijck wt haer assche de verbrande Fenix wederom verrijst, soo staet hy oock wt sijn assche op ende hier voor uwe ooghen.

C. Sijt gy \'t ?

W. Ick ben \'t.

C. En dit d.\' vederen ?

W. Dit zijn se. Maer waerom wordt ghy flaeuw ? is \'t u leedt dat ick leve ?

C. Neen \'t.

W. Wat dan?

C. Maer, dat ick niet doodt en ben.

W. O, verlooren reise! o vergeefs swerven!

C. Zijt niet beducht, ick heb liever lijveloos te werden als trouweloos. Och! daer hoor ick vader ende moeder schreeuwen, daer

ocr page 106

— 102 —

is een groot getier. Gaet ghy naer huis, ick sal t\'hans 1) by u comen. [af.)

W. Ick duchte, dat den uitgang van mijn hoop ende \'t loon van mijn verdienste wel uitcomen moght op een droevigh treurspel. Ende ik heb geen reden om anders te gelooven, dewijl sy haer niet ontsette in \'t hooren van mijn doodt, maer in \'t verstaen van mijn leven, [af)

Elfde Toonneel.

Rieuwert. Weetje waerom ick soo lang stond of ick stom geweest had ? maer omdat mijn krop soo vol was, dal; het daer al \'t effens wt wilde en soo den wegn stopte, gelijck het met de , nauhalsde kannen gaet. Maer ick behoor dus te vaeren, omdat ick soo geck geweest ben, dat ick u de broek liet draeghen 2).

Bely. Schoon bescheidt.

R. Waer hebt ghy my de perlen ende keten gegeven ?

B. Op straet, ten bywesen van beid dese knechts.

Daghdief. \'t Is ^lsoo, mijn Heer.

R. Ghy rabauwt^ ghy lieght het door al de halse van de we-reldt 3).

Qüisttijdt. Mijn heer staet vry te seggen wat hem belieft.

B. Denckt dat ghy een ander knecht by u had, daer ghy meé stond en praete.

Q. De plaegh op uw hals!

D. Gewisselijck, \'t is als sy seit.

R. O gauwe 4) dieven!

Q. Gedenckt mijn Heer niet, dat Joffrouw, doen sy se u gaf, tegens ons seide, dat wy met haer gaen souden ?

R. O, schelmen !

B. Uw hooft is opter loop.

Q. O, o, o, o, o!

B. Al saghjes seg ickje.

1) aanstonds. 2) den haas liet spelen. 3) Versterking der uitdrukking; „door uw halsquot;. 4) looze; later met dief tot één woord saamgetrokken.

ocr page 107

( I . f\\ f f)

— lü.i —

R. Zijt ghy mijn wijf? ghij mooght mijn qnaén engel wezen Mijn goedt, mijn goedt!

Q. Wie heeft het u ontnomen?

R. \'t Wijf, om (\'t moeter doch wt) het met haar laerysers en kaketen 1) te verslampampen.

j JB. Wat blieft ghy al?

/7 -R. Ghy verken, s:hy sack 2) ghy flaers 3).

quot;V®. Ghy, onwetende raeskop!

R. Selmen my dat spelen!

B. Ghy, droncken fun!

R. Bijtje, by Gorts ackermenten?

Q. Al hoog genoegh.

D. Niet, doet het quaedste niet.

R. Och, ick ben doodt.

Q. Laet hem op.

^ /R. Ick ben een vrouw met eeren.

D. Al de buiren comen loopen.

R. Dat salje gewaer worden!

R. Slockspeck, helpt me. [Slockspeck comt er h\\j.)

Sl. Wrat schand, wat mallicheidt is dit? Staet op, staet op. R. Help, seg ick.

B. Ick een slampampster ?

R. Dat booze pandt heeft my bestolen en mijn armen ende beenen wt het lidt geslaeghen.

Sl. Ay, Joflrouw!

B. Wat baerje al?

, Sl. Niet.

/( R. Mijn fijne huisvrouw steeltme mijn goedt en daerna be-//7wijst se met u, rabauwen, dat sy \'t my gegeven heeft.

D. O my, o my!

R. O, ghy eerloose stucke diefs!

Q. Och, ick ben om den hals!

R. Verscheuren w il ick u.

Sl. Wegh in huis.

1) klappeyen en kwaadsprekers; verg. over beide woorden vroeger. 2) vuilik. 3) slet.

ocr page 108

R. Ter spijt van dese sogh 1). Sl. Joffrouw, gaet doch binnen. R. Verslinden zal ick u.

DERDEBEDRIJF.

Eerste Toonneel.

Catrijn {in dienstmaeghds kleéreri). De doolwegh, op den welcken mijn geest gebracht is, door het schielijck ende onverwacht wederkeren van Wijdermeer, is van sulcker nature, dat ick niet dencken en magh op de twist, die tusschen mijn vaeder ende moeder is; ende de resolucy, die ick genomen heb, doet my weinigh achten wat mijn ouders seggen, doen, oft dencken sellen, soo sy verstaen dat ick in dusdaeniphc cle-deren op straet gesien magh zijn. Ick was vol hoops, doen ick den vryer gewaar wierd, dat ick daetlijck soude gestorven hebben, maer die goede hoop verquikte my \'t harte zoo zeer, dat ick niet geraecken conde den geest te geven. Sulx dat ick in der daedt wel ellendigh ben, naerdien de doodt my niet hebben en wil, nu ick het leven niet houden en wil. Maer, ter spijt van doodt en leven, sal ick gaen haelen soo veel fe-nijns, dat het my in cort sal leven ende dood doen vergeten; ende opdat niemand quaedt vermoeden hebben soude, zoo heb ick my dus vercleedt, beducht zijnde, dat men my \'t venijn anders niet vertrouwen soude. Daer comt de man, die mij dient.

Tweede Toonneel

Dr. Lamfert. Al seg ick het self, maer ah occasu ad ortum 2), al seg ick het self, wilster my noch een. Wijst me, a\' seg ick het self, noch een sulcken man als ick ben! Ego sum o), al seg ick het self, G alienist as et Paracelsistus allebei, al seg ick het self; et tenco, al seg ik liet self, totam medicinam in pugno in

1) zeug, varken (gelijk boven blz. 99, scheuck), 2] van den ondergang tot den opgang (der zon). 3) Ik hen.

ocr page 109

— 105 —

mijn vuist 1), al seg ick het self. Laet se comen, al seg ick het self, wie dat willen; al de Doctoren van Leuven met haer grepen en met haer grillen, ego, al seg ick het self, illos tarto omnes ad unum 2), al seg ick het self. Ick ben philosophus, physiologus, physionojnus, astrologus, astronoinus. oculisius, al seg ick het self. Ick soudt soo wel yemandt van de steen sny-den als de best, al soud\'t noch vijftigh boeren costen, al seg ick het selver. Ick verstae my op de Alchimy, soudt ik seg-gen, de Anatomy, al seg ick het self, trots al de doctoren van \'t landt, en als \'t met praeten te doen is, al seg ick het self, tantum est mem facundia 3), dat, al seg ick het zelf, als ick op mijn revelstoel 4) coom, ick verdwael schier in copiam verbc-rum et rerum 5). Ick selje daer, op een stel oft een sprong, met krijt of met kool gaen beschrijven een boom van den oorsprong van de koortsen, al seg ick het self, en berekenen haer afkoomst van lidt tot lit, van aver 6) tot aver; die is haer vaér, die haer bestevaêr, die haer overbestevaêr, die haer broêr, die haer susterling, al seg ick het self. Jae, dat men de koortse, al seg ick het self, verdaghvaerde door den pedel, al seg ick het self, om getuighenis der waerheidt te geven, al seg ick het self, ter requisitie van den rector magnificus facultatis medici 7) van Leuven, doctor Gratianus Grimbeck, al seg ick het self, sy zouden moeten bekennen ende belijden niet anders, al seg ick het self, al gaefjer oock stroppelecorde 8), al seg ick het self, als dat doctor Lamfertus Loscopius Amersfor-diensis Stichtius Ultrajectinus sulcken kennis heeft van haer afkomst, staet, qualiteit, gelegenheidt ende stirredomdantiën 9), datter, al seg ick self, geen houwen aen is, al seg ick het self.

Catrijn. Ick dien hem niet te steuren in sijn propoost; de man maeckt sijn sinnen bijster veel te doen. Siet, dese Para-celsisten zijn doctoren ende aptekers van beids.

L. Ick laetse kakelen die willen, al seg itk het self. Hoe sullese staen al deze professoren , al seg ick het self, als ick me doe drucken, voor den dagh ende in \'t licht coomen; de schoone tract aten, al seg ick het self, de venae sectione, de

1) en hen de gansche geneeskunst meester. 2) ik tart ze allen te zamen. 3) zoo welsprekend hen ik. 4) praatstoel. 5) onder al die woorden en zaken. 6) ouder. 7) R. M. der medische faculteit. 8) met de geeselkoord. 9) Voor circumstanci\'êny omstandigheden.

ocr page 110

lotione, de gestione, en de pulsu 1). Ick argueer, al seg ick het self, en debateer en kloof, al see ick het self, al die materi-aelen, al seg ick het self, tot een hayr toe, al seg ick het selt.

C. Goeden dagh, domine doctor.

L. Et te salvere juheo; quis es 2)?

C. Ick verstae niet, heer. Ick ken geen Latijn.

L. En ick geen duitsch. Ego sum solitum, al seg ick het self, cum ujccre cum pueris, cum ancilla, cum rustiek in villa 3), al seg ick het self, anders niet als Latijn te spreeken, al seg ick het self. En konnen sy \'t niet verstaan, sy moghen \'t lae-ten, al seg ick het self.

C. Zijnse niet wel beraeden, die \'t leven by dit volck soecken ende gesontheyt; Soecken magh men se, maer \'t geei daer \'t my om te doen is, namelijck de doodt, die mochtenser vinden.

L. Quis es ta ? Hoc est 4).- waer komje van daen? waer woon-je; ende wie heeft je gesonden, al seg ick het self? ende wat is uw begeeren, al seg ick het self.

C. Ick ben de dienstmaecht van Joffrouw .... dats alleens, en had gaeren een weinichjen vem r.s

L. Quid facer es cum / Hoc est, al seg ick het self, wat souwjer meê doen?

C. Maer, wy hebben sooveel ratten t\'onsent, datter geen eindt aen is; dat schelmsche goedt heeft my een gat in mijn beste huick gebeten, en een paer fluweelen muilen van onse joffrouw heel aen stucken gecapt. Wat we doen, wy kunnen se niet vangen; soo datwe ander raedt moeten soecken.

L. Wat gebrabbel heb ick hier? al seg ick het self, die ele-mentse meer 5), al segh ick het self, siet me voor een rotte-cruydsman aen, al seg ick het self; \'tis by gort! de kroon — pileum soud\' ick seggen — van de faculteit te nae, al seg ick het self, maer qui nescit simulare nescit regnare 6). Ick sal me houwen, al oft ik het my niet aen en trock, al seg ick het self, en in plaets van rattecruyt haer tarwenmeel geven, met slaepcruidt gemengt, dat de rotten wel groeyen en toenemen

1) over de aderlating, wassching, draging en de pols. 2) Ik wensch u mede heil „• wie zijt gij ? 3) Ik hen gewoon met vrouwgt; kinderen, meid, de hoeren buiten. 4) Wie zijt gij ? dat is. 5) merry. 6) wie niet kan veinzen, kan niet regeer en.

ocr page 111

moghen, al seg ick het self, en kappen, by Gort! al haer beste kleêren aen stucken, al seg ick het self. Sy moghen, al seg ick het self, leeren respectum draeghen, al seg ick het self.

C. Ay lieve domine, geeft me doch wat, daer ze lang aen moghen gaen quijnen eer se sterven, dat se wat lijden de dieren voor ai de schaê en tweedracht, diese ons gedaen hebbem Gij mocht anders dencken dat het voor my waer.

L. A morte repentina libera nos 1)/

C. Wats dat geseidt, domine? sulje \'tgaen haelen?

L. Ita 2).

C. Sluiten sijn Latijnsche redenen niet beter als sijn duit-sche, sy waeren genoegh om katten en honden te vergeven, ick laet rotten en muysen staen.

L. Siet hier, meisjen.

C. Hoe sal men \'t moeten ge1 mi ick en?

L. Ghy suit het mengen, ai seg ick het self, met schoon claer regewater, al seg ick het self, en setten \'t dan in een schotel, al seg ick het self, in /oco, hoc est: ter plaetsen uh;, al seg ick het self, de rotten haer daeghelijxschen burgerlijcken omme-gange, conversationem civilam, handel en wandel hebben, al segh ick het self.

C. Hoeveel moetje hebben, domine?

L. Een schelling voor de consultacy, al seg ick het self, en vijf stuivers voor \'tvenijn: facit, laet sien, vijf en ses is twaelf, al seg ick het self, ick schelje met een paer schelling quijt.

C. 1st heel fijn dan?

L. Van \'talderfijnste, datter gemaect wordt, al seg ick het self.

C. Daer is u geldt, goeden dagh.

L. Gaet heen. Tu venies matrem tuam bene domum. Hoc est, al seg ick het self: ghy suit uw moêr wel thuis coomen. Nunc tempus est 3), al seg ick het self, dat ick gae visiteren mijn patiënten, hoe est, den advocaet Grillestein, al seg ick het self, Kaeyendijck en Nescenhuisen. Ego haheo tantum practicarn 4), al seg ick het self, dat ick wel een muiltsel van doen had, al seg ick het self, als de liberalitas van de luiden, al seg ick het self, het afwerpen mocht, al seg ick het self.

1

Behoed ons voor een onverwachten dood. 2) Ja. 3) 7 Is nu iyd. 4) Ik heb zooveel praktijk.

ocr page 112

— 108 —

Derde Toonneel.

Schijnhailigh [die Simon voor zijn tweelingbroeder Rieuwert houdt). De Heer sterck\' u in liefde, me joncker! ontmoet ick u hier?

Simon. Goeden dagh, vrient, gelieft u yet?

Sch. Ick heb u te spreken van een saeck van groot belang, ende bid den Heer nae der liefde, dat hy uw verstandt verlichten wil.

Sim. Wat magh dat zijn? —

Sch. Maer, dewijl ghy me doch bruiloft van twee dochters, te weten Alijt en Catrijn, suit houwen, soo soud ick u raeden met eenen t\'accordeeren het huwelijck van Jacquemijne; \'t sonde nu met een moeite doorgaen.

Sim. Wat Alijt? wat Catrijn? wat Jacquemijn? \'tis van de geck met u; al meê droncken! al meê droncken!

Sch. De liefde dringt mijn gemoed om u ten besten te raeden; voorwaer, Joncker Eelhart is een edelman van goedt ^getuighenis ? al heeft hy weleer wat wildt geloopen, hy is nu [heel bedaert, ende gelijck het spreeckwoordt zeidt: niet gekoot \\lest, beter eerst als lest.

Sim. Hy is wel gequelt die met gecken gequelt is.

Sch. Hoe dus vreemdt, me Joncker?

Sim. Ick seg, dat je deur gaet, of ick maeckje voeten.

Sch. De man maeckt hem selven soo veel becommerinx, datter hem \'t hooft af ommeloopt. lek sorgh van sijnentweghen seker, dat hy nog eens in een doodkist raecken sal ; sijn peetooms dolhuis hangt hem noch aen \'t oor. Wat sijnder oock al geslachten, daer de kaey 1) in \'t bloedt is! \'t is evenwel periculeus werek met dat volck; sy comt altemet eens opdonderen; principaelijck alsse met brandewijn oft spaensche wijn begoten wordt, soo wortse in weinigh uren wel soo groen, datje een heelen somer voor geen verdorren sorghen durft 2). Maer dees is juist op sijn quaedste; niet wijs genoegh om alleen te gaen, en niet mail\' enoegh om te sluiten. IVaer wil hy sijn dochter niet aen Eelhart geven met sijn danck, ick sal wel maecken, dat hy blijdt toe is, dat hy se neem tegen sijn danck;

1) dwaasheid. 2) behoeft (naar de oorspronkelijke beteekenis).

ocr page 113

ick sal haer gaen oprockt: eu 1). dat se met de vrijer deur^aa-^ Hy heeft me by loo, mooye iiondert daelers belooft, soo \'t hy/^ lijck vcort gaet; \'tis geen brock om te vermuilen 2). {af.) gt;

Vierde ToonDeel.

Dirck, Hoe naeby oock, dat de dagh om is, noch ken ick my niet gerust stellen; \'t hart tuight, datter noch een swarte kat sal comen in *t hylick van my en van joffrouw Catrijn.

Wybrandt. Hoor ick daer joffer Catrijn niet noemen?

D. Niettemin, ick laet alle ding gereedt maecken als brui-degoom.

W. Wat praet hy van bruidegoom!

D. En ick toon een vroolijck gesicht.

W. Ick mach hier wat staen luisteren.

D. Ick denck vast om \'t geen dat sy seide in de tegenwoor-digheidt van de Stille.

\\V. Ick ducht.

D. Als de Fortuin haer dwars ging versetten tegcns mijn liefde t\'uwaerts, soo soud\' ick yet aen rechten, daer \'t heele landt af waghen soude.

\\V. Ick weet niet, waer \'t vast is.

D. Als ick seide dat het qualijck overgeleidt was, dat sy den anderen sich had doen op reise geven om sulcken vreemden*^ boodschap!

W. Hy heeftet van my voor 3). /

D. Soo swoerse me, dat sy \'t gedaen had wt medoghenheidt ende niet wt liefde. *■*

W. Wat sal ick beginnen ?

D. Achtende dat den tijdt, de lancheidt van de reise, ende ) d\'onmogelijckheidt van \'t volbrengen hem sijn hete liefde ver- A coelen souden. s

W. O wee! ^

D. Ende dat niemant haer genieten soude als ick.

W. Ick ben verloren.

D. Daerom, soo ras als de bestemde uur verlopen sal zijn, sullen wy \'t huwelijck sluiten.

W. Mocht ick het niet wel denckcn thans 4) doense soo ver-

1) opstoken. 2) versmaden. 3) Hij is over mij doende. 4) straks.

ocr page 114

schoot mits sy hoorde van mijn leven, datse mij uitgesonden had om van my ontslaghen te wesen! Daerom sonder veel bescheids te geven, vaerdighdse my af, seggende: daer is groot gerucht in huis; gaet heenen, ick sal by u comen, want ick ben liever iijveloos als trouweloos. Nu, ick magh thuis gaen vertoeven, [af.)

Vijfde Toonneel.

Lubbert. Wat leider maer 1) verstae ick daer wt irijn vrienden? mijn huisvrouw de bruidt met eenen de Stille!

Steven. Wat heeft hy my daer te noemen?

L. Maer alsser geen recht in Den Haegh en waer, soo soud ick noch willen sien, wie my miju wettighe huisvrouw onthouden sou de.

St. Het hart klopt my.

L; Neen, alsoo niet.

St. Ick sweet het main 2).

L. En oft een jongman een fantasy crijght om wat te be-«oecken 3), soude men hem daerom van sijn vrouw settei?

St. Ick wil hem aenspreken. Goeden dagh, monsieur; my du nekt ick u wel meer gesien heb.

L. Dat mocht wel.

St. Zijt ghy hier van daen?

L. Jae ick, in trouwen, en hebbe goedt, vrunden en een huisvrouw, met dewelcke ick hoor, dat eenen de Stille rekening maeckt te trouwen; en ick hebse wel over dertien jaer getrouwt.

St. Wat avontuur!

L. Dat mooghdy wel seggen.

St. Wat komt my over!

L. Degeen, diese meent te trouwen, ick sweer hem dat hyse laeten sal, oft een van ons beiden sailer \'t leven inschieten.

St. Ellendigh man!

L. Ick seg, \'twaer tegens alle eerbaerheidt en billijckheidt.

St. Ick heb wel gehoort, dat seker Rieuwert Rompslomp----

L. Segt me niet meer, dats de man.

St. Indien de tijdt om is, ten einde van dewelcke de vrouwen vrystaet, soo sy geeu tijding van haer man gecreghen hebben, een ander te trouwen, soo mooght ghy ir uw muts

11 droeve tiidinq. 2) Voor mijn. 3) beproeven.

ocr page 115

— Ill —

nae werpen. Want in sulcken geval en soude Hof-provinciael nocht hooghen Raedt met al haer mandementen, interdicten, nocht relieven niet konnen helpen.

L. \'t Hof magh doen soo \'t de saeck verstaet, en ick sal doen soo ick verstae; ghebreeckt het my aen \'t recht, ick sal \'t met gewelt uitvoeren, al soud\'t mijn craegh 1) costen.

St. Ick hebber meer geweten die de vlag voerden: maer als sy voor de justitie quamen, och! sy leerden soo cleen singen.

L. Ick weet waer gliy heen wilt; ghy wilt staen op de seven jaer en drie daeghen 2); maer al waeren se dubbeld om, ick passer niet op. En indien dese nieuwe vryer van mijn vrouw uw vriendt is, segt hem van mijnentweghen, dat hij quaelijck ende oneerlijck gehandelt heeft.

St. Degeen die \'t is, is evenveel ott ick het self waer, daerom ick gae \'t hem terstondt alles te kennen geven.

L. Ick wil dese saeck niet anders nedergeleidt hebben, als met rappier en pognard; alhoewel ick bewijzen kan, dat ick verscheiden brieven geschreven heb wt Japan en anders. Wel, hy comt wederom.

St. Hoort.

L. Wat isser?

St. Niet met allen, niet met allen.

L. Ghy suit my altijt gereedt vinden, om te staen dat ick geseidt heb.

St. De tijdt sal leeren.

Zeste Toonneel.

Slockspeck. {singende):

\'t Moest een langhe waeghen zijn,

\'t Moest een langhe waeghen zijn,

Daer men s\'al op souden voeren:

Knechjens, die den elleboogh roeren,

Maisjes, die geen maeghden zijn.

Wat seghjer toe, Quisttijdt?

Quisttijdt. Fala, fala, falale, lale, lale, lale la.

Lubbert. Hy sal sonder sijn waerdt gerekent hebben.

Sl. Wel, en wanneer suit ghy tot Mr. Pieters gaen?

1) hals. 2) Waarna een /.aak verjaart! was.

I

ocr page 116

— 112 —

L. Sulcken Rompslomp heeft mijn schoonvaér al sijn leven geweest, soo weet hy de saken over te leggen.

Sl. Wat snoeshaen komt daer aen? Wel, hy heeft het hier gemunt.

L. Laet me deur, ick moet in sijn huis wesen.

Sl. Monsieur, ghy zijt in een onrecht huis.

L. Eh! laet my deur.

Q. Ghy zijt verdoolt, ghy suit hier niet wesen.

L. Ghyliê soeckt het en ghy suit het vinden.

Sl. Al soetjes, vriendt; wie past op 1) uw quaó kop.

L. Ick ben van 2) den huis.

Sl. Waert ghy een gouden keten, ick soud u geloven; maer nu ghy een mensch zijt, soo geloof ick u niet.

L. Ick seg u, dat ick Langhaer ben, de man van Juffer Alijt, swaegher van Joncker Rompslomp.

Sl. Quisttijdt, treek van leêr, byget! sal hy hier tegens onse daenk in huis comen!

L. Sal men my dit spelen?

Sl. Staet af, seg ick, of dat gaeter door.

Q. Toeft soo lang, totdat den ouwen thuis komt en segt dan wat ghy te seggen hebt.

L. Roept me d\'ouwde Joffrouw.

Sl. Sy heeft het te drock, sy magh 3) niet voorcomen, al waerder 4) Sijn Excell. selve.

L. Joffrouw Alijt dan?

Q. \'tComt haer ongeleghen.

L. Een van de maisjens.

Sl. Lapt de deur toe!

Q. Staet er buiten, soo waeit u geen roock in de ooghen Zeveode Toonneel.

Lubbert. Ganslijden, wat dartele overgeevende gespuk T..n knechts! Dit comt altemael door dat men haer soo veel toegeeft. Kort moet men dat geselschap houden, by den duim, oft men doeter geen deegh meê. Nu, ick magh gaen sien oft ick mijn schoonvaeder op \'t hot oft in \'t bos kan vinden, dat ick genaede van hem vercrijghe ende in sijn huis ontfangen worde, [af )

1) geeft om. 2) behoor tot. 3) kan. 4) ware er.

ocr page 117

— 113 Achtsto Toonneel.

jAQUEmjN^1 Welcoom, ^rdjn het™quot;quot; Ja(gt;Ueln«ne aen de P00^ Sch. Den Heer der Heeren sterck\' u in liefde.

J. Is de brief bestelt?

®CH- .A\' besteld. Och, wat hebt ghy daer een serviteur\' de vergolden! toedraeght, wordt cent per cent 1) by hem

J. Och! is \'t waer dat ghy segt ?

i ®.ci1; 1 Is S0I0\' e,n \'t \'lt;an niet anders wesen; want \'t is een perl ian een knecht; dat de natiiir noch sulcken man scheppen wilde, sy zoude genoegh te doen hebben. P J. t Is wel te geloven.

all!en\'to«on.endigheidt* ^ ^hijnt 2), dat hem

J. Ach, lieve!

deSwereldtn..t.r0mV\' 0Prech,iSheidt winnequot; \'t bart van al J. Mijn bloedt!

Sch. Zoo weet by heen te vlieghen naer tijdt en gelegenheidt • hy can over een clooft 3) rietjen gaen, soo men seidtf hy kan\' lichten en swaeren. \' y

J. Wat een bescheidenheidt!

Ny is deftigh met de deftigen, vroolijck met de vroo-lijcken, beflijck met de sachten, vermaeckelijck met de boerti-ghen, openhart\'gh met de vryen, en eerlijck met de treflijcken. J. Haelt vry al sijn godhjcke begaeftheden op.

i* , \'tkorte, hy denckt, hy wenscht, hy begeert hv comt y aIS dat met Sijn ëeschicktheidt overeen

J. Och, hoe geluckigh ben ick!

;nSCI!\\ HOjrt •\'.\'ndt! ondeliên zijn oudelién, en iongeliên

jongeliên; dat ghy hé te wacker zijt, zijn sy te traegh- de ouderdom, die haer afgemat heeft, is niet te gelijcken bv ulie-ten irL tan qquot;\' ,s vcr zlJt- Daerom, soudt ghy soo lang\'wach-komen te sterven! quot; Wttr0Uwen soud\' KhV quot;\'«^t licht eer

1) honderdvoud. 2) schijnt het. 3} gespleten WARENAR. * 0

i

ocr page 118

.1. Wat raedt gliy my dan best?

Sen. Maer, dat ghy hem uw hart in der daedt bewijst, gelyck ghy \'t hem in papier hebt bewesen.

J. Kond ick slechts.

Sen. O, ghy kondt soo veel.

J. In wat manieren?

Sch. Maer kom, gaet met my; ick sal n in sijn caemer leveren ende dan voort; somma sommarum, ghy suit het wel t\'saemen niaecken, dat uw vader blijd is, dat het liuwelijcK voortgaet hoe eer, hoe liever.

,1. Och, ick ben niet getoit.

Scn. Wat leidt daeraen?

gt;T. Ick soud wel een geckin gelijcken.

Sen. Niet met allen, men moet de gelegenheit waarnemen.

,1. Laet ick mijn haer een weinig optoyen\'.

Sch. Komt dan ras weder.

J. In een ommesien. .....

Sen. Soo mv desen aenslagh welgeluckt, ick sal den nondt slachten, die aen enckele l\'ajijens leer eten leert, er claeren er soo veel als mv voorcomt; en wordt yenmndt te rancken gewaer, ick sal hem betaelen met de spreuck van deiT propheet:

sevties caclil Justus in die 1) . . , . ,

J De knechts /.ijn in de kelder, de maisjens m de ktucken, mijn moeder is in de kamer, ende mijn susters by haer; hier is niemandt van kennis ontrent, gaen we; memant sal weten waer ick eestoven oft gevloghen ben.

Sch. Volghdme wat van veere, dal het memandt en inereke.

J. Daer comt volck.

Sch. Komt, slaenwe dit om.

Negende Toonneel.

ocr page 119

— 115 —

standen tusschen man en vrouw geen recht; daer blijven saec-ken genoegh ongedecideert hangen, al moeit hem \'t hof met sulcke beuselmarten niet. Nu, laet sien; patiëncy! Maer by Gort! doe ick mijn mondt eens op! doe ickse eens op, ick sal, by Gorts elementen! hiele monden vol t\'effens kallen. Daer komt Slockspeck. Wel, hoe dus wildwaejigh ? waerheen?

Slockspeck. Gans duisendt duickers! heerschop, ick koom hier met duisendt quaé tijdingen t\'effens.

R. Hoe nae 1) is \'twijf in de put gespromren?

Sl. Neen, mijn heer, waer \'t anders geen noodt!

. R. Oft isser noch meer goeds verlooren ?

*Sl. Al ergher.

R. Slaet me de kop af.

Sl. Ten eerste, soo is Catrijn desperaet geworden en krijt en slaet de handen in \'t hair, dat het een steenen hart be--weghen soud.

K. Wydermeer sal wedergekeert wesen.

Sl. Daernae is Jaquemijn op de been getegen, men weet niet met wien.

R. Sy mocht de donder doen!

Sl. *t Ander is, dat we daer aen de deur gehadt hebben een vreemd snoeshaen, seggende dat hy Langhair heet ende de man is van Alijt, en hy woud met gewelt in huis wesen.

R. Wat komt my al t\'effens over!

Sl. Met gewaepender handt heb ick hem moeten keeren. ^ R. t En waer, dat ick het te vooren te gemoet had gesien, \'t waer om sijn sinnen te missen.

Sl. Ick meende van den avont over maeltijdt beschickal te wesen, en daer komt de booze Satan en stremt ons al de vreught.

R. Ick weet niet te seggen.

Sl. Waer wildy heen met my?

R. Daer my niemandt vinden kan.

Tiende Toonneel.

Snoep. Och, \'t heerschop is soo in u gehouden 2), soo in gehouden, hy wil u niet alleen de hondert dalers geven, maer hondert pondt vlaeinsch,

Schijnhailioh. Danck heb sijn goedheidt!

1) Wat dan. 2) u zoo verplicht, erkentelijk.

ocr page 120

^ Sn. En uw behendicheidt, raedt, en beleidt.

* Sch. ick en kan niet laeten de wereken der liefde te oeffenen.

SJ. Dan seggen de Gensen noch datter niet meer mirakel schiedt I

Sch. De liefde gaet het al te boven.

Sn. Ghy hebt mijn heer van den doodt verweckt.

Sch. En haer het leven gegeven.

Sn. Dat zijn twee.

Sch. Nu wil ick gaen sien de baen klaer te maeken met de vaeder, en hoop het wel afloopen sal, want de broosheidt des vleesch, de jonckheidt van jaeren, ende sachticheidt van na-tuir hebben altijdt de reden op haer syde.

Sn. Wat schooner parablen!

Sch. Daer benevens ist een eer voor de vaeder een dochter te hebben die eêl van hart is, gemerekt de Schrift nergens anders van en spreeckt als van liefde, ende die geen liefde en heeft, gaet in ignem eternum. 1).

Sn. Goeden dagh, dmnine.

Sch. Fabula est in lupus 2).

Elfde Toonneel.

Riedwert. Sy mocht het haer wel schaemen.

Slockspeck. Wie?

R. De Fortuin.

Sl. Waerom?

R. Maer, datse haer komt versetten tegens een man van vijftigh jaren.

SchijnHAiLiGH. Mijn heer Rompslomp, zijt gegroet I

R. Onse lieve Heer seindt u tot my; want ick weet niet wat aengaen 3), soo heeft my het ongeluck wtgestreken.

Sch. Hebt goeden moedt.

Sl. Met goê moedt en purgatiën geneest men de Spaensche pokken.

R. De man wt Arabiën is thuis gecomen, en die van door Strate Magelanes oock.

Sch. Wat meer?

R. De dochters opter loop en alle ding in \'t wildt.

1) in \'t eeuwige vuur. 2) De wolf is binnen. 3) beginnen.

ocr page 121

— U7 —

Sch. Daer veel ramps is, is veel raedts.

R. O, o, o, o!

Sch. Met een recepjen, dat ick u geven sal tesrens \'t on^-luck, sullen wy alles terecht helpen.

R. Ick hael mijn adem wat.

Sch. Ick heb welee.r oock fantastijck geweest en quelde my selven met de slangen, de ketens, de gloeyende ovens, en de peck en \'t sulfer van \'t helsche vier, en elcke reis, als de ten-tatiën des vleesch my overquaemen, soo schrickte ick van Lu-citer en voor Heintjen Piek; maer soo haest als ick een moedt greep, soo had ick er Leidsen dril af 1), ick verklaer \'t in der liefden.

R. Laet ons tot de recepten koomen.

Sch. t Geen dat ghy te doen hebt, is: nergens op te passen 21.

R. Of men kan oft niet?

Sch. \'t Is al te mael daerin geleghen datm\' er sich na set.

Sl. Daer houdt ick het oock voor.

R. Houdt ghy uw mondt, ghy bock!

Sch. Dat ghy \'t verstaet :\' de Fortuin is van éen aerdt als de hoeren, dewelcke alsse sien, datse een goén sul van een pol hebben, die op haer verslingert is, daer springense meede om, als de kat met de muis; maer alsse een lidsert 3) voor hebben, die voor éen gat niet te vangen is, en die\'r altemet niet een eindt houts achterher sit, ick versekerje dat se klein singen.

Sl. En was my\'t spreken niet verboden, ick soud\' denquot; lof van uw geperfumeerde gelijkenis ten hemel toe verheffen.

R. Sy gaet my oock ter harten.

Sch. De diefsche Fortuin is min nocht meer als een wijn-verlaeter, die gewaer wordt, dat sulcken voeder, oft sulcken pijp, oft die aem, oft dat oxhooft leekt, soo steeckt hy se terstond op een ander vat, dat dicht is, en de verloren\' droppelen gaen hem van. \'s hartsen bloed af. Alsoo wil ick seggen, dat de Fortuin niets anders en doet als opvullen met ramp\' met ongeluck, en met tegenspoedt; maer als sy een man raeckt\' die een van die lecken vae e i slacht, daer \'t niet in en blijft, soo wort haer de kop kroes en sy giet haer schelmery op een ander.

Sl. Of je een propheet hoorde! Waer magh \'t de man van daen haelenl

1) Versta; was ik volkomen gerust. 2) om te geven. 3) sluwert.

ocr page 122

— 118 —

R. Ick word een ander mensch.

Sl. Als een man, gaeter meê voort.

R. Wat sal ick meer seggen? ick crijgh een nieuw hart in mijn lijfl

Sch. Indien ghy u houden wilt aen mijn vermaeningen, ick set de verdienste van twintigh vasteldaeghen tegen een spreng-sel wijwater, dat al uw hartzeer ten lachen en te singen ver-gaen sal.

R. ick ben deselve man niet.

Sl. \'t Is u wel aen te sien.

R. Ick ben hondert pond gelicht.

Sch. Gaet t\'huis, tot ick coom sien, hoe de medicijn gewrocht sal hebben; miserere mei secundum. —

R. Ick sal u verwachten.

Sch. Ick sal komen, soo ras als ick wat van mijn getijën ge-lesen heb; — maynam misericordiam tuam 1).

VIERDE BEDRIJF.

Eerste Toonneel.

Steven. Doet ghy \'t woordt.

Dirck. Hebdy wel gehoort van Langhair?

Rieuwert. Jae\'ck.

D. En van Joncheer Wvbrandt?

R. Oockal.

D. Wat suit ghy\'r in doen?

R. Niet.

D. Houdy\'t voor geckspel?

R. Ick verstae\'s my niet.

D. AVat wilt ghy, dat sy de dochters trouwen, die ons belooft zijn?

R. Die \'t lust breeker sijn hooft mee.

D. Wat een spreken !

R. Wat een swijghen!

1) erbarm U over my naar — uw groote harmhartiyheid.

ocr page 123

— 119 —

D. Wy begeeren de vrouwen.

R. Siet dat je se krijght.

D. Wy sullen u gehoorsaem zijn, als ghy uw wordt houdt.

R. Mijn woordt was het niet.

D. Wiens dan ?

R. Mijn tongs.

D. Een schoen antwoort.

R. Ick hoor^aeren, dat se u behaeght.

D. \'t Is een schand.

R. Dat magh het wesen.

D. Ons toecomende schoonvaeder!

R. Mijn toecomende swaeghers 1).

D. De droefheidt oft de blijdschap van haer t\'huiskomst heeft hem \'t hooft ontstelt.

R. Nocht \'t een, nocht \'t ander.

D. Waertoe dit spotten?

R. Die \'t weet, seg \'t u.

D. Waerheen, Joncker Steven?

St. Ick gae door, om geen straetgerucht te maken. D. Wy sullen elckander spreken; sy moghen wacht houden, hoe \'t haer becomen sal.

gt; Tweede Toonneel.

Slockspeck. \'t Volck sal niet weten, hoe sy \'t met u hebben. Rieuwert. Ah ah, ah!

Sl. Past op den haspel.

\\ R. Die doorgegaen is, sijn schaé; en die weêrgecomen is, iter goeder uren!

/ Sl. Sietdaer Daghdief aen komen grijnsen.

Daghdief. CatriiaJ ....

R. Wat-^iefft se?

D. Sy is____

R. Wat ?

D. Wegh geloopen.

R. Waer ?

D. Och \'t moeit me soo !

R. Waerheen?

1) schoonzoons.

ocr page 124

— 120 —

D. Men weet niet.

R. Ick wil een stuck aenrechten om in de Cronijck te setten.

Sl. Waermeê ?

R. Met de Fortuin \'t hooft te bieden.

Sl. Ghy suit haer den beek breecken.

R. Ick wilse levendig raêbraecken.

Sl. Sy sal haer rechte loon hebben.

R. Vat ghyse?

Sl. Ah, ah, ah.

R. Meen je niet, dat het in de druck gaen sal?

Sl. Wat weet ick het?

R. Waerom niet?

Sl. Omdat haer sentency niet eerst gelesen is?

R. Loop kacken, Wlespieghel.

D. Wel, wat spel is dit?

Sl. Siet ghy niet, hoe \'t heerschap, omdat hy een man van verstandt is, den brits heeft van de fielteryen, die hem de Fortuin speelt?

D. Moy, heel mooy, seker.

S. Gaet in huis, en komt degeen, die\'r thans 1) met geweld in wilde wesen, wederom, laet hem loopen; komt Steven, doet oock soo; komt Dirck, aleveleens; komender ar.dre, min nocht meer.

Sl. Een resolucy van een Coning.

Derde Toonneel.

Rieuwert. Wie soudt 2) gelooven, dat dien heilighen man my soo in een oghenblick had connen opschicken 3) al de potte-banck van becommeringen in mijn hart? O. Fortuin, ick acht u niet meer als een appelteef, een vlasteef, een asschevijster 4), een sletvinck, en een senghat 5).

(_ Wouter, {die Rieuwert voor Simon houdt.) Daer is \'t heerschap. Mijnheer, den ring daer biedt my een goudsmit vijf en tnegentigh pond vlaemsch voor; \'t sal op de hondert aencomen, soo ghy se vercopen wilt. Daer isse, en daer zijn de hondert pistoletten mede; ick kanse niet gewisselt crijghen als met tien

1) aanstonds, straks. 2) Voor zoude 7 3) opruimen. 4) assche-poester, blaast er. 5) zenqqat, aschqat.

4

ocr page 125

— 121 —

ten bondert schaede; ick gae nu naer een lijnwaetwinkel sien, oft ick craeghen gemaeckt kan vinden, die u dienen.

R. Gael, waer\'t u lust en gelieft, \'t heilig cruis achter u; Wat segdy daer af? Vrouw Fortuin begint alreê van angst in haer paek te_4ijgs£n. Daer seintse. 1) alreê een van haer boden om my -te\' Jiaeyen en te vreé te stellen. Maer dit sulje weten, zy-vareken 1 dat ick n geenen danck weet voor ketens nocht. voor pistoletten; ick acht se niet meer als slijck en dreck. Nu magh ick in huis gaen.

Vierde Toonneel.

Dirck. Ick en de Stille sijnder evel aen, wy en weten niet oft wy voor oft achter gaen. Hy is vervoert door de liefde, dien hy tot Alijt draeght, ende door grams.ihap op Langhair: ende ick van gelijcken door de liefde tot Catrijne. Wat \'sal er nu werden van my, die denck hetgeen ick wel niet dencken wilde, ende gedacht heb op \'t geen men minst denckt. lek denck vertwijfelt te werden, quot;t welck een ongeoorlooft dencken is, ende ick heb gedacht op sterven, \'t welck men ongewoon is té dencken. Daernae heb ick altijdts seer gewensrht om de hengh-nis te behouden, omdatter de naem in bewaert wordt van de-geene die my nu doet wenschen, dat ickse quijt waere, want had ick geen heughenis ick had geen smarte.

Catrijn. lek ben gesint een eeuwighen naem nae te laeten van de liefde die ick Joncker Dirck, en van de trouw die ick Joncker Wybrandt bewijzen sal.

D. En ter meerder deerlijckheidt soo sal mijn lijden eeuwigh zijn, want daer geen leven is, kan geen doodt komen.

C. O, me Joncker I

D. O, me Joffrouw, voortgebracht van de natuir, om van de werelt verwondert 2) te werden!

C. Oime!

D. Heeft het my niet op mijn leden geleghen?

C. Ick heb besloten, dat een behoorlijcke wreedheidt wraecke doe over de onbehoorlijcke medogenheit, dewelcke my gebracht heeft tot het einde des oorsaex vac mijn doodt.

1) zendt ze. 2) Thans betr mderd (gelijk verzoeken voor ons bezoeken, enz.).

ocr page 126

— 122 —

. D. O, Godt!

C. Ick sonde wel willen, dat iek eoste niet wilien een saecke, die ghy wenscht, dat ick niet en wilde.

D. Aime!

C, Al is \'t dat ick niet achcerhaelen en kan de glorie van sooveel befaemde vrouwen, die door minne ter doodt gebracht \'zijn gelijck ick, soo ben ick nochtans van wil en cloecmoedig-heidt niet minder als sy; sulx ick hem, mijnen vryer, niet behoor te leur te stellen, ende u, mijn bruidegom, te vreden.

D. Waent ghy dat ick beholpen ben met uw doodt?

C. Ick seg het om dieswille, dat het eindt, \'t welck u wt den ooghen nemen sal uw geschonden bruidt, u voor ooghen stellen sal een eeuwighen lof.

ü. üat soudt ghy moghen seggen, indien, daer geen toestemming van wil is, sonde wesen conde.

C. Het schijnen is een half wesen.

D. Heter Is de kuisheidt des harten als de mijdentheit 1) des lichaems.

C. Dat is wel waer.

D. Is \'t zoo, men gaeder dan nae te werek.

C. Men kan niet, want de alleropperste schelmery, begaense, die overtreden de belofte aen een man gedaen, voor God ten getuigenissen van \'t selve geroepen zijnde.

D. Laet straftijden degeene, om wiens wille ghy waent te sondighen, ende laet het vonnis, dat ghy over u selven geeft, gaen over my die die man ben.

C. \'t Geen dat men met woorden seydt, moet men naecomen met wereken, ende \'t geen daer men sich toe verbindt by rede, daer behoort men sich af te quijten metterdaedt of met de doodt.

1). Och, welcken vreughde ist my weleer geweest, tot mijn bruidt verworven te hebben soo wtnemenden Joffrouw!

C. Mijn lesen en betrachten van de schriften der voortretfe-lijcke vernuften dient my wijder niet, als om beter te sterven, dan rek heb geweeten te leven. Ende omdat my bekent is, dat de onwetenheidt het leven acht ende de omsichtichei: de doodt veracht, soo sal ick met onverandert gelaet, onversaeght ge-moedt, ende gewillighe handt innemen dit venijn.

D. Ghy suit niet.

1) onthouding.

ocr page 127

C. Men moet des Hemels wil gehoorsaemen.

D. Indien ghy dat glas drincken wilt soo suldy mijn deel doods daerin laeten, oft niet drinckende gedoghen dat ick nevens u des levens deelachtig zy.

C. Nu, mijn rampsaligh lot hebbe sijnen wil!

D. Onthoudt u van woorden terwijl ick \'t inslicke.

C. Oime!

D. Gemerckt ick, minnende u die doodt waere, soude haeten my selven die levend bleeve, soo heb ick de quellingen willen beroven van \'t kortswijl dat se aen mijn hartseer hebben souden.

quot;D. Waert \'t dat ghy niet en leedt, ick soude niet lijden.

D. Immers sal ick u nu geselschap houden in de eeuwighe duisternissen, ende u toelichtende met mijnen brandt sal \'ick u lantaerenvoerder wesen op de schrickelijcke reise, ende u yersekeren in de vreesselijcke plecken des middelpunts. Maer indien er eenigh God is, dewelcke de getrouwicheden der min-naeren ter harten neemt, diens medoghenheit bid ick, dat Hy onse geesten bestel ter plaetse, daer se elckander gestaedelijck mogen hanteren.

0. De tijdt is gecomen, mijn lief, die geen tijdt en heeft om tijdt te verbeyden. Ende daerom wil ick, onbekende vrouw, onder de exempelen der doorluchtighe namen stellen \'t werck van de trouwe, die ick in soo korten stondt van leven moet bewijsen aen Joncker Wybrandt. Daerentusschen geven dese armen, dien niet heeft mogen gebeuren, te ketenen ende te pranghen uw zijden en uwe borst, met het omringen van uwen hals ende schouderen, te kennen de wellust, dien u ge-daen souden hebben de knoopen van haer omvaedemen in de versaeminge 1) des huwelijks.

D. O, mijn Catharine ! mijn Catharine, oh!

C. Naerdien wy onse uitvaert met geen schreyen hebben gehouden, nocht onse doden vereert met traenen, laet ons voorts d\' wterste deughd des kloeckmoedigheids gebruicken, opdat ick door middel van dezelve mijn wterste oorlof van u venverve, ende ghy van my de heusheit van \'t laetste scheiden.

D. Soo veel als my belangt, ick geefse u, op voorwaerde, dat uw geest, op sijn verscheiden, de mijne aenspreekt, want ick sailer op wachten.

1) verbindingy vereeniging.

ocr page 128

— 124 —

C. Dat sal niet anders gaen, want mijn siel verbeidt in uw borst, om t\'saemen met d\'uwe te vertrecken, ten tijde toe dat ick volbracht hebbe mijn doodiijeken arbeidt.

D. Gaet heenen.

Vijfde Toonneel.

*

Qüisttijdt. Waer hebt ghy geweest?

Daghdief. By Lijsjen Leuterpels.

\\ Q. Magh \'t u beuren in bordeelen te loopen, nu \'t hier soo ilrock te doen is?

j D. Waerom niet?

Q. Hoe soo?

D. Wel, \'t heerschap seide, dat hem alleding alleens was. Ick vraeghd hem, oft 1) ick een deel slockers in de kelder brocht, wat hy doen sonde? Hy seide: niet 2). En oft ick in \'t hoerhuis liep en liet u alleen staen? niet. Wel, wat soud ick nu doen als beproeven, oft de man standvastigh was, en sijn wereken overeen quaemen met sijn woorden?

Q. Wel gedaen. Maer Langhayr is achter in gekomen.

D. Wel, hoe is hy ontfangen ?

/ Q. \'t Heerschap keert hem 3) aen geene saecken. / D. De basin?

\' Q. Die is soo blijde oftse haer selve gevonden had.

D. En Alijt ?

Q. Sy weet niet, wat vriendschap dat se hem doen wil. D. Wel, hy was immers een mallen bloedt, een fielt, een lichthooft, een cranckop, en een wispeltuir.

Q. Nu is \'t de liefste swaegher.

D. Gort schen d\'oude meer!

Q. Alijt wild hem niet weer onder haer ooghen lijden.

D. Die de wyven lest spreeckt, heeft se eerst.

Q. Korts was \'t Jondier de Stille altemael: sy lonckte, sy wenckte, sy kuste de handtschoenen die hy haer gegeven had.

D. Nu vlooghse Lanhayr terstondt om den hals, en d\'ander is een dronckert geworden, een tuischer, een bordeelbrock. Q. W een ding: een wijf en een weêrhaen.

D. Ghy spreeckt Evangely.

1) zoo. 2) Thans niets. 3) Thans zich.

ocr page 129

Q. En den anderen, die in Abbenaers geweest is om pis-dieren te haelen, wil Catrijn voor \'t recht roepen.

D. Dat hoor ick.

Q. Jaquemijn is haes op 1)

D. Aen een zy 2), daer komt Joffrouw.

Q. \\Vat Droes, oft sy \'t oock geluistert heeft?

D. We sullen \'t thans 3) gewaer worden.

Zeste Toonneel.

Bely. {tot Lulhert.\') Gaet heenen, gaet en siet oft ghy Rieuwert kondt vinden; ende hem vertoghende 4), hoe dat onse dochter uw getroude vrouw is voor God en voor de wereldt, siet oft ghy hem kondt beweghen om te gedooghen, dat ghy weder tsaemen in huishouding treedt. Ben ick oock geck? — niet; gaet niet by hem, my komt het toe in de saeck te doen als ick het verstae, en goedt te vinden dat ick goedt vind, en te willen dat ick wil.

Zevendo Toonneel.

Alijt. [tot Lubbert.) Waer wilt ghy gaen?

Lubbert. Hier dichte by, troosjen.

A. Ick sal krijten, krijten sal ick.

L. Ick koom op staende voet weder.

A. Uh, u!

Bely. Maeckt haer niet aen \'t schreien.

L. In een ommesien sal ick weêr hier vvesen.

A. Ick wil niet.

L. Ick oock dan niet.

B. In huis dan.

Achtste Toonneel.

Wouter. Ick heb mijn heerschap seven jaer lang gedient, soo getrouw als moghelijck is; en nu komt hy en scheldt my voor een dief en loochent dat hy den ring en de pistoletten weder van mij ontfangen heeft. Seker, ick soud dencken, dat ickse aen een ander in sijn plaets gegeven had, gelijck aen hem de perlen en de keten gegeven zijn in plaets van een ander; en

1) op de loop. 2) Uit den wey. 3) aanstonds. 4) verhalende.

ocr page 130

ick soiid het rechtwt belijen, en had ick hem soo claerlijck niet gekent aen troony, hair, baert, spraeck, en klederen. iVIaer evenwel, hy heeft me mijn sack gegeven ende de perlen met de keten vergeten af te eischen; ick wilse hem weder-brengen tot een bewijs van mijn getrouwicheidt. Oock weet ick wel, dat hy berouw hebben sal, by magh 1) my niet ont-beeren. Dacht ick het niet? daer komt hy my naetreên!

Negende Toonneel.

Slockspeck. [tot Rieuwert.) Wilt ghy dat ick naer huis gae he?

Rieuwert. Jae, maer ick beding, oft er de brandt in quaem, dat ghy \'t snit staen aenkijcken en komen my een oratioen 2) doen, hoe \'t er mee gegaen is.

Sl. Alreê man; daer ga ick heen.

R. Wat heb ick er meê te doen, oft my yemandt in huis wacht, oft er buiten, oft nerghens, en ofter meer ten achteren als te vooren is?

Wouter. (Tot Riemvert, dien hij voor Simon houdt.) Omdat ick u niet begeer t\'onthouden \'t geen \'t geluck u verleent heeft, houdt, daer is \'t al.

R. Ick seg. Fortuin, dat je een doorslepen arghe trijp 3) zijt.

W. Belieft het u niet, my mijn afscheidt met vriendschap te geven, soo moet ick patiëncy hebben.

R. Ick gae door.

W. Daer gaet hy heen, en wil men 4) niet eens adieu seg-gen; o bloedt, is dat dienen ? — heeft men sulck loon te verwachten voor \'t behartighen van sijn mecjters saecken?

Tiende Toonneel.

Simon. Wouter!

Wouter. Is \'t mogelijck, dat de lieden schaemt noch eer in haer lijf hebben?

S. Hoort hier.

W. Neen, ick wil mistroostigh werden.

S. Ghy hebt het spreeckwoordt wel gehoort: die steelt doet een sond, en die hem laet besteelen doet er duysendt.

1) kan. 2) verhaal. 3) bedriegster. 4) Voor mijn, my.

ocr page 131

— 127 —

W. Nu heb ick u altijdt den keten ende perlen wedergegeven. S. Wanneer?

W. Hier terstondt.

S. Ick word schier aêrs.

W. Kond men my mijn sack niet geven sonder mijn eer te nemen ?

S. Ick denck vast en herdenck, en al denckende en her-denckende sal u een goê tijding brengen.

W. Doch 1): de lieden te cruyssen en dan haer wonden te kussen.

S. Mijn verstandt, schietende niet den pijl des overlegs wt den boogh des gedachts, heeft het wit getroffen.

W. Hebt ghy eenighe andere pottery 2) bedacht, die ghy seg-gen wilt dat ick u gespeelt heb?

S. Neen.

W. Wat dan?

J/ S. Dat ick mijn broeder gevonden heb.

^ W. Dat waer wel een saeck om mijn gramschap te doen overgaen.

S. Ick ben thans 3) een man gemoet, die my soo wel geleeck van aensicht, hayr, baert, lengte, dickte, spraeck, gelaet, en dat oock te verwonderen, van klederen, dat ick dacht: waeren de lieden spieghels hier in Hollandt, ick soud meenen, dat ick my selven in een ander sagh. Dees sal voorseker mijn broeder wesen en d\'oorsaeck van dese brabbelingh 4); \'k en weet ni.\'t wat bottigheidt gedaen heeft, dat ick \'t niet eer bevroedt heb. W. \'t Mocht (gt;) wel.

S. \'t Gaet vast; let eens op dat wandelen van die perlen met de keten, en op dat weêrgeven van den ring en de pistoletten. W. \'t Sal soo wesen.

S. In somma, ghy zijt een knecht met eeren.

W. My dunckt schier dat ick het waert ben, dat ghy \'t bekent. S. Nu moeten wy vernemen naer den man, naer sijn naein, sijns vaeders naem, en sijn geslacht, en oft hy oyt een broeder gehadt heeft.

W. Soo\'t mijn heer gelieft.

S. Komt, gaen wy naer de herberg.

1) Voorzeker. 2) snake rij. 3) straks. 4) verwarring. 5) 7 Kon

ocr page 132

V IJ F D E B E D R rJ F.

Eerste Toonneel.

Wybrandt. Verlangen magh wel verlengen heeten, want het lt;loet den tijdt seven mael langer schijnen dan se inderdaedt is.

Catrijn. Ick sweet en ben soo coud als ijs.

W. My docht, dat de wr noyt omkomen sonde, en nochtans slaetse daer.

C. Goedt voor Joncker Dirck ende voor my mede, gebrack my sooveel trouws als my overvloeit.

W. Ick hoor haer.

C. Ick vreesser voor.

W. De nuchterheidt van mijn begeerte hongert soo zeer nae u, me Joffrouw, datse my doet in uw woorden vallen.

C. Eer my de straffe overcome, dat ick selve heb weten op mijn hals te haelen, soo doet uw believen met my; want ick beken d\'uwe te wesen, volghens mijn gegeven woordt ende beloften van n te believen.

W. Een groote strijdt is tegenwoordigh in mijn gemoedt: want de gulsigheidt van mijn begeerte wil, dat ick n ontfange, lt;;nde de henschheid van mijn gemoedt, dat ick u weigere. Sulx ick bekenne, dat het groote vermetelheidt is u te houden, ende overgroote beleeftheidt u te laeten. In veughen, dat ick wel wilde \'t geen ick niet en wil, ende wil \'t geen ick niet en wilde.

C. Spoeit u met uw besluit.

W. Dewijl ghy de mijne zijt, soo laet u niet mishaeghen, dat ick u geniete door \'t aenschouwen.

C. Gebruickt het recht, dat ghy op my hebt aengesien het venijn, ingenomen van my ende Joncker Dirck, het u haest sal t\'onbruick maecken.

W. Wat hoor ick

C. Hoort: Catrijne, uwen arbeidt niet connende beloonen met het leven, datse quijt was, soo comt haer dwaesheidt u beloonen met haer doodt.

W. De saeck sulx zijnde, soo houdt ghy my niet. dat ghy my schuldigh zijt.

C. Ben ick in uw gewout 1) niet?

1) macht. (verg. \'t Hoogd. Gewalt.)

ocr page 133

— 129 —

W. Jae ghy.

C. Wat hebdy dan te claeghen ?

W. Maer, dat ghy u niet en quijt.

C. Ick heb my gequeten.

W. Dat mocht ghy seggen, waerdy levendigh ende niet doodt tot my gecomen.

C. Oime!

W. Soodat de trouw veeier door i verkloeckt is als ver-heerlijckt.

C. My, ellendighe!

W. Sedert de doodslagh in menschenhart quam, en was noyt boosheit te gelijcken by dese, daer ghy my mede komt moorden.

C. Minnende een ander, cond ick u niet minnen.

W* Ghy hebt my, dewijl er geen ander wegh was om my den geest te doen wtaedemen, wel connen vergeven met het venijnquot;dat ghy in hebt genomen.

C. Waerom wacht ick met dees ooghen te sluiten?

W. Om de lust die ghy hebt aen my te sien sieltoghen, en omdat ick my niet wreken en sonde over de wreetheden te-gens my gepleeght, met de waepenen der heusheidt. Hoe? was het u niet genoefh, dat ghy my gesloten hadt den wegh om ii te besitten, sonder mijn grootmoedigheidt te nae te doen, alleenlijck met u te goedt te kennen, om te schenck 1) van haer te eischen, \'tgeen ghy in my gehouden 2) waert? maer ick wil u straffen over u wantrouwen en ondanckbaerheidt met de goedigheidt ende met de heusheidt; ende over sulx herstel ick u in den staet, daer ghy waert voor \'t doen van soo loosen beloftenisse: ende dees kus, denwelcken de kuisheit van mijn begeerte u op den wang plant, bevestighe d\'ontslaeckinghe, die ii gaen laet, daer ghy van daen gecomen zijt.

C. Nu is \'t, dat my de dood smart, niet omdat ickse vreese, maer omdat ick stervende u geen gedurighe menichte van dancksegginge sal konnen doen. Maer de siel sal op den dienst passen, die de tong behoorde te doen; dese, verstendighende den onderaerdschen den aerdt van uw heusheidt, sal uwen lof soo by haer wtbreiden, als by de levenden soo eedelen daedt eeren waerdigh is.

W. Overmits my soeter sal sijn dien lof wt uwen mondt te

9

ocr page 134

hooien, als wt des werelds, soo wil ick deselve reise naer beneden mede aennemen, ende met dit besluit scheid ick van n.

Tweede Toonneel.

4

Catrijn. {tot pirck.) Met groote verwondering sal den afgrondt onder haer vuiren sien verschijnen de brandende schimmen van drie minnaers.

Dirck. Binnen blijven verveelt my ende buiten comen verdriet my —

C. Daer is hy.

D. — alhoewel de quellijckheidt van den tijdt ende de traeir-heidt van de quelling haest met my einden sal.

C. O me Joncker! het coninclijck gemoet van Joncker Wy-brandt levert my u weder ongerept ende vry.

D. Wist ick woorden te bedencken, die bestaen mochten by sijn ongemeten goedertierenheidt, ick soudt hem roemen in sulcker veughen, dat de naecomelingen gedwongen souden /.ijn hem nae te volghen ende te benyden.

C. De genaedigheidt sijner minne heeft haer gepaeit met een kus alleen.

D. Godt geve, dat hetgeen onsen daeghen afgaen sal, aen-wasse aen de syne ; sulx dat hy, levende sijn eighen natuir-lijcke jaeren ende degeene die wy noch hadden meghc.n leven, aen alle minnaeren getuighenissen geven moghe, hoe hy ende wy gemint hebben.

C. \'t Gesicht beswalckt my.

D. Gaen we in huis.

Derde Toonneel.

Wouter. Dat\'s er altijdt een van den hoop, die mijnheer aengesien hebben voor een onrecht. Dit is de man, die hem aen \'t hoofd quam leumen van een hylick.

Schijnhailigh. Ick moet eens gaen sien, oft Rompslomp mijn les onthouden heeft.

W. Domine! heught u wel, dat ghy mijn heerschap thans quaemt aenspreken van een hylick, meenende dat hy een ander man was ?

Sch. Wat vraeght ghy daer nae?

ocr page 135

— 131 —

W. Om sekere goede redenen.

Sen. Wel?

W. Maer, \'t zijn broeders.

Sch. In der liefden, dat sal waer wesen.

W. Hy is de minnemoeder van den arm genomen door een soldaet.

Sch. Ick heb genoegh; sy zijn gewisselijck broeders ende tweelingen, gebooren in \'t begin van den oorlogh.

W. Een crijchsman heeft hem opgevoedt als sijn eyghen soon —

Sen. Dit\'s seker wat nieuws.

W. — en erfgenaem gemaeckt van al sijn goed.

Sen. Daer leggen de mosselen.

W. Hy magh teeren tegens een graef.

Sch. Dat gaet wel; want de liefde sonder \'t goedt is gelijck een dove kool.

W. O. de schoone landtgoederen, die hy heeft in Lombar-diën, en etlijcke duisenden aen baer geldt.

Sch. Gebenedijt moet hij wesen!

W. Simon is sijn naem; —

Sch. Al littekens 1) genoegh, daer de baere pinninghen spreken.

AV. — die naem heeft hy op het front 2) gecreghen.

Sch. Gaet al uw best en haelt hem. Ick begeer degeen te wesen, die haer onder des anders ooghen brenge.

\\V. Daer gae ick heen.

Sch. Rieuwert had geen sorghe voor sijn t\' huyscomen, maer voor de beestigheidt van deelen van \'t goedt; want de helft van sijn middelen te missen, is om heel desperaet te worden. Gelijck het, ter contrariën, een heerlijcken troost is, twee tref-felijcke boedelen in éen te moghen smelten. Ick wil nae Rieuwert gaen, en sien oft hem dese. boodschap benuchteren kan van de philosophic, die ick hem heb doen in \'t hooft loopen.

Vierde Toonneel.

Dr. Lamfert. Daer heb ick voor \'t bed van meester Claes van Kaeyendijck, al seg ick het self, sitten arguëren van de prima materia 3) van de koortsen, al seg ick het self. En ick heb

1) kenteekenen (eigenlijk lijk- of blijkteekenen). 2] op 7 voorhoofd (bij den doopj. 3) eerste oorzaak.

ocr page 136

— 132 — f

al die elementse fleersen, meeren, scheucken, en prijen van onderkoortsen , bovenkoortsen , opperkoortsen , buitenkoortsen , binnenkoortsen, en sluipkoortsen over den hekel gehaelt, dat het een lust was, al seg lek het self. En ick soudse \'m alle- Dr mael van d\'eerst tot de lest opgetelt hebben; maer dat ick er ghy in bleef\' steecken, quam daerby, dat ick vingers te kort quain gaen, om te rekenen. Sonder dat, al seg ick het self, et interim [in- tate i terea Aeneas seidt Virgilius) dum divido, subdivido, distrihuo, l W et distinyuo {quia qui bene dividit bene docet, per parenthesin) \' onbel omnes fehres et fehriculas et fehncitationes et fehricitatiunculas 1), t\'miji al seg ick het self, ego accipio 2) een inval, veluti alleveleens, L.

al seg ick het self, oft daer een gecomen had en geseidt had:

clarissime Domine Doctor Lamj er te Loscoppie Amersfordiense Medice, Phisice, et Naturalistic al seg ick het self; dat wijf, i dat het venijn van u coopen wilde, ai seg ick het self, wil daermeê haer man oft ïiaer moêr oft haer suster oft haer broêr vergeven, al seg ick het self. Ende alhoewel, hoc est: quamvis,

dat ghy haer gegeven hebt somnijerum, slaepcruidt, tarnen nochtans de persoon die \'t inneemt, coomende, in slaep te vallen, mocht het gebeuren, al seg ick het self, dat haer wijf, ( die swanger is, oft haer mayd, die met kinde is, cft haer sus-ter die groot gaet, al seg ick het self, daerin soo seer mocht verschieten, datse, al seg ick het self, een storting 3) oft een misdracht kreghen, al ^seg ick het self; quod, he.welcke, u mocht geweten worden, al seg ick het self, ei commaculare claritatem nominis famae et reputationis tuae 4), al seg ick het self; quod, hetwelcke, een punt is om op te letten, quia omnia si praedas famam praedare memento. Ita ut ego sum reso-lutus 5) te bevraegen, waer dat wijf gegaen, gestaen, gegeten, oft gedroncken heeft, al seg ick het self. Et miror, al \'seg ick het self, admirandam, stupendam, et incredibilem meam prudentiam nngularem ti), al seg ick het self.

1) en onderwijl, toen ick deel, verdeel, onderscheid en schift; want [tusschen twee haakjens) die wel onderscheidt, onderwijst wel; alle koortsen, koortsjens, koortsigheden, en koortsachtigheid-iens. 2) krijg ick. 3) miskraam, 4) den roem van uw naam, faam, en lof bevlekken. 5) omdat, maakt gij alles buit, vergeet niet ook roem te kapen, zoodat ick besloten heb. (gt;) En ik bewonder mijn verwonderlijk, verbazend, en ongeloof el jk by zonder doorzicht.

ocr page 137

— 133 —

Vijfde Toonneel.

Dr. Lamfert. Daer staet er een in de deur. Fijnman! hebt ghy niet een vronwpersoon, al seg ick het self, hier sien voorby gaen, die fenijn gecoft had, al seg ick het self, van mta clari-tate al seg ick het self?

Wybrandt. Ach, Domine Doctor! vertrouwt ghy soo aen een onbekent persoon venijn toe? Jae, ick hebse wel vernomen, t\'mijnen grooten leedtwesen!

L. Ghy mooght van geluck spreken, al seg ick het self, quia eyo dedi 1); want ick heb dat wijf slaepkruidt gegeven, om vast te slaepen, al seg ick het self, ende geen venijn, al seg ick het self, guamvis pharmacum accipitur in bonum et malum partem apud Graecos 2), al seg ick het self.

W. O, wonderlijcke voorsichtigheidt!

L. Hoc est quod dico 3). Denckt broör, dat Eva quaelijck een paer uren in de wereldt geweest had, of sy bedroogh haer man; wat wonder is \'t dan, dat de wyven schelms-loos zijn, die soo veel jaeren lang op de wereldt geweest hebben? al seg ick het self.

W. In de wanhoop is noch hoop.

L. Laet de hoeren loopen, laetse loopen, seg ick; want, al seg ick het self, sy zijn niet anders als boevery, pottery, schel-mery, popelsy, pestillency, oorlogh, ende duiren tijdt, en al den eenen preutel metten anderen, al seg ick het self; et bonus dies, hoc est: goên dagh! [af.)

W. Een goedt jaer voor soo goeden boodtschap!

Zeste Toonneel.

Wybrandt. Daer is de bruidegoom van degeene die meendi ellendigh te zijn, ende is geluckigh.

Dirck. Daer leidt de schoone nu, en mijn eenigh genot is geweest, dat ick haer de ooghen heb geloocken.

W. O, eenigh man ter wereldt, die u beroemen mooght van trouw bemint te wesen!

1) dat ik het gaf. 2) al wordt het woord bij de Grieken i/i goeden en kwaden zin gebruikt. 3) Dat zeg ik ook.

ocr page 138

134 —

D. Dit is Joncker Wybrandt. O, bloem van alle heusheidt ende beleeft heidt!

W. Verdrijft de quellijckheden ende laet uw swaermoedig-lieidt vaeren.

D. Dat is geschiedt mits dat ick u gewaer wierd.

W. \'t Geen ick gedaen heb, is niet te gelijcken by \'t geene ick nu koom doen.

D. O. wtnemend edel gemoedt!

\\V. Alle jalouzye ter zijden, ende laet ons te saemen gaen nae Joffrouw Cat rijn, dien ick altijdt kuisschelijck bemint heb. Daerentusschen ontslaet u de banden van de vreese des doods, want de dranck sal u doen slaepen ende niet sterven.

D. Ach, comt binnen, oorsprong van mijne vreughden! [Beiden aj.)

Zevende Toonneel.

Rieuwert. Ick lach om mijn lachen.

Slockspsck. Gaet ghy soo voort met uw leven, ghy suit met-tertijdt wéér aersling 1) gaen, en allejaer een jaer jonger werden; soo dat ten einde van veertigh jaer nae desen dagh, en suit gh\'er maer tien oudt wesen.

R. Ah, ah, ah!

Sl. Mij dunckt dat ghy bequaem soudt wesen om school te houden voor degeen, die wilden leeren jeughden 2).

R. Meenigh beest soudt vertwijfelt worden.

Sl. Waerom?

R. Om de dochters die weghgeloopen zijn.

Sl. Dencter niet om.

R. Die er meé opter loop zijn, moghen er om dencken.

Sl. Die biddense aen.

R. Zijn \'t dan Santinnen geworden?

Sl. Jae, voor sooveel als haer aen gaet.

R. En t\'huis blijvende, blevense Duivelinnen.

Sl. Voor my, ick houdt de eerbaerheidt voor een nufje neuswijs.

R. Wat is eerbaerheidt voor een dier? wat maxel heeftet? en wat officy te hoof?

Sl. Geen met allen.

1) achterwaarts, terug. 2) jong worden.

ocr page 139

R. Soo isse Jan niet met allen; want, waer sy wat, sy soud duysend officiën hebben: sy soudt hofmeesteres, staatjoffer, secretarisin, schildknaepin, boel en mignonne wesen.

Sl. Jae s\', trouwen 1), heerschap.

R. \'t Proffijt is van een so.irt als sy.

Sl. Dat\'s mijn seggen en mijn wijfs seggen meè.

R. Dese twee esellinnen ineenen de wereldt te brillen met haer eerbiedicheden, mijdentheden, sorchvuldicheden , en be-commertheden.

Sl. Ghy hebt my soo gepromoveert met uw discoursen, dat in \'t stuck van philosophiën my dunckt, ick soudt al de mutsen 2) van Leiden wel te raön geven, hoe scharpkantich datse oock zijn.

R. Daer komt Schynhailigh.

Sl. Dat\'s een patriarch.

Achtste Toonneel.

Schijnhailioh. Hoe springt het gemoet al met u om .

Rieuwekt. Gelijck als ick met hem.

Slockspeck. Nota.

Sou. In der liefden, het is my lief.

R. Het bejegent my gelijck ick liet bejegen.

Sl. De saecken gaen d\'een als d\'ander.

Sch. NTu seg ick u, dat de gunst des Fortuins stiefmoeder is van onze saecken, ende de genaede Godsmoeder, et sic de singulis 3).

R. Ah, ah, ahl

Sch. De gewoonte van dit lachen sal uw tweede natuir werden.

R. Sy is \'t al.

Sch. \'t Is my lief, als ghy der maer middelmaet in kunt ge-bruicken.

R. Mijn ooren hebben geswooren, nemmenneer vets het hart te boodschappen daer \'t behaegen oft mishaegen in heeft.

Sou. Wilt ghy niet, dat sy overdraeghen, dat Joncker Eelhart van Westen uw dochter Jaquemijne getrouwt heeft;

1) Ja zij, waarlijk. 2) Doctorale, namelijk der professoren. 3{ en zco iu \'t bijzonder.

ocr page 140

— 136 —

R. Ghy mooght dencken, dat \'tgeen, daer ghy my vanspreeckt, een roos is, ende ick een verkonde neus.

Sch. Daernae, de Stille, in plaets van moeite te maecken om

Tlijt, is te vreden, dat hy Duif trouwt.lijt, is te vreden, dat hy Duif trouwt.

R. Dit gaet my ter harten, gelijrk een die sit en sluimert, Kvtgewaeckt 1) zijnde, de rede van een ander doet, daer hy in plaets van jae, neen, ende in plaets van neen, jae op antwoordt. j Sch. Joncker Rieuwert, weet ghy niet, dat, hoewel de luiden L meest geneghen zijn tot het wterste, nochtans de middehvegh 1 meest te prijsen is, als daer de deught op beslaet?

/ R. Domine Schijnhailigh! weet ghy niet, dat die de steen wt der hand geworpen heeft, canse niet terug doen keeren, als sy in de lucht vliedt 2)?

Sl. Dat\'s een man.

R. Wilt hy Duif hebben, hy maghse nemen; wil hy niet, hy maghse laeten.

Sl. Wel geantwoordt.

Sch. Maer hoort, de vaeder moet sorghe draeghen in der j redelijckheidt voor sijn kinderen, gelijck een prins voor sijn / ondersaeten.

Sl. Toont u standvastigh.

R. \'t Is onmoghelijck, dat ghy my anders maeckt dan gelijck ghy my gemaeckt hebt.

Sl. Soo moet het gaen.

Sch. En sal u, naer 3) de kinderlijcke liefde, de broederlijcke niet ter harten gaen?

R. Wat hoor ick van broeder? —

/\'Sch. Hy is in \'t leven, rijck, sonder kinderen, ende hier in ,• Den Haegh; sulx dat ghy eenigh erfgenaem van sijn goedt suit \' wesen.

R. Ick ben, die ick was; en die ick was, die ben ick.

Sl. Dat het my niet quaelijck en paste, mijn heer, u te willen raeden, ick soud seggen, nu hy rijck en sonder kinderen is, dat ghy hem daetelijck gingt in den arm nemen met een afgrijsselijcke fury van stuipen 4) en kniebuighen.

Sch. hy sal niet in gebreecke zijn van de wercken der liefden te bewijsen.

1) uiigewaakt. 2) Het oorspr. xilmi gaf zoowel vlieden als vliegen. 3) Thans na. 4) buigen.

ocr page 141

— 137 —

Sl. Rijck en somier kinderen, he!

R. „Een ruiter en een maisjen jong —quot;

Sl. Ah, ah, ah!

R. „Op een riviertjen, dat sy saeten —quot;

Sen. Waer soud men beter heerschap vinden?

R. „Hoe stille maer dat dat water stond —quot;

Sen. Exultant justi in Domino 1).

R. Wat raffelje?

Sch. Canticum Canticorum 2).

R. Is hy rijck en sonder kindt, soo is hy\'t; en is hy \'t niet soo is hy \'t niet.

Sch. \'t Is die man, dien wy voor u aengesien hebben.

Sl. Weet ghy niet? heught het u niet?

R. Het heught my, en \'t heught my niet.

Sch. Hebt ghy my desen morgen niet. geseidt, dat uw verloren broêrtjen Simon geheeten was?

R. Oft ick jae segt oft neen, dats evenveel; want het zy niet oft het zy, ick raeck niet wt mijn fantazy.

Sch. Gaen we in huis. Ick ben versékert, dat het geluck u bedroopen sal, dat Schenckenschans niet sonde konnen weder-staen tegens de scheuten der soetigheidt van kinderen, broeders, swaeghers, en \'t goedt.

Sl. t Lest was *t best; \'t goedt is de bruidt, daer \'t al om danst. {Allen aj.)

Negende Toonneel.

Simon. Wel, wat seidt die persoon, die my van \'t huwlijck quam te praeten? dat hy mijn broeder is?

Wouter. Dat seg ick niet.

S. Wat dan?

W. Maer, dat den anderen, die u soo wel gelijckt, uw broeder is.

S. Soo meen ick het.

W. Soo ist oock, mijn heer.

S. Ach, welcken vreughdt!

1) De rechtvaardigen verblijden zich in den Heere. 2) (Uit het Hooglied,)

I

ocr page 142

— 138 —

Tiende Toonneel.

Wouter. Siet daer den man!

Schijnhailigh. Domine, labia mea aperies 1).

; W. Och, hy is soo devoot!

Sch. Al wetende dat U. E. Joncker Simon is, ken 2) ick niet laeten te gelooven, dat ghy Joncker Rieuwert zijt.

Simon. Die schijn heeft my heden veel moeitens gecost.

Sch. \'t Geluck heeft u door ommeweghen aen den andren 3) willen helpen.

Sim. Ach, een wr duert my een jaer, soolang ick hem niet en sie.

Scn. Het bloedt, dat treckt.

Sim. \'t Hart is by hem.

Sch. Gierigheidt is een schandelijcke sonde.

Sim. Hy spreeckt in sich selven. s

Sch. Die geeft daer \'t besteedt is, eer heeft hy er at.

W. My dunckt, ick verstae u.

Sim. Hy verblijdt hem in sijn eighen geest..

Sch. En \'t geen men geeft aen degeene die \'t waert is, dat is overwinst.

\\V. Die ooren heeft om te hooren, hoore.

Sim. Laet ons t\'saemen vroolijck wesen.

Sch. De miltheidt is een deught der grootmoedighen.

W. Hebt geen sorgh, dat het heerschap sal ondanckbaer zijn.

Sch. Hy duide doch de wereken der liefde ten besten.

W. Dat doet hy oock.

Sim. Ick ben my selve niet.

W. Betaelt hem sijn maeckelgeldt en gaen we met hem.

Sim. Houdt daer, tot een nieuwen mantel.

Sch. Liefde is liefde.

Sim. Ghy suit by my te cost gaen.

Sch Sijns naestéhs moeiten te vergelden is van den geslachte des goeds; d\'ellendighe te helpen, de tongh te bedwingen, \'t ongelijck te vergeven, ende de waerdighe te eeren, is van den afcoomst des goedertierenheids.

W. Ghy sijt een geleerder man.

1) Heer, gij zult mijne lippen ontsluiten. 2) Gewestelijk voor kan. 3) elkander.

ocr page 143

Sch. Och! ick ben een idioot; een idioot ben ick!

Sim. Heeft hy kinderen?

Sch. Een huis vol.

Sim. Soonen oft dochters?

Sou. In den eersten een huisvrouw; Noach souder meê be-waert geweest hebben, sulcken huishoudster is \'t, soo wetende en soo deughdelijck; vijf dochters, elck fraeyer als andere, van dewelcke desen avondt, favente Deo 1), de huwelijcken sullen gesloten werden.

Sim. Hoe juist coom uk te pas!

Sch. Maer hoort: ick wil u gewaerschouwt hebben, dat, om redenen van sekere tegenspoedt, ick uw broeder heb geraeden ende in \'t hooft gehangen, de fortuin t\'eenemael te verachten, sulk dat hy niet en doet als lachen om geluck en ongeluck.

Sim. Seer wijsselijck.

quot;NV. Dat sal ick hem niet nadoen.

Sim. Draeght respect, alsser een man spreeckt gelijck dit is.

Sch. Daer leit niet aen; maer ick soude niet gaeren hebben, dat ghy \'t u belghde, indien uw broeder u wat oubol-ligh 2) bejegende en met luttel vriendschaps bewellecoomden. Komt, ga-jt met my.

W. Ghy zijt heel bestorven.

Sch. Een teecken der broederlijcke liefde.

W. Bes wij mt niet.

Sch. Siet daer het nest, daer ghy wtgenomen zijt, eer uw leven vlug was.

Sim. O vaedershuis, weigevonden! weigevonden, o vaeders-huis!

Sch. Laet ons ingaen en verbaesen \'t huisgesin met de schie-lijcke vreughdt. (-4/.)

Elfde Toonneel.

Slockspeck. Wouter). Hoort hier, laet haer lachen en gin-negabben, en huilen als hofhonden, soo \'t haer best aenstaet. Ick sie u voor een eêlen baes aen.

Wouter. Ick u meê.

Sl. Sullen wy broêrs wesen ?

1) niet Gods ymiste, zoo God wil. 2) dwaaslijk.

ocr page 144

— 140 —

W. Ick ben te vreén.

\\\\t\' een van (^e huisen —

W. Het staet my wel aen.

W HvTquot; \'t,rinCk-en ,is Ian gt; swaerste quot;-erek dat n.\'er doet

u.\' «Tt, ™mer syn broör met ontkennen.

tgt;L. Alhoewel dat hem een sekere oril overgecomen is dat

V\'DaThoor fckquot; 0ft tlquot;aelijck quot;aet-

iimeckt01quot;116 hebt 0nS Van daegh 0p een \'quot;\'j\'*quot; nae Seck ge-W. Kn ghy ons.

Sl. Speelje?

W. Alte met, jae.

Sl. Dat troeven is een geneiight van duysendt gakhen! \\\\ . Jae, wierdm er niet kael af.

Sl. Dat roemsteken!

W. En landsknechten!

W. TeTsevenen.1quot; quot; St0ndt\' Wat tij S0,1lt;U ghe slaePen Saan? Sl. En wanneer opstaen?

W. Ten elven.

Sl. Wy zijn een paer.

W. Dat wannen van \'t bed \'s winters confijt u de leên. öl. \\\\ at houdt ghy van de croegli?

W. Niet weinigh.

1

. Jveunje wel van t grootjen scheven?

W. Ick seller geen landt om koopeii.

Sl. Leght ghy wel een vechtwerckje meê alte met, oft houdt gny t met de pais en vreê?

W* Ick heb al te met al schrap gestaen.

Sl. Die my soeckt, vint my oock.

W. Ick plagh een Droes te wesen.

Sl. Twee alleens klapmuts.

W. Daer is \'t al gekalt.

Sl. Daer wordt ick geroepen.

W. Gaen we binnen. (Af.)

ocr page 145

Twaalfde Toonneel.

Sciiijnhailigii. [tot Belt/). Onse lieven Heer seindt*u dus een swaegher tot vergelding van de liefde.

Bely. Ick ben soo vol blyschaps, soo vol, dat ick niet en weet wat iek doe.

Sch. Wel magh men seggen; meer gelijck als eighen.

B. Riemvert met sijn lachen gelijckt beter 1) crancksinnen 2) als by sijn verstandt.

Sen. Hy doet wel ende hy doet qnaelijck; hy doet wel, dat hy hem niet laet venvinnen van \'t geluck, en hy doet qnaelijck, dat hy \'t niet aenneemt. Niettemin sijn neus wijst wel wt, dat hy verhenght is.

B. Dat\'s goedt te sien.

Sch. Uw dochters, die haer oom geljicken oft sy wt sijn aen-sicht gesne^n waeren, doen hi-m al de vriendschap, die sy bedencken konnen, en hy sit en schreit van blijdschap.

B. Gaet doch en siet eens, oft ghy Joncker Wybrandt vinden kunt; Catrijn seidt, dat hy onse Machtelt wel in haer plaets ten hmvelijck begeeren sonde, segt hem dat ick te vre-den ben, laet hem comen om \'t hnwlijck te sluiten ende te teeckenen. Ende brengt doch Jaqnemijn met haer vrver mede, om \'t selve te doen. \'t Is mijn mans schuldt, dat hy \'t met vrundschap niet toelaeten wilde, \'t Is een deughd van de jongman, nu hyse in sijn macht heeft, dat hy se noch trouwen wil; hy hadse moghen beswangeren en ons weêr \'thuis sen-den; en wy hadden noch al gedult moeten nemen, mee.

Sch. Een kleene saeck; sy soud al evenwel een vryer gecre-gen hebben; de liefde tot den evennaasten is nu soo groot, dat men hem langher niet en stoot aen sulcke beuselingen; welverstaende, alsser geldt is. De wereld is verlicht.

B. Wy sullen u wachten, domine.

Sch. Noch een woordtjen.

B. Gaerne.

Sch. Was \'t niet geseidt, dat Steven Joffrouw Duif trouwen sonde, ende niet alleen in de pekel blijven steecken.

1) 7neer. 2) krank van zin, krankzinnig.

ocr page 146

B. Jae \'t, trouwen, ick hebber in geconsenteert.

Sen. lek sal sien oft ick hem met een kan vinden.

B. Domme, noch wat. Laet Jaquemijne achter in comen om d\'opsicht van de gebuiren.

Scu. Dat wijst hem selven.

B. De poort sal open wesen. (Af.)

Dertiende Toonneel.

Snoep. Och, domine, lioe heb ick u loopen soecken\'

schunhailioh. Wat isser dan te doen?

Sn. Mijn Jor.cker heeft my om een siecketrooster gesonden; want hy is van meening te nacht den geest te geven, ten/.y dat ghy hem sijn pais weet te verwerven van d\'oudérs van Joffrouw Jaeqiiemijne; soo hardt valt hem, dat se in schande sonde komen.

Sch. Alle ding is van een leyen dackjen afgeloopen; -aet, segt hem, dat hy bruigom is; laet hem achter in komen, tot haer vaeders, en hy my wachten in de kerek, ick sal daer datelijck koomen.

Sn. Ick vliegh; by get, wat sal hier een slempery op loopen!

Veertiende Toonneel.

Schijnhailigh. Daer is hy; jae, hy is \'t.

Wybrandt. Het spreeckwoordt zeidt: men moest Kay oft Coningh gebooren wesen; maer die Kay nocht Coninuh is werd een geveinsde Heyligh, en hy sal daer verder meê komen\' dan oft hy Kay oft Coningh waer.

Sch. Die daer achter hem komt, dat\'s Joncker Steven; seper-tjens 1) mijner liefden 2) is, oft ick de seilsteen van de men-schen waer, soo sneeuwen sy my op het lijf.

Steven. Als \'t soo lucken wil.

Scir. Joncker Wybrandt, Joncker Steven.

St. Domine.

Wyb. Hoe gaen de saecken

1) Voor zekertjem. 2) mijn persoon.

ocr page 147

— 143 —

Sch. Al voor windt. Ghy snit Joffromv Machtelt, en ghy Jof-frouw Duif trouwen, met vrienden wil, ende Joncker Eellmrt Joffrouw Jaquemijn. Hy sal in de kerck by ons koomen. Komt, gaen \\vy derwaerts, om t\'saemen nae \'t huis van de bruiden te gaen.

Wyb. Gaen we.

St. Ick volgli. Zedert dat ick vernomen heb, hoe Alijt met de man gevaeren is, is \'t alleens gelijck oft sy my met een nijptang wt mijn hart getrocken was; en ick heb al mijn sin-nen aen JoftVouw Duitquot; gehangen, om aen \'t selve huis te hu-welijcken.

Vijftiende Toonneel.

Simon {tot Riemvert). ïck sal voortaen min nocht meer zijn., dan u believe dat ick zij.

Rieuwert. Soo suit ghy dan nocht luttel nocht veel zijn.

Sim. Hoe dat?

R. Omdat my niet belieft, dat ghy luttel zijt oft veel.

Sim. O, broeder!

R. Wat mach hier al dit gedrocht van hoeren en jongens voor door 1) doen? Isser dus veel aen een bruidegom vier of vijf te sien? \'t zijn immers menschen!

Sim. O, mijn broeder!

R. De deun 2), die wy van daegh in huis gehadt hebben is al 3) Dtn Haegh, over, duckt my.

Sim. lek ben opgetooghen.

R. Ick leg de Amsterdamsche Comedianten hier een spel af te speelen, maer ick passer niet op 4).

Sim. Och, wat een ding is \'t vrienden te hebben!

R. En oft ick er al op paste, soo mocht ick er my meè troosten, dat het niemand verstaen soud, als de man die \'t gemaeckt had, trouwen.

Sim. Wat schooner nichten heb ick daer! Een huis vol schoone kinderen hebt ghy, broeder.

R. Todos es nada 5), seit de Spagnardt.

1) deur. 2) pret. 3} geheel. 4) yeej er niet om. 5) Alles is

ocr page 148

— 144 —

Sim. Siet, daer komt Schijnhailigh. O, wat schooner ioni^-nians sijn daer by hem!

R. Vanitas vanitatis et omnia vanitas 1) /

Zestiende Toonneel.

Schijnhailigh. [tot de 3 vr.jers). V^oljrht ghylieden my al, voetjen voor voetjen.

Simox. Welcoom, domine.

Sen. De liefde zy met u!

Steven. Maer lieve, siet eens hoe zy den anderen gelijcken.

M ^ brandt. Die t niet en saeghe, sonde \'t niet celooven.

Kelhart. \'t Is seker soo.

Sen. De swaeghers, die ghy crijght, sijn vijf leliën, gswossen 2) m den hot der beleeftheidt. O bloeyende jeughdt! o, groene jaeren! o vermaeckelijcken ouderdom! o edel bloedt! hoe helder blinckt ghy in dese personen! Den Heere sy lof en danck! Soli Deo (floria 3)/

Rieuwert. Nada es todos, todos es nada. Vanitas vanitatis. seit de wijseman.

Sen. Joncker Simon onthaelt haer persoonen e:elijck zv waer-digb zijn.

Sim. Och, mijn Heerenl een vriendt en bloedoom sal ick «lieden verstrecken.

II. Kt omnia vanitas.

Sch. Daer komen de bruiden aen. Och, het schijnt een legioen Engelen!

Zeventiende Toonneel.

Bely. Och, mijn hart is soo vol van vreughden, dat het byna beswijckt! o gezegendt lichaem, dat sulcke dochters gedraeghen heeft! gezegende borsten, die haer gesooght hebben! M ant het sogh, dat zy trecken wt de borsten der minnemoederen 4), ontsteelt ons de quintessentie van de kinderheld in snicker maniere, dat zy haer nauwlijcks en voelt trecken van haer eighen bloedt.

1) IJdelheid der ij delhedenalles is ij delheid. 2) Anders gewassen. 3) Gode alleen zij de eer. 4) Thans tot minnen afgekort, gelijk hakermiteder of -rnotr tot hak ei\'.

ocr page 149

Schijnhailigii. Die Sibilla Erythrea, Deltica, ende Cumana, t\'samen inden anderen gesmolten, en conden niet meer wijs-heit te voorschijn brengen.

Rieuwert. Ah, ah, ah!

B. Kinderen, nu geef ick u mijn benediccy met de mondt ende metter harten, ende consenteere Alijt, Catrijn, Duive, Machtelt en Jaquemijne ten huwelijck aen Joncker Lubbert, Direk, Steven, Wybrandt, en Eelhart.

R. Todos es nada.

Smosr. Ick heb soo veel vreughdt, dat mijn hart se niet en weet te berghen.

Sch* Gaet en begroet de broeder van uw toecomende schoon-vaeder, die God hem op heden weder heeft doen vinden.

Sim. Mijn is leedt, vrienden, dat ick my selven niet en kan yerdeelen in soo veel persoonen als ghylieden zijt, opdat ick, in \'t huis van elcke nichte, één in persoon mocht tegenwoor-digh wesen.

B. O, waerde swaegher!

R. Ah, ah, ah!

Sim. Maer d\'een van ulieden sal mijn gedachten hebben, de tweede mijn gemoedt, de derde mijn sin, de vierde mijn hart, en de vijfde mijn geest.

Sch. O, philosophic der liefden!

Sim. Sulx dat ick by u wesen sal, al ben ick er niet, ende. er niet wesen, al ben ick er.

R. Ah, ah, ah!

Sim. Ende alsoo suit ghy wesen d\'wtspanning van de sorghen mijns ouderdooms, de verquicking van de swaermoedicneidt der jaeren, ende de soeticheidt van mijn rust; ende door U L. sal de pijnlijckheidt des tijds my verkeeren in spelengaen.

B. Ach, komt alt saemen binnen! gaet voor, dochters ende ghy bruidegooms! Domine Schijnhailigii, comt binnen!

Sch. Ick sagh nae Wouter, die comt daer met de bagagië.

W. De paerden worden achter in de stal gebracht. Comt in, maets! laet u eens schencken, ick sal u aen geldt helpen.

Slockspeck. Komt binnen, maets!

Dagiidief. Komt, ick sal u de kamer wijsen, daer \'t goed moet wesen.

Qüisttijdt. Kom, Lijsbet, waer zyje ? de sleutel van de kelder! {af.)

ocr page 150

Achttiende Toonneel.

Dr. Lamfert. quot;W el, dat loopt wel af, al seg ick het self, nae \'t quaelijck geschooren was, al seg ick het self.

Rieuwert. Wel oft quaelijck, todos es nadn.

L. Sal m\'er soo vijf hylijcken teffens sluiten, hoe wil m\'er t\'avent bancken, al seg ick het self.

R. Nada es todos.

L. Ego praeservavi filiam et socerum tuum contra venerium 1).

R. Hebje soo hebje; hebje niet, soo hebje niet.

L. Ego volo dicere, quod ratio honestatis 2), al seg ick het self, lt;lat de eerbaerheidt wil, vereischt, flagiteert, ende medebrengt, al seg ick het self, dat mijn claritas 3) t\'uwent mede op het bancket behoort te wesen, oft te bruiloft, oft, al seg ick het self, ten eersten om een voetjen genoodt, al seg ick het self.

R. Ah, ah, ah!

L. Non propter Slempslurio, sed ego sum adhuc galiardus 4) weeuwenaer, al seg ick het self: een gladdert, een gladdert.

R. Wilje komen, ghy meught; wilje niet, ghy mooght het iaeten.

L. Satis hdbeo 5), al seg ick het self, ago gratias 6) als ick het heb, al seg ick het self. —

Rieuwert. {tot de toeschouwers). Mijn heeren toekijckers, de poëet die \'t spel gemaeckt heeft, heeft al alleens grillen in de kop als ick; daerom weet ick wel, dat ick een sonderlinge dienst doe aen u te seggen, dat soo \'t u wel behaeght heeft, \'t is hem lief, en soo \'t u niet behaeght heeft alderliefst; want hy houdt al sooveel op lof als op bister, op laster als op lof. Want al is 7 niet, en daerom die sterft magh sterven, die gebooren word, werde gebooren; ende, sonder meer werck te maecken van sonneschijn oft van reghen, die afbreken wil, breeckt af, en die timmeren wil, timmere. Want todo es nada: al is niet.

1) Ik heh uw dochter en schoonzoon voor vergif bewaard.. 2) 11c wil zeggen, dat uit hoofde der eerbaarheid. .quot;gt;) beroemdheid. 4) Niet wegens 7 slam.po.mpen, maar ik hen ncch zulk een wakkere. 5) Ik ben voldaan. (V) ik zeg n dank.

ocr page 151

— 147 —

behalven Godt die al in ai is 1). En wilje. klappen, klapt, wilje het laeten, laet het.

1) „Mij komtquot; (schrijft Kamphuysen aan Geesteranus, naar aanleiding dezer woorden van Rieuwert) „mij komt in de gedachte , wat ik, in de dagen dat de ijdelheid zelve mij rïog geheel aan zich gebonden hield, in een Italiaansch blijspel van Aretino las, die wel een goddeloos en onheilig man was, maar dstór toch dingen schreef, die het verwonderlijk moet schijnen hoe zulke goddelijke gedachten in het brein van dien godde-loozen mensch hebben kunnen opkomen .... De woorden, waarmede hij, alles niets achtende, den mensch gexniilüoslieid schijnt voor Xe schrijven, beduiden niet, dat hij alle harts-to\'chtëif3quot; in zich uitdooven, maar hen allen tot iets anders keeren moet, zoo voortreffelijk, dat er alle dingen bij veronwaarden , vervuilen en geheel verwerpelijk schijnen, en van zulk een natuur tevens, dat hi\'t geheel filleen ons tot de stof onzer liefde, begeerte, hoop, troost, vreugd en wellust strekken kan.quot; {AUj. Kunst- en Letierhode, 1853, I, blz. 325 vv.). Geheel hetzelfde wat hij vervolgens in zijne Stichtelijke Rijmen over de Omkeering der hartsbewegingen zong:

Tochten en beroerlijkheden blijven bij.

Geen begeert\' wordt geweerd.

Geen ingeschapen lust blijft ongeblust;

Lieven, haten, hopen, vreezen ....

Is al goed, als \'tis gewend Na \'t rechte end.

De wulpsche Aretijner heeft zich zeker nooit voorgesteld, dat, een honderd jaar na hem, een kettersch dichter uit het verre Noorden zulke stichtelijke lessen en bespiegelingen uit zijn luchthartigen en lossen tooneelkout trekken zou.

ocr page 152

„Ick stel u hier naecktelijck en schilderachtigh voor ooghen de misbrnyeken van dese verdorven werelt en de gebreck-lijckheit van onse tijdt, biddende den Almoghende, dat hy de mijne en de uwe ghenadelijck wil te hulpe komen; want Hem is bekent, dat ick dit niet uyt haet noch om yemandt te vertoornen noch te verbitteren, maer om my en alle menschen te. verlustighen gheschreven hebbe .... En zoo de ghemeene spelen van oudts af niet anders en verhandelden als hetgheene by de ghemeene man ommegingh, soo hebben wy, na de cleyne ervarentheyt van de wereltlijcke dingen, ons volc niet hooger doen spreken dan sy verstaen of dagelijcks mede ommegaen.... Wy en sijn daerin de eerste niet; de Griecken, de Latijnen hebben \'t ons wel lustelijck voorgedaen. Dat blijekt aen Aris-tophane, Plauto, Terentio, en eenighe andere onbeschaemde, die nochtans van de huydendaechsche schoolgeleertheit de

jonghe jeught voor klockspijs en leckerny ingegheven wort____

Nu en heb ick \'t in der waerheit op niemant in \'t besonder gemeent, maer heb ne kluppel in \'t hondert blindeling geworpen, luck raeck; die getroffen is, volght het rijmpje: Doetet u seer, Wachtet u meer.quot;

B R E D E R o (voor zijn Sjmenschen Brabander)

ocr page 153

NAGEZIEN EN NADER TOEGELICHT

Dr. J. BEKCtSMA.

ocr page 154
ocr page 155

HINDERLIJKE DRUKFOUTEN.

11 vs. 10 v. b. 1. droevigh.

14 vs. 2 v. o. 1. onlanks,

16 vs. 10 v. b. 1. hebben.

17. Op vs. 3 v. b. ontbr. de rijmregel. Mogelijk is er voor weggevallen, bv.: Ik koom terstont weer, doetse eerder niet of.

20 vs. 9 v. b. 1. schalde ren: ren aanv. wijs in den bijv. zin, schalde mv.: moet hollen om zijne schalden in te vorderen.

27 vs. 4 v. b. 1. sluit.

33 vs. 2 v. o. 1. meit.

34 vs. 13 v. b. 1. al.

39 vs. 10 v. b. 1. was? de zin is eene omschrijving van

„op hieter da et.quot;

43 vs. 4 v. b. 1. klieren.

46 v. 13 v. b. 1. Justicy.

48 vs. 2. v. b. 1. deur is hij!

49 vs. 11 v. b. 1. wat hebj\'.

vs 12 v. b. I. waer hebj\'et.

53 vs. 15 v. b. 1. het booste, d. i. het slechtste. 60 vs. 3 v. o. 1. dit is.

G7 vs. 3 v. o. 1. alles.

73 vs. 7 v. b. 1. speult.

74 vs. 7 v. o. 1. ien aelmis.

ocr page 156

WOORDENLIJST OP DEN WARENAE. 0

aan 33 in, 73 aan den gang.

aangaen 55 naderen.

aanlooien 48 in ongelegenheid komen.

aer 27, 40 ander.

aerde 71 andere, eig. anderde, zoo dubbelde ^/^/^.quot;Waarschijnlijk behoeven deze vormen verschillende verklaring: dubbeld door invloed van het verl. dw. van dubbelen, enk el de parag, d, andeivfe mst een dubbelen uitgang, naar anal, van tweede.

aers 15, 43, 45, 59 anders, althans.

aezen 81 eten.

aftouwen 43 afdoen, afmaken.

al 12, 24, 30, 51, 54 als, 31, 77 alsof, met de woordsch. van al. In Gron. en W.Vla. nog bekend.

allernael 63 verbastering van altemael, 71, 74 geheel. als 23, 08 dan, 32, 43 tenzij.

arbeit 70 bevalling.

baet 56 hulp.

bakkes 13 bakhuis, mond. Nog ziet men vliegenvangers, gevormd uit twee aan de binnenzij besmeerde planken, die onder een scherpen hoek staan.

banken 13 blijven zitten.

barbier 37 heelmeester. Zijn symbool is een bekkeieel 54, hetzelfde woord als bekken.

bederven 58 in \'t ongeluk storten.

beet 22, 29. Wij zouden zeggen boon 32, beetje, waarvan de eig. bet. op bl. 71 voorkomt.

begeer 17, 23 begeerte, stam van \'t werkw.

1) Woorden, die aan den voet der bladzijde reeds verklaard waren, zijn niet opgenomen.

ocr page 157

beklijven 58 voorspoed hebben.

hekoren 20 verleiden.

beleggen [tuig) 3G getuigenis bijbrengen.

benarren 56 in \'t nauw breuken, benauwen, als in \'t bekende #Vroolijk levenquot; van Poot. Hiervan ons benard.

bescheit 70 oordeel, bescheidenheid.

besteden 26, 71 plaatsen, uithuwen.

bestek 11 grenzen.

besterven 47 impf. « voor o, er van sterven, het besterven,

bestevaer 10 grootvader.

bet 36, 48, beter, meer.

bevelen 15 aanbevelen, toevertrouwen.

bevesting 25 bevestiging.

bezeten (houden) 10 in bezit (hebben).

bezoeken 49 onderzoeken.

bezorgen 28 zorgen voor.

bidden 28 verzoeken, uitnoodigen.

bieden 75 hier van geluk, elders van hulde, eer, enz.

bij 29, 68 door.

bijkomen 29 plaats hebben, gebeuren.

binnenhaert 37 binnen, onder den haard. Vgl. bl. 10.

blaasbalk 30 blaasbalg.

blootmaken 56, ontblooten 63 openbaren, ontdekken.

bokken 29 bokking. In Maart is hij het droogst.

bot vangen 41 een blauwtje loopen.

breken 37,48, 50. Vgl. het ig. hoofdbreken 45.

broeis 41 van broeden; vgl. speelsch.

bruids [de) -vrienden, -vaer, -rvijn 29, 47. Vgl. quot;de Gods dienst\' thans de Godsdienst. De 2de nv. op s gaf aanleiding tot he lidw. des, bl. 34. Zie bl. 11.

bruiloftstuk 27 gift aan de dienstbode bij de bruiloft.

buik 14 romp.

compeer 38 compagnon, Fr. compère.

dan 42 dan dat. dank 59 wil.

ocr page 158

6

darren 33 durven. Het enk. was eig. dart het mv. en de infin. dorren. Zoo is derven 52 (durven) ook uit het enk. darf^ derf ontstaan, orageerd zei 10 uit het mv. zeilen 53 {zelen = zullen).

dat voegw. wordt weggelaten na hopen 23, willen 69, wedden 60, 68, 69. — dat 71 afh. van een verzwegen zóó of iets dgl. Ygl. ons „ik heb hem gekend, dat hij nog klein wasquot;; 73 wat.

deeg 54 goed, een verouderd vrouw, subst. Ygl. ons „niet veel deeysquot;\\ ie deeg, degen 14, 19, 20, 40, 45 goed, ter dege.

deel 34, 41, 46 troep, menigte; vgl. een partij meuschen, een stuk geld, Gron. een deel g.

derven 52 durven, zie darren. Wij zouden zeggen ie d, des 11 aanw. vnw. onz, gen. zich d. wachten = zich daarvoor in acht nemen, d. vroet zijn — dat weten.

dewelke 10 welke. Nog hetwelk.

dezelve 10, 22, 75 dezelfde.

doch 10, 24, 52, 53, 68 toch. Ook in den Statenbijbel.

doe{n) 30, 52, enz. Ook in den Statenbijbel.

doefi 10 geval, 21 toestand, staat; het werkw. vervatgt 15 een voorafgaand gezegde.

dood stroom 31, eigenlijk sti] water.

door (Amst. deur) 16, 24, 56, 58, 50, enz» van door.

dragen 15 verdragen.

dreg 16 haak, beugel; 44 soort van anker.

dundoek 40 neteldoek.

dusschen 34, 62, 71 zoodanig een; uit „dusk (bijv. nw ) een\'\' (Verdam).

een 53 iets, een arger: iets, dat erger is.

eerlijk 23 braaf, verdienende geëerd te worden, mei eer en 24, 32, eervol. Het tegengest. is oneerlijk 39.

ey lieve 23, 32, 38, 75 een tnsschenwerpsel, waarvan het tweede deel eig. een vocatief is, zooals o God, Oi?/« «m^») 57, enz. ^/50 elders.

eleman 29, 42, verbasterd uit element, en uit edele man; vgl. eelebaas, mooie kerel, fijnman 36, 38. eele toeken 69 verbast, van heilige week.

ocr page 159

7

en 10 vs. 7 v. b. die. In \'t Mnl. gebruikelijk. In en-nietW, 24, 28, 35, enz. niet, en-noit, en-geen 10, enz. wordt tie ontk. en versterkt.

fijntjes 15 netjes.

flus 11, 13, 15, 25, 20, 33, enz. uit fluks met de bet. van straks, spoedig. Mnl. vlus uit vluchis, gelijk sles 11, 15 uit slechts.

gaan 9 hulpw. van tijd: met de Westerkerk begon men te bouwen in 1620.

gans 24, 37, 40, 41, 46, 55, 59, enz. verbast, van God(d. i. Jezus). Andere verbasteringen zijn (jet 40, 47, 50 (waarvan ons gut), gort 55, 66, 69 (vgl. grut),

gantsch 20 ganscli, van \'t Du. ganz,

gat 19, 27 opening, deur. Vgl. Eng. gate» gaet 41, 74 straat, Du. gasse.

gebuerken 40 verkl. van geluur, thans huur. \'t Verkleinwoord duidt hier een vrouw aan; vgl. Jantje, grootje, enz.

gegoed 22 met goed voorzien.

geexkap 35 eig. kap van een gek, fig. de gek zelf. Vgl. zotskap, Roodkapje, enz.

gelijk 64, 74 zelfst. nw.; hei bijv. nw regeert een datief. gemeen 75 gewoon.

genoegen 21 tevredenheid, eig. zelfst. gebr. infin. als \'t Fr. plaisir, \'t Du. vergnügen, e. a.

genot 61 voordeel.

gerechiigheii 60 recht. Zoo trouwicheit 77, eenvoudigheid, zinnelijk heit, 20, 24 zin. enz.

gereedt 19 uitgerust. Vgl. reeder.

getrantel 66 gezeur. Van tranlen bl. 40 (echter niet verwant met drentelen).

geven met 21, 42 meegeven 25.

goekoop 14 dat is goede(n) koop, thans goedkoop ; als nieuwjaarsgeschenk zou zij de galg krijgen, de beste koop 24 het goedkoopst. De comparatief was beterkoop. Zie Bïlderuijk\'s Spraakleer, bl. 111 en zijne aant. op Van Harens Geuzen (IT. 172).

ocr page 160

yorren 30 gnorren, knorren.

grootschool 45. Zie bl, 80.

gruis 37 korrel.

guit 76 bedrieger, boef; guitenspel 19 bedriegerij.

haer 15, enz. hun, 20 slaande op een collectief, te vertalen door zijn; 10 (vs. 2), 30; 39, 68 zich.

hart en zwart 21 moeilijk en ellendig.

haspel {op den) passen 76 aan \'t werk blijven.

hebben 32 „daar liadje \'t nietquot; = dat had je mis.

heeroom 31 pastoor, dominee. Vgl. voor de samenstelling heer koning, heer Bruis, en de alg. bet. van ootw, die nog bij kinderen voorkomt.

hem 10, enz. zich. „hem gene(e)ren opquot; = zich onderhouden met, leven van.

her uit 13, hieruit 32 naar buiten; vgl. henoaert 35 = hier 64 zzz hierheen.

hylijk 25 huwelijk j hiervan hyliken 38, 47 huwen; uilhylijken 18 uithuwen, v er hy liken 53 door het trouwen verspelen, op it hylik zitten 28 het huwelijk vieren,

hoog er zij 32 rechterhand.

iet 28, 47, 70 iets.

ijdel 14 leeg.

ii)mer{s) 10, 15, 47 toch, bepaald.

in 39 vs. 10 aan.

indien dat 69 indien; dat viel later weg, evenals bij naardien dat 23, tenoijl dat 30, 39, enz.

ingeboren 9 in Amsterdam geboren. Vgl. „inboorlingquot;.

jae \'k 18, 24 ja ik (meen, beloof het). Tegenw. ja en in zuidelijke dialecten jaak, enz. Zoo jae z1 49, 70, 76.

je 44 men.

jonnen 76 gunnen.

jou 48 jij: de ace. in pl. van den nom. Zoo oulieden 29. jokken 23 schertsen.

Jcamelotten 62 kemelsharen.

ocr page 161

9

kandeel 69 drank bij kraamvisites.

kaiael 31 slechte paling.

kerf {uit de) 34 schreeuwend duur.

klaren 10, 15, 28 goed maken, terecht brengen.

Jcleenachten 17 minachten, als onbeduidend beschouwen.

kleintje 56 kleinigheid. Vgl. ons „voor geen kleintje vervaard.quot;

klinksnoertjen 34 touwtje om de deurklink open te trekken.

kloek 77, 78 gezond, lichamelijk Hink; 42 verstandig.

knap 58, 69 spoedig.

knecht 53, 66, 78 knaap, jongen.

koken 42, 56 walgen, oprispen, kokhalzen.

kraem 53 kraambed.

kraen 44. Vgl. het „kraantje lek.quot;

kruid 34 kruiderij.

kruiken {de) beschikken 28 toebereidselen maken.

kruis 15 muntje, waarop een kruis stond.

lang 10 oorspr. bijw. van plaats, dan van tijd, waaruit zicli het modaal gebruik ontwikkelde, evenals bij immers, altijd, soms, allernet. langen 65 toereiken. Hiervan ons „aanlangenquot; en „erlangen.quot; laten 31 {hem d. i. zich) gelaten zijn.

laten dunken 29 {hem d. i. zich). Hiervan ons „laatdunkend.quot; leggen 30, 34, 57 liggen.

lepels 17. De overgebleven boeten werden verteerd ol\' verdeeld in den vorm van zilveren lepels.

letten 48 verhinderen, in den weg staan, ontbreken, mankeeren. Vgl. onze woorden „hinder, gebrek, letsel, mankement.quot;

leur 48 zie bl. 16.

lihry 64 zie bl. 46.

lichter 40 luchter, kaars.

lij dig 68 zeer.

loeren 37, 45 bedriegen.

maer 18, 23, 28, 30, 31, 52, 71, 78 wel. Nog gebruikelijk; „neen, maar!... Maar heb ik van mijn leven P Op dezelfde wijze heeft toch modale en tegeustellende kracht. Met, dezelfde bot. komen voor ivat 22, 29, 31, 53 en ba 30, 31, 32.

ocr page 162

10

malten 34 zorgen. Vgl. ons „maaJc, dat je wegkomt.quot; me is ethische datief.

mal 20 gek. Van \'t mal = in (op) den hobbel.

manieren 25, 40 zeden, handelwijzen.

meedeelen 66. Hiervan ons „mededeelzaam.*1 meermael 10 meermalen. Vgl. driemaal, dikmaals,

meester 45 heelmeester. In Drenthe is „mestern,quot; wat elders „dokterenquot; heet.

mency G9 gewag.

menniyen 18 menigeen, bijv. gebruikt. Nog voorkomende: „Menig een hond verdronkquot; (Schoolmeester).

met 74 aan, 67 bruigom met. Vgl. ons „vriend(en) met,quot; mei alilen) 17, 24, 44, 66 versterking, later geworden en al: „geheel en al, met wortel en al.quot;

meuken 36 week slaan.

mikken 22 raken, treilen.

moet (mit een koele) 24. Vgl. ons „in koelen moede.quot;

moeten 78 mogen.

mogen 12, 14. 53, 54, 60, enz. kannen, 16 moeten. mom 51 gemaskerde. Zoo bet. ook „persoonquot; oorspr. mom. Hiervan mommen 66.

murruw 36 murw. Vgl. ons „geluw,quot; enz.

nae 19, 23, enz. naar, met een bez. genitief door weglating 68. nest 14 3e nv.

nichten 54 nicht zeggen. Vgl, „jouwen, juichen,quot; enz.

niet 17, 21 = niet: het versterkt geen 10, niemand 47 ; = niets 14, 17, 20, 21, 49, 22, enz.; 39 niet anders, niets.

noot 21 behoefte, gebrek.

nf 15, 31, 38, 45, 55 als, 43 alsof.

om 34, 41 voor: \'t duidt in waerom, omdat 18, 38 een doel aan, zooals bv. nog voor den infinitief; om den hals zijn 18, den hals verloren hebben. Vgl. „om hals brengen.quot;

ommekomen 15 verloren, verschrikkelijk.

ommezien 39 aarzelen, bedenken.

onderspit {in 7) zijn 23, raken 88. Vgl, „liet onderspit delven,quot;

ocr page 163

11

Duidelijk is tic eig. bet. dezer uitdrukkingen niet. (Zie het Ifuur-denboek).

onderwinden 67 onderstaan, op zich nemen.

onnozel 78 onschuldig.

onihout 44) begrip.

ontleggen 65 door een uitvlucht ontkomen. Zoo ook bv. in „Aalmoes ontlegdquot; van Huyqens.

ook 25 toch Zoo nog tegenwoordig.

oorlof 74 verlof.

op 23, 63 aan, 51, 66 omhoog, 32 open, 7i om, 66 van.

open 30 zelfst. gebr. bijv. nw., opene ruimte.

opnemen 52 wegnemen.

or dormancy 28, 41 regeling.

paardevoeten {uit de) 37 uit de voeten. Eene uitdr., die in oorlogstijd duidelijk is.

pas 27 straks.

passen 37 oppassen, passen op 38 geven om, 29 zorgen voor pekelhoer 43. Vgl. pekeliinring, -vleesch, -zonden (dit wellicht onder invloed van „peccaviquot;).

pijpen 56 fluiten. De iluiten zijn valsch.

pleeg{Ji) 17 plag{h) 29, thans placht. Deze vorm (e uit a) komt sedert de ME. voor, was vooral in de 18c eeuw gewoon en wordt nog bv. door Potgieter gebruikt. BI. 23 kan het praes. zijn; vgl. leg en zoek 30.

plok 19 pluk, opbrengst. Stam van plokken, d. i. plukken. poep 16 een plat tusschcnwerpsel: dat kan je denken!

pogen 52 drinken.

poot 18, 37 hoofd.

poppen 25 proppen van brandbare stollen. „De p. in \'t hoofd hebbenquot; kwaad bedoelen. (Verdam).

preutelen 43 pruttelen, 65 binnensmonds praten, mommelen. Frincenhof 17, 20. Zie Potg. Ilaesje Claes. De bestemming van het gebouw is veranderd. Zoo ook zijn voor het tegenw. geslacht Veugelsteegt Kercsbrug, Vismarkt 31, Meulewerf 60, IIei-ligewegspoort 67, Volewijk 70 onduidelijke namen geworden. puf 55 een tusschenw., dat minachting aanduidt.

ocr page 164

12

qitaeslién 42. Bedoeld worden de Remonstr.-Contra-R. twisten. ranken 13, 42, 51 listen, streken.

rapen 66 pakken. Vroeger meer gebruikelijk, zelfs van abstracte zaken ; bv. vreugde.

recht 38 gereeht. Hiervan rechten 38 voor \'t gereeht brengen.

rechte {in de) 59, 85 terecht.

rechtevoort 25, 28, 29, 63 dadelijk, spoedig.

ree 49, reede, gereed. Vgl. „alreedequot;.

re (je ment stellen 36 den baas spelen. Vgl. redjement 57 drukte en ons „rementenquot; (Gr. Dr. Ov.).

reis {ien) 65 ereis, reis.

schade 74 jammer.

schendiyh 37, 56 schandelijk.

schién 11, 21 nog in „misschienquot;. Anders vervangen door ye-schien, later geschieden.

schier of morgen 21 vroeg of laat. Dit schier (= schielijk) komt met gewijzigde en nog gebruikelijke bet. voor bl. 22, 42, 45, 50; vgl. ons bijw. „haast.quot;

schoeijen 22 passen (op een leest).

sint 64 sinds.

slaen {geluid) 52 geven. Vgl. achtslaan 52. Be dooi^ de moorl slaat hem 10, 24 hij sterft.

slecht 21, 53 eenvoudig.

stol 23, 67 zin. Vgl. bij Ca/ts: „dit is een ding, dat niet en sluit y

smeek en 21 mooipraten. Vgl. Du. schmeicheln.

smeer en 10 smullen.

snacr 71 schoondochter; anders schoonzuster. Vgl, zwager.

sneven 18 vallen, tot zonde vervallen.

snoer 41 touw.

snof 14 reuk.

snoór 50 snooder, slechter.

snuiven 17 snuffelen.

spraekmakende 12 taalmakende.

stade (te) 68 van pas.

ocr page 165

13

steken 07, 64 verbergen. Het verl. ilw. was geste ken 39, 09,

stijgen 10 gaan. Vgl. steeg, op- en afstijgen, enz.

story 30 historie, als in \'t Eng,

streek en 73 strekken tot, 77.

strijken 20 gaan.

te bijw. voor een stellenden trap 10, 51, 06, 67 zeer. te „ i, „ vergrootenden trap, oorspr. een voornw. 08. ie voorzetsel 9, 75 als, tot. Gevolgd door een zelfst. mv. ol\' bijw.: tans (d. i. tc hande) 13 aanstonds, {\' avonl 25, 26, 28, 29, 3G/ 02 van avond, vgl. te nacht 29, C evens 50 tc gelijk, temet 53 straks, waarvan altemet 39, 70 met gewijzigde bet , te moet 27 te gemoet, C uwen besten 17 liet ga tot uw best; verder met het lidw. saamgetrokken ten hesten 20 tot best, ten afteren zetten 50 benadeelen, ter mond 39, vgl. ter been, ten spijt, ten prooi, enz., ter sluik 71 thans met bijw. s.

teerst dat 14 zoodra als.

tegenwoordelijk 75 tegenwoordig. Vgl. statelijk naast statuj (Orion), enz.

tellens 23 verdeelingsgenitief.

temen 19, 31, 40. Zie bl. 14.

V en vjaer 47 dan, behalve.

tyen, tijgen — teeg — getegen, eig. tien, tiegen — toog — getogen, 11, 13, 17, 20, 25, 28, 30, 35, 52 trekken.

toeleggen 07 bijdragen.

lot 16, 26, 36, 46, enz. bij.

toveres 11 toovenares.

totehei 13 een slordig vrouwspersoon, morsebel; ook een viseh-net. Voor hel vgl. lap, slet.

Trijnnift en 30, Peteweinen 40, bestemoers 62 zijn genitieven, waarbij een subst. is weggelaten. Zoo nae^ hij Z/7ar nar s 68, 70. troosje 31 troostwoordje.

trouwen 36, 42, 43, 53, 58, 61 in trouwe(n), waarlijk; met bijw. s en gewijzigde bet. ons „trouwens.quot;

tuig jen 69 onderriem, enz. Zie bl. 70.

tum casus mutatur 69 dan verandert het geval.

ocr page 166

14

vallen 72 zijn, zooals nog heden.

van 77 om, voor ; 35, enz. door.

varen 48 rijden, er uit varen 60 terugtrekken. Een hekel is een werktuig om vlas te zuiveren. De tig. bet. staat mogelijk onder invloed van de Middeleeuwselie spreekwijze: „na hekelvelde varenquot;, d. a naar het heksenland, naar de hel gaan. (Zie het beroemde JtmÊÈLirdb. van Prof. Verdam).

valeti 2C) vaatwerk; schotels, potten, enz.

veyevier 42 vagevuur.

verbrieven 43 overbrieven.

verdrieten 18 verdriet doen.

verlanyen 78 onpers. Vgl. „mij schriktquot;, thans ,vik schrikquot;, enz.

verletten 75 ophouden, tegenhouden.

vijgen 18 heetten een middel tegen de blauwe scheen.

vileinig G3. Vgl. Fr. „vilainquot;.

vilt 57 zie bl. 10.

vliet 50, d. i. vliedt.

vol 26. Vgl. „volle zeilenquot;.

Volewijk 70. eig. Vogelewijk, was een woeste spreek aan de overzijde van het Y, waar men de kleine kinderen vandaan haalde. voorschreven 29, 37 voornoemd, bovengemeld.

voort 10, 23, 47 verder, voortaan, met bijw. s ons „voortsquot;. voortbringen 52 vertellen.

voortgaan 28 voortgang hebben.

vroom 35 braaf.

waerde 66 som.

ivat 35 wat kant. ivat dat, of 47, enz. in afh. vragen, v:at — voor een eig. wat — als een. wat fray er reden 39, wat ge-w a uw cis 43 2e nv. na wat. Hieruit ontwikkelde zich het bijv. gebruik van wat. Vgl. voor een bijv. wie: wie droes 67 = wie duivel. weg 10 manier.

weldig 52 geweldig, machtig. Zie 41.

vierden 14, 30, 41 worden; impf. leordi 39, 52, 71 zooals nog wel in \'t Groningsch. Zie bv. Bilderdijks Spraakleer bl. 144 en 148 en vooral Dr. Lubach Over de verbuiging van het werkwoord hi de 16e eeuw, bl. 44.

ocr page 167

wet {van de oude) 62 = ouderwets(ch). wet — zede. wijd? 34 wijde, tlians wijd.

zakkerlijsjes 41 zakkerwilliyen 50 verbasterde vloeken uit saeer (d. i. lieilig), ealix (d. i. kelk) en wil

zalig 19 vs., 2 goed. Zoo bv. nog in Willem Leevend.

zanger {een) worden 50 gaan zingen.

zeltzaem v. 07 (heel) vreemd voorkomen.

zeper 70 zeker, evenals „sapperquot; uit Lat. saeer, heilig.

zeitinqh 65 omslag.

zij {aen een) 17 aan den kant.

zijn vervoegd met hebben 22, enz.

zijn 47 hem, zieh. Zie Ojmi. bl. 17. Omsehrijv. van 2en nv.. dees zijn zoon 10; zoo hacsen 50, de luy ha er boezem 08, vgl: bl. 50 vs. 4.

zonderling 24 nadrukkelijk, bijzonder; vgl. bl. 21.

zorgh{e) 17 zorg, 16 vrees.

zorgen 14, 15, 17, 21 vreezen.

zulk 69 van bijv. zelfst. geworden, later vervangen door zulksgt; eig. een part. gen., waarbij iets of wat ontbr. Vgl. woorden als nieuws, lekkers, enz. Ook alles, iets, enz

zulken 18, enz. zulk een(e). Opmerkelijk is de vorm van het bijv. nw.; zukken preussen dier 74, zukken tag en vel 77, zukken zoeten dier 72. Vgl. met suleken lossen sand {Zeestraet), enz.

zuzannesboef 36 schelm. Susanna was de vrouw van kou, Joakim, die, haren eehtgenoot in de Babyl. ballingschap gevolgd zijnde, zich van den laster van ontrouw gelukkig wist te zuiveren. zwaeger 50, 56 schoonzoon.

zwaer 52, 68 zwanger.

ocr page 168

OPMERKINGEN BIJ DEN WAEENAE.

1«. In de woordenlijst zijn niet vermeld verscliillende dialectische eigenaardigheden, voor het meerendeel uitlsuitend Amstcrdamsch : en in pl. v. c : meiden 60, zeun 71, keuniny 64, veur 38, 71, 74, deur 14, 38, 50, meug en 12, meugelijt-, heus 14, {ver)sleuren. Echter kook en 11, 32 v. keuken. (Vgl. bij 11 het spr. een vette keuken een mager t.)

eu in pl. v, e : deuze 33, speulen 14, veul 34,

eu in pl. v. oe ; teuven 69, reukeloos.

eu in pl. v. u •. keunen 70, ik keun 29, gij keunt 42.

ie in pl. v. ee: lieren 33, ierst 14, iens 35, schiet 72, briet 14, slien 18, mi enen 24, 37, alliens 32, miesier, zier. hieu) kieren, ie in pl. v. ei -. eliel 71, d. i. geleid.

ai in pl. v, ei: maisje 14, rains 08 (met bijw. s), faileni hrayen 74, besiailjes 6G, bait 29, paizen 29, maid, yraine, d. i. greinen.

ee ia pl. v. ei \\ kleen 17, bescheet 29.

ei in pl. v. e •. veinster 16, dein ken 47.

u in pl. v. i: it up, rub ben; omgek, stikken.

u in pl. v. o : munnek 27, juny 77, dul 14, slurf 21, lourp 41 (fig. kind) en van e-. drum pel, spul 21.

o in pl. v. a : ducht 34, brocht 40, ontioossen ^b, of 74. ou in pl. v. u : nou 28, yrouwen 34, waerschouwen 16, ou 29. ny in pl. v. n voor d, t, s, welke laatste letter soms assimileert : any der s, w any der en 45 (d. i. wanderen, wandelen), monyt 13, langt 54, lonyt 17, onys, danysen 77, stcny, zonyer 61, evonyen 68, onyer 64, honkje 56.

geheel of gedeeltelijk verdwijnt ye: beuren 12, loven 17, 70, 78, zeischap 52, riet (d. i. gereed), ekliet 52 (d. i. gekleed), eweeken 67 (d. i. geweken, gezakt), enz.

d is gesync. cl\'; geworden in be yen 11, snij er 15, sc he ij en, spoeien 13, 25, vijnen 10, 39, 68, kijeren 42, aers (zie Wdl).

ocr page 169

17

t is weggelaten in slegh C9, ken 40, 43, wellicht ook in pleeg 23, dunk 48, hiel 15, 72 = hield, enz., zulke is geassimileerd tot zukke, de verl. tijd van vallen is vil 22, van willen ivod 69, 43, van lidden ze hadden^ de teg. tijd van komen ik kooM) hij korn^pY, van leggen (voor liggen) vindt men leit 15, waarnaast van liggen liegt 23, van hebben het 47 (d. i. heeft), van zijn je zint, van zullen zei 10, zeilen 53.

Nmo 14, 28 is nieuw, vier 15, 16 is vuur, huin en huiden 17, 71 is heden, zeiver 16 is zelf, mennig 18 is menig, krioel 43 is gekriel.

mijn, toonl. me?ii bet. mij 14, 15, 18, 23, 32, 34, 37, 50, 52, 75. Naar analogie krijgt zijn de bet. van hem, zich.

Iie7is 29 is een dubbel meerv.

2°. Bij enkele verzen.

BI. 11 vs. 2. Twelk komende te schien, zal men mij beter eeren. Absolute constructie: als dit komt te gebeuren, enz.

BI. 15 vs. 3 v. o. Wie dat er komt kloppen, en laet niemant in. Na een onbep. vnw. versterkt dat, evenals zoo en al: wie zoo, al wie. Na een betr of vrag. vnw. of bijw. versterkt dal het onderschikkend zinsverband: zoo nog heden. Een dergelijk overbodig gebruik van dat vindt men bl. 18 vs. 1 v. o. en hl. 75 vs. 3. v. o.:

Zelden dat zulk volk haar grootvaers huizen bewoon en.

Men kan hierbij aan een ellips denken ; quot;Wie het zij, dat (betr. vnw., onz. als het antecedent); licht, zelden is het, dat (voegw.); vgl. bv. bl. 15 :

Gaet binnen, lieym! nu is\'t dafje *1 huis bevolen wort, dan het is niet mogelijk alle gevallen bv. bl. 16 vs. 9 daarmede te verklaren. Evenals dat is ook of ter versterking van het onderschikkend zinsverband in gebruik: bl. 47 wat of dit wezen magh ?

haer grootvaers: vgl. een eerlijk mans kind, haer moertje zaligers leven, je dochters bruiloft 43, blinde Gerrits grepen 47, ongze dochters deugden, zijn zusters reen 17, enz.; — beiooonen is meerv. bij een collectief als onderwerp.

ocr page 170

18

Evenzoo staat hebben voor heeft, omdat meti een collectief begrip is :

BI. 51 vs. 5. Wat loopt ra al perykels, die kinderente vrijen hebben. Deze bijzin is voorwaardelijk bijvoeglijk, evenals

BI. 13 vs. 2 v. o. Hoe wel waer men \'er an, die zaligh waer gehangen l Voorwaardelijk bijwoordelijk kan worden opgevat de bijzin in :

BI. 63 vs. 8. Bat de pot brak, zij zou te luy roepen, en

BI. 39 vs. 2 v. o. Dat men al de dochters zonder goed ten huwelijk besteden; Zoo zouden zij....

men besteden, men praten 30, hij begeerden 30, ze worden 52, gij duiden 17 hebben eene onoorspronkelijke n, die in Duitsche en Nederl, dialecten van vroegeren en lateren tijd voorkomt; worde is een in \'t Gron. en Duitsch nog bekende dubbele verleden tijd (zie werden in de Wdl.); van gij duidde (nog zeer gebruikelijk) heeft Van Heltkn eene verklaring gegeven, Vondels tetf/Ibl, 43.

me voor men is oorspr. rriesch.

BI. 16 vs. 1. Dooft me al \'t vier uit, zoo hebben ze gien spreeken. Regelmatig zou het zijn : Zoo hebben ze niets te spreken. Vgl. bl. 48 vs. 9: Wat heb je om me te spreek en ? en ons ;;gij hebt goed praten\'*.

Bl. 21. Wat staeje en praet, 65 wat staeje en preutelt, 30 legif) en zoek{t), 34 leg en speul, 57 Icit en krijt, 65 leit e/i neutell, 38 loopt en haelt, 50 gae en graef, 52 gae en maek, 58 komt en kijkt zijn ook elders gebruikelijke spreekwijzen. Van onze latere manier van zeggen zijn in den Warenar ook reeds vele voorbeelden te vinden, bl. 34, 48, 57, enz., hoewel noo; alleen voor den infinitief.

Bl. 21 vs. 5 v. o. Uw klachten vrij stilt! 78 vs. 4 v. o. Dank hebt! 48 Jlux geef over; Jlux geef 7 weer; jtux geeft \'t mij weer. En zoo ook 26 Jlux rept me.

In gebiedende zinnen stond het werkw. dikwijls achteraan. Nog heden zegt men; Nu zie! Wat je doen wilt, dat doe! enz.

ocr page 171

19

El. 22 vs. 7 v. o. Zij mogen ook wel zoo wezen) datje11 weet. Ik en antwoordje van al den dagh niet een heet. datje H iveet is een afh. zin, waarbij de hoofdzin ontbr. ; daardoor krijgt de bijzin de bet. van een hoofdzin„weet dat!quot; Zoo ook bl. 34 vs. 10 v. o.

en is eig. het ontk. bijw., versterkt door niet een heet. Het gevolgaand. zinsverband is dus niet uitgedrukt. Vgl. ook bl. 3 7 vs, 8 v. o. Men loerde me zoo niet, het moest uit de pciarde-voeten !

Bl. 15. Of hij noch zorg hi! Of \'er een buurwijf quam .. . ? 31 Of men om een heeroom liep? 37 Of men dat gespuis ging wroeten! 41 Of dit geit kost F 71 Of je tred over je voeten wat stijver? Of beteekent hier overal indien en door de verzwijging van den hoofdzin krijgt ook deze bijzin de beteekenis van een hoofdzin. ^Vij zeggen nog: Och of hij leefde! Als ik rijk was! Als men eens den dokter haalde?

Bl, 32 vs. 9. En doe \'s niet ik ik, al sloeghdy mij doot ik ik is Brabantseh. Evenzoo wa, gevuigen, auigen, ou

nomt, verlei gen, dreigen, enz.

\'5 is een partit. genitief, afhangende van niet, zooals in het Mnl. gebruikelijk was.

sloegdy is uit sloegd (later geworden sloegt) jij (later geworden gij) samengetrokken.

Bl. 40 vs. 12 v. 0. Schuersters en schoonmaeksiers, schijnt, dat \'er schier vjonen.

Bl. 48 vs. 4. Den ouwen en ik heg, dunk me, dat we zin mal. Hier is het voornw. het bij schijnt en dunkt weggelaten, zooals dat nog wel voorkomt. Ook hier denken we schuersters en s., den o. en ik aehter dat. Dit heeft er toe geleid, dat men schijnt en dunkt heeft opgevat als het gezegde van het voorafgaande onderwerp en het getal daarmee in overeenstemming heeft gebracht:

Zij schijnen er te wonen. Zij dunken me mal te zijn. Vergelijk ook :

ocr page 172

20

BI. 63 vs 6. Die een lelijk slide aengerecht heeft.

En voelt hem in zijn gemoet daer van overtuigen, Is H reen, dat om genade bidd\\

En trok vroeger gaarne het werkw. naar zich toe : wij zouden voelt naar aehteren brengen. Toch zijn zinnen als: „De opbrengst der vischzeevaart is zeer moeielijk vast te stellen, en achten ook wij het beter geen statistiek vast te stellenquot; nog in iedere courant te vinden. Ook zijn velen nog onvast in de constructie van een voorwaardelijken zin, die door en met een ander door een voorwaard. voegw. ingeleiden zin is verbonden. Reen ook 59 = reden, iecht, billijk, juist. Zie de Wdl. op Vondels Hekeldichten {Pantheon.) De beide eerste vss. worden gedacht achter dat, maar hebben door de vooraanplaatsing het werkw. is in den hoofdzin ook naar voren gebracht.

BI. 41 vs. 1 v, o. ir%t Snor her lijt jaerljcx an zijn schepen, zwaer gelane, ramps.

ramps is een part. 2e nv. enk., evenals vreugds 11. 78 vs. 4 v. o., ziels 45, met eene s naar analogie van ml. en o:az. woorden, afh. van wat,

zwaer geldne is geen adj. postp., maar veronderstelt de herha-haling van \'t voorafgaande substantief. Het adj. postp. wordt niet verbogen: bl. 41 vs. 17 een diel knollen dom.

bl. 43 vs. I v. o. schelmen, overgeven en stout, bl. 45 vs. 7 v. o. gril zot, waar de komma geschrapt moet worden.

Bl. 49 vs. 6. Bezoekt me vry over al, en ziet, of je vjat oijnt,

In zulke zinnen kan en ziet worden weggelaten. Wij komen dan tot onze wijze van zeggen: Ge moogt me vrij onderzoeken, of ge wat vinden kunt, en tot bl. 55 vs. 3 v. c. \'A- Moet me wat uit de weegh houwen, of hij \'er weer nae keek.

Bl. 53 vs. 8. Als vjij een ander doen zeiler., gelijk wij be-geeren. Dat ons geschiede.

Dit gelijk is op te vatten als het voegw. als op bl. 23 vs. 13.

ocr page 173

21

In ons rijmpje; „Wat gij niet wilt, dat u geschied\'quot; is wat het onderwerp van geschied\'.

BI. 56 vs. 11. Dil \'s \'t eerst mijn leven, dat ik zoo schen-diyh bedroegen waer.

mijn leven\', hijw. 4e nv , tegenw. ook; van mijn leven, in mijn leven.

waer is hier grammatisch niet te verdedigen.

Op hl. 52 Nadatj hij vjaer gegaen is de aanvoeg, wijs afhankelijk van „voorthringenquot;.

Noch had ik wal vergeten 73 vs. 8 is een zoogen. voorwaard, wijs, gelijk wij zeggen; „Bijna liad(de) ik nog vergetenquot;.. . d. i. zou ik nog vergeten hebben.

BI. 71 vs. 4 v. o. liet aêrde beetjen wod het hebben, dat ik selver at. De bijzin is bijvoeglijk en behoort bij beetjen.

Woordspelingen vindt men in klaren 10, potter ij 13, fokken 33 d. i. passen, inhalen 30, lakker 33, kaleteit 33, op stoel zitten 54, jouwetje 66, gamoe(n) 72.

Alliteratie is op te merken in : mijn gewaad loeit tout wilt 9 (is was heel weidsch), groot goed, kost en kleeren 10, kilkout 14, bloedigh en blaeuw 35, kladt en knoeit, kamer en kooken 37, schot schieten, gaef. .. goedt 45, veer of vlerk 46, turf treden 48, bitter als hakelaer, murrnw meuken, huilen als een hofhond, grof gaen 73, d. i. niet op de kleintjes passen, schuursters en schoonmaaksters 40, Grietje Goossens 40, Grietje Gaepstok, Weintje Wispeltuers, Dirk in de drie dreggen 61, Jannetje Joosten, mansmoer, enz.

ocr page 174

I

Uitgaven van ¥. J. TÏÏIEME amp; Cie te Zutphen.

Beekman, Aardrijkskunde van Nederland,

ten dienste van aanstaande onderwijzers en van Normaal- en Kweekscliolen. ƒ 1,50 » Aardrijkskunde van Nederland, ten dienste van M. U. L. ond., Nor-maalscli., de laagste kl. v. H. B. S., Gymnasia enz. 2e Leerboekje ...» 0,45 » Aardrijkskunde van Nederland,

voor de 3e en hoogere klassen van H. B. S., Gymn. enz. 3e Leerb. ...» 1.— » Schoolatlas van Nederland, in 24

kaarten, .... ing. f 2,90, geb. » 8,75 » en Scliuiling, Schoolatlas van de G-eheele Aarde, bevattende ruim 50 kaarten, benevens 100 kartons, ing.

f 3.90, geb. » 4,90 Bolderman, Verzameling van Voorstellen ter oefening in de Algebra, le, 2e

en 3e stukje, a......... 0,50

» Aanteekeningen bij de beoef. der

Meetkunde........»1.25

Bol

\\

ocr page 175

Bolderman, Vraagstukken, Stellingen en

quot;Werkstukken, le en 2e stukje a . ƒ 0,30 D. Boswijk en W. Walstra, Het Levende Woord,

le st., 8e dr. /quot;0,75 2e st. 2e dr. » 0,90 3e » 2e » » 1,— 4e » . . » 1,— j, » » Bouwstoffen voor 80

Opstellen . . . . » 0,75 » » » Wederl. Spraakkunst » 1,— Brugmans, Hist. Atlas der Vad. Gesctiiedenis,

ing. ƒ 1.—, geb, » 1,25 » Genealogische Tabellen. ...» 0,75 S. de Bruin, Duitsch Woordenb. 2 dln.in één band » 4,90 » Engelseh » s » in linnen» » 8,75

» » »lederen» » 9,25 » Franseh. » » » » één » » 3,90 Dozy en Brugmans, Dr., Hist. Atlas. 2edr.,/2,50,

geb. » 3,10

Kat, Nederlandsehe Spraakkunst, 2e druk. » 1,25

» Oefeningen bij Idem.......» 0,30

Schuiling, Beknopt Leerboek der A.ard-

» rijkskunde, . . . ing. / 2,25, geb. » 2,60 L, J. P. en J. A. Vermeulen, De Fransche Taal.

Voorbereidende cursus.

I (Uitsjiraak)......» 0,30

idem idem 11 (Grammaire en Uitspraak) . » 0,50 idem idem 111 (Grammaire en Uitspraak) . »0,95

ocr page 176

L. J. P. en J. A. Vermeulen, De Fransche Taal.

IV (Granimaire en Uitspraak) . / 0,50 idem idem V (Grammairo, Uitspraak en

Woordvorming).....»0,50

idem idem VI (Granimaire, Uitspraak en

Woordvorming)...... 0,50

cursus voor H. B. S. en Gymnasia Oefeningen en Granimaire, le deeltje •» O.Of La Langue Frangaise, Exer-cices et Grammaire, 2e Pa^.-tie

2me série......... 1,20

La Langue Francaise, Exer-ciees et Grammaire, 3me Partie

2me série......... 1,35

Leesboek, le deeltje.....» 0,90

La Langue Francaise Livre de

lecture 2me partie 2me série » 1,25 idem 3me » » » » 1,50 idem Grammaire......» 0.C0

-J

/

idem idem

idem idem

idem idem

idem idem

idem idem

idem idem

idem idem

ocr page 177
ocr page 178

—

ocr page 179
ocr page 180